studiemateriaal - Driestar Hogeschool

driestar.hogeschool.nl

studiemateriaal - Driestar Hogeschool

Hoofdstuk 5 (Veugelers)

Vragen:

- Welk van de drie typen burger (aanpassend, calculerend of kritisch democratisch) wordt op

uw school gevormd?

- Welke idealen ten aanzien van omgaan met waarden dient een christelijke school te

hanteren?

- Veugelers trekt de volgende conclusie over de situatie in de jaren ’90: ‘Het op de

maatschappij gerichte deel van de waardenontwikkeling was aanpassingsgericht, terwijl de

eenzijdige gerichtheid op autonomie bij het individu leidde tot calculerend burgerschap’.

Herkent u zich in deze conclusie?

- Werkt volgens u een verzuild onderwijsbestel de pedagogische opdracht tegen (…) of zal

men in de zuilen juist veel mogelijkheden hebben om aan waardenontwikkeling te doen?

(Een van de kritiekpunten op de Pedagogische Opdracht van minister Ritzen (1992) was

dat de verzuiling de pedagogische opdracht tegen zou werken.)

- Veugelers stelt: ‘Waardenontwikkeling is een creatief proces van zingeving’ (par. 6). Hoe

verhoudt zich dat tot christelijke idealen van deugdzaam leven (denk aan 1 Kor 13 en

Galaten 5).

- Veugelers spreekt het liefste over ‘waardenontwikkeling’ en ‘waardenstimulering’. Hoe

denkt u zelf over de term ‘waardenoverdracht’?

- Welke waarden zouden volgens u gestimuleerd moeten worden en hoe?

- Vindt u het noodzakelijk dat orthodox protestantse scholen zich meer richten op de bredere

gemeenschap? (Veugelers signaleert het gevaar dat men dan een ‘sterk

afscheidingsgevoel’ te weeg kan brengen.)

Hoofdstuk 6 (Veldman)

Vragen

- Bent u in staat om uw lespraktijk te zien als een spel?

- Noem een moment waarop u ‘ingespeeld’ hebt op de vragen van leerlingen of studenten.

- In hoeverre ensceneert u uw lessen zodanig dat de leerlingen nieuwsgierig worden naar de

betekenis van de dingen?

- ‘Kunstonderwijs is een voorbeeld voor al het onderwijs’. Wat vindt u van die stelling?

- Beschouwt u zich zelf als een cultuurdrager? Waarom wel en waarom niet?

- Komen uw leerlingen in aanraking met de verschijnselen zelf? Geef voorbeelden.

Hoofdstuk 7 (Vos)

Vragen

- Op welke leeftijd kan er volgens u met filosofie begonnen worden?

- Formuleer drie wijsgerige thema’s waarvan u vindt dat kinderen daarover nagedacht

moeten hebben.

- Mag je als leerkracht doen (net als Socrates) alsof je het antwoord niet weet? Wanneer en

hoe hanteert u dit uitgangspunt in de klas? Wat is het effect?

- Herkent u de stelling dat filosofie een algemeen vormende werking heeft, en zelfs een

positief effect heeft op andere vakgebieden?

- Mag het christelijk onderwijs volgens u wel aan filosofie doen? Is het geen bedreiging voor

de geloofsontwikkeling van kinderen? Bent u het eens met de drie argumenten die de

auteur aandraagt?

Hoofdstuk 8 (MacKay)

Vragen

- Op welke manier spiegelen leerlingen zich aan u?

- In welke spiegels uit de cultuur (stillevens) laat u uw leerlingen kijken?

- Zijn er in de omgeving van de school meer spiegels aanwezig waar u de leerlingen in zou

kunnen kijken?

- Wat waren in uw persoonlijke vorming belangrijke spiegels?

- ‘Cultuur is de vorm waarin een mens zijn ziel uitdrukt in de natuur’. Wat vindt u van deze

omschrijving?

- Wat zijn uw idealen met betrekking tot culturele vorming in uw school?

Hoofdstuk 9 (Vos en De Muynck)

Vragen

- Wat is voor u het verschil tussen een ‘levenslang leren’ en ‘leren voor het leven’?

- Welke punten uit dit hoofdstuk vindt u van belang voor het maken van beleid in het

christelijk (basis- of voortgezet) onderwijs?

Studievragen ‘Leren voor het leven’ 2

More magazines by this user
Similar magazines