De Journalist

webstore.iisg.nl

De Journalist

3de Jaargang No. 10

Verschijnt maandelijks

Mei 1949

De Journalist

Redactie: J. J. F. v. d. Bergh

Mr. E. Elias - Yge Foppema

ORGAAN VAN DE NEDERLANDSE JOURNALISTENKRING

Algemeen verbindende tuchtrechtspraak

Onmisbaar voor de journalistiek

Door Mr. M. Rooy

ET is een goed-journalistieke eis,

H dat degene, die een juist, eerlflk en

verantwoord oordeel over een bepaald

onderwerp wil vormen, zich ten volle

rekenschap geeft van de desbetreffende

materie. Geldt deze eis reeds

in het algemeen, hij is in nog sterkere

mate toepasselijk indien de uitoefening

van het journalistieke

beroep zelf in het geding is. Zulks

vast te stellen is zeker niet overbodig,

nu de geesten nogal in beroering

blijken te zijn geraakt door het

bij de Tweede Kamer aanhangige

wetsontwerp op de journalistieke

verantwoordelijkheid; het is mij de

laatste weken meermalen overkomen,

dat een collega lucht gaf aan zijn

blijkbaar onwrikbare bezwaren tegen

het ontwerp, zonder dat hij daaromtrent

meer kennis bleek te bezitten

dan kon worden vergaard uit het

uittreksel, hetwelk de meeste dagbladen

slechts van de Memorie van

Toelichting hebben gegeven, een uittreksel,

dat van de essentiële punten

van de regeling een niet meer dan

onvoldoende beeld kon geven. Bezinning

op dit ongetwijfeld belangrijke

voorstel moet daarom beginnen met

een bestudering van de tekst van het

ontwerp en de daarbij gegeven toelichting.

Daarbij kan het echter niet

blijven; ook kennisneming van de

achtergronden van het ontwerp —

welke journalist voelt zich niet op

glad ijs, indien hij niet tevens over

„background information" beschikt?

-— is noodzakelijk. Vandaar dat collega

Hanekroot en ik, die aan de

wieg van het voorstel hebben gestaan,

ons geroepen en verplicht

achten de voor de vorming van een

oordeel vereiste gegevens te verschaffen

en deze te rangschikken, —

zulks mede ter voorbereiding van

het congres, dat op 7 Mei a.s. te

Utrecht, onder auspiciën van de Federatie

van Nederlandse Journalisten,

over het ontwerp zal worden gehouden.

Ter opruiming van een klaarblijkelijk

bestaand misverstand stel ik

voorop, dat collega Hanekroot en ik,

weliswaar in onze hoedanigheid van

voorzitter resp. van de K.N.J.K. en

de N.J.K., doch op onze persoonlijke

verantwoordelijkheid werden uitgenodigd,

in de Commissie-Pompe zitting

te nemen en op deze voet de

uitnodiging ook hebben aanvaard.

En wij staan voor onze werkzaamheid

in de Commissie dan ook als

voor een persoonlijke daad, zodat de

organisaties daardoor in het minst

niet gebonden zijn. Wij zijn ons van

deze situatie van de aanvang af

volkomen bewust geweest, zulks te

meer omdat, gegeven de aard van

de arbeid van de commissie, tijdens

haar werkzaamheid (welke om

resultaat te kunnen dragen een openhartig

doch vertrouwelijk karakter

droeg), raadpleging van onze leden

uitgesloten was te achten. Maar wij

beiden konden ons bij voorbaat van

één ding verzekerd weten, n.1. van

de principiële bereidheid van onze

organisaties om een algemeen-verbindende

tuchtrechtspraak te aanvaarden.

Is een disciplinair toezicht

immers niet een wezenlijk bestanddeel

van onze statuten en heeft de

instelling van de Raad van Tucht niet

de algemene instemming verworven?

En heeft niet evenzeer ons streven

om, langs de weg van het verplichte

lidmaatschap in de C.A.O. voor dag-

Correspondentie voor redactie en

administratie a.u.b. richten

p/a Bureau der

FED. v. NED. JOURNALISTEN

gebouw Persmuseum

Nieuwezijdskolk 28

Amsterdam-C.

Telefoon 46910 — Giro 418318

(t. n. van de Fed. v. Ned. Journ.)

bladjournalisten, deze tuchtrechtspraak

althans voor deze categorie

vakgenoten een in feite algemeenverbindend

karakter te geven —

met als ernstige consequentie, dat

uitstoting uit de organisatie tevens i

de verbanning uit de dagbladjourna- •

listiek zou betekenen! — de steun

van onze ledenvergaderingen gekregen?

Wie thans meer het sentiment

en minder het verstand wil laten

spreken, moge dan ook bedenken,

dat de strekking van het organisatorische

beleid van de laatste jaren

in wezen gelijk was aan wat thans

van de wetgever wordt gevraagd.

Wettelijke status voor de

journalist

ANNEER ik het thans tot mijn

W verdere taak reken, een beredeneerd

overzicht van de inhoud van

het ontwerp te geven, dan breng ik in

herinnering, dat, sinds het begin van

het organisatorische optreden van de

journalisten, zij er naar hebben gestreefd,

ideëel en sociaal de erkenning

te vinden, waarop zij, gezien

de betekenis van hun beroep in de

maatschappij, aanspraak meenden te

kunnen maken, — een erkenning

welke zij wensten te „verdienen"

door verhoging van het verantwoordelijkheidsbesef

en de vakbekwaamheid,

alsmede door verheffing van

hun sociale positie.

Zij zijn er zich bij hun streven

steeds bewust van gebleven, dat in

de journalistieke hof vogels van

diverse pluimage rondfladderden en

dat een groot gedeelte van de inhoud

der dagbladen, nieuwsbladen en tijdschriften,

hoewel meestal geredigeerd

door journalisten van professie, afkomstig

is van schrijvers, die niet

de journalistiek als hoofdberoep beoefenen.

Doch de opneming van

„kopij" van deze kant geschiedt in

het algemeen slechts, nadat zij getoetst

is door een beroepsjournalist,

die voor deze opneming de verantwoordelijkheid

wenst te aanvaarden.

Zo is en blijft de positie, welke de

journalist in de pers inneemt, centraal

en uit deze positie heeft zich

1


dan ook een afzonderlijke journalistieke

stand gevormd, waarbinnen een

standsmoraal geldt. Voor het peil

van de pers is het gedrag van de

beroepsjournalisten beslissend. Deze

ontwikkeling^ heef t zich na de jongste

oorlog duidelijk geopenbaard in

de opzet van de journalistenorganisaties,

welke als leden niet meer

publicisten, die de journalistiek niet

als hoofdgroep uitoefenen, aannemen,

en voorts door een interne tuchtregeling

de handhaving van de

standsmoraal nastreven.

Wanneer derhalve in het aanhangige

wetsontwerp de journalistieke

stand uitdrukkelijk wordt genoemd,

dan beoogt de wetgever aüerminst

deze uit het niet te scheppen, doch

wil hij een wettelijk sluitstuk leveren

op een vrije maatschappelijke ontwikkeling.

Dit sluitstuk is onmisbaar,

omdat de journalistenorganisaties

als vrije verenigingen, dus

zonder verplicht lidmaatschap, juist

niet bij machte zijn de positie van

de journalistieke stand af te ronden

en misstanden, vooral aan de zelfkant

van het vak, te bestrijden. Het

komt herhaaldelijk voor, dat buitenstaanders

zich bij onze besturen beklagen

over bepaalde journalistieke

uitingen, doch ten antwoord moeten

krijgen, dat deze afkomstig zijn van

niet-leden en dat deze journalisten

buiten de rechtsmaat van de verenigingen

vallen. Onze eigen tuchtrechtspraak

is derhalve niet voldoende

effectief om het aanzien en de waardigheid

van de journalistiek naar

buiten te beschermen, zodat een wettelijke

voorziening geboden is.

Met het oog hierop is een duidelijke

begrenzing van de stand der

journalisten noodzakelijk.

Het ontwerp geeft hiertoe allereerst

een definitie van de begrippen

„journalistieke arbeid" en „journalist".

Journalistieke arbeid is: het medewerken

aan de redactionele inlwud

van een in Nederland verschijnend

dagblad, nieuwsblad of tijdschrift,

dan wel aan de samenstelling van

nieuwstijdingen, verslagen of artikelen,

die door een persbureau (voorzover

dit zijn bedrijf in Nederland

uitoefent) worden verspreid (artikel

1, sub a-e). Journalistiejke arbeid,

verricht ten behoeve van buiten

Nederland verschijnende persorganen

wordt door de wet niet bestreken,

zodat de hier te lande gevestigde

correspondenten van buitenlandse

bladen, die zich tot deze arbeid bepalen,

'buiten de regeling vallen; de

bier te lande werkzame buitenlandse

persbureaux, die immers ook aan

Nederlandse bladen nieuws leveren,

zijn daarentegen terecht binnen de

sfeer van het ontwerp getrokken,

voorzover hun Nederlands bedrijf

betreft. Over dit punt hieronder intussen

nog nader.

Journalisten zijn (volgens art. 1

sub f): lo. degenen, wier hoofdberoep

het verrichten van journalistieke

arbeid is; 2o. degenen, die in

een dagblad als hoofdredacteur vermeld

zijn. Ten aanzien van de laatstgenoemde

categorie merkt de Me-

2

morie van Toelichting terecht op, dat

degenen, wier hoofdberoep buiten de

pers ligt doch die als hoofdartikelenschrijver

optreden, „een dusdanige

invloed op de vorming van de openbare

mening hebben, üat zij, wat hun

tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid

betreft, met journalisten van hoofdberoep

gelijk moeten worden gesteld."

Dit geldt evenzeer ten aanzien

van de directeuren-hoofdredacteuren.

Voor beide groepen ligt hun

bijzondere positie tegenover andere

publicisten, die als vaste medewerkers

van een dagblad optreden, hierin,

dat over de opneming van hun

kopjj niet door een journalist van

professie wordt beslist, zodat zij uit

dezen hoofde met de journalist van

hoofdberoep gelijk gesteld moeten

worden, immers een gelijke verantwoordelijkheid

dragen.

De bovenvermelde begripsomschrijvingen

beantwoorden in haar algemene

strekking aan onze statutaire

definities; er zijn evenwel twee verschilpunten.

In onze statuten zijn de

z.g. foto-journalisten van het lidmaatschap

uitgesloten, omdat vooral

de free lancers onder hen in de

practh'k tevens als ondernemer optreden

en deze vermenging van journalistieke

en economische activiteit

afbreuk doet aan de journalistieke

onafhankelijkheid van de betrokkenen.

De fotopersbureaux zijn blijkens

de definitie van „persbureau" in elk

geval van de gelding van de wet

uitgesloten (er is ten aanzien van

de persbureaux immers slechts sprake

van „nieuwstijdingen, verslagen of

artikelen" en niet van illustraties);

de foto's zijn echter zeker te rekenen

tot de „redactionele inhoud" van

persorganen, zodat m.i. degenen, die

foto's ten behoeve van persorganen

vervaardigen, voorzover ik het zien

kan, geacht moeten worden „journalistieke

arbeid" te verrichten, immers

medewerken aan de redactionele

inhoud van bladen. Anderen

mogen dit echter een twijfelpunt achten,

doch dan moet het nader uit de

weg worden geruimd en wel m.i. in

de zin van onze statuten. Vooral nu

de titel „journalist" bescherming zal

krijgen, moet er tegen worden gewaakt,

dat deze titel niet wordt toegekend

aan een groep, die — hoe

honorabel op Zichzelf ook •— aan het

voortdurende gevaar van de genoemde

vermenging van journalistieke en

economische activiteit blootstaan.

De tweede afwijking van de statutaire

begripsomschrijving betreft

de radio-journalisten, die welkome

leden in onze organisaties zijn, doch

die door de wet niet onder de „journalisten"

worden begrepen. Dit zal

onder de betrokkenen, die zich ten

volle journalist gevoelen en dit in

wezen ook zijn, teleurstelling wekken.

Zij mogen echter bedenken, dat,

nu het nog onzeker is op welke wijze

het radiobestel in het algemeen en

de verantwoordelijkheden van radiofunctionarissen

in het bijzonder geregeld

zullen worden, niet een groep

van hen aan de regel van de journalistiek

kon worden onderworpen. Ik

acht net echter de plicht van onze

organisaties ten deze diligent te zijn

en, zodra het ontwerp-Radiowet

wordt ingediend, voor de belangen

van deze leden op te komen en binnen

het kader van zulk een wet naar

een rechtspositie te streven) welke

aan het feit, dat zij in wezen journalistieke

arbeid verrichten, zomede aan

hun plaats in het radiobestel recht

doet wedervaren. Overwogen kan

worden om ook thans reeds, nu het

onderhavige ontwerp aanhangig is,

op de positie van de radio-journalisten

de aandacht van Regering en

Volksvertegenwoordiging te vestigen.

Een journalistenregister

OLGENS het ontwerp zal een

V register van journalisten worden

gehouden door het tevens in te stellen

persgerecht (waarover hieronder

nader). Ten einde twijfel uit te sluiten

over de vraag, of iemand journalist

is en ook gerechtigd is, zich

zo te noemen en zich als zodanig te

gedragen, is deze registratie noodzakelijk.

Zij is volstrekt niets bijzonders,

want de advocaten kennen haar

al meer dan 100 jaar en voor de

accountants en de architecten is zulk

een registratie eveneens voorgesteld.

Het is pure demagogie, in dit verband

naar het Duitse Journalistenbesluit

1941 te verwijzen. Dit besluit

immers had de strekking, de Nederlandse

journalistiek aan de macht

van de bezetter te onderwerpen;

vandaar dan ook dat de inschrijving

of de schrapping uit het toenmalige

register in handen van de uitvoerende

macht was gelegd.

Elke bedoeling om de journalistiek

aan de staatsraison ondergeschikt

te maken, is aan het aanhangige

ontwerp echter vreemd. Slechts

omdat de journalisten aan een tuchtrecht

worden onderworpen, waarbij

de „eer van de stand" tevens als

norm geldt (vgl. art. 35, eerste lid)

is het noodzakelijk de groep der

justitiabelen duidelijk te onderscheiden.

Wie het etiquet „Duits" op het

ontwerp wil plakken) ontbreekt het

overigens blijkbaar aan steekhoudende

argumenten!

Dit alles klemt des te meer, aangezien

het register wordt bijgehouden

door het van de uitvoerende

macht onafhankelijke persgerecht,

met mogelijkheid van beroep op de

al evenzeer onafhankelijke perskamer

van het Amsterdamse Gerechtshof.

Inschrijving in het register

OOR de inschrijving in het pers-

V register wordt als positieve eis

gesteld, dat men is journalist in de

zin van de wet (en zulks ook uiteraard

aantoont). Het persgerecht kan

de inschrijving alleen weigeren, indien

aan genoemd positief vereiste

niet is voldaan, „dan wel indien er

gegronde vrees bestaat, dat zij de

eer van de stand der journalisten

zal schaden." (art 27). Tegen de

vaagheid van deze laatste formulering

zijn reeds bezwaren opgeworpen,

o.a. door op al te goedkope manier


Wetsontwerp

Journalistieke Verantwoordelijkheid

Aan de leden van de N.J.K. en van de K.N.J.K. is een uitnodiging

gezonden voor een door de Federatie belegd congres ter bespreking

van het Wetsontwerp op de journalistieke verantwoordelijkheid.

Dit congres zal worden gehouden op Zaterdag 7 Mei a.s. om 13 uur

ir» de Dietsche Taveerne, Oudkerkhof 31, Utrecht.

De aandacht zij gevestigd op de artikelen van Coll. Mr. M. Rooy en

L. S. J. Hanekroot in dit nummer, welke als prae-adviezen voor dit

congres kunnen worden beschouwd.

De besturen verwachten, dat de leden in groten getale aanwezig

zullen zijn ter behandeling van dit belangrijke onderwerp.

bepaalde lachwekkende casusposities,

waarin het gevaar van weigering van

een inschrijving zou dreigen, aan te

voeren. Laat ik beginnen met vast

te stellen, dat een dergelijke norm

om onwaardigen (men denke aan de

zuiveringsperikelen!) te weren, niet

kan worden gemist. Wij kennen haar

ook in onze eigen statuten en ieder

heeft haar geaccepteerd. Binnenkort

zullen enkele zaken, waarin de statutaire

norm toegepast zou kunnen

worden ter fine van advies bij onze

Raad van Tucht in behandeling

komen. Wanneer wij deze zaken, ook

al betreffen zij alleen het lidmaatschap

van onze organisaties, niet

ernstig zouden nemen, zouden wij

onszelf met ons gehele streven om

langs organisatorische weg tot verheffing

van het vak te geraken, een

testimonium paupertatis uitreiken.

Maar als wij ons organisatorische

optreden zo serieus nemen, als dit

verdient, mogen wij ons er dan bij

neerleggen, dat buiten onze verenigingen

Gods water over Gods akker

loopt? Immers neen! De journalistieke

stand heeft er als groep belang

bij, dat onwaardige individuen uit

zijn rijen worden geweerd.

Bij de advocaten heeft de bewuste

norm gedurende meer dan 100 jaar

zo bevredigend gewerkt, dat zij in

het ontwerp-Advocatenwet is overgegaan.

Juist bij een toetsing van

de voorkomende gevallen in twee

onafhankelijke instanties behoeft voor

willekeur niet gevreesd te worden.

Geleidelijk aan zal de „eer van de

stand" in een jurisprudentie worden

geconcretiseerd, zoals ook bij de

advocaten is geschied. En men mag

aannemen, dat de tevens uit deskundigen

bestaande gerechten zich zullen

richten naar wat in elk geval

als communis opinio omtrent journalistieke

waardigheid geldt en overigens

het „in dubiïs pro reo" zullen

laten gelden.

Daarenboven dient bedacht, dat

ook de representatieve journalistenorganisaties

een rol ten deze is toegedacht.

Zij krijgen van elk verzoek

tot inschrijving mededeling en kunnen

dan bezwaren daartegen indienen

(art. 26). Het optreden van de

organisaties kan een factor worden

bg de vorming van de jurisprudentie,

o.a. door het aanhangig maken van

z.g. test-cases.

Eisen van vakbekwaamheid worden

voor de inschrijving in het register

niet gesteld. De regering vraagt

zich zelfs af, of dit in de toekomst

wel mogelijk zal blijken. Hoe dit ook

zij, voor het ogenblik bevindt de journalistieke

opleiding zich nog te zeer

in het stadium van voorbereiding of

van eerste experiment, dan dat wij

thans reeds op het stellen van dergelijke

eisen zouden mogen aandringen.

Het punt blijft ook voor de toekomst

voor ons aan de orde.

Een rechtstreekse verplichting tot

aangifte bij het register wordt door

de wet niet gevestigd. Een indirecte

plicht ligt echter opgesloten in artikel

33, dat ieder Nederlands onderdaan

het recht ontzegt zich journalist

te noemen, dan wel de journalistiek

bij wijze van hoofdberoep uit

te oefenen, indien hij niet is ingeschreven,

althans voor de eerste maal

het verzoek daartoe heeft gedaan en

daarop nog niet bij onherroepelijk

geworden uitspraak is beslist. Een

tweede sanctie op het achterwege

blijven van inschrijving is neergelegd

in art. 34, dat een uitgever (of directeur

van een persbureau) verbiedt,

daartoe onbevoegden journalistieke

arbeid als hoofdberoep te laten verrichten.

Ten aanzien van deze sancties valt

tweeërlei op te merken: ten eerste

dat het verbod, zich journalist te

noemen dan wel zich als zodanig te

gedragen, niet geldt voor vreemdelingen,

ongeacht of zij hier te lande

voor buitenlandse dan wel voor Nederlandse

bladen werken, zodat zij

zich journalist kunnen noemen zonder

ingeschreven te zijn: voorzover

zij ten behoeve van Nederlandse

bladen arbeiden, zijn vreemdelingen

echter wel journalist in de zin van

de wet en derhalve aan de tuchtrechtspraak

onderworpen, zodat zij

bij schorsing of ontzetting tot de

,,onbevoegden" gaan behoren, die een

uitgever niet als journalist in dienst

mag nemen of houden;

ten tweede dat de Nederlandse

onderdaan, die bij wijze van hoofdberoep

uitsluitend correspondent van

een buitenlands blad is, geen „jour­

nalistieke arbeid" in de zin van de

wet verricht en dus ook geen journalist

in de zin van de wet is, zodat

hij niet in het persregister kan worden

ingeschreven, zich ook geen

„journalist" mag noemen en ook niet

aan de tuchtrechtspraak is onderworpen.

Beide punten schijnen wat vreemd,

doch bij nadere overweging blijkt een

en ander een logisch voortvloeisel te

zijn van de opzet van de wet, die de

journalistieke activiteit hier te lande

uitsluitend ten behoeve van de buitenlandse

pers niet wil bestrijken en

alleen zodanige arbeid ten behoeve

van de Nederlandse pers aan een

tuchtrechtspraak wil onderwerpen.

Om dit laatste scherper te laten uitkomen

ware het wenselijk aan de

definitie van „persbureau" (art. 1

sub d; zie hierboven) toe te voegen:

„aan in Nederland verschijnende

dagbladen, nieuwsbladen of tijdschriften";

de voorlichting van de

buitenlandse persbureaux naar het

buitenland zou dan ontwijfelbaar aan

de gelding van de wet zijn onttrokken.

Het persgerecht

OOR de toepassing van de wet

V zijn de aard en de samenstelling

van de rechterlijke instanties, die

het persregister onder haar hoede

zullen nemen en de tuchtrechtspraak

zullen uitoefenen, van beslissende

betekenis.

Volgens hoofdstuk II wordt ingesteld

een persgerecht, dat te Amsterdam

is gevestigd. Het bestaat uit

een voorzitter en een aantal ondervoorzitters,

die jurist moeten zijn

en geen functie in de pers mogen

bekleden, alsmede uit ten minste acht

en ten hoogste zestien leden, die voor

de ene helft journalist of verantwoordelijk

redacteur van een nieuwsblad,

tijdschrift of van een persbureau

moeten zijn, en voor de andere

helft uitgever van een persorgaan

of directeur van een persbureau; deze

leden moeten ten minste vijf jaar een

functie in de pers hebben bekleed.

Allen worden door de Kroon voor

hei leven (d.w.z., als alle rechters

tot hun zeventigste jaar) benoemd;

zij kunnen tussentijds alleen door de

Hoge Raad op in de wet genoemde

gronden worden ontslagen of geschorst.

De voorzitter en ondervoorzitters

en de leden worden ter benoeming

voorgedragen door de ministers

van O.K. en W. en Justitie;

wat de leden betreft, kunnen representatieve

organisaties van journalisten,

resp. van uitgevers, een

aanbeveling indienen. Ook onze verenigingen,

die zeker als representatief

zullen worden erkend, zullen dus op

de samenstelling van het persgerecht

een zekere invloed kunnen uitoefenen

(artti 5 tot en met 11).

Eenzelfde regeling bevat het ontwerp

ten aanzien van de in te stellen

beroepsinstantie, t.w. de perskamer

van het gerechtshof te Amsterdam,

welke kamer zal bestaan uit een

normale kamer van het hof (van drie

raadsleden), aangevuld met een

3


journalistiek" en een uitgever-lid

(Hoofdstuk V; artt. 49 en 52).

Het persgerecht zal zitten in

kamers van vijf leden, t.w. de voorzitter

(óf een ondervoorzitter), alsmede

twee journalistieke leden en

twee leden-uitgevers (art. 16). In

eerste instantie hebben de deskundige

leden dus de meerderheid; in

beroep zijn de deskundigen in de

minderheid, doch beslissen mede.

Deze regeling toont ten duidelijkste

aan dat de persgerechten eenzelfde

onafhankelijkheid bezitten als

onze reeds bestaande rechterlijke

organen. En, wat juist met het oog

op de pers zeer belangrijk is, de

eerste instantie, het persgerecht, is

bij uitstek deskundig te achten, terwijl

de tweede instantie wel deskundigen

telt, maar in haar overige

samenstelling de waarborg inhoudt,

dat het groepsbelang van de pers,

ten detrimente van de publieke voorlichting

niet de overhand krijgt, zodat

'bij in appèl behandelde zaken naar

buiten toe de einduitspraak het

grootst mogelijke gezag kan verkrijgen.

Deze laatste overweging heeft

onze organisaties er toe gebracht de

meerderlieid van onze Raad van

Tucht niet-joürnalisten te laten zijn.

Wat de procedure aangaat, bevat

de wet in de artt. 21, 41 tot en met

47 de fundamentele rechten van klagers

en „verdachten". Volgens art.

46 worden nadere processuele bepalingen

door de Kroon bij algemene

maatregel van bestuur gegeven, maar

met het medisch tuchtrecht, dat grotendeels

in een A.M.v.B. is neergelegd,

is er dit belangrijke verschil,

dat de wet de grondbeginselen van

het procesrecht bevat. Met het oog

op de bijzondere positie van de pers

(art. 7 van de Grondwet) behoort

dit ook zo te zijn.

Volgens de artt. 18 en 19 kan het

persgerecht (en volgens art. 53 in

beroep de perskamer van het Hof)

getuigen en deskundigen, uiteraard

onder ede, horen. Volgens art. 20

kan een onderzoek in de desbetreffende

personderneming vanwege het

persgerecht (of vanwege het Hof)

plaats vinden. Er zijn er die menen,

dat dit een aanslag is op het grondwettelijke

huisrecht. Dit is onzin,

want dit is geen absoluut recht; de

wetgever is volgens de Grondwet

bevoegd daarop inbreuk te maken en

het wetsontwerp voldoet aan de bij

onze hoogste Staatswet gestelde

eisen. In hoeveel andere wetten

komen trouwens soortgelijke bevoegdheden

van rechterlijke instanties

niet voor?

In dit verband worde overigens

nog eens uitdrukkelijk vastgesteld,

dat wie zou willen betogen, dat deze

tuchtregeling de pers aan de macht

van de „regering" zou uitleveren, inhoud

en strekking geweld aandoen.

Ook dit zou niets anders dan pure

demagogie zijn!

De tuchtrechtelijke norm

f TOE belangrijk vorenbehandelde,

formele bepalingen op zich zelf

ook zijn, de kern van het ontwerp

4

ligt in de materieelrechtelijke norm,

vervat in art. 35 en luidende: „De

journalist, aan wiens opzet of grove

schuld feitelijk onjuiste, dan wel oneerlijke

of onverantwoordelijke voorlichting

te wijten is, of die zich

opzettelijk of door grove schuld

gedraagt in strijd met de zorgvuldigheid,

die de journalist in het

maatschappelijk verkeer betaamt, of

met de eer van zijn stand, kan, onverminderd

zijn aansprakelijkheid

naar burgerlijk of naar strafrecht,

worden onderworpen" aan een der in

het ontwerp omschreven tuchtmaatregelen.

In onze eigen statuten luidt de

tuchtrechtelijke norm: „De journalist

N.J.K. (of K.N.J.K.) is verplicht zich

te onthouden van alle handelingen

en gedragingen, welke de waardigheid,

van de stand der Nederlandse

journalisten schaden."

De norm van het wetsontwerp is

meer uitgewerkt dan onze statutaire

bepaling. De Memorie van Toelichting

wijst er evenwel nadrukkelijk

op, dat de drie elementen (voorlichting,

ontzien van individuele belangen,

de eer van de stand) naast

elkaar zijn genoemd, doch dat men

misschien kan zeggen, dat zowel het

tweede als het derde de beide andere

mede omvat. Vastgesteld kan daarom

worden, dat de wettelijke norm

dezelfde strekking heeft als onze

statutaire regel. Met deze belangrijke

beperking echter, dat, in tegenstelling

tot onze statuten, het ontwerp

alleen treft die handelingen

of gedragingen, welke opzet of

grove schuld van de betrokken

journalist verraden. Op de betekenis

van deze beperking kan

niet genoeg de nadruk worden gelegd,

omdat bij afwezigheid van

opzet of grove schuld geen maatregel

kan worden opgelegd. De journalist,

die zijn beroep op fatsoenlijke

wijze wil uitoefenen en die zich van

wezen en strekking van zijn handelingen

rekenschap geeft, behoeft zich

in zijn vrijheid niet belemmerd te

gevoelen, al brengt de aard van zijn

werkzaamheid „tegen de deadline"

mee, dat hij dikwijls het risico van

achteraf blijkende fouten en foutjes

moet nemen. Hij zal zich uit eigen

vrije wil houden binnen de grenzen,

welke de eer van zijn stand stelt en

dit betekent, dat hij feitelijk juiste,

naar de vorm eerlijke en wat het

algemeen belang aangaat opportune

journalistiek bedrijft, waarmee hij,

binnen de grenzen van datzelfde

algemene belang, individuele belangen

ontziet. Daarover zal toch onder

journalisten geen verschil van inzicht

bestaan.

De bezwaren, welke tegen de tekst

van art. 35 worden aangevoerd, worden

echter gevoed door het gevoel,

dat de norm in haar formulering te

vaag is en derhalve tot toepassingen

kan leiden buiten de grenzen, welke

de fatsoenlijke journalist voor zich

zelf wenst te trekken. En dit zou

kunnen meebrengen, dat de journalist

zou worden beperkt in zijn vrijheid

om te doen wat hij zijn plicht

acht.

Is deze vrees echter reëel ? In de

eerste plaats is het persgerecht

samengesteld uit deskundigen, die

met hetzelfde bijltje hakken en die

juist voor het inachtnemen van de

juiste grenzen evenzeer gevoel hebben

als de journalist over wie naar

zijn gevoel ten onrechte wordt geklaagd.

In de tweede plaats werkt

steeds de beperking, opgesloten in

het vereiste van „opzet en grove

schuld".

Toegegeven moet intussen worden

— en de Memorie van Toelichting

doet dit ook —, dat de norm vager

is dan de regels van het strafrecht.

Doch vergeten wij niet, dat een

zekere vaagheid van delictsomschrijving

inhaerent is aan elk tuchtrecht

(zie dat der advocaten en der medici,

alsmede onze eigen statutaire tuchtregel),

een vaagheid, die evenzeer

in het voordeel van de betrokkene

kan strekken; de tuchtrechter is,

meer dan de strafrechter, vrij aan

de bijzondere merites van het geval

recht te laten wedervaren. Bovendien,

naar het geldende burgerlijk

en strafrecht is er ook reeds van

vaagheid van normen sprake; art.

1401 B.W., in recente persprocessen,

toegepast, geeft de — ondeskundige

— burgerlijke rechter een grote

mate van bewegingsvrijheid. En wat

het strafrecht aangaat, de journalist,

die wegens belediging terechtstaat,

mag aan de — alweer ondeskundige

— strafrechter duidelijk maken,

dat hij „klaarblijkelijk heeft gehandeld

in het algemeen belang". De

kans dat hij op grond van deze bepalingen

naar journalistieke opvatting

ten onrechte zou worden veroordeeld,

heeft geen journalist in zijn

vrijheid bij mijn weten ooit belemmerd.

In wezen komt de norm van

art. 35 er op neer, dat de journalist,

die voor de tuchtrechter terecht zal

staan, vrij uit zal gaan, indien hij

„klaarblijkelijk het algemeen belang"

op het oog heeft gehad. Het algemeen

belang brengt immers mee, dat zijn

voorlichting feitelijk juist is, eerlijk

en verantwoord, d.w.z. opportuun.

Wie meent, dat hij als publieke voorlichter

deze eisen kan veronachtzamen,

handelt in strijd met de eer

van zijn stand.

Naar in de Memorie van Toelichting

wordt medegedeeld, is een minderheid

in de Commissie-Pompe echter

van oordeel, dat instede van

„voorlichting" gelezen zou dienen te

worden „berichtgeving". M.i. terecht

wordt deze opvatting in de M.V.T.

als volgt bestreden: „De ondergetekenden

zijn van mening, dat berichtgeving

en voorlichting, onderling

vervlochten als zij in talloze courantenartikelen

zijn, niet gescheiden

en door het publiek, waarvoor zij

bestemd zijn, veelal niet eens onderscheiden

kunnen worden. De beperking

van het tuchtrechtelijk ingrijpen

tot ohoirbare „berichtgeving" zou

tot allerlei gezochte en spitsvondige

onderscheidingen leiden; de hiermede

beoogde verenging van de delictsomschrijving

zou de deur openzetten

tot talloze ontduikingen."

En laat men ten slotte niet uit het


oog verliezen, dat de einduitspraken

in het algemeen openbaar worden

gemaakt en dat zij, evenals alle rechterlijke

vonnissen, onderworpen kunnen

worden aan zeer wel oirbare

publieke critiek. We leven in een

democratisch land, waar de handelingen

van welke instantie ook aan

openbare, controle onderhevig zijn.

Geldt in een land als Engeland, waar

de pers geldt als het bolwerk van

de vrijheid, het rechterlijk oordeel in

z.g. libel-cases en in zaken van

contempt of court — in wezen een

tuchtrechtelijk optreden tegen de

pers — als een ongeoorloofde aantasting

van de persvrijheid? Waarlijk,

laten wij toch geen spoken op

klaarlichte dag zien en integendeel

beseffen, dat de mogelijkheid van

tuchtrechtelijke repressie het gezag

en het aanzien van de pers, welke

zeker wel enige versterking van node

hébben, slechts ten goede kan komen.

Wellicht zullen sommige journalisten

zich in de toekomst verplicht gevoelen,

zich nog meer dan thans

rekenschap van hun handelingen te

geven. Dit kan alleen maar winst

betekenen, want beklaagde niet onlangs

een van de regering onafhankelijk,

vooraanstaand Nederlander

zich tegenover mij, dat de pers,

hoezeer ook te goeder trouw optredende,

voor ingewijden zo dikwijls

te weinig exact in haar berichtgeving

en voorlichting te werk gaat?

De maatregelen

E voorgestelde tuchtmaatregelen,

D in de toepassing waarvan de

tuchtrechter geheel vrij is, bieden de

nodige differentiatie: a. waarschuwing;

b. berisping; c. geldboete tot

ƒ 1000; d. schorsing als journalist

voor ten hoogste een jaar; ontzetting

als zodanig voor ten hoogste vijf

jaar (art. 35). De laatste maatregel

brengt tevens schrapping uit het

journalistenregister mede, met als

nadere sancties de bepalingen inzake

het gebruik van de titel „journalist"

en de uitoefening van het journalistieke

beroep (artt. 33 en 34; zie hierboven).

Behoudens de geldboete lopen

deze maatregelen parallel met onze

eigen statutaire tuchtmaatregelen. In

het ontwerp is de schrapping echter

beperkt tot een termijn van vijf jaar.

Bij een hernieuwd verzoek van een

geschrapte journalist om in het register

te worden ingeschreven, zal

het persgerecht evenwel moeten beoordelen,

of de inschrijving de eer

van de stand zal schaden. Onder de

gelding van onze statuten is het niet

anders gesteld.

Soortgelijke maatregelen als hierboven

zijn vermeld zullen kunnen

worden toegepast op uitgevers of

directeuren van persbureaux, terzake

van door hen uitgeoefende journalistieke

werkzaamheden (art. 36).

De M.v.T. motiveert dit aldus, dat

onder de huidige omstandigheden

uitgevers veelal in de gelegenheid zijn

invloed op de redactionele inhoud

van een blad uit te oefenen; „misbruik

hiervan brengt ook hen in

aanraking met de tuchtrechter. De

M.v.T. stelt echter voorop, dat zij

zich te dezen aanzien niet wil begeven

in beschouwingen omtrent de

verhouding van directie en (hoofd)

redactie van een blad. Dit punt wordt

derhalve door het ontwerp niet beslist;

het gaat uit van de bestaande

toestand, waarbij de rechtstreekse

directionele invloed op de redactionele

inhoud nu eenmaal voorkomt.

De journalisten beschouwen dit als

een ongewenste toestand, welke aan

hun verantwoordelijkheid afbreuk

doet. Nu deze verantwoordelijkheid

door het onderhavige ontwerp nog

eens dubbel wordt onderstreept, wordt

de eis, dat de betrekking tussen

directie en hoofdredactie voorwerp

van een wettelijke voorziening zal

zijn, des te klemmender. Men dient

evenwel oog te hebben voor de omstandigheid,

dat een dergelijke regeling

met het oog op alle consequenties

niet incidenteel, doch slechts in

het verband van een algemene perswet

dient te geschieden.

Verantwoordelijke redacteuren

OEZEER de journalisten van

H beroep, zoals hierboven werd

betoogd, in de pers een centrale

positie innemen, mag toch niet voorbij

worden gezien, dat vooral aan

nieuwsbladen en tijdschriften de

journalistieke verantwoordelijkheid

berust bij personen, die geen journalist

van beroep zijn, doch die door

het verrichten van deze journalistieke

werkzaamheden naar buiten

toe een soortgelijke invloed als de

beroepsjournalisten kunnen uitoefenen.

Het is dan ook logisch, dat, met

de instelling van een tuchtrechtspraak

voor journalisten een soortgelijke

regeling wordt getroffen voor „verantwoordelijke

redacteuren", d.w.z.

voor hen, die in een nieuwsblad of

tijdschrift vermeld staan als verantwoordelijk

voor de redactionele inhoud,

alsmede voor hen, die als verantwoordelijk

redacteur van een

persbureau optreden (art. 1 sub g).

De norm en de maatregelen, waaraan

zij zijn onderworpen, zijn dezelfde

als voor journalisten, met dien verstande,

dat bij hen niet gesproken

kan worden van een stand, voorzover

zij geen journalist van hoofdberoep

zijn (art. 36); zijn zij dit wel, dan

vallen zij, ongeacht hun functie in

het perswezen, onder de regeling voor

journalisten.

Ik acht het juist, dat aldus aan

degenen, die tegenover het publiek

journalistieke verantwoordelijkheid

dragen zonder zelf journalist te zijn,

de normen van een juiste, eerlijke en

verantwoorde voorlichting worden

ingescherpt. Een dergelijke wettelijke

regeling zal in de kring der

verantwoordelijke redacteuren het

verlangen kunnen wekken naar een

eigen organisatorisch verband ter

behartiging van gemeenschappelijke

belangen. Onze organisaties zullen

een dergelijke ontwikkeling van zaken

zeker toejuichen en bereid zijn,

morele en materiële steun aan zulk

een streven te verlenen; door de

beschikbaarstelling bijv. van onze

organen zulten wij onder de „verantwoordelijke

redacteuren" een beter

begrip van de eisen der journalistiek

kunnen verbreiden.

Het ontwerp en de persvrijheid

EN SLOTTE moge ik nog aan­

T dacht schenken aan het reeds

geuite bezwaar, dat het ontwerp in

strijd zou zijn met de grondwettelijke

persvrijheid. Ik acht dit bezwaar

niet gegrond. Met de hoofdredactie

van De Rotterdammer ben ik van

oordeel, dat de tuchtrechtspraak van

zuiver repressieve aard is en derhalve

begrepen moet worden onder

de regeling van de „verantwoordelijkheid

volgens de wet", waarvan

artikel 7 van de Grondwet gewaagt,

In dit opzicht is er geen principieel

verschil met het strafrecht. Noch

met de letter, noch met de geest van

art. 7 is het ontwerp in strijd. Dat

de regering aan dit punt aandacht

heeft geschonken kan mede blijken

uit de naam van het ontwerp: Wet

op de journalistieke verantwoordelijkheid.

Een enkel punt van twijfel zou

kunnen rijzen t.a.v. de vereiste inschrijving

van journalisten in een

register. Hoewel ik ook dit niet in

strijd met de Grondwet acht (ook

een uitgesloten journalist kan als

elke andere burger blijven publiceren),

zou het aanbeveling verdienen,

bij een komende Grondwetsherziening

het punt buiten alle twijfel te stellen,

door art. 7 aan te vullen in

dezelfde zin als indertijd t.a.v. de

vrijheid van onderwijs is geschied,

n.1. aldus dat de wetgever eisen kan

stellen met betrekking tot de zedelijkheid

(en bekwaamheid) van journalisten

(vgl. art. 200 Gw.).

Mijn conclusie kan, na het vorenstaande,

niet meer aan twijfel onderhevig

zijn. Ik ben van oordeel, dat

dit ontwerp wezenlijk kan bijdragen

tot de verheffing van de journalistiek,

doordat het verantwoordelijkheidsbesef

zal worden verlevendigd

en misstanden kunnen worden uitgesneden.

In het kader van deze wet

zal het tevens mogelijk zijn om een

oplossing te vinden voor het verschoningsrecht

van de journalist; ik

onthoud mij ervan dit nader uit te

werken, omdat ik niet vooruit wil

lopen op het rapport van de commissie,

die onder leiding van jhr. mr.

G. W. van Vierssen Trip haar arbeid

heeft aangevangen, wanneer dit

nummer verschijnt. Ook biedt deze

wet de mogelijkheid om een soepele

practijk inzake het droit de réponse

te verkrijgen. In dit opzicht is art. 48

van betekenis, dat het persgerecht

de bevoegdheid verleent om de uitgever

de verplichting op te leggen

een ter zake van de inhoud van zijn

blad gewezen beslissing in dat blad

te publiceren.

Ik spreek de hoop uit, dat onze

organisaties van eenzelfde gevoelen

zullen blijken te zijn en daaraan

uiting zullen geven door een duidelijke

uitspraak op het a.s. congres

van de Federatie.

5


WETTELIJKE TUCHTRECHTSPRAAK

De journalist draagt een persoonlijke en een

publieke verantwoordelijkheid

M tot een enigszins juiste waar­

O dering te kunnen komen van

'het wetsontwerp op de journalistieke

verantwoordelijkheid dient men er

zich rekenschap van te geven, dat

de journalist verantwoordelijkheid

draagt, nader gepreciseerd: een verantwoordelijkheid

van tweeërlei aard,

een persoonlijke en een publieke. De

eerste is de zaak van zijn eigen geweten;

de tweede raakt rechtstreeks

het algemeen belang. Voor het algemeen

.belang is journalistiek van

enorme betekenis. Het wordt door

goede, dat is door moreel verantwoorde

journalistiek in hoge mate

gediend; het wordt door slechte, door

moreel niet-verantwoorde journalistiek

zeer ernstig geschaad.

In dit feit vindt men één rechtvaardigingsgrond

voor een journalistiek

tuchtrecht. Het is niet alleen

een wapen, waarmee het algemeen

belang zich verweert tegen slechte

journalistiek, het is in gelijke mate

een middel, waardoor de journalistiek

zichzelf op een hoger niveau

verheft. Het tast onmiddellijk excessen

aan, het is een vingerwijzing

naar rotte plekken, het brengt fouten

aan het licht, het werkt waarschuwend

ea op de duur in toenemende

mate preventief.

Maar er is een tweede reden: het

beschermt ook de reputatie en het

prestige van de journalistiek en het

kan voor iedere journalist individueel

in maatschappelijk opzicht een schild

zijn. Wij kennen tot dusver slechts

één geval, dat men in zekere zin met

de werking van een tuchtrechtelijk

college zou kunnen vergelijken, het

befaamde geval-Kiek, waarin de

meest krasse beschuldiging door de

hoogste autoriteit hier te lande tegen

een journalist werd geuit op een

zo overtuigende wijze, dat de betrokkene

alle schijn tegen zich had en

zijn hele maatschappelijke existentie

ernstig gevaar liep. In die kwestie

heeft die Federatie, zoals men zich

herinneren zal, een ereraad ingesteld.

Het kan een toeval zijn, maar het

geeft toch te denken, dat in dit eerste

en einige geval, waarin men met

rechterlijke objectiviteit een zaak

ging uitzoeken, de uitkomst was, dat

de aangeklaagde journalist geheel

werd vrijgesproken, zijn maatschappelijk

bestaan gered was en de pers

in het algemeen van een blaam werd

gezuiverd. Deze mogelijkheid is in de

eerste plaats van betekenis voor de

journalistiek, maar het algemeen belang

is er op zijn beurt ook mee gebaat.

6

Door Leo Hanekroot

UCHTRECHT voor de journalis­

T tiek is de erkenning door de

wetgever, dat journalistiek het

algemeen belang dient en daarin

dan ook haar hele maatschappelijke

en morele rechtvaardiging

vindt. Dit moge ons, die altijd

aan een prinsheerlijke vrijheid gewend

zijn geweest en die dan nog

als een -recht beschouwden, dat wij

baseerden op een bepaalde interpretatie

van art. 7 van de Grondwet,

wat ongewoon voorkomen, sommigen

mogen er misschien aanvankelijk een

aantasting van de grondwettelijke

vrijheid van drukpers in zien, bij nadere

overweging zal men moeten

erkennen, dat voor dergelijke bezwaren

geen reden bestaat. Wanneer de

pers er zich op beroept, dat zij het

algemeen belang dient, dan sluit dit

in, dat zij de normen, die door het

algemeen belang worden gesteld erkent

als bindende normen. Maar gesteld,

dat er zouden zijn, die ontkennen,

dat het algemeen belang de norm

voor de werkzaamheid van de pers

aangeeft, betekent dit dan, dat in

beginsel alles, wat niet strikt op het

terrein van de strafrechter valt, aan

de pers geoorloofd zou zijn? Onder

alle omstandigheden is het de natuur

van de pers te handelen op dat uitermate

belangrijke terrein van openbaar

belang, dat de voorlichting en

de informatie betreft. Zij doet dit

volkomen vrij, als een organisme dat

gedreven wordt door zedelijke we-,

zens, door mensen met verstand en

rede begaafd en dus met verantwoordelijkheid

en verantwoordingsplicht

belast. Die vrijheid blijft onaangetast,

zoals ook de vrijheid van iedere

burger niet wordt aangetast door het

Strafrecht. Vrijheid echter is geen

ongebondenheid. Men mag zeggen en

schrijven wat men wil, doch men mag

niet sehrijven op een manier, die de

normen van goede efn eerlijke voorlichting

en informatie overschrijdt.

Men imag als journalist leven en handelen

zoals men wil, doch men mag

niet door misgedrag — let wel in de

uitoefening van het beroep, want

daar gaat het hier oni — het vertrouwen,

dat voor de werking van

de journalistiek een noodzakelijke

voorwaarde is, ondermijnen.

Dit zijn de grondgedachten van de

wet op de journalistieke verantwoordelijkheid.

Het zijn normen, die reeds

lang voor het maatschappelijke handelen

erkend worden en die hier nu

eindelijk ook worden toegepast op

een gebied, dat zo wezenlijk en on*

verbrekelijk met de samenleving is

verbonden als de journalistiek.

Noodzakelijk en urgent

UCHTRECHTSPRAAK is ge­

T rechtvaardigd. Is zij ook nodig?

Men kan daar om te beginnen

op antwoorden, dat de

vraag naar haar gerechtvaardigdheid

niet actueel geworden! zou zijn,

indien men niet in brede 1 kring haar

noodzakelijkheid had ingezien. Zij zou

in ieder geval omstreeks! deze tijd

aam de orde gesteld zijn, indien de

Rijksbemiddelaars het verplichte lidmaatschap

van de erkende journalistenorg-anisaties

volgens de C. A. O.

hadden goedgekeurd. De verenigingstuchtrechtspraak,

die wij thans reeds

bezitten, zou zich in dat geval over

alle aangeslotenen hebben uitgestrekt.

Maar bovendien: ook indien

de commissie-Pompe haar grote rapport

op een korte termijn had kunnen

voltooien, zou de tuchtrechtspraak

bij wet geregeld zijn, geworden.

Het zal echter nog vele jaren

duren alvorens de commissie-Potmpe

haar complete voorstellen tot perswetgeving

geformuleerd kan hebben.

Over één onderwerp echter bleek in

de gehele zeer geschakeerd samengestelde

commissie eenstemmigheid

van inzicht te bestaan: de tuchtrechtspraak,

zij het dat zich op een

onderdeel een kleine minderheid aftekende.

Tuchtrechtspraak is inderdaad niet

alleen noodzakelijk, zij is ook urgent.

De rol van de pers djn het moderne

maatschappelijke verkeer is zeer ingrijpend

en het bewustzijn van een

welbegrepen vrijheid, die zichzelf

zedelijke normen oplegt, heeft zich

aanzienlijk verscherpt. Welnu, er komen

in de pers bamdeloosheden voor

van allerlei aard en vorm, en ik zou

niet eens heel zeker durven beweren,

dat zij uitzonderlijk genoeg zijn om

het algemene aanzien van de pers

niet wezenlijk te kunnen schaden.

Zonder ook maar in het minst behoefte

te gevoelen aan een uitbarsting

in een jammerklacht over de

perszeden, behoeft men zich zelf toch

ook niet- te paaien niet de dooddoemer,

dat de pers, die wij allen maken

zo goed en zich van haar verantwoordelijkheid

zo diep bewust is. Van dit

laatste kan men inderdaad talloze

voorbeelden aantreffen, dagelijks,

maar van het eerste ook en meer

dan menigeen misschien denkt.

Zie ik daarom, in de toekomst de

delinquenten in rijen voor de deur

van de tuchtrechter staan? Geenszins.

Tuchtrecht werkt ook preventief,

en dit is de voornaamste bedoeling,

die ieder zinnig mens met tuchtrecht

beoogt. En zoals gezegd, het

zal ook een aantal journalisten, die


Wetenschappelijke aandacht

voor de pers

Op 19 Maart promoveerde in

Groningen mr. Th. W. van Veen op

een proefschrift over „Generale preventie".

Mr. dr. Van Veen is, behalve

op het gebied van hei strafrecht, ook

thuis in het onderwijs (hij was vóór

de oorlog directeur van een H.B.S.

in Groningen) én in de journalistiek:

na de oorlog heeft hij de Groningse

editie van Het Vrije Volk geredigeerd.

Hoeseer hij zich ook als jurist in

persproblemen heeft verdiept, blijkt

uit de bij zijn proefschrift behoreïtdè

stellingen, waarvan er niet' minder

dan acht aan de pers zijn gewijd. Wij

laten deze belangrijke en ten dele

zéér actuele stellingen (nr. 7 over

hei verschoningsrecht!) hier volgen.

STELLINGEN VAN MR VAN VKEJN

„1. De pers behoort zich te onthouden

van het geven van haar

zienswijze op de feitelijke toedracht

van een gebeurtenis, die tot een

strafvervolging of een civiele- vordering

aanleiding heeft gegeven, zolang

het rechterlijk vonnis in eerste

aanleg niet is gewezen. Het in acht

nemen van deze regel, waarvan de

overtreding in een perswet strafbaar

zou kunnen worden gesteld,

tast de vrijheid, die de pers behoort

te genieten om ook de handelingen

en beslissingen van het Openbaar

Ministerie en den rechter aan cri-

ten onrechte met blaam beladen worden,

vrijspreken.

Ongeschreven recht

O^t tuchtrecht zal worden gehan-

* * teerd door met zorg te kiezen vakgenoten,

uitgevers en juristen en het

zal gebaseerd worden op dd algemene

normen van journalistiek fatsoen,

zoals ze onder ons, journalisten,

leven. Dit vinden sommigen te vaag,

doch zij mogen toedenken, dat het dan

ook tuchtrecht is, dat door vakgenoten

wordt uitgeoefend, en dat het

ten dele ongeschreven recht is, maar

daarom niet minder recht. Men gaat

echter te ver, wanneer men opmerkt,

dat er geen journalistieke erecode

bestaat. Zij bestaat wèl; onder ons

leeft zij en men kan er herhaaldelijk

getuige van 1 zijn welk een grote mate

van eensgezindheid daarover bestaat

onder vakgenoten.

Tuchtrecht is noodzakelijk, omdat

er onder de journalisten kwaadaardige

knoeiers bestaan, zo goed als ze

te vinden zijn onder de medici. Maar

er zijn ooki onnozele knoeiers, wier

onnozelheid zo groot ia, dat men van

schuldige nalatigheid kan spreken,

wanneer men ziet hoe zij de aard en

de vakmatige wetten van het instrument,

dat zij hanteren miskennen,

om niet te zeggen ignoreren.

De journalistiek maakt aanspraak

tiek te mogen onderwerpen, niet aan.

2. Een tijdelijk verschijningsverbod

van een dagblad of een ander

periodiek is in strijd met de geest

en de strekking van artikel 7 van

de Grondwet. Een dergelijke strijdigheid

bestaat niet wanneer de wetgever

aan den strafrechter wil toestaan,

bij veroordeling wegens bepaalde in

de wet opgesomde delicten, als bijkomende

maatregel op te leggen een

verbod van verschijning van het persorgaan

door middel waarvan zulk

een delict is gepleegd.

3. Bij een waarheidsgetrouw persverslag

van het gesprokene en het

gebeurde op een openbare zitting van

een overheidsorgaan kan een persorgaan

niet in rechte worden aangesproken

uit artikel 1401 of artikel

1408 van het Burgerlijk Wetboek,

tenzij het verslag in krenkende

vorm is opgesteld of kennelijk

uitsluitend is geplaatst om iemand

te beledigen.

4. Reeds artikel 1401 van het

Burgerlijk Wetboek geeft aan den

rechter de mogelijkheid het „droit de

réponse", waaraan grotere behoefte

kan ontstaan naarmate de pers —

o.m. doordat zij gedwongen is de

snelheid van berichtgeving op te voeren

— minder zorgvuldig zou zijn in

het verifiëren van berichten vóór de

op een verschoningsrecht, doch men

behoeft zich niet te verbeelden, dat

zij het in lengte van jaren in generaliserende

zin toegekend iztal krijgen.

Men kan wel met kans op succes een

ernstige poging wagen om de tegenstanders

van het verschoningsrecht'

gevoelig te maken voor het algemeen

belang, dat de pers dient en daarmee

't principe van het verschoningsrecht

erkend zien worden. Doch men komt

niet heen over de drempel van de

aarzeling om zoveel vertrouwen als

verschoningsrecht impliceert, aan de

pers toe te kennen. Kan dit ons in de

eerste plaats al te denken geven over

het prestige, dat de pers in het algemeen

bezit, het kan ons bovendien

ook een aanwijzing geven omtrent

het nut, dat een wettelijke tuchtrechtspraak

ook op dit kardinale

punt kan stichten. Deze tuchtrecht-.

spraak is op zichzelf reeds een erkenning

van het algemeen belang

van de pers door de wetgever. Maar

zij is ook de waarborg, die de overheid

en de openbare mening voor de

betrouwbaarheid van de journalist

verlangen. De deskundige tuchtrechter

kan het beroep op verschoningsrecht

van de individuele journalist

op zijn gegrondheid onderzoeken. Dit

is niet het minst belangrijke argument

voor de wettelijke tuchtrechtspraak

voor de journalistiek,

publicatie, in ons recht te introduceren

en vorm te geven door, gelijk

Mr G. E. "Langemeyer bepleitte

(N.J.B1. 1938 blz. 461-472), het weigeren

van een gegrond verzoek tot

rectificatie op te vatten als een onrechtmatige

daad. Deze weg verdient

de voorkeur boven die welke in

artikel 30 van de Wet noodvoorziening

Perswezen (S.H. 381), in navolging

van de Tijdelijke Persbesluiten,

zou zijn geopend.

5. Artikel 1409 van het Burgerlijk

Wetboek geeft aan de beledigde

geen voldoende mogelijkheid herstel

van eer en goede naam te verkrijgen,

zolang de rechter vasthoudt aan de

opvatting, dat de mogelijkheid van

aanplakking in het openbaar van

het vonnis, die dit artikel kent, aan

de veroordeling tot een andere vorm

van publicatie in de weg staat. Wie

door een persorgaan is beledigd, moet

een veroordeling van dit persorgaan

kunnen verkrijgen tot publicatie van

het rechterlijk vonnis in een door de

rechter vast te stellen vorm.

6. Onze wettelijke bepalingen aangaande

gerechtelijke oproepingen en

bekendmakingen en openbaarmaking

van rechterlijke uitspraken in de

pers zijn niet geheel doeltreffend,

aangezien de pers niet verplicht is

bedoelde publicaties op te nemen.

Hierin dient een perswet te .voorzien.

7. De aanspraak van een voor

den rechter als. getuige opgeroepen

journalist zich te mogen verschonen

van het geven van antwoord op

vragen naar feiten, die hem als zodanig

bekend zijn of waarvan hem de

kennis als zodanig is toevertrouwd,

is van geheel andere aard dan de

aanspraak van artsen, geestelijken en

advocaten op het recht om zich te

verschonin van het geven van antwoord

op vragen door den rechter

gesteld (vgl. H.R. H Dec. 19Jt8, N.J.

'Jf9 nr 95). De aanspraak van een

journalist dient slechts te worden

erkend in die gevallen, waarin volgens

den rechter het algemeen

belang dat in abstracto eist.

(Deze stelling door ons gecursiveerd.

— Red. D.J.)

8. In een publiekrechtelijke regeling

van het tuchtrecht voor journalisten

dient de rechtspraak te worden

opgedragen aan een college van

rechters, door den Koning benoemd

uit hooggeplaatste leden van de

rechterlijke macht en uit een aantal

door de journalisten voorgedragen

beroepsgenoten, zonder dat van de

uitspraken van dit college hoger beroep

mogelijk is."

SOHAAKJOURNALIST

met goede relaties en ruime ervaring

— o.m. het tournooi om het

wereldkampioenschap — verzorgt

zowel actuele algemene schaaktechnische

artikelen, als rubrieken

afgestemd op het plaatselijke -

of regionale schaakleven, voor

dagbladen of periodieken.

Brieven onder No. 104/48, „De

Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

7


Over de waardigheid der journalistiek

En de onwaardigheid van sommige journalisten

EMAND die bestolen wordt, en dan

I hartelijk lacht en de diefstal een

klucht noemt — zo iemand is stellig

een beminnelijk mens. Maar de

diefstal blijft daarom niet minder

diefstal, en als zodanig immoreel.

Collega Lodewijk, de actieve redacteur

van het Nieuwsblad voor de

Bloembollenstreek, noemt het een

„klucht in drie bedrijven". Goed, dat

is het ook. Maar de nasmaak is bitter

als gal.

De situatie bij de brug over de

Ringvaart aan de Hillegommerdijk

behoeft dringend verbetering," schreef

het Nieuwsblad. Van een radicale

vernieuwing kon echter geen sprake

zijn, omdat er een wegverlegging op

komst was. Aangezien de toestand

ook niet zo kon blijven, had de onderhoudsplichtigeHaarlemmermeerpolder

naar een noodvoorziening gegrepen;

ze had een tweedehandsej maar

nog heel bruikbare brug gekocht,

„n.1. de draaiburg over de Verwoldse

beek tussen de stations Veldhoek en

Laren (Geld.) van de spoorlijn Deventer-Borculo",

welke brug kon

worden gemist, doordat de spoorlijn

was vervangen door een busdienst

van de Gelderse Tramweg Mij. Na

revisie in de werkplaatsen van de

Kon. Ned. Grofsmederij te Leiden

zou de brug door het Sleep- en Bergingsbedrijf

te Hardinxveld over de

Ringvaart worden geplaatst. Een

drijvende kraan zou er aan te pas

komen; een bok van de werf Stork-

Conrad zou de oude brug van de

pijler lichten en naar Haarlem voeren.

„Naar wij vernemen zal daartoe

in de nacht van Donderdag op

Vrijdag van 23.30 tot 2.30 uur het

verkeer over de Ringvaartbrug zijn

gestremd Het werk, dat wordt

uitgevoerd onder het schijnsel van

een zeer krachtige schijnwerperbatterij,

zal ongetwijfeld weer een knap

staaltje te zien geven van het kunnen

onzer Nederlandse waterbouwkundigen."

Dat was dat. Maar dan komt de

Leidse Courant met een bericht:

„Hillegom. Ringvaart-brug wordt

vernieuwd", dat precies hetzelfde

bevat, een beetje bekort, een beetje

herschreven. Zonder bronvermelding!

En dan komt, weer twee dagen

later, de gewestelijke editie van Het

Vrije Volk en deelt onder het opschrift

„Nieuwe brug over de Ringvaart"

wederom precies hetzelfde

mee, alleen — want de nacht van

Donderdag op Vrijdag is inmiddels

voorbijgegaan — nu in de verleden

tijd: ,,Het plaatsen van de brug was

een zeer omvangrijk en secuur werk

en toch hebben de uitvoerders slechts

enkele uren nodig gehad voor het

aanbrengen van het gevaarte. Het

werk werd uitgevoerd. Een drijvende

kraan heeft de brug in

de takels genomen, terwijl aan de

8

andere kant een drijvende bok van

Stork-Conrad de oude brug uit haar

lichters tilde. Schijnbaar zonder veel

moeite werd Voortaan kan "

Enzovoort. Opnieuw: Zonder bronvermelding.'

(Alleen dat van die

„lichters" waar de oude brug blijkbaar

in lag of hing, was origineel.

Maar dat was dan ook onzin).

Maar, zal men zeggen, waarom

zouden de publicaties van de Leidse

Courant en Het Vrije Volk noodzakelijk

moeten worden herleid tot het

eerste bericht in het Nieuwsblad

voor de Bloembollenstreek?

Daar zijn enkele afdoende redenen

voor:

1. Er is nooit een spoorlijn Deventer-Borculo

geweest. Borculo heeft

nooit een spoorwegverbinding gehad.

2. De Verwoldse beek loopt niet

tussen Veldhoek, en Laren (G-ld).

3. Er bestaat geen „Sleep- en

Bergingsbedrijf" te Hardinxveld.

Jf. De doorvaart van de bruggetjes

over de Ringvaart is veel te smal

dan dat daar ooit een grote bok of

drijvende kraan sou kunnen passeren.

5. „De nacht van Donderdag op

Vrijdag" was de nacht van 31 Maart

op 1 April

O ja, het is in zekere zin een

klucht dat twee dieven zich in hun

hemd aan den volke vertonen, ganselijk

onbewust van het schamele

toilet waarin ze zich hebben gestoken

toen ze binnen de veilige wanden

van hun werkvertrek journalistiek

bedreven met schaar en lijmpot.

En collega Lodewijk kan het beschouwen

als een compliment aan

zijn blad en aan zijn voortreffelijke

Aprilgrap.

Maar waar blijft intussen de

waardigheid van de Nederlandse

journalistiek? En de beroepseer?

„Rondweg onbeschoft"

VER een ander geval waarbij de

O waardigheid van Ons beroep in

het gedrang kwam, schreef collega

Broos uit Nijmegen.

In Den Bosch was een protestvergadering

van oorlogsslachtoffers.

Twaalfhonderd deelnemers. Op het

podium, behalve het bestuur en de

sprekers, „de pers", vertegenwoordigd

door acht verslaggevers. De

vergadering was belegd om grieven

te luchten, en de voorzitter verwelkomde

dan ook in zijn openingsrede

speciaal de „vertegenwoordigers

van de koningin der aarde", die

immers die grieven wereldkundig

zouden maken.

Om hun deze taak te vergemakkelijken,

hadden de organisatoren

van de bijeenkomst de in extenso

gedrukte redevoeringen al van tevoren

aan de pers verstrekt. („O slechte

gewoonte van veel goedbedoelende

gastheren! Wat maken jullie luie en

gemakzuchtige óver-schrijvers van

ons!" verzucht coll. Broos).

Halverwege de eerste redevoering

verdween de eerste verslaggever. Na

het applaus tussen de eerste en de

tweede speech volgden vier collega's

zijn voorbeeld. Midden in de tweede

toespraak daalden nummer zes en

zeven van het podium af. Pas bij het

slotwoord (dat niet van tevoren was

uitgereikt) was het achttal weer

volledig.

Laten we nu het gunstigste geval

aannemen, namelijk dat die zeven

verslaggevers allen zijn weggegaan

om aan de hand van de gedrukte

teksten hun verslagen op te stellen

en deze ter bespoediging van hun

berichtgeving naar hun respectieve

redacties door te telefoneren. DaYi

blijft toch, dat twaalfhonderd mensen,

geladen met grieven, naar hun

vaste overtuiging bijeengekomen om

voor een rechtvaardige zaak te strijden,

de indruk hebben gekregen: Wat

óns ten nauwste aan het hart gaat,

kan de heren van de pers geen spat

schelen. Wat hier wordt gezegd, Interesseert

hun niet. Onze reacties op het

gesprokene laten hun koud. Zij geloven

het wel. Zij nemen de benen.

Er is over een geval als dit natuurlijk

heel wat te zeggen. Men kan de

schuld geven aan het verstrekken

van gedrukte teksten. Daar staat

tegenover, dat deze gewoonte stellig

niet is ontstaan doordat sprekers en

organisatoren van vergaderingen

altijd zo tevreden waren over het

verslag dat er later in de krant verscheen

Het middel is echter

erger dan de kwaal, want nü ontstaat

ter redactie de neiging om te

zeggen: „Laat Pietje daar maar

heengaan, hij krijgt toch w^l een

stencil." En Pietje gaat ter vergadering

(waar hij dan toch maar „die

meneer van de pers" is), ontmoet daar

andere Pietjes, en geeft zich met

hen over aan (en nu citeer ik weer

uit een brief van een Kringlid, dat

zich over enige collega's heeft geërgerd)

„laatdunkende, geringschattende

opmerkingen over het publiek

in de zaal. Heus, al hebben die eenvoudige

mensen het gefluister niet

gehoord — uit het stiekeme gegrinnik

van ettelijke persmannen zullen

zij best begrepen hebben, dat dezen

zich lichtelijk over hen amuseerden."

Deze collega beschrijft de houding

van een aantal journalisten op een

vergadering waarvoor zij als verslaggevers

waren uitgenodigd als

„rondweg onbeschoft".

Terug naar het fatsoen

AAR zitten we nu. Het eerste

D geval — een „eenvoudige" kwestie

van plagiaat — zou zonder twijfel

voor berechting door de Tuchtraad

in aanmerking komen. Zelfs dit besef

heeft de betrokken collega's —•

die er natuurlijk ook geen vermoeden

van hadden dat hun misdrijf zó


„Geen politiek in de organisatie"

EN DUS WORDT ZIJ POLITIEK STRIJDTONEEL

De Journalist" is niet de enige

Journalist". Het orgaan van de Engelse

National Union of Journalists

(N.U.J.) heeft dezelfde naam (die

uiteraard iets anders wordt uitgesproken).

Redacteur van deze „Journalist"

is Allen Hutt. Het beleid van

deze onze collega nu is dezer dagen

het voorwerp geweest van een felle

discussie.

Officieel is hierover aan de buitenwacht

slechts het volgende meegedeeld:

„Op de maandelijkse vergadering

van de afdeling Londen-Centrum van

de N.U.J. in „the Feathers" op Dinsdagavond

(5 April — Red. D.J.) is de

volgende resolutie aangenomen: De

vergadering betreurt de politieke

bevooroordeeldheid die door de redacteur

van de „Journalist" aan de dag

wordt gelegd, en vraagt dringend

minder partijdigheid in de wijze

waarop hij de inhoud er van bepaalt".

Het weekblad World's Press News

(„The National Weekly for Press and

Advertising") wist echter meer tevertellen.

Op de vergadering werd door Stanley

Seaton een felle aanval gericht

op Allen Hütt. Deze had, zei hij, in

veel opzichten inhoud en vorm van

de (Engelse) „Journalist" verbeterd.

Al te vaak echter getuigde zijn keuze

van bijdragen van zijn streven

om communistische propaganda te

maken. In vele gevallen was die propaganda

listig verborgen.

De afdeling -Londen-Centrum van

de N.U.J., zo ging Stanley Seaton

voort, telde heel wat actieve communisten

onder haar leden. Allen Hutt

publiceerde bij voorkeur afdelingsverslagen

die gunstig waren voor de

communisten, maar nooit die waarin

de Communistische Partij werd afgemaakt.

Ingezonden stukken tegen

gemakkelijk zou kunnen worden bewezen

— blijkbaar niet binnen de

perken van het meest elementaire

journalistieke fatsoen kunnen houden.

Het tweede geval is misschien niet

zozeer een kwestie van journalistiek

fatsoen als wel van fatsoen „tout

court".

In beide gevallen heeft de waardigheid

van de journalistiek aanmer-

RECTIFICATIE

In het verslag van de rede van

de voorzitter van de Kring, door

deze in de algemene vergadering

op 19 Maart j.1. gehouden, is ten

gevolge van een drukfout, vermeld

dat in 1948 circa 1000 stukken

van het Federatiebureau zijn

uitgegaan. Dit had moeten zijn:

circa 10.000 stukken.

het communisme werden niet geplaatst.

Allen Hutt ontkende dat hij partijdig

was geweest en verwierp met

kracht de beschuldiging als zou hij

aan afdelingsverslagen hebben „ge

dokterd".

Tal van leden oefenden nochtans

felle critiek op het beleid van hun

redacteur. De meerderheid betuigde

instemming met deze constatering

(gedaan door Gerald Byrne): „Hutt'

heeft toegegeven, dat hij in één nummer

van de „Journalist" 285 cicero

tekst over politieke onderwerpen

heeft opgenomen. (Dat is ruim vijf

kolom van ónze Journalist. — Red.

D.J.) Wij willen geen politiek in de*

Journalist". Daarvoor is dit blad

niet bestemd."

De hierboven afgedrukte resolutie

werd met een geringe meerderheid

(26 tegen 24 stemmen) aangenomen.

N.U.J. wil uit de I.O.J.

„Wat mijn functie als redacteur

betreft", zei Allen Hutt op de Londense

vergadering van 5 April, „het

oordeel daarover laat ik graag aan

de jaarvergadering te Weymouth

over."

Op de jaarvergadering van de

N.U.J., die op 15 April te Weymouth

is gehouden, hebben de afgevaardigden

van de afdelingen een resolutie

aangenomen die de strekking heeft

dat de N.U.J. zich uit de Internationale

Organisatie zou terugtrekken

omdat deze een platform voor communistische

propaganda is geworden.

Dit besluit werd genomen nadat de

vergadering een verslag door C. J.

Bundock, algemeen secretaris van de

N.U.J., had aangehoord van de vergadering

der I.O.J. in Boedapest in

November 1948. „Drie dagen lang

kelijke schade geleden, een schade

die wij allen, goeden en kwaden,

moeten betalen.

Wat doen we er aan?

Het goede voorbeeld geven onder

alle omstandigheden.

Nooit en nergens aarzelen om —

rustig en waardig, maar beslist —

in. te grijpen met een beroep op de

geschreven en ongeschreven regels

van ons beroep.

Publicatie in ons orgaan (wanneer

het algemeen belang dit eist) of

klacht te bevoegder plaatse (wanneer

de ernst van het geval dit

wettigt).

Want we moeten weer zo ver

komen, dat „journalist" een eretitel

is, en een perskaart een document

dat de houder van tevoren het respect

verzekert van allen met wie hij in

aanraking komt.

hebben we felle politieke propaganda

moeten aanhoren", zei hij,. „De I.O.J.

wordt misbruikt en zal aldoor misbruikt

worden — als alle internationale

bijeenkomsten zodra de Oosteuropese

landen ze gaan gebruiken

als platvorm voor politieke propaganda."

,

De resolutie van de N.U.J. zegt,

dat deze organisatie niet deel kan

blijven uitmaken van de I.O.J. „zonder

ernstig te worden gecompromitteerd

en bloot te staan aan misverstand."

Aldus een bericht van Associated

Press.

Maar dezelfde jaarvergadering

handhaafde Hutt als redacteur van

de „Journalist". Omdat hij het (afgezien

van een paar aanmerkingen) zo

goed deed.

Brussel weigert communisten

Ook in de Brusselse Persvereniging

zijn politieke moeilijkheden gerezen,

zo vernemen wij uit World's Press

News. Niet voor de eerste keer trouwens,

want verleden jaar is aan een

aantal communistische candidaatleden

het lidmaatschap geweigerd

toen zij weigerden te antwoorden op

de vraag of zij instemden met het

beginsel van de persvrijheid zoals dat

is omschreven in de statuten van de

Persvereniging.

Ditmaal waren er bij de nieuwe

aanmeldingen twaalf van redacteuren

van Le Drapeau Rouge en De

Rode Vaan. Opnieuw werd dezelfde

vraag gesteld. De woordvoerder der

communisten antwoordde, dat zij

voorstanders waren van de persvrijheid

zoals die wordt opgevat in de

Sowjet-Unie en de „volksdemocratieën".

De algemene vergadering heeft de

toelating geweigerd.

De pers kan de hoge en bevoorrechte

plaats die zij in de democratische

samenleving voor zich opeist,

alleen dan innemen, als haar vertegenwoordigers

het hoge voorrecht,

zulk een pers te mogen dienen, waard

zijn. Y. F.

Redacteur met jarenlange ervaring

aan belangrijk Prov. Dagblad

in Gelderland,

ZOEKT EEN FUNCTIE

aan een dagblad te Amsterdam

of omg. Opl. 5-jarige R.H.B.S.

Verzorgt Binnen- en Buitenland,

schrijft toneelcritieken, reportages

etc.

Brieven onder No. 99/48 van „De

Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

9


Heden en verleden van de

Belgische Pers

Dr. Maarten Schneider schrijft

ons:

Er is een algemeen oriënterend

boek over de Belgische pers verschenen.

Degene die zich wat meer

met de pers onzer Zuiderburen

heeft bezig gehouden en daarom met

belangstelling de verschijning van

dit boek heeft tegemoet gezien, zal

niet teleurgesteld zijn. En wie zijn

tekort aan kennis van of belangstelling

voor de Belgische pers heeft

gemotiveerd met de opmerking, dat

hem geen na oorlogse liter-atuur

over dit onderwerp ter beschikking

staat, zal naar andere motieven

moeten uitzien.

Het boek waarvoor hier aandacht

gevraagd wordt, is een gedenkboek.

Bij gelegenheid van haar 60-jarig

bestaan in 1948 besloot de Brusselse

Afdeling van de Algemene Belgische

Persbond een gedenkboek te publiceren.

Dit besluit op zich zelf reeds

was prijzenswaardig, nog prijzenswaardiger

is de uitvoering daarvan:

dit gedenkboek siert de Brusselse

en de gehele Belgische perswereld.

Twintig artikelen van zo 1 veelzijdige

aard werden geschreven, dat

het praedicaat ,,La Presse-De Pers",

waaronder deze gebundeld bij het

Pershuis te Brussel verschenen zijn,

juist geacht mag worden. Reeds bij

het bladeren in dit typografisch zeer

verzorgde boek van ca 200 bladzijden

valt het op, dat figuren van

formaat hun medewerking hebben

verleend. Namen als Ooms, Stijns,

Gauchez, Seyl en Delandsheere behoeven

geen introductie.

Laten enkele beschouwingen genoemd

mogen worden. Gauchez —

journalist èn letterkundige — geeft

met „Les journalistes belges écrivains"

een zeer duidelijk overzicht

en inzicht in de betekenis die Belgische

journalisten voor de letteren

van hun land hebben gehad en hebben.

Ooms schrijft over „La presse

beige depuis ses origines jusqu' a

1930"; daarin valt het accent op de

tijd na de totstandkoming van België's

onafhankelijkheid en op de

Frans-talige bladen. Een goed en

noodzakelijk supplement daarop

levert Stijns met „Vooruitgang op

persgebied", dat de Vlaamse pers

behandelt. Overzichtelijk eveneens

zijn de artikelen over de illegale pers

en de Belgische pers in de vrije wereld

tijdens de Tweede Wereldoorlog.

„Grandeur et servitude de la Chronique

judiciaire", ,.La Presse et la

Critique artistique", en ,.De literaire

kritiek in de dagbladen" verdienen

ook een vermelding, waarmee niets

ten nadele bedoeld wordt ten aanzien

van bijdragen over parlementaire

journalistiek, het Belgisch

persbureau, Pershuis, Instituut voor

journalisten, technische evolutie,

10

radio-journalistiek enz. enz.

Natuurlijk voldoet het éne artikel

meer dan het andere. Zo is dat over

de buitenlandse pers en haar invloed

op de Belgische weinig uit de verf

gekomen, had ik graag de pers in

de Congo wat uitvoeriger behandeld

willen zien, ook de economischstructurele

ontwikkeling en de eventuele

gevolgen en spanningen daarvan

op ideëel-cultureel gebied.

Maar toch kunnen deze en andere

kritische opmerkingen mijn waardering

nauwelijks verminderen. Temeer,

omdat een gedenkboek niet

naar streng systematisch wetenschappelijke

maatstaven beoordeeld

mag worden.

De distinctie van dit gedenkboek

wordt nog verhoogd door inleidingen

van vijf autoriteiten, onder wie

— natuurlijk — Camille Huysmans

en Julius Hoste, maar zeker ook

door een belangwekkende keur aan

foto's, instructieve facsimiles en

andere illustraties.

In het kader van Benelux zal het

ook tot een vorm van samenwerking

met de Belgische pers moeten komen.

Deze samenwerking zal aan

betekenis kunnen winnen door te

weten van haar en haar mentaliteit.

Daartoe biedt dit Brussels-

Belgische gedenkboek een goede gelegenheid;

bovendien kan het leiden

tot een meer gedetailleerde bestudering

van de pers onzer Zuiderburen.

In de Nederlandse Persbibliotheek

zal dit gedenkboek over heden en

verleden der Belgische pers zeker

opgenomen worden. Moge het binnenkort

ook te vinden zijn in de

boekenrij van vele redacties en

journalisten. En gelezen worden!

Dit Brussels-Belgische gedenkboek

doet verlangen '— en daarin

ligt misschien de hoogste lof —

naar een soortgelijk Amsterdams-

Nederlands boek. Vergis ik mij, of

bestaat De Amsterdamse Pers in

Juni van het volgend jaar niet juist

een halve eeuw ?

DE PERS IN WEST-EUROPA

Onze collega Marcel Stijns, oudvoorzitter

van de afdeling Brussel

van de Alg. Belgische Persbond,

heeft in de reeks uitzendingen „Europees

commentaar" een radiotoespraak

gehouden, die op 5 April

door Hilversum I, op 6 April door

de B.B.C. (Home Service) en Radio

Parijs en op 9 April door Brussel

en Luxemburg is uitgezonden. Het

onderwerp — Samenwerking op

persgebied in West-Europa — paste

wel zeer bijzonder in dit internationale

kader.

Radio en pers, zo betoogde coll.

Stijns, zijn geroepen een belangrijke

taak te vervullen bij de verwezenlijking

van de Westeuropese eenheid.

Het verdrag van Brussel kan uiteraard

geen druk uitoefenen op de

pers van vrije landen, maar over 't

algemeen is de pers zeer gezind om

internationale samenwerking te

steunen.

Ten aanzien van de persvrijheid —

ook de vrije toegang tot het nieuws

— bestaan er in de Westerse landen

gemeenschappelijke tradities. Collega

Stijns pleitte in dit verband voor

gelijke persfaciliteiten, met inbegrip

van bijzondere tarieven voor perstelegrammen,

in de landen van het

verdrag van Brussel. Tussen de

verschillende persagentschappen —

met inbegrip van de Zwitserse en

Skandinaafse — bestaat een verheugende

samenwerking.

Helaas heeft de samenwerking in

de Internationale Organisatie van

Journalisten, niet aan de verwachtingen

beantwoord. „In de laatste

tijden werd de I.O.J. voortdurend

misbruikt voor hevige politieke propaganda.

Een ijzeren gordijn splitst

de organisatie. Terwijl wij deze

jammerlijke wending betreuren, zul­

len wij er de logische gevolgtrekking

moeten uit halen en pogen een

nieuwe organisatie op te richten,

waarin wij ons beter thuis gevoelen",

aldus coll. Stijns.

Wij zullen, zo ging hij voort, een

. zuivere berichtgeving en de solidariteit

onder de journalisten blijven

bevorderen.

De verspreiding van kennis van

elkanders landen is ook een belangrijke

taak van de pers. De gemeenschappelijke

reis van een aantal

journalisten der Beneluxlanden was

in dit opzicht een goede aanloop. De

uitwisseling van journalisten stuit in

veel gevallen af op taalmoeilijkheden.

Internationale reizen en studievergaderingen

zouden echer ook reeds

de journalisten helpen bij hun nieuwe

taak: het tot elkander brengen

van de democratische volken.

Det Danske Selskab"

organiseert dit jaar een Nederlands-

Vlaams-Deense zomerschool, bestaande

uit een cursus van een week en

een rondreis door Denemarken van

een week (17—31 Juli).

De cursus wordt gehouden op Vestbirk

Hojskole (15 km. ten N.W. van

Hersens in een zeer mooi gedeelte

van Jutland).

Hier zullen volksopvoedende en

sociale problemen worden behandeld,

zowel van Nederlandse als van

Deense zijde (voertaal: Engels en

Duits).

Op de rondreis zal er gelegenheid

zijn om sociale instellingen te bestuderen.

Kosten: 10 kr. p. .dag (rondreis en

uitstapjes inbegrepen) + de reiskosten

Nederland-Denemarken en terug.


DE PERSVRIJHEID IN HET GEDING

T_JET conflict tussen de bladen Het

* •* Parool en Trouw enerzijds en de

leiding van De Telegraaf anderzijds

heeft ook in journalistieke kringen

de nodige beroering gewekt. Dit is

volkomen begrijpelijk, want niet alleen

dreigden gevaren voor de materiële

positie van de aan eerstgenoemde

bladen verbonden collega's, indien

déze couranten in hun bestaan zouden

worden aangetast, maar meer nog

bleek hier de vrijheid van drukpers in

het geding. Duidelijk trad bij dit conflict

immers aan de dag, dat, althans

voor de dagbladpers, het feitelijk genot

van de persvrijheid afhankelijk is

van de mogelijkheid de vereiste technische

verzorging te vinden. Juist

bladen, die .niet over een eigen installatie

beschikken, verkeren te

dezen aanzien in een wankele positie.

De overheid mocht bij dit conflict

niet werkeloos toezien. Zij heeft dit

ook niet gedaan. De Persraad,

in spoedvergadering bijeengekomen,

heeft, nu de huidige leiding van het

Telegraafgebouw klaarblijkelijk het

personeel niet voldoende in de hand

kon houden, volkomen terecht op

grond van de Noodperswet op andere

wijze in het bestuur van het technische

bedrijf voorzien. In de tussentijd

hebben andere bedrijven in de

technische verzorging van Het Parool

en Trouw voorzien en wel op een

wijze, die de „.nooduitgaven", vooral

de Paasnummers, maar weinig bij de

gewone edities deed achterstaan. Dit

besluit van de Persraad grijpt diep in,

maar, zoals elders wel mogelijk is gebleken,

had een dergelijk ingrijpen

voorkomen kunnen worden, indien

langs de weg van vrijwilligheid op

behoorlijke wijze aan de geldende

verplichtingen was voldaan.

De houding van het technische personeel

van De Telegraaf verdient afkeuring.

Ik wil niet treden in een

beoordeling van de vraag, of inderdaad

de sociale positie 'van het personeel,

bij 'n uitblijven van de wederverschijning

van De Telegraaf en De

Courant, gevaar liep. Doch, zelfs indien

dit zo zou zijn, dan nog moet dit

eigenmachtige optreden van het personeel

worden veroordeeld. Om sociale

kwesties op te lossen, zijn er

waarlijk nog wel andere wegen,

welke bewandeld kunnen worden. Het

lijdt echter weinig twijfel, dat de

wilde actie van het personeel tevens

ten doel had, de wederverschijning

van genoemde bladen te forceren en

als zodanig dus een buiten de sociale

sfeer liggende strekking had. Dit is

even onaanvaardbaar als de z.g. politieke

stakingen, welke de grote vakbonden

reeds lang als middel van

strijd hebben verworpen. En dit klemt

in dit geval des te meer, nu hierdoor,

zoals gezegd, het feitelijke genot van

de persvrijheid in gevaar werd gebracht.

De Persraad heeft tevens** medegedeeld,

dat in zijn opdracht aan de

nieuwe bewindvoerders mede is ver­

vat „het treffen van voorbereidingen

voor de verschijning van De Telegraaf

en Het Nieuws van de Dag,

evenwel niet dan nadat de regelmatige

en tijdige verschijning van de

gastbladen, overeenkomstig de eisen,

die daaraan redelijkerwijze mogen

worden gesteld, ten volle is verzekerd".

Deze laatste toevoeging is in

het licht van de jongste gebeurtenissen

volkomen begrijpelijk; zij leert

tevens, dat, indien het optreden van

een nieuw bestuur vertraging van

bedoelde wederverschijning zou veroorzaken,

het personeel zulks in de

eerste plaats aan zich zelf te wijten

heeft.

Ook overigens is de bijkomende opdracht

van de Persraad aan de

bewindvoerders volkomen juist te

achten. Men moge over de perszuivering

denken zo men "wil, doch nu in

hoogste instantie in de Telegraafzaken

uitspraak is gedaan, zou het

détournement de pouvoir zijn, indien

de overheid, doordat zij anderszins

„a finger in the pie" heeft, de wederverschijning

langer zou ophouden dan

noodzakelijk is om de vereiste opheldering

in de situatie te brengen. Ik

stel dit, niet omdat ik deze wederverschijning

op zich zelf wil bepleiten,

Het Secretariaat van bovengenoemde

vereniging verzoekt opneming

van 't volgende communiqué:

,,De beunhazerij op journalistiek

terrein en de vele critiek, welke de

laatste tijd op de persbureaux wordt

geoefend, heeft een aantal leiders

van Nederlandse persbureaux ertoe

gebracht middelen te beramen ten

einde van deze ongezonde toestanden

•een eind te maken.

Als resultaat van dit overleg is

te Utrecht opgericht de NEDER­

LANDSE VERENIGING VAN

PERSBUREAUX (N.V.P.), waarbij

zich op de oprichtingsvergadering

hebben aangesloten (in alfabetische

volgorde) Carto (Den Haag), Internationaal

Persbureau (Wassenaar),

Internationaal Persbureau Apeldoorn

(Apeldoorn), Nederlands

Feuilletonbureau (Barneveld), Nederlands

Persartikelen Bureau (Amsterdam),

Onafhankelijk Persbureau

Amsterdam (Amsterdam) en Persbelangen

(Utrecht).

Het voorlopig bestuur bestaat uit

de heren H. van Wermeskerken

(Persbelangen), voorzitter; W. N.

Freni (I.P.B.), Lange Kerkdam 50,

Wassenaar, telef. 2820, secretarispenningmeester,

en N. J. P. Smith,

(I.P.A.), lid.

Op de eerste bijeenkomst werden

reeds belangrijke resultaten verkregen,

o.m. inzake de vaststelling van

minimumprijzen voor het door de

doch omdat een juiste opvatting van

de persvrijheid gebiedend voorschrijft,

dat noch naar de ene noch naar de

andere zijde een discriminerende behandeling

wordt toegepast.

Vooral wij journalisten moeten er

op toezien, dat de vrijheid van drukpers

niet wordt aangetast, en wel

noch door welke machtsformatie ook,

noch door de overheid. Het laatste

woord is ten deze aan het lezend publiek.

Want niet alleen houdt de persvrijheid

in, dat de burger kan

schrijven zonder voorafgaande censuur,

doch tevens dat hij de krant

kan kiezen, welke hij wenst. In een

eerlijke concurrentiestrijd, binnen de

grenzen van de wet, zal moeten

blijken, welk blad bestaansmogelijkheid

heeft en welke niet.

Wie met mij van oordeel is, dat de

eerlijkheid van deze onderlinge mededinging

bevorderd kan worden door

een wettelijke regeling, welke, met

volledige handhaving van de persvrijheid,

de openbaarheid t.a.v. dagbladondernemingen

kan bevorderen, geve

zijn steun aan 't streven onzer organisaties

om de totstandkoming van

zulk een wetgeving te helpen bevorderen.

ROOY, Voorzitter N.J.K.

Ned. Vereniging van Persbureaux

bureaux te leveren materiaal.

Nadere mededelingen hieromtrent

kunnen de bladen binnenkort tegemoet

zien."

Aan een ons door de voorzitter,

de heer H. van Wermeskerken gezonden

verslag van de oprichtingsvergadering,

dat te uitgebreid is om

in deze kolommen opgenomen te

kunnen worden, ontlenen wij nog:

dat men in deze vergadering algemeen

van mening was, „dat een

organisatie van persbureaux zeker

gewenst zou zijn, om daardoor te

bereiken: a. een erkenning als zodanig

door de daarvoor in aanmerking

komende organisaties en instanties;

b. een altijd redelijke vergoeding

voor geleverde kopij; c. een betere

standing van het persbureauwezen."

In afwachting van het contact,

dat de nieuwe vereniging met de

persorganisatiës zal zoeken (naar

onze mening zullen dit zo wel de

uitgeversorganisaties, de N.D.P., de

N.N.P. en de N.O.T.U., als de Federatie

moeten zijn), willen wij volstaan

met er op te wijzen, dat een

tarieven-regeling niet alleen van de

persbureaux en dus ook van de daarbij

werkzame collega's van belang

is, doch indirect ook voor de freelances.

De laatste categorie zal er

uiteraard bij gebaat zijn, indien

„oneerlijke concurrentie" van nietbona

fide persbureaux wordt tegengegaan.

11


KWESTIE NUMMERO IA:

DE TELEGRAAF

U moest ons nu eens zien zitten!

Ons altijd zo keurige schrijfbureau

een zee van papieren. Een mer a

boire. Een bittere, onstuimige,

stormachtige zee van knipsels, knippels,

knipsels Telegraaf Parool

Trouw Collega Rooy

heeft, rustig en sereen zoals hij is,

hiervóór zijn oordeel neergeschreven.

Maar wij zitten er maar mee Wij

wilden Ü alles vertellen wat alle

kranten ervan vertellen. Wij zouden

er een tienvoudige Journalist mee

kunnen vol-knippen en plakken.

Mogen wij dan maar hier en daar

met een door wanhoop geleide

schaar...... met een in arremoed gedoopte

lijmkwast een greepje

doen ? Vrienden-collegae die hieronder

„gepasseerd" wordt alstublieft

weest mild Vergeeft

ons U moest ons nu hier eens

zien zitten Onrustig, zenuwachtig,

met klamme handen te midden

der baren, van een zee, van

zeven zeeën, van knipsels, knipsels,

knipsels Waarvan wij er hier

tien (slechts tien) doen volgen:

-Nu dan:

Dit is uit De Linie:

ODoch de opmerking moet ons van

het hart, dat de onwaarschijnlijk

platvloerse en demagogische hetze

waarmede de „Nooduitgave" van

Het Parool op 12 April zijn tegenspeler

te lijf gaat, op een peil ligt

dat men slechts van een Waarheid

verwacht. Zijn alle illegale Paroollieden

tussen 1940—1945 helden geweest?

Zijn alle Telegraaf-lieden, in

diezelfde periode schurken geweest?

Niemand zal dit een seconde aanvaarden.

Waarom schildert Het Parool

zijn tegenstander dan af als een

platte collaborateur, zichzelf de

lauwerkrans van de smetteloze opoffering

boven de (toch ook niet gehéél

onbaatzuchtige en karaktervolle)

gelaatstrekken plantend ?

Deze blinde wraakzucht doet gecompliceerde

en menselijk vaak gehéél

anders liggende verhoudingen tot

een zwart-witte parodie ontaarden,

die met realiteit niets meer te maken

heeft en de critische toeschouwer

slechts met verachting vervult.

*

En dit uit De Groene:

Het Telegraaf-personeel doorkruist

met zijn houding de overeenkomst

tussen de Telegraaf en die oud illegale

bladen vrijwillig aangegaan. Het

is een naar conflict, schandelijk voor

de journalistieke tradities van ons

land, schadelijk voor de goodwill —

althans in die kringen die goodwill

te geven hebben — van de Telegraaf.

Voor de gehele arbeidersbeweging

zit er bovendien die nare kant aan,

dat hier het personeel, „de arbeiders",

een standje verdedigen van

een „zaken zijn zaken", onderneming,

zonder enige morele of idealistische

achtergrond, tegen twee bladen als

Trouw en Het Parool. In dit licht is

12

VAN ALLERLEI KAN

het misschien jammer dat Trouw en

het Parool bij andere drukkerijen

proberen, toch zo goed mogelijk uit

te komen. De schande die zij dag in

dag uit over het personeel van de

Telegraaf hadden kunnen brengen

door zo slecht mogelijk, i.e. zo als dit

personeel het dienstig achtte, te verschijnen,

had psychologisch sterker

kunnen werken. Daardoor had dan

tevens kunnen blijken, hoever de

verantwoordelijkheid van de leiding

van de Telegraaf in deze gaat. De

heer Reinalda heeft verklaard de

onderhandelingen over de hele zaak

op te schorten tot het „personeel"

tot inkeer komt. De overheid zou in

deze kwestie, die zo gauw mogelijk

de wereld uit moet, mogelijk nog

meer op kunnen schorten om dit

personeel nog grondiger tot andere

inzichten te brengen.

Trouw heeft waardiger gereageerd

dan het Parool op deze gebeurtenissen

in een noodeditie, maar beide

bladen verdienen in dit conflict de

volhardende morele en materiële

steun in de hoogste mate.

Uit Het Vrije Volk:

Een dergelijke greep naar een bevoegdheid,

die de regering en haar

uitvoerende organen toekomt en

haar alleen, kan in geen enkele staat

worden geduld. De ervaring in binnenland

en buitenland leert, dat de

groep arbeiders, die deze eenvoudige

waarheid uit het oog verliest, in zeer

snel tempo de sympathie van het

publiek verliest. Toepassing van deze

anarchistische methode heeft nog

altijd een 'averechtse uitwerking

gehad.

Wij waarschuwen zeer ernstig

tegen onberaden stappen op deze

weg.

Wij zouden het betreuren, indien

door een actie van lijdelijk verzet de

drie gastbladen of wel zó laat moesten,

of wel in zó onvolledige vorm

verschijnen, dat hun positie zou

worden benadeeld en hun rechten tot

een aanfluiting werden gemaatk.

Wij vertrouwen, dat de autoriteiten

in geen geval zullen wijken voor

onberaden lieden, die het recht in

eigen hand willen nemen.

En uit De Waarheid:

Het is echter inmiddels opgemaakt,

omdat het Telegraaf-conèern

met verlies werkt.

Het personeel heeft zich laten

wijs maken, dat de pensioenrechten

gewaarborgd blijven, indien de Telegraaf-Courant

weer verschijnt. Hiervoor

is vanzelfsprekend geen enkele

garantie. Want niemand kan nu met

zekerheid zeggen, of de Telegraaf

winst zal maken.

Maar hoe dan ook, het personeel

vermindert de sympathie voor zijn

socSale eisen, omdat het deze op

zichzelf volkomen gerechtvaardigde

verlangens aan de verdediging van

de belangen der familie Holdert heeft

gekoppeld.

Het personeel heeft gelijk, wanneer

het waarborging van.zijn pensioenrechten

eist, wanneer het

maatregelen wenst om ontslagen

te voorkomen. Het is ongetwijfeld

een schandaal, dat mensen

van 68 tot 70 jaar in het bedrijf

werkzaam moeten blijven, omdat zij

terecht de honger vrezen.

Maar zij zullen hun goede zaak

niet kunnen winnen door zich — zij

het ook onbewust — voor het karretje

van de Telegraaf-eigenaars te

laten spannen. Het moet ons echter

van het hart: Wat de leden van de

personeelsraad betreft, in het

bijzonder de heren Cappel en Heier,

deze spelen een afkeurenswaardige

rol. Of begrijpen zij niet, dat zij door

hun actie het herverschijnen van twee

bladen willen afdwingen, waarover

het Nederlandse volk reeds lang het

doodvonnis heeft uitgesproken?

Evenmin echter kunnen Parool en

Trouw verwachten, dat hun optreden

gewaardeerd zal worden. Immers, zij

stellen zich op het volkomen onprincipiële

regeringsstandpunt, van de

Telegraaf geen haarbreed in de weg

te Willen leggen, terwijl zij aan de

andere kant mede het conflict geforceerd

hebben.

Het (Rotterdamse) Parool:

Wat wij in de afgelopen jaren alom

in den lande hebben kunnen zien, dat

de uit de illegaliteit voortkomende

kranten getreiterd, gesaboteerd, benadeeld

en geplagieerd werden door

de in de oorlogstijd collaborerende

pers, doordat laatgenoemde in het

bezit zijn van de outillage, welke de

regering in een helder moment aan

de illegaliteit had toegezegd, dit

zelfde zien wij, doch thans op grotere

schaal, geschieden te Amsterdam,

waar het personeel van „De Telegraaf"

die sabotage uitoefent, welke

het vergeten heeft in de jaren '40 tot

'4© toe te passen. En wat in die

jaren gold als een eervol praedicaat:

illegaliteit, hetgeen onwettigheid betekent,

moet thans beschouwd worden,

nu wij zijn weergekeerd in een

maatschappij, die zegt orde en regelmaat

in eigen hand te kunnen nemen,

als een uitdaging aan allen, die wars

zijn van de dictatuur ener minderheid.

Het is een uitdaging aan U en

aan de ovenheid, die elk uur dat zij

deze ongehoorde en ongekende toestand

laat bestaan, aan prestige verliest

en buigt voor de mentaliteit,

die vijandig is aan de goede democratie.

TEN EN KRANTEN

Wéér Het Vrije Volk:

Maar leest nu hoe „De Waarheid",

die immers, evenals „Het Parool" en

„Trouw", een oud-illegaal blad is,

dat zelf gastrecht geniet bij een

ander blad en op vreemde persen,

hierover schrijft: „Wij hebben altijd

beweerd, dat Het Volk tot taak had,

de officiële zienswijze van het reactionnaire

partijbestuur door dik en

door dun te verdedigen. Terwijl Het

Parool de taak op zich had genomen,

in zekere vraagstukken, zoals b.v.

het Indonesische oppositie te spelen

en aldus de ontrevreden leden van

de P.v.d.A. het gevoel te verschaffen,

dat hun zienswijze doeltreffend in de

partij verdedigd kan worden. De

Parool-Telegraaf-rel heeft op wonderbaarlijke

wijze deze opvatting

bevestigd.

Toen we gisteravond Het Volk

lazen, dachten we Het Parool te

hebben, en toen onze jongste ons

Het Parool gaf, snauwden we haar

af: „Ik heb niet om Het Volk gevraagd!"

En wat zou „De Waarheid", die

de Telegraaf-sabotage op deze

liederlijke manier ondersteunt, schrijven

als de zetters en drukkers van

^Het Handelsblad" het „De Waarheid"

onmogelijk maakten te verT

schijnen ?

Een krant, die wegens haar houding

in de bezettingstijd haar naam

niet meer mag dragen en daarom, in

plaats van „De Gooi- en Eemlander"

kortweg „De Gooi" heet, doet ook

een duit in het zakje van „De Telegraaf".

Het blad spreekt van het na

de oorlog „verdrongen recht", dat

zijn rechten begint te hernemen en

doelt daarbij op „De Telegraaf", die

volgens „De Gooi" een blad is „gezuiverd

en van alle smetten schoongewassen",

dat terecht poogt weer

in zijn eigen gebouw en op zijn eigen

persen te gaan draaien.

Robert en Bertram, een oud verhaal,

dat helaas altijd nieuw blijft.

En de Nieuwe Haagse Courant:

„Trouw en „Parool" behoren tot

de bladen, die in de donkerste jaren

der bezetting ons volk zijn geweest

tot voorbeelden van fierheid en nationale

zin. Niet dan grove ondankbaarheid

zou het zijn, wanneer thans hun

verschijning zou worden bemoeilijkt.

Niet voor niets heeft zowel de Regering

als het Parlement bij meer

dan een' gelegenheid zich uitgesproken

voor een verschijning — ook na

de bevrijding — van deze bladen op

een wijze, die geheel in overeenstemming

zou zijn met de grote verdiensten,

welke zij zich in de donkerste

uren van onze landsgeschiedenis

hebben verworven.

Maar ook „De Telegraaf" heeft

niet anders verdiend. Het is, zoals de

motie van de Centrale A.R. Kiesvereniging

het heeft gesteld: terwijl

„Trouw en Parool" de grootste risico's

op zich namen en de grootste

offers brachten in het verzet tegen

de vijand, beijverde „De Telegraaf"

zich, meer dan een maatregel van de

vijand, hoe verwerpelijk ook, als

juist en acceptabel voor te stellen.

Nog onlangs hebben wij zelf onze

critiek laten horen op de zeer onbevredigende

manier, waarop de Raad

van Beroep voor de perszuivering

deze houding niet alleen heeft gebagatelliseerd,

maar zelfs in bepaalde

opzichten heeft verdedigd.

Nog eens De Waarheid:

Vrijwel de gehele illegale pers is

de steunpilaar geworden en gebleven

van een regering, die onverschillig

is voor de belangen van het werkende

volk en zij heeft de belangen van

hun bladen, van hun lezers, van het

werkende volk, toevertrouwd aan

deze regering.

Is het wonder dat Parool en Trouw

thans.in moeilijkheden zijn gekomen

en er nog wel meer zullen volgen?

Door gebrek aan vertrouwen in de

werkers, door hun verraad aan de

belangen der arbeiders, hebben deze

illegale bladen het eigen fundament

ondergraven, hebben, zij de steun

van het) proletariaat, de enige kracht

die aan de kapitalistische hebzucht

een halt toe kan roepen, versmaad

en verspeeld.

Zo schuilt in deze kleine gebeurtenis

een grote les.

Vrij Nederland:

De daad van het Telegraaf-personeel

heeft plotseling de aandacht

van het Nederlandse volk gevestigd

op een rotte plek in ons perswezen,

die zo snel mogelijk gecureerd of

uitgesneden moet worden. De onderhandelingen

die reeds enige tijd onder

leiding van de heer Reinalda,

commissaris van de Koningin in de

provincie Utrecht en voorzitter van

de Persraad, werden gevoerd tussen

beide partijen, teneinde te komen tot

een billijke verdeling van het gebruik

van de technische middelen (let wel,

JOURNALIST,

verbonden aan dagblad op de Veluwe

wenst voor dit rayon een of

meer bladen als correspondent te

vertegenwoordigen.

Brieven onder No. 101/48, „De

Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

lezer, niet van het eigendom en niet

van de winsten!) zijn door deze

ongehoorde gebeurtenissen ontijdig

verstoord.

Mogelijk is het een blijk van overmoedig

zelfvertrouwen van De Telegraaf,

die meent, dat Nederland in

vier jaren tijd alles vergeten is, alles

vergeven heeft en alles tolereert, wat

zich maar met voldoende brutaliteit

aandient. Dat zou wel eens een grote

vergissing kunnen zijn! Dat moet tot

een grote vergissing gemaakt worden!

Zo niet, dan late men op de

komende nationale feest- en gedenkdagen

de bloemen weg van de fusilladeplaatsen

der illegale werkers

en legge ze op het graf van Holdert,

de man, die om een Telegraaf-karakteristiek

uit de bezettingstijd te

citeren, als een echte Hollander „van

wijken wist en waagde niet, waar hij

geen kansen zag".

En De Vlam:

Zo. zien we dan het merkwaardige

schouwspel, dat het technische personeel

van het ergste collaborateursblad

opkomt voor zijn spoedige herverschijning

inplaats van te doen,

waarover een aantal hunner in het

laatste deel van de oorlog de mond

zo volhad — het bedrijf te bezetten

en de persen over te dragen aan de

illegaliteit. Zo zien we „revolutionnairen"

zich tot tolk maken van het

ondernemersbelang van de erven

Holdert. Zo beleven we, dat de „vrije

socialist" Wim Cappel op de persconferentie

voor de personeelraad

het woord doet en de ellendige houding

van het technische personeel

verdedigt.

Het personeel van „De Telegraaf"

had iets goed te maken. Tegenover

het Nederlandse volk in het algemeen,

tegenover de arbeidersklasse

in het bijzonder. Het had, met op zij

zetten van alle persoonlijke belangen

en tegen de besluiten van de persraad

in de herverschijning van het

collaborateursblad moeten beletten.

In stede daarvan volgt het de lijn,

die het in de oorlog heeft aangenomen:

de persen en de belangen

van de familie Holdert, Sieg Heil!

KWESTIE NUMMERO IB:

WETSONTWERP POMPE

Nu zijn wij, op goed geluk en

tamelijk willekeurig door de éne

knipsel-zee heen en nu ligt er wéér

een voor ons: Pompe of verzuipen...

Daar gaan we:

De Nieuwe Haaffse Courant:

Er zijn tegen deze omschrijving

verschillende bedenkingen aan te

voeren. In de eerste plaats is zij

uiterst vaag. Men dient bij deze formulering

reeds vooraf bezield te

zijn met medelijden jegens de tuchtrechter,

die zulke bepalingen zal

hebben toe te passen. Hij kan er alles

van maken en... niets.

13


Maar bovendien schuilen in een

formulering in zulk een vage vorm

ook grote gevaren. Want, als gezegd,

de tuchtrechter kan er alles van

maken: hij kan er ook van alles van

maken. Tweeërlei valt te vrezen: dat

straks de tuchtrechter met zijn rijke

bevoegdheden geen raad weet en

dan neerzit als de ezel tussen twee

schelven hooi, links de zorgvuldigheid

van de journalist jegens het

maatschappelijk leven, rechts de

eer van de journalistenstand."

Teleurstellingen zullen hier niet

kunnen uitblijven. Toch kan men de

bedenkingen ook te zwart afschilderen.

De eer van de journalistenstand

is tenslotte niet helemaal een

leeg begrip. En door een verstandige

en vooral wijze tuchtrechter kan de

schepping en totstandkoming van

dit begrip worden bevorderd.

Toch blijft grote opmerkzaamheid

hier geboden. Maar overigens heeft,

menen wij, ;nog niemand een betere

formulering gesuggereerd.

De Prinsestad (onder het hoofd

„Seyss Inquart herleefd"):

Wie bepaalt concreet hoe beroepseer

en andere vage begrippen juridisch

moeten worden gewaardeerd?

Deze waardering kan slechts zuiver

subjectief zijn en als er kwaadwilligheid

en intrige in het spel is, welnu,

dan staat het veld der willekeur

naar alle horizonten open.

Dit zou vóór de oorlog, toen de

overheidsorganen nog het algemene

vertrouwen verdienden en genoten,

reeds een onoverkomelijk bezwaar

zijn geweest, thans echter, terwijl

reeds in Londen de regering de

meest beproefde rechtsbeginselen

domweg overboord heeft gesmeten

(art. 1. Wetb. v. Strafrecht bijv.),

na de bevrijding, allerlei overheidsorganen

de Nederlandse burger met

de meest denkbare willekeur hebben

bejegend en met' de methoden

der perszuivring als droevig voorbeeld

voor ogen, kan het wetsontwerp

der regering uit een oogpunt

van rechtszekerheid en democratie

niet anders dan in de meest volstrekte

zin verwerpelijk worden genoemd.

De Koninklijke Boodschap welke

de aanbieding van ieder wetsontwerp

begeleidt, zo ook dit wetsontwerp,

eindigt stereotiep met de

woorden: ,,En hiermede bevelen Wij

U in Godes heilige bescherming".

Deze woorden zouden ook toepasselijk

kunnen zijn op de journalisten,

directeuren en uitgevers, wanneer

dit ontwerp wet wordt en uiteindelijk

op het gehele Nederlandse Volk,

want geen vrij Volk zonder vrije

pers!

Uit het Algemeen Handelsblad:

Wij vrezen dat de regering hier

een bedenkelijke richting inslaat. De

Drukpersvrijheid, dat wil voor een

zeer belangrijk deel in feite zeggen:

14

de meningsvrijheid van de journalist

om zijn gedachten te publiceren,

is een kostelijk goed. Zoals elke vrijheid,

brengt zij risico's mee. Maar

een vrij, en geestelijk doorgewinterd

volk als het onze, kan wel tegen een

stootje, en bij de geestelijke verscheidenheid

die in Nederland vrij

tot uiting kan komen, zullen ook

journalistieke ontsporingen in vrije

tegen-critiek een ruime mate van

correctie vinden. Te ver gaande inperking

van die geestelijke vrijheid,

ook indirect door de journalisten te

scherp onder controle te stellen, of

althans de gelegenheid daartoe te

ver te openen, brengt echter veel

gevaarlijker risico's mede voor de

vrije geestelijke ontwikkeling van

een volk. Van deze twee soorten

risico's achten wij dit laatste het

grootste en het wetsontwerp in zijn

huidige vorm om die reden onaanvaardbaar.

Wat nu echter in geforceerd

tempo gebeurt, opent de deur voor

willekeur en intimidatie op 't uiterst

waardevolle en gevoelige terrein van

de meningsvrijheid in de perswereld.

Du choc des opinions jaillit la vérité.

Maar de „choc" moet er zijn en waar

meningen op elkaar stuiten kunnen

spaanders vliegen.

Wat meer vertrouwen in de gezonde

critische zin van ons volk lijkt

geboden. „Kennelijk onware mededelingen"

schreef minister Van

Schaak in 1934, „wekken in de openbare

mening een natuurlijke reactie".

Dat is in een vrij land nog altijd de

beste vorm van correctie. Bovendien,

wie de georganiseerde openbare mening

te zeer gaat hinderen, drijft

haar naar ondergrondse wegen.

Zo ergens, dan moet men op dit

terrein met hinderwetten en veiligheidsschermen

voorzichtig zijn. Het

wetsontwerp op de journalistieke

verantwoordelijkheid (een noodzakelijke

eigenschap, waarvoor wij

waarlijk niet minder begrip hebben

dan de regering) schiet in die voorzichtigheid

tekort. Daarom achten

wij het een gevaar voor de persvrijheid,

en dus verwerpelijk. Men moet

de duivel niet met Beëlzebub willen

uitdrijven.

Uit de Haagsche Post:

Men kan zich een keurslijf van

bepalingen, als voorgesteld, indenken

voor landen, onderworpen aan

rriin of meer zachte dictaturen. In

het vrije, democratische Nederland

mag niet de domper worden gezet

op het vrije journalistenberoep.

En uit De Waarheid:

Het is onaanvaardbaar, dat de.

overheid op het gebied van de pers

een bepaalde maatstaf aan gaat leggen

met betrekking tot „verantwoordelijke"

voorlichting en het

„schadelijk-zijn voor de journalistenstand".

Met wetten, die zulks wèl

willen, plaveit men de weg naar de

censuur.

Uit Trouw:

Wij zijn over dit hele ontwerp niet

enthousiast.

En wel om de volgende redenen

niet.

Allereerst gevoelen wij weinig

voor deze sluiting en reglementering

van den journalistenstand. Het beroep

van journalist is een zeer apart

vak. Van oudsher hebben daartoe

zeer vreemde snuiters behoord. En

de vreemdsten onder hen zijn voorzeker

vaak niet de slechtsten geweest.

Wil men dat behouden, dan

moeten er niet van te voren over

den adspirant-journalist, waarderingsoordelen

worden gegeven aan

de hand van een zó vagen norm als

„de vrees, dat de eer van den journalistenstand

zal worden geschaad,"

die er toe zou kunnen leiden, dat

iemand wordt uitgesloten.

De vrijheid van meningsuiting is

een veel belangrijker goed in onze

samenleving dan de eer van den

journalistenstand.

En al mogen wij niet zeggen, dat

door deze beperking de vrijheid van

meningsuiting in den letterlijken zin

des woords zal worden ingekort, deze

beperking maakt vrije meningsuiting

toch wel moeilijker. En dat achten

wij verkeerd.

In de tweede plaats gevoelen wij

weinig voor deze lekenrechtspraak.

Wij zijn daar in het algemeen al

niet mee ingenomen, maar zeker

niet t.a.v. een beroep, waarbij de

grondwettelijke vrijheid van drukpers

en van meningsuiting in het

algemeen zo nauw is betrokken als

bij de journalistiek.

Als dat in het geding is, geven

wij verre de voorkeur aan een beroepsmatige,

juridisch geschoolde,

rechterlijke macht, die als zodanig

een veel objectiever instelling is dan

een college, dat voor het overgrote

deel uit vakgenoten en ten dele uit

colega's van de justiciabelen bestaat.

Ook dit betekent bedreiging

van de vrijheid.

En in de derde plaats hebben wij

weinig waardering voor delictsomschrijvingen

van een zo vaag en

algemeen karakter als hier worden

gegeven.

(Wijlen) De Nederlander:

Voor ons als Protestanten tenslotte

is dit wetsontwerp onaanvaardbaar.

Calvijn en Luther handelden

„onverantwoordelijk", niet

naar de regels van hun tijd, maar

opzettelijk, vaak grof en driftig,

evenals de kerkvaders en de profeten.

JOURNALIST N.J.K.,

opmaak-redacteur periodieken, 20

jaar practijk, schrijver van technische

en algem. artikelen, zoekt

contact met uitgever(s) van periodieken.

Brieven onder No. 93/48, Bureau

De Journalist", N.Z. Kolk 28,

Amsterdam-C.


Wij prefereren nochtans hun gezelschap

boven dat van de heren Rutten

en Wyers.

De Haagse Courant:

De Regering constateert in haar

toelichting terecht, dat een vrije

pers een uitermate belangrijk element

vormt in het democratische

bestel. Hoe is het dan mogelijk, dat

zij in dit wetsontwerp het essentiële

kenmerk van een goede pers „de

vrijheid" aan zo grote gevaren blootstelt?

Het is haar, in zoveel wettelijke

maatregelen blijkende, zonderlinge

manie, dat de ware vrijheid

eerst verwezenlijkt zal zijn, wanneer

alles geregeld is en iedereen onder

ambtelijk toezicht staat.

De Maasbode schrijft:

Fors heeft de Persraad ingegrepen

waar het in ons Nederlandse

dagbladwezen dreigde scheef te

gaan. De wel clemente houding van

de Raad van Beroep voor de Perszuivering

prikkelde blijkbaar tot

overmoed, ondanks het feit, dat een

officiële beslissing ter zake nog niet

gevallen is. Nu krijgt de „Telegraaf"

een paar bewindvoerders en kan ze

peinzen over de kwade kansen van

het te hard van stapel lopen.

Wij moeten bij deze gang van

zaken denken aan het misbaar dat

de laatste tijd gemaakt wordt om

het ontwerp van wet op de journalistieke

verantwoordelijkheid. Er

lijkt ons te weinig bij overdacht dat

een regeling als hier ter tafel ligt

toch eigenlijk uit de kringen van

belanghebbenden zelf is gegroeid.

Niettemin werd er tot nu toe nauwelijks

één goed woord over gezegd;

men mompelde zelfs van Nazimethoden

die in de wetsvoordracht

toepassing zouden vinden. De instelling

van een persregister ter vrijwaring

van de journalistenstand

tegen schadelijke elementen deed

alree het schrikbeeld rijzen van een

Perskamer, waaraan de oprichting

van een „persgereoht" (de instelling

van een tuchtrechtspraak) nog

weer extra relief verleende. De mogelijkheid

dat de journalist tuchtmaatregelen

worden opgelegd, schijnt

vele beoefenaars van het edele vak

alsnog af te schrikken.

Natuurlijk moet er voor worden

gewaakt, dat een willekeurig uitgeoefende

repressieve censuur geen

roet in het eten gooit, nu men daarvoor

gevaar ducht, gezien de

inderdaad wel zeer ruime delictsomschrijving

in het ontwerp. Maar

daar is de behandeling voor in onze

Volksvertegenwoordiging, welke inzake

de vrijheid van de burger niet

over één nacht ijs pleegt te gaan.

Er lijkt ons in elk geval geen aanleiding

tot een ach-en-wee-geroep

als tot nu toe uit de kringen van de

journalistiek is opgegaan.

De Rotterdammer:

Dat dit wetsontwerp is voorbereid

door een breed samengestelde commiisse

en dat die commissie eenstemmig

bleek, behoudens op een bepaald

punt — overigens, zoals wij

nader zullen zien, een belangrijk

punt —, doet reeds vermoeden, dat

de thans voorgestelde regeling geen

verwerpelijke is.

Dit betekent weer niet, dat het

wetsontwerp aanleiding geeft tot

juichen. Wij moeten dit wetsontwerp

ook zien als een noodzakelijke maatregel

om tegenover de vrijheid, waarvan

de Grondwet uitgaat, de verantwoordelijkheid

van de schrijvers

te verwerpen.

Zulk een maatregel is geen reden

tot verheuging, hierom niet omdat

er een beperking van de vrijheid in

ligt uitgedrukt, maar bovendien

niet, omdat het blijkbaar nodig was,

die verantwoordelijkheid van de

journalisten, welke van huis uit een

morele verantwoordelijkheid is, nog

eens juridisch en wettelijk te gaan

onderstrepen.

* *

Het Parool:

Wanneer straks het deze week

ingediende wetsontwerp op de journalistieke

verantwoordelijkheid de

beide Kamers der Staten Generaal

met succes gepasseerd is, zullen de

journalisten een afgeloten stand

vormen, die beschikt over een afzonderlijke

rechtspraak. Dat is de

kern van het nieuwe ontwerp: een

belangrijke stap naar een betere

structuur van 't perswezen.. Beter,

omdat gebleken is, dat een werkelijke

vrijheid van drukpers niet ontstaat

uit een 19-eeuwse heilige angst

om, waar dan ook, regelend op te

treden, maar dat die vrijheid kostbaar

genoeg is om haar te verzekeren

door welbewuste regulering.

Hetgeen daaraan vooraf moet

gaan is een duidelijke begrenzing

van wat het perswezen omvat; het

belangrijkste onderdeel daarvan, de

HU HUURDE ZIJN KLEEDING BIJ:

Gebr.Lokhoff

GERARD DOUSTRAAT 88

AMSTERDAM ZUID

TROUW-, ROUW- EN

AVONDKLEEDING

journalistiek, wordt in het wetsontwerp

van heden tot een beroep van

grote verantwoordelijkheid. Wie dat

beroep uitoefent zal ingeschreven

moeten zijn in een register van journalisten

en slechts ingeschrevenen

zullen de titel „journalist" mogen

voeren. Maar wie op deze wijze deel

uitmaakt van de journalistenstand

zal zich dan ook moeten gedragen

naar de normen van die stand. Hij

zal zijn lezers eerlijk en verantwoord

moeten voorlichten, hij dient zich te

gedragen overeenkomstig de eer van

zijn stand en met de zorgvuldigheid,

die een journalist tegenover anderen

behoort in acht te nemen.

Ziedaar de omschrijving, die de

wet bevat. Er zullen niet velen zijn,

die menen, dat de ontwerpers hiermede

aan de journalist té hoge

eisen stellen. Het geven van voorlichting

is een belangrijke en verantwoordelijke

taak. Wijdt men zich

daar eenmaal aan, dan mag men

besef eisen van het gewicht daarvan.

Het gedrukte woord is suggestief

en het is waar, dat, zoals de toelichting

op het ontwerp zegt, slechts

de kortzichtige zou kunnen beweren,

dat de publieke opinie zelf voldoende

in staat is om journalistieke

uitwassen te onderkennen en daarop

afdoende te reageren.

Het is duidelijk, dat de wet ook

verlangt, dat de journalist de normen

van zijn stand in acht neemt.

Doet hij dat niet, dan wacht hem een

spéciale rechterlijke macht, het persgerecht.

De leden daarvan, journalisten

en uitgevers onder voorzitterschap

van een jurist, worden voor

het leven benoemd, waardoor zij

onafhankelijk zijn van de regering.

Indien vaststaat, dat de overtreder

van de • normen ener fatsoenlijke

journalistiek zulks deed met opzet

of ten gevolge van grove schuld,

dan kan het persgerecht hem tuchtrechtelijk

straffen met een waarschuwing,

berisping, -boete, schorsing

of ontzetting. Éen extra-waarborg

voor goede rechtsbedeling ligt

in de mogelijkheid van beroep op

een speciale kamer van het Amsterdamse

Gerechtshof. Onze wetgeving

kent een dergelijke rechtspraak

voor artsen sinds 1930 en voor advocaten

sinds de vorige eeuw.

Een commissie, onder leiding van

de Voortreffelijke Utrechtse strafrechtkenner

prof. Pompe, heeft het

ontwerp voorbereid. Personen uit

alle geestelijke richtingen — uitgezonderd

communisten — waren in

de commissie opgenomen; zij bevatte

daarenboven vertegenwoordigers

van de drie journalistenorganisaties

en van de verenigingen van

uitgevers van dagbladen, nieuwsbladen

en tijdschriften; géén sector uit

het perswezen was overgeslagen.

Dat een commissie van zo brede

samenstelling unaniem — behoudens

op een ondergeschikt punt — tot

haar advies kwam, is een interessant

bewijs voor de gretigheid, waarmee

de Nederlande pers zelf streeft naar

verheffing van haar peil.

15


„INFORMEEL

Sommige mensen komen er langzamerhand

achter, dat persconferenties

ook niet alles zijn. Zo de zakenman,

die ter jaarbeurze een groep

journalisten met de volgende woorden

begroette:

Mijne Heren, Al heb ik u reeds

bij de ingang begroet, ik heet u allen

nogmaals hartelijk welkom. Wij hebben

u hedenmiddag uitgenodigd en

wij hebben in deze uitnodiging niet

gesproken over een persconferentie,

maar over een informeel samenzijn.

Dit is met opzet gebeurd en wel om

twee redenen.

Het verschil zou menig journalist

ontgaan zijn, ware het niet, dat het

hem hier nu eens duidelijk werd

gemaakt:

Ten eerste zijn de persconferenties

het domein van de Jaarbeurs. Onze

deelneming is een onderdeel van de

Koninklijke Nederlandse Jaarbeurs

en het ligt niet in onze bedoeling om

zelfstandig grote conferenties te gaan

houden.

En dat werd dan gezegd na een

rondgang, een filmvertoning en een

modeshow, die twee uur in beslag

hadden genomen. Maar verder:

Ten tweede zit u hier niet te gast

bij een officiële instantie, maar bij

een gezelschap gewone nuchtere

Hollandse zakenlieden. Als kooplui

CONTEMPT

Aan de geruchtmakende en interessante

zaak van de Daily Mail

zouden wij een lang artikel hebben

moeten wijden — hadden wij slechts

de plaatsruimte ter beschikking die

wij zouden wensen. Ons vakblad is

te klein. Onze strijd tegen de beperking

wordt vrijwel iedere maand

wanhopiger. Dus volstaan wij dan

maar (onder protest tegen de omstandigheden)

met onderstaand f actueel

overzichtje uit de Haagsche

Post:

In de Haagsche Post van 12 Maart

jl. berichtte ik over het sensationele

verdwijnen van tal van -mensen. De

politie deed toen de ontdekking, dat

zij werden vermoord en een man, die

nog steeds zijn vonnis afwacht,

werd gearresteerd. Dit 'alles wekte

natuurlijk grote opschudding en dit

wellicht grootste móord-mysterie

van Groot-Brittannië's geschiedenis

heeft tot allerlei gissingen in alle

klassen der bevolking geleid. Maar,

in tegenstelling tot de Verenigde

Staten en Frankrijk, wordt een in

verzekerde bewaring genomen persoon

hier door de wet beschermd en

aan een onbevooroordeeld verhoor

onderworpen. De gearresteerde werd

beschuldigd van moord op één

vrouw — maar er zijn "bovendien nog

minstens vijf andere mensen spoor-

16

SAMENZIJN"

iets te vertellen hebben, weten zij

daar de wegen doorgaans wel voor

te vinden.

Toen voelde menigeen zich een

beetje opgelaten vanwege de dubbelzinnigheid

in de woorden, maar

iedereen bleef zitten vanwege de

clou, die nog komen moest; vanwege

het eigenlijke nieuws, dat er in stak,

maar er nog steeds niet uitkwam.

Het openbaarde zich aldus:

Ik zei u, dat wij het beleggen van

conferenties overlaten aan de Jaarbeurs

zelve en nu rijst de vraag,

waarom wij u dan toch hebben uitgenodigd,

al is het niet officieel. Ik

zou hierop willen antwoorden: Omdat

onze Stichting door de industrie

als permanent instituut in het leven

is geroepen, nu al sedert enige jaren

en ik dit feit met een enkel woord

wil toelichten. Ik beland nu meteen

bij de raison d'etre en het doel van

onze deelneming, waaraan wij veel

zorg besteden en waarvoor wij ons

grote offers getroosten.

Had dat dan niet enige jaren geleden

gekund? vroeg men zich toen

af. Enfin, er kwam nog een stroom

van woorden. Er ging nog een uur

mee heen. Maar vele vragen bleven

open en toen zij gesteld werden,

waren de antwoorden erg vaag.

Het was, helaas, een verloren dag,

ondanks de goed aangeklede borrel.

GERHARD WERKMAN

OF COURT

loos verdwenen. De Daily Mirror

construeerde hieruit twee gevallen

en publiceerde, dat deze man werd

schuldig bevonden aan moord en

zette er het verhaal naast, dat „een

man" had bekend, vijf gruwelijke

moorden op zijn geweten te hebben.

De advocaat van den gearresteerde

beschuldigde de Daily Mirror onmiddellijk

van „contempt of court" (in

dit geval een handeling in strijd met

de wet op de rechtspraak), hetgeen

hier als een ernstig vergrijp geldt.

De hoofdredacteur werd voor den

Lord Chief Justice of England, den

höojgsten Engelsen Rechter, gedaagd,

die bepaalde, dat de directeurs

van het blad eveneens voor

hem moesten verschijnen. Hij achtte

het blad schuldig aan een ernstig

„contempt of court". Volgens hem

had de Mirror getracht, de rechtbank

tegen den gearresteerde in te

nemen en een onbevooroordeeld vonnis

onmogelijk te maken. Hij negeerde

het verweer van het blad en verklaarde,

dat het hier niet ging om

een vergissing, maar om de politiek

van een periodiek dat zijn ziel aan

den duivel der sensatie had verkocht.

Hij veroordeelde den hoofdredacteur

tot drie maanden gevangenisstraf

en legde de zaak een

boete van £ 10.000 op.

.*

De „Amsterdamse Pers"

vergadert

Op 13 April j.1. heeft de „Amsterdamse

Pers" in Het persinstituut

aan de Keizersgracht een algemene

ledenvergadering gehouden. Helaas

was deze vergadering slechts zeer

matig bezet, vermoedelijk een gevolg

van het feit, dat de convocatie

door middel van dit blad de leden

te laat heeft bereikt, omdat als

gevolg van ziekte van een der

redactieleden, ons orgaan later

verscheen, dan aanvankelijk de bedoeling

was.

De vergadering is evenwel een der

gezelligste geweest, ooit door de

AP. gehouden. Zeer waarschijnlijk

een gevolg van het feit, dat de

agenda vrijwel geen huishoudelijke

punten bevatte en het grootste deel

van de avond gewijd was aan een

causerie van Han Knap over: „Menselijke

element in journalistiek".

Het voornaamste huishoudelijke

punt der agenda betrof de verkiezing

van een negende bestuurslid.

Candidaat werden gesteld collega

Besselaar van het Handelsblad en

collega E. Werkman van Het Parool.

Werkman werd gekozen met 10 van

de 15 uitgebrachte geldige stemmen.

In zijn openingswoord bracht

Jan van den Bergh even de „sensaties"

van het ogenblik — de strijd

zetterij Telegraaf contra Parool en

Trouw en het ontwerp Perswet ter

sprake. Daarbij deelde hij mede, dat

wordt overwogen om door N.J.K. en

K.N.J.K. een congres te doen houden,

dat gewijd zal zijn aan dit wets-.

ontwerp. De leden der Amsterdamse

Pers werden nadrukkelijk gewezen

op het belang van dit wetsontwerp

en derhalve van dit congres.

Het bestuur heeft sedert de laatste

algemene vergadering verscheidene

onderwerpen ter hand genomen.

Een resultaat is dat de brandmelding

in de hoofdstad wederom

gedecentraliseerd is en nu sneller

werkt. Meldingen zullen worden gegeven

a. voor middel- of grote branden;

b. voor auto's te water; c. voor

kleine branden, indien er ongelukken

bij gebeuren.

De kwestie Pers-Gemeentebestuur

is nog in behandeling.

De Secretaris.

MODERNE PAGE

20-j. jongeling (5-j. H.B.S., ruime

algem. ontwikk., journ. capaciteiten,

energiek, representatief) zou

graag als

SECRETARIS/ASSISTENT

of CORRESPONDENT

o.m. op correcte wijze de belangen

van een journalist, auteur of blad

— ook buitenlands — behartigen.

(Ev. ook tijdelijk, of als bijverd.)

Brieven onder No. 94/48, Bureau

De Journalist", N.Z. kolk 28,

Amsterdam-C.


JOURNALISTIEK JOURNAAL

• Ziet eens, vrienden, wat een

aardig briefje:

Den Heer C. Niermeier,

BenschoplaaM 38,

's-Gravenhage.

Waarde Collega,

Van de primeurs hebben wij er

twee geplaatst, n.l. de vrijlating van

Smit en de auto-export naar Indonesië.

Ze zijn gewaardeerd op resp.

f 1.— en f 1.50, welk bedrag op

giro 419392 zal worden overgeschreven.

De niet geplaatste gaan hierbij

retour, met dank voor de inzage.

Met vriendelijke groeten,

G. DE BRUYN —

wnd. Hoofdredacteur.

Het is een briefje van de Haagsche

Courant. Ik dacht dat het wel in

onze kolommen vereeuwigd mocht

worden. Wat zou ik er voor commentaar

op moeten geven? Het zou

in twee woorden kunnen: semper

idem. Of ik zou kunnen wijzen op:

„waarde collega" en ,,met vriendelijke

groeten", wat erg aardig aandoet,

nietwaar? Of kunnen zeggen:

de primeurs bij mijn groenteboer

worden hoger gewaardeerd. Enfin,

onze waarde collega Niermeier heeft

(behalve vriendelijke groeten) nu

ook een hele rijksdaalder op zak. En

ik zend, namens alle waarde collega's

mijn vriendelijkste groeten naar de

Wagenstraat. En: alle hoogachting.

Natuurlijk

0 „Americus" heeft in de Groene

het A.N.P. door een Amerikaanse

bril bekeken. Wat hij zag

was niet veel goeds. Uiteraard is

onze ijverige Lambooy onmiddellijk

in de bres gesprongen. En uiteraard

heeft Americus van Lambooy niet

heel veel gelijk gekregen. Zo komen

wij nooit veel verder met critiek. Ik

vond in Americus' betoog veel overdrevens,

maar aan de andere kant

toch ook wel een paar heel juiste

dingen. Het lijkt mij zo toe dat het

A.N.P. er goed aan zou doen de

juistheid van sommige van Americus'

opmerkingen te erkennen. Desnoods

zwijgend en niet coram populo.

En er naar zou streven die critiek,

de facto, te ontzenuwen. Daarmee

zouden wij verder komen dan met

een krantenpolemiekje van nietes en

welles.

• Hier volgt, in twee telexjes,

één bericht en één kleine ontboezeming,

een klein verhaaltje-uitons-

(mooie) -vak:

ANP-telex 30 Maart ca. 15 uur

132) vorming van werklozen

's-gravenhage, 3013. — vandaag

begint te genève een 'Vierdaagse

bijeenkomst van experts uit de

harshall-landen ter behandeling

van het onderwerp: vorming van

werklozen, deze bijeenkomst....

(etc.)

ANP-telex 30 Maart ca. 17.30

201) mededeling voor de redactie,

niet voor publicatie,

's-gravenhage 3013 — in bericht

132 van heden: „vorming van

werklozen" leze men op plaatsen

waar het woord „werklozen"

voorkomt: werkbazen, dus

ook in de kop.

het ministerie van sociale

zaken, dat ons dit bericht als communiqué

verstrekte, verzoekt de

redacties deze wijziging alsnog

aan te brengen.

— — niet voor publicatie •— —

HAAGS DAGBLAD 31 Maart

Marshall-landen willen

werkloosheid bestrijden

GENEVE. — Vandaag begint te

Genève een vierdaagse bijeenkomst

van experts uit de Marshall-landen

ter behandeling van het onderwerp:

scholing van werklozen.

Deze bijeenkomst.... (etc.)

HAAGS DAGBLAD 1 April:

E én Apr il

Hoewel wij alle respect hebben

voor traditie, sagen wij dit jaar

toch liever ervan af, onze nog

steeds geringe plaatsruimte voor

min of meer geslaagde Aprilmoppen

te gebruiken. Bovendien

menen wij, dat een dagblad zijn

lezers niet opzettelijk verkeerde

berichten mag voorleggen die

een schijn van betrouwbaarheid

hebben.

Vandaar dat onze abonné's verstoken

bleven van het „leuke"

Aprilmopje.

0 Het bekende Contact-Centrum

in Den Haag doet uitstekend werk —

dat mag wel eens publiekelijk worden

vastgesteld. Wie op die avond aanwezig

was, dat dr Friedericy en

Albert Balink (beiden uit New York;

de eerste regerings- de andere vrije

voorlichter) spraken, kon deze uitstekendheid

aan den lijve bevestigd

vinden. Wat er gezegd werd had

breder en vooral dieper gekund,

maar toch was het „voorlichtend"

voor vele aanwezigen. Eigenlijk

moesten wij een beetje jaloers zijn

op het C.C. Want zulke avonden

te organiseren ligt ook in onze

lijn. Het mag niet alles C.A.O en

Pompe zijn wat de klok slaat bij

ons. Er zijn ook andere geestelijke

en vakmatige onderwerpen die ons,

als organisatie, ter harte moesten

gaan. Dat bewijst het Contact-

Centrum bij herhaling en voortdurend.

9 Op diezelfde avond sprak ik

een bekende publiciteitsman, die een

belangrijke betrekking vervult. Een

heel „moderne" baan. De goeierd

vertelde mij dat hij de New York

Herald Tribune en de New York

Times maar erg onvoldoende kranten

vond. „Echt Amerikaans" zei

hij en hij trok een gezicht dat duidelijk

deed blijken dat bij hem „echt

Amerikaans" .— „helemaal niks"

betekent. Ik ben maar niet in een

privé-debat getreden. Men staat versteld

van zulk een oordeel dat op

niet anders dan volstrekte onkunde

kan berusten. En dat bij lang niet

de eerste de beste in ons vak. De

brave leek nog erg ingenomen met

zijn eigen „inzicht" bovendien. Hij

moet snel en voortijdig gepensionneerd

worden.

• Wanneer men het voorrecht

heeft dit orgaan mede te mogen

redigeren, gaat men pas begrijpen

welk een veelzijdigheid van problematiek

ons vak als vak bezit. Ge

zoudt werkelijk iedere maand honderd

pagina's met gemak kunnen

vullen met de loutere mededeling en

de commentariëring van allerlei gebeurtenissen

en vraagstukken in

schier alle landen van de wereld, die

uit vak-journalistiek oogpunt interessant

zijn. En ook met de biografieën

van mensen uit de journalistiek.

En met de historie van kranten.

Een blad als 't Engelse World's

Press News komt elke week met op

z'n minst 28 pagina's uit en veel

van wat daarin staat is belangwekkend.

En die „World" bepaalt zich

dan meestal grotendeels tot het

Britse Imperium. Het is niet alleen

een voorrecht ons orgaan mede

te redigeren. Het is ook een maandelijks-terugkerende,

wanhopige

worsteling van stof en ruimte. Ik

hoop dat de tijd eens komen zal dat

ons blad elke maand 48 pagina's zal

hebben. Dan begint het er (een

beetje nog maar) op te lijken.

• Ik vind de meeste Engelse

kranten onbeschrijfelijk slecht. En van

de drie Engelse kranten die ik niet

onbeschrijfelijk slecht vind, vind ik

er ten minste één vrijwel onleesbaar

van vervelendheid. In Engeland bestaat

dezelfde critiek. Maar Sentinel

(van bovengenoemd World's

Press News) schrijft over dit, meestal

nogal hypocriet benaderde, onderwerp:

Now the public is not foolish. It

doesn't buy things it doesn't want,

or things that are so noticeably bad

that complaint is universal. So I put

the issue back to the critics: is the

Press as bad as some try to say?

Have the journalistst deteriorated

as alleged?

But, first, what are the factors

that have led to this increased sale?

They are various: let's list a few,

without any attempt at order of

importance. (1) More sport and

17


Ter navolging

Geen enkele redactie, hoe

veelzijdig ook samengesteld,

kan in haar midden deskundigen

lellen op alle gebieden

waarover de pers haar lezers

moet voorlichten.

In Amerika heeft men het

als een bezwaar gevoeld, dat

de nieuwe ontwikkeling op het

gebied van de atoomenergie

op een terrein kwam, dat voor

de mees.e journalisten niet veel

minder vreemd was dan voor

hun lezers.

Met Amerikaanse voortvarendheid

heeft de American

Society of Newspaper Editors

hierin voorzien. Zij organiseerde

een driedaagse cursus

aan de Universiteit van Minnesota,

waaraan 24 redacteuren

hebben deelgenomen. Deze

cursus was een succes, en nu

hoopt men heizelfde te doen

aan een twintigtal ariiere universiteiten.

Aldus W.P.N.

In drie dagen atoom-deskundige

? ... Natuurlijk tfiet.

Maar een verstandig journalist

kan in drie dagen net genoeg

leren om te maken dat hij

voortaan op dat gebied geen

blunders meer begaat. En is

dat niet al heel wat f

wider interest in pools, dogs, speedway

racing; (2) wider feminine

readerhip, with increased participation

by women in industry and

business; (3) more leisure with

shorter working hours; (4) greater

public purchasing power and the

fact that a penny now is about

equal to a halfpenny before, so a

newspaper is the cheapest article

available—a column of print for the

price of a single match! (5) the

stimulus of radio on public curiosity;

(6) slightly greater population and

steadily increasing literacy; public

satisfaction with, the fare provided

and a good job well done! All these

factors combine to put one and a

half papers a day into each home

in the country (on the average) and

two on Sundays! So the Press can't

be disliked by the public!

• The Press can't be disliked by

the public. En daarom gaat het,

dunkt mij. Bij ons gaan vele kranten

voort de neus in de wind te houden

en zich boven de publieke

smaak te stellen. Ik heh daar al

eens meer over geschreven. Maar ik

meen dat het de bedoeling van de

krant is gelezen te worden. Het

blijft een altijd-interessante vraag,

ook voor óns landi doch laat ik het

voorbeeld maar „in het Engels"

transponeren: Wie maakt de krant

die het best aan haar journalistieke

doel beantwoordt: de Times met z'n

200.000 lezers of de Daily Express

met z'n meer dan 4.000.000? Of

18

WISTU

=3 ons vorige nummer nog niet koud

was of De Nederlander was opgeheven

?

= volgens insiders die krant juist in

lezerstal vooruit was gegaan?

= dit dagblad, zelfs in oer-oude

tijden nooit een erg materieel-bloeiend

bloempje op onze speelweide is geweest

?

=meester Leo Schlichting, nu Nederlands

voorlichter der Canadese openbare

mening, binnenkort hoogleraar

te Nijmegen zal zijn ?

33 en Sadi de Gorter op 1 October

mr. Voorbeytel zal gaan opvolgen als

pers-attaché bij onze ambassade te

Parijs ?

33 de heer Voorbeytel als journalist

en „journalists-journalist" zijn rustin-ere

ten volle verdiend heeft?

= wij er, op deze plaats, nog niet om

gekikt hadden, of de Reflex van de

Spaarnestad was al in de kiosken gekomen?

33 en dat wel op de zelfde dag als

het aloude, doch gemoderniseerde

Astra ?

33 het Rotterdamse Parool hartelijk

afscheid heeft genomen van zijn

hoofdredacteur Th. Ramaker, die vele

waarderende woorden heeft medegekregen

op zijn verdere weg door het

journalistieke leven?

33 de .nieuwe hoofdredacteur W. B.

P. Schaper (zoals te doen gebruikelijk

is) „de hoop heeft uitgesproken

het zelfde vertrouwen te mogen hebben

als zijn voorganger" ?

33 enige redacteuren van De Waarheid

wegens belediging tot boeten

(of ) zijn veroordeeld?

ss J. Bakker Niemeyer (alias: James

Yoland —• alias: de man met de

wilde u zeggen dat het eigenlijk

twee geheel onvergelijkbare grootheden

zijn ?

Daar ben ik het dan bij voorbaat

niet mee eens: Ze brengen beide

nieuws. Dit is nu, naar mijn

gevoel, het interessantste probleem

der gehele huidige journalistiek. De

bespreking ervan wordt in onze

kringen in Nederland blijkbaar stelselmatig

vermeden.

• Mag ik dan, in verband met

die korte kanttekeningen hierboven

eindigen met nóg een citaat van

Sentinel ?

Public taste is undoubtedly rising.

The Press is sensitive to that demand,

and on the facts it is responding

to it. Of course, there is room

for improvement — but you must also

allow for the varied nature of your

public. They don't all live in the

stratosphere!

Met dan deze vraag aan het slot:

is onze Nederlandse pers óók „sensitive

to that demand?" Zo ja: in

hoeverre? Zo neen: waarom dan

niet, hooggeachte collegae ?

ELIAS

DAT...

baard) met 1 Mei de Wereldomroep

verlaat om propagandaleider

van de Avro te worden ?

= Canadese, Zwitserse, Amerikaanse,

Portugese en weten wij veel hoeveel

andere buitenlandse journalisten Nederland

hebben bezocht?

— zij (eventueel) Otto Mohr niet

meer op buitenlandse zaken te hunner

verwelkoming hebben gevonden,

omdat

= deze Mohr naar Batavia is als contactman

voor het Logemanniaanse

culturele contact?

ss het dagelijks bestuur van de Katholieke

Universiteit te Nijmegen

heeft besloten de journalistieke opleiding

binnen het kader van de officiële

universitaire studie te brengen?

s= de ondervinding bij het onderwijs

aan de school voor politieke en sociale

wetenschappen aan de universiteit en

de journalistieke opleiding heeft duidelijk

gemaakt, dat een reorganisatie

in deze geest noodzakelijk is ?

±3 De school voor politieke en sociale

wetenschappen nu ook de journalisten

zal opleiden tot het candidaatsexamen

?

= na het candidaatsexamen de studenten

zullen kunnen kiezen tussen

drie richtingen, de politieke, sociale

en culturele?

= een Nederlandse vereniging van

persbureaux is opgericht „met het

doel een einde te maken aan ongezonde

toestanden op het gebied van

persbureaux"?

=3 nu de heer Schaper hoofdredacteur

van De Nieuwe Pers is geworden

ook collega J. B. Th. Spaan eervol is

ontslagen als directeur-hoofdredacteur

van het Nieuw Utrechts Dagblad

?

= de Engelse dagbladen weer wat

groter zijn geworden?

s= het Tweede Kamerlid Frans Goedhart

aan de minister van O.G. vragen

heeft gesteld over het verschijningsverbod

van één maand opgelegd aan

het republikeinse blad Waspada te

Medan ?

= er een pers-ataché zal komen aan

het Zuid-Afrikaanse gezantschap in

Den Haag?

= het Comité Burgerrecht actie zal

gaan voeren tegen het wetsontwerp

Pompe ?

33 wij op dit punt van ons maandelijkse

leven — bij het afsluiten van

deze rubriek, bedoelen wij — altijd

moeite hebben een juichkreet te onderdrukken,

omdat wij er toch maar

weer in geslaagd zijn u al deze machtig-belangrijke

aaken op te lepelen?

JOURNALIST N.J.K.,

41 j., zeer langdurige ervaring in

binnen- en buitenland, prima opmaker,

doorkneed redactie-organisator,

zoekt positie als chef-redacteur

of eerste redacteur.

Brieven onder No. 92/48, Bureau

De Journalist", N.Z. Kolk 28,

Amsterdam-C.


Nieuws uit de Organisaties

Ontvangst Utrechtse Pers

De burgemeester van Utrecht Jhr

Mr C. J. A. de Ranitz, vond in de zo

druk bezette Jaarbeursweek nog gelegenheid

de Utrechtse Pers een

„Thee" aan te 'bieden in zijn werkkamer

ten Stadhuize, niet in de

laatste plaats als een blijk van erkentelijkheid

voor de hem door de

dagbladdirecties en journalisten aangeboden

..begroetingsmaaltijd", een

avond waarop weer eens bewezen

werd dat in Utrecht dissen gereed

staan die de rechtgeaarde Sybarieten

onder de mensen kunnen bevredigen.

Burgemeester De Ranitz heeft tijdens

die intieme plechtigheid ten

Stadhuize zijn vreugde uitgesproken

over de uitstekende verstandhouding

tussen overheid en pers in de stad

van St. .Maarten. Namens de directeuren

sprak de heer H. M. van der

Vegt, collega C. A. S. Schilp vertolkte

de gevoelens van dankbaarheid

voor dit gastvrije onthaal, der

Utrechtse journalisten. Het was een

charmante attentie van mevrouw De

Ranitz-De Brauw dat zij van deze

„penetration pacifique" der Utrechtse

Pers in dit gemeentelijk „heilige der

heiligen" getuige wilde zijn.

R.J.V.-contacten

Het was alsof gedurende de contact-bijeenkomst

van de R.J.V. op

de eerste Woensdag in Maart een

sneltekenaar de aanwezige collega's

zou gaan bezighouden. In 't zaaltje

van Atlantic was namelijk met tafels

en stoelen een stellage gewrocht,

waaraan grote vellen tekenpapier

prijkten.

Die had echter de architect ir R.

Fledderus nodig om zijn causerie

over de moderne woningbouw toe

te lichten; een onderwerp dus, dat

in het middelpunt van de Rotterdamse

journalistieke belangstelling

staat. Door een zeer prettige behandeling

van het onderwerp werd die

belangstelling zeer zeker nog aangewakkerd.

De spreker bleek een man van de

klok te zijn, want hij had voor zijn

inleiding geen minuut langer en

geen minuut minder nodig dan de

hem gegeven tijd.

,,ALL-ROUND"-JOURNALIST

Vele jaren ervaring als redacteur

buitenland en verslaggever, brede

algemene ontwikkeling en veelzijdige

belangstelling, zoekt passende

functie bij dag- of weekblad,

eventueel als Amsterdamse correspondent

of in los verband.

Brieven onder No. 103/48, „De

Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

Toch duurde het nog even voordat

hij zijn door conté zwart geworden

handen kon gaan wassen, want

de aanwezigen hadden heel wat pij-,

len op hun vragenboog.

Sw.

Commissie inzake het verschoningsrecht

van de journalist

Aan het slot van het op 19 Maart

jl. gehouden congres over het verschoningsrecht

van de journalist,

deelde de voorzitter der Federatie,

coll. Mr M. Rooy, mede, dat de N.

D. P. 1945 en de Federatie van Nederlandse

Journalisten besloten hadden

een commissie in te stellen. Deze

zou tot taak hebben een prae-advies

uit te brengen over de vraag op

welke wijze aan het streven naar

een wettelijke erkenning van het verschoningsrecht

van de journalist gevolg

zou kunnen worden gegeven.

Deze commissie is thans samengesteld

en heeft reeds met haar werkzaamheden

een aanvang gemaakt.

De heer Jhr Mr G. W. van Vierssen

Trip werd bereid gevonden het voorzitterschap

der commissie te aanvaarden.

De leden zijn, namens de

N. D. P. Mr H. M. Planten en Mr

H. Dikkers; namens de Federatie Mr

J. Derks en Mr A. Stempels. De secretaris

der Federatie, Mr A. E. van

Rantwijk, is met het secretariaat belast.

Internationaal Congres van

Dagbladdirecteuren

Van Dinsdag 14 tot Vrijdag 17 Juni

zal in American-hotel te Amsterdam

een internationaal congres van dagblad-directeuren

worden gehouden,

waar verschillende belangrijke onderwerpen

aan de orde komen. Prae-adviezen

zullen worden uitgebracht

door M. Henny (Nederland) over:

Conditions d'impression; M. Sartorius

(Zwitserland) over: Communications

et Abonnements; M. Curtis Willson

(Engeland) over: Prix de revient,

prix de ven te; M. Bourquin (Zwitserland)

over: Liberté d' information

en Mrs Burton en v. d. Borght

(België) over; Papier de presse.

Indien er nog tijd over is, zal rapport

worden uitgebracht over verschillende

onderwerpen, zoals deze

in de afzonderlijke landen zijn geregeld.

Waarschijnlijk zal de heer Van

Wagtendonk een lezing houden over

technische vorderingen in het dagbladbedrijf.

Op de avond van de eerste dag zal

min. prof. dr Rutten namens de regering

de deelnemers aan dit congres

ontvangen in het Rijksmuseum en op

de tweede avond zullen de gedelegeerden

het gala-concert in het Concertgebouw,

ter gelegenheid van de

opening van het Holland-festival, bijwonen.

Donderdag is er een soiree in Kurhaus

te Scheveningen, waarna Vrijdags

een afscheidsmaaltijd wordt

gehouden. Voor degenen, die na afloop

van het congres niet direct naar

hun haardsteden terugkeren, zal Zaterdag

18 Juni een autotocht langs

verschillende plaatsen in West-Nederland

worden georganiseerd.

De congres-commissie bestaat uit

de heren J. W. Henny, Joh. Kuypers

en mr K. M. Planten.

Internationale touristen-uitwisseling

ten dienste van Intellectuelen en

beoefenaren van de vrije beroepen

Het verlangen om naar het buitenland

te gaan is sinds de oorlog

aanmerkelijk gestegen. De grote

moeilijkheid bestaat echter hierin,

dat ook de kosten van hotels en

restaurants aanzienlijk de hoogte

ingegaan zijn. Bovendien verlangen

de touristen een zo groot mogelijke

onafhankelijkheid in het buitenland.

Om aan deze wens tegemoet te komen,

doen zich twee mogelijkheden

voor, n.1.: het uitwisselen van kamers

tussen touristen van verschillende

landen en het gebruiken van

kamers in het buitenland die gedurende

de vacanties leeg staan.

De Internationale Touristen Uitwisseling

ten dienste van Intellectuelen

en van hen die vrije beroepen

uitoefenen, een organisatie die valt

onder de Franse wet op de nietcommerciële

verenigingen en bijgevolg

niet naar «winst streeft, stelt

zich ten doel dergelijke uitwisselingen

te vergemakkelijken door de

nodige garanties te geven. Zij die

belangstelling hebben voor 'n kameruitwisseling

of kamerhuur in het

buitenland gedurende de vacanties,

zodat het hun mogelijk is zeer goedkoop

te reizen met een maximum

aan onafhankelijkheid en garantie,

worden verzocht zich in verbinding

te stellen met het secretariaat van

de vereniging, 91, Bd Malesherbes,

Paris (8°), Frankrijk, met insluiting

van een antwoordcoupon. Hun

zal een vragenlijst worden toegezonden,

waarop zij hun wensen betreffende

plaats, tijd, enz. kunnen

invullen en tevens over welke mogelijkheden

zij zelf beschikken.

JONG JOURNALIST,

21 jaar, zoekt door omstandigheden,

andere werkkring bij landelijk

of provinciaal dag- of

weekblad. Gewend zelfstandig

stadsrubriek en reportages te verzorgen.

Brieven onder No. 105/48, „De

Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

19


CHARIVARIA

Mets onregelmatigs gebeurd

dat een aantal van hen zich in

feite regelmatig bezig hielden met ongewenste

activiteit. (Parool).

Daar was een groep van zestien mannen,

die regelmatig voor verschillende

opdrachtgevers smokkelden. (Vrije Volk).

De McSwanns zijn naar alle waarschijnlijkheid

in hun eigen keider vermoord.

Het pensioen van de vader werd

echter na zijn verdwijnen nog regelmatig

opgehaald! (Waarheid).

De Culturele Advies Commissie heeft

regelmatig films aanbevolen. (Tijd).

Contactname

Het B. F. O. besloot om contact op te

nemen met de voormalige Republikeinse

leiders. (Parool).

Helaas is de afstand te groot om persoonlijk

met hem contact op te nemen.

(Parool).

Dat zij contact' wilden opnemen met

de leiders. (Parool).

Er is reeds geruime tijd geleden contact

opgenomen met P. T. T. (Parool).

Binnen de ramen blflven!

Binnen het raam van de vastgestelde

maximumprijzen. (Vrije Volk).

Binnen het raam van de Republiek.

(Parool).

De opbouw van het spel in het raam

van het systeem. (Parool).

Wat denken zij vandaag, nu op de

Haagse ministerconferentie het raam is

afgebouwd, waarbinnen de „Benelux"

tot leven zal komen? (Volkskrant).

Verschonend dan soms?

In het proces Lunshof is, naar de

woorden van de Secretaris der vereniging

De Nederlandse Dagbladpers 1945,

de zaak niet uitputtend behandeld.

• , I. . (Trjd).

Voor wie het betreft

De betreffende bewoners. (Parool). .

De betreffende percelen. (Parool).

De betreffende ontwerpen. (Parool).

De betreffende spelers. (Theater-Crt.).

Het betreffende stuk. (Vlam).

De betreffende voorschriften. (N. R. C).

Het betreffende raadsbesluit.

(Vrije Amsterdammer).

Gemischtes

De dertiger jaren. (Parool). — Of deze

duizenden ook het geduld zullen kunnen

opbrengen.. (Parool). — Het vervagen

van de krachtsverhoudingen. Die gebeurtenis

woelt de krachtsverhoudingen

om. (Parool). — Eigen rechter spelen,

dat op kort zicht al niet voordelig lijkt,

maar dat op lang zicht niets oplevert.

(Parool). — Een wereldontstegen professor.

(Parool). — Gaston Reiff wees de

aanval van Ahlden gedecideerd af.

(Volkskrant). — Het Soefisme, waarover

iets mede te delen een verzoek uit onze

lezerskring ons bereikte. (N. R. O. —

Energiebehoefte van ons land veilig gesteld.

(Tijd). — De Partij van de Arbeid

heeft factisch een sleutelpositie ingenomen.

(Vlam). — Terugloop in het passagiersvervoer

bij de tram. (N. R. C). —

Regeringsmeerderheid tot 90 stemmen

teruggelopen. Waarbij de regeringsmeerderheid

tot 90 stemmen terugliep. (Parool).

De aan de bank toevertrouwde

gelden liepen terug. (Parool). — Na de

machtsovername. (Prov. Zeeuwse Crt.).

— Welke machtsovername zou moeten

geschieden in December. (Parool). — In

verband met de bevolkingstoename.

(Parool). — De ingebruikname van de

nieuwe fabriek. (Tijd). — De troepenhoeveelheid

die wij beschikbaar hebben.

(Parool). — Achter zulk een perspexruit

kan men daadwerkelijk bruin worden!

(N. R. C). — Beroepsmatige toezichthouders.

(Groene). — Dat dikke namen

20

middels commissarissentantièmes in klinkende

munt worden omgezet. (Groene).

— Het was een hele opgave meer dan

twee uur te luisteren. (Vrije Volk). —

De opgave die gesteld is. (Groene). —

Vooral als ze stammen uit het bureau.

(Groene). — De rede was even oprecht

van bedoeling als moeitevol van uitdrukkingsmiddel.

(Parool). — De heldhaftige

en et'hiekvolle wijze waarop mevrouw

Holst More zijn noodlot laat aanvaarden.

(Vlam). — Het Parijser congres. (Vrije

Volk). — Het corps is tot op de helft

teruggebracht. (Parool). — Een matiging,

die niet over de gehele linie wordt

doorgevoerd. (Parool). — Het zwaarste

probleem der ogenblikkelijke landspolitiek.

(Parool). — Wanneer ik verderfelijke

inzichten versluier. (Vrije Volk). —

De kerk heeft haar woord te spreken in

alle levensverhoudingen. (Parool). — Zoals

bekend is de procureur-fiscaal van

deze uitspraak in cassatie gegaan. (Vrije

Volk). — Schilders die meer het verleden

vertegenwoordigen dan de tegenwoordige

epoche. (Vrije Volk). — Een

ongezonde nieuwsgierigheid brak zich

baan. (Vrije Volk). — De vraag, of de

loon- en prijspolitiek door het gebrek

aan eierkolen wordt doorkruist. (Vrije

Volk). — Ons dunkt, dat dan eerst récht

gezamenlijk dient te worden overwogen..

(Parool). — Oppositie in Portugal

monddood. (Vrije Volk). — De doem van

de grootstad. (Linie). — Morele gevaren

van de grootstad. (Tijd). — De beroepsgeschikte

bevolking. (Volkskrant). — Het

tempo van de daadvaardigheid. (Volkskrant)

. — Eerst moest worden vastgesteld

dat het vertrouwen van de fractie

ongeschokt is. (Volkskrant). — Spreker

stelt meerdere vragen. (Volkskrant). —

Meerdere toeschouwers. (Parool). — De

wereld moest ons nu eiens even adempauze

geven. (Parool).

Zijn wij bevrijd? NEE!

Hommage a la France

De stem, die hier spreekt, is van een

emotieloze waardigheid. (Linie).

Le Francais a demyour

Een professor uit Dyon. (Parool?.

Dyon: het stadje waar de vermaarde

byouterieën vandaan komen;

niet te verwarren met Lijon, waar

het bekende drama gebeurde van

„le mijope qui prit du cijanure",

Meest

De meest schadelijke gevolgen.

(Parool).

De meest dodelijke slag aan de republiek.

(Parool).

De meest brutale vervalsing. (Parool).

De meest scherpe sancties.

(Vrije Volk).

Vertaling

It gives me great pleasure to greet the

readers of ,,Het Parool".

(Alan Valentine in Het Parool).

(To greet:... to address... with expression

of friendliness by message,

as in letter. — Wyld, Universal

English Dictionary).

Het doet mij veel genoegen de lezers

van „Het Parool" te begroeten. (Het

Parool, als vertaling van het bovenstaande).

(Begroeten: 1. zijn opwachting komen

maken bij; 2. verwelkomen,

groetende ontvangen; 3. in een bepaalde

hoedanigheid erkennen, en

aanvaarden. — Van Dale's Nieuw

Groot woordenboek).

Onvertaald

De grote bulk komt echter naar huis.

(Linie).

Ontkoppelde koppelingen

Een Van Gogh tentoonstelling.

(N. R. C).

Een dergelijke openbare werken politiek.

(Vrije Volk).

De Culturele Advies Commissie. (Tijd).

Onze practici

De situatie is practisch zonder precedent.

(Parool).

De kans is practisch niet aanwezig.

(Parool).

Huurbeschermingsbesluit practisch buiten

werking gesteld. (Parool).

In 1941 was er van al die staatsburgerlijke

rechten practisch niets meer over.

(Parool).

De Britse filmindustrie verkeert practisch

in staat van faillissement.

(Alg. Handelsblad).

Dat mondjevol Engels

In de vertrekhal (op Schiphol) zijn

vier „units", afdelingen, ingericht.

(Parool).

Er ontbreekt alleen een „department",

afdeling, voor gewoon Nederlands.

Onze bevrijders

Gepuzzeld zag de chauffeur toe. (Linie).

De achttiende zege in successie.

(Volkskrant). — Voor de gevallen, die

als regel voorkomen is daar geen aanleiding

toe. (Groene). — De vroegere door

de Republikeinen gecontroleerde gebieden.

(Parool). — De feitelijke controle

over heel Java. (Parool). — Een complot

om de controle te bemachtigen over belangrijke

installaties. (Parool). — Dit

alles speet hem voor Bevin's zaak, maar

nog meer voor de Britse zaak. (Parool).

Voor hemels zaak, stop het!

1949 zeer agressief

In deze zeer agressieve vorm moet 1949

voor Van Dam een topjaar worden.

(Parool).

Nieuw Nederlands

Overfijnde intellectuelen.

(Het Vrije Volk).

Dat zijn vermoedelijk intellectuelen

due fijnden zijn dan fijnde intellectuelen.

Ondanks Discipulus-critiek

Leopold-kwestie. Korfoe-zaak. Bataviaconferentie.

(Maasbode-koppen).

Hedendaagse syntaxis

Schoen kreieg te doen met een ander

man dan degene, waarop hij misschien

wel z'n schema had gemaakt en hem

bovendien door z'n reputatie als puncher

tot dubbele voorzichtigheid maande.

(Vrije Volk).

Zijn actie leek dan ook gedicteerd door

de behoedzaamheid, welke hij slechts

even, in de vijfde ronde, liet varen, en

toen dan ook enige fraaie rechtse hoekstoten

wist te plaatsen. (Vrije Volk).

Boksen in de slaapkamer

Wijma gaf op, toen hij in de vierde

ronde op de rand 1 van het ledikant beilandde.

(Vrije Volk).

Zweefvliegkaak

Een ogenblik zweefde de kaak van

Heinkens onbeschermd dicht onder zijn

bereik. (Vrije Volk).

i

Engels polderwerk

Het duurde tot de derde ronde eer de

meerdere ringcraft en langere reach van

de Nederlandse kampioen zoden aan de

dijk gingen zetten. (Vrije Volk).

Overwegingen van een bad

Het bad kan nu weer zwem- en wat'erpolowedstrijden

houden, omdat het mogelijk

is de stand van het water te verhogen.

(Parool).

More magazines by this user
Similar magazines