02.09.2013 Views

Ontwerp bestemmingsplan Recreatiecentrum Mijnden - Gemeente ...

Ontwerp bestemmingsplan Recreatiecentrum Mijnden - Gemeente ...

Ontwerp bestemmingsplan Recreatiecentrum Mijnden - Gemeente ...

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

<strong>Gemeente</strong> Wijdemeren<br />

Mei 2013<br />

Voorontwerp<br />

9X4995<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

<strong>bestemmingsplan</strong>


Inhoudsopgave<br />

Toelichting 5<br />

Hoofdstuk 1 Inleiding 7<br />

1.1 Aanleiding en doel 7<br />

1.2 Plangebied 7<br />

1.3 Planningsopgave 8<br />

1.4 Vigerend <strong>bestemmingsplan</strong> 8<br />

1.5 Leeswijzer 8<br />

Hoofdstuk 2 Huidige situatie 9<br />

2.1 Historie 9<br />

2.2 Ruimtelijke structuur 9<br />

2.3 Functionele inrichting 10<br />

2.3.1 Wonen 10<br />

2.3.2 Bedrijven 10<br />

2.3.3 Verkeer 10<br />

2.3.4 Mijdense Sluis 10<br />

2.3.5 Voorzieningen 11<br />

Hoofdstuk 3 Beleidskader 13<br />

3.1 Rijk 13<br />

3.2 Provincie 15<br />

3.3 Regio 19<br />

3.4 <strong>Gemeente</strong> 20<br />

3.5 Conclusie 20<br />

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving 21<br />

4.1 Doelstellingen en uitgangspunten 21<br />

4.2 Ontwikkelingen 22<br />

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 25<br />

5.1 Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.) 25<br />

5.2 Bedrijven en milieuzonering 25<br />

5.3 Verkeer 26<br />

5.4 Luchtkwaliteit 27<br />

5.5 Geluidhinder 27<br />

5.6 Externe veiligheid 28<br />

5.7 Bodemkwaliteit 31<br />

5.8 Ecologie 32<br />

5.9 Archeologie en cultuurhistorie 33<br />

Hoofdstuk 6 Water 37<br />

6.1 Waterbeleid 37<br />

6.2 Actuele situatie 40<br />

6.3 Toekomstige situatie 41<br />

6.4 Conclusie 41<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 2 - voorontwerp


Hoofdstuk 7 Juridische planopzet 43<br />

7.1 Inleiding 43<br />

7.2 Systematiek van de planregels 43<br />

7.2.1 Inleidende regels 43<br />

7.2.2 Bestemmingen 43<br />

7.2.3 Algemene regels 44<br />

7.2.4 Overgangs- en slotregels 44<br />

7.3 Bestemmingen 45<br />

7.4 Korte toelichting Staat van Horeca-activiteiten 46<br />

7.5 Handhaving 47<br />

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid 49<br />

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 51<br />

9.1 Inleiding 51<br />

9.2 Inspraakreacties 51<br />

9.3 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 51<br />

9.4 Zienswijzen 51<br />

Bijlagen 53<br />

Bijlage 1 Mobiliteitstoets 55<br />

Bijlage 2 Ecoscan 57<br />

Planregels 59<br />

Hoofdstuk 1 Inleidende regels 61<br />

Artikel 1 Begrippen 61<br />

Artikel 2 Wijze van meten 66<br />

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 67<br />

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden 67<br />

Artikel 4 Bedrijf 69<br />

Artikel 5 Bedrijf - Nutsbedrijf 71<br />

Artikel 6 Groen 72<br />

Artikel 7 Horeca 73<br />

Artikel 8 Recreatie - Jachthaven 74<br />

Artikel 9 Recreatie - <strong>Recreatiecentrum</strong> 76<br />

Artikel 10 Recreatie - Verblijfsrecreatie 1 78<br />

Artikel 11 Recreatie - Verblijfsrecreatie 2 79<br />

Artikel 12 Recreatie - Verblijfsrecreatie 3 81<br />

Artikel 13 Recreatie - Verblijfsrecreatie 4 82<br />

Artikel 14 Verkeer 83<br />

Artikel 15 Water 84<br />

Artikel 16 Water - Waterweg 86<br />

Artikel 17 Wonen 87<br />

Artikel 18 Leiding - Water 89<br />

Hoofdstuk 3 Algemene regels 91<br />

Artikel 19 Anti-dubbeltelregel 91<br />

Artikel 20 Algemene bouwregels 92<br />

Artikel 21 Algemene afwijkingsregels 93<br />

Artikel 22 Algemene wijzigingsregels 95<br />

Artikel 23 Algemene procedureregels 96<br />

Artikel 24 Overige regels 97<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 3 - 15 mei 2013


Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 99<br />

Artikel 25 Overgangsrecht 99<br />

Artikel 26 Slotregel 100<br />

Bijlagen bij regels 101<br />

Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten 103<br />

Bijlage 2 Staat van Horeca-activiteiten 105<br />

Bijlage 3 Stedenbouwkundig plan 107<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 4 - voorontwerp


Toelichting<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 5 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 6 - voorontwerp


Hoofdstuk 1 Inleiding<br />

1.1 Aanleiding en doel<br />

De wensen en behoeften van mensen zijn voortdurend in beweging. Zo verandert ook de vraag naar<br />

diverse soorten recreatieve voorzieningen. Om te voldoen aan de recreatie-eisen van deze tijd, moet<br />

het <strong>Recreatiecentrum</strong> heringericht worden. De voorgenomen herinrichting past niet binnen het<br />

vigerende <strong>bestemmingsplan</strong> '<strong>Mijnden</strong>' uit 1986. Het doel van dit <strong>bestemmingsplan</strong> is het bieden van<br />

een actueel juridisch-planologisch kader ten behoeve van deze herinrichting. De<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>regelingen van de tevens in dit plangebied gelegen aannemersbedrijf, woning en<br />

<strong>Mijnden</strong>se sluis worden in dit <strong>bestemmingsplan</strong> geactualiseerd.<br />

1.2 Plangebied<br />

Het recreatiecentrum is gelegen nabij de Loosdrechtse Plassen ten zuiden van de kern Loenen aan<br />

de Vecht. Het plangebied wordt begrensd door de noordelijke oeverlijn van de Drecht, de<br />

gemeentegrens met de Stichtse Vecht en de Loosdrechtse Plassen. In afbeelding 1.1 is de ligging<br />

van het plangebied weergegeven.<br />

Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied.<br />

Binnen het plangebied is naast het recreatiecentrum ook een woning, aannemersbedrijf en een sluis<br />

aanwezig. In afbeelding 1.2 is de locatie van de functies weergegeven:<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong> (rood);<br />

aannemersbedrijf (roze);<br />

woning (geel);<br />

<strong>Mijnden</strong>se Sluis (blauw).<br />

Verder wordt het gebied ontsloten door de Bloklaan (N403) die aansluit op de Rijksstraatweg (N402).<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

Voorontwerp - 7 - 15 mei 2013


Afbeelding 1.2: Functies binnen het plangebied.<br />

1.3 Planningsopgave<br />

Het vigerende <strong>bestemmingsplan</strong> dateert uit 1986. De vigerende regeling voorziet niet in de<br />

herinrichting van het recreatiecentrum. In dit <strong>bestemmingsplan</strong> wordt herinrichting voor recreatieve<br />

doeleinden mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkelingen wordt verwezen naar Hoofdstuk 4<br />

Planbeschrijving.<br />

Het aannemersbedrijf, dat aan de oost, zuid en westzijde omsloten wordt door het recreatiecentrum,<br />

wordt in het voorliggende <strong>bestemmingsplan</strong> meegenomen. In dit deel van het plangebied wordt de<br />

regelgeving, met het voorliggende <strong>bestemmingsplan</strong>, aangepast en geactualiseerd. Het<br />

aannemersbedrijf krijgt ruimere bouw- en gebruiksregels.<br />

Met dit <strong>bestemmingsplan</strong> worden de aanwezige waarden zoals natuur en landschap beschermd en<br />

worden de aanwezige functies, voor zover deze niet op planologische bezwaren stuiten, mogelijk<br />

gemaakt.<br />

1.4 Vigerend <strong>bestemmingsplan</strong><br />

Voor het plangebied vigeert <strong>bestemmingsplan</strong> '<strong>Mijnden</strong>'. Dit <strong>bestemmingsplan</strong> is door de Raad van de<br />

gemeente Loenen vastgesteld op 2 september 1986. Gedeputeerde Staten van Utrecht hebben het<br />

plan op 23 december 1986 goedgekeurd. Het <strong>bestemmingsplan</strong> is primair gericht op conservering<br />

van de bestaande situatie van het recreatiecentrum. Door de systematiek van dit vigerende<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> blijft er weinig ruimte over voor ontwikkelingen en kwaliteitsverbetering van het<br />

recreatiecentrum.<br />

1.5 Leeswijzer<br />

In hoofdstuk 2 is de huidige situatie beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader<br />

van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente uiteen gezet. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op<br />

de doelstelling en uitgangspunten. Hoofdstuk 5 beschrijft de omgevingsaspecten die voor dit<br />

plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 6 gaat dieper in op het aspect water. Hoofdstuk 7 beschrijft de<br />

juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgen in de<br />

hoofdstukken 8 en 9 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van de<br />

inspraak en overleg.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 8 - voorontwerp


Hoofdstuk 2 Huidige situatie<br />

2.1 Historie<br />

Het plangebied was oorspronkelijk een veengebied dat te drassig was voor agrarische doeleinden.<br />

Om het gebied geschikt te maken voor landbouw is het ontwaterd en uitgebaggerd. Hiervoor werd<br />

veen afgegraven en sloten gegraven richting de Utrechtse Vecht. Het gedroogde veen, ook wel turf<br />

genoemd, werd gebruikt als brandstof. Hierdoor heeft het gebeid in de veertiende eeuw een<br />

belangrijke rol gespeeld bij het winnen van turf.<br />

Na 1930 kwam recreatie in opkomst. De Loosdrechtse Plassen, waar het plangebied toe behoort,<br />

begon zich als recreatiegebied te ontwikkelen. Plassenschap Loosdrecht is in 1957 opgericht en<br />

kreeg van de provincies Noord-Holland en Utrecht een aantal kerntaken opgelegd, waaronder het<br />

aanleggen van recreatieve voorzieningen. Om hieraan te voldoen werd <strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

ontwikkeld.<br />

Afbeelding 2.1: Historische kaart plangebied 1957 (Bron: www.watwaswaar.nl)<br />

2.2 Ruimtelijke structuur<br />

Het recreatiecentrum ligt op de overgang van twee waardevolle gebieden: rivier de Vecht en de<br />

Loosdrechtse Plassen. Het ligt ingeklemd tussen de Bloklaan (provinciale weg N403) en de Drecht.<br />

De Bloklaan vormt één van de spaarzame oost-westverbindingen van de gemeente.<br />

Recreatie<br />

Het recreatiecentrum bevat recreatiewoningen, chalets en een gebied om te kamperen, met<br />

bijbehorende voorzieningen zoals sanitaire voorzieningen. Het plangebied is ingedeeld in 7<br />

deelgebieden, deze zijn in afbeelding 4.1 in Hoofdstuk 4 weergegeven. Elk gebied is ingedeeld in<br />

verschillende onderdelen van recreatie en hebben een eigen karakter.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 9 - 15 mei 2013


Groenstructuur<br />

De groenstructuur richt zich op de inpassing van het recreatiecentrum. De groene zone, ter hoogte<br />

van de entree, geeft het gebied een open karakter. Het open karakter wordt versterkt door groene<br />

velden en groenvoorzieningen. Het recreatiecentrum wordt aan de noord-, oost- en zuidrand<br />

begrensd door een groene omzoming (bomen en struiken) waardoor het aansluit bij het groene<br />

karakter van de omgeving.<br />

Waterstructuur<br />

Het recreatiegebied is vooral gericht op watersport. Rivier de Drecht speelt hierbij een belangrijke rol.<br />

Ten behoeve van de watersport zijn aanlegplaatsen en jachthavens aanwezig. Vanuit rivier De Drecht<br />

lopen stroken water (landtongen) het recreatiegebied in. Het naar binnen tredende water versterkt de<br />

ruimtelijke geleding van het gebied.<br />

2.3 Functionele inrichting<br />

Binnen het recreatiecentrum bestaat uit jachthavens, recreatiewoningen, een camping, een<br />

restaurant, een natuurbad en bijbehorende voorzieningen. De initiatiefnemer beoogt een herinrichting<br />

van het terrein. Deze herinrichting behelst in hoofdzaak recreatiewoningen en parkeer- en<br />

opslagplaatsen. Hoofdstuk 4 gaat dieper in op de toekomstige en de gerealiseerde ontwikkelingen.<br />

2.3.1 Wonen<br />

Aan Bloklaan 24 is een woning gelegen. Binnen het recreatiecentrum zijn zes bedrijfswoningen<br />

aanwezig. Deze bedrijfswoningen zijn permanent bewoond waardoor toezicht en bewaking in het<br />

recreatiecentrum aanwezig is. In het zuid westen van het gebied liggen woonschepen die permanent<br />

worden bewoond.<br />

2.3.2 Bedrijven<br />

In het noorden van het plangebied is één aannemersbedrijf aanwezig. Het aannemersbedrijf is<br />

gespecialiseerd in het prefabriceren van speciale bekistingen, het bouwen en aanpassen van<br />

kunstwerken, schilderen, het uitvoeren van beton- en metselwerkrenovaties, het uitvoeren van<br />

constructies in hout en het realiseren van milieubeschermingsconstructies. Dit bedrijf valt onder<br />

milieucategorie 2.<br />

2.3.3 Verkeer<br />

Wegverkeer<br />

Het plangebied wordt ontsloten door de provinciale weg N403 (Bloklaan). De entree van het<br />

recreatiecentrum, bedrijf en woning is ook aan deze weg gelegen. De verkeersstructuur binnen het<br />

recreatiecentrum is eenvoudig met rechte en smalle ontsluitingswegen.<br />

Vaarverkeer<br />

De zuidzijde wordt ontsloten door rivier De Drecht. Door de aanwezigheid van jachthavens en<br />

aanlegplaatsen kunnen boten aanmeren in de haven van het recreatiecentrum.<br />

2.3.4 Mijdense Sluis<br />

De <strong>Mijnden</strong>se sluis ligt tussen de Westelijke Drecht en de Vecht, ten zuiden van Loenen aan de<br />

Vecht.<br />

Deze sluis is aangelegd voor de afvoer van turf en voor de waterbeheersing van de Loosdrechtse<br />

Plassen. Hedendaags vormt deze de belangrijkste toegang tot de Loosdrechtse Plassen en wordt<br />

deze gebruikt voor de recreatievaart naar Loosdrecht. Per jaar passeren hier ongeveer<br />

20.000 schepen. De <strong>Mijnden</strong>se Sluis is een bezienswaardigheid.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 10 - voorontwerp


2.3.5 Voorzieningen<br />

Verblijfsrecreatie<br />

Op het terrein van het recreatiecentrum zijn verschillende vormen van verblijfsrecreatie te zien, zoals<br />

recreatiewoningen, chalets, stacaravans en een kampeerplaats. De meeste van deze<br />

verblijfsvoorzieningen zijn gekocht door particulieren en worden gebruikt als een zomerverblijf.<br />

In het plangebied liggen de recreatiewoningen en chalets aan het water. Deze recreatiewoningen zijn<br />

voorzien van sanitaire voorzieningen. In dit gebied zijn dan ook geen sanitaire voorzieningen<br />

geplaatst. Op het water naast deze recreatiewoningen liggen bootjes opgeslagen. Bij de<br />

recreatiewoning is vaak een bergingsruimte of een schuurtje geplaatst.<br />

Afbeelding 2.2: Recreatiewoningen<br />

Afbeelding 2.3: Trekkershutten en chalets<br />

Het is ook mogelijk te verblijven in trekkershutten en op het kampeerterrein. Dit terrein betreft een<br />

open groen grasveld, dat in de zomer meer gebruikt wordt dan in de winter. Op deze gebieden zijn<br />

wel sanitaire voorzieningen aanwezig. Ook zijn er elektriciteitsvoorzieningen in de vorm van een<br />

stroompaal te vinden.<br />

Het recreatiecentrum heeft ook een aantal ligplaatsen voor woonboten. Dit gedeelte bestaat voor het<br />

grootste deel uit water, waarin ook aanlegsteigers voor boten te vinden zijn.<br />

Behalve de stacaravans en recreatiewoningen staan er op het terrein gebouwen voor beheer en<br />

onderhoud (ook voor boten), een restaurant 'Het Drechthuis', een snackbar, supermarkt 'Attent', een<br />

wasserette, fiets- en kanoverhuur, een botenlift, wasruimtes en toiletten.<br />

De hoofdvoorzieningen zijn voornamelijk in het centrumgebied geconcentreerd. Op de onderstaande<br />

afbeeldingen zijn een aantal voorzieningen te zien.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 11 - 15 mei 2013


Afbeelding 2.4: Het Drechthuis (links) en supermarkt Attent en fietsenverhuur (rechts).<br />

Recreatie in het plangebied<br />

In het plangebied is bij de entree een natuurzwembad gelegen. Dit natuurbad fungeert als<br />

ontmoetingsplaats voor recreanten en is voor bezoekers van buiten het recreatiecentrum ook te<br />

bereiken.<br />

Het recreatiecentrum is erg in trek bij recreanten voor de watersport. Watergebonden recreatie is dan<br />

ook een belangrijk onderdeel van het recreatieterrein.<br />

Parkeer- en opslagplaatsen<br />

Het recreatiecentrum voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. In de wintermaanden worden deze<br />

voorzieningen mede gebruikt als opslagplaats voor boten.<br />

Verder is het plangebied ingericht met sanitaire voorzieningen, groenvoorzieningen, paden, parkeren<br />

opslagplaatsen, aanligplaatsen, een voetbalveld en een aantal speelvoorzieningen.<br />

Afbeelding 2.5: Sanitaire voorziening en speelvoorzieningen<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 12 - voorontwerp


Hoofdstuk 3 Beleidskader<br />

3.1 Rijk<br />

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte<br />

Begin 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie bevat een<br />

concrete, bondige actualisatie van het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid<br />

heeft onder meer de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de Structuurvisie Randstad 2040 vervangen.<br />

De structuurvisie heeft betrekking op:<br />

rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving,<br />

(water-)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;<br />

rijksbelangen met betrekking tot (inter-)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;<br />

rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische<br />

structuur.<br />

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere<br />

verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de<br />

verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal<br />

over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en<br />

natuurdomein fors ingeperkt.<br />

Daarnaast wordt (boven-)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan<br />

(samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's met<br />

concentraties van topsectoren (waaronder Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken<br />

maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking.<br />

Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen,<br />

rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.<br />

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame<br />

verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en<br />

ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. In de 'ladder' voor duurzame verstedelijking wordt de<br />

beoogde ontwikkeling beoordeeld of het voorziet in de regionale, intergemeentelijke vraag.<br />

Afbeelding 3.1: Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 13 - 15 mei 2013


De beoogde ontwikkeling wordt binnen stedelijke regio met topsectoren gerealiseerd. In deze regio<br />

gaat het niet alleen om kwalitatief hoogwaardige ruimte voor werken, verplaatsen en wonen, maar<br />

ook om voldoende aanbod van recreatiemogelijkheden. De ontwikkeling voorziet in de regionale<br />

vraag en daarmee voldoet het aan de 'ladder' van duurzame verstedelijking. Het voorliggende<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> is daarmee in lijn het de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.<br />

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening<br />

De inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 heeft gevolgen voor de doorwerking van het nationale<br />

ruimtelijke beleid. Totdat de Wro in werking was getreden, werd het geldende rijksbeleid vastgelegd in<br />

Planologische Kernbeslissingen (PKB's). Sinds 1 juli 2008 zijn deze documenten alleen nog bindend<br />

voor het rijk en niet meer voor andere overheden. Het rijk kiest ervoor om het deel van het ruimtelijk<br />

beleid dat bedoeld is bindend te zijn voor andere overheden, ook onder de Wro te borgen. De Wro<br />

geeft daarvoor het Rijk de beschikking over het instrument Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).<br />

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader<br />

van de rijksoverheid vormt voor <strong>bestemmingsplan</strong>nen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over<br />

bestemmingen, het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het<br />

Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een <strong>bestemmingsplan</strong> bepaalde zaken<br />

uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen<br />

doorwerken tot op lokaal niveau.<br />

Op 30 december 2011 is het eerste deel van het Barro in werking getreden. Dit deel van het Barro<br />

bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>nen te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben<br />

betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren, de ecologische hoofdstructuur en het<br />

Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).<br />

Op 1 oktober 2012 is de tweede deel van het Barro in werking getreden. Dit deel vormt een vertaling<br />

van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie<br />

Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer<br />

radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, het vereenvoudigde regime van de ecologische<br />

hoofdstructuur, reserveringsgebieden voor nieuwe hoofdwegen en spoorlijnen en<br />

reserveringsgebieden voor uitbreiding van enkele bestaande hoofdwegen.<br />

In het Barro zijn geen bepalingen opgenomen die betrekking hebben op herstructurering of recreatie.<br />

Dit beleid stelt geen nadere eisen aan de beoogde ontwikkeling.<br />

Nota Belvedère, over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting (1999)<br />

Het Vecht- en Plassengebied is aangewezen als Belvedèregebied. In de nota staat het beleid ten<br />

aanzien van het cultuurhistorisch en het (te verwachten) archeologisch erfgoed beschreven.<br />

Instandhouding van de cultuurhistorische waardevolle verveningsrestanten, petgaten en de restanten<br />

van eendenkooien, jaagpaden, kaden en weteringen is van essentieel belang. Het is wenselijk de<br />

cultuurhistorische identiteit beter uit te dragen en te beschermen middels <strong>bestemmingsplan</strong>nen.<br />

Het plangebied is een Belvedère-gebied. Dit gebied staat op de Lijst Werelderfgoed dan wel op de<br />

voorlopige lijst Werelderfgoed van Nederland en is een cultuurhistorisch belangrijk gebied. Bij<br />

ontwikkelingen van het stedelijk of landelijk gebied dient te worden stil gestaan bij welke<br />

uitgangspunten gehanteerd moet worden bij de vormgeving daarvan. Historische ordeningsprincipes,<br />

structuren en bouwwerken dienen een belangrijke inspiratiebron te zijn bij het vormgeven van nieuwe<br />

nederzettingsvormen, nieuwe cultuurlandschappen en vormen van waterbeheer. Het betreft<br />

voornamelijk een architectonische benadering.<br />

Uitgangspunt is bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden. Voor de her in te<br />

richten locaties dient een cultuurhistorische analyse uitgevoerd te worden, inclusief archeologisch<br />

onderzoek. De waarnemingen van de cultuurhistorie van het gebied worden nader toegelicht in<br />

paragraaf 5.9 Archeologie en cultuurhistorie.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 14 - voorontwerp


Linieperspectief ‘Panorama Krayenhoff’<br />

De Nieuwe Hollandse Waterlinie is in de Nota Belvedère voorgesteld als 'Nationaal Project' en is in de<br />

derde Architectuurnota (2000) aangewezen als een van de tien ‘Grote Projecten’. Panorama<br />

Krayenhoff bevat het Linieperspectief: de breed gedragen visie op de uitvoering van het 'Nationaal<br />

Project Nieuwe Hollandse Waterlinie'.<br />

De doelstellingen van het 'Nationaal Project' om de Waterlinie te koesteren, zijn:<br />

beschermen van de Waterlinie;<br />

ontwikkelen als groen-blauwe tegenhanger van het stedelijk netwerk;<br />

uitbouwen als onderdeel van de Nederlandse waterbeheersing.<br />

De Vecht is onderdeel van de hoofdverdedigingslijn. De ecologische cluster ‘aan de Vecht’ wordt<br />

beheerd door natuurmonumenten.<br />

Actieprogramma Ruimte en Cultuur (2005)<br />

In dit actieprogramma worden het architectuurbeleid en het Belvedèrebeleid geactualiseerd en in één<br />

programma verbonden. Het belangrijkste doel van het Actieprogramma Ruimte en Cultuur is de<br />

versterking van de ruimtelijke kwaliteit van onze gebouwen, dorpen, steden en landschappen.<br />

Ten aanzien van rode functies streeft deze nota naar een aantrekkelijke woon- en werkomgeving.<br />

Hiervoor moet worden gezocht naar betekenisvolle visies, een betekenisvolle relatie met het verleden<br />

en een goede bovenlokale samenhang. Het ontwerp dient de vorming van het karakter van de<br />

omgeving.<br />

In de Nieuwe Hollandse Waterlinie worden functies zoals recreatie ingepast. Het actieprogramma<br />

bevordert een samenhangende ruimtelijke kwaliteit over de hele linie. De ontwikkeling past binnen de<br />

kaders van het actieprogramma Ruimte en Cultuur.<br />

3.2 Provincie<br />

1e partiële herziening Structuurvisie 2040<br />

Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland hebben op 21 juni 2010 de Structuurvisie 2040<br />

aangenomen. De provincie zet in op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam<br />

ruimtegebruik. In het kader van klimaatbestendigheid dient er ruimte gevonden te worden voor<br />

bescherming tegen wateroverlast, voor voldoende schoon drinkwater en voor duurzame energie. De<br />

ruimtelijke kwaliteit wordt operationeel gemaakt in het behoud van het Noord-Hollandse landschap<br />

door verdere ontwikkeling van de kwaliteit en diversiteit van het landschap. Duurzaam ruimtegebruik<br />

wordt nagestreefd door functies slim te combineren en te zorgen dat deze goed bereikbaar zijn. De<br />

provincie zal bij ruimtelijke beslissingen eerst een afweging maken van deze drie belangen.<br />

Nieuwe Hollandse Waterlinie<br />

Het plangebied valt onder de nieuwe Hollandse Waterlinie. De kernkwaliteiten hiervan worden<br />

gedefinieerd als:<br />

een samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen;<br />

een groen en overwegend rustig karakter;<br />

openheid.<br />

Metropolitane landschap<br />

Het plangebied wordt aangeduid als onderdeel van de 'metropolitane landschappen'. De provincie<br />

geeft aan in deze gebieden extra ambitie te hebben voor de ontwikkeling van recreatiemogelijkheden<br />

en het gebruik van het landschap voor stedelijke functies. Daarbij wordt benadrukt dat het behoud, de<br />

versterking en de ontwikkeling van de groenblauwe structuur van wezenlijk belang is voor de<br />

totstandkoming, kwaliteit en uitstraling van de dynamische regio. De locatie is voorts onderdeel van<br />

het 'intensief recreatief gebied'. Het valt onder de intensieve recreatiegebieden, dicht bij de steden.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 15 - 15 mei 2013


Figuur 3.2: Nieuwe Hollandse Waterlinie (gestreept) en Metropolitane Landschap (donker groen).<br />

Duurzame energie<br />

Noord-Holland streeft naar een situatie waarin ze onafhankelijk zijn van beperkte beschikbare<br />

grondstoffen. De provincie stimuleert en ondersteunt kleinschalige oplossingen voor duurzame<br />

energie. Hiermee bieden ze kansen voor de leefbaarheid en het behoud van de fysieke leefomgeving.<br />

Daarnaast bereid de provincie het areaal aan natuur- en recreatiegebieden uit. Dit zorgt voor het<br />

vasthouden van de CO2 en voor het welzijn van mensen en dieren in de provincie.<br />

Figuur 3.3: Kleinschalige oplossingen voor duurzame energie (licht groen).<br />

Noord-Hollandse cultuurlandschap<br />

De cultuurlandschappen zijn van groot belang voor de aantrekkelijkheid van Noord-Holland. Deze<br />

landschappen worden gekoesterd en benut bij nieuwe ontwikkelingen. De provincie zorgt dat<br />

ontwikkelingen die buiten bestaand bebouwd gebied tot stand komen, plaats vinden op basis van de<br />

karakteristieke eigenschappen, het zogenaamde Landschaps-DNA, van de verschillende<br />

landschappen.<br />

Nieuwe plannen dienen de ontwikkelingsgeschiedenis, de ordeningsprincipes en<br />

bebouwingskarakteristiek van het landschap en de inpassing in de omgeving als uitgangspunt te<br />

hanteren. Mogelijke negatieve effecten dienen te worden gecompenseerd.<br />

Voor het veenweidelandschap, waar het plangebied in ligt, gaat de provincie uit van een<br />

ontwikkelingsgerichte benadering. Ze willen dat de gelaagdheid van het landschap als kernkwaliteit<br />

wordt meegenomen bij ruimtelijke ontwikkelingen.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 16 - voorontwerp


Figuur 3.4: Veenweidelandschap (groen).<br />

Recreatieve voorzieningen<br />

De provincie zet zich in voor het ontwikkelen van een compleet, toegankelijk en samenhangend<br />

regionaal netwerk van recreatieve verbindingen, voor wandelen, fietsen en varen. Er is extra<br />

aandacht voor recreatieve verbindingen tussen natuur- en recreatiegebieden.<br />

Er is behoefte aan ruimte voor groei van toeristische en recreatieve ondernemers. De ruimtevraag<br />

voor deze recreatieve en toeristische voorzieningen valt vrijwel altijd buiten Bestaand Bebouwd<br />

Gebied. Er is vooral veel behoefte aan uitbreidingen van bungalowparken, toeristische plaatsen op<br />

campings en (vergroting van) ligplaatsen in jachthavens.<br />

De provincie Noord-Holland zorgt dat de watersportvoorzieningen binnen de provincie van hoge<br />

kwaliteit zijn en ondersteunt de in ontwikkeling zijnde plannen voor jachthavens. Dit gebeurt onder<br />

voorwaarde dat uit de Passende Beoordeling van de Natuurbeschermingswet er geen negatieve<br />

effecten zijn op de te beschermen natuurwaarden of dat deze negatieve effecten kunnen worden<br />

gecompenseerd.<br />

Figuur 3.5: Intensief recreatiegebied met wandelnetwerk (rood), fietsnetwerk (geel), basisrecreatie<br />

vaarnetwerk (blauw).<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 17 - 15 mei 2013


Bestaand Bebouwd Gebied (BBG)<br />

Het plangebied bevindt zich buiten het Bestaand Bebouwd Gebied (BBG). In figuur 3.6 is te zien dat<br />

BBG versnipperd in het plangebied ligt. Deze versnipperde BBG betreffen voornamelijk<br />

bedrijfswoningen en voorzieningen. In beginsel is in het plangebied geen verstedelijking mogelijk,<br />

tenzij bij de provincie een ontheffing wordt verkregen. De nut en noodzaak van de ontwikkeling moet<br />

dan worden aangetoond. Tevens moet worden gemotiveerd dat er op een zorgvuldige manier met de<br />

aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten wordt omgegaan.<br />

Figuur 3.6: Bestaand Bebouwd Gebied.<br />

2e Wijziging Provinciale Verordening Noord-Holland 2040<br />

Provincies hebben met de inwerkingtreding Wet ruimtelijke ordening de bevoegdheid een ruimtelijke<br />

verordening vast te stellen. In deze verordening stelt de provincie regels met betrekking tot de inhoud<br />

van gemeentelijke <strong>bestemmingsplan</strong>nen, projectbesluiten en beheersverordeningen. Bij het stellen<br />

van deze regels moeten provinciale belangen in het geding zijn.<br />

In een verordening kunnen regels worden opgenomen ter bescherming van specifieke waarden<br />

(zoals natuur-, landschappelijke of cultuurhistorische waarden) of ten behoeve van bepaalde<br />

ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld vestigingsregels voor intensieve veehouderij of<br />

detailhandelsvoorzieningen). De gemeente heeft de plicht <strong>bestemmingsplan</strong>nen aan te passen aan<br />

de provinciale verordening.<br />

De provinciale verordening van Noord-Holland stelt regels voor onder andere de onderstaande<br />

onderwerpen (voor zover voor de gemeente Wijdemeren van belang):<br />

bundeling van verstedelijking en locatiebeleid economische activiteiten;<br />

rijksbufferzones;<br />

ecologische hoofdstructuur;<br />

nationale landschappen (inclusief werelderfgoedgebieden Stelling van Amsterdam en de<br />

Beemster);<br />

het regionaal watersysteem.<br />

Het plangebied is in de verordening aangewezen als landelijk gebied. Dit betekent dat daar geen<br />

bestemmingen worden aangewezen die nieuwe stedelijke functies of nieuwe niet-stedelijke functies<br />

met aanzienlijke ruimtelijke effecten mogelijk maken. De herstructurering van het recreatiecentrum<br />

behoort niet tot verstedelijking.<br />

Recreatiewoningen<br />

De provinciale verordening hanteert de volgende regels die betrekken hebben tot recreatiewoningen:<br />

een <strong>bestemmingsplan</strong> voorziet niet in de mogelijkheid van permanente bewoning van<br />

recreatiewoningen en stacaravans;<br />

een <strong>bestemmingsplan</strong> dat betrekking heeft op een bestaand bedrijfsmatig geëxploiteerd complex<br />

van recreatiewoningen stelt regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie van het<br />

complex.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 18 - voorontwerp


Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Holland<br />

Deze kaart is een uitwerking van de nota Belvedère en geeft inzicht in de archeologische-, historisch-,<br />

stedenbouwkundige- en de historisch-geografische waarden. Cultuurhistorische waarden zijn van<br />

belang voor de identiteit, de herkenbaarheid en het karakter van een gebied of een dorp. De<br />

cultuurhistorische waarden moeten in een vroeg stadium van planontwikkeling worden<br />

geïnventariseerd bij het ontwerp worden gebruikt en bij de vaststelling worden meegewogen. Er moet<br />

onderbouwd worden aangegeven op welke wijze het culturele erfgoed zoveel mogelijk behouden<br />

blijft, hersteld of als inspiratiebron gebruikt wordt voor nieuwe ontwikkelingen.<br />

Milieubeleidsplan<br />

Op 28 september 2009 is door Provinciale Staten het Provinciaal Milieubeleidsplan 2009 - 2013<br />

vastgesteld en in werking getreden. Het plan biedt gemeenten en waterschappen een kader voor hun<br />

beleid en geeft ondernemers en burgers inzicht in toekomstige ontwikkelingen en maatregelen.<br />

Dit Milieubeleidsplan is gericht op de planperiode 2009 - 2013 en gericht op het verbeteren van de<br />

milieukwaliteit met het oog op:<br />

het voorkomen van schade aan de menselijke gezondheid;<br />

het stimuleren van duurzame ontwikkeling in Noord-Holland voor nu en in de toekomst, zonder<br />

afwenteling van de milieubelasting naar elders.<br />

Deze twee doelen staan genoemd in de structuurvisie als provinciale belangen. Verder staan in het<br />

Provinciaal Milieubeleidsplan de volgende acht thema's centraal: afval, bodem, externe veiligheid,<br />

geluid, geur, licht en donkerte, lucht, klimaat en energie. Tevens zijn diverse<br />

milieubeschermingsgebieden aangewezen.<br />

Naast deze twee doelen vervult de provincie een aantal aanvullende taken. Een van de taken is de<br />

bescherming van de grondwaterkwaliteit met het oog op drinkwaterwinning. Voor de aardkundige<br />

monumenten gaat het om behoud van het aanwezige bodemprofiel. Voor de<br />

bodembeschermingsgebieden (behalve aardkundige monumenten) geldt de aanpak 'behoud door<br />

ontwikkeling'.<br />

3.3 Regio<br />

Toeristisch actieplan (TAP) Gooi- en Vechtstreek<br />

Het toeristisch actieplan heeft als doelstelling het tot stand brengen van een samenhangend,<br />

gemeenschappelijk gedragen en op versterking van de regionale economie gerichte toeristisch-<br />

recreatieve visie op lokaal en regionaal niveau. De belangrijkste partners zijn de overheid, het<br />

bedrijfsleven en de VVV. Er word ingezet op kleinschalige ontwikkelingen zoals het verbeteren van de<br />

watersport, arrangementen, agrotoerisme en het benutten van de cultuurhistorische waarden.<br />

De weinige verblijfsrecreatieve mogelijkheden dienen te worden vergroot, mits deze passen binnen<br />

de natuur- en landschappelijke waarden. De waterrecreatieve functie van het vechtplassengebied<br />

blijft gehandhaafd.<br />

Beleidsnotitie Regionaal prostitutiebeleid<br />

De voor het <strong>bestemmingsplan</strong> relevante zaken van het regionale prostitutiebeleid houden het<br />

volgende in:<br />

er wordt een regionaal en gemeentelijk maximumstelsel gehanteerd, waarbij het maximum wordt<br />

gesteld op het per 1 juni 2000 gevestigde aantal bedrijven;<br />

raam- en straatprostitutie wordt niet toegestaan in deze regio.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 19 - 15 mei 2013


3.4 <strong>Gemeente</strong><br />

Welstandsnota Wijdemeren (2011)<br />

Het hoofddoel van de nota is het inzicht verlenen in het welstandsbeleid. Een welstandstoets wordt<br />

verricht door een (welstands)commissie. Deze kan een bouwplan, op basis van welstandscriteria,<br />

afwijzen. In de welstandsnota staan de relevante randvoorwaarden en uitgangspunten voor het<br />

welstandsbeleid.<br />

Voor het plangebied geldt dat de recreatiewoningen moeten aansluiten op de oriëntatie en ontsluiting<br />

van het geheel. Het recreatiegebied heeft een eenvoudige opzet met rechte, smalle<br />

ontsluitingswegen. De openbare ruimte is veelal doelmatig vormgegeven. De bebouwing is<br />

overwegend afgeschermd door hoge, groene hagen of hekwerken. De hoofdvorm dient eenvoudig te<br />

zijn en gebouwen bestaan in het algemeen uit één laag met een plat of licht hellend dak. De aan- en<br />

uitbouwen zijn ondergeschikt.<br />

De detaillering is in het algemeen zorgvuldig en sober. Wijzigingen in stijl, maat en afwerking worden<br />

afgestemd met het hoofdvolume. De gevels zijn van hout of van vergelijkbaar materiaal. Het houtwerk<br />

moet geschilderd of gebeitst zijn. Het materiaal- en kleurgebruik van aan- en uitbouwen dient<br />

afgestemd te worden op het hoofdvolume.<br />

Horecanota 2008<br />

In Wijdemeren zijn veel horecagelegenheden gevestigd. De afgelopen jaren heeft de horecasector in<br />

heel Nederland last gehad van de economische recessie. Bovendien heeft de sector met name in<br />

Wijdemeren te kampen met concurrentie om de ruimte. Inmiddels kruipt de sector uit het dal. Horeca<br />

is belangrijk voor Wijdemeren, vanwege de relatie met toerisme en recreatie, het belang voor de<br />

werkgelegenheid en het (karakteristieke) verblijfsklimaat. Daarom is de visie van Wijdemeren: behoud<br />

en versterking van horeca, met inachtneming van de woon – en leefomgeving, openbare orde en<br />

veiligheid. Om hieraan uitvoering te geven wordt aangehaakt bij de visie Toerisme en Recreatie.<br />

Visie Toerisme en Recreatie<br />

De visie Toerisme en Recreatie zet nadrukkelijk in op samenwerking, marketing en promotie. In deze<br />

visie worden zones voorgesteld waarin product/marktcombinaties een beter profiel kunnen krijgen. De<br />

huidige visie op horeca betekent een trendbreuk met de voormalige beleidspraktijk, die ten aanzien<br />

van horecaontwikkeling meer conserverend was. Deze nieuwe visie op horeca moet er toe leiden dat<br />

in ruimtelijke plannen en bouwaanvragen meer ruimte wordt gegeven aan horecaontwikkeling.<br />

Voor het onderhavige plangebied is geen apart horecabeleid opgenomen.<br />

Beleidsregels parkeernormen van de gemeente Wijdemeren (2006)<br />

De gemeente heeft in 2006 beleidsregels voor parkeren vastgesteld. De parkeernormen zijn bedoeld<br />

voor:<br />

het bevorderen van een goede verkeersafwikkeling;<br />

het beperken van overlast in woongebieden, kwetsbare gebieden, aantasting open ruimte en het<br />

waarborgen van stedenbouwkundige kwaliteit;<br />

het voorkomen van verkeersonveilige situaties;<br />

het inzicht bieden in de te hanteren eisen zodat duidelijkheid vooraf wordt geboden;<br />

het juridisch vastleggen van parkeerbeleid.<br />

3.5 Conclusie<br />

De recreatieve- en waterfuncties blijven gehandhaafd. Hierdoor vormt het beleid geen belemmering<br />

voor de uitvoerbaarheid van dit <strong>bestemmingsplan</strong>.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 20 - voorontwerp


Hoofdstuk 4 Planbeschrijving<br />

4.1 Doelstellingen en uitgangspunten<br />

Vanuit een landschappelijke visie en een inventarisatie van het terrein is er een herinrichtingsplan<br />

voor het plangebied opgesteld. Uit dit herinrichtingsplan komt naar voren dat de bestaande functies<br />

en voorzieningen ongunstig zijn gelegen. Door bepaalde functies en voorzieningen te verplaatsen kan<br />

het recreatiegebied functioneel versterkt worden.<br />

Parkeren en wegen<br />

Een uitgangspunt uit het herinrichtingsplan is het verbeteren van parkeervoorzieningen en wegen. De<br />

parkeervoorzieningen bij de Oude Haven en achter de receptie kunnen beter worden gesitueerd. Dit<br />

is mogelijk door de parkeervoorzieningen te verplaatsen aan de noordzijde van het gebied, achter de<br />

bestaande groenstrook en binnen de geluidszone van de Bloklaan. Hierdoor komt bij de haven ruimte<br />

vrij voor chalets en andere functies die aan het water liggen. De wegen zijn verouderd en toe aan een<br />

opknapbeurt.<br />

CROW-publicatie 317 'kencijfers parkeren' geeft een gemiddeld parkeernorm voor een recreatiepark.<br />

Voor een recreatiepark in het buitengebied niet stedelijk: 2,0 - 2,2. Daarbij wordt uitgegaan van een<br />

gemiddelde woninggrootte met 5,5 bedden. Er dient rekening gehouden te worden met 2<br />

parkeerplaatsen per recreatiewoning. Ten behoeve van inchecken is een parkeervoorziening bij de<br />

entree gewenst. Het aantal parkeerplaatsen is 5 tot 10% van het aantal recreatiewoningen. Dit zijn<br />

22 á 44 parkeerplaatsen.<br />

Woonboot/jachthaven<br />

In het westelijke deel van het plangebied wordt de woonboot en jachthaven uitgebreid. Dit gaat ten<br />

koste van de in verval geraakte werf/werkhaven. De werf/werkhaven zal naar de noordrand van het<br />

plangebied zal worden verplaatst.<br />

De haven wordt benaderd als een kleinschalige dorpshaven. Qua aard en omvang past deze<br />

havenbenadering in de context van dit gebied. Bij een kleinschalige dorpshaven is sprake van een<br />

harmonisch samengaan van bebouwing en groen. De oever is openbaar toegankelijk. Er is sprake<br />

van een evenwichtige overgang en ruimtelijk samenhang tussen de haven en het recreatiecentrum.<br />

Zichtlijnen<br />

De zichtlijnen binnen het terrein en naar buiten toe worden verbeterd. Hierbij wordt gestreefd naar<br />

zichtlijnen van het recreatiecentrum naar de Loosdrechtse Plassen, maar ook vanaf de Bloklaan naar<br />

de rivier de Drecht. Zo ontstaat er van buitenaf een beeld van een recreatiegebied aan het water. Er<br />

ontstaat hierdoor meer interactie tussen het recreatiegebied en het omliggende gebied. Tevens<br />

ontstaan er meer standplaatsen aan het water.<br />

Het herinrichtingsplan met zichtlijnen door het terrein en het naar binnen halen van het water (aan de<br />

zuidzijde) versterkt het functioneren van het gebied intern. Extern zorgt dit voor een verbetering van<br />

de relatie met groen en water en wordt tevens de bestaande ruimtelijke geleding versterkt.<br />

Omgeving plangebied<br />

Het recreatiecentrum wordt aan de noord-, oost- en zuidrand begrensd door een groene omzoming<br />

(bomen en struiken). Hierdoor sluit het recreatiecentrum aan bij het groene karakter van de<br />

omgeving. Voor een goede landschappelijke inpassing van het recreatiegebied is het handhaven van<br />

deze groene randen dan ook van essentieel belang. Daarnaast dient de maximale bouwhoogte<br />

zodanig te zijn dat de bebouwing niet boven de opgaande begroeiing uitsteekt. Het recreatiecentrum<br />

dient als 'groen' te worden aangemerkt, waar hooguit op een enkele plek bebouwing kan<br />

doorschemeren.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 21 - 15 mei 2013


4.2 Ontwikkelingen<br />

De gehele camping en de terreinen worden herontwikkeld. De opstelplaatsen worden verruimd en er<br />

worden nieuwe recreatiewoningen gebouwd. Gezien de ligging aan het water, hebben bijna alle<br />

recreatiewoningen een plek aan het water gekregen.<br />

Door het spreiden van de herstructurering is het mogelijk de continuïteit te houden in de exploitatie<br />

van <strong>Mijnden</strong>. Per fase wordt het terrein herontwikkeld, waarbij wordt uitgegaan van verschillende<br />

thema's. De beoogde faseringen zijn gebaseerd op een evenwichtige spreiding van de<br />

maatschappelijke en economische belangen. Door deze ontwikkeling en kwaliteitsimpuls is het ook<br />

mogelijk de centrumvoorzieningen in stand te houden en verder uit te bouwen.<br />

Figuur 4.1: Deelgebieden van het plangebied.<br />

Deelgebied 1 Hazendrecht<br />

In dit deelgebied worden twee typen recreatiewoningen gerealiseerd. Het eerste type recreatiewoning<br />

heeft een oppervlakte van 70 m 2 en bestaat uit twee bouwlagen in de vorm van een souterrain/kelder<br />

en een verdieping. Deze recreatiewoningen zijn gedeeltelijk verdiept. Het tweede type<br />

recreatiewoning heeft een oppervlakte van 55 m 2 . Deze heeft één bouwlaag. Het aantal<br />

recreatiewoningen is 59. Deze recreatiewoningen worden gerealiseerd op percelen met een<br />

oppervlakte van 400 m 2 tot 730 m 2 . Hierdoor is er sprake van een ruime en open opzet.<br />

Deelgebied 2 Fazantenveld<br />

Dit deelgebied is opgesplitst in twee delen: oost en west.<br />

Ook in dit gedeelte worden de recreatiewoningen (zoals in deelgebied 1 Hazendrecht) gerealiseerd.<br />

Het totaal aantal recreatiewoningen is 90.<br />

Oost<br />

De herinrichting van dit terrein is, vanwege de onttrekking van het bestaande parkeerterrein nabij de<br />

receptie, ter compensatie noodzakelijk. Hier ligt een koppeling met de ontwikkeling van andere<br />

deelgebieden. Naast het realiseren van een parkeerplaats blijft er op dit terrein ruimte voor<br />

14 recreatiewoningen.<br />

West<br />

De trekgaten worden verlegd tot in het Fazantenveld. Door deze herstructurering kunnen er<br />

24 recreatiewoningen worden gerealiseerd.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 22 - voorontwerp


Deelgebied 3 Oost terrein<br />

Dit deel is al gerealiseerd. In dit deel zijn chalets aan het water te vinden. In totaal bevinden zich hier<br />

78 chalets met een parkeerterrein. Het parkeerterrein biedt plaats voor 211 auto's en wordt in de<br />

winter gebruikt als opslag voor boten.<br />

Deelgebied 4 Camping<br />

Dit gebied is specifiek bedoeld voor kamperen. Overnachten is mogelijk in tenten, caravans en<br />

campers. In het noordelijke deel van dit terrein, direct boven de interne ontsluitingsweg zijn drie<br />

blokhutten gerealiseerd. Dit aantal wordt uitgebreid naar maximaal 7. Tevens worden er ook 25<br />

staanplaatsen voor campers gerealiseerd. Het grootste deel van dit gebied is gereserveerd voor 167<br />

kampeerplaatsen.<br />

Deelgebied 5 Jachthaven<br />

De jachthaven van <strong>Mijnden</strong> wordt benaderd als 'kleinschalige dorpshaven'. Dit deelgebied heeft een<br />

open karakter. Bebouwing en groen gaan hier samen.<br />

Naast opslagmogelijkheden voor zand, grond en verhardingsmateriaal is er een werkplaats voor de<br />

technische dienst, stalling voor materieel, als ook een bedrijfswoning. De bedrijfswoning vormt een<br />

onderdeel van de bewakingsstructuur van <strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong>.<br />

In dit deelgebied wordt een ligplaats voor 22 woonschepen gerealiseerd.<br />

Een woonschip binnen een jachthaven krijgt een maximale inhoud van 350 m 3 , met daarbij de<br />

maximale maten van 20 meter voor de lengte, 6 meter voor de breedte en 3,5 meter voor de hoogte.<br />

Een woonschip buiten een jachthaven krijgt een maximale inhoud van 224 m 3 , net daarbij de<br />

maximale maten van 17 meter voor de lengte, 5 meter voor de breedte en 3,5 meter voor de hoogte.<br />

Deelgebied 6 Kleine jachthaven<br />

De kleine jachthaven ligt aan het centrumgedeelte van het recreatiecentrum. Het aantal<br />

aanlegplaatsen blijft 20.<br />

Deelgebied 7 Centrum en jachthaven<br />

Dit deelgebied is in twee delen opgesplitst: noord en zuid. Beide delen vormen de entree van het<br />

recreatiecentrum.<br />

Noord<br />

Vanaf de Bloklaan is de entree naar het recreatiegebied ontwikkeld. In dit gedeelte is dan ook de<br />

receptie te vinden. Naast de receptie liggen ongeveer 200 parkeerplaatsen.<br />

Ten behoeve van de dagrecreatie zijn in dit gedeelte een speelweide, recreatievijver en een ligweide<br />

ontwikkeld.<br />

Zuid<br />

Vanaf het water is hier de entree tot het recreatiegebied. Recreanten kunnen het recreatieterrein<br />

vanaf het water bereiken met hun boot. Dit gedeelte heeft dan ook een steiger en een ligplaats voor<br />

boten.<br />

Hier is ook het centrumgedeelte te vinden. Er is hier een restaurant, fiets- en kanoverhuur, snackbar<br />

en een wasserij gesitueerd.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 23 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 24 - voorontwerp


Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten<br />

5.1 Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)<br />

Wettelijk kader<br />

Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit<br />

m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een <strong>bestemmingsplan</strong> dat kaderstellend is voor of een<br />

besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen.<br />

Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Van andere<br />

projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor<br />

het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. Hierbij<br />

geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet<br />

als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met<br />

grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III,<br />

van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de<br />

projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat<br />

wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze<br />

beoordeling beknopt kan zijn.<br />

Situatie plangebied<br />

Voor het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van een haven voor de binnenscheepvaart, waaronder ook<br />

jachthavens, dient een m.e.r.-procedure doorlopen te worden. Dit plan voorziet niet in een wijziging of<br />

uitbreiding van een jachthaven. Het zal dan ook geen gevolgen hebben voor de beoordeling van<br />

negatieve milieueffecten. De uitbreiding of realisatie van de overige voorzieningen staan niet op de C<br />

of D lijst uit het Besluit m.e.r. Het is dan ook niet aannemelijk dat deze voorzieningen op deze plek de<br />

milieusituatie aantast. Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot het moeten<br />

uitvoeren van een m.e.r.<br />

Conclusie<br />

Op basis van bovenstaand is een m.e.r.-beoordeling of procedure niet nodig.<br />

5.2 Bedrijven en milieuzonering<br />

Wettelijk kader<br />

In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan hinder door bedrijven in algemene zin.<br />

Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder veroorzaken door onaangename geuren, lawaai, stof, trillingen of<br />

drukke verkeersbewegingen. Het is daarom wenselijk als bedrijfsactiviteiten of andere<br />

milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies<br />

zijn gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse <strong>Gemeente</strong>n (VNG) heeft hiervoor een handreiking<br />

opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009).<br />

In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen<br />

bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe<br />

bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe<br />

woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf<br />

heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom<br />

ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden<br />

kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een<br />

rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In figuur 5.1 zijn de richtafstanden<br />

weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar<br />

en geur. De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën<br />

die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1.500 meter.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 25 - 15 mei 2013


Milieucategorie Richtafstanden tot een 'rustige Richtafstanden tot een 'gebied<br />

woonwijk'<br />

met menging van functies'<br />

1 10 meter 0 meter<br />

2 30 meter 10 meter<br />

3 50-100 meter 30-50 meter<br />

4 200-300 meter 100-200 meter<br />

5 500-1.000 meter 300-700 meter<br />

6 1.500 meter 1.000 meter<br />

Afbeelding 5.1: Richtafstanden per milieucategorie.<br />

De VNG-publicatie blijft een richtlijn, waarin in algemene zin richtafstanden zijn bepaald op basis van<br />

gemiddelde productieprocessen. Het kan daarom zinvol zijn om in specifieke situaties de bewuste<br />

bedrijven nader te beschouwen op hun bedrijfsactiviteiten. Het kan immers zo zijn dat een specifiek<br />

bedrijf er een andere bedrijfsvoering op nahoudt, waardoor de hinder minder is dan wat op grond van<br />

de VNG-publicatie wordt ingeschat.<br />

Bovendien moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer/Wet<br />

algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning milieu) of op basis van het Besluit<br />

algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen. Deze<br />

voorschriften hebben onder meer als doel de hinder voor de omgeving te reguleren en op een<br />

acceptabel niveau te houden. Deze voorschriften bieden daarom ook inzicht in de hindersituatie.<br />

Situatie plangebied<br />

In het plangebied is een aannemersbedrijf aanwezig. De maximale milieucategorie van dit bedrijf is 2<br />

volgens de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (1999). De grootste aan te houden afstand<br />

ten opzichte van woningen bedraagt hierbij 30 meter.<br />

Conclusie<br />

De afstand tussen de (recreatie)woningen en het aannemersbedrijf bedraagt minimaal 30 meter.<br />

Hierdoor vormt het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid<br />

van dit <strong>bestemmingsplan</strong>.<br />

5.3 Verkeer<br />

Wettelijk kader<br />

Voor een goede ruimtelijke ordening is een goede verkeersafwikkeling en een veilige<br />

verkeersontsluiting van alle modaliteiten van belang. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige<br />

aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren<br />

van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te<br />

onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende<br />

maatregelen te kunnen nemen.<br />

Situatie plangebied<br />

De vraag doet zich voor of dit <strong>bestemmingsplan</strong> effect heeft op de verkeersgeneratie van het gebied.<br />

Om deze vraag te beantwoorden is een mobiliteitstoets uitgevoerd. Deze is als Bijlage 1 opgenomen.<br />

Conclusie<br />

Uit de mobiliteitstoets blijkt dat dit <strong>bestemmingsplan</strong> een gering effect heeft op de verkeersintensiteit<br />

van de provinciale weg N403/Bloklaan. De toename is minder dan 2,5% ten opzichte van de<br />

autonome ontwikkeling. De provinciale weg N403/Bloklaan kan deze geringe toename zonder<br />

problemen opvangen.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 26 - voorontwerp


5.4 Luchtkwaliteit<br />

Wettelijk kader<br />

Luchtvervuiling is schadelijk voor de volksgezondheid en het milieu. Verkeer, industrie en<br />

huishoudens brengen grote hoeveelheden schadelijke stoffen in de lucht. Het doel van de op 15<br />

november 2007 van kracht geworden ‘Wet luchtkwaliteit’, als onderdeel van de Wet milieubeheer, is<br />

mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De wet bevat luchtkwaliteitsnormen<br />

voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en<br />

benzeen. In de wet is aangegeven in welke gevallen gemeenten en provincies de luchtkwaliteit in<br />

kaart moeten brengen en wanneer zij maatregelen dienen te treffen. Nieuw is, naast de wijzigingen in<br />

de Wet luchtkwaliteit, een aantal nieuwe Ministeriële regelingen en Algemene Maatregelen van<br />

Bestuur (AMvB’s). Een van deze nieuwe AmvB’s is de AmvB ‘Niet in Betekende mate' (NIBM).<br />

Projecten die ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen, hoeven niet<br />

meer afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van<br />

grenswaarden).<br />

<strong>Gemeente</strong>lijk kader<br />

In de gemeente Wijdemeren zijn geen overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen geconstateerd.<br />

In het 'Rapport luchtkwaliteit Wijdemeren 2011' zijn de luchtemissies van stikstofdioxide (NO2), fijn<br />

stof (PM10), benzeen en koolstofmonoxide (CO) onderzocht. Op een aantal locaties is de<br />

luchtkwaliteit enigszins gestegen of gedaald. De oorzaak hiervan is onder meer te vinden in het<br />

nauwkeurig meten door het Landelijk meetnet luchtkwaliteit. De fluctuaties zijn echter te klein om van<br />

een structurele verbeterde of verslechterde luchtkwaliteit te spreken. De concentraties aan fijn stof<br />

zijn in de gemeente gedaald. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit.<br />

Situatie plangebied<br />

De herinrichting van het recreatiecentrum brengt dusdanig kleine veranderingen met zich mee die<br />

geen gevolgen hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Ook de toename van de verkeersintensiteit in<br />

minimaal.<br />

Conclusie<br />

Het aspect 'Luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>.<br />

5.5 Geluidhinder<br />

Wettelijk kader<br />

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van<br />

geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de<br />

zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de<br />

voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet<br />

van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare<br />

geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van<br />

geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de<br />

voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van<br />

geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk.<br />

Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde)<br />

en wordt via een formele procedure vastgelegd.<br />

Wegverkeerslawaai<br />

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering<br />

hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van<br />

het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 27 - 15 mei 2013


Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening<br />

met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk<br />

en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen.<br />

In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke<br />

gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone<br />

van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom<br />

gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform<br />

deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied.<br />

Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie<br />

van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van<br />

stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn<br />

burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde<br />

voor de geluidbelasting.<br />

Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag, alvorens te toetsen aan de<br />

geldende grenswaarden, een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek<br />

bedraagt:<br />

2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur;<br />

5 dB voor overige wegen.<br />

De Wet geluidhinder geeft geen normstelling voor kampeerplaatsen en recreatiewoningen.<br />

Situatie plangebied<br />

De herinrichting van het recreatiecentrum heeft qua geluidsnormen geen gevolgen voor de<br />

recreatiewoningen. De recreatiewoningen komen niet dichter bij de Bloklaan te liggen. Daarnaast is<br />

uit het verkeersonderzoek gebleken dat er slechts een minimale toename van het verkeer verwacht<br />

wordt. Deze toename is dusdanig klein dat dit geen gevolgen heeft voor de geluidbelasting op de<br />

recreatiewoningen in het plangebied.<br />

Conclusie<br />

De geluidbelasting als gevolg van de ontwikkeling zal niet toenemen ten opzichte van de huidige<br />

situatie. Geluid vormt daarom geen belemmering voor dit <strong>bestemmingsplan</strong>.<br />

5.6 Externe veiligheid<br />

Wettelijk kader<br />

Externe veiligheid betreft de kans op overlijden voor burgers (aanwezig in bebouwing of<br />

verblijfsgebieden grenzend aan risicobronnen) als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij<br />

de risicobron. Risicobronnen kunnen bedrijven zijn, maar ook het transport van gevaarlijke stoffen<br />

over wegen, vaarwegen en spoorwegen en via buisleidingen. Ook risico's veroorzaakt door<br />

windturbines (afvallen rotorbladen) en dalend en stijgend vliegverkeer bij vliegvelden, wordt gerekend<br />

tot de externe veiligheidsrisico's.<br />

Dit risico wordt uitgedrukt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden<br />

risico is de overlijdenskans per jaar als gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij een<br />

ongeval. Dit kan op een kaart worden weergegeven met behulp van contouren. Het groepsrisico<br />

betreft de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden bij een ongeval met<br />

gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico kan met behulp van een diagram worden weergegeven.<br />

Bevi<br />

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) in werking getreden.<br />

Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld<br />

vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. De norm voor het<br />

plaatsgebonden risico is vastgesteld op 10 -6 per jaar. Voor kwetsbare objecten, zoals woningen en<br />

scholen, is dit een grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten, zoals bedrijfsgebouwen en<br />

sporthallen, is dit een richtwaarde.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 28 - voorontwerp


Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en geeft ook aan hoe deze veiligheidseisen<br />

doorwerken in plannen voor de ruimtelijke ordening. Op grond van het besluit wordt in een<br />

ministeriële regeling voor een aantal bedrijfssectoren (LPG-tankstations, opslag van gevaarlijke<br />

stoffen (PGS 15), ammoniakkoelinstallaties) vaste veiligheidsafstanden vastgelegd. Voor de overige<br />

bedrijven wordt de veiligheidsafstand met een risicoberekening bepaald. Bij het maken van een<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> moeten gemeenten hiermee rekening houden.<br />

Het Bevi bevat geen wettelijke grenswaarde voor het groepsrisico; wel geldt op basis van het Bevi<br />

een verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico in het gebied rondom de inrichting. Er is<br />

een oriëntatiewaarde bepaald, die aangeeft wanneer de kans dat bij een ongeval 10,100 of 1.000<br />

doden vallen, voldoende klein is. Dit geeft houvast bij de beoordeling bij welke bevolkingsdichtheid in<br />

de omgeving van een risicobedrijf er nog sprake is van een voldoende veilige situatie. De gemeente<br />

dient verantwoording af te leggen met betrekking tot het groepsrisico. Het bevoegd gezag motiveert -<br />

kort gezegd - in ieder geval:<br />

het aantal personen in het invloedsgebied;<br />

het groepsrisico;<br />

de mogelijkheden tot risicovermindering;<br />

de alternatieven;<br />

de mogelijkheden om de omvang van de ramp te beperken;<br />

de mogelijkheid tot zelfredzaamheid.<br />

Naast de verantwoording van het groepsrisico moet advies worden gevraagd aan de regionale<br />

brandweer over het groepsrisico en de mogelijke gevolgen van het <strong>bestemmingsplan</strong> voor de<br />

mogelijkheden van rampbestrijding en de zelfredzaamheid van de bevolking binnen het<br />

invloedsgebied van het bedrijf.<br />

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)<br />

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit<br />

besluit is vergelijkbaar met het Bevi, maar dan van toepassing op buisleidingen voor het transport van<br />

gevaarlijke stoffen. Het gaat om buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van meer<br />

dan 50 mm (1,97 inch) en een druk van meer dan 1.600 kPa (16 bar) en om buisleidingen voor<br />

aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm (2,76 inch) en een druk van<br />

meer dan 1.600 kPa. Buiten de regels over het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het<br />

groepsrisico is in het Bevb bepaald dat in een <strong>bestemmingsplan</strong> de ligging van buisleidingen wordt<br />

weergeven en dat een regeling wordt opgenomen voor de belemmeringenstrook. Deze<br />

belemmeringenstrook ligt op vijf meter aan weerszijden van de buisleiding of vier meter in geval van<br />

aardgasleidingen met een druk tussen 1.600 en 4.000 kPa.<br />

Situatie plangebied<br />

Stationaire inrichtingen<br />

In de nabijheid van het plangebied zijn twee bovengrondse propaantanks met een inhoud van 3.000<br />

liter aanwezig (www.risicokaart.nl, bezocht op 24 april 2013). Beide tanks liggen ten noorden van de<br />

N403/Bloklaan, zie figuur 5.1. De risicoafstand van de oostelijke tank bedraagt 9 meter en van de<br />

westelijke tank 12 meter. De PR10-6 contouren van de tank reiken niet tot het plangebied en<br />

daarmee is het plaatsgebonden risico niet relevant voor het plangebied.<br />

Voor het groepsrisico is het invloedsgebied (1% letaliteit) van belang. Het invloedsgebied van de<br />

oostelijke tank is volgens de risicokaart 65 meter. De contour ligt buiten het recreatiegebied en deze<br />

tank is daarom niet van belang voor het groepsrisico. Het invloedsgebied van de westelijke tank<br />

bedraagt 235 meter. Een deel van het plangebied ligt binnen de contour: het parkeerterrein en een<br />

aantal recreatiewoningen. Een parkeerterrein is geen locatie waar gedurende langere tijd mensen<br />

verblijven. De functie van het parkeerterrein zal niet wijzigen in het nieuwe <strong>bestemmingsplan</strong> en het<br />

aantal parkeerplaatsen evenmin. Ook de recreatiewoningen binnen de contour wijzigen niet. Omdat<br />

het nieuwe <strong>bestemmingsplan</strong> geen toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied van<br />

de tank beoogt, zal het groepsrisico niet veranderen. Verantwoording van het groepsrisico is daarom<br />

niet nodig.<br />

Verder ligt ook een gedeelte van het belendende bedrijfsterrein binnen de contour. Het<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> heeft hier echter geen betrekking op.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 29 - 15 mei 2013


Afbeelding 5.2. Propaantanks: PR 10-6 contour (zwart) en invloedsgebied (roze gebied)<br />

Transport van gevaarlijke stoffen<br />

Direct ten noorden van het plangebied loopt de provinciale weg N403/Bloklaan. De PR10-6 contour<br />

van deze weg ligt volgens de risicokaart op 0 meter, op de as van de weg. Het plangebied ligt dus<br />

buiten de PR10-6 contour.<br />

Het groepsrisico van de weg is weergegeven in de 'Beleidsvisie Externe Veiligheid Gooi en<br />

Vechtstreek' (maart 2010) en de actualisatie 'Externe veiligheid: groepsrisicokaart regio Gooi en<br />

Vechtstreek' (7 maart 2013). In figuur 5.2 is het betreffende deel van de N403 te zien. Het<br />

groepsrisiconiveau in de huidige situatie is kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde.<br />

Afbeelding 5.3. Uitsnede groepsrisicokaart regio Gooi en Vechtstreek (Bron: Externe veiligheid:<br />

groepsrisicokaart regio Gooi en Vechtstreek, 7 maart 2013).<br />

Door de voorgenomen verandering zal het aantal personen in het plangebied in geringe mate<br />

toenemen. In tabel 5.1 is een overzicht gegeven. Anticiperend op het komende Besluit Externe<br />

Veiligheid Transportroutes kan op grond van artikel 8, lid 2 worden gezegd dat verantwoorden van het<br />

groepsrisico niet nodig is.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 30 - voorontwerp


Tabel 5.1: Aantal personen binnen plangebied<br />

In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich geen spoorlijn of waterweg waarover vervoer<br />

van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Evenmin is in de omgeving een buisleiding voor transport van<br />

gevaarlijke stoffen aanwezig. Deze aspecten zijn dus niet aan de orde.<br />

Conclusie<br />

De beoordeling van de externe veiligheid met betrekking tot het recreatiegebied <strong>Mijnden</strong> leidt tot de<br />

volgende conclusies:<br />

Inrichtingen waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, bevinden<br />

zich op voldoende afstand van het plangebied;<br />

Voor de rijksweg N403/Bloklaan, die direct ten noorden van het recreatieterrein ligt, is geen<br />

PR10-6 contour van toepassing. Het huidige groepsrisico is kleiner dan 0,1 keer de<br />

oriëntatiewaarde. De toename van het aantal personen in het plangebied in de toekomstige<br />

situatie is zo gering dat verantwoorden van het groepsrisico niet nodig is;<br />

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen of spoorwegen met structureel<br />

vervoer van gevaarlijke stoffen.<br />

5.7 Bodemkwaliteit<br />

Wettelijk kader/inleiding<br />

In verband met de uitvoerbaarheid van het <strong>bestemmingsplan</strong> dient onderzoek verricht te worden naar<br />

de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare<br />

bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de<br />

bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar<br />

sprake is van herbestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie<br />

vooraf achterwege blijven.<br />

Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van<br />

de bodem benodigd. Bouw kan pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt)<br />

voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel<br />

van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe<br />

(vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit<br />

bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te<br />

vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient<br />

vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem<br />

wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd.<br />

Onderzoek<br />

Binnen het plangebeid zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd:<br />

Van Gent Van der Reest: Rapport buitensteigers september 2004, nummer R7129-RvG/ap;<br />

Optifield: Verkennend bodemonderzoek november 2006, Rapport nummer LOE.06870;<br />

Optifield: Verkennend bodemonderzoek november 2006, Rapport nummer LOE.06875;<br />

Grondslag: Verkennend waterbodemonderzoek mei 2001,Rapport 1654-AA/PV;<br />

Grondslag: Verkennend waterbodemonderzoek mei 2001,Rapport 1654-AA1/PV;<br />

Grondslag: Verkennend waterbodemonderzoek mei 2001,Rapport 1654-AA2/PV;<br />

Grondslag: Verkennend waterbodemonderzoek mei 2001,Rapport 1654-AA3/PV;<br />

Grondvitaal BV: Asbestinventarisatie (daken van gebouwen zijn in 2011 gesaneerd).<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 31 - 15 mei 2013


Resultaten<br />

Op het terrein van <strong>Mijnden</strong> zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken blijkt<br />

dat in de boven- en ondergrond sprake is van een lichte verontreiniging van zware metalen (lood,<br />

zink, koper, kwik) en PAK's. Deze verontreinigingen zijn geen belemmering voor de herontwikkeling<br />

van het recreatiecentrum. Daarbij is er geen aanleiding te veronderstellen dat zich na de genoemde<br />

onderzoeken belangrijke wijzigingen of verslechteringen in de bodemsituatie hebben voorgedaan,<br />

onder meer gelet op het continue gebruik als recreatieterrein.<br />

5.8 Ecologie<br />

Wettelijk kader<br />

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving,<br />

waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De<br />

soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in<br />

de Natuurbeschermingswet 1998.<br />

Soortenbescherming<br />

Het doel van de Flora- en faunawet is het instandhouden en beschermen van in het wild<br />

voorkomende planten- en diersoorten. De Flora- en faunawet kent zowel een zorgplicht als<br />

verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en<br />

hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke<br />

handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er<br />

kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie<br />

beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen<br />

beschermde soorten (tabel 1) geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de<br />

overige beschermde soorten (tabel 2) is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een<br />

goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten (tabel 3) kan enkel afgeweken worden<br />

na een uitgebreide toetsing.<br />

Gebiedsbescherming<br />

Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna<br />

binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones<br />

volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van de Ecologische<br />

Hoofdstructuur (EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk<br />

onderdeel van de Natuurbeschermingswet is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor<br />

handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten,<br />

waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er<br />

schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te<br />

maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die<br />

kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet.<br />

Situatie plangebied<br />

Het plangebied ligt in het Groene hart en direct naast Ecologisch Hoofdstructuur. Het plangebied ligt<br />

niet of nabij een Natura 2000 gebied. Wel is het gebied direct naast het plangebied aangewezen als<br />

gebied dat onder de Vogel- en Habitatrichtlijn valt.<br />

Om de ecologische situatie ter plaatse te onderzoeken is een ecoscan uitgevoerd. Deze is als Bijlage<br />

2 opgenomen.<br />

De belangrijkste conclusies zijn in de onderstaande tabel weergegeven:<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 32 - voorontwerp


Conclusie<br />

Uit het onderzoek is gebleken dat een aantal beschermde soorten hinder kan ondervinden van de<br />

herinrichting van het recreatiecentrum. Er wordt overwogen of nader onderzoek noodzakelijk is ten<br />

behoeve van dit <strong>bestemmingsplan</strong>. In het ontwerp<strong>bestemmingsplan</strong> zal hier duidelijkheid over komen.<br />

5.9 Archeologie en cultuurhistorie<br />

Wettelijk kader<br />

Nota Belvedère, over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting (1999)<br />

Het Vecht- en Plassengebied is aangewezen als Belvedèregebied. In de nota staat het beleid ten<br />

aanzien van het cultuurhistorisch en het (te verwachten) archeologisch erfgoed beschreven. De<br />

directe omgeving rond Kortenhoef wordt getypeerd als veenweidelandschap, waar zeer lange<br />

verkavelingen, soms in waaiervorm, en karakteristieke lintbebouwing langs de ontginningsassen met<br />

waardevolle boerderijen voorkomen. Instandhouding van de cultuurhistorische waardevolle<br />

verveningsrestanten, petgaten, restanten van eendenkooien, jaagpaden, kaden en weteringen is van<br />

essentieel belang. Het is wenselijk de cultuurhistorische identiteit beter uit te dragen en te behouden.<br />

De provincie Noord-Holland heeft deze nota uitgewerkt in een provinciale cultuurnota. Hierin wordt<br />

nader ingegaan op de cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.<br />

Notitie ‘Cultuur op de kaart’ 2011<br />

Cultuur op de kaart 2009-2012 blijft gehandhaafd als cultuurnota Noord Holland, maar de Kaderbrief<br />

is in de komende jaren leidend bij de uitvoering van het beleid. De beleidsvisie is vertaald naar drie<br />

thema’s:<br />

1. Levend Verleden<br />

2. Genieten en Meedoen<br />

3. Mooi Noord-Holland.<br />

De activiteiten binnen de thema's Levend Verleden en Mooi Noord-Holland van Cultuur op de Kaart<br />

worden grotendeels voortgezet omdat ze passen binnen de provinciale kerntaak cultuurhistorie.<br />

Binnen het thema Genieten en Meedoen worden de wettelijke taken en de afspraken met het<br />

Ministerie OCW en het Fonds voor Cultuurparticipatie gecontinueerd.<br />

In het thema Levend Verleden wordt ingezet op het behoud van Noord-Hollands Erfgoed. Door een<br />

sterk bewustzijn van de Noord-Hollandse geschiedenis en het aanwezige erfgoed voelen<br />

Noord-Hollanders zich meer verbonden met elkaar, met hun omgeving en met hun wortels.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

Voorontwerp - 33 - 15 mei 2013


In het thema Genieten en Meedoen gaat het om Noord-Hollanders kunst en cultuur te laten<br />

ontdekken. Doordat men zelf cultuur beleeft of kunst maakt, kan men meer leren over hun eigen<br />

cultuur en die van anderen en hun eigen creatief talent ontdekken.<br />

In het thema Mooi Noord-Holland is het van belang dat de culturele en cultuurhistorische waarden<br />

van Noord-Holland een volwaardige plek krijgen in ruimtelijke ordeningsopgaven en als uitgangspunt<br />

of als inspiratie laten dienen bij de ruimtelijke ontwikkelingen die in de toekomst komen.<br />

Uitwerking van de Kaderbrief 2011 voor de cultuurnota 2009-2012<br />

Levend Verleden en Mooi Noord-Holland<br />

De meeste activiteiten op terrein van archeologie, monumenten, erfgoed en culturele planologie<br />

vallen binnen de kerntaak cultuurhistorie en worden dan ook grotendeels voortgezet. Het gaat dan<br />

om:<br />

de Monumentenwacht;<br />

het (wettelijke) provinciale archeologiebeleid inclusief het depot;<br />

de UVR cultuurhistorische waarden (Kranenburgfonds);<br />

Steunpunt Monumenten en Archeologie (Cultuurcompagnie);<br />

Opdrachten Culturele Planologie;<br />

Cultuurhistorische Informatiekaart.<br />

De Molenprijs, het flexibele 20% budget van Cultureel Erfgoed Noord-Holland en het onderdeel<br />

musea van de Uitvoeringsregeling Programmering en Publiek komen te vervallen. In de Kaderbrief<br />

2011 wordt in het kader van de beleidsaccenten voorgesteld eenmalig 6 miljoen euro extra te storten<br />

in het monumentenfonds (Kranenburgfonds) voor restauratie en herbestemming van monumenten. Er<br />

zal een voorstel worden gemaakt voor de besteding van dit budget.<br />

Genieten en Meedoen<br />

Binnen het thema Genieten en Meedoen worden de volgende activiteiten voortgezet:<br />

ProBiblio als wettelijke taak;<br />

RTVNH als wettelijke taak;<br />

de afspraken met het Programmafonds Cultuurparticipatie tot 2013;<br />

binnen het programmafonds gaat het om:<br />

1. UVR flitsregeling basisscholen;<br />

2. UVR samenwerkingsprojecten cultuureducatie;<br />

3. UVRs amateurkunst;<br />

4. Media-educatie;<br />

5. Voorbeeldprojecten cultuureducatie;<br />

6. Voorbeeldprojecten amateurkunst/talentontwikkeling.<br />

Als gevolg van de afbouw van de 7 kunsteducatie instellingen en De Kunst, de steunfunctie<br />

amateurkunst, zal het Programma Cultuurparticipatie in 2011 en 2012 op de onderdelen<br />

cultuureducatie en amateurkunst iets worden aangepast. De 4-jarige cofinanciering van de<br />

jeugdtheatergezelschappen, op basis van het Convenant met OCW, zal ook tot 2013 worden<br />

gecontinueerd. Deze kosten worden in 2011 en 2012 gedekt uit het budget voor afbouwkosten.<br />

Wet op de Archeologische Monumentenzorg<br />

Ter implementatie van het Verdrag van Malta is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische<br />

Monumentenzorg in werking getreden. In deze wet is vastgelegd dat gemeenten in het kader van<br />

ruimtelijke ordening ook rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. In dat kader dient<br />

bij de voorbereiding van een <strong>bestemmingsplan</strong> inventariserend archeologisch onderzoek te worden<br />

gedaan, zodat in het plan - indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige<br />

archeologische waarden te beschermen. In het kader van de modernisering van de Monumentenwet<br />

is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat in een <strong>bestemmingsplan</strong> niet alleen een<br />

beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten<br />

monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 34 - voorontwerp


Situatie plangebied<br />

Op grond van archeologische en historische bronnen en met de gegevens over de ontwikkeling van<br />

het landschap is een Beleidskaart Archeologie van de gemeente Wijdemeren opgesteld. Deze<br />

Beleidskaart is geraadpleegd om tot een eerste inschatting van de verwachtingswaarde te komen.<br />

Daaruit blijkt dat Wijdemeren in het bezit is van gebieden waarbinnen bijzondere archeologische<br />

waarden aangetoond of te verwachten zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen is in de gebieden waar<br />

archeologisch waardevolle zaken in de grond aanwezig zijn, verkennend archeologisch<br />

prospectieonderzoek vereist. De gemeente voert hiervoor een beleid dat in eerst instantie gericht is<br />

op behoud van waardevolle elementen en structuren.<br />

In het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht. Direct ten oosten van het<br />

plangebied is een molenplaats geïdentificeerd, maar deze heeft geen gevolgen voor dit<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>.<br />

Conclusie<br />

Archeologie vormt geen belemmering voor de in dit <strong>bestemmingsplan</strong> mogelijk gemaakte functies.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 35 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 36 - voorontwerp


Hoofdstuk 6 Water<br />

In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte<br />

Watertoets. De Watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium<br />

bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De Watertoets<br />

omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en het uiteindelijke<br />

beoordelen van wateraspecten in plannen en besluiten. Dit resulteert uiteindelijk in de waterparagraaf<br />

in het <strong>bestemmingsplan</strong>.<br />

De waterbeheerder, in dit geval het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna te noemen<br />

AGV, met als uitvoerende organisatie Waternet), stelt in dit proces de kaders voor de wateropgave<br />

vast. Daarnaast geeft AGV aan welk beleid en welke criteria aangehouden moeten worden voor<br />

bijvoorbeeld het graven van open water en lozingen van regenwater op de riolering en/of het<br />

oppervlaktewater. Naast het beleid van AGV dient rekening te worden gehouden met het provinciaal<br />

beleid voor grondwaterbeschermingsgebieden en het gemeentelijk beleid voor water in riolering. Voor<br />

deze watertoets zijn dat de Provincie Noord-Holland en de gemeente Wijdemeren.<br />

Dit hoofdstuk is feitelijk de 'waterparagraaf' en het bevat een samenvatting van het meer uitgebreide<br />

document 'Watertoets Bestemmingsplan <strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong>' dat als bijlage bij dit<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> is gevoegd.<br />

6.1 Waterbeleid<br />

Nationaal Waterplan<br />

In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen<br />

aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.<br />

Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon<br />

water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor<br />

worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit<br />

1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op<br />

basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet<br />

ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van<br />

structuurvisie.<br />

In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt<br />

opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht<br />

op duurzame veiligheid en zoetwatervoorziening. Naast alle plannen om Nederland in de toekomst<br />

veilig en leefbaar te houden, is de uitvoering van maatregelen nu al in volle gang. Bijvoorbeeld de<br />

projecten Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken zijn in uitvoering en moeten in 2015 gereed zijn.<br />

Ook worden langs de kust de zogenoemde zwakke schakels aangepakt en vindt versterking plaats<br />

door zandsuppleties.<br />

Provinciaal Waterplan Noord-Holland 2010-2012<br />

Provinciale Staten hebben op 16 november 2009 het provinciaal Waterplan 2010-2015 vastgesteld.<br />

Het motto van het waterplan is: 'Beschermen, Benutten, Beleven en Beheren'. In het waterplan<br />

benoemt de provincie haar strategische doelen ten aanzien van water:<br />

Wij waarborgen met waterschappen en Rijkswaterstaat voldoende bescherming van mens, natuur<br />

en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico's via het principe: preventie (het op orde houden van<br />

de waterkeringen met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit), gevolgschade beperken (bijvoorbeeld<br />

waterbestendig bouwen daar waar nodig) en rampenbeheersing (bijvoorbeeld goede vluchtroutes<br />

en informatievoorziening).<br />

Wij zorgen samen met waterschappen, gemeenten en Rijkswaterstaat dat water in balans en<br />

verantwoord benut en beleefd wordt door mens, natuur en bedrijvigheid. We versterken het<br />

watersysteem en de beleving van het water door deze te combineren met natuurontwikkeling,<br />

recreatie en/of cultuurhistorie.<br />

Wij zorgen samen met gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en drinkwaterbedrijven voor<br />

schoon en voldoende water. We doen dat door een kosteneffectief en klimaatbestendig grond- en<br />

oppervlaktewatersysteem.<br />

Wij zorgen samen met gemeenten, waterschappen en belanghebbenden voor maatwerk in het<br />

Noord-Hollandse grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarbij hanteren we integrale<br />

gebiedsontwikkeling.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 37 - 15 mei 2013


Waterbeheerplan 2010-2015<br />

Het Waterbeheersplan AGV 2010-2015 is een uitwerking van het waterbeleid van het Rijk en<br />

provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. Voor AGV is het Waterbeheersplan sturend voor<br />

de programmering van activiteiten en de verdeling van geld en menskracht. Het Waterbeheersplan<br />

bevat uitgangspunten voor Watergebiedsplannen, Waterinrichtingsplannen en stedelijke<br />

Waterplannen. De hoofddoelen van het Waterbeheersplan zijn veiligheid voor mensen, dieren en<br />

goederen, het leveren van voldoende water, het zorgen voor schoon water, verbeteren van de<br />

waterkwaliteit en de omgang met afvalwater.<br />

Watergebiedsplan Zuidelijke Vechtplassen en peilbesluiten<br />

In 2008 is door waterschap Amstel, Gooi en Vecht het Watergebiedsplan Zuidelijke Vechtplassen<br />

opgesteld. Het watergebiedsplan is een integraal plan dat gebiedsgericht en duurzaam uitwerking<br />

geeft aan het Waterbeheerplan. Het watergebiedsplan begint met een inventarisatie van het<br />

watersysteem. Op basis van de inventarisatie zijn maatregelen ontworpen waarvan de effecten zijn<br />

verkend. De effectieve en efficiënte maatregelen zijn gebundeld. Dit resulteert in een peilbesluit met<br />

dit watergebiedsplan als toelichting.<br />

Keur en legger AGV 2011<br />

De uitgangspunten over hoe om te gaan met water in ruimtelijke plannen zijn beschreven in de Keur.<br />

De Keur is een verordening met verbods- en gebodsregels ter bescherming van waterstaat- en<br />

waterhuishoudkundige werken en voorzieningen om de wateraan- en afvoer, waterberging en de<br />

bescherming tegen overstromingen en wateroverlast zo goed mogelijk te kunnen garanderen. Door<br />

de regels in de Keur worden ook de ecologische kwaliteit van wateren en waterkeringen en de<br />

daarmee verbonden natte natuurwaarden zo goed mogelijk beschermd.<br />

De legger beschrijft de locatie van wateren, dijken en kunstwerken met de daarbij behorende eisen,<br />

onderhoudsverplichtingen en verdeling verantwoordelijkheden. In het plangebied liggen een aantal<br />

primaire watergangen en tertiaire waterkeringen.<br />

Handboek hemelwater<br />

Het handboek gaat het over het omgaan met hemelwater dat op verhard oppervlak valt (daken,<br />

wegen) en vervolgens afstroomt naar de riolering, de bodem of het oppervlaktewater. Uitgangspunt is<br />

dat hemelwater zoveel mogelijk wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater of in de bodem wordt<br />

geïnfiltreerd. Hemelwater wordt daarvoor schoon genoeg geacht; maar wanneer het ingezamelde<br />

hemelwater te verontreinigd is of verontreiniging van het water niet is te voorkomen dan moet het<br />

hemelwater ter plaatse worden gezuiverd. Bij nieuwe lozingen op een vuilwaterriool is het<br />

uitgangspunt dat deze alleen plaatsvinden als lozing op of in de bodem, in een openbaar<br />

hemelwaterstelsel of in het oppervlaktewater redelijkerwijs niet mogelijk is.<br />

Verbreed <strong>Gemeente</strong>lijk Rioleringsplan (VGRP) 2012-2017<br />

De gemeente is door de zorgplicht voor hemelwater verplicht om hemelwater in te zamelen. De wijze<br />

waarop is opgenomen in het Verbreed <strong>Gemeente</strong>lijk Rioleringsplan (VGRP). In het VGRP heeft de<br />

gemeente de volgende aandachtspunten benoemd:<br />

verhogen effectiviteit van het rioolbeheer;<br />

invullen van de nieuwe gemeentelijke grondwater- en hemelwatertaak;<br />

maatregelen ten behoeve van het verbeteren van oppervlaktewaterkwaliteit in relatie met<br />

Natura2000, Waterkwaliteitsspoor, Kaderrichtlijn Water en duurzamer omgaan met hemelwater.<br />

In de planperiode van het VGRP mag water op straat voorkomen met een gemiddelde van 1x per<br />

jaar, daarna 1x per twee jaar. De gemeente ziet liever innovatieve oplossingen op het gebied van<br />

apart inzamelen van hemelwater (groen dak/waterplein), dan extra riolen aan te leggen. Ook wijst de<br />

gemeente gebieden aan waar eigenaren zelf moeten zorgdragen voor het verwerken van hemelwater<br />

op eigen terrein, middels infiltratie of direct laten afvoeren naar aangrenzend open water. Schade kan<br />

ook worden voorkomen door een hierop gerichte inrichting van de openbare ruimte.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 38 - voorontwerp


De wenswaarde voor ontwatering van bestaand en nieuwbouwgebied is 0,7 meter beneden maaiveld.<br />

Dit is een keuze op het raakvlak 'tegengaan grondwateroverlast' en 'tegengaan verdroging'. Het<br />

grondwaterpeil hoeft niet laag gehouden te worden zodat het regenwater kan infiltreren en geen<br />

overlast kan ontstaan. Ecologische risico's en verder inklinken voorkomen, zijn belangrijker dan<br />

grondwateroverlast. In bestaand gebied kan de gewenste ontwatering in Wijdemeren daarom minder<br />

groot zijn. In nieuwbouw gebieden wordt de gewenste 0,7 meter ontwatering nagestreefd zonder<br />

verlaging van bestaande grondwaterstanden.<br />

Natura2000, Vogel- en Habitatrichtlijn, Provinciale Ecologische Hoofdstructuur<br />

Natura2000 is een netwerk van natuurgebieden dat een voorwaarde is voor de instandhouding van<br />

de Europese natuur. Er is een reeks van natuurgebieden aangewezen die van belang zijn voor<br />

Europa. De Loenderveensche Plas West/Terra Nova, de Loenderveensche Plas Oost, de<br />

Waterleidingplas, het Waterleidingkanaal en de Breukeleveensche Plas zijn aangewezen als<br />

beschermde gebieden onder de Vogel- en Habitatrichtlijn (enkele bedrijfsterreinen uitgezonderd). De<br />

Loenderveensche Plas West/Terra Nova is tevens aangewezen als Beschermd Natuurmonument. De<br />

Loosdrechtse Plassen (met uitzondering van de Eerste Plas) zijn aangewezen als<br />

Vogelrichtlijngebied. Voor deze gebieden wordt een gunstige staat van instandhouding nagestreefd<br />

en geldt een 'nee, tenzij'- regime voor activiteiten die mogelijk natuurschade veroorzaken. Het<br />

waterbeheer wordt geacht bij te dragen aan de gunstige staat van instandhouding.<br />

Het Plassengebied is onderdeel van de nationale landschappen Groene Hart en de Hollandse<br />

Waterlinie. Dit betekent dat de overheid de kwaliteiten van dit landschap wil in stand houden en<br />

versterken. Voor het waterbeheer belangrijke doelen zijn het zoveel mogelijk behouden van het veen<br />

en daarmee van de veenlandschappen en het bodemarchief.<br />

Het plangebied is onderdeel van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Voor een deel<br />

valt dit gebied samen met de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Verdroging in de PEHS gebieden<br />

dient te worden voorkomen. In gebieden die onderdeel uitmaken van de PEHS, maar die nog niet zijn<br />

gerealiseerd, wordt de drooglegging niet vergroot. In verworven natuurgebieden worden waterpeilen<br />

ingesteld die zijn afgestemd op het voorkomende natuurdoeltype.<br />

Beleidsuitgangspunten<br />

Onderstaand zijn de relevante beleidsuitgangspunten van AGV, de Provincie en de gemeente<br />

opgesomd.<br />

1. De beleidsregels voor aanleggen van verhard oppervlak gelden voor situaties met een aanleg van<br />

meer dan 1.000 m² in stedelijk gebied of glastuinbouwgebied of meer dan 5.000 m² in overig<br />

gebied [2]. Het plangebied valt onder het overige gebied.<br />

2. De verharding moet op dusdanige wijze worden aangelegd dat hemelwater gecontroleerd kan<br />

afstromen naar open water of een bergingsvoorziening èn het verlies aan berging als gevolg van<br />

de toegenomen verharding moet worden gecompenseerd [2].<br />

3. Voor het plangebied geldt de trits 'vasthouden, bergen, afvoeren'.<br />

4. Compensatie kan plaatsvinden door aanleg van water, door alternatieve<br />

regenwaterbergingsvoorzieningen zoals vegetatiedaken of opvangconstructies of door<br />

alternatieve regenwaterberging met behulp van laaggelegen land [2].<br />

5. De wenswaarde voor ontwatering van bestaand en nieuwbouwgebied is 0,7 meter beneden<br />

maaiveld.<br />

6. De algemene waterkwaliteitsdoelstelling vanuit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) is het<br />

behouden, beschermen en ontwikkelen van ecologisch gezond water en het komen tot duurzaam<br />

watergebruik.<br />

7. De waterhuishouding mag door de nieuwe ontwikkelingen niet verslechteren (stand still-principe).<br />

Voor het te ontwikkelen plangebied is het principe van hydrologisch neutraal bouwen gewenst. Dit<br />

betekent dat geen effecten op het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied<br />

mogen plaatsvinden.<br />

8. Ten zuiden van het plangebied ligt de Drecht. Dit is een primaire watergang. Aan weerszijden van<br />

primaire wateren zijn vrijwaringszones onderscheiden van 5 meter landinwaarts. Deze zones zijn<br />

bedoeld om onderhoudswerkzaamheden in het water en langs de oever uit te kunnen voeren en<br />

de stabiliteit van de oeverzone te beschermen.<br />

9. Het is toegestaan om het water vanaf de oevers te betreden. Het is verboden om tijdens het<br />

bedrijven van water- en onderwatersport en bij het hiertoe te water gaan vanaf de oever, schade<br />

toe te brengen aan oevers, rietkragen en beplanting.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

Voorontwerp - 39 - 15 mei 2013


10. De Waterleidingplas en de Loenderveensche Plas zijn door de Provincie aangewezen als<br />

waterwingebied. Dit betekent dat de Provincie regels stelt aan het landgebruik, of risicovolle<br />

vormen van landgebruik verbiedt. Rond het waterwingebied zijn beschermingsgebieden<br />

gecreëerd. Binnen die gebieden gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater<br />

te beschermen.<br />

11. Voor het plangebied geldt de trits 'schoonhouden, scheiden, reinigen'. Het beleid is erop gericht<br />

afstromend hemelwater van verhard oppervlak af te koppelen van de riolering. Daarbij gelden de<br />

volgende aandachtspunten:<br />

a. Koper, lood en zink zijn materialen die gemakkelijk afspoelen met het hemelwater. Bij de<br />

bouw mogen geen uitlogende materialen worden gebruikt, zoals zinken dakgoten,<br />

loodslabben, koper verwerkt in daken of geïmpregneerd tuinhout.<br />

b. Het afstromend hemelwater van parkeerplaatsen raakt gemakkelijk vervuild met onder andere<br />

PAK's en minerale oliën. Daarom dient het afstromend hemelwater een zuivering te<br />

ondergaan. Dit kan via een bodempassage van een humus of lava bed.<br />

c. Bestrijdingsmiddelen zijn stoffen die zich niet makkelijk binden aan grond en daarom<br />

makkelijk doorspoelen naar het grondwater. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen dient te<br />

worden beperkt.<br />

12. Indien de afvalwaterproductie toeneemt, dient dit in een Rioleringsplan nader te worden<br />

uitgewerkt.<br />

13. Het beleid is gericht op de bescherming van het achterland tegen overstromingen. Er bevindt zich<br />

een tertiaire waterkering lopende ten noorden van de Loenderveense Plassen en ten oosten en<br />

zuiden van de Loenderveense Plas oost. De beschermings- en buitenbeschermingszones van<br />

tertiaire waterkeringen hebben de volgende vastgestelde breedte:<br />

a. beschermingszone binnendijks: 5 meter gerekend vanuit de buitengrenzen van de kernzone;<br />

b. beschermingszone buitendijks: 5 meter gerekend vanuit de buitengrenzen van de kernzone;<br />

c. buitenbeschermingzone: 10 meter gerekend vanuit de buitengrenzen van de<br />

beschermingzones.<br />

6.2 Actuele situatie<br />

Gebiedsbeschrijving<br />

Het plangebied bestaat uit recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong> en ligt in de gemeente Wijdemeren ten<br />

zuidoosten van Loenen aan de Vecht. Aan de oostzijde van het recreatiecentrum liggen de<br />

Loosdrechtse Plassen. Ten noorden van het plangebied ligt de Waterleidingplas, een<br />

drinkwaterbekken van Waternet. Aan de zuidzijde wordt het recreatiegebied begrensd door de<br />

Drecht. Deze rivier verbindt de Vecht met de Loosdrechtse Plassen.<br />

Watersysteem<br />

Het plangebied ligt in polder Loenderveen. Deze polder wordt bemalen door het gemaal Loenderveen<br />

(capaciteit 27 m³/min) dat uitslaat op de Vecht. Tot 2008 lag Recreatiegebied <strong>Mijnden</strong> in een<br />

onderbemaling. Na het inwerking treden van het nieuwe peilbesluit is de onderbemaling opgeheven<br />

en is Recreatiegebied <strong>Mijnden</strong> onderdeel geworden van peilgebied 67-1. Dit peilgebied kent een vast<br />

peil van NAP -1,35 m. Het oppervlaktewater in het recreatiegebied staat in open verbinding met de<br />

Drecht en daarmee de Loosdrechtse Plassen. Ter hoogte van de Mijdensedijk ligt gemaal<br />

Loosdrecht. Dit gemaal slaat water van de Loosdrechtse Plassen uit op de Vecht. Jaarlijks wordt circa<br />

12 miljoen m³ uitgeslagen op de Vecht.<br />

Water voor drinkwaterwinning<br />

Ten westen van het plangebied ligt het Waterleidingkanaal en ten noorden van het plangebied de<br />

Waterleidingplas. Samen met de Loenderveenseplas dienen zij voor de winning van drinkwater. Ze<br />

zijn als waterwingebied op de plankaart aangegeven. Rondom de winningen liggen<br />

grondwaterbeschermingsgebieden. Zowel de 25-jaarzone (grondwaterbeschermingsgebied I) als de<br />

100-jaarzone (grondwaterbeschermingsgebied II) zijn op de plankaart aangegeven.<br />

De Waterleidingplas wordt gevoed met Bethunepolderwater dat wordt gedefosfateerd en sterk<br />

voorgezuiverd voordat het wordt ingelaten. De Waterleidingplas staat waterhuishoudkundig gezien los<br />

van de Polder Loenderveen. In de Waterleidingplas wordt een iets hoger peil gehandhaafd dan in de<br />

omgeving om toestroom van grondwater te voorkomen. Het Bethunepolderwater wordt aangevoerd<br />

via het Waterleidingkanaal.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 40 - voorontwerp


Waterkwaliteit<br />

De Loosdrechtse Plassen zijn troebel als gevolg van een te hoog gehalte aan zwevend slib en algen.<br />

Het te hoge gehalte aan algen wordt veroorzaakt door een te hoge sulfaat- en fosfaatbelasting.<br />

In het Watergebiedsplan Zuidelijke Vechtplassen zijn maatregelen voorgesteld om de waterkwaliteit<br />

van de Plassen te verbeteren, zoals aanleg van riolering, defosfetering van het inlaat water en<br />

beperking van de hoeveelheid inlaat water door optimalisatie van het peilbeheer. Door deze<br />

maatregelen loop de voedselrijkdom van de Loosdrechtse Plassen voorzichtig terug.<br />

6.3 Toekomstige situatie<br />

Voorgestelde ontwikkeling<br />

In totaal worden 237 recreatiewoningen gerealiseerd en verdwijnen 310 stacaravans. Daarnaast<br />

worden er vier ligplaatsen voor woonboten gerealiseerd. In het plangebied worden verschillende type<br />

recreatiewoningen gerealiseerd. De grootste woning heeft een oppervlakte van 70 m². Daarnaast<br />

mag een berging van 6 m² gerealiseerd worden. Kleinere recreatiewoningen hebben een oppervlakte<br />

van 55 m². Een aantal recreatiewoningen krijgt een souterrain.<br />

Berekening compensatie vanwege verhard oppervlak<br />

Door de voorgestelde modernisering zal het verharde oppervlak toenemen. Het plangebied valt in de<br />

categorie 'Overig gebied'. Dat houdt in dat het verharde oppervlak met 5.000 m² mag toenemen,<br />

voordat compensatie verplicht is. De exacte toename aan verharding is nog niet bekend, omdat nog<br />

niet duidelijk is hoeveel recreatiewoningen van elk type worden gerealiseerd. In de worst-case<br />

scenario, waarbij alle recreatiewoningen van het grootste type zijn èn bij elke woning een berging<br />

wordt gerealiseerd, is de toename aan verhard oppervlak meer dan 5.000 m². Bij een realistischer<br />

schatting van de toename, zal deze naar verwachting kleiner zijn en onder de drempelwaarde blijven.<br />

Mocht compensatie toch nodig zijn, dan zal dit met het waterschap afgestemd worden.<br />

Afstromend regenwater<br />

Afstromend regenwater wordt op het oppervlaktewater geloosd worden. Voor een goede<br />

waterkwaliteit is van belang dat geen uitlogende materialen gebruikt worden.<br />

Recreatiewoningen<br />

Een deel van de recreatiewoningen krijgt een souterrain. Een souterrain is een verlaagde verdieping.<br />

Een van de uitgangspunten van het beleid van het waterschap is hydrologisch neutraal bouwen. De<br />

(geo-)hydrologische situatie mag niet verslechteren. In het plangebied bestaat de bodem uit klei en<br />

veen. Grondwaterstandsverlaging kan leiden tot inklinken. Dit is een onwenselijke situatie. De<br />

doorlatendheid van klei en veen zijn zeer beperkt. De souterrains zullen niet leiden tot een<br />

grondwaterstandsverlaging. Om wateroverlast in de souterrains te voorkomen, dienen deze<br />

waterdicht afgewerkt te worden.<br />

Woonboten<br />

In het recreatiepark worden 4 plaatsen voor woonboten gecreëerd. Met het Plassenschap Loosdrecht<br />

e.o. heeft al afstemming plaats gevonden. Voor het realiseren van deze plaatsen is een vergunning<br />

van het waterschap nodig. Het waterschap heeft aangegeven dat de woonschepen geen nadelig<br />

effect op de waterkwaliteit mogen hebben, omdat het water in het plangebied in open verbinding met<br />

de Loosdrechtse Plassen staat. De Loosdrechtse Plassen zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied<br />

en hebben daarnaast een KRW-doelstelling..<br />

6.4 Conclusie<br />

Door de voorgestelde ontwikkeling neemt het verharde oppervlak toe. Indien compensatie nodig is,<br />

zal hierover afstemming plaats vinden met het waterschap. De ontwikkeling zal niet leiden tot een<br />

verslechtering van de waterkwaliteit en de waterhuishoudkundige situatie.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 41 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 42 - voorontwerp


Hoofdstuk 7 Juridische planopzet<br />

7.1 Inleiding<br />

Het <strong>bestemmingsplan</strong> is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen<br />

van gronden worden vastgelegd. In een <strong>bestemmingsplan</strong> wordt door middel van bestemmingen en<br />

aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze<br />

gronden bebouwd mogen worden.<br />

Het <strong>bestemmingsplan</strong> bestaat uit drie onderdelen: de juridisch bindende planregels en verbeelding,<br />

met daarbij een toelichting.<br />

De planregels regelen het gebruik van de gronden en gebouwen. Ze bevatten bepalingen met<br />

betrekking tot de toegestane bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten<br />

bouwwerken. Het <strong>bestemmingsplan</strong> is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare<br />

Bestemmingsplannen (SVBP) 2008. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken (zie ook<br />

volgende paragraaf).<br />

De verbeelding laat zien waar de bestemmingen die in de planregels staan, zich bevinden.<br />

Verbeelding en planregels samen vormen het juridisch bindende deel van het <strong>bestemmingsplan</strong>. Bij<br />

dit <strong>bestemmingsplan</strong> wordt de verbeelding middels één kaart met een schaal van 1 : 1.000<br />

gevisualiseerd. Op de kaarten is met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde<br />

bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op sommige delen van de kaart met<br />

aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2008 (Informatiemodel<br />

Ruimtelijke Ordening) getekend.<br />

De toelichting is niet juridisch bindend, maar heeft wel twee belangrijke functies:<br />

onderbouwing van het plan;<br />

uitleg van bepaalde bestemmingen en planregels.<br />

7.2 Systematiek van de planregels<br />

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende planregels<br />

voor het hele plangebied. Hoofdstuk II regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik.<br />

Hoofdstuk III biedt de nodige flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en<br />

afwijkingsbevoegdheden en in hoofdstuk IV staan de overgangs- en slotregels. De hoofdstukken<br />

worden hieronder toegelicht.<br />

7.2.1 Inleidende regels<br />

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren.<br />

Begrippen (Artikel 1)<br />

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gehanteerd. Bij de<br />

toetsing aan het <strong>bestemmingsplan</strong> wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen<br />

toegekende betekenis. Voor zover in de planregels begrippen worden gebruikt die niet in het artikel<br />

staan vermeld, wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.<br />

Wijze van meten (Artikel 2)<br />

Dit artikel geeft aan hoe de maten die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, bepaald<br />

moeten worden.<br />

7.2.2 Bestemmingen<br />

In dit hoofdstuk van de planregels komen de verschillende bestemmingen aan de orde. Per<br />

bestemming is de volgende indeling gehanteerd:<br />

Bestemmingsomschrijving:<br />

Een omschrijving van de functies die bij de bestemming mogelijk zijn.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 43 - 15 mei 2013


Bouwregels:<br />

Planregels die aangeven waar, wat en hoe hoog gebouwd mag worden.<br />

Daarnaast komen in sommige <strong>bestemmingsplan</strong>regels ook nog de volgende onderdelen voor:<br />

Specifieke gebruiksregels<br />

Uitsluiting van specifiek, met de bestemming strijdig gebruik van de gronden en gebouwen.<br />

Nadere eisen<br />

Burgemeester en wethouders kunnen onder meer nadere eisen stellen aan de plaatsing, afmeting,<br />

kapvorm en nokrichting van gebouwen.<br />

Afwijking van de bouwregels of gebruiksregels<br />

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken op ondergeschikte punten van de planregels, mits<br />

binnen de grenzen van de bestemming wordt gebleven.<br />

Wijzigingsbevoegdheid<br />

Burgemeester en wethouders kunnen het <strong>bestemmingsplan</strong> wijzigen in bepaalde gevallen.<br />

7.2.3 Algemene regels<br />

Anti-dubbeltelregel (Artikel 19)<br />

De antidubbeltelregel is bedoeld om te voorkomen dat een cumulatie van bebouwing optreedt<br />

waardoor de maximale maatvoering in het <strong>bestemmingsplan</strong> (bijvoorbeeld maximaal vloeroppervlak)<br />

in totaliteit wordt overschreden.<br />

Algemene bouwregels (Artikel 20)<br />

In dit artikel is een aantal algemene regels opgenomen die gelden voor meerdere bestemmingen. Zo<br />

geldt voor bestaande bouwwerken dat deze, voor zover deze in strijd is met een in het<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> voorgeschreven maximum dan wel minimum hoogte, mag worden gehandhaafd,<br />

veranderd en/of vernieuwd, doch niet worden vergroot of anderszins gesitueerd.<br />

Algemene afwijkingsregels (Artikel 21)<br />

Deze bevoegdheid geeft de mogelijkheden om kleine afwijkingen te realiseren. Het gaat hier om het<br />

oprichten van nutsvoorzieningen tot 50 m3, het overschrijden van in de planregels voorgeschreven<br />

maatvoeringen en ondergeschikte afwijkingen ten gevolge van meetveranderingen.<br />

Algemene wijzigingsregels (Artikel 22)<br />

Deze bevoegdheid heeft betrekking op het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of<br />

afmetingen van bouwgrenzen.<br />

Algemene procedureregels (Artikel 23)<br />

In dit artikel is geregeld welke procedure gevolgd dient te worden indien toepassing wordt gegeven<br />

aan een in dit plan opgenomen bevoegdheid omtrent nadere eisen.<br />

Overige regels (Artikel 24)<br />

In dit artikel is onder andere geregeld dat voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere<br />

regelgeving, de andere regelgeving geldt zoals die luidt dan wel van kracht is op het moment van<br />

tervisielegging van het ontwerp van <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong>.<br />

7.2.4 Overgangs- en slotregels<br />

Overgangsrecht (Artikel 25)<br />

In dit artikel staan de regels van overgangsrecht die op grond van het Besluit ruimtelijke ordening in<br />

elk <strong>bestemmingsplan</strong> verplicht moeten worden opgenomen. Op de peildatum, te weten de datum van<br />

inwerkingtreding van het nieuwe plan, mag bebouwing of gebruik in strijd met het nieuwe plan onder<br />

bepaalde voorwaarden worden voortgezet of gewijzigd.<br />

Slotregel (Artikel 26)<br />

In de slotregel staat op welke wijze de regels van het <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

kunnen worden aangehaald.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 44 - voorontwerp


7.3 Bestemmingen<br />

Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden (Artikel 3)<br />

Deze bestemming is gegeven aan de gronden in het buitengebied welke niet als natuurgebied<br />

worden beheerd en zowel van landschappelijke en natuurhistorische waarde zijn.<br />

Bedrijf (Artikel 4)<br />

Deze bestemming is gegeven aan de gronden voor bedrijfsmatige activiteiten langs de Bloklaan. In<br />

deze bestemming is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf -<br />

aannemersbedrijf' een aannemersbedrijf toegestaan. Andere bedrijfsvormen zijn binnen deze<br />

bestemming niet mogelijk. Een bedrijfswoning is toegestaan, waar dit op de verbeelding via de<br />

aanduiding 'bedrijfswoning' is aangegeven.<br />

Bedrijf - Nutsbedrijf (Artikel 5)<br />

Deze bestemming is gegeven aan een grote nutsvoorziening aan de <strong>Mijnden</strong>sedijk. Gebouwen<br />

mogen enkel binnen het bouwvlak gebouwd worden, waarbij de bouwhoogte van gebouwen niet meer<br />

dan 5 meter mag bedragen.<br />

Groen (Artikel 6)<br />

Deze bestemming is gegeven aan de groenstroken van het plangebied. Deze zijn te vinden aan de<br />

noordrand. In deze bestemming komt ook een kippenhok voor, welke is toegestaan via de aanduiding<br />

'specifieke vorm van agrarisch - schuur'.<br />

Horeca (Artikel 7)<br />

Deze bestemming is gegeven aan een restaurant in het plangebied. Dit restaurant ligt, samen met de<br />

dienstverlenende voorzieningen in het midden van het plangebied en heeft een terras aan het water.<br />

Horeca tot en met categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten is toegestaan.<br />

Recreatie - Jachthaven (Artikel 8)<br />

Deze bestemming is gegeven aan de jachthaven, bedrijfsvoering van watersportbedrijven,<br />

pleziervaartuigen en water. Bedrijfswoningen zijn uitsluitend toegestaan, waar dit op de verbeelding<br />

via de verbeelding 'bedrijfswoning' is aangegeven.<br />

Recreatie - <strong>Recreatiecentrum</strong> (Artikel 9)<br />

Deze bestemming is gegeven aan het bedrijfsmatige exploitatie van een terrein voor dagrecreatie.<br />

Een speelterrein, kampwinkel, een kiosk, kantine, receptie, sanitaire en overige voorzieningen zijn<br />

hier toegestaan. Gebouwen mogen enkel binnen het bouwvlak gebouwd worden. Bedrijfswoningen<br />

zijn uitsluitend toegestaan, waar dit op de verbeelding via de aanduiding 'bedrijfswoning' is<br />

aangegeven. Gebouwen mogen enkel binnen het bouwvlak gebouwd worden.<br />

Recreatie - Verblijfsrecreatie 1 (Artikel 10)<br />

Deze bestemming is gegeven aan het bedrijfsmatig exploiteren van chalets en voorzieningen ten<br />

behoeve van verblijfsrecreatie. Een parkeerterrein is toegestaan ter plaatse van de aanduiding<br />

'parkeerterrein'. Ter plaatse van de aanduiding 'opslag' is de opslag van boten toegestaan.<br />

Recreatie - Verblijfsrecreatie 2 (Artikel 11)<br />

Deze bestemming is gegeven aan een kampeerterrein. Via de aanduiding 'specifieke vorm van<br />

recreatie - blokhut' is aangegeven waar trekkershutten mogelijk zijn. Een bedrijfswoning is uitsluitend<br />

toegestaan, waar dit op de verbeelding via de aanduiding 'bedrijfswoning' is aangegeven.<br />

Recreatie - Verblijfsrecreatie 3 (Artikel 12)<br />

Deze bestemming is gegeven aan de blokken recreatieappartementen in het plangebied. Het<br />

bedrijfsmatig exploiteren van deze appartementen is toegestaan.<br />

Recreatie - Verblijfsrecreatie 4 (Artikel 13)<br />

Deze bestemming is gegeven aan het bedrijfsmatig exploiteren van recreatiewoningen. Het aantal<br />

bouwlagen van deze recreatieappartementen mag uit niet meer dan twee bestaan. Daar waar de<br />

aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing niet toegestaan' is opgenomen, zijn gebouwen<br />

en bouwwerken niet toegestaan.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 45 - 15 mei 2013


Verkeer (Artikel 14)<br />

Deze bestemming is gegeven aan de Bloklaan en ontsluitingsweg van het plangebied. Het regelt de<br />

openbare verharde gronden waar de verkeers- en verblijfsfunctie overheersen.<br />

Water (Artikel 15)<br />

Deze bestemming is gegeven aan het water in het plangebied. Woonschepen zijn uitsluitend<br />

toegestaan waar dat is aangeduid en het aantal woonschepen mag niet meer bedragen dan is<br />

aangeduid.<br />

Water - Waterweg (Artikel 16)<br />

Deze bestemming is gegeven aan de rivier de Drecht. Verkeer te water, recreatievaart en watersport<br />

zijn hier toegestaan. De <strong>Mijnden</strong>se Sluis is op de verbeelding via een aanduiding aangegeven.<br />

Wonen (Artikel 17)<br />

Deze bestemming is gegeven aan de woning op de Bloklaan in het noorden van het plangebied.<br />

Leiding - Water (Artikel 18)<br />

De gronden met deze dubbelbestemming zijn behalve de andere aldaar voorkomende bestemd voor<br />

een<br />

watertransportleiding.<br />

7.4 Korte toelichting Staat van Horeca-activiteiten<br />

Bepaalde horecabedrijven geven aanleiding tot klachten over onder andere muzieklawaai, rumoerig<br />

en vernielzuchtig optreden, rondhangen van caféverlaters, parkeerproblemen en<br />

verkeersaantrekking. Ook kan het karakter van de buurt worden aangetast wanneer horecabedrijven<br />

worden gevestigd in voormalige winkels of woningen. Evenals bij gewone bedrijfsactiviteiten is de<br />

overlast/hinder van horeca-activiteiten niet alleen een zaak van de milieuwetgeving, maar is er tevens<br />

sprake van aspecten van ruimtelijke ordening. Immers, ook bij horeca-activiteiten is sprake van een<br />

meer of mindere mate van hinder/overlast voor de (leef-) omgeving.<br />

In de regel wordt geen overlast ondervonden van hotels, restaurants, lunchrooms, ijssalons,<br />

broodjeszaken, snackbars en cafés, die qua exploitatie en openingstijden zich richten op de<br />

winkelactiviteiten. Overlast in de vorm van geluidsoverlast vanuit bedrijven, luidruchtig gedrag van<br />

bezoekers, de trek van grote groepen personen van en naar horecabedrijven, verkeers- en/of<br />

parkeeroverlast, komt in de regel voor bij cafés, snackbars en shoarmazaken die zich richten op het<br />

in de avonduren en nachtelijke uren uitgaande publiek, feestzalen, discotheken, dansscholen,<br />

dancings en coffeeshops.<br />

Met het <strong>bestemmingsplan</strong> heeft de gemeente een belangrijk instrument om vestiging van<br />

horecabedrijven te reguleren (weren of sturen). In <strong>bestemmingsplan</strong>nen is het bij de regeling van<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>nen ten behoeve van bedrijfsactiviteiten reeds jaren gebruikelijk om de toegelaten<br />

bedrijfsactiviteiten in de planregels te benoemen naar hindercategorie onder verwijzing naar een van<br />

die planregels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten.<br />

Die Staat is doorgaans gebaseerd op of afgeleid van de in de publicatie van VNG ‘Bedrijven en<br />

Milieuzonering’ opgenomen categorale bedrijfsindeling.<br />

Met betrekking tot horeca-activiteiten moet in planologische zin ook een adequate regeling worden<br />

getroffen. Voor horeca-activiteiten is een categorale indeling ontwikkeld, vergelijkbaar met de hiervoor<br />

genoemde Staat van Bedrijfsactiviteiten. Op deze wijze kunnen horeca-activiteiten in planologische<br />

zin worden gereguleerd. In specifieke woonbuurten en in verspreid voorkomende beperkte<br />

winkelconcentraties kunnen horecabedrijven het karakter van de woonbuurt of het winkelgebied<br />

aantasten. Daarnaast kunnen horecabedrijven, afhankelijk van aard en aantal, overlast veroorzaken.<br />

Teneinde in <strong>bestemmingsplan</strong>nen een differentiatie op te nemen van horecabedrijven kan de<br />

volgende categorie-indeling in een Staat van horeca-activiteiten worden gemaakt:<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 46 - voorontwerp


Categorie 1: lichte horeca<br />

Horecabedrijven die, gelet op de aard en de omvang ervan, zowel uit functionele als uit<br />

milieuoverwegingen niet of nauwelijks storend werken op de bestaande en/of toekomstige functies<br />

van de omgeving van deze horecabedrijven. Vestiging in deze categorie van horecabedrijven beperkt<br />

de omringende functies niet, omringende functies sluiten vestiging van horecabedrijven niet uit.<br />

Categorie 2: middelzware horeca<br />

Horecabedrijven die, gelet op de aard en de omvang ervan, zowel uit functionele als uit<br />

milieuoverwegingen in geringe mate storend kunnen werken op de bestaande en/of toekomstige<br />

functies van de omgeving van deze horecabedrijven. Vestiging van horecabedrijven in deze categorie<br />

beperkt in geringe mate de omringende functies; omringende functies kunnen soms vestiging<br />

uitsluiten.<br />

Categorie 3: zware horeca<br />

Horecabedrijven die, gelet op de aard en de omvang ervan, zowel uit functionele als uit<br />

milieuoverwegingen in min of meer ernstige mate storend kunnen werken op de bestaande en/of<br />

toekomstige functies van de omgeving van deze horecabedrijven. Vestiging van horecabedrijven in<br />

deze categorie beperkt in ruime mate de omringende functies; omringende functies zullen in vele<br />

gevallen vestiging uitsluiten.<br />

Aan de hand van de criteria aard van de aangeboden producten, bezoekersfrequentie,<br />

verkeersaantrekking, dag- en avondhoreca, omvang van de horeca-activiteiten en de daaruit<br />

voortvloeiende wel of niet verstorende werking in relatie tot de functies in de omgeving kunnen de<br />

verschillende horecabedrijven worden ingedeeld in de drie categorieën. In de planregels wordt<br />

verwezen naar de bijlage Staat van Horeca-activiteiten (SvH).<br />

Het komt in de praktijk voor dat een bepaald horecabedrijf als gevolg van een geringe omvang van<br />

hinderlijke deelactiviteiten en/of een aangepaste werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder<br />

veroorzaakt dan in de SvH is verondersteld. In het/de betreffende artikel(en) van de planregels is<br />

daarom bepaald dat een dergelijk bedrijf via afwijking één categorie lager kan worden ingedeeld.<br />

Daarnaast is het mogelijk dat horeca-activiteiten die niet in de SvH voorkomen, maar kunnen worden<br />

gelijkgeschakeld aan volgens de SvH toegestane activiteiten, via afwijking worden toegestaan.<br />

7.5 Handhaving<br />

De nota Zichtbare handhaving bouwregelgeving (oktober 2007) beschrijft het handhavingsbeleid voor<br />

de gemeente Wijdemeren. De nota betreft de bouwregelgeving, inclusief de zogenaamde inrichtings-<br />

en gebruiksregels uit <strong>bestemmingsplan</strong>nen. Met het handhavingsbeleid streeft de gemeente<br />

verschillende doelen na:<br />

inhoudelijke kwaliteit;<br />

veiligheid;<br />

duurzaamheid;<br />

formele gelijkheid;<br />

gezag;<br />

sterkere positie bij de rechter.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 47 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 48 - voorontwerp


Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid<br />

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat inzicht gegeven moet<br />

worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt<br />

worden binnen het <strong>bestemmingsplan</strong> moeten (economisch) uitvoerbaar zijn en gerealiseerd kunnen<br />

worden.<br />

Exploitatieplicht<br />

In het kader van de Grondexploitatiewet (GREX) is het mogelijk dat in kader van de<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>wijziging een exploitatieplan moet worden vastgesteld door de gemeenteraad. De<br />

centrale doelstelling van de Grondexploitatiewet, zoals opgenomen als afdeling 6.4 van de Wet<br />

ruimtelijke ordening, is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering<br />

van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij<br />

locatieontwikkeling.<br />

Het uitgangspunt van de Grondexploitatiewet is dan ook dat gemeenten een verplichting hebben tot<br />

kostenverhaal.<br />

Indien sprake is van een bouwplan (art. 6.2.1 Bro) en voor de goedkeuring van dit bouwplan een<br />

wijziging van een ruimtelijk besluit (bijvoorbeeld <strong>bestemmingsplan</strong>) nodig is, is een gemeente conform<br />

Wro verplicht om haar kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Dit betekent, dat een gemeente de<br />

door haar gemaakte en nog te maken kosten verband houdende met ontwikkelingen door een<br />

particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar tot een ontwikkeling van de<br />

gronden overgaat.<br />

Op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro kan van de verplichting tot het vaststellen van een<br />

exploitatieplan worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren:<br />

het verhaal van de kosten van de grondexploitatie is anderszins verzekerd en<br />

het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen is niet noodzakelijk.<br />

Geen noodzaak vaststellen exploitatieplan<br />

Het voorliggende <strong>bestemmingsplan</strong> betreft een herinrichtingsplan, hierin is de huidige ruimtelijke<br />

structuur van een passende planologisch-juridische regeling voorzien. Met de uitvoering van dit plan<br />

is geen gemeentelijke investering gemoeid, dus er is geen noodzaak tot het vaststellen van een<br />

exploitatieplicht.<br />

Planschade<br />

In principe ontstaat planschade indien een nieuw <strong>bestemmingsplan</strong> ten opzichte van het vorige<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> een beperking of verruiming van de bouw- of gebruiksmogelijkheden met zich<br />

meebrengt.<br />

Met de inwerkingtreding van dit <strong>bestemmingsplan</strong> worden de planologische mogelijkheden<br />

gedeeltelijk verruimd. In beginsel is er daarom sprake van een planschaderisico. Met het oog daarop<br />

sluiten de initiatiefnemer en de gemeente een (privaatrechtelijke) planschadeovereenkomst.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 49 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 50 - voorontwerp


Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid<br />

9.1 Inleiding<br />

Het gemeentebestuur streeft naar draagvlak bij belanghebbenden en maatschappelijke organisaties<br />

voor de uitvoering van dit <strong>bestemmingsplan</strong>. Daarom hecht het gemeentebestuur veel belang aan de<br />

dialoog over dit <strong>bestemmingsplan</strong>. Dit hoofdstuk over de ‘maatschappelijke uitvoerbaarheid’ gaat<br />

nader in op de maatschappelijke dialoog die in het kader van het <strong>bestemmingsplan</strong> zal plaatsvinden.<br />

Resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro en de inspraak volgens de inspraakverordening<br />

van de gemeente Wijdemeren zullen hieronder nog verwerkt worden.<br />

9.2 Inspraakreacties<br />

In deze paragraaf wordt de beantwoording van de inspraakreacties op het<br />

voorontwerp<strong>bestemmingsplan</strong> beschreven.<br />

9.3 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro<br />

In deze paragraaf worden de overlegreacties beschreven.<br />

9.4 Zienswijzen<br />

In deze paragraaf wordt de beantwoording van de zienswijzen op het ontwerp<strong>bestemmingsplan</strong><br />

beschreven.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 51 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 52 - voorontwerp


Bijlagen<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 53 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 54 - voorontwerp


Bijlage 1 Mobiliteitstoets<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 55 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 56 - voorontwerp


Notitie<br />

Aan : <strong>Gemeente</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

Van : Ing. J. Hus<br />

Datum : 14 mei 2013<br />

Kopie : Archief<br />

Onze referentie : 9X4995-0A0-100/N00001/408275/Rott<br />

Betreft : Mobiliteitstoets<br />

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.<br />

TRANSPORT & ASSET MANAGEMENT<br />

De vraag doet zich voor of de <strong>bestemmingsplan</strong>wijziging ook effect heeft op de<br />

verkeersgeneratie van het gebied. De voor de verkeerstrekkende werking relevante wijziging is<br />

de verandering van heet aantal recreatie eenheden en type recreatie eenheden. Het aantal<br />

ligplaatsen in de jachthaven blijven met 360 gelijk, en zijn daarom buiten beschouwing gelaten.<br />

Het aantal toeristische kampeerplaatsen is in de huidige situatie 192, en dat blijft zo in de<br />

toekomst.<br />

Het aantal toeristische jaarplaatsen verandert wel in de nieuwe situatie. In de huidige situatie is<br />

sprake van 310 stacaravans. Deze ‘oude’ stacaravans zijn onder te verdelen in 2 typen:<br />

stacaravans: met gemiddeld 2 slaapplekken<br />

stacaravans: met gemiddeld 3,5 slaapplekken<br />

Het nieuwe <strong>bestemmingsplan</strong> biedt in plaats van de 310 stacaravans ruimte aan 237<br />

recreatiewoningen. Er zijn 4 verschillende types recreatiewoningen die allen ongeveer ¼<br />

onderdeel uit gaan maken van het totale aanbod recreatiewoningen:<br />

Type 1: 2 slaapplekken<br />

Type 2: 3 slaapplekken<br />

Type 3: 5 slaapplekken<br />

Type 4: 6 slaapplekken<br />

Het aantal recreatie eenheden neemt dus af, terwijl het gemiddeld aantal slaapplaatsen per<br />

recreatie eenheid toeneemt. De ritgeneratie van beide recreatie eenheden zijn gebaseerd op<br />

CROW-publicatie 272. Deze publicatie geeft een gemiddeld kental van 23,2 ritten per 10<br />

recreatiewoningen (gemiddelde 5,5 bedden) voor een jaargemiddelde weekdag. Voor<br />

stacaravans zijn geen kentallen beschikbaar. Veronderstelt wordt dat dit, na omrekening van het<br />

aantal slaapplaatsen gelijk is aan het ritkental van een recreatiewoning. Het rekenkundige<br />

gemiddelde voor een weekdag in het hoogseizoen is:<br />

Stacaravan (met 2 slaapplaatsen): 1,45 ritten per woning<br />

Stacaravan (met 3,5 slaapplaatsen): 2,53 ritten per woning<br />

Recreatiewoning type 1: 2 slaapplekken: 1,45 ritten per woning<br />

Recreatiewoning type 2: 3 slaapplekken: 2,17 ritten per woning<br />

Recreatiewoning type 3: 5 slaapplekken: 3,62 ritten per woning<br />

Recreatiewoning type 4: 6 slaapplekken: 4,34 ritten per woning<br />

Opgemerkt wordt dat het jaargemiddelde ritkental op circa 60% van het ritkental van het<br />

hoogseizoen ligt.<br />

A company of Royal HaskoningDHV<br />

14 mei 2013 9X4995-0A0-100/N00001/408275/Rott<br />

1/2


De tabel toont het verschil in verkeersgeneratie in het hoogseizoen tussen het vigerende<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> en het nieuwe <strong>bestemmingsplan</strong>. Tijdens wisseldagen in het hoogseizoen<br />

(meestal vrijdag of zaterdag) kan de verkeersintensiteit circa 10% hoger liggen.<br />

RO ontwikkelingen Verkeersintensiteiten hoogseizoen (mvt/etmaal)<br />

Vigerend BP eenheid Nieuw BP eenheid Vigerend BP Nieuw BP Verschil<br />

Toeristisch kamperen 192 kampeerplaatsen 192 kampeerplaatsen 332 332 0<br />

Oude stacaravans (2 slaapplaatsen) 186 stacaravans - - 269 0 -269<br />

Nieuwe stacaravans (3,5 slaapplaatsen) 124 stacaravans - - 314 0 -314<br />

Recreatiewoning type 1 (2 slaapplaatsen) - - 59 recreatiewoningen 0 86 86<br />

Recreatiewoning type 2 (3 slaapplekken) - - 59 recreatiewoningen 0 129 129<br />

Recreatiewoning type 3 (5 slaapplekken) - - 59 recreatiewoningen 0 214 214<br />

Recreatiewoning type 4 (6 slaapplekken) - - 59 recreatiewoningen 0 257 257<br />

Totaal 502 eenheden 429 eenheden 915 1018 103<br />

De <strong>bestemmingsplan</strong>wijziging heeft daarmee een gering effect op de verkeersintensiteit van de<br />

N403/Bloklaan. De toename op de N403/Bloklaan is minder dan 2,5% ten opzichte van de<br />

autonome ontwikkeling. De Bloklaan kan deze geringe toename zonder problemen opvangen.<br />

Wegvak 2011 2013 (Huidig)<br />

2023 AO 2023 + AO + recreatie<br />

ontwikkeling<br />

Weg van naar Werkdag Weekdag Werkdag Weekdag Werkdag Weekdag Werkdag Weekdag<br />

N403 Bloklaan Toegang recreatiecentrum Veendijk 4099 3963 4181 4042 4599 4446 4702 4549<br />

14 mei 2013 9X4995-0A0-100/N00001/408275/Rott 2/2


Bijlage 2 Ecoscan<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 57 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 58 - voorontwerp


Notitie<br />

Aan : <strong>Gemeente</strong> Wijdemeren<br />

Van : C.W. Kuijsten, J.P. Groenendijk<br />

Datum : 25 april 2013<br />

Kopie : W. Guliker<br />

Onze referentie : 9X4955/N00001/904848/Amst<br />

Betreft : Ecoscan recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong><br />

1 INLEIDING<br />

HASKONING NEDERLAND B.V.<br />

WATER TECHNOLOGY<br />

Ten zuiden van Loenen a/d Vecht ligt het recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong> (zie figuur 1.). Op het terrein<br />

zijn verschillende vormen van verblijfsrecreatie te vinden, zoals zomerhuizen, chalets,<br />

stacaravans en een camping. De watergebonden recreatie is een belangrijk onderdeel van het<br />

recreatieterrein. Voorts zijn er op het terrein diverse recreatieve voorzieningen aanwezig en is er<br />

een aantal ligplaatsen voor woonboten (permanent bewoond). Op het terrein liggen bovendien<br />

een café-restaurant, een supermarkt en een wasserette.<br />

Figuur 1. Ligging van het recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong> (luchtfoto: www.bing.com)<br />

Aangezien de huidige inrichting onvoldoende aansluit bij huidige en toekomstige ontwikkelingen<br />

rond het recreatieterrein, zal het terrein worden heringericht. In plaats van de huidige oude<br />

A company of Royal Haskoning<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst<br />

1/6


stacaravans komen er recreatiewoningen en chalets en zal een uitbreiding plaatsvinden met<br />

enkele woonschepen. De groene randen rondom het recreatiecentrum blijven bij de<br />

ontwikkelingen gespaard.<br />

1.1 Aanleiding ecoscan<br />

1.2 Inhoud<br />

Er zijn meerdere <strong>bestemmingsplan</strong>herzieningen gemaakt voor de gemeente Wijdemeren,<br />

waaronder de herziening voor het <strong>bestemmingsplan</strong> Plassengebied. Het recreatiecentrum<br />

<strong>Mijnden</strong> ligt binnen de begrenzing van het <strong>bestemmingsplan</strong> Plassengebied. Hoewel de<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>herziening voor het Plassengebied grotendeels conserverend van aard is, is in<br />

het <strong>bestemmingsplan</strong> ruimte opgenomen voor de uitbreiding van de Jachthaven <strong>Mijnden</strong>.<br />

In 2010 is in het kader van de ruimtelijke onderbouwing voor dit <strong>bestemmingsplan</strong> een ecoscan<br />

uitgevoerd (Royal Haskoning, 2010). In de ecoscan wordt geconcludeerd dat initiatieven die<br />

mogelijk worden gemaakt onder de <strong>bestemmingsplan</strong>herziening voor het Plassengebied,<br />

uitvoerbaar geacht worden op grond van de vigerende wet- en regelgeving.<br />

Momenteel wordt een meer gedetailleerd <strong>bestemmingsplan</strong> gemaakt voor het recreatiecentrum<br />

<strong>Mijnden</strong>. In dit stadium is duidelijk geworden wat de intensivering en ontwikkelingen zullen zijn.<br />

Dit <strong>bestemmingsplan</strong> dient eveneens ruimtelijk onderbouwd te worden. Met betrekking tot natuur<br />

wordt daarom een aanvulling gegeven op de eerder vervaardigde ecoscan. Deze notitie zal<br />

dienen als addendum op de ecoscan (Royal Haskoning, 2010). Gezien de recente datum van de<br />

reeds uitgevoerde ecoscan is het niet nodig een volledige rapportage te maken waarin alle zaken<br />

zoals het juridisch kader en het toetsingskader e.d. opnieuw uitgebreid beschreven worden,<br />

hiervoor wordt verwezen naar de eerdere ecoscan.<br />

Mogelijk komen in of nabij het recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong> wettelijk beschermde natuurwaarden<br />

voor. De <strong>bestemmingsplan</strong>wijziging maakt wellicht activiteiten of initiatieven mogelijk die<br />

negatieve effecten veroorzaken op beschermde natuurwaarden en leidt daarmee tot<br />

overtreding(en) van bepalingen uit de vigerende natuurwet- en regelgeving. De<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>wijziging moet daarom getoetst worden op eventuele strijdigheid met deze wet-<br />

en regelgeving. In deze notitie worden de activiteiten en/of initiatieven die in het<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> mogelijk worden gemaakt getoetst aan de vraag of ontheffing (Flora- en<br />

faunawet) of vergunning (Natuurbeschermingswet) verleend kan worden.<br />

Voorafgaand aan de uitvoering is het noodzakelijk inzicht te hebben in de aanwezige<br />

natuurwaarden en de mogelijke effecten van de ingreep op deze natuurwaarden. Op deze<br />

manier kunnen mitigerende maatregelen getroffen worden om negatieve effecten op<br />

beschermde natuurwaarden te voorkomen of te minimaliseren. Op deze manier zijn<br />

overtredingen van de natuurwetgeving te voorkomen. Wanneer het niet mogelijk is negatieve<br />

effecten voldoende te voorkomen of te minimaliseren is een ontheffing (FF-wet) of vergunning<br />

(NB-wet) noodzakelijk.<br />

In deze natuurtoets is nagegaan of in dan wel rond recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong> beschermde<br />

natuurwaarden (planten, dieren en/ of gebieden) voorkomen en of deze door de herstructurering<br />

negatief beïnvloed worden.<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 2/6


1.3 Leeswijzer<br />

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de inhoud van het<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong>. In hoofdstuk 3 worden de aanwezige<br />

natuurwaarden en verwachte effecten besproken. In hoofdstuk 4 zijn de belangrijkste conclusies<br />

en aanbevelingen opgenomen.<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 3/6


2 BESTEMMINGSPLAN RECREATIECENTRUM MIJNDEN<br />

Het grootste gedeelte van het recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong> wordt herontwikkeld. De opstelplaatsen<br />

worden verruimd en er worden nieuwe recreatiewoningen gebouwd. Voor een uitgebreide<br />

beschrijving wordt verwezen naar de rapportage van Royal HaskoningDHV (2013).<br />

Figuur 2. Deelgebieden in het plangebied van recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong> (Royal HaskoningDHV 2013).<br />

In de onderstaande Tabel 1 staat weergegeven welke ontwikkelingen worden verwacht in de<br />

verschillende deelgebieden uit Figuur 2.<br />

Tabel 1: nieuwe ontwikkelingen in recreatiecentrum <strong>Mijnden</strong>, per deelgebied<br />

deelgebied nieuwe ontwikkelingen<br />

1 59 recreatiewoningen<br />

2 parkeerplaats; 38<br />

recreatiewoningen<br />

3 geen nieuwe ontwikkelingen<br />

4 uitbreiding camping: 4 blokhutten,<br />

25 camperplaatsen<br />

5 ligplaats voor 22 woonschepen<br />

6 geen nieuwe ontwikkelingen<br />

7 recreatieweide en -vijver<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 4/6


3 AANWEZIGE NATUURWAARDEN<br />

Voor de beschrijving van natuurwaarden kan onderscheid worden gemaakt in beschermde<br />

soorten (Flora- en faunawet) en beschermde gebieden (Natura 2000 en EHS). Om de<br />

aanwezigheid van beschermde soorten in te kunnen schatten is een bureaustudie gedaan en<br />

een veldbezoek gebracht aan het plangebied op 30 november 2012. Voor het bureauonderzoek<br />

is gebruik gemaakt van de Geactualiseerde Ecoscan gemeente Wijdemeren (Possen, 2010).<br />

Tijdens het veldbezoek is gekeken naar geschiktheid van het aanwezige gebied als habitat voor<br />

beschermde soorten. Het veldbezoek betreft geen inventarisatie van beschermde soorten. Voor<br />

een gerichte inventarisatie een grotere inspanning nodig in andere seizoenen.<br />

De resultaten van het veldbezoek en het bureauonderzoek zijn in de volgende paragrafen per<br />

soortgroep uitgewerkt.<br />

3.1 Beschermde soorten<br />

Het plangebied is een intensief (verblijfs)recreatieterrein. Recreatiewoningen, woonboten,<br />

verharde wegen, onverharde paden, struiken, bomen, gazons en oevers wisselen elkaar af. Het<br />

grootste gedeelte van het terrein is ongeschikt als leefgebied voor streng beschermde soorten,<br />

de randen van het plangebied zijn echter wat natuurlijker van karakter en zijn mogelijk geschikt<br />

als leefgebied voor beschermde soorten. Dit betreft een groenstrook aan de oostelijke zijde<br />

tussen het recreatiegebied en de Loosdrechtse plassen en een groenstrook tussen de Bloklaan<br />

(N403) en het recreatiegebied.<br />

Uit de ecoscan van 2010 is het volgende gekomen voor <strong>bestemmingsplan</strong> Plassengebied:<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 5/6


Tabel 2: Verwachte beschermde soorten in <strong>bestemmingsplan</strong> Plassengebied op basis van de ecoscan<br />

(Possen 2012), plus inschatting of deze op en direct rondom recreatiegebied <strong>Mijnden</strong> voor kunnen komen<br />

(toegelicht in de tekst).<br />

soortgroep soorten in Plassengebied<br />

beschermingscategorie<br />

FFwet **<br />

mogelijk voorkomend op<br />

of nabij <strong>Mijnden</strong>?<br />

vaatplanten rietorchis 2 nee<br />

tongvaren 2<br />

waterdrieblad 2<br />

wilde gagel 2<br />

grondzoogdieren boommarter 3 nee<br />

eekhoorn 2<br />

noordse woelmuis 3<br />

waterspitsmuis 3<br />

vleermuizen franjestaart 3 nee<br />

gewone dwergvleermuis ja *<br />

gewone grootoorvleermuis ja<br />

laatvlieger ja *<br />

meervleermuis ja *<br />

rosse vleermuis ja<br />

ruige dwergvleermuis ja<br />

watervleermuis ja<br />

reptielen en amfibieën ringslang 3 ja<br />

heikikker 3 nee<br />

rugstreeppad 3 ja<br />

vissen bittervoorn 3 ja<br />

grote modderkruiper 3 nee<br />

kleine modderkruiper 2 ja<br />

rivierdonderpad 2 ja<br />

rivierprik 2 nee<br />

jaarrond beschermde vogels blauwe reiger cat. 5 nee<br />

boomkruiper cat. 5 ja<br />

boomvalk cat. 4 nee<br />

buizerd cat. 4 ja<br />

ekster cat. 5 ja<br />

grote bonte specht cat. 5 ja<br />

havik cat. 4 ja<br />

huismus cat. 2 ja<br />

koolmees cat. 5 ja<br />

pimpelmees cat. 5 ja<br />

ransuil cat. 4 nee<br />

sperwer cat. 4 ja<br />

zwarte kraai cat. 5 ja<br />

ongewervelden gestreepte waterroofkever 3 nee<br />

platte schijfhoren 3<br />

groene glazenmaker 3<br />

rouwmantel 3<br />

heideblauwtje 3<br />

* alleen foeragerend, geen verblijfplaatsen<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 6/6


** bij jaarrond beschermde vogels is de categorie van de lijst jaarrond beschermde vogels aangegeven<br />

3.1.1 Vaatplanten<br />

Het recreatiegebied zelf is ongeschikt als standplaats voor streng beschermde soorten (tabel 2<br />

en 3) van de Flora- en faunawet. Wel kunnen lichter beschermde soorten (tabel 1) van de Flora-<br />

en faunawet zoals zwanenbloem en dotterbloem voorkomen langs de oevers van het<br />

recreatiegebied.<br />

3.1.2 Zoogdieren<br />

3.1.3 Reptielen<br />

In het plangebied zijn diverse bomen aanwezig die in potentie geschikt zijn als verblijfplaats voor<br />

boombewonende vleermuissoorten. De bebouwing op het terrein is minder geschikt om te<br />

fungeren als verblijfplaats voor vleermuizen, daarvoor is de bebouwing veelal te laag of<br />

ontbreken geschikte ruimtes in de gebouwen. Het gebied is wel geschikt als foerageergebied<br />

voor diverse vleermuissoorten en de kans is groot dat de Drecht aan de zuidzijde van het<br />

plangebied dienst doet als vliegroute tussen foerageergebied en verblijfplaatsen van een aantal<br />

soorten. Boombewonende soorten die in de omgeving voorkomen, zijn: watervleermuis, ruige<br />

dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis. Het terrein zelf en de<br />

aangrenzende watergangen worden mogelijk als foerageergebied gebruikt door:<br />

bovengenoemde soorten aangevuld met gewone dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis.<br />

Streng beschermde grondgebonden zoogdieren worden niet verwacht op het recreatieterrein. De<br />

ruimere omgeving biedt mogelijk wel geschikt leefgebied voor soorten als noordse woelmuis en<br />

waterspitsmuis. Minder streng beschermde grondgebonden zoogdieren (tabel 1) zijn naar<br />

verwachting wel aanwezig op het recreatieterrein.<br />

In de directe omgeving komt de ringslang voor (tabel 3). De soort is waargenomen in de<br />

groenstrook ten oosten van het recreatieterrein (waarneming Willem Kuijsten, 2010). De<br />

ringslang is een soort van moerassen en is gebonden aan waterrijke gebieden. Het is een<br />

mobiele soort die soms ver van het water wordt aangetroffen. De biotoop moet, behalve water,<br />

voldoende beschutte zonnige plekken bevatten. Dit kunnen open plekken in bosranden,<br />

ruigtebegroeiingen, rietlanden en dijklichamen zijn. Daarnaast dienen schuil- en overwinteringsplaatsen<br />

aanwezig te zijn in de vorm van steenhopen, stronken, houtstapels en vorstvrije, droge<br />

plekken.<br />

Hoewel het recreatiegebied erg intensief wordt gebruikt kunnen op de rustigere (rommelige en<br />

zonnige) delen mogelijk ringslangen voorkomen.<br />

3.1.4 Amfibieën<br />

In de wijdere omgeving van het plangebied komen kamsalamander, rugstreeppad en heikikker<br />

(allen tabel 3) voor (Royal Haskoning, 2012). Het recreatieterrein zelf bevat geen geschikt habitat<br />

voor heikikker en kamsalamander. De rugstreeppad is een mobiele soort met een grote<br />

actieradius hoewel op het eerste gezicht geschikt voortplantingswateren afwezig zijn is het<br />

terrein geschikt als landhabitat voor de rugstreeppad. De soort houdt van vergraafbaar zand en<br />

rommelhoeken en kan overwinteren in of in de omgeving van bebouwing. Het is niet uit te sluiten<br />

dat de rugstreeppad voorkomt in het recreatiegebied.<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 7/6


3.1.5 Vissen<br />

3.1.6 Vogels<br />

In wijdere omgeving van het recreatiegebied komen bittervoorn (tabel 3), kleine modderkruiper<br />

en rivierdonderpad (beide tabel 2) voor. De watergangen in het recreatiegebied zijn in potentie<br />

geschikt als leefgebied voor kleine modderkruiper en bittervoorn. De grotere wateren met stenige<br />

oevers of een stenig substraat zijn in potentie geschikt voor de rivierdonderpad.<br />

Het recreatieterrein biedt geschikt habitat voor diverse algemene broedvogels. Daarnaast zijn<br />

elementen, zoals bomen en gebouwen, aanwezig waarin jaarrond beschermde nesten aanwezig<br />

kunnen zijn. Van vogels met jaarrond beschermde nesten is het nest het gehele jaar beschermd,<br />

terwijl voor overige vogels geldt dat ze alleen beschermd zijn in het broedseizoen. Omdat voor<br />

het verstoren van vogels in principe geen ontheffing wordt verleend, dienen verstorende<br />

werkzaamheden of ontwikkelingen plaats te vinden buiten het broedseizoen. Wanneer deze<br />

werkwijze gevolgd wordt dient alleen nog rekening gehouden te worden met jaarrond<br />

beschermde nesten.<br />

Vogels met jaarrond beschermde nesten die mogelijk voorkomen op het recreatieterrein zijn:<br />

buizerd, havik, huismus, sperwer en gierzwaluw. Overige soorten waarvan het nest jaarrond is<br />

beschermd worden niet verwacht.<br />

3.1.7 Insecten en overige ongewervelde dieren<br />

In de ruimere omgeving van het recreatieterrein komen platte schijfhoren, groene glazenmaker<br />

en gestreepte waterroofkever. Het recreatieterrein biedt voor geen van deze soorten geschikt<br />

habitat.<br />

3.2 Ecologische Hoofdstructuur (EHS)<br />

Zoals te zien is in figuur, ligt het <strong>bestemmingsplan</strong> direct naast Ecologische Hoofdstructuur, maar<br />

is er geen overlap. Omdat externe werking in Noord-Holland niet getoetst hoeft te worden, wordt<br />

de EHS in deze notitie niet verder behandeld.<br />

Figuur 3. Ligging van het <strong>bestemmingsplan</strong>-deelgebied (paarse lijn) ten opzichte van de Ecologische<br />

Hoofdstructuur. Bron: <strong>Ontwerp</strong> Natuurbeheerplan 2014, Provincie Noord-Holland.<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 8/6


3.3 Natuurbeschermingswet<br />

Het recreatiegebied <strong>Mijnden</strong> grenst direct aan Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen<br />

(Figuur ). De ontwikkelingen vinden dus niet direct binnen Natura 2000-gebied plaats. Externe<br />

werking op Natura 2000-gebieden dient echter wel getoetst te worden.<br />

Figuur 4. Ligging van het <strong>bestemmingsplan</strong>-deelgebied (rode lijn) ten opzichte van Natura 2000-gebied<br />

Oostelijke Vechtplassen. Bron: ontwerpbegrenzing Natura 2000, Ministerie van LNV, 2008.<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 9/6


Tabel 3: Verwachte beschermde natuurwaarden met instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000 in<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> Plassengebied op basis van de ecoscan (Royal Haskoning 2012), plus inschatting of<br />

deze op en direct rondom recreatiegebied <strong>Mijnden</strong> voor kunnen komen (op basis van Atlas N2000 en<br />

toegelicht in de tekst).<br />

VHR-natuurwaarde<br />

mogelijk voorkomend<br />

nabij <strong>Mijnden</strong>?<br />

Habitattypen H3150 Meren met krabbenscheer nee<br />

H7140A Trilvenen nee<br />

H7140B Veenmosrietland nee<br />

H91D0 Hoogveenbossen ja<br />

Habitatsoorten H1082 gestreepte waterroofkever nee<br />

H1134 bittervoorn ja<br />

H1149 kleine modderkruiper ja<br />

H1163 rivierdonderpad nee<br />

H1318 meervleermuis ja (foeragerend)<br />

H1340 noordse woelmuis nee<br />

H4056 platte schijfhoren nee<br />

Broedvogels VR A021 roerdomp nee<br />

A022 woudaap nee<br />

A029 purperreiger ja<br />

A119 porseleinhoen nee<br />

A197 zwarte stern nee<br />

A229 ijsvogel nee<br />

A292 snor ja<br />

A295 rietzanger ja<br />

A298 grote karekiet ja<br />

Niet-broedvogels VR A017 aalscholver ja<br />

A041 kolgans ja<br />

A043 grauwe gans ja<br />

A050 smient ja<br />

A051 krakeend ja<br />

A056 slobeend ja<br />

A059 tafeleend ja<br />

A068 nonnetje ja<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 10/6


4 MOGELIJKE EFFECTEN OP AANWEZIGE NATUURWAARDEN EN MAATREGELEN<br />

4.1 Flora- en faunawet<br />

Door bomenkap, ruimtebeslag en werk aan watergangen kunnen leefgebied, nestplaatsen of<br />

andere vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten verloren gaan. Ook kunnen<br />

individuen worden gedood of verwond door werkzaamheden. Tenslotte is het ook mogelijk dat<br />

individuen of broedgevallen verstoring ondervinden door geluid, trillingen, licht of optische<br />

effecten.<br />

In het algemeen dienen negatieve effecten op beschermde soorten te worden voorkomen,<br />

eventueel door mitigerende maatregelen toe te passen. Daarmee kan overtreding van de Flora-<br />

en faunawet en ontheffingsplicht worden voorkomen. Als overtreding niet kan worden<br />

voorkomen, is ontheffingsaanvraag nodig. Het zicht op ontheffingverlening wordt enerzijds<br />

bepaald door het belang dat aan het project toegekend kan worden; voor soorten van bijlage IV<br />

van de Habitatrichtlijn (zoals rugstreeppad en vleermuizen) is bijvoorbeeld een dwingende reden<br />

van groot openbaar belang nodig. Voor soorten van de Vogelrichtlijn (broedvogels en jaarrond<br />

beschermde soorten is een belang voor openbare veiligheid of bescherming van flora en fauna<br />

nodig. Voor soorten van Flora- en faunawet tabel 2 is het belang “ruimtelijke inrichting” in<br />

beginsel voldoende. Daarnaast kan ontheffing alleen worden verleend als de gunstige staat van<br />

instandhouding van de soort of de populatie niet in het geding is en als voldoende maatregelen<br />

worden getroffen om schade te beperken.<br />

4.1.1 Vleermuizen<br />

Bomenkap kan mogelijk leiden tot vernietiging of aantasting van verblijfplaatsen van<br />

vleermuizen. Bomen met geschikte holten of spleten moeten bij voorkeur gespaard worden. Als<br />

ze toch gekapt moeten worden, is onderzoek nodig naar gebruik van de bomen door<br />

boombewonende vleermuissoorten (watervleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone<br />

grootoorvleermuis en rosse vleermuis). Dit dient dan nader uitgewerkt te worden. Daarnaast is<br />

het mogelijk dat een eventuele migratieroute van de meervleermuis wordt verstoord als de<br />

verlichting ter plekke toeneemt.<br />

Eventueel aanwezige verblijfplaatsen dienen, als ze verloren gaan, gecompenseerd te worden.<br />

Eventuele vliegroutes dienen door gebruik van aangepaste verlichting zo weinig mogelijk licht te<br />

ontvangen. Ontheffingsplicht kan aan de orde zijn. Er is een geldig belang uit de Habitatrichtlijn<br />

nodig om ontheffing te krijgen, bijvoorbeeld een dwingende reden van groot openbaar belang.<br />

4.1.2 Reptielen en amfibieën<br />

4.1.3 Vissen<br />

Het verwijderen van mogelijke verblijfplaatsen van de ringslang en rugstreeppad (in dit geval<br />

landhabitat, bestaande uit bijvoorbeeld compost-, rommel-, of takkenhopen) kan een overtreding<br />

van de Flora- en faunawet betekenen. Nader onderzoek dient uit te wijzen of ringslangen en<br />

rugstreeppadden daadwerkelijk verblijfplaatsen hebben in het <strong>bestemmingsplan</strong>-deelgebied.<br />

Eventueel verlies van verblijfplaatsen is relatief eenvoudig te mitigeren door het aanbieden van<br />

rommel-, takken- of composthopen (afhankelijk van de soort) in de directe omgeving.<br />

Door werkzaamheden in en aan watergangen kunnen vissoorten worden gedood of verwond,<br />

indien in de voortplantingsperiode wordt gewerkt en/of geen mitigerende maatregelen worden<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 11/6


genomen. Overtreding van de Flora- en faunawet kan worden voorkomen door de netto<br />

hoeveelheid oppervlaktewater gelijk te houden, buiten kwetsbare perioden te werken en waar<br />

nodig de aanwezige vissen voorafgaand aan vergraving weg te vangen en in de nabijheid weer<br />

uit te zetten. Ontheffing is dan niet nodig. Mochten effecten niet volledig te mitigeren zijn, dan<br />

kan ontheffing naar verwachting verkregen worden.<br />

4.1.4 Jaarrond beschermde vogels<br />

Indien nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten daadwerkelijk aanwezig zijn in te kappen<br />

bomen, dan zal de kap leiden tot het verlies daarvan. Dit is een overtreding van<br />

verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Ontheffing voor aantasting van nestplaatsen<br />

(buiten het broedseizoen) van deze soortgroep is niet te verkrijgen, omdat de geldig belangen uit<br />

de vogelrichtlijn niet van toepassing zijn op de geplande ontwikkelingen in <strong>Mijnden</strong>. Effecten<br />

dienen daarom gemitigeerd te worden, door bomen te laten staan of door alternatieve<br />

nestgelegenheid aan te bieden. Het aanbieden van alternatieve nestgelegenheid wordt door de<br />

ene soort beter geaccepteerd dan door de andere soort. Over de effectiviteit van het aanbieden<br />

van alternatieve nestgelegenheid voor buizerd, havik en sperwer bestaat geen consensus.<br />

Voor vogelsoorten die onder categorie 5 van de lijst van jaarrond beschermde soorten vallen,<br />

geldt dat nestplaatsen alleen jaarrond beschermd zijn als daar een zwaarwegende ecologische<br />

reden voor is. De soorten waar het bij <strong>Mijnden</strong> om gaat (boomkruiper, ekster, grote bonte specht,<br />

koolmees, pimpelmees en zwarte kraai) zijn (tamelijk) algemeen in de regio en in Nederland. Er<br />

is dan ook geen reden om in dit geval de eventueel aanwezige nestplaatsen jaarrond beschermd<br />

te verklaren. Dit betekent dat buiten het broedseizoen de eventueel aanwezige nestplaatsen<br />

zonder ontheffing weggenomen mogen worden.<br />

Overigens geldt voor alle vogelsoorten (al dan niet jaarrond beschermd) dat verstoring of<br />

anderszins aantasting van broedgevallen voorkomen dient te worden, bij voorkeur door buiten<br />

het broedseizoen te werken. Voor aantasting van broedgevallen is geen ontheffing te krijgen.<br />

Tabel 4: Samenvatting van te verwachten negatieve effecten, mitigeerbaarheid en ontheffingsplicht voor<br />

Flora- en faunawetsoorten.<br />

soortgroep soorten<br />

vleermuizen gewone dwergvleermuis<br />

laatvlieger<br />

meervleermuis<br />

gewone grootoorvleermuis<br />

rosse vleermuis<br />

ruige dwergvleermuis<br />

watervleermuis<br />

reptielen en<br />

ringslang<br />

amfibieën<br />

rugstreeppad<br />

vissen bittervoorn<br />

kleine modderkruiper<br />

rivierdonderpad<br />

jaarrond<br />

buizerd<br />

beschermde vogels havik<br />

sperwer<br />

mogelijk<br />

negatief effect<br />

-<br />

verlies<br />

verblijfplaatsen<br />

verlies<br />

landhabitat<br />

doden en<br />

verwonden<br />

individuen<br />

verlies<br />

nestplaatsen<br />

oorzaak<br />

bomenkap<br />

ruimtebeslag<br />

werkzaamheden<br />

onder<br />

water<br />

bomenkap<br />

mitigeerbaar?<br />

bomen met<br />

holten/ spleten<br />

sparen<br />

aanbieden<br />

alternatief<br />

landhabitat<br />

wegvangen<br />

individuen<br />

bomen met<br />

holten/ spleten<br />

sparen<br />

ontheffing<br />

nodig?<br />

waarschijnlijk<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 12/6<br />

nee<br />

nee<br />

nee (niet<br />

mogelijk)


4.2 Natuurbeschermingswet<br />

huismus -<br />

Omdat recreatiegebied <strong>Mijnden</strong> buiten de begrenzing ligt van Natura 2000-gebied Oostelijke<br />

Vechtplassen, zijn effecten op instandhoudingsdoelstellingen per definitie alleen mogelijk door<br />

externe werking. Dit kan betekenen:<br />

verstoring van fauna door geluid, trillingen, licht en optische effecten<br />

aantasting van habitattypen en leefgebied van habitatsoorten door invloed op abiotische<br />

randvoorwaarden (o.a. stikstofdepositie)<br />

4.2.1 Habitattypen<br />

Het habitattype H91D0 hoogveenbossen ligt op minimaal 500 meter afstand van <strong>Mijnden</strong>.<br />

Effecten op waterkwaliteit en peil zijn uitgesloten. In dit stadium is lastig te bepalen in hoeverre er<br />

een verhoogde uitstoot van stikstof te verwachten is; een verhoogde stikstofdepositie op<br />

kwalificerende vegetatie is niet op voorhand uitgesloten. Hoogveenbossen zijn gevoelig voor<br />

stikstofdepositie (waarschijnlijk vooral vanwege vermesting); de kritische depositiewaarde ligt<br />

onder 1.800 mol N/ha/jaar (van Dobben et al. 2012). Indien maatregelen worden genomen om<br />

de stikstofdepositie op habitattypen niet te verhogen, komen instandhoudingsdoelstellingen niet<br />

in het geding.<br />

4.2.2 Habitatsoorten<br />

De vissoorten bittervoorn, kleine modderkruiper en rivierdonderpad ondervinden geen negatieve<br />

effecten door externe werking; verhoogde recreatiedruk heeft geen verstorende of anderszins<br />

schadelijke werking. Effecten op deze soortgroep zijn uitgesloten.<br />

Indien er langs het recreatiegebied <strong>Mijnden</strong> een belangrijke migratieroute voor meervleermuizen<br />

loopt, ondervindt deze soort mogelijk hinder als er meer lichtuitstraling komt. Aantasting van<br />

foerageergebied en verblijfplaatsen is niet aannemelijk; de soort foerageert op grote open<br />

wateren en boven moerassen en heeft geen verblijfplaatsen in het plangebied. Door<br />

lichtuitstraling te beperken (bijvoorbeeld middels aangepaste armaturen) zijn negatieve effecten<br />

reduceerbaar en zullen waarschijnlijk niet significant zijn.<br />

4.2.3 Broedvogels<br />

De purperreiger, snor, rietzanger en grote karekiet hebben hun broedbiotoop in rietlanden (die<br />

over het algemeen ontoegankelijk zijn). Effecten van toegenomen recreatie zijn waarschijnlijk<br />

beperkt en niet-significant, omdat vaarbewegingen op het open water zijn. Op voorhand zijn<br />

effecten echter niet uitgesloten; mogelijk zijn beperkende maatregelen nodig.<br />

4.2.4 Niet-broedvogels<br />

Verstoring van overwinterende vogels is naar verwachting zeer beperkt: in het winterseizoen zijn<br />

er relatief weinig overwinterende vogels op de Loosdrechtse plas, veel meer in de kleinere<br />

wateren. Daarnaast is er in het winterseizoen weinig recreatievaart. Effecten zijn beperkt en naar<br />

verwachting niet significant, maar op voorhand echter niet uitgesloten; mogelijk zijn beperkende<br />

maatregelen nodig.<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 13/6


25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 14/6


Tabel 5: Samenvatting van te verwachten negatieve effecten, mitigeerbaarheid en vergunningplicht voor<br />

instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.<br />

VHR-natuurwaarde<br />

Habitattypen H91D0 Hoogveenbossen<br />

Habitatsoorten H1134 bittervoorn<br />

H1149 kleine modderkruiper<br />

H1163 rivierdonderpad<br />

mogelijk<br />

negatief<br />

effect<br />

vermesting,<br />

verzuring<br />

H1318 meervleermuis verstoring<br />

Broedvogels VR A029 purperreiger<br />

A292 snor<br />

(beperkte)<br />

verstoring<br />

broedgevallen<br />

A295 rietzanger<br />

door geluid en<br />

A298 grote karekiet<br />

optische<br />

effecten<br />

Niet-broedvogels VR A017 aalscholver<br />

A041 kolgans<br />

A043 grauwe gans<br />

A050 smient<br />

(zeer<br />

beperkte)<br />

verstoring<br />

A051 krakeend<br />

door geluid en<br />

A056 slobeend<br />

A059 tafeleend<br />

A068 nonnetje<br />

optische<br />

effecten<br />

oorzaak<br />

mitigeerbaar?<br />

N-depositie ja; verbetering<br />

isolatie etc.<br />

toename<br />

verlichting<br />

toename<br />

recreatie<br />

toename<br />

recreatie<br />

ja; naar<br />

beneden<br />

gerichte<br />

armaturen<br />

ja; beperking<br />

toegankelijkheid<br />

ja; beperking<br />

toegankelijkheid<br />

vergunning<br />

nodig?<br />

mogelijk<br />

mogelijk<br />

mogelijk<br />

mogelijk<br />

Tenslotte wordt nog gewezen op mogelijke cumulatieve effecten. Negatieve effecten die op<br />

zichzelf beschouwd niet significant zijn, kunnen samen met eventuele effecten van andere<br />

ontwikkelingen in de regio alsnog leiden tot significant negatieve effecten op<br />

instandhoudingsdoelstellingen. Deze cumulatie wordt ook door de provincie beschouwd in de<br />

toetsingen voor de vergunningaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet.<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 15/6


5 Bronnen<br />

van Dobben, H.F., R. Bobbink, D. Bal & A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische<br />

depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000.<br />

Alterra rapport 2397, Wageningen.<br />

Possen, B.J.H.M. 2010. Geactualiseerde Ecoscan <strong>Gemeente</strong> Wijdemeren voor vijf<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>nen. Royal Haskoning rapport 9V3597/R00002/902430/Rott.<br />

25 april 2013 9X4955/N00001/904848/Amst 16/6


Planregels<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 59 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 60 - voorontwerp


Hoofdstuk 1 Inleidende regels<br />

Artikel 1 Begrippen<br />

1.1 plan:<br />

het <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong> van de gemeente Wijdemeren;<br />

1.2 <strong>bestemmingsplan</strong>:<br />

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand<br />

NL.IMRO.1696.BP0700<strong>Mijnden</strong>2009-co00 met de bijbehorende regels;<br />

1.3 aan- en uitbouw:<br />

een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw dat te onderscheiden is van en in bouwkundig<br />

opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en direct in verbinding staat met dat hoofdgebouw;<br />

1.4 aan-huis-verbonden beroep:<br />

een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de<br />

woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die<br />

met de woonfunctie in overeenstemming is;<br />

1.5 aanduiding:<br />

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar, ingevolge de regels,<br />

regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;<br />

1.6 aanduidingsgrens:<br />

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;<br />

1.7 afhankelijke woonruimte:<br />

een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte<br />

van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gevestigd is;<br />

1.8 antennedrager:<br />

antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne;<br />

1.9 antenne-installatie:<br />

installatie bestaande uit een antennestaaf, -spriet (al dan niet met dwarssprieten) of -schotel, een<br />

antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de<br />

daarbij behorende bevestigingsconstructie;<br />

1.10 bebouwingspercentage:<br />

a. het percentage van de oppervlakte van een bouwperceel, dat mag worden bebouwd;<br />

b. in afwijking van het gestelde onder a wordt in lid 4.2.1 sub b onder bebouwingspercentage verstaan<br />

het percentage van de oppervlakte van een bouwvlak, dat mag worden bebouwd;<br />

c. in afwijking van het gestelde onder a wordt in lid 12.2.1 sub c onder bebouwingspercentage verstaan<br />

het percentage van de oppervlakte van een bestemmingsvlak, dat mag worden bebouwd;<br />

1.11 bedrijf:<br />

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen<br />

van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel detailhandel<br />

uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q.<br />

levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in<br />

rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;<br />

1.12 bedrijfsmatige activiteiten:<br />

bedrijfsmatige activiteiten - geen dienstverlening zijnde - en ambachtelijke verzorgende<br />

bedrijvigheden, geheel of overwegend door middel van handwerk;<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 61 - 15 mei 2013


1.13 bedrijfsmatige exploitatie:<br />

het door middel van een bedrijf beheren en/of exploiteren van recreatieverblijven, waarbij voor<br />

recreatiewoningen geldt dat daar permanente wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden<br />

worden geboden;<br />

1.14 bedrijfswoning:<br />

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor bewoning door (het<br />

huishouden van) een persoon, wiens huishouding daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van<br />

het gebouw of het terrein;<br />

1.15 beschoeiing:<br />

een constructie die wordt gebruikt voor de bescherming van een oever of waterkant tegen afkalven,<br />

golfkrachten en andere invloeden;<br />

1.16 bestaand gebruik:<br />

het gebruik van grond en bouwwerken, dat bestaat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;<br />

1.17 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds-, oppervlakte-, lengte- en breedtematen:<br />

afstands-, hoogte-, inhouds-, oppervlakte-, lengte- en breedtematen, die op het tijdstip van<br />

terinzagelegging van het ontwerp van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met<br />

inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;<br />

1.18 bestaande bouwwerken:<br />

bouwwerken, die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan zijn, of alsnog<br />

kunnen<br />

worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen<br />

omgevingsrecht;<br />

1.19 bestemmingsgrens:<br />

de grens van een bestemmingsvlak;<br />

1.20 bestemmingsvlak:<br />

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;<br />

1.21 bijgebouw:<br />

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden<br />

van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;<br />

1.22 bouwen:<br />

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een<br />

bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een<br />

standplaats;<br />

1.23 bouwgrens:<br />

de grens van een bouwvlak;<br />

1.24 bouwlaag:<br />

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of<br />

balklagen is begrensd, dat met inbegrip van kelderlagen, onderbouw en kapverdiepingen;<br />

1.25 bouwperceel:<br />

een aaneengesloten stuk grond, waarop, ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende<br />

bebouwing is toegelaten;<br />

1.26 bouwperceelgrens:<br />

de grens van een bouwperceel;<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 62 - voorontwerp


1.27 bouwvlak:<br />

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, bepaalde<br />

gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;<br />

1.28 bouwwerk:<br />

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij<br />

indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;<br />

1.29 chalet:<br />

een gebouwd onderkomen, niet zijnde een stacaravan, dat naar aard en inrichting kan dienen tot, dag<br />

of nachtverblijf van één of meer personen in het kader van weekend- en/of verblijfsrecreatie;<br />

1.30 dak:<br />

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;<br />

1.31 dakkapel:<br />

een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze<br />

constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;<br />

1.32 detailhandel:<br />

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen<br />

en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending<br />

anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;<br />

1.33 dienstverlening:<br />

het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan derden;<br />

1.34 extensieve dagrecreatie:<br />

niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen,<br />

zwemmen en natuurobservatie;<br />

1.35 gebouw:<br />

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden<br />

omsloten ruimte vormt;<br />

1.36 hoofdgebouw:<br />

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet<br />

op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;<br />

1.37 horeca:<br />

een bedrijf dat gericht is op het verstrekken van dranken en voedsel, overwegende ter plaatse te<br />

nuttigen en/of het exploiteren van zaalaccommodatie met uitzondering van een<br />

discotheek/bar-dancing;<br />

1.38 kampeermiddelen:<br />

a. tenten, tentwagens, kampeerauto's of caravans;<br />

b. enige andere onderkomens of enige andere voertuigen of gewezen voertuigen of gedeelten<br />

daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde;<br />

c. een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn<br />

bestemd of opgericht, dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;<br />

1.39 kampeerseizoen:<br />

het tijdvak 15 maart - 1 november alsook tijdens de door de Minister vastgestelde adviesdata voor de<br />

vakanties;<br />

1.40 kampeerterrein:<br />

een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemt, om daarop<br />

gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van<br />

recreatief nachtverblijf;<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 63 - 15 mei 2013


1.41 kavel:<br />

een aaneengesloten stuk grond, waarop, ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende<br />

bebouwing is toegelaten;<br />

1.42 kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen:<br />

voorzieningen ten behoeve van activiteiten zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en<br />

natuurobservatie in de vorm van aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten,<br />

informatieborden en banken en daarmee gelijk te stellen voorzieningen;<br />

1.43 maaiveld:<br />

de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft;<br />

1.44 mantelzorg:<br />

het bieden van zorg aan eenieder die aantoonbaar hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of<br />

sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;<br />

1.45 nutsvoorzieningen:<br />

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations,<br />

schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van<br />

(ondergrondse) afvalinzameling, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie;<br />

1.46 paardenbak:<br />

buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed, al dan niet in<br />

combinatie met een andere ondergrond en al dan niet voorzien van een omheining;<br />

1.47 peil:<br />

a. voor bouwwerken waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter<br />

plaatse van de hoofdtoegang;<br />

b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;<br />

1.48 permanente bewoning:<br />

gebruik in de vorm van bewoning als hoofdverblijf van een recreatief verblijf(smiddel);<br />

1.49 permanente verblijfsrecreatie:<br />

verblijfsrecreatie, waarvan het ruimtegebruik een permanent karakter draagt, waaronder wordt<br />

verstaan het innemen van een standplaats op hetzelfde terrein en overnachting in een recreatief<br />

verblijf(smiddel) voor langer dan een kampeerseizoen;<br />

1.50 recreatieappartement:<br />

wooneenheid, al dan niet deel uitmakend van een hotel, niet bedoeld voor permanente bewoning<br />

door één en hetzelfde huishouden;<br />

1.51 recreatiewoning:<br />

een gebouw dat dient als recreatieverblijf, waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben;<br />

1.52 seksinrichting:<br />

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij<br />

bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische<br />

aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede<br />

een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan<br />

niet in combinatie met elkaar;<br />

1.53 staat van bedrijfsactiviteiten:<br />

de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze planregels deel uitmaakt;<br />

1.54 staat van horeca-activiteiten:<br />

de bijlage Staat van Horeca-activiteiten die van deze planregels deel uitmaakt;<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 64 - voorontwerp


1.55 trekkershut:<br />

een gebouw, dat is bestemd voor kortdurend recreatief verblijf;<br />

1.56 waterpeil:<br />

de gemiddelde hoogte van het water;<br />

1.57 winkel:<br />

een gebouw, dat een ruimte omvat die door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor<br />

de detailhandel;<br />

1.58 woning:<br />

een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden;<br />

1.59 woonschip:<br />

a. elk vaar- of drijftuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd, als of te oordelen naar zijn<br />

constructie en/of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd, tot dag- en/of nachtverblijf van<br />

één of meer personen;<br />

b. een vaar- of drijftuig, als bedoeld onder eerste punt in aanbouw;<br />

c. een casco dat tot vaar- of drijftuig als bedoeld onder eerste punt kan worden opgebouwd;<br />

d. een vaar- of drijftuig als bedoeld onder bovenstaande punten dat is ingegraven, aangeaard, op de<br />

wal getrokken of door andere oorzaak niet onmiddellijk kan varen of drijven;<br />

e. de overblijfselen van een vaar- of drijftuig als bedoeld onder alle bovenstaande punten.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 65 - 15 mei 2013


Artikel 2 Wijze van meten<br />

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:<br />

2.1 de dakhelling:<br />

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;<br />

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:<br />

vanaf het (water)peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee<br />

gelijk te stellen constructiedeel;<br />

2.3 de inhoud van een bouwwerk:<br />

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de<br />

scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;<br />

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:<br />

vanaf het (water)peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw<br />

zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar<br />

de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;<br />

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:<br />

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts<br />

geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het<br />

bouwwerk;<br />

2.6 de oppervlakte van een overkapping:<br />

tussen de buitenzijden van de gevels en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidsmuren en/of<br />

tussen de verticale projectie van de buitenste maten van het bouwwerk;<br />

2.7 de hoogte van een woonschip:<br />

gemeten vanaf het waterpeil tot aan het hoogste punt van het woonschip, met uitzondering van<br />

ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antenne-installaties en naar de aard daarmee<br />

gelijk te stellen onderdelen;<br />

2.8 de lengte en breedte van een woonschip:<br />

gemeten over de langste lengte en de langste breedte, inclusief overstekken groter dan 0,3 meter en<br />

loopranden groter dan 0,5 meter uit de gevel en dergelijke;<br />

2.9 de inhoud van een woonschip:<br />

gemeten tussen de buitenzijde van de zijwanden boven de waterlijn.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 66 - voorontwerp


Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels<br />

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden<br />

3.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor ‘Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd<br />

voor:<br />

a. agrarisch grondgebruik;<br />

b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de in dit gebied voorkomende landschappelijke<br />

en natuurlijke waarden, onder meer in de vorm van de voor het gebied kenmerkende openheid en<br />

de voor het veenweidelandschap kenmerkende flora en fauna;<br />

c. fiets- en wandelpaden;<br />

d. waterhuishoudkundige voorzieningen;<br />

e. extensieve dagrecreatie;<br />

f. bijbehorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en erftoegangswegen.<br />

3.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken,<br />

geen gebouwen zijnde worden gebouwd.<br />

3.3 Specifieke gebruiksregels<br />

Als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 3.1 bedoelde<br />

gronden:<br />

a. als staanplaats voor onderkomens, alsmede wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening<br />

van handel;<br />

b. als kampeerterrein;<br />

c. als opslag van mest en landbouwproducten in sleufsilo’s en/of graskuilen;<br />

d. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk<br />

gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover dit noodzakelijk is in<br />

verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;<br />

e. als opslagplaats van hout en aannemersmaterialen;<br />

f. als terrein voor het al dan niet ten verkoop opslaan van ongebruikte en/of gebruikte dan wel<br />

geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorvoertuigen of aanhangers dan<br />

wel onderdelen daarvan, welke bruikbaar zijn en niet aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken<br />

zijn;<br />

g. voor paardenbakken.<br />

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden<br />

3.4.1 Verbod<br />

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen<br />

bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:<br />

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van<br />

andere oppervlakteverhardingen;<br />

b. het aanleggen, dempen, verdiepen of verleggen van waterlopen;<br />

c. het aanleggen van graskuilen;<br />

d. het ontginnen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;<br />

e. het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en<br />

daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;<br />

f. het aanbrengen van opgaande beplantingen;<br />

g. het scheuren of ploegen van grasland;<br />

h. het door bemaling, afwatering, ontwatering, afdamming, toevloeiing of bevloeiing wijzigen van de<br />

waterhuishouding of blijvend verlagen van de waterstand.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 67 - 15 mei 2013


3.4.2 Uitzondering op het verbod<br />

Het in lid 3.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:<br />

a. het normaal onderhoud betreffen ten dienste van de bestemming, waaronder in ieder geval wordt<br />

verstaan het telen van maïs, het scheuren van grasland in het kader van graslandvernieuwing,<br />

het ploegen, eggen, uitbaggeren van sloten en greppels, het vervangen van bestaande drainage,<br />

de aanleg van drainage door middel van sleufloos draineren en andere ondiepe werkzaamheden.<br />

b. reeds in uitvoering of aanwezig zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;<br />

c. reeds mogen worden uitgevoerd op grond van een verleende omgevingsvergunning.<br />

3.4.3 Toetsing<br />

De in lid 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien kan worden<br />

aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad, gelet op:<br />

a. het belang dat met de ingreep is gediend;<br />

b. de belangen van landschap en natuur;<br />

c. het waterhuishoudkundig belang (kwantitatief en kwalitatief), met het oog op de<br />

waterhuishoudkundige doelstellingen.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 68 - voorontwerp


Artikel 4 Bedrijf<br />

4.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf': een<br />

aannemersbedrijf behorende tot categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, opgenomen in<br />

bijlage 1 van deze regels;<br />

b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’: ten hoogste 1 bedrijfswoning;<br />

c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen,<br />

parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en erftoegangswegen.<br />

4.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag worden gebouwd met inachtneming<br />

van de volgende regels:<br />

4.2.1 Gebouwen<br />

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;<br />

b. het bebouwingspercentage per bouwvlak, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de<br />

aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven;<br />

c. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 meter;<br />

d. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 8,5 meter.<br />

4.2.2 Bedrijfswoningen<br />

a. per bedrijf mag ten hoogste 1 bedrijfswoning worden gebouwd;<br />

b. de oppervlakte van de bedrijfswoning mag, inclusief aan-, uitbouwen, bijgebouwen en<br />

overkappingen niet meer bedragen dan 190 m²;<br />

c. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 6 meter;<br />

d. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 8 meter.<br />

4.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen<br />

a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd op een<br />

afstand van tenminste 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;<br />

b. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen en van aangebouwde bijgebouwen<br />

en aan- en uitbouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter;<br />

c. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen en van aangebouwde<br />

bijgebouwen en aan- en uitbouwen mag niet meer bedragen dan 5 meter.<br />

4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter;<br />

b. de bouwhoogte van antenne-installaties ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde<br />

schotelantennes en zonder techniekkast, mag niet meer bedragen dan 20 meter;<br />

c. de bouwhoogte van antenne-installaties die op bouwwerken worden geplaatst, niet zijnde<br />

schotelantennes, mag niet meer bedragen dan 5 meter;<br />

d. de bouwhoogte van hijsinrichtingen mag niet meer bedragen dan 9 meter;<br />

e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3<br />

meter.<br />

4.3 Specifieke gebruiksregels<br />

Als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 4.1 bedoelde<br />

gronden voor:<br />

a. inrichtingen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);<br />

b. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk;<br />

c. geluidhinderlijke inrichtingen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder; opslag van goederen ter<br />

plaatse van niet-bebouwde gronden;<br />

d. permanente bewoning, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';<br />

e. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden;<br />

f. paardenbakken.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 69 - 15 mei 2013


4.4 Afwijken van de gebruiksregels<br />

Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van:<br />

a. het bepaalde in lid 4.1 teneinde bedrijven toe te laten die voorkomen in één categorie hoger dan<br />

genoemd in lid 4.1, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet<br />

op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven<br />

maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare<br />

categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;<br />

b. het bepaalde in lid 4.1 teneinde bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten<br />

zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de<br />

specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de<br />

algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;<br />

c. met dien verstande dat niet kan worden afgeweken ten behoeve van de vestiging van<br />

benzineservicestations met LPG-verkooppunt.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 70 - voorontwerp


Artikel 5 Bedrijf - Nutsbedrijf<br />

5.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Bedrijf - Nutsbedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. openbare nutsvoorzieningen;<br />

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water en erftoegangswegen;<br />

5.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag worden gebouwd met inachtneming<br />

van de volgende regels:<br />

5.2.1 Gebouwen<br />

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;<br />

b. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter;<br />

c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 5 meter.<br />

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel en/of grenzend aan openbaar<br />

gebied mag niet meer bedragen dan 1 meter;<br />

b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders mag niet meer bedragen dan 2 meter;<br />

c. de bouwhoogte van antenne-installaties ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde<br />

schotelantennes en zonder techniekkast, mag niet meer bedragen dan 20 meter;<br />

d. de bouwhoogte van antenne-installaties die op bouwwerken worden geplaatst, niet zijnde<br />

schotelantennes, mag niet meer bedragen dan 5 meter;<br />

e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3<br />

meter.<br />

5.3 Nadere eisen<br />

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan het oppervlak en de plaatsing<br />

van gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde voor zover dit noodzakelijk is om te kunnen<br />

voorzien in voldoende parkeerplaatsen.<br />

5.4 Specifieke gebruiksregels<br />

Als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 5.1 bedoelde<br />

gronden voor:<br />

a. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 71 - 15 mei 2013


Artikel 6 Groen<br />

6.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. groen en/of groenvoorzieningen;<br />

b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schuur', een schuur;<br />

c. fiets- en wandelpaden;<br />

d. speelvoorzieningen;<br />

e. nutsvoorzieningen;<br />

f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;<br />

g. erftoegangswegen.<br />

6.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten<br />

behoeve van de bestemming.<br />

6.2.1 Gebouwen<br />

Ten aanzien van gebouwen gelden de volgende regels:<br />

a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;<br />

b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2 meter.<br />

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen<br />

zijnde worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:<br />

a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter;<br />

b. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 meter;<br />

c. de bouwhoogte van bewegwijzering mag niet meer bedragen dan 9 meter;<br />

d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3<br />

meter.<br />

6.3 Specifieke gebruiksregels<br />

Als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 6.1 bedoelde<br />

gronden voor:<br />

a. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden;<br />

b. paardenbakken;<br />

c. recreatief gebruik;<br />

d. permanente bewoning.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 72 - voorontwerp


Artikel 7 Horeca<br />

7.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. horeca-activiteiten tot en met categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten, opgenomen in<br />

bijlage 2 van deze regels;<br />

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, parkeervoorzieningen, laad-<br />

en losvoorzieningen en erftoegangswegen.<br />

7.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten<br />

behoeve van de bestemming.<br />

7.2.1 Gebouwen<br />

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;<br />

b. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4 meter;<br />

c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 7 meter.<br />

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel en/of grenzend aan openbaar<br />

gebied mag niet meer bedragen dan 1 meter;<br />

b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders mag niet meer bedragen dan 2 meter;<br />

c. de bouwhoogte van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van telecommunicatie, niet<br />

zijnde schotelantennes, mag niet meer bedragen dan 5 meter;<br />

d. de bouwhoogte van antenne-installaties die op bouwwerken worden geplaatst, niet zijnde<br />

schotelantennes, mag niet meer bedragen dan 5 meter;<br />

e. de bouwhoogte van schotelantennes mag niet meer bedragen dan 3 meter;<br />

f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan<br />

3 meter.<br />

7.3 Nadere eisen<br />

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan het oppervlak en de plaatsing<br />

van bouwwerken voor zover dit noodzakelijk is om te kunnen voorzien in voldoende parkeerplaatsen<br />

op eigen terrein.<br />

7.4 Specifieke gebruiksregels<br />

Als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 7.1 bedoelde<br />

gronden voor:<br />

a. een hotel;<br />

b. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden;<br />

c. permanente bewoning;<br />

d. paardenbakken.<br />

7.5 Afwijken van de gebruiksregels<br />

Het bevoegd gezag is bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van lid 7.1 voor andere<br />

horeca-activiteiten dan genoemd in bijlage 2 van deze regels, met inachtneming van de volgende<br />

regels:<br />

a. omgevingsvergunning kan worden verleend voor een horeca-activiteit die niet behoort tot, of niet<br />

is genoemd in, categorie 1 of 2 van de Staat van horeca-activiteiten (Bijlage 2), mits de<br />

betreffende horeca-activiteit naar de feitelijke aard en (milieu-)invloed op de omgeving gelijk kan<br />

worden gesteld met horeca-activiteiten als genoemd in categorie 1 of 2;<br />

b. er wordt geen omgevingsvergunning verleend voor dancings en discotheken, partycentra en<br />

prostitutie gerelateerde horeca.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 73 - 15 mei 2013


Artikel 8 Recreatie - Jachthaven<br />

8.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Recreatie - Jachthaven' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. een jachthaven;<br />

b. de bedrijfsmatige exploitatie van watersportbedrijven;<br />

c. pleziervaartuigen;<br />

d. water;<br />

e. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': maximaal 1 bedrijfswoning;<br />

f. steigers en golfbrekers;<br />

g. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, waterhuishoudkundige<br />

voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en erftoegangswegen.<br />

8.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag worden gebouwd met inachtneming<br />

van de volgende regels:<br />

8.2.1 Bedrijfswoningen<br />

a. de oppervlakte van de bedrijfswoning inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer<br />

bedragen dan 190 m²;<br />

b. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 6 meter;<br />

c. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 8 meter.<br />

8.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen<br />

a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd op een<br />

afstand van tenminste 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;<br />

b. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen mag niet meer<br />

bedragen dan 3 meter;<br />

c. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan<br />

5 meter.<br />

8.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. de breedte van steigers mag maximaal 1,8 meter bedragen;<br />

b. de bouwhoogte van steigers en golfbrekers, gemeten ten opzichte van het waterpeil ter plaatse,<br />

mag niet meer bedragen dan 1 meter;<br />

c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders mag niet meer bedragen dan 2 meter;<br />

d. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen voor palen en masten;<br />

e. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 meter bedragen voor hijsinstallaties;<br />

f. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen<br />

dan 3 meter.<br />

8.3 Specifieke gebruiksregels<br />

a. als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 8.1 bedoelde<br />

gronden voor:<br />

1. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden;<br />

2. permanente bewoning, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';<br />

3. paardenbakken.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 74 - voorontwerp


8.4 Wijzigingsbevoegdheid<br />

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse van de aanduiding 'Wro-zone -<br />

wijzigingsgebied' een bebouwingsicoon de bestemming 'Recreatie - Jachthaven' te wijzigen ten<br />

behoeve van een bebouwingsicoon, met inachtneming van de volgende regels:<br />

a. de bouwhoogte van het bebouwingsicoon mag niet meer bedragen dan 9 meter;<br />

b. maximaal 25% van de aanduiding 'Wro-zone - wijzigingsgebied' mag ten behoeve van het<br />

bebouwingsicoon worden bebouwd;<br />

c. het bebouwingsicoon moet voldoen aan hetgeen in het stedenbouwkundige plan is beschreven<br />

(Bijlage 3).<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 75 - 15 mei 2013


Artikel 9 Recreatie - <strong>Recreatiecentrum</strong><br />

9.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Recreatie - <strong>Recreatiecentrum</strong>' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. bedrijfsmatige exploitatie van een terrein voor verblijfsrecreatie met de daarbij behorende<br />

kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen;<br />

b. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein': een parkeerterrein;<br />

c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': maximaal 1 bedrijfswoning;<br />

d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing niet<br />

toegestaan': uitgesloten van gebouwen en bouwwerken;<br />

e. speelterrein;<br />

f. steigers en golfbrekers;<br />

g. voorzieningen gericht op dienstverlening, zoals een receptie;<br />

h. sanitaire en overige voorzieningen ten behoeve van verblijfsrecreatie;<br />

i. een berging ten behoeve van aan deze bestemming grenzend woonschip;<br />

j. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water en waterhuishoudkundige<br />

voorzieningen, beschoeiingen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en erftoegangswegen.<br />

9.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag worden gebouwd met inachtneming<br />

van de volgende regels:<br />

9.2.1 Gebouwen<br />

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;<br />

b. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 6 meter;<br />

c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 8 meter.<br />

9.2.2 Bedrijfswoningen<br />

a. de oppervlakte van de bedrijfswoning inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer<br />

bedragen dan 190 m²;<br />

b. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 6 meter;<br />

c. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 8 meter.<br />

9.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen<br />

a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd op een<br />

afstand van tenminste 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;<br />

b. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen mag niet meer<br />

bedragen dan 3 meter;<br />

c. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan<br />

5 meter.<br />

9.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. de breedte van steigers mag maximaal 1,8 meter bedragen;<br />

b. de bouwhoogte van steigers, gemeten ten opzichte van het waterpeil ter plaatse, mag niet meer<br />

bedragen dan 1 meter;<br />

c. de bouwhoogte van een berging mag niet meer bedragen 2,5 meter;<br />

d. de oppervlakte van een berging mag niet meer bedragen dan 6 m 2 ;<br />

e. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel en/of grenzend aan openbaar<br />

gebied mag niet meer bedragen dan 1 meter;<br />

f. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders mag niet meer bedragen dan 1,8 meter;<br />

g. de bouwhoogte van antenne-installaties ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde<br />

schotelantennes en zonder techniekkast, mag niet meer bedragen dan 20 meter;<br />

h. de bouwhoogte van antenne-installaties die op bouwwerken worden geplaatst, niet zijnde<br />

schotelantennes, mag niet meer bedragen dan 5 meter;<br />

i. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3<br />

meter.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 76 - voorontwerp


9.3 Specifieke gebruiksregels<br />

a. als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 9.1 bedoelde<br />

gronden voor:<br />

1. permanente bewoning, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';<br />

2. paardenbakken;<br />

3. opslag van goederen ter plaatse van niet bebouwde gronden.<br />

b. er is maximaal 1 berging toegestaan per aan deze bestemming grenzend woonschip;<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

Voorontwerp - 77 - 15 mei 2013


Artikel 10 Recreatie - Verblijfsrecreatie 1<br />

10.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen en chalets, die bedrijfsmatig geëxploiteerd<br />

worden;<br />

b. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein': een parkeerterrein;<br />

c. ter plaatse van de aanduiding 'opslag': uitsluitend opslag van boten;<br />

d. steigers;<br />

e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water en waterhuishoudkundige<br />

voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en erftoegangswegen.<br />

10.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag worden gebouwd met inachtneming<br />

van de volgende regels:<br />

10.2.1 Recreatiewoningen<br />

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;<br />

b. de goothoogte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 3 meter;<br />

c. de bouwhoogte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 4,5 meter;<br />

d. het maximum aantal bouwlagen van recreatiewoningen mag niet meer dan 1 bouwlaag bedragen;<br />

e. per recreatiewoning is maximaal één berging toegestaan;<br />

f. de bouwhoogte van een berging mag niet meer mag bedragen dan 2,5 meter;<br />

g. de oppervlakte van een berging mag niet meer bedragen dan 6 m².<br />

10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. bij recreatiewoningen zijn de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan:<br />

1. kavelafscheidingen, waar van de hoogte niet meer mag bedragen dan 2 meter;<br />

2. palen en masten, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 6 meter;<br />

b. voor bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen gelden de volgende regels:<br />

1. de breedte van steigers mag maximaal 1,8 meter bedragen;<br />

2. de bouwhoogte van steigers, gemeten ten opzichte van het waterpeil ter plaatse, mag niet<br />

meer bedragen dan 1 meter;<br />

3. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen voor palen en masten;<br />

4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen<br />

dan 3 meter.<br />

10.3 Specifieke gebruiksregels<br />

a. per recreatiewoning bedraagt het aantal parkeerplaatsen minimaal 1;<br />

b. als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 10.1<br />

bedoelde gronden voor:<br />

1. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden, uitgezonderd van gronden<br />

waarop de aanduiding 'opslag' geldt;<br />

2. permanente bewoning;<br />

3. paardenbakken.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 78 - voorontwerp


Artikel 11 Recreatie - Verblijfsrecreatie 2<br />

11.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. bedrijfsmatige exploitatie van een recreatieterrein;<br />

b. verblijfsrecreatie in de vorm van mobiele kampeermiddelen;<br />

c. voorzieningen ten behoeve van verblijfsrecreatie;<br />

d. detailhandel, ondergeschikt aan recreatie;<br />

e. dienstverlenende voorzieningen ondergeschikt aan recreatie, zoals een wasserij;<br />

f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - blokhut': voor trekkershutten;<br />

g. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': maximaal 1 bedrijfswoning;<br />

h. steigers;<br />

i. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water en waterhuishoudkundige<br />

voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en erftoegangswegen.<br />

11.2 Bouwregels<br />

Op of in deze gronden mogen bouwwerken worden gebouwd, met inachtneming van de volgende<br />

regels:<br />

11.2.1 Gebouwen<br />

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;<br />

b. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4 meter;<br />

c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 meter.<br />

11.2.2 Trekkershutten<br />

a. het in lid 11.2.1 onder a bepaalde is niet van toepassing op trekkershutten;<br />

b. de oppervlakte van een trekkershut mag niet meer bedragen dan 16 m 2 ;<br />

c. de goothoogte van een trekkershut mag niet meer bedragen dan 2 meter;<br />

d. de bouwhoogte van een trekkershut mag niet meer bedragen dan 3 meter;<br />

e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - blokhut' zijn maximaal<br />

7 trekkershutten toegestaan.<br />

11.2.3 Bedrijfswoningen<br />

a. de oppervlakte van de bedrijfswoning mag, inclusief aan-, uitbouwen, bijgebouwen en<br />

overkappingen niet meer bedragen dan 190 m²;<br />

b. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 6 meter;<br />

c. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 8 meter.<br />

11.2.4 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen<br />

a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd op een<br />

afstand van tenminste 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;<br />

b. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen mag niet meer<br />

bedragen dan 3 meter;<br />

c. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan<br />

5 meter.<br />

11.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. de breedte van steigers mag maximaal 1,8 meter bedragen;<br />

b. de bouwhoogte van steigers, gemeten ten opzichte van het waterpeil ter plaatse, mag niet meer<br />

bedragen dan 1 meter;<br />

c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter;<br />

d. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen voor palen en masten;<br />

e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan<br />

3 meter.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 79 - 15 mei 2013


11.3 Specifieke gebruiksregels<br />

a. per recreatiewoning bedraagt het aantal parkeerplaatsen minimaal 1;<br />

b. als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 10.1<br />

bedoelde gronden voor:<br />

1. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden;<br />

2. permanente bewoning, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';<br />

3. paardenbakken.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 80 - voorontwerp


Artikel 12 Recreatie - Verblijfsrecreatie 3<br />

12.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. bedrijfsmatige exploitatie van recreatieappartementen;<br />

b. verblijfsrecreatie in de vorm van blokken recreatieappartementen;<br />

c. voorzieningen ten behoeve van verblijfsrecreatie;<br />

d. steigers;<br />

e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water en waterhuishoudkundige<br />

voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en erftoegangswegen.<br />

12.2 Bouwregels<br />

12.2.1 Recreatieappartementen<br />

a. de goothoogte van een recreatieappartement mag niet meer bedragen dan 6 meter;<br />

b. de bouwhoogte van een recreatieappartement mag niet meer bedragen dan 9 meter;<br />

c. het bebouwingspercentage per bestemmingsvlak, mag niet meer bedragen dan 25% van de gronden;<br />

d. het maximum aantal bouwlagen van recreatieappartementen mag niet meer dan 2 bouwlagen<br />

bedragen.<br />

12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. bij recreatieappartementen zijn de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan:<br />

1. kavelafscheidingen, waar van de hoogte niet meer mag bedragen dan 1 meter;<br />

2. palen en masten, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 6 meter;<br />

b. voor bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen gelden de volgende regels:<br />

1. de breedte van steigers mag maximaal 1,8 meter bedragen;<br />

2. de bouwhoogte van steigers, gemeten ten opzichte van het waterpeil ter plaatse, mag niet<br />

meer bedragen dan 1 meter;<br />

3. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter;<br />

4. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen voor palen en masten;<br />

5. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen<br />

dan 3 meter.<br />

12.3 Specifieke gebruiksregels<br />

a. als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 12.1<br />

bedoelde gronden voor:<br />

1. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden;<br />

2. permanente bewoning;<br />

3. paardenbakken.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 81 - 15 mei 2013


Artikel 13 Recreatie - Verblijfsrecreatie 4<br />

13.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen;<br />

b. verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen met inpandige berging;<br />

c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing niet<br />

toegestaan': uitgesloten van gebouwen en bouwwerken;<br />

d. voorzieningen ten behoeve van verblijfsrecreatie;<br />

e. steigers;<br />

f. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water en waterhuishoudkundige<br />

voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en erftoegangswegen.<br />

13.2 Bouwregels<br />

13.2.1 Recreatiewoningen<br />

a. de goothoogte van een recreatieappartement mag niet meer bedragen dan 3 meter;<br />

b. de bouwhoogte van een recreatieappartement mag niet meer bedragen dan 4,5 meter;<br />

c. afhankelijk van de grootte van de kavel mag maximaal de in de onderstaande tabel opgenomen<br />

oppervlakte aan recreatieappartementen worden gebouwd:<br />

Grootte kavel: Maximale oppervlakte (inclusief berging):<br />

400 m 2<br />

55 m 2<br />

500 - 700 m 2<br />

70 m 2<br />

d. het maximum aantal bouwlagen van recreatieappartementen mag niet meer dan 2 bouwlagen<br />

bedragen, waarbij de onderste bouwlaag half verdiept moet worden gebouwd.<br />

13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. bij recreatiewoningen zijn de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan:<br />

1. kavelafscheidingen, waar van de hoogte niet meer mag bedragen dan 2 meter;<br />

2. palen en masten, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 6 meter;<br />

b. voor bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen gelden de volgende regels:<br />

c. de breedte van steigers mag maximaal 1,8 meter bedragen;<br />

d. de bouwhoogte van steigers, gemeten ten opzichte van het waterpeil ter plaatse, mag niet meer<br />

bedragen dan 1 meter;<br />

e. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen voor palen en masten;<br />

f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan<br />

3 meter.<br />

13.3 Specifieke gebruiksregels<br />

a. per recreatiewoning bedraagt het aantal parkeerplaatsen minimaal 2;<br />

b. als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 13.1<br />

bedoelde gronden voor:<br />

1. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden;<br />

2. permanente bewoning;<br />

3. paardenbakken.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 82 - voorontwerp


Artikel 14 Verkeer<br />

14.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en<br />

fietspaden;<br />

b. verblijfsgebieden;<br />

c. parkeervoorzieningen;<br />

d. groenvoorzieningen;<br />

e. nutsvoorzieningen;<br />

f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.<br />

14.2 Bouwregels<br />

Op of in deze gronden mag worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:<br />

a. de oppervlakte van gebouwen mag ten hoogste 5 m² per gebouw bedragen;<br />

b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter;<br />

c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 10 meter bedragen.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 83 - 15 mei 2013


Artikel 15 Water<br />

15.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. water;<br />

b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats': een ligplaats voor<br />

woonschepen;<br />

c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, natuurlijke en<br />

waterhuishoudkundige waarden;<br />

d. scheepvaartverkeer en watersport;<br />

e. waterhuishoudkundige voorzieningen;<br />

f. bruggen, uitsluitend ten behoeve van een erftoegangsweg;<br />

g. steigers, beschoeiingen, vlonders of andere afmeervoorzieningen.<br />

15.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen<br />

gebouwen zijnde worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:<br />

a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter;<br />

b. de bouwhoogte van steigers, vlonders of andere afmeervoorzieningen mogen niet meer bedragen<br />

dan 1 meter, gemeten ten opzichte van het waterpeil ter plaatse;<br />

c. de breedte van steigers, vlonders of andere afmeervoorzieningen mogen niet meer bedragen dan<br />

1,20 meter;<br />

d. de lengte van steigers, vlonder of ander afmeervoorzieningen mogen niet meer bedragen dan<br />

15 meter per aan de bestemming grenzende recreatiewoning;<br />

e. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan<br />

5 meter ten opzichte van het maaiveld ter plaatse.<br />

15.3 Specifieke gebruiksregels<br />

Ter plaatse van de ligplaatsen als bedoeld in lid 15.1 gelden de volgende regels:<br />

a. het aantal ligplaatsen voor woonschepen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de<br />

aanduiding 'maximum aantal woonschepen' is aangeduid;<br />

b. de lengte van een woonschip mag niet meer bedragen dan 17 meter;<br />

c. de breedte van een woonschip mag niet meer bedragen dan 5 meter;<br />

d. de goothoogte van een woonschip mag niet meer bedragen dan 4 meter, gemeten vanaf het<br />

waterpeil;<br />

e. de bouwhoogte van een woonschip mag niet meer bedragen dan 4,5 meter, gemeten vanaf het<br />

waterpeil;<br />

f. de inhoud van een woonschip mag niet meer bedragen dan 265 m 3;<br />

g. een overstek van een woonschip mag niet meer bedragen dan 0,3 meter uit de gevel;<br />

h. een looprand van een woonschip mag niet meer bedragen dan 0,5 meter uit de gevel;<br />

i. voor woonschepen waarvan de lengte ten tijde van de vaststelling van dit plan meer bedraagt dan<br />

17 meter, danwel de breedte meer bedraagt dan 5 meter, geldt in afwijking van het bepaalde in lid<br />

15.3 sub b en c de bestaande maatvoering als maximale maatvoering.<br />

15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van<br />

werkzaamheden<br />

15.4.1 Verbod<br />

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen<br />

bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:<br />

a. het ontginnen, ophogen, afgraven, bodemverhogen en egaliseren van gronden;<br />

b. het dempen, graven, afdammen, vergroten of herprofileren van sloten of ander oppervlaktewater<br />

waardoor de bestaande oeverlijn wordt verplaatst;<br />

c. het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en<br />

daarmee verband houdende constructies of apparatuur.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 84 - voorontwerp


15.4.2 Uitzondering op het verbod<br />

Het in lid 15.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:<br />

a. het normale onderhoud betreffen;<br />

b. reeds in uitvoering of aanwezig zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;<br />

c. reeds mogen worden uitgevoerd op grond van een verleende omgevingsvergunning.<br />

15.4.3 Toetsing<br />

a. De in lid 15.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien kan worden<br />

aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad, gelet op:<br />

1. het belang dat met de ingreep is gediend;<br />

2. de belangen van landschap en natuur;<br />

3. het waterhuishoudkundig belang (kwantitatief en kwalitatief), met het oog op de<br />

waterhuishoudkundige doelstellingen.<br />

b. Naast de voorwaarden genoemd in lid 15.4.3 onder a gelden voor de werken, geen bouwwerken<br />

zijnde, en werkzaamheden genoemd in lid 15.4.1 onder b aanvullende de volgende voorwaarden:<br />

1. de verplaatsing van de bestaande oeverlijn mag maximaal 5 meter bedragen;<br />

2. de landaanwinning moet gecompenseerd worden door het afgraven van land elders binnen<br />

deze bestemming;<br />

3. er worden eisen gesteld ten aanzien van de ligging van de oeverlijn, indien de gebruiks- en<br />

inrichtingsmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken door de verplaatsing<br />

onevenredig worden geschaad;<br />

4. er wordt geen onevenredige schade toegebracht aan de belangen van watersport en<br />

waterhuishouding.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 85 - 15 mei 2013


Artikel 16 Water - Waterweg<br />

16.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Water - Waterweg' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. het verkeer te water en de recreatievaart;<br />

b. scheepvaartverkeer en watersport;<br />

c. ter plaatse van de aanduiding 'sluis': een sluis;<br />

d. brug;<br />

e. waterhuishoudkundige voorzieningen.<br />

16.2 Bouwregels<br />

Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd.<br />

16.3 Specifieke gebruiksregels<br />

Als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 16.1 bedoelde<br />

gronden voor:<br />

a. woonschepen- en recreatiewoonschepenligplaatsen.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 86 - voorontwerp


Artikel 17 Wonen<br />

17.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:<br />

a. wonen al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen;<br />

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, erven, parkeervoorzieningen,<br />

tuinen en erftoegangswegen.<br />

17.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag worden gebouwd met inachtneming<br />

van de volgende regels:<br />

17.2.1 Algemeen<br />

a. de totale bebouwingsoppervlakte mag niet meer bedragen dan 30% van het bouwperceel, met<br />

dien verstande dat:<br />

1. bij bouwpercelen kleiner dan 1.000 m² het totale bebouwingsoppervlak niet meer mag<br />

bedragen dan 150 m²;<br />

2. bij bouwpercelen groter dan 1.000 m² waarbij de afstand van het hoofdgebouw tot één van de<br />

zijdelingse bouwperceelsgrenzen groter is dan 10 meter, de maximale<br />

bebouwingsoppervlakte niet meer mag bedragen dan 230 m²;<br />

3. bij bouwpercelen groter dan 1.000 m² waarbij de afstand van het hoofdgebouw tot beide<br />

zijdelingse bouwperceelsgrenzen kleiner is dan 10 meter, de maximale<br />

bebouwingsoppervlakte niet meer mag bedragen dan 190 m².<br />

17.2.2 Hoofdgebouwen<br />

a. het aantal woningen mag per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan is aangeduid ter plaatse<br />

van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';<br />

b. de goothoogte van woningen mag niet meer bedragen dan 5,5 meter;<br />

c. de bouwhoogte van woningen mag niet meer bedragen dan 9 meter.<br />

17.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen<br />

a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend op een afstand van 1 meter<br />

achter (het verlengde van) de voorgevel worden gebouwd;<br />

b. de goothoogte van aan- en uitbouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter dan wel niet meer<br />

dan de bouwhoogte van het vloerpeil van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;<br />

c. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag niet meer bedragen dan 5 meter dan wel niet meer<br />

dan de bouwhoogte van het vloerpeil van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;<br />

d. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan<br />

3 meter, terwijl de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 meter.<br />

17.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde<br />

a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel en/of grenzend aan openbaar gebied<br />

mag niet meer bedragen dan 1 meter;<br />

b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders mag niet meer bedragen dan 2 meter;<br />

c. de bouwhoogte van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van telecommunicatie, niet<br />

zijnde schotelantennes en zonder techniekkast mag niet meer bedragen dan 15 meter;<br />

d. de bouwhoogte van antenne-installaties op bouwwerken, niet zijnde schotelantennes mag niet<br />

meer bedragen dan 5 meter;<br />

e. de bouwhoogte van schotelantennes mag niet meer bedragen dan 3 meter;<br />

f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan<br />

3 meter.<br />

17.3 Nadere eisen<br />

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen:<br />

a. aan de situering, de goot- en bouwhoogte van aan- en uitbouwen, overkappingen en<br />

bijgebouwen, ter waarborging van de verkeersveiligheid, een evenwichtig ruimtelijk beeld en de<br />

bezonning, privacy en/of gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen;<br />

b. aan het oppervlak en de plaatsing van bouwwerken voor zover dit noodzakelijk is om te kunnen<br />

voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 87 - 15 mei 2013


17.4 Specifieke gebruiksregels<br />

17.4.1 Algemeen<br />

Als gebruik in strijd met de bestemming geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 17.1 bedoelde<br />

gronden voor:<br />

a. bewoning van bijgebouwen;<br />

b. gebruik bouwwerken voor mantelzorg;<br />

c. zwembaden;<br />

d. paardenbakken.<br />

17.4.2 Aan-huis-verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten<br />

In een woning zijn een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige activiteiten toegestaan onder de<br />

volgende voorwaarden:<br />

a. de aan-huis-verbonden beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mogen aan de<br />

woonfunctie geen afbreuk doen en dienen daaraan ondergeschikt te zijn in die zin dat de<br />

woonfunctie de primaire functie dient te blijven. Dit betekent dat niet meer dan 30% van het<br />

vloeroppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen ten behoeve van het<br />

aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mag worden gebruikt;<br />

b. de activiteiten mogen geen hinder opleveren voor de woonsituatie. Dit betekent dat in geval van<br />

bedrijfsactiviteiten uitsluitend bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in categorie 1 van de van deze<br />

regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten;<br />

c. de activiteiten mogen zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen<br />

afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving;<br />

d. de activiteiten mogen geen detailhandel en/of horeca betreffen;<br />

e. de activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale verkeersafwikkeling en geen<br />

onevenredige parkeerdruk veroorzaken.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 88 - voorontwerp


Artikel 18 Leiding - Water<br />

18.1 Bestemmingsomschrijving<br />

De voor ‘Leiding - Water' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende<br />

bestemming(en) - mede bestemd voor watertransportleiding.<br />

18.2 Bouwregels<br />

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mogen geen gebouwen en geen<br />

bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.<br />

18.3 Specifieke gebruiksregels<br />

a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere<br />

bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt;<br />

b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover<br />

deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.<br />

18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden<br />

18.4.1 Verbod<br />

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Water' zonder of in afwijking van<br />

een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken<br />

zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:<br />

a. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden<br />

en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;<br />

b. het wijzigen van maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;<br />

c. het uitvoeren van overige grondbewerkingen, zoals woelen, mengen, diepploegen, egaliseren,<br />

aanleggen van drainage en ontginnen;<br />

d. het aanplanten van diepwortelende beplanting;<br />

e. het indrijven van voorwerpen in de grond;<br />

f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere kabels en<br />

leidingen en de daarmee verband houdende constructies;<br />

g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;<br />

h. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;<br />

i. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande<br />

watergangen.<br />

18.4.2 Uitzonderingen op het verbod<br />

Het verbod van lid 18.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:<br />

a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;<br />

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;<br />

c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.<br />

18.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning<br />

De in lid 18.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien schriftelijk advies is<br />

ingewonnen bij de beheerder van de leiding en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het<br />

doelmatig en veilig functioneren en beheren van de leiding.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 89 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 90 - voorontwerp


Hoofdstuk 3 Algemene regels<br />

Artikel 19 Anti-dubbeltelregel<br />

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering<br />

is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten<br />

beschouwing.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 91 - 15 mei 2013


Artikel 20 Algemene bouwregels<br />

20.1 Percentages<br />

Een op de verbeelding of in de planregels aangegeven percentage geeft aan hoeveel van het<br />

bouwvlak van het desbetreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en<br />

overkappingen. Bij het ontbreken van een percentage mag het bouwvlak volledig worden bebouwd,<br />

tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald.<br />

20.2 Aangrenzende terreinen<br />

Het is verboden enig terrein of bouwperceel zodanig te bebouwen, dat daardoor op een aangrenzend<br />

terrein, bouwvlak of bouwperceel een toestand zou ontstaan, die aldaar niet meer met de regels van<br />

dit plan zou overeenstemmen, of voor zover er reeds aldaar een afwijking van de regels bestaat,<br />

zodanig te bebouwen, dat deze afwijking zou worden vergroot.<br />

20.3 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening<br />

De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige<br />

aard blijven overeenkomstig het bepaalde in de Woningwet buiten toepassing behoudens ten aanzien<br />

van de volgende onderwerpen:<br />

a. de richtlijnen voor het verlenen van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen;<br />

b. de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;<br />

c. de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;<br />

d. de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden;<br />

e. de ruimte tussen bouwwerken.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 92 - voorontwerp


Artikel 21 Algemene afwijkingsregels<br />

21.1 Algemeen<br />

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan,<br />

indien het betreft:<br />

a. het oprichten van bouwwerken, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes,<br />

bemalingsinrichtingen, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, wachthuisjes voor<br />

verkeersdiensten, schuilgelegenheden en schaftlokalen, mits de inhoud van elk van deze<br />

gebouwtjes niet meer zal bedragen dan 50 m³ en de bouwhoogte ervan niet meer zal bedragen<br />

dan 3 meter;<br />

b. het overschrijden van de bepalingen inzake goothoogte, bouwhoogte, percentage en oppervlakte<br />

van gebouwen met niet meer dan 10%;<br />

c. het overschrijden van de bepalingen inzake de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen<br />

zijnde, met niet meer dan 20%;<br />

d. het overschrijden van de in de planregels genoemde maximum bouwhoogte ten behoeve van lift-<br />

en trappenhuizen, centrale verwarmings- en ventilatie-installaties, antennes, lichtkappen,<br />

schoorstenen en torens van gebouwen, mits de hoogte met niet meer dan 5 meter wordt<br />

overschreden;<br />

e. geringe afwijkingen van de bepalingen opgenomen in deze planregels inzake de afmetingen van<br />

woningen, alsmede de afmetingen van de bij de woningen toegestane bijgebouwen, voor zover<br />

zulks in het belang van een goede huisvesting van minder valide personen noodzakelijk is en<br />

geen omgevingsvergunning van de desbetreffende bepalingen van het plan kan worden verleend<br />

op basis van het bepaalde onder b van dit artikel;<br />

f. geringe overschrijdingen van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, indien een<br />

meetverschil daartoe aanleiding geeft en de overschrijding ten opzichte van hetgeen is aangeduid<br />

niet meer bedraagt dan 2 meter;<br />

g. het plaatsen van masten ten behoeve van mobiele telecommunicatie, met inachtneming van de<br />

volgende voorwaarden:<br />

1. de bouwhoogte van een vrijstaande mast mag niet meer bedragen dan 40 meter;<br />

2. de bouwhoogte van een mast op een gebouw mag niet meer bedragen dan 5 meter.<br />

21.2 Mantelzorg<br />

21.2.1 Omgevingsvergunning om af te wijken<br />

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan en<br />

toestaan dat een (vrijstaand) bijgebouw gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte voor mantelzorg,<br />

met<br />

dien verstande dat:<br />

a. een dergelijke woning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;<br />

b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die<br />

van omwonenden en (agrarische) bedrijven;<br />

c. de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met<br />

een maximale oppervlakte van 80 m²;<br />

d. een afwijking wordt alleen toegepast binnen de bestemming ‘Wonen'.<br />

21.3 Voorwaarden waaronder kan worden afgeweken<br />

Een afwijking als bedoeld in lid 21.1 en 21.2 kan niet worden verleend, indien de bouw- en<br />

gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen percelen in onevenredige mate worden beperkt en/of indien<br />

ter plaatse aanwezige waarden op onevenredige wijze worden of kunnen worden aangetast.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 93 - 15 mei 2013


21.4 Bed & Breakfast<br />

Het bevoegd gezag kan binnen de bestemming 'Wonen' bij een omgevingsvergunning afwijken van<br />

de regels van het plan ten behoeve van een bed & breakfast, mits:<br />

a. het gebruik als bed & breakfast ondergeschikt blijft aan de woonfunctie;<br />

b. de houder van de bed & breakfast de hoofdbewoner is;<br />

c. maximaal 50% tot een maximum van 60 m² van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip<br />

van de gerealiseerde aan- en uitbouwen en (vrijstaande) bijgebouwen mag worden gebruikt ten<br />

behoeve van bed & breakfast;<br />

d. er geen zelfstandige woonruimte ontstaat in bijgebouwen;<br />

e. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en gebruiksmogelijkheden van<br />

aangrenzende gronden;<br />

f. ten hoogste acht slaapplaatsen ten behoeve van bed & breakfast worden gebruikt;<br />

g. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein (minimaal 1 parkeerplaats<br />

per verhuurbare ruimte).<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 94 - voorontwerp


Artikel 22 Algemene wijzigingsregels<br />

22.1 Geringe afwijkingen<br />

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve<br />

van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere<br />

realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband<br />

met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 2 meter<br />

bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.<br />

22.2 Staat van Bedrijfsactiviteiten<br />

22.2.1 Toevoegen bedrijf<br />

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de van deze planregels deel uitmakende Staat van<br />

Bedrijfsactiviteiten Bijlage 1 te wijzigen, door het opnemen dan wel afvoeren van een bedrijf in de<br />

categorie-indeling van bedrijfsactiviteiten indien ontwikkelingen op het gebied van de milieuhygiëne<br />

dan wel technologische ontwikkelingen daartoe aanleiding geven.<br />

22.2.2 Wijzigen, doorhalen, afvoeren bedrijf<br />

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de van deze planregels deeluitmakende Staat van<br />

bestaande bedrijfsactiviteiten te wijzigen, door het doorhalen c.q. afvoeren van een bedrijf uit die<br />

Staat, indien de desbetreffende bedrijfsactiviteiten ter plaatse permanent beëindigd zijn.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 95 - 15 mei 2013


Artikel 23 Algemene procedureregels<br />

23.1 Toepassing uniforme voorbereidingsprocedure Awb<br />

Bij toepassing van de in deze planregels genoemde nadere eisen, worden de navolgende procedure<br />

regels in acht genomen:<br />

a. het ontwerpbesluit ligt met bijbehorende stukken gedurende 2 weken ter inzage;<br />

b. burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging tevoren in één of meer dag-, nieuws- of<br />

huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, alsmede op de gebruikelijke wijze,<br />

bekend;<br />

c. de bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het indienen van zienswijzen;<br />

d. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij burgemeester en<br />

wethouders zienswijzen naar voren brengen tegen het ontwerpbesluit.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 96 - voorontwerp


Artikel 24 Overige regels<br />

24.1 Bestaande maten<br />

a. Indien afstanden tot, en hoogten, inhoud, aantallen, oppervlakten, lente- en breedtematen van<br />

bestaande bouwwerken en woonschepen op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp<br />

van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten<br />

en hoeveelheden als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;<br />

b. Indien afstanden tot bestaande bouwwerken en woonschepen op het tijdstip van de<br />

terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is<br />

voorgeschreven, mogen deze maten als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;<br />

c. In het geval van (her)oprichting van gebouwen, woonschepen en recreatiewoonschepen is het<br />

bepaalde sub a en b uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.<br />

24.2 Verwijzing naar andere regelgeving<br />

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar een wet, een algemene maatregel van<br />

bestuur, een verordening, een richtlijn of een andere (wettelijke) regeling, dan geldt deze wet,<br />

algemene maatregel van bestuur, verordening, richtlijn of andere (wettelijke) regeling zoals die luidt<br />

dan wel van kracht is op het moment van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan.<br />

24.3 Bedrijfswoningen<br />

Bedrijfswoningen worden gerekend te blijven behoren tot het bedrijf of tot de instelling, waartoe zij<br />

behoorden op de eerste dag dat het <strong>bestemmingsplan</strong> in ontwerp ter inzage is gelegd.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 97 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 98 - voorontwerp


Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels<br />

Artikel 25 Overgangsrecht<br />

25.1 Overgangsrecht bouwwerken<br />

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het <strong>bestemmingsplan</strong> aanwezig of in<br />

uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het<br />

bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt<br />

vergroot:<br />

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;<br />

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd,<br />

mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee<br />

jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.<br />

b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 25.1 sub a een omgevingsvergunning<br />

verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met<br />

maximaal 10%.<br />

c. Lid 25.1 sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van<br />

inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan,<br />

daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.<br />

25.2 Overgangsrecht gebruik<br />

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.<br />

b. Het is verboden het met het <strong>bestemmingsplan</strong> strijdige gebruik, bedoeld in lid 25.2 sub a, te<br />

veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze<br />

verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.<br />

c. Indien het gebruik, bedoeld in het lid 25.2 sub a bepaalde, na de inwerkingtreding van het plan<br />

voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te<br />

hervatten of te laten hervatten.<br />

d. Lid 25.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen<br />

geldende <strong>bestemmingsplan</strong>, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 99 - 15 mei 2013


Artikel 26 Slotregel<br />

26.1 Citeertitel<br />

Deze regels worden aangehaald als:<br />

Regels van het <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong> van de gemeente Wijdemeren.<br />

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Wijdemeren<br />

in de openbare vergadering van<br />

de griffier, de voorzitter,<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 100 - voorontwerp


Bijlagen bij regels<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 101 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 102 - voorontwerp


Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 103 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 104 - voorontwerp


SBI-1993 SBI-2008 OMSCHRIJVING<br />

nummer<br />

AFSTANDEN IN METERS INDICES<br />

- -<br />

22 58 -<br />

UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN<br />

REPRODUCTIE VAN OPGENOMEN MEDIA<br />

221 581 Uitgeverijen (kantoren) 0 0 10 0 10 1 1 P 1<br />

2223 1814 A Grafische afwerking 0 0 10 0 10 1 1 G 1<br />

223 182<br />

-<br />

Reproductiebedrijven opgenomen media<br />

VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN<br />

0 0 10 0 10 1 1 G 1<br />

36 31 - OVERIGE GOEDEREN N.E.G.<br />

361 9524 2 Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2 0 10 10 0 10 1 1 P 1<br />

40 35 -<br />

PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM,<br />

40 35 - AARDGAS, STOOM EN WARM WATER<br />

40 35 D0 Gasdistributiebedrijven:<br />

- gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst.<br />

40 35 D3 Cat. A 0 0 10 C 10 10 1 1 P 1<br />

45 41, 42, 43 - BOUWNIJVERHEID<br />

Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000<br />

45 41, 42, 43 2 m²<br />

- aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000<br />

10 30 50 10 50 3.1 2 G 1 B<br />

45 41, 42, 43 3 m² 0 10 30 10 30 2 1 G 1 B<br />

50 45, 47 -<br />

HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S,<br />

MOTORFIETSEN;<br />

BENZINESERVICESTATIONS<br />

5020.4 45204 B Autobeklederijen 0 0 10 10 10 1 1 G 1<br />

51 46 - GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING<br />

511 461 Handelsbemiddeling (kantoren) 0 0 10 0 10 1 1 P 1<br />

52 47 - DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V.<br />

GEUR<br />

STOF<br />

GELUID<br />

GEVAAR<br />

GROOTSTE<br />

AFSTAND<br />

CATEGORIE<br />

VERKEER<br />

VISUEEL<br />

BODEM<br />

LUCHT


SBI-1993 SBI-2008 OMSCHRIJVING<br />

- -<br />

527 952<br />

nummer<br />

AFSTANDEN IN METERS INDICES<br />

GEUR<br />

STOF<br />

PARTICULIEREN<br />

Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en<br />

motorfietsen) 0 0 10 10 10 1 1 P 1<br />

61, 62 50, 51 - VERVOER OVER WATER / DOOR DE LUCHT<br />

61, 62 50, 51 A Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren) 0 0 10 0 10 1 2 P 1<br />

63 52 - DIENSTVERLENING T.B.V. HET VERVOER<br />

6322, 6323 5222 Overige dienstverlening t.b.v. vervoer (kantoren) 0 0 10 0 10 1 2 P 1<br />

633 791 Reisorganisaties 0 0 10 0 10 1 1 P 1<br />

634 5229 Expediteurs, cargadoors (kantoren) 0 0 10 0 10 D 1 1 P 1<br />

64 53 - POST EN TELECOMMUNICATIE<br />

642 61 A Telecommunicatiebedrijven 0 0 10 C 0 10 1 1 P 1<br />

642 61 B2 - FM en TV<br />

- GSM en UMTS-steunzenders (indien<br />

0 0 0 C 10 10 1 1 P 2<br />

642 61 B3 bouwvergunningplichtig) 0 0 0 C 10 10 1 1 P 2<br />

72 62 -<br />

72 62 A<br />

COMPUTERSERVICE- EN<br />

INFORMATIETECHNOLOGIE<br />

Computerservice- en informatietechnologiebureau's<br />

e.d. 0 0 10 0 10 1 1 P 1<br />

73 72 - SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK<br />

Maatschappij- en geesteswetenschappelijk<br />

732 722<br />

onderzoek 0 0 10 0 10 1 1 P 1<br />

74<br />

63, 69tm71, 73,<br />

74, 77, 78,<br />

80tm82 - OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING<br />

GELUID<br />

GEVAAR<br />

GROOTSTE<br />

AFSTAND<br />

CATEGORIE<br />

VERKEER<br />

VISUEEL<br />

BODEM<br />

LUCHT


SBI-1993 SBI-2008 OMSCHRIJVING<br />

nummer<br />

AFSTANDEN IN METERS INDICES<br />

- -<br />

7484.4 82992 Veilingen voor huisraad, kunst e.d. 0 0 10 0 10 1 2 P 1<br />

GEUR<br />

STOF<br />

GELUID<br />

GEVAAR<br />

GROOTSTE<br />

AFSTAND<br />

CATEGORIE<br />

VERKEER<br />

VISUEEL<br />

BODEM<br />

LUCHT


Bijlage 2 Staat van Horeca-activiteiten<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 105 - 15 mei 2013


<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

15 mei 2013 - 106 - voorontwerp


Staat van horeca-activiteiten (SvH)<br />

Bepaalde horecabedrijven geven aanleiding tot klachten over onder andere muzieklawaai,<br />

rumoerig en vernielzuchtig optreden, rondhangen van caféverlaters, parkeerproblemen en<br />

verkeersaantrekking. Ook kan het karakter van de buurt worden aangetast wanneer<br />

horecabedrijven worden gevestigd in voormalige winkels of woningen. Evenals bij gewone<br />

bedrijfsactiviteiten is de overlast/hinder van horeca-activiteiten niet alleen een zaak van de<br />

milieuwetgeving, maar is er tevens sprake van aspecten van ruimtelijke ordening. Immers,<br />

ook bij horeca-activiteiten is sprake van een meer of mindere mate van hinder/overlast voor<br />

de (leef-) omgeving.<br />

Teneinde in <strong>bestemmingsplan</strong>nen een differentiatie op te nemen van horecabedrijven kan de<br />

volgende categorie-indeling in een Staat van horeca-activiteiten worden gemaakt:<br />

Categorie 1: lichte horeca<br />

Horecabedrijven die, gelet op de aard en de omvang ervan, zowel uit functionele als uit<br />

milieuoverwegingen niet of nauwelijks storend werken op de bestaande en/of toekomstige<br />

functies van de omgeving van deze horecabedrijven.<br />

Vestiging in deze categorie van horecabedrijven beperkt de omringende functies niet;<br />

omringende functies sluiten vestiging van horecabedrijven niet uit.<br />

Categorie 2: middelzware horeca<br />

Horecabedrijven die, gelet op de aard en de omvang ervan, zowel uit functionele als uit<br />

milieuoverwegingen in geringe mate storend kunnen werken op de bestaande en/of<br />

toekomstige functies van de omgeving van deze horecabedrijven.<br />

Vestiging van horecabedrijven in deze categorie beperkt in geringe mate de omringende<br />

functies; omringende functies kunnen soms vestiging uitsluiten.<br />

Categorie 3: zware horeca<br />

Horecabedrijven die, gelet op de aard en de omvang ervan, zowel uit functionele als uit<br />

milieuoverwegingen in min of meer ernstige mate storend kunnen werken op de bestaande<br />

en/of toekomstige functies van de omgeving van deze horecabedrijven.<br />

Vestiging van horecabedrijven in deze categorie beperkt in ruime mate de omringende<br />

functies; omringende functies zullen in vele gevallen vestiging uitsluiten.


Categorie-indeling horecabedrijven<br />

Horecabedrijf Categorieën<br />

1 2 3<br />

Afhaalcentrum x<br />

Automatiek Daghoreca x<br />

Avondhoreca x<br />

Bar/Bar-dancing x<br />

Biljartcentrum x<br />

Bistro x<br />

Broodjeszaak Daghoreca X<br />

Avondhoreca x<br />

Café/Café-restaurant x<br />

Cafetaria Daghoreca x<br />

Avondhoreca x<br />

Catering X<br />

Coffeeshop x<br />

Crêperie X<br />

Croissanterie X<br />

Dancing/Discotheek x<br />

Dansschool x<br />

Drive-inrestaurant x<br />

Eetcafé x<br />

Grillroom Daghoreca x<br />

Avondhoreca x<br />

Hotel X<br />

Hotelcafé x<br />

Konditorei X<br />

Lunchroom X<br />

Nachtclub x<br />

Pannenkoekhuis X<br />

Partyservice X<br />

Patisserie X<br />

Petit-restaurant x<br />

Pizzeria x<br />

Poffertjeszaak X<br />

Restaurant x<br />

Shoarmazaak Daghoreca x<br />

Avondhoreca x<br />

Snackbar Daghoreca x<br />

Avondhoreca x<br />

Theehuis X<br />

Traiteur X<br />

IJssalon X<br />

Zalenexploitatie (partycentrum) x


Bijlage 3 Stedenbouwkundig plan<br />

<strong>Recreatiecentrum</strong> <strong>Mijnden</strong><br />

voorontwerp - 107 - 15 mei 2013

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!