Peeters, Passen_Het Italiaanse boek

ned.univie.ac.at

Peeters, Passen_Het Italiaanse boek

Peeters, F, A.-M. van Passen, Het Italiaanse boek in de Nederlandse vertaling: 1946-1982, In: Ons Erfdeel, 29 e jg.,

nr. 3, mei-juni 1986, p.371-380.

p.371

HET ITALIAANSE BOEK IN DE NEDERLANDSE VERTALING: 1946-1982

ANNE-MARIE VAN PASSEN, FRANK PEETERS

Ptolemaeus

"De Italiaanse literatuur wordt heden ten dage meer en meer verkend en vertaald door uitgeverijen in ons taalgebied.

Die interesse lijkt nu ook over te slaan bij het grote publiek. Dat komt gedeeltelijk door de keuze van de auteurs".

(1) Dit schrijft Jean Vanempten in De Nieuwe n.a.v. het verschijnen van een Nederlandse vertaling van werk van U.

Eco (De naam van de roos) en I. Calvino (Als op een winternacht een reiziger). Samen met nog een handvol

anderen zijn zij op dit ogenblik de meest succesvolle in het Nederlands vertaalde Italiaanse auteurs.

--------------

FRANK PEETERS

Geboren in 1954 te Wilrijk. Studeerde Germaanse filologie aan U.I.Antwerpen. Is assistent Nederlands aan het Hoger

Instituut voor Vertalers en Tolken te Antwerpen. Bereidt een doctorale dissertatie voor over "Het Vlaamse Volkstoneel 1920-

1924". Publiceerde verscheidene artikelen.

Adres: Everdijstraat 51, B-2000 Antwerpen.

ANNE-MARIE VAN PASSEN

Geboren in 1952 te Wilrijk. Doctor Wijsbegeerte en Letteren aan de K.U.Leuven (1985) met een tekstuitgave van L.

Guicciardini's verhalen. Kandidaat vertaalster aan het R.U.C.Antwerpen. Is docent/assistent Italiaans aan het Hoger Instituut

voor Vertalers en Tolken te Antwerpen. Bereidt een doctorale dissertatie voor over "Le Ore di Ricreazione di Lodovico

Guicciardini". (Tekstuitgave en bronnenstudie). Publiceerde verscheidene artikelen.

Adres: Anselmostraat 75, B-2018 Antwerpen.

--------------

Hoewel deze recensie verscheen lang nadat wij het plan hadden opgevat om de Italiaanse literatuur in Nederlandse

vertaling door te lichten, (2) is met name het recente verkoopsucces van Eco's Il name della rosa (De naam van de

roos, Bert Bakker 1983) een reden te meer om het na-oorlogse Nederlandstalige vertaalbeleid van Italiaanse

literatuur aan een onderzoek te onderwerpen.

Kan er gesproken worden van een vrij recente doorbraak van de moderne Italiaanse literatuur in het Nederlandse

taalgebied (vgl. de uitspraak van Vanempten)? Zijn er bepaalde extra-literaire factoren die het (her)ontdekken van

auteurs in de hand werken? Wat is de genre-stratificatie van het vertaalde corpus? Vertaalt om het even wie, om het


even wat of zijn ook hier bepaalde constanten en voorkeuren te ontdekken? Kunnen bepaalde uitgeverijen als

promotoren van het Italiaanse boek worden bestempeld? Wat is het aandeel van de zgn. "klassiekers" (Dante,

Boccaccio maar ook Collodi en Guareschi) in het totale pakket van de vertaalde Italiaanse literatuur?

Stuk voor stuk vragen die tot nog toe nauwelijks werden gesteld en waarvan men ook niet mag verwachten dat wij

ze in dit korte bestek afdoende zullen beantwoorden; maar die vanuit een snel evoluerend theoretisch analysekader

meer dan ooit op een antwoord wachten. Zeker nu, nu we ook vanuit de academische wereld een authentieke

interesse voor het verschijnsel "vertaling" en "vertalen" zien ontstaan, met de roep om een autonoom

p.372

onderzoeksobject, een geëigende methodologie en specifieke doelstellingen, nu de studie van de vertaling en het

vertalen langzaam maar zeker onttrokken wordt aan de ambachtelijke sfeer waarin ze al te lang werd beschouwd als

een "kunst" d.w.z. in laatste instantie ontoegankelijk voor wetenschappelijke analyse of theoretische

begripsvorming. De vertaalkunde werd vertaalwetenschap, zodat over de wat oppervlakkige zorg om de "adequate"

vertaling heen, de vertaling en het vertalen tot object kan worden van een volwaardige wetenschappelijke discipline,

niet langer afhankelijk van de ambachtelijk-intuïtieve en daardoor vaak erg problematische vertaalkunde of zelfs -

kunst; noch van de traditionele filologie met haar sterk hermeneutisch karakter. Het feit dat een aantal Belgische en

vooral Vlaamse academici (K.U.L.) in dit nieuwe domein van de tekstwetenschap erg hoge ogen gooien èn als

promotors èn als gangmakers van deze discipline internationale erkenning en aanzien genieten, biedt allen die er

zich oprecht voor interesseren voor het eerst de mogelijkheid deze fenomenen in een ruimere context te bestuderen.

De vergelijkende stilistiek die zo lang het voogdijschap over het "theoretisch" luik van de vertaalstudie heeft

waargenomen, mag zich met een gerust gemoed terugtrekken: de vertaalstudie is volwassen geworden. Wie dit niet

inziet, loopt het gevaar de Ptolemaeus van de vertaaltheorie te worden.

Het corpus

Naast een algemene stellingname t.o.v. vertalen en vertalingen, werden we in de loop van ons onderzoek regelmatig

geconfronteerd met een aantal problemen die ons verplichtten duidelijke selectiecriteria te ontwikkelen met het oog

op de samenstelling van het corpus.

Grosso modo is het zo dat alleen zelfstandige Nederlandstalige publicaties van literaire teksten in de periode 1946-

1982 werden opgenomen. Hoewel op het eerste gezicht vrij duidelijk en eenduidig, vraagt deze omschrijving toch

om een toelichting. Er zijn immers een aantal teksten die aan bovenstaande omschrijving beantwoorden, maar die

om de een of andere reden toch niet in aanmerking kwamen voor opname.

Zo stelden we vast dat een aantal werken ons via al bestaande anderstalige vertalingen bereiken: de zgn.

kettingvertalingen. Bijvoorbeeld:

Italo Svevo, James Joyce. Naar de Engelse vert. van het Italiaans, Amsterdam, 1980.

Giorgio de Chirico, Hebdomeros. Vertaling uit het Frans, Amsterdam/Deurne, 1973.

Bij de zgn. "klassieke" teksten vinden we nogal eens de aanduiding "naverteld", "naar ... ".(3) De bedoeling hiervan

is in de meeste gevallen de oorspronkelijke tekst meer toegankelijk te maken voor een bepaalde lezersgroep. Soms

gaat de verwijdering van de oorspronkelijke tekst zo ver dat niet langer de naam van de auteur, maar die van de

bewerker of herschrijver als leidraad bij de bibliografische rangschikking in repertoria en registers wordt gebruikt:

Johanna Aalders, De avonturen van Pinokkio. Naar C. Collodi, Amsterdam/ Antwerpen, 1966.

Wat voor bewerkingen van klassieke romanteksten geldt, geldt a fortiori voor de strip-versies ervan. Naast een hele

authentieke Italiaanse stripliteratuur in vertaling bestaan er immers ook van sommige verhalen (Pinocchio, De

reizen van Marco Polo) strip-versies. Beide types, de geschreven bewerkingen en de getekende, werden niet

behandeld wegens oncontroleerbare afwijking t.o.v. het origineel. De overige stripverhalen werden eveneens buiten

beschouwing gelaten.

Al kunnen we hier geen diepgaande terminologische discussie aangaan over wat tot de literatuur mag worden

gerekend en wat niet, lijkt het ons toch redelijk dat we een zo duidelijk mogelijke afspraak maken i.v.m. wat er al


p.373

dan niet door ons onder de vlag "literatuur" bijeengebracht werd.

Enerzijds zijn er de teksten die bij algemene consensus tot de "Literatuur" worden gerekend: het werk van Dante,

Petrarca, Boccaccio, maar ook dat van Moravia, Svevo, Sciascia enz. Deze teksten zouden we de gecanoniseerde

literatuur willen noemen. Maar daarnaast moeten er ook andere teksten opgenomen worden, ook al weten we dat het

hier vaak gaat om allesbehalve gecanoniseerde literatuur: dokters- en liefderomans, detectiveverhalen, SF,

jeugdliteratuur enz. Een heuristisch probleem bij deze niet-gecanoniseerde literatuur is haar quasianonieme

karakter, waardoor we ons moesten laten leiden door een aantal secundaire indicatoren die het mogelijk maakten de

teksten als nog in ons corpus op te nemen: de rubricering in de bibliografische bronnen, de uitgeverij, de vertaler.

Maar ook duidelijk niet-triviale teksten kunnen, om heel andere redenen, problemen geven. Zo kan men zich

afvragen waarom naast Giovanni Papini of Francesco d'Assisi, die wèl werden opgenomen, Albino Luciani (paus

Johannes-Paulus I) niet werd opgenomen of waarom Oriana Fallaci wèl en Maria Macciocchi of Antonio Gramsci

niet? Ons wel bewust van de methodologische moeilijkheden en het mogelijke verwijt van arbitraire selectie,

hebben we toch geprobeerd enkele maatstaven te hanteren. Principieel rekenden we filosofische, theologische,

sociologische of historische werken niet tot de literatuur, ook al zijn sommige van hun auteurs nationale grootheden.

Een uitzondering werd echter gemaakt voor die auteurs waarvan ten minste één werk bij algemene consensus tot de

literatuur wordt gerekend. In ons corpus bijv. O. Fallaci, Brief aan een nooit geboren kind; Francesco d'Assisi, Het

zonnelied van de Heiligen Franciscus; G. Papini, De duivel. In afwachting van een meer diepgaande theoretische

bezinning over deze fundamentele problemen,

Frans van Dooren (1934), vertaler.

hopen we door bovenstaande explicitering van onze normen toch een pragmatisch aanvaardbare afbakening te

hebben gegeven.

De auteurs

Toen in 1980 O. Fallaci's roman Un Uomo (Een Man) op de Nederlandstalige markt verscheen, kende hij voor een

Italiaans werk een ongewoon verkoopsucces. Zo kon men in 1982 al een zesde druk noteren. Het succes is des te

opvallender wanneer men weet dat het hier een lijvig boek betreft (523 blz.) en dat de auteur op het ogenblik van

publikatie geenszins grote bekendheid genoot bij het ruime publiek. Haar Il sesso inutile (Vrouwen ... hoe nutteloos

en waardevol, 1965) kende buiten feministische kringen maar weinig respons. Met Een Man echter, was haar naam

in het Nederlandse taalgebied definitief gemaakt, zodat ook eerder gepubliceerd werk Lettera a un bambino mai

nato (Brief aan een nooit geboren kind, 1976) plotseling een commercieel succes kon worden, getuige de vijf

drukken sinds 1976.

Is Fallaci's voorbeeld een uitzondering of zijn er nog andere successtory's? Te oordelen naar de uitspraak in De

Nieuwe zou het succesvol op de Nederlandstalige markt brengen van Italiaanse literatuur een vrij recent fenomeen

zijn, waarbij o.a. de auteursnaam als commerciële impetus moet worden gezien (cf.


p.374

Vanempten). De juistheid van deze bewering is afhankelijk van wat men onder Italiaanse literatuur wil verstaan.

Wanneer dit begrip beperkend wordt gehanteerd (literatuur = moderne literatuur) en we een kijkje nemen bij die

Italiaanse auteurs die op dit ogenblik in Italië toonaangevend zijn, dan bewijst een vrij volledig sample dat er

"heden ten dage" misschien wel meer Italiaanse literatuur wordt herontdekt, maar dat de jaren '80 niet mogen

worden gezien als de periode waarin de moderne Italiaanse literatuur voor het eerst echt vaste voet aan de grond

krijgt in de Nederlanden. (zie tabel I).

Voor de oudere gecanoniseerde auteurs (de Trecentisti, Goldoni, Machiavelli, Collodi enz.) stellen we vast dat er

van sommigen met de regelmaat van een klok nieuwe vertalingen worden uitgegeven. Het meest sprekende

voorbeeld hiervan is Boccaccio: 1948, 1953, 1958, 1962, 1964, 1969, 1980, 1981, 1982, met telkens vele

herdrukken zodat er vrijwel geen jaar voorbijgaat zonder dat er een nieuwe vertaling of herdruk van zijn werk

verschijnt. Ook Collodi's Pinocchio beantwoordt aan deze tendens. Anderen, Dante of Fr. van Assisi drijven vooral

op heruitgaven van oorspronkelijke vertalingen uit de jaren '40 tot '60.

Nu is het wel zo dat er aan sommige recente vertalingen van deze klassieke auteurs nogal wat ruchtbaarheid werd

gegeven. Zo werd Frans van Dooren n.a.v. zijn Boccaccio-vertaling (1981) geïnterviewd voor het programma "Wie

schrijft die blijft" en werd de vertaling van Frans Denissen (1982) uitvoerig besproken in een nummer van het

Nieuw Vlaams Tijdschrift, (4) zodat een herontdekking, afleesbaar aan hogere verkoopcijfers, in de hand wordt

gewerkt. Toch mag men het opnieuw aanboren van oudere auteurs en het relatieve verkoopsucces van hun werk

(oplagen zijn ons niet bekend) niet verwarren met een fundamentele koerswijziging in het vertaalbeleid.

Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor de moderne Italiaanse auteurs. Ook hier stellen we vast dat er vooral aan

herontdekking wordt gedaan. Daarnaast zijn er, ook onder de modernen, die zich in een permanente aandacht voor

hun werk mogen verheugen. Dit is vooral voor Alberto Moravia het geval; hij is bij de moderne auteurs degene die

vanaf de late jaren '40 op de voet wordt gevolgd door het vertalerskorps. Hetzelfde geldt voor de populaire Don

Camillo romans van Guareschi. Voor anderen situeren de vertalingen zich soms in het verleden wat tot gevolg heeft

dat, bij gebrek aan herdrukken, deze auteurs geleidelijk uit de handel en het geheugen van het publiek verdwijnen.

Dino Buzzati - met uitzondering van Il deserto dei Tartari (De Tartaarse woestijn 1955 en 1972) - 1959, 1960,

1966, 1967 zonder herdruk. Grazia Deledda eveneens zonder herdruk sinds 1947, 1951, 1952, 1958 en 1962; idem

voor Giovanni Papini 1949 2 , 1952, 1953 en 1954 en Ignazio Silonel 1952, 1953, 1956, 1958 (1970 2 ) en ook Carlo

Levi 1950. Een erg karakteristiek voorbeeld van een auteur die vrij recent werd herontdekt, is I. Svevo, van wie in

1964 door uitgeverij Ditmar/De Branding zijn La coscienza di Zeno (Bekentenissen van Zeno) werd gepubliceerd,

terwijl men tot 1979 moest wachten op een nieuwe uitgave, nu bij het prestigieuze Athenaeum-Polak. Eenzelfde lot

onderging zijn Senilità (Een man wordt ouder) in 1967 bij Ditmar/De Branding in 1980 bij Athenaeum-Polak. Maar

ook Cesare Pavese beleefde vooral in de jaren 1950 en 1960 Nederlandse uitgaven (1956 tot 1968) en wordt nu

opnieuw voor de schijnwerpers gehaald met zijn Il mestiere di vivere (Leven als ambacht, 1980). En ook de in het

artikel van Vanempten besproken I. Calvino werd reeds in 1962 in het Nederlands vertaald met Il visconte

dimezzato (De gespleten burggraaf 1962, 1966 2 ). De bekendheid die Curzio Malaparte opnieuw geniet, gaat

eveneens te-

p.375

rug op werk dat al veel eerder in het Nederlands beschikbaar was: La pelle (De huid, 1951) en Kaputt (Kaputt,

1949). Hetzelfde geldt voor Pier Paolo Pasolini van wie al in 1960 Una vita violenta (Een fel bewogen leven)

verscheen.

Van een echte ontdekking in de moderne Italiaanse literatuur van de voorbije jaren kan o.i. slechts in enkele

gevallen sprake zijn: eerder genoemde O. Fallaci en daarnaast zeker ook L. Sciascia 1978, 1979, 1979, 1978,

hoewel ook hij al in 1968 met Il giorno della civetta (De doodmakers) op onze markt verscheen.

Naast deze oudere en meer recente gecanoniseerde literatuur is er nog een heel domein van niet-gecanoniseerde

teksten dat ons jaar in jaar uit in Nederlandse vertalingen blijft bereiken, maar waarvan de auteurs quasi-onbekend

blijven. Wanneer men wil weten hoe het vertaalbeleid t.o.v. de Italiaanse literatuur sinds WO-II is verlopen, moeten

ook deze minder goden mee behandeld worden. Onderstaande tabellen geven dan ook een meer globaal beeld van

de produktie en de spreiding per auteur.


Hieruit blijkt dat, waar de jaren veertig, vijftig en zeventig gekenmerkt werden door een vrij gelijkwaardige

aangroei van het aantal vertaalde werken, de jaren zestig en tachtig zich door een grote toename (factor 2) onderscheiden.

Het grote contrast tussen de jaren tachtig met gemiddeld 14 vertalingen per jaar en de nogal "magere"

jaren zeventig (gemiddeld 6.2/jaar) (factor 2.27!) zou voor het uitroepen van de jaren tachtig als revival van het

Italiaanse boek best een verklaring kunnen vormen. Een visie die van enig a-historicisme getuigt, daar ook de jaren

zestig beslist niet zonder betekenis waren (gemiddeld 14.4).

p.376

Deze cijfers leren ons dat 62.98 % van de auteurs (97 op 154) slechts 28.03 % van de produktie voor hun rekening

neemt, of 0.28 % per auteur. Wanneer we de groep auteurs die 5 werken of meer in vertaling hebben, optellen, dan

vinden we voor 12.3 % (19 op 154) van het totaal aantal auteurs een produktie van 45.66 % (158 werken op 346). In

deze top groep vinden we uiteraard een aantal bekende en verwachte namen: Goldoni (7), Dante (7), Fr. d'Assisi (8),

Boccaccio (12), en verder Sciascia (5), Calvino (6) Pavese (6), Papini (8), Pirandello (8) en Collodi (12), Guereschi

(15) en tenslotte de absolute topper Alberto Moravia met 18 vertaalde of hervertaalde werken. Verrassender is de

vaststelling dat er in deze topgroep niet minder dan drie vertegenwoordigers van: jeugdliteratuur werden

aangetroffen: Oda Taro (6), Rossana Guarnieri (8) en Annamaria Ferretti (11).

Uiteraard betekent de aanwezigheid in deze top groep niet noodzakelijk dat de betreffende auteur ook op dit

ogenblik nog goed in de (vertalers)markt ligt. In dit verband spraken we reeds over de verminderde interesse voor

Papini, Deledda, Buzzati en Silone. Omgekeerd is het zo dat door het kwantitatieve criterium dat op deze groep

betrekking heeft, sommige erg succesvolle hedendaagse of oudere auteurs hierin ontbreken: O. Fallaci (3) (maar

ook U. Eco, als het corpus tot 1983 zou worden uitgebreid), A. Manzoni (2), C. Malaparte (2) of N. Machiavelli (3).

Vaak ontbreken ze in de (kwantitatieve) topgroep omdat ze vaak maar door één werk internationale bekendheid

genieten: Manzoni met I Promessi Sposi (De Verloofden, 1926 met een hervertaling in 1965) of Machiavelli met Il

Principe (De heerser, in drie verschillende vertalingen). Het feit dat ze hervertaald worden is o.i. het bewijs dat ze

een constante, gestage populariteit genieten.

Wanneer we de topgroep diachronisch proberen te stratificeren, levert ons dit de volgende tabel op:


De genres

Zoals verwacht, blijkt uit onze gegevens een duidelijk overwicht van de roman en de novelle op andere tekstgenres.

Een onderzoek naar het literaire vertaalbeleid per genre brengt aan het licht dat het "hoe" en "waarom" van de

vertalingen al naar het genre verschillen.

Indien we het corpus volgens de traditionele taxonomie opdelen in Roman + Novelle, Poëzie en Toneel, geeft dit de

volgende distributie:

R + N: 289 titels (waarvan 54 jeugdlit.) = 83.5 %

Poëzie: 38 titels = 10.9 %

Toneel: 19 titels = 5.4 %

p.377

Roman en novelle

Het is opvallend hoe weinig risico de uitgevers nemen en bij voorkeur werken laten vertalen die al in andere, grote

taalgebieden werden vertaald en daar erg rendabel bleken te zijn. De aanwezigheid van zulke vertalingen, die het

werk een internationale weerklank geven, kan als verklaring worden aangedragen voor het bestaan van

Nederlandstalige vertalingen zoals: Serena (1963) van Giovanni Arpino, vertaald in 7 talen, De ondergang van Dr.

Fadigati (1961) (Gli occhiali d'oro) van Giorgio Bassani, vertaald in het Engels, Duits, Frans en Spaans, en ook

Kronieken van arme gelieven (1958) (Cronache di poveri amanti) of Een wijk in Florence (1958) (Il quartiere) van

Vasco Pratolini. Toch werden deze vertalingen nooit herdrukt of de betreffende werken opnieuw vertaald, wat wel

het geval is voor de gecanoniseerde literatuur van de Trecentisti.

Of en in hoeverre literaire prijzen, in Italië aan het werk toegekend, een rol spelen bij het opnemen in het

vertaalfonds kan niet met zekerheid worden afgeleid uit ons materiaal. Buzzati die in 1958 de Premio Strega kreeg

voor Sessanta racconti, werd gedeeltelijk vertaald met Het huis met de zeven verdiepingen (1960) (I sette

messaggeri) en Angst in de Scala (1959) (Paura alla Scala) Carlo Cassola, kreeg de Premio Strega 1960 voor La

ragazza di Bube, in 1962 vertaald als Mara. G. Tomasi di Lampedusa, ontving de Premio Strega 1959 voor Il

gattopardo, datzelfde jaar nog vertaald als De tijgerkat. Van andere auteurs vertaalde men wel enkele werken maar

niet altijd het bekroonde. Van N. Ginzburg vertaalde men wel Le voci della sera (De stemmen van de avond, 1965)

en E' stato cosi (Zo is het gebeurd, 1969) maar niet het bekroonde Lessico famigliare (premio Strega 1963). Het is

ook opvallend dat iemand als Tomizza die vijfmaal met een prijs werd bekroond, nooit werd vertaald. Het lijkt ons

dat de populariteit (i.e. de verkoopcijfers) van een auteur in Italië


Frans Denissen (1947), vertaler.

belangrijker is dan de prijs die hij eventueel voor zijn werk behaalt. Mogelijk omdat de Italiaanse literaire prijzen

onvoldoende bekend zijn in ons land om ze als verkoops- resp. vertaalargument te gebruiken, zoals dat wel met de

Franse gebeurt. De Nobelprijs is echter weer wel in staat de auteur vertaald aan te bieden. In 1973 (eerste uitgave

1960) verscheen er nog een vertaling van Deledda (Nobelprijs 1926) en ook Pirandello (Nobelprijs 1934) wordt nog

steeds herdrukt en opnieuw vertaald.

Indien het werk een succes is n.a.v. een film of televisiereeks, volgen er meestal geen herdrukken na de vertaling.

Bassani, Il giardino dei Finzi-Contini, film van De Sica 1970, vertaald in 1971 Het groene paradijs van de

jeugdliefdes, de tuin van de Finzi-Contini; Cerami's Un borghese piccolo piccolo, verfilmd door Monicelli in 1977,

vertaald als Een klein burgermannetje in 1978; La donna della domenica van C. Fruttero & F. Lucentini, verfilmd

door Comencini in 1975, datzelfde jaar vertaald, De zondagsvrouw. De Don Camillo-reeks vormt hierop wel een

uitzondering door haar blijvende populariteit en haar regelmatig opnieuw opduiken via heruitzendingen op televisie.

Soms is het uitbrengen van een film, gebaseerd op een literair werk de aanleiding om ook ander werk van dezelfde

auteur te verta-

p.378

len: Gavino Ledda's, Padre Padrone: l'educazione di un pastore verfilmd door de gebroeders Taviani in 1976/1977,

vertaald in 1978 Padre Padrone: de opvoeding van een herderszoon, maar ook zijn Lingua di falce als De taal van

de sikkel. De ontwikkeling van een herderszoon in 1980, met een duidelijke verwijzing naar het eerste werk. Het feit

dat sommige auteurs na een periode van succes niet langer herdrukt of opnieuw vertaald worden, heeft soms te

maken met het tijdsgebonden karakter van de tekst; dit geldt ook voor sommige recente publikaties: Sciascia,

L'Affare Moro (1978) datzelfde jaar vertaald De zaak Aldo Moro, in 1982 al in ramsj-verkoop bij De Slegte.

Auteurs die eerst in Italië herontdekt worden via heruitgave of verfilming en die dan worden (her)vertaald zijn:

Svevo, met Senilità, vertaald in 1967, 1980 2 en La conscienza di Zeno vertaald 1965, 1981 2 ; Malaparte, La pelle,

vertaald in 1951 De Huid, verfilmd in 1981, in 1982 al een vijfde druk; Tomasi di Lampedusa, Il gattopardo,

vertaald in 1959, verfilmd door Visconti in 1963, in 1974 al een zevende druk. Soms kan het feit dat een werk in

Italië maandenlang het best verkochte boek was, op zichzelf al een garantie zijn voor het verkoopsucces als

vertaling: I. Calvino's Se una notte d'inverno un viaggiatore (Als op een winternacht een reiziger, 1982). Als het

boek bovendien nog vertaald werd in verscheidene andere talen en de auteur internationale faam geniet op een

ander dan zuiver literair vlak (b.v. journalistiek of academisch), is het succes verzekerd: van O. Fallaci, Een Man,

vertaald in 1980 en al een vijfde herdruk in 1981, werden in Italië in korte tijd 800.000 exemplaren verkocht.

(Umberto Eco zal in 1983/1984 met De naam van de roos, eenzelfde record halen).

Voor het Nederlandstalige verkoopsucces van Fallaci moet gewezen worden op haar reeks interviews in het

weekblad Humo en het gelijktijdig verschijnen van fragmenten uit haar boek in datzelfde weekblad ter gelegenheid

van het uitbrengen ervan. Daarnaast is er een grote groep vertaalde werken die tot het zgn. Trivialliteraire domein

behoren en waarbij het genre (doktersroman, liefdes- of erotische roman, detectiveverhaal enz.) duidelijk

dominanter is dan de auteur en waarbij door de uitgever blijkbaar de hele buitenlandse markt wordt afgeschuimd


om een bepaald subgenre regelmatig te voorzien van nieuwe teksten: Attoli, Scerbanenco, Majocchi, Mazzuchelli,

Barbieri, Ghiotti enz.

Een apart domein vormt de jeugdliteratuur. De belangstelling voor jeugdliteratuur is, in heel Europa, vrij recent (5)

en waarschijnlijk daarom werd er vooral de laatste jaren veel vertaald. Chronologisch blijkt Italië vooral sinds de

late jaren zestig als leverancier van jeugdliteratuur te fungeren, waarbij sommige auteurs hele reeksen van hun werk

in Nederlandse vertaling zagen verschijnen (cf. supra). Vertalingen van jeugdliteratuur brengen voor de uitgever

weinig extra kosten met zich mee. De illustraties komen meestal uit Japan of Spanje en de enkele regels tekst

vragen geen gespecialiseerde vertaler. We vinden trouwens totaal andere vertalers dan voor de andere genres.

Opvallend is misschien dat de Nederlandstalige jeugdliteratuur in Italië net zo goed vertegenwoordigd is als de

Italiaanse bij ons. (6)

Poëzie en toneel

Er worden relatief weirug afzonderlijke dichtbundels vertaald. Het geldt hier hoofdzakelijk vertalingen van

"klassiekers": Dante, Petrarca, Leopardi. Zelfs de Nobelprijswinnaars Carducci (1907) Quasimodo (1959) en

Montale (1975) werden wat vertalingen betreft stiefmoederlijk bedeeld. De motivering tot vertalen lijkt ons hier

soms meer van persoonlijke dan van commerciële aard. Zo gebeurt het dat de ene dichter de andere vertaalt: Albe

vertaalt Dante; Ernst van Altena,

p.379

Aretino. Ook trachten niet-commerciële verenigingen de verspreiding van poëzie te bevorderen. (7) Een interessant

initiatief was de vertaling van Luzi, De onmetelijkheid van het ogenblik in 1982 (L'immensità dell'attimo). Vele

groten zoals Saba of Ungaretti ontbreken echter nog.

Het toneel is relatief ondervertegenwoordigd in ons corpus. Buiten de klassieken zoals Goldoni of Pirandello,

werden er weinig vertalingen van dramatische teksten uitgegeven. Vele vertalingen van toneelwerk zijn

werkvertalingen die slechts zeer sporadisch het theatercircuit verlaten: D. Fo's, Mistero Buffo (uitgegeven in

samenwerking met De Nieuwe Scene) en werk van Dacia Maraini in de Toneelserie Brialmont-theater en via de

International Theatre Bookshop in Amsterdam. Gedeeltelijk heeft deze ondervertegenwoordiging zeker te maken

met de eigenheid van de tekstsoort die hem minder aantrekkelijk maakt als leestekst, tenzij het "klassieken" betreft

die vaak aan de universiteiten als verplichte lectuur gelden en waarbij de archivarisch-dramatische waarde

prevaleert op de potentiële speeltekst.

De vertalers

"La chose la plus frappante, c'est que nos traductions sont doublement importées, dans la mesure où elles sont faites

par des traducteurs étrangers, et importées par des éditeurs étrangers". (8) Ons onderzoek bevestigt deze uitspraak

ten volle: in de meeste gevallen vinden we Nederlandse vertalers en uitgeverijen. Dit is een fenomeen dat we hier

slechts even noemen maar dat o.i. een signaalfunctie vervult voor een systematisch gegeven dat dan ook op dat

niveau onderzocht moet worden.

Verder blijkt dat het vertalen van literaire teksten nog steeds in belangrijke mate door vrouwen wordt verricht.

Alleen binnen de zgn. gecanoniseerde teksten blijkt een opvallende aanwezigheid van vertalers. Zonder hieraan al te

stringente sociologische conclusies vast te


Handschrift van F. Denissen: fragment van de vertaling van C. Pavese "Lavorare stanca".

knopen, lijkt het ons niet helemaal uitgesloten dat met name t.o.v. de minder prestigieuze teksten vertalen nog al te

vaak wordt gezien als een elegante vorm van "thuiswerk", niet als een volwaardige beroepsactiviteit.

Als er binnen de vertalerspopulatie sprake is van een dichotomie, dan is het deze van "hoog" t.o.v. "laag"; vertalers

van gecanoniseerde auteurs (Edelübersetzer, zo men wil) vinden we zelden terug bij "Trivialliteratur" en vice versa.

Binnen deze topgroep die, door de enorme uitbreiding van de Italianistiek aan de Nederlandse universiteiten, steeds

aangroeit, is er nauwelijks sprake van een duidelijke taakverdeling, noch naar de genres, noch naar de vertaalde

auteur; over het algemeen vertaalt iedereen alle genres en alle auteurs. Soms gebeurt het toch dat een bepaalde

vertaler verscheidene werken van een auteur heeft vertaald: Jenny Tuin - Sciascia, J.F.A. Allen - Silone of Frans

van Oldenburg Ermke - Guareschi. Over de juiste mechanismen die aan deze taakverdeling ten grondslag liggen,

een produktie-interne aangelegenheid tussen ver-

p.380

taler en uitgever, is onvoldoende bekend om tot sluitende conclusies te komen.

Hetzelfde kan trouwens worden gezegd van dit onderzoek. Beperkt naar opzet, was het nooit onze bedoeling een

volledig uitgewerkt beeld te geven van het Italiaanse boek in Nederlandse vertaling, meer een schematiserende

profielschets. Vele facetten wachten hierbij nog op inkleuring en uitwerking. Bovendien moet een soortgelijk

onderzoek in andere taalgebieden worden gedaan om uiteindelijk tot een volledige reconstructie van het

"importbeleid" in de Nederlanden te komen. Hoopgevend hierbij is de vaststelling dat er naast de nodige interesse

en inzet voor dit onderzoek, ook het hoognodige theoretische en methodologische begrippenapparaat langzaam

maar zeker ter beschikking komt. De af te leggen weg mag dan nog lang zijn, voor het eerst sinds lang is er een

weg.

Noten:

(1) JEAN VANEMPTEN, De lezer en het proza van Eco en Calvino, in De Nieuwe, 23 februari 1984.

(2) Dit artikel is de herwerkte versie van ons referaat gehouden op het AIPI-congres (15-17 september 1983) te

Paris-X Nanterre. In de oorspronkelijke tekst die is opgenomen in Civiltà Italiana (1983, nr. 1-2, pp. 100-131),

vindt de lezer de volledige bibliografie van het onderzochte corpus evenals nadere bibliografische informatie m.b.t.

het onderzoek.

(3) Zie hierover ook: LIEVEN D'HULST, Les variantes textuelles des traductions littéraires, in Poetics Today, vol.


2, nr. 4 (1982), pp. 133-141.

(4) RAYMOND VAN DEN BROECK, Boccaccio in het Nederlands: de Decamerone opnieuw vertaald, in Nieuw

Vlaams Tijdschrift, 1983, nr. 1, pp. 44-63.

(5) Tot de jaren zeventig ontbrak de belangstelling van de literaire geschiedschrijving voor het kinder- en jeugdboek

nagenoeg volledig. Vooral sedert 1979 - het Jaar van het Kind - staat het jeugdboek in de aandacht. ERIK

RIJCKAERTS, Vlaamse jeugdliteratuur. Tentoonstellingscatalogus. Brussel/Antwerpen, 1979. RlTA

GHESQUIERE, Het verschijnsel jeugdliteratuur, Leuven, 1982; idem, Receptie-onderzoek van jeugd- en

kinderliteratuur, in R. T. SEGERS (ed.), Leven en laten leven, 's-Gravenhage, 1981, pp. 68-87. OTTEVAERE-

VAN PRAAG G., La littérature pour la jeunesse en Europe occidentale (1750-1925). Proefschrift Leiden, 1978.

Een bibliografie van de Vlaamse kinder- en jeugdliteratuur uit de 19de eeuw, De Engel-Bestierder, door S. LOOTS

& M. DOSSCHE verscheen in 1983 te Antwerpen. Een dergelijke bibliografie voor de 20ste eeuw is ter perse.

(6) M. WEIJTENS, Het Nederlandse boek in Italiaanse vertaling, in Ons Erfdeel (1983), p. 406.

(7) Een voorbeeld hiervan is de "Europese Vereniging ter Bevordering van de Poëzie" die te Leuven onder leiding

staat van Eugène van Itterbeek.

(8) Prof. dr. J. Lambert in een werkverslag van de Belgische Vereniging voor Algemene en Vergelijkende

Literatuurstudie, Brussel 26 november 1983 (U.L.B.)

More magazines by this user
Similar magazines