Dierproeven voor dummies - Stichting Informatie Dierproeven

informatiedierproeven.nl

Dierproeven voor dummies - Stichting Informatie Dierproeven

Dierproeven voor dummies

Een dierproef...

is een onderzoek met levende gewervelde dieren

die hierbij ongerief (pijn en stress) ondervinden

Dierproeven hebben doelen:

● medicijnen ontwikkelen

● veiligheid van producten testen

Een vergunning is vereist

Ontdek welke regels gelden voor

onderzoekers en wie hierop toeziet

Interview:

Diertrainer Marit (25 jaar)

“Als diertrainer bereid ik de apen optimaal

voor op toekomstige experimenten”

3V’s

Onderzoekers moeten hiermee

rekening houden:

● Vervanging: een proef uitvoeren zonder

proefdieren

● Vermindering: een proef uitvoeren met

zo min mogelijk dieren

● Verfijning: een proef uitvoeren met zo

min mogelijk ongerief voor de dieren

Interview:

Biotechnicus Steffi

(21 jaar)

“Ik weet dat er goed met proefdieren wordt omgegaan

en dat ze de aandacht krijgen die ze nodig hebben”

Houd je een spreekbeurt?

● Vraag gratis de brochure Dierproeven. Zo doen

ze dat! aan en deel ’m uit in je klas

● Download een standaardpresentatie

● Volg een rondleiding met je klas

Inhoud

Waarom doen we dierproeven?

Dierproeven voor wetenschappelijk

onderzoek

Dierproeven voor medicijnontwikkeling

Producten testen met proefdieren

Dierproeven in het onderwijs

Soorten proefdieren

Welke dieren worden gebruikt?

Toestand dieren na de proef

Welzijn proefdieren

In gesprek met…

Marit (25 jaar), diertrainer

Proefdieren en pijn

In gesprek met…

Steffi (21 jaar), biotechnicus

Wetgeving

Een dierproef in drie stappen

1 Vergunningaanvraag bij

overheid

2 Dierexperimentencommissie

toetst onderzoeksplan

3 NVWA houdt toezicht

3V-beleid

Bezwaren tegen dierproeven

Belangengroeperingen

Spreekbeurten en werkstukken


Definitie dierproef

Een proef is een dierproef als:

● je onderzoek doet met een gewerveld dier*

● er kans is dat de behandeling van het dier leidt tot ongerief

(pijn of stress)

● het onderzoek valt onder de doelen genoemd in de Wet op de

dierproeven: kennis vergaren over hoe mens en dier in elkaar

zitten, medicijnen ontwikkelen, veiligheid van medicijnen,

voedingsmiddelen en producten testen en artsen in opleiding

praktijkervaring laten opdoen

Kortom: alle handelingen die niet vallen onder de ‘normale’ handelingen

met dieren noemen we een dierproef.

Voorbeeld

● Als je wilt testen of een hond een bepaald merk voer wel of niet

graag eet, is dat geen dierproef. Je geeft het dier immers alleen

voer en meet hoeveel de hond eet.

● Als je dezelfde hond een bepaalde stof toedient en bekijkt welk

effect dit heeft op zijn eetlust, dan is dat wel een dierproef. Als je

op een normale manier omgaat met dieren, dien je ze immers geen

stoffen toe.

* Gewervelde dieren hebben een

wervelkolom of ruggengraat.

Denk aan zoogdieren, vissen,

amfibieën en reptielen.

Ongewervelde dieren hebben geen

wervelkolom. Voorbeelden zijn

insecten, wormen en inktvissen.

1 proefdier = 1 dierproef

Wist je dat het gebruik van één proefdier telt als één dierproef? Een dierproef

is dus niet één test met verschillende proefdieren. Nee. Elk proefdier

dat wordt gebruikt voor een test, wordt als één dierproef gerekend.

In 2010 werden 575.278 dierproeven gedaan met 563.789 proefdieren.

Het aantal dierproeven en het aantal proefdieren is niet gelijk, omdat met

sommige dieren meerdere proeven worden gedaan. Dit heet hergebruik.

Voorwaarde is dat het cumulatieve ongerief (het ‘verzamelde lijden’) niet

te hoog is. In 2010 zijn 8.331 dieren één of meerdere keren hergebruikt

voor 11.489 proeven.

Waarom doen we dierproeven?

55%

Wetenschappelijk onderzoek

We doen dierproeven om

kennis te vergaren over hoe

mens en dier in elkaar zitten

en over het ontstaan van

ziektes.

41%

Medicijnen & Producten

Dierproeven zijn nodig om

de veiligheid van geneesmiddelen

en medische behandelingen

te garanderen. Ook

de grondstoffen van allerlei

producten die je dagelijks

gebruikt (voedsel, speelgoed,

gebruiksvoorwerpen), zijn uitgebreid

op veiligheid getest.

● medicijnen

& producten (41%)

● onderwijs (4%)

● wetenschap (55%)

4%

Onderwijs

Artsen in opleiding doen

dierproeven om praktijkervaring

op te doen met het

behandelen van mens of dier.


Dierproeven voor

wetenschappelijk onderzoek

Ruim de helft van alle dierproeven gebeurt omdat onderzoekers een wetenschappelijke vraag

willen beantwoorden. Meestal houdt zo’n vraag wel verband met de gezondheid van mens

en/of dier, maar het doel is niet een medicijn of behandelmethode te vinden. Centraal staan

vragen als:

● hoe ontstaan ziekten zoals kanker en hart- en vaatziekten?

● hoe ontstaan ziekten bij dieren?

● hoe gedragen dieren zich, bijvoorbeeld tijdens de vogeltrek?

Als onderzoekers willen weten hoe een bepaalde ziekte ontstaat, proberen ze die ziekte in

proefdieren op te wekken. Als dat lukt, gaan ze met deze dieren experimenten doen om te

achterhalen welke mechanismen de ziekte laten ontstaan en verergeren.

Voorbeeld:

Strijd tegen kanker

Kanker is een belangrijke doodsoorzaak in ons land. Daarom wordt

hiernaar veel onderzoek gedaan.

Kankercellen delen zich sneller dan gezonde cellen in het menselijk

lichaam. Onderzoekers willen weten waarom dit gebeurt. Om antwoord op

deze vraag te krijgen, bestuderen zij met name vroege stadia van kanker.

Dat kan niet in patiënten die al kanker hebben, daarom gebruiken ze

hiervoor proefdieren.

Onderzoekers bekijken in proefdieren hoe ongecontroleerde celdeling op

gang komt en of die met bepaalde behandelingen kan worden afgeremd.

Als dat het geval is en de bijwerkingen niet ernstig zijn, wordt een nieuwe

methode ontwikkeld voor de behandeling van kankerpatiënten.

Meer voorbeelden van dierproeven

voor wetenschappelijk onderzoek


Dierproeven voor

medicijnontwikkeling

Hoe doen ze dat: een medicijn maken? Je neemt vast wel eens iets tegen hoofdpijn of koorts.

En waarschijnlijk vaak zonder erbij na te denken. Maar wist je dat het wel twaalf jaar

duurt voordat een medicijn is ontwikkeld? Vóór jij een medicijn kunt gebruiken, wordt het

uitvoerig getest. Een medicijn doorloopt daarvoor verschillende testfasen. In sommige fasen

spelen proefdieren een rol.

Definitie medicijn

Een medicijn bestaat uit één

of meerdere chemische stoffen

en kan worden toegediend aan

mens of dier om:

● een ziekte te voorkomen

of genezen

● een diagnose te stellen

● de werking van het menselijk

of dierlijk lichaam te

herstellen, verbeteren of

wijzigen

Bron: de Geneesmiddelenwet

Lees hier hoe een medicijn wordt

gemaakt: stap voor stap

Voorbeeld:

Medicijnen tegen angststoornissen

>

Mensen (net als dieren trouwens)

kunnen angstig zijn in bepaalde

situaties. Bij sommige mensen neemt

angst grote vormen aan: het gevoel

van angst is bij hen veel groter dan de

daadwerkelijke bedreiging. Zij hebben

een angststoornis of fobie (bijvoorbeeld

pleinvrees of paniekaanvallen).

Farmaceuten ontwikkelen medicijnen

die deze angststoornissen tegengaan.

Om te weten hoe ze zo’n medicijn

moeten maken, testen ze het effect van

bepaalde stoffen op angstgevoelens.

Dit doen ze bijvoorbeeld bij proefdieren

met de Elevated Plus Maze-test. Voor

deze test gebruiken onderzoekers een

soort doolhof in de vorm van een plus

(+) die meestal op een tafel staat.

Twee van de vier armen zijn overdekt.

De andere twee armen zijn open.

Op het kruispunt zijn ze met elkaar

verbonden. Muizen zijn van nature

bang voor open ruimtes, want daar

kunnen ze zich niet verstoppen. Dit

is de reden dat muizen uit zichzelf

minder vaak in de open armen zullen

lopen dan in de overdekte armen.

Als de muizen – nadat ze een stofje

toegediend hebben gekregen – vaker

in de open armen durven te komen,

betekent dit dat dit stofje angstverlagend

werkt.


Mobiele telefoons

geven straling af.

De effecten hiervan

voor onze

gezondheid worden

getest op dieren.

Producten testen met proefdieren

Het lijkt heel vanzelfsprekend

dat gebruiksvoorwerpen,

speelgoed en snoep veilig

zijn, maar ook hiervoor wordt

veel onderzoek gedaan. De

Wet Milieugevaarlijke stoffen

en REACH zijn er om mens,

dier en milieu te beschermen

tegen gevaren van stoffen

die worden geproduceerd,

vervoerd en gebruikt. Elk

bedrijf dat een nieuwe stof

ontwikkelt, moet de gevaren

van deze stof (laten) onderzoeken.

Afhankelijk van de

hoeveelheid stof die wordt

geproduceerd, moet deze

uitgebreider worden getest.

Immers, bij een grote

productie is het risico dat

mens, dier en milieu ermee

in aanraking komen, ook

groter.

Normaal gesproken worden

alleen grondstoffen op veilig-

heid getest. Zo komt het dus

dat je uiteindelijk kunt zeggen

dat een eindproduct veilig is.

Dit geldt immers voor de

afzonderlijke grondstoffen

en dus ook voor het eindproduct

als geheel. De veiligheidsgegevens

van de grondstoffen,

de wijze waarop ze in

het eindproduct zijn verwerkt

en het gebruik van het eindproduct,

zijn de basisgegevens

van een risicoanalyse.

Voorbeeld:

Zonder nadenken

bijten op een pen

Je kauwt vast wel eens op een pen.

Ook deze pen is op veiligheid getest.

Niet het eindproduct, dus de hele pen,

maar alle afzonderlijke grondstoffen.

Denk aan de kleurstof in het plastic

van de pen en aan de inkt. Om te

bepalen wat het risico is van het

gebruik van een kleurstof in het plastic

van een pen, wordt bepaald in welke

mate de kleurstof uit het plastic komt,

bijvoorbeeld als mensen op een pen

kauwen. Als blijkt dat de kleurstof niet

uit het plastic komt, levert dit dus

Deze analyse kan ertoe

leiden dat:

● beperkingen in het gebruik

worden geëist

● verplicht gevarentekens

op de verpakkingen

moeten komen te staan

● helemaal niets hoeft te

gebeuren en het product

gewoon kan worden

gebruikt

geen risico op voor onze gezondheid.

Kortom: ondanks dat de kleurstof

een bepaald gevaar in zich heeft, is

dit toch niet relevant voor het gebruik

van de pen.

Om te bepalen of de inkt in de pen

veilig is, maken onderzoekers een

andere afweging. Het is aannemelijk

dat de inkt op de huid van mensen

of dieren komt of wordt ingeslikt.

Dit maakt het zinvol onderzoek te

doen naar het gezondheidsrisico

van inkt.


Dierproeven

in het onderwijs

>

Voor studies als (dier)geneeskunde,

biologie en

tandheelkunde bieden

universiteiten practica

op proefdieren aan. Deze

practica zijn bedoeld voor

studenten aan het eind van

hun studie, tijdens hun

specialisatie. Zij kunnen zo

handelingen oefenen

waarmee zij in hun latere

werk dagelijks te maken

krijgen. Er zijn ook klinische

lessen waarbij het dier in

leven blijft, zodat het dier

later voor een andere proef

kan worden ingezet, zoals:

● het beluisteren van

het hart

● het toedienen van een

medicijn

● het inbrengen van een

blaaskatheter

● het afnemen van bloed

Voorbeeld

Behandelmethoden oefenen op een varken

Steeds meer ingrepen bij de mens gebeuren via kijkoperaties, zodat de patiënt

minder wordt belast en eerder naar huis kan. Specialisten moeten dit soort

operaties veilig en effectief kunnen toepassen. Dit leren zij bijvoorbeeld op

varkens. Vanwege de grootte van het dier is het mogelijk hetzelfde chirurgisch

instrumentarium te gebruiken als bij mensen.

Steeds minder dierproeven

In 1978 werden dierproeven voor het eerst geregistreerd

in Nederland. Tussen 1978 en 2010 is het aantal dierproeven

met 63% gedaald. Na een stijging in 2009 is het

aantal dierproeven in 2010 verder gedaald naar 575.278.

1.572.534

741.174

578.123 592.665

575.278

1978 1996 2008 2009 2010

De wetgeving heeft een grote invloed gehad op de

teruggang in het proefdiergebruik, omdat:

● alleen deskundige mensen met proefdieren mogen

werken

● onderzoekers toestemming nodig hebben om een

dierproef te doen

● onderzoekers alleen toestemming krijgen voor

onderzoek als zij verantwoord met proefdieren

omgaan. Als gevolg daarvan worden er steeds meer

nieuwe technieken ontwikkeld, die het proefdiergebruik

Vervangen, Verminderen of Verfijnen


Soorten

proefdieren

Huisdieren worden niet gebruikt voor proeven. Als proefdier

word je namelijk geboren: je bent dan speciaal gefokt voor

dat doel. Heel af en toe wordt ook een wild dier voor proeven

gebruikt.

In Nederland zijn er vier categorieën:

● genetisch gemodificeerde dieren (16%)

● dieren die in het wild leven en

bestudeerd worden in hun eigen omgeving (2%)

● dieren die in het wild leven en onderzocht worden

in het laboratorium (1%)

● gewone dieren (81%)

Het merendeel van de proefdieren (80%) wordt aangekocht

via erkende proefdierleveranciers. Zij hebben een vergunning

voor het fokken van proefdieren. Onderzoeksinstellingen

kunnen ook zelf fokken, maar moeten daarvoor een aparte

vergunning hebben. Bovendien gelden er strenge regels,

waardoor de meeste instellingen hiervan afzien.

Het is noodzakelijk dat proefdieren (in genetisch opzicht)

vergelijkbaar zijn. Als de eigenschappen van proefdieren

namelijk verschillen, kunnen onderzoekers moeilijk bepalen

of de resultaten het gevolg zijn van het experiment of van de

variatie tussen de gebruikte dieren.

81% 16%

Gewone dieren

Onder gewone dieren verstaan we

gewervelde dieren die speciaal

worden gefokt voor dierproeven.

Genetisch

gemodificeerde dieren

Genen zijn de erfelijke informatie in

het lichaam. Sommige genen spelen

een rol bij de ontwikkeling van

ziekten. Zo verhoogt een bepaald gen

de kans op borstkanker. Om deze

ziekte beter te begrijpen, worden

proefdieren gebruikt waarbij dit gen is

veranderd. Zo kan heel specifiek

onderzoek worden gedaan naar

bepaalde ziekten. Dieren waarbij de

genen zijn aangepast, noemen we een

genetisch gemodificeerd dier. 16% van

de dierproeven werd in 2010 op dit

soort dieren verricht. Dit zijn bijna

allemaal muizen.

Fokoverschot

Voor onderzoek met genetisch

gemodificeerde dieren zijn altijd

meer dieren nodig dan daadwerkelijk

in de proef worden

gebruikt. Dit komt doordat de

dieren allemaal hetzelfde moeten

zijn, en dus:

● genetisch identiek en even

oud zijn

● onder identieke omstandig-

0heden geboren

● hetzelfde voer eten

● in dezelfde kooien verblijven

● vaak van hetzelfde geslacht zijn

Meer weten over

het fokoverschot

2%

Dieren in hun eigen

omgeving

Voorbeelden van het bestuderen van

wilde dieren in hun eigen omgeving:

● het ringen van vogels

● het aanbrengen van zendertjes

● het markeren en volgen van

bijvoorbeeld bruinvis en paling

Het aanbrengen van ringen of zendertjes

gebeurt meestal om trekroutes

van vogels/vissen in kaart te brengen

of om te achterhalen waar dieren hun

voedsel verzamelen of paren. Dit zijn

wetenschappelijke vragen die soms

basaal wetenschappelijk gedreven zijn

(uit nieuwsgierigheid), maar soms ook

noodzakelijk om bepaalde diersoorten

te kunnen beschermen. Dan kan het

nuttig zijn te weten welke plaatsen

belangrijk zijn voor het voortbestaan

van de dieren. Deze locaties kunnen

dan extra worden beschermd.

1%

Wilde dieren in het lab

Dieren die in het wild leven

maar onderzocht worden in het

laboratorium


29.417 vissen

14.793 andere vogels

10.516 varkens

6.802 konijnen

4.857 cavia’s

4.598 runderen

3.963 hamsters

3.021 schapen

2.976 paarden

2.318 amfibieën

1.517 honden

959 andere knaagdieren

575 fretten

448 apen

381 geiten

326 andere vleeseters

274 katten

109 reptielen

100 cyclostomata

74 kwartels

39 andere zoogdieren

81.704 kippen

20.296 ratten

285.215 muizen

Top 3 Meest gebruikte proefdieren

1

2 3

Ratten

21%

Muizen

50%

Welke dieren worden gebruikt

voor proeven?

Kippen

14%

De muis en de rat zijn de meest gebruikte proefdieren (71%). De muis is een populair

proefdier, omdat het in genetisch opzicht voldoende overeenkomt met de mens en eenvoudig

te houden en te fokken is. Daar komt bij dat onderzoekers het erfelijk materiaal van de muis

relatief eenvoudig kunnen veranderen en bestuderen.

Waarom kiest een onderzoeker

voor een bepaalde diersoort?

Onderzoekers streven ernaar dierproeven

zo voorspellend mogelijk

te maken. De resultaten van dierproeven

moeten vertaald kunnen

worden naar:

● andere diersoorten en/of

de mens

● andere omstandigheden dan

die waaronder de dierproef is

uitgevoerd

Je zou kunnen zeggen dat een

proefdier als het ware ‘model’

staat. Daarom noemen we proefdieren

ook wel een ‘diermodel’.

Hoewel een diermodel vrijwel nooit

alle kenmerken heeft van de dieren

of mensen die het nabootst, is het

streven: zo groot mogelijke fysiologische

en anatomische overeenkomsten.

Daarom worden operatietechnieken

voor de mens nooit

getest op kleine dieren (zoals knaagdieren),

maar op bijvoorbeeld varkens.

Een diersoort die qua grootte meer

overeenkomt met de mens.

Lees waarom ratten,

honden, vissen en andere

dieren geschikt zijn als

proefdier


Toestand dieren

na de proef

De meeste dieren (86%) worden ten behoeve van de proef

gedood. Dit is nodig omdat de meeste informatie waarnaar

de onderzoeker speurt, opgeslagen ligt in het lichaam van

het proefdier. Deze informatie is alleen te achterhalen door

de weefsels en organen van het dier te bestuderen.

Uiteraard kunnen proefdieren ook worden onderzocht

zonder ze te doden:

● observeren van gedrag, uiterlijk en voedinginname

● metingen van temperatuur, bloed en urine

● het inwendige lichaam scannen (MRI-scan)

De dieren die na het einde van de proef in leven zijn gelaten,

kunnen worden ingezet bij een tweede proef. De meeste

dieren gaan terug naar de stal of boerderij waar ze vandaan

komen. Een klein gedeelte wordt bij particulieren ondergebracht.

foto E. Spaargaren

Resusapen van Universiteit Utrecht naar Stichting AAP

De Universiteit van Utrecht doet

sinds januari 2011 geen onderzoek

meer met primaten. Vijf resusapen

die daar jarenlang zijn gebruikt als

proefdier voor gedragsexperimenten

en hersenonderzoek, genieten sinds

april 2011 van hun welverdiende

pensioen bij Stichting AAP. Dit

is mogelijk dankzij bemiddeling van

de Dierenbescherming.

>

Bekijk een filmpje over

de verhuizing van de resusapen

naar Stichting AAP.

>


Welzijn proefdieren

De meeste proefdieren verblijven in een gebouw dat speciaal

voor hen is gemaakt. We noemen dit een proefdierfaciliteit.

Er gelden strenge regels voor het huisvesten en verzorgen

van proefdieren. De Nederlandse Voedsel en Waren

Autoriteit (NVWA) ziet daarop toe.

Ook onderzoekers zijn gebaat bij het welzijn van hun proefdieren.

De betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten is

ervan afhankelijk: als er goed voor de proefdieren wordt

gezorgd, wordt de kwaliteit van de onderzoeksresultaten ook

beter. En vergeet niet dat verzorgers en onderzoekers vaak

bewust kiezen voor dit beroep, omdat zij graag met dieren

werken.

Kooiverrijking

Een manier om de omgeving van

proefdieren aan te passen op hun

behoefte, is door gebruik te maken

van kooiverrijking. De grootte en

inrichting van de verblijven moeten

de dieren zo veel mogelijk in staat

stellen hun natuurlijke gedrag uit

te voeren.

Ook worden dieren – als de proef het

toelaat – zo veel mogelijk bij elkaar

gezet, zodat zij elkaar gezelschap

kunnen houden. Daarbij wordt wel

rekening gehouden met de aard van

foto E. Spaargaren

het dier. Is het een sociaal dier of

verblijft het liever alleen? Hetzelfde

geldt voor de inrichting van de kooi.

Deze wordt eveneens afgestemd op de

diersoort.

Ter verrijking kunnen de kooien

bijvoorbeeld voorzien worden van:

● airco

● lichtdimmers

● luchtbevochtigingsinstallaties

● speeltjes

● verwarming

● muziek

In gesprek met…

Marit (25 jaar), diertrainer

Marit (25 jaar) is werkzaam als diertrainer bij Stichting

Biomedical Primate Research Centre (BPRC). BPRC doet

onderzoek met apen om nieuwe medicijnen en therapieën te

ontwikkelen. Het gaat met name om onderzoek naar

infectieziekten als malaria, AIDS en hepatitis. BPRC beschikt

over 1.200 resusapen, 200 java-apen en 300 marmosets.

Wat doet een diertrainer?

Ik ben verantwoordelijk voor het

trainen van de dieren, het opleiden van

dierverzorgers om apen te trainen en

het coördineren van alles op het gebied

van voedsel- en kooiverrijking.

Moeten proefdieren worden getraind?

Dit is een manier om het werken met

proefdieren te verfijnen en vergemak-

kelijken. Als we onze apen bijvoorbeeld

leren naar een specifieke ruimte in hun

verblijf te gaan, wordt het makkelijker

voor de dierverzorgers en minder

stressvol voor de apen om ze hierin

op te sluiten tijdens de schoonmaak

van hun verblijf. Ditzelfde geldt voor

medische behandelingen. Als een aap

ziek is en een arts het dier moet

behandelen, werkt het prettig als de

apen gewend zijn dichtbij mensen te

komen. Door training worden situaties

voorspelbaar en minder stressvol.

Bovendien vergroot je hiermee het welzijn

van je proefdieren. Het uiteindelijke

doel van het trainingsprogramma

is de apen optimaal voor te bereiden

“Door training worden

situaties voorspelbaar en

minder stressvol”

op toekomstige experimentele handelingen.

Daarmee beginnen we al op

jonge leeftijd, als de apen nog in de

fokgroep zitten. Door hen te trainen

om uit je hand voedsel aan te nemen,

>>>


water of siroop uit een spuit te drinken

en op een weegschaal te klimmen,

bereid je ze als het ware voor op een

proef. Als je ze dan tijdens de proef

vraagt om op een weegschaal te gaan

zitten, kun je eenvoudig hun gewicht

bepalen.

“We verstoppen graan tussen

het zaagsel op de bodem

van verblijven”

Wat doen jullie aan kooiverrijking?

Vergunninghouders zijn verplicht

kooiverrijking toe te passen, maar de

invulling is vrij. BPRC is op dit gebied

erg actief. Onze apen verblijven een groot

deel van de tijd in de zogenaamde fokgroep.

Daar is de situatie zo natuurlijk

mogelijk. Zo zitten de resusapen, net

zoals in de natuur, met een aantal

volwassen mannen en vrouwen en hun

kinderen in één verblijf. Marmosets

leven meer zoals mensen: één vader,

één moeder en kinderen. Zoals ze in

de natuur leven, zijn ook hun verblijven

ingericht. Daarnaast is er volop aandacht

voor kooiverrijking:

● zaagsel op de vloeren

● zitbalken

● ramen

● ringen

● ladders

● autobanden

● brandslangen

● geluid

● touwladders

● klimrekken

● boomstammen en takken

● zwembaden

Ook zorgen we voor een vaste looproute

in het verblijf. Die blijft in de

basis altijd hetzelfde en is daardoor

voorspelbaar. Als de apen een keer

ruzie hebben, weten ze altijd hoe ze zich

kunnen verschuilen.

Er bestaat ook voedselverrijking. Hierover

heb je samen met een collega een

boek geschreven: “Resus Recepten, een

verrijkingshandboek voor Resusapen”.

In het voorwoord staat dat je hoopt dat het

boek stimulerend werkt voor het uitdelen

van verrijking aan dieren. Waarom vind je

dit zo belangrijk?

Ik zie het als een manier om het de

dieren zo aangenaam mogelijk te maken.

Met voedselverrijking stimuleer je de

dieren te zoeken naar voedsel, iets wat

ze in de vrije natuur een groot deel van

de dag doen. Wij stimuleren dit gedrag

door bepaalde ‘voerpuzzels’ voor de

apen te maken. We verstoppen graan

tussen het zaagsel op de bodem van de

verblijven of op de bodem van het

zwembad. Of we vullen een pvc-buis

met voedsel en stro. Alleen via de gaten

aan de zijkant van de buis kunnen de

apen bij het eten komen. Een ander

voorbeeld is een ijsje dat we maken van

kleurrijke vruchten. De apen moeten

eerst flink knagen, voordat ze door het

ijs bij de vruchten komen. In ons boek

staan nog veel meer tips en recepten.

Hoe is het verblijf van de apen tijdens

een experiment?

De dieren zitten dan meestal met

z’n tweeën in een kooi. Vanwege de

hygiënevoorschriften zijn de mogelijkheden

voor kooiverrijking dan iets

beperkter. We hangen daarom vaker

dingen áán dan ín de kooi. Denk aan

rammelaars en spiegels. Ook staat er

achtergrondmuziek aan. In het wild

worden apen ook blootgesteld aan een

grote variatie aan geluiden. Bovendien

zorgt het ervoor dat ze niet van elk

geluid schrikken.

“Met voedsel- en kooiverrijking

kunnen we het

werken met proefdieren

verfijnen”

Jullie geven regelmatig rondleidingen

aan scholieren?

Ja, dat klopt. We willen zo veel mogelijk

openheid geven over wat er binnen

onze stichting gebeurt. Dit doen we

door regelmatig klassen rond te leiden

op ons terrein en stagiaires aan te

nemen. We hebben niets om ons voor

te schamen: we doen onderzoek naar

levensbedreigende ziektes. Apen zijn

hierbij essentieel.

Rondleiding

bij BPRC

Belangstelling in een rondleiding

of stageplaats bij BPRC?

Ga naar www.bprc.nl

of mail naar website@bprc.nl


Proefdieren en pijn

In Nederland spreken we bij proefdieren niet over pijn, maar

over ‘ongerief’. Daarmee bedoelen we meer dan alleen pijn.

Ook stress, alleen-zijn, angst en ziekte worden meegerekend.

We hanteren een schaal van 1 tot en met 6 om ongerief te

meten. Onderzoekers zijn verplicht pijn zo veel mogelijk

tegen te gaan, op voorwaarde dat de pijnbestrijding geen

invloed heeft op het experiment.

Onderzoekers kunnen pijn bestrijden door:

● plaatselijke of algehele verdoving of pijnbestrijding

te geven (zalf, pillen, injecties of warmtelampen)

● het experiment te stoppen

● onderzoeksparameters te ontwikkelen die geen pijn geven

(bijvoorbeeld afgaan op de aanwezigheid van antistoffen

om te bepalen of een dier beschermd is tegen een ziektekiem,

in plaats van het dier bloot te stellen aan de

ziektekiem)

● het dier te doden als het ernstig lijdt (humane eindpunten)

Bekijk de mate van

ongerief per diersoort

in 2010

Proefdierdeskundige

Vergunninghouders zijn verplicht

het toezicht op het welzijn van

proefdieren uit te besteden aan een

proefdierdeskundige.

Die kijkt regelmatig bij de proefdieren

en bij de uitvoering van de

proef.

Als het nodig is, geeft de proefdierdeskundige

aanwijzingen

om de uitvoering te verbeteren.

Werken met

proefdieren

De Wet op de dierproeven

stelt strenge eisen aan de

deskundigheid van mensen

die met proefdieren werken.

Laboratoriummedewerker,

onderzoeker, dierverzorger

en biotechnicus word je niet

zomaar. Voor elk van deze

functies is een gerichte en

erkende opleiding vereist.

Voor sommige specifieke

functies is daarnaast een

cursus Proefdierkunde

verplicht. Tijdens de cursus

Proefdierkunde leer je naast

onderzoekstechnische vakken

ook alles over zorgvuldig

en verantwoord proefdiergebruik.


In gesprek met…

Steffi (21 jaar), biotechnicus

Steffi (21 jaar) is sinds een jaar biotechnicus bij een proefdierinstelling.

Welke opleiding heb je gevolgd?

Na de mavo heb ik twee jaar de

opleiding Dierverzorging gedaan aan

de Helicon in Boxtel (Noord-Brabant).

Ik heb daar geleerd over de verzorging,

huisvesting en voeding van dieren,

maar ook over verschillende rassen.

Alle diersoorten kwamen aan bod. In

het derde en vierde jaar heb ik gekozen

voor de specialisatie Biotechniek aan

de Heliconopleiding in Nijmegen.

Wat leerde je daar?

Je wordt opgeleid als biotechnicus:

iemand die met proefdieren werkt. Je

leert over de verzorging en het welzijn

van proefdieren. Over de wetgeving, de

geschiedenis van dierproeven en ethiek.

Ook kreeg ik praktijklessen om handelingen

met proefdieren te oefenen, zoals

bloedafname, doseringstechnieken

en operatietechnieken. Hiervoor konden

“Uit bloed en urine kunnen

we afleiden wat het effect is

van een middel”

we gebruikmaken van een ruimte in

het Centraal Dieren Laboratorium in

Nijmegen. Daar hadden we eigen proefdieren

tot onze beschikking waarop

we mochten oefenen.

Hoe vond je dat?

Docenten zeiden al dat er na de eerste

praktijkles veel leerlingen zouden

afvallen. Dat bleek ook het geval. Zelf

vond ik het in het begin ook moeilijk.

Je geeft om die dieren. Maar ik heb

altijd in mijn achterhoofd gehouden

“Ik maak de verblijven

schoon, weeg de dieren en

controleer hun drinknippels”

waarvoor ik het doe. Dat blijf ik tegen

mezelf zeggen. Ook nu tijdens mijn werk.

Hoe ziet een dag werken er voor jou uit?

Mijn dag begint met een ‘ochtendcheck’

bij de dieren. Dan loop ik bijvoorbeeld

naar de honden, katten of varkens en

controleer het water en de voeding in

hun verblijven. Ik maak de verblijven

schoon, weeg de dieren en controleer

hun drinknippels. De rest van de dag

werk ik aan een studie. Voor de studie

moet ik dieren bijvoorbeeld bepaalde

doseringen van een medicijn of stof

toedienen, urine en bloed afnemen en

ECG-scans maken. Daaruit kunnen

we afleiden wat het effect is van een

middel. Aan het eind van de studie

lever ik de resultaten aan bij de studieleider.

Werk je met een welzijnsdagboek?

Ja, alles wat we doen, staat daarin

opgeschreven. Bij iedere kamer ligt zo’n

dagboek. Daarin houd je bij wat je hebt

gedaan. Heb je bijvoorbeeld de ochtendcheck

gedaan, dan noteer je dit en zet

er je paraaf bij. Wat er in het boek

staat, geldt voor alle dieren in de

kamer. Als er iets bijzonders is met één

dier, noteer je dat apart in het boek.

Heb je er moeite mee dat je proeven met

dieren doet?

Helaas is het nog steeds noodzakelijk

dierproeven uit te voeren voor de

medische ontwikkeling. Af en toe is dit

best lastig. Ik geef om dieren: ik zie ze

het liefst buiten rennen en wil ze geen

pijn doen. Maar aan de andere kant wil

ik graag medicijnen als ik ziek ben.

Gelukkig weet ik door mijn werk dat

er goed met de dieren wordt omgegaan

en dat ze de aandacht krijgen die ze

nodig hebben.

“Ik zie de dieren het liefst

buiten rennen”

De meeste dieren overleven de proef niet?

Dat klopt, dit blijft moeilijk. Wij hebben

altijd een aantal honden langere tijd in

huis, zodat we deze dieren regelmatig

kunnen inzetten voor korte studies

waarvan de dieren weinig last hebben.

Sommige honden heb ik drie jaar

geleden, toen ik hier als vakantiekracht

werkte, binnen zien komen. Met deze

honden heb ik inmiddels een hechte

band en met één hond in het bijzonder.

Die hond gaat binnenkort deelnemen

aan een grote studie, die ze niet zal

overleven. Dat maakt me verdrietig.

Wat vinden je vrienden van jouw werk?

De meningen over dierproeven zijn erg

verdeeld. Sommige vrienden zijn fel

tegenstander, anderen hebben er minder

moeite mee. Op verjaardagen vragen

mensen wel eens wat ik doe. Als ik niet

goed weet hoe ze gaan reageren, zeg ik

dat ik dierenartsassistente ben of in

een laboratorium werk.


De helft van de

jongeren weet niet

dat het verboden is

dierproeven te doen

voor cosmetica

Wetgeving

De Wet op de dierproeven

De Wet op de dierproeven (Wod) is sinds 1977 van kracht.

De wet is er om:

● het welzijn van dieren te beschermen

● kaders te stellen waaraan een proef moet voldoen

● alleen deskundige mensen met proefdieren te laten

werken

Europa heeft sinds september 2010 een vernieuwde

Richtlijn voor dierproeven. Daarin zijn minimumeisen

vastgelegd, waaraan de nationale wetgeving moet

voldoen. In 2012 wordt de Nederlandse wet op de

Europese Richtlijn aangepast.

Dierproeven zijn verboden, tenzij:

● er geen proefdiervrije methode voorhanden is

● je een vergunning hebt om dierproeven uit te voeren

● je het onderzoeksprotocol ter advisering aan een

Dierexperimentencommissie (DEC) hebt voorgelegd

● een art. 12-functionaris de handelingen uitvoert

● een art. 9-functionaris de leiding heeft bij de uitvoering

van het onderzoek

● een art. 14-functionaris het welzijn van de dieren

waarborgt

Dierproeven en cosmetica

In Nederland wordt geen enkel cosmeticaproduct getest op dieren. Dit is sinds

1997 verboden. Sinds 2004 geldt dit verbod voor alle Europese landen.

De ingrediënten van cosmeticaproducten worden nog wel getest op dieren.

Dat stelt de overheid verplicht, om de veiligheid te garanderen. Vanaf 2013 is

ook dit verleden tijd. In de Europese Cosmetica Richtlijn staat dat ingrediënten

van cosmeticaproducten vanaf dan niet meer op dieren mogen worden getest.

Lees meer over

dierproeven en

cosmetica


Een dierproef in

drie stappen

Een dierproef doe je niet zomaar. Onderzoekers moeten

daarvoor een heel traject doorlopen: van vergunningaanvraag,

inspectie tot verslaglegging. Hier lees je stap

voor stap hoe dat gaat.

1 Vergunningaanvraag bij overheid

Bedrijven of instellingen die dierproeven willen doen, moeten

hiervoor een vergunning aanvragen bij de Nederlandse

Voedsel en Warenautoriteit. Die controleert vervolgens of

de aanvraag aan de eisen voldoet:

● er zijn adequate voorzieningen voor de dieren

(huisvesting, verzorging en behandeling)

● het personeel is deskundig in het verzorgen en behandelen

van dieren

● het onderzoek wordt volgens de wetten en regels

uitgevoerd

● er wordt intern toezicht gehouden door een proefdierdeskundige

● een Dierexperimentencommissie doet een ethische

toetsing

Instelling doet

vergunningaanvraag

bij de overheid

Ministerie van

Volksgezondheid,

Welzijn en Sport (WVS)

verleent vergunning

Vergunninghouder

schrijft

onderzoeksplan

Na toetsing geeft een

Dierexeperimentencommissie

(DEC)

een positief advies

> > > >

Nederlandse Voedsel en Waren

Autoriteit (NVWA) kijkt of alle

regels worden nageleefd. Indien

een overtreding wordt geconstateerd,

krijgt de vergunninghouder

een waarschuwing en moet de

overtreding worden opgeheven.

>

Uitvoering dierproef

door vergunninghouder


2 Dierexperimentencommissie toetst onderzoeksplan

Als de vergunning is verleend, maakt de onderzoeker namens de vergunninghouder een

onderzoeksplan. Dit plan moet ter toetsing worden voorgelegd aan een Dierexperimentencommissie

(DEC). In Nederland zijn er ongeveer 20 DEC’s. Jaarlijks toetsen zij ruim 4000

onderzoeksplannen. In het onderzoeksplan gaat de onderzoeker in op:

● de vraagstelling van het onderzoek

● het belang van het onderzoek voor de gezondheid van mens of dier

● het maatschappelijke en wetenschappelijke belang

● deskundigheid van de onderzoeker

● proefdierkundige kwaliteit

- keuze, aantal en herkomst

- ingrepen en behandelingen

- verdoving en pijnstilling

- verzorging en huisvesting

- eindbestemming en de wijze waarop de dieren eventueel worden gedood;

- verwachte ongerief

● of de proef ook zonder dieren kan worden gedaan

● of de proef met minder dieren kan worden uitgevoerd

● of het ongerief van de proefdieren kan worden beperkt

Op basis van het onderzoeksplan beoordeelt een DEC of het maatschappelijke belang van de

proef opweegt tegen het ongerief dat de proefdieren mogelijk gaan ondervinden. Het advies

van een DEC is in principe bindend. Bij positief advies mag de vergunninghouder de dierproef

uitvoeren. Bij negatief advies kan de vergunninghouder het onderzoeksvoorstel nog

voorleggen aan de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). Als ook deze commissie met een

negatief oordeel komt, mag de dierproef niet worden uitgevoerd.

Instelling doet

vergunningaanvraag

bij de overheid

Ministerie van

Volksgezondheid,

Vergunninghouder

schrijft

> Welzijn en Sport (WVS) > > commissie (DEC) >

verleent vergunning

onderzoeksplan

Na toetsing geeft een

Dierexeperimenten-

een positief advies

Nederlandse Voedsel en Waren

Autoriteit (NVWA) kijkt of alle

regels worden nageleefd. Indien

een overtreding wordt geconstateerd,

krijgt de vergunninghouder

een waarschuwing en moet de

overtreding worden opgeheven.

>

Uitvoering dierproef

door vergunninghouder


Instelling doet

vergunningaanvraag bij

de overheid

Ministerie van

Volksgezondheid,

3 Nederlandse Voedsel en

Warenautoriteit houdt toezicht

De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)

houdt toezicht op de Wet op de dierproeven. Daarvoor heeft de

NVWA een inspectieteam dat bestaat uit vier personen. Zij

controleren alle locaties van vergunninghouders ten minste

één keer per jaar. In 2010 zijn er in totaal 550 inspecties

verricht.

Op hoofdlijnen inspecteert de NVWA:

● de huisvesting en verzorging van proefdieren (denk

aan: onderkomens, kooiverrijking, hygiëne, ventilatie,

temperatuur, licht en de verzorging)

● de zorgvuldigheid van verrichte handelingen

● of de handelingen worden verricht zoals omschreven

in het onderzoeksplan

● de juistheid van de vereiste administratie

Vergunninghouders zijn verplicht jaarlijks een rapportage te

maken van de dierproeven die zij hebben uitgevoerd. De

NVWA ontvangt deze rapportage. Daarin staat onder andere

een inschatting van de mate van ongerief bij de dieren, welke

bijzondere technieken zijn toegepast en wat de bestemming

van de dieren was na de proef. De NVWA vat deze gegevens

en de resultaten van de inspecties samen in Zodoende, het

jaarverslag over dierproeven en proefdieren in Nederland.

Vergunninghouder

schrijft

> Welzijn en Sport (WVS) > > commissie (DEC) >

verleent vergunning

onderzoeksplan

Na toetsing geeft een

Dierexeperimenten-

een positief advies

Nederlandse Voedsel en Waren

Autoriteit (NVWA) kijkt of alle

regels worden nageleefd. Indien

een overtreding wordt geconstateerd,

krijgt de vergunninghouder

een waarschuwing en moet de

overtreding worden opgeheven.

>

Uitvoering dierproef

door vergunninghouder


3V-beleid

In Nederland geldt het ‘nee, tenzij..’-principe als het gaat om

dierproeven: een dierproef is niet toegestaan, tenzij er geen

proefdiervrije methode beschikbaar is en er geen alternatieve

methode is die het gebruik van dieren vermindert of verfijnt.

Onderzoekers zijn verplicht rekening te houden met

de 3 V’s:

● Vervanging: een proef (gedeeltelijk) uitvoeren zonder

proefdieren

● Vermindering: een proef uitvoeren met minder proefdieren

● Verfijning: een proef zodanig opzetten en uitvoeren dat de

proefdieren zo min mogelijk ongerief ondervinden

Vervanging

Kunstrat

Speciaal voor de opleiding van

(dieren)artsen is er een kunststof

rat ontwikkeld. Studenten kunnen

operatietechnieken op deze rat

oefenen.

Bekijk het filmpje over de kunstrat

van Proefdiervrij maar eens:

>

Meer voorbeelden

Vermindering

Bestuderen tumorgroei

Om de groei van een tumor in het

lichaam van een proefdier te

volgen, waren vroeger meerdere

proefdieren nodig. Een proefdier

moest immers worden gedood om

de tumor in het lichaam te kunnen

bestuderen.

Een MRI-scan is een techniek die

het inwendige lichaam in beeld

brengt. Dankzij deze methode zijn

voor kankeronderzoek minder

proefdieren nodig, want de tumorgroei

kan nu bij één proefdier in

verschillende fasen in beeld worden

gebracht. Ook is deze methode

minder belastend voor het dier.

Meer voorbeelden

Verfijning

Het zal nog lang duren voordat

we dierproeven totaal kunnen

vervangen door proefdiervrije

methoden.

Daarom wordt veel aandacht

besteed aan de verfijning van het

dierexperimenteel onderzoek,

waardoor de mate van ongerief bij

de proefdieren zo laag mogelijk is.

Dit geldt zowel voor, tijdens als na

afloop van het experiment.

Voorbeelden van verfijning zijn:

● aandacht voor de huisvesting

(kooiverrijking)

● alleen bevoegd en bekwaam

personeel mag met proefdieren

werken

● toepassen van pijnbestrijding

Meer voorbeelden


Bezwaren tegen

dierproeven

Er kleven veel bezwaren aan dierproeven. De grootste

bezwaren zijn van ethische aard. Daarnaast zijn er

wetenschappelijke en economische bezwaren.

Wat vind jij van

dierproeven?

Doe de test en

kom erachter

Ethische

bezwaren

Ethiek heeft te maken met

de manier waarop we

vinden dat we ons behoren

te gedragen. Is het te

rechtvaardigen dat dieren

in wetenschappelijk onderzoek

lijden of worden

gedood om het lijden van

mensen en andere dieren te

voorkomen?

Een Dierexperimentencommissie

houdt zich met deze vraag bezig.

Zij maakt de volgende afwegingen:

● Hoe belangrijk is de dierproef

voor mens, dier of

maatschappij?

● Is de wetenschappelijke kwaliteit

van de proef gewaarborgd? Is de

proef goed opgezet?

● Kan de proef met minder dieren

worden uitgevoerd? Of zelfs

helemaal zonder dieren?

● Hoe vervelend is de proef voor de

proefdieren? Hoe erg is het

ongerief, hoe lang duurt dit en

hoe vaak komt het voor?

● Kan je de pijn van de dieren

tijdens de proef verminderen?

Bijvoorbeeld door ze te

verdoven?

Wetenschappelijke

bezwaren

Ook vanuit wetenschappelijk

oogpunt zijn er bezwaren

tegen dierproeven.

Ondanks de overeenkomsten

tussen mens en dier,

zijn er ook grote

verschillen.

De stofwisseling van dieren is

bijvoorbeeld anders dan die van

mensen. Het is daarom altijd de

vraag of de resultaten van proeven

met dieren ook gelden voor mensen.

Daarbij komt dat proefdieren vaak

genetisch identiek zijn. Resultaten

van onderzoek met één bepaalde

muizenstam, hoeven niet te gelden

voor álle muizenstammen, laat

staan voor andere mensen of dieren.

Economische

bezwaren

Dierproeven zijn zeer

kostbaar en tijdrovend.

Niet alleen het uitvoeren van de

experimenten, maar ook het fokken,

de verzorging en huisvesting van

proefdieren. Methoden waarvoor

geen dieren worden gebruikt, zijn

vaak goedkoper.


Belangengroeperingen

In Nederland zijn er verschillende organisaties en partijen die zich bezighouden met de

rechten van dieren of dierproeven. Ontdek hier hun standpunten.

Stichting

Informatie

Dierproeven

Dierproeven zijn – onder

strikte voorwaarden – aanvaardbaar

voor het verwerven

van fundamentele kennis,

onderzoek ter bevordering

van de gezondheid van mens

en dier en de bescherming van

het milieu.”

Proefdiervrij Partij voor de

Dieren

“Wij trekken ons het lot van

proefdieren erg aan. Daarom

stimuleren we de ontwikkeling

van alternatieve, proefdiervrije

methoden.”

“Een einde aan alle dierproeven.

Daar gaan wij voor.

Daarom is de ontwikkeling

van alternatieven van groot

belang. Niet alleen in Nederland,

maar in heel Europa.”

Nationaal

Kenniscentrum

Alternatieven voor

dierproeven

“Door goede communicatie

tussen onderzoekers, beleidsmakers

en samenleving willen

wij de toepassing van 3Valternatieven

bevorderen.”

Dierenbescherming

Dierproeven zijn altijd een

aantasting van de integriteit

van het dier. Ook al wordt de

gezondheid en het welzijn

van het dier zo min mogelijk

geschaad. Daarom moet er alles

aan worden gedaan ze te stoppen

en overbodig te maken.”

Lees over

dierenrechtenactivisme


Spreekbeurten en

werkstukken

Ga je een spreekbeurt houden over dierproeven of hierover een werkstuk maken?

In ‘Dierproeven voor dummies’ vind je alle achtergrondinformatie over dit onderwerp.

Wat zijn dierproeven, waarom doen we ze, wat zijn de regels en wat de bezwaren?

Heb je na het lezen nog vragen, mail dan naar de Stichting Informatie Dierproeven

via info@informatiedierproeven.nl. Je krijgt snel antwoord.

Deel onze brochure uit in de klas

Je kunt kosteloos de brochure Dierproeven. Zo doen ze dat! aanvragen via e-mailadres

info@informatiedierproeven.nl In deze brochure staan alle belangrijkste feiten

en cijfers over dierproeven. Er zit ook een informatieve poster bij.

Speel met de hele klas de dierproevenquiz

Heb je tijdens je spreekbeurt een computer met internet tot je beschikking, speel dan de

dierproevenquiz met je hele klas. De quiz bestaat uit tien meerkeuzevragen. Jij leest de

vragen en antwoordmogelijkheden hardop voor. Je vraagt aan je klasgenoten of zij hun

vinger willen opsteken bij het antwoord dat zij denken dat goed is. Het antwoord dat de

meeste klasgenoten kiezen, vink jij aan op de computer. Dit doe je bij alle tien vragen.

Aan het eind volgt een rapportcijfer. Dit cijfer geeft aan hoeveel jouw klas weet over

dierproeven. De quiz kan een leuke start zijn van je spreekbeurt. Je klasgenoten zullen

nooit een tien halen, dus dan kun je zeggen dat jij ervoor gaat zorgen dat ze de volgende

keer een hogere score halen.

Download een basispresentatie

Download een power point presentatie die je als basis kunt gebruiken voor je spreekbeurt.

Natuurlijk kun je er zelf dingen aan toevoegen en uithalen.

Rondleiding bij een instelling die dierproeven doet

Onder meer bij BPRC en de dierenfaciliteit van het Universitair Medisch Centrum Groningen

kun je een rondleiding aanvragen.

Deze uitgave is tot stand gekomen

dankzij financiële steun van de

Stichting Proefdierkundige Informatie

en Astellas Pharma B.V.

Productie en eindredactie:

Van Luyken Communicatie Adviseurs

Similar magazines