No. 484 27 Decembe 1932 Laan van Nieuw Oost-Indië 156 OP DE ...

webstore.iisg.nl

No. 484 27 Decembe 1932 Laan van Nieuw Oost-Indië 156 OP DE ...

No. 484

Adres voor Redactie en Administratie

Laan van Nieuw Oost-Indië 156

OP DE GRENS.

Nog een oogenblik, en wij staan alweer op de grens

van twee jaren.

Het is Oudejaar, de dag der vergankelijkheid. Wij

denken aan heengaan; aan scheiden; aan sterven. Menig

collega hebben we in het afgeloopen jaar verloren; afgeknapt

werden verscheidene levens, ook onder ons.

In de October-vergadering moest onze voorzitter er

zes herdenken; nu zijn we luttel weken verder, en weer

ontvielen er ons twee. Wat blijft er van ons werk op

aarde? Collega Elout schreef onlangs in zijn blad een

beschouwing over „Jarig zijn"; hij wees er op, dat men

ook den ouderen steeds maar weer gelukwenscht, hoewel

de jaren vlieden, elk jaar hen een stap dichter brengt

bij hun graf, en zij eigenlijk van de toekomst — anders

dan de jeugd — weinig meer te hopen hebben. Maar

gelukkig brak, ook in dit artikel van Elout, tenslotte toch

de zon door; ook over het ouder worden kan een glans

liggen, als men het ziet in het juiste licht.

Wij hebben het gezegd op Dekkings feest en wij herhalen

het hier: een mensch, die ouder wordt, kan zich

vaak, in stille oogenblikken, met beklemming afvragen,

wat hij bereikt heeft, wat hij tot stand bracht, of er

wat blijvends is in zijn werk. Vooral wij, geestelijke

werkers, hebben aanleiding voor het stellen van die

vragen. Want de resultaten van ons werk kunnen niet

in grootboeken en op balansen worden geregistreerd

en uitgerekend, en zij staan niet voor ons in den vorm

van hardsteenen gebouwen of betonnen bruggen of opgerichte

vennootschappen. Wij, schrijvers, geestelijke

arbeiders, wij strooien ons werk als zaadkorrels in den

wind en het gebeurt eigenlijk maar zelden, dat wij eens

een plaats zien waar zoo'n korrel bodem vond en halm

droeg. In één zijner sonnetten zegt Willem Kloos: „Ach,

slechts wat liederen blijven, als ik val!", en in het ontroerend

schoone gedicht van Frederik vari Eeden, „Mijn

handen", klinkt het:

Ze hebben al rimpels en vouwen,

vlekken bruin, die geen water wischt.

Ach! al te groot vertrouwen!

Wat hebben ze vaak zich vergist —

Mijn handen! mijn handen! hoe dikwijls

hun schoonste bedoelen gemist.

Onbevredigdheid, angstige beklemming over zijn levens-arbeid,

ook de ernstige geestelijke werker zal die

Redacteur i

D. HANS

27 Decembe 1932

Dit blad verschijnt ten minste

éénmaal per maand.

gevoelen, maar toch ook gevoelt hij de diepe voldoening,

die zijn werk hem geeft, en de rust van de wetenschap,

dat hij, in en met de verantwoordelijke taak,

hem toevertrouwd, naar zijn beste weten zijn plicht

heeft gedaan. Het leven knakt, ook in en onder ons,

vele mogelijkheden, vele droomen, vele verwachtingen.

Moeten we er bitter en cynisch onder worden?

Ziehier wat mooie regels van den dichter Nijhoff:

Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag

Lang-uit met Moeder in de warme hei,

De wolken schoven boven ons voorbij

En Moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden.

Daar gaat een dame, schapen met een herder —

De wondren werden woord, en dreven verder,

Maar 'k zag dat Moeder met een glimlach weende.

Ziehier: de verwachting en de ervaring. De verwachting

ziet wonderen in de wolken; de ervaring weet wel

beter en wéént, maar weent met een glimlach. En dit is

wat anders dan: bitter en cynisch zijn.

Laat ons zóó tegenover ons beroep, tegenover ons

werk staan. Teleurgesteld misschien. Maar dan toch

glimlachend. Omdat we er toch nog in gelooven, welke

veranderingen en vermechaniseeringen zich er ook in

mogen voltrekken, en hoe zeer ideaal en werkelijkheid

ook met elkander mogen botsen.

In het komend jaar hoopt de Kring zijn gouden feest

te vieren. Vijftig jaren van vereenigings-leven, van

saamgebondenheid, van kameraadschap; vijftig jaar van

arbeid ten bate van de journalistiek en van de journalisten.

Vijftig jaar van groei tevens. Want de ranke stam,

toen in Amsterdam geplant, is een krachtige boom geworden.

Collega's, vrienden: veel vreugde, veel geluk, veel

voorspoed in het nieuwe jaar. Vreugde ook in het

volbrengen van de taak, die ons op de schouders is

gelegd. En komt ge iemand tegen, die over die taak

en over ons beroep een beetje idealistisch en een beetje

enthousiast spreekt en schrijft, beschouwt hem niet als

een soort wonderdier met vijf pooten, maar ontsteekt

uw fakkel aan den zijnen, want alleen bij dien glans

wordt ons zware werk licht.


146 DE J O U R N A L I S T

INHOUD: Op de grens. — Officieele Mededeelingen. — Aangesloten

Vereenigingen. H. J. V. — Allerlei Onderwerpen: J. G.

Jcnquière; Taalzuivering; Regeeringspersdienst; Voordrachten over

Journalistiek; Het feest van Henri Dekking; Sensatie-journalistiek;

Anti-critiek; Th. Harlaar; Journalistiek en Astrologie. — Buitenland:

Een viertalige krant; Spaansch journalisme. — Uit onze

Bladen: Muziekcritiek. — Journalistieke Herinneringen. — Allerlei

Berichten. — In de Laatste Kolom. — Advertenties.

Officieele Mededeelingen.

LEDENLIJST.

Aangenomen als gewoon lid:

Mevr. J. de Boer-van Strien, Hillegersberg, thans buitengewoon

lid.

A. G. A. Bollée, Telegraaf, Marnixstraat 394a, Amsterdam.

J. L. van Leeuwen, Telegraaf, 3e Oosterparkstraat

213, Amsterdam.

H. J. Waalwijk, De Banier, Meubelstraat 15a, Rotterdam.

Ma. Wa. de Zeeuw, Middelb. Cf., Langedelft 6,

Middelburg.

D. W. Stellweg, Graafschapsbode, Kiplaan 28, Den

Haag.

A. P. van Leeuwen, Telegraaf, Diergaardelaan 56b,

Rotterdam.

Voorgedragen als gewoon lid:

E. Wij ga, Volksblad voor Friesl., Groninger Straatweg

6, Leeuwarden.

A. K. Vink, Telegraaf, Alb. Neuhuysstraat 22 huis,

Amsterdam.

F. L. Verbeek, Telegraaf, Heerengracht 292, Amsterdam

C.

J. L. Rodriques, Persbureau Vaz Dias, Paardekraalstraat

12, Amsterdam.

Bedankt als gewoon lid:

C. J. Vos, Utrecht, (wegens verlaten van de journalistiek).

Fr. Otten, Bergen (N.H.).

F. Seuter, Haarlem.

N. P. Andriesma, Alkmaar.

L. M. Weterings, Haarlem.

F. Canté, Amsterdam.

Mej. G. H. J. van der Molen, Amsterdam.

B. J. Gorris, Loenen (buit.lid).

H. de Jongh, Amsterdam, wegens verlaten der journalistiek.

Overleden:

J. G. Jonquière te Rotterdam.

Adresveranderingen:

Dr. }. M. C. van Overbeek naar Mathenessenplein

27a, Rotterdam.

Mevr. A. de Wit, naar Hofwiesenstrasse 89, Zurich.

P. Der jeu, naar Tweede Kostverlorenkade 14, Amsterdam

(W.).

G. Venema, naar Witte Singel 23, Leiden.

Mej. Tine Lepoutre, naar Albert Dürenstraat 35 II,

Amsterdam.

G. Bunte, naar Rijksstraatweg 310, Santpoort.

A. A. T. Althoff, naar Haarlemmermeerstraat 60,

Amsterdam W.

A, C. P. Seyffert, naar Essenburgsingel 145b, Rotterdam.

R. Dinger Jr., naar Margriète van Clevelaan 9, Amstelveen.

C. A. Schilp, naar van Alphenstraat 5, Utrecht.

J. Hoven, naar Zuider Amstellaan 261, Amsterdam

(Z.).

L. V. Belinfante, naar Perponcherstraat 100.

Den Haag.

Gevraagde adressen:

J. G. C. Kooiman, den Haag'

Verzoek.

Adresveranderingen worden met het oog op de samenstelling

van de nieuwe ledenlijst gaarne spoedig

ingewacht bij het secretariaat van den Kring:

Schiefbaanstraat 15, Den Haag.

Aangesloten Vereenigingen.

HAAGSCHE JOURNALISTEN-VEREENIGING.

De heer George Bourdon, eere-president van de Internationale

Federatie van Journalisten en rechter in het

Eere-Gerechtshof voor Journalisten, die in ons land vertoefde

tot het houden van voordrachten over Journalistiek

aan de Leidsche Universiteit, is op 24 November

de gast geweest van de Haagsche Journalistenvereeniging

aan een lunch in Hotel Paulez.

Als gasten waren mede aanwezig de Fransche gezant,

baron de Vitrolles, en de pers-attaché's der Fransche

en der Deensche legatie, de heeren Henri Asselin en

Helge Warmberg. Voorts waren de Nederlandsche

Journalistenkring, de Nederlandsche Dagbladpers, de

Roomsch-Katholieke Journalistenvereeniging, de Buitenlandsche

Persvereeniging en de Rotterdamsche Journalistenvereeniging

vertegenwoordigd. Ook nam aan het

noenmaal deel mr. Plemp van Duiveland, president van

het Universiteitscomité voor journalistieke lezingen.

Tafelpresident was de voorzitter der Haagsche Journalistenvereeniging,

mr. J. J. van Bolhuis, die den eeregast

hartelijk verwelkomde en ook eenige woorden van

welkom richtte tot den Franschen gezant. Mr. van Bolhuis

stelde een dronk in op den voorspoed van het

schoone Frankrijk.

Daarna nam baron de Vitrolles het woord, om in een

korte toespraak er zijn blijdschap over uit te spreken,

dat de heer George Bourdon hier aanwezig was als vertegenwoordiger

van de Fransche journalistiek en van

den Franschen geest. Spr. vertrouwde, dat dit een

vruchtbaren invloed zou hebben op de betrekkingen tusschen

beide naties. De gezant dronk op de gezondheid

van Nederland.

Tijdens het dessert heeft de heer Bourdon het woord

gevoerd. Na eenige woorden van dank gesproken te

hebben voor de hartelijke, collegiale ontvangst, welke

hem hier te beurt was gevallen, hield de heer Bourdon

een interessante causerie over de evolutie der journalistiek

en de nieuwe vormen, waarin deze zich voordoet.

Spr. wees op de geweldige veranderingen, welke de journalistiek

in alle landen heeft ondergaan. Uiteindelijk

geloofde de heer Bourdon, dat deze evolutie, na de

noodige slachtoffers geeischt te hebben, tot een goed

resultaat voor de pers zal leiden. In dit verband wees

hij op het groote verschil tusschen de ,,presse d'information"

en de „presse d'opinion". Door de nieuwe vormen

in de berichtgeving zal de ,,presse d'opinion" ongetwijfeld

weer in waardeering vooruitgaan en zal men

weer grijpen naar een dagblad met goed geschreven artikelen

en beschouwingen. Maar voor alles is noodig dat

de journalisten zich aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden.

De heer Bourdon besloot met zijn glas

op te heffen op de gezondheid van den voorzitter der

Haagsche Journalistenvereeniging en op den voorspoed

der Nederlandsche journalistiek.

Eenigen der aanwezigen maakten van de gelegenheid

tot het stellen van vragen gebruik, welke door den heer

Bourdon beantwoord werden en waarbij de spreker gelegenheid

vond zijn gedachten over verschillende aangelegenheden

nog eens uiteen te zetten en te verduidelijken.


Allerlei Onderwerpen.

3. G. JONQUIÈRE. t

De Rotterdamsche journalisten hebben in J. G. Jonquière

een goed vriend en een knap en wakker kameraad

verloren.

In den omgang had hij soms een stugheid, toonde hij

een onverschilligheid, die in 't eerst wel even kon afstooten,

maar wie hem leerden kennen, wisten dat achter

dit vertoon, eigenlijk van verlegenheid, een gul en goed

hart zich wilde verbergen.

Over zijn bekwaamheid als verslaggever heeft nooit

iemand in twijfel verkeerd. Vlot en levendig, dikwijls

geestig, was zijn stijl, hij nam scherp waar en in zijn

nauw verholen afkeer van aanstellerij en onoprechtheid

kon hij wel eens geduchte dingen beweren, maar nooit

was er toch de opzettelijke bedoeling om iemand te

krenken.

Van de raadszittingen maakte hij een voortreffelijk

verslag, trouw op zijn post; nooit liet hij zijn stoel een

moment leegstaan, al werd er weken achtereen, 's middags

en 's avonds geredevoerd op de manier, die alleen

den Rotterdamschen Raad eigen is. En voor alle sprekers

had hij dezelfde aandacht, wel wetend wat voor

het lezerspubliek van belang kon zijn.

Wat hij er aan persoonlijke opmerkingen bij noodig

dacht, ironisch of zelfs sarcastisch, hoorden zijn buren

op de perstribune, en er was dikwerf groote pret om

zijn slagvaardigheid.

Bij twee, geheel verscheiden gelegenheden heb ik

Jonquière op z'n allerbest gezien.

Dat was bij Voogd's begrafenis, toen hij zwijgend

naar de vele toespraken had geluisterd en ineens naar

voren trad, met een persoonlijk woord: („Ik heb zooveel

van Voogd gehouden, dat ik nu niet zwijgen

kan ") waarmee hij waarlijk ontroering bij de luisterende

vrienden van Voogd wekte.

rende vrienden van Voogd wekte. En dat was ook bij

het zilveren feest van de Rotterdamsche Journalistenvereniging.

Hij had toen de eigenlijke leiding van de

feestelijkheden en met hoeveel toewijding, hoeveel liefde

en hoeveel liefde en hoeveel ijver bereidde hij alles voor!

Hij wilde, dit zou zijn: een hulde aan de Rotterdamsche

journalistiek en al wie er in bestuurs en beursen

scheepvaartwereld en in vereenigingen van allerlei

aard naar zijne meening behoorden te komen op

de receptie, bracht hij erheen. Daar toonde hij zijn

liefde voor ons beroep als een maatschappelijk belang,

dat algemeen eerbied en achting verdiende en daar bij

deze gelegenheid aanspraak op mocht maken.

Een gelukkig mensch is hij niet geweest. Stelde hij

wellicht aan het leven te hooge eischen en kwamen

daaruit zijn met de jaren toenemende onvoldaanheid en

scepticisme voort? Hij liet zich niet in zijn wezen beschouwen;

wie 't waagde stuitte licht op wantrouwen.

Maar voor een goed en hartelijk woord kon hij als een

kind gevoelig zijn.

Hij omsloot een mysterie van aard en besef, dat, wie

er aandacht voor had, Jonquière deed zien als een persoonlijkheid

en een karakter met qualiteiten van den

nobelsten aard.

HENRI DEKKING.

*

Het zij mij vergund, in De Journalist eenige woorden

van dankbare herinnering te wijden aan wijlen den heer

J- G. Jonquière.

Het is- moeilijk, van dezen voortreffelijken man afscheid

te nemen. Onaanvaardbaar is de gedachte, dat

wij hem nooit meer zullen zien.

Menige vergadering, waarheen wij ons begaven met

de bekende „gemengde gevoelens", omdat we wisten

dat het weer een droge boel zou worden, werd plotseling

aangenaam, wanneer wij daar „Zjonk" aan de perstafel

zagen zitten. „Zjonk" met zijn ironischen blik en zijn

opvallende attributen: ring en penhouder.

DE J O U R N A L I S T 147

Als men ooit mocht twijfelen aan de waarde van attributen,

dan zou men bij Jonquière ervan overtuigd zijn

geworden, dat

voorwerpen een

belangrijke rol

spelen in de

psychologie van

een karakter.

,,Zjonk'"s groote

zegelring en

zijn merkwaardige

penhouder

vertegenwoordigden

zijn innerlijkedistinctie.

Het was deze

distinctie, die de

allerjongsten onder

ons in den

beginne wel eens

hinderde; zij wisten

er geen raad

mee („mijnheer

Jonquière is zoo

erg deftig"). Maar bij nadere kennismaking werd dit

gevoel door een ander verdrongen. Het vervulde ons

met diep ontzag, te zien hoe Jonquière werkte: aan één

stuk dóór schreef hij de woorden op het papier, kantje

na kantje, zonder zich een oogenblik rust te gunnen.

Daar kon niemand tegen op. En feilloos-zuiver waren

zijn verslagen!

Al schrijvende gaf hij binnensmonds menige schampere

opmerking ten beste, die ons, jonge verslaggevers,

altijd uit het hart was gegrepen: meestal met betrekking

tot vervelende redenaars en langdradige redevoeringen.

Terwijl Jonquière's hand de onverkwikkelijkste materie

neerpende, bleef zijn geest vrij. Dat gaf ons moed

om het werk met opgewektheid te doen. Hij inspireerde

ons. „Zjonk'"s woorden voorkwamen vertwijfeling, ze

brachten ons in evenwicht, ze hielden ons „fit". Met een

glimlach schreven we ons door het werk heen.

Jonquière was een man, die precies zei wat hij dacht.

Nooit verborg hij zijn critiek. Nooit hebben we hem zien

buigen voor menschen, die hij in zijn hart minachtte.

Mooie frazen achtte hij niet noodig. Hij zei de waarheid

(gunstig of ongunstig) aan ieder, zonder aanzien des

persoons en zonder aanzien van maatschappelijke

distantie. Temidden van de dingen stond hij altijd boven

de dingen; saevis tranquillus in undis. En daarom was

hij zulk een voortreffelijk journalist, volkomen neutraal,

vrij in zijn oordeel, steeds belangstellend, nooit belanghebbend,

strikt eerlijk: een levens-criticus, zooals men

er weinig ontmoet; een journalist, aan wien wij, jonge

journalisten van Rotterdam, zéér zéér veel dank verschuldigd

zijn.

Hij ruste in vrede.

Wij zullen hem niet vergeten.

HERMAN BESSELAAR.

Het zij den redacteur van ons orgaan vergund, van

zijn kant aan bovenstaande afscheids-artikelen nog een

enkel persoonlijk woord toe te voegen.

Onze diep-betreurde J. G. Jonquière is slechts 48 jaar

geworden. Begonnen aan het Dagblad van Rotterdam,

was hij sinds 1911 verbonden aan de Nieuwe Rott.

Courant, en aan dit blad heeft hij — ik aarzel niet hier

dit woord te gebruiken — den vollen schat van zijn

talent gegeven. Ik herinner nog, het is nu al verscheidene

jaren geleden, dat ik hem (dien ik van jongs af

kende) plotseling aan de perstafel ontmoette op een

zeer belangrijk congres van de S.D.A.P. Van ouds wist

ik, hoe zwaar en moeilijk het werk vaak op die congressen

was, en niet zonder eenige sceptische belangstelling

wachtte ik af, wat Jonquière er van terecht zou


148 DE J O U R N A L I S T

brengen. Twee dagen later, na Paschen, vond ik van

zijn hand in de N. R. Cr. een zeer uitvoerig verslag,

zoo gaaf, zoo voortreffelijk, zoo juist — op het gebied

der reportage niet minder dan een kunststuk — dat ik

er met even groote verbazing als bewondering tegenover

stond. Deze man was een journalist van de eerste

klasse.

Bij de crematie, op Westerveld, waar prachtige bloemen,

van zijn gezin, van zijn blad, van den Kring, van

de R.J.V. hem vergezelden op zijn laatsten tocht,

hebben zijn hoofdredacteur mr. G. G. van der Hoeven

en collega mr. P. C. Swart namens de plaatselijke vereeniging

woorden van dank, waardeering en afscheid

gesproken. Collega D. Kouwenaar deed het namens den

Kring; diep betreurde ik, dat de omstandigheden mij

verhinderden dien dag persoonlijk te gaan en een laatste

woord te spreken tot eèn, dien ik van mijn jeugd

af kende, aan wien ik menige goede herinnering bewaar,

en die door een gewild cynisme toch niet verbergen

kon:

het goede en gouden hart, waarvoor hij zich eigenlijk

een beetje schaamde, maar dat, wie hem kende, ter

dege heeft ontdekt.

D. H.

TAALZUIVERING.

Er is in ons orgaan de laatste maanden een ware

veldtocht voor taalzuivering aan den gang.

Dit is een nobel doel, en het was een goed teeken, dat

verscheidenen er aan hebben deelgenomen. Nu echter

bereikt ons, uit den leden-kring, een brief, waarin gevraagd

wordt of het niet genoeg is, en deze vraag verklankt

ook onze eigen opvatting. De Redacteur van het

orgaan staat, tegenover bijdragen die hem bereiken, in

een geheel andere positie als de leider van een dagblad

tegenover abonné's. Leden van den Kring hebben recht

in het orgaan te schrijven, binnen de grenzen door het

Reglement — en ongeschreven bepalingen van behoorlijkheid

enz. — getrokken. Wij mogen pas weigeren,

als er een zeer bepaalde reden voor is. Daarom kleeden

wij onze opvatting in een vraag: zou het niet goed zijn,

als wij het er voorloopig maar bij lieten, wat het hier

bedoelde onderwerp betreft? De bijdragen zijn goed en

nuttig geweest; nu trede een pauze in.

De collega-bovenbedoeld schrijft ons, hoe ook op

de protesten der taal-zuiveraars zélf vele aanmerkingen

te maken zijn. Is er — zoo vraagt hij •—:

„in een tijd als de onze niet belangrijker en beter werk te doen?

Wie in een vermanend preekje over de taalkundige tekortkomingen

van anderen zijn lezer vergast op zoo iets leelijks als „gelijksoortig

daaraan" moest maar niet eens meepraten. Dr. H. Polak gebruikt

het woord „arbeiderspers". Wat is dat voor een ding? Een toestel

waarmee arbeiders persen?, of een pers waarin arbeiders worden

fljngedrukt? Dan de opmerking over „wijlen mr. J. A. Levy".

Deze wijlen mr. enz. is dood en „heeft" er niet de aandacht op

gevestigd; hij „had" er de aandacht op gevestigd enz. Dr. H.

Polak haalt Charivarius aan of noemt in elk geval zijn naam.

Geen journalist met zelfrespect moet Charivarius noemen of als

hulp erkennen. Charivarius is geen autoriteit. Hij is een psychologisch

geval. Als het v/oord geval niet door den beugel van dr.

Polak kan, zal ik mij dat niet aantrekken. „Drooglegging" zou

geen Hollandsch zijn. Maar dr. H. Polak gebruikt in een heel

leelijken zin het woord „opletten", welk woord sinds kort op deze

wijze mag worden gebruikt omdat het toch al door iedereen werd

gedaan. De purist dr. H. Polak had het behooren te schuwen. Hij

wil ons wijs maken, dat café Dit, restaurant Zus en hotel Zoo

„voor zich zelf spreken". Die nuttige instellingen spreken heelemaal

niet. De beklaagde in een strafzaak spreekt voor zichzelf. Een

Kamercandidaat op verkiezingstournee spreekt voor zichzelf. Met

ontroering lees ik ook, „dat vele taalkundigen zich met een zucht

hebben neergelegd" enz.

Zoo gaat deze collega voort, (omdat hier een ander

geluid wordt vernomen hebben wij iets uit zijn brief

vermeld), en wat nu onze eigen meening betreft, willen

wij getuigen, dat — en wij hebben hierbij niet een

persoon, maar een verschijnsel op het oog — de actie

voor taalzuivering vaak zeer wordt overdreven.

Wij hebbert verscheidene jaren zitting gehad in de

Taaicommissie (tegenwoordig: Taalwacht) van het Algemeen

Nederlandsch Verbond en ook hierin herhaal­

delijk op die overdrijving gewezen. In het boekje Taalzuivering,

dat deze commissie uitgeeft, komen talrijke

woorden voor, die men naar onze overtuiging volstrekt

onnoodig door Nederlandsche wil vervangen, en als

men dan de Nederlandsche leest, welke men er voor in

de plaats wil brengen, weet men vaak niet of men moet

lachen of huilen. Naast veel goeds is er op dit gebied

een overdrijving, die het streven schaadt, omdat het er

een caricatuur van maakt. En aan den anderen kant

worden goed-klinkende woorden bestreden, enkel omdat

ze gevormd zijn naar een beginsel, of volgens een

methode, aan een andere taal eigen, terwijl toch in de

nieuwe woorden evengoed een zekere taaiverrijking en

een taalgroei gezien zou kunnen worden. Het wil ons

dan ook voorkomen, dat men op dit terrein niet te ver

moet gaan.

Wij gelooven in ieder geval, dat het voorloopig in

ons orgaan welletjes is geweest.

Men begrijpe ons goed: deze opvatting beteekent volstrekt

geen critiek op hen, die het onderwerp hier besproken

hebben, en allerminst op dr. Polak, die het

inleidde. Wij herhalen, dat hier een goed en nuttig

werk is gedaan, omdat het ons aller plicht is, als dagelijksche

hanteerders van de taal, op de zuiverheid

daarvan te letten. Tegen die zuiverheid wordt vaak gezondigd.

Door ieder onzer op zijn tijd. In de Tweede

Kamer is er dezer dagen op gewezen, hoe leelijk dikwijls

de taal der officieele stukken is. En wij, die gewoonlijk

werken met haast, hebben des te meer kans te struikelen.

Het is dus goed geweest, dat er ernstige aandacht aan

de zaak is gewijd. Maar nu kunnen wij er dan ook even

mee stoppen.

REGEERINGS-PERSDIENST.

In de Memorie van Antwoord betreffende zijn begrooting

aan de Tweede Kamer schreef de Minister van

Buitenlandsche Zaken:

„In de Memorie van Antwoord betreffende Hoofdstuk I der

Rijksbegrooting heeft de Regeering te kennen gegeven, ervan overtuigd

te zijn, dat binnen korten tijd tot instelling van een Regeeringspersdienst

moest worden overgegaan. Mede in verband met

den aandrang, van de zijde der Kamer uitgeoefend, is besloten

het voor dit doel benoodigde bedrag alsnog voor het komende

begrootingsjaar aan te vragen, teneinde het mogelijk te maken

den dienst in 1933 in werking te doen treden, Te dien einde is

bij Nota van Wijziging een bedrag ad ƒ30.000 op de begrooting

gebracht. Wat de berekening van dit bedrag betreft zij het volgende

aangeteekend.

Aan den chef van den in te stellen dienst ware de administrateursrang

toe te kennen met het maximum van het aan deze functie

verbonden salaris (ƒ 7000). Aan den chef zal een plaatsvervanger

moeten worden ter zijde gesteld, wien de rang van hoofd-commies

of referendaris ware te verkenen, benevens ten minste twee lagere

administratieve krachten. De totale personeelkosten zouden aldus

op ongeveer ƒ 16.000 zijn te ramen. Daarnevens moet rekening

worden gehouden met een betrekkelijk hoog bedrag aan representatiekosten,

benevens met vergoeding van reis- en verblijfkosten,

bij verplaatsing buiten de standplaats van den perschef of diens

plaatsvervanger. Dit bedrag kan op ƒ9000 worden gesteld. Voor

bureaukosten, seinkosten en uitbreiding van de reeds aanwezige

dagbladen en periodieken ten slotte wordt ƒ5000 uitgetrokken,

zoodat het totale bedrag wordt geraamd op ƒ30.000.

Ter voldoening aan het in het Voorloopig Verslag uitgedrukt

verzoek wordt een afschrift van het rapport der Commissie, die

in de zaak van den persdienst der Regeering van advies heeft

gediend, nedergelegd ter griffie ter kennisneming van de leden."

De Tweede Kamer heeft deze voorstellen met op

2 na algemeene stemmen (communisten) goedgekeurd.

De persdienst komt er.

Natuurlijk zal met de definitieve instelling ervan worden

gewacht, tot ook de Eerste Kamer de betrokken

begrooting heeft aangenomen, hetgeen vermoedelijk in

Februari geschieden zal. Omtrent den leider van dezen

nieuwen dienst loopen sinds lang in de residentie sterke

geruchten, maar later hoorden we, dat er toch nog geen

zekerheid daaromtrent bestaat, en het is dan ook beter

er hier niet verder over te schrijven. Bovendien staat

men bij zulke benoemingen nog wel eens aan een verrassing

bloot. De keus is echter niet zoo heel ruim,

wanneer men aanneemt dat er iemand benoemd wordt,

die journalistiek volkomen deskundig is.


VOORDRACHTEN OVER JOURNALISTIEK.

De heer Georges Bourdon, oud-redacteur van de Figaro te Parijs,

oprichter en eere-voorzitter van de Federation Internationale des

Journalistes en rechter van het Internationaal Hof van Journalisten,

heeft in het groot-auditorium van de Leidsche Universiteit drie

voordrachten gehouden over journalistiek. Wij willen er iets aan

ontleenen. ...

Spr. wees op het feit, dat Engeland, Nederland en Frankrijk

om de eer twisten, in welk dezer drie landen voor het eerst een

gedrukte courant verschenen is. Hij zal zich hierin niet verdiepen;

de werkelijkheid is, dat onder invloed van gelijksoortige oorzaken

drie volkeren, die een hooge trap van ontwikkeling hadden bereikt,

ongeveer tegelijkertijd, namelijk in het eerste derde deel van de

17e eeuw, een courant begonnen uit te geven. Het was in het jaar

1631, dat Théophrasye Renaudot begon uit te geven: la Gazette,

de eerste van alle dagbladen, een volledig dagblad. Is het met

eigenaardig, dat de uitvinding der boekdrukkunst, ongeveer in

het jaar 1436 vastgesteld wordt en dat het bijkans twee eeuwen

heeft geduurd vooraleer de drukpers werd aangewend tot het drukken

van een in vele exemplaren verschijnend periodiek? De reden

hiervan is, dat de drukpers wel bestond, maar dat de behoefte aan

een dergelijk periodiek nog sluimerende was. Vooral de kruistochten

waren de eerste impulsen, die in Europa de belangstelling opwerkten

voor hetgeen bij anderen gebeurde. Men had er behoefte aan

om zijn nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen en op het oogenblik,

dat men niet meer genoeg had aan mondelinge inlichtingen,

langzaam en van verre gekomen, vaak verdraaid en vervormd overgekomen,

waren de geesten rijp om een courant te kunnen ontvangen

en: de courant verscheen. Spr. gaf vervolgens een uitvoerige

beschrijving van de oprichting van de Gazette op 30 Mei 1631,

welk dagblad al dadelijk een overzicht gaf van gebeurtenissen van

een groot aantal steden in Europa, waar onder ook Amsterdam en

Antwerpen. Eerst in het zesde nummer van dit blad verscheen

er voor het eerst iets over Parijs. Het was in die dagen dan ook

uiterst gevaarlijk over politiek te schrijven en Renaudot wilde blijkbaar

liever niet de kans loopen, al dadelijk een verbod van uitgave

van zijn blad te krijgen. Toch bestond er wel gelegenheid aan

plaatselijke nieuwtjes te komen. Er bestonden zoogenaamde „nouvellistes",

die tegen vergoeding van een bord soep, van een kleinigheid

de plaatselijke nieuwtjes meedeelden. Men spreekt op het

oogenblik' als iets nieuws over de „gesproken courant , maar al

mocht de radio zich dan ook van moderner hulpmiddelen bedienen,

de gesproken courant brengt feitelijk echter niet nieuws. In Frankrijk

als elders heeft de gesproken courant den weg gebaand voor

de gedrukte courant.

De Gazette heeft bestaan tot eenige jaren voor den oorlog van

1914. De Gazette was het privilege van den koning, zoodat de

concurrentie niet gemakkelijk was, daar deze clandestien moest

optreden Wel was het mogelijk de Gazette indirect te beconcurreren,

en wel door een blad van geheel ander karakter op te richten:

dit geschiedde in 1665 door de oprichting van: Ie Journal des

Savants, het eerste litteraire blad der wereld, opgericht door Uenis

de Sallo Terwijl de Gazette zich op politiek terrein bewoog,

schonk Ie Journal des Savants z'n aandacht aan kunst, letteren,

wetenschap, tooneel, poëzie, roman en korte verhalen. Aan de

journalisten, die aan zijn blad medewerkte, stelden hij hooge eisenen.

Naast beide soorten van bladen verscheen in 1672 Ie Mercure

Galant, opgericht door Donneau de Visé die aanvankelijk bestemd

voor den geestelijken stand, zich daarvan bevrijd had en zich in

letterkundige richting had begeven en zich daarin ook reeds eemgen

naam gemaakt had door Molière met zijn sarcasmen te achtervolgen.

De Mercure Galant was geen nabootsing van de beide andere

bladen, maar ook dit blad bracht een nieuwe noot, die, welke men

door alle tijden heeft genoemd: de kleine pers. De drie genoemde

soorten van bladen, aldus spr. zijn te beschouwen als de proto-typen

van alle bladen, die in den loop der eeuwen hebben bestaan, het

politiek blad, het litterair-wetenschappelijk blad en het blad van

de korte verhalen. .

Inzake het uitgeven van bladen deed Holland niet voor frankrijk

onder. Hoewel de basis voor de pers reeds vroeg was gelegd,

duurde het toch tot het midden van de achttiende eeuw, dat de

journalistiek ontwaakte, dat ze begon zich bewust te worden van

haar latende macht: de critiek was geboren, eerst rustig en schuchter,

later ontloopt niets en niemand de critiek van de pers. Uitvoerig

schetste spr. den grooten invloed, die de Fransche revolutie

heeft gehad op de vrijheid om zich, ook door middel van de courant,

te uiten. De gebroeders Concourt zeiden het zoo juist, aldus spr.:

-Het is inderdaad de eerste maal in de geschiedenis, dat de pen

— het waren toen nog zachte en krassende ganzenpennen — „haar

onweerstaanbaren invloed aanwendde en aantoonde. fc-n direct

reeds was het gevolg, dat een troon omlaag gehaald werd en een

monarchie, tien eeuwen oud werd vernietigd.

DE JOURNALIST 149

De Fransche Pers.

De tweede lezing had Bourdon getiteld: „De Fransche pers;

van de revolutie tot de moderne pers."

Spr. zette uitvoerig uiteen, dat dank zij de Fransche revolutie

en hetgeen daarop volgde de Fransche pers wakker werd geschud.

In de tien jaren, gedurende welke de revolutie duurde, vertoont de

geschiedenis van de pers drie karakteristieke fazen: de eerste loopt

van 1789 tot 10 Augustus 1792, gedurende welke faze een algeheele

vrijheid bestond; de tweede houdt stand tot aan den val van

Robespierre, den 9 Thermidor, in 1794; er bestaat nog de wettelijke

vrijheid, maar niet weinig in toom gehouden door het Schrikbewind;

de derde wordt afgesloten met de militante periode van de

Revolutie, in 1799, toen het Consulaat werd ingesteld: dit beteekent

de reactie, het verbod, de ineenstorting. Grootheid en verval

van de pers Nauwelijks zijn de Generale Staten bijeen, of

Mirabeau laat hun de vrijheid van drukpers aannemen, en, onmiddellijk

verspreiden zich de drukwerken in duizenden exemplaren.

Bladen in allerlei formaat en met verschillende verschijningstijden:

vlugschriften, dagbladen, week- en maandbladen.

Spreker beschreef vervolgens de heftigheid van optreden van

Camille Desmoulins: een groote naam; de naam van een groot

journalist, misschien de grootste journalist van alle tijden, waarna

spr. een ander, niet minder bekend journalist beschreef: Marat,

en tal van anderen uit die dagen: Corsas, Loustalot, Condorcet,

Tallieu, Robespierre, en vele anderen. Het sein tot deze nieuwe

heftige wijze van reportage werd echter gegeven door de twee

royalistische bladen: l'Ami du Roi en door de Actes des Apótres;

beide bladen èn de overige royalistische bladen verdwenen bij

decreet van 12 Augustus 1791. Niet alleen dat de royalistische

bladen toen werden verboden, maar men zette hunne redacteuren

in de gevangenis, verdeelde hunne persen en hun materiaal onder

de republikeinsche concurrenten.

Den 9 Thermidor, den 27 Juli 1794, nam het Schrikbewind een

einde met den val en den dood van Robespierre; vanaf dat oogenblik

treedt de derde faze in. In 1795 telde men in Parijs slechts

70 politieke bladen; twee jaar later waren er twee honderd en

onder dit aantal waren er slechts twaalf republikeinsch. Vervolgens

stond spr. stil bij den „Bartholemeusnacht" van 4 September

1797: de bladen worden verboden; zij die overblijven, worden

onder censuur van de politie gesteld. Een decreet van 17

Januari 1800 limiteerde het aantal politieke bladen tot dertien en

verbood de oprichting van nieuwe bladen. Na den val van Napoleon

in 1814, komt op nieuw de vrijheid van drukpers, zij het

ook, dat deze vrijheid slechts zeer beperkt was. Ondanks deze

beperkte vrijheid hebben de couranten toch een zeer overwegende

rol gespeeld: de pers van de Restarautie is niet minder illuster,

aldus spr. als die van de Revolutie en zij wist zich te verheffen

tot een hoogte van geest, tot een activiteit, die nooit werden overtroffen.

In het tijdvak van 1815 tot 1850 gelooft spr. niet vertegenwoordigers

van de hoogste Fransche cultuur te kunnen vinden,

die geen journalist waren geweest: van Chateaubriand tot

Benjamin Constant, van Lamennais en de Bonals tot Proudhon,

van Lamertine tot Victor Hugo. In ieder geval, allen die een rol

zuoden spelen in de publieke zaak, politieke mannen of staatslieden,

allen waren het: en Thiers en Guizot en Louis Blanc en zoovele

anderen. , ,

Zij betraden het forum van de pers niet slechts uit roeping, doch

uit noodzaak; nog voordat de politieke partijen waren gevormd,

werden de denkbeelden van de aanhangers door middel van de

pers verspreid, zoowel de aanhangers van rechts als die van links.

Daarnaast bestonden er tal van bladen van de zoogenaamde kleine

PETS

Na een overzicht te hebben gegeven van de moeilijkheden, waarmee

de pers in Frankrijk gedurende de jaren 1814 tot 1848 te

kampen heeft gehad en hij had aangetoond, dat de pers uit dezen

strijd glansrijk te voorschijn is gekomen, besloot spr.: Maar toen het

jaar 1848 was aangebroken, was het twaalf jaar geleden, dat een

zeer ingrijpende gebeurtenis had plaats gehad, dat een zeer ingrijpende

gebeurtenis had plaats gehad: de komst van de ° dernli

pers met het blad: la Presse van Emile de Girardm. Men zal

hieruit geboren zien worden de journalistiek van de twintigste eeuw

met haar grootheid en haar fouten.

De opkomst der

Industrieels Pers.

De derde voordracht werd gehouden over bovenstaand onderwerp.

Hoe was de bestaansmogelijkheid van de pers in en tot het jaar

1835? vroeg spr. In genoemd jaar bestonden er in Parijs twintig

bladen, met 50.200 abonné's, die der departementen daarin begrepen.

Voegt men daarbij 20.000 exemplaren voor de stad zelf, dan ziet

men, aldus spr. dat er op 35 millioen Franschen slechts 70.000 een

courant hadden. Zooals spr. reeds had aangetoond, was de zoogenaamde

losse verkoop van couranten toen nog niet veel in gebruik.

Een dergelijke wanverhouding tusschen het lezend publiek

van toen en van nu is uit twee oorzaken te verklaren: in de eerste

plaats was er in die dagen niet de algemeene ontwikkeling van

thans en bovendien was de prijs van een abonnement zeer hoog.

Er stond toen een man op, die van meening was, dat de

courant in het bezit van een ieder moest komen. De courant is

het licht, dat alle gezinnen moet beschijnen, alle zielen ber*iken.

Hoe dit mogelijk te maken? Bij een courant staat de waarde van

de publiciteit in onmiddelijke verhouding tot het aantal abonnementen.

De kwestie, die opgelost diende te worden, was dus: den

prijs voor het aantal abonné's zoo groot mogelijk te doen worden.

Het vraagstuk, zoo gesteld, was reeds van te voren opgelost Men

kon op den verkoop verliezen, maar men moest op de publiciteit

winnen. Uitvoerig beschreef de heer Bourdon den levensloop van

Emile de Girardin, die een algeheele omwenteling van de pers veroorzaakt

heeft. Van hem is het denkbeeld uitgegaan om de couranten

tegen lagen prijs beschikbaar te stellen. Op den gedenkwaardigen

len Juli 1836 verscheen zijn eerste blad getite d: La

Presse. Het kapitaal, waarmee hij begon, bedroeg de kapitale som

van 800.000 francs. Het prospectus van de courant was van de


150 DE JOURNALIST

hand van Victor Hugo. Onder de leden der redactie waren:

Alexander Dumas, Théophile Gautier, Frederic Soulie, Georges

Sand, Gérard de Nerval. Het was een geheel nieuwe courant,

die men het publiek aanbood: nieuw van formaat, nieuw van inhoud,

nieuw in de typografische verzorging, nieuwe rubrieken.

En de sensationeele nieuwigheid was de feuilleton-roman. Maar

het aller-sensationeelste was, dat het abonnementsgeld veertig francs

bedroeg, in plaats van tachtig francs, zooals tot dien tijd gebruikelijk

was. Girardin had er slag van, zijn abonné's te amuseeren. Zijn

blad had een enorm succes.

Goed- of kwaadschiks, ieder blad moest zich ten slotte richten

naar de wijze van uitgave van La Presse van Giardin. Niet alleen

moesten zij hun abonnementsgelden ook verlagen, maar ook zij

moasten in hunne bladen roman-feuilletons, gemengde berichten

enz. opnemen. De winsten werden hoe langer hoe grooter, zoowel

in aanzien als in opbrengst.

Een andere hervormer van de pers was Hippolyte de Villemessant.

Deze richtte zich eerst tot Girardin, van wien hij iedere

week een feuilleton kocht tegen vier honderd francs per maand.

Maar voor deze vier honderd francs kreeg de Villemessant het

recht, deze feuilletons in het klein aan andere bladen te verkoopen.

Eenige jaren later stichtte hij Le Figaro, waarmede hij een geheelen

ommekeer bracht in de Fransche journalistiek. De courant, zooals

wij die thans kennen, de courant met verschillende rubrieken,

die er op uit zijn, het geheele menschelijke leven te omvatten, hebben

wij aan Villemessant te danken. Naast deze algemeene rubrieken,

voerde hij de kleine advertenties in. Hij was verder

de eerste, die aan alle rubrieken de grootst mogelijke zorg

liet besteden. Zoo ver ging hij met de verzorging van zijn blad,

dat hij iedereen tartte, hem een nieuwtje van algemeen belang te

vertellen, dat hij 's morgens nog niet in de Figaro had gelezen,

op straffe van ontslag aan den daarvoor verantwoordelijken redacteur.

In het jaar 1871 begint de gouden eeuw van de Figaro.

Het blad heeft toen een naam over de geheele wereld veroverd. De

meest vooraanstaande schrijvers tusschen 1860 en 1900 hebben

eraan meegewerkt.

Maar de ontwikkeling staat niet stil en groote veranderingen

zijn sedert dien weer opgetreden. Een nieuwe revolutie onder

de wereldpers brak uit en het is weer een Franschman, die daaraan

den grootsten stoot heeft gegeven: Marinoni door zijn uitvinding

van de rotatiepers. En daarna de prachtige uitvindingen: de

telegraaf, het Morse-systeem, de telefoon, de draadlooze, de radiofoon;

wie zal zeggen, wat de dag van morgen ons zal brengen?

Spr. toonde vervolgens aan, dat de politieke bladen niet de

voornaamste rol spelen. De bladen van de grootste politieke partij

in Frankrijk — de radicale — zijn lang niet de voornaamste Fransche

bladen. De bladen, die den boventoon voeren, zijn vijf of zes

nieuwsbladen, die tezamen, iederen morgen, iederen avond om

en nabij de vijf millioen exemplaren van acht, tien of twaalf pagina's

verspreiden. Vijf millioen exemplaren iederen dag, dat beteekent

ten minste vijftien millien lezers. Uitvoerig schetste spr. welk een

macht er heden ten dage van de pers uitgaat en welk een verantwoordelijke

taak de leiders van dergelijke groote bladen hebben.

In de provincie is het eenigszins anders gesteld en daar spelen de

poltieke bladen vaak nog een rol van beteekenis.

De voordrachten werden met luid applaus beloond. De

Haagsche Journalisten-Vereeniging bood op een der drie dagen

den spreker een lunch aan; op de beide andere dagen deden dit

de Fransche gezant en de heer dr. S. F. van Oss.

Het verschil tusschen

vroeger en nu.

Uit een interview van het Handelsblad met mr. L. J.

Plemp van Duiveland:

— „Wat is," vragen wij dezen deskundige, ,,het

marquante verschil tusschen de journalistiek, zooals gij

die in het begin van uw loopbaan hebt gekend en die

van het oogenblik?"

En zonder aarzelen luidt het antwoord:

— ,,De industrialisatie van de Pers, waardoor het

persoonlijke element hoe langer hoe minder tot uiting

komt. Ik acht dit een betreurenswaardig verschijnsel,

maar met den Franschen journalist Bourbon, die dezer

dagen hier te lande in een kring van vakgenooten een

redevoering heeft gehouden, hoop ik, mede door de

versnelling van den berichtendienst, op een herleving

in dien zin, dat, als vroeger, de presse d'information meer

en meer gecombineerd zal worden met de presse d'opinion.

Van een vlugge berichtgeving, gepaard aan een

vlug lanceeren van de eigen meening, ben ik altijd een

voorstander geweest en steeds heb ik getracht, beide

principes zooveel mogelijk in practijk te brengen."

HET FEEST VAN HENRI DEKKING.

De herdenking van Dekking's jubileum is een luister

geworden voor hem zelf, maar ook voor ons beroep.

Hier stond een journalist midden in de publieke aandacht,

hier bleek hoe zijn persoon en zijn werk in het

eerste gelid van het geestelijke leven der natie en van

het leven van zijn gemeente staan, en uit alle kringen

van zijn geboorte-stad, waar hij 40 jaar heeft gewerkt,

kwamen de eersten èn de besten om hem te huldigen en

te danken. Een luister voor hem zelf en een erkenning

van zijn levenswerk, met talent, overtuiging en karakter

volbracht; een luister voor ons beroep, dat aldus in één

zijner eersten werd gehuldigd.

Het is voor ons orgaan, met zijn beperkte plaatsruimte,

onmogelijk (en, uit een oogpunt van herhaling

van wat in de dagbladen stond, ook onwenschelijk) om

een zeer uitvoerig verslag van deze feestdagen te geven.

Een onderscheiding van Hare Majesteit de Koningin:

bevordering tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau;

een album waarin

haar secretaris

zijn naam

had geplaatst en

waarin vele andere

bekenden

en voornamen

voorkwamen;

een schat van

bloemstukken:

Kring, aangeslotenvereenigingen,

collega's allerleiRotterdamsche

lichamen,

personen uit de

wereld van tooneel

en letter­

1ÓMVAN T4ST.

DEKKING ALS ROTTERDAMMER.

kunde en handel,

en dan natuurlijk

het eigen blad

niet te vergeten,

zij alle „zegden het met bloemen". En vele fraaie geschenken

kwamen daarnaast. Een uitermate druk bezochte

receptie; een maaltijd met een lange reeks hartelijke

toespraken.

Waarlijk, het zijn prachtige dagen geweest voor

onzen vice-voorzitter en penningmeester.

— „Mijn laatste jubileum" — zei hij — „want over

een paar jaar ga ik er uit; mijn verlangen is een reis

naar Indië, om mijn kinderen te bezoeken !"

Afwachten!

De hulde van het Nieuwsblad.

Op 1 December had de huldiging op het Nieuwsblad plaats.

Commissarissen, directeuren, redactie, administratief en technisch

personeel van het Nieuwsblad hadden zich daartoe vereenigd.

Bij de aankomst van den jubilaris in de ontvanghal heeft een

vrouwelijke collega mevrouw Dekking bloemen aangeboden. Er

stonden bloemstukken van de Scheepsbouw Mij. Nieuwe Waterweg,

de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij, de Vereeniging

Linker Maasoever, van het personeel van het Nieuwsblad, enz. De

oudste directeur, de heer E. W. Geerling, heeft allereerst het woord

gevoerd. Hij schetste de verdiensten van den heer Dekking voor

het Nieuwsblad en bood hem uit naam van commissarissen en

directie een stel vazen van oud Delftsch blauw aan. Uit naam

van de redactie heeft de heer H. W. de Ronde gesproken, die de

lichte causeurskunst van den journalist Dekking prees, waaraan de

persoonlijke, beminnelijke kant is van een gemoedelijken humor.

Van de redactie en andere medewerkers van het Nieuwsblad bood

hij een Perzisch kleed aan. De heer J. van Strijen vertolkte de gevoelens

van het technisch personeel en bood een standaardwerk

over kunstgeschiedenis aan.

In zijn dankwoord heeft de heer Dekking een blik in het verleden

geworpen, en drie figuren herdacht: den vroegeren chef van

het technisch personeel de Gast, den overleden directeur den heer

Van Dalen en vooral wijlen den heer Sijthoff.

De directeur van het Dordrechtsche Nieuwsblad kwam daarna

nog een fraaie ets aanbieden. En velen, die op den officieelen huldigingsdag

niet zouden kunnen komen, kwamen daarna den jubilaris

complimenteeren.

En op dezen dag was reeds een stapel telegrammen binnenge-


komen (het eerste was van... Kniertje); en ook thuis stond een

groote reeks bloemstukken. Speenhoff had een vers gestuurd.

De Receptie op 3 December.

Op Zaterdag 3 December had de officieele huldiging door het

Comité plaats. ,

Een talrijk gezelschap uit alle kringen had zich daartoe m den

Huize Ulrich vereenigd, dat den jubilaris en zijn familie bij het

binnentreden met een hartelijk applaus begroette. De zaal was

prachtig versierd met palmen en bloemstukken, en opnieuw stroomden

de telegrammen binnen. ,

De heer D. Hans sprak den jubilaris namens de Huldigingscommissie

toe (wij volgen nu het verslag in de N. R. Cr.). Hij

liet aan zijn huldigingsrede voorafgaan een woord van eerbiedige

hulde aan de nagedachtenis van onzen knappen collega Jonquere,

die Vrijdag was gestorven. In de blijdste oogenblikken van ons

leven aldus de heer Hans, treft ons menschen soms een smartelijk

contrast. Het is mij een behoefte hier een oogenblik te vertoeven

bij de herinnering aan onzen voortreffelijken collega ]. G. Jonquiere,

•die aan den vooravond van dit feest is ontvallen aan zijn familie,

-aan zijn blad en zijn collega's.

Zich dan tot den heer Dekking wendende, zeide de heer Hans,

dat hij geen uitvoerig overzicht wilde geven van de loopbaan van

den jubilaris; dit was trouwens in de laatste dagen al in dag- en

weekblad gebeurd. Dekking heeft gewerkt als journalist, letterkundige,

tooneelschrijver en voordrachtskunstenaar en op elk gebied

is iets van beteekenis bereikt. Spreker schetste eerst den journalist

Dekking, die veertig

jaren in dezelfde

stad, zijn

geboortestad onde*

verschillende rubrieken

heeft gewerkt

en ook in de groote

reportage zijn spo­

~TL ^? £&A

ren heeft verdiend.

Met bekwaamheid,

met menschelijkheid,

zin voor humor

heeft Dekking zijn

taak verricht. Steeds

was zijn streven

gericht op het brengen

van zijn werk in

leesbaren vorm.

Wat Dekkings

werk als letterkundige

betreft, wilde

de heer Hans al­

DEKKING ALS PENNINGMEESTER.

(„Het Gouden Kuiken").

leen maar de uit-

leen maar ut u»- .

spraak in herinnering brengen van iemand, die zijn Winterkoninkje

gelezen had en weigerde aan een huldiging van Dekking als journalist

mede te doen, omdat Dekking naar 's mans meening romans

had moeten blijven schrijven, en niet in de journalistiek gaan. Het

is zeker overbodig, aldus spr., te zeggen, dat ik het met het laatste

niet eens ben. Dekking's arbeid als tooneelschrijver is gevallen

in den glorietijd van het Rotterdamsche tooneel, de grooten van

dat tooneel zijn in zijn stukken opgetreden. Als voordrachtkunstenaar

heeft Dekking een reputatie verworven door het heele land.

Talloos velen heeft hij nader gebracht tot ontwikkeling, schoonheid

en ontroering. Op dit alles kan Dekking vandaag terugzien, in

alles heeft hij zijn eigen persoonlijkheid gelegd. In het zakelijke,

concrete Rotterdam, in de werkstad Rotterdam is het van groote

geestelijke, artistieke, journalistieke beteekenis geweest.

Spreker dankte verder den jubilaris voor wat hij voor den Journalistenkring

heeft gedaan, om hem dan te zeggen, dat hij, al

is hij dan zelf niet erg tevreden over wat hij heeft bereikt en tot

stand gebracht, terugblikkende mag constateeren: Het is goed geweest.

Wij danken hem voor alles wat hij heeft gedaan voor ons

beroep en voor ons volk. Na vervolgens mevrouw Dekking in zijn

huldiging te hebben betrokken, en ook zijn kinderen, waarvan er

twee in Indië zijn en één op de thuisreis, bood spreker het door

Herman Mees vervaardigde portret van den jubilaris aan, dat door

een kleindochtertje werd onthuld. Daarbij werd een album gevoegd

van de hand van den schilder Dirk Nijland en den graveur Nieuwenhuis.

De bijdragen zijn zoo sterk gevloeid, aldus de heer Hans,

dat de penningmeester van het comité, als dezer dagen de definitieve

afrekening kan geschieden, nog een geschenk onder couvert

zal aanbieden, waarover gij geheel naar goeddunken kunt beschikken.

,

Met de beste wenschen voor de komende jaren besloot de heer

Hans zijn rede.

Mr. W." C. Mees bracht de gelukwenschen over van de Volksuniversiteit.

In 1924 is de heer Dekking bestuurslid van de Volksuniversiteit

geworden en van dien tijd af, is hij een actief en belangstellend

bestuurslid geweest en gebleven, dat vooral gaarne

zijn voorlichting gaf op het terrein van tooneel en literatuur, maar

ook daarbuiten altijd bereid was als er een beroep op hem werd

gedaan. Dat het maandblad geworden is een blad, dat als vereenigingsblad

op een hoog peil staat, en een orgaan, dat een onmisbare

schakel vormt tusschen het bestuur en de 13.000 leden en

•cursisten, is voornamelijk aan Dekking te danken.

Mejuffrouw Ida Heijermans wilde op dezen derden December,

DE JOURNALIST 151

waarop haar diepbetreurde broer acht-en-zestig jaar zou zijn geworden,

niet den man van het hoofd Dekking, maar den man van

het hart huldigen. Zij bracht hem dank voor al wat hij had gedaan

na den dood van haar broer om diens nagedachtenis te eeren en

voor wat hij voor diens vrouw en kinderen deed. En ook als zij

de herinneringen, die zij aan haar vader bewaart, doorbladert, komt

zij geed jubileum tegen, of de heer Dekking heeft zijn belangstelling

getoond.

De heer H. Tersteeg, voorzitter van de Amsterdamsche Pers,

heeft in opdracht van zijn vereeniging den veelzijdigen journalist

gehuldigd, voor wiens werk in den Kring in Amsterdam groote

waardeering bestaat.

De heer H. ]. van der Borg heeft als vertegenwoordiger van

de Leipziger Messe de rij der sprekers gesloten.

De heer Dekking, de gelukwenschen beantwoordende, zeide in

deze huldiging een soort wraakneming van het lot te zien. Hij had

als journalist zooveel jubilarissen gezien en altijd medelijden met

de slachtoffers gehad. Hij is deze week sterk over het paard, over

een mastodont getild, hij vertrouwt echter, er zonder geestelijk verstuikten

voet te zijn afgekomen. Al weet hij zelf veel te goed

wat hij waard is, hij voelt zich gelukkig en trotsch, dat zooveel

exquise mannen en vrouwen hem vandaag zijn komen gelukwenschen.

Vooral is hij vereerd door het feit, dat mannen, als mr.

De Geer, de burgemeester van Rotterdam en mr. Zimmerman hun

handteekening hebben willen zetten. Hij dankt mr. Mees, den

voortreffelijken leider van de Volksuniversiteit, en prijst het gulle

hart van de acteurs en actrices, dat hen veel meer dan zijn meest

kritische gaven, naar hier zal hebben gelokt. Een groote eer is

het hem dat in de comité's, te zijner eere gevormd, de eerste mannen

van het vak, als Plemp van Duiveland, mr. Van der Hoeven,

Elout en vele anderen, hebben willen zitting nemen. In hart en ziel

is hij altijd krantenman geweest en gebleven en hij verheugt zich

er hartelijk in, dat de standing van ons beroep zóó is gestegen. Dat

hij in de leiding van den Kring, wiens werk dit voor een groot deel

is geweest, deel mag nemen, daarop is hij trotsch. Dit jubileum

sluit zijn carrière af, er zal er geen meer op volgen. Mooier slot

kan hij zich niet denken. Hij ziet er in een erkenning van een leven

van eerlijkheid en overtuiging. Wir sind Fanatiker 'der Wahrheit,

hij is er zich niet van bewust ooit iemand naar den mond te hebben

gepraat. Er ligt iets mysterieus in ons vak, dat gesymboliseerd

zou kunnen zijn in de panache van Cyrano. Laten we trachten

onzen panache hoog te houden. Spreker bracht dan dank voor

de geschenken en besloot met uiting te geven aan het alles overheerschende

gevoel van dankbaarheid dat hem nu bezielde.

De vele aanwezigen hebben daarna den jubilaris en de zijnen

de hand gedrukt. Een der eersten die dit deed was mr. A. R. Zimmerman,

oud-Burgemeester van Rotterdam. Een talrijke schare van

vrienden en bewonderaars uit alle kringen volgde.

De maaltijd.

In Huize Ulrich is 's avonds den heer Dekking en zijn familie

een diner aangeboden. Onder de aanwezigen waren de heeren

DEKKING ALS „HET 46e"

mr. P. Droogleever Fortuyn, burgemeester van Rotterdam; D.

Hans en G. Polak Daniels, voorzitter en secretaris van den Neder -

landschen Journalisten Kring; mr. P. C. Swart, adjunct-hoofdredacteur

van de N.R.C., voorzitter van de Rotterdamsche Journalisten

Vereeniging; mr. J. J. van Bolhuis, voorzitter van de Haagsche

Journalisten Vereeniging; F. Th. Holsboer, voorzitter van De

Oostelijke Pers; collega's van den jubilaris, onder wie de heer P.

E. Peaux; A. H. Sirks, hoofdcommissaris van politie; dr. E. Wiersum,

gemeente-archivaris: A. C. de Neeve, bestuurslid van de


152 DE J O U R N A L I S T

Rotterdamsche Volks-Universiteit; Ed. Schürmann, onder-voorzitter

van de Kamer van Koophandel; mr. Walter F. C. Baars, lid

van den gemeenteraad; Alida Tartaud—Klein en Frits Tartaud;

mevrouw A. de Meester—Obreen; Top van Rhijn—Naeff; ir. J.

L. Schouten, de bijna 80-jarige glasbrander; Herman Mees, de

schilder van Dekking's

portret; W.

Graadt van Reggen,

secretaris van

de Nederlandsche

Jaarbeurs;; A. J. M.

Goudriaan en anderen,

sommigen vergezeld

van hun

echtgenoote.

Voor den aanvang

van den maaltijd, in

de ontvangzaal, heeft

de burgemeester uit

naam van den minister

van Binnen-

landsche Zaken medegedeeld,

dat de

heer Dekking is bevorderd

tot officier

DEKKIING ALS VERSLAGGEVER VAN

KONINGINNEREIZEN.

in de orde van Oranje-Nassau. Hij bracht tevens de gelukwenschen

over van den minister van Financiën, met het jubileum en de onderscheiding.

De heer Hans heeft den heer Dekking uit naam van

het comité voor de huldiging het kruis overhandigd, aan de onderscheiding

verbonden.

De heer Hans was tafelpresident. Hij heeft de aanwezigen hartelijk

welkom geheeten, in het bizonder het hoofd der gemeente

Rotterdam. Later vond hij gelegenheid, voorlezing te doen van den

stapel telegrammen, die, in proza en op rijm, waren binnengekomen.

De heer mr. P. Droogleever Fortayn heeft het eerst het woord

gevoerd, om uiting te geven aan zijn gevoelens van groote waardeering

voor het werk en de persoon van den jubilaris. Hij deed

het als burgemeester en hij huldigde Dekking als 46e raadslid.

De Raad van Rotterdam is een alleraardigste instelling, doch zou

zich niet zoo hebben ontwikkeld zonder het ongekozen raadslid,

dat op autocratische wijze is toegetreden, doch gelukkig nooit moties

voorstelt, zijn buurman niet in den strot grijpt en geen vergelijkingen

aan de dierenwereld ontleent. Hij zwijgt, de grootste deugd, die een

raadslid kan hebben. Spr. waarschuwde den jubilaris: ga niet over

tot de democratische figuren, doch blijft in den raad rustig op

uw hoogen troon. En hij hoopte, dat het 46e raadslid eens zal

mogen constateeren, dat Rotterdam zich weer in de vooruitgaande

lijn bevindt.

Mr. P. C. Swart heeft gesproken uit naam van de Rotterdamsche

collega's en kameraden. Hij sprak over den aard der Rotterdamsche

Journalisten-Vereeniging, die wel eens den naam heeft van een

gezelligheidsvereeniging. Maar hoe goed is de onderlinge stemming

in de samenkomsten. Met wijlen den heer Voogd heeft Dekking

haar helpen oprichten en hij is er altijd mede de ziel van geweest.

De werking der vereeniging was en is vooral preventief, en de

eer daarvan komt voor 95 % aan den secretaris toe, die moeilijkheden,

welke dreigden, wist te voorkomen. Ook tot mevrouw Dekking

richtte spr. hartelijke woorden.

Daarna is nog een lange reeks van toespraken gehouden, waarbij

de heer Graadt van Roggen de zilveren eere-medaille van de Jaarbeurs

aanbood en collega Hans een levensgeschiedenis op rijm van

den jubilaris voorlas. Ton van Tast had het gedicht geïllustreerd

en enkele van die teekeningetjes nemen wij hier over.

— Tot zoover het verslag van de herdenking van

Dekkings jubileum; wij hebben niet meer dan een beknopte

samenvatting kunnen geven.

Collega Dekking kan op zijn feest met groote voldoening

terugzien. En dan niet alleen omdat de werker

is gehuldigd, maar ook omdat velen hulde zijn komen

brengen aan den mensch. Wat hierover op de receptie

door Ida Heyermans en aan den maaltijd door de Tartauds

en anderen gezegd is, was diep treffend.

Waarlijk: hier is op hartelijke en genegen wijze een

werkleven gehuldigd, dat niet alleen met groote talent,

maar evenzeer met overtuiging en rechtschapenheid

werd volbracht.

Deze dag — wij herhalen het — was een glorie voor

Dekking; een glorie voor ons beroep.

Het steunfonds.

— Collega Dekking heeft, ter gelegenheid van zijn

jubileum, een bedrag van ƒ 100 gestort in het (voorloopige)

Steunfonds ten behoeve van weduwen en

weezen. Bravo! — In de dagbladen lazen wij, dat men

in Amsterdam op de redacties een som van ƒ 736.50

heeft bijeengebracht voor hetzelfde doel. Keurig resultaat!

SENSATIE-JOURNALISTIEK.

In de Tweede Kamer is ook bij het openbaar debat

de zaak der sensatie-journalistiek aan de orde gekomen.

Mevr. van Italië-van Embden zeide:

„Uit de geheele wereld geeft de pers met een ijver, een betere

zaak waardig, alle mogelijke berichten over moord, doodslag, aanranding,

berooving, enz. In deze tijden van overprikkeldheid, van

het wankelen van vaste normen, van label evenwicht, gevoed door

materieele zorgen en ellende, gaat dat alles dag aan dag langs alle

oogen en onder groote, sterk sprekende courantenhoofdjes. Ik zou

een drietal voorbeelden willen geven:

In Entin — niemand weet waar het ligti — heeft een man zijn

vrouw de armen en beenen afgesneden. Dan volgen er enkele

gezellige kleine bijzonderheden. In Spanje ergens hebben jongens

een Zigeuner op het vuur geroosterd. Te Zellik — als het er

niet bijstond, zou niemand weten, dat het bij Brussel ligt — heeft

een man met een scheermes drie kinderen den hals afgesneden.

Gelukkig volgt dan de geruststellende mededeeling, dat zijn geestvermogens

normaal zijn. Mijnheer de Voorzitter! Is het noodig, om

al deze verschrikkelijkheden zoo geregeld en zoo sjeuig voor te

stellen? In bioscopen zouden dergelijke dingen voor kinderen verboden

zijn. De Minister zeide verleden jaar, dat het zoo moeilijk

was om dat alles uit de pers te weren. De ouders moeten toezicht

op hun kinderen houden; wat boeken betreft, kan dat misschien,

maar hoe moeten ze de courant uit de handen der kinderen houden?

Of moeten ze dergelijke berichten, die de kinderen niet mogen lezen,

met blauw omlijsten? We weten allen wel, dat dat den drang en

de nieuwsgierigheid der kinderen, om het fijne van de zaak te

weten, zou vergrooten. Moet hier de Minister ingrijpen? Of heeft

de pers in zich zelf de kracht om het te doen? Thans gaat ze voort,

ondanks de vermanende woorden van het bestuur van den Journalistenkring,

waarvoor we niet dankbaar genoeg kunnen zijn, dat.

ze zijn geuit

Ook De Gids, dat eerwaardige tijdschrift, zegt dat wat hier

gebeurt een schande is voor het rechtschapen journalisme. Terwijl

de Haagsche Post constateert: Couranten zorgen voor de verspreiding

van gevaarlijke bacillen. In andere landen staat straf op

ophitsende berichten, die naar oorlog drijven. Dat schijnt hier

gelukkig niet noodzakelijk, maar is het dan wel noodzakelijk, dat

hier berichten als ik noemde, worden gepubliceerd, die in overprikkelde

tijden naar verruwing en onevenwichtigheid kunnen heendrijven?

Zou de Minister niet nog eens een ernstige vermaning in

het openbaar willen richten tot de persorganen? Want het doel

is toch de verruwing van de jeugd tegen te gaan, waar mogelijk

en op alle manieren. Waar de moeilijke levensomstandigheden niet

te ontgaan zijn en moeten doorgemaakt worden, die de verruwing

reeds in de hand werken, daar moeten wij met de middelen, die

ons ten dienste staan, zorgen dat althans het geestelijk gebied zoo

rein mogelijk blijft."

De Minister van Justitie heeft hierop als volgt geantwoord:

„Over de sensatieberichten in de pers heeft mevrouw van Itallie

wederom gesproken en gevraagd, of ik niet een ernstige vermaning

kon geven. Uit de stukken blijkt duidelijk, hoe ik over dergelijke

sensatieberichten denk, maar het gaat er om, of men ten slotte

met een wettelijken maatregel kan komen, en dan spreekt het vanzelf,

dat een voorziening, waardoor de journalistiek zou geregeld worden

met betrekking tot de wijze van berichtgeving, wel iets is, waarvan

men, ook al zou het aanlokken om de reden, die de heer Wijnkoop

vrmoedde, de bezwaren wel zeer moet gevoelen. Ik sluit mij echter

volkomen en gaarne aan bij alles, wat de geachte afgevaardigde

heeft gezegd en ook de heer van der Heide, zij het min of meer

terloops, mede ook met betrekking tot een pers, waarvan men

eigenlijk beter mocht verwachten."

Het zal geen enkel journalist schaden, integendeel,

wanneer hij met de strekking van het bovenstaande

zijn voordeel doet.

flOPP!?^

Kost meer ingekocht.

Uit een dezer dagen bij de bladen ontvangen cir­

culaire:

„U zult huilen, omdat U ons tien jaren lang verkeerd beoordeeld

heeft en omdat U niet wist, dat wij zulke goede, origineele, keurig

getypte courantenkopij leveren? Natuurlijk, het is om te huilen,

als U bedenkt, wat U in al die jaren gemist heeft, en wat Uw

lezers daardoor gemist hebben en wat Uw beurs daardoor

gemist heeft, omdat U veel meer adverteerders had kunnen trekken,

wanneer U onze kopij had gebruikt. Doch wat geeft het, om daarover

te jeremieeren? U kunt dit onmiddellijk herstellen door U

zonder verwijl op onze kopij te abonneeren! Zonden wij U verleden

week een exemplaar van ons HOOFDARTIKEL, EXTRA­

ARTIKEL en SCHETS, deze week sturen wij U ter inzage o.a.

de rubriek HUMOR, een pagina vol levenselixir, goede grappen

en wat wetenswaardigheden. Dit vel folio kost U slechts ƒ0.50.'


DE J O U R N A L I S T

ANTI-CRITIEK.

Nu de afdeeling Arnhem van de Kon. Ned. Toonkunstenaarsvereeniging,

van welke ik de eer heb voorzitter

te zijn, aan de besturen van de Maatschappij ter

bevordering der Toonkunst, den Ned. Journalistenkring

en K N T V. gevraagd heeft een ernstig onderzoek

in te stellen naar de juistheid van dr. van Anrooy s betoog,

is het misschien overbodig een wederwoord te laten

hooren naar aanleiding van het artikel: Anti-critiek m

ons orgaan van 22 Nov. j.1. Wij mogen verwachten dat

inderdaad een grondig onderzoek zal worden gedaan

en dat onze geachte redacteur Hans daarna allicht zijn

oordeel over het gebeurde zal herzien. Toch zou ik

gaarne in afwachting van het resultaat willen vragen.

Wat bedoelt onze geachte collega met de opmerkingdr.

van Anrooy heeft gelegenheid genoeg gehad zich

zelf op andere wijze te verdedigen? Welke weg staat

den kunstenaar open, om zich tegen een in zijn oogen

onrechtvaardige, oneerlijke of onwaardige dagblad critiek

te vrijwaren? En waar heeft de „gelegenheid genoeg"

uit bestaan, die dr. van Anrooy zou hebben gehad

om zich op andere wijze te verdedigen?

Ten tweede teeken ik protest aan tegen de voorstelling,

als zou dr van Anrooy door zijn „pathetische optreden,

zich als een martelaar hebben aangesteld Deze

voorstelling is, gezien de beteekenis van dr. van Anrooy

als Nederlandsen kunstenaar, onwaardig.

Noq teeken ik protest aan tegen de uitdrukking: het

varkentje nogmaals te wasschen. Met ,-Schweinerei

houdt het optreden van dr. van Anrooy geen enkel verband

en het is voor onze Kunst en voor onze Pers van

het allergrootste belang, dat ook in De Journalist met

den noodigen eerbied te beschouwen

Dr van Anrooy heeft drie ernstige beschuldigen geuit:

l'. van vooringenomenheid: „de betrokken criticus is

voor de zooveelste maal van dirigent veranderd en stelt

nu in zijn critieken dr. van Anrooy ten achter bij den

door den criticus bevoorrechten dirigent. (Vad.J.

2 „van een giftige en grof-persoonlijke wijze van entiseeren,

dat het de grens van critiek verre overschrijdt .

(Avondpost). ,, . . , ,. ,

3 van onnoozelheid: de betrokken criticus heeft beweerd

„dat dr. v. A. niets begrijpt van de schoonheid

van Mozart." (Residentiebode).

Een onderzoek naar de juistheid van zijn beschuldiging

kan niet anders dan vrucht dragen. Vooringenomen,

giftige, grof-persoonlijke en onnoozele critici vormen

een misstand in de Ned. Dagbladpers. Bhjkt het

juist wat dr. van Anrooy beweert, dan zal men maatregelen

moeten treffen om de Ned. Kunst en de Ned

Pers van dergelijke onwaardige critici te bevrijden, blijkt

het onjuist, dan wordt dr. van Anrooy hierdoor aan de

algemeene verachting prijs gegeven. Maar pas na een

grondig onderzoek zal men een weloverwogen oordeel

kunnen vellen. , ,

Met de manier waarop hij anticritiek heeft geoefend,

staat de juistheid of onjuistheid van het betoog van dr.

van Anrooy in geen enkel verband. Zelfs al is deze, zooals

collega Hans meent, een kapitale fout. Of er „hier

werkelijk van een volstrekt onpersoonlijke en zakelijke

oordeelsverschillen bij de betrokken resencenten sprake

is" zal het onderzoek naar ik hoop, volkomen bevestigen.

Voor buitenstaanders is het tot nu toe niet gebleken.

LOUIS COUTURIER.

Dat een journalist het optreden van dr. van Anrooy niet veroordeelt,'

is ons ten eenenmale een raadsel. Geheel afgezien nog van

de vraag, of er zakelijke motieven bestonden voor zijn opvatting,

•waren de plaats waar en de wijze waarop de dirigent zijn rede

hield, ten eenenmale onverdedigbaar. Gelukkig is dit in tal van

bladen van allerlei richting erkend, in zoo scherpe bewoordingen,

dat de heer van Anrooy daaruit een voortreffelijk lesje zal kunnen

putten. Hij had in de pers zelf alle gelegenheid tot verdediging:

dit was re voren uitdrukkelijk gebleken, omdat hem en zijn aanhangers

de gelegenheid tot verdediging openlijk was aangeboden.

De heer Couturier blijkt dit niet te weten. Doch de heer van Anrooy

fling die gelegenheid voorbij en wilde liever een goedkoop (lachj-

153

succes, daarbij tevens op het gevoel van het publiek werkend.

De heer van Anrooy had zich dus tot de betrokken bladen moeten

wenden. Nu speculeerde hij op de gevoelens van een hem welgezind

abonnements-publiek, waarvan velen natuurlijk de bedoelde

critieken niet eens hadden gelezen, maar toch „hoera riepen. Deze

onwaardige bestrijding van journalisten verdient scherpe afkeuring

en het spijt ons te moeten zeggen, dat wij in bovenstaand stuk

geen spoor vinden van die collegialiteit en solidariteit, welke ook

wij onderling zoo hoog noodig hebben. _

Niet, natuurlijk, om alles te verheerlijken of goed te vinden, wat

wij schrijven. Maar om althans gezamenlijk en eensgezind te protesteeren,

wanneer er tegen journalisten op o' 33 ^. w 'J ze , m

het publiek wordt opgetreden. Dit is hier geschied. Wij hebben

tal van overtuigde aanhangers van dr. van Anrooy gesproken

— en daaronder vooraanstaande Hagenaars — die zijn optreden

in hooge mate betreuren. Tenslotte kunnen wij hier nog aan

toevoegen, dat éen der betrokken critici, en wel ons medelid de

Groot, die het scherpst-persoonlijk door dr. van Anrooy is aangevallen

een Open Brief tot hem heeft gericht met het verzoek

zijn beschuldigingen waar te maken. En de hoofdredacteur van het

betrokken blad is bereid, den heer van Anrooy onbeperkte ruimte

af te staan voor een antwoord. Maar de dirigent laat mets van

zich hooren. Dit teekent. — Redactie.

TH. L HARLAAR.

In verband met het 40-jarig jubileum als journalist

van den heer Th. L. Harlaar, redacteur financiën van

Het Vaderland en De Nieuwe Courant, hadden zich

op 17 December in één der redactielokalen van het gebouw

aan de Parkstraat velen vereenigd, om dezen bekwamen

en ijverigen werker een hartelijke hulde te

brengen. ,,

Toen de jubilaris, met zijn familie per auto afgehaald

door den heer A. J. Bothenius Brouwer, oud-hoofdredacteur

van De Nieuwe Courant werd binnengeleid,

vond hij een grooten kring van collega's en andere belangstellenden

op zich wachten, waaruit allereerst de

heer C. M. Schilt, algemeen waarn. hoofdredacteur van

Het Vaderland naar voren trad, om in een in gemoedelij

ken toon gehouden toespraak de verdiensten van den

jubilaris in het licht te stellen. Spreker bracht de werkzaamheid

van den jubilaris in herinnering, eerst als redacteur

financiën aan De Telegraaf, vervolgens aan De

Nieuwe Courant en later ook aan Het Vaderland. Ue

zult, aldus de heer Schilt, de herinneringen uit uw veertigjarige

loopbaan voor den geest halende, kunnen getuigen

van vele veranderingen in het dagbladbedrijf en

als ik het wel heb, stond uw intrede bij De Telegraaf

met een dier wijzigingen in verband, n.1. met het opnemen

der Nieuw Yorksche beursnoteeringen in het ochtendblad.

De heer Schilt roemde uit naam van de leiding

der bladen de groote nauwgezetheid van den jubilaris,

bracht hulde aan diens voorbeeldeloozen ijver — aanstippende,

hoe de heer Harlaar behalve zijn werkzaamheden

voor het avondblad geregeld eiken avond zijn

rubriek voor 't ochtendblad verzorgt —, roemde zijn zin

voor humor, die den geboren Amsterdammer verried, en

richtte ten slotte vriendelijke woorden tot mevrouw Harlaar,

die door heur goede zorgen haar echtgenoot steeds

in zijn maatschappelijke positie heeft gesteund. Met den

wensch, dat de heer Harlaar nog vele jaren als aangenaam

collega, als goed vriend en bekwame kracht voor

de bladen behouden mocht blijven, bood spr. namens

het comité, dat zich met het oog op dit jubileum had gevormd,

den heer Harlaar een lederen fauteuil aan en

een mooie sigaren doos. Gij hebt het thuis altijd zoo goed

kunnen vinden en ondanks uw drukken arbeid toch immers

een belangrijk deel van uw leven in de huiselijke

sfeer doorgebracht, zoodat wij gemeend hebben, met ons

geschenk ons bij die sfeer te moeten aanpassen, zoo

zeide de heer Schilt, die ten slotte nog mededeelde, dat

het overschot van hetgeen zijn vrienden zoo van harte

gaarne hadden bijeengebracht, den jubilaris onder enveloppe

zou worden aangeboden.

Daarna voerde het woord de heer D. Hans, voorzitter

van den Nederlandschen Journalistenkring, die de gelukwenschen

van die vereeniging overbracht, erop wijzende,

dat de heer Harlaar door zijn wijze van werken

het journalistieke beroep eer aandoet. Spr. deed zijn gelukwensch

van een bloemstuk vergezeld gaan.


154 DE J O U R N A L I S T

De heer A. J. Bothenius Brouwer, oud-hoofdredac- ,

teur van De Nieuwe Courant, merkte op, dat de heer

Harlaar nog een voorbeeld is van jeugd, kracht en opgewektheid

en dit wel te danken heeft aan zijn journalistiek

werk, dat den geest altijd frisch houdt.

De heer G. Polak Daniels voerde, bij verhindering

van den voorzitter, het woord namens de Haagsche

Journalisten-Vereeniging, die in den heer Harlaar een

goed vereenigingsman ziet. Ook de H. J. V. had bloemen

gezonden.

De heer P. A. Haaxman wees op de belangrijkheid

van het financieele en journalistieke werk van den

jubilaris.

De heer P. A, Wansink bracht daarop de bewondering

en hartelijke gevoelens van de nachtredactie over

voor dezen trouwen collega, waarna ten slotte de heer

Bernard Canter hartelijke woorden sprak als ,,betalend

abonné van Het Vaderland.

De jubilaris heeft ten slotte voor het huldebetoon

bedankt. Het was een mooie middag voor hem.

JOURNALISTIEK EN ASTROLOGIE.

Met bewegelijke, immers steeds klimmende belangstelling

heb ik het interessante artikel van mijn ouden

vriend Tinbergen gelezen.

Jammer dat hij ons niet verder voorgaat in de leer!

Is het al niet erg genoeg wanheer iemand, zonder het te

weten, onder een bepaald gesternte geboren is, waardoor

het van te voren uitgesloten moet worden geacht

dat hij ooit in het leven slagen zal, welke kwaliteiten

hij overigens mocht bezitten? Met de — ons in het artikel

onthouden — wetenschap zou men zich kunnen

wapenen, teneinde eventueel toekomstige kinderen te

juister tijd het levenslicht te doen aanschouwen.

Intusschen wordt wellicht door het tekort aan astro~

logische kennis aan velen onzer uitzicht op schrijnend

leed bespaard. Men stelle zich het afgrijzen voor van

iemand, die ontdekt dat hij volgens de astrologische

typen-karakteristiek behoort tot dezelfde categorie als

de publieke vrouwen in Duitschland, over wie Tinbergen

schreef.

Welk een benauwend vooruitzicht!

Of zou hem tot troost kunnen strekken wat een

andere astroloog mij vertelde: dat een verschil van niet

eenige dagen, doch van enkele uren reeds in de data

der geboorten oorzaak van een gansch ander type kan

zijn?

C DE ROT.

Buitenland.

EEN VIERTALIGE KRANT.

De N. R. Ct. schrijft:

Wij hebben kennis gemaakt met een krant, waarvan

men op 't eerste gezicht niet zou zeggen, dat ze in een

gebied verschijnt waar de Nederlandsche driekleur wappert,

al is in het opschrift dan ook de naam van een

onzer eilanden in de West verwerkt. Het is de Aruba

Grafico, die in vier talen verschijnt: Spaansch, Engelsch,

Arubaansch Papiementsch (voor zoover wij dit hebben

kunnen vaststellen) en Nederlandsch. Inderdaad

in deze verwonderlijke, voor ons nationaal gevoel onpleizierige,

maar vermoedelijk met de realiteit der dingen

ginds wel overeenstemmende, volgorde.

Walter Oberbach te Oranjestad is de „redactor responsable",

Het hoofdartikel is een in 't Engelsch gesteld

interview met den gezagvoerder van een olietanker

over Buenos Aires en de kwade kansen voor emigranten

naar Zuid-Amerika. De heele voorpagina is verder,

op 't hoofd der courant na, in 't Engelsch, vermoedelijk

ten behoeve van het personeel der op Aruba werkende

Amerikaansche petroleummaatschappij. De binnenpagina's

zijn in 't Spaansch en in de volkstaal geredigeerd,

met veel ingezonden stukken, boven één waarvan

wij tot onze verbazing 't opschrift lezen: „Welkom in

ons midden", om vervolgens te ontdekken dat het artikel

zelf, door Un Aubanio geteekend, geen woord Nederlandsch

bevat. Op de achterpagina vinden wij pas een

stuk in onze taal. Argus bepleit daar handhaving van

de wet, die toepassing van het metrieke stelsel in den

handel voorschrijft, een wet, die volgens hem „mir

nichts dir nichts" (deze uitdrukking uit een vijfde taal

is vermoedelijk geïnspireerd door den Duitschen naam

van den redacteur) overtreden wordt.

Na de Arubaansche Courant schijnt de Aruba Grafico

sedert langen tijd weder het eerste nieuwsblad op het

Westelijkste der Benedenwindsche eilanden te zijn en

de verschijning van het nieuwe blad blijkt dan ook

levendige voldoening te geven. Vermelden wij nog dat

het in bescheiden formaat verschijnende blad geïllustreerd

is en dat de advertenties in 't Engelsch en

't Spaansch zijn gesteld.

SPAANSCH 30URNAÜSME.

In Ernest Hemingway's Death in the Afternoon

(Cape) kwamen wij enkele passages tegen, die wij

even naar voren willen brengen. In een lijvig boekdeel

beschrijft hij al wat met stierengevechten samenhangt.

Voor ons zijn meer in het bijzonder van belang de bladzijden

gewijd aan de Spaansche pers.

Een der ergste euvels der stierengevechten is de omkoopbaarheid

der recensenten, die met hun kritieken

een stierenvechter kunnen maken of breken. Daar zij

op den zak van groote „torero's" leven, prijzen zij juist

alleen die kampioenen, die het diepst in hun beurs

tasten. In Madrid kunnen zij in de Madridsche bladen

niet zoo ver gaan als wanneer zij in die bladen stierengevechten

in de provincie verslaan. Zij kunnen echter

fouten verdoezelen, bepaalde handelingen verheerlijken.

Voor elk stierengevecht krijgen de critici bezoek van

zijn helper, den man die de zwaardetui's draagt. Deze

deelt bij hen geschenken in „couvert" uit met een inhoud

van 100 tot 200 peseta's of meer met als „bijlage"

het visitekaartje van den betrokken matador al naar

gelang de belangrijkheid van het betrokken blad of den

naam van den betrokken recensent. Zelfs de eerlijkste

en beste critici zien er geen been in om deze giften re

accepteeren. Zij verplichten zich door die acceptatie

niet tot een verdraaide kritiek door grove fouten te verzwijgen,

maar het is duidelijk dat zij geen onbevooroordeelden

kijk op het gevecht kunnen hebben.

Het zijn wel frissche toestanden, die daar heersenen!

E. L.

DAGBLAD-VERBOD IN DUITSCHLAND.

De Vossische Zeitung publiceerde dezer dagen (naar

wij in de N. R. Ct. lazen) een interessante statistiek aangaande

het verbod van dagbladen onder de rijkskanseliers

Brüning en Von Papen. Van 28 Maart 1931 tot

31 Juni 1932, dit is toen Brüning aan het bewind was,

werd in 280 gevallen overgegaan tot verbod van dagbladen

en van 14 Juni tot 10 September 1932, ten tijde

van von Papen, in 95 gevallen. Brüning verbood in 168

gevallen bladen van rechts en in 116 gevallen bladen

van links. Von Papen verbood in 24 gevallen bladen van

rechts en in 70 gevallen bladen van links, waarbij nog

het verbod van de Kölnische Volkszeitung komt. De nationaal-socialistische

Angriff werd onder Brüning 11 en

onder von Papen 3 maal verboden. Dit blad is het

voornaamste slachtoffer van de persverordening geweest.

De communistische Rothe Fahne werd in het geheel 9

maal verboden, 6 maal onder Brüning en 3 maal onder

von Papen.

Tot zoover het bericht in de Vossische. Het spreekt

vanzelf, dat wij hier de politieke beteekenis van dergelijke

maatregelen en van de betrokken bladen geheel

buiten beschouwing laten, maar de cijfers bewijzen overtuigend,

waar men heen gaat en terecht komt, wanneer

men eenmaal met de toepassing van dit middel begint.

Dan wordt het bijna een dagelijksche maatregel.


MUZIEKCRITIEK.

Dit onze Bladen.

In De Kunst treffen wij het volgend hoofdartikel aan:

„Dat de wereld eenigszins op haar kop staat, bewijst nu wel

weer het onderzoek, dat de Haagsche afdeeling der Nederlandsche

Toonkunstenaars-Vereeniging gaat instellen in zake muziekkritiek.

Wij herinneren ons dat, ongeveer een kwarteeuw geleden,

eenige bestuursleden van „Arti et Amicitiae" een dergelijk onderzoek

dingen instellen in zake de kritiek op schilderkunstwerken; een

onderzoek, dat evenwel bij de schilders zelf grooten tegenstand

ontmoette en dat van die zijde zelfs zooveel kritiek uitlokte, dat

er van een „resultaat" niets terechtkwam. Wij vermoeden dan ook

dat óók de Haagsche toonkunstenaren in hun eigen kring tegenstand

zullen ondervinden en dat ook van deze kritiek-rondvraag

het resultaat nihil zal zijn.

Het kan nauwelijks anders. Eén der vragen die zij stellen luid.:

of de muziekkritiek in bevoegde handen is en of komponisten geschikt

zijn om als muziek-criticus op te treden. De „geschiedenis

met dr. Van Anrooy, die eenige Haagsche critici kapittelde, vormt

natuurlijk de aanleiding tot deze „enquête". Doch wie heeft de

bevoegdheid om op deze vragen te antwoorden? Wie van deze

toonkunstenaren is bevoegd de muziekkritiek te beoordeelen? Muziekkritiek

is heel wat anders dan een viool-concert of een symphony

En „schrijven" is heel wat anders dan „spelen ! Over het

„ccrdeel" blijft natuurlijk altijd verschil van meening bestaan, zoo

goed als er verschil van waardeering is voor het muziekwerk zeit.

Een muziekcriticus die „modern" van aanleg is — neem aan: en

uitermate bevoegd, — zal de moderne en de ultra-moderne komponisten

natuurlijk sterk voorstaan en hun werk prijzen. Zijn kollega

evenwel die voor „modern" niets voelt, zal zich natuurlijk daardoor

laten leiden. Althans een verschil in „kritiek" der beide critici

zal niet kunnen uitblijven. Wie zal nu beoordeelen wie van hen

heiden gelijk heeft? Wie is daartoe bevoegd? Ten hoogste zal de

tijd, de geschiedenis, het — later — kunnen uitmaken

De Haagsche heeren willen een muziek-criticus, naar het schijnt,

ook laten „opleiden". Moet hij dan van huis uit vak-musicus zijn/

Of moet hij „muziek-dilettant", gewezen vak-musicus, journahstvan-professie

met muzikale kwaliteiten, of iets anders wezen? Wie

zal dat uitmaken? De meerderheid — of de minderheid der musici.

Een der beroemdste" Nederlandsche muziek-critici van de laatste

veertig jaar was wijlen Berckenhoff, die als criticus even „beroemd

en even gewaardeerd werd — en oprecht gewaardeerd — in tooneelkringen

en in de schilderswereld. Berckenhoff was geen vakmusicus,

geen komponist, maar een journalist, wiens „fort was: de

Amsterdamsche gemeente-politiek, maar wiens fijne kunstkritieken

op elk qebied der kunst nog steeds niet zijn overtroffen, gouden

de musici zoo iemand — Berckenhoff had geen „opleiding gehad

— als niet-bevoegd willen uitsluiten?

De muziek-criticus schrijft voor het publiek, — niet voor dien

éénen musicus, wiens prestaties hij beoordeelt. Zelfs als hij een

orkest of een heel opera-gezelschap kritiseert, schrijft hij nog voor

de lezers van zijn blad. Alleen deze zijn bevoegd te oordeelen

of de criticus bevoegd is. En hóe men over hem denkt bemerkt

deze — en bemerken zijn chefs: hoofdredactie en directie van het

blad — gauw genoeg. Onbevoegden worden niet gelezen.


156 DE J O U R N A L I S T

Mr. J. ]. VAN BOLHUIS.

Allerlei Berichten.

Op 1 Februari a.s. zal onze collega mr. }. J. van Bolhuis,

voorzitter van de Haagsche Journalisten-Vereeniging,

25 jaar in de journalistiek zijn. Hij is gedurende

al dien tijd parlementair redacteur en tooneelcriticus van

de N. R. Ct. geweest en is bijna 20 jaar voorzitter der

plaatselijke vereeniging. In ons volgend nummer komen

wij op dit jubileum van onzen voortreffelijken collega

terug. Thans alleen de mededeeling, dat zich een Huldigings-comité

heeft gevormd, waarin, naast vele anderen,

ook de voorzitters van de beide Kamers der Staten-

Generaal hebben plaats genomen.

Een verzoek aan allen.

Tegen het einde van het jaar verschijnen bij vele

dagbladen en andere periodieken „bijzondere" uitgaven

als St. Nicolaas-, Kerst- en Nieuwjaarsnummers.

Het Nederlandsch Persmuseum zal gaarne van al dergelijke

uitgaven — ook in Oost- en West-Indië! — een

exemplaar ontvangen en het bestuur vraagt daartoe

aller medewerking. Het verzoekt toezending van dergelijke

nummers (eventueel ook van nieuwe uitgaven

e.d.) aan: het Nederlandsch Persmuseum, N. Z. Kolk

28, Amsterdam-C.

— In Amsterdam is het eerste nummer verschenen

van Het Liberale Weekblad, orgaan van de Liberale

Staatspartij aldaar. D. Kouwenaar heeft de hoofdredactie.

— Collega D. Hans is benoemd tot lid van het

Historisch Genootschap te Utrecht.

In De Laatste Kolom.

DE PERS EN

DE BOTERLETTERS.

De Amsterdamsche redacteur van de N. R. Ct.

schrijft in zijn rubriek:

„Als deze Amsterdamsche Week verschijnt zal de behandeling

van de begrooting voor 193 in den gemeenteraad tot een einde

gebracht zijn; in vier tijd! Het is een record voor de hoofdstad;

een record in kortheid. Maar er is tijdens de behandeling door

raadsleden individueel dan ook heel wat gesputterd over de rantsoeneering

van spreektijd waartoe het Senioren-convent besloten

had. Over vele zaken heeft men moeten spreken in telegramstijl!

Op Sinterklaasdag (6 December) heeft de Pers zijn jaarlijksch

festijn gehad. Het is de laatste jaren gebruikelijk, dat wij dan bij

de thee, die in de perskamer wordt geschonken door een der zwarten-witte

stadhuiskatjes van de gemeentelijke lunchroom, letterbanket

krijgen, aangeboden door den wethouder voor de levensmiddelen.

Geregeld gaat er elk jaar eene kleine herinnering op

rijm, gedicht door den vroolijksten en diksten raadsverslaggever,

naar zijn plaats achter de tafel van B. en W., waarop steeds een

„officieel" antwoord wordt ontvangen; een enkele maal slechts,

als de hoofden er niet naar staan, van afwijzenden aard. Het is

een soort van recht van de pers geworden, zooals eenmaal het

trommelen op de Beurs voor de Amsterdamsche jeugd; een gewoonterecht.

Dit jaar luidde de poëtische „aanmaning" aan den wethouder

voor de levensmiddelen aldus:

Zeg, groote levensmiddelen — heer,

Wij zijn er weer

Als Sinterklaas komt in het land

Zijn w'op banketletters gebrand!

En Mr. Kropman is de man,

Die z'ons dit jaar verschaffen kan!

Hou' niet de centen in den zak,

Als vorig jaar.. . . Polak!

En wethouder Kropman antwoordde prompt, eveneens — naar

men hieronder gelieve aan te treffen — in dichtmaat:

In antwoord op uw schrijven.

Heb ik, na veel zessen en vijven.

Besloten dat, ter eer van den heiligen man,

Vandaag de thee vergezeld zijn kan.

Van versch en zoet gebak;

Opdat met grooter gemak,

De pers in deze dagen.

Haar zware taak kan dragen.

Het dankwoord namens de pers luidde:

Dank, heer Kropman,

't Smaakte fijn.

Tot het volgende festijn!

Het is een bewijs van den gemoedelijken toon, die er te Amsterdam

is tusschen Gemeentebestuurders en Pers, en die misschien

wel karakteristiek is voor héél onze stad en hare bevolking."

Verschenen:

Advertenties.

~ JOURNALISTIEK

DOOR

D. HANS.

De Maasbode: „Dat D. Hans bevoegd is over journalistiek te

oordeelen, bewijst deze bondige, boeiende verhandeling. Wij begrijpen

dat deze bijna fanatieke ras-journalist in zijn als een roeping

aangevoeld geliefd vak over het onderwerp nog veel meer te zeggen

had, maar zelfs binnen het hem gestelde kader heeft hij de interessante,

uitgebreide stof meesterlijk overzien en beheerscht. Wie

niet den tijd, noch lust heeft om college te loopen, vindt in het

boek van Hans een meest vlotten en leerzamen cursus in de journalistiek

't Moet dan ook een all-round-journalist zijn, die

volkomen bevoegd is om zoo bondig en toch zoo compleet een

verhandeling over de journalistiek te schrijven, als D. Hans 't ook

in dit kostelijk boekje deed Met de groote liefde van den echten

ras-journalist heeft Hans dit boekje samengesteld en geschreven.

Het is wel het meest volledige en actueele geschrift, dat op dit gebied

verschenen is. Het mag geprezen worden als een sieraad en

model voor de Handelswetenschappelijk bibliotheek."

Rotterdamsch Nieuwsblad! „Een voortreffelijk boekje. Een vlotgeschreven

en nagenoeg volledig overzicht, zooals er in onze taal

en voor dezen tijd nog geen bestond."

Mededeelingen Dagbladpers: „Het is ons een genoegen, hierop

de aandacht te vestigen. Wij kunnen onzen collega's met warmte

aanbevelen, dit zeer lezenswaardige werkje ter hand te nemen."

Nieuwe Rott. Crt.: „Een levendig geschreven werkje over journalistiek

Een geschrift, dat de Fransche vakbroeder misschien

zou doopen: „Notre métier, vu a travers un temperament".

Handelsblad: „De heer Hans heeft goed gedocumenteerd de taak

van de courant en van hen, die haar geestelijke vormers zijn, beschreven.

Ook nièt-journalisten zullen er tal van wetenswaardigheden

in vinden. Het is vooral de getuigenis van een enthousiast vakman,

die de journalistiek wil zien niet als beroep, maar als roeping."

Prijs/ 1.40.

Uitgave Handelswetenschappelijke Bibliotheek, Leiden,

(Johan de Wittstraat 1). Verkrijgbaar bij de uitgevers

en bij den boekhandel.

Dankbetuiging.

Aan de collega's, die mij van 1 tot 3 December

hun genegenheid en hun waardeering op zoo

hartelijke wijze toonden, mijn oprechten dank. Zij

hebben mij een stralende herinnering voor mijn

verder leven geschonken.

HENRI DEKKING.

More magazines by this user
Similar magazines