Eindverslag (PDF, 9.83 MB) - Buitenlandse Zaken - Belgium

diplomatie.belgium.be

Eindverslag (PDF, 9.83 MB) - Buitenlandse Zaken - Belgium

Dienst Bijzondere Evaluatie

van de Internationale

samenwerking

KOnInKRIJK BELGIË

Federale Overheidsdienst

Buitenlandse Zaken,

Buitenlandse handel en

Ontwikkelingssamenwerking

Evaluatie van

het Micro-interventie Programma


Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse

Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Dienst Bijzondere Evaluatie van de Internationale Samenwerking

Evaluatie van het

micro-interventie programma

Dominique de Crombrugghe – Karel Cools – Jacqueline Liénard

Ivo Hooghe – Sofie Dirkx – Olivier Thery – Andrée François

Eindverslag

Oktober 2011

De Dienst Bijzondere Evaluatie heeft deze evaluatie zelf in intern uitgevoerd met de

steun van een stuurgroep en methodologisch advies van South Research.

De meningen in dit document zijn gestaafde meningen van de Dienst van de Bijzonder

Evaluator en zijn medewerkers, doch reflecteren niet noodzakelijk de positie van de FOD

Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.


© FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

November 2011

Grafische vormgeving: Sandra Fernandez Bernardo, Dienst Communicatie FOD

Drukwerk: Drukkerij FOD

Evaluatie nr: S4/2010/06

Wettelijk depot: 0218/2011/46

Dit document is tevens beschikbaar in Nederlands en Frans in pdf-formaat op de hierbij

CD-ROM en op de websites www.diplomatie.be of www.dg-d.be of bij de Dienst

Bijzondere Evaluatie.

Foto op kaft: “Honger doen verdwijnen is iedereen zijn plicht”. Detail van een mozaïek

door het micro-interventie programma gefinancierd. Kant van een grote weg in Maputo,

Mozambique

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 2 / 135


Voorwoord

Het Micro-Interventie Programma (MIP) is onlangs door de Dienst van de Bijzonder

Evaluator geëvalueerd.

In tegenstelling tot de meeste van onze evaluaties waarvoor wij gespecialiseerde

bureaus inschakelen, is deze evaluatie door de leden van de dienst zelf uitgevoerd. Dit

verslag geeft dan ook de mening van de dienst weer over het micro-interventie

programma.

Karel Cools, hierin bijgestaan door Jacqueline Lienard, heeft de evaluatie ontworpen, de

referentietermen opgesteld, de methodologie ontwikkeld, de coördinatie verzekerd en dit

eindverslag geschreven. South Research, in de persoon van Dirk Van Esbroeck, heeft

methodologische en kwalitatieve ondersteuning geboden.

Met behulp van een analytisch rooster heeft het evaluatieteam eerst een studie gedaan

op documenten van alle micro-interventies die de Belgische ontwikkelingssamenwerking

tussen 2006 en 2010 gefinancierd heeft in alle partnerlanden waar een micro-interventie

programma loopt. Daarna hebben er zes terreinbezoeken plaatsgevonden tijdens welke

informatie uit de eerste hand verzameld is met betrekking tot 120 micro-interventies. De

aanpak steunde op een combinatie van studie op documenten en verslagen,

semigestructureerde interviews aan de hand van een gespreksleidraad en directe

observatie.

We komen tot de conclusie dat het micro-interventie programma zoals het nu bestaat,

niet moet verder gezet worden. Twee opties zijn dan mogelijk: ofwel het programma

afschaffen of het aanpassen om het beter te laten samenvallen met de realiteit in het

veld, namelijk goed bedoelde en welgekomen eenmalige interventies die echter in de

meeste gevallen weinig ontwikkelingswaarde hebben.

We hopen de lezer met dit verslag de nodige informatie te bieden om zich een

gefundeerde mening te vormen en wensen hem een aangename lectuur.

Dominique de Crombrugghe,

Bijzonder Evaluator

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 3 / 135


Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 4 / 135


A. Inhoud

A. Inhoud .......................................................................................................... 5

B. Bijlagenlijst.................................................................................................... 7

C. Afkortingen en acroniemen .............................................................................. 9

D. Samenvatting .............................................................................................. 11

1. Inleiding...................................................................................................... 15

1.1. Doel en scope van de evaluatie ................................................................... 15

1.2. Methodologie en struikelblokken.................................................................. 16

2. Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context ..... 25

2.1. Historiek van het MIP................................................................................. 25

2.2. Wettelijk en regelgevend kader ................................................................... 26

2.3. Definities.................................................................................................. 28

2.4. Doelstellingen van het programma .............................................................. 28

2.5. Begunstigden............................................................................................ 29

2.6. De programmacyclus ................................................................................. 31

3. Analyse van het wettelijke en regelgevende kader............................................... 37

4. Evaluatie van het MIP en het instrument volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

......................................................................................................................... 41

4.1. Relevantie van programma en instrument .................................................... 41

4.2. Doeltreffendheid ....................................................................................... 49

4.3. Efficiëntie ................................................................................................. 57

4.4. Duurzaamheid .......................................................................................... 63

4.5. Impact ..................................................................................................... 69

4.6. Coherentie................................................................................................ 71

5. Evaluatie van de strategieën en processen....................................................... 75

5.1. Strategie van het programma in het algemeen.............................................. 75

5.2. Strategie op het niveau van de MIP's in elk partnerland ................................. 76

5.3. Evaluatie van de processen ........................................................................ 82

6. Conclusies en meningen over de toekomst van het programma............................. 95

6.1. Conclusies ................................................................................................ 95

6.2. Meningen van de verschillende actoren over de toekomst van het MIP ........... 100

7. Opties en aanbevelingen ................................................................................ 103

7.1. Optie 1: ................................................................................................. 104

7.2. Optie 2: ................................................................................................. 105

8. Management response ................................................................................... 107

8.1. Management Response van BTC................................................................ 107

8.2. Management Respons van DG-D ............................................................... 110

BIJLAGEN......................................................................................................... 115

A1. Referentietermen .................................................................................... 115

A1.1. Verantwoording..................................................................................... 115

A1.2. Context van de evaluatie: het programma van de micro-interventies ........... 116

A1.3. Doelstelling en scope van de interne evaluatie .......................................... 117

A1.4. Specifieke vragen en criteria................................................................... 117

A1.5. Methodologische benaderingen................................................................ 119

A1.6. Rapporten en restitutie .......................................................................... 122

A1.7. Profiel van de evaluatoren / experts ........................................................ 122

A1.8. Stuurcomité - kwaliteitszorg. .................................................................. 123

A1.9. Tijdsbestek ........................................................................................... 123

A2. Benchmarking resultaten ......................................................................... 125

A3. Voorbeelden van goede en minder goede praktijken .................................... 131

A3.1. Enkele micro-interventies die zeer goede resultaten hebben geboekt ........... 131

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 5 / 135


A3.2. Enkele micro-interventies met zeer slechte of weinig duurzame resultaten ... 132

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 6 / 135


B. Bijlagenlijst

Deel 1

Bijlage 1: Referentietermen

Bijlage 2: Resultaten benchmarking

Bijlage 3: Voorbeelden van goede en minder goede praktijken

Deel 2

Bijlage 4: Methodologische nota

Bijlage 5: Gesprekspartners

Bijlage 6: Geraadpleegde documenten

Bijlage 7: Wettelijk en regelgevend kader

Bijlage 8: Documentanalyses per land

Bijlage 9: Verslagen van landenmissies

Bijlage 10: Antwoorden attachés en BTC PV’s vragenlijsten

Bijlage 11: Synthese van interviews in Brussel

Bijlage 12: Standaardformulier in te vullen door de aanvrager

Bijlagenlijst

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 7 / 135


Afkortingen en acroniemen

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 8 / 135


C. Afkortingen en acroniemen

ABOS Algemeen Bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking

ACTT Algemene Conventie tot Tenuitvoerlegging

BEF Belgische frank

BTC Belgische Technische Coöperatie

D1 Directie van de gouvernementele programma’s

Afkortingen en acroniemen

DAC Development Assistance Committee – Comité voor ontwikkelingshulp

DBE Dienst Bijzondere Evaluatie

DGIS Directie-Generaal Internationale Samenwerking

DG-D Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking

DPP Doelstellinggerichte projectplanning

DR Congo Democratische Republiek Congo

EV Evaluatievraag

Fin CMO Programma voor directe financiering van civiele maatschappij organisaties

FTE Full time equivalent

HIV/AIDS Acquired Immune Deficiency Syndrome

IRAD Institut de Recherche et d’Action pour le Développement

ISP Indicatief samenwerkingsprogramma

KAB OS Beleidscel van de Minister van Ontwikkelingssamenwerking

MI Micro-interventie

MIP Micro-interventieprogramma

NGO Niet-gouvernementele organisatie(s)

PDFPN Programma voor directe financiering van de plaatselijke NGO’s

Pr/PR public relations

PV Plaatselijke vertegenwoordiging

PV’s Plaatselijke vertegenwoordigers

PRSP Poverty Reduction Strategy Paper - Strategisch programma voor

armoedebestrijding

SMART Specific, Measurable, Achievable, Relevant, Time bound

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 9 / 135


UCCS Unique Consortium of Consultancy Services

Afkortingen en acroniemen

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 10 / 135


D. Samenvatting

Samenvatting

Deze evaluatie bestrijkt het Belgische micro-interventieprogramma (MIP) van 2001 tot

nu. In deze evaluatie wordt het MIP doorgelicht als transversaal programma dat in de

meeste partnerlanden van België wordt uitgevoerd, maar ook als bijzonder instrument

voor ontwikkelingssamenwerking.

Het doel van deze evaluatie is allereerst om op basis van zo objectief mogelijke

informatie en cijfermateriaal strategische aanbevelingen te formuleren die nuttig zijn

voor de ministers en de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking.

De ontwikkelde methodologie houdt rekening met de complexiteit van het MIP dat niet

alleen een programma is dat in 17 verschillende landen wordt uitgevoerd, maar ook

een instrument met geheel eigen regels en voorwaarden. Onze evaluatie omvat

bovendien een vergelijking van het MIP met soortgelijke instrumenten van andere

donoren.

Het wettelijke en regelgevende kader voor zowel het programma als het instrument is

het resultaat van een opeenstapeling van verschillende teksten door de jaren heen,

waarvan de toepassing min of meer verplicht is. De bekendste tekst die momenteel het

vaakst door leidinggevenden in Brussel en in de praktijk wordt toegepast, is de

algemene conventie tot tenuitvoerlegging voor het MIP die jaarlijks door de Belgische

staat en de Belgische Technische Coöperatie wordt ondertekend.

Meteen bij de start van de evaluatie bleek dat de doelstellingen van het algemene

programma, zoals bepaald in de algemene conventie tot tenuitvoerlegging of vermeld in

een nota van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking van 2001, bijzonder

ambitieus waren. Ze strookten niet met de programma-aanpak en stonden totaal niet in

verhouding tot de middelen die werden toegekend en effectief ingezet. De ambities van

het MIP op maatschappelijk vlak, meer bepaald duurzame menselijke, economische,

sociale en culturele ontwikkeling bevorderen, het aantal armen aanzienlijk verminderen,

autonomie voor basisorganisaties, de rechtsstaat, democratie of de civiele maatschappij

versterken, respect voor de menselijke waardigheid en mensenrechten bevorderen,

vallen buiten het kader van het MIP en zijn niet realistisch.

Vandaar ook dat de verschillende evaluatiecriteria vooral werden beoordeeld vanuit de

invalshoek van het programma in ieder land afzonderlijk, de kenmerken van het

instrument en van de individuele micro-interventies.

De begunstigden van het MIP zijn bijzonder verscheiden wat betreft hun plaats, het

aantal begunstigden per micro-interventie, sector, gender en sociaal en economisch

statuut. In nota’s en teksten wordt weinig verwezen naar het feit dat het MIP zich

specifiek zou toespitsen op armen en achtergestelden, hoewel dit in de praktijk vaak het

geval blijkt te zijn.

De diverse micro-interventies die samen het MIP uitmaken, beantwoorden grotendeels

aan noden die de begunstigden zelf aangeven. Al die noden worden echter zelden met

één enkele interventie ingevuld. Vandaar dat veel van de bezochte verenigingen zich

vast hebben voorgenomen om daarnaast een beroep te doen op andere externe

financieringen. Het komt bovendien zelden voor dat het beschikbare budget volstaat om

aan alle noden te voldoen.

Het specifieke karakter van het MIP als instrument en zijn soepele en gedecentraliseerde

procedures laten toe om flexibel, snel en gericht tegemoet te komen aan de behoeften

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 11 / 135


Samenvatting

van een welbepaalde groep, voor zover het benodigde budget niet meer dan 12.500 €

bedraagt. Zo kan via het MIP een beleid worden gevoerd dat specifiek mikt op

vrouwenverenigingen. Daarnaast kunnen binnen het kader van het MIP ook

proefinitiatieven worden uitgetest zonder al te groot fiduciair risico en doet het MIP soms

dienst als “public relations” (pr) instrument.

De afstemming van het MIP op de noden van de partners en de globale prioriteiten

verschilt van land tot land. De invulling van de aangegeven noden blijft doorgaans

beperkt tot de begunstigde gemeenschap en haar onmiddellijke entourage. Het MIP

werkt bovendien volgens een geheel eigen logica die maakt dat dit programma steeds

minder aansluit bij de nieuwe hulpmodellen en beginselen die in belangrijke

internationale verklaringen naar voren worden geschoven.

Tal van micro-interventies nemen de rol van de staat volledig of gedeeltelijk over, vaak

zonder echt rekening te houden met de betrokken sectoren en categorieën van

begunstigden die door de partner als prioritair naar voren worden geschoven. Sinds kort

streeft het MIP op dat vlak evenwel naar meer coherentie dankzij de gezamenlijke

bepaling van gemeenschappelijke geografische, sectorale en thematische voorkeuren

met de partner.

Het onmiddellijke resultaat dat het MIP hiermee in theorie beoogt, namelijk de

autonomie van de groep aan wie hulp wordt verleend, wordt nooit volledig, maar in 80

percent van de gevallen wel deels verwezenlijkt. Parallel daarmee verwerft het

ambassadepersoneel via het programma nieuwe inzichten en krijgt het meer voeling met

de praktijk. Soms wordt het MIP gebruikt om de zichtbaarheid te verhogen, maar dat is

geen doel dat systematisch wordt nagestreefd.

Iedere micro-interventie heeft daarenboven haar eigen interventielogica, zelfs wanneer

die logica zelden op een gepaste manier wordt gedocumenteerd. Maar weinig

interventies boeken niet de gewenste onmiddellijke resultaten en hun doeltreffendheid

blijft gehandhaafd wat de resultaten op korte en middellange termijn aangaat.

We kunnen ons onmogelijk uitspreken over de efficiëntie van het MIP in vergelijking met

een eenmalig bilateraal project met een gelijkwaardig budget. De algemene opvatting is

dat het instrument nodig voor de werking van een programma met een waaier van

kleinschalige projecten minder efficiënt is. Een dergelijk instrument heeft echter ook een

paar troeven, zoals het ontbreken van een formulering, een beheerteam of technische

bijstand ter plaatse. Het zijn dus vooral de procedures die aan het instrument worden

gekoppeld die de efficiëntie van het MIP beïnvloeden.

De praktijkactoren zijn het vrijwel unaniem eens dat de doeltreffendheid van het MIP

wordt verminderd door het gebrek aan middelen voor de voorbereiding van de

interventies, de begeleiding van de begunstigden en de technische en administratieve

opvolging. We konden niet aantonen dat een uitbreiding van deze middelen de algemene

efficiëntie van het programma beduidend zou verhogen.

Productieve micro-interventies kunnen dankzij de middelen die ze genereren beter dan

andere interventies de betaling van de operationele kosten waarborgen bij de uitvoering

van hun werkzaamheden. Heel wat sociale verenigingen genereren daarentegen

middelen uit andere activiteiten of via doorlopende financiering. We stellen vast dat

groepen waarvoor een micro-interventie werd opgestart meer dan een jaar later nog

steeds actief zijn.

Onze studie wijst eveneens op bemoedigende resultaten op het gebied van institutionele,

technische en socioculturele duurzaamheid ruim één jaar later. We kunnen ons niet

uitspreken over de duurzaamheid op langere termijn die mogelijk wordt beïnvloed door

inflatie, normale slijtage, economische veroudering, gebrek aan onderhoud of

afschrijvingsreserve.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 12 / 135


Samenvatting

Bijna alle micro-interventies resulteren in een merkbare verbetering van de

levensomstandigheden van de begunstigden. Deze impact blijft beperkt tot de groep

begunstigden en eventueel de onmiddellijke entourage.

De culturele dimensie die het MIP de afgelopen 4 jaar moest inbouwen, is niet coherent

met de sectoren en thema’s van de wet. Hoewel het sinds meer dan 2 jaar wordt

vermeld in de verschillende indicatieve samenwerkingsprogramma’s (ISP)

overeengekomen met de partnerlanden, blijft het MIP een typisch Belgisch programma

dat grotendeels is voorbehouden voor de civiel maatschappij.

Verscheidene donoren lanceren in dezelfden aard van het MIP ook programma’s met

‘kleinschalige ambassadeprojecten’. Deze programma’s vertonen op tal van vlakken

weinig samenhang, bijvoorbeeld m.b.t. subsidiabiliteits - en selectiecriteria,

maximumbedrag, doelgroepen, geografische plaats, sectoren,… De inspanningen voor

meer coördinatie tussen de donoren zijn grotendeels de verdienste van persoonlijke en

plaatselijke initiatieven. Ze blijven doorgaans beperkt tot het onderling uitwisselen van

informatie om hoofdzakelijk dubbele financieringen te vermijden.

Geen enkele post legde ons een specifieke MIP-strategie voor in het partnerland in de

vorm van een interventielogica; bijgevolg steunt de begrotingsprogrammering die de

posten opmaken voor het MIP niet op een raming van de middelen nodig voor het

effectief verwezenlijken van de beoogde resultaten. Ieder land beschikt evenwel in

verschillende mate over strategiebouwstenen m.b.t. geografische, sectorale of

thematische concentratie, de aard van de interventies of doelgroep.

De Belgische Technische Coöperatie (BTC) voldoet als trouwe partner aan alle

verplichtingen vastgelegd in de algemene conventie tot tenuitvoerlegging die door BTC

en de Belgische staat werd ondertekend. Alle financiële middelen die door de Belgische

stakeholder werden beloofd, komen effectief bij de bestemmelingen terecht. Deze

bestemmelingen komen eveneens ruimschoots hun verplichtingen na door financiële

middelen en mensen in te zetten, waarbij ze de overgrote meerderheid van de geplande

werkzaamheden voor hun rekening nemen.

De rapportage beoogt in de eerste plaats een transparante financiële verantwoording en

laat geen strategische sturing van het MIP door de Belgische ontwikkelingssamenwerking

toe.

De evaluatie komt tot het besluit dat het MIP niet in de huidige vorm kan worden

voortgezet. Vandaar onze aanbeveling om het programma ofwel grondig bij te sturen,

ofwel helemaal af te schaffen. Voor elk van beide opties worden argumenten

aangevoerd. Bovendien worden enkele algemene aanbevelingen en aanbevelingen voor

elke optie afzonderlijk geformuleerd.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 13 / 135


Inleiding

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 14 / 135


1. Inleiding

1.1. Doel en scope van de evaluatie

Inleiding

De evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP) komt tegemoet aan een steeds

terugkerende vraag van de attachés voor de ontwikkelingssamenwerking en geniet sinds

kort bijzondere aandacht vanwege het bestuur en de Beleidscel van de minister van

Ontwikkelingssamenwerking (KAB OS). Dit punt werd al officieel aangekaart tijdens de

attachédagen in 2004 en werd behandeld door de interne evaluatiedienst van de

Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DG-D), die een intern onderzoek instelde

en overging tot een eerste documentanalyse. Deze inspanningen resulteerden echter

niet in een globale evaluatie van het MIP.

Een interne evaluatie van het MIP werd allereerst opgestart in het kader van de

programmering 2009-2010 van de evaluatiedienst van de DG-D.

Na de inwerkingtreding van een nieuw koninklijk besluit begin 2010, waarbij de

evaluatiediensten werden samengesmolten onder leiding van de Bijzonder Evaluator,

werd beslist om zowel het doel van deze evaluatie als de evaluatieaanpak in de

programmering 2010 te houden, wat voortaan een gemeenschappelijk initiatief is.

In tegenstelling tot de vorige evaluaties/beoordelingen benadert deze evaluatie het MIP

als een transversaal programma dat meerdere sectoren en landen bestrijkt en als een

bijzonder instrument voor ontwikkelingssamenwerking. De periode die bij de analyse van

het wettelijke en regelgevende kader in aanmerking wordt genomen, is de periode van

uitvoering door de Belgische Technische Coöperatie (BTC) die loopt van 2001 tot nu. Bij

de documentanalyse spitsten we onze aandacht toe op de periode 2006-2009 1 en voor

de terreinmissies op de periode 2007-2010 2 .

De voornaamste doelstellingen die deze evaluatie beoogt:

- Zicht krijgen op de relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie, duurzaamheid,

impact, coherentie en interne en externe coördinatie van het MIP als programma

en de toegevoegde waarde daarvan.

-

- Informatie verzamelen over het MIP als bijzonder instrument voor

ontwikkelingssamenwerking, over zijn toegevoegde waarde en eventuele rol bij

de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van de Belgische

ontwikkelingssamenwerking 3 ; en

- Strategische aanbevelingen formuleren nuttig voor de ministers en de Directie-

Generaal Ontwikkelingssamenwerking.

1 Vanaf de periode 2006-2007 werd de rapportage meer gestandaardiseerd. Bovendien waren de documenten

van daarvoor grotendeels gearchiveerd. De rapportage voor het jaar X wordt pas in maart van het jaar X+1 ter

beschikking gesteld van de DG-D.

2 Een vijftal projecten van 2005 of 2006 werden bezocht en het leek ons van wezenlijk belang ook de lopende

projecten te bezoeken.

3 Onder ‘programma’ verstaan we een samenhangend geheel van interventies die een gemeenschappelijk doel

nastreven; het programma bestaat uit een logische keten die gebruik maakt van middelen om werkzaamheden

uit te voeren die leiden tot het verwezenlijken van resultaten en doelstellingen. Onder ‘instrument’ verstaan we

de bepalingen en voorwaarden voor uitvoering van het programma, onder meer alle specifieke procedures die

worden toegepast.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 15 / 135


Inleiding

De oorspronkelijke referentietermen van de evaluatie worden aangehecht in Bijlage 1.

Deze termen werden in 2009 door de interne evaluatiedienst opgesteld en bevatten een

aantal lichtjes verschillende doelstellingen die eerder gericht zijn op een verbetering van

het MIP dan op zijn bestaansreden. In februari 2010 werd de evaluatiefunctie van de

Belgische ontwikkelingssamenwerking ondergebracht bij de (externe) Dienst van de

Bijzonder Evaluator (DBE). De referentietermen werden derhalve aangepast aan de meer

strategische rol die deze dienst vervult.

De evaluatie moest tevens bijdragen tot capaciteitsopbouw binnen de DBE.

Dit verslag bevat een overzicht van de vaststellingen, conclusies en aanbevelingen op

basis van een brede documentanalyse, bevragingen in Brussel en ter plaatse 4 , een

vergelijkende studie (benchmarking) van soortgelijke programma’s bij andere donoren 5

en plaatsbezoeken aan micro-interventies in de Democratische Republiek Congo (DRC),

Mozambique, Oeganda, Senegal, Marokko en Peru 6 .

De evaluatie steunt tevens op casestudy’s die de praktische realiteit van het programma

illustreren, maar beoogt geen individuele evaluatie van de microprojecten zelf.

Naast deze inleiding bevat het verslag 6 hoofdstukken:

- Het eerste hoofdstuk beschrijft het huidige programma, het MIP als instrument en

de context.

- Het tweede hoofdstuk licht het wettelijke en regelgevende kader door.

- Het derde hoofdstuk toetst het micro-interventieprogramma aan de 5

evaluatiecriteria van het DAC en de OESO 7 en peilt naar de coherentie en

complementariteit.

- Het vierde hoofdstuk bevat een kritische analyse van de processen van het

instrument.

- De laatste twee hoofdstukken bevatten tot slot een aantal conclusies en

aanbevelingen.

1.2. Methodologie en struikelblokken

1.2.1. Methodologie

De bij deze evaluatie gehanteerde methodologie wordt uitvoerig beschreven en

toegelicht in de methodologische nota in Bijlage 4 en wordt in dit hoofdstuk kort

samengevat.

1.2.1.1. De 5 criteria van het DAC, de 3 C’s en processen

Het micro-interventieprogramma werd als programma en als instrument getoetst aan de

5 evaluatiecriteria bepaald door het DAC: relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie,

duurzaamheid en impact. Deze criteria werden begrepen in de zin van hun definitie zoals

opgenomen in de woordenlijst van voornaamste termen m.b.t. evaluatie en

resultaatgericht beheer (DAC-OESO, 2002).

4 De resultaten van de bevragingen worden aangehecht in Bijlage 10 en Bijlage 11.

5 De resultaten van de benchmarking worden toegelicht in Bijlage 2.

6 De landenverslagen worden aangehecht in Bijlage 9.

7 Het DAC van de OESO is het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor Economische

Samenwerking en Ontwikkeling.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 16 / 135


Inleiding

Het programma en het instrument werden tevens getoetst aan bijkomende criteria

m.b.t. coherentie, coördinatie en complementariteit. Deze criteria werden begrepen in de

zin van hun definitie door de European Union’s Heads of Evaluation Taskforce (workshop

Brussel, 2003) 8 .

Een evaluatiekader met 11 kernvragen werd uitgetekend, waarbij iedere vraag wordt

gekoppeld aan meerdere beoordelingscriteria.

De verschillende stappen in de procedure die voornamelijk verband houden met het

gebruik van het instrument werden uitvoerig ontleed.

1.2.1.2. Participatieve benadering

Het betreft een vormende evaluatie 9 waarbij alle stakeholders werden betrokken met het

oog op een beter ownership van de lessen, conclusies en aanbevelingen bij de betrokken

actoren.

Alle personen betrokken bij het beheer van het programma in Brussel werd bevraagd.

Alle posten en alle vertegenwoordigingen van de BTC werden tijdens de verschillende

fasen in de evaluatie geraadpleegd. Drie medewerkers van de BTC en drie medewerkers

van de DG-D maakten deel uit van het begeleidingscomité. Tijdens de terreinmissies

werd systematisch met de plaatselijke verantwoordelijken van het MIP in de ambassades

en bij de BTC PV’s, de promotoren van de micro-interventies en, waar mogelijk, de

begunstigden overlegd. Alle missies werden door een plaatselijke evaluator begeleid.

1.2.1.3. Teamwork

Deze evaluatie is het resultaat van teamwork. De evaluatie werd uitgevoerd door de

medewerkers van de Dienst Bijzondere Evaluatie waarvan de onafhankelijkheid

wettelijk 10 wordt gewaarborgd en recent werd bevestigd in het kader van een

onafhankelijk onderzoek 11 . In overeenstemming met artikel 7 van het hoger

aangehaalde Koninklijk besluit stelde de DBE een begeleidingscomité samen bestaande

uit vertegenwoordigers van de betrokken actoren en een onafhankelijk expert die meer

bepaald instaat voor de kwaliteitscontrole en methodologische ondersteuning.

1.2.1.4. De evaluatie verliep in 6 opeenvolgende fasen:

- Een voorbereidende fase die, na raadpleging van alle stakeholders, uitmondde in

de goedkeuring van de referentietermen.

- Een opstartfase die voornamelijk bestond uit het lezen en samenvatten van de

voornaamste documenten. Deze fase resulteerde in de opmaak van een

opstartverslag waaraan een documentanalyse per land werd toegevoegd op basis

van de doorlichting van alle micro-interventies van de afgelopen 3, soms 4 jaar 12 .

8 Coördinatie: activiteit van meerdere ontwikkelingspartners met de bedoeling middelen op de been te brengen

of hun beleid, programma’s, procedures en praktijken op elkaar af te stemmen met het oog op een maximale

doeltreffendheid van de middelen voor ontwikkelingshulp.

Complementariteit: ontwikkelingssamenwerking is een bevoegdheid die wordt gedeeld door verscheidene

donoren en die gezamenlijk kan worden uitgeoefend, waarbij iedere donor een specifieke, maar niet-exclusieve

bevoegdheid heeft inzake ontwikkelingssamenwerking.

Coherentie: het ontbreken van enige uitwerking die niet strookt met de verwachte resultaten van een beleid.

9 Een vormende evaluatie is meer gericht op het trekken van nuttige lessen dan op verantwoording afleggen.

10 Koninklijk besluit van 25 februari 2010 houdende de oprichting van een dienst “Bijzondere Evaluatie van de

Internationale Samenwerking”.

11 Peer Review of the Evaluation Function at the Federal Public Service of Foreign Affairs, foreign Trade and

Development Cooperation.

12 Deze analyse wordt integraal toegevoegd in Bijlage 8.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 17 / 135


Inleiding

- Een tussenfase waarin bijkomende documenten, vooral m.b.t. vergelijkbare

programma's bij andere donoren (benchmarking), werden gescreend. De

voornaamste stap in deze fase betrof evenwel het verzamelen en analyseren van

de meningen en standpunten m.b.t. het programma van gesprekspartners op het

terrein en in Brussel. Afzonderlijke vragenlijsten werden aan de posten en

vertegenwoordigingen van de BTC, of vóór een interview toegestuurd. De

schriftelijke vragenlijsten bevatten een groot aantal gesloten vragen, wat ons

toeliet een statische analyse uit te voeren en de antwoorden in diagrammen voor

te stellen. De resultaten van deze analyses werden getoetst aan de antwoorden

op meer open vragen en de resultaten van de interviews. De analyse van deze

gegevens werd in een tussentijds verslag gegoten.

- Een praktische fase met missies in 6 partnerlanden van de Belgische

ontwikkelingssamenwerking, waarbij in totaal meer dan 120 micro-interventies

werden bezocht. Tijdens deze fase werden de resultaten van de documentanalyse

ook geconsolideerd en aangevuld met interviews met betrokkenen en met

vaststellingen ter plaatse. Voor iedere terreinmissie werd een missieverslag

opgemaakt. 13

- Een synthesefase waarbij lessen, conclusies en aanbevelingen werden getrokken

uit de vorige stappen en die uitmondde in een voorlopig eindverslag.

- Een verspreidings- en opvolgingsfase die bestond uit de opstelling, vertaling,

uitgave en verspreiding van het evaluatieverslag. Andere belangrijke stap in deze

fase is de opvolging van de effectieve uitvoering van de aanbevelingen door de

verschillende partners.

1.2.1.5. Werkwijze voor documentanalyse

De documentanalyse omvat de jaarlijkse verslagen van de BTC m.b.t. het MIP. Alle

micro-interventies van het jaar 2006 of 2007 tot 2009 in de 18 partnerlanden van de

directe bilaterale samenwerking, goed voor een totaal van 1221 micro-interventies,

werden doorgelicht. Overzichtelijke tabellen vermelden systematisch het

referentienummer, de verkorte titel, het begrotingsjaar, de plaats, de partner of

plaatselijke tussenpersoon, het toegekende budget, de uitvoeringsgraad, het aantal

begunstigden, de aard van de begunstigden (uitgesplitst naar gender), de doelstelling

van de micro-interventie, de geplande werkzaamheden en behaalde resultaten. De

resultaten van deze analyse worden toegelicht in Bijlage 8.

1.2.1.6. Informatiebronnen

Om de evaluatievragen te kunnen beantwoorden, werden de volgende informatiebronnen

aan elkaar getoetst:

- Verzameling van schriftelijke gegevens: lezing van documenten,

regelgevingsteksten, vroegere evaluatieverslagen en andere feitelijke gegevens.

- Verzameling van standpunten en meningen d.m.v. interviews, focus group of

vragenlijsten.

- Persoonlijke vaststellingen van de evaluatoren, voornamelijk tijdens

terreinmissies.

13 De verslagen van de zes landenmissies worden integraal toegevoegd in Bijlage 9.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 18 / 135


1.2.1.7. Gegevensbeheer en -verwerking

Inleiding

Bij het verzamelen van gegevens en standpunten hanteerden de evaluatoren een

ethische werkmethode, waarbij het gebruik van betrouwbare gegevens zonder

systematische fouten werd aangemoedigd.

Alle tabellen en diagrammen in dit verslag werden samengesteld op basis van de

verzamelde standpunten en persoonlijke vaststellingen van de evaluatoren, tenzij

uitdrukkelijk een andere bron wordt vermeld.

Een van de eerste stappen in de verwerking van de gegevens was het reconstrueren van

de interventielogica op basis van de lopende conventie tot tenuitvoerlegging.

Daarnaast werd het MIP getoetst aan vergelijkbare programma’s die door België of

andere donoren worden gefinancierd. Verscheidene van deze programma’s werden vrij

recent nog geëvalueerd. Het gaat meer bepaald om de volgende programma’s:

- Het Belgisch micro-interventieprogramma.

- Het Belgisch programma voor directe financiering van lokale organisaties van de

civiele maatschappij (Fin OCM).

- Het Canadese Fund for Local Initiatives (FLI).

- Het Nederlandse Small Activities Programme Fund (SAPF).

- Het Franse Fonds Social de Développement (FSD)

- Het Small Grants Programme van Global Environment Facility (GEF SGP)

In het kader van de terreinmissies brachten de evaluatoren een bezoek aan de

verantwoordelijken van sommige van deze programma’s en andere vergelijkbare

initiatieven (zie missieverslagen in Bijlage 9.) Zo konden de resultaten van de

documentanalyse worden bevestigd en kon onze benchmarking in bepaalde gevallen met

andere donoren worden uitgebreid.

Onze bevraging had betrekking op alle actoren die bij het MIP betrokken zijn. Voor een

correct begrip van de waarden uitgedrukt in percenten wijzen we erop dat 18 attachés

verbonden aan de posten en 6 andere attachés met MIP-ervaring de vragen hebben

beantwoord. Op basis van het aantal effectieve antwoorden werd berekend dat het

standpunt van één attaché kan worden gelijkgesteld met 4 tot 7 percent. Daarnaast

vulden ook 15 BTC PV’s de vragenlijst in. Het standpunt van één BTC PV maakt dus 7 tot

8 percent van het totaal uit.

1.2.2. Beschrijving van de steekproef voor de plaatsbezoeken

De antwoorden op de evaluatievragen hebben betrekking op een steekproef van ten

hoogste 120 micro-interventies van de ruim 1200 interventies die wereldwijd sinds 2006

werden gefinancierd. Van de 120 micro-interventies die door de terreinmissies werden

bezocht in de 6 evaluatielanden werden er 95 grondiger doorgelicht. Het betreft een

maximumaantal vermits de vragen voor tal van evaluatiepunten niet waren aangepast

aan sommige interventies en het niet altijd mogelijk was andere vragen objectief te

beantwoorden 14 .

Omwille van de grootte van deze steekproef kunnen we conclusies met een

zekerheidsgraad van 95 percent en een foutenmarge van ongeveer 9 percent

14 Zo was het bijvoorbeeld niet mogelijk de duurzaamheid te beoordelen van de in 2010 opgestarte MI’s.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 19 / 135


Inleiding

formuleren. 15 Om een nog kleinere foutenmarge te bekomen, hadden de evaluatoren

twee keer zoveel micro-interventies moeten bezoeken.

Omwille van het beperkte aantal interventies kunnen we evenwel geen uitspraken doen

over de evolutie van het programma van jaar tot jaar. We kunnen bovendien geen

onderscheid maken op basis van land, financieringsniveau, geografisch gebied, de aard

van de interventie (wel of niet productief), het aantal begunstigden enz. Onze eventuele

opmerkingen hieromtrent zijn dan ook louter indicatief.

De steekproef van geëvalueerde micro-interventies kan als volgt worden opgedeeld:

- Volgens het jaar van goedkeuring: één MI van 2005; 4 van 2006; 19 van 2007;

18 van 2008; 20 van 2009 en 33 van 2010 (zie Diagram 1).

- Volgens het bedrag van de Belgische bijdrage: 21 MI’s van 12.500 euro, 16 MI’s

tussen 12.001 en 12.499 euro, 12 MI’s tussen 11.001 en 12.000 euro, 16 MI’s

tussen 10.001 en 11.000 euro, 9 MI’s tussen 9.001 en 10.000 euro, 12 MI’s

tussen 8.001 en 9.000 euro en 13 MI’s tussen 0 en 8.000 euro (zie Diagram 2).

- Volgens de aard van de micro-interventie: 75 MI’s van materiële aard (minder

dan 25 percent voor opleidingen of diensten), 12 MI’s van immateriële aard

(meer dan 75 percent voor opleidingen of diensten) en 14 gemengde MI’s

(Diagram 3).

- Volgens het milieu van de micro-interventie: 29 MI’s op het platteland, 26 aan de

stadsrand en 44 in de stad (Diagram 4).

- Volgens het oogmerk van de micro-interventie: 75 percent van de MI’s hebben

een maatschappelijk oogmerk en 25 percent een productief oogmerk (Diagram

5).

- Volgens het aantal begunstigden tijdens het eerste jaar: 6 MI’s bereikten 10 of

minder dan 10 begunstigden, 32 MI’s tussen 11 en 100 begunstigden, 42 MI’s

tussen 101 en 1000 begunstigden en 20 MI’s meer dan 1000 begunstigden

(Diagram 6).

- Volgens geografische situering: 38 MI’s situeren zich in de hoofdsteden of hun

onmiddellijke omgeving; 13 MI’s situeren zich buiten de hoofdstad in een land

waarvoor in het ISP geen sprake is van enige geografische concentratie; 24

andere MI’s situeren zich in de concentratiegebieden van de lopende ISP’s; 20

MI’s bevinden zich niet in die gebieden (jaarverdeling in Diagram 7).

- Volgens sector: 30 MI’s hebben betrekking op de prioritaire sectoren van de

lopende ISP’s, 65 MI’s behoren niet tot die sectoren (jaarverdeling in Diagram 8).

1.2.3. Struikelblokken en beperkingen van de evaluatie

- Steekproefmethode: We konden onmogelijk gebruik maken van de

enkelvoudige aselecte steekproefmethode vermits we in dat geval 17 landen en

enkele afgelegen geografische gebieden in sommige van die landen hadden

moeten bezoeken. Deze methode zou eveneens een oververtegenwoordiging van

het programma in de DRC betekenen in vergelijking met de MIP’s in de andere

landen. We konden bovendien geen gestratificeerde steekproef op basis van

homogene variabelen uitvoeren (zelfde periode, zelfde sector, zelfde aard, zelfde

type begunstigde, zelfde geografische situering, zelfde financieringsbedrag,…)

uitgaande van de jaarverslagen van de BTC. We opteerden uiteindelijk voor een

15 Bijvoorbeeld, wanneer onze studie aangeeft dat 80 percent van de MI’s de geplande onmiddellijke resultaten

behaalde, betekent dit dat we voor 95 percent zeker zijn dat 71 tot 89 percent van de MI’s de geplande

onmiddellijke resultaten heeft behaald. Er is echter een kans van 5 percent dat minder dan 71 percent of meer

dan 89 percent de geplande onmiddellijke resultaten behaalde.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 20 / 135


40

35

30

25

20

15

10

5

0

1

4

20 19

21

35

2005 2006 2007 2008 2009 2010

Diagram 1: Verdeling van de steekproef volgens

het jaar van goedkeuring van de financiering.

80

70

60

50

40

30

20

10

0

75

12

14

Materiëel Immateriëel Gemengd

Diagram 3: Verdeling van de steekproef volgens

100%

90%

80%

70%

60%

50%

40%

30%

20%

10%

0%

de aard van de MI.

Niet

productief

75

Productief

25

Diagram 5: Verdeling van de steekproef volgens

100%

80%

60%

40%

20%

0%

het oogmerk van de MI.

Z.B.ISP;

21

Z.ISP; 42

Z.HS; 37

Z.B.ISP;

39

Z.ISP; 17

Z.HS; 44

Z.B.ISP;

15

Z.ISP; 15

Z.HS; 70

Z.B.ISP;

15

Z.ISP; 61

Z.HS; 24

2007 2008 2009 2010

Diagram 7: Verdeling van de steekproef volgens

geografische zone (hoofdstad (HS), ISP-gebied,

buiten ISP-gebied) volgens jaar (in %)

Inleiding

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 21 / 135

25

20

15

10

5

0

0 tot 7000

13

8000

12

9000

9

10000

16

11000

12

12000

16

12500

21

Diagram 2: Verdeling van de steekproef

volgens het bedrag van de Belgische bijdrage.

50

45

40

35

30

25

20

15

10

5

0

29

26

44

Platteland Stadsrand Stad

Diagram 4: Verdeling van de steekproef

45

40

35

30

25

20

15

10

5

0

volgens het milieu van de MI.

6

32

42

20

≤ 10 ≤ 100 ≤ 1000 > 1000

Diagram 6: Verdeling van de steekproef

volgens het aantal werkelijke begunstigden.

100%

80%

60%

40%

20%

0%

NP

P

NP

P

NP

P

NP

2007 2008 2009 2010

Diagram 8: Verdeling van de steekproef

volgens prioritaire (P) of niet-prioritaire (NP)

sector van het ISP volgens jaar (in %)

P


Inleiding

steekproef op basis van een beoordeling 16 in de 6 landen die elk een gebied van

de Belgische bilaterale samenwerking vertegenwoordigen. De representativiteit


Inleiding

beoordelingscriteria werd toegekend. Bovendien kon voor tal van

beoordelingscriteria geen score worden toegekend.

- De systematische analyse van ruim 1000 individuele verslagen van microinterventies

leverde weinig bruikbare gegevens op en bleek niet erg efficiënt. De

resultaten van die analyse, die in Bijlage 8 worden voorgesteld, moeten met het

gebruikelijke voorbehoud worden geïnterpreteerd. De kwaliteit van de verslagen

m.b.t. de individuele micro-interventies voldeed niet om een database samen te

stellen met het oog op het indelen van de verschillende micro-interventies

volgens de basiskenmerken van iedere interventie. Dit maakte een statistische

analyse op basis van alle micro-interventies onmogelijk.

- Administratieve en financiële problemen gelinkt aan de budgettaire bepalingen als

gevolg van de Belgische politieke situatie met een ‘regering van lopende zaken’.

- We stellen vast dat de hoeveelheid en de aard van de documenten die ons

werden bezorgd enigszins verschillen van land tot land. Het was niet altijd

gemakkelijk om voor een bepaalde micro-interventie inzage te krijgen in de

documenten die betrekking hebben op de volledige procedure: oorspronkelijk

voorstel, aangepast voorstel, selectieverslag, overeenkomst met de organisatie,

tussentijdse en eindverslagen.

- Er is geen enkele schriftelijke neerslag terug te vinden m.b.t. de meting van de

impact van het programma of van een micro-interventie, in de zin van de definitie

van het DAC. Een impactmeting zou enerzijds inhouden dat de referentiesituatie

nog voor de start van de micro-interventie werd beschreven en anderzijds dat er

voldoende middelen beschikbaar zouden zijn om verscheidene jaren na afloop

van de micro-interventie ter plaatse te gaan kijken en de verschillen op te

tekenen tussen de huidige situatie en de referentiesituatie. Onze vaststellingen

wat impact betreft, zijn dus louter gebaseerd op waarnemingen voor de microinterventies

die meer dan 2 jaar geleden afliepen en op projecties voor de microinterventies

die recenter werden voltooid.

- De micro-interventies worden vaak uitgevoerd in een omgeving waarin meerdere

donoren tegelijk of achtereenvolgens actief zijn, wat de toewijzing van de

resultaten uiteraard bemoeilijkt.

1.2.4. Uiteenlopende meningen

De beoordelingen en conclusies van dit verslag zijn het voorwerp van een consensus

binnen de Dienst Bijzondere Evaluatie.

De waarden aangegeven in de resultaten van de interviews en peilingen zijn gewogen

gemiddelden. Voor alle vragen waarbij de respondenten tussen 4 waarden moesten

kiezen, gaande van ‘helemaal akkoord’ tot ‘helemaal niet akkoord’, of van ‘prioritair’ tot

‘zelden gebruikt’, noteerden we telkens antwoorden aan elk uiteinde van de

waarderingsschaal.

Bij de interpretatie van de interview- en peilingsresultaten die betrekking hebben op een

persoonlijke mening wijzen we erop dat de meerderheid niet noodzakelijk meer gelijk

heeft dan de minderheid. De redenen voor deze uiteenlopende zienswijzen worden in dit

verslag toegelicht. De redenen die de attachés en de BTC PV’s in de ene of andere

richting kunnen doen overhellen, worden verduidelijkt in Bijlage 10.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 23 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 24 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

2. Beschrijving van het huidige programma, van

het instrument en van de context

2.1. Historiek van het MIP

We onderscheiden twee perioden sinds de lancering van het MIP. Een ‘ABOS’ periode die

loopt van de opzet van het programma in 1990 tot 2001 en een ‘DG-D - BTC’ periode die

loopt van 2001 tot nu.

2.1.1. ABOS-periode

Het doel van het MIP bij zijn lancering is om kleine lokale initiatieven van duidelijk

afgebakende groepen te steunen en hun ontwikkeling, autonomie en onafhankelijkheid

te bevorderen. Het programma is opgevat als een gedecentraliseerd, flexibel en snel

inzetbaar instrument. De Samenwerkingssectie is als enige verantwoordelijk voor de

financieringsbeslissingen. Het programma wordt niet formeel beperkt tot bepaalde

sectoren of thema's, maar 3 thema’s (gender, milieu en cultureel leven) en 2 sectoren

(landbouwsector en de sociale sector) worden wel in het bijzonder naar voren

geschoven.

Het MIP maakt geen deel uit van de ‘gewone’ bilaterale hulp maar mikt eerder op de

civiele maatschappij. De officiële partner van de Belgische ontwikkelingssamenwerking

wordt hiervan louter op de hoogte gesteld.

Het programma wordt beheerd door de Samenwerkingssectie, maar de eigenlijke

uitvoering van de interventies wordt doorgaans toevertrouwd aan de groepen zelf, die

soms op bijstand van een NGO kunnen rekenen.

De interventies worden elk afzonderlijk gefinancierd. Van de begunstigde groep wordt

een aanzienlijke bijdrage in geld of in natura gevraagd. De Belgische bijdrage wordt

beperkt tot 250.000 BEF of ongeveer 6.200 €, in de vorm van gesplitste kredieten 17 .

Het programma loopt in 21 landen, met een globaal jaarbudget van 50 miljoen BEF

(ongeveer 1,2 miljoen €).

2.1.2. BTC-periode

Vanaf 2001 wordt de uitvoering van het MIP toevertrouwd aan de BTC.

Van 2001 tot 2003 wordt het programma in een conventie tot tenuitvoerlegging per land

gegoten. Het MIP wordt in elk land op dezelfde manier behandeld als de andere

bilaterale interventies.

Vanaf 2004 wordt voor het MIP, in overeenstemming met het 2de beheerscontract

tussen de Belgische staat en de BTC, één globale financieringsovereenkomst per jaar

opgemaakt met daarin de programmering voor ieder land. “De concrete invulling van

deze programma’s gebeurt nadien, in overleg met de attaché en het partnerland 18 .”

17 Geen tijdsbeperking voor uitgaven

18 Tweede beheerscontract tussen de Belgische staat en de BTC.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 25 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

Het programma is opgevat als een samenwerkingsprestatie met een eigen algemeen en

specifiek doel. Het wordt mee beheerd door de attachés voor de

ontwikkelingssamenwerking en de plaatselijke vertegenwoordigers van de BTC volgens

een taakverdeling vastgelegd in de algemene conventie tot tenuitvoerlegging. Het MIP

behield zijn gedecentraliseerde, flexibele en snelle karakter ondanks de vele richtlijnen

en andere administratieve verplichtingen die doorheen de jaren bijkomend werden

opgelegd.

Het MIP werkt momenteel binnen het wettelijke en regelgevende kader dat hierna wordt

uitgetekend. Het doel van het programma is nog steeds om kleine interventies met een

beperkte looptijd te financieren voor een maximumbedrag van 12.500 euro per

interventie. Het programma loopt in 15 partnerlanden en de bezette Palestijnse

gebieden, met een totaalbudget van meer dan 4.300.000 € voor 2011.

2.2. Wettelijk en regelgevend kader

Het wettelijke en regelgevende kader voor het MIP als programma en als instrument

omvat verscheidene documenten die hieronder in de beschreven volgorde worden

opgesomd: wetsartikelen, koninklijke besluiten, conventie tot tenuitvoerleggingen,

richtlijnen, verscheidene andere min of meer dwingende bepalingen.

In de Wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking is

er nergens sprake van het micro-interventieprogramma.

In de wet van 21 december 1998 tot oprichting van de “Belgische Technische

Coöperatie” in de vorm van een vennootschap van publiek recht wordt het microinterventieprogramma

evenmin vermeld.

Het koninklijk besluit houdende instemming met het derde beheerscontract vermeldt

het MIP in artikel 11 als volgt:

“1° Vóór 31 december van elk jaar legt de Staat, in samenspraak met B.T.C., de

begroting van het MIP-programma per land vast voor het volgende jaar, en notificeert

deze aan B.T.C. De kosten voor de voortzetting van de lopende MIP’s zijn in die

begroting begrepen.

2° Tegen 31 januari bezorgt B.T.C. de ondertekende conventie tot tenuitvoerlegging. De

concrete invulling van het programma gebeurt nadien, in overleg met de Attaché.

3° Tegen 31 maart van het volgende jaar bezorgt B.T.C. aan de Staat een verslag over

de uitvoering van het voormelde programma.”

Artikel 11 staat onder Titel III die luidt: “Algemene bepalingen betreffende de uitvoering

van taken van openbare dienst inzake directe bilaterale samenwerking, zoals beschreven

in artikel 5, §2 ,3°,5°,8° van de wet tot oprichting van B.T.C.”. Artikel 5 van die wet

verleent de BTC de exclusieve bevoegdheid inzake de tenuitvoerlegging, binnen of buiten

het grondgebied van België, van taken van openbare dienst m.b.t. directe bilaterale

samenwerking met de partnerlanden. Het micro-interventieprogramma wordt niet

vermeld in §2, waarin de bedoelde taken worden beschreven. De bedoelde taken worden

voorafgegaan door de woorden “met name” maar de wet bepaalt duidelijk dat de

“directe bilaterale samenwerking” wordt uitgevoerd “op basis van een overeenkomst

tussen twee landen”.

De « conventions générales de mise en œuvre de la prestation de coopération

dénommée « Programme de micro-intervention MIP » » van de afgelopen jaren

verwijzen allemaal naar de wet tot oprichting van de B.T.C. en naar het Koninklijk besluit

houdende instemming met het derde beheerscontract. De algemene conventie tot

tenuitvoerleggingen van de laatste jaren verwijzen eveneens naar artikel 5 van

voormelde wet van 21 december 1998 tot oprichting van de “Belgische Technische

Coöperatie”.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 26 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

Bijlage 1 bij de algemene conventies tot tenuitvoerlegging bepaalt de

doelstellingen, uitvoeringsbepalingen en mechanismen voor het microinterventieprogramma,

die verder in dit hoofdstuk uitvoerig worden beschreven.

Het document “Het Micro-interventie programma – MIP - INSTRUCTIE voor de

Attachés en DGIS” (2001) definieert een micro-interventie als

- behorende tot de bilaterale samenwerking, en

- waarvan de begunstigde zich in het partnerland bevindt maar er niet de regering

van is.

Verder beschrijft het document het algemene beleidskader, het specifieke beleidskader,

de betrekkingen tussen de verschillende actoren en het administratieve en

begrotingsbeheer van het MIP.

Het document “Instructions à l’usage des attachés concernant la préparation

du programme indicatif de coopération (PIC) et de la Commission mixte (CM)”

van februari 2009” bepaalt dat de programmering van een MIP in het partnerland in

de tweede fase (uitwerking van het ISP) als volgt moet worden beschouwd (vrije

vertaling): “Eventueel gemotiveerde programmering van micro-interventieprogramma’s

(MIP); minstens de helft van de MIP’s is voorbehouden voor activiteiten die de

empowerment van vrouwen bevorderen.” Verder wordt aangevoerd dat de MIP’s,

beurzen en fondsen zich niet op 2 sectoren moeten toespitsen.

De verklarende nota betreffende basisallocatie 14 54 10 54.00.02 – “Dekking

operationele kosten van de BTC en bevoorrading van de medebeheerde of door

de partner beheerde rekeningen”, vermeldt m.b.t. het micro-interventieprogramma:

“Het programma voor micro-interventies steunt de minst begunstigde lagen van de

bevolking door financiering van tussenkomsten in kleinschalige initiatieven, die uitgaan

van de plaatselijke doelgroep zelf. De doelgroep moet een overwegende rol hebben in de

voorbereiding en de uitvoering van het project en moet voor een betekenisvolle inbreng

zorgen. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan initiatieven in het kader van de

sociale economie en aan projecten die de positie van de meest kwetsbare

bevolkingsgroepen versterken.

Zowel het beurzenprogramma als het micro-interventieprogramma zullen door BTC

uitgevoerd worden op basis van een globale jaarlijkse overeenkomst.”

De gids voor uitvoering van het MIP ontwikkeld door en voor toepassing door

de BTC (juni 2007) is hoofdzakelijk gebaseerd op de inhoud van het derde

beheerscontract en op de tekst van de jaarlijkse algemene conventie tot

tenuitvoerlegging. Het document bevat tevens een aantal modeldocumenten (algemene

conventie tot tenuitvoerlegging, verantwoording van uitgaven, technische projectfiche,

conventie tot tenuitvoerlegging, eindverslag) en een bijlage m.b.t. de budgetprocedure

en het selectieverslag.

Daar waar het MIP in het ISP wordt opgenomen of vermeld, maken alle specifieke

bepalingen betreffende het MIP en overeengekomen tussen de Belgische staat

en het partnerland deel uit van het lokale kader voor het MIP, naast het algemene

kader van het MIP.

De verslagen van de selectiecomités alsook de conventie’s tot

tenuitvoerlegging (ondertekend door de BTC PV’s en de begunstigde van de microinterventie)

bevatten op hun eigen niveau verplichtingen die moeten worden

nagekomen.

Tot slot wijzen we erop dat het MIP ook in overeenstemming moet zijn met de

bepalingen van Titel VII van het beheerscontract m.b.t. het budget, de financiering en

verantwoording van de uitgaven.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 27 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

2.3. Definities

De algemene conventie tot tenuitvoerleggingen voor de MIP’s bevatten strikt genomen

geen definitie van het begrip ‘micro-interventie’. De meest recente definitie is die

opgenomen in de instructies voor de attachés van 2001. Het begrip ‘micro-interventie’

wordt daarin gedefinieerd als een samenwerkingsprestatie

- behorende tot de bilaterale samenwerking,

- van relatief kleine omvang,

- waarvan de begunstigde zelf de initiatiefnemer is,

- waarvan de begunstigde zich in het partnerland bevindt maar er niet de regering

van is, en

- waarbij de financieringsbeslissingen gedecentraliseerd zijn, d.w.z. genomen

worden door de Attaché voor Internationale Samenwerking 19 .


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

- de duurzame menselijke, sociale, culturele en economische ontwikkeling in de

hand werken;

- de armoede bestrijden;

- het partnership bevorderen tussen de Belgische bevolking en de bevolking van

het partnerland;

- de democratie in de hand werken alsmede de rechtsstaat, de rol van de civiele

maatschappij en het behoorlijke bestuur;

- de eerbied bevorderen voor de menselijke waardigheid en de rechten en

vrijheden van de mens;

- alle vormen van discriminatie bestrijden die gesteund zijn op sociale, etnische,

religieuze, filosofische of seksuele motieven.

In de algemene conventie tot tenuitvoerleggingen van 2008 tot 2011, de bekendste en

vaakst toegepaste regelgevingsteksten, wordt de algemene doelstelling van het MIP

omschreven als “de duurzame menselijke, sociale, culturele en economische

ontwikkeling in de hand werken door het maatschappelijke draagvlak in het partnerland

te versterken 22 ”. De specifieke doelstelling van het MIP is dan om “wettelijke of feitelijke

groepen en verenigingen van de civiele maatscappij en plaatselijke overheden te helpen

die bewezen hebben dat ze zelf de door hen voorgestelde micro-interventie kunnen

identificeren en uitvoeren, om meer autonomie te verwerven zodat ze gemakkelijker de

ontwikkeling van hun eigen gemeenschap ten laste kunnen nemen” 23 .

Diagram 9 schetst de huidige programmaopzet in de vorm van een interventielogica

uitgaande van de formulering van voormelde algemene en specifieke

doelstelling.

Deze interventielogica wordt hieronder doorgelicht en toegelicht in punt 5.1.

‘programmastrategie’.

2.5. Begunstigden

De potentiële begunstigden worden in de algemene conventie tot tenuitvoerlegging

omschreven als “groepen en verenigingen, in rechte of in feite, de civiele maatscappij en

plaatselijke overheden die bewezen hebben dat ze zelf de micro-interventie kunnen

identificeren en uitvoeren”.

In de verantwoording van de algemene uitgavenbegroting 2010 worden de begunstigden

gedefinieerd als behorende tot de “minste begunstigde lagen van de bevolking” en de

“meest kwetsbare bevolkingsgroepen”. 24

De instructie van staatssecretaris Boutmans beschrijft de begunstigde als ‘initiatiefnemer

van de interventie’, ‘die in het partnerland verblijft maar er niet de regering van is’ en

- de armoede bestrijden;

- het partnership bevorderen tussen de Belgische bevolking en de bevolking van het partnerland;

- de democratie in de hand werken alsmede de rechtsstaat, de rol van de civiele maatschappij en het

behoorlijke bestuur;

- de eerbied bevorderen voor de menselijke waardigheid en de rechten en vrijheden van de mens;

- alle vormen van discriminatie bestrijden die gesteund zijn op sociale, etnische, religieuze, filosofische of

seksuele motieven.”

22 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2009, 2010 en 2011”; bijlage 1.

23 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2009”; bijlage 1.

24 “Micro-interventieprogramma”; Verantwoording van de algemene uitgavenbegroting 2010,

organisatieafdeling 54, pagina 19 en 20.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 29 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

die een ‘feitelijke vereniging, coöperatie, stichting, oudercomité van een school enz. kan

zijn’ 25 .

Resultaten op lange

termijn/impact:

Resultaten op korte en

middellange termijn:

Onmiddellijke resultaten:

Domeinen van

werkzaamheden:

Duurzame menselijke, economische, sociale en

culturele ontwikkeling

Ontwikkeling van eigen gemeenschap

gemakkelijker zelf ten laste nemen

- Versterkt maatschappelijk draagvlak in het

partnerland

- Meer autonomie

“ … in de sectoren (bepaald in het ISP), thema’s

en interventiegebieden van de wet betreffende

de internationale samenwerking die de integratie

toelaten van (i) een culturele dimensie, (ii) de

instandhouding en bevordering van culturele

waarden en identiteiten alsook artistieke

productie, (iii) het behoud en de ondersteuning

van capaciteitsopbouw in die sector .

Diagram 9: Interventielogica van het micro-interventieprogramma volgens ACTT 2008 tot 2011.

De begunstigden kunnen op basis van verschillende criteria in groepen worden

ingedeeld. Op basis van de vragenlijsten die naar de attachés en BTC PV’s werden

gestuurd, werden de begunstigden als volgt ingedeeld:

- Volgens de kenmerken van de vereniging:

Groepen die geen ervaring hebben met het uitschrijven van projecten.

Bekende verenigingen.

Organisaties en/of gemeenschappen met ten minste 10 leden,

Wettelijke of feitelijke vereniging,

Publieke, godsdienstige en/of universitaire instellingen;

- Op basis van hun situering:

In een achtergestelde wijk net buiten de stad,

Op het platteland,

In de stad,

In gebieden die niet door interventies van de overheid of donoren worden

ondersteund.

- Op basis van de doelgroep:

Kinderen,

Jongeren,

Vrouwengroepen,

Achtergestelde/kwetsbare/gemarginaliseerde groepen

Niet nader bepaald

Uitgeslotenen

Weeskinderen

25 Het “Micro-interventie programma” - MIP INSTRUCTIE voor de Attachés en DGIS.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 30 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

Werklozen

Personen met een handicap

De allerarmsten

Groepen die geen toegang hebben tot andere financieringen

Zieken

Landlozen.

Producentenverenigingen.

2.6. De programmacyclus

2.6.1. Beheer

Het personeel dat instaat voor het beheer van het MIP zijn o.a. medewerkers in Brussel,

op de zetel van de BTC en van de DG-D, medewerkers bij iedere vertegenwoordiging van

de BTC en in elke ambassade in de partnerlanden.

De kosten voor het beheer van het MIP door de staat zijn opgenomen in de globale

beheerkosten van de Belgische ontwikkelingssamenwerking per zetel en per post.

Voor de BTC zijn de beheerkosten voor uitvoering van de prestatie volgens de conventie

tot tenuitvoerleggingen van 2008, 2009, 2010 en 2011 “inbegrepen in de globale

beheerkosten die de BTC jaarlijks uitgekeerd krijgt. De BTC ontvangt tevens een

voordeel van 1% van de gedane uitgaven‟.

Bovenop dit bedrag wordt sinds 2009 “een deel van het budget, dat niet meer dan 5%

van het totale jaarbudget bedraagt ter plaatse ter beschikking gesteld voor de opleiding

van de begunstigden. Het doel is allereerst een prestatie van betere kwaliteit en

duurzame acties met het oog op capaciteitsopbouw bij de verenigingen of doelgroepen

(geselecteerde micro-interventies). 26 ”

Het beheer en de opvolging van de effectieve uitvoering worden in de ACTT geregeld 27 :

“De plaatselijke vertegenwoordiger van de BTC is verantwoordelijk voor het beheer van

de uitvoering van het micro-interventieprogramma.” “De plaatselijke vertegenwoordiger

van de BTC garandeert een passende begeleiding van medewerkers bij de lokale partner

voor… uitvoering van de micro-interventie”.

“De plaatselijke vertegenwoordiger waarborgt de monitoring van de micro-interventie

door de lokale partner.”

26 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2009, artikel 2, punt 2.4”, 2 de paragraaf.

27 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2010”

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 31 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

2.6.2. Begrotingsprogrammering

Tabel 1: Toegekende budgetten en uitgaven per land Bron ODA.be

Budget Uitgaven Budget Uitgaven Budget Uitgaven Budget

Land 2008 2008 2009 2009 2010 2010 2011

Zuid-Afrika 122388 88699 129130 75068 125145 93670 131800

Algerije 99000 69927 115200 37040 70000 50050 68322

Benin 109723 61495 116778 110227 101560 63470 100000

Bolivië 369000 246659 338480 178407 318400 264400 313360

Burundi 377189 106421 333458 283686 473509 349184 313306

Congo (DRC) 1303491 1244636 561092 457957 1113043 865921 998716

Ecuador 199961 148337 323614 165419 249194 201911 202212

Mali 134335 148690 95000 64066 135000 107569 162950

Marokko 139792 116316 183393 137683 178197 103936 151270

Mozambique 153750 78502 168806 96744 177015 97330 188750

Niger 123392 113502 258149 144053 281217 147028 339181

Oeganda 75000 61006 147030 105186 143388 133967 126102

Palestina 214978 188948 409645 236491 279084 223824 221951

Peru 276624 213663 320249 156081 351788 221469 251889

Rwanda 297981 283912 423442 169582 605821 401796 263061

Senegal 227393 184393 208087 131084 295880 187212 252598

Tanzania 138200 105639 172567 81617 283222 202110 251720

Vietnam 20000 7058 20000 8097 6205 6250 0

TOTAAL 4382197 3467803 4324120 2638488 5187668 3721097 4337188

Tabel 2: Evolutie van toegekende budgetten voor nieuwe interventies per land over de voorbije 6

jaar. Bron ACTT

Jaarbudget Jaarbudget Jaarbudget Jaarbudget Jaarbudget Jaarbudget

Land 2006 2007 2008 2009 2010 2011

Zuid-Afrika 100000 100000 100000 70.000 100000 100000

Algerije 60000 72000 72000 50.000 40000 45000

Benin 100000 100000 100000 80.000 100000 100000

Bolivië 250000 250000 250000 180.000 250000 250000

Burundi 200000 200000 200000 400.000 300000 200000

Congo (DRC) 1000000 1000000 500000 500000 1000000 705000

Ecuador 150000 180000 180000 180.000 150000 150000

Mali 85000 85000 85000 85000 125000 125000

Marokko 100000 100000 100000 120.000 150000 90000

Mozambique 100000 100000 100000 120.000 150000 150000

Niger 50000 100000 100000 180.000 250000 200000

Oeganda 20000 20000 75000 100.000 125000 120000

Palestina 100000 200000 200000 300000 200000 200000

Peru 180000 200000 220000 180000 250000 160000

Rwanda 300000 300000 200000 400000 400000 0

Senegal 50000 300000 200000 150000 250000 165000

Tanzania 100000 100000 120000 85000 250000 160000

Vietnam 0 0 20000 20000 0 0

TOTAAL 2945000 3407000 2822000 3200000 4090000 2920000

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 32 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

Volgens de bepalingen van de ACTT moet de attaché voor 30 november van jaar N

aangeven wat hij nodig heeft voor het jaar N+1, terwijl de PV BTC voor 15 november

van jaar N aangeeft welke bedragen moeten worden overgedragen om het programma

van jaar N te voltooien in het jaar N+1.

Tabel 1 en tabel 2 gaan op het eerste gezicht gelijk op. De verschillen kunnen worden

verklaard door het feit dat de bedragen die jaarlijks worden toegekend (toegekende

budgetten, tabel 1) deels zijn samengesteld uit een budget voor nieuwe interventies

(tabel 2) en voor het overige deel bestaan uit het niet-bestede saldo van het jaar

voordien (= overgedragen bedragen). Het deel van dit bedrag dat niet in het

overdrachtjaar werd besteed, gaat onherroepelijk verloren.

De jaarverslagen van de BTC vermelden voor het jaarbudget de vastgelegde en de

werkelijk betaalde bedragen.

De budgetten die voor nieuwe interventies 28 worden toegekend, variëren sterk van jaar

tot jaar. Het is niet meteen mogelijk een correlatie vast te stellen tussen het budget voor

de directe bilaterale samenwerking en het budget voor het MIP in een land. 29 De

grootste begunstigde van het programma is de DRC; de kleinste begunstigde is Vietnam.

Wanneer we kijken naar de evolutie van de budgetten over de afgelopen jaren, zoals

bepaald in 2009, stellen we vast dat het budget in bepaalde landen toeneemt (Oeganda,

Niger, Palestijnse gebieden, Rwanda), in sommige landen stabiel blijft (Mali, Ecuador,

Marokko, Bolivië, Mozambique, Vietnam) en in andere landen afneemt (DR Congo, Peru,

Senegal, Tanzania, Zuid-Afrika). Deze trend kan echter evengoed ombuigen.

De oorzaak van deze schommelende budgetten kon tijdens de terreinmissies niet echt

worden opgespoord. Hoogst waarschijnlijk zijn de schommelingen het gevolg van

verschillende factoren (andere strategie, overplaatsing van medewerkers,

beleidsbeslissing,…) en hebben ze derhalve weinig te maken met efficiëntieoverwegingen

zoals: “Welk budget kan het personeel dat ter plaatse beschikbaar is in de ambassade en

bij de PV BTC op een doeltreffende manier beheren?”.

Ook het peil van de jaarlijkse uitgaven t.o.v. het budget varieert sterk. Deze variërende

uitgaven hebben vooral te maken met de min of meer laattijdige goedkeuring van de

ACTT, waardoor het programma al dan niet snel ter plaatse kan worden opgestart.

Sommige micro-interventies kunnen omwille van hun aard nu eenmaal niet binnen een

tijdspanne van één jaar worden uitgevoerd. Het niet-bestede saldo wordt dan

overgedragen naar het budget voor het volgende werkjaar.

2.6.3. Projectoproep en indiening van aanvragen tot financiering

Voor het doorlopen van deze fase bevat de ACTT de volgende bepalingen: “De attaché

voor internationale samenwerking brengt de potentiële partners op de hoogte van de

uiterste datum voor indiening van dossiers 30 ”, terwijl “de plaatselijke vertegenwoordiger

van de BTC een passende begeleiding van medewerkers bij de lokale partner garandeert

voor de voorbereiding (en uitvoering) van de micro-interventie 31 ”.

De projectoproep kan verschillende vormen aannemen: website van de ambassade, van

de plaatselijke vertegenwoordiging van de BTC, van een forum van Belgische actoren,

van een gemeenschappelijk forum van donoren,…; verschijning in kranten; bericht op

het aankondigingenbord van de ambassade, van de plaatselijke vertegenwoordiging van

de BTC, van de vertegenwoordiging van de Europese Unie, de Belgische besturen in de

geografische concentratiegebieden,…; verspreiding van brochures of folders over het

28

Het betreft jaarbudgetten voor de nieuwe programma’s (die dus geen rekening houden met het deel van het

budget nodig om de MI’s van het vorige jaar af te ronden.

29

Enkele voorbeelden: Peru 2009: directe bilaterale samenwerking: 4 554 448,45 € – MIP: 177 750€

Tanzania 2009: directe bilaterale samenwerking: 5892 296,52 € - MIP: 83 400 €

30 ACTT, bijlage 1, 4.1, 2°.

31 ACTT, bijlage 1, 4.2, 2°

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 33 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

programma; informatieverstrekking via bilaterale projecten; individuele of collectieve

infovergaderingen…

De standaardformulieren die de aanvragers moeten invullen (zie bijlage 12) bevatten de

volgende rubrieken, die bovendien worden toegelicht: algemene doelstelling, specifieke

doelstelling, resultaten, werkzaamheden…

2.6.4. Selectieprocedure

De selectieprocedure en het verloop daarvan worden beschreven in bijlage 1 bij de

ACTT.

1) “De attaché voor internationale samenwerking beslist in overleg met de plaatselijke

vertegenwoordiger van de BTC over de ontvankelijkheid van de micro-interventies. Gaat

het om een economische belangengemeenschap, dan ziet hij er meer bepaald op toe dat

de micro-interventie niet tot oneerlijke concurrentie kan leiden.”

“Dossiers kunnen doorlopend, het hele jaar door worden onderzocht.”

“Wanneer ze risico’s inhouden, kunnen de plaatsbezoeken door de plaatselijke

vertegenwoordiger gepland worden.”

2) De ACTT bevat de mogelijkheid tot een tussenstap met een preselectie wanneer er

teveel ontvankelijke voorstellen zouden worden ingediend: “Een preselectie, zonder

enige verplichting, kan gezamenlijk worden georganiseerd.”

3) “De attaché voor internationale samenwerking en de plaatselijke vertegenwoordiger

van de BTC beslissen welke micro-interventies wel of niet worden geselecteerd in het

kader van een “Gezamenlijk selectiecomité” 32 .

Zoals eerder aangehaald, vermelden de instructies die als leidraad dienen voor de ISP's

dat “minstens de helft van de MIP’s is voorbehouden voor activiteiten die de

empowerment van vrouwen bevorderen”.

De ACTT bepaalt de interventiesectoren en -thema’s (“interventiesectoren, -thema’s en

-gebieden van de wet betreffende de internationale samenwerking”) en legt duidelijk de

klemtoon op de transversale integratie van de culturele dimensie 33 .

Een andere bron stelt dat “bijzondere aandacht wordt geschonken aan initiatieven in het

kader van de sociale economie” 34 .

2.6.5. Formulering

“De plaatselijke vertegenwoordiger van de BTC garandeert een passende begeleiding van

medewerkers bij de lokale partner voor de voorbereiding… van de micro-interventie”.

“De plaatselijke vertegenwoordiger ondertekent een conventie tot tenuitvoerlegging met

de lokale partner.” 35

Het technische en financiële dossier van de micro-interventies wordt vervangen door een

‘technische projectfiche’ 36 . Deze fiche bevat alle gebruikelijke details: nummer(s),

32

Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2011”; bijlage 1

33

Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2009”; bijlage 1.

34

“Micro-interventieprogramma”; Verantwoording van de algemene uitgavenbegroting 2010, organieke

afdeling 54, pagina 19 en 20.

35 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2011”; bijlage 1

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 34 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

projecttitel, geografische situering, sectoren, begunstigden, verantwoordelijke lokale

partner, startdatum, looptijd van het project, medewerkers en financiële middelen. De

laatste twee paragrafen bevatten een beknopte beschrijving van het project en de

verwachte resultaten.

2.6.6. Rapportage

De rapportage wordt eveneens in de ACTT geregeld. Artikel 8 van de ACTT stelt meer

bepaald dat de BTC een eindverslag over het jaarprogramma moet voorleggen aan de

staat 37 . “Dit verslag bevat voor ieder land en voor elk programma:

- het aantal lopende en afgeronde micro-interventies,

- een korte beschrijving van het verloop van iedere micro-interventie,

- de algemene beoordeling van de uitvoering,

- conclusies m.b.t. de coherentie en relevantie voor ontwikkeling,

- een financieel verslag”

Bijlage 1 bij de ACTT bepaalt het volgende: “De plaatselijke vertegenwoordiger staat in

voor… de beoordeling van de resultaten” van de micro-interventie.

“De plaatselijke vertegenwoordiger stelt een eindverslag op conform artikel 8 van deze

overeenkomst waarvan hij een kopie aan de attaché voor internationale samenwerking

bezorgt.”

De halfjaarlijkse financiële verslagen en de verantwoording van de uitgaven worden

opgesteld en voorgelegd in overeenstemming met het beheerscontract.

De rapportage aangaande de individuele micro-interventies in het jaarverslag voor de

DG-D m.b.t. het programma, uitgesplitst naar land, volgt het model van het eindverslag

zoals vermeld in de gids van de BTC 38 .

Dit model bevat daartoe vier rubrieken: 1) nummer en titel van de MI; 2) statuut

(voltooid, in uitvoering,…) van de MI; 3) beschrijving (max. 5 regels); en 4) voortgang

(max. 5 regels).

De algemene beoordeling van het programma opgenomen in de jaarverslagen voor de

DG-D steunt op drie pijlers: (i) synthese van de struikelblokken; (ii) aanbevelingen; en

(iii) opmerkingen m.b.t. relevantie, coherentie en duurzaamheid. De lokale partner moet

eveneens een voortgangsverslag en een eindverslag opmaken volgens het model van de

BTC 39 .

2.6.7. Evaluatie

De evaluatie van het MIP als programma in één of meer landen is de

verantwoordelijkheid van de Dienst Bijzondere Evaluatie; de DG-D en de attachés

kunnen daarbij suggesties doen.

36 Guide de mise en œuvre de la prestation MIP juin 2007 (version 02), annexe 3 : Fiche technique de projet.

37 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2010”

38 Guide de mise en œuvre de la prestation MIP juin 2007 (version 02), annexe 5 : Modèle de rapport final.

39 Guide de mise en œuvre de la prestation MIP juin 2007 (version 02), annexe 4 : Modèle de convention

d’exécution, punt 2.2, derde streepje.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 35 / 135


Beschrijving van het huidige programma, van het instrument en van de context

Deze evaluatie wordt vermeld in artikel 6 (evaluatie en monitoring) van de ACTT 40 : “De

BTC verbindt zich ertoe haar medewerking te verlenen aan elke evaluatie en monitoring

door de staat tijdens of na de uitvoering van de samenwerkingsprestatie.”

Sinds 2001 werden verscheidene evaluaties uitgevoerd, meer bepaald:

- Verslag interne evaluatie van het micro-interventieprogramma, Bolivië, 2002-

2003

- Evaluatie projecten 2005-2007 van het micro-interventieprogramma, Benin,

februari 2008

- Evaluatie van het micro-interventieprogramma (terreinmissies in de DRC, in

Algerije en in Peru), maart 2008

- Evaluatie van het micro-interventieprogramma in Tanzania, 2009

- Evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP) in de Democratische

Republiek Congo (2007-2009), november 2010.

40 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2010”

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 36 / 135


Analyse van het wettelijke en regelgevende kader

3. Analyse van het wettelijke en regelgevende

kader

Het wettelijke en regelgevende kader wordt hoger in punt 2.1 beschreven en wordt in

Bijlage 7 verder doorgelicht.

Het MIP-programma kan niet zomaar worden gesitueerd op basis van een welbepaald

artikel van de wet van 25 mei 1999 betreffende de internationale samenwerking. Het

MIP valt niet binnen de wettelijke definitie van de directe bilaterale samenwerking gezien

het MIP zich toespitst op eventueel publieke lokale gemeenschappen of privé-initiatieven

voor gemeenschapontwikkeling 41 . Artikel 11 van de wet kan dan eerder als wettelijke

grondslag voor het MIP worden gezien. Dit artikel tekent het wettelijke kader uit voor de

indirecte samenwerking met andere partners naast de niet-gouvernementele

organisaties (ngo’s), de universiteiten en wetenschappelijke instellingen.

De wet tot oprichting van de BTC biedt evenmin een ideaal kader voor het MIP, niet in

artikel 5 vermits het MIP niet het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst tussen

staten, noch in artikel 6 gezien het MIP niet voorkomt in de lijst van taken van openbare

dienst die daarin expliciet worden opgesomd, noch in artikel 7 omdat hier geen sprake is

van concurrentie.

Door het MIP-programma te vermelden in het tweede en het derde beheerscontract met

de BTC brengt de koning het MIP de facto onder bij artikel 5 of 6 van de wet tot

oprichting van de BTC vermits het beheerscontract, krachtens artikel 15 van voormelde

wet, de bijzondere regels en voorwaarden van artikelen 5 en 6 van diezelfde wet

bepaalt 42 .

Het derde beheerscontract bepaalt zelfs dat het MIP onder artikel 5, §2, 3° (financiële

samenwerking), 5° (beurzen) of 8° (noodhulp) valt.

De interpretatie die stelt dat het MIP onder artikel 5 valt, wordt bevestigd in de

“jaarlijkse conventie tot tenuitvoerleggingen voor het MIP-programma.”

Het MIP strookt evenwel niet met de wettelijke definitie van de directe bilaterale

samenwerking (“ ...gefinancierd door de Belgische Staat op basis van een overeenkomst

tussen de twee landen”), zelfs niet nu het MIP sinds kort in de ISP’s moet worden

vermeld. Het MIP spitst zich immers toe op eventueel publieke lokale gemeenschappen

of privé-initiatieven voor gemeenschapsontwikkeling.

De instructies voor de attachés die als leidraad dienen voor de ISP’s (2009) geven blijk

van een verslappend engagement ten aanzien van het programma, dat een ‘eventuele’

mogelijkheid wordt en ‘verantwoord’ moet worden. Vietnam, waar het programma sinds

2001 zo goed als stilligt, grijpt deze instructie aan als grondslag voor het niet toepassen

van het instrument. Het is echter Rwanda dat de instructie als eerste effectief toepast

door het MIP uit het nieuwe ISP te schrappen en dit ook te verantwoorden. De opname

41 We wijzen erop dat hetzelfde argument ook opgaat voor het bilaterale beurzenprogramma, behalve dat dit

programma in artikel 5 wordt vermeld. Staatssecretaris Boutmans (jurist van opleiding) was zich bewust van

het probleem; in sommige ISP’s werd daartoe een bilateraal project opgenomen dat deze beurzen omvat en

met als titel “training facility .

42 Artikel 15. § 1: “de bijzondere regels en voorwaarden waaronder de BTC de taken van openbare dienst

vervult die haar door artikelen 5 en 6 zijn toevertrouwd, worden vastgelegd in een beheerscontract gesloten

tussen de federale Staat en de BTC .

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 37 / 135


Analyse van het wettelijke en regelgevende kader

van het MIP in het ISP heeft immers niet alleen maar voordelen. De vermelde bepalingen

aangaande het programma alsook het voor meerdere jaren vastgelegde budget dwingen

het MIP hier en daar eerder in een keurslijf dan het binnen een bepaald kader te

situeren. Het verslag van de peer review van het DAC bevestigt dit verminderde

engagement, of tenminste toch het niet-prioritaire karakter van het MIP voor sommige

verantwoordelijken en in bepaalde landen.

De instructie volgens dewelke “minstens de helft van de MIP’s is voorbehouden voor

activiteiten die de empowerment van vrouwen bevorderen” geeft aanleiding tot

onzekerheid omtrent de precieze betekenis van het woord ‘empowerment’. Deze

bepaling wordt in de tekst van bijlage 1 bij de ACTT afgezwakt door de toepassing ervan

te beperken “tot de partnerlanden waarvoor het ISP een genderevenwicht bepaalt”.

Algemeneconventie tot

tenuitvoerlegging van de 'MIP'

prestatie

Derde beheerscontract met

BTC, titel 3, artikel 11

Gemotiveerde programmatie

in de voorbereiding van het

ISP en 50% voorbehouden

voor 'empow erment' van de

vrouw en

Instructies van S.S.

Boutmans 2001

Aanbevelingen COTA

evaluatie 2008

Toegepast Att.'s 33

Gekend PV's 46

Toegepast PV's 36

Toegepast Att.'s 33

Toegepast PV's 62

Gekend Att's 56

Gekend Att's 56

Toegepast PV's 64

Toegepast Att.'s 94

Gekend PV's 100

Toegepast PV's 93

Toegepast Att.'s 83

Toegepast Att.'s 78

Gekend Att's 100

Gekend Att's 89

Gekend PV's 93

Toegepast PV's 92

Gekend Att's 89

Gekend PV's 87

Gekend PV's 91

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Diagram 10: kennis en toepassing van regelgevingsteksten en COTA-evaluatie 2008 op het terrain

De kennis van het wettelijke en regelgevende kader bij die personen die dit kader

moeten toepassen of op de toepassing ervan moeten toezien, wisselt niet alleen van

persoon tot persoon maar ook voor de verschillende documenten.

De regelgevingstekst waarmee praktijkmedewerkers en beleidsmensen het meeste

vertrouwd zijn en die het vaakst op het terrein wordt toegepast, is ontegensprekelijk de

jaarlijkse algemene conventie tot tenuitvoerlegging voor de MIP-prestatie. Vietnam is het

enige land waar deze overeenkomst niet wordt toegepast. Zoals we eerder al

aanhaalden, wordt het MIP-programma in dat land sinds 2001 praktisch niet meer

uitgevoerd. Het deel van het derde beheerscontract dat betrekking heeft op het MIP

(Titel 3, artikel 11) is eveneens goed gekend en wordt vaak toegepast (gekend door 89

percent en toegepast door 84 percent).

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 38 / 135


Analyse van het wettelijke en regelgevende kader

De grote verschillen in de kennis en toepassing van bepaalde teksten door de

ambassades en de BTC PV’s hebben waarschijnlijk te maken met het feit dat sommige

teksten eerder bestemd zijn voor attachés (Instructie voor de Attachés van

Staatssecretaris Boutmans van 2001; gemotiveerde programmering in het ISP / 50

percent voorbehouden voor de empowerment van vrouwen) en andere voor de BTC PV’s

(aanbevelingen van de evaluatie van het MIP door COTA van 2008) 43 .

Hetzelfde geldt voor de teksten die in de vragenlijst niet aan bod kwamen en waarvan

het bestaan geheel terecht werd aangehaald door de attachés (vermelding van het MIP

in de verklarende tekst bij de begrotingswet) en de BTC PV’s (uitvoeringsgids BTC van

2007, selectieverslag, individuele overeenkomst voor iedere micro-interventie,

instructies voor de financiële planning).

We stellen vast dat alle regelgevende teksten vaak “in de mate van het mogelijke”

worden toegepast. Dit zou wel eens een verklaring kunnen zijn voor het negatieve

verschil tussen het cijfer ‘gekend’ en het cijfer ‘toegepast’, waarbij verscheidene

respondenten ‘nee’ antwoordden van zodra één bepaling niet naar de letter werd

toegepast of van toepassing was en anderen ‘ja’ antwoordden in de mate van het

mogelijke. De toepassing van de verschillende teksten hangt ook af van de lokaal

uitgestippelde MIP-strategie. Vandaar dat verschillende elementen in punt 5.1. met

betrekking tot de MIP-strategie verder in detail worden belicht.

De interviews in Brussel bevestigen het gebrek aan coherentie tussen de teksten

onderling. Bovendien zijn de meningen aangaande het nut van de regelgeving en de

huidige procedures verdeeld. Volgens sommigen vormen ze samen een degelijk kader

voor de huidige werking van het MIP, terwijl ze volgens anderen te soepel of niet soepel

genoeg zijn.

Het regelgevende kader is dus geen echt kader; de verschillende wettelijke bepalingen

en regelgevingen bevatten hier en daar tegenstrijdigheden waardoor de integrale

toepassing van alle bepalingen onmogelijk wordt.

Tot slot wijzen we erop dat het MIP ook aan de geldende financiële regels moet voldoen.

De terugkerende vraag vanuit het terrein naar meer middelen voor opvolging en een

grotere financiële flexibiliteit strookt niet echt met de financiële controle proceduren, die

stellen dat ieder programma/instrument zich moet houden aan de voorziene procedures

en de administratieve en budgettaire controle en dient meer bepaald voldoende

garanties te bieden omtrent opvolging en rapportage van de voortgang/resultaten.

De opzet van een nieuw programma of instrument (of het behoud van een dergelijk

programma of instrument) moet een echte toegevoegde waarde aantonen en mag geen

bijkomende administratieve kosten met zich meebrengen. 44

43 De evaluatie is geen regelgevingstekst op zich. We weten niet of deze aanleiding heeft gegeven tot

welbepaalde instructies m.b.t. het al dan niet toepassen van de aanbevelingen binnen de DGOS of de BTC.

44 Interview met financiële controle.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 39 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 40 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

4. Evaluatie van het MIP en het instrument

volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

De verschillende criteria worden hier belicht vanuit de invalshoek van de microinterventie

en/of het micro-interventieprogramma en/of instrument/MIPuitvoeringsbepaling.

In de diagrammen

- komt het aantal antwoorden overeen met de omvang van de steekproef die kon

worden gebruikt om het diagram op te stellen,

- stemmen de staven per EV overeen met het antwoord (op basis van de

plaatsbezoeken voor 120 micro-interventies) van de evaluatoren op de

evaluatievragen.

4.1. Relevantie van programma en instrument

4.1.1. Inleiding: aard en rol van de begunstigden

De instructies m.b.t. begunstigden worden in de praktijk in elk land verschillend

geïnterpreteerd. In sommige partnerlanden mikken de micro-interventies eerder op

kwetsbare en achtergestelde groepen, terwijl de micro-interventies in andere landen

omwille van het tekort aan middelen voor hun opvolging en capaciteitsopbouw zich

eerder richten tot groepen die in staat zijn zelf een voorstel te formuleren en uit te

voeren. Op zichzelf beschouwd komt de aard van de begunstigden pas op de 11de plaats

in de lijst van 22 toegepaste selectiecriteria (zie Diagram 55, pagina 87).

Bij de toepassing van teksten vervaagt soms het begrip ‘begunstigde’ door het feit dat

één of meer tussenschakels worden ingeschakeld, hetzij een kleine lokale NGO, een

organiserende overheid (school of gezondheidscentrum bijvoorbeeld), een

liefdadigheidsinstelling, of een lokale overheid. De meeste micro-interventies die tijdens

de terreinmissies werden bezocht, werden aan dergelijke tussenorganisaties en niet aan

zelf samengestelde groepen van begunstigden toegewezen. Bij sommige interventies

fungeerden deze organisaties als een soort van koepel, terwijl er in andere gevallen geen

rechtstreekse link was met de begunstigden.

Heel wat micro-interventies voldoen aan een of meer dringende behoeften van de

begunstigden, maar het programma in zijn geheel werd niet zodanig opgevat dat het ten

goede komt aan de gemeenschappen/groepen met de grootste noden. Dit heeft

voornamelijk te maken met de selectieprocedure die verder in punt 5.2.5 wordt

doorgelicht.

Wanneer een micro-interventie wordt opgezet om een waterput te bouwen, dan zijn de

begunstigden van die interventie zonder enige twijfel de personen die water uit deze put

zullen halen. 45 Wanneer een micro-interventie echter bedoeld is om een folkloristische

groep te ondersteunen, zijn de begunstigden dan de leden van die groep of de

toeschouwers die (vaak tegen betaling) toegang krijgen tot het lokale culturele erfgoed?

45 Uiteraard mits er in de put steeds voldoende water staat.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 41 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

Bij culturele micro-interventies wordt het publiek van dergelijke evenementen (dans,

theater, muziek, film, …) doorgaans, op een paar uitzonderingen na 46 , volledig buiten

beschouwing gelaten. De echte begunstigden zijn dan de organisatoren, producenten en

artiesten van die evenementen. Precies daarom besloten we de toeschouwers van

dergelijke manifestaties niet als eindbegunstigden te beschouwen.

Binnen een vereniging kunnen we dan nog een onderscheid maken tussen de

bestuursleden (voorzitter, ondervoorzitter, secretaris, penningmeester,…) en de gewone

leden. Als echte begunstigden beschouwden we dus systematisch die personen die het

meeste voordeel uit de interventie haalden.

Deze gedachtegang moet ook hier worden ingepast in het kader van de toepassing van

de richtlijn die oneerlijke concurrentie wil vermijden. Wanneer het een productieve

micro-interventie of een micro-interventie van economische aard betreft, dan zal deze

interventie onvermijdelijk één groep bevoordelen ten opzichte van een andere, tenzij de

groep van begunstigden de hele bevolking omvat, of een groep die onmogelijk kan

concurreren met de gewone bevolking (personen met een handicap, ongeschoolden, ...).

In de praktijk troffen we bijzonder weinig basisverenigingen aan in de zin van een ‘zelf

samengestelde groep van begunstigden’.

In principe zijn het de begunstigde groepen zelf die de financieringsaanvraag moeten

indienen. In de praktijk verloopt dit ter plaatse meestal via één of meer tussenniveaus.

4.1.2. Invulling van verwachtingen van begunstigden

Volgens de BTC PV's beantw oord het MI programma

op de verw achtingen van de begunstigden

Volgens de Attachés beantw oord het MI programma

op de verw achtingen van de begunstigden

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 42 / 135

7,6

7,7

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 11: Oordeel van de attachés en BTC PV’s omtrent de mate waarin het MIP aan de

verwachtingen van de begunstigden beantwoordt (10 = helemaal mee eens)

Diagram 11 illustreert hoe de attachés en PV’s BTC de mate waarin het MIP aan de

verwachtingen van de begunstigden beantwoordt, beoordelen.

We stellen vast dat het MIP, dat wordt gezien als de som van alle microinterventies

die er deel van uitmaken, in ruime mate tegemoetkomt aan de

noden van de rechtstreekse begunstigden. Dit is alleen maar logisch, gezien de

manier waarop de voorstellen worden ingediend. Wanneer het microproject wordt

geselecteerd, voldoet het ten minste gedeeltelijk aan de behoeften die in het voorstel

worden beschreven. Zo'n project vult evenwel maar zelden alle behoeften in gelet op de

beperkingen (bedrag van de micro-interventie en uitvoeringstijd) en de aard van de

meeste micro-interventies. Zo beschikken de kinderen in een blindenschool dankzij een

micro-interventie over een goed bed en een degelijke matras, maar was er niet genoeg

geld om muskietennetten te kopen, die nochtans onmisbaar zijn om goed te kunnen

slapen.

Uit Diagram 12 blijkt dat de eindbegunstigden bij voorkeur ofwel vertrouwen op een

tussenorganisatie, ofwel actief meewerken aan het opstellen van een aanvraag en het

zoeken naar een sponsor.

46 Bijvoorbeeld de bouw en uitrusting van een cultureel centrum of een voor iedereen toegankelijke bibliotheek.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

De kolom waaruit een geringe betrokkenheid blijkt, heeft betrekking op de rechtstreekse

of eindbegunstigden die niet in staat zijn zelf een aanvraag in te dienen. Ze kennen het

MIP niet, beschikken niet over de middelen om zelf een aanvraag op te stellen, hebben

niet leren denken in termen van doelstellingen/resultaten/activiteiten/middelen.

De kolom waaruit een sterke betrokkenheid blijkt, kenmerkt ofwel micro-interventies

waar één of meer voortrekkers binnen de groep van begunstigden een prima dialoog

onderhield(en) met een tussenorganisatie, ofwel micro-interventies waarbij een

vereniging met een (zeer) beperkt aantal leden erin slaagde een financiering ‘binnen te

halen’.

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

bijna nul

38,2

zwak

11,2 11,2

middelmatig

goed

15,7

zeer goed

23,6

Diagram 12: Verdeling van de mate van

betrokkenheid van de begunstigden bij het

opstellen van de aanvraag en het zoeken naar

een sponsor (in % van de 89 antwoorden)

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 43 / 135

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

ja

81,2

5,9 7,1 5,0

misschien

neen

0,0

Diagram 13: Voornemen van de begunstigde

organisatie om een aanvraag in te dienen voor

een andere investeringsfinanciering (in % van

de 85 antwoorden)

We kunnen ons tevens vragen stellen bij de selectie van enkel en alleen microinterventies

van culturele aard in landen waar een enorme behoefte is aan

basisvoorzieningen 47 . Verder in dit document belichten we onder meer het feit dat, met

uitzondering van de verklarende tekst bij de begrotingswet 48 , de algemene doelstelling

van het MIP en tal van regelgevingteksten ook de financiering van micro-interventies

toelaten die niet echt verband houden met dringende en prioritaire noden van de

partner.

Relevantie van iedere micro-interventie afzonderlijk

Volgens de evaluators hebben de bezochte MI op de

noden van de eindbegunstigden geantw oord (85

antw oorden)

Volgens de eindbegunstigden antw oord de microinterventie

aan hun noden (42 antw oorden)

7,1

8,2

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 14: Mate waarin de MI beantwoordt aan de verwachtingen van de begunstigden (10 =

helemaal mee eens)

47 In landen waar doorgaans beter in alle basisbehoeften wordt voorzien, kunnen ‘culturele’ MI’s waardevol

zijn, zoals bijvoorbeeld met het oog op het behoud van het overwegend Maghrebijnse karakter van de oude

stadskern van Jeruzalem.

48 De tekst vermeldt als doelstelling: “de positie van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen versterken .


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

Diagram 14 illustreert 2 verschillende beoordelingen omtrent de mate waarin de microinterventies

tegemoetkomen aan de noden van de begunstigden. Vermits we tijdens de

terreinmissies maar moeilijk contact konden leggen met de uiteindelijke begunstigden,

konden we niet anders dan een eigen beoordeling op het enquêteformulier noteren

m.b.t. de invulling van de reële behoeften van de begunstigden.

Volgens de evaluatoren en voorzag meer dan 70 percent van de micro-interventies in

een behoefte van de begunstigden. Volgens de begunstigden zelf is dit eerder 80

percent. Zo’n 20 tot 30 percent van de micro-interventies lijkt dus niet erg relevant. Eén

voorbeeld betreft de 3 psychologische bijstandssessies voor terrorismeslachtoffers door

psychologen die de voertaal niet spreken noch begrijpen.

Uit Diagram 13 blijkt evenwel dat ruim 80 percent van de begunstigde organisaties vast

van plan is om België of een andere donor om extra middelen te vragen om een

bijkomende investering te financieren. Anderzijds heeft geen enkele van de bezochte

organisaties het voornemen om nooit meer een beroep te doen op externe financiering 49 .

In die zin is één enkele micro-interventie, zelfs indien die in een welbepaalde behoefte

voorziet, niet echt voldoende met het oog op meer autonome gemeenschappen.

Heel wat micro-interventies zouden bovendien nauwelijks relevant zijn indien ze niet aan

een meer solide en duurzame structuur waren gekoppeld. Dat is bijvoorbeeld het geval

voor de micro-interventie waarbij bedden aan een weeshuis werden geschonken. Deze

micro-interventie is alleen maar relevant omdat het een bestaand gebouw betreft en

omdat het weeshuis door een religieuze orde wordt beheerd. De bouw van een leslokaal

is enkel relevant in het kader van een onderwijsinstelling die door een organiserende

overheid wordt beheerd en wanneer een ministerie van Onderwijs in de begeleiding

daarvan voorziet, meer bepaald een leraar voor dat leslokaal.

We wijzen er eveneens op dat voor alle interessante, bruikbare voorstellen die in een

reële behoefte willen voorzien, maar die, om uiteenlopende redenen (niet binnen

geografisch gebied, thema, sector, geen budget, budget groter dan 12500€, …) niet

worden geselecteerd, deze behoefte uiteraard niet wordt ingevuld.

4.1.3. Voordelen gebonden aan de specificiteit van het instrument

Het MIP instrument biedt

een grote meerw aarde

Het MIP instrument is zeer

relevant

Attachés 6,0

BTC PV's 7,8

Attachés 7,8

BTC PV's 7,9

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 15: Beoordeling van de relevantie van het instrument (10 = helemaal mee eens)

Het MIP is lang niet de enige mogelijkheid of het enige instrument in België voor de

ontwikkeling van lokale gemeenschappen. Zonder exhaustief te willen zijn, vermelden

we in deze context het programma voor samenwerking met organisaties uit het lokale

civiele maatschappij, de indirecte samenwerking via een waaier van NGO's, verscheidene

programma’s van het Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid, de bilaterale

programma’s ter ondersteuning van de decentralisatie of lokale ontwikkelingsinitiatieven

en de vaak cultureel geïnspireerde samenwerking met de Belgische deelstaten. Hoewel

49 Tal van verenigingen kunnen voor hun werkingskosten rekenen op regelmatige sponsors. Deze kosten

worden in principe nooit door een MI gefinancierd.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 44 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

wordt aangenomen dat ze allemaal dezelfde doelgroepen beogen, functioneren deze

programma’s binnen verschillende, ongecoördineerde wettelijke en regelgevende kaders.

Het specifieke, gerichte karakter van het instrument wordt door de meeste bevraagden

erkend. Dankzij zijn gedecentraliseerde procedure kan het MIP op een soepele, snelle en

gerichte manier voldoen aan de verwachtingen van een welbepaalde groep

begunstigden.

De wachttijd tussen de indiening van een aanvraag, de toekenning van de subsidie en de

voltooiing van de micro-interventie verschilt van land tot land en hangt af van de aard

van de micro-interventie, maar blijft behoorlijk kort in vergelijking met andere

hulpvoorzieningen 50 . Wanneer in de loop van het kalenderjaar verschillende selectiedata

worden ingepland, kan de procedure nog sneller verlopen. In dat opzicht kan een microinterventie

bijzonder relevant zijn wanneer snelle, gerichte actie noodzakelijk is.

Via het programma kunnen ook de basisdoelgroepen (‘grassroot’) worden bereikt die

niet door middel van andere samenwerkingsinstrumenten worden aangesproken. De

micro-interventies vormen zo een niche voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking

en voor verscheidene andere donoren met een vergelijkbaar programma (zie

benchmarkingstudie in Bijlage 2).

Ook het maximumbedrag van de financiering, momenteel vastgesteld op 12.500€, is

kenmerkend voor het instrument. Dit plafond heeft zowel voor- als nadelen. Enerzijds

kan met een relatief klein bedrag, zelfs in vergelijking met de programma’s van andere

donoren, een zo groot mogelijk aantal aanvragen worden ingewilligd. Op die manier

worden buitensporige aanvragen afgewimpeld en worden aanvragers aangespoord om

de toegekende middelen zo nuttig en concreet mogelijk in te zetten. Anderzijds kan het

bepalen van een plafond sommige aanvragers ertoe aanzetten het maximum te vragen

zodat valabele voorstellen waarvoor een budget van pakweg 20.000€ nodig is, niet meer

gefinancierd kunnen worden. Precies daarom vermelden verscheidene donoren het

toegestane plafond niet en/of bouwen ze bij het bepalen van dat plafond hier en daar

een marge in.

In sommige gevallen was het doel van de micro-interventie wel relevant, maar waren de

activiteiten met het oog op het verwezenlijken van dit doel dat veel minder. Zo beoogde

één micro-interventie een verbeterde opleiding in landbouwtechnieken: i.p.v. de

slaapzalen van de studenten te renoveren 51 , financierde de micro-interventie een

woonruimte voor landbouwers/lesgevers die amper 20 dagen op het jaar bewoond is.

Hoewel andere donoren ook beschikken over instrumenten in de lijn van “kleinschalige

ambassadeprojecten” is en blijft het MIP een instrument met bepaalde typisch Belgische

kenmerken (zoals de uitvoering door een afzonderlijk orgaan, integratie in het ISP’s, het

nastreven van meer dan een louter zichtbaarheidverhogend effect of public relations).

Daar waar het programma in het ISP wordt vermeld, wordt het trouwens als zodanig,

zonder enige ambiguïteit benoemd. 52

Het vernieuwende karakter van bepaalde micro-interventies wordt soms in de verf

gezet als rechtvaardiging voor het programma. Een micro-interventie zou toelaten om op

kleine schaal en met een beperkt fiduciair risico een nieuwe aanpak te toetsen die

vervolgens in het kader van een grotere samenwerkingsinterventie op ruimere schaal

kan worden toegepast. De inschakeling van het MIP wordt hiertoe door verscheidene

vorige evaluaties aanbevolen. Dit strookt echter totaal niet met de aard en opzet van het

instrument. In dat geval is het immers duidelijk dat het initiatief niet uitgaat van een

plaatselijke gemeenschap en dat de begunstigde groepen verschillen. Vernieuwende

micro-interventies worden ook niet ingeschakeld in een leerprocesbeleid dat wil

voortbouwen op de lessen die uit deze experimenten kunnen worden getrokken en dat

50 Uitgezonderd misschien de noodhulp

51

De interventielogica is dat studenten die over een betere slaapruimte beschikken ook beter slapen en dus

beter uitgerust zijn en aandachtiger zijn tijdens de lessen.

52

Een voorbeeld: ISP DRC en Burundi: “Le programme des Micro Interventions sera géré par la Partie belge

et… - Het micro-interventieprogramma zal worden beheerd door de Belgische partij en …

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 45 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

zou kunnen leiden tot een compleet nieuwe benadering. Dat betekent evenwel niet dat

vernieuwende micro-interventies geen goede resultaten kunnen opleveren, maar we zijn

van mening dat iedere nieuwe aanpak beter in het kader van een proefproject kan

worden getoetst en opgevolgd.

Het MIP-instrument laat voorts toe om bij de interventies op een min of meer flexibele

manier in te zoomen op vrouwenverenigingen op het microniveau.

Uit de resultaten van de bevraging op het terrein (Diagram 16) blijkt dat de meeste

micro-interventies neutraal zijn wat het geslacht van de begunstigden betreft. Meer dan

10 percent van de interventies bevoordelen in meer of mindere mate mannen en

jongens, bijvoorbeeld bij de bouw of uitrusting van een laswerkplaats in een technische

school. Een derde van de bezochte micro-interventies bevoordeelt in meer of mindere

mate vrouwen en meisjes, bijvoorbeeld door steun te verlenen aan een centrum voor de

herinschakeling van werkloze jonge vrouwen.

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

4,3

6,4

neutraal

56,4

16,0 17,0

Diagram 16: Verdeling van micro-interventies

volgens het geslacht van de begunstigden (in

% van de 94 antwoorden)

100,0

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 46 / 135

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

10,5

21,1

5,9

100% ♀

80% ♀

15,0

30,0

30,3

12,1

2007 2008 2009 2010

Diagram 17: Verhouding van micro-interventies

die bijzondere aandacht besteden aan vrouwen

(in % van de steekproef per jaar) (totale

steekproef van 89 antwoorden)

We hebben geen eenduidig inzicht in de doelgroepbepaling waarbij specifiek wordt

ingezoomd op vrouwenverenigingen. Wanneer in de interventiecriteria evenwel

bijzondere aandacht wordt besteed aan vrouwen, spelen de micro-interventies vaak een

belangrijke rol in de responsabilisering van vrouwen, het versterken van hun autonomie

en hun economische en maatschappelijke positie op het niveau van de begunstigde

gemeenschap.

Deze empowerment gebeurt echter niet automatisch. Er is immers een groot verschil

tussen een initiatief dat een zelf samengestelde groep van vrouwen helpt om een

collectieve, winstgevende activiteit op te starten en duurzaam te beheren en de bouw

van een klaslokaal in een middelbare meisjesschool. Diagram 17 schetst een

overduidelijk positieve evolutie van de micro-interventies die strikt genomen bijstand

verlenen aan vrouwen voor de periode 2008-2010 (100 percent) 53 . De resultaten zijn

minder uitgesproken voor een tranche van 80 percent, maar 2 percent extra brengt ons

niettemin dichter bij de aanvankelijk vooropgestelde 50 percent.

4.1.4. Invulling van noden in het partnerland en algemene

prioriteiten

We kunnen ons moeilijk voorstellen dat de noden in de partnerlanden van de Belgische

ontwikkelingssamenwerking, bepaald in het strategische programma voor

armoedebestrijding, verschillen van de algemene prioriteiten opgenomen in de

millenniumdoelstellingen.

53 We wijzen erop dat de instructies omtrent de verplichting om 50% van de MI’s voor te behouden voor

vrouwen dateren van februari 2009.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

Het MIP komt, althans op papier, tegemoet aan sommige van die algemene prioriteiten

in die zin dat de algemene doelstelling van het MIP – de duurzame menselijke, sociale,

culturele en economische ontwikkeling in de hand werken door het maatschappelijke

draagvlak in het partnerland te versterken – elementen bevat die aansluiten bij

verscheidene prioriteiten. Een kleine meerderheid van de bevraagden sluit zich hierbij

aan.

Enerzijds wordt deze doelstelling echter zo algemeen geformuleerd dat zowat alles wat

we als ‘prioritair’ kunnen beschouwen erin vervat zit; anderzijds beschikt het MIP over

de middelen om zijn ambities waar te maken en mogelijk bij te dragen tot de

verwezenlijking van deze doelstelling op een schaal die de microwereld van de

begunstigde gemeenschap overstijgt.

Het MIP komt tegemoed aan

de noden van het partnerland

Het MIP komt tegemoed aan

de globale prioriteiten (MDG)

Attachés 6,2

BTC PV's 5,8

Attachés 5,6

BTC PV's 6,5

0,0 1,0 2,0 3,0 4,0 5,0 6,0 7,0 8,0 9,0 10,0

Diagram 18: Beoordeling van de mate waarin het MIP tegemoetkomt aan de algemene prioriteiten

en noden van de partnerlanden (10 = helemaal mee eens).

We stellen vast dat het MIP in de praktijk een geheel eigen logica volgt waardoor het

steeds minder aansluit bij de nieuwe hulpmodellen en in het bijzonder bij de beginselen

i.v.m. ownership en afstemming. Net als de andere programma’s in de benchmarking is

het MIP grotendeels gedecentraliseerd binnen de ambassades die via dit instrument een

zekere bevoegdheid in dit domein krijgen toegewezen. De meesten zien het MIP daarom

als het laatste instrument waarmee de donor zelf en alleen zijn prioriteiten kan

vastleggen.

Sinds 2009 moet de programmering van de micro-interventies worden gemotiveerd en

opgenomen in het ISP 54 . De motivering dient te gebeuren in functie van de noden van

het partnerland en de opname van het MIP in het ISP moet het ownership door het

partnerland min of meer garanderen vermits het ISP het resultaat is van

onderhandelingen tussen België en het partnerland.

Het typisch Belgische karakter van het programma bemoeilijkt de harmonieuze integratie

van het MIP in de ontwikkelingsprioriteiten van de partner.

In Algerije wordt het MIP door de overheden louter ‘getolereerd’.

In Rwanda wordt bij consensuele beslissing tussen de 2 landen niet langer een MIP in

het nieuwe ISP 2011-2014 opgenomen.

In Benin worden de micro-interventies niet in aanmerking genomen in de verschillende

ontwikkelingsplannen van de lokale gemeenschappen. Op lokaal niveau wordt het MIP

dus niet in de ontwikkelingsstrategieën ingeschakeld.

In de meeste andere partnerlanden reikt de betrokkenheid van de partneroverheden niet

verder dan het verstrekken van informatie. Voor zover wij weten is de DR Congo een van

de landen waar de partner (sinds 2010) een actieve, inhoudelijke bijdrage levert tot het

programma en de selectie van de begunstigde interventies. In de DRC moet het MIP

54 Instructions à l’usage des Attachés concernant la préparation du PIC et de la commission mixte.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 47 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

aansluiten bij de prioriteiten van het partnerland: de inhoud van het MIP wordt duidelijk

uitgetekend in het ISP en het MIP wordt regelmatig als agendapunt door het

partnercomité besproken.

Wanneer we kijken naar het volume van de micro-interventies naar aantal en budget

stellen we niet meteen een verband vast met de index van de menselijke ontwikkeling of

Human Development Index (HDI) 55 . Wel stellen we vast dat het programma tot voor kort

goed ontwikkeld was in de 3 ‘historische’ partnerlanden van de Belgische

ontwikkelingssamenwerking (DR Congo, Rwanda 56 en Burundi). Voor andere landen

(Tanzania, Peru,…) zien we daarentegen geen verband tussen het volume van de microinterventies

en het globale volume van de Belgische ODA (zie tabel 1 en tabel 2).

Vietnam wijkt hier enigszins van af: het feit dat het programma de afgelopen jaren

nauwelijks of niet werd toegepast is het gevolg van een beslissing van de opeenvolgende

attachés van de ontwikkelingssamenwerking en niet van een of andere behoefte (of het

ontbreken daarvan) in het partnerland.

4.1.5. Coherentie met het beleid van de partners

De terreinmissies bevestigden dat heel wat micro-interventies de rol van de staat

volledig of gedeeltelijk overnemen: bouw van klaslokalen, polyvalente zalen,

gezondheidscentra, bruggen, uitrusting van deze infrastructuren,

drinkwaterbevoorrading,…

Vaak willen deze micro-interventies tegemoetkomen aan een reële, dringende behoefte,

maar houden ze geen rekening met de prioriteiten en het beleid van de partner, meer

bepaald m.b.t. situering, sector of prioritaire begunstigden.

Het MIP is coherent met het

beleid van de parnerlanden

en van de donoren

Attachés 4,4

BTC PV's 5,2

0,0 1,0 2,0 3,0 4,0 5,0 6,0 7,0 8,0 9,0 10,0

Diagram 19: Beoordeling van de coherentie van het MIP met het beleid van het partnerland en van

de andere donoren (10 = helemaal mee eens).

Hoewel de micro-interventieprogramma’s in ieder land bij voorkeur in een gezamenlijk

uitgetekend geografisch, sectoraal en thematisch kader worden ingepast, heeft het

algemene micro-interventieprogramma niet de intentie aan te sluiten bij het beleid van

de partners op het vlak van gemeenschapsontwikkeling of ondersteuning van plaatselijke

initiatieven. Het programma is duidelijk toespitst op de lokale bevolking en

gemeenschappen en is niet meteen relevant voor de centrale overheden.

Sommige partnerlanden zijn weliswaar niet gedecentraliseerd en/of hebben geen echt

beleid in dit domein. Zelfs in die landen waar effectief inspanningen met het oog op

decentralisering werden geleverd, zoals in Benin, werden de micro-interventies evenmin

in het proces voor lokale ontwikkeling in het partnerland ingeschakeld.

De vereisten met betrekking tot sector, transversaal thema en de plaats van de

interventies, evenals de verantwoording van de noodzaak om een MIP in het ISP van een

land op te nemen, werden pas onlangs gedefinieerd.

De analyse van de micro-interventies van de afgelopen 4 jaar en de vaststellingen op het

terrein wijzen op een geleidelijke, maar trage tot zeer trage toepassing van deze

richtlijnen, zoals ook blijkt uit Diagram 7 en Diagram 8, op pagina 21. We vinden daarbij

55 Wanneer we de HDI beschouwen als indicator voor de noden in een bepaald land.

56 Rwanda besliste vanaf 2011 niet langer van deze mogelijkheid gebruik te maken.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 48 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

iets meer micro-interventies terug in de Belgische concentratiegebieden en met

betrekking tot Belgische thema’s. Deze concentratie leidt in de partnerlanden echter

zelden of niet tot koppelingen en synergieën tussen het ISP en het MIP. In dat opzicht

sluiten de evaluatoren aan bij de COTA-evaluatie (vrije vertaling): “deze programma’s

werden traditioneel beschouwd als grotendeels onafhankelijk van de rest van de

bilaterale samenwerking” 57 .

Tot slot licht de algemene conventie tot tenuitvoerlegging toe dat “de microinterventieprogramma’s

bij voorkeur worden uitgevoerd in de geografische

concentratiegebieden en prioritaire sectoren en thema’s die gezamenlijk door het

partnerland en België werden bepaald. 58 ” Onrechtstreeks moedigt de ACTT dus de

afstemming van het MIP op het beleid van het partnerland aan.

Een kleine meerderheid van de bevraagden bevestigt dat het MIP weinig samenhang

vertoont met het beleid van het partnerland en van de andere donoren. Met uitzondering

van één of twee landen blijven zowel de communicatie als de betrokkenheid van het

partnerland en de andere donoren beperkt. Bepaalde informatie wordt bij algemene

coördinatievergaderingen via de pers of de website meegedeeld 59 .

Uit de Benchmarking studie is gebleken dat de meeste donoren kleine lokale fondsen als

hun laatste jachtterrein zien. Wanneer de partner toch bij het hele proces wordt

betrokken dan is dat vooral bij de selectie waarvoor vertegenwoordigers van de staat en

van de civiele maatschappij worden uitgenodigd.

4.2. Doeltreffendheid

In dit hoofdstuk peilen we naar de doeltreffendheid van het MIP, waarbij we de

doeltreffendheid van het instrument en de behaalde resultaten beoordelen op de

volgende drie analyseniveaus:

- het micro-interventieprogramma in het algemeen op basis van de

interventielogica van de ACTT, uiteengezet in diagram 9, pagina 30

- het programma zoals dat in ieder land wordt toegepast

- de micro-interventies als individuele bouwstenen van het programma.

4.2.1. Doeltreffendheid van het MIP als instrument

De doorgedreven decentralisering van het MIP-instrument bevordert geenszins het

behalen van globale resultaten. Zoals we verder zullen zien, boekt het MIP echter hier en

daar succes wanneer we de programma’s in ieder land, en dan vooral de microinterventies

zelf, afzonderlijk beschouwen.

EV3: In w elke w erken de

specifieke kenmerken van

het MIP instrument betere

resultaten in de hand?

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 49 / 135

5,0

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 20: antwoord van de evaluatoren op evaluatievraag 3.

57 Evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP), vzw COTA, Bruno Kervyn, Monique Munting; 2008.

58 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2009”; bijlage 1.

59 Zie antwoorden op de vragen over de programmastrategie.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

De succesfactoren 60 op niveau van het land of de micro-interventie houden verband met

de algemene opzet van het instrument. Deze factoren zijn:

- allereerst de tijd en middelen die worden geïnvesteerd;

- de nabijheid van de beslissende overheid bij de doelgroep (zo dicht mogelijk);

- de verdeling van taken onder personen die vertrouwd zijn met het terrein: tal van

beslissingen worden in verschillende mate en op verschillende

bevoegdheidsniveaus genomen door personen die dicht bij de praktijk staan;

- de soepelheid van de instrumenten voor het opzetten van projecten en de

financieringsvoorwaarden;

- de strikte toepassing van enkele grondregels: termijn voor indiening van

aanvragen, maximumduur, maximum- en minimumbedragen;

- de betrokkenheid van de BTC (of in zeldzame gevallen een derde) bij de

doorlichting van de voorstellen, bij hun eventuele finetuning, bij de selectie en

financiële opvolging van de micro-interventies;

- de versterking van institutionele en beheercapaciteiten dankzij het delen van de

verantwoordelijkheden met de doelgroep voor het beheer en de uitvoering ter

plaatse;

- de mogelijkheid om de lokale participatie te verzilveren in de vorm van werk of

materieel;

- de selectie die toelaat om de beste voorstellen te kiezen op basis van hun

wezenlijke kwaliteiten (logische opzet, technische kwaliteit, beheer en opvolging

door de begunstigden,…).

De problemen m.b.t. de doeltreffendheid van het instrument die in verscheidene

jaarverslagen van de BTC worden aangehaald, hebben meestal te maken met het gebrek

aan adequate beheermiddelen, wat een weerslag heeft op alle niveaus van de

procedure: mogelijkheid (of onmogelijkheid) om de aanvraagdossiers grondig te

bestuderen, voorselectiebezoeken te organiseren, de uitwerking van een technisch

dossier te begeleiden, het project ter plaatse op te volgen, de deadlines na te leven, de

capaciteiten van de begunstigde organisatie te versterken,…

De meerderheid van de evaluatoren en bevraagden meent dat de verplichte bilaterale

verankering geen factor is die de doeltreffendheid van het MIP positief beïnvloedt. Noch

de actoren van de ontwikkelingssamenwerking noch de evaluatoren zien het MIP

trouwens als een bilateraal programma (in de zin van een samenwerking tussen twee

staten). De verwijzing naar artikel 5 van de wet betreffende de BTC wordt als een

materiële fout gezien.

De plaatsbezoeken toonden aan dat het MIP, in ieder geval tot vandaag, niet wordt

aangewend om kennis, ervaringen en verworvenheden in de prioritaire sectoren van het

ISP te versterken. Omgekeerd konden we geen enkele synergie aantonen tussen de

bilaterale samenwerkingsprojecten en het MIP. In sommige landen is het ontbreken van

enige link met het ISP het gevolg van een bewuste keuze. Het zou dan ook tevergeefs

zoeken zijn naar een of andere synergie.

4.2.2. Doeltreffendheid van het programma

Wanneer we vertrekken van de interventielogica zoals uiteengezet in diagram 9 op

pagina 30 op het niveau van het partnerland, dan kunnen we alleen maar besluiten dat

60 De hierna volgende lijst werd opgesteld op basis van de antwoorden op de vragenlijsten, de interviews en

persoonlijke bevindingen van de evaluatoren tijdens de terreinmissies.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 50 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

het programma nauwelijks de vooropgestelde onmiddellijke resultaten (outputs =

versterkt sociaal draagvlak in het partnerland, plus verworven autonomie) en de

beoogde resultaten op korte en middellange termijn inlost (outcome = vlottere

tenlasteneming en toe-eigening van de ontwikkeling van hun eigen gemeenschap). Zelfs

in de DRC, waar het programma de laatste jaren het vaakst werd toegepast, werd het

algemene maatschappelijke draagvlak 61 niet beduidend versterkt en verwierf de

gemeenschap niet echt een grotere autonomie dankzij het MIP.

Het mislukken van het MIP in het algemeen wat betreft het verwezenlijken van de

doelstellingen bepaald in de ACTT en in de richtlijnen van Staatssecretaris Boutmans, is

voornamelijk te wijten aan het feit dat de financiële middelen en mensen die hiervoor

worden ingezet niet in verhouding zijn met deze toch wel ambitieuze doelstellingen 62 . We

kunnen ons trouwens afvragen of het überhaupt zin heeft om voor dergelijk programma

globale resultaten vast te leggen.

4.2.3. Doeltreffendheid van het programma in ieder land

Het is geen sinecure om de doeltreffendheid van het programma in ieder land

afzonderlijk te beoordelen vermits geen enkel land een echte strategie lijkt te volgen,

met welomlijnde streefdoelen.

Uit de verzamelde gegevens kunnen we niet opmaken of er soms effecten optreden die

verder reiken dan de loutere ontwikkeling van de directe begunstigden en nabijgelegen

gemeenschappen (en die bijvoorbeeld een invloed hebben op de sociaal-economischculturele

ontwikkeling van het gebied).

De doeltreffendheid van het programma in elk land bestaat dus hoofdzakelijk uit de som

van de individuele resultaten van iedere micro-interventie.

Wanneer we vertrekken van de interventielogica zoals uiteengezet in diagram 9 op

pagina 30 op het niveau van iedere begunstigde gemeenschap, zijn onze

conclusies minder duidelijk.

In de DRC bijvoorbeeld, stellen we vast dat hoewel de gemeenschap hier en daar haar

ontwikkeling in eigen hand heeft genomen, dit misschien ook te maken heeft met het feit

dat ze daartoe werd gedwongen door de structurele tekorten van een staat in de nasleep

van conflicten.

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

19,2

7,7

es

23,1

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 51 / 135

50,0

0,0

neen ± ja

Diagram 21: Beoordeling van de mate van versterking van de autonomie bij begunstigde

organisaties of tussenorganisaties (in % van de 26 antwoorden)

Hoewel verscheidene respondenten vinden dat de specifieke doelstelling van het

programma globaal gezien werd verwezenlijkt, stellen we integendeel vast dat

uiteindelijk zeer weinig micro-interventies de specifieke doelstelling m.b.t. een grotere

autonomie, die eerder op een algemene manier werd gedefinieerd (een vlottere

61 Dit verwijst naar het doelpubliek in zijn totaliteit

62 De relatief goede score voor evaluatievraag 2 (6,7) is het resultaat van de goede scores toegekend aan de

beoordelingscriteria m.b.t. de uitvoering van de activiteiten en het behalen van onmiddellijke resultaten.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

tenlasteneming en toe-eigening van de ontwikkeling van hun gemeenschap door de

begunstigden), effectief realiseren.

Diagram 21 heeft betrekking op niet meer dan 26 micro-interventies. Hieruit blijkt dat

geen enkele van de bezochte micro-interventies 100 percent autonoom werkt, wat

logisch is gezien een absolute autonomie niet realistisch is. Uit dit diagram blijkt

daarenboven dat minder dan 20% van de begunstigde gemeenschappen helemaal niet

werd versterkt.

Het feit dat de meeste micro-interventies te weinig aandacht besteden aan institutionele

problemen is beslist een handicap.

De doeltreffendheid van het programma in ieder land, die, zoals we eerder al stelden,

louter bestaat uit de som van de individuele resultaten van iedere micro-interventie,

verschilt sterk van land tot land en is in verschillende mate afhankelijk van meerdere

factoren, meer bepaald:

- de selectiestrategieën;

- de specifieke nationale context;

- het professionalisme van de interveniënten;

- de kwaliteit van het selectieproces;

- de mate van begeleiding (voor, tijdens en na de micro-interventie) en de

middelen voor die begeleiding;

- de (zelf)evaluatie van de micro-interventies en/of het lokale MIP en het gebruik

dat daarvan wordt gemaakt;

- de verstrekking van informatie omtrent lessen (opvolging) en m.b.t. plaatselijke

tussenorganisaties;

- het delen en integreren van deze gegevens in nieuwe selecties en voorstellen

(vermits de micro-interventies in principe eenmalige interventies zijn zonder

mogelijkheid tot herfinanciering, kunnen de lessen en aanbevelingen uit een

evaluatie van een micro-interventie enkel op het niveau van het programma

worden aangewend);

- en tot slot misschien wel de voornaamste: de menselijke factor en de relaties

tussen de attaché en de PV BTC.

Een indirecte uitwerking van het programma in sommige landen is alvast de betere

kennis van en voeling met de praktische realiteit via plaatsbezoeken van de

ambassade of de BTC. Dit argument gaat uiteraard enkel op voor die landen waar het

jaarlijkse aantal micro-interventies, de af te leggen afstanden, de toestand van wegen

en paden en de menselijke en materiële middelen van de ambassade en van de PV BTC

dergelijke bezoeken toelaten.

Een ander indirect resultaat van het programma dat doorgaans als belangrijk wordt

aangemerkt bij de analyse van de landenverslagen is de zichtbaarheid van de Belgische

ontwikkelingssamenwerking, voor zover het aantal micro-interventies voldoende groot is

en er voor de meeste micro-interventies een inhuldigingsceremonie wordt gehouden

en/of een bord wordt aangebracht waarop wordt aangegeven dat het project met

Belgische steun werd gerealiseerd. Public relations en zichtbaarheid zijn geen

doelstellingen die als dusdanig worden erkend in de teksten m.b.t. het MIP, maar de

micro-interventies hebben vaak een groter zichtbaarheids rendement dan grote

projecten.

Micro-interventies zijn immers meestal kleine, concrete projecten waarbij de ‘harde’

component (infrastructuur en uitrusting) veel groter is dan de ‘softe’ component

(opleiding en capaciteitsopbouw). De verhouding ‘hard/soft’ is bij grote projecten net

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 52 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

omgekeerd. Een gebouw is sowieso ‘tastbaarder’ dan bijvoorbeeld de capaciteitsopbouw

bij een lokale verantwoordelijke.

De zichtbaarheid van België varieert sterk naargelang van de micro-interventie 63 .

Volgens 30% van de verantwoordelijken ter plaatse (attachés en PV BTC, Diagram 24) is

dit niet meteen een doel op zich. Het belang dat aan dit criterium wordt gehecht, wordt

echter door de ambassadeur, de attaché en de PV BTC samen bepaald.

De bevindingen van de terreinmissies (Diagram 22 en Diagram 23) zijn evenwel

verrassend omwille van het grote aandeel micro-interventies waar de sponsor nergens

wordt vermeld en de zichtbaarheid van België zo goed als nihil is. Zelfs wanneer de

micro-interventie op een of andere manier wordt aangegeven, wordt vaak de BTC als

uitvoerder en geldschieter opgegeven, zonder expliciete vermelding van de woorden

‘Belgisch’ of ‘België’. Vaak zijn het vierkleurige logo en het letterwoord CTB / BTC de

enige zichtbare bakens.

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

69,9

9,6

20,5

hard paneel spandoek niets

Diagram 22: verdeling van MI’s aangegeven

met een vast bord of spandoek (in % van de

83 antwoorden)

De zichtbaarheid van België

via het programma en de

MI's is een belangkrijk

resultaat

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

16,2 16,2 12,2

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 53 / 135

0,0

45,9

bijna

geen

9,5

zw ak matig goed zeer

goed

Diagram 23: verdeling van MI’s op basis van

de zichtbaarheidsgraad van België (in % van

de 74 antwoorden)

Attachés: 6,8

BTC PV's: 7,6

0,0 1,0 2,0 3,0 4,0 5,0 6,0 7,0 8,0 9,0 10,0

Diagram 24: mening van attachés en PV’s BTC omtrent het belang van de zichtbaarheid van

België via MI’s (10 = helemaal mee eens)

Die zichtbaarheid van België omvat evenwel veel meer dan een loutere vermelding van

de oorsprong van de interventiemiddelen: Belgische aanwezigheid tijdens de uitvoering

(opvolging) en inhuldiging, associatie van de behaalde resultaten met de Belgische

inbreng enz. De zichtbaarheid van België varieert sterk van land tot land, maar ook de

plaats en de aard van de micro-interventie.

63 Zichtbaarheid verwijst niet noodzakelijk naar een ‘duurzaam’ bord of een plaat. Indien de MI bestaat uit één

enkele realisatie, bijvoorbeeld de organisatie van een conferentie of een seminar, dan zal een spandoek

ruimschoots volstaan. En wanneer de MI bijvoorbeeld bestaat uit de realisatie van een boek, een strip of

tijdschrift, dan kan het ‘bord’ worden vervangen door een vermelding van de Belgische

ontwikkelingssamenwerking op het schutblad.

De aanwezigheid van een indicatie omtrent de oorsprong van de financiële middelen is maar tijdelijk bij

projecten die niet louter materieel zijn. Wanneer een MI een colloquium, workshop of cultureel evenement

sponsort, dan is de spandoek niet blijvend. Zelfs wanneer de MI bestaat uit de bouw van een school of medisch

centrum bijvoorbeeld, is het niet zeker of het bord waarop de sponsor wordt aangegeven ook effectief zal

blijven staan. Er zijn twee factoren die het plaatsen van zo’n bord zouden kunnen verhinderen: enerzijds moet

daarvoor soms een vergunning van de overheid worden aangevraagd (tegen betaling); anderzijds wordt het

bord vaak snel gestolen om de materialen te kunnen recupereren.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

De micro-interventies zijn doorgaans erg ‘materieel’ en hun resultaten zijn dan ook beter

zichtbaar dan die van bilaterale projecten die eerder capaciteitsopbouwend werken. Deze

zichtbaarheid gaat gepaard met een relatief groter aantal bezoeken en/of inhuldigingen

door bezoekende prominenten. Het grote aantal micro-interventies t.o.v. het kleinere

aandeel bilaterale projecten biedt eveneens meer mogelijkheden om projecten officieel in

te huldigen en lintjes door te knippen.

Tegelijkertijd kunnen we ons vragen stellen bij de effectieve waarde van die

zichtbaarheid binnen de nieuwe hulpmodellen. In verscheidene landen is zichtbaarheid

geen doel op zich. Bovendien liggen sommige micro-interventies op meer dan 4 uur

rijden van de dichtstbijzijnde verharde weg.

Bevorderen van een partnership tussen de Belgische bevolking en de bevolking in het

partnerland:

In sommige landen worden tijdens dienstreizen om andere redenen door leden van de

ambassade, van de BTC PV, delegaties van gemeenschappen en regio’s, ministers enz.

ook ‘beloften’ gedaan omtrent financieringen. 64 Deze trend lijkt evenwel af te nemen.

In verscheidene landen zijn de micro-interventies ook het doel van een bezoek vanwege

diezelfde personen, al dan niet in het gezelschap van de Belgische pers.

De begunstigde organisaties ten behoeve waarvan de micro-interventies worden

uitgevoerd, hebben hier en daar een link met België (NGO, provincie, religieuze orde,

gemeente, regio, gemeenschap). In die zin kunnen we stellen dat de micro-interventies

bijdragen tot een partnership met de Belgische bevolking.

4.2.4. Doeltreffendheid van de micro-interventies

4.2.4.1. Onmiddellijke resultaten

De MI's berijken hun

geplande onmiddelijke

resultaten (outputs)

Attachés 7,0

Evaluators 8,4

BTC PV's 7,7

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 25: beoordeling m.b.t. het behalen van de geplande onmiddellijke resultaten (10 = alle

MI’s behalen 100% van de geplande resultaten)

Uit diagram 25 en diagram 26 blijkt dat de terreinmissies het oordeel van de BTC PV’s en

attachés bevestigen en zelfs nog kracht bijzetten, evenals de gegevens die we uit de

verschillende jaarverslagen voor ieder land kunnen halen: het merendeel van de microinterventies

behaalt (bijna) alle geplande onmiddellijke resultaten (outputs). Diagram 27

toont aan dat deze vaststelling opgaat voor zowel de materiële als de immateriële of

gemengde micro-interventies 65 . Dat de doeltreffendheid van de micro-interventies vooral

betrekking heeft op de onmiddellijke resultaten is geen verrassing. Verscheidene PV’s

BTC zijn van mening “dat een micro-interventie eerder een actie is met een output,

zonder meer.” Heel wat financieringsvoorstellen worden in die zin opgemaakt en door de

selectiecomités goedgekeurd. Wanneer de micro-interventie wordt benoemd als “levering

64 In minstens één land bevatten verschillende dossiers de vermelding: “MIP op vraag van de ambassadeur,

naar aanleiding van het bezoek van …”.

65 Onze steekproef is te klein om een beduidend verschil te onderscheiden

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 54 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

van materiaal voor de bouw van… “ dan betekent de effectieve realisatie van het

geplande bouwwerk ook meteen dat de micro-interventie met succes werd afgerond.

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

zeer zwak

Immateriëel

Gemengd

Materiëel

zwak

matig

voldoende

goed

Diagram 26: verdeling van MI’s volgens de

mate waarin de geplande onmiddellijke

resultaten worden behaald (in % van de 82

antwoorden)

I

100%

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 55 / 135

80%

60%

40%

20%

0%

Matériel

4.2.4.2. Resultaten op korte en middellange termijn

De MI's berijken hun

geplande resultaten op

korte en middellange

termijn (outcomes)

Evaluators 5,7

Mixte

Immatériel

volledig

zw ak

middelmatig

faiblement

nul

Diagram 27: verdeling van de mate waarin de

onmiddellijke resultaten worden behaald naar

Attachés 5,6

materiële, immateriële of gemengde MI.

BTC PV's 6,7

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 28: beoordeling m.b.t. het behalen van de geplande resultaten op korte en middellange

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

geen

6,1

bijna geen

termijn (10 = alle MI’s behalen 100% van de geplande resultaten)

16,3

zwakachtig

8,2

middelmatig

22,4

bijna geen

32,7

volledig

14,3

Diagram 29: verdeling van MI’s volgens de mate

waarin de geplande resultaten op korte en

middellange worden behaald (in % van de 49

antwoorden)

100%

80%

60%

40%

20%

0%

productief niet

productief

goed

voldoende

matig

zw ak

zeer zw ak

Diagram 30: verdeling van de mate waarin de

resultaten op korte en middellange termijn

worden behaald naar productieve of niet-

productieve MI

In de praktijk worden de regels in bepaalde landen, voor sommige micro-interventies

en/of in bepaalde bijzondere omstandigheden, ietwat soepeler toegepast om de

geplande resultaten te behalen. Zo werd bijvoorbeeld een budgetverhoging toegestaan

omdat de prijs van cement op 3 maanden tijd is verdubbeld 66 .

66 Deze mogelijkheid wordt trouwens opgenomen in artikel 2.4 van de ACTT dat stelt dat de Belgische inbreng

in de financiering van een micro-interventie wordt beperkt tot 12500 euro. Deze inbreng kan worden


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

Diagram 28 en diagram 29 tonen aan dat de doeltreffendheid minder uitgesproken, maar

toch goed blijft wat de resultaten op korte en middellange termijn betreft (outcomes).

Een flink deel van de bevraagden vindt dat de micro-interventies eerder mikken op

snelle resultaten, zonder al te veel aandacht voor de middellange termijn. Met andere

woorden, de doelstellingen van de micro-interventies worden zelden bepaald in termen

van effecten (outcomes), maar eerder in termen van tastbare resultaten (molen,

klaslokaal, cultureel centrum,…) of zelfs gerichte activiteiten (aankoop materieel of

uitrusting zoals naaimachines, computers, naaimaterieel, tuingereedschap,…). Op die

manier worden sommige micro-interventies herleid tot loutere liefdadigheid i.p.v. een

ontwikkelingsinterventie en blijft het ownership van de resultaten bij de begunstigde

gemeenschappen beperkt.

Het eigenlijke gebruik van het gebouw, het voortbestaan daarvan, toegang en

onderhoud zijn allemaal elementen die eerder onder de noemer ‘outcome’ vallen en die

niet direct aan de orde zijn, net als de duurzaamheid van de resultaten. Er is nochtans

een wezenlijk verschil. Voor sommige micro-interventies konden de bouwwerken niet

worden voltooid en dus ook niet in gebruik worden genomen omwille van problemen met

de eigendom van de grond, inflatie en een schommelende wisselkoers. Bij andere microinterventies

werd het gebouw waarin het materieel werd ondergebracht ter beschikking

gesteld (of gehuurd van) iemand uit de gemeenschap die zich, na een meningsverschil,

uit de groep terugtrok. De overige leden werden dus gewoon op straat gezet.

Wanneer er niet echt aandacht wordt besteed aan de middellange termijn is het ook

moeilijk om na te gaan of de resultaten op die termijn wel of niet voldoen 67 .

Zonder al te veel te willen speculeren, is het erg waarschijnlijk dat de bouw van een

gezondheidscentrum bijvoorbeeld, op een plaats waar nog geen centrum is, de afstand

en tijd voor het toedienen van de eerste zorgen drastisch zal verkorten. Op dezelfde

manier zal de bouw van een klaslokaal de afstand en tijd nodig om onderwijs te kunnen

volgen hier en daar flink korter maken. De bouw van een polyvalente zaal bevordert de

deelname van burgers aan het politieke, sociale en culturele leven in hun gemeenschap.

De herstelling van het dak van een internaat zorgt ervoor dat honderden kinderen jaar

na jaar in betere, menswaardige omstandigheden kunnen slapen. 68

De terreinmissies (diagram 30) geven aan dat de niet-productieve (of sociale) microinterventies

beter scoren wat resultaten op middellange termijn betreft dan de

productieve micro-interventies (economische en landbouwinterventies inbegrepen). Bij

sommige productieve micro-interventies levert de activiteit voldoende inkomsten op en

kunnen we spreken van een succes. In andere gevallen is de rendabiliteit onvoldoende

om de levensomstandigheden van de doelgroep beduidend te verbeteren.

Wanneer de micro-interventies bestaan uit het leveren van materieel voor activiteiten

die inkomsten genereren dan zijn de effecten naar aanleiding van het gebruik van dat

materieel doorgaans waarneembaar. De resultaten moeten evenwel worden

genuanceerd naargelang van de vraag en het aanbod van het product, de rendabiliteit,

concurrentie, toegang tot de markten en distributiekanalen, de mate van individuele

begeleiding m.b.t. het gebruik van het collectieve materieel,... 69

Een positieve vaststelling bij mislukking of moeilijkheden is dat de begunstigde

gemeenschappen de problemen vaak niet proberen toedekken, maar er waardevolle

lessen uit trekken en op zoek gaan naar alternatieve oplossingen.

aangepast indien een significant verschil wordt opgemerkt tussen de geraamde kosten op de datum van

indiening van de aanvraag en de selectiedatum, of tijdens de uitvoering (inflatie, ongunstige wisselkoers,…).

67 De ‘outcomes’ van niet meer dan een vijftigtal MI’s konden door de evaluatoren worden beoordeeld.

68 Uiteraard voor zover deze lokalen met gepast materieel worden uitgerust en er personeel wordt

ingeschakeld, voor zover ze toegankelijk zijn vanuit financieel, maatschappelijk en cultureel standpunt en voor

zover ze een hoogwaardige dienstverlening verzekeren.

69 Evaluatie van het MIP in Benin, Institut de Recherche et d’Action pour la Développement (IRAD) , februari

2008.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 56 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

De terreinmissies gaven ook aanleiding tot het bijsturen van onze voorlopige conclusies

omtrent de micro-interventies toegespitst op ‘public relations’. De algemene opvatting

was dat dit soort micro-interventies de algemene doeltreffendheid van het MIP

afvlakken. Dit geldt eigenlijk alleen maar voor bepaalde micro-interventies toegespitst

op ‘public relations’ die worden toegestaan aan invloedrijke personen, gewoonweg omdat

dit moeilijk kan worden geweigerd.

Dit gaat niet op voor micro-interventies die worden toegestaan aan (of met tussenkomst

van) personen of organisaties die bekend zijn bij de ambassade en waarvoor de

uitstekende ervaringen met vroegere micro-interventies zo goed als een garantie zijn

voor het welslagen van de interventie. Het inschakelen van personen of organisaties die

een bevoorrechte vertrouwensrelatie met de ambassade hebben opgebouwd, vermindert

bovendien aanzienlijk het fiduciaire risico.

In de kleine groep van landen waar micro-interventies soms worden gepromoot door

‘invloedrijke’ personen, kan de toekenning van een subsidie ofwel de contacten en de

toegang tot andere nuttige informatiebronnen voor de ambassade vergemakkelijken,

ofwel opent dit deuren en kan dit later zeer nuttig blijken wanneer de promotor intussen

is opgeklommen tot secretaris-generaal, minister of een andere sleutelpost.

Volgens de attachés en BTC PV’s zijn de onervarenheid van de doelgroep en het gebrek

aan adequate middelen voor een degelijke voorbereiding, begeleiding en opvolging van

de projecten de voornaamste hinderpalen die doeltreffende micro-interventies in de weg

staan. De interviews op de hoofdzetel en de resultaten van de benchmarking bevestigen

dat de doeltreffendheid kan worden verhoogd dankzij een systematische opleiding van

de begunstigden en programmabeheerders in de partnerlanden, maar ook door een

betere coherentie met de geografische gebieden en sectoren van het ISP.

Nog andere factoren, zoals de inflatie, slecht uitgevoerde werken, uitzonderlijke

weersomstandigheden, diefstal enz. kunnen eveneens de individuele doeltreffendheid

van micro-interventies negatief beïnvloeden en zelfs helemaal tenietdoen. 70

4.3. Efficiëntie

In dit hoofdstuk belichten we die factoren die de efficiëntie van het programma en het

instrument globaal beïnvloeden. Vervolgens wordt gepeild naar de efficiëntie van de

afzonderlijke micro-interventies. Tot slot worden de efficiëntiefactoren die specifiek aan

een bepaalde stap in de procedure kunnen worden gekoppeld in de evaluatie van deze

procedures doorgelicht.

Volgens de definitie van het DAC-OESO wordt de efficiëntie gekenmerkt door de

verhouding tussen de behaalde resultaten en de kost van de middelen nodig voor het

behalen van die resultaten. De efficiëntie is dus optimaal wanneer ook de middelen

optimaal worden ingezet.

Er zijn ons inziens twee manieren om de efficiëntie van het MIP te beoordelen:

Enerzijds beoordelen we de efficiëntie van het programma, waarbij we naspeuren of de

strategie en begunstigden zo voordelig mogen werden gekozen om de doelstellingen van

het programma te verwezenlijken; anderzijds peilen we naar de efficiëntie van het

instrument waarbij we nagaan of er geen manier is om nog efficiënter te werken binnen

de lijnen van de gekozen strategie en begunstigden.

70 Zoals een mislukte waterput die altijd droog staat, een brugje dat bij het eerste hoogwater werd

meegesleurd, boeken die werden aangekocht voor een bibliotheek die nog moet worden gebouwd.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 57 / 135


4.3.1. Efficiëntie van het programma

Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

We haalden eerder al aan dat de doelstelling van het programma, zoals beschreven in de

ACTT en waarvoor we de interventielogica in punt 2.4. trachtten te ontrafelen, totaal niet

in verhouding staat tot de middelen die daarvoor worden ingezet.

De oorzakelijkheidverbanden die het verwezenlijken van de beoogde doelstellingen in de

hand moeten werken, blijven eerder beperkt. Een culturele oriëntering is niet meteen de

beste manier om het gewenste ontwikkelingsresultaat te bekomen, namelijk meer

autonomie voor de begunstigde gemeenschap. Dezelfde redenering gaat op voor de nog

ambitieuzere doelstellingen die eerder door staatssecretaris Boutmans werden

vooropgesteld.

De indicator kost per begunstigde laat doorgaans toe om een algemeen idee te krijgen

van de efficiëntie van een project of programma. Deze indicator heeft echter weinig

waarde voor het beoordelen van de efficiëntie van het globale programma omdat deze

sterk verschilt van land tot land en van micro-interventie tot micro-interventie.

Bovendien is het begrip ‘begunstigde’ voor interpretatie vatbaar.

Omdat een degelijke strategie in de vorm van een interventielogica op het niveau van

het MIP in de partnerlanden doorgaans ontbreekt, kunnen we hieromtrent geen

conclusies formuleren.

4.3.2. Efficiëntie van het MIP als instrument

De beoogde categorie van potentiële begunstigden werkt de efficiëntie van het

instrument niet in de hand vermits deze begunstigden vaak niet over de nodige

technische en/of administratieve en/of financiële capaciteiten beschikken. We wijzen er

evenwel op dat de doelgroep momenteel zeer algemeen wordt bepaald (zie onze

opmerkingen hieromtrent in punt 4.1.2. dat nagaat in welke mate de micro-interventies

de verwachtingen van de begunstigden invullen.)

Van zodra de beleidsbeslissing wordt genomen om door middel van positieve

discriminatie hulp te (blijven) verlenen aan een min of meer afgebakende doelgroep,

moet alleen nog worden nagegaan of de processen eigen aan het MIP-instrument zo

efficiënt mogelijk zijn en of er misschien een nog efficiëntere manier is om de beoogde

resultaten van het MIP te verwezenlijken.

EV5: in w elke mate w ordt de efficiencie bevorderd door

de specificiteit van het instrument?

Het beheersw ijze van het programma en de verdeling

van de taken tussen Ambassade en BTC zijn klaar, duidig

en eenzinnig.

De plaatselijke vertegew ordiging van BTC heeft

voldoende middelen om haar taken te vervullen

Er is voldoende beheersautonomie

Evaluators 3,7

Attachés 6,2

BTC PV's 5

BTC PV's 6,9

Attachés 8,0

BTC PV's 8,2

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 31: Beoordeling van de efficiëntie van het instrument d.m.v. verschillende proxy-

indicatoren.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 58 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

De geringe kost van het instrument is voor sommigen een reden om de efficiëntie

positief te beoordelen: “Het micro-interventieprogramma is efficiënt op het niveau van

ieder land omdat er behalve de tijd die het samenwerkingsbureau van de ambassade en

de plaatselijke vertegenwoordiging van de BTC aan de interventie besteden, geen vast

team is voor het beheer van het programma en er dus ook geen regelmatige

beheervergaderingen worden gehouden”. Verscheidene respondenten vinden

daarentegen dat “de werklast te hoog is voor de beperkte resultaten”.

Het terrein meent vrijwel unaniem dat het MIP als instrument wordt gehinderd door een

tekort aan mensen en aan logistieke en financiële middelen voor de identificatie en

opvolging van de micro-interventies. Deze middelen “zijn allesbehalve aangepast”. Deze

vraag werd niet als dusdanig aan de attachés voorgelegd, maar hun commentaren

staven deze bewering. Voor sommige actoren, vooral binnen de BTC, zou het optrekken

van deze middelen de doeltreffendheid van het instrument verhogen zodat de

verhouding waarde/kosten van de resultaten toeneemt. De evaluatoren konden echter

onvoldoende afdoende elementen verzamelen om deze bewering te staven dan wel te

weerleggen. De onzekerheid blijft, zeker wanneer we de efficiëntie van het instrument

voor ieder land vergelijken met de potentiële efficiëntie van een project in ieder land.

Deze onzekerheid heeft voornamelijk te maken met het relatief kleine bedrag dat voor

de programmering per land wordt uitgetrokken: van minder dan 50.000 euro tot

1.000.000 euro per jaar.

De heersende opvatting, die door de bevraagden op de zetel van de DG-D algemeen

wordt bevestigd, is dat het instrument nodig voor het goed functioneren van een

programma met een waaier van microprojecten in 17 verschillende landen (16 in 2011),

omwille van zijn aard en – zelfs vereenvoudigde – procedures minder efficiënt is dan een

bilateraal project met een identiek budget. Voor velen is het gebrek aan efficiëntie dan

ook het pijnpunt bij uitstek van het MIP-instrument, voornamelijk omwille van de kosten

voor het beheer en de opvolging van de interventies 71 .

Jaarlijk aantal man x dagen werk

300

250

200

150

100

50

0

Ambassade

0 10 20 30 40 50 60 70 80

Jaarlijks gemiddeld aantal MI (berekend op 2007,2008 en 2009)

BTC plaatselijke

vertegenwoordiging

Diagram 32: Verband tussen het aantal MI’s per jaar en de tijd besteed aan het MIP (in persoon x

dag)

Deze opvatting wordt ook in het verslag van de DAC peer review van België in de verf

gezet: (vrije vertaling) “De procedures voor de microprojecten die door de BTC worden

uitgevoerd, …, zijn erg tijdrovend… België zou moeten nagaan of de hoge

71 We wijzen er nogmaals op dat het gaat om meningen die tijdens de interviews worden geuit en die we dus

niet kunnen bevestigen noch ontkrachten.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 59 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

transactiekosten voor deze kleinschalige voorzieningen in verhouding staan tot hun

positieve ontwikkelingseffecten.” 72

Uit de hierna volgende doorlichting van verscheidene efficiëntiefactoren leiden we af dat

een eenduidige omschrijving van de doelstellingen van het MIP en de aard van de

begunstigden de efficiëntie van het instrument alleen maar ten goede kan komen.

Het MIP – en waarschijnlijk nog andere instrumenten voor het beheren van kleinschalige

programma’s – wordt nauwelijks of niet in aanmerking genomen bij de toewijzing van

medewerkers op het niveau van de ambassade of de BTC PV.

In de meeste landen (uitgezonderd de DRC) zijn het jaarlijkse aantal micro-interventies

en het financiële volume te klein om de inzet van één voltijdse medewerker te

rechtvaardigen. En omdat een medewerker niet kan worden opgesplitst, staat de

persoon die verantwoordelijk is voor het MIP ook in voor andere programma’s.

Bovendien lopen de middelen die ter plaatse ter beschikking worden gesteld voor de

uitvoering van elke stap in het proces sterk uiteen.

Diagram 32 hierboven geeft enerzijds aan dat de ambassade minder tijd aan het MIP

besteedt dan de plaatselijke vertegenwoordiging van de BTC, wat niet meteen een

verrassing is, en anderzijds dat bepaalde posten relatief efficiënter zijn dan andere en

dat schaalbesparingen vanaf een bepaald volume mogelijk zijn. Dit diagram maakt een

duidelijk onderscheid tussen twee verschillende benaderingswijzen: de blauwe lijn wijst

op een intensieve benadering, terwijl de paarse lijn een extensieve benadering

illustreert. Met 1 FTE per jaar (260 dagen) voert de BTC 17, 40 of 75 micro-interventies

uit 73 . Efficiëntiewinsten zijn dus mogelijk.

(Zie ook punt 5.1.2.8 betreffende de invloed van de strategische programmering op de

efficiëntie).

Wat de kosten voor het beheer van het MIP betreft, kunnen we, samen met de

overgrote meerderheid van de bevraagden, niet beweren dat het MIP niet over middelen

beschikt. Wel is het zo dat het programma niet over al te veel gerichte middelen

beschikt, wat niet in overeenstemming is met de taken die op grond van artikel 6 van de

wet aan de BTC worden toevertrouwd (waarvoor een percentage voor beheerkosten

wordt uitgetrokken) en in tegenstelling tot de bilaterale projecten die binnen hun eigen

budget over financiële, materiële middelen en mensen beschikken die uitsluitend voor

het beheer van de projecten worden ingezet.

De procedures van het MIP zijn minder omslachtig dan die voor een klassiek project.

Ondanks het feit dat staatssecretaris Boutmans erkent dat de taken die in het kader van

het MIP aan de BTC worden toevertrouwd “vaak arbeidsintensief” 74 zijn, worden geen

bijzondere middelen uitgetrokken om het werk van de vertegenwoordigingen van de BTC

en de BTC-beheerder van het programma in Brussel te financieren. Deze taken omvatten

een aantal verplichtingen waar de BTC niet onderuit kan, zoals het integraal naleven van

de bepalingen betreffende de rijkscomptabiliteit en het beheer van de grotere fiduciaire

risico’s verbonden aan dit specifieke instrument.

Dit is echter niets nieuws. Het MIP is altijd al het stiefkind van de Belgische

ontwikkelingssamenwerking geweest. Van bij zijn lancering in 1990 werd het MIP

meestal beheerd door de boekhoudkundige verantwoordelijke van de afdeling

ontwikkelingssamenwerking of de ambassade. Dit bleef ook na de hervorming van de

Belgische ontwikkelingssamenwerking in 2000 ongewijzigd. Het MIP werd in de

wetteksten van 1999 ‘vergeten’ (zie punt 2.2 en punt 3. over het wetgevende en

regelgevende kader) en bij de uitwerking van de procedures in 2001 stelt

Staatssecretaris Boutmans het volgende: “Het MIP vormt slechts één van de vele

72 Belgium (2010) DAC Peer Review; pagina 45

73 Ter herinnering: het betreft hier jaarlijkse gemiddelden voor 2007, 2008 en 2009.

74 Nota aan Mevrouw C. Funès-Noppen, Bijzonder Commissaris betreffende het Micro-Interventie Programma

(MIP), kopie aan BTC, van 29-04-2001.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 60 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

instrumenten van onze samenwerking en is, gezien de beperkte omvang en focus, zeker

niet het belangrijkste instrument. De tijd en energie die eraan worden besteed, moeten

dan ook in verhouding zijn 75 .”

De teksten m.b.t. de verdeling van de taken onder de attaché en de PV BTC zijn niet

altijd duidelijk en laten heel wat ruimte voor interpretatie. Tijdens de terreinmissies

hebben we kunnen vaststellen dat dit gebrek aan duidelijkheid de samenwerking tussen

de ambassade en de PV BTC en dus ook de efficiëntie van het MIP niet negatief heeft

beïnvloed. Niettemin speelt de menselijke factor hier een belangrijke rol en houdt de

ambigue taakverdeling ontegensprekelijk een groot potentieel risico in.

Wat de wachttijd tussen de indiening van een aanvraag, de toekenning van de

subsidie en tot slot de voltooiing van de micro-interventie betreft, onderscheiden we

allereerst de termijn vanaf de indiening van een financieringsvoorstel tot de officiële

aanvaarding van de aanvraag, met de uiteindelijke ondertekening van een

overeenkomst. Deze termijn is afhankelijk van de datum van indiening van het voorstel,

de uiterste datum van indiening, het tijdstip van ondertekening van de ACTT en de lokale

prioriteiten in de verschillende partnerlanden, met één of meer selectierondes per jaar.

Het kan gebeuren dat de financiering van prima voorstellen om begrotingsredenen met

een jaar wordt uitgesteld.

Deze termijnen zijn evenwel behoorlijk kort wanneer we ze vergelijken met andere

voorzieningen 76 of instrumenten en kunnen nog worden verkort wanneer in één

kalenderjaar meerdere selectiemomenten worden georganiseerd.

4.3.3. Efficiëntie van de micro-interventies

De efficiëntie van de individuele micro-interventies is erg variabel.

Het is praktisch onmogelijk om de resultaten van een micro-interventie te becijferen en

dus de verhouding resultaten/kosten te berekenen. Verscheidene factoren beïnvloeden

de efficiëntie van de micro-interventies in positieve of in negatieve zin:

- Het aantal begunstigden: De terreinmissies bevestigen de analyse van de

detailverslagen: eenzelfde bedrag kan ofwel worden besteed aan de bouw van 5

putten in 5 dorpen (verscheidene duizenden begunstigden), ofwel voor de

aankoop van audiovisueel materieel voor 5 begunstigden. De verhouding

kost/begunstigde is geenszins een 100% objectieve indicator voor de efficiëntie

van de interventie, maar geeft niettemin een indicatie.

- Het kwalificatieniveau van de doelgroep: Wanneer de beoogde doelgroep

van de micro-interventie goed georganiseerd is, steun krijgt van een

tussenorganisatie en over de nodige capaciteiten en kennis beschikt m.b.t. het

uitvoeren en beheren van projecten, dan zal deze doelgroep wat het behalen van

de vooropgestelde resultaten betreft doorgaans efficiënter zijn dan een minder

goed gestructureerde groep van begunstigden.

- De inbreng van de begunstigde groep in geld of in natura: De financiële

inbreng van de begunstigde groep beïnvloedt de absolute efficiëntie van de

micro-interventie niet, maar heeft wel een positieve invloed op de efficiëntie van

de Belgische bijdrage. Ook al wordt deze binnen de geplande termijn en voor het

beloofde bedrag gerealiseerd, dan is de inbreng in natura, bijvoorbeeld in de

vorm van vrijwillige ongeschoolde arbeid, levering van uitrusting, materiaal ter

plaatse, terbeschikkingstelling van terrein, … moeilijker in cijfers te vatten, maar

dat betekent niet dat de inbreng in natura geen positieve invloed zou hebben op

de efficiëntie. De terreinmissies bevestigden dat de inbreng van de begunstigden

75 Nota aan Mevrouw C. Funès-Noppen, Bijzonder Commissaris betreffende het Micro-Interventie Programma

(MIP), kopie aan BTC, van 29-04-2001.

76 Uitgezonderd misschien de noodhulp.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 61 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

in natura wel degelijk de efficiëntie verhoogt tegenover een klassiek project dat

zelf moet betalen voor een terrein, arbeid en materialen tegen marktprijzen. Dit

wordt eveneens bevestigd door verscheidene bevraagden: “De individuele microinterventies

zijn bijzonder efficiënt omdat de lokale actoren veel kunnen doen met

weinig geld en zonder omslachtige administratieve procedures”.

- Deze redenering gaat ook op voor de eventuele middelen in het kader van een

co-financiering door een andere donor, waarbij deze andere donor al dan niet

de kosten voor de opvolging van het hele microproject voor zijn rekening kan

nemen.

- Het feit dat de micro-interventie werd gerealiseerd binnen het geplande

budget is een andere indicator van de efficiëntie van de micro-interventie.

Diagram 33 hieronder geeft aan dat ruim 60 percent van de micro-interventies

binnen het geplande budget wordt voltooid. Wanneer de micro-interventie niet

binnen het geplande budget kan worden uitgevoerd, dan is dat niet noodzakelijk

te wijten aan een slecht beheer. Koerswijzigingen, inflatie, een al te optimistische

raming zijn allemaal factoren die roet in het eten kunnen gooien.

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

1,2

zeer

buiten

budget

2,5

13,6

buiten

budget

16,0

63,0

binnen

budget

Diagram 33: Aandeel (in % van de 81

antwoorden) van de MI’s binnen of boven

budget

100%

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 62 / 135

80%

60%

40%

20%

0%

Materiëel Gemengd Immateriëel

Diagram 34: Verdeling van de budgettaire

binnen

budget

buiten

budget

zeer

buiten

budget

efficiëntie volgens de aard van de interventie

(materieel, immaterieel of gemengd)

- De aard van de micro-interventie: De bouw van een centrum voor werkloze

jonge mannen kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door de begunstigden zelf

als arbeiders in te zetten; dit is niet mogelijk voor de bouw van een klaslokaal in

een meisjesschool, of bij de bouw van een centrum voor blinden. Het aandeel van

het budget dat eventueel wordt besteed aan de vergoeding van geschoold

personeel om een degelijke kwaliteit te waarborgen (bijvoorbeeld: metser,

timmerman, trainer, spreker, inrichter, musici, expert,...) heeft een impact op de

efficiëntie.

- De uitvoering van de micro-interventie binnen de geplande termijn is een

andere indicatie en tevens factor van de efficiëntie. De effectieve termijn voor

uitvoering van de micro-interventie varieert naargelang van het soort activiteit.

De aankoop van materieel kan meestal heel snel gebeuren. Bouwwerken nemen

meer tijd in beslag en ondervinden meer invloed van externe factoren

(bijvoorbeeld cementschaarste, slecht weer, tekort aan arbeiders tijdens de

oogst,…); landbouwinterventies zijn extra gevoelig voor weersveranderingen.

Opvallend is dat de in de voorstellen vermelde uitvoeringstermijnen soms

beduidend korter zijn dan de termijnen die in de overeenkomsten worden

bepaald; deze laatste zijn de contractueel na te leven termijnen 77 . Een ruime

meerderheid van de micro-interventies wordt niettemin binnen een aanvaardbare

termijn uitgevoerd.

77 De toekomstige begunstigden zijn doorgaans erg optimistisch en de termijn die in de overeenkomst met de

BTC wordt vermeld, is hier en daar dubbel zo lang als de termijn die oorspronkelijk in het voorstel werd

vooropgesteld.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

- De termijn beïnvloedt de efficiëntie van de micro-interventie in die zin dat de

prijzen die worden gebruikt voor het opstellen van het budget (meestal op basis

van pro forma facturen) 6 tot 12 maanden later niet langer van toepassing zijn.

- Diagram 36 toont aan dat immateriële micro-interventies de deadline iets vaker

ruim overschrijden, maar de steekproef is te klein om van een significant verschil

te kunnen spreken. Onze conclusie is dus dat de aard van de micro-interventie

(materieel, gemengd of immaterieel) geen invloed heeft op de naleving van de

uitvoeringstermijn.

- Binnen de steekproef van bezochte micro-interventies noteren we voor bijna 40

percent een vertraging in de uitvoering van meer dan 10 percent ten opzichte van

de planning opgenomen in de individuele overeenkomst.

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

12,3

met veel

vertraging

11,1

7,4 7,4

met

vertraging

61,7

op tijd

Diagram 35: Aandeel (in % van de 64

antwoorden) van de MI’s binnen of over

deadline

100%

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 63 / 135

80%

60%

40%

20%

0%

Materiëel Gemengd Immateriëel

op tijd

met

vertraging

met veel

vertaging

Diagram 36: Verdeling van de uitvoeringstijd op

basis van materiële, immateriële of gemengde MI

- Tot slot houdt het MIP-instrument zelf materiële risico’s in m.b.t. het uitblijven

van resultaten evenals fiduciaire risico’s omwille van ontoereikende

controlemechanismen. Tijdens de 6 terreinmissies konden de evaluatoren

evenwel geen enkel geval van fraude vaststellen.

4.4. Duurzaamheid

Het DAC definieert het begrip ‘duurzaamheid’ als volgt: “De voortzetting van

opbrengsten van een ontwikkelingsinterventie nadat deze beëindigd is. De

waarschijnlijkheid om opbrengsten op lange termijn te verkrijgen. De weerstand tegen

risico’s van de netto opbrengststromen.”

De duurzaamheid van het MIP in het algemeen en van de MIP’s in de verschillende

partnerlanden is in feite gelijk aan de duurzaamheid van de micro-interventies die het

MIP financiert. Dit hoofdstuk zal dus voornamelijk de duurzaamheid van de interventies

vanuit verschillende gezichtspunten doorlichten.

4.4.1. Duurzaamheid van het programma

We stipten eerder al aan dat het MIP als programma geen uitwerking heeft op het

macroniveau, wat ook verder in het hoofdstuk over de impact van het MIP wordt

bevestigd. Het is derhalve zinloos om te peilen naar de duurzaamheid van onbestaande

effecten. Onze conclusies steunen enerzijds op het gebrek aan een degelijke strategie en

interventielogica en anderzijds op het ontbreken van een globale exit strategie. Uit de

verschillende verslagen, de resultaten van de interviews en de terreinmissies blijkt dat

de duurzaamheid van de interventies sterk verschilt van land tot land, wat erop wijst dat


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

bepaalde strategieën, of liever sommige werkwijzen, meer duurzame resultaten

opleveren dan andere.

4.4.2. Duurzaamheid van de interventies

Algemeen stellen we vast dat er zeer weinig informatie omtrent duurzaamheid

voorhanden is omdat een min of meer objectieve beoordeling de uitvoering van ex-post

opdrachten zou inhouden, terwijl de overgrote meerderheid van de interveniënten nu al

klaagt over een tekort aan middelen. Voor het beoordelen van de duurzaamheid steunen

we dus voornamelijk op de terreinmissies die in het kader van deze evaluatie werden

uitgevoerd (uitgezonderd micro-interventies van 2010) alsook eerdere evaluaties.

EV 6: In w elke mate w orden de onmiddelijke

resultaten en de effecten van de MI's voortgezet na

stopzetting van de belgische steun?

Het criterium van potentiele duurzaamheid is

belankrijk in de selectie

Eén voor één genomen zijn de MI's duurzaam

Evaluators 3,8

BTC PV's 6,7

Attachés 4,8

Attachés 9,0

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 37: Oordeel van evaluators, attachés en BTC PV’s aangaande de duurzaamheid van de

interventies (10 = helemaal mee eens).

Het MIP bevat enkele wezenlijke elementen die de levensvatbaarheid van de interventies

ondersteunen, maar heeft tegelijk een aantal kenmerken die de duurzaamheid

ondermijnen.

Diagram 55, pagina 87 illustreert dat de potentiële duurzaamheid van de interventie

voor de attachés het op één na belangrijkste selectiecriterium is 78 . Daarenboven blijken

de meningen omtrent de duurzaamheid van de micro-interventies globaal gezien eerder

verdeeld te zijn. Zoals ook het geval is voor tal van andere vragen oordelen

verscheidene respondenten (vooral bij de BTC) “dat de individuele interventies

doorgaans duurzaam zijn”.

4.4.2.1. Financiële duurzaamheid

De micro-interventies moeten ook na stopzetting van de Belgische financiering

financieel levensvatbaar zijn 79 . Behoudens behoorlijk gemotiveerde en door de DG-D

toegestane uitzonderingen, heeft het beginsel van levensvatbaarheid enkele praktische

gevolgen: (i) de micro-interventies kunnen niet dienen om nood- of voedselhulp te

financieren; (ii) de micro-interventies kunnen geen financieel supplement zijn van een

door België via andere kanalen of door andere donoren gefinancierde interventie; en (iii)

de financiering van een micro-interventie is eenmalig 80 . Uit de analyse van de individuele

interventieverslagen per land blijkt evenwel dat vaak van voorwaarden (ii) en (iii) wordt

afgeweken.

Op enkele uitzonderingen na kan het Belgische aandeel in de micro-interventie dus niet

worden aangewend om recurrente kosten zoals lonen, brandstof, verbruiksgoederen,

78 Zie gedetailleerde rangschikking van criteria in het hoofdstuk m.b.t. selectiestrategie

79 Het “Micro-interventie programma - MIP INSTRUCTIE voor de Attachés en DGIS.

80 Het “Micro-interventie programma - MIP INSTRUCTIE voor de Attachés en DGIS.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 64 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

energie of telefonie te financieren. Deze bepaling houdt in dat de begunstigde vereniging

ofwel via de micro-interventie inkomsten moet genereren om deze recurrente kosten te

betalen, ofwel - wat veel vaker het geval is - dat de micro-interventie moet worden

uitgevoerd door goed georganiseerde en betrouwbare organisaties met een degelijke

financiële basis.

Heel wat micro-interventies streven er trouwens naar eigen inkomsten te genereren.

Wanneer de aankoop van kleinvee bijvoorbeeld, toelaat om een bedrijfje op te zetten,

dan kan de micro-interventie inderdaad duurzaam zijn.

Voor productieve micro-interventies kunnen de resultaten soms eenduidiger in cijfers

worden uitgedrukt in termen van economisch of landbouwrendement.

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

9,0

12,8 15,4 17,9

44,9

geen ± volledig

Diagram 38: Verdeling van de steekproef op

basis van operationele financiële autonomie (in

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

25,0

% van de 78 antwoorden) 81

17,6

26,5

11,8

42,6

geen ± volledig

Diagram 40: Verdeling van de steekproef op

basis van de algemene financiële

levensvatbaarheid (in % van de 83

antwoorden) 82

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 65 / 135

100%

80%

60%

40%

20%

0%

productief niet

productief

volledig

bijna

±

bijna geen

geen

Diagram 39: Operationele financiële autonomie

volgens de aard van de interventie (productief

100%

80%

60%

40%

20%

0%

of niet-productief)

Productif Non productif

volledig

bijna

±

bijna geen

geen

Diagram 41: Algemene financiële

levensvatbaarheid volgens de aard van de

interventie (productief of niet-productief)

Dat een project niet rendabel genoeg is, is soms te wijten aan het sociale karakter van

de economische micro-interventie. Het is vaak moeilijker om de economische

levensvatbaarheid van de interventie te garanderen met een groep lichamelijk of

geestelijk mindervaliden dan met een groep validen 83 .

81 Antwoorden van de evaluatoren op de vraag: Staat de vereniging zelf in voor de operationele kosten voor

het voorzetten van de activiteiten?

82 Antwoorden van de evaluatoren op de vraag: Is de financiële autonomie van de begunstigde vereniging

gewaarborgd; genereert de vereniging eigen middelen of heeft de vereniging sponsors op lange termijn?

83 We zeggen ‘moeilijker’ omdat we niet willen beweren dat economische rendabiliteit met een groep

mindervaliden niet haalbaar zou zijn.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

De kans dat een interventie duurzaam is, lijkt in bepaalde omstandigheden groter te zijn

wanneer de Belgische financiering een aanvulling is op een lokale financiering of de

grotere inbreng van een andere donor.

De micro-interventies die de gemeenschap eigenaar maken van een goed dat vroeger

werd gehuurd, garanderen extra budgetruimte.

De Belgische subsidie is soms de enige financieringsbron voor uitvoering van de microinterventie.

De verslagen besluiten terecht dat dit een groot risico inhoudt in die zin dat

de gemeenschap voortdurend afhankelijk is en blijft van externe financieringen.

Voor ‘materiële’ micro-interventies is de duurzaamheid van materieel afhankelijk van de

kwaliteit bij levering en van het onderhoud. Problemen die de terreinmissies vaststelden,

zijn:

- De inning van gebruikersbijdragen wordt soms achterwege gelaten of is

onvoldoende.

- De rendabiliteit is niet voldoende om duurzaamheid te garanderen.

- Door de hollende inflatie neemt de waarde van de gemeenschappelijke fondsen

snel af (in termen van koopkracht).

- Vertrek of ziekte van een kernmedewerker.

Uit tabel 38 tot tabel 41 hierboven blijkt duidelijk dat productieve micro-interventies

dankzij de middelen die ze zelf genereren, beter dan andere interventies de betaling van

de operationele kosten kunnen waarborgen bij de uitvoering van hun werkzaamheden.

Dit gaat niet op voor de algemene financiële levensvatbaarheid. Tal van sociale

verenigingen genereren immers eigen middelen uit externe activiteiten, buiten de microinterventie

om, en/of via doorlopende financieringen van nationale of buitenlandse

sponsors op lange termijn: het ministerie van onderwijs voor klaslokalen, het ministerie

van gezondheid voor consultatiebureaus, het ministerie van sociale zaken voor

achtergestelde groepen. Nog andere kanalen: financiering via een nationale NGO, een

religieuze ‘moederorde’ in Europa, een weldoener,…

De link met een Belgische sponsor kan zorgen voor een betere institutionele versterking

en financiële zekerheid van de begunstigde groep, twee sleutelfactoren voor

duurzaamheid.

4.4.2.2. Institutionele duurzaamheid

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

2,5

5,1

7,6

neen serieuse

tw ijfels

13,9

70,9

Diagram 42: Institutionele duurzaamheid van

verengingen (in % van de 79 antwoorden) 84

ja

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 66 / 135

0,0

17,2

18,8

25,0

21,9

17,2

neen ± ja

Diagram 43: Verdeling van de steekproef volgens

de levensvatbaarheid van het materiële en

menselijke kapitaal van de organisaties 85 (in %

van de 69 antwoorden)

84 Antwoord op de vraag of de organisatie, de NGO, of groepering die de oorspronkelijke financieringsaanvraag

heeft ingediend nog bestaat.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

Zo’n 70 percent van de verenigingen, organisaties, structuren of groepen waarvoor een

micro-interventie werd opgestart, bestaan 1 tot 5 jaar later nog altijd. De evaluatoren

konden steeds spreken met een verantwoordelijke. De verschillende twijfelgradaties

hebben te maken met het feit dat ofwel de vereniging geen andere leden heeft

(vermoeden van vereniging met één enkel lid), ofwel tijdelijk ontbonden is of de

activiteiten van de vereniging tijdelijk werden stopgezet.

Sinds 2009 is een deel van niet meer dan 5% van het budget ter plaatse beschikbaar

voor de opleiding van de begunstigden. Doelstellingen zijn een betere duurzaamheid en

capaciteitsopbouw 86 . De praktische toepassing van deze mogelijkheid verschilt sterk van

land tot land en van jaar tot jaar.

Buiten het kader van deze bepaling omvatten verscheidene micro-interventies in

verschillende mate een aantal opleidingsactiviteiten. De opleidingen worden algemeen

goed onthaald, maar beantwoorden onvoldoende aan de basisnoden van de organisaties.

De begunstigden vinden de opleidingen vaak ontoereikend en te kort. Bij sommige

micro-interventies is het enkel het managementteam, of enkel de directeur die van deze

opleidingen kan profiteren. Niettemin was het oorspronkelijke personeel bij de overgrote

meerderheid van de micro-interventies nog steeds aanwezig en werkzaam binnen de

organisatie. Dit betekent dat de inspanningen met het oog op een versterking van de

institutionele capaciteit doorgaans niet tevergeefs waren. Dit succes kan ook worden

verklaard door het feit dat de organisaties waarvoor de micro-interventies worden

opgestart en die deze interventies ook beheren, ofwel zelf begunstigden zijn, ofwel – wat

vaker het geval is – zeer dicht bij die begunstigden staan.

De eigendom van de productiegoederen, van het productieterrein en/of het

productiegebouw is eveneens een belangrijke factor van institutionele duurzaamheid.

Twee voorbeelden van mislukte interventies:

- In het kader van een micro-interventie wordt een naaiatelier volledig vernieuwd

voor een groep vrouwen. Het lokaal wordt echter gehuurd van iemand uit de

groep die zich, na een ruzie, uit de groep terugtrekt en de overeenkomst niet

verlengt.

- Een micro-interventie levert landbouwmaterieel aan senioren zodat ze hun eigen

groenten kunnen kweken, eten en verkopen. Na een poos wil de eigenaar van het

land, waar intussen verbeteringswerken werden uitgevoerd en waarop een

beschutting werd gebouwd, zijn grond terug.

4.4.2.3. Technische duurzaamheid

Diagram 44 en Diagram 45 illustreren twee aspecten van de technische

levensvatbaarheid van de interventie. Het eerste aspect betreft de beschikbaarheid ter

plaatse van het gebouw dat werd opgetrokken, het materieel dat werd geleverd of het

personeel dat werd opgeleid. Het tweede aspect is dan het effectieve gebruik van de

infrastructuren, uitrusting of het opgeleide personeel door de begunstigden. De

diagrammen wijzen voor beide aspecten op een goede levensvatbaarheid, ook al is het

gebruik van bepaalde realisaties niet optimaal.

Wanneer de micro-interventie het optrekken van een gebouw betreft, dan zijn deze

gebouwen doorgaans van degelijke kwaliteit zodat ze verscheidene generaties kunnen

meegaan. De duurzaamheid van de dakelementen en het schrijnwerk zal mogelijk pas

op langere termijn problemen stellen en kan worden verlengd dankzij regelmatig

onderhoud waarvoor de lokale gebruikers probleemloos financieel kunnen instaan.

85 Antwoord van de evaluatoren op de vraag of er, naargelang van de aard van de MI, een reserve wordt

aangelegd voor het onderhoud en de afschrijving van materieel/infrastructuren, en/of er kennisoverdracht is

van de ‘oude’ naar de nieuwe leden van de groep.

86 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-interventieprogramma

MIP 2009”; artikel 2.4.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 67 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

Hetzelfde geldt voor andere infrastructuurwerken zoals de exploitatie van een bron of

een waterput 87 .

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

1,4

1,4

5,6

30,6

61,1

nee ± ja

Diagram 44: (on)beschikbaarheid van de

realisaties van de MI ter plaatse (in % van de

72 antwoorden)

100,0

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 68 / 135

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

4,3

1,4

17,4

33,3

43,5

nee ± ja

Diagram 45: (niet-)gebruik van de realisaties van

de MI (in % van de 69 antwoorden)

Het beoordelen van de technische duurzaamheid van micro-interventies die bestaan uit

de aankoop van materieel dat onderhevig is aan normale slijtage en economische

veroudering, of zelfs diefstal, of waaraan recurrente werkingskosten zijn verbonden, is

minder vanzelfsprekend. Verscheidene voorbeelden in verschillende van de bezochte

landen tonen aan dat de aankoop van elektronisch materieel, computers of

muziekinstrumenten bijvoorbeeld, enkele specifieke problemen stelt. Dit materieel moet

op middellange of zelfs korte termijn worden vervangen omwille van normale slijtage of

omdat het verouderd is. Niet alle micro-interventies leggen reserves aan voor courante

onderhoudswerken en al zeker niet voor de afschrijving van het materieel (zie Diagram

43).

In sommige landen komt bij heel wat micro-interventies het woord ‘herwaardering’ in de

titel of in de beschrijving van de geplande activiteiten voor, wat erop wijst dat de

promotoren van de micro-interventie een bouwwerk of uitrusting die al heeft gewerkt

maar die om onbekende redenen (gebrekkig onderhoud of geen afschrijvingsreserve)

werd stilgelegd of in onbruik is geraakt (pomp, koker, waterput, machine, lokaal...),

opnieuw in werking willen stellen. Het gebruik van dit woord is dus op zich al een

indicatie m.b.t. een verhoogd duurzaamheidsrisico.

4.4.2.4. Socioculturele duurzaamheid

We spreken van socioculturele duurzaamheid wanneer de begunstigden zich de

resultaten van de interventie eigen maken. Ingevoerde inrichtingen of bouwwerken die

niet zijn aangepast aan de lokale gewoonten bijvoorbeeld, zullen al gauw door de

potentiële gebruikers worden opgegeven of genegeerd (bijvoorbeeld de inrichting van

een eetzaal in een school met veel te dure maaltijden en op een plaats waar de kinderen

gewoonlijk hun eigen lunch meebrengen).

“De duurzaamheid van projecten waarbij in mensen wordt geïnvesteerd, is altijd

moeilijker te meten” 88 . Bij een micro-interventie met voornamelijk opleidingsactiviteiten

bijvoorbeeld, is het bijzonder moeilijk om na te gaan in hoever de opleidingskandidaten

zich de leerstof eigen hebben gemaakt. Nog moeilijker is het om te achterhalen in welke

mate ze de verworven kennis effectief gebruiken en of ze deze kennis onthouden of snel

vergeten.

Bij micro-interventies die culturele manifestaties steunen, stoppen de effecten meestal

bij afloop van de actie of manifestatie. Er zijn echter uitzonderingen, bijvoorbeeld een

87 Uiteraard voor zover deze elementen van een degelijke kwaliteit zijn.

88 Evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP), vzw COTA, Bruno Kervyn, Monique Munting; 2008.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

dansfestival dat nu internationale bekendheid geniet en dus ook andere donoren

aantrekt.

4.5. Impact

Ook in dit hoofdstuk maken we een onderscheid tussen de impact van het programma

en de impact van de individuele micro-interventies. Zoals we al aanhaalden in punt

1.2.4. m.b.t. de beperkingen van de evaluatie, kunnen we zowel de impact van het MIP

als de impact van de individuele micro-interventies niet op een objectieve manier meten.

Onze beoordeling steunt dus op onze eigen bevindingen en de antwoorden van de

begunstigden.

Het MIP heeft nauwelijks of geen uitwerking op het niveau van de doelstellingen van het

MIP zoals bepaald in de ACTT (duurzame menselijke, sociale, culturele en economische

ontwikkeling in de hand werken) of in de instructies van staatssecretaris Boutmans (het

aantal armen flink terugschroeven, meer autonomie voor de basisorganisaties,

versterking van de rechtsstaat, van de civiele maatschappij en de democratie). Ook het

bevorderen van de eerbied voor de menselijke waardigheid en de rechten van de mens,

meer bepaald door alle vormen van discriminatie die gesteund zijn op sociale, etnische,

religieuze, filosofische of gendermotieven te bestrijden, is een doelstelling die buiten het

kader van het MIP valt; deze ambities zijn allesbehalve realistisch. De geringe impact

van het programma, voorgesteld in Diagram 46 (EV7a), is dan ook niet verrassend.

4.5.1. Impact van het programma

QE7a: In w elke mate heeft het MIP positieve effecten

op lange termijn? (résultaat sur 5 terreinzendingen)

EV7b: In w elke mate heeft het MIP geen negatieve

effecten veroorzaakt (résultaat op 3

terreinzendingen)

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 69 / 135

1,4

8,9

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 46: Antwoord van de evaluatoren op evaluatievraag 7

Drie van de zes terreinmissies spreken zich niet uit over de eventuele negatieve

gevolgen van het MIP (EV7b). Van de 3 missies die wel een mening formuleerden, maakt

slechts één gewag van negatieve gevolgen. We spreken bijvoorbeeld van een negatief

gevolg wanneer de operationele kosten die moeten worden gemaakt opdat de microinterventie

behoorlijk zou werken, groter zijn dan de winst die de interventie oplevert, of

wanneer het delen van de resultaten van de micro-interventie tot meningsverschillen en

onenigheid binnen de begunstigde groep leidt.

4.5.2. Impact van de micro-interventies

Zoals we hoger al aanhaalden, heeft het MIP geen langetermijnuitwerking op de

samenleving in het algemeen. In wat volgt peilen we naar de impact van de bezochte

micro-interventies, waarbij we echter gebruik maken van een impactindicator die vaak

wordt vermeld in documenten omtrent microprojecten m.b.t. de directe begunstigden.

Uit Diagram 47 blijkt dat meer dan 75 percent van de 54 micro-interventies waarvoor

een antwoord kon worden gegeven, een positieve impact heeft op de

levensomstandigheden van de begunstigden op lange termijn. Wanneer een blinde in

braille leert lezen, schrijven en tellen, dan verandert dat ongetwijfeld zijn leven.

Wanneer een heel dorp voortaan over een eigen drinkwatervoorziening beschikt, dan


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

verandert dat ook het leven van de hele gemeenschap doordat er veel minder zieken zijn

en er veel minder mensen sterven door onzuiver water. Bovendien wordt de aanvoer van

water, een taak die meestal wordt overgelaten aan vrouwen en kinderen, een pak

gemakkelijker. Omdat de projecten nog te recent zijn, kunnen we ons evenwel niet

uitspreken over de duurzaamheid van deze effecten.

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

16,7

5,6

33,3

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 70 / 135

37,0

7,4

nee ± ja

Diagram 47: Mate waarin de levensomstandigheden van de begunstigden al dan niet merkbaar

zijn verbeterd (in % van de 54 antwoorden)

In die landen waar positieve discriminatie effectief wordt toegepast ten voordele van

vrouwen, stelden we geen effecten vast op het gebied van empowerment, in de zin van

een versterkte socio-economische positie (of macht) van de vrouw 89 .

Wat de onrechtstreekse impact op lange termijn betreft, kunnen we stellen dat het

rechtstreekse oorzakelijkheidverband al zo fragiel en gering is dat het helemaal

onmogelijk wordt om een verband vast te stellen tussen de micro-interventie en de

onrechtstreekse gevolgen daarvan (als die er al zijn).

De terreinmissies zetten enkele mooie successen in de schijnwerpers, maar maken

anderzijds ook melding van een aantal regelrechte mislukkingen. In Bijlage 3 worden

zowel goede als minder goede praktijken uitvoeriger belicht.

Micro-interventies met een vastgestelde of erg waarschijnlijke impact:

- tweejaarlijks internationaal festival voor hedendaagse Afrikaanse dans, dat zijn

oorsprong vindt in een micro-interventie van 2006.

- 3 micro-interventies in een muziekschool die vandaag over alle nodige

instrumenten beschikt, met een enorme instroom van leerlingen.

- Een film of boeken/strips die een ludieke boodschap brengen om ziekte tegen te

gaan.

- Exploitatie van een bron en inrichting van de toegang tot deze bron die duizenden

dorpelingen van drinkwater voorziet.

Micro-interventies met een geringe (potentiële) impact:

- De producten uit een micro-interventie worden verkocht maar brengen niet

genoeg op om de levensomstandigheden van de begunstigden merkbaar te

verbeteren.

- De financiering van psychologische bijstand voor terrorismeslachtoffers door

psychologen die niet eens de locale taal spreken.

- De financiering van verbruiksgoederen en lonen voor de begunstigden.

89 Dit betekent niet noodzakelijk dat dit effect er niet zou zijn. Dat we zo’n effect niet konden vaststellen, is

grotendeels te wijten aan het feit dat het niet gemakkelijk was om de begunstigden zelf te bereiken en

daarover aan te spreken.


4.6. Coherentie

Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

4.6.1. Interne coherentie met het Belgische beleid inzake

ontwikkelingssamenwerking

Het MIP zou in theorie volledig op één lijn moeten zitten met het Belgische beleid omdat

het zijn eigen beleidskader heeft 90 . In zijn inleidende nota bepaalt Staatssecretaris

Boutmans dat het MIP voor elk land moet aansluiten bij de Strategische nota van België

voor dat land 91 . Vandaag zijn zowel de instructies van staatssecretaris Boutmans als de

strategische landennota’s grotendeels in onbruik geraakt omdat, zoals we al aangaven in

hoofdstuk 3, de ACTT (en bijlage 1) het vaakst toegepaste regelgevende kader van het

MIP uitmaakt. De strategische landennota’s - de eerste dateren al van 2002 - worden

vandaag bijna niet meer gebruikt. Ze werden geleidelijk vervangen door de basisnota’s

ter voorbereiding van de ISP's. De ACTT bevat evenwel heel wat conceptuele elementen

die werden overgenomen uit het document van staatssecretaris Boutmans.

Zeker sinds 2007 worden de ACTT’s jaar na jaar bijna klakkeloos gekopieerd i.p.v.

vernieuwd, zodat we kunnen stellen dat het MIP-beleid van België sindsdien nauwelijks

is veranderd.

De culturele dimensie die in de ACTT aan het MIP wordt opgelegd, is niet coherent met

de sectoren en thema’s van de wet. Deze verplicht culturele inslag wordt door de posten,

de attachés en zelfs door de jaren heen trouwens zeer verschillend opgevat en

toegepast. Deze culturele verplichting strookt niet met de sectorale voorkeur van de

ISP’s. Want hoe kan men nu aan culturele landbouw of gezondheidszorg doen?

4.6.2. Coherentie met de prioriteiten van het ISP

Het ISP werd samengesteld in overleg met het partnerland, de BTC en de Belgische en

buitenlandse indirecte betrokkenen. Het ISP wordt dus verondersteld de Belgische

prioriteiten en de prioriteiten van het partnerland – ook van de civiele maatschappij – in

één programma te bundelen.

Vermits het MIP in principe in de nieuwe ISP's vermeld moet worden, wordt daarover,

tenminste op papier, overlegd met de BTC en het partnerland. In de praktijk vindt in het

kader van het partnercomité echter weinig gericht overleg met de partnerlanden plaats

over de eigenlijke programmastrategie.

De redenen voor deze beperkte betrokkenheid van de partner zijn meer bepaald de

focus van het programma (corruptiebestrijding, mensenrechten,…) en het voornemen

om het MIP voor te behouden voor een civiele maatschappij dat onafhankelijk is van de

overheid.

De meningen omtrent het betrekken van de BTC bij het uitstippelen van de

programmastrategie zijn verdeeld. De BTC PV’s die deelnamen aan de strategische

denkoefening m.b.t. de geografische, sectorale en thematische concentratie van het ISP,

zijn van mening dat ze dus de facto hebben bijgedragen tot de uitwerking van een

concentratiestrategie voor het MIP 92 . Enkele attachés menen dat de BTC als partner, net

als alle andere belangrijke partners, bij dit proces betrokken moet worden 93 , maar de

90 Het “Micro-interventie programma - MIP INSTRUCTIE voor de Attachés en DGIS. Punt 2: Het beleidskader.

91 Nota aan Mevrouw C. Funès-Noppen, Bijzonder Commissaris betreffende het Micro-Interventie Programma

(MIP), kopie aan BTC, van 29-04-2001.

92 “De PV is betrokken bij het opstellen van het ISP en dus ook bij de uitwerking van een strategie voor het

MIP

93 “Als partner moet BTC, zoals alle belangrijke partners, betrokken worden”

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 71 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

meeste attachés zijn niet dezelfde mening toegedaan. Hun standpunt is eerder

gebaseerd op de ‘strategische’ privileges van hun functie 94 .

Tot voor kort sloten de MIP’s niet of nauwelijks aan bij de concentratiegebieden, de

thema’s en sectoren van het ISP. We stellen evenwel vast dat het MIP steeds meer op

één lijn met het ISP komt te liggen. Toch is deze aansluiting bij de sectoren en gebieden

van het ISP in sommige landen geen prioriteit. Indien bepaalde micro-interventies

voorrang krijgen omwille van hun plaats of sector, dan heeft dat vaak te maken met het

opvolgingsgemak. De hoofdstad en omgeving blijft nog steeds een voorrangsgebied (ook

voor de andere donoren), ongeacht of deze zone nu wel of niet deel uitmaakt van de

ISP-gebieden. Voorts gaat de voorkeur vaak ook uit naar voorstellen voor projecten in

de buurt van een ander Belgisch project (bilateraal of NGO) of van een andere donor.

Wanneer de micro-interventies in de prioritaire gebieden van België werden

geselecteerd, was het voor ons onmogelijk om de meerwaarde daarvan na te gaan. Dit is

ook logisch gezien de selectieprocedure niet meteen zo’n meerwaarde nastreeft. We

kunnen hier verscheidene voorbeelden aanhalen waarbij een overeenstemming qua

sector weinig efficiënt is gebleken 95 . Het is bijzonder moeilijk om de lokale bevolking

doeltreffend en efficiënt te helpen op dezelfde plaats en in dezelfde sector waar ook de

capaciteit van de overheid wordt versterkt met het oog op het vervullen van haar taak

van openbare dienstverlening.

EV9: In w elke mate is het MIP coherent met de

prioriteiten van het ISP?

EV10: In w elke mate is het programma gecoördineerd

met andere projecten van het ISP?

0,7

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 72 / 135

4,1

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 48: Antwoord van de evaluatoren op EV 9 en EV 10

Overeenkomstig de instructies als leidraad voor het ISP moet de helft van de microinterventies

voorbehouden worden voor activiteiten die de empowerment van vrouwen

bevorderen. De toepassing van deze instructie raakt langzaam maar zeker meer

ingeburgerd. Bijlage 1 (punt 3) van de ACTT beperkt deze bepaling echter tot de ISP’s

die een genderevenwicht nastreven.

Veel van de bezochte micro-interventies werden opgestart en zelfs voltooid nog voor

deze instructies werden opgelegd. Dit geldt eveneens voor verscheidene ISP’s die

momenteel nog lopen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het MIP en het ISP in sommige landen vandaag

nauwelijks op elkaar zijn afgestemd.

De evaluatoren van het MIP in Benin stelden onlangs dat “er weinig links/synergieën zijn

tussen het ISP en de micro-interventies. Van bij het begin van de jaren 1990 werden de

micro-interventies opgevat als programma’s die grotendeels onafhankelijk zijn van de

rest van de bilaterale samenwerking ; en dat “de micro-interventies niet noodzakelijk in

de Belgische concentratiegebieden worden uitgevoerd 96 .

Meer algemeen toont de analyse van de landendossiers aan dat bepaalde selectiecriteria

die werden ingevoerd om de opvolging van de projecten te vergemakkelijken, zoals

sectorale homogeniteit (bijvoorbeeld keuze voor één enkele sector: de culturele sector)

94 “Ieder zijn rol: Het is aan de DGOS en aan de attachés om de strategieën uit te tekenen en uit te voeren; de

BTC staat in voor de uitvoering van de interventies.”

95 Zoals het gemeenschapscentrum voor gezondheidszorg (MIP) dat praktisch tegen het belangrijkste

ziekenhuis in het district werd gebouwd (gouvernementele samenwerking).

96 Programme des micro-interventions. Evaluation des projets 2005-2007, Cotonou, februari 2008.


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

of geografische concentratie (bijvoorbeeld: in de buurt van bilaterale projecten; rond of

in de hoofdstad), niet stroken met de doelstelling om tegemoet te komen aan de

basisbehoeften van de meest achtergestelden.

4.6.4. Externe coherentie met het beleid van andere donoren

Sommige donoren implementeren programma's die vergelijkbaar zijn met het MIP, maar

andere beschikken niet over een dergelijk programma.

Eén van de voornaamste verdiensten van deze evaluatie is dat ze diverse soortgelijke

programma’s met elkaar vergelijkt om de coherentie tussen donoren na te gaan en te

leren van elkaars goede praktijken, zoals die in onze aanbevelingen worden gebundeld.

De resultaten van deze benchmarking worden integraal toegevoegd in Bijlage 2.

De beschouwde programma’s beogen stuk voor stuk een verbetering van de

levensomstandigheden ter plaatse, een duurzame menselijke ontwikkeling en een

vermindering van de armoede in het partnerland. Ze spitsen zich echter meer toe op het

uitvoeren van bepaalde activiteiten en het behalen van onmiddellijke resultaten dan het

verwezenlijken van deze specifieke doelstelling.

Allemaal worden ze grotendeels lokaal beheerd en leven ze lokaal opgestelde regels na

op basis van een stramien dat door de verschillende zetels werd uitgewerkt, maar dat

zeer flexibel is. Dit zorgt ervoor dat de programma’s zijn aangepast aan de specifieke

omstandigheden ter plaatse.

Het gebrek aan coherentie stellen we niet alleen vast op Belgisch niveau, maar uiteraard

ook tussen de programma’s van verschillende donoren op alle niveaus:

subsidiabiliteitscriteria, maximumbedrag van de subsidies, maximale looptijd van de

projecten, wachttijd tussen (of mogelijkheid tot) meerdere financieringen,

selectiecriteria, aard en inbreng van de begunstigden, eventuele mogelijkheid tot cofinanciering,

subsidieerbaarheid van bepaalde uitgaven, betalingsvoorwaarden,…

De meeste donoren zien de microprojecten als een (laatste) jachtterrein, met

financiering naar eigen goeddunken van de ambassade. Net als bij het Belgische MIP -

en soms veel meer dan bij het Belgische MIP – zijn de microprojecten ook voor de

andere donoren een middel om een groep met goede relaties met de ambassade gunstig

te stemmen, om het project te bezoeken en/of de nationale vlag te laten wapperen of

een lintje door te knippen.

Uiteraard zijn deze programma’s dan ook zelden coherent of complementair en worden

ze nauwelijks gecoördineerd op basis van geografisch gebied of sector.

Een grotere coherentie van het MIP met de strategische programma’s voor

armoedebestrijding, het harmonisatiebeginsel van de Verklaring van Parijs en de

Europese consensus omtrent taakverdeling, zou dit probleem in theorie in de toekomst

moeten verlichten om uiteindelijk tot een gezamenlijke landenstrategie te komen met

het oog op micro-interventies die tegemoet komen aan concrete noden en die aan de

omstandigheden ter plaatse zijn aangepast.

4.6.5. Coördinatie met vergelijkbare programma’s van andere

donoren

De communicatie en dus ook de samenwerking met andere donoren over de respectieve

programma’s met zogenaamde ‘kleinschalige ambassadeprojecten’ verschillen van land

tot land. Algemeen staat de coördinatie van kleinschalige ambassadeprojecten en andere

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 73 / 135


Analyse volgens de criteria van het DAC en de 3 C’s

lokale fondsen tussen donoren onderling nog in de kinderschoenen 97 . Vergaderingen

over deze programma’s ter plaatse waaraan verschillende donoren deelnemen, zijn

eerder sporadisch en worden niet in elk land georganiseerd. De coördinatie tussen

donoren is ofwel hoofdzakelijk informatief (in het kader van ruimere

coördinatievergaderingen), ofwel passief (via pers of website) 98 .

EV11: In w elke mate is het programma gecoördineerd

met gelijkaardige programma's gefinancierd door

andere donoren?

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 74 / 135

5,6

0,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0

Diagram 49: Antwoord van de evaluatoren op evaluatievraag 11

Daar waar de programma’s toch op een of andere manier worden gecoördineerd, blijft

die coördinatie echter heel informeel, deels omdat niemand echt tijd heeft om hier werk

van te maken. De voordelen die worden aangehaald, zijn onder meer het uitwisselen van

ervaringen, vermijden van dubbele financieringen, gedachtewisseling m.b.t. mogelijke

organisaties, doorspelen van interessante vragen aan andere donoren, uitbouw van een

database zodat iedereen beter weet wie wat doet, waar en met wie. Het gebeurt maar

heel zelden dat een Belgische interventie door een andere donor wordt opgevolgd en

vice versa, bijvoorbeeld omdat die donor al met een ander doel een plaatsbezoek plant.

De meeste begunstigden van een micro-interventie krijgen ook middelen van andere

geldschieters. In dat geval eist de Belgische ontwikkelingssamenwerking doorgaans dat

de uiteindelijke bestemming van de Belgische middelen duidelijk wordt vastgelegd.

Voornaamste bedoeling is om dubbele financieringen voor alle donoren te vermijden.

Naargelang van het land en de betrokken donoren is het potentieel voor verbetering van

de coördinatie groot tot zeer groot.

97 In de meeste gevallen is er geen actieve communicatie met de andere donoren in dit domein. Ze hebben

uiteraard toegang tot middelen om het programma onder potentiële begunstigden te verspreiden. Hier en daar

wordt er binnen de coördinatiestructuren van de donoren wel overlegd. In minstens één geval woonde een

andere donor de selectievergaderingen bij, voornamelijk om dubbele financiering te vermijden.

98 Zie antwoorden op de vragen over de programmastrategie.


Evaluatie van de strategieën en processen

5. Evaluatie van de strategieën en processen

5.1. Strategie van het programma in het algemeen

We willen er eerst aan herinneren dat we onder 'strategie' de interventielogica verstaan

die (uit andere mogelijke kandidaten binnen de doelstellingenstructuur) wordt gekozen

om tot de realisatie van de doelstellingen van het programma te komen.

De instructies van februari 2001 99 nemen het MIP op in een doelstellingenkader met zes

punten (zie punt 2.4.) Andere teksten vermelden een merkbaar andere doelstelling voor

het programma: “de positie van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen versterken . 100

Deze verschillende doelstellingen zijn nooit uitgemond in een strategie om ze ook

daadwerkelijk te realiseren. De meest recente strategie, die onder punt 2.4. hierboven

werd gereconstrueerd via de ACTT, is niet veranderd sinds 2007. We merken ook dat er

geen enkel resultaat in SMART 101 -termen werd vastgelegd. De logische oorzakelijke

verbanden tussen de verschillende resultaatniveaus zijn eveneens zeer zwak en op z'n

minst gezegd vrij optimistisch.

De doelstellingen van het

MIP, zoals vastgesteld in

bijlage 1 van de ACTT zijn

specifiek en relevant

Attachés 6,1

BTC PV's 8,3

0,0 1,0 2,0 3,0 4,0 5,0 6,0 7,0 8,0 9,0 10,0

Diagram 50: Beoordeling van de relevantie van de doelstellingen van het MIP (10 = helemaal mee

eens).

Net zoals bij de andere programma's die in het kader van de benchmarking werden

geëvalueerd 102 , is de strategische doelstelling van het MIP volgens de teksten gericht op

het verbeteren van de levensomstandigheden, duurzame menselijke ontwikkeling en

bestrijding van de armoede.

De middelen om deze doelstelling te bereiken – de strategieën dus –, kunnen variëren

maar laten heel wat ruimte voor flexibiliteit omdat ze worden geformuleerd in zeer

algemene termen zoals "versterken van het maatschappelijke draagvlak, structurering

99 Het “Micro-interventie programma - MIP INSTRUCTIE voor de Attachés en DGIS. Punt 2: Het beleidskader,

2.1, 1: “Het MIP moet behoren tot het volgende doelstellingenkader:

- de duurzame menselijke, sociale, culturele en economische ontwikkeling in de hand werken;

- de armoede bestrijden;

- het partnership bevorderen tussen de Belgische bevolking en de bevolking van het partnerland;

- de democratie in de hand werken alsmede de rechtsstaat, de rol van de civiele maatschappij en het

behoorlijke bestuur;

- de eerbied bevorderen voor de menselijke waardigheid en de rechten en vrijheden van de mens;

- alle vormen van discriminatie bestrijden die gesteund zijn op sociale, etnische, religieuze, filosofische of

seksuele motieven.

100 “Micro-interventieprogramma”; Verantwoording van de algemene uitgavenbegroting 2010, organieke

afdeling 54, pagina 19 en 20.

101 SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Relevant en Tijdsgebonden.

102 De volledige resultaten van de benchmarkingstudie kunnen worden geraadpleegd in bijlage 2.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 75 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

van de civiele maatschappij, capaciteitsopbouw, versterken van het democratische

proces,..."

De doelgroep wordt evenmin duidelijk omschreven. Net zoals in de andere programma's

die bij de benchmarking werden geëvalueerd, moeten de begunstigden van het MIP

worden ondergebracht in een lokale 'basisgroep' 103 ; dit is zeer vaag en zeer ruim.

Voor de attachés voor de ontwikkelingssamenwerking is het feit dat de micro-interventie

een lokaal initiatief moet zijn het allerbelangrijkste ontvankelijkheidscriterium (zie

diagram 55, pagina 87).

Het vastleggen van algemene ontvankelijkheidscriteria voor de aanvragen dient, volgens

ons, te gebeuren in de algemene strategie van het MIP. De basisinstructies 104 bevatten

strikt genomen geen hoofdstuk met als titel "ontvankelijkheidscriteria". Toch bevatten

deze instructies indirect welk heel wat criteria. Zo moeten de voorstellen voor de microinterventies

sinds 2001 binnen een kader van 6 doelstellingen 105 vallen, trachten een

lijst van 5 elementen 106 te realiseren en aan 9 specifieke vereisten 107 voldoen. Bovendien

moet het identificatiedossier 9 basisgegevens 108 bevatten. Binnen de grenzen die worden

opgelegd door de instructies van S.S. Boutmans, kunnen de attachés bijkomende

specifieke criteria en geografische, sectorale of thematische grenzen te definiëren voor

de landen waar ze aangesteld zijn 109 .

5.2. Strategie op het niveau van de MIP's in elk

partnerland

In bepaalde landen voor het Belgische MIP, en voor sommige andere donoren meer dan

voor andere, hebben vergelijkbare programma's een min of meer uitgesproken PRdoelstelling.

De fondsen moeten duidelijk de aanwezigheid van de donorstaat en de

solidariteit met de lokale bevolking tonen. Vandaar dat de interventie door de

ambassadeur of een andere belangrijke persoon die op bezoek is, wordt gelanceerd en

nationale en/of internationale media-aandacht krijgt. In dit laatste geval wordt de

interventie ook aangewend om de resultaten van de samenwerking te tonen aan de

belastingbetalers van de donoren.

103 Zie ook onze opmerkingen aangaande de doelgroep in het hoofdstuk over de relevantie.

104 Het “Micro-interventie programma - MIP INSTRUCTIE voor de Attachés en DGIS.

105 Zie punt 2.4. en de opmerking onderaan pagina 20.

106 1) Versterking van de institutionele en beheerscapaciteiten; 2) technische en financiële levensvatbaarheid;

3) doelmatige en doeltreffende tenuitvoerlegging waarbij de beslissingsbevoegdheid zo dicht mogelijk bij de

doelgroep wordt geplaatst; 4) maatschappijopbouw en bestrijding van conflicten; en 5) beheer van de

natuurlijke rijkdommen dat eerbied opbrengt voor het milieu en voor de wijze waarop de bevolking die van die

bronnen afhankelijk is, ze beheert.

107 1) De micro-interventies zijn bestemd voor verenigingen zonder winstoogmerk en niet op bedrijven of

personen die financiële rendabiliteit nastreven; 2) De micro-interventies zijn giften; leningen van gelijk welke

aard, inclusief microkredieten, zijn uitgesloten; 3) er moet prioriteit worden gegeven aan micro-interventies

met een multiplicatoreffect of die kunnen fungeren als gids-activiteit; 4) de micro-interventies mogen niet

worden gebruikt voor nood- of voedselhulp, als aanvulling van een andere Belgische of buitenlandse

financiering; de financiering moet eenmalig zijn; 5) de steun mag het vastgelegde maximumbedrag niet

overschrijden; 6) de micro-interventie dient te gebeuren met goedkeuring van de lokale overheid; 7) de

begunstigde gemeenschap moet een eigen inbreng van minstens 20% leveren; 8) de identificatie en

tenuitvoerlegging gebeuren zoveel mogelijk door de begunstigden zelf; en 9) het bedrag van de steun moet in

redelijke verhouding staan tot de kosten die noodzakelijk zijn voor het beheer en het toezicht erop.

108 1) Naam van de micro-interventie; 2) lokalisatie van de begunstigden en de micro-interventie; 3)

beschrijving van de begunstigde en diens activiteiten; 4) korte beschrijving van de problemen en

interventielogica die aansluit op de te realiseren doelstelling; 5) ten minste één referentie van een persoon of

instelling; 6) beschrijving van de wijze waarop de micro-interventie zal worden uitgevoerd, meer in het

bijzonder van de inbreng van de begunstigden zelf; 7) in voorkomend geval, een volledige identificatie van een

derde die betrokken is bij de tenuitvoerlegging; 8) raming van de totale kosten en de duur van de microinterventie;

en 9) technische en financiële haalbaarheid van de micro-interventie en, indien nodig, bestemming

van de opbrengsten.

109 Het “Micro-interventie programma” - MIP INSTRUCTIE voor de Attachés en DGIS.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 76 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

Volgens een tekst uit 2007 "is deze programmering de exclusieve bevoegdheid van de

attaché voor de internationale samenwerking die bovendien de vrijheid heeft om een

dergelijk programma te weigeren in het land waarvoor hij/zij verantwoordelijk is 110 ."

Hierbij moet worden opgemerkt dat het gebruik van dit voorrecht destijds niet moest

worden gerechtvaardigd.

Sindsdien hebben verschillende elementen deze exclusieve bevoegdheid aangetast:

- de behoefte aan een MIP in een bepaald land moet worden geargumenteerd in de

voorbereiding van het ISP;

- de strategie dient verplicht een positieve discriminatie ten gunste van vrouwen te

omvatten.

- Het MIP wordt gekaderd in het ISP; dit betekent dat bepaalde strategische

aspecten worden besproken en, in sommige gevallen, onderhandeld met het

partnerland.

Bestaat er een specifieke interventie logica voor het MIP in

het partnerland ?

Bestaat er een specifieke geografische, thematische of

sectoriele concentratie strategie voor het MIP in het

partnerland ?

Is de strategie aan het ISP gebonden?

Is de strategie aan de, volgens de w et opgemaakt,

landenstrategienota gebonden ?

Hebben jullie een dialoog met de Attaché over de MIP

stragie en het MIP instrument ?

Was de PV van BTC betrokken bij het opstellen van een

specifieke interventielogica voor het partnerland ?

Was de PV van BTC betrokken bij het opstellen van een

specifieke geografische, thematische of sectoriele

concentratie strategie voor het MIP in het partnerland ?

Indien er een specifieke MIP strategie bestaat voor het land,

w as het partnerland betrokken bij het opstellen daarvan ?

0 20 40 60 80 100

Attachés 33,3

Attachés 27,8

BTC PV's 7,1

Attachés 27,8

Attachés 5,6

Attachés 61,1

Attachés 61,1

Attachés 66,7

BTC PV's 64,3

BTC PV's 64,3

BTC PV's 60

Diagram 51: Gegevens over de strategische programmering van de MIP's in de partnerlanden (in %

positieve antwoorden)

61 procent van de huidige attachés bevestigt dat ze voor het MIP beschikken over een

specifieke strategie voor het partnerland waar ze actief zijn. Toch ontvingen we maar

weinig concrete voorbeelden 111 . Zelfs in de zeldzame voorbeelden die we kregen,

kopieert de interventielogica de algemene strategie van het MIP zoals gedefinieerd in de

jaarlijkse ACTT en kadert ze niet in een aan het land aangepaste strategie.

110 Guide de mise en œuvre de la prestation MIP juin 2007 (version 02), point 1,3.

111 Onder specifieke strategie voor het partnerland verstaan wij de bepaling van een te realiseren specifieke

doelstelling voor een specifieke categorie begunstigde groepen; en de bepaling, op basis van deze specifieke

doelstelling, van tussentijdse resultaten, activiteiten en noodzakelijke middelen.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 77 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

Het ontbreken van een in een interventielogica vertaalde strategie maakt elke

begrotingsprogrammering op basis van de noodzakelijke behoeften voor de realisatie

van een SMART-doelstelling onmogelijk.

Het feit dat er in bepaalde landen geen strategie is voor het MIP wordt gerechtvaardigd

door het feit dat "de micro-interventies zich voor sommigen veeleer binnen een

operationeel dan een strategisch kader situeren." Slechts 50 procent van de attachés die

een tijdelijke post hebben op de zetel van de DG-D zijn voorstander van de uitwerking

van een specifieke interventielogica voor elk land. Hetzelfde fenomeen werd vastgesteld

bij de benchmarking, waar de geëvalueerde programma's evenmin een specifieke

strategie hebben voor de verschillende partnerlanden.

Het ontbreken van een strategie in bepaalde landen, kan waarschijnlijk ook worden

toegeschreven aan de verschillende interpretatie van wat een ontvankelijkheidscriterium

en wat een selectiecriterium is. Zoals meer dan 60 procent van de bevraagde personen,

zijn wij van mening dat de geografische, sectorale of thematische concentratie,

gebaseerd op de geografische zones en de sectoren van het ISP, kan worden beschouwd

als een programmastrategie, omdat dit eigenlijk ontvankelijkheidscriteria zijn 112 .

Slechts in 6 op 18 partnerlanden, is de strategie van het MIP gelinkt aan de Belgische

strategienota voor die landen. Dit is toe te schrijven aan het feit dat er tegenwoordig

algemeen genomen maar weinig gebruik wordt gemaakt van de strategienota's voor de

verschillende landen.

Het bestaan van een strategie m.b.t. geografische, thematische en sectorale

concentratie in 11 partnerlanden op 18 (61 procent van de gevallen) is duidelijker

bewezen. Wanneer er een strategie bestaat, is die gewoonlijk volledig of gedeeltelijk

gelinkt met het ISP.

Eens de dialoog over de strategie en het instrument is opgestart in het kader van het

ISP, wordt hij gewoonlijk voortgezet tussen de attaché en de PV BTC in regelmatige

vergaderingen (gemiddeld 2,2 per jaar) in het specifieke kader van het beheer van het

MIP of in het meer algemene overlegkader tussen de ambassade en de BTC.

Diagram 51 hierboven toont aan dat, hoewel er algemeen genomen wel een dialoog

bestaat over de strategie inzake ontvankelijkheid en selectie, veel attachés de BTC toch

slechts een beperkte rol toedichten in de selectie.

5.2.1. Geografische concentratie

Door de evolutie van de internationale context moeten de donoren zich geografisch gaan

concentreren en de verschillende geografische zones onderling verdelen. Aangezien het

MIP in de teksten wordt beschouwd als een onderdeel van de directe bilaterale hulp, zou

men een gelijkaardige concentratie kunnen verwachten op het niveau van de

verschillende 'lokale fondsen'. De documentanalyse toont aan dat dit in verschillende

landen (Algerije, Burundi, Zuid-Afrika, Senegal, Tanzania, Bolivia en Rwanda) nog niet

het geval is. In Rwanda, waar er sinds 2011 geen MIP meer is, is de geografische

versnippering het gevolg van een weloverwogen keuze, met name door de beperkte

grootte van het land.

In andere landen zoals Niger, Ecuador of Marokko kunnen de meeste micro-interventies

worden gesitueerd in de Belgische concentratiegebieden. Deze tendens naar meer

geografische concentratie neemt toe sinds het MIP wordt vermeld in het ISP en dus

naarmate er nieuwe ISP's worden onderhandeld. Dit is met name het geval in Senegal.

112 Wij definiëren ontvankelijkheidscriterium als een criterium waarvan de aanwezigheid of afwezigheid

automatisch resulteert in de aanvaarding of weigering van de financieringsaanvraag, los van de intrinsieke

kwaliteit van deze aanvraag. Ontvankelijkheidscriteria staan tegenover selectiecriteria, aan de hand waarvan

de verschillende ontvankelijk verklaarde aanvragen kunnen worden gerangschikt op hun nut.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 78 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

In Peru wordt het geografische criterium anders gehanteerd. Om de opvolging te

vereenvoudigen, wordt elk voorstel voor een micro-interventie op meer dan een uur

rijden van een eenvoudig bereikbare stad, sinds 2010 geweigerd.

Een andere tendens binnen de geografische concentratie is het voortdurend toenemende

aantal micro-interventies in achtergestelde gebieden in en rond de hoofdstad. Dit is met

name het geval in Marokko, Niger, de DRC, Senegal en Mozambique. Uit de

terreinmissies en de interviews is gebleken dat deze evolutie wel degelijk voortvloeit uit

een reële strategische optie. De nabijheid van de hoofdstad vereenvoudigt niet alleen de

opvolging maar verhoogt ook de zichtbaarheid.

5.2.2. Sectorale en thematische concentratie

Door de evoluerende internationale context moeten de donoren ook de taken gaan

verdelen en zich op specifieke sectoren en thema's concentreren.

Ook hier toont de evaluatie aan dat deze concentratie toeneemt naarmate de MIP's

worden vermeld in de ISP's waarin het aantal sectoren werd teruggebracht tot 2 (of 3

voor de 3 landen in Centraal-Afrika).

Maar aangezien onze analyse ook betrekking heeft op de micro-interventies die van start

zijn gegaan vanaf 2006 (soms zelfs 2005), is er in de meeste landen nog een grote

diversiteit merkbaar in de thema's en sectoren die in de micro-interventies aan bod

komen. Anderzijds hebben we vastgesteld dat de sectorale en thematische concentratie

in de realiteit slechts zeer langzaam een concrete vorm aanneemt. En wanneer een

dergelijke concentratie bestaat, wordt die niet noodzakelijk toegepast op de sectoren

van het ISP.

Vaak hebben deze micro-interventies tot doel om de inkomsten van de economisch

minst bedeelden te genereren of verhogen; bijvoorbeeld door plattelandsontwikkeling of

via de ambachten.

In sommige landen wordt bijzondere aandacht geschonken aan meer specifieke thema's

en sub-sectoren zoals bijv. HIV/AIDS en de strijd tegen de criminaliteit in Zuid-Afrika,

maatschappijopbouw in Peru,...

Culturele 'mainstreaming' is in principe verplicht, hoewel dit thema niet als prioritair

wordt beschouwd in de wet van 1999. Deze verplichting wordt in de verschillende landen

op uiteenlopende manieren geïnterpreteerd. Zo werd ze voor zover wij weten

grotendeels nageleefd in de Palestijnse gebieden, in de DRC (2008 tot 2010) en in

Mozambique (tot 2009).

We zagen ook al (in hoofdstuk 3 en onder punt 4.1.3.) dat de genderthematiek in

principe eveneens een verplicht strategisch element is, dat ook op zeer diverse manieren

wordt geïnterpreteerd.

5.2.3. Materieel versus immaterieel

Voor dit punt gelden de volgende grote lijnen: In de geëvalueerde steekproef is 89

procent van de micro-interventies gedeeltelijk of volledig gebaseerd op de levering van

apparatuur, materialen of kleine infrastructuur, al dan niet in combinatie met activiteiten

die een capaciteitsversterking beogen. Het gaat om micro-interventies waarbij vee of

apparatuur (zoals machines, boeken, computers,...) wordt geleverd (met of zonder

training) aan een organisatie of aan kwetsbare groepen die geacht worden deze te

gebruiken. In sommige landen volstaat de Belgische bijdrage enkel om dit type goederen

te financieren en moet de begunstigde vereniging systematisch instaan voor de betaling

van aanverwante diensten. Zo financiert België bij de bouw van een lokaal bijvoorbeeld

zand, cement, dakbalken en -platen, terwijl de begunstigden het werk betalen.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 79 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

5.2.4. Caritatief, mecenaat, economische, maatschappelijke

dienstverlening

Naargelang de strategie voor het land (als die bestaat) en de begunstigde organisatie,

treffen we minder of meer micro-interventies aan die zuiver caritatief zijn (verbetering

van de levensomstandigheden van een groep blinden), sociale micro-interventies

(scholen, bibliotheken, waterputten), economische micro-interventies (genereren van

inkomsten) of zelfs mecenaat (schilderen, sponsoring van een cultureel evenement,…).

We denken dat de 'economische' micro-interventies een groter risico op oneerlijke

concurrentie inhouden behalve wanneer ze er specifiek op gericht zijn om een

benadeelde groep opnieuw in een 'eerlijke' concurrentiepositie te brengen. Het blijft

evenwel moeilijk om deze elementen precies te beoordelen.

5.2.5. Doelgroepen

Er zijn maar weinig algemene richtlijnen over de doelgroepen van het MIP, afgezien van

de ACTT waarin de doelgroep op een zeer algemene manier wordt omschreven. De

keuze van één of meerdere bevoorrechte doelgroepen is dus een ander strategisch

element dat specifiek is voor elk land. Zowel de verslagen als de resultaten van de

interviews en de bezoeken op het terrein bevestigden de grote diversiteit aan

doelgroepen en de aard van de begunstigden, zeker omdat bepaalde begunstigden

moeiteloos in meerdere categorieën kunnen worden ondergebracht. Zo zou een microinterventie

voor blinde jonge vrouwen bijvoorbeeld tegelijk in de categorieën 'jong',

'vrouwelijk' en 'personen met een handicap' moeten worden ondergebracht.

Gezien die enorme verscheidenheid is het moeilijk om verder te gaan dan een

eenvoudige opsomming op basis van de verschillende categorieën (zie punt 2.5).

Naargelang het land kan de strategie toegespitst zijn op één of meerdere van de

vermelde groepen, wat resulteert in een sterke diversiteit van de MIP's in de

verschillende landen.

We vinden maar zelden interventies die specifiek gericht zijn op één enkele groep

begunstigden (bijv.: de bevolking van de Westelijke Sahara en de Kabylen in Algerije).

Algemeen genomen worden er meerdere categorieën begunstigden beoogd.

Uit de analyse van het honderdtal op het terrein bezochte micro-interventies blijkt dat

vrouwen en kansarme, achtergestelde en kwetsbare groepen bijzondere aandacht

genieten 113 . We hebben al gezien dat een gendergerichte micro-interventie van

toepassing kan zijn in verschillende sectoren en het aantal subcategorieën in de klasse

'achtergesteld/kwetsbaar/kansarm' is veelzeggend. Tot slot hebben we tijdens de

terreinmissies vastgesteld dat heel wat micro-interventies gericht zijn op de volledige

'bevolking' van één of zelfs meerdere dorpen, zonder dat daarbij een groot economisch

of maatschappelijk onderscheid wordt gemaakt.

5.2.6. Strategie van innovatieve "piloot"-interventies

De strategie van specifieke steun of positieve discriminatie ten gunste van pilootinterventies

vloeit voort uit de toepassing van de instructies van S.S. Boutmans 114 . Het

idee wordt in meerdere partnerlanden opgepikt maar stuit op het probleem van de

beperkte middelen voor follow-up, die in dit geval nog groter moeten zijn dan voor de

meer klassieke micro-interventies.

113 Er is geen statistische significantie bij de genoemde groepen.

114 Het “Micro-interventie programma - MIP INSTRUCTIE voor de Attachés en DGIS. Punt 3: de realisatie van

een micro-interventie.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 80 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

5.2.7. Strategie 'public relations' en/of zichtbaarheid

Zoals we al enkele keren aanhaalden in dit rapport, wordt de begrotingslijn van het MIP

soms nog gebruikt voor micro-interventies als 'geschenk van de ambassadeur' of 'public

relations van de ambassade' 115 , hoewel deze trend wel lijkt af te nemen. Dergelijke

micro-interventies hebben als doel om in de gunst te komen van of een gunst te

verlenen aan een persoon of invloedrijke groep personen. Ze zijn niet noodzakelijk

minder relevant voor de ontwikkeling en leveren vaak goede resultaten op voor de

betrokken groep begunstigden. Ze zijn echter moeilijker in te passen in een vooraf

bepaald strategisch kader. De strategie ter bevordering van de zichtbaarheid heeft niet

helemaal hetzelfde doel omdat ze ofwel de Belgische aanwezigheid wil tonen, los van de

groep begunstigden, ofwel de Belgische bevolking een blik wil gunnen op de Belgische

samenwerking in het betrokken land. Een dergelijke strategie werkt bijvoorbeeld met

vaste constructies langs de weg (met groot paneel en vlag), evenementen die op veel

media-aandacht kunnen rekenen, de micro-interventies met belangrijke zichtbare

resultaten, gemakkelijk bereikbare micro-interventies (niet ver van een geasfalteerde

weg) en de micro-interventies dicht bij de hoofdstad (om niet te veel tijd te verliezen bij

de opvolging).

5.2.8. Invloed van de strategie op de efficiëntie

De lokaal ontwikkelde strategieën (of het ontbreken daarvan) kunnen ook de efficiëntie

van de behaalde resultaten beïnvloeden. Een voorbeeld: de beslissing van een MIPverantwoordelijke

om de Belgische fondsen enkel te gebruiken voor de aankoop van

materiële goederen, om met een bekende en betrouwbare tussenpersoon te werken,

bekende en betrouwbare gemeenschappen te financieren, zich geografisch te beperken

tot een gemakkelijk bereikbaar gebied en zich te beperken tot één of meerdere goed

gekende sectoren, vermindert de middelen die nodig zijn voor de opvolging.

Zoals we al schreven is de personeelsbezetting in de samenwerkingsbureaus van de

ambassades en in de PV's BTC niet altijd aangepast aan het objectieve werkvolume dat

het beheer van het MIP met zich meebrengt. Dit kan tijdelijk zijn (verhuis, verlof, ziekte)

of permanent (met name door het feit dat een personeelslid ondeelbaar is). Bijgevolg

kunnen de situaties van land tot land zeer sterk verschillen. Maar het belang dat aan het

MIP wordt toegekend ten opzichte van de andere te implementeren of te

superviseren/volgen projecten en de prioriteiten die elke betrokkene stelt bij het

toekennen van de beschikbare middelen verschillen en behoren eveneens tot de

strategische programmering.

Zo zijn er partnerlanden waar elke micro-interventie systematisch wordt bezocht, soms

meerdere keren, soms door de ambassade en door de BTC, voor, tijdens en/of na afloop

van de uitvoering ervan. Omgekeerd zijn er ook landen waar sommige microinterventies

nooit worden bezocht.

Er zijn nog andere factoren van strategische aard die de beheerskosten van het MIP op

het niveau van een land en daardoor ook de efficiëntie ervan beïnvloeden. Het gaat met

name om:

- het statuut van de programmaverantwoordelijken naargelang ze lokaal

aangeworven zijn of niet;

- de mate waarin het beheer wordt overgedragen aan tussenorganisaties

(internationale NGO's,...); en

- de verdeling van de taken tussen de ambassade en de Vertegenwoordiging van

de BTC 116 .

115 We hebben verschillende voorbeelden gezien van micro-interventies die ter uitvoering naar de BTC PV

werden gestuurd met als mededeling: "MIP op vraag van de ambassadeur, na zijn bezoek aan..."

116 Evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP), vzw COTA, Bruno Kervyn, Monique Munting; 2008.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 81 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

Ook op het niveau van het budget van een micro-interventie zijn er zeer grote variaties.

Het maximumbedrag is vastgelegd op € 12.500, maar in vele landen wordt die

bovengrens verlaagd om aan meer aanvragen tegemoet te kunnen komen. In Mali

bijvoorbeeld, bedroeg het plafond voor de micro-interventies in 2009, 9000€. Algerije is

het enige land waar een maximaal gebruik van het maximumbudget een strategische

keuze is die het met name mogelijk maakt om de beheerskosten te beperken.

5.3. Evaluatie van de processen

Naargelang de bronnen omvat de verwezenlijkingscyclus van het MIP 4 fasen 117 (de

programmering, de identificatie en ontvankelijkheid, de uitvoering en de beoordeling) of

7 stappen 118 (de aanvraag, de identificatie, de beoordeling, de formulering door de BTC,

de overeenkomst tussen België en de begunstigde, de uitvoering en de evaluatie).

Hieronder worden enkele punten uit de procedure van dichterbij bekeken.

5.3.1. Begrotingsprogrammering

5.3.1.1. Algemeen programma en landenprogramma's

Als de procedure voor de begrotingsprogrammering zoals die staat beschreven in de

ACTT naar de letter zou worden toegepast, zou ze moeten toelaten om de volledige

begrotingsbehoeften voor het jaar N+1 te kennen voor afloop van het jaar N en er op die

manier voor zorgen dat het bovengenoemde 3 e beheerscontract wordt gerespecteerd.

De procedure die in de realiteit wordt toegepast, is echter helemaal anders.

- Enerzijds, zoals we hoger ook al aanhaalden, maakt het ontbreken van een in een

interventielogica vertaalde strategie elke begrotingsprogrammering op basis van

de noodzakelijke behoeften voor de realisatie van een welomlijnde doelstelling

onmogelijk.

- Anderzijds staat de programmering van de micro-interventies sinds 2009

ingeschreven in de ISP's. In die gevallen "is de attaché niet langer betrokken bij

het bepalen van het budget, behalve in de voorbereiding van de Gemengde

Commissie". Het budget voor de MIP's is dan een globaal bedrag voor de

volledige looptijd van het ISP en wordt niet altijd uitgesplitst op jaarbasis.

- Tot slot hebben de terreinmissies de resultaten van de interviews op het niveau

van de attachés bevestigd, met name dat daar waar het nog mogelijk is (waar

het MIP niet in het ISP zit), de deadline van 30 november onmogelijk gehaald kan

worden.

Wordt de procedure uit de

ACTT in verband met de

begrotingsprogrammatie

integraal toegepast?

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Attachés 60

BTC PV's 85,7

Diagram 52: oordeel van de attachés en de PV’s BTC omtrent de mate van toepassing van

de procedure voor begrotingsprogrammering

De redenen die worden aangevoerd voor deze niet strikte naleving van de procedures

zijn:

117 Guide de mise en œuvre de la prestation MIP juin 2007 (version 02), point 1,3.

118 Het “Micro-interventie programma - MIP INSTRUCTIE voor de Attachés en DGIS. Punt 2.2, 3°.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 82 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

- voor de attachés: de onderbemanning van het samenwerkingsbureau,

belangrijkere prioriteiten, de arbitraire vastlegging van het budget door Brussel

en het gebrek aan goede voorstellen. Om zijn rol binnen de

begrotingsprogrammering correct te vervullen, had de attaché de procedure voor

de projectoproep en -selectie moeten afsluiten voor 30 november, wat quasi

onmogelijk is. Hierdoor neemt de attaché vaak hetzelfde bedrag over van jaar tot

jaar, of wordt er een arbitrair bedrag vastgelegd door de DG-D in Brussel;

- voor de PV BTC: zij vervullen hun rol maar het zijn de attachés die soms niet de

mogelijkheid hebben om hun rol te vervullen omdat ze de instructies te laat in

hun bezit krijgen.

De jaarverslagen van de BTC vermelden voor het jaarbudget de vastgelegde en de

werkelijk betaalde bedragen. De vastgelegde bedragen komen overeen of liggen iets

lager dan het toegekende budget. De werkelijk betaalde bedragen liggen vaak veel

lager 119 .

Het jaarlijkse karakter van de ACTT en het daaraan gekoppelde budget wordt door bijna

iedereen aangehaald als een rem op het goede beheer van het MIP.

Zowel de inschrijving van het budget in het ISP als de hierboven vermelde laattijdigheid

wanneer de toepassing van de procedure nog mogelijk is, leiden onvermijdelijk tot een

beheer dat meer gericht is op de beschikbare middelen dan op resultaten. Tot op heden

werden de budgetaanvragen, zelfs wanneer die hoger lagen dan het in het ISP voorziene

bedrag, goedgekeurd, maar de interviews in Brussel en de ACTT bevestigen dat dit in

2011 niet meer het geval is, zeker in de landen waar er recent een ISP werd afgesloten.

We moeten ook opmerken dat er, ten minste in één bezocht land, een budgetverhoging

werd toegekend terwijl het budget van het voorgaande jaar niet volledig kon worden

geïnvesteerd.

Zowel in de vragenlijsten uit het terrein als tijdens de missies gingen er heel wat

stemmen op die een versoepeling van de financiële programmering vroegen. Het

jaarlijkse karakter van de begroting leidt ertoe dat bedragen die in jaar N niet worden

uitgegeven moeten worden overgedragen op het budget van jaar N+1 en dat de microinterventies

die van start gingen in de loop van jaar N ten laatste in de loop van jaar

N+1 moeten worden afgerond. Er is geen enkele logische verklaring voor deze instructie

die alleen maar een negatieve invloed kan hebben op de voorspelbaarheid en het goede

verloop van bepaalde micro-interventies en waarin tijd moet worden geïnvesteerd die de

betrokkenen van het MIP sowieso al niet hebben.

Het verschil tussen de mate van toepassing van de ACTT bij de attachés en bij de PV's

BTC kan worden verklaard door het feit dat de rol die beide partijen hebben in de

begrotingsprogrammering verschilt en dat die rol beduidend eenvoudiger is voor de PV's

BTC (zie beschrijving van de procedure onder punt 2.6.2.).

5.3.1.2. Afzonderlijke budgetten voor de micro-interventies

De structuur en de inhoud van de afzonderlijke budgetten voor elke micro-interventie die

de steun krijgt van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, zijn zeer verschillend. Dit

verschil is in grote mate toe te schrijven aan het lokale beleid van de attaché en de PV

BTC ter zake. De verschillen tussen de landen onderling, hebben vaak betrekking op:

- De uitgaven die in aanmerking komen: in sommige landen komen enkel materiële

uitgaven (materiaal, apparatuur,...) in aanmerking voor een micro-interventie, en

dit op een zeer strikte manier. In dit geval zijn het werk en de diensten die nodig

zijn voor de realisatie van de micro-interventie ten laste van de begunstigde

organisatie of van een medefinancier die deze soort uitgaven wel kan financieren.

In andere landen is een financiering van gekwalificeerde arbeidskrachten,

119 De redenen voor deze verschillen worden toegelicht in § 2.6.2.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 83 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

opleidingssessies en andere diensten met het Belgische budget wel mogelijk en

toegelaten.

- De beoordeling door de aanvrager van de financiële waarde van zijn bijdrage

(vastgelegd op minstens 20 procent) en de manier waarop deze bijdrage wordt

geïmplementeerd.

- De mogelijkheid tot medefinanciering, die soms tot vijf keer groter is dan de

Belgische bijdrage (meerdere voorbeelden in Palestina).

- De mogelijkheid om het toegelaten maximumbudget te verdubbelen of zelfs te

verdrievoudigen door de financiering te spreiden over meerdere voorstellen met

opeenvolgende financiering.

5.3.1.3. Conclusies aangaande de budgetprocedures

Een procedure voor begrotingsprogrammering zou normalerwijze gestoeld moeten zijn

op een raming van de middelen die nodig zijn om de verwachte resultaten te bereiken.

Voor het MIP worden de micro-interventies in 50 procent van de gevallen geselecteerd

tot het beschikbare budget op is, omdat er niet voldoende budget beschikbaar is; in de

andere 50 procent van de gevallen zijn er niet voldoende voorstellen van goede kwaliteit

om het budget op te maken. In de budgetraming die de aanvragers van de microinterventies

bij hun voorstel voegen, worden het materiaal, de apparatuur of de

activiteiten bepaald door het maximumbedrag dat door België wordt toegekend.

5.3.2. Projectoproep / indiening van aanvragen tot financiering

De projectoproep is een van de fases waar de autonomie en de decentralisatie op het

terrein het duidelijkst naar voren komen. Mogelijke redenen hiervoor zijn dat de oproep

uiteenlopende vormen kan aannemen en dat de ACTT maar weinig informatie over deze

nochtans essentiële fase bevat.

De standaardformulieren die door de aanvragers moeten worden ingevuld (zie bijlage

11), worden niet in alle landen systematisch gebruikt.

Wordt de procedure uit de ACCT inzake de indiening

van voorstellen / financieringsaanvragen integraal

toegepast?

Neemt de BTC PV op een ander manier deel aan het

informeren van mogelijke begunstigden over het

bestaan van het instrument?

Helpt de BTC mogelijke begunstigden bij het indienen

van voorstellen?

Moeten de voorstellen w orden opgesteld volgens een

strikt en verplicht stramien?

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

BTC PV's 53,3

Attachés 68,8

BTC PV's 80

BTC PV's 80

BTC PV's 85,7

Diagram 53: Informatie met betrekking tot het indienen van voorstellen / aanvragen tot

financiering (in % van de antwoorden)

De terreinmissies hebben, net zoals de overgrote meerderheid van de interviews,

duidelijk gemaakt dat het grootste probleem op het vlak van de projectoproepen is dat

er te veel aanvragen zijn voor de beschikbare financieringsmiddelen. Deze visie wordt

gedeeld door alle donoren die werden bevraagd in het kader van de benchmarking. Het

is de reden waarom de meeste posten maar een beperkte promotiestrategie hebben en

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 84 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

vaak enkel werken met 'mond aan mond' reclame. Door deze beperkte publiciteit

ontstaat er een positieve discriminatie van de groepen die op de hoogte zijn van het

bestaan van het MIP en/of zij die gemakkelijk toegang hebben tot eventuele websites

waarop het programma wordt vermeld.

Het feit dat er veel aanvragen binnenkomen, betekent niet noodzakelijk dat daar altijd

voldoende aanvragen van goede kwaliteit bij zijn 120 . In Oeganda heeft een rechtstreekse

projectoproep op het internet tot gevolg dat de ambassade nu overspoeld wordt met

honderden voorstellen, wat een objectieve selectie van een tiental aanvragen

bemoeilijkt.

Zoals voor de meeste programma's die in het kader van de benchmarking werden

geëvalueerd, wordt bij de projectoproep soms een min of meer gedetailleerd formaat

voor de aanvraag tot financiering gevoegd. Het standaardmodel vereist vaak dat er met

IT-materiaal wordt gewerkt en benadeelt op die manier de meest achtergestelde

gemeenschappen wanneer die laatste de echte initiatiefnemers van de aanvraag zijn

(hoewel we al hebben gemerkt dat dit maar zelden het geval is).

Het is vooral doordat de termijnen niet worden nageleefd, door een gebrek aan

personeel of belangrijkere prioriteiten, dat niet 100 procent van de richtlijnen van de

ACTT wordt nageleefd.

De gebruikte verspreidingswijze hangt in grote mate af van het land zelf en

waarschijnlijk van de manier waarop het programma en de taken worden opgevat door

de verantwoordelijken van de ambassade en de BTC PV’s. Ze wordt maar door twee of

drie attachés in vraag gesteld, maar wel op zeer pertinente wijze: "De projectoproep zou

zeer ruim en open moeten zijn, maar hoe kun je dan het grote aantal aanvragen op een

rechtvaardige manier behandelen?" "Hoe voorkom je dat degenen die het best zijn

uitgerust om een goed MIP in te dienen, worden bevoordeeld ten opzichte van de minder

goed bedeelden?" "De publiciteit voor te besteden fondsen maakt projectschrijvers

wakker. Voor hen is het uiteindelijke doel de financiering van een project en niet de

realisatie van een ontwikkelingsdoel via een project."

De BTC speelt bij de hulp aan potentiële begunstigden vaak een grotere rol dan voorzien

in de ACTT. Omdat ze meer in contact staat met het terrein, wordt ze vaker

geconfronteerd met aanvragen. Haar hulp aan potentiële begunstigden gaat van

eenvoudige informatieverstrekking over het bestaan van het programma en individuele

uitleg bij de procedure en de stukken waaruit het dossier bestaat, tot advies om de

kwaliteit van het voorstel te verbeteren. Maar de BTC is zeker niet de enige Belgische

link / tussenpersoon die in meerdere of mindere mate de indiening van een relevante

aanvraag vereenvoudigt. Andere contacten zijn: de ambassade, de Belgische NGO's ter

plaatse, de religieuze ordes met zetel in België, de gemeenschappen (Franstalig-

Brussels), gewesten (Vlaams), provincies en gemeenten.

5.3.4. Selectiestrategie

Net zoals in de andere programma's die in het kader van de benchmarking werden

geëvalueerd, omvat de selectiestrategie de volgende verschillende stappen:

- Er moet zijn voldaan aan de ontvankelijkheidscriteria die door de hoofdzetel van

de DG-D en de BTC in Brussel werden vastgelegd in de teksten die de eigenlijke

essentie van het programma definiëren. Een voorbeeld: geen micro-interventies

waarvan het gevraagde initiële bedrag hoger ligt dan € 12.500; geen microinterventies

in de sector van de microkredieten; ...

120 In Mozambique bijvoorbeeld, elimineert het programma ongeveer 70 procent van de aanvragen aangezien

ze niet-ontvankelijk zijn. Toch is het land er nooit in geslaagd zijn budget volledig op te maken, omdat er niet

voldoende goede voorstellen binnenkomen.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 85 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

- Er moet zijn voldaan aan de ontvankelijkheidscriteria die werden bepaald in de

lokale strategie van het MIP in het partnerland, die de door de hoofdzetels

vastgelegde criteria specificeert en beperkt. Een voorbeeld: beperking tot een

specifiek geografisch gebied, strikte navolging van het opgelegde model of

beperking tot twee of zelfs één welomschreven sector/thema, strikte bepaling van

de aard van de begunstigden,... Verder kunnen de posten in de projectoproep die

jaarlijks op het terrein gebeurt ook bijkomende ontvankelijkheids- of

uitsluitingscriteria vastleggen op basis waarvan ze de beste aanvragen kunnen

selecteren uit een hanteerbaar aantal voorstellen die aan de

ontvankelijkheidscriteria beantwoorden.

Met selectiestrategie bedoelen we de strategie die wordt gebruikt om de verschillende

aanvragen die aan de ontvankelijkheidscriteria beantwoorden te rangschikken volgens

prioriteit.

Er zijn in de verschillende regelgevende teksten instructies omtrent de selectiestrategie

terug te vinden. Zoals eerder aangehaald, vermelden de instructies ter voorbereiding

van de ISP's dat “minstens 50% van de MIP’s zijn voorbehouden voor activiteiten die de

empowerment van vrouwen bevorderen”. De ACTT legt duidelijk de klemtoon op de

transversale integratie van de culturele dimensie 121 . Een andere bron stelt dat

“bijzondere aandacht wordt geschonken aan initiatieven in het kader van de sociale

economie” 122 . Zoals we al schreven in het hoofdstuk over het wettelijke en regelgevende

kader zijn deze en andere teksten niet eenduidig en zijn ze sinds 2001 allemaal bovenop

elkaar gekomen zonder dat er ooit een officieel werd herroepen. Zo krijgen de attachés

en de BTC PV’s heel wat vrijheid om voor elk partnerland een eigen selectiestrategie te

ontwikkelen. Net zoals voor de andere vergelijkbare programma's die in het kader van

de benchmarking werden geëvalueerd, is de selectiestrategie dus een ander element

waarin de autonomie en de decentralisatie op het terrein sterk naar voren komen.

Zo wordt de culturele dimensie op zeer consequente wijze toegepast in Palestina (en tot

recent ook in de DRC), terwijl cultuur in andere landen zeer sterk op het achterplan

komt.

Een ander selectiecriterium dat min of meer strikt wordt toegepast, is het feit dat de

geselecteerde micro-interventie niet tot oneerlijke concurrentie mag leiden. In

werkelijkheid hangt de toegankelijkheid van het programma echter in sterke mate af

van:

- de middelen waarover de tussenorganisatie (of de begunstigde) beschikt,

- de nabijheid van de hoofdstad of een weg,

- de betrokkenheid van de ambassadeur / ambassadrice,

- de ervaring van de schrijver van het voorstel 123 , en

- sinds kort ook van het feit of de aanvraag binnen een sector van het ISP valt,

uitgaat van een vrouwengroep, of gelegen is in de bilaterale interventiezones.

Zodra men voor een gemeenschap productiemiddelen financiert die de

buurgemeenschap niet heeft, creëert men de facto een vorm van oneerlijke

concurrentie, in die zin dat de grote meerderheid van de micro-interventies met

productief oogmerk gericht is op het genereren van inkomsten.

Deze ongelijkheid in de selectie kan worden geïllustreerd door het eenvoudige feit dat de

projectoproepen in sommige landen voor meer details verwijzen naar de website van de

121 Algemene uitvoeringsovereenkomst voor de samenwerkingsprestatie genoemd ‘micro-

interventieprogramma MIP 2009”; bijlage 1.

122 “Micro-interventieprogramma”; Verantwoording van de algemene uitgavenbegroting 2010, organieke

afdeling 54, pagina 19 en 20.

123 Evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP), vzw COTA, Bruno Kervyn, Monique Munting; 2008.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 86 / 135


Worden de interventiethemas en sectoren integraal

toegepast?

Hebt u formeel of de facto, op het niveau van het land,

bijkomende selectiecriteria opgesteld?

Heeft de BTC PV meegew erkt aan het opstellen van

een eigen selectiestrategie voor het partnerland?

Heeft de Attaché hierbij de BTC/de partner betrokken?

Voert u met de Attaché een dialoog over de selectie

strategie?

Evaluatie van de strategieën en processen

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Attachés 44,4

BTC PV's 35,7

BTC PV's 71,4

Attachés 61,1

BTC PV's 86,7

Diagram 54: betrokkenheid van de attachés, de PV's BTC en het partnerland in de selectiestrategie

(in % van de antwoorden)

ambassade en/of de BTC PV. Om meer kans te maken om van het programma te kunnen

genieten, moet men dus toegang hebben tot het internet, en die hebben de mensen die

dit programma in theorie beoogt gewoonlijk niet. De ongelijkheid hangt ook af van

demanier waarop de selectie in de verschillende landen gebeurt. Uit onze peer reviews

bleek ook al het volgende: "In sommige gevallen gebeurt de selectie van de microinterventies

in functie van precieze en transparante criteria, en wordt ze herbekeken

door een selectiecomité. In andere gevallen gebeurt de selectie zonder welomschreven

criteria, zonder transparantie en zonder selectiecomité. Dit werkt favoritisme en

cliëntelisme in de hand" 124 . Een groot aantal aanvragen dat afkomstig is van dezelfde

bron, wijst eveneens op een gebrek in de selectieprocedure.

Er schuilt bovendien een zekere tegenstelling tussen het verbod om economisch

winstgevende initiatieven te steunen enerzijds en de behoefte aan duurzaamheid en het

verbod op een louter caritatieve interventie anderzijds. Ondanks de instructies hebben

sommige groepen in bepaalde landen kunnen genieten van een tweede of zelfs derde

financiering in hetzelfde jaar (bijvoorbeeld: Al Quds Universiteit in Palestina) of in

opeenvolgende jaren. Verder hebben ook heel wat tussenpersonen die als "groep met

economische belangen" worden gekwalificeerd, een financiering bekomen. Het aantal

begunstigden is geen selectiecriterium, zoals de analyse van het programma in Senegal

voor de micro-interventies die afliepen in 2007, 2008 en 2009 aantoont. Voor eenzelfde

bedrag kan het aantal begunstigden per micro-interventie variëren van enkele personen

tot meerdere duizenden mensen. (Zie diagram 6, pagina 21)

In sommige landen gebeurt de laatste fase van de selectie op basis van een lokaal

overeengekomen geschreven tekst en wordt er een selectiesysteem 'met punten'

toegepast. Op die manier kan de selectie worden geobjectiveerd en kunnen discussies

tot een minimum worden beperkt. Een goed voorbeeld van dit systeem wordt

beschreven in bijlage 3.

De partnerlanden kunnen dus een specifieke strategie uitwerken door de

ontvankelijkheidscriteria te beperken, eventuele preselectiecriteria vast te leggen en

prioriteiten te bepalen voor de selectie.

De mate waarin een dergelijke strategie is uitgewerkt, verschilt van land tot land, maar

heel wat attachés en BTC PV's zijn overtuigd van het nut ervan.

Om het uitwerken van een selectiestrategie te vereenvoudigen, stellen we de resultaten

van de enquête die werd afgenomen bij de attachés over het relatieve belang van de

verschillende ontvankelijkheids-, preselectie- en selectiecriteria (diagram 55) ter

beschikking van de posten. Het belang dat wordt toegekend aan een bepaald criterium,

wordt niet noodzakelijk weerspiegeld in de realiteit op het terrein. Het duidelijkste

124 Evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP), vzw COTA, Bruno Kervyn, Monique Munting; 2008.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 87 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

voorbeeld daarvan is ongetwijfeld het feit dat de interventie een duurzaam karakter

moet hebben.

De MI moet een locaal initiatief zijn

De MI moet duurzaam zijn

Een groep begunstigden mag slechts één MI krijgen

Thematische concentratie

Uitvoeringstermijn van max. 15 maanden over max 2

calender jaren

Gemakkelijkheid van de opvolging (hoofdstad + nabijheid

belgische aanw ezigheid)

Sectoren en thema's van de 1998 w et

De noodzakelijke middelen voor de MI zijn plaatselijk

beschikbaar

Budget lager dan 12.500€

De MI mag niet puur caritatief zijn

Aard van de doelgroep (vrouw en, geandicapten,

marginalen, straatkinderen)

Eigen inbreng van 20 %

Geografische concentratie in de ISP zone

Aantal begunstigden

Innovatie karakter van het voorstel

Concentratie rond de ISP sectoren

Ervaring en reputatie van de vragende organisatie

Voldoende expertise van de Attaché op het gebied van de

voorstellen

Een enkel MI per ondersteuning organisatie

Officiëel statut van de vragende organisatie

Materiële aard van de MI

De MI is niet gecofinancierd door andere donoren

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 88 / 135

5,9

5,7

6,3

6,2

6,2

6,7

7,3

7,1

7,1

7

7,6

7,6

7,6

7,5

8,1

8

7,9

7,9

7,9

8,2

9,3

0 2 4 6 8 10

Diagram 55: Mate waarin de attachés een bepaald ontvankelijkheids-/selectiecriterium belangrijk

vinden; geklasseerd van prioritair (10) tot 'zelden gebruik' (0)

5.3.5. Selectieprocedure

Wordt de procedure voor selectie en goedkeuring van

de voorstellen zoals vermeld in de ACTT integraal

toegepast?

Is de selectie van de MI onderw orpen aan een

voorafgaand bezoek ter plaatse?

Stopt de semectie w anneer er geen goede voorstellen

meer zijn, zelfs als het budget nog niet is opgebruikt?

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Attachés 52,8

Attachés 50

Attachés 75

BTC PV's 64,3

BTC PV's 57,1

Diagram 56: informatie omtrent de selectieprocedure (in % van de antwoorden)

9


Betrokkenheid van de verschillende partijen bij de selectie:

Evaluatie van de strategieën en processen

In sommige gevallen beslist de attaché alleen over de uiteindelijke selectie, in andere

gevallen beslissen de attaché en de PV BTC samen, en in nog andere gaat het om een

gezamenlijke beslissing van de attaché, de PV BTC, een vertegenwoordiger van het

partnerland, een vertegenwoordiger van de civiele maatschappij en vertegenwoordigers

van andere donoren die een vergelijkbaar programma hebben.

In de gevallen waarin andere donoren worden uitgenodigd en actief deelnemen, wordt

België ook gevraagd om deel te nemen aan de selectieprocedure van deze laatsten. Deze

werkwijze beperkt het risico op dubbele financiering, maar houdt wel in dat men tijd

moet vrijmaken voor het bestuderen, zelfs al was het maar oppervlakkig, van de

dossiers.

Wanneer men het niet eens wordt, bijvoorbeeld over de relevantie of de

levensvatbaarheid, is het altijd de attaché (het samenwerkingsbureau) die beslist.

Het feit dat de bepalingen van de ACTT inzake selectie niet worden nageleefd, is

hoofdzakelijk toe te schrijven aan:

- vertragingen in de selectieprocedure die zelf soms het gevolg zijn van een

laattijdige ondertekening van die ACTT; en

- het feit dat de Plaatselijke Vertegenwoordiging van de BTC niet of te weinig

betrokken is bij de beslissing rond de ontvankelijkheid en de preselectie. De ACTT

stelt evenwel: "De attaché beslist over de ontvankelijkheid van de voorstellen in

samenspraak met de permanente vertegenwoordiger van de BTC"; "de

ontvankelijke dossiers worden overgemaakt aan de Vertegenwoordiging"; "in

geval van risico kunnen er door de plaatselijke vertegenwoordiger

terreinbezoeken worden gepland"; "er kan gezamenlijk een preselectie worden

gedaan"; "de Attaché en de plaatselijke vertegenwoordiger beslissen over de

selectie... en ondertekenen samen het selectierapport."

In de meeste gevallen wordt er een modus vivendi gevonden voor de verdeling van de

taken. Zelfs al zouden de instructies strikt worden toegepast, dan nog kunnen begrippen

als 'in samenspraak met' en 'gezamenlijke selectie' niet op een eenduidige manier

worden geoperationaliseerd.

De ontvankelijke voorstellen worden slechts in een kleine meerderheid van de landen

bezocht, ofwel gezamenlijk, ofwel apart door de attaché, de PV BTC, de

programmaverantwoordelijke op de ambassade, de programmaverantwoordelijke van de

PV BTC, een junior expert, een medewerker die goed op de hoogte is van de

thematiek,... Wanneer dit niet systematisch gebeurt, worden er bezoeken georganiseerd

in geval van twijfel, ondanks een algemeen positieve indruk, of door de BTC in de

periode tussen de selectie en de ondertekening van de overeenkomst. Het spreekt voor

zich dat de personen die een voorafgaand terreinbezoek uitvoeren een doorslaggevende

invloed hebben op de selectie. De middelen die noodzakelijk zijn voor de

terreinbezoeken, maar ook de mogelijke resultaten van die voorbereidende bezoeken,

beïnvloeden de efficiëntie op zeer verschillende wijze naargelang de aard van de microinterventie

en de kwalificaties van de potentiële begunstigden. In sommige landen

vinden er identificatiebezoeken plaats om contact te leggen met de begunstigde

gemeenschappen met het oog op de definitieve selectie van de dossiers die in

aanmerking komen voor financiering. De beschikbare middelen, als die bestaan, laten

evenwel niet toe om te controleren of de voorgestelde interventie optimaal kan

beantwoorden aan de door de gemeenschappen geformuleerde behoeften, rekening

houdend met de capaciteiten van deze laatsten.

Uit de analyse van de landenrapporten blijkt dat er enkele zeldzame gevallen zijn waarin

een micro-interventie eerst werd goedgekeurd en vervolgens geannuleerd om diverse

redenen (er was ondertussen een andere financiering gevonden, het vereiste zeer

gespecialiseerde personeel was niet meer beschikbaar, er was een groot verschil tussen

wat er werd beschreven in de fondsaanvraag en de realiteit op het terrein,...).

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 89 / 135


5.3.6. Beheer, uitvoering, opvolging en evaluatie

5.3.6.1. Mobilisering van de middelen

De microinterventie heefd al de beloofde fondsen

ontvangen (85 antw oorden)

De promotor van de MI of de begunstigde organisatie

heeft tot de financiëele middelen bijgedragen zoals

voorzien (47 antw oorden)

De begunstigden van de MI hebben tot het uitvoeren

van de activiteiten bijgedragen zoals voorzien (60

antw oorden)

De plaatselijke verantw oordelijke heeft al de fondsen

gebruikt zoals voorzien in het voorstel (good

governance van de lokale partner / heeft geen

Evaluatie van de strategieën en processen

0 20 40 60 80 100

Diagram 57: mate waarin de verschillende middelen werden geleverd vergeleken met de beloftes

en voorzieningen. (in % van het aantal antwoorden)

Op het vlak van de middelen, blijkt uit diagram 57 hierboven het volgende:

- België stort volledig de beloofde fondsen. In de enkele uitzonderlijke gevallen

waarin niet het volledige bedrag werd gestort, is dit omdat de procedures inzake

rapportage niet werden nageleefd of omdat de micro-interventie niet tot op het

einde werd geïmplementeerd.

- Wat betreft de financiële bijdrage van de promotor of de begunstigde organisatie,

wordt volgens de evaluatoren meer dan 80% van de voorziene bedragen ook

effectief gestort. De micro-interventies die het op dit gebied niet goed doen,

worden hoofdzakelijk geleid door organisaties die hun 'persoonlijke' bijdrage

halen bij een andere donor en niet uit verkoopbare goederen of fondsen die ze

halen uit bijdragen van leden.

- Niet alle micro-interventies lenen zich tot een bijdrage van de begunstigden. Bij

op infrastructuur gerichte micro-interventies bijvoorbeeld, kunnen werkloze

jongeren bijvoorbeeld vrijwillig meewerken als ongeschoolde arbeidskrachten.

Dit geldt evenwel niet voor de bouw van een leslokaal voor jonge blinden. De

evaluatie heeft uitgewezen dat de bijdrage van de begunstigden aan de financiële

middelen zeer approximatief werd vertaald in financiële termen (soms sterk

overschat, soms sterk onderschat).

- Tot slot specialiseren enkele tussenpersonen zich soms in het uitwerken van

voorstellen voor eindbegunstigden, soms zelfs ten gunste van zichzelf. De

evaluatie bevestigt dit maar brengt de praktijk wel terug tot zijn echte (en

beperkte) omvang.

5.3.6.2. Uitvoering van de activiteiten

Uit de evaluatie is gebleken dat de activiteiten die worden voorzien voor een microinterventie

algemeen genomen worden geïmplementeerd 125 . Maar er werden ook kleine

en grote problemen vastgesteld. In sommige micro-interventies werden de activiteiten

wel uitgevoerd maar werd geen bevredigende mate van uitvoering bereikt. Wat betreft

de realisatie van de activiteiten zijn er geen grote verschillen tussen de micro-

125 We hebben geen uitspraak kunnen doen over een aantal micro-interventies die van start zijn gegaan in

2010 en die nog niet beëindigd waren.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 90 / 135

83

86

93

99


Evaluatie van de strategieën en processen

interventies van materiële aard en de micro-interventies van immateriële aard: de

materialen worden geleverd, de uitrusting wordt aangekocht, de opleidingen,

evenementen, seminaries worden georganiseerd, diverse diensten worden geleverd,...

100,0

80,0

60,0

40,0

20,0

0,0

zeer zwak

2,5 3,8 7,5

zwak

matig

voldoende

Diagram 58: indeling van de micro-interventies op basis van de mate waarin de voorziene

5.3.6.3. Beheer

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 91 / 135

12,5

goed

73,8

activiteiten werden gerealiseerd (in % van 80 antwoorden)

Het MIP werd altijd gekenmerkt door een systeem van gezamenlijk beheer door

verschillende partijen, door een decentralisering op het terrein en door een min of meer

ruime flexibiliteit.

Het MIP wordt beheerd op de zetel van de BTC in Brussel door een voltijdse

medewerker. De dossierverantwoordelijke van de DG-D is vooral betrokken bij de

behandeling van de jaarlijkse conventie tot tenuitvoerlegging en bij de controle op de

naleving van deze overeenkomst door de betrokken partijen.

De antwoorden op de vragenlijsten die naar de mensen op het terrein werden gestuurd,

bevestigen dat de uitvoering vooral de bevoegdheid is van de BTC, hoewel de attachés

soms betrokken worden en in sommige landen uitsluitend in zaken die politiek gevoelig

liggen of in de controlebezoeken.

Zoals we al enkele malen aanhaalden in dit rapport wijzen zowel de attachés als de PV

BTC systematisch op het gebrek aan middelen, zowel voor de voorbereiding als voor de

begeleiding, opvolging, controle, rapportage en evaluatie. De terreinmissies hebben een

bijkomend probleem aan het licht gebracht, met name dat wanneer er menselijke

middelen (duur wat betreft de loonkost) aanwezig zijn op de ambassade en/of de PV

BTC, er geen materiële (voertuigen,...) of financiële middelen (budget voor

missiekosten) zijn om de efficiëntie te optimaliseren.

De onderstaande grafiek geeft bij wijze van voorbeeld enkele gemiddelde waarden voor

de belangrijkste stappen in de uitvoering van een interventie. Aangezien het aantal

micro-interventies per land sterk varieert, kunnen we uit de gemiddelde tijden die

worden besteed aan het programma enkel afleiden dat de PV BTC er ongeveer tweemaal

zoveel tijd aan besteedt als de ambassade.

De frequentie en de grondigheid van de opvolging variëren sterk van het ene land tot het

andere en/of van de ene donor tot de andere. Er zijn inderdaad landen waar alle microinterventies

systematisch worden bezocht voor en/of tijdens en/of op het einde van de

uitvoering ervan. In andere landen gebeurt de opvolging 'op dossier' en via de

rapportage, vooral financieel, al dan niet aangevuld met foto's van de realisaties.

Zoals we hierboven al schreven, worden het jaarlijkse karakter van de ACTT en het

daaraan gekoppelde budget door bijna iedereen aangehaald als een rem op het goede

beheer van het MIP.


Evaluatie van de strategieën en processen

Voor de mensen in Brussel die betrokken zijn bij het MIP, gebeurt de uitvoering van het

MIP "zonder al te veel problemen."

Gemiddelde tijd die de Ambassade besteed aan het

programma

Gemiddelde tijd die de BTC plaatselijke

vertegenw oordiging besteed aan het programma

Gemiddelde tijd tussen ontvangst van de selectie PV

en de ondertekening van de (eerste) contracten

Gemiddelde tijd noodzakelijk voor de ondertekening

van al de contracten van het eerste selectie PV

Gemiddelde tijd tussen de ondertekening van het

contract en het storten van de eerste schijf

Gemiddelde tijd tussen aanvraag volgende schijven

en het storten daarvan

0 20 40 60 80 100 120

Ambassade 67

28 dagen

45 dagen

11,6 dagen

22 dagen

BTC PV 111 dagen

Diagram 59: Gemiddelde tijd besteed aan het MIP (in personen x dagen) en de uitvoering van

Wordt het aantal of het budget voor de MI aangepast

aan de beschikbare middelen binnen de Ambassade /

de BTC plaatselijke vertegenw oordiging?

Is de attaché op het ene of op het andere manier

betrokken bij het uitvoeren van de MI ?

Is het ondertekenen van de conventie afhankelijk van

een voorafgaand bezoek ter plaatse ?

Zijn regelmatige bezoeken systematisch voorzien

tijdens de uitvoering ?

Hebben jullie op locaal niveau en specifiek voor het

partnerland, een opvolgings handleiding en op te

volgen principes opgesteld ?

Is de rapportage procedure, zoals beschreven in de

ACTT integraal toegepast ?

bepaalde fasen (in kalenderdagen)

0 20 40 60 80 100

Attachés 38,9

BTC PV 14,3

Attachés 40

BTC PV 50,6

BTC PV 21,4

BTC PV 78,6

Attachés 64,3

BTC PV 100

Diagram 60: Informatie over het beheer, de uitvoering, de opvolging en de evaluatie van het

programma (in % van de antwoorden)

Op de DG-D zijn de activiteiten met betrekking tot het programma eerder beperkt en

toegespitst op de jaarlijkse ACTT. Deze overeenkomst wordt trouwens vaak met

vertraging ondertekend. De jaarlijkse rapportage die door de overeenkomst wordt

voorzien, wordt tijdig overgemaakt aan de DG-D, maar wordt daarna niet echt gebruikt.

Ze wordt niet gelezen en rechtstreeks geklasseerd. Het rapport mag dan al volledig aan

de bepalingen van de ACTT voldoen, het strategische nut ervan is eerder beperkt of zelfs

onbestaand.

Het gebrek aan middelen voor het beheer van de fondsen voor microprojecten is een

constante bij alle gecontacteerde donoren, maar is wel duidelijker bij sommigen dan bij

anderen. Canada bijvoorbeeld, besteedt toch 15 procent van het budget aan de

aspecten identificatie, opvolging en evaluatie. Om het gebrek aan middelen op te

vangen, maken diverse programma's die in de benchmarking werden bestudeerd,

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 92 / 135


Evaluatie van de strategieën en processen

gebruik van trucs: ze beperken zich tot gebieden dicht bij de hoofdstad, beperken de

financiering tot eenvoudige activiteiten zonder groot fiduciair risico, houden het aantal

interventies zeer laag,...

5.3.6.4. Technische fiche

De technische projectfiches worden niet in alle landen gebruikt.

De analyse van de individuele rapporten maar vooral de studie van de dossiers in de 6

bezochte landen tonen aan dat de voorstellen niet worden uitgewerkt aan de hand van

de DIP-methode, maar eerder via een 'omgekeerde' interventielogica die vertrekt van

een beschikbaar bedrag (vaak het maximum) om zo tot de activiteiten en de

productiemiddelen te komen.

De standaardformulieren die de aanvragers moeten indienen (zie bijlage 11) bevatten

wel de nuttige rubrieken (algemene doelstelling, specifieke doelstelling, resultaten,

activiteiten...) met uitleg over deze termen, maar we kunnen alleen maar vaststellen dat

deze 'vakken' vaak zonder veel nadenken worden ingevuld. Bovendien worden deze

standaardformulieren niet in alle landen gebruikt.

De BTC speelt bij het opstellen van het 'FTD' vaak een grotere rol dan voorzien in de

ACTT. De eerste versie die naar de attaché wordt gestuurd, wordt vaak aangevuld door

de PV BTC om tot een beter realiseerbaar project te komen. Dit is uiteindelijk niet meer

dan logisch in die zin dat de BTC daarna zal instaan voor het beheer van de uitvoering.

Het is tot slot de overeenkomst die tussen de BTC en de begunstigde vereniging wordt

ondertekend, die de enige echte te volgen technische en financiële elementen bevat.

5.3.6.5. Opvolging

In de praktijk gebeurt de opvolging in alle landen op een andere manier, aangezien het

gedecentraliseerde beheer van het programma, de teksten en de principes een grote

flexibiliteit mogelijk maken.

We zagen al (onder punten 4.2. en 4.3.) dat de opvolging een invloed had op de

doeltreffendheid.

De boekhoudkundige verantwoording van de uitgaven krijgt voorrang omdat met de

normale werkingsbudgetten enkel de boekhoudkundige opvolging wordt gedekt 126 . We

stellen vast dat het goed werd aangekocht, de dienst werd geleverd en de

boekhoudkundige stukken kloppen. Er lijkt een zeker verband te bestaan tussen het

aantal keren dat een micro-interventie wordt bezocht en de nabijheid van de zetel van

de ambassade en de PV BTC 127 .

In sommige landen waar het jaarlijkse aantal micro-interventies rond de 10 schommelt,

werden er toch inspanningen geleverd ondanks de weinige middelen die beschikbaar zijn

voor een kwalitatieve opvolging van de interventies. In ten minste één land werden alle

micro-interventies minstens eenmaal per jaar bezocht. In andere landen, met name in

de DRC die een enorme oppervlakte heeft en waar er geregeld een honderdtal microinterventies

per jaar zijn, is een dergelijke opvolging uiteraard onmogelijk.

126 Evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP), vzw COTA, Bruno Kervyn, Monique Munting; 2008.

127 Meerdere vermeldingen in de rapporten: "Dit MIP werd bezocht omdat het dicht bij... ligt". Met daarbij

vermeld dan de naam van de hoofdstad.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 93 / 135


5.3.6.6. Rapportage van de BTC aan de DG-D

Evaluatie van de strategieën en processen

De rapportageprocedure wordt beschreven in punt 2.6.6, pagina 35, en in bijlage 8

wordt een afzonderlijke beoordeling van de rapporten met betrekking tot de

programma's in elk land gegeven.

Naargelang het land en de verantwoordelijken in dat land, bevat het beschrijvende

gedeelte al dan niet enkele indicaties over de naam van de tussenorganisatie, de plaats

waar de micro-interventie gebeurt, de totale kosten, de bijdrage van de Belgische

ontwikkelingssamenwerking, het aantal en de aard van de begunstigden, de sector, de

doelstelling(en), het percentage vrouwen onder de begunstigden...

Wanneer de doelstellingen al worden vermeld, zijn ze niet duidelijk en worden ze vaak

uitgedrukt in termen van activiteiten. Een voorbeeld: de doelstelling is om een klaslokaal

te bouwen, niet om opgeleide kinderen te krijgen.

Het is ook duidelijk dat er maar heel weinig tijd wordt besteed aan het opstellen van die

rapporten. Zo bevatten rapporten bijvoorbeeld delen die volledig zijn gekopieerd van de

voorgaande jaren, zijn ze niet volledig en zijn ze systematisch niet ondertekend. Dit

toont aan dat de rapportage wordt gezien als een administratieve verplichting maar ook

dat er gewoonlijk weinig feedback komt van de attachés en de verantwoordelijken op de

zetels van de DG-D en de BTC, en dat er gewoonlijk eerder weinig belang wordt gehecht

aan deze eventuele feedback en het programma.

We kunnen stellen dat de informatie in de rapporten van de BTC algemeen genomen

lacunes bevat (zij het dat die verschillen van land tot land en van de ene PV BTC tot de

andere in eenzelfde land). In sommige landen merkten we dat er pogingen werden

ondernomen om de rapportage te verbeteren: volledigere individuele rapporten,

inplantingskaart (eveneens ten opzichte van de gebieden van het ISP), duidelijk

gedefinieerde doelstellingen,...

5.3.6.7. Capaciteitsopbouw

Ter herinnering is sinds 2009 "een deel van het budget, dat niet meer bedraagt dan 5%

van het totale jaarbudget, lokaal beschikbaar voor de opleiding van de begunstigden met

name om de kwaliteit en de duurzaamheid te verbeteren en de capaciteiten van de

doelgroepen te versterken"

Dit budget wordt soms gebruikt om het gebrek aan middelen die nodig zijn voor de

opvolging, te verhelpen. In andere landen werd deze bepaling nooit toegepast.

5.3.6.8. Evaluatie

Iedereen lijkt het erover eens dat de evaluatie van het MIP als programma en als

instrument de verantwoordelijkheid is van de Staat.

Het evaluatierapport (COTA, 2008) werd door meerdere personen van de DG-D en de

BTC gelezen, maar volgens heel wat respondenten werd er maar weinig gevolg gegeven

aan de aanbevelingen of zijn die gevolgen onbekend.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 94 / 135


Conclusies en meningen over de toekomst

6. Conclusies en meningen over de toekomst van

het programma

6.1. Conclusies

6.1.1. Wettelijk en regelgevend kader

Het wettelijke en regelgevende kader is incoherent. Het is verdeeld over meerdere

teksten die werden geschreven in een periode van meer dan 10 jaar en die bestemd zijn

voor verschillende gebruikers. De teksten bevatten elementen die vatbaar zijn voor

interpretatie en elkaar soms tegenspreken, en leggen voor sommige procedures

deadlines op die moeilijk of helemaal niet haalbaar zijn. De ACTT is de meest bekende

en gebruikte tekst, maar het is op z'n minst verrassend dat er meermaals extra

reglementeringen werden opgelegd zonder dat er enige orde werd gecreëerd.

De koppeling van het MIP aan artikel 5 van de wet op de BTC (directe bilaterale

samenwerking) is zuiver arbitrair. Het MIP vormt niet het voorwerp van een

overeenkomst tussen Staten. Doordat het MIP de voorbije jaren werd ingeschreven in

het ISP, wordt het programma nog meer in een keurslijf gedwongen.

Met het MIP zoals dat nu is opgesteld, kan er geen precieze doelgroep worden

afgebakend. Ook andere programma’s (NGO, directe financiering van de civiele

maatschappij, bilaterale projecten ter ondersteuning van lokale initiatieven en

gemeenschapsontwikkeling) zijn gericht op de versterking van de lokale

gemeenschappen.

6.1.2. Strategie

De strategie van het MIP zoals die is beschreven in de ACTT's van de voorbije 5

jaar, vertoont een gebrek aan 'logica'. De elementen waaruit ze is opgebouwd

(algemene doelstelling, specifieke doelstelling, en tussentijdse resultaten) werden niet

vertaald in SMART-termen en de oorzakelijke verbanden tussen de verschillende

elementen zijn zwak.

Zowel in de ACTT's van de voorbije jaren, de instructie van S.S. Boutmans of de

verklarende nota voor het budget van de Staat worden de vermelde doelstellingen op

zeer algemene wijze beschreven, uitermate ambitieus en totaal niet in

overeenstemming met de benadering van het programma en de beschikbare

middelen voor de uitvoering ervan in de realiteit. Het is een illusie om te denken

dat deze doelstellingen ooit kunnen worden bereikt met de middelen die op dit moment

zijn voorbehouden voor het programma, via een benadering met kleine, gerichte

interventies en gebruik makend van het huidige wettelijke en regelgevende kader. De

doelstellingen worden bovendien niet expliciet voortgezet. Het MIP is geen

programma dat continuïteit beoogt; het is eerder een gedecentraliseerd

instrument voor de financiering van kleine, gerichte interventies.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 95 / 135


6.1.3. Relevantie

Conclusies en meningen over de toekomst

De evaluatoren zijn niet van mening dat het MIP relevant is op het gebied van

ontwikkelingshulp. Het is niet ingebed in de prioriteiten van het partnerland en

beantwoordt niet aan een strategische benadering, noch vanwege de partner, noch

vanwege de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Door zijn werking op basis van een

eenmalige subsidie zonder enige andere dan administratieve begeleiding, gaat het

voorbij aan elementen zoals duurzaamheid en partnerschap die inherent zijn aan elk

ontwikkelingsproces. Bovendien is het moeilijk in te passen in de nieuwe

hulpmodellen, met name de millenniumdoelstellingen, de Verklaring van Parijs, de

sectorale benadering en de Europese consensus over ontwikkelingssamenwerking.

Op het niveau van de individuele interventies is het MIP echter een zeer flexibel

instrument waarmee snel en op een soepele en gerichte manier kan worden ingegrepen

om op kleine schaal reële problemen op te lossen die soms niet of slechts moeilijk

andere financieringsbronnen zouden kunnen vinden. Het programma maakt het mogelijk

om rechtstreeks een antwoord te bieden op het/de vastgestelde proble(e)m(en) of om

aanvragen van begunstigden snel te financieren.

Voor sommige ambassades vormt het MIP ook een goed middel om in contact te komen

met de realiteit op het terrein. Zoals de programma's voor kleine ambassadeprojecten

van andere donoren, heeft het MIP een logica die gericht is op het behalen van directe

resultaten.

Het heeft meer weg van vrijgevigheid dan van ontwikkelingshulp.

De begunstigden van de micro-interventies worden geval per geval gedefinieerd. Ze

worden geselecteerd op basis van zeer variabele criteria en behoren niet altijd tot de

minder begunstigde lagen van de bevolking.

Dit neemt niet weg dat het MIP een relatief hoog aantal begunstigden kan bereiken.

In de meeste gevallen beantwoorden micro-interventies aan de verwachtingen van de

begunstigden. Ze komen vooral tegemoet aan hun directe behoeften aan middelen en

materiaal. Toch ontbreekt er bijna altijd een visie op middellange en lange termijn. Het

probleem dat wordt opgelost is niet noodzakelijk het dringendste of belangrijkste van de

begunstigde gemeenschap.

In de overgrote meerderheid van de gevallen krijgen de begunstigden toegang tot de

financiering van een micro-interventie via een lokale tussenpersoon die een

financieringsvoorstel in gepaste bewoordingen kan schrijven en die over de nodige

communicatiemiddelen (internet) en contacten met de Belgische ambassade beschikt.

Het begrip oneerlijke concurrentie (die de micro-interventies moeten voorkomen) is

slecht gedefinieerd en wordt niet in alle posten op dezelfde manier geïnterpreteerd. Het

zijn vaak de personen of groepen die al deel uitmaken van het "systeem" die effectief

van de subsidie genieten.

Heel wat micro-interventies nemen op zeer kleine schaal de taken en

verantwoordelijkheden over die normaal voor rekening van het partnerland zijn.

6.1.4. Doeltreffendheid

Op het niveau van het Programma bereikt het MIP slechts gedeeltelijk het

beoogde doelpubliek, met name de basisgemeenschappen. De resultaten bereiken

enkel de rechtstreeks begunstigde groep en diens directe omgeving.

De zichtbaarheid van België en het gebruik van het MIP voor PR-doeleinden worden door

sommige gesprekspartners, vooral binnen de Belgische ambassades, als heel belangrijk

bestempeld. Bij de beoordeling werd overigens vastgesteld dat de micro-interventies die

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 96 / 135


Conclusies en meningen over de toekomst

gericht zijn op PR of zichtbaarheid wat betreft de bereikte resultaten niet minder

doeltreffend zijn dan de andere. Ze worden meestal uitgevoerd door vertrouwde

personen of instanties, wat het fiduciaire risico beperkt.

Zowel in partnerlanden met een groter budget als in minder bevolkte landen en zelfs in

het kleinste land zijn de resultaten van het MIP op nationale schaal niet meer dan een

druppel water op een hete plaat. De resultaten, die uiteraard waardevol zijn voor de

begunstigden, volstaan niet om een synergie of multiplicatoreffect teweeg te brengen.

Als we naar de afzonderlijke micro-interventies kijken, stellen we vast dat de overgrote

meerderheid de directe resultaten (output) die voorzien waren, bereikt. Dit kan worden

verklaard door het feit dat het doel van de micro-interventies vaak bestaat in de

aankoop van materiaal en/of apparatuur, of in het uitvoeren van activiteiten.

Aangezien de resultaten op middellange termijn (outcomes) van de micro-interventies

nagenoeg nooit worden gedefinieerd, kunnen we geen objectieve conclusies trekken over

de mate waarin deze worden bereikt.

Vaak volstaat de Belgische steun via een micro-interventie niet om de door het

financieringsvoorstel beoogde problemen definitief op te lossen. Men creëert geen

maatschappelijk draagvlak met one-shot financieringen zonder begeleiding.

Het aandeel van de micro-interventies die exclusief of sterk gericht zijn op vrouwen of

meisjes is de voorbije 2 jaar (2008-2010) sterk toegenomen. Toch zijn er maar heel

weinig micro-interventies die het economische en/of sociale statuut van de vrouwen echt

verbeteren.

6.1.5. Efficiëntie

Het is niet bewezen dat het MIP in zijn geheel minder efficiënt is dan een traditioneel

project dat over eenzelfde budget beschikt, hoewel velen denken dat dit wel zo is.

De evaluatie heeft aangetoond dat de efficiëntie van het MIP zou kunnen

worden verbeterd, met name door een betere taakverdeling tussen de verschillende

actoren, door betere strategische keuzes op het vlak van de ontvankelijkheids- en

selectiecriteria en door de sectorale, thematische en geografische ambities en de

nagestreefde resultaten beter af te stemmen op de beschikbare materiële en menselijke

middelen.

Hoewel het logisch lijkt dat een verhoging van de middelen voor het MIP de

doeltreffendheid ervan zou verbeteren, is niet bewezen dat dit ook de efficiëntie

(uitgedrukt in de kosten-/resultatenverhouding) ten goede zou komen.

De efficiëntie van de afzonderlijke micro-interventies varieert sterk en hangt met

name samen met het aantal begunstigden, het kwalificatieniveau van de doelgroep, de

bijdrage van de begunstigden, een eventuele medefinanciering door andere donoren, de

aard van de activiteiten en de naleving van de termijnen.

6.1.6. Duurzaamheid

Het criterium duurzaamheid kan enkel redelijkerwijze beoordeeld worden op niveau van

de individuele micro-interventies. Voor 9 op 10 attachés is de mogelijke duurzaamheid

van de micro-interventies een belangrijk selectiecriterium. In werkelijkheid denkt

minder dan de helft van de attachés dat de micro-interventies duurzaam zijn,

en de evaluatoren zijn nog pessimistischer.

Onze enquêtes hebben aangetoond dat minder dan 50 procent van de micro-interventies

financieel levensvatbaar zijn op termijn en maatregelen hebben genomen om het

materiële en menselijke kapitaal te behouden.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 97 / 135


Conclusies en meningen over de toekomst

Eveneens in minder dan 50 procent van de gevallen, wordt datgene wat met behulp van

de micro-interventie werd gerealiseerd op zekere wijze gebruikt.

Meer dan 80% van de bezochte verenigingen hebben de intentie om naar een andere

financiering op zoek te gaan bij België of een andere donor. Hieruit leiden we af dat de

door de micro-interventie geleverde interventie dus niet volstond. Om duurzame

resultaten te bereiken is een grotere (budgettair gezien), meer regelmatige en langere

steun nodig.

6.1.7. Impact

De impact wordt heel algemeen genomen beschouwd in termen van resultaten op lange

termijn, mate waarin de algemene doelstelling wordt gerealiseerd en de veranderingen

in de gemeenschap waarbinnen de interventie heeft plaatsgevonden

Het MIP werd niet ontwikkeld om een verregaande sociale impact te realiseren.

Aangezien de beoogde doelstellingen totaal niet in verhouding staan tot de

beschikbare middelen, heeft het MIP geen of maar heel weinig impact wat betreft het

terugdringen van de armoede, verbetering van de economische, sociale en culturele

situatie, autonomie van de basisorganisaties, versterking van de rechtstaat en

versterking van de civiele maatschappij of de democratie. Het bevorderen van het

respect voor de menselijke waardigheid en de mensenrechten, met name via de strijd

tegen elke vorm van discriminatie op sociale, etnische, religieuze, filosofische of

gendergerelateerde gronden, valt eveneens volledig buiten het terrein van de microinterventies

en de ambities op dit vlak zijn niet realistisch.

Op basis van de vaststellingen tijdens onze terreinmissies zijn we van oordeel dat een

klein aantal micro-interventies de levensomstandigheden van de begunstigden en hun

directe omgeving duidelijk op een duurzame manier verbetert.

6.1.8. Coherentie, coördinatie en complementariteit

Het MIP is maar weinig coherent met het beleid van de partnerlanden, in die zin dat de

programmering niet gebeurt op basis van een analyse van de sectoren waar de Staat

actief is en de sectoren waar de Staat maar moeilijk een sociaal vangnet voor de meest

achtergestelde groepen kan ontwikkelen. Dit staat een echte complementariteit in de

weg en verhoogt het risico dat het MIP de rol inneemt die normaal voor het partnerland

is voorzien. In de praktijk nemen heel wat micro-interventies de normale rol van de

overheid volledig of gedeeltelijk over 128 .

Het MIP is in hoofdzaak een Belgisch programma. Het overleg met het partnerland is

heel beperkt.

Met uitzondering van de culturele mainstreaming die door de ACTT wordt opgelegd, is

het MIP coherent met het Belgische beleid inzake ontwikkelingssamenwerking.

Het programma volgt, althans op papier, geografisch, sectoraal en thematisch de grote

assen die in de wet worden gedefinieerd.

We moeten hier opmerken dat de Belgische ontwikkelingssamenwerking beschikt over

een ander instrument voor de directe financiering van de civiele maatschappij. De

128 We hebben het hier bijvoorbeeld over micro-interventies voor de bouw en/of

inrichting van een klaslokaal of een polikliniek waarbij de volledige bevolking gebaat is.

We hebben het hier niet over micro-interventies van sociale aard ten gunste van

achtergestelde groepen voor wie een zekere overname van de rol van de staat

gerechtvaardigd is.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 98 / 135


Conclusies en meningen over de toekomst

uitvoeringswijze en het financieringsniveau hiervan verschillen echter grondig van die

van het MIP.

De evaluatoren hebben maar weinig coherentie met de prioriteiten van het ISP

vastgesteld, en nagenoeg geen coördinatie met de bilaterale projecten van het ISP.

Bovendien dwingt de inschrijving van het MIP in het ISP met de beschrijving van de

procedures en de vastlegging van een budget het MIP veeleer in een keurslijf dan in een

kader.

Alle donoren die over een instrument beschikken dat vergelijkbaar is met het MIP,

hebben gelijkaardige doelstellingen die gericht zijn op een duurzame menselijke

ontwikkeling, op het verbeteren van de levensomstandigheden en het bestrijden van de

armoede. De meeste van deze donoren beschouwen deze 'lokale fondsen' als een

domein waarover de ambassade exclusief kan beslissen. De ambassades van diverse

andere donoren beheren een klein programma van minder dan tien projecten per jaar.

Het Belgische MIP staat iets meer open voor de Staat en de civiele maatschappij van

bepaalde partnerlanden dan de programma's van andere donoren. De onderlinge

coördinatie ter zake tussen de donoren verschilt sterk van land tot land en gebeurt vaak

op een informele manier. Ze gaat zelden verder dan een uitwisseling van informatie met

als grootste bezorgdheid het vermijden van dubbele financieringen.

6.1.9. Procedures

We hebben al gezien dat het wettelijke en regelgevende kader diverse bepalingen bevat

die elkaar tegenspreken of onmogelijk kunnen worden gerealiseerd binnen de opgelegde

termijnen. De procedures worden dus enkel 'in de mate van het mogelijke' toegepast,

wat de flexibiliteit van het gedecentraliseerde programma nog vergroot.

Het feit dat dit programma in grote mate gedecentraliseerd is, resulteert in een kloof

tussen het terrein en Brussel. De verschillen in opvatting tussen de attaché en de PV BTC

zijn gewoonlijk beperkt, logisch en duidelijk te verklaren. Er worden reële inspanningen

geleverd - zij het niet systematisch - om de procedures te verbeteren en rationaliseren:

opleidingen, coördinatievergaderingen, toepassing van aanbevelingen uit eerdere

evaluaties, zoeken naar synergieën met het bilaterale programma, coördinatie met

andere donoren,...

De jaarlijkse begrotingsprogrammering per land bouwt niet voort op een

interventielogica maar vloeit eerder voort uit een beheer dat gericht is op de beschikbare

middelen. Er gebeuren overdrachten van de ene ACTT naar de andere, wat de

doeltreffendheid en efficiëntie niet noodzakelijk ten goede komt.

De selectie van de micro-interventies lijdt onder diverse grote problemen, met name:

- het grote aantal aanvragen,

- de lage kwaliteit van de financieringsvoorstellen,

- het gebrek aan middelen om een 'ex-ante' screening uit te voeren, en

- het feit dat maar zeer weinig posten een echte selectiestrategie hebben die is

gebaseerd op vooraf bepaalde, geharmoniseerde, gerichte en objectieve

ontvankelijkheids- en selectiecriteria.

- De voorziene middelen voor het beheer van het MIP in de partnerlanden volstaan

niet voor de opvolging en begeleiding van de zwakste en meest kwetsbare

groepen.

Daarentegen is voor de micro-interventies die worden gesuperviseerd door een

tussenorganisatie (of zelfs een erkend vertrouwenspersoon) maar weinig of helemaal

geen opvolging nodig.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 99 / 135


Conclusies en meningen over de toekomst

Bij gebrek aan middelen krijgen de boekhoudkundige opvolging en rapportage voorrang

op de opvolging van de activiteiten en de resultaten.

De narratieve rapportage door de begunstigde organisaties aan de BTC, en door de BTC

aan de Belgische Staat, beantwoordt aan wat wordt voorgeschreven in de ACTT, maar

maakt geen strategische sturing van het MIP mogelijk.

6.2. Meningen van de verschillende actoren over de

toekomst van het MIP

Onvoorw aardelijk voortzetting

van het MIP ( ja exclusief)

Het is te vroeg om zich voor

het behoud uit te spreken

Behoud van het MIP maar

verbeteringen zijn mogelijk

Behoud van het MIP op

voorw aarde van

veranderingen

Afschaffen van het MIP tenzij

er verbeteringen komen

Onvoorw aardelijk afschaffen

van het MIP (ja exclusief)

De bilaterale verankering

versterken en het MIP binnen

het ISP inschrijven

Fusie van het MIP met andere

instrumenten van de

Belgische samenw erking

Fusie van het MIP met het

programma van steun aan de

civiele maatschappij

Integratie in locale

ontw ikkelingsstrategieën

Meer betrokkenheid van de

Belgische / locale NGO's bij

de uitvoering

0 20 40 60 80 100

CTB PV's 0

CTB PV's 6,7

Attachés 8,3

CTB PV's 6,7

Attachés 16,7

CTB PV's 0

Attachés 20

Attachés 12,5

Attachés 33,5

CTB PV's 14,3

Attachés 12,5

Attachés 37,5

CTB PV's 57,1

CTB PV's 61,5

CTB PV's 46,7

CTB PV's 60

Attachés 59,1

Attachés 70,8

CTB PV's 93,3

Diagram 61: meningen van de attachés en de PV's BTC over de toekomst van het programma (in %

van de antwoorden)

In Brussel blijkt uit de interviews dat er bij de DG-D, inclusief bij de attachés die tijdelijk

op de zetel werkzaam zijn, maar in mindere mate ook bij de BTC, heel wat voorstanders

zijn van een stopzetting van het programma. Ze zijn die mening vooral toegedaan

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 100 / 135


Conclusies en meningen over de toekomst

omwille van het relatief hoge prijskaartje van het programma. Er zou dan kunnen

worden gedacht aan een verschuiving van het budget van de MIP's naar het

financieringsprogramma voor de organisaties uit de civiele maatschappij.

De voorstanders van een voortzetting van het programma halen als rechtvaardiging voor

hun mening het specifieke karakter van het MIP en de relatieve voordelen ervan aan.

Sommigen benadrukken dat een MIP niet in alle partnerlanden kan worden gemotiveerd

en dat het eerder geval per geval zou moeten worden bekeken. Volgens hen moeten er

geen MIP's worden opgezet in landen waar de noodzaak of het nut ervan niet is

bewezen.

Op het terrein troffen we maar weinig voorstanders van een afschaffing van het

programma aan, maar er zijn er ook maar weinig die een voortzetting van het MIP in zijn

huidige vorm willen. De overgrote meerderheid van de attachés en de BTC PV's willen

dat het programma wordt behouden, maar dan met kleine of grotere aanpassingen.

Er is daarentegen niemand (ook niet in Brussel) die te vinden is voor een fusie van het

MIP met het financieringsprogramma van de organisaties van de civiele maatschappij.

Als een dergelijke fusie toch zou worden overwogen, zou de uitvoering van het

programma volledig moeten worden gedelegeerd, ofwel aan de BTC, ofwel eventueel aan

de lokale of Belgische NGO's ter plaatse.

Tot slot toont diagram 61 ook dat er binnen de BTC relatief gezien meer voorstanders te

vinden zijn voor een bilaterale verankering dan binnen de DG-D om redenen van

relevantie en efficiëntie.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 101 / 135


Opties en aanbevelingen

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 102 / 135


7. Opties en aanbevelingen

Opties en aanbevelingen

We hebben er van bij het opstartverslag voor gekozen om het programma en het

instrument te evalueren op basis van verschillende mogelijke opties voor de toekomst.

We hebben dus rekening gehouden met deze verschillende opties bij het opstellen van

de vragenlijsten die werden gebruikt in Brussel en bij de verschillende terreinmissies.

Op het einde van de procedure lijkt het ons duidelijk dat het behouden van het MIP in

zijn huidige vorm geen optie is, want zoals het gezegde luidt, "je herstelt geen oud

kleed met een nieuwe lap".

- Het micro-interventieprogramma is geen ontwikkelingsprogramma. Het is een

gedecentraliseerd en weinig geformaliseerd instrument dat eerder gerichte steun

levert aan lokale organisaties dan aan basisgroepen.

- Het wettelijke en regelgevende kader van het MIP is totaal incoherent. Dit

kader bestaat uit diverse teksten die niet op elkaar zijn afgestemd en die op

verschillende momenten op verschillende niveaus en door verschillende personen

werden opgesteld. Het bevat tegenstrijdigheden, zowel op wettelijk vlak als op

het vlak van de procedures.

- Het MIP is geen instrument voor gouvernementele samenwerking, noch voor

indirecte samenwerking. De koppeling van het MIP aan artikel 5 van de wet op de

BTC is zuiver arbitrair. Het feit dat het MIP door deze koppeling aan artikel 5

steeds vaker wordt ingeschreven in het ISP (een contractueel document met het

partnerland), ondergraaft de voornaamste kwaliteit ervan, met name zijn

flexibiliteit.

- Meer dan 50% van de gemeenschappen die van een micro-interventie konden

genieten, mag daar dan wel op een of andere manier door versterkt zijn, toch

werd de specifieke doelstelling van het MIP, namelijk "gemeenschappen die zelf

gaan instaan voor hun eigen ontwikkeling" nooit gerealiseerd. In vele gevallen

wordt de specifieke doelstelling van het MIP zelfs niet nagestreefd.

- De geest en de letter van de basisregels van het programma worden naargelang

het land en de verantwoordelijke anders geïnterpreteerd en aangepast. Hoewel

de praktijk in theorie niet is toegelaten, genieten sommige groepen van meerdere

financieringen, van micro-interventies die de concurrentie aantasten, van zuiver

caritatieve micro-interventies en van micro-interventies die vallen onder

sponsoring en mecenaat.

- Het MIP is een programma dat van start is gegaan in een periode waarin elke

donor op eigen houtje handelde. Tegenwoordig kadert het MIP helemaal niet

meer in de nieuwe hulpmodellen, in het bijzonder de Verklaring van Parijs en

de responsabilisering van het partnerland. Ook al wordt het MIP ingeschreven en

beschreven in het ISP, toch is de tussenkomst van het partnerland in het beheer

ervan, slechts minimaal. De prioriteiten van het MIP zijn vaak niet de prioriteiten

van de partner.

- Heel wat micro-interventies nemen de rol van de overheid over met name

in de gezondheidssector (uitrusting van gezondheidscentra), het onderwijs (bouw

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 103 / 135


Opties en aanbevelingen

en uitrusting van klaslokalen) en de sector van de kleine basisinfrastructuur

(bouw van culturele centra) 129 .

De vaststelling dat het MIP onmogelijk in zijn huidige vorm kan worden behouden,

brengt ons tot de volgende aanbevelingen:

A1: 2012 uitroepen tot een overgangsjaar voor het MIP.

A2: Het MIP niet vermelden in het volgende (4 e ) beheerscontract tussen de Belgische

Staat en de BTC.

A3: Het MIP in de toekomst niet meer inschrijven in de indicatieve

samenwerkingsprogramma's.

Aangezien het naar onze mening niet mogelijk is om het programma in zijn

huidige vorm voort te zetten, stellen we de overheid, de Directie-Generaal

Ontwikkelingssamenwerking en de Voorzitter van het Directiecomité van de

BTC voor om 2 mogelijkheden te bekijken die elk worden beargumenteerd met

positieve en negatieve elementen die voortbouwen op deze evaluatie.

7.1. Optie 1:

Zuivere afschaffing van het MIP.

Enkele van de belangrijkste elementen die pleiten voor een afschaffing van het MIP en

die we al hebben vermeld (zie hoger), zijn:

- Het feit dat het MIP geen ontwikkelingsprogramma is,

- Het feit dat het MIP niet binnen de gouvernementele samenwerking noch binnen

de indirecte samenwerking een plaats heeft,

- De incoherentie van het regelgevende kader,

- Het feit dat de specifieke doelstelling van het MIP in vele gevallen niet wordt

nagestreefd. Het feit dat het MIP helemaal niet meer kadert in de nieuwe

hulpmodellen.

- Tot slot het feit dat heel wat micro-interventies de rol van de overheid

overnemen.

Daar komt nog bij

- Dat het MIP niet aansluit bij de geest van de hervorming van de Belgische

ontwikkelingssamenwerking van 1999, die een scheiding beoogde tussen de

ontwerptaken van de DG-D en de uitvoeringstaken van verschillende partners via

een programmagerichte benadering. Het MIP-instrument leent zich namelijk

helemaal niet tot een programmabenadering en de BTC is niet de ideale

uitvoeringspartner voor een programma dat in werkelijkheid helemaal niet

bilateraal is.

- Dat gemeenschapsontwikkeling grotendeels ook de doelstelling is van vele NGO's

die mee gefinancierd worden door België, van het programma voor directe

financiering van de civiele maatschappij, van de samenwerking tussen steden en

gemeenten of van de projecten ter ondersteuning van de decentralisatie. Al die

129 We hebben het hier niet over micro-interventies van sociale aard ten gunste van

achtergestelde groepen voor wie een zekere overname van de rol van de staat

gerechtvaardigd is.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 104 / 135


Opties en aanbevelingen

partners zijn volgens ons beter in staat om met succes bij te dragen tot de

ontwikkeling van basisgemeenschappen.

- Dat we niets objectiefs kunnen zeggen over de resultaten van de microinterventies

op middellange en lange termijn. Als deze resultaten bestaan, is

dat enkel binnen de cirkel van de groep begunstigden en hun directe omgeving.

- Dat de laatste peer review van België door de DAC vermeldt dat de kleine

programma's van het type MIP bijdragen tot de versnippering van de

hulp.

Wanneer wordt gekozen voor de optie 'afschaffing van het MIP', willen we daar de

volgende aanbevelingen bij doen:

A4: De regeringen van de partnerlanden officieel op de hoogte brengen van het

voornemen van België om het instrument af te schaffen.

A5: De wettelijke en regelgevende bepalingen met betrekking tot het programma en het

instrument herroepen.

A6: Voor de landen waarvoor het programma specifiek wordt vermeld in het ISP, het

MIP laten uitdoven op het einde van de looptijd van het ISP of met de betrokken

regeringen een eventuele nieuwe bestemming voor de resterende budgetten bespreken.

A7: Het vastleggen, in nauwe samenspraak met de BTC, van

overgangsmaatregelen om te garanderen dat alle micro-interventies die al het

voorwerp vormen van een overeenkomst met succes kunnen worden afgerond.

7.2. Optie 2:

Een nieuw MIP waarvoor middelen worden voorzien die zijn afgestemd op de beoogde

doelstellingen 130 .

De volgende elementen kunnen worden aangehaald ter ondersteuning van deze optie:

- Het instrument heeft ontegenzeglijk voordelen die geen enkel ander instrument

en geen enkele andere modaliteit heeft: decentralisatie, snelheid, interventie aan

de basis, afbakening van een specifieke doelgroep zoals bijvoorbeeld vrouwen,

ownership en uitvoering door de begunstigden zelf, zichtbaarheid...

- Enkele partnerlanden tonen belangstelling voor het programma en het

instrument. De grote meerderheid van de partnerlanden is het programma niet

kwaadgezind.

Als deze optie wordt weerhouden, willen we de volgende aandachtspunten aanbevelen:

A8: Rekening houden met de conclusies van deze evaluatie en vanaf 2012 dus ook

de formulering van de ACTT van het MIP aanpassen.

A9: Een nieuw regelgevend kader uitwerken. Dit moet een uniek of op z'n minst

een gecoördineerd en coherent instrument worden dat eerst en vooral de oude

voorgaande teksten herroept en dat de wetgeving met betrekking tot de Belgische

Ontwikkelingssamenwerking respecteert. De attachés nauw betrekken bij de uitwerking

van dit kader.

A10: Het facultatieve karakter van het programma en de verplichting om de

noodzaak ervan te rechtvaardigen, behouden.

130 Als deze optie niet wordt weerhouden, direct naar aanbeveling XXX gaan

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 105 / 135


Opties en aanbevelingen

A11: Het gedecentraliseerde karakter van het programma vrijwaren. In Brussel

niet meer dan enkele essentiële bakens en enkele ontvankelijkheids- en/of

uitsluitingscriteria vastleggen. Daarbij is het van belang om de groepen begunstigden

duidelijk te definiëren zodanig dat het programma toegespitst wordt op behoeftige

groepen die niet (of zeer moeilijk) bereikt worden door andere donoren, partners,

samenwerkingsinstrumenten of -vormen en die evenmin kunnen worden bijgestaan in

het kader van de normale rol van het partnerland.

Het aan de attachés overlaten om samen met de Belgische en lokale partners en met de

andere donoren een lokale strategie uit te werken die is aangepast aan de eigenheden

van het instrument, met een interventielogica die rekening houdt met de context en met

specifieke, meetbare, realiseerbare, relevante en in de tijd vastgelegde doelstellingen.

De attaché zelf de uitvoeringspartner laten kiezen in functie van de lokale situatie (BTC,

coalitie van internationale NGO's, andere betrouwbare organisatie die op het terrein

aanwezig is,...)

A12: Het instrument de nodige en voldoende middelen bieden om de beoogde

resultaten te bereiken. Er moet met name op worden toegezien dat de doelgroep van

bij het formuleren van de interventie goed wordt omkaderd.

A13: De individuele opvolging van de micro-interventies toespitsen op het

bereiken van de resultaten en de landenprogramma's (inclusief de rapportage), op

de behoeften inzake strategische sturing.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 106 / 135


8. Management response

8.1. Management Response van BTC

Inleiding

Management response

Eerst en vooral wenst de BTC het team van S4 te danken voor de evaluatie van het

micro-interventieprogramma (MIP). Er werd een indrukwekkende hoeveelheid informatie

verwerkt, wat op zich ook de omvang van het werk tot uitdrukking brengt. De opties die

uit de analyse en de conclusies voortvloeien, worden op duidelijke wijze voorgesteld.

De “management response” van de BTC beperkt zich tot hoofdstuk 7 “Opties en

aanbevelingen” van de evaluatie. We willen ons standpunt geven over elke voorgestelde

optie om zo bij te dragen tot de gedachtewisseling en de besluitvorming over de

voortzetting van het micro-interventieprogramma.

Algemene opmerkingen over het MIP

Het MIP is een atypisch ontwikkelingsinstrument. De evaluatoren merken terecht op dat

het een sterk gedecentraliseerd, weinig geformaliseerd instrument is voor gerichte en

flexibele steun die bedoeld is voor lokale organisaties. De doelstellingen zijn

resultaatgericht in de zin dat de toegekende financieringen in eerste instantie tot doel

hebben de begunstigden te steunen met producten en diensten opdat zij van hun kant

hun ontwikkeling zelf in handen kunnen nemen. Hierin ligt ook het verschil tussen het

MIP en een andere interventie: het is niet de bedoeling de begunstigden te begeleiden

bij de verandering die ze willen inzetten.

De voor optie 1 aangevoerde argumenten voor de afschaffing van het MIP zijn het

overwegen waard, maar moeten wel in hun context worden geplaatst:

- De herziening van het wettelijke en regelgevende kader is nodig met het oog op

een grotere coherentie. Het gaat hier dus om een administratieve formaliteit die

geen invloed heeft op de resultaten van het MIP zelf. Dit mag geen argument zijn

om een einde te stellen aan het programma.

- Aangezien er een intrinsiek verschil is tussen het MIP en een zogenaamd

“klassiek” ontwikkelingsprogramma kan men zich terecht de vraag stellen of een

evaluatie aan de hand van alle DAC-criteria voldoende licht werpt op de

bijzondere kenmerken, voordelen en nadelen van het MIP.

- Het verschil met een klassiek programma verklaart ook waarom het MIP niet

aansluit bij de nieuwe hulpmodellen: een donorstaat kent rechtstreekse steun toe

aan een begunstigde bevolkingsgroep zonder dat de partnerstaat hierbij een

inbreng heeft. Vanwege zijn kleine omvang is het weinig waarschijnlijk dat het

MIP bijdraagt tot de versnippering van de hulp en dat het de rol overneemt van

de overheid. Het is daarentegen wel een instrument waarmee op snelle en

soepele wijze kan worden gehandeld daar waar de overheid bevolkingsgroepen

niet of maar moeilijk bereikt. Het neemt de rol van de overheid niet over, maar

vult deze juist aan. Dat de partnerstaten niet tegen het MIP waren gekant, is daar

een bewijs van. Zelfs als het waar is dat het MIP de rol van de overheid

overneemt, dan nog moet dit argument worden afgezwakt vanwege de geringe

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 107 / 135


Management response

omvang van de financiering die de begunstigde groepen ontvangen en vanwege

de bescheiden doelstellingen die voorop worden gesteld bij de micro-interventies

die via het MIP worden gefinancierd. We zijn dan ook van oordeel dat de “schade”

die het MIP aan de partnerstructuren berokkent, verwaarloosbaar of zelfs

onbestaande is.

- Nu de programma’s steeds meer worden ingepast in een sectorale benadering en

onze interventies bijgevolg steeds vaker beperkt blijven tot het institutionele

niveau van de partners, is het belangrijk een minimale band te bewaren met de

begunstigde bevolking. Deze lokale activiteiten brengen op korte termijn een

dynamiek tot stand in de interventiegebieden en kunnen dan ook een aanvulling

zijn op de meer institutionele interventies met doelstellingen op lange termijn, die

dus minder zichtbaar of “tastbaar” zijn voor de bevolkingsgroepen en de

Belgische belastingbetaler.

- De Belgische samenwerking financiert op federaal of regionaal niveau ook een

reeks andere instrumenten die inderdaad gericht zijn op

gemeenschapsontwikkeling. Het MIP is evenwel een instrument dat de

mogelijkheid biedt een actie te financieren los van de politieke, sociale, culturele,

ideologische of andere affiniteit van de begunstigden. Het volstaat dat zij de

handen in elkaar slaan om samen aan een vastgestelde behoefte te voldoen. Dit

programma vult dus een lacune op in de plaats van de bilaterale of multilaterale

of nog de indirecte samenwerking.

Met betrekking tot de argumenten die voor optie 2 naar voren worden gebracht, willen

we de context schetsen en de volgende aspecten aanhalen:

- De invoering van een nieuw instrument gaat inderdaad gepaard met de

uitwerking van een nieuw reglementair kader waarvoor voldoende middelen

moeten worden uitgetrokken teneinde de beoogde doelstellingen te

verwezenlijken. Naast flexibiliteit en een gedecentraliseerd programma biedt het

MIP de mogelijkheid om innoverende acties te steunen, een lokale dynamiek op

gang te brengen, de meest kwetsbare bevolkingsgroepen te bereiken of ook de

zichtbaarheid van de Belgische samenwerking in de interventiegebieden te

verhogen en “voeling” te houden met de behoeften die de bevolking ervaart. Een

ander argument dat in het voordeel van optie 2 pleit, is dat het MIP de

bevolkingsgroepen de middelen aanreikt om zelf hun ontwikkeling in handen te

nemen, en dit zonder dat ze hierbij slaafs een strakke planning ex ante moeten

volgen. Dit punt is zeer belangrijk in de context van “fragiele staten” of in

“postconflictsituaties”, in situaties dus die belangrijk zijn voor de Belgische

samenwerking.

- We steunen het voorstel om een globaal referentiekader uit te werken met

essentiële bakens en ontvankelijkheids- en/of uitsluitingcriteria.

- We vrezen evenwel dat het uitwerken van een logisch kader op nationaal niveau

een onnodige ballast betekent die de flexibiliteit en diversiteit van het MIP in de

weg staat. Aan de hand van de bakens en ontvankelijkheid-/uitsluitingcriteria

moet het mogelijk zijn de aanvragen afdoend in hun context te plaatsen.

Tegelijkertijd zien we niet goed in hoe het mogelijk is de “behoeften” te plannen

waarop het MIP normaliter gericht is. Als dat de bedoeling is, dan dreigt het MIP

te veranderen in een “klassiek” programma, terwijl het zich nu net hierdoor

onderscheidt dat het dat niet is. We zijn daarentegen ervan overtuigd dat voor

het MIP niet enkel een globaal referentiekader nodig is, maar ook een lokale

strategie die de geografische gebieden, sectoren, communicatiemethoden,

selectiewijzen, enz. beschrijft. Daarnaast moet voor het MIP een eenvoudig

opvolgings- en evaluatiesysteem worden ingesteld teneinde een overzicht te

hebben van de bereikte resultaten en om hieruit de lessen te trekken die dan

weer in de strategie worden verwerkt.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 108 / 135


Management response

- De uitvoering van het MIP verloopt minder vlot vanwege de huidige structurering

van het programma: de jaarlijkse overeenkomst zet een kunstmatig proces in

gang (selectie op een gegeven moment, de grootte van de jaar tot jaar

beschikbare budgetten is niet gekend …). Hieraan kan worden verholpen door het

afsluiten van een meerjarenovereenkomst voor het MIP. Dankzij de stabiliteit die

een meerjarenbudget biedt, is inderdaad een hoge responssnelheid mogelijk en

kunnen de begunstigden snel over de fondsen beschikken.

- Wanneer wordt overwogen om het MIP in het ISP in te bedden, moet een analyse

worden gemaakt van de gevolgen inzake flexibiliteit, aanwezigheid op het terrein

en decentralisatie. We zijn van oordeel dat bij de opname van het MIP in het ISP

al deze voordelen teniet worden gedaan.

- We vinden het weinig doeltreffend om de keuze van de uitvoeringspartner te

laten afhangen van de lokale omstandigheden. Onze ervaring leert dat het MIP

voordelen inhoudt voor de bilaterale Belgische samenwerking die verloren gaan

indien het programma wordt uitbesteed aan een orgaan dat geen deel uitmaakt

van onze samenwerking, zoals de evaluatoren voorstellen. De BTC zal gunstig

reageren op een eventuele vraag van de Belgische Staat om dit programma te

blijven uitvoeren, op voorwaarde dat ze de nodige middelen krijgt om deze

verantwoordelijke taak tot een goed einde te brengen, rekening houdend met de

omvang van de rapportageplicht die de Belgische Staat eist. Het spreekt vanzelf

dat voor een intensievere opvolging en controle van het MIP gepaste middelen

vereist zijn.

Nu blijft de vraag of de Belgische samenwerking nog steeds nood heeft aan een

instrument waarmee ze snel, heel flexibel en met zo weinig mogelijk administratieve en

technische rompslomp kan inspelen op de bescheiden behoeften van de

bevolkingsgroepen in de partnerlanden en of de bevolkingsgroepen er baat bij hebben

toegang te krijgen tot de middelen die met dit soort instrument worden aangereikt, al

dan niet zonder tussenkomst van een publieke of niet-gouvernementele instelling.

Afhankelijk van het antwoord op deze vragen zal het wel of niet mogelijk zijn de

doelstellingen van het MIP opnieuw te bepalen. Als het antwoord positief is, moet het

MIP ongetwijfeld worden herzien en herijkt.

“Je herstelt geen oud kleed met een nieuwe lap”: dat mag wel zo zijn, maar wij scharen

ons niet achter de eerste optie die de algehele afschaffing van het MIP bepleit. De

argumenten die ter ondersteuning van deze optie worden aangevoerd, houden verband

met het kader waaronder het MIP valt. De typische kenmerken van de resultaten die met

het MIP worden bereikt, blijven buiten beschouwing. Wij zijn evenwel van oordeel dat

het MIP in vergelijking met de andere instrumenten van de Belgische samenwerking nog

steeds comparatieve voordelen inhoudt die de moeite waard zijn en dat we niet het kind

met het badwater moeten weggooien.

We zijn uiteraard bereid die gedachtewisseling over de toekomst van het MIP voort te

zetten.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 109 / 135


8.2. Management Respons van DG-D

Management response

Het MIP laat toe basisgroepen te bereiken, specifiek vrouwengroepen, die anders geen

deel zouden hebben in de samenwerkingsprojecten. Bijna alle MIP bereiken hun directe

resultaten binnen de voorziene duur en in 75% van de gevallen verbeteren ze de

levenscondities van de begunstigden. Het MIP is volledig gedecentraliseerd naar de

posten, die dit vehicel gretig en met grote flexibiliteit gebruiken om vlug en precies in te

spelen op de directe behoeften van kleine groepen. Het programma laat de staf van de

ambassades toe korte terreinbezoeken af te leggen en het verschaft goede maar

beperkte zichtbaarheid aan de Belgische aanwezigheid in het partnerland. Het kan zelfs

als hefboom gebruikt worden bij autoriteiten.

Anderzijds zijn er ook veel negatieve vaststellingen zoals:

- de heel beperkte middelen van het MIP staan niet in verhouding tot het objectief

- de begunstigden behoren meestal niet tot armste laag van de bevolking

- de principes van Parijs worden niet gevolgd en het MIP wordt niet in de

ontwikkelingsplannen opgenomen

- er is geen specifieke MIP strategie in de ISPs en de MIPs zijn geen toegevoegde

waarde voor de concentratiesectoren

- volgens 40% van de posten hebben MIPs geen toegevoegde waarde

- een MIP leidt niet tot financiële autonomie van de begunstigde groep maar

verhoogt eerder haar donorafhankelijkheid

- productieve MIPs creëren automatisch deloyale concurrentie

- de meest MIPs financieren enkel hardware en bouwen geen capaciteit op

- slechts 63% van de MIPs worden uitgevoerd binnen het voorziene budget

- MIPs hebben geen duurzame resultaten op middellange termijn

- het MIP heeft te grote transactiekosten, zowel voor de posten als voor de BTC

representatie, en is niet compatibel met de hoofdtaken van de attachés

- vele bilaterale projecten hebben vertraging in de uitvoering en opvolging en de

middelen van de BTC representatie zijn beperkt ; daardoor vraagt het MIP te veel

energie van hen

- niet de effectiviteit maar de visibiliteit op korte termijn vormt de bestaansreden

van de MIPs. In tijden van beperkte budgettaire en personeelsmiddelen

beantwoorden de MIPs niet langer aan de noodzaak om de middelen van

ontwikkelingssamenwerking te concentreren op onze core business.

De Directie generaal Ontwikkelingssamenwerking zal dan ook aan de Minister voorstellen

om dit instrument stop te zetten.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 110 / 135


Tabel met management response

Aanbevelingen

A1 : 2012 uitroepen als een

overgangsjaar voor het MIP.

A2 : het MIP niet vermelden in

het toekomstige (4 e )

beheerscontract dat de

Belgische staat en de BTC

zullen aangaan.

A3 : het MIP in de toekomst

niet meer inschrijven in de

indicatieve samenwerkingsprogramma’s.

Status

Aanvaard

Gedeeltelijk

aanvaard

Verworpen

Toelichtingen bij de aanbeveling

Management response

X De programmering is voltooid, de conventie tot tenuitvoerlegging zal

aan de Minister worden voorgesteld, de selectie in de partnerlanden

wordt momenteel verricht

X Dit is alleen nuttig wanneer de BTC niet meer verantwoordelijk zou zijn

voor de besteding van de fondsen van het MIP en die

verantwoordelijkheid opnieuw zou worden doorgeschoven naar de

attachés, zoals voor het bestaan van de BTC het geval was. Maar het

beheer van de fondsen van de DGD is niet de taak van de attachés, zij

hebben andere meer strategische taken.

Daarnaast is het ook zo dat deze aanbeveling overbodig is als het MIP

wordt geschrapt.

Ze is daarentegen wel van tel als een MIP buiten het beheer van de BTC

zou doorlopen.

X Het MIP is niet coherent met de prioriteiten van de indicatieve

samenwerkingsprogramma’s en het partnerland heeft terzake geen

inspraak (of is er zelfs tegen gekant). Daarnaast hebben een aantal

landen geen MIP meer. De inschrijving ervan komt de flexibiliteit van

het MIP niet ten goede.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 111 / 135


Keuze van optie 1 : Het MIP wordt geschrapt

A4 : de regeringen van de

partnerlanden officieel in

kennis stellen van het

voornemen van België dit

instrument te schrappen.

A5 : de wet- en regelgevende

bepalingen inzake het

programma en het instrument

schrappen.

A6 : wat de landen betreft

waarvoor het MIP specifiek in

het indicatief samenwerkingsprogramma

vermeld wordt,

het MIP laten uitdoven aan het

einde van de ISP-periode of

met de betreffende regeringen

onderhandelen over een

herschikking van de

resterende budgettaire

enveloppes.

A7 : In nauwe samenwerking

met de BTC

overgangsmaatregelen

vastleggen om alle microinterventies

die reeds het

voorwerp zijn van een

overeenkomst, een slaagkans

te geven.

Management response

X Aangezien het MIP is ingeschreven in het indicatief

samenwerkingsprogramma, moet dat gebeuren. Niet het voornemen maar

wel de beslissing moet worden meegedeeld.

X Het MIP staat niet vermeld in de wet betreffende de samenwerking en ook

niet in de wet betreffende de BTC. De conventie tot tenuitvoerlegging en

de vermelding in de begrotingswet kunnen worden geschrapt zodra er

geen MIP meer moet worden gefinancierd. En geen conventie tot

tenuitvoerlegging betekent geen MIP.

X Vanaf 2008, is voor de meeste indicatieve samenwerkingsprogramma’s

voorzien in een MIP; voor de indicatieve samenwerkingsprogramma’s van

voor die datum, zijn er geen fondsen meer. Het is dus zaak vanaf 2012

geen MIPs meer vast te leggen in de nieuwe indicatieve

samenwerkingsprogramma’s..

X Voor de MIPs die reeds zijn opgenomen in de bestaande conventies tot

tenuitvoerlegging waarin alles op gedetailleerde wijze staat beschreven,

zijn geen overgangsmaatregelen vereist. Het volstaat met het MIP van de

bestaande indicatieve samenwerkingsprogramma’s geleidelijk weg te laten

uit de jaarlijkse conventies tot tenuitvoerlegging.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 112 / 135


Keuze van optie 2 : een nieuw MIP dat is toegerust met middelen die op de doelstellingen zijn toegesneden

A8 : rekening houden met de

conclusies van deze evaluatie

en de formulering van de

algemene conventie tot

tenuitvoerlegging van het MIP

vanaf 2012

dienovereenkomstig wijzigen.

A9 : een nieuw uniek of, op

zijn minst gecoördineerd en

coherent regelgevend kader

opstellen, dat begint met het

schrappen van de vorige

verouderde teksten en dat de

wetgeving inzake de Belgische

samenwerking in acht neemt.

De attachés nauw betrekken

bij de opstelling van dit kader

A10 : het facultatief karakter

van het programma behouden

en voorzien in de verplichting

de noodzaak ervan te

rechtvaardigen

A11 : het gedecentraliseerde

karakter van het programma

behouden. In Brussel alleen

Management response

X Zie A1 : over de conventie tot tenuitvoerlegging van 2012 werd reeds

onderhandeld.

X Aangezien de Belgische wetgeving niet voorziet in het MIP, veronderstelt

de inachtneming van de wetgeving dan ook dat er geen MIPs worden

opgemaakt.

X De minpunten wegen veel zwaarder dan de pluspunten. Maar de minister

zou kunnen beslissen de mogelijkheid inzake een beperkt fonds open te

laten voor de ambabels die een MIP buiten het kader van het indicatief

samenwerkingsprogramma willen voortzetten, dat rechstreeks door hen

(de attachés) wordt beheerd. Er zou een beperking kunnen worden

ingesteld om MIPs in het kader van de strijd tegen de armoede in de

hoofdstad en omgeving te steunen (wat nu reeds geldt voor 35% van de

gevallen)

X Decentralisatie en flexibiliteit zijn twee pluspunten van het huidige MIP.

Dat moet ook zo blijven als aanbeveling 10 wordt opgevolgd.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 113 / 135


enkele grote krijtlijnen

uitzetten en een aantal criteria

vastleggen om in aanmerking

te komen voor steun en/of

uitgesloten te worden van

steun.

A12 : voorzien in het

instrument dat zorgt voor

voldoende middelen om deze

resultaten te bereiken. Erop

toezien dat de doelgroep al

goed wordt omkaderd bij de

formulering van de interventie.

A13 : de individuele opvolging

van de micro-interventies

toespitsen op het bereiken van

resultaten en de opvolging van

de landenprogramma’s (met

inbegrip van de rapportering)

toespitsen op de noden inzake

strategische begeleiding.

Management response

X Dit zou (in het kader van de huidige budgettaire restricties) teveel

middelen vereisen die niet in verhouding staan tot de resultaten die

hiermee kunnen worden bereikt. Alleen een beperkt fonds voor kleine

ambabelprojecten behoort eventueel tot de mogelijkheden.

X Idem A12

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 114 / 135


BIJLAGEN

A1. Referentietermen

A1.1. Verantwoording

Bijlage 1: Referentietermen

De evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP) komt tegemoet aan een

terugkerende vraag van de attachés voor de Ontwikkelingssamenwerking. Het

onderwerp werd officieel aan de orde gesteld op de attachédagen in 2004. Het werd

behandeld door de dienst D0.2 die een interne enquête en een eerste documentanalyse

heeft uitgevoerd. Deze inspanningen resulteerden echter niet in een evaluatie. Er werd

dus beslist om een interne evaluatie van het MIP te plannen in het kader van de

programmering van de evaluaties 2009-2010 die werd goedgekeurd door het

beheerscomité van de DG-D.

De interne evaluatie van het MIP komt eveneens tegemoet aan de vraag van de Directie-

Generaal naar een grotere betrokkenheid als "evaluator" van het personeel van de

evaluatiediensten in de uitvoering van de evaluaties. In een eerste fase bevestigde de

DG haar interesse in deze evaluatie tijdens het planningsgesprek met het Hoofd van de

dienst D0.2. Na de samensmelting van de evaluatiediensten onder de Directie van de

Bijzondere Evaluator werd beslist om zowel het voorwerp als de interne benadering van

deze evaluatie te behouden in de programmering 2010, maar voortaan

gemeenschappelijk.

Het MIP is vrij neutraal om te dienen als pilootexperiment.

Wat het MIP bijzonder maakt, is dat het op een gedecentraliseerde, flexibele en snelle

wijze wordt beslist en beheerd. Het is dus uitermate geschikt voor een interne evaluatie

van zowel de relevantie en de meerwaarde van dit type instrument als van de uitvoering

ervan. Omdat het om een intern uitgevoerde evaluatie gaat, zal ze bijdragen tot de

capaciteitsversterking van de bijzondere evaluatiedienst en zal ze het reflectie- en

zelfstudieproces van de DG-D en de attachés die betrokken partij zijn bij de oefening,

stimuleren. Ook de BTC, die op dit moment belast is met de uitvoering van het

programma, zal worden betrokken. De aanbevelingen zullen van strategische aard zijn

en vertaald worden in nuttige operationele voorstellen voor alle betrokkenen van het

Programma.

De interne evaluatie zal een aanvulling zijn op de andere evaluaties van de MIP's, in het

bijzonder op de externe evaluatie die in 2007-2008 door COTA werd uitgevoerd op

initiatief van de BTC en die zich vooral toespitste op drie aspecten:

De relevantie van de MIP's ten opzichte van de algemene doelstelling van het

programma en ten opzichte van het ISP.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 115 / 135


Bijlage 1: Referentietermen

De administratieve, financiële en menselijke middelen die de beheerders en

coördinatoren van het programma ter beschikking hebben.

De effecten van het MIP op de begunstigden in termen van duurzame ontwikkeling.

De interne evaluatie zal zich meer toespitsen op de relevantie van het programma in zijn

geheel, op de mogelijke meerwaarde ervan vergeleken met andere instrumenten, op zijn

doeltreffendheid en op zijn efficiëntie.

A1.2. Context van de evaluatie: het programma van de

micro-interventies

A1.2.1. Sinds de oprichting in 1990

Het doel van het MIP is om kleine lokale initiatieven van welomschreven groepen te

steunen en hun ontwikkeling, autonomie en onafhankelijkheid te bevorderen.

Het programma is opgevat als een gedecentraliseerd, flexibel en snel inzetbaar

instrument. De Samenwerkingssectie is als enige verantwoordelijk voor de

financieringsbeslissingen.

Het programma wordt niet formeel beperkt tot bepaalde sectoren of thema's, maar 3

thema’s (gender, milieu en cultureel leven) en 2 sectoren (landbouwsector en de sociale

sector) worden wel in het bijzonder naar voren geschoven.

Het MIP maakt geen deel uit van de ‘gewone’ bilaterale hulp maar mikt eerder op de

civiele maatschappij.

De officiële partner van de Belgische ontwikkelingssamenwerking wordt hiervan louter op

de hoogte gesteld.

Van de begunstigde groep wordt een aanzienlijke bijdrage in geld of in natura gevraagd.

Financiering op basis van de afzonderlijke interventies.

Geen beperking in de tijd (gesplitste kredieten)

Het programma wordt beheerd door het bestaande personeel van de

Samenwerkingssectie, maar de eigenlijke uitvoering van de interventies wordt

doorgaans toevertrouwd aan de groepen zelf, die soms op bijstand van een NGO kunnen

rekenen.

Het doel van het programma is om kleine interventies te financieren met een plafond

van 250.000 BEF of ongeveer € 6.200. Het programma loopt in 21 landen, met een

globaal budget van 50 miljoen BEF (ongeveer € 1,2 miljoen).

A1.2.2. Tegenwoordig

De algemene doelstelling van de MIP's is het bevorderen van de duurzame menselijke

ontwikkeling op sociaal, cultureel en economisch vlak door het maatschappelijke

draagvlak in het partnerland te versterken. De specifieke doelstelling bestaat erin

groepen en verenigingen, in rechte of in feite, van de civiele maatschappij en plaatselijke

overheden die bewezen hebben dat ze zelf de micro-interventie kunnen identificeren en

uitvoeren, te helpen om meer autonomie te verwerven zodat ze gemakkelijker de

ontwikkeling van hun eigen gemeenschap ten laste kunnen nemen.

Het Programma is nog steeds gedecentraliseerd, flexibel en snel.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 116 / 135


Bijlage 1: Referentietermen

De attaché voor de Ontwikkelingssamenwerking is samen met de plaatselijk

vertegenwoordiger van de BTC verantwoordelijk voor de financieringsbeslissing.

Bij voorkeur ingepast in de geografische concentratiegebieden en de prioritaire sectoren

en thema's die door België en het partnerland in onderling overleg worden vastgelegd en

waarbij een integratie van (i) een culturele dimensie, (ii) het behoud en de bevordering

van de culturele waarden en identiteiten alsook de artistieke productie, (iii) de vrijwaring

en ondersteuning van de capaciteitsontwikkeling in die sector mogelijk is. Ten minste 50

procent van de MIP's ter ondersteuning van de empowerment van de vrouwen. De MIP's

in productiesectoren mogen niet leiden tot oneerlijke concurrentie.

Het MIP wordt ingeschreven en gerechtvaardigd in het ISP (is er een ISP waarin er een

rechtvaardiging is?); het wordt uitgebreid tot de lokale overheden.

De officiële partner wordt meer geïnformeerd (en kan zelfs onderhandelen via de

inschrijving in het ISP).

Financiering per globaal jaarprogramma uitgevoerd door de BTC.

Beperkt in de tijd tot 15 maanden per interventie.

Programma gezamenlijk beheerd door de attachés en de plaatselijke vertegenwoordigers

volgens een in de conventie tot tenuitvoerlegging vastgelegde welomschreven

taakverdeling

Het programma is nog steeds gericht op het financieren van kleine interventies van

maximum € 12.500. Het loopt in de 17 partnerlanden en de Palestijnse gebieden met

een totaal jaarbudget van ± € 4.225.000.

A1.3. Doelstelling en scope van de interne evaluatie

De interne evaluatie heeft betrekking op het MIP als instrument voor

ontwikkelingssamenwerking. Ze zal worden uitgevoerd via casestudy's maar zonder

individuele beoordeling van de microprojecten zelf.

De belangrijkste doelstellingen zijn:

- het verzamelen van elementen die een reflectie over de relevantie van dit

programma en de mogelijke meerwaarde ervan mogelijk maken

- het verzamelen van elementen die een reflectie mogelijk maken met het oog op

een betere bepaling van de strategie van de DG-D met betrekking tot de microinterventies

(is een MIP-strategie absoluut nodig?); en

- het verzamelen van aanbevelingen met het oog op een optimaal gebruik van dit

instrument door de actoren in het veld.

A1.4. Specifieke vragen en criteria

Er zal getracht worden om de criteria van de DAC te volgen en daarbij zoveel mogelijk te

focussen op de strategische aspecten die de verantwoordelijkheid vormen van de DG-D,

maar zonder de andere aspecten zoals de formulering, opvolging-evaluatie, de uitvoering

uit het oog te verliezen. Ook de coherentie en de synergie zullen worden onderzocht.

A1.4.1. Relevantie

De beoordeling van de relevantie zal geen betrekking hebben op de interne coherentie

van het programma, maar op de onderlinge afstemming tussen het instrument en de

beoogde resultaten. Met andere woorden:

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 117 / 135


Bijlage 1: Referentietermen

- In welke mate biedt het programma op een relevante manier een antwoord op de

problemen van de begunstigden?

- Bevoordeelt het programma door zijn systeem van giften de begunstigden niet op

een oneerlijke manier ten opzichte van de niet-begunstigden die verplicht zijn om

minder gunstige systemen te gebruiken (microkredieten, eigen fondsen,

vrijwilligerswerk,...)?

- Is de doelstelling van het MIP relevant?

- Is het MIP als instrument relevant?

- Biedt het programma een meerwaarde in vergelijking met alle andere

instrumenten die door de DG-D worden ingezet?

- Kunnen we niet met andere instrumenten een antwoord bieden op de gestelde

problemen? (beschikbaar bij de DG-D en/of binnen de FOD BUZA)

- Wat zijn / zijn er selectiecriteria die gelinkt zijn aan de relevantie?

- Worden de transversale thema's (gender, milieu, rechten van het kind, aids)

geïntegreerd (mainstreamed) en/of bevoorrecht in het programma?

Vergelijken met de situatie bij de andere donoren

A1.4.2. Doeltreffendheid

- Wat is de doeltreffendheid van het programma, rekening houdend met de

eigenheden ervan als gedecentraliseerd financieringsinstrument?

- Leidt de gedecentraliseerde uitvoerings- en beslissingsprocedure tot meer

doeltreffendheid?

- Draagt de bilaterale verankering bij tot een grotere doeltreffendheid;

- via inschrijving in de sectoren / thema's van het ISP?

- via een grotere of kleinere betrokkenheid van het partnerland?

- via delegatie van de uitvoering aan de BTC?

- Dragen de opgelegde voorwaarden (plafond, uitvoeringstijd, eenmalige en niet

louter caritatieve karakter,...) bij tot de doeltreffendheid?

- Is er een rapportage over de resultaten (output - outcome) naar de DG-D /

attachés toe; hoe worden deze rapporten gebruikt?

- Wat zijn / zijn er selectiecriteria die gelinkt zijn aan de doeltreffendheid?

- Respecteren de attachés de selectiecriteria?

- Hoe komen de attachés tot de uiteindelijke selectie? Waarom wordt een project A

wel opgenomen en een project B niet?

- Is het MIP erin geslaagd om kansen en voordelen te genereren voor de

transversale thema's (gender, milieu, rechten van het kind, aids)?

A1.4.3. Efficiëntie

- Wat is de efficiëntie van het programma, rekening houdend met de eigenheden

ervan als gedecentraliseerd financieringsinstrument?

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 118 / 135


Bijlage 1: Referentietermen

- Is er een rapportage over de efficiëntie van het programma naar de DG-D /

attachés toe en, indien dit het geval is, hoe worden deze rapporten gebruikt?

- Rechtvaardigen de resultaten van het programma de tijd die werd besteed aan de

voorbereiding, het beheer en de opvolging ervan?

- Zijn de financieringsmodaliteiten efficiënt?

- Draagt de bilaterale verankering bij tot een grotere efficiëntie;

- via inschrijving in de sectoren / thema's van het ISP?

- via een grotere of kleinere betrokkenheid van het partnerland?

- via delegatie van de uitvoering aan de BTC?

- Dragen de opgelegde voorwaarden (plafond, uitvoeringstijd, eenmalige en niet

louter caritatieve karakter,...) bij tot de efficiëntie?

- Wat zijn / zijn er selectiecriteria die gelinkt zijn aan de efficiëntie?

A1.4.4. Duurzaamheid

Dragen de lokale bijdrage en de mate van ownership bij tot de duurzaamheid?

Wat zijn / zijn er selectiecriteria die gelinkt zijn aan de duurzaamheid?

Wat blijft er van de MIP's en hun directe resultaten over na 3 jaar, 6 jaar, 9 jaar?

A1.4.5. Impact

Wat is de impact van het programma, rekening houdend met de eigenheden ervan als

gedecentraliseerd financieringsinstrument?

Welke groepen begunstigden hebben meer autonomie verworven?

Zijn de groepen begunstigden in staat gebleken om de gekregen bijdrage te beheren?

Werden er snel capaciteitsversterkende maatregelen genomen als dit niet het geval was?

Hebben de MIP's andere effecten gehad op de ontwikkeling van de begunstigde

gemeenschappen?

Is er een rapportage over de impact van het programma naar de DG-D / attachés toe

en, indien dit het geval is, hoe worden deze rapporten gebruikt?

A1.4.6. Coherentie

Bestaan er synergieën tussen de MIP's en de andere Belgische (bilaterale en indirecte)

programma's en projecten?

A1.5. Methodologische benaderingen

A1.5.1. Interne evaluatie

De evaluatie gebeurt intern. Het betreft een vormende evaluatie waarbij alle

stakeholders van de FOD en de BTC betrokken worden.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 119 / 135


Bijlage 1: Referentietermen

Een interne evaluatie maakt een beter ownership van de praktijk en de cultuur van de

evaluatie mogelijk. Ze betrekt een groter aantal actoren en fungeert als een normale

stap in de interventiecyclus van een programma. Tot slot maakt een interne evaluatie

een beter ownership van de lessen, conclusies en aanbevelingen bij de volledige

administratie en de BTC mogelijk.

De uitvoering van een interne evaluatie heeft implicaties op het gebied van menselijke,

materiële en financiële middelen. Meer in het bijzonder:

Is de actieve deelname van de attachés voor de ontwikkelingssamenwerking en de

plaatselijke vertegenwoordigers noodzakelijk van bij de ontwikkeling van de

referentietermen en moet die deelname gedurende de volledige evaluatie worden

bestendigd. In de 6 landen waar de casestudy's worden uitgevoerd, zal een nog

intensievere deelname vereist zijn, met name omdat er een lokale consultant moet

worden gerekruteerd.

Moeten er, met name voor het lokale transport, de communicatie, het drukken en

kopiëren van de documenten logistieke middelen worden voorzien zonder dat dit de

normale werking van het samenwerkingsbureau en de Vertegenwoordiging van de BTC

verstoort.

Moet er ook een budget worden voorzien om deze specifieke uitgaven te dekken.

A1.5.2. 3 stappen

Documentatiefase: Tijdens de documentatiefase worden er enerzijds documenten

verzameld en geanalyseerd en anderzijds meningen verzameld en geanalyseerd van de

personen die betrokken zijn bij het programma, zowel in Brussel als in de partnerlanden

(vragenlijst via e-mail).

Documenten die worden geraadpleegd:

Het beheerscontract met de BTC en de 'Algemene conventie tot tenuitvoerlegging voor

de samenwerkingsprestatie genoemd "micro-interventieprogramma MIP"' 2008 en 2009.

Evaluatie van het micro-interventieprogramma (MIP); COTA; maart 2008.

Interne evaluatie van de MIP's Bolivia, programma 2002-2003.

Het beheer van de micro-interventies en hun plaats ten opzichte van andere

instrumenten; ABOS; september 1998.

De samenvatting van de antwoorden op de vragenlijst met betrekking tot het MIP; Jozef

Dewint, 2004.

Micro-interventieprogramma; evaluatie van de projecten 2005-2007, Benin.

Joint Evaluation of the GEF Small Grants Program, GEF Evaluation Office, juli 2008.

Evaluatie van het systeem voor directe financiering van de lokale NGO's; Group One,

ACE Europe, april 2006.

Evaluatie van het micro-interventieprogramma - Senegal; november 1996.

Elk ander relevant document dat wordt vermeld tijdens de interviews.

Het is eveneens interessant om voor een periode van 3 jaar een lijst op te stellen van

alle toegekende en uitgevoerde MIP's in de 18 partnerlanden, per activiteitensector, en

om een analyse te maken van deze volledige lijst.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 120 / 135


Personen waarmee moet worden afgesproken in België:

- Kabinet Ontwikkelingssamenwerking.

- De Algemeen Directeur van de DG-D.

Bijlage 1: Referentietermen

- De Directeur van D1 + Luc Timmermans (voormalig waarnemend directeur van D1)

- Mevr. Degrugillier, programmabeheerder, DG-D

- Carl Michiels, Voorzitter van het Directiecomité BTC

- De programmabeheerders bij de BTC in Brussel.

Terreinfase: De terreinfase zal plaatsvinden in 6 landen die worden geselecteerd op basis

van de resultaten uit de documentatiefase, aangevuld met de volgende bijkomende

criteria:

- Ten minste één land in elk continent / subcontinent.

- Insluiting van minstens 2 van de 3 casestudy's van de COTA-evaluatie (maart 2008:

DRC, Peru, Algerije), met name om na te gaan in welke mate de aanbevelingen

werden opgevolgd.

- Logistieke en praktische haalbaarheid in overleg met de attaché.

- Tijdens deze fase zullen de resultaten van de documentanalyse worden

geconsolideerd en aangevuld met interviews/focusgroepen met begunstigden, en met

vaststellingen ter plaatse.

Personen waarmee moet worden afgesproken in de partnerlanden:

- De instanties die belast zijn met het medebeheer, de medeselectie, de goedkeuring

of de verzameling van informatie van (over) het MIP.

- Het kantoor van de Attaché voor de Ontwikkelingssamenwerking.

- Het kantoor van de plaatselijk vertegenwoordiger van de BTC.

- De eventuele Belgische/lokale partners.

- De groepen begunstigden.

- Afhankelijk van het bezochte land, de verantwoordelijken voor de samenwerking in

de ambassades / uitvoeringsagentschappen van technische en financiële partners die

programma's hebben die vergelijkbaar zijn met het MIP, alsook met eventuele

bestaande thematische groepen over dit onderwerp.

Synthesefase: De synthesefase omvat de rapportage en de restitutie van conclusies en

aanbevelingen van strategische aard voor de DG-D.

A1.5.3. Evaluatiekader

De evaluatievragen zullen vanuit drie hoeken worden bekeken. De hoek van wat er in de

teksten staat geschreven; de hoek van wat de gesprekspartners zeggen/beweren, en de

hoek van de persoonlijke vaststellingen van de evaluatoren op het terrein.

A1.5.4. vergelijkende analyse

De evaluatievragen zullen ook worden onderworpen aan een vergelijking met andere,

vergelijkbare programma's die recent werden geëvalueerd; het gaat daarbij om:

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 121 / 135


Bijlage 1: Referentietermen

Het Belgische programma voor directe financiering van de lokale NGO's, recent

uitgebreid naar alle partnerlanden en alle organisaties uit de civiele maatschappij.

Het 'Small Grants Programme' van het Wereldmilieufonds (GEF), uitgevoerd door de

UNDP.

Het 'programme des petits projets' (DGCID, Frankrijk)

Het programma voor kleine ambassadeprojecten (Nederland)

Ter gelegenheid van de casestudy's zullen de evaluatoren ook trachten om interventies

van hetzelfde type, uitgevoerd met een financiering van andere donoren, te bezoeken.

A1.5.5. Werkwijze

Deze evaluatie zal het resultaat zijn van teamwork. Om praktische redenen zullen de

interviews worden uitgevoerd door teams van 2 of 3 evaluatoren op basis van een

gemeenschappelijke vragenlijst en methodologisch kader. De documenten zullen in een

eerste fase individueel worden geanalyseerd.

De beoordelingen en conclusies van elke evaluator zullen worden samengelegd om tot

een consensus te komen.

A1.6. Rapporten en restitutie

De volgende rapporten worden voorzien:

Een tussentijds rapport op het einde van de documentatiefase. Dit rapport zal de eerste

lessen bevatten die uit de documentatiefase werden getrokken, samen met een

gedetailleerde beschrijving van de elementen waarvoor meer informatie moet worden

verzameld op het terrein. De gemotiveerde keuze van de 6 landen waar een casestudy

zal worden uitgevoerd; en de gedetailleerde vragenlijst met de vragen die tijdens de

missies aan de verschillende gesprekspartners zullen worden gesteld.

Een korte eindsamenvatting voor elke terreinmissie. Deze samenvatting zal worden

besproken op een debriefing met de attaché en de plaatselijke vertegenwoordiger, en zal

worden gebruikt als basis voor het opstellen van een missierapport per land.

Een voorlopig syntheserapport.

Een definitief syntheserapport dat rekening houdt met de opmerkingen op het voorlopige

syntheserapport.

A1.7. Profiel van de evaluatoren / experts

Deze evaluatie zal worden uitgevoerd door de Dienst Bijzondere Evaluatie (S4). Als

tijdens de uitvoering blijkt dat externe expertise absoluut noodzakelijk is om de

doelstellingen van de evaluatie te realiseren, zal er een beroep worden gedaan op één of

meerdere interne of externe experts.

De coördinator van deze evaluatie is Dhr. Karel Cools, Opdrachthouder; de andere leden

van S4 vormen het evaluatieteam.

Verder wordt in elk land voorzien in de rekrutering van een lokale expert die is

gespecialiseerd in gemeenschapsontwikkeling. De lokale expert zal ook betrokken zijn bij

het uitwerken van het opdrachtprogramma, het leggen van contacten, het vertalen,...

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 122 / 135


Bijlage 1: Referentietermen

Naargelang het bezochte land kunnen de opdrachten ook worden begeleid door een

officiële vertegenwoordiger van het partnerland / lid van het partnercomité en/of een

vertegenwoordiger van het lokale kantoor van de BTC.

A1.8. Stuurcomité - kwaliteitszorg.

De kwaliteitszorg zal worden gewaarborgd door de Bijzondere Evaluator. Op het einde

van de verschillende sleutelfases van de evaluatie worden er vergaderingen voorzien van

het stuurcomité dat bestaat uit leden van S4 en de diensten binnen de DG-D die

betrokken zijn bij het MIP.

A1.9. Tijdsbestek

Rekening houdend met het feit dat deze evaluatie de aanwezigheid ter plaatse vereist

van de attachés en de BTC PV's, wordt het volgende tijdsbestek voorgesteld:

- Verzending van de Referentietermen naar de attachés voor de

Ontwikkelingssamenwerking: 1 juli 2009

- Finalisering van de Referentietermen: maart 2010

- Documentonderzoek: van maart tot juni 2010

- Terreinmissies: van augustus tot oktober 2010

- Voorlopig eindverslag: november 2010

- Eindverslag: januari 2011

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 123 / 135


Bijlage 2: Benchmarking resultaten

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 124 / 135


A2. Benchmarking resultaten

A2.1. Inleiding

Bijlage 2: Benchmarking resultaten

Er werden zes programma's geselecteerd voor het uitvoeren van een vergelijking per

studie om te achterhalen wat de goede praktijken, algemeen gehanteerde praktijken en

grote verschillen zijn. Verscheidene van deze programma’s werden vrij recent nog

geëvalueerd.

Het gaat met name om:

- Het Belgische micro-interventieprogramma. (Belgisch MIP)

- Het Belgische programma voor samenwerking met lokale civiele

maatschappijorganisaties (Coop OSC).

- Het Canadian Fund for Local Initiatives (Canadees FLI).

- Het Nederlandse Small Activities Programme Fund (SAPF).

- Het Franse Fonds Social de Développement (FSD)

- Het Small Grants Programme van de Global Environment Facility (GEF SGP)

Tijdens de terreinmissies werden meerdere ambassades van de donorlanden van deze

verschillende fondsen geconsulteerd om onze bevindingen te bevestigen / valideren.

Waar mogelijk werden ook andere ambassades geconsulteerd die vergelijkbare fondsen

hanteren maar niet zijn opgenomen in de bovenstaande lijst. Het gaat meer bepaald om

het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Senegal;

A2.2. Algemene vaststellingen

De zes onderzochte fondsen zijn lokale fondsen. Ze worden dus grotendeels lokaal

beheerd en beantwoorden aan regels die lokaal werden opgesteld op basis van een door

de verschillende zetels uitgewerkt stramien maar die zeer flexibel worden toegepast.

Deze flexibiliteit vertaalt zich met name in de zeer uiteenlopende voorstellingen van

eenzelfde programma op de websites van de ambassades en zorgt ervoor dat het

programma aan de specifieke lokale omstandigheden kan worden aangepast.

A2.3. Doelstellingen

De doelstelling van de zes programma's is gericht op de verbetering van de

levensomstandigheden, duurzame menselijke ontwikkeling en bestrijding van de

armoede.

De middelen om deze doelstelling te realiseren, kunnen verschillen naargelang het

programma of van land tot land voor eenzelfde programma.

Het GEF-SGP stimuleert van nature de bescherming van het milieu. De meeste andere

programma's hebben het over innovatie, versterking van het maatschappelijke

draagvlak, structurering van de civiele maatschappij en capaciteitsontwikkeling.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 125 / 135


Bijlage 2: Benchmarking resultaten

De oorzakelijke verbanden tussen de doelstelling en de middelen om deze te bereiken,

zijn zeer algemeen en, met uitzondering van de Samenwerking met de Lokale civiele

maatschappijorganisaties waarvoor er verplicht een specifieke strategie moet worden

uitgewerkt, hebben maar heel weinig Belgische of buitenlandse ambassades een

dergelijke strategie uitgewerkt.

A2.4. Ontvankelijkheidscriteria

Hoewel de 6 onderzochte programma's niet allemaal een formeel onderscheid maken,

kunnen we twee niveaus onderscheiden in de procedure die resulteert in de selectie van

een voorstel.

Aan de hand van de ontvankelijkheidscriteria kunnen de niet-conforme voorstellen

worden uitgesloten. Deze criteria zijn niet flexibel.

De 6 onderzochte programma's hanteren allemaal de volgende criteria:

- de organisatie moet gedurende een minimumperiode (officieel) bestaan voordat

het voorstel wordt ingediend.

- De begunstigde organisatie moet lokaal zijn.

- Er is een bepaalde budgettaire vork

- De begunstigde instantie mag geen winstgevend doel hebben; geen privébedrijf,

geen oneerlijke concurrentie.

- Het voorstel moet ingeschreven zijn in een min of meer beperkte lijst van

welomschreven sectoren

- Het project mag niet financierbaar zijn door een ander programma van dezelfde

donor.

- Projecten voor microkredieten komen niet in aanmerking.

- Een eigen inbreng is verplicht

- Er geldt een maximumduur voor de activiteit

- Er bestaat een langere of minder lange wachttijd tussen 2 financieringen.

Er is daarentegen geen overeenstemming over de volgende punten, die soms ook niet

worden vermeld:

- De mogelijkheid tot medefinanciering door andere donoren.

- De mogelijkheid en de wachttijd om een nieuwe aanvraag in te dienen

- Beperkt geografisch gebied

- Minimumaantal begunstigden

- De begunstigde organisatie mag wel of niet een lokale gouvernementele

organisatie of een academische instelling zijn

A2.5. Bedrag van de subsidie

Het bedrag van de subsidie - of het nu gaat om een maximumbedrag of een

minimummaximum vork, is in alle onderzochte programma's een

ontvankelijkheidscriterium. Dit bedrag verschilt sterk van het ene programma tot het

andere. Het Belgische MIP heeft de laagste maximumlimiet. De Samenwerking met de

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 126 / 135


Bijlage 2: Benchmarking resultaten

Lokale civiele maatschappijorganisaties heeft de hoogste maximumlimiet (hoewel die

niet strikt is vastgelegd). We moeten vaststellen dat België voorstellen tussen € 12.500

en € 100.000 niet dekt, ondanks het bestaan van 2 afzonderlijke instrumenten. De

vastgelegde limieten lijken eerder te beantwoorden aan administratieve en

boekhoudkundige vereisten dan aan een reflectie over hoeveel middelen er nodig zijn om

de doelstellingen van een lokale gemeenschap te realiseren.

A2.6. Maximumduur van de activiteiten

De voorziene maximumduur voor het gebruik van de subsidie is eveneens in alle

onderzochte programma's een ontvankelijkheidscriterium. Behalve voor de

Samenwerking met de Lokale civiele maatschappijorganisaties, die een maximumduur

van 60 maanden hanteert, financieren de 5 andere programma's interventies die tussen

één en twee jaar duren.

A2.7. Wachttijden tussen 2 financieringen

Ook dit is een ontvankelijkheidscriterium, dat evenwel soms als selectiecriterium wordt

gebruikt. In de 6 onderzochte programma's is deze wachttijd soms zeer restrictief (het

Franse FSD "kan niet worden hernieuwd voor eenzelfde project of voor projecten van

eenzelfde vereniging") of zeer ruim (Canadees FLI "een enkel voorstel per organisatie en

per jaar")

A2.8. Sleutelsectoren

De sleutelsectoren maken ofwel deel uit van de ontvankelijkheidscriteria, ofwel eerder

deel van de selectieprioriteiten.

Het GEF-SGP geeft voorrang aan de subsectoren die aan milieubescherming doen. De 5

andere programma's concentreren zich op de thema's en sectoren die prioritair zijn voor

de ontwikkelingssamenwerking van de respectieve donoren, hetzij op internationale

schaal, hetzij op de schaal van het individuele land (Samenwerking met Lokale civiele

maatschappijorganisaties). Naast milieubescherming zijn gendergelijkheid, onderwijs,

gezondheid en plattelandsontwikkeling de meest constante sectoren/thema's. (Lokaal)

(goed) bestuur wordt minder vaak vermeld (4 programma's op 6), net zoals de culturele

sector (3 programma's op 6). We moeten hier ook opmerken dat door de Nederlandse

ambassades gefinancierde culturele steun niet wordt opgenomen als ODA.

A2.9. Prioritaire selectiecriteria

Onder prioritaire selectiecriteria verstaan we de elementen die worden gebruikt om een

prioritaire rangorde op te stellen van de voorstellen die aan alle ontvankelijkheidscriteria

voldoen en die dus niet werden geweigerd.

Het is moeilijk om op dit niveau elementen te vinden die constant zijn voor alle

programma's. Dit vooral omdat de lokale beleidsmakers over een grote autonomie

beschikken om hun eigen regels en voorkeuren te bepalen.

Enkele van de vaakst genoemde criteria zijn de interventiesectoren/-thema's, de

bekendheid van de organisatie, het innovatieve/'proef'-karakter van het voorstel, de

technische en financiële capaciteiten van de aanvragende instantie, de mate van

betrokkenheid van de gemeenschap, de aard van de uiteindelijke begunstigden

(vrouwen, achtergestelde groepen), het geografische gebied (binnen of buiten de

bilaterale zones) van het voorstel.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 127 / 135


A2.10. Begunstigde groepen

Bijlage 2: Benchmarking resultaten

Er is unanimiteit over het feit dat de begunstigden een lokale 'basisgroep' moeten

vormen of, voor de programma's waar dat mogelijk is, afhangen van een lokale

administratie (type gemeente). De vorming van een officieel erkende groep maakt altijd

deel uit van de ontvankelijkheidscriteria. Sommige programma's sluiten in hun teksten of

in de geest van het programma organisaties uit die private belangen behartigen, winst

nastreven of die filialen zijn van organisaties 'uit het Noorden'.

A2.11. Aard van de uiteindelijke begunstigden

Het bepalen van de uiteindelijke begunstigden wordt gewoonlijk aan het terrein

overgelaten. Het gaat vaak om een prioritair selectiecriterium. Begunstigden die

gewoonlijk prioriteit krijgen, zijn: armen, vrouwen en achtergestelde personen (wezen,

straatkinderen, andere slecht beschermde kinderen of jongeren die van hun rechten zijn

beroofd, personen met een handicap, personen met AIDS, slachtoffers van geweld,

immigranten, culturele minderheden, thuislozen, mensen die in afgelegen gebieden

wonen,...)

A2.12. Bijdrage van de begunstigden

Met uitzondering van het programma voor Samenwerking met Lokale civiele

maatschappijorganisaties dat de financiële situatie van de betrokken organisatie wel

nauwkeurig onderzoekt alvorens een voorstel te financieren, vermelden alle onderzochte

programma's expliciet een verplichte bijdrage van de begunstigde groep alsook een lijst

van onkosten die niet in aanmerking komen (en die dus eveneens door de groep zelf

moeten worden gefinancierd).

Sommige programma's geven een precies cijfer, in 'procent' van de gevraagde subsidie,

andere zijn vager of flexibeler naargelang de locatie. De participatie van de begunstigde

groep kan de vorm hebben van een financiële bijdrage, een terbeschikkingstelling van

terreinen, installaties, materiaal of apparatuur, of vrijwillige arbeidskrachten.

A2.13. Medefinanciering

Alle beoordeelde programma's hebben een verschillende reglementering aangaande de

mogelijkheden tot medefinanciering. Toch sluit geen enkel programma de deur volledig

en wordt zowel in de teksten als in de realiteit een grote aanpassingsvrijheid gelaten aan

het terrein. Zo wordt de medefinanciering van Belgische micro-interventies in principe

niet aangemoedigd maar wordt het principe af en toe, en in bepaalde landen zelfs

systematisch, toegepast.

Het Franse FSD stipuleert expliciet dat de medefinanciering door een andere donor niet

in de plaats mag komen van de verplichte bijdrage van de begunstigde.

A2.14. Uitgaven die wel en niet in aanmerking komen

Het programma voor Samenwerking met Lokale civiele maatschappijorganisaties vormt

hier een uitzondering op de andere, omdat het officieel core funding, de financiering van

operationele activiteiten en specifieke steun, en menselijke, institutionele en

organisatorische capaciteitsversterking toelaat.

De andere onderzochte programma's voorzien algemeen genomen geen financiering

voor:

- lonen, vergoedingen en per diem voor de coördinatoren of het vaste personeel

van de vereniging;

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 128 / 135


- de werkingskosten;

Bijlage 2: Benchmarking resultaten

- beurzen, studiereizen, studies, expertises, seminaries, zuiver onderzoek...;

- voertuigen en andere zware apparatuur;

- Louter caritatieve acties.

A2.15. Uiterste datum voor indiening van voorstellen

Deze data worden lokaal vastgelegd. Ze variëren dus van programma tot programma, en

zelfs binnen eenzelfde programma.

A2.16. Inhoud van de voorstellen

Alle programma's komen in grote lijnen overeen wat betreft de inhoud van de

financieringsvoorstellen. Er wordt bijna altijd een inleidend kader geleverd. Algemeen

genomen moet een voorstel min of meer gedetailleerd de volgende elementen bevatten:

- Algemene informatie over de aanvrager: Contactgegevens, bankgegevens,

statuten, doelstellingen en ervaringen van de organisatie, informatie over de

leden en de bestuurders, informatie over de huidige activiteiten, financiële

middelen,...

- Beschrijving van het project: Titel, plaats van uitvoering, op te lossen

proble(e)m(en), voorgestelde oplossing(en) en interventielogica (soms wordt er

expliciet een logisch kader gevraagd): doelstelling(en), resultaten, voorziene

activiteiten, financiële en menselijke middelen, risico's en voorziene maatregelen

om die te beperken,...

- Gedetailleerde informatie over de doelgroepen / de begunstigden en hun

bijdrage.

- Een gedetailleerd activiteitenplan (uitvoeringskalender)

- Een budget (uitgavenkalender)

- Een plan dat aantoont dat het om een duurzaam project gaat.

We willen hier nog opmerken dat het Canadese FLI expliciet vraagt om een vorm van

publiciteit of promotie voor Canada te voorzien.

A2.17. Behandeling van de voorstellen

Vier van de zes onderzochte programma's vermelden een procedure voor selectie van de

voorstellen op 2 niveaus.

Binnen het Belgische MIP beslist de ambassade meer over de relevantie en de BTC meer

over de haalbaarheid.

In het programma voor Samenwerking met Lokale civiele maatschappijorganisaties

moeten de subsidies ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Inspecteur van

Financiën en de Minister, en moeten ze het voorwerp vormen van een Koninklijk Besluit.

Het Franse FSD en het GEF-SGP nemen een beslissing over een "concept note" alvorens

een gedetailleerder voorstel te vragen of een "grant application form" op te sturen.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 129 / 135


A2.18. Betalingsvoorwaarden

Bijlage 2: Benchmarking resultaten

Alle onderzochte programma's werken met bewijsstukken en boekhoudkundige

documenten.

Het bedrag van het voorschot, het aantal betalingsschijven en het bedrag van de laatste

schijf verschillen van het ene programma tot het andere en vaak ook binnen eenzelfde

programma in verschillende landen. Ook de vereisten inzake opvolging en evaluatie

waaraan het vrijgeven van de schijven is gekoppeld, variëren. De laatste schijf moet

nagenoeg altijd worden voorgefinancierd door de begunstigde organisatie en wordt pas

vrijgegeven nadat de verschillende vereiste narratieve en boekhoudkundige documenten

zijn voorgelegd.

A2.19. Resultaten en geleerde lessen

Algemeen genomen vinden de verschillende donoren de programma's van het type

micro-interventie vrij doeltreffend en verdienen ze hun plaats tussen de andere

instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking.

Het grootste pijnpunt voor alle donoren (uitgezonderd misschien Canada) is de opvolging

van de interventies bij gebrek aan menselijke en financiële middelen die daarvoor vereist

zijn.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 130 / 135


Bijlage 3: Voorbeelden van goede en minder goede praktijken

A3. Voorbeelden van goede en minder goede

praktijken

A3.1. Enkele micro-interventies die zeer goede

resultaten hebben geboekt

A3.1.1. Aanleg van een drinkwaterbron

Het bestaan van de bron is reeds voor de interventie bekend, maar ze is gelegen op een

zeer steile helling. De weinige gebruikers en gebruiksters moeten hun recipiënten vullen

in een klein uitgegraven bassin stroomafwaarts van de bron, wat de kwaliteit en de

drinkbaarheid van het water zeker niet ten goede komt. Het gebeurt ook regelmatig dat

mensen met hun volle recipiënten hun evenwicht verliezen, wat het verlies van zowel het

recipiënt als de inhoud ervan tot gevolg heeft.

Met de interventie werd ervoor gezorgd dat het water voortaan op zo'n manier wordt

opgevangen dat het door meerdere verschillende leidingen loopt. Op de steile helling

naar de bron werd een trap in cement aangelegd.

Aangezien de bron nu eenvoudig bereikbaar is, is het aantal gebruikers en gebruiksters

na de interventie sterk toegenomen. Het water stroomt door 5 verschillende leidingen. Er

kunnen dus 5 keer meer mensen tegelijk hun recipiënten vullen. Er is een bewaarder die

instaat voor de veiligheid en het onderhoud van de bron. Hij wordt cash of in natura

betaald door de ongeveer 500 gebruikers die dagelijks naar de bron komen. Sinds de

interventie is het aantal gevallen van diarree in de omliggende dorpen sterk afgenomen.

A3.1.2. Bevordering, uitrusting en stimulering van het leerproces

met wiskundige logicaspelletjes in openbare lagere scholen.

Deze micro-interventie is een ietwat bijzondere huiswerkschool. De kinderen hebben

twee uur per week de mogelijkheid om via spelletjes hun logisch redeneervermogen te

ontwikkelen en wiskunde te leren.

Deze micro-interventie komt tegemoet aan een concrete behoefte via een gerichte

interventie bij een welomschreven doelpubliek.

Strategisch gezien heeft de actie de intellectuele ontwikkeling van de bevolking tot doel.

De resultaten worden versterkt door gemotiveerde leraars.

A3.1.3. Dansatelier

Deze micro-interventie wil de hedendaagse dans in een partnerland stimuleren.

Via deze interventie kon een lokale vereniging een dansatelier op hoog niveau

organiseren voor een geïnteresseerd jongerenpubliek.

Op het einde van het atelier organiseerde de vereniging een publieke opvoering voor

enkele uitstekende dansers. Het initiatief kende een groot succes en is uitgegroeid tot

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 131 / 135


Bijlage 3: Voorbeelden van goede en minder goede praktijken

een tweejaarlijks dansfestival dat ondertussen meerdere financieringsbronnen ter

beschikking heeft.

A3.1.4. Bouw van een sociaal centrum voor kinderen en

tienermoeders

Het centrum doet dienst als kleuterschool en biedt diverse diensten aan tienermoeders in

een volkswijk waar onderwijsinstanties maar zeer beperkt aanwezig zijn.

Voor de micro-interventie steunde het centrum voornamelijk op vrijwilligerswerk en

giften. De huur van het gebouw slorpte het grootste deel van de middelen op en wat

overbleef volstond nauwelijks om de dagelijkse werking te financieren.

Dankzij de micro-interventie kon er een gebouw voor het centrum worden gebouwd. Dit

bood een dubbel voordeel: enerzijds moet het centrum geen huur meer betalen terwijl

net die de grootste uitgavenpost vormde. Het geld dat op die manier wordt vrijgemaakt,

wordt gebruikt om meer diensten aan te bieden en de kwaliteit ervan te verbeteren.

Anderzijds verbetert het nieuwe gebouw de werk- en onderwijsomstandigheden, met

name omdat het beter bestand is tegen overstromingen.

A3.1.5. Productie en verdelen van een handboek over natuurlijke

methodes om dieren te verzorgen.

Een associatie die lokale boeren ondersteunt, heeft een MI gevraagd om een handboek

te produceren en te verdelen waarin natuurlijke methodes uitgelegd staan om dieren te

genezen. De boeren die aangesloten zijn, hebben vaak slechts enkele dieren die ze

verkopen om wat inkomen te hebben. Traditionele geneesmiddelen zijn dus vaak te duur

voor deze boeren.

Door de MI heeft men traditionele methodes kunnen documenteren en op een

didactische manier weergeven in een handboek voor de boeren. Dit handboek is op een

korte periode uitverkocht en er werd op het moment van het bezoek reeds aan een

tweede druk gewerkt.

Door het gebruik van deze traditionele methodes om zieke dieren te genezen, moet de

boer veel minder middelen gebruiken om zijn dieren gezond te houden. Daardoor geeft

hij minder geld uit aan geneesmiddelen, en verhoogt zijn inkomen doordat meer dieren

verkocht kunnen worden.

A3.2. Enkele micro-interventies met zeer slechte of

weinig duurzame resultaten

A3.2.1. Landbouwproductie voor 'plattelandsvrouwen'

De micro-interventie wil de inkomsten verhogen van een groep 'plattelandsvrouwen' die

in feite in de hoofdstad wonen. De Belgische bijdrage wordt gebruikt om wat

landbouwgereedschap en zaad te kopen, maar vooral om een terrein 60 km verderop te

huren, het te laten bewerken door een tractor en om landbouwers te betalen om

verschillende karweien op te knappen (onkruid wieden, oogsten,...).

De opbrengst van de oogst werd verkocht en op de bank gezet (in vreemde valuta

omwille van de snel stijgende inflatie).

In dit geval werden de fondsen nagenoeg volledig geïnvesteerd in productiemiddelen en

om consumptiegoederen en arbeid te betalen. Het staat zo goed als vast dat het om een

eenmalige, niet duurzame operatie gaat ten voordele van enkele vrouwen die ver van de

productieplaats wonen.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 132 / 135


A3.2.2. Herstel van het sociale weefsel

Bijlage 3: Voorbeelden van goede en minder goede praktijken

De financieringsaanvraag voor deze interventie werd ingediend door een tussenpersoon

in de hoofdstad van het partnerland. Het gaat om een interventie die ingediend werd via

een intermediair in Lima. Ze betreft de psychologische bijstand van personen in een

gebied waar het tot voor kort onrustig was.

Een dergelijke bijstand is op zich erg relevant aangezien de bevolking sterk heeft

geleden onder de terreur van de rebellen en de gewapende troepen. De gevolgen zijn

vandaag de dag nog altijd merkbaar en de bevolking wacht nog steeds op de erkenning

als slachtoffer en de vergoeding van geleden schade.

Het MIP is echter niet geschikt om deze soort problemen op te lossen. De

vooropgestelde doelstellingen waren te ambitieus en met het vastgelegde

maximumbudget konden niet de nodige activiteiten worden ontwikkeld om tastbare

resultaten te boeken. Bovendien was de maximumduur van één jaar veel te kort en lag

de interventieplek op meer dan 5 uur rijden van de dichtstbijzijnde stad.

A3.2.3. Genereren van inkomsten met legkippen

De micro-interventie wil een inkomen genereren voor een groep vrouwen uit de rand van

een grote stad.

De bron van inkomsten is de verkoop van kippeneieren. In een latere fase zou de

productie van groenten de variatie in het voedingspatroon van de vrouwen ten goede

moeten komen.

De tussenstructuur heeft ervoor gezorgd dat het initiatief een hangar ter beschikking

kreeg en een lapje grond voor de groenteteelt.

Met de micro-interventie werd de aankoop van kooien en kippen gefinancierd, samen

met de eerste zakken voeding voor legkippen.

De vrouwen krijgen een opleiding om de kippen te voeden en hun gezondheid te

bewaken.

Het project creëerde bij de vrouwen de sterke hoop dat hun dagelijks leven zou

verbeteren.

Vaststelling van de evaluatie:

- De vaste kosten en de risico's werden niet op een correcte manier ingecalculeerd.

Als het tij niet keert, zullen de productiekosten de winst uit de verkoop van de

eieren snel overstijgen en komt het project in gevaar.

- De prijs van de voeding stijgt meer dan voorzien

- De kippen werden getroffen door een epidemie: er waren geen medicijnen

voorzien, net zo min als een vervanging van de legkippen die stierven.

Bovendien is het project gevestigd in een gebied dat een snelle stedelijke ontwikkeling

kent, wat het project op relatief korte termijn in het gedrang zal brengen.

A3.2.4. Aanleg van een waterput

Met de aanleg van een waterput wou het project de melkproductie verhogen door de

afstand van tot een waterpunt voor het vee te verkorten.

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 133 / 135


Bijlage 3: Voorbeelden van goede en minder goede praktijken

De micro-interventie werd niet toegekend aan de vereniging van veehouders, maar wel

aan een commercieel bedrijf dat actief is in de sector van de melkverwerking. Voor dit

bedrijf bestond het doel er vooral in om de gemeenschappen te binden.

De put werd gegraven zonder voorafgaande studie van de meest geschikte plek en er

werd niet zo diep gegraven als voorzien in de aanvraag, zodat het ondergrondse

waterbekken niet werd bereikt.

Resultaten:

- De waterput staat droog en wordt verwaarloosd.

- Er is een conflict tussen het bedrijf en de vereniging van veehouders

- De waterput staat in het gebied bekend als de "Belgische put" en geeft België dus

een slecht imago.

A3.2.5. Bouw van een gezondheidscentrum

Een gezondheidscentrum dat in heel slechte staat was, had een MI aangevraagd om een

nieuw gezondheidscentrum te bouwen dat beter kan voldoen aan de behoeften van de

patiënten van het gezondheidscentrum.

Met de fondsen van de MI is een stuk grond aangekocht en is de bouw begonnen van het

nieuwe centrum. Twee problemen hebben ervoor gezorgd dat het nieuwe centrum er

nooit gekomen is:

- een gebrek aan geld om het centrum volledig af te maken door slechte

budgettering in combinatie met een torenhoge inflatie

- de aankoop van de grond is te goeder trouw gebeurd, en dus niet correct

verlopen. Er is nooit een geldig eigendomscertificaat gegeven aan de nieuwe

eigenaar.

Daardoor staan er nu vier muren op een stuk grond waarvan de eigendomsrechten

betwist worden. Er is dus geen enkele verbetering ten opzichte van de beginsituatie.

A3.3. Best practice van de selectiestrategie

Selection of MIPs: The criteria used are:

- 1. The beneficiaries are the vulnerable groups in the society (youth, woman,

elder, disabled)

- 2. Income generating

- 3. Gender oriented

- 4. Focused and verifiable results

- 5. New MIP

- 6. Budget oriented to the beneficiaries

The criteria will be rated according to four classes (0 - 1 - 2 - 3). At this stage all criteria

have equal weight and the Embassy CSR has not yet been taken into account.

Values of the classes for the different criteria:

1) Vulnerable groups

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 134 / 135


- 0 = not at all.

- 1 = indirectly

- 2 = directly

Bijlage 3: Voorbeelden van goede en minder goede praktijken

- 3= high and direct return for the vulnerable groups

2) Income generating

- 0 = no income is or will be generated

- 1 = some income might be generated in the future

- 2 = income is generated already during the project

- 3 = income generating during the project will increase with time (multiplication

effect)

3) Gender

- 0 = men / women are not equally considered

- 1 = men / woman are equally considered

- 2 = woman are positively discriminated

- 3 = status of woman will be improved

4) Focused on results

- 0 = results / services to deliver are unclear

- 1 = results are clear but doubts exist if these are of interest for the beneficiaries

- 2 = clear results of interest for the beneficiaries

- 3 = sharp results and of high interest for the beneficiaries

5) New MIPs

- 0 = applicant was already granted a MIP in 2009 or 2008

- 1 = applicant was granted a MIP in 2007; 2006 or 2005

- 2 = applicant was granted a MIP before 2005

- 3 = applicant was never granted a MIP

Evaluatie van het micro-interventie programma blz. 135 / 135


Evaluatie nr S4/2010/06

Wettelijk depot : 0218/2011/46

KOnInKRIJK BELGIË

Federale Overheidsdienst

Buitenlandse Zaken,

Buitenlandse handel en

Ontwikkelingssamenwerking

Dienst Bijzondere Evaluatie van de Internationale samenwerking

Egmont • Karmelietenstraat 15, B-1000 Brussel • + 32 2 (0)2 501 38 34 • www.diplomatie.belgium.be • www.dg-d.be • ses-dbe@diplobel.fed.be

More magazines by this user
Similar magazines