download pdf - Vlaams Instituut voor de Zee

vliz.be

download pdf - Vlaams Instituut voor de Zee

GIDSENBOND - BRUGGE


VERENIGING VAN OFFICIEEL GEDIPLOMEERDE

GIDSEN (v. z. w.) BRUGGE

HET VLAAMSE

20


INHOUD

I. Vorming van de Kustvlakte

1. De Overstroming

2. Verdwijning van de Inhammen

II. De Wateringen

1. Hun Ontstaan 5

2. Het Weiik van de Wateringen

6

III. De Kust

3. De Moeren

1. Beweging van die Kust

2. De Havens van de Vlaamse Kus*. . . . . 9

I. Het Ewin

A. Ontstaan van de Havens •

B. Verzanding van bet Zwin . . . . 12

II. De Haven van Oostende

Hl. De Haven van Nieuwipoort . . . . 17

IV. De moderne Havens : Blankenberge en Zeebrugge 19

IV. Het huidige 1®

1. De Scheepvaart in vroegere tijden . . . . 19

2. Ontstaan van het huidig Wetft-Vl. Waterwegennet . 21

Aanhangsel : De oude Bestuurlijke Indelingen

BRONNEN

ILLUSTRATIES

1. De Vlaamse Kust dn de X* eeuw volgens R. Blanohard 10

2. Het Zwin in de XTEP eeuw . . . . 1 3

3 .Oostende in de XVIe eeuw volgens J. Van Deventer . 15

4. De Haven van Nieuwpoort 18

5. Het Waterwegennet van het noorden va n West-VI. 22

3

4

5

9

y

1 1

1 4

24


HET VLAAMSE POLDERLAND

EN DE KUST

HISTORISCH " GEOGRAPHISCHE SCHETS

I. _ VORMING VAN DE KUSTVLAKTE.

I. — De Overstroming.

Onze kust is onderhevig geweest aan overstromingen, veroorzaakt

door het verhogen van de zeespiegel. Nu nog schijnt

deze laatste op de kust een twintigtal centimeter te verhogen per

eeuw.

De oorspronkelijke fihailweg van onze rivieren ligt op 20 tot

30 meter onder de huidige bedding. Wat bewijst dat de zee onze

streek vroeger overstroomd heeft en door alluviale afzettingen

weerom heeft opgehoogd. Deze oudste overstroming noemt men

de Flandriaan^e transgressie. In deze transgressie stroomde het

water binnen Jangs de benedenloop van de rivieren. Met de tijd

vormde zich een strandwal tussen kaap BLanc-Nez en de Friese

kust, waarin zich nog enkele inlhammen bevoinden Achter de

niieuwe strandwal vormden zich slikken en schorren, en de inhammen

verdwenen.

Tot het einde van de lilde eeuw lagen De Panne en Oostende

enkele kilometers in het binnenland. Onze kuststreek was toen

reeds bewoond, want in de turflaag die gevormd werd door een

accumulatie van p'anten, en die door enkele meters polderkle!

bedekt is. vindt men Romeinse munten, waarvan de jongste dagtekenen

uit het einde van de lilde eeuw.

In de IV e eeuw was er opnieuw ean verhoging van de zeespiegel

en werd de kustvlakte weerom overstroomd, nu door de

Duinkerkiaanse transgressie die ons Polderland gevormd heeft en

aan onze kustvlakte haar huidig uitzicht gaf.

Het Noorden van West-Vlaanderen wordt ingedeeld volgens

het uitzicht van de streek in het Blote, waar bijna geen bomen

staan, en het Houtla n A

Het. Blote is de kleistreek of Polderland, het H o u 11 a n d

daarentegen is de zandstreek.

De poldergrond werd door de zee aangespoeld gedurende

de Duinkerkiaanse transgressie, die duurde van de V e tot de VII"

eeuw.

Het waterpeil van deze overstroming was niet zeer hoog.


Zekere plaatsen die 2 tot 3 meter boven de zeespiegel liggen

liepen nooit onder water, onder meer te De Panne. Tweemaal

per dag kwam de Vloed de kustvlakte bedekken, om daarna opnieuw

weg te stromen. Er waren delen die enkel bij hoog getij

(springtij) overspoeld werden.

Hier en daar had de zee geulen gegraven, waarlangs het

water terugvloeide. De zee stroomde binnen tot ver in de golf

van de Ijzer, waar er slechts één eilandje boven water bleef,

ten, oosten van Loo. Rond Gistel vormde ze een diepe inham ;

aan de ingang er van lag het eiland Zevekote. Deze eilanden

kan men nu nog op het eerste gezicht herkennen aan het rijk boomgewas,

dat afsteekt bij het omliggend gebied.

Vanaf het midden van de VU' eeuw, vermelden de akten

van de abdijen van St-Bertinus en St-Omaars en van St-Pieter

en St-Baafs te Gent de eerste bewoonde plaatsen in het polderland.

Rond 695 wordt een kerk gebouwd op het eiland Wulpen,

dat ten noord-oosten van Knokke lag, en nu in zee verdwenen

is. Aardenburg wordt vermeld in 707, Dudzele in 839, Lampernisse

in 875 en Veurne rond 860.

Heel de kustvlakte was drooggeiliopen rond het midden van

de X* eeuw, want voor het eerst na 950 worden talrijke plaatsnamen

vermeld : o.m. Loo in 944 en Leffinge in 988.

Er bleven echter grote inihammen bestaan. De eerste inham

lag ten zuiden van Duinkerke en draaide oostwaarts tot aan de

Moeren op de Frans-Be'lgisohe grens ; de tweede inham was de

brede monding van de Ijzer tot boven Diiksmuide ; de Sincfal,

later « Zwin » genaamd, was de derde inham, die zich uitstrekte

tussen Brugge, Damme, Lapscheure en Knokke.

2. — Verdwijning van de inhammen.

De inham van Duinikerke verdween in de XII" eeuw, de

Moeren hieven evenwel bestaan, maar waren van de zee afgesneden.

De IJzermonding werd ingepolderd en was weldra nog slechts

een kleine kreek. In 1294 werd de monding van de Ijzer, ten

westen van Nieuwpoort afgesloten door de sluis van Nieuwendamme.

Ook het Zwin verdween ; van de oorspronkelijke inham

hieven slechts twee waterlopen over, die beide in de monding

van het Zwin uitdiepen ; eerst het Oude Zwin dat van Brugge

over Koolkerke recht naar het Hazegras te Knokke vloeide, en

het eigenlijke Zwin, dat van Damme naar Sluis stroomde.


Uitzicht van de Kustvlakte na het verdwijnen der inhammen.

Nadat de inhammen verdwenen waren, bleef de kustvlakte

buiten het bereik van de zee. De binnenwateren werden door de

natuurlijke waterwegen naar de zee gevoerd.

De handboeken voor aardrijkskunde leren meestal, dat West-

Vlaanderen tot twee stroomgebieden behoort : namelijk dit van

de Ijzer en dit van de Schelde, Dit is echter verkeerd. In West-

Vlaanderen hebben we drie stroomgebieden : de Ijzer, het Zwin

en de Schelde. Het Zwin is verdwenen, en het water van het

Zwingebied wordt nu naar de zee afgeleid door de vaart

Brugge-Oostende, het Blankenbergs vaartje en de Schipdonken

Leopoldvaarten.

De IJ z e r komt uit Frankrijk, loopt naar het oosten ; aan

het fort « de Knokke » ontvangt hij de Ieperlee die van het zuiden

komt, en loopt dan in noordelijke richting. Te Diksmuide ontvangt

hij de Handzamebeek, en ten westen van Nieuwpoort, de Venepe

die van Veurne komt.

Een andere rivier, de Leet, kwam van Oudenburg, volgde

de latere vaart Brugge-Oostende tot aan Speien te St-Andries,

en liep dan noordwaarts, over Meetkerke, naar Blankenberge en

de zee. Later werd de Leet verbonden met het Oude Zwin aan

de Speipoort te Brugge, en met de Ijzer, langs de Leet van

Nieuwendamme ; vandaar de nanm Ieperleet.

De R e i e kwam van Eegem, ontving te Oostkamp eerst de

Waardamme, die van Koolskamp kwam, en dan de Zuidleie die

van Hansbeke kwam ; te Brugge ontving ze de Kerkebeek die

van Torhout kwam. Te Brugge verdeelde de Reie zich in twee

armen, de ene was het Oude Zwin dat over Koolkerke recht

naar het Hazegras stroomde, de andere arm liep naar Damme,

waar hij in het Zwin uitmondde dat over Sluis naar de Noordzee

vloeide.

Een laatste waterloop, de T e s t e r c c p, liep achter de

duinen van Lombardsijde naar Oostende, waar hij in de zee uitmondde.

Hij ontleende zijn naam aan de kuststrook tussen Westende

en Oostende, die genoemd werd Testcrrccp of

« westelijke reep. ». De waterloop zelf kreeg in de XVII 6 eeuw,

zijn huidige naam van « Albertusleed

I. — Hun ontstaan.

II. — DE WATERINGEN.

In de Kustvlakte kon al het regenwater niet wegstromen omdat

de streek te vlak was. Het water van het Houtiand kwam

ook naar de Kustvlakte gevloeid, en veroorzaakte er over-


stromingen. Het water van de verste landerijen moest wegvloeien

over de percelen die er vóór lagen. Ieder eigenaar op zijn eigen

kon de afwatering van zijn land niet verzekeren, maar de

eigenaars van een heel gebied, samen verenigd, konden de algemene

afwatering doorvoeren, door het aanleggen en onderhouden van

waterwegen en sluizen.

De Wateringen ontstonden van zohaast de kustvlakte

droogldep. Jn het begin waren het private verenigingen die niet

onderworpen waren aan het toezidht van de vorst. Dit duurde

echter niet lang, want het groot belang van de goede afwatering

was een staatszaak ; de wateringen werden onder het gezag van

de graaf geplaatst, die toezicht oefende op hun werken.

Een charter van Filips van de Elzas van 1184 stelde de

monniken van de Duinenabdij te Koksijde aan tot toeziditers

van de grote sluis van Veurne-Ambacht.

Een Watering was dus een vereniging van de grondeigenaars

of inge^nden uit een bepaald gebied ; ze bestond uit een

vergadering van de grote eigenaars, die over de belangen van de

watering moest beslissen en een uitvoerende commissie, die voor

het uitvoeren van de onderhoudswerken zorgde.

In de Watering van Blankenberge, waren de eigenaars van

ten minste vijftig geme^ften, lid van de vergadering ; in de

Noordwatering van Veurne bestond de vergadering sledhts uit

de vier abten van het Veurne-Ambacht, die er de grootste

grondbezitters waren, namelijk de abten van Duinen, Veurne,

Loo en Eversam-Stavele.

De Uitvoerende commissie van, de Watering van Blankenberge

bestond uit een kanunnik van St-Donaas, een lid van het Brugse

stadsbestuur en twee grote eigenaars uit het Brugse Vrije. Deze

commissie benoemde de ambtenaars van de watering : de dijkgraven,

die belast waren met het toezicht van grachten, wegen

en sluizen, alsook de ontvangers.

Om de eeriheid in de uitvoering van de werken te verzekeren,

belastte de graaf van Vlaanderen een zijner ambtenaars, de

watergraaf van Vlaanderen, met het toezicht over de werken.

De watergraaf besliste de geschillen der wateringen ondereen, en

zorgde er voor dat de nodige werken uitgevoerd werden.

De wateringen zijn een van de weinige middeleeuwse

instellingen die de Franse omwenteling overleefd hebben

2. — Het werk van de Wateringen.

Het eerste werk van de Wateringen was het opwerpen van

dijken langs de natuurlijke waterwegen, om te beletten dat het

water, dat uit het Houtland naar de zee stroomde, overstromingen


zou veroorzaken in de kustvlakte. Daarna werd gezorgd voor de

afwatering van de kustvlakte zelf. Ieder eigenaar moest zorgen

voor de graöhten op zijn grond, terwijl de watering brede kanalen

graafde, voorzien van sluizen, die het water uit de grachten

opnamen.

De 'kanalen deed men eerst uitmonden in de bestaande

waterlopen en waterwegen. Dit duurde edhter niet lang, want

weldra ontstonden er geschillen tussen de dienst van de

scheepvaart en de wateringen. De binnenscheepvaart nam een

grote uitbreiding en de diepgang van de schepen vermeerderde.

Na geweldige regens moesten de zeesluizen ten dienste van de

wateringen opengesteld worden ; er ontstonden geweldige

stromingen in de waterwegen, die het waterpeil merkelijk deden

dalen, en gevaar opleverden voor de schepen.

Om verdere storingen van de scheepvaart te vermijden, werd

in de XVIII e en XIX C eeuw, nevens de bevaarbare waterwegen,

een onafhankelijk net van afleidingsvaarten gegraven, die

gewoonlijk langs de vaarten lopen, en er het water opnemen van

de afleidingskanaaltjes, die vroeger in de sdheepsvaartwegen

liepen. De verbinding tussen beide netten bleef behouden door

kleine sluisdeuren, om 's zomers aan de afleidingsvaarten drinkwater

te leveren voor het vee in de weiden.

Zo werd in de watering van Blarikeniberge, een nieuwe

afleidingsvaart gegraven van Strooien Haan te Houtave, naar

de haven van Oostende. Deze waterloop, de N o o r d e e, loopt

langs den steenweg van Strooien Haan naar Oostende. Hij

voert al het water van het Blankenbergs vaartje rechtstreeks

naar de zee, dat vroeger te Meetkerke in de vaart Brugge-Oostende

liep.

Zuilke werken konden gemakkelijk uitgevoerd worden in de

kustvlakte, omdat de waterlopen er geen hélling hebben ; men

veranderde eenvoudig de richting van de loop van het water.

De afleidingsvaartjes te Knokke, Westkapelle en Oostkerke, die

vroeger naar het oosten liepen, om in het Zwin uit te monden,

lopen nu westwaarts naar de Leopoldvaart.

De nieuwe afleidingsvaarten storten hun wateren rechtstreeks

In zee door eigen sluizen. Te Nieuwpoort bestonden vroeger drie

sluizen, om de bevaarbare waterwegen, die tevens het overtollige

water uit het binnenland afvoerden, met de zee te verbinden. Nu

bestaan er zes sluizen. Nevens iedere bevaarbare waterweg

kwam er een afleidingsvaart. Het waterpeil van deze zes sluizen

verschilt van 4,05 m. boven nul in de rfas schendalevaart, tot

2,39 m. in de kreek van Nieuwendamme.


3. — Dc Moeren.

In het binnenland bleven er nog grote oppervlakten onder

water, namelijk de Grote Mocre op dc huidige Frans-Belgisdhe

grens, de Moere van Gistel en de Moere te Meetkerke.

De Grote Moere ligt één meter onider de zeespiegel.

Al het water van de omstreken stroomde er heen, en in de winter

besloeg ze soms een oppervlakte van 5.000 hectaren. In 1617

werd voor het eerst de drooglegging er van ondernomen door

ingenieur Cobergher. Hij liet een dijk rond de Moere aanleggen,

en er nevens een gracht, de Ringsloot, die veel 'hoger lag dan de

Moere. De Ringsloot werd in verbinding gesteld met de haven

van Duinkerke door een afleidingskanaal. Op de dijk van, de

Moere bouwde hij 20 windmolens, die het water uit de Moere

in de Ringsloot pompten. In 1624 ïag de Grote Moere droog.

Iedermaal Duinkerke gevaar liep belegerd te worden, werd de

Moere onder water gezet door middel van zeewater. Ze bleef

onder water van 1646 tot 1752 en van 1793 tot 1826. Nevens

de windmolens is er nu ook een stoomgemaal, dat bij windstilte

het water in de Ringsloot pompt. In 1944 werd de Grote Moere

opnieuw onder water gezet.

De Moere van Gistel, die niet zo laag gelegen

is, werd reeds in de middeleeuwen drooggelegd door het graven

van grachten en van de Moerdijk vaart. Deze moere gaf haar

naam aan de gemeente Moere, en heet nu nog Moere Blote in

tegenstelling met het omliggende Houtland.

De Moere te Meetkerke ligt 50 centimeter

onder de zeespiegel. Ze werd slechts in 1623 droogglegd, toen

de watering van de Moere in Meetkerke ingericht werd. Daar

ook wordt het water in een hogerliggende gracht gepompt, die

in verbinding staat met de vaart van Brugge-Oostenae.

Op de Nederlands-Belgische grens hadden de lage landen

ook veel moeite met de waterafvoer, sedert het verdwijnen van

het Zwin en van de oude Braakman. De waterafleiding

gebeurde over Nederlands gebied, en zo konden de Hollanders

heel deze streek onder water zetten in 1830. In 1842 werd de

hand gelegd aan een afwateringskanaal langs de Nederlandse

grens, van Boechoute naar Heist, de Leopoldvaart, die al het

overtollige water van de Belgische grensstreek naar de zee voert.


1. — Beweging van de Kust.

III. — DE KUST.

Sedert het einde van de overstroming in de VII e eeuw, is de

kust niet onveranderd gebleven.

Tussen Duinkerke en de Schelde wint de zee veld. Ze gaat

achteruit tussen kaap Blanc-Nez en Duinkerke. Er is nog een

tijdelijke aangroei van de kust tussen Koksijde en De

Panne. De Duitse betonnen schuiloorden die onder de oorlog

in 1913 op de duinen stonden te Knokke, lagen tien jaar later

reeds op het strand ; de duinen waarop ze gebouwd waren

spoelden weg.

Het dorp Walravensijde, waaruit het huidige Raversijde

ontstaan is, verdween gedeeltelijk in zee in de XVI* eeuw.

O.-L.-Vrouw-teu-Streep te Mariakerke, verging in 1334. Heel

het oudste stadsgebied van Oostende verdween in zee, van de

XII e tot de XVII* eeuw. De huidige zeedijk te Oostende, ligt op

de zuidergrens van dit gebied, en vormt nu de noordergrens van

de nieuwe stad. Scharphout, de oudste kerk van Blankenberge,

verdween in zee in 1334. Ten noorden van Heist verdween het

dorp Koudekerke. Wat verder, te Cadzand, is de kust sedert de

XII® eeuw 1.500 meter achteruit geslagen, daar verdween het

eiland Wulpen.

Om de kust tegen de zee te beschermen, werden overal tussen

Knokke en Nieuwpoort g o l f b r e k e r s aangelegd. De

eerste golfbreker werd te Wenduine gebouwd in 1604.

Later werden de duinen op de gevaarlijkste plaatsen

beschermd door machtige stenen dijken. In 1921

werd gedurende een storm de dijk tussen Duinbergen en Knokke

ingebeukt, en vervangen door een nieuwe dijk die achter de

duinen aangelegd werd.

Door het graven van de haven van Zeebrugge, sttoomt het

zand van de kust vóór Heist naar de havengeul, waardoor de

verzanding van de haven veroorzaakt wordt. Op de kust te

Heist moet men ieder winter nieuw zand aanbrengen.

2. — De Havens van de Vlaamse Kust.

Langs de Westvlaamse kust bestonden vroeger drie

natuurlijke havens. Het Zwin, Oostende en Nieuwpoort. Enkel

deze laatste haven is blijven bestaan, de twee andere zijn verdwenen.

De huidige havens van Oostende, Blankenberge en Zeebrugge

zijn kunstmatig gebouwd.


I. — HET ZWIN.

A. — Ontstaan van de Havens.

1 De stad Brugge was vroeger een van de grootste

handelscentra van de Middeleeuwse wereld, dank zij het Zwin.

Het Zwin kwam niet tot aan Brugge, maar slechts tot aan

Damme. Het was ook zo breed niet als men gewoonllijk aanneemt.

De oudste dijken liggen duizend meter uit elkaar, deze

van de XIII* en XIV" eeuw van 200 tot 300 meter. Tussen

deze dijken vloeide geen brede stroom, zoals de Schelde vóór

Antwerpen ; bij laag water was het slechts een smal waterloopje

dat tussen de ondiepten kronkelde, zoals men liet nog kan zien

op de zestiende-eeuwse kaart van Lanceloot Blondeel uit het

Brugse stadsarchief.

Van Damme stroomde het Zwin naar Sluis, daar verdeelde

het zich in twee armen rond het eiland Cadzand ; de westerarm,

die nu nog de Nederlands-Belgische grens vormt, wierp zich in

de Noordzee aan de Peerdemarktbanlk ; de oostelijke arm aan het

Zwartegat, waar in 1802 een deel van de Zwartepolder overstroomd

werd, en nog niet teruggewonnen werd op de zee

De eerste verbinding var> Brugge met de zee geschiedde

langs het Oude Zwin, een tamelijk smaftle rivier, die liep

langs de huidige steenweg van Koolkerke, reclht naar de monding

van het eigenllijke Zwin, bij het Hazegras.

Deze verbinding met de zee Jdet waarsdhijnlijk te wensen

over, want rond 1180 zien we dat een andere weg gekozen werd,

namelijk de Reie tussen Brugge en Damme, en verder het Zwin.

dat ten oosten van de huidige vaart Brugge-Sluis liep, en waarvan

men nog de dijken kan zien bij de brug van Oostkerke, op

de plaats waar de vroegere stad Monikerede lag.

2. Van zohaast de stad Damme gesticht was, kwam

geen enkeÜ zeeschip meer naar Brugge, want te Damme lag er

een overdekte zeesluis, waaronder slechts schepen zonder masten

konden doorvaren. Damme was de Brugse voorhaven, waar

de zeeschepen hun waren overlaadden op schuiten. Te Damme

lag ook de monding van de Lieve, het kanaal dat rond 126C

tussen Gent en Damme gegraven was.

3. Langs het Zwin werden andere stadjes gesticht waar de

zeeschepen insgelijks hun waren konden overiladen in schuiten,

namelijk Monikerede gesticht in 1220, nu het zuidoostelijk

deel van de gemeente Oostkerke ; H o e k e, door de Duitsers


gesticht rond 1250 ; St.-A nna-ter-Muiden ontstaan

rond 1200.

Geen enkele van deze havens bezat kaaien, de zeeschepen

werden op het droge gezet, en de schuiten kwamen er langs

liggen.

B. — Verzanding van het Zwin.

Het Zwin verzandde, en men beschikte toen nog over geen

gerief om de verzanding doelmatig te bestrijden ; daardoor komt

het dat, op het einde van de XIV" eeuw, Suis dc plaats van

Damme ingenomen had als voorhaven van Brugge.

Brugge heeft alles in 't werk gesteld om de verzanding te

keer te gaan.

Rond 1350 werd er een spuidok (bassin de chasse) aangelegd

in het moeras de « Zeuge », ten westen van Damme Bij hoogwater

werd het zeewater in het dok gelaten, met de ebbe werd

dit -water afgelaten om het zand weg te spoelen dat de v*oed in

de bedding van het Zwin had laten zinken.

Om nog meer water uit het binnenband naar het Zwin te

brengen, bekwam Brugge de toelating van Graaf Lodewijk van

Male, om de Zuidleie, een rivier die van Aal'ter naar de Reie

stroomde, door te trekken ten zuiden van Deinze, van waar het

overtollige water van de Leie naar het Zwin zou gebracht worden.

Maar de stad Gent belette de uitvoering van de werken in 1379,

door de opstand der Witte Kaproenen.

In de XV e eeuw begon de monding van het Zwin te verzanden.

De hertog van Boergondië gaf de toelating om de polder

van het Zwartegat, die de oostelijke monding afsloot, te openen

ten einde een dubbeV stroming teweeg te brengen, die bij laag tij

het zand zou wegspoelen ; deze dubbele stroming deed de verzanding

nog toenemen, en in 1486 werd de Zwartegatpolder opnieuw

ingedijkt.

In 1515 traahtte men nogmaa's een dubbele stroming te verwekken

door het kanaal van Oostburg, dat de Westerschelde

zou verbinden met het Zwin. Het was een nieuwe teleurstelling.

Rond 1550 liet Brugge een zeekanaal van.20 meter breedte

graven, ten westen van het Zwin, tussen Damme en Sluis.

Later, in 1564. werd dit kanaal doorgetrokken van af Monike*

rede over Koolkerke tot Brugge. Het vak tussen Damme en

Monikerede werd door een dijk afgesloten. Om van Sluis naat

Damme te varen, moest men een omweg maken over Brugge.

Al deze kostelijke werken werden nutteloos in 1604, toen

de prins van Oranje voorgoed Sluis innam, en de Noord-

Nederlanders het Zwin gesloten hielden.


Het Zwin in de XIII" eeuw met de kanalen van 1550 en 1564,

de latere dijken en de huidige kust.

I. Oosterarm van het Zwin.

II. — Westerarm van het Zwin.

A. — Huidige zeedijk van 1872.

B. — Dijk van 1863.

C. — /Huidige duinen.

De stippellijn duidt de Belgisch-Nederlandse grens aan.


In 1810 liet Napoleon, door Spaanse krijgsgevangenen, de

huidige vaart van Brugge naar Sluis graven, die later zou doorgetrokken

worden tot aan de Schelde te Breskens. Deze nieuwe

waterweg volgde 'het bed van de Reie tussen Brugge en Damme,

van daar werd hij rechtstreeks doorgetrokken tot over Oostkerke.

waar hij het bed van de oude vaart Damme-Sluis volgde tot aan

de huidige staatsgrens. Het was slechts in 1857 dat de nieuwe

waterweg doorgetrokken werd tot aan de haven van Sluis. Deze

haven was heel en al verzand en werd in 1863 van de zee afgesloten

door een dijk ; de haven werd de huidige Zwïnpoider.

In 1872 werd de haven van Retranchement op haar beurt

door een dijk afgesloten, om de Willem-Leopoldpoüder te

vormen. Van de monding van het Zwin blijft alleen nog de

kleine Zee'hondenplaat over.

Als men nu de tram neemt van Retranchement. rijdt men

door het Zwin van aan de oude sluis van het Hazeyras, waar

de weg door de vroegere zeedijk loopt, tot aan het Nederlands

douanekantoor.

Op deze plaats moest Napoleon, op 23 September 1811, zich

laten overzetten, toen hij van Oostende naar Breskens trok ; en

op 4 Oogst 1831 had daar een gevecht plaats tussen twee

Hoïïandse kanonneerboten, waarvan er één strandde, en de

Belgen, die de Hazegrassluis bewaakten.

II. — DE HAVEN VAN OOSTENDE.

Oostende ontstond aan de monding van het waterloopje

Testerep, dat van Lombartsijde kwam over Westen-de, Middelkerke

en Mariakerke. In het begin was de stad een gehucht van

het dorp O.-L.-Vrouw-ter-Streep (Mariakerke). In 1267 werd

Oostende door Margareta van Konstantlnopel tot stad verheven.

De Testerep kwam uit het westen en vloeide eerst ten

zuiden van Oostende, waar niu de zeestatie ligt ; van daar

Vloeide ze naar het noorden tot aan de oude vuurtoren, om

daarna naar het westen te stromen, waar nu de reedijk ligt ; ze

wierp zich in de zee ten noordwesten van de huidige kursaal.

De handels'kom die nu vóór de oude statie van Oostende-stad

ligt, werd in de zuidelijke arm van de Testerep gegraven.

Tussen de kursaal en de oude vuurtoren, llag de binnenfiaven.

Heel het oudste stadsgebied van Oostende lag vóór de binnenhaven,

eai is nu in zee verdwenen.

Vanaf 1334 had de stad geweldig te lijden van, de zee. De

kerk, die 150 meter vóór de huidige zeedijk lag, liep onder

water.

in 1394 mocht Oostende haar grondgebied in het zuiden

met 120 hectaren vergroten, achter de dijk die in 1390 door het


A. Oude stad.

OOSTENDE IN D E XVI» E E U W

volgens de kaart van Jacob van Deventer

1. Vroegere haveningang. — 2. Oude stad, nu in zee ver-

dwenen ; zuidwaarts daarvan : de oude binnenhaven.

3. Havenvliet. — 4. Nieuwe Oostendse Watergang, later de

St-Catharinakreek. — 5. Oude kerk. — 6. Nieuwe kerk.

7. Vierboete (oude vuurtoren). — 8. Havenvliet.

De zware lijnen duiden het huidige Oostende aan

B. Huidige stad.

I. Tegenwoordige haveningang. — II. Oude vuurtoren op de

zeedijk. — III. Dokken. — IV. Statie Oostende-Stad.

V. Wapenplaats en stadhuis. — VI. Kursaal. — VII. Leopold-

plaats. — VIII. Koninklijke villa. — IX. Leopo'.dpark. —

X. Oude vismijn. — XI. Zeestatie.

De zware lijn die loopt van n over VI naar VIII is de

huidige zeedijk.


Brugse Vrije opgeworpen was Deze dijk lag op de pldats waar

nu de Vain Iseghemilaan loopt.

In 1411, ten gevolge van zware stormen, moesten het stadhuis

en de halle afgebroken worden, ze werden heropgericht in

de nieuwe stad. Ieder jaar verdwenen er huizen in zee. In 1438

werd een nieuwe kerk gebouwd waar nu nog de St.-Pieters-en

Pauluskerk staat.

In 1443 werd de haven van Oostende verbonden met de

Ieperleet (die van Nieuwpoort naar Brugge liep) door een echt

kanaal dat later de r*aam kreeg van Ste-Catherinakreek. Dit

kanaal werd rechtstreeks verbonden met de zee, door de

Havenvliet, die in 1445 ten westen van de stad gegraven werd

van af de kursaal ; de huidige vijvers van het Leopoldpark zijn

een overblijfsel van de Havenvliet.

In 1469 bestond de oude stad nog uit twee grote en vier

kleine straten met 168 huizen. De oude kerk en het hospitaal

stonden toen op de zeedijk en waren bouwvallig.

Van 1601 tot 1604, belegerden de Spanjaards Oostende, die

in het bezit was van de Hollanders. Dit beleg heeft heel de

topografie van de stad veranderd. Om te beletten dat de

Spanjaards binnen de stad zouden komen langs de oostduinen,

namen de Hollanders deze duinen weg, de zee stroomde daarlangs

het land binnen, en vormde de geul, de huidige haveningang,

die de pilaats innam van de oude Keignaertsweg.

Oudenburg, Snaaskerke en Leffinge liepen onder water. De geul

werd verbonden met de zuidervesten van de stad (de huidige

handelskom)

Na 1605 werd de stad heropgebouwd. De oude haven ten

westen van de stad werd niet meer gebruikt, de nieuwe oostergeul

werd de haven. Wat er van de oudste stad overbleef, werd

afgebroken ; de zee kwam toen tot aan de huidige zeedijk.

In 1664-1669 werd de vaart Plasschendale-Oostende

gegraven en in 1672-1675 het sas van Slijkens gebouwd. De

versterkingen van de stad werden gevuld in 1782. Om de haven

voortdurend op peil te houden, moesten af en toe nieuwingedijkte

polders terug onder water gezet worden In 1721 werd de kreek

van Steene onder water gezet, ze blleef bestaan tot in de

XIX" eeuw ; de monding van de kreek werd tingenomen door de

uitbreiding van de haven rond het sas Slijkens (vlotkom en

houtkom),


III. — DE HAVEN VAN NIEUWPOORT.

Dc stad Nieuwpoort werd gebouwd aan de brede monding

van de Ijzer. Deze monding strekte zidh oorspronkelijk uit van

Westende tot Oostduinkerke. Vanaf Nieuwendamme liep de

Ijzer in twee takken naar de zee ; de noordertak vloeide langs

het oude Cnoc ; de zuidertak langs de oude duinen van Sandhove.

C n o c, dat gelegen was te Bamburg (ten zuid-oosten van

Lombardsijde), was het eerst bewoond. Rond 1130 verzandde de

noorderarm van de Ijzer, en de bevolking verhuisde naar

Sandhove op de zuiderarm ; daar werd de stad Nieuwpoort

gebouwd, die in 1163 stadsrechten ontving. Later, in 1248, ontving

Cnoc dezelfde vrijheden als Nieuwpoort, maar de bevolking die

er gebleven was verhuisde stilaan noordwaarts naar het huidige

Lombardsijde. In 1259 werd de stad onder het rechtsgebied van

Nieuwpoort gevoegd.

Aan de westzijde van de IJzermonding was een nieuw

vissersdorp ontstaan, niet ver van Oostduinkerke, te Groenendijk.

Het heette Nieuwerijde. Dit dorp was in 1246 insgelijks

onder het rechtsgebied van Nieuwpoort geplaatst.

De monding van de Ijzer is in de loop van de eeuwen

immer smaller geworden door het indijken van de polders en het

vooruitkomen van de duinen ; bij zover dat de monding nu nog

slechts bestaat uit een geul.

Te Nieuwpoort ontving de Ijzer eerst, bij Nieuwendamme,

de Leet, die in de Middeleeuwen doorgetrokken werd tot aan

de Leet van Brugge, te Oudenburg. Dan, ten westen van de stad,

de Langelis en de Venepe, die door de Ryole en de westsluis

in de haven liepen ; later werd ten oosten van de stad de Nieuwe

Ryole gegraven, waardoor deze drie waterwegen ook langs de

oostsluis in de zee konden vloeien

De Langelis ontstaat te Adinkerke en loopt over

Veurne, Wulpen, Koksijde en Oostduinkerke naar Nieuwpoort.

Rond 1640 werd het bed van de Langelis, tussen Nieuwpoort en

Wulpen, gebruikt voor het graven van de vaart Nieuwpoort-

Veurne.

De Venepe ontstaat te Veurne (oost) en loopt over

Booitshoeke naar Nieuwpoort ; het is de huidige Proostdijk- en

Koolhofvaart.

Na 1638 werd dc vaart Plasschendale-Nieuwpoort-Veurne-

Duinkerke gegraven, zoo had de stad Nieuwpoort drie waterwegen,

die in de haven uitmondden : de Ijzer, de vaart naar

Plasschendale en de vaart naar Veurne. In 1643 weid de Ijzer

rechtgetrokken tussen St. Joris en Nieuwpoort.

Deze drie waterwegen dienden zoowel voor de scheepvaart


ais voor de afwatering ; toen in de XVIII" eeuw de scheepvaart

een groter omvang nam, werd nevens ieder scheepvaartweg een

afleidingsvaart gegraven. Zoo komt het dat er te Nieuwpoort

zes sluizen in de haven uitmonden : de vaart van Veume, de

Kool'hofvaart, de Ijzer, de kreek van Nieuwendamme (oude

Ijzer), de vaart van Passchendale, en de Bamburgkreek (ook

genoemd : « Nieuw gedelf »).

i

IV. — MODERNE HAVENS.

De haven van Blankenberge die reeds in de

XVIII P eeuw aangevraagd werd, is gebouwd van 1862 tot 1873 ;

het is slechts een kleine schuilhaven voor vissers.

De haven van Zeebrugge werd op het einde

van de vorige eeuw aangelegd Ze bestaat uit een zeemuur,

waarachter de schepen kunnen aanleggen, en een zeekanaal

van tien kilometer naar Brugge, met kommen te Zeebrugge en

te Brugge.

IV. — HET HUIDIGE SCHEEPVAARTNET.

1. — De Scheepvaart in vroegere Tijden.

Zoals we boven schreven, had men in West-Vlaanderen geweldig

te strijden tegen het overtollige water. Van in de vroegste

tijden af, werden de waterlopen overal gebruikt voor het verkeer.

Dit verkeer te water in vroeger eeuwen, mogen we echter

niet overdrijven. Het schijnt ons de natuurlijkste zaak ter wereld,

dat de bevaarbare waterwegen heel het jaar door water genoeg

bevatten om de sdheepvaart toe te laten. Vroeger, tot in de

XVII e eeuw, was dit niet het geval. In vele oude contracten,

tot in de XVII e eeuw, waar het gaat over het leveren van steen,

hout en ander zwaar materiaal, wordt bepaald dat de levering

moet geschieden met het eerste winterwater dus

van zöhaast ten gevolge van de najaarsregens, water genoeg in

de waterlopen was, om bevaren te worden.

Onze huidige waterwegen beschikken 'heel het jaar door

over voldoende water, dank zij de goed ingerichte sluisdienst.

De middeleeuwse waterlopen beschikten slechts iaat over

sluizen; om het water op te houden hadden ze meest overdrachten.

Sommige waterloopjes in de buiten, die in verbinding

staan met walgrachten, hebben muurtjes die de bedding

afsperren, om het water op te houden in de wallen ; het water

kan slechts verder stromen wanneer het peil boven het muurtje

komt. In de Middeleeuwen gebruikte men hetzelfde middel om


het water uit de scheepvaartwegen niet te laten wegvloeien. Er

werden hier en daar afdammingen in het bed van de waterlopen

gebouwd. Om het scheepsverkeer niet te beletten werden

deze afdammingen voorzien van twee hellende vlakken. De

platte schepen werden aan de ene zijde naar omhoog gewonden

met een windas, en gleden dan van zelf de andere helling af. Dit

waren de overdrachten.

Niettegenstaande deze overdrachten was er slechts in de

winter water genoeg om te varen. Een voorbeeld zal het

duidelijk maken.

De verbinding tussen Brugge en leper geschiedde over de

Ieperleet, die van leper kwam naar Nieuwpoort (huidige Ieperlee

en Ijzer), en van Nieuwpoort over Plasschendale naar Brugge

liep (huidige vaarten Nieuwpoort-Plasschendale-Brugge).

We bezitten de rekening van het scheepvaartrecht dat te

Nieuwpoort geheven werd op deze verbindingsweg in de jaren

1395-140-4. In deze negen jaren voeren er tussen Brugge en leper

461 schepen, waarvan de grootste, zes duizend kilogram konden

dragen. De scheepvaart gebeurde uitsluitend in de winter, en

dan nog was ze soms onderbroken door de vorst. In de winter

van 1395-1396, voeren er in 't geheel 33 schepen tussen

23 November en 28 December en van 4 tot 16 Februari ; in de

winter van 1401-1402 voeren er tussen 16 November en 2 April

57 schepen.

En nochtans waren er in deze jaren tussen Brugge en leper

zes overdragen en drie sluizen.

In de Middeleeuwen geschiedde de binnenscheepvaart uitsluitend

in de winter ; de zeevaart daarentegen geschiedde uitsluitend

in de zomer, omdat er in de winter te veel nevel en

stormen waren. Het kompas was nog onbekend en de zeeschepen

waren 'heel klein In het Zwin, bij voorbeeld, ajls de winter aankwam,

hadden de schippers van de Zuiderzee de gewoonte hun

schepen op het droge te trekken, en langs de landweg naar huis

te gaan tot aan de lente.

De oudstbewaarde statistieken van zeeschepen die te Sluis

toekwamen, zijn uit het jaar 1486-1487 (14 October) ; in dit

jaar zijn er 73 schepen ingekomen met een lading van 8.272 ton.

Het kleinste schip mat 40 ton, het grootste 300 ton. De meeste

schepen maten tussen 100 en 200 ton. Men kan deze cijfers vergelijken

met de tonnemaat van onze huidige binnenschepen, die

gewoonlijk veel groter zijn dan de vroegere zeeschepen.

Om beter de verhoudingen te verstaan, vergete men niet

dat in het begin van de XIV® eeuw, Brugge 35.000 inwoners en

leper 18.000 inwoners telde.

Van in de vroege Middeleeuwen was er één waterweg die


ook 's zomers bevaren werd, nameijk de Reie tussen Brugge en

Damme. Deze waterloop werd echter op peil gehouden dank

zij het zeewater dat langs de zeesluis van Damme ingeflaten werd.

Om overstromingen te vermijden was dit deel van de Reie van

in de vroegste tijden voorzien van 'hoge dijken.

2. — Ontstaan van het huidig Westvlaams Waterwegennet.

Over de ontwikkeling van het Zwin tot de huidige vaart

Brugge-Sluis werd reeds gesproken.

De Lieve, die Gent met Damme verbond vanaf 1260, ilep

over Wondelgem, Vinderhoute, Ronsele, Balgerhoeke en Moerkerke

npar Damme. Nu bestaat alleen nog het deel tussen

Vinderhoute en Ronsele ; het vak Ronse3e-Moerkerke werd

gebruikt voor de Schipdonkvaart die tussen 1846-1851, van Deinze

gegraven werd naar Heist ; het vak Moerkerke-Damme is

verdwenen.

Het is vooral in de XVII* eeuw dat het huidig Westvlaams

waterwegennet ontstaan is.

Rond 1600 hadden de Noord-Nederlanders de toegangen

van onze waterwegen naar de zee in handen ; de Spaanse

Nederlanders zagen ziüh verplicht een nieuwe verbindingsweg

naar de zee aan te leggen.

In 1613 werd een nieuw kanaal gegraven tussen Gent en

Brugge, vanaf Aalter liep het in het bed van de Zuidleie die

naar Brugge stroomde. In 1622 werd de Ieperleet tussen Brugge

en Plasschendale hergraven, en door een zeesluis te Plasschendale

over de kreek van Steene in verbinding gesteld met de haven

van Oostende. Later, in 1664-1669, werd door de kreek van

Steene een kanaal gegraven tot aan Slijkens, waar in 1672-1675

een nieuwe zeesluis gebouwd werd.

Om de drie Vlaamse havens ondereen, te verbinden, werd

in 1638-1648 een waterweg gegraven in het bed van de Ieperleet,

van Jasschendale naar Nieuwpoort, en verder doorgetrokken

over Veurne naar Duinkerke. Dit karsaai was nog maar enkele

jaren in gebruik, toen Duinkerke in 1662 bij Frankrijk werd

ingelijfd.

In 1662 werd de Cölmevaart tussen, Veurne en St.-Winoksbergen

verbeterd, en de Loovaart, tussen Veurne en de

IJsper verdiept.

De Ijzer en de Ieperlee werden ook verbeterd, door het

rechttrekken van de Ijzer tussen St.-Joris en Nieuwpoort en het

verdiepen van de Ieperlee.

Later in 1810-1857 kregen we de vaart Brugge-Sluis, en in


de laatste jaren van de vorige eeuw het zeekanaal Brugge-Zeebrugge,

met de voorhaven te Zeebrugge.

Aanhangsel.

DE OUDE BESTUURLIJKE INDELINGEN.

Het graafschap Vlaanderen was vroeger ingedeeld in steden

en plattelandsbesturen of kastelndjen. Onder de steden waren er

vijf, die de andere steden en de kastelndjen onder hun beheer

hadden namelijk de Vijf Leden : Gent, Brugge, leper, Rijsel en

Douai. Nadat Rijsel en Douai, met hun gebied naar Frankrijk

overgegaan waren in 1305, werd Vlaanderen bestuurd door de

Drie Leden : Gent, Brugge en leper, waarbij in 1411, een vierde

landelijk lid gevoegd werd, namelijk de vroegere kastelnij van

Brugge of het Brugse Vrije.

In 1369, ter gelegenheid van het huwelijk van Margareta

van Male met Filips de Stoute, kwamen Rijsel en Douai bij

Vlaanderen terug, mjaar ze vormden voortaan een onafhankelijk

bestuursgebied.

In het huidig West-Vlaanderen lagen de landeilijke gebieden

van het Brugse Vrije en van de kastelnijen van Veurne, Kortrijk,

leper en Waasten, en deilen van de Oude Burg van Gent

en van de kastelnij Oudenaarde.

De grenzen van de oude kastelnjijen staan aangegeven op

de kaart gevoegd bij de Bo's « Westviaamsch Idioticon

( In de XVlI e eeuw heeft Vlaanderen veel van zijn gebied

verloren. In het noorden werd Zeeuws-Vlaanderen, door het

verdrag van Munster in 1648, voorgoed bij Nederland gevoegd.

In het zuiden ging heel Frans-Vlaanderen met de steden Douai,

Rijsel, Belle, Kassei, St.-Winoksbergen, Broekburg en Duinkerke,

naar Frankrijk over van) 1659 tot 1678, ten gevolge van de veroveringen

van Lodewijk XIV.

In 1794 werd ons land bij Frankrijk ingelijfd. De Fransen

richtten nieuwe besturen in. Eerst werd Vlaanderen verdeeld in

de twee arrondissementen van West- en Oost-Vlaanderen, met

als hoofdplaatsen leper en Gent. Het toenmalige West-Vlaanderen

bevatte leper, Veurne, Roeselare, Diksmuide, Meenen, Poperinge

en hun gebieden. Brugge en Kortrijk waren bij Oost-

Vlaanderen ingedeeld.

Op 26 November 1795, werd Vlaanderen verdeeld in twee

departementen : de Leie en de Sdhelde met Brugge en Gent

als hoofdplaatsen. Deze departementen omvatten het gebied van

de huidige provinciën West- en Oost-Vlaanderen ; deze namen

werden slechts in voege gebracht in 1816, toen België deel uitmaakte

van het koninkrijk der Nederlanden.


BRONNEN.

R. BLANCHARD : La Flandre. Etude géographique de la Plaine

flamande. Parijs, 1906.

K. LOPPENS : La Région des Dunes de Calais a Knocke.

Koksijde, 1932.

M. A. WATERSCHOOT : De Vlaamsche Kustvlakte.

Langemark, z. d.

R. TAVERNIER : De Geologische Ontwikkeling van de

Vlaamsche Kust. In « Wetenschap in. Vlaanderen »

Oct. 1939, kol. 22-27 ; en Nov. 1939, kol. 42-48.

J. de LANGHE : De Oorsprong der Vlaamsche Kustvlakte.

Knokke, 1939.

A. DE SMET : De Geschiedenis van het Zwin. Antwerpen, z. d.

C. LOONTIENS s Duin. en Strandverdediging langs de

Vlaamse Kust. Oostende, 1940.

De artikels van K. LOPPENS in « Biekorf » : 1935, bl. 281

(De Yper'eet) ; - 1936, bl. 185 en 232 (De Westshiis te Nieuwpoort)

; - 1937, bl. 9 (Het Dorp Gnoe) ; - 1938, bl. 125 (Sluizen

en vaarten te Nieuwpoort in de XV" eeuw) ; 1939, bl. 303 (De

Oorsprong van Lombardië) ; - 1947, bl 158 (De Yperleet).


GIOSENBOND - UITGAVEN

BRUGGE - Postcheckrck. 4114,23

« Brugge-Kunststad >. Rijk geïlkuftreervJe Gids met Plan der Stad.

Vierde verbeterde en vermeerderde diuk. — 96 biz., 70 zichten.

« Bruges, Vilie d'art ».Guide Iilustré avec Plande Ia Ville. Quatrième

édition. — 96 p., 70 vues.

« Bruges, City of Art ». Illustrated Guidebook wïth Plan of Xfoe

aty. Third éditiom. — 96 p., 70 views.

« Brugge, die Kunststadt ». Illuatrierter Führer mit Plan der Stadt.

Dritte Auflage. — 96 p., 70 Ansichten.

« Plan van de Stad Brugge », met alpfaabetiacfae lijst der Straat-

benamingen. Vijf kleuren. 3' drnk

Dr. Jo3. DE SMET « Het Bestuur van het Graafsohap Vlaanderen.

Het Brugsche Vrije. — De Feodaliteit. — De Adel ». —

2' druk. 32 biz., 2 kaarten.

Dr. Jos. D E SMET : « Brugge op het einde der XIlle eeuw

Ben sociaal en economisch overzicht. — 2' drulk. 24 biz., 1 kaart,

0 zichten.

Mts, V A N OOPPENOLLE : « Geschiedenis der St-Baafsparochie

'onder St-Andrles-bij-Brugge ». Voorwoord doö.r Edw. Peeters.

Illustraties van H. Levêque. — 32 biz., 1 'kaart, 14 zichten.

Karei D E FLOU : - Promo lades autour de Bruges ». Avaa>

propos par Jos. De Smet. — 52 p., 22 illitfftr.

J. POLLET : « Aalbeke ». Toponymische studie. — 48 biz., 1 kaart-

R VAJN'DENBERGHE : « Damme ». Geïllustreerde CMck». Nawoord

over « Jacob van Maerianit >, door O. V. R. — 3« dmk. —

56 biz., 25 zichten.

R. VAKDENBEiRGHE : « Damme », Guido illusfcré. Aipipendice reOatif

è. « Jacob van Maerlant », par O. V. R. — 56 p., 25 vues.

Dr. Jes. DE SMÏET : « Brugge *n het begin der Xll« eeuw. —

Karei de Goede en zijn Tijd » (1119-1128). — 2e druk. 24 biz.,

1 pdan, 4 zichten.

Dr. Jos. DE SMET : « Monikerede ». Een verdwenen zeesfcad van

he* 2 ,ö druk, 12 biz.

Dr J L A V A L E Y E « Memling ». Levensbeschrijving. Meester-

werken. Stijl. Invloed, enz. — 80 HLz., 35 illustr.

Dr. J. L A V A L E Y E : < Memling ». Biagrapdüe CEuvrea. Style

Influence, etc. — 80 p., 34 illiustr.

Mts. V A N COPPENOLLE : « Langs Brugsche Reitjes ». GeïHiisteer-

z., 1 pdian 35 zie

Dr. Jos. D E SMET : « In het' Middeleeuwsche Brugge ». (Uit het

dagelijiksoh leven.) — 36 biz., 11 zichten.

Dr. Jos. D E SMET : « De Vlaamsche en Dultsche Hanze ». —

24 biz., 4 zichten.

MARCUS GERARiDS : « Plan van Brugge. 1562 — 10 toladen :

62 X >

A SCHOUTBET : « Ma reus Gerards ». (Zestiend-eeuwsche schilder

en graveur). Zijn leven en zijn werk. — 56 biz., 17 zichten.

J. POLLET : « Meetkerke ». Toponymische studie. Voorwoord

door Dr. Joe. De Smet. — 94 biz.. 3 ill., 1 pian.

Dr. Jos. D E SM2ET : « De Brugsche straatnamen in 1939 (In

het cijnsboek van de disch der Brugsche O.-L.-Vrouweoikerk.)

— 36 bLz., 1 Plan.

Dr. Jos. DESMET : « Het Vlaamse Polderland en de Kust ». —

Historisch-Geographische schets. — 24 biz., 5 kaarten.

J. BUYSSCHAERT : « De St.-Annakerk te Brugge. ». — 32 biz.,

geilluatreerd met 16 zichten. ,

More magazines by this user
Similar magazines