Wijziging 8 bestemmingsplan Buitengebied ... - Gemeente Oss
Wijziging 8 bestemmingsplan Buitengebied ... - Gemeente Oss
Wijziging 8 bestemmingsplan Buitengebied ... - Gemeente Oss
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
Bestemmingsplan<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong><br />
Vastgesteld
<strong>Wijziging</strong> 8<br />
<strong>bestemmingsplan</strong><br />
<strong>Buitengebied</strong><br />
vastgesteld<br />
<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong>,<br />
10 mei 2012<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 1 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 2 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012
INHOUDSOPGAVE<br />
TOELICHTING<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 3 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Hoofdstuk 1 Inleiding ............................................................................................................................. 6<br />
1.1 Aanleiding........................................................................................................................................ 6<br />
1.2 Begrenzing plangebied.................................................................................................................... 6<br />
1.3 Geldend <strong>bestemmingsplan</strong>.............................................................................................................. 7<br />
Hoofdstuk 2 Beleidskader...................................................................................................................... 8<br />
2.1 Wettelijk kader ................................................................................................................................. 8<br />
2.2 Rijksbeleid ..................................................................................................................................... 10<br />
2.3 Provinciaal beleid .......................................................................................................................... 10<br />
2.4 <strong>Gemeente</strong>lijk beleid....................................................................................................................... 12<br />
2.5 Beleid waterschap Aa en Maas..................................................................................................... 15<br />
Hoofdstuk 3 Bestaande situatie........................................................................................................... 17<br />
3.1 Ontstaansgeschiedenis ................................................................................................................. 17<br />
3.2 Bestaande situatie......................................................................................................................... 17<br />
Hoofdstuk 4 Doelstellingen en programma ......................................................................................... 18<br />
4.1 Aanpassingen om te voldoen aan het Besluit huisvesting............................................................ 18<br />
4.2 Ruimtelijke kwaliteit ....................................................................................................................... 18<br />
Hoofdstuk 5 Randvoorwaarden en beperkingen ................................................................................. 19<br />
5.1 Milieuaspecten............................................................................................................................... 19<br />
5.2 Gezondheidsaspecten................................................................................................................... 23<br />
5.3 Waterhuishouding.......................................................................................................................... 23<br />
5.4 Waarden ........................................................................................................................................ 28<br />
5.5 Duurzame locatie........................................................................................................................... 29<br />
5.6 M.e.r.-beoordeling ......................................................................................................................... 31<br />
Hoofdstuk 6 Toelichting op het plan .................................................................................................... 33<br />
6.1 Ruimtelijke uitgangspunten ........................................................................................................... 33<br />
Hoofdstuk 7 Toelichting op de regels .................................................................................................. 35<br />
7.1 Toelichting op de regels ................................................................................................................ 35<br />
7.2 Toelichting op de verbeelding ....................................................................................................... 35<br />
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................... 36<br />
8.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 36<br />
8.2 Kostenverhaal................................................................................................................................ 36<br />
8.3 Planschade.................................................................................................................................... 36<br />
Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................ 37<br />
9.1 Inspraak voorontwerp.................................................................................................................... 37<br />
9.2 Notitie Reikwijdte en Detailniveau ................................................................................................. 37<br />
9.3 Vooroverleg ................................................................................................................................... 37<br />
9.4 Zienswijzeprocedure...................................................................................................................... 39<br />
REGELS<br />
VERBEELDING<br />
BIJLAGEN
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 4 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012
TOELICHTING<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong><br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 5 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012
Hoofdstuk 1 Inleiding<br />
1.1 Aanleiding<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 6 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Dit wijzigingsplan beoogt een wijziging van het <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong> van de voormalige<br />
gemeente Lith.<br />
Voor het intensieve veehouderijbedrijf aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen is het noodzakelijk om de<br />
bedrijfsvoering aan te passen, zodat voldaan kan worden aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting<br />
veehouderij. Dit betekent dat het bouwblok vergroot dient te worden. Dit wijzigingsplan maakt een<br />
vormverandering en vergroting van 9.618 m 2 naar 15.000 m 2 van het bouwblok planologisch-juridisch<br />
mogelijk.<br />
In de ‘Ruimtelijke onderbouwing bouwblokvergroting’ van varkenshouderij Weteringstraat VOF (27 april<br />
2012) wordt het initiatief uitgewerkt en onderbouwd. Deze ruimtelijke onderbouwing is als bijlage bij dit<br />
wijzigingsplan opgenomen.<br />
1.2 Begrenzing plangebied<br />
Het plangebied ligt in de gemeente <strong>Oss</strong> (voormalige gemeente Lith) ten zuiden van de kernen Lithoijen<br />
en Teeffelen.<br />
Begrenzing plangebied
1.3 Geldend <strong>bestemmingsplan</strong><br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 7 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Tot de inwerkingtreding van voorliggend wijzigingsplan ‘<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>’ geldt<br />
binnen het plangebied het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ van de voormalige gemeente Lith<br />
(vastgesteld 31 januari 2002).<br />
In onderstaande figuur is het huidige bouwblok aangegeven.<br />
Uitsnede plankaart huidig <strong>bestemmingsplan</strong>
Hoofdstuk 2 Beleidskader<br />
2.1 Wettelijk kader<br />
2.1.1 Wet ruimtelijke ordening<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 8 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Het plan om verandering en vergroting van het bouwblok ten behoeve van de intensieve veehouderij<br />
mogelijk te maken is strijdig met het geldende <strong>bestemmingsplan</strong>. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt<br />
de mogelijkheid om toch planologische medewerking te verlenen aan de gewenste ontwikkeling. Bij een<br />
<strong>bestemmingsplan</strong> kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels<br />
burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen conform<br />
artikel 3.6 van de Wro.<br />
Belanghebbenden worden conform de Wro in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te<br />
brengen.<br />
In artikel 3.9a van de Wro staat de te volgen procedure voor een wijzigingsplan aangegeven.<br />
2.1.2 Grondexploitatiewet<br />
Als onderdeel van de Wro is een hoofdstuk over grondexploitatie opgenomen. Doelstelling is een goede<br />
regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere<br />
grondexploitatie.<br />
Onder de Wro is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door een vrijwillige<br />
samenwerkingsovereenkomst) en door het publiekrechtelijke spoor. Dit publiekrechtelijke kostenverhaal<br />
gaat door middel van een exploitatieplan waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een<br />
bestemmings- of wijzigingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee<br />
voorwaarden. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wro nodig. Het<br />
publiekrechtelijke instrumentarium is ook van toepassing bij de vaststelling van een wijzigingsplan. De<br />
tweede voorwaarde is dat het ruimtelijke besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke<br />
verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke<br />
ordening (Bro) aangewezen in artikel 6.2.1.<br />
Dit wijzigingsplan biedt de mogelijkheid om na inwerkingtreding een omgevingsvergunning te verlenen<br />
welke valt onder de criteria voor een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. De<br />
gemeenteraad dient daarom eigenlijk een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een<br />
bouwplan is voorgenomen. Conform artikel 6.12 van de Wro kan de gemeenteraad bij een besluit tot<br />
vaststelling van een wijzigingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal<br />
van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden op een<br />
andere manier verzekerd is. Deze bevoegdheid is overigens per besluit van de gemeenteraad van 25<br />
september 2008 gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.<br />
2.1.3 Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en Actieplan Ammoniak Veehouderij<br />
Het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: Besluit huisvesting) is op 1 april 2008 in<br />
werking getreden. Met dit besluit wordt invulling gegeven aan het algemene emissiebeleid voor heel<br />
Nederland. Het besluit bepaalt dat dierenverblijven, waar emissie-arme huisvestingssystemen voor<br />
beschikbaar zijn, op den duur emissie-arm moeten zijn uitgevoerd. Hiertoe bevat het besluit zogenaamde<br />
maximale emissiewaarden. Op grond van het besluit mogen alleen nog huisvestingssystemen met een<br />
emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde, toegepast worden.<br />
De ministeries van VROM en LNV, de provincies en de VNG hebben een "Actieplan Ammoniak<br />
Veehouderij " opgesteld. Dit Actieplan moet er toe leiden dat de middelgrote veehouderijbedrijven<br />
emissiearm worden en gaan voldoen aan het Besluit huisvesting.<br />
Veehouderijen zouden oorspronkelijk al per 1 januari 2010 moeten voldoen aan het Besluit huisvesting.<br />
Gebleken is dat veel veehouders voor die datum de noodzakelijke stalaanpassingen niet kunnen
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 9 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
realiseren. In overleg met de Tweede Kamer heeft de minister (onder voorwaarden) uitstel van de<br />
verplichting verleend tot uiterlijk 1 januari 2013. Aan het Actieplan ligt een gedoogbeleid ten grondslag.<br />
Dit betekent dat gedoogd wordt dat veehouderijen in overtreding zijn van het Besluit huisvesting. Om mee<br />
te doen met het gedoogbeleid moeten veehouders voor 1 april 2010 een bedrijfsontwikkelplan ingediend<br />
(BOP) hebben.<br />
Het Actieplan geldt voor bestaande stallen op alle middelgrote pluimvee- en varkensbedrijven waarvoor<br />
een maximale emissiewaarde is opgenomen in het Besluit huisvesting. Het Actieplan geldt ook als<br />
nieuwe stallen worden gebruikt voor intern salderen.<br />
2.1.4 Wet luchtkwaliteit<br />
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit van kracht geworden. De hoofdlijnen van de nieuwe<br />
regelgeving zijn ondergebracht in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De regelgeving is<br />
uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur en Ministeriële Regelingen. Daarmee<br />
zijn het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005), de Regeling saldering luchtkwaliteit, het Meet- en<br />
rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit 2005 en de Meetregeling luchtkwaliteit vervallen.<br />
De aanleiding daartoe is de maatschappelijke discussie die ontstond als gevolg van de directe koppeling<br />
tussen ruimtelijke ordeningsprojecten en luchtkwaliteit. De directe koppeling had tot gevolg dat veel<br />
geplande (en als noodzakelijk of gewenst ervaren) projecten geen doorgang konden vinden in<br />
overschrijdingsgebieden. Bovendien moest voor ieder klein project met betrekking tot luchtkwaliteit een<br />
uitgebreide toets gedaan worden. Met de Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen<br />
wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste<br />
ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.<br />
De grenswaarden voor verschillende stoffen zoals voorgeschreven in de richtlijn 1999/30 EG van de<br />
Raad van de Europese Unie zijn niet gewijzigd ten opzichte van het Blk 2005. Maar de wet maakt nu wel<br />
onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. In het nieuwe Besluit NIBM (Niet in betekenende<br />
mate) met onderliggende regelingen is vastgelegd onder welke omstandigheden ruimtelijke<br />
ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en als<br />
zodanig niet getoetst hoeven te worden aan de vigerende normen voor NO2 en PM10.<br />
Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een<br />
verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de<br />
jaargemiddelde concentratie PM10 of NO2 (maximaal 1% tot inwerkingtreding NSL). Dit komt neer op<br />
een maximale bijdrage van 0,4 µg/m 3 . van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit.<br />
Grotere projecten kunnen worden opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit<br />
(NSL) mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door<br />
de maatregelen van het NSL.<br />
2.1.5 Waterwet<br />
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet stelt de<br />
watersysteembenadering centraal en integreert acht bestaande wetten voor waterbeheer. De wet regelt<br />
het beheer van oppervlaktewater en grondwater en regelt de juridische implementatie van Europese<br />
richtlijnen. De Waterwet kent één watervergunning. Op basis van deze vergunning worden eisen gesteld<br />
aan de kwaliteit en de inrichting van het water. De instrumenten vanuit de Waterwet zijn Waterplannen<br />
(rijk en provincie), waterbeheerplannen (waterbeheerder) en vergunningen. Sinds november 2003 is de<br />
watertoets wettelijk van toepassing, een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium<br />
overleg voert met de waterbeheerder over het planvoornemen. De watertoets is verbonden aan<br />
ruimtelijke planvormingprocedures, dus niet direct aan de waterplannen. Wel gelden de ruimtelijke<br />
aspecten van waterplannen als sectorale structuurvisie, in het kader van de Wro.<br />
Tijdens het vooroverleg kunnen betrokken partijen afspraken maken over inbreng van wateraspecten.<br />
De watertoets is erop gericht dat ruimtelijke ontwikkelingen in elk geval niet leiden tot nadelige effecten<br />
op het watersysteem. In de waterparagraaf wordt een beschrijving van het huidige watersysteem<br />
gegeven en de vertaling van het beleid naar het wijzigingsplan in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen.<br />
Het doel van de watertoets is dat wateraspecten vroegtijdig in de planontwikkeling worden meegenomen.<br />
Het gaat hierbij om de thema's: veiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit, afvalwaterketen en onderhoud.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 10 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Het gaat dus niet om een toets achteraf, maar om vroegtijdige en actieve inbreng van het waterschap bij<br />
de planvorming. Hiervoor wordt in een zo vroeg mogelijk stadium overleg gevoerd met het waterschap.<br />
2.2 Rijksbeleid<br />
2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte<br />
In de ontwerp Structuurvisie is het de insteek om de gebruiker de ruimte te geven. Het Rijk gaat zo min<br />
mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich alleen op een beperkt aantal<br />
verantwoordelijkheden. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:<br />
- Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en<br />
gemeenten overstijgt;<br />
- Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;<br />
- Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent<br />
ofwel in beheer bij het Rijk is.<br />
2.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening<br />
Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen<br />
de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat dan onder andere<br />
om het nationale belang ‘Grote rivieren’.<br />
De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om<br />
beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien<br />
daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening,<br />
gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt<br />
gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus<br />
concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, d.w.z. door tussenkomst van de<br />
provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van<br />
<strong>bestemmingsplan</strong>nen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin<br />
die kaderstellende uitspraken.<br />
De regels uit het Barro leveren geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.<br />
2.3 Provinciaal beleid<br />
2.3.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening<br />
Volgens de provinciale structuurvisie (vastgesteld op 1 oktober 2010, in werking getreden per 1 januari<br />
2011) kan intensieve veehouderij zich ontwikkelen zoals aangegeven in de reconstructieplannen uit 2005.<br />
Het agrarische gebied kent op grond van deze plannen een driedeling, de integrale zonering, die speciaal<br />
is toegesneden op de ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij. Het plangebied ligt<br />
binnen een verwevingsgebied. Daarbinnen is de ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven op een<br />
duurzame locatie tot 1,5 hectare altijd mogelijk.<br />
Als een duurzame locatie voor intensieve veehouderij wordt een bestaand agrarisch bouwblok in een<br />
verwevingsgebied met een zodanige ligging gezien dat het zowel vanuit milieuoogpunt (ammoniak, geur<br />
en dergelijke) als vanuit ruimtelijk oogpunt (natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is om het te<br />
laten groeien tot een bouwblok van maximaal 2,5 hectaren voor een intensieve veehouderij.
2.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2011<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 11 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Op 17 december 2010 heeft de provincie Noord-Brabant de tweede fase van de Verordening ruimte<br />
vastgesteld. Deze Verordening is per 8 maart 2011 in werking getreden.<br />
In de Verordening ruimte is de integrale zonering voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve<br />
veehouderij opgenomen. De planlocatie ligt volgens de Verordening ruimte in een gebied met de<br />
aanduiding verwevingsgebied.<br />
Uitsnede kaart Verordening ruimte ontwikkeling intensieve veehouderij<br />
Voor een bedrijf waar intensieve veehouderij plaatsvindt dat ligt in een verwevingsgebied gelden een<br />
aantal regels.<br />
In hoofdstuk 2 staat dat een wijzigingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand<br />
stedelijk gebied bij dient te dragen aan het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het<br />
betrokken gebied en de omgeving, in het bijzonder aan zorgvuldig ruimtegebruik. Dit dient in de<br />
toelichting bij het plan verantwoord te worden.<br />
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in elk geval in dat uitbreiding van het op grond van het geldende<br />
<strong>bestemmingsplan</strong> toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke<br />
mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te<br />
realiseren.<br />
Voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat deze toelichting daarom een<br />
verantwoording waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen voor wat betreft bodemkwaliteit,<br />
waterhuishouding, in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, cultuurhistorische waarden,<br />
ecologische waarden, aardkundige waarden en landschappelijke waarden en de op grond van de<br />
Verordening ruimte toegelaten ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden.<br />
Ook dient te worden toegelicht dat de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling past in de<br />
omgeving en dat er verkeerstechnisch geen nadelige gevolgen ontstaan.<br />
Verder wordt gevraagd om een financiële, juridische en feitelijke verzekering dat de realisering van de<br />
beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering<br />
van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie van het<br />
gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft.<br />
De verbetering kan bijvoorbeeld de landschappelijke inpassing van bebouwing ten behoeve van<br />
intensieve veehouderij zijn voor zover vereist op grond van de Verordening ruimte of het toevoegen,<br />
versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de<br />
landschapsstructuur. De kwaliteitsverbetering dient verzekerd te zijn.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 12 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Hoofdstuk 9 van de Verordening ruimte geeft regels voor intensieve veehouderij. In paragraaf 9.3 worden<br />
de regels gegeven voor intensieve veehouderijbedrijven die in verwevingsgebieden liggen.<br />
Er is bepaald dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een<br />
omvang van ten hoogste 1,5 hectare mogen uitbreiden op een duurzame locatie indien minimaal 10 %<br />
van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing. Uit de toelichting moet<br />
blijken dat ten aanzien van een duurzame locatie er aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor<br />
de lange termijn aanwezig zijn die hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse noodzakelijk<br />
maken. Daarnaast moet sprake zijn van zuinig ruimtegebruik of van optimaal gebruik van de beschikbare<br />
ruimte. De beoogde ontwikkeling dient verder zowel vanuit milieuoogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt<br />
aanvaardbaar te zijn.<br />
In deze toelichting wordt in de hoofdstukken 5, 6 en 8 ingegaan op de bovengenoemde aspecten.<br />
2.4 <strong>Gemeente</strong>lijk beleid<br />
2.4.1 Structuurvisie buitengebied Lith<br />
De gemeenteraad van de voormalige gemeente Lith heeft in december 2010 de structuurvisie<br />
<strong>Buitengebied</strong> Lith vastgesteld.<br />
Dit verzoek ligt in het gebied dat in deze structuurvisie is aangegeven als het komgebied. Dit komgebied<br />
bestaat uit de Lithse polder en de Oijense polder. In de structuurvisie is onderscheid gemaakt tussen de<br />
Lithse polder en de Oijense polder.<br />
De komgebieden van de gemeente Lith hebben momenteel hoofdzakelijk een agrarische<br />
functie. Daarnaast hebben deze komgebieden ook een extensieve recreatieve functie (recreatief<br />
medegebruik). Gelet op de ontwikkelingen in de agrarische sector en de toename van de vraag naar<br />
recreatieve voorzieningen wil de gemeente meer ruimte bieden aan recreatie. De agrarische sector speelt<br />
in de Oijense polder een belangrijke rol. In de Oijense polder ligt ook een Landbouwontwikkelingsgebied.<br />
Voor de Oijense Polder wordt ook grote rol gezien als recreatief uitloopgebied en is daarom met het oog<br />
op een grotere functiemenging aangewezen als ‘accentgebied agrarische ontwikkeling met verbreding’.<br />
Uitgangspunt daarbij is dat de nieuwe ontwikkelingen in de Oijense Polder de bestaande agrarische<br />
bedrijven niet mogen beperken.<br />
Volgens de structuurvisie worden de volgende, voor dit plan relevante, mogelijkheden met betrekking tot<br />
agrarische bedrijvigheid geboden in de Oijense Polder.<br />
- Alle voorzieningen van een agrarisch bedrijf (dus ook sleuf- en mestsilo’s, erfverharding e.d.) moeten<br />
binnen het agrarische bouwvlak worden gerealiseerd.<br />
- Uitbreiding van een bouwvlak voor intensieve veehouderij en overig-niet grondgebonden agrarische<br />
bedrijven is mogelijk op een duurzame locatie tot een maximale grootte van het bouwvlak van 1,5 ha.<br />
- Conform het bepaalde in de verordening Ruimte Noord-Brabant is eenmalig uitbreiding van een<br />
intensieve veehouderij voor dierenwelzijn tot de in de verordening genoemde datum.<br />
De agrarische bouwblokken dienen landschappelijk zorgvuldig ingepast te worden.<br />
2.4.2 Huidig <strong>bestemmingsplan</strong><br />
Het plangebied ligt in het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ en heeft hierin de bestemming “Agrarisch<br />
gebied” met een “agrarisch bouwblok”. De uitbreidingen komen buiten het bouwblok te liggen. Het plan is<br />
daarmee strijdig met het geldende <strong>bestemmingsplan</strong>. Er kan medewerking verleend worden aan het<br />
principeverzoek door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid.
2.4.2.1 <strong>Wijziging</strong>sbevoegdheid<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 13 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
In het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ is in artikel 27.1.1 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen<br />
waardoor burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen ten behoeve van de vormverandering of<br />
vormvergroting van een agrarisch bouwblok. Deze wijzigingsbevoegdheid kan alleen worden toegepast<br />
indien aan een aantal voorwaarden zoals vermeld in het <strong>bestemmingsplan</strong> voldaan wordt.<br />
Eén van de voorwaarden is dat het initiatief moet voldoen aan de algemene beschrijving in hoofdlijnen.<br />
Deze beschrijving in hoofdlijnen geeft aan dat het verzoek in een agrarisch verwevingsgebied dient te<br />
liggen waar landbouw de hoofdfunctie is. Verder moeten de gunstige omstandigheden voor de<br />
ecologische waarden zoveel mogelijk behouden blijven.<br />
De landbouwfunctie wordt door het plan versterkt. Het nieuwe gebouw komt op intensief gebruikte<br />
landbouwgrond te staan. Het is daarom niet aannemelijk dat door de plaatsing van het gebouw<br />
ecologische waarden verloren gaan. Zo bezien voldoet het principeverzoek aan de algemene beschrijving<br />
in hoofdlijnen.<br />
Verder worden de volgende voorwaarden gesteld in het <strong>bestemmingsplan</strong> om de wijzigingsbevoegdheid<br />
te kunnen toepassen:<br />
a. het agrarisch bouwblok (niet zijnde glastuinbouw) mag worden vergroot tot maximaal 1,5 hectare;<br />
b. de vergroting van het agrarische bouwblok is uitsluitend toegestaan indien deze vergroting<br />
noodzakelijk is uit oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling van het agrarisch bedrijf;<br />
hieromtrent vragen burgemeester en wethouders advies van de Adviescommissie Agrarische<br />
Bouwaanvragen (AAB) of een andere onafhankelijke terzake deskundige;<br />
c. er is aangetoond, door middel van een erfbeplantingsplan, dat een goede landschappelijke inpassing<br />
plaatsvindt;<br />
d. de bebouwingsvrije zone van 15 meter aan weerszijde van de "ecologische verbindingszone" dient in<br />
acht te worden genomen;<br />
e. de uitbreiding van het bouwblok is binnen de op de plankaart aangeduide "kooicirkels" slechts<br />
toegestaan indien daardoor, gehoord de beheerder van de eendenkooi, de aanwezige natuurlijke en/of<br />
landschappelijke waarden niet worden aangetast;<br />
f. De uitbreiding van een bouwblok binnen, of binnen een afstand van 50 meter van, de op plankaart 3<br />
van het <strong>bestemmingsplan</strong> aangegeven “agrarische natuurkerngebieden” is niet toegestaan tenzij:<br />
1. Uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf;<br />
2. De karakteristiek van het bedrijf gehandhaafd blijft, of het bedrijf ontwikkelt zich tot een op de<br />
aanwezige natuurwaarden afgestemd grondgebonden bedrijf;<br />
3. er vindt geen aantasting van lokale natuur-, landschaps- en/of ecologische waarden plaats.<br />
g. De uitbreiding van een niet-grondgebonden bedrijf in het op plankaart 3 van het <strong>bestemmingsplan</strong><br />
aangegeven “agrarisch verwevingsgebied” is slechts toegestaan mits dit noodzakelijk is voor de<br />
continuïteit van het bedrijf en het open karakter van het gebied gerespecteerd wordt door aan te sluiten<br />
bij bestaande massa-elementen.<br />
Onderstaand is uiteengezet waarom Het plan voldoet aan de voorwaarden die gelden voor het toepassen<br />
van de wijzigingsbevoegdheid.<br />
a. het agrarische bouwblok wordt vergoot tot 1,5 hectare;<br />
b. Op 27 oktober 2011 heeft de AAB geoordeeld dat realisatie van de gevraagde uitbreiding noodzakelijk<br />
is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Om deze uitbreiding te kunnen realiseren is vergroting<br />
van het bouwblok noodzakelijk;<br />
c. op landschappelijke gronden zijn voorwaarden geformuleerd waaraan het door de aanvrager op te<br />
(laten) stellen erfbeplantingsplan moet voldoen. De aanvrager heeft vervolgens het erfbeplantingsplan op<br />
laten stellen en de voorwaarden zijn overgenomen. Het erfbeplantingsplan is akkoord bevonden en<br />
draagt zorg voor een goede landschappelijke inpassing. Het erfbeplantingsplan wordt door middel van de<br />
anterieure overeenkomst gewaarborgd. Het erfbeplantingsplan wordt bijgevoegd;<br />
d. het plangebied en daarmee de latere bouwactiviteiten bevinden zich op een grotere afstand dan 15<br />
meter van de ecologische verbindingszone;<br />
e. het verzoek is buiten de op de plankaart aangeduide kooicirkels gelegen;<br />
f. het verzoek is op een afstand gelegen van meer dan 50 meter buiten een agrarisch natuurkerngebied;<br />
g. in het AAB advies van 27 oktober 2011 is geconcludeerd dat het agrarische bedrijf in de huidige opzet<br />
niet de omvang heeft van een volwaardig agrarisch bedrijf. Bij realisatie van de uitbreiding zal ter plaatse
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 14 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
een volwaardig agrarisch bedrijf ontstaan, waardoor mede uit optiek van schaalgrootte bedrijfsuitbreiding<br />
noodzakelijk is. Daarbij is door het erfbeplantingsplan verzekerd dat het open karakter van het gebied<br />
gerespecteerd wordt en ook dat nieuwe massa-elementen aansluiten bij de bestaande.<br />
Gezien het bovenstaande wordt aan alle voorwaarden voor het kunnen toepassen van de<br />
wijzigingsbevoegdheid conform artikel 27.1.1 van het geldende <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ voldaan.<br />
2.4.3 Waterplan<br />
De gemeente heeft in overleg met de provincie en het waterschap het waterplan ‘Water in <strong>Oss</strong>’<br />
opgesteld. Uitgangspunt van het beleid is dat er in <strong>Oss</strong> naar een duurzaam watersysteem wordt<br />
gestreefd, waarbij voorkomen wordt dat de problemen worden afgewenteld naar elders of naar later.<br />
Aan de hand van vier thema’s wordt het waterbeleid verder uitgewerkt.<br />
- Beleving van water:<br />
<strong>Oss</strong> streeft naar een functioneel, veerkrachtig en mooi watersysteem met zichtbaar en veilig<br />
water waardoor een prettige leefomgeving ontstaat.<br />
- Water als ordenend principe:<br />
De gemeente wil rekening houden met water tijdens het ontwerp van nieuwe wijken. Water is<br />
steeds meer ordenend. Er wordt hydrologisch neutraal gebouwd. Herinrichting of nieuwbouw mag<br />
dus niet leiden tot een grotere afvoer uit het plangebied. Het beleid is erop gericht om veel meer<br />
en langer water vast te houden, te bergen en pas daarna af te voeren.<br />
- Waterkwaliteit:<br />
<strong>Oss</strong> streeft naar water dat helder en schoon is. De kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater<br />
moet op alle punten aan de vereiste ecologische en milieukwaliteitmaatstaven voldoen. De<br />
vuiluitworp van overstorten en andere lozingen mogen het oppervlaktewater niet nadelig<br />
beïnvloeden. Voor de waterkwaliteit wordt de strategie gevolgd van schoon houden, schoon en<br />
vuil scheiden, zuiveren.<br />
- Waterketen:<br />
De gemeentelijke riolering moet op termijn volledig voldoen aan het waterkwaliteitsspoor. Om dit<br />
te bereiken wordt zoveel mogelijk regenwater afgekoppeld van het riool en worden de schoon- en<br />
vuilwaterstromen zoveel mogelijk gescheiden. Al het afvalwater moet worden gezuiverd.<br />
Daar waar met die <strong>bestemmingsplan</strong> nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt dient tevens<br />
rekening te worden gehouden met het beleid van het waterschap. Het waterschap Aa en Maas heeft<br />
hiertoe voor het toetsen van de waterparagraaf uitgangspunten opgesteld. Deze worden behandeld in<br />
paragraaf 5.2.<br />
2.4.4 Geurbeleid<br />
Ten aanzien van het aspect geur kan een onderscheid gemaakt worden tussen industriële geurhinder en<br />
geurhinder van agrarische bedrijven. Voor agrarische bedrijven vormt de Wet geurhinder en veehouderij<br />
het toetsingskader voor milieuvergunningen en <strong>bestemmingsplan</strong>nen. Op basis van deze wet kan een<br />
gemeente een lokaal gebiedsgericht geurbeleid voeren door, binnen wettelijke marges, af te wijken van<br />
de standaard geurnormen en/of vaste afstanden uit de wet. Deze bevoegdheid kan worden aangewend<br />
om ontwikkelingen mogelijk te maken. De afwijking van geurnormen en vaste afstanden wordt vastgelegd<br />
in een geurverordening, met onderbouwing in een geurgebiedsvisie. Op basis van de verordening gelden<br />
binnen de gemeente geurnormen, waaraan rechtstreeks getoetst kan worden bij nieuwe ontwikkelingen<br />
waarvoor ontheffing verleend moet worden van het <strong>bestemmingsplan</strong> of waarvoor het <strong>bestemmingsplan</strong><br />
gewijzigd moet worden.<br />
Bij nieuwe ontwikkelingen dient in beeld te worden gebracht of aan de geurnormen voor een<br />
aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden voldaan.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 15 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Voor het plangebied Weteringstraat 1-3 in Teeffelen is momenteel de Geurgebiedsvisie 2008, gemeente<br />
Lith en de “Verordening geurhinder en veehouderij 2008, gemeente Lith” van toepassing.<br />
Daarnaast zijn een nieuwe gebiedsvisie en geurverordening voor de hele gemeente <strong>Oss</strong> in ontwikkeling.<br />
Daarnaast is een “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente <strong>Oss</strong> 2012”opgesteld.<br />
Met deze beleidsregel kan een uitspraak worden gedaan over een acceptabel woon- en leefklimaat ten<br />
gevolge van cumulatieve geurhinder.<br />
Het ontwerp van de “Geurgebiedsvisie 2013”, het ontwerp van de “Agrarische geurverordening gemeente<br />
<strong>Oss</strong> 2013” en de beleidsregel hebben tot 3 oktober 2012 ter inzage gelegen. De “Geurgebiedsvisie 2013”<br />
en van de “Agrarische geurverordening gemeente <strong>Oss</strong> 2013” worden naar verwachting op 13 december<br />
2012 vastgesteld door de gemeenteraad van <strong>Oss</strong>.<br />
2.5 Beleid waterschap Aa en Maas<br />
Het waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om de gemeente <strong>Oss</strong>. Het<br />
waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft.<br />
In het ‘Waterbeheerplan Aa en Maas 2010 – 2015’ zijn de beleidsuitgangspunten en principes van het<br />
waterschap voor het waterkeringenbeheer, het waterbeheer en het transporteren en zuiveren van<br />
afvalwater opgenomen. Door de probleemgerichte uitoefening van deze taken zorgt het waterschap in<br />
belangrijke mate voor realisatie van de maatschappelijke doelstellingen voor water.<br />
In het waterbeheerplan worden de doelstellingen uitgewerkt in de thema’s:<br />
- veilig en bewoonbaar beheergebied;<br />
- voldoende water;<br />
- schoon water;<br />
- natuurlijk en recreatief water.<br />
Nieuwe ontwikkelingen dienen voor het aspect waterhuishouding niet alleen te passen binnen het<br />
gemeentelijke beleid ten aanzien van water, maar ook binnen het beleid van het waterschap. Waterschap<br />
Aa en Maas heeft voor de toetsing van de invulling van de waterhuishoudkundige aspecten beleidskaders<br />
voor de watertoets vastgesteld. Deze beleidskaders zijn uitgewerkt in acht uitgangspunten. Hieronder<br />
worden deze uitgangspunten, inclusief korte toelichting, aangegeven:<br />
1. Voorkomen van vervuiling<br />
Bouw en renovatie kunnen het milieu belasten. Het waterschap streeft ernaar om verontreiniging zoveel<br />
mogelijk te voorkomen. Het voorkomen van vervuiling is een randvoorwaarde voor de watertoets.<br />
2. Wateroverlastvrij bestemmen<br />
Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient naar plekken te worden gezocht die hoog<br />
en droog genoeg zijn. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is, dan moet compensatie plaatsvinden. Daarbij<br />
dienen maatregelen te worden genomen om het gebied voldoende tegen wateroverlast te beschermen.<br />
3. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO)<br />
Het waterschap hanteert het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen: de nieuwe situatie van de<br />
waterhuishouding moet minimaal gelijk blijven aan de uitgangssituatie. De grondwaterstand mag niet<br />
worden verlaagd. Bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied mag de oorspronkelijke landelijke<br />
afvoer niet overschreden worden. Het waterpeil moet aansluiten bij de optimale grondwaterstanden.<br />
In poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan.<br />
4. Vuil water en hemelwater scheiden<br />
Vuil water dient naar het riool en schoon hemelwater naar de bodem of een watergang te worden<br />
afgevoerd. De aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels is uitgesloten.<br />
5. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 16 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Bij de afvoer van schoon hemelwater dienen de volgende stappen gehanteerd te worden: hergebruik ><br />
infiltratie > buffering > afvoer. Hergebruik van regenwater is interessant bij grootschalige voorzieningen<br />
als scholen en kantoorgebouwen. Op kleinere percelen is infiltratie in de bodem de beste oplossing.<br />
Als dit niet mogelijk is, dient voor buffering in een waterberging te worden gekozen om overstroming<br />
tijdens zware regenval te vermijden. Een laatste mogelijkheid is het vertraagd afvoeren van een<br />
neerslagpiek naar een leggerwatergang.<br />
6. Waterschapsbelangen<br />
Bij uw bouwproject kunnen verschillende waterschapsbelangen spelen:<br />
- Aanwezigheid en ligging watersysteem.<br />
- Aanwezigheid en ligging waterkeringen.<br />
- Ruimteclaims voor waterberging.<br />
- Ruimteclaims voor de aanleg van natte ecologische verbindingszones en beekherstel.<br />
- Aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen<br />
in beheer bij het waterschap.<br />
Indien deze belangen een rol spelen in het plan dienen deze benoemd te worden.<br />
7. Meervoudig ruimtegebruik<br />
Gebruiksfuncties kunnen worden gecombineerd.<br />
8. Water als kans<br />
Water kan een meerwaarde geven aan een plan. Zo kan er gebruik worden gemaakt van de<br />
belevingswaarde van water.<br />
Om de taak goed uit te voeren zijn wettelijke regels nodig. Deze regels staan in de keur van het<br />
waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap Aa en Maas.<br />
De regels zijn vastgelegd in de “Keur Waterschap Aa en Maas 2011”.<br />
Waterschap Aa en Maas toetst voor vergunning en ontheffingsverlening of een activiteit of werk wordt<br />
uitgevoerd in attentiegebieden, keurbeschermingsgebieden of daarbuiten. Het waterschap stelt ter<br />
concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing<br />
van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is<br />
vereist, is dit ook een taak van het waterschap.<br />
Voor de toepassing van de beleidsregels wordt uitgegaan van de begrenzing van de<br />
beschermingsgebieden en attentiegebieden zoals deze is vastgelegd op de keurkaart. Het plangebied<br />
aan de Weteringstraat 1-3 te Teeffelen valt echter noch in het keurbeschermingsgebied noch in een<br />
attentiegebied. Volgens het waterbeheerplan Aa en Maas 2010-2015 ligt het plangebied wel in een<br />
zogenaamd peilbesluitgebied. In dergelijke gebieden heeft het waterschap een inspanningsverplichting<br />
om de waterstanden te handhaven.
Hoofdstuk 3 Bestaande situatie<br />
3.1 Ontstaansgeschiedenis<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 17 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
De projectlocatie ligt ten zuidoosten van Teeffelen in de Oijense Polder. Op de topografische kaart van<br />
1869 is te zien dat dit gedeelte van de polder weliswaar door de mens in gebruik was genomen. Het<br />
gebruik was toen nog niet intensief. Zo zijn er veel minder wegen dan nu. Zowel de Weteringstraat als de<br />
Hoefstraat waren destijds nog niet aanwezig. Ook was er vrijwel geen bebouwing in de polder aanwezig,<br />
afgezien van een paar zogenaamde ‘hutten’. De gronden waren wel verkaveld. De langgerekte kavels<br />
waren waarschijnlijk als hooiland in gebruik. Het gebied heeft een heel open karakter.<br />
De Hertogswetering als de Teeffelense Wetering vonden kronkelend door het landschap een weg richting<br />
de Maas.<br />
3.2 Bestaande situatie<br />
De bestaande situatie wijkt aanzienlijk af van de situatie zoals die ongeveer 150 jaar geleden was. De<br />
Oijense Polder heeft wel haar openheid behouden en ook de slagenverkaveling is nog steeds intact. Wel<br />
is het gebied veel intensiever in gebruik genomen door de landbouw. Er zijn diverse agrarische bedrijven<br />
in het gebied aanwezig en ook zijn er ontsluitingswegen aangelegd, zoals de Weteringstraat en de<br />
Hoefstraat.<br />
De projectlocatie ligt dicht bij zowel Hertogswetering als Teeffelense Wetering. Beide weteringen liggen<br />
op meer dan 200 meter afstand van de locatie. Het gebied tussen de weteringen en de projectlocatie is<br />
weidevogelgebied. Dit gebied grenst aan drie zijden aan het bouwvlak.<br />
In de huidige situatie is aan de Weteringstraat 1-3 een vleesvarkenshouderij gevestigd. Op de locatie zijn<br />
een viertal stallen aanwezig. Deze stallen zijn parallel aan elkaar gesitueerd. De stallen volgen de<br />
slagenverkaveling in het landschap. Aan de westzijde van de projectlocatie, op korte afstand van de<br />
Hoefstraat is een rij knotwilgen aanwezig.<br />
Het oorspronkelijke bedrijf had een omvang van 2.000 varkens. Deze varkens zijn in de twee meest<br />
oostelijke stallen gehuisvest. Het bedrijf wordt binnen het bestaande bouwblok uitgebreid met een vijfde<br />
stal die direct achter de bestaande stallen wordt gesitueerd. Deze uitbreiding leidt tot een inrichting<br />
waarbinnen 4.110 vleesvarkens kunnen worden gehouden.<br />
Bedrijf in bestaande situatie binnen het bestaand bouwvlak
Hoofdstuk 4 Doelstellingen en programma<br />
4.1 Aanpassingen om te voldoen aan het Besluit huisvesting<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 18 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Binnen het plangebied wordt het bouwblok van een agrarisch bedrijf vergroot. Dit is onder meer<br />
noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de eisen die gesteld zijn in het Besluit huisvesting. Het besluit<br />
bepaalt dat dierenverblijven, waar emissiearme huisvestingssystemen voor beschikbaar zijn, op den duur<br />
emissiearm moeten zijn uitgevoerd.<br />
De uitbreiding van het bedrijf wordt uitgevoerd in twee fasen. De eerste fase wordt binnen het bestaande<br />
bouwvlak gerealiseerd. Deze uitbreiding is in paragraaf 3.2 Bestaande situatie beschreven. Voor de<br />
tweede fase van de uitbreiding is een vergroting van het bouwvlak nodig.<br />
De voorgenomen uitbreiding tweede fase bestaat uit een vergroting van de vijfde stal. Deze uitbreiding<br />
maakt het mogelijk om 936 vleesvarkens extra te kunnen huisvesten. Daarnaast kunnen door deze<br />
uitbreiding 624 gespeende biggen worden gehuisvest binnen de inrichting.<br />
In totaal zullen in de inrichting afronding van de tweede fase dierplaatsen worden gerealiseerd voor 4.264<br />
vleesvarkens en 624 gespeende biggen.<br />
In de bijlage is een ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. In deze onderbouwing is het plan nader<br />
uitgewerkt.<br />
Bedrijf in gewenste situatie (Bouwvlak)<br />
4.2 Ruimtelijke kwaliteit<br />
Om te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van de bedrijfsuitbreiding zijn landschappelijke<br />
voorwaarden geformuleerd op basis waarvan een erfbeplantingsplan is opgesteld. Het erfbeplantingsplan<br />
is in deze toelichting opgenomen.<br />
Met dit erfbeplantingsplan wordt de ruimtelijke kwaliteit gegarandeerd.
Hoofdstuk 5 Randvoorwaarden en beperkingen<br />
5.1 Milieuaspecten<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 19 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Voor dit wijzigingsplan zijn onderstaand de milieuaspecten uitgewerkt. In de bijlage bij dit plan is in de<br />
‘Ruimtelijke onderbouwing Bouwblokvergroting varkenshouderij Weteringstraat VOF’ een nadere<br />
ruimtelijke en milieukundige onderbouwing van het plan opgenomen. Relevante (nadere) onderzoeken<br />
zijn ook in de bijlage bij dit plan opgenomen.<br />
5.1.1 Bodem<br />
Door de Animal Sciences Group van de universiteit van Wageningen is een notitie gemaakt waaruit voor<br />
de vee- en pluimveebedrijven kunnen worden afgeleid waarbij op basis van omvang en/of bedrijfsvoering<br />
de verblijftijd van de mens wel meer dan 2 uur per dag zal zijn en waarbij, gelet op het bovenstaande dus<br />
wel een bodemonderzoek noodzakelijk is.<br />
Dit bodemonderzoek komt eigenlijk pas aan de orde op het moment dat er daadwerkelijk sprake is van<br />
een aanvraag van een omgevingsvergunning. Op dit moment kan worden volstaan met een historisch<br />
bodemonderzoek. Dit inmiddels uitgevoerde onderzoek maakt onderdeel uit van de ruimtelijke<br />
onderbouwing van dit plan. De conclusie is dat op grond van het onderzoek de locatie als ‘niet-verdacht’<br />
is aangemerkt. Aangenomen wordt dat er geen sprake is van bodemverontreiniging.<br />
5.1.2 Geluid<br />
Gezien de vrij grote afstand van het bedrijf tot omliggende woningen zal het aspect geluidhinder de<br />
gevraagde bouwblokvergroting niet in de weg staan.<br />
Het gaat om aanpassing en toevoeging van stallen. Dit zijn geen geluidgevoelige ruimten waardoor de<br />
Wet geluidhinder (Wgh) niet van toepassing is voor het aspect wegverkeerslawaai. Er zijn geen<br />
belemmeringen voor de plannen ten aanzien van wegverkeerslawaai.<br />
In geval van een uitbreiding van het agrarische bouwblok is er ook geen "industrielawaai" te verwachten.<br />
5.1.3 Geur<br />
Geurhinder wordt bepaald op basis van voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. Met de<br />
voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van de veehouderij die de meeste geurbelasting op<br />
een ‘voor geurhinder gevoelig object’ veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle<br />
veehouderijen die binnen 2 km rondom een geurgevoelig object liggen. De achtergrondbelasting is een<br />
goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen.<br />
Voorgrondbelasting<br />
Op grond van de “Verordening geurhinder en veehouderij 2008, gemeente Lith” geldt voor het<br />
verwevingsgebied waarbinnen het plangebied ligt een geurnorm van 14 odour units (Ou) voor<br />
geurgevoelige objecten. Rond de kern Teeffelen geldt een geurnorm van 8 Ou.<br />
Voor de bebouwde kom van Teeffelen geldt een geurnorm van 2 Ou.<br />
Op grond van de ontwerp “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente <strong>Oss</strong> 2013” geldt voor het<br />
verwevingsgebied waarbinnen het plangebied ligt ook een geurnorm van 14 Ou. Rond de kern Teeffelen<br />
geldt een geurnorm van 8 Ou. De bebouwde kom van Teeffelen heeft op grond van de ontwerp<br />
Verordening een geurnorm van 6 Ou.<br />
De geurcontour van 14 Ou van de varkenshouderij Weteringstraat 1-3 ligt binnen het verwevingsgebied.<br />
Binnen deze contour bevinden zich geen voor geur gevoelige objecten. Binnen de 3 Ou contour van het<br />
bedrijf ligt één geurgevoelig object, namelijk een woning aan de Oijenseweg 273. Op die locatie geldt een<br />
geurnorm van 14 Ou.
Geurcontouren voorgrondbelasting (default) 3 Ou (bruin) en 14 Ou (blauw)<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 20 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Vanwege de al vrij grote afstand van de 3 Oudeur-contour tot de dorpskern van Teeffelen en vanwege de<br />
geringe uitbreiding van de geuremissie als gevolg van het plan (14.000 Ou/sec), zullen er naar<br />
verwachting geen woningen binnen de 2 Oudeur-contour liggen.<br />
Conclusie<br />
Zowel op grond van de geldende “Verordening geurhinder en veehouderij 2008, gemeente Lith” als op<br />
grond van de ontwerp “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente <strong>Oss</strong> 2013” geldt dat er binnen<br />
de geldende geurcontouren geen geurgevoelige objecten aanwezig zijn.<br />
Achtergrondbelasting<br />
De achtergrondbelasting moet worden meegewogen bij het opstellen van ruimtelijke plannen.<br />
Door een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 oktober 2009 zijn de normen van de Wet<br />
geurhinder en veehouderij niet in de omgekeerde werking van toepassing. In het kader van de<br />
omgekeerde werking moet worden getoetst aan de vraag of in de nieuwe situatie sprake is van een<br />
aanvaardbaar woon-, leef- en werkklimaat bij voor geur gevoelige objecten in de omgeving van de<br />
varkenshouderij.<br />
In de “Geurgebiedsvisie 2008, gemeente Lith” zijn normen opgenomen voor achtergrondbelasting. Deze<br />
normen zijn afgeleid uit de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij.<br />
In deze geurgebiedsvisie is aangegeven dat er in de bebouwde kom sprake is van een acceptabel<br />
geurniveau bij een achtergrondgeurbelasting van 0-6 OuE/m 3 , een afweegbaar geurniveau bij 6-10<br />
OuE/m 3 en een slechte geursituatie bij meer dan 10 OuE/m 3 . Volgens deze geurgebiedsvisie is in het<br />
buitengebied sprake van een acceptabel geurniveau bij een achtergrondgeurbelasting van 0-28 OuE/m 3 ,<br />
een afweegbaar geurniveau bij 28-38 OuE/m 3 en een slechte geursituatie bij meer dan 38 OuE/m 3 .<br />
In de ontwerp “Geurgebiedsvisie 2013” zijn nieuwe streef- en toetswaarden voor achtergrondbelasting<br />
opgenomen. Volgens deze gebiedsvisie is in de bebouwde kom van Teeffelen sprake van een<br />
achtergrondbelasting die als “goed” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van 0-6 OuE/m 3 , een<br />
achtergrondbelasting die als “voldoende” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van 6-13 OuE/m 3 en<br />
een achtergrondbelasting die als “onvoldoende” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van meer<br />
dan 13 OuE/m 3 . Volgens deze geurvisie is in het buitengebied sprake van een achtergrondbelasting die<br />
als “goed” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van 0-10 OuE/m 3 , een achtergrondbelasting die als<br />
“voldoende” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van 10-20 OuE/m 3 en een achtergrondbelasting<br />
die als “onvoldoende” kan worden aangemerkt bij een geurniveau van meer dan 20 OuE/m 3 .<br />
Het RMB heeft in november 2011 de achtergrondbelasting berekend volgens de op dat moment<br />
vergunde situatie. (Zie onderstaande kaartuitsnede).
Achtergrondbelasting Teeffelen (RMB 2011)<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 21 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Op grond van de normen volgens de “Geurgebiedsvisie 2008, gemeente Lith” was in Teeffelen in 2011<br />
grotendeels sprake van een acceptabel geurniveau.<br />
Bij de voorbereiding van het nieuwe geurbeleid, zoals vastgelegd in de ontwerp “Geurgebiedsvisie 2013”,<br />
heeft adviesbureau Arcadis nieuwe berekeningen van de achtergrondbelasting gemaakt. Hierbij is<br />
gebruik gemaakt van de op dat moment beschikbare gegevens van geuremissies van alle veehouderijen<br />
binnen 2 km rond de kom van Teeffelen (zie onderstaande kaartuitsnede).<br />
Achtergrondbelasting Teeffelen<br />
De varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-3 had in 1995 een milieuvergunning voor 46.000 Ou/sec. Op<br />
13 april 2012 is een vergunning verleend voor 56.616,8 Ou/sec.<br />
De uitbreiding van dit bedrijf leidt tot meer geuremissie. De varkenshouderij ligt op ruim 700 meter<br />
afstand van Teeffelen. Vanwege deze afstand zal de toename in geuremissie nauwelijks bijdragen aan<br />
de bestaande achtergrondbelasting op de kom van Teeffelen. De achtergrondbelasting wordt in Teeffelen<br />
vooral bepaald door de bedrijven die direct rond de kern liggen.<br />
R&S advies heeft de achtergrondbelasting van geur door van de uitbreiding van de varkenshouderij<br />
berekend (zie onderstaande kaartuitsnede).
Achtergrondbelasting Teeffelen (R&S advies, 2012)<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 22 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Uit deze berekening komt naar voren dat na uitbreiding van de varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-<br />
3 sprake is van een goed woon- en leefklimaat in Teeffelen. De gehanteerde indeling van toetswaarden<br />
komt niet helemaal overeen met de toetswaarden volgens de geldende en toekomstige geurgebiedsvisies<br />
van de gemeente <strong>Oss</strong>.<br />
Dit betekent dat volgens de “Geurgebiedsvisie 2008, gemeente Lith” is er sprake van een acceptabel<br />
geurniveau. Volgens de ontwerp “Geurgebiedsvisie 2013” is sprake van een achtergrondbelasting die als<br />
“goed” tot “voldoende” kan worden aangemerkt.<br />
Conclusie<br />
Uit het onderzoek komt naar voren dat, op basis van de streef- en toetswaarden voor de<br />
achtergrondbelasting, het woon- en leefklimaat in de gehele kom van Teeffelen goed is. Het woon- en<br />
leefklimaat zal nauwelijks beïnvloed worden door de vergunde extra geuremissie door de uitbreiding van<br />
de varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-3.<br />
Gezien de berekende geuremissie en de ruime afstand tot omliggende gevoelige objecten is niet te<br />
verwachten dat het bedrijf qua geurhinder voor een overbelaste situatie zal gaan zorgen. De omliggende<br />
geurgevoelige objecten staan uitbreiding van het bouwblok ten behoeve van de intensieve<br />
veehouderij dan ook niet in de weg.<br />
5.1.4 Luchtkwaliteit<br />
In de Wet Luchtkwaliteit worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een<br />
maximumwaarde voor de hoeveelheid fijn stof die zich in de lucht bevindt. Volgens de wettelijke normen<br />
mag deze concentratie maximaal 40 µg/m³ bedragen.<br />
In verband met de uitbreiding van het bedrijf zijn berekeningen van de stofemissie gemaakt. Deze zijn in<br />
de bijlage ‘Ruimtelijke onderbouwing Bouwblokvergroting varkenshouderij Weteringstraat VOF’<br />
opgenomen.<br />
Uit de berekening blijkt dat de maximale bijdrage ten opzichte van woningen van derden ruim onder de<br />
maximale waarde van 40 µg/m³ blijft.<br />
De grenswaarde van het 24-uurgemiddelde (50 µg/m 3 ) mag maximaal 35 maal per kalenderjaar worden<br />
overschreden. Ook deze grenswaarde wordt niet overschreden.<br />
De bouwblokvergroting zal niet leiden tot een significant grotere verkeersaantrekkende werking. Het plan<br />
heeft verder geen gevolgen voor de luchtkwaliteit.
5.1.5 Externe veiligheid<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 23 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Externe veiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke<br />
stoffen. Het kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is<br />
verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Bij het normeren van de risico’s wordt onderscheid<br />
gemaakt in twee grootheden: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).<br />
Het PR is de kans per jaar op het overlijden van een onbeschermd individu naar aanleidingen van een<br />
bepaalde activiteit. Het PR wordt weergegeven met contouren rondom de risicobron. Binnen deze<br />
zogenaamde PR 10-6 contour mogen zich geen kwetsbare objecten bevinden, zoals woningen.<br />
Het Groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans per jaar dat minimaal een aantal personen het slachtoffer<br />
wordt van een ongeval. Het gebied waarbinnen het groepsrisico speelt, wordt aangeduid als het<br />
invloedsgebied. Voor het GR geldt (in tegenstelling tot het PR) geen harde norm maar een<br />
oriëntatiewaarde. Voor iedere toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.<br />
De Weteringstraat 1-3 ligt buiten alle invloedsgebieden die over gedeelten van de gemeente <strong>Oss</strong> liggen.<br />
Externe veiligheid speelt daarom geen rol in dit plan.<br />
5.2 Gezondheidsaspecten<br />
Stoffen zoals ammoniak, fijn stof en biologische agentia in de intensieve veehouderij spelen een<br />
belangrijke rol bij het optreden van gezondheidseffecten in de omgeving.<br />
Op basis van de op dit moment bekende publicaties en onderzoeken adviseert GGD Nederland dat<br />
binnen een straal van 250 meter rond intensieve veehouderijen het voorzorgsprincipe leidend zou<br />
moeten zijn. Binnen 250 meter van intensieve veehouderijen zijn hogere concentraties gemeten van fijn<br />
stof, endotoxinen en veespecifieke MRSA-bacterie met mogelijk negatieve gezondheidseffecten.<br />
De GGD adviseert bij planontwikkeling en nieuwbouw om geen intensieve veehouderijen in een straal<br />
van 250 meter rond gevoelige bestemmingen op te richten en geen gevoelige bestemmingen binnen 250<br />
meter van intensieve veehouderijen te bouwen.<br />
Dit advies is verwoord in het Informatieblad Intensieve Veehouderij en Gezondheid, Update 2011<br />
(oktober 2011).<br />
Aan de zuidoostzijde van de intensieve varkenshouderij Weteringstraat 1-3 ligt op ruim 400 meter één<br />
woning. Op ruim 700 meter afstand ten westen van het bedrijf ligt de kern Teeffelen. De kern <strong>Oss</strong> ligt op<br />
circa 1,5 kilometer ten zuiden van het bedrijf. Dit betekent dat ruim wordt voldaan aan de aan te houden<br />
adviesafstand van 250 meter.<br />
Bij de uitbreiding van de bestaande intensieve varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-3 wordt aan het<br />
voorzorgprincipe voldaan. Er zijn vanuit het perspectief van gezondheid dan ook geen problemen te<br />
verwachten.<br />
5.3 Waterhuishouding<br />
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende<br />
principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik.<br />
Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de<br />
waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals<br />
wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging, te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)<br />
stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in<br />
het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 24 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Gebied<br />
Het plangebied maakt deel uit van het stroomgebied Hertogswetering. Het beleid van het waterschap is<br />
om te proberen om 100% van het verhard oppervlak af te koppelen en het schone regenwater te<br />
infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen<br />
niet mogelijk is kan gekozen worden voor afvoeren. De keuze van voorziening moet uiteraard afgestemd<br />
zijn op de kenmerken van de ondergrond.<br />
Uit informatie van de Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied met name<br />
geschikt is voor het aanleggen van een bovengrondse bergings- en infiltratievoorziening. Het plangebied<br />
is namelijk gelegen in een gebied met een grondwaterdynamiek met een gemiddeld hoogste<br />
grondwaterstand (GHG) variërend van 0,60 - 0,80 m onder maaiveld (-mv) en een gemiddeld laagste<br />
grondwaterstand (GLG) van 1,20 m-mv of dieper. Tevens is het plangebied gelegen in de nabijheid van<br />
een gebied waar soms maaiveldkwel optreedt.<br />
Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied (25-jaarszone), maar grenst hier<br />
wel aan.<br />
Beïnvloeding van het waterhuishoudkundig systeem<br />
Door de beoogde realisatie van het bouwplan zullen er wijzigingen plaatsvinden aan de verharde<br />
oppervlakten. De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse zal derhalve veranderen. Een aspect binnen<br />
het plangebied is de afkoppeling en eventuele infiltratie van hemelwater in de bodem. Infiltratie van<br />
hemelwater biedt namelijk voordelen tegenover de gebruikelijke afvoermethoden via het<br />
oppervlaktewater of via rioleringssystemen.<br />
Deze voordelen zijn onder andere:<br />
• verdroging van de bodem wordt tegengegaan en de natuurlijke waterkringloop wordt verbeterd;<br />
• minder of geen belasting van het rioolstelsel. Daardoor zullen minder of geen overstorten plaatsvinden,<br />
zodat minder vuillast in het oppervlaktewater terecht komt;<br />
• lagere piekaanvoer op de Riool Water Zuivering Installatie (RWZI);<br />
• mogelijkheid tot hergebruik van (geïnfiltreerd) water.<br />
Infiltratie van regenwater is in Nederland een relatief nieuwe ontwikkeling. In Duitsland is hiermee al meer<br />
ervaring opgedaan en is vastgelegd dat minimaal een infiltratiesnelheid (k-waarde) van 1-5.10 -6 m/s (circa<br />
0,09-0,43 meter/dag ofwel 3,6-18 mm/h) vereist is voor het succesvol toepassen van regenwaterinfiltratie.<br />
De reden die hiervoor wordt opgegeven is dat er bij lagere doorlatendheden reducerende<br />
omstandigheden kunnen optreden in de onverzadigde zone, die een ongunstige invloed kunnen hebben<br />
op het retentie- en omzettingsvermogen ervan. Daarnaast is bij lagere doorlatendheden ook een groot<br />
ruimtebeslag nodig voor het aanleggen van infiltratievoorzieningen. Bovendien moet er rekening mee<br />
worden gehouden dat deze langer (dagen achtereen) water blijven voeren, hetgeen onwenselijk kan zijn<br />
in een (woon)omgeving.<br />
De doorlatendheid van een bodem is afhankelijk van vele factoren, onder meer poriëngrootte, de<br />
continuïteit van de poriën, de poriënvorm, het poriënaantal, de geometrie van de poriënkanalen en de<br />
diepte tot de grondwaterstand. De poriëngrootte en de verdeling ervan hangen in de eerste plaats van de<br />
bodemsoort en de bodemstructuur af. Bovendien is de doorlatendheid afhankelijk van de<br />
verzadigingsgraad en kan ze beïnvloed worden door micro-organismen. Hieruit kan worden afgeleid dat<br />
de infiltratiesnelheid van de ondergrond geen constante waarde heeft, maar van plaats tot plaats varieert,<br />
waarbij zelfs op vrij kleine schaal belangrijke verschillen kunnen optreden.<br />
Locatie plangebied<br />
Het plangebied ligt in het buitengebied ten oosten van het dorp Teeffelen en ten noorden van de stad<br />
<strong>Oss</strong>, beide gemeente <strong>Oss</strong>. Het gebied wordt in het zuiden en westen begrensd door respectievelijk de<br />
Weteringstraat en de Hoefstraat. Rondom het plangebied zijn voorts agrarische percelen gelegen waar<br />
de hoofdwaterlopen Teeffelensche Wetering en Hertogswetering doorheen stromen. De omgeving kan<br />
derhalve worden beschreven als agrarisch buitengebied. Het gebied kent geen duidelijke<br />
hoogteverschillen en is geologisch gezien gelegen nabij de Peelrandbreuk, op een gemiddelde hoogte<br />
van circa 5 meter + NAP. In paragraaf 6.1.1 Inrichtingsplan en beplanting is een schets van de<br />
toekomstige situatie weergegeven.
Van het bouwplan zijn verder de volgende gegevens bekend:<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 25 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Locatie : Weteringstraat 1-3 te Teeffelen;<br />
huidige en toekomstige bestemming : agrarisch;<br />
totale oppervlakte plangebied : 13.750 m 2 ;<br />
bestaand verhard oppervlak : 8.200 m 2 , waarvan:<br />
dak : 4.700 m 2 ;<br />
terreinverharding : 3.500 m 2 ;<br />
totaal extra verhard oppervlak (dak) : 4.000 m 2 .<br />
De watersystemen zoals die in de locatie en omgeving voorkomen worden onderverdeeld in grondwater,<br />
oppervlaktewater, regenwater en afvalwater.<br />
Grondwater<br />
Het heersende grondwaterpeil in de omgeving van het plangebied is circa 1,2 meter beneden maaiveld.<br />
De stromingsrichting van het grondwater is volgens de kaart Dienst Grondwaterverkenning TNO globaal<br />
noordwestelijk. Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige<br />
grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en<br />
grondwaterstroming op de locatie.<br />
Oppervlaktewateren<br />
Binnen de locatie is een kleine waterpoel aanwezig. Op een afstand van circa 250 meter ten oosten van<br />
het plangebied stroomt de hoofdwaterloop Teeffelensche Wetering. Op een afstand van circa 350 meter<br />
ten zuiden van het plangebied stroomt de Hertogswetering.<br />
Ecosystemen<br />
Het plangebied ligt niet in een natuurgebied. Ook in de directe nabijheid van de locatie is geen<br />
natuurgebied gelegen. Op een afstand van circa 2.000 meter ten noordwesten van het plangebied is de<br />
Alphense Waard en Hemelrijksche Waard gelegen. Deze aan elkaar grenzende gebieden en de twee<br />
voornoemde hoofdwaterlopen behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).<br />
Bodem<br />
Uit informatie van de Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat de bodem ter plaatse van<br />
het plangebied uit rivierklei bestaat.<br />
Hydrologische gegevens<br />
Voor de dimensionering van de eventuele infiltratie- of bergingsvoorzieningen zijn de volgende<br />
parameters van belang:<br />
• de k-waarde van de ondergrond. Voor de snelheid van wateropname in een pakket opgebouwd uit<br />
rivierklei is vooralsnog een k-waarde van 0,1 meter per dag aangehouden;<br />
• de afgekoppelde oppervlakken die worden aangesloten op de voorziening;<br />
• de te verwachten neerslag, evenals de intensiteit ervan.<br />
Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in<br />
dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar<br />
oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest<br />
wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is:<br />
1. hergebruiken;<br />
2. vasthouden;<br />
3. bergen;<br />
4. afvoeren naar oppervlaktewater.<br />
Deze trits dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt<br />
gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet<br />
mogelijk zijn, is het noodzakelijk om water te bergen of af te voeren naar oppervlaktewater.<br />
Binnen het plangebied zijn de mogelijkheden voor infiltratie beperkt. De doorlatendheid van de bodem is<br />
te laag om infiltratie van hemelwater op een efficiënte wijze toe te passen. Dit betekent dat berging van<br />
hemelwater moet plaatsvinden.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 26 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Bij 'bergen' kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een buffersloot met een geknepen afvoer naar een<br />
watergang. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient te worden berekend met een neerslagreeks van<br />
T = 10 + 10%. De initiatiefnemer dient deze berging op eigen terrein te realiseren. De afvoer vanuit de<br />
berging mag niet meer bedragen dan de afvoer in de oorspronkelijke situatie. Deze afvoer is<br />
locatiegebonden en varieert grofweg van 0,1 tot 2 l/s/ha. Voor de projectlocatie geldt een<br />
afvoercoëfficiënt van 0,43 l/s/ha. Bij de berekeningen van de maatgevende berging en de berging bij<br />
extreme neerslag, een neerslagreeks van T = 100 + 10%, wordt derhalve uitgegaan van een gemiddelde<br />
afvoer van 0,43 l/s/ha.<br />
De maatgevende berging uitgaande van een toename van het verhard oppervlak met 4.000 m² bedraagt<br />
200 m 3 waarbij een hoeveelheid van 270 m 3 geen overlast bij derden mag veroorzaken. De berekende<br />
hoeveelheid hemelwater zal middels een reeds op het terrein aanwezige buffersloot worden geborgen.<br />
Het hemelwater wat op de verharde oppervlakken valt zal derhalve via een regenwaterriolering, of over<br />
het maaiveld, worden afgevoerd naar de bergingsvoorziening waar het kan infiltreren in de bodem.<br />
In de bijlage is de berekening van de maatgevende berging, middels het Toetsinstrumentarium<br />
Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, weergegeven.<br />
Aangezien het hemelwater niet op het riool wordt afgevoerd maar op bovenstaande wijze op locatie<br />
geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd wordt, dient er rekening gehouden te worden met de<br />
eventuele verontreinigingen in de bodem. Uit historisch bodemonderzoek (Tritium Advies, 1105/041/RV-<br />
2, d.d. 21-7-2011) blijkt echter dat er aangenomen kan worden dat er op de onderzoekslocatie geen<br />
sprake is van bodemverontreiniging. Er zijn derhalve geen humane, ecologische of verspreidingsrisico’s<br />
te verwachten.<br />
Locatie en dimensionering bergings- en infiltratievoorziening<br />
In de onderhavige situatie wordt ervoor gekozen om de reeds aanwezige buffersloot als bergings- en<br />
infiltratievoorziening te gebruiken. In deze laagte in het bodemprofiel kan het afgekoppelde regenwater<br />
zich verzamelen, wordt het geborgen en infiltreert het vervolgens langzaam in de bodem. Ook bij hevige<br />
regenval zal de sloot als een buffer werken.<br />
Gezien het af te koppelen dakoppervlak en terreinverharding en de te bergen “neerslaggebeurtenis” dient<br />
de buffersloot een minimale bergingscapaciteit van 270 m 3 te hebben. In de in paragraaf 6.1.1<br />
Inrichtingsplan en beplanting opgenomen situatietekening is de locatie van de buffersloot weergegeven.<br />
In navolgende figuur 1 wordt schematisch een bovenaanzicht en dwarsdoorsnede van de buffersloot<br />
weergegeven. In de figuur is tevens aangegeven aan welke maatvoering de buffersloot minimaal dient te<br />
voldoen.<br />
Tussen de buffersloot en de rest van het watersysteem dient een vertragende voorziening te worden<br />
gerealiseerd. Deze vertragende voorziening moet er voor zorgen dat de afvoercoëfficiënt van 0,43l/s/ha<br />
niet wordt overschreden. Dit komt neer op een debiet van niet meer dan 0,17 l/s.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 27 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
In de buffersloot dient een bovengrondse noodoverloop te worden geïnstalleerd die op het vuilwaterriool<br />
is aangesloten om zo langdurige excessieve regenbuien af te kunnen voeren en wateroverlast tot een<br />
minimum te beperken. Er dient hierbij wel te worden gewaarborgd dat geen verontreinigd (afval)water<br />
terug kan lopen in de buffersloot.<br />
Materiaalgebruik<br />
Afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen<br />
gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Het betreft uitlogende<br />
materialen, zoals zink en lood. Dat betekent dat slechts duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt<br />
mogen worden.<br />
Overige aandachtspunten<br />
In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste<br />
bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet<br />
verstopt raakt of dicht gaat slibben in de tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze<br />
regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen.<br />
Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te<br />
gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens<br />
gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en<br />
parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn.<br />
Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen<br />
dat het systeem blijft functioneren. Ook moet de noodoverloop regelmatig worden onderhouden.
5.4 Waarden<br />
5.4.1 Inleiding<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 28 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Om te bepalen of de wijzigingen binnen het onderzoeksgebied mogelijk leiden tot overtreding van de<br />
natuurwetgeving is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan maakt onderdeel van de<br />
ruimtelijke onderbouwing en is zodanig bijgevoegd bij dit wijzigingsplan.<br />
5.4.2 Natuurwaarden<br />
Uit de quickscan is gebleken dat er binnen het plangebied mogelijk vogelsoorten voorkomen die staan<br />
vermeld op Flora en Fauna lijst 3 en feitelijk ontheffingsplichtig zijn.<br />
De werkzaamheden voor de overige soortgroepen zullen geen overtreding van de natuurwetgeving tot<br />
gevolg hebben.<br />
Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het onderzoeksgebied voor een aantal soorten vogels<br />
geschikt is als onderdeel van het leefgebied. De nabijgelegen bomen, struikenbegroeiing en bebouwing<br />
kunnen dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gehele gebied geschikt als foerageergebied.<br />
Echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in het<br />
landelijk gebied voorkomen, zoals bijvoorbeeld weide- en watervogels, zijn gunstige biotopen aanwezig.<br />
Voor bos- en struweelvogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn enkel<br />
individuen waargenomen van de boerenzwaluw, kwikstaart, huismus en de houtduif. Vogelnesten zijn niet<br />
waargenomen.<br />
Indien broedende vogels aanwezig zijn kunnen verstorende werkzaamheden als eventuele verwijdering<br />
van de beplanting niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels<br />
aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Door beplanting voor het broedseizoen voor<br />
vogels te verwijderen wordt voorkomen dat vogels er zullen gaan broeden. Indien er op deze manier<br />
wordt gehandeld treden er geen effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het<br />
geheel plaats vinden buiten het broedseizoen worden eveneens geen nadelige effecten verwacht op<br />
vogels. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op bovenstaande wijze zijn er geen nadelige<br />
effecten ten aanzien van vogels en is het niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.<br />
Met deze voorwaarden zal bij de bouw rekening worden gehouden.<br />
5.4.3 Archeologie en cultuurhistorie<br />
Het perceel aan de Weteringstraat 1-3 ligt in een gebied met een hoge archeologische<br />
verwachtingswaarde. De verwachtingswaarden zijn aangegeven in de Archeologische<br />
beleidsadvieskaart.<br />
In eerste instantie is een booronderzoek nodig. Dit wordt ingezet om de archeologische verwachting te<br />
toetsen. Een booronderzoek kan aanleiding geven tot een vervolgonderzoek in de vorm van<br />
proefsleuven.
Archeologische beleidsadvieskaart met legenda<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 29 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Er is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit vooronderzoek maakt onderdeel uit van de<br />
ruimtelijke onderbouwing en is als bijlage bijgevoegd.<br />
Op basis van het archeologische vooronderzoek, een bureau- en verkennend booronderzoek, is voor het<br />
onderzochte plangebied een selectieadvies gegeven door de hiertoe bevoegde archeoloog van de<br />
gemeente <strong>Oss</strong>. Het selectiebesluit geeft aan dat er geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is.<br />
Met het selectiebesluit wordt dit advies door de gemeente <strong>Oss</strong> onderschreven. De initiatiefnemer heeft<br />
met het onderzoek voldaan aan de archeologische verplichting conform het archeologiebeleid en de<br />
archeologieverordening van de gemeente <strong>Oss</strong>. Het selectiebesluit is als bijlage bij het wijzigingsplan<br />
gevoegd.<br />
5.4.4 Verkeer en parkeren<br />
De vergroting van het bouwblok leidt niet tot een relevante toename van het aantal verkeersbewegingen<br />
van en naar het bedrijf. In de verkeersafwikkeling treden geen relevante wijzigingen op door de<br />
bouwblokvergroting.<br />
Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in hoofdstuk 2 van de Verordening ruimte van de provincie<br />
Noord-Brabant. Het plan heeft verkeerstechnisch nauwelijks nadelige gevolgen.<br />
5.5 Duurzame locatie<br />
5.5.1 Inleiding<br />
Zowel in de provinciale structuurvisie als in de provinciale Verordening ruimte is aangegeven dat<br />
ontwikkeling van intensieve veehouderijen op een duurzame locatie tot 1,5 ha mogelijk is. Het begrip<br />
duurzame locatie is overgenomen uit eerdere plannen, zoals het streekplan Noord-Brabant 2002. Er is<br />
destijds ook een “Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve<br />
veehouderij” opgesteld, die nadere invulling en verduidelijking geeft aan geformuleerde provinciaal beleid<br />
met betrekking tot duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij. Op<br />
basis van de structuurvisie van de provincie zijn (nog) geen concrete toetsingscriteria aangewezen om te<br />
toetsten of een locatie duurzame is. Daarom wordt de beoordeling of deze locatie een duurzame locatie<br />
betreft gebaseerd op de vertaling van de criteria van de eerder genoemde handleiding naar actueel<br />
beleid.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 30 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
De beoordeling of de Weteringstraat 1-3 een duurzame locatie is, is gebaseerd op 12 aspecten. Deze<br />
aspecten komen voornamelijk voort uit de “Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties<br />
voor de intensieve veehouderij”.<br />
5.5.2 Beoordeling duurzame locatie<br />
a. Structuurvisie<br />
In de structuurvisie van de provincie Noord-Brabant is het plangebied aangewezen als een “accentgebied<br />
agrarische ontwikkeling”. Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische<br />
productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en<br />
intensivering van de landbouw.<br />
b. Verordening ruimte<br />
In de Verordening ruimte is het plangebied aangemerkt als een “verwevingsgebied”. In dit gebied is een<br />
beperkte ontwikkeling van intensieve veehouderij mogelijk, mits het een duurzame locatie betreft.<br />
c. Stankgevoeligheid<br />
Wat stankgevoelige objecten zijn is bepaald in de Wet Geurhinder en Veehouderijen en bijbehorende<br />
regeling. De uitbreiding van het bouwblok zorgt er voor dat nog steeds aan de minimale afstand van<br />
gevel tot gevel van 25 meter en de minimale afstand van 50 meter tot het dichtstbijzijnde<br />
veehouderijbedrijf wordt voldaan.<br />
In paragraaf 5.1.3 wordt uitgebreid op het aspect geurhinder ingegaan.<br />
d. Verzuring gevoelig gebied<br />
Met de inwerkingtreding van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn de voor verzuring gevoelige<br />
gebieden vervangen door kwetsbare en zeer kwetsbare gebieden (zkg). Alleen in de zkg en een zone<br />
van 250 meter hieromheen gelden beperkingen voor veehouderijen.<br />
Uit de provinciale “Wet ammoniak en veehouderijkaart” blijkt dat het plangebied ver verwijderd ligt van<br />
zeer kwetsbare gebieden en ook ruim buiten de 250 meter zone rond Wav-gebieden ligt.<br />
e. Ecologische verbindingszone<br />
In de Verordening ruimte is de ecologische hoofdstructuur aangegeven. Het plangebied doorkruist deze<br />
hoofdstructuur niet.<br />
f. Cultuurhistorische waarden<br />
In de Verordening ruimte zijn de cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangegeven. Hier ligt het<br />
plangebied binnen.<br />
Conform de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 (CHW) van de provincie Noord-Brabant ligt het<br />
plangebied binnen het cultuurhistorische vlak ‘Beerse Overlaat’. Strategie daarvoor is om de waarden en
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 31 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
kenmerken planologisch te beschermen. Het gaat dan om de Hertogswetering, de Roode Wetering, de<br />
eendenkooien, de huizen op terpen, de Peeldam bij Velp, de Groene Dijk bij Haren, de Erfdijk bij Herpen,<br />
de dijken en kades aan de noordkant van de Beerse Maas, aangelegd ter bescherming van de dorpen<br />
aan de Maas en de sluis bij Treurenburg.<br />
Realisatie van dit verzoek heeft geen (negatieve) invloed op de te beschermen waarden binnen dit<br />
cultuurhistorische vlak.<br />
g. Openheid<br />
Het plan maakt slechts extra bebouwing mogelijk die aansluit bij de bestaande bebouwing. Het<br />
toekomstige bouwblok zal niet veel verder het open gebied insteken. Het plan is hierdoor nauwelijks van<br />
invloed op de zichtlijnen in de omgeving. Door het inrichtingsplan dat bij dit plan hoort, wordt voldaan aan<br />
een goede landschappelijke inpassing.<br />
h. Archeologische hoge verwachtingswaarde<br />
De locatie ligt conform de Archeologische beleidsadvieskaart grotendeels in een gebied met een hoge<br />
archeologische verwachtingswaarde.<br />
Er is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit vooronderzoek maakt onderdeel uit van de<br />
ruimtelijke onderbouwingen is als bijlage bijgevoegd.<br />
Op basis van het archeologische vooronderzoek, een bureau- en verkennend booronderzoek, is voor het<br />
onderzochte plangebied een selectieadvies gegeven door de hiertoe bevoegde archeoloog van de<br />
gemeente <strong>Oss</strong>. Het selectiebesluit is dat er geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Met<br />
het selectiebesluit wordt dit advies door de gemeente <strong>Oss</strong> onderschreven. De opdrachtgever heeft door<br />
het laten uitvoeren van het onderzoek voldaan aan de archeologische verplichting conform het<br />
archeologiebeleid en -verordening van de gemeente <strong>Oss</strong>. Het selectiebesluit is als bijlage bij het<br />
wijzigingsplan gevoegd.<br />
i. Aardkundig waardevol gebied<br />
In de Verordening ruimte staan de aardkundig waardevolle gebieden aangegeven. Hier ligt het<br />
plangebied niet binnen.<br />
j. Grondwaterbeschermingsgebieden<br />
In de Verordening ruimte staat dat het plangebied niet valt binnen een waterwingebied, 25-jaarszone<br />
kwetsbaar of één van de andere belangrijke gebieden met betrekking tot waterbescherming.<br />
k. Regionale waterberging<br />
In de Verordening ruimte zijn de regionale waterbergingsgebieden aangewezen. Het plangebied ligt daar<br />
buiten. Ook ligt het plangebied niet in een reserveringsgebied voor waterberging.<br />
l. Beperken directe hinder<br />
De uitbreiding van het bouwvlak leidt niet tot directe hinder voor de omgeving.<br />
Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de locatie van het plangebied is aan te merken als een<br />
duurzame locatie.<br />
5.6 M.e.r.-beoordeling<br />
Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. De wijziging houdt in dat als nieuwe<br />
activiteiten of projecten mogelijk worden gemaakt, moet worden afgewogen of een m.e.r.-beoordeling<br />
nodig is of niet. Een m.e.r.-beoordeling is nodig als niet kan worden uitgesloten dat het betreffende<br />
project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben op grond van de selectiecriteria in<br />
bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Die selectiecriteria hebben onder meer betrekking<br />
op de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en de aard van de omgeving.<br />
In de zin van de m.e.r.-regelgeving wordt met dit wijzigingsplan slechts een ondergeschikte uitbreiding<br />
van het bedrijf mogelijk gemaakt. Mede gezien wat in deze toelichting en in de ruimtelijke onderbouwing<br />
bij deze toelichting wordt opgemerkt over de afzonderlijke milieuaspecten, heeft dit project geen<br />
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 32 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
In verband met de aanvraag van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen<br />
omgevingsrecht (Wabo) voor de eerste fase van de uitbreiding van het bedrijf heeft een m.e.r.beoordeling<br />
plaatsgevonden. Bij deze beoordeling is ook de tweede fase betrokken.<br />
Naar aanleiding van de ingediende aanmeldingsnotitie is voor de eerste fase van de uitbreiding<br />
geconcludeerd dat gezien de kenmerken van het oprichten van een nieuwe vleesvarkenstal en uitbreiding<br />
van plaatsen in de bestaande vleesvarkensstallen bij een bestaande varkenshouderij, de plaats waar het<br />
bedrijf is gevestigd, de samenhang met andere activiteiten ter plaatse en de kenmerken van de gevolgen<br />
die het bedrijf veroorzaakt, er géén sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.<br />
Het oprichten van een stal wordt ook niet als een bijzondere omstandigheid beschouwd, die vereist dat bij<br />
de voorbereiding van het besluit ten aanzien van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de op<br />
te richten stal bij het bestaande bedrijf een MER moet worden opgesteld.<br />
Met het onderhavige wijzigingsplan wordt een beperkte uitbreiding van het bestaande bedrijf mogelijk<br />
gemaakt. Er bestaat dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van een extra m.e.r.-beoordeling.
Hoofdstuk 6 Toelichting op het plan<br />
6.1 Ruimtelijke uitgangspunten<br />
6.1.1 Inrichtingsplan en beplanting<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 33 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
De vergroting van het bouwvlak wordt gecompenseerd door realisatie ven een landschappelijke inrichting<br />
van het perceel.<br />
Met dit inrichtingsplan wordt tegemoet gekomen aan de aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering<br />
van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie van het<br />
gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft, zoals aangegeven in de Verordening ruimte van de<br />
provincie Noord-Brabant.<br />
Het landschappelijke inrichtingsplan maakt onderdeel uit van de overeenkomst die is gesloten met de<br />
initiatiefnemer. Hierdoor is realisatie van het inrichtingsplan in het kader van de realisatie van het plan<br />
verzekerd. Het inrichtingsplan is als bijlage bij dit wijzigingsplan gevoegd.<br />
Landschappelijk inrichtingsplan<br />
Binnen het bouwblok wordt een groenstrook gerealiseerd van 1500 m 2 . Hiermee wordt 10% van het<br />
bouwblok aangewend voor landschappelijke inpassing. Deze inpassing bestaat onder andere uit knotessen,<br />
bloemrijk grasland en een poel. Ook de al bestaande beplanting maakt onderdeel uit van de<br />
groene inrichting.
6.1.2 Passendheid in de omgeving<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 34 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
De nieuwe stal wordt achter een van de bestaande stallen gesitueerd. De stalrichting van de nieuwe stal<br />
is gelijk aan de richting van de bestaande stallen. Het geheel volgt dus de verkaveling van het<br />
slagenlandschap ter plaatse.<br />
Zowel ten oosten als ten westen van de nieuwe stal wordt een bomenrij aangepland. Deze bomen volgen<br />
de lijnen in het landschap en zorgen zo voor een versterking van het slagenlandschap.<br />
De toegepaste boomsoort, es (in knotvorm) is kenmerkend voor de Oijense Polder.<br />
Ook de bestaande (te handhaven) bomenrij aan de westzijde, bestaande uit (knot)wilgen benadrukken de<br />
lijnen in het landschap.<br />
Robuuste (onder)beplanting is ongewenst gezien de situering tegen het weidevogelgebied aan.<br />
De sloot aan de oostzijde zorgt voor waterberging. Deze sloot benadrukt daarbij het natte karakter van<br />
het gebied en de slagenverkaveling.<br />
De aanleg van een (amfibieën)poel is passend in dit waterrijke, natte gebied.<br />
Tot slot zal het bloemrijke grasland gunstig zijn voor de natuur, zowel flora als fauna (vooral insecten)<br />
zullen hier baat bij hebben.<br />
6.1.3 Zorgvuldig ruimtegebruik<br />
Uitbreiding van het bouwblok is noodzakelijk om het agrarische bedrijf te kunnen laten voldoen aan de<br />
eisen van het Besluit huisvesting. De bebouwing wordt zoveel mogelijk tegen de bestaande bebouwing<br />
aan gerealiseerd waardoor het bouwvlak zo compact mogelijk blijft en de openheid van het landschap zo<br />
min mogelijk wordt aangetast. Hiermee wordt voldaan aan de Verordening ruimte van de provincie<br />
Noord-Brabant voor wat betreft zorgvuldig ruimtegebruik.
Hoofdstuk 7 Toelichting op de regels<br />
7.1 Toelichting op de regels<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 35 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Een <strong>bestemmingsplan</strong> bevat regels die het juridische instrumentarium geven voor het regelen van het<br />
gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing.<br />
Het wijzigingsplan wordt digitaal en analoog verbeeld, en gaat vergezeld van deze toelichting. De<br />
toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het wijzigingsplan. Wel heeft<br />
zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan.<br />
Omdat het hier gaat om een wijzigingsplan wordt aangesloten bij de regels van het <strong>bestemmingsplan</strong><br />
‘<strong>Buitengebied</strong>’. In dit wijzigingsplan is geoordeeld dat het plan voldoet aan de voorwaarden die gesteld<br />
worden aan een wijzigingsbevoegdheid conform artikel 27.1.1 van het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’.<br />
Verder zijn de regels van de bestemming “Agrarisch gebied” met een “agrarisch bouwblok” van<br />
toepassing.<br />
Voor dit wijzigingsplan worden er geen nieuwe regels gemaakt. In de regels wordt verwezen naar de<br />
betreffende regels van het <strong>bestemmingsplan</strong> ‘<strong>Buitengebied</strong>’ van de voormalige gemeente Lith. Het gaat<br />
om het <strong>bestemmingsplan</strong> dat door de gemeenteraad van Lith op 31 januari 2002 is vastgesteld en<br />
vervolgens op 17 september 2002 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-<br />
Brabant.<br />
7.2 Toelichting op de verbeelding<br />
Onderdeel van dit wijzigingsplan zijn een analoge en digitale verbeelding. Op deze verbeeldingen is de<br />
Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 niet van toepassing op grond van artikel 8.1.2. van het<br />
Bro. In het Bro is aangegeven dat niet aan de digitaliseringsverplichting hoeft te worden voldaan als het<br />
moederplan op papier is vormgegeven.<br />
De digitale verbeelding wordt daarom als een digitaal pdf-bestand ter beschikking gesteld.
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid<br />
8.1 Economische uitvoerbaarheid<br />
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 36 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
De aanleg van de voorgestane ontwikkeling, de plankosten en andere bijkomende kosten komen voor<br />
rekening van de aanvrager. De afspraken hieromtrent worden vastgelegd in een anterieure<br />
overeenkomst.<br />
Om het agrarische bedrijf te kunnen laten voldoen aan landelijke wetgeving is de bouwblokvergroting<br />
noodzakelijk. Door de aanpassing kan het agrarische bedrijf optimaal functioneren.<br />
8.2 Kostenverhaal<br />
In de Wet ruimtelijke ordening zijn onder meer bepalingen over grondexploitatie opgenomen. Het doel<br />
van deze bepalingen is onder andere om bij nieuwe ontwikkelingen de mogelijkheden voor<br />
gemeentebesturen te verbeteren om exploitatiekosten te verhalen. De wet heeft als uitgangspunt dat de<br />
gemeente bij de vaststelling van (onder meer) een <strong>bestemmingsplan</strong> kosten moet verhalen indien er<br />
sprake is van een bouwplan. Voor het kostenverhaal dient een exploitatieplan vastgesteld te worden,<br />
tenzij (onder meer) het kostenverhaal anderszins verzekerd is.<br />
In het Besluit ruimtelijke ordening is aangegeven wat onder een bouwplan wordt verstaan.<br />
Indien er sprake is van een bouwplan, vindt kostenverhaal op de verzoeker plaats via een zogenoemde<br />
anterieure overeenkomst, dan wel met toepassing van de Legesverordening <strong>Oss</strong> 2011. Daarmee is het<br />
kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ en hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden.<br />
8.3 Planschade<br />
Bij een nieuwe ontwikkeling is het planschaderisico waar nodig via een planschaderisicoanalyse vooraf<br />
ingeschat, en worden eventuele planschadekosten op de initiatiefnemer afgewenteld via een<br />
overeenkomst. In dit geval doet zich geen situatie voor waarin voorshands aangenomen moet worden dat<br />
een dergelijke afwenteling niet mogelijk is.<br />
Overigens wordt planschade tot op zekere hoogte geacht tot het maatschappelijk risico te behoren, en<br />
komt planschade niet voor vergoeding in aanmerking voor zover deze voorzienbaar is.<br />
Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat dit wijzigingsplan economisch<br />
uitvoerbaar is.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 37 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid<br />
9.1 Inspraak voorontwerp<br />
In de Inspraakverordening gemeente <strong>Oss</strong> 2007 staat dat het bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn<br />
eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Het is<br />
noodzakelijk om inspraak te verlenen indien de wet daartoe verplicht. De Wro en de Algemene wet<br />
bestuursrecht (Awb) verplichten het verlenen van inspraak bij het opstellen van een wijzigingsplan niet.<br />
Het voorontwerp-wijzigingsplan heeft op grond van de Inspraakverordening gemeente <strong>Oss</strong> 2007 en<br />
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van 29 december 2011 tot en met 8 februari 2012 voor<br />
iedereen ter inzage gelegen en is gedurende die periode digitaal beschikbaar gesteld. Hiervan is<br />
mededeling gedaan op de gemeentelijke website en in het huis-aan-huisblad <strong>Oss</strong> Actueel van 28<br />
december 2011. Gedurende deze periode konden ingezetenen van de gemeente <strong>Oss</strong> en<br />
belanghebbenden hun reactie geven op het voorontwerp-wijzigingsplan.<br />
Tijdens de inspraakprocedure zijn er geen reacties ontvangen.<br />
9.2 Notitie Reikwijdte en Detailniveau<br />
Voor dit wijzigingsplan is besloten om het voorontwerp ter inzage te leggen samen met de mededeling<br />
van het voornemen van de initiatiefnemer en een Notitie Reikwijdte en Detailniveau.<br />
Het was mogelijk om over de notitie reikwijdte en detailniveau, in verband met een mogelijk op te stellen<br />
MER, zienswijzen naar voren te brengen.<br />
Over de m.e.r.-procedure is bij de Commissie m.e.r. advies ingewonnen. Na overleg met de Commissie<br />
m.e.r. is er voor gekozen om geen MER op te stellen. Deze procedure is in relatie tot de gewenste<br />
uitbreiding een te zwaar middel. Zeker gezien het gegeven dat uit een m.e.r,.-beoordeling naar voren is<br />
gekomen dat dit project geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu.<br />
Er zijn geen zienswijzen naar aanleiding van de notitie reikwijdte en detailniveau ingediend.<br />
9.3 Vooroverleg<br />
Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat “het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een<br />
<strong>bestemmingsplan</strong> of wijzigingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en<br />
waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke<br />
ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn”. Ter<br />
uitvoering daarvan zijn de volgende instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het<br />
voorontwerpwijzigingsplan:<br />
1. VROM-inspectie, Regio Zuid, Postbus 850, 5600 AW Eindhoven<br />
2. Provincie Noord-Brabant, Postbus 90151, 5200 MC ’s-Hertogenbosch<br />
3. Waterschap Aa en Maas, Postbus 5049, 5201 GA ’s-Hertogenbosch<br />
Reacties<br />
1. VROM-inspectie, Regio Zuid<br />
Van de VROM-inspectie is geen reactie ontvangen.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 38 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
2. Provincie Noord-Brabant<br />
De directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving van de provincie Noord-Brabant<br />
Heeft op 15 augustus 2012 gereageerd. De directie constateert een strijdigheid met de Verordening<br />
ruimte. Hierbij gaat het om het aspect duurzame locatie. De verantwoording bij het <strong>bestemmingsplan</strong><br />
bevat voor dit aspect, volgens de directie, onvoldoende gegevens om te kunnen beoordelen of de<br />
uitbreiding van het agrarische bedrijf vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur,<br />
fijnstof en gezondheid voor mensen, aanvaardbaar is.<br />
Er is geconstateerd dat de uitgangspunten van het luchtkwaliteitonderzoek en het geuronderzoek<br />
verschillend zijn. De directie verzoekt om voor beide rapporten dezelfde uitgangspunten voor bouwhoogte<br />
en diameter van het emissiepunt van de stallen 3 en 4 te hanteren.<br />
Verder ontbreekt, volgens de directie, de juiste informatie om een goede beoordeling te maken van de<br />
achtergrondbelasting voor geur.<br />
Er moet inzicht verschaft worden in de achtergrondgeurbelasting in de nieuwe situatie op relevante<br />
verspreid liggende geurgevoelige objecten en op aaneengesloten woonbebouwing. De<br />
achtergrondbelasting moet met V-stacks-Gebied worden onderbouwd. Verder moet inzicht verschaft<br />
worden in de leefkwaliteit op basis van bijlage 6 en 7 van de handleiding bij de Wet geurhinder en<br />
veehouderij. Ook moet inzicht worden verschaft in het oordeel van de gemeente of in onderhavig initiatief<br />
sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of het initiatief past binnen de randvoorwaarden van de<br />
geurgebiedsvisie van de gemeente.<br />
Antwoordt burgemeester en wethouders<br />
Er is een nieuwe berekening van de luchtkwaliteit uitgevoerd, waarbij de juiste uitgangspunten voor<br />
bouwhoogte en diameter van het emissiepunt van de stallen 3 en 4 zijn gehanteerd. Deze berekening is<br />
in de bijlage ‘Ruimtelijke onderbouwing Bouwblokvergroting varkenshouderij Weteringstraat VOF’<br />
opgenomen. In deze berekening is de maximale bijdrage van fijn stof ten opzichte van woningen van<br />
derden kleiner dan in de oorspronkelijke berekening. De conclusies uit de ruimtelijke onderbouwing<br />
kunnen gehandhaafd blijven. De bedrijfsontwikkeling aan de Weteringstraat 1-3 voldoet aan de<br />
normstelling in de Wet luchtkwaliteit.<br />
Aan hoofdstuk 2 is een paragraaf ‘Geurbeleid’ toegevoegd. Daarnaast is in hoofdstuk 5<br />
‘Randvoorwaarden en beperkingen’ paragraaf 5.1.3 (Geur) aangevuld met gegevens over de<br />
achtergrondgeurbelasting. In deze paragraaf is aangegeven of er sprake is van een goed woon- en<br />
leefklimaat. Hierbij is getoetst aan de gemeentelijke geurgebiedsvisie.<br />
Uit de gegevens komt naar voren dat het woon- en leefklimaat in de kern Teeffelen nauwelijks beïnvloed<br />
zal worden door de vergunde extra geuremissie door de uitbreiding van de varkenshouderij aan de<br />
Weteringstraat 1-3.<br />
Met de aanvulling van de gegevens bevat het wijzigingsplan voldoende informatie voor de onderbouwing<br />
van het aspect duurzame locatie.<br />
3. Waterschap Aa en Maas<br />
Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft op 9 februari 2012 gereageerd. Het bestuur verzoekt om<br />
in de waterparagraaf te refereren aan het relevante waterschapsbeleid. Hierbij gaat het met name om de<br />
acht uitgangspunten voor de watertoets en het waterbeheersplan 2010 – 2015.<br />
Verder wordt in de reactie aangegeven dat tussen de sloot waarin de waterberging is voorzien en de<br />
leggerwatergang, waarmee deze sloot in verbinding staat, een vertragende voorziening dient te worden<br />
gerealiseerd. Het debiet van deze voorziening dient de 0,17 l/s niet te overschrijden.<br />
Het bestuur verzoekt de gemeente om toe te zien dat de 5 m-zone tussen de leggerwatergang en de<br />
westelijke grens van het plangebied vrij blijft van obstakels.<br />
Antwoordt burgemeester en wethouders<br />
Aan hoofdstuk 2 ‘Beleidskaders’ is een paragraaf ‘Beleid waterschap Aa en Maas’ toegevoegd. In deze<br />
paragraaf wordt ingegaan op het waterbeheerplan 2010 – 2015 van het waterschap. Verder wordt in deze<br />
paragraaf op het watertoetsbeleid, inclusief de acht uitgangspunten, van het waterschap ingegaan.
<strong>Wijziging</strong> 8 <strong>bestemmingsplan</strong> <strong>Buitengebied</strong>, pag. 39 van 39<br />
Vastgesteld 30 oktober 2012<br />
In de waterparagraaf wordt expliciet aangegeven dat er een vertragende voorziening in de<br />
bergingsvoorziening wordt gerealiseerd, waarbij het debiet van de voorziening de 0,17 l/s niet<br />
overschrijdt.<br />
Het toezien op het vrij van obstakels blijven van de 5 m-zone tussen de leggergang en de grens van het<br />
plangebied is geen aspect dat in onderhavig plan dient te worden geregeld. Een wijzigingsplan is niet het<br />
geëigende instrument om uitvoeringsaspecten juridisch-planologisch te regelen.<br />
9.4 Zienswijzeprocedure<br />
Het ontwerp van het wijzigingsplan heeft op grond van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke van 5 juli 2012<br />
tot en met 15 augustus 2012 voor iedereen ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het elektronisch<br />
beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl.<br />
De terinzagelegging is op 4 juli 2012 meegedeeld in het plaatselijke blad <strong>Oss</strong> Actueel en op de<br />
gemeentelijke website. Belanghebbenden konden gedurende de termijn van inzage schriftelijk een<br />
zienswijze over het ontwerpwijzigingsplan naar voren brengen.<br />
Er zijn tijdens deze periode geen zienswijzen ingediend.
VARKENSHOUDERIJ<br />
WETERINGSTRAAT VOF<br />
Ruimtelijke onderbouwing<br />
Bouwblokvergroting<br />
R & S advies<br />
Langegracht 4a<br />
5091 SJ MIDDELBEERS<br />
Telnr: 06 - 510 39 378<br />
Faxnr: 084 – 229 25 56<br />
Emailadres: info@rensadvies.com<br />
R & S Advies<br />
adviseur voor o.a.:<br />
MER-rapportages;<br />
Aanvraag omgevingsvergunning;<br />
Aanvragen voor de Natuurbeschermingswet;<br />
Geurhinderonderzoeken bij woningbouw;<br />
Passende herbestemming;<br />
enz.<br />
27 april 2012<br />
Kenmerk : 10-163-RO<br />
versie 2<br />
Houtbroekstraat 8, Someren<br />
Ing. Chris Spapens<br />
R & S ADVIES<br />
06 – 10963044<br />
info@rensadvies.com
Naam en adres initiatiefnemer<br />
Naam: Varkenshouderij Weteringstraat VOF<br />
Contactpersoon: de heer M. van Doremalen<br />
Correspondentie-Adres: Oijensebovendijk 19, 5394 LA OIJEN<br />
Locatie: Weteringstraat 1-3<br />
<strong>Gemeente</strong>: 5395 TJ Teeffelen (gemeente <strong>Oss</strong>)<br />
Kadastrale gegevens van het bedrijf<br />
<strong>Gemeente</strong>: <strong>Oss</strong><br />
Kerkdorp: Teeffelen<br />
Sectie: E<br />
Nummers: 94 en 95<br />
Naam en adres bevoegd gezag Wet milieubeheer<br />
Naam: gemeente <strong>Oss</strong><br />
Adres: Postbus 5<br />
<strong>Gemeente</strong>: 5340 BA OSS<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 3
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 4
Inhoudsopgave<br />
Inhoudsopgave 5<br />
1<br />
2<br />
Inleiding 7<br />
Beleid en besluiten 8<br />
2.1. Overzicht van de beleidsaspecten ...........................................................................8<br />
2.2. Besluitvormingskader ............................................................................................10<br />
2.3. Genomen besluiten................................................................................................11<br />
2.4. Verloop procedure en planning .............................................................................11<br />
3<br />
Kenmerken van de huidige activiteit 13<br />
3.1. Bedrijfslocatie ........................................................................................................13<br />
3.2. Beschrijving productieproces.................................................................................15<br />
3.3. Omgevingsaspecten...............................................................................................16<br />
3.3.1. Ecologische hoofdstructuur ................................................................................16<br />
3.3.2. Wetlands.............................................................................................................17<br />
3.3.3. Kwetsbare gebieden ...........................................................................................18<br />
3.3.4. Natuurbeschermingswetgebieden .....................................................................19<br />
3.4. Ruimtelijke aspecten..............................................................................................26<br />
3.4.1. Bestemmingsplan ...............................................................................................26<br />
3.4.2. Verordening 2011 ...............................................................................................26<br />
3.5. Overige aspecten ...................................................................................................27<br />
3.5.1. Directe ammoniakschade ...................................................................................27<br />
3.5.2. Cultuurhistorische / Archeologische waarden....................................................28<br />
3.5.1. Aardkundige waarden.........................................................................................29<br />
3.5.1. Waterdoelen / -systemen...................................................................................30<br />
4<br />
Voorgenomen activiteit 32<br />
4.1. Beschrijving voorgenomen activiteit......................................................................32<br />
4.2. Bedrijfslocatie ........................................................................................................33<br />
4.3. Beschrijving productieproces.................................................................................34<br />
4.4. Motivatie voorgenomen activiteit .......................................................................35<br />
4.5. Fasering..................................................................................................................35<br />
4.6. Toekomstige ontwikkelingen .................................................................................35<br />
5<br />
Milieu-effecten voorgenomen activiteit 36<br />
5.1. Ammoniakemissie..................................................................................................36<br />
5.1.1. Individuele ammoniakemissie ............................................................................36<br />
5.1.2. Depositie van ammoniak ....................................................................................36<br />
5.2. Geuremissie ...........................................................................................................39<br />
5.2.1. Individuele geuremissie (voorgrondbelasting) ...................................................39<br />
5.3. Stof.........................................................................................................................43<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 5
5.4. Water .....................................................................................................................46<br />
5.5. Energieverbruik......................................................................................................47<br />
5.6. Mest .......................................................................................................................47<br />
5.7. Voer........................................................................................................................47<br />
5.8. Geluid.....................................................................................................................48<br />
5.9. Verkeersaantrekkende werking .............................................................................48<br />
5.10. Afvalstoffen............................................................................................................48<br />
5.11. Bodem....................................................................................................................49<br />
5.12. Risico’s a.g.v. ongeval en abnormale omstandigheden .........................................49<br />
5.13. Besluit Huisvesting en IPPC-richtlijn ......................................................................50<br />
Conclusie 52<br />
5.14. Landschappelijke inpassing....................................................................................52<br />
5.15. Externe veiligheid...................................................................................................53<br />
5.16. Gezondheid ............................................................................................................53<br />
5.17. Overige aspecten ...................................................................................................54<br />
5.17.1. Directe ammoniakschade ...................................................................................54<br />
5.17.2. Flora en Fauna ....................................................................................................54<br />
5.17.3. Cultuurhistorische / Archeologische waarden....................................................56<br />
5.17.4. Aardkundige waarden.........................................................................................57<br />
5.17.5. Waterdoelen / -systemen...................................................................................57<br />
Overzicht bijlagen 60<br />
Bijlage 1: Situatieschets bedrijf - omgeving 61<br />
Bijlage 2: Plattegrondtekening 62<br />
Bijlage 3: Geurverspreidingsmodel (V-Stacks) 63<br />
Bijlage 4: ammoniakdepositie (Aagro-Stacks) 64<br />
Bijlage 6: Berekening dierbezetting 66<br />
Bijlage 7: Dimensionering luchtwasser 67<br />
Bijlage 8: Flora en Faunaonderzoek 68<br />
Bijlage 9: Archeologisch onderzoek 69<br />
Bijlage 10: Bodemonderzoek 70<br />
Bijlage 11: Waterparagraaf 71<br />
Bijlage 12: Landschappelijke inpassing 72<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 6
1 Inleiding<br />
De familie Van Doremalen exploiteert een vleesvarkenshouderij aan de<br />
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. Als gevolg van eisen op basis van het<br />
besluit Huisvesting (ammoniakemissi e - reducerende maatregelen) moeten de<br />
bestaande stallen worden aangepast. Het huidige bedrijf anno 2011 aan de<br />
Weteringstraat 1-3 heeft een omvang van 2.000 vleesvarkens.<br />
De familie Van Doremalen heeft het voornemen de vleesvarkenshouderij verder te<br />
ontwikkelen en uit te breiden.<br />
Omdat de heer M. van Doremalen dit jaar een investering moet doen, is ervoor<br />
gekozen om de uitbreiding gefaseerd aan te vragen. Het voornemen is om eerstens,<br />
na het verkrijgen van de benodigde vergunningen, een stal te realiseren binnen het<br />
bestaande bouwblok. De aanvraag omgevingsvergunning 1 e fase is onlangs verleend.<br />
De stal voor de 1 e fase (8 afedelingen) past binnen het vigerend bouwvlak.<br />
Het uiteindelijke doel is om het bouwblok te vergroten tot 1,5 hectare zodat het<br />
vleesvarkensbedrijf kan worden doorontwikkeld naar in totaal 4.264 vleesvarkens en<br />
624 gespeende biggen. In de nieuw te bouwen stal kunnen uiteindelijk in totaal<br />
2.184 vleesvarkens en 624 gespeende biggen worden gehuisvest. De vergroting van<br />
het bouwblok is noodzakelijk voor de 2 e fase (8 afdelingen).<br />
In het kader van de partiële herziening van het <strong>bestemmingsplan</strong> wordt afgewogen<br />
of een plan-MER moet worden uitgevoerd. De 2 e fase van de nieuw te bouwen stal<br />
heeft betrekking op de realisatie van een stalcapaciteit van 936 vleesvarkens en 624<br />
gespeende biggen. De drempelwaarden uit het besluit MER stellen een directe MER<br />
plicht als de drempelwaarde uit de C-lijst (3.000 vleesvarkens) wordt overschreden.<br />
Als de drempelwaarde uit de D-lijst (2.000 vleesvarkens) wordt overschreden is een<br />
aanmeldingsnotitie MER noodzakelijk. Nu de uitbreiding waarvoor bouwblok<br />
vergroting noodzakelijk is niet groter is dan de drempelwaarden uit de C en D – lijst,<br />
is het wijzigingsplan niet plan-MER-plichtig.<br />
Ook is voor het wijzigingsplan geen ‘passende beoordeling’ vereist op grond van de<br />
richtlijn 92/43/EEG, de zogenaamde Habitatrichtlijn.<br />
Een Ruimtelijke Onderbouwing verplicht de initiatiefnemer een globale beschrijving<br />
te maken van de voorgenomen activiteit en aan te tonen dat ruimtelijke,<br />
milieukundige en andere belangen niet onevenredig worden aangetast als gevolg van<br />
de voorgenomen activiteit.<br />
Hoofdstuk 2 gaat in op de van belangzijnde wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 geeft<br />
een beschrijving van de kenmerken van de omgeving van de bedrijfslocatie.<br />
Hoofdstuk 4 gaat over de voorgenomen activiteit. In hoofdstuk 5 zijn de milieueffecten<br />
beschreven van de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 6 bevat alternatieven<br />
voor de voorgenomen activiteit beschreven.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 7
2 Beleid en besluiten<br />
2.1. Overzicht van de beleidsaspecten<br />
Beleidskader<br />
Ten aanzien van internationaal, nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid is met<br />
name de in tabel 2.1 weergegeven wet- en regelgeving van belang. Per<br />
beleidsdocument of besluit is aangegeven wat het doel van het stuk is en welke<br />
consequenties het heeft voor het initiatief. Belangrijke onderdelen worden<br />
inhoudelijk uitgewerkt in hoofdstuk 5.<br />
Tabel 2.1 Beleidskader<br />
Niveau Beleidsdocument<br />
of besluit<br />
Beleidsdoel Consequenties voor<br />
initiatief<br />
Internationaal IPPC-richtlijn Geïntegreerde preventie en<br />
bestrijding van verontreiniging<br />
M.e.r.-richtlijn Ontstaan van vervuiling of<br />
hinder vermijden<br />
Habitatrichtlijn Waarborgen van biologische<br />
diversiteit<br />
Vogelrichtlijn Instandhouding van alle<br />
natuurlijk in het wild levende<br />
vogelsoorten<br />
Nitraatrichtlijn Verminderen en voorkomen<br />
van waterverontreiniging door<br />
nitraten uit agrarische<br />
bronnen<br />
Kaderrichtlijn water Aquatisch milieu in stand<br />
houden en verbeteren<br />
Nationaal Wet Milieubeheer Voorkomen en beperken van<br />
milieubelasting<br />
Natuurbeschermingswet Bescherming van terreinen en<br />
wateren met bijzondere<br />
natuur- en<br />
landschapswaarden<br />
Flora- en Faunawet Instandhouding van plantenen<br />
dierensoorten die in het<br />
wild voorkomen<br />
Wet Ammoniak en<br />
Veehouderij<br />
Beschermen kwetsbare<br />
natuur tegen ammoniak uit<br />
veehouderijen<br />
Besluit Huisvesting Beperken ammoniakemissie<br />
uit dierenverblijven<br />
Gebruik best beschikbare<br />
technieken<br />
M.e.r.-procedure<br />
verplicht<br />
Restricties indien gebied<br />
binnen invloedssfeer ligt<br />
Restricties indien gebied<br />
binnen invloedssfeer ligt<br />
Regels m.b.t. opslaan en<br />
uitrijden van mest<br />
Opstellen watertoets<br />
Milieuvergunning<br />
verplicht<br />
Restricties indien gebied<br />
binnen invloedssfeer ligt<br />
Restricties indien soorten<br />
binnen invloedssfeer<br />
voorkomen<br />
Restricties indien gebied<br />
binnen invloedssfeer ligt<br />
Toepassen emissiearm<br />
huisvestingssysteem<br />
verplicht<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 8
Niveau Beleidsdocument<br />
of besluit<br />
Wet geurhinder en<br />
veehouderij<br />
Beleidsdoel Consequenties voor<br />
initiatief<br />
Stellen van regels omtrent<br />
maximaal toe te stane<br />
geurhinder uit veehouderijen<br />
Wet Luchtkwaliteit Beschermen van mens en<br />
milieu tegen negatieve<br />
effecten van<br />
luchtverontreiniging<br />
Nota Ruimte Vastleggen visie kabinet op<br />
ruimtelijke ontwikkeling<br />
Nederlandse Richtlijn<br />
Bodem<br />
Ondersteunen uitvoering<br />
bodembeschermingsbeleid bij<br />
bedrijfsmatige activiteiten<br />
Meststoffenwet Stellen van regels omtrent de<br />
afvoer van meststoffen<br />
Gezondheids- en<br />
welzijnswet voor dieren<br />
IPPC-beleidslijn Handreiking bij<br />
omgevingstoets IPPC<br />
Handreiking<br />
industrielawaai<br />
Maximale geurbelasting<br />
op geurgevoelige<br />
objecten mag niet<br />
worden overschreden<br />
Maximale uitstoot van<br />
diverse stoffen naar de<br />
lucht<br />
Ruimtelijk kader waar<br />
binnen plan kan worden<br />
uitgevoerd<br />
Voorschriften t.a.v.<br />
bodemgebruik<br />
Voorschriften t.a.v.<br />
mestopslag<br />
Reguleren van dierwelzijn Diverse eisen aan<br />
huisvesting (o.a.<br />
afmeting)<br />
Hulpmiddel bij het bepalen<br />
van geluidnormen voor<br />
bedrijven<br />
Restricties indien milieuomstandigheden<br />
daar<br />
aanleiding toe geven<br />
Voorschriften t.a.v.<br />
maximale geluidbelasting<br />
Activiteitenbesluit Stroomlijning milieuwetgeving Voorschriften t.a.v.<br />
bescherming milieu<br />
Besluit mestbassins<br />
milieubeheer<br />
Reguleren van<br />
milieuveiligheid van<br />
mestbassins<br />
Provinciaal Structuurvisie Uitwerking provinciaal beleid<br />
op gebied van ruimtelijke<br />
ordening en milieuaspecten<br />
Verordening ruimte Uitwerking provinciaal beleid<br />
op gebied van de ontwikkeling<br />
intensieve veehouderij<br />
Verordening ruimte<br />
(geen reconstructieplan<br />
gebied)<br />
Provinciale<br />
milieuverordening<br />
Provinciale verordening<br />
Stikstof<br />
<strong>Gemeente</strong>lijk Bestemmingsplan<br />
<strong>Buitengebied</strong><br />
Uitwerking provinciaal beleid<br />
op gebied van natuur,<br />
recreatie, leefomgeving en<br />
landbouw<br />
Instandhoudingsdoelen<br />
beheersplannen Natura-2000<br />
Voorschriften t.a.v.<br />
mestbassin<br />
Planologische en<br />
milieutechnische regels<br />
Planologisch rechtstreeks<br />
werkende regels<br />
Planologisch kader voor<br />
de mogelijkheden binnen<br />
een bepaalde zonering<br />
Toepassen van<br />
verdergaande ammoniak<br />
reducerende maatregelen<br />
Ruimtelijk ordening Restricties aan de<br />
afmetingen van<br />
nieuwbouw<br />
Geurverordening Stellen van regels omtrent<br />
maximaal toe te stane<br />
geurhinder uit veehouderijen<br />
Maximale geurbelasting<br />
op geurgevoelige<br />
objecten mag niet<br />
worden overschreden<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 9
2.2. Besluitvormingskader<br />
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht<br />
(Wabo) vormen het kader voor de besluitvorming omtrent de realisatie van de<br />
voorgenomen activiteit. Daarnaast vormt de Natuurbeschermingswet een kader voor de<br />
besluitvorming op een aanvraag om natuurbeschermingswet.<br />
Voor de voorgenomen activiteit moeten de besluiten zoals weergegeven in tabel 2.2<br />
worden genomen.<br />
Bevoegd Gezag Besluit Besluit genomen (ja/nee)<br />
<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong> Wet ruimtelijke ordening / wijzigingsplan<br />
Provincie Noord-Brabant Natuurbeschermingswet<br />
Provincie Gelderland Natuurbeschermingswet<br />
<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong> Omgevingsvergunning, onderdeel bouwen<br />
<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong> Omgevingsvergunning, onderdeel milieu<br />
Tabel 2.2 Te nemen besluiten ten aanzien van de voorgenomen activiteit<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 10
1. SITUATIE CONFORM VERLEENDE VERGUNNING(EN)<br />
2.3. Genomen besluiten<br />
Voor de locatie is op 19 april 1994 een revisievergunning verleend ingevolge artikel<br />
8.4 van de Wet milieubeheer verleend. Vervolgens is op 21 maart 1995 een<br />
veranderingsvergunning ingevolge artikel 8.1, sub b van de Wet milieubeheer<br />
verleend. Op 21 januari 2010 is een melding ingevolge artikel 8.19 Wet milieubeheer<br />
geaccepteerd. De vergunning is verleend voor het houden van de navolgende aantal<br />
te houden dieren:<br />
1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />
Stal Code Aantal Ammoniakemissie<br />
Kg NH3<br />
geur<br />
nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige per totaal BBT- BBT OU per OU<br />
dieren dierplaatsen dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />
3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.095 2,5 2.500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />
4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.095 2,5 2.500,0 1,4 1.400,0 23<br />
Totaal<br />
23000,0<br />
Totaal 5000,0 2800,0 Ou 46000,0<br />
ammoniakemissie<br />
bedrijf bedrijf<br />
Bestemmingsplan:<br />
De locatie aan de Weteringstraat 1-3 is op grond van het reconstructieplan gelegen in<br />
een Verwevingsgebied. Volgens de Verordening Ruimte is het vergroten van<br />
bouwvlak tot een omvang van 1,5 ha mogelijk. Op basis van het ter plaatse geldende<br />
<strong>bestemmingsplan</strong> “<strong>Buitengebied</strong>” is de locatie gelegen binnen de bestemming<br />
“Agrarisch Gebied”. Het toegekende bouwvlak is voldoende van omvang om de<br />
eerste fase van het voorgenomen plan te realiseren.<br />
Voor de eindfase is een verzoek om het vergroten van het bouwblok ingediend. Dit<br />
verzoek wordt meegenomen bij de algehele <strong>bestemmingsplan</strong>herziening van het<br />
<strong>bestemmingsplan</strong> “<strong>Buitengebied</strong>”. De eindfase kan pas gerealiseerd worden als het<br />
verzoek tot vergroting van het bouwvlak is geaccordeerd.<br />
2.4. Verloop procedure en planning<br />
Met ingang van 1 juli 2010 is de m.e.r.-wetgeving veranderd. Vanaf die datum geldt<br />
de beperkte procedure uitsluitend voor een aantal concrete vergunningen, zoals een<br />
milieuvergunning, waarbij voor de activiteit geen passende beoordeling op grond van<br />
de Natuurbeschermingswet 1998 gemaakt hoeft te worden. Wat betreft de Natura-<br />
2000 gebieden ‘Uiterwaarden Waal’ in de provincie Gelderland, als het gebied<br />
Vlijmensven, Moerputten en Bossche Broek in de provincie Noord-Brabant zal in<br />
overleg met de provincie(s) getracht worden om op grond van de Verordening<br />
Stikstof te komen tot saldering, waardoor er een vergunbare situatie ontstaat,<br />
waardoor geen ‘passende beoordeling’ noodzakelijk zal zijn. Daarnaast is ook een<br />
Natuurbeschermingswet vergunning noodzakelijk. Via een wetswijziging wordt in<br />
2012 de provincie waarin de veehouderijlocatie is gelegen, Provincie Noord-Brabant,<br />
bevoegd gezag voor alle Natura-2000 gebieden (ook die in Gelderland).<br />
De planning is om in half 2012 te komen tot besluitvorming in het kader van de Wro<br />
en Wabo betreft fase 2.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 11
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 12
3Kenmerken van de huidige activiteit<br />
3.1. Bedrijfslocatie<br />
De bedrijfslocatie ligt aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen (zie figuur 3.1). De<br />
omgeving van het bedrijf is overwegend agrarisch.<br />
Topografische ligging van het bedrijf anno 2011<br />
Figuur 3.1.1<br />
De inrichting is gelegen aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. De<br />
kadastrale gegevens van het perceel van de inrichting zijn:<br />
- <strong>Gemeente</strong> : <strong>Oss</strong><br />
- Dorp : Teeffelen<br />
- Sectie : E<br />
- Nummers : 94 en 95<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 13
Figuur 3.1.2<br />
Situatie van het bedrijf in de huidige situatie, binnen het bestaande bouwblok 1 ha<br />
Figuur 3.1.3<br />
Situatie van het bedrijf na realisatie 1 e fase, binnen het bestaande bouwblok 1 ha.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 14
Bedrijfslocatie<br />
3.2. Beschrijving productieproces<br />
Op het bedrijf worden varkens na realisatie van de eerste fase 4110 vleesvarkens<br />
opgelegd in de vleesvarkensstallen met een lichaamsgewicht van ca 25 kg. In 4<br />
maanden worden zij opgefokt tot een gewicht van ca. 115 kg. Daarna worden zij<br />
afgevoerd naar een slachterij. Per jaar zijn 3 productieronden mogelijk, wat betekent<br />
dat jaarlijks ca 12.000 vleesvarkens worden afgeleverd.<br />
De werkzaamheden op het bedrijf<br />
bestaan uit het voederen en<br />
(veterinair) verzorgen van de dieren,<br />
het reinigen van de stallen en het<br />
bijhouden van de administratie. De<br />
veterinaire verzorging wordt gedaan<br />
door de ondernemer en/of zijn<br />
personeel, onder aansturing van de<br />
dierenarts binnen de hiervoor<br />
geldende wettelijke kaders. De<br />
dieren worden geheel automatisch<br />
gevoerd; de per varken te verstrekken hoeveelheid voer wordt door een automatisch<br />
voertransportsysteem bij de dieren gebracht.<br />
Na elke productieronde worden de stallen schoongeveegd. Vervolgens worden zij<br />
ingeweekt waarna zij met de hogedrukspuit worden gereinigd en ontsmet.<br />
Transportmiddelen worden op het bedrijf gereinigd na het afleveren van de dieren<br />
op de spoelplaats. Deze reiniging geschiedt met de hogedrukreiniger. Het afvalwater<br />
dat vrijkomt wordt opgevangen en afgevoerd naar de mestopslag.<br />
De reinigingsmiddelen ten behoeve van de schoonmaak worden opgeslagen in vaten<br />
die op een lekbak zijn geplaatst in een afgesloten ruimte. In dezelfde ruimte worden<br />
bestrijdingsmiddelen ten behoeve van de bestrijding van ongedierte opgeslagen en<br />
dierengeneesmiddelen. Aan de buitenzijde van de varkensstal worden kadavers<br />
opgeslagen in een kadaverkoeling. Deze is voorzien van een afvoer voor<br />
reinigingswater naar de mestput. De kadavers worden op een verrijdbaar plateau<br />
aangeboden aan de destructor.<br />
Kadavers<br />
Een vleesvarkensbedrijf kent een gemiddeld uitvalpercentage van ca 2% voor de<br />
vleesvarkens. De kadavers worden binnen de inrichting opgeslagen in een koeling. De<br />
kadavers worden zo vaak als nodig door de destructor opgehaald en afgevoerd naar<br />
Sovion.<br />
Mest<br />
De opslag van varkensmest vindt plaats in de mestputten onder de stallen. Onder de<br />
stallen bevindt zich, na realisatie van het bedrijf 1 e fase binnen het huidige bouwblok,<br />
voldoende mestopslagcapaciteit voor een periode van 8 maanden van ca 4.548 m 3 .<br />
Voor de verantwoorde afzet zal de drijfmest deels op eigen grond worden verwerkt<br />
en het overige wordt via een mestafzetcontract afgevoerd, conform het wetsvoorstel<br />
mestafzetcontracten middels een intermediair.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 15
Bedrijfsafval<br />
Binnen de inrichting komt bedrijfsplastic vrij, als gevolg van het binnen het bedrijf toe<br />
te passen materieel. Dit afval wordt middels bedrijfscontainer afgevoerd naar een<br />
erkende inzamelaar.<br />
Bedrijfsafvalwater<br />
Het bedrijfsafvalwater (o.a. reinigings- en ontsmettingswater en schoonspuitwater)<br />
dat binnen de inrichting ontstaat wordt opgevangen in de drijfmestputten en samen<br />
met de drijfmest uit de inrichting afgevoerd.<br />
3.3. Omgevingsaspecten<br />
3.3.1. Ecologische hoofdstructuur<br />
In mei 1998 is door de Provincie Noord Brabant het begrenzingenplan Ecologische<br />
Hoofdstructuur (EHS) vastgesteld. De EHS is geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan<br />
van het Rijk. In dat plan is als een van de hoofdopgaven voor het rijksnatuurbeleid<br />
aangegeven het behoud, herstel en de ontwikkeling van nationaal en internationaal<br />
belangrijke ecosystemen. De EHS bevat alle gebieden waarop de inspanningen van<br />
het Rijk worden gericht om deze opgave te verwezenlijken.<br />
De inspanningen van het Rijk verlopen langs twee sporen, te weten:<br />
In de eerste plaats is er de inzet van specifieke middelen voor het<br />
natuurbeleid, waaronder de toepassing van de Natuurbeschermingswet en een<br />
keur aan subsidieregelingen (sectorspoor);<br />
In de tweede plaats is er de ruimtelijke veiligstelling, die moet uitmonden in<br />
planologische regelingen in <strong>bestemmingsplan</strong>nen (ruimtelijk spoor). In de nota<br />
“Natuur voor mensen, mensen voor natuur” (juli 2000) heeft het Rijk<br />
aangegeven dat de realisering van de EHS met kracht wordt voorgezet. Hierbij<br />
is uitbreiding aangekondigd van zogeheten ‘robuuste verbindingen’. De<br />
verwezenlijking van de EHS is voorzien in het jaar 2020. In het kader van het<br />
project ‘Revitalisering landelijk gebied’ heeft de provincie zich samen met<br />
maatschappelijke organisaties uitgesproken voor een versnelde realisering in<br />
2012.<br />
In het kader van het sectorspoor wordt de EHS op verzoek van het Rijk nader<br />
begrensd door de provincies. In onze provincie is de begrenzing inmiddels voltooid<br />
door het opstellen van zogeheten begrenzingsplannen voor de EHS. Hierbij is een<br />
onderscheid gemaakt tussen reservaatgebieden, natuurontwikkelingsgebieden en<br />
beheersgebieden. Indicatief zijn in de betreffende begrenzingsplannen ook<br />
ecologische verbindingszones aangegeven.<br />
In verband met de invoering van een nieuw subsidiestelsel voor natuur, bos en<br />
landschap door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij hebben<br />
Gedeputeerde Staten in het najaar van 2001 een provinciaal beheers- en<br />
landschapsgebiedsplan van elf natuurgebiedsplannen voor deelgebieden in ontwerp<br />
vastgesteld. Deze plannen zullen, nadat Gedeputeerde Staten ze definitief hebben<br />
vastgesteld, de functie van de begrenzingsplannen voor de EHS overnemen.<br />
Het voornemen om de EHS uit te breiden met zogeheten ‘robuuste verbindingszones’<br />
zal leiden tot aanpassing van een aantal natuurgebiedsplannen en mogelijk ook van<br />
het provinciale beheers- en landschapsplan.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 16
Figuur 3.3.1: Ecologische hoofdstructuur<br />
Conclusie<br />
De huidige agrarische activiteiten aan de Weteringstraat 1 nemen geen ruimtelijk<br />
beslag in van de hiervoor omschreven gebieden in het kader van de EHS en tevens<br />
natuurgebiedsplannen. De huidige activiteiten geven hierdoor geen schadelijke<br />
gevolgen voor de ontwikkeling en behoud van deze gebieden.<br />
3.3.2. Wetlands<br />
Weteringstraat 1-3<br />
Wetlands zijn de natte natuurgebieden in Nederland. Het Wetland verdrag is op 2<br />
februari 1971 te Ramsar in Iran ondertekend. Nederland was één van de zestien<br />
landen die het verdrag toen ondertekende. In 1980 heeft Nederland het verdrag<br />
geratificeerd. Het Ramsar Verdrag is één van de oudste internationale verdragen<br />
over natuur. Inmiddels hebben 138 landen de Wetlands-Conventie ondertekend<br />
(stand van zaken augustus 2004). Het Ramsar Verdrag heeft tot doel wetlands en de<br />
daarbij behorende plant- en diersoorten te beschermen.<br />
'Wetlands' ofwel 'nat land' is officieel gedefinieerd volgens het Ramsar Verdrag als:<br />
'Waterrijke gebieden, moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of<br />
kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout,<br />
met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb niet meer is dan zes meter'.<br />
Hierbij behoren tevens de aan watergebieden grenzende oever- en kustgebieden en<br />
binnen deze gebieden gelegen eilanden of zeewatergebieden.<br />
In Nederland zijn in totaal 44 wetlands. Deze wetlands zijn door het Ramsar<br />
Secretariaat op 'The Ramsar List of Wetlands of International Importance' geplaatst.<br />
Over elk gebied op de lijst wordt door Wetlands International een uitgebreide<br />
database bijgehouden. Deze database en andere informatie over het Ramsar Verdrag<br />
kunt u vinden op de website van het Ramsar Secretariaat.<br />
In de periode tussen 1980 en 1995 heeft Nederland achttien wetlands op deze<br />
Ramsar lijst geplaatst. In 2000 zijn nogmaals 26 wetlands toegevoegd. Landen die<br />
toetreden tot de Wetlands Conventie hebben vooral een morele verplichting om het<br />
Ramsar Verdrag uit te voeren. De bepalingen zijn minder dwingend en bindend dan<br />
die van Europeesrechtelijke verplichtingen, die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn en<br />
de Habitatrichtlijn. De gebieden die voor deze richtlijnen zijn geselecteerd heten<br />
Natura 2000 gebieden. In Nederland zijn alle wetlands (op één na) tevens<br />
Vogelrichtlijngebied ofwel Natura 2000 gebied.<br />
De rol en mogelijkheden van wetlands worden vaak onderschat. Allereerst hebben ze<br />
belangrijke ecologische functies: ze zijn onmisbaar vanwege de ligging op<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 17
internationale trekroutes van vogels. Of als kraamkamer voor vissen en zeedieren.<br />
Maar ook de mens profiteert van wetlands. Ze worden gebruikt voor visserij,<br />
recreatie/toerisme, scheepvaart, waterberging (tegen overstromingen),<br />
drinkwatervoorziening of als aantrekkelijke woonomgeving. Er zorgvuldig mee<br />
omgaan en het benutten van kansen is dus belangrijk.<br />
In totaal is bijna een miljoen hectare in Nederland wetland, dat is 27% van de totale<br />
oppervlakte van ons land (inclusief territoriale wateren).<br />
Wetlands zijn dus vooral gevoelig voor aantasting van de grondwaterstanden,<br />
Demping van plassen en diverse verstoringsaspecten (die (indirect) invloed hebben<br />
op het gedrag van de aanwezige vogelsoorten en de botanische samenstelling van de<br />
graslanden).<br />
In de nabijheid van de inrichtingen aan de Weteringstraat 1 zijn geen aangewezen<br />
Wetlands gelegen. De dichtst nabij gelegen Wetland betreft het gebied ‘Bieschbosch<br />
Zuidwaard’ (gelegen in de gemeenten Drimmelen, Werkendam en Dordrecht) De<br />
invloed die de inrichting ten aanzien van deze gebieden zal hebben is dusdanig<br />
gering, gezien de zeer grote afstand.<br />
Conclusie<br />
De invloedssfeer van de huidige inrichting aan de Weteringstraat 1 op het<br />
dichtstbijzijnde Wetland, Bieschbosch Zuidwaard, is zeer gering.<br />
3.3.3. Kwetsbare gebieden<br />
Provincie Noord-Brabant / Gelderland<br />
Het meest nabij gelegen kwetsbare gebied is het bosgebied ‘de 4 winden’. Dit gebied<br />
wordt aangemerkt als een zeer kwetsbaar gebied (A-gebied). Het bosgebied ligt op<br />
een afstand van 5.326 meter gemeten vanaf stal 4.<br />
Beoordeling ammoniakemissie dierenverblijven<br />
De ammoniakemissie uit de dierenverblijven wordt getoetst aan de Wet ammoniak<br />
en veehouderij. Ammoniakemissie uit andere bronnen dan dierenverblijven (incl.<br />
uitloop) van veehouderijen zoals mest be- of verwerken en de opslag van mest<br />
buiten de dierenverblijven wordt niet beoordeeld met de Wet ammoniak en<br />
veehouderij.<br />
De wet maakt een onderscheid in veehouderijen waarvan de dierenverblijven geheel<br />
of gedeeltelijk in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een<br />
zodanig gebied zijn gelegen en veehouderijen waarvan alle dierenverblijven in zijn<br />
geheel op meer dan 250 meter van een kwetsbaar gebied zijn gelegen.<br />
Gezien het hiervoor genoemde blijkt dat geen van de dierenverblijven van<br />
onderhavige aanvraag zijn gelegen binnen een zone van 250 meter van het<br />
kwetsbare gebied.<br />
Gelet op de ligging van de veehouderij ten opzichte van het dichtst bij gelegen<br />
kwetsbare gebied geldt in principe dat voor deze installatie geen beperkingen zijn ten<br />
aanzien van het ammoniakemissieplafond.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 18
Op grond van de Wet ammoniak een veehouderij zijn er geen bezwaren tegen het<br />
voorgenomen plan, daar de inrichting op een grotere afstand dan 250 meter van een<br />
kwetsbaar bosgebied is gelegen.<br />
Conclusie<br />
De inrichting ligt niet in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter.<br />
Hierdoor blijkt dat de ammoniakbelasting geen bezwaar vormt in het kader van de<br />
Wet ammoniak en veehouderij.<br />
3.3.4. Natuurbeschermingswetgebieden<br />
Habitatrichtlijn<br />
De Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EE G, 21 mei 1992) richt zich op de biologische<br />
diversiteit door instandhouding van de natuurlijke habitat en wilde flora en fauna na<br />
te streven. Centraal staat daarbij het behoud en herstel van deze natuurlijke habitat<br />
en wilde dier- en plantsoorten van gemeenschappelijk belang. Hiervoor wordt een<br />
Europees ecologisch netwerk gevormd door middel van de aanwijzing van speciale<br />
beschermingszones (Natura 2000, art. 3 HR). Daarnaast regelt de Habitatrichtlijn ook<br />
soortenbescherming. De laatste aanmeldingen hebben plaatsgevonden in mei 2003.<br />
Op basis van de aanmeldingen van de lidstaten stelt de Commissie een lijst vast van<br />
gebieden van communautair belang. Het beschermingsregime overeenkomstig<br />
artikel 6 van de Habitatrichtlijn geldt pas zodra een gebied op de lijst van gebieden<br />
van communautair belang zijn geplaatst art. 4, lid 5 HR). De commissie heeft deze lijst<br />
op 8 juli 2003 vastgesteld.<br />
Vogelrichtlijn<br />
De Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het<br />
behoud van de vogelstand) is in 1979 in werking getreden. De Vogelrichtlijn heeft tot<br />
doel de bescherming en het beheer van alle vogels die op het grondgebied van de EU<br />
(zogeheten communitair grondgebied) in het wild leven en hun habitats<br />
(leefomgeving).<br />
De lidstaten nemen vooral maatregelen voor de leefgebieden van vogelsoorten die<br />
extra zorg nodig hebben. Het gaat dan om soorten die op bijlage 1 van de richtlijn<br />
voorkomen omdat zij extra bedreigd zijn. In Nederland zijn er voor 44 van deze<br />
soorten gebieden aangewezen. Ook voor trekvogel worden dergelijke maatregelen<br />
genomen. Het gaat daarbij vooral om de bescherming van watergebieden van<br />
internationale betekenis.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 19
Ligging ten opzichte van Weteringstraat 1-3<br />
‘Uiterwaarden Waal’<br />
De installaties aan de Weteringstraat 1-3 zijn gelegen op een afstand van ca. 13.100<br />
meter, gemeten ten opzichte van het dichts nabij gelegen emissiepunt van stal 3, ten<br />
opzichte van een ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn aangemelde en aangewezen<br />
gebieden. Het betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Uiterwaarden waal’.<br />
Figuur 3.3.4.1 “Uiterwaarden waal”<br />
Figuur 3.3.4.2 “Uiterwaarden waal”<br />
Weteringstraat 1<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 20
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 21
‘Vlijmse ven, Moerputten en Bossche broek’<br />
De installaties aan de Weteringstraat 1-3 zijn gelegen op een afstand van ca. 19.000<br />
meter, gemeten ten opzichte van het dichts nabij gelegen emissiepunt van stal 1, ten<br />
opzichte van een ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn aangemelde en aangewezen<br />
gebieden. Het betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Vlijmse ven,<br />
Moerputten en Bossche broek’.<br />
Figuur 3.3.4.1 “Vlijmens ven , Moerputten en Bossche Broek ”<br />
Weteringstraat 1<br />
Beoordeling van het begrip ‘significant’ in relatie tot het Vogel- en Habitatrichtlijn<br />
gebied ‘Uiterwaarden waal’ / ‘Vlijmse ven, Moerputten en Bossche broek’<br />
De Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) richt zich op de biologische<br />
diversiteit door instandhouding van de natuurlijke habitat en wilde flora en fauna na<br />
te streven. Centraal staat daarbij het behoud en herstel van deze natuurlijke habitat<br />
en wilde dier- en plantsoorten van gemeenschappelijk belang. Hiervoor wordt een<br />
Europees ecologisch netwerk gevormd door middel van de aanwijzing van speciale<br />
beschermingszones (Natura 2000, art. 3 HR). Daarnaast regelt de Habitatrichtlijn ook<br />
soortenbescherming. De laatste aanmeldingen hebben plaatsgevonden in mei 2003.<br />
Op basis van de aanmeldingen van de lidstaten stelt de Commissie een lijst vast van<br />
gebieden van communautair belang.<br />
‘Uiterwaarden Waal’<br />
De uiterwaarden Waal bevatten relatief hooggelegen uiterwaarden van de Rijswaard<br />
en de Kil van Hurwenen. Het gaat hier om oude meanders en hun oeverlanden waar<br />
de rivier dwars doorheen is gegraven; deze uiterwaarden bevatten soortenrijke<br />
glanshaverhooilanden stroomdalgraslanden en open water. De uiterwaarden Waal<br />
zijn een belangrijk broedgebied voor soorten van natte, ruige graslanden<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 22
(porseleinhoen, kwartelkoning). Het is daarnaast ook een belangrijk rust- en<br />
foerageergebied voor kleine zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, smient,<br />
tafeleend, kievit en grutto. Daarnaast van enig belang voor fuut, aalscholver,<br />
brandgans, krakeend, pijlstaart, slobeend, kuifeend, nonnetje, slechtvalk, meerkoet<br />
en wulp. De Uiterwaarden Waal is op 2 april 1979 aangewezen als<br />
vogelrichtlijngebied.<br />
‘Vlijmse ven, Moerputten en Bossche Broek’<br />
In het gebied zijn zeer hoge potenties aanwezig voor de uitbreiding en kwaliteitsverbetering<br />
van de habitattypen H3140 kranswierwateren, H6410 blauwgraslanden<br />
en H6510B glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart). Het gebied<br />
kan daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan landelijke instandhoudingsdoelen<br />
voor deze habitattypen in beekdalen. Naast omvangrijke interne maatregelen en de<br />
aankoop van een grote oppervlakte EHS binnen het Natura 2000-gebied zijn daarvoor<br />
maatregelen in de waterhuishouding (grote tot zeer grote inspanningen) en mogelijk<br />
reductie van grondwateronttrekkingen (grote inspanning) noodzakelijk.<br />
Herstelmaatregelen hebben een hoog natuurrendement. Er is nadere visievorming<br />
nodig op de hydrologische inrichting en op het herstel van inundaties met schoon,<br />
basenrijk oppervlaktewater, waardoor het gebied vroeger gevoed werd. Daarbij<br />
dient men te letten op de samenhang tussen deelgebieden en met omliggende<br />
Natura 2000-gebieden (Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Langstraat,<br />
Kampina & Oisterwijkse Vennen).<br />
Daar de vogel- en habitatrichtlijngebieden / natuurmonumenten op geruime afstand<br />
(10-20 kilometer) van de inrichting ligt, zal de invloed van de activiteiten binnen de<br />
inrichting, niet van invloed zijn op de in het gebied voorkomende vogelsoorten. Wel<br />
kan als gevolg van verzuring de voedselvoorraad worden aangetast. Omwille van<br />
deze kans wordt het aspect verzuring meegenomen in de totale afweging, maar zal<br />
niet leiden tot een negatief resultaat, omdat de inrichting nauwelijks bijdraagt<br />
vanwege de grote afstand.<br />
Ten minste één van de habitattypen in dit gebied zijn verzuringsgevoelig. Hieruit<br />
volgt dat de ammoniakdepositie invloed heeft op de instandhouding van dit<br />
Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat de bijdrage van de inrichting aan het<br />
Weteringstraat 1-3 in de ammoniakdepositie op dit gebied een relevant<br />
toetsingskader betreft.<br />
In het kader van de habitatrichtlijn moet een passende beoordeling worden gemaakt<br />
om vast te stellen of als gevolg van het plan significante effecten optreden voor de<br />
natuurlijke kenmerken van de te beschermen gebieden. In relatie tot intensieve<br />
veehouderijen gaat dit over ammoniakdepositie. De toetsing vindt plaats op basis<br />
van de Natuurbeschermingswet.<br />
Ammoniakdepositie<br />
Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vergunning op basis van de<br />
Natuurbeschermingswet 1998 moet beoordeeld worden of er sprake zal zijn van een<br />
verslechtering van de situatie door de voorgenomen handelingen.<br />
De Programmatische Aanpak stikstof (PAS) is erop gericht de stikstofdepositie op<br />
Natura-2000 gebieden omlaag te brengen. Per 1 juli 2010 hebben rijk en provincies<br />
flinke stappen gezet voor een effectieve aanpak van de stikstofproblematiek in en<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 23
nabij Natura-2000 gebieden. Het Rijk neemt extra generieke maatregelen om de<br />
stikstof belasting terug te dringen en werkt samen met de provincie aanvullende<br />
pakketten met maatregelen uit zodat (economisch) ontwikkeling in de omgeving van<br />
Natura-2000 gebieden mogelijk blijft en de natuur goed wordt beschermd.<br />
Verordening Stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant<br />
Alle veehouderijen in de provincie Noord-Brabant dienen te voldoen aan de eisen uit<br />
de “Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant” (verder Verordening).<br />
Daarnaast dient de eigenaar van een veehouderij die voornemens is een nieuwe stal<br />
te bouwen dan wel een stal geheel of gedeeltelijk te renoveren waarvoor een<br />
bouwvergunning noodzakelijk is krachtens de Woningwet, dit vanaf 25 mei 2010 te<br />
melden bij de provincie. Om te beoordelen of een bedrijf voldoet aan de eisen uit de<br />
Verordening en of saldering noodzakelijk is, is de aanvrager verplicht een melding<br />
met gegevens over de uitgangssituatie - referentie december 2004 en de beoogde<br />
situatie in te dienen. De meldingsplicht en salderingsverzoek zijn genoemd in artikel 6<br />
van de Verordening.<br />
Bijkomende randvoorwaarden:<br />
a. Als gevolg van saldering mag de ammoniakdepositie maximaal 50 mol bedragen;<br />
b. Als gevolg van saldering mag de ammoniakdepositie ten opzichte van de<br />
referentie 2004 maximaal 1 x verdubbelen;<br />
c. Binnen de inrichting wordt een nieuwe stal nr. 5 gebouwd. Deze moet direct<br />
voldoen aan de maximale emissiewaarden uit de bijlage van de verordening<br />
Stikstof (BBT ++ = 0,11 gram/gespeende big >0,35 m 2 en 0,375 gram/vleesvarken<br />
max. 0,80 m 2 ).<br />
De milieubelasting op basis van de feitelijke situatie in december 2004 komt overeen<br />
met de milieuvergunning van 1994 en 1995. De verleende milieuvergunning is<br />
opgericht en in werking gebracht. De referentie is gecorrigeerd op basis van de<br />
bijlage van het Besluit huisvesting (GEP). Hierbij is het veel lagere emissieniveau op<br />
basis van de verleende vergunningen bepalend, 2.800,0 kg ammoniak.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 24
Verordening Stikstof en Natura 2000 Gelderland<br />
In oktober 2011 zijn de beleidsregels in de “Verordening Stikstof en Natura 2000<br />
Gelderland” vastgelegd. In grote lijnen houdt het convenant het volgende in:<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 25
3.4. Ruimtelijke aspecten<br />
3.4.1. Bestemmingsplan<br />
In het Bestemmingsplan ”<strong>Buitengebied</strong>” rust op het betreffende perceel de<br />
bestemming ‘agrarisch gebied’. De op de kaart als zodanig aangewezen gronden zijn<br />
bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf. Het toegekende bouwvlak is<br />
voldoende van omvang voor de huidige bedrijfsactiviteiten.<br />
3.4.2. Verordening 2011<br />
Provinciale Staten hebben op 17 december 2010 de Verordening ruimte Noord-<br />
Brabant 2011 vastgesteld. Deze verordening is in twee fasen tot stand gekomen;<br />
de Verordening ruimte fase 1, die op 23 april 2010 werd vastgesteld,<br />
betrof het omzetten in regels van het toen geldende provinciaal<br />
beleid;<br />
de Verordening ruimte fase 2, waarvan het ontwerp op 1 en 22 juni<br />
2010 werd vastgesteld, betrof het omzetten in regels van nieuw<br />
beleid dat is opgenomen in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en<br />
gedeeltelijk ook een herziening van de verordening ruimte, fase 1.<br />
De Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 is op 1 maart 2011 in werking getreden.<br />
De Verordening Ruimte bevat regels voor:<br />
Bevordering van de ruimtelijke kwaliteit<br />
Stedelijke ontwikkeling<br />
Ecologische hoofdstructuur<br />
Water<br />
Groen/Blauwe mantel<br />
Aardkunde en cultuurhistorie<br />
Agrarisch gebied;<br />
Intensieve veehouderij<br />
Glastuinbouw<br />
Niet agrarische ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk<br />
gebied.<br />
In het ruimtelijke hoofdstructuur van de Verordening Ruimte is het gebied waarin het<br />
bouwblok aan de Weteringstraat 1-3 is gelegen opgenomen in het Agrarisch gebied.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 26
Dit betekent dat de locatie binnen een gebied ligt dat is bedoeld voor de landbouw<br />
en waarbinnen de ruimte wordt gegeven voor ontwikkeling.<br />
Figuur 3.4.2: Verordening Ruimte<br />
Conclusie<br />
De inrichting aan de Weteringstraat 1 betreft een bestaande intensieve veehouderij.<br />
Die in het <strong>bestemmingsplan</strong> alsmede de Verordening ruimte Noord-Brabant<br />
aangeduid wordt als ‘Agrarisch gebied’.<br />
3.5. Overige aspecten<br />
3.5.1. Directe ammoniakschade<br />
Weteringstraat 1<br />
De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen wordt<br />
beoordeeld aan de hand van het rapport ‘Stallucht en Planten’ dat in 1981 is<br />
opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO). Dit rapport<br />
is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniak schade veroorzaakt door de<br />
uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige<br />
gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen<br />
een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat<br />
minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van<br />
kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals<br />
een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend.<br />
In de directe omgeving ten opzichte van de veehouderij zijn geen boomkwekerijen /<br />
kascomplexen gelegen. Op basis van het rapport ‘Stallucht en Planten’ draagt de<br />
inrichting niet bij aan mogelijke directe ammoniakschade aan de ter plaatse<br />
aanwezige kascomplexen, boomkwekerij en fruitkwekerijen.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 27
3.5.2. Cultuurhistorische / Archeologische waarden<br />
Voor wat betreft de archeologie onderscheidt de provincie Noord-Brabant<br />
verschillende gebieden: gebieden met een hoge of lage archeologische waarde /<br />
trefkans en aandachtsgebieden met een archeologische betekenis. Volgens<br />
onderstaande kaart is het bedrijf gelegen in een gebied met een middelhoge<br />
archeologische trefkans.<br />
Figuur 3.5.2.1 Cultuurhistorische / Archeologische waarden<br />
De locatie ligt in een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde.<br />
Voor de eindfase wordt een archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Dit wordt<br />
ingezet om de archeologische verwachting te toetsen.<br />
Belvedère<br />
Belvedère richt zich op het dichten van de kloof tussen verleden en toekomst.<br />
Traditioneel staan cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting tegenover elkaar.<br />
Cultuurhistorie is gericht op het beschermen van het verleden. Ruimtelijke ordening<br />
is gericht op het ontwerpen voor de toekomst.<br />
Belvedère staat voor een nieuwe ontwikkelingsgerichte benadering van de<br />
cultuurhistorie. Uitgangspunt is de ruimtelijke dynamiek die Nederland eigen is. Van<br />
daaruit wordt bekeken hoe de cultuurhistorie als inspiratiebron die ruimtelijke<br />
inrichting kan versterken. En omgekeerd hoe bijvoorbeeld nieuwe ruimtelijke<br />
functies kunnen bijdragen aan behoud van het erfgoed. Deze nieuwe denk- en<br />
werkwijze wordt ook wel 'behoud door ontwikkeling' genoemd. Een belangrijke<br />
aanvulling op de traditionele strategie van 'behoud door bescherming'.<br />
Belangrijk is verder een integrale zienswijze op de cultuurhistorie; op archeologie,<br />
monumentenzorg en het historische cultuurlandschap samen. Een gezamenlijke<br />
inbreng in ruimtelijke planprocessen verhoogt de kans op succes.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 28
De Belvedèregebieden en -steden zijn geselecteerd op basis van archeologische,<br />
historisch-(steden)bouwkundige en historisch-geografische kenmerken.<br />
Selectiecriteria waren: zeldzaamheid, gaafheid en representativiteit. De selectie vond<br />
plaats in nauwe afstemming tussen Rijk en provincies<br />
Cultuurhistorisch waardevolle elementen, ensembles en deelgebieden in 17<br />
Belvedèregebieden zijn in de nota Belvedère voorzien van een groene contour. Deze<br />
contour biedt een hoge mate van bescherming voor de aanwezige cultuurhistorische<br />
waarden. Voor het landelijk gebied zonder groene contour worden provincies<br />
gevraagd ontwikkelingsgerichte landschapsstrategieën op te stellen. Met als doel de<br />
kernkwaliteiten van deze gebieden te benutten en te versterken. Tot deze<br />
kernkwaliteiten behoort ook de culturele diversiteit.<br />
Onderhavige inrichting ligt niet in een Belvedèregebied.<br />
Figuur 3.5.2.2: Cultuurhistorische waarden<br />
Conclusie<br />
Blijkende het bovenstaande is de inrichting aan de Weteringstraat 1-3 niet in een<br />
aangewezen Belvedère gebied gelegen. Het gebied ligt weliswaar binnen een gebied<br />
met middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Echter voor de eindfase wordt<br />
een archeologisch onderzoek uitgevoerd.<br />
3.5.1. Aardkundige waarden<br />
Weteringstraat 1-3<br />
Onder aardkundige waarden vallen de verschijnselen en processen die te maken<br />
hebben met de vorming van het landschap. Daartoe behoren geologische,<br />
geomorfologische en bodemkundige verschijnselen en processen.<br />
Aardkundige verschijnselen geven inzicht in de ontstaanswijze van het landschap. De<br />
aardkundige opbouw van een gebied is de basis voor de waterhuishouding en<br />
bodemopbouw en is van grote invloed op de samenstelling van flora en fauna.<br />
Gebieden met een gevarieerde aardkundige opbouw zijn van nature ook divers in<br />
ecologisch opzicht. Aardkundige waarden gelegen binnen een agrarisch gebied<br />
moeten worden gevrijwaard van grondwerken, maatregelen ten behoeve van<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 29
waterbeheersing e.d. Ook moet voorkomen worden dat maatregelen in de directe<br />
omgeving de herkenbaarheid van het aardkundige object aantasten.<br />
Zoals uit onderstaande figuur, van de Geomorfologische kaart, is op te maken<br />
bevindt de inrichting zich op de geomorfologische waarde: ‘Vlakten’.<br />
3.5.1. Waterdoelen / -systemen<br />
Naast de integrale zonering en de ontwikkelkaarten voor de verschillende functies<br />
(glastuinbouw; recreatie & toerisme; veehouderij, boomteelt) zijn er voor het<br />
reconstructieplan kaarten gemaakt met plannen voor omgevingskwaliteit. Water is<br />
daarvan één van de belangrijkste.<br />
Doel<br />
Doel van de bestanden is het weergeven van de ruimtelijke component van de water<br />
doelstellingen in de ontwerp reconstructieplannen. Afhankelijk van het onderwerp<br />
werken deze planologisch door of is de status indicatief. Regionale waterberging<br />
categorieën ‘huidig inundatiegebied’ en ‘in te richten waterbergingssgebied’,<br />
beekherstel (binnen planperiode) en natte natuurparels met beschermingszones<br />
werken planologisch door naar <strong>bestemmingsplan</strong>nen. Deze planologische<br />
doorwerking naar <strong>bestemmingsplan</strong>nen is vanuit de reconstructiewet beperkt tot het<br />
landelijke gebied, dwz het gebied buiten het Stedelijk gebied zoals begrenst in de<br />
Integrale Zonering. Alle informatie van thema’s met planologische doorwerking uit<br />
het waterhuishoudingsplan zijn daarom afgesneden op de grens van dit stedelijk<br />
gebied.<br />
Waterberging<br />
Naast bestaande inundatiegebied worden door de Noord-Brabantse waterschappen<br />
waterbergingsgebieden ingericht. Daarbij gaat het om maatregelen waardoor het<br />
gebied geschikt wordt om tijdens overvloedige neerslag tijdelijk water te bergen en<br />
waardoor nieuwe kapitaalintensieve ontwikkelingen tegen worden gegaan.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 30
Daarnaast zijn zoekgebieden door de waterschappen aangeduid waar waterberging<br />
gerealiseerd zou kunnen worden na de planperiode. In de voorlopige<br />
reserveringsgebieden 2050/2016 zijn ontwikkeling van grootschalige, kapitaal<br />
intensieve functies, zoals woonwijken, bedrijventerreinen, vestigingsgebieden voor<br />
de glastuinbouw, veeverdichtingsgebieden, projectlocaties voor de intensieve<br />
veehouderij en grote recreatie-complexen alleen mogelijk indien uit een watertoets<br />
blijkt dat hierdoor de geschiktheid van het zoekgebied voor waterberging niet<br />
verloren gaat en de investering vanuit het oogpunt van veiligheid en schaderisico’s<br />
verantwoord is. Bestaande bedrijven behouden hun normale ontwikkelingsmogelijkheden.<br />
Waterdoelen<br />
Zijn afgeleid van het gewenst grond- en oppervlaktewater regime (GGOR). Dit zijn<br />
zogenaamde ‘begeleid natuurlijke eenheden en de daarbuiten gelegen bos- en<br />
natuurgebieden’ die bijzondere natuurwaarden hebben vanwege specifieke<br />
omstandigheden van de bodem of het (grond-) water. Ze zijn onderdeel van de EHS.<br />
Natte natuurparels / Beschermingszone natte natuurparel<br />
Door de Provincie Noord-Brabant vastgestelde zone van 500 meter om natte<br />
natuurparels.<br />
Het beleid in deze gebieden is gericht op het verbeteren van de condities voor de<br />
natuur in de natte natuurparels en externe bescherming voor ingrepen die een<br />
ongewenste beïnvloeding van deze natuurwaarden kunnen hebben. Er is een<br />
hydrologisch standstill van toepassing in deze gebieden en de beschermingszone er<br />
om heen. Er mogen in het gebied of in de omgeving geen activiteiten plaatsvinden<br />
die een verslechtering van de hydrologische situatie in de natte natuurparel tot<br />
gevolg hebben. De zones zijn op perceelsniveau begrensd, hebben de status van<br />
planologische doorwerking.<br />
Beekherstel<br />
Te herstellen beken kennen een zonering van 25 meter met planologische<br />
doorwerking.<br />
Conclusie<br />
De Weteringstraat 1-3 is niet gelegen in een gebied dat gericht is op de realisatie van<br />
genoemde waterdoelen.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 31
4Voorgenomen activiteit<br />
4.1. Beschrijving voorgenomen activiteit<br />
Het betreft het uitbreiden van een reeds bestaande vleesvarkenshouderij. Deze<br />
ruimtelijke onderbouwing heeft in hoofdzaak betrekking op een aanpassing om te<br />
kunnen voldoen aan het Besluit huisvesting, alsmede het vergroten van het<br />
bouwvlak. Het uiteindelijke doel is om het bedrijf uit te breiden tot 4.264<br />
vleesvarkens en 624 biggen. De bouwblokvergroting heeft betrekking op de realisatie<br />
van de 2 e fase van de nieuw te bouwen stal betreft 6 extra afdelingen voor 936<br />
vleesvarkens en 2 extra afdelingen voor 624 biggen.<br />
Ten opzichte van de vigerende vergunning zullen de volgende wijzigingen worden<br />
doorgevoerd:<br />
STAL 3<br />
STAL 4<br />
STAL 5<br />
De vleesvarkens in stal 3 blijven traditioneel gehuisvest. Het aantal dieren<br />
blijft ongewijzigd 952 vleesvarkens (1.056 dierplaatsen);<br />
De ruimte van kantoor/hygiënesluis is gewijzigd uitgevoerd. De ruimte is<br />
deels in gebruik genomen als voederkeuken en de overige ruimte is in<br />
gebruik genomen als kantoor/hygiënesluis;<br />
Aan de achterzijde van stal 3 zijn de voedersilo’s verplaatst. In totaal zijn<br />
langs en achter stal 3, 5 brijvoedersilo’s met een inhoud van 50 m³ en 6<br />
droogvoedersilo’s met een inhoud van 10 m 3 ;<br />
De dierbezetting in stal 4 wordt verhoogd naar 1.128 vleesvarkens. In stal<br />
4 worden in totaal vier afdelingen aangesloten op een gecombineerde<br />
biologische luchtwasser BWL2009.12 (die op stal 5 wordt geplaatst).<br />
Dit betreft in totaal 456 vleesvarkens. Voor de resterende dieren blijft het<br />
stalsysteem gelijk aan het traditionele stalsysteem;<br />
De voedersilo’s aan de achterzijde van stal 4 worden verplaatst naar de<br />
achterzijde van stal 3;<br />
Aan de achterzijde van stal 4 wordt een tussenlid gebouwd. Deze ruimte<br />
wordt gebruikt als installatieruimte;<br />
Achter het tussenlid bevindt zich de silo met een opslagcapaciteit van 50<br />
m³ voor de opslag van spuiwater;<br />
Nieuw te bouwen stal 5 voor het huisvesten van in totaal 2.184<br />
vleesvarkens en 624 gespeende biggen. De stal wordt voorzien van een<br />
gecombineerde biologische luchtwasser van Uniqfill, BWL2009.12.<br />
In totaal worden binnen de inrichting de navolgende aantallen dierplaatsen<br />
gerealiseerd:<br />
4.264 vleesvarkens en 624 gespeende biggen.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 32
4. de eindfase<br />
Ten opzichte van de vigerende situatie vindt uitbreiding en oprichting plaats van de<br />
volgende aantallen dieren:<br />
Stal 3, 0 vleesvarkens;<br />
Stal 4, 56 vleesvarkens;<br />
Stal 5<br />
Binnen bestaand bouwblok 1.248 vleesvarkensplaatsen<br />
Binnen te vergroten bouwblok 936 vleesvarkensplaatsen<br />
624 gespeende biggen plaatsen<br />
De vergroting van het bouwblok heeft betrekking op de uitbreiding van stal 5 met<br />
936 vleesvarkensplaatsen en 624 gespeende biggenplaatsen. De oprichting en<br />
uitbreiden met in totaal 936 vleesvarkens wordt beschouwd NIET als het uitbreiden<br />
en het oprichten in de zin van het Besluit milieueffectrapportage 1994.<br />
Zodra het bouwvlak is geaccordeerd volgt er een uitbreiding met vleesvarkens en<br />
gespeende biggen. Het eindplan ziet er als volgt uit:<br />
1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />
Stal Code** Aantal Ammoniakemissie geur<br />
nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />
4.2. Bedrijfslocatie<br />
De bedrijfslocatie ligt aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen (zie figuur 4.1). De<br />
omgeving van het bedrijf is overwegend agrarisch.<br />
Figuur 4.1 Topografische ligging van het bedrijf<br />
dieren dierenplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />
3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.056 2,5 2500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />
4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 636 696 2,5 1590,0 1,4 890,0 23 14628,0<br />
4 D3.2.15.4.1 GL Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 420 456 0,38 159,6 1,4 588,0 3,5 1470,0<br />
5 D3.2.15.4.2 GL Vleesvarkens tot 110 kg (> 0,8 m2) 2184 2184 0,53 1157,5 1,4 3057,6 3,5 7644,0<br />
5 D1.1.15.4.2 GL Gespeende biggen (> 0,35 m²) 624 624 0,11 68,6 0,23 143,5 1,2 748,8<br />
Totaal 5475,7 6079,1 Totaal Ou 47490,8<br />
ammoniakemissie bedrijf bedrijf<br />
Boerdonk<br />
Bedrijfslocatie<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 33
Nieuw bouwblok<br />
Als gevolg van uitbreiding ontstaat er een bouwvlak van 1,5 hectare. Voor deze<br />
uitbreiding volgt een aparte procedure. Het bouwvlak komt er als volgt uit te zien:<br />
Figuur 4.2: uitsnede bouwvlak<br />
De inrichting is gelegen aan de Weteringstraat 1-3 in Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. De<br />
kadastrale gegevens van het perceel van de inrichting zijn:<br />
- <strong>Gemeente</strong> : <strong>Oss</strong><br />
- Dorp : Teeffelen<br />
- Sectie : E<br />
- Nummers : 94 en 95<br />
4.3. Beschrijving productieproces<br />
Op het bedrijf worden gespeende biggen en vleesvarkens gehouden. Speenbiggen<br />
worden op een leeftijd van ca 3 weken bij de zeug gespeend op een andere locatie<br />
van een collega veehouder<br />
elders in Nederland. Daarna<br />
worden de biggen opgefokt<br />
tot een lichaamsgewicht van<br />
ca. 25 kg in de biggenafdelingen<br />
op deze locatie aan<br />
de Weteringstraat 1-3. Daarna<br />
worden deze dieren opgelegd<br />
in de vleesvarkens- stallen met<br />
een lichaamsgewicht van ca 25<br />
kg. In 4 maanden worden zij<br />
opgefokt tot een gewicht van<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 34
ca. 115 kg. Daarna worden zij afgevoerd naar een slachterij. Per jaar zijn 3<br />
productieronden mogelijk, wat betekent dat jaarlijks ca 13.000 vleesvarkens worden<br />
afgeleverd.<br />
De werkzaamheden op het bedrijf bestaan uit het voederen en (veterinair) verzorgen<br />
van de dieren, het reinigen van de stallen en het bijhouden van de administratie. De<br />
veterinaire verzorging wordt gedaan door de ondernemer en/of zijn personeel, onder<br />
aansturing van de dierenarts binnen de hiervoor geldende wettelijke kaders. De<br />
dieren worden geheel automatisch gevoerd; de per varken te verstrekken<br />
hoeveelheid voer wordt door een automatisch voertransportsysteem bij de dieren<br />
gebracht.<br />
4.4. Motivatie voorgenomen activiteit<br />
Door de uitbreiding met vleesvarkens te realiseren zal er op de locatie aan de<br />
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen een gemoderniseerd agrarisch bedrijf ontstaan, dat<br />
milieutechnisch, bedrijfseconomisch en qua welzijn aan de eisen van deze tijd<br />
voldoet. De locatie biedt (inkomens-)zekerheid daar het een locatie betreft met<br />
groeiperspectief. Door de bedrijfsstructuur is het bedrijf in staat tegenvallers als<br />
gevolg van dierziekten en overige calamiteiten op te vangen.<br />
Dit alles vraagt een grote investering. Om een bedrijfseconomisch en -technisch<br />
volwaardige vleesvarkenshouderij te kunnen garanderen is schaalvergroting<br />
noodzakelijk.<br />
4.5. Fasering<br />
Voor het bedrijf is een ontwikkelingstraject opgezet. In 2012 wordt de 1 e fase,<br />
betreft de nieuwbouw van stal 5, gerealiseerd. De 2e betreft de uitbreiding van het<br />
bouwvlak. De omgevingsvergunning voor de onderdelen bouwen en milieu worden<br />
aangevraagd, zodra het bestemmingsvlak positief is bestemd. In de tweede helft van<br />
2012 wordt de 2 e fase van stal 5 gerealiseerd.<br />
4.6. Toekomstige ontwikkelingen<br />
Naast het beschreven ontwikkelingstraject zijn geen verdere toekomstige<br />
ontwikkelingen bekend voor deze bedrijfslocatie.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 35
4. de eindfase<br />
5Milieu-effecten voorgenomen activiteit<br />
5.1. Ammoniakemissie<br />
5.1.1. Individuele ammoniakemissie<br />
Een overzicht van de ammoniakemissie in de gewenste situatie is weergegeven in<br />
onderstaand overzicht. Na realisatie van het voorkeursalternatief is de<br />
ammoniakemissie 5.475,7 kg.<br />
1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />
Stal Code** Aantal Ammoniakemissie geur<br />
nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />
dieren dierenplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />
3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.056 2,5 2500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />
4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 636 696 2,5 1590,0 1,4 890,0 23 14628,0<br />
4 D3.2.15.4.1 GL Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 420 456 0,38 159,6 1,4 588,0 3,5 1470,0<br />
5 D3.2.15.4.2 GL Vleesvarkens tot 110 kg (> 0,8 m2) 2184 2184 0,53 1157,5 1,4 3057,6 3,5 7644,0<br />
5 D1.1.15.4.2 GL Gespeende biggen (> 0,35 m²) 624 624 0,11 68,6 0,23 143,5 1,2 748,8<br />
Tabel 5.1 Overzicht ammoniakemissie<br />
5.1.2. Depositie van ammoniak<br />
Totaal 5475,7 6079,1 Totaal Ou 47490,8<br />
ammoniakemissie bedrijf bedrijf<br />
Het perceel Weteringstraat 1-3 is gelegen in het buitengebied van de gemeente <strong>Oss</strong>.<br />
Voor de beoordeling van de milieueffecten van de voorgenomen activiteit is het<br />
noodzakelijk de bestaande toestand van het milieu te kennen. Vervolgens gaat het<br />
dan alleen om die aspecten die ten gevolge van de uitvoering van de voorgenomen<br />
activiteit kunnen wijzigen. Deze aspecten zijn daarom van belang bij de voorspelling<br />
van de gevolgen voor het milieu.<br />
In hoofdstuk 3 is gebleken dat er zich in de omgeving van het bedrijf diverse<br />
kwetsbare gebieden bevinden in de een omgeving van het bedrijf.<br />
- Ecologische Hoofdstructuur;<br />
- Gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Wet ammoniak en<br />
veehouderij;<br />
- Gebieden die in het kader van de Natuurbeschermingswet (Natura-2000<br />
gebieden) zijn aangewezen.<br />
WAV-GEBIEDEN<br />
Het meest nabij gelegen kwetsbare gebied is het bosgebied ‘de 4 winden’. Dit gebied<br />
wordt aangemerkt als een zeer kwetsbaar gebied (A -gebied). Het bosgebied ligt op<br />
een afstand van 5.326 meter gemeten vanaf stal 4.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 36
Beoordeling ammoniakemissie dierenverblijven<br />
De ammoniakemissie uit de dierenverblijven wordt getoetst aan de Wet ammoniak<br />
en veehouderij. Ammoniakemissie uit andere bronnen dan dierenverblijven (incl.<br />
uitloop) van veehouderijen zoals mest be- of verwerken en de opslag van mest<br />
buiten de dierenverblijven wordt niet beoordeeld met de Wet ammoniak en<br />
veehouderij.<br />
De wet maakt een onderscheid in veehouderijen waarvan de dierenverblijven geheel<br />
of gedeeltelijk in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een<br />
zodanig gebied zijn gelegen en veehouderijen waarvan alle dierenverblijven in zijn<br />
geheel op meer dan 250 meter van een kwetsbaar gebied zijn gelegen.<br />
Gezien het hiervoor genoemde blijkt dat geen van de dierenverblijven van<br />
onderhavige aanvraag zijn gelegen binnen een zone van 250 meter van het<br />
kwetsbare gebied.<br />
Gelet op de ligging van de veehouderij ten opzichte van het dichtst bij gelegen<br />
kwetsbare gebied geldt in principe dat voor deze installatie geen beperkingen zijn ten<br />
aanzien van het ammoniakemissieplafond.<br />
Op grond van de Wet ammoniak een veehouderij zijn er geen bezwaren tegen het<br />
voorgenomen plan, daar de inrichting op een grotere afstand dan 250 meter van een<br />
kwetsbaar bosgebied is gelegen.<br />
Conclusie<br />
Uit het bovenstaande blijkt dat de ammoniakbelasting voorgenomen<br />
bedrijfsontwikkeling niet in de weg staat in het kader van de Wet ammoniak en<br />
veehouderij.<br />
NATUURBESCHERMINGSWET-gebieden<br />
De installaties aan de Weteringstraat 1-3 zijn gelegen op een afstand van ca. 13.100<br />
meter, gemeten ten opzichte van het dichts nabij gelegen emissiepunt van stal 5, ten<br />
opzichte van een ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn aangemelde en aangewezen<br />
gebieden. Het betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Uiterwaarden waal’.<br />
De installaties aan de Weteringstraat 1-3 zijn gelegen op een afstand van ca. 19.000<br />
meter, gemeten ten opzichte van het dichts nabij gelegen emissiepunt van stal 4, ten<br />
opzichte van een ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn aangemelde en aangewezen<br />
gebieden. Het betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Vlijmse ven, Moerputten<br />
en Bossche Broek’.<br />
Ten minste één van de habitattypen in dit gebied zijn verzuringsgevoelig. Hieruit<br />
volgt dat de ammoniakdepositie invloed heeft op de instandhouding van dit<br />
Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat de bijdrage van de inrichting aan het<br />
Weteringstraat 1-3 in de ammoniakdepositie op dit gebied een relevant<br />
toetsingskader betreft.<br />
In het kader van de habitatrichtlijn moet een passende beoordeling worden gemaakt<br />
om vast te stellen of als gevolg van het plan significante effecten optreden voor de<br />
natuurlijke kenmerken van de te beschermen gebieden. In relatie tot intensieve<br />
veehouderijen gaat dit over ammoniakdepositie. De toetsing vindt plaats op basis<br />
van de Natuurbeschermingswet.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 37
Volg<br />
nr<br />
5.1.2.1. Resultaten ammoniakdepositie<br />
Als bijlage 1 aan deze beoordeling zijn de berekeningen op basis van Aagro-stacks<br />
toegevoegd.<br />
Naam X coordinaat Y coordinaat Depositie<br />
Referentie<br />
2004<br />
Depositie<br />
GEP1994<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 38<br />
Depositie<br />
VKA<br />
Brabant<br />
1 Bossche Broek 1 149 552 410 635 0,20 0,11 0,22<br />
2 Bossche Broek 2 148 998 410 650 0,20 0,11 0,22<br />
3 Bossche Broek 3 149 227 409 911 0,19 0,11 0,21<br />
4 Bossche Broek 4 149 227 409 911 0,19 0,11 0,21<br />
5 Dommelbeemden 162 267 397 559 0,13 0,07 0,14<br />
Gelderland<br />
6 Uiterwaarden waal 1 152 962 423 294 0,35 0,20 0,39<br />
7 Uiterwaarden waal 2 156 295 427 295 0,76 0,43 0,84<br />
8 Uiterwaarden waal 3 158 732 430 808 0,66 0,37 0,73<br />
Tabel 5.2 Resultaten ammoniakdepositie<br />
5.1.2.2. Conclusie<br />
De laatst verleende milieuvergunning van vóór 7 december 2004 betreft de<br />
revisievergunning van 19 april 1994 en de daarop volgende veranderingsvergunning<br />
van 21 maart 1995. Deze vergunning vertegenwoordigde een ammoniakbelasting van<br />
5.000 kg NH3. De ammoniakemissie wordt berekend conform de Regeling ammoniak<br />
en veehouderij. De ammoniakdepositie wordt berekend met behulp van het door het<br />
ministerie erkende Aagro-stacks.<br />
Habitat-richtlijngebied Noord – Brabant<br />
De ammoniakdepositie op het Bossche Broek bedraagt 0,11 op basis van het<br />
gecorrigeerd emissieplafond (GEP 2800,0 kg ammoniak). In de nieuwe situatie neemt<br />
de ammoniakdepositie toe tot 0,22 mol. Op 15 juli 2010 is de Verordening stikstof en<br />
Natura2000 in werking getreden. In grote lijnen houdt het convenant in dat voor<br />
nieuw te bouwen stallen 85% emissiereductie behaald moet worden en bij toename<br />
saldering plaats moet vinden via de depositiebank. Deze toename past binnen het<br />
toetsingskader dat stelt dat de ammoniakdepositie maximaal 1 maal in de<br />
planperiode mag verdubbelen.<br />
Natuurmonument<br />
De laatst verleende milieuvergunning van vóór 7 december 2004 betreft de revisievergunning<br />
van 19 april 1994 en de daarop volgende veranderingsvergunning van 21<br />
maart 1995. Deze vergunning vertegenwoordigde een ammoniakbelasting van 5.000<br />
kg NH3.<br />
De ammoniakdepositie op de Dommelbeemden bedraagt 0,13 op basis van de<br />
referentie december 2004 (niet GEP 5000,0 kg ammoniak). In de nieuwe situatie<br />
neemt de ammoniakdepositie toe tot 0,14 mol. Deze toename van 0,01 is kleiner<br />
dan 0,051 en is derhalve niet significant.
Habitat-richtlijngebied Gelderland<br />
De ammoniakdepositie op de Uiterwaarden Waal bedraagt 0,76 op basis van de<br />
referentie december 2004 (n iet GEP 5000,0 kg ammoniak). In de nieuwe situatie<br />
neemt de ammoniakdepositie toe tot 0,84 mol.<br />
De ammoniakdepositie mag toenemen als de totaal aangevraagde depositie lager of<br />
gelijk is aan 1% (uitzondering t.o.v. 0,5% voor dit gebied) van de kritische depositie<br />
waarde voor dit gebied. De kritische depositiewaarde ligt tussen de 1250 – 2410.<br />
Nu de totale ammoniak depositie lager is dan 1% van 1250, kan een verklaring van<br />
geen bedenkingen EN vergunning worden verleend.<br />
5.2. Geuremissie<br />
5.2.1. Individuele geuremissie (voorgrondbelasting)<br />
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het<br />
toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege<br />
dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet<br />
geurhinder en veehouderij is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006.<br />
De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een<br />
veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt<br />
berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-stacks-vergunningen. De<br />
berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het<br />
bedrijf mag veroorzaken). De wet stelt in artikel 3 vier standaardnormen: voor<br />
concentratiegebieden / niet-concentratiegebieden en bebouwde kom / buiten de<br />
bebouwde kom. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet<br />
minimumafstanden tussen de veehouderij en een geurgevoelig object. De emissie<br />
van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in Europese odour units<br />
(Europese 'geureenheden') per tijdseenheid (ou E/s). De geuremissies per dier zijn<br />
opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder<br />
geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder<br />
en veehouderij is op 18 december 2006 gepubliceerd.<br />
Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke<br />
normen. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend<br />
met het verspreidingsmodel V-stacks gebied.<br />
De inrichting aan het Weteringstraat 1-3 ligt in een concentratiegebied. De inrichting<br />
ligt in het buitengebied van Teeffelen. De voormalige gemeente Lith heeft door het<br />
RMB een gebiedsvisie laten opstellen, waarin afwijkende geurnomen zijn vastgesteld.<br />
Dit betekent dat getoetst moet worden aan de normen, die in de geurverordening en<br />
de Wet geurhinder en veehouderij staan genoemd. Voor onderhavig plan betekent<br />
dit dat ten opzichte van geurgevoelige objecten, moet worden voldaan aan<br />
onderstaande geurnormen.<br />
De bedrijfslocatie ligt in een verwevingsgebied. Op basis van de gemeentelijke<br />
geurverordening is de maximale geurbelasting 14 OU voorgeschreven voor objecten<br />
in het verwevingsgebied, 8 Ou voor objecten in de extensiveringsgebieden en 2 OU<br />
voor objecten binnen de bebouwde kom.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 39
2 Ou<br />
8 Ou 14 Ou<br />
In de directe omgeving is de kern Teeffelen gelegen op 700 meter afstand gelegen<br />
van de varkenshouderij.<br />
TEEFFELEN<br />
Weteringstraat<br />
1 en 3<br />
Beoordeling ammoniakemissie dierenverblijven<br />
Een overzicht van de geuremissie in de gewenste situatie is weergegeven in<br />
onderstaand overzicht. Na realisatie van het voorkeursalternatief is de geuremissie<br />
47.490,8 Ou.<br />
In model V-stacks-V zijn de in de buurt gelegen veehouderijen niet meegenomen.<br />
Volgens art. 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt voor deze bedrijven<br />
(buiten de bebouwde kom) een vaste afstand van 50 meter. Aan deze afstand kan bij<br />
alle bedrijfswoningen behorende tot een veehouderij worden voldaan.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 40
4. de eindfase<br />
1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />
Stal Code** Aantal Ammoniakemissie geur<br />
nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />
dieren dierenplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />
3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.056 2,5 2500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />
4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 636 696 2,5 1590,0 1,4 890,0 23 14628,0<br />
4 D3.2.15.4.1 GL Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 420 456 0,38 159,6 1,4 588,0 3,5 1470,0<br />
5 D3.2.15.4.2 GL Vleesvarkens tot 110 kg (> 0,8 m2) 2184 2184 0,53 1157,5 1,4 3057,6 3,5 7644,0<br />
5 D1.1.15.4.2 GL Gespeende biggen (> 0,35 m²) 624 624 0,11 68,6 0,23 143,5 1,2 748,8<br />
Tabel 5.3 Overzicht geuremissie<br />
Totaal 5475,7 6079,1 Totaal Ou 47490,8<br />
ammoniakemissie bedrijf bedrijf<br />
Volgnummer GGLID Xcoordinaat Ycoordinaat Geurnorm Geurbelasting<br />
4 Rotsestraat 7 162 628 422 927 8,0 1,8<br />
5 Rotsestraat 6 162 621 422 989 8,0 1,8<br />
6 Hertogswetering 273 163 824 422 967 14,0 4,7<br />
7 Singel 21 162 567 423 270 2,0 1,5<br />
8 Singel 13 162 554 423 192 2,0 1,3<br />
9 Singel 25 162 580 423 323 2,0 1,5<br />
10 Rotsestraat 8 162 773 422 798 14,0 2,6<br />
11 Rotsestraat 9 162 665 422 869 14,0 2,1<br />
12 Hoefstraat 2 162 671 423 414 8,0 2,1<br />
13 Singel 15 162 547 423 207 2,0 1,3<br />
14 Singel 23 162 566 423 298 2,0 1,5<br />
15 Singel 19 162 556 423 240 2,0 1,4<br />
16 Singel 17 162 552 423 223 2,0 1,3<br />
17 Rotsestraat 4 162 492 423 125 2,0 1,1<br />
Tabel 5.4 Overzicht geuremissie<br />
Conclusie.<br />
In de bijlage is de geurberekening met behulp van V-stacks vergunningen<br />
toegevoegd. Hieruit blijkt dat het bedrijf in het voorkeursalternatief voldoet aan de<br />
gestelde geurnormen.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 41
Hoefstraat 2<br />
X: 162.671<br />
Y: 423.414<br />
Singel 25<br />
X: 162.580<br />
Y: 423.323<br />
Hoefstraat 1<br />
Geen<br />
bedrijfswoning<br />
Singel 23<br />
X: 162.566<br />
Y: 423.298<br />
Hertogswetering 273<br />
X: 163.824<br />
Y: 422.967<br />
Bedrijfslocatie<br />
Weteringstraat 1-3<br />
Singel 21<br />
X: 162.567<br />
Y: 423.270<br />
Singel 15<br />
X: 162.547<br />
Y: 423.207<br />
Singel 19<br />
X: 162.556<br />
Y: 423.240<br />
Singel 13<br />
X: 162.554<br />
Y: 423.192<br />
Rotsestraat 4<br />
X: 162.492<br />
Y: 423.125<br />
Singel 17<br />
Rotsestraat 6<br />
X: 162.621<br />
Y: 422.989<br />
Rotsestraat 7<br />
X: 162.628<br />
Y: 422.927<br />
X: 162.552<br />
Y: 423.223<br />
Rotsestraat 8<br />
X: 162.773<br />
Y: 422.798<br />
Rotsestraat 9<br />
X: 162.665<br />
Y: 422.869<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 42
5.3. Stof<br />
In de Wet Luchtkwaliteit worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van<br />
de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid stof die zich in de lucht<br />
bevindt. Volgens de wettelijke normen mag deze concentratie maximaal 40 μg/m³<br />
bedragen.<br />
De voor de huidige en aangevraagde situatie berekende stofemissie van het bedrijf is<br />
weergegeven in tabel 5.1. De emissiewaarden per diersoort zijn overgenomen uit de<br />
tabel met fijn stof-emissiefactoren van VROM.<br />
Aangevraagd<br />
Diersoort Aantal Immissiefactor gr/dier/jaar Stofemissie (gr/jaar)<br />
Vleesvarkens TR 1.636 153 250.308<br />
Vleesvarkens LW 2.604 31 80.724<br />
Gespeende Biggen LW 624 15 9.360<br />
Totaal 340.392<br />
Tabel 5.5 Overzicht van de stofemissie in de bestaande en de aangevraagde situatie<br />
Voorliggend initiatief leidt tot een toename van de productie aan fijn stof. Aan de<br />
hand van ISL3a is berekend of het voorliggend initiatief past binnen de in de Wet<br />
Luchtkwaliteit genoemde grenswaarden. De rekenpunten weergegeven in<br />
onderstaand figuur. Naast de grens van de inrichting (bouwblok) zijn de dichtbij<br />
gelegen woningen getoetst (zie figuur in paragraaf 5.6).<br />
9<br />
8<br />
6<br />
10<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 43<br />
5<br />
7<br />
4<br />
3<br />
11<br />
12<br />
2<br />
13<br />
1
Figuur 5.6 Aanduiding rekenpunten<br />
Rekenpunt X coördinaat Y coördinaat<br />
1 163442 423073<br />
2 163419 423059<br />
3 163361 423025<br />
4 163343 423038<br />
5 163319 423079<br />
6 163295 423118<br />
7 163342 423143<br />
8 163321 423177<br />
9 163298 423215<br />
10 163340 423241<br />
11 163364 423201<br />
12 163386 423164<br />
13 163407 423128<br />
Op 20 maart 2009 is met terugwerkende kracht de wijziging van 21 december 2008<br />
van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL) in werking getreden. Met<br />
deze wijziging wordt het ‘toepasbaarheidbeginsel’ geïntroduceerd. Dit beginsel geeft<br />
aan op welke plaatsen de luchtkwaliteitseisen toegepast moeten worden: de<br />
werkingssfeer en de beoordelingssystematiek. Dit is een uitwerking van bijlage III uit<br />
de nieuwe Europese Richtlijn luchtkwaliteit (2008).<br />
De belangrijkste gevolgen van de gewijzigde RBL zijn:<br />
geen beoordeling van de luchtkwaliteit op plaatsen waar het publiek geen<br />
toegang heeft en waar geen bewoning is<br />
geen beoordeling van de luchtkwaliteit op bedrijfsterreinen of terreinen van<br />
industriële inrichtingen (hier gelden de ARBO regels). Dit omvat mede de<br />
(eigen) bedrijfswoning. Uitzondering: publiek toegankelijke plaatsen; deze<br />
worden wél beoordeeld (hierbij speelt het zogenaamde blootstelling<br />
criterium een rol). Toetsing vindt plaats vanaf de grens van de inrichting of<br />
bedrijfsterrein, op een punt dat representatief is voor de luchtkwaliteit in<br />
een gebied van (minimaal) 250 bij 250 meter, gelegen langs de grens van het<br />
terrein van de inrichting of het bedrijfsterrein<br />
geen beoordeling van de luchtkwaliteit op de rijbaan van wegen, en op de<br />
middenberm van wegen.<br />
Voor het bepalen van de rekenpunten gaat het ‘blootstellingcriterium’ een rol spelen.<br />
Dit criterium werd eerder al gebruikt bij de situering van meetpunten. Het<br />
blootstellingcriterium houdt in, dat de luchtkwaliteit alleen wordt beoordeeld op<br />
plaatsen waar een significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Het gaat dan om<br />
een blootstellingperiode, die in vergelijking met de middelingtijd van de grenswaarde<br />
(jaar, etmaal, uur) significant is. Dit betekent dat de woningen van derden als<br />
rekenpunt in relatie tot het ‘blootstellingcriterium’ een rol spelen.<br />
De resultaten zijn in onderstaand figuur weergegeven en als bijlage is de berekening<br />
op basis ILS3a toegevoegd.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 44
Uit de berekening van ISL3a blijkt dat de gemiddelde jaarconcentratie maximaal 26,0<br />
mg/m 3 bedraagt in het beoordelingsraster van 500 meter rondom het bouwblok.<br />
Rekening houdend met een zeezoutcorrectie van 3, resulteert de maximale bijdrage<br />
22,2 mg/m³ ten opzichte van woningen van derden. De maximale waarde van 40<br />
mg/m 3 wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingen van de grenswaarde<br />
van het 24-uurgemiddelde (50) bedraagt maximaal 15,7. Het maximum van 35 x per<br />
jaar wordt binnen het beoordelingsraster niet overschreden. De bedrijfsontwikkeling<br />
aan de Weteringstraat 1-3 voldoet aan de normstelling in de Wet luchtkwaliteit.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 45
Figuur 5.7<br />
Berekende jaargemiddelde zeezoutconcentratie die van de jaargemiddelde PM10<br />
concentratie kan worden afgetrokken.<br />
5.4. Water<br />
Het waterverbruik van de varkenshouderij wordt naar verwachting ongeveer 11.073<br />
m 3 (op basis van KWIN-normen). Het waterverbruik wordt zoveel mogelijk beperkt<br />
door het toepassen van gladde wanden en vloeren en door de stal te laten inweken<br />
alvorens te reinigen. Tevens wordt een brij-voerinstallatie geïnstalleerd.<br />
Per jaar wordt 5.463 m 3 hemelwater via verharde oppervlakken afgevoerd (6.829 m 2<br />
verhard oppervlak (erfverharding + daken), neerslag per jaar 800 mm). Dit water<br />
komt niet in contact met bedrijfsmatige processen en kan dus zonder problemen<br />
naar de omgeving (bodem, oppervlaktewater) worden afgevoerd.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 46
5.5. Energieverbruik<br />
De grootste energieverbruikers op het bedrijf zijn de ventilatoren, de verlichting, de<br />
droogtunnels en overige installaties (voer, mestbanden etc.). Volgens KWIN-normen<br />
bedraagt het energieverbruik voor een varkenshouderij met deze omvang 307.448<br />
kWh per jaar.<br />
5.6. Mest<br />
Jaarlijks wordt op het bedrijf ongeveer 10.000 m3 drijfmest geproduceerd en<br />
opgeslagen in mestkelders. Op basis van de mestwetgeving is een minimale<br />
opslagcapaciteit van 10.000 m3 drijfmest verplicht gesteld.<br />
Diercategorie Mestproductie<br />
m 3 dier / jaar<br />
Mestproductie<br />
op jaarbasis m 3<br />
Verplichte<br />
Opslagcapaciteit<br />
/ dier m 3 / jaar<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 47<br />
Verplichte<br />
Opslagcapaciteit<br />
m 3<br />
Vleesvarken 1,097 4.651 0,64 2.714<br />
Biggen 0,445 277 0,26 162<br />
4.928 2.876<br />
Door de bouw van mestopslag onder de varkensstallen wordt de totale<br />
opslagcapaciteit 5.348 m 3<br />
(90% vullingspercentage = 4.813 m 3 ) voor een<br />
opslagperiode van een jaar. In de toegestane periode wordt de mest vervolgens<br />
uitgereden op akkerbouwgronden van derden in de omgeving en op grotere afstand<br />
noodzakelijk via een mest – intermediair of mestverwerking.<br />
5.7. Voer<br />
Op het bedrijf vindt de opslag van 60 ton kracht-/kernvoeders plaats in buiten<br />
geplaatste polyester voersilo’s ( 6 x 10 ton). Daarnaast wordt 250 m 3 enkelvoudige<br />
(vloeibare) (b ij-)producten opgeslagen in buiten geplaatste polyester voersilo’s ( 5 x<br />
50 m 3 ). Het voer wordt via brijvoertroggen verstrekt aan de varkens.<br />
Voor de varkens worden op het bedrijf diverse meng-/droogvoer en enkelvoudige<br />
vloeibare producten gemengd tot veevoeder. Naast de aanvoer van afvalstoffen uit<br />
bijvoorbeeld de levensmiddelenindustrie worden droge voedercomponenten in een<br />
voermenginstallatie gemengd tot een volledig voerrantsoen voor de aanwezige<br />
dieren. De totale voederbehoefte bedraagt 2.935 ton veevoeder waarvan 1.174 ton<br />
uit bijproducten (afvalstoffen) op jaarbasis (zie bijlage). Door het bedrijf worden<br />
uitsluitend GMP-waardige (Good Manufacturing Practice) voerprodukten van<br />
erkende gecertificeerde leveranciers aangekocht. Sinds 1992 kent de<br />
diervoedersector de GMP-regeling die toeziet op kwaliteit en veiligheid binnen de<br />
gehele keten betreffende de productie, de handel en vervoer van voerproducten.
5.8. Geluid<br />
Door de varkenshouderij wordt door het gebruik van ventilatoren, machines, aan- en<br />
afvoerbewegingen (transport mest, varkens en veevoer) en het inschakelen van de<br />
noodstroom aggregaat, geluid geproduceerd. Door de geluidbelasting van de<br />
inrichting kan verstoring optreden. De te verwachten geluidsbelasting van de<br />
pluimveehouderij wordt inzichtelijk gemaakt door middel van het uitvoeren van een<br />
akoestisch onderzoek. Uit het akoestisch onderzoek moet blijken of aan het geldende<br />
geluidsniveau en streefwaarden kan worden voldaan. Gezien binnen een afstand van<br />
100 meter van de inrichting geen woningen van derden zijn gelegen behoeft niet te<br />
worden gevreesd voor enige vorm van geluidsoverlast.<br />
5.9. Verkeersaantrekkende werking<br />
Onderzocht moet worden of:<br />
- extra hinder door de toename van het verkeer, de verkeersveiligheid in gevaar<br />
kan brengen;<br />
- door het aantal verkeersbewegingen in kaart te brengen, is het mogelijk om aan<br />
te tonen of het verkeer effect heeft op de dichte omgeving;<br />
- de effecten van het aan de inrichting toe te rekenen verkeer in relatie tot de eisen<br />
uit de wet luchtkwaliteit.<br />
5.10. Afvalstoffen<br />
Bij het houden van varkens komen voornamelijk de volgende afvalstoffen vrij:<br />
kadavers<br />
mest<br />
afvalwater<br />
diversen, zoals verpakkingsmaterialen, TL-buizen en voerresten<br />
Kadavers<br />
Een vleesvarkensbedrijf kent een gemiddeld uitvalpercentage van 2-4% voor de<br />
vleesvarkens. De kadavers worden binnen de inrichting opgeslagen in een koeling. De<br />
kadavers worden zo vaak als nodig door de destructor opgehaald en afgevoerd naar<br />
Sovion.<br />
Mest<br />
De opslag van varkensmest vindt plaats in de mestputten onder de stallen. Onder de<br />
stallen bevindt zich, na gehele realisatie van het bedrijf, een opslagcapaciteit van<br />
5.348 m³ mest.<br />
Voor de verantwoorde afzet zal de drijfmest deels op eigen grond worden verwerkt<br />
en het overige wordt via een mestafzetcontract afgevoerd, conform het wetsvoorstel<br />
mestafzetcontracten middels een intermediair.<br />
Bedrijfsafval<br />
Binnen de inrichting komt bedrijfsplastic vrij, als gevolg van het binnen het bedrijf toe<br />
te passen materieel. Dit afval wordt middels bedrijfscontainer afgevoerd naar een<br />
erkende inzamelaar.<br />
Op jaarbasis komt 534 m³ spuiwater vrij, afkomstig van de gecombineerde<br />
biologische luchtwasser .<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 48
Bedrijfsafvalwater<br />
Het bedrijfsafvalwater (o.a. reinigings - en ontsmettingswater en schoonspuitwater)<br />
dat binnen de inrichting ontstaat wordt opgevangen in de drijfmestputten en samen<br />
met de drijfmest uit de inrichting afgevoerd.<br />
De overige afvalstoffen worden op verantwoorde wijze van het bedrijf afgevoerd.<br />
5.11. Bodem<br />
Door milieugevaarlijke vloeistoffen op te slaan in tanks/vaatwerk, welke zijn<br />
geplaatst in een lekbak en (vloeibare) voederproducten op te slaan in gesloten silo’s<br />
en door de vloeren van de stallen mestdicht uit te voeren, wordt<br />
bodemverontreiniging voorkomen.<br />
Bij de aanvraag omgevingsvergunning – onderdeel bouwen – wordt een historisch<br />
bodemonderzoek overlegd.<br />
5.12. Risico’s a.g.v. ongeval en abnormale omstandigheden<br />
Met betrekking tot de gebruikte technologieën<br />
Het grootste risico voor een varkenshouderij betreft het uitvallen van de stroom.<br />
Door het wegvallen van de netspanning zullen ook de ventilatoren stilvallen. Het<br />
gevolg van het stilvallen van de ventilatoren is dat er onvoldoende luchtverversing bij<br />
de varkens zal plaatsvinden met als gevolg dat de dieren kunnen stikken.<br />
Om dit risico weg te nemen is er op het bedrijf, binnen de installatieruimte, een<br />
noodstroomaggregaat aanwezig die ingezet kan worden bij het wegvallen van de<br />
netspanning.<br />
Met betrekking tot de gebruikte grondstoffen<br />
Op het bedrijf wordt ten behoeve van het vee als grondstof mengvoeder, brijvoer en<br />
bijproducten aangevoerd. De veevoeders worden opgeslagen in polyester silo’s<br />
binnen de inrichting. Daarnaast verbruikt het vee drinkwater. Het drinkwater wordt<br />
via een eigen bron op het bedrijf geleverd. Dat de varkens relatief weinig water<br />
verbruiken is te danken aan het gebruik van de natte bijproducten, waarbij ze een<br />
gedeelte van hun dagelijkse behoefte aan vocht binnen krijgen.<br />
Met betrekking tot de bedrijfsvorm<br />
Veehouderijbedrijven, en dus ook varkenshouderijen, lopen het gevaar dat, vanuit<br />
rijkswege, vervoersverboden worden opgelegd na het uitbreken van een veeziekte.<br />
Het gevolg hiervan is dat, gedurende een onbepaalde periode, geen dieren van het<br />
bedrijf mogen worden afgevoerd. Het gevolg van een dergelijk vervoersverbod is dat<br />
de stallen voller en voller raken waardoor het welzijn van de dieren in gevaar komt.<br />
De nieuwe bedrijfsopzet is nog niet volgens de nieuwe welzijnseisen conform het<br />
Varkensbesluit. Na de realisatie van de tweede fase (dat gerealiseerd wordt binnen<br />
het uit te breiden gedeelte van het bouwblok) zal het bedrijf voldoen aan de<br />
welzijnseisen, waardoor dergelijke vervoersverboden voor een langere tijd kunnen<br />
worden opgevangen.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 49
Veiligheidsaspecten<br />
Een ander gevarenaspect voor een veehouderij is het uitbreken van brand. Het<br />
ontstaan van brand levert een gevaar op voor mens en dier. Om een eventuele brand<br />
snel te kunnen bestrijden is het bedrijf voorzien van brandblussers. Bij de bouw van<br />
de nieuwe installatie worden verschillende brandcompartimenten gesitueerd, wat<br />
brandvertragend werkt.<br />
5.13. Besluit Huisvesting en IPPC-richtlijn<br />
Het Besluit Huisvesting schrijft maximale emissiewaarden voor verschillende<br />
diercategorieën voor. Door toepassing van combiwassers wordt aan deze normen<br />
voldaan.<br />
De IPPC-richtlijn verplicht de lidstaten van de EU om bedrijven te reguleren middels<br />
een integrale vergunning gebaseerd op de best beschikbare technieken (BBT). Omdat<br />
op dit bedrijf meer dan 2.000 vleesvarkens worden gehouden, valt het gehele bedrijf<br />
onder de IPPC-richtlijn. Geen van de dierenverblijven zijn gelegen in een kwetsbaar<br />
gebied dan wel in een zone van 250 meter daar omheen. Op grond van de IPPCrichtlijn<br />
kan het voorgestelde plan worden geweigerd als de ammoniakemissie uit<br />
dierenverblijven leidt tot een belangrijke toename van de verontreiniging op<br />
kwetsbare natuurgebieden. Momenteel is er al sprake van een aanzienlijke<br />
overbelasting van kwetsbare natuur als gevolg van de grote concentratie van<br />
veehouderijen en de hoge achtergronddepositie.<br />
Dit houdt in dat de best beschikbare technieken zoals omschreven in de BREF<br />
moeten worden toegepast. Voor de varkenshouderij zijn enkele luchtwassystemen<br />
genoemd als best beschikbare techniek. Naast de huisvesting worden nog enkele<br />
aandachtspunten BBT genoemd. In onderstaande staat een opsomming van de<br />
aandachtspunten waarvoor BBT zijn vastgesteld, het doel van de BBT en een<br />
voorbeeld van een BBT op dit gebied.<br />
Tabel Overzicht van de aandachtspunten waarvoor BBT zijn vastgesteld<br />
Aandachtspunt Doel Voorbeeld BBT<br />
Voedingstechnieken Beperking uitscheiding<br />
nutriënten<br />
Fasevoedering<br />
Emissies naar de lucht Beperking ammoniakemissie Deels luchtwasser<br />
Water Beperking waterverbruik Brijvoertrog<br />
Energie Beperking energieverbruik Frequentiegeregelde<br />
ventilatoren<br />
Mestopslag Beperken ammoniakemissie nvt<br />
Met betrekking tot de aandachtspunten ‘voedingstechnieken’, ‘water’ en ‘energie’<br />
worden de genoemde voorbeelden op dit bedrijf toegepast. De mestopslag vindt<br />
plaats in een afgedekte mestopslag en voldoet daarmee ook aan het genoemde<br />
voorbeeld in de BREF.<br />
BBT<br />
De gekozen stalsystemen voor de intensieve veehouderijtak bestaan uit:<br />
gecombineerd e biologisch luchtwassysteem (BWL 2009.12)<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 50
De lokale situatie van de omgeving waarin onderhavige inrichting ligt, is niet<br />
vergelijkbaar met de gemiddelde Europese situatie waarop de toepassing van de<br />
IPPC-richtlijn/het BREF-document is gebaseerd. De inrichting ligt in een omgeving,<br />
waarin een camping is gelegen en lintbebouwing. Omwille van deze bebouwing met<br />
name naar de toekomst toe het van belang dat ook geur en stof wordt gereduceerd,<br />
om overlast naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Op grond van deze lokale<br />
milieuomstandigheden wordt aan het voorkomen van geur en stof een zwaarder<br />
gewicht toegekend dan aan energie en afval.<br />
Door toepassing van een luchtwassysteem wordt een vergaande reductie van de<br />
geuremissie bereikt.<br />
Gecombineerde biologische luchtwasser<br />
De emissiefactor voor ammoniak van de luchtwasser is niet hoger dan de maximale<br />
emissiewaarde in bijlage 1 van het Besluit huisvesting. Luchtwassers hebben naast<br />
een lage ammoniakemissie ook als positief effect dat de geuremissie laag is en dat<br />
een deel van de emissie van fijn stof wordt tegengehouden.<br />
Naast de positieve effecten zijn er ook nadelige effecten. Als een stal wordt voorzien<br />
van een luchtwasser neemt het energiegebruik toe. Daarnaast ontstaat spuiwater dat<br />
op een doelmatige wijze verwijderd moet worden.<br />
Beoordeling toename energiegebruik<br />
De toename van het energiegebruik is voor een deel toe te schrijven aan het<br />
elektriciteitsverbruik van de luchtwasser zelf, maar wordt vooral veroorzaakt door<br />
extra elektriciteitsverbruik van de ventilatie.<br />
Het elektriciteitsverbruik van de luchtwasser zelf komt hoofdzakelijk voor rekening<br />
van de waswaterpomp. Bij de luchtwasser is het energieverbruik tot het maximum<br />
gereduceerd doorat in een lamellenfilter de wasvloeistof maar een minuut per 20<br />
minuten opgebracht wordt.<br />
Extra elektriciteitsverbruik van de ventilatie wordt veroorzaakt door:<br />
1. Extra drukval in het afvoerkanaal (er is meer druk nodig om de lucht door de<br />
luchtwasser heen te krijgen),<br />
2. Langere transportafstand als afdelingen die eerst een eigen afvoer- of emissiepunt<br />
hadden nu centraal afgezogen worden,<br />
3. Langere transportafstand om afstand tot luchtwasser te overbruggen.<br />
Beoordeling spuiwater<br />
Het spuiwater is een afvalstof, die op een doelmatige wijze moet worden verwijderd.<br />
Voor de verwijderingsopties wordt verwezen naar de VROM-brief van 18 mei 2000<br />
met kenmerk DWL/2000055147 over milieuhygiënische randvoorwaarden voor<br />
verwijdering van spuiwater van luchtwassystemen in de veehouderij. De gevraagde<br />
luchtwasser betreft een biologische gecombineerde luchtwasser. Het vrijkomend<br />
spuiwater betreft geen gevaarlijk afval. Het vrijkomend spuiwater kan conform het<br />
Besluit gebruik meststoffen verspreid worden over de landbouwgronden. Dit<br />
stalsysteem is BBT op voorwaarde dat voorschriften gesteld worden aan het<br />
energiegebruik en het afvalwater.<br />
.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 51
Beleidslijn IPPC<br />
De beleidslijn IPPC stelt dat tot het ammoniakemissie niveau van 5.000 kg, de<br />
toepassing van BBT volstaat. Tot het ammoniakemissie niveau van 5.000 - 10.000 kg,<br />
volstaat de toepassing van BBT + .<br />
3.571 vleesvarkens x 1,4 BBT = 4.999,4 kg NH 3<br />
669 vleesvarkens x 1,1 BBT+= 735,9 kg NH 3<br />
624 gespeende biggen x0,21 BBT+= 131,0 kg NH 3<br />
TOTAAL = 5.866,3 kg NH 3<br />
Op basis van de beleidslijn IPPC mag de ammoniakemissie niet hoger zijn dan 5.866,3<br />
kg NH 3 .Het voorkeursalternatief heet een lagere milieubelasting van 5.475,7 kg NH 3 .<br />
Overig<br />
Het voorgestelde plan wordt getoetst aan diverse wetten en regels die van<br />
toepassing zijn op een inrichting. In eerdere hoofdstukken is ingegaan hoe omgegaan<br />
zal worden met energie, water, grond- en hulpstoffen en bedrijfsafvalstoffen. Tevens<br />
is daar ingegaan op preventieve maatregelen. Bij de realisatie van het voorgestelde<br />
plan wordt voor de opslagen voor dierlijke mest binnen de inrichting rekening<br />
gehouden met de aanbevelingen die zijn opgenomen in het BREF-document.<br />
Daarnaast wordt de stofemissie tijdens het afleveren van veevoeder in de silo’s<br />
gefilterd door middel van een doelmatig systeem en vindt gedeeltelijk stofreductie<br />
plaats als gevolg van de toepassing van de gecombineerde luchtwasser. Zie voor<br />
verdere beoordeling Wet luchtkwaliteit.<br />
Op grond van het hiervoor genoemde kan worden gesteld dat het voorgestelde plan<br />
voldoet aan de eis van het toepassen van de best beschikbare technieken, waardoor<br />
voldaan wordt aan de IPPC-richtlijn (inclusief bijbehorende beleidslijn).<br />
Conclusie<br />
Nu op dit bedrijf deels in de bestaande stallen en nieuwbouwstal de best beschikbare<br />
technieken (BBT ++ ) worden toegepast voldoet het bedrijf aan de IPPC.<br />
5.14. Landschappelijke inpassing<br />
Om de visuele hinder en de hinder voor het landschap zoveel mogelijk te voorkomen<br />
zal de inrichting worden voorzien van beplanting rondom het gebouw. Aan de<br />
ruimtelijke onderbouwing is een beplantingsplan toegevoegd. Bij de keuze van de<br />
beplanting is nader onderzocht welke beplating van nature passend is in het gebied.<br />
De landschappelijke compensatie en inpassing in het landschap is reeds akkoord<br />
bevonden. De landschappelijke inpassing is als bijlage toegevoegd.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 52
5.15. Externe veiligheid<br />
Binnen de varkenshouderij Weteringstraat 1-3 vinden geen activiteiten plaats die in<br />
relatie tot het beleidskader ‘externe veiligheid’ relevant zijn. Ook is gekeken naar de<br />
externe werking van activiteiten buiten de inrichting die mogelijk relevant kunnen<br />
zijn. Op basis van de risicokaart liggen binnen een straal van 2 kilometer geen<br />
activiteiten die een risico kunnen zijn in relatie tot de ontwikkeling van de<br />
varkenshouderij aan de Weteringstraat 1-3.<br />
Figuur: gearceerd = buitendijksgebied / rode stip = inrichting met gevaarlijke stoffen<br />
5.16. Gezondheid<br />
De kwaliteit van de leefomgeving is van invloed op de gezondheid van mensen. In<br />
relatie tot de gevolgen van het voornemen voor de kwaliteit van de leefomgeving<br />
wordt ingegaan op de gevolgen/risico’s voor de gezondheid. De Wet collectieve<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 53
preventie volksgezondheid vraagt gemeenten expliciet aandacht te besteden aan<br />
volksgezondheid bij besluitvorming.<br />
Mogelijke risico’s met betrekking tot zoönosen, zoals MRSA, en de mogelijke<br />
maatregelen die getroffen kunnen worden om de risico’s voor de omgeving te<br />
beperken zijn nader beoordeeld. Hierbij is het onderzoeksrapport “Mogelijke<br />
effecten van bedrijven met intensieve veehouderij op de gezondheid van<br />
omwonenden: onderzoek naar blootstelling en gezondheidsproblemen”, interim<br />
rapportage 21 januari 2011 van IRAS Universiteit, NIVEL en RIVM betrokken.<br />
Daarnaast zijn de bevindingen van de Gezondheidsraad niet bekend gemaakt en<br />
derhalve niet in overweging genomen.<br />
Mogelijke gezondheidkundige gevolgen lijken beperkt nu binnen 250-500 meter geen<br />
bebouwde kom, bebouwingslinten ⁄ -concentraties en grootschalige recreatieobjecten<br />
zijn gelegen. Daarnaast is geen sprake van een overbelaste situatie in relatie<br />
tot geur (voor - en achtergrondbelasting) en de luchtkwaliteit ten opzichte van<br />
woningen die geen onderdeel uitmaken van dit bestemmingsvlak.<br />
5.17. Overige aspecten<br />
5.17.1. Directe ammoniakschade<br />
De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen wordt<br />
beoordeeld aan de hand van het rapport ‘Stallucht en Planten’ dat in 1981 is<br />
opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO). Dit rapport<br />
is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniak schade veroorzaakt door de<br />
uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige<br />
gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen<br />
een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat<br />
minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van<br />
kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals<br />
een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend.<br />
In de directe omgeving ten opzichte van de veehouderij zijn geen boomkwekerijen /<br />
kascomplexen gelegen. Op basis van het rapport ‘Stallucht en Planten’ draagt de<br />
inrichting niet bij aan mogelijke directe ammoniakschade aan de ter plaatse<br />
aanwezige kascomplexen, boomkwekerij en fruitkwekerijen.<br />
5.17.2. Flora en Fauna<br />
Voor de locatie Weteringstraat is een verkennend Flora en Fauna onderzoek<br />
uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bijgevoegd en derhalve onderdeel van deze<br />
Notitie. Doel van het onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het<br />
onderzoeksgebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor<br />
soortenbescherming is hierbij de Flora- en faunawet van belang, gebiedsbescherming<br />
is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ecologische<br />
Hoofdstructuur (EHS). Indien een planlocatie namelijk in of nabij een beschermd<br />
gebied ligt of een onderdeel van de EHS vormt, dient er tevens bepaald te worden of<br />
de voorgenomen ontwikkelingen een negatief effect kunnen hebben op het<br />
beschermde gebied of afbreuk doen aan de werking van de EHS. Vaak is echter enkel<br />
soortbescherming via de Flora- en faunawet van toepassing.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 54
Het plangebied betreft de percelen E, nummers 94 en 95 van de kadastrale<br />
gemeente Oijen. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 13.750 m2.<br />
De betreffende uitbreiding van het bouwvlak c.q. de onderzoekslocatie heeft een<br />
grootte van circa 4.000 m2. Het terrein is momenteel in gebruik als weiland. De<br />
beoogde nieuw te bouwen stal zal direct ten noorden van de bestaande stallen aan<br />
de Weteringstraat 3 worden gerealiseerd. Het plangebied ligt in het buitengebied ten<br />
oosten van het dorp Teeffelen en ten noorden van de stad <strong>Oss</strong>, beide gemeente <strong>Oss</strong>.<br />
Het gebied wordt in het zuiden en westen begrensd door respectievelijk de<br />
Weteringstraat en de Hoefstraat. Rondom het plangebied zijn voorts agrarische<br />
percelen gelegen waar de hoofdwaterlopen Teeffelensche Wetering en<br />
Hertogswetering doorheen stromen. De omgeving kan derhalve worden beschreven<br />
als agrarisch buitengebied.<br />
In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming<br />
en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het onderzoeksgebied. Onder<br />
andere is hierbij gebruik gemaakt van het Natuurloket, de zoogdierenatlas<br />
(Broekhuizen et al., 1992), de broedvogelatlas (SOVON Vogelonderzoek Nederland,<br />
2002) en de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant”. De aanwezigheid<br />
van relevante natuurterreinen en de ligging van Natuurbeschermingswet 1998<br />
gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en de EHS in de nabijheid van het<br />
onderzoeksgebied zijn onderzocht. De bevindingen van het uitgevoerde veldbezoek<br />
en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in de rapportage Flora en<br />
Fauna dat als bijlage is bijgevoegd.<br />
Via het landsdekkend beeld op Natuurloket.nl is de waarde beschouwd van het<br />
betreffende gebied, dat ligt in kilometerhok X:163 / Y:423 dat een gedeelte van het<br />
buitengebied van de kern Teeffelen omvat. Het Natuurloket verstrekt informatie over<br />
het voorkomen van soorten per kilometerhok. Binnen het kader van deze quick scan<br />
is het niet mogelijk om vast te stellen welke soorten per kilometerhok zijn<br />
weergegeven door het Natuurloket. De weergave van het Natuurloket kan dan ook<br />
alleen als indicatie voor de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten worden<br />
beschouwd.<br />
Aangezien het onderzoeksgebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok<br />
beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen<br />
binnen het onderzoeksgebied. In bijlage 2 is de rapportage uit het Natuurloket<br />
opgenomen. Uit de rapportage blijkt dat er in de periode tussen 1990 en 2010 in het<br />
kilometerhok een zeer beperkt aantal waarnemingen zijn gedaan van de in de Floraen<br />
faunawet, de Habitat- of Vogelrichtlijn of de Rode lijst voorkomende planten en<br />
dieren.<br />
Naast bovengenoemde bron zijn onder andere gegevens gebruikt die afkomstig zijn<br />
van de “Atlas van de Nederlandse zoogdieren” en de “Werkatlas amfibieën en<br />
reptielen in Noord-Brabant”.<br />
Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas blijkt dat de volgende zoogdieren<br />
of sporen van deze soorten (o.a. braakballen) in de periode van 1970 tot 1988 zijn<br />
waargenomen in de directe omgeving van het onderzoeksgebied: egel, huisspitsmuis,<br />
mol, vos, hermelijn, wezel, bunzing, Amerikaanse nerts, woelrat, muskusrat,<br />
veldmuis, bruine rat, huismuis, haas en konijn.<br />
Uit gegevens van de Werkatlas amfibieën en reptielen blijkt dat de soorten<br />
kamsalamander, kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, groene kikker,<br />
poelkikker en de middelste groene kikker in de periode van 1985 tot en met 2004 zijn<br />
waargenomen in de directe omgeving van het onderzoeksgebied.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 55
Uit het rapport blijkt dat in het onderzoeksgebied mogelijk verschillende beschermde<br />
soorten dieren voorkomen die vermeld staan op de lijsten van de Flora- en faunawet.<br />
Deze soorten zijn echter tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een<br />
sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten,<br />
holen, uitwerpselen, prooiresten en haren heeft eveneens niets opgeleverd.<br />
Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende planten, grondgebonden zoogdieren<br />
en een aantal soorten amfibieën komen voor op FFlijst 1. Voor soorten van FFlijst 1<br />
geldt een vrijstelling: bij het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is het voor deze<br />
soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.<br />
Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vogelsoorten staan vermeld op lijst<br />
3 en zijn feitelijk ontheffingsplichtig. Indien broedende vogels aanwezig zijn kunnen<br />
verstorende werkzaamheden als eventuele verwijdering van de beplanting niet<br />
plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels<br />
aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Door beplanting voor het<br />
broedseizoen voor vogels te verwijderen wordt voorkomen dat vogels er zullen gaan<br />
broeden. Indien er op deze manier wordt gehandeld treden er geen effecten op ten<br />
aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaats vinden buiten<br />
het broedseizoen worden eveneens geen nadelige effecten verwacht op vogels.<br />
Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er<br />
derhalve geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels en is het niet<br />
noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.<br />
Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vleermuizen staan vermeld op FFlijst<br />
3 en zijn ontheffingsplichtig. Voor vleermuizen geldt echter dat er in de onderhavige<br />
situatie geen effecten optreden ten aanzien van mogelijk aanwezige verblijfplaatsen,<br />
foerageergebieden en vliegroutes. De in de omgeving van het onderzoeksgebied<br />
aanwezige bebouwing en bomen blijven namelijk gehandhaafd. Het uitvoeren van<br />
nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing zijn derhalve niet aan de orde.<br />
Voor alle aanwezige flora en fauna geldt de zorgplicht ex art. 2 van de Flora- en<br />
faunawet, die van toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en<br />
plantensoorten. Op grond hiervan dient men zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te<br />
handelen op een wijze waarop nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden<br />
voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel<br />
mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt.<br />
Als eindconclusie kan worden gesteld dat de aanbevelingen ten aanzien van vogels in<br />
acht moeten worden genomen. Tevens zullen de werkzaamheden voor de overige<br />
soortgroepen geen overtreding van de natuurwetgeving tot gevolg hebben.<br />
5.17.3. Cultuurhistorische / Archeologische waarden<br />
Voor de locatie Weteringstraat 1-3 is een archeologisch bureau- en verkennend<br />
booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bijgevoegd en derhalve<br />
onderdeel van deze Notitie. Het doel van het onderzoek was een archeologische<br />
verwachting op te stellen en deze middels een verkennend booronderzoek te<br />
toetsen. Dit om zicht te krijgen op de invloed van de geplande werkzaamheden op<br />
eventuele archeologische resten.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 56
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied ligt op de rand van de<br />
zogenaamde stroomgordel van Marcharen. In de nabij het van het plangebied zijn<br />
vindplaatsen met resten van bewoning uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd<br />
bekend. Op basis van deze gegevens is aan het plangebied een middelhoge<br />
verwachting voor vindplaatsen uit de Late Prehistorie tot en met Late Middeleeuwen<br />
toegekend. Vindplaatsen uit de Nieuwe tijd worden niet verwacht, omdat hier op<br />
basis van het geraadpleegde historische kaartmateriaal geen aanleiding voor is.<br />
Het booronderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied is gelegen op de overgang<br />
van de kleiige komgronden naar de zandige stroomgordel van Marcharen. In het<br />
plangebied komen voornamelijk siltige en zandige kleien voor waarin zich een relatief<br />
natte poldervaaggrond heeft ontwikkeld. Dit in combinatie met het ontbreken van<br />
aanwijzingen die duiden op bewoning of beakkering heeft geleid tot de conclusie dat<br />
er geen aanleiding is om in het plangebied de aanwezigheid van archeologische<br />
resten te verwachten. Er gelden zodoende geen restricties ten aanzien van de<br />
verdere planvorming en een vervolg proefsleuven-onderzoek is niet noodzakelijk.<br />
5.17.4. Aardkundige waarden<br />
Onder aardkundige waarden vallen de verschijnselen en processen die te maken<br />
hebben met de vorming van het landschap. Daartoe behoren geologische,<br />
geomorfologische en bodemkundige verschijnselen en processen.<br />
Aardkundige verschijnselen geven inzicht in de ontstaanswijze van het landschap. De<br />
aardkundige opbouw van een gebied is de basis voor de waterhuishouding en<br />
bodemopbouw en is van grote invloed op de samenstelling van flora en fauna.<br />
Gebieden met een gevarieerde aardkundige opbouw zijn van nature ook divers in<br />
ecologisch opzicht. Aardkundige waarden gelegen binnen een agrarisch gebied<br />
moeten worden gevrijwaard van grondwerken, maatregelen ten behoeve van<br />
waterbeheersing e.d. Ook moet voorkomen worden dat maatregelen in de directe<br />
omgeving de herkenbaarheid van het aardkundige object aantasten.<br />
Uit het bureau- en booronderzoek heeft geen opmerkelijke aardkundige waarden,<br />
dan wel verschijnselen aangetoond ter plaatse van de planlocatie.<br />
Voor de locatie Weteringstraat 1-3 is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd.<br />
Het onderzoek is als bijlage bijgevoegd en derhalve onderdeel van deze Notitie. Doel<br />
van het onderzoek is vast te stellen of er op de locatie in het verleden<br />
bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden die aanleiding geven tot het<br />
uitvoeren van een bodemonderzoek. Op grond van het onderzoek wordt de locatie<br />
als niet-verdacht beschouwd. Aangenomen wordt dat ter plaatse van de<br />
onderzoekslocatie geen sprake is van bodemverontreiniging.<br />
5.17.5. Waterdoelen / -systemen<br />
Naast de integrale zonering en de ontwikkelkaarten voor de verschillende functies<br />
(glastuinbouw; recreatie & toerisme; veehouderij, boomteelt) zijn er voor het<br />
reconstructieplan kaarten gemaakt met plannen voor omgevingskwaliteit. Water is<br />
daarvan één van de belangrijkste.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 57
Doel<br />
Doel van de bestanden is het weergeven van de ruimtelijke component van de water<br />
doelstellingen in de ontwerp reconstructieplannen. Afhankelijk van het onderwerp<br />
werken deze planologisch door of is de status indicatief. Regionale waterberging<br />
categorieën ‘huidig inundatiegebied’ en ‘in te richten waterbergingssgebied’,<br />
beekherstel (binnen planperiode) en natte natuurparels met bescherming szones<br />
werken planologisch door naar <strong>bestemmingsplan</strong>nen. Deze planologische<br />
doorwerking naar <strong>bestemmingsplan</strong>nen is vanuit de reconstructiewet beperkt tot het<br />
landelijke gebied. Alle informatie van thema’s met planologische doorwerking uit het<br />
waterhuishoudingsplan zijn daarom afgesneden op de grens van dit stedelijk gebied.<br />
Waterberging<br />
Naast bestaande inundatiegebied worden door de Noord-Brabantse waterschappen<br />
waterbergingsgebieden ingericht. Daarbij gaat het om maatregelen waardoor het<br />
gebied geschikt wordt om tijdens overvloedige neerslag tijdelijk water te bergen en<br />
waardoor nieuwe kapitaalintensieve ontwikkelingen tegen worden gegaan.<br />
Daarnaast zijn zoekgebieden door de waterschappen aangeduid waar waterberging<br />
gerealiseerd zou kunnen worden na de planperiode. In de voorlopige<br />
reserveringsgebieden 2050/2016 zijn ontwikkeling van grootschalige, kapitaal<br />
intensieve functies, zoals woonwijken, bedrijventerreinen, vestigingsgebieden voor<br />
de glastuinbouw, veeverdichtingsgebieden, projectlocaties voor de intensieve<br />
veehouderij en grote recreatie-complexen alleen mogelijk indien uit een watertoets<br />
blijkt dat hierdoor de geschiktheid van het zoekgebied voor waterberging niet<br />
verloren gaat en de investering vanuit het oogpunt van veiligheid en schaderisico’s<br />
verantwoord is. Bestaande bedrijven behouden hun normale ontwikkelingsmogelijkheden.<br />
Voor de locatie aan de Weteringstraat 1-3 is een watertoets uitgevoerd. Het<br />
hemelwater wordt op de locatie geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd.<br />
Toelichting waterberging<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 58
Conclusie<br />
De planlocatie Weteringstraat 1-3 is niet gelegen in een gebied dat gericht is op de<br />
realisatie van genoemde waterdoelen. Echter om hydrologisch neutraal te<br />
ondernemen is een watertoets uitgevoerd. Hierdoor wordt het water ter plaatse<br />
geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd.<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 59
Overzicht bijlagen<br />
1 Situatieschets bedrijf - Omgeving (tekening blad Mlo)<br />
2 Plattegrondtekening (blad M10 (code 10-163 130-11-2010))<br />
3 Geurverspreidingsmodel (V-Stacks)<br />
3a Weergave Geur achtergrondbelasting (op basis van V-Stacks gebied)<br />
4 Ammoniakverspreidingsmodel (Aagro-Stacks)<br />
5 Fijn stofverspreidingsmodel (ISUa)<br />
6 Berekening dierbezetting<br />
7 Dimensioneringspian luchtwasser<br />
8 Flora en faunaonderzoek<br />
9 Archeologische onderzoek<br />
10 Bodemonderzoek<br />
11 Waterparagraaf<br />
12 Landschappelijke inpassing
Bijlage 1: Situatieschets bedrijf - omgeving<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 61
Bijlage 2: Plattegrondtekening<br />
Plattegrondtekening blad M10, code 10-163, d.d. 30-11-2011)<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 62
Bijlage 3: Geurverspreidingsmodel (V-Stacks)<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 63
Gegenereerd op: 30-11-2011 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.<br />
Naam van de berekening: Weteringstraat 3 4afd LW met combiventilatie<br />
Gemaakt op: 30-11-2011 20:32:57<br />
Rekentijd: 0:00:08<br />
Naam van het bedrijf: Weteringstraat 1 Teeffelen<br />
Berekende ruwheid: 0,09 m<br />
Meteo station: Eindhoven<br />
Brongegevens:<br />
Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. EP Hoogte Gem.geb. hoogte EP Diam. EP Uittr. snelh. E-Aanvraag<br />
1 stal 3 163 371 423 100 3,8 4,3 0,40 4,00 23 000<br />
2 stal 4 163 409 423 108 3,8 4,3 0,40 4,00 14 628<br />
3 stal 5 163 363 423 155 8,3 6,8 5,00 1,26 9 863<br />
Geur gevoelige locaties:<br />
Volgnummer GGLID Xcoordinaat Ycoordinaat Geurnorm Geurbelasting<br />
4 Rotsestraat 7 162 628 422 927 8,0 1,8<br />
5 Rotsestraat 6 162 621 422 989 8,0 1,8<br />
6 Hertogswetering 273 163 824 422 967 14,0 4,7<br />
7 Singel 21 162 567 423 270 2,0 1,5<br />
8 Singel 13 162 554 423 192 2,0 1,3<br />
9 Singel 25 162 580 423 323 2,0 1,5<br />
10 Rotsestraat 8 162 773 422 798 14,0 2,6<br />
11 Rotsestraat 9 162 665 422 869 14,0 2,1<br />
12 Hoefstraat 2 162 671 423 414 8,0 2,1<br />
13 Singel 15 162 547 423 207 2,0 1,3<br />
14 Singel 23 162 566 423 298 2,0 1,5<br />
15 Singel 19 162 556 423 240 2,0 1,4<br />
16 Singel 17 162 552 423 223 2,0 1,3<br />
17 Rotsestraat 4 162 492 423 125 2,0 1,1
Gegenereerd op: 30-11-2011 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.
Bijlage Bijlage 3a Weergave Weergave geur eur achtergrondbelasting ( (op (<br />
op basis basis basis van van V-Stacks Stacks gebied) gebied)<br />
gebied)
Achtergrondbelasting<br />
Weteringstraat 1-3<br />
Beoogde situatie<br />
Legenda<br />
achtergrondbelasting<br />
ouE/m³ - Leefklimaat<br />
< 4 - Zeer goed<br />
4 - 8 - Goed<br />
8 - 14 - Redelijk goed<br />
14 - 20 - Matig<br />
20 - 28 - Tamelijk slecht<br />
28 - 38 - Slecht<br />
38 - 50 - Zeer slecht<br />
> 50 - Extreem slecht<br />
R & S Advies<br />
Langegracht 4a<br />
5091 SJ Middelbeers<br />
tel: 06-51039378<br />
algemeen@rensadvies.com<br />
www.rensadvies.com<br />
Project vergroting bouwvlak<br />
Opdrachtgever M. van Doremalen<br />
Adres Weteringstraat 1-3 Teeffelen<br />
Datum 30-08-2012<br />
Schaal 1:10.000<br />
Cartograaf B. van Doormaal<br />
·<br />
0 250 500 1.000 Meter
Bijlage 4: ammoniakdepositie (Aagro-Stacks)<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 64
Naam van de berekening: 3011111 combiventilatie<br />
Gemaakt op: 30-11-2011 18:07:28<br />
Zwaartepunt X: 163,400 Y: 423,100<br />
Cluster naam: Weteringstraat 3 4 afd LW Combiventilatie<br />
Berekende ruwheid: 0,33 m<br />
Emissie Punten:<br />
Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />
Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. Hoogte Gem.geb. hoogte Diam. Uittr. snelheid Emissie<br />
1 Stal 3 163 371 423 100 3,8 4,3 0,4 4,00 2 500<br />
2 Stal 4 163 409 423 108 3,8 4,3 0,4 4,00 1 590<br />
3 Stal 5 163 363 423 155 8,3 6,8 5,0 1,26 1 386<br />
Gevoelige locaties:<br />
Volgnummer Naam X coordinaat Y coordinaat Depositie<br />
1 Bossche Broek 1 149 552 410 635 0,22<br />
2 Bossche Broek 2 148 998 410 650 0,22<br />
3 Bossche Broek 3 149 227 409 911 0,21<br />
4 Bossche Broek 4 149 227 409 911 0,21<br />
5 Dommelbeemden 162 267 397 559 0,14<br />
6 Uiterwaarden Waal 1 152 962 423 294 0,39<br />
7 Uiterwaarden Waal 2 156 295 427 295 0,84<br />
8 Uiterwaarden Waal 3 158 732 430 808 0,73<br />
Details van Emissie Punt: Stal 3 (887)<br />
Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />
1 D3.100.1 vleesvarkens TR
Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />
Details van Emissie Punt: Stal 4 (888)<br />
Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />
1 D3.100.1 vleesvarkens TR 0,35 m2 624 0.11 68.64
Naam van de berekening: Weteringstraat 3 referentie geco<br />
Gemaakt op: 30-11-2011 16:33:29<br />
Zwaartepunt X: 163,400 Y: 423,100<br />
Cluster naam: Weteringstraat 3 referentie gecorrigeerd<br />
Berekende ruwheid: 0,33 m<br />
Emissie Punten:<br />
Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />
Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. Hoogte Gem.geb. hoogte Diam. Uittr. snelheid Emissie<br />
1 Stal 3 163 371 423 100 3,8 4,3 0,4 4,00 1 400<br />
2 Stal 4 163 401 423 122 3,8 4,3 0,4 4,00 1 400<br />
Gevoelige locaties:<br />
Volgnummer Naam X coordinaat Y coordinaat Depositie<br />
1 Bossche Broek 1 149 552 410 635 0,11<br />
2 Bossche Broek 2 148 998 410 650 0,11<br />
3 Bossche Broek 3 149 227 409 911 0,11<br />
4 Bossche Broek 4 149 227 409 911 0,11<br />
5 Dommelbeemden 162 267 397 559 0,07<br />
6 Uiterwaarden Waal 1 152 962 423 294 0,20<br />
7 Uiterwaarden Waal 2 156 295 427 295 0,43<br />
8 Uiterwaarden Waal 3 158 732 430 808 0,37<br />
Details van Emissie Punt: Stal 3 (898)<br />
Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />
1 D3.100.1 vleesvarkens TR
Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />
Details van Emissie Punt: Stal 4 (899)<br />
Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />
1 D3.100.1 vleesvarkens TR
Naam van de berekening: Weteringstraat 3 referentie Geld<br />
Gemaakt op: 30-11-2011 17:34:45<br />
Zwaartepunt X: 163,400 Y: 423,100<br />
Cluster naam: Weteringstraat 3 referentie Gelderland<br />
Berekende ruwheid: 0,33 m<br />
Emissie Punten:<br />
Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />
Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. Hoogte Gem.geb. hoogte Diam. Uittr. snelheid Emissie<br />
1 Stal 3 163 371 423 100 3,8 4,3 0,4 4,00 2 500<br />
2 Stal 4 163 401 423 122 3,8 4,3 0,4 4,00 2 500<br />
Gevoelige locaties:<br />
Volgnummer Naam X coordinaat Y coordinaat Depositie<br />
1 Bossche Broek 1 149 552 410 635 0,20<br />
2 Bossche Broek 2 148 998 410 650 0,20<br />
3 Bossche Broek 3 149 227 409 911 0,19<br />
4 Bossche Broek 4 149 227 409 911 0,19<br />
5 Dommelbeemden 162 267 397 559 0,13<br />
6 Uiterwaarden waal 1 152 962 423 294 0,35<br />
7 Uiterwaarden waal 2 156 295 427 295 0,76<br />
8 Uiterwaarden waal 3 158 732 430 808 0,66<br />
Details van Emissie Punt: Stal 3 (376)<br />
Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />
1 D3.100.1 vleesvarkens TR
Gegenereerd op: 30-11-2011 met AAgro-Stacks Versie 1.0<br />
Details van Emissie Punt: Stal 4 (377)<br />
Volgnr. Code Type Aantal Emissie Totaal<br />
1 D3.100.1 vleesvarkens TR
Bijlage 5: Wet Luchtkwaliteit (ISL3a)<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 65
Gegenereerd met ISL3a Versie 2012-1 , Rekenhart Release 20 aug. 2012<br />
Gebiedsgegevens<br />
Naam van deze berekening: WETERINGSTRAAT<br />
Te beschermen object<br />
Naam:<br />
Project: Weteringstraat 1-3 EINDFASE<br />
RD X coordinaat: 162 944 Lengte X: 1000 Aantal Gridpunten X: 50<br />
RD Y coordinaat: 422 614 Breedte Y: 1000 Aantal Gridpunten Y: 50<br />
Berekende ruwheid: 0.10 Eigen ruwheid<br />
Eigen ruwheid: 0.00<br />
Type Berekening: PM10<br />
Rekenjaar:2012<br />
Soort Berekening: Contour Toets afstand: n.v.t. Onderlinge afstand: n.v.t.<br />
Berekend op: 2012/08/30 21:29:09<br />
Uitvoer directory: \\Acer-a551fc7b23\mijn documenten\eigen\MER\wetereingstraat 1\plan MER\output stof<br />
RD X Coord.<br />
[m]<br />
RD Y Coord.<br />
[m]<br />
Concentratie<br />
Overschrijding<br />
[microgram/m3] [dagen]<br />
Rotsestraat 4 162 492 423 125 24.00 13.5<br />
Rotsestraat 6 162 621 422 989 24.11 13.8<br />
Rotsestraat 7 162 628 422 927 24.11 13.7<br />
Rotsestraat 8 162 773 422 798 24.12 13.7<br />
Rotsestraat 9 162 665 422 869 24.12 13.7<br />
Hoefstraat 2 162 671 423 414 24.01 13.5<br />
Hertogswetering 273 163 824 422 967 23.94 13.3<br />
Singel 13 162 554 423 192 24.01 13.5<br />
Singel 15 162 547 423 207 24.01 13.5<br />
Singel 17 162 552 423 223 24.01 13.5<br />
Singel 19 162 556 423 240 24.01 13.5<br />
Singel 21 162 567 423 270 24.01 13.5<br />
Singel 23 162 566 423 298 24.01 13.5<br />
Singel 25 162 580 423 323 24.01 13.5<br />
Rand Bouwblok 1 163 442 423 073 24.65 14.4<br />
Rand Bouwblok 2 163 419 423 059 24.52 14.4<br />
Rand Bouwblok 3 163 361 423 025 24.34 14.1<br />
Rand Bouwblok 4 163 343 423 038 24.48 14.5<br />
Rand Bouwblok 5 163 319 423 079 24.88 16.5<br />
Rand Bouwblok 6 163 295 423 118 24.34 14.6<br />
Rand Bouwblok 7 163 342 423 143 25.48 18.2<br />
Rand Bouwblok 8 163 321 423 177 24.53 15.3<br />
Rand Bouwblok 9 163 298 423 215 24.32 14.6<br />
Rand Bouwblok 10 163 340 423 241 24.36 14.1<br />
Rand Bouwblok 11 163 364 423 201 24.86 15.1<br />
Rand Bouwblok 12 163 386 423 164 25.71 16.3<br />
Rand bouwblok 13 163 407 423 128 27.83 20.5<br />
Brongegevens<br />
Naam : Stal 3<br />
RD X Coord.: 163 371<br />
hoogte van emissiepunt:<br />
verticale uittreesnelheid: 4.00<br />
diameter van emissiepunt:<br />
temperatuur van emisstroom:<br />
Type:<br />
RD Y Coord.: 423 100<br />
Emissie:<br />
3.80<br />
0.40<br />
285.00<br />
AB<br />
hoogte van gebouw: 4.3<br />
0.00485<br />
X-coord. zwaartepunt van gebouw: 163 375<br />
Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 423 106<br />
lengte van gebouw: 80.00<br />
breedte van gebouw:<br />
15.00<br />
orientatie van gebouw: 121.60<br />
(c) N.V. Kema<br />
Date: 30-08-2012 Time: 21:29:20 Page 1
Gegenereerd met ISL3a Versie 2012-1 , Rekenhart Release 20 aug. 2012<br />
Naam : Stal 4<br />
RD X Coord.: 163 409<br />
hoogte van emissiepunt:<br />
verticale uittreesnelheid: 4.00<br />
diameter van emissiepunt:<br />
temperatuur van emisstroom:<br />
Naam : Stal 5<br />
RD X Coord.: 163 363<br />
hoogte van emissiepunt:<br />
Type:<br />
RD Y Coord.: 423 108<br />
Emissie:<br />
3.80<br />
0.40<br />
285.00<br />
verticale uittreesnelheid: 1.26<br />
diameter van emissiepunt:<br />
temperatuur van emisstroom:<br />
AB<br />
hoogte van gebouw: 4.3<br />
0.00309<br />
X-coord. zwaartepunt van gebouw: 163 395<br />
Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 423 118<br />
lengte van gebouw: 80.00<br />
breedte van gebouw:<br />
15.00<br />
orientatie van gebouw: 121.60<br />
Type:<br />
RD Y Coord.: 423 155<br />
Emissie:<br />
8.30<br />
5.00<br />
285.00<br />
AB<br />
hoogte van gebouw: 6.8<br />
0.00286<br />
X-coord. zwaartepunt van gebouw: 163 342<br />
Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 423 187<br />
lengte van gebouw: 80.00<br />
breedte van gebouw:<br />
41.30<br />
orientatie van gebouw: 121.60<br />
(c) N.V. Kema<br />
Date: 30-08-2012 Time: 21:29:20 Page 2
Gegenereerd met ISL3a Versie 2012-1 , Rekenhart Release 20 aug. 2012<br />
(c) N.V. Kema<br />
Date: 30-08-2012 Time: 21:29:20 Page 3
Bijlage 6: Berekening dierbezetting<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 66
Vigerende vergunningen situatie<br />
Voor de locatie is op 19 april 1994 een revisievergunning verleend ingevolge artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend. Vervolgens is op 21 maart 1995<br />
een veranderingsvergunning ingevolge artikel 8.1, sub b van de Wet milieubeheer verleend. Op 21 januari 2010 is een melding ingevolge artikel 8.19 Wet<br />
milieubeheer geaccepteerd. De vergunning is verleend voor het houden van de navolgende aantal te houden dieren:<br />
1. SITUATIE CONFORM VERLEENDE VERGUNNING(EN)<br />
1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />
Stal Code Aantal Ammoniakemissie geur<br />
nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />
Voorkeursalternatief<br />
Ten opzichte van de vigerende situatie vindt uitbreiding en oprichting plaats van de volgende aantallen dieren 2.240 vleesvarkens en 624 gespeende biggen.<br />
Totaal aantal dieren in de nieuwe situatie:<br />
Stal 3, ongewijzigd 1.000 vleesvarkens;<br />
Stal 4, uitbreiding in bestaande stal (voormalig ziekenboeg) met 56 vleesvarkens, totaal 1056 vleesvarkens;<br />
Stal 5, nieuwbouw 2.184 vleesvarkens en 624 gespeende biggen.<br />
4. de eindfase<br />
dieren dierplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />
3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.095 2,5 2.500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />
4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.095 2,5 2.500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />
Totaal 5000,0 2800,0 Totaal Ou 46000,0<br />
ammoniakemissie bedrijf bedrijf<br />
1 2a 2b 3 4 5 6a 6b 7a 7b<br />
Stal Code** Aantal Ammoniakemissie geur<br />
nr. Hoktype* Diercategorie Aantal aanwezige Kg NH3 per totaal BBT- BBT OU per OU<br />
dieren dierenplts dierplaats kg NH3 norm totaal dier totaal<br />
3 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 1.000 1.056 2,5 2500,0 1,4 1.400,0 23 23000,0<br />
4 D3.100.1 TR Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 636 696 2,5 1590,0 1,4 890,0 23 14628,0<br />
4 D3.2.15.4.1 GL Vleesvarkens tot 110 kg (< 0,8 m2) 420 456 0,38 159,6 1,4 588,0 3,5 1470,0<br />
5 D3.2.15.4.2 GL Vleesvarkens tot 110 kg (> 0,8 m2) 2184 2184 0,53 1157,5 1,4 3057,6 3,5 7644,0<br />
5 D1.1.15.4.2 GL Gespeende biggen (> 0,35 m²) 624 624 0,11 68,6 0,23 143,5 1,2 748,8<br />
Totaal 5475,7 6079,1 Totaal Ou 47490,8<br />
ammoniakemissie bedrijf bedrijf
Bijlage 7: Dimensionering luchtwasser<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 67
Dimensioneringsplan alleen geldig in combinatie met een door Uniqfill geleverde luchtwasser<br />
Dimensioneringsplan Biologische gecombineerde luchtwasser Uniqfill Air BV.<br />
Opdrachtgever : M. van Doremalen<br />
Weteringstraat 1<br />
Teeffelen<br />
Locatie : Weteringstraat 1<br />
Teeffelen<br />
Datum : 29-6-2011<br />
In onderstaande beschrijving en tabellen is de dimensionering aangegeven voor bovengenoemde locatie.<br />
Systeem Uniqfill Air bio combiwasser BWL 2009.12 85% ammoniakreductie<br />
Type waterwasser gelijkstroom en biowasser tegenstroom 85% geurreductie<br />
Werkingsproces<br />
wasser.<br />
Spuiwater komt vrij uit de biologische wasser en wordt opgevangen in de wateropvangbak onder de wasinstallatie.<br />
Ook het sproeiwater van het watergodijn wordt in deze bak opgevangen.<br />
Berekening ventilatiebehoefte vlgs. Normen Klimaatplatform.<br />
Aantal dieren Omschrijving Stal m3/uur/ RAV Totaal m3<br />
dierplaats * categorie ventilatie<br />
420 vleesvarkens < 0,8 80 D 3.2.15.4.1 33.600<br />
2.184 vleesvarkens > 0,8 70 D 3.2.15.4.2 152.880<br />
624 biggen > 0,35 22,5 D 1.1.15.4.2 14.040<br />
Maximum ventilatiebehoefte m3/uur 200.520<br />
* aangepast volgens opgaaf adviseur<br />
Gegevens waspakket FKP 312 240 m² per m³<br />
De ammoniakemissie ( inclusief geur- en stofemissie)wordt beperkt door de ventilatielucht te behandelen in een gecombineerd<br />
luchtwassysteem. Dit is een installatie die is opgebouwd uit meerdere wassystemen. Bij het beschreven systeem bestaat de<br />
installatie uit een watergordijn (type gelijkstroom) met daarachter een biologische wasser. Het watergordijn is in de voorruimte<br />
aanwezig waarin de lucht optimaal wordt verdeeld over het gehele aanstroomoppervlak van de wassectie. De biologische<br />
wasser is opgebouwd uit een filterelement van het type tegenstroom. Het betreft een kolom vulmateriaal waarover continu<br />
wasvloeistof wordt gesproeid. De gezuiverde lucht verlaat vervolgens via de druppelvanger de installatie. Bij passage van de<br />
ventilatie lucht door het luchtwassysteem wordt de ammoniak opgevangen in de wasvloeistof. Bacteriën die zich op het<br />
vulmateriaal en in de wasvloeistof bevinden zetten de ammoniak om in nitriet en/of nitraat, waarna deze stoffen met het<br />
spuiwater worden afgevoerd. De verwijdering van stof en geurcomponenten gebeurt in het watergordijn en de biologische<br />
aanstroomoppervlak 1,0 m²<br />
Specifieke luchtbelasting Incl. bevestiging punten 4.080 m³/m² aanstroomopp.<br />
Hoogte waspakket 1,5 m<br />
Contactoppervlak waspakket 360 m²<br />
Capaciteit waspakket 11,33 m³/m² contactopp.<br />
Afmeting opvang waswater per m² aanstroom oppervlak 1,5 m³<br />
1 / 2 versie maart 2009 .
Dimensioneringsplan alleen geldig in combinatie met een door Uniqfill geleverde luchtwasser<br />
Dimensioneringsplan Biologische gecombineerde luchtwasser Uniqfill Air BV.<br />
Opdrachtgever : M. van Doremalen<br />
Weteringstraat 1<br />
Datum : 29-06-11<br />
Totaal ventilatie behoefte Eenheid 200.520 m³/uur<br />
Aanstroom oppervlak (minimaal) 49,15 m²<br />
Lengte luchtwasser 18,00 17,06 21.600 mm.<br />
Diepte luchtwasser inclusief stof afvang 3.400 mm.<br />
Hoogte luchtwasser 3.300 mm.<br />
Specifiek waswaterdebiet 0,75 m³/m²/uur<br />
Inhoud waspakket 73,72 m³<br />
Contactoppervlak waspakket 17692,94 m²<br />
Aantal sproeiers per m² 0,7 35 stuks<br />
Opvang waswater (waterbuffer) 74 m³<br />
Max. vermogen spoelpomp 3,5 kWh<br />
Aantal sproeiers stofafvang mtr. 1 22 stuks<br />
Drukval over de wasser ± 50 Pa<br />
Totaal opgenomen vermogen 30.660 kWh/jaar<br />
Besturingskast 230/400 Volt<br />
Totaal water verdamping 1.545 m³/jaar<br />
Totaal spuiwater 528 m³/jaar<br />
Totaal verbruik water 2.073 m³/jaar<br />
Afmeting centraal kanaal (minimaal) 20,1 m²<br />
Uitstroom oppervlak 19,44 m²<br />
Ventilatie vlgs, V-Stack normen 88.212<br />
Uitstroom snelheid 1,26 m/sec<br />
Opmerking:<br />
2 / 2 versie maart 2009 .
Bijlage 8: Flora en Faunaonderzoek<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 68
Quick scan flora en fauna<br />
Vergroting bouwvlak agrarisch bedrijf<br />
Weteringstraat 1-3<br />
Teeffelen
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
Tritium Advies B.V.<br />
Quick scan flora en fauna<br />
in opdracht van<br />
R&S Advies<br />
Langegracht 4A<br />
5091 SJ MIDDELBEERS<br />
betreffende de locatie<br />
Weteringstraat 1-3<br />
Teeffelen<br />
projectnummer<br />
1105/041/RV-1<br />
versie<br />
1<br />
vestiging, datum<br />
Nuenen, 6 juli 2011<br />
Opgesteld: Voor akkoord:<br />
ir. R.A.C. van de Voort ing. M.J. Frensch<br />
Projectleider RO Projectleider RO<br />
Gulberg 35 Groenstraat 27 E-mail info@tritiumadvies.nl<br />
5674 TE NUENEN 4841 BA PRINSENBEEK Internet www.tritiumadvies.nl<br />
Telefoon 040 - 2 951 951 Telefoon 076 - 5 429 564 ING 66.25.72.645<br />
Fax 040 - 2 951 950 Fax 076 - 5 416 894 K.v.K nr. 17108024
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
INHOUDSOPGAVE<br />
Pagina<br />
1 INLEIDING 1<br />
2 LITERATUURONDERZOEK 3<br />
2.1 Gebieden 3<br />
2.2 Soorten 4<br />
3 VELDBEZOEK 6<br />
4 RESULTATEN 8<br />
4.1 Flora 8<br />
4.2 Vogels 8<br />
4.3 Zoogdieren 8<br />
4.4 Reptielen en amfibieën 9<br />
4.5 Vlinders en libellen 9<br />
4.6 Mieren en kevers 9<br />
4.7 Vissen 9<br />
5 CONCLUSIES 10<br />
5.1 Soorten van FFlijst 1 10<br />
5.2 Soorten van FFlijst 2/3 10<br />
5.3 Zorgplicht 10<br />
5.4 Eindconclusie 10<br />
BIJLAGEN<br />
1. situatieschets van de omgeving<br />
2. rapportage uit het Natuurloket
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
1 INLEIDING<br />
In opdracht van R&S Advies is een quick scan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied Weteringstraat<br />
1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. Aanleiding voor het onderzoek is de aanvraag van een<br />
omgevingsvergunning ter vergroting van het bouwvlak om het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf te<br />
kunnen laten voldoen aan het Besluit huisvesting. Op de locatie wordt de realisatie een varkensstal beoogd.<br />
In bijlage 1 is een situatietekening van het plangebied opgenomen.<br />
Het plan is in strijd met het vigerende <strong>bestemmingsplan</strong>. Voor deze locatie wordt derhalve een nieuw<br />
<strong>bestemmingsplan</strong> opgesteld conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het kader van deze procedure<br />
dient onder andere een verkennend flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Hiermee kan worden<br />
voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving gehandeld zal worden.<br />
Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het onderzoeksgebied mogelijk<br />
leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortenbescherming is hierbij de Flora- en faunawet<br />
van belang, gebiedsbescherming is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ecologische<br />
Hoofdstructuur (EHS). Indien een planlocatie namelijk in of nabij een beschermd gebied ligt of een<br />
onderdeel van de EHS vormt, dient er tevens bepaald te worden of de voorgenomen ontwikkelingen een<br />
negatief effect kunnen hebben op het beschermde gebied of afbreuk doen aan de werking van de EHS.<br />
Vaak is echter enkel soortbescherming via de Flora- en faunawet van toepassing.<br />
Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek<br />
blijken of er een overtreding te verwachten is van de Flora- en faunawet. Tevens wordt vastgesteld of er<br />
meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is<br />
naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend<br />
onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder<br />
enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Flora- en faunawet te<br />
voorkomen.<br />
Het plangebied betreft de percelen E, nummers 94 en 95 van de kadastrale gemeente Oijen. Het<br />
plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 13.750 m 2 . De betreffende uitbreiding van het bouwvlak<br />
c.q. de onderzoekslocatie heeft een grootte van circa 4.000 m 2 . Het terrein is momenteel in gebruik als<br />
weiland.<br />
De beoogde nieuw te bouwen stal zal direct ten noorden van de bestaande stallen aan de Weteringstraat 3<br />
worden gerealiseerd. Het plangebied ligt in het buitengebied ten oosten van het dorp Teeffelen en ten<br />
noorden van de stad <strong>Oss</strong>, beide gemeente <strong>Oss</strong>. Het gebied wordt in het zuiden en westen begrensd door<br />
respectievelijk de Weteringstraat en de Hoefstraat. Rondom het plangebied zijn voorts agrarische percelen<br />
gelegen waar de hoofdwaterlopen Teeffelensche Wetering en Hertogswetering doorheen stromen. De<br />
omgeving kan derhalve worden beschreven als agrarisch buitengebied.<br />
Uit navolgende luchtfoto kan worden opgemaakt dat de omgeving van het plangebied in gebruik is als<br />
agrarisch buitengebied met bijbehorende bebouwing.<br />
pagina 1 van 10
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
Figuur 1 Luchtfoto van de omgeving van het plangebied.<br />
pagina 2 van 10
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
2 LITERATUURONDERZOEK<br />
In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke<br />
aanwezigheid van beschermde soorten in het onderzoeksgebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt<br />
van het Natuurloket, de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 1992), de broedvogelatlas (SOVON<br />
Vogelonderzoek Nederland, 2002) en de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant”. De<br />
aanwezigheid van relevante natuurterreinen en de ligging van Natuurbeschermingswet 1998 gebieden<br />
(o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en de EHS in de nabijheid van het onderzoeksgebied zijn<br />
onderzocht. De bevindingen van het uitgevoerde veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens<br />
gebundeld in onderhavige rapportage.<br />
2.1 Gebieden<br />
In onderstaande figuur is het deel van de gemeente <strong>Oss</strong> nabij de onderzoekslocatie met haar ecologisch<br />
waardevolle gebieden (in een straal van 3 km) in groene highlights weergegeven.<br />
Figuur 2 Teeffelen en omgeving met relevante natuurgebieden.<br />
pagina 3 van 10
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
Uit de figuur kan worden afgeleid, dat het onderzoeksgebied niet in of nabij Natura-2000 gebieden (geen<br />
lichtgroene highlights), Wetlands of Beschermde- of Staatsnatuurmonumenten ligt. De dichtstbijzijnde<br />
gebieden die enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) behoren zijn de hoofdwaterlopen<br />
Teeffelensche Wetering en de Hertogswetering.<br />
In de navolgende figuur, overgenomen uit de kaart van de Ecologische Hoofdstructuur is wederom het<br />
aandachtsgebied omcirkeld. Ook uit deze figuur blijkt dat de planlocatie niet in of nabij een beschermd<br />
gebied ligt en geen onderdeel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).<br />
Figuur 3 Plattegrond van de omgeving van het plangebied. Het perceel is omcirkeld.<br />
2.2 Soorten<br />
Via het landsdekkend beeld op Natuurloket.nl is de waarde beschouwd van het betreffende gebied, dat ligt<br />
in kilometerhok X:163 / Y:423 dat een gedeelte van het buitengebied van de kern Teeffelen omvat. Het<br />
Natuurloket verstrekt informatie over het voorkomen van soorten per kilometerhok. Binnen het kader van<br />
deze quick scan is het niet mogelijk om vast te stellen welke soorten per kilometerhok zijn weergegeven<br />
door het Natuurloket. De weergave van het Natuurloket kan dan ook alleen als indicatie voor de mogelijke<br />
aanwezigheid van beschermde soorten worden beschouwd.<br />
Aangezien het onderzoeksgebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok beslaat is het niet zeker<br />
dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het onderzoeksgebied. In bijlage 2 is de<br />
rapportage uit het Natuurloket opgenomen. Uit de rapportage blijkt dat er in de periode tussen 1990 en<br />
2010 in het kilometerhok een zeer beperkt aantal waarnemingen zijn gedaan van de in de Flora- en<br />
faunawet, de Habitat- of Vogelrichtlijn of de Rode lijst voorkomende planten en dieren.<br />
Naast bovengenoemde bron zijn onder andere gegevens gebruikt die afkomstig zijn van de “Atlas van de<br />
pagina 4 van 10
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
Nederlandse zoogdieren” en de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant”.<br />
Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze<br />
soorten (o.a. braakballen) in de periode van 1970 tot 1988 zijn waargenomen in de directe omgeving van<br />
het onderzoeksgebied: egel, huisspitsmuis, mol, vos, hermelijn, wezel, bunzing, Amerikaanse nerts,<br />
woelrat, muskusrat, veldmuis, bruine rat, huismuis, haas en konijn.<br />
Uit gegevens van de Werkatlas amfibieën en reptielen blijkt dat de soorten kamsalamander, kleine<br />
watersalamander, gewone pad, bruine kikker, groene kikker, poelkikker en de middelste groene kikker in de<br />
periode van 1985 tot en met 2004 zijn waargenomen in de directe omgeving van het onderzoeksgebied.<br />
pagina 5 van 10
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
3 VELDBEZOEK<br />
Het plangebied gelegen aan Weteringstraat 1-3 te Teeffelen is op 2 juli 2011 bezocht. Tijdens het<br />
terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid<br />
van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zicht- en<br />
geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten,<br />
holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het<br />
onderzoeksgebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten.<br />
Het onderzoek betreft een verkennend onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet. In deze wet<br />
worden drie beschermingsregimes onderscheiden. Voor soorten uit FFlijst 1 geldt vrijstelling van<br />
verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Er hoeft dan<br />
geen ontheffing van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd. Voor soorten uit FFlijst 2 of 3 geldt<br />
geen vrijstelling en kan aanvraag van een ontheffing aan de orde zijn bij overtreding van<br />
verbodsbepalingen.<br />
De huidige situatie:<br />
• Het onderzoeksgebied is in gebruik als weiland.<br />
Navolgende foto’s geven een beeld van de huidige situatie van het terrein:<br />
Figuur 4 Foto van het onderzoeksgebied richting het noorden.<br />
pagina 6 van 10
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
Figuur 5 Foto van het onderzoeksgebied richting Hoefstraat.<br />
Figuur 6 Foto vanaf het onderzoeksgebied richting het zuiden.<br />
pagina 7 van 10
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
4 RESULTATEN<br />
Onderstaand volgen de resultaten van het uitgevoerde veldbezoek.<br />
4.1 Flora<br />
Het onderzoeksgebied is in gebruik als weiland. Door het intensieve gebruik ontbreken er gunstige biotopen<br />
voor beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek zijn er geen beschermde soorten planten aangetroffen.<br />
Conclusie: er komen geen beschermde soorten planten voor in het onderzoeksgebied.<br />
4.2 Vogels<br />
Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het onderzoeksgebied voor een aantal soorten vogels<br />
geschikt is als onderdeel van het leefgebied. De nabijgelegen bomen, struikenbegroeiing en bebouwing<br />
kunnen dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gehele gebied geschikt als foerageergebied. Echter<br />
zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken, met name voor vogels die in het landelijk<br />
gebied voorkomen, zoals bijvoorbeeld weide- en watervogels, zijn gunstige biotopen aanwezig. Voor bos-<br />
en struweelvogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn enkel individuen<br />
waargenomen van de boerenzwaluw, kwikstaart, huismus en de houtduif. Vogelnesten zijn niet<br />
waargenomen.<br />
Conclusie: mogelijk benutten een aantal vogelsoorten het onderzoeksgebied als foerageergebied en de<br />
beplanting als broedgelegenheid.<br />
4.3 Zoogdieren<br />
Uit het veldbezoek blijkt dat het onderzoeksgebied voor een aantal grondgebonden zoogdieren geschikt is.<br />
Tijdens het veldbezoek is echter geen enkel grondgebonden zoogdier waargenomen. Behalve voor diverse<br />
soorten muizen, konijnen en mollen is het onderzoeksgebied geschikt als onderdeel van het leefgebied<br />
voor de egel en eekhoorn. Met betrekking tot de eekhoorn geldt dat er van deze soort geen nesten zijn<br />
waargenomen.<br />
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Met name de ligging op geringe<br />
afstand van de bebouwde kom van het dorp Teeffelen maakt het onderzoeksgebied voor vleermuizen<br />
interessant als mogelijke verblijfplaats en als onderdeel van het foerageergebied.<br />
Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen.<br />
Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen komen voor in bomen met een diameter op borsthoogte<br />
(dbh) van globaal > 3 dm. In het onderzoeksgebied zijn geen grote bomen aangetroffen met voor<br />
vleermuizen geschikte gaten, holen of scheuren.<br />
Conclusie: er komen mogelijk een aantal grondgebonden zoogdieren voor in het onderzoeksgebied.<br />
Vleermuizen benutten het onderzoeksgebied mogelijk als verblijfplaats en foerageergebied.<br />
pagina 8 van 10
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
4.4 Reptielen en amfibieën<br />
Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het onderzoeksgebied voor amfibieën eigenlijk alleen<br />
geschikt is als landbiotoop, aangezien oppervlaktewater voor voortplanting ontbreekt. Voor een aantal<br />
soorten reptielen is het onderzoeksgebied geschikt als biotoop. Tijdens het veldbezoek zijn er geen<br />
reptielen en amfibieën waargenomen.<br />
Conclusie: er komen mogelijk een aantal beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het<br />
onderzoeksgebied.<br />
4.5 Vlinders en libellen<br />
Er zijn tijdens het veldbezoek geen libellen aangetroffen. Voor libellen is er in het onderzoeksgebied dan<br />
ook geen gunstige biotoop aanwezig. Er zijn tijdens het veldbezoek wel enkele koolwitjes aangetroffen.<br />
Mogelijk maken een aantal algemeen voorkomende, niet beschermde soorten vlinders derhalve gebruik van<br />
het onderzoeksgebied.<br />
Conclusie: er komen geen beschermde soorten vlinders en libellen voor in het onderzoeksgebied.<br />
4.6 Mieren en kevers<br />
Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat er in het onderzoeksgebied geen geschikte biotopen<br />
aanwezig zijn voor het voorkomen van beschermde soorten kevers. Voor het voorkomen van beschermde<br />
soorten mieren is de aanwezigheid van open naaldbossen een voorwaarde. Tijdens het veldbezoek zijn er<br />
geen beschermde mieren of mierenhopen waargenomen.<br />
Conclusie: er komen geen beschermde soorten kevers en mieren voor in het onderzoeksgebied.<br />
4.7 Vissen<br />
Uit de waarnemingen van het veldbezoek blijkt dat er in het onderzoeksgebied geen oppervlaktewater<br />
aanwezig is. Derhalve is het onderzoeksgebied ongeschikt voor het voorkomen van (beschermde) vissen.<br />
Conclusie: er komen geen vissen voor in het onderzoeksgebied.<br />
pagina 9 van 10
projectnummer: 1105/041/RV-1, versie 1<br />
5 CONCLUSIES<br />
In het onderzoeksgebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten dieren voor die vermeld staan<br />
op de lijsten van de Flora- en faunawet. Deze soorten zijn echter tijdens het veldbezoek niet waargenomen.<br />
Een sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen,<br />
prooiresten en haren heeft eveneens niets opgeleverd.<br />
5.1 Soorten van FFlijst 1<br />
Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende planten, grondgebonden zoogdieren en een aantal soorten<br />
amfibieën komen voor op FFlijst 1. Voor soorten van FFlijst 1 geldt een vrijstelling: bij het uitvoeren van<br />
ruimtelijke ingrepen is het voor deze soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.<br />
5.2 Soorten van FFlijst 2/3<br />
Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vogelsoorten staan vermeld op FFlijst 3 en zijn feitelijk<br />
ontheffingsplichtig. Indien broedende vogels aanwezig zijn kunnen verstorende werkzaamheden als<br />
eventuele verwijdering van de beplanting niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen<br />
broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Door beplanting voor het<br />
broedseizoen voor vogels te verwijderen wordt voorkomen dat vogels er zullen gaan broeden. Indien er op<br />
deze manier wordt gehandeld treden er geen effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de<br />
werkzaamheden in het geheel plaats vinden buiten het broedseizoen worden eveneens geen nadelige<br />
effecten verwacht op vogels. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen<br />
er derhalve geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels en is het niet noodzakelijk een<br />
ontheffing aan te vragen.<br />
Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vleermuizen staan vermeld op FFlijst 3 en zijn<br />
ontheffingsplichtig. Voor vleermuizen geldt echter dat er in de onderhavige situatie geen effecten optreden<br />
ten aanzien van mogelijk aanwezige verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. De in de omgeving<br />
van het onderzoeksgebied aanwezige bebouwing en bomen blijven namelijk gehandhaafd. Het uitvoeren<br />
van nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing zijn derhalve niet aan de orde.<br />
5.3 Zorgplicht<br />
Voor alle aanwezige flora en fauna geldt de zorgplicht ex art. 2 van de Flora- en faunawet, die van<br />
toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten. Op grond hiervan dient<br />
men zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te handelen op een wijze waarop nadelige gevolgen voor flora en<br />
fauna kunnen worden voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel<br />
mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt.<br />
5.4 Eindconclusie<br />
• De aanbevelingen ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen.<br />
• De werkzaamheden voor de overige soortgroepen zullen geen overtreding van de natuurwetgeving<br />
tot gevolg hebben.<br />
pagina 10 van 10
BIJLAGE 1
BIJLAGE 2
Beknopte eenmalige<br />
levering uit de NDFF<br />
disclaimer De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is de meest omvangrijke<br />
landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare<br />
waarnemingen van planten en dieren in een bepaald gebied. Het systeem is in<br />
opbouw, nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de<br />
NDFF zijn door de Gegevensautoriteit Natuur gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek<br />
kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.<br />
naam project Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />
doel project uitbreiding bouwvlak<br />
datum wo, 06/07/2011 - 09:03<br />
ordernummer OHNL-2011-1259<br />
geselecteerde kilometerhokken<br />
163-423<br />
Beknopte eenmalige levering OHNL-2011-1259 d.d. wo, 06/07/2011 - 09:03<br />
1 van 3
163-423 vaatplanten mossen korstmossen paddenstoelen zoogdieren vogels amfibieën reptielen vissen dagvlinders macronachtvlinders micronachtvlinders libellen<br />
Rode-Lijstsoorten 11<br />
Ffwet soorten<br />
tabel 1<br />
Ffwet soorten<br />
tabel 2+3<br />
1 2<br />
Ffwet vogels 58<br />
Hrl soorten<br />
bijlage II<br />
Hrl soorten<br />
bijlage IV<br />
Beknopte eenmalige levering OHNL-2011-1259 d.d. wo, 06/07/2011 - 09:03<br />
1<br />
1<br />
aantal soorten 22 2 3 58 6 19 1<br />
volledigheid<br />
onderzoek<br />
onbepaald matig niet niet slecht goed/goed niet niet onbepaald niet niet niet niet niet onbepaald matig<br />
onderzoeksperiode 1990-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010 2000-2010<br />
sprinkhanen en<br />
krekels<br />
overige<br />
ongewervelden<br />
zeeorganismen<br />
3 van 3
Toelichting op de tabel<br />
Soortgroepen<br />
In de gehanteerde indeling is Overige ongewervelden een diverse groep met daarin alle<br />
wespen, bijen, mieren, netvleugelige, steenvliegen, kevers, vliegen, muggen, haften,<br />
wantsen, cicaden, luizen, schorpioenvliegen en overige insecten, spinnen, mijten,<br />
hooiwagens, duizendpoten, miljoenpoten, pissebedden, kakkerlakken, oorwormen,<br />
weinigpotigen, vlokreeften, lagere kreeftachtigen, weekdieren, slakken, ringwormen,<br />
snoerwormen en wormachtigen zoals bloedzuigers.<br />
Onder de soortgroep Zeeorganismen vallen: hydroidpoliepen, mosdiertjes,<br />
mysisgarnalen, ribkwallen, stekelhuidigen, zakpijpen, zeepissebedden, zeepokken,<br />
eendenmossels, krabbezakjes, zeespinnen en grote kreeftachtigen (kreeften, krabben en<br />
garnalen). Dit betekent dat waarnemingen van de Europese kreeft (Astacus astacus) en<br />
andere in zoetwater levende rivierkreeften onder Zeeorganismen te vinden zijn.<br />
Zeezoogdieren zijn te vinden onder Zoogdieren.<br />
Rode-Lijstsoorten<br />
In de tabel staat voor elk kilometerhok per soortgroep vermeld hoeveel soorten op de<br />
Rode Lijst staan. Rode Lijsten worden formeel vastgesteld door het ministerie van LNV.<br />
De gehanteerde Rode Lijsten zijn (inclusief link naar website van ministerie van LNV met<br />
verwijzing naar pdf van het besluit):<br />
vaatplanten: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />
mossen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />
korstmossen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004 1<br />
paddenstoelen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004 2<br />
zoogdieren: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009<br />
vogels: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />
amfibieën: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009<br />
reptielen: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009<br />
vissen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />
dagvlinders: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009<br />
macronachtvlinders: geen Rode Lijst<br />
micronachtvlinders: geen Rode Lijst<br />
libellen: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />
sprinkhanen en krekels: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004<br />
overige ongewervelden: Besluit Rode Lijsten 5 november 2004 3<br />
zeeorganismen: geen Rode Lijst<br />
Ffwet soorten tabel 1<br />
Alle soorten van tabel 1 van de Flora- en faunawet, te vinden in de pdf op de website van<br />
het ministerie van LNV (beschermde soorten van de Flora- en faunawet).<br />
1 Na vaststelling van de Rode Lijst is gebleken dat Haematomma ochroleucum onterecht<br />
op de Rode Lijst stond; deze is er vervolgens van afgehaald (verantwoording Database<br />
Soorten in wetgeving en beleid).<br />
2 De Rode Lijst voor paddenstoelen uit 2009 is nog niet geïmplementeerd in de NDFF;<br />
hier vindt u het Besluit: Besluit Rode Lijsten 4 september 2009.<br />
3 het gaat hier om besluiten voor de soortgroepen bijen, kokerjuffers, steenvliegen,<br />
haften, platwormen en land- en zoetwaterweekdieren.<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 1 van 12
Ffwet soorten tabel 2+3<br />
Soorten van tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet, te vinden in de pdf op de website<br />
van het ministerie van LNV (beschermde soorten van de Flora- en faunawet).<br />
Ffwet vogels<br />
Alle vogelsoorten, behalve exoten, zijn beschermd krachtens de Flora- en faunawet.<br />
Hrl soorten bijlage II<br />
In de Europese Habitatrichtlijn staan in Bijlage II de soorten waarvoor beschermde<br />
gebieden moeten worden aangewezen. Op de site van het ministerie van LNV kunt u een<br />
overzicht vinden van de soorten (beschermde soorten Habitatrichtlijn Bijlage II). Welke<br />
gebieden dit zijn is per soort op te zoeken via Natura 2000-gebieden.<br />
Hrl soorten bijlage IV<br />
In de Europese Habitatrichtlijn staan op Bijlage IV de soorten aangewezen die strikt<br />
beschermd zijn; de meeste soorten staan in tabel 3 van de Flora- en faunawet. Op de<br />
website van het ministerie van LNV kunt u een overzicht vinden: beschermde soorten<br />
Habitatrichtlijn Bijlage IV.<br />
Aantal soorten<br />
Het totaal aantal soorten per soortgroep per kilometerhok in de periode zoals<br />
aangegeven. Meegenomen zijn alle waarnemingen:<br />
die geheel of gedeeltelijk binnen de selectie liggen;<br />
die zijn gevalideerd en daarbij de classificatie ‘betrouwbaar’ hebben<br />
meegekregen;<br />
waarvan de bronhouder heeft aangegeven dat ze uitgeleverd mogen worden.<br />
Indien er een asterisk (*) in het veld staat betekent dit dat een deel van de<br />
waarnemingen pas na expliciete toestemming van de bronhouder mag worden<br />
uitgeleverd. Het kan dus zijn dat in de Eenmalige levering niet alle waarnemingen<br />
worden geleverd die optellen tot de Beknopte eenmalige levering. Ook kan het zijn dat<br />
deze gegevens later worden geleverd.<br />
Volledigheid onderzoek<br />
Voor elke soortgroep is aangegeven hoe volledig een specifiek kilometerhok is<br />
onderzocht. Er wordt hierbij gewerkt met een normering in maximaal 5 klassen: Niet,<br />
Slecht, Matig, Redelijk en Goed onderzocht. In onderstaande toelichting is per soortgroep<br />
aangegeven welke regels hierbij gehanteerd zijn en over welke periode.<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 2 van 12
Vaatplanten (1990 – 2010)<br />
Om de volledigheid van onderzoek vast te stellen wordt het soortenaantal per<br />
kilometerhok vergeleken met het gemiddeld soortenaantal van een kilometerhok in<br />
dezelfde regio. Dit aantal is afhankelijk van onder andere bodemtype,<br />
waterhuishouding, schaal van het landschap en bodemgebruik. Daarom is de indeling<br />
van Nederland in 38 ecodistricten gebruikt als regio-indeling. Het gemiddeld aantal<br />
soorten per kilometerhok is bepaald aan de hand van inventarisaties uit het verleden.<br />
De aanname hierbij is dat de in het verleden vastgestelde floristische waarden een<br />
goede basis vormen voor een benadering van de actuele waarden. Het gemiddeld aantal<br />
aangetroffen soorten per kilometerhok loopt van 127 (grote, recente polders) tot 306<br />
(kalkrijke duinen).<br />
klasse definitie<br />
goed aantal soorten is groter dan het gemiddelde van het ecodistrict minus de<br />
standaarddeviatie<br />
redelijk n.v.t.<br />
matig overige gevallen<br />
slecht aantal soorten per kilometerhok is kleiner dan 26 of, als het aantal soorten kleiner<br />
is dan het gemiddelde van het ecodistrict, minus tweemaal de standaarddeviatie.<br />
niet geen waarnemingen<br />
Mossen (2000 – 2010)<br />
Gegevens van mossen zijn veelal afkomstig van natuurgebieden en stedelijk gebied. De<br />
meeste bedreigde mossoorten komen vooral voor op vochtige plaatsen en in bossen.<br />
klasse definitie<br />
goed meer dan 30 soorten<br />
redelijk 11-30 soorten<br />
matig 1-10 soorten<br />
slecht n.v.t.<br />
niet geen waarnemingen<br />
Korstmossen (2000 – 2010)<br />
Gegevens van korstmossen zijn voornamelijk afkomstig van bos, heide en stuifzand,<br />
laanbomen en muren van oude gebouwen. Korstmossen kunnen in alle seizoenen<br />
worden gevonden.<br />
klasse definitie<br />
goed meer dan 20 soorten<br />
redelijk 11-20 soorten<br />
matig 1-10 soorten<br />
slecht n.v.t.<br />
niet geen waarnemingen<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 3 van 12
Paddenstoelen (2000 – 2010)<br />
Om de volledigheid van een inventarisatie te definiëren zouden voor elk kilometerhok<br />
naast de aantallen waarnemingen en soorten ook specifieke biotoopkenmerken moeten<br />
worden meegewogen. Voor paddenstoelen is een dergelijke weging nog niet op<br />
landelijke schaal mogelijk. Vooralsnog wordt uitgegaan van het globale (niet statistisch<br />
onderbouwde) ervaringsfeit dat een "serieus" onderzoek in een hok in een goede tijd<br />
minstens een bepaald aantal verschillende soorten moet opleveren, met een eveneens<br />
globale correctie voor het feit dat dit aantal in een "goed" hok met minder<br />
waarnemingen wordt bereikt dan in een "slecht" hok.<br />
klasse definitie<br />
goed 250 of meer soorten; of<br />
1000 of meer waarnemingen<br />
redelijk overige gevallen<br />
matig n.v.t.<br />
slecht minder dan 50 soorten; of<br />
minder dan 100 waarnemingen<br />
niet geen waarnemingen<br />
Zoogdieren (2000 – 2010)<br />
Voor zoogdieren is de onderzoekskwaliteit voor een kilometerhok bepaald op grond van<br />
twee aspecten die voor de totaalscore worden opgeteld.<br />
1. het aantal waargenomen soorten sinds het jaar 2000<br />
aantal soorten aantal punten<br />
1 0<br />
2-4 5<br />
5-9 10<br />
10-99 15<br />
2. uitvoering van een of meerdere projecten van het Netwerk Ecologische Monitoring of<br />
het VerspreidingsONderzoek LandZoogdieren (VONZ), waarin de aanwezigheid van een<br />
bepaalde set soorten (bijvoorbeeld muizen en spitsmuizen of vleermuizen) systematisch<br />
bepaald wordt.<br />
NEM- of VONZ-project aantal punten<br />
braakbalmonitoring 15<br />
vleermuiswintertellingen 30<br />
muizen vangen met<br />
30<br />
inloopvallen<br />
vleermuiszoldertellingen 30<br />
hazelmuistellingen 10<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 4 van 12
klasse definitie<br />
goed 100 – 1000 punten<br />
redelijk 65 – 99 punten<br />
matig 25 – 64 punten<br />
slecht 0 – 24 punten<br />
niet geen waarnemingen<br />
Vogels (2000 – 2010)<br />
In de regel wordt er bij vogels onderscheid gemaakt tussen broedvogels (reproduceren)<br />
en water- en wintervogels (foerageren en pleisteren). Voor beide wordt in de tabel de<br />
onderzoeksvolledigheid gegeven, eerst broedvogels, dan water- en wintervogels.<br />
Voor het bepalen van de volledigheid van onderzoek wordt niet alleen gekeken naar het<br />
aantal vastgestelde soorten maar ook naar de onderzoeksintensiteit (is een gebied c.q.<br />
kilometerhok voldoende bekeken om iets te zeggen over het voorkomen van de<br />
vogelbevolking). Losse waarnemingen worden in deze berekening niet meegenomen.<br />
Broedvogels<br />
In de jaren 1998-2000 is er in het kader van het Atlasproject van de Nederlandse<br />
Broedvogels in geheel Nederland gewerkt aan het vergaren van broedvogeldata op het<br />
niveau van kilometerhokken. In besloten tot halfopen landschappen wordt 70-80% van<br />
de werkelijk in een kilometerhok aanwezige soorten vastgesteld. In open landschappen<br />
wordt uitgegaan van minimaal 80-100%. Een kilometerhok waar atlaswerk heeft<br />
plaatsgevonden wordt als redelijk onderzocht gekwalificeerd.<br />
Het Landelijk Soortenonderzoek Broedvogels (LSB) is in zijn huidige opzet in 1996 van<br />
start gegaan. Het richt zich op het jaarlijks verzamelen van de aantallen broedgevallen<br />
van in kolonies broedende soorten en de aantallen broedgevallen van zeldzame soorten.<br />
Van een selectie van zeldzame broedvogelsoorten wordt hierbij ook de verspreiding<br />
jaarlijks in kaart gebracht. Van de kolonievogelsoorten mag uitgegaan worden van een<br />
vrijwel landdekkende inventarisatie.<br />
Een kilometerhok is matig onderzocht als er na 1993 drie of meer keren een kolonie-<br />
en/of zeldzame soort is gemeld.<br />
Het Broedvogel Monitoring Project (BMP) is in 1984 van start gegaan en heeft tot doel<br />
de aantalveranderingen van min of meer algemene vogelsoorten te volgen. In vaste<br />
proefvlakken van 15 tot 500 hectare groot verspreid over Nederland wordt jaarlijks een<br />
vaste selectie aan soorten onderzocht. De selectie van soorten kan bestaan uit alle<br />
soorten of uit een set van bijzondere soorten, bijvoorbeeld alleen weidevogels (BMP-W).<br />
Een kilometerhok is goed onderzocht als er na 1995 twee keer een proefvlak is<br />
onderzocht. Als er een BMP-W proefvlak is onderzocht is het kilometerhok redelijk<br />
onderzocht.<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 5 van 12
klasse definitie<br />
goed na 1995 twee keer een proefvlak BMP<br />
redelijk proefvlak BMP-W; of<br />
atlasproject 1998-2000<br />
matig drie of meer keer een kolonie- of zeldzame soort (LSB) gemeld<br />
slecht n.v.t.<br />
niet geen waarnemingen<br />
Water- en wintervogels<br />
Vanaf seizoen 1992/93 is de coördinatie van de watervogeltellingen ondergebracht bij<br />
SOVON. Het gaat daarbij om de maandelijkse ganzen- en zwanentellingen, maandelijkse<br />
tellingen van de Zoete Rijkswateren, de midwintertelling in januari en tellingen in de<br />
Waddenzee. Bij een evaluatie van deze verscheidenheid aan watervogelprojecten, bleek<br />
de genoemde opzet niet geheel te voldoen. Door de projectmatige aanpak bleef de<br />
informatie over het voorkomen van watervogels versnipperd. Met ingang van het<br />
winterhalfjaar 2000/01 is het netwerk aan telgebieden uitgebreid, wordt het merendeel<br />
van de belangrijke watervogelgebieden in het winterhalfjaar maandelijks geteld en<br />
worden alle projectresultaten in een gezamenlijk rapport opgenomen.<br />
Een kilometerhok is goed onderzocht als er >25 maanden geteld is in de laatste 5 jaar.<br />
Als er >10 en 5 en
Amfibieën (2000 – 2010)<br />
Het aantal waarnemingen is in eerste instantiebepalend voor de onderzoekskwaliteit.<br />
Daarnaast worden er correcties toegepast op basis van de periode waarin de<br />
waarnemingen zijn gedaan en op basis van de aantallen soorten die wel of niet op de<br />
Rode Lijst staan.<br />
klasse definitie<br />
goed meetnetactiviteit in het kilometerhok; of<br />
meer dan 15 waarnemingen<br />
redelijk 8 – 14 waarnemingen<br />
matig 3 – 7 waarnemingen<br />
slecht 1 – 2 waarnemingen<br />
niet geen waarnemingen<br />
correctie 1<br />
Voor elke soort zijn zogenaamde “vroege” en “late” perioden van waarnemingen<br />
vastgesteld. Indien er in een kilometerhok meerdere waarnemingen uit de vroege en de<br />
late periode zijn gedaan, wordt een klasse hoger aan het kilometerhok gekoppeld.<br />
waarneming van: periode<br />
een willekeurige salamander in de periode februari – april vroeg<br />
een Gewone pad, Heikikker of Bruine kikker in de periode februari – juni vroeg<br />
een willekeurige salamander in de periode mei – augustus laat<br />
een willekeurige pad of kikker in de periode mei – augustus NIET zijnde van de<br />
Gewone pad of Heikikker of Bruine kikker<br />
laat<br />
correctie 2<br />
Bovenop de bovenstaande indeling en eerste correctie vindt nog een tweede correctie<br />
plaats als onderstaande geldt. Dit gebeurt alleen indien er sprake is van een exacte<br />
overeenkomst; is dat niet het geval dan vindt er geen verdere correctie plaats.<br />
aantal Rode- aantal soorten niet correctie<br />
Lijstsoorten op de Rode Lijst<br />
1 of meer 5 of meer een klasse hoger<br />
2 of meer 4 een klasse hoger<br />
3 of meer 3 een klasse hoger<br />
1 of meer 0 een klasse lager indien Matig, Redelijk of Goed<br />
onderzocht<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 7 van 12
Reptielen (2000 – 2010)<br />
Het aantal waarnemingen is in eerste instantie bepalend voor de onderzoekskwaliteit.<br />
Daarnaast worden er correcties toegepast op basis van de periode waarin de<br />
waarnemingen zijn gedaan en op basis van de aantallen soorten die wel of niet op de<br />
Rode Lijst staan.<br />
klasse definitie<br />
goed meetnetactiviteit in het kilometerhok; of<br />
meer dan 8 waarnemingen<br />
redelijk 4 – 7 waarnemingen<br />
matig 2 – 3 waarnemingen<br />
slecht 1 waarneming<br />
niet geen waarnemingen<br />
correctie 1<br />
Voor elke soort zijn zogenaamde “vroege” en “late” perioden van waarnemingen<br />
vastgesteld. Indien er in een kilometerhok meerdere waarnemingen uit de vroege en de<br />
late periode zijn gedaan, wordt een klasse hoger aan het kilometerhok gekoppeld.<br />
waarneming in de maanden: periode<br />
februari - mei vroeg<br />
juni - augustus laat<br />
correctie 2<br />
Bovenop de bovenstaande indeling en eerste correctie vindt nog een tweede correctie<br />
plaats als onderstaande geldt. Dit gebeurt alleen indien er sprake is van een exacte<br />
overeenkomst; is dat niet het geval dan vindt er geen verdere correctie plaats.<br />
aantal Rode-Lijstsoorten correctie (indien mogelijk)<br />
als Gladde slang is gezien een klasse hoger<br />
als naast Gladde slang ook andere soort gezien twee klassen hoger<br />
als of Adder of Ringslang of Hazelworm of Muurhagedis gezien eenklasse hoger<br />
Vissen (2000 – 2010)<br />
De inventarisatieactiviteit voor vissen is hoofdzakelijk gebaseerd op het aantal<br />
aangetroffen soorten en het aantal bezoeken per kilometerhok. In de goed onderzochte<br />
hokken wordt een goed beeld verwacht van de kwalitatieve samenstelling van de<br />
visfauna in de genoemde onderzoeksjaren. Aanvullingen op deze soortenlijst kunnen<br />
voornamelijk nog verwacht worden bij toepassing van andere vismethodieken en/of<br />
veranderende milieuomstandigheden of uitbreiding van verspreidingsgebieden van<br />
individuele soorten.<br />
Van de redelijk onderzochte hokken wordt geen volledig beeld verwacht van de<br />
kwalitatieve samenstelling van de visfauna. Aanvullingen kunnen verwacht worden door<br />
meer veldwerk, toepassing van andere vismethodieken en/of veranderende milieuomstandigheden<br />
of uitbreiding van verspreidingsgebieden van individuele soorten.<br />
Slecht onderzocht zijn alle kilometerhokken die niet in een van beide bovengenoemde<br />
categorieën vallen.<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 8 van 12
De waarnemingen in het databestand van RAVON hebben hoofdzakelijk betrekking op<br />
vangsten met een steeknet. Elk vangstmiddel is echter selectief: het steeknet levert<br />
vooral veel jonge vis op en kleinere vissoorten. Juist veel van deze kleinere soorten<br />
vallen onder de Flora- en faunawet of de Habitatrichtlijn. Het schepnet is met name<br />
geschikt voor kwalitatieve bemonstering van kleinere watertypen als beken, sloten,<br />
weteringen en poelen. Voor meer kwantitatieve bemonsteringen worden doorgaans<br />
andere methodieken toegepast.<br />
klasse definitie<br />
goed 10 of meer soorten<br />
redelijk 5 – 9 soorten; of<br />
3 – 4 soorten, waarbij verhouding “aantal waarnemingen:aantal soorten” 2 of<br />
groter<br />
matig 3 – 4 soorten, waarbij verhouding “aantal waarnemingen:aantal soorten” kleiner<br />
dan 2<br />
slecht 1 – 2 soorten<br />
niet geen waarnemingen<br />
Dagvlinders (2000 – 2010)<br />
Dagvlinders vliegen niet gedurende het gehele jaar. Sommige soorten vliegen in een<br />
generatie, die vaak niet meer dan vier tot zes weken als vlinder aanwezig is. De in het<br />
bestand opgeslagen waarnemingen zijn grotendeels gebaseerd op de waarnemingen van<br />
vlinders en slechts incidenteel op die van eitjes, rupsen of poppen. De momenten in een<br />
jaar dat in een kilometerhok naar vlinders is gekeken bepaalt dus de kans dat de<br />
aanwezige soorten allemaal gezien zijn. Voor de bepaling van de volledigheid van het<br />
onderzoek is dan ook gekeken naar de spreiding van de bezoeken over het seizoen in<br />
een kilometerhok waarbij aangenomen wordt dat in zeeklei, laagveen- en<br />
rivierengebieden gemiddeld minder soorten worden vastgesteld. Voor elke periode in<br />
het jaar dat het zinvol is om naar vlinders te kijken wordt een puntenaantal toegekend.<br />
Hierbij wordt niet meer gekeken naar het aantal waarnemingen in die periode.<br />
periode week punten<br />
A 1 januari – 31 maart en/of 30 september – 31 december 1 – 13, 40 –52 1<br />
B 1 april – 12 mei 14 – 19 1<br />
C 13 mei – 9 juni 20 – 23 3<br />
D 10 juni – 7 juli 24 – 27 2<br />
E 8 juli – 4 augustus 28 – 31 4<br />
F 5 augustus – 29 september 32 – 39 2<br />
G geen datum, wel jaar 0 1<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 9 van 12
klasse definitie<br />
goed hogere zandgronden, duingebied en Zuid-Limburg: 10 of meer punten<br />
zeeklei, laagveen en rivierengebied: 8 of meer punten<br />
redelijk hogere zandgronden, duingebied en Zuid-Limburg: 5 – 9 punten<br />
matig 3 – 4 punten<br />
slecht 1 – 2 punten<br />
niet 0 punten<br />
zeeklei, laagveen en rivierengebied: 5 – 7 punten<br />
Nachtvlinders (micro’s en macro’s)<br />
De groepen van macro- en micronachtvlinders zijn soortenrijke groepen. Uit ervaring is<br />
gebleken dat het niet makkelijk is om alle soorten die in een hok voorkomen binnen<br />
enkele bezoeken en met slechts enkele onderzoeksmethoden vast te stellen. Goed<br />
nachtvlinderonderzoek bestaat daardoor eigenlijk uit het veelvuldig bezoeken van een<br />
gebied gedurende vele jaren en in vele seizoenen met verschillende technieken (licht,<br />
stroopsmeren, zichtwaarnemingen, etc.). Pas dan kan er een completere indruk bestaan<br />
van het werkelijke aantal soorten dat er voor komt. Om een indicatie te hebben van de<br />
soortenrijkdom in een gebied is het noodzakelijk de kennis van de omliggende hokken te<br />
betrekken bij de bepaling voor een onderzoeksdekking. De nu gehanteerde methode gaat<br />
uit van de verhouding tussen het aantal waargenomen soorten en het aantal theoretisch<br />
waar te nemen soorten. Dit geschiedt voor beide soortgroepen apart. Dat moet ook wel,<br />
want het aantal waarnemers, het aantal soorten en het aantal waarnemingen per groep<br />
verschilt enorm.<br />
Voor beide soortgroepen wordt per kilometerhok het aantal soorten bepaald dat er is<br />
vastgesteld en het aantal soorten dat er theoretisch zou kunnen voorkomen. Hierbij<br />
wordt gebruik gemaakt van de kennis over omliggende hokken. De verhouding van<br />
beide aantallen resulteert in het algemeen in een zeer laag getal, want vaak ligt het<br />
aantal waargenomen soorten enorm veel lager dan het aantal te verwachten soorten.<br />
De oorzaak is meestal dat er nog niet voldoende onderzoek is geweest in een gebied.<br />
De resulterende waarden worden nu verder geclassificeerd op basis van het oordeel van<br />
een expert.<br />
klasse definitie; percentage aangetroffen soorten van theoretisch totaal aantal<br />
goed 21% – 100%<br />
redelijk 7% - 20%<br />
matig 4% - 6%<br />
slecht 0% - 3%<br />
niet geen waarnemingen<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 10 van 12
Libellen (2000 – 2010)<br />
Libellen vliegen niet gedurende het gehele jaar. De meeste soorten vliegen in een<br />
generatie, die vaak niet meer dan zes tot acht weken duurt. De waarnemingen zijn<br />
gebaseerd op de waarnemingen van libellen en slechts incidenteel op die van larven of<br />
larvenhuidjes. De momenten in een jaar dat in een kilometerhok naar libellen is<br />
gekeken bepaalt dus de kans dat de aanwezige soorten allemaal gezien zijn. Voor de<br />
bepaling van de volledigheid van het onderzoek is dan ook gekeken naar de hoeveelheid<br />
waarnemingen in een kilometerhok en het aantal maanden dat er waarnemingen zijn<br />
gedaan.<br />
klasse definitie<br />
goed waarnemingen uit meer dan 3 maanden; of<br />
meer dan 10 waarnemingen uit 2 of 3 maanden; of<br />
meer dan 25 waarnemingen uit minimaal 1 maand<br />
redelijk 10 of minder waarnemingen uit 2 of 3 maanden; of<br />
minder dan 26 waarnemingen uit 1 maand<br />
matig 10 of minder waarnemingen, waarbij de gezamenlijke set van waarnemingen uit<br />
maximaal 1 maand<br />
slecht n.v.t.<br />
niet geen waarnemingen<br />
Sprinkhanen (2000 – 2010)<br />
Bijna alle soorten sprinkhanen zijn in de nazomer aan te treffen. Het is daardoor<br />
mogelijk om tijdens twee bezoeken de sprinkhaanfauna van een gebied goed in kaart te<br />
brengen (onderzoeksintensiteit = goed). Als er slechts 1 bezoek aan een gebied is<br />
afgelegd kunnen er soorten zijn gemist (onderzoeksintensiteit = matig). De categorieën<br />
slecht en redelijk worden dus niet ingevuld.<br />
klasse definitie<br />
goed 2 bezoeken aan het gebied gebracht<br />
redelijk n.v.t.<br />
matig 1 bezoek aan het gebied gebracht<br />
slecht n.v.t.<br />
niet geen waarnemingen<br />
Overige ongewervelden<br />
Deze groep is een bundeling van zes verschillende soortgroepen met beleidsrelevante<br />
soorten (de Habitatrichtlijn, de Flora- en faunawet en de Rode Lijst). Het gaat om: bijen,<br />
kevers, mieren, bloedzuigers en mollusken van de Habitatrichtlijn. Omdat het groepen<br />
betreft met een ver uiteenlopende biologie en ecologie zijn de methoden en perioden<br />
van waarnemen en gegevens verzamelen niet eenduidig. Bovendien betreft het hier<br />
gepresenteerde bestand een opsomming van deze verschillende groepen. Daardoor kan<br />
een indicatie voor de bepaling van de volledigheid niet gegeven worden.<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 11 van 12
Zeeorganismen<br />
De groep van zeeorganismen is erg divers. Voor deze soortgroep is nog geen systematiek<br />
uitgewerkt om onderzoeksvolledigheid te bepalen. Er zijn echter wel vaste duiklocaties<br />
langs de kust die frequent worden onderzocht door waarnemers van ANEMOON. Voor<br />
deze locaties wordt aangenomen dat ze goed zijn onderzocht.<br />
klasse definitie<br />
goed vaste duiklocaties ANEMOON<br />
redelijk n.v.t.<br />
matig n.v.t.<br />
slecht n.v.t.<br />
niet geen waarnemingen<br />
tekstversie d.d. 24 augustus 2010<br />
Beknopte eenmalige levering: toelichting op de tabel 12 van 12
Bijlage 9: Archeologisch onderzoek<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 69
Versie 6.5<br />
RAAP-NOTITIE *nummer*<br />
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />
<strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong><br />
Archeologisch vooronderzoek:<br />
een bureau- en verkennend booronderzoek
Colofon<br />
Opdrachtgever: R & S Advies<br />
Titel: Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een<br />
Versie 6.5<br />
bureau- en verkennend booronderzoek<br />
Status: eindversie<br />
Datum: 25 juli 2011<br />
Auteur: ir. G.R. Ellenkamp<br />
Projectcode: TEEWE<br />
Bestandsnaam: NO*nummer*-TEEWE.doc<br />
Projectleider: ir. G.R. Ellenkamp<br />
Projectmedewerkers: niet van toepassing<br />
ARCHIS-vondstmeldingsnummers: niet van toepassing<br />
ARCHIS-waarnemingsnummers: niet van toepassing<br />
ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 47502<br />
Bewaarplaats documentatie: RAAP Zuid Nederland<br />
Autorisatie: dr. M.P.F. Verhoeven<br />
Bevoegd gezag: gemeente <strong>Oss</strong><br />
ISSN: 0925-6369<br />
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.<br />
Leeuwenveldseweg 5b<br />
1382 LV Weesp<br />
Postbus 5069<br />
1380 GB Weesp<br />
© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2011<br />
telefoon: 0294-491 500<br />
telefax: 0294-491 519<br />
E-mail: raap@raap.nl<br />
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade<br />
voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
Samenvatting<br />
In opdracht van R & S advies heeft RAAP archeologisch adviesbureau een bureau- en verken-<br />
nend booronderzoek uitgevoerd in het kader van een <strong>bestemmingsplan</strong>wijziging ten behoeve van<br />
bouwvlak vergroting aan de Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. Het doel van het<br />
onderzoek was een archeologische verwachting op te stellen en deze middels een verkennend<br />
booronderzoek te toetsen. Dit om zicht te krijgen op de invloed van de geplande werkzaamheden<br />
op eventuele archeologische resten.<br />
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied ligt op de rand van de zogenaamde<br />
stroomgordel van Marcharen. In de nabij het van het plangebied zijn vindplaatsen met resten van<br />
bewoning uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd bekend. Op basis van deze gegevens is aan<br />
het plangebied een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de Late Prehistorie tot en met<br />
Late Middeleeuwen toegekend. Vindplaatsen uit de Nieuwe tijd worden niet verwacht, omdat hier<br />
op basis van het geraadpleegde historische kaartmateriaal geen aanleiding voor is.<br />
Het booronderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied is gelegen op de overgang van de kleii-<br />
ge komgronden naar de zandige stroomgordel van Marcharen. In het plangebied komen voorna-<br />
melijk siltige en zandige kleien voor waarin zich een relatief natte poldervaaggrond heeft ontwik-<br />
keld. Dit in combinatie met het ontbreken van aanwijzingen die duiden op bewoning of beakke-<br />
ring heeft geleid tot de conclusie dat er geen aanleiding is om in het plangebied de aanwezigheid<br />
van archeologische resten te verwachten. Er gelden zodoende geen restricties ten aanzien van<br />
de verdere planvorming.<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [3 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
1 Inleiding<br />
1.1 Administratieve gegevens<br />
• type onderzoek: een bureau- en verkennend booronderzoek<br />
• bevoegde overheid: gemeente <strong>Oss</strong><br />
• onderzoekskader: <strong>bestemmingsplan</strong>wijziging ten behoeve van bouwvlak vergroting<br />
• datum veldonderzoek: 12 juli 2011<br />
• locatie (figuur 1):<br />
- naam plangebied: Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />
- provincie: Noord-Brabant<br />
- gemeente: <strong>Oss</strong><br />
- plaats: Teeffelen<br />
- toponiem: Weteringstraat<br />
- kadastrale gegevens: gemeente Oijen, Teeffelen, sectie E, nr. 94-95<br />
- oppervlakte plangebied: 4000 m 2<br />
- kaartblad topografische kaart Nederland 1:25.000: 45E<br />
- centrumcoördinaten (X/Y): 163332 / 423205<br />
• afbakening onderzoekszone: straal van 500 m rondom het plangebied<br />
• ARCHIS-vondstmeldingsnummers: niet van toepassing<br />
• ARCHIS-waarnemingsnummers: niet van toepassing<br />
• ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 47502<br />
1.2 Kader en doelstelling<br />
In het plangebied is een vergroting van het bouwblok gepland, waardoor het nodig is het be-<br />
stemmingsplan aan te passen. Als onderdeel van de planologische procedure om het bestem-<br />
mingsplan te herzien, is het nodig een archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Volgens de<br />
gemeentelijk archeologische waardenkaart geldt voor het plangebied een hoge archeologische<br />
waarde en is booronderzoek nodig om die waarde te toetsen.<br />
Het doel van het bureau- en verkennend booronderzoek was het verkrijgen van inzicht in de<br />
archeologische resten die in het plangebied verwacht worden en de (eventuele) mate van gaaf-<br />
heid daarvan.<br />
1.3 Onderzoeksvragen<br />
• Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?<br />
• Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn al over het plangebied be-<br />
kend?<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [4 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
• Wat is de gespecificeerde verwachting (alsmede de verwachte conservering en gaafheid) ten<br />
aanzien van nog onbekende archeologische waarden in het gebied?<br />
• Is de bodemopbouw in (delen van) het plangebied intact?<br />
• Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?<br />
• Op welke wijze(n) kan bij de planvorming met archeologische resten worden omgegaan?<br />
1.4 Randvoorwaarden<br />
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel<br />
24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeolo-<br />
gie (KNA, versie 3.2), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer<br />
(SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtsnoer. RAAP beschikt over een opgravingsver-<br />
gunning, verleend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.<br />
Figuur 1. Ligging plangebied (rood). Inzet: ligging in Nederland (ster).<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [5 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
2 Bureauonderzoek<br />
2.1 Methode<br />
Het bureauonderzoek dient om op basis van verschillende bronnen inzicht te krijgen in de gene-<br />
se van het landschap, de bodemopbouw en de sporen die het menselijk gebruik in de loop der<br />
tijd heeft achter gelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologi-<br />
sche verwachting opgesteld.<br />
Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar de literatuurlijst. Zie tabel 1 voor de date-<br />
ringen van de in deze notitie genoemde archeologische perioden.<br />
2.2 Geo(morfo)logie en bodem<br />
Het plangebied ligt in het Midden Nederlandse rivierengebied, iets ten noorden van de overgang<br />
van het Zuid Nederlandse zandgebied. Zandige afzettingen uit de laatste ijstijd kunnen daardoor<br />
redelijk dicht onder het maaiveld voorkomen. Volgens de geomorfologische kaart (Stiboka &<br />
RGD, 1983), ligt het plangebied in een rivierkom- en oeverwalachtige vlakte (code 2M22; zie ook<br />
bijlage 1). Het betreft afzettingen die de Maas in de loop van het Holoceen heeft afgezet. Daarbij<br />
is onderscheid te maken in kleiige komafzettingen en zandiger oeverwal of stroomgordel afzet-<br />
tingen. Volgens de paleogeografische kaart van Berendsen en Stouthamer (2001) ligt het plan-<br />
gebied op de rand van de zogenaamde stroomgordel van “Macharen”, die is gevormd in de peri-<br />
ode 1915 tot 326 BP (Berendsen & Stouthamer, 2001). De huidige Teeffelsche Wetering volgt<br />
nog grotendeels het verloop van deze stroomgordel. Het vormt in feite een voormalige loop van<br />
de Maas, waarvan het <strong>Oss</strong>er Meer nog het duidelijkste relict is. De afzettingen in het plangebied<br />
worden gerekend tot de Formatie van Echteld (Weerts, e.a., 2006). Volgens de bodemkaart ko-<br />
men in het plangebied kalkloze poldervaaggronden in zware zavel voor (Stiboka, 1976; code<br />
Rn94C). Poldervaaggronden kenmerken zich door een beperkte mate van bodemvorming en<br />
relatief natte omstandigheden.<br />
2.3 Archeologische gegevens<br />
• Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW; Deeben, 2008): voor (de omgeving van) het<br />
plangebied geldt een middelhoge tot hoge kans op het aantreffen van archeologische resten.<br />
Dit is vooral gebaseerd op de ligging op de oeverwal van de voormalige loop van de Maas (de<br />
stroomgordel van Marcharen).<br />
• <strong>Gemeente</strong>lijke archeologische beleidsadvieskaart (www.oss.nl): het plangebied valt juist buiten<br />
de gemeentelijke kaart. Op basis van extrapolatie valt echter af te leiden dat aan het plange-<br />
bied hoge archeologische verwachtingswaarde is toe te kennen.<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [6 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
• Bekende archeologische vindplaatsen volgens het ARCHeologisch Informatie Systeem (AR-<br />
CHIS2) in een straal van 500 m rond het plangebied:<br />
AMK-nr Complextype Datering Waarde<br />
11682 Nederzetting Bronstijd t/m Nieuwe tijd zeer hoog<br />
Verder westelijk, op een naastgelegen oeverwal/stroomgordel zijn vlakbij elkaar meerdere archeologische<br />
monumenten gelegen, met vooral resten van bewoning uit de IJzertijd en Romeinse tijd aan het maaiveld.<br />
Waarneming-nr Complextype Datering Opmerking<br />
14500, 23922 Onbekend - aardewerk IJzertijd-Vroege Middeleeuwen<br />
14539 Nederzetting Middeleeuwen<br />
37181 Smelterij IJzertijd binnen AMK-terrein<br />
37186 Nederzetting Bronstijd-Middeleeuwen binnen AMK-terrein<br />
48614, 50229,<br />
54748, 408070<br />
Nederzetting<br />
Nederzetting<br />
IJzertijd-Romeinse tijd<br />
Mesolithicum-Neolithicum<br />
binnen AMK-terrein<br />
404635 Nederzetting IJzertijd binnen AMK-terrein<br />
408793 Munt Romeinse tijd<br />
409684 Munt Nieuwe tijd<br />
Vondstm.-nr Complextype Datering Opmerking<br />
Binnen ARCHIS staan geen recente vondstmeldingen vermeld.<br />
Tabel 2. Overzicht van de bekende archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied (zie ook bijlage<br />
2).<br />
• Eerder uitgevoerd onderzoek in de omgeving volgens ARCHIS2:<br />
Melding-nr Resultaat/Advies<br />
871, 873, Onbekend<br />
12801 Bescherming van vindplaats<br />
14368 Geen vervolg<br />
38962 Onbekend<br />
41108 Opgraving van vindplaats<br />
45296 Proefsleuven onderzoek naar vindplaats met veel indicatoren en intacte bodem<br />
Tabel 3. Overzicht van eerder archeologisch onderzoek in en rond het plangebied.<br />
• Bekende archeologische gegevens uit andere bronnen: op 8 juli 2011 is een mail verstuurd aan<br />
heemkundekring De Werkende Mens <strong>Oss</strong>, met een verzoek voor eventuele aanvullende gege-<br />
vens over de onderzoekslocatie. Dit heeft geen aanvullende informatie opgeleverd.<br />
2.4 Historische situatie<br />
Op basis van historische kaartmateriaal valt af te leiden dat het gebied in de voorbije twee eeu-<br />
wen niet bebouwd is geweest en in gebruik was voor de landbouw. Op de kadastrale minuutplan<br />
van 1811 - 1832 staat het gebied aangeduid als “M/Hagmets Kamp”, in het oosten begrensd door<br />
de Teeffelsche Wetering en daar de langs liggende kade (www.watwaswaar.nl). De huidige we-<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [7 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
gen waren er in die tijd nog niet. Omstreeks 1900 was het gebied in gebruik als grasland (zie<br />
figuur 2; uit ARCHIS2). De dichtstbijzijnde bebouwing bestond uit een sluisje in de wetering,<br />
even ten oosten van het plangebied.<br />
Figuur 2. Uitsnede van de historische Bonnekaart van omstreeks 1900 (uit ARCHIS2). Plangebied als<br />
groene stip.<br />
2.5 Huidige situatie<br />
Het bouwblok waaraan het plangebied wordt toegevoegd is grotendeels bebouwd en verhard. De<br />
uitbreiding is echter onbebouwd en nog altijd in gebruik als grasland (figuur 3; uit Google maps).<br />
Het plangebied ligt op een hoogte van circa 4,8 m +NAP (www.ahn.nl). Er is geen sprake van<br />
abrupte hoogteverschillen in het gebied, die bijvoorbeeld wijzen op ontgravingen. Dat betekent<br />
dat de bodem naar verwachting niet verstoord is.<br />
Figuur 3. Luchtfoto<br />
van het plangebied (uit<br />
Google Maps).<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [8 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
2.6 Toekomstige situatie<br />
De bouwblokvergroting nodig is in verband met de bouw van een nieuwe varkensstal (groen op<br />
figuur 4). Uit de tekening behorende bij vergunningaanvraag blijkt dat de stal grofweg de helft<br />
van de vergroting beslaat. De noordelijke helft van het plangebied zal zodoende niet verstoord<br />
worden door de geplande ingrepen. In het deel waar de stal gebouwd wordt, zal de bodem tot<br />
tenminste 160 cm –Mv worden verstoord. De diepste verstoring vindt plaats centraal in de stal,<br />
waar de riolering op 250 cm –Mv zal worden aangelegd. Archeologische resten in de omgeving<br />
zijn veelal aan het maaiveld aangetroffen. Dat betekent dat de geplande bouwwerkzaamheden<br />
tot verstoring zullen leiden van eventuele archeologische resten in het plangebied.<br />
Figuur 4. Overzichtstekening en bouwtekening van de geplande varkensstal.<br />
2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting<br />
Het plangebied ligt in het rivierengebied, waar de Maas in de loop van het Holoceen pakketten<br />
zand en klei heeft afgezet. Dat betekent dat in die gelaagde bodemopbouw mogelijk meerdere<br />
archeologisch interessante niveaus aanwezig zijn. De volgende twee niveaus zijn op basis van<br />
het bureauonderzoek in ieder geval te onderscheiden: het huidige maaiveld oftewel de boven-<br />
kant van de stroomgordel van Marcharen en het afgedekte zandlandschap van de laatste ijstijd.<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [9 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
Dat laatste niveau is al vanaf het begin van het Holoceen afgedekt geraakt. Daardoor zijn op het<br />
pleistocene zand waarschijnlijk alleen vindplaatsen van jager-verzamelaars uit het Laat-<br />
Paleolithicum en Mesolithicum te verwachten. Vanwege de afdekking met afzettingen van de<br />
Maas, zullen eventuele vindplaatsen goed bewaard zijn gebleven. De diepteligging van het zand<br />
is niet bekend, maar bedraagt in ieder geval meer dan 120 cm –Mv, aangezien er op de bodem-<br />
kaart geen melding van wordt gemaakt.<br />
Sinds het eind van de Steentijd vormden de stroomgordels in het rivierengebied de meeste inte-<br />
ressante bewoningsplaatsen. Ze waren namelijk wat hoger gelegen - zodat men de voeten droog<br />
hield - en bestonden uit vruchtbare zavels waar op geakkerd kon worden. De stroomgordel van<br />
Marcharen, op de rand waarvan het plangebied is gelegen, is volgens Berendsen & Stouthamer<br />
(2001) gevormd vanaf de Romeinse tijd, zodat er in principe archeologische resten vanaf die<br />
periode verwacht kunnen worden. Uit ARCHIS blijkt echter dat er op de stroomgordels ook oude-<br />
re vindplaatsen voorkomen (Bronstijd). Voor de stroomgordel van Marcharen geldt op basis van<br />
het bureauonderzoek zodoende een hoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers uit de<br />
Late Prehistorie tot en met de Late Middeleeuwen. Het plangebied ligt op de rand van de stroom-<br />
gordel, waarvoor gezien de lagere ligging een middelhoge verwachting geldt. Vindplaatsen uit de<br />
Nieuwe tijd worden niet verwacht, omdat hier op basis van het geraadpleegde historische kaart-<br />
materiaal geen aanleiding voor is. Aangezien het plangebied nog onbebouwd is en de voorbije<br />
twee eeuwen ook niet bebouwd is geweest, zullen eventuele archeologische resten waarschijnlijk<br />
niet verstoord zijn.<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 0 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
3 Veldonderzoek<br />
3.1 Methode<br />
Het inventariserend veldonderzoek (IVO) bestond uit een verkennend booronderzoek. De ge-<br />
volgde onderzoeksmethode voor het veldwerk is bepaald op basis van de Quickscan van de<br />
gemeente <strong>Oss</strong> ten behoeve van de bouwvlakvergroting, de resultaten van het bureauonderzoek<br />
(gespecificeerde archeologische verwachting) en het protocol inventariserend veldonderzoek uit<br />
de KNA versie 3.2<br />
Het verkennend veldonderzoek had tot doel het verkrijgen van inzicht in de bodemgesteldheid en<br />
mate van bodemverstoring in het plangebied. Daarmee wordt de gespecificeerde archeologische<br />
verwachting getoetst en kunnen uitspraken worden gedaan over de gaafheid van eventuele ar-<br />
cheologische vindplaatsen. Daartoe zijn evenredig verspreid over het plangebied 4 boringen<br />
gezet. Er is geboord tot maximaal 200 cm -Mv met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm.<br />
De boringen zijn lithologisch conform NEN 5104 (Nederlands Normalisatie-instituut, 1989) be-<br />
schreven en met meetlinten ingemeten (x/y-coördinaten). Van alle boringen is de hoogte bepaald<br />
met behulp van AHN. Het opgeboorde materiaal is met het blote oog geïnspecteerd op het voor-<br />
komen van archeologische indicatoren (houtskool, fosfaat, aardewerk, vuursteen, etc.). De uit-<br />
gebreide boorbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3.<br />
3.2 Resultaten<br />
Geologie en bodem<br />
De geologische opbouw die tijdens het booronderzoek in het plangebied is aangetroffen, komt<br />
goed overeen met wat op basis van het bureauonderzoek verwacht werd. Er is sprake van een<br />
ligging op de overgang van een zandige stroomgordel (Marcharen) naar een kleiig komgebied<br />
(zie figuur 5). Het zuidoostelijk deel van het plangebied ligt op de rand van de stroomgordel. In<br />
boring 1 is onder een dik pakket gelaagde oeverafzettingen - bestaande uit siltige en zandige<br />
klei - op 190 cm –Mv een zandpakket aangetroffen dat is geïnterpreteerd als beddingafzettingen<br />
van de Maas. Het valt echter niet uit te sluiten dat het hier het Pleistocene zand betreft. Vanwe-<br />
ge de natte omstandigheden was dit echter niet mogelijk dit goed vast te stellen.<br />
In boring 2 en 3 is sprake van kleiige komafzettingen die op circa 70 cm –Mv overgaan in siltige<br />
en zandige klei: oeverafzettingen. Vanwege het opborrelende grondwater zijn deze boringen op<br />
150 cm –Mv gestaakt. In boring 4 is tenslotte een gelaagd kleipakket aangetroffen dat volledig is<br />
geïnterpreteerd als kom/oeverafzettingen. De gelaagdheid komt voort uit verschillende overstro-<br />
mingsfasen, waarbij de Maas harder stroomde en zandige klei afzette of zachter stroomde en de<br />
fijnste fractie tot bezinking kwam: de vette komklei.<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 1 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
Bodemkundig gezien is in alle boringen sprake van een beperkte mate bodemvorming (rijping en<br />
humusophoping in de bovengrond) en het voorkomen van roestvlekken al direct in de boven-<br />
grond. De bodem in het plangebied kan op basis hiervan geclassificeerd worden als poldervaag-<br />
grond. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op langdurige of intensieve beakkering<br />
of bewoning. In het rivierengebied karakteriseren de oude bewoningsplaatsen zich door een<br />
sterke ophoping van organische stof (houtskoolspikkels), fosfaat en vaak ook aardewerk. Hiervan<br />
is het plangebied echter geen sprake. Onder een grijsbruine bovengrond met beperkte hu-<br />
musophoping gaat de bodem direct over in een grijze AC-horizont en licht grijze C-horizont.<br />
In de bodemopbouw ook zijn geen duidelijke afgedekte oude bodems aangetroffen die duiden op<br />
een (tijdelijke) stilstand in de sedimentatie. Een vage aanduiding voor een stilstandniveau is<br />
mogelijk aangetroffen op circa 3,4 m +NAP. Dit niveau kenmerkt in boring 1 op 190 cm –Mv en<br />
boring 4 op 160 cm –Mv door een textuursprong en in boringen 2 en 3 op 145 cm –Mv door een<br />
abrupte kleurverandering. Het niveau kwam in de boringen naar voren als een toename van roest<br />
en mangaanvlekken in de bovenliggende laag. Aanwijzingen voor bodemvorming op dit niveau<br />
zijn echter niet uitgesproken aangetroffen.<br />
Archeologie<br />
Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.<br />
Synthese<br />
Het booronderzoek wijst uit dat het plangebied is gelegen op de overgang van de kleiige kom-<br />
gronden naar de zandiger stroomgordel van Marcharen. De poldervaaggrond in het gebied wijst<br />
op relatief natte omstandigheden, zodat het plangebied waarschijnlijk niet interessant was voor<br />
bewoning. Ook onder het maaiveld zijn geen afgedekte bodems aangetroffen die duiden op een<br />
voormalige bewoonbaar oppervlak.<br />
Al bij al kan geconcludeerd worden dat, hoewel de bodemopbouw intact is, er op basis van de<br />
boorresultaten geen aanleiding meer is om in het plangebied de aanwezigheid van archeologi-<br />
sche resten te verwachten.<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 2 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
Figuur 5. Resultaten booronderzoek.<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 3 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
4 Conclusies en aanbevelingen<br />
4.1 Conclusies<br />
De conclusies worden getrokken aan de hand van de onderzoekvragen:<br />
• Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?<br />
Het plangebied ligt op de overgang van de zandige afzettingen van de stroomgordel van Marcha-<br />
ren naar de kleiige komafzettingen. In het plangebied komen voornamelijk siltige en zandige<br />
kleien voor waarin zich een relatief natte poldervaaggrond heeft ontwikkeld.<br />
• Is de bodemopbouw in (delen van) het plangebied intact?<br />
Uit het veldonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw niet is verstoord door bodemkundige<br />
ingrepen. De bodemopbouw is intact.<br />
• Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn al over het plangebied be-<br />
kend?<br />
Binnen het plangebied zijn geen archeologische vindplaatsen geregistreerd. In de directe omge-<br />
ving komen vindplaatsen voor uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd. Het betreft voornamelijk<br />
resten van bewoning.<br />
• Wat is de gespecificeerde verwachting (alsmede de verwachte conservering en gaafheid) ten<br />
aanzien van nog onbekende archeologische waarden in het gebied?<br />
Op basis van het bureauonderzoek gold voor het plangebied een middelhoge archeologische<br />
verwachting voor vindplaatsen uit de Prehistorie tot en met de Late Middeleeuwen. Uit het veld-<br />
onderzoek is echter gebleken dat de bodem in het plangebied relatief nat is en er geen aanwij-<br />
zingen zijn aangetroffen die duiden op bewoning of beakkering. Zodoende kan de verwachting<br />
naar laag worden bijgesteld.<br />
• Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?<br />
Gezien de diepte van de geplande bouwwerkzaamheden zouden deze in theorie leiden tot ver-<br />
storing van eventuele archeologische resten in het plangebied. Maar omdat er geen archeologi-<br />
sche resten meer verwacht worden, zal er in de praktijk geen verstoring plaats vinden.<br />
4.2 Aanbevelingen<br />
De resultaten van het onderzoek tonen aan dat in het plangebied geen archeologische resten<br />
worden verwacht. Er gelden zodoende geen restricties ten aanzien van de verdere planvorming.<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 4 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
Literatuur<br />
Berendsen, J.A. en E. Stouthamer, 2001. Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse<br />
delta, The Netherlands. Assen.<br />
Deeben, J.H.C. (red.), 2008. De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), derde<br />
generatie Rapportage Archeologische Monumentenzorg 155. Rijksdienst voor het<br />
Cultureel Erfgoed, Amersfoort (info: www.cultureelerfgoed.nl).<br />
Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van on-<br />
verharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft.<br />
Stiboka, 1976. Bodemkaart van Nederland, 1:50.000; kaartblad 45 Oost, ‘s-Hertogenbosch.<br />
Stichting voor bodemkartering, Wageningen.<br />
Stiboka & RGD, 1983. Geomorfologische kaart van Nederland, 1:50.000; 45 ‘s-<br />
Hertogenbosch. Wageningen/Haarlem.<br />
Weerts, H., J. Schokker, K. Rijsdijk & C. Laban, 2006, Geologische overzichtskaart van Neder-<br />
www.ahn.nl<br />
maps.google.nl<br />
www.oss.nl<br />
www.sikb.nl<br />
www.watwaswaar.nl<br />
land. TNO Bouw en Ondergrond, Utrecht.<br />
Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen<br />
Figuur 1. Ligging plangebied (rood). Inzet: ligging in Nederland (ster).<br />
Figuur 2. Uitsnede van de historische Bonnekaart van omstreeks 1900 (uit ARCHIS2).<br />
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied (uit Google Maps).<br />
Figuur 4. Overzichtstekening en bouwtekening van de geplande varkensstal.<br />
Figuur 5. Resultaten booronderzoek.<br />
Tabel 1. Archeologische tijdschaal.<br />
Tabel 2. Overzicht van de bekende archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied<br />
(zie ook bijlage 2).<br />
Tabel 3. Overzicht van eerder archeologisch onderzoek in en rond het plangebied.<br />
Bijlage 1. Geomorfologische kaart, volgens ARCHIS2.<br />
Bijlage 2. Overzicht archeologische gegevens, uit ARCHIS2.<br />
Bijlage 3. Boorbeschrijvingen.<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 5 ]
Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend<br />
booronderzoek<br />
Archeologische perioden<br />
TijdperkDatering<br />
Prehistorie<br />
Vroeg<br />
Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C)<br />
Nieuwe tijd<br />
Middeleeuwen<br />
Romeinse tijd<br />
IJzertijd<br />
Bronstijd<br />
Neolithicum<br />
(Nieuwe Steentijd)<br />
Mesolithicum<br />
(Midden Steentijd)<br />
Paleolithicum<br />
(Oude Steentijd)<br />
tabel1_standaard_Archeologisch_RAAP_2010<br />
Tabel 1. Archeologische tijdschaal.<br />
B<br />
A<br />
Laat<br />
Vol<br />
Laat<br />
Midden<br />
Vroeg<br />
Laat<br />
Midden<br />
Vroeg<br />
Laat<br />
Midden<br />
Vroeg<br />
Laat<br />
Midden<br />
Vroeg<br />
Laat<br />
Midden<br />
Vroeg<br />
Laat<br />
Jong B<br />
Jong A<br />
Midden<br />
Oud<br />
Ottoons<br />
Karolingisch<br />
Merovingisch laat<br />
Merovingisch vroeg<br />
RAAP-notitie *nummer* / eindversie, 25 juli 2011 [1 6 ]<br />
- 1795<br />
- 1650<br />
- 1500<br />
- 1250<br />
- 1050<br />
- 900<br />
- 725<br />
- 525<br />
- 450<br />
- 270<br />
- 70 na Chr.<br />
- 15 voor Chr.<br />
- 250<br />
- 500<br />
- 800<br />
- 1100<br />
- 1800<br />
- 2000<br />
- 2850<br />
- 4200<br />
- 4900/5300<br />
- 6450<br />
- 8640<br />
- 9700<br />
- 12.500<br />
- 16.000<br />
- 35.000<br />
- 250.000
Boorbeschrijvingen TEEWE<br />
boring: TEEWE-1<br />
beschrijver: RE, datum: 15-7-2011, X: 163.364, Y: 423.184, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45E, hoogte: 5,10, precisie hoogte: 1<br />
dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland,<br />
vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: <strong>Oss</strong>, plaatsnaam: Teeffelen, opdrachtgever: R & S Advies, uitvoerder: RAAP Zuid<br />
0 cm -Mv / 5,10 m +NAP<br />
Lithologie: klei, sterk zandig, zwak humeus, grijsbruin<br />
Bodemkundig: A-horizont, interpretatie: opgebrachte grond<br />
15 cm -Mv / 4,95 m +NAP<br />
Lithologie: klei, sterk zandig, grijsbruin<br />
Bodemkundig: AC-horizont, interpretatie: opgebrachte grond<br />
35 cm -Mv / 4,75 m +NAP<br />
Lithologie: zand, kleiig, zwak humeus, grijsbruin, matig fijn, interpretatie: oeverafzettingen<br />
Bodemkundig: afgedekt/begraven A-horizont<br />
50 cm -Mv / 4,60 m +NAP<br />
Lithologie: klei, matig zandig, grijs, stevig, interpretatie: oeverafzettingen<br />
Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />
80 cm -Mv / 4,30 m +NAP<br />
Lithologie: klei, matig zandig, grijs, enkele zandlagen, interpretatie: oeverafzettingen<br />
Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />
95 cm -Mv / 4,15 m +NAP<br />
Lithologie: klei, matig siltig, lichtgrijs, interpretatie: komafzettingen<br />
Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />
Opmerking: vette klei<br />
110 cm -Mv / 4,00 m +NAP<br />
Lithologie: klei, sterk zandig, lichtgrijs, interpretatie: oeverafzettingen<br />
Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />
140 cm -Mv / 3,70 m +NAP<br />
Lithologie: klei, matig siltig, lichtgrijs, enkele zandlagen, slap, interpretatie: oeverafzettingen<br />
Bodemkundig: C-horizont, Mn-concreties<br />
Opmerking: nat (grondwater)<br />
185 cm -Mv / 3,25 m +NAP<br />
Algemeen: aard ondergrens: erosief (
Boorbeschrijvingen TEEWE<br />
boring: TEEWE-3<br />
beschrijver: RE, datum: 15-7-2011, X: 163.307, Y: 423.223, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45E, hoogte: 4,80, precisie hoogte: 1<br />
dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland,<br />
vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: <strong>Oss</strong>, plaatsnaam: Teeffelen, opdrachtgever: R & S Advies, uitvoerder: RAAP Zuid<br />
0 cm -Mv / 4,80 m +NAP<br />
Lithologie: klei, uiterst siltig, zwak humeus, bruingrijs<br />
Bodemkundig: A-horizont, enkele Fe- en Mn-vlekken, interpretatie: bouwvoor<br />
20 cm -Mv / 4,60 m +NAP<br />
Lithologie: klei, sterk siltig, grijs<br />
Bodemkundig: AC-horizont, Fe- en Mn-concreties<br />
40 cm -Mv / 4,40 m +NAP<br />
Lithologie: klei, matig siltig, lichtgrijs, interpretatie: komafzettingen<br />
Bodemkundig: C-horizont, Fe- en Mn-concreties<br />
75 cm -Mv / 4,05 m +NAP<br />
Lithologie: klei, matig zandig, lichtgrijs, matig slap, interpretatie: komafzettingen<br />
Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />
90 cm -Mv / 3,90 m +NAP<br />
Lithologie: zand, sterk siltig, lichtgrijs, zeer fijn, interpretatie: oeverafzettingen<br />
Bodemkundig: C-horizont, veel Fe- en Mn-vlekken<br />
Opmerking: nat<br />
125 cm -Mv / 3,55 m +NAP<br />
Algemeen: aard ondergrens: abrupt (
Collega<br />
Geachte Collega,<br />
Project: aanpassing <strong>bestemmingsplan</strong> t.b.v. vergroting bouwblok<br />
Aanvrager: R & S advies<br />
Locatie: Weteringstraat 1-3, Teeffelen<br />
VERPLICHTING<br />
Volgens de wet Archeologische monumentenzorg (Wamz), eenaanvulling op de Monumentenwet 1988 en<br />
het gemeentelijke archeologiebeleid Behoud van het Verleden en bijbehorende gemeentelijke<br />
archeologieverordening is voor de onderhavige ontwikkeling een archeologisch onderzoeksrapport:<br />
√ verplicht, conform bovengestelde<br />
niet nodig, omdat het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en<br />
omvang gelijk is aan een bestaand bouwwerk<br />
niet nodig, omdat het desbetreffende bouwwerk en/of bouwwerkzaamheden de grond<br />
niet raakt<br />
niet nodig, omdat er voldoende bruikbare recente gegevens aanwezig zijn<br />
niet nodig, omdat de bodemverstoring onder de vrijstellingsgrenzen valt van het<br />
archeologiebeleid en –verordening van de <strong>Gemeente</strong> <strong>Oss</strong><br />
Toelichting: in het kader van een omgevingsvergunning is een archeologisch bureau- en<br />
booronderzoek uitgevoerd.<br />
SELECTIEBESLUIT<br />
Op basis van een bureau- en verkennend booronderzoek is voor het onderzochte plangebied het<br />
selectieadvies gegeven dat geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Middels onderhavig<br />
selectiebesluit wordt dit advies door de gemeente <strong>Oss</strong> onderschreven. De opdrachtgever heeft middels het<br />
laten uitvoeren van het onderzoek voldaan aan de archeologische verplichting conform het<br />
archeologiebeleid en –verordening van de gemeente <strong>Oss</strong>.<br />
-------------------------<br />
Ellenkamp, G.R., 2011. Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en<br />
verkennend onderzoek, RAAP-notitie, Weert.<br />
E-mail gemeente@oss.nl<br />
www.oss.nl<br />
Postbus 5<br />
5340 BA <strong>Oss</strong><br />
Wilt u bij uw reactie de<br />
datum van deze brief en<br />
ons kenmerk vermelden?<br />
Datum Ons kenmerk Behandeld door Doorkiesnummer<br />
20 september 2011 SLWE 0000 Richard Jansen 97 92<br />
Onderwerp Uw kenmerk Aantal bijlagen<br />
Advies omtrent archeologisch onderzoek - -
Bijlage 10: Bodemonderzoek<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 70
Bijlage 11: Waterparagraaf<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 71
R&S Advies<br />
t.a.v. mevrouw I. Spapens-Reijnders<br />
Langegracht 4A<br />
5091 SJ MIDDELBEERS<br />
Vestiging, datum : Nuenen, 21 juli 2011<br />
Ons kenmerk : 1105/041/RV<br />
Uw kenmerk : -<br />
Behandeld door : Robert van de Voort<br />
Doorkiesnummer : 040-2907375<br />
Gecontroleerd door : Marjolijn Frensch<br />
Betreft : Waterparagraaf project Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />
Geachte mevrouw Spapens-Reijnders,<br />
In opdracht van R&S Advies is door Tritium Advies onderhavige waterparagraaf opgesteld voor het<br />
plangebied Weteringstraat 1-3 te Teeffelen, gemeente <strong>Oss</strong>. Aanleiding voor het onderzoek is de aanvraag<br />
van een omgevingsvergunning ter vergroting van het bouwvlak om het ter plaatse aanwezige agrarisch<br />
bedrijf te kunnen laten voldoen aan het Besluit huisvesting. De betreffende uitbreiding heeft een grootte<br />
van circa 4.000 m 2 . Op de locatie wordt de realisatie van een varkensstal beoogd. In het kader van<br />
bovengenoemde procedure dient onder andere een waterparagraaf te worden opgesteld.<br />
Inleiding<br />
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende<br />
principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik.<br />
Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de<br />
waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals<br />
bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging, te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke<br />
ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op<br />
welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.<br />
Nationaal waterbeleid<br />
In het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit<br />
heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in<br />
december 2000 voor het Waterbeleid 21 e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in<br />
plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen<br />
volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast<br />
technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en<br />
projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die<br />
nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs<br />
1105/041/RV<br />
pagina 1 van 8<br />
Tritium Advies B.V.<br />
Gulberg 35<br />
5674 TE NUENEN<br />
Telefoon 040 - 2 951 951<br />
Fax 040 - 2 951 950<br />
Groenstraat 27<br />
4841 BA PRINSENBEEK<br />
Telefoon 076 - 5 429 564<br />
Fax 076 - 5 416 894<br />
E-mail info@tritiumadvies.nl<br />
Internet www.tritiumadvies.nl<br />
ING 66.25.72.645<br />
K.v.K nr. 17108024
verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of<br />
bedrijventerreinen.<br />
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één<br />
wet en vervangt hiermee een aantal bestaande wetten, zoals het Waterbeleid 21 e eeuw en de Kaderrichtlijn<br />
Water, op het gebied van waterbeheer. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en<br />
grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visie richt zich<br />
primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd.<br />
Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en een<br />
aantal mogelijke technische maatregelen welke kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden<br />
ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze<br />
maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer.<br />
Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels,<br />
vergunningstelsels en administratieve lasten. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke<br />
wet voor de waterschappen bestaan. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige<br />
vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één<br />
vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden<br />
aangevraagd.<br />
Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het<br />
bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het<br />
Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het gezag van de<br />
Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe<br />
lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer<br />
(Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo).<br />
Beleid waterschap en provincie<br />
Het waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om de gemeente <strong>Oss</strong>. Het<br />
waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak<br />
goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de keur van<br />
het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap Aa en<br />
Maas. De regels zijn vastgelegd in de “Keur Waterschap Aa en Maas 2011”. Waterschap Aa en Maas toetst<br />
voor vergunning en ontheffingsverlening of een activiteit of werk wordt uitgevoerd in attentiegebieden,<br />
keurbeschermingsgebieden of daarbuiten. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuis-<br />
houdkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een<br />
vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist, is dit ook een taak van het<br />
waterschap.<br />
Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt uitgegaan van de begrenzing van de<br />
beschermingsgebieden en attentiegebieden zoals deze is vastgelegd op de keurkaart. Het plangebied aan<br />
de Weteringstraat 1-3 te Teeffelen valt echter noch in het keurbeschermingsgebied noch in een<br />
attentiegebied. Volgens het waterbeheerplan Aa en Maas 2010-2015 ligt het plangebied wel in een<br />
zogenaamd peilbesluitgebied. In dergelijke gebieden heeft het waterschap een inspanningsverplichting om<br />
de waterstanden die erin staan te handhaven.<br />
1105/041/RV<br />
pagina 2 van 8
Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterplan 2010 tot 2015. Het Provinciaal<br />
Waterplan vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en<br />
lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed<br />
gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende<br />
(water)partijen in Brabant.<br />
<strong>Gemeente</strong>lijk beleid<br />
Het <strong>Gemeente</strong>lijk Waterplan “Water in <strong>Oss</strong>” verwoordt de gemeenschappelijke visie, uitgangspunten en<br />
gewenste ontwikkelingen voor water in <strong>Oss</strong>. Het is de lokale vertaling van het nationale en provinciale<br />
waterbeleid. Het waterplan is een middel om een betere afstemming te realiseren in de samenwerking<br />
tussen de waterpartners die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het waterbeheer in het bebouwd gebied<br />
en is daarmee de basis voor een duurzaam waterbeheer binnen de gemeentegrenzen.<br />
Water raakt veel disciplines die tot het takenpakket van de gemeente behoren. De gemeente heeft de regie<br />
over de lokale ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft de gemeente een belangrijke rol in het beheer van<br />
oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en hemelwater.<br />
Het waterplan is leidend voor de gemeente in de uitvoering van haar watertaken. De gewenste toekomstige<br />
situatie met betrekking tot water in al haar geledingen, is verwoord aan de hand van vier thema’s:<br />
Beleving van water: bijdrage van water aan de leefomgeving.<br />
Water als ordenend principe: belang van water bij planologische processen.<br />
Waterkwaliteit: de fysische, chemische en ecologische kwaliteit van grond- en oppervlaktewater.<br />
Waterketen: het geheel van drinkwatervoorziening, afvalwater inzameling, transport en zuivering.<br />
Voor elk thema zijn streefbeelden voor de lange termijn (2020) geformuleerd en is de huidige situatie<br />
beschreven. Op basis van een analyse van kansen, knelpunten en de gewenste ontwikkelingen zijn<br />
beleidsdoelstellingen aangegeven.<br />
Gebied<br />
Het plangebied maakt deel uit van het stroomgebied Hertogswetering. Het beleid van het waterschap is om<br />
te proberen om 100% van het verhard oppervlak af te koppelen en het schone regenwater te infiltreren in de<br />
bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet mogelijk is kan<br />
gekozen worden voor afvoeren. De keuze van voorziening moet uiteraard afgestemd zijn op de kenmerken<br />
van de ondergrond.<br />
Uit informatie van de Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied met name<br />
geschikt is voor het aanleggen van een bovengrondse bergings- en infiltratievoorziening. Het plangebied is<br />
namelijk gelegen in een gebied met een grondwaterdynamiek met een gemiddeld hoogste grondwaterstand<br />
(GHG) variërend van 0,60 - 0,80 m-mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) van 1,20 m-mv of<br />
dieper. Tevens is het plangebied gelegen in de nabijheid van een gebied waar soms maaiveldkwel optreedt.<br />
Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied (25-jaarszone), maar grenst hier<br />
wel aan. Voornoemd kaartmateriaal is opgenomen in bijlage 2.<br />
Beïnvloeding van het waterhuishoudkundig systeem<br />
Door de beoogde realisatie van het bouwplan zullen er wijzigingen plaatsvinden aan de verharde<br />
1105/041/RV<br />
pagina 3 van 8
oppervlakten. De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse zal derhalve veranderen. Een aspect binnen het<br />
plangebied is de afkoppeling en eventuele infiltratie van hemelwater in de bodem. Infiltratie van hemelwater<br />
biedt namelijk voordelen tegenover de gebruikelijke afvoermethoden via het oppervlaktewater of via<br />
rioleringssystemen.<br />
Deze voordelen zijn onder andere:<br />
• verdroging van de bodem wordt tegengegaan en de natuurlijke waterkringloop wordt verbeterd;<br />
• minder of geen belasting van het rioolstelsel. Daardoor zullen minder of geen overstorten plaatsvinden,<br />
zodat minder vuillast in het oppervlaktewater terecht komt;<br />
• lagere piekaanvoer op de RioolWaterZuiveringInstallatie (RWZI);<br />
• mogelijkheid tot hergebruik van (geïnfiltreerd) water.<br />
Infiltratie van regenwater is in Nederland een relatief nieuwe ontwikkeling. In Duitsland is hiermee al meer<br />
ervaring opgedaan en is vastgelegd dat minimaal een infiltratiesnelheid (k-waarde) van 1-5 . 10 -6 m/s (circa<br />
0,09-0,43 meter/dag ofwel 3,6-18 mm/h) vereist is voor het succesvol toepassen van regenwaterinfiltratie.<br />
De reden die hiervoor wordt opgegeven is dat er bij lagere doorlatendheden reducerende omstandigheden<br />
kunnen optreden in de onverzadigde zone, die een ongunstige invloed kunnen hebben op het retentie- en<br />
omzettingsvermogen ervan. Daarnaast is bij lagere doorlatendheden ook een groot ruimtebeslag nodig voor<br />
het aanleggen van infiltratievoorzieningen. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat deze<br />
langer (dagen achtereen) water blijven voeren, hetgeen onwenselijk kan zijn in een (woon)omgeving.<br />
De doorlatendheid van een bodem is afhankelijk van vele factoren, onder meer poriëngrootte, de<br />
continuïteit van de poriën, de poriënvorm, het poriënaantal, de geometrie van de poriënkanalen en de<br />
diepte tot de grondwaterstand. De poriëngrootte en de verdeling ervan hangen in de eerste plaats van de<br />
bodemsoort en de bodemstructuur af. Bovendien is de doorlatendheid afhankelijk van de verzadigingsgraad<br />
en kan ze beïnvloed worden door micro-organismen. Hieruit kan worden afgeleid dat de infiltratiesnelheid<br />
van de ondergrond geen constante waarde heeft, maar van plaats tot plaats varieert, waarbij zelfs op vrij<br />
kleine schaal belangrijke verschillen kunnen optreden.<br />
Locatie plangebied<br />
Het plangebied ligt in het buitengebied ten oosten van het dorp Teeffelen en ten noorden van de stad <strong>Oss</strong>,<br />
beide gemeente <strong>Oss</strong>. Het gebied wordt in het zuiden en westen begrensd door respectievelijk de<br />
Weteringstraat en de Hoefstraat. Rondom het plangebied zijn voorts agrarische percelen gelegen waar de<br />
hoofdwaterlopen Teeffelensche Wetering en Hertogswetering doorheen stromen. De omgeving kan<br />
derhalve worden beschreven als agrarisch buitengebied. Het gebied kent geen duidelijke hoogteverschillen<br />
en is geologisch gezien gelegen nabij de Peelrandbreuk, op een gemiddelde hoogte van circa 5 meter<br />
+ NAP. In bijlage 1 is een schets van de toekomstige situatie weergegeven.<br />
Van het bouwplan zijn verder de volgende gegevens bekend:<br />
locatie : Weteringstraat 1-3 te Teeffelen;<br />
huidige en toekomstige bestemming : agrarisch;<br />
totale oppervlakte plangebied : 13.750 m 2 ;<br />
bestaand verhard oppervlak : 8.200 m 2 , waarvan:<br />
1105/041/RV<br />
pagina 4 van 8
dak : 4.700 m 2 ;<br />
terreinverharding : 3.500 m 2 ;<br />
totaal extra verhard oppervlak (dak) : 4.000 m 2 .<br />
De watersystemen zoals die in de locatie en omgeving voorkomen worden onderverdeeld in grondwater,<br />
oppervlaktewater, regenwater en afvalwater.<br />
Grondwater<br />
Het heersende grondwaterpeil in de omgeving van het plangebied is circa 1,2 meter beneden maaiveld. De<br />
stromingsrichting van het grondwater is volgens de kaart Dienst Grondwaterverkenning TNO globaal<br />
noordwestelijk. Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige<br />
grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en<br />
grondwaterstroming op de locatie.<br />
Oppervlaktewateren<br />
Binnen de locatie is een kleine waterpoel aanwezig. Op een afstand van circa 250 meter ten oosten van het<br />
plangebied stroomt de hoofdwaterloop Teeffelensche Wetering. Op een afstand van circa 350 meter ten<br />
zuiden van het plangebied stroomt de Hertogswetering.<br />
Ecosystemen<br />
Het plangebied ligt niet in een natuurgebied. Ook in de directe nabijheid van de locatie is geen natuurgebied<br />
gelegen. Op een afstand van circa 2.000 meter ten noordwesten van het plangebied is de<br />
Alphense Waard en Hemelrijksche Waard gelegen. Deze aan elkaar grenzende gebieden en de twee<br />
voornoemde hoofdwaterlopen behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).<br />
Bodem<br />
Uit informatie van de Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat de bodem ter plaatse van het<br />
plangebied uit rivierklei bestaat.<br />
Neerslaggegevens<br />
Voor de dimensionering van de eventuele infiltratie- of bergingsvoorzieningen zijn de volgende parameters<br />
van belang:<br />
• de k-waarde van de ondergrond. Voor de snelheid van wateropname in een pakket opgebouwd uit<br />
rivierklei is vooralsnog een k-waarde van 0,1 meter per dag aangehouden;<br />
• de afgekoppelde oppervlakken die worden aangesloten op de voorziening;<br />
• de te verwachten neerslag, evenals de intensiteit ervan.<br />
Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat<br />
het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar<br />
oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest<br />
wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is:<br />
1. hergebruiken;<br />
2. vasthouden;<br />
3. bergen;<br />
4. afvoeren naar oppervlaktewater.<br />
1105/041/RV<br />
pagina 5 van 8
Deze trits dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt<br />
gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk<br />
zijn, is het noodzakelijk om water te bergen of af te voeren naar oppervlaktewater.<br />
Bij 'bergen' kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een buffersloot met een geknepen afvoer naar een<br />
watergang. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient te worden berekend met een neerslagreeks van<br />
T = 10 + 10%. De initiatiefnemer dient deze berging op eigen terrein te realiseren. De afvoer vanuit de<br />
berging mag niet meer bedragen dan de afvoer in de oorspronkelijke situatie. Deze afvoer is<br />
locatiegebonden en varieert grofweg van 0,1 tot 2 l/s/ha. Voor de projectlocatie geldt een afvoercoëfficiënt<br />
van 0,43 l/s/ha. Bij de berekeningen van de maatgevende berging en de berging bij extreme neerslag, een<br />
neerslagreeks van T = 100 + 10%, wordt derhalve uitgegaan van een gemiddelde afvoer van 0,43 l/s/ha.<br />
De maatgevende berging uitgaande van een toename van het verhard oppervlak met 4.000 m² bedraagt<br />
200 m 3 waarbij een hoeveelheid van 270 m 3 geen overlast bij derden mag veroorzaken. De berekende<br />
hoeveelheid hemelwater zal middels een reeds op het terrein aanwezige buffersloot worden geborgen. Het<br />
hemelwater wat op de verharde oppervlakken valt zal derhalve via een regenwaterriolering, of over het<br />
maaiveld, worden afgevoerd naar de bergingsvoorziening waar het kan infiltreren in de bodem.<br />
In bijlage 3 is de berekening van de maatgevende berging, middels het Toetsinstrumentarium Hydrologisch<br />
Neutraal Ontwikkelen, weergegeven.<br />
Aangezien het hemelwater niet op het riool wordt afgevoerd maar op bovenstaande wijze op locatie<br />
geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd wordt, dient er rekening gehouden te worden met de<br />
eventuele verontreinigingen in de bodem. Uit historisch bodemonderzoek (Tritium Advies, 1105/041/RV-2,<br />
d.d. 21-7-2011) blijkt echter dat er aangenomen kan worden dat er op de onderzoekslocatie geen sprake is<br />
van bodemverontreiniging. Er zijn derhalve geen humane, ecologische of verspreidingsrisico’s te<br />
verwachten.<br />
Locatie en dimensionering bergings- en infiltratievoorziening<br />
In de onderhavige situatie wordt ervoor gekozen om de reeds aanwezige buffersloot als bergings- en<br />
infiltratievoorziening te gebruiken. In deze laagte in het bodemprofiel kan het afgekoppelde regenwater zich<br />
verzamelen, wordt het geborgen en infiltreert het vervolgens langzaam in de bodem. Ook bij hevige<br />
regenval zal de sloot als een buffer werken.<br />
Gezien het af te koppelen dakoppervlak en terreinverharding en de te bergen “neerslaggebeurtenis” dient<br />
de buffersloot een minimale bergingscapaciteit van 270 m 3 te hebben. In de in bijlage 1 opgenomen<br />
situatietekening is de locatie van de buffersloot weergegeven. In navolgende figuur 1 wordt schematisch<br />
een bovenaanzicht en dwarsdoorsnede van de buffersloot weergegeven. In de figuur is tevens aangegeven<br />
aan welke maatvoering de buffersloot minimaal dient te voldoen.<br />
1105/041/RV<br />
pagina 6 van 8
Figuur 1: Bovenaanzicht en dwarsprofiel buffersloot<br />
In de buffersloot dient een bovengrondse noodoverloop te worden geïnstalleerd die op het vuilwaterriool is<br />
aangesloten om zo langdurige excessieve regenbuien af te kunnen voeren en wateroverlast tot een<br />
minimum te beperken. Er dient hierbij wel te worden gewaarborgd dat geen verontreinigd (afval)water terug<br />
kan lopen in de buffersloot.<br />
Materiaalgebruik<br />
Afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt<br />
mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Het betreft uitlogende materialen<br />
zoals zink en lood. Dat betekent dat slechts duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt mogen worden.<br />
Overige aandachtspunten<br />
In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste<br />
bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet<br />
verstopt raakt of dicht gaat slibben in de tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze<br />
regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen.<br />
= 2,3 m<br />
= 0,5 m = 0,6 m<br />
Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te<br />
gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid<br />
door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d.<br />
toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn.<br />
1105/041/RV<br />
pagina 7 van 8<br />
= 0,7 m<br />
= 200 m
Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen<br />
dat het systeem blijft functioneren. Ook moet de noodoverloop regelmatig worden onderhouden.<br />
Wij hopen u hiermee op passende wijze van dienst te zijn geweest.<br />
Met vriendelijke groet,<br />
Tritium Advies B.V.<br />
ir. R.A.C. van de Voort<br />
Projectleider RO<br />
Bijlage 1 Schets toekomstige situatie<br />
Bijlage 2 Kaartmateriaal Wateratlas van de Provincie Noord-Brabant<br />
Bijlage 3 Berekening maatgevende berging<br />
1105/041/RV<br />
pagina 8 van 8
BIJLAGE 1
BIJLAGE 2
BIJLAGE 3
Algemeen<br />
Toetsinstrumentarium Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen<br />
Compenserende berging voor nieuw verhard gebied<br />
Naam project: Weteringstraat 1-3 te Teeffelen<br />
Contactpersoon initiatiefnemer: mevrouw Spapens-Reijnders<br />
Datum: 11-07-2011<br />
Kenmerken projectgebied<br />
Bruto oppervlak projectgebied<br />
Bestaand verhard oppervlak<br />
Nieuw totaal verhard oppervlak<br />
Netto te compenseren oppervlak<br />
Hiervan is type 1 (volledig verhard)<br />
Hiervan is type 2 (semi-verhard)<br />
Infiltratiepercentage semi-verhard oppervlak<br />
Maaiveldniveau nieuw verhard oppervlak<br />
GHG<br />
Infiltratiesnelheid bodem<br />
Systeemeisen aan berging in projectgebied<br />
Dimensies voorziening<br />
13750<br />
8200<br />
12200<br />
4000<br />
4000<br />
0<br />
50<br />
5.0<br />
4.2<br />
0.1<br />
m²<br />
m²<br />
m²<br />
m²<br />
m²<br />
m²<br />
%<br />
m + NAP<br />
m + NAP<br />
m/dag<br />
Lengte voorziening 200.0 m<br />
Talud voorziening (1:x) 1.0<br />
Maximale peilstijging (in normaal nat jaar) 0.2 m<br />
Maximale peilstijging bij T=10 jaar scenario 0.3 m<br />
Maximale peilstijging bij T=100 jaar scenario 0.4 m<br />
Afvoercoëfficiënten voorziening<br />
Afvoercoëfficiënt bij T=10 jaar scenario 0.43 l/s/ha<br />
Afvoercoëfficiënt bij T=100 jaar scenario 0.86 l/s/ha<br />
Resultaten<br />
Totale benodigde berging in projectgebied<br />
Berging voor infiltratie<br />
Berging bij extreme neerslag T=10 jaar<br />
Berging bij extreme neerslag T=100 jaar<br />
Ontwerp infiltratievoorziening<br />
Ruimtebeslag<br />
Maximale berging in normaal nat jaar<br />
Maximale ledigingstijd in normaal nat jaar<br />
Berging bij extreme neerslag<br />
T=10 jaar<br />
T=100 jaar<br />
Ontwerp bergingsvoorziening voor extreme neerslagsituaties<br />
Ruimtebeslag<br />
Berging bij T=10 jaar<br />
Berging bij T=100 jaar<br />
Afvoercapaciteit bij T=10 jaar<br />
Berging 'tussen de stoepranden'<br />
Berging bij T=100 jaar<br />
76<br />
200<br />
270<br />
418<br />
76<br />
48<br />
117<br />
159<br />
726<br />
200<br />
270<br />
0.6<br />
0<br />
m³<br />
m³<br />
m³<br />
m²<br />
m³<br />
uren<br />
m³<br />
m³<br />
m²<br />
m³<br />
m³<br />
m³/uur<br />
m³<br />
11 juli 2011<br />
pagina Hydrologisch 1 van 2neutraal<br />
ontwikkelen<br />
De waterschappen Aa &<br />
Maas en De Dommel willen<br />
met deze berekening in<br />
een vroeg stadium de<br />
betrokkenen adviseren<br />
over de eisen die de<br />
waterschappen stellen<br />
ten aanzien van<br />
hydrologisch neutraal<br />
ontwikkelen.<br />
Het berekende wateradvies<br />
is richtinggevend. Aan de<br />
berekening kunnen geen<br />
rechten worden ontleend.<br />
Contactpersoon<br />
Mariëlle van Dalen<br />
Tel: 0411-61 86 18<br />
Fax: 0411-61 86 88<br />
http://www.dommel.nl<br />
Waterschap<br />
De Dommel<br />
Postbus 10.001<br />
5280 DA Boxtel<br />
Bosscheweg 56<br />
5283 WB Boxtel
Toelichting<br />
Toetsinstrumentarium Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen<br />
Compenserende berging voor nieuw verhard gebied<br />
Neerslag die valt op verhard oppervlak wordt sneller naar het oppervlaktewater<br />
afgevoerd dan neerslag die op onverhard oppervlak valt. In het geval dat er<br />
verharding wordt aangelegd op een locatie waar eerst geen verharding aanwezig<br />
was, is er dus sprake van een versnelde lozing naar het oppervlaktewater. Dit<br />
heeft gevolgen voor de aanvulling van het grondwater en de afvoer uit het<br />
projectgebied bij neerslagsituaties. Deze gevolgen dienen gecompenseerd te<br />
worden door infiltratie en berging in het projectgebied.<br />
Opmerkingen<br />
<br />
11 juli 2011<br />
pagina Hydrologisch 2 van 2neutraal<br />
ontwikkelen<br />
De waterschappen Aa &<br />
Maas en De Dommel willen<br />
met deze berekening in<br />
een vroeg stadium de<br />
betrokkenen adviseren<br />
over de eisen die de<br />
waterschappen stellen<br />
ten aanzien van<br />
hydrologisch neutraal<br />
ontwikkelen.<br />
Het berekende wateradvies<br />
is richtinggevend. Aan de<br />
berekening kunnen geen<br />
rechten worden ontleend.<br />
Contactpersoon<br />
Mariëlle van Dalen<br />
Tel: 0411-61 86 18<br />
Fax: 0411-61 86 88<br />
http://www.dommel.nl<br />
Waterschap<br />
De Dommel<br />
Postbus 10.001<br />
5280 DA Boxtel<br />
Bosscheweg 56<br />
5283 WB Boxtel
Bijlage 12: Landschappelijke inpassing<br />
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Weteringstraat VOF - R & S Advies - pag. 72