Het CBb in 2011 - Rechtspraak.nl
Het CBb in 2011 - Rechtspraak.nl
Het CBb in 2011 - Rechtspraak.nl
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
College van Beroep voor het bedrijfsleven<br />
<strong>Het</strong> <strong>CBb</strong> <strong>in</strong> <strong>2011</strong><br />
<strong>2011</strong>
1. INLEIDING<br />
Dit jaar, zoals aangekondigd, geen boekje met een usb-stick, maar een volledig digitale<br />
uitgave van het jurisprudentiële jaarboekje van het College van Beroep voor het<br />
bedrijfsleven.<br />
Natuurlijk zijn vrijwel alle uitspraken van het College te v<strong>in</strong>den op www.rechtspraak.<strong>nl</strong>,<br />
maar gebleken is dat een jaarlijks overzicht van de belangrijkste uitspraken van het<br />
College door velen zeer op prijs wordt gesteld.<br />
<strong>Het</strong> op uw scherm verschijnende overzicht met betrekk<strong>in</strong>g tot het jaar <strong>2011</strong> laat een grote<br />
verscheidenheid aan uitspraken zien.<br />
Van heff<strong>in</strong>gen <strong>in</strong> het kader van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, via de<br />
w<strong>in</strong>keltijdenwet, meded<strong>in</strong>g<strong>in</strong>g, gaswet en elektriciteitswet 1998, telecommunicatiewet,<br />
EZ-subsidies en belast<strong>in</strong>gfaciliteiten, de gezondheids- en welzijnswet voor dieren, het<br />
sociaal economisch gezondheidsrecht, het f<strong>in</strong>anciële toezicht, de GLB-<strong>in</strong>komenssteun en<br />
superheff<strong>in</strong>g, naar de tuchtrechtspraak voor accountants.<br />
Uit het geheel aan uitspraken blijkt dat het College zich meer en meer ontwikkelt tot een<br />
rechter van markten. Meded<strong>in</strong>g<strong>in</strong>g op de markten <strong>in</strong> het algemeen en op meer specifieke<br />
markten zoals die van telecommunicatie, elektriciteit, gas, f<strong>in</strong>anciële markten en<br />
gezondheidszorg.<br />
Vaak gaat het om omvangrijke, complexe en bewerkelijke zaken. Een en ander kan niet<br />
los worden gezien van de <strong>in</strong>vloed van het Europese recht op de onafhankelijkheid van<br />
toezichthouders. Liberaliser<strong>in</strong>gsrichtlijnen hebben verplicht tot opricht<strong>in</strong>g van<br />
zogenoemde Nationale Regelgevende Instanties (NRI’s) ter uitvoer<strong>in</strong>g van het Europees<br />
recht, zulks ter waarborg<strong>in</strong>g van een “level play<strong>in</strong>g field”.<br />
De <strong>in</strong>vloed van het Europese recht, als hoeder van onafhankelijkheid, is dus verstrekkend.<br />
Van de nationale rechter wordt <strong>in</strong> deze constellatie, met aan de ene kant een<br />
onafhankelijke toezichthouder en aan de andere kant de markt met zijn, al dan niet<br />
professionele, deelnemers, terecht, behoorlijk wat verwacht. In dat verband is illustratief<br />
een aantal rechtsoverweg<strong>in</strong>gen <strong>in</strong> het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie<br />
van 9 maart 2010, <strong>in</strong> de zaak C-518/07, betreffende richtlijn 95/46/EG van het Europees<br />
Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherm<strong>in</strong>g van natuurlijke<br />
personen <strong>in</strong> verband met de verwerk<strong>in</strong>g van persoonsgegevens en betreffende het vrije<br />
verkeer van die gegeven (PB L 281, blz. 31).<br />
In dat arrest overweegt het Hof onder meer als volgt.<br />
“In dit verband dient eraan te worden her<strong>in</strong>nerd dat het beg<strong>in</strong>sel van democratie deel<br />
uitmaakt van de communautaire rechtsorde en uitdrukkelijk <strong>in</strong> artikel 6, lid 1, EU is<br />
neergelegd als een van de grondslagen van de Europese Unie. Als beg<strong>in</strong>sel dat<br />
gemeenschappelijk is aan de lidstaten, dient het <strong>in</strong> aanmerk<strong>in</strong>g te worden genomen bij<br />
de uitlegg<strong>in</strong>g van een handel<strong>in</strong>g van afgeleid recht, zoals artikel 28 van richtlijn 95/46.<br />
Dat beg<strong>in</strong>sel belet niet dat er buiten de klassieke hiërarchische adm<strong>in</strong>istratie<br />
overheids<strong>in</strong>stanties bestaan die <strong>in</strong> meerdere of m<strong>in</strong>dere mate onafhankelijk zijn van de<br />
reger<strong>in</strong>g. <strong>Het</strong> bestaan en de voorwaarden voor de werk<strong>in</strong>g van deze autoriteiten<br />
worden <strong>in</strong> de lidstaten <strong>in</strong> de wet of <strong>in</strong> bepaalde lidstaten zelfs <strong>in</strong> de Grondwet geregeld<br />
1
en deze autoriteiten moeten de wet naleven en staan onder toezicht van de bevoegde<br />
rechter.<br />
Dergelijke onafhankelijke adm<strong>in</strong>istratieve autoriteiten [……] hebben vaak<br />
regelgevende taken of vervullen taken waarbij er geen politieke beïnvloed<strong>in</strong>g mag<br />
zijn, maar moeten wel de wet blijven naleven en staan onder toezicht van de bevoegde<br />
rechter. (……)”<br />
Dat stelt dus eisen aan het rechterlijke werk dat <strong>in</strong> dit soort omstandigheden moet worden<br />
verricht. 1<br />
<strong>Het</strong> is tegen deze achtergrond dat de uitspraken van het College als rechter tussen markt<br />
en overheid moeten worden gezien en waardoor mede wordt verklaard dat die uitspraken,<br />
waar<strong>in</strong> voor partijen zeer grote (f<strong>in</strong>anciële) belangen op het spel staan, niet zelden<br />
tientallen pag<strong>in</strong>a’s beslaan.<br />
De uitspraken bieden de geïnteresseerde lezer een ruim <strong>in</strong>zicht <strong>in</strong> de benader<strong>in</strong>gswijze van<br />
het College. Ook de andere uitspraken geven een fraai beeld van de dynamiek van het<br />
economische orden<strong>in</strong>gsrecht en de, tot procedures leidende, fricties waartoe die dynamiek<br />
soms aa<strong>nl</strong>eid<strong>in</strong>g kan geven.<br />
<strong>Het</strong> bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven<br />
1 Zie over dit belangwekkende onderwerp bijvoorbeeld Lavrijssen en Ottow, “The Legality of Independent<br />
Regulatory Authorities”, <strong>in</strong>: Bessel<strong>in</strong>k, Penn<strong>in</strong>gs and Prechal (eds.), “The Eclipse of the Legality Pr<strong>in</strong>ciple <strong>in</strong> the<br />
European Union”, (Kluwer, 2010)<br />
2
2. HEFFINGEN PUBLIEKRECHTELIJKE BEDRIJFSORGANISATIE<br />
In <strong>2011</strong> zijn er tweeëntw<strong>in</strong>tig zitt<strong>in</strong>gsdagen geweest waarop beroepen van ondernemers<br />
tegen het opleggen van heff<strong>in</strong>gen van product- of bedrijfschappen zijn behandeld. Er is <strong>in</strong><br />
ongeveer 100 zaken uitspraak gedaan, een aantal wordt hieronder kort besproken.<br />
Op 30 november <strong>2011</strong> zijn er drie uitspraken 2 gedaan over heff<strong>in</strong>gen van het Productschap<br />
Wijn. In een van deze zaken 3 - die voortborduurde op een eerdere vernietig<strong>in</strong>g door het<br />
College - is er door producenten/importeurs van druivenwijn gesteld dat er sprake is van<br />
strijd met artikel 110 VWEU; de producenten van vruchtenwijn worden weliswaar ook<br />
belast met een heff<strong>in</strong>g, maar dit zou ten onrechte gebeuren, omdat de verorden<strong>in</strong>gen<br />
waarop die heff<strong>in</strong>g is gebaseerd onverb<strong>in</strong>dend zijn. Dat betekent dat - er van uitgaande dat<br />
de producenten van vruchtenwijn niet belast mogen worden - er een ongerechtvaardigd<br />
verschil bestaat tussen de producenten van vruchtenwijn en de producenten/importeurs<br />
van druivenwijn die wel belast worden. <strong>Het</strong> College komt aan beoordel<strong>in</strong>g van deze<br />
stell<strong>in</strong>g niet toe, nu de vruchtenwijnproducenten de heff<strong>in</strong>gen (die zijn opgelegd door het<br />
Productschap Tu<strong>in</strong>bouw) niet hebben aangevochten en er dus geen sprake is van een<br />
ongerechtvaardigd verschil.<br />
In een andere zaak die een heff<strong>in</strong>g van het Productschap Wijn betrof 4 , g<strong>in</strong>g het om de<br />
uitleg van het begrip "ondernemer" <strong>in</strong> de z<strong>in</strong> van de Verorden<strong>in</strong>gen (aanvullende)<br />
f<strong>in</strong>ancier<strong>in</strong>gsheff<strong>in</strong>g en bestemm<strong>in</strong>gsheff<strong>in</strong>g Wijn; <strong>in</strong> die zaak was de conclusie van het<br />
College dat de betrokken bedrijven niet konden worden aangemerkt als ondernemer <strong>in</strong> de<br />
z<strong>in</strong> van de heff<strong>in</strong>gsverorden<strong>in</strong>gen. Op grond van de def<strong>in</strong>itiebepal<strong>in</strong>g is de ondernemer<br />
degene die de wijn <strong>in</strong>voert dan wel uitslaat <strong>in</strong> de z<strong>in</strong> van de Wet op de accijns. Daarvan<br />
was hier geen sprake. Ook als het uitslaan zou gebeuren <strong>in</strong> opdracht van de betrokken<br />
bedrijven, is geen sprake van "ondernemer" als bedoeld <strong>in</strong> de Verorden<strong>in</strong>gen, zo<br />
oordeelde het College.<br />
In bijna alle overige uitspraken g<strong>in</strong>g het om heff<strong>in</strong>gen van het Productschap Tu<strong>in</strong>bouw.<br />
In een uitspraak van 26 augustus <strong>2011</strong> 5 werd geoordeeld over zogenoemde<br />
'herhaalbezwaren'. Deze bezwaren luidden: "Op de bijgaande lijst treft U de namen aan<br />
van de bedrijven namens wie wij bezwaar maken tegen alle direct (aanslagen) en <strong>in</strong>direct<br />
(nota's) door PT <strong>in</strong> de afgelopen periode van zes weken aan hen opgelegde<br />
aanslagen/nota's". Dit bezwaar voldoet naar het oordeel van het College niet aan de eis<br />
van artikel 6.5, eerste lid, aanhef en onder c, Awb. De algemene omschrijv<strong>in</strong>g <strong>in</strong> de<br />
bezwaarschriften laat veel onduidelijkheid bestaan over de besluiten waartegen<br />
appellanten bezwaar hebben gemaakt. Van appellanten wordt verwacht dat zij <strong>in</strong> hun<br />
bezwaarschrift concreet, aan de hand van voldoende onderscheidende kenmerken, nader<br />
omschrijven tegen welke nota's hun bezwaren zijn gericht.<br />
2<br />
LJN: BU7298, LJN: BU7296 en LJN: BU7293<br />
3<br />
LJN: BU7293<br />
4<br />
LJN: BU7296<br />
5<br />
LJN: BU2124<br />
3
<strong>Het</strong> College oordeelde over een groot aantal op bloemkwekerijproducten en bloembollen<br />
betrekk<strong>in</strong>g hebbende zaken. Zo werd geoordeeld dat ondernem<strong>in</strong>gen die zijn gevestigd <strong>in</strong><br />
het buite<strong>nl</strong>and, maar <strong>in</strong> Nederland wel activiteiten verrichten waarop de Verorden<strong>in</strong>g<br />
bloemkwekerijproducten ziet, niet buiten de werk<strong>in</strong>gssfeer van het Productschap vallen<br />
vanwege het enkele feit dat zij zijn gevestigd <strong>in</strong> het buite<strong>nl</strong>and. 6<br />
In verschillende zaken 7 werd door appellanten aangevoerd dat de <strong>in</strong> de<br />
heff<strong>in</strong>gsverorden<strong>in</strong>gen neergelegde systematiek zó willekeurig, onduidelijk en<br />
onbegrijpelijk is, dat het bedrijfslichaam geacht moet worden een heff<strong>in</strong>g te hebben<br />
<strong>in</strong>gesteld die de wetgever met het toekennen van de heff<strong>in</strong>gsbevoegdheid niet op het oog<br />
kan hebben gehad en die <strong>in</strong> strijd is met het legaliteitsbeg<strong>in</strong>sel. In geen van de zaken<br />
waar<strong>in</strong> <strong>in</strong> <strong>2011</strong> uitspraak is gedaan leidde die grond tot een gegrond beroep.<br />
In verschillende zaken was sprake van hangende het beroep gewijzigde Verorden<strong>in</strong>gen.<br />
Naar het oordeel van het College dient bij de beoordel<strong>in</strong>g van het geschil door het College<br />
<strong>in</strong> beg<strong>in</strong>sel acht te worden geslagen op een hangende het beroep met terugwerkende<br />
kracht gewijzigde Verorden<strong>in</strong>g. Een uitzonder<strong>in</strong>g is op zijn plaats voor die gevallen<br />
waar<strong>in</strong> de terugwerkende kracht strijdig is met het rechtszekerheidsbeg<strong>in</strong>sel. Dergelijke<br />
strijd met het rechtszekerheidsbeg<strong>in</strong>sel deed zich <strong>in</strong> de meeste gevallen niet voor. 8 Een<br />
uitzonder<strong>in</strong>g betrof de heff<strong>in</strong>g voor de zelftelende broeier: de grondslag voor het opleggen<br />
van de heff<strong>in</strong>g werd namelijk eerst met de gewijzigde verorden<strong>in</strong>g gecreëerd. 9<br />
Ook het doorberekenen van een deel van de heff<strong>in</strong>g door de verkoper heeft <strong>in</strong> een groot<br />
aantal zaken ter discussie gestaan.<br />
In een uitspraak van 26 augustus <strong>2011</strong> 10 heeft het College geoordeeld dat de verplicht<strong>in</strong>g<br />
tot doorbereken<strong>in</strong>g op grond van de Verorden<strong>in</strong>g bloembollen leverbaar enkel aan de orde<br />
kan zijn <strong>in</strong>dien de koper - ook als dat een buite<strong>nl</strong>andse koper is - heff<strong>in</strong>gsplichtig is.<br />
De doorbereken<strong>in</strong>g van de verkoper aan de koper is ook aan de orde geweest <strong>in</strong> zaken<br />
waar<strong>in</strong> het g<strong>in</strong>g om een heff<strong>in</strong>g die was opgelegd aan de verkoper op grond van de<br />
Verorden<strong>in</strong>g vakheff<strong>in</strong>g bloemkwekerijproducten. In een aantal zaken was sprake van<br />
handel via (onder meer) een Duitse veil<strong>in</strong>g. <strong>Het</strong> College heeft <strong>in</strong> uitspraken van 31<br />
augustus <strong>2011</strong> 11 geoordeeld dat de (buite<strong>nl</strong>andse) koper op een buite<strong>nl</strong>andse veil<strong>in</strong>g geen<br />
branchegenoot van de Nederlandse heff<strong>in</strong>gsplichtige verkoper is, zodat doorbereken<strong>in</strong>g<br />
niet aan de orde kan zijn. <strong>Het</strong> Productschap bracht <strong>in</strong> die gevallen het door te berekenen -<br />
zogeheten - kopersdeel wel <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g bij de verkoper. Dat mag niet volgens het College,<br />
omdat op die manier de handel via - <strong>in</strong> dat geval - de Duitse veil<strong>in</strong>g zwaarder wordt belast<br />
dan b<strong>in</strong>ne<strong>nl</strong>andse handel, zodat sprake is van een verboden fiscale discrim<strong>in</strong>atie <strong>in</strong> de z<strong>in</strong><br />
van (thans) 110 VWEU.<br />
<strong>Het</strong> feit dat een deel van heff<strong>in</strong>g <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g wordt gebracht bij de koper van<br />
bloemkwekerijproducten leidt er niet toe dat deze koper ook heff<strong>in</strong>gsplichtig is: dat is (op<br />
grond van de desbetreffende Verorden<strong>in</strong>gen) enkel de verkoper. <strong>Het</strong> College heeft <strong>in</strong> een<br />
6<br />
LJN: BP9331<br />
7<br />
Zie bijvoorbeeld LJN: BU5632 en LJN: BU5350<br />
8<br />
Zie bijvoorbeeld LJN: BU5350, LJN: BU5361, LJN: BU5632 en LJN: BU5635<br />
9<br />
LJN: BR6592<br />
10<br />
LJN: BR6586<br />
11<br />
LJN: BS7502 en LJN: BS7684<br />
4
aantal uitspraken dan ook geoordeeld dat de koper geen recht heeft op een besluit (een<br />
e<strong>in</strong>dnota), nu de Verorden<strong>in</strong>gen geen heff<strong>in</strong>gsplicht creëren voor kopers. 12<br />
Daarnaast heeft het College uitspraken uit 2010 13 , waar<strong>in</strong> werd overwogen dat het door de<br />
veil<strong>in</strong>g gestuurde afschrift aan handelaren <strong>in</strong> bloemkwekerijproducten geen besluit is,<br />
bevestigd. 14 Daarbij is van belang dat verweerder na afloop van het heff<strong>in</strong>gsjaar e<strong>in</strong>dnota's<br />
stuurt. Deze e<strong>in</strong>dnota's zijn besluiten, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Bij het<br />
uitblijven van een e<strong>in</strong>dnota dienen heff<strong>in</strong>gsplichtigen tijdig om een besluit te verzoeken. 15<br />
Op de e<strong>in</strong>dnota dient het Productschap, zo overwoog het College <strong>in</strong> een uitspraak van 23<br />
december <strong>2011</strong> 16 , de heff<strong>in</strong>gsplichtige duidelijkheid te verschaffen over de totale bedragen<br />
die hij als heff<strong>in</strong>gsplichtige verschuldigd is. Bij handel via de veil<strong>in</strong>g houdt de veil<strong>in</strong>g het<br />
kopersdeel direct bij de koper <strong>in</strong>; Ook deze bedragen - die namens de verkoper bij de<br />
koper zijn <strong>in</strong>gehouden - moeten op de e<strong>in</strong>dnota worden vermeld. <strong>Het</strong> gaat immers<br />
uite<strong>in</strong>delijk om door de verkoper verschuldigde heff<strong>in</strong>g<br />
12 Zie bijvoorbeeld LJN: BQ3767, LJN: BU6732, LJN: BU7301<br />
13 Bijvoorbeeld: LJN: BM0108<br />
14 LJN: BU6736<br />
15 LJN: BU6729<br />
16 LJN: BV1305<br />
5
3. WINKELTIJDENWET<br />
Wederom stond het zaaksaanbod <strong>in</strong> het kader van de W<strong>in</strong>keltijdenwet <strong>in</strong> <strong>2011</strong> <strong>in</strong> het teken<br />
van de verdel<strong>in</strong>g van schaarse ontheff<strong>in</strong>gen. Op grond van artikel 3, vierde lid, van de<br />
W<strong>in</strong>keltijdenwet kan de gemeenteraad aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid<br />
verlenen ontheff<strong>in</strong>g te verlenen van het verbod van zondagsopenstell<strong>in</strong>g voor w<strong>in</strong>kels die<br />
gesloten zijn tussen 0 uur en 16 uur. Die ontheff<strong>in</strong>g kan worden verleend voor ten hoogste<br />
één w<strong>in</strong>kel per 15.000 <strong>in</strong>woners.<br />
Gemeentebesturen kunnen dus maar voor een beperkt aantal w<strong>in</strong>kels/supermarkten <strong>in</strong> hun<br />
gemeente toestaan dat deze op zondagnamiddag/avond geopend zijn. In een aantal<br />
uitspraken van de voorzien<strong>in</strong>genrechter en <strong>in</strong> de hoofdzaak heeft het College de daarbij<br />
gemaakte keuzes beoordeeld. Hieruit blijkt dat de gemeentebesturen nog altijd een ruime<br />
beleidsvrijheid toekomt bij hun keuze voor de procedure waarlangs de veelgevraagde<br />
ontheff<strong>in</strong>gen worden verleend 17 , maar dat zij zich ook aan eenmaal gemaakte keuzes<br />
dienen te houden, <strong>in</strong> het bijzonder als deze <strong>in</strong> beleidsregels zijn vastgelegd. 18 Voorts<br />
spelen de belangen van omwonenden een rol bij de besliss<strong>in</strong>g een ontheff<strong>in</strong>g te verlenen<br />
of te weigeren. 19<br />
Sommige supermarkten die bij de ontheff<strong>in</strong>gverlen<strong>in</strong>g buiten de boot vielen openden<br />
niettem<strong>in</strong> op zondagmiddag hun deuren. Dit leidde <strong>in</strong> een aantal gevallen tot de oplegg<strong>in</strong>g<br />
van een (preventieve) last onder dwangsom. 20<br />
In enkele gevallen besloot de gemeenteraad om <strong>in</strong> het geheel geen 21 of slechts een<br />
beperkte bevoegdheid tot ontheff<strong>in</strong>gverlen<strong>in</strong>g te scheppen. Hierbij kwam de vraag aan de<br />
orde of een dergelijke beperk<strong>in</strong>g zich - wegens strijd met de "nuttig effectregel" -<br />
verdraagt met de artikelen 101, 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werk<strong>in</strong>g van de<br />
Europese Unie (VWEU). 22<br />
In de rechtspraak van het College is lot<strong>in</strong>g <strong>in</strong> beg<strong>in</strong>sel geaccepteerd als <strong>in</strong>strument ter<br />
verdel<strong>in</strong>g van schaarse vergunn<strong>in</strong>gen. Kiest een gemeentebestuur voor deze methode, dan<br />
moet het zich houden aan de gemeentelijke beleidsregels met betrekk<strong>in</strong>g tot de uitvoer<strong>in</strong>g<br />
van de lot<strong>in</strong>g.<br />
Dit was aan de orde <strong>in</strong> een uitspraak van 16 december <strong>2011</strong>. 23 In deze zaak heeft het<br />
College aangenomen dat burgemeester en wethouders bij de vaststell<strong>in</strong>g van de procedure<br />
voor de verdel<strong>in</strong>g van de beschikbare ontheff<strong>in</strong>gen uit oogpunt van zorgvuldigheid en<br />
transparantie bewust hadden gekozen voor een lot<strong>in</strong>g <strong>in</strong> het openbaar op het stadhuis,<br />
waarbij alle belanghebbenden aanwezig kunnen zijn. Burgemeester en wethouders zijn er<br />
volgens het College daarom vanuit gegaan dat het openbare karakter van de lot<strong>in</strong>g een<br />
zelfstandige betekenis heeft en het belang dient van de deelnemers aan de lot<strong>in</strong>g, die<br />
gebaat zijn bij een zorgvuldige en transparante verdel<strong>in</strong>g van de beschikbare ontheff<strong>in</strong>gen<br />
volgens die methode. <strong>Het</strong> College oordeelt dat burgemeester en wethouders dit belang <strong>in</strong><br />
17<br />
Zie ook jaarboekje “<strong>Het</strong> <strong>CBb</strong> <strong>in</strong> 2010”<br />
18<br />
LJN: BV0942<br />
19<br />
LJN: BQ3736<br />
20<br />
LJN: BQ7106<br />
21<br />
LJN: BR5458<br />
22<br />
LJN: BQ7751<br />
23<br />
LJN: BV0936<br />
6
feite illusoir hebben gemaakt door af te zien van het houden van een openbare lot<strong>in</strong>g<br />
vanwege praktische, op zich niet heel bijzondere, redenen en de lot<strong>in</strong>g te laten verrichten<br />
ten kantore van een notaris.<br />
In enkele uitspraken van het College was de vraag aan de orde of de W<strong>in</strong>keltijdenwet en<br />
de op deze wet gebaseerde gemeentelijke verorden<strong>in</strong>g is strijd is met het Europese recht.<br />
In zijn uitspraak 16 december <strong>2011</strong> 24 verwerpt het College het standpunt dat de<br />
W<strong>in</strong>keltijdenwet en de verorden<strong>in</strong>g onverenigbaar zijn met de Europeesrechtelijke<br />
vrijheid van vestig<strong>in</strong>g. In navolg<strong>in</strong>g van de uitspraak van de Afdel<strong>in</strong>g bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 2 maart <strong>2011</strong> 25 overweegt ook het College dat, voor zover de <strong>in</strong><br />
de artikelen 2 en 3 van de Wet opgenomen regel<strong>in</strong>g voor w<strong>in</strong>kelopen<strong>in</strong>gstijden al een<br />
belemmer<strong>in</strong>g vormt voor de vrijheid van vestig<strong>in</strong>g, deze niet <strong>in</strong> strijd is met artikel 49 van<br />
het Verdrag betreffende de werk<strong>in</strong>g van de Europese Unie (VWEU), omdat de wettelijke<br />
regel<strong>in</strong>g van w<strong>in</strong>kelopen<strong>in</strong>gstijden gerechtvaardigd wordt door een dw<strong>in</strong>gende reden van<br />
algemeen belang, terwijl niet is gebleken dat de regel<strong>in</strong>g niet geschikt is om<br />
verweze<strong>nl</strong>ijk<strong>in</strong>g van het doel te waarborgen en verder gaat dan nodig is om het beoogde<br />
doel te bereiken.<br />
In een andere zaak was aangevoerd dat de Wet <strong>in</strong> strijd is met het vrij verkeer van<br />
goederen, het vrij verkeer van diensten en de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2006/123 EG<br />
van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de<br />
<strong>in</strong>terne markt (Dienstenrichtlijn).<br />
In zijn uitspraak van 16 december <strong>2011</strong> 26 heeft het College deze standpunten evenm<strong>in</strong><br />
gevolgd: de Afdel<strong>in</strong>g bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft <strong>in</strong> zijn eerder<br />
genoemde uitspraak van 2 maart <strong>2011</strong> tot uitgangspunt genomen dat de<br />
w<strong>in</strong>keltijdenwetgev<strong>in</strong>g een verkoopmodaliteit is <strong>in</strong> de z<strong>in</strong> van het arrest van het Hof van<br />
24 november 1993, C-267/91 en C-268/91 (Keck en Mithouard) en derhalve niet een<br />
maatregel betreft die de handel tussen de lidstaten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk<br />
of potentieel kan belemmeren <strong>in</strong> de z<strong>in</strong> van de Dassonville-rechtspraak van het Hof (arrest<br />
van 11 juli 1974, 8/74, Jurispr. 1974, blz. 837). <strong>Het</strong> College onderschrijft het hierop<br />
gebaseerde oordeel van de Afdel<strong>in</strong>g dat de w<strong>in</strong>keltijdenwetgev<strong>in</strong>g als een<br />
verkoopmodaliteit moet worden beschouwd, zodat deze wetgev<strong>in</strong>g en daarmee het<br />
bestreden besluit niet valt b<strong>in</strong>nen de werk<strong>in</strong>gssfeer van artikel 34 van het VWEU <strong>in</strong>zake<br />
vrij verkeer van goederen. <strong>Het</strong> is vaste rechtspraak van het Hof dat <strong>in</strong>dien een nationale<br />
maatregel zowel het vrije verkeer van goederen als de vrijheid van dienstverricht<strong>in</strong>g<br />
beperkt, het Hof de maatregel <strong>in</strong> beg<strong>in</strong>sel slechts onderzoekt ten aanzien van een van deze<br />
vrijheden, <strong>in</strong>dien blijkt dat een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere<br />
en daarmee kan worden verbonden. <strong>Het</strong> College concludeert dat het bestreden besluit niet<br />
ook aan artikel 56 VWEU (vrij verkeer van diensten) behoeft te worden getoetst omdat<br />
niet is gebleken dat, zo de verkoop van een product <strong>in</strong> de onderhavige vestig<strong>in</strong>g al<br />
vergezeld gaat van een activiteit die een aantal aspecten van een 'dienst' <strong>in</strong> zich heeft, deze<br />
dient niet volledig ondergeschikt is aan de verkoop.<br />
De Dienstenrichtlijn is van toepass<strong>in</strong>g op de diensten van dienstverrichters die <strong>in</strong> een<br />
lidstaat zijn gevestigd. Uit artikel 4 van de Dienstenrichtlijn blijkt dat voor de toepass<strong>in</strong>g<br />
van deze richtlijn wordt verstaan onder dienst: elke economische activiteit, anders dan <strong>in</strong><br />
loondienst, die gewoo<strong>nl</strong>ijk tegen vergoed<strong>in</strong>g geschiedt, zoals bedoeld <strong>in</strong> artikel 57 van het<br />
24 LJN: BV0942<br />
25 LJN: BP6327<br />
26 LJN: BV1017<br />
7
VWEU. In aanmerk<strong>in</strong>g genomen de <strong>in</strong> de rechtspraak van het College genoemde<br />
rechtspraak van het Hof volgt hieruit niet dat de Dienstenrichtlijn <strong>in</strong> relatie tot de<br />
wettelijke regel<strong>in</strong>g van w<strong>in</strong>kelopen<strong>in</strong>gstijden van toepass<strong>in</strong>g is.<br />
Met <strong>in</strong>gang van 1 januari <strong>2011</strong> is de "toerismebepal<strong>in</strong>g", neergelegd <strong>in</strong> artikel 3, derde lid,<br />
onder a, W<strong>in</strong>keltijdenwet, aangescherpt door toevoeg<strong>in</strong>g van de z<strong>in</strong>snede "met een<br />
substantiële omvang" <strong>in</strong> onderdeel a en van een nieuw zesde en zevende lid. Eveneens<br />
met <strong>in</strong>gang van 1 januari <strong>2011</strong> is <strong>in</strong> artikel 10, tweede lid, bepaald dat <strong>in</strong> afwijk<strong>in</strong>g van<br />
artikel 8:2 Awb bij het College beroep kan worden <strong>in</strong>gesteld tegen een besluit <strong>in</strong>zake<br />
verlen<strong>in</strong>g van vrijstell<strong>in</strong>g op grond van artikel 3, derde lid, onder a, voor zover dat besluit<br />
wordt aangemerkt als algemeen verb<strong>in</strong>dend voorschrift.<br />
De raad van de gemeente Rheden gaf bij verorden<strong>in</strong>g toepass<strong>in</strong>g aan artikel 3, derde lid,<br />
onder a. De voorzien<strong>in</strong>genrechter van het College oordeelde dat voor wat betreft deze<br />
gemeente niet onaannemelijk is dat een zondagsopenstell<strong>in</strong>g van de <strong>in</strong> de nabijheid van de<br />
Postbank gesitueerde w<strong>in</strong>kels voor een substantieel deel van de toeristen <strong>in</strong> het kader van<br />
hun bezoek een ondersteunende functie kan hebben. Van de toerismebepal<strong>in</strong>g mocht dus<br />
gebruik worden gemaakt. Bij de daaropvolgende belangenafweg<strong>in</strong>g (of van die<br />
bevoegdheid wel of geen gebruik zou worden gemaakt) waren naar het oordeel van de<br />
voorzien<strong>in</strong>genrechter de belangen van de w<strong>in</strong>keliers met we<strong>in</strong>ig of geen personeel<br />
voldoende <strong>in</strong> de afweg<strong>in</strong>g betrokken. 27<br />
27 LJN: BR6494<br />
8
4. MEDEDINGING<br />
In <strong>2011</strong> heeft het College wederom een aantal uitspraken <strong>in</strong> bouwfraudezaken gedaan.<br />
Deze zaken betreffen boetes die door de Nederlandse Meded<strong>in</strong>g<strong>in</strong>gsautoriteit (NMa) zijn<br />
opgelegd <strong>in</strong> verschillende sectoren van de bouw <strong>in</strong> verband met een landelijk systeem van<br />
vooroverleg bij de verwerv<strong>in</strong>g van opdrachten.<br />
De eerste uitspraak <strong>in</strong> <strong>2011</strong> <strong>in</strong> een bouwfraudezaak betrof een uitspraak van 8 februari<br />
<strong>2011</strong>, 28 waar<strong>in</strong> de evenredigheid van de opgelegde boete aan de orde werd gesteld.<br />
Volgens het College kan de mate van deelname aan de vooroverleggen door een<br />
ondernem<strong>in</strong>g zodanig beperkt zijn, dat een volgens de door NMa gehanteerde<br />
boetesystematiek opgelegde boete onevenredig zou uitpakken. In dit geval was echter niet<br />
aannemelijk geworden dat de ondernem<strong>in</strong>g slechts <strong>in</strong> beperkte mate aan de overtred<strong>in</strong>g<br />
had deelgenomen.<br />
De uitspraak van 25 maart <strong>2011</strong> 29 is onder meer <strong>in</strong>teressant vanwege het oordeel van het<br />
College over het aanvangmoment van de redelijke termijn als bedoeld <strong>in</strong> artikel 6 van het<br />
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).<br />
Volgens vaste jurisprudentie van het College beg<strong>in</strong>t de redelijke termijn te lopen wanneer<br />
door NMa <strong>in</strong> de richt<strong>in</strong>g van de betreffende ondernem<strong>in</strong>g een handel<strong>in</strong>g wordt verricht<br />
waaraan deze <strong>in</strong> redelijkheid de verwacht<strong>in</strong>g heeft ontleend, en ook heeft kunnen<br />
ontlenen, dat haar wegens overtred<strong>in</strong>g van de Meded<strong>in</strong>g<strong>in</strong>gswet (Mw) een boete zal<br />
kunnen worden opgelegd. In eerdere uitspraken oordeelde het College dat de redelijke<br />
termijn aanv<strong>in</strong>g met de toezend<strong>in</strong>g van het artikel 59 Mw-rapport. In deze zaak had NMa,<br />
voordat het rapport werd verzonden, de ondernem<strong>in</strong>g de op grond van het onderzoek<br />
vastgestelde feiten toegestuurd. In dit feitencomplex werd geconcludeerd dat de<br />
ondernem<strong>in</strong>g had deelgenomen aan het onderzochte kartel. Uit de Boetebekendmak<strong>in</strong>g<br />
blijkt dat aan ondernem<strong>in</strong>gen van wie wordt vastgesteld dat zij hebben deelgenomen aan<br />
een kartel, een boete zal worden opgelegd. Volgens het College moet <strong>in</strong> dit geval dan ook<br />
het toezenden van het feitencomplex worden aangemerkt als het aanvangsmoment van de<br />
redelijke termijn.<br />
In een uitspraak van 9 juni <strong>2011</strong> 30 g<strong>in</strong>g het om de vraag aan welke rechtspersoon de boete<br />
kon worden opgelegd. In deze zaak was de overtred<strong>in</strong>g - het deelnemen aan een systeem<br />
van verboden vooroverleg bij aanbested<strong>in</strong>gen - gepleegd door ondernem<strong>in</strong>g A, bestaande<br />
uit een moedervennootschap en een aantal dochtervennootschappen, waaronder B, later C<br />
geheten. De boete werd mede opgelegd aan vennootschap C. <strong>Het</strong> College overwoog dat<br />
vennootschap B terecht mede als overtreder is aangemerkt, nu de overtred<strong>in</strong>g mede is<br />
gebaseerd gedrag<strong>in</strong>gen die <strong>in</strong> de periode 1998-2001 door haar zijn gepleegd.<br />
Vennootschap C is voorts terecht verantwoordelijk gehouden voor de overtred<strong>in</strong>g, voor<br />
zover deze tevens door vennootschap B is begaan. Een aantal omstandigheden -<br />
aandelenoverdracht, naamswijzig<strong>in</strong>g en een gewijzigde samenstell<strong>in</strong>g van het bestuur -<br />
deden er niet aan af dat vennootschap B is blijven bestaan onder de naam C. De boete kon<br />
daarom aan vennootschap C worden opgelegd.<br />
28<br />
LJN: BP3816. Zie ook LJN: BP3817 en BP3818<br />
29<br />
LJN: BQ5977<br />
30<br />
LJN: BQ7886<br />
9
In de uitspraak van 30 juni <strong>2011</strong> 31 was aan de orde de wijze waarop NMa <strong>in</strong><br />
bouwfraudezaken de boetegrondslag heeft bepaald. NMa heeft <strong>in</strong> de toepasselijke<br />
Boetebekendmak<strong>in</strong>g gekozen voor de aanbested<strong>in</strong>gsomzet over het jaar 2001 als<br />
boetegrondslag. Volgens het College is dit niet <strong>in</strong> strijd met artikel 57 Mw en evenm<strong>in</strong><br />
onredelijk.<br />
Uit de Boetebekendmak<strong>in</strong>g en de toelicht<strong>in</strong>g daarop blijkt naar het oordeel van het<br />
College voldoende duidelijk dat het bij de bepal<strong>in</strong>g van deze aanbested<strong>in</strong>gsomzet gaat om<br />
de omzet die de ondernem<strong>in</strong>g volgens de jaarreken<strong>in</strong>g 2001 heeft behaald met B&Uwerken<br />
die <strong>in</strong> aanbested<strong>in</strong>g zijn verworven. Gelet op de functie van de jaarreken<strong>in</strong>g <strong>in</strong> het<br />
kader van de f<strong>in</strong>anciële verslaglegg<strong>in</strong>g door een ondernem<strong>in</strong>g mag NMa uitgaan van de<br />
juistheid van deze jaarreken<strong>in</strong>g, tenzij door de ondernem<strong>in</strong>g een correctie hierop is<br />
aangebracht. Dat was <strong>in</strong> dit geval niet gebeurd.<br />
In het hoger beroep bij het College dat leidde tot een uitspraak van 30 augustus <strong>2011</strong> 32 had<br />
de rechtbank Rotterdam eerder geoordeeld dat NMa de verplicht<strong>in</strong>g tot functiescheid<strong>in</strong>g<br />
als bedoeld <strong>in</strong> artikel 54a Mw had geschonden. <strong>Het</strong> College bevestigt dit oordeel. Volgens<br />
het College moet deze bepal<strong>in</strong>g zo worden uitgelegd dat personen die werkzaamheden<br />
verrichten ter uitvoer<strong>in</strong>g van de artikelen 60 e.v. Mw, moeten constateren of de feiten en<br />
omstandigheden uit het rapport, de conclusie rechtvaardigen dat een overtred<strong>in</strong>g is begaan<br />
en of het opleggen van een sanctie om die reden gerechtvaardigd is. De objectiviteit en<br />
onpartijdigheid waarmee deze werkzaamheden verricht moeten worden, sluiten uit dat<br />
deze personen zelf onderzoek naar de feiten en omstandigheden verrichten, zoals het<br />
<strong>in</strong>w<strong>in</strong>nen van <strong>in</strong>formatie die nog geen deel uitmaakt van het rapport. Deze verplicht<strong>in</strong>g<br />
was <strong>in</strong> dit geval geschonden. De negatieve <strong>in</strong>vloed hiervan blijft volgens het College niet<br />
beperkt tot louter het procedureel <strong>in</strong>correct vergaarde bewijsmateriaal, maar strekt zich uit<br />
tot de waarder<strong>in</strong>g van het bewijsmateriaal dat al <strong>in</strong> de onderzoeksfase ten aanzien van de<br />
ondernem<strong>in</strong>g was vergaard.<br />
In een bouwfraude-uitspraak van 18 november <strong>2011</strong> 33 kwam onder meer de vraag aan de<br />
orde wie belanghebbenden zijn bij een boetebesluit. <strong>Het</strong> College oordeelde dat het belang<br />
van voormalige aandeelhouders <strong>in</strong> ieder geval niet rechtstreeks bij het boetebesluit is<br />
betrokken. De omstandigheid dat zij ten tijde van de overtred<strong>in</strong>g aandeelhouders waren<br />
van de ondernem<strong>in</strong>g en er afspraken over betal<strong>in</strong>g van de boete zijn gemaakt tussen de<br />
voormalig aandeelhouders en de rechtspersoon aan wie zij na de <strong>in</strong>breukperiode hun<br />
aandelen hebben verkocht, betekent niet dat deze voormalige aandeelhouders rechtstreeks<br />
bij het boetebesluit zijn betrokken. Deze voormalig aandeelhouders hebben een f<strong>in</strong>ancieel<br />
belang dat zij niet rechtstreeks aan het boetebesluit ontlenen, maar dat voortvloeit uit een<br />
civielrechtelijke rechtsverhoud<strong>in</strong>g.<br />
Over de toepass<strong>in</strong>g van het ne bis <strong>in</strong> idem-beg<strong>in</strong>sel <strong>in</strong> het meded<strong>in</strong>g<strong>in</strong>gsrecht heeft het<br />
College op 1 december <strong>2011</strong> 34 , eveneens <strong>in</strong> een bouwfraudezaak, uitspraak gedaan. In<br />
deze zaak had de ondernem<strong>in</strong>g erkend gedurende drie jaar aan een overtred<strong>in</strong>g van onder<br />
meer de Mw te hebben deelgenomen. Voor deze overtred<strong>in</strong>g ontv<strong>in</strong>g de ondernem<strong>in</strong>g<br />
twee boetebesluiten: eenmaal voor de periode waar<strong>in</strong> zij als een op zichzelf staande<br />
ondernem<strong>in</strong>g aan de overtred<strong>in</strong>g deelnam en eenmaal voor de periode waar<strong>in</strong> zij optrad als<br />
een werkmaatschappij van een andere ondernem<strong>in</strong>g. De aanbested<strong>in</strong>gsomzet heeft NMa<br />
31 LJN: BR3068<br />
32 LJN: BR6737<br />
33 LJN: BU5581<br />
34 LJN: BU9159<br />
10
naar rato van de betreffende periode meegenomen <strong>in</strong> de boetegrondslag. Vast staat dan<br />
ook dat de aanbested<strong>in</strong>gsomzet van de ondernem<strong>in</strong>g <strong>in</strong> de twee besluiten, samen bezien,<br />
één maal <strong>in</strong> aanmerk<strong>in</strong>g is genomen. Naar het oordeel van het College is de ondernem<strong>in</strong>g<br />
niet dubbel bestraft voor haar deelname aan de overtred<strong>in</strong>g.<br />
Naast de bouwfraude heeft het College <strong>in</strong> <strong>2011</strong> ook uitspraak gedaan <strong>in</strong> andere<br />
kartelzaken, waaronder op 17 maart <strong>2011</strong> 35 <strong>in</strong> de garnalenzaken. NMa had <strong>in</strong> deze zaken<br />
vastgesteld dat sprake was van een <strong>in</strong>breuk op de meded<strong>in</strong>g<strong>in</strong>gsregels doordat<br />
producentenorganisaties onderl<strong>in</strong>g en met groothandelaren afspraken hadden gemaakt<br />
over maximumvangsten van garnalen en m<strong>in</strong>imumprijzen alsmede afspraken over de<br />
uitsluit<strong>in</strong>g van een nieuwe handelaar.<br />
<strong>Het</strong> College is van oordeel dat NMa aannemelijk heeft gemaakt dat er afspraken zijn<br />
gemaakt over de maximale hoeveelheid per week, per kotter aan te landen<br />
Noordzeegarnalen en de daarvoor <strong>in</strong> acht te nemen m<strong>in</strong>imumprijs. Deze afspraken zijn <strong>in</strong><br />
strijd met het kartelverbod. Daarnaast heeft het College geoordeeld dat NMA op goede<br />
grond heeft geconcludeerd dat er afspraken zijn gemaakt om een <strong>in</strong>dividuele handelaar uit<br />
te sluiten. Ook deze afspraken vormen een <strong>in</strong>breuk op artikel 6, eerste lid, Mw.<br />
Deze uitspraken zijn bovendien <strong>in</strong>teressant vanwege het beroep dat is gedaan op het<br />
verbod van reformatio <strong>in</strong> peius. In het primaire besluit heeft NMa de afspraak die gericht<br />
was op het belemmeren van de toetred<strong>in</strong>g van de nieuwe handelaar als een<br />
boeteverzwarende omstandigheid aangemerkt. In de besliss<strong>in</strong>g op bezwaar is die afspraak<br />
vervolgens als een te onderscheiden overtred<strong>in</strong>g aangemerkt met oplegg<strong>in</strong>g van een<br />
afzonderlijke boete. Volgens het College was de som van de boetes voor beide<br />
afzonderlijke overtred<strong>in</strong>gen niet hoger dan de boete die NMa aanvankelijk voor één<br />
overtred<strong>in</strong>g met <strong>in</strong>achtnem<strong>in</strong>g van de tweede overtred<strong>in</strong>g als boeteverzwarende<br />
omstandigheid heeft opgelegd. Hierdoor zijn appellanten ook niet <strong>in</strong> een slechtere positie<br />
komen te verkeren dan die welke zij <strong>in</strong>namen na het besluit.<br />
Wat betreft de hoogte van de boete dient NMa naar het oordeel van het College <strong>in</strong> het<br />
concrete geval ook het <strong>in</strong> artikel 3:4 Awb neergelegde evenredigheidsbeg<strong>in</strong>sel <strong>in</strong> acht te<br />
nemen. Tot de omstandigheden die NMa daarbij moet betrekken behoren <strong>in</strong> ieder geval de<br />
aard en de ernst van de overtred<strong>in</strong>g, de mate waaraan deze aan de overtreder kan worden<br />
verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Ook de draagkracht van de<br />
overtreder kan volgens het College een omstandigheid zijn die <strong>in</strong> aanmerk<strong>in</strong>g moet<br />
worden genomen.<br />
De uitspraak van het College van 4 oktober <strong>2011</strong> 36 had betrekk<strong>in</strong>g op de hoger beroepen<br />
die drie fietsenfabrikanten en NMa hadden <strong>in</strong>gesteld tegen een uitspraak van de rechtbank<br />
Rotterdam met betrekk<strong>in</strong>g tot een fietsenkartel. Tijdens een bijeenkomst <strong>in</strong> juni 2000 <strong>in</strong><br />
Zwolle hebben de betreffende fietsenfabrikanten <strong>in</strong>formatie uitgewisseld - en daarmee<br />
naar het oordeel van het College onderl<strong>in</strong>ge afstemm<strong>in</strong>g bereikt - over het doorberekenen<br />
van kostenstijg<strong>in</strong>gen <strong>in</strong> de consumentenadviesprijzen voor fietsen alsmede over de hoogte<br />
van kort<strong>in</strong>gen die door hen aan dealers worden verstrekt. Deze uitwissel<strong>in</strong>g van <strong>in</strong>formatie<br />
strekte er naar het oordeel van het College toe de meded<strong>in</strong>g<strong>in</strong>g op de fietsenmarkt op<br />
ontoelaatbare wijze te beperken. <strong>Het</strong> College is dan ook van oordeel dat NMa de<br />
betreffende fietsenfabrikanten hiervoor terecht een boete heeft opgelegd. Voorts heeft het<br />
College <strong>in</strong> deze uitspraak onder meer een oordeel gegeven over grieven die betrekk<strong>in</strong>g<br />
hebben op functievermeng<strong>in</strong>g b<strong>in</strong>nen NMa, het onschuldbeg<strong>in</strong>sel, wederkerigheid en<br />
distantiër<strong>in</strong>g alsmede op de rechtmatigheid van de Boeterichtsnoeren.<br />
35 LJN: BP8077 en BP8060<br />
36 LJN: BT6521<br />
11
De ernst van de door de fietsenfabrikanten begane overtred<strong>in</strong>g van de meded<strong>in</strong>g<strong>in</strong>gsregels<br />
wordt door het College zwaarder beoordeeld dan de rechtbank dat heeft gedaan. In<br />
zoverre slaagt het hoger beroep van NMa. <strong>Het</strong> College heeft <strong>in</strong> de uitspraak de<br />
boetebedragen die de fietsenfabrikanten door NMa opgelegd hebben gekregen, opnieuw<br />
vastgesteld. De uite<strong>in</strong>delijke boetes zijn wel lager dan de door NMa opgelegde boetes.<br />
12
5. GASWET EN ELEKTRICITEITSWET 1998<br />
<strong>Het</strong> afgelopen jaar heeft het College uitspraak gedaan <strong>in</strong> uitee<strong>nl</strong>opende zaken over<br />
besluiten die zijn genomen op grond van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 ('E-wet').<br />
<strong>Het</strong> gaat daarbij voornamelijk om besluiten van de Nederlandse Meded<strong>in</strong>g<strong>in</strong>gsautoriteit<br />
('NMa') over de reguler<strong>in</strong>g van de tarieven die de netbeheerders <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g mogen<br />
brengen, de voorwaarden die netbeheerders mogen hanteren en de klachten die zijn<br />
<strong>in</strong>gediend over de wijze waarop de netbeheerders hun taken en bevoegdheden op grond<br />
van de wet uitoefenen (de zogenoemde 'geschilbesluiten').<br />
Tariefreguler<strong>in</strong>g<br />
De reguler<strong>in</strong>g van de gas- en elektriciteitstarieven v<strong>in</strong>dt plaats <strong>in</strong> perioden van drie tot vijf<br />
jaar. Op 23 en 25 september <strong>2011</strong> heeft het College ter zitt<strong>in</strong>g de beroepen behandeld die<br />
zich richten tegen de methodebesluiten voor de regionale netbeheerders gas en elektriciteit<br />
voor de reguler<strong>in</strong>gsperiode van <strong>2011</strong> tot en met 2013.<br />
Op 16 december <strong>2011</strong> heeft het College een tussenuitspraak gewezen <strong>in</strong> de zaken over het<br />
methodebesluit elektriciteit. 37 Onderdeel van dat besluit was de vaststell<strong>in</strong>g van de wijze<br />
waarop de kosten van <strong>in</strong>voed<strong>in</strong>g van elektriciteit door decentrale opwekkers, zoals<br />
tu<strong>in</strong>ders met een warmtekrachtkoppel<strong>in</strong>gs<strong>in</strong>stallatie, <strong>in</strong> de tariefreguler<strong>in</strong>g worden<br />
verwerkt. Blijkens het methodebesluit heeft NMa drie mogelijke manieren om dat te doen<br />
onderzocht: het opnemen van deze kosten <strong>in</strong> de samengestelde output (SO), het<br />
aanmerken van deze kosten als aanmerkelijke <strong>in</strong>vester<strong>in</strong>g (AI) en het aanmerken van<br />
decentrale <strong>in</strong>voed<strong>in</strong>g als objectiveerbaar regionaal verschil (ORV). In het methodebesluit<br />
is gekozen voor de eerste optie. <strong>Het</strong> College komt tot de conclusie dat deze keuze <strong>in</strong> dit<br />
geval <strong>in</strong> strijd is met de E wet. Met toepass<strong>in</strong>g van de zogenoemde 'bestuurlijke lus'<br />
(artikel 8:51a Awb) draagt het College NMa op om b<strong>in</strong>nen een termijn van drie maanden<br />
het methodebesluit op dit punt te herstellen. Met het oog op dat herstel ziet het College<br />
aa<strong>nl</strong>eid<strong>in</strong>g om ook een overweg<strong>in</strong>g te wijden aan de twee andere mogelijkheden. <strong>Het</strong><br />
College volgt NMa <strong>in</strong> zijn standpunt dat de kosten <strong>in</strong> verband met decentrale <strong>in</strong>voed<strong>in</strong>g<br />
niet als AI kunnen worden gezien en stelt aan NMa een termijn om te bezien of nader<br />
onderzoek naar het aanmerken van decentrale <strong>in</strong>voed<strong>in</strong>g als ORV wenselijk is.<br />
Op 23 december <strong>2011</strong> heeft het College beslist tot heropen<strong>in</strong>g van het onderzoek <strong>in</strong> de<br />
zaken over het methodebesluit gas. 38 In deze besliss<strong>in</strong>g kondigt het College aan<br />
prejudiciële vragen te zullen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de<br />
uitleg van het begrip 'ondersteunende diensten' <strong>in</strong> de tweede Gasrichtlijn. Dit begrip is <strong>in</strong><br />
de Gaswet overgenomen. Blijkens het methodebesluit valt volgens NMa de<br />
gasaansluitdienst onder de ondersteunende diensten, waardoor voor de netbeheerders een<br />
aansluitplicht bestaat. De netbeheerders zijn van men<strong>in</strong>g dat het uitgangspunt dat sprake is<br />
van een ondersteunende dienst niet <strong>in</strong> overeenstemm<strong>in</strong>g is met de tweede Gasrichtlijn.<br />
Vanwege de wijzig<strong>in</strong>g van de Gaswet per 1 april <strong>2011</strong>, waar<strong>in</strong> een expliciete wettelijke<br />
basis voor de reguler<strong>in</strong>g van de gasaansluitdienst is opgenomen, is het geschilpunt tussen<br />
partijen beperkt tot de periode 1 januari <strong>2011</strong> tot en met 31 maart <strong>2011</strong>.<br />
37 LJN: BU7936<br />
38 LJN: BU9127<br />
13
Ook heeft het College geoordeeld over een aantal tariefbesluiten voor de netbeheerders<br />
over het jaar 2007. In een uitspraak van 27 april <strong>2011</strong> g<strong>in</strong>g het om het tariefbesluit voor de<br />
landelijk netbeheerder (TenneT). 39 Daar<strong>in</strong> oordeelde het College dat TenneT en de<br />
netbeheerders die op het net van TenneT zijn aangesloten de kosten <strong>in</strong> verband met dat net<br />
niet onderl<strong>in</strong>g mogen verrekenen. Deze netbeheerders zijn afnemers <strong>in</strong> de z<strong>in</strong> van de E<br />
wet aan wie een transporttarief <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g wordt gebracht.<br />
In de uitspraken van 2 augustus <strong>2011</strong> was de vaststell<strong>in</strong>g van de gastarieven van Intergas<br />
en de elektriciteitstarieven van Rendo en Delta aan de orde. 40 Deze partijen meenden<br />
aanspraak te kunnen maken op een vergoed<strong>in</strong>g van de kosten <strong>in</strong> verband met de ORV's<br />
lokale heff<strong>in</strong>gen en waterkruis<strong>in</strong>gen over de eerste twee reguler<strong>in</strong>gsperioden. <strong>Het</strong> College<br />
deelt niet het standpunt van Intergas, Rendo en Delta dat NMa de tarieven van 2007 door<br />
nacalculatie had moeten corrigeren voor deze kosten. <strong>Het</strong> oordeel van het College komt<br />
er, kort gezegd, op neer dat de bevoegdheid tot nacalculatie alleen bestaat b<strong>in</strong>nen de <strong>in</strong> het<br />
methodebesluit gestelde kaders. Met de gevraagde correctie zou niet b<strong>in</strong>nen die kaders<br />
worden gebleven, omdat de ORV's lokale heff<strong>in</strong>gen en waterkruis<strong>in</strong>gen <strong>in</strong> de<br />
onderliggende methodebesluiten voor de eerste twee reguler<strong>in</strong>gsperioden niet zijn erkend.<br />
Voorwaarden<br />
In de uitspraak van 2 december <strong>2011</strong> waren diverse technische voorwaarden gas<br />
onderwerp van geschil. 41 <strong>Het</strong> College gaat <strong>in</strong> op procedurele eisen die <strong>in</strong> dit geval gelden<br />
voor het nemen van de besliss<strong>in</strong>g op bezwaar. NMa had een aantal bezwaren gegrond<br />
verklaard zonder een nieuw <strong>in</strong>houdelijk besluit te nemen, omdat op grond van de Gaswet<br />
de gezame<strong>nl</strong>ijke netbeheerders een voorstel moesten doen voor aanvull<strong>in</strong>g van de<br />
voorwaarden. <strong>Het</strong> College oordeelde dat NMa, gelet op de eisen van artikel 7:11 van de<br />
Algemene wet bestuursrecht, <strong>in</strong> de besliss<strong>in</strong>g op bezwaar <strong>in</strong>zicht had moeten geven <strong>in</strong> de<br />
besluitvorm<strong>in</strong>gsprocedure, de daaruit voortvloeiende concrete vervolgstappen, een<br />
tijdschema en de termijn waarb<strong>in</strong>nen hij een vervangend besluit zal nemen<br />
(behandelplan). Verder oordeelt het College <strong>in</strong> deze uitspraak over de bevoegdheid tot het<br />
wijzigen van de al eerder vastgestelde Begrippe<strong>nl</strong>ijst Gas en over een aantal concrete<br />
(wijzig<strong>in</strong>gen <strong>in</strong>) technische voorwaarden die ter discussie waren gesteld.<br />
Op het gebied van de technische voorwaarden elektriciteit heeft het College geoordeeld<br />
over een beroep tegen een wijzig<strong>in</strong>g van de Netcode. 42 Dit beroep g<strong>in</strong>g over de<br />
vaststell<strong>in</strong>g van de compensatievrije herstelperiode. Dit is de tijd die aan een netbeheerder<br />
wordt gegund om een stroomstor<strong>in</strong>g te verhelpen, voordat voor hem de verplicht<strong>in</strong>g<br />
ontstaat om aan afnemers die door die stor<strong>in</strong>g worden getroffen een compensatie te<br />
betalen. Eén van de aangevoerde gronden was dat de door NMa vastgestelde<br />
compensatievrije hersteltijd van 1 uur te kort was. <strong>Het</strong> College gaat daar<strong>in</strong> niet mee en<br />
oordeelt dat NMa zijn keuze voor een compensatievrije hersteltijd van 1 uur voldoende<br />
heeft gemotiveerd en daarmee is gebleven b<strong>in</strong>nen de beoordel<strong>in</strong>gsruimte die hem op<br />
grond van de E-wet toekomt.<br />
Geschilbesluiten<br />
<strong>Het</strong> College heeft een oordeel gegeven over drie geschilbesluiten. In een van deze<br />
geschilbesluiten g<strong>in</strong>g het over de vraag of de netbeheerder verplicht was om een bedrijf<br />
met verschillende locaties ook van meerdere aansluit<strong>in</strong>gen te voorzien. <strong>Het</strong> College<br />
39 LJN: BQ3069<br />
40 LJN: BR5533 en LJN:BR5536<br />
41 LJN: BU7267<br />
42 LJN: BQ3481<br />
14
oordeelde <strong>in</strong> zijn uitspraak van 13 april <strong>2011</strong> dat dit - gelet op de wettelijke def<strong>in</strong>itie van<br />
het begrip 'aansluit<strong>in</strong>g' dat een verwijz<strong>in</strong>g naar artikel 16 van de Wet waarder<strong>in</strong>g<br />
onroerende zaken ('WOZ') bevat - niet het geval was, omdat deze locaties op grond van de<br />
WOZ tot dezelfde onroerende zaak behoren. 43<br />
De andere geschilbesluiten g<strong>in</strong>gen over een afsluit<strong>in</strong>g van gas en elektriciteit buiten de<br />
w<strong>in</strong>terperiode 44 en het <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g brengen van een systeemdienstentarief. 45<br />
Overige<br />
Verder heeft het College geoordeeld over een tweetal beroepen waarvan staatssteun het<br />
onderwerp vormde. In het ene beroep g<strong>in</strong>g het om de toepass<strong>in</strong>g van een<br />
cumulatietoets, waarmee NMa beoogt te voorkomen dat door same<strong>nl</strong>oop tussen de MEPregel<strong>in</strong>g<br />
en de VAMIL-regel<strong>in</strong>g verboden staatssteun wordt verleend. 46 In het andere<br />
beroep g<strong>in</strong>g het over de aanwend<strong>in</strong>g van de opbrengst van de veil<strong>in</strong>gbeurs APX, die ziet<br />
op de veil<strong>in</strong>g van over de landsgrenzen getransporteerde elektriciteit. De vraag was of het<br />
aanwenden van deze opbrengst voor de dekk<strong>in</strong>g van het verlies dat was geleden op de<br />
aankoop van deze veil<strong>in</strong>g een verboden steunmaatregel opleverde. 47 In de beide zaken<br />
heeft het College het beroep ongegrond verklaard.<br />
43 LJN: BQ3485<br />
44 LJN: BP2607<br />
45 LJN: BU9577<br />
46 LJN: BP6917<br />
47 LJN: BP7546<br />
15
6. TELECOMMUNICATIEWET<br />
Op grond van de Telecommunicatiewet (Tw) is het College bevoegd te oordelen over<br />
(hoger) beroepen op het terre<strong>in</strong> van de telecommunicatie. Naast zaken betreffende de<br />
orden<strong>in</strong>g en het gebruik van het frequentiespectrum, het nummerbeleid, de aa<strong>nl</strong>eg van<br />
kabels oordeelt het College met name over de reguler<strong>in</strong>g van en het toezicht op de<br />
telecommunicatiemarkten. De Tw behelst voor een groot deel de implementatie van<br />
communautaire regelgev<strong>in</strong>g zoals vervat <strong>in</strong> het Nieuwe Regelgevend Kader van 2002. 48<br />
De besluiten waarover het College oordeelt zijn voornamelijk afkomstig van de<br />
Onafhankelijke Post- en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en de M<strong>in</strong>ister van<br />
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (Agentschap Telecom).<br />
In het onderstaande worden enkele van de uitspraken uit <strong>2011</strong> nader belicht.<br />
Reguler<strong>in</strong>g van en toezicht op telecommunicatiemarkten door OPTA<br />
De marktanalysebesluiten van OPTA zijn een uitvloeisel van de op OPTA rustende<br />
verplicht<strong>in</strong>g om de telecommunicatiemarkten steeds na een periode van maximaal drie<br />
jaar te analyseren, met het oogmerk dat op de relevante markten van de elektronische<br />
communicatiesector daadwerkelijke concurrentie ontstaat, zodat er voor e<strong>in</strong>dgebruikers<br />
ook voor wat betreft prijs en kwaliteit voldoende keuzevrijheid bestaat. De e<strong>in</strong>d 2008<br />
genomen marktanalysebesluiten zien op de reguler<strong>in</strong>gsperiode 2009 tot en met <strong>2011</strong> en<br />
betreffen ontbundelde toegang op wholesaleniveau, wholesale breedbandtoegang,<br />
huurlijnen, vaste telefonie, gespreksdoorgifte en vaste gespreksafgifte.<br />
Nadat het College <strong>in</strong> 2010 de beroepen tegen verschillende marktanalysebesluiten ter<br />
zitt<strong>in</strong>g heeft behandeld, heeft het College <strong>in</strong> <strong>2011</strong> uitspraak gedaan op de beroepen tegen<br />
de marktanalysebesluiten ontbundelde toegang op wholesaleniveau (ULL), wholesale<br />
breedbandtoegang (WBT), vaste en mobiele gespreksafgifte alsmede vaste telefonie.<br />
ULL en WBT<br />
Op 3 mei <strong>2011</strong> heeft het College de beroepen tegen het besluit betreffende de analyse van<br />
de markt voor ontbundelde toegang op wholesaleniveau gegrond verklaard en dit besluit<br />
vernietigd. 49 In deze uitspraak heeft het College kort gezegd onder meer overwogen dat<br />
OPTA er onvoldoende <strong>in</strong> is geslaagd te motiveren waarom ontbundelde toegang tot<br />
glasvezelnetwerken voor bedrijven (ODF-access, FttO) en andere vormen van<br />
ontbundelde toegang tot dezelfde markt behoren. Met de vernietig<strong>in</strong>g van dit besluit is een<br />
aantal aan KPN opgelegde verplicht<strong>in</strong>gen vervallen. De reguler<strong>in</strong>g van de markt voor<br />
andere vormen van ontbundelde glastoegang en de ontbundelde toegang tot het koperen<br />
48 Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 <strong>in</strong>zake de toegang tot en<br />
<strong>in</strong>terconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (Pb L<br />
108, blz. 7); Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de<br />
machtig<strong>in</strong>g voor elektronische-communicatienetwerken en –diensten (Machtig<strong>in</strong>gsrichtlijn) (Pb L 108, blz 21);<br />
Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 <strong>in</strong>zake een gemeenschappelijk<br />
regelgev<strong>in</strong>gskader voor elektronische-communicatienetwerken en –diensten (Kaderrichtlijn) (Pb L 108, blz. 33);<br />
Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 <strong>in</strong>zake de universele dienst en<br />
gebruikersrechten met betrekk<strong>in</strong>g tot elektronische-communicatienetwerken en –diensten<br />
(Universeledienstrichtlijn) (Pb L 108, blz. 51).<br />
49 LJN: BQ3135<br />
16
aansluitnetwerk bleef onaangevochten. Om te voorkomen dat ook deze reguler<strong>in</strong>g zou<br />
wegvallen, heeft het College de rechtsgevolgen van dat deel van het besluit <strong>in</strong> stand<br />
gelaten. Daarmee is de reguler<strong>in</strong>g voor toegang tot het koperen- en het glasvezelnetwerk<br />
naar won<strong>in</strong>gen (FttH) <strong>in</strong> stand gebleven.<br />
Bij afzonderlijke uitspraak van 3 mei <strong>2011</strong> heeft het College geoordeeld over de beroepen<br />
tegen het besluit betreffende de analyse van de markt voor wholesale breedbandtoegang. 50<br />
In dit besluit is OPTA uitgegaan van twee aparte markten voor WBT, te weten: hoge<br />
kwaliteit WBT voor bedrijven en lage kwaliteit WBT voor (met name) consumenten. In<br />
zijn uitspraak heeft het College geoordeeld dat de reguler<strong>in</strong>g van ontbundelde toegang tot<br />
glasvezelnetwerken van bedrijven (ODF-access, FttO) geen grondslag kan vormen voor<br />
de reguler<strong>in</strong>g van hoge kwaliteit WBT voor bedrijven, aangezien het marktanalysebesluit<br />
ontbundelde toegang op wholesaleniveau op dit punt door het College is vernietigd. In het<br />
verlengde van de ULL-uitspraak sneuvelt daarom ook het WBT-besluit voor zover het<br />
hoge kwaliteit WBT voor bedrijven betreft. <strong>Het</strong> College heeft voorts de beroepen van<br />
partijen tegen de analyse en reguler<strong>in</strong>g van lage kwaliteit WBT voor (met name)<br />
consumenten ongegrond verklaard. Daarmee is de reguler<strong>in</strong>g van lage kwaliteit WBT via<br />
het netwerk van KPN <strong>in</strong> stand gebleven.<br />
Vaste en mobiele gespreksafgifte<br />
Op 31 augustus <strong>2011</strong> heeft het College uitspraak gedaan <strong>in</strong> de beroepen tegen het<br />
marktanalysebesluit vaste en mobiele gespreksafgifte van 7 juli 2010. 51 Gespreksafgifte is<br />
de dienst die bestaat uit het afleveren van een telefoongesprek bij de gebelde. In dit besluit<br />
heeft OPTA onder meer de tarieven vastgesteld die aanbieders van vaste en mobiele<br />
telefonie elkaar mogen berekenen voor gespreksafgifte. OPTA heeft de afgiftetarieven<br />
vastgesteld aan de hand van de kostenmethodiek op basis van pure Bottom-Up Long-Run<br />
Incremental Costs (BULRIC). Hierbij mogen alleen de <strong>in</strong>crementele kosten <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g<br />
worden gebracht. Hoewel het College OPTA heeft gevolgd <strong>in</strong> haar keuze om over te gaan<br />
naar afgiftetarieven die voor alle vaste aanbieders gelijk zijn en voor alle mobiele<br />
aanbieders gelijk zijn, is het College tot het oordeel gekomen dat de door OPTA op basis<br />
van het pure BULRIC systeem vastgestelde tarieven niet <strong>in</strong> stand kunnen blijven. Voor<br />
zover mogelijk heeft het College voorts zelf <strong>in</strong> de zaak voorzien en bepaald dat<br />
tariefreguler<strong>in</strong>g op basis van de plus BULRIC kostenmethodiek wel passend is. In deze<br />
methodiek kunnen niet alleen de <strong>in</strong>crementele kosten, maar alle efficiënte netwerkkosten<br />
worden meegenomen. Deze uitspraak heeft tot gevolg dat de tarieven voor mobiele<br />
gespreksafgifte <strong>in</strong> de periode na 1 september 2012 worden verlaagd naar 2,4 eurocent per<br />
m<strong>in</strong>uut <strong>in</strong> plaats van de door OPTA beoogde 1,2 eurocent per m<strong>in</strong>uut. Tot die datum<br />
mogen de aanbieders elkaar nog maximaal 2,7 eurocent per m<strong>in</strong>uut <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g brengen.<br />
Over het tarief voor vaste gespreksafgifte en voor een aantal met gespreksafgifte<br />
samenhangende diensten moest OPTA voor 1 januari 2012 een nieuw besluit nemen. Bij<br />
wijze van voorlopige voorzien<strong>in</strong>g heeft het College bepaald dat tot het tijdstip waarop dat<br />
besluit is genomen, nog de tarieven gelden die door OPTA zijn vastgesteld voor de tweede<br />
helft van <strong>2011</strong>. Daarnaast heeft het College het marktanalysebesluit vernietigd voor zover<br />
OPTA daar<strong>in</strong> heeft bepaald dat gespreksafgifte op 084/087-nummers op een afzonderlijk<br />
vast netwerk wel, en gespreksafgifte op 085-nummers op een afzonderlijk vast netwerk<br />
niet deel uitmaakt van de relevante markten.<br />
50 LJN: BQ3146<br />
51 LJN: BR6195<br />
17
Vaste telefonie<br />
Bij uitspraak van 30 september <strong>2011</strong> heeft het College geoordeeld over de beroepen tegen<br />
het marktanalysebesluit vaste telefonie van 19 december 2008. 52 In dit besluit heeft OPTA<br />
aan KPN verplicht<strong>in</strong>gen op wholesale niveau opgelegd met als doel om alternatieve<br />
aanbieders te laten concurreren met KPN voor het leveren van analoge en digitale vaste<br />
telefoniediensten. <strong>Het</strong> College heeft deze aan KPN opgelegde wholesaleverplicht<strong>in</strong>gen <strong>in</strong><br />
stand gelaten.<br />
In het marktanalysebesluit vaste telefonie is OPTA voorts tot de conclusie gekomen dat<br />
het niet meer nodig is om <strong>in</strong> aanvull<strong>in</strong>g op de wholesaleverplicht<strong>in</strong>gen tevens<br />
retailverplicht<strong>in</strong>gen aan KPN op te leggen. <strong>Het</strong> College heeft OPTA hier<strong>in</strong> gedeeltelijk<br />
gevolgd. De <strong>in</strong>trekk<strong>in</strong>g van de retailreguler<strong>in</strong>g voor consumententelefonie acht het<br />
College rechtmatig. Daarentegen is het College het echter niet met OPTA eens wat betreft<br />
de <strong>in</strong>trekk<strong>in</strong>g van de retailreguler<strong>in</strong>g voor de zakelijke telefonie markt. <strong>Het</strong><br />
marktanalysebesluit is op dit punt vernietigd. OPTA diende b<strong>in</strong>nen drie maanden een<br />
nieuw besluit te nemen over de <strong>in</strong>standhoud<strong>in</strong>g van de verplicht<strong>in</strong>gen op de zakelijke<br />
retailmarkt na 1 januari 2010.<br />
Voorlopige voorzien<strong>in</strong>gen<br />
Op 4 juni 2010 heeft de Staat onder de naam 'OverheidsTelecom 2010' (OT2010) een<br />
Europese openbare aanbested<strong>in</strong>gsprocedure voor overheidstelecommunicatiediensten<br />
uitgeschreven. Deze aanbested<strong>in</strong>g heeft <strong>in</strong> <strong>2011</strong> tot twee uitspraken op verzoeken om<br />
voorlopige voorzien<strong>in</strong>g geleid.<br />
Nadat onder meer KPN en Tele2 <strong>in</strong> het kader van OT2010 een <strong>in</strong>schrijv<strong>in</strong>g hebben gedaan<br />
voor het cluster vaste telefonie, heeft de Staat het voornemen geuit de opdracht aan KPN<br />
te gunnen. Tele2 was van men<strong>in</strong>g dat KPN met haar <strong>in</strong>schrijv<strong>in</strong>g de op grond van het<br />
marktanalysebesluit vaste telefonie op haar rustende verplicht<strong>in</strong>gen heeft overtreden. Zij<br />
heeft OPTA verzocht tot handhav<strong>in</strong>g over te gaan. OPTA heeft <strong>in</strong> twee deelbesluiten op<br />
dit handhav<strong>in</strong>gsverzoek beslist.<br />
Nadat OPTA <strong>in</strong> het eerste deelbesluit heeft vastgesteld dat KPN de non<br />
discrim<strong>in</strong>atiebepal<strong>in</strong>g uit het marktanalysebesluit heeft overtreden, heeft de Staat de<br />
voorlopige gunn<strong>in</strong>g aan KPN <strong>in</strong>getrokken en de opdracht voorlopig aan Tele2 gegund.<br />
Daarnaast heeft de Staat KPN aansprakelijk gesteld voor alle schade als gevolg van haar<br />
onrechtmatig handelen.<br />
In een tweede deelbesluit is OPTA tot de conclusie gekomen dat de <strong>in</strong>schrijv<strong>in</strong>g die KPN<br />
heeft gedaan, niet <strong>in</strong> strijd is met de als onderdeel van de non discrim<strong>in</strong>atieverplicht<strong>in</strong>g <strong>in</strong><br />
het marktanalysebesluit opgenomen gedragsregel 5. Tele2 heeft de voorzien<strong>in</strong>genrechter<br />
van het College verzocht dit tweede deelbesluit van OPTA te schorsen. Op 5 september<br />
<strong>2011</strong> 53 overweegt de voorzien<strong>in</strong>genrechter dat niet is gebleken dat OPTA bij de<br />
voorbereid<strong>in</strong>g van dit besluit niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante<br />
feiten en de af te wegen belangen. Daarnaast heeft de voorzien<strong>in</strong>genrechter niet kunnen<br />
vaststellen dat KPN gedragsregel 5 heeft overtreden. De toets aan gedragsregel 5 vergt<br />
namelijk een diepgaander onderzoek dan <strong>in</strong> een voorzien<strong>in</strong>gprocedure mogelijk is. <strong>Het</strong><br />
verzoek van Tele2 is dan ook afgewezen.<br />
In verband met de aansprakelijkstell<strong>in</strong>g hebben de Staat en KPN op 5 juli <strong>2011</strong> een<br />
vaststell<strong>in</strong>gsovereenkomst gesloten. Vervolgens heeft de Staat de voorlopige gunn<strong>in</strong>g aan<br />
52 LJN: BT6098<br />
53 LJN: BR6671<br />
18
Tele2 weer <strong>in</strong>getrokken en de opdracht alsnog aan KPN gegund. OPTA beschouwt de<br />
vaststell<strong>in</strong>gsovereenkomst als een aanvullende afspraak op de aanbied<strong>in</strong>g die KPN <strong>in</strong> het<br />
kader van OT2010 heeft gedaan. Volgens OPTA moet dit nieuwe aanbod eveneens aan<br />
gedragsregel 5 voldoen. Daarom heeft OPTA KPN verzocht de toets aan gedragsregel 5<br />
uit te voeren en aan OPTA te verstrekken. KPN is echter van men<strong>in</strong>g dat de<br />
vaststell<strong>in</strong>gsovereenkomst niet <strong>in</strong> de toets aan gedragsregel 5 behoeft te worden betrokken<br />
en heeft geweigerd de door OPTA verzochte toets uit te voeren. Hierop heeft OPTA aan<br />
KPN een last onder dwangsom opgelegd. Bij uitspraak van 19 oktober <strong>2011</strong> 54 overweegt<br />
de voorzien<strong>in</strong>genrechter dat niet voldaan is aan de opschortende voorwaarde die <strong>in</strong> de<br />
vaststell<strong>in</strong>gsovereenkomst is opgenomen. Als gevolg hiervan kan de conclusie niet anders<br />
zijn dan dat de werk<strong>in</strong>g van deze overeenkomst ook niet is aangevangen. <strong>Het</strong> verzoek om<br />
voorlopige voorzien<strong>in</strong>g is toegewezen en de last onder dwangsom is geschorst.<br />
Spam<br />
De verkiez<strong>in</strong>gen voor de Prov<strong>in</strong>ciale Staten van Overijssel op 7 maart 2007 hebben<br />
(<strong>in</strong>direct) geleid tot de uitspraak <strong>in</strong> hoger beroep van 15 juni <strong>2011</strong>. 55 De appellanten <strong>in</strong><br />
deze zaak hebben <strong>in</strong> het kader van de verkiez<strong>in</strong>gen ongevraagd één e-mailbericht van de<br />
VVD ontvangen. Zij hebben OPTA vervolgens verzocht om aan de VVD een last onder<br />
dwangsom en een boete op te leggen wegens overtred<strong>in</strong>g van het spamverbod. OPTA<br />
heeft dit geweigerd. <strong>Het</strong> beroep tegen dit besluit is door de rechtbank Rotterdam<br />
ongegrond verklaard. In hoger beroep overweegt het College dat de Europese richtlijn,<br />
waarop het spamverbod van artikel 11.7 Tw is gebaseerd, niet verplicht om steeds<br />
handhavend op te treden. Als het gaat om de beg<strong>in</strong>selplicht om handhavend op te treden<br />
tegen overtred<strong>in</strong>gen bevestigt het College eenzelfde lijn te volgen als de Afdel<strong>in</strong>g<br />
bestuursrechtspraak. Dit betekent dat slechts onder bijzondere omstandigheden van<br />
handhav<strong>in</strong>gsmaatregelen mag worden afgezien. Van bijzondere omstandigheden kan<br />
sprake zijn wanneer de overtred<strong>in</strong>g een <strong>in</strong>cidenteel karakter heeft. Ook de ger<strong>in</strong>ge ernst<br />
van een overtred<strong>in</strong>g kan een bijzondere omstandigheid zijn om van handhav<strong>in</strong>g af te zien.<br />
Gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak is het College het met de rechtbank<br />
eens dat OPTA aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen dat handhavend optreden<br />
tegen de VVD onevenredig zou zijn tot de daarmee te dienen belangen.<br />
54 LJN: BT8967<br />
55 LJN: BQ8708<br />
19
EZ-subsidies<br />
7. EZ-SUBSIDIES EN BELASTINGFACILITEITEN<br />
De Kaderwet EZ-subsidies biedt het raamwerk voor vele subsidieregel<strong>in</strong>gen die<br />
betrekk<strong>in</strong>g hebben op <strong>in</strong>dustriële ontwikkel<strong>in</strong>g en <strong>in</strong>novatie. De aanvragen voor deze<br />
subsidies worden behandeld door Agentschap NL, een agentschap van het m<strong>in</strong>isterie van<br />
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Tegen de besliss<strong>in</strong>g staat na de<br />
bezwaarschriftenprocedure beroep open bij het College.<br />
a. stimuler<strong>in</strong>g duurzame energieproductie<br />
<strong>Het</strong> College heeft <strong>in</strong> <strong>2011</strong> een tw<strong>in</strong>tigtal zaken afgedaan over SDE-subsidies. <strong>Het</strong> g<strong>in</strong>g om<br />
subsidies voor het opwekken van groene stroom met behulp van biomassa, zonnepanelen<br />
en waterkracht.<br />
Ook dit jaar draaide het <strong>in</strong> veel van deze zaken om de wijze van verdel<strong>in</strong>g van de<br />
beschikbare subsidiegelden <strong>in</strong> het geval dat op één dag meer subsidie wordt aangevraagd<br />
dan - gelet op het geldende subsidieplafond - kan worden verleend. Welke aanvragen dan<br />
als eerste worden behandeld en daarmee ook als eerste voor subsidie <strong>in</strong> aanmerk<strong>in</strong>g<br />
komen, wordt bepaald aan de hand van een lot<strong>in</strong>g. Partijen die beroep <strong>in</strong>stelden waren het<br />
niet eens met de keuze voor een lot<strong>in</strong>gsprocedure, dan wel met de wijze waarop de lot<strong>in</strong>g<br />
werd uitgevoerd. 56 Daarnaast speelden er procedurele perikelen rondom de vraag of<br />
specifieke aanvragen nu wel of niet op die ene dag waren ontvangen 57 en ook volledig<br />
waren. 58<br />
In een ander deel van de zaken was de situatie na de verdel<strong>in</strong>g van de beschikbare<br />
subsidiegelden aan de orde. Zo heeft het College <strong>in</strong> zijn uitspraken van 9 mei <strong>2011</strong> 59 en 14<br />
november <strong>2011</strong> 60 geoordeeld over gevallen waar<strong>in</strong> bedrijven een wijzig<strong>in</strong>g wilden<br />
aanbrengen <strong>in</strong> het project waarvoor zij subsidie hadden verkregen; zij wilden het project<br />
realiseren op een andere locatie dan zij hadden aangevraagd. De verzoeken tot verlen<strong>in</strong>g<br />
van een daarvoor benodigde ontheff<strong>in</strong>g werden door de m<strong>in</strong>ister afgewezen. De m<strong>in</strong>ister<br />
was het niet met de bedrijven eens dat <strong>in</strong> hun geval sprake was van overmacht <strong>in</strong> de vorm<br />
van een onvoorziene omstandigheid. In het ene geval was dit omdat het bedrijf<br />
onvoldoende had onderbouwd dat de door hem aangevoerde bijzondere omstandigheid<br />
zich had voorgedaan en <strong>in</strong> het andere geval omdat de bijzondere omstandigheid naar de<br />
men<strong>in</strong>g van de m<strong>in</strong>ister voor reken<strong>in</strong>g en risico van het bedrijf diende te blijven. <strong>Het</strong><br />
College acht dit niet onredelijk en verklaarde de beroepen ongegrond.<br />
b. Internationale en regionale projecten<br />
Ook worden aan het College geschillen voorgelegd over subsidies voor het Nederlandse<br />
bedrijfsleven ter ondersteun<strong>in</strong>g van projecten zowel b<strong>in</strong>nen als buiten Nederland. In <strong>2011</strong><br />
heeft het College onder meer een uitspraak gedaan over een project <strong>in</strong> Roemenië <strong>in</strong> het<br />
kader van de Subsidieregel<strong>in</strong>g programma starters op buite<strong>nl</strong>andse markten. Agentschap<br />
56<br />
LJN: BP4811, LJN: BP4812, LJN: BQ3479, LJN: BQ5710, LJN: BR6121<br />
57<br />
LJN: BQ9604, LJN: BV0939<br />
58<br />
LJN: BQ9603<br />
59<br />
LJN: BQ4991<br />
60<br />
LJN: BU6042<br />
20
NL constateerde bij de subsidievaststell<strong>in</strong>g dat de aanvrager niet voldaan heeft aan de eis<br />
dat de buite<strong>nl</strong>andse (subsidiabele) activiteiten voor eigen reken<strong>in</strong>g en risico moeten<br />
worden uitgevoerd door de aanvragende (<strong>in</strong> Nederland gevestigde) ondernemer. De<br />
activiteiten zijn uitgevoerd door een Roemeense rechtspersoon, die aanvrager daartoe zelf<br />
heeft opgericht, tene<strong>in</strong>de makkelijker toegang te krijgen tot de markt aldaar. De subsidie<br />
werd op nihil vastgesteld. <strong>Het</strong> College oordeelde dat verweerder onder de gegeven<br />
omstandigheden, gelet op het doel van de regel<strong>in</strong>g (met name kle<strong>in</strong>e bedrijven helpen bij<br />
het zetten van de eerste stappen op een nieuwe buite<strong>nl</strong>andse markt) de subsidie <strong>in</strong><br />
redelijkheid niet op nihil mocht vaststellen. <strong>Het</strong> College achtte een kort<strong>in</strong>g van 10% op<br />
zijn plaats. 61<br />
Verder heeft het College zich gebogen over een zaak waar<strong>in</strong> het Besluit subsidies<br />
regionale <strong>in</strong>vester<strong>in</strong>gsprojecten aan de orde was. In die zaak had het Agentschap NL een<br />
subsidie van bijna 2,5 miljoen euro teruggedraaid die verleend was aan een ondernem<strong>in</strong>g<br />
<strong>in</strong> een achtergebleven regio (Heerlen). Deze ondernem<strong>in</strong>g zou namelijk niet hebben<br />
voldaan aan de eis dat de <strong>in</strong>vester<strong>in</strong>g niet gedurende vijf jaar tot stand is gehouden. <strong>Het</strong><br />
College deelt die opvatt<strong>in</strong>g niet, omdat deze vijfjaarstermijn volgens het College <strong>in</strong>gaat op<br />
het moment van de subsidieverlen<strong>in</strong>g en, gelet hierop, de <strong>in</strong>vester<strong>in</strong>g wel vijf jaar is<br />
behouden. Schend<strong>in</strong>g van de plicht van appellante om te melden dat de activiteiten zijn<br />
verplaatst, kan, nu aan het doel van de plicht wel is voldaan, het terugvorder<strong>in</strong>gsbesluit<br />
niet dragen. 62<br />
c. Duurzame warmte voor bestaande won<strong>in</strong>gen<br />
Voor eigenaren van bestaande won<strong>in</strong>gen was het mogelijk om subsidie bij het Agentschap<br />
NL aan te vragen voor warmtepompen, zonneboilers en <strong>in</strong>stallaties voor microwarmtekrachtkoppel<strong>in</strong>g<br />
op grond van de Subsidieregel<strong>in</strong>g op het gebied van energie en<br />
<strong>in</strong>novatie. Deze regel<strong>in</strong>g werd <strong>in</strong> mei 2010 gewijzigd waardoor nadien de subsidie voor<br />
zonneboliers en warmtepompen werd beperkt door per won<strong>in</strong>g een maximer<strong>in</strong>g <strong>in</strong> te<br />
stellen. In een zaak waar<strong>in</strong> de subsidie-aanvrager heeft gesteld dat hij vóór die wijzig<strong>in</strong>g<br />
de subsidie-aanvraag heeft <strong>in</strong>gediend - waarmee hij meent dat die maximer<strong>in</strong>g niet op hem<br />
van toepass<strong>in</strong>g is -, heeft het College er op gewezen dat de aanvrager voorzien<strong>in</strong>gen moet<br />
hebben getroffen op grond waarvan hij kan aantonen wanneer hij de aanvraag bij het<br />
Agentschap NL heeft <strong>in</strong>gediend. Dat bleek <strong>in</strong> die zaak niet het geval te zijn. 63<br />
d. Technische ontwikkel<strong>in</strong>gkredieten<br />
<strong>Het</strong> Besluit technische ontwikkel<strong>in</strong>gskredieten maakte het voor ondernem<strong>in</strong>gen mogelijk<br />
krediet te verkrijgen voor een project ter verbeter<strong>in</strong>g van productie en dienstverlen<strong>in</strong>g. De<br />
ondernemer heeft dan onder meer de plicht dit project te commercialiseren. In een zaak<br />
waar<strong>in</strong> de ondernem<strong>in</strong>g failliet g<strong>in</strong>g, heeft het College geoordeeld dat het Agentschap NL<br />
de kredietverstrekk<strong>in</strong>g niet kon <strong>in</strong>trekken om de enkele reden dat door het faillissement<br />
geen zicht meer bestaat op commercialisatie van het project. <strong>Het</strong> Agentschap NL dient<br />
namelijk te motiveren dat de ondernem<strong>in</strong>g tekort is geschoten <strong>in</strong> het nakomen van de<br />
verplicht<strong>in</strong>g <strong>in</strong> de kredietovereenkomst, <strong>in</strong> dit geval de verplicht<strong>in</strong>g tot commericialisatie<br />
van het project. 64<br />
61 LJN: BQ8474<br />
62 LJN: BR6940<br />
63 LJN: BU4979<br />
64 LJN: BP4782<br />
21
e. Technologische samenwerk<strong>in</strong>gsprojecten<br />
Op grond van het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische<br />
samenwerk<strong>in</strong>gsprojecten kan subsidie worden verkregen voor een onderzoeksproject dat<br />
wordt uitgevoerd door een samenwerk<strong>in</strong>gsverband. Op grond van dit besluit is het<br />
Agentschap NL <strong>in</strong> beg<strong>in</strong>sel gehouden om de subsidie aan de penvoerder van dat<br />
samenwerk<strong>in</strong>gsverband uit te betalen. In bijzondere omstandigheden kan echter aa<strong>nl</strong>eid<strong>in</strong>g<br />
bestaan om van dat voorschrift af te wijken. In een zaak waar<strong>in</strong> een<br />
samenwerk<strong>in</strong>gsverband waar<strong>in</strong> tussen de deelnemers een vertrouwensbreuk was ontstaan<br />
waren dergelijke, bijzondere, omstandigheden aanwezig en heeft het College het<br />
Agentschap NL gevolgd <strong>in</strong> haar besliss<strong>in</strong>gen de subsidie naar rato onder deelnemers uit te<br />
betalen. 65<br />
Wet verm<strong>in</strong>der<strong>in</strong>g afdracht loonbelast<strong>in</strong>g en premie voor de volksverzeker<strong>in</strong>gen<br />
Agentschap NL is belast met de afhandel<strong>in</strong>g van verzoeken om een verklar<strong>in</strong>g op grond<br />
van de Wet verm<strong>in</strong>der<strong>in</strong>g afdracht loonbelast<strong>in</strong>g en premie voor de volksverzeker<strong>in</strong>gen<br />
(hierna: Wva). Deze verklar<strong>in</strong>gen worden afgegeven <strong>in</strong> verband met speur- en<br />
ontwikkel<strong>in</strong>gswerk (S&O). In <strong>2011</strong> heeft het College <strong>in</strong> uitspraak gedaan <strong>in</strong> zaken die<br />
onder meer betrekk<strong>in</strong>g hebben op het te laat <strong>in</strong>dienen van de aanvraag voor een S&Overklar<strong>in</strong>g.<br />
66 Voorts heeft het College zich gebogen over zaken waar<strong>in</strong> ondernemers zich<br />
niet aan de verplicht<strong>in</strong>g houden een zodanige projectadm<strong>in</strong>istratie bij te houden dat<br />
daaruit achteraf de aard en <strong>in</strong>houd van het verrichte speur- en ontwikkel<strong>in</strong>gswerk op<br />
eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden. In de praktijk betekent dit meer dan een<br />
overzicht van bestede uren; ook de resultaten van de <strong>in</strong> die uren verrichte werkzaamheden<br />
moeten <strong>in</strong>zichtelijk zijn. Indien de ondernemer niet aan deze verplicht<strong>in</strong>gen voldoet kan<br />
Agentschap NL de afgegeven S&O-verklar<strong>in</strong>g tot nihil corrigeren en een bestuurlijke<br />
boete opleggen. <strong>Het</strong> College acht dit <strong>in</strong> beg<strong>in</strong>sel niet onredelijk <strong>in</strong>dien het Agentschap NL<br />
nadat een gebrek is geconstateerd de ondernemer de mogelijkheid heeft geboden de<br />
adm<strong>in</strong>istratie <strong>in</strong>zichtelijk te maken. 67<br />
Wet <strong>in</strong>komstenbelast<strong>in</strong>g 2001; de verklar<strong>in</strong>g energie-<strong>in</strong>vester<strong>in</strong>gsaftrek<br />
Verder heeft het College besliss<strong>in</strong>gen van Agentschap NL beoordeeld ter zake verzoeken<br />
om een verklar<strong>in</strong>g op grond van artikel 3.42 van de Wet <strong>in</strong>komstenbelast<strong>in</strong>g 2001. Een<br />
dergelijke verklar<strong>in</strong>g houdt <strong>in</strong> dat ten aanzien van een bepaalde <strong>in</strong>vester<strong>in</strong>g sprake is van<br />
een - bij nadere regel<strong>in</strong>g aangewezen - energie-<strong>in</strong>vester<strong>in</strong>g. De ondernemer die zo'n<br />
verklar<strong>in</strong>g verkrijgt kan bij de belast<strong>in</strong>gaangifte een percentage van het <strong>in</strong>vester<strong>in</strong>gsbedrag<br />
ten laste brengen van de w<strong>in</strong>st, de energie-<strong>in</strong>vester<strong>in</strong>gsaftrek. In <strong>2011</strong> heeft het College<br />
uitspraak gedaan over het niet <strong>in</strong> behandelen nemen van een aanvraag, 68 de niet tijdige<br />
aanmeld<strong>in</strong>g van de <strong>in</strong>vester<strong>in</strong>g, 69 de def<strong>in</strong>itie van bedrijfsmiddelen die voor energie<strong>in</strong>vester<strong>in</strong>gsaftrek<br />
<strong>in</strong> aanmerk<strong>in</strong>g komen 70 en de wijze waarop Agentschap NL de<br />
65 LJN: BT6884<br />
66 LJN: BU2151; LJN: BU2152<br />
67 LJN: BU4615<br />
68 LJN: BU4620; LJN: BU4624<br />
69 LJN: BV1445<br />
70 LJN: BQ3308<br />
22
maximer<strong>in</strong>g van het <strong>in</strong>vester<strong>in</strong>gsbedrag dat voor energie-<strong>in</strong>vester<strong>in</strong>gsaftrek <strong>in</strong> aanmerk<strong>in</strong>g<br />
komt, toepast. 71<br />
71 LJN: BU7256<br />
23
8. GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSWET VOOR DIEREN<br />
Schadevergoed<strong>in</strong>gen <strong>in</strong> verband met Q-koorts<br />
In vervolg op de uitspraken die het College <strong>in</strong> 2010 heeft gewezen over de dod<strong>in</strong>gen van<br />
geiten <strong>in</strong> verband met Q-koorts, heeft het College <strong>in</strong> <strong>2011</strong> een fl<strong>in</strong>k aantal uitspraken<br />
gedaan over de <strong>in</strong> verband daarmee toegekende schadevergoed<strong>in</strong>gen. 72 <strong>Het</strong> College heeft<br />
daar<strong>in</strong> geoordeeld dat het geen reden ziet voor de verhog<strong>in</strong>g van die vanwege de<br />
bestrijd<strong>in</strong>g van Q-koorts toegekende schadevergoed<strong>in</strong>gen. Een veertigtal geiten- en<br />
schapenhouders vonden deze toegekende schadevergoed<strong>in</strong>gen te laag. Zij g<strong>in</strong>gen vergeefs<br />
<strong>in</strong> beroep. <strong>Het</strong> College rekent het risico van vervolgschade door maatregelen ter<br />
bestrijd<strong>in</strong>g van een besmettelijke dierziekte als regel tot het normale bedrijfsrisico. Aan<br />
economische activiteiten die betrekk<strong>in</strong>g hebben op dierlijke producten kleeft nu eenmaal<br />
een objectief voorzienbaar risico van ziekten en daarmee samenhangend<br />
overheids<strong>in</strong>grijpen. Q-koorts is als besmettelijke dierziekte aangewezen. Dat <strong>in</strong> het<br />
verleden besmettelijke dierziektes, zoals MKZ, AI en varkenspest geen gevaar<br />
veroorzaakten van de besmett<strong>in</strong>g van mensen door dieren, is geen overtuigend argument<br />
om de geiten- en schapenhouders volledig schadeloos te stellen. De geiten- en<br />
schapenhouders hadden geen bewijs dat de bestrijd<strong>in</strong>g van Q-koorts te laat ter hand is<br />
genomen. Dat blijkt evenm<strong>in</strong> uit het rapport van de evaluatiecommissie Van Dijk.<br />
Voorlopige voorzien<strong>in</strong>gen: <strong>in</strong>beslagname van dieren<br />
<strong>Het</strong> College heeft <strong>in</strong> <strong>2011</strong> verscheidene malen moeten beslissen op verzoeken om<br />
voorlopige voorzien<strong>in</strong>g <strong>in</strong> zaken waar<strong>in</strong> dieren, wegens slechte huisvest<strong>in</strong>g en/of<br />
verzorg<strong>in</strong>g, <strong>in</strong> beslag zijn genomen. Zo ook <strong>in</strong> een zaak waar<strong>in</strong> bij een controlebezoek was<br />
geconstateerd dat zes honden (zeer sterk) vermagerd en schraal waren. Over de lichamen<br />
van de honden werden uitstekende botten, scherpe ruglijnen en heupbeenderen gevoeld.<br />
Van sommige honden was de vacht verklit en werd geconstateerd dat deze honden<br />
huidproblemen hadden. Een andere hond had enkele klitten aan de voor- en achterpoten<br />
en aan de staartwortel en vele kale huiddelen op het lichaam. Door de dierenarts, die bij<br />
het bezoek aanwezig was, is geconstateerd dat de honden ernstig ondervoed waren en dat<br />
zij de basisverzorg<strong>in</strong>g (vacht- en nagelverzorg<strong>in</strong>g, ontvlooien) misten. De<br />
voorzien<strong>in</strong>genrechter kwam tot het oordeel dat de gezondheid van de honden was<br />
benadeeld en dat de dieren de nodige verzorg<strong>in</strong>g is onthouden. Volgens de<br />
voorzien<strong>in</strong>genrechter was de aangetroffen situatie zo spoedeisend dat direct <strong>in</strong>grijpen<br />
gerechtvaardigd was en dat er geen plaats was voor een waarschuw<strong>in</strong>g of het stellen van<br />
een termijn voor het nemen van maatregelen. Er is dan ook terecht voor gekozen de<br />
honden uit de beperkte huisvest<strong>in</strong>gssituatie te halen, te onderzoeken en bij te voederen om<br />
de dieren te laten aansterken. De voorzien<strong>in</strong>genrechter heeft het verzoek om de honden<br />
terug te geven om die reden vervolgens afgewezen. 73<br />
72 LJN: BR0261<br />
73 LJN: BQ5797<br />
24
Schors<strong>in</strong>g van de erkenn<strong>in</strong>g van een slachthuis<br />
Op grond van Europese regelgev<strong>in</strong>g moet de exploitant van een slachthuis zich, <strong>in</strong><br />
verband met de volksgezondheid, houden aan een aantal voorwaarden. Als de exploitant<br />
daar niet aan voldoet, dan kan (tijdelijke) schors<strong>in</strong>g van de erkenn<strong>in</strong>g van het slachthuis<br />
volgen. In <strong>2011</strong> heeft het College geoordeeld over een zaak, waar<strong>in</strong> exploitant X heeft<br />
geweigerd te voldoen aan het verzoek van de dierenarts om de <strong>in</strong> de verdov<strong>in</strong>gsruimte<br />
aanwezige varkens beter te presenteren. De dierenarts was daardoor niet <strong>in</strong> staat een<br />
zogenaamd antemortemkeur<strong>in</strong>g te verrichten. Daarnaast heeft X niet voldaan aan het<br />
verzoek van de dierenarts te stoppen met het verdoven en ophangen van de varkens <strong>in</strong> de<br />
slachtlijn op het moment dat de verdov<strong>in</strong>gsruimte te vol werd om nog te kunnen keuren.<br />
Evenm<strong>in</strong> heeft X gehoor gegeven aan het (herhaalde) verzoek om een varken met een<br />
aandoen<strong>in</strong>g aan de achterpoot achterop te slachten en het oornummer van dit varken aan<br />
de dierenarts te geven. Hiermee heeft X volgens het College de van toepass<strong>in</strong>g zijnde<br />
voorwaarden overtreden, waardoor ongekeurde varkens <strong>in</strong> de slachtlijn terecht zijn<br />
gekomen. Vanwege de mogelijke gevolgen hiervan voor de volksgezondheid, is dan ook<br />
terecht overgegaan tot schors<strong>in</strong>g van de erkenn<strong>in</strong>g van het slachthuis. 74<br />
74 LJN: BR5411<br />
25
9. SOCIAAL ECONOMISCH GEZONDHEIDSRECHT<br />
In <strong>2011</strong> heeft het College beroepen op het gebied van het sociaal economisch<br />
gezondheidsrecht behandeld die uitee<strong>nl</strong>opende onderwerpen aan de orde stelden. Een<br />
aantal uitspraken viel op vanwege de implicaties daarvan en/of de f<strong>in</strong>anciële belangen die<br />
op het spel stonden.<br />
Bij uitspraak van 13 juli <strong>2011</strong> 75 heeft het College beslist op de beroepen van de Orde van<br />
Medisch Specialisten, diverse specialistenverenig<strong>in</strong>gen en medisch specialisten tegen<br />
tariefbeschikk<strong>in</strong>gen voor het jaar 2010. In deze tariefbeschikk<strong>in</strong>g was een kort<strong>in</strong>g<br />
verwerkt van € 512 miljoen op de honoraria van vrij gevestigde medisch specialisten.<br />
Hiermee werd beoogd een nieuwe overschrijd<strong>in</strong>g van het budgettair kader voor de<br />
medisch specialisten te voorkomen. <strong>Het</strong> merendeel van de beroepsgronden slaagt niet. De<br />
Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa) mocht een gedeelte van de kort<strong>in</strong>g tussen de<br />
verschillende medisch specialisten verdelen aan de hand van een model waar<strong>in</strong> met name<br />
naar de wijzig<strong>in</strong>g van de omzet tussen 2007 en 2008 is gekeken. Verder mocht de NZa de<br />
compensatie voor de ondersteunende specialismen (radiologie, nucleaire geneeskunde,<br />
kl<strong>in</strong>ische chemie, medische microbiologie, pathologie en anesthesiologie) aanpassen. De<br />
NZa heeft zich <strong>in</strong> redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de kort<strong>in</strong>g geen<br />
onaanvaardbare omzetgevolgen heeft voor een gemiddeld declarerend medisch specialist.<br />
Op één punt slagen de beroepsgronden wel. De NZa mocht de tarieven voor keur<strong>in</strong>gen en<br />
bevolk<strong>in</strong>gsonderzoek naar baarmoederhalskanker niet neerwaarts bijstellen. Deze<br />
neerwaartse bijstell<strong>in</strong>g draagt namelijk niet bij aan het voorkomen van een nieuwe<br />
overschrijd<strong>in</strong>g van het budgettair kader.<br />
Voor zogenoemde AWBZ-<strong>in</strong>stell<strong>in</strong>gen - dat zijn <strong>in</strong>stell<strong>in</strong>gen die zorg verlenen waarop<br />
verzekerden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak maken -<br />
heeft het College <strong>in</strong> oktober <strong>2011</strong> 76 een reeks belangrijke uitspraken gedaan. In de eerste<br />
plaats heeft het College op een procedureel punt meer duidelijkheid gegeven. <strong>Het</strong> belang<br />
bij de beoordel<strong>in</strong>g van bezwaren tegen een tariefbeschikk<strong>in</strong>g komt te vervallen, <strong>in</strong>dien<br />
deze wordt opgevolgd door een nieuwe tariefbeschikk<strong>in</strong>g met dezelfde <strong>in</strong>gangsdatum en<br />
daar<strong>in</strong> de geldigheidsduur van de geldende tariefbeschikk<strong>in</strong>g wordt beperkt tot de<br />
<strong>in</strong>gangsdatum van de nieuwe tariefbeschikk<strong>in</strong>g. Verder heeft het College geoordeeld dat<br />
de beroepsgronden tegen de aanwijz<strong>in</strong>g en de beleidsregel Contracteerruimte 2007 falen.<br />
De NZa mocht het systeem van macrobudgetter<strong>in</strong>g, resulterend <strong>in</strong> de jaarlijkse vaststell<strong>in</strong>g<br />
van (regionale) contracteerruimte, toepassen. Onderdeel van dit systeem is de naar rato<br />
correctie van de <strong>in</strong>stell<strong>in</strong>gsbudgetten, <strong>in</strong>dien de regionale contracteerruimte wordt<br />
overschreden.<br />
Daarnaast heeft het College meermalen 77 uitspraak gedaan over besliss<strong>in</strong>gen op grond van<br />
beleidsregel Toeslag extreme zorgbehoefte. Op grond van deze beleidsregels kunnen<br />
<strong>in</strong>stell<strong>in</strong>gen onder bepaalde voorwaarden bovenop de reguliere bekostig<strong>in</strong>g een toeslag<br />
krijgen voor cliënten met een extreme zorgzwaarte. <strong>Het</strong> daarbij gemaakte onderscheid<br />
tussen cliënten <strong>in</strong> de gehandicaptenzorg, die wel voor een toeslag <strong>in</strong> aanmerk<strong>in</strong>g kunnen<br />
komen, en cliënten <strong>in</strong> de geestelijke gezondheidszorg en de verzorg<strong>in</strong>g en verpleg<strong>in</strong>g, die<br />
75<br />
LJN: BT1721<br />
76<br />
LJN: BU1570, BU1572, BU1575, BU1577, BU1564, BU1567, BU1568, BU1592 en BU1594<br />
77<br />
LJN: BP6066, BP6069 en BU7271<br />
26
niet voor een toeslag <strong>in</strong> aanmerk<strong>in</strong>g kunnen komen, is niet <strong>in</strong> strijd met het<br />
gelijkheidsbeg<strong>in</strong>sel.<br />
Verder heeft het College bij tussenuitspraak van 8 december <strong>2011</strong> 78 beslist op de beroepen<br />
van onder meer de Sticht<strong>in</strong>g Afweer Stoornissen en de Schildkliersticht<strong>in</strong>g Nederland.<br />
Zorgverzekeraars hadden de polisvoorwaarden zodanig gewijzigd dat een tweetal dure<br />
geneesmiddelen voor zeldzame aandoen<strong>in</strong>gen niet langer werd vergoed. Hieraan lagen<br />
doelmatigheidsoverweg<strong>in</strong>gen ten grondslag. <strong>Het</strong> College acht dit niet verenigbaar met de<br />
Zorgverzeker<strong>in</strong>gswet en de daarop gebaseerde regelgev<strong>in</strong>g. De <strong>in</strong>vull<strong>in</strong>g van het<br />
verzeker<strong>in</strong>gsaanbod dient, met het oog op de belangen van de verzekerden, gefaciliteerd te<br />
worden door de formele of materiële wetgever. De NZa is opgedragen het geconstateerde<br />
motiver<strong>in</strong>gsgebrek te herstellen dan wel anders te beslissen op het verzoek van<br />
appellanten om handhavend op te treden.<br />
Ten slotte is vermeldenswaardig een tweetal uitspraken van het College van 25 februari<br />
<strong>2011</strong>. 79 Een verzoek om vergoed<strong>in</strong>g van de kosten voor de bestrijd<strong>in</strong>g van een uitbraak<br />
van de MRSA-bacterie <strong>in</strong> een ziekenhuis heeft de NZa terecht afgewezen, omdat het<br />
beleid niet voorzag <strong>in</strong> een vergoed<strong>in</strong>g van deze kosten en evenm<strong>in</strong> aa<strong>nl</strong>eid<strong>in</strong>g bestond om<br />
hiervan af te wijken. Een verzoek om een tarief vast te stellen voor de prestatie<br />
huisartsenzorg op afstand door het afleggen van visites aan huis heeft de NZa echter ten<br />
onrechte afgewezen. De NZa heeft de risico's van deze prestatie voor de toegankelijkheid,<br />
kwaliteit en betaalbaarheid van het bestaande systeem van huisartsenzorg onvoldoende<br />
onderbouwd.<br />
78 LJN: BV0546<br />
79 LJN: BP6915 en BP6994<br />
27
10. FINANCIEEL TOEZICHT<br />
<strong>Het</strong> toezicht op de f<strong>in</strong>anciële markten door de Sticht<strong>in</strong>g Autoriteit F<strong>in</strong>anciële Markten<br />
(AFM) en de Nederlandse Bank (DNB) heeft <strong>in</strong> <strong>2011</strong> geleid tot een aantal<br />
belangwekkende uitspraken van het College.<br />
In de uitspraak van 7 april <strong>2011</strong> 80 boog het College zich over de vraag of het te koop<br />
aanbieden van stukken landbouwgrond <strong>in</strong> comb<strong>in</strong>atie met een pachtovereenkomst<br />
aangemerkt moet worden als het aanbieden van "een belegg<strong>in</strong>gsobject". De ondernem<strong>in</strong>g<br />
kocht (agrarische) percelen grond, waarbij werd gekeken naar de potentie van een locatie<br />
om een toekomstige bestemm<strong>in</strong>gswijzig<strong>in</strong>g te ondergaan. De gronden werden verkaveld<br />
<strong>in</strong> stukken van ten m<strong>in</strong>ste 1000 m2 en verkocht. <strong>Het</strong> College onderschrijft het oordeel van<br />
de rechtbank dat de ondernem<strong>in</strong>g belegg<strong>in</strong>gsobjecten aanbiedt, die onder de Wet op het<br />
f<strong>in</strong>ancieel toezicht (hierna: Wft) vallen.<br />
Omdat de ondernem<strong>in</strong>g niet over de hiervoor benodigde vergunn<strong>in</strong>g beschikte, had AFM<br />
de ondernem<strong>in</strong>g de aanwijz<strong>in</strong>g gegeven om te stoppen met het aanbieden van<br />
belegg<strong>in</strong>gsobjecten en het beheren van reeds afgesloten overeenkomsten. <strong>Het</strong> College<br />
diende te beoordelen of deze aanwijz<strong>in</strong>g <strong>in</strong> strijd is met artikel 1:75 lid 3 Wft, dat bepaalt<br />
dat een aan een persoon gegeven aanwijz<strong>in</strong>g niet strekt tot aantast<strong>in</strong>g van de<br />
overeenkomsten tussen die personen en derden. Naar het oordeel van het College bevat dit<br />
artikellid een verbod om door middel van de aanwijz<strong>in</strong>g met terugwerkende kracht <strong>in</strong> te<br />
grijpen <strong>in</strong> een tussen de f<strong>in</strong>anciële <strong>in</strong>stell<strong>in</strong>g en derden gesloten overeenkomst. De<br />
aanwijz<strong>in</strong>g van AFM is er op gericht de activiteiten van de ondernem<strong>in</strong>g die maken dat er<br />
nog steeds sprake is van een overtred<strong>in</strong>g voor de toekomst te beë<strong>in</strong>digen en grijpt niet met<br />
terugwerkende kracht <strong>in</strong> <strong>in</strong> de reeds gesloten overeenkomsten. De gegeven aanwijz<strong>in</strong>g<br />
hield daarmee <strong>in</strong> rechte stand.<br />
In een uitspraak van 23 juni <strong>2011</strong> 81 g<strong>in</strong>g het over de vraag of de heff<strong>in</strong>gsregel<strong>in</strong>g op grond<br />
waarvan AFM tot de heff<strong>in</strong>gen voor doorlopend toezicht is overgegaan, <strong>in</strong><br />
overeenstemm<strong>in</strong>g is met artikel 1:40 Wft en algemene rechtsbeg<strong>in</strong>selen. 1625 f<strong>in</strong>anciële<br />
dienstverleners waren opgekomen tegen de aan hen opgelegde heff<strong>in</strong>gen <strong>in</strong>zake de kosten<br />
van doorlopend toezicht over 2008.<br />
Artikel 1:40 Wft biedt een wettelijke grondslag voor het <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g brengen van<br />
toezichtkosten aan onder toezicht staande <strong>in</strong>stell<strong>in</strong>gen. <strong>Het</strong> College verwerpt, evenals de<br />
rechtbank, de bezwaren van de f<strong>in</strong>anciële dienstverleners. Dat betreft onder meer het<br />
bezwaar dat het niet geoorloofd zou zijn om tekorten die <strong>in</strong> 2007 zijn ontstaan door nietbetal<strong>in</strong>g<br />
van de heff<strong>in</strong>gen <strong>in</strong> dat jaar, door te berekenen <strong>in</strong> het heff<strong>in</strong>gstarief 2008 en het<br />
bezwaar tegen de doorbereken<strong>in</strong>g van de kosten van bezwaar en beroep <strong>in</strong> de heff<strong>in</strong>gen.<br />
De behandel<strong>in</strong>g van bezwaarschriften en het <strong>in</strong>stellen van of het zich verdedigen <strong>in</strong><br />
(hoger) beroep zijn werkzaamheden die naar het oordeel van het College verband houden<br />
met de uitvoer<strong>in</strong>g van de taak van AFM op grond van de Wft. <strong>Het</strong> beroep op de algemene<br />
beg<strong>in</strong>selen van behoorlijk bestuur faalt eveneens. Er is geen sprake van een explosieve<br />
stijg<strong>in</strong>g van de heff<strong>in</strong>gen. <strong>Het</strong> College volgt appellanten niet <strong>in</strong> hun betoog dat een nadere<br />
specificatie van de <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g gebrachte kostenposten nodig is om te kunnen controleren<br />
of de kostenheff<strong>in</strong>gen rechtmatig zijn. AFM heeft voldoende <strong>in</strong>formatie verschaft over de<br />
<strong>in</strong>houd van de toezichtkosten.<br />
80 LJN: BQ0538<br />
81 LJN: BR0231<br />
28
In een uitspraak van 30 juni <strong>2011</strong> 82 heeft het College het hoger beroep van drie<br />
appellanten die achtergestelde deposito's bij DSB Bank aanhielden gegrond verklaard.<br />
DNB had deze crediteuren na het faillissement van DSB Bank een uitker<strong>in</strong>g uit hoofde<br />
van het depositogarantiestelsel ontzegd. Volgens DNB vielen deze DSB-producten onder<br />
de van het depositogarantiestelsel uitgesloten producten, genoemd <strong>in</strong> bijlage B, behorende<br />
bij artikel 20, eerste lid, van het Besluit Bbpm, omdat zij behoren tot het eigen vermogen<br />
van de bank. <strong>Het</strong> College diende zich te buigen over de vraag of de depositoovereenkomsten<br />
bepal<strong>in</strong>gen bevatten krachtens welke de deposito's <strong>in</strong> bepaalde<br />
omstandigheden, anders dan de liquidatie van de bank, vóór de overeengekomen datum<br />
zouden moeten worden terugbetaald. Naar het oordeel van het College was dit het geval.<br />
De achtergestelde deposito's voldeden daarmee niet aan de voorwaarden voor de opname<br />
<strong>in</strong> het eigen vermogen van de bank en dus vielen de vorder<strong>in</strong>gen uit deze achtergestelde<br />
deposito's niet onder de uitsluit<strong>in</strong>g voor voldoen<strong>in</strong>g <strong>in</strong>gevolge het depositogarantiestelsel.<br />
DNB heeft betoogd dat het appellanten bij het aangaan van de overeenkomst op grond van<br />
de verstrekte <strong>in</strong>formatie helder was dat hun achtergestelde deposito's niet onder het<br />
depositogarantiestelsel zouden vallen. Appellanten hebben dit betwist. Wat daar ook van<br />
zij en zelfs <strong>in</strong> het geval de conclusie zou moeten zijn dat appellanten <strong>in</strong>derdaad over<br />
zodanige <strong>in</strong>formatie beschikten, dan kan dit er niet toe leiden dat appellanten hun<br />
aanspraken op voldoen<strong>in</strong>g van hun vorder<strong>in</strong>g onder het depositogarantiestelsel niet<br />
geldend zouden kunnen maken. <strong>Het</strong> is immers niet van die <strong>in</strong>formatie afhankelijk of de<br />
achtergestelde deposito's vallen onder de def<strong>in</strong>itie van eigen vermogen <strong>in</strong> de herziene<br />
Bankenrichtlijn.<br />
In een uitspraak van 1 september <strong>2011</strong> 83 heeft het College zich gebogen over een<br />
boetebesluit. Een kantoor verrichtte zonder vergunn<strong>in</strong>g op grond van de Wet toezicht<br />
trustkantoren (hierna: Wtt) gedurende een periode van twee jaar trustdiensten. DNB legde<br />
hiervoor een boete op van € 87.125 conform het wettelijk gefixeerde bedrag. <strong>Het</strong> College<br />
oordeelt - <strong>in</strong> lijn met eerdere jurisprudentie van het College - dat met het oog op artikel 6<br />
EVRM b<strong>in</strong>nen de matig<strong>in</strong>gsbevoegdheid <strong>in</strong> artikel 22, lid 4, Wtt een evenredigheidstoets<br />
dient plaats te v<strong>in</strong>den. <strong>Het</strong> College ziet evenwel <strong>in</strong> de door het kantoor gestelde<br />
omstandigheden geen grond voor het oordeel dat DNB de boete had moeten matigen. In<br />
het bijzonder acht het College van belang dat appellanten <strong>in</strong> de periode van 2 september<br />
2005 tot 5 september 2007 zich ervan bewust waren dat zij stelselmatig handelden <strong>in</strong> strijd<br />
met de Wtt en geen enkele haast hebben gemaakt hieraan een e<strong>in</strong>de te maken, zelfs niet<br />
nadat zij bij brief van DNB van 24 januari 2007 werden geconfronteerd met een nader<br />
onderzoek.<br />
In een uitspraak van 18 oktober <strong>2011</strong> 84 g<strong>in</strong>g het over de vraag of AFM de<br />
vergunn<strong>in</strong>gaanvraag voor het aanbieden van belegg<strong>in</strong>gsobjecten terecht heeft afgewezen.<br />
<strong>Het</strong> bedrijf bod gebruiksrechten van appartementen aan met een looptijd van vijf tot tien<br />
jaar <strong>in</strong> comb<strong>in</strong>atie met het aanbod deze gebruiksrechten door een andere vennootschap te<br />
laten verhuren. Na afloop van de overeenkomst zou doorverkoop van de gebruiksrechten<br />
plaatsv<strong>in</strong>den en zou de belegger zijn <strong>in</strong>leg terug ontvangen. De aanvraag voor een<br />
vergunn<strong>in</strong>g werd afgewezen, onder meer, op de grond dat de bedrijfsvoer<strong>in</strong>g niet zodanig<br />
was <strong>in</strong>gericht dat een beheerste en <strong>in</strong>tegere uitoefen<strong>in</strong>g van het bedrijf was gewaarborgd.<br />
<strong>Het</strong> College onderschrijft <strong>in</strong> deze uitspraak het oordeel van de rechtbank die het beroep<br />
82 LJN: BQ9755<br />
83 LJN: BS7874<br />
84 LJN: BU3246<br />
29
van appellanten ongegrond had verklaard. <strong>Het</strong> negatieve oordeel van AFM over de<br />
betrouwbaarheid en deskundigheid van de beleidsbepalers van het bedrijf, waartegen<br />
appellanten ook beroepsgronden hadden gericht, heeft de rechtbank bij haar<br />
oordeelsvorm<strong>in</strong>g buiten beschouw<strong>in</strong>g kunnen laten. <strong>Het</strong> negatieve oordeel van AFM over<br />
de bedrijfsvoer<strong>in</strong>g bleef immers overe<strong>in</strong>d en het bestreden besluit hield reeds hierom<br />
stand.<br />
30
11. GLB-INKOMENSSTEUN EN SUPERHEFFING<br />
<strong>Het</strong> College heeft zich op het gebied van de GLB-<strong>in</strong>komenssteun het afgelopen jaar vooral<br />
bezig gehouden met geschillen over randvoorwaardenkort<strong>in</strong>gen en over de subsidiabele<br />
oppervlakte van percelen <strong>in</strong> het kader van de bedrijfstoeslag.<br />
Randvoorwaarden zijn regels op het gebied van bijvoorbeeld milieu, voedselveiligheid,<br />
dierenwelzijn en eisen <strong>in</strong>zake een goede landbouw- en milieuconditie. Op grond van<br />
communautaire en nationale bepal<strong>in</strong>gen is de volledige betal<strong>in</strong>g van de door landbouwers<br />
aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk gesteld van de nalev<strong>in</strong>g van deze<br />
randvoorwaarden. Bij niet-nalev<strong>in</strong>g van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag<br />
gekort of <strong>in</strong>getrokken. In geval van opzettelijk handelen is de kort<strong>in</strong>g (veel) hoger dan bij<br />
'nalatigheid'.<br />
Enkele van die randvoorwaarden zijn de verplicht<strong>in</strong>g om mest emissiearm aan te wenden,<br />
het verbod om meststoffen toe te dienen b<strong>in</strong>nen een teeltvrije zone en het verbod op het<br />
gebruik van dierlijke mest <strong>in</strong> de periode van 1 september tot en met 31 januari.<br />
In zijn uitspraak van 25 mei <strong>2011</strong> 85 heeft het College geoordeeld dat het zich niet met<br />
artikel 66, eerste lid, van Verorden<strong>in</strong>g (EG) nr. 796/2004 verdraagt dat verweerder het<br />
kort<strong>in</strong>gspercentage afhankelijk maakt van het beleidsterre<strong>in</strong> waartoe de overtreden<br />
randvoorwaarde behoort. Verder heeft het College <strong>in</strong> een aantal uitspraken de motiver<strong>in</strong>g<br />
van de opzet bij het handelen van de landbouwer onvoldoende geacht. 86<br />
Opzettelijke niet-nalev<strong>in</strong>g van de verplicht<strong>in</strong>g om mest emissiearm aan te wenden was<br />
naar het oordeel van het College aan de orde <strong>in</strong> de zaken waar<strong>in</strong> de desbetreffende<br />
landbouwers uit pr<strong>in</strong>cipiële overweg<strong>in</strong>gen kozen voor een andere methode om mest aan te<br />
wenden die volgens hen het beoogde doel van de regelgev<strong>in</strong>g beter bereikt dan de<br />
voorgeschreven methode. 87 <strong>Het</strong> opzettelijk gebruiken van dierlijke mest <strong>in</strong> de gesloten<br />
periode was <strong>in</strong> een andere zaak aan de orde. 88<br />
In enkele zaken hebben landbouwers gesteld dat de overtred<strong>in</strong>g door een loonwerker was<br />
gepleegd en dat de randvoorwaardenkort<strong>in</strong>g daarom onterecht was. Al eerder was door het<br />
College uitgemaakt dat de landbouwer <strong>in</strong> zijn kwaliteit als eigenaar en beheerder van het<br />
landbouwbedrijf verantwoordelijk is voor activiteiten die, eventueel door derden, <strong>in</strong> strijd<br />
met de beheerseisen op zijn bedrijf zijn verricht. 89 Over de vraag of de bij een derde<br />
aanwezige opzet bij het plegen van de overtred<strong>in</strong>g ook aan de landbouwer kan worden<br />
toegeschreven g<strong>in</strong>g het <strong>in</strong> andere zaken. 90<br />
Een ander onderwerp betreft de subsidiabele oppervlakte van percelen 91 of meer <strong>in</strong> het<br />
bijzonder de vraag of percelen tot het bedrijf van appellanten behoorden op de peildatum<br />
85 LJN: BQ6436<br />
86 LJN: BQ7285<br />
87 LJN: BV1042 en LJN: BU4531<br />
88 LJN: BU4529<br />
89 LJN: BI3578<br />
90 LJN: BU4769 en LJN: BU1253<br />
91 LJN: BQ1777 en LJN: BP6015<br />
31
voor bedrijfstoeslag. 92 Verder heeft het College zich <strong>in</strong> een aantal zaken uitgelaten over de<br />
vraag of sprake was van een verh<strong>in</strong>der<strong>in</strong>g van een controle ter plaatse. 93<br />
Ook op het vlak van de superheff<strong>in</strong>g - de melkquota - heeft het College een aantal<br />
uitspraken gedaan, waar<strong>in</strong> het College heeft geoordeeld dat niet de melkveehouder, maar<br />
het Productschap Zuivel <strong>in</strong> beg<strong>in</strong>sel de bewijslast draagt voor zijn stell<strong>in</strong>g dat de koper<br />
van de melk de bedragen voor de superheff<strong>in</strong>g niet heeft geïnd. 94<br />
92 LJN: BN6969<br />
93 LJN: BU7639, LJN: BU4613 en LJN: BT8941<br />
94 LJN: BU3242<br />
32
12. TUCHTRECHTSPRAAK VOOR ACCOUNTANTS<br />
<strong>Het</strong> College behandelt het hoger beroep tegen uitspraken van de accountantskamer te<br />
Zwolle, die <strong>in</strong> eerste aa<strong>nl</strong>eg uitspraak doet op klachten tegen accountants. Tot 1 mei 2009<br />
werden deze klachten behandeld door de raden van tucht te Amsterdam en Den Haag<br />
Met de <strong>in</strong>werk<strong>in</strong>gtred<strong>in</strong>g van de Verorden<strong>in</strong>g gedragscode (VGC) per 1 januari 2007 en<br />
de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) per 1 mei 2009 is het tuchtrecht voor<br />
accountants de afgelopen jaren op een vrij <strong>in</strong>grijpende manier gewijzigd. Dit heeft er toe<br />
geleid dat <strong>in</strong> de procedures bij het College met enige regelmaat vragen aan de orde komen<br />
over de uitleg van nieuwe begrippen en procedures.<br />
In januari <strong>2011</strong> heeft het College zich gebogen over een zaak waarbij een groot aantal te<br />
beoordelen handel<strong>in</strong>gen een rol speelden. In deze zaak speelde onder andere de vraag of<br />
een accountant medeverantwoordelijk is voor werkzaamheden van een collega, of er<br />
sprake was van belangenverstrengel<strong>in</strong>g en of de accountant wel een deugdelijke grondslag<br />
had voor zijn werkzaamheden. 95 De deugdelijke grondslag was, ten tijde van het handelen<br />
door de accountant <strong>in</strong> deze zaak, geregeld <strong>in</strong> artikel 11 van de Gedrags- en beroepsregels<br />
registeraccountants 1994. In een andere zaak heeft het College geoordeeld dat het <strong>in</strong> dat<br />
artikel geformuleerde vereiste, dat een registeraccountant slechts mededel<strong>in</strong>gen doet<br />
omtrent de uitkomst van zijn werk <strong>in</strong>dien zijn deskundigheid en de door hem verrichte<br />
werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, evenzeer geldt onder de<br />
VGC, zij het dat het daar is begrepen onder het fundamentele beg<strong>in</strong>sel van deskundigheid<br />
en zorgvuldigheid, bedoeld <strong>in</strong> artikel A-100.4, onder C, van de VGC. 96<br />
In A-100.4 van de VGC staan de fundamentele beg<strong>in</strong>selen waar iedere accountant zich<br />
aan moet houden. <strong>Het</strong> verrichten van werkzaamheden voor een vennootschap waar de<br />
broer van de accountant werkt levert bijvoorbeeld een situatie op die de professionele<br />
oordeelsvorm<strong>in</strong>g op ongepaste wijze zou beïnvloeden. Hierdoor heeft de accountant<br />
gehandeld <strong>in</strong> strijd met het <strong>in</strong> de VGC neergelegde beg<strong>in</strong>sel van objectiviteit (artikel A-<br />
100.4 onder B). 97<br />
De VGC kent daarnaast specifieke vereisten voor verschillende accountantsgroepen. Zo<br />
heeft het College <strong>in</strong> september <strong>2011</strong> geoordeeld dat accountants <strong>in</strong> dienst bij een<br />
gemeentelijke rekenkamer moeten worden gezien als accountants <strong>in</strong> bus<strong>in</strong>ess waar naast<br />
deel A ook deel C van de VGC voor geldt. 98 In een zaak waar eveneens tegen een<br />
gemeente-accountant een klacht was <strong>in</strong>gediend over het rapporteren over verstrekte<br />
subsidiegelden heeft het College de maatregel verlaagd van een berisp<strong>in</strong>g naar een<br />
schriftelijke waarschuw<strong>in</strong>g. <strong>Het</strong> College oordeelde dat de accountant wel <strong>in</strong>houdelijk heeft<br />
mogen rapporteren over de subsidie-uitgaven maar dat de wijze van rapporteren door de<br />
accountant onzorgvuldig is geweest. 99<br />
<strong>Het</strong> College heeft vorig jaar ook een uitspraak gedaan waarbij, na gegrondverklar<strong>in</strong>g van<br />
het beroep tegen een niet-ontvankelijkverklar<strong>in</strong>g door de raad van tucht, de zaak is<br />
95 LJN: BP0955<br />
96 LJN: BQ9600<br />
97 LJN: BR3183<br />
98 LJN: BT6382<br />
99 LJN: BU5234<br />
33
verwezen naar de accountantskamer om zodoende alsnog een <strong>in</strong>houdelijk oordeel over de<br />
klacht te kunnen verkrijgen. 100<br />
Medio november <strong>2011</strong> is het eerste verzoek om voorzien<strong>in</strong>g als bedoeld <strong>in</strong> artikel 44 Wtra<br />
ontvangen. Op grond van die bepal<strong>in</strong>g is het College bevoegd op verzoek van o.a. de<br />
voorzitter van het NIVRA bij wijze van voorzien<strong>in</strong>g, <strong>in</strong> afwacht<strong>in</strong>g van de uitspraak <strong>in</strong><br />
hoger beroep, de <strong>in</strong>schrijv<strong>in</strong>g van betrokkene <strong>in</strong> het register tijdelijk door te halen. <strong>Het</strong><br />
College kan van deze bevoegdheid gebruik maken als jegens de betrokkene een ernstig<br />
vermoeden is gerezen dat hij heeft gehandeld of heeft nagelaten als bedoeld <strong>in</strong> artikel 33,<br />
eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants én daardoor zwaarwegende openbare<br />
belangen <strong>in</strong> het ged<strong>in</strong>g zijn. Op het verzoek is <strong>in</strong>middels uitspraak gedaan. 101<br />
100 LJN: BT1534<br />
101 LJN: BV8615<br />
34