een mors huis - Stichting Papua Erfgoed

papuaerfgoed.org

een mors huis - Stichting Papua Erfgoed

EEN MORS HUIS


Joop van den Berg

Een mors huis

Veihakn ovet Nmiw-Guinea

II I I li I \ I Hl | C O N S E R V E


CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK ÜEN HAAG

BCVQ; Joop van den

Een mors huis verhalen over Nieuw-Gumea /

Joop van den Berg - Schoorl Conserve

ISBN 90-71380-84-X

UDC 82-31 NUGI 300

Trefw verhalen oorspronkelijk

© 1991 Joop van den Berg en Uitgeverij Conserve

Niets uit deze uitgave mag u orden verveelvoudigd en/of openbaai ge

maakt door middel van druk fotokopu mtctqfilm of op welke andere

wijze ook zondei voorafgaande schriftelijke toesttnwnnQ van de uitgc

ver

No part of thts book may be nproduced in any form by print photo

print microfilm or any other means without written permission from

the publisher


Inhoud

Het grote varken

7

De witte vlag

M

Een mors huis

42

Feest in de Jachtclub

54

Mensen van vlees en bloed

76

Over vijf en twintig jaar

93


het grote varken

DE ZWARE MARS langs de smalle kuststrook had me

meer vermoeid dan ik had ingeschat, vooral de lange stukken

door het werkelijk gloeiende zand van het strand.

Daarbij had ik al vrij snel het water uit mijn veldfles opgedronken.

Maar dat was het eigenlijk niet. De avond ervoor had ik net

iets te veel gedronken en te weinig geslapen. Maar zoiets

was nu eenmaal onvermijdelijk als je vanuit de hoofdstad

op zo'n kleine Nieuwguinese buitenpost kwam. Alle mensen

van de buitenpost hadden hun verhalen kwijt gewild

aan die vreemde, die een onbevangen kijk zou hebben op de

problemen van hun kleine gemeenschap in die paar laatste

huizen van de wereld.

En een vreemde die gelukkig een biertje dronk, want dat

maakte het praten allemaal wat gemakkelijker. Een volbloed

Hollander weliswaar, maar wederom gelukkig één,

die in Indië was geboren en getogen...

Ze waren weer behoorlijk mededeelzaam geweest, tot diep

in de nacht. De blanken, de half-blanken en de bruinen.

Want ook hier, op dat bewoonde streepje evenaar, leefden

ze weer naast en vooral langs elkaar heen. Blank was nog altijd

méér dan halfblank, maar dat laatste was altijd nog een

stuk beter dan gewoon bruin.

De grote glazen lauw bier met een forse klont ijs erin hadden

me al snel doen wegzakken in een bui van lome toege-

7


EEN MORS HUIS

felijkheid. Ik had - vooral op het eind van de avond - maar

wat op goed geluk 'ja' en 'nee' geantwoord, en net gedaan of

ik die verhalen voor het eerst hoorde, en vooral benadrukt

dat het er in de hoofdstad allemaal net ze besodemieterd

toeging.

Het is maar vier uur lopen naar Parai, hadden ze gisteravond

gezegd, maar we liepen nu al meer dan vijf uur en Parai

was nog niet in zicht.

Mijn Papoea-opzichters hadden zelf geen drinkwater meegenomen.

Ze zouden het trouwens nooit laten merken als

zij dorst hadden. Ze liepen druk lachend en pratend kriskras

door elkaar heen, alsof we net vertrokken waren. Eigenlijk

keken ze voornamelijk naar de boomtoppen op zoek naar

kroonduiven.

Een beschermd dier in deze streken, maar wat was nou 'beschermd'

in deze groene 'woestenij?

Frits Sendifu, mijn eerste assistent, liep - als in een derderangs

cowboyfilm - voortdurend met de jachtbuks in de

aanslag.

Eindelijk stonden er aan het eind van de wazige strook

witgloeiend zand wat klapperbomen bij elkaar met wat

bruine daken ertussen. Parai, god-zij-geloofd!

'We zijn er zo,' zei Frits monter, 'jammer dat we geen

kroonduiven hebben kunnen schieten. Ze zeiden nog wel

dat de bossen langs het strand er barstensvol mee zouden

zitten.'

'Frits,' onderbrak ik zijn betoog, 'wil je, zodra we aankomen

wat water versieren, om te drinken en om te baden...'

'Wat nou baden!' riep hij wat verongelijkt. 'Ja in zee, want

Parai ligt aan een rivier, maar pas kilometers stroomopwaarts

wordt het water echt zoet. Ze moeten vier kilometer

8


HET GROTE VARKEN

roeien om drinkwater te kunnen halen, want er is geen bron

hier in de omgeving. Dat heb ik u gisteren toch omstandig

verteld!'

Gattegat, wat een land, geen droge draad meer aanje lijf en

niet eens zoet water om in te baden... Hoe heette dat bekende

boek over Nieuw-Guinea ook al weer? Oh ja, Nieuw

Guinea, land van ongekende mogelijkheden.

Bekende ONniogelijkheden, dacht ik wat spitsvondig.

'Nou ja, Frits, dan maar geen water om te baden, als je maar

wat drinkwater vraagt, want ik sterf van de dorst!'

Daar lag de kampong al. Nou ja, kampong, eigenlijk meer

een riviermonding met zo'n vijftien gammele huisjes op palen

boven het stinkende rivierslib uitstekend. Als 'dorpsplein'

een groot glinsterend oppervlak van roerloos grijsbruin

water, bijna zonder stroombeweging. Toch dreven

wat takjes tergend langzaam in de richting van de blauwgroene

zee aan de horizon.

Verdomd, hij stroomt, dacht ik, traag, maar toch... Wat een

triestheid! Stinkend slib, stinkende huizen en straks stinkende

mensen. Wat had ik een hemeltergende dorst...

Uit een groepje samengestroomde mensen kwam er één

met vaste tred onze kant uit. Een kleine man met een enorme

snor. Het dorpshoofd, begreep ik, want hij had zijn

officiële tenue aangetrokken, de pet met de gouden j vanJuliana

stond wat potsierlijk op zijn volle kroeshaar. Ook de

Nederlandse vlag die hij snel had laten hijsen wilde maar

niet fier •wapperen en hing roerloos in de zinderende hitte

aan de kromme bamboestok.

Hij begroette me formeel, zei dat hij wist waarvoor ik

kwam, en vroeg er meteen wat quasi-argeloos achteraan of

ik eieren wilde kopen. We zijn er weer, dacht ik, de Neder-

9


EEN MORS HUIS

landse vlag roerloos boven de gribus, een pet met een gouden

j van een dame in Soestdijk, en gelijk informeren of er

nog wat te verdienen viel...

'Luister eens, kepala van de kampong Parai,' zei ik, 'ik ben

een doodgewone orang.Je had voor mij de vlag niet hoeven

uitsteken, maar evengoed bedankt! Doe je gewone pakkie

maar weer an, en zet vooral die pet af. Je weet dus waarvoor

ik kom, cacao planten inderdaad, maar daar hebben we het

morgen wel uitgebreid over.'

Mij tot Frits wendend zei ik: 'Koop die eieren maar, maar

verziek de prijzen niet want we moeten nog drie weken

door meneer hier z'n koninkrijk trekken en anders denkt

iedereen dat we gek zijn...'

Het dorpshoofd lachte wat schaapachtig, en vroeg of ik in

de voorkamer van zijn huis wat wilde uitrusten van de lange

mars.

'Graag kepala, zéér graag, en ik zou zo graag water hebben,

gewoon drinkwater, en zo vlug mogelijk, als het even kan.'

'Ik heb al mensen weggestuurd met de prauw,' zei hij op een

wat gemaakt onderdanig toontje, 'maar ze moeten zeker

twintig minuten roeien voordat ze het brakke water voorbij

zijn. Dan moeten ze het in bamboekokers scheppen, dan

terugroeien en dan...' Hij stokte even... 'moet het natuurlijk

gekookt worden! Zo hoort het toch, meneer?'

Zijn stem was onmiskenbaar ironisch. Maar gelijk had-ie,

die schare blanken, die vóór mij Parai had aangedaan, had

omstandig betoogd dat het gevaarlijk was om ongekookt

water te drinken. Iedereen deed het hier in het binnenland,

wist ik heel zeker, maar omdat ik nu eenmaal een wit vel

had, hoorde ik voor hem bij het legioen der •waterkokers...

'Het kan me niet schelen, kepala, al doe je er een ijsblokje

10


HET GROTE VARKEN

in... Ik sterf van de dorst. Water wil deze blanke toewan,

gekookt of ongekookt!'

'Ik zal een klapper voor u laten halen, meneer.'

'Heel graag, kepala, en nogmaals, doe dat officiële pakje

maar gauw uit.'

Wat later lag ik languit op de vloer van palmnerf, want de

stoel die het dorpshoofd me had aangeboden leek me te

gammel.

'Nee, tidah oesah - niet nodig -' had ik gezegd en er meteen

achteraan gedacht: mij niet gezien, als ik er door heen ga,

moet ik die kelérestoel ook nog vergoeden. Néé, ik ken m'n

Papoea-heimers.

Achter de reten in de muur om mij heen verschenen nu

steeds meer glinsterende zwarte kinderogen... Jawel hoor,

Papoea's kijken weer in opperste verwondering naar een

blanke man, die niet eens vijf uur achter elkaar kan lopen. Ik

ben in hun ogen een enorme zak tabak, dacht ik wat grimmig,

en ze hebben nog gelijk ook.

Ik spuugde het laatste restje speeksel dat ik nog in mijn

mond had door de reten van de vloer in de blubberige modder

onder het huis.

Er ging een gemompel op. Ze zeiden natuurlijk: 'Hé, blanke

man spuugt net als wij. Het is net een mens, al heeft ie dan

zo'n raar wit vel, en van dat gladde witte haar...'

'Wat zou deze hier nu weer hier komen doen?' las ik overduidelijk

in die tientallen ogen.

Ja, wat kwam ik hier ook eigenlijk doen? Ze vertellen dat ze

toch vooral op de paar stukken land van hen, die géén moeras

waren, maar cacao moesten planten. In verband met de

vooruitgang! Als ik mijn winkeltje goed runde dan zouden

over vier of vijf jaar in deze moddergribus wat minder kin-

II


EEN MORS HUIS

deren sterven aan malaria en ondervoeding. Het ging allemaal

om een betere infra-structuur. Zo simpel lag dat zeiden

de deskundigen in de hoofdstad, en ik was er voor om

de boodschap door te geven.

Hoe was het in godsnaam mogelijk dat ze hier bleven wonen?

Die trage nauwelijks stromende rivier, die eindeloos

lange strook vloedbossen, dat rotroeien om aan wat zoet

water te komen. God nog an toe, waar bleef de kepala nu

met zijn klapper?

Ik kuchte wat nadrukkelijk en opnieuw volgde omstandig

commentaar. Even de oude truc proberen, dacht ik, ik liet

een harde boer en riep er meteen achteraan: 'Hé, takkelijers,

hoe is het hiero in Parai, dit luizenest op de evenaar?' Er

ging een daverend gelach op.

Goed gebruld leeuw, nu weten ze tenminste dat deze blanke

man een beetje geschift is. Dat mag ook wel een keertje.

Want geloof maar dat die voorgangers van mij behoorlijk

met hun lot begaan waren geweest.

Maar wat kon je als westerling, in gemoede, over hun leven

zeggen? Ze kenden alleen maar de rivier, de moerassen, de

sago, de varkens en de perkara's - de twisten. En de liefde

natuurlijk, maar zelfs dat leverde weinig anders op dan wat

schurftige kindertjes met opgezette buikjes en etterende

oogjes. Toch moesten ze doorleven, vonden wij in de

hoofdstad, er kon immers een Einstein tussen zitten. Maar

voorlopig moesten deze kinderen, zo klein als ze waren,

zelfde slijkspringertjes - half vis half reptiel - bij laag water

met bamboespiesjes vangen, roosteren boven een primitief

vuurtje en opeten. Dat was, zo had de plaatselijk arts mij

gisteravond verzekerd, de énige manier voor een kind in

Parai om voldoende eiwitten binnen te krijgen om te over-

12


HET GROTE VARKEN

leven. Want echte vissers waren het niet, de mensen van Parai.

Echte landbouwers ook niet, had de machthebber van

de buitenpost er achteraan gezegd. Het was niet anders, de

wat minder intelligente kindertjes, die met hun werpspiesjes

niet genoeg slijkspringertjes vingen, gingen na verloop

van tijd wel dood aan een chronisch eiwittekort.

Survival of the fittest, het biologische gelijk van Darwin, in

Parai, Nederlands Nieuw-Guinea, 1958.

En toch bleven ze hier wonen, waren zelfs nog trots op dat

stukje harde grond stroomopwaarts. En nu zouden ze van

mij op die grond cacao moeten planten, een gewas dat ze

nog nooit gezien hadden...

Gelukkig kwam het dorpshoofd er nu aan met een klapper.

Ik dronk zo gulzig dat ik mij proestend verslikte.

Weer ging een luid gelach op. Blanke man verslikt zich, hij

drinkt te snel, riepen de kinderen van Parai in koor. Jawel,

dacht ik, maar eigenlijk heeft de blanke man gisteravond te

snel gedronken, vandaar makkers... Ik moet hier snel 'wegwezen

overlegde ik met mezelf.

Telkens komen er meer zwarte ogen achter de reten in de

muur. Straks komt het hele dorp de gekke blanke man bekijken.

Als ik een harde scheet laat, beginnen ze vast te applaudisseren!

Langzaam stond ik op en sprak tegen de muur

met kijkgaatjes: 'Sajapergi ke luar - ik ga naar buiten en iedereen

die me volgt krijgt een schop voor zijn hol. Begrepen?'

Met wankele passen liep ik naar buiten. Voor ieder huis liep

een loopbruggetje naar een vlondertje in de rivier, waar de

prauwen van elk huis lagen afgemeerd. De vlonder van het

dorpshoofd had zowaar nog een rieten dakje.

Het zou er tenminste koeler en rustiger zijn dan op de voor-

13


EEN MORS HUIS

galerij. Liggen, dacht ik onophoudelijk, liggen, en proberen

wat te slapen. Het klapperwater klotste bij iedere beweging

in mijn buik.

Nu eerst liggen, morgen zouden we wel uitleggen wat cacao

eigenlijk was. Aan de overkant van de rivier stonden

maar twee huizen. Maar meer had men op die oever toch

niet kunnen bouwen, want vrijwel meteen achter de huizen

begon weer het moerassige vloedbos.

De zon stond hoog aan de hernel, maar gelukkig begon

vanuit zee een zachte wind te waaien. Langzaam dommelde

ik in...

Ik moest wel een paar uur geslapen hebben want toen ik

wakker werd van het geronk van een zware buitenboordmotor

stond de zon een eind verder aan de hemel.

Een grote prauw kwam de rivier opvaren.

'Entje poenja perahoe,' hoorde ik roepen, - de prauw van de

Chinees -.

Zeker de boot van de Chinese handelaar die op ongeregelde

tijden Parai aandeed om de schaarse bosprodukten op te kopen.

Mijn ogen waren zwaar van de slaap en opnieuw had ik een

vreselijke dorst. Een klapper, en gauw, waar is Frits? dacht

ik.

Te versuft en te stijf om meteen op te staan, ging ik op mijn

zij liggen en keek naar de langzaam varende prauw.

Hij legde aan bij het vlondertje aan de andere oever. Een

kleine Chinees sprong snel de wal op. E ven later stond hij te

praten in de deuropening van één van de twee huizen met

een oude Papoeavrouw.

De Chinese handelaar sprak op luide toon. De stemmen

14


HET GROTE VARKEN

droegen tot over de rivier, maar waren toch niet te verstaan.

De snauwerige conversatie deed wat onwezenlijk

aan in die drukkende middaghitte, en de wervelende baaierd

van hard wit zonlicht.

Uit de boot werd een grote rotanmand naar buiten gebracht

in de vorm van een grote visfuik. Een varkenskooi, wist ik.

De Chinees wilde zeker varkens kopen of had de mensen

weer zó diep in de schulden gestoken dat hij nu als directe

betaling een varken opeiste. Wat ging het me eigenlijk aan?

Het was een oud verhaal, en ik had alleen maar dorst, een

onmogelijke dorst. Ik draaide me om in de richting van het

dorp om te kijken of ik één van mijn jongens zag.

'Ai, het grote varken,' riepen de kinderen achter mij op de

oever.

Een groepje helpers van de Chinees kwam nu aan de overkant

uit het vloedbos dat zo'n dertig meter achter de huizen

begon en dreef een enorm groot varken voor zich uit. Naar

Nederlandse begrippen misschien een normaal varken,

maar voor Nieuw-Guinea, waar de halfwilde varkens nooit

groter werden dan bij ons een hond, was het een enorm

groot beest.

Nog nooit eerder had ik hier zo'n groot varken gezien. Met

langpuntige stokken dreven de mannen het beest in de richting

van de rotan kooi. Maar het zou, dat was duidelijk, nog

een heel karwei worden om het grote logge beest in de betrekkelijk

kleine kooi te drijven. Dat bleek ook wel, want

als het varken, agressief geworden door de vele prikken

met de puntige stokken, zich plotseling met een soort snurkende

gil omdraaide en recht op de mannen afstoof, renden

ze in grote haast weg en sprongen op een grote omgekeerde

prauw die naast het huis in het zand lag.

15


EEN MORS HUIS

Het beest was zo te zien knap gevaarlijk want aan het snelle

wegvluchten van de mannen was hun angst af te lezen.

Langs de hele oever stonden nu mensen te kijken. Het zou

wel eens de hele bevolking van Parai kunnen zijn, uitgezonderd

dat handjevol mensen dat aan het vissen was, in de

groentetuintjes werkte, water haalde, ofte ziek en te ondervoed

was om op te staan...

Als het varken door de mannen tot bijna vóór de fuik was

gedreven werd het doodstil op de oever. Maar als het dier

zich plotseling hoog-gillend omkeerde en tussen de bomen

wegschoot in de richting van het vloedbos, ging er telkens

een gejuich op.

Frits kwam aangeslenterd.

'Ik zag dat u wakker was,' zei hij wat afgemeten en ging

naast mij zitten. 'Ze halen het grote varken weg, meneer!'

'Het is het grootste varken van de hele Waroppen,' vervolgde

hij, 'maar hij werd te gevaarlijk. Niemand durfde meer

aan de overkant te komen. Vorige maand heeft hij nog een

kind aangevallen. De verpleegsters in Warau hebben meer

dan twintig hechtingen moeten maken. Het lichaam was

een en al bloed.'

Groot borstelig varken is uitgekeken op zijn domein, dacht

ik.

'Hoe komt hij zo groot, Frits?'

Hij haalde zijn schouders op. 'ISTda tahoe - weet ik veel -.

Speling van de natuur, denk ik, maar de kampongbewoners

hier denken er natuurlijk heel anders over. Magie en zo, een

geluksvarken, en meer van die onzin...'

'Daar ben jij al overheen, hè Frits, dank zij de kemadjoean, de

gezegende vooruitgang die wij, Hollanders, hier in gang

hebben gebracht!'

16


HET GROTE VARKEN

Hij spitste even de lippen in een gebaar dat alles kon betekenen.

'Hij wordt moe, kijk maar meneer.'

De mannen, die het beest opjoegen, werden nu steeds sneller

afgelost en lieten het beest geen moment meer met rust.

In de open voorgalerij van het huis aan de overkant zat een

groepje mensen dicht op elkaar - kennelijk de eens zo trotse

bezitters van het grote varken. To have to have not... Maar

ook zij wisten dat de Chinees het varken te pakken zou krijgen.

Hun grote varken, jarenlang de trots van het huis,

want - zo fantaseerde ik verder - dat haveloze troepje werd

natuurlijk de bewoners van het Huis met het Grote Varken

genoemd. Het varken, jarenlang een begerenswaardige inzet

in het spel van onderhandelen over bruidsschatten, visen

jachtrechten en wat al niet, had hen een geweldige status

gegeven.

De Chinese handelaar had natuurlijk ook al jarenlang druk

op hen uitgeoefend om het varken te verkopen.

'Lekas, lekas - vlug, vlug,' riep de Chinees, 'om vijf uur is het

eb en dan kunnen we de rivier moeilijk uit!'

Het varken was even nergens te zien, waarschijnlijk had hij

zich weer verstopt in de zoom laag kreupelhout die de afscheiding

vormde tussen de harde zandgrond en het vloedbos.

Maar ze hadden hem snel gevonden en daar stoven ze weer

over de lengte van het kleine strandje achter het grote beest

aan.

Frits zat ingespannen te kijken.

'Zouden ze hem krijgen?' vroeg ik wat overbodig.

'Natuurlijk, meneer, het is een kwestie van moe maken, alleen

met zo'n groot varken kan het lang duren!'

17


EEN MORS HUIS

'Waarom hebben ze hem verpatst?'

Hij haalde de schouders op.

'Zeker weer schulden gemaakt, hè? Weer te veel spiegeltjes

en kralen gekocht van de Chinees?'

Hij schudde heftig en beslist van 'nee', en keek me wat geringschattend

aan.

Je begrijpt er weer geen sodemieter van, dacht hij vast, maar

ik zal je niet wijzer maken. Belazer je eigen soort maar,

Schoondermark!

Het had geen zin om door te vragen. Het Grote Varken van

Parai werd gewoon weggehaald. So what, wat had ik er

ook mee te maken?

Het varken stond nu met rechtopstaande nekharen tegenover

de mannen op een smal strookje harde grond dat als

een schiereiland de rivier inliep.

'Jezus,' zei ik, 'wat een sufferds, als ze de fuik nu voor hem

zetten kan hij geen kant meer op en moet er wel inlopen.'

'Nou, zo simpel is het niet! Als je een beetje verstand van

deze zaken hebt, dan weet je dat ze dat niet durven, want

straks springt het varken in zijn razernij de rivier in, en dan

verzuipt het. De andere oever haalt hij zwemmend niet,

zelfs zo'n groot varken niet!'

'Inderdaad, Frits, sorry, dat zijn zaken waar ik geen verstand

van heb, maar zou je wat voor me willen doen? Een

klapper halen, want ik heb weer zo'n verrekte dorst...'

Hij stond op en liep, zonder iets te zeggen, het steigertje af

in de richting van het huis van het dorpshoofd.

De zon scheen nog steeds fel en de springende mannen om

het woeste beest leken een wat onwezenlijk schimmenspel

tegen het strak blauwe decor van de hemel.

18


HET GROTE VARKEN

Toch werd het dier moe, zijn bewegingen werden gaandeweg

trager en waren niet meer zo flitsend als in het begin

van de jacht.

'Ah, dia soe-tjapeh - hij wordt moe -,' zei Frits die met een

klapper kwam aanlopen. Hij reikte mij de geopende vrucht

en zei: 'We doen vandaag toch niets meer, hè? Ik heb een

ruim huis versierd waar we kunnen slapen, en heb vast voor

iedereen eten laten koken. Voor iedereen...'

Ik dronk met gulzige teugen het klapperwater en antwoordde

niet.

'Voor iedereen,' herhaalde Frits.

'Ja, ik hoor je wel en begrijp je ook wel. Het is goed, Frits,

we doen allemaal samen.' Want dat was het waar hij op

doelde.

'Graag meneer, en bedankt... maar de ziekenverpleger die

wij bij ons hebben wil ook graag in de etenskongsie... Kan

dat? Kan hij zijn voorraad bij de onze doen? Of je nu voor

vier mensen kookt, of voor vijf. Dat is de moeite toch

niet...'

De kosten wèl, dacht ik, maar zei meteen: 'Goed, goed, laat

hij maar meedoen.' Het was iedere tournee hetzelfde verhaal.

De mondvoorraad die iedereen bij zich had werd

meestal bij elkaar gedaan en dan uitgesmeerd over de hele

tournee. Het betekende steevast dat ik er tientallen guldens

bij inschoot want mijn voorraad was zeker vijf keer zo

groot als de hunne, maar wat maakte het uit? Mijn salaris

was toch ook weer tien keer het hunne, nietwaar? Trouwens,

op iedere tournee was ik geheel afhankelijk van hun

goede wil en eigenlijk hun goede 'trouw'. Ik had niet te klagen,

want ze versierden toch ook veel voor mij. En dat bleef

niet bij een mooi stuk etnografica of een Tritonschelp...

19


EEN MORS HUIS

'Heeft u gisteren in Warai de dochter van de Ambonese onderwijzer

gezien, meneer?' vroeg Frits met een lichte tinteling

in zijn ogen, alsof hij mijn gedachten had geraden.

'Aaai,' riep hij, 'tjobah lihat - kijk eens - ze hebben hem nu

bijna, dat kan niet missen.'

De mannen stonden nu in een aaneengesloten kleine kring

om het varken heen, de stokken dreigend naar voren gericht.

Het varken zelf stond op nog geen twee stappen van

de fuik vandaan.

Nog even, en hij is gevangen. Weg varken, weg Huis met

het Grote Varken.

Plotseling gilde een van de mannen heel hoog en al de puntige

stokken spietsten het varken van opzij en in het achterlijf.

Met een felle grom sprong het beest naar voren, weer

wat dichterbij bij de opening van de rotanmand.

De spieren van de mannen stonden gespannen op de, met

zweet overdekte, lijven. Ze moesten de ijzeren greep op het

beest niet verliezen, en met alle macht duwden ze de punten

van de lange stokken in het varkenslijf. Het beest zette zich

met een hoge rug schrap terwijl hij met kop en schouders al

bijna in de fuik stond.

Plotseling deed het varken in alle rust twee korte stappen

vooruit en was onherroepelijk gevangen. Een grote gemeenschappelijke

zucht ontsnapte achter mij op de rivieroever.

Snel vergrendelden de mannen de ingang van de kooi met

houten pennen en rotanslingers.

'Verdomd, ze hebben hem, Frits,' zei ik, totaal overbodig.

'In Parai,' ging ik verder, 'werd op 20 augustus anno domini

1958 om zestienhonderd uur twintig een enorm groot

varken gevangen door Than Sen Thai, winkelhouder op

20


HET GROTE VARKEN

het eiland Seroei. God hebbe zijn genadige varkensziel...'

De mannen stonden nu druk gebarend rond de fuik en na

een kort commando van de Chinees staken zij de lange

stokken door het traliewerk en zeulden met zijn zessen de

kooi naar het steigertje waaraan de grote prauw lag afgemeerd.

Toen liepen ze terug naar de rand laag kreupelhout en gingen

languit liggen in de korte schaduw van de struiken. De

kooi stond nu helemaal alleen op het steigertje, een hard lijnenspel

van tralies met een grote borstelige vlek er middenin.

De Chinees liep naar het huis toe.

Ik moest maar eens opstaan, vond ik, het was nu toch afgelopen!

In het huis dat Fritsgemilikt had stonden de veldbedden

vast al klaar en misschien was er wel wat te eten.

Maar om een of andere reden kon ik maar niet opstaan. De

bijna dwingende aanwezigheid van het varken in zijn fuik

op het steigertje belette mij om op te staan.

Eerst moet hij weg zijn, dacht ik, dan kan ik pas gaan. Ik

ging weer op mijn rug liggen en keek naar de roerloze kronen

van de klapperbomen achter mij.

Plotseling hoorde ik in de verte een hoog, nasaal-klinkend

stemgeluid, heel indringend en klagend... Haast toonloos

galmde het in de middaghitte.

Wahaaaai... kaigerééééééééé... kaigeréééééé... wahaaaai...

Zo ongeveer klonk het. Toen ik me omdraaide zag ik voor

het Huis met het Grote Varken een heel oude vrouw zitten.

Haar korte kroeshaar was spierwit, het ontblote bovenlijf

leek uit louter huidplooien te bestaan.

In haar hand hield ze een van de puntige stokken waarmee

het varken door de jagers was opgedreven. Ze had de stok

over haar schouder gelegd en bewoog hem ritmisch heen en

21


EEN MORS HUIS

weer op de cadans van haar klaagzang. Kaigeréééééééé...

Kaigeréééééé...

Plotseling besefte ik dat Frits nog steeds naast me zat.

'Ze huilt, meneer,' zei hij, 'ze huilt, omdat ze het varken

hebben weggehaald. Het was haar varken. Ze heeft er natuurlijk

jarenlang voor gezorgd...'

'Ja, Frits,' viel ik hem bot in de rede, 'ze huilt omdat het grote

varken wordt weggehaald. Dat begreep ik zelf ook wel.

Maar vind je het heel erg om me even met rust te laten...'

Hij haalde verontwaardigd zijn schouders op en zei met een

wat kruiperige intonatie: 'De bedden staan klaar, kandjeng

toewan - hooggeplaatste heer - uw dienstwillige dienaar

heeft ook het eten al geregeld. Is het zo geheel naar de zin

van de hooggeplaatste meneer?'

'Ja, Frits, het spijt me dat ik zo tegen je uitviel. De hooggeplaatste

meneer is meer dan tevreden over je. Bedankt voor

alles, ik meen het. Tot straks...'

Hij liep wat nukkig weg, en terecht, dacht ik, maar ik wilde

nu alleen zijn, alleen met de klaagzang, die zo ijl en triest

leek weg te sterven tussen de modderige rivieroevers.

Zij waren de mensen van het Huis met het Grote Varken.

Geweest dus, sinds een kwartier. Het had hun huis een zekere

glans gegeven. Een geweldig groot varken, hun door

de goden in de schoot geworpen.

Het lot had ze gezegend daar op de linkeroever van de rivier

Parai, in de Waroppen, of all places...

Maar de volgende generatie zou het wel weer vergeten zijn.

Die zouden het niet meer hebben over het Huis met het

Grote Varken, die zouden gewoon spreken van het Tweede

Huis op de Linkeroever.

Jonge meisjes zouden niet meer lonken naar de jongens uit

22


HET GROTE VARKEN

het Huis... stel je toch eens voor, zo'n varken als bruidsschat...

Nu waren ze net zo bezitsloos als al die anderen in

Parai. Ze waren nu weer gewoon wat Paraische paria's met

wat prauwen, wat vistuig en wat kleine varkentjes.

'Kai-geréééééééé,' klaagde de oude vrouw nu onophoudelijk.

Hier lig ik, dacht ik, op een gammel steigertje in het hart

van Nieuw-Guinea en tegenover mij zit een oude vrouw te

huilen... néé, te wenen, om een groot varken.

Tussen ons de rivier - roerloos - daarboven een wolkenloze

lucht en ik besefte dat ik zoiets nooit meer in mijn leven zou

meemaken.

De vrouw begon steeds klagender te zingen, maar na verloop

van tijd werd het gezang vlakker, alsof de vrouw in

trance raakte en het zingen buiten haar om gebeurde.

De Chinees riep nu zijn mannen bijeen en gezamenlijk laadden

ze het varken in de grote prauw. Even later sloeg de

buitenboordmotor aan en hard tuffend voeren ze weg, de

grote open zee tegemoet.

Het zware geronk van de buitenboordmotor overstemde

nu het brekerige gezang van de oude vrouw.

Toen de boot zo ver weg was dat het motorgeronk nauwelijks

meer te horen was en alleen nog maar haar klaagzang...

Zachtjes begon ik mee te zingen, als wilde ik haar troosten.

'Wahaaaaai... kaigerééééééé... kaigerééééé.'

23


de witte vlag

DE TOURNEE in de binnenlanden had door allerlei omstandigheden

veel langer geduurd dan de bedoeling was geweest.

En het zou nog veel langer hebben geduurd, als de

lymfklierontsteking er niet tussen was gekomen.

In Tjerwasi had ik mijn been opengehaald en bij het zwemmen

voor de modderkust was er infectie bijgekomen. Een

dag later had ik hoge koorts...

Het opgezette scheenbeen klopte voortdurend en leek

loodzwaar. Tot overmaat van ramp zat het bouwvallige

huisje waar wij allen sliepen onder de wandluizen. Ik had

vergeten insektenpoeder mee te nemen. Om de wandluizen

van het lijf te houden smeerde ik mij 's avonds helemaal in

met petroleum voor de druklichtlamp.

Verder kon ik me weinig herinneren van die twee koortsdagen

in het gehucht Tjerwasi, waar zo'n tweehonderd Papoea's

op een voor ons onbegrijpelijke wijze woonden,

leefden en zich voortplantten...

De indringende stank van petroleum, felle zonlichtscheuten

door de reten van het dak en een groene legerklamboe

als een veilig huisje om me heen. Voor de rest - pijn, gloeihitte,

zweet en langzaam wegebben in grijze diepten.

Bijna buiten kennis hadden de jongens mij in de prauw gelegd

en me naar de districtshoofdplaats gevaren. Daar

kwam ik terecht in een schoon bed, in een schoon huis. Een

24


DE WITTE VLAG

blozend schone dokter kwam mij driemaal per dag een injectie

geven.

'Een wondermiddel,' had hij mij breed lachend verzekerd,

'over een week sta je weer op je benen!'

Op mijn beide benen stond ik nog niet, maar de grote diepe

tropenzweer was nu bijna dicht.

Ziek, zwak en misselijk zat ik nu in het kleine watervliegtuig

dat mij naar huis zou brengen. Nou ja, huis... die

halfsteens noodwoning op een berghelling aan de mooiste

baai van de wereld.

Toen we over de modderige kustlijn vlogen dacht ik alleen

maar: 'Straks als we over Tjerwasi vliegen kan ik misschien

daar heel diep beneden de prauw zien liggen en het posthuis.

Misschien zijn de jongens er wel, en staan ze te zwaaien...

Ze kenden de dienstregeling en via de 'oerwoudtelefoon'

wisten ze al lang dat ik in het vliegtuig zou zitten.

Frits zou de tournee wel afmaken, had hij me resoluut verzekerd.

En natuurlijk veel beter dan jij..., had hij er vast achteraan

gedacht.

Maar voor we bij Tjerwasi waren, maakte het vliegtuig een

brede bocht naar het oosten en vlogen we over open zee

naar het eiland Biak toe. Biak was, sinds de invasie van generaal

MacArthur in 1943 en het opnemen, tien jaar later,

van het vliegveld in de internationale dienstregeling van de

KLM, voor Nieuwguinese begrippen een WERELDSTAD geworden.

De plaatselijke arts verbood me om door te vliegen naar

Hollandia. De penicillinekuur, die nog twee dagen zou

moeten duren, moest ik van hem in Biak afmaken.

Hij had kennelijk weinig vertrouwen in mijn toezeggingen

25


EEN MORS HUIS

dat ik - na aankomst in Hollandia - me meteen bij de huisarts

zou melden.

'Beste man,' had hij gezegd, 'doe nou niet zo moeilijk! Je

duikt hier fijn het hotel in. "Medische indicatie". Het gouvernement

betaalt die dertig gulden per dag voor je. Je rust

lekker uit, eet een paar dagen goed en na twee dagen zien we

wel weer... Je bent vrijgezel, nietwaar? Nou, kijk eens aan,

je hebt in Hollandia natuurlijk geen verzorging. Laatje toch

lekker hier door de KLM in de watten leggen! Ik verbied je

gewoon om door te vliegen!...'

Geen verzorging, dacht ik, nee, niet zoals hij het bedoelt!

Neng, lieve Neng, geen verzorging... Jezus, als ik terug

ben, dan hijs ik voor het huis weer de witte vlag en dan ziet

ze dat ik terug ben. En, na verloop van tijd - een tijd die

meestal zo verdomd langzaam verloopt dat ik van opwinding

moeite heb met ademhalen - komt ze binnen. Een korte

klop op de achterdeur. Ze zegt nooit wat totdat ik de stilte

verbreek met de groet slatnat datang, er eigenlijk nooit aan

denkend dat die Indonesische groet letterlijk betekent 'Gezegend

zij uw komst!' Nee, Doe, een bepaald soort verzorging

heb ik wel degelijk. Maar waarom zou ik niet een paar

dagen op Biak blijven? Ik was trouwens erg moe. Daarbij,

hij had me verboden om door te vliegen!

Vooruit maar! Na vier weken bijna uitsluitend bruine Papoea's

om me heen, nu dan een paar dagen blanken, melkwitte

blanken meestal. Stewardessen die hier een nachtstop

moesten maken met vliegtuigen vol emigranten, die

het in Australië opnieuw zouden gaan proberen. Nieuwe

ambtenaren uit Holland, wat onwennig lopend op het verkeerde

uur in de blakerende hitte van het witte koraaleiland.

Ik zou twee dagen volstrekte rust nemen, en aan de

26


DE WITTE VLAG

leestafel de laatste Hollandse kranten kunnen inzien...

De dokter ging voort: 'Schoondermark, ikzelf heb het verdomd

druk. Maar ik stuur een Papoea-verpleger twee keer

per dag naar je toe. Hij heeft meer patiënten in het KLMhotel.

En voor de rest, mijn jongen, neem het er maar van.

Als het erger wordt, bel me dan even. Het beste!'

De dokter vertrok en ik zag hem niet meer terug.

Ik installeerde me op mijn hotelkamer, en stelde me in op

twee dagen volstrekte rust. Ik baadde wel vier keer per dag,

omdat ik nog steeds het idee had dat de petroleumstank van

Tjerwasi nog om me heen hing. En verder slapen, vooral

veel slapen, daarbij geholpen door ijskoude goudkleurige

whisky, die op dit tropeneiland - zonder de Hollandse

weeldebelasting - voor weinig geld te koop was...

Tweemaal per dag kwam de Papoea-verpleger - een oud

verschrompeld kereltje - met doktersallure de kamer in

stappen.

'Het been gaat uitstekend vooruit,' zei hij telkens. Die Hollanders

hadden toch maar wondermedicijnen tot hun beschikking.

Vroeger liep je met zo'n wond weken en maanden,

wist hij zich te herinneren.

'De Nederlanders,' zei ik hem eens, 'zijn door God gezonden

om met hun wonderlijke gaven de Papoea deelgenoot

te maken aan de vooruitgang en vooral de beschaving...'

Hij had mij ernstig aangekeken, en met enige klem gezegd:

'Daar hoeft u geen grapjes over te maken, want dat geloof ik

stellig!'

Na twee dagen had ik alle tijdschriften op de leestafel uitgelezen,

de verpleger omstandig bedankt voor zijn medische

zorg, en snel geboekt voor het eerstvolgende vliegtuig naar

Hollandia.

27


EEN MORS HUIS

Maar 'eerstvolgend' was on Nieuw-Guinea een rekbaar begrip.

Het vliegtuig had kennelijk uren leeg op het vliegveld

gestaan, want de temperatuur was er ondragelijk.

Het zweet gutste lang mijn lichaam. De twee dagen rust in

een airconditioned hotel begonnen genadeloos toe te slaan.

Waarom moet het hier in Biak toch altijd zo verdomde heet

zijn, dacht ik, en begon bijna mee te zweven op de golvende

thermieklagen boven de lange landingsbaan. Ik word een

beetje high van die verrekte hitte. Of was het de grote

bloedzuiveraar Penicilline, die zich op mijn brein had

gestort?

Onzin, Frank, dacht ik, wat moeten die mensen net uit Holland

dan wel niet! Een Dakota die twee uur in de zon had

gestaan. Als ze dat zouden overleven waren ze meteen geschikt

voor lange tropendienst.

Naast mij kwam een jonge vrouw zitten. Ze was onnatuurlijk

blank, en had nog blosjes op de wangen. Alles wees er

op dat ze gisteravond met het lijnvliegtuig uit Holland was

gekomen.

Uit het échte Holland, dacht ik. Dat vage land achter de horizon,

waar ik in de tropen naar behoorde te verlangen,

maar wat ik niet deed.

Ze had modieuze kleren aan en een verzorgd kapsel. Kom

Frank, zo lopen er in Amsterdam vele tienduizenden rond,

gewone Hollandse vrouwen en meisjes, niets bijzonders.

Maar toch voelde ik - in het verschoten khakigoed en de afgetrapte

jungle-laarzen - een bepaalde gêne naast dit wezen

uit een andere wereld.

Ik hoop dat ze niet gaat praten, dacht ik voortdurend. Want

ik ben zo high als de pest. Die verdomde hitte! Ik vertel haar

gelijk ALLES! Maar ze zal wel moe zijn van de lange vlucht

28


DE WITTE VLAG

over de Pool. Trouwens, ze heeft een trouwring om, dus

wacht in Hollandia, Merauke of Genjem wel een of andere

klootzak op haar. Op zijn mooie Hollandse droomkoninginnetje...

Maar toen ik wat beter keek zag ik dat haar make-up behoorlijk

was doorgelopen, en op haar blouse tekenden zich

grote vochtvlekken af.

Droomkoninginnetje zweet zich mooi de pleuris...

Toen het vliegtuig eindelijk vertrok en er na de start weer

gerookt mocht worden stak ik snel een sigaret op. Wegroken

die highness, die royal highness, met lange trekken en diep

inhaleren.

Ze keek me even aan - een vage vragende blik in de ogen.

God nog an toe, wat ben ik nog moe, stelde ik vast. Ook het

gezwachtelde been begon weer licht te kloppen.

Na een tijdje vliegen kwamen we in een dik wolkenveld terecht.

Het vliegtuig schokte en steigerde als een jong veulen.

Telkens als we die dikke wattenwereld invlogen en het

vliegtuig een scherpe valbeweging maakte bogen alle passagiers

het bovenlijf naar voren, als wilden zij gezamenlijk

de val breken. Een soort ritmische ochtendgymnastiek.

OMHOOG, OMLAAG, goed doorbuigen vanuit die heupen!

De vrouw naast me was bang. Bij iedere val trok ze met een

grimmige beweging haar lippen naar beneden en sloot de

ogen. Ik tikte licht tegen haar bovenarm en zei: 'U hoeft niet

bang te zijn! Dat is heel gewoon op dit traject. Het hoort er

bij. Een partij onweerswolken waar we even doorheen

moeten. Niets aan de hand. Echt niet!'

Toen we na enkele minuten het wolkendek gepasseerd waren

en bijna lijnrecht de blauwe hemel invlogen kwam het

29


EEN MORS HUIS

sein dat de riemen los mochten en er weer gerookt mocht

worden.

Ik stak weer een sigaret op. Ze keek me opnieuw even

doordringend aan. Ze wil roken, dacht ik en hield haar het

geopende pakje voor.

'God ja, dank u, ik heb in de haast en opwinding mijn sigaretten

laten liggen,' zei ze wat verontschuldigend.

Ik zette het pakje op de leuning van de stoel en zei: 'Als u zin

heeft, neem gerust. Hier aan boord is niets te krijgen, alleen

wat lauwe koffie. Maar die is dan ook bij de prijs inbegrepen...'

Ik wendde snel mijn hoofd en keek gespannen naar buiten

alsof er wonderwel van alles te zien was in dat onmetelijke

boerenkoolveld enkele honderden meters onder ons. Een

gesprek moest ik vooral zien te vermijden. Maar het was nu

toch al te laat! Toen ze eenmaal praatte was er geen houden

meer aan.

Ze ging naar haar man, officier bij de Koninklijke Marine,

die drie maanden geleden vooruit gereisd was. Ze kwam uit

Den Helder en was voor het eerst in de tropen.

Iedereen op Biak was zo behulpzaam geweest...

Dan zal je man wel een hoge kang zijn, dacht ik •wat ijzig,

want zo behulpzaam zijn ze op Biak niet. Maar wat gaat het

me aan? Ook deze vrouw zou zich best aanpassen in de kolonie.

Heel geleidelijk aan. Over zes maanden zou ze - met

een gelige huidskleur - op de tennisbaan staan en foeteren

dat haar Papoeameid weer eens niet was komen opdagen...

Nog wat leren aardig te zijn tegen de hoogste commandant

en - et voila - opnieuw een Hollands gezinnetje dat hier de

tijd van zijn leven heeft, met later in Holland de onvermijdelijke

etnografica aan de muur en de fotoalbums vol zonnige

plaatjes...

30


DE WITTE VLAG

Toen er een adempauze viel in haar relaas, zei ik plotseling:

'U zult me wel wat shabby vinden, verschoten kleren, afgetrapte

jungleboots en zo. Maar ik ben op tournee geweest...

in de binnenlanden!'

Even de doorgewinterde tropenjongen spelen tegenover

Grietje Kelder uit Den Helder. Ik vertelde haar in het kort

over de tournee, de lymfklierontsteking en de moeizame

verbindingen in dit land. Terwijl ik aan het vertellen was,

merkte ik plotseling dat ze écht luisterde.

'Hoe lang bent u hier al?' vroeg ze.

'Twee en een halfjaar.'

'Nog anderhalf dus.'

'Ja, nog anderhalf!'

'En dan verlof naar Holland?'

'Ja, God, dan verlof in Holland. En misschien nog wel terugkomen

ook. Als Boeng Karno - president Soekarno van

Indonesië - dat tegen die tijd nog een goed idee vindt...'

'Is Hollandia leuk om te wonen?' vroeg ze.

Jezus, LEUK! Dat wist ik eigenlijk niet of het leuk was...

Maar ze is best aardig, dacht ik.

'Natuurlijk is Hollandia best leuk om te wonen.' Het dagelijkse

leven in de hoofdstad was vol gemakken, die op de rest

van het eiland ver te zoeken waren. Maar, als 'alleenstaande'

was ik niet zo goed op de hoogte van de dingen van alledag.

Zelfs over de prijzen van de eerste levensbehoeften kon ik

haar nauwelijks informatie verschaffen. De Chinese tokohouder

stuurde me iedere maand de rekening. Zonder die

ooit na te tellen betaalde ik die. En met Chinees Nieuwjaar

was er steevast een mand met drank en levensmiddelen. Met

de beste wensen van Tan Djie Hok! Ook de lonen van de bedienden

waren onbekend terrein voor me. Had ik dan geen

bediende?

31


EEN MORS HUIS

Jawel! Ja, mijn huis werd wel gedaan door een baboe. Dat

wel! Sorry Neng, dat ik je 'baboe' noemen moet, maar ze

vroeg er om en hoe moetje iemand kersvers uit Den Helder

dat allemaal vertellen? Want dat maandloon van je - lieve

Neng - staat toch in geen enkele verhouding tot de schaarse

uren datje echt werkte in mijn huisje. En al die andere uren,

dat we dicht tegen elkaar aan lagen? Wat was het loon voor

die zonde?

'Ach,' besloot ik mijn verhaal. 'Ik leef een beetje op mezelf,

heb vrij weinig contact met andere uitgezonden Nederlanders.

Dus zo'n goeie raadsman ben ik ook weer niet. Maar

de vrouwen van de collega's van uw man zullen u wel wegwijs

maken in die dingen van alledag. Het went zo, geloof

me!'

'Oh vast wel,' zei ze, 'maar dat echte marinegedoe ligt me

niet zo. Ik wil dat liever helemaal niet!'

Ze is een stuk aardiger dan ik dacht, concludeerde ik, maar

ook zij zal zich moeten schikken in dat 'marinegedoe'. Dat

gedoe van alle blanken in de tropen, met hun eigenwaan en

overdreven gewichtigheden.

Ze zweeg even en zei haast verlegen: 'Weetje, ik zou het

liefst een huisje achteraf aan een groot strand hebben, een

beetje op onszelf leven zonder al die verplichtingen, die het

leven in Den Helder zo ondragelijk maken...'

'Dat kan niet in de tropen,' viel ik haar bruusk in de rede.

'Godsonmogelijk! In de tropen - en ik bedoel natuurlijk de

koloniën - kun je nooit "achteraf' wonen of "een beetje op

jezelf'. Er is geen achteraf wonen, want meteen buiten de

Europese wijk begint het inlandse leven met - naar westerse

begrippen - vreemde zeden en gewoonten - vooral de

zeden... Je moet meedoen met de rest, met de blanke rest, in

32


DE WITTE VLAG

jouw geval de Marine-rest, een béétje meedoen kan niet...

Je zou je man schaden in zijn carrière. Ik neem aan datje dat

niet wilt! Dat is het toch allemaal niet waard?'

Ongemerkt waren we overgegaan in 'jij en jou'. Ze had het

gemerkt en zei plotseling: 'Ik heet Lies. Lies van Meerten.'

Gelukkig. Géén Grietje Kelder uit Den Helder.

'Frank Schoondermark, aangenaam. Landbouwambtenaar

der zoveelste klasse, salarisschaal elf in vaste dienst bij het

GNNG - het Gouvernement van Nederlands Nieuw-Guinea

- levend een heleboel op zichzelf en helemaal achteraf...'

Tegenover Neng, dacht ik er meteen achteraan, tussen ons

de baai, die grandioze baai met kransen wit verwaaiend

brandingschuim, en het water is nooit te diep!

Maar dat laatste had ik kennelijk hardop gezegd, want ze

vroeg wat aarzelend: 'Hoezo is het water nooit te diep?'

'Wil je het echt weten, Lies van Meerten? Hier in die Dakota

- die Douglas c 47 - op weg naar onze standplaats Hollandia?

Op weg naar je man, je huisje, je boompje, je beestje?

Wil je echt weten waarom ik zei dat het water nooit te diep

was?'

Ze knikte.

'Neem nog een sigaret,' zei ik, 'want het is een langfcverhaal.

Maar we zullen het kort houden.

Kijk, als ik zeg datje in de tropen niet "een beetje" op jezelf

kunt wonen, dan zeg ik dat niet zo maar! Ik weet er alles

van.

Ik woon op een bezopen punt in - néé, buiten - de stad, in

een bezopen huis, en meestal in een bezopen stemming. En

dat laatste volgens mijn keurige collega's nog letterlijk ook.

En waarom allemaal? Je had op school van die goeie cijfers,

werk jij nu HIER? Je kent de grap wel. Maar goed, het ver-

33


EEN MORS HUIS

haal! Ik ben in Indië geboren en na de Japanse kampen ging

ik naar Holland. Maakte de middelbare school af ondanks

een achterstand van vier jaren. En wilde terug! Maar er was

geen "terug". Ik leed in die dagen aan een romantische tropenverheerlijking,

kocht allerlei boeken over het oude Indië

en isoleerde me willens en wetens van het Hollandse leven.

Toen ik klaar was met de HBS werd in Leiden de Indologenfaculteit

opgeheven en mijn plan om bestuursambtenaar te

worden viel in duigen. Ik ben toen uit pure landerigheid

naar de tropische landbouwschool gegaan, hoewel ik nooit

een greintje interesse heb gehad voor wat groeit en bloeit...

In Deventer ontdekte ik de fotografie en vond daarin een

soort expressiemiddel waarin in een beetje kwijt kon wat ik

wilde. Maar wat wilde ik eigenlijk? Bij God, als ik er aan terugdenk!

Wat wilde ik? Terug, maar naar wat, en naar wie?

Naar die piepende deur van de bediendenkamer - ergens in

Oost-Java - waarachter een vluchthaven lag voor een klein

Hollands jongetje uit een koud christelijk gezin? Een blond

knulletje dat hunkerde naar wat lijfelijke warmte... Maar ik

dwaal af. Het verhaal nu; de school maakte ik nog wel af en

vertrok naar Amsterdam. God, ja, die tijd daarna, de

"Amsterdamse" tijd. De vijftigers, de New Orleans Jazz.

Rondhangen op het Leidse Plein. Met de fotografie viel

geen droog brood te verdienen, maar op een of andere manier

was er altijd wel een bijbaantje. Trouwens, we konden

in die tijd met zo 'weinig toe...

Maar ja, dan gebeuren er van die dingen, die in ieder leven

moeten gebeuren. Een vrouw, een grote liefde, een echte

scheiding en nog wat van die bijbehorende zaken. Nou ja,

of ze er bijhoren weet ik niet, maar ze gebeurden wel... Op

34


DE WITTE VLAG

een dag las ik een advertentie in de krant waarin men om

een landbouwambtenaar vroeg voor Nieuw-Guinea.

Waarom ook niet, dacht ik. In een mineurstemming schreef

ik een kort briefje. Die hele sollicitatieprocedure op dat statige

ministerie in Den Haag en de zogenaamde "tropenkeuring"

bleken een klucht. Ze waren veel te blij iemand gevonden

te hebben met een echt diploma ondanks het feit dat

ik nog nooit praktisch in de landbouw had gewerkt. En dat

is niet eens zo'n gemis... Integendeel! Want met landbouw

heeft het hier bijna niets te maken. Op Nieuw-Guinea heeft

alles met alles te maken. Op zo'n tournee ben je dokter, zendeling,

jurist en voorlichtingsambtenaar. Maar voor die

bruine mensen vooral een rare snoeshaan, dat in de eerste

plaats. Mijn plicht bestaat er voornamelijk uit om ze te bewegen

om bepaalde plantjes te zaaien, waar ze het nut niet

van inzien. Of plantjes, die ze al kennen, anders - en béter

(vinden wij) - te zaaien. Dat is driekwart van mijn taak! Als

ze dat uiteindelijk willen, gaat de rest vanzelf. Want stom

zijn ze allerminst, ook al vreten ze rauwe boomlarven...

En omdat ik gewoon Nederlands schrijf en mijn tourneeverslagen

illustreer met wat pakkende foto's vindt men mij

een bruikbaar ambtenaar. Alhoewel, mijn baas noemde mij

eens in zijn jaarlijkse beoordelingsstaat "wat speels". Maar

ik ga veel op tournee, dan kunnen mijn getrouwde collega's

thuis blijven in hun keurige rijtjeshuizen.

En verder - bij God, dat is zo belangrijk in de kolonie -

drink ik wel eens een borreltje met de "Hoogste in den Lande",

die een goede vriend was van mijn vader in het vroegere

Nederlands-Indië. Je begrijpt, wat kan mij nu verder nog

gebeuren? Iemand die wel eens bij de Goef komt! De Gouverneur

van Nederlands Nieuw-Guinea!...

35


EEN MORS HUIS

Het liefste zouden ze in mijn conduitestaat schrijven: "Gek,

maar ongevaarlijk", maar zover durven ze natuurlijk niet te

gaan.

Ik verdomde het om in een huis te gaan wonen in de Europese

wijk met twee andere alleenstaanden; zo'n boedjanghuis

- een vrijgezellenhuis met altijd rotzooi over de vloer en

kabaal tot diep in de nacht... Nee, ik verkoos een bouwvallige

gewezen Amerikaanse officierswoning op een majestueuze

berghelling aan de baai van Hollandia.

Het stond op instorten, maar het fundament was van oersterk

Amerikaans cement. Enkele maanden salaris en wat

bijverdiensten waren genoeg om het geheel wat op te knappen.

Elektrisch licht was er niet, maar dank zij wat versierwerk

is dat er nu ook. Misschien klinkt het je allemaal wat

idyllisch in de oren, maar daar heeft het niets mee te maken.

Ik wilde op mezelf wonen, in een eigen huis, en vooral ver

weg van het "gedoe"! Dat bedoel ik nu, zoiets kan alleen als

je alleen bent, een beetje gek en door je baas "een beetje

speels" genoemd wordt.

Jij kan dat nooit doen! Jij krijgt een huis in een rijtje, een marinerijtje,

een omciersrijtje nog wel, want ze bouwen de

huizen nog alleen maar in rijtjes. Soort bij soort... Je zult geregeld

naar de soos moeten gaan, als er iets te doen is. Of als

er niets te doen is... Je zult naar de marinewinkel moeten

gaan voor je boodschappen. Dat scheelt overigens twintig

procent! Je kunt je er doodgewoon niet aan onttrekken, ook

al zouje dat willen. Je zwemt in een marinezwembad, je watcrskiet

bij de marinewaterskiclub. Alles of niets...!'

Ik zweeg abrupt, Jezus, wat ben ik weer bezig, dacht ik.

Waarom kan ik het niet laten. Waarom vertel ik haar dat alles

met een stichtelijk woord als toegift?

36


DE WITTE VLAG

'Sorry,' zei ik, 'wat ik allemaal zeg is natuurlijk maar een

halve waarheid. Laten we er maar mee ophouden...'

Ze zei even niets, en antwoordde toen wat aarzelend: 'Ik begrijp

die andere waarheid wel. Mijn vader was kunstschilder.

Ik kom uit een huis waar iedereen een beetje gek was,

en waar het altijd een puinhoop was. Wat jij net noemde

"altijd rotzooi over de vloer en kabaal tot diep in de nacht".

Misschien ben ik daarom wel met een wat rechtlijnige marineofficier

getrouwd.' Ze glimlachte even met een verlegen

trekje om de mond.

'Goed,' onderbrak ik haar, 'laten we maar ophouden. Zand

er over! De zon schijnt weer laaiend en je ziet je man na drie

lange maanden terug. Al die Hollandse misère van kolenmannen,

vuilnisophalers, VARA en KRO vallen hier van je af.

Recht en slecht kan je hier leven tegen een prachtig tropisch

decor...'

'Ja,' zei Lies, 'ophouden maar! Maar je moet toch eens bij

ons op bezoek komen! Mijn man is erg aardig. En ondanks

dat jij het allemaal zo absoluut stelt wil ik toch proberen zo

veel mogelijk op mezelf te leven...'

'Oké, Lies, laat vooral de Nieuwguinese zon uw leven binnentreden!

Nog even, en we zijn er...'

Ik begon haar het een en ander te vertellen over de streek

waar wij overheen vlogen. Hoe er door Amerikanen en Japanners

in dat •wollige groen beneden ons in 1943 zo bloedig

was gevochten.

Direct zou het vliegtuig landen op het vliegveld van Hollandia.

Nog even zwenken over het grillig gevormde Sentanimeer

dat als een geopende hand met vijf vingers tussen

de hoge glooiende berghellingen lag.

Dan weer even de gloeiende landingsbaan, het passagiersloodsje,

en de auto naar huis...

37


EEN MORS HUIS

De auto van dienst zou er wel niet zijn, want ik had geen telegram

gestuurd wanneer ik aan zou komen. Dat deed ik

nooit. Er was altijd wel iemand met wie ik mee kon rijden

naar de stad.

Het wachtgebouw stond vol met mensen. Er zat zeker een

belangrijke orang in het vliegtuig. Links een stelletje marineofficieren.

Hun petten en epauletten glinsterden in de

zon.

Ik wees naar het groepje en zei tegen Lies: 'Je man staat er

vast bij. Ik zie je nog wel eens in de stad. Uiteindelijk is het

hier een heerlijk land. Héél veel succes!'

Toen ik de koffers bij elkaar had gezocht in de bagageafdeling

zag ik Lies al bij het groepje marinemensen staan.

De blosjes op haar wangen leken me plotseling overdreven

rood.

Wegwezen, dacht ik, snel wegwezen, je hebt je nu genoeg

aangesteld! Neng, lieve Neng, Frank is back in town. Kom je

gauw, deze keer?

En natuurlijk kon ik met iemand meerijden naar de stad. De

rit naar huis na een lange reis had bijna iets feestelijks. Het

traject werd iedere keer meer vertrouwd. Je herkende bepaalde

glooiingen in de weg, de halfnaakte kindertjes bij de

kampongs langs het Sentanimeer en de grazende geiten bij

het verlaten Chinese graf. Maar naast een aantal dingen, die

steeds vertrouwder werden, vielen ook steeds meer nieuwe

op. Nieuw geplante bomen, bamboestoelen die gekapt waren,

nieuwe prauwen op de kleine primitieve scheepshellingen.

Frank Schoondermark begint met Papoea-ogen te kijken,

dacht ik. Going native noemden de Engelsen dat in hun koloniën.

Verinlandsen zeiden wij in ons oude Indië.

38


DE WITTE VLAG

De man met wie ik kon meerijden zette me af voor de deur

en reed daarna - rode stofwolken achter zich latend - snel

de heuvel af naar de benedenstad.

Ik zette de koffers neer op het galerijtje en liep eerst even om

het huis heen. De baai lag er nog net zo bij als ik hem zes weken

geleden had achtergelaten. Ver weg, voor de oevers aan

de overkant een messcherp rif met een witschuimende rand

branding, en daarachter de kleine kamponghuisjes.

Wat verderop, midden in de symmetrie van rijen klapperbomen

het huis van Nengs vader, de coprahandelaar. Links

in de houten muur van het huisje een minuscuul vierkantje

- het verschoten gordijn van Nengs kamer. En misschien

wel ook zo'n zacht piepende deur en donkere schaduwpartijen

rond het lage bamboebed.

Als ik straks de witte vlag gehesen zou hebben, zou Neng

hoog op de heuvel het witte rechthoekje zien waaien, en

zou ze weten dat ik weer thuis was. De lange solide vlaggestok

dateerde nog uit de tijd van generaal MacArthur. De

Amerikaanse vlag immers moest in 1944 hoog en triomfantelijk

boven de tropische eilanden waaien. Die beroemde

keten van eilanden, die een lichtend spoor vormde naar het

Land van de Rijzende Zon...

Maar ik had niet meer dan een witte vlag, de vlag van de

overgave! Maar wat deed het er toe, ook de oorlog was toch

al lang afgelopen...

Neng zou de prauw vaarklaar maken en de baai oversteken.

Niet dat ik dat haar ooit had zien doen... Je wist immers

nooit hoe lang het zou duren voordat Neng de vlag in de

gaten kreeg... Soms duurde het een uur, soms een halve

dag. Soms kwam ze pas na dagen met een omstandig verhaal

waarom ze zo laat was...

39


EEN MORS HUIS

Ik liep terug naar het huis en opende de deur.

'Gek fijn huis, welkom!' zei ik plechtig. De vloer glansde

diep ondanks een fijn laagje stof. Hier en daar wat dode

vliegen en muggen. De kamer had na zo'n lange afwezigheid

iets heel dierbaars voor me.

De grote boekenkast, die de kamer met een harde hoekigheid

doormidden deelde, het schrijfbureautje met stapels

tijdschriften en kranten erop, de platte radio, de prent van

Werkman aan de muur en dan dat fijne laagje stof, dat alles

in de kamer egaal bedekte. Als een afweer tegen ongewenste

indringers, die hun vingerafdrukken er wel in achter

moesten laten!

In de aangrenzende slaapkamer pakte ik snel de koffers uit.

Vuil goed had ik nauwelijks want het moderne hotel in Biak

had zijn werk goed gedaan.

Ik smeet de lege koffers op de linnenkast, ging naar binnen

en veegde het dode ongedierte in een hoek.

Toen ging ik achter het schrijfbureautje zitten. Neng, ik

ben er weer, dacht ik, wel honderd keer achter elkaar.

Neng, ik ben er weer, ben er weer, ben er weer... Toen

schakelde ik de radio in en legde een plaat op de pick-up. De

Ouverture Tannhduservan Wagner. Hoe ik er aankwam wist

ik niet meer na die hardhandige boedelscheiding, uitgevoerd

door mijn gewezen vrouw in dat ge-wezen verre land

achter de horizon. Misschien was hij wel door een fout van

de emballeur in mijn boedel terecht gekomen en zat iemand

in Tanah Merah met Bessie Smith opgescheept.

De Wagnermuziek was pompeus en gezwollen en op een

krankzinnige manier in tegenspraak met het gewone beeld

van een laaiende zon boven de baai en stijgende thermieklagen

die pijn deden aan je ogen... Ik zette de volumeknop he-

40


DE WITTE VLAG

lemaal open en de muziek barstte los over de Humboldtbaai

aan de Stille of Grote Oceaan...

Toen nam ik de witte vlag uit de kast en liep naar buiten

naar de vlaggestok.

'Neng, ik hijs de witte vlag. De vlag der overgave, Neng!

Straks zal je komen, even zacht kloppen op de achterdeur,

of even de keel schrapen, een kleine revérence maken, het

bruine ondoorgrondelijke gezicht opheffen en de lippen

spitsen als groet. Wachtend tot ik iets zeggen... Wat zegje

dan altijd, Frank? De gewone Indonesische groet SLAMAT

DATANG - gezegend zij uw komst...! De violen van de ouverture

hijgden snel en wervelend en de warmte van de

middag sloeg over me heen.

Blanke Frank hijst ergens aan de Stille Oceaan een witte

vlag begeleid door muziek van Wagner. Hij zal wachten tot

een bruin meisje in een prauw snel pagaaiend naar hem toe

zal komen.

Godsamme! Hoe had ik het allemaal kunnen bedenken? Het

leek wel een slot uit zo'n vooroorlogse Bali-film. Camera

langzaam uitzoomend tot hoog standpunt... Muziek langzaam

aanzwellend. En ik daar naast die vlaggestok, een

steeds kleiner wordend figuurtje. Tegen de strakblauwe

lucht dan in vette letters THE END. THE END? Welnee! Helemaal

niet, Neng zou straks komen, GEZEGEND ZOU haar

komst zijn...

41


een mors huis

HET RESTAURANT aan de grote weg naar de haven

was net zo grotesk als het landschap eromheen. De lange

glooiing van berg naar baai was bezaaid met schijnbaar lukraak

neergeworpen lage heuvels, begroeid met taai lichtgroen

gras.

In een van mijn eerste brieven naar huis had ik het restaurant

van Entje Foe vergeleken met het hotelletje uit die

sombere Franse film Les héros sontfatigués. Alleen, in de jaren

vijftig waren de helden op Nieuw-Guinea nog lang niet

vermoeid.

Het plompe gebouw leek uit louter tegenstrijdigheden te

bestaan met als trefwoord 'hoog'. Het stond op ongewoon

hoge zwartgeteerde palen boven de rode onvruchtbare

grond.

Ook de vertrekken hadden absurd hoge plafonds. Aan de

grote zaal - meer de gelagkamer - was weinig vakmanschap

besteed. Zes zware stutbalken die het dak droegen

waren de kern van het interieur. Om de balken waren wat

ruwhouten tafeltjes getimmerd met gemakkelijke rotanstoelen.

De tafeltjes waren te laag om aan te eten, maar

drinken ging uitstekend. En daar ging het ons bij Entje Foe

toch om.

Het restaurant stond op de top van een van de vele heuvels.

Aan weerszijden waren twee grote open balkons, die, zonder

afdakje, geheel in de schaduw lagen van twee bladerrij-

42


EEN MORS HUIS

ke cherrybomen. Ruim driehonderd meter achter het gebouw

lag de baai, onzichtbaar door de rijen zacht glooiende

heuvels, maar altijd hoorbaar door het ruisen van de branding.

Entje Foe was een 'westers opgevoede' Chinees, zoals dat in

oud-Indië zo treffend werd gezegd. Het betekende dat hij

keurig Nederlands had leren spreken op de HCS - de Hollands-Chinese

School. Als de verhalen juist waren, had hij

in het naoorlogse Indië jarenlang vastgezeten voor een

haast Amerikaans opgezette bankroof. Maar de verhalen

waren hier zelden juist.

Bankroof of niet, Entje Foe had een heilig ontzag voor het

echte gezag in de kolonie. Het was algemeen bekend dat de

kwaliteit van het eten evenredig was aan de rang en salarisklasse

van de klant. De resident van Hollandia en andere

hoge bestuursambtenaren aten altijd zeer copieus bij Entje

Foe. De lagere ambtenaren en zij die werkten bij een dienst

die Entje Foe toch nooit nodig zou hebben, zoals de Dienst

Leprabestrijding, aten beduidend slechter. Maar 'such was

life' en niemand die zich erover opwond. Trouwens, daar

was het in de regel ook te warm voor.

Wij - de boedjangs of vrijgezellen - kwamen toch voornamelijk

om te drinken op een van de balkons. En - om het ravijn

te vullen. Naast het linkerbalkon lag op zo'n vijftien

meter een ondiep ravijn, waarin alle lege drankflessen werden

gegooid. Het was een krankzinnig gezicht, de hellingen

van het ravijntje lagen bezaaid met honderden, nee, duizenden

lege flessen.

Als het volle maan was en wij door de drank wat moeite

hadden met de contouren, leek het ravijn een zachtgroene

glazen schacht in het donkere heuvelland, of een giganti-

43


EEN MORS HUIS

sche buitenaardse vuurvlieg, die na een lange reis door het

heelal even was neergestreken langs de baai van Hollandia.

Verder waren de duizenden flessen een bron voor allerlei

woordspelingen. 'De Hollanders gaan pas naar huis als het

ravijn van Entje Foe vol is', of'Ze heeft 'm er meer in gehad

dan er flessen in het ravijn liggen'. Bij Entje Foe hoefde niets

en mocht alles.

Zo hing er plompverloren tegen een van de hoge stutbalken

een verweerde ets van de Westerkerk, die, omdat hij door

aangeschoten klanten nogal eens naar beneden was gehaald,

nu door Entje Foe zeker drie meter hoog was opgehangen.

Wat natuurlijk alleen maar averechts "werkte. Ook

wij hadden eens - vol rondjes bier en met een stel Hollandse

mariniers in huis - de ets na een gewaagde klimpartij van de

balk gehaald en voorzien van allerlei kanttekeningen.

Een van de mariniers had een grote pijl getekend naar een

huis aan de overkant van de kerk, waarin volgens hem de

beste kroeg van Amsterdam te vinden was. Op de achterkant

van de prent stond nu in dronken hanepoten: 'In deze

kroeg komen wij één jaar nadat het ravijn vol is bij elkaar.

Zo waarlijk helpe ons Godallemachtig. Hollandia, Mei

1959'. Bij die gelegenheid - of was het een andere - was ik

op de tafel gesprongen en had uitgeroepen: 'Wij, Hollanders

en Papoea's bouwen samen aan een nieuwe toekomst

voor dit klote eiland. Schouder aan schouder aan schouder.

En waarom, dames en heren? Omdat we zo vreselijk bezopen

zijn. Ja, damuschehere... Laten we woest drinken in een

mors huis. Hé, da's niet van mezelf hoor. Dat is van een

dichter. Nee, de koning der dichters! Lucebert, de Prins van

de Vijftigers. God, gelijk heeft-ie. Woest bier drinken in

44


EEN MORS HUIS

een mors huis. Want Nieuw-Guinea is het morste huis dat

ik ken, morsdood ook...' De mariniers hadden mijn woordenvloed

onthutst aangehoord, maar gelukkig snel een

nieuw rondje besteld. Het restaurant vanEntje Foe, vonden

wij in die dagen, was de belangrijkste toko van heel Nieuw-

Guinea.

Met de komst van honderden nieuwe Nederlandse ambtenaren

werd het er steeds drukker. Ook het flessenravijn was

de laatste tijd met sprongen vooruit gegaan. De schaarse

planten, die in vroeger jaren hardnekkig geprobeerd hadden

de flessen te overwoekeren, hadden de moed opgegeven

en 's avonds glansden sereen de duizenden lege flessen.

Die avond met Harry vormde geen uitzondering. Een gewone

Entje Foe-avond zou je kunnen zeggen. Toen ik binnenkwam

was het bekende gezelschap weer present en

voor ik goed en wel zat, stond er een biertje klaar. Seperti biasa...

zoals gewoonlijk.

In het midden van de kring zat Harry, eigenlijk 'troonde',

want wij vonden hem de grootste man van het westelijk

halfrond. Hij was ca. twee meter lang en enorm breed en

sterk. Overigens deed hij niets bijzonders met dat grote lijf,

hij 'werkte als analist op een laboratorium, was ongeveer

tien maanden op Nieuw-Guinea, en er was iets met hem...

Eigenlijk niet met hem, maar met zijn vrouw. Harry was

getrouwd, maar - ook zoals gewoonlijk - alleen 'uitgekomen'.

Na een maand of vier had hij nooit meer over zijn

vrouw gepraat en was een trouwe klant geworden van Entje

Foe. Na wat scènes en vechtpartijen in de binnenstad

werd het duidelijk dat mevrouw Harry nooit meer deze

45


EEN MORS HUIS

kant uit zou komen. Kwaadwillige verlating, had de advocaat

gezegd. Salah wissel riepen wij in zo'n geval, het treintje

van mevrouw Harry had een andere •wissel genomen. Zelf

praatte hij er nooit over en bij Entje Foe vroeg niemand ernaar.

Entje Foe zelf vroeg al helemaal nooit iets. Ook die

avond lette hij weer op ons als een slimmejeugdherbergvader.

Als de glazen leeg waren, vertoonde hij zich met een

soort verontschuldigend handgebaar even op het balkon en

zorgde ervoor dat er snel werd bijgeschonken. Wie de

rondjes gaf en hoe vaak werd ons meestal aan het eind van

de maand pas goed duidelijk door de hoogte van de rekening.

Maar zo was het leven aan de evenaar nu eenmaal.

Ook vanavond zouden we na afloop de flesjes in het ravijn

mikken want eens moest-tie toch echt vol...

'Ik moet niet teveel drinken vanavond,' zei Harry plotseling,

'want...'

'Drink je dan wel eens te weinig,' riep iemand net iets te

luid.

'Nee, maar ik krijg straks telefoon uit Amsterdam. Het zal

mijn moeder wel zijn. Ik heb in maanden niet meer geschreven.

Maar de naam van de aanvrager zei me niks. Die was

weer eens verminkt doorgekomen. Alles komt hier altijd

verminkt door.'

Toen Harry een halfuurtje later wilde opstappen, zei een

van ons: 'Harry, waarom laatje het telefoontje uit Amsterdam

niet op dit nummer overzetten. Straks vallen er weer

gesprekken uit en ben jij onderweg als de verbinding doorkomt.

Wij houden onze mond wel als je belt en zetten de

muziek wat zachter. Doe dat nou, Har, voor je moeder heb

je toch wel een verhaaltje klaar. Misschien heb je wel een erfenis

gekregen. Dat vieren we dan gelijk!'

46


EEN MORS HUIS

Wij vielen hem luid bij. Harry sjokte naar de gammele telefooncel

naast de bar en kwam even later, wat verlegen

glimlachend, terug. 'Geregeld,' meldde hij opgewekt.

Hij dronk in het begin maar weinig. Maar goede voornemens

werden ook bij Entje Foe zelden beloond. Zoals gebruikelijk

waren er atmosferische storingen, en waren de

gesprekken met Nederland ruim twee uur vertraagd. Harry

was door het lange wachten toch voor de bijl gegaan en had

naast zijn stoel een flink rijtje lege flessen staan. Eindelijk,

tegen twaalf uur, rinkelde de telefoon. Omdat Entje Foe

nergens te zien was, liep ik naar de cel en nam de telefoon

aan.

'Telefoon uit Amsterdam voor meneer Hogewoud,' hoorde

ik zeggen.

'Harry, je telefoon.'

Hij kwam waggelend op me af. 'Jezus, ik had nooit zoveel

moeten zuipen,' zei hij, 'maar goed, je kan gelukkig niets

ruiken aan de andere kant van de lijn.'

Ik liep terug, maar hoorde achter mijn rug Harry hard en

verschrikt uitroepen: 'Wat, met WIE?' En een fractie van een

seconde later: 'Jezus nogantoe! Zo...jij.Tisser eigenlijk?

Tisser?'

Ik begreep dat het zijn moeder niet was, maar de vrouw die

niet deze kant uit had willen komen en draaide mijn stoel een

halve slag, zodat ik Harry kon blijven zien. Hij stond, door

zijn lange lijf, wat gebogen in de kleine cel, de ogen dicht, en

knikte •wezenloos met het grote hoofd. Bijna ritmisch. De

anderen om mij heen waren in een druk gesprek gewikkeld

en merkten niet wat daar in de telefooncel gebeurde. Het

moet zijn vrouw zijn, dacht ik voortdurend. Wat een ellende.

Waarom hadden we hem zo veel laten drinken?

47


EEN MORS HUIS

Harry had nu zijn hand bijna recht voor de borst gestrekt,

zijn wijsvinger beschreef cirkels in de lucht, heel traag en

heel bedachtzaam. Wat moest ik doen? Wat doe je in zo'n

geval? Naar Harry toelopen en hem de haak uit de hand nemen

en Amsterdam uitleggen dat er met Harry nu niet te

praten viel? En wat zou Harry dan doen? Mij de hoorn uit

de hand rukken en mijn kop inslaan?

Hij begon weer te praten. 'Zo, zo...,'hoorde ik hem zeggen.

'Of ik dronken ben? Nou reken maar! Liederlijk dronken.

Nee, nou niet gaan zeiken, daarvoor ben ik...' Hij stokte,

'daarvoor ben ik... te MOE.'Hij zei het met een donkere, harde

Oe-klank. 'Trouwens...' Maar de rest kon ik niet verstaan,

want het gezelschap om mij heen werd steeds luidruchtiger.

Hij praatte met zijn ex - ik wist het nu zeker -

over een afstand van achttienduizend kilometer. Hij verstond

haar zo goed alsof ze bij Entje Foe in de keuken naast

hem had gestaan. Hij zag haar gezicht voor zich en kende al

de bewegingen die ze bij het praten maakte. Het knipperen

van de ogen, het spitsen van de lippen, maar er lagen achttienduizend

kilometer tussen. En zij had hem voor de volle

achttienduizend kilometer in de steek gelaten.

Harry schudde plotseling verbeten. 'Nee,' zei hij luid:

'Godverdomme, NEE...' en begon hoog gierend te lachen.

Toen greep hij met een flitsende beweging het snoer en hief

de hoorn ver boven zijn hoofd. Met toegeknepen ogen keek

hij naar het zwarte glimmende ding dat nu - zachtjes heen

en weer slingerend - boven zijn hoofd hing, en begon te

grommen als een gewond dier.

'Harry,' riep ik luid. De anderen keken op en zagen Harry in

het kleine celletje staan met de zwarte telefoonhaak boven

zijn hoofd. Er viel een ijzige stilte en Harry leek uit zijn

48


EEN MORS HUIS

trance te ontwaken. Hij plukte de telefoonhoorn uit de

lucht, hield hem tegen zijn borst onder zijn kin en zei -

zwaar hijgend -: 'Weetje, Eefje, weetje watje bent... een

ROTWIJF... een godsgruwelijk ROTWIJF...' Hij draaide zich

een halve slag om en keek glazig onze kant uit. De telefoon

viel uit zijn handen. Het had alles bij elkaar nog geen twee

minuten geduurd. Telefoon uit Amsterdam voor meneer

Hogewoud. Jezusnogantoe. Ik moet naar hem toe gaan,

dacht ik, en iets zeggen. Maar wat?

Hij liep weg uit de cel, bleef even zwaaiend voor ons staan

en viel toen met een plof in zijn stoel. Hij zat als versteend,

met toegeknepen ogen en knarsende tanden. Een grote logge

olifant in een valkuil. En wij, de jagers, keken toe.

'Klootzakken,' zei hij plotseling, 'klootzakken, waarom

moest ik zoveel zuipen? Ik ga naar huis. Donderstraal ook

allemaal op...' Hij zakte achterover in zijn stoel en sloot de

ogen. Niemand zei wat. Plotseling schoot hij overeind.

'Hé, luister eens. Wie van jullie durft er bij mij achterop de

motor? Nou, wie rijdt er met mij mee? Jullie moeten toch

ook naar de binnenstad? Vooruit, wie dan? Schijtlijsters dat

jullie zijn!'

Niemand zei wat.

'Harry,' riep ik, 'doe nou niet zo belazerd. Laat Entje Foe je

straks naar huis brengen met de auto. Wij regelen dat wel.'

'Jullie regelen niks. Ik moest toch zo nodig blijven. Het was

hier toch zo gezellig. Nou, wie rijdt er met mij mee?' Zijn

toon werd dreigender. 'Nou wie? Klootzakken dat jullie allemaal

zijn...'

'Ik, Harry,' hoorde ik mezelf zeggen. 'Ik rij met je mee.'

'Afgesproken.'

Waarom had ik het gezegd? Om iets goed te maken? Ik wist

49


EEN MORS HUIS

het niet en beet de anderen toe: 'Vooruit, lazerenjullie maar

op. Ik rij met Harry achterop de motor mee, en niemand

hoeft achter ons aan te rijden. Als het niet goed gaat, lees je

het morgen wel in de krant.' Echt bang was ik niet voor de

rit. De koude nachtwind uit zee zou Harry wel snel ontnuchteren,

en daarbij, op dit onchristelijke uur zou er toch

bijna geen verkeer zijn. En wat deed het er allemaal toe? Het

was een gewone avond bij Entje Foe. Even later hoorde ik

het starten van auto's, scooters en motoren.

'Die zijn weg, Harry.'

Hij lag weer languit in de stoel, zijn mond vertrokken tot

een grijns. 'Ik heb...' zei hij, 'daarnet telefoon gehad uit Amsterdam...'

Hij zweeg weer.

'Ja,' zei ik, 'en dat viel niet zo goed, hè?'

'Nee, nee...' Met een schokbeweging boog hij het hoofd

naar mij en keek mij doordringend aan.

'Zullen we nog één biertje nemen,' zei hij wat kleintjes, 'ik

ben weer vreselijk nuchter.'

'Goed, Harry, eentje dan, en dan gaan we naar huis!'

Ik ging even naar het toilet en toen ik terugkwam was Harry

verdwenen. Voorzichtig liep ik de houten trap af, maar

zag hem nergens. 'Frank,' hoorde ik hem roepen.

Ik zag dat hij met zijn motor tot vlak bij het flessenravijn

was gereden. Hij lag met het hoofd op zijn stuur en huilde.

De tranen stroomden over zijn wangen. Ik legde een hand

op zijn schouder, maar hij leek het niet te merken. Harry

keek met grote, betraande ogen naar die baaierd van groene

flessen, beschenen door een klein maansikkeltje.

'God, wat is dat mooi, dat glimmende groen van die flessen.

Maar wat een keléreland hier... werken en bier zuipen...d's

alles. Dat was jij toch van dat bier drinken in een mors huis...

van dat morse huis...?'

50


EEN MORS HUrS

'Ja, dat was ik, of liever gezegd, eigenlijk een ander, maar ik

was het die het toen zei, ja. Harry, gaan we nu naar huis?'

Met een ruk ging hij overeind zitten en zei, wat tranen

wegslikkend: 'Naar huis, ja. Wie rijdt wie? O ja, ik rij en jij

achterop. Maar ik rij wel voorzichtig hoor! Wees maar niet

bang.' Hij keerde de motor en even later reden we de heuvel

af de grote straatweg op.

Harry reed hard, maar bleef keurig op de goede weghelft en

leek de motor goed in zijn macht te hebben. Toen we voorbij

de top van de berg waren, die tussen baai en binnenstad

lag, sloeg hij bij de driesprong plotseling de zandweg naar

links in.

'Waar ga je naar toe, Harry,' brulde ik boven het motorgeronk

uit.

'Naar het oude Japanse vliegveld, lekker scheuren en achtjes

rijden.'

Lekker scheuren en achtjes rijden, vooruit dan maar, op

naar het Japanse vliegveld. En zo reden we nog zeker een

half uur achter de felle stralenbundel van de koplamp aan

naar die honderden meters lange streep beton tussen twee

Nieuwguinese heuvels in, een lange landingsbaan die na

een Amerikaans bombardement nooit was afgemaakt.

Tussen de scheuren in het beton groeiden hier en daar vaak

manshoog struiken en kleine bomen. Harry begon rondjes

te rijden, haakse bochten, en deed een reeks remproeven

alsof het een rijexamen betrof. Met dat verschil dat alles in

een razend tempo ging.

Hij reed feilloos, na ieder straaltje van rijdressuur hard BRA-

VO brullend. 'Harry,' riep ik op een gegeven moment, 'laten

we nou naar huis gaan, we kunnen toch niet de hele nacht

door blijven rijden.'

5i


EEN MORS HUIS

'Waarom niet. Why not?' zong Harry. 'Benzine genoeg in de

tank.' Maar zijn bewegingen werden toch steeds trager.

Toen klonken er plotseling in de verte stemmen. In het felle

licht van de koplamp flitsten wat schaduwen tegen de heuvels.

Een groepje Papoea's kwam onze kant op, mannen,

vrouwen en kinderen. Allen zwaar beladen met draagtassen

en manden. Vroege groenteverkopers, vermoedde ik, op

weg naar de markt in de binnenstad.

Ze bleven staan op een smal paadje naast de landingsbaan.

Voor hen waren we niet veel meer dan twee gekke blanken

op een motorfiets, en voor ons waren zij niet veel meer dan

wat zwarte gestalten op een zijpaadje.

Plotseling kreeg Harry ze in de gaten en spurtte op ze af. Hij

remde plotseling en met gierende banden kwamen we voor

het groepje tot stilstand. Harry zette de motor af, boog diep

met zijn hoofd op het stuur en zei - ieder woord sterk benadrukkend:

'Selamat malem, soedara papoea - goedenavond,

Papoea-vrienden...'

Niemand zei wat terug. Alleen een klein jongetje begon

plotseling hard te lachen. Zijn heldere kinderlach schalde

over het veld. De man achter hem siste 'DIAM' - stil - en gaf

het kind een klinkende slag om de oren. Ze bleven nog even

kijken, draaiden zich plotseling - als op commando - tegelijk

om en verdwenen in de zwarte nacht.

Harry draaide het contactsleuteltje om en voor de zoveelste

maal sprong de motor het beton op. Hij reed nu de baan in

zijn volle lengte een paar keer heen en weer. Toen stopte hij

plotseling en zei fluisterend: 'Ik moet kotsen.'

We stapten af en liepen naar een verhoogde berm aan het

eind van de baan. Harry viel neer op de grond en met heftige

schokbewegingen, die het enorme lichaam deden

52


EEN MORS HUIS

opspringen, begon hij nu in golven over te geven. Zijn

ogen waren gesloten, twee smalle spleetjes in een groot

rood vertrokken gezicht.

Toen Harry eindelijk uitgespuugd was, rolde hij een paar

keer om zijn as naar beneden, tot hij op het koele beton van

de landingsbaan lag. Daar bleef hij een tijdje bewegingloos

liggen, kwam toen langzaam overeind, slikte een paar keer

nadrukkelijk, spoog op de grond en zei: 'We gaan naar huis,

rij jij maar...'

Op de terugweg kwamen we de vroege marktgangers nog

tegen. Ditmaal groetten ze ons, in koor en bijna uitbundig.

We kenden elkaar nu.

53


feest in de jachtclub

TOEN IK, na de middagpauze, het kantoor binnenliep

vertelde de secretaresse van de baas mij dat er voor mij gebeld

was door meneer Harbraken. Zij sprak de naam Harbraken

met enig ontzag uit. In de Nieuwguinese ambtenarenwereld

vervulde hij - zeker voor haar - een topfunctie.

De telefoontjes die voor mij doorkwamen waren in haar

ogen meestal niet zo belangrijk. Sterker nog, het waren

meestal maar rare orangs die voor meneer Schoondermark

opbelden, maar het telefoontje van vanmorgen was er één

van een echte toewan baar, meester Harbraken, van de gouvernementssecretarie.

Wat later had ik hem via wat lagere goden aan de lijn. Zijn

stem klonk, zoals gewoonlijk, uitgelaten en joviaal.

'Schoondermark, wat fijn datje zo vlug terugbelt! Luister

eens, je weet natuurlijk dat zaterdag over twee weken het

grote feest begint ter gelegenheid van het afscheid van Jan

Rooswinkel. Daar zul je wel het een en ander over gehoord

hebben.'

Maar ik was - na een lang tournee - net weer twee dagen in

de hoofdstad, en had dus nog niets goed gehoord.

'Nou, meneer Harbraken,' onderbrak ik hem, 'ik ben net terug

van de Waroppen en weet nog van niets...'

'Oh nou, je weet natuurlijk wél dat Jan Rooswinkel en zijn

vrouw in al diejaren dat ze op Nieuw-Guinea hebben gezeten,

ontzettend veel voor onze club hebben gedaan. Echt,

54


FEEST IN DEJACHTCLUB

ontzettend veel! Wij willen ze als dank een daverend afscheid

geven, 's Middags een grote autorally, en 's avonds

een geweldig feest in de Jachtclub, waar natuurlijk iedereen

komt...'

Iedereen behalve ik, dacht ik, maar hij ratelde door: 'We

hebben allerlei attracties, een goede band en in de tuin van

de club een groep Papoea-dansers uit Sentani. Het wordt

iets groots! De gouverneur komt zelf ook nog even...'

'Lijkt me enig, énig!' zei ik wat mat in de zwarte hoorn.

'Wat zegje?' vroeg hij.

'Nee, niets bijzonders, gaat u door. Maar ik begrijp niet

goed wat IK met dat afscheid van Rooswinkel te maken heb.

Ik ben niet eens lid van de Jachtclub!'

'Nee, dat hoefje mij niet te vertellen,' riep hij uit, alsof hij

me dat echt kwalijk nam. 'Maar we zouden graag willen dat

jij die avond foto's maakte. De kwestie is...'

'Dat mag ik niet,' viel ik hem in de rede, 'we hebben laatst na

een enorme ruzie over die fotobedoening duidelijk afgesproken

dat wij als amateurfotografen geen foto's zouden

nemen van festiviteiten, als dat ook gedaan kon worden

door beroeps. Belt u Charles Tol maar op, of Frans van Lingen.

Wij, als ambtenaren, meneer Harbraken, mogen hen

het brood niet uit de mond stoten. Zo luidt de afspraak, en

ik hou mij aan afspraken, zelfs op Nieuw-Guinea.'

'Toe, Schoondermark, hou je geestigheden voor je, wil je?

Van die afspraak ben ik al lang op de hoogte. Ik zit hier wat

langer dan jij, beduidend langer, denk ik, en ik heb meer

met dit bijltje gehakt. Met Frans van Lingen doen we geen

zaken meer. Dat gaat jou verder niets aan, maar zo is het nu

eenmaal, en Charles is op die datum in Sorong. Iets doen

voor de Shell. Trouwens, hij was het zelf die jou aanbeval,

55


EEN MORS HUIS

dus wat dat betreft is er geen vuiltje aan de lucht. Je moet

niet altijd zo vlug zijn met antwoorden, als ik je een goede

raad mag geven.'

'Dat mag,' antwoordde ik, 'maar ik weet zelfs niet of ik wel

kan, want er staat, geloof ik, rond die datum een tournee

voor de deur.'

'Oh, maar dat regel ik wel even met je baas,' riep hij met een

opgewekt toontje in zijn stem, 'één telefoontje aan de grote

Peter Marcks en we zetten dat tournee van jou op een later

tijdstip. Dat doet-ie best voor Jan Rooswinkel...'

WE zetten, dacht ik wat bitter, godverdomme, WE zetten...

zo regelen de referendarissen de zaken op Nederlands

Nieuw-Guinea...

'Maar, meneer Harbraken,' ging ik verder, 'is er nu echt in

heel Hollandia - deze beautiful city ofnonsense - niet iemand

anders die de hele avond in de Jachtclub met een fototoestel

op zijn buik wil lopen?'

'Oh, genoeg, mijn jongen, genoeg, en zelfs mensen die een

stuk aangenamer zijn dan jij, maar die maken niet zulke

goede foto's. Haha! Werk nu eens een keertje mee. Desnoods

contre coeur. Trouwens, je doet het niet voor niets.

Je drinkt gratis, dat spreekt vanzelf, je krijgt transport voor

je apparatuur en verder doen wij - ik bedoel natuurlijk Tip,

mijn secretaresse - de hele administratie. Je geeft haar de

genummerde negatieven op en jij krijgt van haar later keurig

de bestellingen door. Zeg nu eens gewoon "ja dat doe

ik" en doe niet altijd zo verdomd exclusief...'

Exclusief, dacht ik, wie is er hier nu exclusief? De voorzitter

van de Jachtclub te Hollandia, meester Jean-Paul Harbraken,

of de landbouwambtenaar, bezoldigingsregeling

landsdienaren Nieuw-Guinea schaal n, Frank Schoondermark?

56


FEEST IN DE JACHTCLUB

Maar wat deed het er allemaal toe? Trouwens, ik had geld

nodig, en betalen zouden ze!

'Goed, meneer Harbraken,' antwoordde ik hem, 'laat ik

eens een keer gewoon "ja" zeggen. Transport heb ik zelf.

Vrij drinken doe ik graag, dat weet heel Nieuw-Guinea -

van Sorong tot Merauke - dus sta ik zaterdag over twee

weken met mijn Rolleiflex om zeven uur precies in uw club.

Dat kost u dan, los van de bestellingen, zo'n honderdvijftig

gulden, all in...'

'Fantastisch,' zei Harbraken opgelucht, 'ik wist wel datje

het zou doen. Maar jij begint altijd met "nee" te verkopen,

daar had Peter Marcks mij al voor gewaarschuwd. "Djoewal

mahal" - duur verkopen - noemden wij dat vroeger in Indië.

Haha...'

'Ja, meneer Harbraken, djoewal mahal, zo noemen we het

hier ook nog steeds, maar ik zal er zijn. Alles is geregeld en

goed afgesproken. Dag meneer Harbraken...'

Hij riep nog wat, maar ik legde snel de hoorn op de haak.

Zelfs aan de buitenkant van de Jachtclub was te zien dat een

geliefd sooslid afscheid zou nemen. Voor het gebouw drie

rijen dik auto's met achter de voorruit een groot nummer -

de rally was kennelijk niet al te moeilijk geweest - en boven

de toegangsdeuren een spandoek 'Nou tabehjan!'

Nadat ik in de foyer mijn foto-apparatuur in gereedheid

had gebracht liep ik de grote zaal in. De eerste die ik zag •was

Charles Tol, die aan de ingang alle binnenkomers stond te

fotograferen.

'Wel, godverdomme,' riep ik luid, 'wat doe jij hier Charles?

Je zou in Sorong zijn bij de Shell, en ïk zou hier de foto's maken.'

57


EEN MORS HUIS

Hij keek me onthutst aan. 'Verrek, Frank, heeft Harbraken

jou dan niet opgebeld? De reis naar Sorong is een week uitgesteld

en toen ik dat hoorde heb ik Harbraken...'

Ik liet hem niet uitspreken en liep de zaal in op zoek naar

Harbraken. Deze stond, naast het grote podium, met wat

mensen te praten.

'Meneer Harbraken,' riep ik uit, 'wat is dat, verdomme,

voor een manier van doen? U vraagt mij twee weken geleden

om foto's te maken. Ik zeg dat ik moeilijk kan en geen

zin heb en ik kom hier... wie staat daar te fotograferen?

Charles Tol! Wat is dit nou toch weer, godbetert...'

'Ach, god, Schoondermark,' riep hij wat bedremmeld uit en

sloeg zich theatraal op het voorhoofd. 'Jezus, wat stom van

me! Ik heb je helemaal vergeten te bellen. Ik had je natuurlijk

moeten waarschuwen, maar ik heb het ook zo druk gehad,

zo verdomde druk...! Hè, wat vervelend nu.'

'Ja, Charles is nu eenmaal lid van de club en ik niet, nietwaar?'

'Toe nou, Schoondermark,' viel hij mij in de rede, 'maak

toch niet meteen zo'n kabaal. Ik ben het betoel-betoel vergeten.

Mijn excuses. Leg de boel maar weg en ga meefeesten.

Het spijt mij echt ontzettend! Je wordt natuurlijk betaald!'

Ik wilde nog wat terugzeggen, maar wist meteen dat het

niet de minste zin had, draaide me om en liep naar de bar,

achternagelopen door Charles Tol.

'Sorry, Frank, ik wist het echt niet hoor! Laten we samen

doen, ik doe de binnenkomers en de toespraken, en jij later

het dansen en de bingo! We kunnen Harbraken toch ook samen

een poot uitdraaien!'

'Goed Charles,' riep ik zonder er al te veel bij na te denken,

'ik ga vast beginnen met hem een poot uit te draaien bij de

bar...'

58


FEEST IN DEJACHTCLUB

Gelukkig zag ik Jaap Moreelse zitten, een jurist van het bureau

Wetgeving, de enfant terrible van Hollandia, die met

een stierevaart overal tegenin ging, en befaamd was om zijn

talrijke perkara's - van die Indische kwesties die schijnbaar

om niets gingen, maar die 'om de eer' moesten worden uitgevochten.

Jaap zou mij zo bedelven onder een stortvloed van woorden,

anekdotes, verdachtmakingen en sterke verhalen, en

dat kwam mij eigenlijk bijzonder goed uit.

De Papoea-bediende achter de bar knikte kort met het

hoofd en trok vragend de wenkbrauwen op.

'De naam is Schoondermark,' zei ik op een wat patserig

toontje, 'de drank is een dubbele whisky met veel ijs, en degene,

die dat allemaal zal betalen is Toewan Kandjeng - de

Edelhoogachtbare Heer - Harbraken, maar die kenje ongetwijfeld.'

Hij antwoordde gelukkig niet, haalde even een schouder

op, keerde zich abrupt om en ging mijn bestelling klaarmaken.

Even later stond hij weer achter de bar, onbeweeglijk

te staren naar de deinende massa in de zaal.

In zijn zwarte gezicht glansden de ogen, zo nu en dan

oplichtend door het flitslicht van Charles Tol. Ik draaide

me half om en zag Charles druk gebarend om de paren heen

lopen. De ellende, dacht ik, tientallen keren zo'n belangrijk

mannetje met een bijbehorend belangrijk vrouwtje in het

matglazen kadertje vangen, instellen, afknippen, transporteren

en wachten op de volgende.

Straks, als de gouverneur werkelijk zou komen, zou de

ramp nog groter worden. Iedereen zou de man proberen

aan te spreken in de hoop dat de fotograaf binnen handbereik

was.

59


EEN MORS HUIS

Wat drijft deze mensen toch? Waarom gedragen ze zich zo

lullig? Ze zijn hier toch ook eens - redelijk onbevangen -

aangekomen met een paar, desnoods hele kleine, ideaaltjes?

Waarom worden ze zó, en vooral, waarom worden ze snel

zo? Ik gleed van de barkruk af en liep op Jaap Moreelse af.

'Jaap, waarom doen al die mensen toch zo besodemieterd?

De meesten komen hier toch met gewone Hollandse

ideeën. Na een paar maanden ken je ze niet meer terug. Die

dikke kroppen alom, die koloniale maniertjes, altijd over

"grafnegers" spreken als ze Papoea's bedoelen. Waarom

doen ze hier zo anders dan vroeger in Wijk bij Duurstede?

Wat is dat toch, Jaap?'

'Heel simpel,' zei Jaap, en draaide zich naar mij toe, 'ik kan

je dat precies vertellen, da's niet zo moeilijk.'

Goed zo, dacht ik, Jaap zou met zijn juristenaplomb de zaak

eens even fijn uit de doeken doen.

'Het is die verdomde ambtelijke molen die hier iedereen kapot

maalt. Alles gaat hier toch nog altijd op zijn Nederlands-

Indischl De wetgeving, de manier van werken, en vooral de

manier van met elkaar omgaan. De mensen, die uit Nederland

zijn uitgezonden, die veelgeroemde UITGEZONDEN

KRACHTEN - meestal nauwelijks krachten te noemen -, verdienen

wel een veelvoud van wat ze in Nederland in het

handje zouden krijgen. Dan ga je toch al gauw geloven dat

je écht geweldig bent. Al helemaal, als je tegenover je de Papoea's

vindt, nog levend in het Stenen Tijdperk, en van hun

gezond niet afwetend. Of de grote groep Indo-

Europeanen, die LOKAAL aangetrokken arbeidskrachten, die

een schijntje verdienen, maar die toch stuk voor stuk veel

beter weten dan jij of ik hoeje kajoe poetih moet verbouwen,

of welke vis een beetje duurzaam te conserveren is. Maar ze

60


FEEST IN DE JACHTCLUB

hebben toch maar te doen wat die blanke uitgezonden

kracht goed dunkt, al heeft die nog nooit een klapperboom

van dichtbij gezien. Dat levert toch belachelijke toestanden

en belachelijke lieden op. Zonneklaar!

Maar ook die Hollander uit Wijk bij Duurstede wordt op

zijn beurt weer gediscrimineerd. Aan iemand zijn huis kun

je hier zien wat-ie verdient. Woningtype i - 130 vierkante

meter - voor de hogere goden; woningtype 11 - honderd

vierkante meter - voor de wat mindere goden, en dan woningtype

in - krap tachtig vierkante meter - voor het gewone

volk, ook al hebben ze tien kinderen. Goed, de tijd

van de Indische soos met aparte tafeltjes voor vijfhonderd

en voor duizend gulden maandsalaris is voorbij, maar de

jonge bestuursambtenaren moeten toch nog altijd op de

feestjes van hun baas de koffie rondbrengen. De man die het

hier ver zal schoppen is toch de man, die de brieven aan hem

gericht terugzendt omdat hij niet 'Weledelgestreng' is,

maar 'Hoogedelgestreng'. Discriminatie, mijnjongen, vanaf

de dag dat ze hier voet aan wal zetten en daar krijg je dikke

kroppen en koloniale maniertjes van... Maar, Frank, wat

doe je getergd? Hebben ze je weer eens op de ziel getrapt?

Spreek vrijuit, Japie noemt nooit namen, hooguit initialen,

en da's hier duidelijk genoeg voor die paar honderd mensen.'

Ik vertelde hem kort wat er gebeurd was.

'Moet jeje daar nou zo druk om maken?' vroeg hij verbaasd,

'in dit land hangt toch alles als los zand aan elkaar; het gaat

er toch om datje plannen maakt, liefst véél plannen; en géén

afspraken, vooral geen afspraken. En dat bedoel ik niet eens

zo vals als het klinkt. Omdat vliegtuigen en boten toch niet

op tijd vertrekken en aankomen vervallen op Nieuw-

61


EEN MORS HUIS

Guinea toch honderden afspraken, nietwaar? Jouw tournee

is met een pennestreek verzet, net zoals de tournee van

Charles voor de Shell met een pennestreek werd verzet...

Zo werkt dat hier toch, wat krijgen we nou? Nee Frank, dan

had je in Holland moeten blijven, waar de treinen altijd op

tijd rijden. Weetje, vaak ben ik blij dat ze hier niet rijden,

die nette Hollandse treinen... Hij zweeg even.

'Het is hier toch net de Middeleeuwen. Vroeger dacht ik dat

de schilder Jeroen Bosch een knap ongebreidelde fantasie

had. Maar niks hoor, in dit land van Jeroen Bosch zie je dagelijks

zijn gedrochten om je heen, letterlijk en figuurlijk...

En wat geeft het allemaal?

Luister nou, dit is toch een schitterend land! Watje hier om

je heen ziet, dat is toch gewoon niet na te vertellen. Die

tournee vanjou laatst, die lange trage vuilbruine Mamberamo-rivier

af, into the heart ofdarkness, zo'n kans krijg je toch

nooit meer? Dat was toch iets geweldigs!

En Frank, voor je het weet is het voorbij. Het duurt hier

ook niet eeuwig. Vandaag of morgen worden wij hier ook

uitgeflikkerd! Nederlands-Indië exit, maar ook Nederlands

Nieuw-Guinea wordt een keer exit, en dan heb jij het allemaal

meegemaakt. Wat maak jeje nou druk om een niet nagekomen

afspraak!'

Hij draaft door, dacht ik, grandioos door, of was ik het zelf

geweest die de zaak onnodig op de spits gedreven had?

'Jaap, je bent geweldig!' riep ik, net iets te luid, 'ik zie het al

staan in je proefschrift als twaalfde stelling: "Het verdient

aanbeveling dat ontwikkelingswerkers zich terdege verdiepen

in het 'werk van Jeroen Bosch alvorens zij afreizen

naar de derde wereld".'

Hij lachte wat verlegen, en draaide zich abrupt om.

62


FEEST IN DE JACHTCLUB

Ik bestelde een dubbele whisky en liep naar buiten waar

Papoea-dansers uit Sentani bij het licht van fakkels in een

grote kring dansten.

Ze waren prachtig beschilderd en de paradijsvogelveren

golfden in hun dikke kroeshaar. Door de flakkerende vlammen

van fakkels lichtten de helle kleuren onregelmatig en

flitsend op.

Het eentonige gezang werd begeleid door korte roffels op

de handtrommels. De harde dansmuziek die uit de zaal

kwam leek de dansers niet te deren. Ze hadden niets van de

wilde negerstammen die wij in het Westen kenden van documentaire

films. Integendeel, ze liepen haast afgemeten en

rustig hun rondjes, en zongen ingehouden en vrij monotoon

hun teksten.

Had Jaap Moreelse dan toch gelijk? Was het eigenlijk niet

prachtig datje vanuit de zaal met harde westerse dansmuziek

in nog geen vijftig passen bij een Papoea-dansgroep

kon zijn, die daar op dat strookje gras ook dansten, maar

helemaal naar eigen en vooral oeroude Jeroen Boschmaatstaven?

Toen ik terugkwam in de zaal sloeg de hitte mij tegemoet.

Mijn plaats aan de bar was nog onbezet, en na een kort

handgebaar stond er weer een whisky voor me klaar. Een

roffelend slotaccoord maakte een eind aan het dansen en

Harbraken beklom het podium. Toen de zaal eerbiedig

zweeg maakte hij bekend dat enkele leden van de Jachtclub

het echtpaar Rooswinkel wilden toespreken.

'Het grote strooplikken kan een aanvang nemen,' zei ik wat

plechtig en halfdronken voor me uit.

Charles Tol liep al springerig heen en weer, het fototoestel

63


EEN MORS HUIS

in de aanslag. De bar liep leeg en iedereen verzamelde zich

rond het podium. Toen rinkelde achter de bar luid en duidelijk

een telefoon.

De bediende nam de hoorn van de haak en keek vrijwel meteen

verschrikt de zaal in, naar de menigte voor het podium.

'Bagaimana,' hoorde ik hem zeggen, 'si Rudy akan datang ke sini

- wil Rudy hier naar toe komen?'

Hij was, of echt geschrokken, of begreep de boodschap niet

helemaal, want met de hoorn vooruit gestoken in de hand

vroeg hij me of ik het gesprek wilde overnemen.

Aan de andere kant van de lijn hoorde ik het hoge en zenuwachtige

stemgeluid van Tek Ho Tjan, eigenaar van een

Chinees restaurantje in de binnenstad. Ik kwam er wel eens,

en Tek Ho Tjan was kennelijk erg blij dat hij mij aan de lijn

kreeg.

'Meneer Frank,' riep hij met overslaande stem, 'pas toch

goed op daar in de Jachtclub! Meneer Rudy wil naar jullie

feest gaan om te vechten. Samen met meneer Fred en meneer

Tjanga. Zij willen daar nonna Willy weghalen, die op

het feest moet zijn. Maar meneer Rudy is al goed mabok -

dronken - en u weet, dat wordt dan altijd vechten...'

In korte gejaagde zinnen vertelde hij mij wat er gebeurd

was. Rudy en zijn vrienden waren zo'n twee uur geleden bij

hem binnengevallen en hadden stevig doorgedronken. Meneer

Rudy had het voortdurend over nonna Willy gehad -

zijn vriendin töh? - die niet thuishoorde op zo'n feest van de

Jachtclub. En op het laatst hadden ze geroepen dat ze Willy

zouden gaan halen! Kort daarop waren ze met veel kabaal

op hun motoren gestapt. En dat zou wel eens vechten kunnen

worden, riep Tek Ho Tjan, die kennelijk bang was voor

zijn vergunning, als bekend zou worden waar Rudy dan zo-

64


FEEST IN DE JACHTCLUB

veel gedronken had... Meneer Rudy had immers al vaak

voor zulke vechtpartijen in de boei gezeten.

Ik recapituleerde snel. Als ze dus zo'n vijf minuten geleden

uit de binnenstad waren weggereden, dan konden ze over

een kwartier hier zijn. Verdomd, dat zou inderdaad een

mooie vechtpartij kunnen worden. Een hele zaal vol blanke

heren tegen drie Indische jongens...

'Goed, Tek Ho Tjan,' hoorde ik mezelf zeggen, 'ik waarschuw

meneer Harbraken wel en dan moet die de politie

maar laten komen. Goed goed, bedankt voor de boodschap!

Zonder de hulp van Chinezen hadden we in het vroegere

Nederlands-Indië ook nooit zoveel bereikt, nietwaar? Tabé

en slamató...?

Toen ik ophing zag ik dat de toespraken nog steeds aan de

gang waren. Na iedere woordspeling of vermeende geestige

uitspraak lachte de zaal uitbundig, gevolgd door een

lang en klaterend applaus.

Wat een ranzig gedoe, dacht ik, zo'n feest in de Jachtclub

van Hollandia. jACHTclub, wie jaagt er nu op wie? Straks

zou het er wel anders toegaan, als de échte jagers binnenvielen:

Rudy, Fred en Tjanga.

Zij toch waren de echte jagers, die, om hun overvolle

woonbarakken te ontvluchten, hele weekends in de bossen

in het achterland doorbrachten om op de, daar sporadisch

voorkomende, wilde zwijnen te jagen.

Ik moest Harbraken meteen waarschuwen, vond ik, maar

onmiddellijk er achteraan dacht ik 'waarom ook eigenlijk'.

Waarom zou ik? Wat leven in de brouwerij kon geen

kwaad. Waarom zou ik Rudy niet gewoon laten komen?

Waarom liet ik ze niet lekker rauzen en de boel kort en klein

slaan?

65


EEN MORS HUIS

Trouwens, wie zou Rudy wat terug durven doen? En Willy

hoorde hier toch ook niet, met haar Indo-vader en Ambonese

moeder! Misschien hoorde ze als leerlinge van de

tweede klas Gouvernements-MULO Hollandia ook niet zo

erg bij Rudy, de koning van de Deta-jongens, maar in de

Jachtclub van de uitgezonden krachten zeker niet.

Ach, laat ze maar komen, dacht ik. Laat die Harbraken maar

eens echt op zijn bek gaan. Dat stupide gedoe van 'Nou tabéh,Jan...

Trouwens, zo'n vechtpartij op je afscheid zou toch weer op

en top Nieuwguinees zijn!

Een afscheid met zoveel tumult, dat kon toch ook alleen

maar hier, zou Jaap Moreelse dan later weer kunnen zeggen,

in het land van Jeroen Bosch! Rudy zou opgewekt een

paar weken gaan zitten brommen in wat hij tegenover mij

eens de 'djeel' noemde.

Rudy, de koning van de Deta-jongens.

De Deta-jongens: dat waren de Indo-jongens, die, na de overdracht van de

souvereiniteit aan Indonesië als een soort arbeidsleger naar Nieuw-Guinea

waren toegezonden 'om het land te helpen opbouwen'.

Zij hadden klinkende Hollandse namen als Van der Veen en Termorshui-

zen, maar uiterlijk waren ze vaak moeilijk van Indonesiërs te onderschei-

den.

Die Hollandse naam was eigenlijk het enige wat aan die verre Hollandse

voorvader deed denken, maar generaties Indonesische moeders en grootmoe-

ders hadden hun gedrag, houding en taal ingrijpend veranderd.

Zo ingrijpend dat het voor een gewone Hollander moeilijk te zien was of hij

te maken had met Indonesiërs of Indische jongens.

Maar juist dat Indonesische uiterlijk was veelal de reden dat ze hier op

Nieuw-Guinea rondliepen.

66


FEEST IN DE JACHTCLUB

Veel van die jongens hadden tijdens de militaire acties op Java en Sumatra

hand- en spandiensten vervuld voor het Nederlandse leger.

Meestal hadden ze, vermomd als gewone dessalieden, inlichtingen verza-

meld over Republikeinse troepenbewegingen, of hadden Nederlandse pa-

trouilles - serdadoe soesoe - melksoldaten zeiden ze geringschattend -

door het voorterrein geloodst.

Een van mijn landbouwopzichters, die in ïgjo hier als Deta-jongen was ge-

komen, vertelde mij eens in een vertrouwelijk gesprek dat hij een keer een

Nederlandse patrouille naar een dorpsschooltje had gebracht, waar een pe-

loton Republikeinse soldaten lag te slapen.

Hijzelf had de twee schildwachten eigenhandig gedood, en de Hollandse

soldaten hadden (gampang -gemakkelijk - tochFrank, als ze slapen) met

brenguns vurend vanaf de heup een massaslachting aangericht.

Door de hoge premies op zulke gevaarlijke missies en veel lucratieve zwarte

handel waren zij op den duur een soort vrijbuitersleger geworden met een

eigen soort fantasie-uitrusting, een meestal zwarte uitmonstering, en eigen

transportmiddelen.

Motorfietsen en niets anders (géén auto, Frank, je kon er immers niet uit als

er wat gebeurde) waren op Nieuw-Guinea nog steeds hun favoriete trans-

portmiddel.

Maar toen in december ïgqg de Grote Overdracht had plaatsgevonden was

er een definitief einde gekomen aan hun uiterst gevaarlijke, maar o zo vrije

leventje.

De Nederlandse Vertegenwoordiger in Batavia had met de jongens in de

maag gezeten, omdat de meesten van hen, naar de letter van de wet, niet

eens de Nederlandse nationaliteit bezaten.

Alleen de Indonesische overheid was metsteeds meerklemgaan aandringen

op uitlevering van een aantal van hen.

Vooral door dat laatste waren de meesten gezwicht voor de. aanbieding van

de Hoge Vertegenwoordiger; een snelle en stille aftocht naar Nieuw-

Guinea, met garanties voor huisvesting en werk.

Daarom waren ze nu met tientallen lotgenoten gehuisvest in die gigantisch

67


EEN MORS HUIS

grote opslagloodsen van het vroegere Amerikaanse bevnjdtngslegtr

De eerste keer dat ik zo'n Deta-barak binnenging staat me nog helder voor

de geest Nooit eerder zag ik iets, dat zogeleken had op het Japanse interne-

nngskamp De houten britsen, de lange rijen smoezelige Mamboes, en aan

het hoofdeinde van ieder 'bed' de kastjes met keukengerei en kleding Alleen

was ik hier de vreemde indringer geweest, die - om zijn blonde haar - met

de grootste argwaan werd bekeken

Ze hadden het slecht gedaan, meldden de dikke rapporten van de Dienst

Sociale Zaken Nederlandse onderzoekers hadden vastgesteld dat zij 'nau-

welijks vakbekwaam' waren geweest en dat hun houding tegenover de uit-

gezonden Nederlandse krachten, en vooral tegenover Papoea's, 'zéér laak-

baar' was geweest

Alsof hun houding met altijd 'laakbaar' was geweest, vanaf het moment

dat de Hollandse KNiL-soldaat eeuwen geleden bij een bruine vrouw kinde-

ren verwekte, die voor de schopstoel geboren werden

Vooi het slavenwerk dat de meesten van ie Deta-jongens moesten verrich-

ten - schepen laden en lossen, zand en grint rijden, wegen asfalteren en an-

dergrondwerk - was niet zo veel vakbekwaamheid nodig Spierkracht, uit-

houdingsvermogen en kunnen leven op een handjevol rijst met een zout vis-

je waren belangrijker

Dat Spartaanse leven sloot op een vreemde manier wonderwel aan bij deze

oud-strijders in de ware betekenis van het woord Het recht van de sterkste

gold voor hen met een ijzeren wetmatigheid, praten was iets voor keetjes,

alleen geweld was afdoende

DBTA stond eens voor Dienst Economische en Technische Aangelegenhe-

den, maar economisch waren de jongens nooit geweest, technisch wel, dat

bleek uit hun leger van perfect onderhouden grote glimmende motoren De

rest van hun maandloon ging op aan kleding en grammofoonplaten Uit ad-

vertenties van 'Esquire' en 'Playboy' bestelden ze via Singapore glimmende

halters, cowboylaarzen met veel koperbeslag, gespiegelde zonnebrillen en

andere attributen, die hun mannelijkheid een stoere glans moesten geven

Nu de oorlog op Java onherroepelijk voorbij was voerden de zachtzin-

68


FEEST IN DE JACHTCLUB

nigsten onder hen in Hollandia een soort plaatsvervangend cowboy spel op

De hoofdstad van Nieuw-Gumea was één groot 'High Noon' voor ze, met

veel stoere lotgenoten en vooral veel onbetrouwbare blanke shenffs

De blonde blauwogige dochters van de sheriff hingen als pinups uitdagend

boven hun nachtkastjes

'Grote kinderen,' zeiden de Nederlanders alh)d, ah ze Rudy met zijn vol-

gelingen op hun brullende motoren door de stad zagen rijden In rijen van

vier, zodat je er als automobilist maar beter aan deed deberm in te tijden en

te wachten tot ze voorbij waren

Rudy was hun ongekroonde leider Hij was klein en gedrongen, altijd in het

zwart gekleed en met lange donkerblonde lokken tot op de schouders

Ik mocht de jongens best en begreep die aangeboren haat tegen alles wat

Hollands was wel een beetje Met één was ik zelfs goed bevriend, en moge-

lijk daarom behandelden de meesten van hen mij met een wat neerbuigende

vriendelijkheid

Nog geen maand geleden had Rudy, nadat hij twee weken geleden in de ge-

vangenis had gezeten omdat hij de havenmeester een kaakfractuur had

geslagen, mij in het restaurant van Entje Foe half-aangeschoten toever-

trouwd 'Geen zin meer, Frank, dit totland Ik verkoop mijn motor maar,

en ga sparen om naar Holland te gaan Die witte gladakkers, zoals JIJ, die

winnen het hier altijd Heus joh, altijd 1 '

Nog even, en ik zou Rudy zien staan met tientallen andere

witte gladakkers tegenover hem Misschien zou hij met

eens gaan slaan, zou hy Willy roepen, of haar gewoon by de

arm vatten en meetrekken naar buiten, haar op de motor

zetten en hard ronkend wegrijden

Maar de kans dat hy zou gaan vechten was natuurlijk veel

groter Zou ik Harbraken dan toch maar met waarschu-

wen 7

Ik deed het met, want één gedachte flitste plotseling met

grote kracht door mijn, al wat beneveld, brem. . nu zou IK

69


EEN MOtS HUIS

foto's gaan maken... actiefoto's van de koning der Dctajongens...

foto's zoals IK ze alleen zou willen maken van een

wreed verstoord feest in de Jachtclub...

Staande op de bar zou ik een prachtig overzicht hebben van

het slagveld dat hij, samen met Fred en Tjanga, zou aanrichten!

'Incident met Deta-jongens bij afscheid Jan Rooswinkel'

zou er in het krantje staan: 'Onze stadsgenoot R.M. - die de

twijfelachtige bijnaam "de koning van de Deta-jongens"

geniet - heeft weer eens van zich doen spreken. Zie bijgaande

foto's van Frank Schoondermark, die getuige was van

het incident'.

Getuige, ach nee; getuige, regisseur en producent tegelijk.

In 12 opnamen zou het hele verhaal verteld moeten worden,

want erg veel tijd om de camera opnieuw te laden zou ik wel

niet krijgen.

In 12 beelden het oude verhaal vertellen van hoe Rudy zijn

gelijk kwam halen, zijn historisch gelijk, zijn Indo-gelijk...

Het zou opnieuw een zéér laakbaar gelijk zijn, daar kon je

op rekenen!

Hoe zou de zaal reageren, en de jongens van de band? Dat

waren allemaal Deta-jongens en goede bekenden van Rudy.

Zouden ze Rudy te hulp komen?

Een langdurig applaus maakte een einde aan de reeks van

toespraken en de muzikanten pakten hun instrumenten al

weer op.

In de verte hoorde ik het steeds luider wordend gebrom van

motoren, telkens afgewisseld door harde knallen van de, op

dat effect afgestelde, knalpotten. Rudy, Fred en Tjanga, dat

kon niet missen...

70


FEESTINDEJACHTCLUB

Nog even en dan zouden ze daar binnenkomen. Op het

matglas van mijn zoeker zouden ze, hard omlijst door het

felle zaallicht, binnenstormen.

Ik sprong op de bar en begon met het instellen van de camera.

Even later kwamen ze inderdaad - naast elkaar lopend -

door de grote glazen deuren naar binnen ... Rudy, Fred en

Tjanga... Maar toch anders dan ik mij voorgesteld of beter

gezegd, gefantaseerd had, want toen ze eenmaal binnen waren,

stopten ze plotseling abrupt, en stonden wat onwezenlijk

en vooral beschonken in het felle licht te kijken.

De bezoekers stonden, wat napratend over de toespraken,

rond het podium aan het einde van de grote dansvloer. Die

geweldige dansvloer, glimmend als een grote vijver, overhuifd

met lampjes en lampionnen, moesten Rudy, Fred en

Tjanga eerst over als ze ook maar tot iemand het woord of

de vuist wilden richten. Deze grote goedgemutste zaal met

blanken in vol ornaat had kennelijk een heel andere uitwerking

op ze, dan zij in hun overmoed bij Tek Ho Tjan hadden

gedacht.

Vooral Fred en Tjanga keken duidelijk onzeker, alleen Rudy

stond wat bekketrekkend met felle ogen de zaal af te

spieden.

Plotseling zetten ze zich in beweging en begonnen de grote

dansvloer over te steken. Maar halverwege kwam op mijn

matglas uit het publiek een figuurtje naar hen toelopen.

Een klein en nietig mannetje, dat het drietal met een wat

deftig air tegemoet trad. Het was Van Zelle, bestuurslid van

de Jachtclub.

Ach God nééé, dacht ik, als Rudy hem maar niet gaat slaan,

hij is al zo klein en iel!


EEN MORS HUIS

Bijna in het midden van de dansvloer stonden ze nu tegenover

elkaar. Van Zelle druk gesticulerend en Rudy en zijn

secondanten in een bevroren pose. Rudy's gezicht leek een

grimas te worden. Met een vage glimlach op de lippen - of

was dat gezichtsbedrog - leek hij, zoals dronken mensen zo

vaak doen, héél gespannen en met toegeknepen ogen de

woorden van Van Zelle in zich op te nemen.

Het drong nu tot de zaal door dat er wat aan de hand was

daar midden op de vloer.

De menigte liep naar voren, een grijze haag die in de zoeker

van het fototoestel het rechtergedeelte van het matglas

langzaam opvulde. Een wat onzekere massa met vreemde

hoofd- en handgebaren...

Plotseling deed Van Zelle met een resolute beweging van

de schouders een stap naar voren.

Met een flitsend armgebaar duwde Rudy Van Zelle van zich

af, maar kennelijk met zoveel kracht dat deze tuimelend

achteruit schoot, en wat later als een bedremmeld kind onthutst

om zich heen kijkend op de glimmende dansvloer zat.

Met een korte sissende ademstoot reageerde de massa...

tssssss... Een hoge vrouwenstem gilde ergens snerpend

door de zaal.

Kleine blanke man gevloerd door de Koning van de Detajongens,

dacht ik terwijl ik gejaagd de film transporteerde

en opnieuw instelde. Van Zelle deed geen enkele poging

om overeind te komen. Toen werd het plotseling doodstil

in de zaal. Het getrommel van de Papoea-dansgroep in de

tuin werd een sinister soort achtergrondmuziek.

Daar stond hij dan, midden in beeld op mijn matglas, de

Koning van de Deta-jongens, Rudy Mohrbach, korte rijlaarsjes

met veel koperbeslag, een fel glimmende zwartzij-

72


FEEST IN DEJACHTCLUB

den broek met uiterst dunne pijpen; daar overheen een lang

paars fantasiehemd met veel franje langs de zomen, het

hoofd omhoog in een wat stoere pose.

Desondanks leek hij toch meer op een wat sjofele dompteur

van een tweederangs circus, met vóór hem de rij roofdieren,

bang en gespannen wachtend op het knallen van de

zweep.

Was Rudy nu echt niet bang, flitste het door mij heen, de

witte gladakkers zouden toch altijd winnen...

Waarom trok hij Willy niet gewoon uit de haag van mensen

en reed met haar terug naar de binnenstad?

Aan de zwijgende krachtmeting kwam plotseling een einde

toen Rudi het hoofd nog verder achterover gooide en met

lange uithalen schaterend begon te lachen, alsof hij besefte

hoe belachelijk de situatie eigenlijk was!

Rudy Mohrbach, bulldozerdriver bij de Dienst van Waterstaat

en Opbouw, met de Jachtclub aan zijn voeten...

Die foto is na dertig jaar nog steeds van een grote raadselachtigheid:

die dichte grauwe haag van witte overhemden,

zwarte vlinderdasjes en blanke decolletés aan de ene kant,

en daar tegenover dat lachende figuurtje met zijn twee, wat

bangelijke secondanten.

Maar de lachbui van Rudy werkte elcktriserend op de zaal;

mensen begonnen mee te lachen en te applaudisseren, en

met krampachtige golfbewegingen ebde de spanning weg

uit de grijze haag van toeschouwers.

Toen maakte zich uit de menige opnieuw een figuurtje los.

Verdomd, het was Harbraken zélf- bang was hij niet, die

schreeuwlelijk - die met afgemeten pasjes op Rudy toeliep,

maar halverwege van gedachten leek te veranderen. Hij

stopte, wendde zich een halve slag naar rechts, en riep luid

73


EEN MORS HUIS

naar de band: 'Muziek, jongens, vooruit spelen, SPELEN!'

Het werd opnieuw doodstil.

'Wat nou spelen,' riep Rudy, 'dat maak jij toch niet uit, totok

keröh - vuile witte - met je grote zwarte Chrysler-auto en je

chauffeur. Als ik zeg NIET SPELEN, dan spelen zij niet. Wat

dach-je-wat?'

De mensenmuur achter Harbraken leek bevroren, maar alweer

stapte uit de schuine streep mensen op mijn matglas

een figuurtje naar voren. Het was een jonge, lange vrouw -

ze kon hier nog niet lang zijn want haar huid was onnatuurlijk

wit - het asblonde haar golvend op de half blote rug.

Met lange soepele passen - bijna zwevend en heel elegant -

liep ze op Rudy toe. Ik fotografeerde als een razende. Ze

bleef recht voor hem staan, boog zich wat voorover - ze

was bijna een hoofd groter dan Rudy - en legde toen heel

behoedzaam de hand op zijn linkerschouder. Met gespitste

lippen leek zij hem nu iets te vragen.

Rudy stond enkele momenten roerloos, het hoofd nog

steeds geheven. Toen boog ook hij heel diep en zwierig, en

als een Zuidamerikaanse tangodanser bood hij de jonge

vrouw zijn arm aan. Met een korte hoofdbeweging wees hij

in de richting van de band en draaide zich een halve slag om.

De menigte week naar achteren toen Rudy en zijn partner

begonnen te lopen. Bij de band aangekomen legde Rudy zijn

arm om haar middel, opnieuw uiterst correct als gold het een

dansles... Toen zette de band in, alsof ze er op gewacht hadden;

een langzame versie van 'When you're smiling'.

Met buitengewoon elegante gebaren leidde Rudy de vrouw

over de dansvloer, hun voetbewegingen leken uit hetzelfde

patroon te zijn gestanst.

Weer begon iemand wat aarzelend te klappen en het ap-

74


FEEST IN DE JACHTCLUB

plaus zwol snel aan tot het klaterend alle hoeken van de

Jachtclub in Hollandia vulde, en door de grote achterdeuren

de baai inrolde en de onmetelijke ruimte erachter leek te

vullen. De mensen dromden nu de dansvloer op en Rudy en

de blonde vrouw gingen langzaam onder in een zee van

draaiende lijven, die mijn hele zoeker vulde.

Het drong plotseling tot mij door dat ik nog steeds op de

bar stond met het fototoestel in de aanslag. Snel sprong ik er

af, en voelde me grenzeloos belachelijk.

75


mensen vm vlees en bloed

HANGEND OVER DE RELING van het kleine motorschip

midden in de baai zei ik hardop: 'Dag, Hollandia,

dag Nieuw-Guinea, dag Irian Barat! Ik heb de uitnodiging

van de Verenigde Naties maar aangenomen om te komen

op de ontvangstreceptie van de Hoge Vertegenwoordiger,

omdat ik nog één keer de stad wil zien, vanuit de baai,

's avonds...'

Nog één keer de stad zien. Hollandia zien en dan sterven.

Och nee, niet sterven natuurlijk... Gewoon gebukt verder

leven, ergens in Holland. Wat verloren gebukt staan op een

bushalte, schuilen voor wind en regen.

Dat wilde ik, nog één keer Hollandia zien, na vijfjaar

Nieuw-Guinea. Het was nu radicaal afgelopen. We hadden

het moeten teruggeven aan diegenen, die er een 'heilig'

recht op hadden, zeiden de Indonesische kranten. We waren

het kwijt, zei de staatssecretaris, maar we hadden het

grandioos goed gedaan... Maar dat was niet zo, betoogden

de functionarissen van de Verenigde Naties, die nu het heft

in handen hadden genomen. En die dit nu achter mij in de

salon van de plezierboot in vele talen en toonaarden herhaalden.

'In zevenhonderd talen lullen zij zich suf,' zei ik

•weer hardop.

Omdat de Hoge Vertegenwoordiger van de Verenigde Naties

hier voor enkele maanden zijn zetel zou vestigen hadden

ze me uitgenodigd. We kindly invite you\... You, Frank

76


MENSEN VAN VLEES EN BLOED

Schoondermark en nog een dozijn van die Nederlanders die

het zo slecht gedaan hadden. We kindly invite all of you...

Kindly, ze moesten wel. Want ik was ook nog correspondent

van een Frans persbureau en nauwelijks kind geweest

voor het wel en wee van de Verenigde Naties. Maar ik

hoorde er bij door die verdomde perskaart... Ik was er altijd

bij, altijd! Bij de aankomst van gigantische Hercules-vliegtuigen

vol met Indonesische ambtenaren. Bij persconferenties

van onduidelijke en onbeduidende Egyptenaren in

VN-verband. Bij het in zee gooien van Nederlands luchtafweergeschut

omdat het transport naar Nederland terug te

veel geld zou kosten. Het overboord zetten van tientallen

luchtafweergeschutten was een prachtige vertoning geweest.

Ze lagen nu hier in de baai, ruim tien kilometer verder, meters

onder de zeespiegel. Mooi groen luchtafweergeschut

tussen de Nieuwguinese koralen.

'Dag luchtafweer, dag peperdure luchtafweer.' Ik was

dronken en sentimenteel. Misschien had ik daarom wel de

uitnodiging We kindly invite you aanvaard. Om dronken en

met tranen in de ogen afscheid te nemen van Nieuw-

Guinea, 24 x groter dan Nederland en 24 x eenzamer dan

Nederland. Och Jezus, wat was ik vaak dronken geweest in

de afgelopen vijfjaren.

En ook nu was er gelukkig weer drank in overvloed.

Achter mij in de rooksalon van het koninklijke jacht 'Piet

Hein', nee, pardon, gouverneurlijkejacht 'Piet Hein', klonken

stemmen en muziek. Mijn God, wat een stemmen,

stemmen van naties die vereend zijn. 'God zegen de stemmen,

die vereend zijn,' ging ik weer verder. 'De baai van

Hollandia is groot. Het is - na de baai van Rio de Janeiro, de

77


EEN MORS HUIS

baai van Benkoelen en de baai van Banda Neira de mooiste

baai ter wereld!'

Vijfjaar lang was ik er bijna dagelijks langs gereden. Verdomd,

bijna dagelijks, net als vroeger met lijn zeven door

de Amsterdamse Kinkerstraat. Maar de baai was veel mooier.

Zo godvergeten mooi. Tegen de heuvels die de baai omzoomden,

nu ketens van lichtjes.

Het was allemaal voorbij, de geweldige ongein liep op zijn

eind. De meeste vrouwen en kinderen waren al weg en nog

maar een handjevol Nederlandse ambtenaren diende in VNverband.

In de exotische kroeg die Irian Barat heette, en vol

hing met peniskokers en schilden, was 'de hoogste tijd, heren'

geroepen. Niemand had het helemaal echt geloofd.

Zelfs president Soekarno van Indonesië niet, zeiden welingelichte

kringen. De kroeg had nooit veel voorgesteld,

maar drank was er altijd in overvloed geweest, en vooral zo

goedkoop, zonder weeldebelasting.

En verder is er niets aan te doen, dacht ik, helemaal niets.

Het herinnerde mij aan het afscheid van Java in 1946, zo'n

vijftien jaar geleden. Het enige wat mij van die gebeurtenis

nog voor de geest stond was het wegvaren van het troepentransportschip

met drommen mensen langs de reling, die

allen zwegen. Mensen die zwegen.

De lichtsporen van weggeworpen sigarettenpeuken. Ik

was zestien jaar toen, en het was al zo lang geleden, maar

wat ik zeker wist was dat niemand toen iets gezegd had.

Niemand van die honderden mensen aan bakboordzijde

van de 'Johan van Oldenbarnevelt'. Ik kan ook nu weer wat

sigarettenpeuken over de baai uitschieten, dacht ik, maar

het zal niets uithalen.

We zijn Java kwijt, we zijn Nieuw-Guinea kwijt, mijn va-

78


MENSEN VAN VLEES EN BLOED

der en het Onze Vader. We zijn volwassen. Het is de 'hoogste

tijd, heren'.

Dag allejezus mooie baai. Dag kampongs Tobati en Engros

links en rechts van de 'Piet Hein' in de nevelige verte. Kampongs

die ik zo vaak bezocht had, vroeger, eeuwen geleden,

als voorlichtingsambtenaar. De blanke man was de Papoea's

komen vertellen hoe zij door betere vismethoden gelukkiger

zouden kunnen worden, hoe zij door meer geld te

sparen gelukkiger hadden kunnen worden, en hoe zij door

meer vulpennen te dragen zo verdomd veel ongelukkiger

waren geworden. Maar dat is natuurlijk gelul, dacht ik.

In Tobati en Engros heb ik voornamelijk voorlichting gegeven

over anti-malaria-middelen. En daardoor zijn enkele

tientallen kinderen in de afgelopen jaren niet doodgegaan.

'Ik word sentimenteel,' dacht ik hardop. 'Op naar de bar,

naar de drank, naar de-géén-vrouwen.' Want de vrouwen

van de Verenigde Naties waren meestal aan gene zijde van

dertig, gelooid door de talrijke longdrinks. Zij waren niet

als Samantha, die ik hier zou moeten laten. Want Samantha

hoorde hier, in net zo'n gribus als die kampongs hier rond

de baai. Ragfijne tatoueringen op bovenarmen en kleine

borsten. Samantha Ajekop, oud zeventien jaar, geboren te

Sarmi, ongehuwd maar wél gebonden door een vroeger al

betaalde bruidsschat. Zwart, met hard springerig kroeshaar,

en zo lief. Als godzelve...

Op naar de bar, naar de Verenigde Naties, naar de discipelen

van de Vrede, naar het bier.

Buiten langs de reling voor de salon stonden groepjes mensen

te praten. Ik hoorde de stem van Michael Pommeroy

boven de anderen uit. Michael, tweede voorlichtingsfunc-

79


EEN MORS HUIS

tionaris van de Verenigde Naties, hij had vroeger bij de 'Times'

gewerkt, en wist precies wat er fout was gegaan in deze

barre landstreek, het vaderland van Samantha en die tien

kinderen waarvan ik het leven had gered, zonder volkerenbond.

Michael Pommeroy haatte mij en ik hem. Het eerste wat hij

gedaan had na aankomst in dit onderontwikkelde land was

een circulaire doen uitgaan dat de kantoren stipt om zeven

uur 's morgens zouden beginnen.

De band speelde een swing-versie van de spiritual Michael

rode the boat ashore. Ik begon mee te zingen: Michael rode his

boat ashore, Hallelujah. Michael rode his boat ashore, Hallelujah.

Michael is nothing but a bore, hallelujah, Michael is nothing hut a

bore, hallelujah... Michael is nothing more, hallelujah. Michael is

really nothing more. Hallelujah!

Ik wilde verder gaan maar was te beneveld om een aardig

derde couplet te vinden. Maar niets was zo erg als stilte. Ik

riep daarom met harde stem: 'Luister, collega-Nederlanders,

dat daar is Michael Pommeroy, ruim dertig jaar, bebrild,

staffunctionaris van de Verenigde Naties met het

Handvest in zijn achterzak, als een Jehovagetuige met zijn

bijbeltje... Michael nu, vrienden, leeft, eet, denkt, en wordt

zeer goed betaald, en verder is alles één pot nat voor hem.

Zwart is lief en blank is gek. Maar die misdeelde zwarte,

Michael, is niet zo'n klootzak als je denkt. Hij is een mens

van vlees en bloed en ook hij probeert zoveel mogelijk gebruik

te maken van de blanke.

Het zijn mensen van vlees en bloed, onze Papoea's hier ook

hoor. Ze doen niets wat hun niet bevalt, daar helpt geen

blank voorlichtingsambtenaartjelief wat aan... En hier staat

er een die het weten kan - dronken weliswaar - maar ik heb

80


MENSEN VAN VLEES EN BLOED

vijfjaren lang mijn ogen goed gebruikt. Luister, Britse lul

de behanger, we hebben hier ten onrechte gezeten; wij hebben

hier, als Hollandse kaaskoppen, niets op dit eiland te

zoeken. Het is van Indonesië als het 'van iemand' zou zijn,

en ze mogen dat godvergeten kale kloteneiland hebben.

Maar bij God, hou op om de Papoea met een zalvende toon

af te schilderen als een idioot die zijn ziel en zaligheid verkocht

voor wat kralen en een spiegeltje... Hij was wijzer, hé

lul, luister naar me, de Papoea was wel wijzer. Wijzer dan

ik, en zeker wijzer dan JIJ, United Nations Public Relations

Officer Number Two, o/British Extraction. Luister, ik heb nog

nooit een echt mooi voorouderbeeld kunnen ruilen voor

een spiegeltje. Ik heb er wel eens honderd gulden voor geboden,

maar niks hoor. Ach ja, ik had het kunnen jatten,

hoor ik je al roepen. Maar dan hadden ze toch wel gestampt

glas of iets anders door mijn eten gedaan. Weetje wat ze van

Mijjatten op mijn tournees? Mijn scheermesjes en mijn zakmes!

Daar was behoefte aan in de rimboe, want stenen bijlen

waren mooi maar onhandig. En dacht je dat ze zo'n zakmes

ruilden voor een stenen bijl? Ben je belazerd, man, ze

jatten het gewoon van je. En gelijk hadden ze. Maar wat

weet jij van de rimboe, united nothing...' Ik voelde plotseling

een zware hand op mijn schouder. Het was Horst Fischer,

een Duitse persfotograaf, die jaren later de Pulitzerprijs zou

krijgen in Vietnam. Maar die avond in de baai van Hollandia

was hij alleen nog maar Horst, een bierdrinkende Duitse

persfotograaf. Hij wendde zich driftig tot Michael en siste

hem toe: 'Michael Pommeroy, jij bent, en ik weet dat zo

verdomd goed, omdat ik er bij was, in de Kongo de man die

het bloedbad bij Woniba op z'n geweten heeft, omdat jij

nauwelijks enig benul had van watje aan het doen was.'

81


EEN MORS HUIS

Michael werd bleek, trok zijn lippen samen. 'Jij verdomde

Kraut, wat weet jij er van?' Michael begon te schreeuwen...

'God, zegen de baai,' riep ik, 'zegen Samantha, de drank en

Horst Fischer, vooral de laatste!'

Michael begon te stotteren. 'Jij verdomde fotograaf, wiens

enige zorg het is of er in een land koud bier is, moet mij niets

kwalijk nemen...'

'Niemand neemt jou hier aan het andere einde van de wereld

nog iets kwalijk. Maar ik die er bij was in de Kongo

weet beter. En daarom moet jij vanavond wel je bek houden,

begrepen...' Horst griste van de bar een groot glas met

bierworstjes en stak ze één voor één in zijn mond. Hij

gromde...

Michael trok fel met zijn mond en siste: 'Bier en worstjes,

dat is het enige wat hun leven beheerst.'

Horst begon bulderend te lachen... 'Bier en worstjes, wij

Hunnen! Beter dan thee en flegma. Jezus, flegma, noem het

stomheid. Honderden Kongolezen verloren het leven omdat

Michael Pommeroy, toen nog vijfde voorlichtingsfunctionaris

van de VN, zijn hersens, zijn gevoel, zijn verstand

en zelfs zijn Britse flegma niet gebruikte.'

Ik moet weg, dacht ik. Naar de brug. Dag zeggen tegen

Hollandia, tegen Hollandia-Binnen en Hollandia-Buiten,

tegen blank en zwart, tegen weemoed en bedrog, tegen alles.

Wat later stond ik op de brug. De Papoea-roerganger

had mij kort toegeknikt toen ik met moeite de steile trap

opkroop. Hij zei niets.

Hier sta ik, dacht ik, en ik kan best anders. Ach, Jezus, ja...

In de verte kwam een stel Papoea-vissers aan. Een twaalftal

prauwen met elk twee man aan boord. Op de voorplecht

van iedere boot een grote druklichtlamp die een scherp me-

82


MENSEN VAN VLEES EN BLOED

talig helder wit licht verspreidde, dat de vissen in het water

moest aantrekken. Achter de lamp stond de visser met een

werpspies in zijn hand. De vissen werden met een snelle beweging

aan de lange werpspies geregen en aan boord

gesmeten. Ze zouden daar op de bodem van de prauw nog

lang met klapperende staarten liggen stuiptrekken, dat wist

ik. Ik was eens mee geweest, zo'n hele nacht vissen met een

jongen van ons kantoor.

Het was een hele eigen werkelijkheid, dat inktzwarte water,

de suizende druklichtlamp op de voorplecht, die kleine

cirkel diepgroen water waar de aandacht van iedereen de

hele avond op gespannen was.

Zij kwamen nu deze kant op. Door mijn betraande ogen

werden de lampen grote vuurballen. Zij kwamen de kant

van de 'Piet Hein' uit, maar bleven op zo'n vijftig meter afstand

liggen. Het was immers de plezierboot van de gouverneur,

de grote blanke onderkoning. Papoea's zien ons

aan. Feestende blanken. Zie ons aan in het brandende

braambos van onze blanke eigenwaan.

Gelul, dacht ik wat grimmig, en liep het smalle trapje van de

brug weer af. Beneden op het dek stond Michael nog steeds

druk te praten. Hij was hoogrood aangelopen, de opmerkingen

van Horst Fischer moesten hem razend hebben gemaakt.

Zijn stem was hoog en hees. Hij heeft een kwade

dronk over zich, dacht ik, een zeer kwade Britse dronk... Ik

niet, ik heb geen kwade dronk, ik heb een lullige dronk. Ik

ga naar de brug en jank, zanik over Hollandia-Binnen en

Hollandia-Buiten, maar kwaad godnee, moe wel. Allejezus

moe...

'Hey you,' riep Michael plotseling mijn kant uitkijkend.

'Sorry Michael,' zei ik, 'vandaag niet, melkboer. Niet nu.

83


EEN MORS HUIS

Lul maar aan. Ik doe niet meer mee. Ik heb geen zin.'

'Maar ik wel,' riep hij, 'godvergeten Hollander. Daarnet

had jij zin met je Michael rode his boat ashore. En nu heb ik zin.

Want, Frank, al die damned praatjes van daarnet wissen het

feit niet uit dat jij hier een vorstelijk salaris verdient, watje

in Nederland nooit had kunnen verdienen...'

'The same for you, Michael, the same for you. Het gezeemde

voor jou, Michieltje... Maar wij hadden het niet over salarissen.

Wij hadden het over de Papoea, en gééngood man Friday

met de zware blankenlaars op hun zwarte aars... Michael!

Robinson Crusoe's United Nation Michael... Zij

leefden hun eigen leven, ze hadden schijt aan ons. Dat jij

leeft •weet nu iedere Papoea, na je besodemieterde circulaire

dat iedereen om zeven uur 's morgens op kantoor moet

zijn...'

Hij stond over de leuning heen gebogen in het duister te

staren. Plotseling wendde hij zich met een ruk naar mij toe,

en begon met hoge uithalen te lachen. Toen begon hij te

praten, hijgend, en stomdronken. 'Luister,' zei hij met

stemverheffing, en greep mij bij de schouders. 'Hé, grote

Papoeavriend, zij waren toch zo gek met je, Frank? Ja toch?

Je mag het bewijzen, beste kerel.'

'Mensen,' snauwde hij hard, 'luister allemaal. Hier, die

Frank Schoondermark, die kenner van land en volk. Zullen

wij eens wedden of hij echt wel zo'n kenner is van land en

volk. Zullen wij eens zien of die Papoeavissers daar verderop

bereid zijn om hem uit het water op te pikken als wij hem

hier over boord lazeren? Wedden dat geen sterveling hem

oppikt...'

'Michael, you're crazy,' hoorde ik roepen. 'Frank, wees wijzer.'

84


MENSEN VAN VLEES EN BLOED

Ik schatte de afstand tussen de vissers die nu in een kring bij

elkaar lagen, en de boot. Ik kan het zwemmen, dacht ik,

dronken en wel, ze varen niet weg als ze weten dat ik naar

hen toezwem... Ofwel?

'Nou,' riep Michael, 'waarom spring je niet? Moedige betweter

aller tijden. En waarom springt die Mof niet achter je

aan? Dan kan hij de baai leegzuipen.'

'Michael, come onV hoorde ik roepen.

Ik keek in de richting van de prauwen. De druklichtlampen

begonnen weer in mijn betraande ogen een wilde dans op

het water. Toen riep ik hard en hees met een stem die ik van

mezelf niet kende: 'Goed, Michael, om hoeveel wedden wij

dat ze me zullen oppikken?'

'Om honderd dollar,' krijste hij. 'Honderd Amerikaanse

dollars.'

'Goed, goed mijn jongen, ik ga te water voor honderd

Amerikaanse dollars.' Ik voelde in mijn broekzak of ik het

contactsleuteltje van de motorfiets bij me had en gaf mijn

portemonnee aan een bekende. 'Goed, om honderd dollar,

lul,' zei ik nog eens.

'Frank,' riep iemand, 'je bent belazerd, joh, laat die klootzak

toch praten...' Maar ik liep al, naar de reling toe en sprong.

Het water was helemaal niet koud, glinsterend glad, ging er

maar door mijn hoofd, glinsterend glad. Gladder dan ooit

tevoren. Met een paar slagen kwam ik aan de oppervlakte

en zwom weg van de boot. Achter mij hoorde ik stemmen,

geroezemoes, gerammel van metaal... Even later sprongen

lichtflitsen om me heen. God wat is dat water glad, zei ik

steeds hardop, zo glad als het licht van de schijnwerper, die

van de 'Piet Hein' nu op mij gericht was en over de golven

heen de baai inschoot.

85


EEN MORS HUIS

Zwemmen, Frank, zwemmen voor honderd dollar. Een

heitje voor een karweitje... Maar ik werd moe, de prauwen

leken steeds verder af te drijven. Ze moeten nu toch komen,

dacht ik. Als de 'Piet Hein' blijft schijnen moeten ze toch

weten dat er iets aan de hand is. Bijna roerloos dobberden

de prauwen in de harde schaduwen van de druklichtlampen.

Het waren vissers van het dorp Engros, dit was tenminste

hun viswater, was mij eens verteld door een Papoeameisje

dat ik kende. Plotseling schoot de zin door mij heen

die ik jaren geleden eens van haar had geleerd.

'Chena djaïdji - laat eens zien datje van me houdt.'

Ik zag mezelf weer staan bij de pick-up, halfnaakt met harde

jazzmuziek op de achtergrond, dronken, uitbundig en geil.

'Chena djaïdji,' had ik haar toegeroepen. Als een welpje in de

kring van Baloe, hippend in een half hurkende houding.

'Chena djaïdji...' Selia lag geamuseerd op het grote bed naar

mij te kijken. Zij had het prachtig gevonden, vooral die

hard ch-klank aan het begin van de zin, die nogal nadrukkelijk

door mij werd uitgestoten.

'Chena djaïdjiW'begon ik te roepen. Daar in de baai van Hollandia

in het Jaar onzes Heren 1962. 'Chena djaïdji!!F riep ik

steeds harder. Waarom wist ik niet meer, en hoe hard ook

niet meer. Ik was zo uitgeput. Mijn armen werden steeds

zwaarder. Maar ze kwamen dichterbij, de prauwen, langzaam,

als voorwereldlijke monsters. Zo verdomd langzaam,

alsof ze op hun hoede waren. 'Chena djaïdji!!' riep ik

luid en hees. 'Chenagodgloeiende djaïdji!' Kom dan toch hierheen,

godverdomme, verdien honderd dollar.'

Een druklichtlamp doemde achter mij op, op nog geen twee

meter afstand. Even later hing ik aan de dwarsligger. Twee

handen tilden mij de boot in. Heel in de verte hoorde ik ge-

86


MENSEN VAN VLEES EN BLOED

juich. De tranen braken achter mijn ogen vandaan, ik rilde.

Toen begon ik hoestend over te geven. Stromen verschaald

bier spuugde ik uit. Ik lag drijfnat tegen de houten reling

van de prauw, half opgericht, mijn hoofd buitenboord. De

man in de boot zei niets. Toen ik uitgekotst was, schepte ik

met beide handen wat water uit de baai en gooide het over

mijn gezicht. Het zoute water beet in mijn ogen. Toen ging

ik overeind zitten. Er kwam een Papoea op mij af. 'Hé, meneer

Schoondermark,' zei hij. Toen ik opkeek zag ik een

zwart gezicht zonder contouren.

Mijn ogen brandden in de kassen. 'U kent mij toch wel,' zei

hij, 'Josias Jouwe. Ik stond vroeger in de Landsdrukkerij,

aan de Heidelberg. U kwam veel met drukproeven, Josias

Jouwe, kenal-ka?. Kent u mij niet meer?'

Maar ik herkende hem niet. Mijn ogen wilden hem niet

zien. 'Josias,' zei ik met een hese stem. 'Josias mijn jongen, je

hebt honderd Amerikaanse dollars verdiend. Vierhonderd

gulden, ampatratus rupiah... Op de 'Piet Hein' was er een of

andere dronken Engelse klootzak die beweerde dat, als ik

overboord sprong, geen Papoea een hand naar mij zou uitsteken.

Toen hebben we gewed,' zei ik hortend en stotend.

'En jij hebt gewonnen, mijn vriend.'

'Waarom riep u chena djaïdjp. zei hij kort.

'Dat heb ik eens geleerd van Selia Jouwe,' antwoordde ik.

'Selia Jouwe!' Hij lachte smalend. 'Selia Jouwe wil alleen

met Hollanders naar bed. Is ze met u ook naar bed geweest?

Vast en zeker, tangung,' besloot hij zijn zin.

'Josias, luister! Morgen gaan wij samen honderd dollar halen.

Je krijgt er bij de Handelsmaatschappij zo vierhonderd

gulden voor. Die zijn voor jou, heus, tangung... Jij hebt mij

opgepikt. Ze zijn voor jou. Begrijp je me... ik belazer de

boel niet...'

87


EEN MORS HUIS

Hij knikte en antwoordde toen haast snauwend. 'Oké, die

vierhonderd gulden zijn voor mij, dat belooft u.'

'Sunguh mati, Godsstraf. Morgen om tien uur gaan wij ze

halen bij Doek Vier, bij de Secretarie. Jij en ik. Sunguh mati.

Maar breng me nu naar de steiger. Zeg nou niet datje verder

vissen moet, want zo veel werk is het niet. Vijf minuten

varen.'

Hij antwoordde niet, maar riep iets tegen de man die bij de

buitenboordmotor zat. Met een enorme zwaai wendde de

prauw zijn steven naar de stad. Even later stond ik op de

lange steiger. Morgen om tien uur bij de Secretarie, was het

laatste wat Josias Jouwe zei.

Toen ik de lange pier opliep, begon ik plotseling te waggelen.

Het leek wel of het bloed uit mijn benen stroomde.

Mijn slapen begonnen te kloppen. Toen ik bij de motor

kwam, viel ik languit op het harde hout en begon te huilen.

Uitzinnig, en met lange uithalen. Alsof mij het grootste

leed van de wereld was aangedaan. Toen ik wakker werd

zag ik dat het tegen tweeën liep. Ik stond trillerig op. Stapte

op de motorfiets en reed weg. Leeg, mijn ogen deden pijn

van het zoute water en het huilen. Mijn keel was rauw van

het braaksel. Mijn kleren stonken.

Nog geen halfuur later stond ik in de badkamer. Toen ik op

bed lag had ik het gevoel dat ik letterlijk in slaap tuimelde.

Mijn God, dacht ik, honderd dollar, morgenochtend moet

ik ze nog halen ook.

In een haast blije stemming werd ik wakker. Een wat loom

geluksgevoel daalde over me toen ik na wat broodjes en

zwarte koffie op de motor stapte en in de richting van de

baai reed. Op naar de haven om honderd dollar te innen.

88


MENSEN VAN VLEES EN BLOED

Waarom had ik het in Godsnaam gedaan? Nog enkele weken

en ik zou Nicuw-Guinea nooit weer terugzien.

Ik begon te zingen. En boven het geronk van de motor uit

blèrde ik tegen de blauwe tropenhemel. 'Michael rode the boat

ashore... Betalen, Michael,' riep ik, 'betalen zul je. Aanjosias

Jouwe de somma van honderd dollar. Robinson Crusoe betaalt

Vrijdag...'

Josias stond al voor het kantoor te wachten. Hij had een

spijkerbroek aan, zijn overhemd met een grote knoop op

zijn navel dichtgeknoopt, een kapmes in de brede gordel

gestoken. Zijn prauw met buitenboordmotor lag half op

het zand van het kleine strand, dat grensde aan de grote weg

voor de gouvernementsgebouwen. Toen ik hem wat uitbundig

groette, knikte hij kort met het hoofd. Dezelfde

norse knik van gisteravond, dacht ik.

'Wanneer gaat u eigenlijk naar Holland?' vroeg hij.

'Over een paar weken, Josias,' zei ik. 'Waarom vraagje dat?

Wil je mee?' voegde ik er wat gekscherend aan toe.

'Ja natuurlijk,' antwoordde hij. Mijn God, wat moest ik

daarop zeggen? Tien jaar lang hadden wij gesproken over

een land achter de horizon, waar alles mooier en beter -was,

waar de vrouwen melkblank waren met zacht blond haar.

Een land waar iedereen kon lezen en schrijven. Een land

waar ook hij die niet werkte toch kon eten. En er waren Papoea's

geweest die het tegenover Josias hadden bevestigd.

Nu zou het allemaal ophouden.

'Kom Josias,' zei ik, 'ik maakte maar een grapje. We gaan

honderd dollar halen, vierhonderd pop. Vierhonderd pop,'

zei ik met veel rollende Indische r's.

Michael zat achter een immens bureau. Naast hem troonde,

ja verdomd, troonde een magere secretaresse. Hij had een

89


EEN MORS HUIS

smetteloos wit pak aan Ik zag hoe geïrriteerd hij had gekeken

toen wij zonder kloppen waren binnengekomen, maar

de oppasser die voor het gebouw stond had ons zwijgend

doorgelaten.

'Michael,' begon ik wat plechtig, 'dit hier is Josias Jouwe.

Hij heeft mij gisteravond -je herinnert je toch nog wel dat

wij een weddenschap hadden lopen - uit het water gehaald.

Ik ben zo verdomd sociaal om hém die honderd dollar te

schenken. Deze visser van mensen, deze zwarte medemens!

Zou je zo vriendelijk willen zijn en hem die honderd dollar

overhandigen? Hij heeft het zo verdomd hard nodig. Hij

verdient maar 156 dollar en 30 cents per jaar, hebben jouw

statistici becijferd.

Honderd dollar is een immens bedrag voor onze vriend

Vrijdag, Michael. Betaal hem nu, niet namens de United

Nations, maar gewoon uitje eigen zak, zak...'

Hij begon wat smalend te lachen. 'Ach,' zei hij op wat hautaine

toon, 'wat waren we dronken en malicieus hè, gisteravond.

God ja, we hebben nog gewed ook, maar voordat

iedereen het wist was je al overboord. The flying young

Dutchman on a daring trapeze. Maar weetje, weddenschappen

met een dronken kop gesloten gelden bij ons niet zo. Hoe

het ook zij, ik weiger om maar iets te betalen.'

'Je betaalt godverdomme...,' riep ik luid, 'en anders...'

'Jezus,' viel Michael me in de rede, 'dat is toch waanzin. Ik

heb gisteren meteen een sloep achter je aangestuurd en je

met een schijnwerper laten volgen. Er kon toch niets gebeuren.

Dat van die honderd dollar, dat was toch een grapje.

Misschien wel een misplaatste grap, maar we waren bezopen.'

'Michael, dat was géén grap. Om de verdommenis was het

90


MENSEN VAN VLEES EN BLOED

geen grap. Ik ben in het water gesprongen. In dat gladde

glinsterende water, dat verrekt gladde water, toch niet om

jou te plezieren. Honderd dollar krijg ik vanje en vlug, héél

vlug...!'

Michael wendde zich tot zijn secretaresse en begon op

fluisterende toon met haar te praten. Ik keek achterom. Josias

stond achter mij. Hij keek strak en nors voor zich uit.

Hij kent vast wel zoveel Engels om het gesprek te kunnen

volgen, dacht ik.

'Josias,' zei ik, 'Josias, dia tidak mau bayar... hij wil niet betalen.'

Maar nog steeds was er geen enkele emotie van zijn gezicht

te lezen. Michael zag dat Josias mij niet antwoordde.

Hij pakte de telefoon en begon tergend langzaam een nummer

te draaien. 'Michael!' siste ik. 'Je moet betalen. Honderd

dollar. Nu!'

7 am sorry,' zei hij wat binnensmonds, 'maar jullie kunnen

gaan. Ik heb wel wat belangrijkers te doen...'

Ik liep op hem af terwijl het bloed uit mijn slapen leek weg

te vloeien, en hield mij vast aan de rand van zijn bureau.

'Michael,' zei ik zwaar hijgend. 'Je moet hem godverdomme

betalen. Hij heeft er recht op. Ik heb getuigen. Vuile rotzak!'

'Frank,' - vaag wegwuivend gebaar met de hand - ik ben

aan het bellen. Behave yourself, will you?'

'Nee!' riep ik, 'je zult naar me luisteren. Leg die telefoon

neer. Je zult...' Toen werd ik bruusk opzij geduwd en

hoorde een harde, korte, droge slag. In het tafelblad stond

trillend het kapmes van Josias, met aan weerskanten wat

pathetisch de doorgekapte telefoonlijn. Michael werd lijkbleek,

de telefoon met het dode eindje snoer nog aan zijn

oor.

9i


EEN MORS HUIS

Hij probeerde wat te zeggen, maar er kwamen alleen wat

losse klanken uit zijn keel. De secretaresse zat versteend

achter haar bureau.

Met een razend snel gebaar trokjosias het kapmes uit de tafel

en commandeerde: 'Betalen, nu, honderd dollar! Wan hunred

dollar, wan hunred dollar, nous...'

Wat er verder gebeurde drong nauwelijks tot mij door. Michael

trok snel zijn portefeuille en haalde er wat bankpapier

uit. Josias, het kapmes nog in de ene hand, telde het geld na,

stak het in de achterzak en deed behoedzaam een paar passen

achterwaarts, het blauwglimmende kapmes in de aanslag.

Toen we even later buiten waren, begon hij steeds sneller te

lopen. Hij rende op het laatst naar de prauw, sprong er in,

startte de buitenboordmotor en voer de haven uit.

Ik keek hem na. Het duurde uren voordat de prauw van Josias

Jouwe een stipje was geworden in de van zonlicht gek

geworden baai.

92


over vijf en twintig jaar zijn

ze allemaal dood

IN HET GROTE witgekalkte zendelingshuis in Widodaren

- ergens op Java - zal de naam Soekarno weinig gevallen

zijn.

Ik kan mij tenminste niet herinneren dat ik voor 1941 mijn

ouders ooit over Soekarno heb horen praten. Wel over de

ethische richting, de Vaderlandse Club, en de zelfstandigwording

van de Oostjavaanse kerk. Maar dat waren zaken van de

grote-mensen-wereld waar ik als jongetje van nog geen elf

jaar geen weg mee wist.

Soekarno, de leider van de Nationalistische Partij van Indonesië,

néé, en INGENIEUR Soekarno zullen ze hem zeker niet

genoemd hebben, want iemand die afgestudeerd was aan de

Technische Hogeschool in Bandoeng was niet te vergelijken

met een ingenieur die in Delft was opgeleid.

Aan zulke zekerheden viel, ook voor mijn ouders, niet te

tornen. Nee, als de zonen van dokter Poegoeh - ook zo'n inlander

met een titel - mij niet met stenen hadden bekogeld,

zou ik waarschijnlijk zonder ooit van Soekarno te hebben

gehoord het Japanse interneringskamp in zijn gegaan.

Maar de jongens van dokter Poegoeh - inlandse arts - gooiden

mét hun stenen de naam Soekarno trefzeker in mijn

kinderziel. Zij deden het met een fanatisme dat mij als klein

Hollands jongetje beangstigde.

Het was juni 1940. Nederland was, zeiden mijn ouders,

door de Duitsers onder de voet gelopen.

93


EEN MORS HUIS

Wat dat was begreep ik niet goed. Als wij op het schoolplein

of op straat met elkaar vochten, gingen we net zo lang

door tot iemand op de grond lag en 'excuus' vroeg. Maar

hoe liep je iemand 'onder de voet'? En wat was Nederland?

Een land dat onbegrijpelijk ver weg lag. De reis per schip

duurde al meer dan een maand. Alleen, de 'Oranje' - het

snelste motorpassagiersschip ter wereld - deed er drie en

een halve week over, had de onderwijzer op school trots

verteld.

Nederland was het land waar mijn ouders altijd over spraken,

waar zij geboren waren, en gewoond hadden.

Maar voor mij was Nederland een land uit het Verkadealbum

'Hans de Torenkraai', vol met plaatjes in zachte kleuren

van sappige groene weiden met rare gevlekte koeien,

onwaarschijnlijk grote roze varkens, en vreemd gespikkelde

kippen. Het land van de Hans-de-Torenkraai was het

land van mijn vader, die met ons in het grote witte huis

woonde aan de grote postweg, maar Widodaren was mijn

land. Eigenlijk meer het 'landje', want zo noemden mijn

ouders het braakliggende terrein naast ons huis, met sombere

donkergroen bemoste waterputten, half ingestorte

bouwvallen en, volgens de bedienden 'heilige' bomen met

in hun kruinen kleine bruine uilen, die 's nachts op een onheilspellende

manier krasten. Het 'landje' was de plaats

waar ik mij als kind volmaakt thuis voelde.

Tot 1942 bleef dat ook mijn land, totdat het ook 'onder de

voet gelopen' werd door horden Japanse soldaten op lage

fietsjes met vreemde petjes op en lange geweren.

Maar voor dit verhaal moeten we eerst twee jaar teruggaan,

naar, zoals ik al zei, een dag in juni 1940.

Nederland was dan wel onder de voet gelopen, maar wij

94


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

vierden, als voorheen, de verjaardag van I-wan Gulbenkian.

Iwan had niet alleen een Armeense vader en een donkerbruine

Indische moeder, hij woonde ook nog naast de

grootste limonadefabriek van heel Oost-Java.

Toen de schemer begon te vallen en wij misselijk waren van

de limonade van Iwans vader en de risoles van Iwans moeder,

gingen wij in kleine groepjes naar huis.

Omdat het een stuk korter was naar de grote postweg, waar

het grote witte huis van mijn vader aan lag, liepen wij recht

door de tuin van de buurman van Iwan, de tuin van dokter

Poegoeh, inlands arts.

Opeens daalde een regen van stenen op ons neer. 'Vuile

kaaskoppen,' hoorde ik roepen, 'donder op, loop door je

eigen tuin. Jullie hebben hier niets te maken...'

Plotseling voelde ik een snerpende pijn boven mijn linkeroog

en voelde bloed over mijn wang lopen. Zo snel mogelijk

doorlopen, dacht ik. De anderen gelukkig ook, en wij

renden weg.

Toen mijn moeder even later een grote pleister op de wond

boven mijn oog had geplakt, zei ze vol verontwaardiging in

haar stem: 'Ze haddenje wel blind kunnen maken. Dat tuig!

Die dokter Poegoeh is ook zo'n nationalist! Zo'n volgeling

van die Soekarno, die alle inheemsen tegen ons ophitst... En

dat nog terwijl het gouvernement zijn opleiding heeft betaald!'

Maar, dacht ik, wie is die Soekarno dan toch, want ik wist

heel zeker dat de stenen waren gegooid door Santoso en

Boesono Poegoeh, want die kende ik van de padvinderij.

De vleeswond boven mijn oog heelde betrekkelijk snel, na

enkele dagen was het niet meer dan ccn smal roze litteken.

De nationalistische stenenregen op mijn Hollandse kinder-

95


EEN MORS HUIS

zieltje, wel of niet in opdracht van Soekarno, zou mij mijn

hele leven blijven achtervolgen. Bij voortduring zou ik eraan

worden herinnerd, vijfjaar later al, opnieuw in het land

van Widodaren, en weer later op Nieuw-Guinea, en nog

veel later op de Amersfoortseweg in Hilversum.

Eigenlijk gaat er voor mij geen dag voorbij zonder het besef

dat ik nooit een kind ben geweest van het land van Hansde-Torenkraai,

maar altijd een kind van het land van Widodaren.

Die eerste keer, ja, dat was maar vijfjaar later, in 1946, en

opnieuw in Widodaren, waar mij zo hardhandig te verstaan

was gegeven dat ik er niets te maken had. Maar het was wel

een heel ander Widodaren.

Tussen de tijd van het veilige grote witte zendelingshuis

van toen en het Widodaren van nu - vervuild, geschonden

en bevolkt door een legioen van daklozen en hongerigen -

lagen vijfjaren, die in herdenkingsboeken steevast de 'bewogen

bezettingsjaren' worden genoemd.

Jaren van oorlog, honger, ziekte en dood in een Japans interneringskamp.

Een dode broer en een dode vader.

Het was daarom dat mijn moeder niet de kant van de

noordkust uitgevlucht was, maar het onveilige binnenland

in was getrokken om met haar kinderen het graf van hun

vader te bezoeken.

Voor mijn dode vader, voor ons, en voor Japan was de oorlog

voorbij. Maar inmiddels was het Indonesische volk in

opstand gekomen en voor wij eigenlijk goed beseften wat

er gebeurd was, zaten wij opnieuw in een interneringskamp.

Geen Japans, maar een Indonesisch. Het prikkeldraad eromheen

was hetzelfde.

96


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

Aan het hoofd van die opstandige natie stond ingenieur

Soekarno, die - als we de opruiende taal, die via de radio tot

ons kwam, ernstig moesten nemen - onze dood eiste, of op

zijn minst ons onmiddellijk vertrek naar Nederland. Hij

kon geen ander zijn dan die Soekarno, die destijds de 'inheemsen'

tegen ons had opgehitst.

Maar nu wist ik pas goed wie hij was, want zijn portret hing

overal. Op al die plaatsen waar in het oude Widodaren de

foto van koningin Wilhelmina had gehangen en later in de

Japanse tijd dejapanse keizer Hirohito, hing nu zijn portret.

Ook in de post van de wachtcommandant van het nieuwe

interneringskamp. In het haveloze en arme Widodaren van

1946 kon ik nog steeds niet begrijpen, waarom de jongens

van dokter Poegoeh geroepen hadden dat we weg moesten

gaan, maar het werd steeds duidelijker dat die man, Soekarno,

mijn levensloop zou gaan bepalen.

Natuurlijk wist ik dat toen nog niet. In 1946 viel hij mijn leven

binnen met die hele reeks van theatrale gebaren en

stemverheffingen, die hem zo eigen 'waren.

Het was zijn stem waar ik, op bevel van hogerhand, naar

moest luisteren, in de post van de wachtcommandant van

het nieuwe interneringskamp. Het was avond en we verzamelden

ons daar om wacht te lopen. Wij, dat waren de jongens

tussen de 14 en I7jaar, die in groepen van twee 's nachts

langs het prikkeldraad moesten lopen om diefstallen te

voorkomen. Het was een van de vele corveeën, die de nieuwe

Indonesische machthebbers ons hadden opgedragen.

Voor mij was het niets nieuws. In het Japanse kamp had ik

tientallen uren wachtgelopen. Twee uur op en twee uur af,

ook daar langs het prikkeldraad lopen en dan rapport uitbrengen.

97


EEN MORS HUIS

Hoesjoenban foekoe moedjo harimaseng - of zoiets - luidde de

Japanse standaardkreet dat alles veilig was.

Omdat in 1946 de meeste soldaten van Indonesië in Japans

uniform liepen was er voor mijn gevoel niet eens zo veel

veranderd. Twee uur op en twee uur af... ook dat was gebleven.

Maar die avond hoefde dat wachtlopen niet.

'Er wordt straks géén wacht gelopen,' had de postcommandant

gezegd, 'jullie blijven hier in het wachthuisje, want onze

president Soekarno zal ons toespreken en vertellen wat

er verder met jullie moet gebeuren. Trouwens, geen landgenoot

van mij zal op pad gaan om te stelen vanavond, als

de president spreekt. Niet eens van jullie Hollanders en

Blanda-Indo's.' De laatste zin had hij wat smalend uitgesproken.

Wij hoorden de boodschap onnozel grinnikend

aan, al lang blij dat we niet op pad hoefden.

'Jullie moeten ook maar naar hem luisteren,' vervolgde de

wachtcommandant, 'dan weten jullie dat wij een president

hebben, die ons vastberaden naar de vrijheid brengen zal.

HONDERD procent VRIJHEID!' Op Indonesische manier - met

getuite lippen en een korte hoofdbeweging - wees hij de

kant van het portret uit, dat boven zijn verveloze bureautje

hing.

Ik keek ernaar. Een vriendelijk gezicht, mooie grote, heel

donkere ogen onder zware wenkbrauwen, dikke, wat gulzige

lippen en bij de jukbeenderen een pokdalige huid.

Toch eigenlijk een mooie man, maar zoiets zei je natuurlijk

niet over je vijand, en helemaal niet als zoon van een zendeling,

die je geleerd had dat mannen niet 'mooi' waren...

Er was nog meer datje niet zeggen kon, want hoe was het

mogelijk dat hij de man was, die in Widodaren 's nachts hele


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

horden de straat opjoeg om bij het prikkeldraad in spreekkoren

te roepen: 'Vandaag of morgen komen wij jullie halen,

Hollanders, omje te vermoorden, één voor één...'

Korte tijd later zaten we met de groene emaille kommetjes

vol dampende koffie gehurkt op de grond in de hoek van

het wachtlokaal. Uit de radio kwam - vergezeld van de gewone

atmosferische storingen - een niet aflatende woordenstroom.

De Indonesische president Soekarno sprak zijn miljoenenvolk

toe. Zijn zinnen hadden een soepel en natuurlijk ritme,

maar werden nogal eens onderbroken door onnatuurlijke

lange rustpauzes, of, op luide toon en in versneld tempo

uitgesproken strijdkreten.

Ook was de rede doorspekt met Hollandse of Engelse

woorden, soms halve, en zelfs héle zinnen.

'Adadahpenghisapan, penindasam OF WEL DE EXPLOITATIE VAN

DE ENE MENS DOOR DE ANDERE. Apalagi di Tanah A irKita - Hi-

dup - ONTWORTELD tanpa akar, hidup UPROOTED FROM OUR

ORIGIN... Een bezwerende en fascinerende stem van een

man, die, als ik naar het portret keek, ook bezwerende en

fascinerende ogen had. Was dit nu die Soekarno, die ook

maar bleef roepen dat •wij hier niet thuishoorden. Maar ik

hoorde hier toch -wél thuis? Ik begon te beseffen dat het zo

simpel toch niet lag. We hadden er, tóen, in de tuin van de

dokter ook niets te maken, en langzamerhand begon het tot

mij door te dringen dat we ook in dit hele land niets te maken

hadden.

Het was hun land, het land van de wachtcommandant die

voor ons stond, het lange golvende haar tot op de schouders

en op de heup het zware Japanse Namboe-pistool in de

glimmende leren holster.

99


EEN MORS HUIS

Mijn land was het land van mijn dode vader, het land van

Hans-de-Torenkraai. Dit hier was hun land, het land van

'die Soekarno' die nog steeds sprak en telkens maar herhaalde

dat hij de Nederlanders zou blijven haten tot de laatste

Hollander uit zijn gezicht verdwenen zou zijn...

'Pas dan,' riep hij uit, 'zal mijn haat in liefde omslaan. Maar

eerst moeten ze weg, wég, WEG!!! Weg naar dat land far

awayfrom here...' Er volgde een daverend applaus.

'Broeders en zusters,' vervolgde hij, 'de Nederlandse reactionairen

moeten begrijpen dat zij de vrijheid, waar zij zelf

net vijfjaar lang voor gevochten hebben, ons niet kunnen

onthouden.'

'Nederlanders,' riep hij met een hoog overslaande stem,

'luistert naar mij! Ga terug naar jullie eigen land! Laat ons

dit land!... Laat ons genieten - na driehonderd jaar - van het

hoogste goed op aarde... de vrijheid! Die glanzende machtige

vrijheid, merdeka, MERDEKA, MERDEKA!' Uit duizenden

kelen werd zijn roep teruggekaatst: MERDEKA, MERDEKA,

MERDEKA NU! en er volgde opnieuw een overdonderend applaus

dat voor mijn gevoel minutenlang aanhield.

Met een zachte, wat ingehouden stem vervolgde hij zijn betoog:

'Over die vrijheid zijn hele dikke boeken geschreven,

door allerlei geleerde lieden, maar zo moeilijk is het niet.

Ook u, gewone boeng, weet precies wat vrijheid is! Kijk

eens naar buiten, en wat ziet u daar? Een geit aan een touw.

Kijk eens hoe hij aan dat touw trekt, hoe dat touw om zijn

nek schuurt! U, mijn geliefd volk van Indonesië, bent net

als die geit met dat touw om zijn nek. Ook u voelt hoe het

touw om uw nek schuurt en pijn doet. Ruk u los met alle

kracht die in u is, ook al wordt de keel daardoor dichtgesnoerd.

Ga de vrijheid tegemoet, al betekent dat ook dat u

100


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

uw eigen eten moet gaan zoeken, ver weg van het veilige

weitje. Ga de vrijheid tegemoet, dat draag ik u, als president,

op! Zoek de vrijheid, merdeka, MERDEKA, MERDEKA!'

Zijn vlammend verhaal kreeg me steeds meer in de ban, en,

hoewel ik veel Indonesische woorden niet goed begreep,

was wat hij betoogde zo helder als glas.

Het was iets totaal anders dan die redevoeringen van koningin

Wilhelmina, gericht tot haar 'landgenoten overzee'.

Die sprak altijd met zo'n hoge geknepen stem, zo geaffecteerd,

en ook wat ze zei, als ze sprak in dat oude witte zendelingshuis

in Widodaren, waar iedereen dan stil moest

zijn, begreep ik al helemaal niet. Zij was dan wel een koningin,

maar wel één van een Torenkraaien-land.

Niet van mijn land. Soekarno, die sprak de gewone taal van

mijn land. Zijn rede hield vrij onverwacht plotseling op. Na

één van de vele stormachtige uitbarstingen van applaus, die

als zware rollers van de branding zijn betoog hadden overspoeld,

werd hij door de omroeper afgekondigd.

Het liep tegen tienen. Onze opvolgers kwamen al aangeslenterd.

'Hé, wat doenjullie hier?' vroegen ze verbaasd, 'waarom lopen

jullie niet?'

'Hoefden we niet,' zei ik, 'van hem daar! We moesten naar

de rede van president Soekarno luisteren.'

'Go, gampang dese - gemakkelijk -,' vonden ze en maakten

zich gereed voor de wacht.

Twee uur later werden we gewekt. 'Jullie beurt,' zeiden ze,

'wachtlopen, jongens, vriend Soekarno spreekt niet de hele

nacht.'

Op het bureau van de wachtcommandant stond een klein

walmend olielampje en uit de radio klonk wat onduidelijke

101


EEN MORS HUIS

dansmuziek. Boven het bureau keek de president van Indonesië

met zijn grote zwarte ogen op ons neer, en zag hoe ik

mijn leren koppel met de korte wapenstok omgordde, mijn

blouse dichtknoopte en wat rillerig de nacht instapte, MER-

DEKA, VRIJHEID, dacht ik, zijn donkere ogen inkijkend, MER-

DEKA...

Twee maanden na die kennismaking met de eerste president

van Indonesië werden wij via het internationale Rode

Kruis geëvacueerd en reden in een gammele houten spoorwegwagon

half Java door; onze vrijheid tegemoet. Die lag

in de hoofdstad van het land, die toen nog Batavia werd genoemd,

en, enkele maanden later - na de befaamde scheepsreis

via het Suez-kanaal - in een mistig IJmuiden. Die najaarsmist

bleef hangen tot wij aan de kade van de Stoomvaartmaatschappij

Nederland in Amsterdam aanmeerden.

De mist die toen over mijn nieuwe vaderland had gehangen

zou, voor mijn gevoel, nooit meer echt optrekken.

Het zou bijna zestien jaar duren, voor ik opnieuw moest

luisteren naar een belangrijke rede van de president van Indonesië,

Soekarno. Ik schrijf heel bewust moest, want ook

nu weer was er sprake van een opdracht, een dienstbevel

eigenlijk.

Ik was opnieuw in de tropen, in de buurt van die befaamde

evenaar, hemelsbreed niet eens zo ver af van Widodaren,

dat nu al weer sinds Indonesische kinderheugenis deel uitmaakte

van hun republiek.

Opnieuw een radio met een lichtende schaalverdeling voor

mij op een tafel, opnieuw die stem van Soekarno, die dwingende,

volle stem, en net als toen zo nu en dan wegvallend,

of sterk versluierd door atmosferische storingen, maar nog

102


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

steeds met de klemmende ondertoon van 'luister, want ik

heb je groot nieuws te vertellen'. Een stem als een rivier,

soms traag en gestaag als de legendarische kali Solo, dan

weer als een banjir, een overstroming, die wild zijn weg naar

de kust zocht.

'Soja pergi keluar - waar de vogeltjes fluiten - katanja orang

belanda,' riep hij uit. Ook dat was niet veranderd in die afgelopen

zestien jaar, die hele en halve zinnen Nederlands...

Ook niet nieuw was zijn klemmend pleidooi tot de regering

in Den Haag om toch vooral lering te trekken uit de geschiedenis.

Maar het was bij Soekarno altijd meer dan een

pleidooi: een aandringen, een eis, een heilig recht, een aanspraak,

een oorlogsverklaring... Het ging allemaal om dat

laatste stukje Nederlands-Indié dat na de ruzie om de boedelscheiding

bij Nederland •was blijven horen.

Nederlands-Nieuw-Guinea, ofwel Westelijk-Nieuw-

Guinea, ofwel Irian-Barat - dat reuzeneiland dat aan het

eind van de vorige eeuw door de vroegere machthebbers

met een rechte streep van een liniaal in tweeën was gedeeld,

en dat sinds 27 april 1957 mijn standplaats was geworden.

Nieuw-Guinea was mijn nieuwe tropische vaderland geworden,

want de mist die in 1946 het land van mijn vader

had bedekt, was nooit opgetrokken.

Daarom had ik opnieuw getekend voor de tropen met een

wat knagend gevoel van heimwee naar het grote witte zendelingshuis

van mijn jeugd, naar het land van Widodaren,

waarvan ik eigenlijk wel wist dat ik er niet bepaald welkom

was.

Maar misschien was er nog een soort plaatsvervangende

thuiskcer mogelijk in die hoofdstad van Nieuw-Guinea,

die toen nog Hollandia heette. Daar -was het dat zestien jaar

later de radio aanstond met zijn stem...

103


EEN MORS HUIS

'Ik ben er weer, Boeng,' zei ik hardop voor mezelf uit pratend,

'jij bent nog steeds de president en ik ben voorlichtingsambtenaar

geworden bij je aartsvijand - het Gouvernement

van Nederlands-Nieuw-Guinea -. Ik moet van

mijn baas, Pieter Eigenstein, je rede opnemen - dienstbevel

dus-want, zegt hij, het is goed om te weten wie je vijand is,

en wat hij wil!' Het groene katteoog van de bandrecorder

ging met elke stemverheffing van de Boeng mee.

Hij was niets veranderd, die Soekarno. Ik wel, bij god, wat

was ik veranderd.

Immers, die jongen uit het kamp van Widodaren, die langs

het prikkeldraad moest patrouilleren, had Nederland - na

een mislukte studie en een mislukt huwelijk - de rug toegekeerd,

om opnieuw het landje van Widodaren met de 'heilige'

bomen te gaan zoeken.

Hollandia had niets van Widodaren, h'ad hij ontdekt, maar

het leek tenminste niet op Weesp.

En daarom zat ik nu hier, in Hollandia, in een korte broek,

een wit overhemd met korte mouwen, sandalen aan de voeten,

en luisterend naar een oude bekende, een strijdmakker

had ik bijna willen zeggen, maar dat kon natuurlijk niet.

Immers, wij vochten niet mét elkaar, maar tégen elkaar,

maar op een of andere vreemde manier leek onze strijd dezelfde...

Als ik de volgende keer weer een rede van Soekarno moet

uitluisteren, dacht ik, hang ik zijn portret boven het bureau,

net als toen... Piet Eigenstein zou zoiets hoogverraad genoemd

hebben, •want Soekarno was, volgens hem, een vuile

landverrader die onder één hoedje had gespeeld met de Japanners,

kortom, een fascistische Jappenknecht!

Zelf had Eigenstein tijdens de Duitse bezetting in Leiden

104


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

Indologie gestudeerd, trouw de loyaliteitsverklaring ondertekend

en in 1944 - toen de bezetters wel wat anders aan

hun hoofd hadden - zijn doctoraal examen vrijwel cadeau

gekregen. Maar dat was een gans andere zaak, zei Eigenstein,

Soekarno was een echte landverrader van het

Quisling-type, alsof het een automerk betrof...

Eigenstein kan vooral de ziekte krijgen, dacht ik die avond,

ik wil nu rustig luisteren naar de man, die mijn aartsvijand

moet zijn, maar het niet is! Alhoewel ik me wel afvroeg wat

er met Nederlandse voorlichtingsambtenaren zou gebeuren,

als zijn legermachten het eiland zouden hebben bezet.

Maar het was de president zelf, die aan mijn bespiegelingen

een einde maakte.

Na een ongewoon lange stilte, ging hij met een licht geamuseerde

ondertoon verder.

'Saja melihat hadiri disini banjak sekali pemudia-pemudi,., Ik zie

hier zoveel jongeren om mij heen staan. Trouwe zonen en

dochters van Iboe Indonesia. Waar valt mijn oog toevallig

op? Drie jonge vrouwen, schoonheden, alle drie; vrouwen,

die stuk voor stuk model zouden kunnen staan voor het

grote standbeeld van Vrouwe Indonesia, dat ik eens zal laten

oprichten op het Vrijheidsplein.

Wat zijn ze mooi, die drie daar, en wat willen ze graag hun

president zien! Maar zij kunnen hun president niet goed

zien, want hun uitzicht wordt belemmerd door een rijtje

mannen vóór hen.

Mannen van Indonesië - en dan in het bijzonder die mannen

die daar rechts van mij staan - weest u eens gentlemanlike,

zoals de Britten dat zeggen, en ga eens een stapje opzij.

Laat die drie dames eens naar voren komen opdat zij hun

president goed kunnen zien en horen... én' - hij zweeg een

105


EEN MORS HUIS

onderdeel van een seconde, en vervolgde met een langzaam

aanzwellende stem - 'opdat ik, hun president, het drietal

ook wat beter kan bekijken, want dat is zéér de moeite

waard!'

Een donderend applaus en een langdurig goedkeurend

fluitconcert was zijn beloning.

Goed gekraaid haan!

God, Boeng Karno, dacht ik, wat benje toch een geweldige

man. Tussen de klewangwettende krijgszangen door tegen

ene minister Joseph Luns een spontane lofzang op het vrouwelijk

schoon van drie toehoorders.

'Je zult nog jaren regeren,' sprak ik toen hardop, in de

spreekcel van Radio Nieuw-Guinea nu alweer meer dan

een kwarteeuw geleden, 'tenzij je door de kogel van een of

andere geschifte moordenaar wordt getroffen.' Maar de

president van Indonesië had geen tijd voor mijn bespiegelingen.

Hij had de draad al weer opgenomen en was druk

bezig om met citaten van Abraham Lincoln en Willem de

Zwijger zijn aanspraken op Nieuw-Guinea kracht bij te

zetten.

En net als toen in Widodaren werd de rede vrij abrupt afgebroken,

en werd het programma van Radio Republiek Indonesia

vervolgd met een causerie over betere landbouwtechnieken.

Voor mij zou die rede van president Soekarno in 1962 altijd

DE rede blijven van de 'drie schoonheden'...

Die langzaam aanzwellende zin: 'Ik zie hier drie schoonheden

van jonge vrouwen - saja melihat hadiri disini - die stuk

voor stuk model zouden kunnen staan...' zou in mijn geheugen

gegrift blijven staan. Wat er met de drie Indonesische

schoonheden na de rede van de president gebeurd is

IOÓ


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

zou ik nooit te weten komen, maar wat er met ons - Nederlanders

op Nederlands-Nieuw-Guinea - gebeurde maar al

te goed.

Want de politieke uitspraken van de Indonesische president

werden stuk voor stuk onontkoombare waarheden, voor

hém, maar vooral voor mij en die andere achtduizend Nederlanders,

die - misschien net als ik - op zoek waren gegaan

naar het verloren paradijs. Voor de tweede keer in de

geschiedenis kreeg Soekarno het grootste gelijk van de wereld.

Daarom moest ik mij enkele maanden later aangorden - net

als in Widodaren in 1946 - om opnieuw te vertrekken naar

het land achter de horizon. Voor de tweede maal in mijn leven

moest ik repatriëren naar het land van mijn vader, waar

de ochtendmist nog steeds net als vroeger over de weilanden

zou hangen.

Maar zoals zo vaak in dit ongerijmde leven, verdwijnen op

gezette tijden de droesem en kwade dampen en brak zelfs een

tijd aan dat ik in dat land van Hans-de-Torenkraai leerde leven

en werken.

Ik was al weer een hele tijd in Nederland en opnieuw wat

moeizaam ingeburgerd toen in Jakarta een korte paleisrevolutie

van eenjonge kolonel de inleiding vormde op de val

van president Soekarno en niet lang daarna op zijn dood.

Ik mocht zelfs - als Nederlandse berichtgever in het land

van Hans-de-Torenkraai - beschrijven en vooral gissen

wat er achter die grote witte pilaren van dat paleis had

plaatsgevonden. Dat grote witte zomerpaleis in Buitenzorg,

al heette dat in mijn kopij in de jaren zestig al lang

weerBogor...

107


EEN MORS HUIS

Voor jou, Boeng Karno, dacht ik vaak bij het inleveren van

mijn teksten is nu de tijd aangebroken van de droesem en de

kwade dampen. Voor jou nooit meer drie schoonheden, die je

wel eens van dichtbij zou willen zien. Nu ben ik aan de

beurt!

Enkele weken nadat gemeld werd dat hij ernstig ziek zou

zijn kreeg ik een foto van hem in handen. De doffe grijze

tinten van de radiografisch overgeseinde foto - opnieuw

die atmosferische storingen - voerden de boventoon. Hij

lag met de ogen gesloten, een kalend hoog voorhoofd en

een diepe ingevallen mond.

De dagtekening luidde: 6 juni 1968. Ik had de grootste

moeite om in dit fletse beeld van vloeiende grijze tinten de

sprankelende geestkracht te ontdekken die mij op de foto in

het wachthuisje van het interneringskamp in Widodaren zo

aangesproken had. God, Boeng, ook jij, dacht ik onophoudelijk,

jij die je president voor het leven liet noemen...

Toen hij stierf had ik het eigenlijk te druk met mijn nieuwe

huis, mijn nieuwe gezin, en mijn nieuwe carrière, om er

lang bij stil te staan. Wat verslagen moest ik vaststellen dat

de kans om hem ooit nog eens in levenden lijve te zien nu

definitief voorbij was.

Wat zou ik hem graag eens ontmoet hebben.

Wat zouden wij samen gelachen hebben als ik hem over de

stenengooiende kinderen in Widodaren verteld zou hebben.

'Vies geloerd, jij, Nederlands journalist, en tegelijk

zoon van Oost-Java...,' zou hij misschien met veel rollende

r's en donkere o-klanken uitgeroepen hebben.

En misschien zou ik hem wel gezegd hebben: 'Meneer de

President, ik zie u toch als een soort strijdmakker, al weet ik

niet precies waartegen we dan samen vechten...'

108


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

Maar hij was dood en geschiedenis geworden. Achter het

hoofdstuk Soekarno kon nu een punt worden gezet.

Maar omdat het leven - nogmaals - zo ongerijmd is, kwam

ook dat niet uit.

Nog geen driejaar later liep ik in de Indonesische hoofdstad

Jakarta met een groene badge op mijn witte overhemd. Tamu

Negara - Gast van de Staat - stond er op. Ik, die op Nieuw-

Guinea had behoord bij het verderfelijke koloniale bewind

was nu de gast van de staat Indonesië. Maar het was niet anders.

Koningin Juliana bezocht Indonesië en ik mocht weer

als berichtgever beschrijven wat er aan aanhankelijkheid

nog over was na drie eeuwen Nederlandse aanwezigheid.

Toen het werk gedaan was had de president van Indonesië

van NU voor de Nederlandse persvertegenwoordigers nog

wat in petto..., een bezoek aan het paleis in Bogor met als

hoogtepunt een rondgang langs de schilderijencollectie van

de president van TOEN, Soekarno.

Een collectie schilderijen waar altijd wat besmuikt lachend

over werd gesproken. De grootste collectie vrouwelijk

naakt van Zuidoost-Azië, zeiden ingewijden, en de meer

geletterden uit het journalistieke gezelschap spraken over

een 'bordeel van smaragd dat zich slingert rond de evenaar'.

Overigens had de president van NU - een gelovig Islamiet -

de meest aanstootgevende doeken laten verwijderen. Maar

wat er was blijven hangen, -was volgens dezelfde ingewijden,

nog altijd de moeite van het aankijken waard.

Ook al zou dat de moeite niet waard geweest zijn, wij konden

onze collega's van de Indonesische pers niet voor het

hoofd stoten, en ook ik had besloten mij als een mak schaap

langs de schilderijen te laten leiden. Het waren toch ook zijn

schilderijen...

109


EEN MORS HUIS

Daarom stond ik daar - op een zonnige dag in september

1971 - in ZIJN paleis. Hij was dood, maar zijn paleis lag er bij

zoals het een paleis in de tropen betaamt. Blinkend wit tussen

glanzend groene gazons onder een strakblauwe hemel.

Het marmer van de vloeren glansde diep en de koelte in de

hoge vertrekken moet dezelfde zijn geweest als in de dagen

van Sir Stamford Raffles...

De tientallen schilderijen in de grote zalen vormden een

soort erotisch Panorama Mesdag. Vrouwen alom, waar je

ook keek...

In wat stijf en correct Engels werd een toelichting bij de

schilderijen gegeven. De leukste in het gezelschap merkte

herhaaldelijk op dat zoiets nauwelijks nodig was, 'want als

iets helemaal voor zich zelf spreekt,' zei hij, 'is het wel de

schilderijencollectie van ex-president Soekarno.'

'Hoe zagen de schilderijen er dan wel uit, die verwijderd

zijn?' vroeg hij aan onze begeleiders.

Een Indonesische collega grapte: 'Heel simpel, dat waren al

de vrouwen, zonder badjoes'

Omdat de grappen me begonnen te vervelen en ik het gezelschap

even kwijt wilde schoot ik een klein zijzaaltje in.

Plotseling stond ik oog in oog met een geweldig groot en

imponerend schilderij dat bijna een hele muur van het zaaltje

vulde; jonge vrouwen staande voor een haag van toeschouwers

bij een tempelmuur in harde felle kleuren.

ALIMIN - Pertemuan di Pura - In the templegathering - stond er

in wat onbeholpen geschreven bloklettertjes onder.

In het donkere zaaltje keken de drie vrouwenfiguren, als

grote bronzen tempelbeelden, op me neer.

Ach god, Boeng Karno, schoot door me heen, want ik wist

meteen wie ze waren! Het bloed steeg naar mijn hoofd en

110


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

met de overslaande stem van de oud-president zei ik hardop:

'Saja melihat hadiri disini, drie schoonheden die stuk voor

stuk kunnen poseren voor het grote monument van Vrouwe

Indonesia dat ik zal laten oprichten op...

Iemand rukte aan mijn arm en me omdraaiend keek ik in het

onthutste gezicht van één van onze begeleiders.

'What are you doing... what are you saying,' stamelde hij met

steeds groter wordende ogen achter grote brilleglazen,

'what is the matter with you?'

'Ik citeer, kameraad,' zei ik wat plechtig, 'een stukje uit een

rede die uw gewezen president in 1962 heeft gehouden tijdens

de confrontatie met Nieuw-Guinea - Irian-Barat...

Uw echte en enige president die door het volk op handen

werd gedragen...'

'Sssst,' sprak hij haast bestraffend, en keek snel om zich

heen. 'Follow your group, please!'

Ik volgde hem zwijgend naar het gezelschap enkele zalen

verder.

God, boeng, dacht ik onophoudelijk, zó moeten ze er uit gezien

hebben, die drie daar toen jij in Jakarta je rede hield en

ik op Nieuw-Guinea naar je moest luisteren. Drie schitterende

vrouwen voor een haag van toeschouwers, pertemuan

dipura - bijeenkomst in de tempel - géén farizeeërs of tollenaars,

waarmee wij onze tempels bevolken, maar prachtige

jonge vrouwen.

Het is een beeld dat steeds weer opduikt in die stroom van

herinneringen aan mijn jeugd - een soort klaagmuur voor

iemand die op gezette tijden zijn dronkemanstranen moet

plengen om al datgene dat voorgoed achter de horizon is

weggezakt.

III


EEN MORS HUIS

Zoals iedere gek zijn gebrek heeft, heb ik de klaagmuur, de

pertemuan dipura, die zo onlosmakelijk vastzit aan de figuur

van president Soekarno. Maar ach, de tijd, immers, heelt alle

wonden, en het is eigenlijk maar goed ook dat die klaagmuur

steeds minder op mijn netvlies verschijnt.

Want ook ik moest verder in het land van Hans-de-

Torenkraai, ook ik moest verder zorgen voor dat al lang

niet meer zo jonge gezin, moest me waarmaken in die al

lang niet meer zo interessante werkkring.

Er gingen bijna tien jaren overheen voordat boeng Karno

opnieuw toesloeg. Wij waren net aan de jaren tachtig begonnen

- de jaren waarin Indonesië op uitbundige wijze

zou herdenken dat veertig jaar geleden de revolutie werd

voltooid en wij Hollanders vertrokken waren naar het land

van onze eigen vaders.

Ik had een uitnodiging ontvangen om het vijf-entwintigjarig

bestaan te vieren van een groep mensen, die de

Nederlandse omroep aan beschaafd amusement had geholpen.

Dat wilde ik best, want zo langzamerhand was ook voor

mij de tijd aangebroken dat ik mij in dat kamp thuis ging

voelen, dat kamp van mensen die 25 jaar lang radioprogramma's

had bedacht, en ze, door •weinig twijfel besprongen,

ook nog had uitgezonden.

Maar er zou, naast veel zelfgenoegzame mensen van boven

de veertig, genoeg drank zijn, en er zijn nog steeds dagen

dat ik ze allebei lust, rauw... Het speelde zich allemaal afin

een grote glazen erker van een Gooise omroepvilla. De

ruimte leek voornamelijk gevuld met veel grijzende slapen

en grote dienbladen met gedestilleerd...

112


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

Bij een groepje drukpratende mensen zag ik plotseling de

oud-predikant Frits Müllermeister, een wat verlegen slungelachtige

man met vreemde oplichtende grijze ogen. Hij

was in de jaren vijftig bijzonder actief geweest in de Indonesische

studentensociëteit van Amsterdam.

Ik kwam er veel in die dagen. Het was, ook toen al, een

vlucht uit de werkelijkheid, die tot niets verplichtende

rustige sfeer, waarin iedereen vooral zijn eigen gang ging,

op zachte toon met elkaar converseerde, en - in een scherpe

walm van kreteksigaretten - een grote dosis wellevendheid

aan de dag legde.

Het miste vooral die opgelegde hanigheid van de Nederlandse

studentengezelschappen. Maar dat kon moeilijk anders

want de Indonesische studenten waren bijna allemaal

veteranen van de vrijheidsstrijd, die eigenlijk zo snel mogelijk

wilden afstuderen om terug te keren naar dat stukje land

dat ze met zoveel onbezonnen geestdrift tegen onze soldaten

hadden moeten verdedigen.

'Müllermeister,' riep ik, door de drank, net iets te luid, 'sobat

keras, selamat malam, en natuurlijk merdeka - waarde vriend,

een goeden avond en natuurlijk leve de vrijheid -.'

Wat later stond ik ingeklemd in een groepje van veertigers,

die gezamenlijk teruggrepen naar de tijd van TOEN, toen het

nog allemaal leuk leek te zijn. Maar met Müllermeister ging

ik nog veel verder, naar het land van Widodaren, waar de

stenenregen van de Soekarno-aanhangers zo beslist een

einde aan had gemaakt.

'Die Soekarno,' zei hij op een gegeven ogenblik, 'wat heb ik

dat diep in mijn hart altijd een geweldige man gevonden.

Die bluf, die pathos...'

'Een geweldige man,' viel ik hem in de rede, 'god nog an

"3


EEN MORS HUIS

toe, véél meer... een ba-pak, een vader, een reus, een wijsgeer,

een straatjongen, een bruine cowboy, als Torn Mix,

een vrouwengek, maar altijd de Vader des Vaderlands, de

VÉÉDÉÉVÉÉ van de Indonesische revolutie, dengan hormatV

Ik hief het glas en zei Müllermeister scherp aankijkend in

die vreemde grijze ogen: 'Op boeng Karno, Müllermeister,

de Vader des Vaderlands, doctor honoris causa, Held van

de Revolutie, President voor het Leven, Minnaar Summa

Cum Laude, en God, wat al niet meer...'

Toen klonk er achter mij een snerpende vrouwenstem.

'Hier protesteer ik tegen! Soekarno was een Jappenknecht,

een oorlogsmisdadiger van het ergste soort, een man die de

dood van tienduizenden op zijn geweten heeft. Nogmaals,

ik protesteer met klem tegen datgene wat hier beweerd

wordt. Door Nederlanders nota bene!'

Ik keek in het rood-aangelopen nijdige gezicht van Sara

Diependaal - radio-omroepster in haar betere dagen. Maar

die waren al lang voorbij, en niemand in het Gooi sprak ooit

nog over Sara Diependaal. Plotseling herinnerde ik me van

haar een reeks radioprogramma's over de Jappenkampen,

waaruit duidelijk was gebleken dat zijzelf ook in een vrouwenkamp

had gezeten.

'Bemoei je d'r niet mee, wil-je, alsjeblieft!' beet ik haar toe,

met een valse hoge uithaal aan 'alsjeblieft'.

'Dat wil ik nujuist wel,' brieste ze, 'jullie staan te raaskallen,

jullie praten werkelijk als kippen zonder kop. Wat weten

jullie er van, van die tijd daar, van de extremisten, en wat ze

ons allemaal aangedaan hebben...'

'Waar weten wij niets van, Sara?' zei ik met een steeds sterker

groeiende boosheid in mijn stem, 'wat wil je allemaal

weten over die tijd van toen en daar? Moet ik je laten zien

114


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

dat ik ook van daar ben? Moet ik als een aap tot tien tellen en

kunstjes doen? In welke taal wil je 't hebben? In het Javaans...

Maleis - pardon Indonesisch.... Japans? Wil je weten

of ik hier in Holland nog tjèbok? Mijn kont met water afspoel,

daarna? Ja hoor, ik ben van daar, dari sanal Toe, donder

op, en laat ons met rust.'

'Soekarno, wat een landverrader,' kraste ze opnieuw als een

oude uil.

'Wiens land heeft hij dan wel verraden, vrouwe Diependaal?

Wiens land was dat dan wel...?' zei ik tergend langzaam.

'Mevrouw,' zei Müllermeister, 'zoudt u ons met rust willen

laten. Ik respecteer uw gevoelens...'

'Respecteer uw gevoelens?' viel ze hem driftig in de rede,

'dat doet u juist niet. Ik kan er niet tegen dat mensen zo dom

staan te kakelen over dejappenkampen en de bersiaptijd, zaken

waar ze kennelijk - ondanks hun Indische jeugd - kennelijk

niets van afweten...'

'Niets van af weten? Wel, godverdomme, wie weet waar

niets van af. Wat weet JIJ er van, stom mens? Wedstrijdje

doen? Ik vraag en jij mag raaien... zo'n leuk spelletje uit

jouw radiotijd... Hoe is de stand, Mieke?... Een klein quizje

uit de dagen van weleer. Kom op, Soerabaja 1945! Oktober

1945. Wat weet jij daar allemaal van af? Je tijd gaat nu in...'

'Daar weet ik toevallig alles van,' beet ze me toe met fonkelende

ogen. 'Ik zat in het hotel tegenover het station. Ik heb

zelf gezien hoe de extremisten een trein vol Hollandse stakkers,

net uit dejappenkampen, tot stilstand dwongen, de

bagagewagens afkoppelden, leeg plunderden, en in brand

staken...'

Er leek iets te knappen in mijn hoofd en een hoge fluittoon

H5


EEN MORS HUIS

begon alles te overstemmen, een misselijk makende hitte

viel over me heen, een scherpe brandlucht leek mijn keel

dicht te schroeien.

'Je zag het uitje hotelkamer,' hijgde ik, 'je zag het uitje ho-

telkamer? Jezus nog an toe! Ze zag het vanuit haar hotelka-

mer! Weet je wie er godverdomme, IN die trein zat?

ik...IK...IK!

Ik zag het voor mijn ogen gebeuren, want ik zat in die trein.

Maar nee, ik zat niet, ik lag, ik lag onder de bank te kotsen

van angst en te wachten tot ze binnen zouden komen... Als

een bal in elkaar gerold met die vieze kotslucht om me

heen... Godverdomme, mens, donder toch op, of ik doe je

wat!'

Plotseling voelde ik een sterke hand om mijn schouders

klauwen en werd ik hard naar achteren getrokken.

'Jezus, mensen, wat is hier aan de hand?' Het was Jan van

der Kamp, ook zo'n omroeper uit lang vervlogen dagen,

maar een Jie deugde...

'Jan, in godsnaam, breng me naar buiten. Weg van hier.

Laat me buiten kotsen in de Hollandse vrieskou. De avond

is nog zo lang. Dat takkewijf!'

Hij trok me mee door de mensen heen de serre uit, de tuin

in.

Een ogenblik later zat ik op een laag muurtje tussen de rho-

dodendronstruiken. Met betraande opengesperde ogen

keek ik de heldere winterhemel in alsof daar vandaan de

redding zou komen. 'Soerabaja, Soerabaja,' herhaalde ik

steeds als een Tibetaanse priester met een gebedsmolen.

'Soerabaja, Soerabaja, Soerabaja, oktober 1945...'

Dronken, boos en ontredderd zat ik daar in de voortuin van

een omroepvilla in het Gooi.

116


OVER VIJFENTWINTIG JAAR

Een halfuurtje later stond ik weer in de serre, de ogen nog

wat branderig, de maag leeg en de natte haren gekamd.

Stromen ijskoud water had ik in het kleine keukentje aan de

achterkant van de villa, over mijn hoofd laten lopen. Maar ik

stond weer overeind, op de oude Indische zweetkakki's dacht

ik wat grimmig, en kon, met enige voldoening, vaststellen

dat Sara Diependaal het feest vroegtijdig had verlaten.

Maar er waren nog mensen genoeg van boven de veertig

overgebleven, en die bleken in de loop van de avond best

mee te vallen en eigenlijk net zo ontredderd als ik, al was

hun Soerabaja vaak Maassluis of Winterswijk geweest,

zonder brandende treinen, maar weer met andere verschrikkingen.

Enkele uren later verliet ik het feestgewoel

en de hese stem van Fats Domino. Dronken als een kanon,

maar vastbesloten om naar huis te lopen. De lange tocht

door de kou zou me wel ontnuchteren.

Al lopend kwam het hele gebeuren met Sara Diependaal

weer boven en ik begon opnieuw: 'Soerabaja, Soerabaja,

Soerabaja, ik zag het vanuit mijn hotelkamer... Soerabaja

1945. En dat allemaal door Soekarno.'

'God, boeng,' zei ik hardop, 'wat jammer dat we elkaar nooit

ontmoet hebben. We zouden elkaar toch zó begrijpen, we

hebben toch dezelfde vijanden, de Van Oranjes, de Eigensteinen,

de Lunsen en de Diependalers... Je zou vanavond

achter me gestaan hebben en Sara Diependaal hebben

uitgelegd welk landje met veel semangat - spirit - wél

verraden hebt, en welk land niet...'

Ik struikelde bijna over de stoeprand.

'Vooruit, Frank, rechtop blijven lopen, er is nog een lange

weg te gaan, oude vriend!' zei ik hardop en bestraffend tot

mezelf.

117


EEN MORS HUIS

'Niet zeuren,' ging ik verder, 'blijven lopen, de ene voet

vóór de andere blijven zetten, en blijven lopen, altijd en

eeuwig, en vooral rechtop.'

In de verte naderde een fietser. Toen hij dicht genaderd was

zag ik plotseling -wie het was. Dejonge dichter H.v.T., die

zeker een literair radioprogramma had mogen opluisteren -

en bij het befaamde omroeprestaurant Dejonge Haan was

blijven plakken.

Hij keek mijn kant op en schudde wat afkeurend zijn hoofd.

'Aggottegot,' riep ik luid, 'ik weet watje denkt, H.v.T.,

zelfs Hilversum wordt niet gespaard voor deze ramp...

oude, in zichzelf pratende, dronken mannen. Maar je denkt

nog veel meer, jonge dichter H.v.T., je denkt ook nog:

OVER VIJF EN TWINTIG JAAR ZIJN ZE GODZIJGELOOFD ALLEMAAL

DOOD, en verdomd, mijn jongen, de kans daarop is redelijk

groot...'

Maar tot die tijd blijf ik lopen, de ene voet voor de ander

zettend en vooral rechtop...'

Il8


Colofon

EEN MORS HUIS, verhalen over Nieuw-

Guinea van Joop van den Berg werd in

opdracht van uitgeverij Conserve gezet in

de Bcmbo corps 10/13 punts en gedrukt

door drukkerij Groenevelt te Landgraaf

Twee verhalen werden reeds eerder gepubliceerd

in De Tweede Ronde

Foto omslag foto-archief Spaarnestad,

Haarlem

Vormgeving en typografie

Carla Goosscns en Mare van Meurs

ie druk. februari 1991

UITGEVERIJ CONSERVE,

Vuurdoornweg 37, 1871 TR Schoorl

Postbus 74, 1870 AB Schoorl

(tel 02209 - 3693)

More magazines by this user
Similar magazines