indien

resources4.kb.nl

indien

Boekbinderij Drukkerij

RUSTENBURG

Te] 62 17 78 Amsterdam

Bibliotheek Universiteit van Amsterdam

01 3254 8165


VEÏL1ÏANDE1L1N&

OVER. DE

RACHITIS

ENGELSCHE ZIEKTE

D O O B.

JOHANNES VEIR.AC,

Med. Docter enz,

Tc ROTTERDAM,

Te UTRECHT,

föj DS WED, S, DE WAAL jajst Z&§ït f

i 7 9 >

NEDfeRL.MAATSCIBïPJIJ

TER BBVOKD. DïH ]

GENEESKUNST. J


A N T W O O i D

OP DE

V R A A G,

VOORGESTELD DOOR HET

PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP

FAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

„ Welke is de aart van de Rhachitis, of zogenaamde

« Engelfche Ziekten: welke zijn de Redenen, dat men

„ de eerfte beginzelen zelden na het derde Levensjaar

„ der Kinderen befpeurt ? Welke zijn hare kenmerken :

» Welke is hare Voorzegging P Kan men ze door eenige

„ middelen voorkomen? Zo ja; door welke? Welke zijn

r> de besfe Middelen tot hare genezing' 1

?

D O O R

JOHANNES VEIRAC

M. D. enz. te Rotterdam.

ONDER DE ZINSPREUK

Ware roem is roem bij God,

Maar niet bij Menfchen Kinderen.

G E L L E R T.

Waaraan eenc Goude Medaille is toegewezen.


VERHANDELING

O V E R DE

ENG ELSCHE ZIEKTE.

EERSTE HOOFDSTUK

Van den Aart der Ziekte.

i i

D E aart eener Ziekte beftaat in dat geen, waar

door zij onderfcheiden is van alle anderen, en waar

van de bepaling derzelve worde afgeleid. — Wi;

zijn dus in de onvermijdelijke verpligting', om die

onderfcheidingen optezoeken en aancewijzen.

Ten dien einde zal ik die eigenfehappen verzamelen,

waar door de Rachitis (welke ik, in het vervolg,

altijd den naam van Engelfche Ziekte zal laten be

A botï


2. Van den Aart

houden) van die Ziekten, welken meest met dezelve

overeenkomen, eigenaarcig onderfcheiden is.

De Engelfche Ziekte heeft de meeste overeen­

komst met eene foort van Uitteëringen, welke den

jongen kinderen eene langzame kwijning en door­

gaands den dood veroorzaakt; doch uit de

navolgende bijzonderheden zal de verfchillende ge-

aartheid dier Ziekten duidelijk genoeg blijken.

Voor eerst: de Engelfche Ziekte is nooit aange­

boren, hec geen van de Teering QMarasmus) niet

altijd doorgaat. ,—. Meermalen zag ik een kind dit

gebrek ter waereld brengen, en daar door fukkelende

fterven.

Ten tweeden: Beiden behooren zij op de lijst

van die der Kinderen; maar dikwerf be/peurt men

de beginfels der Teering' reeds zeer kort na de

geboorte; doch de eerde blijkbare teekens der En­

gelfche Ziekte verneemt men zelden voor het einde

des eerften Jaars. — De Teering verfchijnt bij vee-

len na het derde jaar en later; doch bijna nooit

vertoont de Engelfche Ziekte zig als dan, in hare

eerfte verfchijning.

Ten derden: Beider oorzaken, teekenen, toe­

vallen, gevolgen, gronden van voorzegging', voor­

koming' en geneeswijze, zijn, in veele opzigten ,

zeer onderfcheiden, gelijk in het vervolg, met op­

zet, zal bewezen worden.

Een


der Engelfche Ziekte. §

Ëen oplettend Lezer zal (dit gevoel ik duidelijk)

met deze algemeene teekenen van onderfcheiding'

niet voldaan zijn. — Hij vordert middelen, om de

Engelfche Ziekte alzoo te kunnen bepalen ^ dat hare

natuur daar uit overtuigend blijkt; — doch hier om­

trent eischt de voorzigtigheid eenigen aandacht. —•

De meeste Schrijvers en Waarnemens waren

omtrent de helft der voorgaande eeuw', toen men

deze Ziekte voor de eerftemaal, in Engeland ont­

dekte, met GLISSONIUS van gevoelen, dat hard

natuur in eene vochtige koude ontaarting van het

bloed moest gezocht worden, wanneer zij tevens

een gebrek onderftelden, waar door de Zenuwen

van het Ruggemerg gezegd werden beledigt te zijn,

terwijl zij tevens beweerden, dat de Zenuwen des

Hoofds onbeledigt waren. — Hier uit verklaarden

zij de toevallen en gevolgen: — Ook daar op

fteunde hunne Geneeswijs. Daar na hebben

velen den aart dezer Ziekte in eene Scheurbuikige

kwaadfappigheid gezocht. —— Sommigen Helden

eene Venerieke verdunning van het bloed. >

Eenigen voegden het een en ander zamen. — An­

deren namen de toevlugt tot verftoppingen in het

hoofd, of de ingewanden en klieren des buiks 5

of tot eene gebrekkige voeding, en dergelijke,

meer of min oppervlakkige en ongegronde, meest*

al onbewezen, gistingen.

A a § II.


*

Van den Aart

§ I I.

Wij zullen minst afwijken van de gèfchikfte orde,

wanneer wij op deze wijs te werk gaan, nameliik:

dat wij eerst, eenige, ter zake dienende, aanmer­

kingen voordragen; — daarna, van dezelven ge­

bruik maken, om de ware, en van alle andere

Ziekten onderfcheiden, geaartheid der Engelfche

Ziekte te doen kennen; — en eindelijk, de be­

paling van de natuur dezer Ziekte, als bij een

wettig befluit uit het voergaande? opgeven.

$11 l

De voorloopige Aanmerkingen zijn dezen.

Eer ft e Aanmerking.

Een Kind , het welk zonder Zog of Melkpappen

opgevoed is, zal nooit door de Engelfche Ziekte

aangetast worden.

De zeldzaamheid van de voorbeelden, ten bewijze

van deze Helling', zal den Lezer dezelve met fchroom

doen inftemmen: — dit kan zijn; maar ik bedien

mij van deze Aanmerking, om dat ik er grond toe

heb. — Trouwens, kunnen meenigvuldige onder­

vindingen van eene, oneer dan vijfentwintigjarige,

be-


der Engelfche Ziekte.

beoeffening eener uitgeftrekte Praktijk, eenig vertrou­

wen vorderen, dan meen ik, dat mijn gezag iets

beteekend: — daar op durf ik te Merker aandringen,

om dat mij dit, en verfcheiden der overige Leden

van ons Vraagftuk, jaren lang hebben bezig gehou­

den.

Verfcheiden Kinderen, van zwakke Ouderen ge­

boren, en opgekweekt op eene wijze, en in zulke

gedeelten van dit Land, die tot de aanleidende oor­

zaken dezer Ziekte behooren, of daar toe mede­

werken, zijn mij voorgekomen; welke Kinderen

echter geen fchijn of fchaduwe derzelve vertoonden.

Een oplettende navorfching van dit verfchijnfel gaf

geene andere voldoende reden aan de hand, dan,

dat die Kinderen enkel met Water- en Bierpapp.n

gefpijsd, en voorts met Vleesch opgevoed waren.

Deze ondervinding wordt belangrijker, door de op­

merking, dat andere Kinderen, met het Zog van

derzelver moeders gevoed, meer of min onder die

ziekte fukkelden. — In mijne nabuurfchap is een

tamelijke uitgeftrekte ftreek lands, alwaar de Boe­

rinnen, vrij eenparig, ongenegen zijn om haar

kroost te zogen, maar het zelve liever verkiezen met

Waterpappen en gemeen Brood te voeden.

Schoon ik, bijna twintig jaren, op de gevolgen van

die opvoeding gelet heb, is mij nochtans nimmer,

©nder de kinderen, een eenige voorgekomen, welke

A 3 iets

5


6 Van den Aart

iets van de Engelfche Ziekte te lijden had. Dk

weten deze Moeders, en even deze gelukkige uit-

flag dier opvoedinge is eene der drangredenen,

waarom zij de Zoging verwerpen, te meer, daar zij

door de ervarenis onderricht worden, dat de Engel­

fche Ziekte onder hare medelandbewoneresfen, of

liever hare aframmelingen, welken door de Moeder­

melk of Melkpappen opgekweekt zijn , niet zeld­

zaam is.

Tweede Aanmerking.

Indien het Zog niet ftrookt met de verteering-

kragten van den Zuigeling, wordt daar door dikwerf

het Zuur vermeerderd, en de Engelfche Ziekte ver­

oorzaakt.

Dit heeft zelfs plaats in het omgekeerde geval,

te weten, wanneer de Zoogfter te zwak, ofte fterk,

en haar Zog te teeder, of te Hevig is, in vergelijking

van de kragten van het Kind.

Het zou minder moeijelijk, dan nutteloos zijn,

om deze Helling, uit mijne eigen ervarenis, proef­

ondervindelijk te Haven. — Laat mij flechts verze­

keren, dat zij op een aantal waarnemingen ftcunt,

cn laat ik mij voorts beroepen op de beproefde on­

dervinding van kundige en oplettende Geneesheeren,

en het zal onnoodig zijn, om hier over verder uit-

eewijden.

Der-


der Engelfche Ziekte? 7

Derde Aanmerking.

Kinderen, die, na hun eerfte levensjaar, iets

vroeger of later, blijken vertoonen van de Ziekte,

zijn vooraf onderhevig geweest, of worden als nog

afgemat, door eene Zuure fcherpte in de Matig

en Darmen, en door de toevallen eener dergelijke

ontaarting van het Bloed, zoo dat zelden een Kind,

zonder dit voorafgegaan, of nog aanwezig, Zuur,

door de beginfels der Engelfche Ziekte aangetast

wordt.

De naauwkeurigfte onderzoeking heeft mij het

tegendeel Hechts in zeer weinige gevallen getoond.

Deze aanmerking behoudt hare kragt, of fchoon

een Lijdertje, al ware het een Jaar na de fpee-

ning, ziek wierd, het geen op reden, naderhand

aantewijzen, gegrond is.

Vierde Aanmerking.

De Engelfche Ziekte gaat, in haar eerfte begin,

altijd gepaard met de teekenen eener Zuure fcherpte

in het Bloed, en de daar van afgefcheide vochten,

zoo wel als van die der Zuure vergooringe in de

eerfte wegen, dat is, in den Mond, de Maag en

de Darmen.

Dit blijkt uit de fletschheid des anngezichts, ge-

A 4 paard


? Van den Aart

paard met Zuure Brakingen, eenen heeten Zuuretï

Adem, vergoorde kappelachtige, of donker bruine,

zuurftinkende Afgangen, Sprouw, Uitflag op den

huid, en dergelijke toevallen, welken nimmer, op

die wijs, door eene loogzoute, of andere fcherp­

te , veroorzaakt worden. — Dit zal, bij de over­

weging der toevallen, nader blijken.

Vijfde Aanmerking.

Indien deze teekenen en toevallen van het Zuur

niet voorgegaan, of tegenwoordig zijn, dan zal

de zwakheid der kinderen, hoe aanmerkelijk die

ook bij deze Ziekte zij, hen wel eene voorge-

fchiktheid tot de Uitteering, waar van wij te voo»

ren gefproken hebben , maar nimmer van die,

welke zig doorgaans bij de Engelfche Ziekte voegd,

verfchaffen.

Zesde Aanmerking.

Het zoo eeven gezegde heeft ook plaats ten aan­

zien der gevolgen van deze Ziekte, welken aan

geene andere oorzaken, dan aan een Zuur bederf

van het voedende gedeelte des Bloeds, ^net eeni­

gen fchijn van regt, kunnen toegefchreven worden.

Ze-


der Engelfche Ziekte. p

Zevende Aanmerking.

Zaken , welken den gemeenen man ten nutte

moeten dienen, kunnen hem niet genoeg geërin-

nerd worden, voor al ten aanzien der gronden,

op welken die zaken (leunen. —— Daarom zeg

ik nog eens, het geen ik naderhand, ter gepas­

ter plaatfe, zal bevestigen: dat de wijs van voor-

behoedinge en genezinge der Engelfche Ziekte,

fchoon zij beiden de verllerking des Lijders, als

medewerkende hulpmiddelen , bedoelen , echter

allerbijzonderst tegen eene Zuure kwaadsappigheid

moet ingerigt worden. De verfchijnfels en

gewrochten, in en na eene meergevorderde Ziekte,

of welken hunnen oorfprong aan andere bijkomen­

de oorzaken verpligt zijn , kunnen onfe tegenwoor­

dige Aanmerkingen niet verzwakken. .—. Wij ftern»

men nu, bij voorraad, zeer gaarne toe, dat de

tegenzuurige geneeswijs, in alle graden der Engel­

fche Ziekte, echter altijd in haar eerde begin,

meest te pas komt.

Agtjle Aanmerking.

Ten opzichte der bovendaande Aanmerlïinperj

zal men, misfchien, de ontdekkingen in lijkjes van.

Kinderen, onder de Engelfche Ziekte gedorven,

A 5 te.


van den Aart

tegenwerpen. Het zal onnut zijn, om die

waarnemingen hier te laten volgen, om dat ik,

zonder eenigen fchroom, de drijdigheid dier ont­

dekkingen met mijne grondflagen toeda.

Maar die tegenwerping is, ten minden, onze­

ker. — De Engelfche Ziekte is, in haar begin,

zoo zacht van aart, dat zij, uit zich zeiven, nooit

den dood veroorzaakt. — Ja, ik heb de Engel­

fche Ziekte, als zoodaning, en in het afgetrok-

kene van derzelver gevolgen befchouwd, zelfs in

haren hoogden graad, nooit doodelijk gevonden. —

Bijkomende omdandigheden kunnen hier in eene

aanmerkelijke verandering te weeg brengen.

Ik zag dit te dikwils, om 'er aan te twijfelen; —

Maar is men dan niet in gevaar, om het geen in

de lijken ontdekt wordt, aan valfche oorzaken,

aan de Engelfche Ziekte, en niet aan de bijgeko­

men omdandigheden , of de uitwerkfels van de toe­

vallen der Ziekte, toetefchrijven, en alzoo eene

tegenwerping, die op eenen valfchen grond deunt,

te vormen? — Stelt men echter, ondanks het

gezegde, eenigen prijs op die tegenbedenkingen,

dat zig mijn Kunstbroeder dan verledige, om alle

de waarnemingen van dien aart, met den inhoud

dezer Verhandelinge, betrekkelijk tot de naaste oor­

zaak der Engelfche Ziekte, te vergelijken , en hij

zal, vertrouw ik, mijn gevoelen beamen.

Nie-


tier Engelfche Ziekte. IÏ

Niemand echter moet, op gronden mijner Hel-

linge, eene beginnende Engelfche Ziekte verzui­

men , want zulk een befluit zou zeer valsch zijn. —

Ik herhaal, dat deze Ziekte, hoe zacht van aart,

aan zich zeiven gelaten, de vochten en vaste dee-

len in dier voegen kan ontaarten, dat de gevol­

gen gevaarlijk , zelfs doodelijk , kunnen zijn; -—.

Doch indien men die ontaarting tegen mijne (tel­

ling, nopens den waren aart der naaste oorzaak

van de Engelfche Ziekte, wilde doen dienen, dan

zou men eene ongerijmdheid (bande houden, welke

lijnregt ftrijdig is tegen de regels eener gezonde re-

deneeringe.

Het is wijders mogelijk, dat de oorzaak van de

weekwording' der beenderen , welke na den dood

allerduidelijkst blijkt, als eene drijdigheid tegen

mijn denkbeeld, aangemerkt worde.

Hier omtrent zal ik mij , in het vervolg, duide­

lijk genoeg verklaren, terwijl ik nu, als in het

voorbijgaan, (lel, dat die weekwording der been­

deren en kraakbeenderen, waarfchijnlijk, haren eer-

Men grondflag, doch nimmer haren voomran«-,

aan de naaste oorzaak onzer Ziekte, dat is aan de

Zuure fcherpte des bloeds, verpligt is. -> De

ontaarting van het geene die deelen voedt, een­

maal beflaande, zal dit gebrek van voeding en

verharding toenemen, al ware de werkoorzaak der

En-


I» Van den Aart

Engelfche Ziekte volkomen uitgerooid. —— Hoe

weinig kan dan het befluit, van het geene in der­

gelijke ligchamen gevonden wordt, gelden tot de

naaste oorzaak der Engelfche Ziekte? —

§ I V.

Ik zal echter de bovenitaande Aanmerkingen

met eenige Proeven Haven.

Eerfte Proef.

Een Kind van anderhalf Jaren ftierf aan de Rood­

vonk, na dat het zelve, zeden: vier maanden, met

de Engelfche Ziekte was gekweld geweest, en de­

zelve tot die hoogte was geklommen, dat de uit­

gebreidheid van het hoofd de natuurlijke grootte

verre overtrof, de buik aanmerkelijk opgefpannen,

arm - fcheen - en kuitbeenderen eenigzins gekromd,

en de knokjes aan de handen en voeten uitgezet

waren.

Terftond na den dood verzamelde ik een gedeelte

van het bloed. — Een weinig van het zelve,

met overgehaalden azijn gemengd, onderging geene

verandering. — In andere gevallen, befpeurt men

eene bgte gisting.

Bij een ander gedeelte van dit bloed vermengde

ik


der Engelfche Ziekte. 13

ik even zoo veel Geest van Ammoniak.

Deze mengeling, even laauvv gemaakt, vertoonde

eene ligte opbruisfehing, en gaf eene zuurachti-

gen reuk, het geen nooit plaats heeft, wanneer

de proef met het bloed van andere lijken geno­

men wordt.

Tweede Proef.

Hoe weinig vertrouwen op die proeven na den

dood genomen, moge gedeld worden, meende ik

echter de gelegendheid niet te moeten verzuimen,

om eenige Scheikundige waarnemingen te doen op

de beenderen , kraakbeenderen, het merg, en de

geleding-klieren van het zelfde lijk, in hoop'van,

door dezelven eenige nadere inlichting, ter ontdek-

kinge van de oorzaak van de belemmerden groei

en de lievigheid der beenderen, te zullen verkrij­

gen , ten minden iets zekerers, ten aanzien van

den waren aart der Engelfche Ziekte, te kunnen

navorfchen. — Om hier in des te beter te Ha­

gen , ram ik even dezelfde proeven, met dezelf­

de deelen van een ander lijkje; ook met de Pis,

de Kwijl en het Braakfel van levende kinderen. —

Ik mag verzekeren , dat deze proeven met de mees­

te oplettendheid genomen zijn.

Dan, alles wel overwogen zijnde, zal eene korte

voor-


14

Van den Aart

voordrage van den uitflag deezer Proeven voor deö

gemeenen Lezer verkieslijker zijn, dan een om-

flachtig verhaal van haare gantfehen toedragt, wel­

ken ik echter, bij betere gelegenheid, niet onge­

negen ben, bekend te maken — Het kwam

dan hier op uit. —

Voor Eerst, dat de vochten van een Kind ,

met de Engelfche Ziekte gekweld, eene Zuure ge=

aartheid bezitten; — want Vlugzoute bijvoegfels

bragten eene blijkbaare gisting te weeg, gepaard

met eenen Zuurachtigen damp.

Ten Tweeden ; Even dit bleek uit de Proeven,

genomen met het Merg der beenderen en de Klier-

vochten der geledingen; in dier voegen, dat de

kraakbeenen van een jong lijk, in een plantaartig

zuur, onder eene natuurlijke warmte des ligchaams

geftoofd, weeker en buigzamer werden, dan zij

te voren waren. — Men moet, op dat deze

waarneming niet mislukke, de hoeveelheid van het

Zuur juist bepalen.

Ten Derden : de Proeven met Vlugzouten, op

dezelfde wijs genomen , toonden duidelijk het te­

gendeel: zoo dat de kraakbeentjes van het boven­

gemelde , onder de Engelfche Ziekte geftorven,

Kind , harder werden , dan zij waren , en die van

een ander, van die Ziekte vrij, daar door geene

verandering ondergingen» — Ik heb mij, in dit


der Engelfche Ziekte. IS

ral, altijd van den vluggen geest van Amoniakzout

bediend.

Ten Vierden: Ik heb ook de Kraakbeenen",

het Gebeente en het Merg van eenige, aan de

Uitteering, of aan Venus-fmet geftorven, Kinderen

beproefd, en ik heb daar door geleerd, dat de

kwaadfappige natuur der vochten bij dezelven,

blijkens die proeven , niets met den aart der Engelfche

Ziekte gemeen heeft.

Ten Vijfden: De aart van het Zuur, indien ik

mij niet bedrieg, ftrookte meest met die, gelijk

ik zoo even aanffipte, van een zacht plantaartig

Zuur: Een denkbeeld, waarin ik, door

nadere proeven, volkomen gefterkt ben.

§ V.

Ik begeer niet, dat men op deze Proeven meer

prijs Helle, dan zij verdienen, want wilde ik uit

dezelven gewisfe gevolgen trekken, dan zou dit tegen

mijne bovengemelde gronden ftrijden ,•

zij zijn echter, mijns erachtens, niet geheel nutteloos,

om eenig fteunfel aan de, ftraks gegeven,

Aanmerkingen te verfchaffen.

Zij, die den waren aart der Engelfche Ziekte

in eene Zuure fcherpte niet willen gezocht hebben,

maar dezelve beweeren in eene Scheurbuikige, of

Ve-


Van den Aaït

Venerieke kwaadfappigheid te beftaan, brengen de

wijs van genezing, geenzins tegen het Zuur, maar

tegen de Iaatstgemelde fchérptens ingericht en ge­

lukkig volbragt, ter onderfteuninge van hun denk­

beeld bij.

Schoon wij hier te voorbarig vari de herlTelIing

zouden handelen , kan ik nochtans mij niet ont-

flaan, om deze tegenwerping optelosfen. — Nie­

mand ontkent, dat de Engelfche Ziekte fomtijds,

en, bat mij zeggen, meestal, zoo zachtaartig is,

dat zij, zonder gevolgen en geneesmiddelen, door

den tijd flijt. — Ook niet, dat deze Ziekte zeer

dikwils met andere ongefteldheden der vochten ver-

zeld is , welke de toevallen der Engelfche Ziekte

kunnen doen voortduuren, of fchoon derzelver

naaste oorzaak opgeruimd is. — Van de herftel-

ling dier toevallen hebben fommige Artzenijen den

grootfchen titel van fpecifieke middelen tegen de

Engelfche Ziekte, ten onrechte verkregen.

Bevroedt gij nu noch de zwakheid der tegen­

werping niet V befchouw dan een Lijdertje, het

welke onder de gevolgen eener overgeërfde be-

fmettelijke Ziekte kwijnt, terwijl het zelve daar­

enboven onder de Engelfche Ziekte gebukt gaat. —

De Arts behandelt dit kind ten tijde, wanneer Na­

tuur -of Kunst de naaste oorzaak der Engelfche

Ziekte overwonnen heeft. ,— Hij flaagt niet met

de


der Êngelfche Ziekte. ïf

de genezing' der gevolgen, welken Hij nog aan

de Naaste Oorzaak der Engelfche Ziekte toefchrijfr. —

Met het zelfde denkbeeld beproeft Hij andere Mid­

delen : — Hij doet dit op het gezag van dezen

of geenen waarnemer: — Hij geeft zijn Lijdertje

de Kwik — het herftelt! — Vraag nu, of dit

befluit -doorgaat: „ Dit kind is van de Engelfche

„ Ziekte genezen, door Middelen, welken eigeri-

,, aartig ingericht zijn tegen de Venusfmet:

„ bijgevolg beftaat de naaste oorzaak der Engel-

„ fche Ziekte in eene Venerieke ontaarting van het

„ bloed." — neen; — de Arts is bedrogen. —

De Naaste Oorzaak der Engelfche Ziekte had geeft

beftaan meer, en de Kwik heeft het kind van een

Veneriek bederf genezen.

Anderen willen, dat de aart der Ziekte alleen

in de verilapte Veérkragt der vezelen beftaat. ——

Zij gronden hun ftelfel op de genezing der Ziekte,

door Staal — of andere Verfterkende Middelen 5 —

maar , behoudens de waardij van foorcgelijke Mid­

delen en leefwijze, ten regten tijde gebezigd, meen

ik te moeten beweeren, dat dergelijke behande­

ling, gelijk in het vervolg blijken moet, eigenlijk

ingericht moet worden tegen de Zwakheid, welke

de Engelfche Ziekte verzeld, of na dezelve 'over­

blijft. — Op die wijs zou men zich dikwerf,

ten onregte, beroemen. — Of beftaat eene Rot-

B ziek-


i8 Van den Aart

ziekte alleen in de Zwakheid der Vezelen , omdat

de Lijder, na dat de rotting gefluit is, door den

Koortsbast en Wijn, nieuwe kragten krijgt?

Men voelt de zwakheid van dergelijke tegen­

werpingen al te duidelijk, om 'er ons langer mede

optehouden. — Wij zullen liever onze voorloo-

pige Aanmerkingen en Proeven nader tot ons oog­

merk bezigen.

§ V I.

Dit bevat het tweede gedeelte van ons tegen­

woordig bedek (5 III.) het welk tevens ftrekken

moest ter nadere aanduidiging' der eigenaartige on-

derfcheiding' van de Engelfche — en alle overige

Ziekten.

Dan , hier opend zich een onöverzienlijk veld. —

Zou dit de ware bedoeling des Genootfchaps zijn? —

Zou het zelve dan niet- bij den gemeenen man

eene vatbaarheid begéeren, welke in dit antwoord

niet kan worden onderitelu; zelfs niet, al be­

paalden wij ons alleen tot de Ziekten, welke het

naaste met de onze ftrooken? Neen, wij

vermeenen het gezegde liever onder éen korter ge­

zichtpunt te moeten trekken , om daar na het

befluit, bij wettige gevolgen, te kunnen opmaken.

Voer Eerst: De Engelfche Ziekte is zoo vol-

ilrekt


der Èngelfche Ziekte. ip

ftrekt eene Ziekte der Kinderen, dat daaromtrent

geene uitzondering kan gemaakt worden.

Ten Tweeden: Dezelve bepaalt zich, ook zonder

uitzondering, aan eenen zekeren Leeftijd, zoo

dat de eerfte beginfels zelden voor het eerde, en

na het derde levensjaar, zich duidelijk verwonen.

7e» Derden: Nooit valt zij in kinderen, welken

niet met Zog , of Melkpappen gevoed zijn.

Ten Vierden : Weinige Lijdertjes worden door

de Èngelfche Ziekte aangetast, bij welken zich

de toevallen van eèn overheerfchend Zuur in, de

Maag en Darmen vooraf niet vertoond hebben. —

Nu en dan heb ik echter het tegendeel opgemerkt.

Ten Vijfden i De Huid dezer kinderen is veel-*

al, meer, dan bij anderen, geneigd tot Uitwaasfeming

en Uitflag.

Ten Zesden: Onze Aanmerkingen toonden duidelijk

, en uit onze Proeven geven wij vrijheid

eenigzins te gisfen, dat de vochten, vooral het

Weiachtige gedeelte van het bloed of liever dat

gedeelte der vochten van het Lijderde, (het welk

onder de Ziekte kwijnt) door bet welk anders de

voeding en waschdom der vaten, zoo wel als de

behoorlijke ververfching der vloeibare deelen, geregeld

voortgaan , zoo lang de naaste oorzaak def

Èngelfche Ziekte beftaat, eene fcherpte bezit,

waar door de regelmatigheid, op verfchillende wij-

Ba zen


20 Van den Aart

zen gebroken werdt; — als mede dat die fcherp-

te eene Zuure of Zuurachtige, natuur heeft.

Ik erken, dat de Klasfe der Zuuren verfcheiden

foorten bevat; — maar noch hier, noch elders

in dit antwoord, kan men daar omtrent een gezet

onderzoek vetwachten. — Het zij genoeg te

hebben herhaald , dat deze fcherpte eene Zuure

Plantaartige eigenfchap vertoont, terwijl eene meer

fnipperachtige bepaling derzelve blijken zal onnut

te wezen.

§ V I I.

Nu kunnen wij aan de Vraag: Welke is de

natuur der Èngelfche Ziekte ? beter voldoen dan

te vooren, en daar door ook het derde oogmerk

van dit Hoofdftuk (§ II.) bereiken.

Wij bepalen dan de Èngelfche Ziekte, opzigte-

lijk haren Aart, in onderfcheiding van alle overige

Ziekten, „ dat zij beftaat in eene, doorliet Zog,

„ of andere Melk, veroorzaakte Scherpte des Bloeds

„ in 't gemeen, doch bijzonder van dat gedeelte

„ deszelven, waar door de wording, groei en fte-

„ vigheid der Kraakbeenderen , van het Gebeente

„ en deszelfs Hoofden, bij kinderen tusfchen hun

„ eerfte en derde levensjaar, op verfchillende wij-

„ zen belemmerd en vertraagd worden > of onor-

„ de-


der Èngelfche Ziekte.

„ delijk gefchieden, terwijl het Lijdertje tevens in

„ eenen zwakken en kwijnenden toeftand geraakt."

Deze bepaling, aangedrongen met het geene

boven (§ VI.) gezegd is, kan. op geene andere,

dan de Èngelfche Ziekte, met eenig recht, wor­

den toegepast. — Dit erkend elk bedreven Ge­

neeskundige ; en in deze erkentenis zal de gemee-

ne man, zonder verder onderzoek, gelieven te

berusten.

B 3 VER-


%% Van de Oorzaken

TWEEDE HOOFBSTUIC

Van de Oorzaken der Ziekte.

§ V I I I.

D E naaste oorzaak der Èngelfche Ziekte is,

door haren geheelen loop, een en dezelfde, het

geen hij, die het voorgaande Hoofdftuk, met

eenige aandacht gelezen heeft, reeds zal opgemerkt

hebben. — Zij beftaat in eene Zuure fcherpte,

uit de Darmen opgeslurpt en onder het Bloed ge-

Iragt , waar door bepaaldelijk het Weiachtig

gedeelte zoodanig ontaart wordt, dat, dpor die

mtaartïng, en de noodzakelijke gevolgen daar

van, de toevallen ontjiaan, welken dezer Ziekte

eigen zijn.

Uit deze oorzaak kunnen alle verfchijnfels dezer

Ziekte , gelijk in het vervolg blijken zal, worden

opgelost. — Ik beroep mij daar op, bij voor­

raad,


der Èngelfche Ziekte.

raad, ia vertrouwen, dat zulks beter ftrookt met

de hoofdbedoeling , ten nutte van het algemeen ,

dan dat ik mijne ftelling met een drom van fchijngeleerde

aanhalingen bekragtige.

Men befluite echter, uit deze opgave der Naaste

Oorzaak, geenzins, dat ik de beletzels van den

ordenlijken waschdom en de Hevigheid der Beenderen

) in alle gevallen , in een Zuurachtig bederf

van het Lijm, het welk de beenwording bevordert,

of der Kalkaartige ftoffe, welke het beenwezen

verhardt, wilde gezocht hebben. — Het bsken.

de geval van Juffrouw Suppiot , en anderen, wederfpreken

dit. — Ook toont de ervaring te dikwijls

, dat een Lijmige, Scheurbuikige , Venerieke

kwaadlappigheid de beengroei ftremmen kan; —.

dat de te rug gedreven boosaartige Etter van vuile

Zweeren, en van de Kinderpokjes; dat de Mazelen

Roodvonkige Ziekteftoffen even dezelfde uitwerking

deeden.

Deze ondervinding heeft, mijns oordeels, ten

onregte, eene gelegenheid verfchaft aan verfcheiden

verdeelingen en onderdeelingen der Èngelfche

Ziekte, welken geene andere nuttigheid hadden,

dan dat zij blijken gaven van een uitfpattend, en

niet genoeg onderfcheidend vernuft; — Doch

wij zoeken geen pleitgeding over zaken van dien

aart, en verkiezen liefst altijd het oog te houden

B 4 op


s4 Van de Oorzaken

op zaken, die met de geheele Vraag een onmid-

delijk veiband hebben- — Wij hebben alleen te

doen met de Èngelfche Ziekte en hare toevallen,

gelijk zij zich bij kinderen, voor hun derde jaar,

vertoonen, en geenzins met toevallen en gevol­

gen, weiken ook uit andere oorzaken, kunnen

worden verklaard,

Het verder beloop van dit Antwoord zal mijne

ftelling van de Naaste Oorzaak ophelderen.

§ I X,

De verwijderde- Oorzaken zijn: i de Ziekte-,

zaden 2. de Opwekkende Oorzaken,

§ X.

De Vatbaarheid, de Voorgefchiktheid, of Ziekn

pzaden, zijn: 1. de Algemeene, a. de Bijzon-,

d^ere.

§ X L

De algemeene Vathaarheid befiaat in die eigen*

fchap. der Ingewanden en Vochten, bepaaldelijk

van dat gedeelte derzelven, het welke ter voe-

dinge firekt x door welke eigenfchap de Wei, van

het


der Èngelfche Ziekte. 05

het Zog, of andere Melk, gefcheiden zijnde, door

de opflurpende einden der Melkvaten, door de

Darmen allerwegen verfpreidt, ingezogen en onder

hec bloed gebragt worde. — Indien deze Wei

eene Zuure geaartheid erlangt en het voedende ge­

deelte der vochten ontaart, dan is het eerlle be-

ginfel der Èngelfche Ziekte gevormd.

Deze Vatbaarheid, uit het natuurlijk geitel des

ligchaams vloeijende, is aan alle kinderen eigen,

en daarom algemeen.

§ X I I.

De Bijzondere Vatbaarheid (§ X.) is die,

waar door het eene kind boven het andere ge-

fchikt is, om door dezelfde oorzaken der Èngel­

fche Ziekte beledigd te worden.

Ik zal dit onderwerp zoo veel befnoeijen , als

deszelfs gewigt en uitvoerigheid gedogen.

Na eene bedaarde overweging van het geen de

Reden , eigen Ondervinding en het gevoelen van

mijne Voorgangeren, aan de hand gaven, ben ik

volkomen overtuigd, dat deze Bijzondere Voorge­

fchiktheid eeniglijk moet worden toegefchreven

aan eene meer dan gewone zwakke gefteldheid van

het kind, befcJwuwd in verband met den aart

van het Zog.

B 5 Laat


a6

Van de Oorzaken

Laat ons deze ftelling , eerst in het gemeen;

daarna met betrekking tot de Èngelfche Ziekte,

onderzoeken.

§ X I I I.

In het gemeen. — Een zwak geftel en ver­

minderde veêrkragt der vaten geven de voedzels

tijd en gelegenheid, om in hunne eigen geiiart-

heid te verwandelen. — Zij worden noch naar

behooren opgeflurpt, bereid, noch gekleinsd. —

De Melk, in de Darmen te lang verpoozende,

fchift niet alleen, maar het kazige gedeelte bezet

de Darmen, en brengt tooneelen van rampen te

weeg. De Wei erlangt eene prikkelende

fcherpte, en veroorzaakt gedurige, fomtijds uit-

teerende, Afgangen of andere Ziekten. — Ge­

raakt de Wei onder het Bloed, en wordt dezelve

aldaar niet naar eisch bereid, dan erlangt zij ook

eene nadeelige fcherpte, fchadelijker naar gelang

van de grootere flapheid der vaten, en meerdere

verdunning van het bloed. — Hier uit ontftaati

Ziekten, onderfcheiden naar mate van het verfchil-

lende vermogen der Opwekkende Oorzaken , waar

in tevens de reden te vinden is, waarom niet

alle zwakke zuigelingen door de Èngelfche Ziekte

aafigetast worden.

§ XIV.


der Èngelfche Ziekte.

§ X I V.

Wij zullen , ten aanzien der Bijzonderheden

(§ XII. n. 2) met betrekking tot de Èngelfche

Ziekte, deze zwakheid uit de volgende oogpun­

ten moeten oefchouwen , en toonen : 1

Eerfielijk s dat die zwakheid in vergelijking

ftaat met het Zog.

Ten anderen ï dat zij kan aangeboren zijn en

plaats hebben , fchoon het kind anders gezond is.

Ten derden: Zij kan door eene Ziekelijke ge-

fteldheid der Ouderen , o en. vooral van de Moeder

aan de Vrucht medegedeelt worden; en

Ten vierden: Ook kan zij, door vcrfcheiden

Ziekten, na de geboorte, veroorzaakt worden.

§ XV.

Wat het eerfte betreft, Elk kind heeft zijne

bijzondere verteeringkragten, zoo dat het zelve

gelukkigst gevoed wordt met zulk Zog, het welk

geene meerdere kragten ter verteeringe vordert,

dan de Zuigeling bezit, en niet te flap is om

het kind te voeden.

Deze onderlinge Overeenkomst van het Zog en

de Kragten van het kind, is zoo volflrekt noo-

dig, dat het tegendeel met regt tot de Opwek­

ken-

27


a3

kende Oorzaken der Èngelfche Ziekte mag betrokken

worden.

Het Zog eener fterke Voedfler kan , zoo ten

aanzien van deszelfs Kazig als Weiachtig gedeelte,

te lijvig zijn voor een gezond kind. — Dit voed-

zel kan door gemis van kragten, niet behoorlijk

verteerd worden; wanneer het geval niets ver-

fchild van eenen bejaarden , welke voedzels

nuttigd , die door zijne maag niet gemakkelijk

verduwd worden. — Het zwaare ftremfel blijft

onverteerd hangen, terwijl de Wei gemakkelijk

vergoore, of naderhand onder het bloed eene Zuure

kwaadfappigheid brengt.

Van de Oorzaken

Ik heb de Èngelfche Ziekte dikwils, ontmoet

bij kindertjes, bij welken, in dit opzigt, de oplettendheid

verzuimd was.

Te zwak Zog verflapt het kind, door mangel

aan voedzel; —- doch de nadere overweging hier

van moet in het vervolg voorkomen.

§ X V I.

Ten tweeden: Dat veele kinderen gezond, maar

zwak ter waereld komen (§ XIV. n. 2) weet

elk. — DUCHAN, wiens Huishoudelijke Genees­

kunde in elks handen zijn moest, meent zelfs,

dat men, in onzen leeftijd, meerdere gelegenheid

heeft


der Èngelfche Ziekte. 29

heeft om van de waarheid dezer ondervindinge

overreed te worden, dan in vroegere dagen, wan­

neer ook de reden, waarom de Èngelfche Ziekte

nu gemeener is, dan voormaals, gemakkelijk zou

te vinden zijn; — doch of, behalven de blijk­

bare meerdere flapheid des ligchaams van de Ou­

deren, ook des Vaders uitgemergeld zaad, hier

van de fchuld heeft, laten wij voor rekening van

den gemeJden Engelfchen Arts. — Zeker-is het,

dat de voeding in de Lijfmoeder eener zwakke zwan­

gere , eene flappe vrucht doet vreezen.

Deze ftellmg is nochtans aan uitzonderingen on­

derhevig. — Of zien wij niet veeltijds welge-

fpierde en doorvoedde kinders uit zwakke en tee-

dere Ouderen voortgebragt ?

Wij nemen hier de gelegenheid waar, om de

fchande en fchade der Zelfbevlekkig te gispen, en

hen tot nadenken te vermanen , welke hunne

liefdedriften, in het bloeijen der jeugd, op al­

lerlei wijzen, gaande maken, en zich daar door

onwillig bevlekken. — Daar men thans zoo

ijverig werkt, om de Vrijheid der Drukpersfe te

bepalen, moest men ten minden zorgen voor het

toeneemende bederf der jeugd, door wellustige

boeken en prenten. — Dit in het voorbijgaan.

Dat de zwakke ligchaamsgefteldheid der kinde­

ren in de daad tot de Voorgefchiktheid der Èngelfche

Ziek-


3o Van de Oorzaken

Ziekte behoord, kan men ook daar uit gisfen ,

dat dezelve gemeener is in laage moerige water­

achtige ftreeken, dan elders. — Trouwens, op­

lettende Waarnemers verzekeren, dat zij in Enge­

land, in het laage gedeelte van Duitschland, en

in Holland, onder een gegeven getal kinderen,

meer voorkomt, dan in hoogere en bergachtige

landen. — In Parijs is de Èngelfche Ziekte veel

gemeener, dan in het hooge en drooge gedeelte

van Frankrijk.

Het is ook niet zeldzaam, dat zwakke Moeders

gezonde kinderen voortbrengen, die naderhand met

deze Ziekte zukkelen. «— Ik zag vijf van de ze­

ven kinderen ééner Moeder daar mede behebt. —-

Een Duitscher verzekert, elf kinderen van dezelf­

de Ouderen daar onder te hebben zien kwijnen.

De ervaring toont, eindelijk, dat bejaarde en

luije, vadfige Ouders inzonderheid gefchikt zijn ,

om de zaden der Èngelfche Ziekte, zoo veel

die in de zwakke gefteldheid des kinds gelegen

is, aan hun kroost te verfchaffen. — Zou daar­

om deze Ziekte minder gemeen zijn bij den noes­

ten landman, dan bij den loggen ftedeling ?

§ X V I I.

Ten derden: De gemeene ondervinding leert,

dat


der Engeljche Zieke.

dat Ziekelijke, of, door Ziekte, verzwakte Moe­

ders , flappe kinderen teelen: Zulken, die daar

door vatbarer zijn voor de Èngelfche Ziekte, dan

anderen (§ XIV. n. 3)

Hier toe behooren alle Ziekten, vooral zulken,

welken de vaste deelen van de vrucht verzwakken,

hare vechten verdunnen, of kwaadfappig maken. —

Onder de kortjtondige Ziekten, behooren hier

toe alle Ontstekingen , zoo wel bijzondere, als

inzonderheid , algemeene; als mede Galkoort­

sen , vooral wanneer het bloed in het bederf der

Galle deelt. — In het eerfte geval moet de Kunst

het bloed verdunnen ,• in het laatfte doet dit de

Natuur , terwijl de Arts de bedreigde rotting

weert. — In beide gevallen komt eene verflap-

pende. Genees- en Leefwijze te ftade.

Tot deze Clasfen van Ziekten behooren ook de

Bloedstortingen, vooral uit de Schede, welken

behoudens het leven van de vrucht, doch met

verlies van derzelver kragten, fomtijds zeer aan­

merkelijk kunnen zijn. — Het verlies van veel

Bloed laat, ten minften gedurende eenigen tijd,

flappe vaten en verdunde vochten na, waarin het

kind noodzakelijk deelt.

Tot de gepende Ziekten, 0f langdurige on­

gesteldheden der Zwangeren , waar aan wij hier

gedenken moeten, betrekken wij voornamelijk de

rrerd-


32

Van de Oorzaken

hardnekkige voor- en najaars Koortfen, de Vet*

.Jloppingen der klieren, vooral van den buik, door­

gaans verzeld van kwaadfappigheid, eenen uitmerge­

lenden witten vloed, en dergelijke gevolgen van

een vadzige leefwijze j het misbruik van meel- en

erwetfpijzen, Visch, zoete lekkernijen ; gemerkte

Olie , warme water- en melk - dranken ; van een'

laauwvochtigen dampkring: zulke Moeders leveren

fchier altijd zwakke kinders.

Vooral gedenke men aan die traage Ziekten,

welken eenen dikwils wederkeerende fcherpen wit­

ten vloed veroorzaken en uit het Venusfmet ont-

ftaan. — Ach ! hoe dikwerf leerde de treurige

ervarenis de rampen, welken de onfchuldige wich­

ten hier van te dragen kregen ! — Sommigen

ontkennen eene overgeërfde Venerieke vochtsge-

fteldheid; maar de ondervinding heeft mij te vaak

de valfchheid der gronden van die ontkenning ge­

leerd , om op dezelven eenigen prijs te (tellen. —

Het zoude mjj weinig moeite kosten, om een

betoog te leveren, ten bewijze van het beftaan

eener meenigte van Huidgebreken , en andere

kwaadfappige Ziekten , welken alleen door Kwik­

middelen konden gedampt worden. —

Van de overige min gewone Ziekten, als zoo

veele bronnen van zwakheid der kinderen, zal ik

thans niet reppen , om dat het gezegde, mijns

oordeels, kan voldaan. § XVIII.


der Èngelfche Ziekte. 33

S x v 11 ï.

Ten vierden: Deze Zwakheid-wordt het land*

niet zelden, door verfchillende voorafgaande Ziek- 1

ten (§ XIV. n. 4) berokkend.

De Èngelfche Ziekte verfchijnt niet na het derdè

levensjaar , des wij van geene andere Ziekten'

behoeven te handelen, dan van zulken, welken

in de drie eerfte jaren voorkomen.; — Dezen zijn 1

Voor eerst : De gevolgen van kwaad

Zog. — Om het kind, door het Zoogeri

te verzwakken, behoeft het Zog niet altijd

eene Ziekelijke natuur te bezitten. —— Wij

hebben reeds aangemerkt, dat te ftevig j

zóo wel als te flap Zog, in vergelijking van

de kragten van het kind, deze nadeelige hoe-<

danigheid bezit,.

Het eene, zoo wel als het andere, verwekt

Zuur, en een taaije Koek in de teedere Darmen —•

gebrek van Voeding — Verzwakking.'

De fcherpe Wei veroorzaakt Brakingen, Buik*

pijnen, genadige Afgangen en Stuipen : —- Om*

Handigheden, welken de kragten verarmen

Goor en Scheurbuikig Zog paart de Knagingen:

en Kwaadfappigheid met het verval van krachten.

Zog, met het Venusëuvel doordrongen, bederft

het ganfehe ligehaamsgeftel des Zuigelings 9 eri

C fee-


3t-

Van de Oorzaken

beneemt de gelegenheid van gefchikte voeding en

verflerking. —.

. Ten tweeden : Het gaat door , dat de gevol­

gen van Kappel en Zuur altijd aan het Zog moeten

worden toegefchreven.

Zeer zelden verduurt een kind de Melk zonder

hinder. — Zeer velen zijn onderhevig aan het

Zuur, ondanks het gefchiktfte Zog: — Getuigen

zijn de Walgingen , Verftoppingen , Hardlijvigheid,

Brakingen , Buiknépen, Buikloop en Kwaadfappig-

heid, waar mede onze kinderen veeltijds worfte-

len. — Zou zulk een kind die zwakheid niet

erlangen , welke tot de Zaden der Èngelfche Ziek­

te behoort ?

Ten derden: De Kinderziekte, de Mazelen,

de Roodvonk , het Schurft en andere gebreken

van de huid, kunnen aftonderlijk, of gezamen­

lijk eene hebbelijke Zwakheid veroorzaken.

Ten vierden : Men denke ook om het moeije-

lijke uitbotten der Tanden, als eene wezenlijke

oorzaak van meenigvuldige Brakingen en Buikloop,

Pijnen, Koortfen, Hoesten, Rusteloosheid, Stuipen,

en wat verder in ftaat is, om de kragten te on­

dermijnen.

. Ten vijfden : Hier toe behoort ook de Geel­

zucht , welke bij ons gemeener is, dan elders,

die fomtijds zeer hardnekkig is, of dikwils weder­

keert ,


der Èngelfche Ziekte. 35

-keert, waar door de vochten ontbonden, en de

voeding belemmerd worden, en veelerlei Ziekelij-

omdandigheden, Sprouw, Waterzucht, enz, ont­

daan.

Ten zesden: Allerhande foorten van Hoesten ,

als zulken, die uit enkele verkoudheid, en ande­

ren , welken uit aandoenlijkheid der Zenuwen en

eene befmettelijke eigenfehap der Lucht, geboren

worden.

! Hoe de kinderen, door de duipachrige aanval­

len van den Kinkhoest, gefolterd en verzwakt wor­

den , is bijna aan elk , die kinderen heefr, be­

kend.

Ten zevenden: Dat foort van Teering , waar

van ik in het eerde Hoofdduk gewaagde, en die

kenbaar is uit den dikken en harden buik, de ver­

magering der onderde ledematen, en de verba­

zende verzwakking.

Ten agtften: Wij zouden, op deze lijst,

verfcheiden andere Ziekten der kinderen, beneden

hun derde jaar, kunnen dellen , indien dezelven

of, om dat zij te zeldzaam zijn, geene plaats ver­

dienen , of, om dat zij gevolgen zijn van de op-

gemelde Ziekten, daar onder moeten begrepen wor­

den.

Wie een breeder verflag hier omtrent begeert,

kan zich tot het werk van den Heer VAN RO

C a SEN-


36 Van ie Oorzaken

SENSTEIN en TISSOT vervoegen, terwijl de

bekroonde Verhandeling van den Rotterdamfchen

Arts VEIRAC, over den Kinkhoest, en die van

zijne mededingeren , verfcheiden nuttige zaken, ten

aanzien van dit onderwerp, bevatten.

Schoon ik deze Ziekten als Werköorzaken der

Zwakheid, welken eene meerdere Vatbaarheid voor

de Èngelfche Ziekte verfchaft, heb opgegeven,

zou echter het befluit, dat alle, d»or dezelven

in hunne kragten verarmde, kinderen, door deze

Ziekten aangetast worden, tegen de ervaring ftrij-

ften. — Hem, die dit beweerde, zou toch de

dagelijkfche bevinding logerjftraffen.

§ X I X.

Na de opgage der Naaste Oorzaak , en een kort

verflag der Ziektezaden, treden wij nu tot de

overweging der Opwekkende Schadelijke Vermogens

C§ IX. n. 2.)

Hoe overbodig gul fchier allen , welken over

de Èngelfche Ziekte gefchreven hebben , in de

optellinge der Opwekkende Oorzaken geweest zijn,

meen ik echter, dat flechts èéne oorzaak daar op

billijke aanfpraak heeft. — Deze is de Wei van

het Zog, of andere Melk, mits de invloed derzelve

in verband met de Ziektezaden befchouwd worde.

§ XX.


der Èngelfche Ziekte,

§ XX.

Om deze (telling te voldingen, dient het volgende.

Voor eerst: Men moet zich herinneren, het

geen ten aanzien van het Zog en de Wei, als mede

van derzelver verfpreiding' te voren gezegt is, en

niemand, die de Natuurkundige werking van ons

ligchaam weet, onbekend kan zijn.

Ten tweeden: De aart der Ziekte, gelijk wij

die betoogd hebben , kan uit geene andere Op­

wekkende Oorzaak verklaard worden.

Dit zij ook herinnert ten aanzien van derzelver

Oorzaak, en het zelve zal ook blijken bij de

overweging der Toevallen.

Ten derden: Eene, te voren reeds gemelde,

waarneming zet mijn gevoelen die kragt bij, welke

van het fterktfte bewijs kan gevorderd worden; te

weten: nooit word een kind door de Èngelfche

Ziekte aangetast, het welk met geen Zog of

andere Melkfpijfen , is opgevoed. — De ondervin-

vinding is, in dit opzigt , zoo overtuigend, al­

thans voor mij, dat geen gezag mij van het

tegendeel kan overreden. (§ III. Eerfte Aanm.~)

Ten vierden t De wijze, op welke deze Ge-

legenheidgevende Oorzaak de Ziektezaden opwekt,

en alzoo de Naaste Oorzaak vormt, Ihaft mijn

27

C 3 denk?


38. -Van de Oorzaken

denkbeeld al te nadruklijk, om daar over niet

een weinig te handelen.

Bij de kinderen verkrijgt de Wei, van het Ka-

zige gefcheiJen en onder het bloed gebragt, eene

Zuure eigenfchap, en wordt, dus ontaart, door

het geheele iigchaam gevoerd. — Dit heeft meer

of min plaats, naar geraden van de meerdere of

mindere vatbaarheid des kinds voor de Èngelfche

Ziekte. — De Zwakheid had de behoorlijke be­

reiding der Wei tot goed voedfel belet. •— In

dien Haat wordt dit vocht • met de waterachtige

deelen des bloeds dus ontaart, dat de behoorlijke

Hevigheid en groei van het Beengeftel daar door

be.emmerd wordt. — Het zelve blijft, door' ge­

mis van het noodige fteunfel, flap en buigzaam ,

of wordt zoodanig, door de ontbinding van het

geerc reeds eenige Hevigheid verfchaft had. —

De eigenfchap eener Zuure Kwaadfappigheid ftaat

toch, in werking, opzigtelijk de voeding der Been­

deren , üjnregt tegen over de vereischten van het

voedende Sap, het welk , uitwijzens de proeven

van MALLER , en andere Onderzoekeren van ons

'geftel, eene Vlugzoute Kleverige {Plastieke~) hoe­

danigheid bezit. — Dit wordt, door het Zuur,

"van zijn vèrmogen beroofd, en daar door wordt

de Groei en Verharding van %de viste deelen des

Ligchaams belet. — Het Kraakbeenige blijft, of

wordt


der Èngelfche Ziekte. -39

wordt Vliezig, en het Been behoud, of erlangt,

eene Kraakbeenige zachtheid. — Zij worden, en

door de Ziekte, en door de Zwaarte des Ligc­

haams , uitgezet en misvormd.

Zie nu, hoe het Zuur , in verband met de Zwak­

heid , de Èngelfche Ziekte veroorzaakt! — Zie

ook tevens, bij voorraad, den eerften aanleg ter

verklaringe van derzelver Toevallen en Gevolgen.

Deze Redenkaveling voldoet mïsfehien den ligt-

gelovigen Huisvader; maar (zegt men verder) een

belezen Arts is niet 200 gemaklijk te overtuigen. —•

Laat ons, met verlof der Vrageren, ons denk­

beeld tegen eene bedenking Haven.

Heeft men , in deze Verhandeling, dus verre ,

geene gewigtige fchadelijke Vermogens over het

hoofd gezien ? — Behoort daar toe niet inzon­

derheid het Strem fel van het Zog, het welk, in

de Darmen gepakt, den Buik doet zwellen , de

Voeding, de Werking der deelen, den Omloop

des Bloeds naar beneden belet, en de onderfte

Leden uitmergeld? — In weerwil van veeier toe-

Hemmend Antwoord op deze Vraag , vind ik mij

gedrongen te Hellen , dat daar in geene Opwek­

kende Oorzaak van de Èngelfche Ziekte te vin­

den is.

De ophooping van het Kazige gedeelte van het

Zog kan zéér aanmerkelijk zijn , en de bedenke-

C 4 lijk-


40 Van de Oorzaken

lijkfte toevallen , de Teering, zelfs den Dood,

veroorzaken, zonder dat het kind de eigenlijk ge­

zegde , en naar waarheid erkende Èngelfche Ziek­

te heeft.

Daar tegen kan deze Ziekte in haren hoogften

trap beftaan, zonder dat deze Kazige Koek eenige

blijkbare toevallen te weeg brengt-; zelfs onder

eene behoorlijke ontlasting van het Stremfel. —

Even dit flrookt met de ervaring.

Dit Stremfel heeft ook geene de minste gemeen-

fchap met de echte Teekenen en eigenlijke Toeval­

len van het geene wij, als de Naaste Oorzaak der

Èngelfche Ziekte, befchreven hebben. — Ware

dit alzoo niet, dan, voorzeker, zouden de vroe­

gere Schrijvers deze Ziekte gekend hebben, en

de kundige Italiaanfche Arts ZEVIANI had zich

in zoo veele bogten niet behoeven te wringen, om

een voorraad van, waarlijk al te flaauwe, drang­

redenen voor de Oudheid der Èngelfche Ziekte bij

de Geneeskundige Eerstvaders optezoeken.

Deze wederlegging van de gewigtigfte tegen­

werping zal mij, hoop ik, van de moeite ont-

flaan, om met de ontknoping van anderen te ver-

yeelen.

Verwacht echter niet, dat ik mij tracht te ont­

daan, om, ter vereischte plaatfe, van de Toeval­

len , welken uit, deze Kazige inpakking ontftaan,

te


der Èngelfche Ziekte. 4 Ï

te gewagen Neen : zij heeft te dikwerf plaats,

om dezelve niet te overwegen, als eene bijkomende

Oorzaak van verfcheiden Toevallen, die zich

onder de Èngelfche Ziekte vermengen.

§ X X I.

Dit zij genoeg van de Oorzaken der Èngelfche

Ziekte. Het geen daar omtrent overtollig

mogt fchijnen gezegd te zijn, zal ons, in het

vervolg, ontheffen van verfcheiden Aanmerkingen,

welken anders volftrekt noodzakelijk zouden zijn. —

Men zal dit, reeds in het volgende Hoofdftuk, bemerken.

/

C 5

DER-


42 Van de Reden

DEtDE HOOFDSTUK

Van de Reden der Èngelfche Ziekte.

§ X X I I.

SCHOON de groote BOERHAAVE deze vraag

zoude bepaald hebben toe het tweede levensjaar,

vinden wij echter de verfchijmng der Èngelfche

Ziekte tusfehen het tweede en derde Jaar niet

zeldzaam genoeg, om van de bepaling in het

voordel aftewijken.

Maar, om welke reden heeft het Genootfchap

geen onderzoek gedaan naar de Oorzaken, waarom

de eerite bcginfels dezer Ziekte zelden voor de

eerfte negen Maanden befpeurd worden ? — Ze­

kerlijk , om dat dit als eene erkende ondervinding

onderfteld wordt. — Sommige Schrijvers ech­

ter verdedigen eene aangeboren Èngelfche Ziekte,

althans, dat dezelve zich kort na de Geboorte

ver-


der Èngelfche Ziekte. 43

vertoondt. — Doch hun getal is'gering, in ver­

gelijking van hen, die het een en ander ontken­

nen. — Bij dezen voeg ik mij. — Laat mij

evenwel hier iets beantwoorden, het geen niet

gevraagd wordt.

De reden , waarom de Èngelfche Ziekte niet

vroeger, dan wij Helden, wordt vernomen , is zeer

eenvouwig.

Het kan zijn , dat de Vrucht de volkom ende

Vatbaarheid heeft; dan deze kan haar, bij mangel

der Opwekkende Oorzaak, niet deeren.

Het fchijnt niet zoo gemakkelijk te bewijzen,

'waarom de bcginfels van dit gebrek niet voor de

negen eerde Levensmaanden ten voorfchijn komen.

*— Het Zog heeft in de eerde Weken, even als

de Biest der Runderen, eene Buikzuiverende.eigen­

fchap. — De Darmen van het Kind zijn, kort

na de geboorte , bezet met een Vlugzoute drek-

ftoffe. — Dezen maken zamen eene gisting, en

de ontlasting te willig, om het Zog te doen Ver-

poozen en drommen.

Wijders zal men toeftaan, dat de Èngelfche Ziek­

te , gelijk getoond is, geen post vat, in weerwil

van alle teekenen eener Kazige ophooping', voor

dat de Wei in het Bloed vergoord is, en het

voedende Vocht bedorven heeft.

Alvorens dit kan plaats hebben, zoo dat men

ce


44 Van de Reden

de Èngelfche Ziekte aan blijkbare verfchijnfels

ontdekt, fchijnt de bepaalde levenstijd vereischt te

worden; — Ik zeg met opzet, blijkbare, om

dat niemand zal ontkennen, dat deze ontaarting

eenigen tijd kan inwortelen , eer zich de Teeke­

nen derzelve aan den doorzigtigften Arts vertoo-

nen.

Doch laat ons dit Bijpad niet verder bewande«

Ien, maar een nuttiger Veld betreeden.

§ X X I I I.

Men vraagt: waarom het begin der Èngelfche

Ziekte zelden na het derde Jaar vernemen wordt?

Wat wij door het begin dezer Ziekte verftaan ,

zal naderhand gezegd worden. Nu merkt

men Hechts op , dat daar mede eene Èngelfche

Ziekte word bedoeld, welke zich, door Teekenen

en Toevallen , allereerst doet kennen.

Tot het beftaan van de Naaste Oorzaak hebben

wij gefield, eene meer dan gewone Zwakheid des

Lijders, als eene Voorgefchiktheid, en* de

verzuurde Wei, ars de eenige en genoegzame Op*

wekkende Oorzaak.

Zoo even heb ik getracht te bewijzen, waarom

de Èngelfche Ziekte zelden voor de negen of

twaalf eerfte Maanden verfchijnt. Misfchien is

de


der Èngelfche Ziekte. ^

de Grond, aldaar gelegd, niet te zwak, om ons,

in het tegenwoordig onderzoek te onderfteunen.

Wij zullen dit beproeven ;

Voor eerst: De Zwakheid is, om het beftaan

aan de Naaste Oorzaak der Ziekte te verfchaffen ,

betrekkelijk tot de Wei. .— Dit ftaat de Lezer

toe , welke de onderlinge werking dezer twee Oor­

zaken heeft bevat. — Deze Voorgefchiktheid houdt

korter of langer aan , echten indiervoegen , dat

dezelve eindelijk niet meer kan worden opgewekt,

om de Naaste Oorzaak te vormen. —— Dit be­

paalt men , op grond der bevinding' , op het

derde Jaar. — Dan is de Veêrkragt der Vaten

fterker , de vaste Deelen zijn fteviger , en de

Vochten beter bereid; zoo dat alles medewerkt,

om het vermogen der Opwekkende Oorzaak te we-

derftaan.

Het kind wordt met Dranken en Spijzen ge­

voed , welken het overgefchoten Zuur omwinden,

of kragteloos maken.

Dit bewijs dient echter eeniglijk, om meer of

min te betogen, waarom de Ziekte, na dien Leef­

tijd , zich , zelfs in haar eerfte begin , niet ver­

toond ; maar niet, om te ontkennen, dat zij,

te voren beftaan hebbende, geene gevolgen zoude

achterlaten.

Ten tweeden: Men begeert, met Reden, meer,

ter


4Ö Van de Reden .

ter voldoende Verklaringe van dit Stuk. — Hoe,

vraagt men, kan de Wei, als de Opwekkende

Oorzaak, dan nog befchouwd worden, na dat het

Kind Jaar en Dag gefpeend is ? — Kan eene Oor­

zaak werken, welke niet meer beftaat? — Ligt,

in het verdeedigen van deze Stelling, geene onge­

rijmdheid? — Geenzins, Lezer! deze zwarigheid

vervalt, na dat de volgende aan de voorgaande be­

wijzen gehecht zijn.

De eerfte blijkbare Teekenen der Èngelfche Ziekte

zijn niet daarom hare eerfte Beginfels. — Hoe lang

aarzelt dikwerf de kundigfte Arts, eer hij, met ze­

kerheid, het beftaan dezer Ziekte durft bepalen?

— De Wei heeft niet terftond het vermogen, om

de blijkbare Teekenen van het gebrek te vertoonen,

doch daarom mag het beftaan dier Opwekkende

Oorzaak niet ontkend worden. — Zij ondermijnt

de Vochten, bij trappen, en bederft de Voeding-

fappen, met langzame fchreeden; Dit is de

reden, waarom de kenbare toevallen der Èngelfche

Ziekte zich dikwerf zeer lang na de Speening ver­

toonen. -— Ondertusfchen mist het zeer zelden,

Of mep ontdekt eene Zwakheid, en andere verfchil-

lende blijken van ongefteldheid, bij deze Kinderen,

langen tijd voor de zekere Kenmerken van de Èn­

gelfche Ziekte.

Men zou hier, indien ecnig uitvlugt, ter red-

din-


der Èngelfche Ziekte. ^

diogé uit de moeijelijkheid van dit onderwerp, noo-

dig was, kunnen bijvoegen, dat het voorouder­

lijk begrip van velen, onder het gemeen, de ge-

fpeende Kinderen, tijden lang, met Koemelk fpij-

zigt ; een voedzel, meer dan het Zog, gefchikt,

om de zaden der Èngelfche Ziekte bij daar toe

vatbare Kinderen optewekken. — Ik heb opge­

merkt , dat dit vooral plaats gehad had bij kinde­

ren , welken, tusfcheri het tweede en derde Jaar,

de beginfels van dit gebrek vertoonden. De­

zer dagen bezoek ik zes Kinderen, welken meer

of min, echter allen blijkbaar onder onze Ziekte

kwijnen. — Zij zijn alleen ruim twee Jaren oud.

Vijf van dezelven zijn, na dat zij de Borst ver­

lieten , met Melkpappen onderhouden, terwijl de

andere, die ook minst met dit Euvel befmet is

met de gewone Tafelkost is opgevoed. Doch

ik meen, dat wij deze waarneeming, ter verkla-

ringe van het tegenwoordig onderwerp, niet noo-

dig hebben.

Wij gaan over tot zaken van meer belang.

VIER-


43

VIERDE HOOFDSTUK

Van de Teekenen der Èngelfche Ziekte*

$ XX lil.

D E Kenmerken der Ziekten zijn onderfcheideri

in Algemeene, welken ook bij anderen Ziekten

voorkomen; en in Bijzondere, of Karakteristieke,-

ook Bejlisfchende Telkenen geheeten, door welken

de eene van de andere Ziekte, ten allen tijde,

onderkend wordt.

Zij verfchillen ook, naar mate van het beloop

der Ziekte, in haar Begin of Voortgang; als

mede, naar gelang van derzelver hevigheid, zelfs'

in hare eerfte verfchijning.

De Kenmerken zijn ook niet alfijd dezelfde, in

dezelfde Ziekte , bij onderfcheiden Lijderen ; te

weten, voor zoo verre die Teekenen niet bellis*

fchende zijn.

Van de Teekenen

§ XXIV/


èet Èngelfche Ziekte. 49

§ X X I V.

ïk zal de Teekenen der Èngelfche Ziekte ver­

deden naar het Begin , den Voortgang en het

Einde derzelve. — Welke drie verdeelingen den

leidraad van dit Hoofdftuk zullen zijn; terwijl het,

onder de opgave derzelven , wel haast blijken zal,

welke Teekenen den naam van Beflisfchende, al

of niet, verdienen, en welke de min 'of meer vol­

komen Èngelfche Ziekte verzeilen.

§ X X V.

Wij zullen den voorraad van de overweging eener

beginnende Èngelfche Ziekte ondeenen

1. Van de befchouwinge des uitwendigen Ligc-

haams;

ü. Van de gefteldheid der Ademhalinge;

3. Van die der deelen van de Spijsverteering;

4. Van de gefteldheid en omloop van het Bloed;

5. Van de Ontlastingen; en

6. Van de vermogens der Ziele.

Deze , anders fnipperachtige verdeeling > zal

noodig zijn , om den onkundigen te beter te doen N

vreezen , wat in den verderen voortgang der Ziekte

te duchten is.

D § XXVL


5°.

Belangende het eerfte : — De Oogen, te voren

glanzig en fchitterende, worden bleek en traa-

nig. — Zij fchijnen dieper, dan natuurlijk, in

hunne kasfen gezonken. — Het kind wordt hol-

öogig. — Het Aangezicht verbleekt en is fom-

tijds bol. — De, anders naauw gefpannen, Huid

des Ligchaaros wordt flap, ruim en rimpelig.

Dit heeft vooral plaats aan de Dijen en Beenen,

terwijl de Huid des Buiks, doof uC' opgezette

en Darmen gelpannen ftaat. .— Het Vel wordt,

over het geheel, wankleurig en tanig.

Het eene Kind is meer , dan te voren, gene­

gen om te leggen en te flaapen ; terwijl het an­

dere ongedurig is en onophoudelijk tobt en fchreeuwt.

Betast men de Vleezige deelen onder de Huid,

vooral der benedenfte Ledenmaten, en bij fommi-

gen ook der Armen, dan verneemt men, dat zij

trapswijze in Hevigheid afnemen, en langs zoo flap­

per worden.

Van de Teekenen

§ X X V I.

Hier bij komt vervolgens eene ongewone hitee

der Handpalmen en Voetzoolen.

Ziet gij zulk een Kind ? Had het zelve eene

voorgefchiktheid tot de Ziekte, en verkeerde het

zelve onder de Opwekkende Oorzaak ? — Vrees

dan voor eene beginnende Èngelfche Ziekte.

§ XXVII.


der Èngelfche Ziekte.

S X X V I I.

Ten weeden: Die vrees erlangt meer gronds, —

Wanneer de Ademhaling , bij korter poozen,

dan gewoonlijk, gefchied.

Dit kenmerk wordt afgeleid van den gezwollen

Buik, en is een natuurlijk gevolg van de belem­

merde nederwaardfche beweging' des Middenrifs,

zoo dat de Longen zich niet genoeg uitzetten. —»

Indien deze Opfpanning afwezend is, dan verneemd

men ook dit toeval niet, als een Gewrocht dier

Zwellinge , bij deze Kinderen.

De Uitgeademde Lucht is heet, heeft dikwerf

eenen onaangenamen gloed en Zuuren reuk, ——

Als dan wordt eene bezwarenis in de inademing 9

door Slijm in de Luchtblaasjes ophoopende, of

door eene Krampachtige toetrekking derzelven,

dikwerf vernomen. — Dit Teeken is echter veel-

tijds wankelbaar en onzeker, om dat de prikkeling

van het Tandvleesch onder de uitbotting der Tan*

den , welke veelal gelijktijdig gefchiedt, met de

eerfte verfchijnfelen der Èngelfche Ziekte, door

medegevoel van den gerekten Zenuw in den wof*

tel van den Tand met die der Longen , eene kramp­

achtige belemmerde Ademhaling kan veroorzaken. —

Een eenvouwig Lezer moet deze en foortgelijkë

Si

(tellingen , welker uitpluizing lastig en nutteloog

D ss mu-


53

Van de Teekenen.

zoude zijn, op goed vertrouwen overnemen , ter­

wijl hij zich op de toeftemming van bekwame Ziek-

tenkundigen kan verlaten.

§ X X V I I I.

Ten derden: Eenige wanorders in de deelen,

dienstbaar voor de Spijsverteering, leveren eene

nieuwe Bron van Kenteekenen.

De Tanden komen traag en gebrekkig te voor-

fcbijn.

De Tong is doorgaans wit, beflagen en dik­

wijls droog.

De Sprouw is dezen Kinderen zeer gemeen.

Zij walgen dikwils, en braken het Zog , ter-

ftond na de Zooging, uit, wanneer de ftof gekap-

peld en zeer Zuur is. — Dit Teeken is echter

verre af, van op zich zeiven iets te beflisfchen. —

Bij de overigen komt het zelve niet te min in

aanmerking.

Deze Kinderen zijn veelal ongemeen gulzig,

een gevolg van het prikkelend Zuur in de Maag. —-

Doorgaans voegen zich hier Oprifpingen en Win­

den bij.

Velen loozen bij mangel van Gal, met vrij

wat moeite , witte , taaüe , kazige , zuure

DrekftofFen. —— Anderen hebben meenigvuldige

Af-


der Èngelfche Zieke.

Afgangen, die geel van kleur en lcherp zijn, en

eenen gooren, zuuren reuk geven, welke fcherp­

te den Aars ontvalt. — Het inwendige gedeelte

der. Darmen wordt eindelijk raauw en zeer aan­

doenlijk , het geen niet lang na elke Zooging kan

opgemerkt worden.

Is het wonicr , dat de Vermagering hier op

volgdt , en dat , daar het Ligchaara bijna a ken

zich zei ven voeden moet, uitgeput, en de Huid

ruim en rimpelig wordt? — Men kan dit ge­

makkelijker bevroeden , wanneer men weet, dat,

onder deze ontlastingen, de Darmen, op fommige

plaatfen, met het Kazige deel van het Zog als

beplakt zijn, en dat aldaar (offchoon elders het

Vlies der Darmen van zijn flijm ontbloot is) de

opflurping van het voedende deel der Spijzen belet

wordt.

Dit tuige de ontleding der Kindertjes, welken,

gedurende dit tijdperk der Èngelfche Ziekte , het

Slagtoffer van andere Ziekten waren. — Eenmaal

zag ik eene vrij aanmerkelijke lengte der Darmen,

door deze ftoffe, zoodanig vernaauwt, dat fchaarsch

eene opening, ter dikte van een Tabakspijpfteel,

overbleef.

D 3 § XXIX.


54

Van de Teekenen

$ X X I X.

Ten vierden: Hier bij komen de gefteldheid en

omloop van het Bloed.

Uic het reeds betoogde blijkt de reden van de

Zuure kwaadfappigheid des Bloeds, van de Koort-

fige bewegingen en verhitting, daar door te weeg

gebragt, terwijl de hevigheid van het een en ander,

uit het meerder of minder gedeelte der Naaste Oor­

zaak , moet verklaard worden.

Opzigtelijk den loop van het Bloed in het bij­

zonder, ontdekken wij dikwerf, dat de Kropflag-

Sders, ter wederzijden van den Hals, meer uit­

puilen en fterker flaan, dan zij anders doen, of-

fchoon de Pols aan de hand flap en ingetrokken

is. — Deze plaatselijke vermelde beweging di.s

Bloeds naar het Hoofd, brengt toevallen aan,

waar van wij naderhand fpreeken zullen.

De Koorts houd geen ftreek, maar is fterker,

naar mate de Vaten meer geprikkeld worden.

$ X X X.

Ten vijfden: De Ontlastingen of Uitwerp-

fels geven zoo vele Teekenen der Èngelfche Ziek­

te , dat wij daar over iets meer te zeggen hebben.

Schoon wij het een en ander van het Braakfel

en


der Èngelfche Ziekte. 55

en den Drek gewaagden , zullen wij ook, daar

omtrent, echter noch iets aantemerken hebben,

terwijl de goede orde de navolgende verdeeling

billijkt.

Voor eerst: De Kwijl. — Deze is droog,

taai, en de Klieren , gefchikt tot affcheiding der-

zelven, zijn, bij velen, gezwollen endoen daarom

de affcheiding niet naar behooren. — Hier van

de droogte des Monds en de dorheid der Lippen,

welken fomtijds met eene bruinachtige korst bezet

zijn.

De geftadige onwillige afloop van het Spog is,

als een Teeken dezer Ziekte, door anderen , als

zoodanig erkend, niet te vertrouwen. — Een

Arts begrijpt, waarom?

Ten tweeden: Veelen hebben eenen droogen,

anderen eenen flijmigen Hoest, als uit verkoud­

heid , fomtijds met aanvallen van eenen Stuipach-

tigen klank , bijna gelijk in den Kinkhoest. —

Dit teeken echter is, in het afgetrokkene , niet

zeer voldoende.

Ten derden : Het geen meer onze opmerking,

dan onze verwondering, verdient, is, dat deze

Kinderen nooit eenige GalftofFe , onder het bra­

ken , loozen.

Een ervaren en veel gezochte Baker , welke op

dit ft.uk jaren lang gelet had, verhaalde mij, nim-

D 4 mer


5*

Van de Teekenen

mer ondervonden te hebben, dat Kinderen, wel­

ken nu en dan eenige Gal braakten, hoe zwak

zij anders waren , naderhand de Èngelfche Ziekte

kregen ; — Zij had , integendeel, menigmalen

voorfpeld, en hare voorfpelling werd bewaarheid,

dat Kinderen, welken veel Slijm en Zuur braak­

ten , indien zij tevens 'eene geelachtige kleur had­

den , in het vervolg door deze Ziekte zouden aan­

getast worden.

Ten vierden : Het vocht der Klieren in de Oog­

hoeken is, bij deze Kinderen , zeer fcherp, en,

met de overige Teekenen gepaard, een kenmerk

van belang. — Men kent dit aan de roodheid

van de Wangen, en van den Neus, uit de kna-

girg van het zelve ontltaande.

Mer» befpeurt dit Teeken echter niet altijd in het

begin van deze Ziekte.

Ten vijfden: —,— Het Zweet is, van den

eerden aanvang der Èngelfche Ziekte, fcherp, en

goor van reuk } waar uit, bij fommigen , vrij

lastige Huidgebreken, en bij anderen Ontvellingen

in de Liezen, nabij den Aars, fomtijds onder de

Armen, ook, in enkele gevallen , aan het Voort

hoofd, geb( ren worden.

Het is opmerkelijk, dat zij, welken zulk Zweet

hebben, en naderhand dergelijken Üitflag krijgen ,

meestal vau d? Èngelfche Ziekte vrij blijyerj,

Penk


der Èngelfche Ziekte. 57

Denk echter niet, dat, hoewel het Zuur in het

Bloed , uit den opgemelden ftaat van het Zweet,

vermoedelijk zij, even daarom de Naaste Oorzaak

der Èngelfche Ziekte beftaat; neen; doch, bij

de overigen gevoegd, geeft het zelve veel gronds.

Ten zesden: De Afgangen, — Men zij hier

omtrent niet te gereed in zijn befluit , wam dit

zowde ongerijmd zijn , welke hoedanigheden ook

in de Drekftoffe befpeurd worden; — Doch,

zijn 'er te gelijk andere Kenmerken tegenwoordig

dm geven de lijmige graauwe Ontlastingen niet min­

der reden , om de Naaste Oorzaak der aanvange-

lijke Èngelfche Ziekte te vermoeden, als de brui­

ne, geele, of zwarte zuurftinkeode en meenig-

vuldige Drek.

Ik behandel, dezer dagen, een Kind van der­

tien Maanden, het Vijfde van dezelfde Moeder. —

De Vier vorigen hadden allen eenige gevolgen van

de Èngelfche Ziekte.

De Vader had, in zijne Jeugd, de Waereld

gezien. — De Moeder was fterk en gezond,

haar Zog doorwerkt en ftevig. — De Kinderen

kwamen allen zeer zwak en teder ten voorfchijn.

Behalven eenen opgezetten , echter zachten ,

Buik, eene beginnende vermagering der Dijën en

Beenen, de ongedurigheid en gemelijkheid van dit

Lijdertje, ontlaste het zelve menigvuldige, brui-

D 5 ne,


5 3 Van de Teekenen

ne, zuure Drekftoffen. — Ik voorfpelde de Èn­

gelfche Ziekte, en ik vertrouw, dat deze voor­

zegging, voor het verzenden dezer Verhandelinge,

zal bevestigd worden. (*)

Ten zevenden: De Pis. — Bij deze Kinde­

ren is het niet gemaklijk, Kenmerken , welken dit

uitwerpfel zoude kunnen verfchaffen, te verzame­

len. — Ik zal mijne geringe ondervinding, daar

omtrent, trouwhartig mededeelen.

Bij veele Lijdcrtjes, bij welken de Èngelfche

Ziekte vermoed wordt, is de Pis roodachtig en

fcherp van reuk: bij anderen is dezelve waterig,

helder en dun. — De Pis wordt fomtijds, vooral

bij Jongetjes, druppelwijze en met pijn ontlast. —

Zij doen , twee Jaren oud zijnde, zoo vele po­

gingen , zelfs met hunne Handjes, om zich van

die knagende Pis te ontdoen.

Eenige Proeven met dit foort van Pis genomen,

en vergeleken met die van Kinderen, bij welken

geene reden van onderftelling der aanwezigheid

eener Zuure fcherpte in het Bloed te vinden was,

toonden, na de bijvoeging van een Vlugzout, eene

Zuur-

(*) Zes Maanden na dit ik het bovenftaande fchreef,

waren de Teekenen der Èngelfche Ziekte zoo duide­

lijk" en ontwijfelbaar, als ik immer bij eenen Lijder

gezien heb.


der Èngelfche Ziekte. 59

Zuurachtige ligte opbruifing, welke anders alzoo,

ten minften met dien reuk, niet befpeurd werd.

Dit meen ik, door herhaalde waarnemingen overtuigd

, aan het nader onderzoek der Geneeskundigen

te mogen overlaten, wanneer men die gisting

aanmerkelijker vinden zal, dan bij de Pis van bejaarden,

op gelijke wijs getoetst.

De blijkbaarheid dezer Proeven worde grooter,

naar mate de Èngelfche Ziekte meer gevorderd is.

S X X X I,

De laatfte foort van Teekenen wordt ontleend

van de ongefteldheid der Zielvermogens. (§ XXV

n. 6_) zoo veel men over dezelven bij deze Kinderen

kan oordeelen.

BOÖTIUS, welke de eerfte, in den beginne

der voorgaande Eeuwe, over deze Ziekte duidelijk

fchreef, en GLISSONIUS, na Hem, mitsgaders

anderen, op hun voetfpoor, beweerden, dat eene

meer dan gewoone fchranderheid, zelfs in den ecrften

aanvang der Èngelfche Ziekte, een harer Kenteekenen

opleverde. — Anderen, vooral de beroemde

BUCHNER, hielden, in tegendeel, eene

blijkbare domheid voor een kenfehets dezer Ziekte.

— Elk beriep zich op de ondervinding.

Deze Gids zal ook mij geleiden, zonder dat mijn

ge-


6o Van de Teekenen

gevoelen op eene enkele waarneming zal gevestigd

zijn.

De Kinderen, bij wellen de Èngelfche Ziekte

plaats heeft, ftammen veelal van vernuftige Ou­

deren. Daarom zijn zij, misfchien , ook,

naar hunnen Leeftijd, vatbaarer dan anderen.

Doch dit ter zijde gefield, of toegeftemdlijnde,

is voor mij om 't even ,- en ik zie geene reden , om

eenig Teeken eener beginnende Èngelfche Ziekte

van de gefteldheid der Zielvermogens (ondanks hec

gevoelen van anderen) afteleiden.

Wel is waar, dat de Ziekte zich fomtijds, in

een' aanmerkelijken trap, fpoedig vertoondt, en

dat als dan Teekenen, welken in eene ordenlijke

Verhandeling niet gevoeglijk tot den eerlten trap

der Ziekte mogen gebragt worden, voorkomen. —

In dat geval befpeurd men eene verfijnde, doch

bij anderen eene verftompte werking van den Geesr.

— Maar wij zullen naderhand hier van opzettelijk

fpreken.

S x x x 11.

Verneemt men alle, of de meelten der opge­

noemde Teekenen, dan is de Èngelfche Ziekte

aanwezig, of zeer nabij. —— Wie echter in zijn

befluit aarzelt, zal in het vervolg beter overreed

worden.

Over


der Engel/die Ziekte. 61

Over dit ftuk had ik nog eenige weinige Aanmerkingen.

Voor eerst. — Het eene Teeken is fomtijds

duidelijker dan het andere. — Evenwel krijgt

men , over allen , meerdere toelichting , wanneer

het Kind de Ziektezaden heeft, en het Zog de

hoedanigheden, om dezelven optewekken.

Ten tweeden. — Niet zeiden vernemen wij

één of meerder Teekenen, welken anders later

voorkomen; bij voorbeeld, de uitzetting der Knok­

ken, aan de Handen en Enkels, (welken ROSEN,

ten onregte onder de Tcekenen der aanvanglijke

Èngelfche Ziekte teldt) de verwijding der naden

van het Hoofd , de kromming der Arm-, Scheen-,

en Kuitbeenderen, zwelling en verharding van den

Buik, uitmergeling der onderfle Ledematen, enz. —

Alwaar dit gebeurd, is het gebrek des te gemak­

kelijker kenbaar.

Ten derden. _ Hebt gij zulk een Kind, Le­

zer! — Zoek dan tijdig de voorfchriften der

Geneeskunde, ten besten van uw kroost, aante-

wenden, om aldus, door gewisfer Kenteekenen,

niet al te blijkbaar van uw verzuim overreed te

worden.

§ X X X I I I.

Het verloop des tijds tusfehen het begin en

den


£>2 Van de Teekenen

den verderen voortgang der Èngelfche Ziekte, is

niet gemakkelijk met zekerheid te beperken. —.

Vele Kinderen blijven eenige Weken, anderen ettelijke

Maanden , in eenen toefland, welke met

regt tot de beginnende Èngelfche Ziekte behoort. —

Ik heb Kinderen, in die onzekerheid , Agt of

Tien Maanden zien verkeeren. — Eenigen hebben

de Ziekte zoo goedaartig, dat bijna niets

van de Teekenen des tweeden tijdperks ontdekt

wordt. — Bij fommigen zijn de Teekenen ingewikkeld,

en de beginnende is van de meer gevorderde

Ziekte bezwaarlijk te onderfcheiden. —

Hier toe behoort niet alleen de zwelling der Knokken

, en het geene zoo even opgenoemd is, maar

ook de verhinderde , of geftoorde , Beenverharding.

•— Wordt echter de Geneesheer tijdig geroepen

, of ftelt een Huisvader de behoorlijke

aandacht te werk, dan zal men ongetwijfeld, in

bijna alle gevallen, tijds genoeg hebben, om de

twee eerfte graden der Èngelfche Ziekte te onderfcheiden.

— Deswegens zijn zij niet vrij van

wanorde , welke de Teekens van den blijkbaren

verfchillenden loop dezer Ziekte onder eikanderen

vermengen. — Of de Heer ROSEN, behoudens

zijne verdienden, van deze bedenking kan vrijgepleit

worden, zullen wij nu niet onderzoeken,

maar liever onzen weg vervolgen.

S XXXIV.


der Èngelfche Ziekte. • 63

§ X X X 1 V.

Wij gaan over tot de aanwijzing der Teekenen

van het Tweede Tijdperk (§ XXIV.)

Het zal best zijn, om de vooorgaande verdee­

ling (§ XXV.) te behouden. — Dit zal minst

verwarren, en den Lezer genoeg in ftaat ftellen

om over de meerdere afwijkingen van de gezonde

werking der deelen te oordeelen.

Wij beginnen dan in de eerfte plaats, met de

Befchouwing des Ligchaams, bepaaldelijk, Voor

e?rst, van het Hoofd; Dit neemt langzaam toe in

grootc; — De Naden, welken bij andere Kinderen

vernauwen, wijken van eikanderen ; — Het Voor­

hoofdsbeen puilt uit, of wordt, fchoon zelden,

meer plat dan verheven.

De Beenwording gaat, hier en ginds, niet naar

behooren, of wordt geftaakt. — In één geval zag

ik het regter Sleutelbeen krom en knoestig worden;

de Wervelen zetten zich zijdelings, of achtcrwaards

uit, vooral de Rugwervelen; —- Men heeft eeng

de voorwaardfche afwijking derzelven opgemerkt. —

De Ribben worden, vooral waar zij met hunne

Kraakbeenen vereenigd zijn, insgelijks tegennatuur­

lijk krom , en niet zelden knobbelig en knoes­

tig. — £) e Beenen der Ledematen worden fcheef

en platachtig, voor al de Dijen en Beenen. —.

Dit zien wij, wanneer de Kinderen ftaan en gaan :

een


6x

Fan de Teekenen

een natuurlijk gevolg van het onvermogen dezer

deelen, om de zwaarte des Ligchaams, zonder

hinder, te wederftaan. — De Hoofden der Arm-

beenderen, en van die der Beenen aan Handen en

Voeten worden dikker en breeder, dan behoorlijk.

Onder het zachtkens wrijven van de Ledematen,

verneemt men eenige ruwe ongelijkheden.

De Knieën zetten zich buiten, — doch meest­

al binnenwaards uit, zoo dat de Kniefchijven einde­

lijk, geheel en al uit hare plaats wijken.

De Beenderen van het Bekken verkrijgen, veel­

tijds , eenen zoo Gngeregelden groei, dat daar

door, naderhand, vele Vrouwen en haar Vrucht,

onder de Vcrlosfing , ongelukkig worden.

Deze ongelijkvormigheid van den Wasdom der

Beenderen is veeltijds zoo zichtbaar, dat ik ver­

fcheiden Kinderen heb behandeld, bij welken de

Arm- en Dijebeenderen, naar evenredigheid der

overigen , veel te kort of te dik en tevens te

kort, hoewel anders niet boven mate, gebogen

waren. — Een Meisje van ruim anderhalf jaren 9

heeft, door deze Oorzaak , den regter Arm , twee

duimen langer dan den flinker, welke de behoor­

lijke lengte heeft. — Bij een Jongetje, even oud,

is het flinker Dijebeen bijna drie duimen korter

en veel dikker dan het regter. — Dergelijken

vvangroei befpeurt men ook in andere Beenderen.

Veele


def Ertgelfchè Ziekte. 65

Veele ontkennen het dadelijk beftaan dezer Week-

"wordinge ; Anderen erkennen dezelve, maar hou­

den de Helling , om ze aan de Naaste Oorzaak

der Èngelfche Ziekte toetefchrijven , Voor eenen

Hersfenvorid van geen waardij. — De meeften

zijn van ons begrip, waar in wij Hellen, dat de

ervaring bij alle Kinderen, met" dc Èngelfche

Ziekte behebt , deze Wanftal meer of min

toont; zoo dat dit, in dier vóegen, in geene

andere hunner Ziekten plaats hebbe. — Het is

zelfs niet vreemd te ondervinden , dat, wanneer

bet tweede tijdvak der Ziekte omflreeks het tweede

Jaar aanwezig is , en het Kind reeds gaat, dat

als dan de Beenderen, welken eenige hardheid be­

komen hadden, weder zacht en buigzaam wor­

den. — Van de waarheid daar van ben ik, door

de opening van een Lijkje, volkomen overreed.

De Kraakbeenen deelen insgelijks in deze zoo

nadeelige uitwerking der Èngelfche Ziekte. .

Dezen zetten zich op verfcheiden plaatzen uit; —

anderen worden plat; anderen week, zoo dac

eindelijk het Ligchaam zijn Heun en Hevigheid

verliest.

Ten tweeden. — Befchouwt men het Lijdertje

verder, dan ziet men zijn aangezigt gezwollen 7

en meer opgezet, dan de vermagering des overi­

gen Ligchaams gedoogt.

E Da


66 Van de Teekenen

De Buik ftaat, hoe langs zoo meer, gefpannen,

vooral ter regter zijde, alwaar eene zachte betas­

ting bij fommigen veel pijn verwekt.

De overige Huid, vooral der Dijen en ne der-

waards , is flap, dor en rimpelig, het geen aan

de uitmergeling van het Vet, en den belemmer­

den omloop des Bloeds derwaards wordt toege-

fchreven.

De Palmen en Zooien zijn , bij de meeften,

brandend en heet.

daan.

De kleur is doorgaans bleek, tanig en onge­

Bij fommigen zwellen de Klieren , inzonderheid

van den Hals , onder de Ooren, en elders. —

Deze zwelling, en bijkomende verharding, zijn

bij dezen zeer weerbarstig, doch bij anderen ver­

dwijnen dezelven, om naderhand op nieuw te ver-

fchijnen, of zich naar elders te verplaarfen.

Bij dit aantal overredende Kenmerken, zien wij

fomtijds plaatzclijke Verhardingen en Zweeren on­

der de Huid, die de gedaante en den loop van

Beenceters hebben, en niet zelden averegts behan­

deld worden. — Wij zijn echter verpligt om, in

dergelijke gevallen, te onderzoeken, of, met de

Zuure, ook geene Venerieke kwade gefteldheid

der Vochten gepaard zij, of deze Verzweeringen

geen gevolgen zijn van verplaatftcn) Dauwworm,

Schurft,


der Èngelfche Ziekte. %J

Schurft, of eenige andere Huidziekte, op dat ons

de beste wijs van genezing, ten onpasfe aange­

wend, niet te leur ftelle.

Onder de Kenmerken der Èngelfche Ziekte zag

men wel eens zuchtige zwelling van Handen en

Voeten, ook, maar zelden , van het ganfche

Ligchaam; een Kenmerk van een aanmerkelijke

verdunning des Bloeds.

§ X X X V.

Ten tweeden. De Ademhaling wordt meer en

meer belemmerd, en gefchied bij tusfchenpoozen,

waar van wij terftond de reden melden zullen.

$ X X X V I.

Ten derden. Om die reden bij de hand te

hebben, zullen wij overwegen, hoe de omloop

des Bloeds gefteld is. — Deze kleene verfchik-

king in de verdeeling (§ XXV n. 4) kan eenig

gemak verzorgen.

Sommigen hebben reeds vroeg een klein Koorts-

je, welk langzaam toeneemt en hebbelijk wordt.

Bij de meeften echter ontdekken wij het zelve eersc

dan, wanneer de uitzetting van het Hoofd en de

Knokjes zichtbaar wordt. — Dan heeft deze den

E a loop


ó"8 Van de Teekenen

oop van eene geftadige uitteerende Koorts, welke

duidelijk blijkt, door eene aanhoudende prikkeling,

veroorzaakt te worden. — Zij gaat verzeld met

meerdere Hitte en klam Zweet, vooral binnen de

Handen , dan in het begin.

Men ziet de Kropflagaders en aders zwellen,

en de eerften geweldig flaan; — of de zwelling

van het Hoofd hier aan, voor een gedeelte, moet

toegefchreven worden , zal in de befchrijving der

Toevallen voorkomen.

Deze verfnelde beweging van het Bloed is eene

voorname Oorzaak van de moeijelijke Ademhaling;

terwijl de ontlasting van dat vocht, uit de wan­

kleurigheid van den Huid, witheid der Oogen,

bleekc Lippen, en raauwe Pis, 'genoegzaam blijkt.

$ X X X V I I.

Ten vierden. De overweging der Teekenen, wel­

ken de Spijsverteering verfchaft, ftaat nu te volgen.

De Tanden verfchijnen traag en ongeregeld.

Die er zijn, worden rottig en vallen brokkelings

uit. — Dit veroorzaakt, bij velen, eenen hinder

lijken ftank uit den Mond, welke duidelijk verfchildt

van den hceten zuuren reuk uit de Keel. — Deze

Tanden zijn meestal, bruin of zwart, en toonen

genoeg , dat hun voedend Vocht bedorven is.

Het


der Èngelfche Ziekte. 69

Het Tandvleesch wort bleek , fomtijds rood en

ontveld. — Eenmaal zag ik de Tandenkasfen,

door Beenbederf, geknaagd.

De Tanden zijn , in enkele gevallen, veel zach­

ter, dan naar behooren, zoo dat ik dezelven ,

eenige jaren geleden, bij een Meisje van ruim

twee jaren, zoo week en buigzaam vond, als

Wasch. — Bit Kind is Tandeloos gebleven.

De hcete en drooge Mond wordt pijnelijk, door

vlakke Zweertjes of Puistjes, die van eene Sprouw-

achtige natuur zijn , verdwijnen en wederkeeren ,

wanneer tevens de Amandelen doorgaans gezwollen

zijn.

Deze blijken eener fcherpe en knagende Wan-

Halte der Vochten blijkt ook, uit de dorre Lip­

pen en het ontdoken Keelgat.

De Zuure Oprispingen en Brakingen vermeer­

deren , omdat deze Kinderen veeltijds gulzig en

onmatig zuigen, of fchoon het Zog, in evenre­

digheid der toenemende Zwakheid van de Vertee-

ringkragten , voor hun een bezwarend voedzel

worde. — In wederwil van dezen honger, man­

gelt het den eerften wegen (de Maag'en Darmen)

aan Gal, terwij een overmaat van Zuur geworden

Wei het gevoel van honger verwekt, en bij ve­

len het Stremfel de Darmen uitzet, welken daar

door vol vvinds zijn , ten zij menigvuldige afganr

E 3 . gen



Van de Teekenen

gen hen van de , araiers befloten, lucht ontheffen.

§ X X X V I I I.

Ten vijfden. De Teekenen, ontleend van de

ontlaste ftojfen, zijn, in wezen, dezelfde, als in

het begin; maar beter gefchikt, om den angel, die

in het gras fchuilt, te doen kennen.

De Kwijl wordt taaijer, goor en kleverig, ——

of dun, fcherp en knagende.

De Hoest wakkert aan, met eene bezetting van

Slijm in de Long, die de Ademhaling veeltijds moeijelijk

maakt. — De Natuur herftelt echter dit gevolg

dikwijls, door eene Slijmbraking. — Dit ziet men

dikwijler, naar geraden van het klimmen der Ziekte.

De Oogen traanen een Vocht, het welk hoe langs

hoe fcherper wordt, en het geen, proef kundig getoetst,

blijkt, eene Zuure geaartheid te bezitten. —

Dit fcherpe Vocht ontvelt fomtijds gansch het aangezicht,

het welk ik, meer dan eens, daarna, met

eene Dauwwormige korst bedekt vond.

Het Lijdertje is heeter, maar zweet minder dan

te vooren, en wanneer dit laatfte gefchiedt, dan

geraakt het kind eene fcherpe , knagende ftof

kwijt.

De Afgangen vermeenigvuldigen in getal, en

nemen toe in de bruine kleur, den flank en de

fcherp-


der Èngelfche Ziekte. 7t

fcherpte. — Anderen zijn, in tegendeel, doch

ten hunnen nadeele , hardlijvig.

Ontdekt men, dat de Buik , onder dezen rui­

men Stoelgang , zwelt, hard wordt, of, als een

trommel, gefpannen ftaat, en dat de Ring fpier

van den Aars verflapt, dan is de toeftai,d zorge­

lijk , vooral indien het Kind, door Stalachtige

bewegingen, als van de vallende Ziekte, getrok­

ken wordt. — Loost het Lijdertje, intusfehen,

boven — vooral benedenwaards, met verminde­

ring der afgangen, der zwelling van den Buik,

en der Zenuwtrekking, verwacht dan iets goeds. —•

Hier van zal in het Hoofdftuk der Voorfpelling'

breeder moeten gehandeld worden.

Schoon ik, in den aanvang der Èngelfche Ziekte,

weinig gewigt hechtte aan Teekenen, ontleend van

de ftompe of vlugge Geestvermogens XXXI.)

en de meeste waardij ftelle op Teekenen van het

vermogen des Ligchaams, op eene vatbare wys afga-

leid, zoo meen ik echter ondervonden te hebben,

dat men daar van, in eenen meergevorderden ftaat

onzer Ziekte, ter onderfcheiding derzelve van ande­

ren, eenige opmerkzaamheden kan aanwijzen.

Schoon de Reden in de Verklaring van dit onder­

werp , niet allenthalven werkeloos is, zal nochtans

de Ondervinding hier het meeste gezag hebben,

E 4 Vele


7* - Van de Teekenen

Vele kinderen zijn, onder den voortgang der

Èngelfche Ziekte, waarlijk vernuftiger en taaijer van

geheugen, dan men van hunnen leeftijd zou kunnen

verwachten. — Zou deze waarneming gelegenheid

verfchaft hebben aan eenige fpreekwoorden: „ Vroeg

», rijp, vroeg rot! — Wacht u voor de getee-

„ kenden! — Het kind is te flim, en zal niet

„ lang leven!" enz. — Spreekwoorden, gewisfe-

Jijk niet ouder dan de Èngelfche Ziekte.

B*at zulke kinderen fpoedig blijken van een gees^

tig vernuft toonen en naderhand uitiiekende mannen

werden, leerde de ervaring zeer dikwijls. — Of

SOCRATES, CRATES en AESOPUS, door de

Èngelfche Ziekte , in hunne jeugd, gebocheld

geworden zijn, weet ik niet; maar ik herinner

mij, onder dit foprt van, door de Èngelfche

Ziekte, verminkte C ratesfen , Mannen van den

eerften rang in het vak der geleerdheid , van wel­

ken eenigen hunnen roem nog dagelijks vermeer­

deren. — Het zou , des npods, niet moeijelijk

zijn , pm de waarheid van dit onderwerp, met

de fchranderfte antwoorden , opmerkingen , en blij­

ken van een taaij geheugen, bij Kinderen van

tvyee pf drie jaren, te bevestigen.

Dpeh het tegendeel behoort ook niet onder de

zeldzaamheden. —, Vele Kinderen worden, door

en


der Èngelfche Ziekte. 73

en onder Èngelfche Ziekte en hare gevolgen , 'fla-

perig, dom en ontvatbaar; — hun Geheugen

wordt verflompt, en hun Oordeel bekrompen.

Van waar komt dit verfchil ? — Van de on-

derfchciden gevolgen, welken, door den ongere-

gelden omloop van het Bloed naar de hersfenen -

en deszelfs gevolgen, te weeg gebragt worden—

als mede van de verfchillende werkzaamheden dei-

werktuiglijke deelen der zinnen, op onderfcheiden

Wijzen, door de uitzetting van het Hoofd, be­

werkt ; — Doch de Lezer, voor welken deze

Verhandeling meest ingericht is , zal weinig vor­

deren met de ontwikkeling van Wijsgeerige gisfingen.

§ X X X I X.

Thans, vertrouw ik, de Kenmerken der Èn­

gelfche Ziekte, in haar begin en verdere voort­

gang , klaar genoeg te hebben verzameld. — Velen

derzelven, ik erken het, beflisfchen de Ziekte niet,

wanneer zij in het afgetrokkene befpeurd worden. .

Het was ook geenzins mijn doel, om dezelven, elk

op zich zeiven, met die waardigheid te vereeren. —

Maar, indien zij gezamenlijk, 0f velen derzelven,

op de befchreven manier fhnd grijpen, dan zijn

even deze zaamverbonden Teekenen genoegzaam,

ara de Èngelfche Ziekte te kennen, en van alle

E 5 an-


74

Van de Teekenen

anderen te onderfcheiden. — Om dit laatffe te

bewijzen , moest ik nu de Teekens van alle an­

dere Ziekten der Kinderen, met die der Èngel­

fche Ziekte vergelijken, en daar mede mijn befiuit

voldingen. — Dan dit zoude meer omflags , dan

onderwijs geven ; meer verwarring voor vele Le-

zercn , dan opheldering.

Befiuit nu , indien gij in uw Kroost, de meeften

dezer Kenmerken, in den voorgemelden leeftijd,

ziet, dat de Èngelfche, en geene andere Ziekte,

hoe genaamd, zijn ligchaam foltert.

§ X L.

De Teekens van den laatften trap, of het einde

der Ziekte, zijn zeer kennelijk.

De Kenmerken van het tweede tijdperk duren

zoo lang , tot de Naaste Oorzaak der Ziekte, door

de Natuur, of de Kunst, ten ondergebragt, en

het Lijdertje in eenen volkomen ftaat van gezond­

heid gekomen is.

Het gaat echter niet altijd zoo voorfpoedig,

want met de verheffing der Toevallen klimmen de

vorens befchreven Kenmerken tot die hoogte,

dat zij gevaarlijke , en zdfs doodelijke , gevolgen '

doen duchten.

Andere overblijvende Teekenen wijzen de on­

vol-


der Èngelfche Ziekte. y$

volkomenheid der herilellinge , ten duidelijkften.

aan.

Maar het een en ander behoort veeleer tot de

overweging der Gevolgen, dan tot ons tegenwoor­

dig bellek.

Om de mogelijke gebeurcenisfen niet te verzwij­

gen , zal ik dezelven, met weinige woorden, be-

fchouwen, en den Lezer voorts naar het Zevende

Hoofdftuk zenden.

Eerftelijk: De Ribben en Wervelen worden

fomtijds hoe langer hoe wanftaltiger, drukken de

Long, leggen grond tot zeer benaauwde Adem­

haling, Ontfteking en derzelver gevolgen. — De

Teekenen dezer verfchijnfelen zijn niet duister.

Ten tweeden: Somtijds krijgen de Kwaadfappig-

heid en Koorts, blijkbaar uit de meerdere wan­

kleurigheid, hitte, verfnelde pols en vermagering,

de overhand. -— De Luchtpijp wordt met flijrn

bezet, de kragten verminderen, het Kind wordt

zwakker, teert uit, en fterft. — Men begeert

geene Teekenen, welken dit gevolg doen vreezen.

Ten derden : Ik heb aangemerkt , dat deze

Kwaadfappigheid ook uit de Zwelling van het aan­

gezicht gekend wordt. — Indien deze zwelling

verdwijnt, terwijl de fleepende Koorts voortduurt,

en tevens eenige Stuipachtige trekkingen vernomen

worden, de Buik opgezet blijft, en de onderfte

Le.


7°" • Vin de Teekenen

Ledenmaten, tot het gebeente, uitgemergeld zijn,

dan heeft men Teekenen van een treurig vooruit-

zigt.

Ten Vierden : Indien de Oogen, te voren wa­

terig, fchielijk droog, fletsch worden, en hun­

nen glans verliezen, terwijl het Kind zeer zwak,

en de Ademhaling , door taaije Slijm, aanmerkelijk

belemmerd is, en een geratel onder dezelve'ge­

hoord wordt, dan zijn die Teekenen even zoo

vele Boden, welke den naderenden Dood verkon­

digen.

§ X L I.

Dit zij genoeg van de Kenmerken der Èngel­

fche Ziekte, in haren onderfcheiden loop, wel­

ken ik zoo duidelijk , als de vatbaarheid van den

minstkundigen gedoogt , heb trachten aantewijzen.

Doch het is voldoende , de Naaste Oorzaak

eener Ziekte, uit gewisfe Teekenen, te kunnen

onderfcheiden, maar ter bekominge van eene meer

volledige kennis der Ziekte , moeten de gewroch­

ten dier Naaste Oorzaak op het Dierlijk geftel na­

der ontwikkeld worden.

VIJF-


der Èngelfche Ziekte.

VIJFDE HOOFDSTUK

Van de Toevallen der Èngelfche Ziekte.

§ X L I I.

Op dat de goede orde en klaarheid onzen gang

zoude befturen, meen ik, dat de overweging der

Toevallen, naar de drie onderfcheiden Tijdvakken

der Èngelfche Ziekte (§ XXIV) de gefchiktlïe

zijn zal, te weten; wij moeten dezelven overwe­

gen, gelijk zij zich vertoonen,

eerst: in het begin der Èngelfche Ziekte,

ten tweeden: in haaren voortgang,

ten derden: in haar einde.

§ X L I I I.

De Toevallen der Naaste Oorzaak eener aan-

vanglijke Èngelfche Ziekte bepalen zich :

I. Tot de Maag en Darmen,

Ik Tot de uitwerking van de Zuurgeworden

Wei, in het Bloed.

77

§ XLIV.


78 Van de Toevallen

§ X L I V.

Belangende het eerfte. — Het Stremfel, en

deszelfs hindernisfcn, zijn, wel is waar, geene

eigenlijke toevallen van de Naaste Oorzaak; doch

zij zijn, in de meelte gevallen, daar van niet wel

aftefcheiden, en kunnen op geen gevoeglijker plaats

dan deze, befchreven worden.

Dit Stremfel brengt, uit hoofde van zijne zwaar­

te , taaijheid en bederf, verfcheiden hinderlijke en

gevaarlijke toevallen voort, welken of der eerfte

Teekenen van de Èngelfche Ziekte voorgaan, of

dezelve verzeilen. — Gebrek aan Voeding en Uit-

teering waren , veeltijds, de gevolgen van dit

Stremfel. — Ik zag tweemaal, in Lijkjes, eene

inkokering, door deze ftoffe in de Darmen ge­

vormd , waar door de opflurping belet was, en

de Kindertjes tot den dood uitgemergeld werden.

Een ander foort van Toevallen in de eerfte We­

gen heeft de Zuurgeworden Wei tot zijnen oor-

fprong, zoo dra deze Wei dien graad van fcherpte

bekomen heeft, dat zij het gevoelig binnevlies der

Maag' en Darmen prikkelt, en fomtijds van het

zoo noodige Slijm berooft of ontvelt. — Van

daar de meenigvuldige Walgingen, Brakingen,

Stuipen, Buikpijnen en geftadigen Hoest, uit het

medegevoel der Maag' met de Longzenuwen. —

Van


der Èngelfche Ziekte. 79

Van daar ook meenigvuldige Afgangen; fiijmige ea

bloedige Persloop, daar op volgende Zwakheid

en haar toevallen. —. Uit deze Oorzaak zag ik

den Koliekdarm, in een Lijkje van anderhalf ja­

ren, ter lengte van drie duimen, — ontveld

en koudvurig.

Dit in het voorbijgaan , van Toevallen , welken

riet eigenlijk tot ons bedek, behooren, gezegd heb­

bende , komen wij nader toe ons onderwerp.

§ X L V.

De Toevallen der Èngelfche Ziekte, in haar

eerfte begin, zullen voor hem, die , het geen

van de Teekenen derzelven gezegd is, overweegt,

niet duister zijn. Men houdc het daar voor,

als of die Teekenen, zoo verre zij Toevallen zijn

kunnen, het geen genoeg is aangewezen, hier

waren ingelascht. (§ XXVI—XXXIII).

En, daar ik elders heb opgemerkt, dat de

opgeflurpte Wei van het Zog, in den allereerdcn

aanvang der Ziekte, dikwerf zoo zacht van aart is,

dat de Toevallen, daar uit ontdaan, van gering

belang zijn, zoo zie ik geen reden genoeg, om

eene reeks van Toevalligheden, welken geene na­

dere verklaring behoeven, te befchrijven.

Doch , daar men, aan den anderen ként, ver-


80 , Van de Toevallen

pligt is te erkennen, dat eenige Toevallen, wel­

ken wij tot den tweede trap der Èngelfche Ziekte

betrekken, zich reeds onder de blijkbare Kenmer­

ken derzelve, in den beginne venoonen, zal ik

om in geene herhalingen te vallen , het daar voor

houden, als of dezelven ook hier geplaatst waren.

§ X L V I.

Om de Toevallen , in het tweede Tijdperk der

Èngelfche Ziekte, tot het onderzoek van welken,

zonder verwijl, overgegaan wordt, in eene geregel­

de fchikking voortedragen, zal ik dezen leidraad

volgen: 1

(

Eerst, zal ik de Toevallen opzamelen, welken

hunne betrekking op de Ademhaling en den om­

loop des Bloeds hebben.

Ten tweeden , zullen die Toevallen volgen,

welken verzeld gaan met de onregelmatige Was­

dom van fommige deelen.

Ten derden, zal ik eenige anderen, bij de voor-

J_„ --• _ 1 3 1 J- J... 1

gaanaen niet wei gevoegu Kunnenae . woraen , la­

ten volgen.

$ X L VI L

Betrekkelijk de Eerften. — De Naaste Oor­

zaak der Èngelfche Ziekte brengt in het Bloed eene

gis-


der 'Èngelfche Ziekte. tl

gisting, en maakt het zelve tevens dun en fcherp. —

Hier uit ontftaan, Neusbloedingen, bloedige Fluim-

lozingen, Bloedhoest, welke Toevallen, bij deze

Lijdertjes, niet zeldzaam zijn.

Uit deze Kwaadfappigheid ontftaan ook velerlei

foorten van hardnekkige Huidziekten en Keelgebre-

ken, Vlakke Zvveeren , Uitflag,.enz.

Ook is de moeijelijke Ademhaling, Hijging, en

dergelijken, gedeeltelijk daar aan toetefchrijven.

; De aanhoudende Prikkeling van dit, alzoo fcherp

geworden Bloed, met de uitwerkfe.ls daar van ,

veroorzaken , bij velen , eene Koorts , die geftadig

aanhoudt ; doeh welke , bij anderen, tegen den

nacht, heviger wordt, en met de gewoone toe­

vallen eener fleepende Koorts verzeld is.

§ X L V I I I.

De Toevallen van het tweede loortCS XLVI. n. 2)

zijn niet minder blijkbaar, dan de voorgemelden.

De Gijl heeft de hoedanigheid verlooien, om

het Bloed, door behoorlijk voedende deelen , te

herftellen. — Daar van de toevallen van Wan-

groei. — Sommigen Deelen zetten onmatig uit;

anderen worden mager en uitgemergeld; velen

worden niet tijdig genoeg verhard, worden week

of misvormd.

F_ Naar


?2 Van de Toevallen

Naar mate van de onderfcheiden Werking der

aangedane Deelen, zijn de Toevallen, hier door

ontftaan, ook zeer onderfcheiden. — Dit verdient

onze opmerking. ,

De Uitzetting van het Hoofd is een Toeval'der

Èngelfche Ziekte, waarfchijnlijk door den, genadig

vermelden, loop van het Bloed derwaards veroor­

zaakt.

Wij hebben te voren aangemerkt, dat deze Uit­

zetting een' zeer verfchillenden vorm aan de Been­

deren des Hoofds verfchaft, en de Toevallen, naar

geraden der verfchillende, het zij gedrukte of gerek­

te, Deelen, onderfcheiden zijn.

Eenmaal heb ik, door eenen nederwaardfchen

groei van het Voorhoofdbeen, waar door het zelve

ongemeen plat werd, de Oogen uit hunne Kasfen

zoo verre, en met zulk een gevolg, gedrukt ge­

zien, dat het Kind bijna blind werd.

Eene meer gefnipperde Verklaring dezer Toeval­

len, en van hun vermogen op de aangedane Deelen,

kan even weinig dienen tot onderrichting van den

gemeenen Man, als de vermeenigvuldiging van

Waarnemingen. — Ook liep men gevaar, om afte-

wijken tot het onderwerp der Gevolgen.

Onder deze Toevallen behooren ook die, welken

uit de Zwelling en Verharding van den Buik ont­

ftaan. ——. Ik heb het oog niet op de dikte, door

de


der Èngelfche Ziekte. 83

de Kazige Kappeling verwekt; maar op de verhar­

ding en zwelling der Klieren van het Darmfcheil;

op de uitgezette en verharde Lever, en foortgelijke

gebreken, welken, na de ontleding van zulke Lüj>

dertjes , ontdekt zijn, en uit de Naaste Oorzaak

der Èngelfche Ziekpe kunnen verklaard worden.

Welke Toevallen- kunnen uit de geftremde werk­

zaamheid de/er Deelen ontftaan? — Kwaadfiippig-

heid, Geelzucht, Waterzucht, gevolgen van eene

werkelooze Lever, gebrek aan Gal en Gijl.

De verdorring der onderfre Ledematen, de ver­

magering van het geheele ligchaam, is een Toeval

der bedorven Voeding', des ook een gevolglijk

Toeval van de Naaste Oorzaak der Èngelfche Ziek­

te. — Het ftreelend Melkachtig vocht, zoo on­

ontbeerlijk tot onderhoud en waschdom van ons

geftel, is in eene regttegengeftelde hoedanigheid

verwandeld. — De Toevallen, welken hier uit

noodzakelijk ontftaan moeten , zal de Lezer, uit

het geene hem van de Wegen en Vereischten der

voedinge niet meer onbekend zijn kan, en het

geene hier omtrent verder gezegd is, genoeg op­

maken. — Deze Toevallen ftaan, in hunnen aart

en kragt, gelijk met-het vermogen en aanzijn der

Zuure fcherpte. — Ik zou, met eene uitbreiding

hier van, grooter onvatbaarheid, en minder op­

lettendheid , in den Lezer moeten onderflellen, dan

Fa ik


84 V&n de Toevallen

ik mag vertrouwen door de Utrechtfche Maatfchap-

pij bedoeld te zijn.

Men kendt nu de Oorzaak van de gebrekkige

Groei en Misvoeding, Zwelling, enz. der Beende-

een en Kraakbeenderen, waar van, onder de Tee­

kenen, uitvoerig gefproken is. Daar door

worden de Beenvliezen gerekt en gedrukt, de Ze­

nuwen uit hun verband getrokken. — Welke pij­

nen en jammeren! — Zoo geweldig, dat de

zachtfte aanraking de bitterde fmert, bij velen,

veroorzaakt. — Even door dit Toeval der Èngel­

fche Ziekte worden ook dikwerf de aanvoerende en

terugbrengende Bloedvaten gedrukt en belemmerd. —•

Daarvan de Ontftekingen , Verhardingen in het

Netvlies, Ontvellingen, Zweeren, Beenbederf, en

dergelijke verfchijnfels dezer drukking.

Déze fmerten en koortfen zijn Oorzaken van

Stuipen en Vermagering ; inzonderheid, wanneer

de tegennatuurlijke oneffenheid van de oppervlakte

der Beenderen de pijnen vergroot.

$ X L IX.

De Toevallen van de derde Verdeling (§ XLVQ

zijn hunnen oorfprong fchuldig, of aan de Naaste

Oorzaak, of aan de bovengemelde Toevallen.

Het zal met het oogmerk best ftrooken, weinig

te


der Èngelfche Ziekte. 85

te reppen van de zeldzaamfte ; maar liever de

meest voorkomende verfchijnfels te verkiezen. —-

Men kan, in dit geval, volftaan, met het geene

de ervaring dikwils leert, zonder verpligt te zijn

tot het verhaal van de fpeelingen der Natuur'.

Vóór eerst. — Het Bloed van Kinderen, onder

de Èngelfche Ziekte kwijnende, is dun, los en

onbewerkt. — Het Zuur maakt deze Ontbinding. —7

Hier uit ook ontftaan Bloedingen uit de Neus, het

Tandvleesch, en uit de, door den zwakken toe-

ftand der Vezelen , verflapte en verwijderde uit-

waasfemende Mondjes in de Luchtpijp. — Dit

laatfte Toeval legt veeltijds den grond van Uittceringen.

Ten tweeden. — De Sprouw, zoo gemeen aan

deze Kinderen, komt dikwijls, naar mate der zwak­

heid ; maakt de Doorzwelging, en het gebruik van

ander, dan dun, voedfel, moeijelijk. — De min-

fte prikkeling der ontvelde plekjes in de Keel geeft

Hoest, Hik, Walging en Stuipen.

Men heeft opgemerkt, dat alle Toevallen, voor­

al de Spreuw, van erger' aart zijn; wanneer de

Vochten van het Kind, door de Venusfmet, vergif­

tigd zijn. — Een Uitflag, of eene Ontvelling, an­

ders van weinig belang, wordt, daardoor, van eene

kwaadaartige natuur. — De ondervinding overreedde

inij te dikwils van de deugdelijkheid dezer Praktikale

ftelling.

F 3' Ten


Set Van de Toevallen

Ten derden. — De zwelling en verharding der

Darmfcheil-klieren, waar van wij boven fpraken, zijn

niet alleen onder de Toevallen der Èngelfche Ziekte

begrepen ; maar , in eenen hardnekkigen ftaat der-

zelve , ftrekt zich even dit uit tot de Klieren van

andere Deelen des Ligchaams. — Ik heb , meer

dan eens aanmerkelijke Zwellingen en Verhardingen

van een gedeelte der Klier, het Maagkusfen gehee-

ten, of van die geheele Klier waargenomen. —>

Het is mede niet zeldzaam , dat de Klieren, in de

groote Geledingen, vooral van het hoofd des Dei-

beens, zoodanig zwellen, dat het Been uit de hol­

te gedrukt wordt. — Ook zwellen, bij fommi­

gen , de anders onmerkbare Onderhuidskliertjes.

Welk eenen nadeeligen invloed deze uitwerkfels

der Naaste Oorzaak van de Èngelfche Ziekte her­

voort brengen, kan gemakkelijk geraamd worden. —

Welke gevolgen hier uit ontftaan, zal naderhand

getoond worden.

Ten vierden. — Reeds met het begin, vooral

in den tweeden trap der Ziekte , worden vele Lij-

dertjes, door eenen droogen Stuipachtigen Hoest,

vooral des nachts, gekweld. — Dit toeval wordt,

door de Prikkeling van het Zuur op de Zenuwen

van de Luchtpijp, of van het Keelgat, of op de

ontblootte Zenuwtepeltjes van de Maag en Slok-

pijp , te weeg gebragr,

Ten


der Èngelfche Ziekte. tj

Ten vijfden. — Deze ontaarting van het Bloed

maakt, vooral bij Jongetjes, eene gedurige , zeer

pijnelijke , droppelswijze ontlasting van de Pis,

wanneer dezelve , meestal , eenen Zuuren reuk

geeft. — i Nog onlangs was ik gedrongen , om,

wegens eene belemmerde Pisloozing, dezelve ,

door den Catheter , te bevorderen. — Uit den

ftank en de gisting, door bijgevoegde tegenftrijdige

dingen, werd ik , met dit nieuw bewijs, in het

denkbeeld, nopens den Aart der Èngelfche Ziekte,

gefterkt.

Somtijds is de Pis {lijmerig, en daar na, meer

of min bloedig, maar dit heb ik zeer zelden on­

dervonden.

Ten zesden. —— Het Tranen der Oogen, met

eene blijkbare Zwakheid van het Gezigt gepaard,

is, in eene vergevorderde Ziekte, niet onge­

woon. — Even min als de Ontftekingen der Traan­

klieren, derzelven Verftopping, en loopende Oogen,

of Traanfistels.

Ten zevenden. —• Door de Naaste Oorzaak

der Èngelfche Ziekte en haren invloed op het dier­

lijk geitel, worden ook onderfcheiden Toevallen der

zintuiglijke vermogens verwekt. • Wij hebben

hier van reeds gefprokcn. — Het zij genoeg, bij

het gezegde te voegen, dat de Lusteloosheid en

Dommeligheid, fomtijds, eene ware Slaapziekte te

F 4 weeg


gg

weeg brengt. —— En dat, indien de zinvermogens,

op eene voofdeelige wijs, bewerkt worden, dik­

werf het eene Zintuig boven het andere uitmunt. —

Sommigen zijn wel alzins fchrander, doch anderen

blinken uit in taaijheid van geheugen. — Het Ge-

zigt van den eenen wordt opgefcherpt, bij den

anderen het Gehoor, enz.

§ L.

Na deze korte, doch, mijns bedunkens, voldoen­

de opgaaf der Toevallen, in het begin en den voort­

gang der Èngelfche Ziekte, moet nu derzelver einde

overwogen worden. (§ XLJI. n. 3).

Dit einde is, of gunflig, of meer of min beden*

kelijk. — Het een en ander wordt door de Toe­

vallen aangeduid.

§ L I.

Deze Toevallen geven hoop op een voordelig

einde der Ziekte , wanneer zij trapswijze in hevigheid

verminderen, de Teekenen van Kwaadföppigheid en

Vermagering wijken, en de kragten van dag tot dag

vermeerderen,

Van de Toevallen


der Èngelfche Ziekte.

\ § L I I.

De bedenkelijke, of min gunftige Uitflag der

Èngelfche Ziekte, kan billijk in twee verfchillende

foorten verdeeld worden, want zij 'eindigt met één ,

of meer gevolgen natelaten, of zij eindigt in den

dood.

$ LI 11.

Van de gevolgen der Èngelfche Ziekt?, behou­

dens 's Lijders leven, zal het volgende Hoofdftuk

handelen. — Des moeten nu, eeniglijk, die Toe­

vallen aangewezen worden , welken het Kind,

hoogstwaarfchijnlijk, of gewis, ten flagtoffer van

de wreedheid dezer knagende, en alles ondermij­

nende, Kwaadfappigheid ftellen zullen, of gefield

hebben. %

Uit de herinnering der zwaarfte Toevallen, in het

tweede tijdperk, zal men de mogelijkheid van der­

gelijke verfchijnfels begrepen hebben. Zij be­

ftaan ook alleen in de Verheffing derzelven. -

Trouwens

89

Voor eerste— Wat heeft men van dikwijls we-

derkeerende Ontlastingen van 't verdunde Bloed uit

de Longvaten te vreezen? — Eene toenemende

verzwakking van het ganfche ligchaam, bepaaldelijk

F 5 der


oo Van de Toevallen

der Longe, eene óphooping van Slijm in dat inge­

wand; een volftrekr, onvermogen om het zelve te

ontlasten, en den Dood.

Zulk een Toeval, met deszelfs treurig, of liever,

om s'Lijders Jammer, gewenscht einde, werd meer­

malen , door den bijblijvenden Zuuren Prikkel des

Bloeds te weeg gebragt. — Men houde dit, indien

de Ziekte in haar begin, .,of voortgang, verwaar­

loosd wordt, voor eenen zeer mogelijken Uitflag

derzelve. —• Dit wordt ook, door verfcheiden

Waarnemingen, al te duidelijk, om er aan te twijfe­

len, bevestigd.

Verneemt gij, bij uw aêmechtig Kind, in dezen

toeftand, een gereutel op de Borst, wacht dan eenen

Iangzamen, of met Stuipen verzelden, doodsangst.

Ten tweeden. — Bij vele Lijdertjes wordt het

fcherpe Bloed niet alleen Waterig, maar, ook tevens

Slïjmig , terwijl met de medewerking van andere

Toevallen , de kragten des Ligchaams trapswijze

verminderen.

Bij zulken befpeun men, eindelijk, bolle, zuch­

tige Zwellingen der Voeten , fomtijds , daar na,

ook van de Handen, eindelijk van de Beenen. —•

Het Kind wordt voorts, naar het fchijnt, geheel

Waterzuchtig. — Zulk een vermogen heeft de

Kwaadfappigheidï — Zulke Toevallen ontftaan uit

het verzuurde Bloed.

Ik


der Èngelfche Ziekte.

Ik zag, nu en dan, zelf in eenen zeer verre

gevorderden ftaat der Èngelfche Ziekte, dat deze

Zwelling meer Windachtig, dan Waterzuchtig was;

even als of de Huid opgeblazen ware, en dat die

opblazing fomtijds , door onverwachte , of ftout-

moedig verwekte, Brakingen, fpoedfg verdween. —

Doch , daar tegen, komt dezelve , bij herhaling

ten voorfchijh, en de Lijdertjes fterven dan aan de

Waterzucht.

Ten ierden. — Dat bij deze Lijderen, de Gal-

making niet zelden gebrekkig is, en de Darmen ,

door gebrek aan Gal, niet genoeg geprikkeld wor­

den , fteunt op de ondervinding, en is door ons

te voren opgemerkt. — Dat dit, door de Naaste

Oorzaak der Èngelfche Ziekte , kan veroorzaakt

worden, zou ik kunnen bewijzen, uit de ftrijdige

innerlijke eigenfchappen van de eene en andere

vochten ; doch dit zou weinig dienen tot ons een-

vouwig oogmerk.

Uit dit Toeval ontftaan vertraagde en belemmerde

Buikzuiveringen, die, door de beste Ontlastmidde-

len bezwaarlijk bevorderd worden. — De Buik

fpant meer en meer op; de Darmen verliezen hunne

veêrkragt, de Ademhaling wordt, door de op-

panning des Buiks, bezwaarder. —

Voegen zich, bij dit Toeval, noch anderen van

gewigt 3

9*

des te kommerlijker zal de uitflag dezer

Ziek-


oa

Ziekte ztjn. — Het zou mij waarlijk, in dat ge­

val , niet bevreemden, dat het Koud Vuur het bin-

nenbekleedfel der Darmen, voor een gedeelte aan­

greep, dat het Lijdertje Stuipen kreeg, en ffierf.

Ten vierden. — Bij anderen, in tegendeel,

nemen de Ontlastingen van den Afgang, in getal

en kwaadaartigheid, toe, zoo dat zij, eindelijk

eene rottige fcherpte verkrijgen, de Darmen ont­

vellen , en eenen doodelijken , flijmigen, of bloe-

digen Loop te weeg brengen. — 1

Vooral heeft

men dit, na eene verzuimde Èngelfche Ziekte,

te vreezen, bij kinderen, welken zwaar gezoogd,

of met Melk gevoed worden. — Ook zijn deze

Ondastingen des te gevaarlijker, wanneer tevens de

Pisloozing belemmerd is. — De eenige Erfgenaam

van aanzienlijke Ouderen was, weinige Jaren geleden,

het treurig offer van dit moorddadig Toeval. *

Men befchuldige echter de Naaste Oorzaak der

Èngelfche Ziekte niet al te veel; want deze doode-

lijke Ontlastingen verneemt men dikwerf bij zwakke

Kinderen, hoewel bij hen geen fchijn der Èngelfche

Ziekte te vinden is.

Van de Toevallen

Ten vijfden. — Wanneer, gedurende de bo«

vengemelde Toevallen, het te voren gezwollen Aan-

gezigt krimpt, en als kleiner wordt; wanneer de

voormaals heldere Oogen verduisteren, en eenen

vochtigen Ring zich rondom het doorfchijnende

Hoorn*


der Èngelfche Ziekte. 9*

Hoornvlies vertoont; de flaauwe, fchoon radde,

Adem, eenen hinderlijken zuuren en heeten reuk

geeft, en, daarna, de zooien der Voeten ongevoelig

worden; de poozen, tusfchen de uit- en inademin­

gen, eerst korter, daarna langer worden, afbreken,

dan zal de flaauwe lamp des jongen levens fpoedig

gebluscht worden. — De ganfche Geneeskunde is

onvermogend, om eenige Olie van gezondheid in te

gieten.

§ L I V.

Dit is de onderfcheiden loop der Èngelfche Ziek­

te. — fjit zijn de verfchillende Toevallen derzelve.

— De Natuur herftelt haar, indien zij zacht van

aart is, dikwerf zonder eenigen onderftand. De

Kunst, door onkundigen beftuurt, ftremt de heil-

zaamfte pogingen der Natuur meer dan te dikwijls. —

In zulke handen is vaak de beste Artzenij een moord-

middel.

De beste Geneesheer, de ervaren, de getrouwe

en op alles werkzame Menfchenvriend Haagt fom­

tijds in dit, veelmaal netelig, gebrek zelden volko­

men ; maar het zelve laat Gevolgen na van verfchil-

lenden aart en gewigt. «—Welke zijn die Gevolgen?

*—- Dit is het onderwerp van het volgende Hoofd*

fiuk.

ZES-


94

Over de Gevolgen

ZESDE HOOFDSTUK

Over de Gevolgen der Èngelfche Ziekte.

$ L V.

D E Gevolgen der Èngelfche Ziekte worden ver­

klaart, Voor eerst; uit de, na de herftelling der

Naaste Oorzaak, overgebleven gefteldheid des gan-

fchen Ligchaams.

Ten tweeden; Of zij hebben hunne betrekking

tot eenige van deszelfs Deelen, of

Ten derden; Zij blijken uit den Toeftand van de

vermogens der Ziele.

Dit verdient nadere overweging.

§ L VI.

Wat het eerfte betreft: — De Èngelfche Ziekte


der Èngelfche Ziekte. 95

Befchouwd dit Kind, van de Èngelfche Ziekte

genezen, doch gekweld door hare overblijffels;

Befchouw in dit Kind het beeld der meesten.

Zijn Bloed is Slijmerig, en, hoewel thans vrij van

eene Zuure fcherpte, echter zeer Kwaadfappig.

Hoe zouden dan de Vochten, van zulk Bloed ge-

fcheiden, dien graad van deugdelijkheid, welken zij

in een gezond geitel hebben, kunnen bezitten? —

De Gal mist hare zeepachtige hoedanigheid, de

Gijl zijn voedend vermogen, en ieder der overige

Kiiervochten hunne eigenaartigheid, welke tot eene

volkomen welvaart gevorderd wordt. .— De bleeke

kleur van het Aangezicht, de taaije aschkleurige

Drek, de heldere witte ongekookte Pis, zijn waar­

borgen voor de opgemelde Vochtsgefteldheid.

Befeft gij nu nog de reden niet, van den Iang-

zamen groei, en trage volkomenheid dezes Kinds?

Gist gij nog naar de Oorzaak, waarom velen *zoo

langzaam en onordelijk ontwikkeld worden? Waarom

fommigen,' Jaren lang, de Teekens van kwaad Bloed

vertoonen ? VVaarom de meeften, eenige jaren,

zwak en teeder blijven ?

Let op de vaste deelen van het Kind. Zij

ftaan in eene gelijke reden van deugdzaamheid met

de vochten. — De Vezelen zijn week en flap. —

De Vaten, van allerlei foort, misfen de genoeg-

zaame


der Èngelfche Ziekte. 97

Ziekten eene overheerfchende voorgefchiktheid, die

bij Kinderen, welken lievige Vezelen en gezonde

Vechten hebben, in dien graad geen plaats vindt. —

Hier van zult gij, door de meer bijzondere overwe­

ging dier duchtige Gevolgen van de Èngelfche

Ziekte nader overtuigd worden.

§ L V I I.

Wij moeten ten dien einde, de Gevolgen , gelijk

•dezclven zich in de bijzondere Deelen des ligchaams

vertoonen, (§ LV n. 2) aanwijzen.

Laat ons dit ruime veld, voetsftaps echter, zoo

lijnregt en zeker betreden,, als de waardij der zaak*

en het verlangen des Genootfchaps vorderen.

De Deelen, welken de meeste aandacht vereis-

fchen, zijn:

Voor eerst, het Hoofd;

Ten tweeden, de Borst;

Ten derden, de Buik;

Ten vierden, de Nieren cn de Blaasj

Ten vijfden, het overige Gebeente, waar van

aiiet gefproken is.

§ L V I I I,

De gefteldheid van het Hoofd is, onder en na

G de


9 8 Van de Gevolgen

de Èngelfche Ziekte, zeer onderfcheiden. Het

eerfte zagen wij elders (§ XXXIV.), van het laatfte

is nog iets te zeggen.

De Beenderen van de Hersfenpan behouden veel­

tijds een 'gedaante, welke aan het Hoofd eenen

onderfcheiden vorm , levenslang , overlaat, en

(mag ik eens gisfen?) fomtijds een voordeeliger

ftaat der Hersfenvermogens aan zulke Menfchen

geeft, dan zij mogelijk anders zouden gehad heb­

ben- — Ziet gij eenen Man, met een holwijs,

breed Voorhoofd, overhangende bovenranden der

Oogholten , en daar door diepgedolven Oogen, —

is hij tevens klein van postuur, en hier of daar ver­

minkt, fcheenkuitig, enz. — Vraag hem of deze

Wanftalte door de Èngelfche Ziekte veroorzaakt is;

en indien het antwoord onzeker is, houd dan die

voorafgaande Oorzaak voor hoogst waarfchijnlijk.

Ik heb verfcheiden Mannen van Naam' gekend,

van wier vernuft de geleerde Waereld en Nederlands

Kerk dagelijks de vruchten trekken, terwijl de even-

gemelde gefteldheid des Voorhoofds, ten hunnen

aanzien, op de gunftigfte vooroordeelen aanfpraak

maakt. — Ik ken drie Gebroeders, welken (indien

ik mij niet bedrieg) in hunne Kindsheid met de

Èngelfche Ziekte zijn gekweld geweest. — Dezen

althans zijn van zulk een Voorhoofd voorzien, en

daar door, als mede door hun overig zamenftel,

zoo-


der Èngelfche Ziekte. 99

zoodanig aan eikanderen gelijk, dat de een van den

anderen, hier omtrent, even als met betrekking tot

hunne verheven Geestgefteldheid, naauwlijks kunnen

onderfcheiden worden.

Anderen behouden, als een gevolg der Èngelfche

Ziekte, een plat en weinig gebogen Voorhoofd,

met meer of min uitpuilende Oogen, en een buiten­

waar Js uitgezet Achterhoofdsbeen, of verheven Op­

perhoofdsbeenderen. — Doch indien mijne opmer­

kingen gegrond zijn, dan is deze gefteldheid niet

voordeelig aan het vernuft.

Bij eenigen fluiten de verwijder de Naden der groote

Hoofdbeenderen zeer traag. — Bij eenen Jon ;ehng

van tien Jaren, welke, na deze Ziekte, een onge­

meen groot Hoofd heeft overgehouden, kan ik het

middenfte gedeelte van het Opperhoofd dagelijksch

nog zoo zacht en vliezig befpeuren, als bij een

Kind van één Jaar.

De wanftaltigheid van het Hoofd blijft f jmtijds

zeer ongeregeld; elders verheven, elders ingedoken,

plat, of garsch misvormd. — Wanneer de eene

Oogholte grooter is, dan de andere, het eene Oog

fcherper gezicht heeft dan het andere enz. — Doch

deze fnipperingen verder aan te wijzen, of dezelv^n

met Waarnemingen te bevestigen, zou Je mij, enden

Lezer, die daar van, uit het voorgaande, kennis

genoeg heeft, verveelen.

G a Men


ÏOO Van de Gevolgen

Men houde echter deze geftalte van het Hoofd

niet altijd voor een beflisfchend Teeken en een zeker

Gevolg der Èngelfche Ziekte. — Ik zou, met le­

vende voorbeelden de faalbaarheid van zulk een be­

fiuit kunnen bevestigen. Heden nog zijn drie

Kinderen onder mijne behandeling, bij welken de

Èngelfche Ziekte geen twijfel laat, doch hun Hoofd

ondergaat, dus verre, geene de minlte verandering.

§ L I X.

Ten tweeden, de Borst. — Dat de Èngelfche

Ziekte veeltijds verfchillende, dikwerf hinderlijke,

veranderingen der Borstholte nalaat, is overbekend.

Evenwel zijn, bij fommigen, de Wervelen, het

Borstbeen en de Ribben in diervoegen gefchikt,

dat de, anders Wanftaltige, mensch, even daar

door, ten voordeele der Ademhalinge, geen klein

gewin deed. — Ik ken twee, door dé Èngelfche

Ziekte gebogchelde Leeraars, welke in kragt van

Stem, en langte van Adem, boven hunne Amptge-

noten uitmunten.

Dit gevolg is, meest al, zoo gunftig niet, want

doorgaans maakt dit foort van Wangroei eene ver-

naauwing dezer holligheid, welke, op de minfte

verfnelde beweging, de Ademhaling moeijelijk, en

de Spraak bezwaarlijk maliën.

Met


der Èngelfche Ziekte. lor

Met opzigt tot de Ingewanden der Borstholte,

ontmoeten wij Gevolgen van aanbelang. — Ilc

zwijg van de Ademhaling en Hartkloppingen, als

noodzakelijke Gevolgen van de Wanftalte der Been­

deren, om dat daar van reeds genoeg gezegd is.

Wij hebben hier vooral het oog op het werktuiglijke

geitel der Long', en h.-.re afwijking van den gezond-

den ftaat, door voorafgaande Knagingen en Bloed-

hoest veroorzaakt. — Immers, een Kind aan eene

uitteerende verzweering der Longe, het zelve door

de Naaste Oorzaak der Èngelfche Ziekte berokkend,

te zien kwijnen, en zelfs, in eenen gevorderden

Ouderdom, te zien bezwijken, kan, door geenen

bedreven Arts, onder de bijzonderheden zijner Prak­

tijk gerekend worden.

Eenigen zagen wij, omftreeks de huwbare Jaren,

herftellen, doch anderen , die, al kwijnende, voort­

leefden , ftierven eindelijk aan de Teering.

Ik meen te hebben opgemerkt, dat, wanneer

zulke Kinderen, omftreeks den Ouderdom van zeven

Jaren, eene Schurftachtige, of andere hardnekkige

'Huidziekte krijgen, dat, zegge ik, als dan die

nieuwe Ziekte, bij den eenen, eene merkelijke be-

terfchap, door de afleiding der Stoffe, en, bij eeni>

ge weinigen, zelfs eene volkomen herftelling aan-

bragt.

Andere Gevolgen van dit gedeelte des Ligcha3ms

G 3 O-M ?


joa Van ie Gevolgen

ontdekt men eerst na den dood, gelijk een ephooping

van Water in de Borstholte, eene flijmige inpakking

in de Long, of eene aanmerkeLjke verharding van

derzelver Klieren. — Verfchijnfels! welken mij,

na ontleding van eenen twaalfjarigen Lijder, welke,

na de Èngelfche Ziekte, aan eene heblijke Borst-

benaauwtheid kwijnde, gezarnelijk zijn gebleken.

Sommige gewrochten behooren tot de fchaarsch

voorkomende bijzonderheden, of zijn van weinig

aanbelang.

S L X.

"Een derien, ie Buik. — Hier opent zich eene

aieuwe bron van rampen. — Mijn gevoelig hart

trilt door het aantal der treurge Gevolgen eener

enkele Ziekte. — Wien treft deze fombre lijst van

ellenden niet? — Het menfchelijk medegevoel

doet mij dubben, om liever mijn Plan te ftaken,

dan om het aandoenlijk hart van tederlievende Ou­

deren nog meer te treffen; — Maar eerzucht vor­

dert, in weerwil van alle tederhartigheid, dat ik

mijn begonnen werk niet ftake, — Men fchrijve

dit uitffapje toe aan ware Kindermin.

Eene hardnekkige, en der beste poogingen van

den kur.digften Geneesheer wederftreevende, Ver­

harding en Opfpanning van den Buik, behoort tot

de


der Èngelfche Ziekte.

de Gevolgen van de Èngelfche Ziekte, welken dik­

werf voorkomen.

Van de Loslijvigheid, en tegenövergeftelde Hard­

lijvigheid, welken dezen Kinderen, dikwerf, bijblij­

ven, heb ik te voren gefproken. • Sommigen

moeten, door Stremmende, anderen, door Ontlast-

middelen, telkens bijgedaan worden.

Wanneer de gezwollen Buik flink, verneemt

men, bij eeuigen, ongelijke Verhardingen, welken,

na den dood , door eene .Klierachtige verharding

ontwaard worden ontftaan te zijn. — Ik heb nooit

een Lijk geopend, het welk men vermoedde, zijn

noodlot aan de Gevolgen der Èngelfche Ziekte vcr-

fchuldigd te zijn, of ik heb de Klieren van het

Darmfcheel opgezet en wankleurig gevonden. —

Dit wordt ook door andere Waarnemingen beves­

tigd.

103

Mag ik hier iets laten volgen, het geen ik geen

beter plaats weet te geven? — Men ftelt op de

Lijst der Gevolgen onzer Ziekte de Wormen en de

Vallende Ziekte. — Ik geloof, dat geen van bei­

den, dien Blaam verdienen. — Ik ontken niet,

dat vele Kinderen, na de Èngelfche Ziekte, Wor­

men hebben; maar andere Kinderen zijn ook daar

mede gekweld. — Dat velen Zenuwtrekkingen, als

die eener Vatende Ziekte , vertoonen, is ook waar;

maar of dit, in de daad , een gevolg der Engel-

G 4 fche


ïo4 Van de Gevolgen

fche Ziekte zij, zal ik liever in twijfel laten, dan

tegenfpreken. — Het is intusfchen zeker, dat,

wanneer een Kind, beneden tien of twaalf Jaren ,

door de Vallende Ziekte gefchokt wordt, dezelve

doorgaans het gewrocht is van Wormen, en dat

de genezing dier Ziekte, in het dooden of uitdrij­

ven van dat Ongedierte, te vinden is.

Wat reden heeft men dan, om de Èngelfche

Ziekte, die waarlijk meer dan te vele treurige

nafleepen achterlaat , met twijfelachtige Gevolgen

te bezwalken ? — Het gaat zoo ! — Men is

vaak te overbodig gul met eene Ziekte, aan wel­

ker Befchrijving men bezig is, Gevolgen optedrin-

gen , waar aan zij geen deel heeft. —- Hier mede

wil ik echter geenzins ontkennen, dat het geprangd

Hersfengeftel foms Stuipen, die naar die der Val­

lende Ziekte zweemen , na de Èngelfche Ziekte,

kan veroorzaken, om dat ik door de ondervinding,

daar van te wel overreed ben.

De Breuken en Uitzakkingen des Endeldarms kun­

nen, met meer regt, onder de Gevolgen van de

Toevallen der Èngelfche Ziekte betrokken worden.

— De geweldige Hoesten, dooreenen fcherpen

zuuren Prikkel, door flijm in de Luchtpijp, of uit

Meewarigheid ontdaan , de Walgingen en Brakin­

gen , gevoegd bij de Zwakheid der Darmen , en

geringen wederlfond van de ringen der Buikspieren ,

zijn


der Engeljche Zieke.

zijn zamen juist gefchfkr, om die Gevolgen nate-

laten.

§ L X I.

Het vierde foort van Gevolgen, tot deze Klasfe

betrekkelijk, (§ LVII. n. 4.) zoude in de wer­

king , of gefteldheid der Nieren, en van de Pis-

blaas te vinden zijn.

Eenigen der jonglte Schrijveren over de Èngel­

fche Ziekte willen , dat'de Zuure Wei des Bloeds

of Naaste Oorzaak van die Ziekte, de Wijnltee-

nige aardftoffe van het Bloed vermecrderdt en ver­

dikt , en dat de Kinderen, daar door, eene bijzon­

dere gefchiktheid voor Graveel- en Steenziekten

erlangen, om dat deze ftof het voornaamlte Steun-

fel en Voedfel aan de Steenen verfchaft.

105

Men kan dit zeer fpoedig beweeren; Doch

dewijl mij geene gistingen , in de Praktikale be-

fchouwing der Ziekten , wanneer de gronden der

Geneeswijze daar op Iteunen, bekooren, en mijne

ervaring hier omtrent, niets ter hand ftelt, ver­

kies ik deze Stelling zoo lang voor rekening dier

Schrijveren te laten verblijven, tot dat, uit eene

vergelijking der Graveel- en Steenzieken Lijderen,

welken voor af, al of niet, met de Èngelfche

Ziekte zijn gekweld geweest, de waarheid dier

Gelling' genoegzaam blijkt. —. Want van de moge-

G 5 lijk-


10S Van de Gevolgen

lijkheid eener zzak tot haar wezenlijk beftaan te

befluirxn, is ftrijdig met gronden, waar op echte

Waarnemers hunne ondervinding verpligt zijn te ves­

tigen.

Wij brengen, met meerder zekerheid, de Drop-

pelpis op de Lijst dezer Gevolgen, om dat dezelve,

na de Èngelfche Ziekte, niet ongewoon is, inzon­

derheid bij Jongetjes, welken, onder den loop de­

zer Ziekte, flijmig of bloedig Water geloosd hebben.

De tegennatuurlijke grootte van de Blaas, even

als van de Lever en Longe, door eenige Ontleders

waargenomen, wordt insgelijks gerangfehikt onder

deze Gevolgen; doch mijns oordeels, zoo lang ten

onregte, tot het verband tusfehen de Naaste Oorzaak

der Ziekte en deze Gevolgen getoond wordt. —

Of verneemt men dit altijd bij zulken, die deze

Ziekte ondergingen? .— In tegendeel. — Of

vernemen wij even dit niet dikwerf in Lijken van

Menfchen, welken nimmer iets van deze Ziekte

ondergaan hadden? — Men verdenke mij niet van

eenen tegenftribbeligen ijver. — Daar het der waar­

heid geldt, mag geen gezag ons kluisteren. •

Ook verbied de edelmoedigheid, om eene Ziekte

met Gevolgen ? waar aan zij geen deel heeft, te

bezwaren.

§ LXII.


der Èngelfche Ziekte.

§ L X I I.

Eindelijk. — Dat een aantal Misvormingen

van het gebeente tot deze Gevolgen behooren, zal

men reeds hebben opgemerkt.

Zamengroeijing, Uitzetting, ongelijke Groot­

te , Scheef te en Knaging der Beenderen, zijn zoo

veele onderfcheiden wanorden, welken, afzonder­

lijk , of gezamenlijk, tot nafleep der Èngelfche

Ziekte behooren. — Dat eigen bevinding ook hier

mijne gidfe zij! — Ik zal, met een eerbiedig

ftilzwijgen, nopens het toeflemmend of ontkennend

gezag mijner Voortgangeren, niemand beledigen,

en, met eene korte ontwikkeling van dit onder­

werp , mijn oogmerk best bereiken.

% L X I I I.

De Zamengroeijing beipeurt men meest in: de

Ligchamen der Wervelen, fomtijds ook vam de

benedenfie Ribben, en, fchoon zelden, vinden

wij de Kniefchijf onbeweegbaar gehecht aan de

Hoofden van het Dei- en Scheenbeen. Van

elk dezer Aanëenhechtingen bezit ik voorbeelden ,

welker beftaan in geene andere, dan de Naaste

Oorzaak der Èngelfche Ziekte, kan gevonden wor­

den.

107

5 LXIV.


Io8 Van de Gevolgen

De Uitzetting, of tegennatuurlijke dikte der

Beenderen (Exostofis) kan insgelijks een overblijf-

fel van dezelfde Ziekte zijn. — Dit gebrek heeft

vooral plaats aan de hoofden der groote Beenderen,

fchoon zij, welken eene verzameling van Zieke Kin­

derbeenderen bezitten, met duidelijke proeven, kun­

nen toonen, dat dit Gevolg ook dikwijls aan het

overige gedeelte van deze, en van andere Beenderen

te vinden is. — Ik bezit het Borstbeen van een

Kind, vier Jaren oud, aan een Longzweer, na das

de Èngelfche Ziekte zijn ligchaam gemarteld had,

geftorven; welk Borstbeen zeer fponsachtig en twee­

maal dikker is, dan naar gewoonte; — als mede

een Deibeen van het zelfde Kind, welks midden zeer

knobbelachtig, fponsachtig, bros en ongemeen dik

is. ——- In dit geval was geene reden , hoe ge­

naamd, om eenig overgeërfd kwaad xc vermoeden.

§ L X V.'

Het geen wij elders, als een Teeken, naderhand

als een Toeval der Èngelfche Ziekte hebben opge­

geven, heeft ook geene mindere aanlpraak dan an­

deren, om onder den rang der Gevolgen geplaatst

te worden. — Ik bedoel den ongelijken Groei der

Beenderen, fchoon die anders gezond zijn.

Deze brengt, gelijk men zich, uit het voorgaan­

de


der Èngelfche Ziekte. iof

de herinnert, dikwerf Misvormingen des Lig-

chaams te weeg, welken, naar de onderfcheiden

werkzaamheid der Deelen, ook verfchillende Ge­

volgen nalaat. — Mij is een Huis-gezin bekend,

van het welke vier Kinderen, door deze Oorzaak,

zonderling wanftaltig zijn. — Een Dochtertje van

agt Jaren heeft een zeer groot Hoofd, wederzijds

plat, cn het Voorhoofd breed en uitpuilende.

De Arm- Scheen- en Kuitbeenderen van de Linker­

zijde, zijn merkelijk korter, dan naar behooren. —

Dit heeft ook plaats aan het regter Deibeen.

Het voorfte Beentje van de linker Pink, en van den

middenften Vinger, hebben ook de vereischte lengte

niet, maar zijn veel te dik.

Het Gebeente van de andere Kinderen is, op eene

dergelijke wijs, misgroeid.

§ L X V I.

Ten aanzien van de Kromte der Beenderen, heeft

men flechts de ondervinding te raadplegen. — Deze

befpeurt men meest aan de Dei- Scheen- en Kuit­

beenderen. — De reden is te vinden in het ge-

wigt van het Bovenlijf, vergeleken met de zwak­

heid van het Kind , en de buigzaamheid dier Been­

deren. Om deze reden vangt het gebrek zelden

aan, voor dat het Kind gaat.

§ LXVII.


aio

Van de Gevolgen

§ L X V I I.

Eene, telkens wederkeerende, en verfcheiden

deelen des Ligchaams teisterende, ontfteking van

het Beenvlies, met de daar op volgende Beene­

ters , of ander foort van bederf, hebben wij dik­

werf na de Èngelfche Ziekte zien volgen, en, in

weerwil van den besten raad, hardnekking bijblij­

ven. — Dit is te bekend, om eenig bewijs te

vorderen. — Gebeurtenisfen van aanbelang heb­

ben mij echter nimmer de voorzigtigheid doen be-

klagen, om rijpelijk te onderzoeken, of onder

die gebreken , ook een verholen Venusfmct fchuilde.

Nochtans moeten de Tanden en Kiezen van

deze bedenking , immers meestal , uitgezonderd

worden. — Eene ernltige Èngelfche Ziekte fchijnt,

vooral, eenen fchadelijken rol re fpelen op het

geen tot den Groei en Stevigheid dezer Deelen ver-

eischt wordt; zoo dat dikwerf een beletfel voor

dezelven levenslang overblijve. — Trouwens de

meeften dezer Kinderen krijgen zeer laat hun ge-

bit. De Tanden , indien zij al ten voorfchijn

komen , zijn veelal bedorven en uitgevrecten zwart,

brokkelig en murw: — wordt zelfs, bij eenigen,

niet het Tandvleesch, als door de fcherpfte Blaauw-

fchuit, weegevreeten en ftinkcnd , zonder dat men

reden heeft om iets Venerieks te onderftellen ?

§ Lxvni.


der Èngelfche Ziekte. m

S'L X V I I I.

Dat de werkoorzaak van deze Gevolgen C § LXII

— LXV) in de Ontaarting van het voedende Vocht,

door de weekmakende zuurachtige Kwaadfappig.

heid, bevorens gewrocht, in de daad te vinden

zij, kan men thans niet meer vergen te bewijzen.

§ L X I X.

Sommigen dezer Gevolgen verdwijnen van zei ven,

of, met behulp der Kunst, in rijper Jaren.

Anderen misvormen den Mensch zijn leven lang. —

Eenigen verfchaffen hem hindernisfen, die onoverkomelijk

zijn. — Ettelijken belemmeren hem in de

Voortteeling, of liever in de voortbrenging van zijn

geflacht. — Ik bedoel hier voornamelijk de miswasfing

der Beenderen van het vrouwelijke Bekken,

welke door de Èngelfche Ziekte te weeg gebragt

wordt. — Wie wil, leze hier over de Werken van

MORGAGNI, LlEUTAUD, LEVRET, PÜZOS,

S M E L L I E , en anderen, welken de verfchillende

foorten der hindernisfen van de Verlosfiag, met ondervindelijke

bewijzen, bevestigden.

Zal ik der waarheid hulde doen, dan ben ik hier

verpligt, om zulken te wederfpreken, welken beweeren,

dat eene Zwangere, die een, door de

En-


Èngelfche Ziekte, mismaakt Bekken heeft, even

daarom altijd gevaar loopt van eene moeijelijke

Verlosfing. — Het tegendeel ziet men dikwerf: —

Ik heb een Meisje, na de Èngelfche Ziekte, met

een fcheef en gedraaid Bekken, opgegroeid gezien,

zoo dat zij,, ter naauwer nood, vier Voeten lang

werd. — In weerwil van alle waarfchouwingen,

trad zij in den Echt met een lang en gewigtig Man,

die, op het geld verliefd, misfehien het vooruitzigt

had, om eerlang daar van alleen bezitter te zijn. —

In die verwachting werd hij te leur gefteld: — Deze

fcheeve mismaakte is thans Moeder van Zes Kinde­

ren , van welke allen zij zeer voorfpoedig en natuur­

lijk verlost is, en welken door haar zeiven gezoogd

zijn-

Van de Gevolgen

De meesten van zulke misgroeide Vrouwen zijn

echter zoo gelukkig niet, om dat dergelijke Wan-

groei het Bekken doorgaans vernaauwt; en dikwerf

kost dit Moeder en Kind, of een van beiden, het

leven. — Dit met overredende Voorbeelden te too-

nen, zou gemakkelijk genoeg, maar ontijdig zijn.

§ L X X.

De Gevolgen welke de Èngelfche Ziekte in de

Zintuiglijke vermogens nalaat, moeiten wij thans

aanduiden (§ LV. n. 3.) — Doch, om in het

tegen-


der Engel/the Ziekte. 113

tegenwoordige onderzoek geene gaping overcelaren,

zal ik alleen te herhalen hebben, het geen, onder

de Toevallen, daar van gezegd is.

Het berigt der Waarnemeren is, in 'c gemeen,

hier omtrent, vrij gunftig, om dat zij meenen, dat

de Èngelfche Ziekte de Kinderen vernuftiger en

rijker van geheugen maakt, dan die anders zouden

geweest zijn. — Ook hebben zij, mijns oordeels,

geen ongelijk — Echter zouden wij kwalijk

doen, met hieromtrent geene Uitzondering te ma­

ken. — Velen toch mijner Lijderen bleven fbmp

van oordeel, en behielden een zeer bekrompen ge­

heugen. - •

Een Zoon van een' mijner waardigfte Vrienden,

(die, wegens zijnen uitmuntenden Geest en blin­

kende Godsvrucht, een Star van de eerfte grootte

aan het gewelf van Neêrlands Kerk was, en ons

helaas! te vroeg onttrokken werd) bleef, na de

Èngelfche Ziekte, tot zijn negende jaar, toen hij

ftierf, kindsch, en onvatbaar voor een denkbeeld,

-.het welk uit twee of drie woorden beftond.

Zijn Hoofd was-wederzijds plat gedrukt, en boven-

waards opgetogen, als een Suikerbrood.

Een Meisje van voornamen Huize, gaf fterke

Teekens van een fchranderen Geest, tot omtrent

deszelfs tweede Jaar; toen vermeerderden de Toe­

vallen der Èngelfche Ziekte. — Het Hoofd werd

H


ii4

wanflakig; de Rugwervelen zetten zich uitwaards; de

levendigheid yan den Geest, en de fterkte van het

Geheugen verminderden trapswijze, en de Verftande-

lijke vermogens werden eindelijk, en bleven voorts,

zeer gekrompen.

Ook krijgen de bijzondere Zintuigen, bij fommi­

gen , eenen zwaaren krak. — Deze wordt en blijft,

na de Èngelfche Ziekte, kortzigtig. — Een ander

verliest grootendeels, zijn gehoor. •— Eenen ken

ik, bij welken de Oog- en Neusbeenderen ingeval­

len zijn, die geenen reuk altoos heeft.

Zijn deze, zoo verfchillende, Gevolgen te be­

wonderen, na eene Ziekte, welke zoo veele ver­

fchillende veranderingen in het Hersfen- en Zenuw-

geftel te weeg brengt, als wij, meer dan eens,

getoond hebben?

en de Gevolgen

Dan, hoe de Naaste Oorzaak en de Gevolgen

dezer Ziekte eigenlijk op het verband van Ziel en

Ligchaam werken,- zal ik, voor als nog, uit enkele

onkunde, niet bepalen. — Wij zijn te vreden met

het geene de ondervinding leert. — Men zag (en

dit ftrekke tot troost dier ongelukken) dat ook deze

Gevolgen, met den tijd, meer of min, verdweenen.

$ L X X I.

Deze zijn de Gevolgen, welken de Èngelfche

Ziek


der Èngelfche Ziekte.

Ziekte kan nalaten, en welken, fomtijds voor een

groot gedeelte, bijblijven.

Wie zou zich niet beijveren, om dezelven te voor»

komen? — Wie niet, die de bezwaarnis, om de­

zelven te genezen, bij ondervinding, kent ?

Men zal echter best doen, alvorens men zich ter

voorbehoedinge dier Gevolgen fchikke, te onder­

zoeken, of zij waarlijk te verwachten zijn, en voor

welken men meest te duchten heeft.

H %

I 7

5


n6* De Voorzegging

ZEVENDE HOOFDSTUK

De Voorzegging der Èngelfche Ziekte.

$ L X X I I.

T is de Voorzegging der Èngelfche Ziek­

te? Is dezelve gegrond op eene voorafgaande

ontdekking van het geene uit den zamenloop der

Voorgefchiktheid en opwekkende Oorzaken , na de

eerfte negen levensmaanden van een Kind, zoo verre

dit de Èngelfche Ziekte betreft, te hoopen of te

vreezen zij ? -— Of is die Voorfpelling alleen betrek­

kelijk tot het geen te wachten is, wanneer de Ziekte

heftaat, of in trap gevorderd is? Naar mijn

begrip, behoort het eene daar toe zoo wel, als het

andere.

Dit tweeledig Onderwerp heeft eenen billijken aan-

ipraak op des Lezers aandacht.

$ L X X I I L

De gronden der Voorfpelling' eener nog niet

aan.


der Èngelfche Ziekte. 117

aanwezige Èngelfche Ziekte worden eenigzins ont­

dekt:

Foor eerst, uit de gefteldheid der Ouderen,

vooral van de Moeder, ook der Minne;

Ten tweeden, uit de gefteldheid van den Jong-

geboorenen;

Ten derden, uit de vergelijking van beider on­

derling Vermogen.

De ontvouwing, waar toe wij hier verpligt zijn,

zal minder uitvoerigheid noodig hebben, wanneer

men zich herinnert, het geene, ten aanzien der

Oorzaken, gezegd is,

§ L X X I V.

Eerjlelijk. — Al wat aan de zijde der Ouderen,

of van de Zoogfter in 't bijzonder, de voorfchik-

kende Oorzaak der Èngelfche Ziekte, bij den Zui­

geling, bevordert, levert gronden van waarfchijnlijk-

heid, om dezelve te voorfpellen.

Is de Vader, op eenigerhande wijze, vooral door

Zaadverfpilling, verzwakt; is hij, door het minne­

vuur , uitgemergeld, en heeft hij zijne kragten voor

het altaar van Venus, verboren; zijn zijne Vochten,

door Brasferijen, het misbruik van Wijn, Sterken-

drank, of door andere wangedragingen, bedorven,

dan is zijn Zaad (C OER HAVE getuigd het) zooda-

H 3 . nig


n8

De Voorzegging

nig.vermieterd, dat het zelve ongefchikt is om fteevige

Kinderen te teelen. Voorfpel gerust, dat zijn

Kroost,, waarfchijnlijk, bijzondere Zaden der Èngel­

fche Ziekte zal medebrengen , of ligtelijk verkrijgen.

Deze Voorzegging zal nog meer gronds hebben,

indien de Moeder Zwak, Scheurbuikig, ofVeneriek

is; indien zij, tijden lang door den witten Vloed,

of flerke Stonden, is gekweld geweest; eene ver­

zwakkende Leefwijze gehouden; zich met zoete ge-

üiikerde Lekkernijen, warme Water- en Melkdran-

ken, zoere Wijnen, enz. gevoed heeft; — indien

zij een vadfig en werkeloos leven leidde, met een

woord, indien haar Ligchaam, uit Kwaadfappigheid,

onbeftand is om hare Vrucht eene andere Ligchaams

gefteldheid te verfchaffen, dan die tot de bijzondere

Zaden der Èngelfche Ziekte behoort.

Ontmoet gij zulk een paar, ontleen dan gerust

daar uit een grond van Voorzegging der Èngelfche

Ziekte. — Neem .anders de ondervinding te hulp,

en aarzel vooral niet, om, wanneer een der Kinderen

van deze Ouderen, of van dergelijke Zoogftcrs, door

de Èngelfche Ziekte aangetast wordt, dczclven,

zo lang zij.in dien ftaat blijven, ook bij hun navol­

gend kroost, te voorfpellen. — Of herinnert gij

u niet, het geene deswegens, bij de aanwijzing der

yporfchikkenie Oorzaken, gezegd is?

$ LXXV.


der Èngelfche Ziekte.

§ L X X V.

Heeft men , ten tweeden , tevens, uit aanmer­

king van het geftel van het Kind, gronds genoeg,

om te vermoeden , dat het zelve eene meer dan

gevvoone vatbaarheid voor de Èngelfche Ziekte met

zich voert, en welke te voren befchreven is; dan,

Voorwaar, heeft men te meer reden, om de nade­

ring dier Ziekte te duchten. — Maar dit uittebrei-

den zou mij afleiden.

S L X X V I.

Ten derden.. -— De waarheid van een derge­

lijke Voorzegging blijkt ook , uit den invloed van

de gefteldheid der Zoogfter op die des Zuige-

lings. — Hoewel wij hier van te voren mede ge­

waagden , zullen echtet de drie volgende Aan­

merkingen niet ongepast zijn.

113

Eerjielijk. •— Indien de Ziektezaden dan zoo

aanmerkelijk zijn aan de zijde van het Kind, en de

gefteldheid van de Moeder, en Zoogfter zulk Zog

doet vrcezen, het welk wij elders bewezen in be­

trekking tot zulk een Kind, de meestvermogende

opwekkende Oorzaak te zijn, dan loopt alles za-

men, om de Voorzegging der Èngelfche Ziekte

Ég billijken. .—. Edoch een voorzigtig Geneesheer

H 4 zal


120 De Voorzegging

zal niet te voorbarig zijn in de Voorfpelling van

onaangename vooruitzigten, uit vreeze, dat de uit-

flag, het geen meer gebeurd is, hem bedriegen

zoude, en de Praktijk daar door bezwalkt worden.

Ten Tweden Ik moet hier echter iets her­

halen , het welk thans zijn juiste plaats beflaat.

Uit het zoo even gezegde zou men verkeerdelijk

befluiten , dat eene aanmerkelijke zwakheid van het

Kind, en het flappe Zog, waar mede het zelve

gefpijsd word, twee akijd noodige, en doorgaans

zekere, yereifchten zijn der gronden van Voorzeg-

ginge der Èngelfche Ziekte In tegendeel, in­

dien het Kind anders gezond is, en het Zog geene

Ziekelijke geijartheid heeft, dan kan daar van ten

aanzien van deze Voorfpelling, niets worden afge­

leid. ,— Zulk een Kind zal mogelijk flap , maar

gezond blijven.

Zelfs is de flappe en onbewerkte toeftand van

het Zog, met betrekking tot het Kind, niet altijd

noodig, om de Zaden der Èngelfche Ziekte opte-

wekken. Verre van daar: want zwaar, door­

werkt, of oud Zog, vordert meer kragten, dan de

zwakke Zuigeling bezit. — Dit Zog wordt niet be­

hoorlijk gekleinsd. — De Wei, hoe zoet en zacht,

h zelfs voor de zwakke Vezelen van het Kind on,

l l i l

verteerbaar. Dezelve wordt zuur en fcherp,

waakt het R!.-^ t

7

- • T?i—" t » r n ^ w 6 ) C ! 1 s U t s gtlCfJIKt.


dtf Èngelfche Ziekte. 121

om de Zaden der Èngelfche Ziekte optewekken. —

De ondervinding ftaaft deze Helling. Immers,

zoo min het zeldzaam zij, dat Hevige, gezonde

Moeders, zwakke, teedere Kinderen voortbrengen,

even min zeldzaam is het, dat zulke Kinderen al

tijdig door de beginfels der Èngelfche Ziekte ge­

kweld worden. — Vooral befpcurden wij dit, wan­

neer eene dwaze verkiezing , of de noodzakelijk­

heid , eene Minne vorderde , en haar Zog , door

ouderdom , te wreed en zwaar, of anderzins, voor

den zwakken ftaat van het Kind, ongcfchikt was.

Het tegengeftelde is min gewoon. — Ik heb

echter, meer dan eens, gezien, dat zeer gezonde

en fterke Kinderen, onder het Zuigen eener zwak­

ke en teedere Moeder, langzaam verflapten, en

dat hunne Vochten en Kragten zoodanig bedorven

en ondermijnd werden, dat zich eindelijk de Èngel­

fche Ziekte vertoonde.

Zie daar de Voorfpelling van dezelfde Gevolgen,

uit ftrijdige Oorzaken.

Ten derden. — Indien een Zuigeling, bij wel­

ken geene reden was om deze Ziekte te voorzien

veel min die te voorzeggen , door eenigerhande

Ziekte verzwakt, en daar na met eene Uitteerina:

gedreigd wordt, . vrees dan, dat zijne Klieren en

Vaten onbeftand zullen zijn , om de Wei van het

beste Zog behoorlijk aftefcheiden en te bereiden ,

H 5 en


122 De Voorzegging

en voorfpel, dat de Èngelfche Ziekte, even zoo

wel, als de Teering, zal kunnen volgen.

Welken nu die Ziekten, hare Toevallen en Ge­

volgen zijn, die dezen grond van vreze verfchaf-

fen, ware, mogelijk, niet ondienftig om hier

onderzocht te worden, indien ik anders niet voor

verveeling vreesde. •— Ik berust deswegens daar

in , tot wij de regels der Voorbehoeding' zullen op­

geven.

§ L X X V I I.

Welke is de Voorzegging van de beginnende,

of reeds eenigzins gevorderde Èngelfche Ziekte? — ••

Dus treden wij tot het tweede Deel van ons tegen­

woordig beftek. (§LXXIIn. a.)

§ L X X V I I I.

In den eerften trap der Ziekte, even als i n

haren voortgang, zal de gunftige, of nadelige,

Voorzegging uit de Toevallen, dan aanwezig, moe­

ten afgeleid worden. — De verlangens van teeder-

lievende Ouderen , de eer der Geneeskunde , en

het vertrouwen , waar op een Arts aanfpraak heeft,

zijn zoo veele drangredenen, om, in dit opzigt,

ellen mogelijken aandacht te befleden.

Alvo-


der Èngelfche Ziekte. 123

Alvorens derhalven iets te bepalen, moet men zich

dit foort van Vragen beantwoorden: — Was de

Vatbaarheid van het Ki::d voor de Èngelfche Ziek­

te gering, en algemeen ? — Of liepen de om-

Handigheden , in merkelijken getale, zamen, om

zijne Vatbaarheid te vergroten ? — Verkeerde het

Lijdertje in vele Oorzaken, welken gelegenheid

gaven, om zijne Vatbaarheid te vermeerderen ? —

Hoe was het met de opwekkende Oorzaak in ver-

band met het geitel van 't Kind ? Zijn de

Toevallen, in het eerde tijdperk, langzaam, of

ipoedig, in aantal of hevigheid toegenomen ?

Hoe gunftiger de Onderzoeker deze zaken kan

beantwoorden, hoe voordeeliger zijne Voorfpelling

van het vervolg wezen kan : en zulks omgekeerd.

Maar, niet voldaan over deze algemeene befchou-

wing, overweegt men den Lijder meer van na­

bij. — En let op deizelfs Ouderdom. — Hoe jon­

ger het Kind is, bij den eerften aanval der Èngel­

fche Ziekte, hoe onaangenamer het vooruiczigt is

van haren voortgang, inzonderheid wanneer de he­

vigheid , of mcenigte der Toevallen dit vooruit-

zigt verfterken.

Men heeft opgemerkt, en het is waar, dat,

wanneer de Ziekte ten tiide van de Uitbottins? der

Tanden ontdekt wordt, en deze zich nier. of rraasr.

» » ' O •

at mnpiipliik vprrnnnpn . rlnr rtan vnlk ppn KinA

w„„„ , — ,

hoogst-


124 ^e Voorzegging

hoogstwaarfchijnlijk, eene hevige Èngelfche Ziekre

zal moeten doorftaan. — Men verneemt ook naar

andere Bijzonderheden, of, namelijk, het Kind,

in de gelegendheidgevende Oorzaken geftadig blijft

verkeeren. — Men onderzoekt de gefteldheid van

het Hoofd, van de Borst en den Buik, en be­

fiuit, wat daar van naderhand te hopen of te vreezen

ïs. — Men onderzoekt ook, hoe het met de wer­

king der Klieren en andere affcheidende Deelen gele­

gen is. —- Of het Kind fpoedig vermagerd, en de

Knokjes aan de Geledingen zich uitzetten: — hoe de

omloop des Bloeds, kenbaar aan de Pols, op ver-

fchillende tijden van den dag, zich bevindt. — Men

onderzoekt van nabij den aart en de uitwendige gefteld­

heid der Ontlastingen , het zij dezelve natuurlijk zijn ,

of uit ontaarte Vochten of Stoften beftaan. — Met

één woord; alles, wat den tragen en zachten , of

fpoedigen en hevigen voortgang der Ziekte aanduidt,

wordt gefchift en gefcheiden, zoo dat, op alle

deze, en foortgelijke Teekenen en Toevallen , de

Voorfpelling in dit eerfte tijdsgewricht der Ziekte

moet gegrond zijn.

Naar gelang der kunde en aandacht der Waarne»

meren op vorige bevindingen meer gevestigd is,

zal men ook in de Voorzegging minder falen.

Zijn de redenen van een zeker befiuit niet vast

genoeg, dan zal de Arts, onder de bezorging

van


der Èngelfche Ziekte.

van het noodige, den tijd verbeiden, en hij zal

wachten, tot het klimmen der Ziekte hem meer

zekerheids geeft.

Wie de lijst der Toevallen, en het geene van

dezelven gezegd is, herleest, zal geen breeder

verflag van het tegenwoordige onderwerp begeeren.

§ L X X I X.

De Voorfpelling zal in het Tweede Tijdperk ,

wanneer de Ziekte gevestigd is, ruim zoo gemak­

kelijk en zeker zijn , dan voor , of met haar eerfte

begin.

Ook dan worden de middelen der Voorzegging'

ontleend van de Toevallen; maar, vermits dezelven

dan meer gevestigd zijn, zijn zij ook meer aan den

Voorfpeller, tot zijn oogmerk, dienftig.

125

Indien het Gebeente of deszelfs Geledingen, mer­

kelijk uitgezet, gebogen, of misvormd zijn, heefc

men weinig reden, om eene volkomen herftelling

van het zelve te hoopen. — Zijn de Knieën binnen-

of buitenwaards geweken, vooral van een Kind, het

welk een zwaar bovenlijf heeft, dan vreest men,

met reden, dat die wanftaltigheid niet gemakkelijk

zal kunnen verholpen worden. — Naar mate van

de grooreren bogt der Kuit- en Scheenbeenderen,

als mede van hunne Weekheid, en de lijvigheid van

het


126 De Voorzegging

het Kind, zullen die Deelen hoe langs zoo krommer

worden. . . .

Men houde deze Voorzegging echter niet voor

onfeilbaar, want fomtijds komen de Wanftaltens, zelfs

zonder het geweld van werktuigen, door den tijd;

te regt.

Wanneer een of meer Beenderen van de Borst

zoodanig mismaakt zijn, dat de holligheid der Borst,

daar door, merkelijk verengd is, dan zal het deel,

aldaar gelegen, bij den minden verfnelden omloop

des Bloeds, geprangd worden, en eene moeijelijke

Ademhaling te vreezen zijn.

De verfchillende buitenwaardfche, of zijdelingfche

Uitzettingen der Wervelen, der Ribben, of van het

Borstbeen, voorfpellen eenen onherftelbaren Bog-

chel, ten zij dit, door gefchikte werktuigen, tijdig

voorkomen worde.

Zijn een of meer der Beenderen, welken het Bek­

ken zamenftellen, plat gedrukt, binnenwaards gebo­

gen, of uitgezet, zoo dat deszelfs holte daar 'door

vernaauwd is, dan heeft men reden om, bij de

Vrouwen, eene moeijelijke dragt, ten minde eene

moeijelijke Verlosfing, te voorzeggen.

Indien de Tanden, gedurende de Èngelfche Ziekte,

afgebroken, uitgevreeten, of meerendeels losgeraakt

en uitgevallen zijn, dan vreest men, dat de Uitbot-

ting, ten tijde der Verwisfelinge, niet behoorlijk

zijn


der Èngelfche Ziekte."- i 2?

zijn zal, en dat de zachte Lil, welke naderhand toe

de hardheid der Tanden en Kiezen moest verwan­

delen, in dergelijken gevallen, zelden onbefchadigc

blijft, en de Tandenkasfen veeltijds misvormd wor­

den.

Dit is het niet al, wat op goede gronden, kan

voorfpeld worden.

De belediging der zachte Deelen, de Ontaarting

of Ontlasting der Vochten, de Verharding der Klieren

van de Longe en elders, leveren eenen voorraad

van Voorzegginggronden.

Hoe meenig Kind erlangt door, en behoudt na

deze Ziekte, na herhaalde Bloedhoesten, eene etter­

achtige Longziekte, een etter- of waterige verzame­

ling in de Borstholte, met derzelver Gevolgen? —

Velen fukkelen onder een lastig en fleepend verderf

in het Cellenweeffel van verfchijlende Deelen des

Ligchaams.

Wanneer de Buik zeer hard en dik blijft, ten tijde

idat de Naaste Oorzaak der Èngelfche Ziekte bijna,

of geheel, verdweenen is, wanneer tevens de on-

derfle Leden flap hangen, meer en meer vermageren,

de Lijder door Avondkoortjes al verder verzwakt

jwordr, dan is het Lijdertje in gevaar, om aan eene

Üitteering te ftervcn. — Het vooruitzigt, om tot

jeene volkomen gezondheid te geraken, zal ten min­

den, zeer gering zijn.

S LXXX


128 De Voorzegging

§ L X X X.

Om de gronden van Voorfpelling met nadruk te

bevestigen, zal de volgende Waarneming niet on­

gepast zijn.

Een arm Meisje bekwam, tien maanden oud, de

eerfte Teekens der Èngelfche Ziekte. — Het Hoofd

behield de gewone grootte, — de Wervelen van de

Rug zetten zich buiten- — de rechtfche Ribben

binnenwaards. —. De Buik werd, daar na, zeer

hard en gezwollen. — De Knokken aan Handen

en Voeten werden Ipoedig merkelijk grooter, ter­

wijl de Dijën en Beenen, trapswijze, zeer verma­

gerden. — Eijna anderhalf Jaren oud zijnde, kreeg

dit Kind op de Borst en Rug, eenige Jigtblaauwe

Vlekken, die dan eens verdweenen, dan zich we­

derom vertoonden. • De Ademhaling was meest

benaauwd, tot het Kind, toen omtrend drie Jaren,

eenige Bloedfluimen loosde. — Het gemak, t geen

de Ademhaling daar door fcheen te bekomen, was

niet beftendig; zij werd, integendeel, veel moeije-

lijker. — De Buik bleef hard, gezwollen en nu

en dan pijnelijk. — De Lijderes leed zulk een kwij­

nend leven, tot haar elfde Jaar, toen zij in eenen

ellendigen ftaat was. — Zij droeg een Bogchel, —

de Handen, Voeten en Buik waren Waterzuchtig

gezwollen. —« De Ademhaling was kort en hijgend;

en


der Èngelfche Ziekte. 129

en de Zieke ontlastte, vooral s'morgens, fluimen van

etter, die eenen benaauwden flank gaven. — De

zwakheid was verbazend. — De Armen en Beenen

geleken naar die van een geraamte. — Zij ftierf.

Voor eene kleine gift, ftond men mij de vrijheid

toe, om het Lijk te openen.

Onder de Hersfenpan was niets ontfteld. — De

vierde, vijfde en zesde"Wervelen vormden eene pun-

rige bogt, waar door bet Ruggemerg vrij wat

geklemd werd. — De regter Borstholte was zeer

eng. — In deze , -en ia de linker Longe, waren

verfcheiden verzamelingen van Slijm en Etter, eeni-

.ge purperachtige Vlakken en Zamengroeijingen. —

In de Linkerholte vond ik zes oneen geelachtig

Water, het geen, met den Geest van Sal Ammo­

niak , een weinig bruischte. — Men zag ook eeni­

ge kleine Klietverhardingen in en op de Longe,

welken met een lijmig Vocht gevuld waren.

In de regter Buikzijde was een harde Klomp , ter

•groote van ,een Kinderhoofd, welke , bij naauw»

.keurig onderzoek, in eene verzameling van verhar­

de en opgezette Klieren des Darmfcheils bleek te

.beftaan, —- De Lever was zeer groot, hier en

daar wankleurig en verhard. — De Galblaas was

.groot, maar ledig. — In de oppervlakte der Dar*

.men bespeurde men insgelijks veele Klierverhardia-

gen. .


130

Pis. —- De Blaas was ontllooken, en veel groo-

ter dan natuurlijk.

Binnen de Geleding van den linker Knie was een

lijmig Vocht verzameld.

Het Scheenbeen, vertoonde nabij den Enkel

een purperkleurig Beenvlies. — Het Beenvlies

zelfs was Iponsachtig uitgezet. - Het overige

was naar behooren.

Oorzaken genoeg van den dood! —- Ik had

dezen uitflag voorzien en voorfpeld. — Dit zou

elk oplettend Arts hebben gedaan.

De loop der Ziekte, en het volftrekt onberis­

pelijk gedrag der Ouderen , gedoogden geene an­

dere verklaring dezer verfchijnfelen, dan uit de

Kwaadfappigheid, door de Èngelfche Ziekte voor­

maals bewerkt.

De Voorzegging

§ L X X X I.

Om dit Hoofdftuk de vereischte volkomenheid

te verfchaffen, zou men kunnen vergen , dat de

Lezer onderricht wierd in de Voorzeggingen, wel»

ken gegrond zijn op de Uitwerkfels, niet alleen

van de Èngelfche Ziekte , maar ook van alle an­

deren , welken zich met dezelve kunnen vereenigen.

De ondervinding leerde te dikwijls, dat eene

Èngelfche Ziekte, in het afgetrokkene, weinig

ria-


der Èngelfche Ziekte. 131

radeels zoude hebben toegebragt, maar dat zij ge­

vaarlijke, zelfs doodelijke Gevolgen, door de me­

dewerking van andere gebreken, naliet. —

Men overweege deeze twee Aanmerkingen:

Voor eerst. — Indien zich eene andere Ziekte

onder de Èngelfche Ziekte mengelt, en de omftandig-

heden eene Voorfpelling met den mogelijken uitflag

vorderen, dan moet de befchouwer van de , daar

toe noodige, kundigheden uit andere gefchriften

voorzien zijn, en zijn aandacht moet klimmen tot

die hoogte, welke de ontwikkeling der verfchil-

lende Oorzaken, ter ontdekkinge van te vrezen

overblijffelen, volftrekt vereisfchen.

Hier komt een bedaarde Geest [van fchifting en

onderfcheiding te pas. — Is de gemeene Man

daar van verftoken, wij raden dan van de

Tweede Aanmerking gebruik te maken. —

In deze gevallen, meest al van eenen tragen aart,

moet hij, ter verkrijging van de begeerde Voor­

zegging, met eenen bedreven edelmoedigen Arts

raadplegen. In dat geval zal de Huisvader de noodi­

ge voorfchriften erlangen, waar na hij zijn volgend

gedrag te regelen heeft.

De weg van eene dergelijke raadpleging ftaat

overal open, en wordt, door de Vaderlijke zorg

l 2 ist


13a De Voorzegging

der Provinciale Regeringen, meer en meer gebaant.

V

§ L X X X I I.

Thans vordert onze Verdeeling de opgave der

Voorbehoedingsmiddelen, daarna van zulken, wel­

ken ter Genezing (trekken kunnen.

AGT-


der Èngelfche Ziekte. 133

AGTSTE HOOFDSTUK

Van de Voorbehoeding der Èngelfche Ziekte.

§ L X X X I I I.

INDIEN wij, eerjlelijk, bewijzen, dac de Èngelfche

Ziekte kan worden voorgekomen, dan zullen

wij, ten tweeden , ons niet kunnen onttrekken van

de voordragt der Middelen, daar toe dienftig.

§ L X X X I V.

Belangende het eerfte. — Men vraagt: kan de

Èngelfche Ziekte worden voorgekomen? — Wij

antwoorden, ja; om deze reden.

Indien de Oorzaken, of een gedeelte derzelver,

immers zoo velen als vereischt worden, om de

Ziekte te doen beftaan, kunnen afgeweerd, gefluit,

of verzwakt worden, dan kan zulk eene Ziekte

worden voorgekomen. — Maar dit heeft plaats bij

ajle Ziekten, welker opwekkende Oorzaak niet In

I 3 eene


134

eer* befmettelijke gefteldheid des Dampkrings gele­

gen is: — Ik zou zelfs niet gaarne op mij ne­

men te bewijzen, dat deze laatften, mits onder

behoorlijke bepalingen, niet kunnen voorgekomen

worden. — Maar dit daar latende, zal ik de

Oorzaken der Èngelfche Ziekte doorloopen, om

mijne ftelling te ftaven.

Welke haare Naaste Oorzaak zij, (althans naar

mijn begrip) kan den Lezer niet ontglipt zijn j —

en hij zal reeds hebben opgemerkt, dat, in de

Voorbehoeding derzelve, geen fchijn van onbeftaan-

baarheid te vinden is, en, uit eene vergelijking van

het geene hij, nopens den invloed der Oorzaken,

uit deze Verhandeling heeft kunnen leeren, zal hij

reeds beflotenhebben, dat, met het fluiten der Oor­

zaak, ook de Ziekte zelve voorgekomen wordt.

Voor de minöplettenden zal dit onderwerp echter

eenige Verklaring noodig hebben.

De opwekkende Oorzaak, de Wei van het Zo

of de Melk, aan het Kind, terftond, of niet lang

na de geboorte onttrokken zijnde, zal dezelve de

yoorjchikkende Oorzaak, hoe aanmerkelijk die an­

ders zij, niet opwekken, gevolglijk geen beftaan

aan de Naaste Oorzaak, dat is, aan de Ziekte

verfchaftcn.

Van de Voorbehoeding

Maar hier fpreekt het teeder hart van eene Kin-

derJievende Moeder: „ Zou ik volle beken van ge-

, ? zond


der Èngelfche Ziekte. "35

„ zond Voedzel aan mijn lieveling weigeren ? Neen 1

„ de Natuur zou mij, op het gezigt van Zuigen-

„ de Dieren, doen bloozen !" — Wat dan ? —

Verlaat ons h'er de voorkomende Ziektekunde? —

Neen ! — in dat geval moet het geftel van het

Kind in dier voegen verbeterd worden, dat de

opwekkende Oorzaak kragteloos worde. — Of

haar fchadelijk vermogen moet, pp de gefchikfte

wijze, worden verbeterd.

Hij, die, het geen, ten aanzien der Ziekteza­

den , in het algemeen, en bijzonder van die der

Èngelfche Ziekte, betoogd is, met eenige oplet­

tendheid herleest, zal met mijn gevoelens ijlings

inftemmen. — Of kan de gefteldheid van het Zog

niet worden verbeterd t — kan eene min gefchikte

voor geene meer gefchikte Zoogfter verwisfeld wor­

den? kan de Zwakheid des Ligchaams en de

Kwaadfappigheid van het Kind door geene gefchikte

Middelen worden voorgekomen, of veranderd ? —

Het tegendeel zal naderhand blijken.

In zoo verre, wijders, het geftel van het Kind

toone , of uit de geaartheid der Ouderen vooraf

blijke, dat de bijzondere zaden der Èngelfche

Ziekte , of aanwezig of te vreezen zijn , zien wij,

voor ons, geene reden van ftrijdigheid, om de

gefteldheid der Ouderen , of van de Voedfter,

alzoo te verbeteren, dat, daar door, de vermenig-

I 4 vul-


vuldigingj of het vermogen der Ziektenzaden bij

het Kind voorgekomen worde.

Wijders mag de hertelling, of behoorlijke be­

handeling van zoodanige Ziekten, welken eigenaartig

dienen om eene meerdere Vatbaarheid voor de Èn­

gelfche Ziekte natelaten, onder de zeer mogelijke

middelen ter Voorbehoedinge gefteld worden.

De ondervinding bevestigd , immers zoo veel zij

dit doen kan, deze mogelijkheid, het geen in dit

Werkje klaar genoeg is gebleken, en naderhand nog

duidelijker blijken zal.

Op deze vlugtige herfchouwing van den Aart der

Oorzaken onzer Ziekte, en op de verdere Aan­

merkingen , mag dit befiuit fteunen: — De

Èngelfche Ziekte kan worden voorgekomen.

Ik zie geene reden, om hier op verder te drin­

gen , te minder, dewijl de aart der Voorbehoe-

dingmiddelen zeiven , een kragtig bewijs voor die

ftelling zal opleveren.

S L X X X V.

Wij komen dus tot het tweede gedeelte van dit

Hoofdftuk, (§ LXXXIII.) moetende beftaan in

een ver/lag der Middelen , om de Èngelfche Ziek -

te te voorkomen.

Van de VoorbehoedUtg

Wij moeten de Middelen, of wijze van Voor-

be-


der Èngelfche Ziekte.

*37

behoeding uk twee zeer vefchillende Oogpunten

befchouwen , namelijk :

Voor eerst. — Wij zullen die , welken onder

de Zwangerheid noodzakelijk zijn, laten vooraf­

gaan ;

Ten tweeden. — Daarna zullen die, welken

na de geboorte van het Kind , te ftade komen,

moeten volgen.

S L X X X V I.

Ik zeg, onder de Zwangerheid. — Wij beflo-

ten voormaals, uit de Reden en Ervaring, dat uk

eene wekelijke zwakke gefteldheid der Ouderen ,

doorgaans een diergelijk kroost te wagten is.

Wij beweerden , op grond van het onderling

verband tusfehen de Zwangere en hare Vrucht, dat

het Ligchaamsgeftel der laatfte veeltijds ftrookt

met dat der eerfte. — De gronden van een tegen-

gefteld gevoelen, zelfs ten aanzien van den invloed

der zintuiglijke vermogens, waar mede fommigen

thans te veel ophebben, kunnen ons niet behagen.

— Dan wij zijn nu tot een onderzoek daar van

niet verpligt.

Indien nu de Zwangere eene gefteldheid heeft,

welke, met regt, doet vreezen , dat hare vrucht,

of ten aanzien der kragten, of ten aanzien van de

I 5 ge-


138

geaarchcid , eene meer dan gewone vatbaarheid

voor de 'Èngelfche Ziekte zal medebrengen , dan ,

meenen wij , dat de voorkoming van dit gevolg

moet beftaan in de verbetering van de gefteldheid

des zwangeren Ligchaams , namenlijk in zoo verre

die gefteldheid dat gevolg anders zoude kunnen te

weeg brengen.

Welken zijn de Middelen daar toe ? — Deze

vraag is kort, maar uitvoerig. — Zij behoort

ook niet zoo lijnregt tot mijnen taak, om dezelve

opzettelijk te beantwoorden.

Eenige Regelen, ter Voorbehoeding, in dit

geval, zullen mij, hoop ik, van de verdenking

van nalatigheid ontheffen.

Eerfte Regel. — Een Man, wiens Zaad,

door eene losfe leefwijze uitgemergeld is, moet,

alvorens hij der reine min' hulde doet, ter zijner

herftellinge, den raad van eenen bekwamen Arts

innemen en volgen. — Mag ik hem iets raden ? —<

Hij ontwijkc alles, wat hem verder kan bederven,

en doe het tegenovergeftelde. — Rust, voedende

dierlijke fpijzen , eene koele Dampkring, verfter-

kende koude Baden en Wrijvingen, de ontwijking

van alles, waar door zijne dierlijke driften worden

opgewekt, zijn voor hem , in dezen toeftand, meest

gefchikt.

Van de Voorbehoeding

i Ik gaf dezen raad aan een Vader, wiens twee

eerfte


der Èngelfche Ziekte. 139

eerfte Kinderen met een Zwak en Kwaadfappig ge­

ftel ter waereld kwamen, en daar na onder de

Èngelfche Ziekte gevaarlijk kwijnden. — Hij volg­

de mijnen raad, met dien uitflag, dat de vier vol­

gende Kinderen gezond en fterk ten voorfchijn kwa­

men , en zonder fchijn van Engeiïche Ziekte voort­

leefden.

Is 's Mans Bloed met het vuile Venus-gif be­

zoedeld , dan zal de Arts hem, daar en boven, de

noodige Middelen ter verbeteringe aan de hand

geven.

Naar mate hij meer tijds heeft, moet hij, eer

hij ook zijne Echtgenoote en kroost bederft, de

raadgevingen des te vlijtiger en beftendiger opvol­

gen. — Men is hier in , ik weet het al te wel,

veel te nalatig;.

Tweede Regel. — De Zwakke, Ziekelijke of

Kwaadfappige Vrouw moet den zelfden raad vol­

gen. — zij moet, in het bijzonder:

I. in hare leefwijze, voor en onder den Echt,

vooral ftaande de Dragt, alles in dier voegen

befturen, wat minst ftrekken kan, om zich

zeiven en de vrucht te verflappen, of kwaad­

fappig te maken. — Hier toe behooren ,

voornamelijk, de laauwe vochtige Damp­

kring , waterige laauwe Dranken, Melkfpij-

zen, Bladgroentens, zoete Kost en Wijnen,

al


*4° Van de Voorbeïweding

al wat moeijelijk verteerbaar is, alsmede de

warme Voetfloven, en dergelijken.

II. Hier door zal de gemeene plaag van zwakke

Vrouwtjes, de uitmergelende witte Vloed,

gefluit, of deszelfs fcherpte verbeterd wor­

den. — Men bezige anders, ten dien ein­

de, al wat gepast is. — Dit is te nood­

zakelijker , om dat de ondervinding leert,

dat vele Kinderen, welken naderhand door

de Èngelfche Ziekte aangetast worden, van

Moeders afflamden, welken door den witten

Vloed verzwakt waren.

Men vergelijke de bevinding hier omtrent,

aan de Stranden en modderige flreeken, met

de hoogere gedeeltens onzer Provinciën: ,

Men zal, onder de bewooners der eerften ,

de Èngelfche Ziekte (al het overige gelijk

gefield) veel gemeener vinden , dan onder

die der laatflen. — Men zal geene andere

Oorzaak , dan de Gevolgen van den witten

Vloed, ontdekken, en, gelijk mij meer'dan

eens gebeurd is, met dezelven te fluiten,

de meerdere vatbaarheid des Jonggeborenen

voor die Ziekte, voorkomen.

Derde Regel. — Blijkt, uit den aart der wit­

te Vloeiftoffe , en uit andere Teekenen , dat de

Vochten door de Venusfmet, vergiftigd zijn, dan

voor-


der Èngelfche Ziekte. 141

vooral moet het vermogen der Kunst beproefd worden.

— Vindt iemand dit onnoodig ter voorkominge

van de bijzondere Vatbaarheid der Èngelfche

Ziekte, die zal evenwel erkennen, dat hetzelve

dienen kan, om de meerdere kwaadaartigheid

der Toevallen van dezelve te temperen.

Vierde Regel. — Somtijds befpeurt men de

Èngelfche Ziekte bij Kinderen van dezelfde Ouderen

, zonder dat men eene blijkbare reden daar

van kan ontdekken. — BUCHAN heeft dit bij

elf Kinderen gezien. — Ik zag het, in één huis,

bij agt; in een ander, bij vijf van dezelfde Ouderen.

In deze vertwijiFeling is niets te doen, dan met

eenen kundigen Arts te raadplegen. — De grondoorzaak

ligt noodzakelijk in de geaartheid van Va»

der of Moeder, vooral der laatfte. — Deze zal

de Geneesheer navorfchen, en, indien hij kan,

opruimen. — In 't gemeen zullen verfterkende

Leefwijze en Geneesmiddelen de hoofdzaak zijn. —

De bekrompen omtrek eener Prijsverhandeling duldt

hier omtrent geene uitvoerigheid, vooral daar het

bellek ons roept tot onderzoekingen van meer gewigt.

S LXXXVIL


ï4 2

§ L X X X V I I.

Wij moeten de Middelen aanwijzen, welken na

de geboorte van het Kind ter voorkominge der Èn

gelfche Ziekte, gefchikt zijn. (§ LXXXV. n. 2.)

Men zou hier met weinige woorden, veel kun­

nen zeggen, en alles afdoen met dit voorfchrift.

De onthouding van Zog en verdere Melkfpijzen,

voorkomt de Èngelfche Ziekte.

Doch wie zal op zulk een raad dringen? —

Dit ware even zoo veel, als eene Oorlogsverkla­

ring aan de meefte Moeders, — even zoo veel

als of wij gaarne van eene Ipoorlooze ongerijmd­

heid wilden befchuldigd worden.

Men begeert eene wijze van Voorbehoeding,

welke met de Zooging, indien dezelve om geene

andere reden moet geftaakt worden, beftaanbaar is.

Alles, wat der Kinderen bijzondere vatbaarheid

voor deze Ziekte verbeterd: — het nalaten van

alles, wat dezelve bevorderlijk is, levert, in het

gemeen, de bedoelde Middelen op.

§ L X X X V I I I.

In het bijzonder zullen deze Behoedmiddelen

moeten ontleend worden,

/

Van de VoorbeJweding

Foor


der Èngelfche Ziekte. 14:3

Voor eerst: van de Lucht, waar in het Kind

verkeert;

Ten tweeden : van het Voedfel;

Ten derden: van de Beweging en Rust;

Ten vierden: van de onderhouding eener gere­

gelde D oorwaasfeming;

Ten vijfden : van de Behandeling der Ziekten,

welken de bijzondere vatbaarheid vermeerderen;

en , eindelijk ,

Ten zesden : van het Beftuur des Kinds, ten

tijde, wanneer die Voorgefchiktheid zoo aanmerke­

lijk is toegenomen, dat men twijfelt of de Engel

fche Ziekte niet reeds, in haar begin, befla.

Tref ik het doel, dan zal de nadere overweging

dezer onderwerpen, hoewel eeniglijk ter voorko­

minge van de Èngelfche Ziekte ingericht, eene meer

uitgebreide nuttigheid hebben.

§ L X X X I X.

De Lucht, matig koud, droog en zuiver, zal,

voor meest alle onze Kinderen, de gefchikfte zijn. —

Zij verfterkt en verfrischt, en is daarom ook dien-

ftig, om de meerdere vatbaarheid voor de Èngelfche

Ziekte te helpen voorkomen.

Elk doe, naar zijne omflandigheden, en die des

tijds, wat hij vermag, om eene foorrgelijke Lucht

aan


144

Van de Voorbehoeding

aan zijne Kinderen, in hunne eerfte levensjaren, te

verzorgen. — Een gegoed, ten minden belezen,

mensch behoeft hier omtrent geene onderrichting. —

Een min gegoedde ontwijkt de vochtigde, en des

Zomers ook de heetde gedeeltens van zijn huis. —

Des Kinds verblijf moec dikwijls gelucht , gezuiverd

en gedroogd worden. — Onder eene, niet be-

plankte, Schoordeen moet niet meer Vuur zijn, dan

noodig is tot onderhoud der natuurlijke warmte van

het Kind. — Voor ieder een, en dus ook voor den

armden ingezeten flaat de Lucht vrij. — Hij moet

zijn Kind aan dezelve zoo veel meer gewennen,

als het zelve daarna in dezelve meer zal moeten ver-

keeren. — De gemeene Hutten en Keldertjes, in

onze meest bevolkte Steden, brengen alles mede,

om hare bewoners te bederven. — Waarom ver­

neemt men, onder het Kroost van die Meniehen,

de Èngelfche Ziekte niet nog menigvuldiger dan te­

genwoordig? — Voornamelijk, om dat de nood

hen veeltijds dwingt van de open Lucht gebruik te

maken, terwijl de burgerbaker, of vrouw, den

Jonggeboorenen niet zelden voor een Vuurtje, in

een laauw en vochtig vertrek koestert en verzwakt.

Bij mistige en regenachtige Dagen zal een klein

Vuurtje voldaan om het Vertrekje te droogen.

Van het nut dezer eenvouwige raadgeving ben ik

•eenmaal, door de ervaring, volkomen overreed gewor-


der Èngelfche Ziekte.

worden. — De Ouders van twee Kinderen bewoon­

den een laag gelegen, vochtig benedenhuis.

Ik fchreef meerendeels daar aan den oorfprong van

de Èngelfche Ziekte toe, met welke die twee Kin­

deren behebt waren. — Men verplaatfte zich, op

mijn raad, in een droog bovenhuis. — De Lij-

dertjes niet alleen, maar ook geen der vier vol­

gende Kinderen, werd, fchoon de verdere opvoeding

dezelfde bleef, door eene der geringde Toevallen

van de Èngelfche Ziekte aangetast. — Is hier geene

reden, om te gisfen, dat de betere Luchtsgefteldheid

van het huis aan dit heilzaam gevolg veel deel had?

Men kan zich ook, ter verbeteringe eener bedor­

ven Lucht, van Azijndampen, verfche Bloemenen

Planten, of iets dergelijks bedienen.

§ X C.

Ten tweeden. — Het Voeifel. — Hier om­

trent kan' men niet oplettend genoeg zijn.

Gedurende de Zooging. — De hoedanigheid

en hoeveelheid van het Zog moet 'altijd betrekkelijk

zijn tot den toeftand des Zuigelings. — Ik her­

haal, dat zwaar, lijvig Zog van de gezondlte Zoog­

fter, voor een zwak Kind, zoo fchadelijü kan zijn,

als flap, dun Zog, voor een flerk Kind.

*45

Over het geheel is echter niets nadceliger, dan

K de


146 Van de Voorbehoeding

de magere fchrale Borst eener uitgemergelde Minne.

— Dit beweerde BUCHAN, op gronden van er­

varing. — Agt Kinderen, door hunne Moeder

gezoogd, bleven gezond. — De nood eischte,

voor het negende, eene Minne. — Dit Kind kreeg

de Èngelfche Ziekte. — De Waarnemer fchreef

dit toe aan het fchrale Zog. — Zijn gezag gedoogt

geene twijfeling aan de juistheid zijner Waarneming.

De Moeder, of Minne, richte deswegens hare

leefwijze naar het geftel van 't Kind. — In het

eerfte geval zullen verflappende, verdunnende Spij­

zen en Dranken; het tegendeel in het tweede ge­

val , noodzakelijk zijn. — Dit evenwigt onderhoud

de kragten, verfchaft eenen geregelden Wasdom en

Voeding.

Weinig Zog tevens te geven, en dit dikwijls te

herhalen, fchikt beter, dan dat het Kind, nu en

dan, tot de keel toe overladen worde.

De tijd van Speening moet «insgelijks bepaald

worden na de kragten van het Kind , en den aart

van het Zog. — In 't algemeen kan men hier te

Lande met tien of twaalf Maanden volftaan.

Langer uitftel verzwakt Moeder en Kind. Het

laatfte wordt flap, flijmig en zwak van Veezelen,

dat is, het krijgt ongevoelig eene meerdere vat­

baarheid voor de Ziekte, welke een beter beftuur

had kunnen voorkomen. — De wijze van Speening,

wel-


der Èngelfche Ziekte. *47

••welke langzaam,, en deels mee behulp van de Pap­

pot gefchiedt, keuren wij de beste.

Het Zog, door eene, meer of min, 'kwaad-

aartige gefteldheid van het Bloed, bedorven, moet

liefst onthouden, of, op de .gefchiktfte wijs,

'Overeenkomftig de natuut van liet bederf, verbeterd

worden. — Eene Tegenfcheurbuikige of Tegen-

veneriefche Leef- en Geneeswijze, door een bedre­

ven Arts te bepalen, zal de hoofdzaak zijn. —.

Doch hier omtrent heb ik reeds genoeg gezegd. —

Men dulde echter de volgende Waarneming.

Eene brave Burgerdochter, werd gehuwd aan

•een losbandig Knaapje. — Het eerfte Kind was

ziekelijk , zwak, en vol Hairworm, en had

hier en daar Beeneters. — Het tweede was, voor

zijn zestiende Maand, gekweld met de Èngelfche

Ziekte. —— Het werd geknaagd door kwaadaar-

tige Zweeren. — De Regter hand en Voet wa­

ren hard en knobbelig, rood en pijn el ijk , als van

heginnende Winddoorns. —— Niets was in ftaat^

om den dood dier twee ellendelingen te voorko­

men. — Het doet hier niets ter zake, dat de

Vader, zijns kwaads bewust, moorddadige handen

aan zijn 'fchuldig leven floeg. — Na dat de Moe­

der, van ecnee kwaadaartigen witten Vloed en

verdere Toevallen van het Venusgif genezen was*

£ 2 hragt


14$ Van de Voorbehoeding

bragt zij, na een tweede Huwelijk, zes Kinderen

ter waereld, die allen gezond bleven.

Was dit geval eenig in zijn foort!

Een dergelijk bederf van het Zog is niet, zelfs

door den opletcendften Arts, altijd even gemakke­

lijk te ontdekken. Elk verheelt liefst zijn

fchuld, of fchuift die van zich af. — De Minne,

vooral eene zoogenaamde bedrogen Dochter, bezit

veeltijds kunstgreepen, zoo listig, dat zij naauwe-

lijks te achterhalen zijn. — Ik was daar van, meer

dan eens, het flagtölfer.

Wij raden de Ouders, die hier omtrent in twij­

feling geraken, dergelijke Minne voor eene betere

te verwisfelen, of hunne Kinderen met de lepel

te voeden. — Laat uwe zorg, ten besten uwes

geflachts, de logen vergaauwen, eer het verzuim

te laat beklaagd worde. — Deze raadgeving mag

men veilig verder {trekken, dan tot de Burgerhui­

zen ; of ervaarde gij nimmer, oplettend Genees­

heer! hardnekkige Ziekten, Huidgebreken, enz.

bij Kinderen van goeden Huize, die alleen van

eene vuile Minne afkomftig, alleen door Kwik

herlteld werden? — Het denkbeeld van velen der

beste Schrijveren over de Èngelfche Ziekte, welker

Naaste Oorzaak, door hen, in eene Venusfmet ge-

fteld wordt, ftaaft meer of min mijne waarfchou-

wing. —


iet Èngelfche Ziekte.

wing. —— Doch men weet mijn denkbeeld ten aan­

zien dier ftelling!

Eenige jaren geleden, zag ik dagelijksch een

Kind, het welk, der Èngelfche Ziekte onderhevig,

eene fchijnbaar gezonde Minne zoog. Hare

Kaken droegen de kleur van roode roozen. — Zij

was het toonbeeld der bevalligheid. — Doch ik

befpeurde eene zekere heeschheid in hare fpraak,

en vond de Lel met kleine Puistjes, en aan bet

Bovengehemelte eene vlakke zweer. — Men ruilde

de Minne, en het Kind genas, onder het gebruik

van Kwik en Kina.

Men houde deze , - mogelijk kwalijk geplaatfte

Waarneming, ditmaal, ten goede:

Het Voedfel na ie Speening, of wanneer het

Kind, zonder Zog, met de lepel, onderhouden

wordt, vorderdt, ten einde de Èngelfche Ziekte

tp voorkomen , onzen aandacht.

Men lette dan op de foortgelijke eigenfchap van

het zelve.

Alles, wat bezwaart, de Melk daar onder be­

grepen , is, uit hoofde van de Zwakheid der eer­

fte Wegen, onverteerbaar , en verwekt Raauwheid 5

Koorts en Zwakheid. — Men geve des het tegen­

deel ; alles echter naar geraden van de fterkte van

bet Kind.

H9

Het ftaat aartig, ik beken het, dat een Kind,

K 3 ' m


Van de Voorbehoeding

ft» de Kaklfoel, Melkbrei, Vlecsch en Spek eer,,

dat het daarin zijne Ouders befchaamt en niets weigert

$ —- maar die aartigheid verliest haar fraai y

wanneer het Kind, even daar door, gelijk ik dikwijls-

heb waargenomen, de beginfels der Èngelfche

Ziekte erlangt. — AI het overdrevene en

tegennatuurlijke moet achtergelaten, en de voetftappen

der Natuur moeten gevolgd worden.

Onthoud daarom uwen Kinderen de zoete Popjes,

de Macarons, Bonbons, met één woord,

alle Suikerkost en Meelgebak. — Niet te kragtige

Soupen, met oud gebakken Brood, Bierpappen,

Waterpappen en dergelijken, zullen meer nuts doen.

— Ook zal koud zuiver rauw Water de gefchikfïe

Drank zijn. — Toen God den Mensch fchiep

en voor zijn Kroost zorgde, gaf hij hen Groenlens

voor Spijze, en Water tot Drank.

S x c i.

Wij moeten, ten derden, aan de Beweging

en Rust gedenken. — Te veel van beiden is even

Schadelijk, en verwekt Koorts, Zwakheid, Verdikking

en bederf der Vochten.

Men zondigt doorgaans meest met het Kind

Vadfig te maken, even of het Kind geboren

wafê om eeuwig te rusten. — Velen zelfs, ondanks


der Èngelfche Ziekte.

danks de getrouwe raadgevingen , ftommelen het

Kind in prangende dekzels en kleeding, even als

of men hetzelve , met opzet, de zaden der Èn­

gelfche Ziekte wilde berokkenen. — Men doe

het tegendeel, en verlterke daar door de weke*

Jijkfte Kinderen.

§ X C I I.

Ten vierden. — Eene geregelde Uitwaasfeming

behoort onder de Behoedmiddelen der Èngelfche

Ziekte.

Indien zij te fterk is, wordt het Kind verzwakt:

— Is zij te gering, dan blijft eene ftoffe terug,

welke naderhand hinderlijk kan zijn. — Wij ver­

werpen daarom, ten minften voor onzen landzaat,

ten aanzien van hitte en koude, alle uiterltens,

althans in zoo verre men nu eeniglijk op de voor­

koming der Vatbaarheid voor de Èngelfche Ziekte

het oog hebbe. — Doch, wen men eigenlijk,

voor de verfterking van het Kind, alleen moet

zorgen, dan kunnen de koude Baden van de groot-

fte nuttigheid zijn. — Maar dir behoort tot het

volgende Hoofdftuk.

151

K 4 XCIII.


IS*

§ X C I I I.

Het volgende Middel van Voorbehoedinge

(S LXXXVIII. n. 5.) beftaat in de Behandeling

der Ziekten , welken, verzuimd zijnde , eene meer­

dere Vatbaarheid voor de Èngelfche Ziekte kun­

nen achterlaten.

Van de Voorbehoeding

Dan, Lezer, wanneer dit onderwerp, in het

afgetrokkene, overwogen wordt, kan deszelfs be­

langrijkheid niemand ontglippen; — zelfs erken

ik , dat hij, die de Èngelfche Ziekte zoo uitvoe­

rig moet befchrijven, als de uitgcftrektheid der

Vrage hem verpligc, wel degelijk mag, en moet

onderfïeld worden, die Ziekte, en derzelver beste

wijze van Voorkoming en Genezing, te kennen. —

Maar, voelt gij niet, dat dit geheel iets anders is,

dan den gemeenen Man eene eenvouwige handlei­

ding te verfchaffen, in de manier om de Èngel­

fche Ziekte te kennen, en te voorkomen. Be-

fchouwe men de zaak van dien kant, dan zal nie­

mand mij vergen, dat ik de kennis der genezing

der Gevolgen van Ziek Zog breder uitbreide;

dat ik de manier, om het Zuur uit de ingewanden

te drijven, of hetzelve te verbeteren aanwijze, —

dat ik de behandeling der Kinderziekte, Mazelen,

Roodvonk, of andere Huidgebreken befchrijve,

ito ik de wijze , om de Uitbotting der Tanden

gQ-


der Èngelfche Ziekte. 153

gemakkelijker te maken, voordrage, —- dat ik

het Geneeskundig beduur der jLijdertjes, onder de

Koortfen van verfchillenden aart, aanduide.

Neen! dit kan even min van ons verwacht wor­

den , als de opzettelijke aanwijzing der genezinge

van de Sprouw, — Van de verfchillende Hoes­

ten , den Kinderen zoo gemeen, — van de Uit-

teering , het zij die oorfpronglijk zij, of een

gevolg van andere Ziekten: — even min als dat

ik wijders verflag zoude doen van alle overige

mogelijke Ziekten der Kinderen, en hare genees­

wijze.

Wie echter, hier omtrent eenige inlichting be­

geert, kan zich vervoegen bij eenen HAR RIS,

ROSEN, BICKER en TISSOT, OFTERDIN-

GER, BUCHAN, bij de Prijsverhandeling van

den Rotterdamfchen Arts VEIRAC, in het xesde

deel der Handelingen van dit zelfde Genootfchap,

of, en dit zagen wij het liefst, hij vrage den

raad van een' ervaren Geneesheer.

Men beoeffene zich om te te weten, het geene

ter behandelinge dier Ziekten noodzakelijk is. —

Het zal, in 't gemeen, bij de behandeling der

opgemelde Ziekten, volftaan , op de afwending,

of herftelling, van de Zwakheid en Kwaadfappig-

heid, gewone Gevolgen dier gebreken, acht te

geven } ten einde, even daar door, de bijzonde

K 5 Vat-


154- Van dc Voorbehoeding

Vatbaarheid voor de Èngelfche Ziekte te voorkomen.

Vooral moet de aandacht gevestigd zijn op de

juiste behandeling van zoodanige Ziekten, welken

de Kenmerken dragen eener Zuure Scherpte in de

eerde Wegen en in het Bloed, gelijk de Brakin­

gen, Afgangen, Buikpijnen, Sprouw, vele Huid-

gebrekea, enz.

Ik vind mij inzonderheid verpligt, om de op­

lettendheid der zulken optewekken, welker vorige

Kind, of Kinderen, door de Èngelfche Ziekte

aangetast zijn- — Voorzigtigheid en tijdige zorg

kunnen , in dit opzicht, bij hun verder Kroost,

gevolgen voorkomen, welker verzuim in eene

fteedsdurende ellende zou kunnen uitloopen.

§ X C I V.

Indien de omftandigheden van dien aart zijn,

dat men aan het beftaan der allereerfte beginfels

van de Èngelfche Ziekte twijfelt, dan komt de

zesde en laatfte voorzorg ($ LXXXVIII. n. 6.)

te pas. — Maar dit ftuk grenst altenabij de ftreek,

werwaards onze gang moet gericht worden om 'er

nu iets van te gewaagen.

§ XCV.


der Èngelfche Ziekte. 155

S x c v.

Wij moeten intusfchen herinneren , dat niet alle

onze Voorbehoedingmiddelen, in alle gevallen,

noodzakelijk zijn : — dat men veiligst handelt met

zulken, die gepaard kunnen gaan, tevens te bezi­

gen.

Indien het aan de lust niet hapert, zal het tijde­

lijk onvermogen geene reden van verzuim verfchaf-

fen. — De Voorzorgen ten aanzien van den Damp­

kring , kosten niets; — de Leefwijze der Zooglïers

kan even gemakkelijk naar de geaartheid van den

Zuigeling gefchikt worden; — dit zelfde kan ook,

opzigtelijk de Beweging en Rust, zoo wel, als van

de regelmatigheid der Doorwaasfèming, gezegd

worden. — De kennis en geneeswijs der Ziekten,

welken de meerdere Zaden van de Èngelfche Ziek­

ten nalaten, zijn ook niet verre te zoeken. ——

En, men heeft, meer dan ooit, aanlpraak op de

verpligting der Leeraren van het afgelegen platte

Land, om het gebrek van ijver en kunde hunner

Dorpelingen , ten besten der Kinderen, te vergoe­

den.

NE-


t$6

NEGENDE HOOFDSTUK

Van de Genezing der Èngelfche Ziekte.

§ X C V I.

M E N vraagt naar de Beste Middelen," om de

Èngelfche Ziekte te genezen. — Met rede, want

alles optehalen, het geen, onder den naam van eene

beredeneerde Geneeswijze, is opgegeven , of het

welke als Geheimen uitgevent wordt, zou den Le­

zer en mij verveelen. — Wij houden (om dit,

in-het voorbijgaan, eens vooral, aantemerken) alle

de Geheimen, in deze en andere Ziekten , voor

kunstgrepen, of om, in weerwil van de eere der

Praktijk, menfchen te bedriegen, zijn beurs te

vullen, of om, langs dien ongeoorloofden weg,"

de Praktijk zijne Medebroederen naar zich te trek­

ken.

Van de Geneezing

De Beste Middelen zijn die, welken, op de

eenvouwigfte wijze, zamengefteld, de aangenaam-

fte zijn, en op de fpoedigfle manier werken: zul­

ken


der Èngelfche Ziekte. i57

ken, die, niet op gisfingen, maar op Reden ,en

Ondervinding (leunen.

§ X C V I I.

Om het verband met de, tot hier toe , geleg­

de gronden te behouden 3 oordeel ik deze de

gefchiktlle orde, namelijk:

Foor eerstdat wij de beste Middelen, om de

aanvanglijke Èngelfche Ziekte te genezen, aan­

wijzen ;

Ten tweeden ; dat vervolgens die geenen, wel­

ken in de meergevorderde Ziekte dienffig zijn,

befchreven en aangedrongen worden ;

Ten derden; dat voorts zulke Middelen, die

eigentlijk dienen tot herftel van Toevallen , wel­

ken eenen bijzonderen aandacht vereisfchen, ter

voorkominge van gevreesde Gevolgen, opgegeven

worden \

Ten vierden ; dat, eindelijk, op de best mo­

gelijke wijs, voqr het herftel der Gevolgen , of

Overblijffels der Èngelfche Ziektegezorgd worde.

§ X C V I I I.

Met opzicht tot het eerfte. — Uit den waren

aart der Ziekte , vergeleken met derzelver Toevallen,

in


Ï 58

in haar eerfte begin, is gebleken, dac in verre de

ineefte gevallen eener aanvanglijke Èngelfche Ziek­

te , de Vochten weinige teekenen eener Zuure

Scherpte vertoonen , hoewel wij wederom niet ont­

kennen , dat, in andere gevallen, vrij fpoedig,

de blijkbaarfle Toevallen, zelfs van bet tweede

tijdvak vernomen worden.

Wij zullen ons echter bepalen tot de gewone

verfchijnfels, fchoon men het gaarne daar voor

wilde gehouden hebben, als of, in het laatfle

geval, de Middelen der gevorderde Ziekte ook

hier waren ingelascht.

Zoo dra de Ziekte blijkbaar is, vordert de Ge­

neeskunde twee oogmerken:

Voor eerst. —• De eerfte Wegen moete» van

het Stremfel ontheft worden.

Ten tweeden j de Leef- en Geneeswijzen moeten

alzoo ingericht worden, dat zij den voortgang der

•Ziekte fluiten.

§ X C I X.

Ter volbrenging der eerfte Aanwijzing 1

let men

op de poogingen der Natuur, welke veeltijds, in

dit geval, het Lijdertje door Brakingen of Stoel­

gangen , tracht te redden. — Deze wijze Leids­

vrouw moet gevolgd of aangemoedigd worden. —

Dit gefchiedt:

Van de Geneezing

L


der Èngelfche Ziekte. 150

I. door Braakmiddelen;

II. door zulken, die de Afgangen bevorderen;

III. door de Verwisjeling van beiden.

Omtrent de Braakmiddelen befchouwt men

Voor eerst, de Noodzakelijkheid en Veiligheid

derzelven;

Ten tweeden, hun Soort.

Het eerfte gefchiedt ter gerustftellinge; het tweede

ter onderrichtinge van den geraeenen Man.

SCI.

De Natuur bewijst, gelijk zoo even gezegd is,

het Nut der ontlastingen, in dit geval. — Nopens

hare Veiligheid is geen twijfel altoos. Deze

bovenwaardfche ontheffing van hindernisfen, die,

door vertoef, zouden belemmeren, gefchiedt, bij

Kinderen, fchier even gemakkelijk als het Zuigen.

— Zij hebben daar van geen gevolgen , althans

niet in de gewone omftandigheden. — De poogingen

der Natuur, ook hier in, te volgen, was

de raad van den Vorst der Geneeskunde HIPPO-

CRATES; een raad, zoo gegrond, als of Hij

onze Ziekte gekend had.

Braak-


ï6o Van de Geneezing

Braakmiddelen fchudden de Maag en Darmen;

i—- verdeelen bet Stremfel op eene gemakkelijke

wijs, en ontheffen aldus het Kind van een fchade-

lijk Ligchaam; Ja, dit middel is Noodzakelijk, zeg

ik, en Veilig — zou het niet? — het fchoort

de Natuur in hare werking. — En ik kan mij

geen geval herinneren, waar in een Braakmiddel,

naar eisch gebezigd , aan een Kind eenig nadeel

deed. — Het ontijdig, of te lang aangewend ge­

bruik van het beste Middel kan benadeelen; dan

dit is geen bewijs tegen deszelfs deugdelijkheid en

veiligheid.

S C tl

Het tweede gedeelte van ons tegenwoordig on­

derwerp moet handelen over de foortelijke hoedanig­

heid dezer Braakmiddelen, waarna wij de wijze

van gebruik zullen opgeven.

In het algemeen behoort alles tot de Klasfe der

Braakmiddelen, het welk de Maag zoodanig prik­

kelt , dat het geen in dat ingewand, en (volgens

de jongfte Proeven) in.den twaalfvingeringen Darm

bevat is, geheel of gedeeltelijk bovenwaards ont­

last wordt.

Dit kan gefchieden door zoogenaamde Huismid­

delen , en door Artzenijen. — Het een en an­

der


der Èngelfche Ziekte. xöt

der zal ik, zoo beknopt als mij doenlijk is, ont­

vouwen.

S c 111.

Tot deze Huismiddelen behooren , laauw Water,

zonder of met Zout, of Suiker; — laauw Wa­

ter , met een weinig Boter, Brandewijn, of iets

dergelijks; — de prikkeling in de Keel, door

middel van een Veertje, of ander genoeg beken­

de Hulpmiddelen.

§ C I V.

In andere gevallen , wanneer de Natuur geene

genoegzame poogingen doet, of geheel en al moet

worden opgewekt, nemen wij de toevlucht tot

de Artzenijwinkel.

Aldaar vinden wij, onder de beste Middelen ,

den Braakwortel, de Zseajuin, de Kamilsbloe-

men , den Braakwijnfteen ; en onder zekere be­

palingen , de Kermes Minerale en den Gulden

Zwavel van Spiesglas, ten derdenmale nederge-

plost. (Sulph. aurat. Antim. tert. prxcip).


\6i Van de Geneezing

§ C V.

Welke zijn in het tegenwoordige geval, de ver-

kieslijkfte van deze Middelen? — hoe moet men

zich van dezelve bedienen?

Hier is eene behoorlijke onderfcheiding, uit de

ondervinding afgeleid, volftrekt noodzakelijk; want

Voor eerst. — Indien de Natuur, bij den hon-

gerigen Zuigeling, de braking verwekt, en het ge-

kappelde tevens ftukswijze ontlast wordt, dan zal

het gebruik van laauw Water met Zuiker volflaan.

Dan in dezen toeftand weigert het Kind veeltijds

eene genoegzame hoeveelheid, bij herhaling, te drin­

ken. — Veeltijds ook, is de Natuur te zwak en

heeft hulp nodig. — Dan zullen twee eijerlepels

Honigazijn van Zeeajuin, driemaal daags, aan het

oogmerk voldoen, en de verkeerde honger tevens

een weinig geftuit worden.

Onder deze behandeling moet het Kind dikwijls,

maar korten tijd, gezoogd, cn zijne Maag en Buik,

met eene lugtige hand, dikwijls gewreeven worden.

Men herinnere zich nu en vervolgens, dat de

Leefwijs der Zoogfter altijd moet gefchikt zijn naar

de bijzondere omftandigheden van het Lijdertje,

waar van te voren genoeg gezegd is.

Ten tweeden. — Wanneer het Kind, gefpeend

of niet, vele vergeeffche neigingen tot braken heeft,

de


der Èngelfche Ziekte. 163

de Maag opgezet en de eetlust gebrekkis is; dan

komt een meer vermogend Middel te pas: — Zulk

een, het welk het kazige ontbint en ontlast.

Het een en ander dezer vereischten vinden wij in

den Braakwortel en Braakwijnfteen.

Hoe lastig ook de vocrfchriften voor Geneeskun­

digen zijn mogen, kan ik echter dezelven, nu en

elders, om de wille van den onbedreven Huisvader,

niet ontgaan.

Aftrekzei van den Braakwortel. — Neem twaalf

of agrien grijnen, grof gefloten, van dezen Wortel,


Veeltijds bediene ik mij, met vrucht, van cfe

Tinctuur, wanneer de trage Maagvezelen een fter­

ker prikkel vorderen. — Van dezelve geeft men,

alle twee uren, zes of agt droppels, met een eijer-

Icpel Spaanfchen Wijn, of Water en Suiker.

Dat intusfchen Klijsteeren van Water, Honing en

Zout, medewerken, zal naderhand blijken.

Veeltijds is de Walging verzeld van eenen zeer

bcnaauwden, fcherpen Hoest, wanneer de Braak­

middelen des te noodzakelijker zijn; Doch hier is

eene opmerkzame voorzigtigheid noodzakelijk.

Wat men ook, tot bezwaar van de Zeeajuin,

vooral van de bereidingen van Spiesglas, bijbrenge,

wij houden die, in deze omftandigheid, voor de

beste Middelen, om dat zij genoeg beproefd en

veilig zijn. -— Men geve dan Honigazijn van

Zeeajuin, om de twee uren , telkens tot de hoeveel­

heid van twee eijeiiepels; of liever, alle drie uren,

een halve grijn Gulden Swayel van Spiesglas, en een

weinig Suiker met Water.

Van de Gcneezing

Drie vingeren Kamilsbloemen, of een lepel beste

Thee, op vier of vijf lepels Water getrokken, waar

van , bij korte poozen, een Paplepel vol wordt toe­

gediend, bereikt het zelve oogmerk.

Gedurende het herhaalde gebruik dezer Braak­

middelen, zal men veel nuts toebrengen met bet

wrj-


der Èngelfche Ziekte. 165

-wrijven.van den Buik en de Lenden, dooi* raiddel

van Doeken, doordrongen met Geest van Anijs,

Karwei, of dergelijken.

Indien in den aanvang der Èngelfche Ziekte aldus

gehandeld wordt, zal men dezelve, het geen ik meen

mij dikwijls gelukt te zijn, in haren voortgang ftuiten.

Ik behandelde zeer onlangs, het vierde Kind van

Ouderen, welker drie eerfte de Èngelfche Ziekte

hadden doorgeworfteld, terwijl dit, even hevig,

door dezelve gedreigd werdt: — Ik had alle reden,

om het ftuiten van de Ziekte alleen tóetefcltfijyen

aan het herhaald gebruik der Braakmiddelen,

fCVI.

Het tweede foort van Middelen, welke de tegen­

woordige omftandigheid des Lijders vereisfehen, zijn

die, welken de Buik benedenwaar d% ontlasten.

(§ XCIX. n. 2.)

Hier omtrent zal zelden, in de keuze der Mid­

delen gezondigd worden, des wij, ten dezen aan­

zien, de kortheid kunnen betrachten.

Poeder van beste Rhabarber en Suiker, van elk

tien of twaalf Grijncn , met zes Grijnen Poeder van

Karreweijzaad, tot zes giften gemengd, en eene der­

zelven, om de anderhalf uur, gegeven, zijn meestal

«voldoende.

L 3 De


i6S Van de Geneezing

De witte Magnefia, van het beste foort, en Rha-

barber, van elks twaalf of veertien Grijnen, met

een droppel Anijsölie, op gelijke wijze, als de

evengemelde bereiding, toegediend, hebben mij

dikwerf voldaan.

Men kan zich anders, indien men dit dienftig

oordeelt, van verfcheiden, den gemepncn Man ge­

noeg bekende, Purgeermiddelen bedienen.

Wij vinden echter het afzonderlijk gebruik van

Buikzuiverende Artzenijen, in dit geval, zelden ver­

kieslijk, en daarom zullen wij er niets meer van

zeggen.

§ C V I I.

Indien ik eenig vertrouwen op mijne bevinding

ftellen mag, dan moet ik befluiten, dat in deze,

gelijk in verfcheiden andere foortelijke Geneeskun­

dige behandelingen, de verwisfeling der beneden-

en bovenwaardfche Ontlastmiddelen, boven het af- ]

zonderlijk gebruik van elk derzelven, en boven de }

zamenvooeging derzelven, de voorkeur verdient. —

Dit moeten wij aandringen (§ XCIX. n. 3.) be­

houdens het geene van de volflrckte nuttigheid-, '

vooral der afzonderlijke Braakmiddelen, tegen veler

gevoelen, gezegd is. — Men moet ook eenig on-

derfcheid maken tusfchcii het geen den gemeenen

Man, :


der Èngelfche Ziekte. 167

Man, en het geen den bekwamen Arts wordt toe­

vertrouwd.

Wij zullen, om de kortheid te betrachten, en de

vcrfchillen aftefnijden, dit onderwerp tot de volgende

regels bepalen.

Eerfieliik dan, — zoo dra de Ziekte gekend

is, geelt men een der opgeteekencle Braakmiddelen,

gekozen naar bevind van zaken. — Men herhaalt

het zelve, om den anderen dag, tot dat de opzetting

van de Maag, tevens met de hoeveelheid van 't ge-

kappelde Zog, verminderd is.

Ondertusfchen worde de Ontlasting naar beneden,

door een zachtkens prikkelend Klijsteer, van tijd tot

tijd bevorderd.

Daar na, ten tweeden, tracht men, door een

der zoo evengenoemde Purgeermiddelen, om den

anderen of derden dag, den Buik te zuiveren.

Aldus gaat men, ten derden, zonder zich te la­

ten affchrikken door den weinigen omflag dezer

handelwijze, voort, tot dat de Ingewanden behoor­

lijk gezuiverd zijn, de bedreiging van den gevrees-

den voortgang der Èngelfche Ziekte verdweenen

is, en het overfchot van het begin da-zelve , met

verwerkende Middelen en eenen goeden Leefregel,

kan overwonnen worden.

Dat deeze behandeling, in vele gevallen, beter

is, dan de afzonderlijke aanwending van Braak- cn

u r

L 4 P -


ïöS Van de Geneezing

Purgeermiddelen, blijkt uit hare, door de onder­

vinding bekragtigde, genoegzaamheid; — uit hare

zachtheid, in vergelijking van de kwellingen der

andere wijze van behandeling. — En wat men

daar tegen inbrenge, die zachtere behandeling maakt

dezelve verkieslijker en beter. — Hier van toch

heeft men geene Breuken, Persloop, bijna onbe­

dwingbare Walgingen, Stuipen , of nog erger Ge­

volgen , te wachten: Gevolgen! welken de ge­

lijktijdige Ontlastingen vaak te weeg bragten.

Vereisfchen de omitandigheden, dat wij iets wa­

gen: — het zij zoo; .— maar zonder dien

nood, moet het menfchelijk ligchaam nimmer een

fpeelbal zijn.

§ C V I I I.

De tweede aanwijzing , ter genezinge der be-

granende Èngelfche Ziekte (§ XCVIII. n. 2.) be-

ftaat in een zoodanig beftuur der Leef- en Genees­

wijze, dat men wijders van den voortgang der

Ziekte niets te vreezen hebbe.

Bij velen dezer, toch meestal zwakke, Kinde­

ren zal de eerfte Aanwijzing zelden zoo lang kunnen

doorgezet worden, als, ter bereikinge van het

oogmerk, noodig is, zonder tevens de Middelen

tc bezigen, waar van wij nu zullen handelen.

De,


der Èngelfche Ziekte,

De Zwakheid van her, Kind moet dus hier de

regel van het gedrag zijn.

Ons tegenwoordig oogmerk zal, bij de meeste

Kinderen , onder eene gepaste leefwijze van de

Voedfter en van het Kind ; onder het gebruik van

de open en drooge lucht; het maken van eene

dreunende beweging; onder eene koele ligging en

kleeding; het aanwenden van koude baden, met

opvolgende wrijvingen der Lenden en groote Gele­

dingen ; met behulp van doordringende Geesten

volbragt worden, terwijl het overige aan de Natuur

worde aanbevolen.

Anderen echter, welken, zelfs met den aanvang

der Ziekte, hevig aangetast worden, zullen de

hulp der Geneeskunde noodig hebben.

Hunne Vochten waren reeds meer of min on­

zuiver, daarom moeten zij verbeterd worden; —

hunne kragten waren aanmerkelijk geknakt , daar­

om moeten zij verfterkt worden.

Doch het een en ander heeft zoo veel over­

eenkomst met het geene, ter herlkllinge der Ziek­

te , in haar tweede tijdperk, moet aangewezen

worden, dat wij , thans voortgaande, in herha­

lingen zouden vervallen. — Houd het dan nu daar

voor, als of die behandeling ook hier ingelascht

ware.

L 5 CX.


*7°

§ C I X.

Wij komen dus, van zelf, aan de overweging

van een der gewigtigfte onderwerpen dezer Ver­

handeling, namelijk aan de opgave der beste Midde­

len , om de Èngelfche Ziekte, in haar tweede

Tijdperk , of verderen voortgang , te herftellen

(§ XCV1I. n. 2.)

Van de Geneezing

Werd de Ziekte, in haar begin, altijd fpoedig

gekend ; — was zij niet fomtijds fchielijk geklom­

men tot de hoogte, van welke nu moet gefpro-

ken worden; — werd zij niet, bij velen, in

den beginne, voor beuzelarij gehouden, of, in­

zonderheid-onder het gemeen, veronachtzaamd; —

flaagde men, in den aanvang der Ziekte, altijd

even gelukkig, dan was het deel van ons werk,

nu te behandelen, overtollig.

Om ons te bekorten, zullen de twee volgende

Aanmerkingen dienftig zijn.

Foor eerst Men begrijpt, dat ik nu alleen

van de Naaste Oorzaak, en van geene derzelver

Toevallen, voo zoo verre de herttelling betreft,

handelen zal. /

Ten tweeden. — Men kan zeer dikwijls geval­

len ontmoeten, waarin tevens de eerfte Aanwijzing

van het begin der Ziekte moet volbragt worden.

— De noodzakelijkheid daar van blijkt uit het

geene


der Èngelfche Ziekte.

geene boven gezegd is; .— maar ook aldaar leest

men, wac men te verrichten hebbe. — Dus zou

de herhaling van' de als dan gefchiktfte Middelen

thans overtollig zijn.

§ c x.

Om den Lijder, op de best mogelijke wijze, in

dit tweede Tijdvak der Ziekte, te behandelen, zul­

len twee hoofdoogmerken moeten volbragt worden: —

deeerftebcttaat in de Verbeteringe der Zuure Scherp­

te, waarin wij de Naaste Oorzaak der Èngelfche

Ziekte bewezen hebben te beftaan: -— de tweede

is de gelijktijdige, of opvolgende Verfierking.

§ C X I.

Ten aanzien van het Zuur Bederf der Vochten

fpreekt de eerlijke Praktijk van Vzrbetering; maar

een veel beloovend Zwetzer roemt, dezelve te kunnen

Uitdrijven,

Welken zijn de beste Middelen, om deze Ver­

betering werkftellig te maken? — Zij moeten ge-

zogt worden, en in de Leefwijze, en in gepaste

Geneesmiddelen.

$ cxn


ï 72 Van de Geneezing

§ C X I I.

De Leefwijze. — Deze moet, en bij den Zui­

geling, de Voedfter en het gefpeende Kind, na

genoeg overeenkomen met het geene, daar om­

trent, onder de Geneeswijze, in het eerfte tijdperk

der Èngelfche Ziekte, gezegd is. — Men zal

zich tc minder behoeven te bekreunen wegens het

geene, in dit geval, bij de Zuigelingen en Zoog-

ters, te doen is, om dat toch het tweede tijdsbeloop

der Ziekte zelden voor het eerfte Jaar, dat is, meestal

na de Speening, vernomen wordt.

Eene Zetregel zal, in dit geval, vrij algemeen

doorgaan , te weten: dat de Spijzen en Dranken

zoo veel minder van eene Zuure, of tot Zuur hel­

lende , eigenfchap moeten bezitten, als zij meer

met een Dierlijke hoedanigheid moeten voorzien zijn;

onder die bepaling echter, dat men derzelver ge­

bruik niet overdrijve, en den Vochten eene, tegen

het Zuur overftaande, Kwaadfappigheid verfchaffè.

Tot de bedoelde Voedzels brengen wij Pjp van

Kalfslil, Brood of Bifcuit en Water-Gelei van

Hartshoorn — het Dooir van een versch Hoender­

ei, gedeeltelijk onder die Pap vermengd, of af­

zonderlijk , zonder Zout gegeven. .

Intusfchen moeten ook alle Zoetigheden, gezui-

kerde Meelkoekjes, en dergelijke Lekkernijen , ver­

mijd


der Èngelfche Ziekte. 3

73

mijd worden; terwijl de Melkpappen en Dranken

hoogst nadeelig bevonden worden.

Het overige, betrekkelijk tot de Leefwijze, is,

in het Hoofdfhik van de Voorbehoeding, te vin­

den.

§ C X I I I.

Wij zijn, behoudens den eerbied voor de Art­

senijkunde , verpligt te erkennen, dat de Èngel­

fche Ziekte, in vele gevallen, onder eene gepaste

Leefwijze, zonder eenig gebruik van Geneesmid­

delen, langzaam verdwijnt.

Men zou zich echter zeer bedriegen, met zijn

vertrouwen, bij alle Kinderen, eeniglijk op de

hulp der Natuur te vestigen, want, indien de Naaste

Oorzaak den bijftand der Geneeskunde al niet be­

hoeven mogte, zullen de Toevallen echter haren

bijftand dikwerf noodig hebben.

Wij zijn nu gekomen tot de opgave der beste

Geneesmiddelen, om de zuure Kwaadfappigheid

in den voortgang der Èngelfche Ziekte ie verbete­

ren.

§ C X I V.

Dewijl mijne ftelling , omtrent de Naaste Oor­

zaak der Ziekte, en de, daar op gegronde, beste

Artsenijmiddelen, fclïoon van de Reden en de On-

. der-


ï74

Van de Gene e zing

dervinding ontleend, de voornemen grond is s

waar op mijn geheele gebouw fteund, zal het niet

ondienftig zijn , dat, daar ik den waren aart der

Naaste Oorzaak te voren genoeg bewezen heb, ik

thans de gronden van Praktijk, daar op geves­

tigd , zoo ten aanzien van hunne eenvouwigheid,

als genoegzaamheid, kortelijk bevestige.

Het denkbeeld van het verbeteren der Èngelfche

ZiekteftofFe hangt af van het onderfcheiden begrip,

het welk men zich van de geaartheid derzelve ge­

vormd heeft.

Daar aan is het verbazende getal Geneesmidde­

len , en de verfchillende wijze van behandelen ,

haren oorfprong verfchuldigd; — Daar van zoo

vele verbijuerende tegenllrijdigheden. — Velen

fchijnen te onderftellen, dat men hier op enee

raadzelagtige manier, als een blinden, naar den

wand moet tasten. — Anderen vormen Aanwijzin­

gen ter Genezing', die tegen de Natuur der zaak

lijnregt aanloopen.

§ C X V.

De algemeene eigenfehappen , welken de Midde­

len , om de Naaste Oorzaak der Èngelfche Ziekte te

overwinnen, moeten bezitten, moeten, naar mijne

gedachten , in een omgekeerd vermogen van het Zuur

be-


der Èngelfche Ziekte. tyg

beftaan: — zij moeren zoo eenvouwig en klein van

beftek zijn, als mogelijk is: — Zij moeten ook niet

ftrijden tegen de Verfterkende Middelen , welker ge­

lijktijdig gebruik met die ter Verbetering ftrekken ,

doorgaans onvermijdelijk is: — eindelijk zullen

zij, of door eigen kragt, of door bijvoegfels, niec

zelden moeten in ftaat zijn, om een taaij Slijm,

het welk vele Kinderen in dit tijdperk der Ziekte,

kwelt en de Klieren verhardt, te ontbinden.

Zij, die rijker vermogens in dit foort van Mid­

delen zochten, zijn doorgaans bedrogen.

§ C X V I.

Het verdient aandacht, dat, ondanks de ver-

fchillende begrippen omtrent de Naaste Ooorzaak,

echter bijna alle Schrijvers, met ons, daarin over­

eenkomen, dat zij de Verbetering der Èngelfche

Ziekteftoffe in dat foort van Middelen, welke

tegen het Zuur, in vermogen, overftaan, het

zelve omwinden, of opflorpen , gezocht hebben.

Vergelijk, ten bewijze van deze Aanmerking,

de voorfchriften van BOÏRHAVE, VAN SWIE­

TEN, VOGEL, DE HAAN, ROSEN VAN

ROSENSÏEIN, BUCHAN, ABILDGAASD,

OTTER.INC K en vele anderen.

Men is het dus, ten opzichte van de K'asfe

de-


JJ6 Van de Geneezing

dezer beste Middelen, tamelijk eens. — Het zijn

de Loogzouten, en mogelijk die alleen , welken

eene billijke, en door de ondervinding geftaafde,

aanfpraak op dezen eernaam maken. — Eene een- t

vouwig toegcftelde en kleine Winkel zal den noodi-

gen voorraad opleveren : — Potasch,- Zout van

Soda, - JSpaanfche Zeep,- Geest van Ammoniak

Zout., zijn, ter Verbetering van de Kwaadfap'

pigheid in de Èngelfche Ziekte voldoende.

§ C X V I I.

De hoeveelheid der Giften en de de wijze van

Gebruik dezer Middelen moeten nader bepaald wor­

den.

Ik zal mij nu, hieromtrent, bekorten, om dat

het een en ander, na het onderzoek ter tweede

Aanwijzing , proefondervindelijk blijken zaL

sexyni

De Loogzoute eigenfchap van de Potasch is

overbekend. ~~~ Men weet, dat dezelve, vooral,

indien zij van alle Vitriooldelen gezuiverd is, met

het Zuur vermengd, zoo lang opbruischt, tot zij

beiden hun overheerfchend vermogen verloren heb­

ben.

Om


der Èngelfche Ziekte,

Om dit Middel met het oogmerk, waar van wij

mu fpreken, op hoop van eenen goeden uitflag,

aantewenden, kan men, op deze wijze te werk

gaan: — Eene Dragma, of een half Lood van

die Asfche wordt gefmolten in zes of agt Oneen

zuiver Water. Geef het Kind, alle twee

Uuren 30 of 40. droppels van dit mengfel met

twee eijerlepels gemeen Water, en des noods een

* weinig Suiker. — ' Na aldus vier of vijf dagen

voortgegaan te hebben, zal dit voor een verfter-

Herkend Middel, gedurende een paar dagen, moeten

•verwisfeld worden. — Daar na de Potasch , enz.

§ C X I X.

Het Zout van Soda, Souda of der Asfche van

den plant Kali, (bekend onder den naam van

KralbenkwaadS) welke .ook Rusfifche Asfche door

fommigen gehee"ten word, is een der beste Loog«

zouten, in ons geval dienlb'g, en des te deugde­

lijker, naar mate hetzelve van allen Zuure in-

mengfels beter gezuiverd zij. — Het beste ken­

merk , meest in het Alexandrynfche Soda - Zout

te vinden, beftaat daarin, dat hetzelve, niet, ge­

lijk het Hartshoorn- Brem- of andere Loogzouten ,

.der opene Lucht blootgefteld, fpoedig fmelte, en

M 4*


Van de Geneezing

dat het, zonder zulks, tot een fijn poeder kan

gewreeven worden.

Ik gaf dit Zout, in de neteligfte omftandiglie-

den, boven anderen, hoe geroemd, de Voorkeur,

om dat hetzelve eene uitmuntende, hoewel lang-

faam werkende, eigenfchap bezit, om de Zuure

Kwaadfappigheid te overwinnen, en tevens, om

de taaie Slijm en Klierverhardingen, te ontbinden ï

Vermogens! aan onze Praktikale Aanwijzing juist

voldoende.

Smelt anderhalf Lood dezes Zouts in twee Oneen

overgehaald zuiver Water. — Men geeve het Lij-

dertje daarvan drie- of viermalen daags, twintig

droppels met een paplepel Vlier- en edijke drop­

pels Kaneelwater. — Deze gift kan tot Veertig,

Zestig, zelfs tot Honderd droppels, des noods,

zonder hinder, vermeerderd worden. Staak

dit, na vijf of zes dagen, om, gedurende even

zoo veel tijds, den Lijder te verfterken; her­

vat het Zout, — ftaak het op dezelve .wijze en om

dezelfde reden. — Men gaa dus voort, onder

eene geduldige afwagting van den uitflag en zon­

der zich door eene min fpoedige verbetering te

laten affchrikken. — Ter verbetering van den

fmaak kicze men liever Kaneel- of Orangebloefem-

Water, dan Zoetigheid.

De


Mer Èngelfche Ziekte.

De ondervinding levert ons eene noodige waar-

fchouwing. — Het gebeurt namelijk dikwerf, on­

der het aanhoudend gebruik van dit en dergelijke

vlugzoute Artzenijen, dat de Zuure Adem en de

goore Reuk van het Zweet fpoedig verminderen. —

Befpeurt met dit, ftapdan eenigen tijd af van derzelver

gebruik, op dat geene tegenovergeftelde, dat is,

een Scheurbuikige fcherpte veroorzaakt worde. —

Ik zag, uit het verzuim dezer Waarneming, meer­

malen lastige gevolgen ontdaan.

Men zorge ondertusfehen, dat het Kind open

lijf houde, het geen veiligst met gefmolten Manna,

«of afgetrokken Rhabarber, kan gefchieden.

§ C X X-

De Spaanfche Zeep is, in aart, gelijk aan de

twee voorgaanden , en bezit geen minder vermogen.

Men geve daar van aan een Kind van één Jaar,

driemaal daags, vier Pilletjes, elk van één Gnjn,

met een weinig verlengd Kalfslil: — aan een van

van twee tot vier Jaren, Vier of Vijfmaal dezelfde

hoeveelheid.

179

Niemand gaa hier met fchroom te werk: — Het

Middel is zoo lang veilig ais de Adem, of andere

kenieekens de aanwezigheid van het Zuur vertoo-

cen. — Ik ben niet zelden genoodzaakt geweest,

M 2 om


ï8o

om de Gift tot 40 en meer Grijnen daags te be­

palen.

Van de Gene-ezing

Misfchien ftel ik te veel prijs op dit Middel,

wanneer ik beweer, dat het zelve het allerbeste on­

der het besten is, ter verbeteringe der Zuure Kwaad-

fjppigheid. — Maar meenigvuldige Proeven nopen

mij tot de verzekering, dat ik van geen ander Ge­

neesmiddel gunftiger werking befpeurd heb, dan van

even dit; — Dat daar door de Zuure fcherpte fpoe-

diger verbeterd werd, dan in andere gevallen, door

de Natuur of Kunst, verricht werd.

De eenvouwigheid, de onkostbaarheid, de aart

van het Middel, deszelfs gemaklijk gebruik , en de

ervaring; alles, met één woord, prijst her zelve

ten fterkften aan. — Men zorge flegts, dat deszelfs

hoeveelheid gericht worde naar de hevigheid der

Ziekte, en dat die in 't algemeen grooter genomen

worde, dan gewoonlijk gefchiedt.

§ C X X I.

De Geest van Ammoniak-Zout, en dergelijken,

als hefr-Zout van Soda ($ CXIX) het Olieachtige

Vlugzout van SIJLVIUS, en duizenden van dien

aart, zijn al mede gefchikt en behooren tot de bes­

te Middelen, om ons tegenwoordig oogmerk te be­

reiken.' — Wij bepalen ons tot het eerste, om dat

de


der Èngelfche Zieke. 181

de overigen niets meer doen, en de breedte van de

Artzenijlijst, gefierd met Middelen van het zelfde ver­

mogen, in mijn oog, eene onnutte wanftalte be­

vat.

Eeniglijk bedingen wij, dat deze Geest, zoo

versch , deugdzaam en vlug zij, als mogelijk is: —

dat de hoeveelheid der Giften langzaam en bij gra­

den moet vermeerderd worden ; —• en men, in

den beginne, aan den uittlag niet wanhoope.

Men geve daags vier of vijfmaal telkens zes of

agt droppels, met eenige droppels Kaneel- en

een weinig gemeen Water: — en verhooge de

gift, tot dat die , binnen drie of vier weken, tel»

ken reize , twaalf of veertien droppels bedraagt.

Vooral is mij, onder het gebruik van dit Mid­

del , de noodzakelijkheid, om van tijd tot tijd door

Purgeermiddelen of Klijiteeren, den Buik te zui­

veren , dikwijler voorgekomen, dan onder het aan­

wenden der drie eerst aangeprezen Middelen.

$ C X X I I.

Deze zijn de beste Middelen, om de Naaste

Oorzaak eener onvermengde Èngelfche Ziekte te

verbeteren, en het Bloed eene, aan dezelve tegen-

gefielde, eigenfchap te verfchaffen.

Hoe eenvouwig is de Natuur! — Zoo word

M 3 de


3 Sa

de Geneeskundige Praktijk, voor den mhjstgeöef-

fenden, min omflagcig. — Zie daar, indien ik

mij niet bedriege, de ware Boerhaviaanfche, de

Hippocratifche Geneeskunde ; dat is, die der Reden

en der Bevinding.

Maar moest hier geene loffpraak van de, zoo

geliefde, opflurpende, het Zuur inzuigende, of

verfitompende Aardmiddekn volgen? — Wij be­

twisten, ditmaal, die deugden aan die Middelen

niet; — Maar wij ontkennen hun vermogen ver­

der , dan de eerfte Wegen. — Elk, die ons weef-

fel kent, en met den aart dier Middelen vergel jkt,

ftaat mijne ontkenning toe; .— of wil men tegen-

ftrijdigheden, in goeden ernst, verdeedigen? —

kunnen Geneesmiddelen, die zich zeiven den toe­

gang naar het Bloed ftuiten, op het Bloed wer­

ken ? —. Ik ftel op die Middelen, in dit geval *

geen de minfte prijs. — Deed ik anders, de

Reden en de Ondervinding zouden mijne ftelling wra­

ken.

Is echter iets dergelijks noodzakelijk , dan zal de

beste Magncfie alleen voldoen. — Doch dit loopt

buiten mijn bcftek.

Van de Geneezïng

5 C X X I I I.

De Tweede Aanwijzing ter Genezinge van de

En-


der Èngelfche Ziekte. 183

Èngelfche Ziekte in haar tweede tijdperk, beftaat in

de Verfierking der Lij deren (§ CX.).

De Middelen, daar toe dienftig, zijn, uit hoofde

van haar gebruik, tweeledig: Inwendige namelijk,

en Uitwendige,

§ C X X I V.

Tot de Inwendige Middelen behooren

I. Het Staal.

II. De Koortsbast.

III. De Meekrap.

IV. Eenige Minerale Wateren.

Ik zal deze Middelen, zoo veel hier noodig

fchijnt, Befchrijven ; daar na aanwijzen, hoe men

zich van' dezelve moet bedienen.

§ C X X V.

Voor eerst, het Staal. — Dit fijn, zeer door­

dringend en verfterkend Geneesmiddel bezit, boven

alle anderen, het vermogen om Vochten en Vaten

alzoo te verbeteren en te onderlleunen, dat het zel­

ve daar door van oudsher in achting was, en zij­

nen roem tot dus verre ongefchonden bewaard heeft.

M 4 Men


t$i VaH de Ceneezing

Men ondekte reeds met de verfchijning der Èn­

gelfche Ziekte, dat het Staal,, uit aanmerking der-

gemelde eigenfehappen, ter verfterking van den lij-

der-, noodzakelijk was. — Anderen, hier mede nier,

te vreden, wisten, op eene meer of mia kunstige

wijze, het Staal onder verfchillende gedaantens te

bedekken, en als onfeilbaar tegens de Èngelfche

Ziekte aanteprijzen. — Dit werd daarna, niet al­

leen door Kwakzalvers en Pisbekijkcrs, maar zelfs

door geordende Geneesheeren, uit enkele baatzucht,

verricht.

Het Staal levert op zich zeiyen, dat is, tot een

fijn Poedct gebragt, eene nuttige bereiding.

Sommigen van deszelfs Bereidingen zijn even

dienstig, en bij Kinderen verkieslijker: — Hier toe

behooren voornaamelijk: het Aftrek/el, bij wijze

van een popje: — de zamentrekkende Staaltinc­

tuur van LUDOVICUS: — de openende Staal•>

tinctuur van PARACELSUS: — de Tinctuur van

Staal, getrokken mer Azijn, welks Waterdeelen be-

vrozen waren: eene bereiding, door den grooten

BOERHAVEN ten fterkften geroemd: — eok de

gulden Tinctuur van Staal-Vitriool, door den Baron

VAN SWIETEN te regt geprezen: — en einde­

lijk het Vitriool van Staal, zoo lang gebrand, tot

het zelve een witte kleur heeft.

Deze zijn de gereedfte en gefchikfte Middelen,

we!»


der Èngelfche Ziekte. 185

Welken het Yzer, in dit geval, verfchaft. — Ik zal

naderhand toonen, welken derzelven de Ervaring

mij geleerd heeft, de deugdzaamften te zijn.

§ C X X V I.

Ten tweeden; de Koortsbast, 'en van denzelven

a. Het fijn geftoote Poeder, vooral van de roode

Kina;

b. Het afkookfel in Water'of Wijn;

c. Deszelfs Extract, en Harst;

d. De Tinctuur, en

e. Het ware Qesfentieel') Zout van dezelve.

$ C X X V I L

Ten derden; — Van de Meekrap, wiens lof,

in de tegenwoordige Aanwijzing, door velen hoog

geroemd wordt, en welke in de daad, onder zekere

bepalingen, wezenlijke verdienden bezit, komt ons

het Afkookfel het beste voor.

§ C X X V I I I.

Ten vierden; — Van de Mineraal Wateren

heeft mij het Spa-en Lampfcheiderwater doorgaans

M 5 meest


i86

Van de Geneezing

meest voldaan. — De behoeftige kan een gloeijend

Yzer in gewoon Water zoo dikwils blusfchcn, tot

het water een Yferfmaak heeft, wanneer de kragt

van dat Water weinig zal verfchillen van die der bes­

te Staalwateren.

S C X X I X.

De Uitwendige Middelen (§ CXXIII.) be-

palen zich tot het koude Bad van enkel Water,

of van Water met Brandewijn, Rum, of dergelij-

ken; — tot Wrijvingen met de bloote hand met

een Vleeschborftel, of met doordringende Spece­

rijachtige Balfems en Geesten; — eindelijk tot een

Harde Ligging op een matras, gevuld met gekapt

Stroo, Eiken-Varen, Paardehair, of dergelijken.

Wij verwerpen alle uitwendige verwarmende, of

weekmakende Stoovingen en Trekpleisters.

S' C X X X.

Worden deze Middelen behoorlijk gebruikt, het

fchadelijke onthouden, 'en de Leefregel naar eisch

beftuurd, dan zal men, met geduld en vlijt, ge-

wisfelijk flagen.

§ cxxxr.


der Èngelfche Ziekte.

§ C X X X I .

Het is niet genoeg, de Middelen te hebben

aangewezen, men begeert, te regt, het onderricht

van de Manier, om er zich van te bedienen

(§ CXXIV).

Dit onderwerp vordert onzen aandacht , eene

juiste onderfchciding, en kan uit de Ondervinding al­

leen, naar eisch, behandeld worden.

Mij dunkt, dat ik den Lezeren op eene meer ge­

makkelijke en verltaanbare wijze mijne gewone ma­

nier van handelen, door eenige weinige Waarne­

mingen zal doen bevatten, dan door ingewikkelde

en veeltijds moeijelijke Praktikale onderflcllingen en

bepalingen.

Deze Waarnemingen zal ik uit eenen aanmerkelij-

ken voorraad kiezen, als, mijns begrips, best ge-

fchikt, om tot een ftaal te (trekken van duizend

dergelijke gevallen.

Het eerfte foort dezer Waarnemingen zal dienen,

om te bewijzen, dat de Verfterking fomtijds eerst

te pas komt, na dat de Kwaadfappigheid verbeterd

is.

Het tweede foort zal toonen, dat het een en

ander dikwerf, ter volkomen genezinge van de Èn­

gelfche Ziekte, moet zamengaan.

187

S CXXXII.


aS3

Van de Geneezing

S C X X X H .

Tot het eerfte foort behooren de twee volgende

gevallen.

I. Een Zoontje, het eerfte Kind van gezonde

Ouderen, vertoonde, omtrent zijne negende Levens­

maand, de eerfte beginfels der Èngelfche Ziekte.

De Brakingen van Zuure ftoffen, had men nu en

dan , met een Aftrekfcl van den Braakwortel bevor­

dert, en den buik met witte Magnefie en Rha-

barber, met Zetpilletjes van Honingen Zout, en

Aarsfpuitingen, benedewaards gezuiverd. Dit

was noodig, om dat niets van het geene de Moe­

der had gebruikt,, om het Zog eene Purgeerende

kragt te geven, aan dat oogmerk had voldaan.

Ondanks dit beftuur, nam de Ziekte toe, en

werd, naa de Speening , hoe langs zoo heviger ;

— Het Hoofd was merkelijk uitgezet, de Arm- en

Deibeentjes waren Scheef; — de ;benedenfte Hoof­

den der Arm- Kuit- en Scheenbeenderen uitgezet;

— de Buik was gezwollen en hard; — het Vel

der benedenfte Ledenmaten los en al te ruim; —

Ook waren die deelen blijkbaar vermagerd ; —

De Drek en Pis hadden eenen zuuren, gooren

Reuk; de eerfte eene donkere bruine kleur.

Voorts was het Kind zeer hongerig en gezond.

Aldus was de Gefteldheid van het Lijderde, toen

het


der Èngelfche Ziekte. 180

het zeiven, zeventien Maanden bereikt hebbende,

onder mijn opzigt kwam.

Het Voorfchrift belfond in Dierlijke Voedfels,

meestal beftaande in gefmolten en verlengd Kalfslü

met Brood; — s' Morgens een versch Eijerdooir; —

voorts eene geftadige Beweging: — een Bedje ge­

vuld met Eikenvaren. — Het Geneesmiddel word

bereid uit vijftig Pilletjes Jerufalemfche Zeep, elk

van één Grijn, van welken dagelijksch, op verdeel­

de tijden, Viermalen Vier gegeven werden.

Op deze wijs ging men vier weken voort, gedu­

rende welken de Afgang niet behoefde bevorderd te

worden; — Doch de toenmalige Hardlijvigheid ,

en de bijblijvende zwelling des Euiks vorderden het

gebruik van zestien grijnen Rhabarber met een wei­

nig Suiker, welk poedertje, des morgens, in drie

reizen, toegediend,-en s'avonds met een Klijsteer,

beftaande uit één Once Manna, één Dragma keu­

ken Zout, en derdehalf Oneen Waters, geholpen

werd.

Schoonde omftandigheden niet ongunftig, en de

kragten niet verminderd waren, meende ik echter,

dat de vochten, door het gebruik van een Vlug

Zout, fpoediger zoude verbeterd worden; — Men

gaf het Zout van Soda viermalen daags, Vier Grij­

nen, met eene halve lepel Lindenbloeifem - water.

Om dat nu en dan eene Buikzuivering noodig

was,


i


der Èngelfche Ziekte. 191

II. Bij anderenis de Zwakheid, na de verbete­

ring der vochten, zoo groot, dat men de Verfter-

kende Geneesmiddelen niet veilig kan misfen.

Ik zag een Meisje, (_ wiens Vader door eene losfe

leefwijze vrij wat bedorven was,) op haar twee en

een halfjaren in dezen toefland: Een groot Hoofd,

welks Naden ongemeen wijd waren; de Tong

wit; — de Adem heet; — de Buik gelijkelijk op-

gefpannen en hard ; .— het Kind was meest hard­

lijvig; — de onderfle Leden waren zeer mager,

en de Huid was aldaar ongemeen flap; — de

Tanden flonden zeer brokkelig en ongeregeld;

eenigen waren uit hunne kasfen gevallen; — an­

deren waggelden. -— De Knokken van handen en

voeten fiaken breed uit. — Het Kind was veel eer

dom, dan fchrander, zeer gemelijk en veeltijds ge­

neigd om te leggen; — De Pols was zwak, doch

niet veel radder, dan gewoonlijk in dien leeftijd; —

Somtijds was zij s'avonds fneller, dan door den

dag, wanneer de palmen en zooien zeer heet waren.

Men had zich, tot nu toe, van eenige veel

belovende Spccifleken te vergeefsch bediend. ..

De Kwaadfappigheid te verbeteren, en het Ligc-

haam te verflerken, werd hier vereischt. —— Het

laatfte meende ik, voor als nog, aan eene gefchikte

Diëet te moeten vertrouwen.

De Genezing werd aangevangen met zes Poedert­

jes,


192 Fan de Geneezing.

jes, bereid uit tien grijnen Braakwortel, Rhabarber

en Suiker, van welken het Kind, alle twee uren,

één, met water, gegeven werd. .— Hier op

volgde den zelfden dag verfcheiden Brakingen van

zuurachtig Slijm, waarna eenige ontlastingen van

bruinen flijmigen Drek vernomen werden.

Wijders beval ik het verblijf op een droog Land­

goed ; de beweging in de open Lucht; de ver­

mijding van Melk en andere, tot Zuur neigende

en verflappende Voedfels.

Het Kind gebruikte tevens, s'Morgens, een

versch Eidooir — nu en dan, s'Middags magere

Soupe, en, voor Geneesmiddel, viermaalen daags,

telkens agt Droppels van den Geest van Ammoniak-

Zout met Kaneelwater, het geen op den vijfden

Dag geftaakt, en voor een Poeder van tien grij­

nen Khabarber verwisfeld werd. Dit laattte was

vermengd met het Poeder van den Pitzoreiboon ,

en Water, zoo dat dit mengfel, s' morgens, in

drie verdeelde giften toegediend werd.

Op dezen voet ging men drie Maanden voort.

Ik gaf, daarna, om ipoediger te flagen, ea

om dat het Kind den Geest van Hartshoorn wei­

gerde, alle drie uren, drie grijnen Vlugzout van

Hartshoorn en twee grijnen Kaneel Poeder met een

- weinig Suiker, terwijl op den Leefregel behoorlijk

gelet werd.

Toen


iêf Èngelfche Ziekte. ^93

Toen de Lijderes drie en een half jaren oud was,

fcheen het Zuur Bederf des Bloeds bedwongen te

zijn , maar de zwakheid en {lapheid ter gang, Tor­

derde de Verfterking.

Ten dien einde, en om de genezing te vol-

tooijen, fchreef ik een Afkookfel voor van twee

Dragmen roode Kina, zoo, dat een overfchot

van . drie Oneen overbleef, waar bij eene halve

Dragma of dertig Droppels Tinctuur van Staal,

met°bevrozen Azijn getrokken, en een halve Once

Oranjefijroop gevoegd werden, het geen, om de

twee dagen , hervat werd.

Het koude Bad en opvolgende Wrijvingen der-

Lenden en der Geledingen met Cajaputobe en

den Geest van Ammoniakzout werden hier bij

gevoegd.

Na verloop van zes weken, ftond het gebruik van

ditJVfkookzel tegen, waarom ik eene halve Dragma

van het Extract van Kina, ontbonden in zes Drag­

men Kaneelwater, voorfchreef, en de gift bepaalde

tot een eijerlepel ieder uur, terwijl toen ook de buik

met olie van Cajaput en Olijven gewreeven werd.

Aldus bereikte ik het oogmerk, zoo dat het

Kind, nu tien jaren oud, geen ander overfchot der

Èngelfche Ziekte behouden heeft, dan twee kromme

Knieën, welken, door den tijd, waarfchijnlijk zullen

herftellen.

N $ CXXXlIt


194 fan de Geneezing

§ C X X X I I I.

Het andere foort van Waarnemingen (§CXXXI).

zal toonen, dat de omftandigheden niet zelden het

Verbeteren der vochten, en het Verfterken des lig-

chaams, dat is, de volbrenging der twee hoofd­

oogmerken ter genezinge (§ CX). gelijkelijk ver-

eisfchen.

I. Een Zuigeling van tien maanden zoog zijne

zwakke, anders gezonde Moeder. —— Het zelve

was, de vier eerfte maanden, frisch, maar werd

daarna, van maand tot maand, zwakker, zoo dat

men mij, op de tiende maand raadpleegde.

Het Hoofd was zeer groot; — deszelfs Naden

ongemeen breed; — Uit den mond kwam een

zuure Hinkende Adem; — de Long was eenigzins

met flijm bezet, en het Kind had veeltijds Brakin­

gen ; de Buik was hard en gefpannen; de

Navel diep ingetrokken; — de minlte aanraking

van den Buik bragt pijn te weeg; de El-

Speek- Kuit- en Scheenbeenderen waren vrij

krom; — de Knokken van Handen en Voeten on­

gemeen breed; — van de Heupen tot de Teenen

•was alles zoo vermagerd, en de Huid zoo los en

ruim, als of er niets dan Vel en Been was. - -

'De Pols was altijd rad, koortzig en flap, vooral

tegen den nacht, wanneer het bovenlijf doorgaans

een


iet Èngelfche Ziekte. 195

een Zweet ontlaste, hetwelk, even als de Pis,

een' Zuuren reuk van zich gaf. — De Afgangen

waren meenigvuldig, dun, zeer ftinkende en zwart­

achtig, ook veeltijds met een taaijen, kaasachtige

itoffe bezet.

Deze hagchelijke omftandigheid vorderde een

drieledig, elk even dringend , toeverzicht: — Het

Zuur moest uit de Maag en Darmen ontlast wor­

den: — de naaste oorzaak, namelijk de Zuure

Kwaadfappigheid van het bloed moest verbeterd en

tevens voor de Kragten gezorgd worden.

Om niets te verzuimen, werd de Moeder eene

Verfterkende leefwijze aangeraden, welke meestal

uit Dierlijke voedfels beftond.

De behandeling van het Kind werd begonnen met

-een Braakdrankje, beftaande uit den bast van Braak­

wortel en Suiker, van elk vier Grijnen en een wei­

nig Water. — Hier door werd veel Slijm en Zuur

ontlast. — Den volgenden dag gebruikte de Moe­

der een Aftrekfel van Rhabarber en Potasch, waar

door.het Zog eene purgeerende kragt kreeg, wel­

ke bij het Kind eenige Stoelgangen veroorzaakte,

waar door de Buik aanmerkelijk flonk.

Van den beginne af werd het Kind, van tijd tot

tijd, een gedeelte van een versch raauw Eijdooir

toegediend, en om de twee uuren een eijerlepeltje

N a van


IQ6

Van de Geneezing

van een mengfel, uit eene Dragma Extract van roo-

de Kina en zes halve Dragmen Kaneelwater beftaande.

Het Braakmiddel werd, na verloop van veertien

dagen, herhaald, en daarna, andermaal, het Zog

met de kragt des Rhabarbers voorzien. Het een

en ander had den voorgemelden uitflag.

Na verloop van zes weeken, fcheenen de Zuivering-

van het Bloed en de Verfterking, onzen aandacht in­

zonderheid te vereifchen, dewijl de tcekenen van een

ftremfel in de darmen blijkbaar verminderd waren.

Ten dien einde fchreef ik iets voor, het geen,

mijncs ervarens, in dit geval, niet genoeg kan aan­

geprezen worden: — Eene Dragma Extract van

Roode Kina, zestig droppels Geest van Hartshoorn

en twee oneen Vlier-Water. — Men gaf hier

van, om de twee uren, zoo veel, dat het Meng­

fel alle twee dagen gebruikt werd. —. Eiken der­

den dag gaf ik, naarmate der hardlijvigheid, of ee­

nige kleine poeders uit de Magnefie en Rhabarber,

van elk veertien Grijnen; of indien de Stoelgang-

behoorlijk was, om de twee uuren, vier Grijnen

wit gebrande Staalvitriool, en even zoo veel ge­

floten Karweizaad en Suiker.

Aldus ging men vier maanden, geftadig voort,

toen het Kind, in vermindering der Èngelfche

Ziekteen hare toevallen, en in vermeerdering der

krag-


der Èngelfche Ziehe. 197

kragten, zoodanig was toegenomen, dat ik de ver­

dere genezing met het Staal alleen volbragt. - —

Het Lijdcrtje-, namelijk, gaf men viermaalen daags,

vijf droppels Tinctuur van Staal, met bevrozen

Azijn getrokken, in een paar eijerlepels Madera-

Wijn , en een eijerlepel Kaneelwater.

Gedurende dit alles werd eene doordringende

Wrijving van de PvUg en Geledingen niet verzuimd,

en, toen de kragten dit veroorloofden, het koude

Bad gebruikt.

Na verloop van een jaar kwamen de Tanden,

fchoon zeer langzaam en ongeregeld, ten voor­

op- de kragten namen van dag tot dag

toe, en het Kind, nu agt jaren oud, belooft eenen

voo'rfpoedigen Wasdom en fchranderen Geest.

II. Eene Moeder van drie, altijd voorfpoedige,

Kinderen leefde gezond en gelukkig, tot zij, van

het vierde verlost zijnde, ftierf, en de Man ver,

pligt was eene Minne te zoeken.

Uit een aantal Vrouwen, welker Mans op Zee

waren, en uit eene meenigte bedrogen Vrijsters,

koos men de beste, hoewel zij een Kind van veer­

tien maanden zoogde.

Ons Kind bleef, de eerfte zes weken, zeer wel,

maar werd, in de zevende week, door gedurige Bra­

kingen overvallen, en was zeer gulzig. — De tee­

kens van Zuur in de Maag en Darmen werden hoe

a n

N' 3 l S s


ï°S Van de Geneezing

langs zoo duidelijker. — Het Kind werd tevens

zeer zwak.

Het ftevige zog met de zwakke verteeringkrag-

ten van het Kind vergeleken hebbende, gaf ik, den

raad, (want men wilde van deze Minne niet afzien,)

om het zog, door eene verflappende leefwijze te

verdunnen ^ van tijd cot tijd open lijf te maken en

dikwijls eenne dunne Kalfs Bouillon te laten drin­

ken.

Men- gaf het Kind , op den raad eener oude

Matrone, zekere geheime Poeders, welken uit

Kreefcsoogen en andere Opflurpende Middelen

fcheenen zamengefïeld te zijn. —. Bij dit geheim

had men geduld, en geen gebruik van andere Ge­

neesmiddelen, voorbedongen. — Het Kind fcheen ,

in de daad, van week tot week, fterker te wor­

den, zelfs fcheenen de Tanden, op de vierde

maand, te zullen uitbotten.

Echter was de Buik langzaam gezwollen.

Dit nam toe, terwijl de Beenen fcheenen te ver­

mageren. — Men verkoos den eigen gang te

gaan, tot de dringende nood van het Kind, toen

tien Maanden bereikt hebbende, hulp vereischte.

Ik ontwaarde toen alle Teekenen en Toevallen

eener ernftige, doch met geene andere vermengde,

Èngelfche Ziekte. — Het Lijdertje was zwak,

ioortlïg en vermagerd.

De


der Èngelfche Ziekte. 199

De gronden van Voorzegging waren niet zeer

gunftig. — Het vertoeven was gevaarlijk. — Dc

Verbetering der Vochten was zoo dringend noodzake­

lijk , als het Herftel der kragten.

Bij de Minne was geen andere zorg noodig ,

dan de Buikzuivering met Rhabarber , waar door

ook de Zuigeling genoegzaam open lijf kreeg.

Men gaf het Kind, s'morgens, drie Poedertjes,

elk beftaande uit vijf Grijnen zuiver ongeroest Vijlfel

van Staal, twee grijnen Kaneelpoeder en vijf Grij­

nen Kanariefuiker; —- s'Middags, om dc ander­

halfuur, een Eijerlepel van een Mengftl, gemaakt

van een halve Dragma Extract, zes Grijnen wezen­

lijk Zout van de rode Kina, en zes Dragmen Oranje-

fijroop. Tweemalen daags werden de Buik,

de Rug en Geledingen met Olie van Cajaput ge-

wreeven, na dat het Kind, een ©ogenblik te vo­

ren, tot den Hals, in koud Water geftooken was.

Deze behandeling werd, nu en dan, voor eenen

enkelen dag geftaakt, en eene halve Scrupel beste

Rhabarber, in verdeelde giften, toegediend.

Dus hield men, terwijl de Verbetering zachtkens

veortging, zes Maanden aan.

Het Lijdertje was intusfchen gefpeend, waar na

men zich van Hartshoorngelei en Kalfsfoupe had

bediend.

De flaauwtens, met welken het Kind veeltijds

N 4 S e

"


200 Van de G&neezing

gedreigd werd, werden meestal, met eenige weinige

droppels Vocht van gebarnfteend Hartshoorn en

wat witte Wijn, voorgekomen, of fpoedig gefluit.

Alles ging wijders zoo gunflig, dat de volkomen

genezing volbragt werd door de Tinctuur van Kina ,

en de meergemelde Tinctuur van Staal, alzoo bereid

, dat de eerfte f het laatfle } uitmaakten, en

waar van, viermalen daags, tien Droppels meteen

weinig witte Wijn gegeven werden.

Het eenigfte overfchot bcilond in een zwakheid

der Lenden en Geledingen; doch deze werd, door

bet koude Bad, overwonnen, zoo dat dit Kind thans

eene goede maat van gezondheid geniet.

Het zij mij gegund hier, ter loops, aantemerken,

dat ik, in verfcheiden zachtaartige Èngelfche

Ziekten, de genezing eeniglijk met het meergemelde

Staaltinctuur heb kunnen volbrengen, zonder eenig

bijvoegzel, dan eene gefchikte leefwijze, noodig te

hebben.

De aanleiding tot derzelver gebruik ben ik fchuldig

aan den grooten GAUBIUS, waarna mijn Boezemvriend,

de fchrandere HAHN, Leijdens School

te vroeg onttogen, de voortzetting der proeven,

met dit Middel, niet weinig heeft begunfligd.

De meenigvuldige bevinding eischt van mij de erkentenis

aan de waardij dier nooit volprezen Genees»

kuadigenl ~—

1IL


der Èngelfche Ziekte. aoi

III. De Geneesheer leert in zijne Praktijk onder

den gemeenen man, eindelijk, indien hij oplettead

is, de ware eenvouwigheid.

Indien de Èngelfche Ziekte, zuiver en onver­

mengd, tot het tweede tijdperk geklommen, en

het Lijdertje zeer zwak is, fla ik doorgaans dezen

algemeenen weg in.

Foor eerst. — Ik geef een Drank met Potasch,

van zijn Vitrioolzuur gezuiverd, waar van de gift

naar de jaren bepaald wordt.

Ten tweeden. — De Kina, in een Afkookfel,

of derzelver Extract, in een Mengfel.

De eerfte wordt s'morgens, de tweede na den

middag gebruikt.

Ten derden. — Indien de Buik moet gezuiverd

worden, gefchiedt zulks met Rhabarber.

Ten vierden. — Veeltijds beftaat de Drank in

verlengd Vleeschnat; — de Spijzen in Aardappe­

len, geele Wortelen, Scorzoneeren, enz.

Na verloop van drie of vier maanden, fomtijds

eerder, indien de Vochten verbeterd, en de kragten

vermeerderd zijn, bezig ik

Ten vijfden, het Staal, bepaaldelijk, indien de

fmaak niet hindert, de Tinctuur, met bevrozen Azijn

bereid.

Ten zesden. — Het koude Bad, Wrijvingen

met fpeccrijachtige Balfems, een drooge Lucht,

N 5 dun-


202

Van de Geneezing

dunne Kleeding, de beweging in een wagentje op

hobbelige wegen en ftraaten, en eene harde lig-

Ten zevende. — Het afkookzel van de Meekrap

komt ook dikwijls te ftade, wanneer de weekheid

der Beenderen het vermogen der Kina en van het

Staal wederltaat. — Onder deze bepaling, en onder

beding, dat die weekheid uit geene andere oorzaak

geboren wordt, kan het Afkookfel van twee Drag-

men des Wortels, op vier Oneen Water, veel nuts

te weeg brengen.

Deze algemeene regels in een aantal bijzonderhe­

den uittebreiden, zou thans onnodig en overtollig

zijn.

§ C X X X I V.

Wij zijn gekomen tot het derde deel van het te­

genwoordige Hoofdftuk, de Herftelling namelijk,

yan zulke Toevallen, welken eene bijzondere aan­

dacht vereisfehen- ( XCVII. n. 3.)

Wij moeten deze Toevallen, gelijk wij te voren

gedaan hebben, uit twee verfehillende oogpunten

befchouwen, want zij zijn — of uitvverkfels van

de Naaste Oorzaak der Èngelfche Ziekre, in het af-

getrokkene befchouwd, en van derzelver Toeval­

len of die Toevallen zijn gewrochten van andere

bij-


der Èngelfche Ziekte. 203

bijkomende Oorzaken, waar door die der Èngelfche

Ziekte in hevigheid toenemen.

Men kend dit onderfcbeW uit het Hoofdftuk,

handelende van de Toevallen, en men weet hun

verfcbil en aart in de hevigheid der Ziekte.

§ C X X X V.

Tot het eerfte foort behooren voornamelijk

1. Eene flijmige Borstbenaauwdheid;

2. Bloedhoest;

3. Moeijelijke Pislozing;

4. Opzetting en Verharding der Klieren;

5. Eene hardnekkige Verharding van den Buik;

6. Stuipen.

S C X X X V I.

Voor eerst. Eene flijmige benaauwdheid

der Borst, of liever eene inpakking van Slijm in de

Long,

Beroemde Ziektekenners zijn onze Waarborgen,

wanneer wij (lellen, dat eene flijmige ontaarting van

het bloed in de Èngelfche Ziekte dikwerf voor­

komt , en dat de ophooping van Slijm in de Long

daar door veroorzaakt wordt.

Dit Toeval loopt buiten den kring der algemeene

Ge-


204. Van de Geneezing

Geneeswijze. — Wij raden, ten minften, zulken,

die de zorg, ter voorkominge of herdellinge van

het zelve, om eene gedreigde verdikking aftewen­

den, op zich nemen, de uiterde voorzigtigheid.

Ik bedien mij met de meeste vrucht

1. Van de Kermes Minerale. Dit middel

beeft, zedert vele jaren, aanfpraak op de

voorkeur, boven dc Zeeajuin en hare berei­

dingen. — Dit heeft vooral plaats bij Kin­

deren, uit aanmerking van de geringe gift en

meerdere kragt der Kermes.

Twee Grijnen van dit Poeder, met agt Grij­

nen Poeder van Florentijnfchen Lischwortcl

en even zoo veel Suiker, verdeeld in zes

Poeders, voldaan voor éénen dag. —— Deze

Poeders, elk uur gegeven, kunnen eene ge­

noegzame beweging in en omftreeks de Maag

te weeg brengen, eene heilzame Braking en

Slijmloozing veroorzaaken. — Geeft 'men om

de twee uren een Poeder, dan zullen Afgan­

gen volgen; — Om de drie uren, dan is elk

Poeder een nuttig Slijmöntbindend en Borst-

öntlastend Middel. — Dus handelt men bij

een Kind van één jaar. In meer gevor­

derden leeftijd, wordt de Kermes één Grijn

daags vermeerderd.

2. De


der Èngelfche Ziekte. 205

2. De gulden Spiesglas - zwavel. — Indiende

taaije Slijmige gefteldheid van het Bloed dit

toeval hebbelijk maakt, en geene overhaasting

noodig is, dan zal dit middel verkieslijker zijn,

dan het voorgemelde.

Eén Grijn van dit Poeder en tien Grijnen

Suiker, in vier gifcen verdeeld, en om de

drie uren ingegeven, volftaat voor een Kind

beneden het jaar.

Onder het gebruik van dit en het voor­

gaande Middel, moeten alle Zuuren en Staal-

bereidingen vermijd worden.

3. Somtijds is eene werkeloosheid der Long

meer te befchuldigen, dan de Slijmige ge-

aartheid der Vochten.

In dat geval is een plaatzelijke prikkel noo­

dig; — Het beste hulpmiddel erlangt men

dan, wanneer de Dampkring van her vertrek

met den waasfem van Azijn of Brandewijn

voorzien wordt.

Ik meen te hebben opgemerkt, dat, wan­

neer, tevens met dien waasfem, viermalen

daags, een Poedertje van een derde Grijn

. Kamfer met vier grijnen Suiker gegeven wordt,

het eene Middel het andere verfterkt.

Slaagt men niet met deze, dan zuilen ook de

overige Middelen vergeefsch beproefd worden. —

Men


2o6 Van de Geneezing

Men lette , in hoe verre de Buikzuiveringen in de

oorzaak van dit toeval deelen, en men bediena zich

des noods, liefst van eene weekmakende Klijstcer.

$ C X X X V I r.

Ten tweeden: — De Bloedfioest. — Ik heb

dit toeval niet dikwijls; als een gewrocht der Èn­

gelfche Ziekte, waargenomen, doch het zelve be­

grepen te ontftaan uit eene plaatzelijke prikkeling,

door de Zuure fcherpte, en uit eene verwijdering der

uitwaasfemende mondjes in de uiteindens of blinde

blaasjes der luchtaderlijke Vaten.

Een dier Lijdertjes, omtrent twee jaren oud,

gaf ik een drank, beftaande uit zestien Grijnen raau-

we Aluijn, ééne Dragma Conferf van roode Roozen

en twee Oneen Waters. — Hier van werd, elk

uur, een Paplepel gegeven. — De bloedige Ont­

lasting was, na drie dagen, geftuit.

Eenmaal befpeurde ik, bij een Jongetje van bij­

na drie jaren, eene bloedige Fluimlozing, welke

reeds anderhalf jaren geduurd, en alle Middelen

wederftreefd had.

Om den prikkel aftewenden, liet ik den Bast

van Gareu op de Borst plaatzen. — Dit geluk­

te, en het toeval verdween even langzaam, als het

gekomen was.

$ CXXXVIIL


der Èngelfche Ziekte.

§ C X X X V I I I.

Ten derden; — De moeijelijke Pislozing. —

Dit toeval is min zeldzaam, en gemakkelijker te be­

dwingen, dan het evengemelde. — Althans ik kan

verzekeren, dat deze Amandelmelk mij nimmer te

leur gefteld heeft: Neem zes zoete Amandelen,

melk dezelven langzaam uit met drie Oneen kookend

Water, voeg bij het doorzijgfel twee Grijnen Kam­

fer, zes Grijnen poeder van Arabifche Gom, en

drie Dragmen Sijroop van Witte Maankoppen. —

Geef aan een Kind van één jaar, om de twee

uuren; aan een van twee of drie jaren, elk uur

een Paplepel.

S C X X X I X.

Ten vierden; — De zwelling cn verharding

der Klieren. — Inwendige Middelen kunnen in dit

geval, weinig baten, dan in zoo verre dezelven me­

dewerken, om de taaije gefteldheid der Vochten,

tevens met de Zuure Kwaadfappigheid te verbeteren.

Uitwendig bezigd men Wrijvingen op, of nabij

de verharde Klieren aan den Hals, omftreeks deti

Buik, of elders, met de bloote hand, of met de

Zenuwzalf( l7rtg. Nerv.), de Olie van Cajaput, of

Culilawan, en den Geest van Ammoniakzout.

270

Sta*


208 Van ie Genezing

Stovingen komen ook te ftade. •— Warm aan*

gelegde, dikwijls ververschte, Wollen Lappen, wel­

ken met den rook van Mastik, Wierook en derge-

lijken, doortrokken waren, vond ik meermalen be.

ter gefchikt, en meer voldoende, dan natte Stovin­

gen; echter heeft men tegen Klierverhardingen van

den Buik zich van Stovingen, met dubbelden Anijs

bereid, dikwijls met vrucht bediend.

Tegen zeer wederfpannige Verhardingen der Hals-

klieren, kan fomtijds de Kwik, het zij als een Zalf,

of Pleister, bereid, niet ontbeerd worden. — De

Kikvorfchenpleister, met meer of minder Kwik

verfterkt, is de gemakkelijkfte. -—• Men zij even­

wel bedacht, om, door te veel Kwiks, geene on-

noodige kwijling te veroorzaken. — De ervaring

leerde mij, dat de .gemelde Pleister, gemengd met

even zoo veel van die, welke uit den Dollen Kervel

gemaakt wordt, ook in dit geval, fpoediger fmel-

ting maakt, dan elk afzonderlijk.

§ C X L.

Ten vijfden: — Indien de hardnekkige Zwel­

ling van den Buik, door eene ziekelijke opzetting

des Levers, of der Milt, te weeg gebragt worden,

dan zal de Kunst weinig hulp verfcharf.n, ter voor-

kominge eener gevreesde Uitteerends kwijning. —

om-


der Èngelfche Ziekte. 209

Sommigen hebben de Zwelling waargenomen; doch

ik zag dezelve nooit als een eigenlijk gewrocht van

de naaste Oorzaak der Èngelfche Ziekte.

Wanneer dit toeval, (het geen als een bijkomen­

de lrndernis mag worden befchouwd,) door opge-

fpannen Darmen veroorzaakt wordt, en eene afzon­

derlijke behandeling vereischt, dan bedien ik mij van

dikwijls herhaalde weekmakende Klijsteeren, Wrij­

vingen van den Buik met doordringende Geesten,

of Balfems, en ik laat dezelven, ten zij de pijn dit

verbiede, in eene, zoo genaamde', Gezondheid

fluiten,

§ C X L I.

Ten zesden: — De Stuipen. — Deze zijn

evenredig aan de zwakheid en aandoenlijkheid der

Lijdcnjes, in verband met de prikkelende kragt der

Zuure fcherpte. — De herftelling derzelven moeë

dus meest gezocht worden in de volvoering der

algemeene Aanwijzingen. — Indien hare meenigvul-

digheid en geweld echter eene bijzondere oplettendheid

vereisfehen, dan zal men doorgaans met twee Grij­

nen Bevergijls-poeder, twee of drie Grijnen Bloem

yan Spiauter en zes Grijnen Suiker, meer en be-

ftendiger voordeel hebben, dan van het Heulfap. —

Vijf of zes droppels Cebarnfteend Hanshoornvochr

O meï


sro Van de Geneezing

met een weinig Witte Wijn; — twee Grijnen

Moschus, een half Grijn Kamfer en zes Grijnen

Suiker zijn ook verkieslijker, dan de affchuwelijke

Duivelsdrek. — Men begrijpt, dat een dezer Stuip-

bedarende Middelen, om de twee of drie uuren,

moet hervat worden, tot men zijn oogmerk treft.

Ik heb die bewegingen, nog onlangs, met der-

ge'ijke Middelen, hoe vermogend die anderszijn,

niet kunnen ftuten, maar flaagde met Klijsteeren,

onder welken twee Dragnien Duivelsdrek ontbon­

den waren.

In dit en de verdere Verfchijnfels zul de voornaam-

fte waarfchouwing zijn, dat men naauw acht geve,

uit welke oorzaak dezelven ontdaan.

S C X L I I.

Deze zijn de Toevallen en derzelver behandeling,

waar van wij fpreken moesten. — Anderen zijnde

voren biTchreven; — anderen van te luttel be­

lang; — eengen heb ik ftilzwiijgende voorbijge­

gaan , omdat zij eigenlijk tot dé Gevolgen behoo­

ren.

S C X L I I I.

Wij moeten in de tweede plaats (CXXXIVn. 2.)

de


der Èngelfche Ziekte.

211

de Toevallen van eenen anderen kant overwegen. —

Bijkomende omftandigheden kunnen dezelven kwaadaartiger

maken, of anderen er bijvoegen. — Hier

toe behoord alles, wat het Bloed verdunt en de Vezelen

verzwakt of aandoenlijk maakt: met één woord,

hier toe behooren alle Ziekten, waar voor de Kinderen

vatbaar zijn. — Dan moet ik de beste genezing

dier Ziekten aanwijzen? — Waar zou dit heen? —

Men weet mijn denkbeeld hier omtrent, — Ik kan,

noch mag mij echter niet van alles onttrekken.

De Scheurbuikige, vooral de Venerieke fcherpte

der Vochten verzeilen de Èngelfche Ziekte zoo

dikwerf, dat ik, met tanderen, meer dan eens, in

gevaar ben geweest, om, ren aanzien vanVlen waren

aart der Èngelfche Ziekte, grovelijk te dwaalen.

Maar, dewijl ik, op het geleide der bevindinge,

het beftaan van den Scheurbuik, uit eene Zuure

fcherpte geboren, als een woordenfpeling, en geene

wezenlijke zaak, befchouw; en indien zij al beftaat,

derzelver genezing niets verfchilt van die der

Èngelfche Ziekte, zoo zie ik geene reden, om hier

over uit te weiden.

DJ wijl voorts de beste Geneeswijze der Èngelfche

Ziekte, juist gelegen is in de berraehtinge vaffl

dat geen, het welk het bloed eene Vlugzoute, dac

is, Scheurbuikige, en der Naaste Oorzaafc van de

Èngelfche Zieke regt tegenoverftaande hoedanigheii

O 2 «Sf


a l

2 Van de Geneezing

verfchaft, zoo zie ik wederom geene reden, om

ons geduld met dit onderwerp te kwellen.

Men toetze deze zaak aan de ondervinding, en

het veelbeduidend gezag van oordeelkundige Artfen.

Deze redenkavel.'ng toont, waar ik heen wi!: —

Naar de beste Middelen, om de Toevallen der

Èngelfche Ziekte, gepaard met de knagende Venus-

fmet, te genezen.

Die, welken tot ons tegenwoordig beftek behoo­

ren, fpruiten uit eene meer kwaadaartige fcherpte

des Bloeds, welke blijken geeft van de Venusfnet.

ï. De uitzetting der Beenderen is groo;er, fpons-

achtiger en pijnlijker. — De Huid is daaromftreeks

ongemeen rood, glinfterend ontftoken, heet en zeer

gevoelig.

2. Die Ontfïeking verwandelt dikwijls in eene

fpekachtige kwaadaartige Verzweering, zeer hard­

nekkige Winddoorns , of Beeneters.

3. De verzweeringen in de Keel en de Sprouw

zijn veel boosaartiger, leveren een ftinkenden dun­

nen Etter, welke foms uit de Neus, zoo wel als

uit den Mond ontlast wordt.

4. Bij zulken gaan de verharde Klieren van den

Hals en elders , niet zelden tot verzweering over.

D e

§ S'.

Huidgebreken zijn veel taaijer en moeije-

Jijker te genezen, dan in de eenvouwige Èngelfche

Ziekte.

Ik


der Èngelfche Ziekte, 213

Ik zwijg van andere, meer zeldzame Gebreken,

welken de Geneesheer, onder het Gemeen, (ach!

ware het alleen onder hen,) ten kosten der Kin­

deren , vaak verneemt.

Hoe de ware aart dezer Toevallen, in onder-

fcheidirg van die der onvermengde Èngelfche Ziek­

te , moet gekend worden, is in het vijlde Hoofd-

ftuk aangetoond.

§ C X L I V.

Wanneer hij, die zulken Lijder behandelt, van

den gemengden zieken ftaat der Vochten overreed

is, moet hij de Middelen, welken de Zuure fcherp­

te in de Èngelfche Ziekte verbeteren, paren met

die geenen, welken de Venusfmet temperen , of,

dringt de nood, hij moet de laatften afzonderlijk

gebruiken, waar ivan wij nu ook eeniglijk zullen

handelen.

Het beste Middel daar toe is de Kwik, welke

of in- of uitwendig toegediend wordt.

§ C X L V.

Voor eerst: Inwendig. — Ten dien einde zijn

de zekerfte en veiligfte bereidinge van het Kwik->

zilver

O 3 8.


314

a. De levende Kwik. — Men wrijft één Drag­

ma van dezelve met één Once Arabifche Gum,

volgens her voorfchrift van PLENCK. —

Mier bij worden vier Oneen Vlierwater en

een weinig, Suiker gevoegd. — De Gift

wordt bepaald op twee of drie Eijerlepeltjes

daags. — Het Lijdertje moet, een half uur

na elke Gift, veel Melk en Water, of een

Afkookfel van Sas/afros en Sarfaparilla

drinken.

b. De zoete Kwik, behoorlijk bereid, is, in

vele gevallen, niet minder nuttig, dan de

Levende. — verdeel één Grijn met twaalf

Grijnen Suiker in vier Poeders, en laat het

Kind dezelven dagelijks, op verdeelde tij­

den , gebruiken.

Van de Geneezing

c. De opgeheven bijtende Kwik kan, in zeer

hardnekkige of verouder !e gevallen, onontbeer­

lijk zijn. — DezJve n et Suiker gewreven

en met Water vermengd, is verkie dijker voor

Kinderen, dan wanneer het Poeder met

K ii rnbrandewijn ontbonden is. — Twee

Grijnen op agt Oneen Water voldoen voor

vier of vijf dagen,

Ook na het gebruik dezer twee laatfte Mid­

delen moet het Lijdertje veel drinken.

Met deze Bereidingen kan men alles doen, wat

de


der Èngelfche Ziekte. Si5

de Kunst vordert. — De overigen zijn of onnut,

of overtollig.

JG X L V L

Ten tweeden: — Uitwendig. — Hier omtrent

zal voornamelijk nodig zijn, dat de zachte, bolle,

en als veêrkragtige zwelling-n van de Huid, zoo

wel als de fchijnbaar rijpgeworden Klieren, geflo­

ten blijven, terwijl men , door middel van Suiker-

rafinadeurs Kalkwater, de ontfleking afweere.

Men begrijpt dus, dat alle weekmakende Stoo«

vingen, Pappen en Plijsters hoogst-adeelig zijn. —

De deugdelijkheid van dezen raad toonen de mee-

nigvuldige Lijdertjes, welken onder onkundige han­

den gera,kt zijn, en de harJnekkigheid van hu-ne

ontijdige geopende Venerieke gezwellen. — Het

inwendig gebruik van Kwik is best in ftaat, om

de knagende fret te temperen.

De oplettendfte Handarts zal echter niet altijd in

ftaat zijn, om dit foort van Verzweerineen voorte-

komen, — dezelve te zuiveren en te fluiten. —

Bij een zeer voorzichtig inwendig gebiuik van den

Kwik voegt men de volgende behandeling: .—

1. De Verzwering moet dag-liiksch met Aqua

Phagadtenica gewasfehen worden.

O 4 *


aio* Van de Geneezing

2. Op dezelve moer. een Compres gelegd wor­

den , doorweekt met het zelfde —> of met

Kalkwater, of, vooral indien 'er Beenbederf

plaats heeft, 'een Wiek, bevochtigd met

Kwik in Therebintijn gedood.

3. Het weelig Vleesch zal door den Rooden Neêr-

geploften Kwik langzaam weggeknaagd wor­

den.

4. Indien de Beenachtige zelfstandigheid aange­

daan is, zal, het geen boven (n. 2.) gezegd

is, te pas komen. — Men befcherme dan ook

het gebrek tegen de Lucht, en weere de

rotting met Tinctuur van Mijrrhe, of het

Elix. prop. van PARACEL'SUS. — Dit

laatfie is fomtijds verkieslijker, want men heeft

opgemerkt, dat de plaatfelijke Kwikmiddelen,

in enkele gevallen, het bederf vermeerderen.

5. De verdorven Beenderen moeten, met behulp

der Natuur, fpoedig weggenomen worden,

om zo veel fchielijker gelegenheid te verfchaffen

aan den nieuwen Beengroei. —- Dit gefchiedt

best door den fijnen Beenboor, welke tot het

midden van 't Been doorgedrongen, den weg

baant voor nieuwe Beenvezelen en Beenvlies.

6. Indien de Venusfmet de Èngelfche Ziekte

zoo kwaadaartig gemaakt heeft, dat het gan-

fche Becngeftel daar mede als doortrokken is,

wat


der Èngelfche Ziekte.

wat dan? -— Vervoeg u bij een kundigen

Heelmeester; — Maar, hier verder gaande,

zou ik geraken boven de vatbaarheid van het

Gemeen, of ten minden, mij in zaken wik­

kelen, welken eigenlijk tot de gevolgen van

deze vermengde Ziekten behooren.

" § C X L V I I.

Ondanks de Uirvoerigheid dezer Verhandeling,

kan ik, om het gewigt der zake, niet afzijn, de,

Hechts fchetswijze aangeprezen Behandeling tweezins

te verfterken.

Het eerfte zal het gedrag van hem, die deze

Middelen moet aanwenden, nader regelen, om over­

tuigd te zijn van de natuur des gebreks.

Het tweede zal dienen, om het nut der zeiven,

en de behandeling proefondervindelijk, te verfter­

ken. » 1

§ C X L V I I I.

217

Wat het eerfte betreft. — De aanleidende Mid­

delen ter onderfcheidinge der Èngelfche Ziekte, van

die, welke met de Venusfmet vermengd is, zijn in

onze eerde en vijfde Hoofdduk opgegeven. —

Wij moeten echter toedaan, dat de zaak niet altijd

O 5 die


aiS

die blijkbaarheid heeft, om een zeker befiuit te trek­

ken, en dat zelfs de kundigfte Arts aarzelen zoude. —

Wat is 'er dan te doen? — Men onderzoeke naauvv-

keurig het voormalig gedrag der Ouderen, vooral van

de Moeder of Minne, en hare Ligchaamsgefteldheid,

gedurende de Dragt of Zooging. — Hid de eene of

andere eenen boosaartigen Witten Vloed? — Was de

Man voormaals met de een of and.re Ziekte, wel-

jlte de Vrouw had aangeftoken, befmet? — Zoo

ja: dit zal eenig licht in duisternis verfchaffen. —

Waren zij beiden blijkbaar vergiftigd, dan zal het

befiuit eenige meerder zekerheid bekomen.

De twijfeling wordt minder, wanneer Kinderen

van vroeger Dragt fukkelende , en aan Venerieke

gebreken kwijnende waren.

Het vermoeden wordt bijna zeker, indien de ge­

wone behandeling der Èngelfche Ziekte, in die ge­

vallen kragteloos bevonden wordt.

De zekerheid zal volkomen zijn, zoo dra de ge­

breken, onder het aanwenden der Kwikmiddelea,

zuiverder worden.

Van de Geneezing

§ C X L I X.

Wat de beloofde Waarnemingen (§ CXLVtT.)

betreft. — Waren die niet ter bevestiging van ons

onderwerp noodzakelijk? — Strekten zij niet, om

ons


der Èngelfche Ziekte.

©ns beltuur te regelen, gaarne zag ik mij van dezel­

ve orufiagen. ——

Eerfte Waarneming.

S5Q

Een Jongetje, van zestien maanden, had de Èngel­

fche Ziekte, zonder eenige blijkbare oorzaak eener an­

dere Ziekte. — De gewone, op eene gevoeglijke wij­

ze, aangewende, Geneeswijs was vruchteloos. — De

toevallen werden heviger; — de zwakheid en verma­

gering van het Onderlijf, de zwelling des Buiks, alles

nam toe. — Het Hoofd en de Naden waren zeer fterk

uitgezet; — de gezwollen Kropflagaders floegen ge­

weldig ; — de Hoofden der Beenderen van Handen

en Voeten waren piet alleen gezwollen, maar ook

ongelijk en fponsachtig; — ook waren de Rugwer­

velen links en buitenwaards geweken. — De regter

Ribben waren binnen, — en de linker buitenwaards

geperst; — de Dei- en Armbcenen zeer krom ge­

groeid. — In de regter Heup was eene pijnelijke,

harde, glimmende Zwelling, waarin eene fehomme-

ling befpeurd werd; — Op de Schéén- en Armbeen-

deren werd men eenige ruwe knobbels gewaar, een

van welken op de Regterhand, van zelfs doorgebro­

ken, bloedig water ontlast, en een vlak fpekkig

Zweertje, met harde randen , ter grootte.van een Stui­

ver, nagelaten had. — Het water, uit dit Zweertje

ge-


Fan de Geneezing

geftadig lekkende, gaf eene reuk als van een Beenbe­

derf. — De Tanden kwamen niet zoo dra uit de Kas-

fen of werden bruin, zwart, en vielen ftukswijze uit.

De Adem was doorgaans heet en ftinkénd; >

de Keel bezet met Sprouwachtige bruine Puisten. —

Het Aangezicht geel; en de Pols was ongemeen

zwak en koortfig, met verheffingen tegen den nicht.

In dezen Toeftand vond ik den Lijder, in den

ouderdom van twee en twintig Maanden.

Deze befchouwing, en de ongenoegzaamheid Her

gewone handelwijze tegen de Èngelfche Ziekte,

deeden mij, terwijl ik geene gunftige voorfpelling

doen kondc, op andere Middelen bedacht zijn.

Na herhaalde ernftige gefprekken, beleed mij de

Vader, dat hij, in de derde Maand der Z,vanger­

heid zijner Vrouwe, toen hij door den Drank ver­

hit was, zich elders, in het Venusfpel was te buiten

gegaan, en daar na. door eenen kwaadaartigen

Druiper gekweld werd. — Hij gaf z :

c :

i, ter ge-

nezinge over aan eenen Landlooper, en onthield

zich intusfchen niet van zijne Huisvrouw. — Dit

mensch van een uitmuntend Karacter, kreeg, op

de vierde Maand der Zwangerheid, eenen kwaat-

aartigen groenachtige^ Vloed, waaraan zij nu nog

zukkelde.

Deze nafporing fterkte mijn vermoeden van eene

Venerieke ontaarting der Vochten, en deed mij be-

fluï-


der Èngelfche Ziekte. £23

fluiten, om dezelve opzettelijk te keer te gaan. —

Een der beroemfle Heelkundigen van ons Land was

van mijn gevoelen, des wij bepaalden, op gelijken

voet te handelen.

Ik fchreef twee Middelen voor: — het eene

beftond uit twee Grijnen zoete Kwik en twee Scru­

pels Suiker, waar van tien Poedertjes gemaakt wer­

den. — Het andere werd bereid uit twee Drag-

men roode Kina, welken één etmaal in heet water

getrokken werd: — Bij het doorzijgfti van vier

Oneen, werden zes Grijnen Saffraan en een half

once Kaneelwater en Oranjefijroop gevoegd. —-

Het gebruik was driemalen daags een Poeder met

een Lepel van het Drankje.

De Klieren van den Hals werden gedekt met

eene dunne Kwikzalf, de overige Knobbels en

Diktens met Kalkwater, het geen dikwijls ververscht

werd. — Op de verzweering van de Hand werd

een Wiekje met aqua Phagad: gelegd; de Buik

van tijd tot tijd zachtkens gewreeven, en eiken

avond een Klijsteer van Water en Hoonig ingefpoten.

Het Voedzel beftond uit zachte, met een ftipt

verbod van Dierlijke, Spijzen.

Na dat wij, op deze wijs, tien dagen aangehou­

den hadden, befloten wij, uit vreeze voor Kwijling,

twee dagen te verpoozen, en dagelijksch een Once

Manna te geven.

\ He t


22a Van di Gemezing

Het Kinrl weigerde h?t Afkookt, des het zelve

voor één Dragma dunne Extract van Kina en één

Once Kaneelwaters verwisfeld werd. — Hier van

werd, elke twee uren, een Eijerlepel mer een lepel

zoete Wei gegeven.

Na verloop van twee maanden, nam alles eene

gunftige keer, zoo dat de verbeterde vochtgelteldheid

en Teekenen ons deeden befluiten, dat de kwaadaar-

tigheid van de Venusfmet bedaard was.

Dit moedigde ons aan, om een, meer doordrin­

gend, Kwikmiddel te beproeven.

Ik liet twee Grijnen opgeheven bijtende Kwik

met Suiker wrijven, en met zes Oneen Waters ver­

mengen. — Hier van gaf men in den beginne,

twee-, naderhand driemalen daags, omtrent één Le­

pel vol, waarna het Lijdertje telkens eene goede

hoeveelheid Water en een weinig Melk dronk. —

Om de drie of vier dagen werd één Once gefmol-

ten Manna gegeven.

Na verloop van een paar Maanden, gaf het

Zweertje op de hand, zuiveren gebonden Etter,

zonder Ontlasting van Beenftoffe. — De verfchijn­

fels, welken het vermoeden van Veneriek fmet

verfchaft hadden, verdweenen, waarom de hoeveel­

heid Kwik bij trappen verminderd werd. —- Het

Wondje floot zich met een Lidteeken, het welk

onmiddelijk aan het Been vastgeroeid was. — De

Ge-


der Èngelfche Ziekte. 223

Genezing van de bijkomende Kwaadfappigheid was

binnen zes-en- twinr'g weken, voltooid, waarna ik den

Lijder behandelde gelijk zulken, die aan eene onver-

me ng Je Èngelfche Ziekte kwijnen, en ik flaagde

gelukkig.

Deze, nu agtienjarige, Jongeling heeft van dit

bedenkelijk gebrek niets overbehouden, dan een

krom Been, en eene geringe ftijfte'in de regter,

heup.

De uitflag is zeker niet altijd zoo voordeelig,

maar mag ik, zonder vermetelheid, vragen, of men

altijd den noodigen aandacht en onderfcheiding in

't werk fteld?

Tweede Waarneming.

Vijf Kinderen, van dezelfde Ouderen, waren

onderhevig aan de Èngelfche Ziekte, gepaard met

Verhardingen, Verzweeringen en Winddoorns, op

verfchillende plaatzen des Ligchaams. — Onder

deze ellende waren drie derzelven bezweken: de

twee anderen dragen nog de gevolgen dezer Ziekte.

Men had de behandeling toevertrouwd aan ie­

mand, die geene andere verdienften, dan die van

bloedverwandfchap, bezat.

Het zesde Kinj, bij het welk mijne hulp gezogt

werd, was een Zoontje van anderhalf Jaar, het

geen


S24 Van de Geneezing

geen, behalven de teekenen der Èngelfche Ziekte,

in eenen gevorderden (laat, ook in da volgende om-

ftandigheid zich bevond: — Op het Achterhoofd was

eene pijnelijke harde dikte, ter grootte van eene

duiver. — De Onderkaak was gezwollen; — op

de Armen, de Deijen, en aan de linker Knie, op

het regter Scheenbeen en de Hand befpeurde men

; ontdoken Zwellingen, van welken fommigen glins­

terend rood en zeer gevoelig, met een veêrkragtige

doffe gevuld fcheenen. — Op de linkershand wa­

ren twee, en op de regter ééne open Verzweering. —

Men had die gezwellen, door weekmakende Pap­

pen, op Neefsraad, vermurwd, die, wel tevreden

over den uitdag, na de infnijding, de ontlasting van

bloedig Water vernam.

De kragten waren zeer gering, de Klieren van

den Hals, der Oxelen en Liezen vrij hard.

De Pis vertoonde een wit, dinkend, etterig

Zctfel. — De Oogen waren hoog rood ©ntdooken,

de Adem heet, en de Keel raauw.

. Wie had hier geen Angel in het Gras vermoed? —

De Ouders, uit de heffe de Volks, gaven uiterlijk

veel gronds voor mijne gisfing. —• Geen angstvallig

onderzoek was noodig, om te ontdekken, dat de

Vader Vuil, en de Moeder jaar en dag, Veneriek

geweest waren.

Het vorige geval (boorde mij, [en den, aldaar

naar


•der- Èngelfche Ziekte, &%S

•naar -verdienflen geprezen Handarts, aan, om het

welfde fpoor te volgen.

Ik gaf dagelijks een Grijn zoete Kwik met Suiker,

ia verdeelde giften, waar op telkens veel Water en

Melk gedronken werd.

De Gezwellen werden met Rafinadeurs Kalkwater

gebet, cn de open Zweeren met witten Wijn ver­

bonden; terwijl, eiken avond, een Klijsteer met

Honing en Water gezet werd.

Op dergelijke wijze gingen wij, een half jaar,

voort, toen het Kind, het gedreigde flagtoffer van

der Ouderen vuil gedrag, en van de drieste onkunde ,

vrij was van Venus-erfgoed; naderhand, door eene

gepaste behandeling, gezond werd, en zich thans,

met ijver, bpvlijtigd in het leggen der gronden,

om, binnen kort, zijne geloofs-genooten te leerea

en te .ftichten.

Derde Wadrneming,

;£en onecht Meisje, van elf Maanden, werd door

«ene Minne gezoogd, welke gezond fcheen.

De omftandigheden ,van het Kind gaven mij gele^

genheid , om die Minne nabij te onderzoeken. — Ik

ontdekte eene kleine, vlakke, .verouderde Verzwee­

ring tegen het bovenfte Gehemelte en .eene knaging

.san de Lel. Door deze ontdekking en ver»


aa6 Vm de Geneezing

dere nafporing, moest ik dat Vrouwsperfoon Veneriek

aanmerken.

Het Kind had de Èngelfche Ziekte, in eenen

gevorderden ftaat, doch met eenige ongewone toe­

vallen. •— Het Hoofd had de gewone grootte; .

Verder had men alles, wat vereischt werd, om van

de Ziekte zeker te zijn; doch daar en boven

lekte geftadig, uit de Neus, een dun en zeer fcherp

vocht. •—. Op de linker Schouder was een harde,

wankleurige Dikte, ook aan de regter Bil, die geheel

gezwollen, hard en pijnelijk was. Aldaar ver­

toonde zich een zachte punt, welke fcheen te zul­

len doorbreken. — Op de linkervoet was eene

kleine Zwelling van gelijken aart.

De Zwelling van de Bil had, den volgenden dag

door eene kleine opening den weg gebaand voor

een dun, fcherp en ftinkend Vocht. — Bij onder­

zoek bleek, dat aldaar eene groote Holligheid en

het Zicbeen, door bederf, aangeftoken was.

Men deed eene infpuiting van Kalkwater, terwijl

de overige Zwellingen, met dat Water, of, bij ver-

wisfeling, om de ontfteking te ftuiten, met het Eau

Veget: Miner: van GOULARD bedekt werden.

Het inwendige Middel werd zamengefteld uit eene

Dragma levende Kwik, met flijm van Arabifche

Gom mengbaar gemaakt, waar bij vier Oneen Lin-

denbloeifem Water en een weinig Suiker gevoegd

wer-


der Èngelfche Ziekte. 2 £7

-werden. -— Men gaf viermalen daags twee Eijer-

Sepels.

Men had zich ook van eene betere Minne voorzien.

Het is zonderling, dat de beginfels van Kwijling,

v/elke niet bedoeld werd, zich reeds den vijfden dag

openbaarden. — Des werd dit Middel drie dagen

verwisfeld voor eene Once Manna daags.

Ik fchreef daar na eene zachtere bereiding uit den

Kwik voor, namelijk de Calomel tot twee, daarna

tot drie Grijnen daags, met een weinig Suiker, en

om den anderen dag, eene Klijsteer van Kamilbloe^.

men met Manna.

Na eenige weken fcheidde een fuikje van het

Zitbeen. — De toevallen werden geweldig: —

Eene gedurige Koorts, verzeld van Stuipen, Pijn,

enz. verwekte eene gegronde vrees voor het leven

van het Kind.

Niet afgefchrikt door deze bedreiging, ging men

rustig voort, tevens eene Dragma van het Extract

des rooden Koortsbast, met eene Once Kaneel­

waters, dagelijks toedienende, terwijl de Verzwee­

ring toen, tweemalen daags, met rooden Wijn en

Tinctuur van Mijrrhe gezuiverd werd.

De Toevallen verminderden; — de Kragten na­

men toe; — de Verzweering werd zuiver, en

kreeg eenen"vlakken grond. —' De Ontftekingen

van de, nu meer verzachte, Gezwellen verdweenen.

Pa Na


2Ö8 Van de Geneezing

Na dat deze behandeling vier Maanden geduurd

had, was de beterfchap zoo aanmerkelijk, dat ik

begreep, het gebruik van den Kwik te moeten mati­

gen. — Dit gefchiedde, en, na nog vijf weken,

was het Meisje in dien toeftand, als Kinderen,

welken de zuivere Èngelfche Ziekte hebben, waar

van zij ook gelukkig gered werd.

. Vierde Waarneming,

Ik beb twee gevallen van dit foort gezien, waarin

de Smet eene rol fpeelde van dien nadruk, dat de

Kwik, op de ftraks gezegde manier, niets afdeed,

maar alwaar de ganfchelijke verandering en vernieu­

wing der Vochten met behulp der Kwijling', volftrekt

noodzakelijk was.

Een dezer Kinderen was het flachtoffer dezer

Venerieke Èngelfche Ziekte. Het andere werd

gered, met verlies der Neusbeentjes en een klein

gedeelte der Verhemeltebeenderen.

§ CL. ;

•Uk deze Waarnemingen trekken wij deze gevolgen:

Voor eerst; — Zij bevestigen . ten**overvloede,

het geen ik met dezelve bedoelde.

, Ten


der Èngelfche Ziekte. aso

Ten tweeden; — Zijtoonen, dat, hoe gewigtig

en gevaarlijk de Toevallen van de Venusfmet, bij

de Èngelfche Ziekte, zijn mogen, deze Smet echter

niet, als de Naaste Oorzaak dier Ziekte, kan worden

aangemerkt. — De Kwik is onbeftand ter Gene-

zinge van de zuivere Èngelfche Ziekte. De

Venerieke natuur der Vochten, kun zonder Kwik,'

niet genezen worden.

Ten derden; — De afzonderlijke behandeling

van die Smetftoffe heeft mij altijd beter voldaan,

dan derzelver vermenging met de Middelen tegen de

Èngelfche Ziekte.

Ten vierden; —- Schoon ik, ten gemakke van

onkundigen, de gevallen Hechts duidelijk gefchetst

heb, vertrouw ik echter, den meer kundigen met

dezelven geenen ondienst te hebben gedaan.

Ten vijfden; — Mislukte proeven heb ik ver­

zwegen. — Men leert al doende, en dan verzwijgt

men liefst zijne voormalige onkunde.

Ten zesden; —— Mag ik, andermaal, uit de

Waarnemingen, eenen algemeenen regel ontkenen?

.—- Het Mes, en bijtende Middelen, zijn altijd

fchadelijk bij de Gezwellen, zoo wel van de zuivere

als vermengde Èngelfche Ziekte. De opening

te doen is geen kunst, maar dezelve te fluiten, on­

gemeen moeijelijk.

P 3 $ CU,


23ö

§ C L I.

Het vierde en laatfre onderwerp van dit Hoofd-

ftuk en van deze Verhandeling moet de leste Genees­

wijs van de Gevolgen der Èngelfche Ziekte bevat­

ten. (XCVII. n. 4.)

Velen der Gevolgen, welken in het zesde Hoofd-

fluk befchreven zijn, behooren nu niet verhandelt te

worden. —— De Geneeswijfe 1

van fommigen is be­

vat onder die der Toevallen, zoo dat, wanneer die

Toevallen overblijven, als dan hunne Geneeswijs be­

kend zij.

Van de Geneezmg

De natuur der zaak vereischt ook, dat ik van gee­

ne andere gevolgen fpreeke, dan van zulken, welke

de eigenlijke overblijfzels zijn van eene" onvermeng­

de Èngelfche Ziekte. — Onder deze behoort eene

algemeene zwakheid des Ligchaams, als mede eene

bijzondere zwakheid van de Ingewanden des Hoofds,

der Borst, en van den Buik; ——- Doch ook hier

van is reeds genoeg gezegd.

Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik, thans alleen

het oog te moeten flaan op de aanwijzing der Ge*

nezinge van de 'Misvorming'' der Beenderen en zoo­

danige Gevolgen, welken daar uit ontftaan.

ïn zoo verre wij thans daar over handelen moeten,

Wdkn deze vier onderfcheidingen noodzakelijk zijn.

- . Voor


der Èngelfche Ziekte. 231

Voor eerst: — Wij zullen den aandacht bepalen

op de zijdelingfche en voor-of achterwaardfche

fcheefte van de Borst.

Ten tweeden: — Op de afwijking der Lenden-

wervelen buiten de natuurlijke richting.

Ten derden: — Op de ziekelijken ftaat van de

Geleding der Knie.

Ten vierden: — Op den fchuinfehen groei van

de Dije- Scheen- Kuit- en andere Beenderen, als

een gevolg van gebrek eener behoorlijke voeding'.

Ik zwijg, met opzet, van niets beduidende Been­

achtige Uitwasfchen; als ook van onherftelbare on-

voltooijingen van fommige Beenderen, die men zich

moet getroosten, tot de Natuur haar werk verbeterJ.

Begrip echter niet, dat ik de mogelijkheid, om

de Gevolgen, waar van ik fpfeken zal, altijd te

genezen, beweeren wil. De dagelijkfche erva­

ring leert het tegendeel, gelijk aanftonds blijken zal.

§ C L I I.

Betreffende de Uitzetting van de Borst. —

Welke richting het Borstbeen, de Ribbej?!* en Wer­

velen na de Èngelfche Ziekte behouden hebben,

zal 'er zelden iets aan te doen zijn. De meest-

geroemde Werktuigen Helden ons te leur.

Is evenwel het Lijdertje zeer jong, maar zwak,

• P 4 CI1


en de Uitzetting -

der Wervelen, of Schouderblad-

den , niet al te fterk, dan zullen de Kina en Staal--

middelen nuttig kunnen zijn, terwijl behoorlijk zaam-

geftelde Werktuigen, den verderen misgroei zullen

ftuiten, en den reeds aanwezigen herftellen.

Ik zal dit bevestigen: —- Een Meisje van vijf

jaren, had, na de Èngelfche Ziekte, eene geringe

Uitzetting der twee bovenfte Wervelen en van eeni­

ge der Rugwervelen overgehouden. — Men had

met veel kosten, verfcheiden Werktuigen, van aller­

wegen aangebragt, nutteloos bevonden.

Een kundig Mechanist vervaardigde, volgens

mijn voorfchrift, met noodige verandering, het

werktuig van den Heer VACHER (Mem. de VA-

cadem. de Chirurgie Tom IV. tegen over bladzijde

605O

Wij hadden veel moeite, om ons oogmerk te

bereiken, doch de uitflag beloonde dezelve, door­

dien de gedreigde wanftalte volkomen belet werd,

en deze jonge fchoonheid regt van geftalte en wel

gedaan is.

Ik heb even dit Werktuig, géfchikt naar de om-

flandigheden, in verfcheiden gevallen van dezen aart,

heilzaam bevonden.

Van de Geneezing

Het zal meest aankomen op de handigheid en

het beleid Van den Maker. — Een gewoon Werk­

man bedroefde ons vaak,, door eeuwige mislukkin­

gen. —


ie? Èngelfche Zieke. 233

gefi. — Men vervoegde zich daarom bij eenen bedreven

Kunstenaar. — Maar kan dit de gemeene Manbekostigen?

— Dergelijke Kunstenaars zijn duur. -=

Ik herirmer mij thans, met eene genoeglijke aandoening,

de liefdadigheid eener brave, welke, ten

nutte vart een behoeftig Kind, zich, op- het eerfte

aanzoek, gereed toonde, om dit Werktuig, voor eigen

rekening, te doen vervaardigen. — De goede

uitflag beloonde die liefde.

Men moet vooral zorgen, dat het Ligchaam zelfs

nergens ten fteunpunt ftrekke , maar dat het Werktuig

de drukking over al in zich zei ven hebbc, of

de hinder zal voor het Kind onverdraaglijk zijn.

§ C L I I I.

De Afwijking en Zamengroeijng ier Lendenwervelen

, welken fomtijds op de Èngelfche Ziekte

volgen, zijn doorgaans ongeneeslijk. — Ik heb onlangs

een ellendig Kind gezien, het welk, door eene

binnenwaardfche Uitzetting van drie dezer Wervelen,

lendenlam werd, en, in weerwil van alle poging

, aan de gevolgen van een geprangd Ruggenmerg

fiierf.

Men moet derhal ven, om nuttig te zijn, zich

fpoedig van goeden raad bedienen. — Zoo dra de

eerfte beginfels van dergelijke Afwijkingen belpeurd

P 5 wor-


334 Van de Geneezing

worden, wanneer het Kind meestal zwak is, heeft

men van de Kina, het Staal en de koude Baden iets

goeds te wagten, terwijl alle bewegingen, als tillen,

trekken, fchudden, waar door het gebrek zou ver­

ergeren, vermijd worden.

zijn.

Verfterkende Wrijvingen kunnen al mede nuttig

Onder dergelijke voorzorgen, zou een wel inge­

richt Keurslijf de verdere misvorming kunnen -belet­

ten. -— Ik zou, had ik geen reden, om mij te ver­

bergen, eenen Man kunnen aanprijzen, die, fchoon

hij weinig gezocht wordt, onder dit zoort van Kunst­

werkers den eerften rang verdient. — Ik zie dage­

lijks twee jonge Juffrouwen tierig groeijen, en

hoe langer hoe gewisfer, van dit foort van gebrek

ontheft worden, hoewel het zelve vrij zichtbaar was.

•— Dit zijn zij beiden aan den zoo even bedoelden

Man verpligt. — Hij zorgt altijd, dat de fteun-

punten van het Werktuig eene zoodanige tegenrtan-

dige drukking maken, dat hec ligchaam, ten allen

tijde, eene onbelemmerde beweging kan doen, als

mede, dat het Werktuig, zonder kosten van belang,

in eene gelijke reden met den groei, kan worden

verruimd en verlengd.

§ CLIV.


der Èngelfche Ziekte.

$ C L I V.

*S5

Het derde, waar voor men te zorgen heeft, is

de geleding der Knie. .

De gedachten -

, hier omtrent, verfchillen vrij

fterk. — Dees kiesr te wachten, wat de Natuur zal

verrichten; >— die neemt Wrijvingen en Windfels

te baat; — een ander brengt die deelen, op de

eene of andere wijze, in bedwang.

Eene algemeene regel kan hier ook niet gelden.

— De bijzondere omftandigheden moeten de keus

bepalen.

Is de Èngelfche Ziekte herfteld, de Afwijking vari

weinig belang, en het> Kind niet zwaar of wild, dan

zullen koude Baden en verwarmende en verfterkende

Wrijvingen nuttig zijn. — Is integendeel de Afwijking

zoo aanmerkelijk, dat de Kniefchijven, gelijk

veeltijds gebeurt, dreigen uit hunne plaats te wijken

, dan moet de Natuur geholpen worden. — Dit

gefchiedt best door behulp van wel toegerichte Laarsjes,

die door middel van een Keurslijf, het ganfche

ligchaam onderfteunen, en, zonder de Knieën te

drukken, de verdere Afwijking voorkomen.

Deze toeftel is te moeijelijk tot de juiste volkomenheid

te brengen, om den Maker zijne mislukkingen

kwalijl; te duiden. — Men verbetere zoo

lang, tot men Haagt. — Ik zag de noodzakelijkheid


236 Van de Geneezing

deid van dit geduld nog zeer onlangs, bij een Doch­

tertje in een voornaam huis; doch wij bereikten ein­

delijk zoo gelukkig ons oogmerk, dat het Kind nu

onbelemmerd gaat, doet wat het wil, van maand

tot maand verbeterd, en volkomen herftellen zal.

Soortgelijke gevallen zijn al te bekend, om de­

zelven te vermenigvuldigen. Ook zijn de ver-

fcheidcnheden te meenigvuldig, om over dezelven

uittewijdcn. — Alies onderfleld oordeel en handig­

heid aan de zijde des Kunstenaars, en geduld aan

den kant van den Lijder.

§ C L V.

Ten vierden: — De langzame en ongeregelde

Groei, of bijblijvende Weeke ftaat van fommige

Beenderen, welke zich dikwijls, na de Èngelfche

Ziekte vertoont, moet vooral onzen aandacht niet

ontglippen.

Welke de wezenlijke oorzaak van dit gebrek zij,

is in de Hoofdftukken der Oorzaken exi Toevallen

aangewezen.

De Middelen en Geneeswijze, welken dit treurig

gevolg kunnen herftellen, moeten het vermogen

bezitten, om het gemis, of de ongenoegzaamheid

van de Aardachtige, of Tartarifche deelen des Bloeds,

welken der beenftoffe (tevigheidj en wasdom geven,

•> te


der Èngelfche Ziekte. 237

te herftellen of te vermeerderen: — Ook moeten

zij medewerken, om deze voedingftorTe naar de

Zieke deelen te bepalen.

Ten aanzien der wijze van gebruik, verdeelen wij

deze Middelen, in Inwendige en Uitwendige.

$ C L V L 1

De Inwendige zijn de Koortsbast of Kina, het

Staal en de Meekrap.

Van de twee eerfte is genoeg gezegd, zoo dat

wij, nopens dezelven, alleen herinneren, dat de

gift, naar mate des ouderdoms en de meerdere lig-

chaamsbeweging, moet vergroot worden.

De Meekrap behoort eigenlijk en voornamelijk

hier ter plaatfe nader aangeprezen te worden.

Door verfcheiden Waarnemingen gefterkt, meen

ik in ftaat en bevoegd te zijn, om te kunnen en te

mogen verzekeren, dat het Afkookfel en het Poeder

van dezen Wortel een eigenaartig vermogen bezit,

om tot in de Zelfltandigheid van het Gebeente te

dringen, en deszelfs Vezelen te verlterken.

De meergemelde OETINGER heeft deze eigen­

fchap getracht te verklaren, doch, naar mijn inzien,

is die Man guller met zijne onderltellingen, dan

bondig in zijne bewijsgronden geweest. — Doch,

waartoe dienen redenkundigeverklaringen, wanneer

de


238

de ondervinding ipreekt? — Indien wij verzekerd

zijn, dat wij, door den Kwik, eene Kwijling, en

daar door de Genezing van de Venusfmet zullen te

weeg brengen, dan zal het onderzoek, hoe dit ge­

fchiedt, weinig voordeel doen.

. Eene kleine gefchiedkundige uitwijding over den

Meekrap , in dit geval houde men mij ten goede.

De kundige LEVRET viel, op eene zonderlinge

wijze, in het denkbeeld, om de Èngelfche Ziekte,

door den Meekrap volkomen te genezen, ten min­

den dit te beproeven. — De beroemde BOHMER

had op het voetfpoor van anderen, in den jare 1751,

proefondervindelijk bewezen, dat de kleur van het

Afkookfel dezes Wortels dringt tot in de zelf Han­

digheid der Beenderen van zulke Dieren, wien het

zelve gegeven was: een gevoelen, het welk Hij,

het volgende jaar, met nadruk tegen Du HAMEL

ftaande hield. — Dit verwekte een verfchil tus-

fchen de Heeren FOUGEROUS, den Baron VON

HALLER, en BORDENAVE, het welk den twee-

ftrijd van BOHMER en Du HAMEL meer lichts

bijzette en nader bepaalde, gelijk uit de Memoir.

de UAcademie Roij. des Sciences van 1760 over­

vloedig blijkt.

Van de Geneezïng

Hier van namen fommigen de gelegenheid, om

eene nieuwe verklaring van de wijze der Beenwor­

ding te ontleenen, het geen klaar te vinden is in

de


der Èngelfche Ziekte. 239

de ftrijdverhandelingen van RUDIGER, in 1750,

en van BOSSIER, in 1755, beiden te Leipzich

verdedigd. 1

Dit gaf aanleiding om den Meekrap, naauwkeu-

riger dan ooit, te befchrijven. — Wij houden ech­

ter de teekening en verklaring van den Heer SCFLEF-

FER voor de beste. •— Zie zijne Erleichterte

Krauterwisfenfchaft, te Regensburg in 1759,

gedrukt.

De proeven van LEVRET en van den toenmali-

gen Amfterdamfchen Geneesheer SCHLOSSER wer­

den (immers volgens mijne aanteekeningen) hier te

lande, door J. E. ROSNER, in zijne Inwijdingrede

de Latte enz. , in het jaar 1756, te Leijden al­

lereerst met bondige Praktikale bewijzen bekragtigd.

De Heer L. J. B. COSNIER, gaf, daar na, te

Parijs, in 1758, eene Redenvoering in het licht,

opzettelijk dienende ter bevestiging yan het nut des

Meekraps in de Èngelfche Ziekte, welker Naaste

Oorzaak hij aan eene Zuure fcherpte toefchrijft. —

ROSEN, STEINMEIJER, en meenigvuldige an­

deren na Hem, bedienden zich van de Franfche

p-ocfnemingen, om het nut dezes Wortels, in dit

geval , te verheffen.

Men verfchilt echrer tot nog toe (gelijk ik reeds

gezegd heb) over de innerlijke beftanddcelen van

den Meekrap, door welken zij de vermurwde Been­

deren


24.0 Vm de Geneezing

deren verhard. — Sommigen zochten dezelven irt

eai fijn Zuur van eenen bijzonderen aart, en fchre-

ven daar aan de roodheid der Beenderen toe.

Anderen, gelijk OETINGER in zijn gefchrift te

Tubingen, den 22 December 1769 verdedigd,

fchreven dit toe aan het Phlogiston. — Wij,

voor ons, verwerpen alle gisfingen in de beoeffening

der Geneeskundige Praktijk; — echter meenen

wij, best te kunnen verdedigen, dat de Meekrap

de weeke Beenderen, door den Aard- ofWijnfteen-

achtige ftoffe verhardt, — Wat hier van zij, aan

de zekerheid der zaake is geen twijfel, want, uit

verfcheiden Proefnemingen , heeft menbefloten, dat

niet alleen de beginnende, maar zelfs verre gevor­

derde Weekheid van het Gebeente, door de Èngel­

fche Ziekte nagelaten, door den Meekrap is gefruit

en herfteld.

Men vergenoege zich met deze Aanmerkingen,

1. De Meekrap komt, in deze Ziekte, alleen te

pas, wanneer men verneemt, dat het Gebeente,

na de Èngelfche Ziekte, de behoorlijke vastheid

niet verkrijgt. — Zoo lang de Zuure kwaadfappig-

heid beftond, zag ik van dit Middel geen voordeel,

ten zij het- zelve met anderen, welken op zich zelr

ven genoegzaam waren, vereenigd werd.

2. Men moet met dit Middel lang aanhouden, ea

Haagt men niet fpoedig genoeg, niet wanhoopen, —

Big


der Èngelfche Ziekte.

Bij eenigen heeft men vele maanden noodig, tot het

geen bij anderen, in weinige weken, verricht werd.

3. De beste wijze van toebereiding is het Af­

kookfel van eene Once Meekrapwortel op twaalf

Oneen Waters, zoo dat agt Oneen overblijven. —

Dit volftaat voor twee dagen bij een Lijdertje van

drie of vier jaren.

Veeltijds verveelt het gebruik van het zelfde Mid­

del door den tijd. — Men verwisfele dan dit voor

eene halve Dragma of twee Scrupels van het Poe­

der, het welk dagelijksch, in kleine giften, toege-

dient wordt.

4. Zachtkens Zamentrekkende bijvoegfels fchijnen

het Beenverfterkende vermogen des Meekraps te

vermeerderen. — Hunne hoeveelheid moet echter»

uit vreeze van eene hinderlijke hardlijvigheid te zul­

len veroorzaken, niet te groot zijn: Eene

Dragma Cort, Tamarisci, met den Wortel ge­

kookt, of eene Dragma Conferf van roode Roozen,

of drie Dragmen Syrup. Myrtinus bij het door-

zijgfel, zijn voldoende.

Een Grijn Poeder van Cachou bij elke gift des

Meekraps-poeders, of vier Grijnen Aluin daags,

fchikken best.

5. Indien de Stoelgang traag wordt, bedient men

zich van eene Klijsteer, uit gefmolten Manna met een

weinig Zout.

541

Q *>.


242 Van de Geneezing

6. Wanneer uit de vermeerderde ftevigheid van

het Gebeente blijkt, dat het Middel aan het oog­

merk voldoet, dan gaat men op dezelfde wijze,

eenige weken voort, waar na men, bij langzame

treden, de hoeveelheid van deszelfs giften vermin­

dert, tot de volkomen Genezing.

§ C L V I I.

De Uitwendige Middelen, welken de herftel-

Jing verhaasten, zijn:

1. Koude Baden, — Ten minnen tweemalen

daags moet de Lijder tot den hals toe, in een Kuip

ïnct Koud Water gedompeld, en terftond weder

uitgehaald worden.

2. Telkens, na dat dit (h- *•) gefchied is, moe­

ten de Rug, de Armen en Dijen, als mede de Buik

met doordringende Geesten, Specerijachtige , Oliën

of Balfems (waar toe echter de Kamfer en Kamfer-

brandewijn niet behooren) gewreeven worden.

3. De Windels, Harnasfen of andere Werktuigen

van dien aart, zijn fomtijds onontbeerlijk; — doch,

om dat zij niet meer kwaads dan goeds zouden doen,

moet men vooral zorgen, dat eene kundige en be­

dreven hand in de zamenfielling en toediening der­

zelven, gebezigd worde.

i

Het


der Èngelfche Ziekte.

Het geene verder te doen is, zij aan het vermo­

gen der Natuur verbleven.

$ C L V I I I.

De uitvoerigheid van dit Antwoord zal verfcho-

ning bij zulke Lezers vinden, welke niet kunnen

ontkennen , dat het Voorftel uit veele gewichtige

Vragen beftaat, en dat het werk eigenlijk dienen

moest tot onderrichting van menfchen, die in de

Geneeskunde onbedreeven zijn.

Heb ik hierin het doel getroffen, dan zal het

denkbeeld van mijnen plicht naar vermogen te heb­

ben betragt, de begeerde bezolding van mijnen

arbeid zijn. Want

Ware Roem is roem lij God ,

Maar niet lij Menfchen Kinderen.

E I N D E.

2

43

G E L L E R T.

More magazines by this user
Similar magazines