Milieu-inspectieplan 2012 - Lne.be

lne.be

Milieu-inspectieplan 2012 - Lne.be

Voorwoord ..........................................................................................................................3

1 Toelichting ......................................................................................................................5

1.1 Uitvoeren van het Milieu-inspectieplan: de belangrijkste kernactiviteit van de

afdeling Milieu-inspectie ...........................................................................................6

1.2 Organisatie van de afdeling Milieu-inspectie ..........................................................9

1.3 Planning van de handhavingsactiviteiten ............................................................. 10

1.4 Totstandkoming van het Milieu-inspectieplan .................................................... 11

1.5 Het Milieu-inspectieplan in de beleidscyclus ....................................................... 11

1.6 Het Milieu-inspectieplan in overleg met andere actoren ................................... 11

1.7 Doelstellingen .......................................................................................................... 12

1.8 Handhavingsactiviteiten ......................................................................................... 13

1.9 Tijdsbesteding ......................................................................................................... 14

1.10 Plannen en prioriteiten ........................................................................................... 15

2 Specifieke handhavingscampagnes ............................................................................ 18

2.1 Projecten .................................................................................................................. 18

2.2 Acties ........................................................................................................................ 19

2.3 Specifieke handhavingscampagnes vorige jaren .................................................. 19

3 Routine ......................................................................................................................... 20

4 Reactieve controles...................................................................................................... 20

5 Voortgangscontrole (milieuhandhavingsinstrumentarium) .................................... 21

6 Eigen initiatief .............................................................................................................. 21

7 Seveso II-inspectieprogramma en GPBV-handhavingssyteem ............................. 22

7.1 Toelichting bij het Seveso II-inspectieprogramma ............................................. 22

7.2 Toelichting bij het GPBV-handhavingssysteem ................................................. 25

8 Fiches en overzichtstabel ........................................................................................... 28

8.1 Fiches projecten ...................................................................................................... 28

8.2 Fiches acties ............................................................................................................. 28

8.3 Fiches routine .......................................................................................................... 29

8.4 Overzichtstabel ....................................................................................................... 79

Gebruikte Afkortingen .................................................................................................... 80


Voorwoord

Met het Milieu-inspectieplan (MIP) 2012, het zestiende in zijn soort, krijgt u een goed beeld van

de manier waarop onze afdeling haar taak als Vlaamse handhavingsinstantie voor de

milieuhygiëneregelgeving invult. Het MIP 2012 volgt de Aanbeveling van het Europees Parlement en de

Raad betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties en vormt de basis voor een doelmatig, deskundig,

uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid, dat moet leiden tot een hoog

beschermingsniveau voor mens en milieu.

In het MIP 2012 zijn alle handhavingsactiviteiten van de afdeling opgenomen. Het MIP 2012 is

het resultaat van intensief intern overleg waarin alle milieu-inspecteurs hun stem konden laten

horen. Heel wat inspectiecampagnes kaderen in of geven ondersteuning aan projecten van het

MINA-plan 4 of geven uitvoering aan regionale, nationale en internationale verplichtingen.

Opnieuw wil onze afdeling tijdens de uitvoering van het MIP nauw overleggen met andere

handhavingsinstanties op lokaal, gewestelijk en federaal niveau.

Het MIP 2012 geeft uitvoering aan de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2009-2014 van Vlaams

minister voor Leefmilieu, Joke Schauvliege, door bijzondere aandacht te besteden aan twee

specifieke doelgroepen nl. Sevesobedrijven enerzijds en GPBV-bedrijven anderzijds en door ook

een flink deel van de beschikbare inspectietijd te voorzien voor ketentoezicht op afvalstoffen.

Ook emissiegerichte inspecties en controle van zelfcontroleactiviteiten van de bedrijven worden

in dit kader onverminderd verdergezet in verschillende acties van het MIP 2012. Daarnaast is er

in diverse acties ook aandacht voor andere accenten uit de Beleidsnota o.a. voor de

fijnstofproblematiek.

Net zoals in 2011, zullen de geplande handhavingsactiviteiten van het MIP 2012 geïntegreerd

worden in het Milieuhandhavingsprogramma van de Vlaamse Hoge Raad voor Milieuhandhaving,

behalve wat controles in het kader van de Seveso II-richtlijn betreft.

Met de publicatie van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24

november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van

verontreiniging) in het Publicatieblad van de Europese Unie op vrijdag 17 december 2010,

worden strikte eisen i.v.m. Milieu-inspectieplanning aan de EU-lidstaten opgelegd. Voor het MIP

van de afdeling Milieu-inspectie wachten dus nieuwe uitdagingen in de nabije toekomst. Zo zullen

inspecties bij bedrijven die onder de IE Richtlijn vallen (de GPBV-bedrijven met uitbreiding) op

een risicogebaseerde wijze moeten geprogrammeerd worden tegen 2013.

Het MIP 2012 is, net als de vorige jaarplannen, erg ambitieus. Planmatig en systematisch werken

vereist veel van een organisatie. Toch zijn we er meer dan ooit van overtuigd verder te gaan langs

de ingeslagen weg van een systematische en gecoördineerde handhaving. Net zoals vorige Milieuinspectieplannen

is dit plan unaniem goedgekeurd door de leden van de stafvergadering van de

afdeling, nl. het afdelingshoofd, de diensthoofden en de stafmedewerkers. Samen, met alle

medewerkers van de afdeling Milieu-inspectie streven we naar een zo volledig mogelijke

uitvoering van dit plan.

In het kader van een maximale transparantie en professionaliteit van de handhaving is de Milieuinspectie

gewonnen voor een actieve openbaarheid van het jaarplan. De afdeling Milieu-inspectie

zal het dan ook publiceren op haar website: www.milieu-inspectie.be.

Dr. Sc. Robert Baert

Afdelingshoofd


1 Toelichting

De afdeling Milieu-inspectie (MI) is een handhavingsentiteit. Haar opdracht is de handhaving van

de milieuhygiënewetgeving. Om die taak te vervullen, zijn er een aantal kernactiviteiten die op een

georganiseerde manier moeten worden uitgevoerd.

De belangrijkste kernactiviteit van de afdeling is „het uitvoeren van het Milieu-inspectieplan

(MIP). Haar belangrijkste doelgroep zijn de klasse 1- hinderlijke inrichtingen, haar belangrijkste

doelstelling is het verbeteren van de leefmilieukwaliteit. De afdeling inspecteert klasse 1-

bedrijven en neemt maatregelen om de naleving van de milieuwetgeving af te dwingen. Na de

hervorming van de Vlaamse overheid op 1 april 2006 speelt de afdeling ook een sleutelrol in het

ketentoezicht op afvalstoffen. Vanaf dat ogenblik werd ook de uitvoering van controles op het

transport van afvalstoffen een belangrijk actiepunt van de afdeling.

Het Milieu-inspectieplan 2012, het zestiende jaarplan van de afdeling Milieu-inspectie op rij,

omvat alle activiteiten van de afdeling die te maken hebben met het controleren van klasse 1inrichtingen

en afvaltransporten en met de maatregelen die in dit kader worden genomen.

Daarnaast voert de afdeling Milieu-inspectie nog een aantal andere kernactiviteiten uit. Deze

vormen geen onderwerp van het Milieu-inspectieplan. De afdeling is er echter van overtuigd dat

in de toekomst dit MIP zal uitgroeien tot een milieuhandhavingsplan voor de afdeling waarin alle

kernactiviteiten van de afdeling zijn opgenomen. Het MIP 2012 zal ook worden geïntegreerd in

het Milieuhandhavingsprogramma van de Vlaamse Hoge Raad voor Milieuhandhaving, behalve

wat controles i.h.k.v. de Seveso II-richtlijn betreft.

Het hoofdbestanddeel van dit document is een bundeling van de controles voor het volgend

werkjaar. Dit document schetst echter ook het kader waarbinnen de afdeling Milieu-inspectie

opereert en licht de opties en randvoorwaarden van het plan toe. Op die manier stemmen we

onze aanpak af op de Europese vereisten inzake inspectie van risicovolle en sterk

milieubelastende bedrijven. Het uitvoeren van planmatige controles is namelijk een basiskeuze

voor de Milieu-inspectie, die invloed heeft op de hele werking en organisatiestructuur van de

afdeling.

Een goed jaarplan moet helpen het werkvolume en de werkdruk te beheersen. Bovendien biedt

planmatig werken de beste garantie voor een uniforme en diepgaande aanpak. Toch leidt een

goede planning niet altijd tot een goede uitvoering: er moeten ook prioriteiten worden gelegd.

Binnen het plan krijgen de specifieke handhavingscampagnes alvast een zeer hoge prioriteit. Een

gevolg kan zijn dat niet alle routineopdrachten en reactieve controles kunnen worden uitgevoerd

zoals voorgenomen.

Bij de opmaak van dit plan worden een aantal beginselen van professioneel projectmanagement

toegepast: doelstellingen en verantwoordelijkheden worden duidelijk vastgelegd, mijlpalenplannen

worden uitgetekend, criteria voor succes worden bepaald, … . Bovendien worden voor de

uitvoering van het plan alle interne diensten en personeelsleden maximaal geresponsabiliseerd.

Voorliggend jaarplan is zeer ambitieus en maximalistisch ingevuld. Dit jaarplan moet dan ook

worden beschouwd als een uitdaging voor de ganse afdeling. Door de uitvoering ervan zullen

heel wat belangrijke milieutechnische saneringen worden verwezenlijkt, of minstens dichterbij

worden gebracht.

Milieu-inspectieplan 2012 5


1.1 Uitvoeren van het Milieu-inspectieplan: de belangrijkste kernactiviteit van de

afdeling Milieu-inspectie

Naar aanleiding van de hervorming van de Vlaamse overheid op 1 april 2006 werden binnen het

departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) een aantal nieuwe bevoegdheden opgenomen,

andere werden afgestaan; ook werd de organisatiestructuur grondig gewijzigd. Dit had voor

gevolg dat de strategische doelstellingen en de visie van het departement opnieuw moesten

herzien worden. Ook de verschillende afdelingen moesten hun doelstellingen en kernactiviteiten

herzien, aangezien deze moeten bijdragen aan de strategische doelstellingen van het departement.

Als gevolg moest ook de personeelsinvulling aangepast worden. Alle afdelingen van het

departement maakten in het voorjaar van 2007 deze grondige oefening, „Strategisch, Operationeel

en Personeelsplan (SOP)‟ genaamd.

Deze oefening werd hernomen in 2010. De implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet

sinds 1 mei 2009 kreeg een vertaalslag in de operationele doelstellingen van het nieuwe SOP in

die zin dat de rol van de afdeling Milieu-inspectie in de gehele handhavingsketen duidelijk wordt

afgebakend t.o.v. die van de nieuwe afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer in

het departement LNE. Het SOP 2010 vermeldt: de bestaansreden van de afdeling Milieuinspectie

is de milieuhandhaving (van de milieuhygiënewetgeving). Het milieuhandhavingsproces

bestaat uit: toezicht houden, bestuurlijke maatregelen nemen en sanctioneren. De sanctionering is

geen taak van de afdeling Milieu-inspectie.

Het SOP 2012 van de afdeling Milieu-inspectie gaat, net als in 2011 en 2010, uit van drie

strategische doelstellingen voor de afdeling:

1. Handhaving van de milieuhygiënewetgeving versterken voor een kwaliteitsvol leefmilieu

2. Actieve wisselwerking met andere milieu(handhavings)actoren intensifiëren

3. Versterken van de deskundigheid

Deze strategische doelstellingen worden ingevuld door een aantal kernactiviteiten die de

dagelijkse werking van de afdeling omvatten. De kernactiviteiten zijn:

1. Planmatig toezicht houden en maatregelen nemen

1.1. Opstellen van het milieu-inspectieprogramma (MIP)

1.2. Uitvoeren MIP (specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles,

voortgangscontroles en eigen initiatief)

1.3. Implementeren van handhavingssystemen voor Seveso, GPBV en ketentoezicht

afvalstromen

1.4. Implementeren van een permanentie- en responssysteem voor oproepen, meldingen van

voorvallen (incl. milieuschadegevallen) en crisissen (incl. milieu-incidenten), voor

wintersmogperiodes en voor ondersteuning van ketentoezicht afvaloverbrengingen

1.5. Optimaliseren van het milieuhandhavingsinstrumentarium

1.6. Uitbouwen en beheren van een geïntegreerd informatie- en dossierbeheersysteem

1.7. Administratief ondersteunen (secretariaat, personeel, logistiek, financiën, ICT)

2. Voortrekker zijn bij de beleidsvoorbereiding, -uitvoering en -evaluatie van de

milieuhandhaving (toezicht houden en maatregelen nemen) van de milieuhygiënewetgeving

2.1. Overleggen/samenwerken op intra-, inter- en supragewestelijk niveau met andere

milieu(handhavings)actoren

2.2. Uitdragen van handhaving naar overige handhavers in het Vlaamse Gewest

2.3. Meten, evalueren en rapporteren: uitdragen en toelichten van de handhavingsactiviteiten

en –resultaten (o.a. milieuhandhavingsrapport)

Milieu-inspectieplan 2012 6


2.4. Terugkoppelen van de ervaringen uit het veld naar de beleidsmakers

2.5. Pro-actief toetsen van de handhaafbaarheid en hanteerbaarheid van ontwerpregelgeving

2.6. Beleidsvoorbereiding: bijdragen aan het opstellen en omzetten van Europese regelgeving

3. Versterken van de deskundigheid

3.1. Organiseren en volgen van vorming en training

3.2. Opzoeken en verwerken van juridische, milieutechnische en beleidsinformatie

De strategische doelstellingen en de kernactiviteiten zijn recurrent voor de afdeling. Elk jaar

wordt aan een aantal kernactiviteiten extra aandacht besteed. Dit gebeurt zowel planmatig nl.

onder de vorm van operationele doelstellingen voor de afdeling voor het beschouwde werkjaar

als organisatorisch nl. door tijdelijke inzet van meer personele middelen. Belangrijkste

aandachtspunt voor 2012 is de implementatie van een handhavingssysteem voor GPBVbedrijven

in uitvoering van de Richtlijn Industriële emissies.

Kernactiviteit 2 „Uitvoeren MIP (specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve

controles, voortgangscontroles en eigen initiatief)‟ bestaat uit vier deelactiviteiten:

- uitvoering

- coördinatie en sturing

- administratieve ondersteuning

- juridische ondersteuning

Dit MIP 2012 omvat enkel het deelaspect „uitvoering‟ van de kernactiviteit „Uitvoeren MIP

(specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles, voortgangscontroles en

eigen initiatief)‟, goed voor ongeveer twee derden van de tijdsbesteding van alle toezichthouders

van de afdeling. Uiteraard zijn ook de andere kernactiviteiten gepland en begroot qua budget en

tijd, alsook de andere deelactiviteiten van kernactiviteit 2, maar deze zijn niet het onderwerp van

dit MIP.

Het uitvoeren van het MIP behelst het uitvoeren van inspecties en het nemen van maatregelen

binnen het kader van specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles,

voortgangscontroles en ook op eigen initiatief. Verder in de tekst wordt het geheel van de

betrokken activiteiten in dit kader voor de eenvoud „handhavingsactiviteiten‟ genoemd.

Inspecteren houdt in:

- toezicht houden (o.m. klachten behandelen);

- ambtshalve controleren (o.m. toezicht op ingedeelde inrichtingen in hoofdzaak van klasse 1,

controles in kader van ketentoezicht op afvalstoffen);

- technische expertise verlenen bij gerechtelijk onderzoek.

Maatregelen nemen houdt in:

- processen-verbaal opmaken en doorsturen naar de Procureur des Konings;

- verslagen van vaststelling opmaken en doorsturen naar de afdeling Milieuhandhaving,

Milieuschade en Crisisbeheer

- raadgevingen en aanmaningen geven, saneringsprojecten initiëren, volgen en evalueren;

- bestuurlijke maatregelen opleggen;

- verzoeken tot schorsing/opheffing van de milieuvergunning, verzoeken om

milieuvergunningsvoorwaarden te wijzigen of aan te vullen.

Milieu-inspectieplan 2012 7


Voor de uitvoering van deze kernactiviteit put de afdeling Milieu-inspectie haar bevoegdheden

uit artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet

van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid dd 12-12-2008:

1° titel III, titel IV en titel XV van het decreet houdende algemene bepalingen inzake

milieubeleid;

2° de wet Luchtverontreiniging;

3° de wet Oppervlaktewateren;

4° de wet Geluidshinder;

4°/1 de wet betreffende de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen,

infrasonen en ultrasonen;

5° het Afvalstoffendecreet;

6° het Grondwaterdecreet;

7° het Milieuvergunningendecreet;

8° de uitvoeringsbesluiten van de wetten en decreten, vermeld in punt 1° tot en met 7°;

9° verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september

2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen;

10° verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober

2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie

bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening

(EG) nr. 1774/2002; Verordening (EU) Nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari

2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en

de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke

consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van

Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld

zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;

11° verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004

betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn

97/117/EEG;

12° verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari

2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging

van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG

van de Raad;

13° verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006

inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen;

14° verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006

betreffende de overbrenging van afvalstoffen;

15° verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december

2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische

stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen,

houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening

(EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie

alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG,

93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;

16° verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de

uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen, vermeld in bijlage III of

III A bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar

bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de

Milieu-inspectieplan 2012 8


grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is;

17° het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;

18° het Oppervlaktedelfstoffendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;

19° het decreet Diepe Ondergrond en de uitvoeringsbesluiten ervan.

Voor de controles i.h.k.v. de Seveso II-richtlijn put de afdeling haar bevoegdheid uit artikel 5 §3.

van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams, het Waals

en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware

ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en uit artikel 4 van het besluit van de

Vlaamse regering van 22 juni 2001 tot aanwijzing van de bevoegde diensten in het Vlaams

Gewest ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat,

het Vlaams, het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de

gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.

1.2 Organisatie van de afdeling Milieu-inspectie

De organisatiestructuur van de afdeling Milieu-inspectie is tweeledig. Enerzijds is er de klassieke

verticale, hiërarchische structuur van de afdeling, met een buitendienst per Vlaamse provincie en

een Hoofdbestuur in Brussel, in 2006 aangevuld met een nieuwe dienst, Toezicht

zwarerisicobedrijven. Twee stafmedewerkers staan in voor de administratieve ondersteuning van

de afdeling (personeel, logistiek, financiën, ICT).

Daarnaast is er nog de horizontale, themagerichte structuur van de afdeling, die zijn oorsprong

vond in de confrontatie met een veelheid en diversiteit aan regelgeving, te controleren activiteiten

en te controleren bedrijven. Per milieucompartiment werd een werkgroep opgericht: Afval,

Bodem en Grondwater, Geluid en Trillingen, GGO‟s, Lucht en Geur, Ozonafbrekende stoffen

en Gefluoreerde Broeikasgassen en Water. De GPBV-werkgroepen industrie & landbouw,

bundelen de expertise bij de uitvoering van GPBV-controles (zie verder). Het „ketenteam‟, in

2006 opgericht naar aanleiding van de hervormingen van de Vlaamse overheid, sluit aan bij de

werkgroep Afval en spitst zich vooral toe op afvaltransportcontroles langs de weg en in de

zeehavens. De leden van het ketenteam werken provinciegrensoverschrijdend.

Een werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de buitendiensten en één of twee

vertegenwoordigers van het Hoofdbestuur, die fungeren als gangmaker. Bij de samenstelling van

de werkgroepen is rekening gehouden met de ervaring en de specialismen van de betrokkenen.

De werkgroepwerking moet garant staan voor een gecoördineerde en uniforme aanpak in het

hele Vlaamse Gewest.

De werkgroepen initiëren en begeleiden of ondersteunen de specifieke handhavingscampagnes.

Het Hoofdbestuur vervult een ondersteunende taak en waakt over de diepgang, de uniforme

uitvoering, de afstemming en integratie van de verschillende specifieke campagnes. Het

Hoofdbestuur coördineert ook de opmaak van het Milieu-inspectieplan en de evaluatie van de

uitvoering ervan. De buitendiensten staan in hoofdzaak in voor de inspecties, het nemen van de

maatregelen en de verdere voortgangscontrole van de bedrijfsdossiers, en verzekeren de

coördinatie van een aantal activiteiten. De belangrijkste taak van Toezicht zwarerisicobedrijven is

de planmatige en systematische controle van de zogenaamde Sevesobedrijven. Elke dienst (de vijf

buitendiensten, het Hoofdbestuur en Toezicht zwarerisicobedrijven) wordt geleid door een

diensthoofd. De algehele leiding van de afdeling berust bij het afdelingshoofd.

Milieu-inspectieplan 2012 9


Verder in dit document wordt nader toegelicht wat de precieze opdrachten zijn van de

verschillende entiteiten in de onderscheiden handhavingsactiviteiten.

1.3 Planning van de handhavingsactiviteiten

In dit MIP wordt getracht al de handhavingsactiviteiten van de afdeling Milieu-inspectie van de

kernactiviteit „Uitvoeren MIP‟ in kaart te brengen en te begroten qua budget en personeelsinzet.

Daarvoor zijn verschillende redenen.

Essentieel is dat alle handhavingsacties worden uitgevoerd op basis van een diepgaand inzicht.

De uitdaging waar de Vlaamse handhavers voor staan is ervoor te zorgen dat het toezicht op de

naleving van de milieuwetgeving evolueert van toevalstreffers naar een planmatige handhaving.

Uitwerking kan via een jaarplan voor de handhaving, waarin de prioriteiten voor een bepaald

werkjaar worden vastgelegd en de handhavingsacties worden gepland.

Ook belangrijk is de algemene Europese trend naar een meer systematische, planmatige,

gecoördineerde en geïntegreerde handhaving. Enerzijds is er de op 27 april 2001 in het Europees

Publicatieblad gepubliceerde aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april

2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten Anderzijds is er de

nieuwe Richtlijn Industriële Emissies, PB EU 2010/334, op 17 december 2010 gepubliceerd in

het Europees Publicatieblad, die een risicogebaseerde inspectiefrequentie, via een

inspectieprogramma en –plan, oplegt voor de onder deze richtlijn ressorterende installaties (dit

zijn de installaties van de vroegere GPBV-richtlijn en geringe uitbreiding). Daarnaast is er de

Seveso II-richtlijn 1 die specifieke eisen oplegt in verband met inspectie. De opmaak en uitvoering

van een inspectieprogramma horen bij de belangrijkste daarvan. Zo‟n plan moet zeker de aard

van de geplande onderzoeken, de toe te passen methodiek en de voorziene periodiciteit

vermelden.

In de aanbeveling, die van de drie bovenvermelde regelgevingen het breedste toepassingsgebied

heeft, zijn belangrijke bepalingen opgenomen inzake planning. De aanhef verwoordt de noodzaak

tot planning als volgt: “Om de doeltreffendheid van dit inspectiesysteem te garanderen, dienen de

lidstaten erop toe te zien dat de milieu-inspectieactiviteiten van tevoren worden gepland.” Er

wordt in de aanbeveling een onderscheid gemaakt tussen routinematige en incidentele milieuinspecties.

De eerste groep maakt deel uit van een vooraf vastgesteld inspectieplan. De tweede

soort vindt plaats bijvoorbeeld bij onderzoek naar ongevallen, incidenten of gevallen van nietnaleving

van de voorschriften, of naar aanleiding van een klacht, e.a.

Hoofdstuk IV werkt de milieu-inspectieplannen verder uit. De lidstaten moeten ervoor zorgen

dat de milieu-inspectieplannen het hele grondgebied en de gecontroleerde installaties daarin

omvatten, en dat de plannen onder andere op basis van een algemene evaluatie van de belangrijke

milieuvraagstukken worden opgesteld. Verder wordt nog gesteld dat het plan tenminste de

routinematige milieu-inspecties moet voorschrijven, en moet voorzien in procedures voor

incidentele milieu-inspecties.

Over het lopende Seveso II-inspectieprogramma en het concept van GPBV-handhavingssysteem

(in uitvoering van de Richtlijn Industriële Emissies) kunt u meer lezen in hoofdstuk 7.

1 Seveso II-richtlijn: richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware

ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken

Milieu-inspectieplan 2012 10


1.4 Totstandkoming van het Milieu-inspectieplan

De opmaak van het MIP 2012 gebeurde gespreid over het hele jaar 2011. Het eerste kader

ontstond bij het indienen van de begrotingsvoorstellen (voorjaar 2011).

De werkgroepen stelden een aantal projecten, acties en handhavingsstudies (specifieke

handhavingscampagnes) voor en gaven aan de hand van een aantal criteria hun voorkeuren aan.

Na de zomer werkten de werkgroepgangmakers van het Hoofdbestuur deze voorstellen meer in

detail uit en deden een inschatting van de benodigde VTE en het budget. Deze voorstellen

werden intern besproken door de leden van de stafvergadering (diensthoofden, stafleden en

afdelingshoofd) en prioriteiten werden gelegd.

De leden van de stafvergadering aanvaardden het MIP 2012 principieel op 22 december 2011.

1.5 Het Milieu-inspectieplan in de beleidscyclus

Hoewel het uitvoeren van het MIP de belangrijkste kernactiviteit van de afdeling uitmaakt en dus

veruit de meeste tijd in beslag neemt, betekent dat niet dat de andere opdrachten van de afdeling

worden veronachtzaamd. Ze worden echter niet opgenomen in dit Milieu-inspectieplan.

Het feit dat het MIP zich beperkt tot het deelaspect „uitvoering‟ van deze kernactiviteit betekent

echter geenszins dat er geen verbanden bestaan met andere beleidsinstrumenten en andere

beleidsactoren. De meeste (nieuwe) specifieke handhavingscampagnes hebben een link met het

MINA-plan 4. Een overzicht wordt gegeven in de tabel bij de volgende paragraaf.

1.6 Het Milieu-inspectieplan in overleg met andere actoren

Naast de afdeling Milieu-inspectie zijn nog andere gewestelijke, federale en lokale actoren

betrokken bij de handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Elk van die instanties heeft hierbij

een eigen rol, opdracht en inbreng. De verschillende invalshoeken, de kennis en de ervaring bij

deze diensten kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan het geheel van de handhaving. Met de

implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet (mei 2009) wordt het formaliseren van de

samenwerking tussen de verschillende handhavingsactoren één van de belangrijkste opdrachten

van de Vlaamse Hoge Raad voor Milieuhandhaving.

In de tabel op de volgende bladzijde wordt aangegeven met welke actoren wordt overlegd bij de

realisatie van de projecten, acties en specifieke handhavingsstudies en wat de relatie is met het

MINA-plan 4.

Door de steeds verdergaande mondialisering bevindt de handhaving zich meer en meer in een

internationale context. De afdeling Milieu-inspectie heeft daarom als taak gewestoverschrijdende

en internationale contacten te leggen en actief deel te nemen aan de tot stand koming van

internationale vernieuwingen en tendensen. Dit gebeurt in de eerste plaats binnen kernactiviteit 6

„Samenwerken op intra-, inter- en supragewestelijk niveau met andere milieu(handhavings)actoren‟

maar ook in het kader van een aantal specifieke handhavingsacties.

Zo wordt onder meer overlegd met het Waalse gewest, het Brussels Hoofdstedelijk gewest en

met de DREAL van de regio Nord - Pas de Calais in Frankrijk.

Deze contacten moeten het de afdeling Milieu-inspectie o.a. mogelijk maken om

gewestoverschrijdende (bv. geurproblematiek en luchtverontreiniging in de omgeving van

Milieu-inspectieplan 2012 11


Moeskroen) en grensoverschrijdende (bv. dioxine- en PCB-contaminatie in de omgeving van

Menen) milieuproblemen efficiënt en doelmatig aan te pakken.

Projecten

Acties

Relatie met MINA-plan 4 Overleg met anderen

Thema Titel Nr. Verwijzing naar thema MINA-plan 4

Water Controle op de verwijdering van micropoluenten bij RWZI's P108 7.2.4. Goede toestand watersystemen

B&G Controle van geothermische installaties P524 7.2.4. Goede toestand watersystemen VMM, ALBON, DOV

Afval Controle op sortering van bedrijfsafval P643 7.2.5. Minder absolute milieudruk

7.2.6. Milieuverantwoorde productie en consumptie

OVAM

Controle op het wegtransport van afvalstromen P650 7.2.5. Minder absolute milieudruk OVAM, BIM, DPC, Federale

autoriteiten (politie, FLI)

Controle op de uitvoer van afvalstoffen via zeehavens P651 7.2.5. Minder absolute milieudruk OVAM, BIM, DPC, Federale

autoriteiten (politie, FLI)

Controles in het kader van ketentoezicht P654 7.2.5. Minder absolute milieudruk OVAM, BIM, DPC, Federale

autoriteiten (politie, FLI)

Controle op de sector van afgedankte voertuigen P655 7.2.5. Minder absolute milieudruk

7.2.6. Milieuverantwoorde productie en consumptie

OVAM, Scheepvaart- en lokale politie

Controles van de asbestverwijderingsketen P990 7.2.1. Betere leefkwaliteit

7.2.5. Minder absolute milieudruk

OVAM

GPBV Geïntegreerde controle van GPBV-landbouwbedrijven (varkens- en P991 AMV, VLM

pluimveebedrijven)

Deze controles hebben een relatie met zowat het hele

Geïntegreerde controle van GPBV-bedrijven uit de sectoren

chemie en oppervlaktebehandeling van metalen

P998

spectrum van thema's

REACH Controle op de naleving van REACH P810 Forum Nationaal REACH

Water Controle van RWZI's A111 7.2.4. Goede toestand watersystemen

Controles op vraag van VMM A118 7.2.4. Goede toestand watersystemen VMM

Voedingsbedrijven onder richtlijn 91/271 A217 7.2.4. Goede toestand watersystemen

Lozing van gevaarlijke stoffen A237/8/9 7.2.4. Goede toestand watersystemen

Controle van car- en truckwashes A242 7.2.4. Goede toestand watersystemen

Lozen van verontreinigd hemelwater A243 7.2.4. Goede toestand watersystemen

Lozen van koelwater A244 7.2.4. Goede toestand watersystemen

Ecotoxiciteit van bedrijfsafvalwater A245 7.2.4. Goede toestand watersystemen

Veiligheid Uitvoering van het Seveso II-inspectieprogramma A316 4.6 Beheersen van risico's FOD WASO, FOD Economie, BIM,

SPW DPA

Controle van de veiligheidsaspecten bij koelinstallaties op

ammoniak

A340

Controle van de opslag van gassen in vaste houders A342

Geluid Geluid- en trillingsonderzoeken A407 7.2.1. Betere leefkwaliteit

Kwaliteitscontrole akoestische onderzoeken A408 7.2.1. Betere leefkwaliteit AMV

B&G Controle van grondwaterwinningen A519 7.2.4. Goede toestand watersystemen VMM

Controle van de zelfcontrole grondwater A522 7.2.4. Goede toestand watersystemen VMM

Afval Controles in het kader van de overeenkomst dierlijke bijproducten A621 7.2.1. Betere leefkwaliteit

7.2.5. Minder absolute milieudruk

OVAM, FAVV, VLM

Inspecties verwerkers organisch-biologische afvalstoffen (OBA) en mest A639 7.2.5. Minder absolute milieudruk

7.2.6. Milieuverantwoorde productie en consumptie

OVAM, FAVV, VLM - Mestbank

Lucht Controle op gefluoreerde ozonafbrekende stoffen en

broeikasgassen

A614 7.2.5 Minder absolute milieudruk ALHRMG

Controle van de zelfcontrole lucht A733 7.2.1. Betere leefkwaliteit, 7.2.3. Schonere lucht en

7.2.5. Minder absolute milieudruk

Geuronderzoeken (Maasmechelen, Bavegem, Aarschot) A740 7.2.1. Betere leefkwaliteit betrokken gemeenten

Fijn stof (PM10): aanpak van diffuse emissies in 'hot spot'-gebieden A751 7.2.1. Betere leefkwaliteit, 7.2.3. Schonere lucht en

7.2.5. Minder absolute milieudruk

VMM, AMV ALHRMG

Emissiemetingen bij biomassa- en

A755 7.2.1. Betere leefkwaliteit, 7.2.3. Schonere lucht en AMV, ALHRMG, OVAM, VEA, VREG

houtafvalverbrandingsinstallaties

7.2.5. Minder absolute milieudruk

Acties ter beperking van de emissie en de verspreiding van zware A757 7.2.1. Betere leefkwaliteit, 7.2.3. Schonere lucht en VMM

metalen naar de lucht

7.2.5. Minder absolute milieudruk

Leak Detection and Repair (LDAR) A759 7.2.3 Schonere lucht en 7.2.5 Minder absolute

milieudruk

ALHRMG

Controle VOS-emissies bij solventverbruikende bedrijven A760 7.2.3 Schonere lucht en 7.2.5 Minder absolute ALHRMG

Damprecuperatie fase 2 A764 milieudruk

Evaluatie van de implementatie van de stappenplannen bij

A765 7.2.1. Betere leefkwaliteit, 7.2.3. Schonere lucht en VMM

schrootverwerkende bedrijven + benchmark

7.2.5. Minder absolute milieudruk

GGO Controle van ingeperkt gebruik A850 4.6 Beheersen van risico's AMV, WIV-SBB, AZG-TOVO

Ook het ketentoezicht op de afvalstoffen, waarvan de controles op de in- en uitvoer van

afvalstoffen in de zeehavens en op de weg een belangrijk aandeel vormen, vraagt een vlotte

samenwerking met de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten van de Europese Unie.

Naast het uitvoeren van het MIP zal de afdeling Milieu-inspectie ook sturen en begeleiden, o.a.

door het aanreiken van inspectiemethodieken. Deze aanpak moet worden gezien in het kader van

de integrale benadering van het handhavingsbeleid. Om daaraan invulling te geven zal aan

netwerkvorming moeten worden gedaan. De samenwerking die in dat netwerk kan ontstaan,

moet een synergetisch effect genereren op het vlak van efficiëntie en doelmatigheid van de

handhaving. Het opzetten van een systeem waarbij op een gestructureerde manier relevante

informatie wordt uitgewisseld is hierin onontbeerlijk.

1.7 Doelstellingen

De doelstellingen van het MIP situeren zich op verschillende niveaus.

Milieu-inspectieplan 2012 12


Op het niveau van de organisatie heeft het plan een doelmatige, deskundige, uniforme, integrale

en sturende aanpak van de controles tot doel.

Een tweede belangrijke doelstelling situeert zich op het vlak van de effectiviteit van de controles:

het plan moet diepgaande en zo mogelijk geïntegreerde controles voorzien bij klasse 1inrichtingen

die sterk milieubelastend zijn en/of een veiligheidsrisico voor de omgeving

inhouden. Bij de selectie van de bedrijven moet eveneens rekening worden gehouden met de

milieureputatie van de bedrijven: werden er in het verleden voldoende milieu- en/of

veiligheidsmaatregelen getroffen?

Ten slotte zijn er voor de verschillende handhavingsactiviteiten zelf nog een aantal

resultaatgerichte doelstellingen. Die doelstellingen worden in de betreffende hoofdstukken

toegelicht.

De uitvoering van het plan is de belangrijkste kernactiviteit van de afdeling Milieu-inspectie. Het

is daarbij belangrijk te noteren dat het MIP een uitdaging is voor de afdeling Milieu-inspectie en

dus in principe maximalistisch. Allerlei omgevingsfactoren kunnen ervoor zorgen dat het plan

niet volledig kan worden uitgevoerd.

1.8 Handhavingsactiviteiten

Dit plan is ambitieus. Er wordt getracht al de handhavingsactiviteiten van de afdeling Milieuinspectie

te begroten qua middelen en tijd. Die activiteiten zijn echter talrijk en verscheiden. In

het MIP worden ze gegroepeerd volgens hun aard en oorsprong.

Allereerst zijn er de specifieke handhavingscampagnes, verdeeld in projecten, acties en

handhavingsstudies. In de desbetreffende hoofdstukken van het plan wordt nader toegelicht wat

precies wordt verstaan onder die activiteiten. In het deel omtrent de specifieke

handhavingscampagnes worden de activiteiten per werkgroep behandeld en wordt er een

overzicht gegeven van de specifieke handhavingscampagnes die werden gestart in de voorbije

jaren, maar nog niet werden afgerond.

Naast de specifieke handhavingscampagnes is er nog een brede waaier aan andere

handhavingsactiviteiten, die een belangrijke plaats innemen in de werkzaamheden van MI. In het

MIP wordt een onderscheid gemaakt tussen routineopdrachten en reactieve controles.

Bij routineopdrachten ligt het initiatief bij de afdeling Milieu-inspectie. Het is de toezichthouder

die in samenspraak met zijn/haar diensthoofd en conform de prioriteitenlijst en andere gemaakte

afspraken beslist of een bepaalde controle wordt uitgevoerd.

Reactieve controles impliceren een reactie op een appel dat wordt gedaan op de afdeling Milieuinspectie:

klachtenbehandeling, optreden bij voorvallen, kantschriften van parketten,

informatievraag vanuit de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer in het kader

van de bestuurlijke sanctionering, evaluatieverslagen (beoordeling van proefvergunningen, van

nieuwe afvalverwerkings-inrichtingen, van werkplannen). Verdere toelichting wordt gegeven in de

desbetreffende delen.

Het MIP wordt samengevat in een tabel, waarin voor al de activiteiten zowel de geraamde

tijdsbesteding als het voorziene budget zijn opgenomen.

In de tabel zijn er naast de bovenstaande groepen ook nog de rubrieken “Voortgangscontrole

(milieuhandhavingsinstrumentarium)” en “eigen initiatief” opgenomen. Het is immers zo dat een

Milieu-inspectieplan 2012 13


dossier uiterst zelden kan worden afgesloten na één inspectie. Verdere voortgangscontrole is

vereist. Bovendien is het van belang dat de toezichthouders tijd hebben om op eigen initiatief

zogenaamde ambtshalve controles uit te voeren. Dit plan vermeldt ook voor deze activiteiten een

begroting qua budget en tijd.

Het Seveso II-inspectieprogramma is in de tabel opgenomen onder de vorm van actie A316.

Aangezien het GPBV-handhavingssysteem nog moet geïmplementeerd worden, komt het nog

niet tot uiting in de overzichtstabel.

1.9 Tijdsbesteding

Aangezien al de handhavingsactiviteiten zijn opgenomen, is er bij de opmaak van het MIP zorg

voor gedragen dat de benodigde tijd zo zorgvuldig mogelijk wordt ingeschat.

Het deelaspect „uitvoering‟ van de kernactiviteit „uitvoering MIP‟ wordt ingevuld door:

- de „operationele‟ TA; dit zijn de toezichthouders van de buitendiensten en de dienst Toezicht

zwarerisicobedrijven; voor de „operationele‟ TA is de uitvoering van het MIP hun hoofdtaak.

- de „coördinerende/sturende‟ TA; dit zijn het afdelingshoofd, de diensthoofden, de stafleden

en de toezichthouders van het Hoofdbestuur; voor de „coördinerende/sturende‟ TA neemt de

louter uitvoering van het MIP een kleiner deel van hun tijd in beslag aangezien het gros van

hun tijd in een aantal andere kernactiviteiten vervat is.

In het kader van het SOP is er een begroting van de tijd voor elke kernactiviteit gebeurd. Hieruit

blijkt dat voor het deelaspect „uitvoering‟ van de kernactiviteit „Uitvoering MIP‟ ongeveer 80 %

van de totale operationele VTE 2 wordt ingezet en ongeveer 20 % van het totaal aan

coördinerende/sturende VTE.

Het totale aantal operationele VTE wordt bepaald uitgaand van het geschatte personeelsbestand

in 2012 (officiële VTE). Er worden daarop een aantal correcties uitgevoerd (gecorrigeerde VTE):

voor de nieuwe personeelsleden wordt voor de duur van één jaar (de stageperiode) een

inspectiecapaciteit van 50% gebruikt. Bij de site- en DOS 3 -verantwoordelijken wordt 20 % in

mindering gebracht en er wordt rekening gehouden met speciale verloven. Het totale aantal

operationele VTE komt overeen met het gecorrigeerde aantal VTE. Hiervan wordt de benodigde

tijd afgetrokken voor dienstvergaderingen, werkgroepvergaderingen en persoonlijke administratie.

Verder wordt er nog tijd voorzien voor specifieke operationele SOP-doelstellingen waarin,

tijdelijk, de hele afdeling veel tijd moet investeren: zo worden in 2012 voor het opzetten van het

GPBV-handhavingssysteem 20 à 30 dagen per operationele dienst gereserveerd en ook voor de

uitbouw van een nieuw informatie- en dossierbeheersysteem zijn per operationele dienst 20

dagen voorzien. Dit betekent dat er in 2012 uiteindelijk 56,2 VTE van het totaal aantal

operationele toezichthouders ingezet worden voor het deelaspect „uitvoering‟ van de

kernactiviteit „uitvoering MIP‟.

Voor de „coördinerende/sturende‟ toezichthouders wordt de tijd besteed aan de uitvoering van

het MIP begroot op 20%, behalve voor het afdelingshoofd die 10% van zijn tijd aan de louter

uitvoering van het MIP besteedt.

2 VTE: voltijdsequivalent

3 DOS: dossieropvolgingssysteem

Milieu-inspectieplan 2012 14


Operationele VTE Coördinerende

Sturende VTE

Schatting VTE Antw. Limb. Oost- Vl.- West- TZR Staf + Totaal

2012

Vl. Br. Vl. Hoofdbestuur

Aantal TH‟s 16 12 17 11 12 13 19,5 100,5

Gecorrigeerde VTE 12,1 10,6 15,2 9,8 10,2 12,1 17,6 87,5

Beschikbare VTE

„uitvoering MIP‟

9,4 8,5 12,5 7,8 8,2 9,9 3,8 60,0

Slechts een deel van de activiteiten kan effectief worden gepland op afdelingsniveau, met name

de specifieke handhavingscampagnes. Voor deze campagnes kan de reikwijdte goed worden

afgebakend: aantal dossiers, doelstelling, inhoud van de controles, …, en kan het traject voor de

uitvoering ervan worden uitgetekend.

De effectieve (tijds)planning van de andere activiteiten gebeurt op het niveau van de

buitendiensten of zelfs op het niveau van de individuele inspecteur.

Een aantal activiteiten kan zelfs niet gepland worden. Hun impact op de tijdsbesteding kan

hooguit worden begroot op basis van de beschikbare gegevens van het voorbije jaar (de aantallen

dossiers en inspecties) en een gemiddelde tijdsbesteding per dossier (tijdsregistratie).

Daarbij wordt eveneens rekening gehouden met de gemiddelde tijdsbesteding voor de

deelprocessen:

- dossiervoorbereiding;

- verplaatsing en vaststellingen op het terrein;

- opmaak inspectieverslag en beoordeling vaststellingen;

- verslaggeving aan het Openbaar Ministerie;

- maatregelen nemen conform het MI-instrumentarium;

- rapportering (intern/extern);

- registratie in MI-dossieropvolgingssysteem.

Voor de aantallen dossiers en inspecties wordt het DOS, het dossieropvolgingssysteem van MI,

geraadpleegd.

Het DOS speelt een cruciale rol in de werking van de afdeling. Het wordt op de buitendiensten

gebruikt om de binnenkomende en uitgaande post, vergunnings- en weigeringsbesluiten,

klachten, vragen van de parketten en analyseresultaten van monsternames te registreren. De

gegevens over de bedrijven worden erin verzameld én alle informatie over de inspecties en de

(straf- en bestuursrechtelijke) afhandeling van die inspecties. Door het gebruik van een

coderingssysteem is het mogelijk om voor elke handhavingsactiviteit van het MIP cijfers te

genereren over de uitgevoerde inspecties.

1.10 Plannen en prioriteiten

De grote verscheidenheid aan en vooral het zeer grote aantal te controleren bedrijven maken het

werkvolume van de afdeling Milieu-inspectie zeer groot.

Bovendien moet een aantal van de handhavingsactiviteiten binnen bepaalde termijnen worden

uitgevoerd, waardoor de werkdruk erg groot is.

Het opstellen van een plan is een manier om het werkvolume en de werkdruk te helpen

beheersen.

De ervaring leert echter dat, hoe nauwgezet een plan ook wordt opgemaakt, het werkvolume te

groot blijft. Er moeten dus prioriteiten worden gelegd.

Milieu-inspectieplan 2012 15


Een prioriteitenlijst moet een antwoord bieden op de vraag “Moet ik dit nu doen?” en is dus in

eerste instantie een hulpmiddel voor de individuele toezichthouder.

De afdeling Milieu-inspectie legde in 1998 een prioriteitenlijst vast door de verschillende

activiteiten te rangschikken volgens hun belangrijkheid en dringendheid, aan de hand van een

toetsing aan volgende criteria.

Criterium Toelichting Aard

Milieu-impact Hoe erg lijdt het leefmilieu en/of de mens eronder als wij deze belangrijk

taak/opdracht niet (onmiddellijk) uitvoeren?

Termijnen Worden er termijnen opgelegd of leggen wij onszelf termijnen dringend

op?

Beschikbare Zijn er voldoende financiële middelen, (gekwalificeerde) mensen, belangrijk

middelen materiële middelen om deze taak/opdracht naar behoren uit te

voeren?

Hiërarchie van Over welke soort taak/opdracht gaat het of wie is de belangrijk en

opdrachten of opdrachtgever?

opdrachtgever

dringend

De toetsing heeft geleid tot een prioriteitenlijst waarin een aantal groepen taken/opdrachten

worden onderscheiden:

- hoogste prioriteit: taken/opdrachten die dadelijk moeten worden uitgevoerd. Totdat deze

taak/opdracht is uitgevoerd, worden andere taken/opdrachten uitgesteld;

- zeer hoge prioriteit: taken/opdrachten die zeker moeten worden uitgevoerd binnen de

vastgestelde termijnen;

- hoge prioriteit: taken/opdrachten die moeten worden uitgevoerd; desgevallend kunnen ze

worden uitgesteld;

- niet prioritair: taken/opdrachten die omwille van tijdsgebrek niet altijd kunnen uitgevoerd

worden.

De prioriteitenlijst werd begin 2006 herzien tot de volgende. Binnen één categorie van

prioriteiten zijn de opgesomde activiteiten gelijkwaardig en alfabetisch gerangschikt.

Hoogste prioriteit

- Acute klachten in verband met klasse 1-bedrijven.

- Calamiteitenpermanentie conform draaiboek.

- Heroverwegingsverzoeken aan parketten.

- Mondelinge interpellaties van de minister, parlementaire vragen, vragen om uitleg.

- Opdrachten van het afdelingshoofd of de leidend ambtenaar.

Zeer hoge prioriteit

- Beoordeling van door de exploitant ter goedkeuring aangeboden documenten waarvoor de

regelgeving expliciet de goedkeuring van de toezichthoudende overheid vraagt.

- Klachten in het kader van het klachtendecreet (infolijn, interne klachtenbehandeling,

klachtenmanager van LNE, Vlaamse Ombudsdienst).

- Uitvoering projecten en acties MIP + monsternames.

- Vragen van parket om technische expertise.

Milieu-inspectieplan 2012 16


Hoge prioriteit

- Acute klachten over klasse 2- en 3-inrichtingen.

- Controle bijzondere voorwaarden, weigeringsbesluiten, proefvergunningen.

- Inspecties hoog toezicht.

- Kantschriften van de parketten op door MI opgestelde prioritaire PV's.

- Klachten over klasse 1-inrichtingen.

- Uitvoeren van ambtshalve controles (in overleg met diensthoofd).

Niet prioritair

- Kantschriften van de parketten over door MI opgestelde niet prioritaire PV's.

- Kantschriften van de parketten over niet door MI opgestelde PV's.

- Klachten over klasse 2- en 3- inrichtingen.

- Klachten over niet ingedeelde inrichtingen.

- Klachten over vrije velddelicten.

Plannen en prioriteiten stellen heeft ook te maken met de mogelijkheid om in te spelen op de

actualiteit.

In geval er zich crisissen voordoen of er andere incidentele inspecties nodig zijn, of als

vernieuwde (politieke) inzichten nopen tot dringende actie, betekent dat automatisch dat er een

prioriteitenafweging moet gebeuren en dat andere activiteiten (uit het MIP) niet kunnen worden

uitgevoerd.

Milieu-inspectieplan 2012 17


2 Specifieke handhavingscampagnes

Onder de noemer “Specifieke handhavingscampagnes” vinden we projecten, acties en

handhavingsstudies. Het betreft handhavingsactiviteiten die op een geplande en gecoördineerde

manier worden uitgevoerd.

De activiteiten zijn gerangschikt per milieucompartiment. Er wordt gestreefd naar de aanpak van

sectoren met een hoge milieurelevantie, een evenwichtige spreiding van de dossiers over de

buitendiensten en een uniforme strategie voor het hele Vlaamse Gewest.

Er gaat grote aandacht naar de bedrijven die onder het toepassingsgebied van de Europese

richtlijnen (GPBV, Seveso II, …) vallen.

Er is bovendien getracht, bij sommige projecten en acties, om de activiteiten in de verschillende

milieucompartimenten op mekaar af te stemmen en te laten resulteren in multidisciplinaire of

geïntegreerde controles. Dat geeft expliciet invulling aan de doelstellingen van de GPBV-richtlijn,

namelijk het streven naar een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu.

Bij het uitwerken van het plan werd er over gewaakt dat vele campagnes kaderen in of

ondersteuning geven aan één of meerdere projecten van het MINA-plan 4.

2.1 Projecten

Om te worden beschouwd als project, moet een activiteit voldoen aan een aantal criteria. Een

project is eenmalig, vernieuwend, heeft een goed afgelijnde inhoud en een goed afgebakend begin

en einde.

Bij de projecten spelen de werkgroepen een hoofdrol. Via de aanwezige expertise in de

werkgroep en desgevallend door het aantrekken van externe deskundigheid worden de controles

op een hoger niveau gebracht.

De kennis en de ervaring die in de werkgroepen wordt opgebouwd, verspreidt zich zo

systematisch, en wordt maximaal benut in de buitendiensten van de afdeling.

Aangezien afzonderlijke initiatieven ter bestrijding van emissies in de lucht, het water of de

bodem ertoe kunnen leiden dat verontreiniging van het ene milieucompartiment naar het andere

wordt overgeheveld (in plaats dat het milieu in zijn geheel wordt beschermd), wordt getracht om

de handhavingsactiviteiten in de verschillende milieucompartimenten op elkaar af te stemmen om

tot een geïntegreerde controle van hoog niveau te komen.

Met de GPBV-projecten P991 en P998 wordt hieraan invulling gegeven. In 2012 krijgen zowel de

geïntegreerde controles bij bedrijven uit de varkens- en pluimveesector als in de chemie- en de

galvanosector een vervolg.

Bij GPBV-controles vormen de processen van de bedrijven het uitgangspunt. De doelstelling is

na te gaan of de bedrijven de nodige maatregelen treffen om, rekening houdend met het beheer

van de afvalstoffen, emissies in de lucht, in het water en in de bodem te voorkomen of tot een

minimum te beperken.

Voor een aantal projecten wordt geopteerd voor een aanpak met ankerpunten op de

buitendiensten. De ankerpunten bouwen, in team, de nodige expertise op, voeren de inspecties

zelf uit (al dan niet samen met de dossierhouder) en geven de nodige bijstand aan de

dossierhouders.

Milieu-inspectieplan 2012 18


Op die manier wordt een efficiëntere en effectievere handhaving en informatiedoorstroming

nagestreefd.

De geselecteerde bedrijven of sectoren moeten sterk belastend zijn voor de omgeving. Ze

kunnen worden ingedeeld in drie categorieën:

- bedrijven/sectoren met een negatieve tot twijfelachtige milieureputatie: “zijn gekend als grote

milieuvervuilers en/of risicobedrijven en hebben tot op heden nagenoeg geen

milieutechnische of veiligheidsmaatregelen genomen”;

- bedrijven/sectoren met een twijfelachtige milieureputatie: “waren gekend als grote

milieuvervuilers en/of risicobedrijven, maar hebben wel al milieutechnische of

veiligheidsmaatregelen genomen”;

- bedrijven/sectoren met een goede milieureputatie: “zijn gekend als bedrijven met een goed

milieu- en/of veiligheidsbeleid”.

Per project is een projectfiche opgenomen en een mijlpalenplan. De projectfiche vermeldt de

noodzaak of milieurelevantie van een project, een omschrijving, de doelstellingen, het budget en

de personeelsinzet, en een begin- en streefdatum.

De vermelde criteria voor succes zijn het antwoord op de vragen: “Wanneer is het project

geslaagd? Wat moet er zeker worden bereikt?”. De externe randvoorwaarden zijn

omstandigheden waarop de afdeling geen vat heeft en die meebepalend zijn voor het succes van

een project.

In het mijlpalenplan worden de belangrijkste tussentijdse mijlpalen van een project aangegeven

met hun streefdatum.

Er is eveneens aangegeven wie betrokken is als uitvoerder, als verantwoordelijke of voor het

nemen van de noodzakelijke beslissingen.

2.2 Acties

Acties zijn gecoördineerde opdrachten in een bepaalde sector. Een actie wordt gedefinieerd door

de werkgroepen en is vooral uitvoerend.

Er wordt duidelijk vastgelegd wie instaat voor de coördinatie van een actie en wie de nodige

ondersteuning moet bieden.

Ook voor een aantal acties wordt geopteerd voor een aanpak met ankerpunten op de

buitendiensten.

Voor elke actie is een actiefiche opgenomen met vrijwel dezelfde informatie als op een

projectfiche.

2.3 Specifieke handhavingscampagnes vorige jaren

De afdeling Milieu-inspectie stelt al sinds enige tijd een jaarplan op. Een aantal van de specifieke

handhavingscampagnes van de voorbije jaren hebben een looptijd van langer dan een jaar of

werden om de ene of de andere reden niet binnen de voorziene termijn afgerond.

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de specifieke handhavingscampagnes die

werden gestart in de voorbije jaren en die ook in 2012 nog een zekere tijd zullen in beslag nemen.

Milieu-inspectieplan 2012 19


3 Routine

Routineopdrachten zijn activiteiten die worden gecoördineerd op de buitendiensten. Een aantal

routineopdrachten hebben specifiek betrekking op één milieucompartiment, bijvoorbeeld het

nemen van afval- en waterstalen of het laten uitvoeren van emissiemetingen door een erkend lab.

Voor deze routineopdrachten is een fiche opgenomen met een omschrijving, het voorziene

budget en een schatting van de personeelsinzet.

Andere routineopdrachten hebben betrekking op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het

algemeen, zoals de controle van milieuvergunningen (R015). Deze controles kunnen gebeuren

naar aanleiding van nieuwe vergunningsbesluiten of weigeringsbesluiten en kunnen een volledige

toets van de realiteit in het bedrijf aan de voorwaarden van de milieuvergunning beslaan ofwel

enkel een controle van de bijzondere voorwaarden. Het diensthoofd van de buitendienst heeft de

belangrijke taak om de prioriteiten bij deze controles vast te leggen.

Aangezien het naleven van de voorwaarden van de milieuvergunning door de bedrijven een

basisvoorwaarde is voor een kwaliteitsvol leefmilieu, worden de inspanningen voor de controle

hierop begroot op minimum 10 % van de beschikbare VTE.

De routinematige aanpak van controle van de zelfcontrole lucht en afvalwater is vervat in R025.

Daarnaast zijn er ook de specifieke handhavingscampagnes over deze materie.

In het MIP 2012 wordt de routinematige controle op de legale afbraak en verwerking van asbest

verdergezet. Deze controles gebeuren binnen het kader van de normale bedrijfscontroles.

In de samenvattende tabel werd voor al de routineopdrachten personeelsinzet en budget voor

2012 begroot.

4 Reactieve controles

Reactieve controles worden uitgevoerd naar aanleiding van een appel dat wordt gedaan op de

afdeling Milieu-inspectie. Aangezien er pas een optreden kan komen, nadat daarvoor een oproep

werd gelanceerd, is het bijzonder moeilijk om reactieve controles effectief te plannen.

In dit plan werd aan de hand van de beschikbare gegevens van de voorbije jaren een poging

gedaan om de nodige tijd in te schatten.

Volgende groepen worden onderscheiden: behandeling van klachten, optreden bij voorvallen,

rapportering n.a.v. kantschriften, opmaken van evaluatieverslagen en hoog toezicht.

De reactie op het appel en de termijn waarbinnen wordt gereageerd, worden in belangrijke mate

bepaald door de prioriteitenlijst.

Voor de kantschriften van de parketten wordt in de rubriek “Reactieve controles” alleen de

rapporteringstijd in rekening gebracht. De inspecties die eventueel gebeuren naar aanleiding van

een kantschrift worden meegeteld in de rubriek “Voortgangscontrole (handhavingsinstrumentarium)”.

Het is erg belangrijk om aan te geven dat het plannen van reactieve controles niet betekent dat op

elk appel zal kunnen worden gereageerd. Zeker bij de reactieve controles, maar ook bij de

routinecontroles, speelt de prioriteitenlijst een erg belangrijke rol. In principe moet voor elk

dossier de prioriteitsafweging worden gemaakt.

Milieu-inspectieplan 2012 20


5 Voortgangscontrole (milieuhandhavingsinstrumentarium)

“Het werk van een toezichthouder begint pas als de inspectie is afgelopen.” Het is een ietwat

boude bewering die meer dan een grond van waarheid bevat.

Tijdens een inspectie worden allerhande vaststellingen gedaan, die steeds moeten worden getoetst

aan de vigerende regels.

Uit de cijfers van de handhavingsrapporten van de voorbije jaren kan worden afgeleid dat

ongeveer 5 à 6% van de inspecties aanleiding geeft tot het opstellen van een proces-verbaal dat

wordt bezorgd aan het Openbaar Ministerie.

Tegelijkertijd wordt ook de bestuurlijke afhandeling van een dossier gestart, via het treffen van

maatregelen conform het milieuhandhavingsinstrumentarium.

Bij de opmaak van dit MIP is ervoor geopteerd om bij de inschatting van de benodigde tijd voor

een handhavingsactiviteit de volgende deelprocessen te beschouwen: dossiervoorbereiding,

verplaatsing en vaststellingen ter plaatse, inspectieverslag en beoordeling vaststellingen,

verslaggeving aan het Openbaar Ministerie en geven van een eerste aanmaning en rapportering

(intern/extern).

Aangezien de voortgangscontrole erg dossiergebonden is, is het erg moeilijk om de daarvoor

nodige tijd in te schatten per handhavingsactiviteit (project, actie, reactieve controle, …). Bij de

opmaak van dit plan wordt voor voortgangscontroles 27 % van de beschikbare tijd gereserveerd.

De voorbehouden tijd is in de samenvattende tabel terug te vinden onder de rubriek

“Voortgangscontrole (milieuhandhavingsinstrumentarium)”.

6 Eigen initiatief

In het MIP 2012 wordt er ook een rubriek “Eigen initiatief” voorzien, omdat het erg belangrijk is

dat het plan tijd reserveert voor de zogenaamde ambtshalve controles op eigen initiatief van de

toezichthouder. Voor deze controles wordt 5 % van de beschikbare tijd voorzien.

De voorbehouden tijd is in de samenvattende tabel terug te vinden onder de rubriek “Eigen

initiatief”.

Milieu-inspectieplan 2012 21


7 Seveso II-inspectieprogramma en GPBV-handhavingssyteem

Hieronder worden het reeds jaren lopend Seveso II-inspectieprogramma, vervat in actie A316, en

het concept van GPBV-handhavingssysteem toegelicht en gekaderd.

7.1 Toelichting bij het Seveso II-inspectieprogramma

Algemeen

Op 26 juni 2001 werd het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het

Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de

beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn

(verder kortweg Samenwerkingsakkoord) van kracht. Daarmee werd in belangrijke mate de

omzetting van de zogenaamde Seveso II-richtlijn gerealiseerd.

Het doel van die richtlijn is de realisatie van een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu.

Omdat volgens de Europese Unie verschillen in de regelingen voor inspecties door de bevoegde

autoriteiten tot verschillende beschermingsniveaus kunnen leiden, stelt de richtlijn ook hoge eisen

aan de inspectie door de overheid.

Het Samenwerkingsakkoord vertaalt de vereisten van de richtlijn naar de Belgische situatie met

gedeelde bevoegdheden voor de federale staat (arbeidsbescherming) en de gewesten

(bescherming van de omgeving, mens én milieu). Per gewest werd een inspectieteam opgericht

met alle betrokken inspectiediensten, op basis van gelijkwaardigheid en met behoud van alle

bevoegdheden. Op die manier zijn er per gewest twee inspectiediensten bevoegd voor een

bepaalde inrichting: de gewestelijke milieu-inspectie (MI in Vlaanderen) en de federale

inspectiedienst die bevoegd is voor de bescherming van de werknemers. Binnen de afdeling

Milieu-inspectie is het de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven (TZR) die instaat voor de

uitvoering van het Samenwerkingsakkoord. De belangrijkste federale inspectiedienst is de

Afdeling van het toezicht op de chemische risico‟s (ACR) van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid

en Sociaal Overleg.

De belangrijkste taak van het inspectieteam is de uitbouw van een inspectiesysteem dat voldoet

aan de gestelde eisen: een inspectieprogramma voor álle Seveso II-inrichtingen, een rapport van

elke inspectie en terugkoppeling naar de bedrijfsleiding. De inspectieteams hebben ook taken

inzake ongevallenonderzoek, de rapportering daarvan aan de Europese Commissie en het

verzoeken aan de vergunningverlener tot het stopzetten van de exploitatie (schorsing of

opheffing van de vergunning) als blijkt dat de exploitant duidelijk onvoldoende maatregelen heeft

getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen voor mens en milieu te beperken.

Seveso II-inspectieprogramma

Volgens het Samenwerkingsakkoord moet, in onderling overleg tussen de aangeduide

inspectiediensten, een inspectiesysteem worden opgezet met onder meer een

inspectieprogramma, dat moet worden opgesteld voor alle Seveso-inrichtingen en op gezette

tijden geactualiseerd.

Het inspectieprogramma maakt ten minste melding van:

de aard van de geplande onderzoeken, de toe te passen methodiek en de voorziene

periodiciteit

de inspectiedienst die wordt belast met de concrete uitvoering van elk onderzoek.

Milieu-inspectieplan 2012 22


De inspecties moeten gericht zijn op een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu. Dat

veronderstelt onder meer dat de Sevesobedrijven met een gepaste frequentie en met de gepaste

diepgang worden geïnspecteerd.

Om de beschikbare inspectiecapaciteit zo efficiënt en effectief mogelijk in te zetten, wordt een

meersporenbeleid gevoerd.

Frequentie van de inspecties

De Seveso II-richtlijn en het Samenwerkingsakkoord eisen dat ten minste één inspectie per jaar

wordt uitgevoerd in de hogedrempelinrichtingen. Door het grote aantal Sevesobedrijven is zelfs

een afgebakende inspectie met die frequentie niet altijd haalbaar. Daarom wordt de tweede optie

die de richtlijn en het Samenwerkingsakkoord voorzien in de praktijk gebracht: het

inspectieprogramma wordt gesteund op een systematische evaluatie van de gevaren van zware

ongevallen.

Voor elk bedrijf (hoge drempel en lage drempel) wordt een aangepaste basisinspectiefrequentie

bepaald met een gevarenindexeringsmethodiek.

Na berekening van de brand- en explosie-index (F) en de toxiciteitsindex (T) kan elke installatie

met risico‟s van zware ongevallen worden ingedeeld in een bepaalde gevarencategorie, gaande van

categorie I (met een laag gevarenpotentieel) tot categorie III (met een hoog gevarenpotentieel).

De gevarencategorie van de ganse inrichting (die doorgaans meerdere installaties omvat) is dan

gelijk aan de hoogste gevarencategorie die binnen de inrichting voorkomt.

De basisinspectiefrequentie is als volgt vastgelegd:

Gevarencategorie minimale inspectiefrequentie

voor eenvoudige inrichtingen 1

minimale inspectiefrequentie

voor de andere inrichtingen

Categorie I eens om de 3 jaar eens om de 3 jaar

Categorie II eens om de 3 jaar eens om de 2 jaar

Categorie III eens om de 2 jaar eens per jaar

1

Eenvoudige inrichtingen zijn inrichtingen waar enkel opslag en/of overslag gebeurt van

gevaarlijke stoffen en inrichtingen waar geen reactieprocessen plaatsgrijpen.

De inspecteurs kunnen de frequentie aanpassen in functie van de grootte en complexiteit van de

inrichting en rekening houdend met beschikbare informatie (veiligheidsrapport, inspectieervaringen,

ervaringen met (bijna-)ongevallen in de inrichting of gelijkaardige inrichtingen en

veranderingen zoals overname en wijziging preventiebeleid, …).

Aangezien de gevarenindices een inschatting geven van het gevarenpotentieel (voor brand en

explosie en toxische emissies), betekent deze frequentiebepaling de facto een prioriteitenstelling

op basis van objectieve gegevens zoals de aanwezige hoeveelheden en de eigenschappen van de

gevaarlijke stoffen en een aantal parameters van de proces- en/of opslagomstandigheden.

Het belangrijkste nadeel van deze techniek is dat het gevarenpotentieel voor het milieu niet wordt

beschouwd. Daarom werden een ecotoxiciteitsindex (E-index) en bijbehorende

gevarencategorieën uitgewerkt, zodat de inspectiefrequentie in de toekomst ook door het

milieugevaar van de inrichting zal kunnen worden gestuurd.

Milieu-inspectieplan 2012 23


Doel en reikwijdte van de inspecties

Het is van groot belang dat het doel en de reikwijdte van de inspecties goed worden vastgelegd.

Volgens het Samenwerkingsakkoord moeten de inspecties zo worden opgezet dat een planmatig

en systematisch onderzoek van de technische, organisatorische en bedrijfskundige systemen

wordt uitgevoerd, om na te gaan of:

de exploitant (kan aantonen dat hij) de passende preventieve maatregelen heeft getroffen

de exploitant (kan aantonen dat hij) de passende mitigerende maatregelen heeft getroffen

het veiligheidsrapport de situatie in de inrichting getrouw weergeeft.

De inspecties moeten met andere woorden door onderzoek van de bedrijfsinterne systemen een

totaalbeeld geven van de risico‟s van de bedrijven en de beheersing ervan. Het is echter niet

mogelijk per inspectie voldoende tijd te voorzien om alle bedrijfsinterne systemen te

onderzoeken en dat totaalbeeld te verkrijgen.

Daarom worden voor elke inspectie doel en reikwijdte vastgelegd, en wordt een deelaspect

gecontroleerd. In de loop der jaren wordt door de uitvoering van de jaarprogramma‟s het

totaalbeeld verkregen.

Het systeem gaat uit van „inspectiedomeinen‟, de verschillende technische, organisatorische en

bedrijfskundige systemen die moeten worden onderzocht en die toelaten om per bedrijf de

aspecten die belangrijk zijn voor de preventie van zware ongevallen gestructureerd in kaart te

brengen. Bij het plannen van inspecties kan dan beter rekening gehouden worden met volgende

vragen:

Welke aspecten kwamen in het verleden nog niet of onvoldoende aan bod?

Welke aspecten moeten prioritair behandeld worden (bijvoorbeeld in functie van een

algemene strategie van de inspectiediensten of in functie van bepaalde ervaringen in het

bedrijf)?

Het is met andere woorden de bedoeling om op termijn alle inspectiedomeinen aan bod te laten

komen en bij de planning prioriteiten te stellen onder de inspectiedomeinen.

Volgende inspectiedomeinen worden voor elk bedrijf gedefinieerd:

Sevesostatus/initiële inspectie

procesinstallatie

operationeel personeel

gevaarlijk werk

noodplanning

ongevallen en incidenten

preventiebeleid zware ongevallen

Inspectiedomeinen kunnen opgesplitst worden in functie van de bedrijfsstructuur (productieeenheden,

verantwoordelijke afdelingen, …).

Allereerst zijn er de controle van de Sevesostatus en de initiële controle. In principe is de eerste

systematische inspectie bij een Sevesobedrijf de initiële controle (toelichting, verificatie van de

Sevesostatus, vergunningstoestand en de belangrijkste voorwaarden m.b.t. omgevingsveiligheid,

evaluatie van de stand van zaken van het preventiebeleid en het veiligheidsrapport).

De controle van de Sevesostatus kan voorafgaan aan de initiële controle, maar kan ook worden

uitgevoerd bij aanzienlijke wijzigingen. Tijdens een controle van de Sevesostatus worden, aan de

hand van de beschikbare gegevens, de aanwezige gevaarlijke stoffen getoetst aan de

drempelwaarden die het toepassingsgebied afbakenen.

Milieu-inspectieplan 2012 24


Eens de Sevesostatus is bepaald, kan voor het bedrijf een inspectieprogramma worden opgesteld,

dat rekening houdt met de basisinspectiefrequentie en in principe start met een initiële controle.

De andere domeinen laten toe de vereiste tot planmatig en systematisch onderzoek van de

bedrijfsinterne systemen in te vullen.

Bij het vastleggen van het inspectieprogramma per bedrijf wordt rekening gehouden met de

beschikbare gegevens: vergunningen, kennisgeving, veiligheidsrapporten, gegevens uit eerdere

inspecties, milieutechnische historiek, belangrijke wijzigingen, voorvallen in eigen bedrijf of in

gelijkaardige bedrijven.

Er wordt over gewaakt dat de verschillende bedrijfsinterne systemen aan bod komen (technisch,

organisatorisch, beheer). Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de installaties met het

grootste risico, aan de systemen die ontoereikend of onvoldoende performant zijn en aan de

verantwoordelijkheidszin van de bedrijfsleiding.

Een belangrijk kenmerk van het inspectieprogramma is het dynamische karakter ervan: indien de

actualiteit dat vereist (wijzigingen, voorvallen, nieuwe inzichten, …) wordt het programma

aangepast.

In de inspectieprogramma's kunnen ook inspectiecampagnes worden opgenomen, die gericht zijn

op bepaalde thema's. Voor elke campagne kan een projectgroep worden opgericht, die wordt

belast met de voorbereiding, uitvoering en voortgangscontrole van de inspecties.

Voor de verschillende inspectiedomeinen staan verschillende inspectiemethoden ter beschikking.

Verificatie van maatregelen die staan beschreven in de beschikbare informatie

(veiligheidsrapporten, risicostudies, …) kan in alle inspectiedomeinen.

Voor het inspectiedomein „Procesinstallaties‟ bestaan er inspectie-instrumenten die gebaseerd zijn

op generieke risicostudies (technische checklists voor „standaard‟installaties) en inspectieinstrumenten

die specifieke maatregelen in detail beoordelen, en kunnen er specifieke risico‟s

worden onderzocht. Voor de inspectiecampagnes ontwikkelen de projectgroepen meestal

specifieke vragenlijsten. De campagnes kunnen ook aanleiding geven tot informatienota‟s voor de

exploitanten waarin aanbevelingen i.v.m. de beheersing van de specifieke risico‟s worden

geformuleerd.

Andere inspectie-instrumenten laten de beoordeling toe van de organisatorische en

bedrijfskundige activiteiten en structuren.

Het is belangrijk om te noteren dat een inspectie-instrument een leidraad is voor de inspecteurs.

Dat betekent dat er vragen en aandachtspunten worden gesuggereerd, die steeds kunnen worden

afgestemd op de specifieke bedrijfssituatie en de vaststellingen ter plaatse.

Ook voortgangscontrole is mogelijk voor elk inspectiedomein. Naar aanleiding van de inspecties

worden immers actieplannen gegenereerd, waarvan de tijdige en effectieve uitvoering moet

worden nagegaan.

7.2 Toelichting bij het GPBV-handhavingssysteem

Algemeen

In 1996 stelde de Raad de GPBV-richtlijn vast (voluit: richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24

september 1996 inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging). Begin 2008

werd deze richtlijn vervangen door een gecodificeerde versie (richtlijn 2008/1/EG van het

Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding

van verontreiniging). De bepalingen van deze richtlijnen werden in Vlaanderen omgezet in het

milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten Vlarem I en II.

Milieu-inspectieplan 2012 25


Het doel van de richtlijn is te zorgen voor een geïntegreerde preventie en bestrijding van

verontreiniging bij een breed scala aan industriële processen en landbouwactiviteiten én het

bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel. Het onderliggende

beginsel van de richtlijn is dat zowel exploitanten als regelgevers een geïntegreerde, algehele

beoordeling zullen uitvoeren van elke installatie en de milieueffecten ervan, alvorens besluiten te

nemen over eventuele kostenefficiënte maatregelen die nodig zijn voor het bereiken van een

hoog niveau van milieubescherming. De richtlijn is sinds oktober 1999 van toepassing op zowel

nieuwe installaties als bestaande installaties waarin wijzigingen zullen worden aangebracht die

aanzienlijke negatieve gevolgen voor de volksgezondheid of het milieu kunnen hebben. Voor de

lidstaten was er een overgangsperiode tot oktober 2007 om ervoor te zorgen dat andere

bestaande installaties volledig in overeenstemming met de richtlijn zijn.

Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging heeft plaats binnen het kader van een

vergunningstelsel voor installaties. Het vergunningstelsel is erop gericht ervoor te zorgen dat de

exploitanten van installaties preventieve maatregelen tegen verontreiniging nemen, in het

bijzonder door de beste beschikbare technieken toe te passen, dat er geen grote verontreiniging

wordt veroorzaakt, dat het afval dat niet kan worden vermeden wordt teruggewonnen of veilig

wordt verwijderd, dat er efficiënt gebruik wordt gemaakt van energie, dat ongevallen worden

voorkomen en de gevolgen ervan worden beperkt en dat het exploitatieterrein weer in een

bevredigende toestand wordt gebracht wanneer de installatie wordt gesloten. Deze geïntegreerde,

holistische aanpak dient ervoor te zorgen dat met de vele milieuaangelegenheden die voor een

installatie relevant kunnen zijn rekening wordt gehouden, dat de juiste prioriteiten worden gesteld

en dat met de kosten en de voordelen van de verschillende opties rekening wordt gehouden.

In concrete bewoordingen betekent dit dat de richtlijn onder meer de volgende milieuaspecten

aanpakt:

verzuring als gevolg van emissies in de lucht;

eutrofiëring van bodem en water als gevolg van emissies in de lucht of het water;

zuurstofdepletie in water;

algemene stijging van de temperatuur;

stratosferische ozondepletie;

emissies van vaste deeltjes in de lucht, waaronder microdeeltjes en metalen;

vorming van fotochemisch ozon;

emissies van persistente, bioaccumuleerbare en giftige vervuilende stoffen in het water of de

bodem;

productie van gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval;

geluid en stank;

verbruik van grondstoffen en water

.

GPBV-handhavingssysteem

De GPBV-richtlijn overstijgt de traditionele mono- of multidisciplinaire aanpak bij de bestrijding

van verontreiniging en legt daarnaast ook de klemtoon op een geïntegreerde en preventieve

aanpak.

Deze richtlijn bevat ook een verplichting voor de lidstaten om maatregelen te nemen zodat zij

ervoor zorgen dat de vergunningsvoorwaarden door de exploitant in zijn installatie worden

vervuld. Deze vrij algemene bepaling werd onlangs vervangen door gedetailleerde verplichtingen

in verband met het opzetten van een inspectiesysteem, het opstellen van inspectieplannen en

inspectieprogramma‟s, het bepalen van minimale frequenties voor inspecties ter plaatse en de

verplichte uitvoering van routine- en niet-routine-inspecties. Deze aanpassingen zijn een gevolg

van de publicatie van de Richtlijn Industriële Emissies, PB EU 2010/334, in het Europees

Milieu-inspectieplan 2012 26


Publicatieblad op 17 december 2010. Deze nieuwe richtlijn integreert de vroegere GPBV-richtlijn

met de afvalverbrandingsrichtlijn, de VOS-richtlijn, de LCP-richtlijn en 3 richtlijnen m.b.t. TiO 2.

Om te zorgen voor een volledige en effectieve implementatie van de bepalingen m.b.t. het

opzetten van een inspectiesysteem in Vlaanderen, heeft de afdeling Milieu-inspectie in 2008 al

een aanvang genomen met het opstellen van een concept voor het handhavingssysteem van

GPBV-bedrijven. Een dergelijk handhavingssysteem moet leiden tot een planmatig en

gecoördineerd toezicht bij en handhaving van GPBV-bedrijven. In dit systeem zullen op termijn

alle relevante milieuaspecten van alle GPBV-bedrijven aan bod komen.

Na bespreking en goedkeuring van het concept voor het handhavingssysteem van GPBVbedrijven

werd in 2009 gestart met de implementatie van dit systeem. Hiervoor gebeurde een

inventarisatie van alle GPBV-bedrijven en van alle relevante milieuaspecten bij deze individuele

bedrijven. Verder zullen er diverse controletypes gedefinieerd worden en gelinkt worden met de

diverse milieuaspecten. Een bundeling van alle gegevens en een prioritering van de uit te voeren

activiteiten moet tenslotte leiden tot het opstellen van een jaarprogramma.

Controles bij GPBV-bedrijven in 2012

In afwachting van de operationalisering van het hiervoor vermelde handhavingssysteem zal er in

2012 gewerkt worden zoals dat ook al in de voorbije jaren gebeurde. Dit betekent dat:

er heel wat routinecontroles (bv. monsternames afvalwater, metingen luchtemissies,

ambtshalve controles van de milieuvergunning, …) bij GPBV-bedrijven zullen uitgevoerd

worden;

er bij GPBV-bedrijven ook heel wat reactieve controles (vnl. na klachten of incidenten) zullen

uitgevoerd worden;

GPBV-bedrijven ook deel uitmaken van de bedrijven die in het kader van specifieke

handhavingscampagnes zullen gecontroleerd worden;

in 2012 opnieuw een beperkt aantal GPBV-audits zullen uitgevoerd worden. Zoals u kan

vaststellen in de individuele projectfiches, is er voor 2012 opnieuw gekozen voor de

geïntegreerde controle van GPBV-bedrijven uit de sectoren chemie en

oppervlaktebehandeling van metalen en van GPBV-landbouwbedrijven (zowel varkens- als

pluimveebedrijven). In 2012 wordt het aantal geïntegreerde controles in de sectoren chemie

en oppervlaktebehandeling van metalen gehalveerd t.o.v vorige jaren. De reden is dat er tijd

dient vrijgemaakt te worden voor het finaliseren van het GPBV-handhavingssysteem dat

vanaf 2013 in werking zou moeten treden.

Milieu-inspectieplan 2012 27


8 Fiches en overzichtstabel

8.1 Fiches projecten

P108 Controle op de verwijdering van micropolluenten bij RWZI‟s ............................................................ 30

P524 Controle van geothermische installaties .................................................................................................... 31

P643 Controle op de sortering van bedrijfsafval ............................................................................................... 32

P650 Controle op het wegtransport van afvalstromen ..................................................................................... 33

P651 Controle op de uitvoer van afvalstoffen via zeehavens .......................................................................... 34

P654 Controles in het kader van ketentoezicht ................................................................................................. 35

P655 Controle op de sector van afgedankte voertuigen .............................................................................. 36

P990 Controles van de asbestverwijderingsketen ........................................................................................ 37

P991 Geïntegreerde controles van GPBV-landbouwbedrijven (varkens- en pluimveebedrijven) ............ 38

P998 Geïntegreerde controles van GPBV-bedrijven, in hoofdzaak uit de sectoren chemie en

oppervlaktebehandeling van metalen ................................................................................................... 39

P810 Controle op de naleving van REACH .................................................................................................. 40

8.2 Fiches acties

A111 Controle van RWZI‟s ................................................................................................................................... 41

A117 Controles op vraag van VMM .................................................................................................................... 42

A217 Voedingsbedrijven onder richtlijn 91/271 ............................................................................................... 43

A237/8/9 Lozing van gevaarlijke stoffen ............................................................................................................... 44

A242 Controle van car- en truckwashes .............................................................................................................. 45

A243 Lozen van verontreinigd regenwater ......................................................................................................... 46

A244 Lozen van koelwater .................................................................................................................................... 47

A245 Ecotoxiciteit van bedrijfsafvalwater........................................................................................................... 48

A316 Uitvoering van het Seveso II-inspectieprogramma ................................................................................. 49

A340 Controle van de veiligheidsaspecten bij koelinstallaties op ammoniak ................................................ 50

A342 Controle van de opslag van gassen in vaste houders .............................................................................. 51

A407 Geluids- en trillingsonderzoeken ............................................................................................................... 52

A408 Kwaliteitscontrole van akoestische onderzoeken .................................................................................... 53

A519 Controle van grondwaterwinningen .......................................................................................................... 54

A522 Controle van de zelfcontrole grondwater ................................................................................................. 55

A621 Controles in het kader van de overeenkomst dierlijke bijproducten .................................................... 56

A639 Inspecties bij verwerkers van organisch-biologische afvalstoffen (OBA) en mest ............................ 57

A614 Controle op gefluoreerde ozonafbrekende stoffen en broeikasgassen ................................................ 58

A733 Controle van de zelfcontrole lucht ............................................................................................................ 59

A740 Geuronderzoeken ......................................................................................................................................... 60

A751 Fijn stof (PM10): aanpak van diffuse emissies in „hot spot‟ gebieden ................................................. 61

A755 Emissiemetingen bij biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties .................................................. 62

A757 Acties ter beperking van de emissie en de verspreiding van zware metalen naar de lucht ............... 63

A759 Leak Detection and Repair (LDAR) .......................................................................................................... 64

A760 Controle VOS-emissies bij solventverbruikende bedrijven ................................................................... 65

A764 Damprecuperatie fase 2 ............................................................................................................................... 66

A765 Evaluatie van de implementatie van de stappenplannen bij schrootverwerkende bedrijven ........... 67

A850 Controle ingeperkt gebruik bij inrichtingen met gekende toelating .................................................... 68

Milieu-inspectieplan 2012 28


8.3 Fiches routine

M200 Routine- en ad hoc monsternames water ................................................................................................. 69

M400 Ad hoc geluids- en trillingsmetingen ......................................................................................................... 70

M600 Routinemonsters afvalstoffen bodem en grondwater ............................................................................ 71

M700 Routine-emissiemetingen lucht .................................................................................................................. 72

M750 Ad hoc immissiemetingen lucht ................................................................................................................. 73

M980 Breedbandmetingen van elektromagnetische straling van zendantennes ............................................ 74

R015 Controle van milieuvergunningen .............................................................................................................. 75

R025 Controle van de zelfcontrole (m.u.v. projecten en acties) ..................................................................... 76

R634 Controles afvalverwerkende bedrijven ...................................................................................................... 77

R641 Controles asbest ............................................................................................................................................ 78

8.4 Overzichtstabel ............................................................................................................. 79

Milieu-inspectieplan 2012 29


Project

P108

Projectleiding:

Kernteam:

Controle op de verwijdering van

micropolluenten bij RWZI’s

Rita Van Ham

Werkgroep Water

Noodzaak / Milieurelevantie:

De RWZI‟s zijn ontworpen om het grootste gedeelte van de organische belasting te verwijderen.Van een

aantal micropolluenten is bekend dat ze, zelfs in zeer lage concentraties, een grote invloed hebben op de

ecologie van het watersysteem. In hoeverre deze RWZI‟s de micropolluenten uit het huishoudelijke

afvalwater of bedrijfsafvalwater zuiveren zal worden gecontroleerd.

Omdat micropolluenten een verzamelnaam is voor alle (gevaarlijke) stoffen die in hele kleine

concentraties voorkomen in het milieu zal er voor deze controle een selectie gemaakt worden van enkele

polluenten die verwacht kunnen worden in het afvalwater afkomstig van huishoudens en enkele

micropolluenten die te linken zijn aan een bepaalde bedrijfsector.

Omschrijving / Doelstellingen:

In 2012 zal voor een beperkte groep van micropolluenten zoals hormoonverstorende stoffen, medicijn-

of drugsrestanten en enkele pesticiden worden nagegaan in hoeverre ze de RWZI ongewijzigd verlaten.

Er zullen 3 RWZI‟s worden geselecteerd waarvan: 1 met een verwerkingscapaciteit tussen 2000-10000

IE, 1 met een verwerkingscapaciteit tussen 10.000-100.000 IE en 1 met een verwerkingscapaciteit

>100.000 IE.

Maandelijks (of tweemaal per maand) zal er op elke geselecteerde RWZI een monster genomen worden

van zowel influent als effluent door MI.

Hierbij wordt rekening gehouden met de Vlarem II voorwaarden voor debiets- of tijdsevenredige

mengmonsters op RWZI‟s (op vaste plaatsen in inlaat en uitlaat). De parameters van de zelfcontrole die

vermeld zijn in de Vlarem worden meegenomen bij analyse van de monsters. Zij kunnen nuttige

informatie bevatten voor de interpretatie van de analyseresultaten van de micropolluenten.

Criterium voor succes:

1. Uitvoering van geplande acties.

2. De data moeten statistisch correct interpreteerbaar zijn.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 37 dagen

Streefdatum: 31 december 2012 Budget: € 12.660

Externe randvoorwaarden:

Betrouwbare analysetechniek is beschikbaar voor de selectie van micropolluenten.

Is niet in het project vervat:

Milieu-inspectieplan 2012 30


Project

P524

Projectleider:

Kernteam:

Controle van geothermische

installaties

Jeroen November

Werkgroep Bodem & Grondwater

Noodzaak / Milieurelevantie:

Het aantal geothermische installaties in Vlaanderen vertoont o.w.v. de opmars en promotie van „groene

energie‟ de laatste jaren een sterke stijging. Dit geldt zowel voor de open systemen (koude-warmteopslag

of KWO) als de gesloten systemen (boorgatenergieopslag of BEO). Het aantal bedrijven dat deze

systemen in de ondergrond installeert neemt ook toe. Ten einde de kwantiteit en de kwaliteit van het

grondwater te vrijwaren is het relevant om deze recente technologie apart en meer in detail op terrein te

controleren, dit zowel tijdens de installatie als de exploitatie. Om dezelfde reden zijn er ook bijkomende

sectorale voorwaarden in opmaak (rubrieken 53 en 55) waarvan, zodra ze van toepassing worden, de

naleving op terrein zal worden gecontroleerd.

Omschrijving / Doelstellingen:

Het doel van het project is om bij minimum 10 geothermische installaties (2 per buitendienst) een

uitgebreide controle op het terrein uit te voeren. De selectie zal gebeuren op basis van gerapporteerde

nieuwe/bestaande vergunningen, meldingen van externe instanties of de soms verplichte voorafgaande

melding aan de toezichthouders van de aanleg van de installatie. Het tijdstip van opstarten van dit

project kan mogelijk afhankelijk gesteld worden van de inwerkingtreding van de bijkomende sectorale

wetgeving, maar hiervoor is momenteel nog geen concrete timing beschikbaar.

Bij de aanleg van de installaties (boringen) zal gecontroleerd worden of de technische voorschriften uit

de verplichte code van goede praktijk uit VlaremII correct wordt gevolgd. Deze zijn immers gericht op

het adequaat beschermen van de verschillende watervoerende lagen. De controles tijdens de aanleg

vormen daarenboven het quasi enige moment waarop gebreken in de diepere ondergrond op eenduidige

wijze kunnen worden vastgesteld. Daarnaast zullen tijdens deze controles de vigerende sectorale

voorwaarden uit rubrieken 53 en 55 voor respectievelijk de open en de gesloten systemen worden

gecontroleerd.

Bij installaties die reeds in gebruik zijn zullen de specifieke eigenschappen van de afzonderlijke systemen

worden gecontroleerd. Bij de open systemen, waar effectief grote volumes grondwater worden

verpompt, zal het aspect grondwaterkwantiteit, grondwaterkwaliteit en de daarbij horende monitoring

worden opgevolgd. Bij de gesloten systemen zal de nadruk vooral liggen op grondwaterkwaliteit

aangezien de energie hierbij wordt opgewekt via een secundair systeem en er aldus geen grondwater

wordt onttrokken of geïnjecteerd in de ondergrond.

Criterium voor succes:

Goede selectie van de inrichtingen en initiatie van de afhandeling van de inbreuken.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 28 dagen

Streefdatum: 31 december 2012 Budget: Nihil

Externe randvoorwaarden:

Tijdige voorafgaande melding van de aanleg van de geothermische installaties.

Is niet in het project vervat:

Milieu-inspectieplan 2012 31


Project

P643

Projectleider:

Kernteam:

Controle op de sortering van

bedrijfsafval

Hans Delcourt, Bart Palmans

Werkgroep Afval en Ketenteam

Noodzaak / Milieurelevantie:

Vlaamse sorteerbedrijven exporteren gemengd stedelijk afval voor verbranding in het buitenland, meer

bepaald Nederland en Duitsland. OVAM keurt de kennisgevingen voor dergelijk “brandbaar restafval”

enkel goed onder de volgende voorwaarden:

- het materiaal dat enkel afkomstig is van inzameling bij bedrijven, en niet bij huishoudens

(toepassing van het zelfvoorzieningsprincipe);

- recycleerbare en gevaarlijke afvalstoffen op voorhand uitgesorteerd werden.

De Vlaamse overheid wil hiermee tegengaan dat slecht gesorteerd afval in het buitenland verbrand

wordt, en de maximale sortering in Vlaanderen promoten.

Deze maximale sortering geldt ook voor bedrijfsafval dat in Vlaams ovens verbrand wordt. Het

ontwerp-uitvoeringsbesluit bij het ontwerp-Materialendecreet voorziet in die zin een verbrandingsverbod

voor gemengde afvalstoffen die overeenkomstig een code van goede praktijk in aanmerking komen voor

uitsortering.

Omschrijving / Doelstellingen:

1. Inspecties bij sorteerbedrijven

- fysiek: controle van sorteertechnieken, partijen die klaarliggen voor export, organisatie van de

aan- en afvoer op de site;

- administratief: controle van massabalansen, facturatie, interne controleprocedures;

- evaluatie en eventueel aanpassing van het werkplan.

2. Inspecties bij verbrandingsinstallaties: fysieke controle van partijen gemengd bedrijfsafval die

aangeleverd worden voor verbranding (R1/D10), administratieve controle van de interne

controleprocedures en evaluatie van het werkplan

3. Transportcontroles

Criterium voor succes:

Bedrijfsinspecties en transportcontroles zijn uitgevoerd en optreden is geïnitieerd waar nodig.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 88 dagen

Streefdatum: 31 december 2013 Budget: Nihil

Externe randvoorwaarden:

Opleiding administratief toezicht kan plaatsvinden zoals gepland (voorjaar 2012).

Is niet in het project vervat:

Milieu-inspectieplan 2012 32


Project

P650

Projectleiding:

Kernteam:

Controle op het wegtransport van

afvalstromen

Bart Palmans en Hans Delcourt

Ketenteam en werkgroep Afval

Noodzaak / Milieurelevantie:

Het vervoer van afvalstoffen is strikt geregeld. Overbrengers moeten door de overheid erkend zijn en

vervoerders moeten zich laten registreren. Bovendien moet elk afvaltransport vergezeld zijn van officiële

documenten die het moeten mogelijk maken om op elk moment van het transport te kunnen

achterhalen waar de partij vervoerde afvalstoffen vandaan komt en wat haar bestemming is. Het in- en

uitvoeren van afvalstoffen gaat gepaard met extra administratie.

Met de uitvoering van een aantal controles op het wegtransport van afvalstoffen, wil MI de illegale

verwerking van afvalstoffen (in binnen- of buitenland) helpen bestrijden. Het is aangewezen om de

controles, zoals in 2011, te organiseren in grensstreken en op grote (internationale) verbindingswegen,

om zo vooral de controle op transportdocumenten voor grensoverschrijdende transportdocumenten te

benadrukken.

Omschrijving / Doelstellingen:

Voor het toezicht op de overbrenging van afvalstoffen over de weg zal de afdeling Milieu-inspectie

samenwerken met de Federale Politie, de Federale Leefmilieu-inspectie en de bevoegde inspectiediensten

van het Brussels Hoofdstedelijk en het Waalse Gewest. In onderling overleg zullen een aantal

onaangekondigde gerichte acties worden uitgevoerd in het Vlaamse Gewest waarbij het vrachtverkeer

dat (vermoedelijk) afval vervoert, selectief zal worden tegengehouden. Indien het gaat om

afvaltransporten zullen de lading en de documenten worden geïnspecteerd en getoetst aan de vereisten

van Vlaamse en Europese afvalwetgeving.

Speciale aandacht zal gaan naar de volledigheid en de correctheid van de begeleidende documenten

(kennisgevings- + overbrengingsformulier, bijlage VII, identificatieformulier).

Analyses van afvalmonsters die tijdens de acties worden genomen, worden gebudgetteerd op het

labocontract afval.

Een aantal van de transportcontroles zal eveneens kaderen binnen het IMPEL-TFS Enforcement

Actions III Project.

Criterium voor succes:

1. Uitvoering van geplande acties.

2. Aantal overbrengingen waarbij overtredingen tegen de afvalstoffenwetgeving werden geverbaliseerd.

3. Hoeveelheid onderschepte afvalstoffen die illegaal werden vervoerd, of een illegale bestemming

hadden.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 64 dagen

Streefdatum: 31 december 2012 Budget: Nihil

Externe randvoorwaarden:

Ondersteuning van de politiediensten (stoppen van vrachtverkeer).

Is niet in het project vervat:

De inspecties die worden uitgevoerd in het kader van ketentoezicht naar aanleiding van

transportcontroles.

Milieu-inspectieplan 2012 33


Project

P651

Projectleiding:

Kernteam:

Controle op de uitvoer van

afvalstoffen via zeehavens

Bart Palmans en Hans Delcourt

Ketenteam

Noodzaak / Milieurelevantie:

De export van afvalstoffen naar derdewereldlanden gebeurt voor een groot deel via de Antwerpse en

Zeebrugse havens. Het betreft hier vooral gemengd kunststofafval, al dan niet verontreinigd schroot,

afgedankte elektrische en elektronische apparaten (AEEA), afgedankte voertuigen, papier/karton en

lompen. In het kader van verordening 1013/2006 dient er voor de export van niet-gevaarlijke

afvalstoffen naar verscheidene niet-OESO-landen een kennisgeving gedaan te worden aan de betrokken

autoriteiten en bestaat er een exportverbod voor gevaarlijk afval.

Omschrijving / Doelstellingen:

De controleacties worden gepland in overleg met de Federale Leefmilieu-inspectie, de Scheepvaartpolitie

en de douanediensten en worden georganiseerd in de havens van Zeebrugge, Antwerpen Rechteroever,

en de Waaslandhaven. Ter hoogte van de containerkaaien worden douane-uitvoerdocumenten en

boekingslijsten gecontroleerd van ladingen met bestemming niet-OESO-landen. Steekproefsgewijs

worden containers geselecteerd waarvan wordt vermoed dat ze met afval geladen zijn, om deze vrij te

laten zetten en visueel te inspecteren. Indien het een illegale uitvoer betreft wordt de container

geblokkeerd en het dossier wordt verder afgehandeld door de bevoegde dienst (MI, BIM, DPC of FLI).

De afhandeling van een illegale uitvoer afkomstig uit het Vlaamse gewest kan inhouden dat de containers

worden leeggestort en dat de organisatie van het transport uitgebreid wordt onderzocht.

De aandacht zal in de eerste plaats gaan naar afvalstromen die (a) in grote hoeveelheden worden

uitgevoerd en waarvan de totale milieu-impact dus belangrijk is, en (b) effectief te controleren zijn (de

inspectie-inspanning staat in verhouding tot het gewenste effect). Hierbij wordt gedacht aan vervuild

metaalschroot, kunststoffen (vooral gemengde partijen) en elektroschroot. Voor de controle op de

uitvoer van AEEA naar Afrika zullen in 2012 een aantal terminals gecontroleerd worden die in deze

trafiek gespecialiseerd zijn.

Een aantal van de havencontroles zal kaderen binnen het IMPEL-TFS Enforcement Actions III-project,

het Demeter II-project van de douane, en het samenwerkingsproject tussen douane, politie, de parketten

van Antwerpen en Dendermonde en de milieu-administraties verantwoordelijk voor de havencontroles

in de Antwerpse haven en de Waaslandhaven.

Criterium voor succes:

1. Uitvoering van geplande acties.

2. Partijen die illegaal zouden worden uitgevoerd, zijn opgehouden en MI heeft toezicht gehouden op

de correcte verwerking.

3. Strafrechtelijk optreden is geïnitieerd.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 89 dagen

Streefdatum: 31 december 2012 Budget: Nihil

Externe randvoorwaarden:

Ondersteuning van de Federale Leefmilieu-inspectie, scheepvaartpolitie, douane en parket voor

gezamenlijke acties.

Is niet in het project vervat:

1. De inspecties die worden uitgevoerd in het kader van ketentoezicht naar aanleiding van

havencontroles.

2. Reactieve controles naar aanleiding van douanemeldingen.

Milieu-inspectieplan 2012 34


Project

P654

Projectleiding:

Kernteam:

Controles in het kader van

ketentoezicht

Bart Palmans en Hans Delcourt

Ketenteam en werkgroep Afval

Noodzaak / Milieurelevantie:

Wanneer inspecties zich enkel beperken tot vaststellingen ter hoogte van inrichtingen (producenten,

overbrengers, verwerkers) zonder de partijen afvalstoffen te volgen over de hele verwerkingsketen,

kunnen bepaalde vormen van illegaal gedrag nooit worden vastgesteld. Het toezicht kan zich hierop

richten d.m.v. controles van documenten, registers, ophaalprocedures, … stroomop en –afwaarts in de

keten. Dit kan in de eerste plaats op een aspecifieke manier gebeuren, door vaststellingen binnen

willekeurige afvalstromen verder te onderzoeken. Bij een meer gestructureerde aanpak worden de

controles beperkt tot één afvalstroom, en op elkaar afgestemd.

Omschrijving / Doelstellingen:

Het project wordt verdeeld in vier groepen van controles:

a) Controles bij exporteurs van afvalstoffen, op basis van de analyse van douanedeclaraties. Uit de

analyse van deze aangiftes zullen een aantal bedrijven naar voor komen die verdachte of illegale of

transporten georganiseerd hebben, en dus voor inspectie in aanmerking komen.

b) Controles van overbrengingen van olie-watermengsels in de Antwerpse en Waaslandhaven. Dit

omvat controles van de registers van havenontvangstinstallaties en bunkerbedrijven. Doel is het

ontwikkelen van een toezichtstrategie voor deze sector.

c) Controles op de ophaling van afgedankte GSM‟s via het internet. Dit omvat controles van de

erkenning en het register van overbrengers, en de controle van eventuele opslagplaatsen.

Operationele gegevens worden uitgewisseld met OVAM.

d) Controles bij producenten, verwerkers, overbrengers en vervoerders: naar aanleiding van weg-,

haven- of bedrijfscontroles zullen „verdachte‟ partijen afvalstoffen die ergens op het traject tussen

hun ontstaan en hun definitieve verwerking werden vastgesteld, worden onderzocht. Meer bepaald

zal worden nagegaan waar de partij afvalstoffen werd geproduceerd en of ze vanaf het moment van

de productie correct werd opgeslagen, vervoerd, verwerkt (aspecifiek ketenonderzoek).

Criterium voor succes:

1. De opgestarte ketenonderzoeken zijn afgerond, of er is een timing opgesteld voor het tijdig afronden.

2. Analyse van douanegegevens is afgerond.

3. Strafrechtelijk onderzoek is geïnitieerd waar nodig.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 258 dagen

Streefdatum: 31 december 2012 Budget: Nihil

Externe randvoorwaarden:

Data over douaneaangiftes in 2011 worden door douane ter beschikking gesteld.

Is niet in het project vervat:

Reactieve controles naar aanleiding van meldingen van derden.

Milieu-inspectieplan 2012 35


Project

P655

Projectleiding:

Kernteam:

Controle op de sector van

afgedankte voertuigen

Bart Palmans en Hans Delcourt

Ketenteam en werkgroep Afval

Noodzaak / Milieurelevantie:

Het ontwerp van milieubeleidsovereenkomst afgedankte voertuigen 2010-2015 werd op 23 juli 2010

goedgekeurd. In artikels 31 en 33 engageert het Vlaamse Gewest zich om “de handhaving uit te voeren

op de naleving van de wetgeving op export van afgedankte voertuigen”. Van de voertuigen die in België

jaarlijks in aanmerking komen voor verwerking als afgedankt voertuig, zou 40% niet in het legale

verwerkingscircuit terechtkomen. Een gedeelte wordt uitgevoerd als tweedehandsvoertuig, o.a. via de

Antwerpse haven. Andere voertuigen worden illegaal ontmanteld, waarna de onderdelen ook

geëxporteerd woren. De controles zullen zich in 2012 beperken tot deze laatste categorie.

Omschrijving / Doelstellingen:

Controle op de vergunningstoestand bij bedrijven die voertuigen ontmantelen om de onderdelen te

recupereren voor export. Het MHHI wordt toegepast om de activiteiten stop te zetten of in

overeenstemming te brengen met de regelgeving. De aandacht gaat vooral naar de grotere bedrijven, die

onvoldoende vergund zijn, en die in de voorgaande jaren nog niet door MI gecontroleerd werden. Dit

controleluik beperkt zich tot Vlaams-Brabant, i.h.b. de Brusselse rand.

Criterium voor succes:

1. Uitvoering van geplande acties.

2. Aantal vaststellingen van illegale uitvoer van afgedankte voertuigen.

3. Aantal geregulariseerde depollutiecentra.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 20 dagen

Streefdatum: 31 december 2012 Budget: Nihil

Externe randvoorwaarden:

Is niet in het project vervat:

Controles van export van afgedankte voertuigen of onderdelen naar aanleiding van andere vaststellingen

(o.a. douanemeldingen).

Milieu-inspectieplan 2012 36


Project

P990

Projectleider:

Kernteam:

Controles van de

asbestverwijderingsketen

Hans Delcourt, Bart Palmans, Jeroen November, Roel Vaneerdeweg

Werkgroep Afval

Noodzaak / Milieurelevantie:

Op 24 januari 2007 stelde de toenmalig minister van Leefmilieu Kris Peeters het actieplan Asbest voor.

Actie 23 van dit plan houdt in “Zorgen voor meer controle op het vervoer van asbesthoudende

afvalstoffen opdat deze stroom nauwgezet zou worden opgevolgd van op de plaats van ontstaan tot

eindverwerking”. De asbestproblematiek is maatschappelijk een zeer gevoelig thema waar regelmatig

parlementaire vragen worden over gesteld en waarover een relevant aantal klachten MI bereiken.

Asbest kan voorkomen in verschillende afvalstromen, waarvan bouwpuin en metaalschroot de

belangrijkste zijn. Uiteindelijk moet alle asbestafval verwijderd worden op een stortplaats. Het

asbestprobleem wordt best op verschillende fronten gelijktijdig aangepakt om een effectief optreden te

bewerkstelligen. Het project zal over meerdere jaren lopen en kan verschillende milieucompartimenten

omvatten.

Omschrijving / Doelstellingen:

MI wenst op die plaatsen in de afvalketen op te treden waar het effect het grootst is en waar haar

expertise een meerwaarde betekent ten opzichte van andere handhavende instanties.

In 2010 werd de aanwezigheid van asbest bij brekers van bouwpuin gecontroleerd met de bedoeling de

verspreiding van asbest in puin op dit niveau te kunnen inschatten. De controles wezen uit dat de

huidige norm van 100 mg/kg d.s. met een doorgedreven en aangehouden acceptatiecontrole bij de

brekers haalbaar is. Vooral bij puinbrekers die ook kleine hoeveelheden bouw- en sloopafval aanvaarden

van particulieren en kleine zelfstandigen worden normoverschrijdingen vastgesteld.

In 2011 werden relevante bedrijven en activiteiten geselecteerd waar bouwpuin ontstaat en/of een

verwerking ondergaat. Er werden gerichte inspecties uitgevoerd bij containerparken,

grondreinigingsbedrijven en tussentijdse opslagplaatsen voor uitgegraven bodem, bij aannemers en bij

grotere afbraakwerven.

MI wenst in 2012 nog een beperkt aantal inspecties uit te voeren bij puinbrekers.

Criterium voor succes:

1. Inspecties op diverse locaties zijn voltooid en optreden is geïnitieerd waar nodig.

2. Interventiestrategieën zijn ontwikkeld.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 81 dagen

Streefdatum: 31 september 2012 Budget: € 3.350

Externe randvoorwaarden:

Is niet in het project vervat:

De inspecties in het kader van R641 maken geen deel uit van dit project.

Milieu-inspectieplan 2012 37


Project

P991

Projectleider:

Kernteam:

Geïntegreerde controles van GPBVlandbouwbedrijven

(varkens- en

pluimveebedrijven)

Jeroen November

Werkgroep GPBV- landbouw

Noodzaak / Milieurelevantie:

De Europese richtlijn 2008/1/EG van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van

verontreiniging (IPPC-richtlijn) maakt een selectie van potentieel (zwaar) milieubelastende bedrijven en

onderwerpt deze bedrijven aan extra maatregelen. De implementatie van deze richtlijn is een belangrijk

aandachtspunt voor de afdeling Milieu-inspectie. Daarbij spelen o.a. volgende overwegingen een rol:

- afzonderlijke initiatieven ter bestrijding van emissies in de lucht, het water of de bodem kunnen

ertoe leiden dat verontreiniging van het ene milieucompartiment naar het andere wordt

overgeheveld, in plaats dat het milieu in zijn geheel wordt beschermd;

- een geïntegreerde aanpak van de bestrijding van verontreiniging is erop gericht waar mogelijk en

rekening houdend met het beheer van de afvalstoffen, emissies in de lucht, in het water en in de

bodem te voorkomen en waar dat niet haalbaar is deze tot een minimum te beperken met het

oog op het bereiken van een hoog beschermingsniveau voor het milieu in zijn geheel;

- de toepassing van het beginsel van duurzame ontwikkeling wordt bevorderd door een

geïntegreerde aanpak van de bestrijding van verontreiniging;

- de vergunningsvoorwaarden moeten geregeld worden getoetst en zo nodig bijgesteld; in

bepaalde gevallen moet de toetsing in elk geval plaatsvinden.

De milieurelevantie bij de selectie van GPBV-landbouwbedrijven (zowel varkens- als pluimveebedrijven)

is voornamelijk gebaseerd op de potentieel belangrijke impact op bodem en grondwater, de emissies naar

de lucht (vnl. ammoniak), het grote verbruik aan grondwater en de mestproblematiek.

Omschrijving / Doelstellingen:

Een GPBV-inspectie start met een grondige voorbereiding. Alle beschikbare documentatie

(vergunningsaanvragen, vergunningsbesluiten, milieujaarverslagen, resultaten van de zelfcontrole,

MER‟s, VR‟s, decretale audits, enz…) wordt hiervoor gebruikt.

De inspectie gebeurt a.d.h.v. een handleiding waarin volgende thema‟s aan bod komen:

vergunningstoestand, preventie (algemeen en geïntegreerd), duurzaam gebruik van natuurlijke

hulpbronnen, preventie en beheer van afval, preventie en beheer van emissies naar lucht, preventie en

beheer van emissies naar water, preventie en beheer van emissies naar bodem en grondwater,

zorgsystemen en mest. Er zullen geïntegreerde controles worden uitgevoerd bij 24 GPBVlandbouwbedrijven

(gespreid over varkens- en kippenbedrijven). De resultaten worden gebundeld in een

beoordelingsverslag. Desgevallend worden aanmaningen, raadgevingen en processen-verbaal opgesteld.

Daarnaast zullen er NH3-rendementsbepalingen uitgevoerd worden op 10 ammoniakemissiearme stallen

met luchtwassers. Andere monsternames, metingen en analyses zullen zeer beperkt zijn en vallen

desgevallend onder de MI-labocontracten voor afval, lucht en water. In de mate van het mogelijke zullen

deze metingen worden gecombineerd met geurrendementsmetingen.

Criterium voor succes:

1. Geïntegreerde controle van de geselecteerde bedrijven + NH3- en geurrendementsbepalingen.

2. Opstart van de afhandeling van inbreuken en/of mogelijke verbeteringen.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 168 dagen

Streefdatum: 31 december 2012 Budget: € 87.000

Milieu-inspectieplan 2012 38


Project

P998

Projectleider:

Kernteam:

Geïntegreerde controles van GPBVbedrijven,

in hoofdzaak uit de

sectoren chemie en oppervlaktebehandeling

van metalen

Martine Blondeel

Werkgroep GPBV- industrie

Noodzaak / Milieurelevantie:

De Europese richtlijn 2008/1/EG van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van

verontreiniging (IPPC-richtlijn) maakt een selectie van potentieel (zwaar) milieubelastende bedrijven en

onderwerpt deze bedrijven aan extra maatregelen. De implementatie van deze richtlijn is een belangrijk

aandachtspunt voor de afdeling Milieu-inspectie. Daarbij spelen o.a. volgende overwegingen een rol:

- afzonderlijke initiatieven ter bestrijding van emissies in de lucht, het water of de bodem kunnen

ertoe leiden dat verontreiniging van het ene milieucompartiment naar het andere wordt

overgeheveld, in plaats dat het milieu in zijn geheel wordt beschermd;

- een geïntegreerde aanpak van de bestrijding van verontreiniging is erop gericht waar mogelijk en

rekening houdend met het beheer van de afvalstoffen, emissies in de lucht, in het water en in de

bodem te voorkomen en waar dat niet haalbaar is deze tot een minimum te beperken met het

oog op het bereiken van een hoog beschermingsniveau voor het milieu in zijn geheel;

- de toepassing van het beginsel van duurzame ontwikkeling wordt bevorderd door een

geïntegreerde aanpak van de bestrijding van verontreiniging;

- de vergunningsvoorwaarden moeten geregeld worden getoetst en zo nodig bijgesteld; in

bepaalde gevallen moet de toetsing in elk geval plaatsvinden.

De milieurelevantie bij de selectie van GPBV-bedrijven uit de sectoren chemie en

oppervlaktebehandeling van metalen of bij de selectie van GPBV-bedrijven waar mogelijk een specifieke

problematiek is ontstaan, is voornamelijk gebaseerd op de potentieel belangrijke emissies naar water en

lucht, de omvang van de opslag van gevaarlijke stoffen, de productie van afval en de potentiële impact

op bodem en grondwater.

Omschrijving / Doelstellingen:

Een GPBV-inspectie start met een grondige voorbereiding. Alle beschikbare documentatie

(vergunningsaanvragen, vergunningsbesluiten, milieujaarverslagen, resultaten van de zelfcontrole,

MER‟s, VR‟s, decretale audits, enz…) wordt hiervoor gebruikt.

De inspectie gebeurt aan de hand van een handleiding waarin volgende thema‟s aan bod komen:

vergunningstoestand, milieuzorg, preventie (algemeen en geïntegreerd), duurzaam gebruik van

natuurlijke hulpbronnen, preventie en beheer van afval, preventie en beheer van emissies naar lucht,

preventie en beheer van deposities in de omgeving via de lucht, preventie en beheer van emissies naar

water, preventie en beheer van emissies naar bodem en grondwater en beheersing van ongevallen. Er

zullen geïntegreerde controles worden uitgevoerd bij 5 bedrijven uit de sectoren chemie en

oppervlaktebehandeling van metalen of bij bedrijven waar mogelijk een specifieke problematiek is

ontstaan. De resultaten worden gebundeld in een beoordelingsverslag. Desgevallend worden

aanmaningen, raadgevingen en processen-verbaal opgesteld.

Monsternames, metingen en analyses vallen onder de MI-labocontracten voor afval, lucht en water

(tenzij speciale metingen of analyses nodig zijn. Hiervoor wordt dan een specifiek contract afgesloten).

Criterium voor succes:

1. Geïntegreerde controle van de geselecteerde bedrijven.

2. Opstart van de afhandeling van inbreuken en/of mogelijke verbeteringen.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 121 dagen

Streefdatum: 31 december 2012 Budget: € 51.250

Is niet in het project vervat:

Sevesocontrole in het kader van het Samenwerkingsakkoord preventie zware ongevallen.

Milieu-inspectieplan 2012 39


Project

P810

Projectleider:

Kernteam:

Controle op de naleving van

REACH

Paul Cuypers

Paul Cuypers, Saartje Swinnen

Noodzaak / Milieurelevantie:

REACH beoogt een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.

Alle beschikbare en relevante informatie over stoffen als zodanig, in preparaten of voorwerpen moet

worden bijeengebracht om te helpen bij het in kaart brengen van gevaarlijke eigenschappen, en

aanbevelingen betreffende risicobeheersmaatregelen moeten stelselmatig via toeleveringsketens worden

doorgegeven, als redelijkerwijs noodzakelijk, om negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid en

het milieu te voorkomen.

Er gelden beperkingen betreffende het produceren, op de markt brengen en het gebruik van gevaarlijke

stoffen, preparaten en voorwerpen.

REACH legt op dat een systeem van officiële controles en andere op de situatie afgestemde activiteiten

moet worden onderhouden. In 2015 zal MI gevraagd worden te rapporteren over de door haar jaarlijks

uitgevoerde handhaving.

Omschrijving / Doelstellingen:

MI zal bedrijfscontroles organiseren die worden aanbevolen door het Nationaal Forum REACH binnen

haar bevoegdheidsdomein.

Dit Nationaal Forum streeft naar prioritaire en maximale implementatie van de aanbevelingen van het

ECHA Forum.

De bedrijfscontroles focusseren zich op:

• de registratieplicht van vervaardigers van stoffen als zodanig en stoffen in preparaten of in

voorwerpen;

• de naleving van de verbodsbepalingen voorgeschreven door Bijlage 17 REACH.

Criterium voor succes:

25 bedrijfscontroles zijn uitgevoerd en waar nodig is de sanering van non-conformiteiten opgelegd.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 200 dagen

Streefdatum: 31 december 2012 Budget: € 25.000

Externe randvoorwaarden:

1. Beschikbaarheid van aanbevolen analysemethodes en operationele laboratoria (bekomen van

materieel bewijs).

2. Verkrijgen van informatie van bevoegde instanties (ECHA, Competent Authority België).

Is niet in het project vervat:

Milieu-inspectieplan 2012 40


Actie

A111

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle van RWZI’s

Diensthoofden van de buitendiensten + Rita Van Ham

Werkgroep Water

Noodzaak / Milieurelevantie:

De afdeling Milieu-inspectie volgt verder de werking en de exploitatie van de

rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI‟s). Alle rioolwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen

van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie, voor de behandeling van

afvalwater aangevoerd via openbare riolen en/of collectoren, met een zuiveringscapaciteit van meer dan

500 vervuilingseenheden, zijn klasse 1-inrichtingen. MI wil deze inrichtingen op een uniforme en

gecoördineerde manier opvolgen. In 2012 zal de aandacht voornamelijk gaan naar de verderzetting van de

in 2002 geïnitieerde aanpak.

Omschrijving / Doelstellingen:

In Vlaanderen zijn momenteel ongeveer 200 RWZI‟s in werking. De afgelopen jaren heeft MI diverse

aspecten van de werking en de exploitatie van deze RWZI‟s gecontroleerd. In 2012 wordt deze aanpak

verdergezet, met speciale aandacht voor volgende aspecten:

- de controle van de zelfcontrole: de volledige uitvoering van het zelfcontroleprogramma + de

resultaten van het zelfcontroleprogramma;

- voortgangscontrole van de renovatieprogramma‟s: alle actoren worden aangesproken om hun

bijdrage te leveren tot het zo snel mogelijk behalen van de lozingsnormen bij alle RWZI‟s. Daarbij

wordt bijzondere aandacht besteed aan de nog lopende renovaties;

- de aanvoer en verwerking van externe stromen (waaronder septisch materiaal): er zal in 2012

verder gecontroleerd worden of deze aanvoer en verwerking geen bijkomende hinderpaal vormt

voor het behalen van de lozingsnormen; er wordt speciale aandacht gegeven aan de werkplannen

en aan de voortgangscontrole bij geweigerde ladingen. MI zal deze meldingen van AQF bij de

weigering van een lading septisch materiaal snel en effectief opvolgen. Daarbij zal een controle

uitgevoerd worden van de betrokken ruimer en zal de lading gevolgd worden tot de definitieve

verwerking in een daartoe vergunde installatie;

- controle van bedrijven die aanleiding gaven tot een incident op een RWZI: MI zal controles

uitvoeren bij bedrijven die vermeld worden in de AQF-incidentenmeldingen en gepast optreden

met het oog op het voorkomen van dergelijke incidenten.

Criterium voor succes:

1. Volledige uitvoering van de zelfcontrole bij alle RWZI‟s; het voldoen aan de lozingsnormen, rekening

houdend met de nog lopende renovatieprogramma‟s.

2. Aanvoer en verwerking van externe stromen enkel op RWZI‟s die deze stromen voldoende kunnen

verwerken.

3. Voortgangscontrole van de geweigerde ladingen septisch materiaal en bewustwording bij de ruimers

van septisch materiaal.

4. Controle bij bedrijven die aanleiding gaven tot een incident.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 23 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Milieu-inspectieplan 2012 41


Actie

A118

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controles op vraag van VMM

Diensthoofden van de buitendiensten + Rita Van Ham

Werkgroep Water

Noodzaak / Milieurelevantie:

VMM leverde reeds een lijst van 103 bedrijven (ANT 26, LIM 13, OVL 30, VBR 11, WVL 23) waarvoor,

op basis van de expertise van het oppervlakte- en afvalwatermeetnet, een inspectie aangevraagd wordt. De

selectie is gebeurd op basis van de volgende motivaties:

- het bedrijf voldoet niet aan de vergunde voorwaarden (meetconstructie en/of

lozingsvoorwaarden);

- de lozing van het bedrijf heeft een meetbare negatieve impact op de waterkwaliteit;

- de heffing op het afvalwater berekend volgens de meetresultaten komt niet overeen met de

werkelijke impact;

- bedrijven voldoen niet aan de contractvoorwaarden voor lozing op RWZI (niet naleven van de

vergunning).

- herhaaldelijk vaststellen/meldingen van calamiteiten.

Omschrijving / Doelstellingen:

MI zal voor al deze bedrijven eerst een evaluatie uitvoeren van de huidige stand van zaken van deze

dossiers (mede rekening houdend met recente meetresultaten en desgevallend met reeds opgelegde MImaatregelen).

Uit deze evaluatie zal een voorstel opgesteld worden voor de controle van deze bedrijven in

2012. MI zal dit voorstel uitvoeren, terugkoppeling naar VMM over deze uitvoering is voorzien in 2013.

Wel zal begin 2012 een terugkoppeling gebeuren over de controles in het kader van A117 van het

MIP2011.

Indien er monsters worden genomen, gebeurt dit via de procedures/ het budget van het labocontract

afvalwater.

Criterium voor succes:

1. Uitvoering van de controles en initiatie van de afhandeling van de vastgestelde inbreuken.

2. Evaluatie van de actie uit 2011 (A117).

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 105 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Optimaal overleg (minstens 2 maal /jaar in de decentrale werkgroepen en een algemeen centraal overleg).

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole (na de eerste aanmaning) van de vastgestelde overschrijdingen.

Milieu-inspectieplan 2012 42


Actie

A217

Coördinatie:

Ondersteuning:

Voedingsbedrijven onder richtlijn

91/271

Diensthoofden van de buitendiensten + Rita Van Ham

Werkgroep Water

Noodzaak / Milieurelevantie:

De Europese richtlijn 91/271 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vermeldt in artikel 13

paragraaf 1: De Lidstaten zorgen ervoor dat biologisch afbreekbaar industrieel afvalwater van installaties

van de in bijlage III genoemde bedrijfstakken, dat niet via stedelijke waterzuiveringsinstallaties in

ontvangende wateren wordt geloosd, uiterlijk op 31 december 2000 vóór de lozing voldoet aan de

voorwaarden die in voorafgaande voorschriften en/of bijzondere vergunningen door de bevoegde

autoriteit of instantie zijn vastgesteld, indien het lozingen betreft van installaties die ten minste 4.000 IE

vertegenwoordigen.

BEDRIJFSTAKKEN

1. Zuivelindustrie

2. Vervaardiging van producten op basis van groenten en fruit

3. Bereiding en botteling van frisdranken

4. Verwerking van aardappelen

5. Vleesindustrie

6. Brouwerijen

7. Bereiding van alcohol en alcoholhoudende dranken

8. Vervaardiging van diervoeder uit plantaardige producten

9. Vervaardiging van gelatine en lijm op basis van huiden en beenderen

10. Mouterijen

11. Visverwerkingsindustrie

Omschrijving / Doelstellingen:

MI zal de lozing van de betrokken bedrijven verder van nabij controleren (geschatte aantallen: 16 in ANT,

10 in LIM, 18 in OVL, 12 in VBR en 28 in WVL: totaal = 84, naar analogie met de aanpak in de voorbije

jaren (met volgende uitzondering: er kan een vermindering zijn van de basisfrequentie tot 2/j bij deze

bedrijven die het afgelopen jaar telkens voldeden). De controles gebeuren enkel bij die voedingsbedrijven

(en aanverwante sectoren) die niet aangesloten zijn op RWZI.

Deze actie moet de aandacht vestigen op het naleven van de lozingsnormen van het effluent: bij alle

betrokken bedrijven wordt normaliter minstens twee of drie keer per jaar een controle van het geloosde

afvalwater uitgevoerd. Deze actie moet tevens de toezichthoudende ambtenaren ondersteunen zodat de

nodige maatregelen getroffen worden opdat deze bedrijven zo snel mogelijk alle toepasselijke wettelijke

lozingsbepalingen naleven.

Een gecoördineerde en uniforme aanpak is noodzakelijk. Vlaanderen moet zo snel mogelijk kunnen

melden dat aan deze bepaling van de Europese richtlijn voldaan is.

Monsters worden genomen volgens de voorschriften en op het budget van het labocontract afvalwater.

Criterium voor succes:

1. Alle afgesproken bemonsteringen werden uitgevoerd, geëvalueerd en opgevolgd.

2. Alle betrokken bedrijven voldoen aan alle toepasselijke bepalingen of volgen een saneringsplan

waarmee ze zo snel mogelijk aan al deze bepalingen zullen voldoen.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 91 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Andere aspecten dan de lozing van bedrijfsafvalwater.

Milieu-inspectieplan 2012 43


Actie

A237/8/9

Coördinatie:

Ondersteuning:

Lozing van gevaarlijke stoffen

Diensthoofden van de buitendiensten + Rita Van Ham

Werkgroep Water

Noodzaak / Milieurelevantie:

Deze actie wordt uitgevoerd naar aanleiding van de onderrichting i.v.m. de lozing van gevaarlijke stoffen

en aansluitend bij de plandoelstelling van het milieubeleidsplan 2011-2015 “7.2.5. Minder absolute

milieudruk”. MI gaat actief op zoek naar de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de lozing van

afvalwater.

Omschrijving / Doelstellingen:

Bij het actief zoeken naar de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de lozing van afvalwater, is er in het

verleden al verhoogde aandacht geweest voor PAK‟s, vluchtige en minder vluchtige

halogeenkoolwaterstoffen, (zware) metalen, N, P, MAK‟s en fenolen (+alkylfenolen). Daarnaast waren er

ook al acties i.v.m. dioxinen, furanen, PCB‟s, broomhoudende brandvertragers en perfluortensiden.

In 2012 zal de aandacht uitgaan naar:

1. De controle op (zware) metalen. Sinds 11 januari 2011 is de bijlage 2.3.1. van Vlarem II van kracht.

Bij alle bedrijven zal worden nagegaag of de concentraties aan metalen in het afvalwater voldoen aan

de indelingscriteria voor bedrijfsafvalwater. Bij alle bedrijven zal bij een eerste monstername de reeks

van metalen* van bijlage 2.3.1. worden geanalyseerd (code m200).

2. Dioxinen en furanen in afvalwater** (vervolg van 2008-2011): minstens controle bij alle betrokken

(afval)verbrandingsinstallaties met rookgasreiniging, maar daarnaast ook de mogelijkheid tot controle

in andere sectoren (o.a. chemie);

3. broomhoudende brandvertragers: controle bij een aantal geselecteerde bedrijven, vnl. textiel en

afvalverwerkers (en enkele plasticverwerkers);

4. PFT in afvalwater: controle bij een aantal geselecteerde bedrijven;

* Voor Hg zal een analyse gebeuren bij de relevante sectoren en bij de bedrijven waar de meetwaarde

van de campagne 2007-2008 hoger was dan het huidige indelingscriterium.

** Dioxine-achtige PCB‟s en PCB‟s worden onder M200 voorzien.

Criterium voor succes:

Uitvoering van deze controles en initiatie van de afhandeling van de vastgestelde inbreuken.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 60 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole (na de eerste aanmaning) van de vastgestelde overschrijdingen.

Milieu-inspectieplan 2012 44


Actie

A242

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle van car- en truckwashes

Diensthoofden van de buitendiensten + Rita Van Ham

Werkgroep Water

Noodzaak / Milieurelevantie:

Deze actie wordt uitgevoerd naar aanleiding van de nieuwe sectorale voorwaarden opgenomen in de

ontwerpwijziging voor Vlarem.

Omschrijving / Doelstellingen:

Car- en truckwashbedrijven zijn inrichtingen vermeld in rubriek 15.4 van de indelingslijst.

Aan hoofdstuk 5.15 van Vlarem II wordt een artikel 5.15.0.9 tot en met 5.15.0.11 toegevoegd, die luiden

als volgt:

“Art. 5.15.0.9. Waterverbruik:

1° voor een automatische bus- of truckwash:

de wasinstallatie is voorzien van een zuiverings- of recyclageunit die toelaat minstens 70% van het totale

debiet was- en spoelwater te hergebruiken in de wasinstallatie;

2° voor een automatische wasstraat ofcarwashinstallatie:

de wasinstallatie is voorzien van een zuiverings- of recyclageunit die toelaat de toevoer van vers water te

beperken tot maximaal 80 liter per voertuig dat gewassen wordt.

Art. 5.15.0.10. Afvalwater van inrichtingen, vermeld in rubriek 15.4 van de indelingslijst.

Alle verontreinigde afvalwaters worden, voor ze geloosd worden, verzameld en afgevoerd naar een

bezink- en koolwaterstofverwijderingsinstallatie. Wanneer wordt geloosd in oppervlaktewater wordt deze

bijkomend uitgerust met een coalescentiefilter. De koolwaterstofafscheiders worden zo dikwijls geledigd

en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De afvalstoffen die daarbij vrijkomen,

worden opgehaald door een daartoe erkende overbrenger. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie

maanden de afscheider en houdt van die inspecties een logboek bij.

Art. 5.15.0.11. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de

verplichtingen, vermeld in artikel 5.15.0.9 en 5.15.0.10, vanaf 1 januari 2015.

De nieuwe sectorale voorwaarden zullen normen bevatten voor pH, T, zwevende stoffen, bezinkbare

stoffen, perchloorethyleen extraheerbare apolaire stoffen, detergenten, olie en vet, BZV, CZV, P, N en

voor de metalen Cu, Pb, Zn, Cr en Ni bij lozing op oppervlaktewater. Voor rioollozers zijn normen

voorzien voor pH, T, zwevende stoffen, petroleumether extraheerbare stoffen, olie en vet, en voor de

metalen Cu, Pb, Zn, Cr en Ni.

In elke provincie worden de 3 grootste car- en truckwashbedrijven gecontroleerd op de toepassing van de

BBT en zal een monster worden genomen en vergeleken worden met de sectorale voorwaarden die vanaf

2015 van toepassing zullen zijn. Er zal een checklist worden opgemaakt op basis van de BBT-studie.

Criterium voor succes:

Uitvoering van deze controles en initiatie van de afhandeling van de vastgestelde inbreuken.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 15 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Definitieve goedkeuring van Vlaremwijziging voor car- en truckwashes.

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole van de vastgestelde overschrijdingen.

Milieu-inspectieplan 2012 45


Actie

A243

Coördinatie:

Ondersteuning:

Lozen van verontreinigd hemelwater

Diensthoofden van de buitendiensten + Rita Van Ham

Werkgroep Water

Noodzaak / Milieurelevantie:

In de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de inrichtingen vooor de verwerking van

afvalstoffen is vermeld onder art.5.2.1.7. §4. De afwatering van de gebouwen, de installatie en het terrein

wordt zó uitgevoerd dat de verontreiniging van het hemelwater zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat

het niet verontreinigd hemelwater kan afvloeien of worden weggepompt. Niet verontreinigd hemelwater

mag in geen geval worden gemengd met ander nog te behandelen afvalwater. Daar waar mogelijk wordt

het hemelwater gebruikt voor de waterbevoorrading van de inrichting. Het opgevangen hemelwater wordt

daartoe gestockeerd. Overtollig hemelwater wordt geloosd in oppervlaktewater. De lozing in riool kan

slechts worden aanvaard indien geen lozing in oppervlaktewater mogelijk is en op voorwaarde dat het in

de milieuvergunning is toegelaten.§ 5. Verontreinigd hemelwater moet worden opgevangen en behandeld

zoals het overige afvalwater van de inrichting.

Onder §1 wordt vermeld dat de afvalstoffen niet buiten de daartoe bestemde behandelings- en

opslagruimte worden opgeslagen.

Omschrijving / Doelstellingen:

Per provincie worden er 5 bedrijven uitvoerig gecontroleerd op gebied van waterhuishouding.

De selectie van de bedrijven die zullen worden gecontroleerd, gebeurt op basis van type activiteit (bvb.

vergisters, glas afvalverwerkende bedrijven, opslag kolen, non-ferro, containerdiensten, opslag en

verwerking van bouw- en sloopafval… ) in samenspraak met de oppervlakte van het bedrijfsterrein en met

een opslag in open lucht. Daarnaast is het relevant om te kijken of er hergebruik is van hemelwater, of er

een bufferbekken in gebruik is en of er al dan niet een lozing op oppervlaktewater is. De focus ligt bij

bedrijven waar het geloosde afvalwater vooral afkomstig is van potentieel verontreinigd hemelwater.

Indien geloosd wordt op oppervlaktewater zal er een afvalwatermonster worden genomen.

Criterium voor succes:

Planning van monstername aan lozingspunt afstemmen op weersomstandigheden (na regenbui).

Uitvoering van deze controles en initiatie van de afhandeling van de vastgestelde inbreuken.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 27 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole van de vastgestelde overschrijdingen.

Milieu-inspectieplan 2012 46


Actie

A244

Coördinatie:

Ondersteuning:

Lozen van koelwater

Diensthoofden van de buitendiensten + Rita Van Ham

Werkgroep Water

Noodzaak / Milieurelevantie:

Aan het water in open- en gesloten industriële koelsystemen worden stoffen toegevoegd voor de optimale

werking van het systeem.

Emissies naar het oppervlaktewater door koelsystemen worden veroorzaakt door :

- koelwateradditieven en de reactanten daarvan

- uit de lucht afkomstige stoffen die via de koeltoren binnenkomen

- corrosieproducten die ontstaan door corrosie van de koelsysteemapparatuur

- het lekken van proceschemicaliën (product) en hun reactieproducten.

De BBT lijst de stoffen op die gebruikt worden om koelwater te behandelen in open en gesloten

recirculatiesystemen.

Door het niet toepassen van de BBT voor industriële koelingssystemen kunnen in het te lozen koelwater

mogelijk stoffen aanwezig zijn die niet meer zijn toegelaten zoals bvb chroomhoudende stoffen,

kwikhoudende stoffen, organometalen en mercaptobenzothiazole.

Omschrijving / Doelstellingen:

Bij de planning van de routinemonsternames zal extra aandacht gaan naar de bemonstering van afvalwater

dat geloosd wordt op oppervlaktewater en dat vooral bestaat uit koelwater.

Afhankelijk van het gebruikte koelsysteem zullen andere parameters geanalyseerd worden.

Zowel het opgenomen water als het geloosde water worden op dezelfde parameters geanalyseerd.

Aantal bedrijven: minimaal 2, bij voorkeur diegene met een groot debiet, koelwater op basis van zoetwater

en met een lozingspunt op oppervlaktewater (bvb. kanalen of rivieren met drinkwaterbestemming;

bevaarbare rivieren en onbevaarbare rivieren klasse 1 of klasse 2).

Criterium voor succes:

Uitvoering van deze controles en initiatie van de afhandeling van de vastgestelde inbreuken.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 10 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole van de vastgestelde overschrijdingen.

Milieu-inspectieplan 2012 47


Actie

A245

Coördinatie:

Ondersteuning:

Ecotoxiciteit van bedrijfsafvalwater

Diensthoofden van de buitendiensten + Rita Van Ham

Werkgroep Water

Noodzaak / Milieurelevantie:

De KRW legt op dat de milieudoelstellingen voor oppervlaktewater betrekking moeten hebben op de

chemische en de ecologische toestand of potentieel en voor grondwater de kwantitatieve en de chemische

toestand. Het bestaande beoordelingskader wordt uitgebreid en een aantal bestaande normen worden

aangepast.

In dit kader werd door VITO in samenwerking met de VMM een studie uitgewerkt. In een aantal

milieuvergunningen werd als bijzondere voorwaarde opgenomen dat een ecotoxiciteitsstudie moet

worden uitgevoerd op het geloosde afvalwater.

Hierbij wordt het geloosde afvalwater blootgesteld aan 4 organismen. De reactie van het organisme op de

stoffen in het afvalwater bepaald de toxiciteit.

Omschrijving / Doelstellingen:

Relatie met: Kaderrichtlijn Water en decreet integraal waterbeleid.

Ecotoxiciteitstesten zijn relevant voor het diepgaander karakteriseren van complexe afvalwaters en de

mogelijke gevolgen voor het aquatische milieu.

Situatie 1: de studie is opgelegd via de bijzondere voorwaarden en wordt uitgevoerd door het bedrijf.

De TH zal nagaan of de studie werd uitgevoerd. In hoeverre de studie een waarheidgetrouw beeld geeft

van de toxiciteit van het afvalwater zal worden gecontroleerd door een eigen monstername.

Situatie 2: het diepgaander karakteriseren van probleemlozingen (= lozingen die geruime tijd niet voldoen

aan de lozingsnormen), met het oog op het bepalen van het verdere handhavingstraject (bv. prioritisering

van lozingen met hogere ecotoxiciteit).

Aantal bedrijven: minimum 2 per provincie, bij voorkeur die bedrijven met een voorwaarde voor een

studie naar ecotoxiciteit van het afvalwater in hun vergunning.

Criterium voor succes:

Uitvoering van deze controles en initiatie van de afhandeling van de vastgestelde inbreuken.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 20 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole (na de eerste aanmaning) van de vastgestelde overschrijdingen.

Milieu-inspectieplan 2012 48


Actie

A316

Coördinatie:

Uitvoering:

Uitvoering van het Seveso IIinspectieprogramma

Inge Delvaux

Toezicht zwarerisicobedrijven

Noodzaak / Milieurelevantie:

In het kader van het Samenwerkingsakkoord preventie zware ongevallen moet het inspectieteam een

inspectiesysteem opzetten dat de inspectie van alle Seveso II-bedrijven met gepaste frequentie en op de

geëigende manier borgt.

Omschrijving / Doelstellingen:

Het inspectieprogramma (in functie van de verschillende inspectiedomeinen van de bedrijven) wordt in

onderling overleg tussen de bevoegde inspectiediensten opgesteld, regelmatig geëvalueerd en

geactualiseerd. Ook de bepaling van de basisinspectiefrequentie gebeurt in overleg.

Voor de uitvoering van en de rapportering over de inspecties voorzien in het programma worden

eveneens de nodige afspraken gemaakt met de federale collega‟s.

Het Seveso II-inspectieprogramma wordt in meer detail geduid in de toelichting bij dit MIP onder

hoofdstuk 7.

Volgende groepen inspecties zijn inbegrepen: geprogrammeerde inspecties (m.b.v. bestaande inspectieinstrumenten),

inspecties naar aanleiding van voorvallen, … . Het programma omvat eveneens de

voortgangscontroles. Naar aanleiding van de inspecties worden actieplannen gegenereerd, waarvan de

tijdige en effectieve uitvoering moet worden nagegaan. Daardoor zullen heel wat inspecties bestaan uit een

combinatie van voortgangscontrole en de controle van een nieuw aspect. De nodige tijd voor

voortgangscontrole wordt echter niet in rekening gebracht bij deze actie, maar zit begrepen in de algemene

rubriek „Voortgangscontrole‟.

Een belangrijke eigenschap van het inspectieprogramma is het dynamische karakter ervan: indien de

actualiteit dat vereist wordt het programma aangepast.

In het licht van het van kracht worden van de CLP-verordening blijft ook de verdere inventarisatie van

Sevesobedrijven belangrijk.

Volgens een Europese interpretatie moeten ook doorvoeropslagplaatsen waar gevaarlijke stoffen aanwezig

zijn in hoeveelheden boven de drempels worden beschouwd als Seveso-inrichtingen. Extra aandacht zal

worden besteed aan de inventarisatie van dergelijke doorvoeropslagplaatsen.

Een ander aandachtspunt blijft de gasopslag in vaste houders (cfr. A342).

Criterium voor succes:

Het inspectieprogramma is uitgevoerd.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 1.125 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Milieu-inspectieplan 2012 49


Actie

A340

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle van de veiligheidsaspecten

bij koelinstallaties op ammoniak

Inge Delvaux

Toezicht zwarerisicobedrijven

Noodzaak / Milieurelevantie:

Naar aanleiding van enkele incidenten met toxische ammoniakwolken bij bedrijven met koelinstallaties op

ammoniak stelt zich de vraag naar de veiligheid bij de exploitatie van dergelijke inrichtingen.

De problematiek hieromtrent is nog niet goed in kaart gebracht en in het verleden werden daarop nog

geen gerichte controles uitgevoerd.

Koelinstallaties op ammoniak worden gebruikt in bedrijven en inrichtingen uit uiteenlopende sectoren,

vooral de voedingssector (groenten, bakkerijen, veilingen, zuivelfabrieken, fruitsappen, …) en de

recreatieve sector (ijsbanen, skipistes, ...). Er zijn de voorbije jaren verschillende incidenten gebeurd met

dergelijke installaties, waarbij soms omwonenden of werknemers in buurbedrijven moesten geëvacueerd

worden omwille van klachten van irritaties. Ongevallen met zware gevolgen zijn niet uitgesloten gezien het

acuut toxisch karakter van ammoniak.

In de eerste plaats moeten incidenten met vrijzetting van ammoniak vermeden worden en moeten bouw

en onderhoud van dergelijke installaties goed opgevolgd worden. Tweede belangrijke aandachtspunt is de

controle op het bestaan van een noodplan dat met dergelijk ongevalscenario rekening houdt en dat

geactualiseerd en ingeoefend is.

Omschrijving / Doelstellingen:

Deze actie is een verderzetting van de actie A340 van het MIP 2010 en het MIP 2011. In 2010 werd een

leidraad ontwikkeld voor de systematische inspecties.

Doel van deze actie is de systematische inspectie van minstens 10 bedrijven met een koelinstallatie op

ammoniak m.b.v. de leidraad.

Criterium voor succes:

De systematische controles bij een selectie van grote koelinstallaties op ammoniak zijn uitgevoerd.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 50 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole van de inspecties die worden uitgevoerd in het kader van deze actie.

Milieu-inspectieplan 2012 50


Actie

A342

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle van de opslag van gassen in

vaste houders

Inge Delvaux

Toezicht zwarerisicobedrijven

Noodzaak / Milieurelevantie:

Naar aanleiding van de recente wijzigingen in het Vlarem, zijn ook de voorwaarden voor de opslag van

gassen in vaste houders veranderd.

Afdeling 5.16.1 van Vlarem II (Algemene bepalingen) is grondig aangepast aan de bepalingen van de

PED-richtlijn, waardoor de voorwaarden met betrekking tot de periodieke onderzoeken gewijzigd zijn.

Meer bepaald werd de verplichting ingevoerd tot het uitvoeren van een inwendig onderzoek in bepaalde

gevallen en dit met een welbepaalde periodiciteit.

Verschillende exploitanten voorzagen in het verleden geen periodiek inwendig onderzoek in hun

inspectieprogramma voor gastanks.

Omschrijving / Doelstellingen:

In 2011 werden relevante bedrijven voor de opslag van gassen in vaste houders geïnventariseerd en werd

een onderzoek van de vereisten inzake constructie uitgevoerd. Als inventarisatiecriterium werd een

waterinhoudsvermogen van meer dan 13.000 l gehanteerd, aangezien dit voor LPG-houders de

ondergrens is voor de verplichting tot het uitvoeren van een inwendig onderzoek.

Op basis van een onderzoek van de reglementaire bepalingen en relevante codes en normen werd een

leidraad opgesteld die toelaat op een systematische manier na te gaan of de opslag voldoet aan de vereisten

inzake constructie en onderworpen wordt aan de noodzakelijke periodieke onderzoeken.

Er werd in 2011 reeds gestart met de systematische controle bij een selectie van tien bedrijven met opslag

van gassen in vaste houders.

In 2012 wordt deze systematische controle verdergezet a rato van 2 geselecteerde bedrijven per

buitendienst.

Bij deze controles zullen tevens de praktische bruikbaarheid en toepasbaarheid van de opgestelde leidraad

worden geëvalueerd. Indien nodig zal de leidraad worden bijgestuurd.

Criterium voor succes:

De systematische controles bij de geselecteerde bedrijven zijn uitgevoerd.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 50 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole van de inspecties die worden uitgevoerd in het kader van deze actie.

Milieu-inspectieplan 2012 51


Actie

A407

Coördinatie:

Ondersteuning:

Geluids- en trillingsonderzoeken

Diensthoofden van de buitendiensten + Paul Cuypers

Werkgroep Geluid & Trillingen

Noodzaak / Milieurelevantie:

Lawaai en trillingen tasten de kwaliteit van het leven en de omgeving van mensen aan. De hinder die zo

ontstaat leidt ook tot klachten die bij MI worden ingediend.

MI onderzoekt zelf of de klachten terecht en gegrond zijn, door middel van waarnemingen (zie M400).

Bij ingewikkelde klachten echter, bijvoorbeeld wanneer hinder door meer dan één bedrijf veroorzaakt

wordt en het niet zonder meer mogelijk is om de verschillende bijdragen van elk bedrijf afzonderlijk te

bepalen, kan MI beroep willen doen op erkende deskundigen.

Omschrijving / Doelstellingen:

Geluids- en/of trillingsonderzoeken uitbesteden aan erkende milieudeskundigen ter ondersteuning van

het inspecteren en maatregelen nemen (behandeling van klachten; afdwingen van saneringen).

Criterium voor succes:

Geluids- en/of trillingsonderzoeken zijn uitgevoerd.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 22 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Milieu-inspectieplan 2012 52


Actie

A408

Coördinatie:

Ondersteuning:

Kwaliteitscontrole van akoestische

onderzoeken

Diensthoofden van de buitendiensten + Paul Cuypers

Werkgroep Geluid & Trillingen

Noodzaak / Milieurelevantie:

Jaarlijks worden in Vlaanderen vele akoestische onderzoeken uitgevoerd. Die kunnen zijn opgelegd aan

exploitanten door de overheid, of exploitanten kunnen zelf het initiatief hebben genomen om zulk een

onderzoek uit te voeren. Het blijkt te vaak dat de kwaliteit van die onderzoeken te wensen overlaat,

hoewel goede onderzoeken zeer belangrijk zijn ter voorkoming van geluidshinder.

Omschrijving / Doelstellingen:

De doelstelling is in eerste instantie het verbeteren van de kwaliteit van die akoestische onderzoeken

waar MI de exploitanten toe heeft aangemaand.

Om de evaluatie uniform uit te voeren maakt MI gebruik van haar “Handleiding bij de beoordeling van

een volledig akoestisch onderzoek”. Het is niet enkel de bedoeling om rapporten goed of af te keuren

maar ook om te bepalen hoe een afgekeurd onderzoek had moeten gebeuren.

In tweede instantie wordt de werkervaring teruggekoppeld naar de erkenningverlenende overheid, al dan

niet op eigen initiatief.

Criterium voor succes:

De door MI opgelegde akoestische onderzoeken zijn geëvalueerd.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 69 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Milieu-inspectieplan 2012 53


Actie

A519

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle van grondwaterwinningen

Diensthoofden van de buitendiensten + Jeroen November

Werkgroep Bodem & Grondwater

Noodzaak / Milieurelevantie:

In Vlaanderen wordt grondwater in grote hoeveelheden uit de verschillende watervoerende lagen

onttrokken. Dit zowel voor de industrie, landbouw, drinkwatermaatschappijen als particulieren. Het

duurzaam omspringen met en het beschermen van de grondwaterreserves, zowel kwantitatief als

kwalitatief is noodzakelijk.

Omschrijving / Doelstellingen:

Het doel van het project is om bij 23 bedrijven verspreid in Vlaanderen een grondige controle uit te

voeren van de grondwaterwinning(en). Voor de bedrijfskeuze zal er gewerkt worden met een mix van

winningen zoals:

- grootste winningen waaronder een aantal productiecentra van drinkwatermaatschappijen;

- bedrijven / sectoren met een twijfelachtige reputatie wat betreft grondwaterwinning;

- bedrijven waarbij uit de zelfcontrole grondwater (A522) ernstige tekortkomingen blijken;

- potentieel klasse 1-ingedeelde inrichtingen, maar slechts klasse 2 vergund;

- illegale grondwaterwinningen (vb. melding VMM, andere watervoerende laag, …);

- grondwaterwinningen in overgeëxploiteerde watervoerende lagen en/of die onttrekken boven

het vergunde volume;

- bedrijven waar nieuwe grondwaterwinningen wordt aangelegd;

- grondwaterwinningen die recent nog niet aan een controle zijn onderworpen.

De inspecties bij de vergunde grondwaterwinningen worden uitgevoerd aan de hand van specifieke

checklists met aandacht voor het boren in de ondergrond, het gebruik van het grondwater, de

vergunningstoestand, de administratieve verplichtingen zoals de debietregistratie, de peilregistratie,

analyses en heffingen, de bijzondere voorwaarden, het herboren, het wijzigen van bestaande putten, de

buiten dienst gestelde grondwaterwinningen en de uitrusting van de peil- en de boorputten. Bij de

controle van boringen wordt nagegaan of de code van goede praktijk uit bijlage 5.53.1 van VlaremII

correct wordt gevolgd.

Tijdens de inspecties zal er voldoende aandacht besteed worden aan de kwaliteit en de kwantiteit van het

aanwezige grondwater. Er kunnen monsters van het grondwater genomen worden en peilmetingen

uitgevoerd worden. De analyses van de monsters gebeuren binnen het budget van het labocontract

„Afvalstoffen, Bodem en Grondwater‟.

De door MI uit te voeren monsternames en peilmetingen vormen een effectieve terreincontrole op de

zelfcontroleverplichtingen van de exploitant.

Criterium voor succes:

Goede selectie van de bedrijven en initiatie van de afhandeling van de inbreuken.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 75 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Voldoende medewerking van externe diensten (melden van probleemdossiers, illegale winningen, aanleg

van nieuwe grondwaterwinningen,…).

Is niet in de actie begrepen:

Milieu-inspectieplan 2012 54


Actie

A522

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle van de zelfcontrole

grondwater

Diensthoofden van de buitendiensten + Jeroen November

Werkgroep Bodem & Grondwater

Noodzaak / Milieurelevantie:

In Vlaanderen wordt grondwater in grote hoeveelheden uit de verschillende watervoerende lagen

onttrokken. Dit zowel voor de industrie, landbouw, drinkwatermaatschappijen als particulieren. Het

duurzaam omspringen met en het beschermen van de grondwaterreserves, zowel kwantitatief als

kwalitatief is noodzakelijk.

Omschrijving / Doelstellingen:

Naast de controles ter plaatse van de grondwaterwinningen, die gebeuren via A519, is het ook belangrijk

om na te gaan of de exploitanten voldoen aan de administratieve verplichtingen zoals debietregistratie,

peilregistratie en analyses van het grondwater. Deze zijn immers indicatief voor de kwantitatieve en

kwalitatieve toestand van de grondwatersystemen ter plekke en het correct opvolgen van de sectorale

en/of bijzondere voorwaarden.

Bij de bedrijven zullen de volgende gegevens opgevraagd worden:

- overzicht van het aantal winningsputten;

- debietregistratie over een periode van vijf jaar;

- ijkingsattesten van de debietmeters;

- peilregistratie over een periode van vijf jaar;

- grondwateranalyses van het afgelopen jaar.

Aan de hand van deze gegevens zal beoordeeld worden of de exploitant voldoende let op het vergund

debiet, de mogelijke beperking van het afpompingsniveau zodanig dat er geen risico is op aantasting van

de grondwaterlagen door overbemaling. De resultaten van de grondwateranalyse kunnen worden

getoetst aan de gangbare kwaliteit van de betreffende watervoerende laag en zo ook een signaal zijn voor

mogelijke verontreiniging of andere onregelmatigheden.

Bij vaststelling van ernstige tekortkomingen kan het gecontroleerde bedrijf nadien worden opgenomen

voor diepgaandere controle via A519.

Criterium voor succes:

1. Uitvoering van de controles.

2. Initiatie van de afhandeling van de vastgestelde inbreuken.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 29 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Terreincontrole op de zelfcontrole grondwater.

Milieu-inspectieplan 2012 55


Actie

A621

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controles in het kader van de

overeenkomst dierlijke bijproducten

Diensthoofden van de buitendiensten + Roel Vaneerdeweg

Werkgroep Afval

Noodzaak / Milieurelevantie:

Op 28/10/05 verleende de Vlaamse Regering haar goedkeuring aan de overeenkomst tussen de Federale

Staat en de Gewesten inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (uitvoering

verordening (EG) Nr. 1774/2002 van 3/10/2002 – B.S. 12/12/05). De taken voor de federale staat en de

gewesten worden duidelijk afgebakend. Elke betrokken instantie (dus ook MI) moet jaarlijks een

controleprogramma organiseren voor inrichtingen die de in de verordening bedoelde dierlijke

bijproducten voortbrengen. Jaarlijks moet hierover gerapporteerd worden aan een evaluatiecommissie.

In 2011 is verordening (EC) Nr. 1069/2009 in werking getreden. De overeenkomst tussen de Federale

overheid en de Gewesten wordt aangepast aan deze nieuwe regelgeving en zal in 2012 gesloten worden.

Omschrijving / Doelstellingen:

1. Gerichte inspectie van een aantal actoren gevat door de verordening. De gecontroleerde bedrijven zijn

hetzij 1069-erkende bedrijven, hetzij ophalers van dierlijk afval, hetzij bedrijven die producenten

kunnen zijn van dierlijke bijproducten. De verwerkte dierlijke bijproducten worden opnieuw

gecontroleerd op hun microbiële kwaliteit. De bedrijfskeuze van de 1069-erkende bedrijven gebeurt

enerzijds op basis van terreinervaring van MI en anderzijds worden bedrijven die geruime tijd niet of

nog nooit geïnspecteerd werden in deze actie gevat.

2. Controles op in- en uitvoer van dierlijke bijproducten n.a.v. meldingen door OVAM of FAVV van

risicovolle of verdachte partijen, die via Traces werden aangemeld.

3. Rapporteren van de uitgevoerde controles aan de evaluatiecommissie.

Er zal in 2012 bijzondere aandacht worden besteed aan controles bij de ophalers van dierlijk afval.

De bemonsteringen en analyses vallen binnen het contract „afvalstoffen, bodem en grondwater‟

Criterium voor succes:

1. Inspecties zijn uitgevoerd.

2. Administratief- en strafrechtelijk optreden werd geïnitieerd waar nodig.

3. Rapport voor de evaluatiecommissie Dierlijke Bijproducten is geschreven.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 133 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

De bemonstering van afvalwater bij de slachthuizen.

Milieu-inspectieplan 2012 56


Actie

A639

Coördinatie:

Ondersteuning:

Inspecties bij verwerkers van

organisch-biologische afvalstoffen

(OBA) en mest

Diensthoofden van de buitendiensten

Werkgroep Afval

Noodzaak / Milieurelevantie:

In het verleden hebben enkele dossiers aangetoond dat schadelijke afvalstromen mee verwerkt werden

tot organische bodemverbeteraars. Het opmengen van afvalstromen die in feite niet in aanmerking

kwamen voor toepassing in of als secundaire grondstof, heeft er in bepaalde gevallen toe geleid dat

landbouwpercelen vervuild werden, met grote economische schade tot gevolg. Het is niet ondenkbaar

dat op deze manier ook de voedselketen besmet kan worden.

Daarnaast wil MI ook waken over de correcte uitvoering van de vele mestverwerkingsprojecten die

opgestart worden bij landbouwers. In dergelijke mestverwerkingsinstallaties wordt samen met de mest

dikwijls ander organisch materiaal verwerkt (bv. snijmais). Omdat organisch materiaal meer en meer

wordt ingezet als biobrandstof stijgt de prijs ervan en loopt de mestverwerkingskost op. Dit zou kunnen

leiden tot de verwerking van goedkopere organisch-biologische afvalstoffen (OBA) van slechte kwaliteit.

Een streng toezicht is hier aangewezen.

Omschrijving / Doelstellingen:

Tijdens de inspecties de voorbije jaren zijn hier en daar twijfelachtige stromen ontdekt. Sommige

stromen komen rechtstreeks van afvalverwerkingsbedrijven. Deze stromen verdienen extra aandacht. De

actie zal worden beperkt tot de inspectie van een klein aantal bedrijven die hetzij organisch-biologische

afvalstoffen verwerken, hetzij toeleveren aan composterings- en/of vergistingsinstallaties.

Doel van het project is na te gaan of de verwerking van mest en van OBA tot secundaire grondstof (als

meststof of bodemverbeterend middel) correct verloopt, door:

1. tijdens bedrijfsinspecties na te gaan of de aanwezige afvalstoffen aan de invoerzijde aanvaard mogen

worden volgens de milieuvergunning en het goedgekeurde werkplan;

2. aan de uitvoerzijde na te gaan of het eindproduct voldoet aan alle toepasselijke VLAREA-bepalingen;

3. de geregistreerde gegevens van een lange periode kritisch te onderzoeken. Stromen die vermoedens

van onregelmatigheden doen rijzen of afkomstig zijn van risico-bedrijven, en waarover de exploitant

onvoldoende informatie kan verschaffen, worden aan een grondig onderzoek onderworpen.

4. minstens één toeleverancier grondig door te lichten.

MI treedt op indien bij bepaalde invoerstromen of afvoerstromen vervuiling of onregelmatigheden

worden vastgesteld.

Criterium voor succes:

1. Administratief- en strafrechtelijk optreden bij verwerkers is geïnitieerd.

2. Eventuele ketenonderzoeken zijn opgestart.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 43 dagen

Streefdatum: 31 oktober 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in het project vervat:

1. Verwerkers van uitsluitend bedrijfseigen OBA‟s.

2. Mestverwerkingsinstallaties die enkel bestaan uit een scheiding in een dunne en dikke fractie,

gevolgd door een specifieke biologische waterzuiveringsstap.

Milieu-inspectieplan 2012 57


Actie

A614

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle op gefluoreerde

ozonafbrekende stoffen en

broeikasgassen

Diensthoofden van de buitendiensten + Krista Thomas

Werkgroep OAS BKG

Noodzaak / Milieurelevantie:

Inspectie op de verordening 1005/2009 (OAS) inzake lekkage van installaties en illegale handel is

verplicht. Vanaf januari 2010 mogen alleen gerecupereerde of gerecycleerde HCFK’s (waaronder R22)

verder gebruikt worden (tot 2015). Maar niet alleen de aantasting van de stratosferische ozonlaag, ook

de verandering van het klimaat maken dat deze actie zéér belangrijk blijft. De impact van de gefluoreerde

gassen in koelinstallaties op de ozonlaag daalt door de vervanging van HCFK’s naar HFK’s, maar

gelijktijdig nam het ‘global warming potential’ toe. Het gebruik van HFK’s wordt verwacht te

verviervoudigen binnen de 20 jaar en zo de andere inspanningen tegen de klimaatswijziging te vertragen.

Inspecties op het onderhoud van koelgasinstallaties ter voorkoming van lekken blijft daarom van zeer

groot belang.

De certificering van koeltechnische bedrijven en koeltechnici moet leiden tot een betere uitbating van

koelinstallaties, maar ook hier is een controle op zowel het bezit van een certificaat (definitief certificaat

verplicht sinds juli 2011) als op de vereiste maatregelen bij de bedrijven nodig.

Omschrijving / Doelstellingen:

De inspectie bij exploitanten waar koelinstallaties in gebruik zijn, blijven onverminderd verder gezet in

2012. Enerzijds zal een controle op de logboeken duidelijkheid verschaffen over de historiek van

specifieke installaties, hun relatieve lekverlies, verplichte lekdichtheidscontroles en certificaten, anderzijds

zullen met behulp van een koeltechnicus mogelijke huidige koelgaslekken op de installaties gedetecteerd

worden. De focus van de lekdetectie is gericht op oudere installaties en op installaties met R22; voor

nieuwere installaties zal voornamelijk het noodzakelijke attest van de opbouw van de installatie volgens

de PED-richtlijn nagekeken worden.

Tevens zal dit jaar voor een eerste maal een inspectie bij een 5-tal koeltechnische bedrijven plaatsvinden.

Via de controle bij exploitanten, selecteren we een aantal bedrijven waarvan bleek dat ze onvoldoende

zorg dragen voor een goed onderhoud van koelinstallaties en niet voldoen aan de vereiste verplichtingen.

Anderzijds kan de controle van de koelmiddelboekhouding bij een koeltechnisch bedrijf ons toelaten op

een risico-gebaseerde manier exploitanten te vinden waar bv. veel bijvullingen plaats vinden.

Criterium voor succes:

1. 50 ‘nieuwe’ inrichtingen, naast de eventuele herhalingsinspecties bij andere inrichtingen, zijn

gecontroleerd.

2. Bij 5 koeltechnische bedrijven werd de koelmiddelboekhouding gecontroleerd.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 76 dagen

Streefdatum: 1 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Milieu-inspectieplan 2012 58


Actie

A733

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle van de zelfcontrole lucht

Diensthoofden van de buitendiensten + Karel Debeuf

Werkgroep Lucht

Noodzaak / Milieurelevantie:

De controle van de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht is hoofdzakelijk gebaseerd op de

uitvoering van het Vlarem II programma inzake zelfcontrole. Dit kan, naargelang het geval, bestaan uit

continue metingen met vast opgestelde meetapparatuur, puntmetingen door een erkend laboratorium of

door het bedrijf zelf of door het toepassen van een aantal alternatieve bepalingswijzen (berekeningen,

massabalansen, …). De praktijk wijst uit dat een regelmatige controle van deze zelfcontrole belangrijk is

om de bedrijven ertoe aan te zetten hun emissies met de vereiste frequentie en de vereiste

nauwkeurigheid te blijven bepalen. In overeenstemming met het compendium lucht dient ook bij de

schouwen vanaf 1.1m te worden nagegaan of er een homogeniteitsbepaling is gebeurd, indien

éénpuntsmetingen worden uitgevoerd voor gasvormige componenten. Zoniet dient overgegaan tot

rastermetingen.

Omschrijving / Doelstellingen:

Voortzetting van de evaluatie van de zelfcontrole bij de volgende sectoren (aantal bedrijven):

- afvalverbrandingsinstallaties (s.s.): huishoudelijk afval, bedrijfs- en gevaarlijke afvalstoffen (21)

- houtafvalverbranding en spaanplaatbedrijven (112)

- kleiverwerkende nijverheid (steenbakkerijen) (24)

- crematoria (7)

- gieterijen, smelterijen (19)

- asfaltcentrales (17)

- elektriciteitscentrales (11)

Bij de bedrijven uit deze sectoren wordt nagegaan of en hoe het verplichte zelfcontroleprogramma in

2011 werd uitgevoerd. Dit gebeurt volgens de principes vermeld in de geactualiseerde MI-onderrichting

2002-07. Indien er overtredingen van Vlarem II worden vastgesteld, wordt conform deze onderrichting

opgetreden. Bij de (grote) afvalverbrandingsinstallaties, alsook bij de elektriciteitscentrales dient ook een

controle te gebeuren van de keuringen van de vast opgestelde meetapparatuur door erkende

deskundigen. Bij de bedrijven die over één of meer schouwen ≥ 1.1 m beschikken, wordt nagegaan of

voldaan is aan de vereisten i.v.m. de homogeniteit van de meetsecties. Alle resultaten worden

samengebracht in de geactualiseerde overzichtstabellen.

De inventaris van de overzichtstabellen wordt verder uitgebouwd met in 2012 bijzondere aandacht voor

bedrijven die gebruik maken van vast opgestelde meetapparatuur.

Criterium voor succes:

Uitvoering zelfcontrole 2011 is geëvalueerd bij genoemde sectoren. De nodige maatregelen zijn

genomen. Keuringen van de vast opgestelde meetapparatuur bij afvalverbrandingsinstallaties en

elektriciteitscentrales en de beoordeling van de homogeniteitsvereisten zijn nagegaan en beoordeeld.

Overzichtstabellen zijn aangevuld.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 127 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

1. Controle van de zelfcontrole lucht bij de andere sectoren en bij de bedrijven in het kader van P998.

2. Terreincontroles op de zelfcontrole lucht.

3. Homogeniteitsbepalingen uitgevoerd in opdracht van MI.

4. Voortgangscontrole van de maatregelen bij niet-conformiteit met de Vlarem-bepalingen.

Milieu-inspectieplan 2012 59


Actie

A740

Coördinatie:

Ondersteuning:

Geuronderzoeken

Diensthoofden van de buitendiensten + Geert Keppens

Werkgroep Lucht

Noodzaak / Milieurelevantie:

Jaarlijks ontvangt MI honderden klachten over geurhinder. Sommige klachten zijn terecht, sommige

onterecht. Sommige geuren zijn aanvaardbaar hinderlijk, andere onaanvaardbaar. Het is aan de

toezichthouder van MI om klachten op te volgen, de nodige vaststellingen te doen en te oordelen over

de gegrondheid, hinderlijkheid en aanvaardbaarheid.

Het vaststellen van geurhinder kan een complex gegeven zijn dat niet altijd op eenvoudige wijze vast te

stellen is. Zo is bij een bronnencomplex niet altijd duidelijk welke bedrijven de oorzaak zijn van de

geurhinder. Zo kan een objectief uitgevoerd geuronderzoek een uitbater ervan overtuigen dat z‟n bedrijf

geurhinder veroorzaakt. Zo kan op een wetenschappelijke wijze de effectieve hinder bij de omwonenden

bepaald worden.

De doelstelling van het uitvoeren van het geuronderzoek is op een objectieve manier vast te stellen of

een bedrijf al dan niet onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt. Hiertoe worden zowel in de omgeving

van het bedrijf (omgevingsonderzoek) als in het bedrijf (brononderzoek) verschillende onderzoeken

uitgevoerd waarbij verschillende aspecten met betrekking tot de emissies, immissies en hinder

onderzocht worden. Het hanteren van deze veelzijdige benadering waarbij de conclusies niet op één

enkel onderdeel van de studie gebaseerd worden, maar op het geheel van de resultaten van de

verschillende onderdelen, levert de grootste zekerheid i.v.m. het eindresultaat.

Omschrijving / Doelstellingen:

Uitvoeren van een geuronderzoek om de gegrondheid, herkomst, aanvaardbaarheid en hinderlijkheid

van de geurhinder te bepalen bij :

Nieuwe geuronderzoeken:

1. Industrieterrein Oude Bunders in Maasmechelen (omgevingsonderzoek)

2. Bedrijf Cominbel in Bavegem (omgevings- en bronnenonderzoek)

3. Bedrijf LPW Fiberglass Pools in Aarschot (omgevingsonderzoek)

Opvolging geurstudies voorgaande jaren:

1. Bedrijf Rendac in Denderleeuw – omgevings- en bronnenonderzoek

De geuronderzoeken worden uitbesteed aan een erkend deskundige lucht en bestaat uit het uitvoeren

van snuffelmetingen en/of olfactometrische metingen, gevolgd door modellering en toetsing aan het af

te leiden aanvaardbaarheidscriterium.

Criterium voor succes:

De geuronderzoeken zijn opgestart; Geuronderzoeken uit voorgaande jaren zijn afgerond

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 44 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Milieu-inspectieplan 2012 60


Actie

A751

Coördinatie:

Ondersteuning:

Fijn stof (PM10): aanpak van diffuse

emissies in ‘hot spot’ gebieden

Diensthoofden van de buitendiensten + Roel Vaneerdeweg

Werkgroep Lucht

Noodzaak / Milieurelevantie:

Fijn stof is momenteel naast ozon één van de belangrijkste aspecten in de luchtvervuiling. Fijn stof heeft

een directe en indirecte negatieve impact op de menselijke gezondheid. De aanpak van fijn stof staat

centraal in het Europees beleid tegen luchtverontreiniging. De jaargrenswaarden voor PM 10 en PM 2,5

(EU Richtlijn 1999/30/EG) worden in Vlaanderen gerespecteerd, maar de afgelopen jaren is Vlaanderen

er niet in geslaagd de dagnormen van PM 10 te behalen. Inspanningen op het vlak van fijn stof blijven

dus noodzakelijk.

Naast een hoge bijdrage van het verkeer spelen ook industriële emissies t.g.v. op- en overslagactiviteiten,

metaalverwerking e.a. een rol. In 2007 werd een actieplan fijn stof in industriële „hot spot‟ zones

opgesteld voor de Gentse Kanaalzone, Ruisbroek, Roeselare en Oostrozebeke. In november 2008 werd

een nieuw plan voor de Antwerpse Haven voorgesteld door de Vlaamse minister van Leefmilieu. Deze

plannen hebben reeds geleid tot specifieke acties in bepaalde bedrijven gelegen in de „hot spot‟ zones. In

een recent afgeronde studie werden enkele „hot spot‟ zones geherevalueerd en werden ook op enkele

nieuwe plaatsen metingen verricht.

Omschrijving / Doelstellingen:

De acties die in de voorgaande jaren gestart werden in de hot spot gebieden zullen verder opgevolgd

worden. Daarnaast zullen er ook nieuwe acties worden gestart. Mogelijk nieuwe probleemlocaties zullen

ook aangepakt worden.

MI zal in alle „hot spot‟ zones werken aan:

- het opleggen van stofactieplannen aan bedrijven die een belangrijke bijdrage leveren aan de fijn

stof problematiek in deze zones;

- het toetsen of deze bedrijven de maatregelen, die in de stofactieplannen zijn opgenomen, ook

hebben uitgevoerd;

- gemotiveerde verzoeken voor de vergunningverlenende overheid voor het laten opnemen van

bijzondere voorwaarden in de MV;

- het controleren van de in de MV opgenomen bijzondere voorwaarden.

Er gebeurt geregeld overleg m.b.t. de uitvoering van het fijn stof actieplan tussen de afdelingen MI,

ALHRMG, AMV en VMM.

Criterium voor succes:

1. Het volledig uitvoeren van alle acties opgenomen in de actieplannen fijn stof in de provincie

Antwerpen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen.

2. Daling van de gemeten PM10-waarden in de omgevingslucht in de hot spot gebieden door de

genomen maatregelen.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 80 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole na initieel strafrechtelijk en bestuurlijk optreden.

Milieu-inspectieplan 2012 61


Actie

A755

Coördinatie:

Ondersteuning:

Emissiemetingen bij biomassa- en

houtafvalverbrandingsinstallaties

Diensthoofden van de buitendiensten + Karel Debeuf

Werkgroep Lucht

Noodzaak / Milieurelevantie:

Sinds 28 december 2005 zijn voor de houtafvalverbrandingsinstallaties strengere emissiegrenswaarden

van kracht en geldt een nieuwe indeling van het houtafval, met bijzondere aandacht voor de indeling in

verontreinigd en niet-verontreinigd houtafval.

In de periode 2006-2011 zijn er bij ruim 100 houtafvalverbrandingsinstallaties emissiemetingen

uitgevoerd, zowel bij grotere verbrandingsinstallaties als bij kleinschalige houtverbrandingsinstallaties (<

5 MW) ongeacht of het om een klasse 1 of klasse 2 bedrijf gaat. De selectie van

houtverbrandingsinstallaties is daarbij vooral gebeurd op basis van emissieresultaten waar in het recente

verleden (bijna-)overschrijdingen van de emissiegrenswaarden zijn vastgesteld. Bij een aantal van deze

installaties, waar ernstige problemen werden vastgesteld, werden over deze periode meerdere

meetcampagnes uitgevoerd. Er werden ook telkens monsters genomen en geanalyseerd van het

houtafval om te kunnen uitmaken welke emissiegrenswaarden gelden. MI heeft in 2009 een interne

onderrichting op voor de controle van deze kleinschalige houtafvalverbrandingsinstallaties

geactualiseerd. Uit de resultaten van deze meerjarige acties kan worden geconcludeerd dat er bij

houtverbrandingsinstallaties nog steeds heel wat problemen zijn m.b.t. geldende regelgeving. Bovendien

zal voortaan ook bij grootschalige installaties voor de productie van elektriciteit een controle worden

uitgevoerd.

Omschrijving / Doelstellingen:

Uitvoering van emissiemetingen bij een selectie van een 52-tal houtafvalverbrandingsinstallaties. Deze

emissiemetingen gebeuren deels bij bedrijven die in de periode 2006-2011 nog niet aan bod kwamen en

bij grootschalige installaties voor de productie van elektriciteit.

Om te kunnen uitmaken welke emissiegrenswaarden gelden, moet ook de chemische samenstelling van

het verbrande houtafval gekend zijn (al dan niet verontreinigd?). Om die reden zullen er ook opnieuw

telkens monsters worden genomen van het houtafval voor analyse en dit volgens de nieuwe interne

onderrichting M2010/17 voor de bemonstering houtafval.

De emissiemetingen gebeuren binnen het budget van de laboratoriumcontracten „lucht‟.

Er wordt na afloop van de actie een evaluatienota opgemaakt voor terugkoppeling naar de

beleidsmakers.

Criterium voor succes:

1. Bemonsteringen/analyses van verbrand houtafval en emissiemetingen zijn uitgevoerd bij 52

installaties.

2. Meetresultaten zijn getoetst aan de voorwaarden.

3. Eerste stappen in de strafrechtelijke/administratiefrechtelijke afhandeling zijn genomen.

4. Evaluatienota is opgemaakt.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 101 dagen

Streefdatum: 31 januari 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole na eerste stappen in de strafrechtelijke en administratiefrechtelijke afhandeling.

Milieu-inspectieplan 2012 62


Actie

A757

Coördinatie:

Ondersteuning:

Acties ter beperking van de emissie

en de verspreiding van zware

metalen naar de lucht

Diensthoofden van de buitendiensten + Roel Vaneerdeweg

Werkgroep Lucht

Noodzaak / Milieurelevantie:

De VMM verzamelt doelgericht informatie over zware metalen in zwevend en neervallend stof in

woonkernen nabij industriegebieden. In het verleden werden op bepaalde plaatsen verhoogde

concentraties vastgesteld van deze zware metalen. Hoewel er door inspanningen van de industrie en de

overheid een positieve evolutie merkbaar is in deze meetwaarden, blijven er voor enkele types metalen

op bepaalde locaties problemen bestaan.

Voor een aantal zware metalen zijn er grens-, richt- en/of streefwaarden in de milieuwetgeving

opgenomen (Vlarem II en bijlagen, Europese RL 1999/30/EG en RL 2004/107/EG). De

streefwaarden die vermeld zijn in deze Europese richtlijn dienen vanaf eind 2012 te worden

gerespecteerd. Voor een aantal zware metalen heeft de WHO richtwaarden bepaald met als doel de

bevolking te beschermen tegen ongunstige effecten op hun gezondheid.

De opname van zware metalen in het organisme gebeurt via ademhaling en voeding. Zware metalen

kunnen ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van levende wezens.

In het kader van actie A757 werden in het verleden bij de betrokken bedrijven de zelfcontroleresultaten

van de laatste jaren gecontroleerd, werden emissiemetingen uitgevoerd en werd het belang van de diffuse

emissies ingeschat en bronnen die hiertoe bijdragen geïdentificeerd. Bij een aantal bedrijven werd een

stofbeheersingsplan opgelegd. Bovendien lopen er specifieke dossiers „zware metalen in de

omgevingslucht‟ te Genk (Ni), in de Noorderkempen (As) en in Beerse (As en Cd). De inspanningen die

in het verleden geleverd zijn hebben tot een duidelijke verbetering in de meetresultaten geleid, maar

naast een continue opvolging zijn extra inspanningen noodzakelijk om op bepaalde plaatsen de

Europese streefwaarden, vooropgezet voor eind 2012 te behalen.

Omschrijving / Doelstellingen:

De VMM-meetresultaten in de omgevingslucht voor zware metalen op PM10- stof worden verder goed

opgevolgd. Indien er op nieuwe locaties overschrijdingen of verhoogde waarden worden vastgesteld,

worden maatregelen opgelegd aan de betrokken bedrijven. Er kunnen ook emissiemetingen in opdracht

van MI worden uitgevoerd, begroot op de labocontracten „lucht‟.

De voortgangscontrole van de uitvoering van de lopende stofactieplannen in het kader van de dossiers

„zware metalen in de omgevingslucht‟ en de andere bedrijven betrokken bij A757 zal in 2012 nog verder

tijd vergen.

Criterium voor succes:

De concentraties in de omgevingslucht voor zware metalen in de omgeving van de betrokken bedrijven

is significant gedaald door de genomen maatregelen.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 16 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

De meetresultaten van de VMM in de omgevingslucht voor het jaar 2011 moeten beschikbaar zijn.

Is niet in de actie begrepen:

Milieu-inspectieplan 2012 63


Actie

A759

Coördinatie:

Ondersteuning:

Leak Detection and Repair

Diensthoofden van de buitendiensten + Krista Thomas

Werkgroep VOS

Noodzaak / Milieurelevantie:

Raffinaderijen en bepaalde chemische bedrijven (met geschatte diffuse VOS-emissie boven bepaalde

drempel) moesten vanaf 2010 een Leak Detection and Repair programma uitvoeren om de fugitieve

emissies via lekken in leidingen, flenzen, pompen te inventariseren, te meten en te beperken door

herstellingen. Door deze LDAR maatregel bij chemie en raffinage moet 3.7 kton gereduceerd worden

om het „nationale emissieplafond‟ te halen.

Omschrijving / Doelstellingen:

In 2012 zal de aandacht gericht worden op de concrete uitvoering van het jaarlijkse programma bij de

bedrijven die LDAR-plichtig zijn. Worden de metingen uitgevoerd, voldoen de metingen aan de vereiste

verplichtingen, gebeuren de herstellingen binnen de termijn, … Ook al doet een erkend labo de vereiste

metingen in het kader van LDAR, het is de plicht van het bedrijf om de vastgestelde lekken binnen de

maand (of 3 maand) te herstellen. Vanaf 2012 is ook het herstelcriterium verstrengd (10.000 ppm wordt

1000 ppm) en na herstel moet een nieuwe meting gebeuren. De controle hierop zal administratief

(opvragen rapporten van erkende deskundigen) en d.m.v. een plaatsbezoek gebeuren bij twee bedrijven

per provincie.

Of LDAR-metingen al dan niet werden uitgevoerd kan vrij snel worden gecontroleerd. Of hierbij

voldaan wordt aan alle bepalingen, vraagt een vrij grondige controle. De meeste relevante bedrijven

bevinden zich in Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Limburg.

Criterium voor succes:

De correcte uitvoering van het LDAR-programma bij 8 bedrijven werd gecontroleerd.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 40 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole na initieel strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden.

Milieu-inspectieplan 2012 64


Actie

A760

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle VOS-emissies bij

solventverbruikende bedrijven

Krista Thomas

Werkgroep VOS

Noodzaak / Milieurelevantie:

De luchtkwaliteit in Vlaanderen behoort tot de slechtste in Europa. Vluchtige organische stoffen spelen

een belangrijke rol in de vorming van ozon, en hebben in sommige gevallen ook rechtstreekse effecten

op de gezondheid. Controle op de solventboekhouding en emissies van VOS bij bedrijven met een

belangrijk oplosmiddelenverbruik (Vlarem 5.59) blijft daarom essentieel.

Omschrijving / Doelstellingen:

Controle van de Vlarem-bepalingen (5.59) die voortvloeien uit de solventrichtlijn is geen eenvoudige

zaak, deels omwille van de zeer verschillende sectoractiviteiten (drukproces, oppervlaktereiniging,

coating, lijmen,…bij zowel autoconstructeurs als zaadextractie) die hieronder vallen. Gebruik makend

van de bestaande handleiding voor de controle, en d.m.v. samenwerking binnen de werkgroep bij de

behandeling van elk dossier, zal in 2012 de focus gericht zijn op één tot twee specifieke sectoren

(subrubrieken binnen 5.59).

De selectie van de bedrijven binnen een specifieke sector zal gebeuren op basis van de hoeveelheid

gebruikte solventen en/of aanwezigheid van R-stoffen (gevaarlijke stoffen, kankerverwekkend,

mutageen…). Indien actief koolfilters gebruikt worden, zal de noodzakelijke tijdige vervanging hiervan

nagegaan worden. Een kostendrukkende praktijk van zo min mogelijke vervanging leidt immers tot een

veel grotere uitstoot dan correct gebruik van deze filters.

Criterium voor succes:

1. Van min. 10 nieuwe bedrijven werd de solventboekhouding grondig doorgelicht.

2. Waar nodig is strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden geïnitieerd.

Begindatum:

Streefdatum:

Externe randvoorwaarden:

1 januari 2012 Personeelsinzet: 50 dagen

31 december 2012

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole na initieel strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden.

Milieu-inspectieplan 2012 65


Actie

A764

Coördinatie:

Ondersteuning:

Damprecuperatie fase 2

Krista Thomas

Werkgroep VOS en Hoofdbestuur

Noodzaak / Milieurelevantie:

In Vlaanderen moeten de benzineverdeelpompen sinds een aantal jaren voorzien zijn van een

dampretoursysteem fase 2 (Vlarem Subafdeling 5.17.4.2). Uit onderzoek is gebleken dat in sommige

gevallen toch te hoge concentraties benzeen en andere VOS worden opgemeten bij het tanken van

benzine. In 2011 heeft MI meer dan 200 benzinestations gecontroleerd waaruit bleek dat bij een kwart

van de stations het systeem geheel of deels defect was. Zelfcontrole op de correcte werking was tot op

heden niet verplicht, maar de omzetting van de Europese richtlijn 2009/126 inzake fase 2benzinedampterugwinning

in Vlarem, zal daar verandering in brengen.

.

Omschrijving / Doelstellingen:

De inspectie gebeurt d.m.v. een sneltester, een metalen ring, die op het vulpistool kan geschoven

worden. Een duidelijke fluittoon tijdens het tanken geeft aan dat het systeem werkt. Indien geen

fluittoon kan gehoord worden, is dit voldoende indicatie dat het niet werkt. Het wél fluiten geeft geen

garantie op de goede werking inzake volume teruggevoerde dampen t.o.v. aangevoerde benzinevloeistof,

maar het ontbreken van enige fluittoon is wel een indicatie waarmee MI de exploitant kan aanmanen een

volledige controle op het systeem te laten uitvoeren.

Criterium voor succes:

Inspectie van de werking van het damprecuperatiesysteem fase 2 op minstens 150 benzinestations.

Begindatum:

Streefdatum:

Externe randvoorwaarden:

1 januari 2012 Personeelsinzet: 20 dagen

31 december 2012

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole na initieel strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden.

Milieu-inspectieplan 2012 66


Actie

A765

Coördinatie:

Ondersteuning:

Evaluatie van de implementatie van

de stappenplannen bij

schrootverwerkende bedrijven

Diensthoofden van de buitendiensten + Karel Debeuf en Roel Vaneerdeweg

Werkgroep Lucht

Noodzaak / Milieurelevantie:

Studies en vaststelling door de VMM tonen aan dat op en rond de terreinen van schrootverwerkende

bedrijven dioxineachtige PCB‟s voorkomen in neervallend stof. Via opname door grazende dieren of

pluimvee in de omgeving kunnen deze verbindingen in de voedselketen terecht komen. Uit een verdere

analyse van deze problematiek door MI is gebleken dat het voorkomen en beheersen van stofemissie bij

deze bedrijven van het grootste belang is, zeker wat de diffuse bronnen betreft.

Bij verschillende betrokken bedrijven werden door MI actieplannen opgelegd voor de preventie en

beheersing van stofvorming en van de emissie van dioxineachtige PCB‟s.

De controle op de uitvoering van deze acties, alsook op de uitvoering van de stofbeheersplannen en de

opvolging van de depositiemeetresultaten rond shredderbedrijven blijven belangrijke aandachtspunten

voor de afdeling Milieu-inspectie.

De resultaten van de depositiemetingen door VMM worden verder opgevolgd. Op verschillende plaatsen

is er ondanks grote inspanningen die de laatste jaren geleverd zijn geen duidelijk dalende tendens in de

meetresultaten waar te nemen.

Omschrijving / Doelstellingen:

De voortgangscontrole van de uitvoering van de actieplannen bij de shredderbedrijven loopt verder.

Daarnaast zal de terreinervaring die de afgelopen tijd in de diverse dossiers werd opgebouwd worden

verzameld en vergeleken met de depositieresultaten die beschikbaar worden gesteld door VMM. Door dit

op een gecoördineerde manier uit te voeren wordt een kwaliteitsvolle en uniforme handhaving

nagestreefd en wordt verwacht dat het inzicht in het verband tussen de uitvoering van de actieplannen en

de invloed daarvan op de depositieresultaten verder kan toenemen.

Deze actie zal worden uitgevoerd in nauw overleg met de werkgroep afval en de VMM.

Criterium voor succes:

1. Door een verdere opvolging en implemantie van de actieplannen wordt de verspreiding van

dioxineactive PCB‟s naar de omgeving zo veel als mogelijk vermeden.

2. Door op een gecoördineerde manier terreinervaring te verzamelen en te vergelijken met

depositieresultaten vergroot het inzicht in de problematiek wat in bepaalde dossiers aanleiding kan

geven tot verdere acties.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 30 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Verdere voortgangscontrole van de dossiers na de start van de uitvoering van de eigen actieplannen door

de bedrijven.

Milieu-inspectieplan 2012 67


Actie

A850

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle ingeperkt gebruik GGO’s

en pathogene organismen

Diensthoofden van de buitendiensten + Geert Keppens

Werkgroep GGO

Noodzaak / Milieurelevantie:

Activiteiten met genetisch gemodificeerde en pathogene organismen brengen bepaalde risico‟s voor de

menselijke gezondheid en het leefmilieu met zich mee. Inrichtingen waar dergelijke organismen

doelbewust worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of gebruikt, moeten

bepaalde inperkingsmaatregelen nemen om te vermijden dat mens en leefmilieu worden blootgesteld aan

deze organismen.

Afhankelijk van het risico voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu worden deze activiteiten

ingedeeld in vier risiconiveaus. Naarmate het risiconiveau van de activiteit stijgt moeten er meer en

stringentere inperkingsmaatregelen genomen worden. Bij gerichte controles van inrichtingen zonder

gekende toelating tijdens voorgaande jaren wordt vastgesteld dat een aanzienlijk deel van hen wel

degelijk een vergunning en toelating nodig hebben voor het ingeperkt gebruik van GGO‟s of pathogene

organismen.

Omschrijving / Doelstellingen:

Een eerste luik omvat de controle van volgende aspecten in de inrichtingen waar gekende activiteiten

van ingeperkt gebruik plaatsvinden:

- zijn alle activiteiten vergund en toegelaten?

- is er een juiste inschatting van het risiconiveau?

- worden de inperkingsmaatregelen opgelegd in de milieuwetgeving of de toelating toegepast?

- neemt de gebruiker alle nodige maatregelen om schadelijke gevolgen voor de menselijke

gezondheid en het leefmilieu te voorkomen?

Een tweede luik omvat de controle van inrichtingen die vermoedelijk activiteiten uitvoeren met GGO‟s

of pathogene organismen, maar die hiervoor geen toelating noch een vergunning hebben.

Sectoren waar in 2011 bijkomende aandacht zal aan besteed worden zijn dierenartsenpraktijken en

veevoederbedrijven.

Een totaal van 36 inrichtingen zal in 2012 gecontroleerd worden.

Criterium voor succes:

Alle controles uitgevoerd en gestart met de eventuele administratief en straf rechtelijke afhandeling.

Begindatum: 1 januari 2012 Personeelsinzet: 93 dagen

Streefdatum: 31 december 2012

Externe randvoorwaarden:

Is niet in de actie begrepen:

Voortgangscontrole na initieel strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden.

Milieu-inspectieplan 2012 68


Routine

M200

Coördinatie:

Ondersteuning:

Routine- en ad hoc monsternames

afvalwater

Diensthoofden van de buitendiensten + Rita Van Ham

Werkgroep Water

Omschrijving / Doelstellingen:

Uitvoering van de planning van de routinemonsternames, die opgesteld werd in functie van de aard van

de lozing (met of zonder gevaarlijke stoffen; lozing naar oppervlaktewater of naar RWZI), het debiet van

de lozing en de historiek van het bedrijf. Deze routinemonsternames bestaan uit schepmonsters en

mengmonsters van afvalwater en koelwater en monsters van het opgenomen water.

In een aantal gevallen zal ook de monstername door het laboratorium uitgevoerd worden

(debietsproportionele monsternamecampagne en monsternames van schepmonsters).

De analyses en desgevallend bepaalde monsternames worden uitgevoerd door daartoe erkende

laboratoria.

Bij het opstellen van de planning van de routinemonsternames wordt het begrip „basisfrequentie‟

gebruikt. De basisfrequentie is de frequentie die minimaal per jaar moet gehaald worden bij de

bemonstering van de desbetreffende lozingen (indien voldoende budget beschikbaar). Daarbij gelden

voor 2012 de richtlijnen zoals vastgesteld in 2011. Deze houden rekening met de potentiële milieu-impact

van een bepaalde lozing.

Naast de routinemonsternames zijn er heel wat bedrijven die een verhoogde frequentie hebben als gevolg

van hun aanwezigheid in een project of actie en/of als gevolg van de (negatieve) historiek t.g.v. de

bekomen resultaten tijdens vorige monsternames en de problemen van deze bedrijven bij het naleven van

de lozingsvoorwaarden.

Personeelsinzet: 749 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 69


Routine

M400

Coördinatie:

Ondersteuning:

Ad hoc geluids- en trillingsmetingen

Diensthoofden van de buitendiensten + Paul Cuypers

Werkgroep Geluid & Trillingen

Omschrijving / Doelstellingen:

Klachten omtrent geluid of trillingen worden door MI zelf onderzocht op gegrondheid door het

zelfstandig verrichten van metingen met eigen apparatuur.

In voorkomend geval wordt beperking van geluids- of trillingshinder afgedwongen.

Personeelsinzet: 85 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 70


Routine

M100, M500,

M600

Coördinatie:

Ondersteuning:

Routinemonsters afvalstoffen,

bodem en grondwater

Diensthoofden + Hans Delcourt, Bart Palmans en Jeroen November

Werkgroepen Afval en Bodem & Grondwater

Omschrijving / Doelstellingen:

De afdeling Milieu-inspectie heeft een contract met laboratoria die voor de afdeling analyses uitvoeren

op monsters van afvalstoffen, bodem en grondwater. Bovendien kan ook een beroep gedaan worden op

deze laboratoria indien de beoogde bemonsteringen omwille van de hoeveelheden, moeilijkheidsgraad,

specialisatiegraad, … niet kunnen worden uitgevoerd door de toezichthoudende ambtenaren van de

Milieu-inspectie zelf.

In het kader van de lopende laboratoriumcontracten kunnen de volgende analysepakketten aangevraagd

worden:

- Aanvaardingscriteria voor categorie 1 stortplaatsen

- Aanvaardingscriteria voor categorie 2 stortplaatsen

- Aanvaardingscriteria voor categorie 3 stortplaatsen

- Vlarebo-parameters bodem

- Vlarebo-parameters grondwater

- Vlarea-parameters meststof /bodemverbeterend middel

- Vlarea-parameters niet-vormgegeven bouwstof

- Vlarea-parameters bodem

- Microbiële kwaliteit verwerkte dierlijke bijproducten

- Verbrandingsparameters houtafval

- Vlarem-parameters grondwater

Elk van de parameters uit deze analysepakketten kan ook individueel aangevraagd worden. Bovendien

bestaat de mogelijkheid om op onbekende stoffen een screening uit te voeren op organische stoffen, op

metalen, op minerale oliën, …

De spreiding van de routinemonsternames over de verschillende bedrijfssectoren en afvalstromen

worden jaarlijks vastgelegd in een planning die rekening houdt met het beschikbare budget.

Personeelsinzet: 237 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 71


Routine

M700

Coördinatie:

Ondersteuning:

Routine-emissiemetingen lucht

Diensthoofden van de buitendiensten + Karel Debeuf

Werkgroep Lucht

Omschrijving / Doelstellingen:

Op een snelle en flexibele manier emissiemetingen laten uitvoeren op rookgas- of afgaskanalen van

verbrandingsinrichtingen en industriële procesinstallaties ter controle van de naleving van de wettelijke

emissiegrenswaarden.

Volgende soorten emissiemetingen kunnen gebeuren:

perceel I: volledig parameterpakket (inclusief PCDD/PCDF);

perceel II: geen PCDD/PCDF

- emissiemetingen bij verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties met een grote diameter (> 2m)

van de rookgasleidingen (parameters stookinstallaties);

- emissiemetingen bij verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties met een kleinere diameter van

de rookgasleidingen en met potentieel verzurende emissies;

- emissiemetingen bij verbrandingsinstallaties met een kleinere diameter van de rookgasleidingen en

gevoed met biomassa en bij naverbranders;

- emissiemetingen van vluchtige organische stoffen.

Voor de metingen is er 1 meetdag per meetcampagne voorzien. De pakketten onderscheiden zich

verder qua meetduur en/of gemeten parameters.

Onder meer volgende omstandigheden kunnen aanleiding geven tot „ad hoc‟ emissiemetingen in dit

kader:

- een potentiële dioxine-uitstoot, die nog niet of onvoldoende is gekend;

- emissies die leiden tot hinder en/of klachten vanuit de omgeving;

- de exploitant liet geen of onvoldoende eigen metingen uitvoeren;

- de toezichthoudend ambtenaar wenst een uitgebreidere set parameters te laten bepalen dan

wettelijk verplicht bij zelfcontrole;

- de procesomstandigheden of ingezette grondstoffen/reststoffen kunnen aanleiding geven tot

sterke fluctuaties van de uitstoot;

- de toezichthoudend ambtenaar wenst emissies van specifieke organische parameters te

controleren;

- er bestaat discussie betreffende de representativiteit van de meetresultaten van de exploitant.

De keuze van de installaties gebeurt door de toezichthouders van de buitendiensten, die zo sneller en

flexibeler kunnen inspelen op hun eigen noden en vaststellingen.

Er werd een nieuw contract gegund voor 1 jaar voor beide percelen in oktober 2008, 3 maal verlengbaar

voor 1 jaar. In september 2011 is een derde verlenging voor beide percelen gegund.

Naast dit meerjarencontract wordt ook nog een budget vrijgehouden voor specifieke metingen op vraag

van toezichthouders (d.m.v. „ad hoc‟ gunningen):

- geleide emissies van organische stoffen (incl. beoordeling van te meten parameters):

- doorlichting om te bepalen welke parameters er in een bedrijf moeten gemeten worden (ev. met

verkennende metingen)

- alle organische parameters

- GCMS-analyses, emissiemetingen voor specifieke geurverbindingen (S- en N-verbindingen)

- geuremissies:

- olfactometrische metingen en rendementsbepaling zuiveringsinstallaties (wasser, biofilter)

- verspreidingsberekeningen

Personeelsinzet: 179 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 72


Routine

M750

Coördinatie:

Ondersteuning:

Ad hoc immissiemetingen lucht

Diensthoofden van de buitendiensten + Roel Vaneerdeweg

Werkgroep Lucht

Omschrijving / Doelstellingen:

Stofhinder en geurhinder zijn vaak moeilijk vast te stellen, laat staan te kwantificeren.

Immissiemetingen over langere termijn kunnen een bijdrage leveren tot het bepalen van de impact van

een hinderlijke activiteit (emissie) en op die manier bijdragen tot de aanpak van de sanering.

Op vraag van de toezichthouders kunnen er in de omgeving van (potentiële) emissiebronnen

immissiemetingen gebeuren met toetsing van de meetwaarden aan de geldende luchtkwaliteitsnormen

door de VMM of door een erkend labo lucht, evenals het uitvoeren van een impactmodellering.

Enkele mogelijkheden zijn:

- stofhinder: plaatsen van kruiken voor de bepaling van de hoeveelheid neervallend stof en/of

metingen van zwevend stof; naast de kwantificering van de hoeveelheid stof, kan ook de

samenstelling ervan worden bepaald (bv. zware metalen);

- metingen „ad hoc‟ van BTEX en naftaleen, bv. rond asfaltcentrales;

- meting van HF en benzeen, bv. rond steenbakkerijen;

- asbestmetingen, bv. rond brekers;

- dioxine- en PCB-depositiemetingen rondom specifieke installaties/bedrijven (shredders, …);

- opstellen van een IFDM model.

Personeelsinzet: 8 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 73


Routine

M980

Coördinatie:

Ondersteuning:

Routinemeting niet-ioniserende

elektromagnetische straling

Geert Keppens

Hoofdbestuur

Omschrijving / Doelstellingen:

Met een breedbandmeting kan het elektromagnetische veld (immissiemeting) bepaald worden van alle

elektromagnetische zendantennes in de omgeving.

MI zal breedbandmetingen uitvoeren, de meetresultaten toetsen aan de cumulatieve immissienorm en

inschatten of de individuele norm per zendantenne voor telecommunicatie (lees gsm-masten) wordt

gerespecteerd.

Indien MI een overschrijding van de individuele norm vermoedt, dient met een smalbandmeting de

bijdrage van elke individuele zendantenne te worden gemeten.

Waarschijnlijk zal slechts een beperkt aantal smalbandmetingen aanleiding geven tot het vaststellen van

overschrijdingen van de individuele immissienorm.

De Samenwerkingsovereenkomst tussen LNE-BIPT voorziet dat het BIPT de

smalbandmetingen op vraag van MI zal uitvoeren.

MI zal enkel breedbandmetingen uitvoeren op vraag van een burger/klager, met als voornaamste doel

te voorkomen dat de burger blootgesteld wordt aan elektromagnetische velden die krachtiger zijn dan

de Vlaamse normen toelaten.

Personeelsinzet: 121 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 74


Routine

R015

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle van milieuvergunningen

Diensthoofden van de buitendiensten

Dossierhouders

Omschrijving / Doelstellingen:

De afdeling Milieu-inspectie controleert jaarlijks routinematig de opgelegde voorwaarden bij klasse 1vergunningsplichtige

bedrijven. In het verleden richtten deze controles zich vooral op bijzondere

voorwaarden opgelegd in de milieuvergunning, alsook op aspecten in de vergunning die geweigerd

werden. Zie het MIP in de voorgaande jaren, resp. R020 en R010.

In 2012 zal er meer aandacht gaan naar bedrijven met een nieuwe milieuvergunning. Deze controles

zullen niet beperkt zijn tot de bijzondere voorwaarden, maar ook de algemene bedrijfsvoering zal onder

de loep genomen worden. Door een systematische controle van nieuwe vergunningen zal MI ook een

beter beeld krijgen van de kwaliteit van vergunningen die door de verschillende provincies worden

afgeleverd.

De te inspecteren bedrijven zullen geselecteerd worden op basis van hun mogelijke impact op de

omgeving:

- nieuwe bedrijven met belangrijke lozingen;

- vergunningen van bedrijven met klachten;

- vergunningen met belangrijke bijzondere voorwaarden (opgelegde studies, emissiebeperkende

maatregelen, opgelegde metingen, geurbeperkende maatregelen, …), al dan niet

termijngebonden.

Personeelsinzet: 981 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 75


Routine

R025

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle van de zelfcontrole (m.u.v.

projecten en acties)

Diensthoofden van de buitendiensten

Werkgroepen Lucht en Water

Omschrijving / Doelstellingen:

In 2012 zal verder bijzondere aandacht besteed worden aan de controle van de uitvoering van de

zelfcontrolemeetprogramma‟s voor lucht en afvalwater bij klasse 1-bedrijven.

De MI-taak „controle van de zelfcontrole‟ werd in dit MIP op twee manieren ingevuld:

- de controle van de zelfcontrole voor alle bedrijven van bepaalde bedrijfssectoren via een

specifieke actie bv. A733 voor wat betreft het aspect “lucht;

- de meer routineuze en steekproefsgewijze controle bij klasse 1-bedrijven allerlei; R025 geeft

hieraan invulling.

Dergelijke controle van de zelfcontrole bestaat uit een vraag naar de zelfcontrolegegevens van het vorige

jaar in april 2012, gevolgd door een „papieren‟ controle van deze gegevens, en, indien nodig, een

strafrechtelijke of bestuurlijke afhandeling.

Personeelsinzet: 98 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 76


Routine

R634

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controles afvalverwerkende

bedrijven

Diensthoofden van de buitendiensten

Werkgroep Afval

Omschrijving / Doelstellingen:

De reguliere overbrenging en verwerking van afvalstoffen is een substantiële kost voor producenten,

overbrengers en verwerkers van die afvalstoffen. Het risico is reëel dat om economische redenen

afvalstoffen onzorgvuldig of illegaal worden verwijderd. Dit kan leiden tot milieuhinder of –schade, tot

illegaal verkregen vermogensvoordeel of tot ontduiking van heffingen op de verwijdering van

afvalstoffen. MI heeft tussen 2005 en 2009 in haar milieu-inspectieplan 5 jaar lang jaarlijks een

gecoördineerde actie opgenomen waarbij een 25-tal afvalverwerkende bedrijven grondig werden

geïnspecteerd.

De inspectie van afvalverwerkende bedrijven gebeurt dit jaar niet in het kader van een gecoördineerde

actie. Deze inspectiecode omvat de inspecties bij bedrijven ingedeeld onder Vlarem-rubriek 2 (opslag en

verwerking van afvalstoffen) waarbij één of meerdere van de volgende items aan bod komen:

1. een grondige inspectie van de naleving van de rubriek 2-voorwaarden;

2. de volledigheid en doeltreffendheid van het goedgekeurd werkplan nagaan;

3. een uitgebreide bevraging over de aanvaardingsprocedure van de afvalstromen;

4. een doeltreffende controle op de registratie en de traceerbaarheid van de aangeboden en afgevoerde

afvalstoffen;

5. een controle op verdunning en/of menging van de afvalstoffen.

De aanleiding tot controle van afvalverwerkende bedrijven kan verschillend zijn: ambtshalve inspecties,

controles naar aanleiding van een vraag van derden of de uitvoering van het

routinemonsternameprogramma. Voor de inspecties kan worden gebruik gemaakt van een checklist die

eerder werd ontwikkeld.

Relatie met:

A621 – specifieke actie bij verwerkers van dierlijke afvalstoffen. Inspecties bij verwerkingsbedrijven

voor dierlijke afvalstoffen krijgen ENKEL code A621;

A639 – specifieke actie voor de inspecties bij verwerkers van organisch-biologische afvalstoffen en

mest. Inspecties bij deze bedrijven krijgen ENKEL code P639;

P654 – specifiek project voor de uitoefening van ketentoezicht op de verwerking van afvalstoffen.

Deze inspecties kunnen het gevolg zijn van een inspectie in het kader van R634. Inspecties bij

afvalverwerkende bedrijven in het kader van ketentoezicht krijgen ENKEL code P654;

P990 – specifiek project voor de inspecties op de legale verwerking van asbesthoudend bouw- en

sloopafval.. Inspecties bij afvalverwerkende bedrijven in het kader van P990 krijgen ENKEL

code P990;

M600 – monsters van afvalstoffen worden genomen in het kader van R634 krijgen ENKEL

code R634.

Personeelsinzet: 53 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 77


Routine

R641

Coördinatie:

Ondersteuning:

Controle asbest

Diensthoofden van de buitendiensten + Hans Delcourt en Bart Palmans

Werkgroep Afval

Omschrijving / Doelstellingen:

In het VLAREA wordt bepaald dat de asbestcementhoudende bedrijfsafvalstoffen gescheiden moeten

worden aangeboden. Aannemers moeten ze bij het slopen dus ook apart houden om ze gescheiden te

kunnen aanbieden. Het VLAREM bepaalt dat tijdens de sloop van asbestbevattende gebouwen,

constructies en installaties en het verwijderen van asbest of asbesthoudende materialen daaruit, er moet

worden voor gezorgd dat geen asbestvezels of asbeststof vrijkomen in het milieu.

Op 24 januari 2007 stelde de toenmalig minister van Leefmilieu Kris Peeters het actieplan Asbest voor.

Actie 23 van dit plan houdt in “Zorgen voor meer controle op het vervoer van asbesthoudende

afvalstoffen opdat deze stroom nauwgezet zou worden opgevolgd van op de plaats van ontstaan tot

eindverwerking”.

De controles door MI op de legale afbraak en verwerking van asbest gebeuren binnen het kader van de

normale bedrijfscontroles. Omdat de inspectie van sloopwerven moeilijk te plannen is (niet altijd op

voorhand bekend) stelde de werkgroep in 2007 een intern achtergronddocument op voor TA‟s zodat die

snel hun weg vinden in de bestaande wetgeving rond asbest als zij met asbestdossiers of vragen over

asbest worden geconfronteerd.

Relatie met:

P990 – specifiek project over de handhaving van de asbestregelgeving in de bouw- en sloopsector.

Enkel inspecties die niet onder P990 ressorteren krijgen code R641.

Personeelsinzet: 16 dagen

Milieu-inspectieplan 2012 78


Handhavingsactiviteiten 2012

Aard Thema Titel Nr. Dagen VTE

Water Controle op de verwijdering van micropoluenten bij RWZI's P108 37 0,19

Routine Specifieke handhavingscampagnes

Reactief

Projecten

Acties

B&G Controle van geothermische installaties P524 28 0,14

Afval Controle op de sortering van bedrijfsafval P643 88 0,44

GPBV

Beschrijving

Controle op het wegtransport van afvalstromen P650 64 0,32

Controle op de uitvoer van afvalstoffen via zeehavens P651 89 0,45

Controles in het kader van ketentoezicht P654 258 1,29

Controle op de sector van afgedankte voertuigen P655 20 0,10

Controles van de asbestverwijderingsketen P990 81 0,40

Geïntegreerde controle van GPBV-landbouwbedrijven (varkens- en pluimveebedrijven)

P991 168 0,84

Geïntegreerde controle van GPBV-bedrijven, in hoofzaak uit de sectoren chemie en

oppervlaktebehandeling van metalen

P998 121 0,61

REACH Controle op de naleving van REACH P810 200 1,00

Water Controle van RWZI's A111 23 0,11

Controles op vraag van VMM A118 105 0,53

Voedingsbedrijven onder richtlijn 91/271 A217 91 0,45

Lozing van gevaarlijke stoffen A237/8/9 60 0,30

Controle van car- en truckwashes A242 15 0,08

Lozen van verontreinigd hemelwater A243 27 0,13

Lozen van koelwater A244 10 0,05

Ecotoxiciteit van bedrijfsafvalwater A245 20 0,10

Veiligheid Uitvoering van het Seveso II-inspectieprogramma A316 1.125 5,63

Controle van de veiligheidsaspecten bij koelinstallaties op ammoniak A340 50 0,25

Controle van de opslag van gassen in vaste houders A342 50 0,25

Geluid Geluid- en trillingsonderzoeken A407 22 0,11

Kwaliteitscontrole akoestische onderzoeken A408 69 0,34

B&G Controle van grondwaterwinningen A519 75 0,38

Controle van de zelfcontrole grondwater A522 29 0,14

Afval Controles in het kader van de overeenkomst dierlijke bijproducten A621 133 0,67

Inspecties verwerkers organisch-biologische afvalstoffen (OBA) en mest A639 43 0,22

Lucht Controle op gefluoreerde ozonafbrekende stoffen en broeikasgassen A614 76 0,38

Controle van de zelfcontrole lucht A733 127 0,64

Geuronderzoeken (Maasmechelen, Bavegem, Aarschot) A740 44 0,22

Fijn stof (PM10): aanpak van diffuse emissies in 'hot spot'-gebieden A751 80 0,40

Emissiemetingen bij biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties A755 101 0,51

Acties ter beperking van de emissie en de verspreiding van zware metalen naar de lucht A757 16 0,08

Leak Detection and Repair (LDAR) A759 40 0,20

Controle VOS-emissies bij solventverbruikende bedrijven A760 50 0,25

Damprecuperatie fase 2 A764 20 0,10

Evaluatie van de implementatie van de stappenplannen bij schrootverwerkende bedrijven A765 30 0,15

GGO Controle van ingeperkt gebruik GGO's en pathogene organismen A850 93 0,46

Som van de specifieke handhavingscampagnes 3779 18,89

Water Routine- en ad hoc monsternames afvalwater M200 749 3,74

Geluid Ad hoc geluids- en trillingsmetingen M400 85 0,42

Afval Routine-monsternames afvalstoffen, bodem, grondwater M600 237 1,18

Lucht Routine-emissiemetingen lucht M700 179 0,89

Ad hoc immissiemetingen lucht M750 8 0,04

EMS Breedbandmetingen van elektromagnetische straling van zendantennes M980 121 0,60

Exploitatie Controle van milieuvergunningen R015 981 4,90

Controle van de zelfcontrole (m.u.v. projecten en acties) R025 98 0,49

Controles afvalverwerkende bedrijven R634 53 0,26

Controle asbest R641 16 0,08

Som van de routine 2.371 11,86

Klachten R03x 1.714 8,57

Voorvallen R04x 91 0,46

Evaluatieverslag proefvergunning R050 38 0,19

Evaluatie werkplan + andere documenten R051 114 0,57

Rapportering 'kantschriften' R06x 82 0,41

Som van de reactieve controles 2.039 10,20

Voortgangscontrole (handhavingsinstrumentarium) 3242 16,21

Eigen initiatief 786 3,93

TOTAAL gepland 12217 61,1

TOTAAL gepland (VTE) 61,1

Personeelsinzet

TOTAAL beschikbaar (VTE) 12008 60,0

totaal

Milieu-inspectieplan 2012 79


Gebruikte Afkortingen

AMV afdeling Milieuvergunningen (van het departement LNE)

BIM Brussels Instituut voor Milieubeheer

DPC Département de la Police et de Contrôles (Wallonië)

DREAL Direction Régionale de l‟Environnement, de l‟Aménagement et du Logement

(Nord-Pas-de- Calais)

GGO Genetisch Gemodificeerd Organisme

GPBV Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging

FAVV Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen

FLI Federale Leefmilieu-inspectie

FOD Federale Overheidsdienst

ALHRMG afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid (van het departement

LNE)

LNE departement Leefmilieu, Natuur en Energie

MI afdeling Milieu-inspectie

OVAM Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

TOVO afdeling Toezicht Volksgezondheid (van het agentschap Zorg en Gezondheid)

VITO Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek

VLM Vlaamse Landmaatschappij

VMM Vlaamse Milieumaatschappij

WASO FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg

Milieu-inspectieplan 2012 80

More magazines by this user
Similar magazines