Doorgaande lijn publicatieversie 1.pdf - Het Baken Veenendaal
Doorgaande lijn publicatieversie 1.pdf - Het Baken Veenendaal
Doorgaande lijn publicatieversie 1.pdf - Het Baken Veenendaal
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
<strong>Doorgaande</strong> <strong>lijn</strong><br />
Een vergelijkend onderzoek naar de overgang van groep 2 naar groep 3<br />
Meesterstuk in het kader van de opleiding Master SEN<br />
Door : Monique Lammers<br />
Leerroute : Remediaal Specialist<br />
Jaar : 2007/2008<br />
Begeleid door : mw. Dr. S.L. Goei<br />
Fontys Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg Amsterdam
Voorwoord<br />
Zolang ik werkzaam ben in het onderwijs - vanaf 1980- is de overgang van groep 2 naar<br />
groep 3 een punt van bespreking geweest.<br />
Groep 3 was te schools, groep 2 bereidde de kinderen niet goed voor, er kwamen<br />
werkbladen, de werkbladen moesten weer weg, er moest meer programmagericht gericht<br />
gewerkt worden, of toch maar liever ontwikkelingsgericht…<br />
Door onderzoek werden nieuwe inzichten in hoe kinderen leren gekoppeld aan<br />
leerinhouden die zouden moeten gaan werken bij het jonge kind in de onderbouw van de<br />
basisschool.<br />
Toch blijft de overgang van de spelend lerende kleuter naar het lerende schoolkind groot.<br />
<strong>Het</strong> heeft al die jaren mijn blijvende interesse gehad hoe we hier mogelijk een oplossing<br />
voor kunnen vinden.<br />
De opleiding tot Remediaal Specialist bood mij de gelegenheid om hier evidence based<br />
onderzoek naar te doen.<br />
Mijn enorme waardering en dank wil ik uitspreken naar de ouders en de collega’s van de<br />
2+ en later ook de 3+ groep, die min of meer onbevangen met mij het avontuur zijn<br />
aangegaan van loslaten van het oude vertrouwde jaarklassensysteem om een weg te kiezen<br />
waarvan nog niet duidelijk was hoe die zou verlopen.<br />
Dank ook naar de directeur van <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> die mij hiervoor de ruimte gaf – het onderwerp<br />
heeft menigmaal tot heftige discussies binnen het (management-)team geleid.<br />
Verder dank ik Dr. Sui Lin Goei, die mij begeleid heeft in het opzetten van het onderzoek en<br />
goede richt<strong>lijn</strong>en heeft gegeven hoe er Evidence Based gewerkt moet worden.<br />
Als laatste, maar zeker niet als minste bedank ik mijn thuisbasis: Jan, Oscar en Olivier die<br />
mij zonder mopperen zoveel uren hebben “afgestaan” aan deze studie.<br />
<strong>Veenendaal</strong>, september 2008<br />
Monique De Haan - Lammers<br />
1
Voorwoord blz. 1<br />
Inhoudsopgave 2<br />
Samenvatting 3<br />
Hoofdstuk 1: Inleiding 4<br />
Hoofdstuk 2: Probleemstelling 6<br />
Hoofdstuk 3: Verantwoording van de probleemstelling 8<br />
Inhoudsopgave<br />
Hoofdstuk 4: Achtergronden en theoretisch kader 11<br />
Hoofdstuk 5: Methode 17<br />
Hoofdstuk 6: Resultaten 19<br />
Hoofdstuk 7: Conclusies 27<br />
Literatuur 28<br />
2
Samenvatting<br />
De overgang van groep 2 naar groep 3 verloopt voor veel kinderen in het basisonderwijs<br />
haperend. Of ze moeten een sprong maken om aansluiting te vinden in groep 3, óf ze<br />
kunnen nog niet deelnemen aan het leerproces in deze groep en moeten nog een jaar<br />
verlengen in de kleuterbouw.<br />
Mijn onderzoek richt zich op de vraag hoe kinderen in de leeftijd van vier tot zeven jaar leren<br />
en hoe het onderwijs kan bijdragen aan een ononderbroken ontwikkeling.<br />
Heeft het brede aanbod, afgestemd op de onderwijsbehoefte van de leerlingen in een<br />
speelleergroep een breder ontwikkelingsperspectief dan het door de methode bepaalde aanbod<br />
in de groepen drie?<br />
<strong>Het</strong> praktijkonderzoek wat uitgevoerd wordt op basisschool <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> heeft een<br />
ontwikkelingsgericht karakter.<br />
De functie van het onderzoek is het vergelijken van de effecten van het onderwijsaanbod in<br />
onze groepen 2, 2+, 3 en 3+.<br />
De leeftijd dat een kind naar groep 3 gaat is gemiddeld zes jaar. <strong>Het</strong> zou dan voor de hand<br />
liggen om jonge kinderen een kleuterbouwverlenging te geven waardoor zij volop aan die<br />
brede ontwikkeling toekomen. Dat roept de volgende deelvragen op die in het kader van<br />
bovenstaande probleemstelling beantwoordt moeten worden:<br />
Is langer spelen zinvol?<br />
Draagt de 2+ groep bij aan een soepele doorgaande <strong>lijn</strong>?<br />
Hoe is het welbevinden van de kinderen uit de speelleergroep ten opzichte van het<br />
welbevinden van de kinderen uit de “gewone”groep 3?<br />
Hoe zijn de prestaties van de speelleergroep ten opzichte van de “gewone”groep 3?<br />
Uit de resultaten van het onderzoek blijken kinderen die langer profijt hebben gehad van<br />
het aanbod via spel zich breder hebben ontwikkeld. Door het brede fundament vinden<br />
latere leerprocessen sneller plaats .<br />
Wanneer men jonge kinderen, vooral de zogenaamde herfstkinderen nog voor het zesde<br />
jaar in een methodisch gerichte leeromgeving zet, worden ze tekort gedaan in hun<br />
spelbehoefte – en daarmee in de ontwikkeling van de netwerken in de hersenen. Ook hier<br />
zal sprake zijn van kortdurend succes in groep 3 waarna het latere leren door gebrek aan<br />
neurologische verbindingen moeizamer zal verlopen.<br />
<strong>Het</strong> spel zal dus doorgetrokken moeten worden naar groep 3.<br />
De kinderen in deze groep zijn gebaat bij het leren via spel in betekenisvolle contexten.<br />
<strong>Het</strong> onderzoek bevestigt wat de literatuur al langer aangeeft: ons jaarklassensysteem waar<br />
kinderen moeten voldoen aan de gestelde norm moet ombuigen naar een onderwijsvorm<br />
waar het kind en zijn ontwikkeling centraal staat. Duidelijke doelstellingen en hoge<br />
verwachtingen van kinderen horen daarbij. De leerkracht is als begeleider van het<br />
leerproces aanwezig.<br />
Van hieruit zal de visie op zorg binnen onze school ook theoretisch onderbouwd worden en<br />
zodoende bijdragen aan de kanteling naar een school waar kinderen zich inderdaad<br />
ononderbroken kunnen ontwikkelen – op een manier die bij hen past.<br />
3
Hoofdstuk 1: Inleiding<br />
1.1: het onderzoek<br />
De overgang van groep 2 naar groep 3 verloopt voor veel kinderen in het basisonderwijs<br />
haperend. Of ze moeten een sprong maken om aansluiting te vinden in groep 3, óf ze<br />
kunnen nog niet deelnemen aan het leerproces in deze groep en moeten nog een jaar<br />
verlengen in de kleuterbouw.<br />
Mijn onderzoek richt zich op de vraag hoe kinderen in de leeftijd van vier tot zeven jaar leren<br />
en hoe het onderwijs kan bijdragen aan een ononderbroken ontwikkeling.<br />
De reden om voor dit onderwerp te kiezen ligt in het feit dat er op veel scholen een kloof in<br />
werkwijze, aanbod en benadering is tussen de groepen 2 en 3. Ondanks 1985 – de wet op<br />
het basisonderwijs, een school voor kinderen van vier tot en met twaalf jaar – werken zowel<br />
de groepen 1-2 als de groepen 3 nog vrij traditioneel. Dat wil zeggen dat er procesmatig<br />
gericht gewerkt wordt in de groepen 1 en 2, methodisch en productgericht in de groepen 3<br />
tot en met 8. Dit vergt voor kinderen een behoorlijke omschakeling op een jonge leeftijd. In<br />
het Onderwijsverslag 2005 van de Onderwijsinspectie wordt het volgende hierover<br />
geschreven: “De Wet Primair Onderwijs (1985) beoogt voor leerlingen een onvertraagde<br />
ontwikkeling. Leerlingen moeten de school binnen een tijdvak van 8 jaar kunnen doorlopen.<br />
Ruim de helft van de basisscholen garandeert de ononderbroken ontwikkeling van hun<br />
leerlingen nog niet voldoende. In verreweg de meeste gevallen ligt dit aan het onderwijs in de<br />
kleutergroepen en aan de aansluiting op elkaar van de aanpak in de groepen 1 en 2 en de<br />
werkwijze in groep 3. Een groot deel van de leraren begint in groep 3 met alle leerlingen op<br />
bladzijde 1 van de (lees-)methode en weet geen weg met leerlingen die al verder zijn. …..<br />
In hetzelfde rapport de volgende uitspraak over verlenging:<br />
Vertragingen in de schoolloopbaan in het basisonderwijs kunnen zijn ontstaan door doubleren.<br />
Doubleren duidt op achterblijvende prestaties.<br />
Kleuters die vóór januari jarig zijn, en niet doorstromen, belanden vanzelf in de statistiek van de<br />
zittenblijvers.(bron: Onderwijsverslag 20-05-2005, Inspectie van het Onderwijs)<br />
Ook op basisschool <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> in <strong>Veenendaal</strong> is dit door de inspectie als verbeterpunt<br />
aangegeven. In het jaar 2002 is daarom begonnen met de invoering van basisontwikkeling<br />
in de onderbouw, groep 1 tot en met groep 4 teneinde de ononderbroken ontwikkeling in<br />
leerstof en werkwijze te kunnen bieden. De leerkrachten van de groepen 3 en 4 volgden de<br />
nascholing maar zij hebben uiteindelijk gekozen het methodisch en programmagerichte<br />
werken vast te houden.<br />
<strong>Het</strong> onderwijsconcept in de groepen 1 en 2 heeft zich vanaf 2002 ontwikkeld van<br />
programmagericht naar ontwikkelingsgericht (basisontwikkeling). De zorg voor leerlingen<br />
met een specifieke onderwijsbehoefte wordt gecoördineerd door de bouwcoördinator die<br />
tevens Intern begeleider is, maar uitgevoerd door de leerkracht in samenwerking met de<br />
zorgverleners rondom het kind. De leerling staat centraal en zijn of haar onderwijsbehoefte<br />
is het uitgangspunt.<br />
De groepen 3 tot en met 8 van <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> werken vooral programmagericht binnen een<br />
leerstofjaarklassensysteem, waar gedifferentieerd wordt op drie verschillende<br />
leerstofniveaus (aanbod), tempo en instructieniveau. De zorg voor de leerlingen wordt<br />
gecoördineerd door de Intern begeleider Bovenbouw die het zorgteam aanstuurt. Zorg richt<br />
4
zich vooral op het leerproces en de aansluiting bij het niveau van de groep. Extra instructie<br />
vindt plaats in de klas door de leerkracht, maar Remedial Teaching wordt buiten de groep<br />
door de Remedial Teacher gegeven.<br />
Programmagerichte visies leggen de nadruk op het kind als onaf wezen dat van alles geleerd<br />
moet worden. Niet het zich ontwikkelende kind maar de leerkracht als aanbieder van<br />
leerstof staat centraal. Binnen programmagerichte scholen zien we dan ook veel<br />
ontwikkelingsmateriaal op het gebied van de diverse functies met het oog op het verwerven<br />
van leervoorwaarden. Dit laatste is een typisch begrip binnen deze visies. Veelal afzonderlijk<br />
worden functies als de ruimtelijke oriëntatie, de motoriek, de visuele en auditieve perceptie<br />
enzovoort geoefend waarbij impliciet de totale persoonlijkheidsontwikkeling op de<br />
achtergrond staat.<br />
Ontwikkelingsgerichte visies gaan uit van het zich ontwikkelende kind dat zijn/haar eigen<br />
ontwikkelingsopgaven ter hand neemt. <strong>Het</strong> kind ontwikkelt zich in principe zelf binnen een<br />
door de leerkracht te manipuleren context. De leerkracht is hierbij veel meer een<br />
medemens, een bemiddelaar bij het zelfsturende ontwikkelingsproces. Praktisch bezien<br />
komen we deze visies in twee vormen tegen in ons land, de Basisontwikkeling en het<br />
Ervaringsgericht onderwijs (EGO). In het kader van het onderzoek naar de situatie op <strong>Het</strong><br />
<strong>Baken</strong> zal de basisontwikkeling verder omschreven worden.<br />
<strong>Het</strong> bieden van een ononderbroken ontwikkelings<strong>lijn</strong> binnen deze twee verschillende<br />
werkwijzen lijkt onuitvoerbaar. Daarom is, onder mijn verantwoordelijkheid, twee jaar<br />
geleden het project 2+ gestart. Groep 2+ is een groep kinderen die om diverse redenen niet<br />
in groep 3 mochten starten: te jong, onvoldoende beheersing leervoorwaarden, ongerichte<br />
werkhouding zijn een paar van die redenen. We noemen deze groep twee+ of<br />
speelleergroep: de kinderen leren via betekenisvol spel, vanuit de zone van de naaste<br />
ontwikkeling, lezen en rekenen. Niet de methode maar de ontwikkeling van het kind<br />
bepaalt wanneer de leerstof aangeboden wordt. Dit betekent het loslaten van de klassikale<br />
instructie, loslaten van de vaste norm waaraan de kinderen moeten voldoen en het jaar erop<br />
ook weer aansluiten op het niveau van het kind. <strong>Het</strong> leren lezen en rekenen wordt een<br />
proces waarin het kind zich steeds verder ontwikkelt. Elke stap voorwaarts is een<br />
overwinning.<br />
Deze groep is inmiddels 3+ geworden en een tweede 2+groep is gestart.<br />
In Hoofdstuk 2 beschrijf ik de motivatie voor de samenstelling van een 2+ groep en de<br />
ideeën die daartoe de aanleiding waren. De probleemstelling en de verklaring van de daarbij<br />
behorende begrippen welke ik rondom deze groep heb geformuleerd worden in Hoofdstuk<br />
3 uitgebreid besproken.<br />
In Hoofdstuk 4 wordt beschreven wat er in de literatuur over de begrippen uit de<br />
probleemstelling bekend is. Dit is slechts een selectie van relevante onderzoeken.<br />
Naast literatuuronderzoek heeft er ook onderzoek naar gegevens binnen de school<br />
plaatsgevonden. Dit onderzoek had betrekking op het welbevinden van kinderen bij de<br />
overgang van groep 2 naar 3 en de mening van ouders over de overgang, de ruimte voor<br />
spel in groep 3 en verlenging. Deze gegevens zijn door middel van een enquête verkregen.<br />
Naast deze gegevens hebben we de toetsresultaten van de verschillende groepen 2 en 3 in<br />
kaart gebracht. <strong>Het</strong> proces van gegevensverzameling wordt beschreven in Hoofdstuk 5.<br />
In Hoofdstuk 6 vindt u de resultaten van het onderzoek waarna in Hoofdstuk 7 de conclusies<br />
worden beschreven.<br />
Ten slotte biedt Hoofdstuk 8 ruimte voor discussie en reflectie.<br />
5
Hoofdstuk 2: Probleemstelling<br />
Heeft het brede aanbod, afgestemd op de onderwijsbehoefte van de leerlingen in een<br />
speelleergroep een breder ontwikkelingsperspectief dan het door de methode bepaalde<br />
aanbod in de groepen drie?<br />
Leerkrachten en ouders willen dat kinderen zich naar hun mogelijkheden ontwikkelen, hun<br />
talenten ontplooien en tot sterke, zelfstandige, sociale burgers opgroeien.<br />
<strong>Het</strong> zou goed zijn wanneer kinderen in ons onderwijssysteem daar voldoende de ruimte<br />
voor krijgen. Voor het onderwijs aan kinderen in de leeftijd van vier tot acht jaar zijn er twee<br />
zaken die daarvoor van belang zijn: de manier waarop jonge kinderen leren en het<br />
onderwijsaanbod wat scholen de kinderen in deze leeftijdsgroep te bieden hebben.<br />
Over de manier waarop kinderen leren is al veel geschreven en besproken en komt in allerlei<br />
termen op ons af.<br />
Wetenschappers doen onderzoek naar gestuurd en methodisch leren versus<br />
zelfconstruerend onderwijs, instructivisme vs. constructivisme, ontwikkelingspsychologie<br />
vs. cognitieve leertheorie. Zowel in theorie als in praktijk staan deze vormen in het<br />
onderwijs tegenover elkaar of lopen dooreen.<br />
Vygotsky is hierin richtingbepalend geweest, maar ook Skinner (behaviorisme) met zijn<br />
cultuuroverdracht heeft zijn sporen in het onderwijs nagelaten. Piaget, van Parreren ,<br />
Sieneke Goorhuis - Brouwer en recentelijk Jelle J. Jolles(2006) met het onderzoek Hersenen<br />
en leren hebben zich uitdrukkelijk over de ontwikkeling en het leergedrag van het ( jonge)<br />
kind gebogen (zie Hoofdstuk 4).<br />
Er is veel bekend over bovenstaande onderwijsconcepten, de voor- en nadelen daarvan voor<br />
de leerkracht en het klassenmanagement en ondanks al deze kennis blijft de overgang van<br />
groep 2 naar groep 3 lastig. De overgang van groep twee naar groep drie is een<br />
gespreksonderwerp wat jaarlijks terugkeert binnen het netwerk van Interne Begeleiders van<br />
de stichting Christelijk Primair Onderwijs <strong>Veenendaal</strong> en omstreken (CPOV), het bestuur<br />
waaronder het <strong>Baken</strong> valt.<br />
Groep 2, waar nog volop ruimte is om via betekenisvolle contexten kinderen op vele<br />
manieren te bekwamen in kennis en vaardigheden; groep 3 waar veel meer de methode het<br />
aanbod bepaalt.<br />
Hoe komt het dat we de enthousiaste, leergierige en gemotiveerde kleuter niet meer<br />
terugvinden in groep 3? Waarom vinden de leerkrachten van groep 3, zoals zij ieder<br />
schooljaar laten weten, de kinderen niet betrokken en weinig gemotiveerd? Was het kind<br />
nog niet aan leren toe? Was kleuterverlenging beter geweest? Wordt dit bepaald door<br />
leerstof, kindeigenschappen of leerkrachtvaardigheden?<br />
<strong>Het</strong> zijn vragen die ieder jaar weer naar voren komen. <strong>Het</strong> is dan ook voor leerkrachten en<br />
hun leerlingen, ouders, intern begeleiders, directies, studenten en opleidingsinstituten<br />
bijzonder interessant dat hier onderzoeken naar zijn gedaan. De opbrengsten daarvan<br />
kunnen gebruikt worden bij het onderzoek naar het aanbod en de juiste werkwijze om een<br />
ononderbroken ontwikkeling voor de jonge leerling binnen de basisschool te<br />
bewerkstelligen.<br />
Er is – natuurlijk - een persoonlijke reden om op deze vraag een antwoord te krijgen.<br />
Tot twee jaar geleden kregen de kinderen die volgens de norm van het <strong>Baken</strong>, zoals<br />
beschreven in het protocol Overgang groep 1,2 en 3 ( M. de Haan, 2005) niet toe waren aan<br />
6
groep drie een kleuterverlenging. Binnen de onderbouw waren de leerkrachten echter van<br />
mening dat deze kinderen juist in de gelegenheid gesteld moeten worden om via spel de<br />
cognitieve leerprocessen t.a.v. geletterdheid en gecijferdheid aangeboden te krijgen om<br />
hen een ononderbroken ontwikkeling te bieden. Binnen de formatie van <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> was<br />
ruimte om een groep te formeren waarin deze kinderen met een zogenoemde<br />
kleuterverlenging bij elkaar in één groep gezet konden worden. In overleg met de ouders<br />
heeft het managementteam besloten deze groep als 2+ groep te benaderen. Leerinhouden<br />
t.a.v. gecijferdheid en geletterdheid geïntegreerd in thema’s – dus vanuit een<br />
betekenisvolle context – werden aangeboden.<br />
Zowel de positieve als de negatieve effecten wil ik onderzoeken van de 2+ groepen en de<br />
“gewone” groepen drie. Niet alleen de leerresultaten, maar daarnaast ook de wendbaarheid<br />
en het welbevinden van de kinderen.<br />
Ik heb de beschikking over de observatie en toetsgegevens van twee groepen 3 ten opzichte<br />
van één 2+groep in het jaar 2006/2007. Ook de gegevens van dezelfde groepen een jaar<br />
later; en nu opnieuw de gegevens van een 2+ groep en twee groepen drie in het jaar<br />
2007/2008.<br />
Naast de toetsgegevens is het van belang aandacht te besteden aan het onderwijsaanbod.<br />
In de groepen 1 en 2 wordt gewerkt vanuit de zone van de naaste ontwikkeling, waarbij het<br />
kind en zijn ontwikkeling centraal staat. Spel als leermiddel is daarbij belangrijk. <strong>Het</strong> kind<br />
krijgt een uitdagende omgeving aangeboden waarbij het zelfstandig aan de slag kan.<br />
<strong>Het</strong> lokaal is ingericht met hoeken, waaronder een themahoek die regelmatig van inrichting<br />
wisselt, afhankelijk van het onderwerp dat aan de orde is.<br />
Er is aanbod voor kinderen met verschillende talenten en behoeften en samenwerking<br />
wordt gestimuleerd. Er wordt rekening gehouden met het feit dat niet iedereen zich in<br />
eenzelfde tempo ontwikkelt. De leerkracht is duidelijk begeleidend aanwezig. Zij kan<br />
meespelen in bijvoorbeeld de bouwhoek en de kinderen uitdagen om samen na te denken<br />
over de vraag hoe je een weg kunt aanleggen om met de auto bij al hun individueel<br />
gebouwde huizen te komen.<br />
Een kind wat al meer aankan, kan de opdracht krijgen om als leider op te treden bij het<br />
ontwerpen van een plattegrond van deze straat met huizen. De leerkracht observeert de<br />
processen en stemt het onderwijs daar op af. De pedagogische interacties en de<br />
ontwikkelingsgerichte didactiek vormen de spil van het onderwijs. <strong>Het</strong> onderwijsconcept<br />
wordt vormgegeven volgens de principes van basisontwikkeling, zoals beschreven door<br />
Frea Janssen – Vos in het boek Basisontwikkeling in de onderbouw (1997).<br />
Vanaf groep 3 staat de norm centraal waar elk kind aan moet voldoen – voor zover dat<br />
mogelijk is. De lessen worden voornamelijk bepaald door de instructie van de leerkracht en<br />
de lessen vanuit de methode. <strong>Het</strong> jaarklassensysteem en de toetsen bewaken of alle<br />
kinderen wel aan de gestelde norm voldoen. Er wordt vooral gekeken naar het product, het<br />
resultaat. Spelen wordt gedaan ná het werken en is ter ontspanning.<br />
<strong>Het</strong> was door de invoering van de wet op het basisonderwijs (1985) de bedoeling dat dit<br />
verschil in benadering zou verdwijnen zodat de kinderen een ononderbroken<br />
ontwikkelingsproces zouden doormaken, afgestemd op voortgang in ontwikkeling.<br />
Helaas is dat op veel basisscholen nog niet gelukt.<br />
Dit in tegenstelling tot scholen die de ontwikkeling van hun leerlingen centraal stellen.<br />
Nu wij in de gelegenheid zijn de twee bovengenoemde systemen op <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> naast elkaar<br />
te zetten is dit een uitgelezen kans om hier onderzoek naar te doen.<br />
7
Hoofdstuk 3: Verantwoording van de probleemstelling<br />
Heeft het brede aanbod, afgestemd op de onderwijsbehoefte van de leerlingen in een<br />
speelleergroep een breder ontwikkelingsperspectief dan het door de methode bepaalde<br />
aanbod in de groepen drie?<br />
Begripsverheldering:<br />
Wanneer we praten over het brede aanbod gaan we uit van de principes van<br />
ontwikkelingsgericht onderwijs.(Van Parreren,C.F. 1991)<br />
De aanpak binnen dit concept is zowel pedagogisch (brede persoonsontwikkeling door een<br />
veilig klimaat), als didactisch (een uitgewerkte methodologie in de klas), als<br />
leerpsychologisch (de leerling is een actieve leerder die het eigen leren vorm geeft), als<br />
gericht op het aanleren van kennis en vaardigheden vanuit de zone van de naaste<br />
ontwikkeling. De zone van de naaste ontwikkeling is te omschrijven als een sociaal-culturele<br />
activiteit waaraan het kind zinvol kán en wil deelnemen, maar welke het nog niet<br />
zelfstandig kan volbrengen . Alleen met hulp van een ander die die onderdelen voor<br />
zijn/haar rekening neemt die het kind zelf nog niet beheerst.<br />
Activiteiten in de zone van de naaste ontwikkeling vormen een gunstige psychologische<br />
voedingsbodem voor leerprocessen, maar deze leerprocessen moeten wel door toedoen<br />
van anderen (leerkrachten, opvoeders) aangezwengeld en begeleid worden (Vygotskij,<br />
1964).<br />
Hiervoor worden activiteiten aangeboden in een betekenisvolle context, waardoor de<br />
betrokkenheid van de kinderen groot is.<br />
<strong>Het</strong> geleerde wordt geoefend door het in te zetten in functionele en zinvolle activiteiten.<br />
Kinderen bouwen een binding op met de activiteiten waaraan zij deelnemen. Zo wordt het<br />
geleerde een zinvol geïntegreerd deel van hun persoonlijkheid. Wanneer er een rijk aanbod<br />
is (visueel, auditief, scheppend, muzikaal, rollenspel ) zoeken kinderen zelf activiteiten uit<br />
waarmee ze de grootste affiniteit voelen.(Janssen-Vos,F. 1997)<br />
Dergelijke activiteiten blijken een maximale ontwikkelingskracht te hebben .<br />
<strong>Het</strong> vereist van de leerkracht een begeleidende rol in de zin van meespelen en het juiste<br />
moment benutten om een probleem in te brengen wat de kinderen tot leren aanzet.<br />
Ze kunnen dit probleem nog niet alleen aan, maar wel mét de hulp van hun leerkracht (Van<br />
Oers, B. 1992).<br />
Afstemmen is volgens Van Dale: in overeenstemming brengen met.<br />
In het onderwijs krijgt dit de betekenis van: hoe stem ik zo optimaal mogelijk af op de<br />
ander, waardoor die ander maximale mogelijkheden heeft om zich te ontwikkelen en te<br />
groeien.<br />
Kenmerken van het begrip onderwijsbehoefte zijn:<br />
Deficit denken vervangen door denken in kansen;<br />
Accent op het hier en nu;<br />
Diagnose staat ten dienste van de vormgeving van het onderwijs;<br />
Erkennen van de grenzen van de school om aan onderwijsbehoeften tegemoet te<br />
komen;<br />
De leraar als sleutelfiguur;<br />
Differentiatie als belangrijk kwaliteitskenmerk.<br />
8
Kortom: wat heeft dit kind, in deze groep op deze school op dit moment nodig om een stap<br />
verder te komen? (Hooiveld,J. 2005)<br />
Speelleergroep: deze benaming wordt gebruikt voor de groep kinderen die volgens de door<br />
de school gestelde criteria niet toe waren aan het onderwijs in groep 3.<br />
Deze kinderen hebben de kleuterbouw doorlopen, een aantal iets korter dan twee volledige<br />
schooljaren ( de zgn. herfstkinderen). Zij krijgen via spel geletterdheid en gecijferdheid<br />
aangeboden om zich op dat gebied te blijven ontwikkelen.<br />
Een breder ontwikkelingsperspectief houdt in dat het kind mogelijkheden heeft om zich<br />
op alle gebieden te ontplooien, waarbij de individuele talenten en krachten ingezet worden<br />
(Stevens,L. 2000)<br />
Wanneer het aanbod door de methode bepaald wordt gaat men uit van een systematisch<br />
onderwijs- en leerprogramma met leerdoelen en een systematische ordening en aanbieding<br />
van leerstof. Er wordt van de kinderen verwacht dat zij rond dezelfde tijd dezelfde doelen<br />
gehaald zullen hebben.<br />
Bovenstaande definities roepen nieuwe vragen op.<br />
Want hoé leren jonge kinderen?<br />
Zijn er criteria voor een goede start in groep 3?<br />
Heeft kleuterverlenging zin?<br />
Is het zinvol spel te integreren in het programma van groep 3?<br />
We komen hier in de hoofdstukken 4 en 5 op terug.<br />
Nieuwswaarde<br />
Er is op veel niveaus discussie gaande over het onderwijsaanbod en het lerende kind. Hoe<br />
het kind leert is van even groot belang als de manier waarop de leerstof aangeboden wordt.<br />
Bij de overgang van groep 2 naar groep 3 is er op veel scholen een kloof in werkwijze,<br />
aanbod en benadering. Ondanks 1985 – de wet op het basisonderwijs – werken zowel de<br />
groepen 1-2 als de groepen 3 op verschillende manieren. De groepen 1 en 2 richten zich op<br />
de ontwikkeling van het kind, de groepen 3 werken meer leerstofgericht. (Van Kuyk,1991)<br />
Daarnaast zijn er de veranderde inzichten in de ontwikkeling van het brein welke van<br />
invloed zijn op het onderwijs ( Jolles,2006).<br />
Theoretische relevantie<br />
De vraag bij welk onderwijsaanbod het kind het meest gebaat is, laait weer op in de<br />
discussie over het nieuwe leren. <strong>Het</strong> gaat te ver om daar nu uitvoerig bij stil te staan, maar er<br />
heeft een zekere verharding plaatsgevonden bij de mensen die vasthouden aan het feit dat<br />
kinderen het meest leren van kennisoverdracht. Beter Onderwijs Nederland (BON) is een<br />
club van gerenommeerde mensen die tegen vormen van nieuw leren zijn – een term die<br />
overigens lastig te specificeren is. In een artikel in Univers, (Universiteit van Tilburg, februari<br />
2007) staat een voor- en tegenstander van <strong>Het</strong> Nieuwe leren in de boksring. Eén van de<br />
uitspraken van een voorstander raakt direct de kern van mijn onderzoek: “De BON<br />
suggereert dat wij een soort voodoo bedrijven. Maar uit de bestaande praktijk zijn er ook geen<br />
bewijzen, of alleen oude data. <strong>Het</strong> experiment van het volgen van twee verschillende<br />
onderwijsvormen naast elkaar waarna aan het einde het resultaat wordt gemeten, is nooit<br />
gehouden. <strong>Het</strong> bewijs waar de BON mee schermt van hoogleraar onderwijskunde Van der<br />
9
Werff, is onlangs door drie andere gerenommeerde onderwijskundigen stevig afgeserveerd."<br />
(Vermeulen, M. 2007)<br />
<strong>Het</strong> is de mogelijkheid van het volgen van deze twee verschillende onderwijsvormen binnen<br />
onze school die mij voorziet van gegevens om de twee <strong>lijn</strong>en naast elkaar te zetten en te<br />
bezien welke uitwerking deze benaderingen hebben op leerlingen. Op deze manier krijgt<br />
een discussie die voorzichtig in 1985 is begonnen en steeds meer uitgekristalliseerd werd,<br />
uiteindelijk een evidence based karakter.<br />
De theorieën achter het instructivisme vs. constructivisme, ontwikkelingspsychologie vs.<br />
leerpsychologie moeten hierbij beschreven worden.<br />
Wat zeker meegenomen moet worden in het onderzoek is de manier waarop kinderen<br />
kennis en vaardigheden in zich opnemen. Met de recente inzichten over de ontwikkeling<br />
van het brein en leren (Jolles, 2006) zullen we moeten kijken naar toepassingen in het<br />
onderwijs.<br />
In Hoofdstuk 4 worden bovengenoemde theorieën nader beschreven.<br />
Praktische relevantie<br />
Omdat de discussie over de ononderbroken ontwikkelings<strong>lijn</strong> van groep 1 tot 8 op<br />
basisschool <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> een discussiepunt blijft, is het van belang de meningen hierover te<br />
onderbouwen met wetenschappelijke onderzoeken. Met name de overgang tussen groep 2<br />
en 3, de oude grens tussen kleuter- en lagere school, is in de praktijk van het basisonderwijs<br />
én in de wetenschap bron van gesprek en onderzoek. Wat doe je bijvoorbeeld met de<br />
leerlingen van november en december in je jaarklassensysteem?<br />
Op veel basisscholen is het nog steeds zo dat er kinderen zijn die niet aan de leerstof in<br />
groep 3 kunnen beginnen doordat ze niet aan de gevraagde norm voldoen. Hierbij komt<br />
natuurlijk de vraag naar boven of het kind zich aan moet passen aan het onderwijssysteem<br />
of dat het onderwijssysteem zich moet voegen naar de behoefte van het kind.<br />
Daarvoor moet duidelijk worden waaruit die behoefte bestaat en hoe het<br />
onderwijscurriculum daaraan tegemoet kan komen.<br />
Op het <strong>Baken</strong> heeft, in overleg met de ouders, het experiment plaatsgevonden om de<br />
kinderen die nog erg jong waren om in groep 3 te starten, gezamenlijk in een 2+ groep te<br />
plaatsen. <strong>Het</strong> lezen en rekenen werd aangeboden via een betekenisvolle situatie en op het<br />
moment dat de kinderen daar aan toe waren. Dit kan niet vergeleken worden met een<br />
kleuterverlenging in groep 2 waar kinderen toch meer van hetzelfde wordt aangeboden.<br />
De optimale opbrengst van dit onderzoek bestaat dan ook uit een beschrijving van een<br />
onderwijscurriculum waarin het kind zonder verlenging of versnelling al zijn mogelijkheden<br />
kan benutten en zijn barrières leert overkomen.<br />
10
Hoofdstuk 4: Achtergronden en theoretisch kader<br />
<strong>Het</strong> praktijkonderzoek wat uitgevoerd wordt op basisschool <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> heeft een<br />
ontwikkelingsgericht karakter.<br />
De functie van het onderzoek is het vergelijken van de effecten van het onderwijsaanbod in<br />
onze groepen 2, 2+, 3 en 3+.<br />
Als onderzoeksstrategie is gekozen voor het experimenteel onderzoek waarbij de 2+ en de 3+<br />
groep de experimentele groep vormen en de reguliere groepen 2 en 3 de controlegroep.<br />
De eerste 2+groep is min of meer bij toeval ontstaan doordat er meer dan twintig kinderen<br />
bij elkaar geplaatst waren die in november, december en januari nog zes jaar moesten<br />
worden. Deze kinderen hadden bij de leerlingenbespreking allemaal het advies gekregen<br />
om nog niet naar groep 3 te gaan omdat zij nog niet voldeden aan de voorwaarden zoals<br />
deze beschreven zijn in het protocol Overgang groep 1-2-3 van <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> (M. de Haan,<br />
2005).<br />
In overleg met de ouders heeft het managementteam van <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> besloten deze<br />
kinderen onder de naam 2+ het onderwijs volgens de principes van basisontwikkeling aan te<br />
bieden.<br />
De groepen 1 en 2 van <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> werken al een aantal jaren volgens de uitgangspunten van<br />
basisontwikkeling. De keuze voor het concept van basisontwikkeling is voortgekomen uit<br />
de kennis en wetenschap hoe jonge kinderen leren en wat daarvoor nodig is – voor een<br />
onderbouwing hiervan zie volgende alinea.<br />
Met het doortrekken van deze werkwijze naar de 2+groep was het mogelijk ook de<br />
leerinhouden van groep 3 aan te bieden. Niet per augustus maar op het moment dat dit in<br />
de zone van de naaste ontwikkeling van de individuele leerling zou liggen - en zonder<br />
methodisch te werk te gaan.<br />
Zowel voor de leerkrachten als de ouders was het lastig om het denken in jaarklassen los te<br />
laten, temeer omdat de andere groepen 2 en 3 nog wel volgens het traditionele<br />
jaarklassensysteem functioneerden.<br />
Dat jonge kinderen leren van een breed aanbod wordt door de literatuur ondersteund.<br />
Sieneke Goorhuis- Brouwer, orthopedagoog en hoogleraar spraak- en taalstoornissen bij<br />
kinderen (Rijksuniversiteit Groningen) heeft hier onderzoek naar gedaan (2006).<br />
De vroegkinderlijke ontwikkeling heeft te maken met rijping van het centrale en perifere<br />
zenuwstelsel en daardoor ontvouwing van mogelijkheden die het kind in zijn genetisch<br />
materiaal heeft meegekregen (nature). Die ontvouwing verloopt fasegewijs. De zuigeling,<br />
de peuter, de kleuter en het schoolkind functioneren motorisch, cognitief en sociaalemotioneel<br />
op geheel eigen wijze. De hersenen moeten zich nog ontwikkelen.<br />
Hierbij speelt waarschijnlijk het proces van myelinisatie, de vorming van mergbekleding<br />
om de zenuwen, een belangrijke rol. Toenemende myelinisatie houdt in dat een kind tot<br />
steeds meer in staat is. Een kind kan eerst kruipen, dan pas lopen, een kind gaat eerst<br />
brabbelen, dan pas spreken. De ontwikkelingsfasen worden mede door de myelinisatie<br />
bepaald.<br />
In elke ontwikkelingsfase zoekt het kind een evenwicht tussen de uitdaging – het aanbod -<br />
die de omgeving biedt en de vaardigheden waarover het beschikt. Iedere fase moet door<br />
het kind ten volle beleefd en doorleefd worden: daardoor kunnen de vaardigheden die in<br />
een bepaalde fase verworven moeten worden zich maximaal ontplooien.<br />
11
Vaardigheden die behoren tot een volgende fase in de ontwikkeling zijn nog niet te<br />
oefenen. Kinderen geven in hun gedrag zelf aan wanneer ze aan nieuwe dingen toe zijn. De<br />
consequentie hiervan is dat in de vroegkinderlijke periode steeds een bepaalde periode, en<br />
niet een bepaald tijdstip, aangenomen moet worden waarin een bepaalde vaardigheid<br />
wordt geleerd.<br />
Naast myelinisatie speelt bij de ontwikkeling de prikkeling van hersencellen door sensaties<br />
van buitenaf ook een grote rol (nurture). Prikkeling van buitenaf gebeurt door geluiden,<br />
aanrakingen, bewegingen, vormen, kleuren en geuren – een breed aanbod op vele<br />
terreinen. Door deze prikkeling gaan hersencellen verbindingen met elkaar aan en wordt<br />
een mentale atlas gevormd, waardoor kinderen functies en vaardigheden leren. Genetische<br />
factoren zorgen ervoor dat bepaalde vaardigheden, bij dezelfde stimulans, eerder of later<br />
worden bereikt.<br />
Zodoende wordt de kinderlijke ontwikkeling ook gekenmerkt door variatie. Niet alle<br />
kinderen doen alles op precies dezelfde tijd<br />
<strong>Het</strong> is van groot belang dat kinderen van jongs af aan, in wisselwerking met een<br />
stimulerende omgeving, de gelegenheid krijgen zich fasegewijs vaardigheden aan te leren<br />
en hun persoonlijkheid te ontplooien. In de periode van nul tot ongeveer zeven jaar wordt<br />
een neurologische atlas in zijn fundamenten aangelegd. Deze atlas komt spelenderwijs tot<br />
stand.<br />
De aan kinderen aangeboden stimulans dient ook speels van aard te zijn.<br />
Waar precies de overgang begint van de basisvorming van de mentale atlas naar<br />
het uiteindelijke modelleren van de hersenen, is een punt van discussie. Deze overgang<br />
werd binnen de pedagogiek en ontwikkelingspsychologie benoemd met het begrip<br />
schoolrijpheid. Hiermee werd bedoeld dat er voldoende bagage in de basisvoorwaarden bij<br />
het kind aanwezig waren, om te kunnen leren lezen, schrijven en rekenen. Schoolrijpheid<br />
werd beoordeeld op de mogelijkheden tot spreken, fijne motoriek en aandacht. Een goede<br />
uitspraak maakt klankherkenning en lezen mogelijk. Een goed beheerste fijne motoriek<br />
maakt het mogelijk een pen goed vast te houden en schrijfbewegingen te maken. Aandacht<br />
maakt het mogelijk om taakjes te overzien en af te maken.<br />
Maar net als bij alle mijlpalen in de kinderlijke ontwikkeling, treedt ook bij het<br />
proces van schoolrijpheid individuele variatie op. Afhankelijk van myelinisatieprocessen<br />
en stimulans is de neurale bedrading niet bij alle kinderen op hetzelfde moment klaar.<br />
Bladergroen (1978) legde de schoolrijpheid bij een onder gunstige condities opgroeiend kind<br />
tussen zes en zeven jaar. Piaget (1959) legde de grens ook rond zeven jaar, bij de overgang<br />
van intuïtief denken naar de fase van operationeel denken. Imelman (2000) neemt eveneens<br />
ongeveer de leeftijd van zeven jaar aan. Hij formuleert de kinderlijke ontwikkeling vanuit<br />
een meer cognitief/wijsgerig perspectief en beschrijft hoe jonge kinderen vanuit een<br />
egocentrische wereld groeien naar een wereld met anderen, waarin afspraken en regels<br />
gelden.<br />
<strong>Het</strong> brede aanbod is dus nodig om bij het jonge kind verbindingen in de hersenen tot stand<br />
te laten komen, verbindingen die bij het latere leren nodig zijn. Dit geeft het kind een breed<br />
ontwikkelingsperspectief. Een voorbeeld hiervan is het aanbieden van Vroeg Engels in de<br />
groepen 1 en 2. Volgens Hilde Hacquebord (2004) is tweetaligheid (wanneer de ouders elk<br />
een andere moedertaal hebben en deze regelmatig thuis met de kinderen spreken, b.v.<br />
Nederlands en Frans) een voordeel in de cognitieve ontwikkeling. Men leert sneller te<br />
switchen; de metacognitieve vaardigheden worden sneller ontwikkeld (luxe tweetaligheid).<br />
Hoe jonger een kind met een tweede taal in aanraking komt, des te meer baat het later bij<br />
het spreken van die taal zal hebben. Bij jonge kinderen worden de neurologische<br />
12
taalnetwerken in de hersenen gevormd waarop later een beroep kan worden gedaan.<br />
Belangrijk hierbij is dat de taal door een native speaker gegeven wordt in de vorm van<br />
onderdompeling op gezette tijden.<br />
<strong>Het</strong> vormen van netwerken die wel aanwezig zijn maar nog niet direct gebruikt worden is<br />
een onderdeel van het onderzoek van het Instituut Hersenen & Gedrag van de Universiteit<br />
van Maastricht. Professor J.Jelle Jolles is voorzitter van de commissie Hersenen en Leren,<br />
welke onder verantwoordelijkheid valt van de Nederlandse Organisatie voor<br />
Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) én het ministerie van Onderwijs, Cultuur en<br />
Wetenschappen. De recente wetenschappelijke inzichten over de hersenen en de<br />
informatieverwerking kunnen van groot belang zijn voor het verbeteren van het onderwijs.<br />
Leerkrachten verwachten vaak van kinderen dat hetgeen besproken is in de klas direct tot<br />
resultaat leidt. Wanneer het gaat om bijvoorbeeld sociale gedragingen blijkt dat pas vanaf<br />
een jaar of veertien die hersendelen gaan uitgroeien die nodig zijn om de sociale gevolgen<br />
van eigen activiteiten volledig te kunnen beoordelen. Zij kunnen echter alleen uitgroeien<br />
wanneer het netwerk op jonge leeftijd is gevormd. Alle elementaire kennis is opgeslagen en<br />
die kennis wordt pas rond het veertiende jaar intensief getoetst aan zijn sociale systeem.<br />
<strong>Het</strong>zelfde geldt voor complexe vaardigheden als planning en organisatie, stellen van<br />
prioriteiten, keuzes maken: deze cognitieve vaardigheden ontwikkelen zich pas van<br />
ongeveer zestien jaar tot ruim na het twintigste jaar. <strong>Het</strong> kind moet ervaring krijgen in het<br />
aanleren van strategieën en procedures; maar ook zal voldoende kennis verworven moeten<br />
worden om die strategieën op toe te passen.<br />
Ervaring en aanbod alleen is niet voldoende. In zijn Webcomment schrijft J. Jolles (2006):<br />
“ In het cognitieve en hersenonderzoek is halverwege de vorige eeuw bij proefdieren ontdekt<br />
dat een motivationele prikkel nodig is om nieuwe dingen te leren. Recent is ook de relatie<br />
gelegd met menselijk leren. Emotionele betrokkenheid en persoonlijke motivatie zijn belangrijke<br />
inspiratoren die bepalen of onze hersenen iets nieuws al dan niet opslaan”.<br />
Deze betrokkenheid en het emotionele vrij zijn vinden we als uitgangspunten bij de doelen<br />
van Basisontwikkeling (Frea Janssen-Vos,1997). Willen kinderen tot ontwikkeling komen,<br />
dan zijn altijd (psychologische) voorwaarden of condities in het spel: ze moeten vrij zijn van<br />
emotionele belemmeringen, ze hebben een gezond zelfvertrouwen en een positief<br />
zelfbeeld nodig en moeten nieuwsgierig, onderzoekend en ondernemend zijn.<br />
Van Lieshout (1985) noemt in dit kader al de responsieve rol van de leerkracht: het op het<br />
juiste moment ingaan op de signalen van de leerling en daarbij uitgaan van positieve<br />
verwachtingen van die leerling. Dit draagt bij aan een goede hechtingsrelatie geeft een<br />
gevoel van veiligheid. <strong>Het</strong> versterkt de drang tot exploratie, stimuleert tot zelfstandigheid<br />
en schept zelfvertrouwen om nieuwe taken aan te pakken. Dit heeft een positief effect op<br />
de motivatie en leidt tot flexibiliteit en vasthoudendheid bij het uitvoeren van nieuwe<br />
opdrachten (Riksen -Walraven en Van Lieshout, 1985).<br />
Uit bovenstaande blijkt dat een breed aanbod van belang is voor de ontwikkeling van het<br />
kind, maar het aangebodene moet ook afgestemd worden op de ontwikkelingsfase van het<br />
kind. Hierin komen we uit bij de zone van de naaste ontwikkeling, zoals beschreven is in<br />
hoofdstuk 3. De uitwisselingen tussen kind en volwassene in de zone van de naaste<br />
ontwikkeling vormen de eigenlijke grondslag van het onderwijs en opvoedingsproces. In de<br />
zone van de naaste ontwikkeling brengen kind en volwassene een verbinding tot stand<br />
tussen handelingsvormen vanuit betekenisvolle activiteiten en de betekenis die het kind<br />
daaraan geeft en kán geven - gelet op zijn actuele handelingsrepertoir en motieven ( Van<br />
Oers, B.2000).<br />
13
Wanneer men op deze manier invulling geeft aan het onderwijs krijgt ook het begrip<br />
afstemmen in het kader van Passend onderwijs zijn betekenis. Afstemmen op<br />
onderwijsbehoefte heeft als doel het komen tot een optimale ontwikkeling binnen de<br />
grenzen van ieders mogelijkheden.<br />
Daarbij wordt gewerkt vanuit de principes denken, kijken, praten en handelen in termen van<br />
onderwijsbehoeften – wat heeft dit kind op dit moment nodig, uitgaande van de kansen en<br />
mogelijkheden binnen de school, de leerling, de leerkracht.<br />
Wanneer men zo naar de onderwijsleersituatie kijkt komen ook kinderen met (leer-)<br />
barrières op een andere manier naar voren. Niet de handicap, de belemmering of het etiket<br />
zijn uitgangspunt van het pedagogisch handelen of voor het ontwikkelingsperspectief, maar<br />
het aanbod dat aansluit bij de specifieke onderwijsbehoefte van het kind. <strong>Het</strong> gaat hierbij<br />
niet alleen om leerstofinhouden maar ook om de wijze waarop deze aan het kind<br />
aangeboden worden.<br />
In het boek “Onderwijs aan jonge risicokinderen” van Aleid Beets- Kessens en Dick Memelink<br />
(2002) wordt duidelijk gemaakt wat het voor leerlingen met een specifieke hulpvraag<br />
betekent hoe er naar hen gekeken wordt. De gegevens die door dat gerichte kijken worden<br />
verzameld zijn richtinggevend voor het aanbod dat de leerkracht vervolgens kan<br />
ontwikkelen. De concrete invulling van de planmatige begeleiding en hulpverlening aan<br />
kinderen met een (leer-)barrière is primair gebaseerd op de specifieke behoeften van het<br />
kind. Bij deze doelgroep kinderen zijn de persoonlijke ontwikkeling,een uitdagende leef- en<br />
leeromgeving en het primaatschap van de basale ontwikkelingsbehoeften (autonomie,<br />
relatievorming, competentie, welbevinden) voorwaardelijk voor het ontwikkelingsproces<br />
(Beets-Kessens, A. 2002). In de ontwikkelingsgerichte visie, zoals basisontwikkeling, zijn<br />
deze voorwaarden aanwezig.<br />
De planmatige invulling voor het onderwijsaanbod aan leerlingen met een specifieke<br />
onderwijsbehoefte wordt verkregen door gericht informatie te verzamelen. In<br />
“Handelingsgericht werken: een handreiking voor de interne begeleider” geven Noëlle<br />
Pameijer en Tanja van Beukering een handreiking om de verschillende onderwijsbehoeften<br />
van de leerlingen te begrijpen en te benoemen. Van daaruit wordt het onderwijsaanbod<br />
doordacht, gepland en gerealiseerd. Uitgangspunt is dat de onderwijsbehoefte centraal<br />
staat. Er wordt gewerkt vanuit een transactioneel referentiekader – denken in termen van<br />
wisselwerking, krachten en kansen. Er wordt samengewerkt met betrokkenen binnen en<br />
buiten de school en er wordt systematisch en doelgericht gewerkt: wat weten we al, wat<br />
kunnen we al en wat willen we leren?<br />
Om op deze manier te kunnen werken is het noodzakelijk dat de leerkracht over voldoende<br />
kennis beschikt van de tussendoelen en leer<strong>lijn</strong>en om de leerstofinhoud te kunnen koppelen<br />
aan de activiteit. In “De flexibele speciale school voor basisonderwijs” schrijft Miriam<br />
Baltussen:”Van belang is dat niet de leerstof maar de instructie- en ondersteuningsbehoeften<br />
van kinderen centraal staat. Van leerkrachten wordt verwacht dat zij niet aanbodgericht<br />
denken maar denken vanuit de mogelijkheden van de kinderen, tegen de achtergrond<br />
van wenselijk geachte doelen. Om de instructie- en ondersteuningsbehoeften in beeld te krijgen<br />
is het belangrijk dat leerkrachten zicht hebben op de leer<strong>lijn</strong>en van de verschillende<br />
vakken. <strong>Het</strong> onderkennen van instructiebehoeften heeft zijn basis in het kennen van de<br />
leer<strong>lijn</strong>en. In een leer<strong>lijn</strong> zijn vaak al mogelijkheden vervat om om te gaan met verschillen<br />
tussen kinderen.”(Hooiveld, J. & Baltussen, M., 2001, P.35)<br />
Toch wordt op basisscholen het aanbod stelselmatig door methoden bepaald. Dit komt<br />
vooral nog door de opvatting dat het onderwijs primair de taak heeft kennis en regels aan<br />
het kind te onderwijzen door middel van directe en efficiënte instructie. Door stapsgewijze<br />
14
instructie wordt het leren van buitenaf gestuurd: gewenst gedrag wordt bevestigd en<br />
ongewenst gedrag uitgedoofd. In deze opvatting ligt het accent op het leren van<br />
basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen. <strong>Het</strong> onderwijsprogramma is<br />
gestructureerd en wordt door de leermethoden bepaald. Er wordt gestreefd naar een<br />
optimale instructieve omgeving. Deze opvatting vindt zijn oorsprong in het instructivisme<br />
wat is gebaseerd op de behavioristische theorie (Skinner,1938). Lerenden worden dan als<br />
lege vaten beschouwd die 'gevuld' moeten worden met kennis. In het programmatische<br />
onderwijs komen deze uitgangspunten terug(Van Kuyk, J. 1991).<br />
In deze opvatting is geen ruimte voor spel. Toch is spel voor jonge kinderen van wezenlijk<br />
belang om zich te ontwikkelen en te leren, zoals Sieneke Goorhuis Brouwer (2006)<br />
benadrukt. Ook Martine Delfos (2004) benadrukt dit. Tijdens zijn spel kan het kind zich<br />
intens concentreren om een vaardigheid onder de knie te krijgen vanuit een intrinsieke<br />
motivatie.<br />
Zolang het kind vanuit zichzelf leert, kan de concentratie zeer hoog zijn. Wanneer een<br />
ander iets van ze vraagt, kunnen ze zich veel moeilijker concentreren. Dat laat al<br />
meteen zien dat het leren veel beter zal gaan wanneer het aansluit bij de belevingswereld,<br />
de mogelijkheden en de belangstelling van kinderen. <strong>Het</strong> moderne adaptieve onderwijs is<br />
daarop gericht. Kinderen zijn bereid te werken, ook op school. Werken op school is de<br />
eerste jaren nog sterk ‘nepspelen’. Spelen en werken zijn niet fundamenteel verschillend,<br />
omdat het kind intens geniet van het beheersen van een onderwerp en daardoor tot zichzelf<br />
komt. Spelen is een activiteit die een doel op zich is, werken heeft een doel dat buiten het<br />
werken ligt. Kinderen hebben plezier in spelen en leren daardoor vanzelf; werken is<br />
gericht op een doel buiten het werk, maar kan een bevredigende en zelfs speelse activiteit<br />
zijn. Er komt in het leren een omwenteling vanaf de basisschool. Tot die tijd is leren iets dat<br />
vooral van binnenuit komt. Wanneer kinderen beginnen te leren lezen en te rekenen op<br />
school gaat er een nieuwe wereld voor hen open, maar ze worden ook voor het eerst<br />
geconfronteerd met falen. Dingen die anders lopen dan gepland, zijn niet langer<br />
verrassingen maar fouten en moeten verbeterd worden. Plotseling is er het ‘leren’ als een<br />
serieus nieuw beginsel.<br />
De leercapaciteit van kinderen is welhaast onbegrensd. Van deze capaciteit gebruiken we<br />
weinig, omdat we ook de eigen methoden van kinderen weinig gebruiken.<br />
Schoolmethoden ontstaan vanuit het brein van een volwassene die zijn eigen jeugd<br />
vergeten lijkt te zijn. Als je ziet hoe snel en adequaat kinderen meerdere talen leren,<br />
wordt duidelijk dat de taalmethoden die we als volwassenen verzonnen hebben het enorme<br />
potentieel van kinderen nauwelijks benutten. Kinderen moeten meer betrokken worden bij<br />
de ontwikkeling van methoden. Ze kunnen zeer creatief hun ontwikkeling vormgeven.<br />
Als je ziet hoe ze, los van hun intelligentie, de taal van hun omgeving leren, dan wordt<br />
duidelijk dat de stof op school vruchtbaarder zou kunnen werken.<br />
De kunst is om te communiceren met kinderen en deze communicatie te laten aansluiten<br />
bij hun leeftijd (Delfos, 2000). De belangrijkste manier om ontwikkeling te stimuleren is hun<br />
hersens op ‘aan’ te zetten.<br />
Dat betekent niet hen steeds laten consumeren wat volwassenen te vertellen hebben, maar<br />
hun denken stimuleren en beseffen dat kinderen de deskundigen zijn over henzelf.<br />
Hoogleraar Luc Stevens pleit in zijn afscheidsrede “Zin in Leren”(2002) voor een<br />
verandering van ons leerstofjaarklassensysteem. “Er zijn”, zo schrijft hij, “in het onderwijs<br />
wonderlijke paradoxen en ontkoppelingen ontstaan”. Als voorbeeld van een paradox noemt<br />
hij de aanname dat alle leerlingen in dezelfde tijd in dezelfde ruimte dezelfde leerstof<br />
kunnen doorlopen. “Op individuele verschillen is in beginsel niet gerekend”, schrijft Stevens.<br />
15
“Voor veel leerlingen voldoet de school ook niet aan de basisbehoeften om gemotiveerd te<br />
blijven. Ze geven geen voeding aan de psychologische basisbehoeften van ieder mens aan<br />
relatie, competentie en autonomie. Want dan moet je kunnen laten zien wat je kunt, trots<br />
kunnen zijn op je prestaties en vertrouwen hebben in de leerkracht. Maar hoe kun je nu trots<br />
zijn op prestaties als die beneden de maat vallen en je niet geleerd wordt hoe je daar zelf iets<br />
aan kunt veranderen? Hoe kun je nou vertrouwen hebben in een leraar, als die je regelmatig een<br />
onvoldoende geeft? En dat zijn natuurlijk de kinderen die niet kunnen meekomen met lezen,<br />
rekenen of gym. Of de kinderen die nauwelijks stil kunnen zitten of hun gedachten minder goed<br />
kunnen ordenen of niet duidelijk onder woorden kunnen brengen wat ze in hun gedachten<br />
hebben. Er is in dit onderwijs veel te veel nadruk op standaardisaties, methoden en<br />
opbrengsten. Scholen worden afgerekend op resultaten. Zeker voor kinderen die niet mee<br />
kunnen komen, is het een weinig herbergzaam oord. Die kunnen in dit onderwijs helemaal niet<br />
laten zien wat ze kunnen.<br />
Zij zijn met dit onderwijs gedoemd om steeds maar weer te laten zien wat ze niet kunnen.<br />
Kinderen zijn gemotiveerd om te laten zien wat ze kunnen en gemotiveerd om méér te kunnen.<br />
Mensen hebben plezier in ontwikkeling. Maar we moeten dan wel scholen maken die bij<br />
kinderen passen, we moeten kinderen de gelegenheid bieden bewust te werken aan hun eigen<br />
ontwikkeling. Maar wel elk kind in zijn eigen tempo. <strong>Het</strong> leerstof jarensysteem moet er<br />
natuurlijk als eerste uit.”(Stevens, L. 2002)<br />
Met bovenstaande theoretische onderbouwing wil ik aantonen dat:<br />
jonge leerlingen die via betekenisvolle situaties leerinhouden aangeboden krijgen welke<br />
afgestemd zijn op hun onderwijsbehoefte, op een wijze die past bij hun manier van leren,<br />
zich breder ontwikkelen dan hun leeftijdgenootjes waarbij de methode het leeraanbod<br />
heeft bepaald.<br />
Mijn verwachting is dat de kinderen uit de eerste groep meer gemotiveerd zijn, minder<br />
faalangst ontwikkelen en trots zijn op hun prestaties. Daarnaast ga ik van de<br />
vooronderstelling uit dat kinderen, die vanuit de zone van de naaste ontwikkeling werken,<br />
op langere termijn verder komen in het leerproces dan hun leeftijdgenootjes die geleid<br />
worden door de leerkracht en de methode. <strong>Het</strong> zijn twee ontwikkelingtheorieën die naast<br />
elkaar worden gezet die hun oorsprong vinden in leertheorieën (constructivisme en<br />
instructivisme) en waarvan de effecten worden vergeleken: ontwikkelingsgericht versus<br />
programmagericht.<br />
16
Hoofdstuk 5: Methode<br />
Heeft het brede aanbod, afgestemd op de onderwijsbehoefte van de leerlingen in een<br />
speelleergroep een breder ontwikkelingsperspectief dan het door de methode bepaalde<br />
aanbod in de groepen drie?<br />
De informatie uit het theoretisch kader (zie Hoofdstuk 4) geeft aan dat het leren vanuit<br />
betekenisvolle situaties in spelvorm ( samengevat als spelen) voor het jonge kind tot<br />
ongeveer 7 jaar belangrijk is.<br />
De leeftijd dat een kind naar groep 3 gaat is gemiddeld zes jaar. <strong>Het</strong> zou dan voor de hand<br />
liggen om jonge kinderen een kleuterbouwverlenging te geven waardoor zij volop aan die<br />
brede ontwikkeling toekomen. Dat roept de volgende vragen op die in het kader van<br />
bovenstaande probleemstelling beantwoordt moeten worden:<br />
Is langer spelen zinvol?<br />
Draagt de 2+ groep bij aan een soepele doorgaande <strong>lijn</strong>?<br />
Hoe is het welbevinden van de kinderen uit de speelleergroep ten opzichte van het<br />
welbevinden van de kinderen uit de “gewone”groep 3?<br />
Hoe zijn de prestaties van de speelleergroep ten opzichte van de “gewone”groep 3?<br />
Om op deze vragen antwoord te krijgen moeten per vraag verschillende gegevens<br />
verzameld worden.<br />
1. Is langer spelen zinvol?<br />
Deze vraag zou kunnen impliceren dat men kiest voor kleuterbouwverlenging. Er zijn<br />
gegevens nodig over de voor- en nadelen van kleuterbouwverlenging, evenals gegevens<br />
over de voor- en nadelen van het langer doorgaan met het aanbod van betekenisvolle<br />
situaties.<br />
De gegevens over verlenging van de kleuterperiode zijn uit het onderzoek van J. Roeleveld<br />
en I. van der Veen te verkrijgen: Kleuterbouwverlenging in Nederland: omvang, kenmerken en<br />
effecten(2007).<br />
Voor de beantwoording van deze vraag is de mening van leerkrachten en ouders ook<br />
belangrijk.<br />
Daarom zal in een enquête aan de leerkrachten en ouders vragen over het spelen, de<br />
overgang tussen de groepen 2 en 3 en de kleuterverlenging gesteld worden. Deze enquête<br />
bevat ook vragen die mogelijk de volgende deelvragen kunnen beantwoorden:<br />
2. Draagt de 2+ groep bij aan een soepele doorgaande <strong>lijn</strong>?<br />
3. Hoe is het welbevinden van de kinderen uit de speelleergroep ten opzichte van het<br />
welbevinden van de kinderen uit de “gewone”groepen 2 en 3?<br />
<strong>Het</strong> welbevinden is een gemoedstoestand die vooral door ouders het beste beoordeeld kan<br />
worden. Zij vinden hier vragen over in de enquête.<br />
In een interview worden hierover vragen gesteld aan de ouders van twee meisjes die<br />
representatief zijn voor de 2+ groep en groep 3.<br />
4. Hoe zijn de prestaties van de speelleergroep ten opzichte van de “gewone”<br />
groep 3?<br />
Om deze vraag beantwoord te krijgen worden de toetsresultaten uit het Cito Leerlingvolgsysteem<br />
met elkaar vergeleken. De mate waarin de kinderen extra ondersteuning door de<br />
Remedial Teacher nodig hebben gehad zal blijken uit dossieronderzoek.<br />
17
De enquête is verspreid onder de ouders van onze leerlingen op locatie De Reede, omdat op<br />
deze locatie het experiment met de 2+groep heeft plaatsgevonden.<br />
Er zijn 195 enquêteformulieren aan ouders uitgedeeld, daarvan zijn er 123 (63%)<br />
teruggekomen. Per klas zijn er gemiddeld 8 niet terugontvangen. De enquête bevatte 12<br />
positief geformuleerde stellingen met betrekking tot het curriculum in groep 2 en groep 3.<br />
Ook de ouders van twee groepen 4 hebben de enquête ingevuld. In het jaar dat de kinderen<br />
uit deze groepen naar groep 3 gingen startte de eerste 2+groep, en het is zinvol ook deze<br />
groepen in de vergelijking mee te nemen.<br />
Op een vijfpuntsschaal hebben de ouders hun mening aan kunnen kruisen. De gegevens zijn<br />
per klas en per vraag geïnventariseerd, ook de aanvullende opmerkingen van ouders zijn<br />
genoteerd.<br />
Om de gegevens te kunnen vergelijken moet er een verdeling gemaakt worden.<br />
Daarvoor zijn de groepen 2b en 2c (reguliere groepen) samengevoegd. Hun totaal aantal<br />
ingeleverde enquêteformulieren bedraagt samen 26 . De 2+groep heeft 11 ingeleverde<br />
enquêteformulieren.<br />
Groep 3b en 3c, de reguliere groepen 3 hebben samen 34 enquêteformulieren<br />
teruggegeven.<br />
De 3+groep heeft 20 ingeleverde enquêteformulieren en ten slotte de groepen 4 samen 32.<br />
Om de groepen te kunnen vergelijken worden de uiteindelijke aantallen als 100% gezien<br />
waardoor de uitkomsten in percentages weer te geven zijn.<br />
Er is van de vragen gebruik gemaakt om kwantitatieve gegevens te genereren welke in<br />
grafieken weergegeven zijn.<br />
Van de leerkrachten zijn acht van de elf formulieren teruggekomen, te weinig om deze weer<br />
te geven in percentages. De uitkomsten en opmerkingen zullen waar dat toegevoegde<br />
waarde heeft, beschreven worden.<br />
De interviews dienen ter ondersteuning van de gegevens welke voortgekomen zijn uit de<br />
enquête en zijn beschrijvend weergegeven.<br />
De gegevens uit het leerlingvolgsysteem betreffen de groepen 3, 3+ en 4. De groepen 2 en<br />
2+ hebben op het moment van onderzoek nog te weinig kwantitatieve gegevens om in dit<br />
onderzoek mee te nemen. Een half jaar na verschijnen van dit document zijn er voldoende<br />
toetsen afgenomen om een reëel beeld van deze groep te vormen.<br />
18
Hoofdstuk 6: Resultaten<br />
In dit hoofdstuk willen we de verschillende deelvragen beantwoorden vanuit de verzamelde<br />
gegevens.<br />
Als eerste zoeken we een antwoord op de vraag:<br />
Is langer spelen zinvol?<br />
Zoals uit het theoretisch kader blijkt pleiten verschillende onderzoekers ervoor dat voor het<br />
kind tot ongeveer zeven jaar de omgeving uit moet dagen tot spel ( Goorhuis-Brouwer, S,<br />
2006;Delfos, M, 2004). Tijdens zijn spel kan het kind zich intens concentreren om een<br />
vaardigheid onder de knie te krijgen vanuit een intrinsieke motivatie .<br />
In Nederland starten kinderen rond hun zesde jaar in groep 3, sommigen zelfs nog vroeger.<br />
<strong>Het</strong> aanbod in deze groep wordt veelal door de lees- en rekenmethode bepaald.<br />
Dit roept de vraag op of het dan beter zou zijn deze jonge kinderen nog een jaar in groep 2<br />
te laten – de zogenaamde kleuterverlenging. In de kleuterbouw staat het leren via spel<br />
immers centraal.<br />
In hun onderzoek Kleuterbouwverlenging in Nederland: omvang, kenmerken en<br />
effecten(2007) hebben J. Roeleveld en I. van der Veen onderzocht of leerlingen inderdaad<br />
profiteren van kleuterbouwverlenging.<br />
Er is gebruik gemaakt van gegevens uit vijf opeenvolgende metingen van het PRIMAcohortonderzoek,<br />
van 1994 tot 2004. Bij ongeveer één op de tien leerlingen blijkt sprake van<br />
kleuterbouwverlenging. Een deel (13%) van hen wordt later verwezen naar het speciaal<br />
basisonderwijs, een klein deel (3%) blijft later opnieuw zitten. Bij de overige leerlingen zijn<br />
slechts tijdelijk positieve effecten te zien op onderwijsprestaties. Geconcludeerd wordt dat<br />
het aanbeveling verdiend meer terughoudend te zijn bij het besluiten tot<br />
kleuterbouwverlenging.<br />
De vragen uit de enquête met betrekking tot spelen en kleuterverlenging werden als volgt<br />
door de ouders beantwoord ( zie onderstaande grafiek). De balken geven het percentage<br />
ouders aan die het helemaal met de stelling eens zijn.<br />
80<br />
70<br />
60<br />
50<br />
40<br />
30<br />
20<br />
10<br />
0<br />
2 2 plus 3 3 plus 4<br />
Figuur 1: stellingen met betrekking tot spelen<br />
groep 3 biedt voldoende<br />
ruimte om te spelen<br />
nog niet toe aan groep 3,<br />
dan liever 2 x 2<br />
nog niet toe aan groep 3,<br />
dan liever 2 x 3<br />
van spelend leren naar<br />
lerend spelen en<br />
vervolgens naar leren<br />
Hieruit blijkt dat ouders graag een langzame overgang van spelend leren naar lerend spelen<br />
en vervolgens naar leren zien; maar ook dat zij ervaren dat groep 3 – met uitzondering van<br />
groep 3 plus - weinig ruimte meer biedt voor spel. Wanneer het kind nog niet helemaal toe<br />
19
is aan groep 3 kiest een groot deel van de ouders voor twee keer groep 2 in plaats van twee<br />
keer groep 3.<br />
Vijf van de acht leerkrachten geven aan dat zij graag meer ruimte en tijd voor spelen willen<br />
hebben. Eén van de leerkrachten van groep 3 geeft daarbij specifiek aan dat het<br />
onderwijssysteem daar (nog) niet geschikt voor is.<br />
<strong>Het</strong> experiment van de 2+ ( en later dus 3+) groep bieden echter andere mogelijkheden.<br />
Hieronder een aantal reacties van ouders welke waren toegevoegd op het enquêteformulier.<br />
Tussen haakjes de groep waarin het kind van de betreffende ouder zit.<br />
2 + groep is hier een goede oplossing voor. Wij zijn erg tevreden met het verloop van<br />
afgelopen schooljaar. Als novemberleerling zou ze, in onze ogen, te jong zijn geweest<br />
voor groep 3 en nog een keer groep 2 was “te saai” voor haar geworden, want ze is toch<br />
erg leergierig en precies in haar werk. Maar ze houdt nog erg van spelen. Op deze manier<br />
was ze echt op haar plekje. Ze heeft spelenderwijs erg veel geleerd, zonder te moeten!<br />
Wij zijn er erg blij mee dat het op deze manier mogelijk is! (groep 2+)<br />
Mijn kind heeft, als novemberjongetje, een heerlijk, zinvol jaar gehad in groep 2+. Daar<br />
zijn wij als ouders echt heel blij mee. <strong>Het</strong> voelt als een lekker breed en stevig fundament!<br />
( groep 2+)<br />
De +klas is een heel goede oplossing. Een jonge leerling kan dan toch nog een beetje<br />
kleuter zijn en toch een uitdaging aangaan met leren lezen en schrijven (groep 3).<br />
Groep 3+ heeft in het afgelopen jaar heel veel extra (buiten) gespeeld. Kwam je je kind<br />
ophalen, dan waren ze aan het (buiten)spelen. Dit heeft mijn zoon (en wij als ouders ook)<br />
als zeer prettig ervaren, daar spelen bij 7-jarigen volgens ons zeer belangrijk is. Andere<br />
groepen 3 zagen wij eigenlijk nooit, misschien af en toe (buiten)spelen buiten de gewone<br />
pauzes om. Toch denken wij dat dit zeer belangrijk is voor kinderen van groep 3 en<br />
misschien ook een optie voor andere groepen 3 om dit meer te gaan doen! (groep 3+).<br />
Onze dochter heeft 3 jaar kleuterschool gedaan. Op zich niets verkeerd aan, want ze<br />
hebben het nodig. Maar halverwege groep 2 hebben ze geen uitdaging meer. Een +klas<br />
lijkt me beter(groep 4).<br />
Figuur 2: toegevoegde opmerkingen van ouders.<br />
Uit bovenstaande gegevens blijkt dat langer spelen zeker zinvol is, maar dat hoeft niet te<br />
resulteren in een kleuterbouwverlenging.<br />
De tweede vraag waar een antwoord op gezocht wordt is:<br />
Draagt de 2+ groep bij aan een soepele doorgaande <strong>lijn</strong>?<br />
Deze vraag staat niet op zichzelf – ook de kwantitatieve gegevens van de vierde deelvraag<br />
kunnen we hierbij gebruiken. Op deze plaats bespreken we de resultaten van vier vragen uit<br />
de enquête, welke verwerkt zijn in onderstaande grafiek.<br />
80<br />
70<br />
60<br />
50<br />
40<br />
30<br />
20<br />
10<br />
0<br />
2 2 plus 3 3 plus 4<br />
toe aan groep 3<br />
soepele overgang 2 -3<br />
in groep 2 leren werken<br />
zoals in groep 3<br />
leerstof 2-3 sluit aan<br />
Figuur 3: Stellingen met betrekking tot de overgang van groep 2 naar groep 3.<br />
20
In alle groepen vinden de ouders dat hun kind op een gegeven moment echt toe is aan<br />
groep 3.<br />
Vervolgens zien we de antwoorden van ouders die enerzijds hun verwachtingen uitspreken<br />
(groep 2 en 2+ ) en anderzijds hun ervaringen (groep 3+ en 4). Daarbij is te zien dat de<br />
verwachtingen van de ouders in groep 2 ten aanzien van de soepele overgang en het<br />
aansluiten van de leerstof laag gespannen zijn. De ervaringen van de ouders van groep 3 en<br />
4 zijn positiever. De ervaringen van de ouders van de 3+ groep – in dit onderzoek de enige<br />
ervaringsdeskundigen- zijn zeer positief: 80 % ervaart de overgang van groep 2 naar 3 als<br />
soepel waarbij 74% ook de leerstof goed vind aansluiten.<br />
In elke groep is een percentage ouders dat als mogelijkheid aangeeft om alvast in groep 2 te<br />
wennen aan de manier van werken van groep 3. Eén van de leerkrachten van de 2+ groep<br />
voegt hier aan toe dat kinderen juist niet aan de manier van werken moeten wennen<br />
maar dat wel de leerstofinhoud aangeboden moet worden aan die kinderen die daar aan<br />
toe zijn.<br />
De leerkrachten van groep 3 geven op hun formulier een paar concrete zaken aan zoals het<br />
luisteren in de grote groep maar ook het schrijven wat voor zowel groep 2 als groep 3<br />
aandachtspunten zijn.<br />
Hieronder een aantal reacties van ouders en leerkrachten welke waren toegevoegd op het<br />
enquête-formulier. Tussen haakjes de groep waaruit het enquêteformulier komt.<br />
mijn ervaring met de +klas is zeer positief. Overgang 2 – 3 verloopt veel soepeler dan<br />
vroeger. Ook het meer op niveau gericht lesgeven vind ik een verbetering.(groep 2)<br />
Ik denk dat wanneer je kinderen spelenderwijs met cijfers en letters bezig ziet en je daar<br />
steeds meer bij aanbiedt – en ook het spelen niet verwaarloost, je de kinderen heel veel<br />
te bieden hebt. Als 2 x groep 2 echt nodig is, dan is de 2+ groep een groep waar je de<br />
kinderen op elk gebied tegemoet kunt komen (leerkracht groep 2).<br />
Ik vind de overgang van groep 2 naar groep 3 best groot. Ze moeten ineens zoveel. Wat<br />
ik wel goed vind is dat als een kind moeite heeft met bepaalde dingen er meteen wordt<br />
ingegrepen (soort huiswerk en RT) (groep 3)<br />
De overgang van 2 naar 3 graag geleidelijker. In groep 3 meer aandacht voor het individu<br />
(kan per leerkracht verschillen). Methode sterretjes, maantjes, zonnetjes totaal verkeerd.<br />
Teveel nadruk op goed en slecht zijn in de beleving van de kinderen. Vooral onzekere<br />
kinderen hebben hier zeer veel problemen mee.(groep 3)<br />
<strong>Het</strong> is zinvoller een kind 2x groep 2 te laten doen dan 2x groep 3. Nog beter is het zoals<br />
nu is gedaan met de 2+ en de 3+ groep. Voor ons kind was en is de plusgroep een goede<br />
oplossing. En omdat iedereen op zijn eigen niveau werkt is niemand anders. Voor de<br />
kinderen is het normaal en niemand is beter of slechter. Maar dit is wel iets wat aan het<br />
begin van het traject door de leerkracht goed aangeleerd moet worden.(groep 3+)<br />
Ik ben het met de stellingen eens, maar de praktijk bleek helaas toch anders. Met name<br />
de overgang van groep 2 naar 3 ging moeizaam. Pas in groep 4( met dank aan de<br />
leerkrachten!) is e.e.a. weer rechtgetrokken (groep 4)<br />
Ik zou minder gelukkig zijn met een plusklas. Heb het idee dat een kind er altijd een<br />
beetje tussen blijft hangen. Ook bij een eventuele verandering van school is eenzelfde<br />
+niveau niet altijd mogelijk (groep 2).<br />
Figuur 4: toegevoegde opmerkingen van ouders en leerkrachten<br />
De ouders van de 3+groep zijn zeer positief over de overgang van groep 2 naar 3 via de 2+ en<br />
nu de 3+groep. <strong>Het</strong> antwoord op de vraag of de 2+groep bijdraagt aan een soepele<br />
doorgaande <strong>lijn</strong> is dan ook bevestigend.<br />
21
Hoe is het welbevinden van de kinderen uit de speelleergroep ten opzichte van het<br />
welbevinden van de kinderen uit de “gewone” groep 2 en 3?<br />
Om deze vraag goed beantwoord te krijgen zijn, naast de enquête, de ouders van twee<br />
leerlingen geïnterviewd.<br />
De eerste leerling is J.V., geboren in augustus 2000. Aan het eind van groep 2 is zij<br />
besproken in de leerlingbespreking. Een vrolijk meisje wat graag danste en urenlang<br />
rollenspelen kon doen; haar auditieve analyse en synthese waren voldoende, ze kende 7<br />
letters; Cito-ordenen E2 was een C-score en Cito-Taal E2 een B-score. Ze was jong in haar<br />
gedrag maar er was geen reden om haar niet naar groep 3 te laten gaan.<br />
In het gesprek geeft haar moeder aan dat het vanaf het begin in groep 3 al fout ging.<br />
J. verloor haar zelfvertrouwen, had moeite met het tempo en wilde niet meer naar school.<br />
De resultaten laten dit ook zien. Op het gebied van lezen en spelling haalde ze alleen nog<br />
maar D-scores en af en toe een E. Met rekenen was zij vrij constant door altijd een C te<br />
halen. <strong>Het</strong> thuis oefenen met lezen was een drama. <strong>Het</strong> welbevinden van de dochter was<br />
ver te zoeken en uiteindelijk ook dat van de moeder. Besloten is om J.V. het jaar erop te<br />
laten doubleren in de groep die dan 3+ zou worden.<br />
In deze groep zat al J.R., geboren in juni 2000 en besproken in de leerlingbespreking van<br />
groep 2. Een meisje wat knutselde alsof haar leven ervan af hing en via dat kanaal veel<br />
leerde: vooral doen! Bij de januari-screening (protocol leesproblemen en dyslexie) was ze<br />
opgevallen omdat haar fonologisch bewustzijn nog niet ontwikkeld was. Ook na extra<br />
gericht aanbod ging dit niet vooruit. Ze kende 3 letters. Haar Citos-cores E2 waren D en E op<br />
respectievelijk Taal en Ordenen. In overleg met de moeder van J. is zij na de zomervakantie<br />
niet naar groep 3 gegaan maar in de 2+ groep geplaatst. <strong>Het</strong> aandachtspunt van de<br />
leerkrachten in deze 2+groep was het leesproces op gang brengen.<br />
<strong>Het</strong> duurde tot februari van dat jaar voordat J. alle letters kende en ineens doorhad dat je ze<br />
aan elkaar kon plakken. Trots zat ze op de voorleesstoel haar nieuw verworven kunst aan de<br />
klas te vertonen.<br />
Een moment wat beide leerkrachten met gejuich begroeten.<br />
Vol zelfvertrouwen koos J. steeds moeilijker boekjes en worstelde zich daar doorheen. Ze<br />
begon zelf kleine verhaaltjes te schrijven (fonetisch) en las deze voor.<br />
Van de 2+ groep is zij naar de 3+ groep gegaan. Haar moeder zegt in het gesprek achteraf<br />
blij te zijn met de keus maar vraagt zich wel af waarom dit niet zo in groep 3 kan. Zij heeft J.<br />
thuis niet geholpen met lezen, want ze leest uit zichzelf boekjes met leuke verhalen.<br />
Beide meisjes hebben nu groep 3+ afgerond en gaan naar de volgende groep.<br />
J.V. heeft eerst haar zelfvertrouwen weer moeten opbouwen. Dat ging langzaam omhoog,<br />
gelijk met haar resultaten. Ze zit nu gemiddeld op het niveau waar een leerling van eind<br />
groep 3 hoort te zitten. J.R. is doorgestoomd en leest op AVI 8-niveau. Haalt op haar DMTkaarten<br />
hoge A-scores, rekenen en spelling allemaal B-scores. Een vrolijke meid die het<br />
leven door danst.<br />
Deze verhalen zijn illustratief voor de uitwerking van de vragen die over het welbevinden<br />
van de leerlingen gaan. Over het algemeen gaan de kinderen volgens hun ouders met<br />
plezier naar school. Ook heeft een groot deel van de kinderen zin om in groep 3 te beginnen.<br />
De aandacht voor het welbevinden ervaren ouders in de groepen drie en vier minder dan in<br />
de groepen twee en vooral in 2+ en 3+. Deze verdeling is ook terug te vinden in de enquête<br />
van de leerkrachten . De leerkrachten van de groepen twee zijn het hier helemaal mee eens,<br />
de leerkrachten van de groepen drie zijn er wat voorzichtiger in: een beetje mee eens.<br />
22
100<br />
90<br />
80<br />
70<br />
60<br />
50<br />
40<br />
30<br />
20<br />
10<br />
0<br />
2 2 plus 3 3 plus 4<br />
met plezier naar school<br />
zin om in groep 3 te<br />
beginnen<br />
voldoende aandacht voor<br />
welbevinden<br />
Figuur 5: stellingen met betrekking tot het welbevinden.<br />
talenten kunnen ontplooien<br />
Een drietal ouders gaf op het formulier aan dat ze het nog wat vroeg vonden om al te<br />
kunnen beoordelen of het kind zijn talenten voldoende heeft kunnen ontplooien. Ook bij<br />
deze stelling zie je een terugval in groep 3 en 4.<br />
Hoe zijn de prestaties van de speelleergroep ten opzichte van de “gewone”groep 3?<br />
De gegevens om deze vraag te kunnen beantwoorden komen uit het leerlingvolgsysteem.<br />
Zij zijn opgenomen in onderstaand schema.<br />
Groepsgemiddelden: schaalscore met niveauaanduiding<br />
Toets en<br />
afnametijdstip<br />
3b 3c 3+ 4b 4c<br />
Rekenen E3 60,2 A 53,1 B 64,8 A 66,2 A 58,9 A<br />
Rekenen M4 72,4 A* 68,6 A 64,1 C<br />
Rekenen E4 73,3 B** 77,3 A 78,2 A<br />
Rekenen M5 85,2 B***<br />
Spelling E3 117,0 A 111,8 B 114,4 A 117,3 A 110,4 B<br />
Spelling E4 125,2 A*** 118,2 E 121,1 B<br />
DMT kaart 1 B3 24,7 A 16,6 A 16,1 A<br />
E3 56,9 A 45,3 B 59,2 A 31,1 C 18,5 E<br />
M4 60,4 D 60,6 D<br />
DMT kaart 2 E3 44,3 A 36,1 A 47,8 A 27,1 B 24,0 C<br />
E4 57,5 C 58,0 C<br />
DMT kaart 3 E3 29,9 A 23,4 A 35,3 A 16,5 B 14,8 C<br />
E4 57,5 C 39,5 D<br />
Begrijpend lezen E3 1.0 A 1.0 A 8,4 A - -<br />
Begrijpend lezen M4 26,9 A*** 18,1 A 8,6 B<br />
Begrijpend lezen E4 31,2 A*** 19,8 A 19,4 A<br />
*10 leerlingen **4 leerlingen ***2 leerlingen<br />
Figuur 6: leeropbrengsten van de verschillende groepen.<br />
23
Als we de resultaten van de 3+groep vergelijken met de andere groepen zien we dat de<br />
3+groep op alle gebieden (met uitzondering van spelling E3) hogere gemiddelde<br />
schaalscores haalt dan de groepen drie nu en de groepen drie van vorig jaar.<br />
Zelfs de 10 leerlingen die doorgegaan zijn op het gebied van rekenen scoren op M4 hoger<br />
dan hun oudere schoolgenootjes in groep 4.<br />
Een mooie winst zit er ook bij het begrijpend lezen. De kinderen hebben in de 2+groep door<br />
middel van de tussendoelen geletterdheid leren lezen. De betekenis en het oefenen in die<br />
betekenisvolle context zijn hierbij uitgangspunt. Kinderen gaan lezen om de informatie of<br />
het verhaal te volgen – het is functioneel. Dat dit werkt gaf ook de moeder van J.R. aan in<br />
het eerder beschreven interview. Haar dochter ging uit zichzelf steeds moeilijkere boekjes<br />
lezen omdat de verhalen haar boeiden.<br />
Omdat de Begrijpend leestoets pas in cursusjaar 2007/2008 is ingevoerd ontbreken de<br />
gegevens van groep 4 op de toets E3.<br />
Zinvol bij het vergelijken van de toetsgegevens is de relatie met de inzet van extra Remedial<br />
Teaching.<br />
Ook hier zien we in de 3+groep een minimum aan extra hulp. Alleen voor lezen is aan het<br />
eind van het cursusjaar extra hulp ingezet. De ondersteuning voor taal/lezen is in groep 3b<br />
erg hoog, bijna twee keer zoveel als in groep 3c. Wanneer je de toetsresultaten van E3<br />
bekijkt heeft dit resultaat gehad. In dit verband zou het voor de zorgsectie zinvol zijn om de<br />
begintoetsen van beide groepen 3 te bestuderen bij de evaluatie op welke gronden zorg<br />
wordt toegekend. Voor dit onderzoek is deze vraag echter niet relevant en daarom niet<br />
nader onderzocht.<br />
40<br />
35<br />
30<br />
25<br />
20<br />
15<br />
10<br />
5<br />
0<br />
3b 3c 3+ 4b 4c<br />
Figuur 7: de inzet van remediërende ondersteuning.<br />
Remedial Teaching<br />
taal / lezen<br />
Remedial Teaching<br />
rekenen<br />
SOVA/faalangsttrainin<br />
g<br />
doublures<br />
Omdat de niveaus van de kinderen in de 3+groep zo verschillend zijn is de leerkracht<br />
gedwongen de instructie in kleine groepen te geven – afgestemd op het niveau van de<br />
kinderen. Voordeel van deze kleine groepen is dat de leerkracht haar instructie kan<br />
afstemmen op de instructiebehoefte van de kinderen. Dat zou een verklaring kunnen zijn<br />
voor het minimum aan remediërende hulp en de hoge leeropbrengsten.<br />
24
Betrouwbaarheid en Validiteit.<br />
De gegevens voor de beantwoording van de deelvragen zijn verkregen door het stellen van<br />
vragen aan ouders middels een enquête, het houden van een interview, dossieronderzoek<br />
en verzamelen van data uit het leerlingvolgsysteem. Daarnaast is literatuur bestudeerd over<br />
hoe kinderen leren en over verschillende onderwijsvisies. Bij de enquête is van het KISSprincipe<br />
volgens Harinck gebruik gemaakt (Harinck 2006, P.64). Instrument en taalgebruik<br />
is zo simpel mogelijk gehouden. Wanneer deze enquête aan dezelfde ouders gegeven wordt<br />
is het te verwachten dat de antwoorden weer hetzelfde zijn. Uit de enquête zijn<br />
kwantitatieve en kwalitatieve gegevens gehaald. De enquête is ook in volgende jaren te<br />
gebruiken om eventuele veranderingen te meten in de beleving van de overgang van groep<br />
2 naar groep3. <strong>Het</strong>zelfde geldt voor het leerlingvolgsysteem.<br />
Dit leerlingvolgsysteem is door de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN)<br />
goedgekeurd. Daardoor mogen we bij herhaalde afname dezelfde uitkomsten verwachten.<br />
Men kan stellen dat door het toepassen van methode triangulatie én bronnen triangulatie<br />
de resultaten van dit onderzoek valide zijn.<br />
25
Hoofdstuk 7: Conclusies<br />
Dit onderzoek is gestart om een antwoord te krijgen op de probleemstelling:<br />
Heeft het brede aanbod, afgestemd op de onderwijsbehoefte van de leerlingen in een<br />
speelleergroep een breder ontwikkelingsperspectief dan het door de methode bepaalde<br />
aanbod in de groepen drie?<br />
Ik denk dat we gezien de resultaten uit hoofdstuk 6 deze vraag kunnen beantwoorden met<br />
een simpel: “ ja’. De groep kinderen die langer profijt hebben gehad van het aanbod via spel<br />
hebben zich breder ontwikkeld. Door het brede fundament vinden latere leerprocessen<br />
sneller plaats . Dit wordt onderbouwd door de literatuur en onderzoeksdata van dit<br />
onderzoek. Diverse theorieën geven als grens voor het meer leergerichte werken: zeven<br />
jaar. Tot dan is spel essentieel.<br />
<strong>Het</strong> brede aanbod via spel is nodig om de netwerken in de hersenen zich optimaal te laten<br />
ontwikkelen.<br />
De vraag: “Is langer spelen zinvol?” is hiermee ook beantwoord met ja. In elk geval tot het<br />
zevende jaar.<br />
Maar dat is wat kort door de bocht. Want waar moet dat spelen plaatsvinden?<br />
Kinderen zitten op hun zesde jaar al in groep 3. In Hoofdstuk 6 is ingegaan op<br />
kleuterbouwverlenging en daaruit is de conclusie te trekken dat men voorzichtig om moet<br />
gaan met dit fenomeen. <strong>Het</strong> biedt op langere termijn geen zicht op verbeterde<br />
onderwijsprestaties. Langer blijven spelen in de kleuterbouw valt hiermee af.<br />
Daarbij komt dat de inspectie voorschrijft dat leerlingen in acht jaar de basisschool moeten<br />
doorlopen. Kinderen moeten, voordat zij naar groep 3 gaan, ten minste anderhalf jaar in een<br />
kleutergroep hebben doorgebracht.<br />
Hiermee bepaalt de inspectie voor veel kinderen dat het basisschooltraject zeven-en-eenhalf<br />
jaar duurt: niet alle kinderen worden tenslotte in mei, juni en juli geboren!<br />
Wanneer men jonge kinderen, vooral de zogenaamde herfstkinderen nog voor het zesde<br />
jaar in een methodisch gerichte leeromgeving zet, worden ze tekort gedaan in hun<br />
spelbehoefte – en daarmee in de ontwikkeling van de netwerken in de hersenen. Ook hier<br />
zal sprake zijn van kortdurend succes in groep 3 waarna het latere leren door gebrek aan<br />
neurologische verbindingen moeizamer zal verlopen.<br />
Voor een brede ontwikkelingsbasis zal het spel dus doorgetrokken moeten worden naar<br />
groep 3.<br />
De kinderen in deze groep zijn gebaat bij het leren via spel in betekenisvolle contexten.<br />
<strong>Het</strong> spelen in groep 3 is echter lastig te verwezenlijken omdat de lesmethoden hier weinig<br />
ruimte voor laten. Spelen wordt dan een ondergeschoven kindje en alleen nog ter<br />
ontspanning aangeboden.<br />
Anders wordt het wanneer spel ingezet wordt als middel om je leerdoelen te bereiken –<br />
zoals dat gebeurd bij Basisontwikkeling (zie Hoofdstuk 3). De uitwisselingen tussen kind en<br />
volwassene in de zone van de naaste ontwikkeling vormen de eigenlijke grondslag van het<br />
onderwijs en opvoedingsproces.<br />
Basisontwikkeling of ontwikkelingsgericht werken wil niet zeggen dat er niet met een<br />
methode of programma gewerkt kan worden. Integendeel; leerkrachten zullen altijd hun<br />
input nodig hebben vanuit evidence based programma’s. Alleen de manier van inzet<br />
veranderd –de onderwijsbehoefte van het kind maakt uit wat het aanbod uit die methode<br />
moet zijn en hoe de instructie vorm moet krijgen (direct, responsief).<br />
26
<strong>Het</strong> geleerde wordt geoefend door het in te zetten in functionele en zinvolle activiteiten.<br />
Kinderen bouwen een binding op met de activiteiten waaraan zij deelnemen. Zo wordt het<br />
geleerde een zinvol geïntegreerd deel van hun persoonlijkheid. Wanneer er een rijk aanbod<br />
is (visueel, auditief, scheppend, muzikaal, rollenspel ) zoeken kinderen zelf activiteiten uit<br />
waarmee ze de grootste affiniteit voelen.<br />
Dergelijke activiteiten blijken een maximale ontwikkelingskracht te hebben . Dat dit ook<br />
geldt voor de leerling in groep 3 zal duidelijk zijn.<br />
Dit ontslaat de kleuterbouw niet van de verantwoordelijkheid om het spel van het jonge<br />
kind ook van zinvolle inhouden te voorzien.<br />
<strong>Het</strong> brede aanbod moet hier al geboden worden om kinderenhersenen optimale<br />
ontwikkelingskansen te bieden. Aanbod van een geletterde omgeving, Engels enzovoort<br />
dragen ertoe bij dat de kinderen een breed fundament krijgen waarop later prachtig te<br />
bouwen is. Maar ook een inhoudelijke voorbereiding op de volgende groep blijft de taak<br />
van het onderwijs.<br />
Aanbod alleen is niet voldoende, emotionele betrokkenheid en welbevinden is ook van<br />
groot belang om nieuwe dingen te leren. De reacties van de ouders in de enquête geven dit<br />
aan, evenals de reactie van de geïnterviewde moeder van J.V.<br />
Kinderen moeten vrij zijn van emotionele belemmeringen, ze hebben een gezond<br />
zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld nodig en moeten nieuwsgierig, onderzoekend en<br />
ondernemend zijn. Dit kan alleen in een sfeer waarin een kind zich veilig voelt. Hierbij is de<br />
rol van de leerkracht uitermate belangrijk. Alleen wanneer de relatie goed is kunnen zich<br />
gevoelens van autonomie en competentie ontwikkelen.<br />
Dit laatste beperkt zich niet tot jonge kinderen maar geldt voor het totale onderwijs.<br />
Aan de resultaten in de 3+groep en de minimale remediërende hulp die geboden wordt kan<br />
de conclusie getrokken worden dat aan alle optimale voorwaarden om te leren in deze<br />
groep is voldaan.<br />
Dit vraagt ook een bezinning van de zorgsector: in hoeverre draagt extra hulp bij aan de<br />
gevoelens van autonomie en competentie van het kind? Blijven kinderen, maar ook<br />
leerkrachten niet te lang afhankelijk? Dit is een vraag voor een (eventueel) volgend<br />
onderzoek.<br />
<strong>Het</strong> onderzoek bevestigt wat de literatuur al langer aangeeft: ons jaarklassensysteem waar<br />
kinderen moeten voldoen aan de gestelde norm moet ombuigen naar een onderwijsvorm<br />
waar het kind en zijn ontwikkeling centraal staat. Duidelijke doelstellingen en hoge<br />
verwachtingen van kinderen horen daarbij. De leerkracht is als begeleider van het<br />
leerproces aanwezig.<br />
Wat dat betreft is het een Open Deuronderzoek geweest.<br />
Voor basisschool <strong>Het</strong> <strong>Baken</strong> is het een startpunt om samen de weg op te gaan naar<br />
onderwijs wat gericht is op de onderwijsbehoeften van kinderen.<br />
De kinderen ontwikkelen zich al; zaak van de leerkrachten is nu om daarbij aan te kunnen<br />
haken.<br />
Tot slot een uitspraak van Robert J. Marzano, onder wiens leiding 35 jaar onderwijsresearch<br />
is verricht:<br />
“Richt je op wat een positieve invloed heeft op ontwikkeling en prestaties van leerlingen”<br />
( Marzano, 2007)<br />
27
H.1:<br />
Harinck, F. ( 2006) Basisprincipes praktijkonderzoek<br />
Antwerpen/Apeldoorn: Garant.<br />
H. 2:<br />
Janssen- Vos, F. (1997) Basisontwikkeling in de onderbouw<br />
Assen: Van Gorcum<br />
H.3:<br />
Gunneweg, W.(2007) Goed onderwijs vs. goed onderwijs<br />
Univers (februari 2007) Universiteit van Tilburg<br />
Hooiveld, J. (2005) Schoolprofiel en onderwijsbehoeften<br />
Utrecht: APS<br />
Janssen- Vos, F. (1997) Basisontwikkeling in de onderbouw<br />
Assen: Van Gorcum<br />
Literatuur<br />
Jolles,J (2006) Beter onderwijs door meer kennis over leren en<br />
hersenen<br />
Webcomment 60317<br />
Oers, B. van ( 1992/ 2000) Visies op onderwijs aan jonge kinderen<br />
Assen: Van Gorcum<br />
Parreren, Van C.F. (1991) Ontwikkeling van het jonge kind in de basisschool<br />
Zeist: Dijkstra<br />
Stevens, L. (2000) Een krachtige leeromgeving – mensen voor<br />
Utrecht: APS mensen<br />
Vygotsky,L.S.(1964) Denken en taalgebruik, verzameld werk<br />
New York: Plenum<br />
H. 4:<br />
Beets- Kessens, A. & Memelink,D.(2002) Onderwijs aan jonge risicokinderen<br />
Baarn: HBuitgevers<br />
Bladergroen, W.J.(1978) Keuze uit het werk van Wilhelmina J. Bladergroen<br />
IJmuiden: Vermande<br />
Booth, T. & Ainscow, M.(2007) Index voor Inclusie<br />
Tilburg: Fontys OSO<br />
Delfos, M. (1999) Ontwikkeling in vogelvlucht<br />
28
Lisse: Swets & Zeitlinger<br />
Goorhuis-Brouwer, S. (2006) Dolgedraaid, Hoofdstuk 3:<br />
Schoolrijpheid opnieuw gedefinieerd<br />
Amsterdam: SWP<br />
Hacquebord, H. (2004) Taaldiagnose begin van schoolbreed<br />
taalbeleid<br />
Artikel verschenen in Remediaal, juni 2004<br />
Hooiveld,J., Baltussen, M., Jaegers, W. (2001) De flexibele speciale school voor<br />
basisonderwijs<br />
‘s-Hertogenbosch: KPC Groep<br />
Hooiveld, J. (2005) Schoolprofiel en onderwijsbehoeften<br />
Utrecht: APS<br />
Imelman, J.D. (2000) Theoretische pedagogiek, Over opvoeden,<br />
en leren, weten en geweten.<br />
Baarn: Intro<br />
Jolles,J (2006) Beter onderwijs door meer kennis over<br />
leren en hersenen<br />
Webcomment 60317<br />
Kleijnen,R. & anderen (2004) Grensoverschrijdende Integrale<br />
Leerlingenzorg Een (re)actief proces<br />
Apeldoorn: Garant<br />
Kuyk, J.J. van & Claessen, J.F.M. (1991) De grensverleggende basisschool<br />
Groningen: Woters - Noordhoff<br />
Oers, B. van ( 1992/ 2000) Visies op onderwijs aan jonge kinderen<br />
Assen: Van Gorcum<br />
Pameijer, N. & Van Beukering, T.(2006) Handelingsgericht werken: een<br />
handreiking voor de interne begeleider<br />
Leuven: Acco<br />
Piaget, J. (1959) The language and tought of the child<br />
London: Routledge & Kegan<br />
Riksen – Walraven, J.M.A.,& C.F.M. van Lieshout (1985). Vroegkinderlijke voorlopers van<br />
zelfstandigheid en basisschoolleerlingen.<br />
Lisse: Swets & Zeitlinger.<br />
Skinner, B.F. (1938) The behavior of organism<br />
New York: Appleton<br />
29
Stevens, L. (2000) Zin in Leren<br />
Apeldoorn: Garant<br />
H.5:<br />
Roeleveld, J. & Veen, I van der (2007) Kleuterbouwverlenging in Nederland omvang,<br />
kenmerken en effecten. Publicatie in<br />
Pedagogische Studiën jaargang 8, nr. 6, 2007<br />
Eindhoven: Vereniging voor Onderwijsresearch<br />
H.6:<br />
Roeleveld, J. & Veen, I van der (2007) Kleuterbouwverlenging in Nederland omvang,<br />
kenmerken en effecten. Publicatie in<br />
Pedagogische Studiën jaargang 8, nr. 6, 2007<br />
Eindhoven: Vereniging voor Onderwijsresearch<br />
H.7:<br />
Marzano, J. R. (2007) Wat werkt op school – research in actie<br />
Middelburg: Meulenberg i.o. Bazalt.<br />
30