30.08.2013 Views

MOOI GRONINGEN! - Provincie Groningen

MOOI GRONINGEN! - Provincie Groningen

MOOI GRONINGEN! - Provincie Groningen

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

Woord vooraf<br />

Inhoudsopgave<br />

Inleiding<br />

Bevindingen<br />

Landschap<br />

Cultuurhistorie<br />

Ontwikkeling<br />

Educatie en communicatie<br />

Discussiepunten<br />

Bijlagen<br />

Inhoudsopgave<br />

1. Wat heeft de werkgroep zoal gedaan?<br />

2. Motie<br />

3. Startnotitie<br />

4. Woordelijk verslag expertmeeting 12 december 2007<br />

5. Woordelijk verslag symposium ‘Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?’ 30 januari 2008<br />

6. Diverse artikelen uit de media<br />

7. Cv’s deelnemers 30 januari 2008<br />

8. Samenstelling van de werkgroep<br />

9. Begrippenlijst<br />

10. Bronvermelding<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

Discussienota Statenwerkgroep Landschap<br />

2008


Discussienota<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

Statenwerkgroep Landschap<br />

<strong>Groningen</strong>, juni 2008<br />

1<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

2


In de loop van 2007 raakte ons land in de ban van een<br />

nationaal debat over verrommeling en aantasting van<br />

het landschap. Over de gehele linie kwamen overheden,<br />

maatschappelijke organisaties en verontruste<br />

burgers in geweer. ‘Mooi Nederland’ kwam voorbij in<br />

vele variaties.<br />

‘Mooi <strong>Groningen</strong>’ was het onderwerp dat de gemoederen<br />

in onze provincie in beweging bracht. In een<br />

tijdbestek van enkele maanden ging een werkgroep<br />

uit de Groninger Staten in gesprek met deskundigen<br />

van binnen en buiten de provincie, sprak met burgers<br />

en organisaties, trok de provincie in en organiseerde<br />

een expertmeeting en een symposium. Tijdens de<br />

vele gesprekken en bij de uitwisseling van bevindingen<br />

door de leden van de werkgroep onderling bleek<br />

hoe waar de woorden waren, uitgesproken door voorzitter<br />

Roel in ‘t Veld tijdens het symposium:<br />

“Het debat over landschap gaat over waarden, over<br />

noties van schoonheid, van functionaliteit, van nut<br />

en van veiligheid en wat men daar nog aan toe wil<br />

voegen. In die zin is het landschap misschien ook<br />

wel een postmodern concept waarin de esthetica en<br />

historie toekomstgericht hun plaats herwinnen naast<br />

de industriële functionaliteit. Als je er zo naar kijkt, is<br />

landschap een spiegel van cultuur, zingeving en gaat<br />

het debat over landschap over wat mensen verbindt<br />

in hun waarden en ook scheidt in hun waarden.<br />

Daarom kan het gesprek over landschappen ook zo<br />

heftig zijn, kun je er ruzie over maken, het gaat over<br />

passie, over wat je lief hebt, wat je wil behouden, herstellen<br />

en ontwikkelen”.<br />

Dank van de werkgroep gaat uit naar allen, deskundigen,<br />

organisaties en burgers, die met ons hebben gesproken<br />

en ons hebben geïnformeerd en geadviseerd.<br />

Een bijzonder woord van dank geldt de voortreffelijke<br />

wijze waarop de werkgroep vanuit de Staten griffie is<br />

ondersteund.<br />

Mabel Schalij<br />

Voorzitter Werkgroep Landschap<br />

Symposium “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?”, 30 januari 2008<br />

3<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Hoofdstukken Pagina<br />

Inleiding 5<br />

Bevindingen 7<br />

Beleid en instrumentarium 8<br />

Landschap 11<br />

Cultuurhistorie 13<br />

Ontwikkeling 15<br />

Educatie en communicatie 16<br />

Discussiepunten 17<br />

Bijlagen<br />

1. Wat heeft de werkgroep zoal gedaan? 21<br />

2. Motie 23<br />

3. Startnotitie 24<br />

4. Woordelijk verslag expertmeeting 12 december 2007 28<br />

5. Woordelijk verslag symposium ‘Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?’ 30 januari 2008 61<br />

6. Diverse artikelen uit de media 99<br />

7. Cv’s deelnemers 30 januari 2008 104<br />

8. Samenstelling van de werkgroep 108<br />

9. Begrippenlijst 110<br />

10. Bronvermelding 114<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

4


Eind oktober 2007 is de Statenwerkgroep Landschap<br />

geformeerd. Deze werkgroep is voortgekomen uit<br />

een motie van de Partij van de Arbeid bij de behandeling<br />

van de Voorjaarsnota in juni 2007, die door een<br />

meerderheid van Provinciale Staten is aangenomen.<br />

De motie behelst een nader ‘onderzoek’ naar de wijze<br />

waarop de landschappelijke en cultuurhistorische<br />

waarden in <strong>Groningen</strong> beter beschermd en hersteld<br />

kunnen worden. Tevens dat de uitkomsten van de<br />

verkenning door de werkgroep tijdig aan de Staten<br />

zullen worden gepresenteerd, zodat ze betrokken<br />

kunnen worden bij het debat over het nieuwe Provinciaal<br />

Omgevingsplan (zie voor de motie, de startnotie<br />

en de samenstelling van de werkgroep de bijlagen).<br />

In de werkgroep Landschap zijn alle fracties uit<br />

Provin ciale Staten vertegenwoordigd, te weten: Partij<br />

van de Arbeid, CDA, SP, VVD, ChristenUnie, Groen-<br />

Links, Partij voor het Noorden, D66 en de Partij voor<br />

de Dieren.<br />

De werkgroepleden hebben hun oor te luister gelegd<br />

bij deskundigen, burgers en andere betrokkenen om<br />

onder meer te ervaren wat de staat van het landschap<br />

in de provincie is, waar het de landschappelijke en<br />

cultuurhistorische waarden betreft. En ook hoe het<br />

buitengebied in de provincie ontwikkeld kan worden,<br />

zonder de landschappelijke kwaliteit aan te tasten.<br />

Via documentatie (zie ook de bronvermelding), voorlichting<br />

door deskundigen (de organisatie van een<br />

expertmeeting en een openbaar symposium) en<br />

consultatie van betrokken provinciale organisaties<br />

en burgers hebben de leden van de werkgroep een<br />

beeld gekregen van de staat van het landschap.<br />

Als bijdrage aan het debat in de Staten over het nieuwe<br />

Provinciaal Omgevingsplan, biedt de werkgroep<br />

hierbij haar bevindingen aan in de vorm van een aantal<br />

stellingen en discussiepunten. In deze discussienota<br />

zijn diverse zaken verwerkt die door de verschillende<br />

werkgroepleden zijn opgemerkt aan de hand<br />

van de diverse activiteiten die zijn ondernomen. Het<br />

spreekt vanzelf dat in een zo’n breed samengestelde<br />

werkgroep bij de formulering van de discussiepunten<br />

sprake is van verschillende (politieke) percepties.<br />

‘Als veel mensen pijn in hun buik krijgen van<br />

het dichtslibbende Nederland, moet de overheid<br />

daar gaan sturen. Dat is democratisch. Mij stoort<br />

het vooral dat er zo slordig en ondoordacht wordt<br />

omgegaan met onze eeuwenoude cultuurlandschappen.<br />

Als Kamerleden en politici daarmee<br />

worden geconfronteerd, zeggen ze al gauw: ja,<br />

maar Nederland moet geen museum worden.<br />

Dat is een mantra die elke discussie over het<br />

behoud van het Nederlandse landschap in de<br />

kiem smoort. Ik begrijp ook wel dat gemeenten<br />

werkgelegenheid voorop stellen en dus allemaal<br />

bedrijventerreinen willen - het is zelfs hun<br />

taak dat te willen. Maar daar staan sinds de decentralisering<br />

van de ruimtelijke ordening geen<br />

hogere overheden meer tegenover.<br />

Rijk en provincie zijn niet goed meer in staat om<br />

vorm te geven aan het algemeen belang.’<br />

Prof. Auke van der Woud in NRC 09-02-08<br />

5<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


In de voorbereiding naar het nieuwe Provinciaal Omgevingsplan,<br />

in het najaar van 2007, verscheen het<br />

analysedocument van het college van Gedeputeerde<br />

Staten. In dit document besteedde het college van<br />

Gedeputeerde Staten in de ogen van de werkgroep<br />

voornamelijk impliciet aandacht aan het landschap.<br />

Dit was een aansporing om het thema landschap nadrukkelijker<br />

als discussiepunt op de agenda van de<br />

Staten te zetten. Inmiddels staat landschap ook prominenter<br />

op de agenda van het college van Gedeputeerde<br />

Staten. Dit blijkt onder andere uit het POPkeuzedocument<br />

van het college.<br />

Met belangstelling nam de werkgroep kennis van het<br />

feit dat ons land in de loop van 2007 in de ban raakte<br />

van ‘Mooi Nederland’. Een landelijk debat over de<br />

mate van verrommeling van het landschap, dat over<br />

de gehele linie de gemoederen in beweging bracht.<br />

Het landelijk debat inspireerde de werkgroep ook in<br />

die zin dat ‘Mooi <strong>Groningen</strong>’ de titel van de discussienota<br />

is geworden.<br />

Bij de werkzaamheden van de werkgroep waren o.a.<br />

de volgende vragen leidend:<br />

◦ In hoeverre is er ook in onze provincie sprake<br />

van verrommeling van het landschap?<br />

◦ Welk beleid en instrumentarium wordt momenteel<br />

door de provincie ingezet om de<br />

landschappelijke en cultuurhistorische waarden<br />

van het landschap te beschermen en om<br />

ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan?<br />

◦ Hoe beoordelen deskundigen, provinciale<br />

belangenorganisaties en burgers het beleid:<br />

vindt men het effectief, biedt het voldoende<br />

bescherming, laat het voldoende ruimte voor<br />

nieuwe ontwikkelingen, worden ongewenste<br />

ontwikkelingen tegengegaan?<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

6<br />

◦ Welke mogelijkheden biedt de nieuwe Wet<br />

ruimtelijke ordening (Wro) om te komen tot effectieve<br />

bepalingen om het landschap te beschermen<br />

en te ontwikkelen? Welke aanvullende<br />

instrumenten kunnen worden ingezet?<br />

◦ Wat zijn goede ideeën om in het landschap te<br />

investeren?<br />

◦ Hoe kan voorkomen worden dat het landschap<br />

op slot wordt gezet? Hoe en binnen welke<br />

voorwaarden kan het landschap worden gebruikt<br />

als benutbaar gebruiksgoed voor agrariërs,<br />

particulier initiatief, lokale overheden en<br />

bedrijfstakken, zoals de toeristische?<br />

◦ Wat kunnen we leren van andere provincies?<br />

De verkenning was vooral gericht op het generieke<br />

landschap, het ‘gewone’ landschap dus en niet op de<br />

Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of de Nationale<br />

Landschappen in de provincie, waarvoor in andere<br />

kaders al de nodige aandacht bestaat.<br />

In de beeldvorming over verrommeling lopen verschillende<br />

zaken van subjectieve aard door elkaar.<br />

Begripsverwarring dreigt, dat geldt ook voor andere<br />

begrippen. Om deze reden is als bijlage een begrippenlijst<br />

toegevoegd, waarin de sleutelbegrippen zoals<br />

die in deze discussienota worden gehanteerd, worden<br />

voorzien van een, zo mogelijk, eenduidige betekenis.


Bevindingen<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

7<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

Beleid en instrumentarium<br />

Vergeleken met andere delen van ons land kent <strong>Groningen</strong><br />

nog veel open landschap en groene ruimte.<br />

Ook is in het kader van voorgaande omgevingsplannen<br />

consequent het mal-contramal-principe toegepast,<br />

met veel aandacht voor ruimtelijke kwaliteit en<br />

het (cultuur)landschap, hetgeen is uitgewerkt in beleid<br />

en instrumenten. Zo zijn bijvoorbeeld voor de<br />

verschillende regio’s uitgebreide en gedetailleerde<br />

land schapsontwikkelingsplannen (LOP’s) ontwikkeld,<br />

mede gebaseerd op cultuurhistorische waardenkaarten.<br />

Op het gebied van ruimtelijke kwaliteit zijn<br />

beeldkwaliteitsplannen ontwikkeld, met inzet van instrumenten<br />

als het Provinciaal Bouwheerschap en de<br />

Vliegende Brigade. In het kader van ontwikkelingsplanologie<br />

zijn grote regionale voorbeeldprojecten en<br />

ontwerpopgaven, zoals Blauwe Stad en Meerstad,<br />

onder regie van de provincie geïnitieerd. De plannen<br />

zijn in nauwe samenwerking met de provincie,<br />

de regio raden, de gemeenten en andere belanghebbende<br />

instanties tot stand gekomen.<br />

In het analysedocument van het college van Gedeputeerde<br />

Staten wordt naar bovenstaand beleid verwezen.<br />

Toch wordt in het document ook gewezen<br />

Het platteland is echt nog heel anders dan de<br />

stad, hoeveel kleiner de afstanden ook geworden<br />

zijn. De landschapsontwerpers die beweren<br />

dat het platteland ‘allang’ niet meer bestaat en<br />

dat we ook niet moeten doen alsof er iets is wat<br />

de moeite van het behouden waard is, die wonen<br />

daar niet.<br />

Marjoleine de Vos, NRC, 29-03-08<br />

8<br />

op een aantal negatieve ontwikkelingen in relatie tot<br />

stadsuitbreidingen, recreatievoorzieningen en agrarische<br />

nieuwbouw. Maar er blijkt meer aan de hand,<br />

sluipenderwijs gaan steeds meer landschappelijke en<br />

cultuurhistorische waardevolle elementen in het buitengebied<br />

verloren, als gevolg van:<br />

◦ schaalvergroting en industrialisering van het<br />

agrarische bedrijf;<br />

◦ slecht ingepaste bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen;<br />

◦ egalisering van reliëf, dempen van waterlopen,<br />

aanleg van infrastructuur;<br />

◦ ingrepen die de vegetatie van het landschap<br />

aantasten;<br />

◦ vernietiging of aantasting van cultuurhistorische<br />

objecten zoals beeldbepalende panden,<br />

straat- , dorps- en landschapsbeelden (-gezichten).<br />

Voor zover de werkgroep niet zelf heeft kunnen constateren<br />

dat in alle delen van de provincie voorbeelden<br />

zijn te noemen van bovenstaande verschijnselen,<br />

hebben deskundigen, diverse betrokken organisaties<br />

en verontruste burgers de werkgroep hierop gewezen.<br />

Het ontbrak de werkgroep aan tijd om zelf meer uitgebreid<br />

onderzoek te verrichten naar het ontstaan van<br />

verschillende vormen van aantasting van het landschap.<br />

Een goede evaluatie van de bestaande situatie<br />

aan de hand van een aantal praktijkcases kan<br />

meer inzicht geven in factoren die van invloed zijn op<br />

de voortgaande verrommeling van het buitengebied:<br />

waar hebben in het verleden keuzes in het ruimtelijk<br />

gebruik geleid tot ongewenste bijwerkingen en aantasting<br />

van gebiedskwaliteiten?


De conclusie dringt zich op dat het bestaande provinciale<br />

beleid en instrumentarium, ondanks de kwaliteit,<br />

niet het beoogde effect sorteren, althans niet in staat<br />

is om de aantasting van het generieke cultuurlandschap<br />

in de provincie tegen te gaan.<br />

Als er al een onderwerp momenteel in de schijnwerpers<br />

staat, dan is dat wel het landschap.<br />

Overal in Nederland maakt men zich zorgen<br />

over de verrommeling van het landschap en<br />

de teloorgang van landschapselementen. Als<br />

die zorgen werkelijkheid worden, dan wordt het<br />

landschap steeds eenvormiger. Daarmee zal de<br />

regionale identiteit verdwijnen. Stelt u zich eens<br />

voor. In <strong>Groningen</strong> geen typische verschillen<br />

tussen landschappen? Geen houtwallen in het<br />

Westerkwartier, geen essen in Westerwolde en<br />

wierden op het Hoogeland?<br />

Gedeputeerde Hollenga, ter gelegenheid van<br />

25 jaar Landschapsbeheer<br />

Een aantal stellingen:<br />

◦ Het beschermende instrumentele pakket wordt<br />

vooralsnog op onderdelen als onvoldoende<br />

beoordeeld. Bestuurlijke convenanten kunnen<br />

bijvoorbeeld wel doelgericht zijn, maar ze zijn<br />

geen garantie voor effectief beleid;<br />

◦ Om meer effect te sorteren zou het beleid op<br />

onder delen moeten worden aangescherpt.<br />

Zo hebben Landschapsontwikkelingsplannen<br />

geen juridische basis. Overigens zijn deze<br />

LOP’s van recente datum (2006) en zijn effecten<br />

ervan pas op wat langere termijn aan<br />

te geven;<br />

◦ Facilitaire ondersteuning naar gemeenten is<br />

belangrijk, ook waar het de welstand betreft;<br />

◦ Het ontwerpproces zou meer aandacht moeten<br />

krijgen bij nieuwe ontwikkelingen, zeker<br />

waar het de ‘inpassing’ in het landschap betreft;<br />

◦ Voor het beheer van het generieke landschap<br />

ontbreekt het aan middelen (geld);<br />

◦ Procedures om groen/blauwe diensten mogelijk<br />

te maken, zouden minder bureaucratisch<br />

en meer transparant moeten zijn;<br />

◦ Draagvlak verkrijgen is belangrijk, dat zou<br />

bereikt kunnen worden door burgers eerder<br />

te betrekken bij ruimtelijke- en ontwerpprocessen.<br />

Wro en rol van de provincie<br />

Er zijn goede mogelijkheden voor een preventieve<br />

aanpak van de aantasting en verrommeling van het<br />

cultuurlandschap door gebruik te maken van het instrumentarium<br />

van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening<br />

(Wro), zoals de Provinciale Structuurvisie en<br />

Provinciale Verordening.<br />

De nieuwe wet dwingt de provincie om goed na te<br />

gaan welke provinciale belangen in het geding zijn.<br />

De kernkwaliteiten van de regio’s of van specifieke<br />

gebieden kunnen in kaart worden gebracht en beschermd<br />

door de Provinciale Verordening. In die zin<br />

zou de provincie regie moeten voeren en gaan staan<br />

voor haar taak: het stellen van landschappelijke voorwaarden<br />

9<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


De gezamenlijke verantwoordelijkheid moet<br />

worden gezocht en gezamenlijk moeten spelregels<br />

worden gedefinieerd. De nieuwe WRO<br />

biedt daar prachtige kansen toe.<br />

Marja van der Tas: “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?<br />

Als verantwoordelijke overheid voor het bovenlokale<br />

niveau zou de provincie sterker kunnen sturen op de<br />

kwaliteit van het cultuurlandschap met een optimale<br />

inzet van alle beschikbare instrumenten. Naast juridische<br />

instrumenten blijven ook bestuurlijke afspraken<br />

met goede spelregels op niveau van de regio daarbij<br />

belangrijk.<br />

Positieve sturing, in de vorm van facilitaire ondersteuning<br />

door de provincie naar de gemeenten, door het<br />

verstrekken van subsidies en het inzetten van kennis<br />

en menskracht kan goed werken. Hier ligt ook<br />

de continuïteit met het beleid van de voorgaande<br />

omgevingsplannen. In dit verband is versterking van<br />

provinciale instrumenten wenselijk. Zo zou naar voorbeeld<br />

van andere provincies het Provinciaal Bouwheerschap<br />

aangevuld kunnen worden met andere<br />

disciplines of, gezien het belang van een kwalitatieve<br />

vormgeving, gedacht kunnen worden aan het inzetten<br />

van een Provinciaal Ontwerpatelier op het niveau van<br />

het landschap (een kwaliteitsteam met landschapsgerichte<br />

kennis).<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

10<br />

Behalve een preventieve aanpak is ook een curatieve<br />

aanpak van belang: het samen met gemeenten in<br />

regionaal verband ontwikkelen van programma’s om<br />

ongewenste bebouwing te saneren, ongewenste bestemmingen<br />

tegen te gaan en, waar mogelijk, herstel<br />

van gebiedseigen kwaliteiten te realiseren.<br />

Prof. dr. Roel in ‘t Veld


Op het gebied van het landschap zitten er mogelijkheden<br />

in het nieuwe provinciale beheerprogramma,<br />

waarbij meer samenhang wordt aangebracht tussen<br />

beheer en regionale ontwikkeling van het landelijke<br />

gebied. Er is behoefte aan een regionaal netwerk,<br />

vermindering van de administratieve druk en aan het<br />

creëren van mogelijkheden voor meer financiële dragers.<br />

Je kunt niet over het landschap spreken. <strong>Groningen</strong><br />

op zich heeft al veel soorten landschappen<br />

die je ook op eigen merites, eigen kwaliteiten<br />

moet bekijken. Hetzelfde geldt voor de<br />

landbouw. Een akkerbouwbedrijf is echt iets<br />

anders dan een melkveehouderij of tuinbouw,<br />

kassenbouw, etc.<br />

Jan Klijn, “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?<br />

Er is te weinig budget voor het generieke landschap.<br />

ILG-middelen (ILG = Investeringsbudget Landelijk<br />

Gebied) zijn vooral bestemd voor de Ecologische<br />

Hoofdstructuur (EHS) en de Nationale Landschappen,<br />

de provincies financieren navenant. Groene en<br />

blauwe diensten komen door gebrek aan budget en<br />

administratieve bureaucratie niet van de grond. Hier<br />

ligt een verantwoordelijkheid voor overheid en samenleving.<br />

Op dit moment is het een en ander wel<br />

institutioneel geregeld, maar dat is indirect via de<br />

Agrarische natuur verenigingen, het particulier natuurbeheer.<br />

We hebben ook landschapsbeheer die o.a.<br />

boerenerven opknapt.<br />

De provincie zou duidelijk moeten kiezen voor een<br />

landschappelijke ambitie en de consequenties hiervan<br />

moeten vertalen in een financiële paragraaf van<br />

de begroting. Een diepere verkenning naar de toekomstige<br />

financiering van een in te stellen Provin ciaal<br />

Landschapsfonds is nodig, met aandacht voor de<br />

voeding van het fonds en uitgavenkaders.<br />

Gezien het groeiende draagvlak voor de instandhouding<br />

van het landschap en de economische betekenis<br />

van landschap als drager van leefbaarheid en toerisme,<br />

liggen er kansen voor verschillende gebieden in<br />

de provincie. Hier zou de provincie haar stimulerend<br />

beleid kunnen voortzetten en uitbreiden door diverse<br />

mogelijkheden nader uit (te laten) zoeken en pilots en<br />

voorbeeldprojecten in deze te subsidiëren. Hierbij valt<br />

te denken aan:<br />

◦ nieuwe landgoederen en buitenplaatsen<br />

◦ moge lijk heden voor meer (publiek-private)<br />

finan ciële dragers in de vorm van regionale<br />

groenfondsen met input van sponsoring en<br />

adoptie (zie voorbeelden elders)<br />

◦ groene en blauwe diensten in verschillende<br />

variaties<br />

◦ ruimte voor ruimte<br />

◦ hergebruik gebouwen<br />

De open ruimte is een ongeprijsd collectief goed<br />

en dat ongeprijsd collectief goed legt het vaak<br />

af tegen de goed identificeerbare individuele of<br />

bedrijfsbelangen.<br />

VROM-raad<br />

11<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Voorbeelden uit verschillende provincies laten zien<br />

dat investeren in het onderhoud en beheer van het<br />

landschappen en in het begeleiden van nieuwe ontwikkelingen<br />

in die gebieden goede maatschappelijke<br />

bestedingen zijn. Het betreft hier langetermijninvesteringen<br />

die ten gunste zullen komen aan de kwaliteit<br />

van de woon- werk- en recreatieomgeving, die helpen<br />

bij het realiseren van goede ruimtelijke- en milieucondities<br />

en zo kunnen bijdragen aan geluk en welvaart.<br />

Een landschappelijke investering is daarmee ook een<br />

duurzame investering.<br />

Landschap en landbouw<br />

Het beeld overheerst dat het gewone landschap door<br />

ruilverkaveling, schaalvergroting en industrialisering<br />

van de landbouw zijn eigenheid is kwijtgeraakt. Voor<br />

een levend landschap is landbouw ook nodig, het is<br />

te eenzijdig om alleen een tegenstelling tussen landschap<br />

en landbouw te zien. Op verschillende manieren<br />

kan dat tot uiting komen: bij herverkaveling<br />

bijvoorbeeld zouden boeren meer rekening kunnen<br />

houden met het landschap door waardevolle structuren<br />

en historische landschapslijnen te respecteren.<br />

Een andere mogelijkheid is te zorgen voor een groen/<br />

blauwe dooradering in het productielandschap door<br />

randen van de percelen te beplanten: heggen, wallen<br />

en/of slootkanten. De streek bepaalt de inrichting van<br />

het groenplan, de boeren doen mee en worden conform<br />

gecompenseerd.<br />

Landbouw kun je, zeker in <strong>Groningen</strong>, zien als<br />

de maker en breker van het landschap, als de<br />

verzorger maar ook als de uitbater.<br />

Jan Klijn: “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?”<br />

Ter discussie staat in hoeverre schaalvergroting en<br />

industrialisatie van agrarische bedrijven en (nieuw)<br />

vestiging van grootschalige veeteelt nadelige gevolgen<br />

hebben voor de omgeving en het landschap. Ter<br />

discussie staat ook of de landschappen in <strong>Groningen</strong><br />

en de daarin aanwezige infrastructuur berekend zijn<br />

op de (nieuw)vestiging van grootschalige intensieve<br />

veeteelt. In de structuurvisie zouden regels voor de<br />

maatvoering per landschapstype kunnen worden opgenomen.<br />

Belangrijk hierbij is ook aandacht voor de<br />

vormgeving (architectuur) van nieuwe bedrijfsgebouwen<br />

en de inpassing hiervan in het landschap.<br />

NB. Dit onderwerp is ook uitgebreid aan de orde geweest<br />

in de discussie over intensieve veehouderij in<br />

de Statencommissie Omgeving en Milieu, de werkgroep<br />

verwijst hierna.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


<strong>Groningen</strong> telt een aantal bijzondere en waardevolle<br />

cultuurlandschappen die bijdragen aan de ruimtelijke<br />

identiteit van het gebied. Te denken valt aan het open<br />

wierdenlandschap van het Hoogeland, het Oldambt<br />

met zijn polders, het houtsingel- en coulisselandschap<br />

van het Westerkwartier en het essenlandschap in het<br />

zuiden van de provincie. Er zijn ook kleinere gebieden<br />

aan te wijzen die een geheel eigen karakteristieke uitstraling<br />

en identiteit bezitten.<br />

Bescherming van waardevolle cultuurlandschappen<br />

vormt een belangrijk uitgangspunt. Voor sommige<br />

landschappen is het nodig om te komen tot aanscherping<br />

van beleid en instrumenten omdat er bedreigingen<br />

zijn. In het Provinciaal Omgevingsplan (structuurvisie)<br />

zouden de beschermingswaardige elementen<br />

van het landschap (basis: cultuurhistorische waardenkaart)<br />

benoemd kunnen worden, met daarnaast<br />

per landschapstype een meer gedetailleerde verordening.<br />

Deze geeft ook het kader voor het bestemmingsplan<br />

buitengebied. Hier ligt een inspanningsverplichting<br />

voor de regio’s (samenwerkende gemeenten)<br />

om met steun van de provincie binnen een specifieke<br />

periode tot een detailverordening op maat van het<br />

(cultuur)landschap te komen, voortbordurend op de<br />

LOP’s en de intergemeentelijke welstandsplannen.<br />

De uitdaging zit niet zozeer in het geld steken in<br />

een landschap als landschap, maar in de vraag<br />

hoe je de provincie beter maakt met behulp van<br />

die investeringsstromen in rood, blauw, groen,<br />

en dergelijke.<br />

Rik Herngreen: “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?”<br />

De term ‘Provinciaal landschap’ zou als concept<br />

nader onderzocht kunnen worden. Dit concept kan<br />

wellicht als dragende peiler uitgroeien in het nieuwe<br />

Provinciaal Omgevingsplan door een verordening op<br />

maat aan de kwalificatie Provinciaal Landschap te<br />

koppelen.<br />

In dit verband kan ook bekeken worden in hoeverre<br />

het inzetten van een instrument als Beschermd Landschapsgezicht<br />

in bepaalde opzichten voor (delen van)<br />

het landschap een toegevoegde waarde heeft.<br />

Wat betreft het terugbrengen van oude elementen in<br />

het landschap: doe het waar het een toegevoegde<br />

waarde heeft, als het bijdraagt aan de karakteristieke<br />

uitstraling van een gebied of als het een zeer beeldbepalend<br />

object betreft. Het kan ook een bijdrage<br />

leveren aan recreatie en toerisme. Soms kunnen<br />

(zorgvuldige) reconstructies van het verleden (landschappen,<br />

gebouwen) een goede bijdrage leveren<br />

aan de toeristische aantrekkelijkheid van een gebied.<br />

Het begrip ‘verrommeling’ is niet zo’n zinnige<br />

discussie, omdat het niet gaat over de achterliggende<br />

factoren maar over de resultaten. Vastgesteld<br />

kan worden dat rood en groen definitief<br />

uit elkaar zijn gedreven, in tegenstelling tot de<br />

heroïsche geschiedenis van het Nederlandse<br />

platteland.<br />

Eric Luiten: “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi? “<br />

Landschap, monumenten en archeologie bepalen de<br />

identiteit van een gebied, maar die identiteit zou ook<br />

tot uitdrukking moeten kunnen komen in eigentijdse<br />

vormgeving. Iedere tijd voegt eigen cultureel erfgoed<br />

13<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


toe en verhoogt daarmee de cultuurhistorische waarde<br />

van een gebied. Het erfgoed gedraagt zich als een<br />

weefsel waarin voortdurend nieuwe plekken, objecten<br />

en herinneringen worden ingeweven en oude worden<br />

getransformeerd.<br />

Voor een evenwichtige ontwikkeling van het buitengebied,<br />

waarbij cultuurhistorie een van de inspiratiebronnen<br />

vormt voor ruimtelijke inrichting, is het aan<br />

te bevelen om specifieke instrumenten in te zetten,<br />

zoals regionale kwaliteitsteams en ontwerpateliers,<br />

waarin deze discipline goed vertegenwoordigd is.<br />

Naast deze expertkennis zou ook meer gebruik kunnen<br />

worden gemaakt van de kennis die burgers hebben<br />

van het verleden in hun gebied. Dat zou dan tot<br />

uitdrukking moeten komen bij (her)ontwerp van gebiedsprocessen.<br />

In die zin zijn ook dorpsvisies van<br />

belang voor de inrichting van het landelijk gebied.<br />

Om een breder draagvlak te verkrijgen verdient het<br />

bovendien aanbeveling om naar het voorbeeld van<br />

andere provincies per regio of gebied van cultuurhistorische<br />

waardenkaarten een digitale publieksversie<br />

te maken.<br />

Het cultuurlandschap moet opnieuw een belangrijk<br />

uitgangspunt vormen voor de (her)inrichting<br />

van het Nederlandse landschap. Hierdoor blijft<br />

de variatie in beelden van stad en land behouden.<br />

Waar nodig kunnen deze worden versterkt<br />

en waar mogelijk hersteld. Het gaat niet om<br />

“bevriezing” van ontwikkelingen.<br />

LNV: “Landschap ontwikkelen met kwaliteit”<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

14<br />

V.l.n.r.: Siepie de Jong, Rik Herngreen, Medy van der Laan en<br />

Jan Klijn, symposium “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?”, 30 januari 2008


De kernwaarden van de Groninger landschappen<br />

moeten zoveel mogelijk behouden blijven, maar waar<br />

het landschap dit toelaat, zouden die waarden ook<br />

vertaald kunnen worden naar (de vormgeving van)<br />

nieuwe ontwikkelingen, die nodig zijn voor de vitaliteit<br />

en de leefbaarheid van het platteland. Landschap<br />

kan niet los worden gezien van het economisch functioneren.<br />

Op het platteland hebben zich altijd economische<br />

processen afgespeeld, die de basis vormden<br />

voor vernieuwing.<br />

Als je groen landschap gaat bebouwen, is het<br />

onomkeerbaar, dat is een heel heftig besluit.<br />

Daar wordt vaak veel te achteloos mee omgegaan<br />

onder het mom van economisch belang en<br />

economische groei, etc.<br />

Medy van der Laan: “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?”<br />

Wanneer het gaat om economische kansen en vergroten<br />

van de leefbaarheid van het platteland is het<br />

goed zich te realiseren dat juist het verleden en het<br />

(rurale en industriële) erfgoed bijdragen aan hedendaagse<br />

beleving en waardering van de regio. Regio’s<br />

zoeken naar nieuwe manieren om zich te profileren,<br />

bijna altijd wordt daarbij het landschap en het erfgoed<br />

benut als economische bron en ‘symbolisch kapitaal’.<br />

Het historische weefsel van de regio geeft voeding<br />

aan diverse vormen van beleving voor (nieuwe) bewoners,<br />

bezoekers en toeristen, aan architectuurvormen<br />

en aan ruimtelijke plannen en constructie van<br />

nieuwe identiteiten.<br />

Naast grote vernieuwende ontwerpopgaven liggen er<br />

in de verschillende regio’s van onze provincie mogelijkheden<br />

om ook op kleinere schaal tot een creatieve<br />

integrale aanpak te komen met speciale aandacht<br />

voor het landschap. Het is raadzaam om ook voor de<br />

meer landelijke regio’s een inhoudelijke agenda op te<br />

stellen om concepten en instrumenten in die zin te<br />

ontwikkelen; concepten en instrumenten die ondernemers<br />

en investeerders aantrekken. Vormgevers van<br />

nieuwe initiatieven kunnen gebaat zijn bij reflectie op<br />

ruimtelijke transformaties in het verleden. De provincie<br />

kan hierin een stimulerende en faciliterende rol<br />

spelen door creatieve initiatieven en nieuwe concepten<br />

een kans te geven.<br />

Wat in elk geval van belang is, is dat ruimtelijke<br />

kwaliteit wel meer is dan belevingswaarde.<br />

Het is meer dan alleen esthetiek, want het gaat<br />

natuurlijk ook over de vraag wat de gebruikswaarde<br />

en de toekomstwaarde is van iets dat je<br />

toevoegt of doet met de ruimte.<br />

Marja van der Tas: “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?”<br />

15<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Het is verstandig om bewoners in een vroeg stadium<br />

te betrekken bij het maken van plannen voor een gebied.<br />

Er is veel kennis bij de burgers. Ze kunnen de<br />

overheid op ideeën en creatieve oplossingen brengen.<br />

Het zorgt ook meer betrokkenheid bij de burgers<br />

met een betere planvorming en een snellere uitvoering<br />

als resultaat. Het provinciale landschapsbeleid<br />

zou op een interactieve wijze, samen met gemeenten<br />

en geïnteresseerde burger(groepen), vorm en inhoud<br />

moeten krijgen.<br />

En nu blijkt uit onderzoek van LNV dat het publiek<br />

juist die teloorgegane bomenrijen, de sloten<br />

die een akker onderbreken en de kronkelige<br />

weggetjes, zo waardeert.<br />

Ineke Noordhoff, Noorderbreedte, jaargang 31,<br />

nr. 5<br />

Informatie en educatieve initiatieven zijn nodig om<br />

op langere termijn het draagvlak te onderhouden;<br />

ze garanderen dat kennis en inzicht van natuur- en<br />

cultuurhistorie in brede lagen van de bevolking beschikbaar<br />

blijven en worden geactualiseerd. De wijze<br />

waarop dit op scholen, in buurten en voor de vrijwilligers<br />

van de vele verenigingen gestalte krijgt, is niet<br />

alleen een onlosmakelijk cultureel identiteitsversterkend<br />

onderdeel, maar tevens een basisvoorwaarde<br />

voor economische vitalisering. De provincie zou hier<br />

- samen met gemeenten - een informatie-/educatielijn<br />

voor kunnen uitzetten.<br />

Omdat burgers veelvuldig ingrepen in het landschap<br />

signaleren die zij als ongewenst beschouwen zou een<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

16<br />

meldpunt overwogen kunnen worden waar zij (dreigende)<br />

aantastingen van het landschap kunnen melden.<br />

Een kwalitatief goed landschap is geld waard,<br />

bijvoorbeeld als goede omgeving voor wonen,<br />

werken en recreatie. Het biedt een goed vestigingsklimaat.<br />

Groen in de leefomgeving blijkt<br />

ook een positieve bijdrage te leveren aan de<br />

gezondheid.<br />

LNV: “Landschap ontwikkelen met kwaliteit”<br />

Dr. Jan Klein, symposium “Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?”,<br />

30 januari 2008


1. Het bestaande provinciale beleid en instrumentarium<br />

heeft niet kunnen verhinderen dat het<br />

cultuurlandschap in onze provincie steeds meer<br />

wordt aangetast. Om meer effect te sorteren moet het<br />

beleid en het instrumentarium op onderdelen worden<br />

aangescherpt.<br />

2. Er zijn goede mogelijkheden voor een preventieve<br />

aanpak om aantasting en verrommeling van<br />

het landschap te voorkomen door gebruik te maken<br />

van het instrumentarium van de nieuwe Wet ruimtelijke<br />

ordening (Wro), zoals de Provinciale Structuurvisie<br />

en de Provinciale Verordening. En voor een curatieve<br />

aanpak door, samen met de gemeenten in regionaal<br />

verband, programma’s te ontwikkelen voor het saneren<br />

van ongewenste bebouwing en beplanting, het<br />

tegengaan van ongewenste bestemmingen en - waar<br />

mogelijk - het herstel van gebiedseigen kwaliteiten.<br />

3. Bescherming van waardevolle cultuurlandschappen<br />

is een belangrijk uitgangspunt. Geef als<br />

provincie, op basis van de cultuurhistorische waardenkaarten<br />

en in de Structuurvisie, duidelijk aan kunnen<br />

geven welke karakteristieke elementen behouden en<br />

ontwikkeld moeten worden, met daarnaast per landschapsniveau<br />

een meer gedetailleerde verordening.<br />

De gemeenten gebruiken deze structuurvisie als kader<br />

en uitgangspunt voor bestemmingsplannen en<br />

bij het toetsen van initiatieven in het landelijk gebied.<br />

Handhaaf de structuurvisie indien nodig met een provinciale<br />

aanwijzing.<br />

4. Als verantwoordelijke overheid op het bovenlokale<br />

niveau moet de provincie sterker sturen op<br />

ruimtelijke kwaliteit met een optimale inzet van alle<br />

beschikbare middelen. Een aantal provinciale instru-<br />

menten kan versterkt worden, naar het voorbeeld van<br />

andere provincies. Zoals een aanvulling op het Provinciaal<br />

Bouwheerschap met andere disciplines of het<br />

inzetten van een Provinciaal Ontwerpatelier op het niveau<br />

van het landschap. De vraag die hierbij gesteld<br />

kan worden: moet dit generiek of alleen in situaties<br />

met een specifieke ontwerpopgave, bijvoorbeeld:<br />

Blauwe Stad en de Regiovisie <strong>Groningen</strong>-Assen.<br />

5. De provincie moet duidelijk kiezen voor een<br />

landschappelijke ambitie en de consequenties van<br />

die ambitie vertalen in een financiële paragraaf van<br />

de begroting. De provincie zou de mogelijkheden voor<br />

een Provinciaal Landschapsfonds kunnen onderzoeken.<br />

6. De provincie zorgt op het gebied van het<br />

landschap voor meer samenhang tussen beheer en<br />

regionale ontwikkeling van het landelijk gebied (nieuwe<br />

Programma beheer). Streef als provincie naar een<br />

goed systeem voor groen/blauwe diensten en creëer<br />

mogelijkheden voor meer (publiek-private) financiële<br />

dragers in de vorm van regionale groenfondsen, gebiedscoöperatie<br />

van ondernemers in verschillende<br />

sectoren, sponsoring en adoptie.<br />

7. Schaalvergroting en industrialisering van<br />

agrarische bedrijven en (nieuwvestiging van) grootschalige<br />

veeteelt kunnen nadelige gevolgen hebben<br />

voor de omgeving en voor het landschap. Voor (nieuwvestiging<br />

van) grootschalige intensieve veeteelt geldt<br />

dat infrastructuur en de schaal van de landschappen<br />

in <strong>Groningen</strong> niet berekend zijn op deze ontwikkelingen.<br />

In de provinciale structuurvisie kunnen regels<br />

voor de maatvoering per landschapstype worden<br />

meegenomen. Belangrijk aandachtspunt hierbij is<br />

17<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


ook de vormgeving (architectuur) van nieuwe bedrijfsgebouwen<br />

en de inpassing hiervan in het landschap.<br />

8. De term Provinciaal Landschap zou als concept<br />

onderzocht moeten worden. Het kan wellicht<br />

dienen als dragende peiler in het nieuwe Provinciaal<br />

Omgevingsplan door een verordening op maat aan<br />

de kwalificatie van Provinciaal Landschap te koppelen.<br />

In dit verband kan ook bekeken worden in hoeverre<br />

het inzetten van een instrument als Beschermd<br />

Landschapsgezicht voor (delen van) het landschap<br />

een toegevoegde waarde heeft.<br />

9. Maak als provincie een gerichte keuze waar<br />

het gaat om terugbrengen van oude elementen in<br />

het landschap. Doe dit (zorgvuldig) daar waar het<br />

bijdraagt aan de karakteristieke uitstraling of aan de<br />

toeristische aantrekkelijkheid van een gebied.<br />

10. Landschap, monumenten en archeologie bepalen<br />

de identiteit van een gebied, maar die identiteit<br />

zou ook tot uitdrukking moeten komen in stimulering<br />

van eigentijdse vormgeving. Iedere generatie zou de<br />

gelegenheid moeten kunnen hebben door eigentijdse<br />

vormgeving de cultuurhistorische waarden te verhogen.<br />

De provincie zou door het ondersteunen van<br />

pilots en voorbeeldprojecten kunnen zorgen voor een<br />

kwaliteitsimpuls in het landelijk gebied.<br />

11. Behoud zoveel mogelijk de kernwaarden van<br />

het Groninger landschap, maar ga als provincie ook<br />

de uitdaging aan om, waar het landschap het toelaat,<br />

die waarden te vertalen in (vormgeving van) nieuwe<br />

(kwalitatieve) ontwikkelingen, die nodig zijn voor de<br />

vitaliteit en de leefbaarheid van het platteland. Daarbij<br />

kunnen landschap en erfgoed benut worden als economische<br />

bron en ‘symbolisch kapitaal’.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

18<br />

12. Het in een vroeg stadium betrekken van burgers<br />

bij de ontwikkeling van plannen in een gebied<br />

biedt voordelen. Burgers hebben veel kennis van hun<br />

omgeving en kunnen de overheid op ideeën en creatieve<br />

oplossingen brengen. Deze aanpak kan ook het<br />

draagvlak voor nieuwe ingrepen in de regio vergroten.<br />

Het provinciale landschapsbeleid moet op een interactieve<br />

wijze vorm en inhoud kunnen krijgen, samen<br />

met gemeenten en geïnteresseerde burgers.<br />

13. Om een breder draagvlak te verkrijgen kan<br />

de provincie - naar het voorbeeld van andere provincies<br />

- per regio of gebied van cultuurhistorische waardenkaarten<br />

een digitale publieksversie maken.<br />

14. Informatie en educatieve initiatieven onderhouden<br />

het draagvlak om op langere termijn te garanderen<br />

dat kennis en inzicht van natuur- en cultuurhistorie<br />

in brede lagen van de bevolking beschikbaar<br />

blijven en geactualiseerd worden. De provincie zou<br />

hier samen met gemeenten een informatie-/educatielijn<br />

voor kunnen uitzetten.


Bijlagen<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

19<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

20


Naast het doornemen van veel literatuur heeft de<br />

werkgroep In een relatief korte tijd verschillende activiteiten<br />

ondernomen. Onderstaand een opsomming<br />

van de activiteiten.<br />

Werkbezoek Landschapsbeheer<br />

Op vrijdag 7 december 2007 heeft de werkgroep een<br />

bezoek gebracht aan Landschapsbeheer <strong>Groningen</strong>.<br />

Samen met Landschapsbeheer hebben zij verschillende<br />

plekken in de provincie bezocht.<br />

De route was als volgt:<br />

• Midwolde theehuis (ensemble kerk en borg<br />

Nienoord)<br />

• Houtsingellandschap Midwolde<br />

• Psop (poelen en petgaten)<br />

• Faan (voormalig borgterrein Bijma)<br />

• Noordhorn (rondweg)<br />

• Den Ham – Oldehove (schaalvergroting,<br />

erven en dorpsgezichten in nationaal landschap)<br />

• Via Ezinge – Garnwerd – Winsum naar Sauwerd<br />

• Wandeling vanuit Sauwerd (voormalig borgterrein<br />

haven) naar kerkje Klein Wetsinge<br />

• Toelichting op het Reitdiepgebied door de<br />

werkgroep Klein Wetsinge<br />

- Terug met bus via de stadsrand van <strong>Groningen</strong><br />

naar Midwolde<br />

In de bus reisden vertegenwoordigers van diverse<br />

betrokken organisaties mee: Groninger Landschap,<br />

LTO, Stichting Groninger Kerken en Vereniging Groninger<br />

Dorpen, hierdoor ontstond gelegenheid tot uitwisseling<br />

van informatie. In Klein Wetsinge werd de<br />

mogelijkheid geboden in gesprek te gaan met vertegenwoordigers<br />

van de plaatselijke gemeenschap.<br />

Expertmeeting<br />

Op 12 december is een expertmeeting in het provinciehuis<br />

georganiseerd. De expertmeeting had onder<br />

meer tot doel de leden van de werkgroep te informeren<br />

over de verschillende aspecten die bij dit vraagstuk<br />

komen kijken. Er zijn vijf inleidingen gegeven:<br />

• Ontwikkelingen en trends in de omgang met<br />

het landschap, een kwalitatieve analyse<br />

Mevr. drs. P.J. Braaksma, LNV<br />

• Baat het om te investeren in het landschap,<br />

een maatschappelijke kosten-batenanalyse<br />

Prof. dr. H. Folmer, RUG, Universiteit Wageningen<br />

• Beleid en instrumentarium om de kwaliteit<br />

van het landschap te waarborgen<br />

drs. A.C. van Klinken, medewerker provincie<br />

<strong>Groningen</strong> afdeling Landelijk Gebied &<br />

Water<br />

• Ruimtelijke kwaliteit, huidig en toekomstig instrumentarium<br />

(Wro)<br />

ir. A. Garrelts, medewerker provincie <strong>Groningen</strong><br />

afdeling Ruimtelijke Plannen<br />

• Cultuurhistorische waarden van het landschap,<br />

bescherming en ontwikkeling<br />

ir. S.H. Visser, hoofd afdeling landschappelijk<br />

en stedenbouwkundig erfgoed RACM<br />

Vervolgens is plenair gediscussieerd over de verschillende<br />

invalshoeken en het belang daarvan. Een verslag<br />

van deze expertmeeting is bijgevoegd.<br />

Symposium<br />

Op 30 januari 2008 is een groot symposium georganiseerd.<br />

Het symposium is georganiseerd om met burgers<br />

en belangenorganisaties te praten over de zoge-<br />

21<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


naamde verrommeling van het landschap en had als<br />

titel ‘Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?’. Zo’n 150 geïnteresseerden<br />

bezochten de bijeenkomst.<br />

De dagvoorzitter van deze bijeenkomst was prof. dr.<br />

Roel in ‘t Veld, voorzitter van de Raad voor Ruimtelijk<br />

Milieu en Natuuronderzoek. Een cv van hem is als<br />

bijlage bij dit rapport gevoegd.<br />

Tijdens het symposium zijn achtereenvolgens drie<br />

inleidingen gegeven. De inleiders waren: mw. Marja<br />

van der Tas (VROM-raad), dr. Jan Klein (landschapsecoloog)<br />

en prof. dr. Eric Luiten (hoogleraar cultuurhistorie<br />

en ontwerp).<br />

Na de inleidingen vond een rondetafelgesprek plaats<br />

tussen bovengenoemde inleiders plaats; ook mw. mr.<br />

Medy van der Laan (programmadirecteur van TCN<br />

Property Projects en lid van de werkgroep Laten we<br />

Nederland Mooier Maken), dr. Rik Herngreen (senior<br />

adviseur ruimtelijke kwaliteit), Siepie de Jong (voorzitter<br />

Landschapsbeheer Nederland) en Bram Prins<br />

(plattelandsondernemer en werkend voor het Agrocenter<br />

voor duurzaam ondernemen) leverden een bijdrage<br />

aan het gesprek.<br />

Na de inleidingen en een forumdiscussie is circa een<br />

uur gediscussieerd met de aanwezige burgers en<br />

(belangen)organisaties. Het verslag van dit symposium<br />

is ook bij de bijlagen gevoegd.<br />

Contact met burgers<br />

De werkgroep vond het belangrijk om ook van burgers<br />

te horen hoe zij denken over het generieke landschap<br />

en verrommeling daarvan. Hiervoor is in diverse media<br />

een oproep gedaan. Ook hebben op de site van de<br />

provincie <strong>Groningen</strong> filmpjes van de werkgroepleden<br />

gestaan waarin zij aangaven waarom zij de aanpak<br />

van dit probleem belangrijk vinden, burgers werden<br />

hierin opgeroepen te reageren. De werkgroep heeft<br />

ruim 40 reacties ontvangen. De reacties zijn betrokken<br />

in het onderzoek en de politieke partijen nemen<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

22<br />

“Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?”, 30 januari 2008<br />

deze eventueel mee bij de discussie over het Provinciaal<br />

Omgevingsplan.


23<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Inleiding<br />

Op 27 juni dit jaar hebben Provinciale Staten de<br />

PvdA-motie aangenomen waarmee zij willen onderzoeken<br />

hoe de landschappelijke en cultuurhistorische<br />

waarden in <strong>Groningen</strong> beter beschermd en hersteld<br />

kunnen worden en op welke manier het buitengebied<br />

ontwikkeld kan worden met behoud van de landschappelijke<br />

kwaliteit.<br />

Zoals in de motie vermeld staat: “Een commissie die<br />

met open vizier werkt. Een commissie die deskundigen<br />

raadpleegt, werkbezoeken aflegt, hoorzittingen<br />

en rondetafelgesprekken organiseert. Een commissie<br />

die op open wijze in gesprek gaat met burgers, bedrijfsleven,<br />

belangenorganisaties en onderzoekers.<br />

Wel een gedegen proces, maar geen geïsoleerd proces.<br />

En complementair aan het POP-traject dat het<br />

college van Gedeputeerde Staten inzet. De uitkomsten<br />

moeten integraal worden betrokken in het debat<br />

over het nieuwe POP”.<br />

Aanleiding<br />

Alle politieke partijen in de Staten van <strong>Groningen</strong> roemen<br />

de kwaliteiten van het Groninger landschap. De<br />

fracties spreken bij herhaling uit dat de kwaliteiten van<br />

dit landschap behouden moeten blijven. Daarmee is<br />

niet gezegd dat alle partijen eenzelfde oordeel hebben<br />

over welke instrumenten moeten worden toegepast<br />

voor het in stand houden en verbeteren van de<br />

kwaliteit van het Groninger landschap . Dit neemt niet<br />

weg dat het provinciaal beleid - gericht op het in stand<br />

houden, herstellen en ontwikkelen van het landschap,<br />

met behoud van de bestaande kwaliteit, in zijn algemeenheid<br />

op brede steun in de Staten kan rekenen.<br />

Ondanks het provinciaal beleid, moeten we vaststellen<br />

dat de kwaliteit van het landschap onder druk<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

24<br />

staat. Weliswaar vindt op veel plaatsen herstel plaats,<br />

zoals het opnieuw laten meanderen van in het verleden<br />

rechtgetrokken waterlopen, de aanleg en inrichting<br />

van de EHS, herstel van afgegraven wierden en<br />

andere cultuurhistorische objecten, tegelijkertijd gaan<br />

veel - nog bestaande kwaliteiten - sluipenderwijs verloren.<br />

Dit komt onder meer door:<br />

◦ slecht ingepaste woningbouw;<br />

◦ slecht ingepaste bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen;<br />

◦ ingrepen als egalisering van reliëf, dempen<br />

van waterlopen, aanleg van wegen en kunstwerken;<br />

◦ ingrepen die de vegetatie en daarmee het<br />

aanzicht van het landschap aantasten;<br />

◦ vernietiging of aantasting van cultuurhistorische<br />

objecten, zoals beeldbepalende panden,<br />

straat- en dorpsbeelden.<br />

Blijkbaar is het beleid - en het daaruit voortkomende<br />

instrumentarium om het landschap te beschermen -<br />

niet effectief (genoeg). Of is het instrumentarium wel<br />

effectief, maar kan het niet ingezet worden. Dit vraagt<br />

om herbezinning en herijking van het beleid en het<br />

instrumentarium.<br />

Ook om andere redenen is herbezinning en herijking<br />

gewenst.<br />

Ten eerste omdat het Provinciaal Omgevingsplan<br />

wordt geëvalueerd en vernieuwd.<br />

Het college heeft het landschap niet als expliciet als<br />

discussiepunt opgenomen in het analysedocument<br />

over het nieuwe Provinciaal Omgevingsplan en heeft<br />

dus een andere opvatting over de mate van urgentie<br />

van dit thema dan de meerderheid van de Staten aangeeft<br />

met de motie.


Op pagina 41 van het analysedocument staat: “Steeds<br />

vaker zijn negatieve geluiden te horen over de verrommeling<br />

van het landschap en de aantasting van<br />

de ruimtelijke kwaliteit. Uit de analyses is gebleken<br />

dat de Groningse situatie in vergelijking met andere<br />

provincies nog relatief gunstig is, dat de provincie zich<br />

actief richt op het bewaken van de ruimtelijke kwaliteit,<br />

en dat dit ook zijn vruchten heeft afgeworpen”.<br />

Wel geeft het college op pagina 20 van het analysedocument<br />

aan dat uit de resultaten van het biologisch<br />

meetnet - en de daarop gebaseerde rapportage ‘Toestand<br />

van natuur en landschap’ blijkt dat de ontwikkelingen<br />

in de kust- en moerasgebieden en het besloten<br />

cultuurlandschap positiever zijn dan in het open cultuurlandschap.<br />

Het landschap ontwikkelt zich grotendeels<br />

positief. Aandachtspunten zijn de sluipende aantasting<br />

van gave landschappen door slootdempingen<br />

en verrommeling door stads- en dorpsuitbreidingen,<br />

recreatievoorzieningen en agrarische nieuwbouw.<br />

Ten tweede is herbezinning en herijking gewenst omdat<br />

de rol van de provincie in de ruimtelijke ordening<br />

wijzing ondergaat door de introductie van de nieuwe<br />

Wet op de ruimtelijke ordening, met nieuw instrumentarium.<br />

En ten derde - geheel niet onbelangrijk - omdat nadrukkelijker<br />

blijkt dat de bescherming en het herstel<br />

van het landschap een positieve economische waarde<br />

vertegenwoordigt. Uit onderzoek is gebleken dat<br />

het voor de maatschappij loont om te investeren in<br />

landschap. Vanuit het oogpunt van nationale welvaart<br />

lijkt het buitengewoon aantrekkelijk om te investeren<br />

in landschap. Voor de provincie <strong>Groningen</strong> ligt hier<br />

een kans.<br />

Het (overwegend cultuur) landschap is een resultante<br />

van eeuwenlange dynamiek, waarin het landschap<br />

permanent is aangepast aan de noden en de wensen<br />

van de Groningers. Hiermee is overigens niet gezegd<br />

dat het landschap alleen maar gezien mag worden als<br />

benutbaar gebruiksgoed. De wens om de esthetische<br />

waarden te behouden is namelijk ook al eeuwen oud.<br />

Dichters en schrijvers hebben door de eeuwen heen<br />

in woord en beeld de schoonheid van het Groninger<br />

landschap vastgelegd.<br />

Doelstelling<br />

Uitgaande van het perspectief dat een karakteristiek<br />

landschap bijdraagt aan de kansen van de diverse<br />

regio’s in <strong>Groningen</strong>, onderzoeken of het instrumentarium<br />

en de rol van de provincie <strong>Groningen</strong> effectief<br />

(genoeg) is om de landschappelijke en cultuurhistorische<br />

waarden van het Groninger landschap te beschermen,<br />

te herstellen en te ontwikkelen.<br />

Interactiviteit<br />

De in te stellen werkgroep moet - in de ogen van de<br />

Partij van de Arbeid - “niet functioneren als een laboratorium,<br />

gevestigd in een ivoren toren dat op grond<br />

van studie en waarnemingen - ontleend aan saaie en<br />

gewichtige rapporten - tot oordelen en aanbevelingen<br />

komt. Waar Provinciale Staten het belang van interactieve<br />

beleidsvorming hebben omarmd, ligt het op de<br />

weg van deze werkgroep zo veel als mogelijk burgers<br />

en belangenorganisaties te betrekken”.<br />

Plan van aanpak werkgroep landschap<br />

Het voorstel is om op 12 december a.s. te beginnen<br />

met een expertmeeting. Tijdens deze expertmeeting<br />

informeert een beperkt aantal specialisten, op verschillend<br />

terrein, de werkgroep over de stand van zaken<br />

en het beleid. Hierbij valt onder meer te denken<br />

aan de samenstellers van het LNV-rapport Investeren<br />

in het Nederlandse Landschap, opbrengst: geluk en<br />

euro’s, de heren P.J. Braaksma en A.E. Bos, en de<br />

25<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


afdeling Landelijk Gebied en Water van de provincie<br />

<strong>Groningen</strong>.<br />

Deze bijeenkomst zorgt ervoor dat de leden van de<br />

werkgroep (werkgroep) helder voor ogen hebben wat<br />

er speelt op dit moment, wat er ligt en hoe het veld er<br />

op hoofdlijnen over denkt.<br />

Deze bijeenkomst dient puur voor het vergroten van<br />

de kennis van de werkgroepleden en een goede voorbereiding<br />

op het openbare debat.<br />

Door deze bijeenkomst moet bruikbare informatie op<br />

tafel komen. Te denken valt aan:<br />

◦ Welk instrumentarium wordt op dit moment<br />

ingezet om kwaliteit van het landschap<br />

(natuur waarden, milieuwaarden, landschapswaar<br />

den en cultuurhistorische waarden) te<br />

bescher men en ongewenste ontwikkelingen<br />

tegen te gaan en is dit instrumentarium effectief?<br />

Hoe is het gesteld met de handhaving?<br />

◦ Hoe beoordelen burgers de (bescherming<br />

van de) kwaliteit van het landschap?<br />

◦ Wat vinden belangenorganisaties van de toestand<br />

van het landschap en het provinciaal<br />

beleid? Is het beleid effectief? Is er voldoende<br />

bescherming? Laat het wel voldoende ruimte<br />

voor ontwikkelingen? Worden ongewenste<br />

ontwikkelingen geblokkeerd door het beleid?<br />

◦ Wat zijn de trends, bijvoorbeeld in de beleving<br />

van het landschap, trends in de landbouw,<br />

trends in RO-instrumentarium?<br />

◦ Wat zijn goede ideeën om in het landschap<br />

te investeren? Hoe kunnen meerdere doelen<br />

(waterberging, natuurbeheer, agrarische bedrijfsvoering,<br />

woningbouw) goed worden gestapeld?<br />

Wat zijn concrete projecten?<br />

◦ Hoe is de bescherming van het landschap in<br />

andere provincies georganiseerd? Waar kunnen<br />

wij van leren?<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

26<br />

Vervolgens kan de werkgroep zich gaan voorbereiden<br />

op 30 januari 2008. Het voorstel is om dan een openbare<br />

bijeenkomst over dit onderwerp te organiseren.<br />

Een debat, een rondetafelgesprek, een combinatie<br />

van inleidingen, presentaties van good practices, er<br />

is veel mogelijk. De werkgroep kan samen bepalen<br />

wat het beste past bij deze case.<br />

Wel staat vast dat op 30 januari de Staten laten zien<br />

dat zij zich inzetten voor dit onderwerp en daarbij de<br />

mening van burgers en (belangen)organisaties van<br />

groot belang vinden.<br />

De uitkomst van deze dag wordt vastgelegd in een<br />

verslag. Dit verslag kan voor de verschillende fracties<br />

dienen als basis voor de discussie over het nieuwe<br />

Provinciaal Omgevingsplan.<br />

Door deze bijeenkomst kunnen de fracties onder<br />

meer een beeld krijgen van:<br />

◦ Wat deskundigen vinden van de vergaarde<br />

informatie en het provinciaal beleid. Hoe zij<br />

het beleid van de provincie beoordelen.<br />

◦ Wat de effectieve bepalingen zijn voor in het<br />

nieuwe Provinciaal Omgevingsplan om het<br />

landschap te beschermen c.q. goed en liefdevol<br />

te ontwikkelen.<br />

◦ Wat in het nieuwe Provinciaal Omgevingsplan<br />

wel en niet kan (bijvoorbeeld in het weren of<br />

regulieren van de intensieve veehouderij).<br />

◦ Of er slimmere instrumenten zijn dan het traditioneel<br />

gebieden en verbieden.<br />

◦ Welke (on)mogelijkheden de nieuwe wet op<br />

de Ruimtelijke Ordening biedt.<br />

◦ Hoe voorkomen kan worden dat het landschap<br />

op slot wordt gezet. Met andere woorden:<br />

hoe en binnen welke voorwaarden kan<br />

het landschap worden gebruikt als benutbaar<br />

gebruiksgoed voor agrariërs, particulier<br />

initiatief, lokale overheden en bedrijfstakken,<br />

zoals bijvoorbeeld toerisme?


◦ Wat wij over kunnen nemen van andere provincies.<br />

Bij de voorbereiding moet de werkgroep goed kijken<br />

naar de vraagstelling, om zo ook antwoord te krijgen<br />

op vragen die spelen.<br />

Voorzitter van de werkgroep Landschap, Mabel Schalij<br />

27<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Verslag Expertmeeting Statenwerkgroep Landschap,<br />

gehouden op 12 december 2007 van 10.00<br />

uur tot 13.10 uur in de Statenzaal van het <strong>Provincie</strong>huis,<br />

Martinikerkhof 12 te <strong>Groningen</strong>.<br />

Genodigden: dhr. Ader (Usquert), mw. A. Bos (voorzitter<br />

Marnelandschap), mw. P.J. Braaksma (LNV), dhr.<br />

De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afdeling Ruimtelijke Plannen),<br />

dhr. H. Folmer (RuG), dhr. A. Garrelts (prov.<br />

<strong>Groningen</strong>, afdeling Ruimtelijke Plannen), mw. L.<br />

Gelderblom (Milieufederatie <strong>Groningen</strong>), mw. Jansen<br />

(Het Groninger Landschap), mw. Kiep (VGD), dhr.<br />

Kremer (Agrarische Natuurvereniging Oost-<strong>Groningen</strong>),<br />

dhr. Mansom (Landschapsbeheer <strong>Groningen</strong>),<br />

dhr. J. Meijering (prov. <strong>Groningen</strong>), afdeling Landelijk<br />

Gebied & Water), mw. I. Noordhof (Op het land), mw.<br />

Noordman (LNV Directie Noord), dhr. P. Prins (LTO<br />

Noord), dhr. A.C. van Klinken (prov. <strong>Groningen</strong>, afdeling<br />

Landelijk Gebied & Water), dhr. Van Miltenburg<br />

(BoerenNatuur ZWK), dhr. S.H. Visser (RACM), dhr.<br />

Vries (Agrarische Natuurvereniging De Eendracht),<br />

Aanwezig Statenleden: dhr. J.G. Abbes (CDA), dhr.<br />

B.P.A. Blom (SP), mw. S.J.F. van der Graaf (Christen-<br />

Unie), dhr. W. Haasken (VVD), dhr. F.A.M. Keurentjes<br />

(CDA), dhr. Miedema (GroenLinks), mw. I.P.A. Mortiers<br />

(PvdA), mw. M.R. Schalij (dagvoorzitter; PvdA),<br />

mw. F. Stavast (GroenLinks), dhr. W. van der Ploeg<br />

(GroenLinks), dhr. J.W. Veluwenkamp (PvdA), dhr.<br />

P.G. de Vey Mestdagh (D66), dhr. T.J. Zanen (PvhN).<br />

Voorts aanwezig: dhr. D.A. Hollenga (gedeputeerde),<br />

mw. J. Bordewijk (secretaris), dhr. Th. Poggemeier<br />

(Verslagbureau <strong>Groningen</strong>; verslag dhr. E.J.R. ter<br />

Veldhuis).<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

28<br />

Opening van de bijeenkomst<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) opent de bijeenkomst en<br />

heet iedereen welkom. De werkgroep heeft zich tot<br />

taak gesteld een bijdrage te leveren aan de discussie<br />

over het nieuwe POP. Zij zal zich in een vrij korte<br />

termijn moeten oriënteren op de vraagstukken die er<br />

zijn, teneinde met enkele goede aanbevelingen in de<br />

discussie te kunnen participeren. Een van de zaken<br />

die de werkgroep al vanaf het begin interesseert, is<br />

wat de laatste inzichten op dit terrein zijn. In dat kader<br />

is de nodige literatuur verzameld. Eén stuk trok<br />

daarbij de aandacht, al was het alleen al vanwege<br />

de titel. Het betreft een nota van het ministerie van<br />

LNV: ‘Investeren in het landschap’, met als subtitel<br />

‘Opbrengst, geluk en euro’s’. Zelden komt men de<br />

term ‘geluk’ tegen in nota’s. Dat landschap ook iets<br />

te maken heeft met het leven van mensen en hun dagelijkse<br />

omgeving en het beleven van geluk aan landschap,<br />

is natuurlijk iets wat ook in de politiek niet moet<br />

worden vergeten. Het is een belangrijk en waardevol<br />

element, wat waarschijnlijk ook uit de discussie zal<br />

blijken. Begonnen wordt met een ‘bredere blik’: wat is<br />

er op het ogenblik aan de hand in het landschap, wat<br />

zijn trends, wat zijn ontwikkelingen? De nota geeft<br />

daar een mooie kwalitatieve analyse van. Mw. Braaksma<br />

zal een toelichting geven op het eerste deel van<br />

deze nota.<br />

Mw. drs. P.J. Braaksma (LNV): Ontwikkelingen en<br />

trends in de omgang met het landschap, een kwalitatieve<br />

analyse.<br />

Mw. Braaksma (LNV) legt uit dat het rapport meer een<br />

onderzoeksrapport in plaats van een nota is geworden.<br />

Zij is werkzaam bij het ministerie van LNV. Men


is al enige tijd bezig zich te heroriënteren op landschap<br />

en landschapsbeleid. Daar is het programma<br />

Landschap voor opgesteld. Het onderzoek is in 2006<br />

begonnen, toen er tevens een nieuwe regeerperiode<br />

aanbrak. Dit was de reden om na te gaan wat het<br />

landschap nodig heeft om het politiek en beleidsmatig<br />

beter te verankeren. Men heeft nagedacht over de<br />

opzet van het onderzoek. De wens was groot om iets<br />

in euro’s te kunnen uitdrukken. Aan de andere kant<br />

kwam het belang naar boven om iets kwalitatiefs neer<br />

te zetten. Landschap gaat niet alleen over euro’s,<br />

maar ook over beleving en cultuur. Met verschillende<br />

partijen is men gaan kijken wat er allemaal aan het<br />

gebeuren was op het gebied van landschap. Bij de<br />

kwalitatieve analyse waren alle planbureaus betrokken.<br />

Het kwantitatieve deel – waar mw. Braaksma nu<br />

niet zo veel over zal zeggen – is gedaan door het Rotterdamse<br />

onderzoeksbureau Witteveen en Bos.<br />

Het kwalitatieve onderzoek betreft drie zaken:<br />

1) Wat is landschap en wat is te beschouwen als het<br />

object wanneer men naar buiten kijkt? 2) Het is ook<br />

een sociaal construct. Doordat iedereen het als landschap<br />

ziet, is het iets wat dat men belangrijk gaat vinden.<br />

Het is iets wat wordt gedeeld.<br />

3) Een persoonlijk gevoel dat een ieder heeft bij landschap,<br />

hetgeen moeilijk deelbaar is. Dit maakt het<br />

subjectief, waardoor het veel moeilijker is om er iets<br />

in beleid over neer te zetten. Vaak wordt gedacht dat<br />

men zich niet moet bemoeien met subjectieve zaken.<br />

Voor de onderzoekers was het heel belangrijk<br />

dat landschap werd gezien als deels het ruimtelijke<br />

en deels het subjectieve. Getracht is om dit mee te<br />

nemen in de trends en de ruimtelijke opgaven die er<br />

zijn.<br />

Verschillende maatschappelijke trends werden<br />

onder de loep genomen. Allereerst werd gekeken<br />

naar de demografische ontwikkelingen. De uitkomst<br />

is simpel en weinig verrassend: in de toekomst zijn<br />

er minder mensen, maar men wil allemaal wel meer<br />

ruimte. Het lost niet de ruimtelijke druk op, want men<br />

wil allemaal grotere huizen en meer ruimte om zich<br />

heen. Vervolgens is gekeken naar de trend van individualisering,<br />

globalisering en esthetisering. Individualisering<br />

spreekt voor zich. Globalisering is bijna niet<br />

tegen te houden, maar kent als tegenhanger dat men<br />

ook meer regionalisering wenst. Gevoel van identiteit<br />

speelt daar een rol.<br />

Esthetisering is een nieuwe trend die in ogenschouw<br />

werd genomen. Heel lang werd de ruimte gezien als<br />

productieruimte, vooral voor de landbouw. Landschap<br />

was vooral geschikt voor de landbouw en daaraan<br />

economisch gerelateerd. Nu is te zien dat er veel<br />

mensen, vooral uit de steden, graag het landelijk gebied<br />

in trekken of in de ruimte recreëren. Van productielandschap<br />

verschuift het naar een consumptielandschap.<br />

Daar zitten veel verschillende wensen in, die<br />

bij mensen persoonlijk kunnen verschillen. Iemand wil<br />

graag snel van zijn werk naar huis kunnen rijden, maar<br />

thuis wil men liever niet de snelweg voor de deur hebben.<br />

Dat is een conflict waar men in de ruimte mee te<br />

29<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


maken heeft. Alles moet ergens een plek krijgen. Dit<br />

geeft duidelijk de spanning aan waar het om gaat als<br />

men het over landschap heeft.<br />

Welke kosten en baten zijn er in het landschap? Het<br />

was interessant voor dit onderzoek om het ook te<br />

kunnen vergelijken met het economische deel. Het<br />

betreft kwalitatieve kosten en baten. De functie van<br />

landschap leidt tot gevoelens van tevredenheid, geborgenheid<br />

en geluk. Daar kan men in investeren.<br />

Men kan het landschap mooi maken voor deze drie<br />

functies. Er zit natuurlijk ook een kostenplaatje aan.<br />

Als het landschap die gevoelens opwekt, wil men ook<br />

iets behouden of iets ontwikkelen. De kosten zitten in<br />

de planologische bescherming. Het is uit te drukken<br />

in kosten, want met het goed insteken en handhaven<br />

zijn kosten verbonden. In Nederland zijn veel wetten<br />

en regels, maar handhaven is lastig. Aan het begin van<br />

een ontwikkeling moet er een kwalitatief ontwerp zijn<br />

om tot een mooi landschap te komen. Aan dit kwalitatief<br />

ontwerp zijn kosten verbonden. Het tweede deel<br />

van het rapport gaat in op de kosten, investeringen en<br />

de baten die daar uit komen uit het landschap als men<br />

het op een economische manier bekijkt.<br />

De conclusie van het rapport is dat er een toename van<br />

welzijn en geluk is voor inwoners van Nederland als<br />

men investeert in het Nederlandse landschap. Kosten<br />

en baten tegen elkaar afgewogen levert dat € 17,8 miljard<br />

op. Dit is niet per jaar. Het is in een MKBA-onderzoek<br />

gedaan, dat over een oneindige reeks gaat. Men<br />

zou daar ongeveer honderd jaar bij kunnen bedenken.<br />

De grootste batenposten die men daar heeft gezien,<br />

zijn: woongenot, recreatie en verervingswaarde. De<br />

verervingswaarde heeft sterk met beleving te maken.<br />

Dat is wat mensen ervoor over hebben om een landschap<br />

te bewaren en door te geven aan andere generaties.<br />

Gevoel speelt daarin een belangrijke rol. Het is<br />

bijna niet economisch uit te drukken, al is dat hier wel<br />

gedaan. Het is een indicatie.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

30<br />

Als men iets aan het landschap wil verbeteren, kan<br />

men dat individueel doen, maar het levert veel meer<br />

op als men het samen doet. Samen investeren in<br />

het landschap, zowel op het kwalitatieve deel als het<br />

kwantitatieve deel, levert de grootste baten op. Daarmee<br />

zou men echt een slag kunnen slaan om het<br />

landschap te verbeteren. Mw. Braaksma uit de hartenkreet<br />

gezamenlijk het landschap te verbeteren en<br />

daarbij het kwalitatieve deel en het kwantitatieve deel<br />

van het landschap mee te nemen.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) polst of er bij de werkgroep<br />

informatieve vragen leven.<br />

Dhr. De Vey Mestdagh (D66) constateert dat geborgenheid,<br />

gevoel, geluk en tevredenheid belangrijke<br />

zaken zijn. Hij wenst te vernemen of dit per landschapstype<br />

verschillend is.<br />

Mw. Braaksma (LNV) verklaart dat er verschil is in<br />

landschapstypen. In het onderzoek is naar drie verschillende<br />

typen gebieden gekeken. Er is gekeken<br />

naar de Hoeksche Waard als representant van het<br />

veen- en weidegebied. Er is in Brabant gekeken bij de<br />

Meijerij als zandgebied en er is in het Westerkwartier<br />

gekeken als gebied van hoogveen richting kleigrond.<br />

Dat is opgeschaald. Er is gekeken naar verschillende<br />

landschappen en wat dat doet met baten als geluk,<br />

tevredenheid.<br />

Dhr. Van der Ploeg (GroenLinks) stelt dat het hem<br />

gaat om de effecten zoals mw. Braaksma deze kwalitatief<br />

en kwantitatief benoemt. Kan er ook zo geredeneerd<br />

worden dat men zich afvraagt wat men in de<br />

afgelopen periode nu eigenlijk verloren heeft in het<br />

landschap? Wat zijn nu de kosten van het gebrek aan<br />

handhaving geweest?


Mw. Braaksma (LNV) merkt op dat heel veel studies<br />

aan deze studie vooraf zijn gegaan. Ook daarna is<br />

nog een maatschappelijke analyse gemaakt. In dit<br />

geval is deze benadering gekozen, een vrij nieuwe<br />

benadering. Men kan natuurlijk lang blijven hangen in<br />

wat er allemaal mis is gegaan. In dit rapport is het niet<br />

vanuit de door dhr. Van der Ploeg voorgestelde ‘aanvliegroute’<br />

benaderd. Er is hier voor gekozen om na te<br />

gaan wat een investering doet en wat het oplevert.<br />

Dhr. Van der Ploeg (GroenLinks) informeert of die<br />

‘aanvliegroute’ in principe wel mogelijk is.<br />

Mw. Braaksma (LNV) bevestigt dit.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) bedankt mw. Braaksma.<br />

Dhr. Folmer zal ingaan op het kwantitatieve deel van<br />

de nota. Hij heeft zich gebogen over de maatschappelijke<br />

kosten/batenanalyse, een instrument waar zeker<br />

in deze tijd een zekere scepsis over bestaat.<br />

Prof. dr. H. Folmer (RUG, Universiteit Wageningen):<br />

Baat het om te investeren in het landschap, een maatschappelijke<br />

kosten/batenanalyse?<br />

Dhr. Folmer (RuG) voelt zich als persoon in het hol<br />

van de leeuw, want ten aanzien van kosten/batenanalyse<br />

is er menigeen aanwezig die daar op zijn zachtst<br />

gezegd gemengde gevoelens bij heeft. Dat komt<br />

natuurlijk vanwege het feit dat de uitkomst van een<br />

bepaalde kosten/batenanalyse die gevoerd is met betrekking<br />

tot de aanleg van de ZZL niet iedereen even<br />

welkom is geweest. Het is net als met de weerman:<br />

wanneer het slecht weer is, kun je Erwin Krol daarvoor<br />

verantwoordelijk houden, maar je kunt het ook<br />

toeschrijven aan de storingen die boven de oceaan<br />

hangen. Kosten/batenanalyse is niets anders dan de<br />

boodschapper – Erwin Krol – en de uitkomst is dat-<br />

gene wat er door de stromingen boven de oceaan in<br />

wordt gestopt.<br />

Wat is een kosten/batenanalyse? Het is niets<br />

anders dan een instrument om na te gaan of een bepaalde<br />

beslissing – bijvoorbeeld om de mosselbanken<br />

en de Waddenzee te beschermen – gerechtvaardigd<br />

is in de zin dat de maatschappelijke kosten en baten<br />

zodanig zijn dat de baten de kosten overstijgen. Het<br />

is een afwegingsinstrument, het is een stukje boekhouding.<br />

Het is beslist geen instrument om een visie<br />

te ontwikkelen. Een visie ontwikkelen gaat erover hoe<br />

men een landschap ziet, wat voor voorstelling men<br />

heeft van het Groningse landschap. Vervolgens worden<br />

bepaalde beslissingen genomen om bepaalde<br />

terreinen aan te kopen om daar natuurherstel te bedrijven.<br />

Dan gaat men kijken of die beslissing wel of<br />

niet uitgevoerd moet worden in termen van de verhouding<br />

tussen de baten en de kosten. Hoewel menigeen<br />

negatieve gevoelens heeft over de maatschappelijke<br />

kosten/batenanalyse is het toch zo dat iedereen in de<br />

zaal daar wel op een of andere manier mee bekend<br />

is. Ook in het individuele, persoonlijke leven maakt<br />

men voortdurend kosten/batenanalyses. Dat kan<br />

bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanschaf van een<br />

woning of een auto, maar zelfs bij de aanschaf van<br />

iets triviaals als een jas of een paar schoenen. Ook<br />

dan gaat men na of de uitgave wel gerechtvaardigd<br />

is in de zin of het geld voor de schoenen eigenlijk<br />

niet beter gebruikt kan worden voor andere doeleinden.<br />

Bij de aanschaf van zoiets triviaals als een<br />

paar schoenen sta je daar natuurlijk niet al te lang bij<br />

stil, daar gaat je gevoel sterk spelen. Maar wanneer<br />

het gaat om een auto of vooral wanneer het gaat om<br />

een grote investering als een woning, gaat men toch<br />

wel even achter de computer zitten of men gaat bij<br />

een financieel adviseur langs. Men gaat alle voor- en<br />

nadelen op een rijtje zetten en kijken of de financiën<br />

toereikend zijn. Een maatschappelijke kosten/baten-<br />

31<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


analyse is eigenlijk precies hetzelfde, alleen dan niet<br />

met betrekking tot individuele problemen, maar met<br />

een maatschappelijk probleem, zoals investeringen<br />

in het Groningse landschap. Ook daar kan men twee<br />

wegen bewandelen. Wanneer het gaat om de aanleg<br />

van wat bosjes op een stukje grond dat toevallig in<br />

een hoekje van de weg is vrijgekomen, hoef je daar<br />

niet een grote maatschappelijke kosten/batenanalyse<br />

op los te laten. Dat kun je vrij snel doen door gebruik<br />

te maken van bepaalde kerngegevens die er bestaan.<br />

Maar wanneer het gaat om grote ingrepen, wanneer<br />

het gaat om de aanschaf van grote stukken land, daar<br />

boeren uit te kopen en daar de natuur zijn gang te laten<br />

gaan, dan wordt het zinnig om toch eens te kijken<br />

wat dit allemaal gaat kosten en wat het oplevert.<br />

Het rapport ‘Opbrengsten in geluk en euro’s’.<br />

Het suggereert dat er een tegenspraak is tussen enerzijds<br />

geluk en anderzijds euro’s, maar dat is een achterhaalde<br />

tegenstelling. In de moderne kosten/batenanalyse<br />

worden onder de baten ook niet direct in geld<br />

uit te drukken waarden meegenomen. Het plezier dat<br />

mensen beleven aan het landschap, de invloed die<br />

het heeft op het vestigingsklimaat, op de recreatie,<br />

op het woongenot – ook die aspecten worden in een<br />

maatschappelijke kosten/batenanalyse meegenomen,<br />

op dezelfde manier als dat het geval is bij een<br />

persoonlijke kosten/batenanalyse. Bij de investering<br />

in een huis kijk je ook niet alleen maar naar het aantal<br />

slaapkamers – de echte nuttige zaken – maar je gaat<br />

ook kijken wat voor woongenot eraan ontleend kan<br />

worden. Ook daar gaan geluksaspecten een belangrijke<br />

rol spelen. In geval van bijvoorbeeld auto’s zijn<br />

geluks- en statusaspecten veel belangrijker dan de<br />

financiële aspecten. Als je kijkt naar wat er op de weg<br />

rondrijdt, kun je vrij snel tot die overtuiging komen. Zo<br />

is het ook in die maatschappelijke kosten/batenanalyse.<br />

Daar spelen met name ook de geluksaspecten,<br />

de welzijnsaspecten een belangrijke rol in zo’n kos-<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

32<br />

ten/batenanalyse.<br />

Een kosten/batenanalyse kan gebruikt worden om na<br />

te gaan of een bepaald project al of niet rendabel is,<br />

maar het is ook een mooi instrument om, wanneer je<br />

verschillende alternatieven hebt, uit die verschillende<br />

alternatieven een keuze te maken. Wanneer het erom<br />

gaat om iets in de buurt van de Stad te doen of in<br />

de buurt van Delfzijl of bij de Blauwe Stad te gaan<br />

investeren, kan een kosten/batenanalyse helpen om<br />

een keuze te maken. De vraag die mw. Schalij aan<br />

dhr. Folmer voorlegde was of bij de voorbereiding<br />

van het omgevingsplan zo’n kosten/badenanalyse<br />

voor de verschillende Groninger landschappen nodig<br />

is. Het antwoord van dhr. Folmer is dat dit niet eenduidig<br />

te zeggen is. Het hangt af van de omvang, de<br />

grootte, de kosten van het project. Wanneer het om<br />

kleinere projecten gaat, moet je dat echt niet doen,<br />

want dan zijn de kosten van de uitvoering van zo’n<br />

kosten/batenanalyse veel groter dan de uiteindelijke<br />

kosten van het project. Het geld kan dan beter meteen<br />

in het project worden gestopt. Voorts kan gebruik<br />

worden gemaakt van de resultaten die er elders zijn.<br />

Wanneer het gaat om aanzienlijke projecten, is het<br />

wel van belang, omdat een kosten/batenanalyse je<br />

dwingt om de zaken goed op een rijtje te zetten. Het<br />

is een instrument om de discussie te structureren. Het<br />

is een instrument dat je dwingt om alle aspecten naar<br />

voren te brengen.<br />

Investeren in landschap en kwaliteit of voorkomen<br />

van verloedering vereist een goed gedefinieerd<br />

streefbeeld. Dhr. Folmer is woonachtig in een buurprovincie<br />

en hij heeft het proces daar goed kunnen<br />

volgen. Te zien is dat daar allerlei plannen worden<br />

ontwikkeld, terwijl niet duidelijk is wat het streefbeeld<br />

is. De consequentie is dan ook dat men uiteindelijk<br />

niet precies durft te kiezen, want het maken van een<br />

keuze betekent ook dat je andere zaken moet uitsluiten.<br />

Dhr. Folmer verwijst naar de buurprovincie. Daar


wordt gezegd dat toerisme van het allergrootste belang<br />

is. Tegelijkertijd wordt gezegd dat de landbouw<br />

de drager van het landschap is en dat de landbouw<br />

zijn gang moet gaan. Het gevolg is dat om prachtige<br />

meergebieden heen maïsteelt is die bijna in het meer<br />

doorloopt. Dat is iets wat bij een toerist niet goed<br />

overkomt.<br />

Ten slotte wil dhr. Folmer erop wijzen – pratend vanuit<br />

de ervaringen die hij als burger in de buurprovincie<br />

heeft opgedaan – dat de rol van de provincie van<br />

groot belang is, omdat gemeenten sterk de neiging<br />

hebben om elkaar na te doen. Als gemeente A een<br />

mooie jachthaven heeft, kan gemeente B niet achterblijven.<br />

Er is sterk imitatiegedrag onder gemeenten.<br />

Een regisserende en coördinerende rol van de provincie<br />

is absoluut noodzakelijk.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) bedankt dhr. Folmer en<br />

geeft het woord aan dhr. Van Klinken.<br />

Drs. A.C. van Klinken (provincie <strong>Groningen</strong> afdeling<br />

Landelijk Gebied & Water): Beleid en instrumentarium<br />

om de kwaliteit van het landschap te waarborgen.<br />

Dhr. Van Klinken (provincie <strong>Groningen</strong> afdeling Landelijk<br />

Gebied & Water) verklaart een van de ambtenaren<br />

te zijn die bij de provincie aan het landschap werkt.<br />

Afgelopen vrijdag was er voor de Statenleden een<br />

excursie door het landschap. Te zien was een sterke<br />

aandacht voor emotionele betrokkenheid op het landschap.<br />

Dat is ook een basis om het politiek gezien prioriteit<br />

te geven. Met name voor de Statencommissie<br />

is de vraag hoe je die emotionele basis – die legitiem<br />

en nodig is – omzet in werkbare en praktische beleidsinstrumenten.<br />

Op zo’n excursie was ook te zien dat<br />

het landschap heel breed is. Het gaat van enthousiaste<br />

verhalen van een kerkcommissie in Wetsinge tot<br />

stadsuitbreiding en landbouwontwikke¬lingen. Dhr.<br />

Van Klinken wil de Statencommissie adviseren vooral<br />

te kijken waar je als provincie greep op hebt. Vanuit<br />

de afdeling Landelijk Gebied & Water wil hij het vooral<br />

hebben over beheer, behoud en ontwikkeling van cultuurhistorische<br />

landschapselementen in het buitengebied,<br />

omdat je daar als provincie veel kunt maken of<br />

breken. Voorts staat men op het ogenblik op een heel<br />

belangrijk tijdstip in het landschapsbeleid. Volgend<br />

jaar komt er een nieuwe Wet RO. Voor het provinciale<br />

ambachtswerk heeft dat grote consequenties in<br />

de werkstijl. Tot nu toe toets je via handhaving en be-<br />

oordeling van bestemmingsplannen van gemeenten<br />

vooral achteraf als een plan er al ligt. In de toekomst<br />

moet de provincie zo gaan werken dat zij van tevoren<br />

moet aangeven wat gewenst is. In het omgevingsplan<br />

moet dit anders ingekleed worden. Dhr. Van Klinken<br />

zal het hebben over de actuele stand van zaken. Dhr.<br />

Garrelts zal dadelijk meer ingaan op de toekomstige<br />

werkwijze. De inhoud van het betoog van dhr. Van<br />

Klinken bouwt hij vooral voort op werk van twee collega’s:<br />

Jan Meijering en Francien van Soest. Zij hebben<br />

op een rij gezet wat er op het ogenblik is aan<br />

33<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


landschapsinstrumentarium. Voorts bedankt dhr. Van<br />

Klinken Landschapsbeheer voor aanleveren van veel<br />

gegevens wat er concreet de afgelopen jaren is gebeurd.<br />

De provincie heeft drie niveaus waarop men het landschap<br />

kan beschermen en ontwikkelen: via de regels,<br />

ruimtelijke ordening – het omgevingsplan –, inzet<br />

van financiële middelen en – iets speciaal Gronings<br />

– inzet van het provinciaal bouwheerschap. Op het<br />

ogenblik is de grote lijn voor de RO weergegeven in<br />

het POP. Dat heeft een functiekaart waarin de provinciale<br />

boedel is verdeeld in allerlei functies waarin<br />

ook voor landschap aangegeven wordt wat waar wel<br />

en niet mag. De provincie heeft nog specifieke zaken<br />

voor landschap: een Nationaal Landschap Middag-<br />

Humsterland, in het kustgebied een verordening voor<br />

het behoud van slaperdijken en nog enkele specifieke<br />

nota’s. Toch zijn op het ogenblik ook wat knelpunten<br />

in het landschap te zien. Dat is ook een van de aanleidingen<br />

om deze commissie in te stellen. Dhr. Van<br />

Klinken toont een beleidskaart voor het Nationaal<br />

Landschap Middag-Humsterland. Er is vooral ingezet<br />

op behoud van een samenhangend stelsel van<br />

waterlopen en voor behoud van het cultuurhistorische<br />

landschap. Voorts toont hij enkele zaken die ervaren<br />

kunnen worden als knelpunten: een cultuurhistorisch<br />

gaaf dorpsgezicht waar een moderne loods voor gebouwd<br />

wordt, het industriële landschap dat rond de<br />

stad <strong>Groningen</strong> en bij Delfzijl te zien is en wat onder de<br />

noemer ‘verrommeling’ is samen te vatten, botsende<br />

stijlen van architectuur die onderdeel zijn van agrarische<br />

schaalvergroting en waar de provincie specifiek<br />

beleid op heeft. Financieel zijn er ook knelpunten, zij<br />

het minder zichtbaar. Het budget voor landschap en<br />

het budget voor landelijk gebied is erg beperkt. Momenteel<br />

lopen er onderhandelingen met het ministerie<br />

van LNV om € 1 miljoen extra per jaar in te zetten. De<br />

provincie hoopt daardoor iets meer ruimte te krijgen<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

34<br />

om waardevolle projecten mogelijk te kunnen maken.<br />

Successen zijn er wel degelijk, dankzij het beleid en<br />

het budget dat de provincie beschikbaar stelt. Er zijn<br />

de afgelopen jaren heel veel landschapselementen<br />

hersteld. Het beheer heeft eveneens grote aandacht.<br />

Via het project Landschappelijk Bouwen van Wierde<br />

en Dijk is bijvoorbeeld ook een handreiking gedaan<br />

aan agrarische ondernemers om nieuwe schuren in<br />

gebiedseigen stijl te bouwen. In Westerwolde zijn essen<br />

die langzamerhand afsleten, waardoor de waardevolle<br />

ondergrond aangetast dreigde te worden. Ze<br />

zijn weer opgehoogd om er grotere een ‘slijtlaag’ op<br />

aan te brengen. In het Noorden zijn enkele verdwenen<br />

dijken hersteld. Er zijn door de provincie verspreid<br />

tientallen boerenerven aangepakt. Meerdere wierden<br />

zijn aangevuld. Kerkterreinen zijn opgeknapt. Kortom:<br />

er gebeurt ook heel veel goeds. Een extra punt in het<br />

westen zijn de houtsingels die al jarenlang een speciaal<br />

onderhouds- en beschermingsregime genieten.<br />

In het landschapsbeleid is men vaak geneigd om in<br />

of/of te denken: of regels met een karikatuur dat alles<br />

op slot gaat, een museumlandschap waar niets<br />

meer kan, of alles vrijlaten en het landschap alleen<br />

wat stimuleren met geld. De praktijk laat zien dat het<br />

vaak en/en is, een subtiel samenspel van beide. Met<br />

regels kan men bepaalde randvoorwaarden scheppen<br />

waarbinnen financiële stimulatie kan gebeuren<br />

en projecten mogelijk gemaakt worden.<br />

De provincie wil met landschapsbeleid ook met haar<br />

tijd meegaan, deels via het Omgevingsplan om daar<br />

weer een robuust landschapsbeleid neer te zetten,<br />

ook in te spelen op rijksontwikkelingen. Het ministerie<br />

van LNV is bezig om een landschapsprogramma Nederland<br />

Weer Mooi te organiseren voor het komende<br />

jaar, waarin ook proefprojecten worden gestart om te<br />

kijken hoe je een eigentijds landschapsbeleid kunt<br />

organiseren. Nu wordt er gelegenheid geboden om<br />

pilots daarop in te zetten. De laatste dagen voor de


kerstvakantie zal <strong>Groningen</strong> een pilot-voorstel daarvoor<br />

indienen.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) dankt dhr. Van Klinken.<br />

Dhr. Blom (SP) vraagt hoe het traject verloopt als<br />

een agrariër een handreiking krijgt voor een passend<br />

bouwstel van een schuur. Een bouwvergunning komt<br />

immers bij de gemeente terecht.<br />

Dhr. Van Klinken (provincie <strong>Groningen</strong> afdeling Landelijk<br />

Gebied & Water) legt uit dat vooral zijn collega<br />

Arnout Garrelts dan aan de keukentafel komt zitten.<br />

Het komt erop neer dat in de aanloop voor zo’n bouwvergunning<br />

al wordt overlegd met zo’n ondernemer in<br />

hoeverre een grote uitbreiding landschappelijk goed<br />

ingepast kan worden. Via maatwerk wordt een oplossing<br />

gezocht die landschappelijk en bedrijfseconomisch<br />

passend is.<br />

Dhr. Blom (SP) informeert of dit geheel op vrijwillige<br />

basis geschiedt. Komen er ook dwingende regels aan<br />

te pas?<br />

Dhr. Van Klinken (provincie <strong>Groningen</strong> afdeling Landelijk<br />

Gebied & Water) geeft aan dat er wordt gewerkt<br />

aan kaarten waarin het landschap wordt verdeeld in<br />

groene gebieden waar het zonder meer kan op bestaande<br />

erven, gele gebieden waar de maatwerkbenadering<br />

nodig is en rode gebieden – kleine stukken<br />

heel waardevol landschap of bebouwde linten – waar<br />

grote uitbreidingen niet mogelijk zijn.<br />

Dhr. De Vey Mestdagh (D66) stelt dat met de nieuwe<br />

wet RO betekent dat de provincie van tevoren kaders<br />

moet stellen in plaats van achteraf. Op het moment<br />

dat de plannen er zijn kan eventueel worden bijgestuurd.<br />

Wat is nu in het kader van het landschap het<br />

grootste probleem dat dhr. Van Klinken ziet in die verandering?<br />

Wat kan de provincie niet meer goed wat<br />

de provincie tot nu toe wel goed kon? En wat kan de<br />

provincie beter?<br />

Dhr. Van Klinken (provincie <strong>Groningen</strong> afdeling Landelijk<br />

Gebied & Water) verklaart dat het probleem is<br />

dat landschap met landschapskwaliteit en identiteit<br />

vaak in heel subtiele details ligt opgeborgen. De bedoeling<br />

is niet om de toekomst landschappelijk dicht<br />

te timmeren. Dat kan ook niet. Het probleem is om die<br />

kenmerkende details in werkbare regelgeving te vatten<br />

of eventueel niet in een inhoudelijke regelgeving,<br />

maar wel dergelijke procesafspraken dat je bij maatschappelijke<br />

ontwikkelingen die landschapskwaliteit<br />

overeind houdt.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) dankt dhr. Van Klinken.<br />

De werkgroep heeft zijn onderwerp afgebakend in die<br />

zin dat men zich concentreert op het generieke landschap.<br />

Voor het Nationaal Landschap en voor natuurgebieden<br />

in de EHS is al veel aandacht, beleid en<br />

geld, althans dit zou zo moeten zijn. De werkgroep<br />

kijkt meer naar het generieke gebied waar de botsing<br />

van functies in het buitengebied zodanig is dat<br />

sluipenderwijs de verrommeling ontstaat, al is het in<br />

<strong>Groningen</strong> nog niet zo erg als in de Randstad. Ook<br />

in <strong>Groningen</strong> is het echter van belang daar alert op<br />

te zijn.<br />

Ir. A. Garrelts (provincie <strong>Groningen</strong> afdeling Ruimtelijke<br />

Plannen): Ruimtelijke kwaliteit, huidig en toekomstig<br />

instrumentarium (Wro)<br />

Dhr. Garrelts (provincie <strong>Groningen</strong> afdeling Ruimtelijke<br />

Plannen) stelt zich voor als landschapsarchitect<br />

bij de afdeling Ruimtelijke Plannen, specifiek binnen<br />

het provinciaal bouwheerschap. Hij geeft te kennen<br />

de hele middag te kunnen volpraten, alleen al over<br />

35<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


de ontwikkeling in de agrarische sector en de schaalvergroting.<br />

Verrommeling, ruimtelijke kwaliteit en de nieuwe<br />

WRO. <strong>Groningen</strong> heeft specifieke kwaliteiten. Welke<br />

bedreigingen zijn in de provincie <strong>Groningen</strong> zichtbaar?<br />

Wat is verrommeling precies? Wat is de specifieke<br />

sturing tot op heden? Welk nieuw instrumentarium<br />

kan daarop worden ingezet?<br />

Specifieke kwaliteiten van <strong>Groningen</strong> onderscheiden<br />

zich op drie niveaus: het niveau van het element,<br />

het structuurniveau en het landschapsniveau. Deze<br />

zaken hangen met elkaar samen en maken dat het<br />

Groningse landschap leesbaar is, dat de ontstaansgeschiedenis<br />

goed zichtbaar is in het landschap. Het<br />

feit dat je onderscheid in niveaus maakt en dat het<br />

van belang is dat je de rode draad daar doorheen blijft<br />

vasthouden, is de essentie van dit verhaal. Dhr. Garrelts<br />

illustreert de niveaus. Het elementniveau wordt<br />

geïllustreerd aan de hand van een borgterrein. Een<br />

ander elementniveau heeft te maken met het niveau<br />

van hoe met infrastructuur wordt omgegaan en hoe<br />

daarin openbare ruimten invullingen in hebben. Voorts<br />

is er een elementniveau in de vorm van bebouwing.<br />

Getoond wordt een cultuurhistorisch waardevol landschap<br />

met waardevolle elementen daar omheen.<br />

Noord-<strong>Groningen</strong> is een sterk aan de geomorfologische<br />

basis opgehangen landschap. De nederzettingstructuren<br />

volgen heel nadrukkelijk de hoogtes, de<br />

laagtes in het landschap en maken structuren in het<br />

landschap zichtbaar. In de opbouw van dorpsstructuren<br />

zijn ook nederzettingspatronen terug te vinden.<br />

Getoond wordt een beeld van het dorp Finsterwolde.<br />

Op het moment dat een transformatie in zo’n structuur<br />

wordt toegestaan, verandert er iets op het structuurniveau.<br />

Dat vraagt om een visie en een keuze.<br />

Structuurniveau zit ook in landschappelijke structuurlijnen,<br />

in wegen en waterlopen.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

36<br />

Het landschapsniveau. Op gebiedsniveau bekeken<br />

is het Westerkwartier anders dan Westerwolde. Het<br />

zit in de samenhang van elementen, structuren die<br />

uiteindelijk leiden tot een patroon, zoals getoond voor<br />

het Westerkwartier, zeer karakteristiek bepaald door<br />

onder andere de houtsingelhoofdstructuur. De combinatie<br />

van landschapsstructuurlijnen, dorpssilhouetten,<br />

bebouwingselemen¬ten, watergangen daarin maakt<br />

een landschapsniveau karakteristiek. Minister Cramer<br />

heeft zich sterk gemaakt voor de strijd tegen verrommeling:<br />

“tegengaan verrommeling” en het nieuwe<br />

motto vanuit de nieuwe WRO: “decentraal wat kan,<br />

centraal wat moet”. Daarbij komen allerlei beelden<br />

naar voren over snelweginfrastructuur, glastuinbouw,<br />

niet wenselijk geachte woningbouwuitbrei¬dingen,<br />

megastallen.<br />

Welke bedreigingen zijn er voor <strong>Groningen</strong>? Landschappelijke<br />

structuren zijn meer dan water en reliëf.<br />

Vanuit het convenant voor Middag-Humsterland zijn<br />

dat de twee speerpunten die bepalend zijn, maar ook<br />

andere bouwkundige ontwikkelingen in de RO zijn<br />

voor een belangrijk deel sturend op het gevoel dat<br />

men bij een bepaalde plek krijgt.<br />

Bedreigingen van megastallen. Op het getoonde<br />

kaartje staan de eerste duizend meldingen vanuit Milieufederatie<br />

over wat mensen verrommeling vonden.<br />

Als men de dertig meldingen in <strong>Groningen</strong> herleidt,<br />

dan is te zien dat het dan gaat over megastallen, bedrijventerreinuitleglocaties<br />

en grote woningbouwontwikkelingen.<br />

Als het gaat om de megastallen, waar<br />

gaat het dan eigenlijk over? Gaat het dan om de architectuur<br />

van die stallen? Gaat het over een principiele<br />

kwestie van vergroting van agrarische bedrijven of<br />

gaat het eigenlijk over het zorgvuldig begeleiden van<br />

een vergroting door te kiezen voor een systematiek<br />

waarin men nieuwe vormentalen met oude vormentalen<br />

kan verenigen en daar dus ook op ordeningsniveau<br />

begeleiding op kan zetten?


Bedreigingen vanuit biomassavergisting. Gaat het<br />

dan over de architectuur of gaat het dan over het feit<br />

dat als biomassavergistingen niet op een plek, maar<br />

op meerdere plekken komen, het een druk op het buitengebied<br />

levert waarbij de draagkracht van de wegen<br />

niet altijd even sterk is, de wegen misschien verbreed<br />

moeten worden en je op een gegeven moment<br />

tot keuzes moet komen om wegen te verbreden die<br />

als cultuurhistorisch waardevolle structuurlijnen een<br />

bepaald beeld aan het landschap geven en daarmee<br />

als het ware transformeren naar iets wat er niet meer<br />

is? Dat is een keuze, maar een keuze waar men zich<br />

bewust van zou moeten zijn.<br />

Vormt de architectuur van dorpsuitbreidingen een bedreiging?<br />

Wat is het probleem in het getoonde beeld?<br />

Dat er woningbouw is gekomen, dat de verschijningsvorm<br />

van de architectuur niet goed is, dat het niet<br />

past bij de structuur van het dorp, dat het misschien<br />

het gezicht naar het landschap op een verkeerde manier<br />

heeft ingevuld? Het is belangrijk te weten wat nu<br />

het probleem is. De foto toont prachtige architectuur,<br />

maar niet op de goede plek. Het is een structuurniveaudiscussie,<br />

het gaat om ordening op het structuurniveau.<br />

Grote windparken. Windenergie is een belangrijk thema.<br />

Hoe wil men daarmee omgaan? Daarin kun je<br />

keuzes maken of je het in bepaalde gebieden wel of<br />

niet wilt. Als je een gebied hebt, kun je daar op structuurniveau<br />

ordening in aanbrengen die logisch is.<br />

Het is ook belangrijk om na te denken op elementniveau.<br />

Het zijn schaal niveaus die van belang zijn. De<br />

provincie moet ontwerpverantwoordelijkheid op zich<br />

nemen om door die schaalniveaus invloed te blijven<br />

uitoefenen.<br />

Wat is verrommeling precies? Twee vragen die over<br />

ruimtelijke kwaliteit gaan, staan centraal:<br />

1. Wil men bepaalde ontwikkelingen wel of niet?<br />

2. Als men deze wil, waar en hoe wil men ze<br />

dan?<br />

Eigenlijk gaat het over ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke<br />

kwaliteit zou men kunnen uitleggen als iets wat<br />

je ervaart als je ergens bent, waarbij beeldkwaliteit,<br />

het functioneren en het gevoel en imago van belang<br />

zijn. Dat is uiteraard afhankelijk van wie je bent: een<br />

bezoeker of een bewoner. Het is ook afhankelijk van<br />

de locatie. Plaatsgebonden en maatwerkoplossingen<br />

zijn daarin dus altijd noodzakelijk.<br />

Specifieke sturing op ruimtelijke kwaliteit tot op heden<br />

is in <strong>Groningen</strong> altijd aanwezig geweest. In het POP<br />

zijn heldere keuzes gemaakt, die een belangrijke basis<br />

vormen voor de sturing op ruimtelijke kwaliteit.<br />

Voorbeelden zijn: het tegengaan van de verstening<br />

van het buitengebied, geen reclamemasten langs<br />

snelwegen – op het moment dat je ze niet ziet, waardeer<br />

je die kwaliteit niet, maar op het moment dat je<br />

het beleid benoemd hebt en ze ontstaan, kun je je<br />

37<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


afvragen of dat nu is wat men wil –, windmolens alleen<br />

in specifieke gebieden. Anderzijds is er het provinciaal<br />

bouwheerschap, vanwaar een proactieve<br />

ontwerpdeskundigheid is ingezet, waarbij op verschillende<br />

schaalniveaus van element, structuur en landschap<br />

het streekeigen karakter als vertrekpunt wordt<br />

genomen om ontwikkelingen te begeleiden.<br />

De rol van de provincie is een schakel in een keten<br />

van spelers en men moet naar boven naar rijksniveau<br />

kijken en naar beneden. Dat gaat uiteindelijk door tot<br />

op het niveau van de gemeenten. Waar de provincie<br />

zich voor verantwoordelijk voelt, heeft zij op allerlei niveaus<br />

al inzet gepleegd met ontwikkelingsplannen in<br />

het kader van Meerstad en in het kader van de Regio<br />

<strong>Groningen</strong>-Assen. Regionale plannen en visies voor<br />

bijvoorbeeld het gebied van het Damsterdiep zijn op<br />

de kaart gezet waarbij de kwaliteiten en diskwaliteiten<br />

benoemd zijn en in een visie is aangegeven hoe je<br />

daar in de toekomst mee zou willen omgaan. Ook op<br />

het niveau van een bepaald thema bestaan er regionale<br />

plannen. Schaalvergroting is daar een voorbeeld<br />

van. Indeling in gebieden waarin je een principiële<br />

keuze maakt waar schaalvergroting mogelijk is onder<br />

begeleiding van het instrument van keukentafelgesprekken<br />

en waar dit niet mogelijk is. Het feit dat je<br />

die keuze durft te maken en vast te leggen, bepaalt<br />

wat een kwaliteit van een gebied overeind kan houden.<br />

Het doorvertalen naar de keukentafelmethodiek<br />

is dat je ook op dat niveau inzet zou moeten plegen.<br />

Dhr. Garrelts toont een voorbeeld van hoe je vanuit<br />

de ontwerpbenadering ook een wenselijk geachte<br />

ontwikkeling als glastuinbouw zou kunnen begeleiden<br />

naar een nieuw ruimtestructurerend element die past<br />

bij de maat en schaal van het landschap van <strong>Groningen</strong>.<br />

In de richting van gemeenten is het vooral proactief<br />

werken. Er zijn 25 gemeenten, waarbij het van belang<br />

is dat op basis van een beeld van hoe een bepaalde<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

38<br />

kern ontstaan is, een visie wordt ontwikkeld naar de<br />

toekomst, dus aansluiten op de kenmerken die aanwezig<br />

zijn. Daarbij wordt gekeken naar een hoger<br />

abstractieniveau en naar een lager abstractieniveau,<br />

wat de ontwerpkeuzes die je maakt betekenen voor<br />

de verschillende niveaus. Dit wordt geïllustreerd met<br />

twee gemeentelijke plannen: structuurvisies voor<br />

dorpsuitleg, zeer intensieve trajecten met gemeenten,<br />

burgers, belangenorganisaties om uiteindelijk<br />

zo’n plan te kunnen ontwikkelen.<br />

Vanuit de visie van het Rijk ‘decentraal wat kan, centraal<br />

wat moet’ komt men misschien met de ruggen<br />

naar elkaar toe te staan. Het lijkt een beetje alsof ieder<br />

zijn eigen verantwoordelijkheid claimt, maar men<br />

moet die verbinding zien te vinden. De provincie heeft<br />

daarin de centrale rol.<br />

Bevoegdheid volgt verantwoordelijkheid is begrip dat<br />

collega Pieter De Plaa van afdeling Ruimtelijke Plannen<br />

noemde. Op het moment dat je je ergens verantwoordelijk<br />

voor voelt, kun je daar bevoegdheid voor<br />

inzetten. Nieuwe instrumenten kunnen volgen na wat<br />

je wilt. De structuurvisie zal de basis vormen. Verordening<br />

is een instrument en kan worden ingezet voor<br />

ontwikkelingen die men niet wil, bijvoorbeeld nieuwe<br />

bedrijventerreinen, of om elementen en structuren die<br />

je nadrukkelijk wilt behouden, te beschermen. Het is<br />

in dat opzicht een soort ja/nee-instrument.<br />

Aan de andere kant zijn bestuurlijke overeenkomsten<br />

veel meer om gezamenlijk in specifieke ontwikkelingen<br />

in bepaalde gebieden afspraken te maken om<br />

op basis van spelregels verandering in het landschap<br />

toe te laten. Die begeleiding van schaalvergroting in<br />

regionaal verband is er een voorbeeld van. De nieuwe<br />

WRO biedt overigens ook de mogelijkheid om tot<br />

een proactieve aanwijzing te komen die het mogelijk<br />

maakt om bijvoorbeeld zelf een bestemmingplan te<br />

maken voor een gebied waarvan je vindt dat je dat als<br />

provinciaal belang zou moeten benoemen.


Middag-Humsterland zou daar een voorbeeld van<br />

kunnen zijn.<br />

Een discussiepunt is hoe de voor een goed ontwerpproces<br />

noodzakelijke procesvoorwaarden worden geborgd.<br />

Hoe zorg je nu dat die ontwerpbenadering en<br />

het kijken door die schaalniveaus heen, ook op het<br />

niveau van de gemeente – waarin je zelf niet in eerste<br />

instantie primair verantwoordelijk bent –, goed van de<br />

grond komt?<br />

Dhr. Garrelts toont een kaart uit het boek van dhr. Meijering.<br />

Het is een belangrijke verordeningsbasis op<br />

het niveau van het element. Hierin zit het totaal van<br />

karakteristieke elementen. Daarin zou men een afweging<br />

kunnen maken en stellen dat bepaalde zaken<br />

zo belangrijk worden gevonden dat ze worden verordend.<br />

De nederzettingstructuren zijn ook zeer bepalend<br />

voor het karakter van het landschap. Ook de nederzettingstructuren<br />

vormen in documentatie die door<br />

de jaren heen ontwikkeld is, een belangrijke basis om<br />

op bepaalde zaken te moeten willen blijven sturen.<br />

Een voorbeeld is de lintstructuur in Slochteren. Dat is<br />

een heel eenduidig kenmerk. Dat is een schaalniveau<br />

dat verder gaat dan alleen het lint in Slochteren, want<br />

het loopt eigenlijk door meerdere gebieden. Zit daarin<br />

ook niet een provinciaal belang om die leesbaarheid<br />

overeind te houden?<br />

Op het landschapsniveau zou men kunnen sturen<br />

op een gebiedsspecifieke koers met spelregels ten<br />

aanzien van kansrijke en bedreigende ontwikkelingen<br />

en die via bestuurlijke overeenkomsten vastleggen.<br />

Een voorbeeld is een specifieke regeling voor herbestemming<br />

van vrijkomende agrarische bedrijven<br />

in het wegdorpenlandschap van Westerwolde. In het<br />

ene gebied heeft een ruimhartige omgang daarmee<br />

meer consequenties voor andere functies die in zo’n<br />

gebied ook belangrijk zijn, maar in Westerwolde zou<br />

men ervoor kunnen kiezen om daar op een andere<br />

manier, misschien wel ruimhartiger, mee om te gaan<br />

dan bijvoorbeeld in de Veenkoloniën, omdat daar een<br />

ander primaat ligt met andere belangen. Het gaat om<br />

de stapeling van kaartlagen in Westerwolde – EHS,<br />

recreatie, waterberging. Die aspecten maken dat<br />

daarin een ander primaat is, dat het consumptielandschap<br />

nadrukkelijker wordt, terwijl in de Veenkoloniën<br />

het productielandschap nog heel primair is. Men moet<br />

derhalve de discussie over consumptie- en productielandschap<br />

niet generiek over <strong>Groningen</strong> leggen,<br />

maar gebiedsspecifiek benoemen en aanpakken op<br />

de verschillende thema’s.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) dankt dhr. Garrelts.<br />

Ir. S.H. Visser, (afdeling landschappelijk en stedenbouwkundig<br />

erfgoed RACM): Cultuurhistorische<br />

waarden van het landschap, bescherming en ontwikkeling<br />

Dhr. Visser (RACM) vindt het ontzettend leuk om<br />

weer in <strong>Groningen</strong> te zijn. Hij is zijn loopbaan hier ooit<br />

begonnen gedurende dertien jaar bij de dienst Landelijk<br />

Gebied. Hij is ooit begonnen met het plan voor<br />

de ruilverkaveling Sauwerd, waarbij op dat moment al<br />

heel erg aan de orde was dat men hier in een van de<br />

meest bijzondere cultuurlandschappen van Nederland<br />

aan de slag ging en dat de landinrichting daar heel<br />

zorgvuldig zou moeten gebeuren. Men is begonnen<br />

een waarderingsmethodiek te maken voor het cultuurlandschap<br />

aan de ene kant en voor de landbouwontwikkeling<br />

aan de andere kant en deze dusdanig<br />

te ontwerpen dat afwegingen over en weer mogelijk<br />

zouden zijn, een soort kosten/batenanalyse, maar<br />

dan duidelijk met kwalitatieve elementen erin. Dhr.<br />

Visser deed dit met Laurens Hacquebord, tegenwoordig<br />

hoogleraar aan de RuG. Aan het Zuidelijk Westerkwartier<br />

heeft dhr. Visser lang gewerkt als secretaris<br />

voor de landinrichtingscom¬missie. Die tijd was span-<br />

39<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


nend in de sfeer van provinciaal beleid, omdat er een<br />

program¬college aan de macht was in <strong>Groningen</strong> dat<br />

heel duidelijke doelstellingen had wat in het Zuidelijk<br />

Westerkwartier zou moeten gebeuren, uitgedrukt<br />

in percentages. De jongste dochter van dhr. Visser<br />

studeert in <strong>Groningen</strong>. Als hij door Middag-Humsterland<br />

fietst, dan vindt hij dat er op hoger schaalniveau<br />

sprake is van een fantastische continuïteit en dat er<br />

voor de beleving van de burger geweldige elementen<br />

zijn toegevoegd dankzij het fietspadenplan. Dhr. Visser<br />

werkt bij de RACM, voortgekomen uit de Rijksdienst<br />

voor Oudheidkundig Bodemonderzoek en de<br />

Rijksdienst voor de Monumenten¬zorg. Het bestaat<br />

sinds een jaar. De RACM – Rijksdienst Archeologie,<br />

Cultuurlandschap en Monumenten – heeft als nieuwe<br />

loot ten opzichte van die twee oude diensten de ‘c’ van<br />

cultuurlandschap. Voor de RACM is dus de vraag aan<br />

de orde wat men daarmee gaat doen. De RACM heeft<br />

de zorg voor het historisch landschap, de historische<br />

kwaliteiten van het landschap. Daar zal de RACM in<br />

beleidsmatige zin als in kenniszin op opereren.<br />

Het werkterrein is natuurlijk het cultuurlandschap. De<br />

RACM kan de kennis voor het historisch landschap<br />

aanreiken, maar met aanreiken is men er nog niet,<br />

men moet het ook werking geven in het debat en de<br />

ontwikkelingen zoals die hier aan de orde zijn gesteld.<br />

Wat reikt de RACM zoal aan wat betreft het historisch<br />

cultuurlandschap? Als men bedenkt dat de RACM<br />

een jaar bezig is en dat de afdeling waar dhr. Visser<br />

hoofd van is, sinds ca. vier maanden gevormd is, staat<br />

nog veel in de kinderschoenen. Het programma zal<br />

in hoofdlijnen zijn om een goede waardering van het<br />

historisch landschap te geven voor Nederland als een<br />

soort basis op grond waarvan provincies zich kunnen<br />

ijken en zich kunnen vinden. Daarnaast wil de RACM<br />

zorg dragen voor adequate groene verhalen. Dhr.<br />

Visser noemt als voorbeeld een pilot-project waar de<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

40<br />

RACM al een tijd aan werkt: het Drentse Aa-gebied.<br />

In het Drentse Aa-gebied is in samenwerking een<br />

project opgezet, waarbij niet alleen de ecologische,<br />

geomorfologische cultuurhistorische ontwikkeling is<br />

onderzocht, maar is ook getracht om door middel van<br />

een veldnamenonderzoek in gesprek met de bevolking<br />

de verhalen die vastliggen in specifieke plekken,<br />

omhoog te halen. Zo’n heel ensemble van fysieke,<br />

sociale en innerlijke verhalen wordt samengevat als<br />

een groen verhaal dat de RACM kan aanbieden aan<br />

al diegenen die in de feitelijke planvoering aan het<br />

werk zijn. De RACM is ervan overtuigd dat het historisch<br />

landschap belangrijk is in de zin van de ervaring<br />

van continuïteit. Als metafoor kun je zeggen dat je het<br />

historisch landschap aanbiedt als een geschenk zoals<br />

er ook in familieverband bepaalde erfgoederen die<br />

van generatie op generatie worden overgedragen, die<br />

elke keer wel in een nieuwe setting komen, maar wel<br />

als geschenk overeind blijven.<br />

De RACM wil ook investeren in methodieken om de<br />

planontwikkeling dusdanig te doen dat de historische<br />

kant op een goede manier zijn weg zal vinden, niet<br />

in de zin van op slot zetten – iedereen die met landschap<br />

bezig is, weet dat ontwikkeling een kenmerkend<br />

fenomeen is. Hoe zou je dat kunnen doen? Dhr.<br />

Visser heeft daar in zijn vorige baan mee geëxperimenteerd.<br />

Het levert interessante mogelijkheden op.<br />

Men zou door koppeling aan planontwikkeling kunnen<br />

werken met het zogenaamd meergeneratieperspectief,<br />

waarbij je burgers en experts bij elkaar brengt<br />

en aan hen de vraag voorlegt zich vanuit het eigen<br />

perspectief voor te stellen wat je grootvader van dit<br />

gebied zou vinden waar jij op dat moment in bezig<br />

bent. Je kunt dit ook doen met je eigen vader of moeder.<br />

Je kunt het vanuit je eigen perspectief doen en<br />

je kunt je ook verplaatsen in dat van je kinderen en<br />

kleinkinderen. Je verbindt daarmee ruimte en tijd aan<br />

elkaar in een persoonlijke setting, maar wel met oog


op een bredere kijk op het landschap dan alleen maar<br />

die individuele. Het is een experimenteel idee, maar<br />

dhr. Visser denkt dat het met alle belangstelling die nu<br />

voor het historisch landschap gevonden is, een heel<br />

interessante mogelijkheid zou kunnen zijn.<br />

Dhr. Visser is gevraagd om een kort overzicht te geven<br />

wat er op dit moment in andere provincies aan de<br />

orde is. Hij baseert zich daarbij op een studie die een<br />

student historische geografie het afgelopen half jaar<br />

gedaan heeft, waarbij ze in een zestal provincies is<br />

nagegaan hoe daar op dit moment omgegaan wordt<br />

met het historisch landschap en wat hun ideeën zijn<br />

voor de toekomst. Elke provincie ziet het historisch<br />

landschap nu als een geweldige kans om het landschap<br />

op een zorgvuldige manier te begeleiden. Alle<br />

provincies gaan er vooral vanuit dat het beleid ontwikkelingsgericht<br />

moet zijn en dat het landschap niet op<br />

slot gezet moet worden. Er wordt regelmatig gesproken<br />

over beschermde stads- en dorpsgezichten dan<br />

wel landschapsgezichten. Dat doet men liever niet,<br />

want dat zou het landschap op slot zetten. Dhr. Visser<br />

weet niet of dat zo is. Hij beschouwt die instrumenten<br />

meer als een zorgvuldige manier om om te gaan met<br />

het landschap op een bepaalde plek die je waardevol<br />

vindt. Je voegt enkele garanties toe. Er wordt op dit<br />

moment heel veel gebruik gemaakt van cultuurhistorische<br />

waardekaarten. Die hebben ofwel een toetsende<br />

ofwel een inspirerende rol. Ook al die andere<br />

provincies zijn natuurlijk bezig met de vraag hoe men<br />

aan de slag gaat met de nieuwe Wet op de RO. Dan<br />

komen er vooral elementen naar voren als het werken<br />

met kwaliteitsteams, het creëren van ontwerpateliers<br />

– dus een setting waarbij je een vorm creëert waarbij<br />

je met veel verschillende partijen toekomstgericht<br />

kunt opereren. De Dienst Landelijk Gebied heeft daar<br />

mooie voorbeelden van met het hier misschien ook<br />

wel bekende fenomeen van zogenaamde schetsschuiten.<br />

Vele provincies wensen zich ook een provin-<br />

ciale bouwmeester. Interessant is dat er een provincie<br />

is van de zes die echt een specifiek beleid voert op<br />

het landschap en die een eigen provinciaal landschap<br />

heeft benoemd, te weten de provincie Utrecht, die de<br />

Heuvelrug heeft benoemd als provinciaal landschap.<br />

De minister van Landbouw heeft vorige week een<br />

interessante visie gegeven op de Brusselse regelgeving<br />

rondom de landbouw, waarbij de inkomsten voor<br />

boeren steeds sterker gekoppeld zal worden aan het<br />

reduceren van maatschappelijke waarden. In een artikel<br />

in de NRC staat dan ook dat het resultaat – als je<br />

dat allemaal goed zou doen – een nieuwe landkaart<br />

van Nederland zou kunnen zijn waarop de subsidiegrondslag<br />

voor boeren zou zijn af te lezen en bijdragen<br />

aan het landschap zoals men dit kent.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) dankt dhr. Visser.<br />

Mw. Braaksma heeft een algemene inleiding gehouden<br />

over ontwikkelingen en trends en heeft gewezen<br />

op de mogelijkheden die er nu zijn. Dhr. Folmer is<br />

ingegaan op de kosten/batenanalyse ingegaan, die<br />

een belangrijk onderdeel vormt van de nota waar mw.<br />

41<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Braaksma ook over heeft gesproken. Van dhr. Van<br />

Klinken en dhr. Garrelts heeft men gehoord dat het<br />

heel goed gaat in <strong>Groningen</strong>, dat men zich achter de<br />

oren moet krabben over de vraag wat men daar nog<br />

aan zou kunnen verbeteren. Ze hebben tussen de regels<br />

door ook fijntjes gewezen op het feit dat er wel<br />

degelijk knelpunten zijn. Dhr. Visser heeft enkele interessante<br />

opmerkingen gemaakt waarvan mw. Schalij<br />

vermoedt dat ze zeker in de discussie terug zullen<br />

komen. De notie dat het erfgoed wordt doorgegeven<br />

van generatie tot generatie is iets wat men zich goed<br />

moet realiseren. Het is daardoor een zaak waar men<br />

zich allemaal mee bezig moet houden. Voorts enkele<br />

boeiende punten over het groene verhaal, het collectieve<br />

geweten, de neerslag van de historie gebruiken<br />

voor de vormgeving van vandaag. Het is een interessant<br />

punt waar men op terug zou moeten komen. Het<br />

is een boeiende mededeling dat de provincie een<br />

provinciaal landschap kent. Voorts werd een genuanceerde<br />

mening gegeven over hoe men met wetten<br />

en regels, als bijvoorbeeld over een beschermd landschapsgezicht,<br />

zou kunnen omgaan. Dat sluit ook<br />

aan bij wat dhr. Van Klinken zei, dat het niet het een<br />

of het ander is, maar dat men heel zorgvuldig moet<br />

afwegen en heel subtiel moet zeggen: niet op slot<br />

zetten, maar daar dient men zeer voorzichtig mee te<br />

zijn en daar moet iets op verzonnen worden. Wellicht<br />

moeten alle goede bedoelingen ook nog een stevige<br />

basis worden gegeven.<br />

Plenaire discussie o.l.v. de dagvoorzitter<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) verklaart dat er twee invalshoeken<br />

zijn om nu verder te gaan. De eerste is<br />

dat men naar aanleiding van de inleidingen een bepaald<br />

punt ter discussie wil brengen of er dieper op<br />

in wenst te gaan. De tweede leidraad is de vragen<br />

die de werkgroep zich gesteld heeft en die men al-<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

42<br />

lemaal heeft kunnen lezen in de startnotitie. Men is<br />

op de aarde om die punten uit te zoeken en daarover<br />

na te denken en misschien met zinnige voorstellen<br />

daarover te komen, aldus mw. Schalij. De bedoeling<br />

van de ochtend is dat de werkgroep zo veel mogelijk<br />

gevoed wordt.<br />

Dhr. Haasken (VVD) stelt dat dhr. Folmer sprak over<br />

streefbeelden. Hij zou dit graag willen zien in de relatie<br />

tot de nieuwe WRO, waarbij gesteld is ‘lokaal wat<br />

kan, regionaal wat moet’. Tot hoe ver zou het verhaal<br />

van de streefbeelden in het nieuwe POP moeten<br />

doorwerken? Over welk schaalniveau gaat het dan?<br />

Dhr. Folmer (RUG) denkt dat je het niet tot een<br />

schaalniveau kunt beperken. Men moet in de eerste<br />

plaats denken aan een totaalstreefbeeld voor de totale<br />

provincie. Vervolgens moet het worden vertaald<br />

naar kleinere gebieden. Dat houdt in dat duidelijk<br />

wordt gemaakt dat wanneer een concentratie van<br />

woningbouw en industriële activiteiten plaatsvindt,<br />

dit impliceert dat je er in andere gebieden de ‘rem er<br />

opgooit’. Vanuit het totaalbeeld over de economische<br />

ontwikkeling waar activiteiten moeten plaatsvinden,<br />

dient men vast te stellen in welke kernen dit mogelijk<br />

is. Dat impliceert meteen dat men het tegenhoudt<br />

in andere kernen. Hetzelfde verhaal geldt ook voor<br />

woningbouw, voor investeringen in het waardevolle<br />

landschap. Het kan betekenen dat je minder investeert<br />

in andere gebieden, want uiteindelijk zal het uit<br />

de lengte of uit de breedte moeten komen. Men kan<br />

niet overal investeren. Ook op dat terrein zullen keuzes<br />

gemaakt moeten worden. De visie begint met een<br />

visie voor het totaal. Daaruit kan men verder werken<br />

naar de verschillende regio’s.<br />

Dhr. Haasken (VVD) informeert of dat niet ook al zit<br />

in het huidige POP. In het Noorden en in <strong>Groningen</strong>


is het begrip ma/contramal bekend. Daar zijn al nadrukkelijke<br />

keuzes in gemaakt. Heeft dhr. Folmer het<br />

feitelijk niet over het bestaande POP?<br />

Dhr. Folmer (RUG) beaamt dat die elementen er in<br />

zitten. Het is dan ook van belang om het in het nieuwe<br />

plan mee te nemen. Bij het maken van een nieuw<br />

plan dient een evaluatie van de huidige situatie plaats<br />

te vinden. Vervolgens bepaalt men wat uit het oude<br />

plan wordt overgenomen. Dhr. Folmer pleit ervoor om<br />

deze elementen uit het oude POP mee te nemen naar<br />

het nieuwe POP en misschien verder aan te sterken.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) vraagt in hoeverre het instrumentarium<br />

aangepast kan worden als de nieuwe<br />

Wro er is. Wat verandert er nu met de nieuwe Wet RO<br />

waardoor je misschien in een vroeger stadium zaken<br />

kunt benoemen of aanscherpen?<br />

Dhr. Visser (RACM) geeft aan dat uit het onderzoekje<br />

bij de andere provincies bleek dat er enorm wordt geworsteld<br />

met hoe men het moet doen als de zaak van<br />

tevoren vastgelegd moet worden. Uit dat onderzoek<br />

bleek dat men dat laat rusten en zich vooral richt op<br />

de vraag hoe men het op een positieve manier kan<br />

invullen in de zin van ontwerpateliers, in de sfeer van<br />

gezamenlijk doen, in de sfeer van afspraken en het<br />

kiezen van een gezamenlijke route om op die manier<br />

aan de slag te gaan in plaats van de zaak via allerlei<br />

verordeningen te regelen.<br />

Mw. Mortiers (PvdA) vraagt zich naar aanleiding van<br />

de opmerkingen van dhr. Visser die heel innovatief en<br />

creatief zijn voor wat betreft het versterken van het<br />

draagvlak bij de bevolking op langere termijn, af of<br />

dhr. Visser direct een bijdrage naar voren zou kunnen<br />

brengen die de werkgroep bij het verfijnen van het<br />

instrumentarium zou kunnen gebruiken. In de provincie<br />

<strong>Groningen</strong> zijn veel historische verenigingen. Mw.<br />

Mortiers vond de diverse multidisciplinaire invalshoeken<br />

die dhr. Visser naar voren bracht naar aanleiding<br />

van de genoemde scriptie, sociologisch erg innovatief.<br />

Het op die manier versterken van het draagvlak<br />

vindt plaats op langere termijn. Heeft dhr. Visser ook<br />

ideeën hoe de werkgroep het instrumentarium dat nu<br />

ter beschikking komt, concreet zou kunnen invullen<br />

om die mogelijkheden dan ook open te houden?<br />

Dhr. Visser (RACM) verklaart niet zo sterk te refereren<br />

aan het instrumentarium dat nu ter beschikking komt.<br />

Het ligt natuurlijk volstrekt in de eigen hand van de<br />

provincie in welke mate men innovatieve processen<br />

organiseert waarbij men op een zorgvuldige manier<br />

nagaat hoe de inbreng van burgers versus experts<br />

versus beleid vorm kan worden gegeven. In de jaren<br />

’90 heeft met name Rijkswaterstaat een zeer innovatieve<br />

vorm van burgerparticipatie ontwikkeld, te weten<br />

het ‘infralab’, waarbij gegeven een bepaalde thematiek<br />

van een weg die vernieuwd of verbreed moest<br />

worden, in een gefaseerd proces burgers, omwonenden,<br />

ten opzichte van de deskundigen in het proces<br />

zijn gebracht, waarbij de notie is dat je onderscheid<br />

kunt maken tussen de materiedeskundigen en ervaringsdeskundigen.<br />

Wanneer men die met elkaar in<br />

gesprek brengt, zorgt men ervoor dat die materiedeskundigen,<br />

die vooral analytisch zijn – dus sterk zijn<br />

in het opknippen – in gesprek worden gebracht met<br />

burgers die over het algemeen meer holistisch kijken.<br />

Je krijgt zo een overall beeld ten opzichte van een expertbeeld.<br />

Het belangrijke is dat je, als je zo’n proces<br />

start, als overheid heel goed het speelveld aangeeft<br />

waarbinnen het gesprek zich moet voltrekken en het<br />

goed faseert, zodat geen valse verwachtingen worden<br />

gewekt.<br />

Dhr. De Vey Mestdagh (D66) stelt dat het dan eigenlijk<br />

gaat over processen van totstandkoming van ver-<br />

43<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


nieuwing gaat. In hoeverre kan men processen in een<br />

POP-achtige verordening dan wel in een bestuursovereenkomst<br />

voorschrijven dan wel vastleggen?<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) merkt op dat men niet aan<br />

het instrumentarium ontkomt. Een van de punten die<br />

de werkgroep wil onderzoeken, is hoe men dat effectiever<br />

kan maken, want met alle goede wil en het<br />

mooiste beleid dat men kan verzinnen, gebeuren er<br />

toch zaken die men niet wil.<br />

Dhr. De Vey Mestdagh (D66) (microfoon staat uit)<br />

geeft aan dat gesproken is over keukentafelgesprekken<br />

en burgerparticipatie. Hoe kan men vanuit een<br />

landschap een procesvorm maken die op een of andere<br />

manier bindend is als het over de landschapsontwikkeling<br />

gaat? Is dat mogelijk?<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

denkt dat men om te beginnen onderscheid<br />

moet maken tussen typen ontwikkelingen. Er zijn ongewenste<br />

ontwikkelingen – de bedreigingen waar dhr.<br />

Garrelts het over had, aantasting van elementen of<br />

structuren. De wet vereist dat de provincie proactief<br />

is. Je moet van tevoren helder kenbaar maken aan<br />

gemeenten, maar indirect ook aan burgers, wat de<br />

provincie op dat punt verlangt. De provincie neemt<br />

dan de verantwoordelijkheid voor die belangen en<br />

beperkt als het ware de gemeentelijke beleidsvrijheid.<br />

Dat kan zelfs zover gaan dat de provincie zelfs het<br />

complete bestemmingsplan maakt. Het stelsel is erop<br />

gericht dat gemeenten in principe de bestemmingsplannen<br />

maken, alleen een hogere overheid die zich<br />

verantwoordelijk voelt voor een bepaald belang – in<br />

dit geval bijvoorbeeld de provincie die zich verantwoordelijk<br />

voelt voor het landschap – kan de beleidsvrijheid<br />

inperken en die moet dat van tevoren doen.<br />

De verordening is daar, als het gaat om generieke zaken,<br />

het aangewezen instrument voor. De worsteling<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

44<br />

die heel veel provincies hebben… Het van tevoren<br />

juridisch reguleren van hoe het beleid vertaald moet<br />

worden op gemeentelijk niveau, past niet bij hun bestuurscultuur.<br />

Zij hebben de afgelopen jaren of de<br />

afgelopen decennia onder het bestaande stelsel een<br />

soort poldermodel gehad: overleggen met gemeenten,<br />

bij voorkeur in een vroeg stadium, en vervolgens<br />

in formele procedures, en aan het eind van de rit<br />

wordt het afgekeurd als de uitkomst niet bevalt – een<br />

reactief stelsel.<br />

Men moet nu naar een proactief stelsel. Als het gaat<br />

om het beschermen van landschappen, kan dat wel in<br />

de vorm van een verordening, want je kunt dat in feite<br />

normeren. Je geeft instructies aan gemeenten dat zij<br />

in bestemmingsplannen bepaalde zaken op een bepaalde<br />

manier moeten beschermen of bepaalde zaken<br />

moeten verbieden. Als het om gewenste ontwikkelingen<br />

gaat die ingepast moeten worden, ligt dat heel<br />

ingewikkeld. Daar zijn van tevoren geen kwantitatieve<br />

normen voor te vatten. Het moet in procesafspraken<br />

worden geregeld. De gemeente maakt in beginsel het<br />

bestemmingsplan. Die is dus ook verantwoordelijk<br />

voor de vertaling van die belangen en die moet die<br />

verantwoordelijkheid ook waar gaan maken. Nu wordt<br />

de gemeente sterk ondersteund door de provincie en<br />

dat kan in zekere zin ook zo blijven, alleen de vraag is<br />

of dat straks in het stelsel wel helemaal zuiver is.<br />

Dhr. De Plaa heeft gisteren een gesprek gevoerd met<br />

burgermeester Groot, die voorzitter is van Libau. De<br />

gedachten gaan er onder andere naar uit om Libau op<br />

te plussen met expertise op het gebied van stedenbouwkundige<br />

en landschap¬pelijke inpassing. Het is<br />

in eerste plaats aan gemeenten om ervoor te zorgen<br />

dat zij de verantwoordelijkheid die ze hebben, waar<br />

kunnen maken.<br />

Dhr. De Vey Mestdagh (D66) (microfoon staat uit)<br />

geeft aan dat het nogal afhankelijk is van de zorgvul-


digheid van het proces dat plaatsvindt. Hoe weet men<br />

van tevoren dat het proces zorgvuldig plaatsvindt?<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

legt uit dat het geven van instructies ook betrekking<br />

kan hebben op de plantoelichting, op de onderbouwing<br />

van een project. PS zouden aanwijzingen<br />

kunnen geven hoe gemeenten het proces waar ze<br />

allemaal rekening mee moeten houden… en ook kunnen<br />

voorschrijven dat er deskundigenadvies wordt<br />

ingewonnen. Het is op dit moment een zoektocht.<br />

Daarnaast – eigenlijk zouden die prioriteit moeten<br />

hebben – zijn er ook communicatieve instrumenten<br />

van overleg en financiële instrumenten.<br />

Dhr. Van der Ploeg (GroenLinks) stelt dat het POP<br />

vooral gebiedsgericht is, gemeenteoverschrijdend.<br />

Zou men bijvoorbeeld kunnen denken aan een verordening<br />

die gebiedsoverschrijdend is of gemeenteoverschrijdend<br />

is, bijvoorbeeld in de zin van dat de<br />

gemeenten wordt opgedragen gezamenlijk tot een<br />

streefbeeld te komen, in een bepaalde regio met een<br />

bepaald landschap, met bepaalde eisen waar het aan<br />

moet voldoen. Vervolgens gaat men het overleg in<br />

waarbij men gemeenten bindt aan dat streefbeeld,<br />

zodat men er later ook bijvoorbeeld vergunningtechnisch<br />

naar kan kijken hoe het daadwerkelijk wordt uitgevoerd.<br />

Het punt waar men steeds tegenaan loopt,<br />

is de handhaving. Dhr. Van der Ploeg kijkt naar het<br />

beschermende karakter, de ontwikkelingskant is een<br />

ander traject. Daar ligt een groot probleem, want het<br />

gaat sluipenderweg. Is dat een mogelijkheid? Is dat<br />

überhaupt iets waar aan gedacht wordt? Dhr. Van der<br />

Ploeg zit er in elk geval wel aan te denken.<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

stelt dat het in de eerste plaats zo is dat de provinciale<br />

structuurvisie of het nieuwe POP in het stelsel<br />

van de wet niet een document is dat in beginsel de<br />

gemeenten bindt. Het bindt vooral de provincie zelf.<br />

Het is het referentiekader voor de toepassing van de<br />

instrumenten. Aan de andere kant is het wel zo dat<br />

een gemeente zelf ook structuurvisies moet maken.<br />

Dhr. De Plaa verwacht dat de provinciale structuurvisie,<br />

waarbij op het schaalniveau van de provincie<br />

ook met streefbeelden, identiteiten zal worden gewerkt,<br />

een belangrijke inspiratiebron zal zijn voor gemeenten,<br />

voor de doorvertaling ervan op het lokale<br />

schaalniveau naar de eigen structuurvisies. Daarmee<br />

wordt het beleid van de provincie getrapt via de gemeentestructuurvisie<br />

weer een referentiekader voor<br />

de bevoegdheden die de gemeente heeft.<br />

Dhr. Van der Ploeg (GroenLinks) vraagt hoe je tot een<br />

gemeenteoverschrijdende structuurvisie komt.<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

geeft aan dat het POP per definitie een gemeentegrens<br />

overschrijdende visie is.<br />

45<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Dhr. Van der Ploeg (GroenLinks) stelt dat dit de provincie<br />

is. Hoe krijg je nu op gebiedsniveau, op landschapsniveau<br />

dat je toegaat naar een proces dat<br />

gemeenten in gezamenlijkheid met de provincie overeenstemming<br />

hebben over het uiteindelijke streefbeeld?<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

geeft aan dat de provincie een visie heeft en het<br />

beleid dat daaruit voortvloeit. De nieuwe wet schrijft<br />

ook voor dat er een uitvoeringsparagraaf bijkomt. Het<br />

gaat om de rolverdeling: wie is verantwoordelijk voor<br />

de uitvoering van het beleid. Een onderdeel daarvan<br />

is dat GS ervoor zorgen dat zij met gemeenten<br />

in gesprek komen en bijvoorbeeld afspreken dat er<br />

intergemeentelijk een specifieke structuurvisie wordt<br />

gemaakt, bijvoorbeeld voor het landschap. Dat soort<br />

mogelijkheden staat ter beschikking.<br />

Dhr. De Vey Mestdagh (D66) (microfoon staat uit)<br />

vraagt of structuurvisies op gemeentelijk niveau wettelijk<br />

verplicht zijn.<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

verklaart dat het net zo verplicht is als voor de<br />

provincie.<br />

Dhr. Ader (Usquert) verklaart dat zijn vraag ook betrekking<br />

heeft op de rolverdeling tussen gemeenten<br />

en provincie, ook aan de hand van POP 3. Het zal<br />

zich moeten uitkristalliseren. De nieuwe WRO geeft<br />

de gemeenten de mogelijkheid via provinciale verordeningen<br />

vooraf zaken dwingend voor te schrijven.<br />

Het gaat dhr. Ader om de juridische verankering, het<br />

dwingende aspect. Is het probleem niet dat het de<br />

hele provincie moet dekken, terwijl men in de provincie<br />

juist gezegend is met een grote verscheidenheid<br />

aan landschappen? Hoe ga je dat zodanig differen-<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

46<br />

tiëren dat het adequaat is toegesneden op die landschappen?<br />

Vaak is het heel subtiel wat een landschap<br />

bepaalt. Om de bescherming daarvan te regelen zul<br />

je in een tamelijk grote mate van detail moeten gaan.<br />

Is een provinciale ordening daarvoor een geschikt instrument?<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

antwoordt beves¬tigend.<br />

Dhr. Ader (Usquert) vraagt dhr. De Plaa in te gaan op<br />

zijn detailvragen om dat te illustreren.<br />

Dhr. Garrelts (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

heeft het idee dat het vrij eenvoudig is om gebiedsafhankelijke<br />

kenmerken specifiek vast te leggen.<br />

Als je een dijk in Middag-Humsterland belangrijker<br />

vindt dan een dijk in het Oldambt, dan kun je de een<br />

boven de ander verkiezen, vastleggen en de ander<br />

niet, omdat daar misschien een andere belangenafweging<br />

aan ten grondslag ligt over wat die dijk in de<br />

toekomst misschien is. Je kunt het wel degelijk heel<br />

specifiek maken, daar kan de provincie ook voor kiezen.<br />

De kool en de geit-spaarmentaliteit is misschien<br />

een beetje ten einde. Er moeten in die zin keuzes gemaakt<br />

worden op gebiedsniveau waarin je specifieke<br />

elementen tot een belang verheft.<br />

Dhr. Visser (RACM) stelt dat hij mateloos geboeid<br />

is door het feit dat in de Natuurbeschermingswet<br />

uit 1998 een aantal artikelen is gewijd aan het beschermd<br />

landschapsgezicht wat volstrekt verwant is<br />

aan het stads- en dorpsgezicht en wat een middel is<br />

om vanuit de provincie bepaalde landschappen die<br />

men dusdanig waardevol vindt dat men wil garanderen<br />

dat er een zorgvuldige afwegende ontwikkeling<br />

plaatsvindt, kan benutten richting gemeenten. Het is<br />

in die zin interessant dat het nog nooit toegepast is,


ehalve dat er nu hier in <strong>Groningen</strong> voor het eerst een<br />

initiatief om heen zit, waaronder het Oldambt. Het is<br />

interessant voor de werkgroep om na te gaan of dit<br />

een instrument zou kunnen zijn dat in de nieuwe setting<br />

benut zou kunnen worden.<br />

Mw. Bos (voorzitter Marnelandschap) verklaart als<br />

voorzitter van de Stichting Marneland¬schap erg op<br />

gemeentelijk niveau te denken. Hoe krijgt men er vat<br />

op als men ziet dat er iets staat te gebeuren? De ervaring<br />

van mw. Bos is dat burgers zich heel betrokken<br />

voelen bij het landschap. Soms komen er burgers<br />

in het geweer, bijvoorbeeld over een Gele Klap die<br />

verloren dreigt te gaan of een paardentil. Daar zijn<br />

geen instrumenten voor. Er is het MIP (Monumenten<br />

Inventarisatie Programma’s), waarbij per gemeente<br />

monumenten, historische culturen, maatschappelijke<br />

elementen geïnventariseerd werden. Daarna kwam<br />

ook nog een soort programma. Gemeenten konden<br />

een lijst maken bestaande uit landschapselementen<br />

– waaronder ook gebouwen – die zij wilden beschermen.<br />

Het is goed om daar burgers bij te betrekken.<br />

Welke landschapselementen vinden de burgers nu<br />

belangrijk om te beschermen? Mw. Bos informeert of<br />

het zo is dat de provincie iets met geld doet als een<br />

gemeente zo’n lijst heeft. De gemeente Winsum heeft<br />

niet zo’n lijst. Als er dus iets is met een cultuurhistorisch<br />

monument, is daar geen geld voor. Hoe zou de<br />

provincie dat kunnen stimuleren? Er zijn veel meer gemeenten<br />

die niet zo’n lijst hebben. Het staat gewoon<br />

nergens. Dat is een van de zaken die op gemeentelijk<br />

niveau moet gebeuren, zodat er iets is waar men op<br />

terug kan vallen. Dat ontbreekt nu.<br />

Dhr. Meijering (afd. Landelijk Gebied & Water) legt uit<br />

dat er een Groninger Monumentenfonds is. Het is een<br />

beperkt budget dat ingezet kan worden voor restauratie<br />

van monumenten op gemeentelijk niveau, maar<br />

dan moeten gemeenten wel een gemeentelijke monumentenlijst<br />

hebben opgesteld. Deze ontbreekt bij<br />

de meeste gemeenten in <strong>Groningen</strong>.<br />

Mw. Bos (voorzitter Marnelandschap) stelt dat dit<br />

– ook voor stichtingen – wel een instrument is om op<br />

terug te grijpen. Ooit is in de Staten voorgesteld om<br />

daar meer aan te doen, juist ook om daarvoor draagvlak<br />

bij gemeenten te krijgen. Het is beloofd, maar<br />

nooit gebeurd. Mw. Bos vraagt of het ergens in opgenomen<br />

kan worden.<br />

Dhr. Meijering (afd. Landelijk Gebied & Water) geeft<br />

aan dat er wel reclame is gemaakt voor die regeling<br />

door de afdeling Cultuur. De gemeenten moeten dat<br />

natuurlijk wel oppakken. Dat gebeurt te weinig.<br />

Mw. Bos (voorzitter Marnelandschap) merkt op dat<br />

het knelpunt vaak bij de gemeenten ligt. De provincie<br />

moet daarin een sturende rol hebben.<br />

Mw. Jansen (Het Groninger Landschap) wenst voort<br />

te borduren op de opmerking van mw. Bos en op de<br />

inleiding van dhr. Garrelts – die haar zeer aansprak.<br />

Als die aanpak zijn weerslag zou kunnen krijgen in<br />

het POP en in de verordening, zou dat heel belangrijk<br />

zijn. Mw. Jansen zou dit willen koppelen aan de<br />

discussie over de streefbeelden. Het zou natuurlijk<br />

heel mooi zijn als je in de streefbeelden die gemaakt<br />

worden, de opbouw van cultuurhistorisch belangrijke<br />

elementen, maar ook het structuurniveau van de dorpen<br />

en het landschapsniveau, onder woorden kunt<br />

brengen. Welke zijn van waarde en belang en met<br />

welke moet men rekening houden, ook om nieuwe<br />

ontwikkelingen in te passen? Dit zou vertaald moeten<br />

worden in een streefbeeld, waarbij je die waarden op<br />

de een of andere manier probeert te waarborgen en<br />

te vererven. Het is belangrijk dat je die benadering op<br />

47<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


de een of andere manier kunt afdwingen. Bij nieuwe<br />

plannen dient vanuit zo’n streefbeeldbenadering – die<br />

opgebouwd wordt vanuit die verschillende elementen,<br />

zoals dhr. Garrelts aangaf – weergegeven te worden<br />

en vertaald te worden in een verordening.<br />

Mw. Bos (voorzitter Marnelandschap) (microfoon staat<br />

uit) merkt op dat er misschien wel automatisch een<br />

soort Landschaps Effect Rapportage moet komen.<br />

Het moet vanzelfsprekend zijn om bij elke activiteit,<br />

hoe klein ook, naar het landschap te kijken. Dat gebeurt<br />

nu niet, ook niet door de provincie. De provincie<br />

vergeet het landschap soms ook en doet dingen die<br />

juridisch gezien eigenlijk niet mogen. Daarom is het<br />

instrument hier van belang. Hoe neemt men dat op in<br />

een verordening?<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) denkt dat het voor de<br />

werkgroep een waardevolle bijdrage is om daar eens<br />

goed over na te denken.<br />

Dhr. Haasken (VVD) geeft aan dat hem nog niet helemaal<br />

duidelijk is hoe procesafspraken gemaakt kunnen<br />

worden binnen zo’n verordening. Moet je dan<br />

ook niet van tevoren in verordeningen vastleggen<br />

wat je wel kunt? Nu staan er enkele kernachtige beleidsuitspraken<br />

in het POP. Die hebben te maken met<br />

de hoogte van reclamemasten en het moratorium op<br />

recreatiewoningen. Dat zijn de enige twee concrete<br />

en harde uitspraken die er zijn gedaan. Volgens dhr.<br />

Haasken horen die vervolgens ook in een verordening<br />

thuis. Als men daarmee door wil gaan, moet je<br />

dan met concrete uitspraken komen om vervolgens<br />

dat vervolgens concreet te vertalen in een proces?<br />

Dhr. Folmer (RUG) legt uit dat men niet alleen invloed<br />

op de processen kan uitoefenen middels verordeningen,<br />

maar ook door mogelijkheden te bieden. Hij ver-<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

48<br />

wijst naar het onderwerp landbouw. In de landbouw<br />

staan grote ontwikkelingen voor de deur. In een artikel<br />

met uitspraken van mw. Verburg staat: “De koe<br />

in de wei gaat geld opbrengen”. Dhr. Folmer roept op<br />

dit maar te vergeten, want de ontwikkelingen in de<br />

landbouw gaan een heel andere kant op. Er wordt nu<br />

gedacht aan veeteeltbedrijven in de orde van 400 à<br />

500 koeien.<br />

Doordat je op een andere plek ruimte biedt, kun je<br />

ontwikkelingen in een gebied waar je ze niet wil hebben,<br />

temperen en eventueel tegenhouden. Men hoeft<br />

dus niet alleen maar te werken met verboden, de<br />

wortel kan geboden worden door de mogelijkheid te<br />

bieden in een bepaalde streek te werk te gaan en het<br />

proces zo in een bepaald gebied stuurt.<br />

Dhr. Haasken (VVD) herhaalt zijn vraag hoe een en<br />

ander vastgelegd moet worden in het POP.<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

geeft aan dat in het nieuwe besluit op de RO al<br />

een heel stuk voor wat betreft de procedure is voorgeschreven.<br />

Er is een nieuw besluit op de RO gemaakt,<br />

waarin nog veel meer dan in het huidige besluit op de<br />

RO is aangegeven op welke wijze – dus hoe deugdelijk<br />

– een gemeente een bestemmingsplan moet<br />

voorbereiden. Het is verplicht voor tal van zaken.<br />

Voorgeschreven is wat allemaal onderzocht moet<br />

worden, wat verantwoord moet worden. Dan gaat<br />

het over natuur, landschap en milieu. Het wettelijke<br />

stelsel dwingt de gemeente om bij elke planologische<br />

besluitvorming heel zorgvuldig tewerk te gaan. Het is<br />

dan ook de vraag – en het kan alleen maar als er<br />

sprake is van bovengemeentelijke belangen – of de<br />

provincie daar nog specifieke instructies aan moet<br />

toevoegen. In de basis zijn in het wettelijke systeem<br />

al allerlei waarborgen gecreëerd die ervoor moeten<br />

zorgen dat gemeenten niet besluiten neemt die al-


lerlei nadelige effecten hebben. Zeer deugdelijk moet<br />

worden gemotiveerd waarom een bepaalde ontwikkeling<br />

eventueel wordt geaccommodeerd. Overleg met<br />

het waterschap, milieuonderzoeken, de zogenaamde<br />

basiskwaliteit, daar is de gemeente verantwoordelijk<br />

voor. Het is allemaal wettelijk geborgd.<br />

Dhr. Van der Ploeg (GroenLinks) (microfoon staat uit)<br />

stelt dat op het moment dat je vanuit de provincie kennelijk<br />

al een min of meer controlerende taak hebt op<br />

basis van de wetgeving – dat is dan een rol die je dan<br />

hebt –…<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

interrumpeert en stelt dat de provincie daar geen<br />

controlerende taken heeft.<br />

Dhr. Van der Ploeg (GroenLinks) werpt tegen dat je<br />

wel zit met informatie-uitwisseling over datgene wat er<br />

speelt. Dan is de vraag meer wat er aan kennis, aan<br />

inventarisatie vooraf is geweest, waarop je met elkaar<br />

in gesprek bent. Dan is de vraag van mw. Bos over<br />

een monumenteninventarisatieprogramma – in feite<br />

een landschapselementeninventarisatieprogramma<br />

– veel relevanter, want dan zit je veel meer op het<br />

kennisniveau en veel minder op het gebied van extra<br />

verordeningen.<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

legt uit dat wanneer een inventarisatie wordt gemaakt,<br />

bijvoorbeeld door de provincie, en die zou beschikbaar<br />

worden gesteld aan gemeenten, het voor<br />

de hand ligt – daar zal natuur¬lijk ook om worden gevraagd<br />

– dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen<br />

en andere planologische procedures<br />

rekening houden met dergelijke feiten en omstandigheden.<br />

Dhr. Garrelts (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

geeft te kennen nog te zitten met de vraag van<br />

dhr. Haasken hoe de procesvoorwaarden moeten<br />

worden verordend als je ervan uitgaat dat het insteken<br />

van een bepaald proces – zoals de keukentafelbenaderingen<br />

– uiteindelijk ruimtelijke kwaliteit en<br />

ook landschappelijke kwaliteit opleveren. Je gebruikt<br />

namelijk de burgerkennis – ervaringskennis – en bedrijfslogistieke<br />

kennis. Die combineer je met ontwerpdeskundigheid,<br />

waarvan je mag aannemen dat die<br />

gevoel heeft voor landschap en dat dit proces kwa-<br />

liteit oplevert. Hoe zorg je er nu voor dat gemeenten<br />

dat proces dan ook gaan toepassen? In het kader<br />

van de schaalvergroting van de regio Noord is een<br />

pilot gedaan, waarbij een bestuurlijke overeenkomst<br />

is afgesloten dat je dat gewoon doet. Daar moet men<br />

elkaar op aan kunnen spreken. Als je dat niet sterk<br />

genoeg vindt, moet je misschien in je structuurvisie<br />

zetten dat de provincie in het kader van de schaalvergroting<br />

keukentafelgesprek¬ken voor de regio Noord<br />

wil houden. De bestuurlijke afspraak zou in principe<br />

genoeg moeten zijn. Dan hoef je niet te proberen om<br />

49<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


dat te verordenen. Dhr. Garrelts denkt dat die procesafspraken<br />

ook niet te verordenen zijn.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) wenst het onderwerp ‘instrumentarium’<br />

af te sluiten en terug te keren naar het<br />

onderwerp landbouw, dat dhr. Folmer aansneed. Dhr.<br />

Folmer gaf zo-even aan dat men keuzes zal moeten<br />

maken. In het ene geval heeft de landbouw mogelijkheden,<br />

in het andere geval, als er andere belangrijke<br />

zaken in het geding zijn – waarden en dergelijke –,<br />

zou men moeten zeggen dat het hier niet kan.<br />

Dhr. Folmer (RUG) verduidelijkt dat wanneer het om<br />

het sturen van het proces gaat, je zowel de stok als<br />

de wortel hebt. De stok om aan te geven dat het hier<br />

niet gebeurt, de wortel om aan te geven dat het daar<br />

wel kan. De landbouw is in de discussie tot nu toe<br />

enigszins buiten beeld gebleven, terwijl daar toch<br />

enorme ontwikkelingen gaande zijn, niet alleen in<br />

de traditionele landbouw, de landbouw komt ook als<br />

energieproducent naar voren. Dat zal enorme gevolgen<br />

hebben voor het landschap, bijvoorbeeld als het<br />

gaat om megaschuren. De megaschuren zullen alleen<br />

maar in aantal toenemen. De schaalvergroting<br />

in de landbouw is bepaald nog niet tot een einde gekomen,<br />

integendeel. In Nederland staat men eigenlijk<br />

nog aan het begin. In de Peel is al een boerderij van<br />

2800 koeien. Voorts kent men varkensbedrijven met<br />

50.000 beesten, etc. Eerst heeft men de kip opgesloten,<br />

vervolgens het varken. Nu is de koe aan de<br />

beurt. Ondanks het feit dat het ministerie van LNV er<br />

sterk op aandringt om de koe weer in de wei te krijgen,<br />

zullen de ontwikkelingen zich daar weinig van<br />

aantrekken. De subsidies in de EU beginnen steeds<br />

minder te worden. Bovendien heeft de landbouw ook<br />

de subsidies straks niet meer nodig, omdat de prijzen<br />

het effect overnemen. De landbouw kan men zo niet<br />

meer sturen met behulp van subsidies door te stellen<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

50<br />

dat de boer die de koeien in de wei houdt, iets extra<br />

krijgt. Daar zal de boer geen betekenis meer aan<br />

hechten, omdat de prijzen op de wereldmarkt worden<br />

bepaald en sterk omhoog gaan. Dit alles heeft buitengewoon<br />

verregaande gevolgen voor het landschap,<br />

niet alleen in de vorm van de megaschuren, maar<br />

vooral ook in de teeltplannen. Bovendien is het zo dat<br />

het zich ook niet meer allemaal kaal gaat afspelen.<br />

De grote boeren met 2500 koeien zullen om de deur<br />

heen wat gebied hebben waar ’s zomers wat gras<br />

weggehaald kan worden, maar verder worden de producten<br />

ver over de gemeentegrenzen en zelfs over de<br />

landsgrenzen geplaatst. Dat zijn ontwikkelingen die in<br />

Oost-Europa te zien zijn en in nog veel grotere mate<br />

in Zuid-Amerika en de V.S. Die ontwikkelingen staan<br />

ook Nederland te wachten. Het is van het grootste<br />

belang om daar in het POP rekening mee te houden.<br />

Naast verboden dienen ook mogelijkheden geboden<br />

te worden. Het is niet zinnig en het zal niet lukken om<br />

de ontwikkelingen bij Assen te stoppen. De ontwikkelingen<br />

in de landbouw zullen ook in <strong>Groningen</strong> plaatsvinden.<br />

Daar zal men nu al op moeten anticiperen.<br />

Dhr. Prins (LTO Noord) merkt op dat als dhr. Folmer<br />

zegt dat de land- en tuinbouw tot nu toe niet in beeld<br />

is geweest, het tegendeel waar is. In deze discussie<br />

is het misschien niet zo letterlijk genoemd, maar de<br />

maatwerkbena¬dering van dhr. Garrelts sloeg met<br />

name op de land- en tuinbouw. Als men ergens ervaring<br />

mee heeft, is het wel de manier waarop men<br />

ontwikkelingsgericht en maatwerkgericht nieuwe<br />

ontwikkelingen inpast in het Groninger landschap.<br />

De landbouwsector is daar goed over te spreken en<br />

zou daar best een schepje bovenop willen doen. LTO<br />

Noord wil graag dat men afstand doet van het verfijnd<br />

regelen van alle doelen en vooral ook van de<br />

middelen. LTO Noord wil hoofddoelen en streefbeelden.<br />

Vervolgens moet de ondernemers daar binnen


de ruimte worden gelaten om een verantwoord plan<br />

te maken. De neiging is om veel meer te willen regelen<br />

in een verordening. LTO zou veel liever zien<br />

dat men met de initiatiefnemers een uitnodiging laat<br />

zien, waarin men aangeeft te willen meedenken om<br />

te zorgen dat het landschappelijk verantwoord gebeurt,<br />

wat men ook onderneemt – koeien, kippen of<br />

een bedrijfsterrein. Men zal moeten inspelen op de<br />

ontwikkelingen die gaande zijn. Dat is tot nu toe vaak<br />

het manco. De ontwikkeling wordt als motto erg op<br />

provinciaal niveau gehouden, maar zodra dat afdaalt<br />

naar het niveau van de gemeenten, is men het allemaal<br />

weer kwijt.<br />

Dhr. Zanen (PvhN) geeft te kennen dat het betoog<br />

van dhr. Folmer hem deed denken aan de Drooglegging:<br />

dat er aanvankelijk absoluut niets mag, maar<br />

dat je juist kunt proberen om gereglementeerd zaken<br />

mogelijk te maken, bijvoorbeeld in cafés. De vraag is<br />

of ondernemers zich daar dan ook aan houden. In de<br />

gemeente Eemsmond heeft dhr. Zanen het debat gevolgd<br />

over de grote stallen met varkens. Aangezien er<br />

waarschijnlijk op oudere bestemmingsplannen wordt<br />

teruggegrepen, gaat men gewoon door in de ontwikkeling<br />

die dhr. Folmer schetst, ook al wil men dat niet.<br />

Rondetafelgesprekken leiden dan tot niets of tot verdeeldheid.<br />

Als het harmonieus verloopt, is het prachtig,<br />

maar als dat niet zo is, dan is de vraag: wat dan?<br />

Dhr. Kremer (Agrarische Natuurvereniging Oost-<strong>Groningen</strong>)<br />

heeft zorgen over het feit dat schaalvergroting<br />

wordt afgedwongen. Met tien cent voor het graan zal<br />

men aan schaalvergroting moeten doen. De graanprijs<br />

is nu gestegen. Als dhr. Kremer bij hem in de buurt<br />

kijkt hoeveel bedrijven er gestopt zijn, geen opvolger<br />

hebben en de verpaupering toetreedt – dit gaat over<br />

de gemeente Reiderland, maar het speelt zich elders<br />

ook af – dan wil hij de werkgroep graag meegeven<br />

dat men rekening moet blijven houden met de landbouw,<br />

zodat men de bedrijven voort kan zetten. De<br />

landbouw moet niet te veel regels worden opgelegd,<br />

want dan gaat de verpaupering door. Dhr. Kremer is<br />

de enige in Finsterwolde die nog een fulltime bedrijf<br />

heeft in de landbouw binnen de bebouwde kom.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) wenst het onderwerp landbouw<br />

af te sluiten.<br />

Dhr. Van Miltenburg (BoerenNatuur ZWK) wenst het<br />

licht iets anders te laten schijnen. Er zijn bijvoorbeeld<br />

houtsingels. Wat bereikt men met regelgeving, handhaven,<br />

vastleggen? Uiteindelijk bereik je daar niet het<br />

doel mee, want je kunt een hele legermacht opzetten<br />

om iets te behouden met regelgeving. Het moet een<br />

waarde hebben die men omarmt, die men waardeert.<br />

Dan blijft het beter in stand en zijn daar mogelijkheden<br />

voor. Ten aanzien van de houtsingels is met richtlijnen<br />

vastgelegd wat niet mag verdwijnen, maar er<br />

verdwijnen nog steeds houtsingels, niet alleen op het<br />

gebied van landbouw, maar ook op andere terreinen.<br />

Het gaat hier om landschap dat waardevol wordt gevonden.<br />

Dhr. Van Miltenburg vraagt zich af of men het<br />

landschap ook waardevol kan maken en kan omarmen<br />

opdat het niet verdwijnt.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) informeert of dhr. Van Miltenburg<br />

hier een suggestie voor heeft.<br />

Dhr. Van Miltenburg (BoerenNatuur ZWK) geeft aan<br />

dat houtsingels altijd een bedreiging zijn geweest als<br />

men een landbouwbedrijf heeft. De slimme jongens<br />

hebben ze op tijd opgeruimd. Mensen die ze hebben<br />

laten staan, zijn er nooit echt voor beloond of voor<br />

gewaardeerd. Ze hebben echter wel de lasten ervan.<br />

Dan zie je hoe moeilijk het wordt, met de nieuwe SAN<br />

die er aankomt, om ze in stand te houden en te on-<br />

51<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


derhouden. Hier wordt gesproken over het landschap<br />

dat mooi wordt gevonden en dat men in stand zou<br />

willen houden, maar als het uiteindelijk op uitwerking<br />

aankomt, is het een wurgconstructie om ze in stand te<br />

houden. Hoe gaat men daarmee om?<br />

Dhr. Folmer (RUG) vindt dit een belangrijk punt. Men<br />

onderhoudt het landschap en bewijst de maatschappij<br />

een dienst, maar het kost de landbouwer eigenlijk alleen<br />

maar geld. Men kan een vergelijking maken met<br />

monumenten. Monumenten hebben dezelfde functie:<br />

ze maken de stad mooier. Er is wel een monumentenfonds.<br />

Je zou een soortgelijk iets moeten hebben<br />

voor het landschap, dat er voor dit soort zaken betaald<br />

wordt. De diensten die met die houtwallen en poelen<br />

worden geleverd, zijn net zo belangrijk als een fraai<br />

gebouw in de stad. Dat zou misschien een instrument<br />

kunnen zijn wat in het POP ingebouwd kan worden<br />

om dit soort zaken te ondersteunen.<br />

Dhr. Van Miltenburg (BoerenNatuur ZWK) heeft ook<br />

wel eens in het buitenland gekeken hoe ze met elementen<br />

omgaan. De economische angel wordt er<br />

soms helemaal uit gehaald. Dan vallen ze ook niet<br />

meer onder een aankoopgebeuren. Houtsingels zijn<br />

natuurlijk heel iel. Valleien, lage gedeelten die niet interessant<br />

zijn voor landbouw, landbouwpercelen zijn<br />

niet een kadastrale maat (zie file bij 144.47), maar de<br />

gemeten maat tot daar waar de cultuurgrond ophoudt.<br />

Het laatste stukje wordt dan nooit verkocht en blijft<br />

een stukje natuur waar men geen lasten, etc. over betaalt.<br />

Het word soms passief gebruikt als weide maar<br />

er vinden geen werkzaamheden plaats om er cultuurgrond<br />

van te maken. Als je bijvoorbeeld hier een<br />

halve hectare moerasbos hebt, betaal je daar waterschapslasten<br />

over. Als het wordt overgedragen, dan<br />

komt er overdrachtbelasting over als het nog een bepaalde<br />

waarde vertegenwoordigt. Men heeft het niet<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

52<br />

gemakkelijk gemaakt om het te behouden. Twintig à<br />

dertig jaar geleden is men begonnen met de Relatienota<br />

om mooie gebieden vast te leggen. Die moesten<br />

behouden blijven. De waarde van de gebieden die op<br />

dat moment in de Relatienota terecht gekomen zijn, is<br />

momenteel vaak niet meer terug te vinden. Die mooie<br />

landschappelijke waarden zijn verdwenen. Dhr. Van<br />

Miltenburg maakt zich hier zorgen over.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) verklaart dat de werkgroep<br />

zich de vraag heeft gesteld hoe burgers de kwaliteit<br />

van het landschap beoordelen. Mw. Noordhof schreef<br />

een prachtig artikel in Noorderbreedte onder de titel<br />

‘Geef het landschap aan de burgers terug’.<br />

Mw. Noordhof (Op het land) geeft aan dat het al op<br />

verschillende niveaus aan de orde is gekomen. Men<br />

moet met mensen in gesprek raken over wat ze mooi<br />

vinden en dan terugkijken naar het verleden en dan<br />

naar de toekomst. Het gaat er om dat je burgers een<br />

binding geeft met het landschap. De vraag is hoe je<br />

dat doet. Het artikel van mw. Noordhof in Noorderbreedte<br />

was een oproep. Men kan allemaal beleid<br />

maken. In Nederland is enorm veel beleid. Er zijn ook<br />

enorm hoge kosten aan het verdelen van het weinige<br />

geld dat men over heeft voor natuur en landschap.<br />

Het belangrijkste wordt echter vergeten, namelijk de<br />

mensen die er wonen, de mensen die er elke dag<br />

langslopen en vanzelf wel zien of er een of ander<br />

houtwalletje in stand blijft of niet. Er zit een zwaar<br />

controleapparaat op om te kijken of die bomen dik<br />

genoeg zijn, maar de mensen die er wonen zien het<br />

gewoon vanzelf. Als men hen een goede relatie geeft<br />

met het landschap, is men een heel stuk verder. Verschillende<br />

keren kwam de vraag aan de orde hoe je<br />

dat kunt verankeren in de verordeningen. Het voorstel<br />

van mw. Noordhof is om ervoor te zorgen dat men<br />

beleid maakt waarbij wordt gesteld dat de provincie


alles goed vindt, mits er goed overleg is geweest met<br />

de mensen uit de regio, de burgers. Een andere voorwaarde<br />

is dat men het werk ook laat doen door mensen<br />

uit de regio. Mw. Noordhof beseft dat dit in strijd is<br />

met allerlei Europese verordeningen. Als lokale mensen<br />

het landschap onderhouden, dan heeft dat een<br />

toegevoegde waarde. Hoe het in de verordeningen<br />

geperst moet worden, is haar niet bekend. Het dient<br />

echter wel te gebeuren.<br />

Mw. Kiep (VGD) wenst zich hierbij aan te sluiten. De<br />

VGD is de belangenvereniging voor de Groninger dorpen.<br />

De VGD doet veel projecten samen met Landschapsbeheer<br />

en Stichting Oude Groninger Kerken.<br />

Dan zie je dat als er draagvlak is bij de bewoners, een<br />

heleboel zaken van de grond kunnen komen, die heel<br />

efficiënt gebeuren en met hart voor de zaak. Een van<br />

de zaken waar de VGD de burgers zelf bij begeleidt,<br />

is het maken van dorpsvisies. Daar komen een heleboel<br />

zaken aan bod waar burgers zich zorgen over<br />

willen maken of die ze graag willen aanpakken. Dat<br />

zou een heel mooi instrument kunnen zijn om naar<br />

te verwijzen, want daar zit het overleg al in tussen<br />

alle bewoners van een buurtschap of een dorp. Juist<br />

in de uitwerking van de ideeën die ze hebben – bijvoorbeeld<br />

het landschap is iets wat vaak naar voren<br />

komt, de dorpsranden, de inpassing van nieuwbouw,<br />

de inbreiding, het dorpse karakter – kan een heleboel<br />

gebeuren.<br />

Dhr. Kremer (Agrarische Natuurvereniging Oost-<strong>Groningen</strong>)<br />

geeft aan dat de afromingsgelden MacSherry<br />

– de inkomsten die de landbouw krijgt, modulatiegelden<br />

–nu gaan naar de veenweidegebieden. Dhr. Kremer<br />

zou er voorstander van zijn als het binnen de provincie<br />

bleef. Geprobeerd moet worden om het geld<br />

binnen de provincie te houden, dan kan men heel wat<br />

doen aan landschap en natuur.<br />

Dhr. Ader (Usquert) wenst een kritische kanttekening<br />

te plaatsen bij het voorstel om ontwikkelingen in<br />

een gebied terug te geven aan de bewoners. Daar<br />

zit het risico aan dat niet iedereen het gebied waarin<br />

hij verkeert, begrijpt, niet iedereen heeft er affiniteit<br />

mee. Er is sprake van steeds meer migratie. Dit heeft<br />

het substantiële risico dat het gaat leiden tot vervlakking<br />

van het landschap. Een voorbeeld is dat men om<br />

monumentale wierden in het Groninger land bosjes<br />

geplaatst ziet worden, omdat mensen van elders denken<br />

dat het landschap alleen maar leuk is als er ergens<br />

bosjes staan, waar men in kan wandelen.<br />

Het open cultuurlandschap wordt in het POP-proces<br />

benoemd als een van de kernwaarden van <strong>Groningen</strong>.<br />

Het is dhr. Ader in de onderliggende stukken de<br />

discrepantie opgevallen dat er onder bestuurders en<br />

burgers een breed gedragen consensus lijkt te bestaan,<br />

dat een van de kernwaarden het open cultuurlandschap<br />

is. Dan vallen er begrippen als ‘beleving’<br />

en ‘authenticiteit’, ‘eigenheid’, ‘leesbaar landschap’,<br />

‘toeristisch potentieel’.<br />

53<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Maar als men kijkt naar het onderliggende analysedocument<br />

en de omgevingsbalans dan vindt je daar<br />

heel weinig van terug. Het onderkennen van de waarde<br />

enerzijds en het verschaffen van een analytisch<br />

apparaat op basis waarvan je metingen doet als het<br />

gaat om het open landschap, is onderontwikkeld. Dat<br />

maakt dat het landschap min of meer vogelvrij is. Dhr.<br />

Ader pleit nadrukkelijk voor het ontwikkelen van zo’n<br />

op dat open landschap en de openheid toegesneden<br />

analytisch instrumentarium en regelgeving om aan<br />

die onwenselijke situatie een eind te maken. Dan is<br />

men bezig met behoud van diversiteit, niet alleen in<br />

de provincie maar ook in Nederland. Het is een van<br />

de doelstellingen van het beleid om landschappelijke<br />

waarde te behouden.<br />

Mw. Bos (voorzitter Marnelandschap) denkt dat hier<br />

een uitgelezen kans ligt voor de Statenleden, ook in<br />

het kader van het nieuwe POP. In het oude POP stond<br />

zeer nadrukkelijk dat het landschap het uitgangspunt<br />

is voor alle activiteiten die worden ondernomen. Er<br />

zal altijd getoetst moeten worden aan de landschappelijke<br />

waarde. In de praktijk was dat moeilijk terug te<br />

vinden, omdat er niet bij stond hoe men dat zou moeten<br />

doen. Mw. Bos hoopt dat de Staten dit er weer<br />

in willen hebben en daar meteen een instrument bij<br />

leveren hoe je dat zou moeten toetsen.<br />

Mw. Noordhof (Op het land) verklaart geen anarchist<br />

te zijn. Zij begrijpt dat men niet alles aan de burger<br />

over kan laten. Het is natuurlijk aan de provincie om<br />

randvoorwaarden te stellen. Het gaat er vooral om<br />

grote lijnen te bepalen waar men dat open cultuurlandschap<br />

wil, vervolgens de mensen die er wonen<br />

en werken uit te dagen om het in te vullen. De randvoorwaarde<br />

is dan dat het open cultuurlandschap<br />

blijft. Men moet het heel simpel en helder naar de bevolking<br />

toe houden en mensen uitdagen.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

54<br />

Dhr. Vries (Agrarische Natuurvereniging De Eendracht)<br />

geeft aan dat men in het Westerkwartier<br />

al met zoiets bezig is. Daar bestaat de werkgroep<br />

Streekinitiatief. Dhr. Vries daagt de provincie uit om<br />

zo’n werkgroep te faciliteren om te komen tot betere<br />

landschappen. De provincie maakt een raamwerk, de<br />

werkgroep gaat het invullen.<br />

Dhr. Prins (LTO Noord) vindt het belangrijk dat men<br />

krediet houdt bij de samenleving voor de ontwikkelingen.<br />

Hij doet een oproep om open te staan voor<br />

vernieuwingen en veranderingen in het land. Dat is<br />

ook een uitdaging voor de landbouwsector zelf. De<br />

landbouwers willen graag krediet hebben voor de<br />

schaalvergroting die plaatsvindt in de sector, naast<br />

alle andere ontwikkelingen. Bij de maatschappij moet<br />

aandacht zijn voor het feit dat die ontwikkelingen nu<br />

eenmaal plaatsvinden. Dat willen de landbouwers zo<br />

verantwoordelijk mogelijk doen. Dan is het niet ‘vies’<br />

of iets dergelijks.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) wenst over te gaan op een<br />

volgend onderwerp. In de startnotitie is het als volgt<br />

geformuleerd: wat zijn goede ideeën om in het landschap<br />

te investeren? Hoe kunnen meerdere doelen<br />

– waterberging, natuurbeheer, agrarische bedrijfsvoering,<br />

woningbouw – goed gestapeld worden, waarbij<br />

die landschappelijke en cultuurhistorische waarden<br />

meegenomen worden, beschermd worden en dat ze<br />

mede inzet kunnen zijn voor nieuwe ontwikkelingen?<br />

Mw. Schalij refereert aan de fractievoorzitter van de<br />

PvdA, die zei toen hij de motie indiende waaruit deze<br />

werkgroep is voortgekomen: weten we wel goed wat<br />

we aan het doen zijn? Weten we wel goed waar de<br />

troeven liggen voor ons en zijn we niet kapitaal aan<br />

het weggooien als we niet beter passen op het landschap?<br />

De stelling zou kunnen zijn: hoe kun je het<br />

landschap goed inzetten, juist voor nieuwe ontwikke-


lingen? Gewacht wordt op goede, innovatieve, creatieve<br />

ideeën.<br />

Mw. Noordman (LNV Directie Noord) stelt dat tot nu<br />

toe vooral is gesproken over het landschap en het<br />

landschap dat zelf aanleiding is voor discussie. Mw.<br />

Noordman zou het ook willen hebben over andere<br />

aanleidingen die er zouden kunnen zijn om met het<br />

landschap bezig te gaan. In het collegeprogramma<br />

staat bijvoorbeeld een hoofdstuk economie, een<br />

hoofdstuk bedrijvigheid. Landschap dient gekoppeld<br />

te worden aan deze onderwerpen. De grote lijst met<br />

toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen – bijvoorbeeld<br />

nieuwe infrastructuur, bedrijventerreinen, woningbouw<br />

– biedt de toekomstige aanleiding om een koppeling<br />

te maken met landschap. Daar ligt ook een grote<br />

kans. Het is goed dat aangesloten wordt bij belangrijke<br />

en grootschalige ontwikkelingen die de provincie<br />

zelf genereert. Een ontwikkeling als bijvoorbeeld bij<br />

Meerstad, waarbij het rood en groen tegelijkertijd worden<br />

ontwikkeld en waarbij een soort gebiedsontwikkeling<br />

plaatsvindt, zou een goed idee zijn. De meeste<br />

mensen denken dat bij grootschalige ontwikkeling per<br />

definitie gebiedsontwikkeling moet plaatsvinden, dat<br />

wil zeggen een integrale benadering van alle sectoren<br />

die daarbij in het geding zijn. Als mw. Noordman<br />

kijkt naar de grote projecten op de programmalijst van<br />

het College, is dat de dynamiek waar je op dit moment<br />

goed bij moet zien aan te sluiten. Dan gaat het<br />

niet louter om het kleine schaalniveau van de wegen<br />

en de bomen, maar ook de grootschalige ontwikkeling<br />

die nu komen gaat.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) vat het samen als een<br />

soort win/win-situatie van de zachtere kanten en de<br />

hardere kanten in de ontwikkeling van gebieden.<br />

Dhr. Van der Ploeg (GroenLinks) wenst vast te stellen<br />

dat de kern in het huidige POP nog steeds de mal/<br />

contramalgedachte is. Die moet natuurlijk ook in het<br />

nieuwe POP vastgehouden worden. Dan gaat het<br />

over bedrijvigheid, bedrijfsterreinen. Feitelijk is in de<br />

Staten geconcludeerd dat daar in het verleden veel<br />

in geïnvesteerd is. Dan komt men ook al snel tot de<br />

conclusie dat nieuwe grote bedrijventerreinen, uitlegterreinen,<br />

in feite niet nodig zijn en dat men zich<br />

moet concentreren op revitalisering van bestaande<br />

bedrijventerreinen, ook in de regio. De kerndiscussie<br />

zal, ook politiek gezien naar het POP, met name<br />

over grootschalige bebouwing in het landschap zelf<br />

zijn. Dan gaat het over de landbouwdiscussie. Dit is<br />

een centrale discussie in de optiek van dhr. Van der<br />

Ploeg, niet de bedrijvigheid, want daar is vrij breed<br />

overeenstemming over.<br />

Dhr. Prins (LTO Noord) geeft te kennen hier moeite<br />

mee te hebben. Als mw. Noordman aangeeft dat zij<br />

ook die grootschalige ontwikkelingen ziet en vraagt er<br />

aandacht voor te hebben om die koppeling met landschap<br />

te leggen en de bal wordt gelijk weer teruggelegd<br />

bij de landbouw… Rond Leek zijn zulke grote<br />

ingrepen in het landschap, dan gaat het dhr. Prins te<br />

ver om telkens weer alleen maar naar de landbouw te<br />

kijken. De provincie kent terdege grootschalige ontwikkelingen<br />

waar men kan meeliften met patronen in<br />

het landschap.<br />

Mw. Bos (voorzitter Marnelandschap) memoreert dat<br />

de voorzitter aangaf dat vandaag zou worden gesproken<br />

over het generieke landschap, het gewone landschap<br />

waar iedereen mee te maken heeft, zonder<br />

een beschermend plaatje erop. Mw. Bos denkt dat<br />

dit het knelpunt is van deze discussie. Dhr. Folmer<br />

gaf het voorbeeld aan van maïs die zonder regels op<br />

verkeerde plekken wordt verbouwd. Gezegd is dat er<br />

55<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


aan de grootschaligheid geen eind komt. Dhr. Garrelts<br />

heeft gewezen op specifieke gebieden. 75 procent<br />

van de provincie <strong>Groningen</strong> bestaat uit landbouwgebied.<br />

Daar heeft men simpelweg mee te maken, juist<br />

in het generieke landschap. Mw. Bos vraagt zich ook<br />

af of dat nu het gebied is waar alles dan mag. Waar<br />

heeft men het over als men spreekt over de ongebreidelde<br />

grootschaligheid? Dan gaat het toch over<br />

dat gebied? De provincie is toch de instantie die daar<br />

goed naar moet kijken. Mw. Bos is laatst nog op een<br />

avond geweest over intensieve veehouderij en grootschalige<br />

‘toestanden’. Het zijn juist die zaken waar de<br />

burgers zich zorgen om maken. De ontwikkeling van<br />

de grootschaligheid voltrekt zich heel snel. Ook vergrassing<br />

is iets wat zorgen baart. Er zijn boeren die<br />

hele stukken land opkopen. Het gaat niet meer over<br />

honderd, maar over honderden hectares. Er worden<br />

sloten gedempt, er komt alleen maar gras, nog meer<br />

koeien. Die tendens is er al. Mw. Bos stelt dat de landbouw<br />

moet blijven, maar het moet meer in proporties<br />

en meer in behapbare stukken voor burgers. Dat is<br />

het grote vraagstuk.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) beaamt dit. Terecht is echter<br />

gezegd dat er ook andere grootschalige ontwikkelingen<br />

zijn, bijvoorbeeld woningbouw, bedrijventerreinen.<br />

Als het over verrommeling gaat, dan leeft men<br />

in een tijd waarin men alles wil: men wil zowel een<br />

mooi landschap, maar ook goede wegen, want men<br />

wil zich vlot kunnen bewegen, men wil ook een mooi<br />

huis buiten met een mooi uitzicht. Terecht is gezegd<br />

dat er gekozen moet worden. Een andere oplossing<br />

zou kunnen zijn dat men meer ontwikkelingsgericht<br />

en toekomstgericht denkt. De nota van het ministerie<br />

van LNV spreekt ook over investeren in het landschap.<br />

Er wordt gezeurd dat er te weinig geld is. Dan<br />

moet worden gekeken waar het geld zit. Waar kan<br />

men win/win-coalities sluiten, allianties met anderen,<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

56<br />

steviger onderdelen van de economie, van de infrastructuur<br />

om te kijken hoe men daar geld mee kan<br />

verdienen om dat te investeren in het landschap? Dit<br />

gebeurt al. Als men kijkt naar wat er in de regio <strong>Groningen</strong>-Assen<br />

gebeurt en wat er in Meerstad gebeurt,<br />

is dat wordt getracht om extra gelden te krijgen om<br />

dat te investeren in het landschap. Men moet niet alleen<br />

in de conserverende hoek terechtkomen, maar<br />

ook de ontwikkelingen zien en kijken welke kansen<br />

daar liggen.<br />

Dhr. Garrelts (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

heeft het idee dat het proberen te genereren van<br />

geld om dat in landschap te stoppen, niet zozeer het<br />

belangrijkste is, als wel ontwikkelingen in bepaalde<br />

sectoren dusdanig te begeleiden dat je achteraf kunt<br />

concluderen dat het goed is gegaan. Als het bijvoorbeeld<br />

gaat om hergebruik van vrijkomende agrarische<br />

panden, is dat iets wat mede in het licht van de<br />

schaalvergroting die verder gaat een steeds prangender<br />

vraag wordt hoe je daarmee om zou willen gaan.<br />

Als je die vrijkomende panden dusdanig waardevol<br />

vindt dat daar een hergebruik in zou moeten plaatsvinden,<br />

dan zou je dat mogelijk moeten maken. Aan<br />

de andere kant, als je vindt dat dit misschien niet zo<br />

waardevol is, maak dan ook de keuze omwille van<br />

het open cultuurlandschap om ze met subsidie met<br />

de grond gelijk te maken.<br />

Mw. Bos (voorzitter Marnelandschap) stelt dat bepaalde<br />

ontwikkelingen uiteraard niet tegen zijn te houden.<br />

In het verleden ging het vaak ten koste van iets, wat<br />

later weer werd betreurd. Een voorbeeld de reconstructiegebieden<br />

in Brabant. Daar is men veel te ver<br />

in gegaan. Het moest allemaal weer teruggedraaid<br />

worden. Men moet dus heel goed nadenken wat men<br />

doet voordat men later weer spijt krijgt. Uitgaande van<br />

het Groninger landschap, is het de vraag hoe je dit


toetst als je dit wil toetsen. Landschaps Effect Rapportages,<br />

een lijst maken: er zijn allerlei instrumenten<br />

over de tafel gegaan. Juist de provincie moet daar<br />

veel aan doen.<br />

Dhr. Garrelts (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

geeft aan dat het aan de landbouw gekoppeld<br />

is, maar het is een principiële vraag hoe je wilt sturen<br />

in de ontwikkeling van de biomassavergisting. Het is<br />

natuurlijk een prachtige manier van energievoorziening,<br />

alleen moet men zich afvragen of dat overal zou<br />

moeten en of de mogelijkheden die er nu bestaan om<br />

het overal te laten ontstaan, waarna je de vervolggroei<br />

niet meer kunt sturen, de juiste afbakening is<br />

om daadwerkelijk op grote schaal die energie van de<br />

grond te krijgen. Het is eigenlijk een pleidooi voor een<br />

groter onderscheid tussen kleine bedrijfsvergisters en<br />

grote biomassavergisters en niet een schemergebied<br />

waarbinnen kleine initiatieven kunnen doorgroeien<br />

naar iets wat je op een gegeven moment niet meer<br />

zou moeten willen, omdat er heel grote silo’s met veel<br />

materiaal naartoe moeten.<br />

Dhr. Meijering (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Landelijk Gebied<br />

& Water) wenst een ander punt aan te roeren. Je kunt<br />

bij allerlei nieuwe ontwikkelingen wel randvoorwaarden<br />

stellen waardoor er op een goede manier in het<br />

landschap geïnvesteerd wordt, maar waar je mee zit,<br />

is dat je een heleboel elementen hebt in het huidige<br />

cultuurlandschap die niet goed beheerd worden of<br />

waar onvoldoende middelen voor beheer beschikbaar<br />

zijn. De provincie is bezig met een voorbeeldproject,<br />

waarbij wordt gekeken hoe op een goede manier kan<br />

worden geïnvesteerd in het landschap, waarbij ook<br />

wordt gekeken hoe geld kan worden gegenereerd bij<br />

de mensen die baat hebben bij dat landschap. Het is<br />

ook iets waar men aan moet gaan werken. Het voorbeeldproject<br />

waar dhr. Van Klinken zijn voordracht<br />

mee besloot, dat het ministerie van LNV probeert te<br />

coördineren, waarbij wordt geïnvesteerd in het landschap,<br />

is een gedachte van Jaap Dirkmaat. Hij heeft<br />

een plan ‘Nederland weer mooi’ ontwikkeld. Het gedachtegoed<br />

wat daar in zit, is dat de landbouw als<br />

aannemer het landschap gaat beheren en daarbij vergoedingen<br />

krijgt die breder zijn dan de verordeningen<br />

die in het Programma Beheer zitten. Dan moet je wel<br />

zorgen dat je die mensen die baat hebben bij de kwaliteit<br />

van het landschap, probeert te benaderen en dat<br />

je daar probeert geld los te krijgen.<br />

Dhr. Meijering noemt enkele voorbeelden. Het idee<br />

om het Regiopark-gebied als voorbeeld te nemen<br />

voor dit voorbeeldproject. In het Regiopark-gebied<br />

zit een aantal grote ondernemers, zoals de Gasunie<br />

en Essent. Dat zijn bedrijven die CO2 uitstoten. Voor<br />

de compensatie van CO2 kun je aardig wat boompjes<br />

aanplanten. Het zijn partijen die je kunt benaderen<br />

als baathebbers bij een kwalitatief hoogwaardig<br />

landschap, want Gasunie en Essent hebben hier een<br />

hoop werknemers die in het omliggende landschap<br />

wonen en die genieten van de mooie kwaliteit ervan.<br />

57<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Op die manier kun je dat geld genereren. Dit is een<br />

voorbeeldproject, waarbij wordt gekeken of het in<br />

<strong>Groningen</strong> haalbaar is om uit de baten van het landschap<br />

geld te genereren. Het is een poging. Het blijkt<br />

dat het in andere regio’s – onder andere het Nationaal<br />

Landschap Het Groene Woud – wel lukt. Daar<br />

is het idee van een streekrekening. Dat wil zeggen<br />

dat een heleboel bedrijven uit de omgeving een heel<br />

klein stukje van hun rente die op die lopende rekening<br />

staat, afstaan en dat het in een geldpot komt. In Groene<br />

Woud levert dat op dit moment al € 27 miljoen aan<br />

rekeninggelden op, waaruit jaarlijks € 700.000 aan<br />

rente gegenereerd wordt. Daar kun je aardig wat aan<br />

landschapsbeheer mee doen in het gebied. De vraag<br />

is natuurlijk in een wat minder dichtbevolkt gebied…<br />

Dhr. Haasken (VVD) acht het feit dat veel werknemers<br />

van de Gasunie en Essent in het gebied wonen,<br />

wat te dun om op die basis een baatbelasting te gaan<br />

heffen.<br />

Dhr. Meijering (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Landelijk Gebied<br />

& Water) verklaart dat die bedrijven werknemers hebben<br />

die zij vast moeten zien te houden. Een aantrekkelijke<br />

woonomgeving is natuurlijk wel een aspect dat<br />

bij die werknemers van belang is.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) stelt dat men op verschillende<br />

plekken in Nederland bezig is met een landschapfonds<br />

of groene fondsen, een fonds waar subsidies,<br />

sponsorbedragen, fondsbijdragen verzameld<br />

worden. Dat is ten eerste een poging om de mensen<br />

erbij te betrekken en aan de andere kant een financiering.<br />

Mw. Schalij zou het boeiend vinden wanneer<br />

mensen die daar iets van af weten, de werkgroep<br />

daar wat meer over kunnen vertellen.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

58<br />

Dhr. Mansom (Landschapsbeheer <strong>Groningen</strong>) merkt<br />

op dat de discussie de hele tijd gaat over ingrepen<br />

in het landschap. Er moet eerst worden gekeken hoe<br />

het bestaande overeind kan worden gehouden. Er<br />

zijn zo langzamerhand nota’s, LOP’s en POP’s genoeg<br />

over wat de waarden van het landschap zijn.<br />

Dat is wel bekend. Er gaan hier en daar zaken fout,<br />

daar zal iets aan gedaan moeten worden. Primair is<br />

de zorg om het landschap overeind te houden. Dhr.<br />

Mansom vindt het wat gemakkelijk om dat elke keer<br />

maar weer naar de boeren toe te schuiven, want die<br />

hebben wel wat anders te doen en die zijn ook ergens<br />

anders voor opgeleid. Die moeten vooral met<br />

hun bedrijfsontwikkeling doorgaan, want dat is waar<br />

ze groot in zijn. Dhr. Mansom heeft erover nagedacht<br />

hoe je daar mee om zou moeten gaan. Er is die hype<br />

van publiek-private financiering. Als de gemeenschap<br />

zegt dat het landschap een waarde heeft, die men in<br />

stand wil houden, dient men dit gezamenlijk te regelen<br />

en als een soort overheidstaak te beschouwen.<br />

Dhr. Mansom las hedenochtend een krantje van de<br />

DLG. Daar stond een verhaal in van een Gulpenbrouwerij<br />

in Limburg. Ze hadden € 30.000 geïnvesteerd<br />

in het landschap, maar wel onder voorwaarde<br />

dat de overheid hetzelfde erbij deed, want ze waren<br />

niet van plan om de overheidsfinanciering over te nemen.<br />

Dat is een belangrijk punt. Het landschap is een<br />

overheidstaak. Als men het bedrijfsleven bereid vindt<br />

om daarin te participeren, zou dat een plus moeten<br />

zijn. Het moet echter geen vervanging zijn van de reguliere<br />

taak van de overheid.<br />

Mw. Mortiers (PvdA) vraagt zich, de hele discussie<br />

beluisterd hebbend, af hoe men op langere termijn<br />

kan zorgen dat de landschapskwaliteiten geborgd<br />

worden. Een van de zaken is educatie. Bij het bezoek<br />

afgelopen week aan het kerkje in Wetsinge werd<br />

door een van de vrijwilligers opgemerkt dat een van


de stimulerende activiteiten was dat zij op een aantal<br />

terreinen werden bijgeschoold of dat ze in elk geval<br />

vertrouwd werden met die cultuurhistorie, want het is<br />

nog geen gemeengoed voor alle burgers dat ze de<br />

cultuurhistorie van het gebied waarin ze leven, kennen.<br />

Mw. Mortiers vraagt zich derhalve af of men niet<br />

op grotere schaal scholingsprojecten voor basisscholen,<br />

al dan niet in combinatie met de burgers die daar<br />

omheen wonen, zou moeten stimuleren.<br />

Dhr. Folmer (RUG) acht educatie en draagvlak een<br />

belangrijk punt. Men zit hier met een heel elitair clubje<br />

samen, dat het heel belangrijk vindt dat het landschap<br />

in stand blijft, dat mooie kerkjes behouden blijven,<br />

etc. Er is echter een groot deel van de bevolking die<br />

daar niet zo veel boodschap aan heeft. Je moet daar<br />

een zeker evenwicht in vinden. Een van de manieren<br />

om het draagvlak te vergroten, is te laten zien dat het<br />

belangrijk is, maar ook te laten zien dat het een economische<br />

waarde heeft, in die zin dat het bij kan dragen<br />

aan een vestigingsklimaat. Een goed landschap<br />

en een goed milieu dragen onmiskenbaar bij aan het<br />

vestigingsklimaat. Er zijn verschillende onderzoeken<br />

naar geweest, met name in Duitsland. Daar blijkt keer<br />

op keer uit dat het landschap en milieukwaliteit van<br />

groot belang is voor bedrijven om zich te vestigen.<br />

Bovendien heeft men steeds meer te maken met<br />

zogenaamde footloose bedrijven, in die zin dat je je<br />

bedrijf – zoals in de dienstverlening – vaak op welke<br />

plek dan ook kunt uitoefenen, omdat je via e-mail en<br />

andere communicatiemiddelen heel goed in contact<br />

kunt komen met niet alleen mensen in de directe omgeving,<br />

maar wereldwijd. Dit soort aspecten mogen<br />

niet onderbelicht blijven in de discussie.<br />

Mw. Gelderblom (Milieufederatie <strong>Groningen</strong>) merkt<br />

op dat, wanneer men vandaag of morgen tot het ideale<br />

instrumentarium zou kunnen komen, dit nog niet<br />

alles oplost. Men moet dan ook nog keuzes maken<br />

op basis van het instrumentarium, de ambities die<br />

geformuleerd zijn en de streefbeelden die gemaakt<br />

zijn. Het blijkt dat de keuzes van alledag toch nog wel<br />

eens anders uitvallen dan wat men zich had voorgenomen.<br />

De Milieufederatie houdt zich ook bezig met<br />

de ontwikkeling van het nieuwe POP. Zij heeft naar<br />

het huidige POP gekeken en geconcludeerd dat er<br />

geweldige ambities op papier staan als het gaat om<br />

landschap, maar dat men niet komt waar men uit wil<br />

komen of dat de ambities op papier niet tot hun recht<br />

komen. Dat heeft met beslissingen op momenten te<br />

maken. Dan is te zien dat ook op provinciaal niveau<br />

soms besluiten genomen worden die niet stroken met<br />

de voornemens die in eigen beleidsplannen staan.<br />

Het heeft ook veel te maken met een rechte rug houden<br />

bij moeilijke beslissingen, ambities goed voor<br />

ogen houden en verleidingen van andere soort misschien<br />

af en toe…<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

vraagt of mw. Gelderblom er een paar kan noemen.<br />

Mw. Gelderblom (Milieufederatie <strong>Groningen</strong>) geeft aan<br />

dat voor de Milieufederatie het bestemmingsplan buitengebied<br />

Eemsmond een duidelijk voorbeeld is, waar<br />

geen maatregelen in zijn opgenomen om het karakteristieke<br />

landschap aldaar vast te houden, terwijl het<br />

POP daar wel heel duidelijk een voornemen in had. De<br />

Milieufederatie heeft haar uiterste best gedaan om dat<br />

voor elkaar te krijgen, hetgeen niet is gelukt. Een ander<br />

voorbeeld betreft recreatiewoningen in De Marne.<br />

Dhr. De Plaa (prov. <strong>Groningen</strong>, afd. Ruimtelijke Plannen)<br />

stelt ten aanzien van het bestemmingsplan buitengebied<br />

Eemsmond een voorbeeld is van een afweging<br />

die gemaakt moest worden tussen enerzijds<br />

59<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


doelstellingen op het gebied van behoud van landschappelijke<br />

kenmerken van een gebied – verkavelingspatronen<br />

– en anderzijds enige ruimte bieden<br />

aan de landbouw. Dat is een belangenafweging geweest<br />

die in een bepaald resultaat is uitgemond, waar<br />

anderen zeer tevreden over zijn, maar de Milieufederatie<br />

blijkbaar niet. Om nu te zeggen dat er een foute<br />

keuze is gemaakt, in strijd met het POP, waagt dhr.<br />

De Plaa te betwijfelen.<br />

Mw. Gelderblom (Milieufederatie <strong>Groningen</strong>) geeft te<br />

kennen het recht niet te hebben om te oordelen in<br />

de zin van fout of niet fout. Wat zij aan wil kaarten,<br />

is dat er natuurlijk altijd een afweging plaatsvindt. Afwegingen<br />

vallen uit in het voordeel of het nadeel van<br />

een bepaald belang. Landschap en natuur zijn toch<br />

onderwerpen die wat sneller het onderspit delven dan<br />

andere, hardere belangen. Zo gaat het nu eenmaal.<br />

Dhr. Van Klinken (provincie <strong>Groningen</strong> afdeling Landelijk<br />

Gebied & Water) verklaart dat het straks heel<br />

belangrijk zal zijn om landschap te definiëren als provinciaal<br />

belang. Dat is een politieke discussie. Dhr.<br />

Van Klinken bindt de commissieleden graag op het<br />

hart om die discussie ook met elkaar aan te gaan over<br />

de vraag of je dat wel of niet doet, ook met de ervaring<br />

van discussies zoals mw. Gelderblom en dhr. De Plaa<br />

die zo-even schetsten.<br />

Mw. Schalij (dagvoorzitter) acht dit een prachtige<br />

afsluitende opmerking. Zij bedankt alle aanwezigen<br />

voor de inbreng. Het is de bedoeling dat de werkgroep<br />

doorgaat met het werk. Mocht er aanleiding<br />

zijn, dan houdt de werkgroep zich aanbevolen voor<br />

opmerkingen waar men rekening mee kan houden in<br />

de verdere voortzetting van het werk. Men zal op de<br />

hoogte worden gehouden van de vorderingen van de<br />

werkgroep.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

60<br />

De bijeenkomst wordt beëindigd om 13.10 uur.


Verslag symposium ‘Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?’,<br />

gehouden op 30 januari 2008 van 14.00 uur tot<br />

17.30 uur in de Statenzaal van het <strong>Provincie</strong>huis<br />

te <strong>Groningen</strong>.<br />

Genodigden:<br />

- dhr. Prof. dr. Roel in ’t Veld (dagvoorzitter)<br />

- mw. Marja van der Tas (VROM-raad)<br />

- dhr. dr. Jan Klijn (landschapsecoloog)<br />

- dhr. Prof. Eric Luiten (hoogleraar cultuurhistorie<br />

en ontwerp)<br />

- mw. Medy van der Laan (programmadirecteur<br />

en partner bij TCN Property Projects)<br />

- dhr. Rik Herngreen (sr. adviseur ruimtelijke<br />

Kwaliteit)<br />

- mw. Siepie de Jong (voorzitter Landschapsbeheer<br />

Nederland)<br />

- dhr. Bram Prins (Plattelandsondernemer en<br />

werkend voor het Agrocenter voor duurzaam<br />

ondernemen)<br />

Aanwezige leden Werkgroep Landschap: dhr. J.G.<br />

Abbes (CDA), dhr. B.P.A. Blom (SP), mw. S.J.F. van<br />

der Graaf (ChristenUnie), dhr. W. Haasken (VVD),<br />

mw. I.P.A. Mortiers (PvdA), mw. M.R. Schalij (PvdA),<br />

dhr. W. van der Ploeg (GroenLinks), dhr. P.G. de<br />

Vey Mestdagh (D66), dhr. T.J. Zanen (PvhN) en mw.<br />

A.A.H. Hazekamp (PvdD).<br />

Voorts aanwezig: vele belangstellenden, waaronder<br />

leden van Provinciale Staten, dhr. D.A. Hollenga (gedeputeerde),<br />

dhr. J.M.C.A. Berkhout (griffier), mw. J.<br />

Bordewijk (secretaris/communicatieadviseur), dhr.<br />

Th. Poggemeier (Verslagbureau <strong>Groningen</strong>; verslag<br />

dhr. E.J.R. ter Veldhuis).<br />

1. Welkomstwoord<br />

Mw. Schalij (voorzitter Statenwerkgroep Landschap)<br />

opent de bijeenkomst en heet iedereen welkom. De<br />

werkgroep Landschap is eind vorig jaar samengesteld<br />

en heeft van de Staten de opdracht meegekregen<br />

om na te gaan hoe de landschappelijke en<br />

cultuurhistorische waarden van het landschap beter<br />

behouden kunnen blijven, hersteld, en meegenomen<br />

kunnen worden in nieuwe ontwikkelingen. De werkgroep<br />

heeft zich in de afgelopen maanden in een<br />

aantal zaken verdiept. Er is onderzoek gedaan. Er is<br />

veel literatuur doorgenomen. Er is met deskundigen<br />

gesproken. De werkgroep is op excursie geweest in<br />

de provincie, alwaar met mensen is gesproken. Er is<br />

met belangenorganisaties overlegd. Er is gecorrespondeerd<br />

en gesproken met heel veel burgers in de<br />

provincie.<br />

Het blijkt dat het onderwerp is dat heel veel mensen<br />

in de provincie aanspreekt en waar veel mensen mee<br />

bezig zijn. De werkgroep bedankt al diegenen die<br />

zo aardig waren om de werkgroep in de afgelopen<br />

maanden te informeren. Er was slechts een korte periode<br />

om tot een eind te komen, want de werkgroep<br />

is er ook vooral op gericht om de Statenleden te adviseren<br />

en ideeën mee te geven in de discussie over<br />

het nieuwe POP, dat nu net in deze tijd ter discussie<br />

staat en dat in de loop van dit jaar zijn beslag zal krijgen.<br />

Binnenkort zal de werkgroep haar bevindingen<br />

en aanbevelingen aanbieden aan de Staten en erover<br />

rapporteren. Het spreekt vanzelf dat de mensen<br />

die zo met de werkgroep meegeleefd hebben en de<br />

werkgroep geïnformeerd hebben, ook daarvan bericht<br />

zullen krijgen.<br />

Blijft <strong>Groningen</strong> mooi? Met deze vraag wordt aangesloten<br />

op een golf van bewustwording die vorig jaar<br />

61<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


opeens het land overspoelde en leidde tot allerlei<br />

initiatieven en organisaties met de namen Mooi Nederland,<br />

Nederland Mooi en ten slotte nog een overkoepelend<br />

Laten Wij Nederland Mooier Maken. De<br />

werkgroep is enigszins door dat virus aangetast. Het<br />

was een eruptie van lang onderdrukte gevoelens van<br />

onbehagen over de ontwikkelingen van het landelijk<br />

gebied die zijn uitgemond in een nationaal debat over<br />

de kwaliteit ervan, een debat dat ondertussen al landelijk<br />

heeft geleid tot nieuwe voornemens voor nieuw<br />

beleid. Het is één ‘ding’ om je zorgen te maken over<br />

het landschap met elkaar. Een tweede ‘ding’ is natuurlijk<br />

om je af te vragen wat je eraan doet en hoe<br />

je dat doet. Vanmiddag zijn enkele deskundigen uitgenodigd<br />

buiten de provincie, maar ook van binnen<br />

de provincie, om de werkgroep daarover te adviseren<br />

en goede raadgevingen te geven en vooral ook om<br />

de werkgroep te inspireren voor de komende periode.<br />

Mw. Schalij wenst iedereen een heel boeiende en<br />

inspirerende middag toe en geeft het woord aan de<br />

voorzitter.<br />

2. Opening symposium<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) geeft te kennen dat er voor<br />

hem slechts één evaluatiecriterium is, namelijk dat het<br />

niet saai wordt. Als hij zo rondkijkt, is dat gevaar niet<br />

geheel afwezig. Dhr. In ’t Veld wenst aan te vangen<br />

met het uitdelen van een compliment. Het is een heel<br />

interessant figuur van duaal bestuur dat zich hier voltrekt.<br />

GS zijn druk doende met in de traditie van het<br />

beleid de wettelijke plicht te vervullen, het voorbereiden<br />

van een POP, maar daarnaast zijn de Staten zich<br />

bewust van hun positie en functie om op hoofdlijnen<br />

bezig te zijn en een werkgroep hebben ingesteld die<br />

zich bezighoudt met het landschap. Dat is niet gebruikelijk<br />

in het Nederlands openbaar bestuur. Op natio-<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

62<br />

naal niveau is er traditioneel al een duale structuur,<br />

maar merkwaardige gebeurtenissen doen zich daar<br />

voor dat als de regering dan eens een interessant interactief<br />

proces tot stand brengt, bijvoorbeeld TNLI,<br />

een afschuwelijke afkorting voor Toekomst en Noodzaak<br />

van de Nederlandse Luchtvaartinfra¬structuur,<br />

het parlement zegt dat men daar niet aan meedoet,<br />

dat men het achteraf doet. Dat is dan ook slecht afgelopen.<br />

Zo lopen er op nationaal niveau een heleboel<br />

zaken slecht af, omdat die verhouding van volksvertegenwoordiging<br />

en executieve regering niet deugt.<br />

Wat dhr. In ’t Veld hier heeft waargenomen, tot nu toe<br />

voornamelijk aan de hand van stukken – het verslag<br />

van de expertmeeting, instellingen, pers, etc. – is dat<br />

GS hun goede humeur behouden, terwijl daarnaast<br />

de werkgroep bezig is met zich te oriënteren, dat<br />

dit ook gebeurt in een behoorlijke relatie – niet een<br />

van non-commitment, afwezigheid of afkeer – zodat<br />

straks die kostbare ontmoeting kan plaatsvinden tussen<br />

de Staten die beter dan ooit zijn voorbereid op de<br />

discussie met GS aan de hand van een notie die niet<br />

traditioneel een bestuurlijke notie is, want landschap<br />

is een concept dat zich langs de traditie van het beleid<br />

beweegt.<br />

Als je kijkt naar wat de werkgroep beweegt en wat<br />

daar leeft, dan is er een bewustzijn over effectiviteit.<br />

Beleid en beleidsinstrumentarium lijken niet steeds<br />

effectief, to put it mildly. Daarnaast is er ook het idee<br />

dat men iets kan bijdragen en dat men in debat moet<br />

met de provinciale gemeenschap. Dhr. In ’t Veld dacht<br />

altijd vanuit de Randstad dat een provincie geen burgers<br />

heeft, maar dat is hier toch anders. Hij hoopt dat<br />

dit andere vanmiddag bewezen wordt. Zuid-Holland<br />

heeft geen burgers. Daar wonen wel mensen, maar<br />

die noemen zich niet inwoners van Zuid-Holland.<br />

De provincie <strong>Groningen</strong> bestaat misschien wel, to be<br />

proven.


De volgorde van je eerst op de hoogte stellen en daarna<br />

het debat, dat vanmiddag plaatsvindt, lijkt dhr. In ’t<br />

Veld een prachtige volgorde. Ambrozio Lorenzetti liet<br />

in 1338 een fresco aanbrengen op Palazzo Publico<br />

van Siena. Dat was een fresco waarop een landschap<br />

was verbeeld. Het onderschrift daarbij luidde “buon<br />

governo” (goed bestuur). Men moet niet denken dat<br />

in Italië of andere beschaafde landen goed bestuur<br />

altijd verbonden is met de overheden. Goed bestuur<br />

kan ook iets te maken hebben met samenwerking<br />

tussen burgers en hun verbanden. Idealiter is het een<br />

samenwerking tussen burgers, hun verbanden en<br />

overheden. Dat idee lag bij hem ten grondslag aan<br />

die fresco, het ging niet alleen om heilzaam optreden<br />

van overheden dat tot goede landschappen leidde,<br />

maar ook de nijvere arbeid van burgers en hun vrijwillige<br />

verbinding. Voor dhr. In ’t Veld is landschap intens<br />

belangrijk verbonden met waarden, dat wat betekenis<br />

geeft.<br />

Het debat over landschap gaat ook over waarden,<br />

over noties van schoonheid, van functionaliteit, van<br />

nut en van veiligheid en wat men daar nog aan toe<br />

wil voegen. In die zin is landschap misschien ook<br />

wel een postmodern concept waarin de esthetica en<br />

historie toekomstgericht hun plaats herwinnen naast<br />

de industriële functionaliteit. Als je er zo naar kijkt, is<br />

landschap een spiegel van cultuur, zingeving en gaat<br />

het debat over het landschap, over wat mensen verbindt<br />

in hun waarden en ook scheidt in hun waarden.<br />

Als je kijkt naar karakteristieken van landschappen,<br />

zie je multifunctionaliteit versus monofunctionaliteit.<br />

Op het eerste gezicht ben je geneigd te zeggen dat<br />

monofunctionele landschappen wel lelijk zullen zijn.<br />

Men gaat ’s zomers in groten getale naar Toscane<br />

in Italië en daar ziet men die landschappen van rulle<br />

aarde waar net geoogst is, volstrekt monofunctioneel<br />

en desondanks indrukwekkend. Monofunctionaliteit<br />

heeft zijn eigen esthetica. Aspecten van het land-<br />

schap hier weerspiegelen dat. Historisch verbonden<br />

versus toekomstgericht of historisch verbonden in relatie<br />

tot toekomstgericht. Gemaakt of gegroeid. Met<br />

mensen of zonder mensen. De verbeeldingen van het<br />

arcadische landschap, multifunctioneel, zijn steeds<br />

verbeeldingen met mensen erin, met hun bezig zijn,<br />

hun liefde en hun genot, terwijl de landschapsschilders<br />

verdeeld zijn in hen die mensen schilderen in de<br />

landschappen en mensen die dat zorgvuldig nalaten.<br />

Begrensd en onbegrensd. Allemaal haakjes, verbindingen,<br />

met waarden. Daarom kan het gesprek over<br />

landschappen ook zo heftig zijn, kun je er ruzie over<br />

maken, gaat het over passie, over wat je lief hebt,<br />

wat je wilt behouden, herstellen en ontwikkelen. Dat<br />

is ook de fraseologie van de werkgroep: niet alleen<br />

behoud, ook herstel en ontwikkeling. Verrommeling in<br />

die betekenis – dhr. In ’t Veld heeft lang naar een definitie<br />

gezocht – is eigenlijk vooral een breuk met die<br />

waarden, daar waar iets wat je ziet, waarin je leeft,<br />

niet meer overeenkomt met wat betekenis geeft, met<br />

lelijkheid.<br />

In 2001 is er een succesloze beweging opgericht<br />

tegen de lelijkheid. Er is wel wat over gepubliceerd,<br />

maar die beweging tegen de lelijkheid is in schoonheid<br />

gestorven. Dat was misschien te vroeg, misschien<br />

dat die vanmiddag hier in andere woorden en<br />

zinnen herleeft. Dhr. In ’t Veld denkt dat keuzen mogelijk<br />

zijn en ook cruciaal zijn voor de wijze waarop<br />

men wil leven, waarin men wil leven en dat in de wereld<br />

van morgen het antwoord op die vraag belangrijker<br />

zal zijn dan in de vorige eeuw. Om die passie te<br />

weerspiegelen zijn er enkele rondes. Eerst is er een<br />

drietal sprekers, daarna een samenspraak met de<br />

sprekers en een aantal deskundigen en ten slotte de<br />

zaal aan het woord – dat is het meest onbekende deel<br />

van de bijeenkomst, waar de evaluatie straks over zal<br />

gaan. De eerste spreker is Marja van der Tas. Zij is<br />

wethouder geweest, maar de meeste mensen die hier<br />

63<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


zullen spreken hebben wel iets gedaan in het openbaar<br />

bestuur. Zij is nu lid van de VROM-raad, een advieslichaam<br />

op het gebied van ruimte, bestuurder van<br />

stichting Recreatie Toervaart Nederland.<br />

3. Inleidingen<br />

Mw. Van der Tas (lid VROM-raad) geeft te kennen<br />

graag in te gaan op de vraagstelling ‘Blijft <strong>Groningen</strong><br />

mooi?’ Zij heeft in de Powerpoint-presentatie haar lidmaatschap<br />

van de VROM-raad bewust tussen haakjes<br />

geplaatst. De VROM-raad is namelijk een adviesraad<br />

van de regering en het parlement. Er wordt vooral<br />

geadviseerd op het strategisch beleidsmatige niveau<br />

van het Rijk. Hier gaat het echter om een provinciaal<br />

vraagstuk. Zoals zo vaak zijn het wel vraagstukken<br />

die landelijk spelen, die ook op de andere niveaus te<br />

herkennen zijn. Ze hebben daar hun eigen definiëring.<br />

Mw. Van der Tas heeft in haar dagelijks werk veel contacten<br />

met provincies en ziet dat er op dit moment niet<br />

alleen in <strong>Groningen</strong> maar ook elders wordt gewerkt<br />

aan Provinciale Omgevingsplannen. Er wordt gezocht<br />

hoe daar invulling aan te geven. Mw. Van der Tas wil<br />

wat dat betreft de diverse petten die zij in het dagelijks<br />

leven op heeft, maar opzetten en haar ervaring in<br />

de vraagstelling meenemen. Zij is aangenaam verrast<br />

door de vraagstelling van de werkgroep. Het betekent<br />

dat men deelgenoten in zorg is. Het feit dat de werkgroep<br />

bezorgd is, betekent ook dat je bepaalde zorgvuldigheid<br />

in acht neemt. Mw. Van der Tas was onder<br />

de indruk van de wijze waarop men in <strong>Groningen</strong> deze<br />

discussie voert en de zaak verder wil brengen. Dat<br />

zegt iets over zorgvuldigheid die je in acht neemt vanuit<br />

die bezorgdheid. Mw. Van der Tas verklaart dat zij<br />

in haar voorbereiding zeer was geraakt door een zin<br />

die zij aantrof in het blad Noorderbreedte, dat in het<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

64<br />

Noorden van het land natuurlijk veel gemakkelijker en<br />

sneller wordt gelezen dan elders. “Met ons landschap<br />

is het alsof we zijn verhuisd van een eigen woning<br />

naar een huurflat” (Noorderbreedte okt. ’07). Dat voelt<br />

niet goed. Dan heb je het gevoel dat er kennelijk wel<br />

is geïnvesteerd, maar of die investering op de lange<br />

termijn zo renderend is, heeft men twijfels bij. In die<br />

zin is er sprake van het versterken van het kwaliteitsbewustzijn<br />

en sluit men zich aan bij vormen van zorg<br />

en ongenoegen, onbehagen, over de verrommeling,<br />

de ruimtedruk en wat dit voor betekenis voor het landschap<br />

heeft. ‘Land van nut en noodzaak’ wordt ‘land<br />

van overvloed en onbehagen’ (VROM-raad). Mw. Van<br />

der Tas vindt ‘land van nut en noodzaak’ erg bij <strong>Groningen</strong><br />

passen. Het is een land waar de agrarische<br />

sector het land benut. Er is noodzaak, er is voedsel<br />

geproduceerd. Het heeft een heel oorspronkelijk productiekarakter.<br />

De VROM-raad is bezig met een advies over ruimtelijke<br />

kwaliteit, maar is daar nog niet mee klaar. Dat<br />

geeft tevens aan hoe ingewikkeld de discussie is. Er<br />

is meer tijd voor nodig dan beoogd, omdat de discussie<br />

die de Staten voeren ook in zo’n adviesorgaan<br />

boeiend kan zijn. De VROM-raad heeft vorig jaar wel<br />

een brief advies aan de minister van VROM gestuurd<br />

toen Jacqueline Cramer bezig was met haar programma<br />

voor Mooi Nederland. Mw. Van der Tas citeert uit<br />

die brief de volgende zin: “De open ruimte is een ongeprijsd<br />

collectief goed en dat ongeprijsd collectief<br />

goed legt het vaak af tegen de goed identificeerbare<br />

individuele of bedrijfsbelangen.” Men voelt hier gezamenlijk<br />

nog dat collectief goed en voelt hoe die druk<br />

vanuit die individuele belangen daar een rol in spelen.<br />

Mw. Van der Tas zal enkele kaders en instrumenten<br />

verkennen. Jan Klijn en Eric Luiten zullen veel meer<br />

ingaan op het ‘wat?’, terwijl mw. Van der Tas meer<br />

ingaat op het ‘hoe?’ Zij begint bij het ‘waarom?’<br />

Minister Pronk had bijna zijn Vijfde Nota Ruimtelijke


Ordening klaar die op het laatste moment sneuvelde.<br />

Toen is gewerkt aan de Nota Ruimte die in 2004/2005<br />

zijn beslag heeft gekregen. Dat is alweer een tijd geleden.<br />

Voor Statenleden die vorig jaar zijn aangetreden<br />

en misschien die hele wordingsgeschiedenis niet<br />

hebben meegemaakt, is het wel even inwerken in<br />

dat ruimtelijk domein. Er is namelijk van alles aan de<br />

hand. Wat tamelijk cruciaal is, is de sturingsfilosofie<br />

in de Nota Ruimte: decentraal wat kan, centraal wat<br />

moet. Daar wordt ook hard aan gewerkt, maar op dit<br />

moment wordt vooral in Den Haag wel opnieuw nagedacht<br />

over het ‘centraal wat kan’. Er is af en toe het<br />

gevoel dat men te veel heeft losgelaten, te veel heeft<br />

overgelaten. Dat roept een soort nieuwe spanning op.<br />

Iedereen was toen de Nota klaar was, buitengewoon<br />

content over dat ‘decentraal wat kan en centraal wat<br />

moet’, maar nu komt het aan op invullen.<br />

Getoond worden de kaders van het Rijk: 1) duurzaam,<br />

efficiënt ruimtegebruik; 2) leefbaarheid waarborgen<br />

en vergroten; 3) verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit<br />

van stad en land.<br />

De Nota Ruimte geeft een nieuw beleidskader, maar<br />

dat beleidskader kan niet zonder ‘instrumentenkoffertje’<br />

– zoals minister Sybilla Dekker het noemde. Er<br />

was om een nieuw ‘instrumentenkoffertje’ gevraagd,<br />

zowel vanuit provincies als gemeenten. Men is met<br />

ontwikkelingen bezig en het duurt allemaal te lang en<br />

het is te ingewikkeld, daarom verzochten zij de landelijke<br />

overheid te helpen met een nieuw instrumentarium.<br />

Twee belangrijke elementen in dat nieuwe<br />

instrumentarium zijn de Grondexploitatiewet en de<br />

Nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening (NWRO). De<br />

NWRO gaat als het goed is op 1 juli as. in werking.<br />

Het onderdeel ‘verplichte digitalisering’ is nog een<br />

jaar opgeschoven. Al die bestemmingsplannen, al die<br />

structuurvisies, moeten allemaal gedigitaliseerd en<br />

uitwisselbaar zijn.<br />

Nu ligt op dit moment de invoeringswet bij de Eerste<br />

Kamer, want je kunt wel een nieuwe wet maken, maar<br />

dan zijn er weer allerlei wetjes aan verknoopt. De inzet<br />

is dat men op 1 juli met dat nieuwe instrumentarium<br />

aan de slag gaat. Men is er echter eigenlijk<br />

helemaal niet klaar voor. De provincie <strong>Groningen</strong> is er<br />

mee bezig, maar dat geldt voor een heleboel andere<br />

provincies evenzeer. Ook het Rijk weet het eigenlijk<br />

nog niet. Men gaat derhalve een boeiende tijd tegemoet.<br />

Beoogd is met de Nota Ruimte te versnellen,<br />

zaken beter te kunnen doen, maar omdat men de<br />

gebruiksaanwijzing van het instrumentarium nog niet<br />

heeft gelezen…<br />

Het instrumentarium kent een drietal onderdelen: 1)<br />

juridisch; 2) financieel; 3) communicatie. De twee<br />

laatstgenoemde elementen zijn het meest van belang.<br />

Het is een voortzetting van hoe men nu met ruimtelijk<br />

beleid bezig is. Het onderdeel ‘financieel’ bestaat uit<br />

investeringssubsidies, bijdragen die er zijn aan ruimtelijke<br />

ontwikkelingsplannen. De structuurvisie van de<br />

provincie <strong>Groningen</strong> (POP) zit in het onderdeel communicatie:<br />

bestuurlijke afspraken, stimuleringsactiviteiten.<br />

Ingewikkeld is het juridisch instrumentarium<br />

van de NWRO. Getoond worden de onderscheiden<br />

mogelijkheden voor Rijk en provincie. De NWRO<br />

stapt af van de getrapte doorwerking die er bestond<br />

in de ruimtelijke plannen met een reactieve lijn: de<br />

Nota Ruimte met zijn planologische kernbeslissingen,<br />

de provincie streekplannen, lokaal bestemmingsplannen.<br />

Daar zat een goedkeuring bij, een reactieve lijn.<br />

Dat is allemaal over. Men gaat naar structuurvisies<br />

die alleen de Staten binden. De Staten kunnen straks<br />

zeggen wat zij vinden van het landschap, maar dat<br />

bindt alleen de Staten als orgaan, daarmee hebben<br />

zij nog niet de rest van de wereld aan zich gebonden.<br />

Daarom is het wel van belang om het juridisch instrumentarium<br />

verder te verkennen. Bij het Rijk is men<br />

nu aan het worstelen, ook daar is men er nog niet<br />

helemaal uit.<br />

65<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Welke PKB-activiteiten zijn van dien aard dat men<br />

doorwerking wil garanderen en dat dit wordt vastgelegd<br />

in nadere regels in een AMvB, waarmee de juridische<br />

doorwerking is gegarandeerd? Men heeft een<br />

dertiental belangen inmiddels gedestilleerd vanuit die<br />

Nota Ruimte. Men gaat waarschijnlijk drie clusters van<br />

AMvB maken op rijksniveau. Een cluster over bundeling,<br />

intensivering en reserveringen, een tweede<br />

cluster van AMvB’s is de bescherming van de groene<br />

kwaliteiten (hetgeen aansluit bij het thema van vanmiddag)<br />

en het derde cluster is de bescherming van<br />

de blauwe kwaliteiten. Mw. Van der Tas noemt een<br />

voorbeeld ter illustratie. Een van de nationale belangen<br />

zijn de Nationale Landschappen. Zo’n Nationaal<br />

Landschap vraagt natuurlijk zijn borging. Wat regelt<br />

nu het Rijk en wat is er nu aan vrijheid voor de provincie?<br />

Dat is een discussie op zich die ook door het IPO<br />

met het Rijk wordt gevoerd. Is de AMvB die het Rijk<br />

gaat maken een generieke AMvB over alle Nationale<br />

Landschappen of is dat een specifieke AMvB?<br />

De provincie <strong>Groningen</strong> is afhankelijk van wat het<br />

Rijk verzint over hoe de provincie haar instrumentarium<br />

aansluitend maakt, want anders organiseer je<br />

gaten in de borging. Dus het komt er op aan dat de<br />

Staten niet alleen met zichzelf bezig zijn, maar ook<br />

kijkt wat het Rijk en de provincie doet. Er wordt nog<br />

wel eens huiverig gedaan over het instrument van de<br />

verordening, net zo goed als het Rijk ook huiverig is<br />

voor de AMvB’s, omdat het zo strikt lijkt terwijl men<br />

vooral ruimte wil laten. Past zo’n verordening wel bij<br />

‘ruimte laten’? Het is een instrument om te borgen.<br />

Als de Staten straks gezamenlijk stellen dat zij rond<br />

het landschap een aantal zaken willen borgen, is de<br />

verordening misschien toch een instrument dat men<br />

zou kunnen gaan toepassen. Op 1 juli is noch de provincie,<br />

noch het Rijk klaar. Het betekent dat die lang<br />

verwachte versnelling en verbetering ook nog even<br />

op zich laat wachten.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

66<br />

Mw. Van der Tas snijdt het onderwerp van de ruimtelijke<br />

kwaliteit aan. Er wordt verschillend over gedacht,<br />

ook in de VROM-raad. Wat van belang is, is dat er<br />

in elk geval aandacht is voor ruimtelijke kwaliteit en<br />

overheidsplannen. VROM is bezig met Mooi Nederland.<br />

Men verwacht van het ministerie van LNV de<br />

agenda voor het landschap. Die zal de provincie wellicht<br />

behulpzaam zijn, want die moet ook dit voorjaar<br />

gaan komen. Het ministerie van OCW komt met een<br />

beleidsnota over de architectuur. Dit zijn allemaal invalshoeken<br />

om met die ruimtelijke kwaliteit bezig te<br />

zijn. De Nota Ruimte heeft het over basiskwaliteit.<br />

Die willen zij borgen. Hoe gaat dat dan? Wat zijn dan<br />

de werkwijzen die je met elkaar kunt ontwikkelen om<br />

dat kwaliteitsniveau te verhogen? Er zijn vele definiëringen.<br />

Mw. Van der Tas gaat daar deze middag niet<br />

op in. Er zijn theoretische discussies over te voeren,<br />

maar de Staten van <strong>Groningen</strong> willen gewoon naar de<br />

herkenbaarheid vanuit de Groningse situatie.<br />

Wat in elk geval van belang is, is dat ruimtelijke kwaliteit<br />

wel meer is dan belevingswaarde. Het is meer dan<br />

alleen esthetiek, want het gaat natuurlijk ook over de


vraag wat de gebruikswaarde en de toekomstwaarde<br />

is van iets wat je toevoegt, wat je doet met die ruimte.<br />

Gisteren las mw. Van der Tas in het NRC een artikel<br />

dat in Spanje 300.000 tot 500.000 woningen per<br />

jaar overgeprogrammeerd en gebouwd worden. Nu is<br />

Spanje een land dat veel gestapeld bouwt. Het is onvoorstelbaar<br />

wat je dan met je land en met je geld aan<br />

het doen bent. Dat heeft geen toekomstwaarde en al<br />

helemaal geen gebruikswaarde als er geen vragers<br />

zijn. De provincie heeft een provinciale bouwmeester.<br />

In <strong>Groningen</strong>-Assen wordt gewerkt met een kwaliteitsteam.<br />

Lokaal zijn er welstandscommissies. Men<br />

dient echter op zijn hoede te zijn. Dhr. Wallage heeft<br />

als voorzitter van de Taskforce een brief geschreven<br />

om op te houden met de welstand wettelijke borging<br />

op lokaal niveau. Wat heeft het voor zin dat de Staten<br />

zich druk maken en als op het lokaal niveau elke wettelijke<br />

borging weg is? Daar zit hem die verbinding<br />

met elkaar. Mw. Van der Tas wil vooral een beweging<br />

in denken op gang brengen. Het sluit misschien aan<br />

bij wat dhr. In ’t Veld zei wat in Siena zichtbaar was<br />

over het ‘mooie bestuur’. Het dient gezamenlijk te<br />

worden gedaan. Men moet niet alleen denken in het<br />

afbakenen van verschillende taken en bevoegdheden<br />

als je kijkt naar klassieke idee van scheiden, er moet<br />

worden gekeken wat men samen van waarde vindt en<br />

hoe je dat vanuit dat gezamenlijk inzicht zou kunnen<br />

vormgeven. Er is te veel aandacht voor het scheiden.<br />

Als je daarmee bezig bent, werk je steeds minder samen.<br />

Er dient veel minder overheidsgerelateerd te<br />

worden gedacht, er dient veel meer te worden gekeken<br />

wat er in de regio aan vraagstukken is. De Staten<br />

zijn bezig om die zorg om te zetten in actie en verantwoordelijkheid<br />

nemen.<br />

Ruimtelijke kwaliteit is hot. De nieuwe WRO geeft een<br />

nieuw instrumentarium. De Staten moeten op zoek<br />

naar het provinciaal belang. Wat is het provinciaal<br />

belang? Mw. Van der Tas is benieuwd wat de mid-<br />

dag daarin verder voor antwoorden op gaat geven.<br />

De provincie <strong>Groningen</strong> heeft natuurlijk uitzonderlijke<br />

kwaliteiten: de Veenkoloniën, het wierdenlandschap,<br />

etc. Mw. Van der Tas geeft te kennen <strong>Groningen</strong><br />

prachtig te vinden. De burgers van <strong>Groningen</strong> gelukkig<br />

ook. Mw. Van der Tas heeft gelezen over de<br />

Groninger burgerjury, die zegt dat het landschap en<br />

de dorpen gekoesterd dienen te worden. In die zin is<br />

dat de beste borging dat men dicht bij zegt dat men<br />

iets van waarde om zich heen heeft. ‘Melk uw landschap<br />

niet uit!’ is de oproep van mw. Van der Tas. Het<br />

heeft met bedreigingen te maken. De bedreiging kan<br />

enerzijds de rijkdom zijn – er is soms te veel geld,<br />

waardoor er nieuwe landgoederen, ponderosa’s, etc.<br />

in de landschappen oprukken – en anderzijds de armoede.<br />

Krimp is natuurlijk een item dat hier wel aan de orde<br />

gaat komen of al enigszins speelt. Krimp kan maken<br />

dat je zegt dat het niet uitmaakt, als er maar iets gebeurt,<br />

als er maar geïnvesteerd wordt. Een investering<br />

in het landschap doe je echter niet voor even, maar<br />

voor vijftig jaar en volgens archeologen voor eeuwig,<br />

omdat het nimmer meer uit te poetsen is. Mw. Van der<br />

Tas is blij met de bezorgdheid van de Staten. Zij denkt<br />

echter niet dat het echt zorgen hoeven te zijn. Daarvoor<br />

heeft men te veel zicht op de eigen rijkdom. Het<br />

is veel meer hoe je het naar de toekomst goed kan<br />

borgen. <strong>Groningen</strong> hoeft niet opnieuw uitgevonden<br />

te worden, het is een kwestie van manicuren. Groningers<br />

moeten dan de nagels even schoonmaken,<br />

vijlen en polijsten. Dan staat <strong>Groningen</strong> er blijvend<br />

prachtig bij.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) dankt mw. Van der Tas voor<br />

de discipline. Hij geeft het woord aan dhr. Klijn, die<br />

27 jaar geleden promoveerde op de kustduinen en<br />

werkzaam is geweest als onderzoeker, docent en adviseur.<br />

67<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Dhr. Klijn (landschapsecoloog) beschouwt het als een<br />

genoegen om in <strong>Groningen</strong> te gast te zijn. <strong>Groningen</strong><br />

kent prachtige landschappen, waar dhr. Klijn door gefietst<br />

heeft. Trefwoor¬den die hem te binnen schieten<br />

als bezoeker van zo’n landschap zijn: een eigenzinnig<br />

landschap, een nurks, stoer landschap, oud, verrassend<br />

reliëfrijk en open en mooi. Het open karakter<br />

wordt in Nederland een zeldzaamheid, een waarde<br />

op zich. Indertijd schoot dhr. Klijn paar dichtregels van<br />

Vroman te binnen: ‘Want waar is nog een horizon die<br />

door geen mergel is versneden tot op en neer drentelende<br />

treden, waar is nog een onverkochte bron.’<br />

Landschap is zowel beleving, romantiek als de functionele<br />

ruimte waar gewerkt en geleefd moet worden.<br />

Daar zit spanning in. Iedereen zal die spanning<br />

voelen. Het zijn zwei Seelen in einem Brust waar je<br />

steeds mee om hebt te gaan.<br />

Dhr. Klijn zal ingaan op de relatie landschap en landbouw.<br />

Hij toont twee kaartjes van het grondgebruik in<br />

<strong>Groningen</strong> in 1900 en in 2000. In Westerwolde zijn<br />

nog veel heidesystemen en heidemoerassen te zien.<br />

Verder ziet het landschap er leeg uit. In de situatie<br />

van 2000 zijn al die stukken Ommeland verkaveld en<br />

ingericht voor de landbouw. Voorts is opkomende stedelijke<br />

bebouwing waar te nemen. Als je <strong>Groningen</strong><br />

vergelijkt met de rest van Nederland, dan is <strong>Groningen</strong><br />

nog een relatief leeg land gebleven waar niet al<br />

te veel ruimtedruk is. Er is ook nog een traditionele regionale<br />

verdeling in het soort grondgebruik. Op regionale<br />

schaal valt het allemaal wel mee. Getoond wordt<br />

een afbeelding van het Milieu- en Natuurplanbureau<br />

dat in een van de Natuurbalansen verschenen is. Het<br />

betreft de typering van Nederland op de henkenbaarheid<br />

van de ontstaansgeschiedenis, de verkavelinggeschiedenis<br />

en de verkavelingstructuren. Te zien is<br />

dat er in <strong>Groningen</strong> heel veel waardevolle stukken<br />

zijn die ook in het kader van Nationaal Landschap als<br />

zodanig erkend zijn.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

68<br />

Het landschap is een collectief goed. Dhr. Klijn komt<br />

er nog op terug welke goederen, diensten, waarden<br />

daarin verscholen zijn. Aan de andere kant is het merendeels<br />

privé-bezit en het is geen echt marktgoed. Je<br />

kunt niet al die immateriële waarden vermarkten. Dat<br />

is een probleem waar iedereen mee zit. Landschap<br />

is een caleidoscoop van waarden. Landschap is altijd<br />

en overal dynamisch. Het is altijd een reflectie van wat<br />

een maatschappij nodig vindt, wat er technologisch<br />

gesproken kan. Er zijn veel drijvende krachten werkzaam<br />

in een landschap. Een aantal van die drijvende<br />

krachten drijven landgebruikveranderingen aan die<br />

effecten op de landschapskwaliteit hebben. Dit kan<br />

zowel positief als negatief zijn. Landbouw kun je, zeker<br />

in <strong>Groningen</strong>, zien als de maker en de breker van<br />

het landschap, als de verzorger maar ook als uitbater.<br />

Het is in elk geval een belangrijke grondgebruiker die<br />

heel veel tot stand heeft gebracht, maar gezien de<br />

toekomst ook nog heel veel kan doen veranderen.<br />

Daar mag men wel alert op zijn. De landbouw verkeert<br />

in een positie dat ze niet meer het alleenrecht<br />

bezit. De vraag is altijd wat je aan voelt komen en wat<br />

niet en of dat tot een anticiperend beleid kan leiden.<br />

Tot slot noemt dhr. Klijn de rol van de overheden.<br />

Getoond wordt een klassiek overzicht van materiële<br />

en immateriële waarden. Allereerst zijn er productiefuncties:<br />

het produceren van voedsel, vezels, energie<br />

en water. Landschap is voorts een drager voor allerlei<br />

activiteiten. De ecologische en fysische waarden zijn<br />

zo langzamerhand ook bekend genoeg (biodiversiteit,<br />

aardkundige waarde, cultuurhistorische waarde).<br />

Regulatiefuncties zijn eveneens belangrijk. Ook een<br />

landschap heeft zijn rol te spelen in het bufferen en<br />

bergen en zuiveren van met name de watergebonden<br />

aspecten. Vervolgens is er een hele lijst van ‘zachte’<br />

waarden. Dit zijn samengevat de belevingswaarden:<br />

ontspanning, rust, vrijheid, historisch besef, schoonheid,<br />

fascinatie, educatie, etc. Langzamerhand is er


maatschappelijk gezien sprake van een verschuiving<br />

van productiefuncties naar alle andere functies die in<br />

de collectieve waarden verenigd zijn.<br />

Je kunt niet over het landschap spreken. <strong>Groningen</strong><br />

op zich heeft al veel soorten landschappen die je ook<br />

op eigen merites, eigen kwaliteiten moet bekijken.<br />

Hetzelfde geldt voor de landbouw. Een akkerbouwbedrijf<br />

is echt iets anders dan een melkveehouderij of<br />

tuinbouw, kassenbouw, etc.<br />

Als naar die relaties wordt gekeken, dient men niet<br />

te vluchten in algemeenheden maar er heel specifiek<br />

in te zijn: wat kan de ene vorm van landbouw in een<br />

bepaald landschap wel aan en niet aan?<br />

De rol van de landbouw is per streek en per gebiedscategorie<br />

verschillend. Er zijn Nationale Landschappen,<br />

waar <strong>Groningen</strong> één volwaardige van heeft en<br />

nog wat hoekjes uit andere provincies. Daar zul je<br />

met de landbouw andere zaken willen en kunnen.<br />

Daarnaast is er de rest – onparlementair vaak ‘het<br />

witte gebied’ genoemd door planologen. Daar heeft<br />

de landbouw andere mogelijkheden en ook andere<br />

rollen te spelen. Ten slotte zijn er in de landbouwontwikkeling<br />

tegenwoordig ook de agro-industriële complexen<br />

(bijv. varkensflats). Daarbij moet meer gedacht<br />

worden aan een industrieterrein, aldus dhr. Klijn.<br />

Er zijn vele drijvende krachten werkzaam in het landelijk<br />

gebied. Dhr. Klijn toont een lijst van drijvende<br />

krachten.<br />

- demografie. Langzamerhand komt men zowel<br />

op Europese schaal als op nationale en<br />

provinciale schaal tot de ontdekking dat demografische<br />

processen ook ruimtelijk gezien<br />

belangrijk zijn. De bevolkingstoename vlakt<br />

af, er ontstaat vergrijzing, iets wat ook in de<br />

boerenstand een duidelijk fenomeen is.<br />

- een trek van de kleine kernen naar de grote<br />

steden. Het zijn krachten die werkzaam zijn<br />

en blijven en die ook op het landschappelijk<br />

gebruik hun effect hebben.<br />

- urbanisatie, infrastructuur, recreatie<br />

- wereldmarkt; EU landbouwpolitiek. Het afgelopen<br />

jaar is er sprake van bepaalde sombere<br />

voorspellingen ten aanzien van de landbouw<br />

in Nederland. Het perspectief voor de melkveehouderij<br />

en de akkerbouw zou gering zijn.<br />

Dan is opeens te zien dat de wereldmarkt<br />

een beweging maakt. De Chinezen willen<br />

een betere voedselvoorziening, er is vraag<br />

uit de andere Aziatische landen. Zo kan zo’n<br />

sector toch ineens weer opvrolijken.<br />

- gebruikerswensen van consumenten<br />

- milieueisen<br />

- omgang dieren, landschap<br />

- energiebehoefte. Ook hier is te zien dat er in<br />

een aantal jaren tijd een omslag heeft plaatsgevonden:<br />

er is een klimaatprobleem en een<br />

energieprobleem. Men vraagt zich af of de<br />

landbouw niets aan de oplossing van deze<br />

problemen kan bijdragen (windmolens, biomassa,<br />

etc.)<br />

- klimaat- en wateropgave<br />

- technologie.<br />

Wat staat de landbouw te wachten?<br />

- marktliberalisatie<br />

- uitstoot bedrijven, arbeid en schaalvergroting<br />

- megabedrijven<br />

- groene, blauwe diensten, energie<br />

- de licence to produce is niet meer automatisch.<br />

Landbouw heeft een maatschappelijke<br />

functie en zal daarnaar moeten kijken en luisteren.<br />

Dhr. Klijn toont een staafdiagram waarin de afname<br />

van het aantal bedrijven en de schaalvergroting in<br />

69<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


de landbouw getoond worden. De schaalvergroting<br />

is al decennialang gaande. Er is geen enkele reden<br />

om aan te nemen dat dit stopt. Elke 15 tot 20/25 jaar<br />

worden bedrijven opgeschaald. Dat betekent minder<br />

ondernemers, minder bedrijven, grotere bedrijfsoppervlaktes.<br />

Getoond wordt een kaart van de perceelsgrootte in<br />

Nederland. Te zien is dat er veel bedrijven van meer<br />

dan 8 ha in <strong>Groningen</strong> zijn. Het betekent dat <strong>Groningen</strong><br />

eigenlijk al in zekere zin voorgesorteerd is op die<br />

schaalvergroting en dat het er niet slecht voor staat,<br />

desondanks staat er nog meer te gebeuren.<br />

De effecten van de schaalvergroting:<br />

- een verlies van perceelsgrenzen, perceelranden,<br />

microreliëf, erfbeplanting<br />

- grotere bedrijfsgebouwen. Er worden al megastallen<br />

gebouwd. Dit heeft een enorm visueel<br />

effect op het landschap. Vrijgekomen<br />

bedrijfsgebouwen worden wel gebruikt door<br />

andere gebruikers die niet zo in het landschap<br />

passen. Dit is een groot probleem.<br />

- de beesten jaarrond binnen<br />

- het verschijnen van windmolens, biomassateelt.<br />

De korte omloopteelt zal het landschap<br />

ook aangaan.<br />

- waterberging<br />

- verzwaring infrastructuur<br />

- groenblauwe dooradering/randenbeheer<br />

- meer recreatie/natuur/zorg op de boerderijen<br />

Er zijn toekomststudies gedaan waarin voor een<br />

enorm groot bedrijf futuristische schetsen zijn gemaakt,<br />

waarin bijvoorbeeld melkveebedrijven van 500<br />

of 1000 koeien geborgen kunnen worden. De koeien<br />

staan dan wel binnen. Er is hierbij een heel efficiënte<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

70<br />

omgang met mest en de uitstoot van allerlei gassen.<br />

De toekomst. Dhr. Klijn hanteert de stelling dat landbouw<br />

rendabel is en blijft, mits zij meegaat met de<br />

tijd. Landbouw is nodig voor het levend landschap<br />

voor openheid en allerlei andere maatschappelijke<br />

functies. Er dient nooit een ‘één-pot-nat-benadering’<br />

te worden gekozen. Schaalvergroting is op zich niet<br />

erg, alleen dient men wel oog te hebben voor nuances.<br />

Kansen voor verbreding zullen er vooral in de<br />

Nationale Landschappen aanwezig zijn, minder daarbuiten.<br />

Er is waakzaamheid geboden op de functie<br />

en de vorm van bedrijven en gebouwen. De ontwerpkant<br />

vindt dhr. Klijn in hoge mate belangrijk. In de productielandschappen<br />

dient er voldoende groenblauwe<br />

dooradering te zijn.<br />

Betekenis van ontwerp. Er dient voor te worden gezorgd<br />

dat ontwerpen ook op verschillende schaalniveaus<br />

gebeuren. De locatiekeuze van bedrijven of<br />

megabedrijven moet goed worden gesitueerd. Afdalend<br />

naar de inrichting van bedrijven zelf of de bedrijfsgebouwen<br />

is daar volgens dhr. Klijn een wereld<br />

te winnen.<br />

Conclusies:<br />

- landbouw is en blijft gewenst.<br />

- landschap is een collectief goed en vraagt<br />

dus ook collectieve bemoeienis en fondsen.<br />

De discussie over de rol van de overheid is<br />

uitermate belangrijk. Als de collectiviteit van<br />

dat bezit losgelaten wordt aan het vrije spel<br />

van de spelers en de markt, is dat iets waar<br />

dhr. Klijn een zeer beperkt geloof in heeft.<br />

- anticipeer op ontwikkelingen. Het is ongeveer<br />

bekend wat er staat te gebeuren. Als je wacht<br />

tot het gebeurt, ben je al te laat. Pro-activiteit,<br />

met name naar de ontwerpkant toe, is uitermate<br />

belangrijk.


- polderen is niet alleen proberen een soort<br />

gemiddelde te bereiken. Polderen is ook het<br />

zoeken naar en het vinden van leiderschap<br />

en een rechte rug.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) dankt dhr. Klijn. Eerst was<br />

de wereld van RO van mw. Van ter Tas aan de orde,<br />

vervolgens de wereld van landschapsecologie van<br />

dhr. Klijn. Nu volgt het betoog van de ontwerper, de<br />

landschapsarchitect Eric Luiten. Hij was ambtenaar,<br />

daarna ondernemer en is nu ook hoogleraar. Hij heeft<br />

bovendien in Spanje gewerkt.<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

denkt dat men zich vooral moet afvragen hoe <strong>Groningen</strong><br />

nog mooier kan worden. Dit houdt hij zijn studenten<br />

ook altijd voor als ze zeggen dat het hier prachtig<br />

is en zich afvragen wat je nog zou kunnen doen. Misschien<br />

kan het nog mooier. Hij roept op om op deze<br />

wijze naar het landschap te kijken.<br />

Dit is een zienswijze die dhr. Luiten drijft, ook toen hij<br />

kort, maar wel geconcentreerd in de provincie <strong>Groningen</strong><br />

werkzaam was tussen 1987 en 1990. Er is<br />

in <strong>Groningen</strong> bovendien iets van zijn oeuvre gerealiseerd:<br />

het enige ding in het dorp ’t Zandt dat niet is<br />

afgebrand, namelijk het dorpsbos. Dhr. Luiten gaat in<br />

op de geschiedenis van dit gebied en toont de veranderende<br />

landkaart van de noordelijke provincies<br />

1840-2010. De reeks is gemaakt door stedenbouwkundigenbureau<br />

Must uit Amsterdam als onderdeel<br />

van de Venetiaanse Biënnale over het zogenaamde<br />

hybride landschap waar men met zijn allen in verkeert.<br />

Dhr. Luiten vraagt de aanwezigen uit de statica<br />

te stappen en de interesse voor het landschap in een<br />

meer dynamisch perspectief te plaatsen.<br />

Verandering is een wezenskenmerk van het platteland<br />

en dus ook van het Groninger platteland. De transformatie<br />

heeft verschillende resultaten opgeleverd. Wat<br />

zijn nu de drijvende krachten geweest achter de landschapsvorming,<br />

achter de topografische resultaten<br />

waar men nu zo wakker van ligt en waar men met<br />

zijn allen voor in katzwijm valt? Het is altijd goed om<br />

niet op resultaten te focussen, maar op de processen<br />

die eraan ten grondslag hebben gelegen. Dhr. Luiten<br />

is met het onderzoek naar de kwaliteiten van het<br />

Nederlandse landschap steeds meer geïnteresseerd<br />

geraakt in de processen en eigenlijk helemaal niet<br />

meer in de resultaten. Een van de grondbeginselen<br />

van de differentiatie van het Nederlandse landschap<br />

is dat de ontginning ervan – zeker de eerste ontginning<br />

– op de schaal van de fysieke beperkingen heeft<br />

plaatsgevonden. Daar waar het te nat was, werd er<br />

drooggelegd. Daar waar het te droog was, werd het<br />

nat gemaakt. Daar waar het te zout was, werd het<br />

zoet gemaakt of beschermd. Waar het te diep was,<br />

werd het opgehoogd. Et cetera.<br />

Feitelijk zou men kunnen stellen dat de differentiatie<br />

van het Nederlandse landschap ongeveer daar begint<br />

en voor een heel groot deel ook daarmee eindigt.<br />

De kwaliteiten die nu te zien zijn, zijn het gevolg van<br />

het feit dat de voorouders over verschillende tijdsvakken<br />

meestal gedurende zeer lange tijd die fysieke<br />

beperkingen hebben geprobeerd op te lossen of in<br />

hun voordeel om te draaien. Dat is prachtig te zien in<br />

de overgang van Hogeland naar Waddenzee. Er was<br />

natuurlijk sprake van beperkte technische middelen:<br />

een schop en een kruiwagen. Middag-Humsterland is<br />

niets meer en niets minder dan een ontginning met<br />

schop en kruiwagen en enkele afspraken die de ontginners<br />

met elkaar maakten of die werden opgelegd<br />

door de adel of een grootgrondbezitter.<br />

Dhr. Luiten toont Veenhuizen als voorbeeld van een<br />

landschap waar de opdrachtgever wist waar hij naartoe<br />

wilde. Een dergelijk landschap kwam tot stand<br />

vanuit een individuele of georganiseerde wilsbekwaamheid<br />

in relatief korte tijd en met een duidelijke<br />

71<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


print voor ogen. Een ander voorbeeld dat dhr. Luiten<br />

toont, geeft aan dat ontginning van landschap, ingebruikname<br />

van landschap altijd een woon- en werkcomponent<br />

in zich had. Het is Wildervank, met de<br />

prachtige stedenbouwkundige uitvinding van niet één<br />

kanaal, maar twee, waardoor je een binnenkant en<br />

een buitenkant krijgt en iedereen zijn plek kan vinden.<br />

Er wordt wel eens vergeten dat als het gaat over<br />

landschappen deze ook stedenbouwkundige en architectonische<br />

kwaliteiten daarbij betrokken moeten<br />

worden.<br />

Een overzicht wordt getoond van de historische kwaliteitsfactoren.<br />

Schoonheid was hierbij niet expliciet<br />

aan de orde.<br />

Wat zijn nu de doorslaggevende factoren achter landschappelijke<br />

transformatie?<br />

Getoond wordt een kaart van Nederland waarop alle<br />

projecten zijn aangegeven die tussen 2005 en 2015<br />

ten uitvoer moesten worden gebracht. Niets is groter<br />

dan een puzzelstukje. In het huidig tijdsgewricht<br />

wordt gewerkt aan het landschap op een schaal van<br />

een tuin, zou men kunnen zeggen. Niets is meer groter<br />

dan iets wat zich in projectdefinities nog ongeveer<br />

laat pakken, dat budgettair nog een beetje rond te<br />

breien is en dat ongeveer vijftien jaar mag duren, anders<br />

wordt het te ingewikkeld. In de volgende afbeelding<br />

wordt ingezoomd op de noordelijke provincies.<br />

Dhr. Luiten vindt de retoriek rondom het begrip ‘verrommeling<br />

niet zo’n zinnige discussie, omdat het niet<br />

gaat over de achterliggende factoren maar over de<br />

resultaten. Vastgesteld kan worden dat rood en groen<br />

definitief uit elkaar zijn gedreven, in tegenstelling tot<br />

de heroïsche geschiedenis van het Nederlandse platteland.<br />

Een uitzondering vormt de Blauwe Stad, een<br />

anachronisme van de Nederlandse landschapsontwikkeling,<br />

waarbij groen, rood en blauw wel harmonisch<br />

met elkaar proberen overeind te komen.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

72<br />

Over wilsbekwaamheid gesproken. Vroeger waren er<br />

nauwelijks technische middelen, nu kan men alles.<br />

Een voorbeeld is de ondertunneling onder het Groene<br />

Hart voor de HSL. Welbeschouwd is het natuurlijk een<br />

anomalie, een verschrikkelijk ding. Net als je het Hollandse<br />

landschap op zijn mooist wil laten zien aan een<br />

Fransman, zit je onder de grond. Het enige voordeel<br />

is dat hier een exportproduct mee is gerealiseerd, namelijk<br />

boren in slappe bodem. Dat wordt nu door Boskalis,<br />

etc. in Japan en China gedaan. Wat er ook aan<br />

de hand is, is dat iedereen zich dat landschap een<br />

beetje begint toe te eigenen. Het is allang niet meer<br />

een ruraal ideaal, maar een amalgaam van claims,<br />

belangetjes, eigendommen en activiteiten. Daar moet<br />

men ook erg aan wennen. De deskundigen versus de<br />

leek: wie heeft er nu eigenlijk gelijk? Dat weet men<br />

ook niet meer zo goed in Nederland. Men is geneigd<br />

de Alterra’s en de planbureaus te raadplegen om nog<br />

weer iets te horen, te lezen en te zien over wat nu<br />

echt waardevol is, maar als je het de boeren, burgers<br />

en buitenlui vraagt, krijg je totaal andere antwoorden.<br />

Er is aan 5000 Nederlanders de vraag voorgelegd


waar het mooi is in Nederland. Volgens de kaart<br />

waarop dit is uitgezet, komt de provincie <strong>Groningen</strong> er<br />

slecht van af. Dhr. Luiten concludeert schertsend dat<br />

het hier alleen maar mooier kan als men de Nederlander<br />

het woord geeft. Dezelfde Nederlander heeft zich<br />

door de voortschrijdende democratisering en emancipatie<br />

in de sfeer van RO ook meester gemaakt van<br />

planprocessen. Dhr. Luiten illustreert dit met een foto<br />

van mensen die actievoeren tegen Tanthof-West. Zij<br />

vinden het geen goed idee dat Nederland en België<br />

de economische slagader tussen Amsterdam-Schiphol,<br />

Rotterdam en Antwerpen langs Tanthof-West<br />

gaan uitvoeren. Ze zijn in staat om twintig jaar lang<br />

de besluitvorming te frustreren. Dhr. Luiten vindt dit<br />

godgeklaagd. Het is ook allang niet meer zo dat dat<br />

wat zwaar is, nog zwaar weegt, integendeel. De provincie<br />

<strong>Groningen</strong> kent hier een variant van: protesten<br />

tegen de rondweg Noordhorn. Dhr. Luiten wil hier niet<br />

vrolijk over doen, want hij begrijpt de frustratie. Het<br />

is alleen maar ter illustratie van het feit dat burgers<br />

letterlijk greep hebben op de ruimtelijke ontwikkeling,<br />

de vormgeving, de inrichting van het landschap. De<br />

sociale condities zijn volstrekt fuzzy geworden. Iets<br />

vergelijkbaars geldt overigens voor bestuur.<br />

Er is ooit sprake geweest van stilistische kompassen.<br />

Iedere architect wist waar hij zich aan diende te houden.<br />

Er waren zoiets als canonieke afspraken over<br />

stijl en schoonheid. Dat is weg. Dat is niet alleen te<br />

zien bij architectuur, waar anything goes, maar ook in<br />

de landschapsarchitectuur. Je kunt overal rondshoppen<br />

en je kunt het gewoon in Nederland inplanten en<br />

intekenen. Het is ook te zien aan de natuurontwikkelingsprojecten,<br />

waar van alles uitgeprobeerd wordt en<br />

alles kraaiend van plezier in beheer wordt genomen.<br />

Ook daar is de koers ver te zoeken.<br />

De actuele kwaliteitsfactoren: in plaats van eenheid<br />

van handelen is er sprake van veelheid van handelen<br />

geworden. Fysieke beperkingen zijn er eigenlijk niet<br />

meer. De schaal van het landschap is niet relevant<br />

voor de inrichtingsopties en opgaven. Alle technische<br />

middelen zijn inzetbaar. Alles duurt ongeveer vijftien<br />

jaar. Er is geen enkel stilistisch kompas of houvast<br />

voor de feitelijke inrichting. De verantwoordelijkheden<br />

zijn ver te zoeken. Dus moeten er exogene (niet aan<br />

het project zelf verbonden) schoonheidscriteria worden<br />

toegevoegd door bijvoorbeeld kunstenaars. Dhr.<br />

Luiten is daar erg op tegen.<br />

Dhr. Luiten denkt dat de provincies aan zet zijn. De<br />

verschuiving in de wetgeving en de verantwoordelijkheidsverdeling,<br />

waar mw. Van der Tas over sprak, dienen<br />

de Staten wel serieus op te pakken. Andere provincies<br />

zijn daar ook enorm mee bezig. Het Rijk gaat<br />

op afstand. Het zijn bewegingen die je niet gemakkelijk<br />

meer terug pakt. De vorige kabinetten Balkenende<br />

hebben dit een beetje gemakkelijk weggegeven. Met<br />

name de wet op de inrichting van het landelijk gebied<br />

maakt de provincies hyperverantwoordelijk.<br />

Dhr. Luiten heeft nog niet zo heel veel ambtenaren en<br />

gedeputeerden getroffen die zich daar zeer bewust<br />

van zijn geworden. Ze voelen zich toch nog veel meer<br />

een soort doorgeefluik van grote sommen geld waar<br />

uiteindelijk de kwaliteit van het landschap vanaf gaat<br />

hangen. In plaats van doorgeefluik te zijn, roept dhr.<br />

Luiten ze op in retraite te gaan over wat men precies<br />

wil doorgeven en onder welke voorwaarden en<br />

in hoeverre je zelf nog aan het stuur zou willen zitten<br />

bij de besteding van die gelden. Het geldt ook voor<br />

het stedelijk vernieuwingsbudget en de Nota Ruimtegelden.<br />

Het Rijk investeert zelf alleen nog maar een beetje in<br />

snelwegen, de rest wordt overgelaten aan het maatschappelijke<br />

middenveld en de lagere overheid. De<br />

nieuwe WRO gaat over minder planologische hiërarchie.<br />

Iedereen die nog dacht dat er een soort verticale<br />

relatie is tussen de verschillende overheidslagen is,<br />

komt straks bedrogen uit. Het gaat veel meer over<br />

73<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


je eigen verantwoordelijkheid en je afrekenbaarheid<br />

richting het electoraat.<br />

Hoe zit het nu met kwaliteitsborging als het gaat om<br />

het provinciale niveau?<br />

Het Rijk neemt afstand. Dhr. Luiten heeft nog niet zo<br />

heel veel gezien van het nieuwe landschapsbeleid.<br />

Stedenbeleid is er eigenlijk ook niet meer. Er is nog<br />

wel een architectuurnota in de maak die deze zomer<br />

gelanceerd wordt. Die gaat over kwaliteitsborging.<br />

Vervolgens is er het College van Rijksadviseurs dat<br />

vooral bezig is in kwaliteitsteams nog iets te proberen<br />

overeind te houden in de nationale projecten.<br />

De gemeente heeft sinds de Woningwet de Welstandscommissie.<br />

Dat ontwikkelt zich ook tot integrale<br />

Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het is een heel<br />

interessante beweging. De gemeente werkt natuurlijk<br />

ook met supervisoren en delen ook veel met kwaliteitsteams<br />

in de sfeer van de concrete stedenbouwkundige<br />

en landschappelijke projecten.<br />

De provincie geeft echter nog een heel diffuus beeld.<br />

Elke provincie vindt op dit moment het wiel uit. Dhr.<br />

Luiten durft nog niet te zeggen welk wiel het beste<br />

rijdt. Hij voelt wel iets voor de Noord-Hollandse variant<br />

(externe, onafhankelijke PARK). Voorts heeft hij<br />

de neiging te zeggen dat hoe sterker de gedeputeerde<br />

is, hoe meer hij vertrouwt op een onafhankelijke<br />

kwaliteitstoetsende persoon of instantie.<br />

Suggesties. Men dient zichzelf te trainen op weg naar<br />

een meer dynamisch landschapsbegrip. Men zou moeten<br />

proberen zich te verplaatsen in de tijd als gegeven<br />

en verandering te omarmen. De focus zou verlegd<br />

moeten worden naar inrichting, naar concretisering van<br />

beleidsmatige of andere soorten initiatieven. Rondom<br />

de beleidsdiscussie begint iedereen zich namelijk weer<br />

te herhalen. Het gaat uiteindelijk om maken, om zaken<br />

in de topografie te bewerkstelligen. Iedereen denkt dat<br />

als er beleidsmatig bezwerende formules voor zijn gevonden,<br />

de inrichting wel goed komt.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

74<br />

Dhr. Luiten verzekert dat er in die inrichting ongelukken<br />

gebeuren. Daar is waar men zich tegenwoordig ook zo<br />

boos en ongerust over maakt. De provincie dient de<br />

aandacht te verleggen naar de inrichtings¬kwaliteit.<br />

Hoofd- en bijzaken behoren te worden geselecteerd<br />

en beschreven. De provincie is aan zet. Zij moet<br />

zich opnieuw afvragen waar zij voor gaat, waar haar<br />

hoofdverantwoordelijkheid is en wat zij kan overlaten<br />

aan anderen. Dat gebeurt onvoldoende, volgens dhr.<br />

Luiten, ook in <strong>Groningen</strong>.<br />

Daar hoort de vraag bij welke verantwoordelijkheden<br />

men echt hoog opneemt en prioritair in de doelstellingen<br />

plaatst en welke elementen anderen worden gegund.<br />

In de uitvoering dient men evenveel aandacht<br />

te schenken aan plankadering (waar nu alle energie<br />

in gaat), maar ook in planvorming en zeker plantoetsing.<br />

Er gebeurt nauwelijks iets in de sfeer van de<br />

plantoetsing, terwijl dit wel moet gebeuren. Veranderingen<br />

dienen eenduidig te worden begeleid. Dhr. Luiten<br />

was erg blij met de opmerking over de schoonheid<br />

van monofunctionalisme. Het mooie van het Nederlandse<br />

landschap, zeker het Groninger landschap, is<br />

dat het vanuit een volstrekt monofunctioneel perspectief<br />

is ontwikkeld. Dat schijnt tegenwoordig niet meer<br />

mogelijk te zijn. Tot slot dient men zich op tijd in plaats<br />

van geschiedenis te concentreren. Geschiedenis is<br />

niet zo’n goede raadgever, tijd echter wel.<br />

4. Discussie<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) introduceert de mensen die<br />

deel zullen nemen aan het debat. Bram Prins is melkveehouder,<br />

landschapsbeheerder en energieproducent.<br />

Hij is ook in allerlei internationale organisaties<br />

werkzaam.<br />

Medy Van der Laan is directeur van een interessant<br />

bedrijf, TCN, een innovatief vastgoedbedrijf met ook


een vestiging in <strong>Groningen</strong>. Zij is verantwoordelijk<br />

voor de verdere groei en inrichting van de organisatie.<br />

Zij was voorheen staatssecretaris.<br />

Rik Herngreen is adviseur op het gebied van ruimtelijke<br />

kwaliteit. Hij werkt bij het Oversticht en hij is<br />

ook docent. Hij houdt van de eigenwijze burger en hij<br />

schrijft erover.<br />

Siepie de Jong was staatssecretaris en burgemeester.<br />

Ze is voorzitter van Landschapsbeheer Nederland.<br />

Dat is een grote organisatie met duizenden vrijwilligers<br />

die met de provincie samenwerkt en prachtige<br />

dingen doet.<br />

De voorzitter wil het komende uur laten bewegen in<br />

de richting van een slotpassage van dhr. Luiten waar<br />

het heel erg over de provincie gaat: waarop concentreren,<br />

selectiviteit, etc. Plankadering, planvorming,<br />

plantoetsing. Doorgeefluik of inrichter. Daarvoor zal<br />

kwaliteitsborging aan de orde komen, een onderwerp<br />

waar men geweldige ruzie over kan maken. De voorzitter<br />

vond dat dhr. Luiten er een extreme positie in<br />

betrok. Daaraan voorafgaand zal worden gesproken<br />

over het begrip ‘collectief goed’ teneinde de betekenis<br />

van dit begrip uit te diepen, vooral in de dynamische<br />

notie van landschap. Voorts wenst dhr. In ’t Veld het te<br />

hebben over nurture and nature, de verhouding van<br />

de drie doelstellingen die de werkgroep al noemde:<br />

behoud, herstel en ontwikkeling. Een tussenstuk zal<br />

gaan over de verhouding tussen landschap en landbouw.<br />

Iemand uit het publiek geeft aan een definitie<br />

van kwaliteit van de leefomgeving gemist te hebben.<br />

Als er iets rommelig is, is het wel het landelijk geformuleerd<br />

beleid. Ze gebruiken een geweldig aantal definities<br />

die voor velerlei uitleg vatbaar zijn, c.q. begrippen<br />

die niet goed gedefinieerd worden. Het kan dus<br />

niet anders dat er een rommelig beleid uit voortkomt.<br />

De voorzitter zal trachten dit binnen het tijdsbestek<br />

aan de orde te laten komen.<br />

Mw. Van der Laan (TCN) zou graag de dilemma’s op<br />

tafel hebben.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) antwoordt dat de wereld uit<br />

dilemma’s bestaat, althans in Europa.<br />

Mw. Van der Laan (TCN) acht het een groot dilemma<br />

in de keuzes die je maakt, op welk bestuurlijk niveau<br />

dan ook, van de verschillende afwegingen die je moet<br />

maken. Het gaat nu erg over de inhoud en kwaliteit,<br />

maar die zal permanent in gevecht zijn met heel andere<br />

belangen die spelen en die kwaliteit onder druk<br />

zetten, ongeacht hoe kwaliteit wordt gedefinieerd.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) noemt landschap als collectief<br />

goed. De tragedie van de gemeenschappelijke<br />

weide is daar nauw mee verbonden, het idee dat egocentrische<br />

mensen dat collectieve goed niet vanzelf<br />

produceren maar daaraan gaan zitten knabbelen met<br />

hun eigen belangen en dat er een actor nodig is, een<br />

eenheid, een overheid die zich wel garant stelt voor<br />

het collectieve karakter van dat goed die eigen belangen<br />

overstijgt, die egocentriciteit compenseert en ten<br />

slotte een resultaat produceert waarbij iedereen beter<br />

af is dan wanneer men de eigen belangen hadden nagestreefd.<br />

Dat is de theorie van het collectieve goed.<br />

De prachtigste oplossing is natuurlijk al door Domela<br />

Nieuwenhuis gegeven: word altruïst, want dan bestaat<br />

die tragedie van de gemeenschappelijke weide<br />

niet meer. Zo ver is men echter nog niet. De overheid<br />

heeft op dat punt derhalve een plicht. Het landschap<br />

is gedefinieerd als een collectief goed. Wellicht is er<br />

een precisering op zijn plaats. Mw. Van der Tas wil<br />

hier wellicht iets over zeggen, want het is verbonden<br />

met de discussie over kwaliteit die in de VROM-raad<br />

nog voortwoedt. De kernnotie van landschappelijke<br />

kwaliteit, waarover gaat dat dispuut in de VROM-raad<br />

75<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


nog? Het is algemeen bekend dat kwaliteit niet iets<br />

is van het object of van het subject, maar iets tussen<br />

object en subject. Het gaat over verwachtingen. Wat<br />

is er nu zo spannend in de VROM-raad?<br />

Mw. Van der Tas (VROM-raad) zou liever spreken<br />

over wat spannend is in <strong>Groningen</strong>. Het gaat natuurlijk<br />

over definiëring, maar het gaat ook vooral over de<br />

vraag hoe je de borging van kwaliteit organiseert.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) merkt op dat dit onderwerp<br />

later aan bod zal komen. Er werd gezegd dat er slordig<br />

wordt gedefinieerd, waardoor het beleid ook slordiger<br />

wordt.<br />

Mw. Van der Tas (VROM-raad) acht dit niet van belang.<br />

Het gaat in essentie – en daarom is het interessant<br />

dat provincies zich deze vraag zelf stellen<br />

– om de vraag wat men het provinciaal belang vindt.<br />

Men kan zich voorstellen dat iemand uit Zuid-Limburg<br />

lang niet zo goed in staat is om het provinciaal belang<br />

van <strong>Groningen</strong> te definiëren, want dat is toch in<br />

tijd en plaats bepaald, iets wat dhr. Luiten al aangaf.<br />

Daarin dient men vooral vooruit te kijken. Je weet nu<br />

wat je hebt, je ziet ontwikkeling op je afkomen. Hoe<br />

wil je met die ontwikkelingen omgaan? Gelukkig leeft<br />

men niet in een openluchtmuseum. Te zien is dat er<br />

zich elke keer ontwikkelingen voordoen, bestuurlijke<br />

vragen. Hoe wil men die bestuurlijke vragen begeleiden<br />

en hoe wel men de kwaliteiten daarin borgen?<br />

Dan gaat het om de Groningse kwaliteiten. Daar is de<br />

werkgroep naar op zoek.<br />

Mw. De Jong (Landschapsbeheer Nederland) geeft te<br />

kennen een praktische inslag te hebben vanuit haar<br />

gemeentelijk werk en vanuit Landschapsbeheer. In de<br />

stukken ter voorbereiding van deze bijeenkomst las<br />

zij het verhaal over aan de keukentafel met mensen<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

76<br />

dingen bedenken. Dat is exact wat gemeenten kunnen<br />

doen. De gemeente Leek had een landschapsontwikkelingsplan<br />

samen met de gemeente Grootegast.<br />

Dat is in dorpshuizen, aan keukentafels a) vorm<br />

en inhoud gegeven; b) uitgevoerd met die mensen in<br />

een volgorde die zij zelf bepaalden.<br />

De mensen werd gevraagd wat ze het belangrijkst<br />

vonden. Een collectief goed heeft altijd te maken met<br />

wat mensen voelen en denken, wat mensen beleven.<br />

Voor de gemeente ligt er een extra verantwoordelijkheid.<br />

Het is heel spannend om die exercities te doen,<br />

om te definiëren wat zij aan beleid hebben. Je moet<br />

het dus expliciet maken op je begroting. Landschap<br />

is vaak een afgeleide. Er wordt verevend en dan blijft<br />

er ook nog wat geld over voor landschap. Er wordt<br />

geen sluitende exploitatie gemaakt, want er moet ook<br />

nog wat voor landschap overblijven. Op het moment<br />

dat het tussen je oren zit dat het altijd iets is wat met<br />

geld dat over is, bekostigd moet worden, zit het ook<br />

niet voor in je hoofd. Je moet het dus zichtbaar maken,<br />

je moet het voor in je hoofd zetten en je moet<br />

focussen op inrichting. Er is al zo veel geschreven en<br />

gedaan. De waarden en de geschiedenis zijn bekend.<br />

Het gaat erom wat je ermee wilt voor de toekomst.<br />

Dan kom je in <strong>Groningen</strong> in het buitengebied aan de<br />

keukentafel ook boeren tegen die belangrijke rollen<br />

spelen in het bedrijfsleven en die heel goed weten<br />

wat er aan schaalvergroting komt en die neerleggen<br />

wat zij willen, maar die ook best mee willen denken<br />

over perceelsranden en kwel boven brengen en de<br />

vraag of er een fiets- of wandelroute door kan.<br />

Het is spannend op het moment dat je je heel erg gaat<br />

bezinnen op de inrichting en met wie je dat doet. Dan<br />

wordt het ook een collectief goed. Mw. De Jong vindt<br />

dat de politiek het voorbeeld moet geven door het in<br />

de begroting te zetten als een apart ‘nummer’, door er<br />

expliciet aandacht aan te besteden. Men maakt zich,<br />

zeker vanuit het collectieve goed, te afhankelijk van


allerlei bronnen waaruit men geld bijeen sprokkelt.<br />

Dat helpt niet voor de continuïteit, voor het structureel<br />

aanpakken. Er zijn prachtige rapporten, Landschapsbeheer<br />

Nederland maakt ook prachtige uitgaven,<br />

maar het komt neer op het heel praktisch bezig zijn.<br />

Dan wordt het collectief.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) wenst in te gaan op de<br />

vraag wie de stakeholders zijn. Beginnen bij het basisbestuur<br />

op gemeentelijk niveau lijkt de suggestie<br />

in te houden dat mw. De Jong denkt dat de inwoners<br />

van de gemeente dan ook de stakeholders zijn. Er<br />

zijn echter meer stakeholders.<br />

Mw. De Jong (Landschapsbeheer Nederland) merkt<br />

op dat zo-even gezegd werd dat het proces belangrijk<br />

is. Dat klopt, want in het proces maak je stakeholders.<br />

Daar leg je de verantwoordelijkheden. Wat<br />

een gemeente erg nodig heeft, is dat de provincie een<br />

partner is. Begin jaren ’90 wilde men ook wat onder<br />

de bodem zat meenemen in het landschapsontwikkelingsplan,<br />

het landschapsbeleidsplan, ook de milieukwaliteiten.<br />

Daar kreeg men eigenlijk geen steun van<br />

de provincie voor, want het ging toch vooral om wat<br />

je zag.<br />

Als je biodiversiteit verwaarloost, is dat ook heel slecht<br />

voor het landschap, want soorten dragen vaak het<br />

landschap als je het hebt over natuur en ecologie.<br />

Je hebt op beslissende momenten partners nodig. De<br />

provincie zou zo’n partner moeten zijn, omdat zij ook<br />

over de gemeentegrenzen heen – en dat gebeurt ook<br />

bij het POP, er zijn stuurgroepen voor de verschillende<br />

regio’s – de partner is om dat mee in de gaten te houden.<br />

Je maakt stakeholders in een proces. Dat kan<br />

heel verschillend zijn. Landschapsbeheer Nederland<br />

probeert een pilot op te zetten hoe men de jongere<br />

generatie bewust kan maken van waar ze wonen en<br />

leven en hoe men probeert ze daarin verantwoorde-<br />

lijkheid te geven. Er wordt gewerkt met heel veel vrijwilligers,<br />

misschien worden de jongeren vrijwilliger.<br />

Landschapsbeheer Nederland doet bijvoorbeeld mee<br />

in maatschappelijke stages. Je probeert mensen aan<br />

je te binden.<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

vraagt mw. De Jong of zij het idee heeft dat de kwaliteitsvermindering<br />

die zich volgens velen voordoet<br />

in het landschap, in evenwicht wordt gehouden door<br />

de inspanningen van Landschapsbeheer Nederland.<br />

Of is men druppels op gloeiende platen aan het laten<br />

vallen?<br />

Mw. De Jong (Landschapsbeheer Nederland) denkt<br />

dat het op sommige punten heel goed gaat, maar zij is<br />

somber over de weidevogels. De weidevogels hebben<br />

een bepaald soort landschap en een bepaald soort<br />

landbouw nodig. Het gaat niet goed. Op Europees niveau<br />

wordt dat geïnventariseerd. De agrarische natuurverenigingen<br />

zijn heel goed, maar mw. De Jong<br />

vindt dat men landbouwers meer moet belonen voor<br />

het landschap en dus ook meer kwaliteit kan vragen.<br />

Onderzoek uit Wageningen laat zien dat het niet voldoende<br />

zoden aan de dijk zet. Het komt ook omdat<br />

– dat blijkt ook uit alle onderzoeken naar inkomen van<br />

boeren – het zo marginaal is wat zij krijgen voor hun<br />

maatschappelijk beheer, dat het welhaast overvragen<br />

is als je volstrekt professionele kwaliteit vraagt.<br />

Je moet dus altijd de afweging maken of je het met<br />

de landschapseigenaren doet – dat kunnen ook rijke<br />

buitenlui zijn in mooie landhuizen – of ook met professionele<br />

organisaties. Dat moet je per keer goed afwegen.<br />

Een overheid heeft daar verantwoordelijkheid<br />

en moet niet van tevoren denken dat er al iemand is<br />

die zich meldt en dat de overheid het dus niet hoeft te<br />

doen. De kwaliteitstoets van wat je wilt bereiken moet<br />

je heel helder hebben.<br />

77<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Dhr. In ’t Veld (voorzitter) wenst het woord te geven<br />

aan dhr. Prins die al een paar keer als ‘soort’ is ingevoerd<br />

– stakeholder, boer, landschapsbeheerder.<br />

Mw. De Jong schetst een beeld dat de gemeenten<br />

aan de slag moeten en de provincie een partner dient<br />

te zijn. Men zou ook nog kunnen denken aan de omringenden<br />

als partner naast de provincie. De voorzitter<br />

vraagt hoe de stakeholder-positie in de levendige<br />

processen wel of niet gestalte krijgt.<br />

Dhr. Prins (melkveehouder) geeft te kennen hier wel<br />

een uur over te kunnen spreken. Te zien is dat het<br />

beleid – waar dhr. Prins een groot voorstander van<br />

is – achter de feiten aanholt. Je zoekt dus naar een<br />

nieuwe balans.<br />

Tot nu toe was het steeds zo dat op het platteland<br />

de ondernemer centraal stond. In het algemeen was<br />

dat de agrariër. Nu zie je dat die omgeving veel meer<br />

centraal gaat worden en dat je zoekt naar een nieuwe<br />

balans tussen de omgeving, de ondernemer, zijn onderneming<br />

en tussen het onderwijs en bijvoorbeeld<br />

het onderzoek en overheid. Hoe krijg je die nieuwe<br />

balans? Als je aantrekkelijk voor elkaar bent. Als dit<br />

het uitgangspunt is, wil dhr. Prins graag melken in het<br />

Groninger landschap, maar wel binnen de voorwaarden<br />

of het gewenst zijn van die omgeving. Dat houdt<br />

ook in dat je daar met elkaar een invulling aan gaat<br />

geven. Dan zal de overheid daarin moeten faciliteren,<br />

coachen om de goede randvoorwaarden te scheppen.<br />

Die randvoor¬waarden dienen niet te strak te<br />

zijn, anders verdrinkt men in de regelgeving. Vanochtend<br />

was dhr. Prins in Friesland. De Friezen zeiden<br />

dat zij wensten dat zij in <strong>Groningen</strong> waren, omdat er<br />

daar iets aan wordt gedaan wat dit betreft. In de beleving<br />

van dhr. Prins echter nog niet ver genoeg. Men<br />

dient nog veel meer pro-actief te gaan kijken wat er<br />

staat te gebeuren. Er zijn best goede studies, maar<br />

die moeten ook worden gecommuniceerd.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

78<br />

Dhr. Herngreen (Oversticht) denkt dat het pleidooi<br />

van mw. De Jong voor het systematisch ondersteunen<br />

van organisaties als Landschapsbeheer op zich<br />

heel belangrijk is, ook voor het levend houden van<br />

noties over het landschap en de samenleving. Tegelijkertijd<br />

denkt hij – en daar voelt hij erg met dhr. Luiten<br />

mee – dat de grote investeringsimpulsen in het<br />

landelijk gebied, en dus ook de grote transformaties,<br />

uit heel andere hoek komen en dat er veel meer geld<br />

mee gemoeid is. De uitdaging zit niet zozeer in het<br />

geld steken in een landschap als landschap, maar in<br />

de vraag hoe je de provincie beter maakt met behulp<br />

van die investeringsstromen in rood, blauw, groen, en<br />

dergelijke.<br />

Men kan wel roepen dat de provincie <strong>Groningen</strong> fantastisch<br />

is, maar als wordt gekeken naar de toekomst van<br />

<strong>Groningen</strong> – en die ligt economisch gesproken heel erg<br />

in een kennis- en innovatie-economie –… Bovendien<br />

ligt <strong>Groningen</strong> perifeer. Dat betekent dat <strong>Groningen</strong> het<br />

moet hebben van een uitzonderlijke aantrekkelijkheid<br />

voor de vestiging van mensen en bedrijven. Als je dan<br />

naar <strong>Groningen</strong> kijkt en ziet hoe slecht het landelijk ge-


ied ontsloten is voor mensen die daar willen zijn en<br />

rondkijken, als je ziet hoeveel slechte randen er zijn,<br />

hoeveel akelige ruimtelijke situaties…<br />

Op het moment dat je eerst al die situaties in de provincie<br />

goed inventariseert en je kijkt hoe je die zou<br />

kunnen verhelpen met woningen, infrastructurele<br />

voorzieningen, blauw en groen, zul je merken dat het<br />

beschikbare investeringsprogramma – bijvoorbeeld<br />

koopkrachtige vraag naar woningen – niet genoeg is<br />

om dat effect te bereiken. Op dat moment ga je op<br />

een heel andere manier naar die opgave kijken dan<br />

wanneer er nog zoveel woningen gebouwd moeten<br />

worden en men besluit het op de minst schadelijke<br />

plek te doen. Dat is twee keer zonde, want je maakt<br />

weer iets akeligs en je mist een kans om een heel<br />

kostbaar instrument om de wereld beter te maken, in<br />

te zetten waar dat zou moeten.<br />

Wat dat betreft zou men een voorbeeld aan de geschiedenis<br />

kunnen hebben, want als je de cultuurhistorie<br />

goed leest en goed bekijkt – zeker in deze<br />

provincie – dan zie je één opeenvolging van momenten<br />

in de geschiedenis waar mensen ongelofelijk trots<br />

waren over het allernieuwste wat ze op dat moment<br />

konden aanbrengen. Dat zijn de mooie dijken die nu<br />

mooi worden gevonden, dat zijn die prachtige boerderijen.<br />

Dat gaat allemaal over trots, over het meest<br />

eigentijdse. De uitdaging is nu niet om schaamtevol<br />

weg te kruipen in een hoekje, maar om met diezelfde<br />

trots de zaken die men nu kan, weer neer te zetten in<br />

relatie tot wat er al is.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) wenst door te gaan op de<br />

kwestie van de stakeholders. Gemeenten, boeren en<br />

buitenlui, organisaties, historische genootschappen,<br />

toekomstgerichte genootschappen. Dhr. In ’t Veld<br />

vraagt mw. Van der Laan of haar type ondernemingen<br />

overal of selectief, vroeg of laat in ontwerpprocessen<br />

stakeholders zijn.<br />

Mw. Van der Laan (TCN) geeft aan dat vanuit de projectontwikkeling<br />

vaak wordt gezegd dat de projectontwikkelaars<br />

Nederland lelijk hebben gemaakt. Nu<br />

is het zo dat er geen steen bovenop de andere komt<br />

zonder dat er twee democratische processen aan<br />

vooraf zijn gegaan, namelijk gemeentelijk en provinciaal.<br />

Meestal is daar een bestemmingsplanwijziging<br />

voor nodig. Het gaat nu heel erg over het groene deel<br />

van het landschap. Dat is een vrij overzichtelijk geheel<br />

waarvan we meestal wanneer we praten over de<br />

definitie van kwaliteit, het doorgaans wel eens zijn.<br />

Een boerderij in een prachtig weiland, vindt iedereen<br />

doorgaans best mooi. Het is niet iets wat snel ter discussie<br />

staat. Wanneer het ter discussie komt te staan,<br />

is als je een bedrijventerrein in dat landschap ziet ontstaan.<br />

Dat wordt vaak uit economische en politieke<br />

overwegingen zeer toegejuicht.<br />

Mw. Van der Laan kent bijna geen enkel mooi bedrijventerrein.<br />

Dan heeft zij het niet over de kwaliteit van<br />

het bedrijventerrein zelf, maar de mate waarin mensen<br />

hun best hebben gedaan om dat bedrijventerrein<br />

in het landschap in te passen. Dat is de kern van de<br />

verrommeling, niet dat er steeds een stukje wordt afgepakt<br />

van dat landschap, maar dat als democratisch<br />

gelegitimeerd de keuze is gemaakt om bedrijvigheid<br />

in een bepaalde regio, stad of dorp mogelijk te maken<br />

– want dat is wat je laat prevaleren boven die<br />

boerderij met die landerijen – er dan niet goed wordt<br />

gekeken naar hoe je dat nu elegant en op een zo harmonisch<br />

mogelijke manier, voor zover een bedrijventerrein<br />

harmonisch in een landschap past, neer kunt<br />

zetten.<br />

Mw. Van der Laan geeft te kennen hier vooral te zitten<br />

met de pet op van ‘Laten We Nederland Mooier<br />

Maken’. Dat is een werkgroep waar twintig wat jonge<br />

of wat minder lang bestaande projectontwikkelaars in<br />

verenigd zijn en die juist dit type debat wil aanzwengelen<br />

om na te gaan wat nu de verantwoordelijkheid<br />

79<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


van die projectontwikkelaar kan zijn in samenwerking<br />

met gemeenten en provincies om te zorgen dat wat<br />

er gebouwd wordt – en er moet gebouwd blijven worden,<br />

je kunt het niet allemaal op slot gooien – in elk<br />

geval goed inpast in de wensen en behoeften van<br />

mensen, zowel esthetisch als functioneel. Een groot<br />

dilemma is het feit dat als er op een bepaald moment<br />

op een kaart is aangemerkt dat daar nog zoveel vierkante<br />

meter bedrijven moet komen, men daarna stopt<br />

men denken. Daar ligt volgens mw. Van der Laan het<br />

probleem: als je praat over ingrepen in het landschap,<br />

dat men als eenmaal de keuze politiek of bestuurlijk<br />

is gemaakt, stopt met denken. Men laat het nog over<br />

aan de Welstandscommissie. Als het een beetje binnen<br />

het bouwbesluit past en er wordt nog gevraagd of<br />

je het niet rood kunt maken in plaats van geel, is men<br />

klaar. Er wordt te weinig in een totaalbeeld gepraat.<br />

Als mw. Van der Laan schetsontwerpen ziet van projecten<br />

van stedenbouwkundige ontwikkelingen, is<br />

het daarnaast altijd wit. Je hebt een tekening, daar<br />

omheen is niets. Er worden voortdurend solodingen<br />

niet in hun omgeving geplaatst, of het nu een nieuwbouwwijk<br />

of een bedrijventerrein of een pandje waar<br />

de Welstandscommissie goedkeuring naar wordt gevraagd,<br />

is, er is nooit iets omheen. Er is een structureel<br />

tekort aan keuzes bij het geval van bebouwing<br />

om het in de totale context en in een kritische noot<br />

te kijken. Nee, de Welstandscommissie kijkt alleen<br />

naar het ene gebouw, of de steen wel klopt en of het<br />

technisch voor elkaar is. Dat is waar de projectontwikkelaar<br />

een belangrijke rol heeft. Dat die in elk geval<br />

om te beginnen de tekeningen aanlevert die dat landschap<br />

in zijn totaal aanschouwen en daarnaast ook<br />

zelf verantwoordelijkheid neemt om een bepaalde<br />

kwaliteitsstandaard – zolang de grondwaarde door<br />

de gemeente vaak niet zo hoog wordt vastgesteld<br />

dat je bijna geen kwaliteit meer kunt leveren, want<br />

dat is een ander dilemma: het levert geld op om te<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

80<br />

bebouwen voor een gemeente. Niet alleen voor de<br />

projectontwikkelaar is het interessant, ook voor een<br />

gemeente. Het levert ongelofelijk veel geld op om een<br />

grasland vol te bouwen. Daar kunnen ze hele zwembaden<br />

van bouwen in de gemeente. Dat is een groot<br />

dilemma waar je voor staat als projectontwikkelaar. Er<br />

moet veel geld uit komen, daar moeten weer wegen<br />

van gebouwd worden, dan gaat de kwaliteit omlaag<br />

en men is alleen maar met elkaar in gevecht hoeveel<br />

geld het oplevert.<br />

Dat is de opgave waar iedereen voor staat op het moment<br />

dat je nieuwe dingen doet. Mw. Van der Laan is<br />

het zeer eens dat je moet kijken hoe je oude problemen<br />

nog weer enigszins kunt gaan oplossen en kunt<br />

herstellen.<br />

Mw. De Jong (Landschapsbeheer Nederland) merkt<br />

op dat zo-even werd gezegd dat de regelgeving niet<br />

te strak dient te zijn. Naar aanleiding van wat mw.<br />

Van der Laan zegt, informeert mw. De Jong hoe men<br />

vanuit de eigen plek de MER-regelgeving beleeft. In<br />

een advies van de VROM-raad moeten bedrijventerreinen<br />

nu werklandschappen heten. Er stond ook in<br />

dat, waar de MER-toetsing niet regionaal plaats vindt,<br />

maar heel beperkt, dit een hinderpaal is – en dat<br />

zullen gemeenten ook voelen – om zaken wat over<br />

grenzen heen te bekijken. Dit is wat onderbelicht. Er<br />

wordt gekeken naar RO, er wordt gekeken naar de<br />

Wet Inrichting Landelijk Gebied, maar ondertussen<br />

dient men in de praktijk dat soort toetsen aan te brengen<br />

en die lopen niet mee in die flexibilisering en die<br />

regionalisering. Mw. De Jong vindt dit een probleem<br />

op rijksniveau.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) acht dit meer een antwoord<br />

dan een vraag. Het probleem is dat het niet goed in<br />

elkaar geschaard is.


Dhr. Herngreen (Oversticht) verklaart dat dit niet zozeer<br />

in de regelgeving zit als wel in de cultuur van de<br />

MER-makers en ook de commissie MER zelf, waar<br />

dhr. Herngreen overigens zelf lid van is. Daar zit een<br />

probleem van een heel nauw, sectoraal kijken en bij<br />

voorkeur heel kwantitatief kijken. Dat is bij een kwaliteitsbeoordeling<br />

een probleem.<br />

Dhr. Prins (melkveehouder) merkt op dat wat er zoeven<br />

werd gezegd over de industrie¬terreinen en het<br />

inplaatsen van nieuwe woningen, hem uit het hart is<br />

gegrepen. Waarom worden er geen duidelijke verbindingen<br />

gelegd met het platteland? Het zou geïntegreerd<br />

moeten worden door verbindingen te maken<br />

met de bewoners van het platteland en die gebieden.<br />

Daarbij moet veel meer worden gekeken welke verkeerskundige<br />

gevolgen dit heeft. Dhr. Prins zou er een<br />

groot voorstander van zijn dat je een vitaal platteland<br />

krijgt waar bewoners zijn die daar werk hebben en<br />

zich steeds minder hoeven te verplaatsen. Dan zijn er<br />

best nog verbindingen mogelijk. Het Agrocenter voor<br />

duurzaam ondernemen wil daar met hen heel graag<br />

over nadenken, hoe zij op het platteland kunnen recreëren,<br />

maar ook hoe boeren bijvoorbeeld energie<br />

aan hen kunnen leveren. Dan krijg je gesloten regionale<br />

gebieden die redelijk uniek zijn. <strong>Groningen</strong> biedt<br />

daar nog heel veel mogelijkheden. Dhr. Prins zou het<br />

over tien jaar een groene provincie willen noemen.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) geeft aan dat het landschap<br />

nu een paar keer over tafel is gekomen als schilderij,<br />

een gesloten geheel, een design. Levend en kijkend<br />

is die begrenzing er echter niet. De lijst van het schilderij<br />

bestaat niet. Mw. Van der Laan sprak zo-even<br />

over lelijke randen. De voorzitter vraagt dhr. Klijn hoe<br />

in zijn vak de hele transitieproblematiek is gevat. De<br />

karakteristieke boerderij met het lommer er omheen,<br />

etc. als kern van een aanzicht, is wel duidelijk. Buiten<br />

dat is er echter ook van alles. Dhr. In ’t Veld vraagt<br />

of die lelijke rand een gevolg is van een gebrek aan<br />

aandacht. Wordt er alleen maar gekeken naar de intense<br />

zaken, waarbij het tussenliggende wordt verwaarloosd?<br />

Dhr. Klijn (landschapsecoloog) legt uit dat in de vakwereld<br />

vaak een achterhaalde, anachronistische manier<br />

van kijken naar landschap is geweest. Men heeft<br />

Nederland altijd ingedeeld volgens de Bijhouwerindeling,<br />

waarbij Nederland zou bestaan uit bepaalde<br />

kenmerkende landschappen. Dat de wereld intussen<br />

al vijftig jaar verder was en dat Nederland een vlekkerigheid<br />

begon te vertonen die daar helemaal niet<br />

meer mee strookte, is de vakwereld een tijdlang ontgaan<br />

dan wel men deed er heel weinig aan. Inmiddels<br />

is meer bekend: Nederland is enorm dynamisch, er<br />

zijn allerlei kleinere en grotere kernen aan het uitbreiden.<br />

Er zijn nieuwe woorden voor uitgevonden: de<br />

‘beschimmeling van het landschap’, de ‘beschimmelranden’.<br />

Dat geeft tegenwoordig nieuw soort onderzoek<br />

om na te gaan wat er nu precies aan de hand<br />

is en waarom het gebeurt. Dhr. Klijn denkt dat in de<br />

scheiding tussen rood en groen – het planningstelsel<br />

voor bestemmingsplannen buitengebied dan wel<br />

het bebouwde gebied – werd vergeten over de rand<br />

te kijken naar het andere. Dhr. Klijn heeft het gevoel<br />

– pratend over keukentafels – dat je dat op een lokale<br />

schaal met allerlei actoren oplost, dat het schip<br />

dan toch ook wel weer erg begint over te hellen naar<br />

het lagere schaalniveau. Dit is te zien bij gemeenten.<br />

Elke gemeente wil natuurlijk werkgelegenheid, elke<br />

gemeente wil grond verkopen, want dat levert aardig<br />

wat op. Elke gemeente wil een stukje bedrijventerrein.<br />

Als dhr. Klijn dat macro bekijkt, beschouwt hij dit<br />

als waanzin. Het levert eigenlijk overal dezelfde soort<br />

lelijkheid op, gebouw voor gebouw gepland. Er is niet<br />

op een regionaal of een daar nog boven uit stijgende<br />

schaal werkelijk een functionele kijk op de zaak: waar<br />

81<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


is wat nodig en waar kan men met iets anders toe?<br />

Dhr. Klijn sluit op de woorden van dhr. Luiten aan,<br />

de rommeligheid van het hele bestaan – men is het<br />

kompas kwijt, iedereen doet maar wat en kan kleinere<br />

dingen en grotere dingen door elkaar roepen – is wat<br />

dhr. Klijn hogelijk irriteert. Op zijn minst is enige terugkeer<br />

naar wat hiërarchie naast de keukentafelgesprekken<br />

wenselijk.<br />

Dhr. Prins (melkveehouder) vindt het keukentafelgesprek<br />

een uniek middel. Dan moet je echter wel zorgen<br />

dat de hogere overheden daar terdege bij betrokken<br />

zijn. Dit kost natuurlijk mankracht, aan de andere<br />

kant ontstaat er ook een stukje praktisch inzicht bij<br />

de desbetreffende mensen wat er aan die keukentafel<br />

leeft. De boeren hebben het zelf als zeer positief<br />

ervaren. <strong>Provincie</strong>, gemeente, waterschap en andere<br />

instanties waren erbij betrokken.<br />

Mw. Van der Tas (VROM-raad) sluit zich hier zeer bij<br />

aan. De keukentafel geeft een veel meer regionale<br />

betekenis, voorbij het lokale. Daar kan de provincie<br />

van betekenis van zijn. Dan moet echter wel worden<br />

bedacht hoe men deze zou willen invullen. Mw. Van<br />

der Tas waarschuwt voor de maatschappelijke discussie<br />

die plaatsvindt over deregulering en het terugbrengen<br />

van administratieve lasten. Het is niet voor<br />

niets dat er echt discussie is of de wettelijke basis van<br />

lokale welstand niet weg kan, waar Jacques Wallage<br />

een brief over heeft geschreven. Dan is men het hier<br />

wel aan het verkleinen en men is de spierballen aan<br />

het opmaken, maar dat werkt natuurlijk niet.<br />

Je moet met elkaar kwaliteitsnotie gaan ontwikkelen.<br />

Die keukentafel is daarom een prachtige metafoor,<br />

want het betekent dat je het erover hebt, dat men zich<br />

afvraagt wat de opgave in een gebied is. De opgave<br />

in <strong>Groningen</strong> kan zijn een bijdrage te bieden aan<br />

de duurzame energievoorziening, bijvoorbeeld met<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

82<br />

windmolens. Je hebt daar hele debatten over wat dat<br />

betekent voor en in het landschap. Het heeft wel degelijk<br />

ook met gebruikswaarde en toekomstwaarde te<br />

maken. Wind hoort ook bij de kwaliteiten van dit landschap,<br />

het is een open landschap. Hoe benut je dat?<br />

Dan is daar wel degelijk een goede discussie over<br />

te voeren met ondernemers, met mensen die in dat<br />

landschap wonen en werken.<br />

Mw. Van der Tas stelt dat mensen elkaar moeten opzoeken<br />

en spelregels moeten proberen te bedenken<br />

hoe je dan tot resultaat komt. Er is namelijk niets verlammender<br />

dan dat je niet weet wat de spelregels zijn<br />

en er dan ook een amorf resultaat komt. Dan gaat<br />

iedereen naar iedereen zitten kijken wiens schuld dat<br />

is. De gezamenlijke verantwoordelijkheid moet worden<br />

gezocht en gezamenlijk moeten spelregels worden<br />

gedefinieerd. De nieuwe WRO biedt daar prachtige<br />

kansen toe.<br />

Mw. De Jong (Landschapsbeheer Nederland) merkt<br />

op dat <strong>Groningen</strong> een van de eerste provincies was<br />

die een Provinciaal Omgevingsplan had, het integreren<br />

van RO, mobiliteiten, milieu, etc. Zij weet niet of<br />

de omgevingsvergunning in combinatie met de verordening<br />

een oplossing kan geven voor een wat meer<br />

integrale benadering. Mw. De Jong reageerde op de<br />

keukentafel vanwege het collectieve goed, niet omdat<br />

zij die andere niveaus niet heel goed vindt. Er is<br />

bijvoorbeeld een stuurgroep Regio <strong>Groningen</strong>-Assen,<br />

erkend als nationaal stedelijk netwerk. Daar wordt<br />

over de provinciegrens heen met gemeenten – en<br />

het Regiopark <strong>Groningen</strong>-Drenthe is net voorgedragen<br />

bij LNV als pilot – geprobeerd om integraal beleid<br />

te voeren. Het is inderdaad een combinatie van dat<br />

soort zaken. Je moet echter het een doen en het ander<br />

niet laten.


Dhr. In ’t Veld (voorzitter) wenst het punt van selectiviteit<br />

van de provincie aan de orde te stellen. Vind je<br />

dat de provincie op het grondvlak van de keukentafels,<br />

stel dat die zich bevredigend ontwikkelen waarbij<br />

gemeenten en provincie partner zijn, etc. een dekkende<br />

activiteit teweeg moet brengen over de hele<br />

provincie, met alle landschappen, of vindt je dat de<br />

provincie langs criteria die zij nog moet bepalen, bijvoorbeeld<br />

de vijf of vijftien lelijkste en de vijf of vijftien<br />

belofterijkste, een bepaalde groep van landschaporientaties<br />

kiest waar de provincie zich de komende tijd<br />

in samenspraak met alle stakeholders die ertoe doen,<br />

mee gaat bezig houden? Volgens de voorzitter is die<br />

selectiviteit niet eigen aan openbaar bestuur. Openbaar<br />

bestuur is eigenlijk altijd alles doen, behalve Verkeer<br />

en Waterstaat, want die doet nooit alles, die doet<br />

gewoon projecten. RO wil echter altijd alles. Wat is<br />

het advies aan deze provincie, selectief of dekkend?<br />

Mw. Van der Tas (VROM-raad) stelt dat misschien<br />

gekeken zou kunnen worden hoe gemeenten met bijvoorbeeld<br />

lokaal welstands- en ruimtelijke kwaliteitsbeleid<br />

omgaan. Gemeenten kiezen ook vaak voor een<br />

bepaalde zonering. Niet elke plek is even belangrijk,<br />

even kritisch om zaken in te weren of zaken in mogelijk<br />

te maken. Zo kun je landschap wat dat betreft ook<br />

wat nuanceren in een intensievere gebruiksruimte of<br />

een grotere mate van vrijheid en andere zaken waar<br />

je iets kritischer naar kijkt. Je ziet het ook in de cultuurhistorie:<br />

je hebt rijksmonumenten, provinciale en<br />

gemeentelijke monumenten. Dan kijk je ook wat kritischer<br />

als eraan geprutst moet worden. Dan kijken er<br />

meer ogen naar. Zo kan dit ook op provinciaal vlak<br />

helpen om te differentiëren, want niet alles is hetzelfde.<br />

Mw. Van der Laan (TCN) merkt op dat het gaat om<br />

het verschil tussen verleden en toekomst. Als het gaat<br />

om het herstel van het verleden, zou zij vooral heel<br />

selectief zijn. De meest schokkende plekken zouden<br />

aangepakt moeten worden, daarop zou geïnvesteerd<br />

moeten worden. Er zouden keuzes in moeten worden<br />

gemaakt, samen met de betreffende gemeente. Waar<br />

het gaat om de toekomst, zou mw. Van der Laan<br />

vooral niet selectief zijn, maar als provincie <strong>Groningen</strong><br />

een methode willen zien waarin je ‘nee’ zegt als<br />

gemeenten met 10.000 inwoners zo nodig een eigen<br />

bedrijventerrein moet. Dat is heel moeilijk, maar eigenlijk<br />

simpel. Daar hoef je helemaal geen grote plannen,<br />

beeldkwaliteiten en zoneringen voor te hebben.<br />

Je zegt gewoon ‘nee, tenzij’. Tenzij er zo nadrukkelijk<br />

een aantoonbaar bewijs is… Dat is niet selectief, dat<br />

is een onderbouwing neerleggen in de dilemma’s die<br />

je voor het landschap moet nemen op het moment dat<br />

je nieuwe zaken…<br />

Als je groen landschap gaat bebouwen, is het onomkeerbaar,<br />

dat is een heel heftig besluit. Daar wordt<br />

vaak veel te achteloos mee omgegaan onder het<br />

mom van economisch belang en economische groei,<br />

etc. Op het moment dat je juist als provincie op regionaal<br />

niveau toegevoegde waarde wilt hebben, kun je<br />

als provincie de rol nemen om te zeggen dat er 3 km<br />

verderop bij een andere gemeente drie jaar geleden<br />

net een nieuw bedrijventerrein is gebouwd en dat dit<br />

voor deze regio genoeg is. Dat is wat er stelselmatig<br />

in Nederland niet gebeurt. Men gunt die gemeente<br />

op dat moment dat bedrijventerrein, dat geld dat erbij<br />

hoort – want er staan heel grote belangen op stapel<br />

– en je zou gewoon ‘nee’ moeten zeggen.<br />

Dat geldt ook voor uitbreiding van woningbouw. Overigens<br />

is mw. Van der Laan van mening dat liever een<br />

paar hectare meer bebouwd is, maar dan mooi, ruimtelijk<br />

en groen, dan de niet goede keuze van maar<br />

eindeloos blijven verdichten en daardoor een heel<br />

onaangenaam leefklimaat creëren in woonwijken die<br />

het allemaal op de vierkante millimeter leefbaar met<br />

83<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


elkaar moeten houden. Neem gewoon de ruimte.<br />

Mw. Van der Laan heeft liever twee weilanden minder,<br />

maar dan wel een ruim opgezette, groene en kindvriendelijke<br />

woonwijk, dan eindeloze appartementenblokken<br />

om dat deze zo voordelig zijn en het weiland<br />

dat net verderop ligt, uitsparen. Mw. Van der Laan<br />

vindt dat een vraag waar je als provincie een opvatting<br />

over zou kunnen hebben. Op het moment dat je<br />

meer ruimte neemt, is het ook gemakkelijker om die<br />

overgangen in het landschap eleganter en prettiger<br />

weer te geven.<br />

Dhr. Klijn (landschapsecoloog) stelt, aansluitend op<br />

de opmerking aan het begin van het betoog van mw.<br />

Van der Laan, dat de selectiviteit vertaalt in het gemotiveerd<br />

‘nee’-zeggen. Het probleem is dat wanneer je<br />

dat ad hoc doet, het altijd problemen gaat opleveren.<br />

‘Nee’ zeggen kan natuurlijk, maar dan moet je van<br />

tevoren een visie hebben. Er moet dan provinciaal<br />

gezien een beleid zijn dat een aantal kernen geschikt<br />

is om uit te breiden wat bedrijfsgebouwen betreft,<br />

waar de provincie ook voor middelen en instrumenten<br />

zorgt. De provincie moet niet op het moment dat er<br />

weer eens een aanvraag komt heel reactief zijn en<br />

zich afvragen of men dit wel of niet wilde. Het vraagt<br />

dus visie. Het vraagt ook een ruimtelijke visie van de<br />

provincie: dat wil men daar om die en die redenen en<br />

dat wil men daar niét om een aantal andere redenen.<br />

Dhr. Herngreen (Oversticht) is het met dat laatste<br />

eens. Je moet daarbij dan echter vooraf echt op zoek<br />

door een heel goede schouw van de provincie waar<br />

men echt woningbouw zou kunnen gebruiken en<br />

waar men echt bedrijventerreinen zou kunnen gebruiken.<br />

Je moet dus niet ‘gewoon niet’ zeggen. Je moet<br />

af van de gedachte dat al die investeringsprogramma’s<br />

inherent bedreigingen zijn die dan maar op de<br />

slechtste plek moeten, op de plek geplaatst moeten<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

84<br />

worden waar ze het minst kwaad kunnen. Het lijkt dhr.<br />

Herngreen niet verstandig om wat betreft een soort<br />

gebiedendifferentiatie heel selectief te zijn, ook omdat<br />

de aantrekkingskracht van een regio voor vestiging<br />

wordt waargenomen op het schaalniveau van de regio<br />

als geheel. Je kunt met een paar heel rotte plekken<br />

die een beetje vervelend liggen, erg bederven.<br />

Dhr. Herngreen pleit voor een heel ander soort selectiviteit,<br />

namelijk een selectiviteit die inzet op waar<br />

men met investeringsprogramma’s het mooiste resultaat<br />

kan bereiken.<br />

In de tweede plaats, aangezien de middelen maar<br />

beperkt zijn, hoe men met uitlokkende interventies,<br />

met kleine acupunctuur, die samen toch nog een<br />

hoop geld kosten, processen op gang kan brengen<br />

die in de richting gaan – aangevuld met spelregels<br />

natuurlijk – die men wil. Je kunt wel zeggen: dat en<br />

dat gaat er gebeuren en daar wordt een geweldig investeringsprogramma<br />

op losgelaten en dat is er vervolgens<br />

niet en men krijgt het niet georganiseerd. Het<br />

mooie voorbeeld is in de stad <strong>Groningen</strong> de aanleg<br />

van een kleine verbinding over het verbindingskanaal


ij het station die in een keer de hele Folkingestraat<br />

aan de praat gekregen heeft. Dat soort zaken kan<br />

men in het landschap ook doen. Dan bereik je met<br />

minimale interventie, maar wel ontzettend selectief en<br />

precies, heel veel.<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

merkt op dat ruimtelijke kwaliteit een antwoord is op<br />

de eerste vraag die uit de zaal kwam, dat je met relatief<br />

weinig middelen veel effect sorteert. Dat is ook<br />

verbonden aan het pleidooi om de factor tijd goed op<br />

je in te laten werken. Het ontbreekt volstrekt aan enige<br />

kennis en vertrouwen op spontaniteit van processen,<br />

zaken die met een kleine zet in gang gezet worden<br />

en die in de loop der tijd heel gunstig kunnen uitpakken<br />

voor de economie of de scenery van een gebied.<br />

Dhr. Luiten geeft aan ‘van de selectieven’ te zijn. Hij<br />

denkt dat het erg van belang is dat de provincie zich<br />

bezint op de provinciale hoofdstructuur. Hij sluit aan<br />

bij het criterium van mw. Van der Laan, namelijk omkeerbaarheid.<br />

Men is met elkaar veel te druk met het<br />

gedoe over windmolens. Je bouwt zo’n ding en het is<br />

over tien jaar of vijftien jaar afgeschreven en je sloopt<br />

hem weer. Hetzelfde geldt voor glastuinbouw. Dat is<br />

allemaal omkeerbaar, dat kun je weer slopen. Waar<br />

doet men dan zo moeilijk over op het tijdsgewricht<br />

van een paar honderd jaar? Staduitbreiding, materiele<br />

infrastructuur, waterstaatswerken: dat zijn zaken<br />

die je voor de lange termijn met een trage afschrijving<br />

realiseert. Dhr. Luiten roept op zich daar nu eens op<br />

te focussen en niet op elk wissewasje in de wind.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) verklaart zijn hobby van de<br />

kwaliteitsborging even te laten schieten. Er zal een<br />

kwartier worden gepauzeerd. De voorzitter verzoekt<br />

mensen die na de pauze het woord willen voeren, op<br />

te staan en één woord te zeggen. De bedoeling is dat<br />

degenen die ook daarover zouden willen spreken, in<br />

de pauze met deze mensen komen praten.<br />

Vanuit de zaal worden de volgende onderwerpen<br />

genoemd: staduitbreiding <strong>Groningen</strong>-Stad; windturbines;<br />

rondweg; het authentieke landschap; visie;<br />

bouwblokken; provinciale infrastructuur; besturingsfilosofie<br />

en ten slotte: het faillissement van het bestuur<br />

in Nederland.<br />

Pauze<br />

5. Plenaire discussie<br />

Dhr. Peter Bijer (plattelandsondernemer in <strong>Groningen</strong>)<br />

stelt dat men in de provincie <strong>Groningen</strong> ervaringen<br />

heeft met keukentafelgesprekken. Er zit ook een<br />

selectiecriterium in: een bouwblok van minimaal 1,5<br />

ha. Dan mag je meedraaien met het Maatwerkproject<br />

als de gemeente daar goedkeuring voor geeft. Dat<br />

is heel best bevallen. Waarom? Omdat je dan landschappelijke<br />

inpassing kunt combineren met een fraai<br />

bouwsel in het buitengebied. De spreker vraagt of het<br />

niet iets is om standaard te doen en een systeem<br />

van bouwblokken veel meer te laten varen, want dat<br />

werkt vaak beknellend, vooral omdat men tijdens de<br />

keukentafelgesprekken verplicht wordt om wat verder<br />

vooruit te kijken: geen vijf jaar, maar een generatie<br />

vooruit. Daar heb je wat aan. Dan kun je natuurlijke<br />

inpassing maken, dan kun je een boom planten die<br />

niet over twintig jaar omgezaagd hoeft te worden. Het<br />

heeft veel voordelen, daarom zou het breder ingevoerd<br />

dienen te worden.<br />

Mw. Van der Tas (VROM-raad) geeft aan dat de vorige<br />

spreker aansluit bij de nieuwe manier van denken:<br />

proactief in plaats van reactief organiseren van<br />

de ruimte. Van tevoren wordt bedacht wat je nodig<br />

hebt en wat er dan gebeurt.<br />

85<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Het lijkt mw. Van der Tas alleen maar prachtig als<br />

agrarische ondernemers – mensen die er direct belang<br />

bij hebben – daarin willen meepraten. Fixeer niet<br />

allerlei bouwblokken, maar heb het erover du moment<br />

dat je… De provincie gaat nu een structuurvisie<br />

maken en is proactief bezig. Zij moet bedenken hoe<br />

zij met dit soort vragen vanuit de agrarische ondernemers<br />

om zou willen gaan. Misschien is het aardig<br />

om zo’n vraag van een ondernemer eens te laten beantwoorden<br />

door een Statenlid of een gedeputeerde.<br />

Hoe zou de provincie daar nu op kunnen reageren<br />

in zo’n proactievere werkwijze die de nieuwe wet als<br />

mogelijkheid biedt?<br />

Dhr. Herngreen (Oversticht) is het hier helemaal mee<br />

eens. Er zit echter nog een kant aan. Ook in Overijssel<br />

is men bezig met het begeleiden van erfbeplantingsplannen<br />

bij boerderijen. Je moet je sterk realiseren<br />

dat het landschap ook het gezicht is van de mensen<br />

die daar wonen en dat die ook zelf aan hun omgeving<br />

door middel van hun erf moeten kunnen laten zien<br />

wie zij zijn. Binnen de structuur van het landschap<br />

is het persoonlijke ongelofelijk belangrijk. Het betekent<br />

dat een zorgvuldig proactief ontwerp van een erf<br />

waarschijnlijk een veel levendiger en veel menselijker<br />

resultaat oplevert dan een van tevoren precies vastgelegde<br />

regel over hoe dat er allemaal uit zou moeten<br />

zien.<br />

Dhr. Henk Mekel heeft een vraag. Het credo van de<br />

nieuwe WRO is: decentraal wat kan, centraal wat<br />

moet. Dat is over het algemeen een goede zaak. Het<br />

is een goed organisatieprincipe om lagere verantwoordelijkheden<br />

en organisatie daar waar dat kan, neer te<br />

leggen. Het vraagt wel heldere kaders en het vraagt<br />

voldoende deskundigheid op dat lagere niveau. De<br />

spreker heeft ernstige twijfel over die heldere kaders.<br />

De hoofddoelen van de nieuwe WRO lijken prach-<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

86<br />

tig, maar zijn voor velerlei uitleg vatbaar. Duurzaam<br />

en efficiënt ruimtegebruik, wat is dat? Leefbaarheid<br />

waarborgen en vergroten. Verbeteren van ruimtelijke<br />

kwaliteit van stad en land. Alleen al het woordje<br />

‘kwaliteit’ roept van alles op. Kortom, de kaders zijn<br />

niet helder. De ambtenaren zijn er niet of nog niet. De<br />

spreker voorziet een rommelige gang van zaken die<br />

een heleboel geld kost.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) merkt op dat de vraag dus<br />

is of hij gelijk heeft met te voorspellen dat abstracte<br />

kaders een rommelige uitwerking zullen kennen.<br />

Dhr. Prins (melkveehouder) wil hier graag op reageren.<br />

Dat geeft nu juist de ruimte aan een regio om<br />

dat zo in te vullen zoals de regio dat zelf wil. Je moet<br />

dan inderdaad kwaliteit hebben. Laat zo’n proces dan<br />

bijstaan door een landschapsarchitect en laat het bijstaan<br />

door het waterschap, etc. Dan breng je alle geledingen<br />

bij elkaar. Wat je nu ziet buiten <strong>Groningen</strong>,<br />

is dat iedereen maar wat roept: het waterschap vanuit<br />

zijn eigen belang, de natuurvereniging vanuit haar<br />

belang. Iedereen kijkt grauw naar elkaar en begint<br />

te bijten en er gebeurt niets. Dhr. Prins roept op ze<br />

maar eens een dag bij elkaar ‘in het hok’ te stoppen<br />

en ze er pas uit te laten als ze een oplossing gevonden<br />

hebben. Dat werkt. Een voorbeeld is gemeente<br />

Aa en Hunze.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) merkt op dat de vraagsteller<br />

bang is voor rommeligheid. Er wordt terecht opgemerkt<br />

dat die abstracties op regionaal, provinciaal<br />

niveau ingevuld zullen worden. Dat is ook de plicht<br />

van die regionale en provinciale processen. De vraagsteller<br />

met zijn respectabele ouderdom kent natuurlijk<br />

een heleboel verhoudingen in het verleden waarbij<br />

diezelfde abstracties van bestuurslaag naar bestuurslaag<br />

werden doorgegeven zonder concretisering en


zonder vulling, waardoor ten slotte die verrommeling<br />

wel optrad.<br />

Mw. Van der Tas (VROM-raad) denkt dat juist de inzet<br />

is dat de nieuwe WRO kansen biedt. Die kansen moet<br />

men echter wel invulling geven. Die invulling kan prima<br />

gebeuren door tussen schaalniveaus en tussen<br />

partijen het te organiseren. Het nadenken over het<br />

proces is in die zin zeker zo belangrijk als de inhoud,<br />

want men zit er midden in. Iedereen heeft veel wijsheid<br />

over het verleden en over het heden. De toekomst<br />

is natuurlijk niet altijd duidelijk, maar probeer je<br />

ook zo veel mogelijk te grijpen.<br />

Men moet zien daarin verstandige werkprocessen te<br />

organiseren die juist verder gaan dan ieder voor zich,<br />

alleen kijken wat de provincie doet, alleen kijken wat<br />

de gemeente doet, alleen kijken wat het Rijk doet. Je<br />

hebt met elkaar te maken. Men moet elkaars wijsheid<br />

goed weten af te tappen.<br />

Mw. De Jong (Landschapsbeheer Nederland) merkt<br />

op dat de vraagsteller het ook had over de vraag of<br />

er genoeg deskundigheid is. Mw. De Jong geeft aan<br />

ook tot die respectabele ouderdom te horen. Haar ervaring<br />

is dat er steeds meer deskundigheid verdwenen<br />

is. Toen de provincies zich terugtrokken uit het<br />

uitvoerende werk, had je er als gemeente steeds minder<br />

aan. Dat geldt ook op rijksniveau. Mw. De Jong<br />

is circa 21 jaar voorzitter van de Waddenadviesraad<br />

geweest. Zij heeft meegemaakt dat er heel deskundige<br />

ambtenaren waren. Die deskundigheid nam<br />

steeds verder af, het werden steeds meer schrijvers.<br />

Dat is heel lastig. Dit proces van inrichting en de focus<br />

daarop veronderstelt dat je op alle niveaus, hoe<br />

je het ook bij elkaar sprokkelt, deskundigheid hebt. Je<br />

moet elkaar wel verstaan en de focus moet hetzelfde<br />

zijn. Je kunt het misschien ook inhuren, privé of met<br />

andere partners in het veld, maar het is een absolute<br />

noodzaak. Het komt ook doordat de departementen<br />

zijn gaan geloven in projectsgewijs werken, dus de<br />

doorstroming van ambtenaren ging razendsnel. Dat<br />

is heel goed voor hun carrière, maar het was soms<br />

erg vervelend als je met ze moet samenwerken, want<br />

je moest bij elke nieuwe ambtenaar uitleggen wat het<br />

beleid eigenlijk inhield. Er werd gedoceerd, terwijl<br />

er juist samengewerkt moest worden. Mw. De Jong<br />

geeft aan enigszins te chargeren, maar stelt dat iedereen<br />

dat proces herkent. Zij vindt het een absolute<br />

voorwaarde voor de focus op inrichting.<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

voelt zich erg aangesproken door de opmerkingen<br />

over de overheid die alsmaar minder deskundig wordt.<br />

Hij geeft aan er zelf mede oorzaak van te zijn, aangezien<br />

hij is ‘ontsnapt’ aan die rijksoverheid door particulier<br />

te gaan. Hij denkt wel eens, Messiaans als hij<br />

is, dat hij weer terug moet, omdat de deskundigheid<br />

omhoog moet. Het is er echter nog niet van gekomen.<br />

Dhr. Luiten vindt de analyse van de vraagsteller eigenlijk<br />

heel goed. Wat hem bevalt aan het adagium,<br />

is dat het een breuk betekent ten opzichte van het<br />

georganiseerde wantrouwen dat de Nederlandse<br />

RO veertig jaar is geweest – omdat er wantrouwen<br />

is, ging men erop toezien dat men zich gedraagt volgens<br />

zaken die men op een hoger niveau belangrijk<br />

vindt. Dit is daarmee een breuk, wat een goede zaak<br />

is. Het is gezond dat het georganiseerde wantrouwen<br />

wordt doorbroken, maar wat het Rijk heeft verzuimd<br />

te doen, is zelf eerst even nadenken wat nog wel nationale<br />

prioriteiten/klussen zijn waar het Rijk aan moet<br />

werken, omdat het anders niet goed komt. Die zie je<br />

nu tussen wal en schip vallen met alle vervelende<br />

consequenties van dien.<br />

Mw. Lies Oldenhof (raadslid gem. Loppersum) wenst<br />

een voorbeeld te geven dat met beide vorige sprekers<br />

87<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


te maken heeft: het provinciale bouwblokexperiment<br />

dat onder andere dreigt aan de rand van Stedum<br />

waar een mooi oud landschap is. Waar men niet naar<br />

kijkt, is dat het ook honderd mestauto’s per jaar over<br />

smalle wegen oplevert, waar men nu al artikel 12-gemeente<br />

dreigt te worden. Mw. Oldenhof vraagt naar<br />

welke aspecten bij dat experiment wordt gekeken en<br />

wie de leiding heeft over dat experiment.<br />

Dhr. Prins (melkveehouder) is het ermee eens dat die<br />

deskundigheid wegvloeit. Aan de andere kant is zijn<br />

ervaring echter dat door te experimenteren en door<br />

als ambtenaar het veld in te gaan, die ‘gasten’ ook<br />

best iets te leren is. Waar het vaak aan ontbreekt,<br />

is dat er geen communicatie met elkaar is en dat er<br />

eerst plannen gemaakt worden en iedereen dan nog<br />

mag reflecteren. Dan ben je geen goed bestuurder<br />

als je niet op voorhand dat af gaat schieten. Dhr. Prins<br />

zou er een voorstander van zijn dat zodra iemand iets<br />

op het oog heeft, hij de gemeente en de provincie bij<br />

de hand neemt, teneinde met elkaar die zaken tot een<br />

goed einde te brengen. Hij kan een voorbeeld geven<br />

dat het perfect werkt.<br />

Mw. Carla Alma (auteur Noorderbreedte) geeft te kennen<br />

dat dit allemaal waarheden zijn die zij zeer onderschrijft.<br />

Onlangs interviewde zij gedeputeerde Calon<br />

over de nieuwe WRO in het blad Noorderbreedte. Hij<br />

noemde een paar zaken die eigenlijk niet goed uitgekristalliseerd<br />

zijn. Het heeft met deskundigheid te<br />

maken, maar ook met de bestuurslagen te maken en<br />

waar die elkaar raken en waar nu de bevoegdheden<br />

en verantwoordelijkheden liggen. Dhr. Calon zei dat<br />

het College in <strong>Groningen</strong> heel streng gaat kijken naar<br />

verrommeling. Er wordt nagegaan hoe het landelijk<br />

gebied ook bovengemeentelijk aangepakt kan worden.<br />

Toen mw. Alma vroeg hoe het College dit denkt<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

88<br />

te doen en hoe het College met de nieuwe wet in de<br />

hand de gemeenten gaat aansturen, zei hij dat hij<br />

geen zin had om er een stalinistische toestand van te<br />

maken. Eigenlijk is men dus een beetje het zicht kwijt<br />

op waar de bevoegdheden liggen, op wie nu waarover…<br />

Naast de ambtelijke deskundigheid die tussen de<br />

vingers door weggevloeid is, is er ook een heleboel<br />

bestuurlijk onmacht gekomen. Zowel provinciale bestuurders<br />

als gemeentelijke bestuurders kennen niet<br />

meer precies hun kaders en hun posities. Mw. Alma<br />

zou de aanwezige Statenleden of gedeputeerde willen<br />

vragen hoe zij de invulling zien, hoe zij het met het<br />

POP gaan doen, van de nieuwe zoektocht in ruimtelijk<br />

ordeningsland.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) vindt niet dat ze vandaag<br />

antwoord hoeven te geven. Dat mag ook middels<br />

een wijs optreden later. Dhr. Luiten zei in zijn voordracht<br />

aan het slot, toen hij een rijtje van provinciale<br />

benaderingen opsomde, dat hij met betrekking tot de<br />

kwaliteitsborging wel voelt voor de Noord-Hollandse<br />

variant. De voorzitter zag daarbij het woord ‘externe’<br />

staan. Je kunt kwaliteit en kwaliteitsborging natuurlijk<br />

een kwestie van deskundigen noemen, of van externe<br />

experts, maar je kunt ook zeggen dat het dispuut<br />

over kwaliteit eigenlijk het hart van de democratische<br />

dialoog is, waarbij je wel je vermogen om te leren kijken<br />

en te leren onderscheiden kunt aanscherpen met<br />

behulp van deskundigen, maar waarbij ten slotte toch<br />

de vragen zullen moeten worden geformuleerd en beantwoord<br />

door politici in, na en voor die processen<br />

waar voortdurend over wordt gesproken. De externe<br />

als adviseur is in confesso wat dhr. In ’t Veld betreft,<br />

maar de externe als eindbeslisser over kwaliteit lijkt<br />

hem echt een breekijzer ten opzichte van democratische<br />

ontwikkeling.


Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp) is<br />

het met de voorzitter eens. Het gaat ook niet om besluitvorming,<br />

het gaat om advisering. Dat is ook de<br />

invulling van de Noord-Hollandse situatie: dat is één<br />

persoon, de provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit<br />

– in dit geval een vrouw – die in feite gevraagd en ongevraagd<br />

issues op de planologische agenda kan zetten,<br />

de gedeputeerde daar gevraagd en ongevraagd<br />

in kan adviseren, prioriteiten kan aandragen en een<br />

budget krijgt waarvan initiatieven genomen kunnen<br />

worden, voorbeeldplannen kan entameren, maar die<br />

verder geen politieke of bredere maatschappelijke<br />

rekenschap hoeft af te leggen over waar de criteria,<br />

de beweegredenen nu precies uit voortkomen. Dhr.<br />

Luiten vindt dit eigenlijk een heel interessante, vrijgestelde<br />

gesprekspartner die je als openbaar bestuur<br />

heel goed kunt gebruiken, om je gewoon fris te houden,<br />

om dat gesprek dat hier ook 25 jaar lang gedomineerd<br />

is geweest door achteruit kijken, eens een<br />

keer te kantelen. Dat moet je gewoon organiseren.<br />

Als je dat als organisatie niet zelf organiseert, pakt de<br />

geschiedenis je terug.<br />

Mw. Van der Laan (TCN) vindt het een beetje een braaf<br />

gesprek. Men kan het heel lang over kwaliteit hebben,<br />

maar in een ontwikkeling – of het nu een woonwijk is<br />

die moet worden aangelegd of toestemming die moet<br />

worden gegeven voor uitbreiding van x of y – gaat<br />

het uiteindelijk om geld. Als je meer geld hebt, kun<br />

je meer kwaliteit leveren dan wanneer je minder geld<br />

hebt. Mw. Van der Laan heeft zelf in een heel grote<br />

nieuwbouwwijk gewoond van circa 10.000 woningen.<br />

Niemand vond echt dat daar kwaliteit werd geleverd.<br />

Het was een artikel 12-gemeente die geen geld had.<br />

Het gras wordt maar twee keer per jaar gemaaid. Je<br />

kreeg er ongelukken van en je kon er niet eens overheen<br />

kijken. Mw. Van der Laan vindt het gesprek over<br />

die kwaliteit een beetje braaf. Op het moment dat je<br />

meer grond nodig hebt om een bepaald landschap in<br />

te richten, kost dat geld.<br />

Nu kan men natuurlijk roepen dat er voor kwaliteit in<br />

termen van bebouwing en landschapsinrichting altijd<br />

planten kunnen worden gekozen die minder kosten,<br />

etc.<br />

Dhr. Herngreen (Oversticht) merkt op dat wellicht de<br />

buurt meer kan worden ingeschakeld om zijn eigen<br />

omgeving meer te beheren.<br />

Mw. Van der Laan (TCN) vindt dit ook prima, maar<br />

uiteindelijk, in de grote keuzes die voor een bestuur,<br />

een provincie… Een provincie beslist niet over of het<br />

rozen of… Mw. Van der Laan weet dat er gemeenten<br />

zijn die kiezen voor een bepaalde struik, want dat kost<br />

maar twee keer per jaar snoeien. Ze kiezen dan niet<br />

voor een bepaalde, kwalitatief hogere en esthetisch<br />

veel prachtigere beplanting. In een Utrechtse wijk zijn<br />

van die tussenstukken die nu worden geasfalteerd.<br />

Mw. Van der Laan kwalificeert dit als ‘spuuglelijk’.<br />

Zij gelooft niet dat iemand het mooi vindt dat het geasfalteerd<br />

wordt met van die kleine rafelige randjes<br />

van onkruid. Vroeger, toen er geld was, werd er gewoon<br />

een mooie bomenrij neergezet. Dat kost echter<br />

te veel geld. Mw. Van der Laan vindt het een beetje<br />

een braaf gesprek dat het niet op tafel komt te liggen.<br />

Is er bereidheid van een bestuur om financiële consequenties<br />

te trekken uit de ambitie om kwaliteit en<br />

landschap centraal te stellen? Dat is de kernvraag die<br />

mw. Van der Laan graag aan de Statenleden zou willen<br />

meegeven als deskundige. Zij roept op eerlijk en<br />

transparant te zijn over de offers die het bestuur wil<br />

brengen om kwaliteit te borgen en neer te leggen. Dat<br />

je daarna met een aantal inhoudelijke deskundigen<br />

zegt dat je het beter groen, paars of geel kunt maken<br />

en dat je die weg beter zo of zo kunt aanleggen omdat<br />

de zichtlijnen dan beter zijn, moet natuurlijk worden<br />

89<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


gedaan. Mw. Van der Laan denkt dat dat te weinig gebeurt,<br />

dat men of onbewust bekwaam is of achteloos<br />

of compromissen gaat sluiten. De kern van de vraag<br />

is wel binnen welke financiële kaders je de ambitie<br />

hebt geformuleerd. Mw. Van der Laan hoopt niet dat<br />

zij iedereen nu flabbergasted achterlaat, maar een<br />

beetje nuchterheid is wel op zijn plaats.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) vraagt mw. Van der Laan<br />

toch nog even door te vragen, niet om haar in haar<br />

eigen zwaard te laten vallen, maar om het nog helderder<br />

te krijgen. Je kunt vragen: wiens geld? Mw.<br />

Van der Laan zegt dat als je niet bereid bent uit eigen<br />

beurs bij te dragen, het betekent dat andere financiële<br />

stakeholders bepalen wat er gaat gebeuren.<br />

Mw. Van der Laan (TCN) ontkent. Zij bedoelt te zeggen<br />

dat in het samenspel van alle stakeholders – of<br />

het gemeente en provincie onderling zijn, of het een<br />

gemeente/provincie -projectontwikkelaar is, of het gemeente/provincie<br />

- boer, ondernemer is, die gewoon<br />

zijn brood moet verdienen – het uiteindelijk gaat om<br />

de vraag of het er uit kan. Als het een landbouwondernemer<br />

te veel geld gaat kosten om bepaalde zaken<br />

te laten of juist te doen, kan mw. Van der Laan zich<br />

voorstellen dat hij dat niet doet, ook al heeft dat ongelofelijk<br />

veel gevolgen voor de kwaliteit in positieve<br />

of negatieve zin. In haar tijd als staatssecretaris heeft<br />

mw. Van der Laan te maken gehad met het erfgoed<br />

in de bodem. Er zijn heel veel landerijen waar in de<br />

bodem ongelofelijk kostbaar erfgoed zit. Het verzoek<br />

aan de boer was om daar niet meer te ploegen. Dat<br />

kostte hem geld, dus moet die man gewoon gecompenseerd<br />

worden. Als men het belangrijk vindt dat<br />

het erfgoed daar in die grond blijft zitten, dan moet<br />

men daar geld voor over hebben. Dat is kwaliteit, dat<br />

is borgen van kwaliteit van in dit geval iets onder de<br />

grond. Als provincie moet je nadrukkelijk heel heldere<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

90<br />

duidelijke bestuurlijke en politieke uitspraken doen of<br />

men bereid is om de financiële consequenties van<br />

een kwalitatieve ambitie te dragen. Overigens is het<br />

zeer rechtvaardig om te zeggen dat men het liever<br />

besteedt aan iets anders. Het is uiteindelijk een politieke<br />

keuze. Als je eenmaal zegt dat je voor kwaliteit<br />

gaat, kun je met deskundigen heel veel goede discussies<br />

hebben over wat dat dan is.<br />

Dhr. Hennie Groenendijk (provinciaal archeoloog)<br />

geeft te kennen dat de woorden van mw. Van der<br />

Laan hem zeer aanspreken. Hij had iets willen zeggen<br />

over het authentieke landschap. Eerst verklaart<br />

hij echter nooit te zijn weggelopen bij de overheid. Hij<br />

zit nu 29 jaar bij de overheid.<br />

Als archeoloog ben je gewend geraakt aan het feit dat<br />

het steeds minder wordt. Hij vraagt zich wel steeds af<br />

wat nu het originele landschap is. Waar moet men pal<br />

voor staan? Het authentieke landschap is dat wat het<br />

landschap heeft gevormd, de elementen die dat landschap<br />

hebben gemaakt, maar ook het waken erover.<br />

De provincie heeft de euvele moed gehad om een


jaar of twee geleden een notitie te schrijven waarin<br />

men heeft durven zeggen… Er zijn heel veel wierden<br />

in deze provincie. Dat zijn uitermate belangrijke stukken<br />

bodemarchief, maar er wordt ook op gewoond, er<br />

wordt op geboerd, het heeft een geweldige belevingswaarde.<br />

Wat er nog ligt aan afgegraven wierden, is<br />

vaak een ijsbaan. Wat voor visie moet je nu ontwikkelen<br />

als provincie, zonder dat het over geld gaat, als<br />

je ziet dat er in de toekomst steeds meer druk komt<br />

op deze plekken? Het zijn prachtige plekken om te<br />

wonen, maar ook heel mooie plekken om te bewaren.<br />

In gesprek met de mensen in het veld, maar wel als<br />

begeleider op de achtergrond, heeft de provincie gezegd<br />

dat zij moet durven zeggen dat die wierden mogen<br />

worden aangevuld, maar dat die andere wierden<br />

moeten blijven liggen als gehavende wierden – want<br />

dat is ook een stuk historie. Dhr. Groenendijk vraagt<br />

dhr. Herngreen, als groot criticaster van wat er bij de<br />

provincie gebeurt, of de provincie hier nu op de goede<br />

manier proactief is geweest. Of ziet hij dit toch als reactief?<br />

Dhr. Dorresteijn geeft aan geboren te zijn in Amsterdam.<br />

Hij is voor de eerste keer getrouwd in Rotterdam<br />

en hij hoopt begraven te worden in Delfdam. Hij<br />

woont momenteel in Delfzijl. Er komt iets boven <strong>Groningen</strong>,<br />

namelijk een grote zeesluis in de Eemsdelta.<br />

De spreker verklaart dat zijn werk zo geheim is, dat<br />

hij zelf niet weet wat hij doet. Het gaat om een globaal<br />

en aantrekkelijk beeld, waarbij de Eems veilig<br />

en duurzaam wordt ingericht. Momenteel is het een<br />

modderbad. De stappen die daarvoor nodig zijn, zijn<br />

beeldvorming, meningsvorming en besluitvorming. Er<br />

moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan,<br />

namelijk een gezond milieu. Waar het milieu niet<br />

gezond is, mag je namelijk niet bouwen. Aan democratie<br />

– de keukentafelgesprekken die mw. De Jong<br />

aanhaalde – moet verder gestalte gegeven worden.<br />

Verder zal het nodig zijn om uitgebreid te overleggen,<br />

ook met Duitsland.<br />

Mw. X blijft het verwonderen dat het lijkt alsof de ene<br />

overheid niet weet wat de andere doet, terwijl het<br />

haar heel onwaarschijnlijk lijkt dat de provincie <strong>Groningen</strong><br />

niet zou weten wat de stad <strong>Groningen</strong> doet.<br />

Zij blijft zich verwonderen over hoe de gemeente <strong>Groningen</strong><br />

– waar de spreekster met haar uitkering van<br />

afhankelijk is – de gemeentegrenzen tot het uiterste<br />

randje aan het volbouwen is met het slechtst mogelijke<br />

voorbeeld voor de provincie, precies wat er hier<br />

nu gehekeld is: kuubs woonruimte neerzetten en dan<br />

later ontdekken dat er ook nog voorzieningen, groen<br />

of iets met het verkeer, etc. bij zou moeten. Als je van<br />

een boer in de provincie vraagt om de weidevogels te<br />

ontzien, kan hij altijd wijzen naar de stad <strong>Groningen</strong><br />

die zonder blikken of blozen hele weidevogelgebieden<br />

onder bouwt, één van de redenen waardoor de<br />

broedvogelstand terugloopt. Het is niet alleen maar<br />

de inhaligheid van de boeren, maar het is ook verstedelijking.<br />

Dit gaat juist op een manier die precies<br />

alle regels overtreedt die misschien niet wettelijk zijn,<br />

maar waarvan hier nu net is gezegd dat een overheid<br />

of een individu zich daaraan hoort te houden. Volgens<br />

de spreekster is de stad ook een rolmodel voor de<br />

rest van het Noorden. Zegt verder niemand daar iets<br />

van? Fluit niemand hier zo’n grote gemeente terug<br />

dat de stad een wonderlijk voorbeeld geeft voor de<br />

rest van het gezelschap?<br />

Dhr. Y heeft een gecombineerde opmerking aan de<br />

dagvoorzitter als aan mw. Van der Tas. Er werd gesproken<br />

over een aantal nota’s die uitkomen. De dagvoorzitter<br />

is ook president-commissaris van Prorail en<br />

weet dus hoe projectmatig die club werkt. Ten aanzien<br />

van de opmerking over landelijke visies stelt de spreker<br />

dat er een ministerie ontbrak, dat wel feitelijk voor<br />

91<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


de vervoers- en transporthaarvaten te land en te water<br />

hoort te zorgen. Die ontbreekt in alle opmerkingen.<br />

Er zijn hier 90 à 95 mensen die hier alleen het bordje<br />

RO op hun hoofd hebben, terwijl er hooguit drie van<br />

de infrakant zijn. De spreker roept op om vanuit de<br />

VROM-raad meneer Eurlings en zijn beleidvoerende<br />

ambtenaren hun visie te geven en de dagvoorzitter<br />

te vragen om intern het een en ander aan de gang te<br />

krijgen.<br />

Verkeer en Waterstaat heeft landelijk gezien – en dat<br />

werkt door op provinciaal en regionaal niveau – een<br />

visietermijn van 7,5 jaar, ondanks (*172,17 onverstaanbaar)<br />

aanlopen. Sorry, dat ik dit zeg, maar de<br />

Zuiderzeelijn heeft het bewezen!<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) dankt de sprekers. Dhr.<br />

Herngreen zal met zijn lokale en regionale kennis enkele<br />

vragen beantwoorden. Mw. Van der Tas doet de<br />

laatste vraag.<br />

Dhr. Herngreen (Oversticht) wil zich beperken tot de<br />

vraag van dhr. Groenendijk. Hij verklaart in het algemeen<br />

geen criticaster van het provinciaal beleid te<br />

zijn. Het punt van die aanvulling van de wierden vindt<br />

hij een typisch voorbeeld van proactieve verrommeling.<br />

Als nieuwe zaken worden toegevoegd, worden zaken<br />

toegevoegd aan een gelaagd landschap dat in al zijn<br />

gelaagdheid zichtbaar en leesbaar is. Daarbij horen<br />

ook de in het verleden plaatsgevonden hebbende afgravingen.<br />

Dhr. Herngreen denkt dat het belangrijk is<br />

om die zichtbaar te houden, ook als je daar iets mee<br />

doet om die wierden te conserveren, ook als je daar<br />

tegenkrachten die je nodig hebt vanwege grondverschuivingen<br />

bij brengt. Het moet zichtbaar zijn, want<br />

op het moment dat je nu besluit baggerslib dat over is<br />

te gebruiken om de wierde er net zo uit te laten zien<br />

als hij er vroeger uitzag – iets wat nooit zal lukken –<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

92<br />

poets je in de eerste plaats een stuk geschiedenis<br />

weg. In de tweede plaats is er ook nog iets anders,<br />

wat heel erg in de belevingswaarde zit. Als je op dit<br />

moment in <strong>Groningen</strong> een wierde op fietst, voel je letterlijk<br />

aan je kuiten duizend jaar geschiedenis onder<br />

je, want je moet omhoog. Straks weet je het niet meer,<br />

dan ligt er ergens een hoeveelheid baggerslib die er<br />

net zo probeert uit te zien als een oude terp. Daar<br />

komt nog bij dat je ook zou kunnen zeggen dat men<br />

best trots is op de kanalen, de scheepvaart, de infrastructuur.<br />

Daar hoort baggeren bij. Waarom kan er<br />

niet op een goede manier met het baggerslib worden<br />

omgegaan, zodat men weet wat men ermee doet, dat<br />

je het zichtbaar maakt dat het iets van deze tijd is. Dat<br />

is dus ook authenticiteit.<br />

Mw. Van der Tas (VROM-raad) kan de spreker geruststellen:<br />

ook Verkeer en Waterstaat komt met een nota.<br />

Er is ook een Raad voor Verkeer en Waterstaat naast<br />

de VROM-raad en naast de Raad van het Landelijk<br />

Gebied. Iedere nieuwe bewindspersoon komt graag<br />

weer met een eigen nota, behorend bij deze periode.<br />

Het mag natuurlijk helder zijn dat infraonderdelen buitengewoon<br />

belangrijk meebewegen in het landschap<br />

dan wel ingepast worden in het landschap. Het is niet<br />

voor niets dat bij VROM een project loopt over de panorama’s<br />

van de snelwegen. Snelwegen lopen ook<br />

door provincies. Toevallig vernam mw. Van der Tas<br />

anderhalve week geleden dat in de provincie Overijssel<br />

het project van de A1-zone is gestart, waarin met<br />

stelt dat het Rijk zich druk maakt over panorama’s,<br />

maar de provincie ook, want het loopt van Enschede<br />

tot langs Deventer. Er liggen ook gemeenten langs.<br />

Er zijn misschien ook wel agrariërs die langs die…<br />

en bedrijventerreinen. Maar dan arresteer je gelijk dat<br />

als je met iets aan de gang bent, je met heel veel<br />

actoren te maken hebt. Mw. Van der Tas is het met<br />

de spreker eens dat infra absoluut meebeweegt in de


uimte. Dat dient op een goede en verstandige manier<br />

te gebeuren, want iedereen wil mobiliteit, maar aan<br />

de andere kant wil men ook niet dat het onnodig hinder<br />

veroorzaakt. De discussie over de verrommeling<br />

is sterk voortgekomen uit de zichtbaarheid van bedrijvenactiviteiten<br />

langs snelwegen. Dat is de meest<br />

zichtbare aanleiding geworden waarom die hele discussie<br />

over de verrommeling op gang is gekomen.<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

geeft te kennen een binnenpretje te hebben, want hij<br />

vroeg zich af hoe groot die keukentafel moest worden<br />

om het probleem van de A1 op te lossen. Dat is nog<br />

niet zo eenvoudig.<br />

Iets over het magische begrip ‘authenticiteit’. Dhr. Luiten<br />

adviseert de provincie om het niet op te nemen<br />

in het actieprogramma landschap, want het is net zo<br />

fluïde als het begrip ‘landschapskwaliteit’. Je kunt er<br />

wel van alles over zeggen. Dhr. Luiten sluit zich aan<br />

bij dhr. Herngreen. Elke periode kan zijn authenticiteit<br />

voortbrengen. Er is eigenlijk geen vertrouwen meer<br />

in de authenticiteit van de actuele cultuur. Dat is het<br />

grote probleem.<br />

Men is voortdurend aan het terug verwijzen naar periodes<br />

of condities waarvan men niet helemaal zeker<br />

weet hoe het precies zat, maar die waarschijnlijk beter<br />

waren dan de huidige. Dat is natuurlijk de moord<br />

voor de wilsbekwaamheid van welke burger, welke<br />

bestuurder dan ook.<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) wenst in de richting van<br />

de laatste vragensteller een persoonlijke bekentenis<br />

doen. De voorzitter geeft hem eigenlijk gelijk. Wie<br />

de geschiedenis van de Europese spoorwegen kent,<br />

weet dat zij zich vaak honds gedragen hebben en dat<br />

de aanleg van infrastructuur in Nederland eigenlijk in<br />

de afgelopen halve eeuw helemaal is bepaald door<br />

Haagse instanties. Prorail is zich erg sterk van be-<br />

wust dat die oriëntatie om steeds als een konijn in<br />

die Haagse schijnwerper te gaan zitten kijken niet<br />

erg veel toekomstwaarde heeft en dat juist die bewustwording<br />

waarvan deze bijeenkomst een van de<br />

vele getuigen is, dat regionale en lokale overheden<br />

hun hele landschappelijke, ruimtelijke ontwikkeling<br />

nu echt als een passie en als een kern van hun beleidsoriëntatie<br />

gaan beleven, het noodzakelijk maakt<br />

dat Prorail gaat luisteren naar anderen dan naar Den<br />

Haag en gaat praten met anderen dan Den Haag. Dat<br />

is een enorme slag om te maken voor een voormalig<br />

ambtelijk bedrijf. Daar is men mee bezig, het zal nog<br />

wel even duren. Men kan daarbij helpen door veel<br />

met ze te praten.<br />

Dhr. Otto Knotnerus (werkgroep Oldambt) wenst terug<br />

te gaan naar de laatste opmerking van dhr. Luiten,<br />

want dat is essentieel. De zaal zit vol, omdat er grote<br />

zorg is over het Groningse landschap. Hoe je het ook<br />

wendt of keert, het is een historisch gegroeid landschap.<br />

Het landschap is gelaagd. Men mag trots zijn<br />

op de volgende laag. Het punt is dat iedereen ergens<br />

wil wonen en liever niet op straat, maar in een huiskamer.<br />

Veel mensen herkennen het historische landschap<br />

dus op een huiskamerschaal, in tegenstelling<br />

tot een heleboel ontwikkelingen die nu te zien zijn.<br />

De tijd gaat door, die doorgaande tijd is nu juist het<br />

probleem. Waar men naartoe gaat, is een aantal heel<br />

grote bedreigingen voor datgene waar men zich in<br />

thuis voelt. Hoe gaat men tegelijkertijd met die bedreigingen<br />

en kansen om? De verrommeling is voor een<br />

groot deel een kwestie van nieuwe industrieterreinen,<br />

nieuwe woonwijken, maar ook de schaalvergroting in<br />

de landbouw – het gaat niet om 1,5 ha, maar het gaat<br />

over vijftig jaar naar blokken van 5 ha. Wat moet de<br />

provincie gaan doen en wat kan een provincie aan<br />

richtlijnen geven naar gemeenten waar extreem weinig<br />

deskundigheid is? Er wordt wel gepraat over het<br />

93<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


wegvloeien van deskundigheid, maar die lekt niet weg<br />

naar gemeenten. Als de hiërarchische niveaus worden<br />

losgelaten, krijgen de gemeenten nog veel meer<br />

verantwoordelijkheden. Als het wordt georganiseerd<br />

aan de keukentafel op gemeentelijk niveau, is er van<br />

een goed resultaat waarschijnlijk geen sprake meer,<br />

in tegenstelling tot de voortzetting van het schikken en<br />

plooien dat al decennialang te zien was op gemeentelijk<br />

niveau. De provincie heeft hier daadwerkelijk een<br />

reden om zich zorgen te maken. De vraag is wat er<br />

gedaan kan worden.<br />

Dhr. ‘zich Calimero noemend’ geeft aan dat hij afkomstig<br />

is van het Groningse platteland. Daarmee wil hij<br />

het verschil tussen het platteland en de stad schetsen.<br />

Daarom houdt die authenticiteit mogelijk ook<br />

in dat het platteland leger loopt, dat daar niet meer<br />

de combinatie is van schoonheid met functionaliteit,<br />

maar dat het platteland heel monofunctioneel wordt<br />

– vooral wonen, forenzendorpen – en dat alle activiteiten<br />

in de stad plaatsvinden. Is dat de juiste authenticiteit<br />

die men als een extra laag toegevoegd zou<br />

moeten zien aan het landschap? De zich Calimero<br />

noemde heer antwoordt deze vraag zelf ontkennend.<br />

Er moet meer activiteit naar de omgeving, de regio<br />

toe en minder moet er gebeuren in de stad. Laat er<br />

maar een groene gordel om de stad heen komen en<br />

de activiteit meer op het platteland plaatsvinden, dan<br />

ontstaat er een leefbaar platteland met een eigen authentieke<br />

waarde.<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

onthult dhr. Herngreen langer dan vandaag te kennen.<br />

Dhr. Herngreen heeft de beslissing genomen om<br />

op het platteland te gaan wonen, terwijl hij een stadse<br />

keienketser was. De repliek van dhr. Luiten op dit<br />

soort weemoedige bezorgdheden is… Waarom wordt<br />

het in algemene zin geformuleerd?<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

94<br />

Het is evident dat dit alleen maar kan slagen als er<br />

mensen, individuen, gezinnen zijn die deze stap willen<br />

maken. Als ze die stap niet maken, is er geen enkel<br />

instrument om dat te forceren, want dan komt men<br />

ook in Oost-Europese of verder weg liggende situaties<br />

terecht waar men geen zin in heeft. Je zou aan een<br />

provinciale of gemeentelijke overheid kunnen vragen<br />

om in die cyclus op zijn minst een aantal anticyclische<br />

bewegingen uit te lokken.<br />

Dhr. Herngreen (Oversticht) legt uit dat stad en platteland<br />

sociologisch gezien een continuüm is. Er is geen<br />

reëel verschil. Iets anders is dat je wel graag activiteit<br />

op het platteland zou willen hebben. De vraag is hoe<br />

je dat uitlokt. Een van de zaken die dat uitlokt en die<br />

dat hebben uitgelokt in het Noord-Groninger platteland<br />

waar dhr. Herngreen woont, is dat daar geruime<br />

tijd de vastgoedprijzen dusdanig laag waren, dat het<br />

geweldig attractief was voor pionierende ondernemers,<br />

kunstenaars, en dergelijke. Aangezien intussen<br />

de provincie <strong>Groningen</strong> een tijdlang zo draconisch is<br />

geweest met het niet toelaten van dure woningen op<br />

grote kavels dicht bij de stad, is voor een groot deel<br />

die kwaliteit opgerold omdat al die spijtoptanten die<br />

prijzen daar opgedreven hebben. Een deel wijkt nu<br />

uit naar Duitsland. Dat zijn zaken waar je wel degelijk<br />

door een goed ruimtelijk beleid kunt zorgen dat er ook<br />

bedrijfsactiviteit in het landelijk gebied blijft. Dat zijn<br />

niet specifiek agrarische activiteiten, die er ook zijn,<br />

maar vooral min of meer footloose ondernemersactiviteiten.<br />

Dhr. Prins (melkveehouder) verklaart dat hem activiteiten<br />

op het platteland erg aanspreken, want je hebt<br />

namelijk te maken met een schaalvergroting die ook<br />

op het platteland door gaat, waardoor, als dat alleen<br />

door landbouw ingevuld zou moeten worden, er steeds<br />

minder mensen komen te wonen. Je zit met bestaan-


de gebouwen die een andere functie moeten krijgen.<br />

Dhr. Prins pleit ervoor om daar een goede functie aan<br />

te geven, maar er moeten ook kaders voor worden<br />

geschapen hoe je kunt uitbreiden. Voorts dient er heel<br />

duidelijk te worden aangegeven aan iemand die zich<br />

daar vestigt, dat men op een kwetsbare plek gaat zitten<br />

en dat men na die tijd niets meer mag. Het mag<br />

niet zo zijn dat als je daar met een bedrijf met vijf mensen<br />

gaat zitten en het heel goed gaat, en het blijkt dat<br />

er een dubbele loods bij moet… Dan sluit dhr. Prins<br />

sterk aan bij mw. Van der Laan en stelt dat dat niet<br />

kan. Dhr. Prins verklaart voorts geen groot voorstander<br />

te zijn van allerlei industrieterreinen direct tegen<br />

de dorpen aan. Het lijkt namelijk nergens op.<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

oppert de mogelijkheid om een architectuurwedstrijd<br />

te organiseren op zoek naar de beste loods voor de<br />

authentieke Groninger boerderij. Die is er volgens<br />

hem nog niet geweest.<br />

Dhr. Prins (melkveehouder) merkt op dat hier zo’n tien<br />

dagen geleden een symposium was waar inderdaad<br />

door een architectenbureau een goed plan neergelegd<br />

is hoe architec¬tonisch verantwoord grootschalig<br />

gebouwd zou kunnen worden. Dan moet niet alleen<br />

worden gekeken naar hoe de gebouwen er uitzien,<br />

maar vooral ook naar de ‘rommel’ er omheen. Dat<br />

moet ook goed georganiseerd zijn. De provincie heeft<br />

daar gelukkig aan meegewerkt, dhr. Prins doet een<br />

klemmend beroep om daar voortzetting aan te geven<br />

en het verder te gaan invullen. Om deze reden was hij<br />

vanochtend nog in Friesland, waar de loftrompet over<br />

<strong>Groningen</strong> werd afgestoken. Het is echt een pluim op<br />

de hoed van de provincie <strong>Groningen</strong> dat men daar<br />

met elkaar over aan het denken zijn. Nu dient er ook<br />

continuïteit in dat proces te komen.<br />

Dhr. Lucas Dijk meldt dat hij afkomstig is uit Noordhorn<br />

en daar tevens is geboren. Hij wenst twee zaken<br />

naar voren te brengen: geld en projectontwikkelaars<br />

en geld en aanleg van wegen. Mw. Van der Laan zei<br />

dat je een project prachtig kunt aanleggen, met veel<br />

groen. De spreker herinnert zich dat er in de gemeente<br />

waar hij woont op een goed moment een vraag uit de<br />

raad was of er ook sociale woningbouw kan plaatsvinden<br />

in het nieuwe uitbreidingsplan. Het antwoord van<br />

de projectontwikkelaar was dat dit natuurlijk wel kan,<br />

maar dat dan de woningdichtheid omhoog zou gaan.<br />

Daar komt de rol van de projectontwikkelaar naar voren.<br />

Het is gewoon een discussie over geld. Hoeveel<br />

kost het en wat levert het op? Het idee is dat projectontwikkelaars<br />

heel ideologische figuren zijn… Het<br />

zijn gewoon mensen die geld moeten verdienen, zo<br />

simpel is het. Mw. Van der Laan zei dat het een kwestie<br />

van geld is. Toen werd hier een beetje schamper<br />

gelachen, maar het is gewoon een kwestie van geld.<br />

Geld en wegen. De spreker kreeg bijkans een hartklopping,<br />

want de laatste foto van de presentatie van<br />

dhr. Luiten was afkomstig van zijn site. Dhr. Dijk wil<br />

het hebben over de aanleg van wegen. Dhr. Luiten<br />

liet min of meer drie situaties zien: de HSL onder het<br />

Groene Hart, de A4-verlening bij Delft en de rondweg<br />

bij Noordhorn. Ten aanzien van de laatste stelt dhr.<br />

Dijk dat er een goed alternatief is. Dhr. Luiten zei dat<br />

het jammer was dat de HSL onder de grond door gaat,<br />

omdat de Franse reizigers dan niet kunnen kijken naar<br />

het landschap. Als de trein in vervolg boven de grond<br />

zou gaan, wat zouden ze dan zien? Zien ze dan het<br />

Hollands landschap nog? Volgens dhr. Dijk zien ze<br />

dat niet. De mensen die over A4 van Den Haag naar<br />

Amsterdam rijden, zien dan plotseling een groot blok<br />

beton zoals je dat ziet bij Breda. Dhr. Dijk ontboezemt<br />

dit niet fraai te vinden. Bovendien doorklieven wegen<br />

natuurlijk oude landschapsstructuur. Het is dhr. Dijk<br />

niet helemaal duidelijk wat de mening van dhr. Luiten<br />

95<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


hierover is. Hij begreep uit het betoog dat dhr. Luiten<br />

er voorstander van is dat de A4 aangelegd moet worden,<br />

dwars door het landschap heen. Dhr. Dijk polst<br />

of dit klopt.<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

bevestigt dit.<br />

Dhr. Lucas Dijk geeft te kennen de A4 moeilijk te kunnen<br />

beoordelen, omdat hij daar te weinig informatie<br />

over heeft. Er zijn natuurlijk ook andere wegen die<br />

worden aangelegd. Dat doorklieft natuurlijk een oude<br />

landschapsstructuur. Dhr. Dijks informeert of dhr. Luiten<br />

dit dan niet jammer vindt. Als er een alternatief is,<br />

zou je daar toch voor moeten kiezen?<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

antwoordt nieuwsgierig naar authentieke contemporaine<br />

landschappen te zijn. Hij wenst de vraag van<br />

dhr. Dijk met een wedervraag te beantwoorden, namelijk<br />

of het misschien beter is om dan ook het Van<br />

Starkenborgh-kanaal maar dicht te gooien en de oude<br />

structuren weer te herstellen.<br />

Dhr. Lucas Dijk stelt dat hem dit uit het hart gegrepen<br />

is. De economische realiteit is natuurlijk dat dat<br />

niet kan. Overigens, naarmate transport goedkoper<br />

wordt, wordt er meer gecentraliseerd en wordt er verder<br />

gesleept. Dit is te zien aan China, India, etc. Het<br />

Van Starkenborgh-kanaal speelt daar een grote rol in.<br />

Dat is een economische realiteit die waarschijnlijk niet<br />

meer te veranderen is. Daarna dient er natuurlijk wel<br />

te worden gekeken wat er wel mogelijk is en wat het<br />

kost. Dan kom je weer bij geld terecht, want men kan<br />

die weg natuurlijk ook gewoon ergens onderdoor leggen.<br />

De gedeputeerde zegt dat daar niet meer over<br />

wordt gediscussieerd. Het is gewoon een kwestie van<br />

geld. Hij heeft het niet of heeft het er niet voor over.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

96<br />

De vraag is dus: heb je het er voor over of heb je het<br />

er niet voor over?<br />

Dhr. Luiten (hoogleraar cultuurhistorie en ontwerp)<br />

geeft aan dat dit een afweging is die hij niet voor de<br />

provincie kan maken. Als ontwerper – het metier waar<br />

hij nog een beetje op probeert te vertrouwen – gaat<br />

hij ervan uit dat als er besluitvorming heeft plaatsgevonden<br />

over een noodzakelijk geachte verbinding<br />

tussen a en b, hij met collega’s en civiel-techneuten<br />

en misschien nog wat andere mensen in staat moet<br />

worden geacht om daar het best denkbare inrichtingsplan<br />

bij te tekenen. Dhr. Luiten heeft begrepen<br />

dat in de concrete casus van Noordhorn er inmiddels<br />

vier varianten zijn uitgewerkt, met daarbij nog subvarianten.<br />

Hij is op de hoogte van de variant waar dhr.<br />

Dijk zich mee wil afficheren. Dhr. Luiten vindt het van<br />

een behartenswaardige wilsbekwaamheid dat dhr.<br />

Dijk als Noordhorner met de directe omgeving het initiatief<br />

heeft genomen om een tegenbod te doen en<br />

daarmee een gesprek te entameren en op bestuurlijk<br />

niveau te brengen. Dat is alleen maar te prijzen. Dhr.


Luiten is voor de best denkbare inpassing, de mooiste<br />

inpassing, maar hij is niet voor het wegmoffelen<br />

van wegen en hij is überhaupt niet tegen wegen. Het<br />

is geweldig dat ze er zijn en er moeten er meer van<br />

komen, anders loopt men vast. Dhr. Luiten denkt dat<br />

men in staat is om daar ook heel mooie landschappen<br />

bij te ontwikkelen. Dat kost geld.<br />

Mw. Van der Tas (VROM-raad) vult aan dat de WRO<br />

het inpassingsplan bevoegdheid geeft. Dat is een<br />

nieuwe bevoegdheid, vroeger was het alleen aan het<br />

lokale bestuur om een bestemmingsplan te maken,<br />

maar de provinciale overheid kan vooral in de sfeer<br />

van wegen – maar het geldt ook voor de rijksoverheid<br />

– een inpassingsplan gaan maken met in die zin ruimtelijke<br />

doorwerking. Dus ook daar zit wel degelijk weer<br />

een bevoegdheid waar men over na kan denken.<br />

Dhr. Blom (SP) denkt dat verrommeling te maken<br />

heeft met functieverandering van gronden, een bedrijventerrein<br />

waar een woonwijk wordt gebouwd of<br />

een stuk landbouwgrond waar een woonwijk wordt<br />

gebouwd. Dat wordt gauw ervaren als verrommeling.<br />

Stel dat er een projectontwikkelaar is die een 150 m<br />

hoog kantoorgebouw wil neerzetten en er een architect<br />

heeft bij gehaald. Het is een heel mooi gebouw.<br />

Het kan landschappelijk ingepast worden, er gaan<br />

drieduizend mensen werken met veel woonwerkverkeer<br />

erbij. Hij wil dat graag doen op een vrijkomend<br />

agrarisch bouwvlak in de Reiderwolderpolder. Moet<br />

er dan worden gezegd dat hier restrictief beleid gevoerd<br />

moet worden, dat het niet mag, of moet er een<br />

keukentafelgesprek op worden gezet en dan komt<br />

men er wel uit?<br />

Mw. Van der Laan (TCN) verklaart die polder niet te<br />

kennen. Het zal vast een heel prachtige polder zijn. In<br />

dat geval zou mw. Van der Laan het afraden en aanraden<br />

op zoek te gaan naar een andere locatie. Dat<br />

vindt zij ook de verantwoordelijkheid van de projectontwikkelaar.<br />

Het gaat om geld, maar de projectontwikkelaar<br />

moet gewoon de salarissen van zijn mensen<br />

betalen, heel veel mensen worden heel gelukkig<br />

en blij dat ze een baan hebben. Als een projectontwikkelaar<br />

geen winst maakt, staan er heel veel mensen<br />

op straat. Het is gewoon een economische wetmatigheid:<br />

een bedrijf moet geld verdienen. Mw. Van der<br />

Laan vindt wel dat ze geen overmatig geld moeten<br />

verdienen in de zin van dat er een verhouding is.<br />

Over geld verdienen gesproken. De gemeente verdient<br />

aan het uitgeven van geld ongelofelijk veel geld.<br />

De afdrachten die de projectontwikkelaars moeten<br />

doen op het moment dat ze een project hebben – residuele<br />

waarde wordt er dan vastgesteld, dat is een<br />

zwaar onderhandelingstraject… Er gaan miljoenen<br />

naar gemeenten. Voor een project van 5,5 ha staat<br />

een afdracht van € 11 miljoen op het hele project. Daar<br />

worden overigens ook wegen van aangelegd. Maar<br />

het betekent dat de projectontwikkelaar eigenlijk zorgt<br />

voor die wegen, of het project zorgt voor die wegen.<br />

De marktprijs wordt bepaald doordat de gemeente<br />

opbrengst wil voor die grond. Mw. Van der Laan zegt<br />

het die gemeenten niet te verwijten, maar zij wil wel af<br />

van het beeld dat alleen de projectontwikkelaar winst<br />

maakt met de verrommeling van het landschap. Het is<br />

een gecombineerde winst van de projectontwikkelaar<br />

en de gemeente. Mw. Van der Laan geeft een helder<br />

antwoord op de vraag: nee, niet doen, ga op zoek<br />

naar een andere locatie, bij voorkeur op een oud bedrijventerrein<br />

waar meestal zeer lelijke, verpauperde<br />

gebouwen staan. Daar zou men moeten gaan saneren<br />

en investeren.<br />

Dhr. Herngreen (Oversticht) denkt dat het in de regionale<br />

verhoudingen – en zeker in die regio zou dat ongetwijfeld<br />

de grootste folly ter wereld worden –… Het<br />

komt niet vol. De vraag die je steeds moet stellen is<br />

97<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


of het substantieel bijdraagt aan de kwaliteiten die er<br />

zijn. Dat is duidelijk niet het geval. In de tweede plaats<br />

is de vraag of het woningprogramma niet ergens anders<br />

zo ingezet kan worden dat het wel nut heeft en<br />

dat het ook maatschappelijk nut heeft? Dat zijn twee<br />

heel goede redenen om met grote doorzettingsmacht<br />

als provincie te zeggen dat dit soort zaken hier niet<br />

worden gedaan.<br />

6. Samenvatting discussie door de dagvoorzitter<br />

Dhr. In ’t Veld (voorzitter) spreekt zijn dank uit. De<br />

conclusie is dat er behoefte is aan een selectieve<br />

provincie die in staat is om met anderen vele op adequate<br />

schaal gefabriceerde keukentafelgesprekken te<br />

voeren en die als inrichter wil functioneren met behulp<br />

van het uitgebreide instrumentarium dat de nieuwe<br />

wetgeving biedt. Daarbij zijn de inspanningen zoals<br />

tot nu toe geleverd in de provincie <strong>Groningen</strong> buitengewoon<br />

geapprecieerd, zowel van achter de tafel als<br />

vanuit de zaal. Tevens is het besef aanwezig dat het<br />

gesprek niet af is en dat met name de toespitsing op<br />

selectiviteit, op kwaliteitsmaatstaven, op schaal in de<br />

komende periode buitengewoon nodig is om in die<br />

rol van selectieve gewaardeerde inrichter te kunnen<br />

functioneren. De voorzitter spreekt zijn dank uit aan<br />

iedereen.<br />

7. Sluiting<br />

Mw. Schalij (voorzitter werkgroep) gewaagt van een<br />

vermoeiende en lange middag, die echter zeer inspirerend<br />

was. Dat was ook de verwachting. Er werd<br />

enkele keren kritisch in de zaal gevraagd of er niet<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

98<br />

rechtstreeks aan de Statenleden een vraag kon worden<br />

gesteld. Deze sessie vanmiddag was juist voor<br />

de Statenleden bedoeld om nog op een aantal punten<br />

nog meningen te horen, aan de ene kant van<br />

deskundigen en aan de andere kant van mensen uit<br />

<strong>Groningen</strong>. Het is namelijk voor de Statenleden heel<br />

belangrijk als volksvertegenwoordigers om te weten<br />

wat er geadviseerd moet worden aan de collega’s en<br />

wat belangrijke argumenten zijn om mee te nemen in<br />

de POP-discussie. Mw. Schalij heeft gehoord en gezien<br />

hoe men met elkaar in discussie is geraakt. Ook<br />

in de pauze waren er zeer geanimeerde gesprekken.<br />

Er werden inleidingen gegeven die de Statenleden<br />

aan het denken hebben gezet. Mw. Schalij dankt de<br />

dagvoorzitter, de inleiders en de deelnemers aan de<br />

ronde tafel. Zij bedankt de zaal voor de inbreng en<br />

voor alle informatie die toegezonden is. Men heeft<br />

lang telefonisch met mensen gesproken, men heeft<br />

met ze geconverseerd, ze hebben de Statenleden gemaild.<br />

De werkgroep is goed geïnformeerd. De werkgroep<br />

belooft hierbij dat men zal horen wat er straks<br />

geadviseerd zal worden aan de collega’s. Men kan<br />

met de Statenleden gaan kijken hoe het een en ander<br />

uitmondt in het nieuwe POP dat nu wordt gemaakt.<br />

De bijeenkomst wordt gesloten om 17.30 uur.


Cobouw, februari 2008<br />

NRC Handelsblad, 7 februari 2008<br />

99<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Noorderbreedte, november - december 2007<br />

Personeelsblad Gronoloog, december 2007<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

100


101<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<strong>Provincie</strong> Pagina, december 2007<br />

<strong>Provincie</strong> Pagina, februari 2008


Dagblad van het Noorden, 15 januari 2008<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

102


<strong>Provincie</strong>s, april 2008<br />

103<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Dagvoorzitter symposium ‘Blijft <strong>Groningen</strong><br />

Mooi?’<br />

prof. dr. Roel in ‘t Veld is voorzitter van de Raad<br />

voor Ruimtelijk, Milieu en Natuuronderzoek (RMNO).<br />

Daarnaast is hij hoogleraar aan de Open Universiteit<br />

Nederland, hoogleraar Good Governance aan<br />

de Universiteit van de Nederlandse Antillen en lector<br />

Democratie. Ook is hij lid van de Raad van Advies<br />

van Nederland Kennisland en commissaris bij IBM<br />

Nederland, HSK Groep en president-commissaris<br />

bij ProRail. In het verleden was Roel in ’t Veld onder<br />

meer directeur-generaal voor het hoger onderwijs<br />

en wetenschappelijk onderzoek bij het Ministerie van<br />

OCW, staatssecretaris Onderwijs en Wetenschappen<br />

en voorzitter van de Raad van Toezicht van de IBgroep.<br />

Daarnaast was hij decaan aan de Nederlandse<br />

School voor Openbaar Bestuur, rector Sioo, Interuniversitair<br />

centrum voor Ontwikkeling op het terrein van<br />

Organisatie- en veranderkunde. Roel in ’t Veld is als<br />

redacteur verantwoordelijk voor talloze publicaties.<br />

Inleiders symposium ‘Blijft <strong>Groningen</strong> Mooi?’<br />

Marja A.J. van der Tas begon na een Hbo-opleiding<br />

haar loopbaan in de ouderenzorg. Na diverse functies<br />

bij o.a. de inspectie en een werkgeversorganisatie<br />

werd zij in 1992 adj. Directeur bij een woningcorporatie.<br />

Van 1998-2006 was zij wethouder ruimtelijke<br />

ontwikkeling (CDA) in gemeente Apeldoorn gediend.<br />

In die periode trok zij het proces om te komen tot een<br />

ruimtelijke visie in de regio Stedendriehoek. Voor de<br />

VNG was zij voorzitter van de commissie ruimtelijke<br />

ordening en uit dien hoofde actief betrokken samen<br />

met IPO en Unie van Waterschappen bij de onderhandelingen<br />

met het Rijk o.a. over de Nota ruimte. In<br />

de Raad van Europa was zij lid van het congres en<br />

de commissie sociale cohesie. Sinds 2006 heeft zij<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

104<br />

een zelfstandige adviespraktijk TasK 4 You. Zij heeft<br />

zitting in diverse advies colleges: lid van de VROMraad<br />

en voorzitter van de PCFL in Overijssel en van<br />

de Veluwe commissie. Zij is actief in diverse landelijke<br />

besturen waaronder de Stichting Recreatie Toervaart<br />

Nederland, Architectuur Lokaal en Vac-punt Wonen.<br />

In haar woonplaats is zij bestuurlijk betrokken bij verschillende<br />

culturele- en maatschappelijke instellingen<br />

waaronder een hospice en een woningcorporatie.<br />

prof. ir. Eric Luiten is adviserend, publicerend en<br />

docerend landschapsarchitect. Hij is directeur en eigenaar<br />

van adviesbureau Eric Luiten Landschapsarchitect<br />

BNT te Utrecht. Hij werkte tussen 1985<br />

en 1990 bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer<br />

en Visserij in de provincies Gelderland, <strong>Groningen</strong><br />

en Noord-Brabant. Tussen 1990 en 1995 was<br />

hij projectleider bij H+N+S Landschapsarchitecten<br />

in Utrecht. Luiten was medeoprichter van en kernredacteur<br />

voor het tijdschrift Blauwe Kamer en het<br />

Jaarboek Landschapsarchitectuuren Stedebouw in<br />

Nederland en was hij kernredacteur van Landscape<br />

Architecture in Europe. Van 1995 tot 1999 woonde<br />

en werkte hij in Barcelona, Spanje. Tussen 1999 en<br />

2004 is Eric Luiten parttime aangesteld geweest als<br />

hoofd van de opleiding Landschapsarchitectuur aan<br />

de Academie van Bouwkunst te Amsterdam. Tussen<br />

2004 en 2006 was hij parttime adviseur van de directie<br />

van de Dienst Landelijk Gebied. Medio 2005 werd<br />

hij benoemd tot deeltijdhoogleraar Cultuurhistorie en<br />

Ontwerp aan de faculteit Bouwkunde van de TU Delft.<br />

Sinds 2006 is hij curator voor A Wider View over het<br />

Europese cultuurlandschap, een van de manifestaties<br />

van de Internationale Triënnale Apeldoorn 2008. Zijn<br />

ontwerpervaring ligt op het vlak van regionale planvorming<br />

ten behoeve van landschapsontwikkeling, tegen


de achtergrond van actuele verstedelijkingsopgaven,<br />

nieuwe infrastructuur en rurale herinrichting. Recente<br />

projecten zijn onder meer Panorama Krayenhoff<br />

- RuimtelijkPerspectief voor de Nieuwe Hollandse<br />

Waterlinie, Bidbook Floriade 2012 Drechtsteden, Gebiedsvisie<br />

Radio Kootwijk en Masterplan Gelderse Limes.<br />

Door zijn werk aan het regionale landschap van<br />

Nederland is zijn interesse gewekt voor ruimtelijke<br />

ontwerpthema’s die in zijn ogen tot nog toe onderbelicht<br />

zijn gebleven: de landschapsarchitectonische<br />

bewerking van historische topografie, de noodzaak<br />

van selectiviteit op de schaal van de regio en de professionele<br />

en disciplinaire verantwoordelijkheid van<br />

de verschillende vakgebieden, werkzaam in het veld<br />

van de ruimtelijke ordening en inrichting. Eric Luiten<br />

is geregistreerd landschapsarchitect en lid van NVTL<br />

en van ISoCaRP, voormalig lid van de Haagse Welstandcommissie,<br />

voormalig lid van het bestuur van<br />

de Eo-Wijersstichting, lid van de programmaraad<br />

van Kasteel Groeneveld Centrum voor Bos, Natuur<br />

en Landschap, voorzitter van het kwaliteitsteam van<br />

de <strong>Provincie</strong> Zeeland, supervisor bij de ontwikkeling<br />

van landschapspark Lingezegen in de Stadsregio<br />

Arnhem-Nijmegen, lid van het kwaliteitsteam van de<br />

Nieuwe Hollandse Waterlinie, lid van de Commissie<br />

Ruimtelijke Kwaliteit in de gemeente Oss, lid van de<br />

adviescommissie Benoemingen van het Fonds BKVB<br />

en voorzitter van de Stichting NHBOS ter Bevordering<br />

van de Landschapsarchitectuur.<br />

dr. Jan Klijn is landschapsecoloog. Hij werkte na zijn<br />

studie (UvA) in het middelbaar onderwijs, bij TNO, de<br />

werkgroep Noordzee, het ministerie van VROM en in<br />

Wageningen (Alterra/ WUR) als onderzoekscoördinator/senior<br />

onderzoeker. Promoveerde in 1981 op een<br />

geïntegreerde studie van de Nederlandse kustduinen.<br />

Was één van de initiatiefnemers van het Natuurplanbureau.<br />

Hij heeft veel interdisciplinaire studies<br />

gedaan op regionaal, nationaal en Europees schaalniveau,<br />

waarbij altijd het landschap zowel ruimtelijk<br />

kader als toetssteen was. Meer recente studies betroffen<br />

een groot Europees onderzoek met een viertal<br />

scenario’s tot 2030 voor het landelijk gebied van<br />

de EU (de EURURALIS studie; waar hij projectleider<br />

was); hij werkte mee aan een nationale studie t.b.v.<br />

de LNV nota “Kiezen voor Landbouw” om de landschapseffecten<br />

van een veranderende landbouw te<br />

beoordelen. Maakte recent een overzicht van de in’s<br />

en out’s van de landbouwsector in Nederland inclusief<br />

toekomstverwachtingen en de rol van de overheden<br />

(i.s.m. Rabbinge en Slingerland) Recent verscheen<br />

een boekje (met Veeneklaas) over Anticiperend landschapsbeleid;<br />

Drijvende Krachten. Een aantal jaren<br />

terug schreef hij prikkelende columns in het blad<br />

Landschap. Inmiddels is hij met VUT en voert onderzoek<br />

resp. advieswerk uit, zoals bijvoorbeeld als lid<br />

van een internationale commissie die het Portugese<br />

landbouwkundig onderzoek zal doorlichten.<br />

Deelnemers rondetafelgesprek symposium ‘Blijft<br />

<strong>Groningen</strong> Mooi?’<br />

Bram Prins is samen met zijn jongere broers, zoon<br />

en schoonzoon partner in een melkveebedrijven met<br />

vestigingen in Ten Boer en Lellens in Noord-<strong>Groningen</strong>.<br />

Op twee bedrijven melken ze nu een quotum van<br />

2.3 miljoen kg melk vol. In 2005 zijn ze gestart met<br />

een biogasinstallatie, welke duurzame energie produceert<br />

voor 1750 huishoudens. Dit met vooral met materiaal<br />

uit de regio en ook voor de regio. De derde tak<br />

is consultancy, welke volledig door hem wordt gerund.<br />

Als voormalig President van European Dairy Farmers<br />

(1990-2002) heeft hij veel internationale kennis op<br />

mogen doen en dit wordt ook in zijn advieswerk gebruikt.<br />

Sinds 1 januari 2006, runt hij samen met een<br />

Australische collega, de nieuwe wereldwijde club van<br />

melkveehouders Global Dairy Farmers (GDF). Zie<br />

105<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


www.globaldairyfarmers.com Hierbij wordt hij ondersteund<br />

door het Agro-Center (www.agrocenter.nl).<br />

Daarvoor werkt hij dan ook ongeveer 70% van zijn<br />

tijd voor het AgroCenter (onderdeel Wageningen UR).<br />

Daarbij wordt de brug geslagen tussen onderzoek en<br />

praktijk. Hierbij is hij intensief betrokken bij projecten<br />

gericht op een positieve proactieve toekomst van de<br />

landbouw en het platteland. Daarvoor worden o.a.<br />

processen en hulpmiddelen ter verbetering van het<br />

(strategisch- ) management op landbouwbedrijven en<br />

aanverwante activiteiten ontwikkeld en geïmplementeerd.<br />

Ook het Groen Onderwijs is hierbij betrokken.<br />

mr. Medy van der Laan is sinds maart 2007 programmadirecteur<br />

en partner van het bedrijf TCN Property<br />

Projects (www.tcnpp.com). TCN is een jong en innovatief<br />

vastgoedbedrijf met vestigingen in Nederland,<br />

Duitsland, Portugal, België, Turkije, Spanje, Engeland,<br />

Charlemagne, Oostenrijk, Hongarije en Zuid-Afrika en<br />

is actief in heel Europa. TCN heeft ook een vestiging<br />

in <strong>Groningen</strong>. TCN onderscheidt zich door innovatieve<br />

concepten en creativiteit in ontwerp, management<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

106<br />

en financiering. Medy van der Laan is bij TCN verantwoordelijk<br />

voor de verdere groei en inrichting van de<br />

organisatie. Daarnaast is zijn verantwoordelijk voor<br />

de programma’s TCN Public Partner (vastgoedconcepten<br />

voor o.a. onderwijs, cultuur, binnenstedelijke<br />

vraagstukken en jeugdzorg) en Retail/New Urban<br />

(retail, multi-use en binnenstedelijke ontwikkelingen).<br />

Daarnaast is Medy van der Laan namens TCN lid van<br />

de werkgroep ‘Laten we Nederland Mooier Maken’’.<br />

De werkgroep is een denktank van ondernemers uit<br />

verschillende disciplines binnen de vastgoedsector.<br />

Vanuit een persoonlijke betrokkenheid en met professionele<br />

expertise wil deze werkgroep een brede discussie<br />

over ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland op<br />

gang brengen. Van 2003 tot 2006 was Medy van der<br />

Laan staatsecretaris voor Cultuur en Media, inclusief<br />

ICT in het onderwijs. Daarvoor was zij onder meer:<br />

kwartiermaker HRM-Academie Rijk, bij het ministerie<br />

van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,<br />

hoofd/programmamanager van Raac, centrum voor<br />

arbeidsmarktcommunicatie en hoofd van de afdeling<br />

Bestuurlijke, Internationale en Juridische Zaken<br />

van het ministerie van Binnenlandse Zaken (directie<br />

Brandweer en Rampenbestrijding).<br />

dr. Rik Herngreen is senior adviseur ruimtelijke Kwaliteit,<br />

Het Oversticht (landelijk opererende kennis- en<br />

adviesorganisatie op het gebied van ruimtelijke kwaliteit<br />

en ruimtelijk erfgoed); adviseur Kenniscentrum<br />

Noorder Ruimte (Hanzehogeschool en partners,<br />

waaronder Het Oversticht); docent Academie van<br />

Bouwkunst <strong>Groningen</strong>; lid Commissie voor de Milieueffectrapportage<br />

(nevenfunctie). Eerdere functies en<br />

nevenfuncties (volgorde: van 2007 tot 1973) van Rik<br />

Herngreen waren: zelfstandig adviseur en publicist op<br />

het gebied van ruimtelijke kwaliteit, bestuurslid Stimuleringsfonds<br />

Architectuur, bestuurslid EFL-Stichting<br />

(bevordering kwaliteit stedenbouw), senior consul-


tant DHV Milieu en Infrastructuur, redacteur vaktijdschrift<br />

Blauwe Kamer, voorzitter Waddenvereniging,<br />

voorzitter Stichtse Milieufederatie, hoofd van diverse<br />

(natuur)beleidsafdelingen ministeries LNV en CRM,<br />

directeur Groninger Milieufederatie, redacteur Texelse<br />

Courant. Publicaties en projecten: Zeer vele over<br />

zeer uiteenlopende onderwerpen. Tussen 1990 en nu<br />

geleidelijke verschuiving van technische, instrumentele<br />

en beleidsmatige kanten van natuur- en milieuaangelegenheden<br />

naar culturele, filosofische, procesmatige<br />

en operationele kanten van het omgaan met<br />

de menselijke leefomgeving. Perspectief: in zijn werk<br />

gaat Herngreen zoveel mogelijk uit van het volgende<br />

perspectief: de ontplooiing van autonoom, eigenwijs<br />

burgerschap is niet alleen mensenrecht, maar ook<br />

hoeksteen van een levende cultuur die op zijn beurt<br />

noodzakelijkheidsvoorwaarde is voor een<br />

samenleving die economisch, sociaal en cultureel opgewassen<br />

is tegen steeds andere en nooit geheel te<br />

beheersen ontwikkelingen in natuur, technologie en<br />

economie. Autonoom, eigenwijs burgerschap kan alleen<br />

bestaan als burgers daarvoor materieel en immaterieel<br />

in voldoende mate toegerust zijn, over voldoende<br />

fysieke en immateriële ruimte beschikken,<br />

en in die ruimte voldoende aanleidingen (waaronder<br />

ontmoetingen met medeburgers) kunnen vinden om,<br />

letterlijk en figuurlijk, hun positie te bepalen en van<br />

daaruit te handelen. Het bevorderen van die ruimte<br />

(en het beschermen ervan tegen kolonisatie door<br />

machtige commerciële en ideologische spelers) is<br />

(al minstens sinds Thorbecke) de core business van<br />

de overheid. Hoe kan ruimtelijke beleid/ruimtelijke<br />

inrichting/ontwerp daaraan bijdragen of juist afbreuk<br />

doen?<br />

Siepie de Jong was van 28 mei 1973 tot 10 juni 1981<br />

lid van de Tweede Kamer. Gedurende het tweede kabinet-Van<br />

Agt (1981-1982) was zij staatssecretaris<br />

van Volkshuisvesting en RO. In de daarop volgende<br />

twee jaren was zij o.a. actief binnen de WBS-sectie<br />

VRO, werkzaam als voorzitter van de stuurgroep<br />

ORKZ (legalisering woonsituatie na kraak), als lid<br />

van de adviescommissie aan minister Brinkman over<br />

de plaats en functie van het internaatsvormingswerk<br />

binnen de volwasseneneducatie, voorzitter van het<br />

congrespresidium van de Rooie Vrouwen en lid van<br />

het congrespresidium van de Partij van de Arbeid.<br />

Van maart 1983 tot februari 2003 was Siepie de Jong<br />

voorzitter van de Waddenadviesraad. Daarvoor was<br />

zij enige tijd lid van de Natuurbeschermingsraad. In<br />

1984 wordt Siepie de Jong tot burgemeester van de<br />

gemeente Leek benoemd. Deze functie heeft zij per<br />

1 september 2005 neergelegd. Op dat moment was<br />

ze één van de langstzittende burgemeesters in Nederland.<br />

Na haar pensionering bleef ze enkele maanden<br />

aan als waarnemend burgemeester, totdat haar<br />

opvolger werd benoemd. Vandaag de dag is Siepie<br />

de Jong onder andere voorzitter van Landschapsbeheer<br />

Nederland. Dit samenwerkingsverband streeft<br />

naar behoud, beheer en ontwikkeling van een ecologisch<br />

en mooi cultuurlandschap met een streekeigen<br />

karakter. Landschapsbeheer werkt nauw samen met<br />

particulieren, boeren en overheden, die eigenaar zijn<br />

van 80 procent van het Nederlandse buitengebied.<br />

Met haar expertise en duizenden enthousiaste vrijwilligers<br />

levert Landschapsbeheer een bijdrage aan de<br />

verdere ontwikkeling van ons levende landschap. Belangrijk<br />

einddoel is dat mensen zélf aan de slag gaan<br />

met de zorg voor het landschap bij hen in de buurt.<br />

107<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

Mabel Schalij Wim Haasken<br />

PvdA VVD<br />

Voorzitter<br />

Binnert Blom Jochem Abbes<br />

SP CDA<br />

108


Ingrid Mortiers Stieneke van der Graaf<br />

PvdA Christenunie<br />

Wiebe van der Ploeg Teun Jan Zanen<br />

GroenLinks Partij van het Noorden<br />

Piet de Vey Mestdagh Anja Hazekamp<br />

D66 Partij voor de Dieren<br />

109<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Onderstaande verklarende begrippenlijst is ontleend<br />

aan verschillende nota’s en beleidsstukken van overheden<br />

en aanverwante organisaties.<br />

Actieprogramma Ruimte en Cultuur<br />

Het actieprogramma Ruimte en Cultuur bundelt het<br />

architectuur- en Belvedèrebeleid (zie bij Belvedère)<br />

en zorgt voor een meer complete en consistente inbreng<br />

vanuit het cultuurbeleid in het ruimtelijk beleid.<br />

Voor de uitvoering van de meeste ruimtelijke ontwikkelingen<br />

is niet het rijk initiatiefnemer, maar de decentrale<br />

opdrachtgevers en marktpartijen. Met dit actieprogramma<br />

stimuleert het rijk hen om de culturele<br />

component bij ruimtelijke opgaven te versterken.<br />

Architectuur(beleid)<br />

Bij landschapsontwikkeling is het architectuurbeleid<br />

van belang, vooral de aandacht voor gebouwen in<br />

hun ruimtelijke context. Architectonische kwaliteit is<br />

meer dan ‘mooi alleen’. Het gaat ook om een integraal<br />

kwaliteitsbegrip van gebruikswaarde, culturele<br />

waarde en toekomstwaarde.<br />

Beeldkwaliteit<br />

Beeldkwaliteit is een combinatie van twee begrippen.<br />

Het laat zien hoe een element of landschap eruit ziet<br />

en hoe dat element in zijn omgeving staat. Het begrip<br />

kwaliteit duidt op een waardering van de kenmerken<br />

of karakteristieken van het element of het landschap.<br />

Belevingskwaliteit<br />

De belevingskwaliteit wordt gevormd door natuurlijke,<br />

culturele en gebruikskenmerken.<br />

Aspecten die een rol spelen bij het waarderen van de<br />

kenmerken zijn:<br />

110<br />

◦ historisch gegroeide kenmerken van het landelijk<br />

gebied;<br />

◦ het schaalniveau waarop men naar het landschap<br />

kijkt: op iedere schaal is iets anders<br />

waardevol;<br />

◦ de verschillen van gebied tot gebied: streekeigenheid,<br />

gebiedseigen identiteit;<br />

◦ de invalshoek van waaruit men ruimtelijke<br />

kwaliteit beschouwt: belangen van de verschillende<br />

functies, persoonlijke voorkeuren<br />

bijvoorbeeld wat betreft esthetiek;<br />

◦ veranderende opvattingen in de loop der tijd,<br />

bijvoorbeeld ten aanzien van kwaliteit.<br />

Belvedère<br />

Belvedère is een visie op de omgang met cultureel<br />

erfgoed. Hoe kan cultuurhistorie de ruimtelijke ontwikkeling<br />

versterken? En hoe kunnen nieuwe ruimtelijke<br />

functies bijdragen aan behoud van het erfgoed? Motto<br />

van Belvedère is: behoud door ontwikkeling…<br />

Culturele kwaliteit<br />

Culturele vernieuwing, cultuurhistorie en architectonische<br />

vormgeving.<br />

De culturele kwaliteit heeft betrekking op de structuren<br />

en elementen die door menselijk ingrijpen zijn<br />

ontstaan. Herkenning van het verleden en vernieuwing<br />

in het landschap staan daarbij centraal. De<br />

uitdaging is om in plannen en gebieden het juiste<br />

evenwicht te vinden tussen enerzijds het benoemen<br />

en beschermen van cultuurhistorische elementen en<br />

structuren en anderzijds de toepassing van culturele<br />

vernieuwing door herinrichting, het toevoegen van<br />

nieuwe elementen en versterking van kernkwaliteiten.<br />

In een goede integrale gebiedsontwikkeling moeten<br />

beide perspectieven steeds worden gewogen. Dit is<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


een veeleisende opgave, die vraagt om kwaliteit van<br />

(ruimtelijke) analyse en ontwerp.<br />

Cultuurhistorie<br />

Cultuurhistorie omvat bouwhistorie (incl. tuinkunst),<br />

archeologie en historische geografie. Bouwhistorici<br />

houden zich bezig met de gebouwde omgeving. Objecten<br />

van studie zijn bijvoorbeeld kerken, kastelen,<br />

bruggen, sluizen, tuinen en landgoederen. Archeologie<br />

is gericht op het bodemarchief en op bepaalde<br />

zichtbare landschapselementen, zoals hunebedden,<br />

schansen, dijken en landweren. Historische geografie<br />

richt zich onder meer op historische verkavelingspatronen,<br />

wegen, waterlopen, kanalen, nederzettingsstructuren,<br />

dijken, poelen en wielen. Haar aandacht<br />

gaat ook uit naar restanten van vroeger bodemgebruik,<br />

zoals essen, hoogstamfruitboomgaarden, heidevelden<br />

en bebossingen.<br />

Culturele planologie<br />

Inbreng van cultuur bij ruimtelijke ingrepen: als inspirator,<br />

ideeënmachine en kwaliteitsbewaker.<br />

Kernkwaliteiten van het landschap<br />

Landschapskwaliteit wordt door de overheid uitgedrukt<br />

in kernkwaliteiten. Nota Ruimte en Agenda Vitaal<br />

Platteland beschrijven vier algemene kernkwaliteiten<br />

en voor de Nationale Landschappen drie belangrijke<br />

specifieke kwaliteiten, die zijn gerelateerd aan de vier<br />

algemene kernkwaliteiten. De vier algemene kernkwaliteiten<br />

zijn:<br />

◦ de natuurlijke kwaliteit, waaronder kenmerken<br />

met betrekking tot bodem, water, reliëf,<br />

aardkunde, flora en fauna;<br />

◦ de culturele kwaliteit, waaronder kenmerken<br />

met betrekking tot cultuurhistorie, culturele<br />

vernieuwing en architectonische vormgeving;<br />

◦ de gebruikskwaliteit, waaronder de (recreatieve)<br />

toegankelijkheid, bereikbaarheid,<br />

meervoudig ruimtegebruik;<br />

◦ de belevingskwaliteit, waaronder begrepen<br />

ruimtelijke afwisseling, informatiewaarde,<br />

contrast met de stedelijke omgeving, groen<br />

karakter, rust, ruimte, stilte en donkerte.<br />

Landschap<br />

‘Landschap’, een gebied, zoals dat door mensen<br />

wordt waargenomen, waarvan het karakter bepaald<br />

wordt door natuurlijke en/of menselijke factoren en de<br />

interactie daartussen (definitie van de Raad van Europa,<br />

ELC 2000). Het gaat dus aan de ene kant om<br />

een concreet fysiek gebied (objectief, uiterlijk), maar<br />

aan de andere kant tegelijkertijd om een waarneming<br />

door mensen (subjectief, innerlijk). Landschap heeft<br />

betrekking op natuurlijke, rurale, stedelijke en perifere<br />

stedelijke gebieden. Het omvat landgebieden, binnenwateren<br />

en mariene gebieden. Het betreft gebieden<br />

die als zeer waardevol beschouwd kunnen worden,<br />

maar ook doorsnee of aangetaste gebieden.<br />

Ruimtelijke kwaliteit<br />

De meest compacte omschrijving van ruimtelijke kwaliteit<br />

is:<br />

Ruimtelijke Kwaliteit = Gebruikswaarde + Belevingswaarde<br />

= Toekomstwaarde.<br />

Dezelfde waarden zijn aan de orde bij het bepalen<br />

van de ruimtelijke kwaliteit van een straat,<br />

een buurt, wijk of zelfs een regio. Daarbij zullen bij de<br />

verschillende waarden wel steeds andere kwaliteitskenmerken<br />

worden gebruikt. Maar in essentie gaat<br />

het om dezelfde waarden.<br />

De drie waarden kunnen verfijnd worden naar criteria<br />

of kwaliteitskenmerken, zoals:<br />

111<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Gebruikswaarde = doelmatigheid + functionele samenhang<br />

Belevingswaarde = diversiteit + identiteit + schoonheid<br />

Toekomstwaarde = duurzaamheid + aanpasbaarheid<br />

+ beheerbaarheid.<br />

Het gaat er steeds om die aspecten te vinden die<br />

van toepassing zijn voor het project of een gebied in<br />

kwestie.<br />

Verrommeling<br />

Hoewel het begrip moeilijk valt te definiëren, weet iedereen<br />

wel ongeveer wat het inhoudt: het open landschap<br />

wordt verdrongen door ‘bedrijfsdozen’, kassen,<br />

windmolens, autosloperijen, zendmasten, motorcrossterreinen,<br />

campings, boomkwekerijen et cetera. Planologen<br />

spreken van de toename van ‘willekeurige<br />

nieuwe functies rond verouderde agrarische bebouwing’.<br />

Het ogenschijnlijk lukraak toestaan van dergelijke<br />

bebouwing ( met name langs snelwegen en in<br />

de stadsranden) is vaak het gevolg van een keuze<br />

voor de gemakkelijke oplossing, te weinig creativiteit<br />

en gebrek aan coördinatie. Het typisch Nederlandse<br />

open polderlandschap, waarin de geschiedenis nog<br />

af te lezen valt, wordt daardoor letterlijk steeds minder<br />

zichtbaar. De onvrede over verrommeling groeit,<br />

zelf onder projectontwikkelaars.<br />

Verrommeling is vaak een sluipend proces, een onbedoeld<br />

gevolg van het nastreven van verschillende<br />

belangen in plaats van het resultaat van een vooropgezet<br />

plan.<br />

Om de verrommeling - waar mogelijk- een halt toe<br />

te roepen, is gezamenlijke actie nodig van zowel gemeenten,<br />

provincies als Rijk.<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

112<br />

Welstand<br />

Op grond van de Woningwet moet ieder bouwproject<br />

voldoen aan redelijke eisen van welstand. Bij de aanvraag<br />

van een bouwvergunning wordt onder andere<br />

aan deze eisen getoetst.<br />

Deze toetsing gebeurt via een welstandcommissie,<br />

die een advies geeft aan de wethouder. De commissie<br />

vindt hun criteria in een gemeentelijke welstandsnota.<br />

De toetsing mag en moet sinds 2004 alleen<br />

plaatsvinden als een gemeente in bezit is van zo’n<br />

welstandsnota.<br />

Er zijn drie mogelijkheden om de welstandsnota in te<br />

zetten voor landschapskwaliteit:<br />

1. Welstandstoets voor bouwwerken<br />

Met de criteria op grond waarvan bouwplannen getoetst<br />

worden aan redelijke eisen van welstand kan de<br />

welstandsnota zich inzetten voor landschapskwaliteit.<br />

De bebouwing is immers een onlosmakelijk onderdeel<br />

van de landschappelijke opbouw. De welstandstoets<br />

mag niet gaan over ingrepen in het landschap of het<br />

groen zelf. de kansen liggen vooral in het aanscherpen<br />

of verfijnen van bestaande criteria op de gewenste en<br />

bestaande kwaliteit van de bouwwerken.<br />

2. Stimulerend advies (en convenanten) voor<br />

groen en landschap<br />

Het is mogelijk in de welstandnota stimulerende adviezen<br />

voor andere beleidsvelden op te nemen, zoals<br />

landschaps- en groenbeleid. Voor welstand en groen<br />

bieden ook convenanten of ‘voor wat hoort wat -overeenkomsten’<br />

tussen overheid en burgers/ondernemers<br />

mogelijkheden om bepaalde ontwikkelingen te<br />

faciliteren en te sturen.<br />

3. Koppeling aan andere verordeningen<br />

Het is mogelijk de reikwijdte van het begrip ‘redelijke<br />

eisen van welstand’ te verruimen. Dit kan door koppeling<br />

aan andere wettelijke voorschriften dan die bij<br />

of krachtens de Woningwet gelden, zoals:


◦ voorschriften voor de bestemming ‘groen’ in<br />

het bestemmingsplan en<br />

◦ voorschriften van de kapverordening.<br />

Dit wordt ‘verbrede welstand’ genoemd. Bepaalde<br />

aspecten van de welstand van groen en landschap<br />

kunnen zo wettelijk worden beschermd. Bij het vaststellen<br />

van dergelijke voorschriften kan goed gebruik<br />

worden gemaakt van de expertise van de welstandscommissie.<br />

Bronnen:<br />

- Tijd voor kwaliteit, Advies van de Raad voor het Landelijk<br />

Gebied. 2005<br />

- Handreiking kwaliteit landschapvoor provincies en<br />

gemeenten, LNV, 2006<br />

- Landschap ontwikkelen met kwaliteit, LNV, website,<br />

2007<br />

- Werkbank Ruimtelijke kwaliteit, Habiform, website,<br />

2007<br />

- VROM Dossier Verrommeling<br />

113<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Bijeenkomsten<br />

Expertmeeting werkgroep landschap,<br />

12 december 2007<br />

Symposium “Blijft <strong>Groningen</strong> Mooi?” van de werkgroep<br />

Landschap,<br />

30 januari 2008<br />

Organisaties<br />

Afdeling Landelijk Gebied en Water, provincie <strong>Groningen</strong><br />

Afdeling Ruimtelijke Plannen, provincie <strong>Groningen</strong><br />

Landschapsbeheer provincie <strong>Groningen</strong><br />

Literatuur<br />

<strong>Provincie</strong> <strong>Groningen</strong><br />

◦ De toestand van natuur en landschap in de<br />

provincie <strong>Groningen</strong>, provincie <strong>Groningen</strong><br />

2007<br />

◦ ‘Golden Raand’, landschappen van <strong>Groningen</strong>,<br />

Meindert Schroor en Jan Meijering,<br />

2007<br />

◦ Landschappelijk Raamwerk Noord-<strong>Groningen</strong>,<br />

bureau Middelkoop, 2002<br />

◦ Landschappelijk Raamwerk Westerkwartier,<br />

bureau Middelkoop, 2003<br />

◦ Landschapsontwikkelingsplan Noord-<strong>Groningen</strong>,<br />

Arcadis, 2006<br />

◦ Landschapsontwikkelingsplan Oldambt, Wester<br />

wolde en Veenkoloniën, Stuurgroep Oost,<br />

2006<br />

◦ Natuur en landschap, onderzoek naar de effecten<br />

van het natuur- en landschapsbeleid<br />

in de provincie <strong>Groningen</strong>, rapport commissie<br />

Hollenga, 2001<br />

◦ Noorderbreedte, uitgave september/oktober<br />

2007<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!<br />

114<br />

◦ Programma Landelijk Gebied, PMJP 2007-<br />

2013, provincie <strong>Groningen</strong>, 2006<br />

◦ Ruimte, over Ruimtelijke kwaliteit, provincie<br />

<strong>Groningen</strong>, 2003<br />

Landelijk<br />

◦ Achter open deuren, Provinciale regierol bij<br />

gebiedsontwikkeling, Raad Landelijk Gebied,<br />

2007<br />

◦ Belvédère, beleidsnota over de relatie tussen<br />

cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting,<br />

ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke<br />

Ordening en Milieu (VROM), Ministerie van<br />

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV),<br />

Verkeer en Waterstaat, Cultuur, 1999<br />

◦ De Staat van de Ruimte, Nederland zien veranderen,<br />

Rapport Ruimtelijk Planbureau Den<br />

Haag, 2007<br />

◦ Handreiking kwaliteit Landschap, voor provincies<br />

en gemeenten, ministerie van Landbouw,<br />

Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), 2006<br />

◦ Investeren in het Nederlandse landschap.<br />

Opbrengst: geluk en euro’s, ministerie van<br />

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV),<br />

2007<br />

◦ Kijkend naar Nederland, Rapport Ruimtelijk<br />

Planbureau Den Haag, 2007<br />

◦ Landschap ontwikkelen met kwaliteit, ministerie<br />

van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit<br />

(LNV), website, 2007<br />

◦ Op weg naar een mooier Nederland. <strong>Provincie</strong>s<br />

maken het verschil. IPO, 2007<br />

◦ Programma Mooi Nederland, ministerie van<br />

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en<br />

Milieu (VROM), 2007


◦ Ruimtelijke Agenda, debat van de Volkskrant,<br />

voorjaar 2007, www.volksrkrant.nl<br />

◦ Tijd voor kwaliteit, Advies van de Raad voor<br />

het Landelijk Gebied, 2005<br />

◦ Werkbank Ruimtelijke kwaliteit, Habiform,<br />

website, 2007<br />

◦ VROM Dossier Verrommeling<br />

115<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!


Woord vooraf<br />

Inhoudsopgave<br />

Inleiding<br />

Bevindingen<br />

Landschap<br />

Cultuurhistorie<br />

Ontwikkeling<br />

Educatie en communicatie<br />

Discussiepunten<br />

Bijlagen<br />

Inhoudsopgave<br />

1. Wat heeft de werkgroep zoal gedaan?<br />

2. Motie<br />

3. Startnotitie<br />

4. Woordelijk verslag expertmeeting 12 december 2007<br />

5. Woordelijk verslag symposium ‘Blijft <strong>Groningen</strong> mooi?’ 30 januari 2008<br />

6. Diverse artikelen uit de media<br />

7. Cv’s deelnemers 30 januari 2008<br />

8. Samenstelling van de werkgroep<br />

9. Begrippenlijst<br />

10. Bronvermelding<br />

<strong>MOOI</strong><br />

<strong>GRONINGEN</strong>!

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!