604.31.037 Alfa 156 Instructie - van der Zee van der Zee
604.31.037 Alfa 156 Instructie - van der Zee van der Zee
604.31.037 Alfa 156 Instructie - van der Zee van der Zee
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
INSTRUCTIEBOEK<br />
<strong>604.31.037</strong> NL<br />
ALFA<br />
<strong>156</strong>
Geachte cliënt,<br />
Hartelijk dank dat u voor een <strong>Alfa</strong> Romeo hebt gekozen.<br />
Zoals ie<strong>der</strong>e <strong>Alfa</strong> Romeo is uw <strong>Alfa</strong> <strong>156</strong> ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier te<br />
garan<strong>der</strong>en.<br />
Dit instructieboekje helpt u snel vertrouwd te raken met de eigenschappen en de werking <strong>van</strong> uw auto.<br />
De volgende pagina’s bevatten de volledige informatie waarmee u maximaal kunt profiteren <strong>van</strong> uw <strong>Alfa</strong><strong>156</strong>.<br />
Bovendien zult u belangrijke aanwijzingen vinden voor uw veiligheid, het in conditie houden <strong>van</strong> de auto en<br />
milieubewust autorijden.<br />
In het boekje “<strong>Alfa</strong> tot uw dienst” vindt u het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden en een<br />
overzicht <strong>van</strong> de speciale aanvullende service voor <strong>Alfa</strong> Romeo-cliënten. Want wie een <strong>Alfa</strong> Romeo koopt, koopt<br />
niet alleen een auto, maar ook de rust <strong>van</strong> een uitgebreide on<strong>der</strong>steuning en een efficiënte, snelle en wijdvertakte<br />
organisatie.<br />
Wij herinneren u er bovendien aan dat <strong>Alfa</strong> Romeo hard heeft gewerkt een zeer ambitieus doel te bereiken: 100%<br />
recycling. Als uw <strong>Alfa</strong><strong>156</strong> buiten gebruik wordt gesteld, dan kan deze vrijwel geheel worden gerecycled,<br />
omdat voldaan wordt aan de voorwaarden <strong>van</strong> het F.A.RE.-project.<br />
Dankzij dit project kunnen de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealers uw voertuig milieuvriendelijk (en geheel volgens de wettelijke<br />
normen) buiten gebruik stellen, als u tot de aanschaf <strong>van</strong> een nieuwe auto overgaat.<br />
Veel leesplezier en een goede reis.<br />
1
2<br />
Bij vragen of problemen op servicegebied dient u zich bij voorkeur te wenden tot de dealer die de auto heeft<br />
verkocht, hoewel u voor on<strong>der</strong>houd of reparatie natuurlijk op ie<strong>der</strong>e <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer een beroep kunt doen.<br />
Het boekje “<strong>Alfa</strong> tot uw dienst”<br />
Bij elke nieuwe auto ont<strong>van</strong>gt de eigenaar het boekje “<strong>Alfa</strong> tot uw dienst”, waarin alle diensten zijn omschreven<br />
waar u recht op hebt. In het boekje is ook het garantiecertificaat opgenomen met een complete vermelding <strong>van</strong> de<br />
bijbehorende voorwaarden. Ver<strong>der</strong> treft u in dit boekje een schema aan voor het registreren <strong>van</strong> de uitgevoerde<br />
on<strong>der</strong>houdsbeurten.<br />
Wij adviseren u de voorgeschreven on<strong>der</strong>houdsbeurten tijdig door een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te laten uitvoeren.<br />
Regelmatig on<strong>der</strong>houd is een essentiële voorwaarde voor een lange levensduur <strong>van</strong> de diverse mechanische<br />
componenten en zorgt ervoor dat uw <strong>Alfa</strong> Romeo voortdurend optimale prestaties levert bij een laag brandstofverbruik.<br />
Naleving <strong>van</strong> de on<strong>der</strong>houdsvoorschriften is ook vereist om aanspraak op garantie te kunnen maken.<br />
“Servicegids”<br />
Deze bevat de lijst met <strong>Alfa</strong> Romeo-dealers. De officiële dealers zijn te herkennen aan borden met het embleem<br />
en de naam <strong>van</strong> <strong>Alfa</strong> Romeo.<br />
De <strong>Alfa</strong> Romeo-organisatie in Italië kan ook worden gevonden on<strong>der</strong> de “A” <strong>van</strong> <strong>Alfa</strong> Romeo in het telefoonboek.<br />
Niet alle uitvoeringen, die in dit instructieboekje worden beschreven, worden in alle landen verkocht. Slechts enkele hier<br />
beschreven accessoires worden standaard op de auto gemonteerd. Controleer bij uw dealer de lijst met beschikbare accessoires.
DE SYMBOLEN IN DIT BOEK<br />
Op deze pagina zijn de symbolen afgebeeld die in dit boekje worden gebruikt<br />
om de aandacht te richten op een bepaald on<strong>der</strong>werp.<br />
VEILIGHEID<br />
VAN DE INZITTENDEN<br />
Attentie. Het niet of gedeeltelijk opvolgen<br />
<strong>van</strong> deze instructies kan gevaar opleveren<br />
voor de inzittenden.<br />
BESCHERMING<br />
VAN HET MILIEU<br />
Aanwijzing voor het juiste gedrag, zodat<br />
het gebruik <strong>van</strong> de auto zo min mogelijk<br />
schade aan het milieu oplevert.<br />
CONDITIE<br />
VAN DE AUTO<br />
Attentie. Het niet of gedeeltelijk opvolgen<br />
<strong>van</strong> deze instructies schaadt de conditie<br />
<strong>van</strong> de auto en zal in veel gevallen ook<br />
de garantie doen vervallen.<br />
3
SYMBOLEN<br />
Op of in de nabijheid <strong>van</strong> enkele on<strong>der</strong>delen <strong>van</strong> uw <strong>Alfa</strong><br />
<strong>156</strong> zijn plaatjes met een bepaalde kleur aangebracht met<br />
daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen<br />
aangeven die u in acht moet nemen als u met het<br />
betreffende on<strong>der</strong>deel te maken krijgt.<br />
Hierna volgen kort samengevat de symbolen die vermeld staan<br />
op de plaatjes die op uw <strong>Alfa</strong> <strong>156</strong> zijn aangebracht met<br />
daarnaast het on<strong>der</strong>deel waarop het symbool betrekking heeft.<br />
Bovendien zijn de symbolen naar betekenis in groepen on<strong>der</strong>verdeeld:<br />
gevaar, verbod, waarschuwing en verplichting.<br />
4<br />
SYMBOLEN DIE GEVAAR AANDUIDEN<br />
Accu<br />
Corrosieve vloeistof.<br />
Accu<br />
Ontploffingsgevaar.<br />
Ventilateur<br />
Kan automatisch inschakelen, ook bij stilstaande<br />
motor.<br />
Expansiereservoir<br />
Draai de dop niet los als de koelvloeistof nog heet<br />
is.<br />
Bobine<br />
Hoge spanning.
Riemen en poelies<br />
Bewegende delen; niet dichtbij komen met<br />
lichaamsdelen of kledingstukken.<br />
Slangen <strong>van</strong> de airconditioning<br />
Niet openen.<br />
Gas on<strong>der</strong> hoge druk.<br />
Krik<br />
Raadpleeg het instructieboekje.<br />
VERBODSSYMBOLEN<br />
Accu<br />
Niet dichtbij komen met open vuur.<br />
Accu<br />
Houd kin<strong>der</strong>en op afstand.<br />
Hitteschilden - riemen - poelies<br />
ventilateur<br />
Niet aanraken.<br />
A I R B A G Airbag passagierszijde<br />
Plaats geen kin<strong>der</strong>zitjes op de passagiersstoel<br />
voor.<br />
WAARSCHUWINGSSYMBOLEN<br />
Katalysator<br />
Parkeer niet boven brandbare materialen. Raadpleeg<br />
de paragraaf “Voorzorgsmaatregelen voor<br />
het behoud <strong>van</strong> de emissiereductiesystemen”.<br />
Stuurbekrachtiging<br />
De vloeistof in het reservoir mag het maximum<br />
niveau niet overschrijden. Gebruik uitsluitend de<br />
vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”.<br />
Remcircuit<br />
De vloeistof in het reservoir mag het maximum<br />
niveau niet overschrijden. Gebruik uitsluitend de<br />
vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”.<br />
5
DIESEL<br />
6<br />
Ruitenwissers<br />
Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven<br />
in de “Vullingstabel”.<br />
Motor<br />
Gebruik uitsluitend de smeermiddelen die zijn aangegeven<br />
in de “Vullingstabel”.<br />
Auto rijdt op milieuvriendelijke benzine<br />
Tank uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal<br />
<strong>van</strong> ten minste 95 RON.<br />
Auto rijdt op diesel<br />
Tank uitsluitend dieselbrandstof.<br />
Expansiereservoir<br />
Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven<br />
in de “Vullingstabel”.<br />
VERPLICHTINGSSYMBOLEN<br />
Accu<br />
Bescherm de ogen.<br />
Accu - Krik<br />
Raadpleeg het instructieboekje.
INHOUD<br />
GEREED VOOR VERTREK<br />
WEGWIJS IN UW AUTO<br />
CORRECT GEBRUIK VAN DE AUTO<br />
NOODGEVALLEN<br />
ONDERHOUD VAN DE AUTO<br />
ALFA <strong>156</strong><br />
TECHNISCHE GEGEVENS<br />
ACCESSOIRES MONTEREN<br />
ALFABETISCH REGISTER<br />
7
8<br />
De teksten, afbeeldingen en technische gegevens in dit boekje zijn<br />
gebaseerd op de stand <strong>van</strong> zaken bij het ter perse gaan <strong>van</strong> dit<br />
instructieboekje. In het voortdurende streven de kwaliteit <strong>van</strong> haar<br />
producten te verbeteren, behoudt <strong>Alfa</strong> Romeo zich het recht voor te allen<br />
tijde, zon<strong>der</strong> voorafgaande kennisgeving, wijzigingen in de technische<br />
specificatie en de uitrusting door te voeren. Wendt u voor meer<br />
informatie tot een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.
Op de volgende pagina’s vindt u alle informatie die u nodig hebt<br />
voor een correct gebruik <strong>van</strong> de auto.<br />
Binnen enkele minuten kunt u zich vertrouwd maken met de belangrijkste<br />
bedieningsorganen, controlelampjes en instrumenten<br />
waarmee uw nieuwe auto is uitgerust.<br />
Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk ook de daarop volgende<br />
hoofdstukken in dit instructieboekje te raadplegen.<br />
DASHBOARD ............................................................................................ pag. 10<br />
ALFA ROMEO CODE ......................................................................................... 11<br />
DIEFSTALALARM................................................................................................ 13<br />
GEREED VOOR VERTREK<br />
CENTRALE PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING .. 15<br />
START-/CONTACTSLOT .................................................................................... 15<br />
BUITENSPIEGELS .............................................................................................. 16<br />
PORTIEREN ......................................................................................................... 17<br />
STUURWIEL ........................................................................................................ 18<br />
ZITPLAATSEN ..................................................................................................... 18<br />
VEILIGHEIDSGORDELS ................................................................................... 18<br />
HENDELS AAN HET STUUR ........................................................................... 19<br />
INSTRUMENTEN ................................................................................................ 21<br />
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING VOOR ....................................................... 22<br />
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING ACHTER ................................................... 22<br />
WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN ......................................................... 23<br />
MISTLAMPEN VOOR ........................................................................................ 23<br />
MISTACHTERLICHT ........................................................................................... 23<br />
OPENDAK ........................................................................................................... 23<br />
KLIMAATREGELING ......................................................................................... 24<br />
BAGAGERUIMTE ............................................................................................... 24<br />
MOTORKAP ........................................................................................................ 25<br />
TANKEN MET DE ALFA ROMEO <strong>156</strong> ........................................................... 26<br />
9
DASHBOARD<br />
fig. 1<br />
1 Uitstroomopeningen zijkant. 2 Luchtroosters voor ontwasemen/ontdooien zijruiten voor. 3 Luchtroosters boven aan zijkant. 4 Bedieningshendel buitenverlichting.<br />
5 Snelheidsmeter-kilometerteller. 6 Checkpanel. 7 Toerenteller. 8 Bedieningshendel ruitenwissers voor/achter. 9 Brandstofmeter. 10 Luchtroosters<br />
midden. 11 Luchtrooster boven. 12 Klokje. 13 Koelvloeistoftemperatuurmeter. 14 Autoradio. 15 Airbag passagierszijde. 16 Dashboardkastje.<br />
17 Bedieningsorganen voor de verwarming, ventilatie en airconditioning. 18 Asbak en aansteker. 19 Schakelaar voor waarschuwingsknipperlichten.<br />
20 Temperatuursensor. 21 Start-/contactslot. 22 Hendel voor stuurwielverstelling. 23 Airbag bestuur<strong>der</strong>szijde en claxon. 24 Hendel voor motorkapontgrendeling.<br />
25 Bedieningsorganen: verlichting instrumenten, op nul zetten dagteller/weergave buitentemperatuur en koplampverstelling.<br />
10<br />
P4U00001
ALFA ROMEO CODE<br />
Voor een nog betere bescherming tegen<br />
diefstalpogingen is de auto uitgerust met<br />
een elektronische startblokkering (<strong>Alfa</strong><br />
Romeo CODE). Het systeem schakelt<br />
automatisch in als de contactsleutel wordt<br />
uitgenomen. In de handgreep <strong>van</strong> de<br />
sleutels bevindt zich een elektronisch<br />
component, dat bij het starten <strong>van</strong> de<br />
motor een signaal ont<strong>van</strong>gt via een speciale<br />
antenne die in het start-/contactslot<br />
is ingebouwd. Dit signaal wordt omgezet<br />
in een gecodeerd signaal en vervolgens<br />
aan de regeleenheid <strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong> Romeo<br />
CODE gezonden, die, als de code wordt<br />
herkend, het starten <strong>van</strong> de motor mogelijk<br />
maakt.<br />
fig. 2<br />
P4U00415<br />
DE SLEUTELS<br />
Bij de auto worden, afhankelijk <strong>van</strong> de<br />
uitvoering, de volgende sleutels geleverd<br />
(fig. 2):<br />
– type A<br />
– type B met een uitklapbare metalen<br />
baard, de afstandsbediening voor ontgrendeling<br />
<strong>van</strong> het kofferdeksel en de afstandsbediening<br />
voor centrale portiervergrendeling<br />
en in-/uitschakeling <strong>van</strong> het diefstalalarm<br />
(indien aanwezig).<br />
Sleutel A dient voor:<br />
– het starten<br />
– de portiersloten<br />
– het kofferdekselslot<br />
– het slot <strong>van</strong> het dashboardkastje<br />
– het uitschakelen <strong>van</strong> de airbag aan<br />
passagierszijde (indien aanwezig).<br />
Sleutel B dient voor:<br />
– het starten<br />
– de portiersloten<br />
– het kofferdekselslot<br />
– het slot <strong>van</strong> het dashboardkastje<br />
– het op afstand ont-/vergrendelen<br />
<strong>van</strong> de portieren (indien aanwezig)<br />
– het op afstand ontgrendelen <strong>van</strong> het<br />
kofferdeksel (indien aanwezig)<br />
– het diefstalalarm (indien aanwezig)<br />
– het uitschakelen <strong>van</strong> de airbag aan<br />
passagierszijde (indien aanwezig).<br />
Bij de sleutel wordt een CODE-card (fig.<br />
3) geleverd. Bij auto’s met diefstalalarm<br />
wordt ook een noodsleutel (indien aanwezig)<br />
geleverd (C-fig. 2); zie voor de<br />
werking “Diefstalalarm”.<br />
fig. 3<br />
P4U00003<br />
11
BELANGRIJK Om schade aan de<br />
elektronische schakelingen in de sleutels<br />
te voorkomen, mogen de sleutels niet<br />
aan directe zonnestraling worden blootgesteld.<br />
BELANGRIJK De codes op de CODEcard<br />
moeten op een veilige plaats worden<br />
opgeborgen, maar niet in de auto. Wij<br />
raden u aan de elektronische code <strong>van</strong><br />
de CODE-card altijd bij u te hebben omdat<br />
deze onmisbaar is voor het uitvoeren<br />
<strong>van</strong> een noodstart.<br />
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een<br />
eigen code, die in de regeleenheid <strong>van</strong><br />
het systeem moet worden opgeslagen.<br />
Om maximaal zeven nieuwe sleutels op<br />
te slaan, moet u zich wenden tot de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer. Hierbij moeten alle in u bezit<br />
zijnde sleutels, de CODE-card, een<br />
identiteitsbewijs en het kentekenbewijs<br />
worden meegenomen.<br />
12<br />
WERKING (fig. 4)<br />
Ie<strong>der</strong>e keer als u de contactsleutel in<br />
stand STOP zet, schakelt de <strong>Alfa</strong> Romeo<br />
CODE de functies <strong>van</strong> de elektronische regeleenheid<br />
<strong>van</strong> de motor uit. Als u bij het<br />
starten <strong>van</strong> de motor de sleutel in stand<br />
MAR draait, dan stuurt de regeleenheid<br />
<strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong> Romeo CODE een code naar<br />
de regeleenheid <strong>van</strong> de motor die, als de<br />
code wordt herkend, de blokkering <strong>van</strong><br />
de functies opheft.<br />
Als de blokkering is opgeheven, gaat<br />
het controlelampje (A) op het checkpanel<br />
kort knipperen.<br />
Als de code niet wordt herkend, blijft<br />
het <strong>Alfa</strong> Romeo CODE-controlelampje (A)<br />
samen met het EOBD-waarschuwingslampje/storing<br />
in inspuitsysteem (B)<br />
fig. 4<br />
P4U00004<br />
branden. Volg in dat geval de aanwijzingen<br />
op die vermeld staan in de paragraaf<br />
“<strong>Alfa</strong> Romeo CODE” in het hoofdstuk<br />
“Wegwijs in uw auto”.<br />
Als ongeveer 2 seconden<br />
na het draaien <strong>van</strong><br />
de contactsleutel in<br />
stand MAR, het controlelampje<br />
<strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong> Romeo CODE (A) opnieuw<br />
gaat knipperen met een<br />
interval <strong>van</strong> ongeveer een halve<br />
seconde, betekent dit dat de code<br />
<strong>van</strong> de sleutels niet is opgeslagen<br />
en de auto dus niet door<br />
de <strong>Alfa</strong> Romeo CODE wordt beveiligd<br />
tegen eventuele diefstalpogingen.<br />
Wendt u in dat geval<br />
onmiddellijk tot een <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
om alle sleutels in het geheugen<br />
te laten opslaan.
DIEFSTALALARM<br />
(indien aanwezig)<br />
Het diefstalalarm wordt bediend door<br />
een ont<strong>van</strong>ger in de auto en wordt in- en<br />
uitgeschakeld met de in de sleutel (Bfig.<br />
5) ingebouwde afstandsbediening<br />
die een versleutelde variabele code verzendt.<br />
Het diefstalalarm werkt alleen als de<br />
sleutel uit het contactslot is genomen of<br />
in stand STOP staat.<br />
BELANGRIJK De startblokkering wordt<br />
uitgevoerd door de <strong>Alfa</strong> Romeo CODE en<br />
wordt automatisch ingeschakeld als de<br />
contactsleutel uit het start-/contactslot<br />
wordt genomen.<br />
fig. 5<br />
P4U00416<br />
INSCHAKELEN<br />
Druk voor inschakeling op knop (A-fig.<br />
5) <strong>van</strong> sleutel (B), richt de sleutel in de<br />
richting <strong>van</strong> de auto en laat de knop los.<br />
Bij de meeste uitvoeringen geeft het systeem<br />
een akoestisch signaal (“BIEP”),<br />
gaan de richtingaanwijzers ongeveer 3 seconden<br />
branden, wordt de portiervergrendeling<br />
ingeschakeld en gaat lampje (Afig.<br />
6) op het dashboard branden.<br />
Het lampje (A-fig. 6) knippert gedurende<br />
de tijd dat het alarm is ingeschakeld.<br />
Bij bepaalde uitvoeringen zal, ook als<br />
de knop <strong>van</strong> de afstandsbediening niet is<br />
ingedrukt, na ongeveer 30 seconden nadat<br />
de contactsleutel in stand STOP of<br />
PARK is gedraaid en één <strong>van</strong> de portieren<br />
of het kofferdeksel geopend en weer<br />
gesloten is, het alarm automatisch worden<br />
ingeschakeld.<br />
Als het alarm automatisch wordt ingeschakeld,<br />
worden de portieren niet vergrendeld.<br />
UITSCHAKELEN<br />
Druk voor uitschakeling op knop (Afig.<br />
5) <strong>van</strong> sleutel (B) en laat de knop<br />
los.<br />
Het knipperende lampje (A-fig. 6)<br />
dooft.<br />
Bij de meeste uitvoeringen geeft het<br />
alarm twee akoestische signalen (“BIEP”),<br />
gaan de richtingaanwijzers ongeveer<br />
2 seconden knipperen en worden de portieren<br />
ontgrendeld.<br />
fig. 6<br />
P4U00006<br />
13
ALARMSYSTEEM<br />
UITSCHAKELEN<br />
(indien aanwezig)<br />
Als de batterijen <strong>van</strong> de afstandsbediening<br />
leeg zijn, of als er een storing is in<br />
het diefstalalarm, kunt u het systeem buiten<br />
werking stellen met de noodsleutel<br />
(C-fig. 2) die bij de sleutels <strong>van</strong> de<br />
auto is geleverd.<br />
Om het diefstalalarm volledig buiten<br />
werking te stellen (bijvoorbeeld bij on<strong>der</strong>houdswerkzaamheden<br />
aan de elektrische<br />
installatie of als de accu <strong>van</strong> de<br />
auto ver<strong>van</strong>gen moet worden, enz.),<br />
moet als volgt te werk worden gegaan:<br />
– verwij<strong>der</strong> paneel (A-fig. 7) door<br />
op de lippen (B) te drukken;<br />
fig. 7<br />
14<br />
P4U00007<br />
– verwij<strong>der</strong> beschermdop (C-fig. 8)<br />
<strong>van</strong> de sleutelschakelaar;<br />
– steek de noodsleutel in de schakelaar<br />
en draai de sleutel linksom (D-fig.<br />
9) (stand OFF).<br />
Om het systeem weer in te schakelen,<br />
draait u de sleutel rechtsom (stand<br />
ON).<br />
Bij bepaalde uitvoeringen wordt alleen<br />
de sirene uitgeschakeld.<br />
fig. 8 fig. 9<br />
P4U00008<br />
BELANGRIJK Als de auto langere<br />
tijd niet wordt gebruikt (langer dan drie<br />
weken), is het raadzaam het diefstalalarm<br />
uit te schakelen om te voorkomen<br />
dat de accu wordt uitgeput. Bij uitgeschakeld<br />
diefstalalarm blijft het altijd mogelijk<br />
de centrale portiervergrendeling in- en uit<br />
te schakelen met de afstandsbediening.<br />
P4U00009
HET OP AFSTAND<br />
VER-/ONTGRENDELEN<br />
VAN DE PORTIEREN<br />
Het systeem bestaat uit een ont<strong>van</strong>ger<br />
in de auto en een in de sleutel ingebouwde<br />
zen<strong>der</strong> (afstandsbediening) (Bfig.<br />
10).<br />
Richt voor het ver-/ontgrendelen <strong>van</strong><br />
de portieren de zen<strong>der</strong> in de richting <strong>van</strong><br />
de auto, druk op knopje (A-fig. 10)<br />
en laat het knopje los.<br />
fig. 10<br />
P4U00416<br />
START-/CONTACTSLOT<br />
CONTACTSLOT (fig. 11)<br />
De sleutel kan in één <strong>van</strong> de volgende<br />
vier standen worden gezet:<br />
– STOP: motor uit, sleutel uitneembaar,<br />
CODE ingeschakeld en stuurslot geblokkeerd.<br />
Enkele elektrische installaties<br />
werken (bijv. waarschuwingsknipperlichten).<br />
– MAR: contact aan. CODE uitgeschakeld<br />
en alle elektrische systemen worden<br />
<strong>van</strong> voedingsspanning voorzien.<br />
– AVV: starten <strong>van</strong> de motor.<br />
– PARK: motor uit, sleutel uitneembaar,<br />
CODE ingeschakeld, stuurslot geblokkeerd,<br />
parkeerverlichting gaat automatisch<br />
branden.<br />
fig. 11<br />
P4U00409<br />
BELANGRIJK Om de sleutel in stand<br />
PARK te draaien, moet knop (A) op het<br />
contactslot worden ingedrukt.<br />
Neem bij het verlaten<br />
<strong>van</strong> de auto altijd de<br />
sleutel uit het contactslot,<br />
zodat eventuele inzittenden<br />
geen onoordeelkundig gebruik<br />
<strong>van</strong> de bedieningsorganen kunnen<br />
maken. Laat kin<strong>der</strong>en nooit<br />
alleen achter in de auto. Vergeet<br />
niet de handrem aan te trekken<br />
en schakel de eerste versnelling<br />
in bij een helling omhoog of de<br />
achteruit bij een helling omlaag.<br />
Als het start-/contactslot<br />
is geforceerd (bijv.<br />
bij een poging tot diefstal)<br />
moet u, voordat u weer met<br />
de auto gaat rijden, de werking<br />
<strong>van</strong> het slot laten controleren bij<br />
een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
15
STUURSLOT<br />
Inschakelen:<br />
– zet de sleutel in stand STOP of<br />
PARK, trek de sleutel uit het start-/contactslot<br />
en draai het stuur totdat het vergrendelt.<br />
Uitschakelen:<br />
– draai het stuur iets heen en weer, terwijl<br />
u de sleutel in stand MAR draait.<br />
Verwij<strong>der</strong> de sleutel<br />
nooit uit het contactslot<br />
als de auto nog in beweging<br />
is. Bij de eerste stuuruitslag<br />
blokkeert het stuur automatisch.<br />
Dit geldt in alle gevallen,<br />
ook als de auto gesleept wordt.<br />
16<br />
SPIEGELS<br />
ACHTERUITKIJKSPIEGEL<br />
(fig. 12)<br />
De spiegel kan met hendel (A) in twee<br />
standen worden gezet: normaal of antiverblindingsstand.<br />
BELANGRIJK Het model <strong>van</strong> de spiegel<br />
kan an<strong>der</strong>s zijn als de auto is uitgerust<br />
met een autoradio met geïntegreerde<br />
mobiele telefoon en/of inbouwvoorbereiding<br />
telepass. Het afgebeelde model is<br />
alleen bedoeld om het afstellen te illustreren.<br />
fig. 12<br />
P4U00011<br />
BUITENSPIEGELS (fig. 13)<br />
Kies één <strong>van</strong> de twee spiegels met schakelaar<br />
(A).<br />
Verstel de gekozen spiegel met knop<br />
(B).<br />
Zet schakelaar (A) in de middelste vergrendelde<br />
stand.<br />
fig. 13<br />
P4U00012
PORTIEREN<br />
Voorportieren ontgrendelen:<br />
–Van buitenaf: draai de sleutel, neem<br />
de sleutel uit het slot en druk op knop<br />
(A-fig. 14).<br />
–Van binnenuit: trek aan handgreep (Afig.<br />
15), onafhankelijk <strong>van</strong> de stand <strong>van</strong><br />
knop (B).<br />
Voorportieren vergrendelen:<br />
–Van buitenaf: draai de sleutel in het<br />
slot (fig. 14).<br />
–Van binnenuit: druk op knopje (Bfig.<br />
15).<br />
Achterportieren ontgrendelen:<br />
– Van buitenaf: trek als knopje (Bfig.<br />
17) omhoog staat aan handgreep<br />
(A-fig. 16).<br />
fig. 14<br />
P4U00410<br />
– Van binnenuit: trek, bij uitgeschakeld<br />
kin<strong>der</strong>veiligheidsslot aan handgreep (Afig.<br />
17).<br />
Achterportieren vergrendelen:<br />
–Van buitenaf: druk op knopje (Bfig.<br />
17) (dit kan ook bij geopend portier)<br />
en sluit het portier.<br />
fig. 15<br />
fig. 16<br />
P4U00014<br />
P4U00015<br />
–Van binnenuit: sluit het portier en<br />
druk op knopje (B-fig. 17).<br />
Kin<strong>der</strong>veiligheidsslot (fig. 18)<br />
Stand 1 = Kin<strong>der</strong>veiligheidsslot uitgeschakeld<br />
Stand 2 = Kin<strong>der</strong>veiligheidsslot ingeschakeld<br />
fig. 17<br />
fig. 18<br />
P4U00016<br />
P4U00411<br />
17
STUURWIEL<br />
Voor de stuurwielverstelling moet hendel<br />
(A-fig. 19) worden verplaatst:<br />
Als u de hendel naar het stuur trekt,<br />
wordt het stuurwiel ontgrendeld en kan<br />
het stuur dichterbij of ver<strong>der</strong>af en omhoog<br />
of omlaag worden gezet.<br />
Als u de hendel richting het dashboard<br />
duwt, wordt het stuurwiel vergrendeld.<br />
fig. 19<br />
18<br />
Verstel de stoelen, het<br />
stuurwiel, enz. alleen als<br />
de auto stilstaat.<br />
P4U00018<br />
ZITPLAATSEN<br />
Bedieningsknoppen (fig. 20) voor:<br />
A -Verstelling in lengterichting.<br />
B - Hoogteverstelling.<br />
C - Rugleuning verstellen.<br />
D - Lendensteunverstelling (indien aanwezig).<br />
De hierna beschreven<br />
handelingen moeten<br />
worden uitgevoerd<br />
voordat u vertrekt. Voer deze<br />
handelingen niet uit als de auto<br />
in beweging is.<br />
fig. 20<br />
P4U00019<br />
VEILIGHEIDSGORDELS<br />
Druk voor de hoogte-instelling<br />
<strong>van</strong> de veiligheidsgordels<br />
voor (fig. 21) knop (A) in<br />
en verplaats de beugel (B) omhoog of<br />
omlaag totdat hij goed vergrendeld is in<br />
één <strong>van</strong> de vaste punten.<br />
fig. 21<br />
P4U00020
De auto kan zijn voorzien <strong>van</strong> een<br />
heupgordel voor de zitplaats middenachter<br />
(fig. 22). De lengte kan worden afgesteld<br />
door de gordel in gesp (A) te verplaatsen.<br />
Trek in de richting <strong>van</strong> de pijl<br />
aan deel (B) om de gordel te verkorten<br />
en aan deel (C) om te verlengen.<br />
fig. 22<br />
P4U00021<br />
HENDELS AAN HET<br />
STUUR<br />
HENDEL LINKS (fig. 23)<br />
– Stand<br />
rechts.<br />
A = Richtingaanwijzers<br />
– Stand<br />
links.<br />
B = Richtingaanwijzers<br />
fig. 23<br />
P4U00022<br />
–Trek hendel naar het stuur<br />
(stand zon<strong>der</strong> vergrendeling) =<br />
Grootlichtsignaal.<br />
– Duw hendel richting dashboard<br />
(vergrendelde stand) = Grootlicht.<br />
– Draaiknop (1) op O =Verlichting<br />
uit.<br />
– Draaiknop (1) op 6 = Buitenverlichting<br />
aan.<br />
– Draaiknop (1) op 2 = Dimlicht<br />
aan.<br />
19
HENDEL RECHTS (fig. 24)<br />
– Stand A = Ruitenwissers uit.<br />
– Stand E (stand zon<strong>der</strong> vergrendeling)<br />
= Tijdelijk snel wissen.<br />
– Stand B = Wissen met interval met<br />
instelbare frequentie (Draaiknop 2).<br />
fig. 24<br />
20<br />
P4U00023<br />
– Draaiknop (2) op:<br />
■ = Lang interval.<br />
■■ = Gemiddeld interval.<br />
■■■ = Gemiddeld-kort interval.<br />
■■■■ = Kort interval.<br />
– Stand C = Langzaam continu wissen.<br />
– In stand D = Snel continu wissen.<br />
–Trek hendel naar het stuur (stand<br />
zon<strong>der</strong> vergrendeling) = Ruitensproeiers<br />
ingeschakeld en inschakeling koplampsproeiers<br />
(indien aanwezig) als de buitenverlichting<br />
is ingeschakeld.
INSTRUMENTEN (fig. 25)<br />
fig. 25<br />
P4U00024<br />
A. Snelheidsmeter<br />
B. Kilometertellerdisplay (totaalstand,<br />
dagstand en weergave<br />
buitentemperatuur<br />
(alleen auto’s met airconditioning)<br />
C. Checkpanel<br />
D. Toerenteller<br />
E. Brandstofmeter<br />
F. Klokje<br />
G. Koelvloeistoftemperatuurmeter<br />
H. Controle-/waarschuwingslampjes<br />
BELANGRIJK Afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering<br />
<strong>van</strong> de auto kunnen de wijzerplaten<br />
<strong>van</strong> het instrumentenpaneel zijn<br />
uitgevoerd in lichtgrijs of zwart en kunnen<br />
het rode gebied <strong>van</strong> de toerenteller<br />
en de snelheidsmeter een an<strong>der</strong> bereik<br />
en schaalverdeling hebben.<br />
21
ELEKTRISCHE RUITBE-<br />
DIENING VOOR<br />
Schakelaars op het portier aan bestuur<strong>der</strong>szijde<br />
(fig. 26):<br />
A - Openen/sluiten ruit aan bestuur<strong>der</strong>szijde.<br />
B - Openen/sluiten ruit aan passagierszijde.<br />
Schakelaar op het portier aan passagierszijde<br />
(fig. 27):<br />
A - Openen/sluiten ruit aan passagierszijde.<br />
BELANGRIJK De ruit aan de bestuur<strong>der</strong>szijde<br />
kan “automatisch” worden geopend<br />
en gesloten, terwijl de ruit aan<br />
fig. 26 fig. 28<br />
22<br />
P4U00025<br />
passagierszijde alleen “automatisch” kan<br />
worden geopend. Hiervoor hoeft u de<br />
boven- of on<strong>der</strong>zijde <strong>van</strong> de schakelaar<br />
slechts kort te in te drukken, zodat de ruit<br />
geheel opent of sluit: de ruit stopt in de gewenste<br />
stand als u de schakelaar nogmaals<br />
kort aan de boven- of on<strong>der</strong>zijde indrukt.<br />
fig. 27<br />
P4U00026<br />
P4U00027<br />
ELEKTRISCHE RUITBE-<br />
DIENING ACHTER<br />
(indien aanwezig)<br />
Schakelaars op het portier aan bestuur<strong>der</strong>szijde<br />
(fig. 28)<br />
A - Openen/sluiten ruit linksvoor.<br />
B - Openen/sluiten ruit rechtsvoor.<br />
C - Openen/sluiten ruit linksachter.<br />
D - Openen/sluiten ruit rechtsachter.<br />
E - Blokkering bediening zijruiten achter.<br />
Schakelaar op de achterportieren (Afig.<br />
29) om de betreffende ruit te openen/sluiten.<br />
fig. 29<br />
P4U00028
WAARSCHUWINGS-<br />
KNIPPERLICHTEN<br />
Druk voor in-/uitschakeling op knop<br />
(A-fig. 30).<br />
Het gebruik <strong>van</strong> de<br />
waarschuwingsknipperlichten<br />
is afhankelijk<br />
<strong>van</strong> de wetgeving <strong>van</strong> het land<br />
waarin u zich bevindt. Houdt u<br />
aan de voorschriften.<br />
fig. 30<br />
P4U00029<br />
MISTLAMPEN VOOR<br />
(indien aanwezig)<br />
Druk voor in-/uitschakeling op knop<br />
(B-fig. 31).<br />
De mistlampen werken alleen als de<br />
buitenverlichting is ingeschakeld.<br />
MISTACHTERLICHT<br />
Druk voor in-/uitschakeling op knop<br />
(A-fig. 31).<br />
Het mistachterlicht werkt alleen als het<br />
dimlicht en/of de mistlampen voor zijn<br />
ingeschakeld.<br />
fig. 31<br />
P4U00030<br />
OPENDAK<br />
(indien aanwezig)<br />
Druk op de achterzijde (1) <strong>van</strong> knop<br />
(A-fig. 32) om het dak te openen en<br />
op de voorzijde (2) om het te sluiten.<br />
Druk bij gesloten dak op de voorzijde<br />
(2) om het dak aan de achterzijde omhoog<br />
te kantelen (kantelstand).<br />
fig. 32<br />
Bedien het opendak alleen<br />
als de auto stilstaat.<br />
P4U00031<br />
23
KLIMAATREGELING<br />
BEDIENINGSKNOPPEN VOOR<br />
UITVOERINGEN ZONDER<br />
AIRCONDITIONING (fig. 33)<br />
A -Draaiknop voor regeling luchttemperatuur.<br />
B - Draaiknop voor aanjagersnelheid.<br />
C - Draaiknop voor regeling luchtverdeling.<br />
D -Drukknop voor in-/uitschakeling<br />
luchtrecirculatie.<br />
E -Drukknop voor in-/uitschakeling achterruitverwarming.<br />
fig. 33<br />
24<br />
P4U00032<br />
BEDIENINGKNOPPEN VOOR<br />
UITVOERINGEN MET<br />
AIRCONDITIONING (fig. 34)<br />
A -Draaiknop voor regeling luchttemperatuur.<br />
B - Draaiknop voor aanjagersnelheid.<br />
C - Draaiknop voor regeling luchtverdeling.<br />
D -Drukknop voor in-/uitschakeling aircocompressor.<br />
E -Drukknop voor in-/uitschakeling luchtrecirculatie.<br />
F - Drukknop voor in-/uitschakelen achterruit-<br />
en spiegelverwarming.<br />
fig. 34<br />
P4U00033<br />
KOFFERDEKSEL<br />
fig. 35<br />
Open het kofferdeksel<br />
alleen als de auto<br />
stilstaat.<br />
Van binnenuit openen (fig. 35):<br />
–Trek aan hendel (A) naast de bestuur<strong>der</strong>sstoel.<br />
Van buitenaf openen (fig. 36):<br />
– Draai het embleem (A) en open het<br />
kofferdeksel met sleutel (B).<br />
P4U00035
OPENEN MET<br />
AFSTANDSBEDIENING<br />
(indien aanwezig)<br />
Het kofferdeksel kan, ook bij ingeschakeld<br />
alarm (indien aanwezig), op afstand<br />
worden geopend door knopje (A-fig.<br />
37) op de sleutel in te drukken. Als bij<br />
auto’s met diefstalalarm het kofferdeksel<br />
wordt geopend, dan worden de omtrekbeveiliging<br />
en de kofferdekselsensor uitgeschakeld.<br />
Als het kofferdeksel wordt vergrendeld,<br />
dan wordt de beveiliging hersteld.<br />
fig. 36<br />
P4U00413<br />
MOTORKAP<br />
Openen:<br />
–Trek in de auto aan hendel (A-fig.<br />
38).<br />
– Duw aan de voorzijde <strong>van</strong> de auto<br />
de rode hendel (B-fig. 39) <strong>van</strong> de beveiliging<br />
omhoog. Deze bevindt zich tussen<br />
de openingen <strong>van</strong> het luchttoevoerrooster.<br />
–Til de motorkap omhoog.<br />
fig. 37<br />
Voer deze handeling<br />
alleen uit als de auto<br />
stilstaat.<br />
P4U00329<br />
Sluiten:<br />
– Laat de motorkap tot op ongeveer<br />
20 cm <strong>van</strong> de motorruimte zakken, en<br />
vervolgens vallen en controleer of de motorkap<br />
geheel gesloten is door deze op te<br />
tillen. De motorkap mag niet alleen door<br />
de beveiliging vergrendeld zijn.<br />
fig. 38<br />
fig. 39<br />
P4U00036<br />
P4U00037<br />
25
TANKEN MET DE<br />
ALFA <strong>156</strong><br />
BENZINEMOTOREN<br />
Gebruik voor auto’s<br />
met benzinemotor uitsluitend<br />
loodvrije superbenzine<br />
met een octaangetal <strong>van</strong><br />
ten minste 95 R.O.N. Tank nooit<br />
loodhoudende benzine, niet in<br />
noodgevallen en ook niet een<br />
klein beetje, omdat dit de katalysator<br />
onherstelbaar kan beschadigen.<br />
Als in de tank loodhoudende<br />
benzine terecht is gekomen (ook<br />
al is dat zeer weinig), dan MAG<br />
DE MOTOR NIET WORDEN GE-<br />
START. Maak de tank en het<br />
brandstofcircuit geheel leeg.<br />
26<br />
DIESELMOTOREN<br />
De dieselmotoren zijn<br />
uitsluitend geschikt voor<br />
dieselbrandstof voor<br />
motorvoertuigen (Europese specificaties<br />
EN590). Het gebruik <strong>van</strong><br />
an<strong>der</strong>e producten of mengsels kan<br />
de motor onherstelbaar beschadigen<br />
en het vervallen <strong>van</strong> de garantie<br />
tot gevolg hebben. Mocht u<br />
onverhoopt een an<strong>der</strong> type brandstof<br />
hebben getankt, dan mag de<br />
motor niet worden gestart en<br />
moet de brandstoftank worden<br />
afgetapt. Ook als de motor<br />
slechts kort heeft gedraaid, moet<br />
naast de brandstoftank, ook alle<br />
brandstof uit de brandstofleidingen<br />
worden afgetapt.<br />
fig. 40<br />
P4U00038<br />
Til de voorzijde <strong>van</strong> hendel (A-fig.<br />
40) omhoog om het tankklepje te ontgrendelen.<br />
De tankdop zit met een koord aan het<br />
klepje vast om verlies <strong>van</strong> de dop te<br />
voorkomen. (fig. 41).<br />
fig. 41<br />
P4U00420
Wij raden u aan de volgende pagina’s te lezen terwijl u comfortabel<br />
in uw nieuwe auto zit.<br />
Zo kunt u de in dit boekje beschreven delen direct herkennen en<br />
leert u in enkele minuten de bedieningsorganen en installaties<br />
kennen waarmee uw nieuwe auto is uitgerust.<br />
ALFA ROMEO CODE .................................................................................... pag. 28<br />
DIEFSTALALARM .................................................................................................... 34<br />
PORTIEREN MET AFSTANDSBEDIENING VER-/ONTGRENDELEN ........... 38<br />
START-/CONTACTSLOT ......................................................................................... 39<br />
PORTIEREN .............................................................................................................. 40<br />
ZITPLAATSEN .......................................................................................................... 42<br />
STUURWIEL VERSTELLEN .................................................................................... 46<br />
SPIEGELS VERSTELLEN ........................................................................................ 46<br />
RUITBEDIENING ..................................................................................................... 48<br />
VEILIGHEIDSGORDELS ........................................................................................ 49<br />
WEGWIJS IN UW AUTO<br />
KINDEREN VEILIG VERVOEREN ........................................................................ 53<br />
GORDELSPANNERS ............................................................................................... 57<br />
AIRBAGS VOOR EN ZIJ-AIRBAGS .................................................................... 58<br />
HENDELS AAN HET STUUR ................................................................................. 64<br />
INSTRUMENTEN ..................................................................................................... 67<br />
KLIMAATREGELING ............................................................................................... 77<br />
VERWARMING EN VENTILATIE .......................................................................... 79<br />
AIRCONDITIONING, AUTOMATISCH ................................................................ 81<br />
HULPVERWARMING ............................................................................................. 89<br />
BEDIENINGSKNOPPEN ........................................................................................ 89<br />
SELESPEED VERSNELLINGSBAK......................................................................... 94<br />
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK Q-SYSTEM ......................................... 104<br />
INTERIEURUITRUSTING ...................................................................................... 111<br />
OPENDAK ................................................................................................................ 116<br />
BAGAGERUIMTE .................................................................................................... 118<br />
MOTORKAP ............................................................................................................. 120<br />
KOPLAMPEN ........................................................................................................... 121<br />
ABS ............................................................................................................................ 122<br />
MOTORMANAGEMENTSYSTEEM (EOBD) ........................................................ 124<br />
AUTORADIO ............................................................................................................ 125<br />
TANKEN MET DE ALFA <strong>156</strong> ................................................................................ 127<br />
BESCHERMING VAN HET MILIEU ..................................................................... 129<br />
27
ALFA ROMEO CODE<br />
Voor een nog betere bescherming tegen<br />
diefstal is de auto uitgerust met een elektronische<br />
startblokkering (<strong>Alfa</strong> Romeo<br />
CODE) die is goedgekeurd volgens de EUnormen<br />
95/56. Het systeem schakelt<br />
automatisch in als de start-/contactsleutel<br />
wordt uitgenomen. In de handgreep<br />
<strong>van</strong> de sleutels bevindt zich een elektronisch<br />
component, dat bij het starten <strong>van</strong><br />
de motor een signaal ont<strong>van</strong>gt via een<br />
speciale antenne die in het start-/contactslot<br />
is ingebouwd. Dit signaal wordt omgezet<br />
in een gecodeerd signaal en vervolgens<br />
aan de regeleenheid <strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo CODE gezonden, die, als de code<br />
wordt herkend, het starten <strong>van</strong> de motor<br />
mogelijk maakt.<br />
fig. 1<br />
28<br />
P4U00415<br />
DE SLEUTELS<br />
Bij de auto worden, afhankelijk <strong>van</strong> de<br />
uitvoering, de volgende typen sleutels<br />
(fig. 1) geleverd:<br />
– type A<br />
– type B met een uitklapbare metalen<br />
baard, afstandsbediening voor het openen<br />
<strong>van</strong> het kofferdeksel en afstandsbediening<br />
voor het op afstand ver-/ontgrendelen <strong>van</strong><br />
de portieren en in-/uitschakeling <strong>van</strong> het<br />
diefstalalarm (indien aanwezig).<br />
Sleutel A dient voor:<br />
– het starten<br />
– de voorportiersloten<br />
– het kofferdekselslot<br />
– het slot <strong>van</strong> het dashboardkastje<br />
– het uitschakelen <strong>van</strong> de airbag aan<br />
passagierszijde (indien aanwezig).<br />
Sleutel B dient voor:<br />
– het starten<br />
– de voorportiersloten<br />
– het kofferdekselslot<br />
– het slot <strong>van</strong> het dashboardkastje<br />
– het op afstand ver-/ontgrendelen <strong>van</strong><br />
de portieren (afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering)<br />
–het op afstand ver-/ontgrendelen <strong>van</strong><br />
het kofferdeksel (afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering)<br />
– het in-/uitschakelen <strong>van</strong> het diefstalalarm<br />
(indien aanwezig)<br />
– het uitschakelen <strong>van</strong> de airbag aan<br />
passagierszijde (indien aanwezig).<br />
BELANGRIJK Om schade aan de<br />
elektronische schakelingen in de sleutels<br />
te voorkomen, mogen de sleutels niet<br />
aan directe zonnestraling worden blootgesteld.<br />
fig. 2<br />
P4U00003
Bij auto’s die met diefstalalarm zijn uitgerust,<br />
wordt ook een noodsleutel (Cfig.<br />
1) geleverd; zie voor de werking de<br />
paragraaf “Diefstalalarm”.<br />
Bij de sleutels wordt de CODE-card<br />
(fig. 2) geleverd. Hierop staan de sleutelcodes<br />
(zowel de mechanische als de<br />
elektronische code, waarmee in noodgevallen<br />
de motor kan worden gestart).<br />
De codes op de CODE-card moeten op<br />
een veilige plaats worden opgeborgen,<br />
maar niet in de auto.<br />
Wij raden u aan de elektronische code<br />
<strong>van</strong> de CODE-card altijd bij u te hebben,<br />
omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren<br />
<strong>van</strong> een noodstart.<br />
Als de auto wordt verkocht,<br />
moeten alle sleutels<br />
en de CODE-card<br />
overhandigd worden aan de<br />
nieuwe eigenaar.<br />
SLEUTEL MET AFSTANDS-<br />
BEDIENING EN MET<br />
INKLAPBARE METALEN BAARD<br />
(indien aanwezig)<br />
De sleutel is uitgerust met (fig. 3):<br />
– metalen baard A die in de handgreep<br />
<strong>van</strong> de sleutel kan worden opgeborgen<br />
– knopje B voor het uitklappen <strong>van</strong> de<br />
metalen baard<br />
– knopje C voor het op afstand ver-/<br />
ontgrendelen <strong>van</strong> de portieren en het in-/<br />
uitschakelen <strong>van</strong> het diefstalalarm<br />
– lampje D dat aangeeft dat de code<br />
naar de ont<strong>van</strong>ger <strong>van</strong> het diefstalalarm<br />
is verzonden<br />
– knopje E voor op afstand openen <strong>van</strong><br />
het kofferdeksel.<br />
De metalen baard A <strong>van</strong> de sleutel dient<br />
voor:<br />
fig. 3<br />
P4U00330<br />
– het starten<br />
– de voorportiersloten<br />
– het kofferdekselslot<br />
– het slot <strong>van</strong> het dashboardkastje<br />
– de sleutelschakelaar voor het uitschakelen<br />
<strong>van</strong> de airbag aan passagierszijde<br />
(indien aanwezig).<br />
Druk voor het uitklappen <strong>van</strong> de metalen<br />
baard in de handgreep op knopje B.<br />
Wees zeer voorzichtig<br />
bij het indrukken <strong>van</strong><br />
knopje B, zodat de metalen<br />
baard geen verwondingen<br />
of beschadigingen veroorzaakt.<br />
Druk knopje B alleen in als de<br />
sleutel ver genoeg <strong>van</strong> het<br />
lichaam (speciaal de ogen) en <strong>van</strong><br />
voorwerpen die snel beschadigen<br />
(bijvoorbeeld kledingstukken) is<br />
verwij<strong>der</strong>d. Laat de sleutel nooit<br />
onbeheerd achter. Hiermee voorkomt<br />
u dat iemand (in het bijzon<strong>der</strong><br />
kin<strong>der</strong>en) per ongeluk op<br />
knopje B drukt.<br />
29
Houd voor het inklappen <strong>van</strong> de metalen<br />
baard in de handgreep knopje (Bfig.<br />
3) ingedrukt en draai de baard in de<br />
richting <strong>van</strong> de pijl tot de baard vastklikt.<br />
Druk voor het op afstand ver-/ontgrendelen<br />
<strong>van</strong> de portieren op knopje C. Als<br />
bij auto’s met diefstalalarm knopje C<br />
wordt ingedrukt, wordt ook het diefstalalarm<br />
in-/uitgeschakeld en knippert<br />
lampje D op de sleutel als de zen<strong>der</strong> de<br />
code naar de ont<strong>van</strong>ger zendt. Deze code<br />
(rolling code) wijzigt telkens als de zen<strong>der</strong><br />
wordt gebruikt.<br />
BELANGRIJK Als u knopje C indrukt<br />
en lampje D knippert slechts één keer<br />
kort, dan moet de batterij worden ver<strong>van</strong>gen,<br />
zoals ver<strong>der</strong>op is aangegeven.<br />
30<br />
Kofferdeksel openen<br />
Het kofferdeksel kan <strong>van</strong> buitenaf op afstand<br />
worden ontgrendeld door knopje E<br />
(fig. 3) in te drukken, ook als het diefstalalarm<br />
(indien aanwezig) is ingeschakeld.<br />
Als bij auto’s met diefstalalarm het<br />
kofferdeksel wordt geopend, dan worden<br />
de omtrekbeveiliging en de kofferdekselsensor<br />
uitgeschakeld. Het systeem geeft<br />
(behalve bij sommige uitvoeringen in enkele<br />
landen) twee geluidssignalen<br />
(“BIEP”) en de richtingaanwijzers gaan<br />
ongeveer 3 seconden branden.<br />
Als het kofferdeksel weer wordt gesloten,<br />
dan worden de functies hersteld. Het<br />
systeem geeft (behalve bij sommige uitvoeringen<br />
in enkele landen) twee geluidssignalen<br />
(“BIEP”) en de richtingaanwijzers<br />
gaan ongeveer 3 seconden branden.<br />
WERKING (fig. 4)<br />
Ie<strong>der</strong>e keer als u de contactsleutel in<br />
stand STOP zet, schakelt de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo CODE de functies <strong>van</strong> de elektronische<br />
regeleenheid <strong>van</strong> de motor uit.<br />
Als u bij het starten <strong>van</strong> de motor de<br />
sleutel in stand MAR draait, dan stuurt<br />
de regeleenheid <strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong> Romeo CODE<br />
een code naar de regeleenheid <strong>van</strong> de<br />
motor die, als de code wordt herkend, de<br />
blokkering <strong>van</strong> de functies opheft. De geheime<br />
code wordt door de sleutel verzonden<br />
en heeft meer dan 4 miljard combinaties.<br />
De code wordt alleen verzonden als<br />
de regeleenheid <strong>van</strong> het systeem de code<br />
heeft herkend via een in het start-/contactslot<br />
ingebouwde antenne.<br />
fig. 4<br />
P4U00004
Als de code wordt herkend, gaat lampje<br />
(A) op het checkpanel kort knipperen.<br />
Als de code niet wordt herkend, blijft<br />
het CODE-controlelampje (A) branden samen<br />
met het EOBD-lampje/storing in inspuitsysteem<br />
(B).<br />
In dat geval raden wij u aan de sleutel<br />
in stand STOP en vervolgens opnieuw in<br />
stand MAR te draaien; als de motor geblokkeerd<br />
blijft, probeer het dan opnieuw<br />
met de an<strong>der</strong>e geleverde sleutel. Als de<br />
motor dan nog niet aanslaat, voer dan<br />
zelf een noodstart uit zoals hierna<br />
beschreven, en wendt u vervolgens tot de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een<br />
eigen code, die in de regeleenheid <strong>van</strong><br />
het systeem moet worden opgeslagen.<br />
Voor het opslaan <strong>van</strong> de nieuwe sleutels<br />
(maximaal zeven), moet u zich tot de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer wenden. Hierbij moeten<br />
alle in uw bezit zijnde sleutels, de<br />
CODE-card, een identiteitsbewijs en het<br />
kentekenbewijs worden meegenomen.<br />
Als tijdens het opslaan<br />
<strong>van</strong> een nieuwe sleutelcode<br />
de reeds opgeslagen<br />
sleutelcodes niet opnieuw<br />
worden ingevoerd, worden ze uit<br />
het geheugen gewist, zodat<br />
eventueel verloren of gestolen<br />
sleutels niet meer gebruikt kunnen<br />
worden voor het starten <strong>van</strong><br />
de motor.<br />
BELANGRIJK Het CODE-controlelampje<br />
kan gaan branden als u de contactsleutel<br />
in stand MAR draait:<br />
1) Als het lampje gaat branden, betekent<br />
dit dat het systeem zichzelf controleert<br />
(bijv. als de spanning lager wordt).<br />
Zodra de auto stilstaat kan de systeemtest<br />
worden uitgevoerd: zet de motor uit, draai<br />
de contactsleutel in stand STOP en vervolgens<br />
weer in stand MAR: het lampje<br />
gaat branden en moet na ongeveer 1 seconde<br />
doven. Als het controlelampje blijft<br />
branden, dan moet de gehele procedure<br />
herhaald worden, waarbij de contactsleutel<br />
ten minste 30 seconden in stand<br />
STOP moet blijven. Als het lampje blijft<br />
branden, dan moet u zich tot de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer wenden.<br />
2) Als het controlelampje knippert, betekent<br />
dit dat de auto niet beveiligd<br />
wordt door de startblokkering. Wendt u<br />
onmiddellijk tot een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer<br />
om alle sleutels in het geheugen te laten<br />
opslaan.<br />
Als ongeveer 2 seconden<br />
na het draaien <strong>van</strong><br />
de contactsleutel in<br />
stand MAR, het controlelampje<br />
<strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong> Romeo CODE opnieuw<br />
gaat knipperen met een interval<br />
<strong>van</strong> ongeveer een halve<br />
seconde, betekent dit dat de code<br />
<strong>van</strong> de sleutels niet is opgeslagen<br />
en de auto dus niet door de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo CODE wordt beveiligd tegen<br />
eventuele diefstalpogingen.<br />
Wendt u in dat geval tot een <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer om alle sleutels in<br />
het geheugen te laten opslaan.<br />
BELANGRIJK Het systeem wordt beveiligd<br />
door een zekering <strong>van</strong> 7,5A. Deze<br />
bevindt zich in een zekeringenhou<strong>der</strong> boven<br />
het hoofdzekeringenkastje (zie de<br />
paragraaf “Een doorgebrande zekering of<br />
relais” in het hoofdstuk “Noodgevallen”).<br />
31
NOODSTART<br />
Als de <strong>Alfa</strong> Romeo CODE er niet in<br />
slaagt de startblokkering op te heffen,<br />
kan de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer een noodstart<br />
uitvoeren met de code die op de CODEcard<br />
vermeld staat. U kunt ook zelf een<br />
noodstart uitvoeren volgens de hierna<br />
beschreven procedure.<br />
BELANGRIJK Wij raden u aan om<br />
eerst de instructies goed te lezen voordat<br />
u de motor op deze wijze start.<br />
Als er tijdens deze noodstartprocedure<br />
een vergissing wordt gemaakt, moet de<br />
contactsleutel in stand STOP worden gedraaid<br />
en de gehele procedure <strong>van</strong>af het<br />
begin (punt 1) worden herhaald.<br />
1) Lees de 5-cijferige elektronische<br />
code die op de CODE-card staat vermeld.<br />
2) Draai de contactsleutel in stand<br />
MAR.<br />
3) Trap het gaspedaal geheel in en<br />
houd het ingetrapt. Het EOBD-waarschuwingslampje/storing<br />
in inspuitsysteem<br />
U gaat ongeveer acht seconden branden.<br />
Zodra het lampje is gedoofd, moet u<br />
het gaspedaal loslaten.<br />
32<br />
4) Het lampje U begint te knipperen:<br />
als het lampje evenveel keer heeft geknipperd<br />
als het eerste cijfer <strong>van</strong> de code<br />
op uw CODE-card, moet u het gaspedaal<br />
intrappen en ingetrapt houden totdat het<br />
lampje U 4 seconden heeft gebrand.<br />
Zodra het lampje is gedoofd, moet u het<br />
gaspedaal loslaten.<br />
5) Het lampje U gaat weer knipperen:<br />
als het lampje evenveel keer heeft<br />
geknipperd als het tweede cijfer <strong>van</strong> de<br />
code op uw CODE-card, moet u het gaspedaal<br />
intrappen en ingetrapt houden.<br />
6) Herhaal deze procedure voor de<br />
overige cijfers <strong>van</strong> de code op uw CODEcard<br />
7) Houd bij het laatste cijfer het gaspedaal<br />
ingetrapt. Het lampje U gaat 4<br />
seconden branden. Zodra het lampje is<br />
gedoofd, moet u het gaspedaal loslaten.<br />
8) Als het lampje U ongeveer 4 seconden<br />
snel gaat knipperen, is de procedure<br />
op de juiste wijze uitgevoerd.<br />
9) Start de motor door de contactsleutel<br />
<strong>van</strong> stand MAR in stand AVV te<br />
draaien zon<strong>der</strong> de sleutel in stand STOP<br />
te zetten.<br />
Als het lampje U blijft branden, draai<br />
dan de contactsleutel in stand STOP en<br />
herhaal de procedure <strong>van</strong>af punt 1).<br />
BELANGRIJK Bij elke volgende startpoging<br />
<strong>van</strong> de motor moet deze noodstartprocedure<br />
worden herhaald. Wij raden<br />
u daarom aan om na het uitvoeren<br />
<strong>van</strong> een noodstart een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer<br />
te raadplegen.
BATTERIJ VAN SLEUTEL MET<br />
AFSTANDSBEDIENING<br />
VERVANGEN<br />
Als u knopje (A of C-fig. 5) <strong>van</strong> de<br />
afstandsbediening indrukt, en lampje (Bfig.<br />
5) knippert één keer kort en het<br />
lampje op het dashboard (A-fig. 6)<br />
blijft constant branden (na uitschakeling),<br />
dan moet de batterij door een<br />
nieuwe batterij <strong>van</strong> hetzelfde type worden<br />
ver<strong>van</strong>gen. Deze batterij is normaal<br />
in de handel verkrijgbaar.<br />
fig. 5<br />
P4U00417<br />
Lege batterijen zijn<br />
schadelijk voor het milieu.<br />
Ze moeten in een batterijenbak<br />
of chemobox worden gedeponeerd.<br />
Vermijd blootstelling<br />
aan open vuur en hoge temperaturen.<br />
Houd ze buiten het bereik <strong>van</strong><br />
kin<strong>der</strong>en.<br />
fig. 6<br />
P4U00006<br />
Batterij ver<strong>van</strong>gen (fig. 7):<br />
– klap de metalen baard (A) uit;<br />
– draai pen (B) en plaats het merkteken<br />
(bolletje) bij het opschrift UNLOCK<br />
(stand 2);<br />
– verwij<strong>der</strong> bij inkeping (C) de batterijhou<strong>der</strong><br />
(D);<br />
– ver<strong>van</strong>g de batterij (E) en let daarbij<br />
op de juiste polariteit;<br />
– plaats de hou<strong>der</strong> in de sleutel en vergrendel<br />
de hou<strong>der</strong> door pen (B) te draaien<br />
en het merkteken bij het opschrift<br />
LOCK te plaatsen (stand 1).<br />
fig. 7<br />
P4U00332<br />
33
DIEFSTALALARM<br />
(indien aanwezig)<br />
BESCHRIJVING<br />
Het systeem is goedgekeurd volgens de<br />
EU-normen 95/56 en bestaat uit: zen<strong>der</strong>,<br />
ont<strong>van</strong>ger, regeleenheid met sirene en bewegingssensoren.<br />
Het diefstalalarm wordt<br />
bediend door de in het instrumentenpaneel<br />
opgenomen ont<strong>van</strong>ger en wordt in- en uitgeschakeld<br />
met de zen<strong>der</strong> in de sleutel. De<br />
zen<strong>der</strong> verzendt een versleutelde variabele<br />
code. Het diefstalalarm controleert: het onbevoegd<br />
openen <strong>van</strong> de portieren, het<br />
kofferdeksel en de motorkap (omtrekbeveiliging),<br />
de bediening <strong>van</strong> het start-/contactslot,<br />
het on<strong>der</strong>breken <strong>van</strong> de accukabels,<br />
het doorknippen <strong>van</strong> de kabels <strong>van</strong> de<br />
sleutelschakelaar, de aanwezigheid <strong>van</strong> bewegende<br />
objecten in het interieur (volumetrische<br />
beveiliging). Het systeem bedient<br />
ook de centrale portiervergrendeling. Bovendien<br />
kan de volumetrische beveiliging<br />
en/of de sirene worden uitgeschakeld.<br />
BELANGRIJK De startblokkering<br />
wordt uitgevoerd door de <strong>Alfa</strong> Romeo<br />
CODE en wordt automatisch ingeschakeld<br />
als de contactsleutel uit het start-/contactslot<br />
wordt genomen.<br />
34<br />
AFSTANDSBEDIENING (fig. 8)<br />
De in de contactsleutel ingebouwde afstandsbediening<br />
is uitgerust met een knopje<br />
(A) en een lampje (B); met het knopje<br />
schakelt u de afstandbediening in en het<br />
lampje knippert als de zen<strong>der</strong> een code<br />
stuurt naar de ont<strong>van</strong>ger. Deze code (rolling<br />
code) wijzigt telkens als de zen<strong>der</strong><br />
wordt gebruikt.<br />
BELANGRIJK Als u knopje A indrukt<br />
en lampje B knippert slechts één keer<br />
kort, dan moet de batterij worden ver<strong>van</strong>gen,<br />
zoals hiervoor is beschreven.<br />
fig. 8<br />
P4U00417<br />
Extra afstandsbedieningen<br />
bestellen<br />
De ont<strong>van</strong>ger kan in totaal 5 afstandsbedieningen<br />
herkennen. Als u om welke reden<br />
dan ook een nieuwe sleutel met afstandsbediening<br />
nodig hebt, moet u zich<br />
wenden tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer. Hierbij<br />
moeten alle in u bezit zijnde sleutels, de<br />
CODE-card, een identiteitsbewijs en het<br />
kentekenbewijs worden meegenomen.<br />
ALARM INSCHAKELEN<br />
Richt bij gesloten portieren, kofferdeksel<br />
en motorkap en het contactslot in stand<br />
STOP of PARK (uitgenomen sleutel) de<br />
sleutel met afstandsbediening in de richting<br />
<strong>van</strong> de auto. Druk op het knopje en laat het<br />
knopje los.<br />
Bij de meeste uitvoeringen geeft het systeem<br />
een akoestisch signaal (“BIEP”),<br />
gaan de richtingaanwijzers ongeveer 3 seconden<br />
branden en worden de portiersloten<br />
vergrendeld.<br />
Het inschakelen <strong>van</strong> het alarm wordt<br />
voorafgegaan door een zelfdiagnose waarin<br />
lampje (A-fig. 9) met verschillende<br />
frequenties knippert. Als het systeem een<br />
storing vindt, dan klinkt nogmaals een<br />
akoestisch waarschuwingssignaal.
Bewaking<br />
Als na het inschakelen lampje (A-fig. 9)<br />
op het dashboard gaat knipperen, dan geeft<br />
dit aan dat het systeem de auto bewaakt.<br />
Lampje (A) knippert zolang de bewakingsfase<br />
actief is.<br />
BELANGRIJK De wijze waarop het<br />
diefstalalarm inschakelt, verschilt per<br />
land.<br />
Zelfdiagnose en portieren, motorkap<br />
en kofferdeksel controleren<br />
Als u na het inschakelen <strong>van</strong> het alarm<br />
een tweede “BIEP” hoort, moet u het<br />
systeem uitschakelen, controleren of de<br />
portieren, de motorkap en het kofferdeksel<br />
gesloten zijn en vervolgens het systeem<br />
weer inschakelen.<br />
fig. 9<br />
P4U00006<br />
Als de portieren, de motorkap en het<br />
kofferdeksel niet goed gesloten zijn, worden<br />
ze niet door het diefstalalarm gecontroleerd.<br />
Als bij goed gesloten portieren, motorkap<br />
en kofferdeksel het geluidssignaal<br />
wordt herhaald, betekent dit dat door de<br />
zelfdiagnose <strong>van</strong> het systeem een storing<br />
is gesignaleerd in de werking <strong>van</strong> het systeem.<br />
Wendt u tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
UITSCHAKELEN<br />
U schakelt het alarm uit door het knopje<br />
<strong>van</strong> de afstandsbediening in te drukken. Het<br />
systeem voert de volgende handelingen uit<br />
(met uitzon<strong>der</strong>ing <strong>van</strong> bepaalde landen):<br />
– de richtingaanwijzers knipperen twee<br />
keer kort<br />
– de sirene zendt twee korte geluidssignalen<br />
(biep) uit<br />
– de portieren worden vergrendeld.<br />
BELANGRIJK Als na uitschakeling <strong>van</strong><br />
het systeem het lampje in de auto blijft<br />
branden (maximaal 2 minuten of totdat<br />
de sleutel in stand MAR wordt gezet),<br />
moet het volgende onthouden worden:<br />
– als het lampje constant blijft branden,<br />
betekent dit dat de batterijen <strong>van</strong> de<br />
afstandsbediening leeg zijn en ver<strong>van</strong>gen<br />
moeten worden;<br />
– als het lampje blijft knipperen, maar<br />
met verschillende intervallen dan die bij<br />
een normale signalering, dan is geprobeerd<br />
de auto open te breken, waarbij<br />
het aantal keren knipperen de reden <strong>van</strong><br />
het alarm aangeeft:<br />
1 x knipperen: rechter voorportier<br />
2 x knipperen: linker voorportier<br />
3 x knipperen: rechter achterportier<br />
4 x knipperen: linker achterportier<br />
5 x knipperen: bewegingssensoren<br />
6 x knipperen: motorkap<br />
7 x knipperen: kofferdeksel/achterklep<br />
8 x knipperen: losmaken kabels voor<br />
het starten <strong>van</strong> de auto<br />
9 x knipperen: losmaken accukabels of<br />
doorknippen kabels <strong>van</strong> de sleutelschakelaar<br />
10 keer knipperen: ten minste drie alarmoorzaken.<br />
35
AUTOMATISCHE IN-<br />
SCHAKELING VAN HET ALARM<br />
(indien aanwezig)<br />
Als het diefstalalarm niet met de afstandsbediening<br />
is ingeschakeld, wordt<br />
het systeem automatisch ingeschakeld na<br />
ongeveer 30 seconden nadat de contactsleutel<br />
in stand STOP of PARK is gedraaid<br />
en voor de laatste keer één <strong>van</strong> de<br />
portieren geopend en weer gesloten is.<br />
Als het systeem is ingeschakeld, gaat het<br />
lampje in de auto knipperen, knipperen<br />
de richtingaanwijzers twee keer kort en<br />
klinken er twee geluidssignalen (biep).<br />
U schakelt het alarm uit door het knopje<br />
<strong>van</strong> de afstandsbediening in te drukken.<br />
Het alarm schakelt zichzelf ook automatisch<br />
in als de portieren met de sleutel<br />
worden vergrendeld.<br />
Als het alarm automatisch wordt ingeschakeld,<br />
worden de portieren niet vergrendeld.<br />
36<br />
WANNEER GAAT HET ALARM<br />
AF<br />
Bij ingeschakeld systeem wordt het<br />
alarm in de volgende gevallen geactiveerd:<br />
– als één <strong>van</strong> de portieren, de motorkap<br />
of het kofferdeksel wordt geopend;<br />
– als de accu wordt losgekoppeld of de<br />
voedingskabels <strong>van</strong> het diefstalalarm of<br />
<strong>van</strong> de sleutelschakelaar worden losgemaakt;<br />
– als iets in het interieur komt, bijv. bij<br />
het breken <strong>van</strong> de ruiten (volumetrische beveiliging);<br />
– bij een startpoging (contactsleutel in<br />
stand MAR).<br />
Afhankelijk <strong>van</strong> het land schakelt het<br />
alarm de sirene en de richtingaanwijzers<br />
in (gedurende ongeveer 26 seconden).<br />
De manier waarop het systeem werkt en<br />
het aantal cycli, kunnen per land verschillen.<br />
Toch is een maximum aantal cycli voorzien<br />
voor de akoestische en zichtbare signalen.<br />
Na een alarmsignalering schakelt het<br />
systeem over naar de normale bewakingsfunctie.<br />
ALARM ONDERBREKEN<br />
Druk op het knopje <strong>van</strong> de afstandsbediening<br />
om het alarm te on<strong>der</strong>breken of<br />
schakel het alarm uit met de noodsleutel<br />
(indien aanwezig), zoals in de volgende<br />
paragraaf wordt beschreven.<br />
fig. 10<br />
P4U00007
DIEFSTALALARM BUITEN<br />
WERKING STELLEN<br />
(indien aanwezig)<br />
Om het diefstalalarm volledig buiten<br />
werking te stellen (bijvoorbeeld bij on<strong>der</strong>houdswerkzaamheden<br />
aan de elektrische<br />
installatie of als de accu <strong>van</strong> de auto ver<strong>van</strong>gen<br />
moet worden, enz.), moet als<br />
volgt te werk worden gegaan:<br />
– maak het paneel (A-fig. 10) los<br />
door op de lippen (B) te drukken;<br />
– verwij<strong>der</strong> de beschermdop (C-fig.<br />
11) <strong>van</strong> de sleutelschakelaar;<br />
– steek de noodsleutel in de schakelaar<br />
en draai deze linksom (D-fig. 12)<br />
(stand OFF).<br />
Om het systeem weer in te schakelen,<br />
draait u de sleutel rechtsom (stand ON).<br />
fig. 11 fig. 12<br />
P4U00008<br />
Laat de sleutel niet in de schakelaar<br />
zitten. Sluit de schakelaar af met de<br />
dop en monteer het paneel.<br />
Bij bepaalde uitvoeringen kan alleen de<br />
sirene worden uitgeschakeld.<br />
BELANGRIJK Als de auto langere<br />
tijd niet wordt gebruikt (langer dan drie<br />
weken), is het raadzaam het diefstalalarm<br />
uit te schakelen om te voorkomen<br />
dat de accu wordt uitgeput. Bij uitgeschakeld<br />
diefstalalarm blijft het altijd mogelijk<br />
de centrale portiervergrendeling in en uit<br />
te schakelen met de afstandsbediening.<br />
P4U00009<br />
VOLUMETRISCHE BEVEILIGING<br />
Voor een correcte werking <strong>van</strong> de beveiliging<br />
moeten de ruiten en het opendak<br />
(indien aanwezig) geheel gesloten zijn.<br />
De volumetrische beveiliging kan worden<br />
uitgeschakeld (als er bijvoorbeeld dieren<br />
aan boord zijn) door de volgende handelingen<br />
snel achter elkaar uit te voeren:<br />
Draai de contactsleutel <strong>van</strong> stand MAR<br />
in stand STOP en direct daarna weer in<br />
stand MAR en vervolgens opnieuw in<br />
stand STOP. Neem vervolgens de sleutel<br />
uit het slot. Het lampje in de auto gaat<br />
ongeveer 2 seconden branden om de uitschakeling<br />
te bevestigen.<br />
U schakelt de volumetrische beveiliging<br />
weer in door de sleutel in stand MAR te<br />
draaien en langer dan 30 seconden te<br />
wachten.<br />
Als u bij uitgeschakelde volumetrische<br />
beveiliging een elektrische installatie wilt<br />
gebruiken die werkt met de contactsleutel<br />
in stand MAR (bijv. de elektrische ruitbediening),<br />
dan moet de contactsleutel in<br />
stand MAR worden gedraaid, de installatie<br />
worden bediend en de sleutel binnen<br />
30 seconden weer in stand STOP worden<br />
gedraaid. Op deze manier wordt de<br />
volumetrische beveiliging niet opnieuw ingeschakeld.<br />
37
WERKING VAN SIRENE<br />
UITSCHAKELEN (fig. 13)<br />
(indien aanwezig)<br />
Als u de werking <strong>van</strong> de sirene wilt uitschakelen,<br />
moet u knopje (A) <strong>van</strong> de afstandsbediening<br />
4 seconden ingedrukt<br />
houden tijdens de inschakeling <strong>van</strong> het<br />
systeem.<br />
Het systeem zendt dan, na de normale<br />
akoestische en zichtbare signalen, een<br />
snelle reeks <strong>van</strong> 5 “BIEPS” uit.<br />
Als het systeem opnieuw wordt ingeschakeld,<br />
wordt automatisch de normale<br />
werking <strong>van</strong> de sirene weer ingeschakeld.<br />
fig. 13 fig. 14<br />
38<br />
P4U00418<br />
MINISTERIËLE GOEDKEURING<br />
In overeenstemming met de wetgeving<br />
in ie<strong>der</strong> land ten aanzien <strong>van</strong> radiozendapparatuur:<br />
– staan de verschillende typegoedkeuringen<br />
vermeld op de laatste pagina’s<br />
<strong>van</strong> dit boekje, na het alfabetische register<br />
(voor sommige landen is ook het betreffende<br />
document afgebeeld);<br />
– is voor de landen waar een zendmachtiging<br />
verplicht is, de typegoedkeuring<br />
op de component vermeld.<br />
(afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering/land kan<br />
de code ook zijn aangebracht op de zen<strong>der</strong><br />
en/of ont<strong>van</strong>ger).<br />
P4U00419<br />
PORTIEREN MET<br />
AFSTANDSBEDIENING<br />
VER-/ONTGRENDELEN<br />
Het systeem bestaat uit een ont<strong>van</strong>ger in<br />
de auto en een in de sleutel (B-fig. 14) ingebouwde<br />
zen<strong>der</strong> (afstandbediening).<br />
Voor het sluiten/openen <strong>van</strong> de sloten<br />
moet de zen<strong>der</strong> op de auto worden gericht<br />
en tegelijkertijd knopje (C-fig. 14) worden<br />
ingedrukt en losgelaten.<br />
Als u knopje (C) <strong>van</strong> de afstandsbediening<br />
indrukt en lampje (A) knippert één<br />
keer kort, dan moet u de batterijen ver<strong>van</strong>gen<br />
zoals hiervoor is beschreven.<br />
BELANGRIJK Voor het programmeren<br />
<strong>van</strong> eventuele extra afstandsbedieningen,<br />
dient u zich tot de <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
te wenden.
START-/CONTACTSLOT<br />
CONTACTSLOT (fig. 15)<br />
De sleutel kan in één <strong>van</strong> de volgende<br />
vier standen worden gezet:<br />
– STOP: motor uit, sleutel uitneembaar,<br />
CODE ingeschakeld en stuurslot geblokkeerd.<br />
Enkele elektrische installaties werken (bijv.<br />
waarschuwingsknipperlichten).<br />
– MAR: contact aan. CODE uitgeschakeld<br />
en alle elektrische systemen worden<br />
<strong>van</strong> voedingsspanning voorzien.<br />
BELANGRIJK Laat het slot niet in deze<br />
stand staan als de motor is uitgeschakeld.<br />
– AVV: starten <strong>van</strong> de motor.<br />
fig. 15<br />
P4U00409<br />
BELANGRIJK Als de motor bij de<br />
eerste poging niet aanslaat, moet u de<br />
sleutel terugdraaien in stand STOP en<br />
nogmaals starten.<br />
Het start-/contactslot is voorzien <strong>van</strong><br />
een beveiligingsmechanisme, waardoor<br />
het slot niet in stand AVV kan worden<br />
gezet bij een draaiende motor.<br />
– PARK: motor uit, sleutel uitneembaar,<br />
CODE ingeschakeld, stuurslot geblokkeerd,<br />
parkeerverlichting gaat automatisch branden.<br />
BELANGRIJK Om de contactsleutel<br />
in stand PARK te zetten, moet knop<br />
(A) op het contactslot worden ingedrukt.<br />
Neem bij het verlaten<br />
<strong>van</strong> de auto altijd de<br />
sleutel uit het contactslot,<br />
om te voorkomen dat eventuele<br />
inzittenden de bedieningsorganen<br />
onvoorzichtig gebruiken.<br />
Laat kin<strong>der</strong>en nooit alleen achter<br />
in de auto. Vergeet niet de handrem<br />
aan te trekken en schakel de<br />
eerste versnelling in bij een helling<br />
omhoog of de achteruit bij<br />
een helling omlaag.<br />
Als het start-/contactslot<br />
is geforceerd (bijv.<br />
bij een poging tot diefstal)<br />
moet u, voordat u weer met<br />
de auto gaat rijden, de werking<br />
<strong>van</strong> het slot laten controleren bij<br />
een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
STUURSLOT<br />
Inschakelen:<br />
– zet de sleutel in stand STOP of<br />
PARK, trek de sleutel uit het start-/contactslot<br />
en draai het stuur totdat het vergrendelt.<br />
Uitschakelen:<br />
– draai het stuur iets heen en weer,<br />
terwijl u de sleutel in stand MAR draait.<br />
Verwij<strong>der</strong> de sleutel<br />
nooit uit het contactslot<br />
als de auto nog in beweging<br />
is. Bij de eerste stuuruitslag<br />
blokkeert het stuur automatisch.<br />
Dit geldt in alle gevallen,<br />
ook als de auto gesleept wordt.<br />
39
PORTIEREN<br />
VAN BUITENAF ONT-/<br />
VERGRENDELEN<br />
Controleer voordat u<br />
een portier opent of u dit<br />
op een veilige manier<br />
kunt doen.<br />
Voorportieren<br />
– Draai, om het portier te ontgrendelen,<br />
de sleutel (rechtsom bij het bestuur<strong>der</strong>sportier<br />
en linksom bij het passagiersportier),<br />
verwij<strong>der</strong> de sleutel en druk op<br />
knop (A-fig. 16).<br />
– Draai, om het portier te vergrendelen,<br />
de sleutel in de an<strong>der</strong>e richting.<br />
fig. 16<br />
40<br />
P4U00410<br />
Achterportieren<br />
– Trek, om het portier te openen<br />
(alleen mogelijk als de knop aan de binnenzijde<br />
(A-fig. 17) omhoog staat),<br />
aan hendel (B-fig. 18).<br />
– Druk, om het portier te vergrendelen,<br />
knop (A-fig. 17) in (dit kan ook<br />
bij geopend portier) en sluit het portier.<br />
fig. 17<br />
fig. 18<br />
P4U00043<br />
P4U00044<br />
VAN BINNENUIT<br />
OPENEN/SLUITEN<br />
Voorportieren (fig. 19)<br />
– Trek, om het portier te openen, aan<br />
hendel (B), onafhankelijk <strong>van</strong> de stand<br />
<strong>van</strong> knop (A).<br />
– Trek, om het portier te sluiten, het portier<br />
dicht; druk vervolgens knop (A) in om<br />
te voorkomen dat het portier <strong>van</strong> buitenaf<br />
wordt geopend.<br />
De achterportieren kunnen<br />
alleen <strong>van</strong> binnenuit<br />
worden geopend als het<br />
“kin<strong>der</strong>veiligheidsslot” is uitgeschakeld.<br />
fig. 19<br />
P4U00045
Achterportieren (fig. 20)<br />
– Trek, om het portier te openen, aan<br />
hendel (B).<br />
– Druk, om het portier te sluiten, knop<br />
(A) in (dit kan ook bij geopend portier)<br />
en sluit het portier.<br />
CENTRALE PORTIER-<br />
VERGRENDELING.<br />
Met de portiervergrendeling kunnen alle<br />
portieren gelijktijdig worden ver- en ontgrendeld<br />
De centrale portiervergrendeling<br />
werkt alleen als alle portieren goed zijn<br />
gesloten. Als dat niet het geval is, dan<br />
wordt de vergrendeling niet uitgevoerd.<br />
BELANGRIJK Als één <strong>van</strong> de portieren<br />
niet goed gesloten is, gaat het betreffende<br />
lampje op het instrumentenpaneel<br />
branden.<br />
fig. 20<br />
P4U00046<br />
De centrale portiervergrendeling (indien<br />
aanwezig) werkt alleen als alle portieren<br />
en het kofferdeksel zijn gesloten.<br />
– Van buitenaf: sluit de portieren,<br />
steek de sleutel in het slot <strong>van</strong> één <strong>van</strong><br />
de voorportieren, en draai de sleutel.<br />
– Van binnenuit: druk bij gesloten<br />
portieren op één <strong>van</strong> de knoppen (Afig.<br />
19) op de voorportieren om de centrale<br />
portiervergrendeling in te schakelen.<br />
Met knop (A-fig. 20) vergrendelt u uitsluitend<br />
het betreffende portier.<br />
BELANGRIJK Bij de voorportieren<br />
kan knop (A-fig. 19) niet worden ingedrukt<br />
als het betreffende portier niet goed<br />
is gesloten.<br />
BELANGRIJK Als de elektrische voeding<br />
niet aanwezig is (zekering doorgebrand,<br />
accu losgenomen, enz.), kunnen<br />
de sloten altijd met de hand worden bediend,<br />
zowel <strong>van</strong> buitenaf als <strong>van</strong> binnenuit.<br />
BELANGRIJK Als de portieren centraal<br />
zijn vergrendeld en één <strong>van</strong> de voorportieren<br />
wordt <strong>van</strong> binnenuit geopend<br />
met de handgreep, dan worden alle portieren<br />
ontgrendeld.<br />
KINDERVEILIGHEIDSSLOT<br />
(fig. 21)<br />
De achterportieren zijn voorzien <strong>van</strong> een<br />
kin<strong>der</strong>veiligheidsslot (A) waardoor de<br />
portieren niet <strong>van</strong> binnenuit geopend kunnen<br />
worden.<br />
BELANGRIJK Het systeem werkt alleen<br />
bij het betreffende portier.<br />
Het kin<strong>der</strong>veiligheidsslot kan alleen bij<br />
geopend portier worden ingeschakeld<br />
door het bedieningsmechanisme met de<br />
contactsleutel omhoog of omlaag te duwen.<br />
Stand 1 (mechanisme omhoog) =<br />
Kin<strong>der</strong>veiligheidsslot ingeschakeld.<br />
Stand 2 (mechanisme omlaag) =<br />
Systeem uitgeschakeld.<br />
fig. 21<br />
P4U00411<br />
41
42<br />
Schakel dit systeem<br />
altijd in als u kin<strong>der</strong>en<br />
vervoert.<br />
BELANGRIJK Voor het veilig vervoeren<br />
<strong>van</strong> kin<strong>der</strong>en, is het raadzaam de on<strong>der</strong>staande<br />
aanwijzingen op te volgen:<br />
– Schakel het kin<strong>der</strong>veiligheidsslot op<br />
beide portieren in.<br />
– Laat een kind nooit alleen achter in<br />
de auto.<br />
– Houdt u aan de geldende wetgeving<br />
ten aanzien <strong>van</strong> het gebruik <strong>van</strong> kin<strong>der</strong>zitjes.<br />
Controleer nadat u het<br />
veiligheidsslot bij beide<br />
portieren hebt ingeschakeld<br />
of het slot daadwerkelijk is<br />
ingeschakeld door aan de handgreep<br />
aan de binnenzijde <strong>van</strong> de<br />
portieren te trekken.<br />
ZITPLAATSEN<br />
ZITPLAATSEN VOOR<br />
staat.<br />
Voer alle afstellingen<br />
<strong>van</strong> de zitpositie uitsluitend<br />
uit als de auto stil-<br />
Fig. 22: standaarduitvoering;<br />
Fig. 23: sportstoelen (indien aanwezig);<br />
Fig. 24: sportstoelen met zij-airbags<br />
(indien aanwezig).<br />
Verstelling in lengterichting<br />
Trek hendel (A) omhoog en schuif de<br />
stoel naar voren of naar achteren.<br />
fig. 22 fig. 23<br />
P4U00048<br />
Laat de hendel los en controleer of de<br />
stoel goed geblokkeerd is door hem naar<br />
voren en naar achteren te schuiven.Als de<br />
stoel niet goed geblokkeerd is, kan deze<br />
onverwachts verschuiven, waardoor een<br />
gevaarlijke situatie kan ontstaan.<br />
Hoogteverstelling bestuur<strong>der</strong>sstoel<br />
Trek, voor het omhoog verplaatsen <strong>van</strong><br />
de stoel, de hendel (B) omhoog. Beweeg<br />
de hendel vervolgens (op en neer), totdat<br />
de gewenste zithoogte is bereikt en laat de<br />
hendel los. Duw, voor het omlaag verplaatsen<br />
<strong>van</strong> de stoel, de hendel (B) omlaag.<br />
Beweeg de hendel vervolgens (op en<br />
neer), totdat de gewenste zithoogte is bereikt<br />
en laat de hendel los.<br />
BELANGRIJK De hoogte kan alleen<br />
worden ingesteld als u op de bestuur<strong>der</strong>sstoel<br />
zit.<br />
P4U00049
Rugleuning verstellen<br />
Draai aan knop (C), totdat de gewenste<br />
stand is bereikt.<br />
Bij sportstoelen die uitgerust zijn met<br />
zij-airbags, kan de rugleuning elektrisch<br />
versteld worden. Druk hiervoor op knop<br />
(D-fig. 24) aan de buitenzijde <strong>van</strong> de<br />
stoel en laat de knop los als de gewenste<br />
stand is bereikt.<br />
fig. 24<br />
P4U00050<br />
Lendensteun <strong>van</strong> de bestuur<strong>der</strong>sstoel<br />
verstellen<br />
(indien aanwezig)<br />
Draai aan knop (E) totdat de gewenste<br />
stand is bereikt.<br />
Armsteun in het midden (fig. 25)<br />
Klap de armsteun voor gebruik omlaag,<br />
zoals aangegeven in de figuur.<br />
fig. 25<br />
P4U00335<br />
Stoelverwarming (fig. 26)<br />
(indien aanwezig)<br />
U kunt de stoelverwarming in- en uitschakelen<br />
met schakelaar (A) aan de<br />
binnenzijde <strong>van</strong> de stoel.<br />
Als de stoelverwarming is ingeschakeld,<br />
gaat lampje (B) aan de buitenzijde <strong>van</strong><br />
de stoel branden.<br />
fig. 26<br />
43<br />
P4U00051
Hoofdsteunen verstellen (fig. 27)<br />
Om de veiligheid <strong>van</strong> de inzittenden te<br />
vergroten zijn de hoofdsteunen in hoogte<br />
verstelbaar. Bij uitvoeringen met Recarostoelen<br />
kan ook de hellingshoek <strong>van</strong> de<br />
hoofdsteunen worden versteld.<br />
Hoogte-verstelling: plaats de hoofdsteun<br />
omhoog of omlaag, laat vervolgens de<br />
steun los en controleer of de steun goed<br />
in één <strong>van</strong> de standen vergrendeld is.<br />
Hellingshoek verstellen (indien aanwezig):<br />
pak de hoofdsteun vast en kantel<br />
hem in de gewenste stand.<br />
fig. 27<br />
44<br />
P4U00052<br />
Let erop dat de hoofdsteun<br />
zo is ingesteld dat<br />
de steun het hoofd<br />
steunt en niet de nek. Alleen in<br />
deze positie bieden de steunen<br />
bescherming, wanneer de auto<br />
<strong>van</strong> achteren aangereden wordt.<br />
BELANGRIJK De uitvoering <strong>van</strong> de<br />
hoofdsteun kan afwijken, afhankelijk <strong>van</strong><br />
de uitvoering en het land. Het afgebeelde<br />
model is alleen bedoeld om het afstellen<br />
te illustreren.<br />
Documentenvakken achter<br />
(fig. 28)<br />
De rugleuningen <strong>van</strong> de voorstoelen zijn<br />
aan de achterzijde voorzien <strong>van</strong> een documentenvak.<br />
fig. 28<br />
P4U00053
ZITPLAATSEN ACHTER<br />
Armsteun in het midden (fig. 29)<br />
(indien aanwezig)<br />
Klap de armsteun voor gebruik omlaag,<br />
zoals aangegeven in de figuur.<br />
fig. 29<br />
fig. 30<br />
P4U00054<br />
P4U00055<br />
Skiluik (indien aanwezig)<br />
Het skiluik kan worden gebruikt voor<br />
het vervoer <strong>van</strong> lange voorwerpen.<br />
Om het skiluik te bereiken, moet u de<br />
armsteun neerklappen, aan de handgreep<br />
(A-fig. 30) <strong>van</strong> het luikje trekken<br />
en het luikje vervolgens op de armsteun<br />
neerklappen (fig. 31).<br />
fig. 31<br />
fig. 32<br />
P4U00056<br />
P4U00057<br />
De doorgang kan vergroot worden door<br />
de armsteun te verwij<strong>der</strong>en: druk bij neergeklapte<br />
armsteun de twee handgrepen<br />
(B-fig. 32) aan de on<strong>der</strong>zijde <strong>van</strong> de<br />
armsteun naar binnen en verwij<strong>der</strong> de<br />
armsteun. Trek vervolgens aan de handgreep<br />
<strong>van</strong> het luikje en klap het neer op<br />
de achterzitting (fig. 33).<br />
fig. 33<br />
fig. 34<br />
P4U00058<br />
P4U00059<br />
45
Hoofdsteunen<br />
De auto is voorzien <strong>van</strong> twee hoofdsteunen<br />
voor de zijzitplaatsen achter. De auto<br />
kan ook zijn uitgerust met een <strong>der</strong>de<br />
hoofdsteun (optional) voor de middelste<br />
zitplaats achter.<br />
De hoofdsteunen zijn in hoogte verstelbaar.<br />
Voor de hoogteverstelling moet de<br />
hoofdsteun omhoog of omlaag worden<br />
geplaatst en, afhankelijk <strong>van</strong> de lengte<br />
<strong>van</strong> de passagier, in één <strong>van</strong> de standen<br />
worden vergrendeld.<br />
U kunt de hoofdsteunen zonodig verwij<strong>der</strong>en.<br />
Ga hiervoor als volgt te werk:<br />
– zet de hoofdsteun geheel omhoog;<br />
– druk beide knoppen (A en Bfig.<br />
34) in en verwij<strong>der</strong> de hoofdsteun.<br />
Let erop dat de hoofdsteun<br />
zo is ingesteld dat<br />
de steun het hoofd<br />
steunt en niet de nek. Alleen in<br />
deze positie bieden de steunen<br />
bescherming, wanneer de auto<br />
<strong>van</strong> achteren aangereden wordt.<br />
46<br />
STUURWIEL<br />
VERSTELLEN<br />
Het stuurwiel is verstelbaar. Het kan<br />
dichterbij of ver<strong>der</strong>af en omhoog of omlaag<br />
worden gezet.<br />
Ontgrendel hiervoor de hendel (A-fig.<br />
35) door de hendel in de richting <strong>van</strong> het<br />
stuurwiel te trekken. Zet het stuurwiel in<br />
de gewenste stand en druk de hendel geheel<br />
naar voren.<br />
fig. 35<br />
Verstel het stuurwiel<br />
alleen als de auto stilstaat.<br />
P4U00018<br />
SPIEGELS<br />
VERSTELLEN<br />
ACHTERUITKIJKSPIEGEL<br />
De spiegel is voorzien <strong>van</strong> een beveiligingsmechanisme,<br />
waardoor de spiegel<br />
bij een krachtige botsing losschiet. Met<br />
het hendeltje (A-fig. 36) kunt u de<br />
spiegel in twee verschillende standen zetten:<br />
normale stand of anti-verblindingsstand.<br />
BELANGRIJK Het model <strong>van</strong> de achteruitkijkspiegel<br />
kan an<strong>der</strong>s zijn als de<br />
auto is uitgerust met een autoradio met<br />
geïntegreerde mobiele telefoon en/of inbouwvoorbereiding<br />
telepass. Het afgebeelde<br />
model is alleen bedoeld om het<br />
afstellen te illustreren.<br />
fig. 36<br />
P4U00060
BUITENSPIEGELS<br />
Elektrische verstelling (fig. 37)<br />
– Kies met keuzeschakelaar (A) de gewenste<br />
spiegel (rechts of links).<br />
– Plaats knop (B) in één <strong>van</strong> de vier<br />
richtingen, waardoor de hiervoor gekozen<br />
spiegel wordt versteld.<br />
– Zet schakelaar (A) in de middelste<br />
vergrendelde stand.<br />
De elektrische verstelling werkt alleen<br />
als de contactsleutel in stand MAR<br />
staat.<br />
fig. 37<br />
P4U00061<br />
Inklappen (fig. 38)<br />
– Indien nodig (bijv. als de breedte <strong>van</strong><br />
de buitenspiegel problemen oplevert in<br />
een nauwe doorgang) kunnen de buitenspiegels<br />
<strong>van</strong> stand (A) in stand (B) worden<br />
geklapt.<br />
fig. 38<br />
Als u rijdt, moeten de<br />
spiegels altijd in stand (A)<br />
staan.<br />
De gebogen buitenspiegels<br />
(indien aanwezig)<br />
kunnen uw waarneming<br />
<strong>van</strong> de afstand<br />
licht wijzigen.<br />
P4U00062<br />
Ontwaseming/ontdooiing<br />
(fig. 39)<br />
(indien aanwezig)<br />
De elektrisch verstelbare buitenspiegels<br />
zijn voorzien <strong>van</strong> verwarmingselementen,<br />
die worden ingeschakeld als de achterruitverwarming<br />
met knop (A) wordt<br />
ingeschakeld. Met de elementen worden<br />
de spiegels ontwasemd of ontdooid.<br />
Een tijdschakeling schakelt de functie<br />
na enige minuten automatisch uit.<br />
fig. 39<br />
P4U00063<br />
47
ELEKTRISCHE<br />
RUITBEDIENING<br />
VOOR<br />
Bestuur<strong>der</strong>szijde (fig. 40)<br />
Op het sierpaneel <strong>van</strong> het portier aan<br />
bestuur<strong>der</strong>szijde zijn de bedieningsschakelaars<br />
gemonteerd waarmee u, als de<br />
contactsleutel in stand MAR staat, de<br />
zijruiten bedient:<br />
A - zijruit linksvoor<br />
B - zijruit rechtsvoor.<br />
Druk op de schakelaar om de ruit te<br />
openen. Trek aan de schakelaar om de<br />
ruit te sluiten.<br />
fig. 40<br />
48<br />
P4U00025<br />
BELANGRIJK De ruit aan de bestuur<strong>der</strong>szijde<br />
kan “automatisch” worden geopend<br />
en gesloten. Hiervoor hoeft u de<br />
boven- of on<strong>der</strong>zijde <strong>van</strong> de schakelaar<br />
slechts kort te in te drukken, zodat de ruit<br />
geheel opent of sluit: de ruit stopt in de<br />
gewenste stand als u de schakelaar nogmaals<br />
kort aan de boven- of on<strong>der</strong>zijde indrukt.<br />
Passagierszijde (fig. 41)<br />
Met schakelaar (A) kan de ruit aan de<br />
passagierszijde worden bediend.<br />
De ruit aan de passagierszijde kan<br />
alleen “automatisch” worden geopend.<br />
De werking is gelijk aan de werking <strong>van</strong><br />
de ruit aan de bestuur<strong>der</strong>szijde.<br />
fig. 41<br />
P4U00026<br />
ACHTER<br />
Bedien voor het openen of sluiten <strong>van</strong><br />
de zijruiten achter de slinger op de achterportieren.<br />
Bij uitvoeringen die zijn voorzien <strong>van</strong><br />
elektrische ruitbediening achter zijn de<br />
bedieningsschakelaars gemonteerd op het<br />
portier aan bestuur<strong>der</strong>szijde en op beide<br />
achterportieren.<br />
Druk, met de contactsleutel in stand<br />
MAR, op de schakelaar om de ruit te<br />
openen of trek aan de schakelaar om de<br />
ruit te sluiten.<br />
Controleer voor en tijdens<br />
het sluiten <strong>van</strong> een<br />
ruit altijd of de inzittenden<br />
niet verwond kunnen worden<br />
door de beweging <strong>van</strong> de<br />
ruit zelf of door in beweging gebrachte<br />
voorwerpen.
Bestuur<strong>der</strong>sportier (fig. 42)<br />
Op het sierpaneel <strong>van</strong> het bestuur<strong>der</strong>sportier<br />
zijn de volgende bedieningsschakelaars<br />
aanwezig:<br />
A - zijruit linksvoor<br />
B - zijruit rechtsvoor<br />
C - zijruit linksachter<br />
D - zijruit rechtsachter<br />
E - uitschakeling bedieningsschakelaars<br />
voor de ruiten achter (als de bedieningsschakelaars<br />
zijn uitgeschakeld,<br />
staat de schakelaar omhoog; als de<br />
schakelaar opnieuw wordt ingedrukt,<br />
dan kunnen de bedieningsschakelaars<br />
achter weer worden gebruikt.<br />
fig. 42<br />
P4U00027<br />
Achterportieren (fig. 43)<br />
Op het sierpaneel <strong>van</strong> elk portier bevindt<br />
zich een bedieningsschakelaar (A)<br />
voor de ruitbediening <strong>van</strong> de betreffende<br />
ruit.<br />
Onzorgvuldig gebruik<br />
<strong>van</strong> de elektrische ruitbediening<br />
kan gevaarlijk<br />
zijn. Verwij<strong>der</strong> altijd de sleutel<br />
uit het contact als u de auto verlaat,<br />
om te voorkomen dat een<br />
onverwachtse inschakeling <strong>van</strong><br />
de elektrische ruitbediening gevaar<br />
oplevert voor de achtergebleven<br />
passagiers. Houd de knop<br />
niet ingedrukt als de ruit geheel<br />
geopend of gesloten is.<br />
fig. 43<br />
P4U00028<br />
VEILIGHEIDSGORDELS<br />
ZITPLAATSEN VOOR<br />
EN ZIJZITPLAATSEN ACHTER<br />
De auto is voorzien <strong>van</strong> driepunts-veiligheidsgordels<br />
(als optional ook voor de <strong>der</strong>de<br />
achterpassagier) met rolautomaat,<br />
waardoor veel bewegingsvrijheid ontstaat.<br />
De veiligheidsgordels voor zijn voorzien<br />
<strong>van</strong> elektronisch geregelde gordelspanners.<br />
De on<strong>der</strong>ste bevestigingspunten<br />
zijn direct met de stoel verbonden, zodat<br />
de bescherming optimaal is in elke stand<br />
<strong>van</strong> de stoel.<br />
Voor maximale bescherming<br />
is het raadzaam<br />
om de rugleuning<br />
<strong>van</strong> de stoel in een zo recht mogelijke<br />
stand te plaatsen en de gordel<br />
zo strak mogelijk om borst en<br />
bekken te dragen. Draag altijd<br />
veiligheidsgordels, zowel voor als<br />
achter in de auto. Rijden zon<strong>der</strong><br />
veiligheidsgordels vergroot het<br />
risico op ernstig letsel of een dodelijke<br />
afloop bij een ongeval.<br />
49
Leg de gordel om door de on<strong>der</strong>zijde<br />
<strong>van</strong> de gordel aan de buitenzijde <strong>van</strong> de<br />
stoel te pakken, de gordel te geleiden<br />
met de gesp (A-fig. 44) en de gesp<br />
geheel in de sluiting (B-fig. 44) te<br />
drukken.<br />
De gordel is juist bevestigd als de gesp<br />
hoorbaar blokkeert. Druk, om de gordels<br />
los te maken, op knop (C-fig. 44).<br />
De rolautomaat blokkeert als u de gordel<br />
snel uittrekt, bij hard remmen of bij<br />
botsingen.<br />
Als de oprolautomaat blokkeert, laat<br />
dan de gordel een stukje teruglopen en<br />
trek de gordel vervolgens weer geleidelijk<br />
uit.<br />
fig. 44<br />
50<br />
P4U00064<br />
Via de rolautomaat wordt de lengte <strong>van</strong><br />
de gordel automatisch aangepast aan het<br />
postuur <strong>van</strong> de drager, waarbij voldoende<br />
bewegingsruimte overblijft.<br />
Als de auto op een steile helling staat,<br />
kan de rolautomaat blokkeren; dit is een<br />
normaal verschijnsel.<br />
Begeleid de gordel tijdens<br />
het teruglopen om<br />
te voorkomen dat de<br />
gordelband draait.<br />
HOOGTEVERSTELLING<br />
VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS<br />
VOOR<br />
Het bovenste bevestigingspunt <strong>van</strong> de<br />
veiligheidsgordels voor kan in vijf verschillende<br />
standen worden gezet. Hierdoor is<br />
de gordel in hoogte verstelbaar.<br />
Pas de hoogte <strong>van</strong> de gordel altijd aan<br />
het postuur <strong>van</strong> de inzittende aan. Dankzij<br />
deze voorzorgsmaatregel werkt de<br />
gordel beter en is het risico op verwondingen<br />
tijdens een botsing geringer.<br />
De gordel is goed afgesteld als hij over<br />
de schou<strong>der</strong> halverwege tussen nek en<br />
uiteinde <strong>van</strong> de schou<strong>der</strong> ligt.<br />
Druk om de hoogte te regelen op knop<br />
(A-fig. 45) <strong>van</strong> de rolautomaat en<br />
schuif gelijktijdig beugel (B-fig. 45)<br />
in de gewenste stand.<br />
Controleer na het afstellen<br />
altijd of de beugel<br />
goed in één <strong>van</strong> de<br />
standen is vergrendeld. Laat de<br />
knop (A-fig. 45) los en duw de<br />
beugel naar beneden, zodat de<br />
bevestigingsbeugel blokkeert, als<br />
dit nog niet was gebeurd.<br />
fig. 45<br />
P4U00020
GEBRUIK VAN DE VEILIG-<br />
HEIDSGORDELS ACHTER<br />
De achterbank is voorzien <strong>van</strong> driepunts-veiligheidsgordels<br />
met rolautomaat<br />
voor de zijzitplaatsen en een tweepuntsheupgordel<br />
voor de middelste zitplaats.<br />
Bij enkele uitvoeringen is ook de middelste<br />
zitplaats voorzien <strong>van</strong> een hoofdsteun<br />
en een driepunts-veiligheidsgordel met<br />
rolautomaat, die gelijk is aan de gordel<br />
<strong>van</strong> de zijzitplaatsen.<br />
Om verkeerde verbindingen te voorkomen,<br />
passen de gespen <strong>van</strong> de zijgordels<br />
niet in de sluiting <strong>van</strong> de middengordel.<br />
Ga goed rechtop zitten, steun tegen de<br />
rugleuning en leg dan de gordel om.<br />
Als de zitplaatsen achter niet worden<br />
bezet, gebruik dan de uitsparingen in de<br />
rugleuning <strong>van</strong> de achterbank om de sluitingen<br />
en de gordels op te bergen.<br />
Voor een maximale bescherming<br />
moeten de<br />
gordels achter worden<br />
vastgemaakt, zoals in fig. 46 en<br />
fig. 47 is aangegeven.<br />
fig. 46<br />
fig. 47<br />
P4U00065<br />
P4U00066<br />
HEUPGORDEL VAN DE<br />
ZITPLAATS MIDDENACHTER<br />
(fig. 48)<br />
Maak de gordel vast door gesp (A) in<br />
sluiting (B) te drukken, totdat de gesp<br />
hoorbaar blokkeert.<br />
De lengte kan worden afgesteld door de<br />
gordel in gesp (D) te verplaatsen. Trek<br />
aan deel (E) om de gordel te verkorten<br />
en aan deel (F) om te verlengen.<br />
Druk, om de gordel los te maken, op<br />
knop (C).<br />
BELANGRIJK De gordel is correct afgesteld<br />
als hij goed aansluit op het bekken.<br />
fig. 48<br />
P4U00067<br />
51
ALGEMENE OPMERKINGEN<br />
OVER HET GEBRUIK VAN<br />
VEILIGHEIDSGORDELS<br />
De bestuur<strong>der</strong> is verplicht zich te houden<br />
aan de wettelijke voorschriften met<br />
betrekking tot het verplichte gebruik <strong>van</strong><br />
de veiligheidsgordels (en de inzittenden<br />
erop attent te maken).<br />
Bedenk dat achterpassagiers<br />
die geen gordel<br />
dragen tijdens een ernstig<br />
ongeval, niet alleen zelf aan<br />
gevaar worden blootgesteld<br />
maar ook gevaar opleveren voor<br />
de inzittenden voor.<br />
Draag altijd veiligheidsgordels,<br />
zowel voor als<br />
achter in de auto. Rijden<br />
zon<strong>der</strong> veiligheidsgordels vergroot<br />
het risico op ernstig letsel<br />
of een dodelijke afloop bij een ongeval.<br />
52<br />
De gordelband mag niet<br />
gedraaid zijn en moet<br />
goed tegen het lichaam<br />
<strong>van</strong> de inzittende aanliggen. Het<br />
diagonale gordelgedeelte moet via<br />
het midden <strong>van</strong> de schou<strong>der</strong> schuin<br />
over de borst liggen. Het horizontale<br />
gordelgedeelte moet over het<br />
bekken en niet over de buik liggen,<br />
zodat wordt voorkomen dat<br />
u tijdens een botsing on<strong>der</strong> de<br />
gordel uitschuift. Draag geen<br />
voorwerpen (sieraden, gespen,<br />
enz.) die een goed aansluiten <strong>van</strong><br />
de gordel op het lichaam <strong>van</strong> de<br />
passagier verhin<strong>der</strong>en (fig. 49).<br />
fig. 49<br />
P4U00068<br />
Gebruik de gordel niet<br />
voor een kind dat bij een<br />
volwassene op schoot<br />
zit, waarbij de gordel beiden zou<br />
moeten beschermen (fig. 50).<br />
Als de gordel aan een<br />
zware belasting wordt<br />
blootgesteld (bijvoorbeeld<br />
tijdens een ongeval), dan<br />
moet de gordel samen met de verankeringen,<br />
bevestigingspunten en<br />
de eventueel gemonteerde gordelspanners<br />
worden ver<strong>van</strong>gen. Ook<br />
als de schade niet zichtbaar is, kan<br />
de gordel toch verzwakt zijn.<br />
fig. 50<br />
P4U00069
Zwangere vrouwen dienen zich bij het<br />
gebruik <strong>van</strong> veiligheidsgordels strikt aan<br />
de geldende wet- en regelgeving te houden.<br />
Het verdient aanbeveling om als<br />
voorzorgsmaatregel het on<strong>der</strong>ste deel<br />
<strong>van</strong> de gordel meer naar beneden om te<br />
leggen, zodat de gordel on<strong>der</strong> de buik<br />
langs loopt (fig. 51).<br />
fig. 51<br />
P4U00070<br />
HOE U DE VEILIGHEIDS-<br />
GORDELS IN OPTIMALE STAAT<br />
HOUDT<br />
– Zorg dat de gordel goed uitgetrokken<br />
en niet gedraaid is.<br />
– U kunt de gordels met de hand wassen<br />
met warm water en een neutrale<br />
zeep. Knijp ze uit en laat ze in de schaduw<br />
drogen. Gebruik geen bijtende, blekende<br />
of kleurende middelen. Vermijd het<br />
gebruik <strong>van</strong> alle chemische producten die<br />
het weefsel kunnen aantasten.<br />
– Voorkom dat vocht in de oprolautomaat<br />
komt: de werking <strong>van</strong> de oprolautomaten<br />
is alleen gegarandeerd, als ze niet<br />
nat zijn geweest.<br />
KINDEREN VEILIG<br />
VERVOEREN<br />
Voor optimale bescherming bij een<br />
ongeval moeten alle inzittenden zittend<br />
reizen en beschermd worden door goedgekeurde<br />
veiligheidssystemen.<br />
Dit geldt met name voor kin<strong>der</strong>en.<br />
Het hoofd <strong>van</strong> kleine kin<strong>der</strong>en is in verhouding<br />
met de rest <strong>van</strong> het lichaam groter<br />
en zwaar<strong>der</strong> dan dat <strong>van</strong> volwassenen,<br />
terwijl spieren en botstructuur nog<br />
niet volledig zijn ontwikkeld. Daarom<br />
moeten kleine kin<strong>der</strong>en door an<strong>der</strong>e systemen<br />
beschermd worden dan door de<br />
veiligheidsgordels.<br />
De resultaten <strong>van</strong> het on<strong>der</strong>zoek over<br />
de optimale bescherming <strong>van</strong> kleine kin<strong>der</strong>en<br />
zijn opgenomen in de Europese<br />
ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht<br />
zijn. De systemen zijn on<strong>der</strong>verdeeld<br />
in vier groepen:<br />
Groep 0 gewicht: 0-10 kg<br />
Groep 1 gewicht: 9-18 kg<br />
Groep 2 gewicht: 15-25 kg<br />
Groep 3 gewicht: 22-36 kg<br />
53
Zoals u ziet is er een gedeeltelijke overlapping<br />
tussen de groepen; daarom zijn<br />
in de handel systemen verkrijgbaar die<br />
geschikt zijn voor verschillende gewichtsgroepen.<br />
Alle systemen moeten zijn voorzien <strong>van</strong><br />
de typegoedkeuring en <strong>van</strong> een goed vastgehecht<br />
plaatje met het controlemerk, dat<br />
absoluut niet mag worden verwij<strong>der</strong>d.<br />
Kin<strong>der</strong>en met een gewicht boven 36 kg<br />
of met een lengte <strong>van</strong> meer dan 1,50 m<br />
worden, met betrekking tot de veiligheidssystemen,<br />
gelijkgesteld met volwassenen<br />
en moeten dan ook normaal de<br />
veiligheidsgordels omleggen.<br />
In het <strong>Alfa</strong> Romeo Lineaccessori-programma<br />
zijn kin<strong>der</strong>zitjes opgenomen<br />
voor elke gewichtsgroep, die speciaal ontworpen<br />
en ontwikkeld zijn voor de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-modellen.<br />
54<br />
Wij raden u aan kin<strong>der</strong>en<br />
altijd op de zitplaatsen<br />
achter te vervoeren,<br />
omdat die plaatsen bij een<br />
ongeval de meeste bescherming<br />
bieden. Monteer absoluut geen<br />
kin<strong>der</strong>zitje op de stoel <strong>van</strong> de<br />
passagier voor als deze is uitgerust<br />
met een airbag. Als bij een<br />
ongeval de airbag in werking<br />
treedt (opblaast), kan dit ernstig<br />
letsel en zelfs de dood tot gevolg<br />
hebben, onafhankelijk <strong>van</strong> de<br />
zwaarte <strong>van</strong> het ongeluk. Kin<strong>der</strong>en<br />
kunnen op de passagiersstoel<br />
voor worden vervoerd bij auto’s<br />
die zijn uitgerust met een uitschakelbare<br />
airbag aan passagierszijde.<br />
In dit geval moet u er<br />
absoluut zeker <strong>van</strong> zijn dat de<br />
airbag is uitgeschakeld (het gele<br />
waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel<br />
moet branden).<br />
GROEP 0<br />
Baby’s tot 10 kg moeten achterstevoren<br />
(fig. 52) worden vervoerd in wiegjes,<br />
die het achterhoofd steunen en er voor<br />
zorgen dat bij abrupte snelheidswisselingen<br />
de nek niet wordt belast.<br />
Het wiegje moet op zijn plaats worden<br />
gehouden door de veiligheidsgordel, zoals<br />
in de afbeelding is aangegeven, en het<br />
kind moet op zijn beurt worden beschermd<br />
door de gordel <strong>van</strong> het wiegje<br />
zelf.<br />
De afbeeldingen dienen<br />
alleen ter illustratie<br />
<strong>van</strong> de bevestiging.<br />
Houdt u voor de montage <strong>van</strong><br />
het kin<strong>der</strong>zitje aan de instructies.<br />
De fabrikant is verplicht deze instructies<br />
bij te leveren.<br />
fig. 52<br />
P4U00071
GROEP 1<br />
Kin<strong>der</strong>en met een gewicht <strong>van</strong>af 9 kg<br />
moeten worden vervoerd in kin<strong>der</strong>zitjes<br />
met een kussen (fig. 53), die naar voren<br />
zijn gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel<br />
<strong>van</strong> de auto zowel het kin<strong>der</strong>zitje<br />
als het kind op zijn plaats moet houden.<br />
De afbeeldingen dienen<br />
alleen ter illustratie<br />
<strong>van</strong> de bevestiging.<br />
Houdt u voor de montage <strong>van</strong><br />
het kin<strong>der</strong>zitje aan de instructies.<br />
De fabrikant is verplicht deze instructies<br />
bij te leveren.<br />
fig. 53<br />
P4U00072<br />
Er bestaan kin<strong>der</strong>zitjes<br />
die geschikt zijn voor de<br />
gewichtsgroepen 0 en 1.<br />
Deze kin<strong>der</strong>zitjes kunnen worden<br />
bevestigd aan de veiligheidsgordels<br />
achter en hebben zelf gordels<br />
om het kind te beschermen.<br />
Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk<br />
zijn als ze verkeerd worden<br />
gemonteerd, waarbij een kussen<br />
tussen het kin<strong>der</strong>zitje en de<br />
veiligheidsgordels <strong>van</strong> de auto<br />
wordt geplaatst. Houdt u voor de<br />
montage strikt aan de bijgeleverde<br />
instructies.<br />
GROEP 2<br />
Vanaf 15 kg kunnen kin<strong>der</strong>en direct<br />
door de veiligheidsgordels <strong>van</strong> de auto<br />
worden beschermd.Kin<strong>der</strong>en moeten zo<br />
in de kin<strong>der</strong>zitjes worden geplaatst, dat<br />
het diagonale gordelgedeelte schuin over<br />
de borst en niet langs de nek moet liggen.<br />
Het horizontale gordelgedeelte moet<br />
over het bekken en niet over de buik <strong>van</strong><br />
het kind liggen (fig. 54).<br />
De afbeeldingen dienen<br />
alleen ter illustratie<br />
<strong>van</strong> de bevestiging.<br />
Houdt u voor de montage <strong>van</strong><br />
het kin<strong>der</strong>zitje aan de instructies.<br />
De fabrikant is verplicht deze instructies<br />
bij te leveren.<br />
fig. 54<br />
P4U00073<br />
55
GROEP 3<br />
Vanaf 22 kg kunnen kin<strong>der</strong>en op een<br />
kussen vervoerd worden (fig. 55). De<br />
borstom<strong>van</strong>g is dan <strong>van</strong> dien aard dat de<br />
kin<strong>der</strong>en gewoon tegen de rugleuning<br />
kunnen steunen en niet meer in een kin<strong>der</strong>zitje<br />
hoeven te worden vervoerd<br />
Kin<strong>der</strong>en die langer zijn dan 1,50 m<br />
kunnen net zoals volwassenen de veiligheidsgordels<br />
omleggen.<br />
fig. 55<br />
56<br />
P4U00074<br />
Hieron<strong>der</strong> worden de veiligheidsnormen<br />
voor het vervoeren <strong>van</strong><br />
kin<strong>der</strong>en aangegeven:<br />
1) Plaats het kin<strong>der</strong>zitje bij voorkeur<br />
op één <strong>van</strong> de zitplaatsen achter omdat<br />
deze plaatsen bij een ongeval de meeste<br />
bescherming bieden.<br />
2) Vervoer kin<strong>der</strong>en nooit op de stoel<br />
<strong>van</strong> de passagier voor als deze is uitgerust<br />
met een airbag.<br />
3) Als de airbag buiten werking wordt<br />
gesteld, bij uitvoeringen waarbij dit mogelijk<br />
is, moet altijd gecontroleerd worden<br />
of het systeem ook daadwerkelijk is uitgeschakeld.<br />
Het betreffende gele waarschuwingslampje<br />
op het instrumentenpaneel<br />
moet branden.<br />
4) Houdt u bij de montage <strong>van</strong> het kin<strong>der</strong>zitje<br />
strikt aan de instructies. De fabrikant<br />
is verplicht deze instructies bij te leveren.<br />
Bewaar de instructies samen met<br />
het instructieboekje in de auto. Monteer<br />
geen gebruikte kin<strong>der</strong>zitjes waar<strong>van</strong> de<br />
gebruiksaanwijzingen ontbreken.<br />
5) Controleer of de gordels goed zijn<br />
vastgemaakt door aan de gordelband te<br />
trekken.<br />
6) In elk kin<strong>der</strong>zitje kan slechts één<br />
kind vervoerd worden; vervoer nooit twee<br />
kin<strong>der</strong>en in één zitje.<br />
7) Controleer altijd of de gordel niet<br />
langs de nek <strong>van</strong> het kind loopt.<br />
8) Zorg er tijdens de rit voor dat het<br />
kind geen afwijkende houding aanneemt<br />
of de gordels losmaakt.<br />
9) Vervoer kin<strong>der</strong>en nooit in uw armen,<br />
ook geen pasgeboren kin<strong>der</strong>en. Niemand is<br />
sterk genoeg om ze bij een ongeval vast te<br />
houden.<br />
10) Na een ongeval moet het zitje<br />
door een nieuw exemplaar worden ver<strong>van</strong>gen.
GORDELSPANNERS<br />
Voor een nog effectievere bescherming<br />
zijn de veiligheidsgordels voor voorzien<br />
<strong>van</strong> gordelspanners.<br />
Dit systeem wordt bij een heftige botsing<br />
door een sensor in werking gesteld<br />
en trekt de gordel enige centimeters aan.<br />
Op deze wijze worden de inzittenden<br />
veel beter op hun plaats gehouden en<br />
wordt de voorwaartse beweging beperkt.<br />
Het blokkeren <strong>van</strong> de veiligheidsgordel<br />
geeft aan dat de gordelspanner in werking<br />
is geweest; er kan een beetje rook<br />
ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk<br />
en duidt niet op brand.<br />
De gordelspanner behoeft geen enkel<br />
on<strong>der</strong>houd of smering. Elke veran<strong>der</strong>ing<br />
<strong>van</strong> de oorspronkelijke staat zal de doelmatigheid<br />
vermin<strong>der</strong>en. Als de gordelspanner<br />
door extreme natuurlijke omstandigheden<br />
(overstromingen, zeestormen)<br />
met water en mod<strong>der</strong> in contact is geweest,<br />
dan moet de spanner worden ver<strong>van</strong>gen.<br />
Voor een maximale bescherming door<br />
de gordelspanners moet de veiligheidsgordel<br />
zo worden omgelegd dat hij goed<br />
aansluit op borst en bekken.<br />
De gordelspanners<br />
werken slechts één<br />
maal en ook als de gordel<br />
niet is omgelegd. Als de gordelspanners<br />
hebben gewerkt,<br />
moet u zich tot de <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
wenden om de spanners<br />
te laten ver<strong>van</strong>gen. De levensduur<br />
<strong>van</strong> het systeem is 10 jaar<br />
gerekend <strong>van</strong>af de productiedatum<br />
die op een sticker staat vermeld;<br />
na deze periode moeten de<br />
gordelspanners worden ver<strong>van</strong>gen.<br />
Werkzaamheden waarbij<br />
stoten, sterke trillingen<br />
of verhitting (maximaal<br />
100 °C gedurende ten<br />
hoogste 6 uur) optreden, kunnen<br />
de gordelspanners beschadigen<br />
of activeren: tot die omstandigheden<br />
worden geen trillingen die<br />
voortgebracht worden door een<br />
slecht wegdek of door contacten<br />
met kleine obstakels zoals trottoirs<br />
gerekend. Wendt u tot de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer als ze hebben<br />
gewerkt.<br />
Het is streng verboden<br />
de gordelspanners te<br />
demonteren of open te<br />
maken. On<strong>der</strong>houd <strong>van</strong> de gordelspanners<br />
moet worden uitgevoerd<br />
door gekwalificeerd personeel.<br />
Wendt u altijd tot de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
57
AIRBAGS VOOR EN<br />
ZIJ-AIRBAGS<br />
(indien aanwezig)<br />
De auto is uitgerust met een airbag aan<br />
bestuur<strong>der</strong>szijde (fig. 56).<br />
fig. 56<br />
58<br />
P4U00075<br />
Als optional kunnen voor bepaalde uitvoeringen/markten<br />
een airbag aan de<br />
passagierszijde (fig. 57) en zij-airbags<br />
worden geleverd. De zij-airbags zijn geplaatst<br />
in de rugleuningen <strong>van</strong> de voorstoelen<br />
(side-bags) (fig. 58) en aan de<br />
zijkanten <strong>van</strong> de hemelbekleding (headbags)<br />
(fig. 59).<br />
fig. 57<br />
fig. 58<br />
P4U00076<br />
P4U00077<br />
AIRBAGS VOOR<br />
Beschrijving en werking<br />
De airbag voor (bestuur<strong>der</strong> en passagier)<br />
is een veiligheidsvoorziening die onmiddellijk<br />
in werking treedt bij een frontale botsing.<br />
De airbag bestaat uit een opblaasbaar<br />
luchtkussen dat in een daarvoor bestemde<br />
ruimte is geplaatst:<br />
– in het midden <strong>van</strong> het stuurwiel aan<br />
bestuur<strong>der</strong>szijde;<br />
– een luchtkussen met een groter volume<br />
boven het dashboardkastje aan passagierszijde.<br />
De airbag voor (bestuur<strong>der</strong> en passagier)<br />
is een veiligheidsvoorziening die onmiddellijk<br />
in werking treedt bij een middelzware<br />
frontale botsing.<br />
fig. 59<br />
P4U00406
Bij een botsing verwerkt een elektronische<br />
regeleenheid de gegevens <strong>van</strong> een<br />
vertragingssensor en zorgt ervoor, indien<br />
nodig, dat het kussen opblaast.<br />
Het kussen blaast onmiddellijk op,<br />
waardoor het lichaam wordt opge<strong>van</strong>gen<br />
en de kans op letsel beperkt wordt. Direct<br />
daarna loopt het kussen weer leeg.<br />
Bij een botsing kan een inzittende<br />
die geen veiligheidsgordel<br />
heeft omgelegd in contact komen<br />
met een airbag die nog niet volledig<br />
opgeblazen is, waardoor de<br />
inzittende min<strong>der</strong> beschermd<br />
wordt. De airbag voor (bestuur<strong>der</strong><br />
en passagier) is geen ver<strong>van</strong>ging<br />
voor de veiligheidsgordels,<br />
maar een aanvulling. Draag dus<br />
altijd veiligheidsgordels. Bovendien<br />
is het dragen <strong>van</strong> veiligheidsgordels<br />
wettelijk verplicht in<br />
Europa (en in de meeste landen<br />
daarbuiten).<br />
Bij lichte frontale botsingen (waarbij de<br />
veiligheidsgordel de inzittende op zijn<br />
plaats houdt), wordt de airbag niet geactiveerd.<br />
Bij botsingen tegen snel vervormbare of<br />
beweegbare objecten (zoals verkeerspalen,<br />
sneeuw- of ijs-ophopingen, geparkeerde<br />
auto’s, enz), bij aanrijdingen <strong>van</strong><br />
achteren (zoals een aanrijding door een<br />
an<strong>der</strong>e auto) en bij zijdelingse aanrijdingen<br />
met an<strong>der</strong>e auto’s of veiligheidsbarrières<br />
(bijvoorbeeld tegen de on<strong>der</strong>kant<br />
<strong>van</strong> de auto of de <strong>van</strong>grail), wordt<br />
de airbag niet geactiveerd omdat geen<br />
enkele aanvullende bescherming wordt<br />
geboden ten opzichte <strong>van</strong> de veiligheidsgordels.<br />
Als de airbag in deze gevallen niet geactiveerd<br />
wordt, betekent dit niet dat het<br />
systeem niet goed functioneert.<br />
AIRBAG VOOR<br />
AAN PASSAGIERSZIJDE<br />
De airbag voor aan passagierszijde is<br />
ontwikkeld om de bescherming te verbeteren<br />
<strong>van</strong> een inzittende voor met omgelegde<br />
veiligheidsgordel.<br />
Als de airbag volledig opgeblazen is, vult<br />
deze het grootste deel <strong>van</strong> de ruimte tussen<br />
het dashboard en de voorpassagier.<br />
ZEER GEVAAR-<br />
LIJK Bij auto’s<br />
die zijn uitgerust<br />
met een airbag voor aan<br />
passagierszijde mag geen kin<strong>der</strong>zitje<br />
op de voorstoel worden gemonteerd.<br />
Als er geen an<strong>der</strong>e mogelijkheid<br />
is, moet in ie<strong>der</strong> geval de<br />
airbag aan passagierszijde (indien<br />
aanwezig) uitgeschakeld worden<br />
als het kin<strong>der</strong>zitje op de passagiersstoel<br />
voor wordt geplaatst.<br />
Ook als het niet wettelijk verplicht<br />
is, raden wij u aan, voor een optimale<br />
bescherming <strong>van</strong> de volwassenen,<br />
de airbag onmiddellijk weer<br />
in te schakelen zodra u geen kin<strong>der</strong>en<br />
meer vervoert.<br />
A I R B A G<br />
59
AIRBAG VOOR AAN<br />
PASSAGIERSZIJDE<br />
UITSCHAKELEN<br />
Als het absoluut noodzakelijk is een<br />
kind op de passagiersstoel voor te vervoeren,<br />
kan de airbag voor aan passagierszijde<br />
worden uitgeschakeld.<br />
U schakelt de airbag uit door de contactsleutel<br />
in de daarvoor bestemde sleutelschakelaar,<br />
rechts <strong>van</strong> het dashboard, te<br />
steken (fig. 60). De schakelaar is alleen<br />
bereikbaar bij geopend portier.<br />
Bedien de schakelaar<br />
alleen als de motor uit<br />
staat en de contactsleutel<br />
is uitgenomen.<br />
fig. 60<br />
60<br />
P4U00079<br />
De sleutelschakelaar (fig. 60) heeft<br />
twee standen:<br />
1) Airbag voor passagierszijde ingeschakeld:<br />
(stand ON ) het waarschuwingslampje<br />
op het instrumentenpaneel<br />
brandt niet: het is absoluut verboden kin<strong>der</strong>en<br />
op de voorstoel te vervoeren.<br />
2) Airbag voor passagierszijde uitgeschakeld:<br />
(stand OFF ) het waarschuwingslampje<br />
op het instrumentenpaneel<br />
brandt: het is mogelijk om kin<strong>der</strong>en<br />
in goedgekeurde kin<strong>der</strong>zitjes op de voorstoel<br />
te vervoeren.<br />
Het waarschuwingslampje op het<br />
instrumentenpaneel blijft continu branden<br />
totdat de airbag aan passagierszijde opnieuw<br />
wordt ingeschakeld.<br />
De werking <strong>van</strong> de zij-airbags (side-bags<br />
en headbags) wordt niet uitgeschakeld<br />
als de airbag voor aan passagierszijde<br />
wordt uitgeschakeld.<br />
De sleutel kan bij geopend portier in beide<br />
standen in de schakelaar worden gestoken<br />
of worden uitgenomen.<br />
Het waarschuwingslampje<br />
voor uitgeschakelde<br />
airbag aan passagierszijde<br />
voor geeft eventuele<br />
storingen aan in het waarschuwingslampje<br />
<strong>van</strong> de airbag<br />
¬ zelf. In dat geval is de situatie<br />
op het instrumentenpaneel<br />
als volgt:<br />
– waarschuwingslampje storing<br />
airbag ¬ is gedoofd;<br />
– waarschuwingslampje voor<br />
uitgeschakelde airbag aan passagierszijde<br />
knippert (langer<br />
dan de normale 4 seconden).<br />
Zet de motor onmiddellijk uit en<br />
wendt u tot de <strong>Alfa</strong> Romeodealer.
ZIJ-AIRBAGS<br />
(SIDE-BAGS - HEADBAGS)<br />
(indien aanwezig)<br />
De zij-airbags beschermen de inzittenden<br />
bij een middelzware zijdelingse aanrijding.<br />
Ze bestaan uit een zich snel opblazend<br />
kussen:<br />
– de side-bag is in de rugleuning <strong>van</strong><br />
de stoelen voor geplaatst, waardoor het<br />
kussen ten opzichte <strong>van</strong> de inzittende altijd<br />
de optimale positie inneemt, ongeacht<br />
de stand <strong>van</strong> de stoel;<br />
– de headbag is een “gordijn”-systeem<br />
en bevindt zich in de hemelbekleding<br />
aan de zijkant; de headbag is afgedekt<br />
met een afwerklijst, waardoor het<br />
kussen naar beneden wordt opgeblazen.<br />
De headbag is ontwikkeld om bescherming<br />
te bieden aan het hoofd en zorgt ervoor<br />
dat de inzittenden tijdens een zijdelingse<br />
botsing maximaal zijn beschermd.<br />
De uitvoering in “gordijn”-vorm levert de<br />
beste prestaties, dankzij het grote effectieve<br />
oppervlak en het zelfrichtende<br />
effect, ook zon<strong>der</strong> dat het kussen wordt<br />
on<strong>der</strong>steund; bovendien biedt het ook bescherming<br />
voor de achterpassagiers.<br />
Bij een zijdelingse aanrijding verwerkt een<br />
elektronische regeleenheid de gegevens <strong>van</strong><br />
een vertragingssensor en zorgt ervoor, indien<br />
nodig, dat het kussen opblaast.<br />
Het kussen blaast onmiddellijk op en vult<br />
de ruimte tussen het portier <strong>van</strong> de auto en<br />
het lichaam <strong>van</strong> de inzittenden voor.Direct<br />
daarna loopt het kussen weer leeg.<br />
Bij lichte zijdelingse aanrijdingen (waarbij<br />
de veiligheidsgordel de inzittende op<br />
zijn plaats houdt), wordt de airbag niet<br />
geactiveerd.<br />
De zij-airbags zijn geen ver<strong>van</strong>ging voor<br />
de veiligheidsgordels, maar een aanvulling.<br />
Draag dus altijd veiligheidsgordels.<br />
Bovendien is het dragen <strong>van</strong> veiligheidsgordels<br />
wettelijk verplicht in Europa (en<br />
in de meeste landen daarbuiten).De werking<br />
<strong>van</strong> de side-bag aan passagierszijde<br />
wordt niet uitgeschakeld als de airbag<br />
voor aan passagierszijde wordt uitgeschakeld,<br />
zoals beschreven in de vorige paragraaf.<br />
Zo wordt u bij een zijdelingse aanrijding<br />
beschermd, en ook het eventueel<br />
vervoerde kind.<br />
BELANGRIJK De airbags voor en/of<br />
aan de zijkant (indien aanwezig) kunnen<br />
worden geactiveerd bij zware botsingen<br />
of als de auto aan de on<strong>der</strong>zijde wordt<br />
geraakt, bijvoorbeeld bij zware botsingen<br />
tegen treden of stoepranden of obstakels<br />
op het wegdek of als de auto terecht<br />
komt in grote gaten of verzakkingen in<br />
het wegdek.<br />
BELANGRIJK Als de airbag in werking<br />
treedt, ontsnapt er een beetje rook.<br />
Deze rook is niet schadelijk en duidt niet<br />
op brand; bovendien kan het oppervlak<br />
<strong>van</strong> het opgeblazen kussen en het interieur<br />
<strong>van</strong> de auto bedekt zijn met een laagje<br />
poe<strong>der</strong>achtige stof: dit poe<strong>der</strong> kan de<br />
huid en de ogen irriteren. Als u hiermee<br />
in aanraking bent gekomen, moet u zich<br />
met neutrale zeep en water wassen.<br />
BELANGRIJK Als het lampje ¬<br />
tijdens<br />
het rijden gaat branden (melding<br />
<strong>van</strong> een storing), dient u zich onmiddellijk<br />
tot een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te wenden<br />
om de storing te laten verhelpen.<br />
De airbag heeft een geldigheid <strong>van</strong> 10<br />
jaar. Als deze termijn is verstreken, dient u<br />
zich tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te wenden.<br />
61
BELANGRIJK Na een ongeval waarbij<br />
de airbag in werking is getreden, dient<br />
u zicht tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te wenden<br />
om de airbag, de elektronische regeleenheid,<br />
de veiligheidsgordels en de gordelspanners<br />
te laten ver<strong>van</strong>gen en de<br />
werking <strong>van</strong> de elektrische installatie te<br />
laten controleren.<br />
Alle controlewerkzaamheden, reparaties<br />
en ver<strong>van</strong>ging <strong>van</strong> de airbag moeten door<br />
de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer worden uitgevoerd.<br />
Aan het einde <strong>van</strong> de lange levensduur<br />
<strong>van</strong> uw auto, moet u contact opnemen<br />
met de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer om het systeem<br />
buiten werking te laten stellen.<br />
Bij verkoop <strong>van</strong> de auto moet de nieuwe<br />
eigenaar op de hoogte gesteld worden <strong>van</strong><br />
het gebruik en de instructies, en moet hij<br />
het instructieboekje ont<strong>van</strong>gen.<br />
BELANGRIJK Het in werking treden<br />
<strong>van</strong> de gordelspanners, de airbags voor<br />
en de zij-airbags wordt door de elektronische<br />
regeleenheid bepaald, afhankelijk<br />
<strong>van</strong> het type ongeval. Als een <strong>van</strong> deze<br />
on<strong>der</strong>delen niet in werking treedt, dan<br />
duidt dat niet op een storing in het systeem.<br />
62<br />
ALGEMENE OPMERKINGEN<br />
Als u de contactsleutel<br />
in stand MAR draait,<br />
gaat het lampje ¬<br />
branden. Na ongeveer 4 seconden<br />
moet het lampje doven. Als het<br />
waarschuwingslampje niet gaat<br />
branden, constant blijft branden of<br />
tijdens het rijden gaat branden,<br />
moet u onmiddellijk stoppen en<br />
contact opnemen met een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Als u de contactsleutel<br />
in stand MAR draait,<br />
gaat het lampje<br />
(met de schakelaar voor uitschakeling<br />
<strong>van</strong> airbag voor aan passagierszijde<br />
in stand ON) ongeveer<br />
4 seconden branden en vervolgens<br />
4 seconden knipperen, om aan te<br />
geven dat de airbag en side-bag<br />
(indien aanwezig) aan passagierszijde<br />
bij een ongeval worden geactiveerd.<br />
Hierna moet het lampje<br />
doven.<br />
Rijd altijd met beide<br />
handen op de stuurwielrand,<br />
zodat bij het in<br />
werking treden <strong>van</strong> de airbag, het<br />
systeem niet wordt gehin<strong>der</strong>d door<br />
obstakels die ernstig letsel kunnen<br />
veroorzaken. Rijd niet met voorover<br />
gebogen lichaam, maar ga<br />
goed rechtop zitten en steun tegen<br />
de rugleuning.<br />
Plaats geen stickers of<br />
an<strong>der</strong>e objecten op het<br />
stuurwiel, de airbagmodule<br />
aan de passagierszijde of de<br />
zijkant <strong>van</strong> de hemelbekleding.<br />
Monteer nooit on<strong>der</strong>delen (sensoren<br />
<strong>van</strong> de diefstalbeveiliging,<br />
microfoon <strong>van</strong> de handsfree autotelefoon,<br />
enz.) op de afwerklijsten<br />
langs het dak.<br />
Reis niet met voorwerpen op<br />
schoot en houd vooral geen pijp,<br />
potlood, enz in de mond. Bij een<br />
ongeval waarbij de airbag in<br />
werking treedt, kan dit ernstig<br />
letsel veroorzaken.
Als de contactsleutel in<br />
stand MAR staat, kunnen,<br />
ook bij uitgezette<br />
motor, de airbags inschakelen als<br />
de auto stilstaat en de auto frontaal<br />
wordt aangereden door een<br />
an<strong>der</strong>e auto die met voldoende<br />
snelheid rijdt. Daarom mogen, ook<br />
als de auto stilstaat, absoluut<br />
geen kin<strong>der</strong>en op de passagiersstoel<br />
voor worden geplaatst.<br />
Als bij een stilstaande auto en<br />
met uitgenomen contactsleutel de<br />
airbags bij een ongeval niet in<br />
werking treden, betekent dit niet<br />
dat het systeem niet goed<br />
werkt.<br />
Laat bij diefstal of een<br />
poging tot diefstal, bij<br />
beschadiging of als de<br />
auto bij een overstroming on<strong>der</strong><br />
water is geweest, de airbag door<br />
een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer controleren.<br />
Bij auto’s die zijn uitgerust<br />
met side-bags, mag<br />
de rugleuning <strong>van</strong> de<br />
stoel niet met water of stoom on<strong>der</strong><br />
hoge druk worden gereinigd in<br />
een automatisch wasapparaat.<br />
Bij auto’s met side-bags<br />
mag de rugleuning <strong>van</strong><br />
de voorstoelen niet worden<br />
bedekt met hoezen of kleden.<br />
De airbag is geen ver<strong>van</strong>ging<br />
voor de veiligheidsgordels,<br />
maar een<br />
aanvulling. De inzittenden worden<br />
uitsluitend door de veiligheidsgordels<br />
beschermd bij frontale botsingen<br />
bij lage snelheid, bij zijdelingse<br />
aanrijdingen en als de auto<br />
over de kop slaat. De gordels<br />
moeten dus altijd gedragen worden.<br />
De airbag treedt in<br />
werking als de botsing<br />
zwaar<strong>der</strong> is dan een botsing<br />
waarbij alleen de gordelspanners<br />
worden geactiveerd.<br />
Bij aanrijdingen die tussen die<br />
twee drempelwaarden in liggen,<br />
treden alleen de gordelspanners<br />
in werking.<br />
63
HENDELS AAN HET<br />
STUUR<br />
De systemen die met de hendels aan het<br />
stuur worden bediend, werken alleen als<br />
de contactsleutel in stand MAR staat.<br />
HENDEL LINKS<br />
Met de linker hendel bedient u de buitenverlichting,<br />
behalve de mistlampen<br />
voor en het mistachterlicht.<br />
Als de buitenverlichting wordt ingeschakeld,<br />
gaan ook de instrumentenpaneelverlichting<br />
en de symboolverlichting <strong>van</strong> de<br />
bedieningsknoppen op het dashboard branden.<br />
Alleen als het contactslot in stand PARK<br />
staat, blijft de buitenverlichting branden,<br />
ongeacht de stand <strong>van</strong> de draaiknop.<br />
fig. 61<br />
64<br />
P4U00080<br />
Buitenverlichting uitgeschakeld<br />
(fig. 61)<br />
Als het symbool O op de draaiknop<br />
tegenover het merkstreepje staat, dan is<br />
de buitenverlichting uitgeschakeld.<br />
Buitenverlichting (fig. 62)<br />
De buitenverlichting wordt ingeschakeld<br />
als u de draaiknop <strong>van</strong> stand O in stand<br />
6 zet.<br />
Tegelijkertijd gaat op het instrumentenpaneel<br />
lampje 3 branden.<br />
Dimlichten (fig. 63)<br />
De dimlichten worden ingeschakeld als<br />
u de draaiknop <strong>van</strong> stand 6 in stand<br />
2 zet.<br />
fig. 62<br />
P4U00081<br />
Grootlicht (fig. 64)<br />
Als de draaiknop in stand 2 staat, dan<br />
kan worden overgeschakeld tussen dimen<br />
grootlicht door de hendel naar het<br />
dashboard te drukken (vergrendelde<br />
stand). Op het instrumentenpaneel gaat<br />
het controlelampje 1 branden. Als vervolgens<br />
de hendel naar het stuurwiel<br />
wordt getrokken, dan dooft het grootlicht<br />
en wordt het dimlicht weer ingeschakeld.<br />
fig. 63<br />
fig. 64<br />
P4U00082<br />
P4U00083
Grootlichtsignaal (fig. 65)<br />
Het grootlichtsignaal kan worden gegeven<br />
door de hendel naar het stuurwiel te<br />
trekken (onvergrendelde stand) ongeacht<br />
de stand <strong>van</strong> de draaiknop. Tegelijkertijd<br />
gaat op het instrumentenpaneel lampje<br />
1 branden.<br />
BELANGRIJK Het grootlichtsignaal<br />
wordt gegeven met het grootlicht. Om bekeuringen<br />
te vermijden, dient u zich aan<br />
de geldende verkeerswetgeving te houden.<br />
fig. 65<br />
P4U00084<br />
Richtingaanwijzers (pijlen)<br />
(fig. 66)<br />
Plaats de hendel in de (vergrendelde)<br />
stand:<br />
Omhoog - de rechter richtingaanwijzers<br />
worden ingeschakeld.<br />
Omlaag - de linker richtingaanwijzers<br />
worden ingeschakeld.<br />
Tegelijkertijd gaat op het instrumentenpaneel<br />
het controlelampje (Î of ¥)<br />
branden.<br />
fig. 66<br />
P4U00080<br />
Als het stuurwiel weer in de rechtuitstand<br />
komt, dan schakelen de richtingaanwijzers<br />
automatisch uit en komt de<br />
hendel weer in de middelste stand.<br />
BELANGRIJK Als u kort richting wilt<br />
aangeven, voor het uitvoeren <strong>van</strong> een<br />
manoeuvre waarvoor het stuurwiel<br />
slechts weinig hoeft te worden verdraaid,<br />
dan drukt u de hendel iets omhoog of<br />
omlaag zon<strong>der</strong> dat de hendel vergrendelt.<br />
Zodra u de hendel loslaat, gaat deze<br />
automatisch terug.<br />
HENDEL RECHTS<br />
Met de rechter hendel kunt u de ruitenwissers/-sproeiers<br />
bedienen. Als de ruitensproeiers<br />
worden ingeschakeld, dan<br />
worden ook de koplampsproeiers ingeschakeld<br />
(indien aanwezig).<br />
Ruitenwissers (fig. 67-68)<br />
De hendel kan in vijf verschillende standen<br />
worden gezet:<br />
A - Ruitenwissers uitgeschakeld.<br />
B - Ruitenwissers wissen met interval.<br />
65
Draai als de hendel in stand B staat,<br />
draaiknop (F) op één <strong>van</strong> de vier intervalstanden:<br />
■ = lang interval<br />
■■ = gemiddeld interval<br />
■■■ = gemiddeld-kort interval<br />
■■■■ = kort interval<br />
C - Langzaam continu wissen.<br />
D - Snel continu wissen.<br />
E - Tijdelijk snel wissen (onvergrendelde<br />
stand).<br />
fig. 67<br />
66<br />
P4U00086<br />
In stand E werken de ruitenwissers, zolang<br />
u de hendel met de hand in deze<br />
stand houdt.<br />
Als u de hendel loslaat, springt deze<br />
direct weer in stand A en schakelen de<br />
ruitenwissers automatisch uit.<br />
Ruitensproeiers (fig. 69)<br />
Als u de hendel naar het stuur trekt (onvergrendelde<br />
stand), schakelen de ruitensproeiers<br />
in.Als u de hendel aangetrokken<br />
houdt, schakelen de ruitenwissers in<br />
stand continu in. Als u de hendel loslaat,<br />
zal de wisser nog enkele slagen maken<br />
en vervolgens uitschakelen of doorgaan<br />
in de gekozen stand.<br />
fig. 68<br />
P4U00087<br />
Koplampsproeiers (fig. 70)<br />
(indien aanwezig)<br />
Deze treden in werking als u, bij ingeschakeld<br />
dim-/grootlicht, de ruitensproeiers<br />
inschakelt.<br />
fig. 69<br />
fig. 70<br />
P4U00088<br />
P4U00089
INSTRUMENTEN<br />
fig. 71 - uitvoeringen: T.SPARK<br />
P4U00090<br />
67
fig. 72 - uitvoering: 2.5 V6 24V<br />
68<br />
P4U00091
fig. 73 - uitvoeringen: JTD<br />
P4U00092<br />
69
BELANGRIJK Afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering<br />
kunnen de wijzerplaten <strong>van</strong> de instrumenten<br />
zijn uitgevoerd in lichtgrijs of<br />
zwart. De zwarte wijzerplaten zijn altijd<br />
verlicht als de contactsleutel in stand<br />
MAR staat.<br />
A - Snelheidsmeter<br />
BELANGRIJK Het meetbereik <strong>van</strong> de<br />
snelheidsmeter is afhankelijk <strong>van</strong> de<br />
motoruitvoering <strong>van</strong> de auto.<br />
B - Kilometerteller met display<br />
met dubbele functie (totaal en<br />
dagstand) en weergave buitentemperatuur<br />
(alleen bij uitvoeringen<br />
met airconditioning)<br />
Op het display wordt weergegeven:<br />
– op de eerste regel (6 cijfers) de totaalstand;<br />
– op de tweede regel (4 cijfers) de dagstand<br />
of de buitentemperatuur (indien <strong>van</strong><br />
toepassing).<br />
Houd om de dagteller op nul te zetten<br />
de drukknop (A-fig. 74) even ingedrukt.<br />
BELANGRIJK Als de accu wordt losgekoppeld,<br />
wordt de dagstand uit het geheugen<br />
gewist.<br />
70<br />
Druk voor weergave <strong>van</strong> de buitentemperatuur<br />
(indien aanwezig) kort op knopje<br />
(A); als u opnieuw de knop indrukt, verschijnt<br />
weer de dagtellerstand.<br />
Als de buitentemperatuur gelijk is aan of<br />
lager is dan 3°C geeft het display automatisch<br />
de buitentemperatuur weer en<br />
verschijnt het symbool (waarschuwing<br />
voor mogelijke gladheid).De aanduiding<br />
knippert gedurende 10 seconden en<br />
wordt na 20 seconden herhaald.<br />
Als u tijdens deze waarschuwingsfase<br />
knopje (A) indrukt, wordt de waarschuwingscyclus<br />
on<strong>der</strong>broken.<br />
C - Checkpanel (fig. 75)<br />
Het checkpanel geeft eventuele defecten<br />
of onregelmatigheden aan die de werking<br />
<strong>van</strong> de auto of de veiligheid negatief kunnen<br />
beïnvloeden.<br />
fig. 74 fig. 75<br />
P4U00093<br />
Het checkpanel controleert het volgende:<br />
1) Werking <strong>van</strong> de controle-/waarschuwingslampje.<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, gaan de lampjes branden. Na enkele<br />
seconden doven de volgende lampjes:<br />
A - Storing in ABS<br />
B - Storing in airbag<br />
C - Startblokkering <strong>Alfa</strong> Romeo CODE<br />
D - Te laag remvloeistofniveau en/of<br />
handrem aangetrokken<br />
2) Portieren of kofferdeksel geopend.<br />
Als u de sleutel in stand MAR draait en<br />
één <strong>van</strong> de lampjes met het auto-symbool<br />
(E) gaat branden, dan betekent dit dat<br />
het betreffende portier en het kofferdeksel<br />
niet goed zijn gesloten.<br />
P4U00094
D - Toerenteller<br />
Als de wijzernaald in het rode gebied<br />
staat, dan draait de motor met extreem<br />
hoge toerentallen. Het is raadzaam deze<br />
toerentallen slechts kort aan te houden.<br />
BELANGRIJK Het meetbereik en de<br />
gevarenzone (rood) <strong>van</strong> de toerenteller<br />
zijn afhankelijk <strong>van</strong> de motoruitvoering<br />
<strong>van</strong> de auto.<br />
BELANGRIJK De regeleenheid <strong>van</strong><br />
de elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk<br />
de toevoer <strong>van</strong> brandstof als de<br />
motor met te hoge toerentallen draait,<br />
waardoor het motorvermogen zal afnemen.<br />
E - Brandstofmeter met waarschuwingslampje<br />
<strong>van</strong> de reservebrandstof<br />
Dit instrument geeft het brandstofniveau<br />
in de tank aan.<br />
Het waarschuwingslampje geeft aan dat<br />
nog ongeveer 7 liter brandstof aanwezig is.<br />
BELANGRIJK On<strong>der</strong> bepaalde omstandigheden<br />
(bijv. bij sterke hellingen)<br />
kan de wijzernaald een hoeveelheid aangeven<br />
die niet overeenkomt met de werkelijke<br />
hoeveelheid in de tank. Bovendien<br />
kunnen wijzigingen in het brandstofniveau<br />
iets vertraagd worden aangegeven.<br />
Een elektronische regelsysteem voorkomt<br />
dat de wijzernaald heen en weer<br />
schommelt als gevolg <strong>van</strong> het klotsen <strong>van</strong><br />
de brandstof tijdens het rijden.<br />
F - Klokje (fig. 76)<br />
Het klokje is een elektronisch kwarts<br />
klokje.<br />
Druk voor het instellen <strong>van</strong> de tijd op<br />
knop (A).<br />
Elke keer als u het knopje indrukt, verspringt<br />
het klokje een minuut. Als u het<br />
betreffende knopje ingedrukt houdt,<br />
lopen de cijfers automatisch snel door. Als<br />
u dichtbij de juiste tijd bent, laat u het<br />
knopje los en stelt u de exacte waarde in<br />
door het knopje telkens in te drukken en<br />
los te laten.<br />
fig. 76<br />
P4U00095<br />
G - Koelvloeistoftemperatuurmeter<br />
met waarschuwingslampje voor te<br />
hoge koelvloeistoftemperatuur<br />
Het instrument geeft de temperatuur<br />
aan <strong>van</strong> de motorkoelvloeistof zodra de<br />
koelvloeistoftemperatuur hoger wordt<br />
dan ongeveer 50°C.<br />
On<strong>der</strong> normale omstandigheden staat<br />
de wijzernaald ongeveer in het midden<br />
<strong>van</strong> de schaal. Als de wijzernaald in de<br />
buurt komt <strong>van</strong> de maximale waarden,<br />
moet gas worden teruggenomen.<br />
Als het lampje gaat branden, betekent<br />
dit dat de koelvloeistoftemperatuur te<br />
hoog is; het is in dat geval raadzaam de<br />
motor uit te zetten en contact op te nemen<br />
met de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
BELANGRIJK De wijzernaald kan<br />
ook in het rode gebied komen, terwijl u<br />
met hoge buitentemperaturen langzaam<br />
rijdt.<br />
Het is in dat geval raadzaam om de<br />
auto te stoppen en de motor enige minuten<br />
uit te zetten. Rijd vervolgens ver<strong>der</strong>,<br />
zo mogelijk met een hogere snelheid.<br />
71
H - Controle-/waarschuwingslampjes<br />
BELANGRIJK De aanwezigheid <strong>van</strong><br />
een lampje is afhankelijk <strong>van</strong> de motoruitvoering<br />
en de uitrusting <strong>van</strong> de auto.<br />
x<br />
ken<br />
72<br />
Te laag remvloeistofniveau<br />
en/of handrem aangetrok-<br />
Als het lampje gaat branden, dan is of<br />
de remvloeistof in het reservoir on<strong>der</strong> het<br />
minimum niveau gedaald, bijvoorbeeld<br />
door lekkage in het remsysteem, of is de<br />
handrem aangetrokken.<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, gaat het lampje branden. Het<br />
moet na ongeveer 4 seconden doven.<br />
Als het lampje x tijdens<br />
het rijden gaat<br />
branden, moet u controleren<br />
of de handrem niet is aangetrokken.Als<br />
het lampje blijft<br />
branden en de handrem is niet<br />
aangetrokken, moet u onmiddellijk<br />
stoppen en contact opnemen<br />
met de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
¬<br />
Storing in airbag<br />
Als u de contactsleutel in stand<br />
MAR draait, gaat het lampje branden.<br />
Het moet na ongeveer 4 seconden doven.<br />
Het lampje gaat constant branden bij een<br />
storing in de werking <strong>van</strong> de airbag.<br />
Als het lampje ¬<br />
niet gaat branden, blijft<br />
branden of gaat branden<br />
tijdens het rijden, zet dan onmiddellijk<br />
de motor uit en wendt u tot<br />
de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Een defect lampje ¬<br />
(lampje gedoofd) wordt<br />
ook weergegeven doordat<br />
het lampje voor de uitgeschakelde<br />
passagiersairbag langer<br />
dan de normale 4 seconden knippert<br />
.<br />
v Te lage motoroliedruk<br />
Het lampje moet doven als de<br />
motor stationair draait.<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, gaat het lampje branden. Het<br />
moet doven nadat de motor is gestart.<br />
Als het lampje v tijdens<br />
het rijden gaat<br />
branden, zet dan onmiddellijk<br />
de motor uit en wendt<br />
u tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.
w<br />
Te lage laadstroom<br />
naar accu<br />
Het lampje moet doven als de motor<br />
draait (bij stationair draaiende motor kan<br />
het lampje iets later doven). Als het<br />
lampje blijft branden, dan moet u zich onmiddellijk<br />
tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer wenden.<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, gaat het lampje branden. Het<br />
moet doven nadat de motor is gestart.<br />
<<br />
Veiligheidsgordels<br />
niet omgelegd<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, gaat het lampje branden. Het<br />
moet na ongeveer 15 seconden doven.<br />
Het lampje (indien aanwezig) brandt<br />
continu als de contactsleutel in stand<br />
MAR staat en de veiligheidsgordel aan<br />
de bestuur<strong>der</strong>szijde niet is omgelegd.<br />
d<br />
Versleten remblokken<br />
Het lampje gaat branden als u<br />
het rempedaal intrapt en de remblokken<br />
voor zijn versleten; laat deze zo snel mogelijk<br />
ver<strong>van</strong>gen.<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, gaat het lampje branden. Het<br />
moet na ongeveer 4 seconden doven.<br />
BELANGRIJK Omdat de auto is uitgerust<br />
met een slijtage-indicator voor de<br />
remblokken voor moet u, als de remblokken<br />
worden ver<strong>van</strong>gen, ook de remblokken<br />
achter laten controleren. De JTDuitvoeringen<br />
beschikken alleen over een<br />
slijtagesensor op de rem linksvoor.<br />
U<br />
Storing in motormanagementsysteem<br />
(EOBD) (benzine-uitvoeringen)<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, gaat het lampje branden. Het moet<br />
doven nadat de motor is gestart. Het<br />
lampje gaat eerst branden om de<br />
juiste werking er<strong>van</strong> aan te geven.<br />
Als het lampje blijft branden of<br />
tijdens het rijden gaat branden:<br />
1) Constant branden: defect in het<br />
inspuit-/ontstekingssysteem. Dit kan tot<br />
gevolg hebben dat de schadelijke uitlaatgasemissie<br />
toeneemt, de prestaties vermin<strong>der</strong>en,<br />
de auto slechter rijdt en het<br />
brandstofverbruik toeneemt.<br />
U kunt on<strong>der</strong> deze omstandigheden<br />
doorrijden zon<strong>der</strong> te veel <strong>van</strong> de motor te<br />
eisen of met hoge snelheid te rijden. Als<br />
lang met een brandend waarschuwingslampje<br />
wordt doorgereden, kunnen beschadigingen<br />
ontstaan. Wendt u zo snel<br />
mogelijk tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer. Het<br />
lampje dooft als de storing verdwijnt. De<br />
storing wordt door het systeem in het geheugen<br />
opgeslagen.<br />
2) Knipperend: mogelijke beschadiging<br />
<strong>van</strong> de katalysator (zie de paragraaf<br />
“EOBD-systeem” in dit hoofdstuk).<br />
Als het lampje knippert, moet het gaspedaal<br />
worden losgelaten zodat de motor<br />
met lage toerentallen draait en het lampje<br />
niet meer knippert; u kunt met matige<br />
snelheid doorrijden waarbij rij-omstandigheden<br />
moeten worden vermeden die<br />
kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen<br />
<strong>van</strong> het lampje. U dient zo snel<br />
mogelijk contact op te nemen met de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
73
Als u de contactsleutel<br />
in stand MAR draait en<br />
het lampje U gaat niet<br />
branden of het gaat branden of<br />
knipperen tijdens het rijden, dan<br />
dient u zo snel mogelijk contact<br />
op te nemen met de <strong>Alfa</strong> Romeodealer.<br />
U<br />
74<br />
Storing in inspuit-systeem<br />
(JTD-uitvoeringen)<br />
Als u de contactsleutel in stand<br />
MAR draait, gaat het lampje branden.<br />
Het moet na ongeveer 4 seconden doven.<br />
Als het waarschuwingslampje constant<br />
blijft branden of tijdens het rijden gaat<br />
branden, moet u onmiddellijk stoppen en<br />
contact opnemen met een <strong>Alfa</strong> Romeodealer.<br />
¢<br />
Startblokkering<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo CODE<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, dan knippert het lampje één keer<br />
en daarna dooft het. Als de contactsleutel<br />
in stand MAR staat en het lampje<br />
blijft branden, dan duidt dit op een<br />
storing: zie “<strong>Alfa</strong> Romeo CODE”.<br />
BELANGRIJK Als de lampjes ¢ en<br />
U tegelijkertijd branden, dan duidt dit<br />
op een storing in de <strong>Alfa</strong> Romeo CODE.<br />
Voorgloei-bougies<br />
m (JTD-uitvoeringen)<br />
Het lampje gaat branden als u<br />
de contactsleutel in stand MAR draait.<br />
Het lampje dooft als de voorgloeibougies<br />
de juiste temperatuur hebben bereikt.<br />
Start de motor zodra het lampje gedoofd<br />
is. Als het lampje (bij bepaalde uitvoeringen/landen)<br />
na het starten ongeveer 30<br />
seconden gaat knipperen, betekent dit<br />
dat er een storing is in het voorgloeisysteem.<br />
Wendt u tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
c<br />
Water in het brandstoffilter<br />
(JTD-uitvoeringen)<br />
(indien aanwezig)<br />
Het lampje gaat tijdens het rijden constant<br />
branden als er water in het brandstoffilter<br />
aanwezig is.<br />
Als het lampje gaat branden, ook al is<br />
dit maar af en toe enkele seconden, dan<br />
moet u zich onmiddellijk tot de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer wenden om het systeem te<br />
laten aftappen. Hiermee wordt voorkomen<br />
dat er ernstige schade aan de inspuitpomp<br />
en het brandstofsysteem ontstaat<br />
en de motor onregelmatig gaat<br />
draaien.
Storing in ABS<br />
Het lampje gaat branden bij<br />
een storing in het ABS-systeem. Het conventionele<br />
remsysteem blijft werken.<br />
Neem zo spoedig mogelijk contact op<br />
met de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Als u de sleutel in stand MAR draait,<br />
gaat het lampje branden. Het moet na 4<br />
seconden weer doven<br />
De auto is uitgerust<br />
met een elektronische<br />
remdrukverdeling (EBD).<br />
Als bij een draaiende motor tegelijkertijd<br />
de waarschuwingslampjes<br />
> en x gaan branden, dan<br />
is er een storing in het EBD-systeem;<br />
in dat geval kunnen bij<br />
hard remmen de achterwielen<br />
vroegtijdig blokkeren waardoor<br />
de auto kan gaan slippen. Rijd<br />
zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer om het<br />
systeem te laten controleren.<br />
Als bij een draaiende<br />
motor alleen het waarschuwingslampje<br />
><br />
gaat branden, dan is er een storing<br />
in het ABS-systeem. In dat<br />
geval werkt het conventionele<br />
remsysteem op de normale manier,<br />
terwijl geen gebruik wordt<br />
gemaakt <strong>van</strong> het anti-blokkeersysteem.<br />
On<strong>der</strong> deze omstandigheden<br />
kan ook de werking <strong>van</strong><br />
het EBD-systeem vermin<strong>der</strong>en.<br />
Ook in dit geval raden wij u aan<br />
onmiddellijk en zeer voorzichtig<br />
naar de dichtstbijzijnde <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer te rijden, om het<br />
systeem te laten controleren.<br />
Airbag passagierszijde<br />
uitgeschakeld<br />
(indien aanwezig)<br />
Het lampje gaat branden als de airbag<br />
aan passagierszijde is uitgeschakeld.<br />
Als de passagiersairbag is ingeschakeld<br />
en u zet de contactsleutel in stand<br />
MAR, dan gaat het lampje ongeveer 4<br />
seconden branden en vervolgens 4 seconden<br />
knipperen. Hierna moet het<br />
lampje doven.<br />
Als het lampje langer<br />
dan de normale 4<br />
seconden gaat knipperen<br />
en het lampje storing airbag ¬<br />
is gedoofd, dan is er een storing<br />
in het lampje ¬ zelf. Wendt u in<br />
dit geval onmiddellijk tot de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
75
R<br />
Richtingaanwijzers<br />
links (knipperend)<br />
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel<br />
(pijlen) omlaag<br />
wordt gezet of samen met het lampje<br />
<strong>van</strong> de rechter richtingaanwijzer, als de<br />
drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten<br />
wordt ingedrukt.<br />
E<br />
Richtingaanwijzers<br />
rechts (knipperend)<br />
Het GROENE lampje gaat branden als<br />
de richtingaanwijzerhendel (pijlen)<br />
omhoog wordt gezet of samen met het<br />
lampje <strong>van</strong> de linker richtingaanwijzer,<br />
als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten<br />
wordt ingedrukt.<br />
76<br />
4<br />
Mistachterlicht<br />
Het lampje gaat branden als het<br />
mistachterlicht wordt ingeschakeld.<br />
3<br />
Buitenverlichting en<br />
dimlichten<br />
Het lampje gaat branden als de buitenverlichting<br />
of de dimlichten worden ingeschakeld.<br />
Storing in verlichting<br />
Het lampje gaat branden als er<br />
een storing is in één <strong>van</strong> de volgende systemen:<br />
– remlichten<br />
– mistachterlicht<br />
– buitenverlichting<br />
– kentekenverlichting.<br />
De storing kan veroorzaakt zijn door het<br />
doorbranden <strong>van</strong> een of meer lampen,<br />
het doorbranden <strong>van</strong> de bijbehorende<br />
zekering of door een on<strong>der</strong>breking in de<br />
elektrische verbinding.<br />
5<br />
Mistlampen voor<br />
(indien aanwezig)<br />
Het lampje gaat branden als de mistlampen<br />
voor worden ingeschakeld.<br />
Richtingaanwijzers <strong>van</strong><br />
een eventuele aanhanger<br />
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel<br />
omlaag of omhoog<br />
wordt gezet en als de drukknop voor de<br />
waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt<br />
1<br />
Grootlicht<br />
Het lampje gaat branden als het<br />
grootlicht wordt ingeschakeld.
KLIMAATREGELING<br />
fig. 77<br />
P4U00096<br />
1 Luchtroosters in het midden voor ontwasemen/ontdooien<br />
<strong>van</strong> voorruit.<br />
2 Verstelbare zijroosters boven.<br />
3 Luchtroosters voor ontwasemen/ontdooien<br />
<strong>van</strong> zijruiten voor.<br />
4 Verstel- en regelbare uitstroomopeningen<br />
aan zijkant.<br />
5 Verstelbaar luchtrooster boven.<br />
6 Verstel- en regelbare luchtroosters in<br />
het midden.<br />
7 Luchtroosters in beenruimte voor.<br />
8 Luchtroosters in beenruimte achter.<br />
9 Verstel- en regelbare uitstroomopeningen<br />
achter.<br />
77
BOVENSTE LUCHTROOSTER<br />
VERSTELLEN (fig. 78)<br />
Het rooster (1) kan met knop (B) worden<br />
geopend en gesloten.<br />
= Geheel geopend.<br />
● = Geheel gesloten.<br />
fig. 78<br />
fig. 79<br />
78<br />
P4U00097<br />
P4U00098<br />
LUCHTROOSTERS IN HET<br />
MIDDEN VERSTELLEN (fig. 78)<br />
Beide roosters (2) zijn voorzien <strong>van</strong><br />
een hendeltje (A) waarmee de luchtstroom<br />
in horizontale richting kan worden<br />
afgesteld. De luchtopbrengst kan<br />
met wieltje (C) worden geregeld.<br />
= Geheel geopend.<br />
● = Geheel gesloten.<br />
ZIJROOSTERS BOVEN<br />
VERSTELLEN (fig. 79)<br />
Aan beide uiteinden <strong>van</strong> het dashboard<br />
bevindt zich een regelbaar luchtrooster<br />
(A) voor de ventilatie in de auto en een<br />
vast luchtrooster (B) voor ontwaseming/<br />
ontdooiing <strong>van</strong> de zijruiten.<br />
fig. 80<br />
P4U00099<br />
De luchtopbrengst kan met wieltje (C)<br />
worden geregeld.<br />
= Geheel geopend.<br />
● = Geheel gesloten.<br />
VERSTELBARE EN REGELBARE<br />
UITSTROOMOPENINGEN<br />
Fig. 80: zitplaatsen voor (aan de uiteinden<br />
<strong>van</strong> het dashboard)<br />
Fig. 81: zitplaatsen achter (op de<br />
tunnelconsole tussen de stoelen)<br />
Bedien voor het regelen <strong>van</strong> de luchtopbrengst<br />
de hendeltjes (A) voor het openen/sluiten.<br />
De luchtstroom kan gericht worden door<br />
de uitstroomopening te draaien met de<br />
lamellen.<br />
fig. 81<br />
P4U00100
VERWARMING<br />
EN VENTILATIE<br />
BESCHRIJVING<br />
BEDIENINGSKNOPPEN (fig. 82)<br />
A - Draaiknop regeling luchttemperatuur;<br />
B - Draaiknop regeling aanjagersnelheid;<br />
C - Draaiknop regeling luchtverdeling;<br />
D -Drukknop in-/uitschakelen<br />
luchtrecirculatie; E -Drukknop in-/uitschakelen<br />
achterruitverwarming.<br />
Draaiknop voor regeling luchttemperatuur<br />
Draai knop (A) rechts- of linksom om<br />
de temperatuur <strong>van</strong> de lucht naar het interieur<br />
resp. te verhogen of verlagen<br />
fig. 82<br />
Draaiknop voor regeling<br />
aanjagersnelheid<br />
Met knop (B) kan een <strong>van</strong> de aanjagersnelheden<br />
worden gekozen, waardoor de<br />
hoeveelheid lucht naar het interieur kan<br />
worden ingesteld:<br />
– In stand 0 wordt er uitsluitend lucht<br />
door de rijwind (bij een rijdende auto) in<br />
het interieur gevoerd.<br />
– In de standen 1 t/m 4 worden achtereenvolgens<br />
de vier snelheden <strong>van</strong> de aanjager<br />
ingeschakeld; als u met lage snelheid<br />
rijdt, is het raadzaam de aanjager in te<br />
schakelen voor een betere ventilatie.<br />
Draaiknop voor luchtverdeling<br />
Door de draaiknop (C) met het merkteken<br />
tegenover de symbolen te zetten,<br />
kunnen de volgende standen worden gekozen:<br />
P4U00101<br />
¥ Luchtstroom naar de bovenste luchtroosters<br />
in het midden en aan de zijkant,<br />
naar de luchtroosters in het midden, en<br />
uit de uitstroomopeningen voor aan de<br />
zijkant en achter. De luchtstroom kan<br />
worden geregeld met de bedieningsorganen<br />
<strong>van</strong> de luchtroosters.<br />
Luchtstroom verdeeld over de hiervoor<br />
beschreven luchtroosters en de uitstroomopeningen<br />
in de beenruimten.<br />
w Luchtstroom naar de beenruimten.<br />
≤ Luchtstroom verdeeld over voorruit/zijruiten<br />
voor en de beenruimten.<br />
- Luchtstroom naar de voorruit en<br />
zijruiten voor ontwasemen/ontdooien.<br />
Drukknop voor in-/<br />
uitschakelen recirculatiefunctie<br />
Als u knop (D) indrukt, wordt de<br />
recirculatie ingeschakeld en gaat het betreffende<br />
lampje branden.<br />
Bij ingeschakelde recirculatie komt er<br />
geen buitenlucht meer in het interieur en<br />
wordt voor bijvoorbeeld een snelle verwarming,<br />
de lucht in het interieur<br />
direct behandeld mits de aanjager in een<br />
stand tussen 1 en 4 staat.<br />
Druk de knop nogmaals in om de recirculatiefunctie<br />
uit te schakelen.<br />
79
BELANGRIJK Het verdient aanbeveling<br />
om de recirculatiefunctie in te schakelen<br />
in de file of in tunnels. Hiermee wordt<br />
voorkomen dat vervuilde lucht het interieur<br />
bereikt.Het is raadzaam het systeem<br />
niet lang achter elkaar te gebruiken, vooral<br />
niet als u met meer<strong>der</strong>e personen in de<br />
auto zit.<br />
BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie<br />
kan de lucht sneller verwarmd<br />
worden als de behandelde lucht een<br />
hogere temperatuur heeft dan de buitenlucht.<br />
Het is echter niet raadzaam deze<br />
functie in te schakelen op regenachtige of<br />
koude dagen, omdat dan de ruiten aan<br />
de binnenzijde aanzienlijk sneller beslaan.<br />
Drukknop voor in-/uitschakelen<br />
achterruitverwarming<br />
Als u knop ( (E) indrukt, worden de<br />
achterruitverwarming en (indien aanwezig)<br />
de spiegelverwarming ingeschakeld,<br />
en gaat het betreffende lampje branden.<br />
De functie is voorzien <strong>van</strong> een tijdschakeling,<br />
waardoor de functie na enige minuten<br />
automatisch wordt uitgeschakeld.<br />
U kunt de verwarming eer<strong>der</strong> uitschakelen<br />
door nogmaals de knop in te drukken.<br />
80<br />
BELANGRIJK Plak geen stickers of<br />
an<strong>der</strong>e plaatjes op de elektrische weerstandsdraden<br />
aan de binnenzijde <strong>van</strong> de<br />
achterruit, om beschadiging <strong>van</strong> de<br />
achterruitverwarming te voorkomen.<br />
Let er bij het schoonmaken<br />
<strong>van</strong> de binnenzijde<br />
<strong>van</strong> de achterruit op<br />
dat de elektrische weerstandsdraden<br />
niet beschadigd worden.<br />
VERWARMING<br />
Ga voor het instellen <strong>van</strong> de gewenste<br />
temperatuur als volgt te werk:<br />
– draai knop (A) voor de temperatuurregeling<br />
in het RODE gebied.<br />
– draai knop (B) voor de luchtopbrengst<br />
in de gewenste stand.<br />
– draai knop (C) voor de luchtverdeling<br />
in stand:<br />
µLuchtstroom naar de bovenste luchtroosters<br />
in het midden en aan de zijkant,<br />
naar de luchtroosters in het midden, en<br />
uit de uitstroomopeningen voor aan de<br />
zijkant en achter en de uitstroomopeningen<br />
in de beenruimten (bij een koele of<br />
koude buitentemperatuur).<br />
w Voor verwarming <strong>van</strong> de beenruimten<br />
(bij een zeer lage buitentemperatuur).<br />
≤<br />
Luchtstroom verdeeld over voorruit/zijruiten<br />
voor en de beenruimten<br />
(om het beslaan <strong>van</strong> de voorruit en de<br />
zijruiten voor te voorkomen).<br />
BELANGRIJK Ga voor een maximale<br />
verwarming als volgt te werk:<br />
bij koude motor<br />
d.w.z. als de koelvloeistoftemperatuur<br />
lager is dan 70 °C (wijzer <strong>van</strong> de koelvloeistoftemperatuurmeter<br />
staat links<br />
<strong>van</strong> het midden <strong>van</strong> de schaal <strong>van</strong> 50<br />
tot 90 °C):<br />
– draai knop (A) rechtsom in de<br />
uiterste stand;<br />
– zet draaiknop (B) op aanjagersnelheid<br />
1 of 2 (draaiknop op 1 of 2);<br />
bij warme motor<br />
d.w.z. als de koelvloeistoftemperatuur<br />
hoger is dan 70 °C (wijzer <strong>van</strong> de koelvloeistoftemperatuurmeter<br />
staat boven<br />
het midden <strong>van</strong> de schaal <strong>van</strong> 50 tot 90<br />
°C):<br />
– draai knop (A) rechtsom in de<br />
uiterste stand;<br />
– zet draaiknop (B) op de maximale<br />
aanjagersnelheid (draaiknop op 4).
ONTWASEMING EN/OF<br />
ONDOOIIING VAN DE VOOR-<br />
RUIT EN ZIJRUITEN VOOR<br />
– Schakel de recirculatie uit (lampje op<br />
knop (D) gedoofd), als deze was ingeschakeld.<br />
– Draai knop (A) voor regeling <strong>van</strong> de<br />
temperatuur rechtsom in de uiterste stand<br />
(RODE gebied).<br />
– Zet knop (B) voor regeling <strong>van</strong> de<br />
luchtopbrengst op de maximale aanjagersnelheid.<br />
– Zet knop (C) voor de luchtverdeling<br />
op symbool -.<br />
Nadat de ruiten ontwasemd/ontdooid<br />
zijn, kan een stand gekozen worden<br />
waarbij het zicht en het comfort optimaal<br />
blijven.<br />
BELANGRIJK Ontdooien vindt het<br />
snelst plaats bij een warme motor.<br />
BELANGRIJK Als het buiten extreem<br />
vochtig is en/of bij regen en/of bij grote<br />
verschillen in interieur- en buitentemperatuur,<br />
raden wij u de volgende procedure<br />
aan om het beslaan <strong>van</strong> de ruiten te voorkomen:<br />
– luchtrecirculatie uitgeschakeld, lampje<br />
op knop (D) gedoofd;<br />
– draaiknop voor temperatuur <strong>van</strong> de<br />
lucht uit de uitstroomopeningen (A) in<br />
het rode gebied;<br />
– aanjager ten minste in stand 3;<br />
– draaiknop voor luchtverdeling (C) op<br />
symbool - met de mogelijkheid stand<br />
≤<br />
in te schakelen als de ruiten dreigen<br />
te beslaan;<br />
Druk om de achterruit te ontdooien of<br />
te ontwasemen op knop ( (E).<br />
VENTILATIE<br />
– draai knop (A) voor temperatuurregeling<br />
in het BLAUWE gebied.<br />
– draai knop (B) voor regeling luchtopbrengst<br />
in de gewenste stand.<br />
– zet knop (C) voor luchtverdeling op<br />
symbool ¥ .<br />
Op kille dagen kan het nuttig zijn het interieur<br />
iets te verwarmen.<br />
Draai hiervoor knop (A) iets rechtsom<br />
(begin RODE gebied) en draai knop (C)<br />
op het symbool µ .<br />
AIRCONDITIONING,<br />
AUTOMATISCH<br />
(indien aanwezig)<br />
De airconditioning<br />
maakt gebruik <strong>van</strong> het<br />
koelmiddel “R134a”. Bij<br />
lekkage is dit middel niet schadelijk<br />
voor het milieu.<br />
Gebruik in geen geval an<strong>der</strong>e<br />
middelen, omdat an<strong>der</strong>s de componenten<br />
<strong>van</strong> het systeem beschadigd<br />
kunnen worden.<br />
Met de airconditioning kan de gewenste<br />
temperatuur in het interieur constant<br />
worden gehouden.<br />
Ga hiervoor als volgt te werk:<br />
– zet draaiknop (A-fig. 83) op de gewenste<br />
temperatuur;<br />
– zet draaiknop (B) in stand AUTO.<br />
BELANGRIJK De aircocompressor kan<br />
handmatig of automatisch worden in-/uitgeschakeld.<br />
Voor het wisselen tussen de<br />
twee mogelijkheden wordt verwezen naar<br />
de paragraaf “Automatische of handmatige<br />
bediening <strong>van</strong> de compressor”.<br />
81
BESCHRIJVING BEDIENINGS-<br />
KNOPPEN (fig. 83)<br />
A - Draaiknop regeling luchttemperatuur;<br />
B - Draaiknop regeling aanjagersnelheid;<br />
C - Draaiknop luchtverdeling;<br />
D - Drukknop voor in-/uitschakeling aircocompressor;<br />
E - Drukknop voor in-/uitschakeling luchtrecirculatie;<br />
F - Drukknop voor in-/uitschakeling achterruit-<br />
en spiegelverwarming.<br />
Draaiknop voor regeling luchttemperatuur<br />
Draai de knop (A) rechts- of linksom<br />
om de temperatuur <strong>van</strong> de lucht naar het<br />
interieur resp. te verhogen of verlagen<br />
Als draaiknop (B) in stand AUTO staat<br />
en draaiknop (A) in een uiterste stand<br />
wordt gedraaid (linksom/rechtsom), wor-<br />
fig. 83<br />
82<br />
den resp. de functies voor maximale koeling<br />
en maximale verwarming ingeschakeld.<br />
Draaiknop voor regeling aanjagersnelheid<br />
Zet draaiknop (B):<br />
– in stand 0 om de airconditioning volledig<br />
uit te schakelen en de luchtrecirculatie in te<br />
schakelen: U kunt de recirculatiefunctie uitschakelen<br />
met drukknop (E). Als de draaiknop<br />
in stand 0 staat en de recirculatie is uitgeschakeld,<br />
kan er rijwind in de auto komen;<br />
– kies stand AUTO voor een optimale<br />
werking <strong>van</strong> het systeem zodat zo snel<br />
mogelijk de gewenste temperatuur wordt<br />
bereikt;<br />
– kies één <strong>van</strong> de vier aanjagersnelheden<br />
om de beschikbare luchthoeveelheid<br />
te regelen en zo de gewenste temperatuur<br />
te handhaven.<br />
P4U00102<br />
Draaiknop voor luchtverdeling<br />
Door draaiknop (C) met het merkteken<br />
tegenover de symbolen te zetten, kunnen<br />
de volgende standen worden gekozen:<br />
¥ Luchtstroom naar de bovenste luchtroosters<br />
in het midden en aan de zijkant,<br />
naar de luchtroosters in het midden, en<br />
uit de uitstroomopeningen voor aan de<br />
zijkant en achter.<br />
De luchtstroom kan worden geregeld met<br />
de bedieningsorganen <strong>van</strong> de luchtroosters.<br />
µ Luchtstroom verdeeld over de hiervoor<br />
beschreven luchtroosters en de uitstroomopeningen<br />
in de beenruimten.<br />
w Luchtstroom naar de beenruimten.<br />
≤ Luchtstroom verdeeld over voorruit/zijruiten<br />
voor en de beenruimten.<br />
- Luchtstroom naar de voorruit en<br />
zijruiten voor ontwasemen/ontdooien.<br />
MAX<br />
- Luchtstroom en automatische werking<br />
voor een snelle ontwaseming/ontdooiing<br />
<strong>van</strong> de voorruit en zijruiten voor,<br />
en verwarming <strong>van</strong> de achterruit en spiegels<br />
(zie paragraaf “Snelle ontwaseming<br />
en/of ontdooiing <strong>van</strong> de voorruit, de zijruiten<br />
voor en de achterruit”).
Drukknop voor in-/<br />
uitschakelen airconditioning<br />
Als u op knop (D) drukt, schakelt<br />
de aircocompressor in, behalve als draaiknop<br />
(B) voor regeling <strong>van</strong> de aanjagersnelheid<br />
in stand 0 staat. Als het systeem<br />
is ingeschakeld, brandt het betreffende<br />
lampje. De compressor werkt alleen bij<br />
een draaiende motor.<br />
Als de gewenste temperatuur lager is dan<br />
de buitentemperatuur, wordt de compressor<br />
automatisch ingeschakeld en gaat het lampje<br />
op knop (D) branden.<br />
Automatische of handmatige<br />
bediening <strong>van</strong> de compressor<br />
Automatische werking <strong>van</strong> compressor inschakelen.<br />
Ga als volgt te werk fig. 83:<br />
Uitgangsomstandigheden:<br />
– contactsleutel in stand STOP;<br />
– draai knop (A) rechtsom in de uiterste<br />
stand (maximale verwarming);<br />
– zet draaiknop (B) in stand 0;<br />
– zet draaiknop (C) in stand ¥ .<br />
Automatische werking inschakelen:<br />
– draai de contactsleutel in stand MAR<br />
(zon<strong>der</strong> de motor te starten);<br />
– zet knop (B) achtereenvolgens in<br />
stand AUTO-0-AUTO-0;<br />
– draai de contactsleutel in stand STOP.<br />
Als u de procedure herhaalt, wordt weer<br />
de handmatige werking ingeschakeld, waardoor<br />
de compressor alleen wordt ingeschakeld<br />
als u dat wilt, behalve in de gevallen<br />
en MAX<br />
- die staan aangegeven in de<br />
tabel FUNCTIES VAN DE AUTOMATISCH GE-<br />
REGELDE AIRCONDITIONING.<br />
BELANGRIJK Als na het starten <strong>van</strong><br />
de motor het controlelampje ingeschakelde<br />
compressor (knop D) ongeveer 15 seconden<br />
gaat knipperen, is er een storing<br />
in de airconditioning. Wendt u tot de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
Drukknop voor in-/<br />
uitschakelen recirculatiefunctie<br />
Als u knop (E) indrukt, wordt de<br />
recirculatie ingeschakeld en gaat het betreffende<br />
lampje branden.<br />
Hierdoor komt geen buitenlucht meer in<br />
het interieur en wordt de lucht in het interieur<br />
direct behandeld, mits de aanjager<br />
in een stand tussen AUTO en 4 staat.<br />
Druk de knop nogmaals in om de recirculatiefunctie<br />
uit te schakelen.<br />
Als de recirculatie wordt ingeschakeld,<br />
wordt, behalve als draaiknop (B) voor regeling<br />
<strong>van</strong> de aanjagersnelheid in stand<br />
0 staat, automatisch ook de compressor<br />
ingeschakeld en gaat het betreffende<br />
lampje branden om het beslaan <strong>van</strong> de<br />
ruiten te voorkomen. U kunt de compressor<br />
uitschakelen met drukknop (D).<br />
BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie<br />
kunnen, afhankelijk <strong>van</strong> de werking<br />
<strong>van</strong> het systeem “Verwarming” of<br />
“Koeling”, de gewenste omstandigheden<br />
sneller bereikt worden. Het is echter niet<br />
raadzaam deze functie handmatig in te<br />
schakelen op regenachtige of koude dagen,<br />
omdat dan de ruiten aan de binnenzijde<br />
aanzienlijk sneller kunnen beslaan,<br />
vooral als de airconditioning niet is ingeschakeld.<br />
BELANGRIJK Het verdient aanbeveling<br />
om de recirculatiefunctie in te schakelen<br />
in de file of in tunnels. Hiermee wordt<br />
voorkomen dat vervuilde lucht het interieur<br />
bereikt. Het is raadzaam het systeem<br />
niet lang achter elkaar te gebruiken, vooral<br />
niet als u met meer<strong>der</strong>e personen in de<br />
auto zit.<br />
83
BELANGRIJK De status en de wijze<br />
waarop de compressor en de recirculatie<br />
werken, worden aangegeven door de<br />
lampjes op de betreffende knoppen (D)<br />
en (E) en ook bij afgezette motor opgeslagen.<br />
Als de motor wordt gestart, dan worden<br />
de beide functies ingeschakeld, als ze<br />
daarvoor ook ingeschakeld waren.<br />
84<br />
Drukknop voor in-/uitschakelen<br />
achterruitverwarming<br />
Als u knop ( (F) indrukt, dan worden<br />
de achterruit- en de spiegelverwarming<br />
ingeschakeld en gaat het bijbehorende<br />
lampje branden.<br />
De functie is voorzien <strong>van</strong> een tijdschakeling,<br />
waardoor de functie na enige minuten<br />
automatisch wordt uitgeschakeld.<br />
U kunt de verwarming eer<strong>der</strong> uitschakelen<br />
door nogmaals de knop in te drukken.<br />
BELANGRIJK Plak geen stickers of<br />
an<strong>der</strong>e plaatjes op de elektrische weerstandsdraden<br />
aan de binnenzijde <strong>van</strong> de<br />
achterruit om beschadiging <strong>van</strong> de achterruitverwarming<br />
te voorkomen.<br />
fig. 84<br />
P4U00103<br />
Let er bij het schoonmaken<br />
<strong>van</strong> de binnenzijde<br />
<strong>van</strong> de achterruit op<br />
dat de elektrische<br />
weerstandsdraden niet beschadigd<br />
worden.<br />
Temperatuursensoren<br />
De sensor voor de interieurtemperatuur<br />
(G-fig. 84) bevindt zich op het instrumentenpaneel<br />
naast de knop voor regeling<br />
<strong>van</strong> de luchttemperatuur. De sensor<br />
voor de buitentemperatuur bevindt zich<br />
on<strong>der</strong> de buitenspiegel aan de passagierszijde<br />
(H-fig. 85).<br />
BELANGRIJK De sensoren mogen<br />
nooit worden opengemaakt. Wendt u bij<br />
twijfel over de juiste werking tot de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
fig. 85<br />
P4U00104
Pollenfilter met actievekooldeeltjes<br />
Het filter reinigt de lucht mechanisch via<br />
het elektrostatische principe, zodat de in<br />
het interieur ingevoerde lucht gezuiverd is<br />
en geen stofdeeltjes, pollen enz. bevat.<br />
Door de laag actieve kool aan de on<strong>der</strong>zijde<br />
<strong>van</strong> het pollenfilter wordt ook de<br />
concentratie <strong>van</strong> luchtverontreinigende<br />
bestanddelen vermin<strong>der</strong>d.<br />
Het filter werkt als er buitenlucht in het<br />
interieur stroomt (recirculatie uitgeschakeld)<br />
en functioneert het best als de ruiten<br />
zijn gesloten<br />
Laat het filter ten minste één keer per<br />
jaar controleren door de <strong>Alfa</strong> Romeodealer,<br />
bij voorkeur aan het begin <strong>van</strong> het<br />
zomerseizoen.<br />
Als de auto veel over stoffige wegen of<br />
bij geconcentreerde luchtvervuiling rijdt,<br />
moet het pollenfilter vaker worden gecontroleerd<br />
en ver<strong>van</strong>gen dan in het on<strong>der</strong>houdsschema<br />
staat aangegeven.<br />
Een niet tijdig ver<strong>van</strong>gen<br />
filter kan het rendement<br />
<strong>van</strong> de klimaatregeling<br />
aanzienlijk beperken.<br />
KOELING<br />
Ga voor het koelen <strong>van</strong> de lucht, bij<br />
draaiende motor en gesloten ruiten, als<br />
volgt te werk:<br />
– zet knop (A) voor de temperatuurregeling<br />
in de gewenste stand.<br />
– zet knop (B) voor de luchtopbrengst<br />
op de<br />
– gewenste snelheid om de luchttoevoer<br />
te regelen<br />
– op AUTO als u de automatische<br />
werking <strong>van</strong> de aanjager wilt inschakelen<br />
(de gewenste temperatuur wordt hierdoor<br />
sneller bereikt).<br />
– zet knop (C) voor de luchtverdeling<br />
op symbool ¥ .<br />
– Zijroosters en bovenste luchtroosters<br />
geheel open.<br />
– Knop (D) voor inschakeling compressor<br />
ingedrukt (lampje brandt).<br />
Voor een gematigde koeling moet u de<br />
temperatuur verhogen door draaiknop<br />
(A) rechtsom te draaien.<br />
Als de werking <strong>van</strong> de compressor automatisch<br />
wordt geregeld en met draaiknop<br />
(A) een lagere temperatuur wordt ingesteld<br />
dan de buitentemperatuur, wordt de<br />
compressor automatisch ingeschakeld en<br />
gaat het lampje op knop (D) branden.<br />
BELANGRIJK Ga voor maximale<br />
koeling als volgt te werk:<br />
– draai knop (A) linksom in de uiterste<br />
stand (minimale temperatuur);<br />
– zet draaiknop (B) op AUTO.<br />
Op deze manier wordt een minimale<br />
temperatuur verkregen met maximale<br />
luchtopbrengst.<br />
Als de recirculatie wordt ingeschakeld<br />
met knop (E), wordt de lucht sneller<br />
gekoeld.<br />
Het verdient aanbeveling om de airconditioning<br />
slechts zeer kort of alleen bij zeer<br />
hoge temperaturen maximaal te laten koelen.<br />
Hierdoor wordt een te sterke afkoeling<br />
<strong>van</strong> het interieur voorkomen.<br />
85
ONTWASEMING EN/OF ONT-<br />
DOOIING VAN DE VOORRUIT<br />
EN ZIJRUITEN VOOR<br />
– schakel de recirculatie uit (lampje op<br />
knop (E) gedoofd), als deze was ingeschakeld.<br />
– zet draaiknop (C) voor de luchtverdeling<br />
op symbool -.<br />
– schakel de compressor in, lampje op<br />
knop (D) brandt.<br />
Nadat de ruiten ontwasemd/ontdooid<br />
zijn, kan een stand gekozen worden<br />
waarbij het zicht en het comfort optimaal<br />
blijven.<br />
BELANGRIJK Ontdooien vindt het<br />
snelst plaats bij een warme motor.<br />
BELANGRIJK Als het buiten extreem<br />
vochtig is en/of bij regen en/of bij grote<br />
verschillen in interieur- en buitentemperatuur,<br />
raden wij u de volgende procedure aan om<br />
het beslaan <strong>van</strong> de ruiten te voorkomen:<br />
– luchtrecirculatie uitgeschakeld, lampje<br />
op knop (E) gedoofd;<br />
– draaiknop voor de aanjager ten minste<br />
in stand 2;<br />
86<br />
– zet de knop <strong>van</strong> de luchtverdeling<br />
(C) op symbool - met de mogelijkheid<br />
stand ≤ in te schakelen als de ruiten<br />
dreigen te beslaan;<br />
– aircocompressor ingeschakeld, lampje<br />
op knop (D) brandt.<br />
BELANGRIJK Een belangrijk kenmerk<br />
<strong>van</strong> de airconditioning is dat deze<br />
de lucht ontvochtigt. Het is daarom altijd<br />
aan te raden om de aircocompressor in te<br />
schakelen met knop (D) om het beslaan<br />
<strong>van</strong> de ruiten te voorkomen.<br />
Druk om de achterruit te ontdooien of<br />
ontwasemen op knop ( (F).<br />
SNEL ONTDOOIEN/-<br />
ONTWASEMEN VAN DE<br />
VOORRUIT, DE ZIJRUITEN<br />
VOOR EN DE ACHTERRUIT<br />
Als de functie MAX<br />
- is ingeschakeld, werkt<br />
het systeem automatisch, zoals hierna<br />
aangegeven, voor een snelle ontwaseming/ontdooiing<br />
<strong>van</strong> de voorruit, de zijruiten<br />
voor en de achterruit:<br />
– maximale luchtopbrengst en hoogste<br />
temperatuur;<br />
– luchtrecirculatie uitgeschakeld (lampje<br />
op knop (E) gedoofd) waarbij lucht<br />
<strong>van</strong> buiten binnenstroomt;<br />
– compressor ingeschakeld (lampje op<br />
knop (D) brandt);<br />
–luchtverdeling naar de voorruit en zijruiten<br />
voor;<br />
– achterruitverwarming ingeschakeld<br />
(lampje op knop ( (F) brandt);<br />
– verwarming buitenspiegels.<br />
Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan<br />
met de draaiknop voor de luchtverdeling<br />
een stand gekozen worden waarbij het<br />
zicht optimaal blijft.<br />
Voor een nog betere werking <strong>van</strong> het<br />
systeem is het raadzaam de uitstroomopeningen<br />
voor de zitplaatsen achter, op<br />
de tunnelconsole tussen de stoelen, te<br />
sluiten.<br />
BELANGRIJK Bij een warme motor<br />
werkt de functie MAX<br />
- maximaal (zie (*)<br />
bij de tabel Functies <strong>van</strong> de automatisch<br />
geregelde airconditioning).
VERWARMING<br />
Ga voor het instellen <strong>van</strong> de gewenste<br />
temperatuur als volgt te werk:<br />
– Zet knop (A) voor de temperatuurregeling<br />
in de gewenste stand.<br />
– Draai knop (B) voor de luchtopbrengst:<br />
– op de gewenste snelheid om de<br />
luchttoevoer te regelen<br />
– in stand AUTO voor automatische<br />
werking <strong>van</strong> de aanjager.<br />
– Draaiknop (C) regeling luchtverdeling:<br />
µ Luchtstroom naar de bovenste luchtroosters<br />
in het midden en aan de zijkant,<br />
naar de luchtroosters in het midden en uit<br />
de uitstroomopeningen aan de zijkant en<br />
achter en de uitstroomopeningen in de<br />
beenruimten (bij een koele of koude buitentemperatuur).<br />
w Voor verwarming <strong>van</strong> de beenruimten<br />
(bij een zeer koude buitentemperatuur).<br />
≤ Luchtstroom verdeeld over voorruit/zijruiten<br />
voor en de beenruimten<br />
(om het beslaan <strong>van</strong> de voorruit en de<br />
zijruiten voor te voorkomen).<br />
BELANGRIJK Ga voor maximale<br />
verwarming als volgt te werk:<br />
– draai knop (A) rechtsom in de uiterste<br />
stand (maximale temperatuur);<br />
– zet draaiknop (B) op AUTO.<br />
Op deze manier wordt snel een maximale<br />
temperatuur verkregen met een<br />
maximale luchtopbrengst (zie (*) bij de<br />
tabel Functies <strong>van</strong> de automatisch geregelde<br />
airconditioning).<br />
Het verdient aanbeveling om de airconditioning<br />
slechts zeer kort of alleen bij<br />
zeer lage temperaturen maximaal te laten<br />
verwarmen. Hierdoor wordt een te<br />
sterke verwarming <strong>van</strong> het interieur voorkomen.<br />
87
AUTOMATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING<br />
(•) Alleen als het systeem is ingesteld volgens de aanwijzingen in de paragraaf “Automatische of handmatige bediening <strong>van</strong> de compressor”.<br />
(••) Alleen als draaiknop (B) voor regeling <strong>van</strong> de aanjagersnelheid niet in stand 0 staat.<br />
(*) Bij een “koude” auto (lage buitentemperatuur, lage interieurtemperatuur en lage koelvloeistoftemperatuur) wordt de luchtopbrengst vermin<strong>der</strong>d tot<br />
35% <strong>van</strong> de maximale luchtopbrengst, om te voorkomen dat er in het interieur een te grote toevoer is <strong>van</strong> koude lucht.<br />
(**) De temperatuur <strong>van</strong> de verspreide lucht staat in relatie tot de koelvloeistoftemperatuur.<br />
88<br />
Uitgevoerde handeling Automatisch geregelde Zichtbare Reden<br />
functie melding<br />
Starten <strong>van</strong> de auto<br />
(contactsleutel in stand MAR)<br />
Ingestelde temperatuur wijzigen<br />
(knop (A) rechtsom/linksom draaien)<br />
Inschakeling recirculatie<br />
(op knop (E)drukken)<br />
Inschakeling functie MAX<br />
- -<br />
(knop (C) volledig linksom draaien)<br />
Inschakeling compressor als de<br />
gewenste temperatuur lager of gelijk<br />
is aan de buitentemperatuur (•)<br />
Inschakeling compressor als de<br />
gewenste temperatuur lager of gelijk<br />
is aan de buitentemperatuur (•)<br />
Inschakeling compressor (••)<br />
Inschakeling compressor<br />
Uitschakeling recirculatie<br />
Inschakeling achterruitverwarming<br />
Maximale luchtopbrengst (*)<br />
Maximale luchttemperatuur (**)<br />
Lampje op knop (D) brandt<br />
Lampje op knop (D) brandt<br />
Lampjes op de knoppen (D) en<br />
(E) branden<br />
Lampje op knop (D) brandt<br />
Lampje op knop (E) gedoofd<br />
Lampje op knop (( (F) brandt<br />
Om de gewenste temperatuur snel te<br />
bereiken en te handhaven<br />
Om de gewenste temperatuur snel te<br />
bereiken en te handhaven<br />
Om het beslaan <strong>van</strong> de ruiten te<br />
voorkomen<br />
Voor snelle ontwaseming/ontdooiing <strong>van</strong><br />
de ruiten
HULPVERWARMING<br />
(alleen JTD-uitvoeringen -<br />
indien aanwezig)<br />
De hulpverwarming on<strong>der</strong>steunt de opwarming<br />
<strong>van</strong> de motorkoelvloeistof direct<br />
na het starten en tijdens het rijden voor<br />
een snellere verwarming <strong>van</strong> het interieur<br />
bij extreem lage buitentemperaturen.<br />
Het elektrische systeem werkt volledig<br />
automatisch en schakelt alleen in bij een<br />
draaiende motor.<br />
De hulpverwarming wordt ingeschakeld<br />
op basis <strong>van</strong> de temperatuur <strong>van</strong> de motorkoelvloeistof.<br />
De maximale verwarming<br />
wordt bereikt als de koelvloeistof erg<br />
koud is.<br />
Om de accu niet te veel uit te putten, is<br />
de inschakeling <strong>van</strong> de verwarming op de<br />
verschillende vermogens afhankelijk <strong>van</strong><br />
de door de regeleenheid vastgestelde<br />
voedingsspanning.<br />
BELANGRIJK De hulpverwarming<br />
wordt ingeschakeld op basis <strong>van</strong> de temperatuur<br />
<strong>van</strong> de motorkoelvloeistof en<br />
kan, afhankelijk <strong>van</strong> de accuspanning,<br />
uitgeschakeld of beperkt worden.<br />
Als de opwarmcyclus door de hulpverwarming<br />
op basis <strong>van</strong> de koelvloeistoftemperatuur<br />
en de accuspanning, is<br />
beëindigd, schakelt de hulpverwarming<br />
automatisch uit en schakelt pas weer in<br />
als de auto opnieuw wordt gestart, ook<br />
als de vloeistoftemperatuur opnieuw<br />
daalt.<br />
BEDIENINGS-<br />
ORGANEN<br />
KOFFERDEKSEL<br />
OPENEN (fig. 86)<br />
Het kofferdeksel kan <strong>van</strong> binnenuit worden<br />
geopend door aan de hendel (A)<br />
naast de bestuur<strong>der</strong>sstoel te trekken.<br />
Bedien de hendel voor<br />
het ontgrendelen <strong>van</strong> het<br />
kofferdeksel niet als de<br />
auto rijdt.<br />
fig. 86<br />
P4U00035<br />
89
WAARSCHUWINGS-<br />
KNIPPERLICHTEN (fig. 87)<br />
Druk voor inschakeling op knop (A),<br />
ongeacht de stand <strong>van</strong> de contactsleutel.<br />
Als het systeem is ingeschakeld, knippert<br />
het lampje in de schakelaar en werken<br />
de richtingaanwijzers en de controlelampjes<br />
voor de richtingaanwijzers op het<br />
instrumentenpaneel. Druk de schakelaar<br />
nogmaals in om het systeem uit te schakelen.<br />
Het gebruik <strong>van</strong> de<br />
waarschuwingsknipperlichten<br />
is afhankelijk <strong>van</strong><br />
de wetgeving <strong>van</strong> het land waarin<br />
u zich bevindt. Houdt u aan de<br />
voorschriften.<br />
fig. 87<br />
90<br />
P4U00029<br />
MISTLAMPEN VOOR (fig. 88)<br />
(indien aanwezig)<br />
Druk voor inschakeling op knop (B). De<br />
lampen werken alleen als de buitenverlichting<br />
is ingeschakeld.<br />
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje<br />
5branden. Als u de contactsleutel in stand STOP<br />
draait, schakelen de mistlampen voor<br />
automatisch uit.<br />
De lampen schakelen pas weer in als na<br />
het starten opnieuw op knop (B) wordt<br />
gedrukt.<br />
Druk knop (B) nogmaals in om de mistlampen<br />
uit te schakelen.<br />
BELANGRIJK Houdt u bij het gebruik<br />
<strong>van</strong> de mistlampen aan de geldende verkeersvoorschriften.<br />
Het systeem voldoet<br />
aan de EU-normen.<br />
fig. 88<br />
P4U00030<br />
MISTACHTERLICHT (fig. 88)<br />
Druk voor inschakeling op knop (A).<br />
Het mistachterlicht werkt alleen als het<br />
dimlicht of de mistlampen voor zijn ingeschakeld.<br />
Tegelijkertijd gaat op het instrumentenpaneel<br />
lampje 4 branden.<br />
Als u de contactsleutel in stand STOP<br />
draait, schakelt het mistachterlicht automatisch<br />
uit. Het schakelt pas weer in als<br />
na het starten opnieuw op knop (A)<br />
wordt gedrukt.<br />
Druk knop (A) nogmaals in om het<br />
mistachterlicht uit te schakelen.<br />
BELANGRIJK Houdt u bij het gebruik<br />
<strong>van</strong> het mistachterlicht aan de geldende<br />
verkeersvoorschriften. Het systeem<br />
voldoet aan de EU-normen.
LICHTSTERKTEREGELING<br />
INSTRUMENTENPANEEL(fig. 89)<br />
Druk voor het regelen <strong>van</strong> de lichtsterkte<br />
<strong>van</strong> het instrumentenpaneel, bij ingeschakelde<br />
buitenverlichting, op knop (A).<br />
Telkens als u knop (A) indrukt, wordt<br />
achtereenvolgens één <strong>van</strong> de drie vastgestelde<br />
lichtsterktes geselecteerd: laaggemiddeld-hoog.<br />
fig. 89<br />
P4U00105<br />
BRANDSTOF-<br />
NOODSCHAKELAAR (fig. 90)<br />
Deze veiligheidsschakelaar springt omhoog<br />
bij een botsing boven een bepaalde<br />
intensiteit, waardoor de toevoer <strong>van</strong><br />
brandstof wordt gestopt en de motor afslaat.<br />
Als u na een ongeval<br />
een brandstoflucht ruikt<br />
of merkt dat het brandstofsysteem<br />
lekt, druk dan de<br />
schakelaar niet terug, zodat brand<br />
wordt voorkomen.<br />
Als u geen brandstoflekkage waarneemt<br />
en de auto kan nog ver<strong>der</strong> rijden, druk<br />
dan op knop (A) om de brandstoftoevoer<br />
weer te herstellen.<br />
fig. 90 fig. 91<br />
P4U00106<br />
TANKKLEPJE OPENEN (fig. 91)<br />
U kunt het tankklepje <strong>van</strong> binnenuit ontgrendelen<br />
door de voorzijde <strong>van</strong> hendel<br />
(A) omhoog te trekken.<br />
P4U00038<br />
91
KOPLAMPVERSTELLING<br />
(fig. 92)<br />
Bedieningsknop (A) naast de stuurwielkolom<br />
kan in vier standen worden<br />
gezet die overeenkomen met één <strong>van</strong><br />
de on<strong>der</strong>staande beladingsgraden.<br />
Als de auto beladen is, moet de hoogte<br />
<strong>van</strong> de koplampen worden afgesteld.<br />
fig. 92<br />
92<br />
P4U00107<br />
Stand 0: 1 of 2 personen op de voorstoelen,<br />
volle brandstoftank, standaard<br />
boorduitrusting (in rijklare staat);<br />
Stand 1: 5 inzittenden;<br />
Stand 2: 5 inzittenden en bagage in bagageruimte<br />
(ongeveer 50 kg);<br />
Stand 3: 1 persoon (de bestuur<strong>der</strong>) en<br />
300 kg in de bagageruimte.<br />
Controleer de afstelling<br />
<strong>van</strong> de koplampen<br />
telkens als het gewicht<br />
<strong>van</strong> de lading wijzigt.<br />
HANDREM (fig. 93)<br />
De handrem bevindt zich tussen de<br />
voorstoelen.<br />
U kunt de handrem inschakelen door de<br />
hendel omhoog te trekken, totdat de auto<br />
niet meer kan rollen.<br />
Als de contactsleutel in stand MAR<br />
staat, gaat op het instrumentenpaneel<br />
het waarschuwingslampje x branden.<br />
De auto moet geblokkeerd<br />
zijn als de hendel<br />
enkele tanden is aangetrokken.<br />
Als dit niet het geval is,<br />
laat dan de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer de<br />
handrem afstellen.<br />
fig. 93<br />
P4U00109
Handrem uitschakelen:<br />
– Trek hendel (A-fig. 93) iets omhoog<br />
en druk de vergrendelknop (B) in.<br />
– Houd de knop ingedrukt en laat de<br />
hendel zakken; lampje x op het instrumentenpaneel<br />
dooft.<br />
Om onverwachte bewegingen <strong>van</strong> de<br />
auto te voorkomen, moet bij het bedienen<br />
<strong>van</strong> de handrem het rempedaal worden<br />
ingetrapt.<br />
BELANGRIJK De handremhendel<br />
(A) is voorzien <strong>van</strong> een beveiligingsmechanisme.<br />
Dit mechanisme voorkomt<br />
dat per ongeluk de handrem wordt uitgeschakeld<br />
als bij aangetrokken hendel<br />
knop (B) wordt ingedrukt. Voor het uitschakelen<br />
<strong>van</strong> de handrem moet u daarom<br />
niet alleen knop (B) indrukken, maar<br />
ook hendel (A) iets omhoog trekken,<br />
zodat het beveiligingsmechanisme uitschakelt.<br />
Zet vervolgens de hendel geheel<br />
omlaag.<br />
VERSNELLINGSPOOK (fig. 94)<br />
Afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering is de auto<br />
uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak<br />
met vijf of zes versnellingen<br />
(zie hoofdstuk “Technische gegevens”).<br />
De positie <strong>van</strong> de afzon<strong>der</strong>lijke versnellingen<br />
is met een symbool op de knop<br />
<strong>van</strong> de versnellingspook aangegeven.<br />
Trap bij het overschakelen altijd het koppelingspedaal<br />
geheel in. Als de achteruit<br />
(R) wordt ingeschakeld, moet de auto<br />
stilstaan.<br />
Bij de uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD<br />
moet voor het inschakelen <strong>van</strong> de achteruit<br />
(R), de schuifring on<strong>der</strong> de pookknop<br />
(met de hand waarmee u de pookknop<br />
bediend) omhoog worden getrokken.<br />
fig. 94<br />
P4U00108<br />
Laat de schuifring los zodra de achteruit<br />
is ingeschakeld. Om <strong>van</strong>uit de achteruit<br />
een an<strong>der</strong>e versnelling in te schakelen,<br />
hoeft de schuifring niet omhoog te worden<br />
getrokken.<br />
BELANGRIJK De achteruit kan alleen<br />
bij een volledig stilstaande auto worden<br />
ingeschakeld. Wacht bij een draaiende<br />
motor en een geheel ingetrapt koppelingspedaal<br />
minstens twee seconden, voordat u<br />
de achteruit inschakelt. Hiermee wordt<br />
voorkomen dat de tandwielen beschadigen.<br />
Om op de juiste wijze<br />
te schakelen, moet<br />
u het koppelingspedaal<br />
geheel intrappen. Daarom<br />
mag er niets on<strong>der</strong> het pedaal<br />
liggen dat dit kan verhin<strong>der</strong>en:<br />
Let erop dat de vloermatten<br />
niet zijn dubbelgevouwen en<br />
zo de slag <strong>van</strong> de pedalen kunnen<br />
beperken.<br />
93
SELESPEED<br />
VERSNELLINGSBAK<br />
(indien aanwezig)<br />
De uitvoering 2.0 T.SPARK is leverbaar<br />
met een elektronisch geregelde, mechanische<br />
versnellingsbak “Selespeed”.<br />
BELANGRIJK Het verdient beslist<br />
aanbeveling om dit hoofdstuk zorgvuldig<br />
te lezen, zodat u Selespeed op de juiste<br />
wijze gebruikt. Hierdoor bent u <strong>van</strong>af het<br />
begin op de hoogte <strong>van</strong> de juiste handelingen<br />
en in staat om deze uit te voeren.<br />
Selespeed bestaat uit een normale<br />
mechanische versnellingsbak, waaraan<br />
een elektronisch geregeld elektrohydraulisch<br />
systeem is toegevoegd. Dit systeem<br />
bedient automatisch de koppeling<br />
en regelt het overschakelen.<br />
Het koppelingspedaal ontbreekt; om<br />
weg te rijden hoeft u alleen het gaspedaal<br />
te bedienen.<br />
De versnellingsbak kan op twee manieren<br />
worden bediend:<br />
– sequentieel (handmatig), waarbij de<br />
bestuur<strong>der</strong> direct overschakelt met de<br />
94<br />
selectorhendel op de middenconsole of de<br />
knoppen op het stuurwiel;<br />
– automatisch CITY waarbij het systeem<br />
beslist over het overschakelen<br />
(deze werking kan worden gekozen met<br />
knop B-fig. 95).<br />
Overschakelen vindt plaats met de selectorhendel<br />
(A-fig. 95), die altijd <strong>van</strong>zelf<br />
terugkeert in de middenstand.<br />
Met deze hendel kan worden op- of teruggeschakeld<br />
en/of de achteruit (R) of<br />
de vrijstand (N) worden ingeschakeld.<br />
Op het stuur bevinden zich nog twee<br />
knoppen (fig. 96). Met deze knoppen<br />
kan, alleen bij een rijdende auto (met<br />
een snelheid boven 10 km/h) worden<br />
op- of teruggeschakeld.<br />
B<br />
fig. 95<br />
A<br />
P4U00306<br />
Als het systeem wordt ingeschakeld<br />
door de contactsleutel in stand MAR te<br />
draaien, wordt altijd de sequentiële<br />
(handmatige) werking ingeschakeld.<br />
Als u tijdens de automatische werking<br />
CITY handmatig overschakelt, dan gaat<br />
het systeem er <strong>van</strong>uit dat u de sequentiële<br />
werking wilt inschakelen. Het systeem<br />
werkt vervolgens sequentieel.<br />
fig. 96<br />
P4U00307
De ingeschakelde versnelling wordt aangegeven<br />
op het display <strong>van</strong> de toerenteller<br />
(A-fig. 97).<br />
De symbolen op het display zijn:<br />
N =Vrijstand;<br />
1 = eerste versnelling;<br />
2 = tweede versnelling;<br />
3 = <strong>der</strong>de versnelling;<br />
4 = vierde versnelling;<br />
5 = vijfde versnelling;<br />
R = Achteruit.<br />
Bij een storing of bij voor de auto of de<br />
versnellingsbak schadelijke bedrijfsomstandigheden<br />
gaat het waarschuwingslampje<br />
(B-fig. 97) branden en hoort u<br />
een geluidssignaal (bijv. bij een oververhitte<br />
koppeling).<br />
fig. 97<br />
A<br />
B<br />
P4U00308<br />
Selespeed maakt het gebruik <strong>van</strong> de<br />
auto aanzienlijk eenvoudiger, vermin<strong>der</strong>t<br />
de vermoeidheid als in de stad wordt gereden<br />
of als vaak geschakeld moet worden,<br />
en levert tegelijkertijd uitstekende<br />
prestaties.<br />
SYSTEEM INSCHAKELEN<br />
BELANGRIJK Als u het bestuur<strong>der</strong>sportier<br />
opent, dan schakelt Selespeed het<br />
hydraulische deel <strong>van</strong> het systeem in, zodat<br />
het systeem gereed is als de motor<br />
wordt gestart. Deze functie kan worden<br />
waargenomen door het draaien <strong>van</strong> de<br />
pomp. De functie wordt uitgeschakeld als<br />
na 10 keer openen/sluiten <strong>van</strong> het portier<br />
het systeem niet met de contactsleutel<br />
is ingeschakeld.<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, dan gaan alle on<strong>der</strong>delen <strong>van</strong> het<br />
display (A-fig. 97), het waarschuwingslampje<br />
voor storing in versnellingsbak (Bfig.<br />
97) en het opschrift CITY branden.<br />
Na ongeveer een seconde wordt op het<br />
display de ingeschakelde versnelling weergegeven<br />
(N, 1, 2, 3, 4, 5, R) en dooft<br />
het waarschuwingslampje. Dit betekent<br />
dat het hydraulische systeem in werking<br />
is. Vanaf dat moment kunt u Selespeed<br />
gebruiken om te schakelen.<br />
BELANGRIJK Als na 10 seconden op<br />
het multifunctionele display niet de ingeschakelde<br />
versnelling wordt weergegeven<br />
of het storingslampje blijft branden, draai<br />
dan de contactsleutel in stand STOP en<br />
wacht tot het display dooft. Schakel vervolgens<br />
het systeem opnieuw in. Als de<br />
storing blijft bestaan, wendt u dan tot de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
95
WERKING BIJ STILSTAANDE<br />
MOTOR<br />
BELANGRIJK Voordat u de selectorhendel<br />
gebruikt, moet op het display beslist<br />
de ingeschakelde versnelling (N, 1,<br />
2, 3, 4, 5, R) worden weergegeven.<br />
Als de motor niet draait en de auto stilstaat,<br />
kunnen alle versnellingen worden<br />
ingeschakeld.<br />
Als de auto stilstaat en het rempedaal is<br />
ingetrapt, kunt u alleen overschakelen met<br />
de selectorhendel op de middenconsole.<br />
Om een versnelling in te schakelen moet u<br />
het rempedaal ingetrapt houden en:<br />
– om op te schakelen (+) (fig. 98) de<br />
hendel “naar voren” drukken (als de<br />
auto in de eerste versnelling staat, wordt<br />
de tweede ingeschakeld, in de tweede<br />
wordt de <strong>der</strong>de ingeschakeld en zo ver<strong>der</strong><br />
tot de vijfde versnelling).<br />
Als het systeem in de vrijstand (N) of<br />
achteruit (R) staat, dan wordt de eerste<br />
versnelling (1) ingeschakeld als de hendel<br />
naar voren wordt gedrukt.<br />
96<br />
– om terug te schakelen (–) (fig.<br />
98) moet u de hendel naar achteren<br />
drukken (als de auto in de vijfde versnelling<br />
staat, wordt de vierde ingeschakeld,<br />
in de vierde wordt de <strong>der</strong>de ingeschakeld<br />
en zo ver<strong>der</strong> tot de eerste versnelling).<br />
Om de vrijstand (N) in te schakelen<br />
moet u bij stilstaande auto en ingetrapt<br />
rempedaal de selectorhendel naar rechts<br />
(fig. 99) verplaatsen.<br />
fig. 98<br />
fig. 99<br />
P4U00309<br />
P4U00310<br />
Vanuit ie<strong>der</strong>e versnelling (N, 1, 2, 3,<br />
4, 5) en bij stilstaande auto kunt u de<br />
achteruit inschakelen door de selectorhendel<br />
naar rechts en vervolgens naar<br />
achteren te drukken. (fig. 100).<br />
Als de auto rijdt, dan kan de achteruit<br />
niet worden ingeschakeld; wacht tot de<br />
auto stilstaat en schakel de achteruit opnieuw<br />
in.<br />
BELANGRIJK Als een versnelling<br />
wordt ingeschakeld, moet de selectorhendel<br />
onmiddellijk worden losgelaten, nadat<br />
de versnelling is ingeschakeld. Als de hendel<br />
langer wordt bediend (langer dan 10<br />
seconden), dan gaat lampje t branden,<br />
klinkt er een geluidssignaal en schakelt de<br />
automatische werking CITY in. De waarschuwingssignalen<br />
worden opgeheven als<br />
de selectorhendel wordt losgelaten.<br />
fig. 100<br />
P4U00311
BELANGRIJK Als u de auto parkeert<br />
op een helling en een versnelling wilt inschakelen<br />
om wegrijden te voorkomen,<br />
moet u beslist op het multifunctionele display<br />
controleren of de nieuwe versnelling<br />
wordt weergegeven en vervolgens twee<br />
seconden wachten voordat het rempedaal<br />
wordt losgelaten. Hierdoor heeft de koppeling<br />
de tijd om volledig aan te grijpen.<br />
MOTOR STARTEN<br />
U kunt de motor starten zowel bij een<br />
ingeschakelde versnelling als bij een versnellingsbak<br />
in de vrijstand (N).<br />
BELANGRIJK Houd het rempedaal ingetrapt<br />
tijdens het starten. Als het rempedaal<br />
herhaaldelijk wordt ingetrapt bij<br />
een afgezette motor, is er meer kracht<br />
vereist. In een <strong>der</strong>gelijke situatie moet<br />
voor het starten <strong>van</strong> de motor het rempedaal<br />
krachtiger worden ingetrapt.<br />
Na het starten schakelt de versnellingsbak<br />
automatisch de vrijstand in, verschijnt<br />
op het display de letter (N) en schakelt<br />
het systeem de sequentiële (handmatige)<br />
werking in.<br />
Als de motor niet aanslaat<br />
en een versnelling<br />
is ingeschakeld, dan<br />
klinkt een geluidssignaal en<br />
wordt een mededeling op het<br />
multifunctionele display weergegeven<br />
om de bestuur<strong>der</strong> er op te<br />
atten<strong>der</strong>en dat er mogelijk een<br />
gevaarlijke situatie ontstaat,<br />
omdat de versnellingsbak automatisch<br />
in de vrijstand wordt gezet.<br />
MOTOR UITZETTEN EN<br />
SYSTEEM UITSCHAKELEN<br />
Als u de contactsleutel in stand STOP<br />
zet, dan gaat de motor uit, maar blijft<br />
Selespeed ingeschakeld, totdat de auto geheel<br />
stilstaat; na ongeveer 2 tot 4 seconden<br />
nadat de contactsleutel in stand<br />
STOP is gezet, wordt het hydraulische<br />
deel uitgeschakeld en wordt ook de weergave<br />
op het display beëindigd. Pas nu is<br />
Selespeed uitgeschakeld.<br />
De ingeschakelde versnelling op het moment<br />
dat de motor wordt uitgezet, blijft<br />
ingeschakeld.<br />
Als de motor wordt uitgezet terwijl de<br />
versnellingsbak in de vrijstand staat, dan<br />
klinkt een geluidssignaal om de bestuur<strong>der</strong><br />
er op te atten<strong>der</strong>en dat voor de veiligheid<br />
de eerste versnelling 1 of de achteruit<br />
R moet worden ingeschakeld. Zet in<br />
dat geval de contactsleutel in stand<br />
MAR en schakel, bij ingetrapt rempedaal,<br />
de eerste versnelling (1) of de achteruit<br />
(R) in.<br />
97
staat.<br />
98<br />
Verlaat de auto NOOIT<br />
als de versnellingsbak<br />
in de vrijstand (N)<br />
Verwij<strong>der</strong> de contactsleutel<br />
nooit als de auto<br />
rijdt. Selespeed werkt<br />
niet juist zolang de auto niet stilstaat,<br />
maar bovendien blokkeert<br />
het stuurslot bij de eerste stuurbeweging.<br />
Het is beslist noodzakelijk<br />
om het rempedaal<br />
ingetrapt te houden als<br />
de motor wordt uitgezet en Selespeed<br />
uitschakelt: laat het pedaal<br />
pas los als het multifunctionele<br />
display op de toerenteller is<br />
gedoofd.<br />
WEGRIJDEN<br />
Bij draaiende motor en stilstaande auto,<br />
kunt u alleen de eerste (1), de tweede<br />
(2) en/of de achteruit (R) inschakelen.<br />
De versnellingen kunnen bij ingetrapt<br />
rempedaal alleen met de selectorhendel<br />
op de middenconsole worden ingeschakeld.<br />
De knoppen op het stuurwiel<br />
werken alleen bij een snelheid boven<br />
10 km/h.<br />
BELANGRIJK De achteruit (R) kan<br />
<strong>van</strong>uit de volgende versnellingen worden<br />
ingeschakeld: vrij (N), eerste (1) of<br />
tweede (2) versnelling. Als de auto rijdt,<br />
dan wordt de achteruit niet ingeschakeld;<br />
wacht tot de auto stilstaat en schakel de<br />
achteruit (R) opnieuw in.<br />
Als de achteruit wordt ingeschakeld, dan<br />
verschijnt het symbool op het multifunctionele<br />
display in het instrumentenpaneel en<br />
klinkt een geluidssignaal.<br />
BELANGRIJK Als u <strong>van</strong>uit de achteruit<br />
(R) de eerste versnelling (1) of <strong>van</strong>uit<br />
de vrijstand (N) de eerste versnelling<br />
(1) inschakelt en het inschakelen lukt<br />
niet, dan wordt automatisch de tweede<br />
versnelling (2) ingeschakeld.<br />
Dit is geen storing, maar is een on<strong>der</strong>deel<br />
<strong>van</strong> de werking <strong>van</strong> het systeem.<br />
Om dezelfde reden wordt, als het inschakelen<br />
<strong>van</strong> de achteruit niet direct lukt, de<br />
koppeling iets bediend, zodat de achteruit<br />
kan inschakelen; in dat geval wordt de<br />
achteruit (R) iets min<strong>der</strong> soepel ingeschakeld.<br />
Voor het wegrijden moet u het rempedaal<br />
loslaten en het gaspedaal geleidelijk<br />
intrappen. Naarmate het gaspedaal<br />
dieper wordt ingetrapt, is meer koppel beschikbaar<br />
om weg te rijden.<br />
Nadat bij stilstaande<br />
auto is overgeschakeld,<br />
moet u altijd op het display<br />
controleren of de gewenste<br />
versnelling is ingeschakeld, voordat<br />
het gaspedaal wordt ingetrapt.
BELANGRIJKE TIPS<br />
– houd het rempedaal altijd ingetrapt bij<br />
stilstaande auto en ingeschakelde versnelling;<br />
laat het rempedaal pas los als u wilt<br />
wegrijden;<br />
– zet de versnellingsbak in de vrijstand<br />
als de auto lang stilstaat met een draaiende<br />
motor;<br />
– als de auto stilstaat op een helling,<br />
maak dan geen gebruik <strong>van</strong> het gaspedaal<br />
om wegrollen te voorkomen; gebruik hiervoor<br />
het rempedaal; gebruik het gaspedaal<br />
alleen om weg te rijden;<br />
– gebruik uitsluitend de tweede versnelling<br />
voor het wegrijden, als u meer<br />
controle over manoeuvres bij lage snelheid<br />
wilt hebben (zoals bij gladheid);<br />
– schakel alleen <strong>van</strong>uit de achteruit de<br />
eerste versnelling in of omgekeerd, als de<br />
auto geheel stilstaat en het rempedaal is<br />
ingetrapt.<br />
Hoewel het beslist wordt afgeraden,<br />
kan het door onvoorziene omstandigheden<br />
voorkomen dat bij een afdaling de<br />
auto in de vrijstand (N) naar beneden<br />
rolt. Als u vervolgens een versnelling inschakelt,<br />
dan schakelt het systeem automatisch<br />
de versnelling in, die het meest<br />
geschikt is om het motorkoppel over te<br />
brengen naar de wielen.<br />
Als u tijdens een afdaling (bij vooruit rijdende<br />
auto) geen gas geeft, dan laat het<br />
systeem bij een bepaalde snelheid de<br />
koppeling aangrijpen, zodat u gebruikt<br />
kunt maken <strong>van</strong> de remmende werking<br />
<strong>van</strong> de motor.<br />
Om veiligheidsredenen geeft Selespeed<br />
een geluidssignaal als:<br />
– tijdens het starten een oververhitte<br />
koppeling wordt gesignaleerd; in dat geval<br />
moet u “vlot”, maar gelijkmatig,<br />
wegrijden of, als de auto op een helling<br />
staat, het gaspedaal loslaten en de auto<br />
met het rempedaal op zijn plaats houden;<br />
– de auto in een an<strong>der</strong>e richting rijdt<br />
dan de ingeschakelde versnelling, (bijv.:<br />
vooruit als de achteruit is ingeschakeld);<br />
in deze situatie moet de auto tot stilstand<br />
worden gebracht en bij ingetrapt rempedaal<br />
de juiste versnelling worden ingeschakeld.<br />
Eveneens om veiligheidsredenen klinkt<br />
bij stilstaande auto, gestarte motor en ingeschakelde<br />
versnelling (1), (2) of (R)<br />
een geluidssignaal en wordt automatisch<br />
naar de vrijstand (N) overgeschakeld als:<br />
– het gaspedaal en/of rempedaal gedurende<br />
ten minste 50 seconden niet<br />
worden gebruikt;<br />
– het rempedaal langer dan 10 minuten<br />
wordt ingetrapt;<br />
– het bestuur<strong>der</strong>sportier wordt geopend<br />
en het gas- en rempedaal ten minste<br />
1 seconde niet worden ingetrapt.<br />
99
AUTO STILZETTEN<br />
Om de auto stil te zetten hoeft u slechts<br />
het gaspedaal los te laten en, zo nodig,<br />
het rempedaal in te trappen.<br />
Onafhankelijk <strong>van</strong> de gekozen versnelling<br />
en de ingeschakelde functie (sequentieel<br />
of CITY) ontkoppelt het systeem en<br />
wordt er teruggeschakeld.<br />
Als u weer wilt optrekken voordat de<br />
auto geheel stilstaat, is op deze wijze altijd<br />
de meest geschikte versnelling voor<br />
het optrekken ingeschakeld.<br />
Als u de auto tot stilstand brengt, wordt<br />
automatisch de eerste versnelling (1) ingeschakeld.<br />
100<br />
SEQUENTIËLE WERKING<br />
(HANDMATIG)<br />
Als het systeem “sequentieel” wordt bediend,<br />
wordt op het display <strong>van</strong> de toerenteller<br />
de ingeschakelde versnelling<br />
weergegeven.<br />
Bij deze bedieningswijze ligt de beslissing<br />
om over te schakelen bij de bestuur<strong>der</strong>.<br />
Overschakelen kan plaatsvinden met behulp<br />
<strong>van</strong>:<br />
– de selectorhendel op de middenconsole<br />
(A-fig. 101);<br />
B<br />
fig. 101<br />
A<br />
P4U00306<br />
– de knoppen op het stuur (fig.<br />
102); deze kunnen alleen worden bediend<br />
bij een snelheid boven 10 km/h.<br />
De “sequentiële” bediening wordt ingeschakeld:<br />
– automatisch bij het starten <strong>van</strong> de<br />
motor;<br />
– als bij ingeschakelde CITY-functie:<br />
– de selectorhendel of de knoppen<br />
op het stuurwiel worden bediend;<br />
– als nogmaals knop CITY (Bfig.<br />
101) wordt ingedrukt en daarmee<br />
de hiervoor gekozen functie wordt uitgeschakeld.<br />
fig. 102<br />
P4U00307
Tijdens overschakelen hoeft het gaspedaal<br />
niet losgelaten te worden, omdat<br />
Selespeed direct de motor op de volgende<br />
wijze bedient:<br />
– verlagen en vervolgens verhogen <strong>van</strong><br />
het motorkoppel;<br />
– aanpassen <strong>van</strong> het toerental aan de<br />
nieuwe versnelling.<br />
Bij terugschakelen wordt automatisch<br />
het toerental verhoogd, zodat het toerental<br />
is aangepast aan de nieuwe versnelling.<br />
Het systeem kan in de vrijstand (N)<br />
worden gezet bij een snelheid lager dan<br />
20 km/h.<br />
Het systeem kan alleen in de achteruit<br />
(R) worden gezet als de auto stilstaat.<br />
Als het gaspedaal meer dan 60% <strong>van</strong><br />
de totale slag is ingetrapt en bij een toerental<br />
hoger dan 5000/min vindt het<br />
overschakelen sneller plaats.<br />
Als de “sequentiële” werking is ingeschakeld,<br />
dan zijn er enige voorzieningen/beveiligingen<br />
die het rijden makkelijker<br />
maken:<br />
– tijdens het afremmen ontkoppelt het<br />
systeem en wordt automatisch teruggeschakeld,<br />
zodat de juiste versnelling is ingeschakeld<br />
als weer moet worden opgetrokken;<br />
als de auto tot stilstand wordt<br />
gebracht, wordt automatisch de eerste<br />
versnelling (1) ingeschakeld;<br />
– als geschakeld wordt naar een versnelling<br />
terwijl de motor niet met het geschikte<br />
toerental draait (te hoog of te<br />
laag), dan wordt de schakelopdracht niet<br />
uitgevoerd;<br />
– als de motor het maximaal toegestane<br />
toerental bereikt en u gas blijft geven, dan<br />
schakelt het systeem automatisch op;<br />
– als het overschakelen niet direct lukt,<br />
dan probeert het systeem het eerst opnieuw<br />
en, als het nog niet lukt, schakelt<br />
vervolgens de eerstvolgende hogere versnelling<br />
in, zodat de auto niet in de vrijstand<br />
blijft rijden.<br />
BELANGRIJK Het verdient aanbeveling<br />
om het overschakelen geheel te laten<br />
voltooien voordat een nieuwe schakelopdracht<br />
wordt gegeven. Voorkom dat<br />
snel achter elkaar wordt geschakeld.<br />
AUTOMATISCHE WERKING<br />
(CITY)<br />
De automatische werking CITY wordt<br />
ingeschakeld, als u knop (A-fig. 103)<br />
naast de selectorhendel indrukt.<br />
Op het display in de toerenteller verschijnt<br />
naast de ingeschakelde versnelling<br />
het opschrift CITY.<br />
Het systeem schakelt direct over, afhankelijk<br />
<strong>van</strong> het motortoerental en de mate<br />
waarin het gaspedaal wordt ingetrapt.<br />
Als u het gaspedaal snel loslaat, dan<br />
schakelt het systeem geen hogere versnelling<br />
in, zodat op de motor kan worden<br />
afgeremd.<br />
fig. 103<br />
A<br />
P4U00312<br />
101
STORINGSMELDINGEN<br />
Storingen in de Selespeed worden aangegeven<br />
door het rode waarschuwingslampje<br />
t (A-fig. 104) op het instrumentenpaneel.<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait en daarmee het systeem inschakelt,<br />
dan moet het lampje continu gedurende<br />
4 seconden branden.<br />
Als het lampje blijft knipperen, dan is<br />
een storing gevonden in de versnellingsbak;<br />
tegelijkertijd klinkt gedurende 4 seconden<br />
een pulserend geluidssignaal om<br />
de bestuur<strong>der</strong> op deze situatie te atten<strong>der</strong>en.<br />
fig. 104<br />
102<br />
A<br />
P4U00313<br />
Als het lampje gaat<br />
knipperen, dient u zich<br />
zo snel mogelijk tot de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te wenden<br />
om de storing te laten verhelpen.<br />
Bij een storing aan de selectorhendel,<br />
schakelt het systeem automatisch de automatische<br />
werking CITY in, zodat de<br />
dichtstbijzijnde <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer bereikt<br />
kan worden en de storing kan worden verholpen.<br />
Bij een storing aan an<strong>der</strong>e componenten<br />
<strong>van</strong> de versnellingsbak kunnen slechts enkele<br />
versnellingen worden ingeschakeld:<br />
de eerste versnelling (1), de tweede versnelling<br />
(2) en de achteruit (R).<br />
Wendt u bij een storing<br />
<strong>van</strong> de versnellingsbak<br />
zo snel mogelijk tot de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer om het systeem<br />
te laten controleren.<br />
WAARSCHUWINGEN MET<br />
GELUIDSSIGNALEN<br />
De waarschuwingszoemer wordt ingeschakeld<br />
als:<br />
– de achteruit (R) is ingeschakeld;<br />
– de auto wordt stilgezet in de vrijstand<br />
(N); het signaal wordt gegeven als de<br />
contactsleutel in stand STOP is gezet;<br />
– tijdens het wegrijden een oververhitte<br />
koppeling wordt gesignaleerd;<br />
– de auto in een an<strong>der</strong>e richting rijdt<br />
dan de ingeschakelde versnelling (bijv.:<br />
de auto rolt vooruit als de achteruit is ingeschakeld);<br />
– het systeem automatisch de vrijstand<br />
(N)inschakelt, nadat:<br />
– het gaspedaal en/of rempedaal<br />
gedurende ten minste 50 seconden niet<br />
worden gebruikt;<br />
– het rempedaal langer dan 10 minuten<br />
wordt ingetrapt;<br />
– het bestuur<strong>der</strong>sportier wordt geopend<br />
en het gas- en rempedaal ten minste<br />
1 seconde niet worden ingetrapt.<br />
– een storing aan de versnellingsbak<br />
is gesignaleerd.
PARKEREN<br />
Om de auto veilig te parkeren moet<br />
beslist de eerste versnelling (1) of de<br />
achteruit (R) worden ingeschakeld. Als u<br />
op een helling parkeert, moet ook de<br />
handrem worden aangetrokken.<br />
Als de motor wordt uitgezet op een helling<br />
bij een ingeschakelde versnelling,<br />
dan is het beslist nodig om te wachten<br />
tot het display de ingeschakelde versnelling<br />
aangeeft voordat het rempedaal<br />
wordt losgelaten. Hierdoor heeft de koppeling<br />
de tijd om volledig in te schakelen.<br />
Als de versnellingsbak in de vrijstand<br />
(N) staat en u wilt een versnelling inschakelen<br />
om te parkeren, dan moet u<br />
het systeem inschakelen, het rempedaal<br />
intrappen en de versnelling (1) of (R)<br />
kiezen.<br />
SLEPEN VAN DE AUTO<br />
BELANGRIJK Houdt u bij het slepen<br />
<strong>van</strong> de auto aan de wettelijke voorschriften.<br />
Controleer of de versnellingsbak in<br />
de vrijstand (N) staat (controleer of de<br />
auto rolt als er tegen wordt geduwd) en<br />
sleep de auto zoals een auto met een<br />
handgeschakelde versnellingsbak (zie het<br />
hoofdstuk “Noodgevallen”)<br />
Als de versnellingsbak niet in de vrijstand<br />
kan worden gezet, dan mag de<br />
auto niet worden gesleept. Wendt u in<br />
dat geval tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Start de motor niet als<br />
de auto wordt gesleept.<br />
103
AUTOMATISCHE<br />
VERSNELLINGSBAK<br />
Q-SYSTEM<br />
(indien aanwezig)<br />
De uitvoering 2.5 V6 24V kan zijn uitgerust<br />
met een automatische versnellingsbak<br />
Q-System. Naast de normale functies<br />
kunt u handmatig de versnellingen inschakelen<br />
door de selectorhendel in het<br />
daarvoor bestemde deel te plaatsen<br />
BELANGRIJK Lees alle informatie op<br />
deze en de volgende pagina’s zorgvuldig<br />
door, zodat u voordat u met de auto gaat<br />
rijden, op de hoogte bent <strong>van</strong> de juiste<br />
werking <strong>van</strong> on<strong>der</strong> an<strong>der</strong>e de beveiligingssystemen<br />
Shift-lock en Key-lock,<br />
waarmee de automatische transmissie is<br />
uitgerust.<br />
104<br />
A<br />
P4U00314<br />
MOTOR STARTEN<br />
De motor kan alleen gestart worden als<br />
de selectorhendel (fig. 105) in stand P<br />
of N staat.<br />
Uit veiligheidsoverwegingen is het raadzaam<br />
de motor te starten terwijl het rempedaal<br />
is ingetrapt.<br />
BELANGRIJK Bij het wegrijden, na<br />
het starten <strong>van</strong> de motor, mag het gaspedaal<br />
voor en tijdens het verplaatsen<br />
<strong>van</strong> de selectorhendel niet worden ingetrapt.<br />
Dit geldt in het bijzon<strong>der</strong> als de<br />
motor koud is.<br />
WEGRIJDEN<br />
Houd na het starten het rempedaal bij<br />
een draaiende motor ingetrapt (beveiligingssysteem<br />
Shift-lock), en plaats de<br />
selectorhendel (fig. 105) in stand D of<br />
in de stand voor handmatige bediening.<br />
Laat het rempedaal los en trap het gaspedaal<br />
geleidelijk in.<br />
fig. 105 fig. 106<br />
BELANGRIJK De selectorhendel kan<br />
uitsluitend uit stand P worden verplaatst<br />
als de contactsleutel in stand MAR staat<br />
en het rempedaal is ingetrapt (beveiligingssysteem<br />
Shift-lock).<br />
Om de hendel te verplaatsen moet de<br />
schuifring (A-fig. 105) on<strong>der</strong> de hendel<br />
omhoog worden getrokken.<br />
In geval <strong>van</strong> nood (storingen, lege accu,<br />
enz.), kan de hendel <strong>van</strong>uit stand P verplaatst<br />
worden door de mechanische<br />
knop on<strong>der</strong> de hendel bij punt (A-fig.<br />
106) in te drukken. Verplaats gelijktijdig<br />
de hendel <strong>van</strong>uit stand P in de gewenste<br />
stand. De motor kan uitsluitend worden<br />
gestart als de selectorhendel in stand N<br />
staat.<br />
A<br />
P4U00315
BELANGRIJK De contactsleutel kan alleen<br />
in stand STOP uit het contactslot worden<br />
genomen als de selectorhendel in stand<br />
P (beveiligingssysteem Key-lock) staat.<br />
In geval <strong>van</strong> nood (storingen, lege accu,<br />
enz.) kan de sleutel ook uit het contactslot<br />
worden genomen als de selectorhendel<br />
niet in stand P staat.<br />
Druk met een vinger op de ontgrendelknop<br />
(A-fig. 107) nabij het start-/contactslot<br />
on<strong>der</strong> de bekleding, en verwij<strong>der</strong><br />
gelijktijdig de sleutel.<br />
Verlang de eerste kilometers<br />
geen maximale<br />
prestaties, maar wacht<br />
tot de motor op bedrijfstemperatuur<br />
is.<br />
fig. 107<br />
A<br />
P4U00421<br />
KEUZE VOOR HANDMATIGE<br />
OF AUTOMATISCHE BEDIENING<br />
De belangrijkste eigenschap <strong>van</strong> deze<br />
versnellingsbak is dat hij automatisch of<br />
handmatig bediend kan worden. De automatische<br />
werking wordt ingeschakeld als<br />
de selectorhendel in het rechter gedeelte<br />
wordt geplaatst en de handmatige bediening<br />
als de hendel in het linker gedeelte<br />
geplaatst wordt.<br />
De wijze <strong>van</strong> werking en de ingeschakelde<br />
versnelling worden weergegeven<br />
op het display <strong>van</strong> de toerenteller (Afig.<br />
108).<br />
fig. 108 fig. 109<br />
A<br />
P4U00317<br />
AUTOMATISCHE WERKING<br />
Selectorhendel<br />
Voor de automatische werking moet de<br />
selectorhendel in het rechter gedeelte<br />
(fig. 109) worden geplaatst in één <strong>van</strong><br />
de volgende standen:<br />
P - parkeren (u kunt de motor starten)<br />
R - achteruit<br />
N -vrijstand (u kunt de motor starten)<br />
D - automatisch vooruit rijden.<br />
Trek de schuifring (A-fig. 109) on<strong>der</strong><br />
de selectorhendel omhoog voor de volgende<br />
verplaatsingen:<br />
– <strong>van</strong> P naar R en omgekeerd<br />
– <strong>van</strong> N naar R.<br />
A<br />
P4U00318<br />
105
P - Parkeren<br />
Om het per ongeluk inschakelen <strong>van</strong><br />
een verkeerde stand te voorkomen, kan<br />
de hendel alleen in stand P worden geplaatst<br />
als de schuifring (A-fig. 109)<br />
on<strong>der</strong> de selectorhendel omhoog wordt<br />
getrokken.<br />
Plaats de hendel in deze stand als u de<br />
auto parkeert. Een mechanisme blokkeert<br />
dan de aangedreven wielen.<br />
Trek de handrem altijd<br />
volledig aan voordat u de<br />
auto verlaat.<br />
Plaats de hendel in stand P als<br />
u de auto bij een draaiende<br />
motor verlaat.<br />
R - Achteruit<br />
Plaats de hendel in stand R als de auto<br />
stilstaat, de motor stationair draait en het<br />
rempedaal is ingetrapt.<br />
Om het per ongeluk inschakelen <strong>van</strong><br />
een verkeerde stand te voorkomen, kan<br />
de hendel alleen in deze stand worden<br />
geplaatst als de schuifring (A-fig. 109)<br />
on<strong>der</strong> de selectorhendel omhoog wordt<br />
getrokken.<br />
106<br />
Als de hendel in stand R staat, schakelen<br />
de achteruitrijlichten in en hoort u<br />
een akoestisch signaal dat u erop attendeert<br />
dat de achteruit is ingeschakeld.<br />
Trap het rempedaal in voordat u de<br />
hendel verplaatst: de auto moet stilstaan.<br />
BELANGRIJK Als de hendel in stand<br />
R staat, wordt de achteruit niet ingeschakeld<br />
als de snelheid <strong>van</strong> de auto hoger is<br />
dan de vastgestelde limiet. Als de snelheid<br />
on<strong>der</strong> deze waarde komt, schakelt<br />
de achteruit in, ook als de snelheid weer<br />
boven de limiet komt.<br />
N - Vrijstand<br />
Deze stand wordt gebruikt als de auto<br />
moet worden geduwd of gesleept.<br />
Als u bij stationair<br />
draaiende motor de<br />
hendel in stand N zet,<br />
kan de auto in beweging komen,<br />
ook als deze op een vlakke on<strong>der</strong>grond<br />
staat: houd het rempedaal<br />
ingedrukt als de hendel in<br />
stand N staat.<br />
D - Automatisch vooruit rijden<br />
Deze stand kan worden gebruikt on<strong>der</strong><br />
“normale” rijomstandigheden, bijvoorbeeld<br />
op de snelweg, in de stad en als u<br />
het brandstofverbruik zo laag mogelijk<br />
wilt houden (in combinatie met het CITYprogramma).<br />
Als de selectorhendel in<br />
deze stand staat, worden de vier beschikbare<br />
versnellingen automatisch gekozen.<br />
Deze stand moet altijd zijn ingeschakeld<br />
als het ICE-programma wordt gekozen.<br />
Als u bij stationair<br />
draaiende motor de hendel<br />
in stand N zet, kan de<br />
auto in beweging komen. houd het<br />
rempedaal ingedrukt totdat u vertrekt.<br />
Inschakeling <strong>van</strong> een lagere versnelling<br />
(Kick down)<br />
Voor een snelle acceleratie (bijv. voor inhalen)<br />
kan het gaspedaal voorbij het<br />
zware punt in de slag worden getrapt,<br />
waardoor de versnellingsbak de kortst mogelijke<br />
overbrengingsverhouding, die het<br />
toerenbereik <strong>van</strong> de motor toestaat, zal<br />
kiezen. Als u het gaspedaal direct na het<br />
zware punt loslaat, zal de versnellingsbak<br />
een optimale overbrengingsverhouding<br />
kiezen afhankelijk <strong>van</strong>: rijstijl, gasklepopening<br />
en stand <strong>van</strong> de selectorhendel.
Het is raadzaam de kick-down alleen te<br />
gebruiken voor een snelle acceleratie (bijvoorbeeld<br />
voor inhalen) om het brandstofverbruik<br />
zo laag mogelijk te houden.<br />
De kick-down wordt automatisch buiten<br />
werking gesteld als het ICE-programma<br />
wordt ingeschakeld.<br />
SCHAKELPROGRAMMA<br />
KIEZEN<br />
De automatische versnellingsbak <strong>van</strong> de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo <strong>156</strong> wordt elektronisch geregeld<br />
en beschikt over drie verschillende<br />
schakelprogramma’s, waardoor altijd de<br />
beste resultaten wat betreft, rijcomfort,<br />
brandstofverbruik, sportieve prestaties en<br />
veiligheid, worden gegarandeerd.<br />
De drie programma’s CITY, SPORT<br />
en ICE kunnen gekozen worden met de<br />
2 drukknoppen op de tunnelconsole<br />
(fig. 110).<br />
Met drukknop C/S (A-fig. 110) selecteert<br />
u het programma CITY of<br />
SPORT en met knop ICE (B-fig.<br />
110) het programma ICE.<br />
Als de contactsleutel in stand MAR<br />
staat, wordt op het display (toerenteller)<br />
<strong>van</strong> het instrumentenpaneel het betreffende<br />
opschrift verlicht:<br />
CITY (knop C/S (A-fig. 110) ingedrukt):Deze<br />
stand kan worden gebruikt<br />
bij normale rijomstandigheden: het verzekert<br />
u <strong>van</strong> een groot rijcomfort en een<br />
economisch brandstofverbruik door het<br />
overschakelen <strong>van</strong> versnellingen bij relatief<br />
lage toerentallen.<br />
SPORT (knop C/S (A-fig. 110) ingedrukt):<br />
Deze stand kan worden gebruikt wanneer<br />
u de maximale prestaties <strong>van</strong> uw auto verlangt<br />
bij een sportieve rijstijl of op weggedeelten<br />
die veel <strong>van</strong> uw auto vergen.<br />
Wanneer u rijdt met ingeschakeld<br />
SPORT-programma, neemt het brandstofverbruik<br />
toe.<br />
A B<br />
fig. 110<br />
P4U00319<br />
BELANGRIJK Het programma CITY<br />
of SPORT kan on<strong>der</strong> alle omstandigheden<br />
(stilstaande of rijdende auto) worden<br />
ingeschakeld.<br />
BELANGRIJK Als de auto wordt gestart<br />
bij een koude motor, wordt het<br />
SPORT-programma ingeschakeld, ook<br />
als het CITY-programma was gekozen,<br />
totdat de motor op bedrijfstemperatuur is.<br />
ICE (knop (B-fig. 110) ingedrukt):<br />
Deze stand wordt aangeraden als het<br />
wegdek weinig grip biedt (sneeuw, ijs,<br />
enz.). Voor het wegrijden wordt de 2 e<br />
ICE<br />
versnelling gebruikt.<br />
Het ICE programma kan alleen ingeschakeld<br />
worden als de selectorhendel in<br />
stand D staat.<br />
Als u de hendel <strong>van</strong>uit D verplaatst,<br />
wordt het ICE -programma automatisch<br />
uitgeschakeld.<br />
BELANGRIJK Het ICE-programma<br />
kan worden ingeschakeld door de betreffende<br />
knop in te drukken. Dit kan ook<br />
tijdens het rijden mist de snelheid lager is<br />
dan 45 km/h.<br />
107
HANDMATIGE BEDIENING,<br />
INSCHAKELING Q-SYSTEM<br />
Plaats voor de handmatige bediening de<br />
selectorhendel in het linker gedeelte<br />
(fig. 111).<br />
De hendel kan alleen <strong>van</strong>uit stand D in<br />
het linker gedeelte geplaatst worden.<br />
De handmatige bediening kan on<strong>der</strong><br />
alle rij-omstandigheden worden ingeschakeld.<br />
Echter alleen die versnelling kan<br />
worden ingeschakeld die overeenkomt<br />
met het motortoerental en de snelheid<br />
<strong>van</strong> de auto.<br />
De versnellingen worden ingeschakeld<br />
zoals bij een normale handgeschakelde<br />
versnellingsbak.<br />
fig. 111<br />
108<br />
P4U00320<br />
Als de handmatige bediening<br />
is ingeschakeld<br />
(Q-System) en u wilt<br />
een hogere versnelling<br />
inschakelen voor een snelle acceleratie<br />
(bijv. bij inhalen), moet<br />
handmatig worden opgeschakeld,<br />
zoals bij auto’s met een handgeschakelde<br />
versnellingsbak.<br />
Als u de hendel in stand D zet, werkt<br />
het systeem weer automatisch en worden<br />
de versnellingen gekozen op basis <strong>van</strong> de<br />
rij-eigenschappen en het geselecteerde<br />
programma.<br />
AUTO STILZETTEN<br />
Voor het stilzetten <strong>van</strong> de auto hoeft alleen<br />
het rempedaal ingetrapt te worden,<br />
onafhankelijk <strong>van</strong> de stand <strong>van</strong> de selectorhendel.<br />
Als u bij stationair<br />
draaiende motor en als<br />
de auto op een vlakke<br />
on<strong>der</strong>grond staat, het rempedaal<br />
niet ingetrapt houdt, kan de auto<br />
in beweging komen.<br />
STORINGSMELDINGEN<br />
Storingen in de automatische versnellingsbak<br />
worden aangegeven door<br />
het waarschuwingslampje t (Afig.<br />
112) op het instrumentenpaneel:<br />
– lampje brandt constant = te hoge<br />
temperatuur <strong>van</strong> de transmissie-olie;<br />
– knipperend lampje = storing in de<br />
automatische versnellingsbak.<br />
Als u de contactsleutel in stand MAR<br />
draait, gaat het lampje branden. Het<br />
moet na ongeveer 4 seconden doven.<br />
Als het lampje blijft branden of tijdens het<br />
rijden gaat branden, dan is er of een storing<br />
in de automatische versnellingsbak (knipperend<br />
lampje) of is de temperatuur <strong>van</strong> de<br />
transmissie-olie te hoog (lampje brandt constant).<br />
fig. 112<br />
A<br />
P4U00321
Lampje brandt constant<br />
Als het lampje constant gaat branden,<br />
dan heeft de transmissie-olie de maximale<br />
temperatuur bereikt.<br />
Het automatische controlesysteem beschikt<br />
over een noodprogramma.<br />
Het is in ie<strong>der</strong> geval raadzaam de auto<br />
stil te zetten, de selectorhendel in stand<br />
P of N te plaatsen en de motor stationair<br />
te laten draaien totdat het lampje<br />
dooft. Rijd daarna ver<strong>der</strong> zon<strong>der</strong> te veel<br />
<strong>van</strong> de motor te eisen.<br />
Als het lampje weer gaat branden, moet<br />
de auto opnieuw worden stilgezet met<br />
stationair draaiende motor totdat het<br />
lampje dooft.<br />
Als tussen het doven en weer gaan<br />
branden <strong>van</strong> het lampje min<strong>der</strong> dan 15<br />
minuten zit, is het raadzaam de auto stil<br />
te zetten, de motor uit te zetten en te<br />
wachten totdat de motor-versnellingsbak<br />
compleet is afgekoeld.<br />
Knipperend lampje<br />
Als het lampje tijdens het rijden gaat<br />
knipperen, dan is er een storing in de automatische<br />
versnellingsbak.<br />
Het automatische controlesysteem beschikt<br />
over een noodprogramma.On<strong>der</strong><br />
deze omstandigheden raden wij u aan de<br />
auto stil te zetten en de motor uit te zetten:<br />
als de motor weer wordt gestart kan<br />
het zelfdiagnose-systeem de storing, die<br />
door het elektronische controlesysteem<br />
wordt opgeslagen, hebben verholpen.<br />
Als de storing blijft (lampje (A- fig.<br />
112) knippert), moeten de versnellingen<br />
handmatig worden ingeschakeld, zoals<br />
bij een auto met handgeschakelde<br />
versnellingsbak. Houd er rekening mee<br />
dat alleen de 2 e en 4 e versnelling beschikbaar<br />
zijn (zie on<strong>der</strong>staande tabel):<br />
Handmatig Beschikbare<br />
ingeschakelde versnelling<br />
versnelling<br />
1 → 2 e<br />
2 → 2 e<br />
3 → 4 e<br />
4 → 4 e<br />
Het inschakelen <strong>van</strong> de achteruit blijft<br />
mogelijk.<br />
Als het lampje blijft<br />
knipperen, dient u zich<br />
zo snel mogelijk tot de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te wenden<br />
om de storing te laten verhelpen.<br />
Als tijdens het starten <strong>van</strong> de motor een<br />
storingsmelding verschijnt, dan betekent<br />
dit dat het controlesysteem <strong>van</strong> de versnellingsbak<br />
een storing, tijdens de voorgaande<br />
rit voordat de motor werd afgezet,<br />
heeft opgeslagen.Neem ook in dit<br />
geval contact op met de <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
om de automatische versnellingsbak<br />
te laten controleren.<br />
Als er zich tijdens het<br />
rijden een storing in de<br />
versnellingsbak voordoet,<br />
moet met de grootst mogelijke<br />
voorzichtigheid worden gereden,<br />
vooral <strong>van</strong>wege de beperkingen<br />
in de prestaties (acceleratie<br />
en snelheid) <strong>van</strong> de auto.<br />
109
Als zich tijdens het rijden<br />
een storing in de versnellingsbak<br />
voordoet,<br />
kan de blokkering <strong>van</strong> de achteruit<br />
niet zijn ingeschakeld: plaats tijdens<br />
het rijden de selectorhendel<br />
absoluut niet in stand R.<br />
AKOESTISCH WAAR-<br />
SCHUWINGSSYSTEEM<br />
Dit systeem treedt ongeveer 18 seconden<br />
in werking als:<br />
– het portier aan bestuur<strong>der</strong>szijde<br />
wordt geopend, de motor is afgezet en<br />
de selectorhendel niet in stand P staat;<br />
– als stand R (achteruit) wordt ingeschakeld.<br />
ROLLEND STARTEN<br />
De auto kan niet worden gestart door<br />
hem aan te duwen of te slepen.In geval<br />
<strong>van</strong> nood (storingen, lege accu, enz.)<br />
kan de auto worden gestart met een<br />
hulpaccu volgens de aanwijzingen in het<br />
hoofdstuk “Noodgevallen”.<br />
110<br />
SLEPEN VAN DE AUTO<br />
BELANGRIJK Houdt u bij het<br />
slepen <strong>van</strong> de auto aan de wettelijke<br />
voorschriften. Houdt u bovendien aan de<br />
aanwijzingen in het hoofdstuk “Noodgevallen”.<br />
Bij het slepen moeten de volgende voorzorgsmaatregelen<br />
in acht worden genomen:<br />
– vervoer de auto, indien mogelijk, op<br />
de laadvloer <strong>van</strong> een bergingsauto;<br />
– als er geen bergingsauto beschikbaar<br />
is, moet de auto met de aangedreven<br />
wielen (voorwielen) los <strong>van</strong> de grond gesleept<br />
worden;<br />
–als ook deze oplossing onmogelijk is,<br />
kan de auto over een afstand <strong>van</strong> maximaal<br />
50 km en met een snelheid lager<br />
dan 50 km/h, gesleept worden.<br />
Bij het slepen moet de selectorhendel in<br />
stand N staan.<br />
Start de motor niet als<br />
de auto wordt gesleept.<br />
Als de bovenstaande<br />
voorzorgsmaatregelen<br />
niet in acht worden genomen,<br />
kan ernstige schade aan<br />
de automatische versnellingsbak<br />
worden toegebracht.<br />
Auto’s met een automatischeversnellingsbak<br />
kunnen slechts over<br />
korte afstanden en met lage<br />
snelheid gesleept worden: indien<br />
over een langere afstand wordt<br />
gesleept, moet dit gebeuren met<br />
de aangedreven wielen los <strong>van</strong> de<br />
grond, zodat de versnellingsbak<br />
tijdens het slepen wordt aangedreven.
INTERIEUR-<br />
UITRUSTING<br />
DASHBOARDKASTJE<br />
Het dashboardkastje is voorzien <strong>van</strong><br />
een binnenverlichting en een klepje met<br />
slot. Het slot kan worden geopend en gesloten<br />
met de contactsleutel.<br />
Rijd niet met een geopend<br />
dashboardkastje:<br />
dit kan de voorpassagier<br />
verwonden bij een ongeval.<br />
Trek aan hendel (A-fig. 113) om het<br />
kastje te openen.<br />
fig. 113<br />
P4U00110<br />
Als u het kastje opent als de contactsleutel<br />
in stand MAR staat, dan gaat de<br />
verlichting in het kastje branden (B-fig.<br />
114).<br />
In de klep zit een uitsparing (C-fig.<br />
114) om een pen of potlood in te leggen.<br />
HANDGREPEN (fig. 115)<br />
Bij het portier aan passagierszijde voor<br />
bevindt zich een steunhandgreep.<br />
Bij beide achterportieren is een handgreep<br />
(A) geplaatst met een kledinghaakje<br />
(B).<br />
fig. 114<br />
P4U00111<br />
PLAFONDVERLICHTING VOOR<br />
(fig. 116)<br />
De plafondverlichting bestaat uit twee<br />
lampjes met een bijbehorende schakelaar.<br />
Als schakelaar (A) in de middelste<br />
stand (1) staat, dan gaan beide lampjes<br />
branden als een portier wordt geopend<br />
Als de portieren gesloten worden, blijft<br />
de interieurverlichting nog ongeveer 7 seconden<br />
branden als hulp tijdens het starten<br />
<strong>van</strong> de motor. De interieurverlichting<br />
dooft als de contactsleutel in stand MAR<br />
wordt gedraaid (bij gesloten portieren).<br />
Als u schakelaar (A) naar links schuift<br />
(stand 0), dan blijven de lampjes altijd<br />
uit (stand OFF).<br />
Als u schakelaar (A) naar rechts schuift<br />
(stand 2), dan blijven beide lampjes altijd<br />
branden.<br />
fig. 115<br />
P4U00112<br />
111
Met schakelaar (B) worden de lampjes<br />
afzon<strong>der</strong>lijk ingeschakeld.<br />
Als u schakelaar (B) naar links schuift<br />
(stand 1), gaat het linker lampje branden.<br />
Als u de schakelaar naar rechts<br />
schuift (stand 2), gaat het rechter lampje<br />
branden.<br />
Met schakelaar (B) in de middelste<br />
stand (0) gaan de lampjes niet branden.<br />
BELANGRIJK Controleer voordat u<br />
de auto verlaat of beide schakelaars in<br />
de middelste stand staan. Op deze manier<br />
zullen de lampjes <strong>van</strong> de plafondverlichting<br />
doven na het sluiten <strong>van</strong> de<br />
portieren. Als u vergeet om een portier<br />
te sluiten, zal na enkele seconden de<br />
interieurverlichting automatisch doven.<br />
fig. 116<br />
112<br />
P4U00113<br />
Om de interieurverlichting opnieuw in te<br />
schakelen is het voldoende het betreffende<br />
portier te sluiten en weer te openen of<br />
om een an<strong>der</strong> portier te openen.<br />
SPIEGELVERLICHTING (fig. 117)<br />
Als u de zonneklep aan passagierszijde<br />
naar beneden plaatst, wordt de spiegelverlichting<br />
in de hemelbekleding zichtbaar.<br />
Door de verlichting kan het spiegeltje<br />
ook bij weinig licht gebruikt worden.<br />
Bij de uitvoering Sportwagon is de verlichting<br />
ook aanwezig achter de zonneklep<br />
aan de bestuur<strong>der</strong>szijde.<br />
U bedient de verlichting met schakelaar<br />
(A) en de start-/contactsleutel in stand<br />
MAR.<br />
fig. 117<br />
P4U00114<br />
PLAFONDVERLICHTING<br />
ACHTER (fig. 118) (behalve<br />
uitvoeringen met opendak)<br />
Bij ie<strong>der</strong> achterportier bevindt zich een<br />
plafondlampje dat automatisch inschakelt<br />
bij het openen <strong>van</strong> het portier.<br />
De verlichting heeft een tijdschakeling<br />
en de werking is hetzelfde als bij de plafondverlichting<br />
voor.<br />
De lampjes gaan branden of doven als u<br />
op het rondje <strong>van</strong> het lampenglas (A)<br />
drukt.<br />
fig. 118<br />
P4U00115
PLAFONDVERLICHTING<br />
MIDDENACHTER (fig. 119)<br />
(alleen bij uitvoeringen met opendak)<br />
Het plafondlampje is voorzien <strong>van</strong> een<br />
schakelaar met drie standen.<br />
Als schakelaar (A) in de middelste<br />
stand (O) staat, gaat het plafondlampje<br />
branden als een portier wordt geopend.<br />
De verlichting heeft een tijdschakeling<br />
en de werking is hetzelfde als bij de plafondverlichting<br />
voor.<br />
Als u de schakelaar naar rechts (stand<br />
1) schuift, blijft de plafondverlichting altijd<br />
gedoofd.<br />
Als u de schakelaar naar links (stand 2)<br />
schuift, blijft de plafondverlichting altijd<br />
branden.<br />
fig. 119<br />
P4U00250<br />
BELANGRIJK Controleer voordat u de<br />
auto verlaat of de schakelaar (A) in de<br />
middelste stand (O) staat. Op deze manier<br />
dooft de plafondverlichting na het<br />
sluiten <strong>van</strong> de portieren.<br />
ASBAK VOOR EN AANSTEKER<br />
(fig. 120)<br />
Open het beschermdeksel (A) door<br />
erop te drukken en los te laten.<br />
Druk om de aansteker te gebruiken, als<br />
de sleutel in stand MAR staat, de knop<br />
(B) in; na enige seconden springt de<br />
knop in de beginstand en is de aansteker<br />
klaar voor gebruik.<br />
De asbak kan uit de hou<strong>der</strong> worden getrokken<br />
om te worden geleegd of schoongemaakt.<br />
fig. 120<br />
P4C00057 P4U00117<br />
De aansteker wordt<br />
erg heet. Gebruik de<br />
aansteker voorzichtig<br />
en voorkom dat hij gebruikt<br />
wordt door kin<strong>der</strong>en: risico op<br />
brand en/of brandwonden.<br />
kelt.<br />
Controleer altijd of de<br />
aansteker na het indrukken<br />
ook uitscha-<br />
Gebruik de asbak niet<br />
als prullenbak: papiertjes<br />
en <strong>der</strong>gelijke kunnen<br />
door peuken in brand raken.<br />
113
ASBAK ACHTER (fig. 121)<br />
Op ie<strong>der</strong>e achterportier bevindt zich een<br />
asbak (A).<br />
Open de asbak in de richting <strong>van</strong> de pijl<br />
om deze te gebruiken en druk de lip in<br />
om de asbak te verwij<strong>der</strong>en.<br />
fig. 121<br />
114<br />
P4U00118<br />
OPBERGVAKKEN<br />
OP HET DASHBOARD<br />
Centraal opbergvak (fig. 122)<br />
Als de auto niet is uitgerust met een<br />
autoradio dan is er een opbergvak aanwezig.<br />
Dit is voorzien <strong>van</strong> een neerklapbaar<br />
deksel (A) waarmee wordt<br />
voorkomen dat voorwerpen naar buiten<br />
vallen.<br />
fig. 122<br />
fig. 123<br />
P4U00119<br />
P4U00120<br />
Opbergvak links (fig. 123)<br />
Aan de on<strong>der</strong>zijde <strong>van</strong> het dashboard,<br />
links <strong>van</strong> het stuurwiel, bevindt zich een<br />
opbergvak (A).<br />
DOCUMENTENVAK OP DE<br />
VOORPORTIEREN (fig. 124)<br />
Op ie<strong>der</strong> voorportier bevindt zich een<br />
documentenvakje (A).<br />
fig. 124<br />
P4U00121
OPBERGVAK OP DE<br />
MIDDENCONSOLE (fig. 125)<br />
Op de tunnelconsole, naast de handrem,<br />
bevindt zich een opbergvak (A).<br />
fig. 125<br />
fig. 126<br />
P4U00122<br />
P4U00249<br />
ZONNEKLEPPEN (fig. 126)<br />
Ze kunnen voor de voorruit of voor de<br />
zijruit worden gedraaid.<br />
Op de achterkant <strong>van</strong> de zonnekleppen<br />
bevindt zich een afsluitbaar spiegeltje<br />
(A), dat verlicht wordt door plafondlampje<br />
(B).<br />
INBOUWVOORBEREIDING<br />
TELEPASS (fig. 127)<br />
Als optional kan de auto zijn uitgerust<br />
met een speciale binnenspiegel met een<br />
opening (A) voor de elektrische aansluiting<br />
<strong>van</strong> een Telepass-module. Deze module<br />
kan bij gespecialiseerde zaken worden<br />
aangeschaft.<br />
Duw de Telepass-module in de zitting<br />
totdat u een klik hoort.<br />
fig. 127<br />
P4U00124<br />
Duw de klemveer (B) naar beneden en<br />
neem de Telepass-module uit.<br />
INBOUWVOORBEREIDING<br />
TELEFOON<br />
Als optional kan de auto zijn uitgerust<br />
met een inbouwvoorbereiding voor een<br />
mobiele telefoon.<br />
De voorbereiding bestaat uit:<br />
– complete inbouwvoorbereiding autoradio<br />
(zon<strong>der</strong> autoradio) met een luidspreker<br />
in het voorportier aan passagierszijde<br />
voor handsfree werking;<br />
– antenne op het dak;<br />
– aansluitkabels voor handsfree carkit.<br />
Laat de installatie <strong>van</strong><br />
de mobiele telefoon en de<br />
aansluiting op de inbouwvoorbereiding<br />
uitsluitend door de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer uitvoeren.<br />
Zo bent u verzekerd <strong>van</strong> het beste<br />
resultaat en wordt voorkomen dat<br />
de rijveiligheid in gevaar wordt gebracht.<br />
115
OPENDAK<br />
(indien aanwezig)<br />
De elektrische bediening werkt alleen<br />
als de contactsleutel in stand MAR<br />
staat. OPENEN-SLUITEN SCHUIFDAK<br />
(fig. 128-129)<br />
Onzorgvuldig gebruik<br />
<strong>van</strong> het opendak kan<br />
gevaarlijk zijn. Controleer<br />
voor en tijdens de bediening<br />
<strong>van</strong> de schakelaar altijd of de<br />
passagiers niet verwond kunnen<br />
worden door de beweging <strong>van</strong><br />
het opendak zelf of door in beweging<br />
gebrachte voorwerpen.<br />
fig. 128<br />
116<br />
P4U00023<br />
fig. 129<br />
Open het dak niet bij<br />
sneeuw of ijs: het kan<br />
dan beschadigd worden.<br />
Druk op de achterzijde (1) <strong>van</strong> schakelaar<br />
(A) om het dak te openen en op<br />
de voorzijde (2) om het dak te sluiten.<br />
Zodra u de schakelaar loslaat, blijft het<br />
dak in de stand staan waarin het zich op<br />
dat moment bevindt.<br />
Bij bepaalde uitvoeringen, blijft het dak<br />
tijdens het openen automatisch in een tussenstand<br />
(“Comfort”) staan. Deze stand<br />
wordt aanbevolen als u met een matige<br />
snelheid rijdt. U opent het dak volledig<br />
P4U00125<br />
door nogmaals op de achterzijde (1) <strong>van</strong><br />
schakelaar (A) te drukken. Als u het dak<br />
sluit blijft het dak niet in de “Comfort”stand<br />
staat.<br />
Het opendak is voorzien <strong>van</strong> een met de<br />
hand verschuifbaar zonnescherm dat het<br />
binnendringen <strong>van</strong> direct zonlicht verhin<strong>der</strong>t.<br />
Het zonnescherm kan met behulp<br />
<strong>van</strong> een handgreep worden verschoven.<br />
Het zonnescherm wordt meegenomen<br />
door het dak, als het dak geopend<br />
wordt. Als het opendak geheel geopend<br />
is, dan is het zonnescherm geheel achter<br />
de hemelbekleding geschoven. Als het<br />
opendak wordt gesloten, dan schuift het<br />
zonnescherm iets uit, zodat de handgreep<br />
bereikbaar is (A-fig. 130).<br />
fig. 130<br />
P4U00126
fig. 131<br />
Bedien het opendak<br />
alleen als de auto stilstaat.<br />
Verwij<strong>der</strong> altijd de contactsleutel<br />
uit het contactslot<br />
als u de auto<br />
verlaat, om te voorkomen dat het<br />
opendak per ongeluk in beweging<br />
wordt gebracht en zo gevaar kan<br />
opleveren voor de achtergebleven<br />
passagiers.<br />
P4U00127<br />
ACHTERZIJDE OMHOOG<br />
KANTELEN<br />
Het omhoog kantelen (fig. 131) is<br />
alleen bij geheel gesloten dak mogelijk<br />
door op de voorzijde (2) <strong>van</strong> schakelaar<br />
(A-fig. 132) te drukken.<br />
Druk op de achterzijde (1) <strong>van</strong> schakelaar<br />
(A-fig. 132) om het dak weer in<br />
horizontale stand te zetten (opendak gesloten).<br />
fig. 132<br />
P4U00128<br />
BEDIENING IN NOODGEVALLEN<br />
Als het opendak niet elektrisch bediend<br />
kan worden, dan kan het ook handmatig<br />
worden bediend; ga hiervoor als volgt te<br />
werk:<br />
1. Licht het rooster bij de door de pijl<br />
aangegeven punten op en verwij<strong>der</strong> het<br />
rooster met de schakelaar (D-fig. 132).<br />
2. Druk de daarvoor bestemde sleutel<br />
(B-fig. 133) (in het dashboardkastje)<br />
in het bedieningsmechanisme <strong>van</strong> het<br />
opendak (C-fig. 133) en draai het<br />
rechtsom om het dak te openen en linksom<br />
om het te sluiten.<br />
BELANGRIJK Als het dak handmatig<br />
is geopend of gesloten, draait u de sleutel<br />
eerst een halve slag terug totdat u een<br />
klik hoort, en pas daarna verwij<strong>der</strong>t u de<br />
sleutel.<br />
fig. 133<br />
P4U00129<br />
117
BAGAGERUIMTE<br />
Het kofferdeksel kan zowel <strong>van</strong> binnenuit<br />
als <strong>van</strong> buitenaf worden geopend.<br />
BELANGRIJK Als het kofferdeksel<br />
niet goed gesloten is, gaat het betreffende<br />
waarschuwingslampje <strong>van</strong> het checkpanel<br />
branden.<br />
VAN BINNENUIT OPENEN<br />
(fig. 134)<br />
Het kofferdeksel kan <strong>van</strong> binnenuit worden<br />
geopend door aan de hendel (A)<br />
naast de bestuur<strong>der</strong>sstoel te trekken.<br />
Bedien de hendel voor<br />
het ontgrendelen <strong>van</strong><br />
het kofferdeksel alleen<br />
als de auto stilstaat.<br />
fig. 134<br />
118<br />
P4U00035<br />
Het kofferdeksel gaat dankzij de gasveren<br />
gemakkelijk open.<br />
De gasveren zijn zo afgesteld<br />
dat het kofferdeksel<br />
op de juiste wijze<br />
wordt geopend als het deksel<br />
het oorspronkelijke gewicht<br />
heeft. Achteraf aangebrachte<br />
voorwerpen (spoiler enz.) kunnen<br />
de juiste werking <strong>van</strong> de<br />
gasveren verhin<strong>der</strong>en.<br />
VAN BUITENAF OPENEN MET<br />
DE SLEUTEL (fig. 135)<br />
Draai het embleem (A) in de door de<br />
pijl aangegeven richting, steek de sleutel<br />
(B) in het slot en draai het linksom.<br />
fig. 135<br />
P4U00413<br />
OPENEN MET AFSTANDSBEDIE-<br />
NING (fig. 136) (indien aanwezig)<br />
Het kofferdeksel kan <strong>van</strong> buitenaf worden<br />
geopend met de afstandsbediening<br />
door knopje (A) op de sleutel in te drukken,<br />
ook als het diefstalalarm (indien<br />
aanwezig) is ingeschakeld.<br />
Als bij auto’s met diefstalalarm het<br />
kofferdeksel wordt geopend, dan worden<br />
de interieurbeveiliging en de kofferdekselsensor<br />
uitgeschakeld. Het systeem geeft<br />
dan (behalve bij sommige uitvoeringen in<br />
enkele landen) twee geluidssignalen<br />
(“BIEP”) en de richtingaanwijzers gaan<br />
ongeveer 3 seconden branden.Als het<br />
kofferdeksel wordt vergrendeld, dan wordt<br />
de beveiliging weer ingeschakeld. Het systeem<br />
geeft (behalve bij sommige uitvoeringen<br />
in enkele landen) twee geluidssignalen<br />
(“BIEP”) en de richtingaanwijzers<br />
gaan ongeveer 3 seconden branden.<br />
fig. 136<br />
P4U00329
KOFFERDEKSEL SLUITEN<br />
U sluit het kofferdeksel door het kofferdeksel<br />
te laten zakken en ter hoogte <strong>van</strong><br />
het slot te duwen, totdat u de vergrendeling<br />
hoort.<br />
BAGAGERUIMTEVERLICHTING<br />
(fig. 137)<br />
Als u het kofferdeksel opent, dan gaat<br />
automatisch de verlichting (A) aan de bovenzijde<br />
<strong>van</strong> de bagageruimte branden.<br />
De verlichting dooft als u het kofferdeksel<br />
sluit of na enkele minuten (ongeveer<br />
20) als u het kofferdeksel open laat. Als<br />
u in dit laatste geval de verlichting weer<br />
wilt inschakelen, moet u het kofferdeksel<br />
sluiten en vervolgens weer openen.<br />
fig. 137<br />
P4U00130<br />
BAGAGE VASTZETTEN<br />
(fig. 138-139)<br />
De vervoerde bagage kan met riemen of<br />
spanbanden worden bevestigd aan de daarvoor<br />
bestemde ringen in de hoeken <strong>van</strong> de<br />
bagageruimte.<br />
De ringen dienen ook voor het bevestigen<br />
<strong>van</strong> de eventueel aanwezige bagagenetten<br />
(deze zijn leverbaar via de <strong>Alfa</strong> Romeodealer).<br />
fig. 138<br />
fig. 139<br />
P4U00131<br />
P4U00132<br />
AANWIJZINGEN VOOR HET<br />
VERVOER VAN BAGAGE<br />
Als u voorwerpen vervoert en u ‘s<br />
nachts rijdt, moet u controleren of de<br />
hoogteregelaars op de koplampen in de<br />
juiste stand staan (zie paragraaf “Koplampen”<br />
in dit hoofdstuk). Controleer<br />
voor de juiste werking <strong>van</strong> de hoogteregelaars<br />
bovendien of de lading niet<br />
zwaar<strong>der</strong> is dan in de gewichtentabel<br />
staat aangegeven.<br />
Bij het gebruik <strong>van</strong> de<br />
bagageruimte mogen de<br />
maximale gewichten niet<br />
worden overschreden (zie hoofdstuk<br />
“Technische gegevens”). Controleer<br />
bovendien of de bagageruimte<br />
goed geladen is, om te<br />
voorkomen dat een voorwerp bij<br />
bruusk remmen naar voren schiet<br />
en letsel veroorzaakt.<br />
Niet goed vastgezette<br />
bagage kan bij een ongeluk<br />
de passagiers ernstig<br />
verwonden.<br />
119
Als u in een gebied<br />
rijdt waar brandstof<br />
moeilijk verkrijgbaar is<br />
en u daarom reservebrandstof in<br />
een jerrycan wilt vervoeren, dan<br />
dient u zich aan de geldende wetgeving<br />
te houden. Gebruik alleen<br />
een goedgekeurde jerrycan en bevestig<br />
deze op de juiste wijze.<br />
Toch zal bij een ongeval de kans<br />
op brand groter zijn.<br />
fig. 140<br />
120<br />
P4U00036<br />
MOTORKAP<br />
De hendel voor het openen <strong>van</strong> de<br />
motorkap bevindt zich uiterst links on<strong>der</strong><br />
het dashboard.<br />
Openen:<br />
– trek aan de hendel (A-fig. 140) totdat<br />
u de ontgrendeling hoort.<br />
–druk haak (B-fig. 141) <strong>van</strong> de beveiliging<br />
omhoog.<br />
– til de motorkap op.<br />
fig. 141<br />
Voer deze handeling<br />
alleen uit bij een stilstaande<br />
auto.<br />
P4U00037<br />
GEVAAR - ERNSTIGE<br />
VERWONDINGEN. Als u<br />
controle- of on<strong>der</strong>houdswerkzaamheden<br />
in de motorruimte<br />
uitvoert, moet u er vooral<br />
op letten dat u uw hoofd niet<br />
stoot tegen het uitstekende deel<br />
<strong>van</strong> de motorkap.<br />
BELANGRIJK Het optillen <strong>van</strong> de<br />
motorkap wordt vergemakkelijkt door<br />
twee gasveren. Wij raden u aan deze<br />
gasveren niet te demonteren en de motorkap<br />
tijdens het optillen te begeleiden.<br />
Kom bij het uitvoeren<br />
<strong>van</strong> werkzaamheden<br />
in de motorruimte niet<br />
in de buurt <strong>van</strong> de elektroventilateur<br />
als de motor nog warm<br />
is: de elektroventilateur kan,<br />
ook bij uitgeschakeld contact,<br />
onverwacht inschakelen.<br />
Wacht totdat de motor is afgekoeld.
Ook sjaals, dassen of<br />
loszittende kledingstukken<br />
kunnen door<br />
de bewegende on<strong>der</strong>delen<br />
worden gegrepen.<br />
Sluiten:<br />
– laat de motorkap tot op ongeveer<br />
20 cm <strong>van</strong> de motorruimte zakken en<br />
vervolgens vallen. Controleer daarna of<br />
de motorkap goed is gesloten door deze<br />
op te tillen. De motorkap mag niet alleen<br />
door de beveiliging vergrendeld zijn.<br />
Druk in dit laatste geval de motorkap<br />
niet dicht, maar til hem opnieuw op en<br />
herhaal de handeling.<br />
Controleer altijd of de<br />
motorkap vergrendeld<br />
is, om te voorkomen<br />
dat deze tijdens het rijden open<br />
gaat.<br />
KOPLAMPEN<br />
Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk<br />
voor het comfort en de veiligheid <strong>van</strong><br />
uzelf en de overige weggebruikers.<br />
Bovendien zijn er wettelijke voorschriften.<br />
Voor controle of afstelling kunt u contact<br />
opnemen met de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
KOPLAMPVERSTELLING<br />
Als de auto beladen is, helt hij achterover.<br />
Het gevolg is dat de lichtbundel<br />
<strong>van</strong> de koplampen meer naar boven<br />
schijnt.<br />
In dit geval is moeten de koplampen<br />
worden afgestemd met de regelknop (Afig.<br />
142) naast de stuurkolom.<br />
Controleer de afstelling<br />
<strong>van</strong> de koplampen<br />
telkens als het gewicht<br />
<strong>van</strong> de lading wijzigt.<br />
De regelknop heeft vier standen die<br />
overeenkomen met de on<strong>der</strong>staande beladingsgraad:<br />
Stand 0 - één of twee personen op<br />
de voorstoelen, volle brandstoftank, interieuruitrusting<br />
(in rijklare staat);<br />
Stand 1 - vijf personen;<br />
Stand 2 - vijf personen met bagage<br />
in de bagageruimte (ongeveer 50 kg);<br />
Stand 3 - bestuur<strong>der</strong> en 300 kg<br />
bagage in de bagageruimte.<br />
MISTLAMPEN VOOR<br />
AFSTELLEN (indien aanwezig)<br />
De hoogte <strong>van</strong> de mistlampen voor kan<br />
worden afgesteld met stelschroef (A-fig.<br />
143).<br />
fig. 142<br />
P4U00107<br />
121
ABS<br />
De auto is uitgerust met een anti-blokkeerremsysteem<br />
(ABS). Het systeem<br />
voorkomt dat de wielen blokkeren, waardoor<br />
de beschikbare grip optimaal wordt<br />
benut en de auto ook tijdens een noodstop<br />
bestuurbaar en stabiel blijft.<br />
dealer.<br />
fig. 143<br />
122<br />
Voor controle of afstelling<br />
kunt u contact opnemen<br />
met de <strong>Alfa</strong> Romeo-<br />
P4U00133<br />
Als het ABS in werking is getreden,<br />
merkt de bestuur<strong>der</strong> dit aan een trilling in<br />
het rempedaal, die gepaard gaat met<br />
enig geluid.<br />
Dit betekent niet dat het remsysteem<br />
niet goed werkt, maar geeft aan dat het<br />
ABS in werking treedt. Het geeft ook aan<br />
dat de grip op de weg vermin<strong>der</strong>d is. Het<br />
is daarom noodzakelijk uw snelheid aan<br />
te passen aan de conditie <strong>van</strong> de weg.<br />
Het ABS is een aanvulling op het conventionele<br />
remsysteem; bij een storing<br />
schakelt het ABS zichzelf automatisch uit,<br />
waarna alleen het conventionele remsysteem<br />
werkt.<br />
Als bij een storing niet meer op het antiblokkeersysteem<br />
kan worden gerekend,<br />
zal de remcapaciteit <strong>van</strong> de auto absoluut<br />
niet min<strong>der</strong> zijn.<br />
Als u niet eer<strong>der</strong> in een auto met ABS<br />
hebt gereden, raden wij u aan het systeem<br />
eerst een paar keer uit te proberen<br />
op een glad wegdek. Verlies hierbij de<br />
veiligheid niet uit het oog en houdt u aan<br />
de wetgeving <strong>van</strong> het land waarin u zich<br />
bevindt. Bovendien raden wij u aan de<br />
volgende aanwijzingen aandachtig te lezen.<br />
Het voordeel <strong>van</strong> het ABS ten opzichte<br />
<strong>van</strong> het traditionele remsysteem is dat de<br />
auto optimaal bestuurbaar blijft, doordat<br />
het blokkeren <strong>van</strong> de wielen wordt voorkomen,<br />
ook bij een noodstop en in omstandigheden<br />
waarbij de grip op het wegdek<br />
beperkt is.<br />
Het gebruik <strong>van</strong> het ABS leidt niet altijd<br />
tot een kortere remweg: als bijv. ijs of<br />
verse sneeuw op de weg ligt, kan de<br />
remweg langer zijn.
Voor het beste gebruik <strong>van</strong> het antiblokkeersysteem,<br />
is het raadzaam de volgende<br />
aanwijzingen op te volgen:<br />
Het ABS maakt zoveel<br />
mogelijk gebruik <strong>van</strong> de<br />
beschikbare grip maar<br />
kan deze niet verhogen. Daarom<br />
moet op gladde weggedeelten altijd<br />
voorzichtig worden gereden<br />
en mogen geen onnodige risico’s<br />
worden genomen.<br />
Als het ABS in werking<br />
treedt, dan is de<br />
grip <strong>van</strong> de banden op<br />
het wegdek beperkt; u dient uw<br />
snelheid te verlagen en aan te<br />
passen aan de beschikbare grip.<br />
Bij een storing gaat het<br />
waarschuwingslampje<br />
op het instrumentenpaneel<br />
branden. Rijd met aangepaste<br />
snelheid naar een <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer en laat het systeem<br />
volledig repareren.<br />
Wees voorzichtig bij het remmen in<br />
bochten, ook als de auto is voorzien <strong>van</strong><br />
ABS.<br />
Het belangrijkste advies is echter het<br />
volgende:<br />
Als het ABS in werking<br />
treedt, merkt u dat aan<br />
een trilling in het rempedaal.<br />
Verlaag de remdruk niet<br />
maar houd het rempedaal juist<br />
goed ingedrukt; op deze manier<br />
hebt u, afhankelijk <strong>van</strong> de conditie<br />
<strong>van</strong> het wegdek, de kortste<br />
remweg.<br />
Als u deze aanwijzingen opvolgt kunt u<br />
on<strong>der</strong> alle omstandigheden optimaal remmen.<br />
BELANGRIJK Op auto’s die met ABS<br />
zijn uitgerust, mogen uitsluitend door de<br />
fabriek voorgeschreven velgen, banden<br />
en remblokken gemonteerd worden.<br />
Het systeem wordt gecompleteerd met<br />
een elektronische remdrukverdeling EBD<br />
(Electronic Brake Distributor), die via de<br />
regeleenheid en de sensoren <strong>van</strong> het ABS<br />
de prestaties <strong>van</strong> het remsysteem verhoogt.<br />
De auto is uitgerust<br />
met een elektronische<br />
remdrukverdeling (EBD).<br />
Als bij een draaiende motor tegelijkertijd<br />
de waarschuwings-<br />
lampjes ><br />
en x gaan bran-<br />
den, dan is er een storing in het<br />
EBD-systeem; in dat geval kunnen<br />
bij hard remmen de achterwielen<br />
vroegtijdig blokkeren waardoor<br />
de auto kan gaan slippen. Rijd<br />
zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer om<br />
het systeem te laten controleren.<br />
123
Als bij een draaiende<br />
motor alleen het waarschuwingslampje<br />
gaat<br />
branden, dan is er een storing in<br />
het ABS-systeem. In dat geval<br />
werkt het conventionele remsysteem<br />
op de normale manier, terwijl<br />
geen gebruik wordt gemaakt<br />
<strong>van</strong> het anti-blokkeersysteem.<br />
On<strong>der</strong> deze omstandigheden kan<br />
ook de werking <strong>van</strong> het EBD-systeem<br />
vermin<strong>der</strong>en. Ook in dit geval<br />
raden wij u aan onmiddellijk<br />
en zeer voorzichtig naar de<br />
dichtstbijzijnde <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer<br />
te rijden, om het systeem te laten<br />
controleren.<br />
Als het waarschuwingslampje<br />
voor te<br />
laag remvloeistofniveau<br />
gaat branden, stop dan onmiddellijk<br />
de auto en neem contact op<br />
met de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer. Als er<br />
vloeistof lekt uit het hydraulische<br />
systeem, wordt de werking <strong>van</strong><br />
zowel het conventionele remsysteem<br />
als het ABS in gevaar gebracht.<br />
124<br />
EOBD (MOTORMA-<br />
NAGEMENTSYSTEEM)<br />
(benzine-uitvoeringen)<br />
Het op de auto gemonteerde EOBD-systeem<br />
(European On Board Diagnosis) is conform<br />
de EU 98/69-richtlijnen (EURO 3).<br />
Dit diagnosesysteem voert continu controles<br />
uit op de componenten die <strong>van</strong> invloed<br />
zijn op de emissies; bovendien kan<br />
de bestuur<strong>der</strong> door het branden <strong>van</strong> lampje<br />
U op het instrumentenpaneel een<br />
vermin<strong>der</strong>ing in de werking <strong>van</strong> de componenten<br />
constateren.<br />
Het doel is:<br />
– de werking <strong>van</strong> het systeem controleren;<br />
– signaleren wanneer door een storing<br />
de emissies boven de wettelijk vastgestelde<br />
drempelwaarde uitkomen;<br />
– signaleren wanneer het noodzakelijk<br />
is defecte componenten te ver<strong>van</strong>gen.<br />
Het systeem beschikt ver<strong>der</strong> nog over<br />
een diagnosestekker die aangesloten<br />
moet worden op speciale diagnose-apparatuur.<br />
De stekker maakt het mogelijk de<br />
door de regeleenheid opgeslagen storingscodes<br />
en de specifieke parameters<br />
voor de diagnose en werking <strong>van</strong> de motor<br />
te lezen.<br />
Als u de contactsleutel<br />
in stand MAR draait en<br />
het lampje U gaat niet<br />
branden of het gaat branden of<br />
knipperen tijdens het rijden, dan<br />
dient u zo snel mogelijk contact op<br />
te nemen met de <strong>Alfa</strong> Romeodealer.<br />
BELANGRIJK Na het verhelpen <strong>van</strong><br />
de storing moet de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer<br />
voor een complete controle <strong>van</strong> het systeem,<br />
tests uitvoeren op een testbank en,<br />
zonodig, een proefrit maken die eventueel<br />
een langere afstand kan omvatten.
AUTORADIO<br />
De auto is voorbereid op de inbouw <strong>van</strong><br />
een autoradio. Deze inbouwvoorbereiding<br />
is in drie verschillende uitvoeringen leverbaar,<br />
zoals hieron<strong>der</strong> beschreven is.<br />
STANDAARDVOORZIENING<br />
De standaardvoorziening bestaat uit:<br />
– voedingskabels voor de autoradio<br />
– kabels voor de luidsprekers voor in<br />
de portieren<br />
– kabels voor de luidsprekers achter in<br />
de portieren<br />
– een antenne geïntegreerd in de<br />
achterruit<br />
– coaxkabel om de radio op de antenne<br />
aan te sluiten<br />
– een inbouwplaats voor autoradio<br />
–inbouwplaatsen voor de luidsprekers<br />
voor en achter in de portierpanelen.<br />
COMPLEET INBOUWPAKKET<br />
(zon<strong>der</strong> autoradio)<br />
(optional)<br />
De auto kan, behalve met de componenten<br />
<strong>van</strong> de standaardvoorziening,<br />
worden uitgerust met:<br />
– luidsprekers en tweeters in de voorportieren<br />
– luidsprekers in de achterportieren<br />
– storings-on<strong>der</strong>drukkers<br />
– regeleenheid antenne.<br />
COMPLEET INBOUWPAKKET<br />
MET AUTORADIO<br />
(optional)<br />
De auto kan, behalve met alle hiervoor<br />
beschreven componenten, ook worden<br />
uitgerust met een autoradio, waar<strong>van</strong><br />
drie verschillende uitvoeringen zijn:<br />
– autoradio/cassettespeler;<br />
–autoradio/cassettespeler met geïntegreerde<br />
mobiele telefoon en dakantenne;<br />
– autoradio met CD-speler.<br />
Zie voor de beschrijving <strong>van</strong> de bedieningsknoppen<br />
<strong>van</strong> de autoradio het bijgeleverde<br />
supplement.<br />
125
Bij de <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
zijn een autoradio<br />
en luidsprekers verkrijgbaar<br />
die speciaal voor de <strong>Alfa</strong><br />
<strong>156</strong> zijn ontworpen.Laat de installatie<br />
<strong>van</strong> de autoradio en de<br />
luidsprekers uitsluitend door de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer uitvoeren. Zo<br />
bent u verzekerd <strong>van</strong> het beste<br />
resultaat en wordt voorkomen<br />
dat er iets kan gebeuren waardoor<br />
de garantie in gevaar wordt<br />
gebracht.<br />
fig. 144<br />
126<br />
P4U00119<br />
INBOUWVAK AUTORADIO<br />
(fig. 144)<br />
De autoradio kan worden ingebouwd in<br />
de daarvoor bestemde ruimte op de middenconsole<br />
(A).<br />
Na het verwij<strong>der</strong>en <strong>van</strong> het vak worden<br />
de coaxkabel <strong>van</strong> de antenne, een stekker<br />
voor de voeding <strong>van</strong> de autoradio en<br />
een stekker om de autoradio op de luidsprekers<br />
aan te sluiten bereikbaar.<br />
fig. 145<br />
P4U00134<br />
LUIDSPREKERS VOOR (fig. 145)<br />
(optional)<br />
De luidsprekers voor worden gemonteerd<br />
in de daarvoor bestemde openingen<br />
in de voorportieren.<br />
A - vakken voor tweeters<br />
B - vakken voor woofers<br />
LUIDSPREKERS ACHTER<br />
(fig. 146)<br />
(optional)<br />
De luidsprekers achter worden gemonteerd<br />
in de daarvoor bestemde openingen<br />
(A) in de achterportieren.<br />
fig. 146<br />
P4U00135
Als de geluidsapparatuur<br />
(autoradio, CD-speler,<br />
cassettespeler, enz.)<br />
voorzien is <strong>van</strong> een “Diefstalbeveiligingscode”,<br />
dient u zich bij<br />
het loskoppelen/aansluiten <strong>van</strong><br />
de accu of een an<strong>der</strong>e on<strong>der</strong>breking<br />
<strong>van</strong> de voeding strikt aan de<br />
instructies <strong>van</strong> de fabrikant te<br />
houden; omdat deze handelingen<br />
door de diefstalbeveiliging gezien<br />
worden als “ONGEAUTORI-<br />
SEERD”.<br />
TANKEN MET DE<br />
ALFA <strong>156</strong><br />
BENZINEMOTOREN<br />
Omdat uw auto is<br />
voorzien <strong>van</strong> systemen<br />
om het milieu te beschermen<br />
mag uitsluitend loodvrije benzine<br />
met een octaangetal <strong>van</strong> ten<br />
minste 95 R.O.N. worden gebruikt.<br />
Tank nooit loodhoudende<br />
benzine omdat hierdoor<br />
de katalysator onherstelbaar<br />
kan beschadigen. Als<br />
in de tank loodhoudende benzine<br />
terecht is gekomen (ook al is dat<br />
zeer weinig), dan MAG DE MO-<br />
TOR NIET WORDEN GESTART.<br />
Probeer de benzine in de tank niet<br />
te verdunnen met loodvrije superbenzine,<br />
maar maak de tank en<br />
het brandstofcircuit geheel leeg.<br />
Om te voorkomen dat per ongeluk loodhoudende<br />
benzine wordt getankt, heeft<br />
de vulopening <strong>van</strong> de tank zodanige afmetingen<br />
dat er geen tankpistool voor<br />
loodhoudende benzine kan worden ingestoken.<br />
Een beschadigde katalysator<br />
laat schadelijke<br />
stoffen in het uitlaatgas<br />
achter, waardoor het milieu<br />
wordt vervuild.<br />
127
DIESELMOTOREN<br />
De dieselmotoren zijn<br />
uitsluitend geschikt voor<br />
dieselbrandstof voor<br />
motorvoertuigen (Europese specificaties<br />
EN590). Het gebruik <strong>van</strong><br />
an<strong>der</strong>e producten of mengsels<br />
kan de motor onherstelbaar beschadigen<br />
en het vervallen <strong>van</strong><br />
de garantie tot gevolg hebben.<br />
Mocht u onverhoopt een an<strong>der</strong><br />
type brandstof tanken, dan mag<br />
de motor niet worden gestart en<br />
moet de brandstoftank worden<br />
afgetapt. Ook als de motor<br />
slechts kort heeft gedraaid, moet<br />
naast de brandstoftank, ook alle<br />
brandstof uit de brandstofleidingen<br />
worden afgetapt.<br />
Als deze voorzorgsmaatregelen niet in<br />
acht worden genomen, kan er ernstige<br />
schade aan de motor ontstaan.<br />
Tank brandstof voordat de brandstoftank<br />
volledig leeg is, om te voorkomen dat er<br />
lucht in het brandstofsysteem komt.<br />
128<br />
Bij buitentemperaturen on<strong>der</strong> –10 °C is<br />
het raadzaam, vooral als de auto langere<br />
tijd niet gebruikt wordt, de dieselbrandstof<br />
te mengen met het vorstbeveiligingsmiddel<br />
DIESEL MIX in de verhouding<br />
die in de gebruiksaanwijzing <strong>van</strong> het middel<br />
is aangegeven.<br />
DOP VAN BRANDSTOFTANK<br />
U kunt het tankklepje <strong>van</strong> binnenuit ontgrendelen<br />
door de voorzijde <strong>van</strong> hendel<br />
(A-fig. 147) omhoog te trekken.De<br />
tankdop zit met een koord aan het klepje<br />
vast om verlies <strong>van</strong> de dop te voorkomen<br />
(fig. 148).<br />
BELANGRIJK Omdat de tank hermetisch<br />
is afgesloten, kan een kleine overdruk<br />
worden waargenomen. Het is daarom<br />
normaal als u bij het losdraaien <strong>van</strong><br />
de tankdop een sissend geluid hoort.<br />
Ver<strong>van</strong>g de tankdop zonodig<br />
alleen door een an<strong>der</strong><br />
exemplaar <strong>van</strong> hetzelfde<br />
type, an<strong>der</strong>s kan de werking<br />
<strong>van</strong> het benzinedamp-op<strong>van</strong>gsysteem<br />
in gevaar worden<br />
gebracht.<br />
fig. 147<br />
P4U00038
TANKKLEPJE OPENEN IN<br />
NOODGEVALLEN<br />
Als het niet lukt het tankklepje met hendel<br />
(A-fig. 147) te openen, trek dan<br />
aan het koordje (A-fig. 149) rechts in<br />
de bagageruimte.<br />
Kom niet dicht bij de<br />
vulopening met open<br />
vuur of een brandende<br />
sigaret: brandgevaar.<br />
Houd uw hoofd ook niet dichtbij<br />
de vulopening om te voorkomen<br />
dat u schadelijke dampen inademt.<br />
fig. 148<br />
P4U00420<br />
BESCHERMING VAN<br />
HET MILIEU<br />
Bij het ontwerp en de productie is niet<br />
alleen rekening gehouden met traditionele<br />
aspecten, zoals prestaties en veiligheid,<br />
maar is er ook veel aandacht besteed<br />
aan de groeiende milieuproblemen.<br />
fig. 149<br />
P4U00137<br />
De materiaalkeuze en de technische<br />
systemen en speciale voorzieningen zijn<br />
het resultaat <strong>van</strong> inspanningen die er op<br />
gericht zijn om de vervuiling <strong>van</strong> het<br />
milieu drastisch terug te dringen. Uw auto<br />
voldoet dan ook aan de strengste internationale<br />
milieunormen.<br />
GEBRUIK VAN MILIEU-<br />
VRIENDELIJKE MATERIALEN<br />
Geen enkel on<strong>der</strong>deel <strong>van</strong> de auto bevat<br />
asbest. De vulling <strong>van</strong> de stoelen en<br />
de handbediende airconditioning bevatten<br />
geen CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen),<br />
het gas dat waarschijnlijk de oorzaak is<br />
<strong>van</strong> het gat in de ozonlaag.<br />
De kleurstoffen en de corrosiewerende<br />
behandeling <strong>van</strong> de bouten en moeren<br />
zijn niet schadelijk voor het milieu; ze bevatten<br />
dus geen lucht- en bodemverontreinigend<br />
cadmium en/of chroom.<br />
129
EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN<br />
(benzinemotoren)<br />
Driewegkatalysator<br />
Het uitlaatsysteem is voorzien <strong>van</strong> een<br />
katalysator, die bestaat uit edelmetaallegeringen.<br />
De katalysator bevindt zich in<br />
een roestvrijstalen hou<strong>der</strong>, die bestand is<br />
tegen hoge bedrijfstemperaturen.<br />
De katalysator zet onverbrande koolwaterstoffen,<br />
koolmonoxide en stikstofoxiden<br />
in het uitlaatgas om (ook al zijn<br />
deze dankzij het elektronische motormanagementsysteem,<br />
slechts in kleine<br />
hoeveelheden aanwezig) in niet schadelijke<br />
stoffen.<br />
Omdat tijdens de werking<br />
de katalysator zeer<br />
warm wordt, verdient<br />
het aanbeveling niet te parkeren<br />
boven brandbare materialen (papier,<br />
brandstof, gras, droge bla<strong>der</strong>en,<br />
enz.).<br />
130<br />
Lambdasonde<br />
De lambdasonde meet de hoeveelheid<br />
zuurstof in het uitlaatgas.<br />
De door de lambdasondes verzonden<br />
signalen worden door de regeleenheid<br />
<strong>van</strong> het motormanagementsysteem gebruikt<br />
om het lucht-/brandstofmengsel te<br />
regelen.<br />
Benzinedamp-op<strong>van</strong>gsysteem<br />
Het is onmogelijk, ook bij stilstaande<br />
motor, benzinedampen te voorkomen.<br />
Daarom “<strong>van</strong>gt” dit systeem de dampen<br />
in een speciaal actieve-koolfilter.<br />
Als de motor draait, dan worden deze<br />
dampen afgezogen en verbrand in de<br />
motor.<br />
EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN<br />
(dieselmotoren)<br />
Oxidatie-katalysator<br />
De katalysator zet schadelijke bestanddelen<br />
in het uitlaatgas (koolmonoxide,<br />
onverbrande koolwaterstoffen en roetdeeltjes<br />
zijn de belangrijkste) om in onschadelijke<br />
stoffen, waarmee tevens de<br />
rook en de typische dieselgeur vermin<strong>der</strong>d<br />
worden.<br />
De katalysator bestaat uit een roestvrijstalen<br />
huis, met daarin een honingraatvormig<br />
keramisch binnenwerk. Hierop zit<br />
edelmetaal dat voor de katalytische reactie<br />
zorgt.<br />
Uitlaatgasrecirculatie-systeem<br />
(E.G.R.)<br />
Dit systeem zorgt voor recirculatie, oftewel<br />
hergebruik, <strong>van</strong> een deel <strong>van</strong> de uitlaatgassen.<br />
Het percentage dat gerecirculeerd<br />
wordt, is afhankelijk <strong>van</strong> de bedrijfsomstandigheden<br />
<strong>van</strong> de motor.<br />
Het systeem beperkt zonodig de uitstoot<br />
<strong>van</strong> stikstofoxiden.
CORRECT GEBRUIK VAN DE AUTO<br />
Door het volgende hoofdstuk aandachtig door te lezen en de vermelde<br />
aanwijzingen, suggesties, en voorschriften op te volgen, kunt u het<br />
beste uit uw <strong>Alfa</strong> <strong>156</strong> halen in termen <strong>van</strong> veiligheid, prestaties,<br />
betrouwbaarheid en levensduur.<br />
In de meeste gevallen gaat het om on<strong>der</strong>werpen met een algemeen<br />
karakter.<br />
In an<strong>der</strong>e gevallen gaat het specifiek om de werking <strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong> Romeo<br />
<strong>156</strong>.<br />
Lees de informatie dus aandachtig door zodat u uw auto op de beste<br />
manier kunt gebruiken.<br />
MOTOR STARTEN .................................................................. PAG. .132<br />
PARKEREN ................................................................................... 135<br />
VEILIG RIJDEN ............................................................................. 135<br />
SNEEUWKETTINGEN ..................................................................... 144<br />
ECONOMISCH EN MILIEUBEWUST RIJDEN ...................................... 144<br />
TREKKEN VAN AANHANGERS ........................................................ 148<br />
AUTO LANGERE TIJD STALLEN ....................................................... 149<br />
EXTRA ACCESSOIRES .................................................................... 150<br />
SUGGESTIES VOOR NUTTIGE ACCESSOIRES .................................... 150<br />
131
MOTOR STARTEN<br />
BELANGRIJK De auto is uitgerust<br />
met elektronische starton<strong>der</strong>breking. Zie<br />
“<strong>Alfa</strong> Romeo CODE” als de motor niet wil<br />
starten.<br />
Het is raadzaam om<br />
gedurende de eerste kilometers<br />
niet de maximale<br />
prestaties <strong>van</strong> uw auto te<br />
eisen (bijv. snel accelereren,<br />
langdurig rijden met hoge toerentallen,<br />
krachtig remmen,<br />
enz.).<br />
Het is zeer gevaarlijk<br />
om de motor in een afgesloten<br />
ruimte te laten<br />
draaien. De motor verbruikt zuurstof<br />
en produceert koolmonoxide,<br />
een zeer giftig en dodelijk gas.<br />
132<br />
Het contactslot is voorzien <strong>van</strong> een herstartbeveiliging.<br />
Als de motor bij de eerste<br />
poging niet aanslaat, moet u de sleutel<br />
terugdraaien in stand STOP en nogmaals<br />
starten.<br />
Het start-/contactslot is voorzien <strong>van</strong><br />
een beveiligingsmechanisme, waardoor<br />
het slot niet <strong>van</strong> stand MAR in stand<br />
AVV kan worden gezet bij een draaiende<br />
motor.<br />
BENZINEMOTOR STARTEN<br />
BELANGRIJK Het gaspedaal mag<br />
pas worden ingetrapt nadat de motor is<br />
gestart.<br />
Bij koude motor<br />
1) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.<br />
2) Zet de versnellingspook in de vrijstand.<br />
3) Trap het koppelingspedaal geheel<br />
in, zodat de startmotor de tandwielen in<br />
de versnellingsbak niet hoeft aan te drijven.<br />
4) Controleer of de elektrische systemen<br />
en verbruikers zijn uitgeschakeld. Let<br />
vooral op systemen die veel vermogen<br />
vragen (bijv. de achterruitverwarming).<br />
Laat de contactsleutel<br />
niet in stand MAR staan<br />
als de motor stilstaat.<br />
5) Draai de start-/contactsleutel in<br />
stand AVV en laat hem los zodra de<br />
motor aanslaat.<br />
6) Als de motor niet aanslaat, moet u<br />
de sleutel terugdraaien in stand STOP<br />
en nogmaals starten.<br />
Bij warme motor:<br />
1) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.<br />
2) Zet de versnellingspook in de vrijstand.<br />
3) Trap het koppelingspedaal geheel<br />
in.<br />
4) Controleer of de elektrische systemen<br />
en verbruikers zijn uitgeschakeld. Let<br />
vooral op systemen die veel vermogen<br />
vragen (bijv. de achterruitverwarming).<br />
5) Draai de start-/contactsleutel in stand<br />
AVV en laat hem los zodra de motor<br />
aanslaat.<br />
6) Als de motor bij de eerste poging<br />
niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien<br />
in stand STOP en nogmaals<br />
starten.
Trap het gaspedaal hierbij niet herhaaldelijk<br />
in maar houdt het iets ingetrapt.<br />
BELANGRIJK Als de startpoging<br />
moeizaam verloopt, blijf dan niet langdurig<br />
proberen de motor te starten. Hierdoor<br />
zou de katalysator kunnen beschadigen.<br />
Wendt u in dat geval tot de <strong>Alfa</strong> Romeodealer.<br />
BELANGRIJK Bij de uitvoering 2.0<br />
T.SPARK Selespeed moet het rempedaal<br />
ingetrapt worden gehouden tijdens het<br />
starten <strong>van</strong> de motor. Als het rempedaal<br />
herhaaldelijk wordt ingetrapt bij een afgezette<br />
motor, is er meer kracht vereist.<br />
In een <strong>der</strong>gelijke situatie moet voor het<br />
starten <strong>van</strong> de motor het rempedaal<br />
krachtiger worden ingetrapt<br />
DIESELMOTOR STARTEN<br />
1) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.<br />
2) Zet de versnellingspook in de vrijstand.<br />
3) Draai de contactsleutel in stand<br />
MAR. Op het instrumentenpaneel gaat<br />
het controlelampje m branden.<br />
4) Wacht tot het lampje m gedoofd<br />
is. Hoe warmer de motor, hoe sneller het<br />
lampje dooft. Bij een warme motor kan<br />
het lampje zo snel doven dat dit niet<br />
wordt opgemerkt.<br />
5) Trap het koppelingspedaal geheel in.<br />
6) Draai de contactsleutel in stand<br />
AVV nadat het lampje m gedoofd is.<br />
Als u te lang wacht, zijn de voorgloeibougies<br />
weer afgekoeld.<br />
Als het lampje m (indien<br />
aanwezig) na het<br />
starten ongeveer 30 seconden<br />
gaat knipperen, betekent<br />
dit dat er een storing is in het<br />
voorgloeisysteem. Als dat het<br />
geval is, wendt u dan onmiddellijk<br />
tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
BELANGRIJK De elektrische installaties<br />
die veel stroom verbruiken (airconditioning,<br />
achterruitverwarming,enz.) schakelen<br />
tijdens het starten tijdelijk uit.<br />
Als de motor bij de eerste poging niet<br />
aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien<br />
in stand STOP en nogmaals starten.<br />
Als de startpoging moeizaam verloopt<br />
(bij een goed werkende <strong>Alfa</strong> Romeo CO-<br />
DE), probeer dan niet langdurig de motor<br />
te starten.<br />
Maak alleen gebruik <strong>van</strong> een hulpaccu<br />
als de motor niet aanslaat wanneer de<br />
boordaccu onvoldoende is geladen. Gebruik<br />
nooit een accula<strong>der</strong> voor het starten<br />
<strong>van</strong> de motor (zie “Een lege accu” in het<br />
hoofdstuk “Noodgevallen”).<br />
MOTOR OPWARMEN<br />
– Rijd rustig weg, laat de motor niet<br />
met hoge toerentallen draaien en trap het<br />
gaspedaal niet bruusk in.<br />
– Verlang de eerste kilometers geen<br />
maximale prestaties, maar wacht tot<br />
de koelvloeistof een temperatuur <strong>van</strong><br />
50-60 °C heeft bereikt.<br />
133
NOODSTART<br />
Probeer auto’s niet te<br />
starten door ze aan te<br />
duwen, te slepen of <strong>van</strong><br />
een helling af te laten rijden.<br />
Hierdoor kan de katalysator onherstelbaar<br />
beschadigen.<br />
STARTEN MET EEN<br />
HULPACCU<br />
Als de motor niet start (en de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo CODE werkt op de juiste wijze),<br />
start de motor dan met een hulpaccu,<br />
zoals wordt beschreven in het hoofdstuk<br />
“Noodgevallen”.<br />
134<br />
ROLLEND STARTEN<br />
Probeer auto’s met katalysator<br />
nooit te starten<br />
door ze aan te duwen,<br />
te slepen of <strong>van</strong> een helling<br />
te laten rijden. Op die wijze kan<br />
er onverbrande brandstof in de<br />
katalysator terechtkomen, waardoor<br />
deze onherstelbaar zal beschadigen.<br />
Houd er rekening mee<br />
dat de rem- en stuurbekrachtiging<br />
niet werken<br />
zolang de motor niet is aangeslagen,<br />
waardoor meer kracht nodig<br />
is voor de bediening <strong>van</strong> het rempedaal<br />
en het stuur.<br />
MOTOR UITZETTEN<br />
– Laat het gaspedaal los en wacht tot<br />
de motor met stationair toerental draait.<br />
– Draai de contactsleutel in stand<br />
STOP. Hierdoor wordt de motor uitgezet.<br />
BELANGRIJK Het is beter om de motor<br />
na een zware rit even “op adem” te<br />
laten komen. Zet de motor niet onmiddellijk<br />
uit, maar laat hem even stationair<br />
draaien. Hierdoor kan de temperatuur in<br />
de motorruimte dalen.<br />
Geef niet bruusk gas<br />
vlak voordat de motor<br />
wordt uitgezet. Dit<br />
geldt voor alle motoren, maar in<br />
het bijzon<strong>der</strong> voor motoren die<br />
voorzien zijn <strong>van</strong> een turbocompressor.<br />
Gasgeven voordat u de motor<br />
uitzet heeft geen enkel nut, verspilt<br />
brandstof en is zeer schadelijk<br />
voor de lagers in de turbocompressor.
PARKEREN<br />
Voer voor het parkeren <strong>van</strong> de auto de<br />
volgende handelingen uit:<br />
– Zet de motor uit.<br />
– Trek de handrem aan.<br />
– Schakel de 1 e versnelling in als de<br />
auto op een helling omhoog staat en de<br />
achteruit bij een helling omlaag (gezien<br />
in de rijrichting).<br />
– Zet de voorwielen in een zodanige<br />
stand dat de auto onmiddellijk stopt als<br />
de handremhefboom per ongeluk naar<br />
beneden wordt gezet.<br />
Laat de contactsleutel<br />
niet in stand MAR staan<br />
als de motor stilstaat,<br />
zodat de accu niet onnodig wordt<br />
ontladen.<br />
Laat kin<strong>der</strong>en nooit alleen<br />
achter in de auto.<br />
Neem de sleutels altijd<br />
uit het contactslot als u de auto<br />
verlaat en neem de sleutels mee.<br />
VEILIG RIJDEN<br />
In deze paragraaf worden tips en aanwijzingen<br />
gegeven voor een goed en veilig<br />
gebruik <strong>van</strong> uw auto on<strong>der</strong> diverse<br />
omstandigheden.<br />
Bovendien vindt u een aantal suggesties<br />
die betrekking hebben op de belangrijkste<br />
systemen <strong>van</strong> de auto die <strong>van</strong> groot belang<br />
zijn voor de rijveiligheid.<br />
VOORDAT U WEGRIJDT<br />
Voordat u vertrekt, en in ie<strong>der</strong> geval<br />
voor het begin <strong>van</strong> een lange rit, raden<br />
wij u aan de volgende handelingen uit te<br />
voeren:<br />
– Zet de stoel, het stuur en de achteruitkijkspiegels<br />
in de juiste stand.<br />
– Controleer of de slag <strong>van</strong> de pedalen<br />
(vooral het rempedaal) niet door voorwerpen<br />
wordt belemmerd.<br />
– Houdt u bij het vervoeren <strong>van</strong> kin<strong>der</strong>en<br />
aan de voorschriften die vermeld<br />
staan in de paragraaf “Algemene opmerkingen<br />
over het gebruik <strong>van</strong> veiligheidsgordels”<br />
in het hoofdstuk “Wegwijs in uw<br />
auto”.<br />
– Controleer of de claxon goed werkt.<br />
– Controleer de werking en de conditie<br />
<strong>van</strong> de wisserbladen.<br />
–Controleer de werking <strong>van</strong> de buitenverlichting<br />
en reinig zonodig het lampenglas.<br />
– Controleer voordat u vertrekt, vooral<br />
als u in het donker rijdt, of de koplampen<br />
goed zijn afgesteld.<br />
– Controleer de on<strong>der</strong>zijde <strong>van</strong> de auto<br />
op eventuele lekkage <strong>van</strong> olie of an<strong>der</strong>e<br />
vloeistoffen.<br />
– Controleer of eventuele bagage goed<br />
in de bagageruimte is geladen.<br />
– Controleer of naast uzelf ook alle<br />
overige inzittenden de veiligheidsgordel<br />
dragen.<br />
– Controleer of de handrem is uitgeschakeld<br />
en de controlelampjes op het instrumentenpaneel<br />
geen storingen aangeven.<br />
Om onverwachtse bewegingen <strong>van</strong><br />
de auto te voorkomen, moet bij het uitschakelen<br />
<strong>van</strong> de handrem het rempedaal<br />
worden ingetrapt.<br />
135
Overige tips:<br />
– Lange reizen moeten in optimale<br />
conditie worden gestart en zomogelijk<br />
<strong>van</strong> te voren worden gepland, vooral in<br />
perioden <strong>van</strong> grote drukte.<br />
– Een lichte en makkelijk verteerbare<br />
maaltijd bevor<strong>der</strong>t het reactievermogen<br />
en de concentratie die noodzakelijk is om<br />
veilig te rijden.<br />
Het rijden on<strong>der</strong> invloed<br />
<strong>van</strong> alcohol, drugs<br />
en/of bepaalde medicijnen<br />
is zeer gevaarlijk.On<strong>der</strong> deze<br />
omstandigheden mag u nooit achter<br />
het stuur plaatsnemen.<br />
Rijd niet met voorwerpen<br />
op de vloer voor de<br />
bestuur<strong>der</strong>sstoel: tijdens<br />
het remmen kunnen deze tussen<br />
de pedalen komen waardoor het<br />
onmogelijk is te accelereren of te<br />
remmen.<br />
136<br />
Let op de dikte <strong>van</strong><br />
eventuele extra vloermatten:<br />
zelfs een gering<br />
defect in het remsysteem kan tot<br />
gevolg hebben, dat het rempedaal<br />
dieper dan normaal moet worden<br />
ingetrapt.<br />
TIJDENS DE RIT<br />
– Voorzichtig rijden houdt ook in dat u<br />
alert bent op fouten en onvoorzichtigheden<br />
<strong>van</strong> an<strong>der</strong>en. Houdt u aan de<br />
maximum snelheden en gebruik op snelwegen<br />
zo veel mogelijk de rechter rijbaan.<br />
– Gebruik bij het wisselen <strong>van</strong> rijbaan<br />
de richtingaanwijzers.<br />
– Schakel bij zonson<strong>der</strong>gang de buitenverlichting<br />
in.<br />
– Houd voldoende afstand tot de auto’s<br />
die voor u rijden; deze afstand varieert<br />
afhankelijk <strong>van</strong> de snelheid, de<br />
weersomstandigheden, de verkeerssituatie<br />
en de conditie <strong>van</strong> het wegdek.<br />
– Laat uw hand tijdens het rijden niet<br />
op de pookknop rusten omdat door de<br />
uitgeoefende druk, ook als deze licht is,<br />
de interne on<strong>der</strong>delen <strong>van</strong> de versnellingsbak<br />
op den duur kunnen slijten.<br />
– Rijdt niet met de versnellingsbak in<br />
de vrijstand.<br />
– Laat u voet niet op het koppelingspedaal<br />
rusten als dit niet nodig is omdat<br />
hierdoor de interne on<strong>der</strong>delen <strong>van</strong> het<br />
koppelingspedaal op den duur kunnen slijten.<br />
– Rijd niet te lang achter elkaar, maar<br />
las pauzes in en gebruik die om een beetje<br />
te bewegen en weer op krachten te<br />
komen.<br />
– Zorg voor een constante luchtverversing<br />
in het interieur. Maak hiervoor gebruik<br />
<strong>van</strong> de vele instelmogelijkheden<br />
Controleer of naast<br />
uzelf ook alle overige inzittenden<br />
de veiligheidsgordel<br />
dragen. Rijden zon<strong>der</strong> veiligheidsgordels<br />
vergroot het risico<br />
op ernstig letsel of een dodelijke<br />
afloop bij een ongeval.
<strong>van</strong> het verwarmings- en ventilatiesysteem<br />
of <strong>van</strong> de airconditioning.<br />
– Rijd nooit <strong>van</strong> een helling af met een<br />
afgezette motor: u kunt dan niet op de<br />
motor afremmen en de rem- en stuurbekrachtiging<br />
werken niet, waardoor u met<br />
meer kracht op de rem moet trappen en<br />
aan het stuur moet draaien.<br />
– Parkeer bij pech de auto in de berm,<br />
schakel de waarschuwingsknipperlichten<br />
in en plaats de gevarendriehoek op de<br />
wettelijk verplichte afstand. U dient zich<br />
altijd aan de geldende verkeerswetgeving<br />
te houden.<br />
IN HET DONKER RIJDEN<br />
Rijden in het donker vergt veel meer<br />
concentratie, zowel fysiek als psychisch.<br />
Hierna volgen enkele tips voor het rijden<br />
in het donker:<br />
– Rijdt extra voorzichtig, beperk zonodig<br />
de snelheid, vooral op onverlichte wegen.<br />
– Bewaar een veilige afstand, groter<br />
dan overdag, tot de auto’s die voor u rijden.<br />
Het is moeilijk om de snelheid <strong>van</strong><br />
an<strong>der</strong>e auto’s te schatten als alleen de<br />
lichten te zien zijn.<br />
– Stop bij de eerste tekenen <strong>van</strong> slaperigheid<br />
en ga pas weer rijden na voldoende<br />
rust. Doorrijden levert gevaar op<br />
voor uzelf en voor an<strong>der</strong>en.<br />
– Controleer of de koplampen goed<br />
staan afgesteld. Als ze te laag staan,<br />
wordt het zicht vermin<strong>der</strong>d. Als ze te<br />
hoog staan, kunnen ze an<strong>der</strong>e weggebruikers<br />
hin<strong>der</strong>en.<br />
– Gebruik het grootlicht alleen buiten<br />
de bebouwde kom en als u zeker weet<br />
dat u an<strong>der</strong>e weggebruikers niet hin<strong>der</strong>t.<br />
– Doof het grootlicht (indien ingeschakeld)<br />
als u een tegenligger ziet en passeer<br />
met dimlicht.<br />
– Zorg dat de koplampen en de achterlichten<br />
altijd schoon zijn.<br />
ONDER SLECHTE WEERSOM-<br />
STANDIGHEDEN RIJDEN<br />
Regen en mist kunnen gevaarlijk zijn als<br />
de rijstijl niet wordt aangepast aan de<br />
weersomstandigheden. Hierna volgen enkele<br />
tips voor het rijden on<strong>der</strong> slechte<br />
weersomstandigheden:<br />
– Op natte wegen is de wrijving tussen de<br />
banden en het wegdek aanzienlijk min<strong>der</strong>.<br />
Hierdoor is de remweg aanmerkelijk langer<br />
en de grip in de bochten min<strong>der</strong>.Beperk de<br />
snelheid en bewaar een grotere afstand <strong>van</strong><br />
de auto’s die voor u rijden.<br />
– Zware regenval en mist beperken het<br />
zicht. Schakel daarom ook overdag, overeenkomstig<br />
de wettelijke voorschriften, het<br />
dimlicht in, vooral om uzelf beter zichtbaar<br />
te maken.<br />
– Rijd niet met hoge snelheid door plassen:<br />
u kunt de controle over de auto verliezen<br />
(“aquaplaning”).<br />
– Zorg dat bij een beperkt zicht de ruiten<br />
niet beslaan. Stel de bedieningsknoppen <strong>van</strong><br />
het ventilatiesysteem in, zoals is beschreven<br />
in het hoofdstuk “Wegwijs in uw auto”.<br />
– Controleer regelmatig de conditie <strong>van</strong><br />
de ruitenwisserbladen.<br />
– Vermijd, indien mogelijk, het rijden in<br />
dichte mist. Mocht u toch de weg op moeten,<br />
rijd dan uiterst voorzichtig en met aangepaste<br />
snelheid. Vermijd inhalen.<br />
– Als u plotseling moet stoppen (bij een<br />
defect, door sterke vermin<strong>der</strong>ing <strong>van</strong> het<br />
zicht, enz.), tracht dan toch buiten de rijstrook<br />
te stoppen. Zet vervolgens de<br />
waarschuwingsknipperlichten aan en, zo<br />
mogelijk, de dimlichten.<br />
137
IN DE BERGEN RIJDEN<br />
Het rijden in de bergen vereist extra<br />
aandacht. Hierna volgen enkele tips voor<br />
het rijden in de bergen:<br />
– Controleer voordat u vertrekt de vloeistofniveaus<br />
(motorolie,remvloeistof, koelvloeistof)<br />
en de conditie <strong>van</strong> de banden.<br />
– Rem zoveel mogelijk op de motor af<br />
en rijd in een lage versnelling bergafwaarts.<br />
Daarmee voorkomt u dat de remmen<br />
oververhit raken.<br />
– Rijd nooit naar beneden met afgezette<br />
motor of met de versnellingspook in de<br />
vrij-stand, en absoluut nooit met uitgenomen<br />
contactsleutel.<br />
– Rijd met een matige snelheid, en vermijd<br />
het “afsnijden” <strong>van</strong> bochten.<br />
– Denk eraan dat bergopwaarts inhalen<br />
veel langzamer gaat en dat de weg daarom<br />
langer vrij moet zijn. Als u wordt ingehaald<br />
terwijl u bergopwaarts rijdt, geef de<br />
passerende auto dan de ruimte.<br />
IN DE WINTER RIJDEN<br />
Als de temperatuur on<strong>der</strong> 0 °C daalt of<br />
bij sneeuw of ijzel raden wij u het volgende<br />
aan:<br />
138<br />
– Controleer voordat u vertrekt of de<br />
wisserbladen niet vast aan de voorruit<br />
zijn gevroren.<br />
–Verwij<strong>der</strong> eventuele sneeuw <strong>van</strong> het<br />
luchttoevoerrooster aan de on<strong>der</strong>zijde <strong>van</strong><br />
de voorruit.<br />
– Blijf niet te lang met een draaiende<br />
motor in diepe sneeuw stilstaan: door de<br />
sneeuw kan de koolmonoxide <strong>van</strong> het uitlaatgas<br />
in het interieur dringen.<br />
– Zorg dat de remmen en banden in<br />
perfecte conditie zijn.<br />
–Controleer of het reservoir <strong>van</strong> de ruiten-/koplampsproeiers<br />
voldoende antivries<br />
en kalkoplosser bevat.<br />
– Rem bij voorkeur op de motor af en<br />
vermijd bruusk remmen.<br />
– In de winter kan op schijnbaar droge<br />
wegen toch ijs liggen. Let daarom vooral<br />
goed op de delen <strong>van</strong> de weg die door de<br />
aanwezigheid <strong>van</strong> bomen of rotsen weinig<br />
zon krijgen, waardoor ijs kan blijven liggen.<br />
BELANGRIJK Rijd om beschadiging<br />
<strong>van</strong> de banden te voorkomen, met gemonteerde<br />
sneeuwkettingen geen lange<br />
stukken op sneeuwvrije wegen.In extreme<br />
gevallen moet u zeer langzaam rijden<br />
en de sneeuwkettingen verwij<strong>der</strong>en zodra<br />
dat mogelijk is.<br />
REMMEN<br />
De remmen zijn <strong>van</strong> essentieel belang<br />
voor de rijveiligheid en dienen dus altijd<br />
perfect te functioneren.<br />
Voor een correct gebruik, een perfecte<br />
werking en een minimale slijtage <strong>van</strong> het<br />
remsysteem, raden wij u aan de volgende<br />
aanwijzingen op te volgen:<br />
– Laat tijdens het rijden de voet niet onnodig<br />
op het rempedaal rusten.<br />
– Controleer of de slag <strong>van</strong> het rempedaal<br />
niet door een vloermat of een an<strong>der</strong><br />
voorwerp wordt belemmerd.<br />
– Controleer regelmatig de werking <strong>van</strong><br />
het remsysteem en in ie<strong>der</strong> geval voor<br />
een lange rit.<br />
– Controleer op het instrumentenpaneel<br />
of het lampje voor te laag remvloeistofniveau<br />
en aangetrokken handrem x goed<br />
werkt: Als het lampje x tijdens het rijden<br />
gaat branden en blijft branden, controleer<br />
dan of de handrem niet is aangetrokken.<br />
Als de handrem niet is aangetrokken,<br />
moet de auto onmiddellijk worden gestopt<br />
en het niveau <strong>van</strong> de remvloeistof worden<br />
gecontroleerd; als het niveau onvoldoende<br />
is, moet vloeistof worden bijgevuld. Als het<br />
controlelampje d gaat branden bij het
intrappen <strong>van</strong> het rempedaal, dan zijn de<br />
remblokken versleten tot de minimum toegestane<br />
dikte. Laat de remblokken zo snel<br />
mogelijk door de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer ver<strong>van</strong>gen.<br />
Omdat de auto is uitgerust met een slijtage-indicator<br />
voor de remblokken voor<br />
moet u, als de remblokken worden ver<strong>van</strong>gen,<br />
ook de remblokken achter laten<br />
controleren. De JTD-uitvoeringen beschikken<br />
alleen over een slijtagesensor op de<br />
rem linksvoor.<br />
– Remvloeistof is hygroscopisch (remvloeistof<br />
trekt water aan); ver<strong>van</strong>g de<br />
remvloeistof ie<strong>der</strong>e twee jaar, onafhankelijk<br />
<strong>van</strong> het aantal afgelegde kilometers,<br />
om beschadiging ven het remsysteem te<br />
voorkomen.<br />
Let op bij de montage<br />
<strong>van</strong> spoilers, lichtmetalen<br />
velgen en niet standaard<br />
wieldoppen: ze kunnen de<br />
ventilatie <strong>van</strong> de remmen vermin<strong>der</strong>en<br />
en daarmee hun doelmatigheid<br />
tijdens krachtig en<br />
veelvuldig remmen; bijvoorbeeld<br />
tijdens een steile afdaling.<br />
Water, sneeuw en<br />
strooizout op wegen<br />
kunnen zich afzetten op<br />
de remschijven waardoor de gewenste<br />
remvertraging iets later<br />
wordt bereikt.<br />
REMBEKRACHTIGER<br />
De auto is uitgerust met een rembekrachtiger<br />
die alleen werkt bij een draaiende<br />
motor. Bij stilstaande motor moet<br />
daarom meer kracht worden uitgeoefend<br />
op het rempedaal om de gewenste remvertraging<br />
te bereiken.<br />
ANTI-BLOKKEERSYSTEEM<br />
(ABS)<br />
De auto is uitgerust met anti-blokkeersysteem<br />
(ABS) met elektronische remdrukverdeling<br />
(EBD). Wij raden u aan<br />
met het volgende rekening te houden:<br />
– Tijdens het remmen kunnen lichte trillingen<br />
in het rempedaal worden gevoeld. Dit<br />
betekent dat het ABS in werking is getreden.<br />
– De prestaties <strong>van</strong> het systeem vergroten<br />
in principe de actieve veiligheid, maar<br />
mogen de bestuur<strong>der</strong> er niet toe verleiden<br />
onnodige en onverantwoorde risico’s te<br />
nemen.<br />
– De rijstijl moet altijd zijn aangepast<br />
aan de weersomstandigheden, het zicht<br />
en het verkeer.<br />
– De maximale remvertraging blijft uiteraard<br />
altijd afhankelijk <strong>van</strong> de grip <strong>van</strong><br />
de banden op het wegdek. Bij sneeuw of<br />
ijs is de grip <strong>van</strong>zelfsprekend veel min<strong>der</strong>,<br />
waardoor de remweg, ook met ABS, aanzienlijk<br />
langer zal zijn.<br />
De auto is uitgerust<br />
met een elektronische<br />
remdrukverdeling (EBD).<br />
Als bij een draaiende motor tegelijkertijd<br />
de waarschuwingslampjes<br />
> en x gaan branden, dan<br />
is er een storing in het EBD-systeem;<br />
in dat geval kunnen bij<br />
hard remmen de achterwielen<br />
vroegtijdig blokkeren waardoor<br />
de auto kan gaan slippen. Rijd<br />
zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer om<br />
het systeem te laten controleren.<br />
139
Als bij een draaiende<br />
motor alleen het waarschuwingslampje<br />
><br />
gaat branden, dan is er een storing<br />
in het ABS-systeem. In dat<br />
geval werkt het conventionele<br />
remsysteem op de normale manier,<br />
terwijl geen gebruik wordt<br />
gemaakt <strong>van</strong> het anti-blokkeersysteem.<br />
On<strong>der</strong> deze omstandigheden<br />
kan ook de werking <strong>van</strong><br />
het EBD-systeem vermin<strong>der</strong>en.<br />
Ook in dit geval raden wij u aan<br />
onmiddellijk en zeer voorzichtig<br />
naar de dichtstbijzijnde <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer te rijden, om het<br />
systeem te laten controleren.<br />
Het ABS ontheft de<br />
bestuur<strong>der</strong> niet <strong>van</strong> de<br />
verplichting voorzichtig<br />
te rijden, vooral op gladde,<br />
besneeuwde of natte wegen.<br />
140<br />
STUURBEKRACHTIGING<br />
De hydraulische stuurbekrachtiging<br />
werkt alleen bij een draaiende motor. Bij<br />
stilstaande motor moet daarom meer<br />
kracht worden uitgeoefend op het stuurwiel.<br />
De stuurinrichting is een mechanisch<br />
systeem dat grote invloed heeft op de rijveiligheid.<br />
Daarom moet de auto bij een<br />
vermoedelijke storing worden stilgezet<br />
en onmiddellijk contact worden opgenomen<br />
met de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Houd bij een draaiende<br />
motor het stuurwiel<br />
niet langer dan 15 opeenvolgende<br />
seconden tegen de<br />
aanslag gedraaid: er ontstaat<br />
een bepaald geluid en er kan<br />
schade ontstaan aan het systeem.<br />
RUITEN<br />
Plak geen stickers of an<strong>der</strong>e plaatjes op<br />
de ruiten: ze kunnen uzelf en an<strong>der</strong>e<br />
weggebruikers afleiden en het zicht belemmeren.<br />
WISSERBLADEN<br />
Controleer regelmatig de ruitenwisserbladen.<br />
Versleten of vuile wisserbladen<br />
kunnen het zicht aanzienlijk vermin<strong>der</strong>en.<br />
Reinig de ruiten regelmatig door ze te<br />
ontdoen <strong>van</strong> vuil, vet- en teeraanslag. Op<br />
deze wijze wordt de levensduur <strong>van</strong> de<br />
wisserbladen aanzienlijk verlengd. Voordat<br />
u de ruitenwissers inschakelt, moet<br />
eventuele sneeuw of ijs op de ruit worden<br />
verwij<strong>der</strong>d.<br />
Wanneer de temperatuur on<strong>der</strong> 0°C is<br />
gedaald, moet, voordat u de ruitenwissers<br />
inschakelt, gecontroleerd worden of<br />
er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit:<br />
Maak de wissers zonodig vrij met een anti-vriesmiddel.<br />
Schakel de ruitenwissers niet in op<br />
een droge ruit.<br />
Houdt u bij het ver<strong>van</strong>gen<br />
<strong>van</strong> de wisserbladen<br />
aan de bijgeleverde<br />
instructies en aan hetgeen staat<br />
beschreven in het hoofdstuk “On<strong>der</strong>houd<br />
<strong>van</strong> de auto” in dit instructieboekje.
WIELEN<br />
De krik mag alleen gebruikt<br />
worden voor het<br />
verwisselen <strong>van</strong> een<br />
wiel. Voer geen werkzaamheden<br />
uit on<strong>der</strong> de auto als deze is opgekrikt.<br />
De door de fabrikant gemonteerde<br />
wielen (velgen en banden) passen het<br />
best bij de eigenschappen <strong>van</strong> de auto en<br />
garan<strong>der</strong>en een maximum aan veiligheid<br />
en comfort on<strong>der</strong> alle normale rij-omstandigheden.<br />
Als u de op de auto gemonteerde velgen<br />
of banden wilt ver<strong>van</strong>gen, dient u<br />
eerst de tabel met de toegestane banden<br />
velgtypen in het hoofdstuk “Technische<br />
gegevens” te raadplegen. U kunt<br />
ook contact op te nemen met een <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
Houd altijd de combinatie tussen velg-/<br />
bandenmaat aan die oorspronkelijk on<strong>der</strong><br />
de auto is gemonteerd.<br />
Noodreservewiel<br />
Het reservewiel mag alleen in noodgevallen<br />
worden gebruikt. Het gebruik <strong>van</strong><br />
het noodreservewiel moet tot een minimum<br />
beperkt blijven en er mag niet har<strong>der</strong><br />
worden gereden dan 80 km/h. Bij<br />
een gemonteerd reservewiel veran<strong>der</strong>en<br />
de rij-eigenschappen <strong>van</strong> de auto. Vermijd<br />
met vol gas optrekken, bruusk remmen<br />
en hoge snelheden in de bochten.<br />
Het noodreservewiel (indien aanwezig)<br />
is niet geschikt voor de montage <strong>van</strong><br />
sneeuwkettingen. Als u een lekke voorband<br />
(aangedreven wiel) hebt en er<br />
moet met sneeuwkettingen worden gereden<br />
dan moet u een wiel <strong>van</strong> de achteras<br />
afhalen en daarvoor in de plaats het<br />
noodreservewiel monteren.<br />
Zo hebt u op de vooras twee normale<br />
wielen waarop u de sneeuwkettingen<br />
kunt monteren.<br />
Controleer regelmatig of de spanning<br />
<strong>van</strong> de band <strong>van</strong> het reservewiel 4,2 bar<br />
(kg/ cm2 ) bedraagt.<br />
BELANGRIJK De levensduur <strong>van</strong> de<br />
band <strong>van</strong> het reservewiel is ongeveer<br />
3000 km. Hierna moet de band worden<br />
ver<strong>van</strong>gen door een band <strong>van</strong> hetzelfde<br />
type dat geschikt is voor het gebruikte<br />
velgtype (zie “Technische gegevens”).<br />
Monteer nooit een normale band op<br />
een velg die voor een reservewiel bedoeld<br />
is.<br />
Gebruik nooit twee of meer noodreservewielen.<br />
Laat het verwisselde wiel zo<br />
snel mogelijk repareren en monteren.<br />
Velgen<br />
De stalen of lichtmetalen velgen moeten<br />
met wielbouten worden gemonteerd die<br />
specifiek zijn voor ie<strong>der</strong> velgtype.<br />
Daarom moet bij het ver<strong>van</strong>gen <strong>van</strong> stalen<br />
velgen door lichtmetalen en omgekeerd ook<br />
de bouten worden ver<strong>van</strong>gen.<br />
De bouten moeten met een aanhaalmoment<br />
<strong>van</strong> 98 Nm (10 kgm) worden<br />
aangedraaid.<br />
Banden<br />
De auto is voorzien <strong>van</strong> Tubeless<br />
radiaal banden, d.w.z. zon<strong>der</strong> binnenband.<br />
Voor een optimaal rijcomfort,<br />
maximale veiligheid en een lange levensduur<br />
<strong>van</strong> de banden, raden wij u aan de<br />
volgende aanwijzingen op te volgen:<br />
141
– Rijd met nieuwe banden de eerste<br />
100 km niet met hoge snelheden.<br />
– Beperk de snelheid in bochten, ook<br />
als de prestaties <strong>van</strong> de auto hogere snelheden<br />
toestaan.<br />
– Vermijd sterk accelereren en onnodig<br />
remmen.<br />
– Rijd niet langdurig met hoge snelheden,<br />
vooral niet op een slecht wegdek.<br />
– Zorg dat de wielen goed gebalanceerd<br />
zijn en de wieluitlijning goed is.<br />
– Voorkom dat de banden in contact komen<br />
met harde voorwerpen, zoals stoepranden<br />
(bijv. tijdens het parkeren <strong>van</strong> de auto).<br />
– Voer geen werkzaamheden uit aan<br />
het ventiel.<br />
– Plaats geen enkel soort gereedschap<br />
tussen velg en band.<br />
– Ver<strong>van</strong>g velgen die vervormingen vertonen.<br />
– Ver<strong>van</strong>g bij abnormaal spanningsverlies<br />
het wiel en laat de band controleren.<br />
– Gebruik voor het balanceren speciale<br />
balanceergewichten voor tubeless-banden.Gebruik<br />
voor het balanceren <strong>van</strong> wie-<br />
142<br />
len met lichtmetalen velgen uitsluitend<br />
originele <strong>Alfa</strong> Romeo-balanceergewichten.<br />
– De bandenspanning, inclusief die <strong>van</strong><br />
het reservewiel moet overeenkomen met<br />
de voorgeschreven bandenspanning (zie<br />
hoofdstuk “Technische gegevens”).<br />
– Laat de banden regelmatig op beschadigingen<br />
controleren.<br />
– Gebruikte banden <strong>van</strong> onbekende<br />
herkomst of verou<strong>der</strong>de banden( ou<strong>der</strong><br />
dan 6 jaar) mogen alleen in noodgevallen<br />
en met de nodige voorzichtigheid<br />
worden gebruikt.<br />
– In tubeless banden mogen geen binnenbanden<br />
gebruikt worden.<br />
– Laat de auto nooit langdurig geparkeerd<br />
staan op de rand <strong>van</strong> een stoep of op een<br />
an<strong>der</strong>e oneffenheid in het wegdek.<br />
– Laat de profieldiepte <strong>van</strong> het loopvlak<br />
regelmatig controleren, en houdt u hierbij<br />
aan de wettelijk voorgeschreven minimum<br />
waarden.<br />
BELANGRIJK Enkele banden zijn uitgerust<br />
met slijtage-indicatoren; zodra deze<br />
indicatoren op het loopvlak zichtbaar zijn,<br />
moeten de banden worden ver<strong>van</strong>gen.<br />
Controleer regelmatig of de banden<br />
geen ongelijkmatige slijtage <strong>van</strong> het loopvlak<br />
vertonen; is dit het geval, raadpleeg<br />
dan een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer om de oorzaak<br />
te laten wegnemen.<br />
Naarmate het loopvlak <strong>van</strong> de banden<br />
slijt, neemt op natte wegen het gevaar<br />
voor aquaplaning toe.<br />
Om gelijkmatige slijtage <strong>van</strong> de banden<br />
op de vooras en achteras te verkrijgen, is<br />
het raadzaam om de banden om de<br />
10.000 - 15.000 km <strong>van</strong> as te verwisselen.<br />
Hierbij moeten de banden aan dezelfde<br />
zijde <strong>van</strong> de auto gemonteerd blijven,<br />
zodat een omkering <strong>van</strong> de draairichting<br />
wordt voorkomen (fig. 1).<br />
fig. 1<br />
Verwissel de banden<br />
niet kruiselings.<br />
P4U00138
Bandenspanning en slijtage<br />
Als de banden op de juiste spanning<br />
worden gehouden, neemt niet alleen de<br />
levensduur <strong>van</strong> de banden toe maar ook,<br />
omdat de wegligging er door wordt beïnvloed,<br />
de rijveiligheid.<br />
De spanning <strong>van</strong> de banden, inclusief<br />
het reservewiel, moet regelmatig en voor<br />
een lange rit worden gecontroleerd.<br />
De bandenspanning moet bij koude banden<br />
worden gecontroleerd; gebruik een<br />
manometer en houd de waarden aan die<br />
vermeld staan in het hoofdstuk “Technische<br />
gegevens”.<br />
Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt<br />
een onregelmatige slijtage <strong>van</strong> de<br />
banden (fig. 2):<br />
A - Normale spanning: gelijkmatige<br />
slijtage <strong>van</strong> het loopvlak.<br />
Een juiste bandenspanning garandeert<br />
een maximale levensduur en een optimale<br />
grip, aangezien het loopvlak over de<br />
volle breedte contact heeft met het wegdek,<br />
waardoor de slijtage gelijkmatiger is.<br />
Een juiste bandenspanning zorgt ook<br />
voor:<br />
– Een betere wegligging <strong>van</strong> de auto.<br />
– Een uiterst soepele en nauwkeuriger<br />
besturing.<br />
– Een lager brandstofverbruik door de<br />
geringe rolweerstand <strong>van</strong> het wiel.<br />
B - Te lage spanning: te grote slijtage aan<br />
de zijkanten <strong>van</strong> het loopvlak.<br />
Bij een te lage bandenspanning, ontstaat<br />
er een ongelijkmatige slijtage <strong>van</strong><br />
het loopvlak (grotere slijtage aan de zijkanten)<br />
en wordt de band te heet. Hierdoor<br />
kunnen on<strong>der</strong>delen <strong>van</strong> de band losraken<br />
en schade veroorzaken aan het<br />
karkas.<br />
Deze schade kan het leeglopen <strong>van</strong> de<br />
band of een klapband tot gevolg hebben.<br />
fig. 2<br />
P4U00139<br />
C - Te hoge spanning: te grote slijtage in<br />
het midden <strong>van</strong> het loopvlak.<br />
Een te hoge bandenspanning veroorzaakt:<br />
– Een ongelijkmatige slijtage <strong>van</strong> het<br />
loopvlak (grotere slijtage in het midden).<br />
– Een vermin<strong>der</strong>ing <strong>van</strong> het rijcomfort.<br />
– Een grotere gevoeligheid <strong>van</strong> de banden<br />
voor schokken.<br />
BELANGRIJK Tijdens het rijden<br />
neemt de bandenspanning toe (een natuurlijk<br />
verschijnsel) Als in een uitzon<strong>der</strong>lijk<br />
geval de spanning bij warme banden<br />
wordt gecontroleerd, mag de spanning<br />
nooit worden verlaagd.<br />
Wielen balanceren<br />
Elk wiel compleet met band wordt in de<br />
fabriek statisch en dynamisch gebalanceerd.<br />
Als de banden ver<strong>van</strong>gen worden,<br />
moeten de wielen opnieuw worden gebalanceerd,<br />
om instabiliteit, overmatige slijtage<br />
<strong>van</strong> de stuurinrichting en ongelijkmatige<br />
slijtage <strong>van</strong> de banden te voorkomen.<br />
Gebruik voor het balanceren<br />
<strong>van</strong> wielen met<br />
lichtmetalen velgen de<br />
originele <strong>Alfa</strong> Romeo-balanceergewichten.<br />
143
SNEEUWKETTINGEN<br />
Het gebruik <strong>van</strong> sneeuwkettingen is afhankelijk<br />
<strong>van</strong> de voorschriften <strong>van</strong> het<br />
land waar wordt gereden.<br />
De sneeuwkettingen mogen alleen op<br />
de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven<br />
wielen).<br />
Vanwege het sportieve karakter <strong>van</strong> de<br />
auto, kunnen er alleen speciale sneeuwkettingen<br />
worden gemonteerd.<br />
Alvorens u overgaat tot de aanschaf of<br />
het gebruik <strong>van</strong> sneeuwkettingen, raden<br />
wij u aan voor informatie de <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
te raadplegen.<br />
Controleer na enkele meters rijden of de<br />
kettingen nog goed gespannen zijn.<br />
Op bandenmaat<br />
205/55 R16” kan geen<br />
sneeuwketting worden<br />
gemonteerd, omdat de ketting de<br />
veerpoot <strong>van</strong> de voorwielophanging<br />
kan raken.<br />
144<br />
Op het noodreservewiel<br />
mag geen sneeuwketting<br />
worden gemonteerd. Als<br />
u een lekke voorband hebt (aangedreven<br />
wiel) en er moet gebruik<br />
worden gemaakt <strong>van</strong> sneeuwkettingen,<br />
dan kunt u het noodreservewiel<br />
op de achteras plaatsen en<br />
het achterwiel op de vooras (pas<br />
zo snel mogelijk de bandenspanning<br />
aan).<br />
Zo hebt u op de vooras twee<br />
normale wielen waarop u<br />
sneeuwkettingen kunt monteren.<br />
Beperk de snelheid als<br />
u met sneeuwkettingen<br />
rijdt, vermijd kuilen,<br />
stoepranden en an<strong>der</strong>e obstakels<br />
en rijd, om de banden, wielophanging<br />
en stuurinrichting niet te beschadigen,<br />
geen lange stukken op<br />
sneeuwvrije wegen.<br />
ECONOMISCH EN<br />
MILIEUBEWUST RIJDEN<br />
De gebruiksomstandigheden en de rijstijl<br />
hebben direct invloed op het brandstofverbruik<br />
en het milieu.<br />
Zon<strong>der</strong> <strong>van</strong> een dynamische rijstijl af te<br />
zien, kunt u door het opvolgen <strong>van</strong> de<br />
enkele eenvoudige aanwijzingen voorkomen<br />
dat onnodig schade aan het<br />
milieu wordt toegebracht. Vaak wordt<br />
ook nog het brandstofverbruik beperkt.<br />
Hierna volgen enkele nuttige tips,<br />
waardoor de kosten <strong>van</strong> de auto zo laag<br />
mogelijk blijven en de uitstoot <strong>van</strong><br />
schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk<br />
beperkt wordt.
ALGEMENE OPMERKINGEN<br />
ONDERHOUD VAN DE AUTO<br />
Doelmatig on<strong>der</strong>houd is een beslissende<br />
factor voor een lange levensduur, de<br />
beste prestaties en een zo zuinig mogelijk<br />
gebruik <strong>van</strong> de auto.Laat daarom de<br />
bougies, de vloeistofniveaus, de lucht-<br />
/brandstoffilters, de inspuitventielen,<br />
enz, regelmatig controleren en eventueel<br />
afstellen, zoals in het on<strong>der</strong>houdsschema<br />
is aangegeven.<br />
Banden<br />
Controleer regelmatig, ten minste één<br />
keer per maand, de spanning <strong>van</strong> de<br />
banden. Als de spanning te laag is,<br />
wordt de weerstand groter en neemt<br />
het verbruik toe. Bovendien slijten hierdoor<br />
de banden sneller en verslechtert<br />
de wegligging <strong>van</strong> de auto, waardoor<br />
de veiligheid in gevaar kan worden gebracht.<br />
Overbodige bagage<br />
Rijd niet met een te zwaar beladen<br />
bagageruimte. Het gewicht <strong>van</strong> de auto<br />
(vooral in stadsverkeer) en de wieluitlijning<br />
hebben grote invloed op het brandstofverbruik<br />
en de stabiliteit.<br />
Imperiaal/skidrager<br />
Verwij<strong>der</strong> de imperiaal of skidrager als<br />
u deze niet meer gebruikt. Ze vermin<strong>der</strong>en<br />
de aërodynamica <strong>van</strong> de auto,<br />
waardoor het brandstofverbruik toeneemt.<br />
Gebruik voor het vervoer <strong>van</strong><br />
volumineuze voorwerpen bij voorkeur<br />
een aanhanger.<br />
Stroomverbruikers<br />
Gebruik de elektrische installaties alleen<br />
als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming,<br />
de verstralers, de ruitenwissers<br />
en de aanjager <strong>van</strong> het<br />
ventilatie-/verwarmingssysteem vragen<br />
veel stroom, waardoor het brandstofverbruik<br />
toeneemt (tot aan 25% in<br />
stadsverkeer).<br />
Airconditioning<br />
De airconditioning gebruikt zeer veel<br />
energie, waardoor de motor zwaar<br />
wordt belast en het brandstofverbruik<br />
sterk toeneemt (met gemiddeld 20%).<br />
Gebruik wanneer de buitentemperatuur<br />
het toelaat bij voorkeur de functies <strong>van</strong><br />
het ventilatiesysteem.<br />
Aërodynamische accessoires<br />
Het gebruik <strong>van</strong> niet goedgekeurde<br />
aërodynamische accessoires kan de aërodynamica<br />
negatief beïnvloeden, waardoor<br />
het brandstofverbruik zal toenemen.<br />
RIJSTIJL<br />
Het starten<br />
Laat de motor als de auto stilstaat, niet<br />
warmdraaien met stationair toerental en<br />
ook niet met een hoog toerental: on<strong>der</strong><br />
deze omstandigheden warmt de motor<br />
veel langzamer op, terwijl het verbruik en<br />
de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen.<br />
Het is beter om rustig weg te rijden<br />
en geen hoge toerentallen te gebruiken.<br />
Op deze manier warmt de motor sneller<br />
op.<br />
145
Overbodige handelingen<br />
Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat<br />
voor een stoplicht of voordat u de motor<br />
afzet.Deze handeling heeft evenals het<br />
overschakelen met tussengas geen enkel<br />
nut. Het kost brandstof en verhoogt de<br />
uitstoot <strong>van</strong> schadelijke uitlaatgassen.<br />
Keuze <strong>van</strong> de versnellingen<br />
Gebruik als het verkeer en de weg het<br />
toelaten de hoogste versnelling. Het inschakelen<br />
<strong>van</strong> een lage versnelling voor<br />
een snelle acceleratie verhoogt het brandstofverbruik.<br />
Op dezelfde wijze neemt bij<br />
het oneigenlijke gebruik <strong>van</strong> een hoge versnelling,<br />
het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie<br />
toe. Bovendien slijt de motor<br />
hierdoor sneller.<br />
Maximum snelheid<br />
Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk<br />
toe bij een hogere snelheid: als de snelheid<br />
wordt verhoogd <strong>van</strong> 90 naar 120 km/h,<br />
neemt het brandstofverbruik met ongeveer<br />
30% toe. Rijd daarom zoveel mogelijk met<br />
een gelijkmatige snelheid, vermijd overbodig<br />
remmen en optrekken. Dit kost brandstof<br />
en verhoogt de uitstoot <strong>van</strong> schadelijke<br />
uitlaatgassen. Wij raden u daarom aan om<br />
rustig te rijden en een veilige afstand te bewaren<br />
<strong>van</strong> de auto’s die voor u rijden,<br />
146<br />
waardoor u tijdig kunt reageren op gevaarlijke<br />
situaties (bijv. kettingbotsingen).<br />
Acceleratie<br />
Met vol gas optrekken waarbij de motor<br />
met hoge toerentallen draait, kost veel<br />
brandstof en verhoogt de uitstoot <strong>van</strong><br />
schadelijke uitlaatgassen. Het is beter geleidelijk<br />
op te trekken en geen maximale<br />
toerentallen te gebruiken.<br />
GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN<br />
Koude start<br />
Bij korte ritten en regelmatig koud starten<br />
bereikt de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur.<br />
Hierdoor neemt niet alleen<br />
het brandstofverbruik toe (<strong>van</strong> 15<br />
tot aan 30% in stadsverkeer) maar ook<br />
de uitstoot <strong>van</strong> schadelijke uitlaatgassen.<br />
Verkeerssituatie en conditie<br />
<strong>van</strong> het wegdek<br />
Op een drukke weg bijvoorbeeld bij filerijden,<br />
waarbij overwegend lage versnellingen<br />
worden gebruikt, of in de stad waar<br />
zich veel verkeerslichten bevinden, zal het<br />
brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn.<br />
Bochtige trajecten, bergwegen en een<br />
slecht wegdek verhogen eveneens het<br />
brandstofverbruik.<br />
Stilstaan in het verkeer<br />
Als u langere tijd stilstaat (spoorwegovergangen),<br />
is het raadzaam de motor<br />
uit te zetten.<br />
VOORZORGMAATREGELEN<br />
VOOR HET BEHOUD VAN DE<br />
EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN<br />
De correcte werking <strong>van</strong> deze systemen is<br />
niet alleen belangrijk voor het milieu, maar<br />
ook voor het rendement <strong>van</strong> de auto.<br />
Het in goede conditie houden <strong>van</strong> de<br />
systemen is de belangrijkste voorwaarde<br />
voor milieubewust en economisch rijden.<br />
De eerste eis is, dat u zich te allen tijde<br />
houdt aan het geprogrammeerd on<strong>der</strong>houdsschema.<br />
Gebruik voor de benzinemotoren uitsluitend<br />
loodvrije benzine.<br />
Als het starten problemen oplevert,<br />
blijf dan niet proberen. Vermijd<br />
aanduwen, aanslepen of rollend<br />
starten: al deze handelingen<br />
kunnen de katalysator beschadigen.
Gebruik voor een noodstart uitsluitend<br />
een hulpaccu.<br />
Als de motor tijdens het rijden “slecht<br />
loopt”, rijd dan zeer rustig zodat de<br />
motor zo min mogelijk wordt belast en<br />
raadpleeg snel een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Als het waarschuwingslampje <strong>van</strong> de<br />
brandstofreserve brandt, tank dan zo snel<br />
mogelijk. Een laag brandstofniveau kan<br />
een onregelmatige brandstoftoevoer veroorzaken,<br />
waardoor de temperatuur <strong>van</strong><br />
de uitlaatgassen stijgt; hierdoor kan de katalysator<br />
ernstig beschadigen.<br />
Tijdens lange afdalingen is het raadzaam<br />
om af en toe even gas te geven.<br />
Op deze manier wordt de levensduur <strong>van</strong><br />
de katalysator verlengd.<br />
Laat de motor nooit, ook niet tijdens testwerkzaamheden,<br />
met losgenomen bougiekabels<br />
draaien.<br />
TREKKEN VAN<br />
AANHANGERS<br />
ALGEMENE INFORMATIE<br />
Voor het trekken <strong>van</strong> aanhangers moet de<br />
auto voorzien zijn <strong>van</strong> een trekhaak <strong>van</strong> een<br />
goedgekeurd type. De door <strong>Alfa</strong> Romeo geleverde<br />
trekhaak voldoet aan alle wettelijke<br />
veiligheidsnormen. Wij raden u aan de trekhaak<br />
door een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te laten<br />
monteren. U bent dan verzekerd <strong>van</strong> het beste<br />
resultaat, terwijl eventuele nadelige effecten<br />
op de carrosseriegarantie zijn uitgesloten.<br />
Het remsysteem <strong>van</strong> de aanhanger<br />
moet geheel onafhankelijk <strong>van</strong> het hydraulisch<br />
remsysteem <strong>van</strong> de auto worden<br />
bediend.<br />
De auto/aanhangercombinatie moet<br />
voldoen aan alle wettelijke voorschriften.<br />
On<strong>der</strong> aanhangergewicht wordt het totale<br />
gewicht <strong>van</strong> een volbeladen aanhanger verstaan<br />
inclusief alle accessoires en<br />
bagage.Controleer, om een boete te voorkomen,<br />
voor ie<strong>der</strong>e rit of u het maximum toelaatbaar<br />
aanhangergewicht niet overschrijdt.<br />
Dit staat aangegeven op de typegoedkeuring.<br />
On<strong>der</strong> normale bedrijfsomstandigheden<br />
bereikt<br />
de katalysator hoge<br />
temperaturen. Parkeer daarom<br />
niet boven brandbare materialen<br />
(gras, droge bla<strong>der</strong>en, dennennaalden,<br />
enz.): brandgevaar.<br />
Monteer geen an<strong>der</strong>e hitteschilden<br />
en verwij<strong>der</strong> de op de katalysator<br />
en uitlaat gemonteerde<br />
schilden niet.<br />
Spuit geen reinigings- of beschermingsmiddelen<br />
op de katalysator,<br />
de lambdasonde en het<br />
uitlaatsysteem.<br />
Het negeren <strong>van</strong> deze<br />
aanwijzingen kan<br />
brandgevaar opleveren.<br />
147
In ie<strong>der</strong> geval mag het verticale gewicht<br />
op de trekhaak de waarde niet overschrijden<br />
die vermeld is in het hoofdstuk<br />
“Technische gegevens”.<br />
Controleer bij het aankoppelen <strong>van</strong> een<br />
aanhangwagen of cara<strong>van</strong> of de waarden<br />
<strong>van</strong> het aanhangergewicht (vermeld op<br />
de typegoedkeuring) en het maximum<br />
toegestane aanhangergewicht (vermeld<br />
op een sticker op de trekhaak), hoger of<br />
gelijk zijn aan die <strong>van</strong> het totale gewicht<br />
en de belasting op de trekkogel.<br />
Het ABS waarmee de<br />
auto is uitgerust, werkt<br />
niet op het remsysteem<br />
<strong>van</strong> de aanhanger.<br />
Wees daarom extra voorzichtig<br />
op gladde wegen.<br />
148<br />
Voer in geen geval modificaties<br />
aan het hydraulische<br />
remsysteem <strong>van</strong><br />
de auto uit.<br />
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN<br />
EN SUGGESTIES<br />
Hierna volgen enkele aanwijzingen voor<br />
het rijden met een aanhanger:<br />
– Monteer speciale en/of extra achteruitkijkspiegels,<br />
waarmee u voldoet aan<br />
de geldende verkeerswetgeving.<br />
– Let erop dat het klimvermogen <strong>van</strong><br />
de auto bij het trekken <strong>van</strong> een aanhanger<br />
of cara<strong>van</strong> wordt beperkt.<br />
– Schakel een lage versnelling in tijdens<br />
het afdalen om te voorkomen dat u<br />
constant moet remmen.<br />
– Houdt u aan de snelheidsbeperkingen<br />
die voor auto’s met aanhanger gelden. U<br />
mag in geen geval har<strong>der</strong> rijden dan 100<br />
km/h.<br />
AUTO LANGERE TIJD<br />
STALLEN<br />
Tref de volgende maatregelen als de auto<br />
langere tijd niet wordt gebruikt:<br />
– Zet de auto in een overdekte, droge en<br />
zo mogelijk goed geventileerde ruimte.<br />
– Schakel een versnelling in.<br />
– Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.<br />
– Maak de gespoten delen schoon en<br />
behandel ze met een siliconenwas.<br />
– Smeer de wisserrubbers <strong>van</strong> de ruitenwissers<br />
en achterruitwisser in met talkpoe<strong>der</strong><br />
en laat ze los <strong>van</strong> de ruit staan.<br />
– Zet de ruiten een klein stukje open.<br />
– Dek de auto af met een stoffen of<br />
een ademende kunststof hoes. Gebruik<br />
geen dichte plastic hoes, omdat het in<br />
en op de auto aanwezige vocht dan niet<br />
kan verdampen.<br />
– Breng de bandenspanning 0,5 bar boven<br />
de normaal voorgeschreven spanning<br />
en controleer deze regelmatig. Laat de<br />
banden, zo mogelijk, op houten blokken<br />
steunen.
– Schakel het diefstalalarm (indien aanwezig)<br />
uit met de afstandsbediening; stel<br />
vervolgens het systeem buiten werking<br />
met de noodsleutel.<br />
– Maak de accukabels los <strong>van</strong> de accu<br />
(koppel altijd eerst de minkabel los) en<br />
controleer de acculading. Gedurende het<br />
stallen moet deze controle ie<strong>der</strong>e vier weken<br />
worden herhaald. Laad de accu op<br />
als de spanning lager is dan 12,5 Volt.<br />
WEER IN GEBRUIK NEMEN<br />
Als de auto langdurig niet gebruikt is en<br />
u wilt de auto weer in gebruik nemen,<br />
voer dan de volgende handelingen uit:<br />
– Stof de buitenzijde <strong>van</strong> de auto niet<br />
droog af.<br />
– Controleer de auto visueel op lekkage<br />
<strong>van</strong> vloeistoffen (olie, rem- en koppelingsvloeistof,<br />
koelvloeistof enz.).<br />
– Ver<strong>van</strong>g de motorolie en het oliefilter.<br />
– Controleer de volgende vloeistofniveaus:<br />
versnellingsbak-/differentieelolie.<br />
rem-/koppelingsvloeistof.<br />
koelvloeistof.<br />
– Controleer het luchtfilter en ver<strong>van</strong>g<br />
het zonodig.<br />
– Controleer de bandenspanning en<br />
controleer de banden op beschadigingen,<br />
inkepingen of scheuren. Ver<strong>van</strong>g zonodig<br />
de banden.<br />
– Controleer de conditie <strong>van</strong> de riemen<br />
in de motor.<br />
– Controleer de acculading en sluit de<br />
accukabels aan.<br />
– Stel het diefstalalarm (indien aanwezig)<br />
weer in werking met de sleutelschakelaar.<br />
– Zet de versnellingspook in de vrijstand,<br />
start de motor en laat de motor<br />
enige minuten stationair draaien. Trap<br />
hierbij een aantal malen het koppelingspedaal<br />
in.<br />
– Controleer of de verschillende<br />
stroomgebruikers (koplampen, richtingaanwijzers,<br />
enz.) goed functioneren.<br />
BELANGRIJK Voor de correcte uitvoering<br />
<strong>van</strong> de vermelde werkzaamheden<br />
wordt verwezen naar de betreffende paragrafen<br />
in het hoofdstuk “Technische gegevens”.<br />
Deze handelingen<br />
moeten in de open lucht<br />
worden uitgevoerd.Het<br />
uitlaatgas bevat koolmonoxide;<br />
een zeer giftig en dodelijk gas.<br />
149
EXTRA ACCESSOIRES<br />
RADIOZENDAPPARATUUR<br />
EN MOBIELE TELEFOON<br />
Mobiele telefoons en an<strong>der</strong>e radiozendapparaten<br />
(bijvoorbeeld 27 mc) mogen<br />
alleen in de auto worden gebruikt als een<br />
aparte antenne aan de buitenkant <strong>van</strong> de<br />
auto wordt gemonteerd.<br />
150<br />
Door het gebruik <strong>van</strong><br />
een mobiele telefoon,<br />
een 27 mc-zen<strong>der</strong> of gelijksoortige<br />
apparaten in de auto<br />
(zon<strong>der</strong> buitenantenne) ontstaan<br />
elektromagnetische velden die, als<br />
ze worden versterkt door de reflectie<br />
in het interieur, niet alleen<br />
schadelijk voor de gezondheid <strong>van</strong><br />
de inzittenden kunnen zijn, maar<br />
ook storingen in de elektrische<br />
systemen <strong>van</strong> de auto (zoals de<br />
regeleenheid <strong>van</strong> het motormanagementsysteem,<br />
de regeleenheid<br />
<strong>van</strong> het ABS/EBD enz.) kunnen<br />
veroorzaken. Hierdoor wordt<br />
de veiligheid in gevaar gebracht.<br />
Bovendien wordt de zend- en<br />
ont<strong>van</strong>gstkwaliteit aanzienlijk<br />
beperkt door de isolerende eigenschappen<br />
<strong>van</strong> de carrosserie.<br />
SUGGESTIES VOOR<br />
NUTTIGE ACCESSOIRES<br />
Onafhankelijk <strong>van</strong> de wettelijk verplichtingen,<br />
raden wij u aan het volgende aan<br />
boord te hebben (fig. 3):<br />
– verbandtrommel met niet alcoholische,<br />
desinfecterende deppers, steriele<br />
gaascompressen, verbandgaas, pleisters,<br />
enz.,<br />
– een zaklamp;<br />
– een schaar met afgeronde punten,<br />
– werkhandschoenen.<br />
De afgebeelde en beschreven voorwerpen<br />
zijn opgenomen in het <strong>Alfa</strong> Romeo<br />
Lineaccessori-programma.<br />
fig. 3<br />
P4U00140
De volgende pagina’s zijn speciaal gemaakt om u in geval <strong>van</strong><br />
nood te helpen.<br />
Zoals u ziet, worden er diverse kleine problemen behandeld; voor<br />
elk wordt beschreven wat u zelf kunt doen om het probleem te<br />
verhelpen. Bij eventuele grotere problemen is het echter nodig<br />
een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te raadplegen.<br />
Wij raden u aan deze pagina’s te lezen. Dan kunt u de informatie<br />
als het nodig is, snel vinden.<br />
NOODGEVALLEN<br />
EEN LEKKE BAND ................................................................................... pag. 152<br />
DEFECTE BUITENVERLICHTING ................................................... <strong>156</strong><br />
DEFECTE INTERIEURVERLICHTING .............................................................. 164<br />
EEN DOORGEBRANDE ZEKERING OF RELAIS ......................................... 168<br />
EEN LEGE ACCU ................................................................................................ 174<br />
HET SLEPEN VAN DE AUTO ........................................................................... 175<br />
HET OPKRIKKEN VAN DE AUTO .................................................................. 177<br />
BIJ EEN ONGEVAL ............................................................................................ 178<br />
151
EEN LEKKE BAND<br />
Voor het verwisselen<br />
<strong>van</strong> het wiel en voor het<br />
juiste gebruik <strong>van</strong> de krik<br />
en het reservewiel moeten de on<strong>der</strong>staande<br />
voorzorgsmaatregelen<br />
in acht worden genomen.<br />
Attendeer het overige wegverkeer<br />
op de stilstaande auto m.b.v.:<br />
de waarschuwingsknipperlichten,<br />
de gevarendriehoek, enz.<br />
Tijdens het verwisselen <strong>van</strong> een<br />
wiel moeten alle inzittenden de auto<br />
hebben verlaten, en op een veilige<br />
afstand <strong>van</strong> het verkeer wachten,<br />
totdat het wiel verwisseld is.<br />
Blokkeer de wielen met stenen of<br />
an<strong>der</strong>e voorwerpen als de auto<br />
schuin op een helling of op een<br />
slecht wegdek staat.<br />
Start de motor niet als de auto is<br />
opgekrikt.<br />
Als de auto een aanhanger trekt,<br />
ontkoppel dan eerst de aanhanger<br />
en krik dan de auto op.<br />
152<br />
De krik dient uitsluitend<br />
voor het verwisselen <strong>van</strong><br />
een wiel <strong>van</strong> de auto<br />
waarbij hij geleverd is. Gebruik de<br />
krik niet voor het opkrikken <strong>van</strong><br />
an<strong>der</strong>e auto’s en monteer geen reservewielen<br />
<strong>van</strong> an<strong>der</strong>e auto’s.<br />
Als u het gemonteerde velgtype<br />
wilt ver<strong>van</strong>gen (stalen in plaats<br />
<strong>van</strong> lichtmetalen of omgekeerd)<br />
moeten tevens alle wielbouten<br />
worden ver<strong>van</strong>gen door bouten<br />
met een lengte die aangepast is<br />
aan het velgtype.Het reservewiel<br />
mag alleen in noodgevallen worden<br />
gebruikt. Het gebruik <strong>van</strong> het<br />
noodreservewiel moet tot een<br />
minimum beperkt blijven en er<br />
mag niet har<strong>der</strong> worden gereden<br />
dan 80 km/h. Bij een gemonteerd<br />
reservewiel veran<strong>der</strong>en de rij-eigenschappen<br />
<strong>van</strong> de auto. Vermijd<br />
met vol gas optrekken, bruusk<br />
remmen en hoge snelheden in de<br />
bochten.<br />
Zorg ervoor dat de bandenspanning<br />
<strong>van</strong> het reservewiel altijd<br />
4,2 bar (kg/cm2 ) is.<br />
Het reservewiel heeft<br />
een levensduur <strong>van</strong> ongeveer<br />
3000 km. Na deze<br />
afstand moet de band <strong>van</strong> het reservewiel<br />
ver<strong>van</strong>gen worden door een<br />
nieuwe band <strong>van</strong> hetzelfde type dat<br />
geschikt is voor het gebruikte velgtype<br />
(zie “Technische gegevens”).<br />
Monteer nooit een normale band<br />
op de velg <strong>van</strong> het reservewiel.<br />
Laat het verwisselde wiel zo snel<br />
mogelijk repareren en monteren.<br />
Het is niet toegestaan met twee<br />
of meer reservewielen te rijden.<br />
Smeer de schroefdraad <strong>van</strong> de<br />
wielbouten niet met vet in, voordat<br />
u ze monteert: de bouten kunnen<br />
loslopen.<br />
De krik dient uitsluitend voor het<br />
verwisselen <strong>van</strong> een wiel <strong>van</strong> de<br />
auto waarbij de krik geleverd is of<br />
voor auto’s <strong>van</strong> hetzelfde model.<br />
Gebruik de krik niet voor het opkrikken<br />
<strong>van</strong> an<strong>der</strong>e auto’s. En beslist<br />
nooit voor het uitvoeren <strong>van</strong><br />
werkzaamheden on<strong>der</strong> de auto.<br />
Als de krik niet juist geplaatst<br />
wordt, kan de opgekrikte auto <strong>van</strong><br />
de krik vallen.
Op een sticker op de krik<br />
is het maximum hefvermogen<br />
aangegeven; de<br />
krik mag nooit voor een zwaar<strong>der</strong>e<br />
last worden gebruikt.<br />
Het reservewiel is niet<br />
geschikt voor de montage<br />
<strong>van</strong> sneeuwkettingen. Als<br />
u een lekke voorband (aangedreven<br />
wiel) hebt en er moet met sneeuwkettingen<br />
worden gereden dan<br />
moet u een wiel <strong>van</strong> de achteras<br />
afhalen en daarvoor in de plaats<br />
het noodreservewiel monteren.Zo<br />
hebt u op de vooras twee normale<br />
wielen waarop uw sneeuwkettingen<br />
kunt monteren.<br />
Maak het ventiel absoluut niet<br />
open.<br />
Plaats geen enkel stuk gereedschap<br />
tussen velg en band.<br />
Controleer regelmatig de spanning<br />
<strong>van</strong> de banden en <strong>van</strong> het reservewiel<br />
en houdt u daarbij aan de<br />
waarden die beschreven staan in het<br />
hoofdstuk “Technische gegevens”.<br />
Krik de auto uitsluitend<br />
aan de zijkant op. De auto<br />
mag absoluut niet worden<br />
opgekrikt door de hefarm <strong>van</strong> de<br />
garagekrik on<strong>der</strong> de aluminium traverse<br />
<strong>van</strong> de achterwielophanging<br />
te plaatsen.<br />
WIEL VERWISSELEN<br />
De richtlijnen geven aan dat:<br />
– De krik 2,100 kg moet wegen.<br />
– De krik geen afstelwerkzaamheden mag<br />
vereisen.<br />
– De krik bij beschadiging ver<strong>van</strong>gen<br />
moet worden door een krik <strong>van</strong> hetzelfde<br />
type.<br />
– Buiten de slinger geen enkel an<strong>der</strong><br />
gereedschap op de krik gemonteerd mag<br />
worden.<br />
Op het reservewiel is een oranje sticker<br />
aangebracht waarop de belangrijkste aanwijzingen<br />
en de beperkingen staan vermeld<br />
met betrekking tot het gebruik <strong>van</strong><br />
het reservewiel.<br />
Deze sticker mag absoluut<br />
niet worden verwij<strong>der</strong>d<br />
of afgedekt.<br />
Op het reservewiel mag nooit<br />
een wieldeksel worden gemonteerd.<br />
Op de sticker staan de volgende aanwijzingen<br />
in vier talen vermeld:<br />
ATTENTIE! Alleen tijdelijk gebruiken,<br />
80 km/h max!<br />
Ver<strong>van</strong>g zo snel mogelijk door<br />
een normaal wiel.<br />
Bedek deze aanwijzing niet.<br />
Ga voor het verwisselen <strong>van</strong> het wiel als<br />
volgt te werk:<br />
– Stop de auto op een plaats waar het<br />
verkeer niet in gevaar wordt gebracht en in<br />
alle veiligheid het wiel kan worden verwisseld.<br />
Zet de auto zo mogelijk op een vlakke<br />
en stevige on<strong>der</strong>grond.<br />
–Trek de handrem aan.<br />
– Schakel de eerste versnelling of de<br />
achteruit in.<br />
– Til de bekleding in de bagageruimte<br />
op.<br />
153
– Draai de blokkeerschroef (handgreep)<br />
(A-fig. 1) los.<br />
– Neem de gereedschaphou<strong>der</strong> (B) uit<br />
en zet de hou<strong>der</strong> dicht bij het te verwisselen<br />
wiel.<br />
– Neem het reservewiel (C) uit.<br />
–Verwij<strong>der</strong> het wieldeksel (A-fig. 2)<br />
(alleen bij uitvoeringen met stalen velgen).<br />
– Draai de wielbouten <strong>van</strong> het te verwisselen<br />
wiel ongeveer één slag los (Bfig.<br />
3).<br />
fig. 1<br />
154<br />
P4U00397<br />
– Plaats de krik on<strong>der</strong> de auto, dichtbij<br />
het te verwisselen wiel.<br />
– Draai met behulp <strong>van</strong> slinger<br />
(A-fig. 4) de krik omhoog, zodat de inkeping<br />
(B-fig. 5) aan de bovenzijde <strong>van</strong> de<br />
krik om het profiel on<strong>der</strong> de carrosserie (Cfig.<br />
5) valt op ± 40 cm <strong>van</strong> de wielkuip.<br />
– Draai de slinger en krik de auto op,<br />
totdat het wiel enkele centimeters los <strong>van</strong><br />
de grond is.<br />
fig. 2<br />
fig. 3<br />
P4U00142<br />
P4U00143<br />
– Draai de wielbouten helemaal los<br />
(B-fig. 3) en verwij<strong>der</strong> het wiel.<br />
– Zorg ervoor dat de boutgaten en alle<br />
contactvlakken <strong>van</strong> het reservewiel<br />
schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten,<br />
omdat hierdoor na verloop <strong>van</strong> tijd<br />
de wielbouten kunnen loslopen.<br />
– Monteer het reservewiel, waarbij één<br />
<strong>van</strong> de gaten (A-fig. 6) over de bijbehorende<br />
pen (B-fig. 6) moet vallen.<br />
fig. 4<br />
fig. 5<br />
P4U00144<br />
P4U00145
– Draai de vijf wielbouten handvast.<br />
– Laat de auto zakken en verwij<strong>der</strong> de<br />
krik.<br />
– Draai de bouten ver<strong>der</strong> vast volgens de<br />
in fig. 7 aangegeven volgorde, zon<strong>der</strong> het<br />
wieldeksel te monteren.<br />
NORMALE WIEL MONTEREN<br />
–Volg de hiervoor beschreven procedure,<br />
krik de auto op en demonteer het reservewiel.<br />
– Monteer het normale wiel, waarbij<br />
één <strong>van</strong> de gaten (A-fig. 6) over de<br />
pen (B-fig. 6) moet vallen.<br />
– Draai de wielbouten vast.<br />
Gebruik bij uitvoeringen met lichtmetalen<br />
velgen de centreerpen.<br />
fig. 6<br />
P4U00398<br />
– Draai de centreerpen (A-fig. 8) in<br />
één <strong>van</strong> de boutgaten in de wielnaaf.<br />
– Plaats het wiel op de pen en draai<br />
de vier bouten vast.<br />
– Draai de centreerpen (A-fig. 8) los<br />
en draai de laatste bout vast.<br />
– Laat de auto zakken en verwij<strong>der</strong> de<br />
krik; haal vervolgens de wielbouten aan<br />
in de volgorde die hiervoor beschreven is<br />
voor het reservewiel (fig. 7).<br />
– Druk het wieldeksel (indien aanwezig)<br />
voorzichtig vast. Zorg ervoor dat het<br />
ventiel uit de opening in het wieldeksel<br />
steekt. Druk op de rand <strong>van</strong> het wieldeksel,<br />
te beginnen bij de delen die het<br />
dichtst bij het ventiel zitten, totdat het<br />
wieldeksel geheel vast zit.<br />
fig. 7<br />
P4U00399<br />
BELANGRIJK Door een verkeerde<br />
montage kan het wieldeksel tijdens het<br />
rijden loslaten.<br />
Ter afsluiting:<br />
– Plaats het verwisselde wiel op de<br />
daarvoor bestemde plek in de bagageruimte<br />
– Druk de krik stevig in de hou<strong>der</strong> om<br />
rammelen tijdens het rijden te voorkomen<br />
– Berg het gebruikte gereedschap op<br />
in de hou<strong>der</strong><br />
–Plaats de gereedschaphou<strong>der</strong> op het<br />
reservewiel en draai de blokkeerschroef<br />
(A-fig. 1) vast.<br />
fig. 8<br />
P4U00148<br />
155
DEFECTE BUITEN-<br />
VERLICHTING<br />
Modificaties of reparaties<br />
aan de elektrische<br />
installatie die niet correct<br />
worden uitgevoerd en waarbij<br />
geen rekening wordt gehouden<br />
met de technische specificaties<br />
<strong>van</strong> het systeem, kunnen<br />
storingen in de werking en zelfs<br />
brandgevaar veroorzaken.<br />
fig. 9<br />
<strong>156</strong><br />
ALGEMENE AANWIJZINGEN<br />
– Als een lampje niet brandt, controleer<br />
dan eerst of de zekering niet doorgebrand<br />
is, voordat u de lamp ver<strong>van</strong>gt.<br />
– Zie voor de plaats <strong>van</strong> de zekeringen<br />
de paragraaf “Een doorgebrande zekering”<br />
in dit hoofdstuk.<br />
– Controleer, voordat u een defecte lamp<br />
ver<strong>van</strong>gt, of de contacten niet zijn geoxideerd.<br />
– Ver<strong>van</strong>g een defecte lamp door een<br />
exemplaar <strong>van</strong> hetzelfde type en vermogen.<br />
– Als u een gloeilamp in de koplamp<br />
hebt ver<strong>van</strong>gen, controleer dan om<br />
veiligheidsredenen altijd of de afstelling<br />
nog goed is.<br />
P4U00149<br />
P4U00150<br />
TYPEN GLOEILAMPEN (fig. 9)<br />
Op de auto zijn verschillende typen<br />
gloeilampen gemonteerd:<br />
A. Glasfittinglampen<br />
Deze zijn voorzien <strong>van</strong> een klemfitting. Verwij<strong>der</strong><br />
de lamp door de lamp uit de hou<strong>der</strong> te<br />
trekken.<br />
B. Gloeilampen met bajonetfitting<br />
Voor het verwij<strong>der</strong>en <strong>van</strong> de lamp: druk<br />
de lamp iets in, draai de lamp linksom en<br />
verwij<strong>der</strong> de lamp.<br />
C. Buislampen<br />
Verwij<strong>der</strong> de lamp door de lamp uit de<br />
veercontacten los te maken.<br />
D. Halogeenlampen<br />
Verwij<strong>der</strong> de lamp door de borgveer los<br />
te haken.<br />
GLOEILAMP TYPE W<br />
GROOTLICHT D (H1) 55<br />
DIMLICHT D (H7) 55<br />
PARKEERLICHTEN VOOR B (H6W) 6<br />
RICHTINGAANWIJZERS VOOR B (PY21W) 21<br />
RICHTINGAANWIJZERS OP VOORSPATBORD A (W5W) 5<br />
RICHTINGAANWIJZERS ACHTER B (P21W) 21<br />
REMLICHTEN/ PARKEERLICHTEN ACHTER B (21/5W) 21/5<br />
ACHTERUITRIJLICHTEN B (P21W) 21<br />
MISTACHTERLICHT B (P21W) 21<br />
PLAFONDVERLICHTING VOOR EN BAGAGERUIMTEVERLICHTING C (C10W) 10<br />
KENTEKENPLAATVERLICHTING A (W5W) 5<br />
MISTLAMPEN VOOR D (H1) 55<br />
DERDE REMLICHT A (3,2W) 3,2<br />
PLAFONDVERLICHTING ACHTER, VERLICH. DASHBOARDKASTJE EN INSTAPVERL. C (C5W) 5
Halogeenlampen mag u<br />
uitsluitend aanraken op<br />
het metalen gedeelte.<br />
Als u de bol met uw vingers aanraakt,<br />
zal de lichtopbrengst <strong>van</strong><br />
de lamp teruglopen en kan ook de<br />
levensduur beperkt worden. Als u<br />
de bol per ongeluk toch hebt aangeraakt,<br />
moet u de bol schoonwrijven<br />
met een doekje met alcohol<br />
en daarna laten drogen.<br />
Wij raden u aan defecte<br />
gloeilampen, indien mogelijk,<br />
door de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer<br />
te laten ver<strong>van</strong>gen. De<br />
juiste werking en afstelling <strong>van</strong> de<br />
buitenverlichting zijn <strong>van</strong> essentieel<br />
belang voor de rijveiligheid en<br />
bovendien wettelijk verplicht.<br />
Halogeenlampen bevatten<br />
gas on<strong>der</strong> druk.<br />
Bij breuk kunnen er<br />
glassplinters wegschieten.<br />
KOPLAMPUNITS<br />
In de koplampunits zijn de gloeilampen<br />
voor de richtingaanwijzers, de parkeerverlichting,<br />
het dimlicht en het grootlicht gemonteerd.<br />
Verwij<strong>der</strong> om de gloeilampen voor de<br />
parkeerverlichting, het dimlicht en het<br />
grootlicht te ver<strong>van</strong>gen het deksel door<br />
het linksom te draaien.<br />
De lampen zijn op de volgende wijze in<br />
de koplampunit geplaatst (fig. 10):<br />
A. Richtingaanwijzers<br />
B. Dimlicht<br />
C. Grootlicht/parkeerlicht.<br />
fig. 10<br />
P4U00151<br />
Monteer na het ver<strong>van</strong>gen<br />
<strong>van</strong> een lamp<br />
het deksel door het<br />
rechtsom te draaien en zorg ervoor<br />
dat het deksel goed vast<br />
zit (geborgd).<br />
RICHTINGAANWIJZERS VOOR<br />
Gloeilamp (oranje, type B, 21W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Draai de lamphou<strong>der</strong> (A-fig. 11)<br />
linksom en trek hem uit de zitting.<br />
fig. 11<br />
P4U00152<br />
157
–Verwij<strong>der</strong> de lamp (B-fig. 12) uit<br />
de hou<strong>der</strong> (A-fig. 12) door de lamp<br />
iets in te drukken en linksom te draaien.<br />
– Ver<strong>van</strong>g de lamp (B-fig. 12).<br />
– Monteer de lamphou<strong>der</strong> (A-fig.<br />
12), waarbij de lippen <strong>van</strong> de lamphou<strong>der</strong><br />
in de uitsparingen moeten vallen <strong>van</strong><br />
de lampunit; draai vervolgens de hou<strong>der</strong><br />
rechtsom.<br />
fig. 12<br />
158<br />
P4U00153<br />
DIMLICHTEN (fig. 13)<br />
Gloeilamp (type D, 55W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
–Verwij<strong>der</strong> het beschermdeksel.<br />
– Maak de stekker los. (A).<br />
– Haak de borgveer <strong>van</strong> de lamp (B)<br />
los.<br />
– Verwij<strong>der</strong> en ver<strong>van</strong>g de lamp.<br />
– Monteer de nieuwe lamp, waarbij de<br />
lippen op het metalen deel in de uitsparingen<br />
<strong>van</strong> de reflector moeten vallen.<br />
Haak vervolgens de borgveer (B) weer<br />
vast.<br />
– Maak de stekker(A) vast.<br />
– Monteer het beschermdeksel op de<br />
juiste wijze.<br />
fig. 13<br />
P4U00154<br />
GROOTLICHT (fig. 14)<br />
Gloeilamp (type D, 55W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
–Verwij<strong>der</strong> het beschermdeksel.<br />
– Maak de borgveer (A) los.<br />
– Maak de hoofdvoedingskabel (B)<br />
los.<br />
–Verwij<strong>der</strong> en ver<strong>van</strong>g de lamp (C).<br />
– Maak de voedingskabel (B) vast.<br />
– Plaats de nieuwe lamp, waarbij de<br />
lippen op het metalen deel in de uitsparingen<br />
<strong>van</strong> de reflector moeten vallen.<br />
– Haak de borgveer (A) vast.<br />
– Monteer het beschermdeksel op de<br />
juiste wijze.<br />
fig. 14<br />
P4U00155
PARKEERLICHTEN VOOR<br />
Halogeenlamp (type B, 6W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Verwij<strong>der</strong> het beschermdeksel (Afig.<br />
15).<br />
– Trek de geklemde lamphou<strong>der</strong> (Bfig.<br />
15) los.<br />
fig. 15<br />
fig. 16<br />
P4U00<strong>156</strong><br />
P4U00157<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamp (C-fig. 16) uit<br />
de lamphou<strong>der</strong> door de lamp iets in te<br />
drukken en linksom te draaien.<br />
–Ver<strong>van</strong>g de lamp en monteer de lamphou<strong>der</strong><br />
(B-fig. 16) in de zitting.<br />
– Monteer het beschermdeksel op de<br />
juiste wijze (A-fig. 15).<br />
fig. 17<br />
fig. 18<br />
P4U00158<br />
P4U00159<br />
RICHTINGAANWIJZERS OP<br />
VOORSPATBORD<br />
Gloeilamp (type A, 5W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
–Druk met de hand het lampenglas in<br />
de richting <strong>van</strong> de achterzijde <strong>van</strong> de<br />
auto, zodat de bevestigingsveer (A-fig.<br />
17) wordt samengedrukt. Maak de voorzijde<br />
los en verwij<strong>der</strong> de lampunit.<br />
– Draai de lamphou<strong>der</strong> (B-fig. 18)<br />
linksom en verwij<strong>der</strong> het lampenglas (Dfig.<br />
18).<br />
–Verwij<strong>der</strong> de geklemde lamp (C-fig.<br />
18) en ver<strong>van</strong>g de lamp.<br />
– Plaats de lamphou<strong>der</strong> (B-fig. 18)<br />
in het lampenglas (D-fig. 18) en monteer<br />
de lampunit. Controleer of de bevestigingsveer<br />
(A-fig. 17) goed vastzit.<br />
Ga voorzichtig te werk<br />
bij het verwij<strong>der</strong>en <strong>van</strong><br />
de richtingaanwijzerunit<br />
op het voorspatbord zodat de<br />
carrosserie en het lampenglas<br />
niet beschadigd worden.<br />
159
MISTLAMPEN VOOR<br />
(indien aanwezig)<br />
Ver<strong>van</strong>g de gloeilamp (type D, 55W)<br />
aan de on<strong>der</strong>zijde <strong>van</strong> de auto:<br />
– Maak de stekker (A-fig. 19) los<br />
<strong>van</strong> de lampunit.<br />
– Draai het deksel (B-fig. 19) linksom<br />
en verwij<strong>der</strong> het.<br />
– Maak de hoofdvoedingskabel (Cfig.<br />
20) los.<br />
– Maak de borgveer <strong>van</strong> de lamp (Dfig.<br />
20) los en verwij<strong>der</strong> de lamp.<br />
– Monteer de nieuwe lamp, waarbij de<br />
lippen op het metalen deel in de uitspa-<br />
fig. 19<br />
160<br />
P4U00160<br />
ringen <strong>van</strong> de reflector moeten vallen.<br />
Haak de borgveer (D-fig. 20) vast.<br />
– Maak de voedingskabel (C-fig.<br />
20) vast.<br />
– Monteer het deksel (B-fig. 19) en<br />
sluit de stekker (A-fig. 19) aan op de<br />
lampunit.<br />
dealer.<br />
fig. 20<br />
Wendt u voor het afstellen<br />
<strong>van</strong> de mistlampen<br />
tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-<br />
P4U00161<br />
Als de koplampen niet<br />
goed zijn afgesteld, is<br />
de werking min<strong>der</strong> en<br />
kunnen ze an<strong>der</strong>e weggebruikers<br />
hin<strong>der</strong>en. Laat in geval <strong>van</strong> twijfel<br />
de lampen door de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer<br />
controleren en eventueel<br />
afstellen.
ACHTERUITRIJLICHTEN<br />
EN MISTACHTERLICHT<br />
Gloeilampen (type B, 21W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Open het kofferdeksel.<br />
– Draai de bevestigingsschroeven (A<br />
of B-fig. 21) <strong>van</strong> de bekleding in de<br />
bagageruimte los bij de betreffende achterlichtunit.<br />
– Trek de bekleding omlaag en verwij<strong>der</strong><br />
de achterlichtunit (C-fig. 22)<br />
door de borglippen (B-fig. 22) in te<br />
drukken.<br />
–Verwij<strong>der</strong> en ver<strong>van</strong>g de betreffende<br />
lamp (bolvormig met bajonetfitting) door<br />
de lamp iets in te drukken en linksom te<br />
draaien (fig. 23):<br />
fig. 21<br />
P4U00162<br />
(D) gloeilamp voor achteruitrijlicht<br />
(E) gloeilamp voor mistachterlicht.<br />
– Monteer de lichtunit met behulp<br />
<strong>van</strong> de borglippen (B-fig. 22).<br />
– Maak de bekleding in de bagageruimte<br />
vast met de bevestigingsschroeven.<br />
fig. 22<br />
fig. 23<br />
P4U00163<br />
P4U00164<br />
RICHTINGAANW. ACHTER<br />
PARKEERLICHTEN ACHTER<br />
EN REMLICHTEN<br />
Gloeilamp (type B, vermogen: richtingaanwijzers<br />
21W, parkeerlichten 5W en remlichten<br />
21W):<br />
– Open het kofferdeksel.<br />
– Draai de 2 bevestigingsmoeren Afig.<br />
24) los en verwij<strong>der</strong> het beschermdeksel<br />
(B-fig. 24).<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamphou<strong>der</strong> (A-fig.<br />
25) door de borglippen (B-fig. 25) in<br />
te drukken.<br />
fig. 24<br />
P4U00165<br />
161
–Verwij<strong>der</strong> en ver<strong>van</strong>g de betreffende<br />
lamp (bolvormig met bajonetfitting) door<br />
de lamp iets in te drukken en linksom te<br />
draaien (fig. 26):<br />
(C) gloeilamp voor parkeerlicht achter/remlicht<br />
(D) gloeilamp voor richtingaanwijzer<br />
achter.<br />
–Monteer de achterlichtunit met behulp<br />
<strong>van</strong> de borglippen (B-fig. 25).<br />
– Monteer het beschermdeksel (Bfig.<br />
24) met de moeren (A-fig. 24).<br />
fig. 25<br />
162<br />
P4U00166 3033CA<br />
KENTEKENPLAATVERLICHTING<br />
Gloeilampen (type A, 5W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Maak de lampunit los door met de<br />
platte punt <strong>van</strong> een schroevendraaier de<br />
klemveer (A-fig. 27) los te haken. Bescherm<br />
hierbij de punt met een zachte<br />
doek.<br />
–Verwij<strong>der</strong> de lampunit (B-fig. 27).<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamphou<strong>der</strong> (C-fig.<br />
28) door hem iets te draaien en ver<strong>van</strong>g<br />
de geklemde lamp D-fig. 28).<br />
fig. 26<br />
P4U00167<br />
– Monteer de lamphou<strong>der</strong> (C-fig. 28)<br />
door hem iets te draaien.<br />
– Monteer de lampunit (B-fig. 27).<br />
Plaats eerst de bevestigingslippen en<br />
druk vervolgens op de klemveer (A-fig.<br />
27).<br />
fig. 27<br />
fig. 28<br />
P4U00168<br />
P4U00169
DERDE REMLICHT<br />
Gloeilampen (type A, 3,2W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Open het kofferdeksel.<br />
– Draai de bevestigingsknoppen (Afig.<br />
29) los en trek de bekleding omlaag.<br />
fig. 29<br />
P4U00170<br />
– Draai de knop (B-fig. 30) los en<br />
verwij<strong>der</strong> de lampunit.<br />
– Draai de schroeven (C-fig. 31) los.<br />
– Verwij<strong>der</strong> het lampenglas (D-fig.<br />
32) en ver<strong>van</strong>g de lamp.<br />
fig. 30<br />
fig. 31<br />
P4U00171<br />
P4U00172<br />
–Monteer het lampenglas en maak de<br />
lampunit vast met de knop (B-fig. 30).<br />
– Maak de bekleding vast met de<br />
knoppen (A-fig. 29).<br />
fig. 32<br />
P4U00173<br />
163
DEFECTE INTERIEUR-<br />
VERLICHTING<br />
PLAFONDVERLICHTING VOOR<br />
Gloeilampen (type C, 10W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Maak het plafondlampje (A-fig.<br />
33) op de door de pijl aangegeven punten<br />
los.<br />
– Open het deksel (B-fig. 34).<br />
– Ver<strong>van</strong>g de betreffende lamp (Cfig.<br />
34) door de veercontacten los te<br />
maken. Zorg ervoor dat de nieuwe lamp<br />
goed vastzit in de veercontacten.<br />
Voer voor het monteren <strong>van</strong> het plafondlampje<br />
de handelingen voor het verwij<strong>der</strong>en<br />
in omgekeerde volgorde uit.<br />
fig. 33<br />
164<br />
P4U00174<br />
Controleer tijdens de<br />
montage <strong>van</strong> de plafondverlichting<br />
of de<br />
elektrische bedrading op de juiste<br />
wijze geplaatst is en niet in<br />
aanraking komt met de randen<br />
<strong>van</strong> de plafondverlichting of de<br />
borglippen.<br />
fig. 34<br />
fig. 35<br />
P4U00175<br />
P4U00176<br />
PLAFONDVERLICHTING<br />
ACHTER<br />
(behalve uitvoeringen met opendak)<br />
Gloeilampen (type C, 5W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Maak het plafondlampje (A-fig.<br />
35) op de door de pijl aangegeven punten<br />
los.<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamp (B-fig. 36)<br />
door de veercontacten los te maken.<br />
– Plaats de nieuwe lamp en zorg ervoor<br />
dat de lamp goed vastzit in de veercontacten.<br />
– Monteer het plafondlampje door<br />
eerst de zijde met de stekker te plaatsen<br />
en vervolgens de an<strong>der</strong>e zijde vast te<br />
drukken, totdat de borglip inklikt.<br />
fig. 36<br />
P4U00177
PLAFONDVERLICHTING<br />
MIDDENACHTER<br />
(alleen uitvoeringen met opendak)<br />
Gloeilamp (type C, 10W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Maak het plafondlampje (A-fig. 37)<br />
op de door de pijl aangegeven punten los.<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamp (B-fig. 38)<br />
door de veercontacten los te maken.<br />
– Plaats de nieuwe lamp en zorg ervoor<br />
dat de lamp goed vastzit in de veercontacten.<br />
– Monteer het plafondlampje door<br />
eerst de zijde (C-fig. 38) en vervolgens<br />
de an<strong>der</strong>e zijde vast te drukken, totdat<br />
het lampje inklikt.<br />
fig. 37<br />
P4U00252<br />
INSTAPVERLICHTING<br />
Gloeilamp (type C, 5W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Maak de lamp (A-fig. 39) op de<br />
door de pijl aangegeven punten los.<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamp (B-fig. 40)<br />
door de veercontacten los te maken.<br />
– Plaats de nieuwe lamp en zorg ervoor<br />
dat de lamp goed vastzit in de veercontacten.<br />
fig. 38<br />
P4U00251<br />
– Monteer de lampunit door deze<br />
eerst aan één zijde in de juiste stand te<br />
plaatsen en vervolgens de an<strong>der</strong>e zijde<br />
aan te drukken, totdat de borging inklikt.<br />
fig. 39<br />
fig. 40<br />
P4U00178<br />
P4U00179<br />
165
VERLICHTING DASHBOARD-<br />
KASTJE<br />
Gloeilamp (type A, 5W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
–Verwij<strong>der</strong> de verlichtingsunit door met<br />
een schroevendraaier op lip (A-fig. 41)<br />
te drukken.<br />
fig. 41<br />
166<br />
P4U00180<br />
– Verwij<strong>der</strong> de bescherming (B-fig.<br />
42).<br />
–Ver<strong>van</strong>g de geklemde lamp (C-fig.<br />
43).<br />
– Monteer de bescherming (B-fig.<br />
42).<br />
fig. 42<br />
P4U00181<br />
– Monteer de verlichtingsunit door deze<br />
eerst aan één zijde in de juiste stand<br />
te plaatsen en vervolgens de an<strong>der</strong>e zijde<br />
aan te drukken, totdat de borging inklikt.<br />
fig. 43<br />
P4U00182
BAGAGERUIMTEVERLICHTING<br />
Gloeilamp (type C, 10W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Open het kofferdeksel.<br />
– Draai de bevestigingsknoppen (Afig.<br />
44) los en trek de bekleding omlaag.<br />
fig. 44<br />
P4U00170<br />
– Verwij<strong>der</strong> met een platte schroevendraaier<br />
de complete verlichtingsunit (Afig.<br />
45).<br />
fig. 45<br />
P4U00183<br />
– Ver<strong>van</strong>g buislamp (B-fig. 46)<br />
door hem naar buiten te trekken. Zorg<br />
ervoor dat de nieuwe lamp goed vastzit<br />
in de veercontacten.<br />
– Monteer de verlichtingsunit en controleer<br />
of lip (C-fig. 46) inklikt.<br />
fig. 46<br />
P4U00184<br />
167
EEN DOORGEBRANDE<br />
ZEKERING OF RELAIS<br />
ALGEMENE INFORMATIE (fig. 47)<br />
Als een elektrisch on<strong>der</strong>deel niet werkt,<br />
controleer dan eerst of de zekering niet is<br />
doorgebrand.<br />
A - Zekering in goede staat.<br />
B - Zekering met doorgebrande strip.<br />
Verwij<strong>der</strong> een defecte zekering met behulp<br />
<strong>van</strong> het tangetje (C) uit de zekeringenkast.<br />
Ver<strong>van</strong>g een defecte zekering door een<br />
zekering met hetzelfde ampèrage (zelfde<br />
kleur).<br />
fig. 47<br />
168<br />
P4U00185<br />
Als de zekering opnieuw<br />
doorbrandt,<br />
dient u contact op te<br />
nemen met de <strong>Alfa</strong> Romeodealer.<br />
Ver<strong>van</strong>g een zekering<br />
nooit door een zekering<br />
met een hoger ampèrage:<br />
BRANDGEVAAR!.<br />
Ver<strong>van</strong>g een defecte<br />
zekering nooit door an<strong>der</strong><br />
materiaal.<br />
Controleer, voordat u<br />
een zekering ver<strong>van</strong>gt,<br />
of de contactsleutel uit<br />
het contactslot is genomen en alle<br />
stroomgebruikers uit staan<br />
en/of zijn uitgeschakeld.<br />
Zie voor de plaats <strong>van</strong> de zekeringen<br />
de tabellen op pagina 172<br />
en 173.<br />
HOOFDZEKERINGEN<br />
Naast de zekeringen die de afzon<strong>der</strong>lijke<br />
componenten beveiligen, is de<br />
auto voorzien <strong>van</strong> een aantal zekeringen<br />
die alle voedingskabels beschermen<br />
met uitzon<strong>der</strong>ing <strong>van</strong> de kabel <strong>van</strong> de<br />
startmotor en de kabel tussen startmotor<br />
en dynamo.<br />
Deze twee kabels worden beschermd<br />
tegen oververhitting en mechanische<br />
druk door speciaal isolatiemateriaal.<br />
fig. 48<br />
P4U00186
De hoofdzekeringen bevinden zich in<br />
de motorruimte in een hou<strong>der</strong> op de<br />
pluspool <strong>van</strong> de accu; de zekeringen zijn<br />
bereikbaar nadat de twee beschermdeksels<br />
(fig. 48 en fig. 49) zijn verwij<strong>der</strong>d.<br />
De systemen die door de hoofdzekeringen<br />
worden beveiligd, staan in de tabellen<br />
op pagina 172 en 173.<br />
fig. 49<br />
P4U00187<br />
ZEKERINGEN IN DE ZEKERIN-<br />
GENKAST<br />
De zekeringen <strong>van</strong> de belangrijkste systemen<br />
bevinden zich in een zekeringenkastje<br />
on<strong>der</strong> het dashboard, links <strong>van</strong> het<br />
stuur.<br />
Ze zijn bereikbaar nadat het paneel (Afig.<br />
50) is verwij<strong>der</strong>d door de lippen<br />
(B-fig. 50) in de richting <strong>van</strong> de pijl te<br />
drukken.<br />
fig. 50<br />
P4U00191<br />
De grafische symbolen die de belangrijkste<br />
elektrische componenten aangeven<br />
die door de betreffende zekering worden<br />
beveiligd, zijn op een sticker (fig. 51)<br />
op de binnenzijde <strong>van</strong> het paneel aangebracht<br />
(A-fig. 50).<br />
Rechts <strong>van</strong> de zekeringenkast bevinden<br />
zich enkele reservezekeringen (D-fig.<br />
50). Het is raadzaam om na het ver<strong>van</strong>gen<br />
<strong>van</strong> een zekering de reservevoorraad<br />
weer aan te vullen.<br />
De systemen die door de zekeringen<br />
in de zekeringenkast worden beveiligd,<br />
staan in de tabellen op pagina 172 en<br />
173.<br />
fig. 51<br />
P4U00192<br />
169
ZEKERINGEN OP DE<br />
ZEKERINGENKAST (fig. 52)<br />
De zekeringen <strong>van</strong> enkele componenten<br />
zijn gegroepeerd in drie hou<strong>der</strong>s op de<br />
hoofdzekeringenkast en bereikbaar nadat<br />
het paneel is verwij<strong>der</strong>d (A-fig. 50).<br />
Zie voor de beveiliging de noot (*) op<br />
pag. 173.<br />
De systemen die door de zekeringen in<br />
de zekeringenkast worden beveiligd,<br />
staan in de tabellen op pagina 172 en<br />
173.<br />
fig. 52<br />
170<br />
P4U00423<br />
ZEKERINGEN EN RELAIS<br />
BEREIKBAAR VANUIT HET<br />
DASHBOARDKASTJE (fig. 53)<br />
De zekeringen en relais voor enkele systemen<br />
die als optional worden geleverd<br />
of standaard aanwezig zijn op bepaalde<br />
uitvoeringen, bevinden zich op een hou<strong>der</strong><br />
achter het dashboardkastje.<br />
fig. 53<br />
P4U00422<br />
De zekeringen zijn bereikbaar nadat het<br />
geklemde klepje (A-fig. 53) is verwij<strong>der</strong>d.<br />
De systemen die door de zekeringen in<br />
de zekeringenkast worden beveiligd,<br />
staan in de tabellen op pagina 172 en<br />
173.<br />
Voor het bereiken <strong>van</strong> de zekeringen<br />
moet het dashboardkastje worden verwij<strong>der</strong>d:<br />
wendt u hiervoor tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
A. Relais mistlampen voor.<br />
B. Relais dimlichten.<br />
C. Tijdschakeling koplampsproeiers.<br />
D. Relais opendak, stoelverwarming en<br />
elektrische ruitbediening achter.
ZEKERINGEN EN RELAIS IN DE<br />
MOTORRUIMTE<br />
In de motorruimte, op een hou<strong>der</strong> voor<br />
de accu, bevinden zich enkele afgeschermde<br />
zekeringen en relais (het aantal<br />
is afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering).<br />
BELANGRIJK De plaats <strong>van</strong> de zekeringen<br />
en relais is afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering<br />
en het land; het is daarom raadzaam,<br />
ook in geval <strong>van</strong> een eventuele<br />
storing, contact op te nemen met de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
fig. 54<br />
P4U00195<br />
Verwij<strong>der</strong> de bescherming (A-fig. 54)<br />
om de volgende relais te bereiken (fig.<br />
55):<br />
A. Relais 2e snelheid elektroventilateur<br />
(bij uitvoering T.SPARK met airconditioning).<br />
B. Relais 1e snelheid elektroventilateur.<br />
C. Relais brandstofpomp.<br />
D. Relais elektronische inspuiting.<br />
E. Relais aircocompressor.<br />
F. Relais nokkenasversteller (alleen<br />
1.6 T.SPARK), of relais 2e snelheid elektroventilateur<br />
(alleen uitvoering 2.5 V6<br />
24V en JTD).<br />
G. Relais brandstoffilterverwarming (alleen<br />
JTD-uitvoeringen).<br />
fig. 55<br />
P4U00196<br />
Op de JTD-uitvoeringen is, afhankelijk<br />
<strong>van</strong> de in de auto gemonteerde accessoires,<br />
een tweede hou<strong>der</strong> gemonteerd tegen<br />
de achterwand <strong>van</strong> de motorruimte<br />
met de volgende relais (fig. 56):<br />
A.Relais hulpverwarming niveau 1.<br />
B. Relais hulpverwarming niveau 2.<br />
C. Beveiligingsrelais hulpverwarming.<br />
fig. 56<br />
P4U00197<br />
171
Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats<br />
Parkeerlicht linksvoor 7 10A fig. 50<br />
Parkeerlicht rechtsvoor 6 10A fig. 50<br />
Achterlicht links 6 10A fig. 50<br />
Achterlicht rechts 7 10A fig. 50<br />
Dimlicht links 8 10A fig. 50<br />
Dimlicht rechts 4 10A fig. 50<br />
Grootlicht links 2 10A fig. 50<br />
Grootlicht rechts 1 10A fig. 50<br />
Remlicht links 6 10A fig. 50<br />
Remlicht rechts 7 10A fig. 50<br />
Derde remlicht 13 10A fig. 50<br />
Kentekenverlichting links 7 10A fig. 50<br />
Kentekenverlichting rechts 6 10A fig. 50<br />
Achteruitrijlichten 13 10A fig. 50<br />
Mistachterlicht links 7 10A fig. 50<br />
Mistachterlicht rechts 6 10A fig. 50<br />
Richtingaanwijzers -<br />
Waarschuwingsknipperlichten 14 10A fig. 50<br />
Mistlampen voor 15 15A fig. 52<br />
Interieurverlichting - verlichting<br />
dashboardkastje 12-13 10A fig. 50<br />
172<br />
Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats<br />
Ruitenwissers, ruitensproeiers 10 20A fig. 50<br />
Claxon 11 20A fig. 50<br />
Elektrische ruitbediening<br />
en portiervergrendeling 13 10A fig. 50<br />
Elektrische ruitbediening voor<br />
Elektrische ruitbediening<br />
5 30A fig. 50<br />
linksachter 4 20A fig. 52<br />
Elektrische ruitbediening rechtsachter<br />
Portiervergrendeling -<br />
5 20A fig. 52<br />
Bagageruimteverlichting 3 20A fig. 50<br />
Elektrische achterklepontgrendeling 7 30A fig. 52<br />
Achterruitverwarming 15 30A fig. 50<br />
Elektrische spiegelverstelling 13 10A fig. 50<br />
Verwarming <strong>van</strong> buitenspiegels 15 30A fig. 50<br />
Aansteker 9 15A fig. 50<br />
Koplampsproeiers 1 20A fig. 53<br />
Koplampverstelling 4 10A fig. 50<br />
Instrumentenpaneel 12 10A fig. 50<br />
Controlelampje grootlicht 2 10A fig. 50<br />
Controlelampje achterruitverwarming 15 30A fig. 50<br />
Autoradio 12 10A fig. 50<br />
Diefstalalarm 12 10A fig. 50
Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats<br />
Afstandsbediening 13 10A fig. 50<br />
Verlichting bedieningsorganen 3 10A fig. 52<br />
Opendak 6 25A fig. 52<br />
Stoelverwarming 8 30A fig. 52<br />
Airbagsysteem (2)* (10A)* fig. 52<br />
ABS 9 50A fig. 49<br />
(10)* (10A)* fig. 52<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo CODE startblokkering 12 7,5A fig. 52<br />
Klimaatregeling 9 15A fig. 50<br />
Elektroventilateur <strong>van</strong><br />
motorkoelsysteem:<br />
Eerste snelheid<br />
– T.SPARK uitvoeringen met verwarming 6 40A fig. 49<br />
– T.SPARK uitvoeringen met airco 6 50A fig. 49<br />
– JTD-uitvoeringen 6 60A fig. 49<br />
– 2.5 V6 24V-uitvoeringen 6 40A fig. 49<br />
Tweede snelheid<br />
– T.SPARK uitvoeringen met airco 7 30A fig. 49<br />
– JTD-uitvoeringen 7 40A fig. 49<br />
– 2.5 V6 24V-uitvoeringen 7 30A fig. 49<br />
Aanjager <strong>van</strong> klimaatregeling 4 40A fig. 49<br />
Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats<br />
Elektronische inspuiting/ - 12 7,5A fig. 52<br />
ontsteking 13 15A fig. 52<br />
14 15A fig. 52<br />
5 30A fig. 49<br />
Voorgloeibougies en brandstofvoorverwarming<br />
op brandstoffilter (alleen dieseluitvoeringen 8 70A fig. 49<br />
Brandstofvoorverwarming<br />
(alleen JTD-uitvoeringen) – 25A fig. 55<br />
Tijdens starten uitgeschakelde verbruikers 1 7,5A fig. 52<br />
Verbruikers met permanente voeding<br />
ook bij uitgenomen sleutel 11 7,5A fig. 52<br />
Verbruikers met voeding bij<br />
contactsleutel op MAR 2 30A fig. 49<br />
Alle overige systemen en elektrische 1 80A fig. 49<br />
componenten 3 70A fig. 49<br />
Extra verwarming<br />
(alleen dieseluitvoeringen) 10 70A fig. 49<br />
Selespeed versnellingsbak 7 30A fig. 49<br />
(Uitvoering 2.0 T. SPARK) 8 20A fig. 49<br />
Automatische versnellingsbak 7 40A fig. 49<br />
(Uitvoering 2.5 V6 24V) 8 20A fig. 49<br />
(*) Componenten en amperage afhankelijk <strong>van</strong> uitvoering/markt. Bij twijfel en vooral bij het ver<strong>van</strong>gen <strong>van</strong> de zekeringen voor de veiligheidssystemen (Airbag, ABS,<br />
enz.) verdient het aanbeveling de <strong>Alfa</strong> Romeo dealer te raadplegen, die bovendien de oorzaak voor het doorbranden <strong>van</strong> de zekering kan vaststellen.<br />
173
EEN LEGE ACCU<br />
STARTEN MET EEN HULPACCU<br />
Als de accu leeg is (bij een accu met optische<br />
zuurweger: donkere kleur zon<strong>der</strong><br />
groen in het midden), kan de motor worden<br />
gestart met een hulpaccu, die ten<br />
minste dezelfde capaciteit moet hebben<br />
als de lege accu (zie hoofdstuk “Technische<br />
gegevens”).<br />
Ga als volgt te werk (fig. 57):<br />
– Verbind de pluspolen(+ teken nabij<br />
de pool) <strong>van</strong> de beide accu’s met een<br />
startkabel.<br />
– Sluit een tweede startkabel aan op<br />
de minpool (–) <strong>van</strong> de hulpaccu en op<br />
de massakabel op de motor of de versnellingsbak<br />
<strong>van</strong> de auto die gestart moet<br />
worden.<br />
fig. 57<br />
174<br />
P4U00198<br />
BELANGRIJK Verbind de minpolen<br />
<strong>van</strong> de twee accu’s niet rechtstreeks:<br />
eventuele vonken kunnen het explosieve<br />
gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen.<br />
– Start de motor.<br />
– Neem, als de motor draait, de kabels<br />
in de omgekeerde volgorde los.<br />
– Als de motor na enkele pogingen niet<br />
aanslaat, blijf dan niet proberen maar<br />
wendt u tot een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Laat deze procedure<br />
door gespecialiseerd<br />
personeel uitvoeren.<br />
Onjuiste handelingen kunnen<br />
leiden tot vonken en ernstige beschadiging<br />
<strong>van</strong> de accu. De vloeistof<br />
in de accu is giftig en corrosief.<br />
Vermijd het contact met de<br />
huid of de ogen.<br />
Kom ook niet dicht bij een accu<br />
met open vuur of een brandende<br />
sigaret en veroorzaak geen vonken.<br />
Houd de instructies<br />
aan die de fabrikant<br />
<strong>van</strong> de kabels heeft geleverd<br />
zodat schade aan de elektrische<br />
installatie wordt voorkomen.<br />
De diameter <strong>van</strong> de kabels<br />
moet voldoende zijn. Bovendien<br />
moeten de kabels een zodanige<br />
lengte hebben dat de twee auto’s<br />
elkaar niet kunnen raken.<br />
Gebruik voor een<br />
noodstart beslist nooit<br />
een accusnella<strong>der</strong>. De<br />
elektronische systemen kunnen<br />
beschadigen; in het bijzon<strong>der</strong> de<br />
regeleenheden <strong>van</strong> de ontsteking<br />
en de inspuiting.<br />
Bij het loskoppelen en<br />
aansluiten <strong>van</strong> de accuklemmen<br />
kunnen er<br />
spanningen worden opgewekt die<br />
problemen in de elektronische systemen<br />
veroorzaken. Deze werkzaamheden<br />
moeten daarom door<br />
ter zake kundige personen worden<br />
uitgevoerd.
HET SLEPEN<br />
VAN DE AUTO<br />
Bij de auto is een sleepoog geleverd.<br />
Het sleepoog bevindt zich in de gereedschaphou<strong>der</strong><br />
on<strong>der</strong> de bekleding <strong>van</strong> de<br />
bagageruimte.<br />
Sleepoog bevestigen:<br />
– Verwij<strong>der</strong> het sleepoog uit de hou<strong>der</strong>.<br />
– Verwij<strong>der</strong> het geklemde dekseltje<br />
(A) op de voor- (fig. 58) of achterbumper<br />
(fig. 59) op de volgende wijze:<br />
DEKSELTJE OP DE VOORBUMPER: druk<br />
met een vinger op de on<strong>der</strong>zijde <strong>van</strong> het<br />
dekseltje totdat het dekseltje loshaakt uit<br />
de borgveer.<br />
fig. 58<br />
P4U00199<br />
DEKSELTJE OP DE ACHTERBUMPER: Neem<br />
de schroevendraaier uit de gereedschaphou<strong>der</strong><br />
on<strong>der</strong> de bekleding in de bagageruimte.<br />
Gebruik de platte punt <strong>van</strong> de schroevendraaier<br />
en bescherm de punt met een<br />
zachte doek; steek vervolgens de schroevendraaier<br />
in de bovenzijde <strong>van</strong> het dekseltje<br />
en druk licht op de schroevendraaier<br />
zodat de borgveer loshaakt uit de zitting.<br />
– Draai het sleepoog geheel op de<br />
schroefdraadpen.<br />
Controleer of het sleepoog<br />
volledig op de pen<br />
is gedraaid (circa 8 volledige<br />
slagen); maak de schroefdraad<br />
voor het sleepoog voor de<br />
montage zorgvuldig schoon.<br />
fig. 59<br />
P4U00200<br />
Draai voor het slepen<br />
de sleutel in stand MAR<br />
en vervolgens in STOP<br />
zon<strong>der</strong> de contactsleutel uit het<br />
slot te verwij<strong>der</strong>en. Als de contactsleutel<br />
uit het contactslot<br />
wordt genomen, schakelt automatisch<br />
het stuurslot in waardoor het<br />
onmogelijk wordt de auto te besturen.<br />
Houd er rekening mee dat de<br />
rem- en stuurbekrachtiging niet<br />
werken zolang de motor niet is<br />
aangeslagen, waardoor meer<br />
kracht nodig is voor de bediening<br />
<strong>van</strong> het rempedaal en het stuur.<br />
Gebruik voor het slepen geen<br />
elastische kabels en rijd zo gelijkmatig<br />
mogelijk. Controleer tijdens<br />
het slepen of de sleepkabel geen<br />
carrosseriedelen kan beschadigen.<br />
Houdt u bij het slepen <strong>van</strong> een<br />
auto aan de wettelijke voorschriften.<br />
Dit geldt zowel voor het slepen<br />
zelf als voor het gedrag naar<br />
an<strong>der</strong>e weggebruikers.<br />
175
SLEPEN VAN DE<br />
2.0 T.SPARK SELESPEED<br />
BELANGRIJK Houdt u bij het slepen<br />
<strong>van</strong> de auto aan de wettelijke voorschriften.<br />
Controleer of de versnellingsbak in<br />
de vrijstand (N) staat (controleer of de<br />
auto rolt als er tegen wordt geduwd) en<br />
sleep de auto zoals een auto met een<br />
handgeschakelde versnellingsbak, zoals<br />
hiervoor is beschreven.<br />
Als de versnellingsbak niet in de vrijstand<br />
kan worden gezet, dan mag de<br />
auto niet worden gesleept. Wendt u in<br />
dat geval tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
176<br />
Start de motor niet als<br />
de auto wordt gesleept.<br />
SLEPEN VAN AUTO<br />
MET AUTOMATISCHE<br />
VERSNELLINGSBAK<br />
(2.5 V6 24V Q-SYSTEM)<br />
BELANGRIJK Houdt u bij het slepen<br />
<strong>van</strong> de auto aan de wettelijke voorschriften.<br />
Houdt u aan de hiervoor beschreven<br />
aanwijzingen.<br />
Houdt u bij het slepen aan de volgende<br />
aanwijzingen:<br />
– vervoer de auto, indien mogelijk, op<br />
de laadvloer <strong>van</strong> een bergingsauto;<br />
– als er geen bergingsauto beschikbaar<br />
is, moet de auto met de aangedreven<br />
wielen (voorwielen) los <strong>van</strong> de grond gesleept<br />
worden;<br />
–als ook deze oplossing onmogelijk is,<br />
kan de auto over een afstand <strong>van</strong> maximaal<br />
50 km en met een snelheid lager<br />
dan 50 km/h, gesleept worden.<br />
Bij het slepen moet de versnellingspook<br />
in stand N staan.<br />
Start de motor niet als<br />
de auto wordt gesleept.<br />
Als de hierboven beschreven<br />
aanwijzingen<br />
niet worden opgevolgd,<br />
kan ernstige schade aan de automatische<br />
versnellingsbak worden<br />
toegebracht.<br />
Auto’s met een automatischeversnellingsbak<br />
kunnen slechts over<br />
korte afstanden en met lage<br />
snelheid gesleept worden: indien<br />
over een langere afstand wordt<br />
gesleept, moet dit gebeuren met<br />
de aangedreven wielen los <strong>van</strong> de<br />
grond, zodat de versnellingsbak<br />
tijdens het slepen niet wordt aangedreven.
HET OPKRIKKEN VAN<br />
DE AUTO<br />
MET DE BOORDKRIK<br />
Zie de paragraaf “Een lekke band” in<br />
dit hoofdstuk.<br />
De richtlijnen geven aan dat:<br />
– de krik 2,100 kg moet wegen;<br />
– de krik geen afstelwerkzaamheden<br />
mag vereisen;<br />
– de krik bij beschadiging ver<strong>van</strong>gen<br />
moet worden door een krik <strong>van</strong> hetzelfde<br />
type;<br />
– buiten de slinger geen enkel an<strong>der</strong><br />
gereedschap op de krik gemonteerd mag<br />
worden.<br />
De krik dient uitsluitend<br />
voor het verwisselen<br />
<strong>van</strong> een wiel <strong>van</strong> de<br />
auto waarbij de krik geleverd is<br />
of voor auto’s <strong>van</strong> hetzelfde model.<br />
Gebruik de krik niet voor het<br />
opkrikken <strong>van</strong> an<strong>der</strong>e auto’s. En<br />
beslist nooit voor het uitvoeren<br />
<strong>van</strong> werkzaamheden on<strong>der</strong> de<br />
auto.<br />
Als de krik niet juist<br />
geplaatst wordt, kan de<br />
opgekrikte auto <strong>van</strong> de<br />
krik vallen.<br />
Op een sticker op de krik is het<br />
maximum hefvermogen aangegeven;<br />
de krik mag nooit voor een<br />
zwaar<strong>der</strong>e last worden gebruikt.<br />
MET DE HEFBRUG OF<br />
GARAGEKRIK<br />
De auto mag uitsluitend aan de zijkant<br />
worden opgekrikt door de hefarm <strong>van</strong> de<br />
garagekrik of de hefbrug in het aangegeven<br />
gebied te plaatsen, op ongeveer<br />
40 cm <strong>van</strong> de wielkuip (fig. 60).<br />
De auto mag worden<br />
opgekrikt met een werkplaatskrik<br />
of de armen<br />
<strong>van</strong> een hefbrug uitsluitend op de<br />
aangegeven punten (fig. 60).<br />
fig. 60<br />
P4U00201<br />
177
BIJ EEN ONGEVAL<br />
– Het is belangrijk altijd rustig te<br />
blijven.<br />
– Als u niet direct bij het ongeval betrokken<br />
bent, stopt u dan op een afstand<br />
<strong>van</strong> ten minste een tiental meters <strong>van</strong> het<br />
ongeluk.<br />
– Stop bij ongevallen op de snelweg zo<br />
mogelijk in de berm en laat de vluchtstrook<br />
vrij.<br />
– Zet de motor uit en schakel de waarschuwingsknipperlichten<br />
in.<br />
– Verlicht als het donker is met de koplampen<br />
de plaats <strong>van</strong> het ongeval.<br />
– Wees voorzichtig, voorkom het risico<br />
<strong>van</strong> een aanrijding.<br />
– Geef het ongeval aan door de gevarendriehoek<br />
goed zichtbaar en op de wettelijk<br />
voorgeschreven afstand te plaatsen.<br />
– Waarschuw de hulpinstanties en geef<br />
zo duidelijk mogelijke informatie. Gebruik<br />
op de snelweg de daarvoor bestemde<br />
praatpalen.<br />
178<br />
– Bij kettingbotsingen, in het bijzon<strong>der</strong><br />
bij mist, is het risico om bij volgende botsingen<br />
betrokken te raken groot. Verlaat<br />
onmiddellijk de auto en zoek bescherming<br />
achter de <strong>van</strong>grail.<br />
– Probeer bij geblokkeerde portieren de<br />
auto niet te verlaten door de gelaagde<br />
voorruit in te slaan. De zijruiten en de<br />
achterruit kunnen makkelijker worden ingeslagen.<br />
– Neem bij de betrokken auto’s de contactsleutel<br />
uit.<br />
– Als u brandstof of an<strong>der</strong>e chemische<br />
producten ruikt, rook dan niet en doof<br />
sigaretten.<br />
– Gebruik voor het blussen <strong>van</strong> branden,<br />
zelfs als deze klein zijn, de brandblusser,<br />
een wollen deken, zand of<br />
grond. Gebruik nooit water.<br />
ALS ER GEWONDEN ZIJN<br />
– Blijf altijd bij de gewonde. Ook de<br />
personen die niet direct bij het ongeval<br />
betrokken zijn, zijn verplicht hulp te bieden.<br />
– Blijf niet om de gewonde heen staan.<br />
– Stel de gewonde gerust over het tijdig<br />
komen <strong>van</strong> de hulp. Blijf bij de gewonde<br />
om eventuele paniekaanvallen te<br />
vermijden.<br />
– Maak of snijd de veiligheidsgordel,<br />
die de gewonde op zijn plaats houdt, los.<br />
– Geef niets te drinken aan de gewonde.<br />
– De gewonde mag nooit worden verplaatst<br />
behalve in de gevallen die bij het<br />
volgende punt worden behandeld.<br />
– Haal de gewonde uitsluitend uit de<br />
auto bij gevaar voor brand, verdrinking of<br />
naar beneden storten. Als u een gewonde<br />
uit de auto haalt: trek niet aan de ledematen,<br />
buig nooit het hoofd en houd,<br />
voor zover mogelijk, het lichaam in horizontale<br />
positie.
VERBANDTROMMEL (fig. 61)<br />
De verbandtrommel moet ten minste<br />
bevatten:<br />
– steriele gaasdeppers, om de wond<br />
te bedekken en schoon te maken;<br />
– verschillende soorten verband;<br />
– pleisters <strong>van</strong> verschillende afmetingen;<br />
– hechtpleister;<br />
– een pak hydrofiele watten;<br />
– een flesje jodium;<br />
– een pak zakdoekjes;<br />
– een schaar met afgeronde punten;<br />
– een pincet;<br />
– twee bloedstelpende zwachtels.<br />
fig. 61<br />
P4U00202<br />
De verbandtrommel is opgenomen in<br />
het <strong>Alfa</strong> Romeo Lineaccessori-programma.<br />
179
Een goed en regelmatig on<strong>der</strong>houd <strong>van</strong> de auto is de beste<br />
manier om de prestaties en de veiligheid <strong>van</strong> de auto gedurende<br />
langere tijd te garan<strong>der</strong>en.<br />
Onthoud ver<strong>der</strong> dat het nauwkeurig aanhouden <strong>van</strong> de on<strong>der</strong>houdsnormen<br />
die aangegeven zijn met het afgebeelde symbool,<br />
de noodzakelijke voorwaarden vormen om de garantie te behouden.<br />
Op de volgende pagina’s staat het on<strong>der</strong>houdsschema en de controles<br />
die uitgevoerd dienen te worden voor een goed on<strong>der</strong>houd.<br />
Wij raden u aan de in het on<strong>der</strong>houdsschema voorgeschreven<br />
handelingen bij de vastgestelde kilometerstanden te laten uitvoeren.<br />
ONDERHOUD VAN DE AUTO<br />
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD .................................................. pag. 182<br />
ONDERHOUDSSCHEMA .................................................................................. 184<br />
JAARLIJKS INSPECTIESCHEMA .................................................................... 186<br />
NIVEAUS CONTROLEREN, BIJVULLEN EN VERVERSEN ......................... 189<br />
LUCHTFILTER ..................................................................................................... 206<br />
DIESELFILTER ..................................................................................................... 207<br />
STOF-/POLLENFILTER ..................................................................................... 209<br />
ACCU .................................................................................................................... 209<br />
ELEKTRONISCHE REGELEENHEDEN ............................................................ 213<br />
BOUGIES ............................................................................................................. 214<br />
WISSERBLADEN ................................................................................................ 214<br />
RUITENSPROEIERS .......................................................................................... 215<br />
CARROSSERIE .................................................................................................... 215<br />
INTERIEUR .......................................................................................................... 217<br />
181
GEPROGRAMMEERD<br />
ONDERHOUD<br />
VOORZORGSMAATREGELEN<br />
In de motorruimte bevinden zich vele<br />
bewegende delen, componenten die hoge<br />
temperaturen kunnen bereiken en hoogspanningskabels<br />
die gevaar kunnen opleveren<br />
voor degene die niet bekend zijn<br />
met de werking er<strong>van</strong>.<br />
Bij on<strong>der</strong>houdswerkzaamheden moeten<br />
de volgende voorzorgsmaatregelen worden<br />
genomen:<br />
– zet de motor af en wacht tot deze is<br />
afgekoeld.<br />
– kom niet in de buurt <strong>van</strong> de elektroventilateur.<br />
Deze kan automatisch inschakelen<br />
als de koelvloeistof een bepaalde<br />
temperatuur heeft bereikt.<br />
– rook niet en gebruik geen open vuur.<br />
– houd altijd een brandblusser binnen<br />
handbereik.<br />
– gebruik de bij de auto geleverde krik<br />
niet om de auto op te krikken voor werkzaamheden<br />
on<strong>der</strong> de auto.<br />
182<br />
De bij de auto geleverde<br />
krik dient uitsluitend<br />
voor het verwisselen<br />
<strong>van</strong> een wiel. De auto mag niet<br />
met de krik worden opgekrikt<br />
voor het uitvoeren <strong>van</strong> an<strong>der</strong>e<br />
werkzaamheden. Wendt u bij<br />
voorkeur tot een <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
om deze werkzaamheden<br />
uit te laten voeren.<br />
Vertrouw het on<strong>der</strong>houd<br />
in principe toe aan<br />
de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Als u toch zelf on<strong>der</strong>houd of kleine<br />
reparaties verricht, controleer dan<br />
of u over het juiste speciale gereedschap<br />
en de noodzakelijke originele<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-on<strong>der</strong>delen en<br />
de voorgeschreven bedrijfsvloeistoffen<br />
beschikt. Voer niet zelf on<strong>der</strong>houdswerkzaamheden<br />
uit, als<br />
u daarmee geen ervaring hebt.<br />
Pas op als u sjaals,<br />
dassen of an<strong>der</strong>e loszittende<br />
kledingstukken<br />
draagt: deze kunnen door de bewegende<br />
delen worden gegrepen.<br />
GEVAAR - ERNSTIGE<br />
VERWONDINGEN. Als u<br />
controle- of on<strong>der</strong>houdswerkzaamheden<br />
in de<br />
motorruimte uitvoert, moet u er<br />
vooral op letten dat u uw hoofd<br />
niet stoot tegen het uitstekende<br />
deel <strong>van</strong> de motorkap.<br />
Rook nooit tijdens<br />
werkzaamheden in de<br />
motorruimte: er kunnen<br />
licht ontvlambare gassen aanwezig<br />
zijn; brandgevaar.
Als de auto vaak wordt<br />
gebruikt voor het trekken<br />
<strong>van</strong> aanhangers<br />
moeten er kortere intervallen worden<br />
aangehouden voor de werkzaamheden<br />
<strong>van</strong> het geprogrammeerd<br />
on<strong>der</strong>houd.<br />
Belangrijk. Tijdens het<br />
bijvullen mogen de vloeistoffen<br />
met verschillende<br />
specificaties niet gemengd<br />
worden: als de specificaties <strong>van</strong><br />
de vloeistoffen verschillen, kan de<br />
auto ernstig beschadigd worden.<br />
ALGEMENE AANWIJZINGEN<br />
Doelmatig on<strong>der</strong>houd is een beslissende<br />
factor voor een goede werking <strong>van</strong> de<br />
auto en een lange levensduur. Zorg er<br />
daarom voor dat de on<strong>der</strong>houdsbeurten<br />
tijdig worden uitgevoerd. Dankzij de ver<strong>der</strong>gaande<br />
ontwikkeling <strong>van</strong> het product<br />
kunnen deze bij hogere kilometerstanden<br />
worden uitgevoerd.<br />
De service- en inspectiebeurten moeten<br />
ie<strong>der</strong>e 20.000 km worden uitgevoerd.<br />
Het blijft echter altijd nuttig om regelmatig<br />
wat aandacht aan de auto te schenken,<br />
bijvoorbeeld door het systematisch<br />
controleren <strong>van</strong> de vloeistofniveaus en de<br />
spanning <strong>van</strong> de banden.<br />
Denk er altijd aan dat een goed on<strong>der</strong>houd<br />
<strong>van</strong> de auto de beste manier is om<br />
de prestaties en de veiligheid <strong>van</strong> de auto<br />
gedurende langere tijd te garan<strong>der</strong>en.<br />
Daarbij wordt ook het milieu ontzien en<br />
blijven de exploitatiekosten laag.<br />
Het niet uitvoeren <strong>van</strong> deze servicebeurten,<br />
aangegeven met het symbool —,<br />
kan het vervallen <strong>van</strong> de garantie tot gevolg<br />
hebben<br />
U kunt de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer <strong>van</strong> te<br />
voren om een prijsopgave voor de on<strong>der</strong>houdsbeurten<br />
vragen.<br />
BELANGRIJK Het verdient aanbeveling<br />
eventuele kleine defecten onmiddellijk<br />
door de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te laten<br />
verhelpen en daarmee niet te wachten<br />
tot de volgende servicebeurt.<br />
BELANGRIJK De servicebeurten <strong>van</strong><br />
het geprogrammeerd on<strong>der</strong>houd zijn door<br />
de fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren<br />
<strong>van</strong> deze servicebeurten kan het<br />
vervallen <strong>van</strong> de garantie tot gevolg hebben.<br />
183
ONDERHOUDSSCHEMA<br />
184<br />
x 1000 km 20 40 60 80 100 120 140 160 180<br />
Banden op conditie en slijtage controleren • • • • • • • • •<br />
Werking waarschuwingslampje voor versleten remblokken<br />
<strong>van</strong> de schijfremmen voor controleren • • • • • • • • •<br />
Conditie remblokken <strong>van</strong> de schijfremmen achter controleren • • • •<br />
Conditie stofhoezen <strong>van</strong> aandrijfassen, stuurhuis, stuurkogels<br />
en brandstof- en remleidingen op lekkage controleren<br />
Visueel de conditie controleren <strong>van</strong>:buitenzijde carrosserie, bodemplaatbescherming,<br />
• • • • • • • • •<br />
uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen, enz.),<br />
en rubber slangen <strong>van</strong> het rem- en brandstofsysteem • • • • • • • • •<br />
Getande distributieriem controleren • •<br />
Poly-V-aandrijfriem visueel controleren • •<br />
Slag handrem controleren • • • •<br />
Klepspeling controleren/afstellen (turbodieselmotor) • • • • •<br />
Uitlaatgasemissie controleren (benzinemotor) • • • •<br />
Rookgas controleren (turbodieselmotor) • • • •<br />
Werking benzinedamp-op<strong>van</strong>gsysteem controleren • •<br />
(*) Of ie<strong>der</strong>e 3 jaar bij zware gebruiksomstandigheden (koud klimaat, in stadsverkeer met langdurig stationair draaiende motor).<br />
Of ie<strong>der</strong>e 5 jaar, onafhankelijk <strong>van</strong> het aantal afgelegde kilometers.
x 1000 km 20 40 60 80 100 120 140 160 180<br />
Brandstoffilter ver<strong>van</strong>gen (turbodieselmotor) • • • • • • • • •<br />
Luchtfilter ver<strong>van</strong>gen (benzinemotor) • • • •<br />
Luchtfilter ver<strong>van</strong>gen (turbodieselmotor) • • • • • • • • •<br />
Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (remsysteem, hydraulische koppeling,<br />
stuurbekrachtiging, ruitenwissers, accu, motorkoelsysteem, enz.) • • • • • • • • •<br />
Olie <strong>van</strong> Selespeed versnellingsbak controleren en eventueel bijvullen (2.0 T.SPARK) • • • • • • • • •<br />
Getande distributieriem (*) (**) en Poly-V-aandrijfriem ver<strong>van</strong>gen •<br />
Aandrijfriem tegengesteld draaiende balansassen ver<strong>van</strong>gen (2.0 T.SPARK) •<br />
Bougies ver<strong>van</strong>gen (T.SPARK 16V en 2.5 V6 24V) •<br />
Werking regeleenheden controleren (via diagnosestekker) • • • •<br />
Olie <strong>van</strong> handgeschakelde versnellingsbak en differentieel controleren en eventueel bijvullen • •<br />
Olie <strong>van</strong> automatische versnellingsbak controleren en eventueel bijvullen (2.5 V6 24V) • • • • • • • • •<br />
Motorolie en oliefilter ver<strong>van</strong>gen • • • • • • • • •<br />
Remvloeistof ver<strong>van</strong>gen (of om het jaar) • • •<br />
Stof-/pollenfilter ver<strong>van</strong>gen • • • • • • • • •<br />
(*) Of ie<strong>der</strong>e 3 jaar bij zware gebruiksomstandigheden (koud klimaat, in stadsverkeer met langdurig stationair draaiende motor).<br />
Of ie<strong>der</strong>e 5 jaar, onafhankelijk <strong>van</strong> het aantal afgelegde kilometers.<br />
(**) Vanwege de zeer veeleisende bedrijfsomstandigheden moet in Ne<strong>der</strong>land bij uitvoeringen met een T.Spark-motor de distributieriem<br />
(**) om de 60.000 km of om de 36 maanden worden ver<strong>van</strong>gen.<br />
185
JAARLIJKS<br />
INSPECTIESCHEMA<br />
Voor auto’s waarmee jaarlijks min<strong>der</strong><br />
dan 20.000 km wordt gereden (bijvoorbeeld<br />
ongeveer 10.000 km) is er een<br />
JAARLIJKS INSPECTIESCHEMA dat het volgende<br />
omvat:<br />
– Banden op conditie en slijtage controleren<br />
en bandenspanning eventueel herstellen<br />
(inclusief het reservewiel).<br />
– Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers,waarschuwingsknipperlichten,<br />
bagageruimte, interieur, dashboardkastje,waarschuwings-/controlelampjes,<br />
enz.) controleren.<br />
– Werking ruitenwissers/-sproeiers<br />
voor/achter controleren en sproeiermonden<br />
afstellen.<br />
– Stand wisserbladen controleren en<br />
wisserbladen op slijtage controleren.<br />
– Remblokken voor (schijfremmen) op<br />
conditie en slijtage controleren.<br />
– Visueel de conditie controleren <strong>van</strong>:<br />
motor, versnellingsbak, aandrijfassen, uitlaat-,<br />
brandstof- en remleidingen, rubber<br />
delen (stofkappen, hoezen, enz.) en<br />
186<br />
rubber slangen <strong>van</strong> rem- en brandstofsysteem.<br />
– Acculading controleren.<br />
– Conditie <strong>van</strong> diverse aandrijfriemen<br />
visueel controleren.<br />
– Vloeistofniveaus controleren en eventueel<br />
bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem,<br />
ruitensproeiers, accu, enz.).<br />
– Motorolie verversen.<br />
– Motoroliefilter ver<strong>van</strong>gen.<br />
– Pollenfilter ver<strong>van</strong>gen.<br />
AANVULLENDE<br />
WERKZAAMHEDEN<br />
Ie<strong>der</strong>e 1000 km of voor een lange<br />
reis controleren en eventueel bijvullen:<br />
– niveau <strong>van</strong> de motorkoelvloeistof<br />
– niveau <strong>van</strong> de remvloeistof/vloeistofniveau<br />
hydraulische koppelingbediening<br />
– niveau <strong>van</strong> de olie <strong>van</strong> de stuurbekrachtiging<br />
– niveau <strong>van</strong> de ruiten-/koplampsproeiervloeistof<br />
– conditie en spanning <strong>van</strong> de banden.<br />
Ie<strong>der</strong>e 3000 km het motoroliepeil<br />
controleren en eventueel bijvullen.<br />
Ie<strong>der</strong>e 5000 km (alleen dieselmotoren):<br />
condens uit brandstoffilter aftappen.<br />
Gebruik bij voorkeur producten <strong>van</strong><br />
de FL Group omdat die speciaal zijn afgestemd<br />
op de <strong>Alfa</strong> Romeo-modellen (zie<br />
de “Specificaties <strong>van</strong> de smeermiddelen<br />
en vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische<br />
gegevens”).<br />
BELANGRIJK - Motorolie<br />
Ver<strong>van</strong>g de motorolie vaker dan in het<br />
on<strong>der</strong>houdsschema staat aangegeven als<br />
de auto overwegend on<strong>der</strong> zware bedrijfsomstandigheden<br />
rijdt, zoals:<br />
– trekken <strong>van</strong> aanhangers of cara<strong>van</strong>s;<br />
– stoffige wegen;<br />
– veel korte ritten (min<strong>der</strong> dan 7-8 km)<br />
en bij buitentemperaturen on<strong>der</strong> nul;<br />
– veel langdurig stationair draaiende<br />
motor of lange ritten bij lage snelheden<br />
(bijv. bij gebruik als taxi of bij huis-aanhuis<br />
bezorging of als de auto lang stilstaat).
BELANGRIJK - Luchtfilter<br />
Als de auto over stoffige wegen rijdt,<br />
moet het luchtfilter vaker worden ver<strong>van</strong>gen<br />
dan in het on<strong>der</strong>houdsschema staat<br />
aangegeven.<br />
Raadpleeg bij twijfel over de ver<strong>van</strong>gingsinterval<br />
<strong>van</strong> motorolie en luchtfilter<br />
in relatie tot het gebruik <strong>van</strong> de auto de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
BELANGRIJK - Dieselfilter<br />
Door het gebruik <strong>van</strong> dieselbrandstof<br />
<strong>van</strong> min<strong>der</strong>e kwaliteit kan het noodzakelijk<br />
zijn het brandstoffilter vaker te ver<strong>van</strong>gen<br />
dan in het on<strong>der</strong>houdsschema is<br />
aangegeven. Een hortende motor kan<br />
een indicatie zijn dat het filter ver<strong>van</strong>gen<br />
moet worden.<br />
BELANGRIJK - Pollenfilter<br />
Als de auto veel over stoffige wegen rijdt<br />
of bij geconcentreerde luchtvervuiling,<br />
moet het filter met actieve koolstof vaker<br />
worden ver<strong>van</strong>gen; dit is vooral raadzaam<br />
als een beperking in de capaciteit <strong>van</strong> de<br />
ventilatie wordt geconstateerd.<br />
BELANGRIJK - Accu<br />
Wij raden u aan de acculading voor het<br />
begin <strong>van</strong> de winter te controleren, om<br />
de mogelijkheid <strong>van</strong> bevriezing <strong>van</strong> het<br />
elektrolyt te voorkomen.<br />
Voer deze controle vaker uit als de auto<br />
overwegend voor korte trajecten wordt<br />
gebruikt, of als accessoires zijn gemonteerd<br />
die permanent, ook bij uitgeschakeld<br />
contact, stroom verbruiken. Dit geldt<br />
in het bijzon<strong>der</strong> voor achteraf aangebrachte<br />
accessoires.<br />
Controleer de acculading (elektrolyt)<br />
vaker dan is voorgeschreven in het on<strong>der</strong>houdsschema<br />
in dit hoofdstuk, als de<br />
auto wordt gebruikt in warme klimaten of<br />
on<strong>der</strong> zeer zware bedrijfsomstandigheden.<br />
BELANGRIJK - Afstandsbediening<br />
Als u op het knopje <strong>van</strong> de afstandsbediening<br />
drukt en het lampje op de afstandsbediening<br />
knippert één keer kort,<br />
dan moet u de batterij ver<strong>van</strong>gen door<br />
een nieuw exemplaar <strong>van</strong> hetzelfde type.<br />
BELANGRIJK - Wielen<br />
De spanning <strong>van</strong> de banden, inclusief<br />
het reservewiel, moet regelmatig en voor<br />
een lange rit, worden gecontroleerd.<br />
De bandenspanning moet bij koude<br />
banden worden gecontroleerd.<br />
Controleer regelmatig of de profieldiepte<br />
<strong>van</strong> het loopvlak nog voldoet aan de wettelijk<br />
vastgestelde minimumeisen.<br />
BELANGRIJK Bepaalde type banden<br />
zijn voorzien <strong>van</strong> slijtage-indicatoren; de<br />
banden moeten ver<strong>van</strong>gen worden zodra<br />
deze indicatoren op het loopvlak zichtbaar<br />
zijn.<br />
187
Controleer de banden regelmatig op<br />
scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken<br />
op het loopvlak. Als dit het geval<br />
is, wendt u dan onmiddellijk tot de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
Stop zo snel mogelijk bij een lekke<br />
band en verwissel het wiel om beschadiging<br />
<strong>van</strong> de band, de velg, de wielophanging<br />
en de stuurinrichting te voorkomen.<br />
De door de fabriek gemonteerde wielen<br />
(velgen en banden) zijn het best afgestemd<br />
op de eigenschappen <strong>van</strong> de auto<br />
en garan<strong>der</strong>en een maximum aan veiligheid<br />
en comfort on<strong>der</strong> alle rij-omstandigheden.<br />
Raadpleeg, voordat u velgen of banden<br />
ver<strong>van</strong>gt, de tabel met de toegestane<br />
band- en velgtypen in het hoofdstuk<br />
“Technische gegevens” of wendt u tot de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Zorg er in ie<strong>der</strong> geval voor dat de oorspronkelijke<br />
combinatie <strong>van</strong> velg-/bandenmaat<br />
gehandhaafd blijft.<br />
Monteer altijd nieuwe banden en nooit<br />
banden, waar<strong>van</strong> de herkomst onbekend<br />
is.<br />
188<br />
BELANGRIJK Als de auto on<strong>der</strong> speciale<br />
bedrijfsomstandigheden wordt gebruikt<br />
(bijvoorbeeld bij het rijden over wegen<br />
met strooizout en/of bijtende stoffen,<br />
op een slecht wegdek, enz.) moeten<br />
de stofhoezen <strong>van</strong> de aandrijfassen en<br />
het stuurhuis vaker worden gecontroleerd<br />
en de gewrichten, scharnieren, <strong>van</strong>gmechanismen<br />
<strong>van</strong> de portieren, motorkap en<br />
kofferdeksel, enz. vaker worden gereinigd<br />
en gesmeerd.<br />
Als u smeermiddelen of vloeistoffen<br />
heeft moeten gebruiken (in een noodsituatie)<br />
met an<strong>der</strong>e specificaties dan<br />
die door de fabrikant worden voorgeschreven<br />
(zie de tabel “Specificaties <strong>van</strong><br />
de smeermiddelen en vloeistoffen” in<br />
het hoofdstuk “Technische gegevens”),<br />
dan moeten de vloeistoffen en de filters<br />
<strong>van</strong> het betreffende circuit zo snel mogelijk<br />
ver<strong>van</strong>gen worden.<br />
BELANGRIJK - Rubber slangen<br />
Houd voor de rubber slangen <strong>van</strong> het<br />
remsysteem, de stuurbekrachtiging en het<br />
brandstofsysteem zeer nauwkeurig de<br />
voorschriften aan <strong>van</strong> het “Geprogrammeerd<br />
on<strong>der</strong>houdsschema”.
NIVEAUS CONTROLEREN, BIJVULLEN EN VERVERSEN<br />
k<br />
1) motorolie<br />
w<br />
2) accu<br />
π<br />
3) remvloeistof<br />
fig. 1<br />
Uitvoeringen 1.6 T. SPARK, 1.8 T.SPARK en 2.0 T.SPARK<br />
P4U00203<br />
+<br />
4) ruitensproeiervloeistof<br />
n<br />
5) koelvloeistof<br />
∂<br />
6) olie <strong>van</strong> de<br />
stuurbekrachtiging<br />
189
190<br />
k<br />
1) motorolie<br />
w<br />
2) accu<br />
π<br />
3) remvloeistof<br />
fig. 2<br />
Uitvoering 2.5 V6 24V<br />
P4U00204<br />
+<br />
4) ruitensproeiervloeistof<br />
n<br />
5) koelvloeistof<br />
∂<br />
6) olie <strong>van</strong> de<br />
stuurbekrachtiging
k<br />
1) motorolie<br />
w<br />
2) accu<br />
π<br />
3) remvloeistof<br />
fig. 3<br />
Uitvoering 1.9 JTD<br />
P4U00424<br />
+<br />
4) ruitensproeiervloeistof<br />
n<br />
5) koelvloeistof<br />
∂<br />
6) olie <strong>van</strong> de<br />
stuurbekrachtiging<br />
191
192<br />
k<br />
1) motorolie<br />
w<br />
2) accu<br />
π<br />
3) remvloeistof<br />
fig. 4<br />
Uitvoering 2.4 JTD<br />
P4U00425<br />
+<br />
4) ruitensproeiervloeistof<br />
n<br />
5) koelvloeistof<br />
∂<br />
6) olie <strong>van</strong> de<br />
stuurbekrachtiging
BESCHERMPLAAT MOTOR<br />
(fig. 5)<br />
De auto is uitgerust met een beschermplaat<br />
on<strong>der</strong> de motor.<br />
BELANGRIJK De beschrijving voor<br />
het verwij<strong>der</strong>en <strong>van</strong> de beschermplaat<br />
dient slechts ter informatie. Wij raden u<br />
aan deze werkzaamheden door de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer te laten uitvoeren.<br />
Bij het verversen <strong>van</strong> de motorolie en<br />
het oliefilter, en het controleren en verversen<br />
<strong>van</strong> de versnellingsbak-/differentieelolie,<br />
moet de bescherming worden verwij<strong>der</strong>d.<br />
Ga als volgt te werk:<br />
– Draai de schroeven (A) los en verwij<strong>der</strong><br />
de bescherming.<br />
fig. 5<br />
P4U00207<br />
MOTOROLIEPEIL<br />
CONTROLEREN<br />
Fig. 6: uitvoeringen T.SPARK<br />
Fig. 7: uitvoering 2.5 V6 24V<br />
Fig. 8: uitvoeringen JTD<br />
Controleer het oliepeil als de auto op een<br />
vlakke on<strong>der</strong>grond staat en enige minuten<br />
(circa 5) na het uitzetten <strong>van</strong> de motor.<br />
fig. 6 - uitvoering T.SPARK<br />
Verwij<strong>der</strong> de oliepeilstok (A) en maak<br />
de peilstok schoon. Plaats de peilstok geheel<br />
terug, verwij<strong>der</strong> de peilstok en controleer<br />
of het niveau tussen het MIN- en<br />
MAX-merkteken op de peilstok staat.<br />
Het verschil tussen het MIN- en MAXmerkteken<br />
komt overeen met ongeveer<br />
1 liter olie.<br />
BELANGRIJK De motor <strong>van</strong> een<br />
nieuwe auto moet nog worden ingereden.<br />
Dit betekent dat het motorolieverbruik<br />
pas na de eerste 5000 ÷ 6000 km<br />
stabiliseert.<br />
Het motorolieverbruik hangt af <strong>van</strong> de<br />
rijstijl en de gebruiksomstandigheden <strong>van</strong><br />
de auto.<br />
fig. 7 - uitvoering 2.5 V6 24V fig. 8 - uitvoering JTD<br />
P4U00208<br />
P4U00209<br />
P4U00426<br />
193
Wees voorzichtig als u<br />
werkzaamheden in de<br />
motorruimte moet verrichten<br />
en de motor nog warm is,<br />
zodat brandwonden worden<br />
voorkomen.<br />
MOTOROLIE BIJVULLEN<br />
Fig. 9: uitvoeringen T.SPARK<br />
Fig. 10: uitvoering 2.5 V6 24V<br />
Fig. 11: uitvoering 1.9 JTD<br />
Fig. 12: uitvoering 2.4 JTD<br />
Als het olieniveau dicht bij het MINmerkteken<br />
staat, moet, na het verwij<strong>der</strong>en<br />
<strong>van</strong> dop (B), via de olievulopening<br />
motorolie tot aan het MAX-merkteken<br />
worden bijgevuld.<br />
fig. 9 - uitvoering T.SPARK<br />
194<br />
P4U00211<br />
Tijdens het bijvullen <strong>van</strong> de motorolie<br />
mag nooit het MAX-niveau worden overschrijden.<br />
BELANGRIJK Na het bijvullen <strong>van</strong> de<br />
olie de motor enkele seconden laten<br />
draaien, vervolgens de motor uitzetten en<br />
na enige minuten (ongeveer 5) het oliepeil<br />
controleren.<br />
Onthoud dat bij een<br />
warme motor de elektroventilateur,afhankelijk<br />
<strong>van</strong> de temperatuur <strong>van</strong> de<br />
motorkoelvloeistof, automatisch<br />
kan inschakelen en verwondingen<br />
kan veroorzaken.<br />
fig. 10 - uitvoering 2.5 V6 24V<br />
P4U00212<br />
Vul nooit motorolie bij<br />
met an<strong>der</strong>e specificaties<br />
(klasse, viscositeit) dan<br />
de olie waarmee de motor is gevuld.<br />
fig. 11 - uitvoering 1.9 JTD<br />
fig. 12 - uitvoering 2.4 JTD<br />
P4U00428<br />
P4U00427
Tijdens het bijvullen of<br />
verversen <strong>van</strong> de motorolie<br />
mag nooit het MAXniveau<br />
worden overschreden. Als<br />
het motoroliepeil te hoog is, kan<br />
de olie worden aangezogen via<br />
het blow-by circuit. Bij de JTD-uitvoeringen<br />
kan hierdoor het motortoerental<br />
oncontroleerbaar oplopen<br />
(zelfs als het gaspedaal<br />
wordt losgelaten en de contactsleutel<br />
in stand STOP wordt gedraaid)<br />
en schade aan de motor<br />
veroorzaken, waardoor de motor<br />
kan vastlopen en er brand kan<br />
ontstaan.<br />
fig. 13 - uitvoering T.SPARK<br />
P4U00215<br />
MOTOROLIE VERVERSEN<br />
Fig. 13: uitvoeringen T.SPARK<br />
Fig. 14: uitvoering 2.5 V6 24V<br />
Fig. 15: uitvoering 1.9 JTD<br />
Fig. 16: uitvoering 2.4 JTD<br />
De frequentie waarmee de motorolie<br />
moet worden ververst, is afhankelijk <strong>van</strong><br />
het aantal afgelegde kilometers, de ver-<br />
fig. 14 - uitvoering 2.5 V6 24V<br />
fig. 15 - uitvoering 1.9 JTD<br />
P4U00216<br />
P4U00217<br />
streken tijd na de laatste verversing en de<br />
gebruiksomstandigheden <strong>van</strong> de auto.<br />
De motorolie moet bij een warme motor<br />
worden afgetapt om het uitstromen <strong>van</strong><br />
de afgewerkte olie te vergemakkelijken.<br />
Ga als volgt te werk:<br />
– Zorg dat de auto op een vlakke on<strong>der</strong>grond<br />
staat, de handrem is aangetrokken,<br />
de motor is afgezet en nog warm is.<br />
–Verwij<strong>der</strong> de beschermplaat.<br />
– Plaats een geschikte op<strong>van</strong>gbak<br />
on<strong>der</strong> de aftapplug on<strong>der</strong> de auto.<br />
–Verwij<strong>der</strong> zowel de olievuldop als de<br />
peilstok om het aftappen te vergemakkelijken.<br />
– Draai de aftapplug (A) on<strong>der</strong> op de<br />
oliepan los en tap de olie volledig af.<br />
– Ver<strong>van</strong>g het oliefilter (zie volgende<br />
paragraaf).<br />
fig. 16 - uitvoering 2.4 JTD<br />
P4U00218<br />
195
– Reinig de aftapplug en monteer de<br />
plug.<br />
– Giet nieuwe olie in de vulopening<br />
(zie voor het type olie en de hoeveelheid<br />
de tabel “Specificaties <strong>van</strong> de smeermiddelen<br />
en vloeistoffen” in het hoofdstuk<br />
“Technische gegevens”).<br />
– Sluit de vuldop.<br />
– Start de motor en laat de motor 10-<br />
15 seconden stationair draaien. Zet de<br />
motor af en controleer na ongeveer 15<br />
minuten het motoroliepeil, zodat de olie<br />
in de oliepan heeft kunnen terugstromen.<br />
– Maak de peilstok schoon en controleer<br />
of het oliepeil niet boven het MAXmerkteken<br />
staat.<br />
– Steek de peilstok geheel in de opening.<br />
– Controleer de aftapplug en het oliefilter<br />
op lekkage.<br />
– Monteer de beschermplaat.<br />
196<br />
Verwij<strong>der</strong> de aftapplug<br />
voorzichtig; de olie<br />
kan zeer warm zijn.<br />
BELANGRIJK<br />
Vanwege de toegevoegde reinigingsmiddelen,<br />
kan de nieuwe olie al na een korte<br />
tijd een donkere kleur krijgen. Dit is een<br />
normaal verschijnsel en het is dus niet nodig<br />
om de olie vaker te verversen dan is<br />
voorgeschreven. Wanneer de olieproducten<br />
<strong>van</strong> de aanbevolen merken (zie de tabel<br />
“Specificaties <strong>van</strong> de smeermiddelen<br />
en vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische<br />
gegevens”) niet verkrijgbaar zijn,<br />
dan kunt u producten <strong>van</strong> an<strong>der</strong>e merken<br />
gebruiken, mist ze de voorgeschreven<br />
classificatie en viscositeit hebben.<br />
In dat geval is het raadzaam de motorolie<br />
en het oliefilter na 10.000 km te ver<strong>van</strong>gen<br />
Dankzij de on<strong>der</strong>zoeks- en ontwikkelingsprogramma’s<br />
<strong>van</strong> de smeermiddelenfabrikanten<br />
en de voortdurende technologische<br />
verbeteringen, kunnen er nieuwe handelsnamen<br />
ontstaan die afwijken <strong>van</strong> de namen<br />
die vermeld staan in de tabel “Specificaties<br />
<strong>van</strong> de smeermiddelen en vloeistoffen”.<br />
Raadpleeg in geval <strong>van</strong> twijfel de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer. In ie<strong>der</strong> geval moeten<br />
de gebruikte smeermiddelen altijd voldoen<br />
aan de voorgeschreven specificaties.<br />
Houdt u bij het verwerken <strong>van</strong> afgewerkte<br />
olie aan de geldende voorschriften.<br />
MOTOROLIEFILTER<br />
VERVANGEN<br />
Fig. 17: uitvoeringen T.SPARK<br />
Fig. 18: uitvoering 2.5 V6 24V<br />
Fig. 19: uitvoeringen JTD<br />
Afgetapte motorolie en<br />
gebruikte oliefilters bevatten<br />
stoffen die<br />
schadelijk zijn voor het milieu.<br />
Het is raadzaam om het verversen<br />
<strong>van</strong> de motorolie en het ver<strong>van</strong>gen<br />
<strong>van</strong> het oliefilter door de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te laten uitvoeren.<br />
De dealer beschikt over<br />
de uitrusting voor het op milieuvriendelijke<br />
wijze en conform de<br />
wettelijke bepalingen verwerken<br />
<strong>van</strong> afgewerkte olie en oliefilters.
Ga voor het ver<strong>van</strong>gen <strong>van</strong> het oliefilter<br />
als volgt te werk:<br />
– Verwij<strong>der</strong> de beschermplaat.<br />
– Bij de uitvoering 2.5 V6 24V moeten<br />
ook de bevestigingsschroeven <strong>van</strong> beugel<br />
(B-fig. 18) worden losgedraaid en de<br />
slangen <strong>van</strong> de stuurbekrachtiging iets<br />
worden verplaatst.<br />
– Draai het filterelement (A) met een<br />
passende sleutel los en verwij<strong>der</strong> het.<br />
–Smeer de afdichtring <strong>van</strong> het nieuwe<br />
filter in met motorolie.<br />
– Schroef het nieuwe filter met de<br />
hand op het cilin<strong>der</strong>blok vast.<br />
– Monteer de beschermplaat.<br />
fig. 17 - uitvoering T.SPARK<br />
P4U00219<br />
BELANGRIJK Het oliefilter moet bij<br />
elke verversing <strong>van</strong> de motorolie worden<br />
ver<strong>van</strong>gen.<br />
fig. 18 - uitvoering 2.5 V6 24V<br />
P4U00220<br />
VERSNELLINGSBAK-/<br />
DIFFERENTIEELOLIE<br />
CONTROLEREN EN VERVERSEN<br />
BELANGRIJK De beschrijving <strong>van</strong> de<br />
procedure voor het controleren <strong>van</strong> het<br />
oliepeil en het verversen <strong>van</strong> de versnellingsbak-/differentieelolie<br />
dient slechts<br />
ter informatie. Wij raden u aan deze<br />
werkzaamheden door de <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
te laten uitvoeren.<br />
Het oliepeil moet op een vlakke on<strong>der</strong>grond<br />
en bij een auto met stilstaande en<br />
koude motor worden gecontroleerd.<br />
fig. 19 - uitvoering JTD<br />
P4U00221<br />
197
Ga, afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering, als<br />
volgt te werk:<br />
Uitvoeringen T.SPARK (fig. 20)<br />
Voer voor het controleren <strong>van</strong> het oliepeil<br />
de volgende werkzaamheden uit:<br />
–Verwij<strong>der</strong> de beschermplaat.<br />
– Verwij<strong>der</strong> de vuldop (A) om het<br />
oliepeil in het versnellingsbakhuis te controleren;<br />
het oliepeil moet tot aan de on<strong>der</strong>rand<br />
<strong>van</strong> de opening reiken.<br />
Ga voor het verversen <strong>van</strong> de olie (bij<br />
een warme versnellingsbak en differentieel)<br />
als volgt te werk:<br />
–Plaats een geschikte op<strong>van</strong>gbak on<strong>der</strong><br />
de aftapplug (B) on<strong>der</strong> de auto.<br />
198<br />
– Verwij<strong>der</strong> zowel de vuldop (A) als<br />
de aftapplug (B) en tap de olie volledig<br />
af.<br />
– Maak de aftapplug (B) schoon en<br />
schroef hem vast.<br />
– Giet nieuwe olie in de vulopening<br />
(A) (zie voor het type olie en de hoeveelheid<br />
de tabel “Specificaties <strong>van</strong> de smeermiddelen<br />
en vloeistoffen” in het hoofdstuk<br />
“Technische gegevens”).<br />
fig. 20 - uitvoering T.SPARK<br />
P4U00222<br />
– Controleer of het oliepeil tot aan de<br />
on<strong>der</strong>rand <strong>van</strong> de opening reikt. Plaats de<br />
vuldop en schroef hem vast.<br />
– Monteer de beschermplaat.<br />
Uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD<br />
(fig. 21)<br />
Voer voor het controleren <strong>van</strong> het oliepeil<br />
de volgende werkzaamheden uit:<br />
– Trek de peilstok (A) uit en maak<br />
hem schoon.<br />
– Steek de peilstok volledig in de<br />
buis, trek hem uit en controleer of het<br />
oliepeil op het merkteken op de peilstok<br />
staat.<br />
– Steek tenslotte de peilstok weer volledig<br />
in de buis.
Ga voor het verversen <strong>van</strong> de olie (bij<br />
een warme versnellingsbak en differentieel)<br />
als volgt te werk:<br />
–Verwij<strong>der</strong> de beschermplaat.<br />
fig. 21 - uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD<br />
P4U00223<br />
–Plaats een geschikte op<strong>van</strong>gbak on<strong>der</strong><br />
de aftapplug (B) on<strong>der</strong> de auto.<br />
– Verwij<strong>der</strong> zowel de peilstok(A) en<br />
de aftappluggen voor de versnellingsbakolie<br />
(B) en/of de differentieelolie (C) en<br />
tap de olie volledig af.<br />
– Maak de aftappluggen (B) en/of<br />
(C) schoon en schroef ze vast.<br />
– Giet nieuwe olie in de vulopening<br />
(A) (zie voor het type olie en de hoeveelheid<br />
de tabel “Specificaties <strong>van</strong> de smeermiddelen<br />
en vloeistoffen” in het hoofdstuk<br />
“Technische gegevens”).<br />
– Controleer het oliepeil (zie volgende<br />
paragraaf).<br />
– Monteer de beschermplaat.<br />
199
OLIE SELESPEED<br />
VERSNELLINGSBAK<br />
CONTROLEREN<br />
Het oliepeil <strong>van</strong> de Selespeed versnellingsbak<br />
moet op een vlakke on<strong>der</strong>grond<br />
en bij een auto met stilstaande en koude<br />
motor worden gecontroleerd.<br />
fig. 22<br />
200<br />
MAX<br />
A<br />
P4U00322<br />
Ga als volgt te werk:<br />
– draai de contactsleutel in stand MAR;<br />
– maak de ontluchtingsslang los, verwij<strong>der</strong><br />
de plug (A-fig. 22) en controleer<br />
of het oliepeil nabij het MAX -merkteken<br />
staat op de aan de plug bevestigde<br />
peilstok;<br />
– als het niveau on<strong>der</strong> het MAXmerkteken<br />
staat, vul dan olie bij tot het<br />
juiste niveau is bereikt;<br />
– draai de plug weer vast, monteer de<br />
ontluchtingsslang op de aansluiting op de<br />
plug en draai de contactsleutel in stand<br />
STOP.<br />
Uitsluitend bijvullen<br />
met olie TUTELA CS<br />
SPEED. Vul nooit olie bij<br />
met an<strong>der</strong>e specificaties dan de<br />
olie waarmee het systeem is gevuld.
OLIE AUTOMATISCHE<br />
VERSNELLINGSBAK<br />
Q-SYSTEM CONTROLEREN<br />
Controleer met de selectorhendel in<br />
stand P het oliepeil als de auto op een<br />
vlakke on<strong>der</strong>grond staat, de motor stationair<br />
draait en op bedrijfstemperatuur is.<br />
–Verwij<strong>der</strong> de peilstok (A-fig. 23).<br />
– Reinig de peilstok met een doek die<br />
niet pluist of an<strong>der</strong>e verontreinigingen afgeeft.<br />
– Steek de peilstok geheel in de buis.<br />
–Trek hem uit en lees het oliepeil af.<br />
Het niveau moet tussen het MIN- en<br />
MAX-merkteken staan <strong>van</strong> het gedeelte<br />
met het opschrift COLD (+40 °C) (fig.<br />
23).<br />
fig. 23<br />
MIN<br />
MAX<br />
MIN<br />
MAX<br />
A<br />
P4U00323<br />
BELANGRIJK Na lange ritten met<br />
een zeer warme versnellingsbak/differentieel,<br />
moet het oliepeil tussen het MINen<br />
MAX-merkteken <strong>van</strong> het gedeelte<br />
met het opschrift HOT (+80 °C) (fig.<br />
23) staan.<br />
Wees bij het uitvoeren<br />
<strong>van</strong> werkzaamheden in<br />
de motorruimte extra<br />
voorzichtig als de motor nog<br />
warm is: gevaar voor verbranding.<br />
Onthoud dat bij een warme<br />
motor de elektroventilateur onverwacht<br />
kan inschakelen: kans<br />
op verwonding.<br />
Als het oliepeil dicht bij of on<strong>der</strong> het<br />
MIN-merkteken staat, moet er via de<br />
oliepeilstokbuis olie TUTELA GI/2 worden<br />
bijgevuld<br />
Het oliepeil mag nooit het MAX-merkteken<br />
op de peilstok overschrijden, aan<br />
de zijde met het opschrift COLD, als het<br />
oliepeil bij een koude motor is gecontroleerd<br />
en aan de zijde met het opschrift<br />
HOT als de controle is uitgevoerd bij een<br />
warme versnellingsbak/differentieel.<br />
Vul nooit olie bij met<br />
an<strong>der</strong>e specificaties dan<br />
de olie waarmee de<br />
versnellingsbak is gevuld.<br />
Afgewerkte transmissie-olie<br />
bevat stoffen<br />
die schadelijk zijn voor<br />
het milieu. Het is raadzaam om<br />
het verversen <strong>van</strong> de olie door<br />
de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te laten<br />
uitvoeren. De dealer beschikt<br />
over de uitrusting voor het op<br />
milieuvriendelijke wijze en conform<br />
de wettelijke bepalingen<br />
verwerken <strong>van</strong> afgewerkte olie.<br />
201
KOELVLOEISTOFNIVEAU<br />
CONTROLEREN EN BIJVULLEN<br />
Fig. 24: uitvoeringen T.SPARK en JTD<br />
Fig. 25: uitvoering 2.5 V6 24V<br />
Controleer regelmatig of het koelvloeistofniveau<br />
in het expansiereservoir zich<br />
tussen het MIN- en MAX-merkteken bevindt.<br />
Controleer het niveau bij een koude<br />
motor en als de auto op een vlakke on<strong>der</strong>grond<br />
staat.<br />
Als het niveau te laag is, moet de dop<br />
(A) <strong>van</strong> het expansiereservoir worden<br />
verwij<strong>der</strong>d en de koelvloeistof worden<br />
bijgevuld.<br />
fig. 24 - uitvoeringen T.SPARK en JTD<br />
202<br />
P4U00224<br />
Verwij<strong>der</strong> bij een warme<br />
motor nooit de dop<br />
<strong>van</strong> het expansiereservoir,<br />
om brandwonden te voorkomen.<br />
Het koelsysteem staat<br />
on<strong>der</strong> druk. Ver<strong>van</strong>g de<br />
dop zonodig alleen door<br />
een exemplaar <strong>van</strong> hetzelfde<br />
type, an<strong>der</strong>s kan de werking <strong>van</strong><br />
het systeem in gevaar worden<br />
gebracht.<br />
fig. 25 - uitvoering 2.5 V6 24V<br />
P4U00225<br />
Het anti-vriesmengsel<br />
in het koelsysteem beschermt<br />
tot een temperatuur<br />
<strong>van</strong> -35°C. Gebruik<br />
voor het bijvullen anti-vries PA-<br />
RAFLU FOR ALFA ROMEO. Dit<br />
product is verkrijgbaar bij de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.
OLIEPEIL VAN DE<br />
STUURBEKRACHTIGING<br />
CONTROLEREN<br />
Fig. 26: uitvoeringen T.SPARK<br />
Fig. 27: uitvoeringen 2.5 V6 24V en<br />
JTD<br />
Controleer of de olie <strong>van</strong> de stuurbekrachtiging<br />
nog op het maximale niveau staat.<br />
fig. 26 - uitvoeringen T.SPARK<br />
fig. 27 - uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD<br />
P4U00226<br />
P4U00227<br />
De controle moet worden uitgevoerd als<br />
de auto op een vlakke on<strong>der</strong>grond staat<br />
en bij een stilstaande koude motor.<br />
Controleer of het niveau nabij het<br />
MAX-merkteken op het reservoir staat<br />
of bij het bovenste merkteken (maximum<br />
niveau) op de peilstok.<br />
OLIE VAN DE STUUR-<br />
BEKRACHTIGING BIJVULLEN<br />
Als het olieniveau lager is dan voorgeschreven,<br />
vul dan bij met het voorgeschreven<br />
product uit de tabel “Specificaties<br />
<strong>van</strong> de smeermiddelen en<br />
vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische<br />
gegevens”. Vul als volgt bij:<br />
– Start de motor en wacht tot het<br />
olieniveau in het reservoir stabiliseert.<br />
– Draai bij draaiende motor het stuurwiel<br />
een aantal malen naar uiterst rechts<br />
en uiterst links.<br />
– Vul olie bij, totdat het niveau nabij<br />
het MAX-merkteken staat en monteer de<br />
dop.<br />
BELANGRIJK Wendt u voor on<strong>der</strong>houdswerkzaamheden<br />
of eventuele reparaties<br />
tot een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
Het olieverbruik <strong>van</strong><br />
de stuurbekrachtiging is<br />
zeer laag; als na het bijvullen<br />
de olie binnen korte tijd<br />
weer moet worden bijgevuld,<br />
moet het systeem door een <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer op eventuele lekkage<br />
worden gecontroleerd.<br />
REM-/KOPPELINGSVLOEISTOF<br />
CONTROLEREN EN BIJVULLEN<br />
(fig. 28)<br />
Voorkom dat de olie<br />
<strong>van</strong> de stuurbekrachtiging<br />
in contact komt<br />
met warme delen <strong>van</strong> de motor:<br />
de olie is licht ontvlambaar.<br />
203
Controleer of het vloeistofniveau nog<br />
op het maximum niveau staat. Gebruik<br />
voor het bijvullen of de periodieke verversing<br />
(ie<strong>der</strong>e twee jaar) het voorgeschreven<br />
product uit de tabel “Specificaties<br />
<strong>van</strong> de smeermiddelen en vloeistoffen”<br />
in het hoofdstuk “Technische<br />
gegevens”.<br />
Controleer regelmatig de werking <strong>van</strong> het<br />
waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel:<br />
als u op de dop (B) <strong>van</strong> het reservoir<br />
(A) (met de contactsleutel in stand<br />
MAR) drukt, moet het waarschuwingslampje<br />
x gaan branden.<br />
fig. 28<br />
204<br />
P4U00228<br />
Let op dat u bij het losdraaien<br />
<strong>van</strong> dop (B) niet<br />
de stekkers losmaakt.<br />
Voorkom contact tussen de vloeistof<br />
en de lak. Als vloeistof<br />
wordt gemorst, moet de lak onmiddellijk<br />
met water worden afgespoeld.<br />
Het symbool π op het<br />
reservoir geeft aan dat<br />
synthetische remvloeistof<br />
en geen minerale vloeistof<br />
moet worden gebruikt. Het gebruik<br />
<strong>van</strong> vloeistoffen met an<strong>der</strong>e<br />
specificaties moet absoluut worden<br />
vermeden, omdat de rubbers<br />
in het remsysteem door deze<br />
vloeistoffen kunnen worden beschadigd.<br />
De rem- en koppelingsvloeistof<br />
is giftig en<br />
zeer corrosief. Als per<br />
ongeluk remvloeistof wordt gemorst,<br />
moet de lak onmiddellijk<br />
worden gewassen met water en<br />
zeep en daarna met veel water<br />
worden afgespoeld. Bij inslikken<br />
dient onmiddellijk een arts te<br />
worden geraadpleegd.
RUITEN-/KOPLAMP-<br />
SPROEIERVLOEISTOF CONTRO-<br />
LEREN EN BIJVULLEN<br />
Fig. 29: uitvoeringen T.SPARK en JTD<br />
Fig. 30: uitvoering 2.5 V6 24V<br />
Verwij<strong>der</strong> de dop (A) en controleer<br />
visueel het vloeistofniveau in het reservoir.<br />
Enkele in de handel<br />
verkrijgbare ruitensproeiervloeistoffen<br />
zijn<br />
licht ontvlambaar. In de motorruimte<br />
bevinden zich warme on<strong>der</strong>delen<br />
die bij contact de vloeistof<br />
kunnen doen ontbranden.<br />
P4U00229<br />
Gebruik de ruitensproeiers<br />
niet als het reservoir<br />
leeg is om schade aan de<br />
pompmotor te voorkomen.<br />
Rijd niet met een leeg<br />
ruitensproeierreservoir:<br />
de ruitensproeiers zijn<br />
<strong>van</strong> fundamenteel belang voor<br />
een optimaal zicht.<br />
fig. 29 - uitvoeringen T.SPARK en JTD fig. 30 - uitvoeringen 2.5 V6 24V<br />
P4U00230<br />
BELANGRIJK Gebruik voor het bijvullen<br />
één <strong>van</strong> de in de handel verkrijgbare<br />
speciale reinigingsproducten en<br />
controleer of ze bescherming bieden tegen<br />
kalkaanslag en bevriezing.<br />
Raapleeg bij twijfel de <strong>Alfa</strong> Romeodealer.<br />
Deze kan u de meest geschikte<br />
producten aanbevelen.<br />
205
LUCHTFILTER<br />
Het luchtfilter is verbonden met de systemen<br />
die de luchttemperatuur en<br />
luchthoeveelheid meten. Deze sturen<br />
elektrische signalen naar de regeleenheid,<br />
die noodzakelijk zijn voor een correct<br />
functioneren <strong>van</strong> het inspuitings-/ontstekingssysteem.<br />
Voor de juiste werking <strong>van</strong> de motor,<br />
een laag verbruik en een lage uitstoot<br />
<strong>van</strong> uitlaatgassen, is het daarom noodzakelijk<br />
dat het luchtinlaatsysteem altijd in<br />
perfecte conditie is.<br />
De beschrijving voor<br />
het ver<strong>van</strong>gen <strong>van</strong> het<br />
luchtfilter, dient slechts<br />
ter informatie. Wendt u bij voorkeur<br />
tot een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer<br />
om deze werkzaamheden uit te<br />
laten voeren.<br />
Als het filter niet op de juiste<br />
wijze, zoals hierna is beschreven,<br />
wordt ver<strong>van</strong>gen en als de<br />
voorzorgsmaatregelen niet in<br />
acht worden genomen, dan kan<br />
de veiligheid tijdens het rijden in<br />
gevaar komen.<br />
206<br />
Als veel over stoffige<br />
wegen wordt gereden,<br />
moet het filter vaker<br />
worden ver<strong>van</strong>gen dan in het on<strong>der</strong>houdsschema<br />
staat aangegeven.<br />
Als het filter wordt gereinigd,<br />
kan het beschadigd<br />
worden, waardoor<br />
ernstige schade aan de motor kan<br />
ontstaan.<br />
Ga voor het ver<strong>van</strong>gen <strong>van</strong> het filter als<br />
volgt te werk:<br />
– Verwij<strong>der</strong> de bescherming (A-fig.<br />
31).<br />
fig. 31<br />
P4U00195<br />
– Draai de twee door de pijl aangegeven<br />
bouten los en verplaats aan de zijkant<br />
de relaishou<strong>der</strong> (B-fig. 32).<br />
–Verwij<strong>der</strong>, afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering,<br />
de verbindingsmof als volgt:<br />
Uitvoeringen T.SPARK (fig. 33):<br />
maak de borgingen aan de zijkant (A)<br />
los en verwij<strong>der</strong> de verbindingsmof (B).<br />
fig. 32<br />
fig. 33 - uitvoeringen T.SPARK<br />
P4U00231<br />
P4U00232
Uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD<br />
(fig. 34 en fig. 35): maak de borgingen<br />
aan de zijkant (A) los, verwij<strong>der</strong> de<br />
stekker <strong>van</strong> de luchtkwantummeter (C)<br />
en verwij<strong>der</strong> de verbindingsmof (B).<br />
– Draai de schroeven (A-fig. 36) los<br />
en verwij<strong>der</strong> voorzichtig het deksel (B).<br />
– Verwij<strong>der</strong> het filterelement (A-fig.<br />
37).<br />
fig. 34 - uitvoering 2.5 V6 24V<br />
fig. 35 - uitvoering JTD<br />
P4U00233<br />
P4U00234<br />
– Plaats het nieuwe filterelement,<br />
monteer het deksel, de verbindingsmof<br />
en sluit, bij de uitvoeringen 2.5 V6 24V<br />
en JTD, de stekker aan op de luchtkwantummeter.<br />
fig. 36<br />
fig. 37<br />
P4U00235<br />
P4U00236<br />
DIESELFILTER<br />
(uitvoering JTD)<br />
BELANGRIJK De beschrijving <strong>van</strong> de<br />
procedure voor het aftappen <strong>van</strong> water<br />
en het ver<strong>van</strong>gen <strong>van</strong> het filterelement<br />
dient slechts ter informatie. Laat deze<br />
werkzaamheden door de <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
uitvoeren.<br />
CONDENSWATER AFTAPPEN<br />
(fig. 38)<br />
Als het lampje (indien aanwezig) tijdens<br />
het rijden gaat branden, ook al is dit<br />
slechts af en toe enige seconden, wendt u<br />
dan zo snel mogelijk tot een <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
om het condenswater af te laten<br />
tappen.<br />
Door de aanwezigheid <strong>van</strong> water in het<br />
brandstofsysteem kan het inspuitsysteem<br />
(brandstofpomp, toevoerkleppen, verstuivers)<br />
ernstig beschadigen, waardoor de<br />
motor onregelmatig gaat draaien.<br />
207
Als het condenswater<br />
niet op de juiste wijze<br />
wordt afgetapt en als er<br />
geen voorzorgsmaatregelen zijn<br />
genomen, dan kan de veiligheid<br />
tijdens het rijden in gevaar worden<br />
gebracht en kan er op een gevaarlijke<br />
manier brandstof gaan<br />
lekken.<br />
Ga voor het aftappen als volgt te werk:<br />
– Maak de stekker (A) <strong>van</strong> de sensor<br />
op het dieselfilter los.<br />
– Plaats een plastic buisje (B) op de<br />
opening <strong>van</strong> de filtersensor en steek het<br />
an<strong>der</strong>e uiteinde <strong>van</strong> het buisje in een op<strong>van</strong>gbak.<br />
– Draai de sensor (C) iets los zodat het<br />
met diesel vermengde water kan weglopen.<br />
fig. 38 - uitvoeringen JTD<br />
208<br />
P4U00408<br />
– Draai de sensor stevig vast als er uitsluitend<br />
dieselbrandstof zon<strong>der</strong> water uitstroomt.<br />
– Verwij<strong>der</strong> het buisje en sluit de stekker<br />
weer aan.<br />
Verontreinig het milieu<br />
niet met water dat is<br />
vermengd met dieselbrandstof.<br />
FILTERELEMENT VERVANGEN<br />
(fig. 39)<br />
BELANGRIJK Gebruik voor het ver<strong>van</strong>gen<br />
<strong>van</strong> het filterelement een daarvoor<br />
bestemde sleutel.<br />
Ga voor het ver<strong>van</strong>gen <strong>van</strong> het filter als<br />
volgt te werk:<br />
– Maak de stekker <strong>van</strong> de sensor op<br />
het dieselfilter los.<br />
– Verwij<strong>der</strong> met de sleutel het filterelement<br />
(A) <strong>van</strong> steun (B).<br />
– Draai de filtersensor (C) <strong>van</strong> het verwij<strong>der</strong>de<br />
element los en draai de sensor<br />
stevig vast op het nieuwe filterelement.<br />
– Smeer de pakking <strong>van</strong> het element<br />
met motorolie en vul vervolgens het element<br />
met schone dieselbrandstof.<br />
– Draai de element met de hand vast<br />
op de steun en draai het vervolgens<br />
stevig vast met de sleutel.<br />
– Sluit de stekker aan op de filtersensor.<br />
BELANGRIJK Na het ver<strong>van</strong>gen <strong>van</strong><br />
het filterelement of als het brandstofsysteem<br />
geheel leeg is, hoeft het systeem<br />
niet te worden ontlucht. Dit gebeurt automatisch<br />
tijdens het starten <strong>van</strong> de motor.<br />
fig. 39 - uitvoeringen JTD<br />
P4U00407
STOF-/POLLENFILTER<br />
(uitvoeringen met airconditioning)<br />
Het filter filtert de lucht mechanisch en<br />
elektrostatisch als de ruiten zijn gesloten.<br />
Laat het stof-/pollenfilter ten minste één<br />
keer per jaar controleren door de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer,<br />
bij voorkeur aan het begin <strong>van</strong><br />
het zomerseizoen.<br />
Als de auto veel in stadsverkeer of over<br />
stoffige wegen rijdt, moet het pollenfilter<br />
vaker worden gecontroleerd dan in het<br />
on<strong>der</strong>houdsschema staat aangegeven.<br />
BELANGRIJK Een niet tijdig ver<strong>van</strong>gen<br />
filter kan het rendement <strong>van</strong> de<br />
klimaatregeling aanzienlijk beperken.<br />
ACCU<br />
De accu is “on<strong>der</strong>houdsarm”: on<strong>der</strong> normale<br />
gebruiksomstandigheden hoeft het<br />
elektrolyt niet bijgevuld te worden. Controleer<br />
echter regelmatig of het elektrolyt<br />
zich tussen het MIN- en MAX-merkteken<br />
op de accu (fig. 40) bevindt.<br />
Bij bepaalde uitvoeringen kan de accu<br />
voorzien zijn <strong>van</strong> een optische hydrometer<br />
(A-fig. 41) voor de controle <strong>van</strong> het<br />
elektrolytniveau en de acculading. De accu<br />
is “on<strong>der</strong>houdsarm” en uitgerust met een<br />
controlemeter; on<strong>der</strong> normale gebruiksomstandigheden<br />
is het niet nodig gedestilleerd<br />
water bij te vullen. Daarom moet de<br />
Wij raden u aan om de<br />
condens te laten aftappen<br />
bij de <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
omdat deze beschikt over<br />
de uitrusting voor het op milieuvriendelijke<br />
wijze en conform de<br />
wettelijke bepalingen, verwerken<br />
<strong>van</strong> milieuverontreinigende producten.<br />
Als het niveau <strong>van</strong> het<br />
elektrolyt zich on<strong>der</strong> het MINmerkteken<br />
bevindt, dient u zich<br />
tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer te wenden.<br />
juiste werking er<strong>van</strong> regelmatig gecontroleerd<br />
worden m.b.v. de optische controlemeter<br />
op het deksel <strong>van</strong> de accu. De meter<br />
moet een donkere kleur hebben en<br />
een groen middenstuk.<br />
Als de meter daarentegen een hel<strong>der</strong>e<br />
lichte kleur heeft, of donker gekleurd is<br />
zon<strong>der</strong> groen middenstuk, dient u contact<br />
op te nemen met de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer.<br />
fig. 40<br />
fig. 41<br />
B<br />
A<br />
P4U00324<br />
P4U00325<br />
209
Accu’s bevatten zeer<br />
schadelijke stoffen voor<br />
het milieu. Het is raadzaam<br />
om de accu door de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer te laten ver<strong>van</strong>gen.<br />
De dealer beschikt over de<br />
uitrusting voor het op milieuvriendelijke<br />
wijze en conform de<br />
wettelijke bepalingen de accu af<br />
te voeren.<br />
Onoordeelkundige montage<br />
<strong>van</strong> elektrische apparatuur<br />
kan ernstige<br />
schade toebrengen aan de auto.<br />
Als u na aanschaf <strong>van</strong> uw auto accessoires<br />
wilt monteren die constante<br />
voeding nodig hebben (diefstalalarm,<br />
autoradio, mobiele telefoon,<br />
enz.), raden wij u aan contact<br />
op te nemen met de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
Deze kan u de meest geschikte<br />
installaties aanraden en controleren<br />
of het noodzakelijk is een accu<br />
met een grotere capaciteit te monteren.<br />
210<br />
Als u de auto langere<br />
tijd stalt in extreem<br />
koude omstandigheden<br />
moet, om bevriezing te voorkomen,<br />
de accu worden verwij<strong>der</strong>d<br />
en op een verwarmde plaats<br />
worden bewaard.<br />
Bij werkzaamheden<br />
aan de accu of in de<br />
buurt <strong>van</strong> de accu, moet<br />
u uw ogen altijd beschermen met<br />
een speciale bril.<br />
Als de accu wordt gebruikt<br />
met een te laag<br />
elektrolytniveau, wordt<br />
de accu onherstelbaar beschadigd;<br />
de accubak kan barsten<br />
waardoor het accuzuur kan weglekken.<br />
ACCULADING MET OPTISCHE<br />
HYDROMETER CONTROLEREN<br />
De acculading kan kwalitatief gecontroleerd<br />
worden door de kleur <strong>van</strong> de optische<br />
meter te controleren. Zie de volgende<br />
tabel of de sticker (fig. 42) op<br />
de accu bij punt (B-fig. 41).<br />
fig. 42<br />
P4U00326
Hel<strong>der</strong>witte<br />
kleur<br />
Donkere kleur<br />
zon<strong>der</strong> groen<br />
middenstuk<br />
Donkere kleur<br />
met groen middenstuk<br />
ACCU OPLADEN<br />
Elektrolyt<br />
bijvullen<br />
Accu niet voldoende<br />
opgeladen<br />
Niveau elektrolyt<br />
en acculading<br />
voldoende<br />
BELANGRIJK De beschrijving <strong>van</strong> de<br />
procedure voor het opladen <strong>van</strong> de accu<br />
dient slechts ter informatie. Wendt u bij<br />
voorkeur tot een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer om<br />
deze werkzaamheden uit te laten voeren.<br />
We raden u aan de accu langzaam en<br />
met een laag ampèrage gedurende ca.<br />
24 uur op te laden. Als u de accu langer<br />
oplaadt, kan de accu worden beschadigd.<br />
Wendt u tot de <strong>Alfa</strong> Romeodealer<br />
Opladen (wij raden u aan<br />
om u tot de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer<br />
te wenden)<br />
Geen enkele handeling<br />
Ga voor het opladen als volgt te werk:<br />
BELANGRIJK Als de auto is uitgerust<br />
met een diefstalalarm, schakel het alarm<br />
dan uit met de afstandsbediening en stel<br />
het systeem buiten werking door de sleutelschakelaar<br />
in stand “OFF” te draaien<br />
(zie “Diefstalalarm” in het hoofdstuk<br />
“Wegwijs in uw auto”).<br />
– Maak de accuklemmen los <strong>van</strong> de<br />
accupolen.<br />
– Sluit de klemmen <strong>van</strong> de accula<strong>der</strong><br />
aan op de accupolen.<br />
– Schakel het laadapparaat in.<br />
– Aan het einde <strong>van</strong> het opladen: schakel<br />
eerst de accula<strong>der</strong> uit en koppel dan<br />
de accu los.<br />
– Sluit de accuklemmen weer aan op<br />
de accupolen. Let daarbij op de polariteit.<br />
De vloeistof in de accu<br />
is giftig en corrosief.<br />
Voorkom contact met de<br />
huid en de ogen. Het opladen <strong>van</strong><br />
de accu moet worden uitgevoerd in<br />
een goed geventileerde ruimte, ver<br />
verwij<strong>der</strong>d <strong>van</strong> open vuur en<br />
vonkvormende apparaten: branden<br />
ontploffingsgevaar.<br />
211
Probeer een bevroren<br />
accu niet op te laden:<br />
eerst moet de accu ontdooid<br />
worden, an<strong>der</strong>s loopt u het<br />
risico dat de accu ontploft. Als de<br />
accu bevroren is geweest, moet<br />
worden gecontroleerd of de cellen<br />
niet beschadigd zijn (risico op kortsluiting)<br />
en of de bak geen scheuren<br />
vertoont, waardoor de giftige<br />
en corrosieve vloeistof kan weglekken.<br />
BELANGRIJK Een accu die gedurende<br />
langere tijd min<strong>der</strong> dan 50% geladen is,<br />
raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor<br />
loopt de capaciteit en het startvermogen terug.<br />
Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing<br />
(bij temperaturen on<strong>der</strong> -10°C).<br />
Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie<br />
dan “Auto langere tijd stallen” in het hoofdstuk<br />
“Correct gebruik <strong>van</strong> de auto”.<br />
212<br />
PRAKTISCHE TIPS OM DE<br />
LEVENSDUUR VAN DE ACCU TE<br />
VERLENGEN<br />
Houdt u, om snel ontladen <strong>van</strong> de accu<br />
te voorkomen en de levensduur te verlengen,<br />
zorgvuldig aan de volgende aanbevelingen:<br />
– De klemmen moet altijd goed zijn bevestigd.<br />
– Voorkom zoveel mogelijk het gebruik<br />
<strong>van</strong> stroomverbruikers als de motor uit<br />
staat (autoradio, waarschuwingsknipperlichten,<br />
parkeerverlichting, enz.).<br />
– Wanneer u de auto parkeert, controleer<br />
dan of de portieren, de motorkap en<br />
het kofferdeksel goed gesloten zijn. Hiermee<br />
wordt voorkomen dat de interieurverlichting<br />
blijft branden.<br />
– Maak voordat werkzaamheden aan de<br />
elektrische installatie <strong>van</strong> de auto worden uitgevoerd<br />
eerst de minpool <strong>van</strong> de accu los.<br />
–Als u na aanschaf <strong>van</strong> uw auto accessoires<br />
wilt monteren die constante voeding<br />
nodig hebben (diefstalalarm, handsfree<br />
mobiele telefoon, navigatiesysteem<br />
met anti-diefstalsatellietbewaking enz.),<br />
raden wij u aan contact op te nemen met<br />
de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer. Deze kan u de<br />
meest geschikte installaties uit het <strong>Alfa</strong><br />
Romeo Lineacccessori-programma aanraden<br />
en controleren of de elektrische installatie<br />
<strong>van</strong> de auto geschikt is voor het<br />
extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk<br />
is een accu met een grotere capaciteit<br />
te monteren.<br />
Deze stroomverbruikers blijven continu<br />
stroom verbruiken ook bij een uitgenomen<br />
contactsleutel (geparkeerde auto,<br />
motor uitgezet), waardoor de accu geleidelijk<br />
kan ontladen.<br />
Het totale energieverbruik <strong>van</strong> deze<br />
accessoires (standaard en achteraf gemonteerd<br />
accessoires) moet min<strong>der</strong> zijn<br />
dan 0,6 mA x Ah (<strong>van</strong> de accu), zoals in<br />
de volgende tabel staat vermeld:<br />
Accu <strong>van</strong><br />
Maximum stroomverbruik<br />
bij stilstaande motor<br />
50 Ah 30 mA<br />
60 Ah 36 mA<br />
70 Ah 42 mA
Als grote stroomverbruikers, zoals: verwarming<br />
<strong>van</strong> het babyflesje, stofzuiger, mobiele<br />
telefoon, koelbox, enz.), bij uitgezette<br />
motor of als de motor stationair draait <strong>van</strong><br />
voedingsspanning worden voorzien, dan<br />
zal de accu sneller ontladen.<br />
– Als aan boord <strong>van</strong> de auto extra systemen<br />
moeten worden geïnstalleerd,<br />
moet goed op de juiste aansluitingen worden<br />
gelet. Niet correcte elektrische verbindingen<br />
kunnen gevaarlijk zijn, vooral voor<br />
de elementaire elektronische systemen.<br />
– Als de auto langere tijd niet wordt<br />
gebruikt, is het raadzaam de accuklemmen<br />
los te maken <strong>van</strong> de accupolen<br />
(maak eerst de minklem los). Controleer<br />
de acculading als de accu voorzien is <strong>van</strong><br />
een optische hydrometer. Laad de accu<br />
op als de optische hydrometer (A-fig.<br />
41) geen groene kleur heeft (wendt u<br />
bij voorkeur tot een <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer).<br />
Controleer daarna de acculading ie<strong>der</strong>e<br />
drie maanden.<br />
BELANGRIJK Een accu die gedurende<br />
langere tijd min<strong>der</strong> dan 50% geladen<br />
is (de optische hydrometer heeft een donkere<br />
kleur zon<strong>der</strong> groen middenstuk),<br />
raakt de accu door sulfatering beschadigd.<br />
Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen<br />
terug. Ook is de accu dan gevoeliger<br />
voor bevriezing (bij temperaturen<br />
on<strong>der</strong> -10 °C).<br />
– Als de accu zelfs kort wordt gebruikt<br />
met een te laag elektrolytniveau, raakt<br />
de accu beschadigd en kan de accu openbarsten.<br />
ELEKTRONISCHE<br />
REGELEENHEDEN<br />
Bij een normaal gebruik <strong>van</strong> de auto zijn<br />
speciale voorzorgsmaatregelen niet nodig.<br />
Het is echter nodig de volgende aanwijzingen<br />
nauwkeurig op te volgen bij werkzaamheden<br />
aan de elektrische installatie<br />
of bij een noodstart:<br />
– Zet de motor altijd uit voordat de accu<br />
wordt losgekoppeld.<br />
– Koppel de accu altijd los als de accu<br />
moet worden opgeladen.<br />
– Gebruik bij een noodstart altijd een<br />
hulpaccu en geen accula<strong>der</strong>.<br />
– Controleer de aansluiting <strong>van</strong> de polen<br />
en de conditie <strong>van</strong> de verbinding tussen<br />
de accu en de elektrische installatie.<br />
– Neem de stekkers <strong>van</strong> de regeleenheden<br />
nooit los en sluit ze nooit aan als de<br />
contactsleutel in stand MAR staat.–<br />
Controleer de polariteit niet door middel<br />
<strong>van</strong> vonken.<br />
– Neem de stekkers <strong>van</strong> de regeleenheden<br />
los voor het uitvoeren <strong>van</strong> laswerkzaamheden<br />
aan de carrosserie. Verwij<strong>der</strong><br />
zonodig de regeleenheid als deze door de<br />
werkzaamheden te warm kan worden.<br />
213
BOUGIES<br />
Indien de motor onregelmatig loopt,<br />
laat dan de bougies uitsluitend door de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer controleren.<br />
Als aan boord <strong>van</strong> de<br />
auto extra systemen<br />
moeten worden geïnstalleerd,<br />
moet goed op de juiste aansluitingen<br />
worden gelet. Niet correcte<br />
elektrische verbindingen<br />
kunnen gevaarlijk zijn, vooral voor<br />
de elementaire elektronische systemen<br />
(ontsteking, inspuiting,<br />
ABS.). Een niet correcte installatie<br />
<strong>van</strong> een autoradio, diefstalalarm,<br />
mobiele telefoon, enz. kan tot<br />
storingen in de elektronische<br />
regeleenheden leiden en de garantie<br />
in gevaar brengen. Wendt u<br />
voor deze werkzaamheden tot de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer. Het stroomverbruik<br />
<strong>van</strong> na aankoop <strong>van</strong> de<br />
auto gemonteerde accessoires<br />
mag niet hoger zijn dan<br />
20 mA (bij stilstaande motor).<br />
214<br />
WISSERBLADEN (fig. 43)<br />
Maak de wisserbladen regelmatig<br />
schoon en controleer de conditie. Ver<strong>van</strong>g<br />
de wisserbladen als het rubber vervormd<br />
of versleten is:<br />
De bougies moeten bij<br />
de kilometerstanden<br />
worden ver<strong>van</strong>gen die<br />
in het on<strong>der</strong>houdsschema zijn<br />
aangegeven. Gebruik uitsluitend<br />
bougies <strong>van</strong> het voorgeschreven<br />
type (zie tabel “Brandstofsysteem-ontsteking”<br />
in het hoofdstuk<br />
“Technische gegevens”):<br />
Bougies met een afwijkende<br />
warmtegraad kunnen motorstoringen<br />
veroorzaken.<br />
– Til de wisserarm <strong>van</strong> de voorruit en<br />
plaats het wisserblad on<strong>der</strong> een hoek <strong>van</strong><br />
90° ten opzichte <strong>van</strong> de arm.<br />
–Druk op lip (B) <strong>van</strong> de veerklem en<br />
verwij<strong>der</strong> het wisserblad <strong>van</strong> arm (A).<br />
– Als de veerklem uit het gebogen uiteinde<br />
<strong>van</strong> de arm verwij<strong>der</strong>d is, moet het<br />
wisserblad via de opening uit de wisserarm<br />
worden verwij<strong>der</strong>d.<br />
– Plaats de nieuwe wisserarm, waarbij<br />
het gebogen uiteinde <strong>van</strong> de wisserarm<br />
(A) door de opening moet worden gestoken.<br />
– Til het wisserblad omhoog zodat lip<br />
(B) <strong>van</strong> de veerklem geblokkeerd wordt<br />
in het gebogen uiteinde <strong>van</strong> de wisserarm.<br />
– Duw de arm <strong>van</strong> de ruitenwisser omlaag.<br />
fig. 43<br />
P4U00240
BELANGRIJK De vorm <strong>van</strong> de wisserbladen<br />
kan, afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering,<br />
verschillend zijn. Houdt u in ie<strong>der</strong><br />
geval aan de bijgeleverde instructies.<br />
RUITENSPROEIERS<br />
Controleer of de straal <strong>van</strong> de ruitensproeiers<br />
voor en de koplampsproeiers (indien<br />
gemonteerd) goed is afgesteld en<br />
voldoende kracht heeft.<br />
Controleer als de sproeiers niet goed<br />
werken of de ruitensproeiermonden niet<br />
verstopt zijn. Deze kunnen zonodig met<br />
een speld worden doorgeprikt<br />
CARROSSERIE<br />
BESCHERMING TEGEN ATMOS-<br />
FERISCHE INVLOEDEN<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo past constructieve technologische<br />
oplossingen toe om de carrosserie zo<br />
goed mogelijk tegen roest te beschermen.<br />
De belangrijkste oorzaken <strong>van</strong> roest zijn:<br />
– Luchtverontreiniging<br />
– Zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid<br />
(gebieden aan zee, warm en<br />
vochtig klimaat).<br />
– Strooizout of gladheidbestrijdingsmiddelen,<br />
waarmee in de winter de wegen<br />
worden bestrooid.<br />
Voor een nog betere bescherming tegen<br />
roest zijn de volgende maatregelen genomen:<br />
– De toepassing <strong>van</strong> aangepaste spuittechnieken<br />
en lakproducten die de auto<br />
de benodigde weerstand tegen roest en<br />
schurende elementen verlenen.<br />
– Het gebruik <strong>van</strong> verzinkte plaatdelen<br />
met een hoge corrosiebestendigheid.<br />
– Het aanbrengen <strong>van</strong> een gespoten<br />
laag op de on<strong>der</strong>zijde, in de wielkuipen, in<br />
de motorruimte en in verschillende holle<br />
ruimtes met daarvoor geschikte producten<br />
die goed aan het metaal hechten en een<br />
hoog beschermend vermogen hebben.<br />
– Het gebruik <strong>van</strong> lakken met een hoge<br />
weerstand tegen atmosferische verontreinigingen.<br />
– Toepassing <strong>van</strong> “open” holle ruimtes<br />
om condensvorming te voorkomen, waardoor<br />
roest <strong>van</strong> binnenuit wordt voorkomen.<br />
De on<strong>der</strong>zijde <strong>van</strong> de carrosserie is voorzien<br />
<strong>van</strong> een speciale beschermlaag.<br />
Indien deze beschermlaag moet worden<br />
hersteld, moeten de uitlaat, de lambdasonde<br />
en de driewegkatalysator beschermd<br />
worden als er wasachtige,<br />
oliehoudende, kunststof en/of ontvlambare<br />
producten worden aangebracht.<br />
Wendt u bij voorkeur tot een <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer om deze werkzaamheden<br />
uit te laten voeren.<br />
TIPS VOOR HET BEHOUD<br />
VAN DE CARROSSERIE<br />
Industriële neerslag of an<strong>der</strong>e vervuiling,<br />
teervlekken, dode insecten, enz.<br />
dienen zo snel mogelijk <strong>van</strong> de lak verwij<strong>der</strong>d<br />
te worden.<br />
215
Parkeer de auto niet on<strong>der</strong> bomen, omdat<br />
de lak door harsdruppels, boomknoppen,<br />
enz. kan beschadigen.<br />
Voorkom dat tijdens het bijvullen olie,<br />
remvloeistof, koelvloeistof, elektrolyt <strong>van</strong><br />
de accu, enz. op de lak terecht komt.<br />
Gebeurt dit toch, dan moet het betreffende<br />
gedeelte <strong>van</strong> de carrosserie onmiddellijk<br />
worden gereinigd en de auto<br />
grondig worden gewassen.<br />
LAK<br />
De lak heeft behalve een esthetische<br />
functie ook een beschermende functie.<br />
Daarom moeten beschadigingen <strong>van</strong> de<br />
laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden<br />
bijgewerkt om roestvorming te voorkomen.<br />
Het normale on<strong>der</strong>houd <strong>van</strong> de auto beperkt<br />
zich tot wassen, waarbij de frequentie<br />
afhankelijk is <strong>van</strong> de omgeving en <strong>van</strong><br />
het gebruik <strong>van</strong> de auto.<br />
Het is beter de auto vaker te wassen bij:<br />
– bij sterke luchtvervuiling;<br />
– het rijden over wegen met strooizout;<br />
216<br />
– het parkeren on<strong>der</strong> bomen waar<br />
harsdruppels <strong>van</strong>af kunnen vallen.<br />
Bij de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer is een complete<br />
lijn producten verkrijgbaar voor het on<strong>der</strong>houd<br />
en het reinigen <strong>van</strong> de auto<br />
(shampoo, was, polish, lakstiften,<br />
vlekkenverwij<strong>der</strong>aar, schoonmaakmiddelen,<br />
enz.).<br />
De eigenschappen <strong>van</strong> deze producten<br />
zijn afgestemd op de lakken, afdichtingen<br />
en sierlijsten <strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong> Romeo’s.<br />
Wij raden u aan deze producten door<br />
het personeel <strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer<br />
te laten aanbrengen: zo wordt het beste resultaat<br />
gegarandeerd en ie<strong>der</strong> mogelijk ongemak<br />
uitgesloten dat de garantie in gevaar<br />
kan brengen.<br />
De juiste wasmethode:<br />
1) Spoel de auto eerst met een waterstraal<br />
on<strong>der</strong> lage druk af.<br />
2) Was de auto met een zachte spons<br />
en een oplossing <strong>van</strong> water en 2-4%<br />
shampoo; spoel daarbij de spons regelmatig<br />
uit.<br />
3) Spoel de auto af met schoon water<br />
en droog de auto met warme lucht of een<br />
schone, zachte zeem.<br />
Schoonmaakmiddelen<br />
verontreinigen het water.<br />
Daarom moet de auto<br />
bij voorkeur worden gewassen<br />
op een plaats waar het afvalwater<br />
direct wordt opge<strong>van</strong>gen en<br />
gezuiverd.<br />
De min<strong>der</strong> zichtbare delen zoals de randen<br />
<strong>van</strong> de portieren, kofferdeksel, motorkap<br />
en de koplampranden mogen niet<br />
vergeten worden, omdat daar water kan<br />
blijven staan.<br />
Het verdient aanbeveling de auto na het<br />
wassen niet onmiddellijk binnen te zetten,<br />
maar de auto nog even buiten te<br />
laten staan, zodat waterresten buiten<br />
kunnen verdampen.<br />
Was de auto nooit als hij lang in de<br />
zon heeft gestaan of als de motorkap<br />
nog warm is: omdat dan de glans <strong>van</strong><br />
de lak kan afnemen.<br />
De kunststof carrosseriedelen kunnen op<br />
dezelfde wijze worden gewassen als de<br />
gespoten carrosseriedelen. Alleen voor<br />
het verwij<strong>der</strong>en <strong>van</strong> hardnekkig vuil,<br />
raden wij u aan speciale producten te gebruiken.
BELANGRIJK Vogeluitwerpselen dienen<br />
zo snel en zo goed mogelijk <strong>van</strong> de<br />
lak verwij<strong>der</strong>d te worden, omdat door de<br />
agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen<br />
Voor een betere bescherming <strong>van</strong> de lak<br />
verdient het aanbeveling de auto regelmatig<br />
in de was te zetten met speciaal<br />
daarvoor bestemde producten (siliconenwas),<br />
die een beschermende laag op de<br />
lak aanbrengen.<br />
RUITEN<br />
Gebruik voor het schoonmaken <strong>van</strong> de<br />
ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel.<br />
Gebruik een schone, zachte<br />
doek om krassen en beschadigingen te<br />
voorkomen.<br />
Let er bij het schoonmaken<br />
<strong>van</strong> de binnenzijde<br />
<strong>van</strong> de achterruit op,<br />
dat de elektrische weerstandsdraden<br />
<strong>van</strong> de achterruitverwarming<br />
niet worden beschadigd. Veeg<br />
voorzichtig in de richting <strong>van</strong> de<br />
draden.<br />
MOTORRUIMTE<br />
Het verdient aanbeveling de motorruimte<br />
na het winterseizoen zorgvuldig te laten<br />
uitspuiten. Laat dit verzorgen door<br />
een gespecialiseerd bedrijf.<br />
Schoonmaakmiddelen<br />
verontreinigen het water.<br />
Daarom moet de<br />
motorruimte bij voorkeur worden<br />
uitgespoten op een plaats waar<br />
het afvalwater direct wordt opge<strong>van</strong>gen<br />
en gezuiverd.<br />
BELANGRIJK Voor het uitspuiten <strong>van</strong><br />
de motorruimte moet de motor koud zijn<br />
en de contactsleutel in stand STOP<br />
staan. Controleer na het reinigen of de<br />
verschillende beschermingen ( rubber<br />
kappen, deksels, enz.) nog op hun plaats<br />
zitten en niet beschadigd zijn.<br />
Voor het uitspuiten<br />
<strong>van</strong> de motorruimte raden<br />
wij het gebruik aan<br />
<strong>van</strong> “FULCRON”. Dit middel is<br />
verkrijgbaar bij de <strong>Alfa</strong> Romeodealer.<br />
Gebruik uitsluitend alkalische<br />
oplossingen zon<strong>der</strong> soda<br />
bij voorkeur met metasilicaat.<br />
Na het uitspuiten <strong>van</strong> de motorruimte,<br />
moet de motorruimte<br />
volgens een speciale methode<br />
grondig worden gespoeld en gedroogd.<br />
In een normale wastunnel<br />
wordt de motorruimte<br />
niet goed genoeg gespoeld.<br />
INTERIEUR<br />
Controleer af en toe of on<strong>der</strong> de vloerbedekking<br />
geen water is blijven staan<br />
(dooiwater <strong>van</strong> sneeuwresten aan schoenen,<br />
lekkende paraplu’s, enz.), waardoor<br />
roestvorming op de bodem veroorzaakt<br />
zou kunnen worden.<br />
217
STOELEN EN STOFFEN<br />
BEKLEDING REINIGEN<br />
– Verwij<strong>der</strong> stof met een zachte borstel.<br />
– Verwij<strong>der</strong> vetvlekken met een speciaal<br />
daarvoor bestemd product. Volg de<br />
bijgeleverde instructies nauwgezet op.<br />
– Voor een nog grondigere reiniging<br />
kunnen de stoelen met een vochtige<br />
spons en een oplossing <strong>van</strong> neutrale zeep<br />
worden afgenomen. Houdt u aan de voorgeschreven<br />
mengverhouding.<br />
MET LEER BEKLEDE STOELEN<br />
SCHOONMAKEN<br />
–Verwij<strong>der</strong> droog vuil met een zeemleer<br />
of een iets vochtige doek, zon<strong>der</strong><br />
hard te drukken<br />
– Dep een vochtige vlek of vet met<br />
een droge en absorberende doek en wrijf<br />
daarbij niet. Behandel de plek vervolgens<br />
met een doek of zeem bevochtigd met<br />
water en een neutrale zeep.<br />
Als de vlek nog niet verwij<strong>der</strong>d is, behandel<br />
de vlek dan met een speciaal<br />
schoonmaakmiddel, waarbij de instructies<br />
op de verpakking strikt moeten worden<br />
opgevolgd.<br />
218<br />
Gebruik nooit alcohol<br />
of producten op basis<br />
<strong>van</strong> alcohol.<br />
Gebruik nooit ontvlambare<br />
producten zoals<br />
petroleum of wasbenzine.<br />
De elektrostatische lading<br />
die tijdens het reinigen door<br />
wrijving, kan brand veroorzaken.<br />
KUNSTSTOF INTERIEURDELEN<br />
Verwij<strong>der</strong>, indien nodig, stof, vuil, enz.<br />
<strong>van</strong> de koplamp- en achterlichtglazen<br />
(en/of <strong>van</strong> de richtingaanwijzers op het<br />
voorspatbord) m.b.v een zachte spons en<br />
een oplossing <strong>van</strong> water en neutrale<br />
zeep.<br />
Gebruik nooit chemische oplosmiddelen<br />
en/of aardolieproducten, zoals benzine,<br />
alcohol, ammonia, aceton, enz. Deze producten<br />
kunnen de on<strong>der</strong>delen beschadigen<br />
en de hel<strong>der</strong>heid doen afnemen,<br />
waardoor de rijveiligheid in gevaar wordt<br />
gebracht.<br />
Gebruik speciale reinigingsmiddelen<br />
voor de kunststof interieurdelen om het<br />
uiterlijk <strong>van</strong> de componenten niet te wijzigen.<br />
Gebruik nooit alcohol<br />
of benzine om het glas<br />
<strong>van</strong> het instrumentenpaneel<br />
schoon te maken.<br />
Bewaar nooit spuitbussen<br />
in de auto. Ontploffingsgevaar.Spuitbussen<br />
mogen niet worden blootgesteld<br />
aan temperaturen boven<br />
50 °C. In de zomer kan de temperatuur<br />
in het interieur ver boven<br />
deze waarde oplopen.
ALFA <strong>156</strong><br />
In dit hoofdstuk vindt u alle informatie die betrekking heeft op de<br />
<strong>Alfa</strong> <strong>156</strong> Sportwagon en die een aanvulling vormt op datgene wat<br />
al beschreven is in de voorgaande hoofdstukken <strong>van</strong> dit boek.<br />
PORTIEREN ...................................................................................................... pag. 220<br />
ZITPLAATSEN ............................................................................................................ 221<br />
VEILIGHEIDSGORDELS .......................................................................................... 222<br />
ACHTERRUITWISSER - ACHTERRUITSPROEIER .............................................. 223<br />
BAGAGERUIMTE ...................................................................................................... 224<br />
INTERIEURUITRUSTING ........................................................................................ 233<br />
TANKEN MET DE ALFA <strong>156</strong> SPORTWAGON .................................................... 233<br />
IMPERIAAL-/SKIDRAGER ..................................................................................... 234<br />
AUTORADIO .............................................................................................................. 234<br />
AUTOMATISCHE NIVEAUREGELING OP DE ACHTERWIELOPHANGING . 234<br />
EEN LEKKE BAND .................................................................................................... 235<br />
DEFECTE BUITENVERLICHTING ........................................................................... 235<br />
DEFECTE INTERIEURVERLICHTING ..................................................................... 238<br />
EEN DOORGEBRANDE ZEKERING OF RELAIS ................................................. 239<br />
219
PORTIEREN<br />
ACHTERPORTIEREN<br />
Van buitenaf openen en sluiten<br />
– Openen: trek, als het knopje aan de<br />
binnenzijde (A-fig. 1) omhoog staat<br />
aan handgreep (B-fig. 2).<br />
fig. 1<br />
fig. 2<br />
220<br />
P4U00253<br />
P4U00254<br />
– Sluiten: druk op knopje (A-fig. 1)<br />
(dit kan ook bij geopend portier) en sluit<br />
het portier.<br />
Van binnenuit openen/sluiten<br />
De achterportieren<br />
kunnen alleen <strong>van</strong> binnenuit<br />
worden geopend,<br />
als het “kin<strong>der</strong>veiligheidsslot” is<br />
uitgeschakeld.<br />
– Openen: trek aan handgreep (A-fig.<br />
3).<br />
– Sluiten: druk op knopje (B-fig. 3)<br />
(dit kan ook bij geopend portier) en sluit<br />
het portier.<br />
fig. 3<br />
P4U00255<br />
KINDERVEILIGHEIDSSLOT (fig. 4)<br />
De achterportieren zijn voorzien <strong>van</strong> een<br />
kin<strong>der</strong>veiligheidsslot (A) waardoor de<br />
achterportieren niet <strong>van</strong> binnenuit kunnen<br />
worden geopend.<br />
BELANGRIJK Het systeem werkt<br />
alleen bij het betreffende portier.<br />
Het kin<strong>der</strong>veiligheidsslot kan alleen bij<br />
geopend portier worden ingeschakeld door<br />
het bedieningsmechanisme met de contactsleutel<br />
omhoog of omlaag te duwen.<br />
Stand 1 (mechanisme omhoog) =<br />
Systeem ingeschakeld.<br />
Stand 2 (mechanisme omlaag) =<br />
Systeem uitgeschakeld.<br />
BELANGRIJK Houdt u aan de aanwijzingen<br />
in de paragraaf “Kin<strong>der</strong>veiligheidsslot”<br />
in het hoofdstuk “Wegwijs in uw Auto”.<br />
fig. 4<br />
P4U00412
ZITPLAATSEN<br />
ZITPLAATSEN ACHTER<br />
Hoofdsteunen<br />
De auto is voorzien <strong>van</strong> twee hoofdsteunen<br />
voor de zijzitplaatsen achter (fig.<br />
5). De auto kan ook zijn uitgerust met<br />
een <strong>der</strong>de hoofdsteun (optional) voor de<br />
middelste zitplaats achter (fig. 6).<br />
Voor de hoogte-verstelling <strong>van</strong> de <strong>der</strong>de<br />
hoofdsteun moet de steun helemaal omhoog<br />
worden geduwd totdat hij blokkeert.<br />
De <strong>der</strong>de (middelste) hoofdsteun kan<br />
niet worden verwij<strong>der</strong>d, terwijl de hoofdsteunen<br />
<strong>van</strong> de zijzitplaatsen achter op<br />
de volgende manier kunnen worden verwij<strong>der</strong>d:<br />
fig. 5<br />
P4U00257<br />
– Trek de hoofdsteunen ongeveer 2 cm<br />
omhoog.<br />
– Druk de knoppen (A en B-fig. 5)<br />
gelijktijdig in en verwij<strong>der</strong> de hoofdsteunen.<br />
– Houd voor het monteren <strong>van</strong> de<br />
hoofdsteunen de knoppen (A en B-fig.<br />
5) ingedrukt en steek de steunen geheel<br />
in de openingen.<br />
Onthoud dat de <strong>der</strong>de<br />
(middelste) hoofdsteun<br />
geheel moet worden<br />
uitgetrokken zodat het hoofd en<br />
niet de nek wordt gesteund. Alleen<br />
in deze positie biedt de<br />
steun bescherming, wanneer de<br />
auto <strong>van</strong> achteren aangereden<br />
wordt.<br />
fig. 6<br />
P4U00336<br />
Centrale armsteun<br />
Klap de armsteun voor gebruik omlaag,<br />
zoals aangegeven (fig. 7) m.b.v. de<br />
handgreep (A).<br />
skiluik<br />
Het skiluik kan worden gebruikt voor<br />
het vervoer <strong>van</strong> lange voorwerpen (bijv.<br />
ski’s).<br />
Om het skiluik te bereiken, moet u de<br />
armsteun neerklappen, aan de handgreep<br />
(A-fig. 8) trekken en het skiluik<br />
op de armsteun (fig. 9) neerklappen.<br />
Op uitvoeringen met een <strong>der</strong>de hoofdsteun,<br />
moet voordat de armsteun wordt<br />
neergeklapt, de hoofdsteun geheel omhoog<br />
worden getrokken en de stoffen bescherming<br />
worden losgemaakt.<br />
fig. 7<br />
P4U00337<br />
221
Het skiluik kan als optional worden uitgerust<br />
met een hoes voor het vervoeren<br />
<strong>van</strong> ski’s.<br />
BELANGRIJK Leg de hoes uit in de<br />
auto en steek dan pas de ski’s in de<br />
hoes. Laat na het vervoeren <strong>van</strong> ski’s de<br />
hoes drogen (als deze nat is), vouw hem<br />
vervolgens op en plaats hem in het skiluik.<br />
fig. 8<br />
fig. 9<br />
222<br />
P4U00338<br />
P4U00339<br />
VEILIGHEIDS-<br />
GORDELS<br />
HOOGTEVERSTELLING<br />
VEILIGHEIDSGORDELS ACHTER<br />
De bovenste bevestigingsbeugel <strong>van</strong> de<br />
zijveiligheidsgordels achter kan in drie<br />
verschillende standen worden gezet.De<br />
hoogte <strong>van</strong> de gordel moet altijd zijn afgestemd<br />
op het postuur <strong>van</strong> de inzittende.<br />
Dankzij deze voorzorgsmaatregel<br />
werkt de gordel beter en is het risico op<br />
verwondingen tijdens een botsing geringer.<br />
De gordel is goed afgesteld als hij over<br />
de schou<strong>der</strong> halverwege tussen nek en<br />
uiteinde <strong>van</strong> de schou<strong>der</strong> ligt.<br />
Druk om de hoogte te regelen op knop<br />
(A-fig. 10) <strong>van</strong> de rolautomaat en<br />
schuif gelijktijdig beugel (B-fig. 10) in<br />
de gewenste stand.<br />
Controleer na het afstellen<br />
altijd of de bevestiging<br />
in één <strong>van</strong> de<br />
vaste posities is geblokkeerd.<br />
Laat de knop (A-fig. 10) los en<br />
duw de beugel naar beneden, zodat<br />
de bevestigingsbeugel blokkeert,<br />
als dit nog niet was gebeurd.<br />
fig. 10<br />
P4U00262
HEUPGORDEL VAN DE<br />
ZITPLAATS MIDDENACHTER<br />
Als de heupgordel <strong>van</strong> de zitplaats middenachter<br />
niet gebruikt wordt, plaats dan<br />
gesp (A-fig. 11) in steun (B-fig. 11)<br />
op de rugleuning <strong>van</strong> de zitplaats achter.<br />
Maak de gesp altijd<br />
vast in de steun als<br />
deze niet gebruikt<br />
wordt, om te voorkomen dat bij<br />
een ongeluk de inzittenden <strong>van</strong><br />
de auto door de gesp geraakt<br />
kunnen worden.<br />
fig. 11<br />
P4U00377<br />
ACHTERRUITWISSER –<br />
ACHTERRUITSPROEIER<br />
WERKING (fig. 12)<br />
Deze werkt alleen als de contactsleutel<br />
in stand MAR staat.<br />
Draai voor inschakeling <strong>van</strong> de achterruitwisser<br />
schakelaar (A) in stand '.<br />
De achterruitwisser wist met interval.<br />
Als u de bedieningshendel (B) naar<br />
voren duwt, schakelt de achterruitsproeier<br />
in; als u de hendel loslaat schakelt hij<br />
automatisch uit.<br />
Als de achterruitsproeier wordt ingeschakeld,<br />
gaat automatisch ook de achterruitwisser<br />
enkele seconden werken.<br />
fig. 12<br />
P4U00263<br />
WISSERBLAD VERVANGEN<br />
(fig. 13)<br />
Het wisserblad <strong>van</strong> de achterruitwisser<br />
moet samen met de wisserarm ver<strong>van</strong>gen<br />
worden.<br />
Ga als volgt te werk:<br />
– Geef de stand <strong>van</strong> het wisserblad ten<br />
opzichte <strong>van</strong> de achterruit aan.<br />
– Til het dopje (A) op, draai de moer<br />
(B) los en verwij<strong>der</strong> de arm (C).<br />
– Plaats de nieuwe wisserarm in de juiste<br />
stand en draai de moer zorgvuldig vast.<br />
– Kantel het dopje dicht.<br />
fig. 13<br />
P4U00264<br />
223
ACHTERRUITSPROEIER (fig. 14)<br />
Als de ruitensproeier niet werkt, controleer<br />
dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje:<br />
zie de betreffende paragraaf<br />
in het hoofdstuk “On<strong>der</strong>houd <strong>van</strong><br />
de auto”. Controleer vervolgens of de<br />
sproeiermonden (A) niet verstopt zijn.<br />
Deze kunnen zonodig met een speld worden<br />
doorgeprikt.<br />
fig. 14<br />
224<br />
P4U00266<br />
BAGAGERUIMTE<br />
De achterklep kan zowel <strong>van</strong> binnenuit<br />
als <strong>van</strong> buitenaf worden geopend.<br />
BELANGRIJK Als de achterklep niet<br />
goed gesloten is, gaat het betreffende<br />
waarschuwingslampje <strong>van</strong> het checkpanel<br />
branden.<br />
VAN BINNENUIT OPENEN<br />
(fig. 15)<br />
Trek aan hendel (A) naast de bestuur<strong>der</strong>sstoel.<br />
Bedien de hendel voor<br />
het ontgrendelen <strong>van</strong> de<br />
achterklep alleen als de<br />
auto stilstaat.<br />
fig. 15<br />
P4U00035<br />
De achterklep gaat dankzij de gasveren<br />
gemakkelijk open.<br />
De gasveren zijn zo<br />
afgesteld dat de achterklep<br />
op de juiste wijze<br />
wordt geopend als de klep het<br />
oorspronkelijke gewicht heeft.<br />
Achteraf aangebrachte voorwerpen<br />
(spoiler, enz.) kunnen de<br />
juiste werking en de veiligheid in<br />
gevaar brengen.<br />
VAN BUITENAF OPENEN MET<br />
DE SLEUTEL (fig. 16)<br />
Draai het embleem (A) in de door de<br />
pijl aangegeven richting, steek de sleutel<br />
(B) in het slot en draai de sleutel linksom.<br />
fig. 16<br />
P4U00414
OPENEN MET AFSTANDS-<br />
BEDIENING (fig. 17)<br />
(indien aanwezig)<br />
De achterklep kan <strong>van</strong> buitenaf worden<br />
geopend met de afstandsbediening door<br />
knopje (A) op de sleutel in te drukken,<br />
ook als het diefstalalarm (indien aanwezig)<br />
is ingeschakeld.<br />
Als bij auto’s met diefstalalarm de<br />
achterklep wordt geopend, dan worden<br />
de omtrekbeveiliging en de achterklepsensor<br />
uitgeschakeld.Het systeem geeft<br />
dan (behalve bij sommige uitvoeringen in<br />
enkele landen) twee geluidssignalen<br />
(“BIEP”) en de richtingaanwijzers gaan<br />
ongeveer 3 seconden branden.<br />
fig. 17<br />
P4U00329<br />
Als de achterklep wordt vergrendeld,<br />
dan wordt de beveiliging hersteld. Het<br />
systeem geeft (behalve bij sommige uitvoeringen<br />
in enkele landen) twee geluidssignalen<br />
(“BIEP”) en de richtingaanwijzers<br />
gaan ongeveer 3 seconden branden.<br />
ACHTERKLEP SLUITEN (fig. 18)<br />
Om de achterklep te laten zakken, kunt<br />
u de handgreep (A) aan de binnenzijde<br />
<strong>van</strong> de klep gebruiken.<br />
fig. 18<br />
P4U00267<br />
BAGAGE VASTZETTEN<br />
(fig. 19-20)<br />
De vervoerde bagage kan met riemen<br />
of spanbanden worden bevestigd aan de<br />
daarvoor bestemde ringen in de hoeken<br />
<strong>van</strong> de bagageruimte.<br />
De ringen dienen ook voor het bevestigen<br />
<strong>van</strong> de bagagenetten (die leverbaar<br />
zijn via de <strong>Alfa</strong> Romeo-dealer).<br />
fig. 19<br />
fig. 20<br />
P4U00268<br />
P4U00269<br />
225
OMKEERBARE VLOERBEDEK-<br />
KING (fig. 21-22)<br />
Het middelste gedeelte (A-fig. 21)<br />
<strong>van</strong> de vloerbedekking is omkeerbaar: de<br />
vloerbedekking kan worden verwij<strong>der</strong>d,<br />
omgekeerd en weer geplaatst worden<br />
met de zijde (B) naar boven gekeerd.<br />
Steek voor het terugplaatsen <strong>van</strong> de<br />
vloerbedekking de voorste rand (A-fig.<br />
22) in de zitting op de laadvloer.<br />
fig. 21<br />
fig. 22<br />
226<br />
P4U00340<br />
P4U00288<br />
VOORZORGSMAATREGELEN<br />
BIJ HET TRANSPORT VAN<br />
BAGAGE<br />
Bij uitvoeringen zon<strong>der</strong> automatische niveauregeling<br />
op de achterwielophanging<br />
moet als u voorwerpen vervoert en u<br />
‘s nachts rijdt, gecontroleerd worden of<br />
de hoogteregelaars op de koplampen in<br />
de juiste stand staan (zie paragraaf “Koplampen”<br />
in dit hoofdstuk). Controleer<br />
voor de juiste werking <strong>van</strong> de hoogteregelaars<br />
bovendien of de lading niet<br />
zwaar<strong>der</strong> is dan in de gewichtentabel<br />
staat aangegeven.<br />
Het maximum laadvermogen<br />
<strong>van</strong> de auto mag<br />
nooit overschreden<br />
worden (zie hoofdstuk “Technische<br />
gegevens”). Controleer bovendien<br />
of de bagageruimte goed<br />
geladen is, om te voorkomen dat<br />
een voorwerp bij bruusk remmen<br />
naar voren schiet en letsel veroorzaakt.<br />
Niet goed vastgezette<br />
bagage kan bij een ongeluk<br />
de passagiers<br />
ernstig verwonden.<br />
Als u reservebrandstof<br />
in een jerrycan wilt vervoeren,<br />
dan dient u zich<br />
aan de geldende wetgeving te<br />
houden. Gebruik alleen een goedgekeurde<br />
jerrycan en bevestig<br />
deze op de juiste wijze aan de<br />
daarvoor bestemde ringen in de<br />
hoeken <strong>van</strong> de bagageruimte.<br />
Toch zal bij een ongeval de kans<br />
op brand groter zijn.<br />
fig. 23<br />
P4U00271
BAGAGERUIMTEVERLICHTING<br />
(fig. 23-24)<br />
Als u de achterklep opent, dan gaat<br />
automatisch de verlichting (A-fig. 23)<br />
aan de rechterzijde <strong>van</strong> de bagageruimte<br />
en de verlichting (B-fig. 24) op de rand<br />
<strong>van</strong> de achterklep branden.<br />
De verlichting (B-fig. 24) verlicht niet<br />
alleen de bagageruimte maar ook de<br />
laadruimte.<br />
De verlichting dooft als u de achterklep<br />
sluit of na enkele minuten (ongeveer 20)<br />
als u de achterklep open laat. Als u in dit<br />
laatste geval de verlichting weer wilt inschakelen,<br />
moet u de achterklep sluiten<br />
en vervolgens weer openen.<br />
fig. 24<br />
P4U00270<br />
OPBERGVAKKEN (fig. 25-26)<br />
Aan de zijkant <strong>van</strong> de bagageruimte bevinden<br />
zich twee opbergvakken met een<br />
deksel.<br />
Druk voor het openen <strong>van</strong> het deksel op<br />
knop (A) en kantel het deksel omlaag.<br />
fig. 25<br />
fig. 26<br />
P4U00273<br />
P4U00272<br />
STEKKERDOOS (fig. 27)<br />
Deze bevindt zich links in de bagageruimte.<br />
Voor het gebruik <strong>van</strong> de 12V-stekkerdoos<br />
moet u dekseltje (A) openen.De stekkerdoos<br />
wordt gevoed als de contactsleutel in<br />
stand MAR wordt gedraaid en kan<br />
alleen gebruikt worden voor accessoires met<br />
een maximum stroomverbruik <strong>van</strong> 15A (vermogen<br />
180W).<br />
Sluit geen accessoires<br />
op de stekkerdoos aan<br />
met een stroomverbruik<br />
dat hoger is dan de aangegeven<br />
maximale waarde. Een langdurig<br />
stroomverbruik kan de accu uitputten,<br />
waardoor de motor niet<br />
meer gestart kan worden.<br />
fig. 27<br />
P4U00274<br />
227
BAGAGENETTEN<br />
(indien aanwezig)<br />
Het net kan op verschillende manieren worden<br />
bevestigd (fig. 31-32-33-34) in de<br />
zittingen (A en B-fig. 28) aan de voorzijde<br />
en de zittingen (C en D-fig. 29) aan<br />
de achterzijde <strong>van</strong> de bagageruimte.<br />
Bevestig het net door de haken (A-fig.<br />
30) in de zittingen (B-fig. 30) te steken<br />
en ze omlaag te duwen.<br />
fig. 28<br />
fig. 29<br />
228<br />
P4U00275<br />
P4U00276<br />
Houd om het net los te haken bevestigingspunt<br />
(C-fig. 30) ingedrukt en<br />
trek het net omhoog.<br />
fig. 30<br />
fig. 31<br />
P4U00341<br />
P4U00342<br />
ROLHOES VOOR AFDEKKEN<br />
BAGAGERUIMTE<br />
De hoes (A-fig. 35) kan worden opgerold<br />
en verwij<strong>der</strong>d.<br />
Verwij<strong>der</strong> voor het oprollen de twee achterste<br />
pennen (B-fig. 36) uit de zittingen.<br />
BELANGRIJK Begeleid de rolhoes bij<br />
het oprollen door de hoes vast te houden<br />
bij de handgreep (C-fig. 35).<br />
fig. 32<br />
fig. 33<br />
P4U00343<br />
P4U00344
Als u de rolhoes wilt verwij<strong>der</strong>en, moet<br />
u de hoes oprollen en controleren of ook<br />
het scheidingsnet tussen de bagageruimte<br />
en het interieur <strong>van</strong> de auto is opgerold<br />
(zie de volgende paragraaf); trek vervolgens<br />
de haken (A-fig. 37) naar achteren.<br />
Til de hoes op en verwij<strong>der</strong> hem uit<br />
de bagageruimte.<br />
fig. 34<br />
fig. 35<br />
P4U00345<br />
P4U00277<br />
Voor het terugplaatsen <strong>van</strong> de hoes<br />
moeten de uiteinden <strong>van</strong> het rolmechanisme<br />
in de respectievelijke zittingen worden<br />
geplaatst. Zorg dat de bevestigingshaken<br />
naar voren vergrendeld zijn (de<br />
groene symbolen aan de on<strong>der</strong>kant <strong>van</strong><br />
de knoppen moeten zichtbaar zijn). Rol<br />
vervolgens de hoes uit door aan de handgreep<br />
(C-fig. 35) te trekken en haak<br />
de achterste pennen (B-fig. 36) vast.<br />
komen.<br />
fig. 36<br />
Plaats geen voorwerpen<br />
op de hoes om beschadiging<br />
te voor-<br />
P4U00278<br />
Bij een ongeval of plotseling<br />
remmen kunnen<br />
voorwerpen die op de<br />
hoes geplaatst zijn, naar voren<br />
schieten en de inzittenden verwonden;<br />
het is raadzaam het<br />
scheidingsnet te gebruiken.<br />
fig. 37<br />
P4U00279<br />
229
BOVENSTE SCHEIDINGSNET<br />
(fig. 38-39)<br />
Het bovenste scheidingsnet tussen de<br />
bagageruimte en het interieur is opgeborgen<br />
in het rolmechanisme <strong>van</strong> de rolhoes<br />
(A).<br />
U kunt het net bevestigen door het uit<br />
het rolmechanisme te verwij<strong>der</strong>en en de<br />
uiteinden in de zittingen (B) vast te haken.<br />
Haak voor het oprollen de uiteinden uit<br />
de zittingen (B) en begeleid het net bij<br />
het oprollen.<br />
fig. 38<br />
230<br />
P4U00280<br />
ONDERSTE SCHEIDINGNET<br />
(fig. 40-41)<br />
(indien aanwezig)<br />
Het on<strong>der</strong>ste scheidingsnet tussen de<br />
bagageruimte en het interieur is opgeborgen<br />
in het rolmechanisme on<strong>der</strong> de zitting<br />
<strong>van</strong> de rolhoes (A).<br />
U kunt het net bevestigen door het uit<br />
het rolmechanisme te verwij<strong>der</strong>en en de<br />
haken (B) aan de ringen (C) te bevestigen.<br />
fig. 39<br />
P4U00281<br />
Verwij<strong>der</strong> voor het oprollen de haken<br />
(B) uit de ringen (C) en begeleid het net<br />
bij het oprollen.<br />
fig. 40<br />
fig. 41<br />
P4U00346<br />
P4U00349
BAGAGERUIMTE VERGROTEN<br />
Het is mogelijk de bagageruimte te vergroten<br />
door de deelbare achterbank gedeeltelijk<br />
(1/3 of 2/3) of geheel neer<br />
te klappen.<br />
Verwij<strong>der</strong> voor een maximale laadruimte<br />
de rolhoes volgens de instructies die in<br />
deze paragraaf vermeld zijn.<br />
Gedeeltelijke vergroting 1/3<br />
(fig. 42)<br />
Als u de linkerzijde <strong>van</strong> de bagageruimte<br />
vergroot, kunt u twee passagiers op het<br />
rechter gedeelte <strong>van</strong> de achterbank vervoeren.<br />
fig. 42<br />
P4U00283<br />
Gedeeltelijke vergroting 2/3<br />
(fig. 43)<br />
Als u de rechterzijde <strong>van</strong> de bagageruimte<br />
vergroot, kunt u een passagier op<br />
het linker gedeelte <strong>van</strong> de achterbank<br />
vervoeren.<br />
fig. 43<br />
P4U00284<br />
Maximale vergroting (fig. 44)<br />
Als beide zitplaatsen achter worden<br />
neergeklapt, is de bagageruimte maximaal<br />
vergroot.<br />
fig. 44<br />
P4U00282<br />
231
Bagageruimte vergroten<br />
– Zorg dat de sluitingen (A-fig. 45)<br />
<strong>van</strong> de zijgordels zijn opgeborgen in de<br />
respectievelijke uitsparingen op de rugleuning<br />
en de gesp (B-fig. 45) <strong>van</strong> de<br />
heupgordel in de steun (C-fig. 45) is<br />
geplaatst.<br />
– Verwij<strong>der</strong> het rolmechanisme <strong>van</strong> de<br />
rolhoes.<br />
– Klap de zittingen naar voren door aan<br />
de handgreep (A-fig. 46) in het midden<br />
<strong>van</strong> ie<strong>der</strong>e zitting te trekken.<br />
– Verwij<strong>der</strong> de hoofdsteunen <strong>van</strong> de zijzitplaatsen<br />
achter en plaats ze in de daarvoor<br />
bestemde uitsparingen in de zittingen<br />
(fig. 47).<br />
– Als de auto is uitgerust met een <strong>der</strong>de<br />
hoofdsteun voor de zitplaats middenachter,<br />
moet deze geheel omlaag worden gezet.<br />
fig. 45<br />
232<br />
P4U00376<br />
– Ontgrendel de sluiting <strong>van</strong> de rugleuningen<br />
door handgreep (A-fig. 48)<br />
voor de rechter rugleuning en handgreep<br />
(B-fig. 49) voor de linker rugleuning<br />
omhoog te trekken.<br />
– Klap de rugleuningen naar voren,<br />
waardoor er een vlakke laadvloer ontstaat<br />
in de bagageruimte.<br />
fig. 46<br />
fig. 47<br />
P4U00260<br />
P4U00286<br />
Zitplaatsen achter in normale<br />
stand zetten<br />
– Zet de rugleuningen weer rechtop en<br />
controleer of deze goed vastgehaakt zitten.<br />
fig. 48<br />
fig. 49<br />
P4U00258<br />
P4U00304
BELANGRIJK De rugleuningen zijn<br />
goed vastgehaakt als knop (A-fig. 50)<br />
naast de handgreep (B-fig. 50) in de<br />
handgreep verzonken is.<br />
– Verwij<strong>der</strong> de hoofdsteunen en klap<br />
vervolgens de zittingen terug en let er<br />
daarbij op dat de veiligheidsgordels niet<br />
in elkaar gedraaid zitten tussen de rugleuning<br />
en de zitting.<br />
– Monteer de hoofdsteunen op de rugleuning.<br />
– Monteer het oprolmechanisme met<br />
de rolhoes.<br />
fig. 50<br />
P4U00287<br />
INTERIEUR-<br />
UITRUSTING<br />
HANDGREPEN (fig. 51)<br />
Bij beide voorportieren is een handgreep<br />
geplaatst.<br />
Bij beide achterportieren is een handgreep<br />
(A) geplaatst met een kledinghaakje<br />
(B).<br />
fig. 51<br />
P4U00112<br />
TANKEN MET DE ALFA<br />
<strong>156</strong> SPORTWAGON<br />
TANKKLEPJE OPENEN IN<br />
GEVAL VAN NOOD (fig. 52)<br />
Als de hendel voor het ontgrendelen <strong>van</strong><br />
het tankklepje niet werkt, trek dan aan<br />
het noodkoordje (A) rechts in de bagageruimte.<br />
fig. 52<br />
P4U00347<br />
233
IMPERIAAL-/<br />
SKIDRAGER (fig. 53)<br />
(indien aanwezig)<br />
De auto kan uitgerust worden met twee<br />
langsdragers waarop verschillende accessoires<br />
geplaatst kunnen worden voor het<br />
vervoer <strong>van</strong> diverse voorwerpen (ski’s,<br />
surfplanken, enz.).<br />
Overschrijd nooit het<br />
maximum draagvermogen<br />
(zie hoofdstuk<br />
“Technische gegevens”).<br />
fig. 53<br />
234<br />
P4U00348<br />
AUTORADIO<br />
HIFI-AUDIOSYSTEEM<br />
(indien aanwezig)<br />
Het hifi-audiosysteem bestaat uit:<br />
– twee woofer-luidsprekers met hoog<br />
uitgangsvermogen en twee tweeter-luidsprekers,<br />
gemonteerd in de voorportieren<br />
– twee midrange-luidsprekers met hoog<br />
uitgangsvermogen, gemonteerd in de<br />
achterportieren<br />
– een subwoofer met hoog uitgangsvermogen,<br />
gemonteerd in de bagageruimte<br />
– storings-on<strong>der</strong>drukkers<br />
– een in de achterspoiler geïntegreerde<br />
antenne met regeleenheid.<br />
AUTOMATISCHE<br />
NIVEAUREGELING<br />
OP DE ACHTERWIEL-<br />
OPHANGING<br />
(indien aanwezig)<br />
In plaats <strong>van</strong> de conventionele schokdempers<br />
zijn bij de auto schokdempers<br />
met hydro-pneumatische niveauregeling<br />
(dankzij een in de schokdemper ingebouwd<br />
actief element) op de achterwielophanging<br />
gemonteerd.<br />
Als de auto beladen is (passagiers, bagage),<br />
zakt de auto achterover en wijzigt<br />
de wielgeometrie afhankelijk <strong>van</strong> de<br />
schokdemper- en veerafstelling. Zodra<br />
de auto wegrijdt, wordt de wielbeweging<br />
als gevolg <strong>van</strong> oneffenheden in het<br />
wegdek door de schokdempers gebruikt<br />
om de carrosserie weer op zijn oorspronkelijke<br />
rijhoogte te brengen. De rijhoogte<br />
is dus niet langer afhankelijk <strong>van</strong> de<br />
beladingsgraad.
De afstand die de schokdempers nodig<br />
hebben om de rijhoogte weer op de voorgeschreven<br />
waarde te brengen is ongeveer<br />
2.000 meter, afhankelijk <strong>van</strong> de<br />
conditie <strong>van</strong> het wegdek.<br />
Het maximum laadvermogen<br />
<strong>van</strong> de auto mag<br />
nooit overschreden<br />
worden (zie hoofdstuk “Technische<br />
gegevens”). De vervoerde<br />
lading en de plaats <strong>van</strong> de lading<br />
hebben invloed op de wegligging<br />
<strong>van</strong> de auto, ook als de rijhoogte<br />
constant wordt gehouden.<br />
fig. 54<br />
P4U00289<br />
EEN LEKKE BAND<br />
PLAATS VAN GEREEDSCHAP EN<br />
RESERVEWIEL (fig. 54-55)<br />
Het gereedschap en het reservewiel<br />
vindt u on<strong>der</strong> de vloerbedekking in de bagageruimte.<br />
Ze zijn bereikbaar nadat de<br />
vloerbedekking is opgetild of verwij<strong>der</strong>d<br />
m.b.v. handgreep (A-fig. 54).<br />
Draai om de gereedschaphou<strong>der</strong> (B) uit<br />
te nemen handgreep (C) los.<br />
Het reservewiel (D) kan worden uitgenomen<br />
als de gereedschaphou<strong>der</strong> is verwij<strong>der</strong>d.<br />
Steek voor het terugplaatsen <strong>van</strong> de<br />
vloerbedekking de voorste rand (A-fig.<br />
55) in de zitting op de laadvloer.<br />
fig. 55<br />
P4U00288<br />
DEFECTE BUITEN-<br />
VERLICHTING<br />
BELANGRIJK Lees voordat u een<br />
gloeilamp ver<strong>van</strong>gt de opmerkingen en<br />
de voorzorgsmaatregelen in het hoofdstuk<br />
“Noodgevallen”.<br />
ACHTERUITRIJLICHTEN EN<br />
MISTACHTERLICHT<br />
Gloeilampen (type B, 21W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Open de achterklep.<br />
– Verwij<strong>der</strong> het deksel (A of B-fig.<br />
56) <strong>van</strong> de betreffende lichtunit aan de<br />
zijkant.<br />
fig. 56<br />
P4U00290<br />
235
– Verwij<strong>der</strong> de lamphou<strong>der</strong> (D-fig.<br />
57) door op de borglippen (E-fig. 57)<br />
te drukken.<br />
– Verwij<strong>der</strong> en ver<strong>van</strong>g de betreffende<br />
lamp (bolvormig met bajonetfitting) door<br />
de lamp iets in te drukken en linksom te<br />
draaien (fig. 58):<br />
(F) gloeilamp voor achteruitrijlicht<br />
(G) gloeilamp voor mistachterlicht.<br />
fig. 57<br />
fig. 58<br />
236<br />
P4U00291<br />
P4U00292<br />
– Monteer de lamphou<strong>der</strong> met behulp<br />
<strong>van</strong> de borglippen (E-fig. 57).<br />
– Plaats het deksel (A of B-fig. 56)<br />
<strong>van</strong>af de buitenzijde en klem het vast.<br />
fig. 59<br />
P4U00293<br />
RICHTINGAANWIJZERS<br />
ACHTER, PARKEERLICHTEN<br />
ACHTER EN REMLICHTEN<br />
Gloeilampen (type B, vermogen richtingaanwijzers<br />
21W, parkeerlichten achter/remlichten<br />
5/21W):<br />
– Open de achterklep.<br />
– Draai de 2 bevestigingsmoeren Afig.<br />
59) los en verwij<strong>der</strong> het beschermdeksel<br />
(B-fig. 59).<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamphou<strong>der</strong> (A-fig.<br />
60) door op de borglippen (B-fig. 60)<br />
te drukken.<br />
fig. 60<br />
P4U00294
– Verwij<strong>der</strong> en ver<strong>van</strong>g de betreffende<br />
lamp (bolvormig met bajonetfitting) door<br />
de lamp iets in te drukken en linksom te<br />
draaien (fig. 61):<br />
(C) gloeilamp voor achterlicht/remlicht<br />
(D) gloeilamp voor richtingaanwijzer<br />
achter.<br />
– Monteer de lamphou<strong>der</strong> met behulp<br />
<strong>van</strong> de borglippen (B-fig. 60).<br />
– Monteer het beschermdeksel (B-fig.<br />
59) met de moeren (A-fig. 59).<br />
fig. 61<br />
P4U00295<br />
KENTEKENPLAATVERLICHTING<br />
Gloeilampen (type A, 5W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Maak de lichtunit los door met de<br />
platte punt <strong>van</strong> een schroevendraaier de<br />
klemveer (A-fig. 62) los te haken. Bescherm<br />
hierbij de punt met een zachte<br />
doek.<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lichtunit (A-fig. 62).<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamphou<strong>der</strong> (C-fig.<br />
63) door hem linksom te draaien en ver<strong>van</strong>g<br />
de geklemde lamp (D-fig. 63).<br />
– Monteer de lamphou<strong>der</strong> (C-fig. 63)<br />
door hem rechtsom te draaien.<br />
– Monteer de lichtunit (B-fig. 62).<br />
Plaats eerst de bevestigingslippen en druk<br />
vervolgens op de veerklem (A-fig. 62).<br />
fig. 62<br />
P4U00296<br />
DERDE REMLICHT<br />
Het <strong>der</strong>de remlicht is in de achterspoiler<br />
geïntegreerd (fig. 64).<br />
Wendt u voor het ver<strong>van</strong>gen tot de <strong>Alfa</strong><br />
Romeo-dealer.<br />
fig. 63<br />
fig. 64<br />
P4U00297<br />
P4U00298<br />
237
DEFECTE INTERIEUR-<br />
VERLICHTING<br />
BELANGRIJK Lees voordat u een<br />
gloeilamp ver<strong>van</strong>gt de opmerkingen en<br />
de voorzorgsmaatregelen in het hoofdstuk<br />
“Noodgevallen”.<br />
fig. 65<br />
fig. 66<br />
238<br />
P4U00299<br />
P4U00300<br />
BAGAGERUIMTEVERLICHTING<br />
Gloeilamp (type C, 10W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Open de achterklep.<br />
– Maak het plafondlampje (A-fig.<br />
65) op het door de pijl aangegeven punt<br />
los.<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamp (B-fig. 66) door<br />
de lamp naar buiten te trekken en uit de<br />
veercontacten los te maken.<br />
– Plaats de nieuwe lamp tussen de<br />
veercontacten.<br />
– Monteer het plafondlampje door eerst<br />
de zijde met de stekker te plaatsen en<br />
vervolgens de an<strong>der</strong>e zijde vast te drukken,<br />
totdat de borglip inklikt.<br />
fig. 67<br />
P4U00301<br />
ACHTERKLEPVERLICHTING<br />
Gloeilamp (type C, 10W) ver<strong>van</strong>gen:<br />
– Open de achterklep.<br />
– Maak de lichtunit (A-fig. 67) met<br />
een platte schroevendraaier op het aangegeven<br />
punt los.<br />
– Verwij<strong>der</strong> de lamp (B-fig. 68) door<br />
de lamp naar buiten te trekken en uit de<br />
veercontacten los te maken.<br />
– Plaats de nieuwe lamp tussen de<br />
veercontacten.<br />
– Monteer de lichtunit en druk deze<br />
vervolgens vast, totdat de borgveer inklikt.<br />
fig. 68<br />
P4U00302
EEN DOORGEBRANDE<br />
ZEKERING OF RELAIS<br />
Een zekering specifiek voor de Sportwagon-uitvoeringen<br />
bevindt zich in de centrale<br />
zekeringenhou<strong>der</strong> naast de zekeringen-<br />
en relaiskast. De zekering is bereikbaar<br />
nadat het beschermpaneel is verwij<strong>der</strong>d.<br />
BELANGRIJK Lees voordat u een zekering<br />
of relais ver<strong>van</strong>gt de opmerkingen<br />
en de voorzorgsmaatregelen in het hoofdstuk<br />
“Noodgevallen”.<br />
fig. 69<br />
P4U00423<br />
Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats<br />
Extra stekkerdoos<br />
in de bagageruimte 9 20A fig. 69<br />
239
Op de volgende pagina’s staan de belangrijkste technische gegevens<br />
<strong>van</strong> de auto.<br />
Voor de “technici” en de “liefhebbers” zullen deze pagina’s waarschijnlijk<br />
de belangrijkste <strong>van</strong> het hele boekje zijn.<br />
Het raadplegen <strong>van</strong> deze pagina’s is noodzakelijk voor de identificatie<br />
<strong>van</strong> belangrijke en nog niet genoemde eigenschappen<br />
<strong>van</strong> uw auto.<br />
TECHNISCHE GEGEVENS<br />
IDENTIFICATIEGEGEVENS ..................................................................... pag. ..242<br />
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN ...................................... ..243<br />
AFMETINGEN ..................................................................................................... ..244<br />
MOTOR ................................................................................................................ ..246<br />
BRANDSTOFSYSTEEM - ONTSTEKING ......................................................... ..247<br />
BAGAGERUIMTE ................................................................................... 248-249<br />
GEWICHTEN .......................................................................................... 248-249<br />
VULLINGSTABEL ................................................................................................ ..250<br />
MOTOROLIEVERBRUIK .................................................................................... ..251<br />
ELEKTRISCHE INSTALLATIE ............................................................................ ..251<br />
BRANDSTOFVERBRUIK ................................................................................... ..252<br />
CO 2-EMISSIE VIA DE UITLAAT ....................................................................... ..254<br />
PRESTATIES ......................................................................................................... ..255<br />
REMMEN ............................................................................................................. ..256<br />
STUURINRICHTING .......................................................................................... ..256<br />
TRANSMISSIE ..................................................................................................... ..257<br />
WIELUITLIJNING................................................................................................ ..257<br />
SPECIFICATIES VAN DE SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN.............. ..258<br />
BANDEN (TUBELESS) ...................................................................................... ..260<br />
241
IDENTIFICATIE-<br />
GEGEVENS<br />
Wij raden u aan om u op de hoogte te<br />
stellen <strong>van</strong> de identificatiegegevens. De<br />
identificatiegegevens zijn ingeslagen of<br />
aangebracht op plaatjes. De gegevens<br />
zijn op de volgende plaatsen aangebracht<br />
(fig. 1-2):<br />
1-Typeplaatje met identificatiegegevens<br />
2-Chassisnummer<br />
3-Plaatje met informatie over de carrosserielak:<br />
– Sedan-uitvoeringen = fig. 1<br />
– Sportwagon-uitvoeringen = fig. 2<br />
4-Motornummer.<br />
fig. 1<br />
242<br />
P4U00241<br />
CHASSISNUMMER<br />
Het chassisnummer is ingeslagen in de<br />
motorruimte, naast de bovenste schokdemperbevestiging<br />
rechts en bevat de<br />
volgende gegevens:<br />
– Identificatiecode <strong>van</strong> het autotype:<br />
ZAR 932000.<br />
– Oplopend productienummer(chassisnummer).<br />
Op enige uitvoeringen is het chassisnummer<br />
gedeeltelijk bedekt door een<br />
bescherming. Om het gehele nummer te<br />
zien, moet de dop linksom worden gedraaid<br />
en de bescherming opgetild.<br />
fig. 2<br />
P4U00303<br />
MOTORNUMMER<br />
Het motornummer is linksachter ingeslagen<br />
aan de kant <strong>van</strong> de versnellingsbak.<br />
PLAATJE MET INFORMATIE<br />
OVER DE CARROSSERIELAK<br />
Op de Sedan-uitvoeringen is het plaatje<br />
aangebracht aan de binnenzijde <strong>van</strong> het<br />
kofferdeksel (3-fig. 1). Bij de Sportwagon-uitvoeringen<br />
is het plaatje rechts<br />
aan de binnenzijde <strong>van</strong> de achterklep aangebracht(3-fig.<br />
2). Het plaatje bevat de<br />
volgende gegevens (fig. 3):<br />
A. Fabrikant <strong>van</strong> de lak.<br />
B. Kleurnaam.<br />
C. Kleurcode.<br />
D. Kleurcode voor bijwerken en overspuiten.<br />
fig. 3<br />
P4U00242
TYPEPLAATJE MET<br />
IDENTIFICATIEGEGEVENS<br />
Het plaatje is aangebracht op de fronttraverse<br />
in de motorruimte (fig. 4).<br />
Het typeplaatje bevat de volgende gegevens:<br />
A. Nummer nationale typegoedkeuring<br />
B. Chassisnummer<br />
C. Maximaal toelaatbare gewichten<br />
volgens de nationale wetgeving<br />
D. Informatie over uitvoering en eventuele<br />
aanvullende gegevens<br />
E. Correctiewaarde voor de uitlaatrookgasmeting<br />
(alleen JTD-uitvoeringen)<br />
F. Ingeslagen fabrikantnaam.<br />
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Motorcode AR32104 AR32205 AR32310 AR32310 AR32405 AR32405 AR37101 839A6000<br />
AR32103 (*)<br />
Code vd carrosserie-uitvoering 932A4100 31 932A3100 30 932A2100 28 932A2101 29 932A1100 26 932A1101 27 932A2B00 41 932A1B00 40<br />
(Sedan-uitvoeringen) 932A4100 32 (*)<br />
Code vd carrosserie-uitvoering 932B4100 38 932B3100 37 932B2100 35 932B2101 36 932B1100 33 932B1101 34 932B2B00 43 932B1B00 42<br />
(Sportwagon-uitvoeringen) 932B4B00 39 (*)<br />
(*) Uitvoering voor bepaalde markten.<br />
fig. 4<br />
P4U00243<br />
243
AFMETINGEN<br />
fig. 5<br />
– De waarden tussen haakjes hebben betrekking op de uitvoeringen 1.6 T.SPARK, 1.8 T.SPARK en 1.9 JTD<br />
– Afmetingen in mm – De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto<br />
– Afhankelijk <strong>van</strong> de uitvoering kan de auto worden uitgerust met een achterspoiler en side-skirts in de kleur <strong>van</strong> de auto.<br />
244<br />
P4U00244
fig. 6<br />
– De waarden tussen haakjes hebben betrekking op de uitvoeringen: 1.6 T.SPARK, 1.8 T.SPARK en 1.9 JTD<br />
– Afmetingen in mm – De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto<br />
P4U00305<br />
245
MOTOR<br />
246<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Plaats Dwars Dwars Dwars Dwars Dwars Dwars Dwars Dwars<br />
voorin voorin voorin voorin voorin voorin voorin voorin<br />
Aantal en opstelling<br />
cilin<strong>der</strong>s 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn 6 in V <strong>van</strong> 60° 6 in V <strong>van</strong> 60° 4 in lijn 5 in lijn<br />
Cyclus Otto Otto Otto Otto Otto Otto Diesel Diesel<br />
Boring 82 mm 82 mm 83 mm 83 mm 88 mm 88 mm 82 mm 82 mm<br />
Slag 75,65 mm 82,7 mm 91 mm 91 mm 68,3 mm 68,3 mm 90,4 mm 90,4 mm<br />
Cilin<strong>der</strong>inhoud 1598 cm 3 1747 cm 3 1970 cm 3 1970 cm 3 2492 cm 3 2492 cm 3 1910 cm 3 2387 cm 3<br />
Max. vermogen<br />
Max. koppel<br />
kW EU 88 103 110 110 141 141 81 103<br />
pk EU 120 140 150 150 192 192 110 140<br />
min -1 6200 6500 6300 6300 6300 6300 4000 4000<br />
Nm EU 146 163 181 181 218 218 275 304<br />
kgm EU 14,9 16,6 18,5 18,5 22,2 22,2 28 31<br />
min -1 4200 3900 3800 3800 5000 5000 2000 1800
BRANDSTOFSYSTEEM - ONTSTEKING<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Brandstofsysteem Elektr. geregelde Elektr. geregelde Elektr. geregelde Elektr. geregelde Elektr. geregelde Elektr. geregelde Directe Directe<br />
inspuiting inspuiting inspuiting inspuiting inspuiting inspuiting BOSCH BOSCH<br />
Multi Point Multi Point Multi Point Multi Point Multi Point Multi Point COMMON RAIL COMMON RAIL<br />
BOSCH BOSCH BOSCH BOSCH BOSCH BOSCH EDC-15C met EDC-15C met<br />
ME7.3.1 EOBD ME7.3.1 EOBD ME7.3.1 EOBD ME7.3.1 EOBD ME3.1 EOBD ME3.1 EOBD turbodrukvulling turbodrukvulling<br />
Stationair toerental<br />
(min -1 ) 850 ± 30 850 ± 30 850 ± 30 850 ± 30 700 ± 30 700 ± 30 850 ± 30 800 ± 30<br />
Bougies NGK PFR6B + NGK PFR6B + NGK PFR6B + NGK PFR6B + NGK R PFR6B NGK R PFR6B – –<br />
(*) NGK PMR7A NGK PMR7A NGK PMR7A NGK PMR7A<br />
[ NGK BKR6EKPA + ][ NGK BKR6EKPA + ][ NGK BKR6EKPA + ][ NGK BKR6EKPA + NGK PMR7A NGK PMR7A NGK PMR7A NGK PMR7A ]<br />
Ver<strong>van</strong>gingsinterval<br />
100.000 km 100.000 km 100.000 km 100.000 km 100.000 km 100.000 km – –<br />
Ontstekingsvolgorde<br />
1-3-4-2 1-3-4-2 1-3-4-2 1-3-4-2 1-4-2-5-3-6 1-4-2-5-3-6 – –<br />
Inspuitvolgorde – – – – – – 1-3-4-2 1-2-4-5-3<br />
(*) Ie<strong>der</strong> cilin<strong>der</strong> heeft twee bougies, één <strong>van</strong> elk type (uitvoeringen T.SPARK)<br />
[ ] Als alternatief<br />
Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties<br />
<strong>van</strong> het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar veroorzaken.<br />
247
BAGAGERUIMTE - SEDAN-UITVOERINGEN<br />
248<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Inhoud (dm 3 ) 378 378 378 378 378 378 378 378<br />
GEWICHTEN - SEDAN-UITVOERINGEN<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Rijklaar gewicht 1265 kg 1265 kg 1285 kg 1285 kg 1355 kg 1385 kg 1305 kg 1385 kg<br />
Max. toelaatbaar<br />
totaalgewicht (*) 1750 kg 1750 kg 1770 kg 1770 kg 1820 kg 1850 kg 1770 kg 1850 kg<br />
Nuttig laadvermogen<br />
inclusief bestuur<strong>der</strong> (**) 520 kg 520 kg 520 kg 520 kg 500 kg 500 kg 500 kg 500 kg<br />
Gewicht <strong>van</strong> de aanhanger 1300 kg 1300 kg 1300 kg 1300 kg 1400 kg 1400 kg 1300 kg 1400 kg<br />
Max. gewicht<br />
op de trekhaak 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg<br />
(*)Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid <strong>van</strong> de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet<br />
worden overschreden.<br />
(**)Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak, enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt.
BAGAGERUIMTE - SPORTWAGON-UITVOERINGEN<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Inhoud (dm 3 ) 360 360 360 360 360 360 360 360<br />
Inhoud met<br />
neergeklapte<br />
rugleuning (dm 3 ) 1180 1180 1180 1180 1180 1180 1180 1180<br />
GEWICHTEN - SPORTWAGON-UITVOERINGEN<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Rijklaar gewicht 1315 kg 1315 kg 1335 kg 1335 kg 1405 kg 1435 kg 1355 kg 1435 kg<br />
Max. toelaatbaar<br />
totaalgewicht (*) 1795 kg 1795 kg 1815 kg 1815 kg 1865 kg 1895 kg 1815 kg 1895 kg<br />
Nuttig laadvermogen<br />
inclusief bestuur<strong>der</strong> (**) 515 kg 515 kg 515 kg 515 kg 495 kg 495 kg 495 kg 495 kg<br />
Gewicht <strong>van</strong> de aanhanger 1300 kg 1300 kg 1300 kg 1300 kg 1400 kg 1400 kg 1300 kg 1400 kg<br />
Max. gewicht<br />
op de trekhaak 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg<br />
(*)Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid <strong>van</strong> de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet<br />
worden overschreden.<br />
(**)Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak, enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt.<br />
249
VULLINGSTABEL<br />
Brandstoftype<br />
Inhoud brandstoftank<br />
(*) De waarden tussen haakjes hebben betrekking op uitvoeringen met koplampsproeiers<br />
250<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Loodvrije superbenzine met octaangetal <strong>van</strong> ten minste 95 R.O.N Diesel<br />
63 liter 63 liter 63 liter 63 liter 63 liter 63 liter 63 liter 63 liter<br />
incl. een reserve <strong>van</strong> 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter<br />
Motorolie:<br />
– hoeveelheid voor<br />
periodieke verversing,<br />
incl. ver<strong>van</strong>ging oliefilter 4,40 liter 4,40 liter 4,40 liter 4,40 liter 5,90 liter 5,90 liter 4,20 liter 5,50 liter<br />
Versnellingsbak-/<br />
differentieelolie 2 liter 2 liter 2 liter 2 liter 2 liter – 2 liter 2 liter<br />
Olie Selespeed – – – 0,6 liter – – – –<br />
Olie autom. versnellingsbak<br />
Q-system – – – – – 3,8 liter – –<br />
Inhoud motorkoelsysteem<br />
6,9 liter 6,9 liter 6,9 liter 6,9 liter 9,2 liter 9,2 liter 6,1 liter 6,8 liter<br />
Inhoud reservoir 2,5 liter 2,5 liter 2,5 liter 2,5 liter 2,5 liter 2,5 liter 2,5 liter 2,5 liter<br />
ruitensproeiervloeistof (5,3 liter) * (5,3 liter) * (5,3 liter) * (5,3 liter) * (5,3 liter) * (5,3 liter) * (5,3 liter) * (5,3 liter) *
MOTOROLIEVERBRUIK<br />
De motor <strong>van</strong> een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste 5000 ÷ 6000 km stabiliseert.<br />
BELANGRIJK Het motorolieverbruik hangt af <strong>van</strong> de rijstijl en de gebruiksomstandigheden <strong>van</strong> de auto.<br />
ELEKTRISCHE INSTALLATIE<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Spanning <strong>van</strong> de<br />
elektr. installatie 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt<br />
Capaciteit accu 50 Ah 50 Ah 60 Ah 60 Ah 70 Ah*** 70 Ah*** 50 Ah 70 Ah<br />
(60 Ah)* (60 Ah)* 60 Ah**<br />
Dynamo 85 A 85 A 100 A 100 A 120 A 120 A 85 A 100 A<br />
(100 A)** (100 A)** (100 A)** (120 A) •<br />
(100 A) •<br />
(*) Voor bepaalde landen/uitvoeringen<br />
(**) Voor uitvoeringen met airconditioning<br />
(***) Vanwege de beschikbare ruimte moet de accu een hoogte hebben <strong>van</strong> 175 mm<br />
( • ) Voor uitvoeringen met hulpverwarming<br />
Modificaties of reparaties aan het elektrische systeem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties<br />
<strong>van</strong> het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar veroorzaken.<br />
251
BRANDSTOFVERBRUIK<br />
Het brandstofverbruik dat in de tabellen is opgenomen, is gemeten<br />
volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is<br />
vastgelegd.<br />
Het brandstofverbruik is gemeten tijdens:<br />
– een stadsrit: opgebouwd uit een koude start gevolgd<br />
door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer;<br />
– een rit buiten de stad: waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd<br />
in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik<br />
<strong>van</strong> de auto buiten de stad wordt gesimuleerd.<br />
De snelheid varieert tussen de 0 en 120 km/h;<br />
– gecombineerd: de waarde <strong>van</strong> de stadsrit telt mee voor<br />
37% en de waarde <strong>van</strong> de rit buiten de stad voor 63%.<br />
252<br />
BELANGRIJK Het soort wegdek, bedrijfsomstandigheden,<br />
verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, algemene conditie<br />
<strong>van</strong> de auto, uitrustingsniveau, lading <strong>van</strong> de auto, imperiaal<br />
op het dak en de aanwezigheid <strong>van</strong> an<strong>der</strong>e accessoires die de<br />
aërodynamica kunnen beïnvloeden kunnen in de praktijk een<br />
brandstofverbruik opleveren, dat afwijkt <strong>van</strong> de resultaten die<br />
tijdens de hierboven beschreven tests zijn bereikt (zie “Kostenbesparing<br />
en beperking <strong>van</strong> de uitstoot <strong>van</strong> schadelijke uitlaatgassen”<br />
in het hoofdstuk “Correct gebruik <strong>van</strong> de auto”).
BRANDSTOFVERBRUIK VOLGENS EU 1999/100-NORMEN (LITER X 100 KM)<br />
SEDAN-UITVOERING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Stadsverkeer 11,4 12,1 12,3 12,3 17,5 17,5 7,8 8,9<br />
Buitenweg 6,4 6,4 6,6 6,6 8,5 8,6 4,7 5,4<br />
Gecombineerd 8,2 8,5 8,7 8,7 11,8 11,9 5,8 6,7<br />
SPORTWAGON-UITVOERING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Stadsverkeer 11,5 12,2 12,6 12,6 17,8 18,1 7,9 9,0<br />
Buitenweg 6,5 6,5 6,9 6,9 8,6 8,8 4,9 5,6<br />
Gecombineerd 8,3 8,6 9,0 9,0 12,0 12,2 6,0 6,8<br />
253
CO2-EMISSIE VIA DE UITLAAT<br />
De CO 2 -emissie via de uitlaat is gemeten op een gemiddeld gecombineerd traject. De maximale waarden zijn in de on<strong>der</strong>staande tabellen<br />
weergegeven.<br />
CO2-EMISSIE VOLGENS EU 1999/100-NORMEN<br />
UITVOERING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
SEDAN Selespeed Q-System<br />
Waarde (g/km) 195 202 207 207 282 283 155 178<br />
UITVOERING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
SPORTWAGON Selespeed Q-System<br />
Waarde (g/km) 198 205 214 214 286 291 160 180<br />
254
PRESTATIES<br />
UITVOERING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
SEDAN Selespeed Q-System<br />
Topsnelheid 200 km/h 208 km/h 214 km/h 214 km/h 230 km/h 227 km/h 191 km/h 205 km/h<br />
Acceleratie<br />
<strong>van</strong> 0-100 km/h 10,5 s 9,4 s 8,8 s 8,8 s 7,3 s 8,5 s 10,3 s 9,4 s<br />
Kilometer met staande start 31,8 s 30,7 s 29,8 s 29,8 s 27,8 s 29,0 s 32,6 s 30,5 s<br />
UITVOERING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
SPORTWAGON Selespeed Q-System<br />
Topsnelheid 200 km/h 208 km/h 214 km/h 214 km/h 230 km/h 227 km/h 191 km/h 205 km/h<br />
Acceleratie<br />
<strong>van</strong> 0-100 km/h 11,0 s 9,7 s 9,0 s 9,0 s 7,4 s 8,5 s 10,7 s 9,8 s<br />
Kilometer met staande start 32,3 s 31,0 s 29,8 s 29,8 s 27,9 s 29,2 s 32,9 s 30,7 s<br />
255
REMMEN<br />
Voetrem<br />
256<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
voor Schijfremmen Schijfremmen Geventileerde Geventileerde Geventileerde Geventileerde Schijfremmen Geventileerde<br />
schijfremmen schijfremmen schijfremmen schijfremmen schijfremmen<br />
achter Schijfremmen Schijfremmen Schijfremmen Schijfremmen Schijfremmen Schijfremmen Schijfremmen Schijfremmen<br />
Antiblokkeersysteem (ABS) met elektronische remdrukverdeling (EBD).<br />
Rembekrachtiger. Waarschuwingslampje versleten remblokken. Milieuvriendelijke remvoeringen.<br />
Handrem Bediend door handremhefboom en werkend op de achterremmen<br />
STUURINRICHTING<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Type Tandheugelstuurhuis.<br />
Hydraulische bekrachtiging met oliereservoir in motorruimte.<br />
Diameter draaicirkel<br />
(tussen stoepranden) 11,1 m 11,1 m 11,1 m 11,1 11,6 m 11,6 11,1 m 11,6 m
TRANSMISSIE<br />
WIELUITLIJNING<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Versnellingsbak Vijf gesynchroniseerde Elektr. geregelde Zes versnellingen Elektr. geregelde Vijf gesynchroniseerde<br />
versnellingen vooruit versn.bak met vijf vooruit en viertrapsautomaat versnellingen vooruit en één<br />
en één versnelling achteruit versnellingen vooruit één versnelling vier versn. vooruit versnelling achteruit<br />
en één achteruit achteruit en één achteruit<br />
Koppeling Enkelvoudige droge plaatkoppeling Enkelvoudige Enkelvoudige Hydraulisch met Enkelvoudige<br />
met hydraulische bediening droge plaatkoppeling droge plaatkoppeling Lock-up droge plaatkoppeling<br />
met elektrohydr. met hydraulische koppeling met hydraulische<br />
bediening bediening bediening<br />
Aandrijving Op voorwielen Op voorwielen Op voorwielen Op voorwielen Op voorwielen Op voorwielen Op voorwielen Op voorwielen<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Voorwielen<br />
– camber –0° 42’ ± 20’ (–1° 9’ ± 20’)*<br />
– caster 3° 55’ ± 30’ (4° 3’ ± 30’)*<br />
– toespoor –2,02 ± 1 mm (–2,05 ± 1 mm)*<br />
Achterwielen<br />
– camber –0° 53’ ± 20’ (–1° 27’ ± 20’)*<br />
– toespoor 3,15 ± 1 mm (3,14 ± 1 mm)*<br />
(*) Specifieke waarden voor uitvoeringen met het als optional leverbare sportpakket.<br />
257
SPECIFICATIES VAN DE SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN<br />
AANBEVOLEN PRODUCTEN EN HUN SPECIFICATIES<br />
258<br />
Gebruik Specificaties <strong>van</strong> de smeermiddelen en vloeistoffen Aanbevolen smeer- Toepassing<br />
voor een correct functioneren <strong>van</strong> de auto middelen en vloeistoffen<br />
Smering voor<br />
benzinemotoren (*)<br />
Smering voor<br />
dieselmotoren<br />
Multigrade motorolie SAE 10W-40 op synthetische basis; voldoet ruimschoots<br />
aan de specificaties ACEA A3 - 96, CCMC G5 en API SJ.<br />
Multigrade motorolie SAE 5W-30 op synthetische basis; voldoet ruimschoots<br />
aan de specificaties ACEA A1 en API SJ.<br />
Aanbevolen voor temperaturen on<strong>der</strong> de –20°C.<br />
Multigrade motorolie SAE 10W-40 op synthetische basis; voldoet ruimschoots<br />
aan de specificaties ACEA B3 en API CD.<br />
Multigrade motorolie SAE 5W-30 op synthetische basis; voldoet ruimschoots<br />
aan de specificaties ACEA B3 en API CF.<br />
Aanbevolen voor temperaturen on<strong>der</strong> de –15°C.<br />
SELENIA 20K<br />
SELENIA<br />
PERFORMER<br />
SELENIA<br />
TURBO DIESEL<br />
SELENIA<br />
WR DIESEL<br />
(*) Bij uitgesproken sportief gebruik <strong>van</strong> de auto wordt de geheel synthetische motorolie SELENIA RACING 10W60 aanbevolen.<br />
BELANGRIJK Smeersystemen nooit bijvullen met olie waar<strong>van</strong> de specificaties afwijken <strong>van</strong> de in het systeem aanwezige olie.<br />
SAE 10W-40<br />
SAE 5W-30 SAE 5W-40<br />
40°<br />
30°<br />
20°<br />
10°<br />
0°<br />
-10°<br />
-20°<br />
-30°<br />
°C<br />
P4U00374
Gebruik Specificaties <strong>van</strong> de smeermiddelen en vloeistoffen Aanbevolen smeer- Toepassing<br />
voor een correct functioneren <strong>van</strong> de auto middelen en vloeistoffen<br />
Olie en vetten voor<br />
krachtoverbrengingen<br />
Remvloeistof<br />
Anti-vries voor radiateur<br />
Toevoeging voor<br />
dieselbrandstof<br />
Vloeistof voor ruitensproeiers<br />
voor/achter en<br />
koplampsproeiers<br />
Synthetische SAE 75W80 EP olie. Voldoet ruimschoots aan de specificaties API<br />
GL-5 en MIL L-2105 D LEV.<br />
Olie voor automatische versnellingsbakken DEXRON II.<br />
Olie voor Selespeed versnellingsbak.<br />
Olie type ATF DEXRON II D LEV, SAE 10W.<br />
Waterafstotend vet op basis <strong>van</strong> lithiumzepen, indringingsgetal:<br />
NLGI=2, bevat molybdeenbisulfide.<br />
Synthetische remvloeistof, NHTSA nr. 116 DOT 4, ISO 4925,<br />
SAE J-1703, CUNA NC 956-01.<br />
Beschermingsmiddel met anti-vries op basis <strong>van</strong> glycol-monoethyleen,<br />
corrosiewerend, CUNA NC 956-16.<br />
Toevoeging voor dieselbrandstof met beschermende werking voor<br />
dieselmotoren (gebruiken bij temperaturen on<strong>der</strong> 0°C).<br />
Mengsel <strong>van</strong> alcohol, water en oppervlakte-actieve stoffen CUNA NC 956-II.<br />
TUTELA CAR<br />
ZC 75 SYNTH<br />
TUTELA GI/2<br />
TUTELA CS SPEED<br />
TUTELA GI/A<br />
TUTELA MRM 2<br />
TUTELA CAR TOP 4<br />
FOR ALFA ROMEO<br />
PARAFLU FOR<br />
ALFA ROMEO<br />
DIESEL MIX<br />
DP1<br />
Mechanische versnellingsbak<br />
en differentieel<br />
Autom. versnellingsbak<br />
Selespeed versnellingsbak<br />
Hydraul. stuurbekrachtiging<br />
Homokinetische koppelingen<br />
Hydraulisch remsysteem en<br />
koppelingbediening<br />
Mengverhouding:50% tot<br />
–35°C<br />
Vermengen met dieselolie<br />
(25 cc per 10 liter)<br />
Onverdund of verdund met<br />
water gebruiken<br />
259
BANDEN (TUBELESS)<br />
260<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Standaarduitrusting<br />
– velgmaat 6J x 15” 6J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6J x 15” 6,5J x 15”<br />
– bandenmaat 185/65 R15” 88H 185/65 R15” 88V 185/65 R15” 88V 185/65 R15” 88V 205/60 R15” 91W 205/60 R15” 91W 185/65 R15” 88H 185/65 R15” 88V<br />
PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000<br />
MICHELIN MICHELIN MICHELIN MICHELIN MICHELIN MICHELIN MICHELIN MICHELIN<br />
ENERGY XH1 ENERGY XV1 ENERGY XV1 ENERGY XV1 HX MXM HX MXM ENERGY XH1 ENERGY XV1<br />
GOOD YEAR EAGLE GOOD YEAR EAGLE GOOD YEAR EAGLE GOOD YEAR EAGLE GOOD YEAR EAGLE GOOD YEAR EAGLE GOOD YEAR EAGLE GOOD YEAR EAGLE<br />
TOURING TOURING TOURING TOURING TOURING TOURING TOURING TOURING<br />
NCT3 E– NCT3 E– NCT3 E– NCT3 E NCT3 4RIV– NCT3 4RIV– NCT3 E– NCT3 E–<br />
FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 – – FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700<br />
Als optional leverbaar<br />
– velgmaat<br />
(lichtmetalen) 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” – – 6,5J x 15” 6,5J x 15”<br />
– bandenmaat 185/65 R15” 88H 185/65 R15” 88V 205/60 R15” 91V 205/60 R15” 91V 185/65 R15” 88H 185/65 R15” 88V<br />
PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000<br />
MICHELIN MICHELIN MICHELIN MICHELIN MICHELIN MICHELIN<br />
ENERGY XH1<br />
GOOD YEAR EAGLE<br />
ENERGY XV1<br />
GOOD YEAR EAGLE<br />
HX MXM<br />
GOOD YEAR EAGLE<br />
HX MXM<br />
GOOD YEAR EAGLE<br />
–<br />
_ ENERGY XH1<br />
GOOD YEAR EAGLE<br />
ENERGY XV1<br />
GOOD YEAR EAGLE<br />
TOURING TOURING TOURING TOURING TOURING TOURING<br />
NCT3 E– NCT3 E– NCT3 4RIV– NCT3 4RIV– NCT3 E– NCT3 E–<br />
FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 – – FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700<br />
– velgmaat 6,5J x 16” 6,5J x 16” 6,5J x 16” 6,5J x 16” 6,5J x 16” 6,5J x 16” 6,5J x 16” 6,5J x 16”<br />
– bandenmaat 205/55 R16” 89H 205/55 R16” 89V 205/55 R16” 89V 205/55 R16” 89V 205/55 R16” 91W 205/55 R16” 91W 205/55 R16” 89H 205/55 R16” 89V<br />
PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000<br />
MICHELIN SX GT MICHELIN SX GT MICHELIN SX GT MICHELIN SX GT MICHELIN SX GT MICHELIN SX GT MICHELIN SX GT MICHELIN SX GT<br />
GOOD YEAR NCT3 GOOD YEAR NCT3 GOOD YEAR NCT3 GOOD YEAR NCT3 GOOD YEAR NCT3 GOOD YEAR NCT3 GOOD YEAR NCT3 GOOD YEAR NCT3<br />
FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Selespeed Q-System<br />
Bandenspanning in koude<br />
toestand in bar (kg/cm2 )<br />
– geringe belading (2 pers.) Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2<br />
Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2<br />
– volbeladen Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5<br />
Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5<br />
Reservewiel<br />
– velgmaat 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15”<br />
– bandenmaat T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M<br />
– bandenspanning in bar (kg/cm2 ) 4,2 4,2 4,2 4,2 4,2 4,2 4,2 4,2<br />
N.B.: De auto’s zijn voorzien <strong>van</strong> tubeless-banden. Zie de aanwijzingen over het gebruik <strong>van</strong> de banden in het algemeen en de specifieke aanbevelingen voor tubelessbanden<br />
in het hoofdstuk “Correct gebruik <strong>van</strong> de auto”. Houdt u bij ver<strong>van</strong>ging <strong>van</strong> de banden aan de oorspronkelijke velg/bandcombinatie.<br />
Let op: Als u langdurig met zeer hoge snelheden gaat rijden, moet de bandenspanning met 0,3 bar worden verhoogd.<br />
In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden.<br />
Op banden met maat 205/55 R16” kunnen geen sneeuwkettingen worden gemonteerd, omdat ze de naafdrager <strong>van</strong> de voorwielophanging raken.<br />
Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk dat u zich aan de voorgeschreven afmetingen houdt en dat alle wielen zijn voorzien <strong>van</strong> banden <strong>van</strong> hetzelfde merk en<br />
hetzelfde type.<br />
261
VERKLARING VAN DE CODERING<br />
OP DE BANDEN<br />
Hieron<strong>der</strong> wordt de co<strong>der</strong>ing <strong>van</strong> de banden, die op de banden<br />
zijn aangebracht, aangegeven en de betekenis <strong>van</strong> de co<strong>der</strong>ing.<br />
De co<strong>der</strong>ing kan één <strong>van</strong> de twee hieron<strong>der</strong> aangegeven vormen<br />
hebben.<br />
205 = Nominale breedte (afstand in mm tussen de flanken).<br />
55 = Hoogte/breedte-verhouding (percentage).<br />
R = Radiaalband.<br />
ZR = Radiaalband voor snelheden boven 240 km/h.<br />
16 = Diameter <strong>van</strong> de velg (in inch).<br />
91 = Beladingsindex (draagvermogen), bijv. 91 = 615 kg. Niet<br />
bij ZR-banden.<br />
W, Z = Snelheidsindex. Bij ZR-banden bevindt snelheidsindex Z<br />
zich voor de R.<br />
262<br />
Bijv:<br />
205/55 R 16 91 W<br />
of<br />
205/55 ZR 16<br />
Draagvermogen<br />
60 = 250 kg 72 = 355 kg 84 = 500 kg 96 = 710 kg<br />
61 = 257 kg 73 = 365 kg 85 = 515 kg 97 = 730 kg<br />
62 = 265 kg 74 = 375 kg 86 = 530 kg 98 = 750 kg<br />
63 = 272 kg 75 = 387 kg 87 = 545 kg 99 = 775 kg<br />
64 = 280 kg 76 = 400 kg 88 = 560 kg 100 = 800 kg<br />
65 = 290 kg 77 = 412 kg 89 = 580 kg 101 = 825 kg<br />
66 = 300 kg 78 = 425 kg 90 = 600 kg 102 = 850 kg<br />
67 = 307 kg 79 = 437 kg 91 = 615 kg 103 = 875 kg<br />
68 = 315 kg 80 = 450 kg 92 = 630 kg 104 = 900 kg<br />
69 = 325 kg 81 = 462 kg 93 = 650 kg 105 = 925 kg<br />
70 = 335 kg 82 = 475 kg 94 = 670 kg 106 = 950 kg<br />
71 = 345 kg 83 = 487 kg 95 = 690 kg<br />
Snelheidsindex<br />
Q = tot 160 km/h. H = tot 210 km/h.<br />
R = tot 170 km/h. V = boven 210 km/h.<br />
S = tot 180 km/h. ZR = boven 240 km/h.<br />
T = tot 190 km/h. W = tot 270 km/h.<br />
U = tot 200 km/h. Y = tot 300 km/h.<br />
Maximale snelheid bij winterbanden<br />
Q M+S = tot 160 km/h.<br />
T M+S = tot 190 km/h.<br />
H M+S = tot 210 km/h.
Voor de <strong>Alfa</strong> <strong>156</strong> zijn specifieke en exclusieve accessoires ontworpen<br />
die goed harmoniëren met de stilistische aspecten <strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong><br />
<strong>156</strong>. Deze accessoires sluiten niet alleen perfect aan bij de vormgeving<br />
<strong>van</strong> de auto maar zijn ook handig en functioneel on<strong>der</strong> alle gebruiksomstandigheden<br />
<strong>van</strong> uw <strong>Alfa</strong> <strong>156</strong>.<br />
Zo heeft <strong>Alfa</strong> Romeo, om het sportieve karakter <strong>van</strong> de <strong>Alfa</strong> <strong>156</strong> te<br />
benadrukken, lichtmetalen velgen, met leer beklede sturen,<br />
pookknoppen en leren stoelbekleding ontworpen die goed passen bij het<br />
design <strong>van</strong> de auto, en waarmee een persoonlijk en sportief accent wordt<br />
aangebracht.<br />
Voor het veilig vervoeren <strong>van</strong> uw kin<strong>der</strong>en is er in het <strong>Alfa</strong> Romeo<br />
Lineaccessori-programma een reeks kin<strong>der</strong>zitjes opgenomen, die voldoen<br />
aan de strengste Europese normen.<br />
U vindt alle leverbare accessoires terug in de speciale catalogus bij uw<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo-dealer, die ook uw eventuele vragen op dit gebied kan<br />
beantwoorden.<br />
Op de volgende pagina’s zijn schema’s en beschrijvingen opgenomen<br />
voor het juist monteren <strong>van</strong> een aantal accessoires. De montage moet altijd<br />
door deskundige personen worden uitgevoerd. <strong>Alfa</strong> Romeo heeft het<br />
personeel <strong>van</strong> de dealer via speciale trainingen voor de <strong>Alfa</strong> <strong>156</strong><br />
opgeleid.<br />
ACCESSOIRES MONTEREN<br />
TREKHAAK ................................................................................................ pag. 264<br />
BEVESTIGINGSPUNTEN ALLESDRAGERS ................................................... 267<br />
263
TREKHAAK<br />
TREKHAAK MONTEREN (fig. 1)<br />
In het on<strong>der</strong>staande schema zijn de bevestigingspunten<br />
voor de trekhaak op de<br />
carrosserie aangegeven.<br />
Deze bevestigingspunten moeten onveran<strong>der</strong>d<br />
blijven, ongeacht de vorm en de<br />
afmetingen <strong>van</strong> de trekhaak. Voor de<br />
mechanische verbinding tussen de trekhaak<br />
en de aanhanger moet gebruik worden<br />
gemaakt <strong>van</strong>:<br />
– een kogeltrekhaak klasse 2, model<br />
“ISO 50” (tab. CUNA NC 138-40;<br />
– een aanhangerkoppeling klasse 2,<br />
model “CUNA 502” (tab. CUNA NC 438-<br />
40).<br />
De trekhaak moet op de punten aangegeven<br />
met Ø bevestigd worden met in<br />
totaal 4 M8-bouten en 7 M10-bouten.<br />
De verstevigingsplaat (2) moet een<br />
minimale dikte hebben <strong>van</strong> 6 mm.<br />
De binnenste verstevigingsplaat (3)<br />
moet een minimale dikte hebben <strong>van</strong><br />
4 mm.<br />
264<br />
De buitenste verstevigingsplaat (5) moet<br />
een minimale dikte hebben <strong>van</strong> 5 mm.<br />
De bevestigingspunten (1) moeten<br />
voorzien zijn <strong>van</strong> vulstukken met een diameter<br />
<strong>van</strong> 25 mm en een dikte <strong>van</strong><br />
6 mm.<br />
BELANGRIJK Het is verplicht om op<br />
dezelfde hoogte als de trekkogel een<br />
(goed zichtbaar) plaatje <strong>van</strong> voldoende<br />
afmetingen en kwaliteit aan te brengen<br />
met de volgende tekst:<br />
MAX. GEWICHT OP KOPPELING 60 kg<br />
Na de montage <strong>van</strong> de<br />
trekhaak moeten de<br />
boutgaten worden afgedicht<br />
om te voorkomen dat uitlaatgassen<br />
in het interieur kunnen<br />
dringen.<br />
ELEKTRISCHE AANSLUITING<br />
De elektrische aansluiting voor de aanhanger<br />
moet worden bevestigd op de<br />
steun op de trekhaak.<br />
Voor de elektrische aansluiting moet<br />
een 7-polige 12V stekkerverbinding (zie<br />
tab. CUNA UNI - 9128) gebruikt worden.<br />
Wendt u voor de elektrische aansluiting<br />
<strong>van</strong> de aanhanger tot de <strong>Alfa</strong> Romeodealer.<br />
Op de elektrische installatie<br />
<strong>van</strong> de auto mogen<br />
geen stroomverbruikers<br />
(ventilator, koelkast, enz.)<br />
<strong>van</strong> de aanhanger worden aangesloten.<br />
Naast de op het schema aangegeven<br />
aansluitingen, is slechts een aansluiting<br />
voor een eventuele elektrisch geregelde<br />
rem toegestaan en één voor een 15Wgloeilamp<br />
voor de binnenverlichting <strong>van</strong><br />
de cara<strong>van</strong>.<br />
De elektrisch geregelde rem moet<br />
rechtstreeks op de accu worden aangesloten<br />
met een kabel met een diameter<br />
<strong>van</strong> 2,5 mm2 .
fig. 1<br />
2 M10-bouten<br />
Bestaande gaten<br />
3 M10-bouten<br />
Hart trekkogel<br />
4 M8-bouten<br />
Bestaande gaten<br />
2 M10-bouten<br />
Bestaande gaten<br />
Gedeelte A-A<br />
Volbeladen auto<br />
P4U00245<br />
265
fig. 2<br />
266<br />
P4U00246<br />
SCHEMA VAN DE ELEKTRISCHE<br />
AANSLUITINGEN(fig. 2)<br />
1. Richtingaanwijzer linksachter<br />
2. Linker achterlicht<br />
3. Remlichten<br />
4. Accu<br />
5. Zekering<br />
6. Stekker tussen kabelbundel achter<br />
en kabelbundel in bagageruimte<br />
7. Mistachterlicht<br />
8. Rechter achterlicht<br />
9. Richtingaanwijzer rechtsachter<br />
10. Regeleenheid aanhangerverlichting<br />
11. 7-polige stekkerdoos<br />
12. Massa-aansluiting<br />
Kleurco<strong>der</strong>ing kabels<br />
A - Lichtblauw N - Zwart<br />
G - Geel R - Rood<br />
M -Bruin V - Groen
BEVESTIGINGSPUN-<br />
TEN ALLESDRAGER<br />
De auto is voorbereid voor de montage<br />
<strong>van</strong> allesdragers.<br />
De speciaal voor de auto ontworpen<br />
allesdragers moeten bevestigd worden<br />
aan de pennen (A-fig. 3) on<strong>der</strong> het afdichtrubber,<br />
zoals afgebeeld.<br />
Controleer na enkele<br />
kilometers opnieuw of<br />
de bevestigingsbouten<br />
nog goed vastzitten.<br />
Houdt u zorgvuldig aan<br />
de wettelijke bepalingen<br />
betreffende de maximale<br />
afmetingen.<br />
Verdeel de lading gelijkmatig<br />
en houd tijdens<br />
de rit rekening met een<br />
verhoogde zijwindgevoeligheid.<br />
fig. 3<br />
P4U00247<br />
267
Aansteker . . . . . . . . . . . . . . . . 113<br />
ABS (antiblokkeersysteem)<br />
- Algemene aanwijzingen . . . . . 139<br />
- Werking . . . . . . . . . . . . . . . . 122<br />
Accessoires monteren . . . . . . . . . 263<br />
Accu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209<br />
- Niveau elektrolyt (accu met optische<br />
hydrometer) . . . . . . . . . . . . . 210<br />
- Opladen . . . . . . . . . . . . . . . . 211<br />
- Starten met hulpaccu . . . . . . . 174<br />
- Tips voor een lange levensduur . 212<br />
Achterklep (SW) . . . . . . . . . . . . 224<br />
- Sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . 225<br />
Achterruitsproeier . . . . . . . . . . . . 224<br />
Achterruitsproeier (SW)<br />
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 223<br />
- Wisserblad ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 223<br />
Achterruitverwarming . . . . . . . . .24-79-84<br />
Achterruitwisser (SW) . . . . . . . . . 223<br />
Achteruitkijkspiegel . . . . . . . . . . 16-46<br />
Achteruitrijlichten<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . .161-235<br />
ALFEBETISCHE INDEX<br />
Achterwielophanging (automatische<br />
niveauregeling) (SW) . . . . . . . 234<br />
Afmetingen <strong>van</strong> de auto . . . . . . .244-245<br />
Afstandsbediening centrale<br />
portiervergrendeling . . . . . . . . 15-38<br />
Airbags voor en zijkant . . . . . . . . 58<br />
- Airbag passagierszijde . . . . . . . 59<br />
- Airbag voor . . . . . . . . . . . . . . 58<br />
- Airbag zijkant (side bag - window bag)61<br />
- Algemene aanwijzingen . . . . . 62<br />
- Uitschakeling airbag passagierszijde 60<br />
Airconditioning . . . . . . . . . . . . . . 81<br />
Airconditioning, automatisch . . . . 81<br />
Alarm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13-34<br />
Alarmknipperlichten . . . . . . . . . . 23-90<br />
<strong>Alfa</strong> <strong>156</strong> Sportwagon . . . . . . . . . 219<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo CODE . . . . . . . . . . . 11-28<br />
Allesdragers (SW) . . . . . . . . . . . 234<br />
Antiblokkeersysteem (ABS)<br />
- Waarschuwingen . . . . . . . . . . 139<br />
- Werking . . . . . . . . . . . . . . . . 122<br />
Armsteun achter (skiluik) . . . . . . 45-221<br />
Asbak<br />
- Achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114<br />
- Voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113<br />
Auto reinigen<br />
- Buitenkant . . . . . . . . . . . . . . 216<br />
- Interieur . . . . . . . . . . . . . . . . 217<br />
- Motorruimte . . . . . . . . . . . . . 217<br />
Auto langere tijd stallen . . . . . . . 149<br />
- Weer in gebruik nemen . . . . . . 149<br />
Automatisch niveauregeling op<br />
achterwielophanging (SW) . . . 234<br />
Automatische versnellingsbak Q-System 104<br />
- Oliepeil controleren . . . . . . . . . 201<br />
Autoradio . . . . . . . . . . . . . . . . .125-234<br />
Bagage vastzetten . . . . . . . . . .119-225<br />
Bagagenetten (SW) . . . . . . . . . . 228<br />
Bagageruimte<br />
- Aanwijzingen voor het vervoer<br />
<strong>van</strong> bagage . . . . . . . . . . . . . .119-226<br />
- Bagage vastzetten . . . . . . . . .119-225<br />
- Bagagenet (SW) . . . . . . . . . . 228<br />
269
- Inhoud . . . . . . . . . . . . . . . . .248-249<br />
- Kofferdeksel/achterklep sluiten 119-225<br />
- Omkeerbare vloerbedekking (SW) 226<br />
- Opbergvakken (SW) . . . . . . . . 227<br />
- Openen . . . . . . . . . . . 24-89-118-224<br />
- Openen met<br />
afstandsbediening . . . . 25-118-225<br />
- Stekkerdoos . . . . . . . . . . . . . 227<br />
- Vergroten (SW) . . . . . . . . . . . 231<br />
- Verlichting . . . . . . . . . . . . . . .119-227<br />
Bagageruimteverlichting<br />
- Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . 118<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . .167-238<br />
Bagageruimteverlichting (SW)<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 238<br />
Banden en velgen . . . . . . . . . . .141-260<br />
- Band/velgtypen . . . . . . . . . . 260<br />
- Bandenspanning . . . . . . . . . .143-261<br />
- Lekke band . . . . . . . . . . . . . .152-235<br />
- Slijtage . . . . . . . . . . . . . . . . . 143<br />
- Sneeuwkettingen . . . . . . . . . . 144<br />
- Tips . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141<br />
- Verklaring <strong>van</strong> de co<strong>der</strong>ing . . . . 262<br />
- Verwisselen . . . . . . . . . . . . . .152-235<br />
Batterij afstandsbediening ver<strong>van</strong>gen 32<br />
270<br />
Bedieningsorganen klimaatregeling 24-82<br />
Bedieningsorganen<br />
verwarming en ventilatie . . . . . 24-79<br />
Belangrijke aanwijzingen . . . . . . 152<br />
Benzinemeter . . . . . . . . . . . . . . 71<br />
Bescherming <strong>van</strong> het milieu . . . . 129<br />
Beschermplaat motor . . . . . . . . . 193<br />
Bevestigingspunten allesdrager . . 267<br />
Bij een ongeval . . . . . . . . . . . . . 178<br />
Bodemplaatbescherming . . . . . . 215<br />
Bougies . . . . . . . . . . . . . . . . . .214-247<br />
Brandstoffilter ver<strong>van</strong>gen<br />
(uitvoeringen JTD) . . . . . . . . . 208<br />
Brandstofmeter en waarschuwingslampje<br />
brandstofreserve . . . . . . . . . . 71<br />
Brandstofnoodschakelaar . . . . . . 91<br />
Brandstofreserve . . . . . . . . . . . . 250<br />
Brandstoftank (inhoud) . . . . . . . 250<br />
Brandstofverbruik . . . . . . . . . . . 252<br />
Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . . 16-47<br />
Carrosserie (reinigen) . . . . . . . . 215<br />
Carrosserie-uitvoeringen . . . . . . . 243<br />
Checkpanel . . . . . . . . . . . . . . . . 70<br />
Claxon . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10<br />
CO2-emissie via de uitlaat . . . . . . 254<br />
CODE-card . . . . . . . . . . . . . . . . 11-28<br />
Condens aftappen (uitvoeringen JTD) 207<br />
Controle-/waarschuwingslampjes . 72<br />
Correct gebruik <strong>van</strong> de auto . . . . . 131<br />
Dashboard . . . . . . . . . . . . . . . 10<br />
Dashboardkastje . . . . . . . . . . . . 111<br />
Derde remlicht . . . . . . . . . . . . .163-237<br />
Diefstalalarm . . . . . . . . . . . . . . . 13-34<br />
- Batterij ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . . . 33<br />
- Extra afstandsbedieningen . . . . 34<br />
Dieselfilter (uitvoeringen JTD)<br />
- Condens aftappen . . . . . . . . . 207<br />
- Filter ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . . . . . 208<br />
Differentieel<br />
- Oliepeil controleren en olie verversen 198<br />
Dimlicht<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 158<br />
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 64<br />
Dop <strong>van</strong> de brandstoftank . . . . . . 128<br />
E.G.R.-systeem . . . . . . . . . . . . . 130<br />
EBD . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .123-139<br />
Economisch rijden . . . . . . . . . . . 144
Elektrische ruitbediening<br />
- Achterportieren . . . . . . . . . . . 22-48<br />
- Voorportieren . . . . . . . . . . . . . 22-48<br />
Elektrische installatie<br />
- Technische gegevens . . . . . . . . 251<br />
Elektronisch diefstalalarm . . . . . . 13-34<br />
Elektronische regeleenheden . . . . 213<br />
Emissiereductiesystemen . . . . . . 147<br />
EOBD (motormanagementsysteem) 124<br />
Extra accessoires . . . . . . . . . . . . 150<br />
Gereed voor vertrek . . . . . . . . . 9<br />
Gereedschappen . . . . . . . . . . . .154-235<br />
Gewichten <strong>van</strong> de auto . . . . . . .248-249<br />
Gloeilamp achter ver<strong>van</strong>gen . . . .161-236<br />
Gloeilampen ver<strong>van</strong>gen<br />
- Algemene aanwijzingen . . . . . <strong>156</strong><br />
- Gloeilamptypen . . . . . . . . . . . <strong>156</strong><br />
Gordelspanners op de veiligheidsgordels 57<br />
Grootlicht<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 158<br />
- Inschakeling . . . . . . . . . . . . . 64<br />
Grootlichtsignaal . . . . . . . . . . . . 65<br />
Handgrepen . . . . . . . . . . . . . .111-233<br />
Handremhefboom . . . . . . . . . . . 92<br />
Hendels aan het stuur . . . . . . . . 19-64<br />
Hoofdsteunen<br />
- Achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46-221<br />
- Voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44<br />
Hulpverwarming . . . . . . . . . . . . 89<br />
Identificatiecode . . . . . . . . . . . . 243<br />
Identificatiegegevens . . . . . . . . . 242<br />
Imperiaal . . . . . . . . . . . . . . . . . 267<br />
Inbouwplaats autoradio . . . . . . . . 125<br />
Inhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7<br />
Inspuiting-Ontsteking . . . . . . . . . 247<br />
Instrumentenpaneel . . . . . . . . . . 21-67<br />
- Lichtsterkteregeling . . . . . . . . . 91<br />
Interieur (reinigen) . . . . . . . . . . 217<br />
Interieurverlichting<br />
- Bagageruimteverlichting . . . . .118-127<br />
- Instrumentenpaneelverlichting . 91<br />
- Plafondverlichting achter . . . . .112-113<br />
- Plafondverlichting voor . . . . . . 111<br />
- Verlichting dashboardkastje . . . 111<br />
Jaarlijks inspectieschema<br />
- On<strong>der</strong>houd . . . . . . . . . . . . . . 186<br />
- Aanvullende werkzaamheden . . 186<br />
Kachelfilter controleren . . . . . . . 209<br />
Katalysator<br />
- Benzinemotor . . . . . . . . . . . . 130<br />
- Dieselmotor . . . . . . . . . . . . . . 130<br />
Kentekenplaatverlichting<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . .162-237<br />
Kilometerteller . . . . . . . . . . . . . . 70<br />
Kin<strong>der</strong>en veilig vervoeren . . .17-41-53-220<br />
Kin<strong>der</strong>veiligheidsslot . . . . . . . . . . 41-220<br />
Kin<strong>der</strong>zitjes . . . . . . . . . . . . . . . 53<br />
Kledinghaakjes . . . . . . . . . . . . . 111<br />
Klimaatregeling . . . . . . . . . . . . . 24-82<br />
Klok . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71<br />
Knopje op nul zetten dagstand . . . 70<br />
Koelvloeistof<br />
- Niveau controleren en bijvullen . 202<br />
- Temperatuurmeter en lampje . . 71<br />
Koelvloeistoftemperatuurmeter . . . 71<br />
Kofferdeksel . . . . . . . . . . . . 24-89-117<br />
Koplampen<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 157<br />
- Hoogte afstellen . . . . . . . . . . . 92<br />
Koplampsproeiers . . . . . . . . . . . 66<br />
271
Koplampverstelling . . . . . . . . . . 92<br />
Koppeling<br />
- Olieniveau controleren en bijvullen 204<br />
- Technische gegevens . . . . . . . . 257<br />
Krik<br />
- Gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . .154-235<br />
- Opmerkingen . . . . . . . . . . . . . 152<br />
Lak (on<strong>der</strong>houd) . . . . . . . . . . . 216<br />
Lambdasonde . . . . . . . . . . . . . . 130<br />
Lampen ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . . . . . <strong>156</strong><br />
Lichtsterkteregeling instrumentenpaneel 91<br />
Luchtfilter controleren en ver<strong>van</strong>gen 206<br />
Luchtrecirculatie<br />
- Met airconditioning . . . . . . . . . 83<br />
- Zon<strong>der</strong> airconditioning . . . . . . . 79<br />
Luchtroosters . . . . . . . . . . . . . . 77-78<br />
Luidsprekers . . . . . . . . . . . . . . . 126<br />
Mechanische versnellingsbak<br />
- Oliepeil controleren en olie verversen 198<br />
- Technische gegevens . . . . . . . . 257<br />
- Versnellingspook . . . . . . . . . . 93<br />
Milieu (bescherming) . . . . . . . . 129<br />
Ministeriele goedkeuring . . . . . . . 38-279<br />
272<br />
Mistachterlicht<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . .161-235<br />
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 23-90<br />
Mistlampen voor<br />
- Afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . 122<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 160<br />
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 23-90<br />
Mobiele telefoon . . . . . . . . . . . . 150<br />
Motor uitzetten . . . . . . . . . . . . . 134<br />
Motor starten<br />
- Benzinemotor . . . . . . . . . . . . 132<br />
- Dieselmotor . . . . . . . . . . . . . . 133<br />
- Motor opwarmen . . . . . . . . . . 133<br />
- Motor uitzetten . . . . . . . . . . . 134<br />
- Noodstart . . . . . . . . . . . . . . . 32-134<br />
- Start-/contactslot . . . . . . . . . . 15-39<br />
Motorcodes . . . . . . . . . . . . . . . 243<br />
Motorkap openen . . . . . . . . . . . . 25-120<br />
Motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . 25-120<br />
Motorkoelsysteem<br />
- Koelvloeistoftemperatuurmeter . 71<br />
- Niveau controleren en bijvullen . 202<br />
- Waarschuwingslampje te hoge<br />
koelvloeistoftemperatuur . . . . . 71<br />
Motorkoelvloeistoftemperatuur . . . 71<br />
Motormanagementsysteem (EOBD) 124<br />
Motorolie<br />
- Bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . 194<br />
- Filter ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . . . . . 197<br />
- Niveau controleren . . . . . . . . . 193<br />
- Oliefilter . . . . . . . . . . . . . . . . 197<br />
- Verbruik . . . . . . . . . . . . . . . . 251<br />
- Verversen . . . . . . . . . . . . . . . 195<br />
Motoroliedruk (lampje) . . . . . . . 72<br />
Motoroliefilter<br />
- Ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . . . . . . . . . 197<br />
Motoroliefilter ver<strong>van</strong>gen . . . . . . 197<br />
Motoroliepeilstok . . . . . . . . . . . 193<br />
Motorolieverbruik . . . . . . . . . . . 251<br />
Motorruimte . . . . . . . . . . . . . . . 25-120<br />
Niveau motorkoelvloeistof controleren<br />
en bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . 202<br />
Niveau motorolie controleren . . . . 193<br />
Niveau remvloeistof controleren<br />
en bijvullen . . . . . . . . . . . . . . 204<br />
Niveau ruitensproeiervloeistof controleren<br />
en bijvullen . . . . . . . . . . . . . . 205<br />
Niveau olie mechanische versnellingsbak<br />
controleren . . . . . . . . . . . . . . 198
Niveau olie stuurbekrachtiging<br />
controleren en bijvullen . . . . . . 203<br />
Niveaus controleren, bijvullen<br />
en verversen . . . . . . . . . . . . . 189<br />
Noodgevallen . . . . . . . . . . . . . . 151<br />
Noodstart<br />
- Algemene aanwijzingen . . . . . 134<br />
- Lege accu . . . . . . . . . . . . . . . 174<br />
- Startblokkering . . . . . . . . . . . 32<br />
Nummerplaatverlichting<br />
(gloeilamp ver<strong>van</strong>gen) . . . . . .162-237<br />
Olie automatische versnellingsbak Q-System<br />
- Niveau controleren . . . . . . . . . 201<br />
Olie mechanische versnellingsbak<br />
en differentieel<br />
- Niveau controleren en bijvullen . 198<br />
Olie Selespeed versnellingsbak<br />
- Niveau controleren . . . . . . . . . 200<br />
Olie stuurbekrachtiging<br />
- Niveau controleren en bijvullen . 203<br />
On<strong>der</strong>houd<br />
- Aanvullende werkzaamheden . . 186<br />
- Algemene aanwijzingen . . . . . 183<br />
- Geprogrammeerd on<strong>der</strong>houd . . 182<br />
- Jaarlijks inspectieschema . . . . . 186<br />
- On<strong>der</strong>houd <strong>van</strong> de auto . . . . . . 181<br />
- On<strong>der</strong>houdsschema . . . . . . . . 184<br />
- Voorzorgsmaatregelen en<br />
waarschuwingen . . . . . . . . . . 182<br />
On<strong>der</strong>houdsschema . . . . . . . . . . 184<br />
Ontdooien-Ontwasemen<br />
- Achterruit . . . . . . . . . . . . . . .24-80-84<br />
- Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . 47<br />
- Voorruit en zijruiten . . . . . . . . 81-86<br />
Ontwasemen-Ontdooien<br />
- Achterruit . . . . . . . . . . . . . . .24-80-84<br />
- Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . 47<br />
- Voorruit en zijruiten . . . . . . . . 81-86<br />
Opbergvakken . . . . . . . . . . . . . .114-227<br />
Opbergvakken op de voorportieren 115<br />
Opendak<br />
- Achterzijde omhoog kantelen . . 117<br />
- Bediening in noodgevallen . . . . 117<br />
- Openen-Sluiten . . . . . . . . . . . 23-116<br />
Opkrikken <strong>van</strong> de auto . . . . . . . . 177<br />
Opladen <strong>van</strong> accu . . . . . . . . . . . 211<br />
Parkeerverlichting<br />
- Gloeilamp voor ver<strong>van</strong>gen . . . 159<br />
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 64<br />
Parkeren <strong>van</strong> de auto . . . . . . . . 135<br />
Peilstok versnellingsbakolie<br />
- (Uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD) 199<br />
Plafondverlichting achter<br />
- Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . 112<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 164<br />
Plafondverlichting middenachter<br />
- Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . 113<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 165<br />
Plafondverlichting voor<br />
- Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . 111<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 164<br />
Pollenfilter<br />
- Controle . . . . . . . . . . . . . . . . 209<br />
- Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . 85<br />
Portieren<br />
- Centrale portiervergrendeling . . 41<br />
- Geluidssignaal bij sluiten . . . . . 70<br />
- Openen/sluiten met<br />
afstandsbediening . . . . . . . . . 15-38<br />
- Portieren <strong>van</strong> buitenaf openen<br />
en sluiten . . . . . . . . . . . . 17-40-220<br />
- Sluiten/openen <strong>van</strong><br />
binnenuit . . . . . . . . . . . . 17-40-220<br />
273
Prestaties <strong>van</strong> de auto . . . . . 255<br />
Punten waar de auto opgekrikt<br />
mag worden . . . . . . . . . . 177<br />
Radiozendapparatuur en<br />
mobiele telefoon . . . . . . . . . . 150<br />
Reinigen en on<strong>der</strong>houd<br />
- Carrosserie . . . . . . . . . . . . . . 215<br />
- Interieur <strong>van</strong> de auto . . . . . . . 217<br />
- Kunststof delen . . . . . . . . . . . 218<br />
- Leren bekleding . . . . . . . . . . . 218<br />
- Motorruimte . . . . . . . . . . . . . 218<br />
- Ruiten . . . . . . . . . . . . . . . . . 217<br />
- Stoffen bekleding . . . . . . . . . . 218<br />
Reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217<br />
Relais<br />
- In dashboardkastje . . . . . . . . . 170<br />
- In de motorruimte . . . . . . . . . 171<br />
Rem-/koppelingsvloeistof<br />
- Niveau controleren en bijvullen . 204<br />
Rembekrachtiger . . . . . . . . . . . . 139<br />
Remlichten<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . .161-236<br />
Remmen<br />
- Handrem . . . . . . . . . . . . . . . . 92<br />
274<br />
- Opmerkingen . . . . . . . . . . . . . 138<br />
- Rembekrachtiger . . . . . . . . . . 139<br />
- Technische gegevens . . . . . . . . 256<br />
- Vloeistofniveau controleren<br />
en bijvullen . . . . . . . . . . . . . . 204<br />
Reservewiel . . . . . . . . . . . . . . . 141<br />
Richtingaanwijzers<br />
- Gloeilamp achter ver<strong>van</strong>gen . .161-236<br />
- Gloeilamp op voorspatbord<br />
ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . . . . . . . . . 159<br />
- Gloeilamp voor ver<strong>van</strong>gen . . . . 157<br />
- Inschakeling . . . . . . . . . . . . . 65<br />
Rijden<br />
- Economisch en milieuvriendelijk 144<br />
- In de bergen . . . . . . . . . . . . . 138<br />
- In de winter . . . . . . . . . . . . . . 138<br />
- In het donker . . . . . . . . . . . . . 137<br />
- On<strong>der</strong> slechte weersomstandigheden 137<br />
- Veilig rijden . . . . . . . . . . . . . 135<br />
Rijstijl . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 146<br />
Rolhoes (SW) . . . . . . . . . . . . . . 229<br />
Ruiten<br />
- Reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . 217<br />
- Voorzorgsmaatregelen . . . . . . 140<br />
Ruiten-/koplampsproeiervloeistof<br />
- Niveau controleren en bijvullen . 205<br />
Ruitensproeiers<br />
- Achterruitsproeier (SW) . . . . . . 224<br />
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 66<br />
- Ruitensproeiers voor/<br />
koplampsproeiers . . . . . . . . . . 215<br />
Ruitenwissers<br />
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 65<br />
- Ruitensproeiers . . . . . . . . . . . 215<br />
- Vloeistofniveau controleren<br />
en bijvullen . . . . . . . . . . . . . . 205<br />
- Wisserbladen ver<strong>van</strong>gen . . . . . 214<br />
Scheidingsnet in bagageruimte (SW) 230<br />
Selespeed versnellingsbak<br />
- (uitvoering 2.0 T.SPARK) . . . . . 94<br />
- Oliepeil controleren . . . . . . . . . 200<br />
Skiluik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45-221<br />
Sleepogen . . . . . . . . . . . . . . . . 175<br />
Slepen <strong>van</strong> de auto . . . . . . . . . .175-176<br />
Sleutels . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11-28<br />
- Batterij afstandsbediening ver<strong>van</strong>gen 33<br />
- Noodsleutel bediening opendak 117
- Sleutel met afstandsbediening<br />
en uitklapbare metalen baard . . 29<br />
- Sleutel voor uitschakeling<br />
diefstalalarm . . . . . . . . . . . . .11-14-28<br />
- Start-/contactsleutel . . . . . . . . 11-28<br />
Smeermiddelen (specificaties) . . 258<br />
Sneeuwkettingen . . . . . . . . . . . 144<br />
Snelheidsmeter . . . . . . . . . . . . . 70<br />
Specificaties . . . . . . . . . . . . . . . 250<br />
Spiegelverlichting<br />
- Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . 112<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 165<br />
Stadslicht<br />
- Gloeilamp achter ver<strong>van</strong>gen . . .161-236<br />
- Gloeilamp voor ver<strong>van</strong>gen . . . . 159<br />
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 64<br />
Start-/contactslot en stuurslot . . . 15-39<br />
Startblokkering (<strong>Alfa</strong> Romeo CODE) 11-28<br />
Starten met een hulpaccu . . . . . . 174<br />
Stekkerdoos (SW) . . . . . . . . . . . 227<br />
Stuurbekrachtiging<br />
- Belangrijke aanwijzingen . . . . . 140<br />
- Oliepeil controleren en bijvullen 203<br />
Stuurinrichting<br />
- Hendel stuurwielverstelling . . . 18-46<br />
- Technische gegevens . . . . . . . . 256<br />
Stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . . 16-39<br />
Stuurwiel<br />
- Claxon . . . . . . . . . . . . . . . . . 10<br />
- Hendel stuurwielverstelling . . . 18-46<br />
Stuurwielverstelling . . . . . . . . . . 18-46<br />
Suggesties voor nuttige accessoires 150<br />
Symbolen . . . . . . . . . . . . . . . . . 4<br />
Tankdop . . . . . . . . . . . . . . . . . 128<br />
Tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127<br />
Tanken met de<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo <strong>156</strong> . . . . . . . 26-127-233<br />
Tankklepje openen . . . . . . . . . . . 91-129<br />
Tankklepje openen in noodgevallen129-233<br />
Technische gegevens . . . . . . . . . 241<br />
Telefoon (inbouwvoorbereiding) . 115<br />
Telepass (inbouwvoorbereiding) . . 115<br />
Temperatuursensoren (klimaatregeling) 84<br />
Tijdens de rit . . . . . . . . . . . . . . 136<br />
Toerenteller . . . . . . . . . . . . . . . . 71<br />
Toevoegingsmiddel dieselbrandstof 128<br />
Transmissie (Technische gegevens) 257<br />
Trekhaak . . . . . . . . . . . . . . . . . 264<br />
Trekken <strong>van</strong> aanhangers . . . . . .148-264<br />
Veiligheidsgordels . . . . . . .18-49-222<br />
- Algemene opmerkingen over het gebruik<br />
52<br />
- Gebruik veiligheidsgordels achter 51<br />
- Gordelspanners . . . . . . . . . . . 57<br />
- Heupgordel . . . . . . . . . . . . . . 51<br />
- Hoogteverstelling veiligheidsgordels<br />
achter (SW) . . . . . . . . . . . . . 222<br />
- Hoogteverstelling veiligheidsgordels<br />
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50<br />
- Omleggen veiligheidsgordel middenachter<br />
(SW) . . . . . . . . . . . . . . . . . . 223<br />
- On<strong>der</strong>houd . . . . . . . . . . . . . . 53<br />
- Veiligheidsgordels voor en achter 49<br />
Velgen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 260<br />
Ventilatie . . . . . . . . . . . . . . . . . 81<br />
Verbandtrommel (E.H.B.O.) . . . . . 179<br />
Verlichting dashboardkastje<br />
- Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . 111<br />
- Gloeilamp ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 166<br />
Versnellingsbak Selespeed<br />
- (uitvoering 2.0 T.SPARK) . . . . . 94<br />
- Oliepeil controleren . . . . . . . . . 200<br />
Versnellingsbakolie bijvullen . . . . . 198<br />
Versnellingspook . . . . . . . . . . . . 93<br />
275
Verwarming en ventilatie . . . . . . . 78<br />
Verwarming voorstoelen . . . . . . . 43<br />
Vloeistoffen (specificaties) . . . . . 258<br />
Volumetrische beveiliging . . . . . . 37<br />
Voordat u wegrijdt . . . . . . . . . . . 135<br />
Vullingstabel<br />
- Technische gegevens . . . . . . . . 250<br />
Waarschuwings-/controlelampjes 76<br />
Waarschuwingsknipperlichten<br />
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 23-90<br />
Wegwijs in uw auto . . . . . . . . . . 27<br />
Wiel verwisselen . . . . . . . . . . . . 153<br />
Wielen<br />
- Balanceren . . . . . . . . . . . . . . 143<br />
- Praktische tips . . . . . . . . . . . . 141<br />
- Sneeuwkettingen . . . . . . . . . . 144<br />
Wieluitlijning . . . . . . . . . . . . . .143-257<br />
Winter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 138<br />
Wisserbladen ruitenwisser<br />
- Tips . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140<br />
- Wisserblad ver<strong>van</strong>gen . . . . . . . 214<br />
276<br />
Zekeringen en relais<br />
- Algemene aanwijzingen . . . . . 168<br />
- Hoofdzekeringen . . . . . . . . . . 168<br />
- Relais in dashboardkastje . . . . 170<br />
- Zekeringen boven zekeringenkast 170<br />
- Zekeringen en relais in<br />
dashboardkastje . . . . . . . . . . . 170<br />
- Zekeringen en relais<br />
in de motorruimte . . . . . . . . . 171<br />
- Zekeringen in zekeringenkast . . 169<br />
- Zekeringentabel . . . . . . .172-173-239<br />
Zitplaatsen achter<br />
- Armsteun in het midden . . . . . 45-221<br />
- Hoofdsteunen . . . . . . . . . . . . 46-221<br />
- Skiluik . . . . . . . . . . . . . . . . . 45-221<br />
Zitplaatsen voor<br />
- Afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . 18-42<br />
- Armsteun in het midden . . . . . 43<br />
- Elektrische verwarming . . . . . . 43<br />
- Hoofdsteunen . . . . . . . . . . . . 44<br />
- Opbergvakken achter . . . . . . . 44<br />
Zonnekleppen . . . . . . . . . . . . . . 115
277
AFSTANDSBEDIENING MET RADIOFREQUENTIE:<br />
MINISTERIËLE GOEDKEURING<br />
Landencode Nummer<br />
Land<br />
typegoedkeuring<br />
A Oostenrijk G131649J CEPT LPD-A<br />
B België RTT/D/X1491<br />
CH Zwitserland BAKOM 97.0516.K.P<br />
CRO Kroatië LPD-041/97<br />
CY Cyprus MCW 129/95 5/1997<br />
D Duitsland G131649J CEPT LPD-D<br />
DK Denemarken ALR 9741/Telestyrelsen<br />
E Spanje E D.G./Tel. 07 97 0647<br />
F Frankrijk 970235 PPL 0<br />
FIN Finland FI 97080075<br />
GB Groot Brittannië 12793<br />
GBZ Gibraltar 12000/120AG<br />
GR Griekenland EK550<br />
H Hongarije HB-23879/97<br />
I Italië<br />
CEPT-LPD I DGPGF/4/2/03/338862/<br />
FO/0002926/29/10/97<br />
279
280<br />
Landencode Nummer<br />
Land<br />
typegoedkeuring<br />
IRL Ierland TRA 24/5/60/31<br />
IS IJsland IS-2623-00<br />
L Luxemburg L2822/10263-01H<br />
N Noorwegen NO97000419-R<br />
NL Ne<strong>der</strong>land G131649J CEPT LPD-NL<br />
P Portugal ICP-044TC-97<br />
S Zweden UE 970090<br />
SLO Slovenië N832/00
B ZT<br />
ministerie <strong>van</strong> verkeer en waterstaat<br />
G131649J<br />
G131 G127<br />
064H 649J<br />
970235PPLO<br />
23/07/97<br />
SIEMENS<br />
E D.G.Tel. 07 97 0647<br />
281
NOTITIES<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
283
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
284
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
285
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
..........................................................................................................................................................................................<br />
286
MOTOROLIE: 35.000 DESKUNDIGEN ADVISEREN SELENIA<br />
De motor <strong>van</strong> uw auto is door de fabriek<br />
afgeleverd met Selenia-olie.<br />
Bij de werkplaatsen <strong>van</strong> het <strong>Alfa</strong> Romeodealernet<br />
kunt u Selenia 20K-motorolie<br />
verkrijgen die speciaal is afgestemd op<br />
de eisen <strong>van</strong> uw motor.<br />
35.000 deskundigen in heel Europa<br />
adviseren Selenia voor een maximale<br />
bescherming en een perfecte werking<br />
<strong>van</strong> uw motor.<br />
Zorg dat er geen gebruikte olie in het milieu terechtkomt.<br />
UW MONTEUR ADVISEERT SELENIA
WAAROM SELENIA?<br />
De motor <strong>van</strong> uw auto is in de fabriek gevuld met <strong>Alfa</strong> Romeo Selenia 20K, de olie<br />
voor automobilisten met een sportief hart.<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo Selenia 20K is een olie op synthetische basis die voldoet aan de zwaarste<br />
internationale eisen, waardoor de gea<strong>van</strong>ceerde technische eigenschappen <strong>van</strong> uw motor<br />
volledig tot hun recht kunnen komen. De olie garandeert optimale prestaties en een maximale<br />
bescherming <strong>van</strong> de motor on<strong>der</strong> de zwaarste bedrijfsomstandigheden. Een belangrijk<br />
aspect daarbij is dat de olie is afgestemd op een gebruiksduur tot 20.000 km (<strong>van</strong>daar de<br />
naam 20K).<br />
<strong>Alfa</strong> Romeo Selenia 20K is geschikt voor mo<strong>der</strong>ne multikleppen-benzinemotoren, met<br />
of zon<strong>der</strong> turbocompressor, en biedt de volgende voordelen:<br />
– een maximaal smerend vermogen, ook bij zeer zware thermische en mechanische belastingen;<br />
– een optimale werking <strong>van</strong> de katalysator.<br />
– een vermin<strong>der</strong>ing <strong>van</strong> het brandstofverbruik met maximaal 2%.<br />
Voor motoren met een hoog specifiek vermogen, die on<strong>der</strong> uitsproken sportieve omstandigheden<br />
worden gebruikt, adviseren wij olie <strong>van</strong> het type SELENIA Racing te gebruiken.<br />
Voor het gebruik in bijzon<strong>der</strong> koude klimaatsomstandigheden wordt Selenia Performer<br />
olie geadviseerd.<br />
Voor de zware bedrijfsomstandigheden waaraan turbodieselmotoren worden blootgesteld, is<br />
er daarnaast SELENIA Turbo Diesel. Deze olie draagt bij tot een verhoging <strong>van</strong> de betrouwbaarheid<br />
<strong>van</strong> dieselmotoren door:<br />
– een optimale reiniging <strong>van</strong> de inwendige delen;<br />
– een maximale bescherming tegen slijtage;<br />
– een goede vloeibaarheid bij lage temperaturen.
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar)<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Bandenmaat 185/65 R15” 88H 185/65 R15” 88V 185/65 R15” 88V 205/60 R15” 91W 185/65 R15” 88H 185/65 R15” 88V<br />
205/55 R16” 89H 205/55 R16” 89V 205/60 R15” 91V 205/55 R16” 91W 205/55 R16” 89H 205/55 R16” 89V<br />
205/55 R16” 89V<br />
– bij geringe belading (2 personen) Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2 Voor 2,2<br />
Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2 Achter 2,2<br />
– bij volle belading Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5 Voor 2,5<br />
Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5 Achter 2,5<br />
Noodreservewiel 4,2 4,2 4,2 4,2 4,2 4,2<br />
Als langdurig met zeer hoge snelheden wordt gereden, moet de bandenspanning met 0,3 bar worden verhoogd.<br />
MOTOROLIE VERVERSEN (liter)<br />
Verontreinig het milieu niet met afgewerkte olie.<br />
brandstoftank (LITERS)<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Periodieke olieverversing<br />
(en filter ver<strong>van</strong>gen) 4,40 4,40 4,40 5,90 4,20 5,50<br />
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD<br />
Inhoud brandstoftank 63 63 63 63 63 63<br />
Reserve 7 7 7 7 7 7<br />
Tank bij auto’s met benzinemotor alleen loodvrije benzine met een octaangetal <strong>van</strong> ten minste 95 R.O.N.<br />
SERVICE<br />
ASSISTENZA TECNICA<br />
Viale <strong>Alfa</strong> Romeo 20020 Arese (MI)<br />
Copyright by Fiat Auto Ne<strong>der</strong>land B.V.<br />
Publicatie n° <strong>604.31.037</strong> - 1 e Editie - 09/2000<br />
Gedrukt door Hoogcarspel Grafische Communicatie - Middenbeemster<br />
Alle rechten voorbehouden. Nadruk, zowel geheel als gedeeltelijk, verboden zon<strong>der</strong> schriftelijke<br />
toestemming <strong>van</strong> Fiat Auto S.p.A.<br />
Eindredactie Satiz - Turijn
SERVICE Nr. NL. <strong>604.31.037</strong> - 1 e ED.