29.07.2013 Views

Wijziging 8 bestemmingsplan Buitengebied ... - Gemeente Oss

Wijziging 8 bestemmingsplan Buitengebied ... - Gemeente Oss

Wijziging 8 bestemmingsplan Buitengebied ... - Gemeente Oss

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

Bestemmingsplan<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong><br />

Vastgesteld


<strong>Wijziging</strong> 8<br />

<strong>bestemmingsplan</strong><br />

<strong>Buitengebied</strong><br />

vastgesteld<br />

<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong>,<br />

10 mei 2012<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 1 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 2 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012


INHOUDSOPGAVE<br />

TOELICHTING<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 3 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Hoofdstuk 1 Inleiding ............................................................................................................................. 6<br />

1.1 Aanleiding........................................................................................................................................ 6<br />

1.2 Begrenzing plangebied.................................................................................................................... 6<br />

1.3 Geldend <strong>bestemmingsplan</strong>.............................................................................................................. 7<br />

Hoofdstuk 2 Beleidskader...................................................................................................................... 8<br />

2.1 Wettelijk kader ................................................................................................................................. 8<br />

2.2 Rijksbeleid ..................................................................................................................................... 10<br />

2.3 Provinciaal beleid .......................................................................................................................... 10<br />

2.4 <strong>Gemeente</strong>lijk beleid....................................................................................................................... 12<br />

2.5 Beleid waterschap Aa en Maas..................................................................................................... 15<br />

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie........................................................................................................... 17<br />

3.1 Ontstaansgeschiedenis ................................................................................................................. 17<br />

3.2 Bestaande situatie......................................................................................................................... 17<br />

Hoofdstuk 4 Doelstellingen en programma ......................................................................................... 18<br />

4.1 Aanpassingen om te voldoen aan het Besluit huisvesting............................................................ 18<br />

4.2 Ruimtelijke kwaliteit ....................................................................................................................... 18<br />

Hoofdstuk 5 Randvoorwaarden en beperkingen ................................................................................. 19<br />

5.1 Milieuaspecten............................................................................................................................... 19<br />

5.2 Gezondheidsaspecten................................................................................................................... 23<br />

5.3 Waterhuishouding.......................................................................................................................... 23<br />

5.4 Waarden ........................................................................................................................................ 28<br />

5.5 Duurzame locatie........................................................................................................................... 29<br />

5.6 M.e.r.-beoordeling ......................................................................................................................... 31<br />

Hoofdstuk 6 Toelichting op het plan .................................................................................................... 33<br />

6.1 Ruimtelijke uitgangspunten ........................................................................................................... 33<br />

Hoofdstuk 7 Toelichting op de regels .................................................................................................. 35<br />

7.1 Toelichting op de regels ................................................................................................................ 35<br />

7.2 Toelichting op de verbeelding ....................................................................................................... 35<br />

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................... 36<br />

8.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 36<br />

8.2 Kostenverhaal................................................................................................................................ 36<br />

8.3 Planschade.................................................................................................................................... 36<br />

Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................ 37<br />

9.1 Inspraak voorontwerp.................................................................................................................... 37<br />

9.2 Notitie Reikwijdte en Detailniveau ................................................................................................. 37<br />

9.3 Vooroverleg ................................................................................................................................... 37<br />

9.4 Zienswijzeprocedure...................................................................................................................... 39<br />

REGELS<br />

VERBEELDING<br />

BIJLAGEN


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 4 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012


TOELICHTING<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong><br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 5 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012


Hoofdstuk 1 Inleiding<br />

1.1 Aanleiding<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 6 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Dit wijzigingsplan beoogt een wijziging van het <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong> van de voormalige<br />

gemeente Lith.<br />

Voor het intensieve veehouderijbedrijf aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen is het noodzakelijk om de<br />

bedrijfsvoering aan te passen, zodat voldaan kan worden aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting<br />

veehouderij. Dit betekent dat het bouwblok vergroot dient te worden. Dit wijzigingsplan maakt een<br />

vormverandering en vergroting van 9.618 m 2 naar 15.000 m 2 van het bouwblok planologisch-juridisch<br />

mogelijk.<br />

In de ‘Ruimtelijke onderbouwing bouwblokvergroting’ van varkenshouderij Weteringstraat VOF (27 april<br />

2012) wordt het initiatief uitgewerkt en onderbouwd. Deze ruimtelijke onderbouwing is als bijlage bij dit<br />

wijzigingsplan opgenomen.<br />

1.2 Begrenzing plangebied<br />

Het plangebied ligt in de gemeente <strong>Oss</strong> (voormalige gemeente Lith) ten zuiden van de kernen Lithoijen<br />

en Teeffelen.<br />

Begrenzing plangebied


1.3 Geldend <strong>bestemmingsplan</strong><br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 7 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Tot de inwerkingtreding van voorliggend wijzigingsplan ‘<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>’ geldt<br />

binnen het plangebied het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ van de voormalige gemeente Lith<br />

(vastgesteld 31 januari 2002).<br />

In onderstaande figuur is het huidige bouwblok aangegeven.<br />

Uitsnede plankaart huidig <strong>bestemmingsplan</strong>


Hoofdstuk 2 Beleidskader<br />

2.1 Wettelijk kader<br />

2.1.1 Wet ruimtelijke ordening<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 8 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Het plan om verandering en vergroting van het bouwblok ten behoeve van de intensieve veehouderij<br />

mogelijk te maken is strijdig met het geldende <strong>bestemmingsplan</strong>. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt<br />

de mogelijkheid om toch planologische medewerking te verlenen aan de gewenste ontwikkeling. Bij een<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels<br />

burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen conform<br />

artikel 3.6 van de Wro.<br />

Belanghebbenden worden conform de Wro in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te<br />

brengen.<br />

In artikel 3.9a van de Wro staat de te volgen procedure voor een wijzigingsplan aangegeven.<br />

2.1.2 Grondexploitatiewet<br />

Als onderdeel van de Wro is een hoofdstuk over grondexploitatie opgenomen. Doelstelling is een goede<br />

regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere<br />

grondexploitatie.<br />

Onder de Wro is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door een vrijwillige<br />

samenwerkingsovereenkomst) en door het publiekrechtelijke spoor. Dit publiekrechtelijke kostenverhaal<br />

gaat door middel van een exploitatieplan waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een<br />

bestemmings- of wijzigingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee<br />

voorwaarden. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wro nodig. Het<br />

publiekrechtelijke instrumentarium is ook van toepassing bij de vaststelling van een wijzigingsplan. De<br />

tweede voorwaarde is dat het ruimtelijke besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke<br />

verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke<br />

ordening (Bro) aangewezen in artikel 6.2.1.<br />

Dit wijzigingsplan biedt de mogelijkheid om na inwerkingtreding een omgevingsvergunning te verlenen<br />

welke valt onder de criteria voor een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. De<br />

gemeenteraad dient daarom eigenlijk een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een<br />

bouwplan is voorgenomen. Conform artikel 6.12 van de Wro kan de gemeenteraad bij een besluit tot<br />

vaststelling van een wijzigingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal<br />

van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden op een<br />

andere manier verzekerd is. Deze bevoegdheid is overigens per besluit van de gemeenteraad van 25<br />

september 2008 gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.<br />

2.1.3 Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en Actieplan Ammoniak Veehouderij<br />

Het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: Besluit huisvesting) is op 1 april 2008 in<br />

werking getreden. Met dit besluit wordt invulling gegeven aan het algemene emissiebeleid voor heel<br />

Nederland. Het besluit bepaalt dat dierenverblijven, waar emissie-arme huisvestingssystemen voor<br />

beschikbaar zijn, op den duur emissie-arm moeten zijn uitgevoerd. Hiertoe bevat het besluit zogenaamde<br />

maximale emissiewaarden. Op grond van het besluit mogen alleen nog huisvestingssystemen met een<br />

emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde, toegepast worden.<br />

De ministeries van VROM en LNV, de provincies en de VNG hebben een "Actieplan Ammoniak<br />

Veehouderij " opgesteld. Dit Actieplan moet er toe leiden dat de middelgrote veehouderijbedrijven<br />

emissiearm worden en gaan voldoen aan het Besluit huisvesting.<br />

Veehouderijen zouden oorspronkelijk al per 1 januari 2010 moeten voldoen aan het Besluit huisvesting.<br />

Gebleken is dat veel veehouders voor die datum de noodzakelijke stalaanpassingen niet kunnen


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 9 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

realiseren. In overleg met de Tweede Kamer heeft de minister (onder voorwaarden) uitstel van de<br />

verplichting verleend tot uiterlijk 1 januari 2013. Aan het Actieplan ligt een gedoogbeleid ten grondslag.<br />

Dit betekent dat gedoogd wordt dat veehouderijen in overtreding zijn van het Besluit huisvesting. Om mee<br />

te doen met het gedoogbeleid moeten veehouders voor 1 april 2010 een bedrijfsontwikkelplan ingediend<br />

(BOP) hebben.<br />

Het Actieplan geldt voor bestaande stallen op alle middelgrote pluimvee- en varkensbedrijven waarvoor<br />

een maximale emissiewaarde is opgenomen in het Besluit huisvesting. Het Actieplan geldt ook als<br />

nieuwe stallen worden gebruikt voor intern salderen.<br />

2.1.4 Wet luchtkwaliteit<br />

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit van kracht geworden. De hoofdlijnen van de nieuwe<br />

regelgeving zijn ondergebracht in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De regelgeving is<br />

uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur en Ministeriële Regelingen. Daarmee<br />

zijn het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005), de Regeling saldering luchtkwaliteit, het Meet- en<br />

rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit 2005 en de Meetregeling luchtkwaliteit vervallen.<br />

De aanleiding daartoe is de maatschappelijke discussie die ontstond als gevolg van de directe koppeling<br />

tussen ruimtelijke ordeningsprojecten en luchtkwaliteit. De directe koppeling had tot gevolg dat veel<br />

geplande (en als noodzakelijk of gewenst ervaren) projecten geen doorgang konden vinden in<br />

overschrijdingsgebieden. Bovendien moest voor ieder klein project met betrekking tot luchtkwaliteit een<br />

uitgebreide toets gedaan worden. Met de Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen<br />

wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste<br />

ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.<br />

De grenswaarden voor verschillende stoffen zoals voorgeschreven in de richtlijn 1999/30 EG van de<br />

Raad van de Europese Unie zijn niet gewijzigd ten opzichte van het Blk 2005. Maar de wet maakt nu wel<br />

onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. In het nieuwe Besluit NIBM (Niet in betekenende<br />

mate) met onderliggende regelingen is vastgelegd onder welke omstandigheden ruimtelijke<br />

ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en als<br />

zodanig niet getoetst hoeven te worden aan de vigerende normen voor NO2 en PM10.<br />

Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een<br />

verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de<br />

jaargemiddelde concentratie PM10 of NO2 (maximaal 1% tot inwerkingtreding NSL). Dit komt neer op<br />

een maximale bijdrage van 0,4 µg/m 3 . van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit.<br />

Grotere projecten kunnen worden opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit<br />

(NSL) mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door<br />

de maatregelen van het NSL.<br />

2.1.5 Waterwet<br />

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet stelt de<br />

watersysteembenadering centraal en integreert acht bestaande wetten voor waterbeheer. De wet regelt<br />

het beheer van oppervlaktewater en grondwater en regelt de juridische implementatie van Europese<br />

richtlijnen. De Waterwet kent één watervergunning. Op basis van deze vergunning worden eisen gesteld<br />

aan de kwaliteit en de inrichting van het water. De instrumenten vanuit de Waterwet zijn Waterplannen<br />

(rijk en provincie), waterbeheerplannen (waterbeheerder) en vergunningen. Sinds november 2003 is de<br />

watertoets wettelijk van toepassing, een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium<br />

overleg voert met de waterbeheerder over het planvoornemen. De watertoets is verbonden aan<br />

ruimtelijke planvormingprocedures, dus niet direct aan de waterplannen. Wel gelden de ruimtelijke<br />

aspecten van waterplannen als sectorale structuurvisie, in het kader van de Wro.<br />

Tijdens het vooroverleg kunnen betrokken partijen afspraken maken over inbreng van wateraspecten.<br />

De watertoets is erop gericht dat ruimtelijke ontwikkelingen in elk geval niet leiden tot nadelige effecten<br />

op het watersysteem. In de waterparagraaf wordt een beschrijving van het huidige watersysteem<br />

gegeven en de vertaling van het beleid naar het wijzigingsplan in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen.<br />

Het doel van de watertoets is dat wateraspecten vroegtijdig in de planontwikkeling worden meegenomen.<br />

Het gaat hierbij om de thema's: veiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit, afvalwaterketen en onderhoud.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 10 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Het gaat dus niet om een toets achteraf, maar om vroegtijdige en actieve inbreng van het waterschap bij<br />

de planvorming. Hiervoor wordt in een zo vroeg mogelijk stadium overleg gevoerd met het waterschap.<br />

2.2 Rijksbeleid<br />

2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte<br />

In de ontwerp Structuurvisie is het de insteek om de gebruiker de ruimte te geven. Het Rijk gaat zo min<br />

mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich alleen op een beperkt aantal<br />

verantwoordelijkheden. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:<br />

- Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en<br />

gemeenten overstijgt;<br />

- Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;<br />

- Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent<br />

ofwel in beheer bij het Rijk is.<br />

2.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening<br />

Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen<br />

de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat dan onder andere<br />

om het nationale belang ‘Grote rivieren’.<br />

De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om<br />

beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien<br />

daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening,<br />

gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt<br />

gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus<br />

concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, d.w.z. door tussenkomst van de<br />

provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van<br />

<strong>bestemmingsplan</strong>nen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin<br />

die kaderstellende uitspraken.<br />

De regels uit het Barro leveren geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.<br />

2.3 Provinciaal beleid<br />

2.3.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening<br />

Volgens de provinciale structuurvisie (vastgesteld op 1 oktober 2010, in werking getreden per 1 januari<br />

2011) kan intensieve veehouderij zich ontwikkelen zoals aangegeven in de reconstructieplannen uit 2005.<br />

Het agrarische gebied kent op grond van deze plannen een driedeling, de integrale zonering, die speciaal<br />

is toegesneden op de ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij. Het plangebied ligt<br />

binnen een verwevingsgebied. Daarbinnen is de ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven op een<br />

duurzame locatie tot 1,5 hectare altijd mogelijk.<br />

Als een duurzame locatie voor intensieve veehouderij wordt een bestaand agrarisch bouwblok in een<br />

verwevingsgebied met een zodanige ligging gezien dat het zowel vanuit milieuoogpunt (ammoniak, geur<br />

en dergelijke) als vanuit ruimtelijk oogpunt (natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is om het te<br />

laten groeien tot een bouwblok van maximaal 2,5 hectaren voor een intensieve veehouderij.


2.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2011<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 11 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Op 17 december 2010 heeft de provincie Noord-Brabant de tweede fase van de Verordening ruimte<br />

vastgesteld. Deze Verordening is per 8 maart 2011 in werking getreden.<br />

In de Verordening ruimte is de integrale zonering voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve<br />

veehouderij opgenomen. De planlocatie ligt volgens de Verordening ruimte in een gebied met de<br />

aanduiding verwevingsgebied.<br />

Uitsnede kaart Verordening ruimte ontwikkeling intensieve veehouderij<br />

Voor een bedrijf waar intensieve veehouderij plaatsvindt dat ligt in een verwevingsgebied gelden een<br />

aantal regels.<br />

In hoofdstuk 2 staat dat een wijzigingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand<br />

stedelijk gebied bij dient te dragen aan het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het<br />

betrokken gebied en de omgeving, in het bijzonder aan zorgvuldig ruimtegebruik. Dit dient in de<br />

toelichting bij het plan verantwoord te worden.<br />

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in elk geval in dat uitbreiding van het op grond van het geldende<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke<br />

mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te<br />

realiseren.<br />

Voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat deze toelichting daarom een<br />

verantwoording waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen voor wat betreft bodemkwaliteit,<br />

waterhuishouding, in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, cultuurhistorische waarden,<br />

ecologische waarden, aardkundige waarden en landschappelijke waarden en de op grond van de<br />

Verordening ruimte toegelaten ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden.<br />

Ook dient te worden toegelicht dat de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling past in de<br />

omgeving en dat er verkeerstechnisch geen nadelige gevolgen ontstaan.<br />

Verder wordt gevraagd om een financiële, juridische en feitelijke verzekering dat de realisering van de<br />

beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering<br />

van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie van het<br />

gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft.<br />

De verbetering kan bijvoorbeeld de landschappelijke inpassing van bebouwing ten behoeve van<br />

intensieve veehouderij zijn voor zover vereist op grond van de Verordening ruimte of het toevoegen,<br />

versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de<br />

landschapsstructuur. De kwaliteitsverbetering dient verzekerd te zijn.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 12 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Hoofdstuk 9 van de Verordening ruimte geeft regels voor intensieve veehouderij. In paragraaf 9.3 worden<br />

de regels gegeven voor intensieve veehouderijbedrijven die in verwevingsgebieden liggen.<br />

Er is bepaald dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een<br />

omvang van ten hoogste 1,5 hectare mogen uitbreiden op een duurzame locatie indien minimaal 10 %<br />

van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing. Uit de toelichting moet<br />

blijken dat ten aanzien van een duurzame locatie er aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor<br />

de lange termijn aanwezig zijn die hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse noodzakelijk<br />

maken. Daarnaast moet sprake zijn van zuinig ruimtegebruik of van optimaal gebruik van de beschikbare<br />

ruimte. De beoogde ontwikkeling dient verder zowel vanuit milieuoogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt<br />

aanvaardbaar te zijn.<br />

In deze toelichting wordt in de hoofdstukken 5, 6 en 8 ingegaan op de bovengenoemde aspecten.<br />

2.4 <strong>Gemeente</strong>lijk beleid<br />

2.4.1 Structuurvisie buitengebied Lith<br />

De gemeenteraad van de voormalige gemeente Lith heeft in december 2010 de structuurvisie<br />

<strong>Buitengebied</strong> Lith vastgesteld.<br />

Dit verzoek ligt in het gebied dat in deze structuurvisie is aangegeven als het komgebied. Dit komgebied<br />

bestaat uit de Lithse polder en de Oijense polder. In de structuurvisie is onderscheid gemaakt tussen de<br />

Lithse polder en de Oijense polder.<br />

De komgebieden van de gemeente Lith hebben momenteel hoofdzakelijk een agrarische<br />

functie. Daarnaast hebben deze komgebieden ook een extensieve recreatieve functie (recreatief<br />

medegebruik). Gelet op de ontwikkelingen in de agrarische sector en de toename van de vraag naar<br />

recreatieve voorzieningen wil de gemeente meer ruimte bieden aan recreatie. De agrarische sector speelt<br />

in de Oijense polder een belangrijke rol. In de Oijense polder ligt ook een Landbouwontwikkelingsgebied.<br />

Voor de Oijense Polder wordt ook grote rol gezien als recreatief uitloopgebied en is daarom met het oog<br />

op een grotere functiemenging aangewezen als ‘accentgebied agrarische ontwikkeling met verbreding’.<br />

Uitgangspunt daarbij is dat de nieuwe ontwikkelingen in de Oijense Polder de bestaande agrarische<br />

bedrijven niet mogen beperken.<br />

Volgens de structuurvisie worden de volgende, voor dit plan relevante, mogelijkheden met betrekking tot<br />

agrarische bedrijvigheid geboden in de Oijense Polder.<br />

- Alle voorzieningen van een agrarisch bedrijf (dus ook sleuf- en mestsilo’s, erfverharding e.d.) moeten<br />

binnen het agrarische bouwvlak worden gerealiseerd.<br />

- Uitbreiding van een bouwvlak voor intensieve veehouderij en overig-niet grondgebonden agrarische<br />

bedrijven is mogelijk op een duurzame locatie tot een maximale grootte van het bouwvlak van 1,5 ha.<br />

- Conform het bepaalde in de verordening Ruimte Noord-Brabant is eenmalig uitbreiding van een<br />

intensieve veehouderij voor dierenwelzijn tot de in de verordening genoemde datum.<br />

De agrarische bouwblokken dienen landschappelijk zorgvuldig ingepast te worden.<br />

2.4.2 Huidig <strong>bestemmingsplan</strong><br />

Het plangebied ligt in het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ en heeft hierin de bestemming “Agrarisch<br />

gebied” met een “agrarisch bouwblok”. De uitbreidingen komen buiten het bouwblok te liggen. Het plan is<br />

daarmee strijdig met het geldende <strong>bestemmingsplan</strong>. Er kan medewerking verleend worden aan het<br />

principeverzoek door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid.


2.4.2.1 <strong>Wijziging</strong>sbevoegdheid<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 13 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

In het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ is in artikel 27.1.1 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen<br />

waardoor burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen ten behoeve van de vormverandering of<br />

vormvergroting van een agrarisch bouwblok. Deze wijzigingsbevoegdheid kan alleen worden toegepast<br />

indien aan een aantal voorwaarden zoals vermeld in het <strong>bestemmingsplan</strong> voldaan wordt.<br />

Eén van de voorwaarden is dat het initiatief moet voldoen aan de algemene beschrijving in hoofdlijnen.<br />

Deze beschrijving in hoofdlijnen geeft aan dat het verzoek in een agrarisch verwevingsgebied dient te<br />

liggen waar landbouw de hoofdfunctie is. Verder moeten de gunstige omstandigheden voor de<br />

ecologische waarden zoveel mogelijk behouden blijven.<br />

De landbouwfunctie wordt door het plan versterkt. Het nieuwe gebouw komt op intensief gebruikte<br />

landbouwgrond te staan. Het is daarom niet aannemelijk dat door de plaatsing van het gebouw<br />

ecologische waarden verloren gaan. Zo bezien voldoet het principeverzoek aan de algemene beschrijving<br />

in hoofdlijnen.<br />

Verder worden de volgende voorwaarden gesteld in het <strong>bestemmingsplan</strong> om de wijzigingsbevoegdheid<br />

te kunnen toepassen:<br />

a. het agrarisch bouwblok (niet zijnde glastuinbouw) mag worden vergroot tot maximaal 1,5 hectare;<br />

b. de vergroting van het agrarische bouwblok is uitsluitend toegestaan indien deze vergroting<br />

noodzakelijk is uit oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling van het agrarisch bedrijf;<br />

hieromtrent vragen burgemeester en wethouders advies van de Adviescommissie Agrarische<br />

Bouwaanvragen (AAB) of een andere onafhankelijke terzake deskundige;<br />

c. er is aangetoond, door middel van een erfbeplantingsplan, dat een goede landschappelijke inpassing<br />

plaatsvindt;<br />

d. de bebouwingsvrije zone van 15 meter aan weerszijde van de "ecologische verbindingszone" dient in<br />

acht te worden genomen;<br />

e. de uitbreiding van het bouwblok is binnen de op de plankaart aangeduide "kooicirkels" slechts<br />

toegestaan indien daardoor, gehoord de beheerder van de eendenkooi, de aanwezige natuurlijke en/of<br />

landschappelijke waarden niet worden aangetast;<br />

f. De uitbreiding van een bouwblok binnen, of binnen een afstand van 50 meter van, de op plankaart 3<br />

van het <strong>bestemmingsplan</strong> aangegeven “agrarische natuurkerngebieden” is niet toegestaan tenzij:<br />

1. Uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf;<br />

2. De karakteristiek van het bedrijf gehandhaafd blijft, of het bedrijf ontwikkelt zich tot een op de<br />

aanwezige natuurwaarden afgestemd grondgebonden bedrijf;<br />

3. er vindt geen aantasting van lokale natuur-, landschaps- en/of ecologische waarden plaats.<br />

g. De uitbreiding van een niet-grondgebonden bedrijf in het op plankaart 3 van het <strong>bestemmingsplan</strong><br />

aangegeven “agrarisch verwevingsgebied” is slechts toegestaan mits dit noodzakelijk is voor de<br />

continuïteit van het bedrijf en het open karakter van het gebied gerespecteerd wordt door aan te sluiten<br />

bij bestaande massa-elementen.<br />

Onderstaand is uiteengezet waarom Het plan voldoet aan de voorwaarden die gelden voor het toepassen<br />

van de wijzigingsbevoegdheid.<br />

a. het agrarische bouwblok wordt vergoot tot 1,5 hectare;<br />

b. Op 27 oktober 2011 heeft de AAB geoordeeld dat realisatie van de gevraagde uitbreiding noodzakelijk<br />

is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Om deze uitbreiding te kunnen realiseren is vergroting<br />

van het bouwblok noodzakelijk;<br />

c. op landschappelijke gronden zijn voorwaarden geformuleerd waaraan het door de aanvrager op te<br />

(laten) stellen erfbeplantingsplan moet voldoen. De aanvrager heeft vervolgens het erfbeplantingsplan op<br />

laten stellen en de voorwaarden zijn overgenomen. Het erfbeplantingsplan is akkoord bevonden en<br />

draagt zorg voor een goede landschappelijke inpassing. Het erfbeplantingsplan wordt door middel van de<br />

anterieure overeenkomst gewaarborgd. Het erfbeplantingsplan wordt bijgevoegd;<br />

d. het plangebied en daarmee de latere bouwactiviteiten bevinden zich op een grotere afstand dan 15<br />

meter van de ecologische verbindingszone;<br />

e. het verzoek is buiten de op de plankaart aangeduide kooicirkels gelegen;<br />

f. het verzoek is op een afstand gelegen van meer dan 50 meter buiten een agrarisch natuurkerngebied;<br />

g. in het AAB advies van 27 oktober 2011 is geconcludeerd dat het agrarische bedrijf in de huidige opzet<br />

niet de omvang heeft van een volwaardig agrarisch bedrijf. Bij realisatie van de uitbreiding zal ter plaatse


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 14 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

een volwaardig agrarisch bedrijf ontstaan, waardoor mede uit optiek van schaalgrootte bedrijfsuitbreiding<br />

noodzakelijk is. Daarbij is door het erfbeplantingsplan verzekerd dat het open karakter van het gebied<br />

gerespecteerd wordt en ook dat nieuwe massa-elementen aansluiten bij de bestaande.<br />

Gezien het bovenstaande wordt aan alle voorwaarden voor het kunnen toepassen van de<br />

wijzigingsbevoegdheid conform artikel 27.1.1 van het geldende <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ voldaan.<br />

2.4.3 Waterplan<br />

De gemeente heeft in overleg met de provincie en het waterschap het waterplan ‘Water in <strong>Oss</strong>’<br />

opgesteld. Uitgangspunt van het beleid is dat er in <strong>Oss</strong> naar een duurzaam watersysteem wordt<br />

gestreefd, waarbij voorkomen wordt dat de problemen worden afgewenteld naar elders of naar later.<br />

Aan de hand van vier thema’s wordt het waterbeleid verder uitgewerkt.<br />

- Beleving van water:<br />

<strong>Oss</strong> streeft naar een functioneel, veerkrachtig en mooi watersysteem met zichtbaar en veilig<br />

water waardoor een prettige leefomgeving ontstaat.<br />

- Water als ordenend principe:<br />

De gemeente wil rekening houden met water tijdens het ontwerp van nieuwe wijken. Water is<br />

steeds meer ordenend. Er wordt hydrologisch neutraal gebouwd. Herinrichting of nieuwbouw mag<br />

dus niet leiden tot een grotere afvoer uit het plangebied. Het beleid is erop gericht om veel meer<br />

en langer water vast te houden, te bergen en pas daarna af te voeren.<br />

- Waterkwaliteit:<br />

<strong>Oss</strong> streeft naar water dat helder en schoon is. De kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater<br />

moet op alle punten aan de vereiste ecologische en milieukwaliteitmaatstaven voldoen. De<br />

vuiluitworp van overstorten en andere lozingen mogen het oppervlaktewater niet nadelig<br />

beïnvloeden. Voor de waterkwaliteit wordt de strategie gevolgd van schoon houden, schoon en<br />

vuil scheiden, zuiveren.<br />

- Waterketen:<br />

De gemeentelijke riolering moet op termijn volledig voldoen aan het waterkwaliteitsspoor. Om dit<br />

te bereiken wordt zoveel mogelijk regenwater afgekoppeld van het riool en worden de schoon- en<br />

vuilwaterstromen zoveel mogelijk gescheiden. Al het afvalwater moet worden gezuiverd.<br />

Daar waar met die <strong>bestemmingsplan</strong> nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt dient tevens<br />

rekening te worden gehouden met het beleid van het waterschap. Het waterschap Aa en Maas heeft<br />

hiertoe voor het toetsen van de waterparagraaf uitgangspunten opgesteld. Deze worden behandeld in<br />

paragraaf 5.2.<br />

2.4.4 Geurbeleid<br />

Ten aanzien van het aspect geur kan een onderscheid gemaakt worden tussen industriële geurhinder en<br />

geurhinder van agrarische bedrijven. Voor agrarische bedrijven vormt de Wet geurhinder en veehouderij<br />

het toetsingskader voor milieuvergunningen en <strong>bestemmingsplan</strong>nen. Op basis van deze wet kan een<br />

gemeente een lokaal gebiedsgericht geurbeleid voeren door, binnen wettelijke marges, af te wijken van<br />

de standaard geurnormen en/of vaste afstanden uit de wet. Deze bevoegdheid kan worden aangewend<br />

om ontwikkelingen mogelijk te maken. De afwijking van geurnormen en vaste afstanden wordt vastgelegd<br />

in een geurverordening, met onderbouwing in een geurgebiedsvisie. Op basis van de verordening gelden<br />

binnen de gemeente geurnormen, waaraan rechtstreeks getoetst kan worden bij nieuwe ontwikkelingen<br />

waarvoor ontheffing verleend moet worden van het <strong>bestemmingsplan</strong> of waarvoor het <strong>bestemmingsplan</strong><br />

gewijzigd moet worden.<br />

Bij nieuwe ontwikkelingen dient in beeld te worden gebracht of aan de geurnormen voor een<br />

aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden voldaan.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 15 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Voor het plangebied Weteringstraat 1-3 in Teeffelen is momenteel de Geurgebiedsvisie 2008, gemeente<br />

Lith en de “Verordening geurhinder en veehouderij 2008, gemeente Lith” van toepassing.<br />

Daarnaast zijn een nieuwe gebiedsvisie en geurverordening voor de hele gemeente <strong>Oss</strong> in ontwikkeling.<br />

Daarnaast is een “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente <strong>Oss</strong> 2012”opgesteld.<br />

Met deze beleidsregel kan een uitspraak worden gedaan over een acceptabel woon- en leefklimaat ten<br />

gevolge van cumulatieve geurhinder.<br />

Het ontwerp van de “Geurgebiedsvisie 2013”, het ontwerp van de “Agrarische geurverordening gemeente<br />

<strong>Oss</strong> 2013” en de beleidsregel hebben tot 3 oktober 2012 ter inzage gelegen. De “Geurgebiedsvisie 2013”<br />

en van de “Agrarische geurverordening gemeente <strong>Oss</strong> 2013” worden naar verwachting op 13 december<br />

2012 vastgesteld door de gemeenteraad van <strong>Oss</strong>.<br />

2.5 Beleid waterschap Aa en Maas<br />

Het waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om de gemeente <strong>Oss</strong>. Het<br />

waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft.<br />

In het ‘Waterbeheerplan Aa en Maas 2010 – 2015’ zijn de beleidsuitgangspunten en principes van het<br />

waterschap voor het waterkeringenbeheer, het waterbeheer en het transporteren en zuiveren van<br />

afvalwater opgenomen. Door de probleemgerichte uitoefening van deze taken zorgt het waterschap in<br />

belangrijke mate voor realisatie van de maatschappelijke doelstellingen voor water.<br />

In het waterbeheerplan worden de doelstellingen uitgewerkt in de thema’s:<br />

- veilig en bewoonbaar beheergebied;<br />

- voldoende water;<br />

- schoon water;<br />

- natuurlijk en recreatief water.<br />

Nieuwe ontwikkelingen dienen voor het aspect waterhuishouding niet alleen te passen binnen het<br />

gemeentelijke beleid ten aanzien van water, maar ook binnen het beleid van het waterschap. Waterschap<br />

Aa en Maas heeft voor de toetsing van de invulling van de waterhuishoudkundige aspecten beleidskaders<br />

voor de watertoets vastgesteld. Deze beleidskaders zijn uitgewerkt in acht uitgangspunten. Hieronder<br />

worden deze uitgangspunten, inclusief korte toelichting, aangegeven:<br />

1. Voorkomen van vervuiling<br />

Bouw en renovatie kunnen het milieu belasten. Het waterschap streeft ernaar om verontreiniging zoveel<br />

mogelijk te voorkomen. Het voorkomen van vervuiling is een randvoorwaarde voor de watertoets.<br />

2. Wateroverlastvrij bestemmen<br />

Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient naar plekken te worden gezocht die hoog<br />

en droog genoeg zijn. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is, dan moet compensatie plaatsvinden. Daarbij<br />

dienen maatregelen te worden genomen om het gebied voldoende tegen wateroverlast te beschermen.<br />

3. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO)<br />

Het waterschap hanteert het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen: de nieuwe situatie van de<br />

waterhuishouding moet minimaal gelijk blijven aan de uitgangssituatie. De grondwaterstand mag niet<br />

worden verlaagd. Bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied mag de oorspronkelijke landelijke<br />

afvoer niet overschreden worden. Het waterpeil moet aansluiten bij de optimale grondwaterstanden.<br />

In poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan.<br />

4. Vuil water en hemelwater scheiden<br />

Vuil water dient naar het riool en schoon hemelwater naar de bodem of een watergang te worden<br />

afgevoerd. De aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels is uitgesloten.<br />

5. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 16 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Bij de afvoer van schoon hemelwater dienen de volgende stappen gehanteerd te worden: hergebruik ><br />

infiltratie > buffering > afvoer. Hergebruik van regenwater is interessant bij grootschalige voorzieningen<br />

als scholen en kantoorgebouwen. Op kleinere percelen is infiltratie in de bodem de beste oplossing.<br />

Als dit niet mogelijk is, dient voor buffering in een waterberging te worden gekozen om overstroming<br />

tijdens zware regenval te vermijden. Een laatste mogelijkheid is het vertraagd afvoeren van een<br />

neerslagpiek naar een leggerwatergang.<br />

6. Waterschapsbelangen<br />

Bij uw bouwproject kunnen verschillende waterschapsbelangen spelen:<br />

- Aanwezigheid en ligging watersysteem.<br />

- Aanwezigheid en ligging waterkeringen.<br />

- Ruimteclaims voor waterberging.<br />

- Ruimteclaims voor de aanleg van natte ecologische verbindingszones en beekherstel.<br />

- Aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen<br />

in beheer bij het waterschap.<br />

Indien deze belangen een rol spelen in het plan dienen deze benoemd te worden.<br />

7. Meervoudig ruimtegebruik<br />

Gebruiksfuncties kunnen worden gecombineerd.<br />

8. Water als kans<br />

Water kan een meerwaarde geven aan een plan. Zo kan er gebruik worden gemaakt van de<br />

belevingswaarde van water.<br />

Om de taak goed uit te voeren zijn wettelijke regels nodig. Deze regels staan in de keur van het<br />

waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap Aa en Maas.<br />

De regels zijn vastgelegd in de “Keur Waterschap Aa en Maas 2011”.<br />

Waterschap Aa en Maas toetst voor vergunning en ontheffingsverlening of een activiteit of werk wordt<br />

uitgevoerd in attentiegebieden, keurbeschermingsgebieden of daarbuiten. Het waterschap stelt ter<br />

concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing<br />

van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is<br />

vereist, is dit ook een taak van het waterschap.<br />

Voor de toepassing van de beleidsregels wordt uitgegaan van de begrenzing van de<br />

beschermingsgebieden en attentiegebieden zoals deze is vastgelegd op de keurkaart. Het plangebied<br />

aan de Weteringstraat 1-3 te Teeffelen valt echter noch in het keurbeschermingsgebied noch in een<br />

attentiegebied. Volgens het waterbeheerplan Aa en Maas 2010-2015 ligt het plangebied wel in een<br />

zogenaamd peilbesluitgebied. In dergelijke gebieden heeft het waterschap een inspanningsverplichting<br />

om de waterstanden te handhaven.


Hoofdstuk 3 Bestaande situatie<br />

3.1 Ontstaansgeschiedenis<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 17 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

De projectlocatie ligt ten zuidoosten van Teeffelen in de Oijense Polder. Op de topografische kaart van<br />

1869 is te zien dat dit gedeelte van de polder weliswaar door de mens in gebruik was genomen. Het<br />

gebruik was toen nog niet intensief. Zo zijn er veel minder wegen dan nu. Zowel de Weteringstraat als de<br />

Hoefstraat waren destijds nog niet aanwezig. Ook was er vrijwel geen bebouwing in de polder aanwezig,<br />

afgezien van een paar zogenaamde ‘hutten’. De gronden waren wel verkaveld. De langgerekte kavels<br />

waren waarschijnlijk als hooiland in gebruik. Het gebied heeft een heel open karakter.<br />

De Hertogswetering als de Teeffelense Wetering vonden kronkelend door het landschap een weg richting<br />

de Maas.<br />

3.2 Bestaande situatie<br />

De bestaande situatie wijkt aanzienlijk af van de situatie zoals die ongeveer 150 jaar geleden was. De<br />

Oijense Polder heeft wel haar openheid behouden en ook de slagenverkaveling is nog steeds intact. Wel<br />

is het gebied veel intensiever in gebruik genomen door de landbouw. Er zijn diverse agrarische bedrijven<br />

in het gebied aanwezig en ook zijn er ontsluitingswegen aangelegd, zoals de Weteringstraat en de<br />

Hoefstraat.<br />

De projectlocatie ligt dicht bij zowel Hertogswetering als Teeffelense Wetering. Beide weteringen liggen<br />

op meer dan 200 meter afstand van de locatie. Het gebied tussen de weteringen en de projectlocatie is<br />

weidevogelgebied. Dit gebied grenst aan drie zijden aan het bouwvlak.<br />

In de huidige situatie is aan de Weteringstraat 1-3 een vleesvarkenshouderij gevestigd. Op de locatie zijn<br />

een viertal stallen aanwezig. Deze stallen zijn parallel aan elkaar gesitueerd. De stallen volgen de<br />

slagenverkaveling in het landschap. Aan de westzijde van de projectlocatie, op korte afstand van de<br />

Hoefstraat is een rij knotwilgen aanwezig.<br />

Het oorspronkelijke bedrijf had een omvang van 2.000 varkens. Deze varkens zijn in de twee meest<br />

oostelijke stallen gehuisvest. Het bedrijf wordt binnen het bestaande bouwblok uitgebreid met een vijfde<br />

stal die direct achter de bestaande stallen wordt gesitueerd. Deze uitbreiding leidt tot een inrichting<br />

waarbinnen 4.110 vleesvarkens kunnen worden gehouden.<br />

Bedrijf in bestaande situatie binnen het bestaand bouwvlak


Hoofdstuk 4 Doelstellingen en programma<br />

4.1 Aanpassingen om te voldoen aan het Besluit huisvesting<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 18 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Binnen het plangebied wordt het bouwblok van een agrarisch bedrijf vergroot. Dit is onder meer<br />

noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de eisen die gesteld zijn in het Besluit huisvesting. Het besluit<br />

bepaalt dat dierenverblijven, waar emissiearme huisvestingssystemen voor beschikbaar zijn, op den duur<br />

emissiearm moeten zijn uitgevoerd.<br />

De uitbreiding van het bedrijf wordt uitgevoerd in twee fasen. De eerste fase wordt binnen het bestaande<br />

bouwvlak gerealiseerd. Deze uitbreiding is in paragraaf 3.2 Bestaande situatie beschreven. Voor de<br />

tweede fase van de uitbreiding is een vergroting van het bouwvlak nodig.<br />

De voorgenomen uitbreiding tweede fase bestaat uit een vergroting van de vijfde stal. Deze uitbreiding<br />

maakt het mogelijk om 936 vleesvarkens extra te kunnen huisvesten. Daarnaast kunnen door deze<br />

uitbreiding 624 gespeende biggen worden gehuisvest binnen de inrichting.<br />

In totaal zullen in de inrichting afronding van de tweede fase dierplaatsen worden gerealiseerd voor 4.264<br />

vleesvarkens en 624 gespeende biggen.<br />

In de bijlage is een ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. In deze onderbouwing is het plan nader<br />

uitgewerkt.<br />

Bedrijf in gewenste situatie (Bouwvlak)<br />

4.2 Ruimtelijke kwaliteit<br />

Om te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van de bedrijfsuitbreiding zijn landschappelijke<br />

voorwaarden geformuleerd op basis waarvan een erfbeplantingsplan is opgesteld. Het erfbeplantingsplan<br />

is in deze toelichting opgenomen.<br />

Met dit erfbeplantingsplan wordt de ruimtelijke kwaliteit gegarandeerd.


Hoofdstuk 5 Randvoorwaarden en beperkingen<br />

5.1 Milieuaspecten<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 19 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Voor dit wijzigingsplan zijn onderstaand de milieuaspecten uitgewerkt. In de bijlage bij dit plan is in de<br />

‘Ruimtelijke onderbouwing Bouwblokvergroting varkenshouderij Weteringstraat VOF’ een nadere<br />

ruimtelijke en milieukundige onderbouwing van het plan opgenomen. Relevante (nadere) onderzoeken<br />

zijn ook in de bijlage bij dit plan opgenomen.<br />

5.1.1 Bodem<br />

Door de Animal Sciences Group van de universiteit van Wageningen is een notitie gemaakt waaruit voor<br />

de vee- en pluimveebedrijven kunnen worden afgeleid waarbij op basis van omvang en/of bedrijfsvoering<br />

de verblijftijd van de mens wel meer dan 2 uur per dag zal zijn en waarbij, gelet op het bovenstaande dus<br />

wel een bodemonderzoek noodzakelijk is.<br />

Dit bodemonderzoek komt eigenlijk pas aan de orde op het moment dat er daadwerkelijk sprake is van<br />

een aanvraag van een omgevingsvergunning. Op dit moment kan worden volstaan met een historisch<br />

bodemonderzoek. Dit inmiddels uitgevoerde onderzoek maakt onderdeel uit van de ruimtelijke<br />

onderbouwing van dit plan. De conclusie is dat op grond van het onderzoek de locatie als ‘niet-verdacht’<br />

is aangemerkt. Aangenomen wordt dat er geen sprake is van bodemverontreiniging.<br />

5.1.2 Geluid<br />

Gezien de vrij grote afstand van het bedrijf tot omliggende woningen zal het aspect geluidhinder de<br />

gevraagde bouwblokvergroting niet in de weg staan.<br />

Het gaat om aanpassing en toevoeging van stallen. Dit zijn geen geluidgevoelige ruimten waardoor de<br />

Wet geluidhinder (Wgh) niet van toepassing is voor het aspect wegverkeerslawaai. Er zijn geen<br />

belemmeringen voor de plannen ten aanzien van wegverkeerslawaai.<br />

In geval van een uitbreiding van het agrarische bouwblok is er ook geen "industrielawaai" te verwachten.<br />

5.1.3 Geur<br />

Geurhinder wordt bepaald op basis van voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. Met de<br />

voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van de veehouderij die de meeste geurbelasting op<br />

een ‘voor geurhinder gevoelig object’ veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle<br />

veehouderijen die binnen 2 km rondom een geurgevoelig object liggen. De achtergrondbelasting is een<br />

goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen.<br />

Voorgrondbelasting<br />

Op grond van de “Verordening geurhinder en veehouderij 2008, gemeente Lith” geldt voor het<br />

verwevingsgebied waarbinnen het plangebied ligt een geurnorm van 14 odour units (Ou) voor<br />

geurgevoelige objecten. Rond de kern Teeffelen geldt een geurnorm van 8 Ou.<br />

Voor de bebouwde kom van Teeffelen geldt een geurnorm van 2 Ou.<br />

Op grond van de ontwerp “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente <strong>Oss</strong> 2013” geldt voor het<br />

verwevingsgebied waarbinnen het plangebied ligt ook een geurnorm van 14 Ou. Rond de kern Teeffelen<br />

geldt een geurnorm van 8 Ou. De bebouwde kom van Teeffelen heeft op grond van de ontwerp<br />

Verordening een geurnorm van 6 Ou.<br />

De geurcontour van 14 Ou van de varkenshouderij Weteringstraat 1-3 ligt binnen het verwevingsgebied.<br />

Binnen deze contour bevinden zich geen voor geur gevoelige objecten. Binnen de 3 Ou contour van het<br />

bedrijf ligt één geurgevoelig object, namelijk een woning aan de Oijenseweg 273. Op die locatie geldt een<br />

geurnorm van 14 Ou.


Geurcontouren voorgrondbelasting (default) 3 Ou (bruin) en 14 Ou (blauw)<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 20 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Vanwege de al vrij grote afstand van de 3 Oudeur-contour tot de dorpskern van Teeffelen en vanwege de<br />

geringe uitbreiding van de geuremissie als gevolg van het plan (14.000 Ou/sec), zullen er naar<br />

verwachting geen woningen binnen de 2 Oudeur-contour liggen.<br />

Conclusie<br />

Zowel op grond van de geldende “Verordening geurhinder en veehouderij 2008, gemeente Lith” als op<br />

grond van de ontwerp “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente <strong>Oss</strong> 2013” geldt dat er binnen<br />

de geldende geurcontouren geen geurgevoelige objecten aanwezig zijn.<br />

Achtergrondbelasting<br />

De achtergrondbelasting moet worden meegewogen bij het opstellen van ruimtelijke plannen.<br />

Door een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 oktober 2009 zijn de normen van de Wet<br />

geurhinder en veehouderij niet in de omgekeerde werking van toepassing. In het kader van de<br />

omgekeerde werking moet worden getoetst aan de vraag of in de nieuwe situatie sprake is van een<br />

aanvaardbaar woon-, leef- en werkklimaat bij voor geur gevoelige objecten in de omgeving van de<br />

varkenshouderij.<br />

In de “Geurgebiedsvisie 2008, gemeente Lith” zijn normen opgenomen voor achtergrondbelasting. Deze<br />

normen zijn afgeleid uit de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij.<br />

In deze geurgebiedsvisie is aangegeven dat er in de bebouwde kom sprake is van een acceptabel<br />

geurniveau bij een achtergrondgeurbelasting van 0-6 OuE/m 3 , een afweegbaar geurniveau bij 6-10<br />

OuE/m 3 en een slechte geursituatie bij meer dan 10 OuE/m 3 . Volgens deze geurgebiedsvisie is in het<br />

buitengebied sprake van een acceptabel geurniveau bij een achtergrondgeurbelasting van 0-28 OuE/m 3 ,<br />

een afweegbaar geurniveau bij 28-38 OuE/m 3 en een slechte geursituatie bij meer dan 38 OuE/m 3 .<br />

In de ontwerp “Geurgebiedsvisie 2013” zijn nieuwe streef- en toetswaarden voor achtergrondbelasting<br />

opgenomen. Volgens deze gebiedsvisie is in de bebouwde kom van Teeffelen sprake van een<br />

achtergrondbelasting die als “goed” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van 0-6 OuE/m 3 , een<br />

achtergrondbelasting die als “voldoende” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van 6-13 OuE/m 3 en<br />

een achtergrondbelasting die als “onvoldoende” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van meer<br />

dan 13 OuE/m 3 . Volgens deze geurvisie is in het buitengebied sprake van een achtergrondbelasting die<br />

als “goed” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van 0-10 OuE/m 3 , een achtergrondbelasting die als<br />

“voldoende” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van 10-20 OuE/m 3 en een achtergrondbelasting<br />

die als “onvoldoende” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van meer dan 20 OuE/m 3 .<br />

Het RMB heeft in november 2011 de achtergrondbelasting berekend volgens de op dat moment<br />

vergunde situatie. (Zie onderstaande kaartuitsnede).


Achtergrondbelasting Teeffelen (RMB 2011)<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 21 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Op grond van de normen volgens de “Geurgebiedsvisie 2008, gemeente Lith” was in Teeffelen in 2011<br />

grotendeels sprake van een acceptabel geurniveau.<br />

Bij de voorbereiding van het nieuwe geurbeleid, zoals vastgelegd in de ontwerp “Geurgebiedsvisie 2013”,<br />

heeft adviesbureau Arcadis nieuwe berekeningen van de achtergrondbelasting gemaakt. Hierbij is<br />

gebruik gemaakt van de op dat moment beschikbare gegevens van geuremissies van alle veehouderijen<br />

binnen 2 km rond de kom van Teeffelen (zie onderstaande kaartuitsnede).<br />

Achtergrondbelasting Teeffelen<br />

De varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-3 had in 1995 een milieuvergunning voor 46.000 Ou/sec. Op<br />

13 april 2012 is een vergunning verleend voor 56.616,8 Ou/sec.<br />

De uitbreiding van dit bedrijf leidt tot meer geuremissie. De varkenshouderij ligt op ruim 700 meter<br />

afstand van Teeffelen. Vanwege deze afstand zal de toename in geuremissie nauwelijks bijdragen aan<br />

de bestaande achtergrondbelasting op de kom van Teeffelen. De achtergrondbelasting wordt in Teeffelen<br />

vooral bepaald door de bedrijven die direct rond de kern liggen.<br />

R&S advies heeft de achtergrondbelasting van geur door van de uitbreiding van de varkenshouderij<br />

berekend (zie onderstaande kaartuitsnede).


Achtergrondbelasting Teeffelen (R&S advies, 2012)<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 22 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Uit deze berekening komt naar voren dat na uitbreiding van de varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-<br />

3 sprake is van een goed woon- en leefklimaat in Teeffelen. De gehanteerde indeling van toetswaarden<br />

komt niet helemaal overeen met de toetswaarden volgens de geldende en toekomstige geurgebiedsvisies<br />

van de gemeente <strong>Oss</strong>.<br />

Dit betekent dat volgens de “Geurgebiedsvisie 2008, gemeente Lith” is er sprake van een acceptabel<br />

geurniveau. Volgens de ontwerp “Geurgebiedsvisie 2013” is sprake van een achtergrondbelasting die als<br />

“goed” tot “voldoende” kan worden aangemerkt.<br />

Conclusie<br />

Uit het onderzoek komt naar voren dat, op basis van de streef- en toetswaarden voor de<br />

achtergrondbelasting, het woon- en leefklimaat in de gehele kom van Teeffelen goed is. Het woon- en<br />

leefklimaat zal nauwelijks beïnvloed worden door de vergunde extra geuremissie door de uitbreiding van<br />

de varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-3.<br />

Gezien de berekende geuremissie en de ruime afstand tot omliggende gevoelige objecten is niet te<br />

verwachten dat het bedrijf qua geurhinder voor een overbelaste situatie zal gaan zorgen. De omliggende<br />

geurgevoelige objecten staan uitbreiding van het bouwblok ten behoeve van de intensieve<br />

veehouderij dan ook niet in de weg.<br />

5.1.4 Luchtkwaliteit<br />

In de Wet Luchtkwaliteit worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een<br />

maximumwaarde voor de hoeveelheid fijn stof die zich in de lucht bevindt. Volgens de wettelijke normen<br />

mag deze concentratie maximaal 40 µg/m³ bedragen.<br />

In verband met de uitbreiding van het bedrijf zijn berekeningen van de stofemissie gemaakt. Deze zijn in<br />

de bijlage ‘Ruimtelijke onderbouwing Bouwblokvergroting varkenshouderij Weteringstraat VOF’<br />

opgenomen.<br />

Uit de berekening blijkt dat de maximale bijdrage ten opzichte van woningen van derden ruim onder de<br />

maximale waarde van 40 µg/m³ blijft.<br />

De grenswaarde van het 24-uurgemiddelde (50 µg/m 3 ) mag maximaal 35 maal per kalenderjaar worden<br />

overschreden. Ook deze grenswaarde wordt niet overschreden.<br />

De bouwblokvergroting zal niet leiden tot een significant grotere verkeersaantrekkende werking. Het plan<br />

heeft verder geen gevolgen voor de luchtkwaliteit.


5.1.5 Externe veiligheid<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 23 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Externe veiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke<br />

stoffen. Het kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is<br />

verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Bij het normeren van de risico’s wordt onderscheid<br />

gemaakt in twee grootheden: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).<br />

Het PR is de kans per jaar op het overlijden van een onbeschermd individu naar aanleidingen van een<br />

bepaalde activiteit. Het PR wordt weergegeven met contouren rondom de risicobron. Binnen deze<br />

zogenaamde PR 10-6 contour mogen zich geen kwetsbare objecten bevinden, zoals woningen.<br />

Het Groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans per jaar dat minimaal een aantal personen het slachtoffer<br />

wordt van een ongeval. Het gebied waarbinnen het groepsrisico speelt, wordt aangeduid als het<br />

invloedsgebied. Voor het GR geldt (in tegenstelling tot het PR) geen harde norm maar een<br />

oriëntatiewaarde. Voor iedere toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.<br />

De Weteringstraat 1-3 ligt buiten alle invloedsgebieden die over gedeelten van de gemeente <strong>Oss</strong> liggen.<br />

Externe veiligheid speelt daarom geen rol in dit plan.<br />

5.2 Gezondheidsaspecten<br />

Stoffen zoals ammoniak, fijn stof en biologische agentia in de intensieve veehouderij spelen een<br />

belangrijke rol bij het optreden van gezondheidseffecten in de omgeving.<br />

Op basis van de op dit moment bekende publicaties en onderzoeken adviseert GGD Nederland dat<br />

binnen een straal van 250 meter rond intensieve veehouderijen het voorzorgsprincipe leidend zou<br />

moeten zijn. Binnen 250 meter van intensieve veehouderijen zijn hogere concentraties gemeten van fijn<br />

stof, endotoxinen en veespecifieke MRSA-bacterie met mogelijk negatieve gezondheidseffecten.<br />

De GGD adviseert bij planontwikkeling en nieuwbouw om geen intensieve veehouderijen in een straal<br />

van 250 meter rond gevoelige bestemmingen op te richten en geen gevoelige bestemmingen binnen 250<br />

meter van intensieve veehouderijen te bouwen.<br />

Dit advies is verwoord in het Informatieblad Intensieve Veehouderij en Gezondheid, Update 2011<br />

(oktober 2011).<br />

Aan de zuidoostzijde van de intensieve varkenshouderij Weteringstraat 1-3 ligt op ruim 400 meter één<br />

woning. Op ruim 700 meter afstand ten westen van het bedrijf ligt de kern Teeffelen. De kern <strong>Oss</strong> ligt op<br />

circa 1,5 kilometer ten zuiden van het bedrijf. Dit betekent dat ruim wordt voldaan aan de aan te houden<br />

adviesafstand van 250 meter.<br />

Bij de uitbreiding van de bestaande intensieve varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-3 wordt aan het<br />

voorzorgprincipe voldaan. Er zijn vanuit het perspectief van gezondheid dan ook geen problemen te<br />

verwachten.<br />

5.3 Waterhuishouding<br />

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende<br />

principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik.<br />

Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de<br />

waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals<br />

wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging, te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)<br />

stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in<br />

het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 24 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Gebied<br />

Het plangebied maakt deel uit van het stroomgebied Hertogswetering. Het beleid van het waterschap is<br />

om te proberen om 100% van het verhard oppervlak af te koppelen en het schone regenwater te<br />

infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen<br />

niet mogelijk is kan gekozen worden voor afvoeren. De keuze van voorziening moet uiteraard afgestemd<br />

zijn op de kenmerken van de ondergrond.<br />

Uit informatie van de Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied met name<br />

geschikt is voor het aanleggen van een bovengrondse bergings- en infiltratievoorziening. Het plangebied<br />

is namelijk gelegen in een gebied met een grondwaterdynamiek met een gemiddeld hoogste<br />

grondwaterstand (GHG) variërend van 0,60 - 0,80 m onder maaiveld (-mv) en een gemiddeld laagste<br />

grondwaterstand (GLG) van 1,20 m-mv of dieper. Tevens is het plangebied gelegen in de nabijheid van<br />

een gebied waar soms maaiveldkwel optreedt.<br />

Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied (25-jaarszone), maar grenst hier<br />

wel aan.<br />

Beïnvloeding van het waterhuishoudkundig systeem<br />

Door de beoogde realisatie van het bouwplan zullen er wijzigingen plaatsvinden aan de verharde<br />

oppervlakten. De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse zal derhalve veranderen. Een aspect binnen<br />

het plangebied is de afkoppeling en eventuele infiltratie van hemelwater in de bodem. Infiltratie van<br />

hemelwater biedt namelijk voordelen tegenover de gebruikelijke afvoermethoden via het<br />

oppervlaktewater of via rioleringssystemen.<br />

Deze voordelen zijn onder andere:<br />

• verdroging van de bodem wordt tegengegaan en de natuurlijke waterkringloop wordt verbeterd;<br />

• minder of geen belasting van het rioolstelsel. Daardoor zullen minder of geen overstorten plaatsvinden,<br />

zodat minder vuillast in het oppervlaktewater terecht komt;<br />

• lagere piekaanvoer op de Riool Water Zuivering Installatie (RWZI);<br />

• mogelijkheid tot hergebruik van (geïnfiltreerd) water.<br />

Infiltratie van regenwater is in Nederland een relatief nieuwe ontwikkeling. In Duitsland is hiermee al meer<br />

ervaring opgedaan en is vastgelegd dat minimaal een infiltratiesnelheid (k-waarde) van 1-5.10 -6 m/s (circa<br />

0,09-0,43 meter/dag ofwel 3,6-18 mm/h) vereist is voor het succesvol toepassen van regenwaterinfiltratie.<br />

De reden die hiervoor wordt opgegeven is dat er bij lagere doorlatendheden reducerende<br />

omstandigheden kunnen optreden in de onverzadigde zone, die een ongunstige invloed kunnen hebben<br />

op het retentie- en omzettingsvermogen ervan. Daarnaast is bij lagere doorlatendheden ook een groot<br />

ruimtebeslag nodig voor het aanleggen van infiltratievoorzieningen. Bovendien moet er rekening mee<br />

worden gehouden dat deze langer (dagen achtereen) water blijven voeren, hetgeen onwenselijk kan zijn<br />

in een (woon)omgeving.<br />

De doorlatendheid van een bodem is afhankelijk van vele factoren, onder meer poriëngrootte, de<br />

continuïteit van de poriën, de poriënvorm, het poriënaantal, de geometrie van de poriënkanalen en de<br />

diepte tot de grondwaterstand. De poriëngrootte en de verdeling ervan hangen in de eerste plaats van de<br />

bodemsoort en de bodemstructuur af. Bovendien is de doorlatendheid afhankelijk van de<br />

verzadigingsgraad en kan ze beïnvloed worden door micro-organismen. Hieruit kan worden afgeleid dat<br />

de infiltratiesnelheid van de ondergrond geen constante waarde heeft, maar van plaats tot plaats varieert,<br />

waarbij zelfs op vrij kleine schaal belangrijke verschillen kunnen optreden.<br />

Locatie plangebied<br />

Het plangebied ligt in het buitengebied ten oosten van het dorp Teeffelen en ten noorden van de stad<br />

<strong>Oss</strong>, beide gemeente <strong>Oss</strong>. Het gebied wordt in het zuiden en westen begrensd door respectievelijk de<br />

Weteringstraat en de Hoefstraat. Rondom het plangebied zijn voorts agrarische percelen gelegen waar<br />

de hoofdwaterlopen Teeffelensche Wetering en Hertogswetering doorheen stromen. De omgeving kan<br />

derhalve worden beschreven als agrarisch buitengebied. Het gebied kent geen duidelijke<br />

hoogteverschillen en is geologisch gezien gelegen nabij de Peelrandbreuk, op een gemiddelde hoogte<br />

van circa 5 meter + NAP. In paragraaf 6.1.1 Inrichtingsplan en beplanting is een schets van de<br />

toekomstige situatie weergegeven.


Van het bouwplan zijn verder de volgende gegevens bekend:<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 25 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Locatie : Weteringstraat 1-3 te Teeffelen;<br />

huidige en toekomstige bestemming : agrarisch;<br />

totale oppervlakte plangebied : 13.750 m 2 ;<br />

bestaand verhard oppervlak : 8.200 m 2 , waarvan:<br />

dak : 4.700 m 2 ;<br />

terreinverharding : 3.500 m 2 ;<br />

totaal extra verhard oppervlak (dak) : 4.000 m 2 .<br />

De watersystemen zoals die in de locatie en omgeving voorkomen worden onderverdeeld in grondwater,<br />

oppervlaktewater, regenwater en afvalwater.<br />

Grondwater<br />

Het heersende grondwaterpeil in de omgeving van het plangebied is circa 1,2 meter beneden maaiveld.<br />

De stromingsrichting van het grondwater is volgens de kaart Dienst Grondwaterverkenning TNO globaal<br />

noordwestelijk. Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige<br />

grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en<br />

grondwaterstroming op de locatie.<br />

Oppervlaktewateren<br />

Binnen de locatie is een kleine waterpoel aanwezig. Op een afstand van circa 250 meter ten oosten van<br />

het plangebied stroomt de hoofdwaterloop Teeffelensche Wetering. Op een afstand van circa 350 meter<br />

ten zuiden van het plangebied stroomt de Hertogswetering.<br />

Ecosystemen<br />

Het plangebied ligt niet in een natuurgebied. Ook in de directe nabijheid van de locatie is geen<br />

natuurgebied gelegen. Op een afstand van circa 2.000 meter ten noordwesten van het plangebied is de<br />

Alphense Waard en Hemelrijksche Waard gelegen. Deze aan elkaar grenzende gebieden en de twee<br />

voornoemde hoofdwaterlopen behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).<br />

Bodem<br />

Uit informatie van de Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat de bodem ter plaatse van<br />

het plangebied uit rivierklei bestaat.<br />

Hydrologische gegevens<br />

Voor de dimensionering van de eventuele infiltratie- of bergingsvoorzieningen zijn de volgende<br />

parameters van belang:<br />

• de k-waarde van de ondergrond. Voor de snelheid van wateropname in een pakket opgebouwd uit<br />

rivierklei is vooralsnog een k-waarde van 0,1 meter per dag aangehouden;<br />

• de afgekoppelde oppervlakken die worden aangesloten op de voorziening;<br />

• de te verwachten neerslag, evenals de intensiteit ervan.<br />

Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in<br />

dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar<br />

oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest<br />

wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is:<br />

1. hergebruiken;<br />

2. vasthouden;<br />

3. bergen;<br />

4. afvoeren naar oppervlaktewater.<br />

Deze trits dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt<br />

gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet<br />

mogelijk zijn, is het noodzakelijk om water te bergen of af te voeren naar oppervlaktewater.<br />

Binnen het plangebied zijn de mogelijkheden voor infiltratie beperkt. De doorlatendheid van de bodem is<br />

te laag om infiltratie van hemelwater op een efficiënte wijze toe te passen. Dit betekent dat berging van<br />

hemelwater moet plaatsvinden.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 26 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Bij 'bergen' kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een buffersloot met een geknepen afvoer naar een<br />

watergang. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient te worden berekend met een neerslagreeks van<br />

T = 10 + 10%. De initiatiefnemer dient deze berging op eigen terrein te realiseren. De afvoer vanuit de<br />

berging mag niet meer bedragen dan de afvoer in de oorspronkelijke situatie. Deze afvoer is<br />

locatiegebonden en varieert grofweg van 0,1 tot 2 l/s/ha. Voor de projectlocatie geldt een<br />

afvoercoëfficiënt van 0,43 l/s/ha. Bij de berekeningen van de maatgevende berging en de berging bij<br />

extreme neerslag, een neerslagreeks van T = 100 + 10%, wordt derhalve uitgegaan van een gemiddelde<br />

afvoer van 0,43 l/s/ha.<br />

De maatgevende berging uitgaande van een toename van het verhard oppervlak met 4.000 m² bedraagt<br />

200 m 3 waarbij een hoeveelheid van 270 m 3 geen overlast bij derden mag veroorzaken. De berekende<br />

hoeveelheid hemelwater zal middels een reeds op het terrein aanwezige buffersloot worden geborgen.<br />

Het hemelwater wat op de verharde oppervlakken valt zal derhalve via een regenwaterriolering, of over<br />

het maaiveld, worden afgevoerd naar de bergingsvoorziening waar het kan infiltreren in de bodem.<br />

In de bijlage is de berekening van de maatgevende berging, middels het Toetsinstrumentarium<br />

Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, weergegeven.<br />

Aangezien het hemelwater niet op het riool wordt afgevoerd maar op bovenstaande wijze op locatie<br />

geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd wordt, dient er rekening gehouden te worden met de<br />

eventuele verontreinigingen in de bodem. Uit historisch bodemonderzoek (Tritium Advies, 1105/041/RV-<br />

2, d.d. 21-7-2011) blijkt echter dat er aangenomen kan worden dat er op de onderzoekslocatie geen<br />

sprake is van bodemverontreiniging. Er zijn derhalve geen humane, ecologische of verspreidingsrisico’s<br />

te verwachten.<br />

Locatie en dimensionering bergings- en infiltratievoorziening<br />

In de onderhavige situatie wordt ervoor gekozen om de reeds aanwezige buffersloot als bergings- en<br />

infiltratievoorziening te gebruiken. In deze laagte in het bodemprofiel kan het afgekoppelde regenwater<br />

zich verzamelen, wordt het geborgen en infiltreert het vervolgens langzaam in de bodem. Ook bij hevige<br />

regenval zal de sloot als een buffer werken.<br />

Gezien het af te koppelen dakoppervlak en terreinverharding en de te bergen “neerslaggebeurtenis” dient<br />

de buffersloot een minimale bergingscapaciteit van 270 m 3 te hebben. In de in paragraaf 6.1.1<br />

Inrichtingsplan en beplanting opgenomen situatietekening is de locatie van de buffersloot weergegeven.<br />

In navolgende figuur 1 wordt schematisch een bovenaanzicht en dwarsdoorsnede van de buffersloot<br />

weergegeven. In de figuur is tevens aangegeven aan welke maatvoering de buffersloot minimaal dient te<br />

voldoen.<br />

Tussen de buffersloot en de rest van het watersysteem dient een vertragende voorziening te worden<br />

gerealiseerd. Deze vertragende voorziening moet er voor zorgen dat de afvoercoëfficiënt van 0,43l/s/ha<br />

niet wordt overschreden. Dit komt neer op een debiet van niet meer dan 0,17 l/s.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 27 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

In de buffersloot dient een bovengrondse noodoverloop te worden geïnstalleerd die op het vuilwaterriool<br />

is aangesloten om zo langdurige excessieve regenbuien af te kunnen voeren en wateroverlast tot een<br />

minimum te beperken. Er dient hierbij wel te worden gewaarborgd dat geen verontreinigd (afval)water<br />

terug kan lopen in de buffersloot.<br />

Materiaalgebruik<br />

Afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen<br />

gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Het betreft uitlogende<br />

materialen, zoals zink en lood. Dat betekent dat slechts duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt<br />

mogen worden.<br />

Overige aandachtspunten<br />

In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste<br />

bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet<br />

verstopt raakt of dicht gaat slibben in de tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze<br />

regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen.<br />

Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te<br />

gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens<br />

gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en<br />

parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn.<br />

Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen<br />

dat het systeem blijft functioneren. Ook moet de noodoverloop regelmatig worden onderhouden.


5.4 Waarden<br />

5.4.1 Inleiding<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 28 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Om te bepalen of de wijzigingen binnen het onderzoeksgebied mogelijk leiden tot overtreding van de<br />

natuurwetgeving is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan maakt onderdeel van de<br />

ruimtelijke onderbouwing en is zodanig bijgevoegd bij dit wijzigingsplan.<br />

5.4.2 Natuurwaarden<br />

Uit de quickscan is gebleken dat er binnen het plangebied mogelijk vogelsoorten voorkomen die staan<br />

vermeld op Flora en Fauna lijst 3 en feitelijk ontheffingsplichtig zijn.<br />

De werkzaamheden voor de overige soortgroepen zullen geen overtreding van de natuurwetgeving tot<br />

gevolg hebben.<br />

Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het onderzoeksgebied voor een aantal soorten vogels<br />

geschikt is als onderdeel van het leefgebied. De nabijgelegen bomen, struikenbegroeiing en bebouwing<br />

kunnen dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gehele gebied geschikt als foerageergebied.<br />

Echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in het<br />

landelijk gebied voorkomen, zoals bijvoorbeeld weide- en watervogels, zijn gunstige biotopen aanwezig.<br />

Voor bos- en struweelvogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn enkel<br />

individuen waargenomen van de boerenzwaluw, kwikstaart, huismus en de houtduif. Vogelnesten zijn niet<br />

waargenomen.<br />

Indien broedende vogels aanwezig zijn kunnen verstorende werkzaamheden als eventuele verwijdering<br />

van de beplanting niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels<br />

aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Door beplanting voor het broedseizoen voor<br />

vogels te verwijderen wordt voorkomen dat vogels er zullen gaan broeden. Indien er op deze manier<br />

wordt gehandeld treden er geen effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het<br />

geheel plaats vinden buiten het broedseizoen worden eveneens geen nadelige effecten verwacht op<br />

vogels. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op bovenstaande wijze zijn er geen nadelige<br />

effecten ten aanzien van vogels en is het niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.<br />

Met deze voorwaarden zal bij de bouw rekening worden gehouden.<br />

5.4.3 Archeologie en cultuurhistorie<br />

Het perceel aan de Weteringstraat 1-3 ligt in een gebied met een hoge archeologische<br />

verwachtingswaarde. De verwachtingswaarden zijn aangegeven in de Archeologische<br />

beleidsadvieskaart.<br />

In eerste instantie is een booronderzoek nodig. Dit wordt ingezet om de archeologische verwachting te<br />

toetsen. Een booronderzoek kan aanleiding geven tot een vervolgonderzoek in de vorm van<br />

proefsleuven.


Archeologische beleidsadvieskaart met legenda<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 29 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Er is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit vooronderzoek maakt onderdeel uit van de<br />

ruimtelijke onderbouwing en is als bijlage bijgevoegd.<br />

Op basis van het archeologische vooronderzoek, een bureau- en verkennend booronderzoek, is voor het<br />

onderzochte plangebied een selectieadvies gegeven door de hiertoe bevoegde archeoloog van de<br />

gemeente <strong>Oss</strong>. Het selectiebesluit geeft aan dat er geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is.<br />

Met het selectiebesluit wordt dit advies door de gemeente <strong>Oss</strong> onderschreven. De initiatiefnemer heeft<br />

met het onderzoek voldaan aan de archeologische verplichting conform het archeologiebeleid en de<br />

archeologieverordening van de gemeente <strong>Oss</strong>. Het selectiebesluit is als bijlage bij het wijzigingsplan<br />

gevoegd.<br />

5.4.4 Verkeer en parkeren<br />

De vergroting van het bouwblok leidt niet tot een relevante toename van het aantal verkeersbewegingen<br />

van en naar het bedrijf. In de verkeersafwikkeling treden geen relevante wijzigingen op door de<br />

bouwblokvergroting.<br />

Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in hoofdstuk 2 van de Verordening ruimte van de provincie<br />

Noord-Brabant. Het plan heeft verkeerstechnisch nauwelijks nadelige gevolgen.<br />

5.5 Duurzame locatie<br />

5.5.1 Inleiding<br />

Zowel in de provinciale structuurvisie als in de provinciale Verordening ruimte is aangegeven dat<br />

ontwikkeling van intensieve veehouderijen op een duurzame locatie tot 1,5 ha mogelijk is. Het begrip<br />

duurzame locatie is overgenomen uit eerdere plannen, zoals het streekplan Noord-Brabant 2002. Er is<br />

destijds ook een “Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve<br />

veehouderij” opgesteld, die nadere invulling en verduidelijking geeft aan geformuleerde provinciaal beleid<br />

met betrekking tot duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij. Op<br />

basis van de structuurvisie van de provincie zijn (nog) geen concrete toetsingscriteria aangewezen om te<br />

toetsten of een locatie duurzame is. Daarom wordt de beoordeling of deze locatie een duurzame locatie<br />

betreft gebaseerd op de vertaling van de criteria van de eerder genoemde handleiding naar actueel<br />

beleid.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 30 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

De beoordeling of de Weteringstraat 1-3 een duurzame locatie is, is gebaseerd op 12 aspecten. Deze<br />

aspecten komen voornamelijk voort uit de “Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties<br />

voor de intensieve veehouderij”.<br />

5.5.2 Beoordeling duurzame locatie<br />

a. Structuurvisie<br />

In de structuurvisie van de provincie Noord-Brabant is het plangebied aangewezen als een “accentgebied<br />

agrarische ontwikkeling”. Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische<br />

productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en<br />

intensivering van de landbouw.<br />

b. Verordening ruimte<br />

In de Verordening ruimte is het plangebied aangemerkt als een “verwevingsgebied”. In dit gebied is een<br />

beperkte ontwikkeling van intensieve veehouderij mogelijk, mits het een duurzame locatie betreft.<br />

c. Stankgevoeligheid<br />

Wat stankgevoelige objecten zijn is bepaald in de Wet Geurhinder en Veehouderijen en bijbehorende<br />

regeling. De uitbreiding van het bouwblok zorgt er voor dat nog steeds aan de minimale afstand van<br />

gevel tot gevel van 25 meter en de minimale afstand van 50 meter tot het dichtstbijzijnde<br />

veehouderijbedrijf wordt voldaan.<br />

In paragraaf 5.1.3 wordt uitgebreid op het aspect geurhinder ingegaan.<br />

d. Verzuring gevoelig gebied<br />

Met de inwerkingtreding van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn de voor verzuring gevoelige<br />

gebieden vervangen door kwetsbare en zeer kwetsbare gebieden (zkg). Alleen in de zkg en een zone<br />

van 250 meter hieromheen gelden beperkingen voor veehouderijen.<br />

Uit de provinciale “Wet ammoniak en veehouderijkaart” blijkt dat het plangebied ver verwijderd ligt van<br />

zeer kwetsbare gebieden en ook ruim buiten de 250 meter zone rond Wav-gebieden ligt.<br />

e. Ecologische verbindingszone<br />

In de Verordening ruimte is de ecologische hoofdstructuur aangegeven. Het plangebied doorkruist deze<br />

hoofdstructuur niet.<br />

f. Cultuurhistorische waarden<br />

In de Verordening ruimte zijn de cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangegeven. Hier ligt het<br />

plangebied binnen.<br />

Conform de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 (CHW) van de provincie Noord-Brabant ligt het<br />

plangebied binnen het cultuurhistorische vlak ‘Beerse Overlaat’. Strategie daarvoor is om de waarden en


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 31 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

kenmerken planologisch te beschermen. Het gaat dan om de Hertogswetering, de Roode Wetering, de<br />

eendenkooien, de huizen op terpen, de Peeldam bij Velp, de Groene Dijk bij Haren, de Erfdijk bij Herpen,<br />

de dijken en kades aan de noordkant van de Beerse Maas, aangelegd ter bescherming van de dorpen<br />

aan de Maas en de sluis bij Treurenburg.<br />

Realisatie van dit verzoek heeft geen (negatieve) invloed op de te beschermen waarden binnen dit<br />

cultuurhistorische vlak.<br />

g. Openheid<br />

Het plan maakt slechts extra bebouwing mogelijk die aansluit bij de bestaande bebouwing. Het<br />

toekomstige bouwblok zal niet veel verder het open gebied insteken. Het plan is hierdoor nauwelijks van<br />

invloed op de zichtlijnen in de omgeving. Door het inrichtingsplan dat bij dit plan hoort, wordt voldaan aan<br />

een goede landschappelijke inpassing.<br />

h. Archeologische hoge verwachtingswaarde<br />

De locatie ligt conform de Archeologische beleidsadvieskaart grotendeels in een gebied met een hoge<br />

archeologische verwachtingswaarde.<br />

Er is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit vooronderzoek maakt onderdeel uit van de<br />

ruimtelijke onderbouwingen is als bijlage bijgevoegd.<br />

Op basis van het archeologische vooronderzoek, een bureau- en verkennend booronderzoek, is voor het<br />

onderzochte plangebied een selectieadvies gegeven door de hiertoe bevoegde archeoloog van de<br />

gemeente <strong>Oss</strong>. Het selectiebesluit is dat er geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Met<br />

het selectiebesluit wordt dit advies door de gemeente <strong>Oss</strong> onderschreven. De opdrachtgever heeft door<br />

het laten uitvoeren van het onderzoek voldaan aan de archeologische verplichting conform het<br />

archeologiebeleid en -verordening van de gemeente <strong>Oss</strong>. Het selectiebesluit is als bijlage bij het<br />

wijzigingsplan gevoegd.<br />

i. Aardkundig waardevol gebied<br />

In de Verordening ruimte staan de aardkundig waardevolle gebieden aangegeven. Hier ligt het<br />

plangebied niet binnen.<br />

j. Grondwaterbeschermingsgebieden<br />

In de Verordening ruimte staat dat het plangebied niet valt binnen een waterwingebied, 25-jaarszone<br />

kwetsbaar of één van de andere belangrijke gebieden met betrekking tot waterbescherming.<br />

k. Regionale waterberging<br />

In de Verordening ruimte zijn de regionale waterbergingsgebieden aangewezen. Het plangebied ligt daar<br />

buiten. Ook ligt het plangebied niet in een reserveringsgebied voor waterberging.<br />

l. Beperken directe hinder<br />

De uitbreiding van het bouwvlak leidt niet tot directe hinder voor de omgeving.<br />

Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de locatie van het plangebied is aan te merken als een<br />

duurzame locatie.<br />

5.6 M.e.r.-beoordeling<br />

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. De wijziging houdt in dat als nieuwe<br />

activiteiten of projecten mogelijk worden gemaakt, moet worden afgewogen of een m.e.r.-beoordeling<br />

nodig is of niet. Een m.e.r.-beoordeling is nodig als niet kan worden uitgesloten dat het betreffende<br />

project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben op grond van de selectiecriteria in<br />

bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Die selectiecriteria hebben onder meer betrekking<br />

op de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en de aard van de omgeving.<br />

In de zin van de m.e.r.-regelgeving wordt met dit wijzigingsplan slechts een ondergeschikte uitbreiding<br />

van het bedrijf mogelijk gemaakt. Mede gezien wat in deze toelichting en in de ruimtelijke onderbouwing<br />

bij deze toelichting wordt opgemerkt over de afzonderlijke milieuaspecten, heeft dit project geen<br />

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 32 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

In verband met de aanvraag van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen<br />

omgevingsrecht (Wabo) voor de eerste fase van de uitbreiding van het bedrijf heeft een m.e.r.beoordeling<br />

plaatsgevonden. Bij deze beoordeling is ook de tweede fase betrokken.<br />

Naar aanleiding van de ingediende aanmeldingsnotitie is voor de eerste fase van de uitbreiding<br />

geconcludeerd dat gezien de kenmerken van het oprichten van een nieuwe vleesvarkenstal en uitbreiding<br />

van plaatsen in de bestaande vleesvarkensstallen bij een bestaande varkenshouderij, de plaats waar het<br />

bedrijf is gevestigd, de samenhang met andere activiteiten ter plaatse en de kenmerken van de gevolgen<br />

die het bedrijf veroorzaakt, er géén sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.<br />

Het oprichten van een stal wordt ook niet als een bijzondere omstandigheid beschouwd, die vereist dat bij<br />

de voorbereiding van het besluit ten aanzien van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de op<br />

te richten stal bij het bestaande bedrijf een MER moet worden opgesteld.<br />

Met het onderhavige wijzigingsplan wordt een beperkte uitbreiding van het bestaande bedrijf mogelijk<br />

gemaakt. Er bestaat dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van een extra m.e.r.-beoordeling.


Hoofdstuk 6 Toelichting op het plan<br />

6.1 Ruimtelijke uitgangspunten<br />

6.1.1 Inrichtingsplan en beplanting<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 33 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

De vergroting van het bouwvlak wordt gecompenseerd door realisatie ven een landschappelijke inrichting<br />

van het perceel.<br />

Met dit inrichtingsplan wordt tegemoet gekomen aan de aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering<br />

van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie van het<br />

gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft, zoals aangegeven in de Verordening ruimte van de<br />

provincie Noord-Brabant.<br />

Het landschappelijke inrichtingsplan maakt onderdeel uit van de overeenkomst die is gesloten met de<br />

initiatiefnemer. Hierdoor is realisatie van het inrichtingsplan in het kader van de realisatie van het plan<br />

verzekerd. Het inrichtingsplan is als bijlage bij dit wijzigingsplan gevoegd.<br />

Landschappelijk inrichtingsplan<br />

Binnen het bouwblok wordt een groenstrook gerealiseerd van 1500 m 2 . Hiermee wordt 10% van het<br />

bouwblok aangewend voor landschappelijke inpassing. Deze inpassing bestaat onder andere uit knotessen,<br />

bloemrijk grasland en een poel. Ook de al bestaande beplanting maakt onderdeel uit van de<br />

groene inrichting.


6.1.2 Passendheid in de omgeving<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 34 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

De nieuwe stal wordt achter een van de bestaande stallen gesitueerd. De stalrichting van de nieuwe stal<br />

is gelijk aan de richting van de bestaande stallen. Het geheel volgt dus de verkaveling van het<br />

slagenlandschap ter plaatse.<br />

Zowel ten oosten als ten westen van de nieuwe stal wordt een bomenrij aangepland. Deze bomen volgen<br />

de lijnen in het landschap en zorgen zo voor een versterking van het slagenlandschap.<br />

De toegepaste boomsoort, es (in knotvorm) is kenmerkend voor de Oijense Polder.<br />

Ook de bestaande (te handhaven) bomenrij aan de westzijde, bestaande uit (knot)wilgen benadrukken de<br />

lijnen in het landschap.<br />

Robuuste (onder)beplanting is ongewenst gezien de situering tegen het weidevogelgebied aan.<br />

De sloot aan de oostzijde zorgt voor waterberging. Deze sloot benadrukt daarbij het natte karakter van<br />

het gebied en de slagenverkaveling.<br />

De aanleg van een (amfibieën)poel is passend in dit waterrijke, natte gebied.<br />

Tot slot zal het bloemrijke grasland gunstig zijn voor de natuur, zowel flora als fauna (vooral insecten)<br />

zullen hier baat bij hebben.<br />

6.1.3 Zorgvuldig ruimtegebruik<br />

Uitbreiding van het bouwblok is noodzakelijk om het agrarische bedrijf te kunnen laten voldoen aan de<br />

eisen van het Besluit huisvesting. De bebouwing wordt zoveel mogelijk tegen de bestaande bebouwing<br />

aan gerealiseerd waardoor het bouwvlak zo compact mogelijk blijft en de openheid van het landschap zo<br />

min mogelijk wordt aangetast. Hiermee wordt voldaan aan de Verordening ruimte van de provincie<br />

Noord-Brabant voor wat betreft zorgvuldig ruimtegebruik.


Hoofdstuk 7 Toelichting op de regels<br />

7.1 Toelichting op de regels<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 35 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Een <strong>bestemmingsplan</strong> bevat regels die het juridische instrumentarium geven voor het regelen van het<br />

gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing.<br />

Het wijzigingsplan wordt digitaal en analoog verbeeld, en gaat vergezeld van deze toelichting. De<br />

toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het wijzigingsplan. Wel heeft<br />

zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan.<br />

Omdat het hier gaat om een wijzigingsplan wordt aangesloten bij de regels van het <strong>bestemmingsplan</strong><br />

‘<strong>Buitengebied</strong>’. In dit wijzigingsplan is geoordeeld dat het plan voldoet aan de voorwaarden die gesteld<br />

worden aan een wijzigingsbevoegdheid conform artikel 27.1.1 van het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’.<br />

Verder zijn de regels van de bestemming “Agrarisch gebied” met een “agrarisch bouwblok” van<br />

toepassing.<br />

Voor dit wijzigingsplan worden er geen nieuwe regels gemaakt. In de regels wordt verwezen naar de<br />

betreffende regels van het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ van de voormalige gemeente Lith. Het gaat<br />

om het <strong>bestemmingsplan</strong> dat door de gemeenteraad van Lith op 31 januari 2002 is vastgesteld en<br />

vervolgens op 17 september 2002 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-<br />

Brabant.<br />

7.2 Toelichting op de verbeelding<br />

Onderdeel van dit wijzigingsplan zijn een analoge en digitale verbeelding. Op deze verbeeldingen is de<br />

Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 niet van toepassing op grond van artikel 8.1.2. van het<br />

Bro. In het Bro is aangegeven dat niet aan de digitaliseringsverplichting hoeft te worden voldaan als het<br />

moederplan op papier is vormgegeven.<br />

De digitale verbeelding wordt daarom als een digitaal pdf-bestand ter beschikking gesteld.


Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid<br />

8.1 Economische uitvoerbaarheid<br />

<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 36 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

De aanleg van de voorgestane ontwikkeling, de plankosten en andere bijkomende kosten komen voor<br />

rekening van de aanvrager. De afspraken hieromtrent worden vastgelegd in een anterieure<br />

overeenkomst.<br />

Om het agrarische bedrijf te kunnen laten voldoen aan landelijke wetgeving is de bouwblokvergroting<br />

noodzakelijk. Door de aanpassing kan het agrarische bedrijf optimaal functioneren.<br />

8.2 Kostenverhaal<br />

In de Wet ruimtelijke ordening zijn onder meer bepalingen over grondexploitatie opgenomen. Het doel<br />

van deze bepalingen is onder andere om bij nieuwe ontwikkelingen de mogelijkheden voor<br />

gemeentebesturen te verbeteren om exploitatiekosten te verhalen. De wet heeft als uitgangspunt dat de<br />

gemeente bij de vaststelling van (onder meer) een <strong>bestemmingsplan</strong> kosten moet verhalen indien er<br />

sprake is van een bouwplan. Voor het kostenverhaal dient een exploitatieplan vastgesteld te worden,<br />

tenzij (onder meer) het kostenverhaal anderszins verzekerd is.<br />

In het Besluit ruimtelijke ordening is aangegeven wat onder een bouwplan wordt verstaan.<br />

Indien er sprake is van een bouwplan, vindt kostenverhaal op de verzoeker plaats via een zogenoemde<br />

anterieure overeenkomst, dan wel met toepassing van de Legesverordening <strong>Oss</strong> 2011. Daarmee is het<br />

kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ en hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden.<br />

8.3 Planschade<br />

Bij een nieuwe ontwikkeling is het planschaderisico waar nodig via een planschaderisicoanalyse vooraf<br />

ingeschat, en worden eventuele planschadekosten op de initiatiefnemer afgewenteld via een<br />

overeenkomst. In dit geval doet zich geen situatie voor waarin voorshands aangenomen moet worden dat<br />

een dergelijke afwenteling niet mogelijk is.<br />

Overigens wordt planschade tot op zekere hoogte geacht tot het maatschappelijk risico te behoren, en<br />

komt planschade niet voor vergoeding in aanmerking voor zover deze voorzienbaar is.<br />

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat dit wijzigingsplan economisch<br />

uitvoerbaar is.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 37 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid<br />

9.1 Inspraak voorontwerp<br />

In de Inspraakverordening gemeente <strong>Oss</strong> 2007 staat dat het bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn<br />

eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Het is<br />

noodzakelijk om inspraak te verlenen indien de wet daartoe verplicht. De Wro en de Algemene wet<br />

bestuursrecht (Awb) verplichten het verlenen van inspraak bij het opstellen van een wijzigingsplan niet.<br />

Het voorontwerp-wijzigingsplan heeft op grond van de Inspraakverordening gemeente <strong>Oss</strong> 2007 en<br />

afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van 29 december 2011 tot en met 8 februari 2012 voor<br />

iedereen ter inzage gelegen en is gedurende die periode digitaal beschikbaar gesteld. Hiervan is<br />

mededeling gedaan op de gemeentelijke website en in het huis-aan-huisblad <strong>Oss</strong> Actueel van 28<br />

december 2011. Gedurende deze periode konden ingezetenen van de gemeente <strong>Oss</strong> en<br />

belanghebbenden hun reactie geven op het voorontwerp-wijzigingsplan.<br />

Tijdens de inspraakprocedure zijn er geen reacties ontvangen.<br />

9.2 Notitie Reikwijdte en Detailniveau<br />

Voor dit wijzigingsplan is besloten om het voorontwerp ter inzage te leggen samen met de mededeling<br />

van het voornemen van de initiatiefnemer en een Notitie Reikwijdte en Detailniveau.<br />

Het was mogelijk om over de notitie reikwijdte en detailniveau, in verband met een mogelijk op te stellen<br />

MER, zienswijzen naar voren te brengen.<br />

Over de m.e.r.-procedure is bij de Commissie m.e.r. advies ingewonnen. Na overleg met de Commissie<br />

m.e.r. is er voor gekozen om geen MER op te stellen. Deze procedure is in relatie tot de gewenste<br />

uitbreiding een te zwaar middel. Zeker gezien het gegeven dat uit een m.e.r,.-beoordeling naar voren is<br />

gekomen dat dit project geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu.<br />

Er zijn geen zienswijzen naar aanleiding van de notitie reikwijdte en detailniveau ingediend.<br />

9.3 Vooroverleg<br />

Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat “het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> of wijzigingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en<br />

waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke<br />

ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn”. Ter<br />

uitvoering daarvan zijn de volgende instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het<br />

voorontwerpwijzigingsplan:<br />

1. VROM-inspectie, Regio Zuid, Postbus 850, 5600 AW Eindhoven<br />

2. Provincie Noord-Brabant, Postbus 90151, 5200 MC ’s-Hertogenbosch<br />

3. Waterschap Aa en Maas, Postbus 5049, 5201 GA ’s-Hertogenbosch<br />

Reacties<br />

1. VROM-inspectie, Regio Zuid<br />

Van de VROM-inspectie is geen reactie ontvangen.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 38 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

2. Provincie Noord-Brabant<br />

De directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving van de provincie Noord-Brabant<br />

Heeft op 15 augustus 2012 gereageerd. De directie constateert een strijdigheid met de Verordening<br />

ruimte. Hierbij gaat het om het aspect duurzame locatie. De verantwoording bij het <strong>bestemmingsplan</strong><br />

bevat voor dit aspect, volgens de directie, onvoldoende gegevens om te kunnen beoordelen of de<br />

uitbreiding van het agrarische bedrijf vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur,<br />

fijnstof en gezondheid voor mensen, aanvaardbaar is.<br />

Er is geconstateerd dat de uitgangspunten van het luchtkwaliteitonderzoek en het geuronderzoek<br />

verschillend zijn. De directie verzoekt om voor beide rapporten dezelfde uitgangspunten voor bouwhoogte<br />

en diameter van het emissiepunt van de stallen 3 en 4 te hanteren.<br />

Verder ontbreekt, volgens de directie, de juiste informatie om een goede beoordeling te maken van de<br />

achtergrondbelasting voor geur.<br />

Er moet inzicht verschaft worden in de achtergrondgeurbelasting in de nieuwe situatie op relevante<br />

verspreid liggende geurgevoelige objecten en op aaneengesloten woonbebouwing. De<br />

achtergrondbelasting moet met V-stacks-Gebied worden onderbouwd. Verder moet inzicht verschaft<br />

worden in de leefkwaliteit op basis van bijlage 6 en 7 van de handleiding bij de Wet geurhinder en<br />

veehouderij. Ook moet inzicht worden verschaft in het oordeel van de gemeente of in onderhavig initiatief<br />

sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of het initiatief past binnen de randvoorwaarden van de<br />

geurgebiedsvisie van de gemeente.<br />

Antwoordt burgemeester en wethouders<br />

Er is een nieuwe berekening van de luchtkwaliteit uitgevoerd, waarbij de juiste uitgangspunten voor<br />

bouwhoogte en diameter van het emissiepunt van de stallen 3 en 4 zijn gehanteerd. Deze berekening is<br />

in de bijlage ‘Ruimtelijke onderbouwing Bouwblokvergroting varkenshouderij Weteringstraat VOF’<br />

opgenomen. In deze berekening is de maximale bijdrage van fijn stof ten opzichte van woningen van<br />

derden kleiner dan in de oorspronkelijke berekening. De conclusies uit de ruimtelijke onderbouwing<br />

kunnen gehandhaafd blijven. De bedrijfsontwikkeling aan de Weteringstraat 1-3 voldoet aan de<br />

normstelling in de Wet luchtkwaliteit.<br />

Aan hoofdstuk 2 is een paragraaf ‘Geurbeleid’ toegevoegd. Daarnaast is in hoofdstuk 5<br />

‘Randvoorwaarden en beperkingen’ paragraaf 5.1.3 (Geur) aangevuld met gegevens over de<br />

achtergrondgeurbelasting. In deze paragraaf is aangegeven of er sprake is van een goed woon- en<br />

leefklimaat. Hierbij is getoetst aan de gemeentelijke geurgebiedsvisie.<br />

Uit de gegevens komt naar voren dat het woon- en leefklimaat in de kern Teeffelen nauwelijks beïnvloed<br />

zal worden door de vergunde extra geuremissie door de uitbreiding van de varkenshouderij aan de<br />

Weteringstraat 1-3.<br />

Met de aanvulling van de gegevens bevat het wijzigingsplan voldoende informatie voor de onderbouwing<br />

van het aspect duurzame locatie.<br />

3. Waterschap Aa en Maas<br />

Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft op 9 februari 2012 gereageerd. Het bestuur verzoekt om<br />

in de waterparagraaf te refereren aan het relevante waterschapsbeleid. Hierbij gaat het met name om de<br />

acht uitgangspunten voor de watertoets en het waterbeheersplan 2010 – 2015.<br />

Verder wordt in de reactie aangegeven dat tussen de sloot waarin de waterberging is voorzien en de<br />

leggerwatergang, waarmee deze sloot in verbinding staat, een vertragende voorziening dient te worden<br />

gerealiseerd. Het debiet van deze voorziening dient de 0,17 l/s niet te overschrijden.<br />

Het bestuur verzoekt de gemeente om toe te zien dat de 5 m-zone tussen de leggerwatergang en de<br />

westelijke grens van het plangebied vrij blijft van obstakels.<br />

Antwoordt burgemeester en wethouders<br />

Aan hoofdstuk 2 ‘Beleidskaders’ is een paragraaf ‘Beleid waterschap Aa en Maas’ toegevoegd. In deze<br />

paragraaf wordt ingegaan op het waterbeheerplan 2010 – 2015 van het waterschap. Verder wordt in deze<br />

paragraaf op het watertoetsbeleid, inclusief de acht uitgangspunten, van het waterschap ingegaan.


<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 39 van 39<br />

Vastgesteld 30 oktober 2012<br />

In de waterparagraaf wordt expliciet aangegeven dat er een vertragende voorziening in de<br />

bergingsvoorziening wordt gerealiseerd, waarbij het debiet van de voorziening de 0,17 l/s niet<br />

overschrijdt.<br />

Het toezien op het vrij van obstakels blijven van de 5 m-zone tussen de leggergang en de grens van het<br />

plangebied is geen aspect dat in onderhavig plan dient te worden geregeld. Een wijzigingsplan is niet het<br />

geëigende instrument om uitvoeringsaspecten juridisch-planologisch te regelen.<br />

9.4 Zienswijzeprocedure<br />

Het ontwerp van het wijzigingsplan heeft op grond van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke van 5 juli 2012<br />

tot en met 15 augustus 2012 voor iedereen ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het elektronisch<br />

beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl.<br />

De terinzagelegging is op 4 juli 2012 meegedeeld in het plaatselijke blad <strong>Oss</strong> Actueel en op de<br />

gemeentelijke website. Belanghebbenden konden gedurende de termijn van inzage schriftelijk een<br />

zienswijze over het ontwerpwijzigingsplan naar voren brengen.<br />

Er zijn tijdens deze periode geen zienswijzen ingediend.


VARKENSHOUDERIJ<br />

WETERINGSTRAAT VOF<br />

Ruimtelijke onderbouwing<br />

Bouwblokvergroting<br />

R & S advies<br />

Langegracht 4a<br />

5091 SJ MIDDELBEERS<br />

Telnr: 06 - 510 39 378<br />

Faxnr: 084 – 229 25 56<br />

Emailadres: info@rensadvies.com<br />

R & S Advies<br />

adviseur voor o.a.:<br />

MER-rapportages;<br />

Aanvraag omgevingsvergunning;<br />

Aanvragen voor de Natuurbeschermingswet;<br />

Geurhinderonderzoeken bij woningbouw;<br />

Passende herbestemming;<br />

enz.<br />

27 april 2012<br />

Kenmerk : 10-163-RO<br />

versie 2<br />

Houtbroekstraat 8, Someren<br />

Ing. Chris Spapens<br />

R & S ADVIES<br />

06 – 10963044<br />

info@rensadvies.com


Naam en adres initiatiefnemer<br />

Naam: Varkenshouderij Weteringstraat VOF<br />

Contactpersoon: de heer M. van Doremalen<br />

Correspondentie-Adres: Oijensebovendijk 19, 5394 LA OIJEN<br />

Locatie: Weteringstraat 1-3<br />

<strong>Gemeente</strong>: 5395 TJ Teeffelen (gemeente <strong>Oss</strong>)<br />

Kadastrale gegevens van het bedrijf<br />

<strong>Gemeente</strong>: <strong>Oss</strong><br />

Kerkdorp: Teeffelen<br />

Sectie: E<br />

Nummers: 94 en 95<br />

Naam en adres bevoegd gezag Wet milieubeheer<br />

Naam: gemeente <strong>Oss</strong><br />

Adres: Postbus 5<br />

<strong>Gemeente</strong>: 5340 BA OSS<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 3


RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 4


Inhoudsopgave<br />

Inhoudsopgave 5<br />

1<br />

2<br />

Inleiding 7<br />

Beleid en besluiten 8<br />

2.1. Overzicht van de beleidsaspecten ...........................................................................8<br />

2.2. Besluitvormingskader ............................................................................................10<br />

2.3. Genomen besluiten................................................................................................11<br />

2.4. Verloop procedure en planning .............................................................................11<br />

3<br />

Kenmerken van de huidige activiteit 13<br />

3.1. Bedrijfslocatie ........................................................................................................13<br />

3.2. Beschrijving productieproces.................................................................................15<br />

3.3. Omgevingsaspecten...............................................................................................16<br />

3.3.1. Ecologische hoofdstructuur ................................................................................16<br />

3.3.2. Wetlands.............................................................................................................17<br />

3.3.3. Kwetsbare gebieden ...........................................................................................18<br />

3.3.4. Natuurbeschermingswetgebieden .....................................................................19<br />

3.4. Ruimtelijke aspecten..............................................................................................26<br />

3.4.1. Bestemmingsplan ...............................................................................................26<br />

3.4.2. Verordening 2011 ...............................................................................................26<br />

3.5. Overige aspecten ...................................................................................................27<br />

3.5.1. Directe ammoniakschade ...................................................................................27<br />

3.5.2. Cultuurhistorische / Archeologische waarden....................................................28<br />

3.5.1. Aardkundige waarden.........................................................................................29<br />

3.5.1. Waterdoelen / -systemen...................................................................................30<br />

4<br />

Voorgenomen activiteit 32<br />

4.1. Beschrijving voorgenomen activiteit......................................................................32<br />

4.2. Bedrijfslocatie ........................................................................................................33<br />

4.3. Beschrijving productieproces.................................................................................34<br />

4.4. Motivatie voorgenomen activiteit .......................................................................35<br />

4.5. Fasering..................................................................................................................35<br />

4.6. Toekomstige ontwikkelingen .................................................................................35<br />

5<br />

Milieu-effecten voorgenomen activiteit 36<br />

5.1. Ammoniakemissie..................................................................................................36<br />

5.1.1. Individuele ammoniakemissie ............................................................................36<br />

5.1.2. Depositie van ammoniak ....................................................................................36<br />

5.2. Geuremissie ...........................................................................................................39<br />

5.2.1. Individuele geuremissie (voorgrondbelasting) ...................................................39<br />

5.3. Stof.........................................................................................................................43<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 5


5.4. Water .....................................................................................................................46<br />

5.5. Energieverbruik......................................................................................................47<br />

5.6. Mest .......................................................................................................................47<br />

5.7. Voer........................................................................................................................47<br />

5.8. Geluid.....................................................................................................................48<br />

5.9. Verkeersaantrekkende werking .............................................................................48<br />

5.10. Afvalstoffen............................................................................................................48<br />

5.11. Bodem....................................................................................................................49<br />

5.12. Risico’s a.g.v. ongeval en abnormale omstandigheden .........................................49<br />

5.13. Besluit Huisvesting en IPPC-richtlijn ......................................................................50<br />

Conclusie 52<br />

5.14. Landschappelijke inpassing....................................................................................52<br />

5.15. Externe veiligheid...................................................................................................53<br />

5.16. Gezondheid ............................................................................................................53<br />

5.17. Overige aspecten ...................................................................................................54<br />

5.17.1. Directe ammoniakschade ...................................................................................54<br />

5.17.2. Flora en Fauna ....................................................................................................54<br />

5.17.3. Cultuurhistorische / Archeologische waarden....................................................56<br />

5.17.4. Aardkundige waarden.........................................................................................57<br />

5.17.5. Waterdoelen / -systemen...................................................................................57<br />

Overzicht bijlagen 60<br />

Bijlage 1: Situatieschets bedrijf - omgeving 61<br />

Bijlage 2: Plattegrondtekening 62<br />

Bijlage 3: Geurverspreidingsmodel (V-Stacks) 63<br />

Bijlage 4: ammoniakdepositie (Aagro-Stacks) 64<br />

Bijlage 6: Berekening dierbezetting 66<br />

Bijlage 7: Dimensionering luchtwasser 67<br />

Bijlage 8: Flora en Faunaonderzoek 68<br />

Bijlage 9: Archeologisch onderzoek 69<br />

Bijlage 10: Bodemonderzoek 70<br />

Bijlage 11: Waterparagraaf 71<br />

Bijlage 12: Landschappelijke inpassing 72<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 6


1 Inleiding<br />

De familie Van Doremalen exploiteert een vleesvarkenshouderij aan de<br />

Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. Als gevolg van eisen op basis van het<br />

besluit Huisvesting (ammoniakemissi e - reducerende maatregelen) moeten de<br />

bestaande stallen worden aangepast. Het huidige bedrijf anno 2011 aan de<br />

Weteringstraat 1-3 heeft een omvang van 2.000 vleesvarkens.<br />

De familie Van Doremalen heeft het voornemen de vleesvarkenshouderij verder te<br />

ontwikkelen en uit te breiden.<br />

Omdat de heer M. van Doremalen dit jaar een investering moet doen, is ervoor<br />

gekozen om de uitbreiding gefaseerd aan te vragen. Het voornemen is om eerstens,<br />

na het verkrijgen van de benodigde vergunningen, een stal te realiseren binnen het<br />

bestaande bouwblok. De aanvraag omgevingsvergunning 1 e fase is onlangs verleend.<br />

De stal voor de 1 e fase (8 afedelingen) past binnen het vigerend bouwvlak.<br />

Het uiteindelijke doel is om het bouwblok te vergroten tot 1,5 hectare zodat het<br />

vleesvarkensbedrijf kan worden doorontwikkeld naar in totaal 4.264 vleesvarkens en<br />

624 gespeende biggen. In de nieuw te bouwen stal kunnen uiteindelijk in totaal<br />

2.184 vleesvarkens en 624 gespeende biggen worden gehuisvest. De vergroting van<br />

het bouwblok is noodzakelijk voor de 2 e fase (8 afdelingen).<br />

In het kader van de partiële herziening van het <strong>bestemmingsplan</strong> wordt afgewogen<br />

of een plan-MER moet worden uitgevoerd. De 2 e fase van de nieuw te bouwen stal<br />

heeft betrekking op de realisatie van een stalcapaciteit van 936 vleesvarkens en 624<br />

gespeende biggen. De drempelwaarden uit het besluit MER stellen een directe MER<br />

plicht als de drempelwaarde uit de C-lijst (3.000 vleesvarkens) wordt overschreden.<br />

Als de drempelwaarde uit de D-lijst (2.000 vleesvarkens) wordt overschreden is een<br />

aanmeldingsnotitie MER noodzakelijk. Nu de uitbreiding waarvoor bouwblok<br />

vergroting noodzakelijk is niet groter is dan de drempelwaarden uit de C en D – lijst,<br />

is het wijzigingsplan niet plan-MER-plichtig.<br />

Ook is voor het wijzigingsplan geen ‘passende beoordeling’ vereist op grond van de<br />

richtlijn 92/43/EEG, de zogenaamde Habitatrichtlijn.<br />

Een Ruimtelijke Onderbouwing verplicht de initiatiefnemer een globale beschrijving<br />

te maken van de voorgenomen activiteit en aan te tonen dat ruimtelijke,<br />

milieukundige en andere belangen niet onevenredig worden aangetast als gevolg van<br />

de voorgenomen activiteit.<br />

Hoofdstuk 2 gaat in op de van belangzijnde wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 geeft<br />

een beschrijving van de kenmerken van de omgeving van de bedrijfslocatie.<br />

Hoofdstuk 4 gaat over de voorgenomen activiteit. In hoofdstuk 5 zijn de milieueffecten<br />

beschreven van de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 6 bevat alternatieven<br />

voor de voorgenomen activiteit beschreven.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 7


2 Beleid en besluiten<br />

2.1. Overzicht van de beleidsaspecten<br />

Beleidskader<br />

Ten aanzien van internationaal, nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid is met<br />

name de in tabel 2.1 weergegeven wet- en regelgeving van belang. Per<br />

beleidsdocument of besluit is aangegeven wat het doel van het stuk is en welke<br />

consequenties het heeft voor het initiatief. Belangrijke onderdelen worden<br />

inhoudelijk uitgewerkt in hoofdstuk 5.<br />

Tabel 2.1 Beleidskader<br />

Niveau Beleidsdocument<br />

of besluit<br />

Beleidsdoel Consequenties voor<br />

initiatief<br />

Internationaal IPPC-richtlijn Geïntegreerde preventie en<br />

bestrijding van verontreiniging<br />

M.e.r.-richtlijn Ontstaan van vervuiling of<br />

hinder vermijden<br />

Habitatrichtlijn Waarborgen van biologische<br />

diversiteit<br />

Vogelrichtlijn Instandhouding van alle<br />

natuurlijk in het wild levende<br />

vogelsoorten<br />

Nitraatrichtlijn Verminderen en voorkomen<br />

van waterverontreiniging door<br />

nitraten uit agrarische<br />

bronnen<br />

Kaderrichtlijn water Aquatisch milieu in stand<br />

houden en verbeteren<br />

Nationaal Wet Milieubeheer Voorkomen en beperken van<br />

milieubelasting<br />

Natuurbeschermingswet Bescherming van terreinen en<br />

wateren met bijzondere<br />

natuur- en<br />

landschapswaarden<br />

Flora- en Faunawet Instandhouding van plantenen<br />

dierensoorten die in het<br />

wild voorkomen<br />

Wet Ammoniak en<br />

Veehouderij<br />

Beschermen kwetsbare<br />

natuur tegen ammoniak uit<br />

veehouderijen<br />

Besluit Huisvesting Beperken ammoniakemissie<br />

uit dierenverblijven<br />

Gebruik best beschikbare<br />

technieken<br />

M.e.r.-procedure<br />

verplicht<br />

Restricties indien gebied<br />

binnen invloedssfeer ligt<br />

Restricties indien gebied<br />

binnen invloedssfeer ligt<br />

Regels m.b.t. opslaan en<br />

uitrijden van mest<br />

Opstellen watertoets<br />

Milieuvergunning<br />

verplicht<br />

Restricties indien gebied<br />

binnen invloedssfeer ligt<br />

Restricties indien soorten<br />

binnen invloedssfeer<br />

voorkomen<br />

Restricties indien gebied<br />

binnen invloedssfeer ligt<br />

Toepassen emissiearm<br />

huisvestingssysteem<br />

verplicht<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 8


Niveau Beleidsdocument<br />

of besluit<br />

Wet geurhinder en<br />

veehouderij<br />

Beleidsdoel Consequenties voor<br />

initiatief<br />

Stellen van regels omtrent<br />

maximaal toe te stane<br />

geurhinder uit veehouderijen<br />

Wet Luchtkwaliteit Beschermen van mens en<br />

milieu tegen negatieve<br />

effecten van<br />

luchtverontreiniging<br />

Nota Ruimte Vastleggen visie kabinet op<br />

ruimtelijke ontwikkeling<br />

Nederlandse Richtlijn<br />

Bodem<br />

Ondersteunen uitvoering<br />

bodembeschermingsbeleid bij<br />

bedrijfsmatige activiteiten<br />

Meststoffenwet Stellen van regels omtrent de<br />

afvoer van meststoffen<br />

Gezondheids- en<br />

welzijnswet voor dieren<br />

IPPC-beleidslijn Handreiking bij<br />

omgevingstoets IPPC<br />

Handreiking<br />

industrielawaai<br />

Maximale geurbelasting<br />

op geurgevoelige<br />

objecten mag niet<br />

worden overschreden<br />

Maximale uitstoot van<br />

diverse stoffen naar de<br />

lucht<br />

Ruimtelijk kader waar<br />

binnen plan kan worden<br />

uitgevoerd<br />

Voorschriften t.a.v.<br />

bodemgebruik<br />

Voorschriften t.a.v.<br />

mestopslag<br />

Reguleren van dierwelzijn Diverse eisen aan<br />

huisvesting (o.a.<br />

afmeting)<br />

Hulpmiddel bij het bepalen<br />

van geluidnormen voor<br />

bedrijven<br />

Restricties indien milieuomstandigheden<br />

daar<br />

aanleiding toe geven<br />

Voorschriften t.a.v.<br />

maximale geluidbelasting<br />

Activiteitenbesluit Stroomlijning milieuwetgeving Voorschriften t.a.v.<br />

bescherming milieu<br />

Besluit mestbassins<br />

milieubeheer<br />

Reguleren van<br />

milieuveiligheid van<br />

mestbassins<br />

Provinciaal Structuurvisie Uitwerking provinciaal beleid<br />

op gebied van ruimtelijke<br />

ordening en milieuaspecten<br />

Verordening ruimte Uitwerking provinciaal beleid<br />

op gebied van de ontwikkeling<br />

intensieve veehouderij<br />

Verordening ruimte<br />

(geen reconstructieplan<br />

gebied)<br />

Provinciale<br />

milieuverordening<br />

Provinciale verordening<br />

Stikstof<br />

<strong>Gemeente</strong>lijk Bestemmingsplan<br />

<strong>Buitengebied</strong><br />

Uitwerking provinciaal beleid<br />

op gebied van natuur,<br />

recreatie, leefomgeving en<br />

landbouw<br />

Instandhoudingsdoelen<br />

beheersplannen Natura-2000<br />

Voorschriften t.a.v.<br />

mestbassin<br />

Planologische en<br />

milieutechnische regels<br />

Planologisch rechtstreeks<br />

werkende regels<br />

Planologisch kader voor<br />

de mogelijkheden binnen<br />

een bepaalde zonering<br />

Toepassen van<br />

verdergaande ammoniak<br />

reducerende maatregelen<br />

Ruimtelijk ordening Restricties aan de<br />

afmetingen van<br />

nieuwbouw<br />

Geurverordening Stellen van regels omtrent<br />

maximaal toe te stane<br />

geurhinder uit veehouderijen<br />

Maximale geurbelasting<br />

op geurgevoelige<br />

objecten mag niet<br />

worden overschreden<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 9


2.2. Besluitvormingskader<br />

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht<br />

(Wabo) vormen het kader voor de besluitvorming omtrent de realisatie van de<br />

voorgenomen activiteit. Daarnaast vormt de Natuurbeschermingswet een kader voor de<br />

besluitvorming op een aanvraag om natuurbeschermingswet.<br />

Voor de voorgenomen activiteit moeten de besluiten zoals weergegeven in tabel 2.2<br />

worden genomen.<br />

Bevoegd Gezag Besluit Besluit genomen (ja/nee)<br />

<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong> Wet ruimtelijke ordening / wijzigingsplan<br />

Provincie Noord-Brabant Natuurbeschermingswet<br />

Provincie Gelderland Natuurbeschermingswet<br />

<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong> Omgevingsvergunning, onderdeel bouwen<br />

<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong> Omgevingsvergunning, onderdeel milieu<br />

Tabel 2.2 Te nemen besluiten ten aanzien van de voorgenomen activiteit<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 10


1. SITUATIE CONFORM VERLEENDE VERGUNNING(EN)<br />

2.3. Genomen besluiten<br />

Voor de locatie is op 19 april 1994 een revisievergunning verleend ingevolge artikel<br />

8.4 van de Wet milieubeheer verleend. Vervolgens is op 21 maart 1995 een<br />

veranderingsvergunning ingevolge artikel 8.1, sub b van de Wet milieubeheer<br />

verleend. Op 21 januari 2010 is een melding ingevolge artikel 8.19 Wet milieubeheer<br />

geaccepteerd. De vergunning is verleend voor het houden van de navolgende aantal<br />

te houden dieren:<br />

1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />

Stal Code Aantal Ammoniakemissie<br />

Kg NH3<br />

geur<br />

nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige per totaal BBT- BBT OU per OU<br />

dieren dierplaatsen dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />

3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.095 2,5 2.500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />

4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.095 2,5 2.500,0 1,4 1.400,0 23<br />

Totaal<br />

23000,0<br />

Totaal 5000,0 2800,0 Ou 46000,0<br />

ammoniakemissie<br />

bedrijf bedrijf<br />

Bestemmingsplan:<br />

De locatie aan de Weteringstraat 1-3 is op grond van het reconstructieplan gelegen in<br />

een Verwevingsgebied. Volgens de Verordening Ruimte is het vergroten van<br />

bouwvlak tot een omvang van 1,5 ha mogelijk. Op basis van het ter plaatse geldende<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> “<strong>Buitengebied</strong>” is de locatie gelegen binnen de bestemming<br />

“Agrarisch Gebied”. Het toegekende bouwvlak is voldoende van omvang om de<br />

eerste fase van het voorgenomen plan te realiseren.<br />

Voor de eindfase is een verzoek om het vergroten van het bouwblok ingediend. Dit<br />

verzoek wordt meegenomen bij de algehele <strong>bestemmingsplan</strong>herziening van het<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> “<strong>Buitengebied</strong>”. De eindfase kan pas gerealiseerd worden als het<br />

verzoek tot vergroting van het bouwvlak is geaccordeerd.<br />

2.4. Verloop procedure en planning<br />

Met ingang van 1 juli 2010 is de m.e.r.-wetgeving veranderd. Vanaf die datum geldt<br />

de beperkte procedure uitsluitend voor een aantal concrete vergunningen, zoals een<br />

milieuvergunning, waarbij voor de activiteit geen passende beoordeling op grond van<br />

de Natuurbeschermingswet 1998 gemaakt hoeft te worden. Wat betreft de Natura-<br />

2000 gebieden ‘Uiterwaarden Waal’ in de provincie Gelderland, als het gebied<br />

Vlijmensven, Moerputten en Bossche Broek in de provincie Noord-Brabant zal in<br />

overleg met de provincie(s) getracht worden om op grond van de Verordening<br />

Stikstof te komen tot saldering, waardoor er een vergunbare situatie ontstaat,<br />

waardoor geen ‘passende beoordeling’ noodzakelijk zal zijn. Daarnaast is ook een<br />

Natuurbeschermingswet vergunning noodzakelijk. Via een wetswijziging wordt in<br />

2012 de provincie waarin de veehouderijlocatie is gelegen, Provincie Noord-Brabant,<br />

bevoegd gezag voor alle Natura-2000 gebieden (ook die in Gelderland).<br />

De planning is om in half 2012 te komen tot besluitvorming in het kader van de Wro<br />

en Wabo betreft fase 2.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 11


RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 12


3Kenmerken van de huidige activiteit<br />

3.1. Bedrijfslocatie<br />

De bedrijfslocatie ligt aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen (zie figuur 3.1). De<br />

omgeving van het bedrijf is overwegend agrarisch.<br />

Topografische ligging van het bedrijf anno 2011<br />

Figuur 3.1.1<br />

De inrichting is gelegen aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. De<br />

kadastrale gegevens van het perceel van de inrichting zijn:<br />

- <strong>Gemeente</strong> : <strong>Oss</strong><br />

- Dorp : Teeffelen<br />

- Sectie : E<br />

- Nummers : 94 en 95<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 13


Figuur 3.1.2<br />

Situatie van het bedrijf in de huidige situatie, binnen het bestaande bouwblok 1 ha<br />

Figuur 3.1.3<br />

Situatie van het bedrijf na realisatie 1 e fase, binnen het bestaande bouwblok 1 ha.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 14


Bedrijfslocatie<br />

3.2. Beschrijving productieproces<br />

Op het bedrijf worden varkens na realisatie van de eerste fase 4110 vleesvarkens<br />

opgelegd in de vleesvarkensstallen met een lichaamsgewicht van ca 25 kg. In 4<br />

maanden worden zij opgefokt tot een gewicht van ca. 115 kg. Daarna worden zij<br />

afgevoerd naar een slachterij. Per jaar zijn 3 productieronden mogelijk, wat betekent<br />

dat jaarlijks ca 12.000 vleesvarkens worden afgeleverd.<br />

De werkzaamheden op het bedrijf<br />

bestaan uit het voederen en<br />

(veterinair) verzorgen van de dieren,<br />

het reinigen van de stallen en het<br />

bijhouden van de administratie. De<br />

veterinaire verzorging wordt gedaan<br />

door de ondernemer en/of zijn<br />

personeel, onder aansturing van de<br />

dierenarts binnen de hiervoor<br />

geldende wettelijke kaders. De<br />

dieren worden geheel automatisch<br />

gevoerd; de per varken te verstrekken hoeveelheid voer wordt door een automatisch<br />

voertransportsysteem bij de dieren gebracht.<br />

Na elke productieronde worden de stallen schoongeveegd. Vervolgens worden zij<br />

ingeweekt waarna zij met de hogedrukspuit worden gereinigd en ontsmet.<br />

Transportmiddelen worden op het bedrijf gereinigd na het afleveren van de dieren<br />

op de spoelplaats. Deze reiniging geschiedt met de hogedrukreiniger. Het afvalwater<br />

dat vrijkomt wordt opgevangen en afgevoerd naar de mestopslag.<br />

De reinigingsmiddelen ten behoeve van de schoonmaak worden opgeslagen in vaten<br />

die op een lekbak zijn geplaatst in een afgesloten ruimte. In dezelfde ruimte worden<br />

bestrijdingsmiddelen ten behoeve van de bestrijding van ongedierte opgeslagen en<br />

dierengeneesmiddelen. Aan de buitenzijde van de varkensstal worden kadavers<br />

opgeslagen in een kadaverkoeling. Deze is voorzien van een afvoer voor<br />

reinigingswater naar de mestput. De kadavers worden op een verrijdbaar plateau<br />

aangeboden aan de destructor.<br />

Kadavers<br />

Een vleesvarkensbedrijf kent een gemiddeld uitvalpercentage van ca 2% voor de<br />

vleesvarkens. De kadavers worden binnen de inrichting opgeslagen in een koeling. De<br />

kadavers worden zo vaak als nodig door de destructor opgehaald en afgevoerd naar<br />

Sovion.<br />

Mest<br />

De opslag van varkensmest vindt plaats in de mestputten onder de stallen. Onder de<br />

stallen bevindt zich, na realisatie van het bedrijf 1 e fase binnen het huidige bouwblok,<br />

voldoende mestopslagcapaciteit voor een periode van 8 maanden van ca 4.548 m 3 .<br />

Voor de verantwoorde afzet zal de drijfmest deels op eigen grond worden verwerkt<br />

en het overige wordt via een mestafzetcontract afgevoerd, conform het wetsvoorstel<br />

mestafzetcontracten middels een intermediair.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 15


Bedrijfsafval<br />

Binnen de inrichting komt bedrijfsplastic vrij, als gevolg van het binnen het bedrijf toe<br />

te passen materieel. Dit afval wordt middels bedrijfscontainer afgevoerd naar een<br />

erkende inzamelaar.<br />

Bedrijfsafvalwater<br />

Het bedrijfsafvalwater (o.a. reinigings- en ontsmettingswater en schoonspuitwater)<br />

dat binnen de inrichting ontstaat wordt opgevangen in de drijfmestputten en samen<br />

met de drijfmest uit de inrichting afgevoerd.<br />

3.3. Omgevingsaspecten<br />

3.3.1. Ecologische hoofdstructuur<br />

In mei 1998 is door de Provincie Noord Brabant het begrenzingenplan Ecologische<br />

Hoofdstructuur (EHS) vastgesteld. De EHS is geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan<br />

van het Rijk. In dat plan is als een van de hoofdopgaven voor het rijksnatuurbeleid<br />

aangegeven het behoud, herstel en de ontwikkeling van nationaal en internationaal<br />

belangrijke ecosystemen. De EHS bevat alle gebieden waarop de inspanningen van<br />

het Rijk worden gericht om deze opgave te verwezenlijken.<br />

De inspanningen van het Rijk verlopen langs twee sporen, te weten:<br />

In de eerste plaats is er de inzet van specifieke middelen voor het<br />

natuurbeleid, waaronder de toepassing van de Natuurbeschermingswet en een<br />

keur aan subsidieregelingen (sectorspoor);<br />

In de tweede plaats is er de ruimtelijke veiligstelling, die moet uitmonden in<br />

planologische regelingen in <strong>bestemmingsplan</strong>nen (ruimtelijk spoor). In de nota<br />

“Natuur voor mensen, mensen voor natuur” (juli 2000) heeft het Rijk<br />

aangegeven dat de realisering van de EHS met kracht wordt voorgezet. Hierbij<br />

is uitbreiding aangekondigd van zogeheten ‘robuuste verbindingen’. De<br />

verwezenlijking van de EHS is voorzien in het jaar 2020. In het kader van het<br />

project ‘Revitalisering landelijk gebied’ heeft de provincie zich samen met<br />

maatschappelijke organisaties uitgesproken voor een versnelde realisering in<br />

2012.<br />

In het kader van het sectorspoor wordt de EHS op verzoek van het Rijk nader<br />

begrensd door de provincies. In onze provincie is de begrenzing inmiddels voltooid<br />

door het opstellen van zogeheten begrenzingsplannen voor de EHS. Hierbij is een<br />

onderscheid gemaakt tussen reservaatgebieden, natuurontwikkelingsgebieden en<br />

beheersgebieden. Indicatief zijn in de betreffende begrenzingsplannen ook<br />

ecologische verbindingszones aangegeven.<br />

In verband met de invoering van een nieuw subsidiestelsel voor natuur, bos en<br />

landschap door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij hebben<br />

Gedeputeerde Staten in het najaar van 2001 een provinciaal beheers- en<br />

landschapsgebiedsplan van elf natuurgebiedsplannen voor deelgebieden in ontwerp<br />

vastgesteld. Deze plannen zullen, nadat Gedeputeerde Staten ze definitief hebben<br />

vastgesteld, de functie van de begrenzingsplannen voor de EHS overnemen.<br />

Het voornemen om de EHS uit te breiden met zogeheten ‘robuuste verbindingszones’<br />

zal leiden tot aanpassing van een aantal natuurgebiedsplannen en mogelijk ook van<br />

het provinciale beheers- en landschapsplan.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 16


Figuur 3.3.1: Ecologische hoofdstructuur<br />

Conclusie<br />

De huidige agrarische activiteiten aan de Weteringstraat 1 nemen geen ruimtelijk<br />

beslag in van de hiervoor omschreven gebieden in het kader van de EHS en tevens<br />

natuurgebiedsplannen. De huidige activiteiten geven hierdoor geen schadelijke<br />

gevolgen voor de ontwikkeling en behoud van deze gebieden.<br />

3.3.2. Wetlands<br />

Weteringstraat 1-3<br />

Wetlands zijn de natte natuurgebieden in Nederland. Het Wetland verdrag is op 2<br />

februari 1971 te Ramsar in Iran ondertekend. Nederland was één van de zestien<br />

landen die het verdrag toen ondertekende. In 1980 heeft Nederland het verdrag<br />

geratificeerd. Het Ramsar Verdrag is één van de oudste internationale verdragen<br />

over natuur. Inmiddels hebben 138 landen de Wetlands-Conventie ondertekend<br />

(stand van zaken augustus 2004). Het Ramsar Verdrag heeft tot doel wetlands en de<br />

daarbij behorende plant- en diersoorten te beschermen.<br />

'Wetlands' ofwel 'nat land' is officieel gedefinieerd volgens het Ramsar Verdrag als:<br />

'Waterrijke gebieden, moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of<br />

kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout,<br />

met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb niet meer is dan zes meter'.<br />

Hierbij behoren tevens de aan watergebieden grenzende oever- en kustgebieden en<br />

binnen deze gebieden gelegen eilanden of zeewatergebieden.<br />

In Nederland zijn in totaal 44 wetlands. Deze wetlands zijn door het Ramsar<br />

Secretariaat op 'The Ramsar List of Wetlands of International Importance' geplaatst.<br />

Over elk gebied op de lijst wordt door Wetlands International een uitgebreide<br />

database bijgehouden. Deze database en andere informatie over het Ramsar Verdrag<br />

kunt u vinden op de website van het Ramsar Secretariaat.<br />

In de periode tussen 1980 en 1995 heeft Nederland achttien wetlands op deze<br />

Ramsar lijst geplaatst. In 2000 zijn nogmaals 26 wetlands toegevoegd. Landen die<br />

toetreden tot de Wetlands Conventie hebben vooral een morele verplichting om het<br />

Ramsar Verdrag uit te voeren. De bepalingen zijn minder dwingend en bindend dan<br />

die van Europeesrechtelijke verplichtingen, die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn en<br />

de Habitatrichtlijn. De gebieden die voor deze richtlijnen zijn geselecteerd heten<br />

Natura 2000 gebieden. In Nederland zijn alle wetlands (op één na) tevens<br />

Vogelrichtlijngebied ofwel Natura 2000 gebied.<br />

De rol en mogelijkheden van wetlands worden vaak onderschat. Allereerst hebben ze<br />

belangrijke ecologische functies: ze zijn onmisbaar vanwege de ligging op<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 17


internationale trekroutes van vogels. Of als kraamkamer voor vissen en zeedieren.<br />

Maar ook de mens profiteert van wetlands. Ze worden gebruikt voor visserij,<br />

recreatie/toerisme, scheepvaart, waterberging (tegen overstromingen),<br />

drinkwatervoorziening of als aantrekkelijke woonomgeving. Er zorgvuldig mee<br />

omgaan en het benutten van kansen is dus belangrijk.<br />

In totaal is bijna een miljoen hectare in Nederland wetland, dat is 27% van de totale<br />

oppervlakte van ons land (inclusief territoriale wateren).<br />

Wetlands zijn dus vooral gevoelig voor aantasting van de grondwaterstanden,<br />

Demping van plassen en diverse verstoringsaspecten (die (indirect) invloed hebben<br />

op het gedrag van de aanwezige vogelsoorten en de botanische samenstelling van de<br />

graslanden).<br />

In de nabijheid van de inrichtingen aan de Weteringstraat 1 zijn geen aangewezen<br />

Wetlands gelegen. De dichtst nabij gelegen Wetland betreft het gebied ‘Bieschbosch<br />

Zuidwaard’ (gelegen in de gemeenten Drimmelen, Werkendam en Dordrecht) De<br />

invloed die de inrichting ten aanzien van deze gebieden zal hebben is dusdanig<br />

gering, gezien de zeer grote afstand.<br />

Conclusie<br />

De invloedssfeer van de huidige inrichting aan de Weteringstraat 1 op het<br />

dichtstbijzijnde Wetland, Bieschbosch Zuidwaard, is zeer gering.<br />

3.3.3. Kwetsbare gebieden<br />

Provincie Noord-Brabant / Gelderland<br />

Het meest nabij gelegen kwetsbare gebied is het bosgebied ‘de 4 winden’. Dit gebied<br />

wordt aangemerkt als een zeer kwetsbaar gebied (A-gebied). Het bosgebied ligt op<br />

een afstand van 5.326 meter gemeten vanaf stal 4.<br />

Beoordeling ammoniakemissie dierenverblijven<br />

De ammoniakemissie uit de dierenverblijven wordt getoetst aan de Wet ammoniak<br />

en veehouderij. Ammoniakemissie uit andere bronnen dan dierenverblijven (incl.<br />

uitloop) van veehouderijen zoals mest be- of verwerken en de opslag van mest<br />

buiten de dierenverblijven wordt niet beoordeeld met de Wet ammoniak en<br />

veehouderij.<br />

De wet maakt een onderscheid in veehouderijen waarvan de dierenverblijven geheel<br />

of gedeeltelijk in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een<br />

zodanig gebied zijn gelegen en veehouderijen waarvan alle dierenverblijven in zijn<br />

geheel op meer dan 250 meter van een kwetsbaar gebied zijn gelegen.<br />

Gezien het hiervoor genoemde blijkt dat geen van de dierenverblijven van<br />

onderhavige aanvraag zijn gelegen binnen een zone van 250 meter van het<br />

kwetsbare gebied.<br />

Gelet op de ligging van de veehouderij ten opzichte van het dichtst bij gelegen<br />

kwetsbare gebied geldt in principe dat voor deze installatie geen beperkingen zijn ten<br />

aanzien van het ammoniakemissieplafond.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 18


Op grond van de Wet ammoniak een veehouderij zijn er geen bezwaren tegen het<br />

voorgenomen plan, daar de inrichting op een grotere afstand dan 250 meter van een<br />

kwetsbaar bosgebied is gelegen.<br />

Conclusie<br />

De inrichting ligt niet in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter.<br />

Hierdoor blijkt dat de ammoniakbelasting geen bezwaar vormt in het kader van de<br />

Wet ammoniak en veehouderij.<br />

3.3.4. Natuurbeschermingswetgebieden<br />

Habitatrichtlijn<br />

De Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EE G, 21 mei 1992) richt zich op de biologische<br />

diversiteit door instandhouding van de natuurlijke habitat en wilde flora en fauna na<br />

te streven. Centraal staat daarbij het behoud en herstel van deze natuurlijke habitat<br />

en wilde dier- en plantsoorten van gemeenschappelijk belang. Hiervoor wordt een<br />

Europees ecologisch netwerk gevormd door middel van de aanwijzing van speciale<br />

beschermingszones (Natura 2000, art. 3 HR). Daarnaast regelt de Habitatrichtlijn ook<br />

soortenbescherming. De laatste aanmeldingen hebben plaatsgevonden in mei 2003.<br />

Op basis van de aanmeldingen van de lidstaten stelt de Commissie een lijst vast van<br />

gebieden van communautair belang. Het beschermingsregime overeenkomstig<br />

artikel 6 van de Habitatrichtlijn geldt pas zodra een gebied op de lijst van gebieden<br />

van communautair belang zijn geplaatst art. 4, lid 5 HR). De commissie heeft deze lijst<br />

op 8 juli 2003 vastgesteld.<br />

Vogelrichtlijn<br />

De Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het<br />

behoud van de vogelstand) is in 1979 in werking getreden. De Vogelrichtlijn heeft tot<br />

doel de bescherming en het beheer van alle vogels die op het grondgebied van de EU<br />

(zogeheten communitair grondgebied) in het wild leven en hun habitats<br />

(leefomgeving).<br />

De lidstaten nemen vooral maatregelen voor de leefgebieden van vogelsoorten die<br />

extra zorg nodig hebben. Het gaat dan om soorten die op bijlage 1 van de richtlijn<br />

voorkomen omdat zij extra bedreigd zijn. In Nederland zijn er voor 44 van deze<br />

soorten gebieden aangewezen. Ook voor trekvogel worden dergelijke maatregelen<br />

genomen. Het gaat daarbij vooral om de bescherming van watergebieden van<br />

internationale betekenis.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 19


Ligging ten opzichte van Weteringstraat 1-3<br />

‘Uiterwaarden Waal’<br />

De installaties aan de Weteringstraat 1-3 zijn gelegen op een afstand van ca. 13.100<br />

meter, gemeten ten opzichte van het dichts nabij gelegen emissiepunt van stal 3, ten<br />

opzichte van een ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn aangemelde en aangewezen<br />

gebieden. Het betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Uiterwaarden waal’.<br />

Figuur 3.3.4.1 “Uiterwaarden waal”<br />

Figuur 3.3.4.2 “Uiterwaarden waal”<br />

Weteringstraat 1<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 20


RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 21


‘Vlijmse ven, Moerputten en Bossche broek’<br />

De installaties aan de Weteringstraat 1-3 zijn gelegen op een afstand van ca. 19.000<br />

meter, gemeten ten opzichte van het dichts nabij gelegen emissiepunt van stal 1, ten<br />

opzichte van een ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn aangemelde en aangewezen<br />

gebieden. Het betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Vlijmse ven,<br />

Moerputten en Bossche broek’.<br />

Figuur 3.3.4.1 “Vlijmens ven , Moerputten en Bossche Broek ”<br />

Weteringstraat 1<br />

Beoordeling van het begrip ‘significant’ in relatie tot het Vogel- en Habitatrichtlijn<br />

gebied ‘Uiterwaarden waal’ / ‘Vlijmse ven, Moerputten en Bossche broek’<br />

De Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) richt zich op de biologische<br />

diversiteit door instandhouding van de natuurlijke habitat en wilde flora en fauna na<br />

te streven. Centraal staat daarbij het behoud en herstel van deze natuurlijke habitat<br />

en wilde dier- en plantsoorten van gemeenschappelijk belang. Hiervoor wordt een<br />

Europees ecologisch netwerk gevormd door middel van de aanwijzing van speciale<br />

beschermingszones (Natura 2000, art. 3 HR). Daarnaast regelt de Habitatrichtlijn ook<br />

soortenbescherming. De laatste aanmeldingen hebben plaatsgevonden in mei 2003.<br />

Op basis van de aanmeldingen van de lidstaten stelt de Commissie een lijst vast van<br />

gebieden van communautair belang.<br />

‘Uiterwaarden Waal’<br />

De uiterwaarden Waal bevatten relatief hooggelegen uiterwaarden van de Rijswaard<br />

en de Kil van Hurwenen. Het gaat hier om oude meanders en hun oeverlanden waar<br />

de rivier dwars doorheen is gegraven; deze uiterwaarden bevatten soortenrijke<br />

glanshaverhooilanden stroomdalgraslanden en open water. De uiterwaarden Waal<br />

zijn een belangrijk broedgebied voor soorten van natte, ruige graslanden<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 22


(porseleinhoen, kwartelkoning). Het is daarnaast ook een belangrijk rust- en<br />

foerageergebied voor kleine zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, smient,<br />

tafeleend, kievit en grutto. Daarnaast van enig belang voor fuut, aalscholver,<br />

brandgans, krakeend, pijlstaart, slobeend, kuifeend, nonnetje, slechtvalk, meerkoet<br />

en wulp. De Uiterwaarden Waal is op 2 april 1979 aangewezen als<br />

vogelrichtlijngebied.<br />

‘Vlijmse ven, Moerputten en Bossche Broek’<br />

In het gebied zijn zeer hoge potenties aanwezig voor de uitbreiding en kwaliteitsverbetering<br />

van de habitattypen H3140 kranswierwateren, H6410 blauwgraslanden<br />

en H6510B glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart). Het gebied<br />

kan daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan landelijke instandhoudingsdoelen<br />

voor deze habitattypen in beekdalen. Naast omvangrijke interne maatregelen en de<br />

aankoop van een grote oppervlakte EHS binnen het Natura 2000-gebied zijn daarvoor<br />

maatregelen in de waterhuishouding (grote tot zeer grote inspanningen) en mogelijk<br />

reductie van grondwateronttrekkingen (grote inspanning) noodzakelijk.<br />

Herstelmaatregelen hebben een hoog natuurrendement. Er is nadere visievorming<br />

nodig op de hydrologische inrichting en op het herstel van inundaties met schoon,<br />

basenrijk oppervlaktewater, waardoor het gebied vroeger gevoed werd. Daarbij<br />

dient men te letten op de samenhang tussen deelgebieden en met omliggende<br />

Natura 2000-gebieden (Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Langstraat,<br />

Kampina & Oisterwijkse Vennen).<br />

Daar de vogel- en habitatrichtlijngebieden / natuurmonumenten op geruime afstand<br />

(10-20 kilometer) van de inrichting ligt, zal de invloed van de activiteiten binnen de<br />

inrichting, niet van invloed zijn op de in het gebied voorkomende vogelsoorten. Wel<br />

kan als gevolg van verzuring de voedselvoorraad worden aangetast. Omwille van<br />

deze kans wordt het aspect verzuring meegenomen in de totale afweging, maar zal<br />

niet leiden tot een negatief resultaat, omdat de inrichting nauwelijks bijdraagt<br />

vanwege de grote afstand.<br />

Ten minste één van de habitattypen in dit gebied zijn verzuringsgevoelig. Hieruit<br />

volgt dat de ammoniakdepositie invloed heeft op de instandhouding van dit<br />

Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat de bijdrage van de inrichting aan het<br />

Weteringstraat 1-3 in de ammoniakdepositie op dit gebied een relevant<br />

toetsingskader betreft.<br />

In het kader van de habitatrichtlijn moet een passende beoordeling worden gemaakt<br />

om vast te stellen of als gevolg van het plan significante effecten optreden voor de<br />

natuurlijke kenmerken van de te beschermen gebieden. In relatie tot intensieve<br />

veehouderijen gaat dit over ammoniakdepositie. De toetsing vindt plaats op basis<br />

van de Natuurbeschermingswet.<br />

Ammoniakdepositie<br />

Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vergunning op basis van de<br />

Natuurbeschermingswet 1998 moet beoordeeld worden of er sprake zal zijn van een<br />

verslechtering van de situatie door de voorgenomen handelingen.<br />

De Programmatische Aanpak stikstof (PAS) is erop gericht de stikstofdepositie op<br />

Natura-2000 gebieden omlaag te brengen. Per 1 juli 2010 hebben rijk en provincies<br />

flinke stappen gezet voor een effectieve aanpak van de stikstofproblematiek in en<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 23


nabij Natura-2000 gebieden. Het Rijk neemt extra generieke maatregelen om de<br />

stikstof belasting terug te dringen en werkt samen met de provincie aanvullende<br />

pakketten met maatregelen uit zodat (economisch) ontwikkeling in de omgeving van<br />

Natura-2000 gebieden mogelijk blijft en de natuur goed wordt beschermd.<br />

Verordening Stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant<br />

Alle veehouderijen in de provincie Noord-Brabant dienen te voldoen aan de eisen uit<br />

de “Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant” (verder Verordening).<br />

Daarnaast dient de eigenaar van een veehouderij die voornemens is een nieuwe stal<br />

te bouwen dan wel een stal geheel of gedeeltelijk te renoveren waarvoor een<br />

bouwvergunning noodzakelijk is krachtens de Woningwet, dit vanaf 25 mei 2010 te<br />

melden bij de provincie. Om te beoordelen of een bedrijf voldoet aan de eisen uit de<br />

Verordening en of saldering noodzakelijk is, is de aanvrager verplicht een melding<br />

met gegevens over de uitgangssituatie - referentie december 2004 en de beoogde<br />

situatie in te dienen. De meldingsplicht en salderingsverzoek zijn genoemd in artikel 6<br />

van de Verordening.<br />

Bijkomende randvoorwaarden:<br />

a. Als gevolg van saldering mag de ammoniakdepositie maximaal 50 mol bedragen;<br />

b. Als gevolg van saldering mag de ammoniakdepositie ten opzichte van de<br />

referentie 2004 maximaal 1 x verdubbelen;<br />

c. Binnen de inrichting wordt een nieuwe stal nr. 5 gebouwd. Deze moet direct<br />

voldoen aan de maximale emissiewaarden uit de bijlage van de verordening<br />

Stikstof (BBT ++ = 0,11 gram/gespeende big >0,35 m 2 en 0,375 gram/vleesvarken<br />

max. 0,80 m 2 ).<br />

De milieubelasting op basis van de feitelijke situatie in december 2004 komt overeen<br />

met de milieuvergunning van 1994 en 1995. De verleende milieuvergunning is<br />

opgericht en in werking gebracht. De referentie is gecorrigeerd op basis van de<br />

bijlage van het Besluit huisvesting (GEP). Hierbij is het veel lagere emissieniveau op<br />

basis van de verleende vergunningen bepalend, 2.800,0 kg ammoniak.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 24


Verordening Stikstof en Natura 2000 Gelderland<br />

In oktober 2011 zijn de beleidsregels in de “Verordening Stikstof en Natura 2000<br />

Gelderland” vastgelegd. In grote lijnen houdt het convenant het volgende in:<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 25


3.4. Ruimtelijke aspecten<br />

3.4.1. Bestemmingsplan<br />

In het Bestemmingsplan ”<strong>Buitengebied</strong>” rust op het betreffende perceel de<br />

bestemming ‘agrarisch gebied’. De op de kaart als zodanig aangewezen gronden zijn<br />

bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf. Het toegekende bouwvlak is<br />

voldoende van omvang voor de huidige bedrijfsactiviteiten.<br />

3.4.2. Verordening 2011<br />

Provinciale Staten hebben op 17 december 2010 de Verordening ruimte Noord-<br />

Brabant 2011 vastgesteld. Deze verordening is in twee fasen tot stand gekomen;<br />

de Verordening ruimte fase 1, die op 23 april 2010 werd vastgesteld,<br />

betrof het omzetten in regels van het toen geldende provinciaal<br />

beleid;<br />

de Verordening ruimte fase 2, waarvan het ontwerp op 1 en 22 juni<br />

2010 werd vastgesteld, betrof het omzetten in regels van nieuw<br />

beleid dat is opgenomen in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en<br />

gedeeltelijk ook een herziening van de verordening ruimte, fase 1.<br />

De Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 is op 1 maart 2011 in werking getreden.<br />

De Verordening Ruimte bevat regels voor:<br />

Bevordering van de ruimtelijke kwaliteit<br />

Stedelijke ontwikkeling<br />

Ecologische hoofdstructuur<br />

Water<br />

Groen/Blauwe mantel<br />

Aardkunde en cultuurhistorie<br />

Agrarisch gebied;<br />

Intensieve veehouderij<br />

Glastuinbouw<br />

Niet agrarische ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk<br />

gebied.<br />

In het ruimtelijke hoofdstructuur van de Verordening Ruimte is het gebied waarin het<br />

bouwblok aan de Weteringstraat 1-3 is gelegen opgenomen in het Agrarisch gebied.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 26


Dit betekent dat de locatie binnen een gebied ligt dat is bedoeld voor de landbouw<br />

en waarbinnen de ruimte wordt gegeven voor ontwikkeling.<br />

Figuur 3.4.2: Verordening Ruimte<br />

Conclusie<br />

De inrichting aan de Weteringstraat 1 betreft een bestaande intensieve veehouderij.<br />

Die in het <strong>bestemmingsplan</strong> alsmede de Verordening ruimte Noord-Brabant<br />

aangeduid wordt als ‘Agrarisch gebied’.<br />

3.5. Overige aspecten<br />

3.5.1. Directe ammoniakschade<br />

Weteringstraat 1<br />

De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen wordt<br />

beoordeeld aan de hand van het rapport ‘Stallucht en Planten’ dat in 1981 is<br />

opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO). Dit rapport<br />

is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniak schade veroorzaakt door de<br />

uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige<br />

gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen<br />

een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat<br />

minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van<br />

kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals<br />

een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend.<br />

In de directe omgeving ten opzichte van de veehouderij zijn geen boomkwekerijen /<br />

kascomplexen gelegen. Op basis van het rapport ‘Stallucht en Planten’ draagt de<br />

inrichting niet bij aan mogelijke directe ammoniakschade aan de ter plaatse<br />

aanwezige kascomplexen, boomkwekerij en fruitkwekerijen.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 27


3.5.2. Cultuurhistorische / Archeologische waarden<br />

Voor wat betreft de archeologie onderscheidt de provincie Noord-Brabant<br />

verschillende gebieden: gebieden met een hoge of lage archeologische waarde /<br />

trefkans en aandachtsgebieden met een archeologische betekenis. Volgens<br />

onderstaande kaart is het bedrijf gelegen in een gebied met een middelhoge<br />

archeologische trefkans.<br />

Figuur 3.5.2.1 Cultuurhistorische / Archeologische waarden<br />

De locatie ligt in een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde.<br />

Voor de eindfase wordt een archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Dit wordt<br />

ingezet om de archeologische verwachting te toetsen.<br />

Belvedère<br />

Belvedère richt zich op het dichten van de kloof tussen verleden en toekomst.<br />

Traditioneel staan cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting tegenover elkaar.<br />

Cultuurhistorie is gericht op het beschermen van het verleden. Ruimtelijke ordening<br />

is gericht op het ontwerpen voor de toekomst.<br />

Belvedère staat voor een nieuwe ontwikkelingsgerichte benadering van de<br />

cultuurhistorie. Uitgangspunt is de ruimtelijke dynamiek die Nederland eigen is. Van<br />

daaruit wordt bekeken hoe de cultuurhistorie als inspiratiebron die ruimtelijke<br />

inrichting kan versterken. En omgekeerd hoe bijvoorbeeld nieuwe ruimtelijke<br />

functies kunnen bijdragen aan behoud van het erfgoed. Deze nieuwe denk- en<br />

werkwijze wordt ook wel 'behoud door ontwikkeling' genoemd. Een belangrijke<br />

aanvulling op de traditionele strategie van 'behoud door bescherming'.<br />

Belangrijk is verder een integrale zienswijze op de cultuurhistorie; op archeologie,<br />

monumentenzorg en het historische cultuurlandschap samen. Een gezamenlijke<br />

inbreng in ruimtelijke planprocessen verhoogt de kans op succes.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 28


De Belvedèregebieden en -steden zijn geselecteerd op basis van archeologische,<br />

historisch-(steden)bouwkundige en historisch-geografische kenmerken.<br />

Selectiecriteria waren: zeldzaamheid, gaafheid en representativiteit. De selectie vond<br />

plaats in nauwe afstemming tussen Rijk en provincies<br />

Cultuurhistorisch waardevolle elementen, ensembles en deelgebieden in 17<br />

Belvedèregebieden zijn in de nota Belvedère voorzien van een groene contour. Deze<br />

contour biedt een hoge mate van bescherming voor de aanwezige cultuurhistorische<br />

waarden. Voor het landelijk gebied zonder groene contour worden provincies<br />

gevraagd ontwikkelingsgerichte landschapsstrategieën op te stellen. Met als doel de<br />

kernkwaliteiten van deze gebieden te benutten en te versterken. Tot deze<br />

kernkwaliteiten behoort ook de culturele diversiteit.<br />

Onderhavige inrichting ligt niet in een Belvedèregebied.<br />

Figuur 3.5.2.2: Cultuurhistorische waarden<br />

Conclusie<br />

Blijkende het bovenstaande is de inrichting aan de Weteringstraat 1-3 niet in een<br />

aangewezen Belvedère gebied gelegen. Het gebied ligt weliswaar binnen een gebied<br />

met middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Echter voor de eindfase wordt<br />

een archeologisch onderzoek uitgevoerd.<br />

3.5.1. Aardkundige waarden<br />

Weteringstraat 1-3<br />

Onder aardkundige waarden vallen de verschijnselen en processen die te maken<br />

hebben met de vorming van het landschap. Daartoe behoren geologische,<br />

geomorfologische en bodemkundige verschijnselen en processen.<br />

Aardkundige verschijnselen geven inzicht in de ontstaanswijze van het landschap. De<br />

aardkundige opbouw van een gebied is de basis voor de waterhuishouding en<br />

bodemopbouw en is van grote invloed op de samenstelling van flora en fauna.<br />

Gebieden met een gevarieerde aardkundige opbouw zijn van nature ook divers in<br />

ecologisch opzicht. Aardkundige waarden gelegen binnen een agrarisch gebied<br />

moeten worden gevrijwaard van grondwerken, maatregelen ten behoeve van<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 29


waterbeheersing e.d. Ook moet voorkomen worden dat maatregelen in de directe<br />

omgeving de herkenbaarheid van het aardkundige object aantasten.<br />

Zoals uit onderstaande figuur, van de Geomorfologische kaart, is op te maken<br />

bevindt de inrichting zich op de geomorfologische waarde: ‘Vlakten’.<br />

3.5.1. Waterdoelen / -systemen<br />

Naast de integrale zonering en de ontwikkelkaarten voor de verschillende functies<br />

(glastuinbouw; recreatie & toerisme; veehouderij, boomteelt) zijn er voor het<br />

reconstructieplan kaarten gemaakt met plannen voor omgevingskwaliteit. Water is<br />

daarvan één van de belangrijkste.<br />

Doel<br />

Doel van de bestanden is het weergeven van de ruimtelijke component van de water<br />

doelstellingen in de ontwerp reconstructieplannen. Afhankelijk van het onderwerp<br />

werken deze planologisch door of is de status indicatief. Regionale waterberging<br />

categorieën ‘huidig inundatiegebied’ en ‘in te richten waterbergingssgebied’,<br />

beekherstel (binnen planperiode) en natte natuurparels met beschermingszones<br />

werken planologisch door naar <strong>bestemmingsplan</strong>nen. Deze planologische<br />

doorwerking naar <strong>bestemmingsplan</strong>nen is vanuit de reconstructiewet beperkt tot het<br />

landelijke gebied, dwz het gebied buiten het Stedelijk gebied zoals begrenst in de<br />

Integrale Zonering. Alle informatie van thema’s met planologische doorwerking uit<br />

het waterhuishoudingsplan zijn daarom afgesneden op de grens van dit stedelijk<br />

gebied.<br />

Waterberging<br />

Naast bestaande inundatiegebied worden door de Noord-Brabantse waterschappen<br />

waterbergingsgebieden ingericht. Daarbij gaat het om maatregelen waardoor het<br />

gebied geschikt wordt om tijdens overvloedige neerslag tijdelijk water te bergen en<br />

waardoor nieuwe kapitaalintensieve ontwikkelingen tegen worden gegaan.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 30


Daarnaast zijn zoekgebieden door de waterschappen aangeduid waar waterberging<br />

gerealiseerd zou kunnen worden na de planperiode. In de voorlopige<br />

reserveringsgebieden 2050/2016 zijn ontwikkeling van grootschalige, kapitaal<br />

intensieve functies, zoals woonwijken, bedrijventerreinen, vestigingsgebieden voor<br />

de glastuinbouw, veeverdichtingsgebieden, projectlocaties voor de intensieve<br />

veehouderij en grote recreatie-complexen alleen mogelijk indien uit een watertoets<br />

blijkt dat hierdoor de geschiktheid van het zoekgebied voor waterberging niet<br />

verloren gaat en de investering vanuit het oogpunt van veiligheid en schaderisico’s<br />

verantwoord is. Bestaande bedrijven behouden hun normale ontwikkelingsmogelijkheden.<br />

Waterdoelen<br />

Zijn afgeleid van het gewenst grond- en oppervlaktewater regime (GGOR). Dit zijn<br />

zogenaamde ‘begeleid natuurlijke eenheden en de daarbuiten gelegen bos- en<br />

natuurgebieden’ die bijzondere natuurwaarden hebben vanwege specifieke<br />

omstandigheden van de bodem of het (grond-) water. Ze zijn onderdeel van de EHS.<br />

Natte natuurparels / Beschermingszone natte natuurparel<br />

Door de Provincie Noord-Brabant vastgestelde zone van 500 meter om natte<br />

natuurparels.<br />

Het beleid in deze gebieden is gericht op het verbeteren van de condities voor de<br />

natuur in de natte natuurparels en externe bescherming voor ingrepen die een<br />

ongewenste beïnvloeding van deze natuurwaarden kunnen hebben. Er is een<br />

hydrologisch standstill van toepassing in deze gebieden en de beschermingszone er<br />

om heen. Er mogen in het gebied of in de omgeving geen activiteiten plaatsvinden<br />

die een verslechtering van de hydrologische situatie in de natte natuurparel tot<br />

gevolg hebben. De zones zijn op perceelsniveau begrensd, hebben de status van<br />

planologische doorwerking.<br />

Beekherstel<br />

Te herstellen beken kennen een zonering van 25 meter met planologische<br />

doorwerking.<br />

Conclusie<br />

De Weteringstraat 1-3 is niet gelegen in een gebied dat gericht is op de realisatie van<br />

genoemde waterdoelen.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 31


4Voorgenomen activiteit<br />

4.1. Beschrijving voorgenomen activiteit<br />

Het betreft het uitbreiden van een reeds bestaande vleesvarkenshouderij. Deze<br />

ruimtelijke onderbouwing heeft in hoofdzaak betrekking op een aanpassing om te<br />

kunnen voldoen aan het Besluit huisvesting, alsmede het vergroten van het<br />

bouwvlak. Het uiteindelijke doel is om het bedrijf uit te breiden tot 4.264<br />

vleesvarkens en 624 biggen. De bouwblokvergroting heeft betrekking op de realisatie<br />

van de 2 e fase van de nieuw te bouwen stal betreft 6 extra afdelingen voor 936<br />

vleesvarkens en 2 extra afdelingen voor 624 biggen.<br />

Ten opzichte van de vigerende vergunning zullen de volgende wijzigingen worden<br />

doorgevoerd:<br />

STAL 3<br />

STAL 4<br />

STAL 5<br />

De vleesvarkens in stal 3 blijven traditioneel gehuisvest. Het aantal dieren<br />

blijft ongewijzigd 952 vleesvarkens (1.056 dierplaatsen);<br />

De ruimte van kantoor/hygiënesluis is gewijzigd uitgevoerd. De ruimte is<br />

deels in gebruik genomen als voederkeuken en de overige ruimte is in<br />

gebruik genomen als kantoor/hygiënesluis;<br />

Aan de achterzijde van stal 3 zijn de voedersilo’s verplaatst. In totaal zijn<br />

langs en achter stal 3, 5 brijvoedersilo’s met een inhoud van 50 m³ en 6<br />

droogvoedersilo’s met een inhoud van 10 m 3 ;<br />

De dierbezetting in stal 4 wordt verhoogd naar 1.128 vleesvarkens. In stal<br />

4 worden in totaal vier afdelingen aangesloten op een gecombineerde<br />

biologische luchtwasser BWL2009.12 (die op stal 5 wordt geplaatst).<br />

Dit betreft in totaal 456 vleesvarkens. Voor de resterende dieren blijft het<br />

stalsysteem gelijk aan het traditionele stalsysteem;<br />

De voedersilo’s aan de achterzijde van stal 4 worden verplaatst naar de<br />

achterzijde van stal 3;<br />

Aan de achterzijde van stal 4 wordt een tussenlid gebouwd. Deze ruimte<br />

wordt gebruikt als installatieruimte;<br />

Achter het tussenlid bevindt zich de silo met een opslagcapaciteit van 50<br />

m³ voor de opslag van spuiwater;<br />

Nieuw te bouwen stal 5 voor het huisvesten van in totaal 2.184<br />

vleesvarkens en 624 gespeende biggen. De stal wordt voorzien van een<br />

gecombineerde biologische luchtwasser van Uniqfill, BWL2009.12.<br />

In totaal worden binnen de inrichting de navolgende aantallen dierplaatsen<br />

gerealiseerd:<br />

4.264 vleesvarkens en 624 gespeende biggen.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 32


4. de eindfase<br />

Ten opzichte van de vigerende situatie vindt uitbreiding en oprichting plaats van de<br />

volgende aantallen dieren:<br />

Stal 3, 0 vleesvarkens;<br />

Stal 4, 56 vleesvarkens;<br />

Stal 5<br />

Binnen bestaand bouwblok 1.248 vleesvarkensplaatsen<br />

Binnen te vergroten bouwblok 936 vleesvarkensplaatsen<br />

624 gespeende biggen plaatsen<br />

De vergroting van het bouwblok heeft betrekking op de uitbreiding van stal 5 met<br />

936 vleesvarkensplaatsen en 624 gespeende biggenplaatsen. De oprichting en<br />

uitbreiden met in totaal 936 vleesvarkens wordt beschouwd NIET als het uitbreiden<br />

en het oprichten in de zin van het Besluit milieueffectrapportage 1994.<br />

Zodra het bouwvlak is geaccordeerd volgt er een uitbreiding met vleesvarkens en<br />

gespeende biggen. Het eindplan ziet er als volgt uit:<br />

1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />

Stal Code** Aantal Ammoniakemissie geur<br />

nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />

4.2. Bedrijfslocatie<br />

De bedrijfslocatie ligt aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen (zie figuur 4.1). De<br />

omgeving van het bedrijf is overwegend agrarisch.<br />

Figuur 4.1 Topografische ligging van het bedrijf<br />

dieren dierenplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />

3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.056 2,5 2500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />

4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 636 696 2,5 1590,0 1,4 890,0 23 14628,0<br />

4 D3.2.15.4.1 GL Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 420 456 0,38 159,6 1,4 588,0 3,5 1470,0<br />

5 D3.2.15.4.2 GL Vleesvarkens tot 110 kg (> 0,8 m2) 2184 2184 0,53 1157,5 1,4 3057,6 3,5 7644,0<br />

5 D1.1.15.4.2 GL Gespeende biggen (> 0,35 m²) 624 624 0,11 68,6 0,23 143,5 1,2 748,8<br />

Totaal 5475,7 6079,1 Totaal Ou 47490,8<br />

ammoniakemissie bedrijf bedrijf<br />

Boerdonk<br />

Bedrijfslocatie<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 33


Nieuw bouwblok<br />

Als gevolg van uitbreiding ontstaat er een bouwvlak van 1,5 hectare. Voor deze<br />

uitbreiding volgt een aparte procedure. Het bouwvlak komt er als volgt uit te zien:<br />

Figuur 4.2: uitsnede bouwvlak<br />

De inrichting is gelegen aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. De<br />

kadastrale gegevens van het perceel van de inrichting zijn:<br />

- <strong>Gemeente</strong> : <strong>Oss</strong><br />

- Dorp : Teeffelen<br />

- Sectie : E<br />

- Nummers : 94 en 95<br />

4.3. Beschrijving productieproces<br />

Op het bedrijf worden gespeende biggen en vleesvarkens gehouden. Speenbiggen<br />

worden op een leeftijd van ca 3 weken bij de zeug gespeend op een andere locatie<br />

van een collega veehouder<br />

elders in Nederland. Daarna<br />

worden de biggen opgefokt<br />

tot een lichaamsgewicht van<br />

ca. 25 kg in de biggenafdelingen<br />

op deze locatie aan<br />

de Weteringstraat 1-3. Daarna<br />

worden deze dieren opgelegd<br />

in de vleesvarkens- stallen met<br />

een lichaamsgewicht van ca 25<br />

kg. In 4 maanden worden zij<br />

opgefokt tot een gewicht van<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 34


ca. 115 kg. Daarna worden zij afgevoerd naar een slachterij. Per jaar zijn 3<br />

productieronden mogelijk, wat betekent dat jaarlijks ca 13.000 vleesvarkens worden<br />

afgeleverd.<br />

De werkzaamheden op het bedrijf bestaan uit het voederen en (veterinair) verzorgen<br />

van de dieren, het reinigen van de stallen en het bijhouden van de administratie. De<br />

veterinaire verzorging wordt gedaan door de ondernemer en/of zijn personeel, onder<br />

aansturing van de dierenarts binnen de hiervoor geldende wettelijke kaders. De<br />

dieren worden geheel automatisch gevoerd; de per varken te verstrekken<br />

hoeveelheid voer wordt door een automatisch voertransportsysteem bij de dieren<br />

gebracht.<br />

4.4. Motivatie voorgenomen activiteit<br />

Door de uitbreiding met vleesvarkens te realiseren zal er op de locatie aan de<br />

Weteringstraat 1-3 te Teeffelen een gemoderniseerd agrarisch bedrijf ontstaan, dat<br />

milieutechnisch, bedrijfseconomisch en qua welzijn aan de eisen van deze tijd<br />

voldoet. De locatie biedt (inkomens-)zekerheid daar het een locatie betreft met<br />

groeiperspectief. Door de bedrijfsstructuur is het bedrijf in staat tegenvallers als<br />

gevolg van dierziekten en overige calamiteiten op te vangen.<br />

Dit alles vraagt een grote investering. Om een bedrijfseconomisch en -technisch<br />

volwaardige vleesvarkenshouderij te kunnen garanderen is schaalvergroting<br />

noodzakelijk.<br />

4.5. Fasering<br />

Voor het bedrijf is een ontwikkelingstraject opgezet. In 2012 wordt de 1 e fase,<br />

betreft de nieuwbouw van stal 5, gerealiseerd. De 2e betreft de uitbreiding van het<br />

bouwvlak. De omgevingsvergunning voor de onderdelen bouwen en milieu worden<br />

aangevraagd, zodra het bestemmingsvlak positief is bestemd. In de tweede helft van<br />

2012 wordt de 2 e fase van stal 5 gerealiseerd.<br />

4.6. Toekomstige ontwikkelingen<br />

Naast het beschreven ontwikkelingstraject zijn geen verdere toekomstige<br />

ontwikkelingen bekend voor deze bedrijfslocatie.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 35


4. de eindfase<br />

5Milieu-effecten voorgenomen activiteit<br />

5.1. Ammoniakemissie<br />

5.1.1. Individuele ammoniakemissie<br />

Een overzicht van de ammoniakemissie in de gewenste situatie is weergegeven in<br />

onderstaand overzicht. Na realisatie van het voorkeursalternatief is de<br />

ammoniakemissie 5.475,7 kg.<br />

1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />

Stal Code** Aantal Ammoniakemissie geur<br />

nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />

dieren dierenplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />

3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.056 2,5 2500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />

4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 636 696 2,5 1590,0 1,4 890,0 23 14628,0<br />

4 D3.2.15.4.1 GL Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 420 456 0,38 159,6 1,4 588,0 3,5 1470,0<br />

5 D3.2.15.4.2 GL Vleesvarkens tot 110 kg (> 0,8 m2) 2184 2184 0,53 1157,5 1,4 3057,6 3,5 7644,0<br />

5 D1.1.15.4.2 GL Gespeende biggen (> 0,35 m²) 624 624 0,11 68,6 0,23 143,5 1,2 748,8<br />

Tabel 5.1 Overzicht ammoniakemissie<br />

5.1.2. Depositie van ammoniak<br />

Totaal 5475,7 6079,1 Totaal Ou 47490,8<br />

ammoniakemissie bedrijf bedrijf<br />

Het perceel Weteringstraat 1-3 is gelegen in het buitengebied van de gemeente <strong>Oss</strong>.<br />

Voor de beoordeling van de milieueffecten van de voorgenomen activiteit is het<br />

noodzakelijk de bestaande toestand van het milieu te kennen. Vervolgens gaat het<br />

dan alleen om die aspecten die ten gevolge van de uitvoering van de voorgenomen<br />

activiteit kunnen wijzigen. Deze aspecten zijn daarom van belang bij de voorspelling<br />

van de gevolgen voor het milieu.<br />

In hoofdstuk 3 is gebleken dat er zich in de omgeving van het bedrijf diverse<br />

kwetsbare gebieden bevinden in de een omgeving van het bedrijf.<br />

- Ecologische Hoofdstructuur;<br />

- Gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Wet ammoniak en<br />

veehouderij;<br />

- Gebieden die in het kader van de Natuurbeschermingswet (Natura-2000<br />

gebieden) zijn aangewezen.<br />

WAV-GEBIEDEN<br />

Het meest nabij gelegen kwetsbare gebied is het bosgebied ‘de 4 winden’. Dit gebied<br />

wordt aangemerkt als een zeer kwetsbaar gebied (A -gebied). Het bosgebied ligt op<br />

een afstand van 5.326 meter gemeten vanaf stal 4.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 36


Beoordeling ammoniakemissie dierenverblijven<br />

De ammoniakemissie uit de dierenverblijven wordt getoetst aan de Wet ammoniak<br />

en veehouderij. Ammoniakemissie uit andere bronnen dan dierenverblijven (incl.<br />

uitloop) van veehouderijen zoals mest be- of verwerken en de opslag van mest<br />

buiten de dierenverblijven wordt niet beoordeeld met de Wet ammoniak en<br />

veehouderij.<br />

De wet maakt een onderscheid in veehouderijen waarvan de dierenverblijven geheel<br />

of gedeeltelijk in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een<br />

zodanig gebied zijn gelegen en veehouderijen waarvan alle dierenverblijven in zijn<br />

geheel op meer dan 250 meter van een kwetsbaar gebied zijn gelegen.<br />

Gezien het hiervoor genoemde blijkt dat geen van de dierenverblijven van<br />

onderhavige aanvraag zijn gelegen binnen een zone van 250 meter van het<br />

kwetsbare gebied.<br />

Gelet op de ligging van de veehouderij ten opzichte van het dichtst bij gelegen<br />

kwetsbare gebied geldt in principe dat voor deze installatie geen beperkingen zijn ten<br />

aanzien van het ammoniakemissieplafond.<br />

Op grond van de Wet ammoniak een veehouderij zijn er geen bezwaren tegen het<br />

voorgenomen plan, daar de inrichting op een grotere afstand dan 250 meter van een<br />

kwetsbaar bosgebied is gelegen.<br />

Conclusie<br />

Uit het bovenstaande blijkt dat de ammoniakbelasting voorgenomen<br />

bedrijfsontwikkeling niet in de weg staat in het kader van de Wet ammoniak en<br />

veehouderij.<br />

NATUURBESCHERMINGSWET-gebieden<br />

De installaties aan de Weteringstraat 1-3 zijn gelegen op een afstand van ca. 13.100<br />

meter, gemeten ten opzichte van het dichts nabij gelegen emissiepunt van stal 5, ten<br />

opzichte van een ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn aangemelde en aangewezen<br />

gebieden. Het betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Uiterwaarden waal’.<br />

De installaties aan de Weteringstraat 1-3 zijn gelegen op een afstand van ca. 19.000<br />

meter, gemeten ten opzichte van het dichts nabij gelegen emissiepunt van stal 4, ten<br />

opzichte van een ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn aangemelde en aangewezen<br />

gebieden. Het betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Vlijmse ven, Moerputten<br />

en Bossche Broek’.<br />

Ten minste één van de habitattypen in dit gebied zijn verzuringsgevoelig. Hieruit<br />

volgt dat de ammoniakdepositie invloed heeft op de instandhouding van dit<br />

Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat de bijdrage van de inrichting aan het<br />

Weteringstraat 1-3 in de ammoniakdepositie op dit gebied een relevant<br />

toetsingskader betreft.<br />

In het kader van de habitatrichtlijn moet een passende beoordeling worden gemaakt<br />

om vast te stellen of als gevolg van het plan significante effecten optreden voor de<br />

natuurlijke kenmerken van de te beschermen gebieden. In relatie tot intensieve<br />

veehouderijen gaat dit over ammoniakdepositie. De toetsing vindt plaats op basis<br />

van de Natuurbeschermingswet.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 37


Volg<br />

nr<br />

5.1.2.1. Resultaten ammoniakdepositie<br />

Als bijlage 1 aan deze beoordeling zijn de berekeningen op basis van Aagro-stacks<br />

toegevoegd.<br />

Naam X coordinaat Y coordinaat Depositie<br />

Referentie<br />

2004<br />

Depositie<br />

GEP1994<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 38<br />

Depositie<br />

VKA<br />

Brabant<br />

1 Bossche Broek 1 149 552 410 635 0,20 0,11 0,22<br />

2 Bossche Broek 2 148 998 410 650 0,20 0,11 0,22<br />

3 Bossche Broek 3 149 227 409 911 0,19 0,11 0,21<br />

4 Bossche Broek 4 149 227 409 911 0,19 0,11 0,21<br />

5 Dommelbeemden 162 267 397 559 0,13 0,07 0,14<br />

Gelderland<br />

6 Uiterwaarden waal 1 152 962 423 294 0,35 0,20 0,39<br />

7 Uiterwaarden waal 2 156 295 427 295 0,76 0,43 0,84<br />

8 Uiterwaarden waal 3 158 732 430 808 0,66 0,37 0,73<br />

Tabel 5.2 Resultaten ammoniakdepositie<br />

5.1.2.2. Conclusie<br />

De laatst verleende milieuvergunning van vóór 7 december 2004 betreft de<br />

revisievergunning van 19 april 1994 en de daarop volgende veranderingsvergunning<br />

van 21 maart 1995. Deze vergunning vertegenwoordigde een ammoniakbelasting van<br />

5.000 kg NH3. De ammoniakemissie wordt berekend conform de Regeling ammoniak<br />

en veehouderij. De ammoniakdepositie wordt berekend met behulp van het door het<br />

ministerie erkende Aagro-stacks.<br />

Habitat-richtlijngebied Noord – Brabant<br />

De ammoniakdepositie op het Bossche Broek bedraagt 0,11 op basis van het<br />

gecorrigeerd emissieplafond (GEP 2800,0 kg ammoniak). In de nieuwe situatie neemt<br />

de ammoniakdepositie toe tot 0,22 mol. Op 15 juli 2010 is de Verordening stikstof en<br />

Natura2000 in werking getreden. In grote lijnen houdt het convenant in dat voor<br />

nieuw te bouwen stallen 85% emissiereductie behaald moet worden en bij toename<br />

saldering plaats moet vinden via de depositiebank. Deze toename past binnen het<br />

toetsingskader dat stelt dat de ammoniakdepositie maximaal 1 maal in de<br />

planperiode mag verdubbelen.<br />

Natuurmonument<br />

De laatst verleende milieuvergunning van vóór 7 december 2004 betreft de revisievergunning<br />

van 19 april 1994 en de daarop volgende veranderingsvergunning van 21<br />

maart 1995. Deze vergunning vertegenwoordigde een ammoniakbelasting van 5.000<br />

kg NH3.<br />

De ammoniakdepositie op de Dommelbeemden bedraagt 0,13 op basis van de<br />

referentie december 2004 (niet GEP 5000,0 kg ammoniak). In de nieuwe situatie<br />

neemt de ammoniakdepositie toe tot 0,14 mol. Deze toename van 0,01 is kleiner<br />

dan 0,051 en is derhalve niet significant.


Habitat-richtlijngebied Gelderland<br />

De ammoniakdepositie op de Uiterwaarden Waal bedraagt 0,76 op basis van de<br />

referentie december 2004 (n iet GEP 5000,0 kg ammoniak). In de nieuwe situatie<br />

neemt de ammoniakdepositie toe tot 0,84 mol.<br />

De ammoniakdepositie mag toenemen als de totaal aangevraagde depositie lager of<br />

gelijk is aan 1% (uitzondering t.o.v. 0,5% voor dit gebied) van de kritische depositie<br />

waarde voor dit gebied. De kritische depositiewaarde ligt tussen de 1250 – 2410.<br />

Nu de totale ammoniak depositie lager is dan 1% van 1250, kan een verklaring van<br />

geen bedenkingen EN vergunning worden verleend.<br />

5.2. Geuremissie<br />

5.2.1. Individuele geuremissie (voorgrondbelasting)<br />

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het<br />

toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege<br />

dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet<br />

geurhinder en veehouderij is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006.<br />

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een<br />

veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt<br />

berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-stacks-vergunningen. De<br />

berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het<br />

bedrijf mag veroorzaken). De wet stelt in artikel 3 vier standaardnormen: voor<br />

concentratiegebieden / niet-concentratiegebieden en bebouwde kom / buiten de<br />

bebouwde kom. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet<br />

minimumafstanden tussen de veehouderij en een geurgevoelig object. De emissie<br />

van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in Europese odour units<br />

(Europese 'geureenheden') per tijdseenheid (ou E/s). De geuremissies per dier zijn<br />

opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder<br />

geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder<br />

en veehouderij is op 18 december 2006 gepubliceerd.<br />

Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke<br />

normen. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend<br />

met het verspreidingsmodel V-stacks gebied.<br />

De inrichting aan het Weteringstraat 1-3 ligt in een concentratiegebied. De inrichting<br />

ligt in het buitengebied van Teeffelen. De voormalige gemeente Lith heeft door het<br />

RMB een gebiedsvisie laten opstellen, waarin afwijkende geurnomen zijn vastgesteld.<br />

Dit betekent dat getoetst moet worden aan de normen, die in de geurverordening en<br />

de Wet geurhinder en veehouderij staan genoemd. Voor onderhavig plan betekent<br />

dit dat ten opzichte van geurgevoelige objecten, moet worden voldaan aan<br />

onderstaande geurnormen.<br />

De bedrijfslocatie ligt in een verwevingsgebied. Op basis van de gemeentelijke<br />

geurverordening is de maximale geurbelasting 14 OU voorgeschreven voor objecten<br />

in het verwevingsgebied, 8 Ou voor objecten in de extensiveringsgebieden en 2 OU<br />

voor objecten binnen de bebouwde kom.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 39


2 Ou<br />

8 Ou 14 Ou<br />

In de directe omgeving is de kern Teeffelen gelegen op 700 meter afstand gelegen<br />

van de varkenshouderij.<br />

TEEFFELEN<br />

Weteringstraat<br />

1 en 3<br />

Beoordeling ammoniakemissie dierenverblijven<br />

Een overzicht van de geuremissie in de gewenste situatie is weergegeven in<br />

onderstaand overzicht. Na realisatie van het voorkeursalternatief is de geuremissie<br />

47.490,8 Ou.<br />

In model V-stacks-V zijn de in de buurt gelegen veehouderijen niet meegenomen.<br />

Volgens art. 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt voor deze bedrijven<br />

(buiten de bebouwde kom) een vaste afstand van 50 meter. Aan deze afstand kan bij<br />

alle bedrijfswoningen behorende tot een veehouderij worden voldaan.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 40


4. de eindfase<br />

1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />

Stal Code** Aantal Ammoniakemissie geur<br />

nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />

dieren dierenplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />

3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.056 2,5 2500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />

4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 636 696 2,5 1590,0 1,4 890,0 23 14628,0<br />

4 D3.2.15.4.1 GL Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 420 456 0,38 159,6 1,4 588,0 3,5 1470,0<br />

5 D3.2.15.4.2 GL Vleesvarkens tot 110 kg (> 0,8 m2) 2184 2184 0,53 1157,5 1,4 3057,6 3,5 7644,0<br />

5 D1.1.15.4.2 GL Gespeende biggen (> 0,35 m²) 624 624 0,11 68,6 0,23 143,5 1,2 748,8<br />

Tabel 5.3 Overzicht geuremissie<br />

Totaal 5475,7 6079,1 Totaal Ou 47490,8<br />

ammoniakemissie bedrijf bedrijf<br />

Volgnummer GGLID Xcoordinaat Ycoordinaat Geurnorm Geurbelasting<br />

4 Rotsestraat 7 162 628 422 927 8,0 1,8<br />

5 Rotsestraat 6 162 621 422 989 8,0 1,8<br />

6 Hertogswetering 273 163 824 422 967 14,0 4,7<br />

7 Singel 21 162 567 423 270 2,0 1,5<br />

8 Singel 13 162 554 423 192 2,0 1,3<br />

9 Singel 25 162 580 423 323 2,0 1,5<br />

10 Rotsestraat 8 162 773 422 798 14,0 2,6<br />

11 Rotsestraat 9 162 665 422 869 14,0 2,1<br />

12 Hoefstraat 2 162 671 423 414 8,0 2,1<br />

13 Singel 15 162 547 423 207 2,0 1,3<br />

14 Singel 23 162 566 423 298 2,0 1,5<br />

15 Singel 19 162 556 423 240 2,0 1,4<br />

16 Singel 17 162 552 423 223 2,0 1,3<br />

17 Rotsestraat 4 162 492 423 125 2,0 1,1<br />

Tabel 5.4 Overzicht geuremissie<br />

Conclusie.<br />

In de bijlage is de geurberekening met behulp van V-stacks vergunningen<br />

toegevoegd. Hieruit blijkt dat het bedrijf in het voorkeursalternatief voldoet aan de<br />

gestelde geurnormen.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 41


Hoefstraat 2<br />

X: 162.671<br />

Y: 423.414<br />

Singel 25<br />

X: 162.580<br />

Y: 423.323<br />

Hoefstraat 1<br />

Geen<br />

bedrijfswoning<br />

Singel 23<br />

X: 162.566<br />

Y: 423.298<br />

Hertogswetering 273<br />

X: 163.824<br />

Y: 422.967<br />

Bedrijfslocatie<br />

Weteringstraat 1-3<br />

Singel 21<br />

X: 162.567<br />

Y: 423.270<br />

Singel 15<br />

X: 162.547<br />

Y: 423.207<br />

Singel 19<br />

X: 162.556<br />

Y: 423.240<br />

Singel 13<br />

X: 162.554<br />

Y: 423.192<br />

Rotsestraat 4<br />

X: 162.492<br />

Y: 423.125<br />

Singel 17<br />

Rotsestraat 6<br />

X: 162.621<br />

Y: 422.989<br />

Rotsestraat 7<br />

X: 162.628<br />

Y: 422.927<br />

X: 162.552<br />

Y: 423.223<br />

Rotsestraat 8<br />

X: 162.773<br />

Y: 422.798<br />

Rotsestraat 9<br />

X: 162.665<br />

Y: 422.869<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 42


5.3. Stof<br />

In de Wet Luchtkwaliteit worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van<br />

de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid stof die zich in de lucht<br />

bevindt. Volgens de wettelijke normen mag deze concentratie maximaal 40 μg/m³<br />

bedragen.<br />

De voor de huidige en aangevraagde situatie berekende stofemissie van het bedrijf is<br />

weergegeven in tabel 5.1. De emissiewaarden per diersoort zijn overgenomen uit de<br />

tabel met fijn stof-emissiefactoren van VROM.<br />

Aangevraagd<br />

Diersoort Aantal Immissiefactor gr/dier/jaar Stofemissie (gr/jaar)<br />

Vleesvarkens TR 1.636 153 250.308<br />

Vleesvarkens LW 2.604 31 80.724<br />

Gespeende Biggen LW 624 15 9.360<br />

Totaal 340.392<br />

Tabel 5.5 Overzicht van de stofemissie in de bestaande en de aangevraagde situatie<br />

Voorliggend initiatief leidt tot een toename van de productie aan fijn stof. Aan de<br />

hand van ISL3a is berekend of het voorliggend initiatief past binnen de in de Wet<br />

Luchtkwaliteit genoemde grenswaarden. De rekenpunten weergegeven in<br />

onderstaand figuur. Naast de grens van de inrichting (bouwblok) zijn de dichtbij<br />

gelegen woningen getoetst (zie figuur in paragraaf 5.6).<br />

9<br />

8<br />

6<br />

10<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 43<br />

5<br />

7<br />

4<br />

3<br />

11<br />

12<br />

2<br />

13<br />

1


Figuur 5.6 Aanduiding rekenpunten<br />

Rekenpunt X coördinaat Y coördinaat<br />

1 163442 423073<br />

2 163419 423059<br />

3 163361 423025<br />

4 163343 423038<br />

5 163319 423079<br />

6 163295 423118<br />

7 163342 423143<br />

8 163321 423177<br />

9 163298 423215<br />

10 163340 423241<br />

11 163364 423201<br />

12 163386 423164<br />

13 163407 423128<br />

Op 20 maart 2009 is met terugwerkende kracht de wijziging van 21 december 2008<br />

van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL) in werking getreden. Met<br />

deze wijziging wordt het ‘toepasbaarheidbeginsel’ geïntroduceerd. Dit beginsel geeft<br />

aan op welke plaatsen de luchtkwaliteitseisen toegepast moeten worden: de<br />

werkingssfeer en de beoordelingssystematiek. Dit is een uitwerking van bijlage III uit<br />

de nieuwe Europese Richtlijn luchtkwaliteit (2008).<br />

De belangrijkste gevolgen van de gewijzigde RBL zijn:<br />

geen beoordeling van de luchtkwaliteit op plaatsen waar het publiek geen<br />

toegang heeft en waar geen bewoning is<br />

geen beoordeling van de luchtkwaliteit op bedrijfsterreinen of terreinen van<br />

industriële inrichtingen (hier gelden de ARBO regels). Dit omvat mede de<br />

(eigen) bedrijfswoning. Uitzondering: publiek toegankelijke plaatsen; deze<br />

worden wél beoordeeld (hierbij speelt het zogenaamde blootstelling<br />

criterium een rol). Toetsing vindt plaats vanaf de grens van de inrichting of<br />

bedrijfsterrein, op een punt dat representatief is voor de luchtkwaliteit in<br />

een gebied van (minimaal) 250 bij 250 meter, gelegen langs de grens van het<br />

terrein van de inrichting of het bedrijfsterrein<br />

geen beoordeling van de luchtkwaliteit op de rijbaan van wegen, en op de<br />

middenberm van wegen.<br />

Voor het bepalen van de rekenpunten gaat het ‘blootstellingcriterium’ een rol spelen.<br />

Dit criterium werd eerder al gebruikt bij de situering van meetpunten. Het<br />

blootstellingcriterium houdt in, dat de luchtkwaliteit alleen wordt beoordeeld op<br />

plaatsen waar een significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Het gaat dan om<br />

een blootstellingperiode, die in vergelijking met de middelingtijd van de grenswaarde<br />

(jaar, etmaal, uur) significant is. Dit betekent dat de woningen van derden als<br />

rekenpunt in relatie tot het ‘blootstellingcriterium’ een rol spelen.<br />

De resultaten zijn in onderstaand figuur weergegeven en als bijlage is de berekening<br />

op basis ILS3a toegevoegd.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 44


Uit de berekening van ISL3a blijkt dat de gemiddelde jaarconcentratie maximaal 26,0<br />

mg/m 3 bedraagt in het beoordelingsraster van 500 meter rondom het bouwblok.<br />

Rekening houdend met een zeezoutcorrectie van 3, resulteert de maximale bijdrage<br />

22,2 mg/m³ ten opzichte van woningen van derden. De maximale waarde van 40<br />

mg/m 3 wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingen van de grenswaarde<br />

van het 24-uurgemiddelde (50) bedraagt maximaal 15,7. Het maximum van 35 x per<br />

jaar wordt binnen het beoordelingsraster niet overschreden. De bedrijfsontwikkeling<br />

aan de Weteringstraat 1-3 voldoet aan de normstelling in de Wet luchtkwaliteit.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 45


Figuur 5.7<br />

Berekende jaargemiddelde zeezoutconcentratie die van de jaargemiddelde PM10<br />

concentratie kan worden afgetrokken.<br />

5.4. Water<br />

Het waterverbruik van de varkenshouderij wordt naar verwachting ongeveer 11.073<br />

m 3 (op basis van KWIN-normen). Het waterverbruik wordt zoveel mogelijk beperkt<br />

door het toepassen van gladde wanden en vloeren en door de stal te laten inweken<br />

alvorens te reinigen. Tevens wordt een brij-voerinstallatie geïnstalleerd.<br />

Per jaar wordt 5.463 m 3 hemelwater via verharde oppervlakken afgevoerd (6.829 m 2<br />

verhard oppervlak (erfverharding + daken), neerslag per jaar 800 mm). Dit water<br />

komt niet in contact met bedrijfsmatige processen en kan dus zonder problemen<br />

naar de omgeving (bodem, oppervlaktewater) worden afgevoerd.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 46


5.5. Energieverbruik<br />

De grootste energieverbruikers op het bedrijf zijn de ventilatoren, de verlichting, de<br />

droogtunnels en overige installaties (voer, mestbanden etc.). Volgens KWIN-normen<br />

bedraagt het energieverbruik voor een varkenshouderij met deze omvang 307.448<br />

kWh per jaar.<br />

5.6. Mest<br />

Jaarlijks wordt op het bedrijf ongeveer 10.000 m3 drijfmest geproduceerd en<br />

opgeslagen in mestkelders. Op basis van de mestwetgeving is een minimale<br />

opslagcapaciteit van 10.000 m3 drijfmest verplicht gesteld.<br />

Diercategorie Mestproductie<br />

m 3 dier / jaar<br />

Mestproductie<br />

op jaarbasis m 3<br />

Verplichte<br />

Opslagcapaciteit<br />

/ dier m 3 / jaar<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 47<br />

Verplichte<br />

Opslagcapaciteit<br />

m 3<br />

Vleesvarken 1,097 4.651 0,64 2.714<br />

Biggen 0,445 277 0,26 162<br />

4.928 2.876<br />

Door de bouw van mestopslag onder de varkensstallen wordt de totale<br />

opslagcapaciteit 5.348 m 3<br />

(90% vullingspercentage = 4.813 m 3 ) voor een<br />

opslagperiode van een jaar. In de toegestane periode wordt de mest vervolgens<br />

uitgereden op akkerbouwgronden van derden in de omgeving en op grotere afstand<br />

noodzakelijk via een mest – intermediair of mestverwerking.<br />

5.7. Voer<br />

Op het bedrijf vindt de opslag van 60 ton kracht-/kernvoeders plaats in buiten<br />

geplaatste polyester voersilo’s ( 6 x 10 ton). Daarnaast wordt 250 m 3 enkelvoudige<br />

(vloeibare) (b ij-)producten opgeslagen in buiten geplaatste polyester voersilo’s ( 5 x<br />

50 m 3 ). Het voer wordt via brijvoertroggen verstrekt aan de varkens.<br />

Voor de varkens worden op het bedrijf diverse meng-/droogvoer en enkelvoudige<br />

vloeibare producten gemengd tot veevoeder. Naast de aanvoer van afvalstoffen uit<br />

bijvoorbeeld de levensmiddelenindustrie worden droge voedercomponenten in een<br />

voermenginstallatie gemengd tot een volledig voerrantsoen voor de aanwezige<br />

dieren. De totale voederbehoefte bedraagt 2.935 ton veevoeder waarvan 1.174 ton<br />

uit bijproducten (afvalstoffen) op jaarbasis (zie bijlage). Door het bedrijf worden<br />

uitsluitend GMP-waardige (Good Manufacturing Practice) voerprodukten van<br />

erkende gecertificeerde leveranciers aangekocht. Sinds 1992 kent de<br />

diervoedersector de GMP-regeling die toeziet op kwaliteit en veiligheid binnen de<br />

gehele keten betreffende de productie, de handel en vervoer van voerproducten.


5.8. Geluid<br />

Door de varkenshouderij wordt door het gebruik van ventilatoren, machines, aan- en<br />

afvoerbewegingen (transport mest, varkens en veevoer) en het inschakelen van de<br />

noodstroom aggregaat, geluid geproduceerd. Door de geluidbelasting van de<br />

inrichting kan verstoring optreden. De te verwachten geluidsbelasting van de<br />

pluimveehouderij wordt inzichtelijk gemaakt door middel van het uitvoeren van een<br />

akoestisch onderzoek. Uit het akoestisch onderzoek moet blijken of aan het geldende<br />

geluidsniveau en streefwaarden kan worden voldaan. Gezien binnen een afstand van<br />

100 meter van de inrichting geen woningen van derden zijn gelegen behoeft niet te<br />

worden gevreesd voor enige vorm van geluidsoverlast.<br />

5.9. Verkeersaantrekkende werking<br />

Onderzocht moet worden of:<br />

- extra hinder door de toename van het verkeer, de verkeersveiligheid in gevaar<br />

kan brengen;<br />

- door het aantal verkeersbewegingen in kaart te brengen, is het mogelijk om aan<br />

te tonen of het verkeer effect heeft op de dichte omgeving;<br />

- de effecten van het aan de inrichting toe te rekenen verkeer in relatie tot de eisen<br />

uit de wet luchtkwaliteit.<br />

5.10. Afvalstoffen<br />

Bij het houden van varkens komen voornamelijk de volgende afvalstoffen vrij:<br />

kadavers<br />

mest<br />

afvalwater<br />

diversen, zoals verpakkingsmaterialen, TL-buizen en voerresten<br />

Kadavers<br />

Een vleesvarkensbedrijf kent een gemiddeld uitvalpercentage van 2-4% voor de<br />

vleesvarkens. De kadavers worden binnen de inrichting opgeslagen in een koeling. De<br />

kadavers worden zo vaak als nodig door de destructor opgehaald en afgevoerd naar<br />

Sovion.<br />

Mest<br />

De opslag van varkensmest vindt plaats in de mestputten onder de stallen. Onder de<br />

stallen bevindt zich, na gehele realisatie van het bedrijf, een opslagcapaciteit van<br />

5.348 m³ mest.<br />

Voor de verantwoorde afzet zal de drijfmest deels op eigen grond worden verwerkt<br />

en het overige wordt via een mestafzetcontract afgevoerd, conform het wetsvoorstel<br />

mestafzetcontracten middels een intermediair.<br />

Bedrijfsafval<br />

Binnen de inrichting komt bedrijfsplastic vrij, als gevolg van het binnen het bedrijf toe<br />

te passen materieel. Dit afval wordt middels bedrijfscontainer afgevoerd naar een<br />

erkende inzamelaar.<br />

Op jaarbasis komt 534 m³ spuiwater vrij, afkomstig van de gecombineerde<br />

biologische luchtwasser .<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 48


Bedrijfsafvalwater<br />

Het bedrijfsafvalwater (o.a. reinigings - en ontsmettingswater en schoonspuitwater)<br />

dat binnen de inrichting ontstaat wordt opgevangen in de drijfmestputten en samen<br />

met de drijfmest uit de inrichting afgevoerd.<br />

De overige afvalstoffen worden op verantwoorde wijze van het bedrijf afgevoerd.<br />

5.11. Bodem<br />

Door milieugevaarlijke vloeistoffen op te slaan in tanks/vaatwerk, welke zijn<br />

geplaatst in een lekbak en (vloeibare) voederproducten op te slaan in gesloten silo’s<br />

en door de vloeren van de stallen mestdicht uit te voeren, wordt<br />

bodemverontreiniging voorkomen.<br />

Bij de aanvraag omgevingsvergunning – onderdeel bouwen – wordt een historisch<br />

bodemonderzoek overlegd.<br />

5.12. Risico’s a.g.v. ongeval en abnormale omstandigheden<br />

Met betrekking tot de gebruikte technologieën<br />

Het grootste risico voor een varkenshouderij betreft het uitvallen van de stroom.<br />

Door het wegvallen van de netspanning zullen ook de ventilatoren stilvallen. Het<br />

gevolg van het stilvallen van de ventilatoren is dat er onvoldoende luchtverversing bij<br />

de varkens zal plaatsvinden met als gevolg dat de dieren kunnen stikken.<br />

Om dit risico weg te nemen is er op het bedrijf, binnen de installatieruimte, een<br />

noodstroomaggregaat aanwezig die ingezet kan worden bij het wegvallen van de<br />

netspanning.<br />

Met betrekking tot de gebruikte grondstoffen<br />

Op het bedrijf wordt ten behoeve van het vee als grondstof mengvoeder, brijvoer en<br />

bijproducten aangevoerd. De veevoeders worden opgeslagen in polyester silo’s<br />

binnen de inrichting. Daarnaast verbruikt het vee drinkwater. Het drinkwater wordt<br />

via een eigen bron op het bedrijf geleverd. Dat de varkens relatief weinig water<br />

verbruiken is te danken aan het gebruik van de natte bijproducten, waarbij ze een<br />

gedeelte van hun dagelijkse behoefte aan vocht binnen krijgen.<br />

Met betrekking tot de bedrijfsvorm<br />

Veehouderijbedrijven, en dus ook varkenshouderijen, lopen het gevaar dat, vanuit<br />

rijkswege, vervoersverboden worden opgelegd na het uitbreken van een veeziekte.<br />

Het gevolg hiervan is dat, gedurende een onbepaalde periode, geen dieren van het<br />

bedrijf mogen worden afgevoerd. Het gevolg van een dergelijk vervoersverbod is dat<br />

de stallen voller en voller raken waardoor het welzijn van de dieren in gevaar komt.<br />

De nieuwe bedrijfsopzet is nog niet volgens de nieuwe welzijnseisen conform het<br />

Varkensbesluit. Na de realisatie van de tweede fase (dat gerealiseerd wordt binnen<br />

het uit te breiden gedeelte van het bouwblok) zal het bedrijf voldoen aan de<br />

welzijnseisen, waardoor dergelijke vervoersverboden voor een langere tijd kunnen<br />

worden opgevangen.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 49


Veiligheidsaspecten<br />

Een ander gevarenaspect voor een veehouderij is het uitbreken van brand. Het<br />

ontstaan van brand levert een gevaar op voor mens en dier. Om een eventuele brand<br />

snel te kunnen bestrijden is het bedrijf voorzien van brandblussers. Bij de bouw van<br />

de nieuwe installatie worden verschillende brandcompartimenten gesitueerd, wat<br />

brandvertragend werkt.<br />

5.13. Besluit Huisvesting en IPPC-richtlijn<br />

Het Besluit Huisvesting schrijft maximale emissiewaarden voor verschillende<br />

diercategorieën voor. Door toepassing van combiwassers wordt aan deze normen<br />

voldaan.<br />

De IPPC-richtlijn verplicht de lidstaten van de EU om bedrijven te reguleren middels<br />

een integrale vergunning gebaseerd op de best beschikbare technieken (BBT). Omdat<br />

op dit bedrijf meer dan 2.000 vleesvarkens worden gehouden, valt het gehele bedrijf<br />

onder de IPPC-richtlijn. Geen van de dierenverblijven zijn gelegen in een kwetsbaar<br />

gebied dan wel in een zone van 250 meter daar omheen. Op grond van de IPPCrichtlijn<br />

kan het voorgestelde plan worden geweigerd als de ammoniakemissie uit<br />

dierenverblijven leidt tot een belangrijke toename van de verontreiniging op<br />

kwetsbare natuurgebieden. Momenteel is er al sprake van een aanzienlijke<br />

overbelasting van kwetsbare natuur als gevolg van de grote concentratie van<br />

veehouderijen en de hoge achtergronddepositie.<br />

Dit houdt in dat de best beschikbare technieken zoals omschreven in de BREF<br />

moeten worden toegepast. Voor de varkenshouderij zijn enkele luchtwassystemen<br />

genoemd als best beschikbare techniek. Naast de huisvesting worden nog enkele<br />

aandachtspunten BBT genoemd. In onderstaande staat een opsomming van de<br />

aandachtspunten waarvoor BBT zijn vastgesteld, het doel van de BBT en een<br />

voorbeeld van een BBT op dit gebied.<br />

Tabel Overzicht van de aandachtspunten waarvoor BBT zijn vastgesteld<br />

Aandachtspunt Doel Voorbeeld BBT<br />

Voedingstechnieken Beperking uitscheiding<br />

nutriënten<br />

Fasevoedering<br />

Emissies naar de lucht Beperking ammoniakemissie Deels luchtwasser<br />

Water Beperking waterverbruik Brijvoertrog<br />

Energie Beperking energieverbruik Frequentiegeregelde<br />

ventilatoren<br />

Mestopslag Beperken ammoniakemissie nvt<br />

Met betrekking tot de aandachtspunten ‘voedingstechnieken’, ‘water’ en ‘energie’<br />

worden de genoemde voorbeelden op dit bedrijf toegepast. De mestopslag vindt<br />

plaats in een afgedekte mestopslag en voldoet daarmee ook aan het genoemde<br />

voorbeeld in de BREF.<br />

BBT<br />

De gekozen stalsystemen voor de intensieve veehouderijtak bestaan uit:<br />

gecombineerd e biologisch luchtwassysteem (BWL 2009.12)<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 50


De lokale situatie van de omgeving waarin onderhavige inrichting ligt, is niet<br />

vergelijkbaar met de gemiddelde Europese situatie waarop de toepassing van de<br />

IPPC-richtlijn/het BREF-document is gebaseerd. De inrichting ligt in een omgeving,<br />

waarin een camping is gelegen en lintbebouwing. Omwille van deze bebouwing met<br />

name naar de toekomst toe het van belang dat ook geur en stof wordt gereduceerd,<br />

om overlast naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Op grond van deze lokale<br />

milieuomstandigheden wordt aan het voorkomen van geur en stof een zwaarder<br />

gewicht toegekend dan aan energie en afval.<br />

Door toepassing van een luchtwassysteem wordt een vergaande reductie van de<br />

geuremissie bereikt.<br />

Gecombineerde biologische luchtwasser<br />

De emissiefactor voor ammoniak van de luchtwasser is niet hoger dan de maximale<br />

emissiewaarde in bijlage 1 van het Besluit huisvesting. Luchtwassers hebben naast<br />

een lage ammoniakemissie ook als positief effect dat de geuremissie laag is en dat<br />

een deel van de emissie van fijn stof wordt tegengehouden.<br />

Naast de positieve effecten zijn er ook nadelige effecten. Als een stal wordt voorzien<br />

van een luchtwasser neemt het energiegebruik toe. Daarnaast ontstaat spuiwater dat<br />

op een doelmatige wijze verwijderd moet worden.<br />

Beoordeling toename energiegebruik<br />

De toename van het energiegebruik is voor een deel toe te schrijven aan het<br />

elektriciteitsverbruik van de luchtwasser zelf, maar wordt vooral veroorzaakt door<br />

extra elektriciteitsverbruik van de ventilatie.<br />

Het elektriciteitsverbruik van de luchtwasser zelf komt hoofdzakelijk voor rekening<br />

van de waswaterpomp. Bij de luchtwasser is het energieverbruik tot het maximum<br />

gereduceerd doorat in een lamellenfilter de wasvloeistof maar een minuut per 20<br />

minuten opgebracht wordt.<br />

Extra elektriciteitsverbruik van de ventilatie wordt veroorzaakt door:<br />

1. Extra drukval in het afvoerkanaal (er is meer druk nodig om de lucht door de<br />

luchtwasser heen te krijgen),<br />

2. Langere transportafstand als afdelingen die eerst een eigen afvoer- of emissiepunt<br />

hadden nu centraal afgezogen worden,<br />

3. Langere transportafstand om afstand tot luchtwasser te overbruggen.<br />

Beoordeling spuiwater<br />

Het spuiwater is een afvalstof, die op een doelmatige wijze moet worden verwijderd.<br />

Voor de verwijderingsopties wordt verwezen naar de VROM-brief van 18 mei 2000<br />

met kenmerk DWL/2000055147 over milieuhygiënische randvoorwaarden voor<br />

verwijdering van spuiwater van luchtwassystemen in de veehouderij. De gevraagde<br />

luchtwasser betreft een biologische gecombineerde luchtwasser. Het vrijkomend<br />

spuiwater betreft geen gevaarlijk afval. Het vrijkomend spuiwater kan conform het<br />

Besluit gebruik meststoffen verspreid worden over de landbouwgronden. Dit<br />

stalsysteem is BBT op voorwaarde dat voorschriften gesteld worden aan het<br />

energiegebruik en het afvalwater.<br />

.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 51


Beleidslijn IPPC<br />

De beleidslijn IPPC stelt dat tot het ammoniakemissie niveau van 5.000 kg, de<br />

toepassing van BBT volstaat. Tot het ammoniakemissie niveau van 5.000 - 10.000 kg,<br />

volstaat de toepassing van BBT + .<br />

3.571 vleesvarkens x 1,4 BBT = 4.999,4 kg NH 3<br />

669 vleesvarkens x 1,1 BBT+= 735,9 kg NH 3<br />

624 gespeende biggen x0,21 BBT+= 131,0 kg NH 3<br />

TOTAAL = 5.866,3 kg NH 3<br />

Op basis van de beleidslijn IPPC mag de ammoniakemissie niet hoger zijn dan 5.866,3<br />

kg NH 3 .Het voorkeursalternatief heet een lagere milieubelasting van 5.475,7 kg NH 3 .<br />

Overig<br />

Het voorgestelde plan wordt getoetst aan diverse wetten en regels die van<br />

toepassing zijn op een inrichting. In eerdere hoofdstukken is ingegaan hoe omgegaan<br />

zal worden met energie, water, grond- en hulpstoffen en bedrijfsafvalstoffen. Tevens<br />

is daar ingegaan op preventieve maatregelen. Bij de realisatie van het voorgestelde<br />

plan wordt voor de opslagen voor dierlijke mest binnen de inrichting rekening<br />

gehouden met de aanbevelingen die zijn opgenomen in het BREF-document.<br />

Daarnaast wordt de stofemissie tijdens het afleveren van veevoeder in de silo’s<br />

gefilterd door middel van een doelmatig systeem en vindt gedeeltelijk stofreductie<br />

plaats als gevolg van de toepassing van de gecombineerde luchtwasser. Zie voor<br />

verdere beoordeling Wet luchtkwaliteit.<br />

Op grond van het hiervoor genoemde kan worden gesteld dat het voorgestelde plan<br />

voldoet aan de eis van het toepassen van de best beschikbare technieken, waardoor<br />

voldaan wordt aan de IPPC-richtlijn (inclusief bijbehorende beleidslijn).<br />

Conclusie<br />

Nu op dit bedrijf deels in de bestaande stallen en nieuwbouwstal de best beschikbare<br />

technieken (BBT ++ ) worden toegepast voldoet het bedrijf aan de IPPC.<br />

5.14. Landschappelijke inpassing<br />

Om de visuele hinder en de hinder voor het landschap zoveel mogelijk te voorkomen<br />

zal de inrichting worden voorzien van beplanting rondom het gebouw. Aan de<br />

ruimtelijke onderbouwing is een beplantingsplan toegevoegd. Bij de keuze van de<br />

beplanting is nader onderzocht welke beplating van nature passend is in het gebied.<br />

De landschappelijke compensatie en inpassing in het landschap is reeds akkoord<br />

bevonden. De landschappelijke inpassing is als bijlage toegevoegd.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 52


5.15. Externe veiligheid<br />

Binnen de varkenshouderij Weteringstraat 1-3 vinden geen activiteiten plaats die in<br />

relatie tot het beleidskader ‘externe veiligheid’ relevant zijn. Ook is gekeken naar de<br />

externe werking van activiteiten buiten de inrichting die mogelijk relevant kunnen<br />

zijn. Op basis van de risicokaart liggen binnen een straal van 2 kilometer geen<br />

activiteiten die een risico kunnen zijn in relatie tot de ontwikkeling van de<br />

varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-3.<br />

Figuur: gearceerd = buitendijksgebied / rode stip = inrichting met gevaarlijke stoffen<br />

5.16. Gezondheid<br />

De kwaliteit van de leefomgeving is van invloed op de gezondheid van mensen. In<br />

relatie tot de gevolgen van het voornemen voor de kwaliteit van de leefomgeving<br />

wordt ingegaan op de gevolgen/risico’s voor de gezondheid. De Wet collectieve<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 53


preventie volksgezondheid vraagt gemeenten expliciet aandacht te besteden aan<br />

volksgezondheid bij besluitvorming.<br />

Mogelijke risico’s met betrekking tot zoönosen, zoals MRSA, en de mogelijke<br />

maatregelen die getroffen kunnen worden om de risico’s voor de omgeving te<br />

beperken zijn nader beoordeeld. Hierbij is het onderzoeksrapport “Mogelijke<br />

effecten van bedrijven met intensieve veehouderij op de gezondheid van<br />

omwonenden: onderzoek naar blootstelling en gezondheidsproblemen”, interim<br />

rapportage 21 januari 2011 van IRAS Universiteit, NIVEL en RIVM betrokken.<br />

Daarnaast zijn de bevindingen van de Gezondheidsraad niet bekend gemaakt en<br />

derhalve niet in overweging genomen.<br />

Mogelijke gezondheidkundige gevolgen lijken beperkt nu binnen 250-500 meter geen<br />

bebouwde kom, bebouwingslinten ⁄ -concentraties en grootschalige recreatieobjecten<br />

zijn gelegen. Daarnaast is geen sprake van een overbelaste situatie in relatie<br />

tot geur (voor - en achtergrondbelasting) en de luchtkwaliteit ten opzichte van<br />

woningen die geen onderdeel uitmaken van dit bestemmingsvlak.<br />

5.17. Overige aspecten<br />

5.17.1. Directe ammoniakschade<br />

De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen wordt<br />

beoordeeld aan de hand van het rapport ‘Stallucht en Planten’ dat in 1981 is<br />

opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO). Dit rapport<br />

is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniak schade veroorzaakt door de<br />

uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige<br />

gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen<br />

een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat<br />

minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van<br />

kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals<br />

een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend.<br />

In de directe omgeving ten opzichte van de veehouderij zijn geen boomkwekerijen /<br />

kascomplexen gelegen. Op basis van het rapport ‘Stallucht en Planten’ draagt de<br />

inrichting niet bij aan mogelijke directe ammoniakschade aan de ter plaatse<br />

aanwezige kascomplexen, boomkwekerij en fruitkwekerijen.<br />

5.17.2. Flora en Fauna<br />

Voor de locatie Weteringstraat is een verkennend Flora en Fauna onderzoek<br />

uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bijgevoegd en derhalve onderdeel van deze<br />

Notitie. Doel van het onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het<br />

onderzoeksgebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor<br />

soortenbescherming is hierbij de Flora- en faunawet van belang, gebiedsbescherming<br />

is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ecologische<br />

Hoofdstructuur (EHS). Indien een planlocatie namelijk in of nabij een beschermd<br />

gebied ligt of een onderdeel van de EHS vormt, dient er tevens bepaald te worden of<br />

de voorgenomen ontwikkelingen een negatief effect kunnen hebben op het<br />

beschermde gebied of afbreuk doen aan de werking van de EHS. Vaak is echter enkel<br />

soortbescherming via de Flora- en faunawet van toepassing.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 54


Het plangebied betreft de percelen E, nummers 94 en 95 van de kadastrale<br />

gemeente Oijen. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 13.750 m2.<br />

De betreffende uitbreiding van het bouwvlak c.q. de onderzoekslocatie heeft een<br />

grootte van circa 4.000 m2. Het terrein is momenteel in gebruik als weiland. De<br />

beoogde nieuw te bouwen stal zal direct ten noorden van de bestaande stallen aan<br />

de Weteringstraat 3 worden gerealiseerd. Het plangebied ligt in het buitengebied ten<br />

oosten van het dorp Teeffelen en ten noorden van de stad <strong>Oss</strong>, beide gemeente <strong>Oss</strong>.<br />

Het gebied wordt in het zuiden en westen begrensd door respectievelijk de<br />

Weteringstraat en de Hoefstraat. Rondom het plangebied zijn voorts agrarische<br />

percelen gelegen waar de hoofdwaterlopen Teeffelensche Wetering en<br />

Hertogswetering doorheen stromen. De omgeving kan derhalve worden beschreven<br />

als agrarisch buitengebied.<br />

In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming<br />

en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het onderzoeksgebied. Onder<br />

andere is hierbij gebruik gemaakt van het Natuurloket, de zoogdierenatlas<br />

(Broekhuizen et al., 1992), de broedvogelatlas (SOVON Vogelonderzoek Nederland,<br />

2002) en de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant”. De aanwezigheid<br />

van relevante natuurterreinen en de ligging van Natuurbeschermingswet 1998<br />

gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en de EHS in de nabijheid van het<br />

onderzoeksgebied zijn onderzocht. De bevindingen van het uitgevoerde veldbezoek<br />

en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in de rapportage Flora en<br />

Fauna dat als bijlage is bijgevoegd.<br />

Via het landsdekkend beeld op Natuurloket.nl is de waarde beschouwd van het<br />

betreffende gebied, dat ligt in kilometerhok X:163 / Y:423 dat een gedeelte van het<br />

buitengebied van de kern Teeffelen omvat. Het Natuurloket verstrekt informatie over<br />

het voorkomen van soorten per kilometerhok. Binnen het kader van deze quick scan<br />

is het niet mogelijk om vast te stellen welke soorten per kilometerhok zijn<br />

weergegeven door het Natuurloket. De weergave van het Natuurloket kan dan ook<br />

alleen als indicatie voor de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten worden<br />

beschouwd.<br />

Aangezien het onderzoeksgebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok<br />

beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen<br />

binnen het onderzoeksgebied. In bijlage 2 is de rapportage uit het Natuurloket<br />

opgenomen. Uit de rapportage blijkt dat er in de periode tussen 1990 en 2010 in het<br />

kilometerhok een zeer beperkt aantal waarnemingen zijn gedaan van de in de Floraen<br />

faunawet, de Habitat- of Vogelrichtlijn of de Rode lijst voorkomende planten en<br />

dieren.<br />

Naast bovengenoemde bron zijn onder andere gegevens gebruikt die afkomstig zijn<br />

van de “Atlas van de Nederlandse zoogdieren” en de “Werkatlas amfibieën en<br />

reptielen in Noord-Brabant”.<br />

Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas blijkt dat de volgende zoogdieren<br />

of sporen van deze soorten (o.a. braakballen) in de periode van 1970 tot 1988 zijn<br />

waargenomen in de directe omgeving van het onderzoeksgebied: egel, huisspitsmuis,<br />

mol, vos, hermelijn, wezel, bunzing, Amerikaanse nerts, woelrat, muskusrat,<br />

veldmuis, bruine rat, huismuis, haas en konijn.<br />

Uit gegevens van de Werkatlas amfibieën en reptielen blijkt dat de soorten<br />

kamsalamander, kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, groene kikker,<br />

poelkikker en de middelste groene kikker in de periode van 1985 tot en met 2004 zijn<br />

waargenomen in de directe omgeving van het onderzoeksgebied.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 55


Uit het rapport blijkt dat in het onderzoeksgebied mogelijk verschillende beschermde<br />

soorten dieren voorkomen die vermeld staan op de lijsten van de Flora- en faunawet.<br />

Deze soorten zijn echter tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een<br />

sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten,<br />

holen, uitwerpselen, prooiresten en haren heeft eveneens niets opgeleverd.<br />

Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende planten, grondgebonden zoogdieren<br />

en een aantal soorten amfibieën komen voor op FFlijst 1. Voor soorten van FFlijst 1<br />

geldt een vrijstelling: bij het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is het voor deze<br />

soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.<br />

Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vogelsoorten staan vermeld op lijst<br />

3 en zijn feitelijk ontheffingsplichtig. Indien broedende vogels aanwezig zijn kunnen<br />

verstorende werkzaamheden als eventuele verwijdering van de beplanting niet<br />

plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels<br />

aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Door beplanting voor het<br />

broedseizoen voor vogels te verwijderen wordt voorkomen dat vogels er zullen gaan<br />

broeden. Indien er op deze manier wordt gehandeld treden er geen effecten op ten<br />

aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaats vinden buiten<br />

het broedseizoen worden eveneens geen nadelige effecten verwacht op vogels.<br />

Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er<br />

derhalve geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels en is het niet<br />

noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.<br />

Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vleermuizen staan vermeld op FFlijst<br />

3 en zijn ontheffingsplichtig. Voor vleermuizen geldt echter dat er in de onderhavige<br />

situatie geen effecten optreden ten aanzien van mogelijk aanwezige verblijfplaatsen,<br />

foerageergebieden en vliegroutes. De in de omgeving van het onderzoeksgebied<br />

aanwezige bebouwing en bomen blijven namelijk gehandhaafd. Het uitvoeren van<br />

nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing zijn derhalve niet aan de orde.<br />

Voor alle aanwezige flora en fauna geldt de zorgplicht ex art. 2 van de Flora- en<br />

faunawet, die van toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en<br />

plantensoorten. Op grond hiervan dient men zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te<br />

handelen op een wijze waarop nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden<br />

voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel<br />

mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt.<br />

Als eindconclusie kan worden gesteld dat de aanbevelingen ten aanzien van vogels in<br />

acht moeten worden genomen. Tevens zullen de werkzaamheden voor de overige<br />

soortgroepen geen overtreding van de natuurwetgeving tot gevolg hebben.<br />

5.17.3. Cultuurhistorische / Archeologische waarden<br />

Voor de locatie Weteringstraat 1-3 is een archeologisch bureau- en verkennend<br />

booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bijgevoegd en derhalve<br />

onderdeel van deze Notitie. Het doel van het onderzoek was een archeologische<br />

verwachting op te stellen en deze middels een verkennend booronderzoek te<br />

toetsen. Dit om zicht te krijgen op de invloed van de geplande werkzaamheden op<br />

eventuele archeologische resten.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 56


Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied ligt op de rand van de<br />

zogenaamde stroomgordel van Marcharen. In de nabij het van het plangebied zijn<br />

vindplaatsen met resten van bewoning uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd<br />

bekend. Op basis van deze gegevens is aan het plangebied een middelhoge<br />

verwachting voor vindplaatsen uit de Late Prehistorie tot en met Late Middeleeuwen<br />

toegekend. Vindplaatsen uit de Nieuwe tijd worden niet verwacht, omdat hier op<br />

basis van het geraadpleegde historische kaartmateriaal geen aanleiding voor is.<br />

Het booronderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied is gelegen op de overgang<br />

van de kleiige komgronden naar de zandige stroomgordel van Marcharen. In het<br />

plangebied komen voornamelijk siltige en zandige kleien voor waarin zich een relatief<br />

natte poldervaaggrond heeft ontwikkeld. Dit in combinatie met het ontbreken van<br />

aanwijzingen die duiden op bewoning of beakkering heeft geleid tot de conclusie dat<br />

er geen aanleiding is om in het plangebied de aanwezigheid van archeologische<br />

resten te verwachten. Er gelden zodoende geen restricties ten aanzien van de<br />

verdere planvorming en een vervolg proefsleuven-onderzoek is niet noodzakelijk.<br />

5.17.4. Aardkundige waarden<br />

Onder aardkundige waarden vallen de verschijnselen en processen die te maken<br />

hebben met de vorming van het landschap. Daartoe behoren geologische,<br />

geomorfologische en bodemkundige verschijnselen en processen.<br />

Aardkundige verschijnselen geven inzicht in de ontstaanswijze van het landschap. De<br />

aardkundige opbouw van een gebied is de basis voor de waterhuishouding en<br />

bodemopbouw en is van grote invloed op de samenstelling van flora en fauna.<br />

Gebieden met een gevarieerde aardkundige opbouw zijn van nature ook divers in<br />

ecologisch opzicht. Aardkundige waarden gelegen binnen een agrarisch gebied<br />

moeten worden gevrijwaard van grondwerken, maatregelen ten behoeve van<br />

waterbeheersing e.d. Ook moet voorkomen worden dat maatregelen in de directe<br />

omgeving de herkenbaarheid van het aardkundige object aantasten.<br />

Uit het bureau- en booronderzoek heeft geen opmerkelijke aardkundige waarden,<br />

dan wel verschijnselen aangetoond ter plaatse van de planlocatie.<br />

Voor de locatie Weteringstraat 1-3 is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd.<br />

Het onderzoek is als bijlage bijgevoegd en derhalve onderdeel van deze Notitie. Doel<br />

van het onderzoek is vast te stellen of er op de locatie in het verleden<br />

bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden die aanleiding geven tot het<br />

uitvoeren van een bodemonderzoek. Op grond van het onderzoek wordt de locatie<br />

als niet-verdacht beschouwd. Aangenomen wordt dat ter plaatse van de<br />

onderzoekslocatie geen sprake is van bodemverontreiniging.<br />

5.17.5. Waterdoelen / -systemen<br />

Naast de integrale zonering en de ontwikkelkaarten voor de verschillende functies<br />

(glastuinbouw; recreatie & toerisme; veehouderij, boomteelt) zijn er voor het<br />

reconstructieplan kaarten gemaakt met plannen voor omgevingskwaliteit. Water is<br />

daarvan één van de belangrijkste.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 57


Doel<br />

Doel van de bestanden is het weergeven van de ruimtelijke component van de water<br />

doelstellingen in de ontwerp reconstructieplannen. Afhankelijk van het onderwerp<br />

werken deze planologisch door of is de status indicatief. Regionale waterberging<br />

categorieën ‘huidig inundatiegebied’ en ‘in te richten waterbergingssgebied’,<br />

beekherstel (binnen planperiode) en natte natuurparels met bescherming szones<br />

werken planologisch door naar <strong>bestemmingsplan</strong>nen. Deze planologische<br />

doorwerking naar <strong>bestemmingsplan</strong>nen is vanuit de reconstructiewet beperkt tot het<br />

landelijke gebied. Alle informatie van thema’s met planologische doorwerking uit het<br />

waterhuishoudingsplan zijn daarom afgesneden op de grens van dit stedelijk gebied.<br />

Waterberging<br />

Naast bestaande inundatiegebied worden door de Noord-Brabantse waterschappen<br />

waterbergingsgebieden ingericht. Daarbij gaat het om maatregelen waardoor het<br />

gebied geschikt wordt om tijdens overvloedige neerslag tijdelijk water te bergen en<br />

waardoor nieuwe kapitaalintensieve ontwikkelingen tegen worden gegaan.<br />

Daarnaast zijn zoekgebieden door de waterschappen aangeduid waar waterberging<br />

gerealiseerd zou kunnen worden na de planperiode. In de voorlopige<br />

reserveringsgebieden 2050/2016 zijn ontwikkeling van grootschalige, kapitaal<br />

intensieve functies, zoals woonwijken, bedrijventerreinen, vestigingsgebieden voor<br />

de glastuinbouw, veeverdichtingsgebieden, projectlocaties voor de intensieve<br />

veehouderij en grote recreatie-complexen alleen mogelijk indien uit een watertoets<br />

blijkt dat hierdoor de geschiktheid van het zoekgebied voor waterberging niet<br />

verloren gaat en de investering vanuit het oogpunt van veiligheid en schaderisico’s<br />

verantwoord is. Bestaande bedrijven behouden hun normale ontwikkelingsmogelijkheden.<br />

Voor de locatie aan de Weteringstraat 1-3 is een watertoets uitgevoerd. Het<br />

hemelwater wordt op de locatie geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd.<br />

Toelichting waterberging<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 58


Conclusie<br />

De planlocatie Weteringstraat 1-3 is niet gelegen in een gebied dat gericht is op de<br />

realisatie van genoemde waterdoelen. Echter om hydrologisch neutraal te<br />

ondernemen is een watertoets uitgevoerd. Hierdoor wordt het water ter plaatse<br />

geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd.<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 59


Overzicht bijlagen<br />

1 Situatieschets bedrijf - Omgeving (tekening blad Mlo)<br />

2 Plattegrondtekening (blad M10 (code 10-163 130-11-2010))<br />

3 Geurverspreidingsmodel (V-Stacks)<br />

3a Weergave Geur achtergrondbelasting (op basis van V-Stacks gebied)<br />

4 Ammoniakverspreidingsmodel (Aagro-Stacks)<br />

5 Fijn stofverspreidingsmodel (ISUa)<br />

6 Berekening dierbezetting<br />

7 Dimensioneringspian luchtwasser<br />

8 Flora en faunaonderzoek<br />

9 Archeologische onderzoek<br />

10 Bodemonderzoek<br />

11 Waterparagraaf<br />

12 Landschappelijke inpassing


Bijlage 1: Situatieschets bedrijf - omgeving<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 61


Bijlage 2: Plattegrondtekening<br />

Plattegrondtekening blad M10, code 10-163, d.d. 30-11-2011)<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 62


Bijlage 3: Geurverspreidingsmodel (V-Stacks)<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 63


Gegenereerd op: 30-11-2011 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.<br />

Naam van de berekening: Weteringstraat 3 4afd LW met combiventilatie<br />

Gemaakt op: 30-11-2011 20:32:57<br />

Rekentijd: 0:00:08<br />

Naam van het bedrijf: Weteringstraat 1 Teeffelen<br />

Berekende ruwheid: 0,09 m<br />

Meteo station: Eindhoven<br />

Brongegevens:<br />

Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. EP Hoogte Gem.geb. hoogte EP Diam. EP Uittr. snelh. E-Aanvraag<br />

1 stal 3 163 371 423 100 3,8 4,3 0,40 4,00 23 000<br />

2 stal 4 163 409 423 108 3,8 4,3 0,40 4,00 14 628<br />

3 stal 5 163 363 423 155 8,3 6,8 5,00 1,26 9 863<br />

Geur gevoelige locaties:<br />

Volgnummer GGLID Xcoordinaat Ycoordinaat Geurnorm Geurbelasting<br />

4 Rotsestraat 7 162 628 422 927 8,0 1,8<br />

5 Rotsestraat 6 162 621 422 989 8,0 1,8<br />

6 Hertogswetering 273 163 824 422 967 14,0 4,7<br />

7 Singel 21 162 567 423 270 2,0 1,5<br />

8 Singel 13 162 554 423 192 2,0 1,3<br />

9 Singel 25 162 580 423 323 2,0 1,5<br />

10 Rotsestraat 8 162 773 422 798 14,0 2,6<br />

11 Rotsestraat 9 162 665 422 869 14,0 2,1<br />

12 Hoefstraat 2 162 671 423 414 8,0 2,1<br />

13 Singel 15 162 547 423 207 2,0 1,3<br />

14 Singel 23 162 566 423 298 2,0 1,5<br />

15 Singel 19 162 556 423 240 2,0 1,4<br />

16 Singel 17 162 552 423 223 2,0 1,3<br />

17 Rotsestraat 4 162 492 423 125 2,0 1,1


Gegenereerd op: 30-11-2011 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.


Bijlage Bijlage 3a Weergave Weergave geur eur achtergrondbelasting ( (op (<br />

op basis basis basis van van V-Stacks Stacks gebied) gebied)<br />

gebied)


Achtergrondbelasting<br />

Weteringstraat 1-3<br />

Beoogde situatie<br />

Legenda<br />

achtergrondbelasting<br />

ouE/m³ - Leefklimaat<br />

< 4 - Zeer goed<br />

4 - 8 - Goed<br />

8 - 14 - Redelijk goed<br />

14 - 20 - Matig<br />

20 - 28 - Tamelijk slecht<br />

28 - 38 - Slecht<br />

38 - 50 - Zeer slecht<br />

> 50 - Extreem slecht<br />

R & S Advies<br />

Langegracht 4a<br />

5091 SJ Middelbeers<br />

tel: 06-51039378<br />

algemeen@rensadvies.com<br />

www.rensadvies.com<br />

Project vergroting bouwvlak<br />

Opdrachtgever M. van Doremalen<br />

Adres Weteringstraat 1-3 Teeffelen<br />

Datum 30-08-2012<br />

Schaal 1:10.000<br />

Cartograaf B. van Doormaal<br />

·<br />

0 250 500 1.000 Meter


Bijlage 4: ammoniakdepositie (Aagro-Stacks)<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 64


Naam van de berekening: 3011111 combiventilatie<br />

Gemaakt op: 30-11-2011 18:07:28<br />

Zwaartepunt X: 163,400 Y: 423,100<br />

Cluster naam: Weteringstraat 3 4 afd LW Combiventilatie<br />

Berekende ruwheid: 0,33 m<br />

Emissie Punten:<br />

Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />

Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. Hoogte Gem.geb. hoogte Diam. Uittr. snelheid Emissie<br />

1 Stal 3 163 371 423 100 3,8 4,3 0,4 4,00 2 500<br />

2 Stal 4 163 409 423 108 3,8 4,3 0,4 4,00 1 590<br />

3 Stal 5 163 363 423 155 8,3 6,8 5,0 1,26 1 386<br />

Gevoelige locaties:<br />

Volgnummer Naam X coordinaat Y coordinaat Depositie<br />

1 Bossche Broek 1 149 552 410 635 0,22<br />

2 Bossche Broek 2 148 998 410 650 0,22<br />

3 Bossche Broek 3 149 227 409 911 0,21<br />

4 Bossche Broek 4 149 227 409 911 0,21<br />

5 Dommelbeemden 162 267 397 559 0,14<br />

6 Uiterwaarden Waal 1 152 962 423 294 0,39<br />

7 Uiterwaarden Waal 2 156 295 427 295 0,84<br />

8 Uiterwaarden Waal 3 158 732 430 808 0,73<br />

Details van Emissie Punt: Stal 3 (887)<br />

Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />

1 D3.100.1 vleesvarkens TR


Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />

Details van Emissie Punt: Stal 4 (888)<br />

Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />

1 D3.100.1 vleesvarkens TR 0,35 m2 624 0.11 68.64


Naam van de berekening: Weteringstraat 3 referentie geco<br />

Gemaakt op: 30-11-2011 16:33:29<br />

Zwaartepunt X: 163,400 Y: 423,100<br />

Cluster naam: Weteringstraat 3 referentie gecorrigeerd<br />

Berekende ruwheid: 0,33 m<br />

Emissie Punten:<br />

Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />

Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. Hoogte Gem.geb. hoogte Diam. Uittr. snelheid Emissie<br />

1 Stal 3 163 371 423 100 3,8 4,3 0,4 4,00 1 400<br />

2 Stal 4 163 401 423 122 3,8 4,3 0,4 4,00 1 400<br />

Gevoelige locaties:<br />

Volgnummer Naam X coordinaat Y coordinaat Depositie<br />

1 Bossche Broek 1 149 552 410 635 0,11<br />

2 Bossche Broek 2 148 998 410 650 0,11<br />

3 Bossche Broek 3 149 227 409 911 0,11<br />

4 Bossche Broek 4 149 227 409 911 0,11<br />

5 Dommelbeemden 162 267 397 559 0,07<br />

6 Uiterwaarden Waal 1 152 962 423 294 0,20<br />

7 Uiterwaarden Waal 2 156 295 427 295 0,43<br />

8 Uiterwaarden Waal 3 158 732 430 808 0,37<br />

Details van Emissie Punt: Stal 3 (898)<br />

Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />

1 D3.100.1 vleesvarkens TR


Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />

Details van Emissie Punt: Stal 4 (899)<br />

Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />

1 D3.100.1 vleesvarkens TR


Naam van de berekening: Weteringstraat 3 referentie Geld<br />

Gemaakt op: 30-11-2011 17:34:45<br />

Zwaartepunt X: 163,400 Y: 423,100<br />

Cluster naam: Weteringstraat 3 referentie Gelderland<br />

Berekende ruwheid: 0,33 m<br />

Emissie Punten:<br />

Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />

Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. Hoogte Gem.geb. hoogte Diam. Uittr. snelheid Emissie<br />

1 Stal 3 163 371 423 100 3,8 4,3 0,4 4,00 2 500<br />

2 Stal 4 163 401 423 122 3,8 4,3 0,4 4,00 2 500<br />

Gevoelige locaties:<br />

Volgnummer Naam X coordinaat Y coordinaat Depositie<br />

1 Bossche Broek 1 149 552 410 635 0,20<br />

2 Bossche Broek 2 148 998 410 650 0,20<br />

3 Bossche Broek 3 149 227 409 911 0,19<br />

4 Bossche Broek 4 149 227 409 911 0,19<br />

5 Dommelbeemden 162 267 397 559 0,13<br />

6 Uiterwaarden waal 1 152 962 423 294 0,35<br />

7 Uiterwaarden waal 2 156 295 427 295 0,76<br />

8 Uiterwaarden waal 3 158 732 430 808 0,66<br />

Details van Emissie Punt: Stal 3 (376)<br />

Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />

1 D3.100.1 vleesvarkens TR


Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />

Details van Emissie Punt: Stal 4 (377)<br />

Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />

1 D3.100.1 vleesvarkens TR


Bijlage 5: Wet Luchtkwaliteit (ISL3a)<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 65


Gegenereerd met ISL3a Versie 2012-1 , Rekenhart Release 20 aug. 2012<br />

Gebiedsgegevens<br />

Naam van deze berekening: WETERINGSTRAAT<br />

Te beschermen object<br />

Naam:<br />

Project: Weteringstraat 1-3 EINDFASE<br />

RD X coordinaat: 162 944 Lengte X: 1000 Aantal Gridpunten X: 50<br />

RD Y coordinaat: 422 614 Breedte Y: 1000 Aantal Gridpunten Y: 50<br />

Berekende ruwheid: 0.10 Eigen ruwheid<br />

Eigen ruwheid: 0.00<br />

Type Berekening: PM10<br />

Rekenjaar:2012<br />

Soort Berekening: Contour Toets afstand: n.v.t. Onderlinge afstand: n.v.t.<br />

Berekend op: 2012/08/30 21:29:09<br />

Uitvoer directory: \\Acer-a551fc7b23\mijn documenten\eigen\MER\wetereingstraat 1\plan MER\output stof<br />

RD X Coord.<br />

[m]<br />

RD Y Coord.<br />

[m]<br />

Concentratie<br />

Overschrijding<br />

[microgram/m3] [dagen]<br />

Rotsestraat 4 162 492 423 125 24.00 13.5<br />

Rotsestraat 6 162 621 422 989 24.11 13.8<br />

Rotsestraat 7 162 628 422 927 24.11 13.7<br />

Rotsestraat 8 162 773 422 798 24.12 13.7<br />

Rotsestraat 9 162 665 422 869 24.12 13.7<br />

Hoefstraat 2 162 671 423 414 24.01 13.5<br />

Hertogswetering 273 163 824 422 967 23.94 13.3<br />

Singel 13 162 554 423 192 24.01 13.5<br />

Singel 15 162 547 423 207 24.01 13.5<br />

Singel 17 162 552 423 223 24.01 13.5<br />

Singel 19 162 556 423 240 24.01 13.5<br />

Singel 21 162 567 423 270 24.01 13.5<br />

Singel 23 162 566 423 298 24.01 13.5<br />

Singel 25 162 580 423 323 24.01 13.5<br />

Rand Bouwblok 1 163 442 423 073 24.65 14.4<br />

Rand Bouwblok 2 163 419 423 059 24.52 14.4<br />

Rand Bouwblok 3 163 361 423 025 24.34 14.1<br />

Rand Bouwblok 4 163 343 423 038 24.48 14.5<br />

Rand Bouwblok 5 163 319 423 079 24.88 16.5<br />

Rand Bouwblok 6 163 295 423 118 24.34 14.6<br />

Rand Bouwblok 7 163 342 423 143 25.48 18.2<br />

Rand Bouwblok 8 163 321 423 177 24.53 15.3<br />

Rand Bouwblok 9 163 298 423 215 24.32 14.6<br />

Rand Bouwblok 10 163 340 423 241 24.36 14.1<br />

Rand Bouwblok 11 163 364 423 201 24.86 15.1<br />

Rand Bouwblok 12 163 386 423 164 25.71 16.3<br />

Rand bouwblok 13 163 407 423 128 27.83 20.5<br />

Brongegevens<br />

Naam : Stal 3<br />

RD X Coord.: 163 371<br />

hoogte van emissiepunt:<br />

verticale uittreesnelheid: 4.00<br />

diameter van emissiepunt:<br />

temperatuur van emisstroom:<br />

Type:<br />

RD Y Coord.: 423 100<br />

Emissie:<br />

3.80<br />

0.40<br />

285.00<br />

AB<br />

hoogte van gebouw: 4.3<br />

0.00485<br />

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 163 375<br />

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 423 106<br />

lengte van gebouw: 80.00<br />

breedte van gebouw:<br />

15.00<br />

orientatie van gebouw: 121.60<br />

(c) N.V. Kema<br />

Date: 30-08-2012 Time: 21:29:20 Page 1


Gegenereerd met ISL3a Versie 2012-1 , Rekenhart Release 20 aug. 2012<br />

Naam : Stal 4<br />

RD X Coord.: 163 409<br />

hoogte van emissiepunt:<br />

verticale uittreesnelheid: 4.00<br />

diameter van emissiepunt:<br />

temperatuur van emisstroom:<br />

Naam : Stal 5<br />

RD X Coord.: 163 363<br />

hoogte van emissiepunt:<br />

Type:<br />

RD Y Coord.: 423 108<br />

Emissie:<br />

3.80<br />

0.40<br />

285.00<br />

verticale uittreesnelheid: 1.26<br />

diameter van emissiepunt:<br />

temperatuur van emisstroom:<br />

AB<br />

hoogte van gebouw: 4.3<br />

0.00309<br />

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 163 395<br />

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 423 118<br />

lengte van gebouw: 80.00<br />

breedte van gebouw:<br />

15.00<br />

orientatie van gebouw: 121.60<br />

Type:<br />

RD Y Coord.: 423 155<br />

Emissie:<br />

8.30<br />

5.00<br />

285.00<br />

AB<br />

hoogte van gebouw: 6.8<br />

0.00286<br />

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 163 342<br />

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 423 187<br />

lengte van gebouw: 80.00<br />

breedte van gebouw:<br />

41.30<br />

orientatie van gebouw: 121.60<br />

(c) N.V. Kema<br />

Date: 30-08-2012 Time: 21:29:20 Page 2


Gegenereerd met ISL3a Versie 2012-1 , Rekenhart Release 20 aug. 2012<br />

(c) N.V. Kema<br />

Date: 30-08-2012 Time: 21:29:20 Page 3


Bijlage 6: Berekening dierbezetting<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 66


Vigerende vergunningen situatie<br />

Voor de locatie is op 19 april 1994 een revisievergunning verleend ingevolge artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend. Vervolgens is op 21 maart 1995<br />

een veranderingsvergunning ingevolge artikel 8.1, sub b van de Wet milieubeheer verleend. Op 21 januari 2010 is een melding ingevolge artikel 8.19 Wet<br />

milieubeheer geaccepteerd. De vergunning is verleend voor het houden van de navolgende aantal te houden dieren:<br />

1. SITUATIE CONFORM VERLEENDE VERGUNNING(EN)<br />

1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />

Stal Code Aantal Ammoniakemissie geur<br />

nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />

Voorkeursalternatief<br />

Ten opzichte van de vigerende situatie vindt uitbreiding en oprichting plaats van de volgende aantallen dieren 2.240 vleesvarkens en 624 gespeende biggen.<br />

Totaal aantal dieren in de nieuwe situatie:<br />

Stal 3, ongewijzigd 1.000 vleesvarkens;<br />

Stal 4, uitbreiding in bestaande stal (voormalig ziekenboeg) met 56 vleesvarkens, totaal 1056 vleesvarkens;<br />

Stal 5, nieuwbouw 2.184 vleesvarkens en 624 gespeende biggen.<br />

4. de eindfase<br />

dieren dierplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />

3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.095 2,5 2.500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />

4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.095 2,5 2.500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />

Totaal 5000,0 2800,0 Totaal Ou 46000,0<br />

ammoniakemissie bedrijf bedrijf<br />

1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />

Stal Code** Aantal Ammoniakemissie geur<br />

nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />

dieren dierenplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />

3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.056 2,5 2500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />

4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 636 696 2,5 1590,0 1,4 890,0 23 14628,0<br />

4 D3.2.15.4.1 GL Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 420 456 0,38 159,6 1,4 588,0 3,5 1470,0<br />

5 D3.2.15.4.2 GL Vleesvarkens tot 110 kg (> 0,8 m2) 2184 2184 0,53 1157,5 1,4 3057,6 3,5 7644,0<br />

5 D1.1.15.4.2 GL Gespeende biggen (> 0,35 m²) 624 624 0,11 68,6 0,23 143,5 1,2 748,8<br />

Totaal 5475,7 6079,1 Totaal Ou 47490,8<br />

ammoniakemissie bedrijf bedrijf


Bijlage 7: Dimensionering luchtwasser<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 67


Dimensioneringsplan alleen geldig in combinatie met een door Uniqfill geleverde luchtwasser<br />

Dimensioneringsplan Biologische gecombineerde luchtwasser Uniqfill Air BV.<br />

Opdrachtgever : M. van Doremalen<br />

Weteringstraat 1<br />

Teeffelen<br />

Locatie : Weteringstraat 1<br />

Teeffelen<br />

Datum : 29-6-2011<br />

In onderstaande beschrijving en tabellen is de dimensionering aangegeven voor bovengenoemde locatie.<br />

Systeem Uniqfill Air bio combiwasser BWL 2009.12 85% ammoniakreductie<br />

Type waterwasser gelijkstroom en biowasser tegenstroom 85% geurreductie<br />

Werkingsproces<br />

wasser.<br />

Spuiwater komt vrij uit de biologische wasser en wordt opgevangen in de wateropvangbak onder de wasinstallatie.<br />

Ook het sproeiwater van het watergodijn wordt in deze bak opgevangen.<br />

Berekening ventilatiebehoefte vlgs. Normen Klimaatplatform.<br />

Aantal dieren Omschrijving Stal m3/uur/ RAV Totaal m3<br />

dierplaats * categorie ventilatie<br />

420 vleesvarkens < 0,8 80 D 3.2.15.4.1 33.600<br />

2.184 vleesvarkens > 0,8 70 D 3.2.15.4.2 152.880<br />

624 biggen > 0,35 22,5 D 1.1.15.4.2 14.040<br />

Maximum ventilatiebehoefte m3/uur 200.520<br />

* aangepast volgens opgaaf adviseur<br />

Gegevens waspakket FKP 312 240 m² per m³<br />

De ammoniakemissie ( inclusief geur- en stofemissie)wordt beperkt door de ventilatielucht te behandelen in een gecombineerd<br />

luchtwassysteem. Dit is een installatie die is opgebouwd uit meerdere wassystemen. Bij het beschreven systeem bestaat de<br />

installatie uit een watergordijn (type gelijkstroom) met daarachter een biologische wasser. Het watergordijn is in de voorruimte<br />

aanwezig waarin de lucht optimaal wordt verdeeld over het gehele aanstroomoppervlak van de wassectie. De biologische<br />

wasser is opgebouwd uit een filterelement van het type tegenstroom. Het betreft een kolom vulmateriaal waarover continu<br />

wasvloeistof wordt gesproeid. De gezuiverde lucht verlaat vervolgens via de druppelvanger de installatie. Bij passage van de<br />

ventilatie lucht door het luchtwassysteem wordt de ammoniak opgevangen in de wasvloeistof. Bacteriën die zich op het<br />

vulmateriaal en in de wasvloeistof bevinden zetten de ammoniak om in nitriet en/of nitraat, waarna deze stoffen met het<br />

spuiwater worden afgevoerd. De verwijdering van stof en geurcomponenten gebeurt in het watergordijn en de biologische<br />

aanstroomoppervlak 1,0 m²<br />

Specifieke luchtbelasting Incl. bevestiging punten 4.080 m³/m² aanstroomopp.<br />

Hoogte waspakket 1,5 m<br />

Contactoppervlak waspakket 360 m²<br />

Capaciteit waspakket 11,33 m³/m² contactopp.<br />

Afmeting opvang waswater per m² aanstroom oppervlak 1,5 m³<br />

1 / 2 versie maart 2009 .


Dimensioneringsplan alleen geldig in combinatie met een door Uniqfill geleverde luchtwasser<br />

Dimensioneringsplan Biologische gecombineerde luchtwasser Uniqfill Air BV.<br />

Opdrachtgever : M. van Doremalen<br />

Weteringstraat 1<br />

Datum : 29-06-11<br />

Totaal ventilatie behoefte Eenheid 200.520 m³/uur<br />

Aanstroom oppervlak (minimaal) 49,15 m²<br />

Lengte luchtwasser 18,00 17,06 21.600 mm.<br />

Diepte luchtwasser inclusief stof afvang 3.400 mm.<br />

Hoogte luchtwasser 3.300 mm.<br />

Specifiek waswaterdebiet 0,75 m³/m²/uur<br />

Inhoud waspakket 73,72 m³<br />

Contactoppervlak waspakket 17692,94 m²<br />

Aantal sproeiers per m² 0,7 35 stuks<br />

Opvang waswater (waterbuffer) 74 m³<br />

Max. vermogen spoelpomp 3,5 kWh<br />

Aantal sproeiers stofafvang mtr. 1 22 stuks<br />

Drukval over de wasser ± 50 Pa<br />

Totaal opgenomen vermogen 30.660 kWh/jaar<br />

Besturingskast 230/400 Volt<br />

Totaal water verdamping 1.545 m³/jaar<br />

Totaal spuiwater 528 m³/jaar<br />

Totaal verbruik water 2.073 m³/jaar<br />

Afmeting centraal kanaal (minimaal) 20,1 m²<br />

Uitstroom oppervlak 19,44 m²<br />

Ventilatie vlgs, V-Stack normen 88.212<br />

Uitstroom snelheid 1,26 m/sec<br />

Opmerking:<br />

2 / 2 versie maart 2009 .


Bijlage 8: Flora en Faunaonderzoek<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 68


Quick scan flora en fauna<br />

Vergroting bouwvlak agrarisch bedrijf<br />

Weteringstraat 1-3<br />

Teeffelen


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

Tritium Advies B.V.<br />

Quick scan flora en fauna<br />

in opdracht van<br />

R&S Advies<br />

Langegracht 4A<br />

5091 SJ MIDDELBEERS<br />

betreffende de locatie<br />

Weteringstraat 1-3<br />

Teeffelen<br />

projectnummer<br />

1105/041/RV-1<br />

versie<br />

1<br />

vestiging, datum<br />

Nuenen, 6 juli 2011<br />

Opgesteld: Voor akkoord:<br />

ir. R.A.C. van de Voort ing. M.J. Frensch<br />

Projectleider RO Projectleider RO<br />

Gulberg 35 Groenstraat 27 E-mail info@tritiumadvies.nl<br />

5674 TE NUENEN 4841 BA PRINSENBEEK Internet www.tritiumadvies.nl<br />

Telefoon 040 - 2 951 951 Telefoon 076 - 5 429 564 ING 66.25.72.645<br />

Fax 040 - 2 951 950 Fax 076 - 5 416 894 K.v.K nr. 17108024


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

INHOUDSOPGAVE<br />

Pagina<br />

1 INLEIDING 1<br />

2 LITERATUURONDERZOEK 3<br />

2.1 Gebieden 3<br />

2.2 Soorten 4<br />

3 VELDBEZOEK 6<br />

4 RESULTATEN 8<br />

4.1 Flora 8<br />

4.2 Vogels 8<br />

4.3 Zoogdieren 8<br />

4.4 Reptielen en amfibieën 9<br />

4.5 Vlinders en libellen 9<br />

4.6 Mieren en kevers 9<br />

4.7 Vissen 9<br />

5 CONCLUSIES 10<br />

5.1 Soorten van FFlijst 1 10<br />

5.2 Soorten van FFlijst 2/3 10<br />

5.3 Zorgplicht 10<br />

5.4 Eindconclusie 10<br />

BIJLAGEN<br />

1. situatieschets van de omgeving<br />

2. rapportage uit het Natuurloket


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

1 INLEIDING<br />

In opdracht van R&S Advies is een quick scan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied Weteringstraat<br />

1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. Aanleiding voor het onderzoek is de aanvraag van een<br />

omgevingsvergunning ter vergroting van het bouwvlak om het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf te<br />

kunnen laten voldoen aan het Besluit huisvesting. Op de locatie wordt de realisatie een varkensstal beoogd.<br />

In bijlage 1 is een situatietekening van het plangebied opgenomen.<br />

Het plan is in strijd met het vigerende <strong>bestemmingsplan</strong>. Voor deze locatie wordt derhalve een nieuw<br />

<strong>bestemmingsplan</strong> opgesteld conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het kader van deze procedure<br />

dient onder andere een verkennend flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Hiermee kan worden<br />

voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving gehandeld zal worden.<br />

Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het onderzoeksgebied mogelijk<br />

leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortenbescherming is hierbij de Flora- en faunawet<br />

van belang, gebiedsbescherming is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ecologische<br />

Hoofdstructuur (EHS). Indien een planlocatie namelijk in of nabij een beschermd gebied ligt of een<br />

onderdeel van de EHS vormt, dient er tevens bepaald te worden of de voorgenomen ontwikkelingen een<br />

negatief effect kunnen hebben op het beschermde gebied of afbreuk doen aan de werking van de EHS.<br />

Vaak is echter enkel soortbescherming via de Flora- en faunawet van toepassing.<br />

Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek<br />

blijken of er een overtreding te verwachten is van de Flora- en faunawet. Tevens wordt vastgesteld of er<br />

meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is<br />

naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend<br />

onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder<br />

enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Flora- en faunawet te<br />

voorkomen.<br />

Het plangebied betreft de percelen E, nummers 94 en 95 van de kadastrale gemeente Oijen. Het<br />

plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 13.750 m 2 . De betreffende uitbreiding van het bouwvlak<br />

c.q. de onderzoekslocatie heeft een grootte van circa 4.000 m 2 . Het terrein is momenteel in gebruik als<br />

weiland.<br />

De beoogde nieuw te bouwen stal zal direct ten noorden van de bestaande stallen aan de Weteringstraat 3<br />

worden gerealiseerd. Het plangebied ligt in het buitengebied ten oosten van het dorp Teeffelen en ten<br />

noorden van de stad <strong>Oss</strong>, beide gemeente <strong>Oss</strong>. Het gebied wordt in het zuiden en westen begrensd door<br />

respectievelijk de Weteringstraat en de Hoefstraat. Rondom het plangebied zijn voorts agrarische percelen<br />

gelegen waar de hoofdwaterlopen Teeffelensche Wetering en Hertogswetering doorheen stromen. De<br />

omgeving kan derhalve worden beschreven als agrarisch buitengebied.<br />

Uit navolgende luchtfoto kan worden opgemaakt dat de omgeving van het plangebied in gebruik is als<br />

agrarisch buitengebied met bijbehorende bebouwing.<br />

pagina 1 van 10


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

Figuur 1 Luchtfoto van de omgeving van het plangebied.<br />

pagina 2 van 10


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

2 LITERATUURONDERZOEK<br />

In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke<br />

aanwezigheid van beschermde soorten in het onderzoeksgebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt<br />

van het Natuurloket, de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 1992), de broedvogelatlas (SOVON<br />

Vogelonderzoek Nederland, 2002) en de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant”. De<br />

aanwezigheid van relevante natuurterreinen en de ligging van Natuurbeschermingswet 1998 gebieden<br />

(o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en de EHS in de nabijheid van het onderzoeksgebied zijn<br />

onderzocht. De bevindingen van het uitgevoerde veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens<br />

gebundeld in onderhavige rapportage.<br />

2.1 Gebieden<br />

In onderstaande figuur is het deel van de gemeente <strong>Oss</strong> nabij de onderzoekslocatie met haar ecologisch<br />

waardevolle gebieden (in een straal van 3 km) in groene highlights weergegeven.<br />

Figuur 2 Teeffelen en omgeving met relevante natuurgebieden.<br />

pagina 3 van 10


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

Uit de figuur kan worden afgeleid, dat het onderzoeksgebied niet in of nabij Natura-2000 gebieden (geen<br />

lichtgroene highlights), Wetlands of Beschermde- of Staatsnatuurmonumenten ligt. De dichtstbijzijnde<br />

gebieden die enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) behoren zijn de hoofdwaterlopen<br />

Teeffelensche Wetering en de Hertogswetering.<br />

In de navolgende figuur, overgenomen uit de kaart van de Ecologische Hoofdstructuur is wederom het<br />

aandachtsgebied omcirkeld. Ook uit deze figuur blijkt dat de planlocatie niet in of nabij een beschermd<br />

gebied ligt en geen onderdeel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).<br />

Figuur 3 Plattegrond van de omgeving van het plangebied. Het perceel is omcirkeld.<br />

2.2 Soorten<br />

Via het landsdekkend beeld op Natuurloket.nl is de waarde beschouwd van het betreffende gebied, dat ligt<br />

in kilometerhok X:163 / Y:423 dat een gedeelte van het buitengebied van de kern Teeffelen omvat. Het<br />

Natuurloket verstrekt informatie over het voorkomen van soorten per kilometerhok. Binnen het kader van<br />

deze quick scan is het niet mogelijk om vast te stellen welke soorten per kilometerhok zijn weergegeven<br />

door het Natuurloket. De weergave van het Natuurloket kan dan ook alleen als indicatie voor de mogelijke<br />

aanwezigheid van beschermde soorten worden beschouwd.<br />

Aangezien het onderzoeksgebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok beslaat is het niet zeker<br />

dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het onderzoeksgebied. In bijlage 2 is de<br />

rapportage uit het Natuurloket opgenomen. Uit de rapportage blijkt dat er in de periode tussen 1990 en<br />

2010 in het kilometerhok een zeer beperkt aantal waarnemingen zijn gedaan van de in de Flora- en<br />

faunawet, de Habitat- of Vogelrichtlijn of de Rode lijst voorkomende planten en dieren.<br />

Naast bovengenoemde bron zijn onder andere gegevens gebruikt die afkomstig zijn van de “Atlas van de<br />

pagina 4 van 10


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

Nederlandse zoogdieren” en de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant”.<br />

Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze<br />

soorten (o.a. braakballen) in de periode van 1970 tot 1988 zijn waargenomen in de directe omgeving van<br />

het onderzoeksgebied: egel, huisspitsmuis, mol, vos, hermelijn, wezel, bunzing, Amerikaanse nerts,<br />

woelrat, muskusrat, veldmuis, bruine rat, huismuis, haas en konijn.<br />

Uit gegevens van de Werkatlas amfibieën en reptielen blijkt dat de soorten kamsalamander, kleine<br />

watersalamander, gewone pad, bruine kikker, groene kikker, poelkikker en de middelste groene kikker in de<br />

periode van 1985 tot en met 2004 zijn waargenomen in de directe omgeving van het onderzoeksgebied.<br />

pagina 5 van 10


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

3 VELDBEZOEK<br />

Het plangebied gelegen aan Weteringstraat 1-3 te Teeffelen is op 2 juli 2011 bezocht. Tijdens het<br />

terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid<br />

van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zicht- en<br />

geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten,<br />

holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het<br />

onderzoeksgebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten.<br />

Het onderzoek betreft een verkennend onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet. In deze wet<br />

worden drie beschermingsregimes onderscheiden. Voor soorten uit FFlijst 1 geldt vrijstelling van<br />

verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Er hoeft dan<br />

geen ontheffing van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd. Voor soorten uit FFlijst 2 of 3 geldt<br />

geen vrijstelling en kan aanvraag van een ontheffing aan de orde zijn bij overtreding van<br />

verbodsbepalingen.<br />

De huidige situatie:<br />

• Het onderzoeksgebied is in gebruik als weiland.<br />

Navolgende foto’s geven een beeld van de huidige situatie van het terrein:<br />

Figuur 4 Foto van het onderzoeksgebied richting het noorden.<br />

pagina 6 van 10


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

Figuur 5 Foto van het onderzoeksgebied richting Hoefstraat.<br />

Figuur 6 Foto vanaf het onderzoeksgebied richting het zuiden.<br />

pagina 7 van 10


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

4 RESULTATEN<br />

Onderstaand volgen de resultaten van het uitgevoerde veldbezoek.<br />

4.1 Flora<br />

Het onderzoeksgebied is in gebruik als weiland. Door het intensieve gebruik ontbreken er gunstige biotopen<br />

voor beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek zijn er geen beschermde soorten planten aangetroffen.<br />

Conclusie: er komen geen beschermde soorten planten voor in het onderzoeksgebied.<br />

4.2 Vogels<br />

Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het onderzoeksgebied voor een aantal soorten vogels<br />

geschikt is als onderdeel van het leefgebied. De nabijgelegen bomen, struikenbegroeiing en bebouwing<br />

kunnen dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gehele gebied geschikt als foerageergebied. Echter<br />

zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken, met name voor vogels die in het landelijk<br />

gebied voorkomen, zoals bijvoorbeeld weide- en watervogels, zijn gunstige biotopen aanwezig. Voor bos-<br />

en struweelvogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn enkel individuen<br />

waargenomen van de boerenzwaluw, kwikstaart, huismus en de houtduif. Vogelnesten zijn niet<br />

waargenomen.<br />

Conclusie: mogelijk benutten een aantal vogelsoorten het onderzoeksgebied als foerageergebied en de<br />

beplanting als broedgelegenheid.<br />

4.3 Zoogdieren<br />

Uit het veldbezoek blijkt dat het onderzoeksgebied voor een aantal grondgebonden zoogdieren geschikt is.<br />

Tijdens het veldbezoek is echter geen enkel grondgebonden zoogdier waargenomen. Behalve voor diverse<br />

soorten muizen, konijnen en mollen is het onderzoeksgebied geschikt als onderdeel van het leefgebied<br />

voor de egel en eekhoorn. Met betrekking tot de eekhoorn geldt dat er van deze soort geen nesten zijn<br />

waargenomen.<br />

Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Met name de ligging op geringe<br />

afstand van de bebouwde kom van het dorp Teeffelen maakt het onderzoeksgebied voor vleermuizen<br />

interessant als mogelijke verblijfplaats en als onderdeel van het foerageergebied.<br />

Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen.<br />

Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen komen voor in bomen met een diameter op borsthoogte<br />

(dbh) van globaal > 3 dm. In het onderzoeksgebied zijn geen grote bomen aangetroffen met voor<br />

vleermuizen geschikte gaten, holen of scheuren.<br />

Conclusie: er komen mogelijk een aantal grondgebonden zoogdieren voor in het onderzoeksgebied.<br />

Vleermuizen benutten het onderzoeksgebied mogelijk als verblijfplaats en foerageergebied.<br />

pagina 8 van 10


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

4.4 Reptielen en amfibieën<br />

Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het onderzoeksgebied voor amfibieën eigenlijk alleen<br />

geschikt is als landbiotoop, aangezien oppervlaktewater voor voortplanting ontbreekt. Voor een aantal<br />

soorten reptielen is het onderzoeksgebied geschikt als biotoop. Tijdens het veldbezoek zijn er geen<br />

reptielen en amfibieën waargenomen.<br />

Conclusie: er komen mogelijk een aantal beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het<br />

onderzoeksgebied.<br />

4.5 Vlinders en libellen<br />

Er zijn tijdens het veldbezoek geen libellen aangetroffen. Voor libellen is er in het onderzoeksgebied dan<br />

ook geen gunstige biotoop aanwezig. Er zijn tijdens het veldbezoek wel enkele koolwitjes aangetroffen.<br />

Mogelijk maken een aantal algemeen voorkomende, niet beschermde soorten vlinders derhalve gebruik van<br />

het onderzoeksgebied.<br />

Conclusie: er komen geen beschermde soorten vlinders en libellen voor in het onderzoeksgebied.<br />

4.6 Mieren en kevers<br />

Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat er in het onderzoeksgebied geen geschikte biotopen<br />

aanwezig zijn voor het voorkomen van beschermde soorten kevers. Voor het voorkomen van beschermde<br />

soorten mieren is de aanwezigheid van open naaldbossen een voorwaarde. Tijdens het veldbezoek zijn er<br />

geen beschermde mieren of mierenhopen waargenomen.<br />

Conclusie: er komen geen beschermde soorten kevers en mieren voor in het onderzoeksgebied.<br />

4.7 Vissen<br />

Uit de waarnemingen van het veldbezoek blijkt dat er in het onderzoeksgebied geen oppervlaktewater<br />

aanwezig is. Derhalve is het onderzoeksgebied ongeschikt voor het voorkomen van (beschermde) vissen.<br />

Conclusie: er komen geen vissen voor in het onderzoeksgebied.<br />

pagina 9 van 10


projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />

5 CONCLUSIES<br />

In het onderzoeksgebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten dieren voor die vermeld staan<br />

op de lijsten van de Flora- en faunawet. Deze soorten zijn echter tijdens het veldbezoek niet waargenomen.<br />

Een sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen,<br />

prooiresten en haren heeft eveneens niets opgeleverd.<br />

5.1 Soorten van FFlijst 1<br />

Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende planten, grondgebonden zoogdieren en een aantal soorten<br />

amfibieën komen voor op FFlijst 1. Voor soorten van FFlijst 1 geldt een vrijstelling: bij het uitvoeren van<br />

ruimtelijke ingrepen is het voor deze soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.<br />

5.2 Soorten van FFlijst 2/3<br />

Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vogelsoorten staan vermeld op FFlijst 3 en zijn feitelijk<br />

ontheffingsplichtig. Indien broedende vogels aanwezig zijn kunnen verstorende werkzaamheden als<br />

eventuele verwijdering van de beplanting niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen<br />

broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Door beplanting voor het<br />

broedseizoen voor vogels te verwijderen wordt voorkomen dat vogels er zullen gaan broeden. Indien er op<br />

deze manier wordt gehandeld treden er geen effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de<br />

werkzaamheden in het geheel plaats vinden buiten het broedseizoen worden eveneens geen nadelige<br />

effecten verwacht op vogels. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen<br />

er derhalve geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels en is het niet noodzakelijk een<br />

ontheffing aan te vragen.<br />

Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vleermuizen staan vermeld op FFlijst 3 en zijn<br />

ontheffingsplichtig. Voor vleermuizen geldt echter dat er in de onderhavige situatie geen effecten optreden<br />

ten aanzien van mogelijk aanwezige verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. De in de omgeving<br />

van het onderzoeksgebied aanwezige bebouwing en bomen blijven namelijk gehandhaafd. Het uitvoeren<br />

van nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing zijn derhalve niet aan de orde.<br />

5.3 Zorgplicht<br />

Voor alle aanwezige flora en fauna geldt de zorgplicht ex art. 2 van de Flora- en faunawet, die van<br />

toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten. Op grond hiervan dient<br />

men zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te handelen op een wijze waarop nadelige gevolgen voor flora en<br />

fauna kunnen worden voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel<br />

mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt.<br />

5.4 Eindconclusie<br />

• De aanbevelingen ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen.<br />

• De werkzaamheden voor de overige soortgroepen zullen geen overtreding van de natuurwetgeving<br />

tot gevolg hebben.<br />

pagina 10 van 10


BIJLAGE 1


BIJLAGE 2


Beknopte eenmalige<br />

levering uit de NDFF<br />

disclaimer De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is de meest omvangrijke<br />

landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare<br />

waarnemingen van planten en dieren in een bepaald gebied. Het systeem is in<br />

opbouw, nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de<br />

NDFF zijn door de Gegevensautoriteit Natuur gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek<br />

kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.<br />

naam project Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />

doel project uitbreiding bouwvlak<br />

datum wo, 06/07/2011 - 09:03<br />

ordernummer OHNL-2011-1259<br />

geselecteerde kilometerhokken<br />

163-423<br />

Beknopte eenmalige levering OHNL-2011-1259 d.d. wo, 06/07/2011 - 09:03<br />

1 van 3


163-423 vaatplanten mossen korstmossen paddenstoelen zoogdieren vogels amfibieën reptielen vissen dagvlinders macronachtvlinders micronachtvlinders libellen<br />

Rode-Lijstsoorten 11<br />

Ffwet soorten<br />

tabel 1<br />

Ffwet soorten<br />

tabel 2+3<br />

1 2<br />

Ffwet vogels 58<br />

Hrl soorten<br />

bijlage II<br />

Hrl soorten<br />

bijlage IV<br />

Beknopte eenmalige levering OHNL-2011-1259 d.d. wo, 06/07/2011 - 09:03<br />

1<br />

1<br />

aantal soorten 22 2 3 58 6 19 1<br />

volledigheid<br />

onderzoek<br />

onbepaald matig niet niet slecht goed/goed niet niet onbepaald niet niet niet niet niet onbepaald matig<br />

onderzoeksperiode 1990-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010<br />

sprinkhanen en<br />

krekels<br />

overige<br />

ongewervelden<br />

zeeorganismen<br />

3 van 3


Toelichting op de tabel<br />

Soortgroepen<br />

In de gehanteerde indeling is Overige ongewervelden een diverse groep met daarin alle<br />

wespen, bijen, mieren, netvleugelige, steenvliegen, kevers, vliegen, muggen, haften,<br />

wantsen, cicaden, luizen, schorpioenvliegen en overige insecten, spinnen, mijten,<br />

hooiwagens, duizendpoten, miljoenpoten, pissebedden, kakkerlakken, oorwormen,<br />

weinigpotigen, vlokreeften, lagere kreeftachtigen, weekdieren, slakken, ringwormen,<br />

snoerwormen en wormachtigen zoals bloedzuigers.<br />

Onder de soortgroep Zeeorganismen vallen: hydroidpoliepen, mosdiertjes,<br />

mysisgarnalen, ribkwallen, stekelhuidigen, zakpijpen, zeepissebedden, zeepokken,<br />

eendenmossels, krabbezakjes, zeespinnen en grote kreeftachtigen (kreeften, krabben en<br />

garnalen). Dit betekent dat waarnemingen van de Europese kreeft (Astacus astacus) en<br />

andere in zoetwater levende rivierkreeften onder Zeeorganismen te vinden zijn.<br />

Zeezoogdieren zijn te vinden onder Zoogdieren.<br />

Rode-Lijstsoorten<br />

In de tabel staat voor elk kilometerhok per soortgroep vermeld hoeveel soorten op de<br />

Rode Lijst staan. Rode Lijsten worden formeel vastgesteld door het ministerie van LNV.<br />

De gehanteerde Rode Lijsten zijn (inclusief link naar website van ministerie van LNV met<br />

verwijzing naar pdf van het besluit):<br />

vaatplanten: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />

mossen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />

korstmossen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004 1<br />

paddenstoelen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004 2<br />

zoogdieren: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009<br />

vogels: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />

amfibieën: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009<br />

reptielen: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009<br />

vissen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />

dagvlinders: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009<br />

macronachtvlinders: geen Rode Lijst<br />

micronachtvlinders: geen Rode Lijst<br />

libellen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />

sprinkhanen en krekels: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />

overige ongewervelden: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004 3<br />

zeeorganismen: geen Rode Lijst<br />

Ffwet soorten tabel 1<br />

Alle soorten van tabel 1 van de Flora- en faunawet, te vinden in de pdf op de website van<br />

het ministerie van LNV (beschermde soorten van de Flora- en faunawet).<br />

1 Na vaststelling van de Rode Lijst is gebleken dat Haematomma ochroleucum onterecht<br />

op de Rode Lijst stond; deze is er vervolgens van afgehaald (verantwoording Database<br />

Soorten in wetgeving en beleid).<br />

2 De Rode Lijst voor paddenstoelen uit 2009 is nog niet geïmplementeerd in de NDFF;<br />

hier vindt u het Besluit: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009.<br />

3 het gaat hier om besluiten voor de soortgroepen bijen, kokerjuffers, steenvliegen,<br />

haften, platwormen en land- en zoetwaterweekdieren.<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 1 van 12


Ffwet soorten tabel 2+3<br />

Soorten van tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet, te vinden in de pdf op de website<br />

van het ministerie van LNV (beschermde soorten van de Flora- en faunawet).<br />

Ffwet vogels<br />

Alle vogelsoorten, behalve exoten, zijn beschermd krachtens de Flora- en faunawet.<br />

Hrl soorten bijlage II<br />

In de Europese Habitatrichtlijn staan in Bijlage II de soorten waarvoor beschermde<br />

gebieden moeten worden aangewezen. Op de site van het ministerie van LNV kunt u een<br />

overzicht vinden van de soorten (beschermde soorten Habitatrichtlijn Bijlage II). Welke<br />

gebieden dit zijn is per soort op te zoeken via Natura 2000-gebieden.<br />

Hrl soorten bijlage IV<br />

In de Europese Habitatrichtlijn staan op Bijlage IV de soorten aangewezen die strikt<br />

beschermd zijn; de meeste soorten staan in tabel 3 van de Flora- en faunawet. Op de<br />

website van het ministerie van LNV kunt u een overzicht vinden: beschermde soorten<br />

Habitatrichtlijn Bijlage IV.<br />

Aantal soorten<br />

Het totaal aantal soorten per soortgroep per kilometerhok in de periode zoals<br />

aangegeven. Meegenomen zijn alle waarnemingen:<br />

die geheel of gedeeltelijk binnen de selectie liggen;<br />

die zijn gevalideerd en daarbij de classificatie ‘betrouwbaar’ hebben<br />

meegekregen;<br />

waarvan de bronhouder heeft aangegeven dat ze uitgeleverd mogen worden.<br />

Indien er een asterisk (*) in het veld staat betekent dit dat een deel van de<br />

waarnemingen pas na expliciete toestemming van de bronhouder mag worden<br />

uitgeleverd. Het kan dus zijn dat in de Eenmalige levering niet alle waarnemingen<br />

worden geleverd die optellen tot de Beknopte eenmalige levering. Ook kan het zijn dat<br />

deze gegevens later worden geleverd.<br />

Volledigheid onderzoek<br />

Voor elke soortgroep is aangegeven hoe volledig een specifiek kilometerhok is<br />

onderzocht. Er wordt hierbij gewerkt met een normering in maximaal 5 klassen: Niet,<br />

Slecht, Matig, Redelijk en Goed onderzocht. In onderstaande toelichting is per soortgroep<br />

aangegeven welke regels hierbij gehanteerd zijn en over welke periode.<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 2 van 12


Vaatplanten (1990 – 2010)<br />

Om de volledigheid van onderzoek vast te stellen wordt het soortenaantal per<br />

kilometerhok vergeleken met het gemiddeld soortenaantal van een kilometerhok in<br />

dezelfde regio. Dit aantal is afhankelijk van onder andere bodemtype,<br />

waterhuishouding, schaal van het landschap en bodemgebruik. Daarom is de indeling<br />

van Nederland in 38 ecodistricten gebruikt als regio-indeling. Het gemiddeld aantal<br />

soorten per kilometerhok is bepaald aan de hand van inventarisaties uit het verleden.<br />

De aanname hierbij is dat de in het verleden vastgestelde floristische waarden een<br />

goede basis vormen voor een benadering van de actuele waarden. Het gemiddeld aantal<br />

aangetroffen soorten per kilometerhok loopt van 127 (grote, recente polders) tot 306<br />

(kalkrijke duinen).<br />

klasse definitie<br />

goed aantal soorten is groter dan het gemiddelde van het ecodistrict minus de<br />

standaarddeviatie<br />

redelijk n.v.t.<br />

matig overige gevallen<br />

slecht aantal soorten per kilometerhok is kleiner dan 26 of, als het aantal soorten kleiner<br />

is dan het gemiddelde van het ecodistrict, minus tweemaal de standaarddeviatie.<br />

niet geen waarnemingen<br />

Mossen (2000 – 2010)<br />

Gegevens van mossen zijn veelal afkomstig van natuurgebieden en stedelijk gebied. De<br />

meeste bedreigde mossoorten komen vooral voor op vochtige plaatsen en in bossen.<br />

klasse definitie<br />

goed meer dan 30 soorten<br />

redelijk 11-30 soorten<br />

matig 1-10 soorten<br />

slecht n.v.t.<br />

niet geen waarnemingen<br />

Korstmossen (2000 – 2010)<br />

Gegevens van korstmossen zijn voornamelijk afkomstig van bos, heide en stuifzand,<br />

laanbomen en muren van oude gebouwen. Korstmossen kunnen in alle seizoenen<br />

worden gevonden.<br />

klasse definitie<br />

goed meer dan 20 soorten<br />

redelijk 11-20 soorten<br />

matig 1-10 soorten<br />

slecht n.v.t.<br />

niet geen waarnemingen<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 3 van 12


Paddenstoelen (2000 – 2010)<br />

Om de volledigheid van een inventarisatie te definiëren zouden voor elk kilometerhok<br />

naast de aantallen waarnemingen en soorten ook specifieke biotoopkenmerken moeten<br />

worden meegewogen. Voor paddenstoelen is een dergelijke weging nog niet op<br />

landelijke schaal mogelijk. Vooralsnog wordt uitgegaan van het globale (niet statistisch<br />

onderbouwde) ervaringsfeit dat een "serieus" onderzoek in een hok in een goede tijd<br />

minstens een bepaald aantal verschillende soorten moet opleveren, met een eveneens<br />

globale correctie voor het feit dat dit aantal in een "goed" hok met minder<br />

waarnemingen wordt bereikt dan in een "slecht" hok.<br />

klasse definitie<br />

goed 250 of meer soorten; of<br />

1000 of meer waarnemingen<br />

redelijk overige gevallen<br />

matig n.v.t.<br />

slecht minder dan 50 soorten; of<br />

minder dan 100 waarnemingen<br />

niet geen waarnemingen<br />

Zoogdieren (2000 – 2010)<br />

Voor zoogdieren is de onderzoekskwaliteit voor een kilometerhok bepaald op grond van<br />

twee aspecten die voor de totaalscore worden opgeteld.<br />

1. het aantal waargenomen soorten sinds het jaar 2000<br />

aantal soorten aantal punten<br />

1 0<br />

2-4 5<br />

5-9 10<br />

10-99 15<br />

2. uitvoering van een of meerdere projecten van het Netwerk Ecologische Monitoring of<br />

het VerspreidingsONderzoek LandZoogdieren (VONZ), waarin de aanwezigheid van een<br />

bepaalde set soorten (bijvoorbeeld muizen en spitsmuizen of vleermuizen) systematisch<br />

bepaald wordt.<br />

NEM- of VONZ-project aantal punten<br />

braakbalmonitoring 15<br />

vleermuiswintertellingen 30<br />

muizen vangen met<br />

30<br />

inloopvallen<br />

vleermuiszoldertellingen 30<br />

hazelmuistellingen 10<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 4 van 12


klasse definitie<br />

goed 100 – 1000 punten<br />

redelijk 65 – 99 punten<br />

matig 25 – 64 punten<br />

slecht 0 – 24 punten<br />

niet geen waarnemingen<br />

Vogels (2000 – 2010)<br />

In de regel wordt er bij vogels onderscheid gemaakt tussen broedvogels (reproduceren)<br />

en water- en wintervogels (foerageren en pleisteren). Voor beide wordt in de tabel de<br />

onderzoeksvolledigheid gegeven, eerst broedvogels, dan water- en wintervogels.<br />

Voor het bepalen van de volledigheid van onderzoek wordt niet alleen gekeken naar het<br />

aantal vastgestelde soorten maar ook naar de onderzoeksintensiteit (is een gebied c.q.<br />

kilometerhok voldoende bekeken om iets te zeggen over het voorkomen van de<br />

vogelbevolking). Losse waarnemingen worden in deze berekening niet meegenomen.<br />

Broedvogels<br />

In de jaren 1998-2000 is er in het kader van het Atlasproject van de Nederlandse<br />

Broedvogels in geheel Nederland gewerkt aan het vergaren van broedvogeldata op het<br />

niveau van kilometerhokken. In besloten tot halfopen landschappen wordt 70-80% van<br />

de werkelijk in een kilometerhok aanwezige soorten vastgesteld. In open landschappen<br />

wordt uitgegaan van minimaal 80-100%. Een kilometerhok waar atlaswerk heeft<br />

plaatsgevonden wordt als redelijk onderzocht gekwalificeerd.<br />

Het Landelijk Soortenonderzoek Broedvogels (LSB) is in zijn huidige opzet in 1996 van<br />

start gegaan. Het richt zich op het jaarlijks verzamelen van de aantallen broedgevallen<br />

van in kolonies broedende soorten en de aantallen broedgevallen van zeldzame soorten.<br />

Van een selectie van zeldzame broedvogelsoorten wordt hierbij ook de verspreiding<br />

jaarlijks in kaart gebracht. Van de kolonievogelsoorten mag uitgegaan worden van een<br />

vrijwel landdekkende inventarisatie.<br />

Een kilometerhok is matig onderzocht als er na 1993 drie of meer keren een kolonie-<br />

en/of zeldzame soort is gemeld.<br />

Het Broedvogel Monitoring Project (BMP) is in 1984 van start gegaan en heeft tot doel<br />

de aantalveranderingen van min of meer algemene vogelsoorten te volgen. In vaste<br />

proefvlakken van 15 tot 500 hectare groot verspreid over Nederland wordt jaarlijks een<br />

vaste selectie aan soorten onderzocht. De selectie van soorten kan bestaan uit alle<br />

soorten of uit een set van bijzondere soorten, bijvoorbeeld alleen weidevogels (BMP-W).<br />

Een kilometerhok is goed onderzocht als er na 1995 twee keer een proefvlak is<br />

onderzocht. Als er een BMP-W proefvlak is onderzocht is het kilometerhok redelijk<br />

onderzocht.<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 5 van 12


klasse definitie<br />

goed na 1995 twee keer een proefvlak BMP<br />

redelijk proefvlak BMP-W; of<br />

atlasproject 1998-2000<br />

matig drie of meer keer een kolonie- of zeldzame soort (LSB) gemeld<br />

slecht n.v.t.<br />

niet geen waarnemingen<br />

Water- en wintervogels<br />

Vanaf seizoen 1992/93 is de coördinatie van de watervogeltellingen ondergebracht bij<br />

SOVON. Het gaat daarbij om de maandelijkse ganzen- en zwanentellingen, maandelijkse<br />

tellingen van de Zoete Rijkswateren, de midwintertelling in januari en tellingen in de<br />

Waddenzee. Bij een evaluatie van deze verscheidenheid aan watervogelprojecten, bleek<br />

de genoemde opzet niet geheel te voldoen. Door de projectmatige aanpak bleef de<br />

informatie over het voorkomen van watervogels versnipperd. Met ingang van het<br />

winterhalfjaar 2000/01 is het netwerk aan telgebieden uitgebreid, wordt het merendeel<br />

van de belangrijke watervogelgebieden in het winterhalfjaar maandelijks geteld en<br />

worden alle projectresultaten in een gezamenlijk rapport opgenomen.<br />

Een kilometerhok is goed onderzocht als er >25 maanden geteld is in de laatste 5 jaar.<br />

Als er >10 en 5 en


Amfibieën (2000 – 2010)<br />

Het aantal waarnemingen is in eerste instantiebepalend voor de onderzoekskwaliteit.<br />

Daarnaast worden er correcties toegepast op basis van de periode waarin de<br />

waarnemingen zijn gedaan en op basis van de aantallen soorten die wel of niet op de<br />

Rode Lijst staan.<br />

klasse definitie<br />

goed meetnetactiviteit in het kilometerhok; of<br />

meer dan 15 waarnemingen<br />

redelijk 8 – 14 waarnemingen<br />

matig 3 – 7 waarnemingen<br />

slecht 1 – 2 waarnemingen<br />

niet geen waarnemingen<br />

correctie 1<br />

Voor elke soort zijn zogenaamde “vroege” en “late” perioden van waarnemingen<br />

vastgesteld. Indien er in een kilometerhok meerdere waarnemingen uit de vroege en de<br />

late periode zijn gedaan, wordt een klasse hoger aan het kilometerhok gekoppeld.<br />

waarneming van: periode<br />

een willekeurige salamander in de periode februari – april vroeg<br />

een Gewone pad, Heikikker of Bruine kikker in de periode februari – juni vroeg<br />

een willekeurige salamander in de periode mei – augustus laat<br />

een willekeurige pad of kikker in de periode mei – augustus NIET zijnde van de<br />

Gewone pad of Heikikker of Bruine kikker<br />

laat<br />

correctie 2<br />

Bovenop de bovenstaande indeling en eerste correctie vindt nog een tweede correctie<br />

plaats als onderstaande geldt. Dit gebeurt alleen indien er sprake is van een exacte<br />

overeenkomst; is dat niet het geval dan vindt er geen verdere correctie plaats.<br />

aantal Rode- aantal soorten niet correctie<br />

Lijstsoorten op de Rode Lijst<br />

1 of meer 5 of meer een klasse hoger<br />

2 of meer 4 een klasse hoger<br />

3 of meer 3 een klasse hoger<br />

1 of meer 0 een klasse lager indien Matig, Redelijk of Goed<br />

onderzocht<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 7 van 12


Reptielen (2000 – 2010)<br />

Het aantal waarnemingen is in eerste instantie bepalend voor de onderzoekskwaliteit.<br />

Daarnaast worden er correcties toegepast op basis van de periode waarin de<br />

waarnemingen zijn gedaan en op basis van de aantallen soorten die wel of niet op de<br />

Rode Lijst staan.<br />

klasse definitie<br />

goed meetnetactiviteit in het kilometerhok; of<br />

meer dan 8 waarnemingen<br />

redelijk 4 – 7 waarnemingen<br />

matig 2 – 3 waarnemingen<br />

slecht 1 waarneming<br />

niet geen waarnemingen<br />

correctie 1<br />

Voor elke soort zijn zogenaamde “vroege” en “late” perioden van waarnemingen<br />

vastgesteld. Indien er in een kilometerhok meerdere waarnemingen uit de vroege en de<br />

late periode zijn gedaan, wordt een klasse hoger aan het kilometerhok gekoppeld.<br />

waarneming in de maanden: periode<br />

februari - mei vroeg<br />

juni - augustus laat<br />

correctie 2<br />

Bovenop de bovenstaande indeling en eerste correctie vindt nog een tweede correctie<br />

plaats als onderstaande geldt. Dit gebeurt alleen indien er sprake is van een exacte<br />

overeenkomst; is dat niet het geval dan vindt er geen verdere correctie plaats.<br />

aantal Rode-Lijstsoorten correctie (indien mogelijk)<br />

als Gladde slang is gezien een klasse hoger<br />

als naast Gladde slang ook andere soort gezien twee klassen hoger<br />

als of Adder of Ringslang of Hazelworm of Muurhagedis gezien eenklasse hoger<br />

Vissen (2000 – 2010)<br />

De inventarisatieactiviteit voor vissen is hoofdzakelijk gebaseerd op het aantal<br />

aangetroffen soorten en het aantal bezoeken per kilometerhok. In de goed onderzochte<br />

hokken wordt een goed beeld verwacht van de kwalitatieve samenstelling van de<br />

visfauna in de genoemde onderzoeksjaren. Aanvullingen op deze soortenlijst kunnen<br />

voornamelijk nog verwacht worden bij toepassing van andere vismethodieken en/of<br />

veranderende milieuomstandigheden of uitbreiding van verspreidingsgebieden van<br />

individuele soorten.<br />

Van de redelijk onderzochte hokken wordt geen volledig beeld verwacht van de<br />

kwalitatieve samenstelling van de visfauna. Aanvullingen kunnen verwacht worden door<br />

meer veldwerk, toepassing van andere vismethodieken en/of veranderende milieuomstandigheden<br />

of uitbreiding van verspreidingsgebieden van individuele soorten.<br />

Slecht onderzocht zijn alle kilometerhokken die niet in een van beide bovengenoemde<br />

categorieën vallen.<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 8 van 12


De waarnemingen in het databestand van RAVON hebben hoofdzakelijk betrekking op<br />

vangsten met een steeknet. Elk vangstmiddel is echter selectief: het steeknet levert<br />

vooral veel jonge vis op en kleinere vissoorten. Juist veel van deze kleinere soorten<br />

vallen onder de Flora- en faunawet of de Habitatrichtlijn. Het schepnet is met name<br />

geschikt voor kwalitatieve bemonstering van kleinere watertypen als beken, sloten,<br />

weteringen en poelen. Voor meer kwantitatieve bemonsteringen worden doorgaans<br />

andere methodieken toegepast.<br />

klasse definitie<br />

goed 10 of meer soorten<br />

redelijk 5 – 9 soorten; of<br />

3 – 4 soorten, waarbij verhouding “aantal waarnemingen:aantal soorten” 2 of<br />

groter<br />

matig 3 – 4 soorten, waarbij verhouding “aantal waarnemingen:aantal soorten” kleiner<br />

dan 2<br />

slecht 1 – 2 soorten<br />

niet geen waarnemingen<br />

Dagvlinders (2000 – 2010)<br />

Dagvlinders vliegen niet gedurende het gehele jaar. Sommige soorten vliegen in een<br />

generatie, die vaak niet meer dan vier tot zes weken als vlinder aanwezig is. De in het<br />

bestand opgeslagen waarnemingen zijn grotendeels gebaseerd op de waarnemingen van<br />

vlinders en slechts incidenteel op die van eitjes, rupsen of poppen. De momenten in een<br />

jaar dat in een kilometerhok naar vlinders is gekeken bepaalt dus de kans dat de<br />

aanwezige soorten allemaal gezien zijn. Voor de bepaling van de volledigheid van het<br />

onderzoek is dan ook gekeken naar de spreiding van de bezoeken over het seizoen in<br />

een kilometerhok waarbij aangenomen wordt dat in zeeklei, laagveen- en<br />

rivierengebieden gemiddeld minder soorten worden vastgesteld. Voor elke periode in<br />

het jaar dat het zinvol is om naar vlinders te kijken wordt een puntenaantal toegekend.<br />

Hierbij wordt niet meer gekeken naar het aantal waarnemingen in die periode.<br />

periode week punten<br />

A 1 januari – 31 maart en/of 30 september – 31 december 1 – 13, 40 –52 1<br />

B 1 april – 12 mei 14 – 19 1<br />

C 13 mei – 9 juni 20 – 23 3<br />

D 10 juni – 7 juli 24 – 27 2<br />

E 8 juli – 4 augustus 28 – 31 4<br />

F 5 augustus – 29 september 32 – 39 2<br />

G geen datum, wel jaar 0 1<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 9 van 12


klasse definitie<br />

goed hogere zandgronden, duingebied en Zuid-Limburg: 10 of meer punten<br />

zeeklei, laagveen en rivierengebied: 8 of meer punten<br />

redelijk hogere zandgronden, duingebied en Zuid-Limburg: 5 – 9 punten<br />

matig 3 – 4 punten<br />

slecht 1 – 2 punten<br />

niet 0 punten<br />

zeeklei, laagveen en rivierengebied: 5 – 7 punten<br />

Nachtvlinders (micro’s en macro’s)<br />

De groepen van macro- en micronachtvlinders zijn soortenrijke groepen. Uit ervaring is<br />

gebleken dat het niet makkelijk is om alle soorten die in een hok voorkomen binnen<br />

enkele bezoeken en met slechts enkele onderzoeksmethoden vast te stellen. Goed<br />

nachtvlinderonderzoek bestaat daardoor eigenlijk uit het veelvuldig bezoeken van een<br />

gebied gedurende vele jaren en in vele seizoenen met verschillende technieken (licht,<br />

stroopsmeren, zichtwaarnemingen, etc.). Pas dan kan er een completere indruk bestaan<br />

van het werkelijke aantal soorten dat er voor komt. Om een indicatie te hebben van de<br />

soortenrijkdom in een gebied is het noodzakelijk de kennis van de omliggende hokken te<br />

betrekken bij de bepaling voor een onderzoeksdekking. De nu gehanteerde methode gaat<br />

uit van de verhouding tussen het aantal waargenomen soorten en het aantal theoretisch<br />

waar te nemen soorten. Dit geschiedt voor beide soortgroepen apart. Dat moet ook wel,<br />

want het aantal waarnemers, het aantal soorten en het aantal waarnemingen per groep<br />

verschilt enorm.<br />

Voor beide soortgroepen wordt per kilometerhok het aantal soorten bepaald dat er is<br />

vastgesteld en het aantal soorten dat er theoretisch zou kunnen voorkomen. Hierbij<br />

wordt gebruik gemaakt van de kennis over omliggende hokken. De verhouding van<br />

beide aantallen resulteert in het algemeen in een zeer laag getal, want vaak ligt het<br />

aantal waargenomen soorten enorm veel lager dan het aantal te verwachten soorten.<br />

De oorzaak is meestal dat er nog niet voldoende onderzoek is geweest in een gebied.<br />

De resulterende waarden worden nu verder geclassificeerd op basis van het oordeel van<br />

een expert.<br />

klasse definitie; percentage aangetroffen soorten van theoretisch totaal aantal<br />

goed 21% – 100%<br />

redelijk 7% - 20%<br />

matig 4% - 6%<br />

slecht 0% - 3%<br />

niet geen waarnemingen<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 10 van 12


Libellen (2000 – 2010)<br />

Libellen vliegen niet gedurende het gehele jaar. De meeste soorten vliegen in een<br />

generatie, die vaak niet meer dan zes tot acht weken duurt. De waarnemingen zijn<br />

gebaseerd op de waarnemingen van libellen en slechts incidenteel op die van larven of<br />

larvenhuidjes. De momenten in een jaar dat in een kilometerhok naar libellen is<br />

gekeken bepaalt dus de kans dat de aanwezige soorten allemaal gezien zijn. Voor de<br />

bepaling van de volledigheid van het onderzoek is dan ook gekeken naar de hoeveelheid<br />

waarnemingen in een kilometerhok en het aantal maanden dat er waarnemingen zijn<br />

gedaan.<br />

klasse definitie<br />

goed waarnemingen uit meer dan 3 maanden; of<br />

meer dan 10 waarnemingen uit 2 of 3 maanden; of<br />

meer dan 25 waarnemingen uit minimaal 1 maand<br />

redelijk 10 of minder waarnemingen uit 2 of 3 maanden; of<br />

minder dan 26 waarnemingen uit 1 maand<br />

matig 10 of minder waarnemingen, waarbij de gezamenlijke set van waarnemingen uit<br />

maximaal 1 maand<br />

slecht n.v.t.<br />

niet geen waarnemingen<br />

Sprinkhanen (2000 – 2010)<br />

Bijna alle soorten sprinkhanen zijn in de nazomer aan te treffen. Het is daardoor<br />

mogelijk om tijdens twee bezoeken de sprinkhaanfauna van een gebied goed in kaart te<br />

brengen (onderzoeksintensiteit = goed). Als er slechts 1 bezoek aan een gebied is<br />

afgelegd kunnen er soorten zijn gemist (onderzoeksintensiteit = matig). De categorieën<br />

slecht en redelijk worden dus niet ingevuld.<br />

klasse definitie<br />

goed 2 bezoeken aan het gebied gebracht<br />

redelijk n.v.t.<br />

matig 1 bezoek aan het gebied gebracht<br />

slecht n.v.t.<br />

niet geen waarnemingen<br />

Overige ongewervelden<br />

Deze groep is een bundeling van zes verschillende soortgroepen met beleidsrelevante<br />

soorten (de Habitatrichtlijn, de Flora- en faunawet en de Rode Lijst). Het gaat om: bijen,<br />

kevers, mieren, bloedzuigers en mollusken van de Habitatrichtlijn. Omdat het groepen<br />

betreft met een ver uiteenlopende biologie en ecologie zijn de methoden en perioden<br />

van waarnemen en gegevens verzamelen niet eenduidig. Bovendien betreft het hier<br />

gepresenteerde bestand een opsomming van deze verschillende groepen. Daardoor kan<br />

een indicatie voor de bepaling van de volledigheid niet gegeven worden.<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 11 van 12


Zeeorganismen<br />

De groep van zeeorganismen is erg divers. Voor deze soortgroep is nog geen systematiek<br />

uitgewerkt om onderzoeksvolledigheid te bepalen. Er zijn echter wel vaste duiklocaties<br />

langs de kust die frequent worden onderzocht door waarnemers van ANEMOON. Voor<br />

deze locaties wordt aangenomen dat ze goed zijn onderzocht.<br />

klasse definitie<br />

goed vaste duiklocaties ANEMOON<br />

redelijk n.v.t.<br />

matig n.v.t.<br />

slecht n.v.t.<br />

niet geen waarnemingen<br />

tekstversie d.d. 24 augustus 2010<br />

Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 12 van 12


Bijlage 9: Archeologisch onderzoek<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 69


Versie 6.5<br />

RAAP-NOTITIE *nummer*<br />

Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />

<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong><br />

Archeologisch vooronderzoek:<br />

een bureau- en verkennend booronderzoek


Colofon<br />

Opdrachtgever: R & S Advies<br />

Titel: Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een<br />

Versie 6.5<br />

bureau- en verkennend booronderzoek<br />

Status: eindversie<br />

Datum: 25 juli 2011<br />

Auteur: ir. G.R. Ellenkamp<br />

Projectcode: TEEWE<br />

Bestandsnaam: NO*nummer*-TEEWE.doc<br />

Projectleider: ir. G.R. Ellenkamp<br />

Projectmedewerkers: niet van toepassing<br />

ARCHIS-vondstmeldingsnummers: niet van toepassing<br />

ARCHIS-waarnemingsnummers: niet van toepassing<br />

ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 47502<br />

Bewaarplaats documentatie: RAAP Zuid Nederland<br />

Autorisatie: dr. M.P.F. Verhoeven<br />

Bevoegd gezag: gemeente <strong>Oss</strong><br />

ISSN: 0925-6369<br />

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.<br />

Leeuwenveldseweg 5b<br />

1382 LV Weesp<br />

Postbus 5069<br />

1380 GB Weesp<br />

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2011<br />

telefoon: 0294-491 500<br />

telefax: 0294-491 519<br />

E-mail: raap@raap.nl<br />

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade<br />

voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

Samenvatting<br />

In opdracht van R & S advies heeft RAAP archeologisch adviesbureau een bureau- en verken-<br />

nend booronderzoek uitgevoerd in het kader van een <strong>bestemmingsplan</strong>wijziging ten behoeve van<br />

bouwvlak vergroting aan de Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. Het doel van het<br />

onderzoek was een archeologische verwachting op te stellen en deze middels een verkennend<br />

booronderzoek te toetsen. Dit om zicht te krijgen op de invloed van de geplande werkzaamheden<br />

op eventuele archeologische resten.<br />

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied ligt op de rand van de zogenaamde<br />

stroomgordel van Marcharen. In de nabij het van het plangebied zijn vindplaatsen met resten van<br />

bewoning uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd bekend. Op basis van deze gegevens is aan<br />

het plangebied een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de Late Prehistorie tot en met<br />

Late Middeleeuwen toegekend. Vindplaatsen uit de Nieuwe tijd worden niet verwacht, omdat hier<br />

op basis van het geraadpleegde historische kaartmateriaal geen aanleiding voor is.<br />

Het booronderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied is gelegen op de overgang van de kleii-<br />

ge komgronden naar de zandige stroomgordel van Marcharen. In het plangebied komen voorna-<br />

melijk siltige en zandige kleien voor waarin zich een relatief natte poldervaaggrond heeft ontwik-<br />

keld. Dit in combinatie met het ontbreken van aanwijzingen die duiden op bewoning of beakke-<br />

ring heeft geleid tot de conclusie dat er geen aanleiding is om in het plangebied de aanwezigheid<br />

van archeologische resten te verwachten. Er gelden zodoende geen restricties ten aanzien van<br />

de verdere planvorming.<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [3 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

1 Inleiding<br />

1.1 Administratieve gegevens<br />

• type onderzoek: een bureau- en verkennend booronderzoek<br />

• bevoegde overheid: gemeente <strong>Oss</strong><br />

• onderzoekskader: <strong>bestemmingsplan</strong>wijziging ten behoeve van bouwvlak vergroting<br />

• datum veldonderzoek: 12 juli 2011<br />

• locatie (figuur 1):<br />

- naam plangebied: Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />

- provincie: Noord-Brabant<br />

- gemeente: <strong>Oss</strong><br />

- plaats: Teeffelen<br />

- toponiem: Weteringstraat<br />

- kadastrale gegevens: gemeente Oijen, Teeffelen, sectie E, nr. 94-95<br />

- oppervlakte plangebied: 4000 m 2<br />

- kaartblad topografische kaart Nederland 1:25.000: 45E<br />

- centrumcoördinaten (X/Y): 163332 / 423205<br />

• afbakening onderzoekszone: straal van 500 m rondom het plangebied<br />

• ARCHIS-vondstmeldingsnummers: niet van toepassing<br />

• ARCHIS-waarnemingsnummers: niet van toepassing<br />

• ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 47502<br />

1.2 Kader en doelstelling<br />

In het plangebied is een vergroting van het bouwblok gepland, waardoor het nodig is het be-<br />

stemmingsplan aan te passen. Als onderdeel van de planologische procedure om het bestem-<br />

mingsplan te herzien, is het nodig een archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Volgens de<br />

gemeentelijk archeologische waardenkaart geldt voor het plangebied een hoge archeologische<br />

waarde en is booronderzoek nodig om die waarde te toetsen.<br />

Het doel van het bureau- en verkennend booronderzoek was het verkrijgen van inzicht in de<br />

archeologische resten die in het plangebied verwacht worden en de (eventuele) mate van gaaf-<br />

heid daarvan.<br />

1.3 Onderzoeksvragen<br />

• Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?<br />

• Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn al over het plangebied be-<br />

kend?<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [4 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

• Wat is de gespecificeerde verwachting (alsmede de verwachte conservering en gaafheid) ten<br />

aanzien van nog onbekende archeologische waarden in het gebied?<br />

• Is de bodemopbouw in (delen van) het plangebied intact?<br />

• Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?<br />

• Op welke wijze(n) kan bij de planvorming met archeologische resten worden omgegaan?<br />

1.4 Randvoorwaarden<br />

Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel<br />

24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeolo-<br />

gie (KNA, versie 3.2), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer<br />

(SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtsnoer. RAAP beschikt over een opgravingsver-<br />

gunning, verleend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.<br />

Figuur 1. Ligging plangebied (rood). Inzet: ligging in Nederland (ster).<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [5 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

2 Bureauonderzoek<br />

2.1 Methode<br />

Het bureauonderzoek dient om op basis van verschillende bronnen inzicht te krijgen in de gene-<br />

se van het landschap, de bodemopbouw en de sporen die het menselijk gebruik in de loop der<br />

tijd heeft achter gelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologi-<br />

sche verwachting opgesteld.<br />

Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar de literatuurlijst. Zie tabel 1 voor de date-<br />

ringen van de in deze notitie genoemde archeologische perioden.<br />

2.2 Geo(morfo)logie en bodem<br />

Het plangebied ligt in het Midden Nederlandse rivierengebied, iets ten noorden van de overgang<br />

van het Zuid Nederlandse zandgebied. Zandige afzettingen uit de laatste ijstijd kunnen daardoor<br />

redelijk dicht onder het maaiveld voorkomen. Volgens de geomorfologische kaart (Stiboka &<br />

RGD, 1983), ligt het plangebied in een rivierkom- en oeverwalachtige vlakte (code 2M22; zie ook<br />

bijlage 1). Het betreft afzettingen die de Maas in de loop van het Holoceen heeft afgezet. Daarbij<br />

is onderscheid te maken in kleiige komafzettingen en zandiger oeverwal of stroomgordel afzet-<br />

tingen. Volgens de paleogeografische kaart van Berendsen en Stouthamer (2001) ligt het plan-<br />

gebied op de rand van de zogenaamde stroomgordel van “Macharen”, die is gevormd in de peri-<br />

ode 1915 tot 326 BP (Berendsen & Stouthamer, 2001). De huidige Teeffelsche Wetering volgt<br />

nog grotendeels het verloop van deze stroomgordel. Het vormt in feite een voormalige loop van<br />

de Maas, waarvan het <strong>Oss</strong>er Meer nog het duidelijkste relict is. De afzettingen in het plangebied<br />

worden gerekend tot de Formatie van Echteld (Weerts, e.a., 2006). Volgens de bodemkaart ko-<br />

men in het plangebied kalkloze poldervaaggronden in zware zavel voor (Stiboka, 1976; code<br />

Rn94C). Poldervaaggronden kenmerken zich door een beperkte mate van bodemvorming en<br />

relatief natte omstandigheden.<br />

2.3 Archeologische gegevens<br />

• Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW; Deeben, 2008): voor (de omgeving van) het<br />

plangebied geldt een middelhoge tot hoge kans op het aantreffen van archeologische resten.<br />

Dit is vooral gebaseerd op de ligging op de oeverwal van de voormalige loop van de Maas (de<br />

stroomgordel van Marcharen).<br />

• <strong>Gemeente</strong>lijke archeologische beleidsadvieskaart (www.oss.nl): het plangebied valt juist buiten<br />

de gemeentelijke kaart. Op basis van extrapolatie valt echter af te leiden dat aan het plange-<br />

bied hoge archeologische verwachtingswaarde is toe te kennen.<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [6 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

• Bekende archeologische vindplaatsen volgens het ARCHeologisch Informatie Systeem (AR-<br />

CHIS2) in een straal van 500 m rond het plangebied:<br />

AMK-nr Complextype Datering Waarde<br />

11682 Nederzetting Bronstijd t/m Nieuwe tijd zeer hoog<br />

Verder westelijk, op een naastgelegen oeverwal/stroomgordel zijn vlakbij elkaar meerdere archeologische<br />

monumenten gelegen, met vooral resten van bewoning uit de IJzertijd en Romeinse tijd aan het maaiveld.<br />

Waarneming-nr Complextype Datering Opmerking<br />

14500, 23922 Onbekend - aardewerk IJzertijd-Vroege Middeleeuwen<br />

14539 Nederzetting Middeleeuwen<br />

37181 Smelterij IJzertijd binnen AMK-terrein<br />

37186 Nederzetting Bronstijd-Middeleeuwen binnen AMK-terrein<br />

48614, 50229,<br />

54748, 408070<br />

Nederzetting<br />

Nederzetting<br />

IJzertijd-Romeinse tijd<br />

Mesolithicum-Neolithicum<br />

binnen AMK-terrein<br />

404635 Nederzetting IJzertijd binnen AMK-terrein<br />

408793 Munt Romeinse tijd<br />

409684 Munt Nieuwe tijd<br />

Vondstm.-nr Complextype Datering Opmerking<br />

Binnen ARCHIS staan geen recente vondstmeldingen vermeld.<br />

Tabel 2. Overzicht van de bekende archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied (zie ook bijlage<br />

2).<br />

• Eerder uitgevoerd onderzoek in de omgeving volgens ARCHIS2:<br />

Melding-nr Resultaat/Advies<br />

871, 873, Onbekend<br />

12801 Bescherming van vindplaats<br />

14368 Geen vervolg<br />

38962 Onbekend<br />

41108 Opgraving van vindplaats<br />

45296 Proefsleuven onderzoek naar vindplaats met veel indicatoren en intacte bodem<br />

Tabel 3. Overzicht van eerder archeologisch onderzoek in en rond het plangebied.<br />

• Bekende archeologische gegevens uit andere bronnen: op 8 juli 2011 is een mail verstuurd aan<br />

heemkundekring De Werkende Mens <strong>Oss</strong>, met een verzoek voor eventuele aanvullende gege-<br />

vens over de onderzoekslocatie. Dit heeft geen aanvullende informatie opgeleverd.<br />

2.4 Historische situatie<br />

Op basis van historische kaartmateriaal valt af te leiden dat het gebied in de voorbije twee eeu-<br />

wen niet bebouwd is geweest en in gebruik was voor de landbouw. Op de kadastrale minuutplan<br />

van 1811 - 1832 staat het gebied aangeduid als “M/Hagmets Kamp”, in het oosten begrensd door<br />

de Teeffelsche Wetering en daar de langs liggende kade (www.watwaswaar.nl). De huidige we-<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [7 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

gen waren er in die tijd nog niet. Omstreeks 1900 was het gebied in gebruik als grasland (zie<br />

figuur 2; uit ARCHIS2). De dichtstbijzijnde bebouwing bestond uit een sluisje in de wetering,<br />

even ten oosten van het plangebied.<br />

Figuur 2. Uitsnede van de historische Bonnekaart van omstreeks 1900 (uit ARCHIS2). Plangebied als<br />

groene stip.<br />

2.5 Huidige situatie<br />

Het bouwblok waaraan het plangebied wordt toegevoegd is grotendeels bebouwd en verhard. De<br />

uitbreiding is echter onbebouwd en nog altijd in gebruik als grasland (figuur 3; uit Google maps).<br />

Het plangebied ligt op een hoogte van circa 4,8 m +NAP (www.ahn.nl). Er is geen sprake van<br />

abrupte hoogteverschillen in het gebied, die bijvoorbeeld wijzen op ontgravingen. Dat betekent<br />

dat de bodem naar verwachting niet verstoord is.<br />

Figuur 3. Luchtfoto<br />

van het plangebied (uit<br />

Google Maps).<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [8 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

2.6 Toekomstige situatie<br />

De bouwblokvergroting nodig is in verband met de bouw van een nieuwe varkensstal (groen op<br />

figuur 4). Uit de tekening behorende bij vergunningaanvraag blijkt dat de stal grofweg de helft<br />

van de vergroting beslaat. De noordelijke helft van het plangebied zal zodoende niet verstoord<br />

worden door de geplande ingrepen. In het deel waar de stal gebouwd wordt, zal de bodem tot<br />

tenminste 160 cm –Mv worden verstoord. De diepste verstoring vindt plaats centraal in de stal,<br />

waar de riolering op 250 cm –Mv zal worden aangelegd. Archeologische resten in de omgeving<br />

zijn veelal aan het maaiveld aangetroffen. Dat betekent dat de geplande bouwwerkzaamheden<br />

tot verstoring zullen leiden van eventuele archeologische resten in het plangebied.<br />

Figuur 4. Overzichtstekening en bouwtekening van de geplande varkensstal.<br />

2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting<br />

Het plangebied ligt in het rivierengebied, waar de Maas in de loop van het Holoceen pakketten<br />

zand en klei heeft afgezet. Dat betekent dat in die gelaagde bodemopbouw mogelijk meerdere<br />

archeologisch interessante niveaus aanwezig zijn. De volgende twee niveaus zijn op basis van<br />

het bureauonderzoek in ieder geval te onderscheiden: het huidige maaiveld oftewel de boven-<br />

kant van de stroomgordel van Marcharen en het afgedekte zandlandschap van de laatste ijstijd.<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [9 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

Dat laatste niveau is al vanaf het begin van het Holoceen afgedekt geraakt. Daardoor zijn op het<br />

pleistocene zand waarschijnlijk alleen vindplaatsen van jager-verzamelaars uit het Laat-<br />

Paleolithicum en Mesolithicum te verwachten. Vanwege de afdekking met afzettingen van de<br />

Maas, zullen eventuele vindplaatsen goed bewaard zijn gebleven. De diepteligging van het zand<br />

is niet bekend, maar bedraagt in ieder geval meer dan 120 cm –Mv, aangezien er op de bodem-<br />

kaart geen melding van wordt gemaakt.<br />

Sinds het eind van de Steentijd vormden de stroomgordels in het rivierengebied de meeste inte-<br />

ressante bewoningsplaatsen. Ze waren namelijk wat hoger gelegen - zodat men de voeten droog<br />

hield - en bestonden uit vruchtbare zavels waar op geakkerd kon worden. De stroomgordel van<br />

Marcharen, op de rand waarvan het plangebied is gelegen, is volgens Berendsen & Stouthamer<br />

(2001) gevormd vanaf de Romeinse tijd, zodat er in principe archeologische resten vanaf die<br />

periode verwacht kunnen worden. Uit ARCHIS blijkt echter dat er op de stroomgordels ook oude-<br />

re vindplaatsen voorkomen (Bronstijd). Voor de stroomgordel van Marcharen geldt op basis van<br />

het bureauonderzoek zodoende een hoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers uit de<br />

Late Prehistorie tot en met de Late Middeleeuwen. Het plangebied ligt op de rand van de stroom-<br />

gordel, waarvoor gezien de lagere ligging een middelhoge verwachting geldt. Vindplaatsen uit de<br />

Nieuwe tijd worden niet verwacht, omdat hier op basis van het geraadpleegde historische kaart-<br />

materiaal geen aanleiding voor is. Aangezien het plangebied nog onbebouwd is en de voorbije<br />

twee eeuwen ook niet bebouwd is geweest, zullen eventuele archeologische resten waarschijnlijk<br />

niet verstoord zijn.<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 0 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

3 Veldonderzoek<br />

3.1 Methode<br />

Het inventariserend veldonderzoek (IVO) bestond uit een verkennend booronderzoek. De ge-<br />

volgde onderzoeksmethode voor het veldwerk is bepaald op basis van de Quickscan van de<br />

gemeente <strong>Oss</strong> ten behoeve van de bouwvlakvergroting, de resultaten van het bureauonderzoek<br />

(gespecificeerde archeologische verwachting) en het protocol inventariserend veldonderzoek uit<br />

de KNA versie 3.2<br />

Het verkennend veldonderzoek had tot doel het verkrijgen van inzicht in de bodemgesteldheid en<br />

mate van bodemverstoring in het plangebied. Daarmee wordt de gespecificeerde archeologische<br />

verwachting getoetst en kunnen uitspraken worden gedaan over de gaafheid van eventuele ar-<br />

cheologische vindplaatsen. Daartoe zijn evenredig verspreid over het plangebied 4 boringen<br />

gezet. Er is geboord tot maximaal 200 cm -Mv met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm.<br />

De boringen zijn lithologisch conform NEN 5104 (Nederlands Normalisatie-instituut, 1989) be-<br />

schreven en met meetlinten ingemeten (x/y-coördinaten). Van alle boringen is de hoogte bepaald<br />

met behulp van AHN. Het opgeboorde materiaal is met het blote oog geïnspecteerd op het voor-<br />

komen van archeologische indicatoren (houtskool, fosfaat, aardewerk, vuursteen, etc.). De uit-<br />

gebreide boorbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3.<br />

3.2 Resultaten<br />

Geologie en bodem<br />

De geologische opbouw die tijdens het booronderzoek in het plangebied is aangetroffen, komt<br />

goed overeen met wat op basis van het bureauonderzoek verwacht werd. Er is sprake van een<br />

ligging op de overgang van een zandige stroomgordel (Marcharen) naar een kleiig komgebied<br />

(zie figuur 5). Het zuidoostelijk deel van het plangebied ligt op de rand van de stroomgordel. In<br />

boring 1 is onder een dik pakket gelaagde oeverafzettingen - bestaande uit siltige en zandige<br />

klei - op 190 cm –Mv een zandpakket aangetroffen dat is geïnterpreteerd als beddingafzettingen<br />

van de Maas. Het valt echter niet uit te sluiten dat het hier het Pleistocene zand betreft. Vanwe-<br />

ge de natte omstandigheden was dit echter niet mogelijk dit goed vast te stellen.<br />

In boring 2 en 3 is sprake van kleiige komafzettingen die op circa 70 cm –Mv overgaan in siltige<br />

en zandige klei: oeverafzettingen. Vanwege het opborrelende grondwater zijn deze boringen op<br />

150 cm –Mv gestaakt. In boring 4 is tenslotte een gelaagd kleipakket aangetroffen dat volledig is<br />

geïnterpreteerd als kom/oeverafzettingen. De gelaagdheid komt voort uit verschillende overstro-<br />

mingsfasen, waarbij de Maas harder stroomde en zandige klei afzette of zachter stroomde en de<br />

fijnste fractie tot bezinking kwam: de vette komklei.<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 1 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

Bodemkundig gezien is in alle boringen sprake van een beperkte mate bodemvorming (rijping en<br />

humusophoping in de bovengrond) en het voorkomen van roestvlekken al direct in de boven-<br />

grond. De bodem in het plangebied kan op basis hiervan geclassificeerd worden als poldervaag-<br />

grond. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op langdurige of intensieve beakkering<br />

of bewoning. In het rivierengebied karakteriseren de oude bewoningsplaatsen zich door een<br />

sterke ophoping van organische stof (houtskoolspikkels), fosfaat en vaak ook aardewerk. Hiervan<br />

is het plangebied echter geen sprake. Onder een grijsbruine bovengrond met beperkte hu-<br />

musophoping gaat de bodem direct over in een grijze AC-horizont en licht grijze C-horizont.<br />

In de bodemopbouw ook zijn geen duidelijke afgedekte oude bodems aangetroffen die duiden op<br />

een (tijdelijke) stilstand in de sedimentatie. Een vage aanduiding voor een stilstandniveau is<br />

mogelijk aangetroffen op circa 3,4 m +NAP. Dit niveau kenmerkt in boring 1 op 190 cm –Mv en<br />

boring 4 op 160 cm –Mv door een textuursprong en in boringen 2 en 3 op 145 cm –Mv door een<br />

abrupte kleurverandering. Het niveau kwam in de boringen naar voren als een toename van roest<br />

en mangaanvlekken in de bovenliggende laag. Aanwijzingen voor bodemvorming op dit niveau<br />

zijn echter niet uitgesproken aangetroffen.<br />

Archeologie<br />

Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.<br />

Synthese<br />

Het booronderzoek wijst uit dat het plangebied is gelegen op de overgang van de kleiige kom-<br />

gronden naar de zandiger stroomgordel van Marcharen. De poldervaaggrond in het gebied wijst<br />

op relatief natte omstandigheden, zodat het plangebied waarschijnlijk niet interessant was voor<br />

bewoning. Ook onder het maaiveld zijn geen afgedekte bodems aangetroffen die duiden op een<br />

voormalige bewoonbaar oppervlak.<br />

Al bij al kan geconcludeerd worden dat, hoewel de bodemopbouw intact is, er op basis van de<br />

boorresultaten geen aanleiding meer is om in het plangebied de aanwezigheid van archeologi-<br />

sche resten te verwachten.<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 2 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

Figuur 5. Resultaten booronderzoek.<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 3 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

4 Conclusies en aanbevelingen<br />

4.1 Conclusies<br />

De conclusies worden getrokken aan de hand van de onderzoekvragen:<br />

• Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?<br />

Het plangebied ligt op de overgang van de zandige afzettingen van de stroomgordel van Marcha-<br />

ren naar de kleiige komafzettingen. In het plangebied komen voornamelijk siltige en zandige<br />

kleien voor waarin zich een relatief natte poldervaaggrond heeft ontwikkeld.<br />

• Is de bodemopbouw in (delen van) het plangebied intact?<br />

Uit het veldonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw niet is verstoord door bodemkundige<br />

ingrepen. De bodemopbouw is intact.<br />

• Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn al over het plangebied be-<br />

kend?<br />

Binnen het plangebied zijn geen archeologische vindplaatsen geregistreerd. In de directe omge-<br />

ving komen vindplaatsen voor uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd. Het betreft voornamelijk<br />

resten van bewoning.<br />

• Wat is de gespecificeerde verwachting (alsmede de verwachte conservering en gaafheid) ten<br />

aanzien van nog onbekende archeologische waarden in het gebied?<br />

Op basis van het bureauonderzoek gold voor het plangebied een middelhoge archeologische<br />

verwachting voor vindplaatsen uit de Prehistorie tot en met de Late Middeleeuwen. Uit het veld-<br />

onderzoek is echter gebleken dat de bodem in het plangebied relatief nat is en er geen aanwij-<br />

zingen zijn aangetroffen die duiden op bewoning of beakkering. Zodoende kan de verwachting<br />

naar laag worden bijgesteld.<br />

• Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?<br />

Gezien de diepte van de geplande bouwwerkzaamheden zouden deze in theorie leiden tot ver-<br />

storing van eventuele archeologische resten in het plangebied. Maar omdat er geen archeologi-<br />

sche resten meer verwacht worden, zal er in de praktijk geen verstoring plaats vinden.<br />

4.2 Aanbevelingen<br />

De resultaten van het onderzoek tonen aan dat in het plangebied geen archeologische resten<br />

worden verwacht. Er gelden zodoende geen restricties ten aanzien van de verdere planvorming.<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 4 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

Literatuur<br />

Berendsen, J.A. en E. Stouthamer, 2001. Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse<br />

delta, The Netherlands. Assen.<br />

Deeben, J.H.C. (red.), 2008. De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), derde<br />

generatie Rapportage Archeologische Monumentenzorg 155. Rijksdienst voor het<br />

Cultureel Erfgoed, Amersfoort (info: www.cultureelerfgoed.nl).<br />

Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van on-<br />

verharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft.<br />

Stiboka, 1976. Bodemkaart van Nederland, 1:50.000; kaartblad 45 Oost, ‘s-Hertogenbosch.<br />

Stichting voor bodemkartering, Wageningen.<br />

Stiboka & RGD, 1983. Geomorfologische kaart van Nederland, 1:50.000; 45 ‘s-<br />

Hertogenbosch. Wageningen/Haarlem.<br />

Weerts, H., J. Schokker, K. Rijsdijk & C. Laban, 2006, Geologische overzichtskaart van Neder-<br />

www.ahn.nl<br />

maps.google.nl<br />

www.oss.nl<br />

www.sikb.nl<br />

www.watwaswaar.nl<br />

land. TNO Bouw en Ondergrond, Utrecht.<br />

Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen<br />

Figuur 1. Ligging plangebied (rood). Inzet: ligging in Nederland (ster).<br />

Figuur 2. Uitsnede van de historische Bonnekaart van omstreeks 1900 (uit ARCHIS2).<br />

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied (uit Google Maps).<br />

Figuur 4. Overzichtstekening en bouwtekening van de geplande varkensstal.<br />

Figuur 5. Resultaten booronderzoek.<br />

Tabel 1. Archeologische tijdschaal.<br />

Tabel 2. Overzicht van de bekende archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied<br />

(zie ook bijlage 2).<br />

Tabel 3. Overzicht van eerder archeologisch onderzoek in en rond het plangebied.<br />

Bijlage 1. Geomorfologische kaart, volgens ARCHIS2.<br />

Bijlage 2. Overzicht archeologische gegevens, uit ARCHIS2.<br />

Bijlage 3. Boorbeschrijvingen.<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 5 ]


Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />

booronderzoek<br />

Archeologische perioden<br />

TijdperkDatering<br />

Prehistorie<br />

Vroeg<br />

Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C)<br />

Nieuwe tijd<br />

Middeleeuwen<br />

Romeinse tijd<br />

IJzertijd<br />

Bronstijd<br />

Neolithicum<br />

(Nieuwe Steentijd)<br />

Mesolithicum<br />

(Midden Steentijd)<br />

Paleolithicum<br />

(Oude Steentijd)<br />

tabel1_standaard_Archeologisch_RAAP_2010<br />

Tabel 1. Archeologische tijdschaal.<br />

B<br />

A<br />

Laat<br />

Vol<br />

Laat<br />

Midden<br />

Vroeg<br />

Laat<br />

Midden<br />

Vroeg<br />

Laat<br />

Midden<br />

Vroeg<br />

Laat<br />

Midden<br />

Vroeg<br />

Laat<br />

Midden<br />

Vroeg<br />

Laat<br />

Jong B<br />

Jong A<br />

Midden<br />

Oud<br />

Ottoons<br />

Karolingisch<br />

Merovingisch laat<br />

Merovingisch vroeg<br />

RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 6 ]<br />

- 1795<br />

- 1650<br />

- 1500<br />

- 1250<br />

- 1050<br />

- 900<br />

- 725<br />

- 525<br />

- 450<br />

- 270<br />

- 70 na Chr.<br />

- 15 voor Chr.<br />

- 250<br />

- 500<br />

- 800<br />

- 1100<br />

- 1800<br />

- 2000<br />

- 2850<br />

- 4200<br />

- 4900/5300<br />

- 6450<br />

- 8640<br />

- 9700<br />

- 12.500<br />

- 16.000<br />

- 35.000<br />

- 250.000


Boorbeschrijvingen TEEWE<br />

boring: TEEWE-1<br />

beschrijver: RE, datum: 15-7-2011, X: 163.364, Y: 423.184, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45E, hoogte: 5,10, precisie hoogte: 1<br />

dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland,<br />

vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: <strong>Oss</strong>, plaatsnaam: Teeffelen, opdrachtgever: R & S Advies, uitvoerder: RAAP Zuid<br />

0 cm -Mv / 5,10 m +NAP<br />

Lithologie: klei, sterk zandig, zwak humeus, grijsbruin<br />

Bodemkundig: A-horizont, interpretatie: opgebrachte grond<br />

15 cm -Mv / 4,95 m +NAP<br />

Lithologie: klei, sterk zandig, grijsbruin<br />

Bodemkundig: AC-horizont, interpretatie: opgebrachte grond<br />

35 cm -Mv / 4,75 m +NAP<br />

Lithologie: zand, kleiig, zwak humeus, grijsbruin, matig fijn, interpretatie: oeverafzettingen<br />

Bodemkundig: afgedekt/begraven A-horizont<br />

50 cm -Mv / 4,60 m +NAP<br />

Lithologie: klei, matig zandig, grijs, stevig, interpretatie: oeverafzettingen<br />

Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />

80 cm -Mv / 4,30 m +NAP<br />

Lithologie: klei, matig zandig, grijs, enkele zandlagen, interpretatie: oeverafzettingen<br />

Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />

95 cm -Mv / 4,15 m +NAP<br />

Lithologie: klei, matig siltig, lichtgrijs, interpretatie: komafzettingen<br />

Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />

Opmerking: vette klei<br />

110 cm -Mv / 4,00 m +NAP<br />

Lithologie: klei, sterk zandig, lichtgrijs, interpretatie: oeverafzettingen<br />

Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />

140 cm -Mv / 3,70 m +NAP<br />

Lithologie: klei, matig siltig, lichtgrijs, enkele zandlagen, slap, interpretatie: oeverafzettingen<br />

Bodemkundig: C-horizont, Mn-concreties<br />

Opmerking: nat (grondwater)<br />

185 cm -Mv / 3,25 m +NAP<br />

Algemeen: aard ondergrens: erosief (


Boorbeschrijvingen TEEWE<br />

boring: TEEWE-3<br />

beschrijver: RE, datum: 15-7-2011, X: 163.307, Y: 423.223, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45E, hoogte: 4,80, precisie hoogte: 1<br />

dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland,<br />

vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: <strong>Oss</strong>, plaatsnaam: Teeffelen, opdrachtgever: R & S Advies, uitvoerder: RAAP Zuid<br />

0 cm -Mv / 4,80 m +NAP<br />

Lithologie: klei, uiterst siltig, zwak humeus, bruingrijs<br />

Bodemkundig: A-horizont, enkele Fe- en Mn-vlekken, interpretatie: bouwvoor<br />

20 cm -Mv / 4,60 m +NAP<br />

Lithologie: klei, sterk siltig, grijs<br />

Bodemkundig: AC-horizont, Fe- en Mn-concreties<br />

40 cm -Mv / 4,40 m +NAP<br />

Lithologie: klei, matig siltig, lichtgrijs, interpretatie: komafzettingen<br />

Bodemkundig: C-horizont, Fe- en Mn-concreties<br />

75 cm -Mv / 4,05 m +NAP<br />

Lithologie: klei, matig zandig, lichtgrijs, matig slap, interpretatie: komafzettingen<br />

Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />

90 cm -Mv / 3,90 m +NAP<br />

Lithologie: zand, sterk siltig, lichtgrijs, zeer fijn, interpretatie: oeverafzettingen<br />

Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />

Opmerking: nat<br />

125 cm -Mv / 3,55 m +NAP<br />

Algemeen: aard ondergrens: abrupt (


Collega<br />

Geachte Collega,<br />

Project: aanpassing <strong>bestemmingsplan</strong> t.b.v. vergroting bouwblok<br />

Aanvrager: R & S advies<br />

Locatie: Weteringstraat 1-3, Teeffelen<br />

VERPLICHTING<br />

Volgens de wet Archeologische monumentenzorg (Wamz), eenaanvulling op de Monumentenwet 1988 en<br />

het gemeentelijke archeologiebeleid Behoud van het Verleden en bijbehorende gemeentelijke<br />

archeologieverordening is voor de onderhavige ontwikkeling een archeologisch onderzoeksrapport:<br />

√ verplicht, conform bovengestelde<br />

niet nodig, omdat het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en<br />

omvang gelijk is aan een bestaand bouwwerk<br />

niet nodig, omdat het desbetreffende bouwwerk en/of bouwwerkzaamheden de grond<br />

niet raakt<br />

niet nodig, omdat er voldoende bruikbare recente gegevens aanwezig zijn<br />

niet nodig, omdat de bodemverstoring onder de vrijstellingsgrenzen valt van het<br />

archeologiebeleid en –verordening van de <strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong><br />

Toelichting: in het kader van een omgevingsvergunning is een archeologisch bureau- en<br />

booronderzoek uitgevoerd.<br />

SELECTIEBESLUIT<br />

Op basis van een bureau- en verkennend booronderzoek is voor het onderzochte plangebied het<br />

selectieadvies gegeven dat geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Middels onderhavig<br />

selectiebesluit wordt dit advies door de gemeente <strong>Oss</strong> onderschreven. De opdrachtgever heeft middels het<br />

laten uitvoeren van het onderzoek voldaan aan de archeologische verplichting conform het<br />

archeologiebeleid en –verordening van de gemeente <strong>Oss</strong>.<br />

-------------------------<br />

Ellenkamp, G.R., 2011. Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en<br />

verkennend onderzoek, RAAP-notitie, Weert.<br />

E-mail gemeente@oss.nl<br />

www.oss.nl<br />

Postbus 5<br />

5340 BA <strong>Oss</strong><br />

Wilt u bij uw reactie de<br />

datum van deze brief en<br />

ons kenmerk vermelden?<br />

Datum Ons kenmerk Behandeld door Doorkiesnummer<br />

20 september 2011 SLWE 0000 Richard Jansen 97 92<br />

Onderwerp Uw kenmerk Aantal bijlagen<br />

Advies omtrent archeologisch onderzoek - -


Bijlage 10: Bodemonderzoek<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 70


Bijlage 11: Waterparagraaf<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 71


R&S Advies<br />

t.a.v. mevrouw I. Spapens-Reijnders<br />

Langegracht 4A<br />

5091 SJ MIDDELBEERS<br />

Vestiging, datum : Nuenen, 21 juli 2011<br />

Ons kenmerk : 1105/041/RV<br />

Uw kenmerk : -<br />

Behandeld door : Robert van de Voort<br />

Doorkiesnummer : 040-2907375<br />

Gecontroleerd door : Marjolijn Frensch<br />

Betreft : Waterparagraaf project Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />

Geachte mevrouw Spapens-Reijnders,<br />

In opdracht van R&S Advies is door Tritium Advies onderhavige waterparagraaf opgesteld voor het<br />

plangebied Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. Aanleiding voor het onderzoek is de aanvraag<br />

van een omgevingsvergunning ter vergroting van het bouwvlak om het ter plaatse aanwezige agrarisch<br />

bedrijf te kunnen laten voldoen aan het Besluit huisvesting. De betreffende uitbreiding heeft een grootte<br />

van circa 4.000 m 2 . Op de locatie wordt de realisatie van een varkensstal beoogd. In het kader van<br />

bovengenoemde procedure dient onder andere een waterparagraaf te worden opgesteld.<br />

Inleiding<br />

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende<br />

principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik.<br />

Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de<br />

waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals<br />

bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging, te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke<br />

ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op<br />

welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.<br />

Nationaal waterbeleid<br />

In het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit<br />

heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in<br />

december 2000 voor het Waterbeleid 21 e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in<br />

plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen<br />

volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast<br />

technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en<br />

projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die<br />

nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs<br />

1105/041/RV<br />

pagina 1 van 8<br />

Tritium Advies B.V.<br />

Gulberg 35<br />

5674 TE NUENEN<br />

Telefoon 040 - 2 951 951<br />

Fax 040 - 2 951 950<br />

Groenstraat 27<br />

4841 BA PRINSENBEEK<br />

Telefoon 076 - 5 429 564<br />

Fax 076 - 5 416 894<br />

E-mail info@tritiumadvies.nl<br />

Internet www.tritiumadvies.nl<br />

ING 66.25.72.645<br />

K.v.K nr. 17108024


verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of<br />

bedrijventerreinen.<br />

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één<br />

wet en vervangt hiermee een aantal bestaande wetten, zoals het Waterbeleid 21 e eeuw en de Kaderrichtlijn<br />

Water, op het gebied van waterbeheer. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en<br />

grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visie richt zich<br />

primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd.<br />

Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en een<br />

aantal mogelijke technische maatregelen welke kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden<br />

ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze<br />

maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer.<br />

Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels,<br />

vergunningstelsels en administratieve lasten. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke<br />

wet voor de waterschappen bestaan. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige<br />

vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één<br />

vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden<br />

aangevraagd.<br />

Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het<br />

bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het<br />

Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het gezag van de<br />

Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe<br />

lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer<br />

(Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo).<br />

Beleid waterschap en provincie<br />

Het waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om de gemeente <strong>Oss</strong>. Het<br />

waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak<br />

goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de keur van<br />

het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap Aa en<br />

Maas. De regels zijn vastgelegd in de “Keur Waterschap Aa en Maas 2011”. Waterschap Aa en Maas toetst<br />

voor vergunning en ontheffingsverlening of een activiteit of werk wordt uitgevoerd in attentiegebieden,<br />

keurbeschermingsgebieden of daarbuiten. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuis-<br />

houdkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een<br />

vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist, is dit ook een taak van het<br />

waterschap.<br />

Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt uitgegaan van de begrenzing van de<br />

beschermingsgebieden en attentiegebieden zoals deze is vastgelegd op de keurkaart. Het plangebied aan<br />

de Weteringstraat 1-3 te Teeffelen valt echter noch in het keurbeschermingsgebied noch in een<br />

attentiegebied. Volgens het waterbeheerplan Aa en Maas 2010-2015 ligt het plangebied wel in een<br />

zogenaamd peilbesluitgebied. In dergelijke gebieden heeft het waterschap een inspanningsverplichting om<br />

de waterstanden die erin staan te handhaven.<br />

1105/041/RV<br />

pagina 2 van 8


Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterplan 2010 tot 2015. Het Provinciaal<br />

Waterplan vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en<br />

lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed<br />

gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende<br />

(water)partijen in Brabant.<br />

<strong>Gemeente</strong>lijk beleid<br />

Het <strong>Gemeente</strong>lijk Waterplan “Water in <strong>Oss</strong>” verwoordt de gemeenschappelijke visie, uitgangspunten en<br />

gewenste ontwikkelingen voor water in <strong>Oss</strong>. Het is de lokale vertaling van het nationale en provinciale<br />

waterbeleid. Het waterplan is een middel om een betere afstemming te realiseren in de samenwerking<br />

tussen de waterpartners die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het waterbeheer in het bebouwd gebied<br />

en is daarmee de basis voor een duurzaam waterbeheer binnen de gemeentegrenzen.<br />

Water raakt veel disciplines die tot het takenpakket van de gemeente behoren. De gemeente heeft de regie<br />

over de lokale ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft de gemeente een belangrijke rol in het beheer van<br />

oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en hemelwater.<br />

Het waterplan is leidend voor de gemeente in de uitvoering van haar watertaken. De gewenste toekomstige<br />

situatie met betrekking tot water in al haar geledingen, is verwoord aan de hand van vier thema’s:<br />

Beleving van water: bijdrage van water aan de leefomgeving.<br />

Water als ordenend principe: belang van water bij planologische processen.<br />

Waterkwaliteit: de fysische, chemische en ecologische kwaliteit van grond- en oppervlaktewater.<br />

Waterketen: het geheel van drinkwatervoorziening, afvalwater inzameling, transport en zuivering.<br />

Voor elk thema zijn streefbeelden voor de lange termijn (2020) geformuleerd en is de huidige situatie<br />

beschreven. Op basis van een analyse van kansen, knelpunten en de gewenste ontwikkelingen zijn<br />

beleidsdoelstellingen aangegeven.<br />

Gebied<br />

Het plangebied maakt deel uit van het stroomgebied Hertogswetering. Het beleid van het waterschap is om<br />

te proberen om 100% van het verhard oppervlak af te koppelen en het schone regenwater te infiltreren in de<br />

bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet mogelijk is kan<br />

gekozen worden voor afvoeren. De keuze van voorziening moet uiteraard afgestemd zijn op de kenmerken<br />

van de ondergrond.<br />

Uit informatie van de Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied met name<br />

geschikt is voor het aanleggen van een bovengrondse bergings- en infiltratievoorziening. Het plangebied is<br />

namelijk gelegen in een gebied met een grondwaterdynamiek met een gemiddeld hoogste grondwaterstand<br />

(GHG) variërend van 0,60 - 0,80 m-mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) van 1,20 m-mv of<br />

dieper. Tevens is het plangebied gelegen in de nabijheid van een gebied waar soms maaiveldkwel optreedt.<br />

Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied (25-jaarszone), maar grenst hier<br />

wel aan. Voornoemd kaartmateriaal is opgenomen in bijlage 2.<br />

Beïnvloeding van het waterhuishoudkundig systeem<br />

Door de beoogde realisatie van het bouwplan zullen er wijzigingen plaatsvinden aan de verharde<br />

1105/041/RV<br />

pagina 3 van 8


oppervlakten. De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse zal derhalve veranderen. Een aspect binnen het<br />

plangebied is de afkoppeling en eventuele infiltratie van hemelwater in de bodem. Infiltratie van hemelwater<br />

biedt namelijk voordelen tegenover de gebruikelijke afvoermethoden via het oppervlaktewater of via<br />

rioleringssystemen.<br />

Deze voordelen zijn onder andere:<br />

• verdroging van de bodem wordt tegengegaan en de natuurlijke waterkringloop wordt verbeterd;<br />

• minder of geen belasting van het rioolstelsel. Daardoor zullen minder of geen overstorten plaatsvinden,<br />

zodat minder vuillast in het oppervlaktewater terecht komt;<br />

• lagere piekaanvoer op de RioolWaterZuiveringInstallatie (RWZI);<br />

• mogelijkheid tot hergebruik van (geïnfiltreerd) water.<br />

Infiltratie van regenwater is in Nederland een relatief nieuwe ontwikkeling. In Duitsland is hiermee al meer<br />

ervaring opgedaan en is vastgelegd dat minimaal een infiltratiesnelheid (k-waarde) van 1-5 . 10 -6 m/s (circa<br />

0,09-0,43 meter/dag ofwel 3,6-18 mm/h) vereist is voor het succesvol toepassen van regenwaterinfiltratie.<br />

De reden die hiervoor wordt opgegeven is dat er bij lagere doorlatendheden reducerende omstandigheden<br />

kunnen optreden in de onverzadigde zone, die een ongunstige invloed kunnen hebben op het retentie- en<br />

omzettingsvermogen ervan. Daarnaast is bij lagere doorlatendheden ook een groot ruimtebeslag nodig voor<br />

het aanleggen van infiltratievoorzieningen. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat deze<br />

langer (dagen achtereen) water blijven voeren, hetgeen onwenselijk kan zijn in een (woon)omgeving.<br />

De doorlatendheid van een bodem is afhankelijk van vele factoren, onder meer poriëngrootte, de<br />

continuïteit van de poriën, de poriënvorm, het poriënaantal, de geometrie van de poriënkanalen en de<br />

diepte tot de grondwaterstand. De poriëngrootte en de verdeling ervan hangen in de eerste plaats van de<br />

bodemsoort en de bodemstructuur af. Bovendien is de doorlatendheid afhankelijk van de verzadigingsgraad<br />

en kan ze beïnvloed worden door micro-organismen. Hieruit kan worden afgeleid dat de infiltratiesnelheid<br />

van de ondergrond geen constante waarde heeft, maar van plaats tot plaats varieert, waarbij zelfs op vrij<br />

kleine schaal belangrijke verschillen kunnen optreden.<br />

Locatie plangebied<br />

Het plangebied ligt in het buitengebied ten oosten van het dorp Teeffelen en ten noorden van de stad <strong>Oss</strong>,<br />

beide gemeente <strong>Oss</strong>. Het gebied wordt in het zuiden en westen begrensd door respectievelijk de<br />

Weteringstraat en de Hoefstraat. Rondom het plangebied zijn voorts agrarische percelen gelegen waar de<br />

hoofdwaterlopen Teeffelensche Wetering en Hertogswetering doorheen stromen. De omgeving kan<br />

derhalve worden beschreven als agrarisch buitengebied. Het gebied kent geen duidelijke hoogteverschillen<br />

en is geologisch gezien gelegen nabij de Peelrandbreuk, op een gemiddelde hoogte van circa 5 meter<br />

+ NAP. In bijlage 1 is een schets van de toekomstige situatie weergegeven.<br />

Van het bouwplan zijn verder de volgende gegevens bekend:<br />

locatie : Weteringstraat 1-3 te Teeffelen;<br />

huidige en toekomstige bestemming : agrarisch;<br />

totale oppervlakte plangebied : 13.750 m 2 ;<br />

bestaand verhard oppervlak : 8.200 m 2 , waarvan:<br />

1105/041/RV<br />

pagina 4 van 8


dak : 4.700 m 2 ;<br />

terreinverharding : 3.500 m 2 ;<br />

totaal extra verhard oppervlak (dak) : 4.000 m 2 .<br />

De watersystemen zoals die in de locatie en omgeving voorkomen worden onderverdeeld in grondwater,<br />

oppervlaktewater, regenwater en afvalwater.<br />

Grondwater<br />

Het heersende grondwaterpeil in de omgeving van het plangebied is circa 1,2 meter beneden maaiveld. De<br />

stromingsrichting van het grondwater is volgens de kaart Dienst Grondwaterverkenning TNO globaal<br />

noordwestelijk. Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige<br />

grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en<br />

grondwaterstroming op de locatie.<br />

Oppervlaktewateren<br />

Binnen de locatie is een kleine waterpoel aanwezig. Op een afstand van circa 250 meter ten oosten van het<br />

plangebied stroomt de hoofdwaterloop Teeffelensche Wetering. Op een afstand van circa 350 meter ten<br />

zuiden van het plangebied stroomt de Hertogswetering.<br />

Ecosystemen<br />

Het plangebied ligt niet in een natuurgebied. Ook in de directe nabijheid van de locatie is geen natuurgebied<br />

gelegen. Op een afstand van circa 2.000 meter ten noordwesten van het plangebied is de<br />

Alphense Waard en Hemelrijksche Waard gelegen. Deze aan elkaar grenzende gebieden en de twee<br />

voornoemde hoofdwaterlopen behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).<br />

Bodem<br />

Uit informatie van de Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat de bodem ter plaatse van het<br />

plangebied uit rivierklei bestaat.<br />

Neerslaggegevens<br />

Voor de dimensionering van de eventuele infiltratie- of bergingsvoorzieningen zijn de volgende parameters<br />

van belang:<br />

• de k-waarde van de ondergrond. Voor de snelheid van wateropname in een pakket opgebouwd uit<br />

rivierklei is vooralsnog een k-waarde van 0,1 meter per dag aangehouden;<br />

• de afgekoppelde oppervlakken die worden aangesloten op de voorziening;<br />

• de te verwachten neerslag, evenals de intensiteit ervan.<br />

Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat<br />

het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar<br />

oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest<br />

wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is:<br />

1. hergebruiken;<br />

2. vasthouden;<br />

3. bergen;<br />

4. afvoeren naar oppervlaktewater.<br />

1105/041/RV<br />

pagina 5 van 8


Deze trits dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt<br />

gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk<br />

zijn, is het noodzakelijk om water te bergen of af te voeren naar oppervlaktewater.<br />

Bij 'bergen' kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een buffersloot met een geknepen afvoer naar een<br />

watergang. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient te worden berekend met een neerslagreeks van<br />

T = 10 + 10%. De initiatiefnemer dient deze berging op eigen terrein te realiseren. De afvoer vanuit de<br />

berging mag niet meer bedragen dan de afvoer in de oorspronkelijke situatie. Deze afvoer is<br />

locatiegebonden en varieert grofweg van 0,1 tot 2 l/s/ha. Voor de projectlocatie geldt een afvoercoëfficiënt<br />

van 0,43 l/s/ha. Bij de berekeningen van de maatgevende berging en de berging bij extreme neerslag, een<br />

neerslagreeks van T = 100 + 10%, wordt derhalve uitgegaan van een gemiddelde afvoer van 0,43 l/s/ha.<br />

De maatgevende berging uitgaande van een toename van het verhard oppervlak met 4.000 m² bedraagt<br />

200 m 3 waarbij een hoeveelheid van 270 m 3 geen overlast bij derden mag veroorzaken. De berekende<br />

hoeveelheid hemelwater zal middels een reeds op het terrein aanwezige buffersloot worden geborgen. Het<br />

hemelwater wat op de verharde oppervlakken valt zal derhalve via een regenwaterriolering, of over het<br />

maaiveld, worden afgevoerd naar de bergingsvoorziening waar het kan infiltreren in de bodem.<br />

In bijlage 3 is de berekening van de maatgevende berging, middels het Toetsinstrumentarium Hydrologisch<br />

Neutraal Ontwikkelen, weergegeven.<br />

Aangezien het hemelwater niet op het riool wordt afgevoerd maar op bovenstaande wijze op locatie<br />

geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd wordt, dient er rekening gehouden te worden met de<br />

eventuele verontreinigingen in de bodem. Uit historisch bodemonderzoek (Tritium Advies, 1105/041/RV-2,<br />

d.d. 21-7-2011) blijkt echter dat er aangenomen kan worden dat er op de onderzoekslocatie geen sprake is<br />

van bodemverontreiniging. Er zijn derhalve geen humane, ecologische of verspreidingsrisico’s te<br />

verwachten.<br />

Locatie en dimensionering bergings- en infiltratievoorziening<br />

In de onderhavige situatie wordt ervoor gekozen om de reeds aanwezige buffersloot als bergings- en<br />

infiltratievoorziening te gebruiken. In deze laagte in het bodemprofiel kan het afgekoppelde regenwater zich<br />

verzamelen, wordt het geborgen en infiltreert het vervolgens langzaam in de bodem. Ook bij hevige<br />

regenval zal de sloot als een buffer werken.<br />

Gezien het af te koppelen dakoppervlak en terreinverharding en de te bergen “neerslaggebeurtenis” dient<br />

de buffersloot een minimale bergingscapaciteit van 270 m 3 te hebben. In de in bijlage 1 opgenomen<br />

situatietekening is de locatie van de buffersloot weergegeven. In navolgende figuur 1 wordt schematisch<br />

een bovenaanzicht en dwarsdoorsnede van de buffersloot weergegeven. In de figuur is tevens aangegeven<br />

aan welke maatvoering de buffersloot minimaal dient te voldoen.<br />

1105/041/RV<br />

pagina 6 van 8


Figuur 1: Bovenaanzicht en dwarsprofiel buffersloot<br />

In de buffersloot dient een bovengrondse noodoverloop te worden geïnstalleerd die op het vuilwaterriool is<br />

aangesloten om zo langdurige excessieve regenbuien af te kunnen voeren en wateroverlast tot een<br />

minimum te beperken. Er dient hierbij wel te worden gewaarborgd dat geen verontreinigd (afval)water terug<br />

kan lopen in de buffersloot.<br />

Materiaalgebruik<br />

Afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt<br />

mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Het betreft uitlogende materialen<br />

zoals zink en lood. Dat betekent dat slechts duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt mogen worden.<br />

Overige aandachtspunten<br />

In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste<br />

bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet<br />

verstopt raakt of dicht gaat slibben in de tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze<br />

regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen.<br />

= 2,3 m<br />

= 0,5 m = 0,6 m<br />

Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te<br />

gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid<br />

door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d.<br />

toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn.<br />

1105/041/RV<br />

pagina 7 van 8<br />

= 0,7 m<br />

= 200 m


Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen<br />

dat het systeem blijft functioneren. Ook moet de noodoverloop regelmatig worden onderhouden.<br />

Wij hopen u hiermee op passende wijze van dienst te zijn geweest.<br />

Met vriendelijke groet,<br />

Tritium Advies B.V.<br />

ir. R.A.C. van de Voort<br />

Projectleider RO<br />

Bijlage 1 Schets toekomstige situatie<br />

Bijlage 2 Kaartmateriaal Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant<br />

Bijlage 3 Berekening maatgevende berging<br />

1105/041/RV<br />

pagina 8 van 8


BIJLAGE 1


BIJLAGE 2


BIJLAGE 3


Algemeen<br />

Toetsinstrumentarium Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen<br />

Compenserende berging voor nieuw verhard gebied<br />

Naam project: Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />

Contactpersoon initiatiefnemer: mevrouw Spapens-Reijnders<br />

Datum: 11-07-2011<br />

Kenmerken projectgebied<br />

Bruto oppervlak projectgebied<br />

Bestaand verhard oppervlak<br />

Nieuw totaal verhard oppervlak<br />

Netto te compenseren oppervlak<br />

Hiervan is type 1 (volledig verhard)<br />

Hiervan is type 2 (semi-verhard)<br />

Infiltratiepercentage semi-verhard oppervlak<br />

Maaiveldniveau nieuw verhard oppervlak<br />

GHG<br />

Infiltratiesnelheid bodem<br />

Systeemeisen aan berging in projectgebied<br />

Dimensies voorziening<br />

13750<br />

8200<br />

12200<br />

4000<br />

4000<br />

0<br />

50<br />

5.0<br />

4.2<br />

0.1<br />

m²<br />

m²<br />

m²<br />

m²<br />

m²<br />

m²<br />

%<br />

m + NAP<br />

m + NAP<br />

m/dag<br />

Lengte voorziening 200.0 m<br />

Talud voorziening (1:x) 1.0<br />

Maximale peilstijging (in normaal nat jaar) 0.2 m<br />

Maximale peilstijging bij T=10 jaar scenario 0.3 m<br />

Maximale peilstijging bij T=100 jaar scenario 0.4 m<br />

Afvoercoëfficiënten voorziening<br />

Afvoercoëfficiënt bij T=10 jaar scenario 0.43 l/s/ha<br />

Afvoercoëfficiënt bij T=100 jaar scenario 0.86 l/s/ha<br />

Resultaten<br />

Totale benodigde berging in projectgebied<br />

Berging voor infiltratie<br />

Berging bij extreme neerslag T=10 jaar<br />

Berging bij extreme neerslag T=100 jaar<br />

Ontwerp infiltratievoorziening<br />

Ruimtebeslag<br />

Maximale berging in normaal nat jaar<br />

Maximale ledigingstijd in normaal nat jaar<br />

Berging bij extreme neerslag<br />

T=10 jaar<br />

T=100 jaar<br />

Ontwerp bergingsvoorziening voor extreme neerslagsituaties<br />

Ruimtebeslag<br />

Berging bij T=10 jaar<br />

Berging bij T=100 jaar<br />

Afvoercapaciteit bij T=10 jaar<br />

Berging 'tussen de stoepranden'<br />

Berging bij T=100 jaar<br />

76<br />

200<br />

270<br />

418<br />

76<br />

48<br />

117<br />

159<br />

726<br />

200<br />

270<br />

0.6<br />

0<br />

m³<br />

m³<br />

m³<br />

m²<br />

m³<br />

uren<br />

m³<br />

m³<br />

m²<br />

m³<br />

m³<br />

m³/uur<br />

m³<br />

11 juli 2011<br />

pagina Hydrologisch 1 van 2neutraal<br />

ontwikkelen<br />

De waterschappen Aa &<br />

Maas en De Dommel willen<br />

met deze berekening in<br />

een vroeg stadium de<br />

betrokkenen adviseren<br />

over de eisen die de<br />

waterschappen stellen<br />

ten aanzien van<br />

hydrologisch neutraal<br />

ontwikkelen.<br />

Het berekende wateradvies<br />

is richtinggevend. Aan de<br />

berekening kunnen geen<br />

rechten worden ontleend.<br />

Contactpersoon<br />

Mariëlle van Dalen<br />

Tel: 0411-61 86 18<br />

Fax: 0411-61 86 88<br />

http://www.dommel.nl<br />

Waterschap<br />

De Dommel<br />

Postbus 10.001<br />

5280 DA Boxtel<br />

Bosscheweg 56<br />

5283 WB Boxtel


Toelichting<br />

Toetsinstrumentarium Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen<br />

Compenserende berging voor nieuw verhard gebied<br />

Neerslag die valt op verhard oppervlak wordt sneller naar het oppervlaktewater<br />

afgevoerd dan neerslag die op onverhard oppervlak valt. In het geval dat er<br />

verharding wordt aangelegd op een locatie waar eerst geen verharding aanwezig<br />

was, is er dus sprake van een versnelde lozing naar het oppervlaktewater. Dit<br />

heeft gevolgen voor de aanvulling van het grondwater en de afvoer uit het<br />

projectgebied bij neerslagsituaties. Deze gevolgen dienen gecompenseerd te<br />

worden door infiltratie en berging in het projectgebied.<br />

Opmerkingen<br />

<br />

11 juli 2011<br />

pagina Hydrologisch 2 van 2neutraal<br />

ontwikkelen<br />

De waterschappen Aa &<br />

Maas en De Dommel willen<br />

met deze berekening in<br />

een vroeg stadium de<br />

betrokkenen adviseren<br />

over de eisen die de<br />

waterschappen stellen<br />

ten aanzien van<br />

hydrologisch neutraal<br />

ontwikkelen.<br />

Het berekende wateradvies<br />

is richtinggevend. Aan de<br />

berekening kunnen geen<br />

rechten worden ontleend.<br />

Contactpersoon<br />

Mariëlle van Dalen<br />

Tel: 0411-61 86 18<br />

Fax: 0411-61 86 88<br />

http://www.dommel.nl<br />

Waterschap<br />

De Dommel<br />

Postbus 10.001<br />

5280 DA Boxtel<br />

Bosscheweg 56<br />

5283 WB Boxtel


Bijlage 12: Landschappelijke inpassing<br />

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 72

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!