atjeh - Acehbooks.org
atjeh - Acehbooks.org
atjeh - Acehbooks.org
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
OEFICIEELE BESCHEIDEN<br />
BETREFFENDE<br />
HET ONTSTAAN VAN DEN OORLOG TEGEN<br />
ATJEÏÏ<br />
IN 1873.<br />
fai ReieHngsiegfi üitppyen ter Algemeene Lanttiitterü in 1881.
VOORBERIGT.<br />
Overeenkomstig'de toezegging, door den Minister ^ " ^ ^ J ^ ^ J ^ ^<br />
der Tweede Kamer van den 7den October 1881, wordt tians yan Regenngswege TOOT<br />
zooveel noodig, openbaarheid gegeven aan de stukken betreffende het ontstaan van den oorlog<br />
metAtjek, welke in 1874, voor een deel onder voorwaarde van geheimhouding, aan de btaten-<br />
Generaal ziin medegedeeld. , , T 7 7 ,<br />
Vooraf gaat (sub I) een herdruk van de Nota over de betrekkingen tusschen Nederlanden<br />
Atjeh *«» 1824 tof 1873, welke den 22sten April 1873 door den toenmaligen Minister van<br />
Koloniën aan de Staten-Generaal werd aangeboden (1). Immers tot regt verstand der stukken<br />
van 1873,is het noodig, dat men voor den geest hebbe wat vroeger is vo<strong>org</strong>evallen.<br />
Aan bedoeld stuk zijn, in eene noot op blz. 38, toegevoegd de instructien die door de<br />
Indische Regering aan den resident van Riouw gegeven werden, nadat hij in December<br />
1872 een bezoek had ontvangen van een gezantschap uit Atjeh. Dit is geschied omdat naar<br />
die instructien, bij Indisch mailrapport van 9 Januarij 1873 (n°. 31) aan het Departement<br />
van Koloniën medegedeeld, verwezen wordt in de telegraphische en schriftelijke correspondentie<br />
van den Minister van Koloniën met den Gouverneur-Generaal.<br />
Dan volgen (sub II) de telegrammen , die tusschen den Consul-Generaal der Nederlanden<br />
te Singapore en den Gouverneur-Generaal en tusschen dezen en den Minister van Kolomen<br />
gewisseld zijn töt den dag van het vertrek der eerste expeditie naar Atjeh.<br />
Daarna worden in verschillende afdeelingen achtereenvolgens medegedeeld:<br />
(sub III) de brieven van den Minister van Koloniën aan den Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken en aan den Gouverneur-Generaal;<br />
(sub IV) de brieven van den Gouverneur-Generaal aan den Minister van Kolomen, met<br />
Ujlagen;<br />
(sub V) diplomatieke stukken; .<br />
(sub VI) . de stukken betreffende de oorlogsverklaring aan Atjeh en de staking der eerste<br />
expeditie • *•<br />
Een rangschikking der stukken in deze categorien was noodig, omdat (in verband met<br />
den tijd, dien de brieven naar en uit Indie behoeven om hunne bestemming te bereiken)<br />
eene zamenvoeging van alle stukken naar volgorde der dagteekeningen ligt tot misvattingen<br />
bij de lezing zou leiden.<br />
De thans gepubliceerd wordende verzameling kan als een volledig geheel worden aangemerkt<br />
, al ontbreken daaraan sommige der aan de Staten-Generaal overgelegde bescheiden<br />
Er zijn geen andere stukken teruggehouden , dan die noodeloos den omvang van den bundel<br />
zouden hebben uitgebreid; de zoodanige namelijk, die niet regtstreeks op het ontstaan van<br />
den oorlog betrekking hebben , of die onderwerpen betreffen waaromtrent reeds het noodige<br />
blijkt hetzij uit de historische Nota, hetzij uit de bescheiden sub IV en V gepubliceerd.<br />
Ten overvloede volgt hier nog eene korte aanwijzing der teruggehouden stukken. Deze zijn :<br />
1°. de bij het Indisch besluit van 31 Augustus 1872 vastgestelde instructie voor deheeren<br />
(1) Daal' het niet dan hinderlijk kan zt)n om in eene serie stukken denzelfden naam telkens anders<br />
gespeld te zien, is in de nota en in de andere stukken in den hollandschen tekst overal de spelling Atjeh<br />
gevolgd, ook waar oorspronkelijk Acheen, Atclnn, Atsjin of Atjin geschreven was.
4<br />
ScfflFF en VON DE WALL , waarvan de voornaamste bepalingen zijn bekend gesteld op blz. 35<br />
der historische Nota;<br />
2°. een brief van den resident van Riouw aan den Gouverneur-Generaal, dd. 13 December<br />
1872, met bijlagen, betreffende het hooger bedoelde bezoek van een gezantschap uit<br />
Atjeh; de hoofdinhoud dezer stukken is op blz. 37 der historische Nota teruggegeven;<br />
3°. eenige niets .bijzonders inhoudende geleidebrieven bij diplomatieke stukken;<br />
4°. eenige stukken, betrekking hebbende op aanrakingen, die in 1872 hadden plaats<br />
gevonden tusschen den Italiaanschen consul te Singapore en een met eene Pontianaksche<br />
prinses gehuwden Arabier, die aanspraken wilde doen gelden op het sultanaat van Pontianak ;<br />
5°. verschillende stukken die betrekking hebben op de conferentien tusschen den Amerikaanschen<br />
consul te Singapore en Atjehsche afgevaardigden, waarover reeds voldoende gegevens<br />
voorkomen in de voor openbaarmaking in aanmerking gebragte bescheiden;<br />
6°. een berigt van den Consul-Generaal te Singapore , dd. 12 Julij 1873 , over de agitatie,<br />
onder de in de Straits Settlements verblijf houdende Atjehers opgewekt door de verwachting<br />
van Turksche hulp voor hunne landgenooten.<br />
t
I.<br />
NOTA OVER DB BETREKKINGEN<br />
TUSSCHEN<br />
NEDERLAND EN ATJEH<br />
van 1824 tot 1873.
In de verklaringen, gewisseld bij het Londensch tractaat van 17 Maart 1824, werd door<br />
de Britsche gevolmagtigden gezegd :<br />
» ün traité conclu par des agens Britanniques avec le Roi d'Acheen, dans 1'année 1819,<br />
est incompatible avec 1'article 3 du présent traité; (1) ainsi les PIénipotentiaires Britanniques<br />
promettent que le traité avec Acheen sera reduit le plus promptement possible aux termes<br />
dun simple arrangement pour la réception hospitalière des batimens et des sujets Britanniques<br />
dans le port d'Acheen. Mais comme quelques unes des conditions de ce traité (qui<br />
a été communiqué aux PIénipotentiaires des Pays-Bas) seront avantageuses pour les intéréts<br />
généraux des Européens ótablis dans les mers de 1'orient, ils espèrent avec confiance que<br />
le Gouvernement des Pays-Bas prendra des mesures pour placer ces avantages au dessus<br />
de toute atteinte, et ils expriment également leur conviction, qu'aucune mesure hostile<br />
envers le Roi d'Acheen ne sera prise par les nouveaux possesseurs du fort Marlborough".<br />
Door de Nederlandsche gevolmagtigden werd daarop geantwoord:<br />
» Si le Gouvernement de la Grande Bretagne pense qu'il y a un avantage réel pour lui,<br />
a ce qu'en se dégageant, d'après les principes consacrés par le traité qui va être signé,<br />
des liaisons que ses agens formèrent, il y a quatre ou cinq ans, dans le Royaume d'Acheen,<br />
il assure par quelque stipulation nouvelle 1'accueil hospitalier des sujets et vaisseaux Britanniques<br />
dans les ports de ce Royaume, les soussignés n'hésitent pas k dóclarer que de<br />
leur cóté ils n'y voient aucun inconvénient, et ils croyent pouvoir assurer en méme tems<br />
que leur Gouvernement s'appliquera sans délai a régulariser ses rapports avec Acheen, de<br />
manière que eet état, sans rien perdre de son indépendance, offre au navigateur et au<br />
commercant cette constante sécuritó , qui ne semble pouvoir y être établie que par 1'exercice<br />
modéré d'une influence européenne".<br />
Nadat de Minister van Koloniën in eene promemorie de voorschriften had aangewezen,<br />
die voor de uitvoering van het tractaat van 17 Maart 1824 aan de Indische Regering zouden<br />
moeten gegeven worden, werd dit stuk in handen gesteld van den ambassadeur FALCK.<br />
Umtrent art. 3 stond in de promemorie: » Uit de gewisselde nota's blijkt, dat een tractaat<br />
tusschen Britsche gezagvoerenden en den Koning van Atjeh in 1819 gesloten, uituitsluitenden<br />
handel voor Engeland bedingt. De Britsche Regering zal zekerlijk z<strong>org</strong>en,<br />
dat deze overeenkomst nu gewijzigd worde.<br />
» De Nederlandsch-Indische Regering zal moeten toezien dat zulks wezenlijk plaats hebbe<br />
en voorts met den Koning van Atjeh tot zoodanige nadere verbindtenistrachten te komen,<br />
als het Nederlandsch handelsbelang mogt vorderen; moetende echter aan die Regering<br />
worden overgelaten de keuze van het daartoe gunstige tijdstip. Tot beter verstand van dat<br />
gedeelte der Britsche nota, hetwelk strekt tot instandhouding der voordeelen, welke biljet<br />
boyengenoemd tractaat van 1819 verzekerd zijn aan de Europesche volken, thans in<br />
de Uostersche zeeën gevestigd zijnde, zoude kopij van dat tractaat aan de Indische Regering<br />
kunnen verzonden worden, opdat aan die bedoeling ook in het vervolg zou kunnen<br />
worden voldaan".<br />
to<br />
Daarop teekende de heer FALCK, den 6den Augustus 1824, aan:<br />
»Dat dit tractaat vervallen is, spreekt van zelve.<br />
1'une dtiw 6<br />
, 3<br />
' "f*" ? a U t e S P a r t i e S<br />
t<br />
c o n t r a c t a n t<br />
^ Promettent qu'a 1'avenir aucun traité a conclure par<br />
d e S e t a t<br />
ment soït 1 T ,. * S 1<br />
„ t u e s d a n s l e s<br />
orientales ne contiendra d'article, tendant, soit directe-<br />
7 nue . P<br />
° S<br />
" ,<br />
l t S d i f f é r e n t s<br />
° < a<br />
exislntcs de VTt^°V<br />
exclure ^ mmerce<br />
M t é t ó a d m i S k C e t e f f e t d a n s u n e<br />
Vrntn des ports de ces états,<br />
d e s<br />
8<br />
» Of de Engelschen iets afzonderlijks voor de hospitable reception van hunne schepen zullen<br />
willen bedingen, zal grootendeels van de wijze van zien van hunnen gouverneur op<br />
Poeloe Pinang af hangeu, en ook van den meerderen of minderen invloed, dien wij in het<br />
onrustige rijk van Atjeh verwerven zullen. Ik zoude denken, dat de Indische Regering er,<br />
hoe eer hoe liever, iemand naar toe behoorde te zenden, die in allen gevalle naauwkeurig<br />
zoude berigten, hoe de zaken gesteld zijn, de kennis waarvan het oordeel over de meest<br />
voegzame soort van verbindtenis dient vooraf te gaan ". (1)<br />
In de instructien, krachtens 's Konings last aan de Indische Regering gezonden bij brief<br />
van 31 Augustus 1824, werd nu omtrent Atjeh geschreven: (2)<br />
» Nog moet ik bij de behandeling van dit artikel (art. 3) Uwer Excellentie's aandacht vestigen<br />
op hetgeen in dit tractaat en in de wederzijdsche nota's omtrent Sumatra, en bepaaldelijk<br />
ook omtrent Atjeh gezegd wordt.<br />
» Uwe Excellentie zal ontwaren, dat in den jare 1819 tusschen Britsche gezagvoerders<br />
en den Koning van Atjeh een verbond gesloten is, bij hetwelk voor Engeland de uitsluitende<br />
handel is bedongen. Het spreekt van zelve dat dit verbond nu vervallen is. Het<br />
Britsche Gouvernement heeft op zich genomen dat verdrag te wijzigen en tot de bloote<br />
termen van vriendschappelijke toelating in de havens te brengen. Welligt evenwel zal hetzelve<br />
geene overwegende reden vinden om voor zijne schepen iets bijzonders te bedingen;<br />
veel zal kunnen afhangen van de wijze op welke de Britsch-Indische Regering, naar gelang<br />
der plaatshebbende omstandigheden in die streken, de zaak zal inzien.<br />
» Het gedrag van de Nederlandsche Regering en de invloed dien zij zich bij den vorst<br />
van Atjeh zal weten te bez<strong>org</strong>en, zullen ook hierop kunnen werken. Uwe Excellentie zal<br />
dus z<strong>org</strong>en dat de vorst van dat rijk bekend worde met de strekking en bedoeling van<br />
het nu gesloten tractaat. De Engelschen zien af van alle bezitting, van alle staatkundige<br />
bemoeijenis op Sumatra; zij laten die geheel en bij uitsluiting aan Nederland over. (3)<br />
Beider belang brengt mede dat geene vreemde magt, wie zij ook zijn moge, daar zich vestige.<br />
» De voorzieningen van het tractaat tusschen Engeland en Aljeh in 1819 gesloten, welke<br />
deze strekking hebben, kunnen in een nieuw verdrag tusschen Nederland en Atjeh opgenomen<br />
worden. Voor het overige wil men vrijheid van handel zonder uitsluiting. Om tot<br />
zulk een gewenscht einde te geraken, kan vooral dienen dat Uwe Excellentie een man<br />
van bekwaamheid en van beleid naar Atjeh zendt, die den vorst van dit alles doordringt,<br />
den staat van zaken aldaar naauwkeurig gadeslaat en aan Uwe Excellentie alle die berigten<br />
mededeelt, welke noodig zijn ter beoordeeling wat te dezen, behoudens de beginselen van<br />
het tractaat van 17 Maart 11., zou kunnen en moeten gedaan worden.<br />
» Tot Uwer Excellentie's meerdere inlichting voeg ik een bloot afschrift van het verdrag,<br />
met Atjeh in 1819 gesloten, hierbij."<br />
Bij besluit van* den Gouverneur Generaal van 17 Februarij 1825 werd de instructie vastgesteld<br />
voor de commissarissen, benoemd voor de overneming der Britsche bezittingen op<br />
Sumatra (de kolonel-adjudant H. DESTUEKS, residenten militaire kommandant van Padang,<br />
en de collecteur der landelijke inkomsten B. C. VEEPLOEGH). In die instructie treft men de<br />
volgende bepalingen aan:<br />
» Art. 14. De eerstbenoemde commissaris zal, als resident van Padang, zich met de<br />
aftredende autoriteit op Benkoelen verstaan omtrent het doen van officieele kennisgave wegens<br />
het ophouden der Britsche belangen op Sumatra, en van de optreding van het Nederlandsch<br />
Bestuur in dat gewest, aan de vorsten tot welke het Britsch Gouvernement nu laatstelijk<br />
(1) Zie ook den brief der Nederlandsche gevolmagtigden, dd. 24 Februari) 1824, n°. 9, in de „Bjjdragen<br />
tot de geschiedenis der onderhandelingen met Engeland betreffende de Overzeesche Bezittingen, enz." door<br />
ELOITT VAN SOETEEWOUDE, bladz. 211.<br />
(2) Vergelijk het aangehaalde werk, bladz. 240.<br />
(3) Art. 9 van het Londensch tractaat: La factorerie du fort de Marlborough et toutes les possessions<br />
Anglaises dans 1'isle de Sumatra sont cédées par le présent traité a Sa Majesté le Koi des Pays-Bas, et<br />
Sa Majesté Britannique promet en outre qu'il ne sera pas formé d'ótabljssement Britannique dans cette<br />
isle et qu'aucun traité ne sera congu sous 1'autorité Britannique avec aucun des Princes, Chefs ou États<br />
indigènes, qu'on y trouve."
9<br />
in eenige betrekking heeft gestaan; zullende het meest gevoegelijk zijn, wanneer deze<br />
communicatiën met wederzijdsch overleg en op hetzelfde tijdstip kunnen geschieden.<br />
» Art. 15. Ten aanzien der mededeeling aan den vorst van Atjeh, zal in allen geval<br />
noodzakelijk zijn, dat vooraf door het Britsch Gouvernement aan dien vorst opening zij<br />
gedaan van de bepalingen, ten aanzien van dit rijk bij het tractaat voorkomende.<br />
» Art. 16. Commissarissen zullen ten spoedigste berigt zenden van hetgeen met betrekking<br />
tot de communicatie; aan den vorst van Atjeh van de zijde der Britsche autoriteiten<br />
zal zijn geschied, ten einde daarna de punten van instructie voor een definitief tractaat<br />
met dat rijk van hier nader te zenden.<br />
. » Art. 17. Intusschen wordt aan Commissarissen opgedragen, om niets te verzuimen<br />
tot het bekomen van de meest ïjiiauwkeurige informatiën omtrent den handel van het rijk<br />
van Atjeh en de aldaar te behalen voordeelen, alsmede generaal van alles wat den staat<br />
van zaken in de over te nemen landen aanbetreft, in het bijzonder de specerijtselt en meer<br />
bepaaldelijk die van de peper en den handel in dit product. "<br />
In hun verslag betreffende de overneming, gedagteekend 12 April 1825, zeggen de<br />
commissarissen:<br />
•» Ten aanzien van de ophouding der Britsche belangen en de optreding van het Nederlandsch<br />
bestuur op Sumatra zijn doelmatige arrangementen gemaakt, en heeft de communicatie<br />
daarvan met wederzijdsch overleg plaats gehad.<br />
» Het rijk van Atjeh stond met het Britsch bestuur te dezer kust in geen de minste<br />
betrekking-. Alle voormalige handelingen van genoemd rijk met de Engelschen hebben<br />
regelregt met het Bengaalsch Gouvernement plaats gehad."<br />
De commissarissen schijnen op de betrekkingen tot Atjeh te zijn teruggekomen bij hun<br />
verslag omtrent de overneming van het beheer van Tapanoli, dd. 30 November 1825. Dit<br />
verslag is niet aan het Departement van Koloniën medegedeeld, maar in het Indisch besluit<br />
van 20 December 1825, n°. 18, vindt men, sub 15°., aangeteekend, dat » de mededeelingen<br />
van commissarissen omtrent het rijk van Atjeh" voor informatie worden aangenomen<br />
, » in afwachting van nadere berigten ".<br />
In 1824 had de Indische Regering aan den toen maligen resident van Malakka , H. S. VAN SON ,<br />
opgedragen om met het rijk van Siak een nieuw verdrag aan te gaan, gegrond op de<br />
vroeger bestaan hebbende contracten. De uitvoering van dezen last werd door verschillende<br />
omstandigheden vertraagd, maar de Indische Regering bleef de zaak in het oog houden,<br />
en gaf in 1827 aan den Commissaris-Generaal DU BUS in overweging, om » eene commissie,<br />
om den staat van zaken op te nemen, te zenden naar Siak, en voorts ook naar Atjeh,<br />
hetwelk der Regering toeschijnt ten dezen met Siak in vele opzigten in hetzelfde aspect<br />
te komen." Zij dacht hierbij blijkbaar aan de instructien van het Opperbestuur betreffende<br />
de uitvoering van het Londensch tractaat, want die werden bij haar veorstel aan den<br />
Commissaris-Generaal overgelegd.<br />
De Commissaris-Generaal vereenigde zich met het voorstel, behoudens dat hij de zending<br />
van één persoon als commissaris voldoende achtte, en wees het fregat de Bellom voor de reis aan.<br />
Maar een maand later werd van de vo<strong>org</strong>enomen zending » vooreerst en in afwachting<br />
van nadere berigten omtrent het gebeurde op de Carimons-eilanden " afgezien.<br />
In 1828 kwam de Indische Regering op de zaak terug. Zij had van den resident van<br />
Sumatra's Westkust rapporten ontvangen, waaruit bleek dat Nederlandsche schepen, om<br />
zich tegen kwaadwillige bejegening te vrijwaren, op Atjeh ten handel voeren onder Amerikaansche<br />
of Engelsche vlag. Zij meende » dat hierin van de zijde van het Gouvernement<br />
mets kan worden gedaan, alzoo wij op die plaatsen geene bezitting hebben", maar zij<br />
nep op nieuw de aandacht van den Commissaris-Generaal in voor het plan om Siak en Atjeh<br />
door een commissaris te doen bezoeken.<br />
Op dat oogenblik was evenwel geen bekwaam oorlogschip beschikbaar, zoodat weder voorloopig<br />
van het plan werd afgezien. Het is nimmer ten uitvoer gebragt.<br />
Inmiddels had men aan de Westkust van Sumatra veel te lijden van de Atjeh sche zeeroovers,<br />
die, hoewel overigens geene vrienden der Padries, hun de hand reikten om ons te<br />
beoorlogen. In 1829 overrompelden zij ons fort te Tapanoli, plunderden alles, en staken<br />
de gouvernementsgebouwen in brand.<br />
2
10<br />
De daarop van Padang uit genomen maatregelen gaven der Indische Regering aanleiding<br />
om, bij besluit van 15 Januarij 1830:<br />
1°. » in het algemeen te berusten in de wijze, waarop, zoowel met betrekking tot het<br />
hernemen van het fort en onze bezittingen te Tapanoli, als wel tot het vervolgen der Atjehsche<br />
zeeroovers, door hem, resident, is gehandeld";<br />
5°. » alverder te bepalen dat een koloniaal oorlogsvaartuig naar de "Westkust van Sumatra<br />
zal worden gezonden om eenigen tijd aldaar ter beschikking van den resident te verblijven,<br />
om daarmede het noordelijk gedeelte der residentie in oogenschouw te nemen, en, zoo noodig,<br />
zich voor Troemon te begeven om te trachten een kontrakt met den radja van die plaats<br />
te sluiten, welke den meesten invloed heeft op de rondzwervende Atjehsche kusthandelaren;<br />
zullende tot dat einde een vaartuig van eenig aanzien moeten worden gekozen om den Atjehers<br />
eerbied voor de Nederlandsche vlag in te boezemen."<br />
Inderdaad heeft de resident MAC GILLAVEY den 25sten November 1830 een contract met<br />
Troemon gesloten, maar daartegen rezen aanstonds verschillende bedenkingen, vooral omdat<br />
het voorkwam gebaseerd te zijn op eene verkeerde opvatting van Troemon's verhouding<br />
tot Atjeh. Het contract is nimmer door den Gouverneur-Generaal bekrachtigd.<br />
Waren tot dusver vreemde schepen in Atjeh veiliger dan Nederlandsche, in Februarij<br />
1831 werd een Amerikaansch schip, de FriendsMp, voor de Atjehsche haven KwallaBatoe<br />
ten handel liggende, geplunderd, en de gezagvoerder en een paar schepelingen vermoord.<br />
Toen hier te lande vernomen werd dat het Amerikaansch Gouvernement het fregat Potomac<br />
zenden zou om eene strafoefening te houden, vroeg de Regering zich af, of zij iets te<br />
doen had. Maar overwegende dat nog niet was voldaan aan de verpligting, die wij in<br />
1824 op ons genomen hadden, en dat Atjeh jegens ons vijandiger gezind was dan jegens<br />
anderen, kwam zij tot het besluit »dat onze tusschenkomst in deze zaak noch nuttig,<br />
noch doelmatig zou zijn, en dat het oorbaarst zal zijn af te wachten, wat het Amerikaansche<br />
fregat zal uitrigten." Uit dit voorval werd echter aanleiding genomen om de bedoelde<br />
verpligting, uit de verklaringen van 1824 voortvloeijende, bij het Indisch bestuur in<br />
herinnering te brengen.<br />
Werkelijk werd Kwalla Batoe door de Amerikanen getuchtigd, en nogmaals nam de<br />
Regering hare positie tegenover dergelijke toestanden in beschouwing. Zij bleef van oordeel<br />
» dat wij niet zullen kunnen beletten , dat andere Gouvernementen zich op die wijze genoegdoening<br />
verschaffen over de aanrandingen, welke hunne handelaars in de Atjehsche havens<br />
te lijden hebben, zoolang onzerzijds geen gevolg gegeven wordt aan de toezegging-, bij<br />
gelegenheid van het sluiten van het tractaat van 17 Maart 1824 aan Groot Britannie gedaan."<br />
Zij ontveinsde zich de moeijelijkheden, aan de uitvoering dier toezegging verbonden, niet,<br />
maar verwachtte toch, dat » zoodra de Nederlandsche invloed in de omstreken van Padang en<br />
onder de Padries behoorlijk zal zijn gevestigd , waartoe de Gouverneur-Generaal VAN DEN BOSCH<br />
thans met goed gevolg pogingen aanwendt, middelen zullen kunnen worden beraamd, om<br />
aan de Atjehers wat meer ontzag in te boezemen, dan zij thans voor onze vlag schijnen<br />
te hebben."<br />
De verslagen van de Sumatrasche autoriteiten uit die jaren zijn vol van bittere grieven<br />
tegen de Atjehers, hunne rooverijen op ons gebied en hunne zamenspanningen met de Padries.<br />
» Openbaar is het" — zoo zegt de resident ELOUT in een verslag van 17 December 1831,—<br />
»dat de Atjehers overal langs de kust den baas speelden en Baros een stapelplaats was<br />
geworden van ingesmokkelde goederen; dat zij zich, als het ware, meester gemaakt hadden<br />
van het aan ons behoorende eiland Nias, en op deszelfs stranden een uitgebreiden slavenhandel<br />
dreven; dat Poeloe Mansalar (vóór Tapanoli) een Atjehsch roovernest is geworden,<br />
en de inwoners van het eiland Rengawan (in de nabijheid van Natal) zich aan den radja<br />
van Troemon verpand hebben, onder beding van al de peper, welke in die streken valt,<br />
aan hem te leveren; in 't kort dat de Atjehers zich van den geheelen handel om de noord<br />
hebben meester gemaakt, en onze bezette posten, als Tapanoli, Natal en Aijer Bangies,<br />
door hen in een ellendigen toestand zijn gebragt geworden."<br />
Even zoo de majoor MICHIELS , in zijn verslag van 6 Februarij 1832, ungeDragt naaat<br />
hij zich gekweten had van de hem opgedragen taak, om het noordelijk gedeelte onzer bezittingen<br />
op Sumatra's Westkust op te nemen en voorstellen te doen tot verbetering van
11<br />
den toestand aldaar. Hij had al de eilanden bewesten Sumatra ontvolkt gevonden ten gevolge<br />
van de rooverijen der Atjehers, en de flotille, waarmede hij den togt maakte, had zelve<br />
twee Troemonsche schepen moeten opbrengen, die kennelijk op zeeroof uit waren. In dit<br />
verslag wordt er op gewezen, hoe wij ons bezit ter Westkust van Sumatra te danken hebben<br />
aan de hulp, die wij aan de inlandsche staten in vorige eeuwen verleenden tegen<br />
Atjeh , dat zijne veroveringen steeds verder zuidwaarts uitstrekte; hoe onze gezagsoefening<br />
in het noordelijk gedeelte onzer bezittingen in den laatsten tijd was verminderd; en hoe<br />
dit aan Atjeh aanleiding had gegeven om zijn invloed weder uit te breiden en regten te<br />
pretendeeren op landen, die ons krachtens contracten toebehoorden.<br />
, De heer MIOHIELS besluit zijn > voorstellen tot bevestiging van ons gezag aldus: »Maar<br />
hetzij nu, dat het Gouvernement besluite tot deze of andere maatregelen betreffende de<br />
voor die streken zoo hoogst noodige re<strong>org</strong>anisatie, zoo vermeen ik, dat alles zal moeten<br />
worden voorafgegaan door eene commissie en vertooning van magt in de noordelijke zoogenaamde<br />
vrije havens, zelfs tot in Atjeh, vooreerst om met dien vorst, en daarna met de<br />
andere van hem afhankelijke en onafhankelijke staten , de noodige handels- of staatsbepalingen<br />
te treffen en hiervan, ter voorkoming van misverstanden, aan andere handeldrijvende<br />
en zelfs Europesche mogendheden kennis te geven."<br />
Naar aanleiding van dit verslag, gaf de resident ELOUT, bij zijn rapport van 6 Maart<br />
1832, n°. 5, aan de Indische Regering o. a. in overweging:<br />
» om den resident van Sumatra's Westkust te magtigen met een oorlogsvaartuig naar<br />
Poeloe Pinang te stevenen en bij de Britsche autoriteiten aldaar te onderzoeken:<br />
» 1°. hoe de verhouding is geweest van de Engelschen met het rijk van Atjeh, vóór het<br />
Londensch tractaat van 1824;<br />
»2°. in hoeverre, sinds het sluiten van dat tractaat, de Britten die verhouding gewijzigd<br />
hebben;<br />
»3°. kennis te geven, dat alsnu het Nederlandsche Gouvernement wil voldoen aan het<br />
verzochte, door de gevolmagtigden, ten aanzien van het rijk van Atjeh en de deswege gewisselde<br />
nota's bij het sluiten van het Londensch tractaat in dato 17 Maart 1824,"<br />
en voorts:<br />
» om aan den resident van Sumatra's Westkust autorisatie en de noodige oorlogsvaartuigen<br />
te verleenen, ten einde de zaken met den radja van Atjeh te gaan régelen."<br />
Het blijkt niet dat aan dit voorstel eenig gevolg is gegeven. De toestand verbeterde intusschen<br />
niet, zoo als men zien kan uit het Indisch besluit van 21 November 1834, n°. 15 ,<br />
waarvan de aanhef luidt als volgt:<br />
» Gelezen de missive van den resident van Sumatra's Westkust, dd. 30 Junij jl., n°. 27,<br />
daarbij, onder referte tot de vroegere mededeelingen van den luitenant-kolonel-adjudant<br />
MICHIELS , verslag doende van den ongunstigen staat van zaken te Baros<br />
» blijkende daaruit, dat die plaats onophoudelijk geteisterd zou worden door de Atjehers,<br />
die zich te Batoe Grigie , aan de monding der Baros-rivier, genesteld hebben, en den slavenhandel<br />
en zeerooverij op eene alleszins in het oog loopende wijze in de hand zouden<br />
werken , ten gevolge waarvan de inlandsche hoofden van Baros heraaaldelijk en dringend<br />
om bijstand en tot het plaatsen van eene bezetting aldaar hebben verzoek gedaan ;<br />
» wordende door den resident, onder mededeeling van den ongunstigen afloop eener door<br />
den posthouder te Tapanoli, op aandrang der voormelde hoofden , tegen de Atjehers gedane<br />
expeditie , te kennen gegeven dat hij den militairen kommandant ter Westkust van Sumatra<br />
heeft uitgenoodigd om eene magt van 150 militairen te zijner beschikking te stellen, tot<br />
het in bezit nemen van Baros" enz.<br />
Bij dit besluit werd de resident van Sumatra's Westkust aangeschreven »om bij den<br />
vorst van Atjeh pogingen aan te wenden tot beteugeling en verdrijving van zijnen kant<br />
van deszelfs zich in Baros gevestigd hebbende onderdanen, die door eene doelmatige beschikking<br />
over de aanwezige vaartuigen zoo veel mogelijk buiten de gelegenheid moeten worden<br />
gesteld om de bevolking en den inlandschen handel te benadeelen".<br />
Omtrent de uitvoering van dezen last is weder niets bekend.<br />
In Junij 1836 werd 's lands civiele schoener Dolpliyn, beladen met f 30 000 aan zilveren<br />
kopergeld, tusschen Padang en Natal door de inlandsche bemanning afgeloopen. De
12<br />
korvet van Speyk, kommandant de kapitein ter zee VAN DEK STRATEN , werd uitgezonden<br />
om dien schoener op te zoeken. Hij werd gevonden te Atjeh, maar de Sultan weigerde de<br />
uitlevering, omdat de kommandant der van Speyk niet door een brief van den Gouverneur-<br />
Generaal aan hem , Sultan , gemagtigd was om den schoener af te halen. De Sultan verzocht<br />
zelf per brief aan den Gouverneur-Generaal, om hem te schrijven over den schoener,<br />
en onderhield tevens den Gouverneur-Generaal over drie schepen, in der tijd van Atjehers<br />
afgenomen, » zijnde deze vaartuigen " — zoo zegt het Indisch besluit, waaraan deze bijzonderheden<br />
worden ontleend — » naar alle waarschijnlijkheid dezelfde, waaromtrent melding<br />
wordt gemaakt in het register der handelingen van den resident van Padang en onderhoorigheden<br />
over het 4de trimester 1825, en blijkens welk register die vaartuigen, als slaven<br />
aan boord hebbende, bestemd voor Atjehsche havens, aangehouden en geconfisceerd zijn<br />
geworden, terwijl van de toedragt dier geheele zaak door de autoriteiten ter Westkust van<br />
Sumatra kennis is gegeven aan den vorst van Atjeh."<br />
De Gouverneur-Generaal schreef nu een brief aan den Sultan van Atjeh, om dezen uit<br />
te noodigen de DolpMjn uit te leveren aan den persoon, die zou gezonden worden om dat<br />
schip te halen. Tevens werd , bij besluit van 14 November 1836, de resident van Sumatra's<br />
Westkust aangeschreven » om verder met beradenheid in de onderwerpelijke zaak te werk<br />
te gaan", en werd hem opgemerkt » dat bijaldien genoemde Sultan de schoener Dolphijn<br />
in eenen bruikbaren staat teruglevert, op het overige, zoo als'de restitutie van de aan boord<br />
geweest zijnde gouvernementsgelden, ten bedrage van f 30 000, half zilver, en van het<br />
geschut, en de uitlevering van de opvarenden der bedoelde schoener, niet te zeer zal behoeven<br />
te worden aangedrongen, gemerkt de onraadzaamheid van het nemen van maatregelen,<br />
waardoor de vrede met den Sultan zoude kunnen worden verbroken".<br />
De luitenant ter zee der 1ste klasse W. H. R. VAN LOON , kommandant van den schoener<br />
Cirvé, en de ambtenaar ter beschikking W. L. RITTER , werden in commissie gesteld om den<br />
brief van den Gouverneur-Generaal over te brengen en de DolpMjn in ontvangst te nemen.<br />
Hun werd opgedragen om bij deze gelegenheid ce verschillende peperhavens te bezoeken<br />
en te trachten kennis van land en volk op te doen.<br />
De rapporten dezer gecommitteerden zijn niet aan het Departement van Koloniën medegedeeld<br />
( l<br />
); maar volgens het Indisch besluit van 19 October 1837, n°. 16, blijkt daaruit,<br />
»dat, hoezeer de gecommitteerden getracht hebben om, zonder de eer en de waardigheid<br />
van het Gouvernement uit het oog te verliezen, den Sultan door gepaste middelen tot inwilliging<br />
van de billijke vordering van het Gouvernement te bewegen, zij daarin niet naar<br />
wensch zijn geslaagd; dat het hun echter, hoezeer na lang dralen van de zijde van den<br />
Sultan, is gelukt een bepaald antwoord van denzelven te verkrijgen, hierop nederkomende,<br />
dat de bedoelde schoener op de reede van Pedir, werwaarts dezelve was gezonden, met al<br />
wat dezelve inhield, is verbrand, en dat de gelden, welke zich aan boord hebben bevonden<br />
, in der tijd door de gevlugte opvarenden van dezelve zijn medegenomen, zoodat zich<br />
niets meer in de magt van hem, Sultan , bevindt, dan het kind van den vermoorden gezagvoerder<br />
der schoener, SEBA , hetgeen hij genegen is af te staan, mits dat hem vooraf<br />
door de commissie eenige zekerheid wordt gegeven omtrent zijn verzoek ter bekoming van<br />
schadevergoeding voor de in der tijd door het Gouvernement aangehouden drie praauwen,<br />
aan zijne onderdanen toebehoorende."<br />
De commissie deelde verder mede » dat het verbranden van de voormelde schoener, hoezeer<br />
in omstandigheden, met die, door den Sultan opgegeven, eenigszins verschillende,<br />
(1) Van de door hen ingediende „Memorie over den tegenwoordigen toestand van Atieh" is het<br />
grootste gedeelte overgedrukt in de „Korteaanteekeningen over het Kijk van Atjeh", doorW. L. RITTEB,<br />
voorkomende in het Tijdschrift van Nederlandsch Indie, 1ste jaargang, 2de deel, bl. 454—476 en Ilde jaargang,<br />
1ste deel, bl. 1—27 en 67—90, en voorts in het werk van den heer H. J. J. L. DE STTTEBS, uitgegeven<br />
door P. J. Veth: „De vestiging en uitbreiding der Nederlanders ter Westkust van Sumatra",<br />
hoofdstuk XXIV.<br />
Uit deze stukken en uit het aangehaalde besluit blijkt niet wat men vermeld vindt in een advies van<br />
den Raad van Indie van 1853, dat Atjeh „ons met onze reclames in 1837 straffeloos overwees tot den<br />
sultan van Turkije".
13<br />
buiten twijfel is, doch het aangevoerde nopens de geldelijke lading en de opvarenden der<br />
schoener niet overeenkomstig de waarheid is bevonden , zijnde de commissie in het zekere<br />
onderrigt geworden, dat de Sultan zich van de bedoelde gelden heeft meester gemaakt en<br />
dezelve ten eigen behoeve heeft aangewend , dat het geschut van de schoener zich gedeeltelijk<br />
te Atjeh en voor het overige op een van des Sultans schepen bevindt, en<br />
eindelijk dat de opvarenden niet gevlugt, maar te Atjeh onder de bescherming van den<br />
Sultan zijn."<br />
De commissie was van oordeel, » dat de verschillende uitvlugten van den Sultan genoegzaam<br />
doen zien , dat hij niet genegen is om goedwillig aan de vordering van het Gouvernement<br />
toe te geven, en dat zoowel deze handelwijze, als de moeijelijkheden , waartoe het<br />
Atjehsch bestuur reeds zoo dikwerf heeft aanleiding gegeven , het noodzakelijk maken om<br />
de eer van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement met klem te handhaven en den Sultan<br />
door strenge, doch passende maatregelen te dwingen om aan de dezerzijdsche billijke<br />
eischen te voldoen. "<br />
De Gouverneur-Generaal vereenigde zich echter met het gevoelen van den Raad van Indie<br />
» dat, hoeveel reden het Gouvernement ook zoude mogen hebben om zich over de handelwijze<br />
van den Sultan, door kracht van wapenen , genoegdoening te verschaffen, echter<br />
daartoe niet dan in de uiterste noodzakelijkheid behoort te worden overgegaan ; dat deze<br />
noodzakelijkheid nog niet bestaat, aangezien de eer en de waardigheid van het Gouvernement<br />
niet geacht kunnen worden er bij te lijden, dat niet dadelijk op de weigering van<br />
een halsstarrig en eigendunkelijk inlandsen vorst, om te voldoen aan de dezerzijdsche regtmatige<br />
vordering , tot gewelddadige maatregelen jegens denzelven wordt overgegaan , en<br />
het niet bewezen is dat alle middelen , om tot eene minnelijke schikking te geraken zijn<br />
uitgeput" enz.<br />
Bij het aangehaald besluit werd nu goedgevonden en verstaan » in de onderwerpelijke<br />
zaak voorloopig te berusten , wordende den resident van Sumatra's Westkust evenwel bij<br />
deze opgedragen , om alsnog door middel van geschikte inlanders met den Sultan van Atjeh<br />
m onderhandeling te treden ter erlanging van de , met betrekking tot den door de inlandsche<br />
equipage afgeloopen en'te Atjeh aangehouden gouvernements civielen schoener DolpMjn,<br />
gevorderde voldoening, kunnende desnoods genoegen worden genomen met de uitlevering,<br />
door den Sultan, der opvarenden van den voormelden schoener, daaronder begrepen het<br />
kind van den vermoorden gezagvoerder SEBA."<br />
Aan deze opdragt schijnt geen gevolg te zijn. gegeven; althans er blijkt niets van.<br />
In 1838 werd door het fregat de Zaan en den kruisschoener de Haai een kruistogt ondernomen,<br />
ten einde Baros te beveiligen tegen de aanrandingen der Atjehers. Daarenboven<br />
werd de gouverneur van Sumatra's Westkust gemagtigd te gelegener tijd tot het bezetten<br />
en versterken van Baros over te gaan. Hiertoe gaf, volgens het politiek verslag over 1838,<br />
aanleiding »de steeds toenemende euvelmoed der Atjehers, welke zich langzamerhand te<br />
Baros zoeken te nestelen en zich nu aldaar schijnen te versterken."<br />
Aanstonds begonnen nu de Atjehers hunne vestiging te Singkel te versterken met blokhuizen<br />
en batterijen, en rigtten zij in het gezigt van Baros, aan het riviertje Soengei-<br />
Matjo, drie bentings op, waarin 5 a 600 man bezetting werd gelegd.<br />
Bij besluit van 2 Maart 1840 beval de Gouverneur-Generaal de uitzending eener expeditie<br />
tegen Singkel en in Mei van dat jaar maakten onze troepen, onder aanvoering van den<br />
kolonel MICHIELS , zich van alle vijandelijke versterkiagen meester.<br />
Bij deze gelegenheid betoogde de genoemde kolonel, gouverneur van Sumatra's Westkust,<br />
de noodzakelijkheid om tegenover Atjeh verder te gaan. »Atjeh"— zeide hij in een<br />
rapport van den 14den Mei 1840 — » zal bezwaarlijk er toe te brengen zijn , om onze verrigtmgen<br />
te beschouwen als de eenvoudige hervatting van een tijdelijk opgegeven regt<br />
van eigendom. De oorlog met Atjeh bestaat dus, en daar wij geene verdere uitbreiding<br />
van grondgebied voorhebben dan Singkel, is het zeker wenschelijk, dat na onze vestiging<br />
aldaar, die oorlog hoe eer hoe beter ophoude. Maar de vrede moet op eene waardige wijze<br />
verkregen worden ; op eene wijze die het ontzag voor onze wapenen en voor onze zoo lang<br />
en zoo dikwijls door die zelfde Atjehers gehoonde vlag duurzaam make. Dit is, naar mijn<br />
inzien, de eenigste weg, om uit den vrede goede resultaten te erlangen, dat is, den waar-
14<br />
b<strong>org</strong> van genoegzame veiligheid om den geest van handelsspeculatien bij particulieren of<br />
zelfs bij groote ligchamen als de maatschappij aan te moedigen. "<br />
De gouverneur stelde dus voor, om , na de bemagtiging van Singkel , onze zeemagt op<br />
die hoogte en noordelijker te laten blijven kruisen , om de Atjehers in bedwang te houden<br />
en zooveel mogelijk af breuk te doen , opdat door hen eindelijk de noodzakelijkheid zou<br />
worden ingezien om vrede te maken.<br />
De Indische Regering vereenigde zich echter niet met de voorstellen van den gouverneur<br />
MICHIELS , vooral uit overweging, dat wij ons in 1824 verbonden hadden de souvereiniteit<br />
van Atjeh te eerbiedigen. Zij wilde dus aan onze krijgsbedrijven het karakter gegeven<br />
hebben van maatregelen tegen Atjehsche onruststokers, niet tegen den staat van Atjeh,<br />
en verbood directe vijandelijkheden tegen dien staat.<br />
Nu gaf de gouverneur MICHIELS in overweging om met Troemon, welks gebied aan het<br />
onze grensde , een zoodanig tractaat te sluiten , dat dit staatje voor ons als het ware een<br />
voormuur worden zou tegen het eigenlijke Atjeh, waarvan Troemon zich gaarne onaf hankelijk<br />
beschouwde. De Gouvernements-commissaris op Sumatra, mr. P. MERKUS , gaf daartoe<br />
magtiging, en den 26sten Junij 1840 werd door den gouverneur een tractaat met Troemon<br />
gesloten , waarin de radja beloofde » nimmer te zullen toelaten, maar des noods krachtdadig<br />
te zullen tegengaan , den doortogt door zijn gebied van al wie vijandelijke oogmerken mogt<br />
koesteren tegen de etablissementen van het gouvernement te Singkel," en waarbij onzerzijds<br />
werd toegezegd , den radja » naar billijkheid te zullen handhaven en beschermen tegen<br />
alle aanvallen van zijne vijanden ". Wegens deze laatste bepaling werd het tractaat nimmer<br />
door de Indische Regering bekrachtigd, dewijl bij art. 35 der toenmalige instructie van den<br />
Gouverneur-Generaal aan hem verboden was om , bij het sluiten van verbonden met inlandsche<br />
vorsten of volken, aan dezen hunne bezittingen te waarb<strong>org</strong>en, of zich te verbinden om hen<br />
tegen de aanvallen van anderen te beschermen.<br />
De expeditie tegen Singkel schijnt bij de Atjehers een heilzamen indruk te hebben te<br />
weeg gebragt. Maar die indruk verflaauwde, naar mate onze land- en zeemagt in het<br />
noordelijk gedeelte van Sumatra's Westkust verminderd werd. In 1848 deden eenige Atjehsche<br />
roovers weder een aanslag op het etablissement te Singkel, doch zonder vrucht. In 1849<br />
rekende men het noodig den radja van Troemon nog meer aan de Nederlandsche belangen<br />
te verbinden en werd hem een toelage van f 200 's maands toegekend. In 1851 moest Zijner<br />
Majesteits brik Pylades met een detachement infanterie naar de Banjak-eilanden gezonden<br />
worden om eene bende Atjehers, die zich daar gevestigd had en zich aan roof en moord<br />
schuldig maakte , van daar te verjagen.<br />
De Atjehsche havens zelve bleven voor den Europeschen handel bij voortduring hoogst<br />
onveilig. In 1844 werden twee Britsche handelsvaartuigen geplunderd te Kwalla-Batoe en<br />
te Kwalla-Merdoe. De Britsche oorlogschepen Harlcquin en Wanderer trokken naar de<br />
hoofdplaats Atjeh. De Sultan wist zich te zuiveren van de verdenking van medepligtigheid,<br />
bood zijne hulp aan tot het verkrijgen van voldoening en gaf zijne begeerte te kennen om<br />
den bijstand der Engelschen te erlangen ten einde zijne wederspannige onderdanen tot gehoorzaamheid<br />
te brengen. [Zie de Staatscourant van den 16den September 1844.] De Sultan<br />
gaf aan de Engelsche gezagvoerders eenige zijner beambten en brieven mede, maar de<br />
geëischte voldoening werd niet verkregen en de beide genoemde plaatsen ondergingen eene<br />
gevoelige tuchtiging.<br />
In 1851 werd door een Fransch oorlogschip , Cassini, eene vergeefsche poging aangewend ,<br />
om in de Atjehsche haven Diak voldoening te verkrijgen voor de plundering van het Napolitaansche<br />
handelsvaartuig Clementina. In 1852 werd de Engelsche schoener Conry Castte<br />
op de kust van Atjeh geplunderd. Telkens werd onzerzijds overwogen of door het Nederlandsche<br />
Gouvernement niet iets behoorde te worden gedaan ; telkens kwam men tot dezelfde<br />
conclusie als in 1832. En ook toen in 1853 door het Napelsche Gouvernement de tusschenkomst<br />
der Nederlandsche Regering werd ingeroepen om voldoening te verkrijgen voor de<br />
plundering van de Clementina, maakte zij zich van de zaak af.<br />
In 1853 was de Regering, naar aanleiding van kwestien met Engeland over de uitvoering<br />
van het tractaat van 1824, bedacht op de wenschelijkheid om alsnog contracten te sluiten<br />
met die vrije inlandsche staten in den Indischen Archipel met welke geene overeenkomsten
15<br />
waren aangegaan. Wat Sumatra betreft, meende zij door art. 9 van het tractaat van<br />
1824 van Engeland niets te vreezen te hebben, maar het kwam raadzaam voor maatregelen<br />
te nemen ter voorkoming dat andere vreemde invloed zich aldaar mogt vestigen. De Regering<br />
dacht hierbij aan het feit, dat een Atjeher , Sim MOHAMED , die voor een gezant van den<br />
Sultan van Atjeh werd gehouden , zich in het vorige jaar geruimen tijd te Parijs had<br />
opgehouden, aldaar altijd begeleid werd door een ambtenaar van het Ministerie van buitenlandsche<br />
zaken, en eene ontmoeting gehad had met den President der Republiek, waarna<br />
hy over Constantinopel naar Atjeh was teruggekeerd. Later is in Atjeh vernomen dat in<br />
18o3 door een Atjesch gezant, die van Parijs terugkeerde, een brief en een kostbare sabel<br />
als geschenk van den Franschen Keizer voor den Sultan van Atjeh zijn overgebragt. (1)<br />
De Raad van Indie wees er op, dat wij nog niet aan de toezegging van 1824 hadden<br />
voldaan.. » Andere gouvernementen" - vervolgde de Raad - » hebben zich bij het onze<br />
ook gedurig beklaagd over de aanrandingen welke hunne handelaren in de Atjehsche havens<br />
hadden te lijden , doch de Nederlandsche Regering onthield zich dan steeds van alle tusschenkomst,<br />
omdat van hare zijde nog geen gevolg was gegeven aan de belofte of overeenkomst<br />
van 17 Maart 1824. Het zal dan ook wel altijd moeijelijk zijn en blijven om die overeenkomst<br />
na te komen door middel van onderhandelingen of betrekkingen met den vorst van<br />
Atjeh, wiens invloed zich weinig verder uitstrekt dan de onmiddellijke nabijheid van zijnen<br />
zetel, terwijl de kleinere vorsten in de meer afgelegene peperhavens zich schier onafhankelijk<br />
van hem schijnen gemaakt te hebben. Het schijnt bovendien , dat de onrustige toestand<br />
, waarin de Westkust van Sumatra tot voor weinige jaren verkeerde , de beproeving<br />
der vervulling van de bedoelingen in 1824 onraadzaam heeft doen voorkomen.<br />
» Doch nu de Nederlandsche invloed over die kust als gevestigd kan beschouwd worden,<br />
zoude het overweging verdienen den gouverneur van Sumatra's Westkust te raadplegen<br />
omtrent de mogelijkheid van de verwezenlijking der bedoelingen , bij gelegenheid van het<br />
sluiten van het tractaat van 1824 door de Nederlandsche gevolmagtigden uitgedrukt."<br />
Aan dit denkbeeld van den Raad gaf de Gouverneur-Generaal gevolg bij een besluit<br />
van den 8sten October 1853. De gouverneur van Sumatra's Westkust gaf zijn advies bijeen<br />
rapport van den 8sten December 1853. Hij achtte het aanknoopen van betrekkingen<br />
met Atjeh, zoo als in 1824 bedoeld werden, nutteloos, omdat het gezag van den Sultan<br />
in zijn eigen gebied nul was, en meende dat wij meer invloed zouden uitoefenen wanneer<br />
wij jaarlijks een oorlogsschip zonden , om de Atjehers aan het gezigt onzer vlag te<br />
gewennen, en om daar, waar het noodig zou zijn, aan vreemde vaartuigen hulp en bescherming<br />
te geven. Vooraf zou dan per brief aan den Sultan van Atjeh te kennen gegeven<br />
moeten worden, » dat het Nederlandsen Gouvernement, vriendschap willende houden met<br />
den bul tan, en zijne schepen naar de peperhavens ten handel willende zenden, besloten<br />
neett nu en dan een schip naar Atjeh te zenden en zijn bijstand en hulp voor onze schepen<br />
wordt gevraagd. "<br />
F<br />
Naar aanleiding van dit voorstel werd , bij besluit van den 14den April 1854 , de gouverneur<br />
van Sumatra's Westkust uitgenoodigd » om, bijaldi3n tegen het einde van elk jaar<br />
geen oorlogsbodem van grooter charter het station der zeemagt op de Westkust van Sumatra<br />
komt versterken, uitsluitend met het doel om in de peperhavens van Atjeh de Neueriandsche<br />
vlag te vertoonen en, des gevraagd, de geschillen tusschen de bevolking en den<br />
nandelaar te bemiddelen , dezen togt, in overleg met den stationskommandant, op te dragen<br />
aan net ter Westkust van Sumatra gestationeerde oorlogsfregat of korvet, zoo mogelijk onder<br />
toevoeging van eenen ambtenaar met de gewoonten en talen der bevolking bekend;<br />
» onder aanteekening, dat vooreerst noch van de zijde van den Gouverneur-Generaal,<br />
noen van die van den gouverneur van Sumatra's Westkust, vriendschappelijke briefwisseng<br />
,al worden geopend met den Sultan van Atjeh , zoolang niet van de zijde van dien vorst,<br />
n tegenstelling van zijnen brief van Februarij of Maart 1837 , verhandeld bij het besluit van<br />
uen iyaen October 1837, n°. 16, naar vriendschappelijke betrekking gestreefd wordt."<br />
ue eerste jaarhjksche togt werd in het begin van 1855, bij gebrek aan een grooter vaar-<br />
(1) Zie ook het verslag van het bezoek te Atjeh met de brik de Haai, hieronder, blz. 16.
16<br />
tuig, ondernomen door de oorlogsbrik de Haai, kommandant de kapitein-luitenant COURIER<br />
DIT DüBEKART.<br />
In het rapport van dien zee-officier, dd. 4 Mei 1855, wordt het volgende medegedeeld<br />
omtrent zijn bezoek ter hoofdplaats Atjeh , waar men den 6den April aankwam , na eerst<br />
de andere havens ter Westkust te hebben aangedaan :<br />
„Aan de riviermonding was eene groote Atjehsche vlag geheschen. Ik zond al dadelijk circa ten 8<br />
ure een sloep met een officier en den tolk naar wal, om den Sultan mijne komst te berigten, te vragen<br />
wanneer hem gelegen kwam ik Zijne Hoogheid een bezoek mogt brengen, en den volgenden m<strong>org</strong>en ten<br />
8 ure de Atjehsche vlag zou salueren, met 13 kanonschoten, bijaldien dit salut zou beantwoord worden.<br />
rDes namiddags ten 5'/ 2 ure kwam de sloep terug, rapporterende mij de luitenant ter zee VAN DEE<br />
HECKÏE SPIES, dat de Sultan mjj den volgenden m<strong>org</strong>en ten 9 ure ontvangen zou met de officieren, en<br />
het salut zou beantwoord worden; wijders dat Z.Ed. circa 11 ure met de sloep aan de verblijfplaats van<br />
den Sultan was gekomen, zijnde genoegzaam 3 uren roeijens de rivier op door den sterken stroom: dat<br />
Zijne Hoogheid toen niet te spreken was, als gewoon zijnde van 10 tot 2 ure te slapen; dat hij na tot<br />
2 ure gewacht te hebben bjj den eersten Sabandar, die zich steeds met Zijn Ed. gedurende dien tijd geoccupeerd,<br />
en naar alles geinformeerd had, ook voornamelijk of er een brief van den Gouverneur-Generaal<br />
aan boord was, bij den Sultan werd toegelaten en deze, na almede gevraagd te hebben of ik een brief<br />
aan boord had van het Gouvernement en welken rang ik bekleedde, op zijne vingers natellende van<br />
admiraal af tot kapitein-luitenant, een geindigneerd uiterlijk aannemende, mij op n°. 5 bragt, en hoogst<br />
officieel en kort af dien officier zijn afscheid gaf.<br />
„ Ik ging den anderen m<strong>org</strong>en, met de officieren , dan ook vóór 6 ure reeds naar den wal, en ten 8<br />
ure werd van de brik een salut van 13 schoten gedaan, dat dadelijk met gelijk getal bedankt werd van<br />
eene batterij of benting, aan de riviermonding gelegen, waar de vlag geheschen was; — doch mogt het<br />
mij niet gelukken, door den enormen stroom , veroorzaakt door het regenachtig weder van de laatste<br />
dagen, vóór 9V2 ure, en dus iets later dan ik bescheiden was, aan te komen, en werd mij toen te kennen<br />
gegeven door den eersten Sabandar, die ons ontving in zyme woning, dat de Sultan nu niet voor 2 ure<br />
te spreken zou zijn; waarop ik veel lust gevoelde om onmiddellijk terug te gaan; doch in aanmerking<br />
genomen dat het hier eene zeer teedere zaak gold voor het Gouvernement en niet wetende of ik dan wel<br />
in den geest daarvan gehandeld zou hebben, bleef ik geduldig het gunstig oogenblik afwachten, tot ik<br />
ten 11/2 ure met de officieren werd verzocht om bij Zijne Hoogheid den Sultan MANSOEB SCHA BIA<br />
TJOHAE AIAMSCHA te willen verschijnen. In dien tusschentjjd had de Sabandar zich nog bij mjj ook naar<br />
vele zaken geïnformeerd; altoos weder naar een brief, wat ik toch eigenlijk wel op die andere plaatsen<br />
uitgevoerd had, of ik werkelijk door den Gouverneur-Generaal dan wel door den gouverneur van Padang<br />
was gezonden, daar ik te dier plaatse toch gestationeerd was sedert eenigen tijd. Ook een en ander<br />
omtrent den radja van Troemon, wat die toch te Padang en Sibogha zoo dikwijls uitvoerde enz.; dat ik<br />
hem alles bedaard en in goeden zin uiteen trachtte te leggen, daar mij reeds gebleken was dat hij zoowat<br />
een vertrouwd persoon van den Sultan moest zijn , en ik mij volstrekt vriendschappelijk en zonder eenige<br />
terughouding vertrouwend wilde voordoen. De Sultan ontving ons in zijn dallam, zijnde eene met verhakkingen<br />
en pallissadeermgen en gedeeltelijk met wallen versterkte ruimte, waarin onderscheidene huizen,<br />
op een soort van stellaadje of koepel, gezeten op een stoel, terwijl er voor ons ook stoelen stonden<br />
tegenover hein , en omringd van zijne rijksbestierders of panglima's (een van dewelke ik later vernam de<br />
serang of mandoer te zijn, welke vroeger die civiele gouvernementsschoener heeft afgeloopen met dat<br />
geld aan boord, en naar Atjeh heeft overgebragt), meer andere hoofden en 500 a 600 met getrokken<br />
klewangs, geweren en pieken gewapende Atjehers om zich heen, in hunnen oorlogsdos, hebbende hn<br />
zelf, buiten de kris met diamanten die in zijnen gordel stak, nog een lange kris vóór zich op zijn knieën<br />
liggende en in handen, gereed zoo het scheen om te trekken, en die hij nu en dan ongeduldig ronddraaide.<br />
Zijn voorkomen duidde waardigheid, maar tevens koele hoogheid aan. Na hem mijn compliment gemaakt<br />
te hebben, heerschte eene doodsche stilte onder die menigte, en gaf ik Zijne Hoogheid toen te<br />
kennen , dat ik door het Gouvernement met Zijner Majesteits oorlogsbrik de Baai naar hier was gezonden,<br />
om namens hetzelve een vriendschappelijk beleefdheidsbezoek aan Zijne Hoogheid te brengen, en tevens de<br />
Atjehsche vlag de gewone eere te bewijzen, waarop hij ons wees te gaan zitten, en kortaf antwoordde:<br />
„ Goed! maar hebt gij geen brief medegebragt van den Gouverneur-Generaal ? " waarop ik neen antwoorden<br />
moest, doch tevens aan Zijne Hoogheid te kennen gaf dat onze adat medebragt, dat wanneer door<br />
het Gouvernement een oorlogsschip gezonden werd met een officier of ambtenaar, om eene zoodanige<br />
missie te volbrengen, zulks dezelfde eer inhield; 't geen hjj mij beantwoordde, met verkropte woede op<br />
het gelaat, met te zeggen: „maar daar is immers nog geen vrede tusschen mü en het Hollandsch Gouvernement<br />
gemaakt, en daarom is mij uwe zending niet verklaarbaar, daar zulks geenszins met innn adat<br />
overeenstemt, en als de Toean Bezaar van Batavia vriendschap met mjj gesloten wil zien, die ik ook<br />
wensch, dan zal hij daarover nog schriftelijk met mij moeten handelen, want wat heeft zoo'n praatje te<br />
beduiden? Dat is niets dan wind; en alvorens dit geschied is, ben ik er niet op gesteld dat er schepen<br />
van uwe natie in mijn land komen, want ik zal u nu als vriend behandelen, maar dan sta ik er niet<br />
voor in wat hun zal wedervaren." Waarop ik Zijne Hoogheid zeide dat de meening zeker goed was
17<br />
van mjjn Gouvernement, doch het verschil van gewoonte hier eene andere zienswijze over de zaak had<br />
gegeven; dat ik zulks echter zoo spoedig doenlijk aan mijn Gouvernement zou berigten. Hij zeide mjj<br />
toen met een vrij sarcastischen lach, dat hij al dat gewapende volk ter onzer eere had laten/.amenroepen,<br />
en gaf zijne verwondering te kennen dat ik ook geene gewapende lijfwacht had medegebragt. Hiermede<br />
scheen hjj eenigszins teleurgesteld, en vroeg mg toen in hoeveel tijd of op dat schrijven dan wel antwoord<br />
bij hem zou kunnen zijn en of ik onr.iiddellijk naar Batavia terug ging? 't welk ik beantwoordde<br />
met te zeggen dat mijne bestemming naar Padang was en ik niet precies kon bepalen wanneer daarop<br />
antwoord kon komen. Ik zeide nog een paar dagen te zullen blijven, waarop hij antwoordde dat ik<br />
zulks naar mijn welgevallen kon doen. Hierop gaf hij mij te kennen dat ik maar vertrekken kon met<br />
de officieren, doch zeide tegen den tolk nog te moeten blijven. Deze kwam korten tijd daarna terug. Ik<br />
en de officieren gebruikten iets te eten, dat ons door den Sabandar namens den Sultan reeds vroeger was<br />
aangeboden, en gingen daarna al spoedig naar boord, daar ik aan de houding en een paar gezegden van<br />
onzen tolk tegen den Sabandar bem rkte, dat de stemming zoodanig was, dat het meer dan tijd werd.<br />
„Aan boord gekomen, liet ik den lolk bij mij roepen om mij eens te zeggen wat er verder tegen hem<br />
gesproken was, daar ik zulks niet vroeger of in de sloep had willen doen, en vertelde mij deze het<br />
volgende:<br />
„Dat na ons heengaan de Sultan aan zijn rijksgrooten in nijdigheid, ten arahoore van die gansehe<br />
volksmenigte, in de Atjehsche taal gevraagd had: „Welnu, wat denkt gijlieden wel van zulk eene wijze<br />
om vriendschap te willen maken; zou dat nu wel gemeend moeten heeten?" waarop door de meesten<br />
•gerepliceerd werd, en vooral met hevigheid door dien gewezen serang, „neen, dat is nergens anders om<br />
te doen geweest dan om ons land te komen bekijken en bespieden; dat is de gewoonte van die Hollanders;<br />
zij zullen nu niets te doen en eene gelegenheid hebben om er nog wat van te komen wegnemen;" waarop<br />
onder het omstaande volk luide kreten van misnoegen en haat tegen de Hollanders opgingen. Ook werd<br />
bij die gelegenheid hunne teleurstelling te kennen gegeven, dat er niet meer Hollanders aan wal waren<br />
gekomen. Dit alles volgens don tolk, dien ik geen reden heb gevonden om eenigszins te mistrouwen, en<br />
die mij daarbij te. kennen gaf, dat het zoo zeer gelukkig was geweest dat dit niet gebeurd was, en vooral<br />
ook dat ik niets gesproken had wat eenigen schijn van onaangename opvatting had kunnen geven, want<br />
dat er dan voorzeker ongelukkige tooneelen hadden plaats gevonden, daar de geheele receptie zeer vijandig<br />
was zamengesteld en gezind. En werd hem, tolk, verder door den Sultan gezegd, mij, aan boord gekomen,<br />
maar te moeten vertellen, dat ik aan mijn Gouvernement ook nog schrijven kon, dat hij verlangde<br />
om Sinkel en Baros terug te hebben en op de helft van Nias ook pretentie maakte, en als hjj, Sultan,<br />
dat niet terugkreeg, dat hij dan later welligt dit zelf nog eens terug zou komen halen zoo als 't hem<br />
ontnomen was. En hiermede kon de tolk vertrekken, terwijl hem ook nog te kennen gegeven werd dat<br />
hjj niet behoefde bevreesd te zijn dat hem hier eenig leed zou wedervaren, wat er ook welligt met de<br />
brik en equipage gebeuren zou.<br />
„ Aan boord was ik geprepareerd op alles en er werd goede wacht gehouden.<br />
„ Den volgenden m<strong>org</strong>en zou de havenmeester of Sabandar eens aan boord komen, om het schip te zien,<br />
waartoe ik hem had uitgenoodigd, en tevens eenige ververschingen medebrengen, die door het état-major<br />
en mij waren aangekocht, ook voor de equipage en de zieke schepelingen, want de Sultan scheen geen<br />
voornemen te hebben iets voor de equipage aan boord te zenden. Oeze kwam dan ook ongeveer 9 ure<br />
Zondag 'sm<strong>org</strong>ens aan boord met eenig volk en bragt ons alles wat wij gevraigd hadden mede, doeh vrij<br />
duur. Hjj wilde mjj met geweld eenig vaatwerk in de praauwen laten geven, om ons zeer lekker water<br />
te bez<strong>org</strong>en, zoo hij zeide, waar ik echter voor bedankte, te kennen gevende nog genoeg en zeer goed<br />
water aan boord te hebben. Ik liet hem het schip in alle doelen zien, batterij, projectilen van allerlei<br />
soort, liet de equipage onder de wapens komen, en eenige manoeuvres doen, en onderhield mjj nog eenigen<br />
tijd met hem over het verhandelde van den vorigen dag bij den Sultan, waarbij hij mij te kennen gaf, wat<br />
betrof die boodschap omtrent Baros en Sinkel aan den tolk gegeven — daar ik hem zeide niet te gelooven<br />
mjjn Gouvernement daarin ooit zou toestemmen — zulks meer in toorn door den Sultan gezegd<br />
was, daar hij zich zeer verontwaardigd gevoelde over de wijze waarop het Hollandsche Gouvernement hem<br />
scheen te beschouwen, want dat hij werkelijk den vrede ook wenschte, maar nu zeerkwaad was; dat hjj (Sabandar)<br />
zeker dacht, dat als er nu maar een brief gezonden werd met eenige geschenken, zooals de adat medebragt, en de<br />
Sultan dus zag dat de zending der Haai geen verdichtsel was, maar werkelijk vertrouwen verdienen mogt,<br />
hij dan bepaald wel geneigd zou zijn om vrede te maken; mjj daarbij tevens te kennen gevende dat Keizer<br />
NAPOLEON, ten geleide van zjjn schrijven aan den Sultan om vriendschapsbetrekkingen met hem aan te<br />
knoopen, hem een kostbaren sabel, rijk met edelgesteenten bezet, met nog meer andere rijke geschenken<br />
toegezonden had, en tevens de offerte om den Sultan kapitein ter zee te maken bij de Pransche marine,<br />
en hem een oorlogsstoomfregat cadeau te zenden, voor welke aanbieding hij echter bedankt had. Ik heb<br />
den Sabandar toen andermaal te verstaan gegeven, met verzoek dit den Sultan te zeggen, dat de adat<br />
der Hollanders anders was, en vooral niet inhield om, als men vriendschap wilde aanknoopen, die als 't<br />
ware door kostbare geschenken half te koopen. Ik liet den Sultan verder door hem zeggen dat ik den<br />
volgenden of navolgenden dag zoude vertrekken, of Zijne Hoogheid ook nog iets te zeggen had; waartoe<br />
ik quasi den tolk met den havenmeester medezond, daar deze nvj den volgenden m<strong>org</strong>en nog eene karbouw<br />
aan boord zou bez<strong>org</strong>en, die ik voor de equipage gekocht had, met last aan den tolk, die echter eerst<br />
3
18<br />
niet veel animo in die zending had, om tot den volgenden dag aan wal te blijven, en eens goed op te<br />
nemen en uit te hooren hoe of' men nu wel over de zaak sprak en gestemd was.<br />
„Den volgenden m<strong>org</strong>en terugkomende, rapporteerde mij de tolk, dat het zeer gelukkig was geweest<br />
dat ik geen" drinkwater had willen nemen van den havenmeester; dat hij den vorigen nacht gepasseerd<br />
had ten huize van diens broeder; dat daar vele Atjehers des namiddags bijeen waren geweest, waaronder<br />
ook de panglima's van den Sultan; dat er over de brik en dier zending veel gesproken was, en men zich<br />
o. a. bij hem informeerde of het niet mogelijk zou zijn om dien nacht de Haai af te loopen; of de batterij<br />
aan boord geladen was en of men goede wacht hield; hoeveel man er wel aan boord was, enz.; — waarop<br />
hij geantwoord had dat hij het niet juist wist; dat zij het konden gaan zien; doch dat gewoonlijk de geheele<br />
batterij geladen was; dat hij hun ook niet aanraadde de zaak al te ligt op te vatten; waarop zij van<br />
dit plan afzagen, doch hem, tolk, voorstelden, onder belofte van bescherming en rijkelijke belooning, om<br />
de equipage der brik te vergiftigen, waartoe zjj hem het noodige zouden geven om in het middageten te<br />
doen, als er soep van die karbouw werd gekookt. Hij, zeer listiglijk, sloeg dit in het geheel niet af,<br />
zeggende hiertoe wel gezind te zijn, doch, diar hij na het plegen van zulk eene daad natuurlijk niet<br />
weder naar Padang konde terugkeeren en dus te Atjeh moest verblijven, eerst de verzekering wenschte<br />
te hebben van den Sultan zelf, of hij Zijne Hoogheid daarmede welgevallig zoude zijn; waarop hij dadelijk<br />
naar den Sultan werd gebragt, die hem eigenmondig ditzelfde voorstel herhaalde. Hij beloofde nu bepaald<br />
ons allen te zullen vergiftigen , en den volgenden dag, na eerst met den havenmeester naar boord te zijn<br />
gegaan ten einde daar geen argwaan te verwekken, terug te zullen keeren om een en ander te ontvangen<br />
, hetwelk natuurlijk achterwege is gebleven. Hij zeide mij verder dat het water bepaald vergiftigd zou<br />
zijn 'geweest als ik het geaccepteerd had, en raadde mij ernstig aan om zeer voorzigtig te zijn met alles."<br />
In de andere Atjehsche havens was de ontvangst voegzaam; op sommige plaatsen legde<br />
men zelfs vreugde aan den dag over het bezoek, en verzocht dat dit nu en dan mogt<br />
worden herhaald.<br />
Naar aanleiding van het verslag van den commandant van de Haai, Werd bij Indisch<br />
besluit van 10 October 1855 » in aanmerking genomen, dat het niet onwaarschijnlijk voorkomt<br />
dat de Sultan, uit vrees voor afval van zijne hem niet geheel onderworpene vasallen,<br />
bij opvolgende bezoeken van Zijner Majesteits oorlogschepen, tot andere gezindheden jegens<br />
het Nederlandsche Gouvernement kan geleid worden; zullende het evenwel in elk geval<br />
bij het weder bezoeken der havens van Atjeh raadzaam zijn voorzigtigheid in acht te nemen ".<br />
Voorts werd:<br />
1°. den gouverneur van Sumatra's Westkust opgedragen, » om, in overleg met den<br />
stations-kommandant aldaar, de peperhavens van Atjeh door een oorlogsvaartuig te doen<br />
bezoeken, zoo als bij het geheim besluit van 14 April 1854, lit. P, bevolen is, onder zoodanige<br />
instructien en met toevoeging van zoodanigen ambtenaar, als hij ten dienste van<br />
den lande oorbaar zal achten:<br />
2°. de kommandant der zeemagt aangeschreven, » om, zoo mogelijk, tot het voorschreven<br />
einde naar Sumatra's Westkust te bestemmen een oorlogsbodem van groot charter, hetzij<br />
Zijner Majesteits fregat Palembang of Prins Hendrik, of zoodanig ander vaartuig, als daartoe<br />
aan het einde van het loopende of bij den aanvang van het volgende jaar beschikbaar zal zijn '\<br />
In het volgende jaar werd het fregat Prins Frederik der Nederlanden, kommandant de<br />
kapitein ter zee SPANJAARD, gezonden, terwijl de ambtenaar J. F. NIEUWENHÜIZEN de reis<br />
mede maakte. Volgens een berigt van den Gouverneur-Generaal van 11 Februarij 1857,<br />
hadden de commissarissen in last gekregen om zoo veel doenlijk bijzonderheden nopens het<br />
land en de kansen van handel en scheepvaart te verzamelen, terwijl aan den ambtenaar<br />
NIEUWENHÜIZEN tevens was vo<strong>org</strong>eschreven om , met inachtneming der beginselen, aangegeven<br />
in de nota, bij het Londensch tractaat van 1824 gevoegd, te trachten onderhandelingen<br />
tot het daar bedoeld einde aan te knoopen.<br />
De gouverneur van Sumatra's Westkust had hun (in afwijking van het besluit van 14<br />
Maart 1854) een brief voor den Sultan medegegeven, om te voorkomen dat hun eene<br />
gelijke bejegening te beurt viel als aan den kommandant van de Haai.<br />
De Sultan gaf met aandrang den wensch te kennen om met ons op goeden voet te komen<br />
en die verhouding te zien ingeleid door het sluiten van een verdrag.<br />
De gecommitteerden verkregen van den Sultan dat hij aan den Gouverneur-Generaal een<br />
schrijven rigtte, dd. 28 April 1856, waarin hij zijn verlangen naar toenadering op geheel<br />
ondubbelzinnige wijze te kennen gaf. Omstreeks denzelfden tijd echter schreef hij aan den<br />
gouverneur van Singapore in een jegens ons vijandigen geest, vragende of men hem raden
19<br />
zou het door ons gewenschte verdrag al dan niet te sluiten. Die gouverneur antwoordde<br />
dat goede verstandhouding met ons wenschelijk te achten was en de Sultan dus wel zou<br />
doen onze voorstellen niet af te wijzen.<br />
Naar aanleiding van de berigteu der gecommitteerden en van het advies van den gouverneur<br />
van Sumatra's Westkust, werd nu door de Indische Regering een tractaat ontworpen,<br />
waarvan de hoofdpunten waren: toelating van wederzijdsche onderdanen tot handel, scheepvaart<br />
en verblijf; tegengang van zeeroof, strandroof en menschenroof; afzien van alle vroegere<br />
reclames, speciaal betreffende de schoener DolpMjn (1837) en de minder gegronde tegenreclames<br />
van den Sultan wegens r] e onzerzijds in 1825 aangehouden slavenschepen; erkenning<br />
van den gouverneur van Sumatm's Westkust als den vertegenwoordiger der Indische Regering,<br />
met wien bij voorkomende gelegenheden onderhandeld zou worden.<br />
Bij besluit van 2 Maart 1857, n°. 37, werd aan den gouverneur van Sumatra's Westkust<br />
opgedragen om zich met Zijner Majesteits stoomschip Amsterdam (kommandant de kapiteinluitenant<br />
A. A. DE VRIES) naar Atjeh te begeven om over een zoodanig tractaat te onderhandelen<br />
, na den Sultan een brief en geschenken van den Gouverneur-Generaal te hebben<br />
overhandigd.<br />
Hoewel de houding van den Sultan bij de onderhandeling in vele opzigten te.wenschen<br />
overliet (hetgeen de gouverneur van Sumatra's Westkust meer aan des Sultans onbekendheid<br />
met de vormen, gepaard aan een hoog denkbeeld van zijne waardigheid, dan aan<br />
opzettelijke miskenning van zijne verpligtingen tegenover den Nederlandschen gevolmagtigde<br />
toeschreef) (I), werd toch, na langwijlige woordenwisselingen, op den 30sten Maart 1857<br />
het tractaat gesloten, dat, na bij besluit van 9 Mei 1857 door den Gouverneur-Generaal<br />
te zijn- bekrachtigd, aan de Staten-Generaal is overgelegd in September van dat jaar (gedrukte<br />
stukken 1857-1858, n°. XXXV, n°. 6). (2)<br />
(1) Het verslag van den gouverneur is niet aan het Departement van Koloniën medegedeeld. De hier-<br />
vermelde bijzonderheden zijn ontleend aan de Indische bijdragen voor het Koloniaal Verslag van 1857.<br />
Voorts kan over deze reis worden geraadpleegd het „Verhaal eener zending naar het Kijk van Atjeh in<br />
1857" in „de Nieuwe Militaire Spectator" van 1864, bladz. 397—412.<br />
(2) Het tractaat houdt de volgende bepalingen in:<br />
Artikel 1.<br />
Van nu af bestaat bestendige vrede, vriendschap en goede verstandhouding tusschen het Nederlandsch-<br />
Indisch Gouvernement en Zijne Hoogheid den Sultan van Atjeh en zn'ne afstammelingen en opvolgers.<br />
Artikel 2.<br />
Indien de onderdanen van het Nederlandsen-Indisch Gouvernement en do onderdanen van Zijne Hoogheid<br />
den Sultan van Atjeh zich willen onderwerpen aan de wetten des lands, kunnen zij handelen en overal<br />
gaan, om hun regtmatig voordeel te zoeken, in al de landen van het Gouvernement, of in al de landen<br />
van den Sultan, en kunnen zij die landen doortrekken of zich daar ophouden, onder genot van al de regten,<br />
voordeelen en bescherming voor hunne personen en goederen, dat reeds is geschonken of zal geschonken<br />
worden aan de onderdanen of landzaten der benedenwindsche landen, die het meest bevoorregt zijn.<br />
Artikel 3.<br />
Wat betreft de bescherming en de hulp, ook aan hunne schepen en vaartuigen en derzelver opvarenden,<br />
en wat betreft de regten van den handel en de scheepvaart, worden de onderdanen van het Nederlandsch-<br />
Indische Gouvernement en van Zijne Hoogheid den Sultan van Atjeh gelijkgesteld met de bevriende natie,<br />
die het meest begunstigd is, in al de havens zoo van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement als van Zijne<br />
Hoogheid den Sultan van Atjeh.<br />
Al de hoofden en beambten der wederzijdsche handels- en ankerplaatsen zullen bevolen worden immer<br />
met voorkomendheid en zooveel mogeljjk hulp te verleenen aan al de betrokken onderdanen en hunne<br />
schepen en vaartuigen, vooral opdat die onderdanen geene vertraging ondervinden b{j het afleveren, lossen<br />
of laden van handelswaren , ook niet wanneer zij hulp en levensmiddelen of water verzoeken.<br />
Deze aangelegenheid is overeengekomen tot opwekking van den handel, de scheepvaart en de genegen<br />
heid tusschen de wederzijdsche onderdanen.<br />
Artikel 4.<br />
Het Nederlandsch-Indisch Gouvernement en Zjjne Hoogheid de Sultan van Atjeh zien af van alle vorde-
20<br />
In de bepalingen van dit tractaat — een eenvoudig verbond van vriendschap en handel -<br />
vindt men geen spoor van eenig streven, om het te doen strekken tot uitvoering der m<br />
1824 tegenover Engeland aanvaarde verpligting. Had het die strekking, dan zou dit tractaat<br />
ons moeten verzekeren de gematigde uitoefening van onzen invloed in Atjeh , zóó ,<br />
dat wij daar aan handel en scheepvaart bestendige veiligheid konden waarb<strong>org</strong>en. Maar<br />
het tractaat bevat geenerlei bepaling die ons eenigen invloed in Atjeh geeft. Er is dan ook<br />
nimmer eenig nut, hoe gering ook, van ondervonden.<br />
Bij het aangehaalde Indisch besluit van 9 Mei 1857 werd tevens » voorloopig bestendigd<br />
het bepaalde bij art. 1 van het geheim besluit van 14 April 1854, lit. P, opzigtehjk het<br />
bezoeken, tegen het einde van elk jaar, van de peperhavens van Atjeh door een oorlogsbodem<br />
van groot charter, met het daarbij omschreven uitsluitend doel".<br />
In 1858 ging het stormkorvet Medusa naar Atjeh en bij die gelegenheid werden detrac-<br />
taten uitgewisseld. In 1859 en 1860 schijnen geen schepen gezonden te zijn.<br />
ringen en aanspraken, die ontstaan zijn vóór de sluiting van deze overeenkomst ter zake van geschillen,<br />
van -welken aard ook.<br />
Voorts wordt vastgesteld dat wanneer deze overeenkomst zal gesloten zijn, al deze geschillen en vorderingen<br />
geheel beslecht en vernietigd z«n, zoodat die nimmer meer kunnen ter sprake komen.<br />
Artikel 5.<br />
Het Nederlandsch-Indisch Gouvernement en Zijne Hoogheid de Sultan van Atjeh komen voorts overeen,<br />
streng en met al hunne middelen te zullen waken, opdat er geen zceroovers of menschenroovers zijn in<br />
hun gebied of in de zeeën van hun gebied of van andere landen waar zij invloed hebben.<br />
Van beide zijden zal dit worden tegengegaan en.zal worden gestraft degeen, die zoodanige daden pleegt.<br />
Van beide zijden zal geene schuilplaats of bescherming verleend worden aan iemand die in zulke zaken<br />
betrokken is, ook niet aan zijn vaartuig.<br />
Van beide zijden zal niet worden vergund dat door zeeroovers buit gemaakte menschen, vaartuigen ot<br />
goederen binnen hun gebied aangebragt of daar te koop aangeboden worden.<br />
Artikel 6.<br />
Indien schepen of vaartuigen van wederzijdsche onderdanen in zeenood zijn of stranden, zullen het Nederlandsch-Indisch<br />
Gouvernement en Zijne Hoogheid de Sultan van Atjeh onverwijld hulp en bescherming<br />
verleenen zooveel slechts mogelijk, en indien eenigerhande zaken worden geb<strong>org</strong>en , zal dit den berger<br />
behoorlijk vergolden worden. .<br />
Die op zoodanige goederen regt heeft, kan de beslissing verzoeken van Zijne Excellentsie den Gouverneur-Generaal<br />
van Nederlandsen Indie, of van Zijne Hoogheid den Sultan van Atjeh, ter zake van de belooning<br />
die door den berger geëischt wordt; die beslissing moet door hem worden aangenomen.<br />
Indien schepen of vaartuigen, die de Nederlandsche vlag voeren, stranden of vergaan , of mdien Nederlanders<br />
of Nederlandsche onderdanen, wier schepen of vaartuigen zijn vergaan, aankomen op de kusten<br />
van Atjeh, zal het Atjehsche hoofd aldaar ten spoedigste de zaak mededeelen aan den gouverneur van<br />
Sumatra's Westkust te Padang, of aan eenige andere nab()zijnde Nederlandsche autoriteit.<br />
Degene, de gestrande schepen of vaartuigen berooft ot die schipbreukelingen mishandelt, dan wel hun<br />
behoorlijke hulp ontzegt, zal voorzeker streng gestraft worden.<br />
Artikel 7.<br />
Zijne Hoogheid de Sultan van Atjeh verbindt zich den gouverneur van Sumatra's Westkust te erkennen<br />
als den vertegenwoordiger van Zijne Exeellencie den Gouverneur-Generaal van Nederlandsen Indie , en<br />
zich tot hem te wenden in alle zaken , waarbij met het oog op het wederzijdsche belang aanraking noodig is.<br />
Artikel 8. *<br />
Indien het later vereischt wordt nog eene of andere aangelegenheid te regelen tusschen het Nederlandsch-<br />
Indipch Gouvernement en Zijne Hoogheid den Sultan van Atjeh, zal zulks geschieden met wederzijdsche<br />
onderhandeling en langs vredelievenden weg.<br />
Artikel 9.<br />
Dit verdrag vangt aan te werken zoodra het is goedgekeurd door Zijne Exeellencie den Gouverneur-<br />
Generaal van Nederlandsen Indie.<br />
De wederzijdsche onderhandelaren hebben hunne handteekeningen en zegels hieronder geplaatst ter oorkonde<br />
, om te strekken als teeken van getuigenis.
21<br />
Eerst in 1861 ging weder een oorlogschip naar Atjeh, ma daarvoor bestond eene bijzondere<br />
reden.<br />
Een der door den Sultan van Atjeh benoemde voogden van het minderjarige hoofd van<br />
Kloeang, radja OEDAH , had twee schepen onder Nederlandsche vlag, Sassah en Johanna,<br />
te huis behoorende in Priaman, aangehouden, omdat hij tegen zekeren PKTO MAJEH, van<br />
Priaman, eene schuldvordering had wegens eene overeenkomst, 50 a 60 jaren geleden<br />
tusschen de wederzijdsche grootouders aangegaan. De beide schepen waren naar Atjeh<br />
overgebragt en van daar, op raad van den Sultan, heimelijk verwijderd. De eigenaars<br />
wendden zich tot het Nederlandsch-Indisch Gouvernement om schadeloosstelling te verkrijgen.<br />
Bij Indisch besluit van 22 Januarij 1861 werd de Gouverneur van Sumatra's Westkust<br />
gemagtigd » aan den Sultan van Atjeh genoegdoening te vragen, zullende daarbij evenwel<br />
met gematigdheid moeten worden te werk gegaan,.en niets geëiseht worden wat<br />
boven het vermogen gaat der betrokken hoofden of in onze handelsbetrekkingen met dat<br />
land stoornis zoude kunnen brengen ".<br />
Zijner Majesteits stoomkorvet Groningen, kommandant de kapitein-luitenant J. VAN DER<br />
MEEESCH, werd naar Atjeh gezonden ; de controleur lste klasse H. A. MESS, gezaghebber<br />
te Singkel, maakte de reis mede. Toen men te Atjeh kwam , had de Sultan radja OEDAH<br />
reeds ontslagen. De Sultan erkende de regtmatigheid der vordering, maar verzocht dat die<br />
verhaald zou worden op hetgeen PETO MAJEH van Priaman aan radja OEDAH schuldig was.<br />
Bij besl uit van 9 October 1861 werd de gouverneur van Sumatra's Westkust aangeschreven<br />
om te trachten deze laatste schuld te innen ten behoeve van de eigenaars der<br />
twee aangehouden schepen. Maar het bleek dat PETO MAJEH een jaar geleden gestorven<br />
was zonder iets na te laten en dat zijne bloedverwanten van het bestaan der schuld niets wisten.<br />
De gouverneur van Sumatra's Westkust betoogde dat de gematigdheid, vo<strong>org</strong>eschreven<br />
bij het besluit van 22 Januarij 1861, hare uiterste grenzen had bereikt; dat, indien niet<br />
op eene krachtiger wijze de eerbiediging van het in 1857 met den Sultan van Atjeh gesloten<br />
tractaat wer.i gevorderd, dat tractaat niet de uitkomsten zou of kon hebben, welke<br />
men daarmede beoogde; dat in de handelingen van den Sultan van Atjeh niet die achting<br />
doorstraalde, welke hij jegens het Nederlandsch-Indisch Gouvernement behoorde te koesteren;<br />
dat de verschillende onder de souvereiniteit van den Sultan staande radja's zich vrij<br />
onafhankelijk gevoelden en zich niet veel meer om het tractaat bekreunden, dan voor zoover<br />
dit met hunne belangen strookte en met de vrees die zij voor représailles koesterden;<br />
dat eene tweede zending naar Atjeh hoogst noodzakelijk was, om den Sultan bekend te<br />
maken met den slechten uitslag zijner aanwijzing op PETO MAJEH, en op een behoorlijke<br />
en zekere voldoening der schadeloosstelling aan te dringen. Bij besluit van 28 Januarij 1862<br />
werd de gouverneur gemagtigd om aan de eigenaars der beide schoeners f2640 uit te betalen<br />
, en aangeschreven: 1°. om » gebruik te maken van den jaarlijks naar de peperhavens<br />
af te zenden oorlogsbodem, om aan den Sultan mede te deelen den vruchleloozen afloop<br />
van de invordering der pretentie van radja OEDAH ten laste van PETO MAJEH , te gelijker<br />
tijd bij dien Sultan met ernst aan te dringen op de uitbetaling, zonder verder verwijl,<br />
van een schadeloosstelling aan de eigenaren van de schoeners Sassah en Johanna, ten bedrage<br />
van f2640, waarvan hij, Sultan, de billijkheid heeft erkend; aan te wijzen een geschikt<br />
ambtenaar , genoegzaam bekend met de taal, zeden en gewoonten der Atjehers, om den<br />
togt naar Atjeh mede te maken en den kommanderenden officier van den te committeren<br />
oorlogsbodem voor te lichten en ter zijde te staan ; dien ambtenaar te belasten met de<br />
overbrenging var. een brief van hem, gouverneur, aan den Sultan van Atjeh, in welken<br />
wordt te kennen gegeven , dat bij langer uitstel om te doen betalen de als billijk erkende<br />
schadevergoeding , die voor de eer des Sultans reeds is vo<strong>org</strong>eschoten aan de eigenaren van de<br />
schoeners Sassah en Johanna, de Nederlandsch-lndische Regering, hoe ongaarne ook, er toe<br />
zoude moeten overgaan zich zelve regt te verschaffen, waardoor de in de laatste jaren zoo<br />
gelukkig bestaande goede verstandhouding met Atjeh zoude kunnen worden geschaad; in<br />
dien brief de meeste omzigtigheid te gebruiken , omdat de Regering niet, dan tot het<br />
uiterste gebragt, zich in een oorlog met Atjeh zoude wenschen gewikkeld te zien; diezelfde<br />
omzigtigheid aan te bevelen aan den kommanderenden officier van den naar Atjeh<br />
te committeren oorlogsbodem en aan den hem begeleidenden ambtenaar; "
22<br />
* 2° om ingeval eene tweede reclame bij den Sultan van Atjeh zonder afdoend gevolg<br />
mogt blijven, behoorlijk gemotiveerde voorstellen te doen, om onze geschonden vlag door<br />
maatregelen van représaille regt te verschaffen."<br />
Aan dit besluit werd uitvoering gegeven door de zending van de Bromo , kommandant de<br />
kapitein-luitenant BEUTEL DE LA RIVIÈEE, wien de adsistentresident H. A. MESS werd toegevoegd.<br />
De vordering van schadeloosstelling bleef zonder gevolg; maar de gouverneur van bumatra's<br />
Westkust was met den kommandant der Bromo van gevoelen, dat dit slechts aan<br />
de armoede en onmagt van den Sultan geweten moest worden.<br />
Intusschen waren ter Oostkust van Sumatra moeijelijkheden tusschen het Nederlandsch-<br />
Indisch gouvernement en Atjeh ontstaan (waarover later), en had de Sultan , in antwoord<br />
op de kennisgeving van de optreding van den Gouverneur-Generaal SLOET aan dezen een<br />
brief geschreven , waarin hij verzocht dat de grenzen tusschen zijn gebied en het onze<br />
zouden worden geregeld. ..<br />
De Gouverneur-Generaal schreef nu,den23sten December 1862, aan den Sultan, dat hij .<br />
alleszins genegen was over eene grensregeling in overleg te treden , en den Sultan voorstelde<br />
daartoe zijne gemagtigden te zenden naar den resident van Riouw. Tevens bragt de<br />
Gouverneur-Généraal de schadevergoeding voor de aangehouden schepen ter sprake, en gat<br />
hü de hoop te kennen dat de Sultan die nog zou voldoen » zoodra het hem gelegen kwam ,<br />
onder opmerking dat de Sultan in deze zaak betrokken was, omdat het als eene daad van<br />
viiandeliikheid jegens hem beschouwd had kunnen zijn, wanneer men radja OEDAH regtstreeks<br />
tot vergoeding der aan Nederlandsche onderdanen toegebragte schade had gedwongen.<br />
Deze brief kon door verschillende omstandigheden, onder anderen wegens den slechten<br />
toestand van het ter Sumatra's Westkust gestationeerde oorlogschip , niet dadelijk aan den<br />
Sultan worden overgebragt, maar werd hem, zoo als hieronder blijken zal, m September<br />
1863 overhandigd.<br />
Was onze verhouding tot Atjeh in het tijdvak, dat tot dusver behandeld is, beheerscht<br />
door de aanrakingen op de Westkust van Sumatra, in de laatste jaren waren ook op de<br />
Oostkust aanrakingen ontstaan, die niet minder moeijelijkheden veroorzaakten dan vroeger<br />
op de Westkust waren ondervonden.<br />
In 1858 was door de Indische Regering met den Sultan en verdere bestuurders van biak<br />
Srie Indrapoera een tractaat gesloten (gedrukte stukken van de Tweede Kamer 1858-1859,<br />
XXII n° 2), wasrbij dit rijk met zijne onderhoorigheden onder onze souvereimteit werd<br />
o-ebra°-t In art. 2 van dit tractaat zijn de onderhoorigheden van Siak bij name genoemd,<br />
en daaronder de benoorden eigenlijk Siak gelegen landschappen Tana Poeteh , Banki, Koeboe,<br />
Bilah , Pameh , Kwaloe , Assahan , Batoe-Bara , Bedageh , Padang, Serdang , Pertjoet, Pebano-oeng'an<br />
Delie , Langkat, Tamian, en de eilandjes langs de kust.<br />
° De geschiedenis van onze vestiging in Siak is, èn uit de Koloniale Verslagen èn uit<br />
hetgeen door de Regering is medegedeeld bij de behandeling, in 1870 en 1871, van het<br />
zoogenaamd Sumatra tractaat met Engeland, genoeg bekend.<br />
Het is bekend dat wij onze vroegere vestigingen op Sumatra's Oostkust hebben opgegeven<br />
in 1841 (zie het verslag van het verhandelde in de zittingen der Tweede Kamer van_2<br />
Augustus 1847 en 7 Mei 1857), en dat wij er ons, nadat de Sultan van Siak zelf ons in 18o7<br />
zijn rijk had opgedragen, weder hebben gevestigd, omdat het, na hetgeen men in de laatste<br />
jaren had zien gebeuren, niet twijfelachtig kon zijn dat de Oostkust eerlang onder vreemd<br />
o-eza» zou geraken, als wij weigerden er ons gezag te doen gelden. Het is bekend hoe wij<br />
op de Oostkust jaren lang hebben te kampen gehad tegen den aan ons gezag vijandigen<br />
invloed van Britsche onderdanen inde Straits Settlements, die meenden dat hunne handelsbelangen<br />
benadeeld zouden worden door onze vestiging, en wier grieven hebben geleid tot<br />
eene reeks van vertoogen der Britsche Regering, waaraan eerst door het tractaat van 1871<br />
voor goed een einde is gekomen. n n. -,<br />
Aan dit een en ander moet hier herinnerd worden, omdat de moeijelijkheden, die de<br />
invloeden uit de Straits ter Oostkust van Sumatra voor ons opleverden , naauw verband<br />
hielden met de niet minder groote moeijelijkheden die wij van de zijde van Atjeh ondervonden.<br />
Door de magteloosheid van den Sultan van Siak was zijn gezag over de aan hem onder-
23<br />
hoorige staatjes zeer verzwakt, en de Sultan van Atjeh had daarvan partij getrokken , orn<br />
verschillende landschappen, die van oudsher aan Siak onderworpen waren, onder zijn invloed<br />
te brengen , aldaar schatting te heffen en aan de hoofden de titels en zegels te geven van<br />
krijgsoversten of ambtenaren van Atjeh. Hoezeer die landschappen , van Tamian tot Batoe<br />
Bara, tegen de • overmagt van Atjeh niet bestand, daarvoor bukten wanneer geweld werd<br />
. gebruikt, beschouwden zij zich toch niet als regtmatig aan Atjeh onderworpen. Maar van<br />
den anderen kant dreigden zij den band , die hen aan Siak verbond, te verbreken , omdat<br />
zij bij Siak geen steun meer vonden tegen de aanrandingen van Atjeh.<br />
In de landschappen bezuiden Batoe Bara was de invloed van Assahan overheerschend,<br />
dht zijne kracht zocht in het reliëf, 't welk het aan zijne betrekkingen met Atjeh en de<br />
Straits ontleende, en dat Siak trotseerde, terwijl het andere landschappen voortdurend<br />
verontrustte.<br />
Na het tractaat van 1858 riep Siak onze hulp in om zijn gezag in zijne onderhoorigheden<br />
te bevestigen. Die hulp , waartoe wij door het tractaat verpligt werden, is door ons<br />
getrouwen met goed gevolg verleend, maar daarbij stuitten wij onophoudelijk op de invloeden<br />
urt de Straits en uit Atjeh , die hetzelfde doel beoogden , namelijk om de onderhoorigheden<br />
van Siak los te maken van het gezag van Siak en daardoor van ons gezag. In de met de<br />
Britsche Begering gewisselde stukken hebben wij onze regten in die onderhoorigheden<br />
uitdrukkelijk moeten handhaven tegenover de bewering van Engeland dat de regten van<br />
Siak niet bewezen waren (nota van 15 Julij 1863 en promemorie van 16 December 1865,<br />
aan de Kamer overgelegd bij de behandeling van het Sumatra-tractaat).<br />
Kan met voldoening gewezen worden op de goede verstandhouding, waarin wij van lieverlede<br />
zijn gekomen met onze naburen in de Straits, die de werking van ons gezag ter<br />
Oostkust van Sumatra thans evenzeer waardeeren als zij daarvan vroeger ongunstige verwachtingen<br />
hadden , tegenover Atjeh , dat steeds aanspraken wilde doen gelden op de noordelijke<br />
onderhoorigheden van Siak, bleef onze verhouding immer gespannen , hoezeer het<br />
tractaat vau 1857 den weg tot vredelievende oplossing van alle geschillen aanwees. In 1862<br />
scheen het, als of de Sultan zich aan dat tractaat wilde houden, daar hij, zoo als boven<br />
is vermeld , aan den Gouverneur-Generaal eene grensregeling voorstelde. Maar nadat dit<br />
voorstel door den Gouverneur-Generaal was aangenomen , weigerde de Sultan tot de uitvoering<br />
daarvan mede te werken , en zoo doende sneed hij de mogelijkheid van een minnelijk overleg af.<br />
Uit de feiten, die hieronder zullen worden medegedeeld , zal meer in bijzonderheden blijken,<br />
van welken aard onze aanrakingen met Atjeh ter Oostkust van Sumatra waren.<br />
Het verzoek van den Sultan van Siak, om zijn gezag in zijne onderhoorigheden te helpen<br />
bevestigen , gaf aanleiding tot bet Indisch besluit van 27 Maart 1862, waarbij aan den<br />
resident van Riouw werd opgedragen : » om te trachten , langs minnelijken weg, met de<br />
hoofden der onderhoorigheden van Siak in aanraking te komen , en hen te leiden tot behoorlijke<br />
ondergeschiktheid aan den Sultan van Siak." Deze opdragt werd aangevuld met<br />
de opmerking, dat het tegenover Atjeh voldoende zou zijn blijk te geven van het ernstig<br />
voornemen der Regering, om geene uitbreiding van het Atjeh sch gezag ten koste van het<br />
onder hare souvereiniteit staande Siak te dulden.<br />
De resident bezocht de verschillende landschappen , vergezeld van gemagtigden van den<br />
Sultan van Siak. Hij vond overal de grootste verwarring en onrust, ten gevolge van de<br />
aanmatigingen van Atjeh en Assahan. Alle landschappen , behalve Assahan , waar door de<br />
Chinezen de Engelsche vlag was geheschen, waren aanstonds bereid de Nederlandsche<br />
souvereiniteit te erkennen, maar hadden grieven tegen den Sultan van Siak, omdat hij hen<br />
sinds jaren zonder bescherming had gelaten. Het kostte dus eenige moeite om de souvereiniteit<br />
van Siak tegenover hen te handhaven, maar het gelukte den resident toch voldoende<br />
regelingen tot stand te brengen.<br />
De overeenkomsten , met de verschillende landschappen aangegaan , zijn , met toelichtende<br />
nota's, aan de Staten-Generaal medegedeeld (gedrukte stukken 1870—1871, n°. 15).<br />
Het resultaat van de bemoeijingen van den resident was dus, dat de souvereiniteit van<br />
Nederland en van Siak werd erkend langs de geheele kust, van eigenlijk Siak tot aan de<br />
noordelijke grens van Tamian, met uitzondering voorloopig van Assahan en eenige door dat<br />
rijk beheerschte kleine landschappen.
24<br />
Reeds spoedig bespeurde men dat Atjeh niet voornemens w as zijne geüsurpeerde suprematie<br />
prijs te geven. In Februarij 1863 werd de hulp van den resident van Riouw ingeroepen door<br />
den Sultan van Deli, omdat hij bedreigd werd met een aanval door eene Atjehsche vloot.<br />
De resident begaf zich met de stoomschepen Haarlemmermeer en Dassoon naar de Oostkust,<br />
De Atjehers werden daardoor waarschijnlijk in hunne plannen gestoord; althans de verwachte<br />
vloot verscheen niet; maar naauwelijks waren de oorlogschepen naar Riouw teruggekeerd, .<br />
of een zendeling van den Sultan van Atjeh kwam in de onderhoorigheden van Siak om de<br />
aanspraken des Sultans te doen gelden , en toen de vorsten van Deli en Langkat weigerden<br />
hem te ontvangen , werden zij bedreigd met geweld. De resident van Riouw betoogde de<br />
noodzakelijkheid om de aanmatigingen van Atjeh krachtdadig tegen te gaan , om den Sultan<br />
te herinneren aan zijn eigen voorstel wegens de grensregeling, en om, na een zekeren aan<br />
den Sultan voor het terugroepen zijner scheepsmagt te stellen termijn, geen gewapende<br />
Atjehsche vaartuigen bezuiden kaap Tamian te dulden.<br />
De Indische Regering verwachtte van onderhandelingen met Atjeh geen heil, omdat het<br />
duidelijk genoeg bleek dat Atjeh niet wilde onderhandelen. Zij meende aan de Atjehsche<br />
schepen het verblijf bezuiden kaap Tamian niet te kunnen verbieden en zich tot eene zuiver<br />
defensieve houding te moeten bepalen. » Zijn of worden echter" — zoo schreef zij aan den<br />
resident van Riouw — » door de Atjehers feitelijke bedreigingen of vijandelijkheden gepleegd<br />
te»en Deli of andere staatjes, die onze souvereiniteit erkennen en onze vlag voeren, of tegen<br />
vaartuigen onder onze vlag of onze kruispraauwen, dan zal, in het eerste geval na te zijn<br />
aangemaand om zich binnen een redelijken termijn te verwijderen , tegen de Atjehsche<br />
scheepsmagt kunnen worden geageerd en gepoogd worden haar te verjagen en zooveel<br />
mogelijk afbreuk te doen."<br />
De Atjehers waren intusschen steeds meer vermetel geworden. Zij wisten Assahan en<br />
Serdang bepaald vijandig jegens ons te maken en gingen zoo ver van in Mei 1863 Batoe<br />
Bara te beschieten , terwijl de Nederlandsche vlag van de versterkingen woei.<br />
De Gouverneur-Generaal schreef daarop, den 19den Augustus 1863, een brief aan den<br />
Sultan van Atjeh, waarbij in hoogst beleefde termen opheldering omtrent dit feit werd<br />
gevraagd. Deze brief werd, met den hooger vermelden brief van den Gouverneur-Generaal,<br />
dd-. 23°December 1862, naar Atjeh overgebragt met het stoomschip Bromo.<br />
Inmiddels had zich de resident van Riouw met de stoomschepen Apeldoorn en Dassoon<br />
naar de Oostkust begeven. De Atjehsche scheepsmagt, die Batoe Bara beschoten had, werd<br />
niet meer gevonden. Bij deze gelegenheid werd het tot Langkat behoorende eiland Kampei<br />
bezocht, omdat zich daar Atjehers gevestigd hadden , die, volgens de verklaring van den<br />
Sultan van Deli, alles plunderden wat in de nabijheid kwam. Toen onze schepen daar<br />
kwamen, was van de versterking de Atjehsche vlag geheschen. De resident liet het hoofd<br />
der Atjehers uitnoodigen om aan boord te komen , maar deze zocht allerlei uitvluchten,<br />
en er had geene ontmoeting plaats. De resident bepaalde zich tot eene schriftelijke aanmaning<br />
aan de Atjehers , om zich te onthouden van vijandelijkheden en van het maken<br />
van versterkingen , zoolang de grensregeling tusschen den Sultan van Atjeh en den Gouverneur-Generaal<br />
niet was tot stand gekomen.<br />
Van dezen togt teruggekeerd , schreef de resident aan de Indische Regering : » Ik mag<br />
niet ontveinzen dat ik er van overtuigd ben , dat onze tegenwoordige positie op Sumatra's<br />
Oostkust op den langen duur onhoudbaar is. Ons contract met Siak legt ons de verpligtin°-<br />
op om de regten van den Sultan van dat rijk te handhaven. Wij konden dit niet<br />
langer nalaten , toen hij de vervulling van die verpligting verlangde. De meeste vorsten<br />
hebben ons met opene armen ontvangen en verlangen naar onze bescherming. Maar tegenover<br />
ons staat eene inlandsche magt, Atjeh , die stoutweg onze vlag beleedigt, en de zijne ,<br />
in het gezigt van onze oorlogschepen, doet wapperen op Siaksch grondgebied. Diezelfde<br />
staat handelt trouwloos en verraderlijk, door vijandelijkheden jegens ons te plegen, ra het<br />
voorstel te hebben gedaan om de kwestie van grensscheiding, waarover hij meent zich<br />
bezwaard te kunnen gevoelen, in onderling overleg uit te maken. Die staat moet worden<br />
bedwongen en gestraft voor zijue handelingen, welke in lijnregten strijd ziju met het contract<br />
van vrede en vriendschap, dat hij met het Nederlandsch-Indisch Gouvernement heeft gesloten.<br />
Onzerzijds is niet het minste gedaan, wat door het volkenregt of door de strengste billijkheid
25<br />
kan wor Jen gewraakt, maar de betoonde lankmoedigheid zal weldra een einde moeten nemen ,<br />
willen wij niet alles verliezen wat wij gewonnen hebben, en gedwongen worden tot kostbare<br />
en moeijelijke expeditien."<br />
De Bromo, kommandant de kapitein-luitenant BEUTKL DE LA RIVIÉEE , wien de controleur<br />
lste klasse J. C. BOTLE was toegevoegd , bragt in September 1863 de twee brieven van den<br />
Gouverneur-Generaal aan den Sultan van Atjeh over, en leverde daar tevens twee misdadigers<br />
tiit, die op een Atjehsch vaartuig, buiten ons grondgebied, een moord hadden gepleegd.<br />
De ontvangst bij den Sultan was stug en onvriendelijk. De brief van December 1862 werd<br />
met wrevel gelezen, en de Sultan zeide dadelijk, dat hij nimmer wilde onderhandelen met<br />
den resident' van Riouw, maar alleen met den Gouverneur-Generaal of den gouverneur van<br />
Sumatra's Westkust; waarop de kommandant der Bromo opmerkte, dat ondersteld was dat<br />
niet de Sultan zelf en de Gouverneur-Generaal, over zaken van détail als de bepaling van<br />
eene grens, onmiddellijk met elkander in overleg zouden treden, maar dat zij beiderzijds<br />
gemagtigden zouden benoemen en dat de handelingen van dezen aan hunne goelkeuring<br />
zouden onderworpen worden. Na ook den tweeden brief gelezen te hebben, zeide de Sultan<br />
dat de geheele kust, tot Tanah Poeti Hajam Denak, hem toebehoorde; dat hij daar overal<br />
schatting hief; dat krachtens zijn last op Batoe Bara geschoten was, omdat men daar geen<br />
schatting wilde betalen; dat hij van het hijschen der Hollandsche vlag aldaar geen kennis<br />
had gekregen, zoo als billijk geweest ware, opdat hij had kunnen protestjeren, als hij<br />
meende dat te zijnen laste een landschap geannexeerd werd. Over de schadevergoeding voor<br />
de aanhouding der twee schepen onder Nederlandsche vlag in 1860 werd niet gesproken.<br />
De Bromo bragt een antwoord van den Sultan op de beide brieven van den Gouverneur-<br />
Generaal terug. Daarin weigerde de Sultan weder met den resident van Riouw te onderhandelen<br />
, »omdat hij gewoon was alleen met den Gouverneur-Generaal over zaken te<br />
correspondeeren". Verder schreef de Sultan dat de geheele kust tot Passir Poeti Hajam<br />
Denak hem toebehoorde; dat hij niets wist van het hoonen der Nederlandsche vlag te<br />
Batoe Bara ; dat de Gouverneur-Generaal niet geregtigd was die vlag aldaar te doen waaijen<br />
zonder er hem kennis van te geven. Eindelijk beloofde de Sultan de zaak der in 1860 aangehouden<br />
schepen binnen weinige dagen te zullen vereffenen ('t geen evenwel nimmer geschied is).<br />
Tot vrede geneigd vond de Indische Regering in de omstandigheid, dat de Sultan verklaard<br />
had van het hoonen der Nederlandsche vlag niet te weten, voldoende aanleiding<br />
om van dat voorval geen casus belli te maken. Ook meende zij op de grensregeling niet<br />
te moeten aandringen, maar er zich toe te moeten bepalen om den Sultan, zonder afdoende<br />
bewijzen, geene regten op eenig inlandsen staatje beoosten Kaap Tamian toe te kennen,<br />
en voorts de staatjes, die onder Nederlandsche souvereiniteit stonden, te beschermen. Inmiddels<br />
besefte zij de noodzakelijkheid om zich op alle eventualiteiten voor te bereiden,<br />
weshalve de resident van Riouw en de gouverneur van Sumatra's Westkust werden aangeschreven<br />
om zich al die kennis van Atjeh en onderhoorigheden eigen te maken, welke<br />
bij het uitbreken van een oorlog met dat rijk dienstig kon zijn. (Indische depêche van<br />
24 November 1863.)<br />
In 1864 werden eenige Chinezen van Poeloe-Pinang , te Tamian ten handel komende,<br />
door de daar gevestigde Atjehers vermoord. De Britsche Regering, in het denkbeeld verkeerende<br />
dat het feit op Atjehsch gebied was vo<strong>org</strong>evallen, wilde een oorlogschip derwaarts<br />
zenden om voldoening te erlangen. Zij zag daarvan echter af, toen onzerzijds was opgemerkt<br />
dat Tamian tot de onderhoorigheden van Siak behoorde en een onderzoek was toegezegd.<br />
Bij het ingesteld onderzoek bleken de ontvangen berigten juist te zijn geweest, maar het<br />
betrokken hoofd, RADJA BANDAEA, weigerde zich omtrent het vo<strong>org</strong>evallene te verantwoorden,<br />
zeggende dat hij de Atjehsche vlag voerde, en dat het niet het gebruik was der Atjehers<br />
om hunne zaken bloot te leggen.<br />
De Indische Regering, steeds zooveel mogelijk alle maatregelen wenschende te vermijden<br />
die tot eeu oorlog tegen Atjeh zouden kunnen leiden , achtte het nu toch noodig den Sultan<br />
te sommeeren om Tamian te ontruimen. Daar eene weigering , om aan dien eisch te voldoen,<br />
noodwendig een oorlog ten gevolge zou hebben, begon zij met het advies van de kommandanteu<br />
van het leger en van de zeemagt te vragen omtrent de maatregelen, welke bij het<br />
uitbreken van een oorlog tegen Atjeh konden en behoorden genomen te worden.<br />
4
26<br />
De omstandigheden leidden er echter toe om eene andere gedragslijn te volgen dan men<br />
zich had vo<strong>org</strong>esteld. Assahan en Serdang namen eene steeds vijandiger en overmoediger<br />
houding tegenover ons aan en bedreigden de andere landschappen. De resident van Riouw<br />
waarschuwde tegen langer uitstel van maatregelen van bedwang. »Het zou niet lang<br />
meer duren" — schreef hij — »of onze ambtenaren op de Oostkust van Sumatra zouden<br />
niet meer veilig zijn. Het kwaad zit in de ongestrafte beleediging, door Atjeh der Nederlandsche<br />
vlag aangedaan, en in de ongestoorde nederzetting der Atjehers op het Nederlandsch Indisch<br />
grondgebied. Nu Atjeh ongestraft blijft, meenen ook Assahan en Serdang ons te kunnen<br />
trotseeren. Ik zou daarom reeds getracht hebben de Atjehers te verdrijven, maar het was<br />
mij verboden offensief te handelen."<br />
ïn Augustus 1865 besloot de Indische Regering tot eene expeditie naar Assahan en Serdang<br />
(1) om de wederspannige vorsten tot onderwerping te brengen , en om tevens de<br />
Atjehsche gewapende magt, welke zich op Nederlandsch Indisch grondgebied, ten zuiden<br />
van de Tamian-rivier, mogt bevinden , te verdrijven, en de forten, door de Atjehers of<br />
hunne bondgenooten aldaar bezet, te vernietigen.<br />
Hoezeer fnuiking van den Atjehschen invloed en verdrijving van Atjehsche benden en<br />
gezagvoerders uit ons grondgebied door de Indische Regering uitdrukkelijk » het hoofddoel<br />
der expeditie" werd genoemd, achtte zij het niet noodig daaraan eene waarschuwing aan<br />
Atjeh te laten voorafgaan. Immers het gold hier » niet het plegen van vijandelijkheden<br />
tegen het rijk van Atjeh zelf, maar wering van Atjehsche usurpatiën op Siaksch, aan onze<br />
souvereiniteit onderworpen, territoir, of verdediging van onze regten tegen door Atjehers<br />
gepleegd of aangestookt geweld. "<br />
Daarenboven werd elk overleg met Atjeh nutteloos geacht, na de mislukking der poging<br />
om met den Sultan tot eene regeling omtrent de grensscheiding te geraken.<br />
Het doel der expeditie werd, zonder bloedvergieten, volkomen bereikt. Nadat de zaken<br />
in Assahan en Serdang waren geregeld, werd op het aan Langkat onderhoorige eiland<br />
Kampei, waar de Atjehers zich genesteld hadden, hunne versterking geslecht. Daarna werd<br />
Tamian bezocht, waar, onder den indruk door de expeditie te weeg gebragt, de Atjehsche<br />
vlag door de Nederlandsche werd vervangen, en waar twee der schuldigen aan den moord<br />
der Chinezen van Poeloe-Pinang werden gevat, die later door den pangeran van Langkat<br />
werden gestraft.<br />
Na deze expeditie heeft ons gezag ter Oostkust van Sumatra steeds vasteren voet gekregen , en<br />
konden de Atjehsche invloeden op ons grondgebied door onze ambtenaren tijdig worden gekeerd.<br />
Zóó in 1866, toen de hoofden van de Atjehsche kampong Lobo Sidoep aan die van de Langkatsche<br />
kampong Karang den oorlog aandeden, omdat de laatsten, hulde bewezen hebbende<br />
aan het Nederlandsch Indisch Gouvernement, als vijanden van Atjeh werden beschouwd. (2)<br />
Zóó in 1868 , toen van de zijde van Atjeh weder pressie werd uitgeoefend op de hoofden<br />
aan de Tamian-rivier, waardoor spanning en verzet tegen den pangeran van Langkat<br />
ontstonden. In beide gevallen wisten onze ambtenaren de rust te herstellen.<br />
Een der eerste weldadige gevolgen van onze bemoeijingen op de Oostkust was de onderdrukking<br />
van den slavenhandel, die vroeger aldaar op groote schaal gedreven werd. Meer<br />
moeite heeft het gekost om ook op de eilanden onder het gouvernement van Sumatra's<br />
Westkust behoorende een einde te maken aan den slavenhandel en menschenroof der Atjehers.<br />
In het begin van 1863 (3) werd met het stoomschip Reinier Claeszen, waarop een detachement<br />
infanterie was geëmbarkeerd, een togt ondernomen naar het eiland Nias, om de<br />
slavenhandelaars van daar te verdrijven, maar zij hadden zich zoodanig versterkt, dat de<br />
expeditie vruchteloos afliep. De gouverneur van Sumatra's Westkust drong aan op de<br />
onverwijlde zending eener tweede expeditie. «Wanneer men overweegt" — schreef hij —<br />
»dat deze Maleijers (op wier wederstand de vorige expeditie was afgestuit) van Atjeh komen,<br />
om , met behulp van eenige omgekochte en misleide hoofden , onderlinge oorlogen te stichten,<br />
roof, moord en brandstichting te bevorderen, alleen met het doel om menschen tot slaven<br />
(1) Vergelijk Koloniaal Verslag van 1865, bladz. 12—14.<br />
(2) Zie Koloniaal Verslag van 1868, bladz. 15.<br />
(3) Zie Koloniaal Verslag van 1863, bladz. 49.
27<br />
te maken, — dat zij zich door plotselinge overvallen van kampongs van een tal van<br />
kinderen meester maken, om hen in Atjeh tot het meest onzedelijk doel als slaven te verkoopen<br />
, dan zal men het billijken dat elke gelegenheid gretig aangegrepen wordt, om<br />
aan zoodanigen toestand een einde te maken, en aan eene bevolking, die zich onder de<br />
bescherming van het Nederlandsche Gouvernement gesteld heeft, bijstand te verleenen".<br />
Eene tweede expeditie volgde en liep naar wensch af. Voortdurende bekruising bleef echter<br />
noodig ter wering van den menschenroof op de aan ons onderhoorige eilanden bewesten<br />
Sumatra.<br />
Op de Westkust zelve werden ons in 1865 (1) moeijelijkheden berokkend door een Atjeher,<br />
TOEKOE SAïd, die zich in de hovenlanden van Singkel uitgaf voor een zendeling van den<br />
Sultan van Atjeh, belast met het innen van wasiel (schatting). Een sedert jaren weêrspannig<br />
no<br />
°fd aldaar maakte gemeene zaak met hem; zij wierpen versterkingen op aan de zamen-<br />
vloeijing van twee rivieren, Simpang Kanan en Simpang KM. Eene kleine expeditie moest<br />
naar Singkel gezonden worden, om de versterkingen te nemen en te vernielen.<br />
Wanneer men zich, met de geheele geschiedenis van onze aanrakingen met Atjeh sedert<br />
1824, zoo als zij hierboven is medegedeeld, voor oogen, en tevens rekening houdende met<br />
den toestand, zoo als die in 1868 was, op het standpunt stelt van de Regering, die geroepen<br />
was met Groot-Brittannie eene nieuwe overeenkomst te treffen omtrent onderwerpen ,<br />
Sumatra betreffende, van gelijken aard als bij het Londensch tractaat van 1824 geregeld<br />
waren, zal men geen oogenblik in twijfel verkeeren omtrent de motieven, die haar er toe<br />
hebben geleid om bij die overeenkomst te bedingen de opheffing der verbindtenis, in 1824<br />
tegenover Engeland aangegaan, om de onafhankelijkheid van Atjeh te eerbiedigen. Hoe<br />
dikwijls hadden wij, terwijl het voor de bescherming van ons grondgebied en van de aan<br />
ons gezag onderworpen bevolkingen, voor de eer ook van onze vlag, wenschelijk ware geweest<br />
krachtiger tegenover Atjeh op te treden, ons met eene zuiver defensieve of zelfs lijdzame<br />
houding vergenoegd, ten einde den oorlog met Atjeh te vermijden. Voor onze noordelijke<br />
bezittingen op Sumatra bleef Atjeh steeds een gevaarlijke nabuur, daar in zijne<br />
vijandige gezindheid jegens ons geen verandering scheen te komen. Ten bewijze hiervan<br />
strekt, dat in 1868, nadat eenige jaren waren voorbijgegaan zonder dat er tusschen ons<br />
en Atjeh eenige aanrakingen waren geweest (2), van uit dat rijk een verzoekschrift werd gerigt<br />
aan de Turksche Regering, waarin hare hulp werd ingeroepen tegen de Nederlanders en<br />
aan den Sultan de souvereiniteit over Atjeh werd aangeboden. Handel en scheepvaart vonden<br />
op de kusten en in de wateren van Atjeh minder veiligheid dan ooit te voren; want niet<br />
alleen waren de schepen voortdurend aan zeeroof en strandroof blootgesteld, maar daarenboven<br />
leverden de onophoudelijke oorlogen tusschen de onderhoorigheden van Atjeh onder-<br />
l l n<br />
g, oorlogen , door de bestuurders van Atjeh zelf nimmer tegengegaan , misschien<br />
aangemoedigd, — een voortdurend gevaar op voor den vreedzamen handelaar (3). Het was,<br />
èn wegens de verpligtingen, die wij in 1824 op ons genomen hadden, èn wegens ons belang<br />
, dat geene andere Westersche mogendheid op Sumatra haar gezag vestigde, onze taak<br />
«m de veiligheid van handel en scheepvaart ook in het noorden van Sumatra te verzekeren.<br />
Wij konden onmogelijk buiten aanrakingen met Atjeh blijven, en wanneer die, onzes<br />
ondanks, tot botsingen mogten leiden , zou de verbindtenis, om Atjeh niets van zijne onafhankelijkheid<br />
te doen verliezen, ons altijd in groote moeijelijkheden brengen, en, evenals<br />
(1) Zie Koloniaal Verslag van 1865, bladz. 9.<br />
(2) Alleen was — volledigheidshalve wordt het hier aangeteekend — in Maart 1867 met het stoomschip<br />
Mem, kommandant de kapitein ter zee F. L. GETÜMIN», een brief aan den Sultan overgebragt, houdende<br />
enmsgeving van de optreding van den Gouverneur-Generaal MIJEE. De ontvangst was gepast, maar niet<br />
ver rouwelijk. Van het hem gedane aanbod, om een brief voor den Gouverneur-Generaal mede te nemen,<br />
maakte de Sultan geen gebruik, zeggende dat hij zün antwoord langs een anderen weg zou zenden. In-<br />
-tusschen heeft de Sultan nimmer geantwoord.<br />
(3) Den 24sten September 1868 moest het Gouvernement van de Straits Settlements bij eene proclamatie<br />
Iit„ S<br />
w a a r s c h u w e n<br />
!i te^n het bezoek van de Atjehsche havens, omdat verschillende hoofden met<br />
«iKanaer rn oorlog waren.
28<br />
tot dus ver het geval was geweest, belemmeren in de toepassing van die maatregelen<br />
welke onze eer en onze belangen in den Indischen Archipel ons voorschreven te nemen.<br />
Hoe vredelievend ook gezind, hoe zeer ook geneigd tot minnelijke verstandhouding met<br />
Atjeh, moest de Regering toch hare handen voldoende vrijmaken tegenover Engeland, en<br />
dit heeft zij gedaan bij het Sumatra-tractaat. Uit de gewisselde stukken blijkt, dat de Staten-<br />
Generaal aan de handelingen der Regering ten deze hunne goedkeuring hebben geschonken.<br />
Terwijl de nieuwe overeenkomst met Engeland in behandeling was, nam de onveiligheid<br />
op de Atjehsche kust steeds 1oe (1) en de handel en scheepvaart leden daaronder in die<br />
(1) Om van den toestand aldaar en van de daardoor te weeg gebragte gevolgen een juist denkbeeld te<br />
verkrijgen, is het noodig kennis te nemen van de dagbladen uit de Straits-Settlements. Hier volgen derhalve<br />
eenige extracten uit de Straits Obscrver.<br />
Straits Obscrver 1870, 22 April. „ The Penang Gazette gives a deplorable account of the state of anarchy<br />
and piracy prevailing in Acheen, and which has necessitated the dispatch of the gunboat Algerine tothat<br />
quarter — a measure of very doubtful policy in our opinion, as that vessel is not a sufficiently imposing<br />
aspect to strike terror into the hearts of the guilty, nor is she sufficiently strong to deal a heavy blow ,<br />
\ should it prove necessary to administer punishment. True she could bombard, but what is the destruction<br />
of a collection of atap huts by shells and fire, whilst the natives escape into the impenetrable jungle ?<br />
It is merely discomfort during a few days and nights, until they have had time to rebuild, and they are<br />
only rendered more eager to recommence pillaging so soon as a favourable opportunity occnrs. And this<br />
system might be carried on all along the Acheen coast, for every village almost subsists on robbery. If<br />
it is intended to create an alarm among these uncivilized and semi-independent chiefs, we should proceed<br />
to the capital, if it is deserving of the name, treat with the King of Acheen himself, and make him<br />
answerable for the measures of those who are supposed to be beneath his rule. If he cannot do this,<br />
if he confesses his inability to control these piratical communities, the question assumes another and more<br />
serious aspect and it will then be for higher authorities than the Governor of the Straits-Settlements or<br />
even the naval Commander in-chief, to decide upoa the measures tobeadopted. Meanwhile, it is intolerable<br />
that our traders should be pillaged and mulcted, robbed and ill treated by such petty chiefs as he of<br />
Langsah, or the Eajah of Tuloh Samoy, and we willingly participate in the indignation of the Penang<br />
merchants."<br />
29 April. „In the present issue we give an extract from the Penang Gazette of the lóth. instant,<br />
relative to the spirit of piracy at present prevalent in Acheen, and its dependencies It<br />
cannot be supposed that all the piratical acts, committed by the petty chiefs along the coasts of Sumatra,<br />
and adjaeent to the territory of Acheen in particular, reach publication; still enough comea to light to<br />
prove that common humanity has pretty large claims for proteetion in that quarter from the ferocious<br />
villany of unscrupulous ruffians, who have always been famous, or infamous, for sordid crime and horrible<br />
barbarity.<br />
„It will evidently be of no use humming and haing with such a set; they must be put down at once,<br />
and with severity, or their suppression will not be ot that effectual nature which is necessary to ensure<br />
peace and propriety to the paths of commerce in those quarters. If some of those petty piratical state»<br />
and campongs were to have another visit or two from an American frigate, to beat up their quarters<br />
some fine morning, it might tendtoquench their lust of robbery and the plunder of peacable traders, and<br />
have as good and certain an effect as the plan had at some of the pepper ports formerly.<br />
„ At all events, it we do not choose to chastise them, and bring them to their senses, it is to be hoped<br />
that the Duteh may take the matter in hand. Such a state of affairs as has been going on at Acheen and theneighbourhood<br />
for some time back , should by no means be allowed to continue , unless indeed it be desired<br />
that Penang traders and others are to be regarded as the legalised prey of such a gang of pirates and banditti."<br />
28 Junij. „ The brig Roseneath left Penang for one of the ports on the Coromandel coast After<br />
frnitless efforts to reach his destination, etc Having run short of water, the brig put into a port in<br />
Acheen — and we are sorry to say, that during her stay in the harbour, every opportunity was seized<br />
by the people of the place to behave in an offensiye manner to a Christian Brother, a passenger ; gross abuse<br />
and insult were offered to him, without the least provocation. Some notice should be taken ot' this, as the<br />
gentleman, though a foreigner, was at the time under the proteetion of the British flag (Argus)."<br />
5 Julij. Proclamalion by His Excellency Sir Ilarry St. Gc<strong>org</strong>e Ord. etc, etc: „ Whereas hostilities have broken<br />
out between the Sultan of Acheen and the Eajahs of Passangan and Tulasamy, all British subjects are<br />
hereby warned against visiting any of the ports lying between Kwallah Jampah and Koorong Kookoo on<br />
the Eastern Coast of Sumatra during the continuance of the hostilities, and they are required to take<br />
notice that they will do so at their own peril, and will in no wise obtain any proteetion from this Government.<br />
Given at Singapore, the first day of July 1870."
29<br />
mate dat van uit de Straits Settlements onophoudelijk, en telkens met meer klem , werd<br />
aangedrongen op het nemen van krachtige maatregelen door het Britsche Gouvernement.<br />
8 Julij. „There are so many rogues and so much roguery among those Sumatra petty potentates, the<br />
so termed King of Acheen included, that there is a great probability of their having quarrelled over some<br />
of their plunder, more especially as they would appear from all accounts to have acquired a great deal<br />
m that liné lately, if not for a length of time back. . .<br />
What a pity it is that traders cannot be protected and righted, instead of being warned from the<br />
neighbourhood"<br />
16 December. „ It is high time indeed that some resolute and effective steps were taken by the authority<br />
of Government, and with its aid, to improve the state of affairs existing at Acheen and its neighbourhood,<br />
so far as commercial relations and general intercourse are concerned; and further, to remove the stigma<br />
which attachés to the continued savage and atrocious villainies, which are perpetrated along the coast<br />
of that portion of Sumatra<br />
It would appear from the most trustworthy and reliable reports, too often founded on bitter experience,<br />
that the whole of the petty states and inhabitants, in the immediate neighbourhood of Acheen, and indeed<br />
tar wide of it, are neither more nor less than mere bandits, robbers and pirates of the worst stamp; and<br />
ot course, so long as their crimes are winked at, or allowed to interfere with or injurethe commerce of<br />
the Straits unchecked, so long will tbeir power and thievish proclivities increase in enormity, until<br />
complamts against them and their viilainous acts must be heard and must be attended to<br />
It would be indeed a lengthy and thankless task, even if time and space permitted, to reeount with<br />
all their horrors, but a portion of the vile atrocities, they have been guilty of towards defenceless vesse<br />
s, to bury crime in silence and oblivion, that is, save and except at times during their festive <strong>org</strong>ies ,<br />
when among other sports of the season for their delectation, the clothes of British or other murdered<br />
seamen, whom they have robbed and sacriflced, are donned by some desperadoes of the party, and every<br />
antie and opprobious movement made use of to ridicule and spit upon the memory of their unfortunate<br />
yictims. The whole coast wide of Acheen, say the pepper coast as it is termed, now teems with heartïess<br />
and daring robbers and pirates of the darkest dye. Quiet and meek in the face of a superior force,<br />
they show themselves in their proper eolours only to the weak or the defenceless. A writer in the Neth.<br />
ndia papers observes very truly indeed: „ The nation which should possess the Acheenese havens and<br />
ring that degenerate people under a regular government would especially deserve the thanks of mankind.<br />
I dare not here mention what happens there. Holland and Britain are, I believe, bound to let these<br />
people alone."<br />
And finely indeed they illustrate the lel alone policy. We need only allude to the Penang and Singapore<br />
papers, passim, for too frequently horrifying details, sufficiënt to cause a thrill of horror and indignation,<br />
o course through the veins of any one who possesses a spark ofnational pity or national pride, or generous<br />
indignation, excited by the consideration that such demons should be allowed to carry on their diabolical<br />
<strong>org</strong>ies, so close indeed to our own shores, without either check, or attempt at it<br />
Along the whole of the Acheenese coast the production of pepper is falling off, and decreasing. This<br />
IB said to be owing to their not having the power as formerly of' obtaining slaves from the islaud ofNias.<br />
ut from many sources of information we are led to believe, that at present they find piracy and wrecking<br />
a more profitable employment, as every thing they can strip from vessel they cao find means to<br />
ispose of, and there are amongst them those who make a regular trade of it, uninterrupted and unquestioned<br />
and unpunished<br />
of'jM*i<br />
P 6 t t y<br />
? r i n C e S a<br />
e a r t 0 b e a s<br />
PP<br />
exacting as they are piratical. They lay an export duty on pepper<br />
$ / 2 per picul The said petty princes monopolize the salt. They sell the salt obtained from<br />
enang at about $ 6 per picul. The production of India Rubber and Gutta percha has also almost ceased<br />
mere, and no wonder as doubtless they find that piracy pays them much better."<br />
30 December. „ It is fervently to be hoped that the coming year may not be allowed to pass away<br />
without something effectual being done to put things to rights in and about Acheen in Sumatra. „The dog<br />
the manger" policy of Britain, in this case, is a deplorably demoralising and a destructive one. The<br />
non-mterference hne pnrsued, acts as a proteetion to the piratical instincts of the savages alluded to,and<br />
»ZT «i 1 8 u f f i o i e n t l a c u t e t 0 ,ak<br />
y e advantage of such a state of things. Their animal sagacity is roused<br />
ana they pursue their path with wolfish ferocity."<br />
rm 18<br />
h 71 1 1 A p r U<br />
ï h 6 A c n i n e s e a r e s a i d t 0<br />
'• ' " *>e providing themselves with warlike materials and are<br />
Piucnasmg arms and ammunition ostensibly to wage war against some of their so called tributaries, which<br />
are represented as bemg in a state of rebellion against them. But these excuses are so often made, that<br />
i ey may safely be regarded as false pretences until actual proof establish an approach to what the<br />
acninese can be said never to have possessed, and that is good faith. They avoid by all means in their<br />
power giving clear explanations of their movements. If a British naval officer goes there for civil confeience,<br />
the rajah feigns sickness, in order to avoid personal explanations.". . . .
80<br />
Bij een brief van 24 Junij 1870 aan den Gouverneur-Generaal, ontwikkelde de Minister<br />
van Koloniën zijne beschouwingen over dien toestand. » Het behoeft geen betoog" —<br />
schreef hij — » dat, zoowel ten gevolge van het contract met Atjeh van 1857, als krachtens<br />
de verpligtingen , die wij bij het Londensch tractaat van 1824 op ons genomen hebben,<br />
en met het oog op onze belangen , de beteugeling der ba"-baarsche gewoonten van Atjeh en de<br />
bescherming van handel en scheepvaart om de Noordkust van Sumatra van ons moeten uitgaan.<br />
» Mogt te dien aanzien tot dusver te weinig zijn gedaan , welligt uit bez<strong>org</strong>dheid dat<br />
eene aanraking met Atjeh verder zou leiden dan vooraf te berekenen viel, voortaan mag<br />
dit geen reden zijn van onthouding, waar inmenging pligt is. Integendeel behoort tegenover<br />
Atjeh eene waakzame en meer voortdurende controle te worden uitgeoefend, gepaard<br />
met of achtervolgd door de maatregelen van repressie, welke de handelingen van Atjeh<br />
zouden mogen uitlokken.<br />
» Ook ier bevestiging van onzen invloed in de bij Atjeh gelegen districten van Sumatra<br />
en ter verdediging van de bevolking aldaar tegen kuiperijen of aanslagen van Atjehers, is<br />
29 September. „News from Acheen are gloomy as ever. The political horizon is still cloudy and the<br />
continuance of the civil war on the East Coast is much to be deplored. By a recent arrival from that<br />
quarter, via Simpang Olim, we hear that the conflict between the rival chiefs is still raging The<br />
Blockade of the rivers is still maintained. The Eajah of Simpang Olim has been summoned by the Sultan<br />
of Acheen to proceedto that port without delay, in order to effect a settlement between the eontending<br />
chiefs, which we hope he will be able to do, with the aid and the intervention of the Dutch Authorities<br />
(Penang Gazelle, 16 September)."<br />
Ibidem. „A schooner belonging to the Eajah of Edie arrived here on Wednesday last She brings<br />
accounts of a Dutch man of war steamer, bark rigged, being in the roadstead of Simpang Olim.<br />
All vessels are now allowed full permission to enter the harbour of Edie, and crafts from Penang<br />
are shipping produce preparatory for their return. The steamers Eainbow and Deli were both at Edie,<br />
also engaged in taking in cargoes. We congratulate all interested parties on the anticipated settlement of<br />
these disputes, which have now existed for some months past, and which differences at one time threatened<br />
to involve serious loss, not only in trade and commerce, but more especially to those speculations, who<br />
have embarked their capital in that lawless country (Penang Gazette, 23 September)."<br />
10 November. „The petty, but widely extended savage warfare of desperately eontending parties and<br />
their barbarous retainers would appear to be still raging along the East Coast of Sumatra In fact,<br />
all beneficial commerce has there given way to that species of internecine warfare which always proves<br />
so destructive to both the progress, and the materials, of the peaceful pursuit of trade The whole<br />
region, in fact, has been gradually brought to the brink of desolation and ruin, by the desolating influence<br />
of eontending rival petty chieftains; and the sooner competent European Power intervenes, the sooner<br />
will those lands, erst so fertile in Eastern produce, revive and recover from their present state of ruinous<br />
prostration The Dutch will probably have to do the needful if these destructive contests continue<br />
much longer."<br />
1872, 26 January. „It appears not at all unlikely, that the Dutch operations in Sumatra may materially<br />
conduce to the revival and encouragement of a trade, which has long bid fair to be extinguished,<br />
or next door to it, by the internecine feuds and wars of petty rajahs. There is one thing certain.<br />
Stutistical returns, so far as they can be obtained, prove that the pepper-trade is a mere nothing,<br />
compared with what it formerly was and all owing to the savage struggles among rival rajahs. Let<br />
these be once subdued, or punished, or brought to terms, and there will be some chanee for the peaceful<br />
pursuits of' commerce. Let the trade of pepper, as well as other articles, be made to revive, and there<br />
will be enough for all corners, as well as goers, among the trading communities in this quarter of the world.<br />
Penang itself is close at hand for the native traders, and nothing can prevent them from resorting to<br />
so close a market. Bugis and Boyans resort to Singapore, although the Dutch are the only European<br />
power which claims to be dominant in those quarters. At all events anarchy and petty despotism must<br />
be put down in Sumatra, so far as nossible, before anything better can be expected."<br />
25 October. „ If the whole of Sumatra could be made amenable to some of the leading laws of advanced<br />
humanity, there must ensue a termination to disgraceful piracy and murder. Why should we recapitulate<br />
the complaints of ship masters, ship owners and seafaring men? Acheen must be humbled. Thenauseous<br />
pride and studied insult, with which the Achinese have treated the British and other royal navies, must<br />
be summarily dealt with and disposed of. We understand that the Dutch have determined to undertake<br />
the humbling of these insolent rascals and we wish them every success. Nothing short of the most prompt<br />
and decisive measures will bring matters to the proper point."
31<br />
een meer werkdadig optreden, in den bewusten zin, naar het schijnt, onmisbaar. Voor<br />
s hands is daarbij in acht te nemen de belofte, in 1824 afgelegd, om de onafhankelijkheid<br />
van dien Staat te eerbiedigen , ofschoon mag worden verwacht dat wij van die belemmerende<br />
belofte eerlang ontslagen zullen worden.<br />
» Eene doortastende staatkunde brengt mede, dat wij ons niet tevreden stellen met de<br />
bestraffing, casu quo, van onregtmatige handelingen , in Atjeh gepleegd jegens vreemdemgen,<br />
maar dat wij meer in het algemeen aan den handel en de scheepvaart die mate<br />
van veiligheid verschaffen , waarop mag worden gerekend in streken, waar eene Europesche<br />
mogendheid haren invloed doet gelden. " Uit dit oogpunt werd de aandacht gevestigd op<br />
de kenbaar gemaakte behoefte , voor de stoomvaart, aan kustlichten om de noord van Sumatra ,<br />
en m overweging gegeven om door een oorlogschip onderzoek te laten doen naar de gelegenheid,<br />
die er zou bestaan, om kustlichten op te rigten. » Over het algemeen" — zoo<br />
besloot de Minister — » schijnt het raadzaam de wateren van Atjeh meer gestadig door<br />
oorlogschepen te doen bezoeken ".<br />
De Indische Regering raadpleegde daarop den gouverneur van Sumatra's Westkust over<br />
de vraag, wat zou kunnen worden gedaan om voortdurend met Atjeh in betrekking te<br />
blijven en aldaar een gepasten, bij voorkeur vredelievenden invloed uit te oefenen. Ook die<br />
hoofdambtenaar adviseerde tot een meer gestadig bezoek der Atjehsche havens door oorlogschepen.<br />
Het worde hier herinnerd, dat reeds in 1854 de jaarlijksche zending van een<br />
oorlogschip bevolen was, dat dit voorschrift in 1857, na de sluiting van het tractaat met<br />
Atjeh, was hernieuwd, maar dat na 1858 aan die jaarlijksche zendingen — om welke reden<br />
is met bekend — niet de hand is gehouden.<br />
Bij Indische besluiten van 24 Januarij en 16 Julij 1871 werd bepaald dat de Djarnbi een<br />
togt zou ondernemen in het westelijk gedeelte van den Archipel, » tevens om de wateren<br />
van Atjeh te bezoeken , een onderzoek in te stellen naar de punten , die in aanmerking<br />
kwamen voor het oprigte.n van vuurtorens, en meerdere kennis op te doen van de betrokken<br />
kust en vaarwaters en van de actueele politieke gesteldheid van Atjeh " , terwijl de Marnix<br />
naar de straat van Malakka gezonden werd, » zoowel tot wering van zeeroof, als tot het<br />
vertoonen der vlag op verschillende punten der noord-oostkust van Sumatra, met inbegrir,<br />
van de wateren van Atjeh."<br />
De controleur E. R. KBAIJENHOFF ZOU den togt met de Djarnbi medemaken, een brief<br />
van den gouverneur van Sumatra's Westkust aan den Sultan van Atjeh overbrengen , en<br />
üezen de verzekering geven van de opregte genegenheid van den Gouverneur-Generaal. (1)<br />
inmiddels waren de wanordelijkheden op de kusten van Atjeh altijd erger geworden.<br />
tiet gouvernement der Straits Settlements had den lsten Julij 1870 weder eene proclamatie<br />
uitgevaardigd om de schepen te waarschuwen tegen het bezoeken van de Atjehsche havens,<br />
m de Indische dagbladen werd melding gemaakt van de hervatting van den slaven-uitvoer<br />
uit JNias naar Atjeh en van den schrik daardoor onder de bevolking van dat eiland verspreid,<br />
jn een en ander werd door den Minister van Koloniën aanleiding gevonden om, bij een<br />
Griet van 22 Maart 1871, de Indische Regering te wijzen op de noodzakelijkheid, » om de<br />
onder ons gezag of onder onze bescherming geplaatste landen en bevolkingen te doen eeroieaigen,<br />
en althans de kans te vermijden van óf door onze Engelsche naburen eene taak<br />
te zien aanvaarden , welke wij in 1824 uitdrukkelijk op ons hebben genomen, öf door hen<br />
in gebreke te worden gesteld".<br />
Toen de Indische Regering, die zich tegenover de voortdurende en voor de veiligheid<br />
g«ijke ongeregeldheden op de Atjehsche kust tot geene bijzondere handelingen geroepen<br />
achtte omtrent de dezerzijdsche bedoelingen in twijfel scheen te verkeeren , werden die<br />
moe toegelicht by een schrijven van 12 September 1871, waarin, onder verwijzing naar<br />
den brief van 24 Junij 1870, werd gezegd:<br />
tJt G<br />
,T !'f' essief<br />
t r e d e n t e<br />
°P ^a Atjeh, maar handhaving van de stelling, welke het trac<br />
taat \an 1824 ons ten aanzien van dien staat gaf.<br />
Ji a<br />
J klleden<br />
d 6<br />
Jrnl°Z i v ndelL<br />
1<br />
°P de Atjehsche kust kon de handel en scheepvaart onveilig<br />
_£emaakt^derhalve een toestand geboren worden, waarin van de Nederlandsche zijde,<br />
(1) Zie de Koloniale Verslagen van 1871, bladz. 8, en 1872, bladz. 6.
32<br />
krachtens de meerbedoelde verpligting, voorziening zou mogen worden verwacht. Het doen<br />
van de Nederlandsche zijde van zoodanige waarschuwingen (als door het gouvernement van<br />
de Straits waren afgekondigd) is toch wel te beschouwen als het minimum van hetgeen<br />
moet voortvloeijen uit de verpligting, op Nederland rustende, om meer bijzonder in de bewuste<br />
streken voor veiligheid van handel en scheepvaart te waken. In elk geval bestond<br />
er aanleiding om een oorlogschip te zenden ter observatie en ter bescherming van handelaars<br />
en zeevaarders, waar noodig en voor zooveel mogelijk. Wanneer thans de Atjehsche wateren,<br />
zoowel van de Oostkust als van de Westkust van Sumatra uit, regelmatig door bekwame<br />
stoomschepen worden bezocht, is het te verwachten dat van zeeroof en slavenhandel aldaar<br />
weldra geen sprake meer zal kunnen zijn. Men zal te dezen opzigte het resultaat verkrijgen,<br />
waarop net Opperbestuur steeds heeft aangedrongen, dat de schadelijke invloed van<br />
Atjeh worde gerefouleerd, en althans de aan ons gezag onderhoorige streken en de aan onze<br />
bescherming toevertrouwde wateren daarvan bevrijd blijven." Verder werd te kennen gegeven<br />
, dat het slechts aankwam op het verwisselen der » politiek van lijdzaamheid en onthouding"<br />
door eene zoodanige, » die, zonder agressie, blijken geeft van de bedoeling der<br />
Nèderlandsch-Indische Regering om, in verband tot de op haar rustende verpligting, bescherming<br />
te verleenen aan degenen die daarop aanspraak hebben, en haren regtmatigen<br />
invloed op Sumatra te bevestigen ".<br />
In den geest dezer aanschrijving werd, op het oogenblik waarop zij van hier werd verzonden,<br />
reeds in Indie gehandeld. Sedert eenige maanden werd de haven van Edi, eender<br />
onderhoorigheden van Atjeh, door de vloot eener andere onderhoorigheid, Simpang Olim,<br />
geblokkeerd, en aan de handelsvaartuigen, waaronder er waren die de Nederlandsche vlag voerden<br />
, het uit- en invaren belet, terwijl, volgens de berigten die men later ter plaatse ontving, op<br />
sommige zelfs geschoten werd. He Marnix, kommandant de kapiteinduitenant ENSLIE , bezocht,<br />
op den bij het besluit van 16 Julij 1871 b wolen togt in de Atjehsche wateren, ook de haven van<br />
Edi, om, zoo noodig, den handel te beschermen; maar toen zij voor Edi kwam , waren de schepen<br />
van Simpang Olim juist vertrokken, op hetgezigt van twee stoom-koopvaardijschepen van Poeloe<br />
Pinang. Bij dit bezoek vernam men van den radja van Edi, dat in die streken, »waar<br />
1000 man bij elkander zijn, een radja benoemd wordt, die, zoodra hij vechten wil tegen<br />
een zijner buren, daartoe verlof vraagt aan den Sultan van Atjeh , die dat altijd toestaat,<br />
en kruid en kogels levert, mits tegen goede betaling" (Rapport van den luitenant ter zee<br />
lste klasse VAN BROEKHUYZEN , dd. 16 September 1871). De radja had , reeds eenige weken<br />
geleden, een brief geschreven aan den controleur van Deli, waarin hij zijn verlangen te<br />
kennen gaf om in dezelfde betrekking tot het Nederlandsch-Indisch Gouvernement gebragt<br />
te worden als Deli, in de hoop dat er dan ook in zijn land rust en welvaart zou komen,<br />
gelijk in Deli. Hij herhaalde dien wensch in zijn onderhoud met deu lsten officier van de<br />
Marnix en verzocht reeds dadelijk de Nederlandsche vlag te mogen voeren , 'tgeen hem<br />
geweigerd werd, onder opmerking dat hij schatpligtig was aan den Sultan van Atjeh ,<br />
en van dezen, als zijn leenheer, bescherming moest vragen.<br />
Bij deze gelegenheid werd ook de Tamian-rivier bezocht; de hoofden op den regter oever<br />
(Nederlandsch-Indisch grondgebied) vernamen met groote vreugde dat het voornemen bestond<br />
om herhaaldelijk oorlegschepen naar die streken te zenden, omdat zij daarin een waarb<strong>org</strong><br />
zagen voor rust en veiligheid.<br />
De Marnix had haren togt uitgestrekt tot de reede van Atjeh, maar aldaar geene communicatie<br />
met den wal gehad. Even na haar vertrek kwam de Djarnbi, kommandant de kapitein<br />
ter zee J. F. KOOPMAN , voor Atjeh. De controleur KEAIJENHOFF had in last om zich, vóór dat hij<br />
den brief van den gouverneur van Sumatra's Westkust (waarin deze van zijne optreding als zoodanig<br />
kennis gaf aan den Sultan van Atjeh) overhandigde, er van te verzekeren, dat hij<br />
zou ontvangen worden op eene waardige wijze, volgens een daartoe ontworpen ceremonieel.<br />
De hem toegevoegde ambtenaar VON KOCHRITZ werd naar den wal gezonden om dit punt<br />
te bespreken. Het duurde vier dagen eer men hem te woord stond, hetgeen schijnt te moeten<br />
geweten worden aan de afwezigheid van den lsten rijksbestierder, den arabier HABIEB ABDUL<br />
RACHMAN. Toen deze teruggekomen was werden allerlei bezwaren gemaakt tegen het vo<strong>org</strong>estelde<br />
ceremonieel. Den 27sten September kwamen de twee rijksbestierders, als vertegen-
33<br />
woordigers van den onmondigen Sultan (1), met drie rijksgrooten (hoeloebalangs) aan boord.<br />
De 1ste rijksbestierder voerde voor allen het woord. Na hoog te hebben opgegeven van zijn<br />
verblijf in Turkije en zijne aanrakingen met den Sultan, zeide hij dat het rijk van Atjeh<br />
met Turkije, Engeland, Frankrijk en vele andere mogendheden in vriendschap leefde; dat<br />
Nederland nu den vriendschapsband naauwer wilde aanhalen, maar dat hij de vriendschap<br />
van Nederland niet begreep; dat Nederland, vriendschap willende, beginnen moest met de<br />
(gelijk bekend, sinds eeuwen aan ons gezag onderworpen) landschappen Siboga, Baros,<br />
Singkel, Nias en de rijken aan de Oostkust, die tot Atjeh behoord hadden, terug te geven,<br />
en den Sultan hulp te verleenen tegen de vorsten in zijne grenslanden, die zich aan zijne<br />
magt wilden onttrekken. Nadat aan zijne gedachten eene andere rigting was gegeven door<br />
eene herinnering aan het beperkte mandaat, 't welk de gecommitteerden van het Nederlandsch-Inlisch<br />
Gouvernement hadden, werd het ceremonieel besproken. Men kwam daaromtrent<br />
echter tot geen resultaat, daar de rijksbestierder allerlei uitvlugten zocht. Intusschen<br />
verliet de rijksbestierder het oorlogschip in eene geheel andere stemming dan die,<br />
waarin hij zijne gesprekken begonnen was. Twee dagen later werd van hem een brief ontvangen<br />
, waarin de opvolging van het bedongen ceremonieel werd toegezegd. Eerst daarna<br />
ging de controleur met eenige officieren van de Djarnbi aan wal, en de ontvangst liet<br />
niets te wenschen over.<br />
Nadat zij aan boord waren teruggekeerd, zond de 1ste rijksbestierder nog een zeer beleefden<br />
brief aan de gecommitteerden. De aanvankelijke argwaan en vijandelijke geziuciheid<br />
hadden , naar allen schijn , plaats gemaakt voor vertrouwen en welwillende gevoelens.<br />
Weinige maanden later echter werd van de Britsche Regering vernomen , dat Atjeh zich<br />
tot het Gouvernement van de Straits had gewend om raad en hulp tegen Nederland, zoo<br />
het schijnt naar aanleiding van hetgeen wij deden ter bescherming van den door de vijandelijkheden<br />
tusschen Simpang Olim en Edi bedreigden handel.<br />
Op den zoo even bedoelden togt bezocht de Djarnbi ook de andere Atjehsche havens.<br />
De radja's van Edi en van Pedir en het hoofd van Pasei maakten van de gelegenheid gebruik<br />
om hun wensch te herhalen of te kennen te geven , om onder de bescherming van<br />
het Nederlandsch-Indische Gouvernement te komen.<br />
Het onderzoek, op dien togt door de Djarnbi ingesteld naar de beste gelegenheid om<br />
langs de Atjehsche kust vuurtorens op te rigten , vereischte aanvulling. Daarom werd , bij<br />
Indisch besluit van 1 Maart 1872, eene nieuwe zending van hetzelfde oorlogschip bevolen.<br />
Door den loop der gebeurtenissen werd het al langer hoe meer noodiakelijk , om onze<br />
betrekkingen tot Atjeh zoodanig te regelen, dat alle aanleiding tot botsingen zooveel<br />
mogelijk werd vermeden. Wij mogten ons in geen geval onttrekken aan de taak, om ons<br />
grondgebied tegen schadelijken invloed van Atjeh te beveiligen en den handel en de scheepvaart<br />
ook in de Atjehsche wateren te beschermen. De behartiging van dit laatste gedeelte<br />
onzer tweeledige taak bragt — de ondervinding leerde het — onze bedoelingen steeds in<br />
verdenking bij Atjeh , en ieder oogenblik was die staat gereed om tegen de ons toegedachte<br />
plannen van overheersching steun te zoeken bij vreemde mogendheden. Verschillende landschappen<br />
, aan Atjeh onderhoorig, kwamen onze bescherming en ons gezag inroepen, als<br />
eenig middel om die rust en orde deelachtig te worden , welke wij er , juist in het belang<br />
der veiligheid voor handel en scheepvaart en in het belang van de bevolkingen op ons<br />
grondgebied, moesten trachten te verzekeren. Onze positie tegenover zulke aanzoeken was<br />
bijzonder moeijelijk. Wij ko n den ze niet aannemen , zonder aan de integriteit van Atjeh te<br />
kort te doen. Wij konden ze niet afwijzen , zonder de wanordelijke toestanden, waaraan wij<br />
een einde moesten maken , te bestendigen , want Atjeh zelf was volkomen onmagtig, of<br />
onwillig, om de orde te handhaven. Alleen wanneer in dit laatste verandering kon gebragt<br />
worden, wanneer Atjeh zelf de magt en den wil toonde om aan de onderlinge oorlogen<br />
m zijne onderhoorigheden , aan de gevaren die den vreedzamen handelaar voortdurend bedreigden<br />
, aan zeeroof en strandroof een einde te maken, alleen dan kon een zuivere toestand<br />
verkregen worden. Maar Atjeh had die magt en dien wil niet en zou die nimmer<br />
(1) De toen 16jarige Sultan is een neef van den vorigen Sultan, wiens beide zonen gestorven waren<br />
ongeveer ter zelfder tijd als hun vader.<br />
5
34<br />
verkrijgen , tenzij door onzen invloed. Dit hadden de Britsche en Nederlandsche gevolmagtigden<br />
in 1824 begrepen, en de juistheid hunner zienswijze hierin was door eene ondervinding<br />
van bijna eene halve eeuw gestaafd. De wijze, waarop die invloed zou worden uitgeoefend,<br />
was steeds een moeijelijk vraagstuk gebleven, maar dit kon niet altoos onopgelost<br />
gelaten worden. Eene oplossing kon alleen verkregen worden : óf door geweld, óf door<br />
de minnelijke medewerking van Atjeh. Voor de Regering, die natuurlijk geen geweld wilde,<br />
bleef dus niets anders over dan nogmaals eene poging te doen om Atjeh tot minnelijke<br />
medewerking over te halen.<br />
Bij eene aanschrijving van 24 April 1872 aan den Gouverneur-Generaal werd daarom,<br />
nadat met de meeste klem op den vo<strong>org</strong>rond was gesteld dat de Regering nu, gelijk vroeger,<br />
volstrekt geen agressie wilde, — nadat verder was betoogd dat het geene agressie kon<br />
heeten » wanneer wij, door waarschuwing en overreding, de bestuurders van A.tjeh zelf<br />
tot hun pligt trachten te brengen en zoeken over te halen om, ook in hun welbegrepen<br />
belang, met ons zamen te werken, in stede van zich aan iedere welwillende aanraking<br />
met ons te onttrekken " , — het denkbeeld aanbevolen , om aan Atjeh voor te houden :<br />
»dat wij de verpligting, die op ons rust, niet strenger hebben opgevat, omdat wij steeds<br />
hebben vertrouwd dat Atjeh door eigen handeling onze tusschenkomst niet zoo bepaald<br />
noodig zou hebben gemaakt;<br />
» dat wij echter, ook ten gevolge van klagten, die belanghebbenden bij ons hebben ingebragt,<br />
niet meer lijdelijk kunnen blijven, en, in verband tot de verantwoordelijkheid die<br />
op ons rust en de belangen die wij op Sumatra en in den Indischen Archipel te behartigen<br />
hebben , willen bevorderlijk zijn aan het, op vreedzame wijs , in het leven roepen van die voorwaarden<br />
van rust en veiligheid, zonder welke geen regelmatige handel op den duur kan bestaan ;<br />
» dat wij, op die wijs, ook willen medewerken tot voorspoed en geluk in Atjeh;<br />
> dat onze raad en hulp reeds een en andermaal door kleine staatjes in noordelijk Sumatra<br />
is gevraagd;<br />
» dat wij ons te minder aan liet verleenen daarvan kunnen onttrekken , omdat de invloed<br />
van Atjeh daar gering schijnt of ongaarne wordt ondervonden ;<br />
» dat wij echter gaarne in goede verstandhouding blijven met Atjeh, en dat, als Atjeh<br />
onze ernstige voornemens en onze goede bedoelingen goed begrijpt, het ook zal moeten<br />
inzien , dat het in het belang van den voorspoed en welligt van de integriteit van Atjeh<br />
kan zijn, dat het zich niet verzet tegen de wenschen van sommige staten naar vrede en<br />
bescherming, maar dat het integendeel, bij het algemeen worden van die wenschen, de<br />
waarb<strong>org</strong>en zoekt te verkrijgen , die daarvoor verstrekt kunnen worden in eene goed geregelde<br />
verhouding tot het Nederlandsch Gouvernement."<br />
Het was dus de bepaalde wensch der Regering om Atjeh te sparen , om zelfs de integriteit<br />
van Atjeh tegenover afvallige , bij ons bescherming zoekende vasallen te handhaven, mits<br />
Atjeh slechts die rust en veiligheid wilde verschaffen , waarvoor wij verpligt waren te waken.<br />
Aa:i de telkens herhaalde aanzoeken van Edi, om onder de Nederlandsche souvereiniteit te<br />
worden gebragt, werd dan ook geen gehoor gegeven. Na in Maart 1872 twee gezanten<br />
naar den resident van Riouw te hebben afgevaardigd, die onverrigter zake terugkeerden,<br />
trachtte de radja van Edi langs een omweg, zijn doel te bereiken en schreef hij een brief<br />
aan den pangeran van Langkat, waarin bij zich formeel aan diens gezag onderwierp. Zoo<br />
deed ook het hoofd van Pasei.<br />
In Mei 1872 ondernam de Djarnbi den bevolen tweeden togt naar de wateren van Atjeh,<br />
om een nieuw onderzoek te doen naar de gelegenheid om vuurtorens op te rigten. Den<br />
22sten Mei werd op de reede van Atjeh geankerd. De kommandant en de controleur KEAIJEN-<br />
HOFF , die ook deze reis medemaakte, trachtten den Sultan en de rijksgrooten een bezoek<br />
te brengen, maar de eerste rijksbestierder was afwezig, en niemand, zoo heette het, durfde<br />
den aan hem gerigten brief openen , of een antwoord te geven op het verzoek om eene ontmoeting.<br />
De Djarnbi vertrok, vriendschappelijke brieven voor den 2deu rijksbestierder achterlatende.<br />
Gedurende zijn verblijf aan den wal vernam de tolk, die telkens den controleur KRAIJEN-<br />
HOFF vergezelde, dat de sjabandar van Atjeh , PANGLIMA TIBANG MOHAMAD , naar Poeloe<br />
Pinang gevlugt was, omdat de 1ste rijksbestierder hem naar het leven stond. Verschillende<br />
personen gaven den tolk hun wensch te kennen om onder het Nederlandsch-Indisch bestuur te
35<br />
staan, daar bij de bestaande regeringloosheid in Atjeh de willekeur der aanzienlijken niet<br />
meer te verdragen was. Anderen onderwierpen, door middel van den tolk, hunne klagten over<br />
verongelijkingen aan den controleur. Onder hen was een bandelaar, wiens vaartuig voor<br />
Edi door gewapende praauwen van Simpang Olim was beroofd , en die bij den Sultan van<br />
Atjeh geen regt kon krijgen. De controleur liet antwoorden dat hij tot inmenging niet geregtigd<br />
was , maar dat hij raadde de terugkomst van den lsten rijksbestierder af te wachten.<br />
Naar aanleiding van de wenken, in de straks vermelde aanschrijving van 24 April 1872<br />
aan de Indische Regering gegeven, bepaalde de Gouverneur-Generaal, bij besluit van 31<br />
Augustus 1872, dat de resident van Riouw, D. W. SCHIFF , en de ambtenaar met den rang<br />
van resident, H. VON HE WALL , door den controleur KEAIJENHOFF als secretaris vergezeld<br />
, naar Atjeh zouden gaan , om den Sultan openingen te doen in den aangeiuiden geest.<br />
Hoezeer de gouverneur van Sumatra's Westkust de aangewezen autoriteit was voor zoodanige<br />
missie, werd hij daartoe niet bestemd, omdat de Indische Regering meende dat de<br />
tegenwoordige gouverneur, die als resident van Riouw de maatregelen had geleid welke<br />
ter bevestiging van ons gezag op Sumatra's Oostkust noodig waren, in Atjeh eene persona<br />
ingrata zou kunnen zijn, en zij alles wilde vermijden wat aan Atjeh eenigen aanstoot<br />
zou kunnen geven.<br />
De vredelievende strekking dér zending werd in de instructie voor de heeren SOHIFF en<br />
VON DE WALL zeer duidelijk op den vo<strong>org</strong>rond gesteld Art. 1 luidde als volgt:<br />
«Naardien het meer en meer is gebleken, dat de bestuurders van A.tjeh zich niet zoodanig<br />
aan den gang van zaken in de staatjes, die aan het rijk onderhoorig heeten, laten gelegen<br />
liggen , dat daardoor onderlinge vijandelijkheden , welke zeer ten nadeele der algemeene<br />
belangen van handel en scheepvaart strekken, voorkomen of gekeerd worden, en nademaal<br />
er on.er die staatjes zijn, welke bij herhaling hebben doen blijken van hunnen wensch,<br />
om onder de souvereiniteit van Nederland opgenomen en door de Nederlandsche vlag beschermd<br />
te worden, terwijl van den kant der bestuurders van Atjeh tot dus ver weinig<br />
bereidwilligheid werd ondervonden om aan de door het Nederlandsch-Indisch Gouvernement<br />
gedane stappen tot het scheppen van eene vriendschappelijke verhouding te beantwoorden, —<br />
zoo is, uitgaande van het door een en ander aangewezen standpunt, tot de bij het besluit<br />
van 31 Augustus 1872 bepaalde zending besloten, met het doel om, langs minnelijken<br />
weg, eene vredelievende vestiging van den Nederlandschen invloed in Atjeh en zijne onderhoorigheden<br />
te beproeven, en den vorst van dat rijk tot het besef te brengen, dat zijn<br />
belang niet alleen eene goede verstandhouding met, maar ook eene naauwe aansluiting<br />
aan het Nederlandsch-Indisch Gouvernement medebrengt ter verzekering tot op zekere<br />
hoogte van de verdere integriteit van zijn rijk."<br />
In art. 5 werd aan de gouvernements-commissarissen opgedragen om, op de wijze welke<br />
hun het meest geschikt voorkwam , aan den Sultan voor te houden de in de ministeriële<br />
aanschrijving van 24 April aangegeven wenken.<br />
Verder werd bepaald:<br />
bij art. 7: » Bijaldien de bij art. 5 bedoelde openingen een welwillend oor ontmoeten<br />
zullen de Gouvernements-commissarissen, al naar mate der omstandigheden:<br />
» a. tot eene overeenkomst met het bestuur van Atjeh trachten te geraken enz.;<br />
» 5. 's Gouvernements goede diensten aanbieden tot het herstellen van eene- gewenschte<br />
vriendschappelijke verhouding tusschen Atjeh en zijne onderhoorigheden , waar die verbroken<br />
mogt zijn, of daar, waar onderhoorigheden onderling met elkander in vredebreuk verkeeren;<br />
onder dien verstande evenwel, dat alsdan ter zake van zoodanig herstel eene akte<br />
van overeenkomst of compromis moet worden opgemaakt, waarbij partijen zich tegenover<br />
het Gouvernement van Nederlandsch Indie tot eene stipte nakoming der daarbij over en<br />
weer te bedingen voorwaarden verbinden en voor gezegd Gouvernement het regt wordt<br />
bedongen om op die nakoming toe te zien en daarvoor te waken.<br />
» Mogten die openingen geen welwillend oor ontmoeten, dan zullen de Gouvernementscommissarissen<br />
geene met 's Gouvernements waardigheid te vereenigen pogingen onaangeroerd<br />
laten, om den bestuurder van Atjeh tot andere inzigten te brengen, en, zoo zij<br />
aaann niet mogten slagen, hem, zoo indrukwekkend mogelijk, verantwoordelijk stellen<br />
voor al de nadeelen, die uit de door hem betoonde ongeneigdheid, om aan de welwillende
36<br />
bedoelingen van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement te beantwoorden, voor de<br />
integriteit van zijn rijk eventueel mogten voortvloeijen."<br />
Bij art. 8: » Bij elke geschikte gelegenheid zullen de Gouvernements-commissarissen doen<br />
uitkomen, dat het Nederlandsch-Indisch Gouvernement, hoe afkeerig ook om zich verder<br />
uit te breiden ten nadeele van Atjeh, vast besloten is om niet terug te komen op de<br />
handelingen, waaruit de thans bestaande grenslijnen tusschen de wederzijdsche bezittingen<br />
zijn voortgevloeid; terwijl zij, bij het ondervinden van bepaalde aarzeling in eene welwillende<br />
beantwoording aan de openingen, te doen volgens art. 5, op eene omzigtige wijze<br />
zullen moeten laten doorschemeren, dat, bij gebreke van dergelijke beantwoording, hoe<br />
ongaarne ook, het Nederlandsch-Indisch Gouvernement in de noodzakelijkheid zou kunnen<br />
komen, om de zijne bescherming inroepende onderhoorigheden van Atjeh onder Nederland's<br />
souvereiniteit in te lijven."<br />
De komst der Gouvernements-commissarissen zou, minstens twee maanden te voren, aan<br />
den Sultan van Atjeh worden aangekondigd in een brief van den gouverneur van Sumatra's<br />
Westkust. Ook meende de Indische Regering dat aan het genomen besluit eerst zou moeten<br />
worden gevolg gegeven nadat de zegepraal onzer wapenen in Deli volkomen beslist zou zijn.<br />
Inmiddels bad een merkwaardig onderhoud plaats tusschen den meergenoemden sjabandar<br />
van Atjeh, PANGLIMA TIBANG MOHAMAD, en den resident van Riouw. In September 1872<br />
kwam de sjabandar te Riouw, na daartoe vergunning te hebben gevraagd onder mededeeling<br />
dat hij aan den resident gewigtige openingen had te doen van wege den Sultan<br />
en zelfs eene volmagt had om een tractaat te sluiten. Hij verhaalde dat de Sultan geslingerd<br />
werd door twee partijen; aan het hoofd van de eene, de Arabische partij, stond de<br />
lste rijksbestierder HABIEB ABDUL RACHMAN. Het bleek dat de sjabandar geene magtiging<br />
van den Sultan vertoonen kon, maar hij verklaarde die te kunnen verkrijgen zoodra hij er<br />
om vroeg.<br />
De resident voerde het onderhoud met den sjabandar, voor den vorm, door tusschenkomst<br />
van den controleur HALEWIJN, maar vatte zelf het woord op om hem te kennen te geven da;<br />
»het Nederlandsch-Indisch Gouvernement niets liever en niets anders wenschte, dan met den<br />
Sultan van Atjeh mede te werken om zijn gezag te handhaven en de welvaart en bloei<br />
van zijn rijk te bevorderen". Hij gewaagde van de bevolen zending van commissarissen<br />
naar Atjeh niet, maar zeide ter loops dat hij zelf welligt eens naar Atjeh zou komen, met<br />
welk plan de sjabandar zich zeer ingenomen betoonde. De sjabandar vertrok, na vergunning<br />
verzocht en verkregen te hebben om terug te komen nadat hij eenige handelszaken<br />
in de Straits zou hebben geregeld en naar Atjeh zou zijn geweest.<br />
De brief van den gouverneur van Sumatra's Westkust, waarin de komst der Gouvernements-commissarissen<br />
werd aangekondigd, werd in October 1872 door den controleur<br />
KEAIJENHOFF met het stoomschip Maas en Waal naar Atjeh overgebragt. Den 19den<br />
October van Padang vertrokken, kwam het stoomschip, na met hevigen tegenwind en<br />
ongunstig weder te hebben geworsteld, eerst den Sisten voor Atjeh ten anker. De lste<br />
rijksbestierder was nog afwezig. De 2de rijksbestierder gedroeg zich zeer beleefd, maar<br />
gaf te kennen dat, wegens het invallen der poeasa, geene vergaderingen belegd en geene<br />
zaken behandeld konden worden, en dat, om dezelfde reden, de brief van den gouverneur<br />
niet kon worden geopend vóór den 7deu December. De brief werd echter in ontvangst<br />
genomen.<br />
Bij dit bezoek vernam onze tolk, dat de radja van Simpang Olim zich bij den Sultan<br />
van Atjeh er over beklaagd had dat een zijner gewapende praauwen, de Oipsey, door een<br />
Nederlandsch oorlogschip genomen en medegevoerd was. Men was hierover te Atjeh zeer<br />
ontevreden, doch liet er zich niet over uit bij den controleur.<br />
De zaak was deze. De gezanten van Edi, die in Maart te Riouw waren geweest, waren<br />
met het stoomschip Banka naar hun land teruggebragt. Daarop had de Banka ook<br />
Simpang Olim bezocht, en dewijl het bleek dat weder krijgstoerustingen werden gemaakt,<br />
had men aldaar duidelijk te kennen gegeven dat het Nederlandsch-Indisch Gouvernement<br />
geene belemmering van handel en scheepvaart zou gedoogen. Een tijd lang hield Simpang<br />
Olim zich daarop rustig, maar van lieverlede werden de vijandelijkheden weder begonnen<br />
en in de havens van Edi en Kerti was geen handelsvaartuig meer veilig. Zoodra het
37<br />
stoomschip Marnix bij Deli kon worden gemist, bezocht het de genoemde havens. Op de<br />
reede van Kerti werd de Gipsey aangetroffen, een zwaar gewapend vaartuig van Simpang<br />
Olim, dat een paar handelspraauwen had beroofd, geen vlag voerde en geen behoorlijke<br />
papieren vertoonen kon, weshalve het door de Marnix werd opgebragt als een vaartuig<br />
dat zich aan zeerojf schuldig maakte.<br />
Van den sjabandar van Atjeh kreeg de resident van Riouw weder tijding door een brief<br />
uit Singapore, dd. 24 October, waarin hij meldde dat hij door ziekte te Singapore was<br />
teruggehouden, maar nu spoedig naar Atjeh hoopte te vertrekken om een brief van den<br />
Sultan voor den resident te gaan halen. In December kwam de sjabandar met vier Atjehsche<br />
rijksgrooten (hoeloebalangs) te Riouw. Zij bragten een brief van den Sultan , waarin<br />
deze den resident verzocht om zijn vo<strong>org</strong>enomen bezoek te Atjeh nog eenige maanden uit<br />
te stellen, » want" — schreef de Sultan — » het is nu eene maand geleden dat ik een<br />
brief gezonden heb aan den Sultan van Turkije, waarop ik nog geen antwoord heb ontvangen.<br />
Wanneer ik eenig antwoord van den Sultan van Turkije ontvang, zal ik den<br />
Grooten Heer een brief schrijven."<br />
Dit raadselachtig verzoek vereischte wel eenige toelichting, maar die werd door de Atjehsche<br />
gezanten ruimschoots gegeven. Het vroegere verhaal van den sjabandar werd door hen<br />
bevestigd. In Atjeh stonden twee partijen vijandig tegenover elkander. De Sultan en zijne<br />
partij waren het Nederlandsch-Indisch Gouvernement zeer genegen, en verlangden niets<br />
hever dan zich van den eersten rijksbestierder te ontslaan. Deze deed met zijne partij al het<br />
mogelijke om den Nederlandschen invloed te weren. Toen de sjabandar te Atjeh was teruggekomen<br />
, werd daar het gerucht verspreid dat hij het rijk aan den resident van Riouw<br />
had overgegeven. De Sultan had hem echter de hand boven het hoofd gehouden. De sjabandar<br />
had mededeeling gedaan van het plan van den resident om Atjeh te bezoeken. (De<br />
bnef van den gouverneur van Sumatra's Westkust heette nog niet gelezen te zijn.) Dit<br />
bengt was door de twee partijen met zeer verschillende gewaarwordingen vernomen. De<br />
bultan en zijne partij zouden den resident gaarne zien komen, maar nog niet aanstonds,<br />
daar zij eerst den invloed van den eersten rijksbestierder nog meer wilden verzwakken. (1)<br />
Daartoe hadden zij zich reeds verzekerd van den steun der hoeloebalangs beoosten Atjeh ,<br />
maar nu moesten nog die bewesten Atjeh en vooral Troemon gewonnen worden. Was<br />
dit geschied , dan zou de Arabische partij het onderspit delven en dan zou het de tijd voor<br />
den resident zijn om te Atjeh te komen. De Sultan en de zijnen wilden dus bij een brief<br />
aan den resident verzoeken dat hij zijn bezoek zou uitstellen. De eerste rijksbestierder en<br />
üe zijnen wilden dien brief niet. Bij wijze van transactie was een brief opgesteld, waarin als<br />
reden voor het uitstel werd opgegeven, dat men antwoord wachtte op een schrijven aan<br />
den bultan van Turkije. Wat dit schrijven behelsde wisten de gezanten niet. Wel wisten<br />
zij dat de Sultan van Atjeh twee malen geweigerd had een hem door den eersten rijksbestierder<br />
vo<strong>org</strong>elegd ontwerp te onderteekenen , omdat het onwaarheden bevatte t en eindelijk<br />
aan een derde concept zijne handteekening had gegeven, hetwelk daarop verzonden was.<br />
Alleen om aan de Arabische partij genoegen te geven, was van het schrijven aan Turkije<br />
m den brief aan den resident gewag gemaakt, maar men wist zeer goed dat Turkije met<br />
Atjeh mets te maken had. De gezanten bragten nog brieven van eenige hoelabalaugs voor<br />
den resident mede, waarin hem werd verzocht over den brief des Sultans niet gevoelig te<br />
zijn , » want" — schreven zij — » vele hoeloebalangs ziin met elkander in onmin ; een deel<br />
is op de hand van de Arabieren, de anderen op de hand van den Sultan, maar de Sultan<br />
is u zeer genegen." Voorts ondersteunden zij het verzoek om de vo<strong>org</strong>enomen reis naar<br />
jen uit te stellen. » want wij zijn van plan den radja moeda van Troemon te gaan<br />
a en , en als wij van daar zullen zijn teruggekeerd , dan zullen PANGLIMA TIBANG MOHAMAD<br />
naar' A Hoi»<br />
C<br />
- V A N<br />
had til**<br />
WEKERE, koopman te Bengkalis, die voor handelszaken de reis van Singapore<br />
s a b a n d a r n a d<br />
J medegemaakt, verklaarde later dat hij den Sultan bezocht had en hem<br />
moest Tt h<br />
h<br />
° 0 W i n d e h a n d e n<br />
voor hen w „ f<br />
t e n e i n d e raad<br />
' > «eggende: dat h« niet wist wat hij doen<br />
arne<br />
^<br />
d C H o l l a n d e r s<br />
zou willen onderhandelen, maar door de partü der Arabieren<br />
omtrent 17 T<br />
k<br />
°°<br />
b e v e s t i<br />
g d<br />
" ^ heer VAN AXKEBE wat de gezanten mededeelden<br />
trent den verwarden staat van zaken in Atjeh. (Brief van den resident van JJiouw, dd. 13 December 1872.)
38<br />
en de hoelabalangs, die op de hand van den Sultan zijn , hunne opwachting bij u komen<br />
Bij deze gelegenheid beklaagde de sjabandar zich over het nemen der Gipsey. De zaak<br />
werd hem uitgelegd en de resident gaf te kennen dat het de bedoeling der Regering was<br />
dit vaartuig zoo spoedig mogelijk aan den Sultan van Atjeh over te leveren, opdat hij regt<br />
zou kunnen doen ter zake van de gepleegde rooverijen.<br />
In de gegeven omstandigheden meende de Indische Regering met de zending der commissarissen<br />
naar Atjeh eenigen tijd te moeten verwijlen. Zij magtigde den resident van<br />
Riouw om de gezanten met het stoomschip Marnix naar Atjeh te doen overbrengen en dan<br />
tevens de Gipsey aan den Sultan over te leveren. (1) Toen aan de gezanten het aanbod,<br />
(1) De instructien der Indische Regering gewerden den resident bü de hier volgende missive van den<br />
lsten gouvernements-secretaris.<br />
Aan den Resident van Riouw.<br />
La. A. GEHEIM.<br />
B A T A V I A , 4 Januarij 1873.<br />
In antwoord op Uwe missives van 13 November en 13 December jl. la. D" en Mo, geheim, heb ik<br />
de eer op bekomen last UEd.Gestr. het volgende mede te deelen.<br />
Bijaldien men het in Atjeh inderdaad onderling dermate oneens is, als de van daar te Kiouw aangekomen<br />
zendelingen afschilderen , zou de Regering met UEd.Gestr. en uwen mede-commissaris voor Atjeh ,<br />
H. VON DE WALL, thans het oogenblik niet gunstig achten, om de zending derwaarts gevolg te doen<br />
nemen tot het voeren van politieke onderhandelingen.<br />
Met het denkbeeld, om het vertrek der commissie derwaarts uit te stellen , vereenigt de Regering zich<br />
derhalve geheel; minder met dat om al voort den duur van dat uitstel te bepalen.<br />
Het motief, dat tot het uitstel voert, laat zoodanige bepaling niet toe, want even goed als de beweerde<br />
oneenigheid zich nog lang kan blo ven ontwikkelen, is het mogelijk, dat ze al zeer spoedig tot eene oplossing<br />
komt.<br />
Zooals de zaken zich nu voordoen, is de Regering er evenwel niet voor om van baren kant een geheel<br />
lijdelijke houding in acht te nemen.<br />
Zonder den Sultan van Atjeh vooralsnog bepaalde beloften van hulp en ondersteuning te doen, vermeent<br />
zij nogtans dat hem al dadelijk duidelijke blijken waren te geven van onze warme sympathie in zijn<br />
pogen, om zich van den invloed van het Arabisch element te bevrijden.<br />
Voorts acht de Regering het bepaald noodig, dat de door de Atjehsche zendelingen ten uwent gedane<br />
mededeelingen door een vertrouwd inlander van onzen kant in loco, zooveel mogelijk, worden nagegaan.<br />
UÊd Gestr. heeft daartoe een zeer geschikt persoon ter uwer beschikking in den inlandschen schrijver<br />
DATOE SETIA ABOE HASSAN , aan wien een der in de Atjehsche taal goed bedreven inlanders , die zich<br />
thans ten uwent in het gevolg van den kontroleur jhr. E. R. KRAIJENHOM moeten bevinden, zou<br />
kunnen worden toegevoegd.<br />
Overigens wenscht de Regering, dat genoemde kontroleur zich onmiddellijkbegeve naarPoeloe Penang,<br />
(welke plaats in onafgebroken verbinding staat met Atjeh,) om daar zoo naauwlettend mogelijk op den<br />
verderen gang van zaken in Atjeh het oog te houden , en deswege met elke voorkomende gelegenheid<br />
aan UEd.Gestr. en uwen mede-commissaris te rapporteren, — in spoedvereischende gevallen ook door<br />
middel van den telegraaf, — terwijl de naar Atjeh te zenden inlander van zijne bevindingen tevens in de<br />
eerste plaats aan hem, kontroleur, mededeeling behoort te doen.<br />
Tot bestrijding zijner uitgaven te Poeloe Penang, wordt voornoemden kontroleur, ter nadere verantwoording<br />
, een krediet, aanvankelijk groot $ 1000, bij het Nederlandsch consulaat aldaar toegestaan.<br />
Met opzlgt tot de verder jegens Atjeh aan te nemen houding, is de Regering van meening, dat, zoodra<br />
het tot eene openlijke botsing komt tusschen de beide partijen, die er zouden bestaan, en de Sultan alsdan<br />
hare hulp mogt inroepen, die ook behoort te worden verleend, — onder beding evenwel van de<br />
erkenning der opperheerschappij van Nederland over Atjeh.<br />
De Regering ontveinst zich niet, dat het te hulp komen van den Sultan en zijne partij eene beduidende<br />
magtsontwikkeling kan vereischen, maar het daarmede beoogde doel is — haars inziens — een niet onbelangrijk<br />
offer waard, waarover dient te worden heengestapt. Eene zoo gunstige gelegenheid, als zich<br />
thans schijnt voor te doen, om het sedert jaren hangende Atjehsche vraagstuk tot eene gewenschte oplossing<br />
te brengen, zal, zoo die onbenut wordt gelaten, zich welligt vooreerst niet meer herhalen.<br />
Wat h t denkbeeld betreft, om de zendelingen van den Sultan met Zr. Ms. stoomschip Marnix naar<br />
Atjeh ve doen terugvoeren, en van die gelegenheid tevens gebruik te maken om den door dat vaartuig<br />
aangehouden schoener onder Atjehsche vlag — de Gipsey — aan den Sultan te doen overgeven, — „onder
39<br />
om met de Marnix te worden teruggebragt, gedaan was , namen zij dit aan, maar verzochten<br />
dat onder weg de Atjehsche havens mogten worden aangedaan , omdat zij daar<br />
brieven van den Sultan hadden af te geven, waarbij de vorsten werden aangespoord tot<br />
ondersteuning van het gezag des Sultans. De resident stond dit toe, na de noodige voorz<strong>org</strong>en<br />
te hebben genomen dat geene handelingen zouden worden gepleegd die tot verkeerde<br />
interpretatien van het doel der bezoeken van het stoomschip konden aanleiding geven.<br />
Terwijl de gezanten nog te Riouw waren , vernam de Indische Regering dat in het begin<br />
van Januarij een afgevaardigde van den Sultan van Atjeh naar het Fransche Gouvernement<br />
was afgezonden om hulp en bescheiming te vragen. De gezanten, door den resident met<br />
dit berigt in kennis gesteld , toonden zich ten hoogste verbaasd en verzekerden dat de Sultan<br />
aan de zending geen deel kon hebben gehad , doch dat van zijn stempel misbruik moest<br />
zijn gemaakt.<br />
Den 25sten Januarij vertrokken de gezanten met de Marnix van Riouw naar Singapore,<br />
waar zij eenige dagen verbleven.<br />
Van Singapore heeft de Marnix met de Atjehsche gezanten de reis voortgezet langs de<br />
verschillende door hen aangewezen havens.<br />
Terwijl nu die havens werden bezocht, ontving de Indische Regering uit alleszins vertrouwbare<br />
bron omstandige berigten , die nader nog bevestigd zijn , omtrent bezoeken , door de<br />
Atjehsche gezanten, gedurende hun verblijf met de Marnix te Singapore, afgelegd bij de<br />
agenten van vreemde mogendheden aldaar, om hun het voorstel te doen tot het sluiten van<br />
tractaten tusschen hunne Gouvernementen en Atjeh, omdat Atjeh door Nederland bedreigd werd.<br />
Naar aanleiding van deze berigten hebben èn de Indische Regering èn het Opperbestuur, dat<br />
per telegram met het vo<strong>org</strong>evallene in kennis werd gesteld , begrepen, dat onmiddellijk<br />
van Atjeh opheldering en rekenschap voor zijn verraderlijk gedrag moest worden gevraagd ,<br />
en dat het mogelijke moest worden gedaan om inmenging in de zaken van Atjeh , die voor<br />
de regeling der betrekkingen tusschen Nederland en dien staat zeer belemmerend zou kunnen<br />
zijn , te voorkomen.<br />
De viee-president van den Raad van Indie werd dienvolgens als Gouvernements-commissaris<br />
met vier oorlogschepen naar Atjeh gezonden , om opheldering en rekenschap te vragen<br />
en de betrekkingen tusschen Nederland en Atjeh op behoorlijken voet te regelen, opdat<br />
voortaan geene moeijelijkheden meer zouden kunnen rijzen ; en om , wanneer Atjeh weigerde<br />
voldoende ophelderingen of de noodige waarb<strong>org</strong>en voor eene goede verhouding tot Nederland<br />
in het vervolg te geven, den oorlog te verklaren.<br />
Het vertrek van den Gouvernements-commissaris is, met het oog op de bovenbedoelde<br />
handelingen van de Atjehsche gezanten te Singapore , zooveel doenlijk bespoedigd. Tevens<br />
is eene bekwame krijgsmagt bijeengebragt om den Gouvernements-commissaris op den voet<br />
te volgen. Daarmede is niet gewacht tot na de oorlogsverklaring, vooreerst omdat wegens<br />
zeevaartkundige redenen eene expeditie niet later dan tegen het einde van Maart kon afgezonden<br />
worden, maar ook omdat men hoopte door de vertooning van aanzienlijke strijdmiddelen<br />
voor Atjeh aan de vertoogen van den Gouvernements-commissaris nog meer klem<br />
te kunnen bijzetten en eene minnelijke schikking alsnog te kunnen bevorderen. Tot het<br />
mededeeling van de daden van roof en plundering, waaraan de opvarenden, zijnde onderdanen van den<br />
orst van Simpang Olim, zich hebben schuldig gemaakt, met te kennengave dat het niet in de bedoeling<br />
igt van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement om zich in de wateren van Atjeh meester te maken van<br />
personen en goederen , maar wel om te waken dat geen stremming worde gebragt in de algemeene hane<br />
sbeweging, en met ernstige aanbeveling ten slotte, dat van de zijde des Sultans voortaan gestrenge<br />
^aatregelen mogen worden genomen tegen soortgelijke misdrijven", — daannede vereenigt de Regering<br />
ie geheel, weshalve, in overleg met den Kommandant der Zeemagt en Chef van het Departement der<br />
rarine in Nederlandsch Indfe , de Marnix tot voorschreven einde wordt beschikbaar gesteld,<br />
k o m m a i l ( i a n t v a n d i e n D o d e m<br />
tel f worden door den vlootvoogd de noodige bevelen ten deze per<br />
egraat gegeven, terwijl UEd.Gestr. myn onderwerpelijk schrijven door tusschenkomst van den Consnlneraal<br />
te Singapore, W. H. READ , ontvangt, ten vervolge op mijn betrekkelijk telegram van heden.<br />
De lste Gouvernements-Secretaris,<br />
[gel.) W. STOBTENBEKEB.
40<br />
laatste oogenblik is dus naar eene minnelijke schikking met Atjeh gestreefd en het doe<br />
der expeditie is dan ook in de instructie voor den opperbevelhebber aldus omschreven : »om,<br />
bij onverhoopte mislukking der door den Gouvernements-commissaris daartoe vooraf aan te<br />
wenden pogingen van vredelievenden aard, des noods door kracht van wapenen de bestuurders<br />
van het rijk van Atjeh te noodzaken om te voldoen aan de hun door den Gouvernements-commissaris<br />
te stellen eischen".<br />
Atjeh heeft echter geweigerd ophelderingen te geven, en daarop is, den 26sten Maart,<br />
de oorlogsverklaring gevolgd.<br />
Inmiddels is, naar aanleiding van hetgeen omtrent de handelingen der Atjehsche gezanten<br />
te Singapore berigt was geworden, met de betrokken mogendheden in gedachtenwisseling<br />
getreden, en heeft de Regering bij dezen de meeste gewenschte welwillendheid en medewerking<br />
ondervonden.
n<br />
TELEGRAMMEN.
1- De Consul-Generaal der Nederlanden te Singapore aan<br />
den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie.<br />
15 Februarij 1873.<br />
Intrigues van veel belang ontdekt der Atjehsche envoyés met den Amerikaanschen en<br />
Italiaanschen Consul, waardoor onmiddellijk handelen misschien noodzakelijk wordt; bijzonderheden<br />
per eerste boot.<br />
2. De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Consul-Generaal te Singapore.<br />
{get.) RE AD.<br />
Eerste boot komt eerst 22 (dezer). Kan U mij niet per telegram kortelijk inlichten ?<br />
3. De Consul-Generaal te Singapore aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
{get.) LOUDON.<br />
16 Februarij 1873.<br />
De envoyés hebben zich bij den Amerikaanschen en Italiaanschen Consul vervoegd,<br />
hadden een algemeenen brief van den Sultan, en riepen hulp in tegen de gehate Nederlanders.<br />
Amerikaansche Consul beloofde onmiddellijk aan admiraal JENKINS in China te<br />
zullen schrijven en stelde een tractaat op van 12 artikelen, hetwelk door den Sultan moet<br />
geteekend worden en daarna hierheen teruggezonden. Italiaansche Consul wacht een specialen<br />
brief van den Sultan, doch kapitein RACCHIA, de diplomatieke agent van Italië in Indie,<br />
is thans hier, wacht op twee oorlogschepen en zoude spoedig naar Atjeh kunnen gaan.<br />
De Amerikanen zouden waarschijnlijk in twee maanden gereed zijn daarheen te gaan. Aan<br />
deze informatien kan geloof gehecht worden.<br />
4. De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
(get.) READ.<br />
16 Februarij 1873.<br />
Consul-Generaal Singapore berigt verraad van Atjeh. Gezantschap heeft aldaar hulp van<br />
Consuls Amerika en Italië tegen ons gevraagd. Beide hebben zicb met de zaak bemoeid.<br />
Wil trachten tegenbevel van Gouvernementen voor onthouding te provoceeren. Consul<br />
Amerika stelt Atjeh tractaat voor en schrijft aan admiraal in China. RACCHIA wacht twee<br />
schepen en trekt dan naar Atjeh.<br />
{get.) LOUDON.
5. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
44<br />
18 Februarij 1873.<br />
Met voorkennis van Ministerraad en Koning. Uit mailrapport 9 Januarij met voldoening<br />
gezien dat krachtig optreden in Atjeh is voorbereid. Naar aanleiding van telegram 16 dezer<br />
wordt bij Amerika en Italië op onthouding harer agenten aangedrongen. Als gij niet twijfelt<br />
aan juistheid berigt Consul Singapore, is langer dralen ongeoorloofd. Wil zenden krachtige<br />
zeemagt naar Atjeh, om opheldering en rekenschap .te vragen voor dubbelzinnig en verraderlijk<br />
gedrag en regeling der verhouding van Nederland tot Atjeh in den vo<strong>org</strong>enomen<br />
zin. Zoo niet genoegzaam wordt voldaan, moeten de strijdkrachten worden bijeengebragt,<br />
geschikt om met minst verwijl aan vordering genoegzame klem bij te zetten. Zoo voor een<br />
en ander voorbereiding onmisbaar is, ook om zekerheid te hebben omtrent waren toestand<br />
en gezindheid van Sultan, die, zoo nu nog mogelijk, moet worden ontzien en gesteund,<br />
moet toch ten spoedigste genoegzame zeemagt gezonden worden om nuttige vrees te wekken<br />
en vreemde tusschenkomst vóór te zijn en te voorkomen. Tegen zoodanige tusschenkomst,<br />
waar die door de Nederlandsche autoriteiten wordt voorzien of waargenomen, moet door<br />
hen ernstig worden geprotesteerd als onregtmatige inmenging. Gewigt der zaak vordert dat<br />
staat gemaakt kan worden op de Commissarissen. Waarschijnlijk nadere voorziening noodig,<br />
daar de een ziek is en de ander misschien zijn gewest niet verlaten kan. Misschien is<br />
Yice-President Raad van Nederlandsch-Indie onder tegenwoordige omstandigheden meest<br />
geschikt, daar welligt Gouverneur Sumatra's Westkust ook niet weg kan.<br />
©. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
{get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
19 Februarij 1873.<br />
Naar aanleiding van zaken Atjeh is Regering bedacht op versterking zeemagt door de<br />
Roode Zee. Metalen Kruis wordt gereed gemaakt. Telegrafeer mij toestand (van) Vice-<br />
Admiraal Koopman. Watergeus was reeds van hier vertrokken rond Kaap de Goede Hoop.<br />
7. De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
(get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
22 Februarij 1873.<br />
Raad van Nederlandsch-Indie te Batavia is door mij gepresideerd. Generaal en Admiraal<br />
present. Eenstemmig is op mijn voorstel besloten zoo spoedig mogelijk Commissaris met<br />
vier bataillons naar Atjeh te zenden met ultimatum ons als souverein te erkennen of oorlog.<br />
Wij moeten Amerika met fait accompli ontvangen. Vice-President is de man. Wil bezwaar<br />
ministeriële dépêche 24 Augustus 1859 opheffen. Wil zenden per het Suezkanaal<br />
nog twee flinke stoomschepen boven die in uw telegram. Koopman nog drie maanden<br />
onbruikbaar. Toestand marine treurig.<br />
(get.) LOUDON.
8. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
45<br />
22 Februarij 1873.<br />
Bezwaren ministeriële dépêche 24 Augustus 1859 tegen zending Vice-president Raad van<br />
^ederlandsch-Indie heden door Zijne Majesteit opgeheven. Bij Koninklijk besluit gedagtekend<br />
sGravenhage 12 Februarij 1873, n°. 1, geteekend WILLEM, en gecontrasigneerd<br />
Minister van Koloniën FRANSEN VAN DE PUTTE , is tot lid in den Raad van Nederlandschndie<br />
benoemd mr. G. G. VAN HARENCARSPEL , algemeen secretaris (der) Regering daar te<br />
lande. Laat men bij aanrakingen met Amerika of Italië en bij protesten voorzigtig zijn om<br />
conflicten te vermijden. Wat Atjeh betreft, de troepen debarkeeren natuurlijk niet vóórdat<br />
ongeneigdheid voldoende is geconstateerd om aan onze eischen behoorlijk te voldoen.<br />
»• De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
{get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
28 Februarij 1873.<br />
Italië telegrafeert consul Singapore onthouding te betrachten. Fregat Zeeland wordt uitgezonden.<br />
Gisteren interpellatie Tweede Kamer der Staten-Generaal naar aanleiding van<br />
gerucht. Uitvoerige mededeeling gedaan doch uitsluitend op Indisch terrein. Niets internationaals<br />
geopenbaard.<br />
10. De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
{get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
2 Maart 1873.<br />
Jammer expeditie ontijdig publiek. Wil ook Duitschland onzijdig houden. Duitsch oorlogip<br />
is te Singapore, volgens gerucht met geheime instructie voor Atjeh. Wat doet Amerika?<br />
It. De Gouverneur-Generaal aan<br />
J,2 genS<br />
/ e<br />
den Minister van Koloniën.<br />
Cht h e 6 f t A m e r i k a<br />
(get.) LOUDON.<br />
2 Maart 1873.<br />
van Hongkong naar Atjeh gezonden. Expeditie kan<br />
eerst einde Maart vertrekken. Komt dan te laat. Wil mij spoedig inlichten of het waar is.<br />
(get.) LOUDON.
13. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
46 "<br />
3 Maart 1873.<br />
Door inhuren transportschepen in Indie aan reederij hier geseind werd expeditie publiek.<br />
Van Amerika nog geen tijding. Voor nadere stappen bij mogendheden volstrekt noodig<br />
stelliger berigten en bron van geruchten te vernemen. Italië geloofde niets van het medegedeelde<br />
omtrent zijne agenten. Nu zending troepen wachten moet, verdient mijn telegram<br />
18 Februarij te meer opvolging. Waarom kunnen Djarnbi, Marnix, Citadel en Banlia,<br />
of eenige van deze niet terstond gaan met Vice-President, of voorloopig met een ander,<br />
die zijne aankomst aankondigt? Ik verneem gaarne wie expeditie kommandeert.<br />
13. De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
{get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
3 Maart 1873.<br />
Vice-President gaat over een paar dagen met twee of (?) schepen naar Atjeh om ons als<br />
souverein te erkennen of oorlog en aldus Amerika voor te zijn. Vervolgens blijft Vice-<br />
President te Pinang om zoo nog noodig militaire expeditie van Java af te wachten, indien<br />
namelijk houding Amerika zending expeditie toelaat. Intusschen wordt een schip ter reede<br />
Atjeh achtergelaten om des vereischt den schepen aldaar van onze oorlogverklaring kennis<br />
te geven en tegen schending te protesteeren, zonder echter geweld te gebruiken.<br />
14. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
(get.) LOUDON.<br />
4 Maart 1873.<br />
Met voldoening overeenstemming onzer gekruiste telegrammen gezien. Met eisch van<br />
souvereiniteit zij men voorzigtig. Eerst moet Atjeh naar behooren vo<strong>org</strong>ehouden hoe onze<br />
wenschen gematigd en billijk waren en dat houding van Atjeh, waardoor afdoende waarb<strong>org</strong>en<br />
noodig worden, het stellen van grootere eischen onmisbaar maakt. Wil Vice-<br />
President van een exemplaar cijferschrift met leiddraad voorzien, om in urgentie met ons<br />
in cijfer te telegrafeeren.<br />
(get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.
15. De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
47<br />
4 Maart 1873.<br />
Geheim tractaat door Consul Amerika ontworpen houdt in handelsvoorregten en offensief<br />
en defensief verbond. Zal Engeland toezien ? Door onze treurige vloot kan Commissaris<br />
eerst 7 dezer vertrekken.<br />
16. De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
{get.) LOUDON.<br />
5 Maart 1873.<br />
Bron van geruchten inlandsche getuige wat onderhandeling met consuls betreft. TJestemmmg<br />
escader Amerika naar Atjeh is gemeld door telegram van Hongkong aan firma<br />
alhier. Vice-President vertrekt heden. Generaal-majoor KÖHLEB kommandeert expeditie.<br />
IS". De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
(get.) LOUDON.<br />
6 Maart 1873.<br />
Vice-President vertrekt. Ik kan hem geen exemplaar cijferschrift medegeven. Kopij<br />
kost te veel tijd. Geen tijdverlies bijna van Pinang over Batavia. Eskader Amerika<br />
gisteren nog te Hongkong. Wij zijn dus voor. Duitscher zegt naar Siam te gaan. Souverem<br />
erkenning hoog noodig; anders is niets gewonnen. Bij ontvangst van verbod zal<br />
ik gehoorzamen. Ik heb Gouverneur Singapore afschrift gezonden van tractaat door consul<br />
Amerika aan Atjeh vo<strong>org</strong>esteld.<br />
18. De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
(get.) LOUDON.<br />
6 Maart 1873.<br />
Consul-Generaal telegrafeert: Consul Amerika ontkent tractaat, erkent veelvuldige<br />
zamenkomsten met gezanten Atjeh en brief van Sultan; ook zijn antwoord daarop.<br />
(get.) LOUDON.
19. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
48<br />
7 Maart 1873.<br />
Wij mogen en willen Uwe handen niet binden door verbod . maar meenen dat souvereiniteit<br />
of oorlog als eerste eisch een slechten indruk zou maken. Bij snel en krachtig<br />
optreden kan vooraf gaan het eischen, binnen gelijken termijn als troepen kunnen worden<br />
verwacht, van voldoening en van waarb<strong>org</strong>en naar aanleiding van hetgeen geschied is.<br />
Bij onwil om te ontvangen, talmen of weigering van waarb<strong>org</strong>en is oorlog onvermijdelijk,<br />
die van zelf zich oplost in souvereiniteit.<br />
Uit voorloopig telegram Amerika blijkt dat bemoeijing consul niet bekend en niet geautoriseerd<br />
is.<br />
SO. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
{get.) FRANSEN VAN DE PÜTTE.<br />
9 Maart 1873. .<br />
Amerika telegrafeert naar Singapore om inlichting. Daaruit blijkt weder dat Consul<br />
niet gemagtigd was.<br />
31. De Gouverneur-Generaal'aan<br />
Minister van Koloniën.<br />
(get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
9 Maart 1873.<br />
Geen andere waarb<strong>org</strong> denkbaar dan souverein-erkenning. Zonder die, expeditie geen zin.<br />
Wil terstond stellige bevelen geven of mij laten handelen geheel op eigen verantwoordelijkheid.<br />
33. De Minister van Koloniën aan<br />
<
23. De Gouverneur-Generaal aan<br />
49<br />
den Minister van Koloniën. 1 2 Maart 1873<br />
Wil mij onverwijld zeggen welken eisch ik dan stellen moet. Ik kan waarlijk geen<br />
anderen waarb<strong>org</strong> vinden en er is geen tijd meer te verliezen.<br />
24. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
{gel) LOUDON.<br />
12 Maart 1873.<br />
Ons verschil betreft inleiding en vorm, maar die zijn hier van groot gewigt. Bij<br />
racntig en spoedig handelen blijft het te meer van belang te toonen dat regtvaardigheid en<br />
edachtzaamheid ons leiden. Daaraan zou kunnen getwijfeld worden indien souvereiniteit,<br />
ai moet die volgen, ruw weg op vo<strong>org</strong>rond werd gesteld. Zoo iets schijnt even onnoodig<br />
ais weinig gebruikelijk. Uitgangspunt zij dus, gelijk in vroegere telegrammen is aangegeven,<br />
onze eisch om opheldering, rekenschap en voldoening voor hetgeen geschied is<br />
en waarb<strong>org</strong>en bij tractaat tegen herhaling en voor duurzame regelmatige betrekkingen.<br />
Verdere omschrijving van onze verhouding blijve overgelaten aan het tractaat, voor welks<br />
sluiting natuurlijk het aanwezen onzer magt is te benuttigen.<br />
25. De Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
{get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
20 Maart 1873.<br />
Commissaris is gisteren van Pinang naar Atjeh vertrokken. Trcepen gaan 22 (dezer)<br />
van hier.<br />
{get.) LOUDON.<br />
7
III.<br />
BRIEVEN<br />
VAN DEN<br />
MINISTER VAN KOLONIËN.
1. De Minister van Koloniën aan<br />
den Minister van Buitenlandsche Zaken.<br />
La. A".<br />
GEHEIM.<br />
's GRAVENHAGE , 18 Februarij 1873.<br />
Reeds had ik gisteren de eer Uwer Excellentie mondeling mededeeling te doen van een<br />
telegram van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indie dd. 16 dezer, luidende:<br />
» Consul-generaal te Singapore berigt verraad van Atjeh. Gezantschap heeft aldaar hulp<br />
van consuls Amerika en Italië tegen ons gevraagd. Beide hebben zich met de zaak bemoeid.<br />
Wil trachten tegenbevelen van gouvernementen voor onthouding te provoceeren. Consul<br />
Amerika stelt Atjeh tractaat voor en schrijft aan admiraal in China. RACCHIA wacht twee<br />
scnepen en trekt dan naar Atjeh."<br />
Onze afspraak was, dat Uwe Excellentie naar aanleiding van dit berigt aan Zijner<br />
Majesteits gezant te Rome per telegram zou opdragen om aan de Italiaansche Regering<br />
onze regten en verpligtingen op Sumatra voor te houden, en te trachten van haar te verrijgen<br />
dat zij de handelingen van haren consul te Singapore desavoueeren en hem gelasten<br />
zou zich van inmenging in de zaken van Atjeh te onthouden.<br />
^ k meen Uwe Excellentie thans in overweging te moeten geven om aan Zijner Majesteits<br />
minister-resident te Washington gelijke instructien per telegram te doen toekomen. Ook<br />
en opzigte van Amerika toch bestaat er periculum in mora, en het Amerikaansch Gouvernement<br />
schijnt, niet minder dan het Italiaansche , althans in de gelegenheid te moeten<br />
worden gesteld om nog bijtijds, dat is per telegraaf, tegenbevelen naar Singapore te zenden.<br />
Bij deze telegrammen zal het evenwel niet kunnen blijven. Nu het de toeleg van Atjeh<br />
blijkt te zijn, om alle vreemde Gouvernementen, waarbij het slechts hoopt te kunnen<br />
slagen, tegen ons in het harnas te jagen; nu het blijkt dat Atjeh een open oor vindt bij<br />
de agenten van Amerika en Italië te Singapore; nu wordt het, dunkt mij, tijd dat wij<br />
ons met de verschillende gouvernementen, tot welke A.tjeh zich gewend heeft of nog zou<br />
kunnen wenden, en règle stellen , dus een stap verder gaan dan door mijn ambtsvo<strong>org</strong>anger<br />
werd aanbevolen in zijn geheimen brief van 24 April 1872, la P 6<br />
.<br />
Bij de Regeringen van ïrankrijk en Turkije zullen geene andere stappen behoeven te worden<br />
gedaan dan werden vo<strong>org</strong>esteld bij mijne geheims missives van 3 en 28 Januarij en 10 Februarij<br />
jl. la F , W 1<br />
en T 3<br />
.<br />
Aan de Regeringen van Duitschland en Rusland zouden, naar mij voorkomt, gelijke<br />
mededeelingen als aan die van Frankrijk en Turkije kunnen worden gedaan , om haar bekend te<br />
maken met onze verhouding tegenover Atjeh en de bedoeling waarmede wij nadere aanrakingen<br />
met dien staat zoeken , en om haar te overreden ons, door onthouding waar eventueel inmenging<br />
mogt worden verlangd, te steunen in ons streven om aan handel en scheepvaart veiligheid<br />
te bez<strong>org</strong>en in de wateren van Atjeh.<br />
Ook aan de Regeringen van Amerika en Italië zouden, in aansluiting aan hetgeen haar<br />
ingevolge de telegrammen aan de betrokken gezanten is vo<strong>org</strong>ehouden , gelijke mededeelingen<br />
unnen worden gedaan. Bij deze Regeringen schijnt echter, nu hare agenten te Singapore zich<br />
reeds m de zaken van Atjeh gemengd hebben, met meer klem te moeten worden aangerongen<br />
op ons regt om te verlangen dat de vreemde mogendheden zich onthouden van<br />
maatregelen , die ons zouden kunnen bemoeijelijken in het vervullen der verpligtingen, welke
54<br />
ons zoowel door internationale overeenkomsten als door onze positie in den Indischen Archipel<br />
, en op Sumatra in het bijzonder, zijn opgelegd.<br />
Heeft geheel de beschaafde wereld er belang bij, dat Atjeh aan den handel en de scheepvaart<br />
bestendige veiligheid aanbiede, voor geene mogendheid is dat belang zoo groot als<br />
voor Nederland en voor Engeland , omdat de Nederlandsche en Engelsche bezittingen in de<br />
onmiddellijke nabijheid van Atjeh gelegen zijn. Nederland en Engeland hebben dan ook<br />
altijd begrepen, dat het dringend noodig was die bestendige veiligheid te verzekeren door<br />
de gematigde uitoefening van Europeschen invloed, en waar dit eenmaal vaststond , kon het<br />
geene vraag meer zijn wie dien invloed moest uitoefenen.<br />
Nederland was daartoe de aangewezen mogendheid, omdat het grootste gedeelte van<br />
Sumatra aan het Nederlandsch gezag onderworpen is, omdat Atjeh aan het Nederlandsch<br />
gebied grenst, en omdat de aard van het insulair koloniaal bezit medebrengt, dat<br />
vermenging van Europesche invloeden op hetzelfde eiland, die zoo ligt tot botsingen leidt,<br />
vermeden worde. Van daar dan ook, dat Engeland bij het Londensch tractaat van 1824,<br />
't welk is te beschouwen als een uitvloeisel van de internationale regelingen van 1814 en<br />
1815, heeft afstand gedaan van allen invloed op het eiland Sumatra , maar zich tevens heeft<br />
verzekerd dat Nederland, door de gematigde uitoefening van zijnen invloed, z<strong>org</strong>en zou<br />
voor de bestendige veiligheid van handel en scheepvaart in Atjeh.<br />
Terwijl Nederland nu aan die z<strong>org</strong> zijne beste krachten wijdt, komt het in moeijelijkheden<br />
met Atjeh , omdat Atjeh , of zekere partij in Atjeh die een vreemd element in dien staat<br />
vertegenwoordigt, de bedoelingen van Nederland misvat of misduidt, en waarschijnlijk daarom<br />
van den Nederlandschen invloed afkeerig is, dewijl daarvan de beëindiging wordt verwacht<br />
der barbaarsche gebruiken , van den ordeloozen toestand, van het onregt en de willekeur,<br />
welke thans in Atjeh heerschen, ten voordeele misschien van de magthebbenden, maar tot<br />
groote schade van de ordelievenden en van het handelsverkeer en de algemeene beschaving.<br />
Gaat het nu aan, dat vreemde mogendheden zich in die moeijelijkheden tusschen Nederland<br />
en Atjeh mengen , en , tegen Nederland partij kiezende, botsingen uitlokken ? Mogen<br />
zij, wanneer zij niet te kort willen doen aan de regten en verpligtingen van Nederland in<br />
den Indischen Archipel, en aan de zaak der beschaving, aan de belangen van handel en<br />
scheepvaart bevorderlijk willen zijn , het oor leenen aan verzoeken om » hulp " tegen Nederland<br />
uit Atjeh, oorlogschepen naar Atjeh zenden , tractaten met Atjeh sluiten, en zoodoende<br />
aan dien Staat een reliëf geven, waardoor onze taak slechts kan worden verzwaard, en<br />
waarvan het gevolg zal zijn dat Atjeh meer onhandelbaar wordt dan ooit, en den regtmatigen<br />
en weldadigen invloed van Nederland meer dan ooit tracht te trotseeren ? Wordt<br />
op die wijze niet het ontstaan geprovoceerd van een toestand, waarin Nederland gedwongen<br />
zal worden om geweld te gebruiken tegenover Atjeh, terwijl het langs vredelievenden weg,<br />
door overreding en waarschuwing, zijn doel zou kunnen bereiken, wanneer Atjeh ondervond<br />
dat alle beschaafde mogendheden de oogmerken van het Nederlandsch Gouvernement toejuichten<br />
en weigerden aan Atjeh eenige belangstelling te schenken, zoolang het zich afkeerig<br />
betoonde om zich naar de wenschen van het Nederlandsch Gouvernement te voegen<br />
en een einde te maken aan de heerschende wanorde en onveiligheid?<br />
Wanneer dit alles door de Regeringen van Amerika en van Italië wordt in het oog gehouden,<br />
zullen zij zeker niet nalaten hare agenten te Singapore teregt te wijzen en hun op te dragen<br />
tegenover aanzoeken uit Atjeh dezelfde gedragslijn te volgen, die, met goedkeuring van<br />
het Britsch Gouvernement, in den aanvang van het vorige jaar door den Gouverneur der<br />
Straits Settlements gevolgd is , toen hij een verzoek uit Atjeh om raad en hulp beantwoordde<br />
met de kennisgeving, dat hij zich met de zaken van dat land niet kon inlaten.<br />
Terwijl ik Uwer Excellentie in overweging geef om van de vorenstaande opmerkingen<br />
gebruik te maken bij het opstellen der instructien voor de gezanten te Washington en te<br />
Rome, meen ik u te moeten voorstellen om ook de Britsche Regering over de Atjehsche<br />
aangelegenheden te onderhouden, doch natuurlijk in een geheel verschillenden zin.<br />
Bij het Londensch tractaat van 1824 heeft de Britsche Regering erkend, dat het onze<br />
taak was om onze betrekkingen tot Atjeh in dier voege te regelen, dat die staat den zeevaarder<br />
en handelaar die bestendige veiligheid aanbiede, welke er niet schijnt te kunnen<br />
bestaan dan door de gematigde uitoefening van Europeschen invloed. Bij de jongste Sumatra-<br />
1
55<br />
conventie heeft de Britsche Regering de belemmeringen opgeheven, welke de stipulatie<br />
van 1824, dat aan Atjeh niets van zijne onafhankelijkheid zou ontnomen worden, zou<br />
kunnen opleveren, wanneer Nederland er zich toe zette om zijne bedoelde taak volledig te<br />
vervullen. De Britsche Regering zal het dan ook zeker, vooral in het belang van de<br />
Jingelsche bezittingen in de straat van Malakka, betreuren wanneer aan Nederland belemmeringen<br />
van anderen aard worden in den weg gelegd.<br />
Nu is er reden om te vreezen dat dit geschieden zal.<br />
Orn m Atjeh den invloed te verkrijgen zonder welken niets gedaan kan worden ter<br />
verzekering van veiligheid en orde in het noorden van Sumatra, heeft het Nederlandsch<br />
Gouvernement in den laatsten tijd getracht in meer gestadige aanrakingen met de bestuurders<br />
van dien staat te komen, en heeft het zich ten doel gesteld zijne verhouding tot Atjeh<br />
op een behoorlijken, vasten voet te regelen. Even als bij vroegere gelegenheden werd ook<br />
nu in Atjeh weinig medewerking ondervonden, maar veel wantrouwen waargenomen. Het<br />
scheen echter dat de stemming tegen den Nederlandschen invloed thans in Atjeh niet<br />
algemeen was; dat er twee partijen bestonden, eene Arabische partij die tegen het Nederlandsch<br />
gezag was gekant, en eene meer zuiver Atjehsche partij, die van nadere aanrakingen<br />
met het Nederlandsch-Indisch Gouvernement geenszins afkeerig was. Zoo werd ons de<br />
toestand geschetst door ambtenaren van den Sultan, die zich bij den resident van Riouw<br />
vervoegden, zonder dat daartoe van onze zijde aanleiding werd gegeven. Maar nu vernemen<br />
wij telkens dat Atjeh zich tot vreemde gouvernementen wendt om hunne »hulp"<br />
egen ons in te roepen, en dat het ons bedoelingen toeschrijft die van onze handelingen<br />
een geheel verkeerden indruk moeten geven. Achtereenvolgens heeft Atjeh zich geadresseerd<br />
aan ^ de Regeringen van Turkije en Frankrijk en aan de consuls van Amerika en<br />
Italië te Singapore. De beide laatste consuls hebben — in stede van, gelijk de Gouverneur<br />
er Straits Settlements in den aanvang van verleden jaar deed, te antwoorden dat zij zich<br />
met de zaken van dat land niet inlieten — aan de Atjehers een open oor geleend, en<br />
willen Atjeh door oorlogschepen hunner Regering doen bezoeken. De Amerikaansche<br />
consul heeft, naar berigt wordt, aan Atjeh een tractaat vo<strong>org</strong>esteld.<br />
_ Zulke handelingen kunnen geen ander gevolg hebben, dan dat Atjeh wordt gesterkt in<br />
zijn onwil om aan onze raadgevingen en waarschuwingen gehoor te geven en om zich te<br />
gewennen aan onzen invloed, die reeds in 1824 als eene onmisbare voorwaarde voor de<br />
vesüging v a n Q r d e e n v e i l i g h e i d w d b e s c h o u w ( L 2ij- l e i d e n e r daarenboven toe, dat<br />
' h + ^genover ons eene houding aanneemt die ons in de verpligting kan brengen om,<br />
in net belang der taak welke wij te vervullen hebben, geweld te bezigen, daar, waar<br />
nclers vredelievende middelen tot het doel zouden hebben geleid. Zulke handelingen kunnen<br />
eene belemmering opleveren voor de geleidelijke en regelmatige vestiging van de gewenschte<br />
oestanden op noordelijk Sumatra, en moeten daarom ook door Engeland ongaarne worden<br />
gezien. °<br />
Engeland en Nederland hebben altijd begrepen dat zij in den Indischen Archipel gemeenschappelijke<br />
belangen hadden, en zich, in 'tbijzonder weder in de laatste-jaren , de<br />
and gereikt om de regelingen te treffen welke het meest bevorderlijk konden zijn aan de<br />
enartigmg dier belangen. Getrouw blijvende aan den geest, die de Britsche en Nederandsche<br />
gouvernementen bij het sluiten der jongste tractaten heeft bezield, zou de Nedernasche<br />
Regering, dunkt mij, van het vo<strong>org</strong>evallene met betrekking tot Atjeh, overeenkomstig<br />
de aanwijzingen die ik de eer had hierboven te doen, zeer wel aan de Britsche<br />
m e d e d e e l i ü<br />
heTT^ g kunnen doen, en haar in overweging kunnen geven om bij de<br />
etiokken gouvernementen te ondersteunen het verlangen der Nederlandsche Regering, dat<br />
I zien van inmenging in de zaken van Atjeh onthouden, en het aan de Nederlandsche<br />
acht °7 erlaten<br />
° m h a r C b e t r e k k i D e n<br />
8' met Atjeh te regelen zoo als zij dit noodig zal<br />
l n h e t b e l a n g d e r v e i l i h e i d<br />
rW T' ?° ,, 8' van den algemeenen handel en de scheepvaart<br />
uer beschaafde volken.<br />
aaliKrT ^<br />
m i j<br />
'<br />
Z e 8 r a a n<br />
£ e n a a m zi n t e<br />
J' mogen vernemen wat door Uwe Excellentie naar<br />
Ind f 1 n t e<br />
"' ° e n w o o r (<br />
% schrijven zal worden gedaan. Van hetgeen mij verder uit<br />
on d T<br />
d ö A t e h s c h e<br />
J<br />
z a k e n m o<br />
^ worden berigt, zal ik Uwe Excellentie natuurlijk<br />
1 cie hoogte houden. Van hetgeen tot dusver is vo<strong>org</strong>evallen, heb ik aan den Koning
56<br />
verslag gedaan bij mijn rapport van beden, lit. A", geheim, waarvan ik een afschrift hiernevens<br />
doe gaan, omdat daarin ook van handelingen van Uwe Excellentie wordt gewag<br />
gemaakt, en omdat het U misschien niet onwelkom zal zijn daarin' nog eens een overzigt<br />
van het gebeurde aan te treffen.<br />
3. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal van<br />
Nederlandsch Indie.<br />
L a. CJ 4<br />
, n°. 30.<br />
GEHEIM.<br />
De Minister van Koloniën,<br />
{get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
'SGRAVENHAGE, 20 Februarij 1873.<br />
Achtereenvolgens ontving ik van Uwe Excellentie de navolgende berigten omtrent de<br />
aangelegenheden van Atjeh:<br />
1°. een telegram van den 24sten December jl., meldende dat de Sultan van Atjeh, eene<br />
maand geleden, een brief gezonden had aan den Sultan van Turkije. De aanleiding tot dit<br />
berigt bleek nader uit n°. 902 van het mailrapport van 1872;<br />
2°. een telegram van den 26sten Januarij jl., luidende: »Atjeh zendt gezant naar<br />
Frankrijk, waarschijnlijk door rijksbestierder, buiten Sultan om;"<br />
3°. het mailrapport van 1873, n°. 31, waarbij mededeeling werd gedaan van de beslissingen,<br />
door Uwe Excellentie genomen naar aanleiding van het bezoek van den sjabandar<br />
en de vier rijksgrooten van Atjeh te Riouw;<br />
4°. een telegram van den 16den dezer, luidende: »Consul-generaal Singapore berigt<br />
verraad van Atjeh. Gezantschap heeft aldaar hulp van consuls Amerika en Italië tegen<br />
ons gevraagd. Beiden hebben zich met de zaak bemoeid. Wil trachten tegenbevelen van<br />
Gouvernementen voor onthouding te provoceeren. Consul Amerika stelt Atjeh tractaat voor<br />
en schrijft aan admiraal in China. RACCHIA wacht twee schepen en trekt dan naar Atjeh."<br />
Naar aanleiding van het sub 1°. vermelde telegram heb ik, bij mijne geheime missive<br />
van 3 Januarij jl. La. T, waarvan een afschrift hiernevens gaat, den Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken verzocht om bij de Turksche Regering op onthouding in de Atjehsche<br />
zaken te laten aandringen. Uwe Excellentie zal ontwaren dat ik in die missive onze verhouding<br />
tot Atjeh heb uiteengezet, om aan den Minister van Buitenlandsche Zaken esn<br />
leiddraad te geven voor de instructien, die hij aan 's Konings gezant te Constantinopel,<br />
en eventueel aan andere gezanten zou hebben te verstrekken.<br />
Na ontvangst van het sub 2 bedoelde telegram heb ik den genoemden Minister terstond<br />
verzocht gelijke stappen als bij Turkije ook bij het Fransche Gouvernement te laten doen.<br />
Ik heb voorts aan mijn ambtgenoot alle inlichtingen, waartoe de Indische stukken mij in<br />
staat stelden, gegeven omtrent den staat van zaken in Atjeh, inlichtingen die ik heb<br />
aangevuld na ontvangst der bijlagen van n°. 902 van het mailrapport van het vorige jaar.<br />
Uit die stukken — ik stip het hier ter loops aan — moest worden afgeleid dat er in Atjeh twee<br />
partijen bestonden : die van den lsten rijksbestierder, de Arabische partij, zeer vijandig gezind<br />
tegen het Nederlandsch gezag, en die van den Sultan, de eigenlijke Atjehsche partij, welke
57<br />
den invloed van den lsten rijksbestierder moede en geenszins afkeerig 1<br />
was van nadere aansluiting<br />
aan het Nederlandsch-Indisch Gouvernement.<br />
Onder den indruk, dat dit de wezenlijke, voor ons betrekkelijk niet ongunstige staat van<br />
zaken was, en naauwelijks kennis genomen hebbende van de maatregelen, met het oog op<br />
zoodanigen staat van zaken door Uwe Excellentie, blijkens n°. 31 van het mailrapport van<br />
dit jaar, genomen , werd ik denzelfden dag verrast door het sub 4°. bedoelde telegram.<br />
Be woorden »verraad van Atjeh " kwamen mij voor slechts deze beteekenis te kunnen<br />
hebben , dat wij verraden waren door hen , die ons in den waan hadden gebragt dat zij ons<br />
zeer genegen waren; dat de sjabandar en de rijksgrooten den resident van Riouw om den<br />
tuin hadden geleid; dat zij zelf misschien het gezantschap hadden gevormd, 't welk de<br />
hulp der consuls van Amerika en van Italië tegen ons had ingeroepen. Omtrent de handelingen<br />
der beide consuls was het telegram volkomen duidelijk.<br />
Ik heb de belangrijke tijding dadelijk in den Ministerraad gebragt, en daarvan aan den<br />
Koning mededeeling gedaan, zoowel mondeling, als bij een schriftelijk rapport, waarin ik<br />
aan Zijne Majesteit een verslag heb gegeven van al hetgeen in den laatsten tijd met betrekking<br />
tot Atjeh vo<strong>org</strong>evallen en uit Indie berigt was. Ingevolge de overwegingen in<br />
den Ministerraad en de bevelen des Konings heb ik Uwe Excellentie eergisteren avond het<br />
navolgende cijfertelegram gezonden :<br />
» Met voorkennis van Ministerraad en Koning. Uit mailrapport 9 Januarij met voldoening<br />
gezien dat krachtig optreden in Atjeh is voorbereid. Naar aanleiding van telegram 16 dezer<br />
wordt bij Amerika en Italië op onthouding harer agenten aangedrongen. Als gij niet twijfelt<br />
aan juistheid berigt consul Singapore, is langer dralen ongeoorloofd. Wil zenden krachtige<br />
zeemagt naar Atjeh, om opheldering en rekenschap te vragen voor dubbelzinnig en verraderlijk<br />
^ gedrag en regeling der verhouding van Nederland tot Atjeh in den vo<strong>org</strong>enomen<br />
zin. Zoo niet genoegzaam wordt voldaan , moeten de strijdkrachten worden bijeengebragt,<br />
geschikt om met minst verwijl aan vordering genoegzame klem bij te zetten.<br />
Zoo voor een en ander voorbereiding onmisbaar is, ook om zekerheid te hebben omtrent<br />
waren toestand en gezindheid van Sultan, die, zoo nu nog mogelijk, moet worden ontzien<br />
en gesteund, moet toch ten spoedigste genoegzame zeemagt gezonden worden om nuttige<br />
vrees te wekken en vreemde tusschenkomst vóór te zijn en te voorkomen. Tegen zoodanige<br />
tusschenkomst, waar die door Nederlandsche autoriteiten wordt voorzien of waargenomen<br />
, moet door hen ernstig worden geprotesteerd als onregtmatige inmenging. Gewigt<br />
der zaak vordert dat staat gemaakt kan worden op de commissarissen. Waarschijnlijk<br />
nadere voorziening noodig, daar de een ziek is en de ander misschien zijn gewest niet<br />
verlaten kan. Misschien is Vice-President Raad van Nederlandsch Indie onder tegenwoordige<br />
omstandigheden meest geschikt, daar welligt gouverneur Sumatra's Westkust ook<br />
niet weg kan".<br />
Ik geloof ter bevestiging van dit telegram niet veel te behoeven te zeggen, en hoop<br />
daarenboven dat Uwe Excellentie, wanneer mijn tegenwoordig schrijven U bereikt, reeds<br />
de gewenschte en noodige voorzieningen zal genomen hebben. Voor zooveel noodig echter<br />
merk ik nog het volgende op.<br />
De bedoeling van den aanhef van het telegram is, instemming te betuigen met de<br />
strekking van het advies van den Raad van Indie van 31 December jl., n°. III, en de<br />
dienovereenkomstig, blijkens de missive van den lsten gouvernements secretaris van 4<br />
Januarij jl. La. A. geheim, aan den resident van Riouw verstrekte bevelen.<br />
Aan 's Konings gezanten te Rome en te Washington is per telegram opgedragen, om<br />
de Italiaansche en Amerikaansche Regeringen dringend te verzoeken hunne consuls en<br />
eskader-kommandanten te bevelen zich te onthouden van inmenging in moeijelijkheden,<br />
tusschen ons en Atjeh gerezen. Hierbij zal het echter niet blijven. Ik heb, zooals Uwe<br />
Excellentie zal ontwaren uit mijne in afschrift hiernevens gaande missive van den 18den<br />
ezer, Litt. A" geheim, den Minister van Buitenlandsche Zaken verzocht aan de beide genoemde<br />
Gouvernementen omstandig te doen uiteenzetten welke onze verhouding tot Atjeh<br />
is, en waarom wij vermeenen te kunnen verlangen dat vreemde mogendheden zich van<br />
inmenging m de Atjehsche zaken onthouden. Tevens heb ik mijn ambtgenoot in overweging<br />
gegeven om ook de Regeringen van Duitschland en Rusland met den staat van zaken be-<br />
8
58<br />
kend te maken en te overreden zich, bij voorkomende gelegenheid, niet met Atjeh af te<br />
geven. Eindelijk heb ik de wenschelijkheid aangetoond om Engeland in den arm te nemen<br />
en te trachten van de Britsche Regering te verkrijgen dat ook zij, waar het pas gaf, bij<br />
vreemde Gouvernementen aandrong op onthouding van bemoeijing met Atjeh, opdat Nederland<br />
te beter, in het belang van geheel de beschaafde wereld, zijne betrekkingen tot dien<br />
inlandschen staat op een behoorlijken en vasten voet zou kunnen regelen.<br />
De verschillende mogendheden zullen dus volledig omtrent onze verhouding tot Atjeh<br />
worden ingelicht, en opmerkzaam gemaakt worden op al de redenen, welke haar moeten<br />
terughouden van handelingen die ons in de regeling onzer betrekkingen tot Atjeh zouden<br />
bemoeijelijken. In de telegrammen aan de gezanten te Rome en te Washington is dit alles<br />
evenwel natuurlijk niet kunnen worden uiteengezet, maar daarbij is eenvoudig gewezen op<br />
het feit, dat wij op het oogenblik met Atjeh moeijelijkheden hebben, waarover een overleg<br />
tusschen ons en dat rijk hangende is, en als iets dat van zelf sprak, als iets dat uit de<br />
comitas juris gentium voortvloeide, aangenomen, dat vreemde mogenheden zich in die<br />
moeijeiijkheden niet konden mengen, veel min partij stellen. Op hetzelfde standpunt zullen zich<br />
in Indie, te Singapore, in Atjeh , of waar elders daartoe aanleiding ontstaat, de Nederlandsche<br />
autoriteiten hebben te stellen, om te protesteeren tegen tusschenkomst der agenten van<br />
vreemde mogendheden. Zoodanige tusschenkomst is, gelijk ik in mijn telegram opmerkte,<br />
te beschouwen als eene onregtmatige inmenging in moeijelijkheden tusschen den Staat der<br />
Nederlanden en Atjeh ; is aan te merken als het kiezen van partij voor Atjeh tegen Nederland<br />
in een hangend geschil.<br />
Ik kom thans tot de in mijn telegram gegeven voorschriften omtrent de gedragslijn tegenover<br />
Atjeh te volgen.<br />
Die gedragslijn wordt natuurlijk beheerscht door het verraad van Atjeh en door Atjeh's<br />
tactiek om vreemde mogendheden tegen ons in het harnas te jagen. Wij hebben het regt<br />
om voor een en ander rekenschap en verantwoording te vragen, en wij mogen nu niet<br />
rusten vóórdat onze betrekkingen tot Atjeh zoodanig geregeld zijn, dat zulk een onwaardig<br />
spel, als Atjeh thans weder met ons speelt, voor het vervolg onmogelijk wordt gemaakt.<br />
Wij zouden eene groote schrede achterwaarts doen, en voor geheel Europa en Amerika,<br />
evenals voor de vorsten en bevolkingen van den Indischen Archipel, een bewijs van zwakheid<br />
geven , wanneer wij ons de bejegening, die Atjeh ons aandoet, lieten aanleunen, en<br />
niet flink doortastten, tot dat ons de voldoening is gegeven die wij kunnen vorderen. Wij<br />
zouden den schijn op ons laden van zelf te twijfelen aan de zuiverheid der bedoelingen,<br />
waarmede wij eene regeling onzer betrekkingen tot Atjeh zochten , wanneer wij die regeling<br />
nu niet tot stand bragten, nadat Atjeh achtereenvolgens de aandacht van Engeland , Turkije,<br />
Frankrijk , Amerika , Italië op ons streven gevestigd heeft en daaraan het karakter van eene<br />
onregtmatige handeling heeft gegeven. Wij mogen het nu niet meer van de omstandigheden,<br />
of van de stemming in Atjeh, laten afhangen hoever wij zullen gaan bij de regeling onzer<br />
betrekkingen, maar moeten door onze commissarissen bepaalde eischen stellen omtrent<br />
die regeling, voldoening verkrijgen voor het gebeurde en zekerheid dat voortaan geene<br />
moeijelijkheden meer zullen kunnen rijzen. En eene weigering van Atjeh om aan de eischen<br />
onzer commissarissen te voldoen , of een toeleg om door talmen en uitstellen zich aan eene<br />
voldoening dier eischen te onttrekken, zal nu noodwendig een casus belli moeten opleveren.<br />
Verpligt dus Atjeh ons om krachtig en spoedig te handelen, spoed is te meer noodig<br />
nu de Amerikaansche en Italiaansche agenten te Singapore zich met Atjeh in eene betrekking<br />
willen stellen , die ons in onze vrijheid van handelen zou kunnen belemmeren, of<br />
althans lastig voor ons zou kunnen zijn. Onze oorlogschepen dienen voor Atjeh te liggen<br />
alvorens een vreemd oorlogschip ter reede verschijne, en zij dienen er in voldoende sterkte<br />
te btijven éggen, tot dat wij onze verhouding tot Atjeh geregeld hebben. Geschiedt dit, dan<br />
zullen de agenten van vreemde mogendheden zoo ligt niet aanrakingen met Atjeh zoeken,<br />
en dan zal niet kunnen gezegd worden dat wij van Atjeh zijn moeten vertrekken, zonder<br />
dat aan ons verlangen is voldaan. Ik heb er daarom in mijn telegram op aangedrongen<br />
dat, welke voorbereiding of welk verwijl er ook nog mogt gevorderd worden, in elk geval<br />
ten spoedigste eene genoegzame zeemagt gezonden werd om in Atjeh eene heilzame vrees<br />
te wekken en vreemde tusschenkomst vóór te zijn en te voorkomen.
59<br />
Het moest, hoezeer uw telegram in zeer stelligen toon geschreven was, als mogelijk<br />
worden aangenomen, dat Uwe Excellentie zich nog nader zou willen verzekeren van den<br />
waren toestand van zaken , van de wezenlijke stemming in Atjeh. Hoezeer er geen reden<br />
was om dit waarschijnlijk te achten, zou het toch kunnen zijn, dat de sultan aan het<br />
gepleegde verraad niet medepligtig of althans nog op onze hand te brengen ware. Eenig<br />
verwijl in het optreden van Gouvernements-commissarissen in Atjeh, ofschoon niet wenschelijk,<br />
was dus denkbaar. Maar ik heb het bij mijn telegram duidelijk willen maken, dat dit niet<br />
mogt terughouden van het zenden eener voldoende zeemagt, voorloopig bestemd om op<br />
de reede positie te nemen, den Atjehers ontzag in te boezemen, casu quo tegen vreemde<br />
inmenging te protesteeren, en degenen die tot die inmenging geneigd mogten zijn welligt<br />
alleen door hare tegenwoordigheid tot onthouding te stemmen, in afwachting der komst<br />
van de Gouvernements-commissarissen. Als deze zich met het bestuur van Atjeh in betrekking<br />
hebben gesteld en er niet in mogten slagen om de gevorderde voldoening te<br />
verkrijgen en om eene regeling te treffen overeenkomstig de instructie, vastgesteld bij Uw<br />
geheim besluit van 6 October 11., Litt. L J<br />
, en de nader, in verband met de gewijzigde<br />
omstandigheden, door Uwe Excellentie gegeven bevelen, zullen zij de strijdkrachten moeten<br />
vragen die noodig zijn om Atjeh te dwingen, en zullen zij misschien zich tijdelijk van<br />
Atjeh moeten verwijderen, zij het ook slechts naar het naaste station waar zij per telegraaf<br />
met Uwe Excellentie in onmiddellijk overleg kunnen treden. Maar het wachten op strijdkrachten<br />
of het vertrek der commissarissen mag geen reden zijn om die schepen van de<br />
reede te verwijderen, welke er het bewijs moeten leveren dat de zaak tusschen Nederland<br />
en Atjeh nog niet in het reine is.<br />
Van de zeemagt wordt in dit geval veel gevorderd, en zoo het al niet bepaald noodzakelijk<br />
mogt zijn het eskader in Indie uit Nederland te versterken, wenschelijk zal eene<br />
versterking zeer zeker wezen. Na overleg met den Minister van Marine heb ik Uwe Excellentie<br />
gisteren kunnen telegrafeeren dat Zr. Ms. schroefstoomschip lste klasse Metalen Kruis<br />
gereed gemaakt wordt om door het Suez-kanaal naar Indie te stoomen. Tevens heb ik U<br />
berigt gevraagd omtrent den toestand van het oorlogschip Vice-Admiraal Koopman, om te<br />
kunnen beoordeelen in hoever op dat.vaartuig kon gerekend worden bij de schatting der<br />
sterkte van het beschikbare eskader, en van hetgeen ter aanvulling gewenscht zou mogen<br />
worden. Ik behoud mij voor nader op de versterking der zeemagt terug te komen.<br />
Aan het slot van mijn telegram nam ik de vrijheid Uwe aandacht te vestigen op het hooge<br />
gewigt eener goede zamenstelling der commissie, die het Nederlandsch-Indisch Gouvernement<br />
in Atjeh zal moeten vertegenwoordigen. Het ongunstig berigt omtrent den gezondheidstoestand<br />
van den heer VON DE WALL (bijlage van n°. 902 van bet mailrapport van<br />
1872) deed vreezen dat op hem geen staat zou zijn te maken. Ook was te denken aan de<br />
mogelijkheid dat de gebeurtenissen te Atjeh op de Oostkust van Sumatra een terugslag<br />
gaven, die den resident van Riouw in de verpligting bragten om in zijn gewest te blijven<br />
of derwaarts op een ontijdig oogenblik terug te keeren. Het was misschien niet noodig Uwe<br />
Excellentie dit een en ander voor te houden, maar ik meende het toch aan mijne verantwoordelijkheid<br />
in de aangelegenheid, waarover mijn telegram in het algemeen handelde,<br />
verschuldigd te zijn dit bijzondere punt niet onaangeroerd te laten, omdat van de regeling<br />
daarvan te veel afhangt voor den goeden uitslag der bevolen maatregelen.<br />
Moest een nieuwe commissaris aangewezen worden, dan moest uit den aard der zaak wel<br />
het eerst het oog vallen op den Gouverneur van Sumatra's Westkust, krachtens het tractaat<br />
van 1857 met Atjeh de ofncieele tusschenpersoon tusschen dien staat en het Nederlandsch-<br />
Indisch Gouvernement. De in zijne vroegere betrekking opgedane kennis en ervaring zouden<br />
mede den heer NETSCHER in aanmerking brengen. Maar om gelijke redenen als de resident<br />
van Riouw uit zijn gewest, zou misschien de heer NETSCHER van Padang moeijelijk verwijderd<br />
kunnen zijn of blijven. Mij kwam het voor dat, vooral met het oog op het zeer<br />
gewigtig karakter, 'twelk de zending naar Atjeh door de omstandigheden verkregen heeft,<br />
de Vice-President van den Raad van Indie de meest geschikte man zou zijn om het Gouvernement<br />
te vertegenwoordigen, en ik heb gemeend dat het nuttig zou kunnen zijn Uwe<br />
Excellentie van die zienswijze te doen blijken en U ook daardoor een bewijs te geven dat<br />
ik de te nemen maatregelen van het allerhoogste belang acht.
60<br />
Met vol vertrouwen op Uw beleid zal ik verder berigt omtrent die maatregelen en hunne<br />
uitkomsten afwachten.<br />
3. De Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
la. B 5<br />
/ n°. 35.<br />
GEHEIM.<br />
De Minister van Koloniën,<br />
(get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
'SGRAVENHAGE, 27 Februarij 1873.<br />
Den 22sten dezer ontving ik van Uwe Excellentie het navolgende telegram :<br />
»Raad van Nederlandsch-Indie te Batavia is door mij gepresideerd. Generaal en Admiraal<br />
present. Eenstemmig is op mijn voorstel besloten zoo spoedig mogelijk Commissaris met<br />
vier bataillons naar Atjeh te zenden met ultimatum ons als souverein te erkennen of oorlog.<br />
Wij moeten Amerika met fait accompli ontvangen. Vice-President is de man. Wil bezwaar<br />
ministerieele depêche 24 Augustus 1859 opheffen. Wil zenden per het Suez-kanaal nog twee<br />
flinke stoomschepen , boven die in Uw telegram. Koopman nog drie maanden onbruikbaar.<br />
Toestand marine treurig."<br />
Van dit berigt heb ik den Koning terstond mededeeling gedaan, en naar aanleiding van<br />
Zijner Majesteits mondelinge-bevelen heb ik Uwe Excellentie, in overleg met den Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken , nog denzelfden dag getelegrafeerd:<br />
»Bezwaren ministerieele depêche 24 Augustus 1859 tegen zending Vice-President Raad<br />
van Nederlandsch-Indie heden door Zijne Majesteit opgeheven. Bij Koninklijk besluit,<br />
gedagteekend 's Gravenhage 12 Februarij 1873, n°. 1, geteekend WILLEM en gecontrasigneerd<br />
Minister van Koloniën FRANSEN VAN DE PUTTE, is tot lid in den Raad van Nederlandsch-<br />
Indie benoemd mr. G. G. VAN HARENCARSPEL , algemeen secretaris Regering daar te lande.<br />
Laat men bij aanrakingen met Amerika of Italië en bij protesten voorzigtig zijn, om<br />
conflicten te vermijden. Wat Atjeh betreft, de troepen debarkeeren natuurlijk niet voordat<br />
ongeneigdtieid voldoende is geconstateerd om aan onze eischen behoorlijk te voldoen."<br />
Over de intrekking der interpretatie, in 1859 aan art. 36 van het Regerings-reglement<br />
gegeven , handelt mijn brief van heden, la. A 5<br />
/ n°. 34.<br />
Uit den vorm, waarin U van de benoeming van den heer VAN HARENCARSPEL tot lid<br />
in den Raad van Indie mededeeling is gedaan, zal U duidelijk geworden zijn dat het de<br />
bedoeling was Uwe Excellentie in de gelegenheid te stellen het nieuwe lid reeds dadelijk<br />
in den Raad zitting te doen nemen en dit collegie, zooveel mogelijk en noodig, voltallig<br />
te houden.<br />
De wenken, in het slot van het telegram vervat, waren misschien geheel overbodig voor<br />
Uwe Excellentie. Maar de zware verantwoordelijkheid, die de Regering op zich geladen had,<br />
maakte het haar ten pligt om niets te verzuimen wat strekken kon tot een waarb<strong>org</strong>,<br />
dat in Indie, bij de noodige voortvarendheid en energie, waarvan Uw telegram zoo duidelijk<br />
blijk gaf, tevens de vereischte voorzigtigheid werd betracht, opdat tegen vreemde mogendheden<br />
geene handelingen werden gepleegd, waaraan zij regtmatige grieven tegen ons<br />
zouden kunnen ontleenen, en opdat ook , Atjeh ons niet zou kunnen verwijten dat wij<br />
geweld hadden gebruikt, vóórdat de noodzakelijkheid daarvan gebleken was.<br />
In de opmerking, dat de troepen niet behoorden te debarkeeren dan nadat de ongeneigd-
61<br />
heid van Atjeh om aan onze eischen behoorlijk te voldoen genoegzaam was geconstateerd^<br />
zal Uwe Excellentie de gedachte herkend hebben, die voorzat bij het formuleeren der<br />
instructien, in het telegram van 18 dezer gegeven. Daarbij werd Uwer Excellentie opgedragen<br />
eerst commissarissen met een voldoende zeemagt naar Atjeh te zenden, ten einde<br />
aan het Atjehsch bestuur onze eischen te stellen, en om daarna, ingeval aan onze eischen<br />
niet behoorlijk werd voldaan, de noodige troepenmagt naar Atjeh te dirigeeren, ten einde<br />
dwang te gebruiken. Uwe Excellentie heeft evenwel gemeend dadelijl troepen te moeten<br />
zenden, misschien omdat het U voorkwam dat met de thans beschikbare oorlogschepen<br />
alléén in Atjeh niet de gewenschte indruk zou worden teweeggebragt, en dat het daarom<br />
beter ware tevens eenige groote schepen van de Stoomvaartmaatschappij met de voor eenen<br />
eventueelen oorlog bestemde troepen voor Atjeh post te doen vatten; misschien ook omdat<br />
de tijdingen, door Uwe Excellentie uit Singapore ontvangen, zóó stellig en van dien aard<br />
waren, dat aan de noodzakelijkheid van een spoedig gebruik van troepen niet kon worden<br />
getwijfeld. Maar de troepen kunnen natuurlijk niet aan wal worden gezet vóór dat de<br />
casus belli is ontstaan, vóór dat men van het eerste stadium, in mijn telegram van 18<br />
dezer bedoeld, het stadium van eischen en onderhandelen, in het tweede stadium, door<br />
de oorlogsverklaring geopend, is overgegaan. Het was, zooals ik reeds zeide, misschien<br />
geheel overbodig dit nog eens op te merken, maar ik heb gemeend dat de opmerking in<br />
geen geval schaden kon.<br />
Van harte hoop ik, dat de reis der troepen en het eventueel debarkement, nu tot<br />
onverwijld vertrek besloten is, niet belemmerd zullen worden door de weersgesteldheid. Immers<br />
zal de reis nu worden aanvaard in het midden van den westmoesson, en dat de landing<br />
te Atjeh niet gemakkelijk is, blijkt genoegzaam uit het verslag van den controleur<br />
KEAIJENHOFF betreffende zijn eerste bezoek aldaar. Ook met het oog hierop is dezerzijds, toen<br />
de instructien van den 18den gegeven werden, een later vertrek der troepen raadzaam geacht.<br />
Ik gewaagde zooeven met een enkel woord van de tijdingen door Uwe Excellentie uit<br />
Singapore ontvangen. De aard en de strekking dier tijdingen moesten natuurlijk van overwegend<br />
gewigt zijn bij de beoordeeling van hetgeen te doen viel. Daarom werd in mijn eerste<br />
telegram, van 18 dezer, gezegd: »als gij niet twijfelt aan juistheid berigt consul Singapore",<br />
enz. Uit de besluiten, door Uwe Excellentie in overeenstemming met den Raad van Indie<br />
en de Kommandanten van leger en marine genomen , moet worden afgeleid dat inderdaad<br />
geen twijfel bij Uwe Excellentie bestond, of misschien de eerste berigten door nog meer<br />
stellige waren bevestigd. Uwe Excellentie zal er wel op bedacht zijn geweest mij omstandig<br />
mededeeling te doen van de ontvangen berigten, waaruit van het verraad van<br />
Atjeh op afdoende wijze bleek. Zij zullen ongetwijfeld te pas komen, èn voor de inlichting<br />
der Regering hier te lande op zich zelve, èn bij het overleg met vreemde mogendheden,<br />
èn voor de verantwoording tegenover de Staten-Generaal.<br />
Wat de verdere versterking der zeemagt betreft, kan ik Uwe Excellentie thans mededeelen<br />
dat ook het fregat met stoomvermogen Zeeland door het Suezkanaal naar Indie zal<br />
gezonden worden.<br />
Eindelijk kan ik U nog, ten vervolge op mijne geheime brieven van den 20sten dezer,<br />
la. G 4<br />
/ n°. 30 en H 4<br />
/ n°. 31, het navolgende berigten omtrent de stappen die bij de Europesche<br />
mogendheden en bij Amerika zijn gedaan.<br />
Het telegram van de Nederlandsche legatie te Rome, waarvan U bij den laatstgenoemden<br />
brief mededeeling werd gedaan , zal Uwe Excellentie vinden toegelicht in het hiernevensgaande<br />
afschrift der depêche van den heer VAN DER HOEVEN dd. 19 Februarij.<br />
Zoodra het bedoelde telegram alhier ontvangen was, is weder aan den minister-resident<br />
te Rome getelegrafeerd : dat schriftelijke instructien voor hem afgezonden waren ; dat de<br />
Regering gaarne kennis zon erlangen van de inlichtingen , die aan den Italiaanschen Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken , op zijne aanvraag, door den consul te Singapore zouden<br />
worden verstrekt, maar er toch prijs op zou stellen dat bevelen tot onthouding werden<br />
gegeven. Dientengevolge had de heer VAN DER HOEVEN een nieuw onderhoud met den Minister<br />
VISCONTI VENOSTA, waarvan verslag wordt gegeven in zijnj kopielijk hierbijgaande depêche<br />
van den 21sten dezer, n". 16. Daaruit blijkt dat de Italiaansche Minister, in afwachting<br />
van de schriftelijke mededeelingen uit Nederland, geen telegram naar Singapore wenschte
62<br />
af te zenden , maar reeds aan den consul had geschreven dat zijn werkkring zich tot het<br />
behartigen der Italiaansche handelsbelangen bepaalde, en dat hij zich niet met politiek had<br />
te bemoeijen. Aan den consul was tevens opgedragen om van het schrijven zijns Ministers<br />
mededeeling te doen aan den heer RACCHIA , zoo deze zich nog te Singapore mogt bevinden.<br />
Ten onregte meldde ik ü vroeger, dat ook aan de legatie te Washington was getelegrafeerd.<br />
Dit is niet geschied, omdat het zenden van bruikbare instructien voor die legatie per telegram<br />
bezwaar opleverde en omdat naar Washington niet in cijfers kon worden geseind. De schriftelijke<br />
instructien, die aan de legaties te Rome , te Washington en te Londen zijn gezonden,<br />
zal Uwe Excellentie aantreffen in de hierbijgaande afschriften der depêches van den Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken, dd. 18, 20 en 21 dezer n°* 4/14, 3/16 en 1/50 kabinet. De<br />
laatste depêche wordt aangevuld door het mede hierbij gevoegd extract uit de depêche van<br />
genoemden Minister dd. 21 dezer, n°. 51. Bij nader overleg is het voorshands niet noodig<br />
vo<strong>org</strong>ekomen om de instructien , die reeds aan de gezantschappen te Oonstantinopel en te<br />
Parijs gegeven waren, te wijzigen of aan te vullen, noch om bij andere Gouvernementen<br />
de aangelegenheden van Atjeh ter sprake te brengen naar aanleiding van het thans<br />
vo<strong>org</strong>evallene.<br />
De Minister van Koloniën,<br />
{get) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
Naschrift. Nadat het bovenstaande geschreven was, ontving ik van den Minister van<br />
Buitenlandsche Zaken het berigt dat bij hem van Zr. Ms. zaakgelastigde te Rome het<br />
navolgende telegram was ingekomen:<br />
» Les télégrammes, désirés dans votre dépêche du 18, seront expediés."<br />
» Welligt" — zoo schrijft mijn ambtgenoot — » zullen de instructien der Italiaansche<br />
Regering aan haren consul te Singapore, indien zij aan den Amerikaanschen consul aldaar<br />
bekend worden, ook op dezen een heilzamen indruk maken."<br />
4. De Minister van Koloniën aan<br />
La. H 6<br />
/ N°. 44.<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
GEHEIM. . »<br />
De Minister van Koloniën,<br />
{get) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
'SGRAVENHAGE, 5 Maart 1873.<br />
Sinds de verzending mijner geheime brieven van 27 Februarijf jl., ] a. BS/ n°. 35, en G 5<br />
/<br />
n°. 40, Kabinet, ontving de Minister van Buitenlandsche Zaken de in afschrift hiernevens<br />
gaande depêches van den Nederlandsehen zaakgelastigde te Rome, dd. 24 en 25 Februarij<br />
jl. n°. 17 en 18, waarin deze verslag geeft van de gesprekken die hij gevoerd heeft, eerst<br />
met den Secretaris-Generaal bij het Departement van Buitenlandsche Zaken, daarna met<br />
den Minister VISCONTI VENOSTA zelf. Het laatste gesprek heeft ten gevolge gehad, dat bij<br />
telegram bevelen tot onthouding in de Atjehsche zaken aan den Italiaanschen consul te<br />
Singapore en aan den kapitein RACCHIA zijn gegeven, zooals ik u reeds berigtte in het<br />
naschrift bij mijnen eerstaangehaalden brief en in mijn telegram van 28 Februarij, waarvan<br />
ik den geheelen inhoud hier volgen laat:<br />
» Italië telegrafeert consul Singapore onthouding te betrachten. Fregat Zeeland wordt
63<br />
uitgezonden. Gisteren interpellatie Tweede Kamer der Staten-Generaal naar aanleiding van<br />
gerucht. Uitvoerige mededeeling gedaan, doch uitsluitend op Indisch terrein. Niets internationaals<br />
geopenbaard."<br />
Den 2den Maart ontving ik van Uwe Excellentie twee telegrammen, luidende:<br />
het eerste: «Jammer expeditie ontijdig publiek. Wil ook Duitschland onzijdig houden.<br />
Duitsch oorlogschip is te Singapore, volgens gerucht met geheime instructie voor Atjeh.<br />
Wat doet Amerika?"<br />
het tweede: » Volgens gerucht heeft Amerika vloot van Hongkong naar Atjeh gezonden.<br />
Expeditie kan eerst einde Maart vertrekken. Komt dan te laat. Wil mij spoedig inlichten<br />
of het waar is."<br />
Ik antwoordde den volgenden dag per telegram:<br />
» Door inhuren transportschepen in Indie, aan reederij hier geseind, werd expeditie publier.<br />
Van Amerika nog geen tijding. Voor nadere stappen bij mogendheden volstrekt noodig<br />
stelliger berigten en bron van geruchten te vernemen. Italië geloofde niets van het medegedeelde<br />
omtrent zijne agenten. Nu zending troepen wachten moet, verdient mijn telegram<br />
18 Februarij te meer opvolging. Waarom kunnen Djarnbi, Marnix, Citadel en Banka, of<br />
eenige van deze, niet terstond gaan met Vice-President, of voorloopig met een ander, die<br />
zijne komst aankondigt? Ik verneem gaarne wie expeditie kommandeert. "<br />
• Dit telegram heeft zich gekruist met het Uwe van 3 Maart, 's avonds alhier ontvangen,<br />
waarbij berigt werd:<br />
» Vice-President gaat over een paar dagen met twee of . . . (1) schepen naar Atjeh om<br />
ons als souverein te erkennen of oorlog en aldus Amerika voor te zijn. Vervolgens blijft<br />
Vice-President te Pinang om zoo nog noodig militaire expeditie van Java af te wachten,<br />
indien namelijk houding Amerika zending expeditie toelaat. Intusschen wordt een schip ter<br />
reede Atjeh achtergelaten om des vereischt den schepen aldaar van onze oorlogsverklaring<br />
kennis te geven en tegen schending te protesteeren, zonder echter geweld te gebruiken."<br />
Daarop telegrafeerde ik U gisteren :<br />
» Met voldoening overeenstemming onzer gekruiste telegrammen gezien. Met eisch van<br />
souvereiniteit zij men voorzigtig. Eerst moet Atjeh naar behooren vo<strong>org</strong>ehouden hoe onze<br />
wenschen gematigd en billijk waren en dat houding van Atjeh, waardoor afdoende waarb<strong>org</strong>en<br />
noodig worden, het stellen van grootere eischen onmisbaar maakt. Wil Vice-President van een<br />
exemplaar cijferschrift met leiddraad voorzien, om in urgentie met ons in cijfers te telegrafeeren."<br />
Van het vo<strong>org</strong>evallene in de Tweede Kamer heeft Uwe Excellentie op dit oogenblik het<br />
gedrukt verslag ontvangen en daaruit zal U gebleken zijn dat ik in mijne mededeelingen<br />
niet verder ben gegaan dan de voorzigtigheid en 'a lands belang toelieten. Daar sinds eenige<br />
dagen — naar aanleiding van berigten door reeders hier te lande ontvangen omtrent den<br />
inhuur van schepen voor troepentransporten in Indie — geruchten omtrent eene expeditie<br />
naar Atjeh waren verspreid, en een dagblad (» Het Vaderland ") zelfs van de zending eener<br />
troepenmagt uit Nederland gewaagd had, was de interpellatie mij welkom, omdat zij mij<br />
in de gelegenheid stelde de klimmende ongerustheid van het publiek door juiste mededeelingen<br />
tot bedaren te brengen en verdere overdrijvingen en verkeerde voorstellingen te voorkomen.<br />
Over den indruk, dien de interpellatie gemaakt heeft, kan men, naar mij voorkomt, alleszins<br />
tevreden zijn.<br />
Uit mijn telegram van 3 Maart heeft Uwe Excelleitie ontwaard, dat uit de bij Uwe<br />
telegrammen van den 2den vermelde geruchten geene aanleiding tot nadere stappen bij<br />
vreemde Mogendheden is kunnen genomen worden. Reeds bij mijn geheimen brief van 27<br />
Februari 11., la. B 6<br />
/ n°. 35, wees ik op de noodzakelijkheid van stelliger berigten voor net<br />
verder overleg met vreemde mogendheden, en de sedert uit Rome ontvangen depêches<br />
hebben de meening geregtvaardigd, dat wij er op bedacht moesten zijn om niet op al te<br />
losse gronden van vreemde gouvernementen handelingen te verlangen, die uit den aard<br />
der zaak voor hen iets onaangenaams moeten hebben, omdat zij daardoor in zekere mate<br />
wantrouwen jegens hunne agenten aan den dag leggen. Het gerucht, dat een Duitsch<br />
oorlogschip eene geheime instructie met betrekking tot Atjeh voeren zou, kwam zeer weinig<br />
(1) Hier is waarschijnlijk „meer" uitgevallen.
64<br />
geloofwaardig voor, en kon op zich zelf toch kwalijk bet uitgangspunt vormen voor openingen<br />
bij de Duitsche Regering. En er bestond geene gelegenheid om spoedig te vernemen of<br />
het waar was dat het Amerikaansch eskader in de Chinesche zee naar Atjeh gedirigeerd<br />
was of zou worden. Omtrent de waarheid van dit laatste gerucht kon men zich trouwens,<br />
veel beter dan hier, in Indie zelf laten inlichten , door op voorzigtige wijze partikuliere<br />
handelshuizen in den arm te nemen. Ik heb er niet aan getwijfeld dat dit denkbeeld ook<br />
bij Uwe Excellentie wel zou zijn opgekomen.<br />
Wat in mijn telegram van gisteren is gezegd omtrent den aan Atjeh te stellen eisch ,<br />
om zich aan onze souvereiniteit te onderwerpen, zal Uwer Excellentie volkomen duidelijk<br />
zijn geweest. Het mag nimmer aan twijfel onderhevig zijn dat die eisch zich heeft ontwikkeld<br />
uit den drang der omstandigheden; dat Atjeh zelf ons, door zijne handelingen,<br />
door zijn verraderlijk gedrag, door zijne herhaalde pogingen om vreemde mogendheden<br />
tegen ons in het harnas te jagen, daartoe heeft genoopt. Onze vroegere en latere verhouding<br />
tot Atjeh en de loop der gebeurtenissen moet dus worden uiteengezet in het<br />
manifest, dat tot Atjeh wordt gerigt, en de eisch, dat onze souvereiniteit worde erkend,<br />
kan slechts gedaan worden als eene onvermijdelijke conclusie van de vooropgestelde feiten.<br />
Dit zal gewis door Uwe Excellentie niet uit het oog zijn verloren, maar te allen overvloede<br />
heb ik er toch op willen wijzen. Overigens bestaat er vooralsnog geen reden om dezerzijds<br />
uit te weiden over den aard en den omvang der souvereiniteitsregten, die wij in Atjeh<br />
zouden hebben uit te oefenen. Het spreekt van zelf dat die regten vrij beperkt kunnen<br />
zijn, daar het slechts aankomt op het verkrijgen der noodige waarb<strong>org</strong>en voor de gestadige<br />
uitoefening van invloed en tegen de hervatting, van Atjehsche zijde, van dergelijke<br />
handelingen als ons thans tot krachtig optreden hebben genoopt.<br />
Verder heb ik, naar aanleiding van hetgeen is getelegrafeerd, nog slechts op te merken,<br />
dat, hoezeer Uwe Excellentie bij telegram van 22 Februarij de uitzending van nog twee<br />
flinke schepen boven de Metalen Kruis verzocht heeft, voorshands, behalve het genoemde<br />
schip, alleen het fregat Zeeland kan gezonden worden. Niet uit gebrek aan materieel,<br />
maar uit gebrek aan de noodige bemanning ziet de Minister van Marine zich in de onmogelijkheid<br />
thans meer schepen beschikbaar te stellen.<br />
5. De Minister van Koloniën aan<br />
La. M e<br />
/n c<br />
. 49.<br />
GEHEIM.<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
De Minister van Koloniën,<br />
(get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
's GRAVENHAGE , 12 Maart 1873.<br />
Ten vervolge op mijn geheimen brief van den 6den dezer, la. A 6<br />
/n°. 47, kan ik Uwei-<br />
Excellentie hierbij afschriften aanbieden :<br />
1°. van eene depêche van den Nederlandschen zaakgelastigde te Rome, dd. 4 dezer, n°. 26,<br />
aan den Minister van Buitenlandsche Zaken, waarbij berigt wordt dat de kapitein RACCHIA<br />
tegen het einde dezer maand in Italië wordt terugverwacht, en dat van de beide onder zijne<br />
bevelen staande schepen het eene naar Japan vertrekken, het andere nog eenigen tijd in<br />
de Indische zeeën vertoeven en waarschijnlijk ook Nieuw-Zeeland bezoeken zal;<br />
2°. van eene dépêche van 's Konings gezant te Londen, dd. 8 dezer, n°. 69, aan denzelfden<br />
Minister, en van een schrijven van lord GRANVILLE aan dien gezant, dd. 5 dezer,
65<br />
waaruit Uwe Excellentie zal kunnen ontwaren welke ontvangst aan onze openingen bij de<br />
Britsche Regering is te beurt gevallen.<br />
Uit het verslag van het onderhoud tusschen den Minister van Buitenlandsche Zaken en<br />
den Amerikaanschen Minister-resident alhier, bij mijn aangehaalden brief van 6 dezer overgelegd<br />
, is U gebleken dat de heer GOEHAM ons aanzoek aan het Amerikaansch gouvernement<br />
bij een telegram zou ondersteunen. Op zijn telegram beeft de Regering der Vereenigde<br />
Staten den 6den dezer bij telegram geantwoord : » This Government has no evidence that<br />
consul at Singapore is meddling. In the absence of specific information it cannot assume<br />
that he is acting otherwise than as duty requires. If the Netherlands Government lay any<br />
complaints before this Government, they will be carefully considered and the consul will<br />
be instructed as our obligation to a friendly power will require. "<br />
Toen dit uit Washington werd geseind, waren de schriftelijke instructien van den Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken blijkbaar nog niet bij de legatie aldaar ontvangen. Drie dagen<br />
later evenwel gewerd dien Minister het volgend telegrafisch berigt van de legatie te Washington<br />
: » Telegram will be sent to inquire into matter ". Het is dus duidelijk dat de Amerikaansche<br />
Regering tot het vragen van inlichtingen per telegram besloten heeft na de uitvoerige<br />
mededeelingen van 's Konings legatie te hebben aangehoord.<br />
Nader berigt is nog niet uit Washington ontvangen. Naar aanleiding der bovenstaande<br />
telegrammen heb ik U achtereenvolgens geseind , aan het slot van mijn straks te vermelden<br />
telegram van 7 dezer:<br />
» Uit voorloopig telegram van Amerika blijkt dat bemoeijing consul niet bekend en niet<br />
geautoriseerd is " ;<br />
en bij mijn telegram van 9 dezer:<br />
» Amerika telegrapheert naar Singapore om inlichting. Daaruit blijkt weder dat consul<br />
niet gemagtigd was."<br />
Verder heb ik op dit oogenblik omtrent aanrakingen met vreemde mogendheden niets<br />
mede te deelen. Maar ik moet nu nog terugkomen op de telegrammen, die sinds den 4den<br />
dezer tusschen Uwe Excellentie en mij gewisseld zijn.<br />
Op mijn telegram van den 4den, nader behandeld bij mijn geheimen brief van 5 dezer<br />
lett. X5|n°. 44, antwoordde Uwe Excellentie den 6den:<br />
» Vice-president vertrekt. Ik kan hem geen exemplaar cijferschrift medegeven. Kopij kost<br />
te veel tijd. Geen tijdverlies bijna van Pinang over Batavia. Eskader Amerika gisteren nog<br />
te Hongkong. Wij zijn dus voor. Duitscher zegt naar Siam te gaan. Souverein-erkenning<br />
hoog noodig; anders is niets gewonnen. Bij ontvangst van verbod zal ik gehoorzamen. Ik<br />
heb gouverneur Singapore afschrift gezonden van tractaat door consul Amerika aan Atjeh<br />
vo<strong>org</strong>esteld."<br />
Op denzelfden dag ontving ik van Uwe Excellentie nog het volgend berigt:<br />
» Consul-generaal telegrafeert: Consul Amerika ontkent tractaat, erkent veelvuldige zam enkomsten<br />
met gezanten Atjeh en brief van Sultan ; ook zijn antwoord daarop."<br />
(In 't voorbijgaan teeken ik aan dat ik den Minister van Buitenlandsche Zaken in overweging<br />
heb gegeven den Minister-resident der Vereenigde Staten alhier en de legaties te<br />
Washington en te Londen bekend te maken met hetgeen aldus nader gebleken was omtrent<br />
de bemoeijmgen van den Amerikaanschen consul te Singapore.)<br />
Uw eerste telegram werd den 7den dezer door mij aldus beantwoord:<br />
» Wij mogen en willen uwe handen niet binden door verbod, maar meenen dat souvereiniteit<br />
of oorlog als eerste eisch hier en elders slechten indruk zou maken. Bij snel en krachtig<br />
optreden kan voorafgaan het eischen , binnen gelijken termijn als troepen kunnen worden<br />
verwacht, van voldoening en waarb<strong>org</strong>en naar aanleiding van hetgeen geschied is. Bij onwil<br />
om te ontvangen , talmen, of weigering van waarb<strong>org</strong>en is oorlog onvermijdelijk, die van<br />
zelf zich oplost in souvereiniteit.<br />
» Uit voorloopig telegram van Amerika blijkt dat bemoeijing consul niet bekend en niet<br />
geautoriseerd is."<br />
Twee dagen later, den 9den, ontving ik van Uwe Excellentie een telegram van dezen inhoud:<br />
» Geen andere waarb<strong>org</strong> denkbaar dan souverein-erkenning. Zonder die, expeditie geen zin.<br />
Wil terstond stellige bevelen geven of mij laten bandelen geheel op eigen verantwoordelijkheid."<br />
9
66<br />
Ik antwoordde den lOden:<br />
» Ik twijfel of mijn telegram 7 Maart goed is verstaan. Daarin is juist gezegd dat oorlog<br />
van zelf zich oplost in souvereiniteit. Ik heb ook geen bezwaar dat erkenning souvereiniteit<br />
uitvloeisel zij van onderhandeling. Maar de vorm van manifest aan Atjeh beheerscht uitslag<br />
daar en indruk hier en bij vreemde mogendheden. Souvereiniteit als eerste eisch<br />
daarin, nooit noodig, altijd bedenkelijk, kan ik niet goedkeuren. "<br />
Heden gewerd mij weder een telegram van Uwe Excellentie, luidende:<br />
»Wil onverwijld zeggen welken eisch ik dan stellen moet. Ik kan waarlijk geen ander<br />
uitgangspunt vinden en er is geen tijd meer te verliezen."<br />
Ik heb U (na, als bij vorige gelegenheden, üw'telegram in den Ministerraad te hebben<br />
gebragt) geantwoord:<br />
»Ons verschil betreft inleiding en vorm, maar die zijn hier van groot gewigt. Bij krachtig<br />
en spoedig handelen blijft het te meer van belang te toonen dat regtvaardigheid en bedachtzaamheid<br />
ons leiden. Daaraan zou kunnen getwijfeld worden indien souvereiniteit,<br />
al moet die volgen, ruw weg op vo<strong>org</strong>rond werd gesteld. Zoo iets schijnt even onnoodig<br />
als weinig gebruikelijk. Uitgangspunt zij dus, gelijk in vroegere telegrammen is aangegeven ,<br />
onze eisch om opheldering, rekenschap en voldoening voor hetgeen geschied is en waarb<strong>org</strong>en<br />
bij tractaat tegen herhaling en voor duurzame regelmatige betrekkingen. Verdere<br />
omschrijving van onze verhouding voor de toekomst blijve overgelaten aan het tractaat,<br />
voor welks sluiting natuurlijk het aanwezen onzer magt is te benuttigen."<br />
Ik moet erkennen niet te hebben verwacht, dat de kwestie der aan Atjeh te stellen<br />
eischen tot zooveel gedachtenwisseling aanleiding zou geven.<br />
Mijn allereerste telegram , van den 18den Februarij, bevatte de opdragt om aan Atjeh te<br />
vragen: opheldering en rekenschap voor dubbelzinnig en verraderlijk gedrag en regeling<br />
der verhouding van Nederland tot Atjeh in den vo<strong>org</strong>enomen zin. Uwe Excellentie antwoordde<br />
den 22sten Februarij dat de Vice-president van den Raad van Indie naar Atjeh zou gaan<br />
met een »ultimatum ons als souverein te erkennen of oorlog." Dat berigt heeft mij tot<br />
geene bijzondere opmerkingen aanleiding gegeven. Ik rekende dat het van zelf sprak, dat<br />
men Atjeh niet zou overvallen met den eisch om zich aan onze souvereiniteit te onderwerpen,<br />
maar, in overeenstemming met de dezerzijdsche inzigten en instructien, beginnen<br />
zou met onze grieven behoorlijk uiteen te zetten en eene afdoende regeling onzer verhouding<br />
tot Atjeh bij een nieuw tractaat te vorderen; dat bij de uitlegging der woorden > ultimatum<br />
ons als souverein te erkennen" de eigenaardige kortheid van den telegram-stijl in het<br />
oog moest gehouden worden, en dat daarmede slechts kon bedoeld zijn dat in het te<br />
sluiten nieuw tractaat van Atjeh zou bedongen worden de erkenning van onze souvereiniteit.<br />
Toen in Uw telegram van 3 Maart weder diezelfde woorden: »ons als souverein te erkennen<br />
of oorlog" werden aangetroffen, meende ik er mij te allen overvloede van te moeten verzekeren<br />
, dat mijne opvatting met die van Uwe Excellentie overeenstemde. Van daar mijn<br />
telegram van den 4den dezer, bevestigd bij mijn geheimen brief van den 5den, L» X5/<br />
n°. 44. Uwe latere telegrammen nu hebben doen zien dat er verschil van opvatting was<br />
ten aanzien van den modus agendi. Uwe bedoeling schijnt geweest te zijn om in het<br />
manifest, 't welk de Gouvernements-commissaris tot den Sultan van Atjeh rigten zou,<br />
dadelijk den eisch, dat onze souvereiniteit werd erkend, op den vo<strong>org</strong>rond testellen. Maar<br />
is het niet duidelijk dat wij zoodoende ons do3l zouden voorbij streven, en alle aanleiding<br />
zouden geven om onze handelingen verkeerd uit te leggen? Wij hebben tegenover Atjeh<br />
niets anders dan goéde en vredelievende bedoelingen gehad. Wij moesten, wegens onze<br />
stelling in den Indischen archipel, waarb<strong>org</strong>en hebben voor de bestendige rust en veiligheid<br />
op de kusten en in de wateren van Atjeh. Wij zochten die waarb<strong>org</strong>en te verkrijgen<br />
door gestadige aanrakingen met Atjeh en door eene vaste regeling onzer betrekkingen.<br />
Onder den schijn van ons tegemoet te komen, wederstreeft Atjeh al onze pogingen en<br />
bejegent het ons op eene verraderlijke wijze. Nu hebben wij natuurlijk opheldering en<br />
rekenschap en voldoening voor dat verraderlijk gedrag te vorderen en tevens te eischen<br />
dat Atjeh ons afdoende waarb<strong>org</strong>en geve dat het vo<strong>org</strong>evallene zich niet kan herbalen en<br />
dat onze verhouding tot Atjeh voortaan niets te wenschen kan overlaten; waarb<strong>org</strong>en, die<br />
bij een nieuw tractaat moeten worden omschreven. Dit alles moeten wij in ons manifest
67<br />
zeggen; méér behoeft daarin niet te staan. En wanneer ons manifest dit alles duidelijk<br />
zegt, en niets anders zegt dan dit, moet het in Indie, in Nederland en bij vreemde mogendheden<br />
een goeden indruk maken. Heeft het manifest zijne uitwerking gehad, dan komt<br />
het nieuwe tractaat, waarin de noodig geachte duurzame waarb<strong>org</strong>en omschreven zijn. Is<br />
de uitoefening van souvereiniteit voor ons een onvermijdelijke waarb<strong>org</strong>, dan moet ook die<br />
in het tractaat bedongen worden. Geeft Atjeh ons bij de onderhandelingen over het tractaat niet<br />
wat wij verlangen, dan worden de onderhandelingen afgebroken, en de casus belli is aanwezig.<br />
Over den aard en den omvang der souvereiniteitsregten, die wij zouden hebben uit te<br />
oefenen, schreef ik reeds het een en ander in mijn geheimen brief van 5 dezer, K X 5<br />
/n°. 44.<br />
Het spreekt van zelf dat onze vorderingen daaromtrent verschillend kunnen zijn, naar<br />
gelang wij in Atjeh bereidwilligheid ondervinden om aan onze verlangens te voldoen, of<br />
op verzet stuiten.<br />
Zóó heeft de Eegering hier te lande zich de zaak vo<strong>org</strong>esteld, en overeenkomstig<br />
deze opvatting zijn al mijne telegrammen opgemaakt. Wanneer anders gehandeld werd,<br />
wanneer de eisch van souvereiniteit werd gemaakt tot het uitgangspunt van ons vertoog<br />
tot Atjeh, dan zou, naar het voorkomt, eene fout — zij het ook slechts eene fout in de<br />
vormen — worden begaan, die te onzen nadeele geëxploiteerd zou kunnen worden, en die<br />
aan onze politiek — welke inderdaad geen andera is dan eene politiek van zelfverdediging —<br />
den schijn zou kunnen geven van eene agressieve annexatie-politiek.<br />
Heeft het mij leed gedaan dat wij elkander in deze zaak niet dadelijk hebben verstaan,<br />
ik hoop dat ten gevolge der gewisselde telegrammen elk misverstand is opgeheven. Ook<br />
ben ik zeer verlangend te vernemen tot welke maatregelen de van hier gezonden telegrammen<br />
U nog na het vertrek van den Vice-President van den Raad van Indie hebben aanleiding<br />
gegeven.<br />
6. Be Minister van Koloniën aan<br />
La. C 9<br />
/n°. 64.<br />
GEHEIM.<br />
den Gouverneur-Qeneraal.<br />
Be Minister van Koloniën ,<br />
(get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
'SGRAVENHAGE, 16 April 1873.<br />
Uit mijn rapport aan den Koning dd. 15 dezer, La IJ 8<br />
, geheim, waarvan afschrift hiernevens<br />
gaat, kan Uwer Excellentie blijken op welke wijs door mij aan Zijne Majesteit verslag is<br />
gedaan van Uwe telegrammen, betreffende de verwikkelingen met Atjeh, van 12, 13 en<br />
14 dezer en van de berigten en bescheiden, ontvangen bij Uwer Excellentie's dépêche van<br />
4 Maart jl., n°. 14, la. R.<br />
Daar in dat rapport ook is opgenomen het telegram, overeenkomstig Zijner Majesteits<br />
bevelen op den 13den aan Uwe Excellentie gezonden, zal ik mij, voor de bevestiging er<br />
van, aan het betrokkene rapport kunnen gedragen. Hetzelfde zal ik kunnen doen met opzigt<br />
tot een gedeelte van den verderen inhoud mijner voordragt. Maar eene aangelegenheid,<br />
die meer bijzonder de aandacht verdient en omtrent welker regeling misverstand zooveel<br />
mogelijk moet worden voorkomen, betreft de toekomstige verhouding van Atjeh tot Nederland.<br />
De vraag, hoe die verhouding zal worden bepaald, heeft zich, ook jna de vijandige<br />
gedragingen der Atjehers, meermalen bij mij vo<strong>org</strong>edaan, maar alvorens ze meer opzettelijk<br />
te overwegen en tot een onderwerp van gedachtenwisseling of voorschriften te maken, heb
68<br />
ik willen wachten totdat ik in het bezit was van de aan den Gouvernenients-Commissaris<br />
gegeven instructien. Thans, nu die instructien met uwe dépêche van 4 Maart waren ontvangen,<br />
mogt ik niet nalaten ze bij den Koning ter sprake te brengen, en het al of niet<br />
voldoende daarvan -te onderzoeken.<br />
Het bijgevoegd rapport zal Uwer Excellentie doen zien wat de slotsom van dat onderzoek<br />
is geweest, waartoe meer bijzonder art. 6 der instructie de stof heeft geleverd. Tot toelichting<br />
zal niet veel noodig zijn. Ofschoon niet wordt voorbijgezien dat Uwe Excellentie bij<br />
het vaststellen der bewuste instructie hoofdzakelijk is geleid door de vrees dat vreemde<br />
invloed in Atjeh wortel zou schieten, bestaan er, èn uit den aard der zaak, èn ten gevolge<br />
van de veranderde omstandigheden, gewigtige bedenkingen tegen eene gedragslijn van onthouding,<br />
die onze betrekkingen zoude beperken tot eene opperheerschappij op het papier.<br />
Nu geweld is moeten worden gebruikt, dient ook, na succes onzer wapenen, gez<strong>org</strong>d te<br />
worden dat niet te vergeefs of met een voorbijgaand nut goed en bloed zijn opgeofferd, en<br />
mag alleen genoegen worden genomen met eene zoodanige regeling onzer verhouding tot<br />
Atjeh, welke de mogelijkheid van nieuwe conflicten en de kans Op nieuwe expeditien zooveel<br />
doenlijk voorkomt. Waar wij ons bevoegd en geroepen hebben gerekend tot bemoeijingen<br />
als die welke aan de vijandelijkheden voorafgingen of in den laatsten tijd werden voorbereid<br />
, kunnen wij nu niet volstaan alleen naar titels te streven, bestemd om vreemden staatkundigen<br />
invloed uit te sluiten. Die uitsluiting wordt tegenwoordig slechts geëerbiedigd,<br />
en is alleen verdedigbaar, indien Nederland, in verband met zijne stelling in den Archipel<br />
en op Sumatra en met bekende antecedenten, de taak gaat opvatten om in Atjeh, in het<br />
belang van alle betrokken partijen, de werking van een gematigden Europeschen invloed<br />
te verzekeren. Daartoe zijn middelen noodig, berekend naar de bijzondere omstandigheden<br />
van Atjeh, en overeenkomende met hetgeen in andere gedeelten van den Archipel, onder<br />
de opperheerschappij van Nederland, gebruikelijk is. Daarbij mogen wijders, vooral na de<br />
nu opgedane ondervinding, de waarb<strong>org</strong>en niet ontbreken voor eene getrouwe naleving,<br />
van de Atjehsche zijde, van de te sluiten overeenkomst, en voor de behoorlijke veiligheid,<br />
speciaal van de door de Regering te zenden ambtenaren.<br />
Hoever wij zullen moeten of kunnen gaan, om in dien zin den Nederlandschen invloed<br />
te vestigen, zal nader blijken, maar inmiddels behoort van het oogenblik gebruik te worden<br />
gemaakt om ons het regt en de gelegenheid te verschaffen casu quo het noodige te verrigten.<br />
Op grond van deze beschouwingen is aan den Koning magtiging gevraagd om Uwe<br />
Excellentie bij telegram van nadere voorschriften te voorzien.<br />
Die magtiging werd verleend, blijkens een kabinetsrescript van den löden, waarvan een<br />
afschrift hiernevens gaat te gelijk met het afschrift van mijn nader rapport van heden,<br />
la. C 9<br />
geheim, waarin den Koning het gevolg is medegedeeld, aan H. D. magtiging gegeven ').<br />
Wat dit gevolg is geweest, moet Uwe Excellentie gebleken zijn uit het baar onmiddellijk<br />
toegezonden telegram, luidende:<br />
» Uw brief 4 Maart ontvangen en Zijner Majesteit vo<strong>org</strong>elegd. In tegenwoordige omstandigheden<br />
is art. 6 instructie commissaris niet voldoende. Na succes onzer wapenen moet<br />
verhouding tot Atjeh definitief en volledig geregeld en gewaarb<strong>org</strong>d worden; anders goed<br />
en bloed vergeefs geofferd en nieuwe expeditien te verwachten. Siak-tractaat kan model<br />
zijn, moet regelen inhouden verhouding Sultan met onderhoorigheden en waarb<strong>org</strong>en tegen<br />
knevelarij. Regt en gelegenheid tot vestiging en bezetting moet bedongen worden , dus ook<br />
eventueel voor etablissementen benoodigde grond. Versterking dient opgerigt en ambtenaar<br />
moet blijven, gedekt door voldoende magt."<br />
Dat, in dit telegram, op het tractaat met Siak en onderhoorigheden als model is gewezen<br />
, zal Uwe Excellentie wel niet bevreemden, als zij bedenkt, dat het hier te doen<br />
was om kort en duidelijk aan te geven, wat in groote trekken de bedoeling is. Hierbij komt,<br />
dat, al mogen welligt de bijzondere omstandigheden van Atjeh het niet wenschelijk of<br />
doenlijk maken om het Siaksche tractaat in al zijne bepalingen te volgen, dit tractaat<br />
toch, bij de regeling der verhouding met Atjeh , in het oog verdient gehouden te worden ,<br />
(1) Blijkens een schrijven van den Directeur van 'sKonings Kabinet dd. 17 April, la. Yi, geheim,<br />
heeft Zijne Majesteit het ten deze verrigte goedgekeurd.
69<br />
terwijl het — ook omdat het in der tijd over het algemeen met z<strong>org</strong> is overwogen en<br />
aan het doel heeft beantwoord — zich voor Atjeh genoegzaam eigent.<br />
Bovendien is er op te letten:<br />
1°. dat de regeling, vervat in het .Siaksche tractaat, in de nabijheid van Atjeh werkt<br />
en die werking dus in dit rijk te beter kan worden nagegaan;<br />
2°. dat men bij Atjeh, evenals bij Siak , te doen heeft met onderhoorigheden , niet altijd<br />
even geneigd om als zoodanig te worden aangemerkt of behandeld;<br />
3°. dat in het tractaat betreffende Sumatra met Groot-Brittannie, dd. 2 November<br />
1871, naar het Siaksche tractaat is verwezen.<br />
Dat de Gouvernements-Commiss iris voor Atjeh aan het tot stand komen van het Siaksche<br />
tractaat heeft medegewerkt, is mede welligt eene niet geheel onverschillige omstandigheid.<br />
Een ander punt, waarbij ik nog kortelijk moet verwijlen, staat in verband met de<br />
bijvoeging in het telegram, welke de Koning daarin, blijkens het kabinetsrescript van<br />
den 15deu dezer, heeft verlangd met betrekking tot de verhouding van den Sultan tot<br />
de Atjehsche onderhoorigheden en waarb<strong>org</strong>en tegen knevelarij van deze laatsten.<br />
Mij ook met opzigt tot dit punt aan het telegram gedragende, heb ik slechts te doen<br />
opmerken, dat het in de hoofdzaak er op aankomt in de voorbaat zooveel mogelijk oneenigheid<br />
tusschen Sultan en onderhoorigheden te vermijden, te meer omdat die oneenigheid,<br />
die, blijkens de ondervinding, spoedig tot geweldoefening overgaat, de rust en veiligheid<br />
speciaal voor handel en scheepvaart in gevaar kan brengen, op eene wijze die door de<br />
Regering, met de opperheerschappij belast, niet zou kunnen worden geduld.<br />
Het is hier op dit oogenblik niet bekend hoe onder de bestaande verwikkelingen de<br />
verhouding is van de Atjehsche onderhoorigheden tot den Sultan van Atjeh; maar op goede<br />
onderlinge betrekkingen tusschen die partijen is zeker op den duur niet te rekenen, wanneer<br />
er niet voor wordt gez<strong>org</strong>d om stof tot klagten aan beide zijden zooveel mogelijk uit den<br />
weg te ruimen.<br />
Aan den Sultan zullen, wanneer hij, op het voetspoor van den toenmaligen Sultan van<br />
Siak, de onderhoorigheden van zijn rijk opgeeft, de noodige opmerkingen en reserves te<br />
maken zijn omtrent de voorwaarden, waaronder zijne betrekking tot de onderhoorigheden<br />
kan worden erkend en bestendigd. Misschien is er ook wel een middel uit te denken,<br />
waardoor, in het belang van de betrokken Atjehsche'partijen zei ven, de regeling der<br />
opbrengsten aan den Sultan en de wijze van kwijting daarvan wordt vastgesteld, derwijs,<br />
dat daarin geen aanleiding gevonden wordt tot telkens herhaalde botsing.<br />
De Minister van Koloniën aan<br />
den Koning.<br />
(Extract.)<br />
La. IJ».<br />
GEHEIM.<br />
De Minister van Koloniën,<br />
(get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.<br />
B IJ L A G E.<br />
's GRAVENHAGE , 15 April 1873.<br />
Reeds, enz.<br />
Eindelijk moet ik Uwer Majesteit's aandacht vestigen op de onder de bijlagen voorkomende<br />
instructie voor den Gouvernements-Commissaris.
70<br />
Tot regt verstand van die instructie, moet gelet worden op de volgende woorden uit het<br />
schrijven van den Gouverneur-Generaal:<br />
»Bij het bespreken der voor den Gouvernements-Commissaris te ontwerpen instructie,<br />
deelde ik als mijn pertinent gevoelen mede, dat het mij alleen te doen was om Atjeh onze<br />
souvereiniteit te doen erkennen, en daardoor vreemden invloed van Sumatra te weren,<br />
m. a. w. om het buitenland buiten onze zaken te houden. Bestaat er eenige kans op toegeven<br />
van de zijde van Atjeh, dan zoude die m. i. geheel verspeeld worden door zwaardere<br />
eischen te stellen. Erkent Atjeh ons oppergezag, dan zijn wij tegenover het buitenland<br />
gedekt, en ons but is voorloopig bereikt, al moeten wij dan ook later welligt nog eensin<br />
aanraking of conflict met dat rijk komen. Weigert daarentegen Atjeh aan onzen eisch te<br />
voldoen, dan verandert de zaak van aard, en kunnen wij, wanneer eenmaal de wapenen<br />
ontbloot zijn, zwaarder voorwaarden stellen."<br />
Deze denkbeelden nu vindt men aldus uitgewerkt in art. 6 der instructie van den<br />
Gouvernements Commissaris:<br />
»Wanneer het onverhoopt tot een oorlog met Atjeh mogt geraken, en dat rijk voor<br />
onze wapenen zwicht, zal de Gouvernements-Commissaris eenige meerdere eischen" (dan<br />
souvereiniteit; zie art. 2 en 3;) »kunnen stellen. Daarbij zal hij evenwel in het oog moeten<br />
houden, dat van eene vestiging op, of bezetting van Atjeh vooralsnog geen sprake kan zijn."<br />
Tegen dit voorschrift bestaan bij mij ernstige bezwaren. Welke »meerdere eischen<br />
men daarbij op het oog heeft gehad, weet ik niet, en kan ik mij moeijelijk voorstellen,<br />
nu ik zie dat » vestiging op, of bezetting van Atjeh" geheel is uitgesloten. Die uitsluiting<br />
schijnt mij, althans in de tegenwoordige omstandigheden, nadat tegen Atjeh geweld is<br />
moeten worden gebruikt, niet te handhaven. Wanneer wij, na Atjeh te hebben overwonnen,<br />
dat rijk verlaten, tevreden met eene erkenning onzer souvereiniteit en met betgeen verder<br />
— altijd met de bedoelde uitsluiting van vestiging of bezetting — op het papier mogt<br />
bedongen worden; wanneer wij niet, in de vestiging van een of meer ambtenaren en in<br />
eene bezetting, althans voor'shands, door eene voldoende troepenmagt, den noodigen waarb<strong>org</strong><br />
hebben dat wij den invloed, waarom het ons te doen is, in werkelijkheid kunnen<br />
uitoefenen; — dan is het te vreezen, dat de oorlog, die nu gevoerd wordt, geene duurzame<br />
vruchten zal afwerpen, dat goed en bloed voor niet zullen zijn opgeofferd, en dat eerlang<br />
eene nieuwe expeditie noodig zal worden. De tegenwoordige expeditie moet, dunkt mij,<br />
noodwendig tot onmiddellijk resultaat hebben, dat onze verhouding tot Atjeh eens voor<br />
goed geregeld worde, en dat de behoorlijke uitvoering van de gemaakte regeling volkomen<br />
verzekerd zij.<br />
Ik acht het dringend noodig, dat dit den Gouverneur-Generaal, hoe eer hoe liever, per<br />
telegram opgemerkt worde, want wanneer onze wapenen bij voortduring hetzelfde succes<br />
hebben gehad als in den aanvang, dan kunnen de vredesvoorwaarden zeer spoedig aan<br />
Atjeh worden gesteld.<br />
Bij telegram zijn natuurlijk slechts algemeene aanwijzingen te geven; maar ik geloof<br />
dat die voor de Indische Regering duidelijk genoeg kunnen gemaakt worden. Onze verhouding<br />
tot Atjeh zal behoorlijk geregeld zijn, wanneer met dat rijk eene overeenkomst<br />
wordt aangegaan op den voet van het tractaat, in 1858 met Siak gesloten, waarvan een<br />
exemplaar hier bijgevoegd wordt. De navolging van dat tractaat schijnt daarenboven zeer<br />
gewenscht, met het oog op de in 1871 tot stand gekomen Sumatra-conventie met Engeland.<br />
In de eerste plaats zal dus het tractaat met Siak aan de Indische Regering als model<br />
kunnen worden vo<strong>org</strong>ehouden.<br />
Voorts zal zij gewezen moeten worden op de noodzakelijkheid om een ambtenaar te<br />
Atjeh achter te laten, gedekt door een voldoend garnizoen, waarvoor eene versterking dient<br />
te worden opgerigt.<br />
Eindelijk zal zij herinnerd kunnen worden aan de wenschelijkheid, om afstand van grond<br />
te bedingen voor de eventueele oprigting van gouvernements-établissementen.<br />
Ik heb de eer Uwer Majesteit's magtiging te verzoeken om in dezen geest per telegram<br />
de noodige voorschriften aan den Gouverneur-Generaal te doen toekomen.<br />
Of onze vestiging al dan niet duurzaam zal moeten zijn en van welken aard zij zal<br />
moeten wezen, behoeft nu niet te worden uitgemaakt en kan ook op dit oogenblik niet
71<br />
wel wordan beslist. Maar er is alles aan gelegen dat niet worde verzuimd om het regt en<br />
de gelegenheid tot vestiging in Atjeh te bedingen, in dier voege dat wij daarvan naar<br />
omstandigheden kunnen gebruik maken.<br />
De Minister van Koloniën,<br />
{get.) FRANSEN VAN DE PUTTE.
IV.<br />
BRIEVEN<br />
TAN DEN<br />
GOUVERNEUR-GENERAAL<br />
TAN<br />
NEDERLANDSCH-INDIE<br />
EN<br />
BIJLAGEN.
1. De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie<br />
KABINET GEHEIM.<br />
N°. 13, la. P.<br />
aan den Minister van Koloniën.<br />
BUITENZORG , 25 Februarij 1873.<br />
Nadat ik Uwer Excellentie den 16den dezer door middel van de telegraaf mededeeling<br />
had gedaan van het belangrijk berigt van den consul-generaal READ nopens de verraderlijke<br />
onderhandelingen door het Atjehsche gezantschap gedurende zijn kort verblijf te Singapore<br />
met de Amerikaansche en Italiaansche consuls aldaar tegen ons Gouvernement aangeknoopt,<br />
verzocht ik den Raad van Nederlandsch Indie den 17den d. a. v. te dezer<br />
zake met den gewenschten spoed te dienen van consideratien en advies (referte aan n°. 127<br />
van het mailrapport).<br />
Alvorens aan deze uitnoodiging kon worden voldaan, gewerd mij Uwer Excellentie's uitvoerig<br />
cijfertelegram van den 19den dezer, waarbij de gedragslijn werd vo<strong>org</strong>eschreven,<br />
welke haar, met voorkennis van Ministerraad en Koning, in deze geraden voorkwam.<br />
Hierin heb ik aanleiding gevonden om den Raad van Nederlandsch-Indie en de Kommandanten<br />
der land- en zeemagt tot eene buitengewone vergadering zamen te roepen, welke<br />
den 21sten dezer onder mijn voorzitterschap is gehouden.<br />
Ik leidde de vergadering in met kortehjk de omstandigheden in herinnering te brengen,<br />
die onze tegenwoordige verhouding tot Atjeh van lieverlede hadden in 't leven geroepen,<br />
en bleef meer bepaaldelijk stilstaan bij de feiten, die op dit oogenblik in zoo hooge mate<br />
de aandacht van het Indisch en het Opperbestuur bezig houden, terwijl ik al aanstonds<br />
als mijn gevoelen te kennen gaf, dat zoo spoedig mogelijk een hooggeplaatst landsdienaar<br />
als commissaris naar Atjeh moest vertrekken, vergezeld van de noodige schepen en troepen ,<br />
om zijne eischen klem bij te zetten, en bij eventuele weigering van den Sultan, om onze<br />
souvereiniteit te erkennen , terstond ons gezag door de wapenen te doen eerbiedigen.<br />
Algemeen was men het met Uwe Excellentie en mij eens, dat een onverwijld en krachtdadig<br />
optreden onzerzijds dringend wordt gevorderd, en dat aan een landsdienaar van hoogen<br />
rang de politieke leiding der aangelegenheden behoort te worden opgedragen, met volmagt<br />
om , overeenkomstig eene nader te ontwerpen instructie, den Sultan van Atjeh opheldering<br />
te vragen omtrent zijn trouweloos gedrag, en van hem te eischen onze souvereiniteit te erkennen.<br />
Omtrent den materieelen steun , aan den Gouvernements-Commissaris te verleenen, bestond<br />
aanvankelijk eenig verschil van gevoelen. Terwijl een gedeelte van den Raad van Nederlandsch-Indie<br />
't voorshands voldoende zou achten dien Commissaris alleen door eene flinke<br />
zeemagt te doen vergezellen, en inmiddels de vereischte strijdkrachten in gereedheid te<br />
brengen om op het eerste berigt eener onverhoopte mislukking der politieke onderhandelingen<br />
naar Atjeh te worden overgevoerd, vereeuigden de andere leden van den Raad zich<br />
geheel met de door mij uiteengezette zienswijze, dat op die wijze een kostbare tijd zoude<br />
verloren gaan, waardoor wij, ook met het oog op den moesson , welligt te laat zouden<br />
komen en ons dus voor een fait accompli zouden zien geplaatst, in stede van er een daar<br />
te stellen, en achtte men 't zoowel om aan de zending meer klem bij te zetten, als om<br />
de zwaarwigtige taak van den Commissaris te verligten, doeltreffender, om land- en zeemagt<br />
al dadelijk gecombineerd te doen optreden, ten einde — zoo noodig — onverwijld te<br />
kunnen ageeren.<br />
Deze laatste opvatting kwam ook geheel met de inzigten van den legerkommandant<br />
10
74<br />
overeen, en de vlootvoogd sloot zich daarbij aan, mits de expeditie, in verband met zeevaartkundige<br />
bedenkingen, uiterlijk ultimo Maart a. s. tot vertrek volkomen gereed zij.<br />
Hoezeer de legerkommandant zich de moeijelijkheden niet ontveinsde, welke, ook met<br />
het oog op de nieuwe bewapening der troepen en de daarmede gepaard gaande oefeningsmethode,<br />
aan de <strong>org</strong>anisatie van eene groote strijdmagt in een betrekkelijk kort tijdsbestek<br />
verbonden waren, verzekerde hijnogtans, op mijne tot hem gerigte pertinente vraag, uiterlijk<br />
ultimo Maart a. s. zeker, maar zoo mogelijk vóór dat tijdstip de expeditie te kunnen doen<br />
vertrekken.<br />
Met betrekking tot de talrijkheid onzer strijdmagt, wenschte de generaal KEOESEN , bij<br />
de volkomen onbekendheid met de getalsterkte van den vijand, de expeditie zoodanig zamengesteld<br />
te zien, dat een échec onzerzijds niet ligt mogelijk zij. Daartoe acht hij de volgende<br />
<strong>org</strong>anisatie voldoende:<br />
drie bataillons infanterie van het leger, uitmakende p. m. 1800 man;<br />
één bataillon barisans van Madura p. m. 600 a 800 man;<br />
één halve batterij getrokken vierponders, en een halve batterij berghouwitsers met acht<br />
mortieren;<br />
één compagnie sappeurs, p. m. 120 man, en, zoo dit niet te veel plaats vordert, één<br />
detachement cavallerie van vijftig paarden;<br />
voorts een duizendtal dwangarbeiders of vrije koelies, en voorloopig voor twee maanden vivres.<br />
Yan de diensten der barisans van Madura zoude de legerkommandant thans partij willen<br />
zien trekken, ten einde dat element later welligt met meer voordeel te kunnen benuttigen,<br />
wanneer onverhoopt de zending naar Lombok, bedoeld aan het slot van dezen brief, tot<br />
verwikkelingen aldaar aanleiding mogt geven.<br />
Overeenkomstig den wensch van den legerbevelhebber heb ik intusschen aan den resident<br />
van Madura het volgend telegram doen rigten:<br />
» Voor gewigtige onderneming zijn noodig zes a acht honderd man barisans, welke casu<br />
quo uiterlijk vijftien Maart a. s. van Madura moeten vertrekken. Verzoeke onmiddellijk<br />
telegrafisch antwoord, na zeer omzigtig onderzoek, en handel in overleg met kommandant<br />
3de afdeeling".<br />
In verband met zoo beduidende magtsontwikkeling, als boven is vermeld, achtte de<br />
vlootvoogd eene zeemagt noodig van zes stoomschepen benevens eenige gouvernementsvaartuigen<br />
en stoombarkassen. Tevens verklaarde hij zich bereid deze flotille te kommandeeren.<br />
Na deze toelichting op krijgskundig gebied het kwestieuse punt nogmaals behandelende ,<br />
bleek het dat alsnu al de aanwezigen zich geheel met mijn gevoelen konden vereenigen ,<br />
om gelijktijdig met de zending van den Gouvernements-Commissaris de land- en zeemagt<br />
tot de vo<strong>org</strong>estelde sterkte vereenigd te doen optreden.<br />
Ik vermeen dat hier met de noodige klem en de meest mogelijke voortvarendheid behoort<br />
te worden gehandeld, ten einde bij tijds vreemde invloeden en elementen uit Noordelijk-<br />
Sumatra te weren. Daarvoor acht ik eene flinke magtsontwikkeling bepaald noodig.<br />
In een vraagstuk van zooveel gewigt en zoo ver strekkende gevolgen , als het onderwerpelijke,<br />
dient mijns inziens de financieele zijde, die hier mede ter sprake kwam, achter<br />
te staan. Bovendien is het zeer twijfelachtig, of eene andere taktiek bij de uitkomst<br />
blijken zou minder kostbaar te zijn.<br />
De mogelijkheid bestaat nu — zoo niet de waarschijnlijkheid — dat Atjeh door eene<br />
sterke magtsvertooning in vredelievende stemming gerake, terwijl ik mij overtuigd houd<br />
dat zonder dat magtsvertoon het but stellig niet terstond — en misschien niet eens later<br />
zal worden bereikt. Ik beschouw daarom de groote uitgaven, aan het eenstemmig goedgekeurd<br />
plan verbonden , niet alleen dringend noodzakelijk, maar houd mij overtuigd dat<br />
zij nog veel grooter uitgaven — bij later handelend optreden — zullen uitwinnen en<br />
menschenlevens zullen sparen.<br />
Met voordacht heb ik bij dit punt een poos stilgestaan , omdat het vereenigd optreden<br />
van land- en zeemagt eene afwijking daarstelt van het daaromtrent voorkomende in Uwer<br />
Excellentie's voormeld telegram.<br />
Vervolgens stelde ik de vraag aan wien de politieke leiding der onderwerpelijke aangelegenheid<br />
behoort te worden opgedragen?
75<br />
Algemeen werd 's Kaads Vice-President, de heer F. N. NIEUWENHUYZEN , als de aangewezen<br />
persoon bij uitnemendheid daarvoor beschouwd.<br />
Dit was reeds mijnt meening, toen ik mij, nog vóór de ontvangst van Uwer Excellentie's<br />
meergemeld telegram, ter zake met dien hooggeplaatsten landsdienaar onderhield, en hem<br />
tot eene taak van zooveel gewigt en omvang al voort volkomen bereid bevond.<br />
Sedert echter was mijne aandacht gevallen op de beslissing des Konings, medegedeeld<br />
bij de ministerieele depêche van 24 Augustus 1859, la. A 14/ n°. 11, Kabinet, namelijk<br />
dat artikel 36 van het Regeringsreglement niet toelaat dat de daarin bedoelde bijzondere<br />
commissien en zendingen aan den Vice-President van den Raad van Nederlandsch-Indie<br />
worden opgedragen , en dat de Koning verlangt, dat dit artikel toekomstig volgens die<br />
uitlegging worde toegepast.<br />
Met deze beslissing zoude derhalve de bovenbedoelde opdragt aan den heer NIEUWENHUYZEN<br />
in strijd zijn.<br />
Evenwel meende men de aandacht te moeten vestigen op de strekking van Uwer Excellentie's<br />
telegram, waarbij — immers met voorkennis van Ministerraad en Koning — aan<br />
het slot de vraag werd geopperd of onder de tegenwoordige omstandigheden 's Raads Vice-<br />
President niet de meest gewenschte commissaris zoude zijn. Sloot dit — zoo werd gevraagd<br />
— niet in zich eene zekere bevoegdheid, om ten deze van 's Koning voormelde<br />
beslissing af te wijken ?<br />
Hoezeer voor deze opvatting volgens aller meening wel eenige grond bestaat, vond men<br />
het nogtans met mij voorzigtig ter zake vooraf bij Uwe Excellentie door middel van de<br />
telegraaf inlichting te vragen. Dit is geschied bij mijn cijfertelegram van 22 dezer, geëxpedieerd<br />
van Buitenz<strong>org</strong> des m<strong>org</strong>ens te zeven ure, en luidende:<br />
» Raad van Nederlandsch-Indie te Batavia is door mij gepresideerd. Generaal en Admiraal<br />
present. Eenstemmig is op mijn voorstel besloten zoo spoedig mogelijk Commissaris met<br />
vier bataillons naar Atjeh te zenden met ultimatum ons als souverein te erkennen of oorlog.<br />
Wij moeten Amerika met fait accompli ontvangen. Vice-President is de man. Wil bezwaar<br />
ministerieele dépêche 24 Augustus 1859 opheffen. Wil zenden per het Suezkanaal<br />
nog twee flinke stoomschepen boven die in uw telegram. Koopman nog drie maanden<br />
onbruikbaar. Toestand marine treurig".<br />
Het onderwerpelijke bezwaar is inmiddels opgeheven door Uwer Excellentie's telegram<br />
van 23 dezer.<br />
Op mijne vraag, aan welken hoofdofficier de leiding der militaire aangelegenheden behoort<br />
te worden opgedragen , deelde de legerkommandant mede , dat, zoo niet de benoemde<br />
luitenant-generaal N. H. W. S. WHITTON met 1°. April aanstaande het kommando over het<br />
Indisch leger moest aanvaarden, zeer zeker aan dien generaal-officier de leiding der militaire<br />
operatien behoorde te worden toevertrouwd. In de gegeven omstandigheden echter meende de<br />
generaal KEOESEN den benoemden generaal-majoor J. H. R. KÓ'HLER , thans militair kommandant<br />
ter Sumatra's Westkust, als een kundig en ervaren krijgsoverste voor die zwaarwigtige<br />
taak te moeten aanbevelen.<br />
Evenmin als de overige adviseurs, had ik hiertegen eenige bedenking, terwijl ook de<br />
Vice-President, als vermoedelijke commissaris, zich met die keuze volkomen vereenigde.<br />
Minder eenstemmig dacht men omtrent de gewigtige vraag, wie het bevel over de<br />
geheele expeditie zou voeren? In 't bijzonder waren 't de Kommandanten der zee- en<br />
landmagt, die elkander op dit punt bestreden, en ieder hunner zijne meening volhield: de<br />
eerstgenoemde, dat de bevelvoerende officier der marine, de laatstgemelde dat de generaal<br />
der troepen de algemeene leiding in handen diende te hebben.<br />
Tegenover deze meeningen vond aanvankelijk bij de overige adviseurs het denkbeeld<br />
ingang, om het kommando gedurende den overtogt der troepen op te dragen aan den<br />
bevelvoerenden marine-officier, die het bij of na de landing der troepen zou overdragen aan<br />
den kommandant der militaire expeditie; doch dit denkbeeld werd even ras weder losgelaten,<br />
nadat de Kommandanten der land- en zeemagt, mijns inziens teregt, hadden aangetoond,<br />
dat zoodanige transactie ligt tot conflicten zou kunnen leiden.<br />
Als mijn gevoelen gaf ik alsnu te kennen, dat omtrent dit cardinale punt geen twijfel hoegenaamd<br />
mogt bestaan, wijl verdeeldheid van gezag noodlottige gevolgen zou kunnen hebben
76<br />
Met de genoemde Kommandanten kwam het mij voor, dat het oppergezag der militaire<br />
aangelegenheden zich in handen van één en denzelfden persoon moest bevinden, en nu<br />
stelde ik aan de vergadering — ter beëindiging der discussie — do volgende thesis voor:<br />
Het is rationeel dat het oppergezag worde toevertrouwd aan den kommandant van het<br />
wapen (land- of zeemagt), dat in de vo<strong>org</strong>enomen expeditie de hoofdrol moet vervullen,<br />
dus in casu de kommandant der landmagt.<br />
Met uitzondering van den Vice-Admiraal, was men eenparig van gevoelen, dat het zwaartepunt<br />
hier bij het leger berustte. Dienvolgens werd besloten het kommando over de<br />
expeditie c. q. op te dragen aan den generaal-majoor KÖHLEK , die door den legerkommandant<br />
tijdig herwaarts zou worden opgeroepen.<br />
Dat de Vice-Admiraal, tengevolge van deze beslissing, vermeende zijn aanbod, om zich<br />
aan het hoofd der flotille te stellen, te moeten terugtrekken, achtte men volkomen gewettigd.<br />
Hulde brengende aan zijn aanvankelijk aanbod, verzocht ik alsnu den vlootvoogd een<br />
hoofdofficier der marine te willen aanwijzen, die zijns inziens de volkomen geschiktheid<br />
bezit voor het bevel over de maritieme magt.<br />
Zijne keuze viel onmiddellijk op den kapitein ter-zee J. F. KOOPMAN, adjudant des Konings<br />
in buitengewone dienst, den oudste in rang van de in Nederlandsch-Indie aanwezige hoofdofficieren<br />
der marine, die Atjeh meer bezocht; — eene keuze, waarmede de vergadering<br />
zich volkomen vereenigde.<br />
Dit is in korte trekken het resultaat der beraadslagingen over een vraagstuk, van welks<br />
bijzonder gewigt de geheele vergadering ten volle doordrongen was.<br />
Den Kommandanten van de land- en zeemagt verzocht ik, al voort die maatregelen te,<br />
nemen en te doen nemen welke in 't belang der expeditie noodig mogten zijn, terwijl ik<br />
hun in 't bijzonder aanbeval de meest mogelijke voortvarendheid en stiptheid ten deze te<br />
betrachten, en in 't algemeen de noodzakelijkheid aantoonde om de zaak — althans haar<br />
doel en hare eindbestemming — geheim te houden.<br />
Bij herhaling heb ik daarna nog bij den legerkommandant op den meesten spoed aangedrongen<br />
en doen aandringen, daar het welslagen der expeditie mijns inziens grootendeels<br />
— zoo niet geheel — daarvan afhangt.<br />
Intusschen ontving ik met de mailboot, die den 23sten dezer ter reede Batavia aankwam<br />
, het met de bijlagen in afschrift hiernevensgaand rapport van den Consul-generaal<br />
READ van den 20sten te voren, n°. 25, waarin het verraad van Atjeh wordt bevestigd.<br />
Ik althans twijfel niet aan de juistheid van het berigt van den Consul-generaal, zoomin<br />
als deze het zelf doet. De brief aan den Sultan van Turkije en de zending naar den heer<br />
THIERS versterken zoo mogelijk mijne overtuiging. Op mathematische zekerheid kan ik niet<br />
wachten.<br />
De kennisname dier bescheiden heeft dus geen wijziging gebragt in mijn oordeel omtrent<br />
de noodzakelijkheid der expeditie. Ze is eene uitgemaakte zaak, zelfs al mogt de verzekering<br />
worden ontvangen dat het Amerikaansch Gouvernement — van het Italiaansche<br />
is, zoo als uit de van Uwe Excellentie ontvangen berigten blijkt, waarschijnlijk niets te<br />
vreezen , — zich van alle inmenging ten opzigte van Atjeh zal onthouden.<br />
Aan de dubbelzinnige politiek toch van Atjeh jegens het Nederlandsch gouvernement<br />
dient een eind te komen. Dat rijk blijft ons zwak punt, wat Sumatra betreft. Zoo lang<br />
het onze souvereiniteit niet erkent, blijft vreemde tusschenkomst ons als 't zwaard van<br />
Damocles bedreigen. Eene missie — en wel zoo spoedig mogelijk — blijft noodig om,<br />
als 't kan, ons doel langs vredelievenden weg te bereiken. Van het welslagen dier zending<br />
hangt alles af. Door vier bataillons gesteund, is dat succes nagenoeg zeker; — zonder die<br />
militaire vertooning is 't bijna zeker dat Atjeh de zaak slepende zal houden , in afwachting<br />
van vreemde tusschenkomst. Er zouden derhalve later toch troepen derwaarts gezonden<br />
moeten worden, maar dan welligt te laat! Het fait-accompli is 't eenig redmiddel, en het<br />
wordt door 't gepleegd verraad en bij de vijandige gezindheid, welke Atjeh ons voortdurend<br />
betoont, — zelfs volgens de eigen verklaring der gezanten omtrent de regeringspartij<br />
, — volkomen geregtvaardigd. Nederland kan zijn bestaan op- en rustig bezit van<br />
Sumatra niet langer afhankelijk stellen van de luimen van een ons vijandigen staat aldaar.<br />
Atjeh heeft den teerling geworpen.
77<br />
Onze waardigheid gebiedt een krachtig optreden, zoowel tegenover het buitenland, als<br />
tegenover onze eigene bezittingen, die ons met oplettende blikken gadeslaan.<br />
Die het doel wil, moet ook de middelen willen, waar die geoorloofd, ja gewettigd zijn<br />
door het regt van zelfbehoud. De geldelijke opofferingen kunnen ons, gelijk ik boven<br />
reeds zeide, schatten en menschenlevens sparen.<br />
Op deze gronden vermeen ik te moeten volharden bij de eenmaal genomen beslissing.<br />
Hiervan, en van den inhoud van Uwer Excellentie's telegram van 23 dezer betreffende<br />
de opheffing van bet bezwaar tegen de zending van 'sRaads Vice-President, heb ik den<br />
Raad van Nederlandsch-Indie en den Kommandanten van de land-en zeemagt kennis gegeven.<br />
Om zooveel mogelijk te voorkomen dat de zaak ruchtbaarheid erlange, heb ik den<br />
redacteurs en uitgevers der verschillende particuliere bladen in Nederlandsch-Indie doen<br />
verzoeken, in 'slands belang alle geruchten of berigten omtrent eene aanstaande expeditie<br />
onvermeld te laten. Voorts heb ik den chef der telegrafie uitgenoodigd, om alle particuliere<br />
telegrammen naar bet buitenland, waarin van de expeditie naar Atjeh gewag wordt<br />
gemaakt, te weigeren (art. 19 van Staatsblad 1871, n°. 19).<br />
De zaak is toch bekend, maar ze wordt nu ten minste niet in 't publiek bediscussieerd.<br />
De heeren NETSCHER , SCHIFF en VON DE WALL en de Consul-generaal READ worden met<br />
de vo<strong>org</strong>enomen plannen in wetenschap gesteld, terwijl ik verder bedacht blijf op al, wat<br />
de goede uitvoering dezer gewigtige onderneming bevorderlijk kan zijn.<br />
Mij voorloopig tot bovenstaande mededeelingen bepalende, stel ik mij voor Uwer Excellentie,<br />
geregeld en tot in de minste bijzonderheden op de hoogte te houden van den verderen<br />
loop der Atjehsche aangelegenheden.<br />
Ik voeg hierbij afschriften van al de te dezer zake gewisselde telegrammen en van de<br />
missive van den legerkommandant van den 23sten dezer, 1». N. geheim, houdende—naar •<br />
aanleiding van art. 12 der instructie, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 16 Julij 1860<br />
n 3<br />
. 43, mededeeling, dat de verwijdering der expeditionaire troepen naar Atjeh geen<br />
nadeeligen invloed zal uitoefenen op het behoud of de verdediging van het eiland Java.<br />
Ten slotte mag ik niet onvermeld laten, dat in de buitengewone vergadering, op<br />
voorstel van het raadslid den heer H. M. ANDRÉE WILTENS , nog werd besloten de politieke<br />
zending van den resident P. L. VAN BLOEMEN WAANDERS naar Lombok, bedoeld bij mijne<br />
depêche van 11 dezer, n°. 9/ K L. geheim, voorloopig uit te stellen in verband met de<br />
vo<strong>org</strong>enomen expeditie naar Atjeh.<br />
De hiervoor gevorderde buitengewone magtsontwikkeling toch maakt het ten zeerste<br />
raadzaam onze strijdkrachten te concentreeren, en derhalve zooveel mogelijk verwikkelingen<br />
elders te voorkomen.<br />
Van deze beslissing heb ik den heer BLOEMEN WAANDERS per telegraaf kennis gegeven.<br />
Be Consul-Generaal te Singapore aan<br />
den Algemeenen Secretaris van het<br />
Gouvernement van Nederlandsch-<br />
Indie.<br />
N°. 25.<br />
Be Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie,<br />
B IJ L A Gr E.<br />
(get.) J. LOUDON.<br />
SINGAPORE, 20 Februarij 1873.<br />
Sedert mijne terugkomst van Bangkok op 13 dezer, heb ik de navolgende informatien<br />
ontvangen, welke ik voor het Nederlandsch-Indisch Gouvernement van het hoogste belang acht.
78<br />
Mijn berigtgever is TONQKOE MOHAMAD ARIFFIN van Moko Moko op Sumatra, wien ik<br />
gedurende de laatste tien jaren bij verschillende gelegenheden zekeren bijstand verleend heb,<br />
voor welke diensten hij, naar ik geloof, mij thans zijne dankbaarheid wil betoonen; zoodat<br />
ik geene redenen heb zijne mededeelingen in twijfel te trekken.<br />
Naar bet schijnt hebben de Atjehsche gezanten gedurende hun verblijf alhier zich tot de<br />
consuls van Amerika en Italië gewend, voorzien van een' brief van den Sultan, geadresseerd<br />
zoowel aan den consul van Frankrijk als aan dien van Amerika en Italië, waarin<br />
hulp verzocht werd, ten einde Atjeh tegen de verdrukkingen der gehate Nederlanders te beschermen,<br />
terwijl tevens daarin het aanbod gedaan werd om met die respectieve mogendheden<br />
tractaten te sluiten.<br />
Mijn berigtgever is, zooals hij vo<strong>org</strong>eeft, door zijn huwelijk verwant met den Sultan<br />
van Atjeh, en was tegenwoordig bij het bezoek van de gezanten aan den Amerikaanschen<br />
en Italiaanschen consul-<br />
Den 26sten Januarij des avonds te 9 ure kwamen zij bij den Amerikaanschen consul,<br />
die het gezantschap met alle beleefdheid ontving en beloofde onmiddellijk aan admiraal<br />
JENKINS in China te zullen schrijven. Vóór hun vertrek werd den gezanten een brief voor<br />
den Sultan overhandigd, benevens concept van een tractaat, bestaande uit twaalf artikelen,<br />
hetwelk de Sultan van Atjeh verzocht werd te teekenen en daarna naar Singapore terug<br />
te zenden.<br />
Naar hetgeen ik verder vernam, waren de twee partijen overeengekomen dat een Amerikaansch<br />
oorlogschip binnen den tijd van ongeveer twee maanden Atjeh zoude bezoeken.<br />
De Amerikaansche Consul vroeg mijn'' berigtgever uitdrukkelijk of hij mij kende, en beval<br />
hem, op zijn ontkennend antwoord, de stiptste geheimhouding aan.<br />
Den volgenden dag, 27 Januarij, des m<strong>org</strong>ens 11 uur, maakten zij hunne opwachting<br />
bij den Italiaanschen Consul, die zijne sympathie voor den Sultan te kennen gaf, en zich<br />
bereid verklaarde zijn Gouvernement de noodige mededeelingen te doen, zoodra hij in bezit<br />
was van een' specialen brief van den Sultan voor Z. M. den Koning van Italië.<br />
Intusschen bevindt zich hier ter plaatse kapitein RACCHIA, de diplomatieke agent van<br />
Italië in 't Oosten, die met mij per zelfde gelegenheid van Siam terugkeerde.<br />
Hij deelde mij mede met de Fransche mailboot naar Japan te zullen gaan, doch sedert<br />
schijnt hij van voornemen veranderd. Dagelijks worden hier twee Italiaansche oorlogschepen<br />
verwacht, welke volgens kapitein RACCHIA'S mededeeling de noord-oostkust van<br />
Borneo zouden bezoeken, om te trachten eene concessie voor grondgebied in de nabijheid<br />
van Maludubaai te verkrijgen; thans echter zoude de bestemming dier schepen kunnen<br />
veranderd worden, en kapitein RACCHIA het plan vormen daarmede naar Atjeh te gaan ,<br />
daar het Italiaansch Gouvernement een »pied a terre" in deze gewesten zoekt, en Poeloe-<br />
Way welligt aan het doel zoude beantwoorden.<br />
Ingesloten bied ik U Hoogedel Gestr. afschriften der telegrammen, aan, welke ik Zijne<br />
Excellentie den Gouverneur-Generaal omtrent dit belangrijk onderwerp heb doen toekomen.<br />
Den resident van Riouw heb ik de noodige inlichtingen gegeven en TONGKOE MOHAMAD<br />
ARIFFIN opgezonden om Z. Hoogedel Gestr. van alle bijzonderheden betreffende deze intrigues<br />
deelgenoot te maken. Tevens voeg ik hierbij een' door TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN aan<br />
mij gerigten brief, welks inhoud het hierin verhandelde gedeeltelijk zal bevestigen.<br />
De stoomer Patty, gezagvoerder ROURA , arriveerde alhier den lOden dezer van Rangoon,<br />
en zal m<strong>org</strong>en de reis retour via Penang aanvaarden. Deze gezagvoerder ROURA is dezelfde<br />
persoon die in de Atjehsche intrigues gemengd is.<br />
Naar men mij heeft medegedeeld, hebben de gezanten zich niet bij het Fransche of<br />
Duitsche consulaat vervoegd.<br />
Het Duitsche oorlogschip Nymphe is in onze haven, wachtende naar men zegt op brieven<br />
enz. van China.<br />
De Consul-Generaal der Nederlanden,<br />
(w. g.) READ.
2. Se Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
GEHEIM.<br />
N°. 14, La. R.<br />
79<br />
BUITENZORG , 4 Maart 1873.<br />
Bij mijnen kabinetsbrief van 25 Februarij jl. n°. 13, la. P, zeer geheim, deelde ik Uwer<br />
Excellentie het resultaat mede van het besprokene in de buitengewone vergadering van den<br />
Raad van Nederlandsch-Indie van den 21sten te voren, met betrekking tot onze jegens<br />
Atjeh verder aan te nemen gedragslijn.<br />
Sedert ontving ik van eene belangstellende zijde de vertrouwelijke mededeeling, dat bij<br />
een der aanzienlijkste handelshuizen te Batavia een telegram was ontvangen, het berigt<br />
bevattende , dat het Gouvernement der Vereenigde Staten van Noord-Amerika den kommandant<br />
der in de Chinesche wateren aanwezige Amerikaansche vloot, welke zich vermoedelijk<br />
voor Hongkong bevond, had gelast zich onverwijld naar Atjeh te begeven.<br />
Mij kwam dit berigt niet geheel onwaarschijnlijk voor, vermits ons tot dusver wel van<br />
de zijde van Italië, maar nog niet van den kant van Amerika onthouding in het Atjehsche<br />
vraagstuk was toegezegd.<br />
In elk geval achtte ik het raadzaam eene buitengewone vergadering van den Raad van<br />
Nederlandsch-Indie te beleggen, ten einde gezamenlijk te beraadslagen, welke maatregelen<br />
ten deze nader behoorden te worden genomen.<br />
De vergadering, bijgewoond door de Kommandanten der land- en zeemagt, heeft den 2den<br />
dezer onder mijn voorzitterschap plaats gehad.<br />
Nadat ik de aanwezigen met het doel dezer zitting had bekend gemaakt, stelde ik de<br />
vraag, of het bovenbedoeld gerucht wijziging zou moeten brengen in de eenmaal aangenomen<br />
beslissing, dat de Gouvernements-Commissaris voor Atjeh, de heer NIEUWENHUYZEN ,<br />
gezamenlijk met de aangeduide strijdmagt derwaarts zou vertrekken, en zoo ja, of z~u<br />
moeten worden teruggekomen op het aanvankelijk geopperd denkbeeld-, dat de Gouvernements-Commissaris<br />
zoo spoedig mogelijk dient vooruit te gaan , om de Amerikanen vóór te zijn.<br />
Als mijne meening gaf ik ook thans weder te kennen, dat er met de meest mogelijke<br />
voortvarendheid behoorde te worden gehandeld. Van 't grootste belang achtte ik 't, dat de<br />
Gouvernements-Commissaris de Amerikanen vóór was, om met meer vrijheid en klem aan<br />
Atjeh onze eischen te stellen, en hen voor een fait accompli te plaatsen, nameltjk eene<br />
oorlogsverklaring, als Atjeh ons ultimatum mogt verwerpen.<br />
Voorts achtte ik het noodig er in 't bijzonder nog de aandacht op te vestigen , dat thans,<br />
bij den gevorderden spoed, — die ons belet den heer NIEUWENHUYZEN van de noodige strijdkrachten<br />
te doen vergezellen , — de zaak meer uit een volkenregtelijk oogpunt moest<br />
worden beschouwd. Mogt Amerika vóór onze komst met Atjeh feitelijk betrekkingen<br />
hebben aangeknoopt, dan zouden zij ons in regten vóór zijn, terwijl in het omgekeerde<br />
geval, wanneer wij vóór de komst der Amerikanen den Sultan onze eischen hebben gesteld,<br />
het voordeel geheel aan onze zijde zou zijn. Er zoude dan voor ons een regtstoestand<br />
geboren zijn, welke niet kan worden weggecijferd. En nu opperde ik deze vraag: zoo wij<br />
Amerika voor het bovenbedoeld fait accompli hebben geplaatst, zou die mogendheid dan<br />
met eenig regt tusschen beide treden? Algemeen werd die vraag ontkennend beantwoord.<br />
Men vroeg nu: indien de Gouvernements-Commissaris ten spoedigste vertrekt met het<br />
drie- of viertal beschikbare bodems, is 't dan in geval eener oorlogsverklaring wel noodig<br />
dat men met die maritieme magt al dadelijk overga tot het plegen van vijandelijkheden ?<br />
Met een beroep op de geschiedenis o. a. van den jongsten krijg tusschen Frankrijk en
80<br />
Duitschland meende ik op het tweede gedeelte dier vraag een ontkennend antwoord te<br />
moeten laten volgen.<br />
Na de onmiddellijke eischen eener oorlogsverklaring , ook in verband met 't geen ORTOLAN<br />
en WHEATON daaromtrent uitspreken, eene wijl te hebben in beschouwing genomen, en<br />
na van den Vlootvoogd de herhaalde verzekering te hebben ontvangen , dat de Amerikaansche<br />
vloot c. q. een viertal weken zoude noodig hebben om van Hongkong naar Atjeh<br />
te stoomen, maakte ik aan de uitvoerige discussies een einde, door de volgende oplossingin<br />
overweging te geven: Wanneer den 7den dezer nog geen antwoord van Uwe Excellentie<br />
mogt zijn ontvangen op mijn telegram van den 2den te voren om inlichtingen nopens<br />
het bovenbedoeld gerucht, vertrekt de Gouvernements-Commissaris den 8sten met twee<br />
schepen, namelijk de Citadel van Antwerpen en de Siak, van hier naar Poeloe Pinang,<br />
na zich vooraf zoo kort mogelijk te Riouw en Singapore met den resident SCHIFF en den<br />
Consul-Generaal READ te hebben in verbinding gesteld in het meeste belang zijner zending.<br />
Te Poeloe Pinang neemt de Commissaris het aldaar aanwezig tot zijn gevolg behoorend<br />
personeel op, waarna hij met twee andere vaartuigen, de Coehoorn en de Marnix, versterkt<br />
, naar Atjeh vertrekt, den Sultan opening van zaken doet, een ultimatum stelt,<br />
en bij weigering van dezen om onze souvereiniteit te erkennen , den oorlog verklaart, met<br />
drie schepen naar Poeloe Pinang terugkeert om er de komst der expeditie af te wachten ,<br />
terwijl het vierde vaartuig voor Atjeh blijft kruisen, om, bij onverhoopte komst van<br />
oorlogsbodems onder vreemde vlag, den betrokken bevelhebber mede te deelsn dat wij met<br />
gemeld rijk in oorlog zijn, en hem te verzoeken geene betrekkingen met hetzelve aan te knoopen.<br />
Intusschen gaan hier de voorbereidende maatregelen voor de expeditie voort, vermits nu<br />
minder kansen bestaan voor eene vredelievende oplossing, en de expeditie met 't oog op<br />
den moesson c. q. in deze maand moet vertrekken.<br />
Dit plan wordt eenstemmig goedgekeurd en dienovereenkomstig besloten.<br />
Bij het bespreken der voor den Gouvernements-Commissaris te ontwerpen instructie,<br />
deelde ik als mijn pertinent gevoelen mede, dat het mij alleen te doen was om Atjeh onze<br />
souvereiniteit te doen erkennen, en daardoor vreemden invloed van Sumatra te weren, met<br />
andere woorden om het buitenland buiten onze zaken te houden. Bestaat er eenige kans<br />
op toegeven van de zijde van Atjeh, dan zoude die mijns inziens geheel verspeeld worden<br />
door zwaardere eischen te stellen. Erkent Atjeh ons oppergezag, dan zijn wij tegenover<br />
het buitenland gedekt, en ons but is voorloopig bereikt, al moeten wij dan ook later welligt<br />
nog eens in aanraking of conflict met dat rijk komen. Weigert daarentegen Atjeh aan<br />
onzen eisch te voldoen, dan verandert de zaak van aard, en kunnen wij, wanneer eenmaal<br />
de wapenen ontbloot zijn, zwaarder voorwaarden stellen. Hoe 't zij, wil men demogelijkheid<br />
van vredelievende oplossing niet geheel verspelen, dan dienen de voorwaarden zoo<br />
weinige en aannemelijk mogelijk te zijn; zij dienen zich tot de onvermijdelijk noodzakelijke<br />
te bepalen.<br />
Dat de Raad van Nederlandsch-Indie het ook in dit opzigt met mij eens is, zal Uwer<br />
Excellentie blijken uit zijn advies van den 3den dezer, n°. 1, het welk ik de eer heb in<br />
afschrift hiernevens aan te bieden met mijn besluit van heden, K R , zeer geheim, waarbij<br />
de voet, waarop de zending des heeren NIEUWENHUYZEN berust, geregeld, en zijne instructie<br />
vastgesteld is.<br />
Ook van de sedert mijn kabinetsschrijven van 25 Februarij jl., n°. 15 KG, zeer geheim,<br />
gewisselde bescheiden en telegrammen betreffende de Atjehsche zaak, waaronder het rapport<br />
van den resident van Riouw van 24 Februarij, la. W 4<br />
geheim en bijlagen, voeg ik<br />
afschriften hierbij.<br />
De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie,<br />
{(jet.) J. LOUDON.
a. Instructie voor den Gouvernements-<br />
Commissaris voor Atjeh.<br />
81<br />
B IJ L A G E N.<br />
In aanmerking nemende:<br />
dat het bij herhaling gebleken is dat de bestuurders van Atjeh de ernstige voornemens en<br />
welwillende bedoelingen miskend hebben, door het Nederlandsen Gouvernement betoond om<br />
de onderlinge vijandelijkheden, welke zeer ten nadeele der algemeene belangen van handel<br />
en scheepvaart strekken , in de aan gemeld rijk onderhoorige staatjes te keeren, en eene<br />
goed geregelde verstandhouding tot dat Gouvernement in 't leven te roepen, en dat zij de<br />
deswege gedane dringende vertoogen hebben in den wind geslagen;<br />
dat zij onlangs met vijandige bedoelingen te Singapore de tusschenkomst van buitenlandsche<br />
mogendheden tegen het Nederlandsch Gouvernement hebben ingeroepen, bij monde van<br />
dezelfde gezanten , die onder het masker van vriendschap en goede trouw naar Riouw waren<br />
afgevaardigd , om aan den resident van dat gewest, van wien zij bescherming ondervonden,<br />
uitstel te vragen van de politieke zending bedoeld bij het geheim besluit van 31 Augustus<br />
1872, la. H 2<br />
;<br />
dat de bestuurders van Atjeh door zoodanige handelingen artikel 1 der op 30 Maart 1857<br />
met dat rijk gesloten overeenkomst van vrede, vriendschap en handel hebben geschonden,<br />
en het overtuigend gebleken is dat op hunne goede trouw geen staat kan worden gemaakt;<br />
dat het voor Nederland's bestaan op- en rustig bezit van Sumatra, en met het oog op<br />
de belangen welke het Gouvernement op dat eiland en in den Indischen Archipel in 't algemeen<br />
te behartigen heeft, dringend noodzakelijk is om aan den overmoed en de dubbelzinnige<br />
staatkunde van de bestuurders van Atjeh voor goed een eind te maken;<br />
zoo is , met intrekking van voorschreven zending, bij het Gouvernements-besluit van 4<br />
Maart 1873, la. R. geheim, aan den heer F. N. NIEUWENHUIZEN , Vice-President van den<br />
Raad van Nederlandsch-Indie , opgedragen om zich naar Atjeh te begeven, met het doel<br />
om aan de bestuurders van dat rijk opheldering te vragen van hun trouweloos gedrag, en<br />
van hen te eischen de erkenning der opperheerschappij van Nederland.<br />
Artikel 1.<br />
De Gouvernements-Commissaris begeeft zich den .... Maart 1873 met Zr. Ms. stoomschip<br />
Citadel van Antwerpen en gevolgd door het vaartuig der Gouvernements-marine Siak<br />
eerst naar Riouw en daarna naar Singapore, ten einde zich met den resident van voormeld<br />
gewest en den Consul-generaal READ in het meeste belang zijner zending te onderhouden.<br />
Daarna vervolgt hij met de beide genoemde bodems en de stoomschepen Coehoorn en<br />
Marnix den togt naar Poeloe-Pinang om van daar zijne reis naar Atjeh te vervolgen.<br />
Artikel 2. "•<br />
Ter reede van Atjeh aangekomen, geeft de Commissaris, met inachtneming der noodige<br />
formaliteiten , aan den Sultan van dat rijk kennis van de reden zijner komst.<br />
Dit geschiedt bij een document, waarin opheldering wordt gevraagd omtrent het dubbelzinnig<br />
gedrag door de Atjehsche gezanten te Singapore betoond, het verraderlijke daarvan op<br />
ernstige wijze wordt aangetoond en verder medegedeeld, dat het Gouvernement met het<br />
oog op de roeping welke het op het eiland Sumatra te vervullen, en de belangen welke<br />
het in 't algemeen te behartigen heeft, dergelijke politiek niet langer kan dulden en mitsdien<br />
van hem, Sultan, eischt dat hij binnen den tijd van 24 uren na ontvangst van voormeld<br />
document het oppergezag van Nederland erkenne.<br />
Artikel 3.<br />
Indien de Sultan aan dien eisch gehoor geeft, doet de Gouvernements-Commissaris daarvan<br />
eene acte in triplo opmaken, waarna door dezen met inachtneming der noodige formali-<br />
11
82<br />
teiten , krachtens magtiging en onder nadere goedkeuring van den Gouverneur Generaal,<br />
wordt overgegaan tot de aanvaarding der souvereiniteit.<br />
Artikel 4.<br />
Wanneer de Sultan aan den bovenbedoelden eisch niet — of niet binnen den gestelden<br />
termijn — onvoorwaardelijk voldoet, verklaart de Gouvernements-Commissaris hem bij een<br />
gemotiveerd manifest namens het Gouvernement den oorlog.<br />
Daarna keert de Gouvernements-Commissaris terug naar Poeloe-Pinang, van waar hij per<br />
telegraaf den stand van zaken aan de Regering mededeelt en de expeditionaire magt<br />
afwacht om gezamenlijk met haar weder naar Atjeh te stoomen.<br />
Intusschen moeten de zee en omstreken van Atjeh bekruist blijven, om , bijaldien eene<br />
vreemde Mogendheid zich met den Sultan in verbinding mogt komen stellen, met inachtneming<br />
van de noodige étiquette en met vermijding van elke daad van vijandelijkheid jegens<br />
haar, onze oorlogsverhouding tot gemeld rijk bloot te leggen.<br />
Artikel 5.<br />
Wanneer bij aankomst of gedurende het verblijf van den Gouvernements-Commissaris te<br />
Atjeh eene vreemde magt aldaar aanwezig is of verschijnt, en met de bestuurders van dat<br />
rijk onderhandelingen heeft aangeknoopt of wenscht aan te knoopen , zal de Gouvernements-<br />
Commissaris daartegen krachtig protest aanteekenen, onder bekendstelling van de verhouding<br />
waarin Atjeh tot het Nederlandsch-Indisch Gouvernement staat en van de reden zijner komst.<br />
Daarna zal hij handelen zoo als hem het meest geraden voorkomt, met dien verstande<br />
dat onmiddellijke conflicten met liet buitenland worden vermeden.<br />
Artikel 6.<br />
Wanneer het onverhoopt tot een oorlog met Atjeh mogt geraken en dat rijk voor onze<br />
wapenen zwicht, zal de Gouvernements-Commissaris eenige meerdere eischen kunnen stellen.<br />
Daarbij zal hij evenwel in het oog moeten houden, dat van eene vestiging-op of bezetting<br />
van Atjeh vooralsnog geen sprake kan zijn.<br />
Artikel 7.<br />
De Gouvernements-Commissaris beslist:<br />
a. ten aanzien van het al of niet voortduren van door de militaire overheden, bij aanraking<br />
met de hoofden van het vijandige volk, verleende kortstondige wapenschorsingen;<br />
b. ten aanzien van het sluiten van wapenstilstand;<br />
c. ten aanzien van aangeboden wordende voorwaarden van onderwerping;<br />
d. onder nadere goedkeuring van den Gouverneur-Generaal, ten aanzien van het al dan<br />
niet voortduren van een af te kondigen embargo en blokkade, en<br />
e. ten aanzien van alles, uitgezonderd het beleid der militaire operatien, wat op de<br />
eindregeling der zaken direct of indirect van invloed kan zijn of door hem wordt beschouwd<br />
als die strekking te hebben.<br />
Artikel 8.<br />
In alles wat de uitvoering zijner zending betreft, heeft de Gouvernements-Commissaris<br />
ampele macht, en zijn alle autoriteiten, welke met hem in aanraking komen, aan hem<br />
medewerking en gehoorzaamheid verschuldigd.<br />
Artikel 9.<br />
De Gouvernements-Commissaris zal bij zijne terugkomst te Batavia aan de Regering een<br />
uitvoerig verslag omtrent zijne zending indienen, vergezeld van de noodige voorstellen ter<br />
zake, en intusschen elke zich voordoende geschikte gelegenheid aangrijpen om haar op de<br />
hoogte te stellen van den loop dier missie.
. De Resident van Riouw aan<br />
den Gouverneur-Generaal.<br />
(Extract.)<br />
La. W 4<br />
.<br />
GEHEIM.<br />
83<br />
Riouw, 24 Februarij 1873.<br />
Met referte aan mijn telegram van den 21sten jl., heb ik de eer Uwer Excellentie mede<br />
te deelen, dat op den avond van den 20sten dezer omstreeks 7 uur zich bij mij aanmeldde<br />
TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN, mij overhandigende de beide in originali hierbij gaande particuliere<br />
brieven van onzen Consul-generaal W. H. READ , de eene zonder dagteekening, de<br />
andere van den 15den jl.<br />
De inhoud dier brieven komt in substantie hierop neder, dat de Atjehsche gezanten,<br />
tijdens zij met Zr. Ms. stoomschip Marnix te Singapore vertoefden met het doel om hunne<br />
reeds te Riouw aangeknoopte onderhandelingen, tot het aankoopen op last des Sultans van<br />
een stoomschip , te beëindigen , in strijd met de te Tandjong Pinang herhaaldelijk gegeven<br />
plegtige verzekeringen hunner goede trouw en gezindheid om het Rijk van Atjeh te brengen<br />
onder de souvereiniteit van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement, bij de Italiaansche en<br />
Amerikaansche consuls te Singapore hulp hebben gevraagd tegen ons oppergezag, en zelfs<br />
met den Amerikaanschen consul een schema van een contract gemaakt en ter goedkeuring<br />
door den Sultan medegenomen hebben.<br />
De heer READ zegt, dat het aankoopen van een stoomschip slechts een voorwendsel was<br />
om hun verblijf te Singapore te rekken. Dit is niet juist. Daar hebben inderdaad langdurige<br />
onderhandelingen dienaangaande plaats gehad, waarmede ik mij, als betreffende eene<br />
zaak van geheel particulieren aard , niet heb ingelaten. (Vide mijne missive van 25 Januarij<br />
jl. la. R 4<br />
Geheim.) Zij zijn echter afgesprongen, doordien de b<strong>org</strong>en zich wegens<br />
dc overdreven koopsom — 41 000 dollars — terugtrokken.<br />
TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN , sedert negen jaren met den heer READ bekend, dezelfde<br />
over wien handelt het Gouvernemenüs-besluit van 16 October 1870, n°. 15, heeft zich bij<br />
PANGLIMA TIBANG MOHAXMAD , dien hij vroeger te Atjeh heeft ontmoet, vo<strong>org</strong>edaan als een<br />
getrouw helper, die niets met het Nederlandsch-Indisch Gouvernement uitstaande had.<br />
Hij is kleinzoon van den toewankoe van Moko-Moko, gesproten uit het geslacht van<br />
MENANGKABAU , en gehuwd geweest met een Atjehsche vrouw uit de omgeving van den<br />
Sultan.<br />
Nadat deze korten tijd ua het huwelijk was overleden, begaf hij zich wegens handelszaken<br />
naar Singapore en huwde van nieuws met eene aanverwante van den bandhara van<br />
Trengano, vertrok naar Engeland met geschenken van dien vorst, en is, na zijne terugkomst<br />
te Singapore, in de omgeving van den toemongong van Djohor gebleven, altijd<br />
hopende een betrekking te bekomen in de dienst van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement.<br />
ARIFFIN is een jongmensch van uitmuntende manieren, zeer intelligent, en spreekt en<br />
schrijft vlot Engelsch.<br />
Ik heb verschillende malen een langdurig onderhoud met hem gehad, en hetgeen hij<br />
mij mededeelde kwam geheel overeen met hetgeen de heer READ mij schrijft.<br />
Het brouillon, door den Amerikaanschen consul aan PANGLIMA TIBANG MOHAMAD medegegeven<br />
om door den Sultan te worden goedgekeurd, heeft hij mij zakelijk medegedeeld,<br />
en gaat hierbij, zooals ik het zelf uit zijn mond heb opgeteekend.<br />
Hij verhaalde mij verder, dat de Amerikaansche consul een brief had geschreven aan<br />
den Sultan, waarin hij dezen waarschuwde tegen het Nederlandsch Gouvernement, dat,<br />
eenmaal de Indische rijken onder zijn beheer hebbende, hunne vorsten trapsgewijze verdreef.<br />
Hij stelde mij voor om op eigene gelegenheid naar Atjeh te gaan, en steunende op het vertrou-
84' •<br />
-wen dat de Atjehers in hem stellen, te trachten het door den Sultan casu quo goedgekeurde<br />
Amerikaansche ontwerp-contract magtig te worden en het alsdan aan mij te overhandigen.<br />
Ik heb dat afgeslagen met de opmerking, dat indien de Atjehsche gezanten ter kwader<br />
trouw handelen, zulks niet mogt worden nagevolgd.<br />
Intusschen, enz.<br />
De resident van Mouw,<br />
(tü. ff.) D. W. SCHIFF.<br />
Brouillon van tractaat door den resident van Riouw overgelegd.<br />
Art. 1.<br />
Het Amerikaansch Gouvernement en de Sultan van Atjeh sluiten onverbrekelijk verbond<br />
van vriendschap.<br />
Art. 2.<br />
Alle Amerikaansche schepen zullen in de Atjehsche havens dezelfde regten genieten als<br />
die van Atjeh zeiven.<br />
Art. 3.<br />
De Sultan en zijne onderhoorige vorsten zullen den slavenhandel weren.<br />
Art. 4.<br />
De Sultan en zijne rijksgrooten verbinden zich om den noodigen grond af te staan tot<br />
het oprigten van steenkolenloodsen.<br />
Art. 5.<br />
De Sultan en zijne rijksgrooten verbinden zich om in zijn rijk wegen te doen maken ,<br />
zijnde het Amerikaansch Gouvernement bereid in de kosten daarvan te deelen.<br />
Art. 6.<br />
Wat betreft het heffen van in- en uitgaande regten , zullen schepen van andere natiën<br />
zich behooren te houden aan den in Atjeh bestaanden hadat. Amerikaansche onderdanen<br />
zullen 5°/ 0 minder betalen.<br />
Art. 7.<br />
De Amerikanen mogen gronden koopen en verkoopen , benevens de producten daarvan,<br />
doch zullen 5°/„ minder tjoeké betalen.<br />
Art. 8.<br />
Het is den Amerikanen veroorloofd kerken en scholen op te rigten.<br />
Art. 9.<br />
Het Amerikaansch Gouvernement verbindt zich de Atjehsche dynastie en godsdienst te<br />
zullen beschermen.
85<br />
Art. 10.<br />
Te Groot-Atjeh zal een Amerikaansch consul gevestigd zijn , met de bevoegdheid om<br />
geschillen tusschen de Amerikanen te beregton.<br />
Art. 11.<br />
Het Amerikaansch Gouvernement zal den Sultan en zijne rijksgrooten bijstaan in geval<br />
van vijandelijkheden, welke zich 't zij van buiten, 't zij van binnen mogten voordoen.<br />
Art. 12.<br />
Amerikaansche onderdanen worden overal in het rijk toegelaten , doch zullen , indien zij<br />
zich niet houden aan het overeengekomene in dit contract, door den consul worden gestraft.<br />
3. Be Gouverneur-Generaal aan<br />
den Minister van Koloniën.<br />
KABINET-GEHEIM.<br />
N°. 17, la. W.<br />
BUITENZORG, 14 Maart 1873.<br />
Ten vervolge van mijne geheime Kabinetsmissive van 4 dezer, n°. 14, la. R, heb ik de<br />
eer Uwer Excellentie in afschrift hierbij aan te bieden mijn geheim besluit van heden ,<br />
l a<br />
. V, houdende verdere beschikkingen ten aanzien der Atjehsche aangelegenheden.<br />
Tevens voeg ik in afschrift hierbij de sedert de sluiting der laatste mailpakketten over<br />
die aangelegenheden gewisselde telegrammen en verdere bescheiden.<br />
Ik vestig Uwer Excellentie's aandacht in het bijzonder op de daaronder aanwezige aan<br />
mij gerigte ofBcieuse brieven van den Consul-Generaal der Nederlanden te Singapore van<br />
3 en 6 dezer, en op de Nederlandsche! vertalingen van drie van zekeren TONGKOE MOHAMAD<br />
ARIFFIN, in de bijlagen vaak genoemd, afkomstige Maleische schrifturen, gemerkt las. A,<br />
B en C.<br />
Daaruit zal Uwe Excellentie op nieuw ontwaren, hoe dubbelzinnig of liever verraderlijk<br />
de houding is, welke door Atjeh tegenover ons wordt aangenomen , en tevens de-kuiperijen<br />
bloot gelegd vinden, welke door den Amerikaanschen consul te Singapore gepleegd zijn.<br />
Ik vermeen de vraag geoorloofd, of dergelijke consulaire agenten geschikt zijn de goede<br />
verstandhouding tusschen bevriende mogendheden te bewaren , en of het ontslag van den<br />
tegenwoordigen Amerikaanschen consul te Singapore niet wenschelijk ware, om een heilzamen<br />
invloed uit te oefenen en de handelsagenten aan te sporen, zich tot de uitoefening<br />
van hunne eigenaardige functien te bepalen.<br />
Die vraag ware welligt langs diplomatieken weg bij de Regering der Vereenigde Staten<br />
voor te brengen.<br />
Intusschen blijkt uit voormelde schrifturen op nieuw, hoe dringend noodzakelijk het is aan<br />
het Atjehsche vraagstuk zoo spoedig mogelijk op afdoende wijze een einde te maken, opdat<br />
Nederland zich niet nu of later plotseling tegenover het protectoraat van eene vreemde mogendheid<br />
over Atjeh geplaatst zie.<br />
Hieruit toch zouden allerlei groote moeijelijkheden en zelfs het verlies van Sumatra kunnen<br />
voortvloeijen.<br />
In overeenstemming met al de geraadpleegde adviseurs komt het mij voor dat geen
86<br />
andere afdoende waarb<strong>org</strong> daartegen denkbaar is dan de eisch van souvereiniteit, zooals<br />
ik Uwer Excellentie bij mijne telegrammen van 6, 9 en 12 dezer mededeelde.<br />
Met het oog op het overwegend groot belang der zaak en op de omstandigheid dat elke<br />
andere waarb<strong>org</strong> tegenover kuiperijen van Atjeh met vreemde mogendheden niets beteekent<br />
en derhalve het ongestoord bezit van Sumatra voor ons bij voortduring zou worden bedreigd,<br />
— heb ik uit innige overtuiging vermeend aan den eisch van souvereiniteit met<br />
den meesten aandrang te moeten vasthouden. Nu kunnen wij nog dien eisch doen; bij<br />
de steeds toenemende aanraking met- en inmenging van groote mogendheden is het de<br />
vraag echter of dit nog lang het geval zal zijn.<br />
Daarenboven blijkt uit de berigten van den heer READ, dat wij nu op den — althans<br />
zedelijken — steun van Engeland kunnen rekenen.<br />
Inmiddels heb ik echter den Gouvernements-Commissaris — die, zooals Uwe Excellentie<br />
uit de overgelegde telegrammen zal ontwaren, op den 7den dezer met Zr. Ms. stoomschip<br />
Citadel van Antwerpen en den gouvernements-stoomer Siak van Batavia is vertrokken,<br />
gisteren te Singapore aangekomen en heden naar Pinang vertrokken is, — mededeeling<br />
gedaan van Uwer Excellentie's laatst ontvangen telegram, onder toezegging van nadere<br />
instructien omtrent den aan Atjeh te stellen eisch, na ontvangst van Uwer Excellentie's<br />
antwoord op mijn telegram van 12 dezer.<br />
Uit het in den afgeloopen nacht van Uwe Excellentie ontvangen telegram heb ik met<br />
groote voldoening gezien, dat Uwe Excellentie het in de hoofdzaak met mij eens is, —<br />
zij 't dan ook dat het mij duister blijft wat Uwe Excellentie bedoelt met de voldoening en<br />
de waarb<strong>org</strong>en die ik eischen moet, — en dat tusschen ons alleen een verschil van vorm<br />
en inleiding bestond. Zelfs te dien aanzien valt echter nog op te merken dat ik in mijne<br />
telegrammen slechts het fond der zaak en niet den vorm heb behandeld en dat het niet<br />
in mijne bedoeling kan liggen om met vertreding van alle vormen, zooals Uwe Excellentie<br />
zich uitdrukt, de souvereiniteit ruw weg op den vo<strong>org</strong>rond te stellen.<br />
Ik zal m<strong>org</strong>en aan den Commissaris NIEUWENHUYZEN te Pinang het volgende telegram zenden:<br />
» Slotsom van nadere telegram men-wisseling met ministerie is:<br />
»Souvereiniteit moet uitvloeisel zijn van onderhandelingen of van oorlog, maar kan<br />
wegens indruk naar buiten niet als eerste eisch ruw weg (sic) op den vo<strong>org</strong>rond worden<br />
gesteld.<br />
» Wil mij terstond ontvangst van dit telegram melden."<br />
Ten slotte moet ik nog een punt releveeren, namelijk dat van het vertraagd vertrek<br />
van den Gouvernements-Commissaris.<br />
De Citadel van Antwerpen vertrok eerst den 7den dezer van hier, niettegenstaande de<br />
Kommandant der zeemagt reeds den 2den dezer door mij bij telegram was uitgenoodigd<br />
om dat vaartuig tot dadelijk vertrek gereed te houden en niettegenstaande ik herhaaldelijk<br />
op spoed had aangedrongen.<br />
a. De Consul-Generaal READ aan<br />
den Gouverneur-Generaal LOUDON.<br />
(E x t r a c t).<br />
My dear Excellency!<br />
De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie,<br />
B IJ L A G E N.<br />
(get.) J. LOUDON.<br />
SINGAPORE, 3 March 1873.<br />
In continuation of my report, it appears that the American consul sent for TUNKO
87<br />
MOHAMAD ARIFFIN, and told him that he had heard from Batavia that an expedition was<br />
being prepared to attack Acheen , and asked him to go to Acheen to warn the Sultan of<br />
it. At the same time he gave him a letter as a sort of credential. This T enclose. It is not<br />
of any great importance, beyond proving that the said consul is intriguing with the<br />
Acheenese. I also forward copy of TÜNKO AEIFFIN'S letter to the resident of Riouw and the<br />
heads of instruction given him by the consul, together with the plan of defence, which<br />
the latter advised the Sultan to adopt. This will show the disposition of the said party to<br />
make capital out of a very questionable project.<br />
I had a long conversation yesterday with mr. BIRCH, the colonial secretary, and I communicated<br />
confidentially to him what had transpired. He expressed great astonishment<br />
and regret, and unhesitatingly blamed the consul's conduct.',<br />
He said he was sure admiral JENKINS would also disapprove of it, and he added that he<br />
did not think that England would allow any other nation than Holland to hold such an<br />
important position as Acheen. He is to inform H. E. the Governor so soon as he returns<br />
of what has occurred, and will see me afterwards on the subject.<br />
He was of opinion that captain RACCHIA is straightforward and honest and that he has<br />
no intention of interfering with places already occupied, and that it is understood that<br />
Italy is to be guarded by the advice of England.<br />
I should etc.<br />
Believe me, etc.<br />
b. Brief van TONGKOE MOHAMAD<br />
ARIFFIN aan den resident van Mouw.<br />
(Vertaling uit het Maleisch.)<br />
A.<br />
(Gewone inleiding.)<br />
(to. g.) W. H. READ.<br />
SINGAPORE, 3 Maart 1873.<br />
In allen eerbied deel ik U mede dat ik op den lsten Maart 1873 den Consul van Amerika<br />
ben gaan spreken.<br />
In 1871 heeft het Engelsch Gouvernement een tractaat gesloten met het Nederlandsche,<br />
waarbij Engeland het gezag over Sumatra aan Nederland overdroeg.<br />
Ook heeft wijlen de Sultan MANTZOER in 1857 een contract gesloten met Z. E. den Gouverneur-Generaal<br />
van Nederlandsch Indie.<br />
Den Consul hierop wijzende, zeide ik dat het beter ware indien hij zich niet met de zaak<br />
inliet. Hem zoude zulks slechts schade en mij moeijelijkheden kunnen berokkenen.<br />
De Amerikaansche Consul antwoordde mij : » Een drietal dagen geleden ontving ik een<br />
»telegram van een koopman te Batavia, waaruit blijkt dat het Nederlandsch-Indisch Gou-<br />
» vernement het voornemen heeft om Atjeh met wapengeweld te nemen.<br />
» Nu heb ik er aan gedacht U te verzoeken om naar Atjeh te gaan en voor mij een brief<br />
»te brengen aan PANGLIMA TIBANG MOHAMAD. Gij kunt hem dan de zaak bekend maken.<br />
»In mijnen brief zal ik echter die zaak niet behandelen. Gij gaat slechts te Atjeh handel<br />
» drijven. Het ware toch mogelijk dat gij in de zee van Deli in handen vielt der Nederlandsche<br />
» vaartuigen. Mij zoude het (behandelen der zaak) niet schaden, doch U zoude het welligt<br />
» moeijelijkheid veroorzaken."<br />
Hierbij ontvangt U een afschrift van den brief die voor PANGLIMA TIBANG MOHAMAD be<br />
stemd was. Ik heb hem ter hand gesteld aan den heer WILLEM HENRI READ , de geëerbiedigde<br />
Consul-generaal der Nederlanden te Singapore.
88<br />
Indien U mijn gevoelen verlangt te vernemen omtrent den weg die ingeslagen moet worden,<br />
dit is , dat ik naar Atjeh ga om den brief aan PANOLIMA TIBANG MOHAMAD te overhandigen.<br />
Ik zoude aan hem of aan den Sultan kunnen zeggen , dat hij mij spoedig een schriftelijk<br />
bewijs moet geven , waarbij hij verklaart Atjeh aan het Nederlandsch-Indisch Gouvernement<br />
over te geven, en verder zoude ik kunnen zeggen dat de Amerikaansche consul zich niet<br />
met de zaak wenscht in te laten.<br />
Ik 'vermeen met zekerheid zulk een schriftelijk bewijs te zullen erlangen vóór dat een<br />
contract is gesloten.<br />
Zondag jl. heb ik van iemand gehoord dat binnen vier dagen twee Italiaansche oorlogschepen<br />
te Singapore zullen aankomen en dat de consul van Italië een tolk zoekt die<br />
het Atjehsch of Maleisch spreekt.<br />
Dit alles heb ik reeds den heer WILLEM HENRI READ, Consul-generaal der Nederlanden<br />
te Singapore, medegedeeld.<br />
Thans verwacht ik Uwe bevelen, hoe ik dien te handelen.<br />
c. Instructie voor TONGKOE MO<br />
HAMAD ARIFFIN.<br />
(Vertaling uit het Maleisch.)<br />
B.<br />
(to. ff.) T. M. ARIFFIN.<br />
1°. Indien de Hollandsche oorlogschepen U mogten vatten, werp dan onmiddellijk dezen<br />
met het zegel van den Amerikaanschen consul voorzienen brief in zee, opdat hij niet<br />
valle in handen der Nederlanders.<br />
2°. Wanneer gij in het rijk Atjeh zult zijn aangekomen, treed dan in overleg met<br />
PANGLIMA TIBANG MOHAMAD en zend mij dan spoedig te Singapore eene geschreven magtiging,<br />
want binnen een maand zal het Nederlandsch Gouvernement aan Atjeh den oorlogaandoen<br />
en ik zoude admiraal JENKINS zeer spoedig uit Hongkong kunnen ontbieden.<br />
3°. Indien het waar mogt zijn dat er een contract bestaat, dat gesloten werd tusschen<br />
den overleden Sultan en het Nederlandsch Gouvernement, zend mij daarvan dan spoedig<br />
afschrift.<br />
4°. Indien de Nederlandsche oorlogschepen Atjeh mogten. aanvallen vóór de aankomst<br />
van admiraal JENKINS , handel dan aldus:
89<br />
d. De Amerikaansche consul te Singapore aan<br />
den Sjabandar van Atjeh.<br />
(Vertaling uit het maleisen.)<br />
C.<br />
(Gewone inleiding)<br />
SINGAPORE , 1 Maart 1873.<br />
Houder dezes is TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN, die U in het rijk Atjeh komt bezoeken.<br />
Hij heeft mij eenen brief gevraagd, die strekken moge in ons beider wederkeerig belang.<br />
Zeer verlang ik dat U mij spoedig te Singapore zult kunnen komen bezoeken, en ik<br />
hoop dat U even welvarende moogt zijn als ik.<br />
(H'andteekening en wapen van den<br />
Amerikaanschen Consul.)<br />
e. De Consul-Generaal READ aan<br />
den Gouverneur-Generaal LOUDON.<br />
(Extract.)<br />
My dear Excellency!<br />
SINGAPORE, 6 March 1873.<br />
1 am much obliged for your kind letter of the 26th , and am glad to find that, on the<br />
information which had up to that time been placed in your hands, you approved of what<br />
I had done.<br />
I telegraphed to you this morning as follows: » Colonial secretary states that American<br />
Consul indignantly denies treaty; declaring it an invention of ARIFFIN ; — merely advised<br />
adoption similar measures to develop country; admits receiving joint letter to Consuls from<br />
Sultan and frequent visits and conversations; acknowledges writing one letter but not<br />
that sent you ; asks to confront ARIFFIN , which shall be done. American defense proves<br />
Acheenese duplicity. Italians repudiate the scheme''.<br />
I was fully prepared for this .... repudiation, but am not prepared to give it that<br />
full confidence which the colonial secretary seems to think it deserves. The treaty never<br />
was intended to be born in Singapore. The Consul suggested heads, or as he says gave<br />
ad vice on certain points , and these, when put into shape, were to develop themselves<br />
into a treaty, to which the Sultan's seal having been appended, the precious document<br />
was to be sent back by special messenger to the Consul, who , was to<br />
forward a copy to the admiral, another to "Washington and to sit complacently waiting replies.<br />
Of course as Consul he could make no treaties; he might have been turned out if be<br />
had. This is what he pleads in defense; — mais avec le ciel il y adesaccommodements,<br />
and he thought he had made every thing very safe.<br />
The perusal of the treaty as set forth in the Malay copy is convincing to me. No native<br />
would or could from his own ideas have drawn up the various clauses 3,4,5,6,8,10 and 12.<br />
The 9th clause is the most native and even that makes the case against the others stronger.<br />
I have sent for TUNKO MOHAMAD ARIFFIN and shall place him before the Consul in the<br />
colonial secretary's office, if possible, and I think the little note I sent you will be found<br />
12
90<br />
useful, as the Consul told Mr. BIRCH that he had only written one letter to the Atcheenese,<br />
and that was to excuse himself from returning their call.<br />
I have no wish to make a quarrel about the matter, or to worry the Consul; far from<br />
it; his evidence fully substantiates the false dealing and. duplicity of the Acheenese and<br />
the sooner they are brought to order the better. I hear they have been collecting arms<br />
and ammunition for months and are determined to fight, but they may think better of it<br />
when they see the force brought against them.<br />
The Government here will do all it can to afford moral support, and will when requested<br />
stop the export of arms and ammunition, but they can do nothing but then.<br />
Admiral JENKINS' flagship the Hartford has arrived. He proceeds to China shortly. —<br />
I do not think I have anything further to communicate by this opportunity.<br />
The letter for rajah BEOOKE shall be forwarded by first opportunity.<br />
Believe me, etc.<br />
(w. g.) W. H. READ.<br />
P.S. The Italians by the advice of captain RACCHIA will have nothing to do with<br />
Acheen; so mr. BIECH tells me.
V<br />
DIPLOMATIEKE STUKKEN.
1. De Minister van Buitenlandsche Zaken<br />
aan Zr. Ms. Minister-Resident te Rome.<br />
(Telegram).<br />
'sGravenhage, 17 Februarij 1873.<br />
Er bestaan op het oogenblik met Atjeh moeijelijkheden, waarover een overleg tusschen<br />
ons en dat rijk aanhangig is. Met verbazing vernemen wij , dat middelerwijl een gezantschap<br />
van Atjeh hulp gezocht heeft bij den Italiaanschen consul te Singapore en bij RACCHIA. Verzoek<br />
der Italiaansche Regering dringend aan die personen bevelen tot onthouding te geven.<br />
%. De Minister van Buitenlandsche Zaken aan<br />
Zr. Ms. tijdelijken Zaakgelastigde te Rome.<br />
C A B I N E T.<br />
N°. 4/14.<br />
(get.) GKRICKK.<br />
18 Fêvrier 1873.<br />
Des nouvelles regues par le telegraphe du Gouverneur-Général des Indes, au sujet des<br />
affaires d'Atchin, m'ont mis dans le cas de vous charger par la même voie rapide d'appeler<br />
1'attention du Gouvernement Italien sur 1'importance de recommander a ses agents dans<br />
ces parages la modération et la réserve.<br />
En attendant d'être informé du rósultat de votre démarche, je m'empresse de vous donner<br />
quelques renseignements sur nos relations avec Atchin, pour que vous puissiez expliquer au<br />
Gouvernement Italien les circonstances dans lesquelles nous nous adressons a lui.<br />
Depuis trés longtemps déja le Gouvernement des Indes se trouve en relations politiques<br />
avec 1'empire d'Atchin. Ces relations, qui ne sont pas sans intérêt pour la navigation commerciale<br />
en général dans ces mers, ont été en 1824 1'objet d'un concert entre les Pays-Bas<br />
et la Grande-Bretagne. Nous avons assumé a cette occasion la tache de veiller vis-a-vis<br />
d'Atchin a la süreté du commerce et de la navigation, et fidèles a eet engagement nous<br />
avons constamment exercé notre influence et nos moyens de controle dans ce but humanitaire<br />
et civilisateur. Trés récemment encore nous nous sommes de nouveau entendus avec<br />
la Grande Bretagne, pour qui cette question offre par la nature des choses un grand intérêt,<br />
au sujet de notre action sur 1'empire Atchinois. Cette action, je n'ai guère besoin<br />
de 1'expliquer, est tout a 1'avantage du commerce Européen, et le Gouvernement Britannique,<br />
qui en est le meilleur juge, n'y prêterait certes paslamain, s'il en était autrement.<br />
Pour quiconque connait ces contrées, il n'est toutefois pas étonnant qu'il se trouve en<br />
Atchin un parti, inspiré par le fanatisme religieux musuiman , rétif a 1'influence Européenne,<br />
et il est assez naturel que cette opposition se manifeste a raison de la crainte que lui donnent<br />
les moyens de coërcition dont pourrait, au besoin, disposer celui qui exerce cette influence.<br />
Heureusement qu'il y a aussi un autre parti, qui reconnait, par 1'expérience de contrées<br />
voisines, les fruits bienfaisants d'ordre et de prospérité que notre autorité, même laouelle
94<br />
ne se fait sentir qu'indirectement, apporte nécessairement a sa suite, et dontsefélicitedéja<br />
tout le reste de 1'ile de Sumatra. De cette opposition cependant naissent quelquefois. des<br />
conflits avec nous et dans ce moment nos relations avec Atchin s'en ressentent. Mais nous '<br />
recherchions les moyens d'aplanir les difficultés qui s'étaient élevées, lorsque nous avons<br />
été surpris par la nouvelle que la même ambassade Atchinoise, qui était venue a Rhio<br />
dans le but annoncé de jeter les bases d'un arrangement des différends existants etn'avait<br />
rencontré de notre part qu'un accueil bienveillant, avait été immediatement après son départ<br />
en rapport avec le consul de S. M. le Roi d'Italie a Singapore et le capitaine RACCHIA<br />
qui se trouve dans ce port, et qu'une espèce d'entfinte, en vue de quelque démarche tendante<br />
a nous susciter des difficultés, en aurait été le résultat.<br />
II est superflu de vous faire observer la gravité que ces renseignements pourraient avoir<br />
s'ils étaient exacts. II en pourrait facilement résulter dans ces contrées des conséquences<br />
désastreuses pour la tranquillité et la prospérité, lesquelles importent cependant au commerce<br />
Europóen et que toutes les mesures libérales que nous avons prises dans ces derniers<br />
temps dans un but d'assimilation tant par rapport a 1'admission des étrangers, qu'en matière<br />
de tarif dans nos colonies, tendent a établir sur une base solide et également profitable aux<br />
intéréts commerciaux de toutes les nations. Toute démarche done, qui pourrait entraver<br />
notre action, ne saurait que prêter un nouvel aliment a 1'esprit de désordre et de fanatisme<br />
qui entrave le développement de ces contrées. Je me persuade qu'un Gouvernement ami et<br />
allié comme celui de S. M. le Roi d'Italie est loin de vouloir nous créer des embarras<br />
sérieux en intervenant, même indirectement, dans nos conflits avec les populations indigènes.<br />
Les Pays-Bas, au contraire, ont droit au soutien des nations civiliséesdans 1'oeuvre difficile<br />
et laborieuse qui leur incombe au pront du progrès général dans 1'archipel Indien. Ceux<br />
qui connaisssent ces contrées savent combien il est dangereux de les troubler et quelle responsabilité<br />
toute démarche imprudente entrainerait pour le succes de eet oeuvre même. II<br />
n'y a pas longtemps, le Gouvernement Britannique en a donné un exemple en renvoyant<br />
aux autorités Néerlandaisss une pétition adressée d'Atchin aux autorités coloniales des pos<br />
sessions Anglaises du détroit de Malacca, pour demander un appui contre nous.<br />
II se passera nécessairement quelque temps avant que les détails sur ce qui a eu lieu<br />
a Singapore nous parviennent, mais en attendant les affaires peuvent se compliquer aux Indes.<br />
J'espère done, que le Gouvernement Italien, se rendant compte de 1'effet déplorable que<br />
pourrait avoir 1'apparence même d'un appui prêté a nos adversaires d'Atchin, aura, survotre<br />
demande, déja envoyé par le télegraphe des ordres a ses agents aux Indes pour's'abstenir<br />
de toute démarche qui pourrait être expliquée dans ce sens. Si je ne me suis pas trompé<br />
dans cette prévision, vouz voudrez bien en remercier le cabinet de Rome au nom du<br />
Gouvernement du Roi.<br />
• Mais si, pour une raison on une autre, le Gouvernement Italien n'a pas encore fait part<br />
de ses intentions dans ce sens a ses officiers aux Indes, je vous prie d'y insister auprèsdu<br />
Ministre des Affaires Etrangères, avec la franchise que permettent nos relations cordiales<br />
avec 1'Italie. II nous importe d'autant plus de prévenir tout retard, que nous avons malheureusement<br />
de sérieuses raisons de croire que le consul Italien a Singapore n'est pas<br />
animé de sentiments bienveillants a notre égard et ne parait pas agir toujours par rapport<br />
aux intéréts Neerlandais avec la réserve qui convient a un agent d'une Puissance amie et alliée.<br />
Je vous autorise a lire cette dépêche a Son Excellence Monsieur VISCONTI-VENOSTA.<br />
3. Zr. Ms. Minister-Resident te Rome aan<br />
den Minister van Buitenlandsche Zaken.<br />
(Telegram.)<br />
(s.) L. GERICKE.<br />
ROME, 19 Februarij 1873.<br />
Minister van Buitenlandsche Zaken gelooft dat noch Italiaansche Consul te Singapore,
95<br />
noch RACCHIA zich zullen mengen in de zaken van Atjeh, daar dit in strijd is met hunne<br />
instructien, en wil dus geene bevelen tot onthouding zenden; gaarne zal hij echter inlichtingen<br />
bij telegram inwinnen en ons mededeeling daarvan doen.<br />
4. De Minister van Buitenlandsche Zaken<br />
aan Zr. Ms. Minister-Resident te Rome.<br />
(T e 1 e g r a m.)<br />
(get.) VAN DER HOEVEN.<br />
's GRAVENHAGE , 19 Februarij 1873.<br />
Votre dépêche chiffrée recue aujourd'hui. Donnez cependant suite a mes dépêches n°. 14<br />
et 15 expediées hier, et expliquez au Ministre le concours des circonstances. Nous apprendrons<br />
volontiers les renseignements qu'il se propose de demander, mais nous désirerions cependant<br />
que des ordres prohibitifs fussent expediés.<br />
5. Zr. Ms. Minister-Resident te Rome aan<br />
den Minister van Buitenlandsche Zaken.<br />
(T e 1 e g r a m.)<br />
(gêt.) GERIC^E.<br />
ROME, 21 Februarij 1873.<br />
Minister van Buitenlandsche Zaken wenscht eerst mededeeling van de depêches 14 en<br />
15 te ontvangen vóór dat hij telegram naar Singapore zal zenden; hij heeft echter reeds<br />
nu den Consul te Singapore brief gezonden, met bevel zich met handelszaken bezig te houden<br />
en zich niet te mengen in politieke zaken.<br />
Zr. Ms. zaakgelastigde te Rome aan<br />
den Minister van Buitenlandsche Zaken<br />
N°. 18.<br />
Hoog Wel Geboren Heer!<br />
(get.) VAN DER HOEVEN.<br />
ROME , 25 Februarij 1873.<br />
Ten vervolge op mijne dépêche van den 24sten dezer, n°. 17, heb ik de eer ter kennisse<br />
van Uwe Excellentie te brengen dat de heer VISCONTI-VENOSTA gisteren avond te Rome is<br />
teruggekeerd en een bal op het Quirinaal heeft bijgewoond, alwaar de gelegenheid mij<br />
aangeboden werd een onderhoud met hem te hebben, waarin ik hem in korte woorden<br />
den inhoud van Uwer Excellentie's dépêche van den 18den dezer, n°. 3/14 Kabinet, heb<br />
medegedeeld, met verzoek hem dezelve den volgenden dag nader te mogen voorlezen. De<br />
Minister van Buitenlandsche Zaken antwoordde mij daarop, dat hij mij Dingsdag, den<br />
25sten , nog vóór zijn vertrek naar Milaan zoude ontvangen , doch gaf mij tevens te kennen,<br />
dat de afzending der door de Nederlandsche Regering verlangde telegraphische bevelen naa
96<br />
Singapore, volgens zijn inzien, volstrekt overbodig was, daar hij zich' verzekerd hield dat<br />
zoowel de Italiaansche consul aldaar als kapitein RACCHIA zich niet met zaken zouden<br />
inlaten welke hunne bevoegdheid te buiten gingen en waartoe zij geene instructien bezaten<br />
Ka de zienswijze des Ministers wederlegd te hebben, ter zake der door hem vermeende<br />
mindere noodzakelijkheid der afzending van telegrammen naar Singapore , gaf ik hem de<br />
hoop te kennen dat de reeds verzonden schriftelijke bevelen naar derwaarts, waaruit de<br />
vriendschappelijke gezindheid der Italiaansche Regering te dezer zake gebleken was Zijne<br />
Excellentie geen bezwaar zouden doen maken om eveneens te voldoen aan het verlangen<br />
mijner Regering om die bevelen ook per telegraaf te doen afgaan , waarop ik mij veroorloofde<br />
nogmaals met kracht aan te dringen uit hoofde der aanzienlijke tijdsruimte die nood- •<br />
zakelijk moet verloopen alvorens de schriftelijke bevelen te hunner bestemming zullen kunnen<br />
geraken.<br />
Bij mijne tehuiskomst van het bal ten Hove , had ik de eer Uwer Excellentie's telegram<br />
in cijfer van den 24sten Februarij te ontvangen.<br />
Heden tegen drie uur werd ik op het Departement van Buitenlandsche Zaken bij den<br />
lieer VISCONTI VENOSTA toegelaten. Na dien Minister mijnen dank te hebben betuigd voor<br />
zijne beleefdheid om mij te ontvangen , niettegenstaande ik mij niet op zijnen gewonen<br />
receptiedag tot hem wendde, verklaarde ik hem in de eerste plaats: dat mijne Regerinohet<br />
meest volkomene vertrouwen had in de welwillende en vriendschappelijke gezindheid<br />
van die van Italië , en haar juist daarom zonder omwegen verzocht om omzigtigheid en onthouding<br />
aan hare agenten in Indie te willen bevelen op een oogenblik dat wij aldaar<br />
moeijelijkheden ondervinden. De heer VISCONTI-VENOSTA zeide mij, dat het hem zeer aangenaam<br />
was dit te vernemen, en dat hij daarvan trouwens overtuigd was, waarop van mijne<br />
zijde een aanvang gemaakt werd met de voorlezing van Uwer Excellentie's depêche Den<br />
Minister gevraagd hebbende , of hij dezelve misschien nog zelf wenschte in te zien, ontving<br />
ïk^een toestemmend antwoord, en na eene aandachtige lezing van het schrijven van U Hoog<br />
WelGeb. gaf Zijne Excellentie mij te kennen , dat hij het gewigt inzag, dat door Nederland<br />
aan deze aangelegenheid gehecht werd, en dat onze Regering ongetwijfeld aanzienlijker<br />
belangen m Indie te behartigen had dan met Italië het geval was, dat zich enkel en alleen<br />
even als andere Mogendheden, met hare handelsbelangen daar ter plaatse had in te laten'<br />
»Ik ben dus bereid", verklaarde de heer VISCONTI-VENOSTA verder, »aan het verlangen<br />
uwer Regering te voldoen, en zal z<strong>org</strong>en voor de afzending van telegraphische bevelen tot<br />
de meeste reserve en omzigtigheid en tot onthouding in zake van Atjeh, zoowel aan den<br />
consul te Singapore als aan kapitein RACCHIA. Het feit echter, dat onze consul aldaar geen<br />
cijfer bezit om met hem te correspondeeren , is vrij lastig, doch bewijst, gelijk de heer ARTOM<br />
u reeds gezegd heeft, dat hij zich met geene politieke aangelegenheden heeft te bemoeijen "<br />
»Wat den kapitein RACCHIA betreft, dien ik persoonlijk ken", zeide de Minister »deze is<br />
een te bezadigd en gereserveerd persoon om ooit iets te doen hetgeen hem niet vo<strong>org</strong>eschreven<br />
is, en ik ben dus volkomen overtuigd, dat hij zijne instructien niet te buiten zal kunnen<br />
gaan. Ik vermoed, dat men aan het Ministerie van Marine een cijfer zal hebben om met<br />
hem te corresponderen per telegraaf, doch zelfs wanneer dit geenszins het geval mo°-t<br />
zijn, zal ik z<strong>org</strong> dragen voor de afzending van telegrafische bevelen in gewoon schrift<br />
aan zijn adres, en zulks in den geest als door uwe Regering verlangd wordt "<br />
Er blijft mij, alvorens te besluiten, slechts over Uwer Excellentie kennis te geven dat<br />
ik mij gedurende dit onderhoud niet anders dan ten zeerste te beroemen gehad heb over de<br />
bijzondere voorkomendheid en welwillendheid van den heer VISCONTI-VENOSTA bij wien het<br />
mij voorkomt, dat, ten gevolge van mijne verklaringen , de ongunstige indruk en de gevoeligheid<br />
geheel schijnt geweken te zijn, waarover gehandeld wordt in de depêche van<br />
jhr VAN DER HOEVEN, van den 19den dezer maand, n». 15. Ik ben dan ook niet in gebreke<br />
gebleven den Italiaanschen Minister van Buitenlandsche Zaken mijnen dank aan te bieden<br />
voor de wijze waarop Zijne Excellentie zich thans bereid verklaard heeft, aan het door mijn<br />
Gouvernement te kennen gegeven verlangen te voldoen.<br />
Gelief, enz.<br />
(get.) EVERWIJN.
7. De Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken aan Zr. Ms. Minister-<br />
Resident te Washington.<br />
CONFIDBNTIELLE.<br />
CABINET, N°. 3/16.<br />
97<br />
20 Février 1873.<br />
A 1'extremité septentrionale de Sumatra se trouve 1'état indigène d'Atchin, conflnant a<br />
nos possesstons sur cette 11e, dont le reste est entièrement soumis a notre domination.<br />
Nous nous trouvons depuis longtemps déja en rapports politiques avec eet état, oü nous<br />
avons assumé la tache d'assurer la sécurité du navigateur et du commercant. Lors du traité<br />
de 1824 avec la Grande-Bretagne, qui lui-mème est une régularisation de la situation<br />
créée par les stipulations des traités généraux de 1814 et 1815, nous avons contracté un<br />
engagement formel a eet égard. Et récemment encore une convention avec cette même<br />
Puissance a consacré les efforts que nous faisons pour accomplir cette tache.<br />
Cependant 1'empire d'Atchin, en proie, è, ce qu'il parait, a divers partis, et excité par 1'esprit<br />
de fanatisme musuiman, est loin d'offrir encore les garanties d'ordre et de tranquillité qu'il<br />
importe au commerce et a la navigation de toutes les nations civilisées d'y voir régner.<br />
Pour y rémedier nous nous sommes appliqués a multiplier nos rapports avec eet état et<br />
a y fortifier notre influence, mais, bien qu'une partie de la population ne nous soit pas<br />
hostile et, au contraire, disposée a applaudir a notre influence civilisatrice en vue de 1'exemple<br />
des effets salutaires et' de la prospérité qui en résultent pour les contrées voisines, nous<br />
nous sommes heurtés au parti fanatique Arabe qui domine jusqu'a un certain point dans<br />
les conseils du sultan de ce pays.<br />
Cette circonstance , jointe a quelques différends qui ont surgi dans les derniers temps , ont<br />
fait naitre un conflit avec nous, que nous espérions cependant pacifier, lorsque nous avons<br />
appris pas une dépêche télégraphique de nos autorités aux Indes que des délégués Atchinois<br />
se sont trouvés en rapports avec le consul des États-Unis a Singapore, que celui-ci avait<br />
1'intention de conclure un traité avec eux et qu'il se proposait même de faire un appel a<br />
1'amiral de 1'escadre Américain dans les mers de la Chine.<br />
Si ces nouvelles sont exactes, elles ont une grande gravité pour nous, car il est hors<br />
de doute que de telles démarches serviraient a fortifier nos adversaires en Atchin dans leur<br />
résistance et rendraient notre tache dans ce pays beaucoup plus difficile. II en résulterait<br />
facilement des complications, désastreuses pour le repos de ces contrées et au trés-grand<br />
détriment du commerce que nous nous eff<strong>org</strong>ons de protéger et de développer. Nous venons<br />
d'en donner une preuve de plus par la révision foncièrement libérale des tarifs dans nos<br />
possessions aux Indes.<br />
Je suis persuadé que le cabinet de Washington est loin de vouloir nous entravef et nous<br />
susciter des embarras dans 1'archipel indien Nous avons lieu d'espérer au contraire 1'appui<br />
sympathique des gouvernements amis et alliés en faveur de notre action civilisatrice dans<br />
ces parages oü notre röle n'est pas toujours facile et oü la situation vis-a-vis des peuples<br />
indigènes exige de grands ménagements et une extréme circonspection. Toute immixtion,<br />
même indirecte, dans nos affaires avec 1'Atchin peut dans ce moment causer des troubles et<br />
des difficultés regrettables.<br />
J'ai done 1'honneur de vous charger d'appeler 1'attention de Son Excellence M. le Secrétaire<br />
d'Etat sur les circonstances et les considérations dóveloppóes ci-dessus, et de lui dire que<br />
nous apprécierions comme un acte de bonne et loyale amitié que le Gouvernement de la<br />
République voulut bien enjoindra è ses agents et a ses officiers aux Indes de s'abstenir de toute<br />
démarche qui pourrait avoir une tendance défavorable sur Tissue de notre conflit avec 1'Atchin.<br />
Je me permets en outre d'observer que pour sortir pleinement son effet une telle recommandation<br />
devrait être faite de Washington au consul des États-Unis a Singapore par la<br />
13
98<br />
voie télégraphique, car les événements peuvent se compliquer rapidement aux Indes. Et si<br />
je n'ai pas moi-même usé de ce moyen de communiquer avec vous dans cette circonstance,<br />
c'est qu'elle nécessitait une exposition trop développée pour un télégramme.<br />
Je vous autorise a, lire cette dépêche k Son Excellence Mr. FISH et je vous serai obligé<br />
de me faire connaitre la suite qu'il voudra bien donner a notre demande.<br />
Veuillez . . . etc.<br />
8. De Minister van Buitenlandsche Zaken<br />
aan Zr. Ms. Gezant te Londen.<br />
N°. 1/50.<br />
CABINET.<br />
(signé) L. GEEICKE.<br />
21 Février 1873.<br />
Je me trouve dans le cas de vous prier d'appeler 1'attention du Gouvernement de Sa<br />
Majesté Britannique sur nos rapports avec Atchin.<br />
Les notes óchangées lors de la conclusion du traité du 17 Mars 1824 constatent que<br />
le Gouvernement Britannique reconnut alors comme notre tache de régler ces rapports<br />
de manière a veiller a ce que le dit état offre au navigateur et au commercant cette constante<br />
sécurité qui ne semble pouvoir y être établie que par 1'exercice modéré d'une influence<br />
Européenne.<br />
Par la récente convention concernant Sumatra, le Gouvernement Britannique a levé<br />
1'obstacle resultant de la stipulation de 1824, qui, en prescrivant que rien ne devait être<br />
entrepris de notre part contre 1'indépendance de 1'Atchin, aurait pu constituer un empêchement<br />
pour le Gouvernement Neerlandais dans 1'accomplissement de la tache qu'il a assumée, et<br />
qui, par la position qu'il occupe actuellement a Sumatra, lui incombe encore plus actuellement<br />
qu'en 1824.<br />
Le Gouvernement Britannique, convaincu désormais, je 1'espère, de la tendance libérale et<br />
civilisatrice de notre politique dans 1'Archipel et spécialement a Sumatra et se rendant<br />
compte de 1'intérêt que cette question a pour ses possessions du détroit de Malacca, ne<br />
pourra done, ce me semble, voir qu'avec déplaisir des difficultés qui nous seraient suscitées<br />
d'autre part.<br />
II est k craindre, cependant, qu'elles peuvent surgir.<br />
Le Gouvernement des Pays-Bas, pour prévenir les complications que les actes du Gouvernement<br />
Atchinois ont dans les derniers temps itérativement fait naitre au trés-grand<br />
préjudice des intéréts commerciaux de toutes les nations, et dans le but d'acquérir a eet<br />
effet a Atchin 1'influence sans laquelle rien ne peut se faire pour établir 1'ordre et la<br />
sécurité dans le Nord de Sumatra, s'est appliqué a entrer en rapports plus suivis avec les<br />
autorités du dit état, et s'est proposó de régulariser ses relations avec 1'Atchin sur un pied<br />
stable et approprié aux circonstances. M ais de même qu'auparavant, il s'est malheureusement<br />
heurté encore a des sentiments de méfiance regrettables. S'il faut en croire cependant<br />
les représentations qui ont été faites dernièrement par une ambassade du Sultan<br />
d'Atchin envoyée spontanément au Résident de Rhio, eet esprit d'opposition n'est pas général,<br />
et il y a dans le pays deux partis, dont 1'un, le parti Arabe, inspiré par le fanatisme<br />
musuiman, serait ennemi de 1'influence Neerlandaise, tandis que 1'autre, le parti Atchinois<br />
pur, se sentirait attiré vers des relations plus intimes avec le Gouvernement des Indes<br />
,' Neerlandaises. Nous espérions done être en voie d'arriver k aplanir les difficultés que nous<br />
avions rencontrées, lorsque par une dépêche du Gouvernement des Indes nous apprimes, non<br />
sans surprise, que les délégués Atchinois, peut-être les mêmes qui venaient de faire des
99<br />
ouvertures conciliantes au Résident de Rhio, s'étaient mis, ou s'étaient laisser attirer a<br />
entrer en rapports avec les consuls d'Italie et des Etats-Unis d'Amerique h Singapore, et<br />
que le capitaine Italien RACCHIA , qui attend dans ce port les navires expédiés par son<br />
Gouvernement pour se mettre è ses ordres dans le but d'une exploration de 1'Archipel en<br />
vue d'établir une colonie pénale Italienne, se proposait de se rendre a Atchin avec ces<br />
batiments. Le consul Américain voulait, nous dit on, conclure un traité avec 1'Atchin, et<br />
avait écrit a 1'amiral de 1'escadre Américaine dans les eaux de la Chine, probablement<br />
pour le prier d'aller faire également une démonstration & Atchin.<br />
Le Gouvernement Britannique, qui connait aussi bien que nous les exigences de la<br />
politique coloniale aux Indes et les ménagements qu'elle exige, appréciera facilement tous<br />
les dangers et les troubles que peuvent créer de pareilles démarches.<br />
Elles auraient inévitablement pour conséquence de fortifier 1'Atchin dans son opposition a<br />
1'égard de nos conseils et de notre influence, qui pourtant est réellement salutaire et, sans<br />
contredit, la plus naturelle entre toutes. Elles pourraient, en outre, exiter 1'Atchin a<br />
prendre vis-a-vis de nous une attitude qui peut nous obliger, dans 1'intérêt de la sécurité<br />
de nos possesions et de la tache que nous avons entreprise, a user de moyens de contrainte<br />
la oü autrement les voies pacifiques auraient suffi pour nous conduire au but.<br />
Elles menaceraient done certainement de nous mettre dans de graves embarras vis-a-vis<br />
de 1'Atchin, mais je me persuade que le Gouvernement Britannique lui-même n'aimerait<br />
pas a voir surgir les complications qui en pourraient résulter. La Grande-Bretagne et les<br />
Pays-Bas ont toujours compris qu'ils avaient des intéréts communs dans 1'Archipel Indien,<br />
et se sont, spécialement de nouveau dans les derniers temps, tendus la main , pour réaliser<br />
les arrangements qui sont les plus favorables h ces intéréts. L'ordre et la sécurité du<br />
Nord de Sumatra importent a 1'Angleterre aussi bien qu'a nous.<br />
Je crois en conséquence n'agir que dans 1'esprit de ces relations et des récents traités<br />
en vous chargeant d'appeler confidentiellement 1'attention du Gouvernement Britannique<br />
sur les circonstances et les considérations développées ci-dessus, et de 1'inviter a nous aider,<br />
si 1'occasion s'en présente, a écarter les dangers que j'ai signalés. II serait, lecaséchéant,<br />
d'autant plus autorisé a déconseiller aux autres Gouvernements de s'immiscer dans nos<br />
affaires avec 1'Atchin, qu'il pourrait rappeler que lui- même a, 1'année dernière, loyalement<br />
refusé de s'occuper de demandes d'appui contre nous qui étaient adressées d'Atchin a ses<br />
autorités coloniales du détroit de Malacca.<br />
Je vous autorise de lire cette dépêche a M. le comte GEANVILLE et je vous serai obligé<br />
de me faire connaitre la réponse que Son Excellence voudra bien y faire.<br />
9. Zr. Ms. Minister-Resident te Washington<br />
aan den Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken.<br />
(Extract.)<br />
VERTEOÜWELIJK.<br />
n°. 23.<br />
Hoog Welgeboren Heer!<br />
(«.) L. GEEICKE.<br />
WASHINGTON, 10 Maart 1873.<br />
Den 5den Maart jl. had ik de eer het volgend telegram van Uwe Excellentie te ontvangen:
100<br />
»To the Netherland Minister, Washington. Informations mcntioned in rny instructions num<br />
sixteen and seventeen conflrmed complications feared. Execute immcdiately said instruc<br />
Insist that telegrafie orders to abstain be sent. Telegraph ansioer. Geric&e. Haguë\; en<br />
8sten Maart gewerden mij uwe vertrouwelijke depêches van 20 Februarij, n°.3/16, Kabinet<br />
en van 21 Februarij , n°. 3/17 , Kabinet, waarop gemeld telegram betrekking had.<br />
Onmiddellijk na kennisneming der dépêches, heb ik mij tot den Secretary of State begeven<br />
, en schoon het ook niet de daarvoor bestemde dag was, een onderhoud met hem bekomen.<br />
Voor zooverre mij de aangelegenheid was bekend, deelde ik die kortelijk mede; merkte<br />
daarbij op dat Nederland , prijs stellende op de goede verhoudingen met de Vereenigde Staten ,<br />
niet slechts alle moeijelijkheden wenschte te vermijden , maar zelfs den schijn daarvan , of<br />
eenig misverstand , en eindigde met te vragen , dat door de Regering alhier bevel mogt<br />
worden gegeven , dat het Amerikaansch escader , dat, naar bleek , hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk<br />
, zich, op aanschrijven van den U. S. consul te Singapore, in de wateren van<br />
Sumatra had begeven, zich van daar verwijderde , of althans van alle handeling onthield.<br />
Ik gaf vervolgens voorlezing van Uwer Excellentie's vertrouwelijke dépêche van 20 Februarij jl.,<br />
n°. 3/16, Kabinet, voormeld.<br />
De heer FISH zeide onmiddellijk , dat de consul geene bevoegdheid had verdragen te sluiten ,<br />
als hebbende geen diplomatiek karakter, en aan de escaders geene bevelen had te geven ;<br />
nogtans wenschte Zijne Excellentie te weten of de zaak kon geacht worden reeds zoo verre<br />
gevorderd te zijn.<br />
Ik meende daarop te kunnen mededeelen, dat, na de afzending der dépêche , de daarin<br />
vermelde aangelegenheden daadzaken waren geworden, blijkens een telegram door mij ontvangen<br />
, en dat dit eene aanleiding tevens was, om nader op den wensch aan te dringen,<br />
dat de orders der Amerikaansche Regering per telegraaf mogten worden verstrekt.<br />
De heer FISH meldde mij toen dat ook hij te dier zake den vorigen dag een telegram<br />
van den Minister der Vereenigde Staten te 's Hage had ontvangen.<br />
Op zijn wensch van eene schriftelijke mededeeling, overhandigde ik een reeds vooruit door<br />
mij gemaakt afschrift der nota, door Uwe Excellentie in ontwerp bij depêche van 21 Februarij<br />
jl., n°. 3/17 Kabinet, vertrouwelijk, gevoegd, als moetende strekken om eventueel<br />
' aan den Secretary of State te worden gegeven.<br />
De heer FISH las dit aandachtig door, maar merkte er bij op, dat hierin niet van een<br />
te sluiten of gesloten verdrag werd gesproken. Ik verwees echter naar de aan mij gedane<br />
officieele mededeeling, waarvan ik voorlezing had gedaan.<br />
De heer FISH scheen echter in dat oogenblik van denkbeeld te veranderen, en gaf te<br />
kennen , dat, schoon ook de consul te Singapore geene bevoegdheid had om tractaten te<br />
sluiten , het hem nogtans vrijstond schepen te doen gaan daar, waar hij meende dat Amerikaansche<br />
burgers en hunne belangen bescherming konden vereischen.<br />
Ik antwoordde daarop, dat voor het eventueel geval, dat zoodanige belangen te beschermen<br />
waren, die onder Nederlandsche vlag volkomen. veilig waren; en schoon ook den heer<br />
FISH wel toegevende, op zijne tusschenbeiden gemaakte opmerking, dat die belangen toch<br />
natuurlijk boven alles Amerikaansche bescherming zelve zouden verlangen, voegde ik er bij,<br />
dat in casu juist uit die komst der schepen een gevaar kon ontstaan; dat toch alle moeijelijkheden<br />
met Atjeh ligt konden worden te boven gekomen; maar dat, zoodra de tegenpartij<br />
door de aankomst der Amerikaansche vlag ook slechts in den waan konde komen dat zij<br />
geruggesteund werd en op andere hulp mogt rekenen , de verwikkelingen zouden vermeerderen<br />
, en dus, ik herhaalde zulks, gevaren misschien konden ontstaan die tot nogtoe<br />
geenszins te duchten waren.<br />
De heer FISH beloofde mij toen er den consul over te zullen schrijven, doch ik vestigde<br />
zijne aandacht op den onmetelijken afstand, den langen duur der reize, op het daaruit<br />
voortvloeijend tijdverlies, en tevens op het reeds aanwezig zijn der gronden van misverstand,<br />
en herhaalde dus nogmaals mijn verzoek, dat per telegraaf de orders mogten worden gegeven.<br />
De heer FISH , het altijd gereede voorwendsel van bescherming der Amerikaansche burgers<br />
en belangen vasthoudende, uitte de meening dat van eene directe tusschenkomst in onze<br />
verwikkelingen met Atjeh wel geen sprake kon wezen, maar eindigde toch met te beloven,<br />
dat hij per telegraaf aan meergemelden consul de vraag zou rigten om inlichtingen nopens
101<br />
die aangelegenheid , schoon hij evenwel niet kon toezeggen dat het antwoord daarop evenzeer<br />
telegrafisch zou wezen.<br />
Voor 't oogenblik was niets anders te verkrijgen, en het onderhoud nam mitsdien een<br />
einde , waarna ik , ingevolge ontvangen voorschriften , aan Uwe Excellentie 't volgende telegram<br />
rigtte : » Minister Foreign Af airs, Hague, Holland. Telegram will ie sent to inguire into<br />
matter. Westenberg. Washington".<br />
De heer FISH , dien ik heden m<strong>org</strong>en op eene audiëntie bij den President ontmoette, meldde<br />
mij , dat denzelfden dag van het onderhoud ingevolge zijne toezegging het telegram naar<br />
Singapore was verzonden.<br />
Ik hoop echter eerstdaags den heer FISH weder te zullen spreken , en zal trachten op<br />
nieuw op de wenschelijkheid der onthouding van Amerika te verwijzen , en op het nemen<br />
der daartoe strekkende maatregelen aan te dringen.<br />
De ... . enz.<br />
ÏO. Zr. Ms. Minister-Resident te<br />
Washington aan den Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken.<br />
(Extract.)<br />
N°. 24.<br />
VERTROUWELIJK.<br />
Hoog Wel Geboren Heer!<br />
{get) "WESTENBERG.<br />
WASHINGTON , 14 Maart 1873.<br />
Ten vervolge op mijne vertrouwelijke missive van 10 Maart jl., n°. 23, heb ik de eer<br />
Uwer Excellentie te melden , dat ik heden wederom een onderhoud met den Secretary of<br />
State had, en hem vroeg, of de door hem verlangde inlichtingen van den U. S. consul te<br />
Singapore misschien reeds waren ontvangen.<br />
De heer FISH antwoordde, dat hij, ingevolge toezegging , een telegram had gezonden<br />
»to abstain from interference, and to give informations about the matter ", maar dat hij<br />
den consul niet had gelast per telegraaf te antwoorden.<br />
Ter meerdere duidelijkheid, en om te weten of de heer FISH , in woorden, ook meer had<br />
gezegd dan hij bedoelde, herhaalde ik het door hem gesprokene, zeggende dat ik volgens<br />
zijne vroegere verklaring wel reeds wist dat het antwoord waarschijnlijk niet per telegraaf<br />
zou komen, maar dat ik meende dat hem welligt iets naders kon bekend zijn geworden;<br />
dat het mij inmiddels aangenaam was te weten dat hij had gelast »to abstain from interference<br />
".<br />
Bij wijze van gesprek meldde ik verder, dat het scheen thans slechts eenige moeijelijkheden<br />
te betreffen, die ligt te overkomen konden zijn; maar dat de gevaren grooter zouden<br />
worden, wanneer, juist thans , vreemde oorlogschepen zich in die wateren vertoonden; en<br />
vroeg dus, of niet de beste bescherming van Amerikaansche burgers en belangen , zoo zich<br />
eventueel zoodanigen aldaar bevonden, niet daarin zou bestaan, dat zoodanige schepen niet<br />
verschenen, om geen verkeerden waan bij de tegenpartij te doen ontstaan.<br />
De heer FISH merkte op, dat de Amerikaansche schepen in alle wateren vermogten<br />
te zeilen of stoomen , waar zij zulks noodig achtten. Ik betwistte hem dit niet, maar voegde<br />
er een woord bij omtrent de opportuniteit van een togt in de tegenwoordige oogenblikken,
102<br />
en veranderde toen van gesprek, omdat het hoofdpunt der dépêche, door hem afgezonden,<br />
door mij ongeveer was vernomen, en alle verdere bespreking van het onderwerp tot niets<br />
zoude leiden.<br />
Uit dit onderhoud meen ik echter op nieuw bevestigd te worden in mijne reeds geuite<br />
meening, dat de Regering der Vereenigde Staten zelve niet regtstreeks of bedektelijk in<br />
dezen de hand heeft gehad.<br />
Naar aanleiding der woorden van den heer FISH zend ik heden namiddag het volgend<br />
telegram aan Uwe Excellentie: »Minister Foreign af airs , Hague, Holland. I am told, orders<br />
to abstain from interference sent together with inquiry."<br />
Het was mij niet wel mogelijk dit op andere wijze mede te deelen.<br />
11. Zr. Ms. tijdelijke makgelastige te Rome<br />
aan den Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken.<br />
(get) WESTENBERG.<br />
N°. 52. ROME, den bden April 1873.<br />
Hoog Welgeboren Heer!<br />
Ten vervolge op mijn schrijven van 3 dezer, n°. 50, heb ik de eer ter kennisse van Uwe<br />
Excellentie te brengen, dat ik gisteren namiddag, na ontvangst van haar telegram rakende<br />
de zaken van Atjeh, gemeend heb U HoogWelgeb. ook nog per telegraaf van de terugkomst<br />
van kapitein RACCHIA uit Indie te moeten onderrigten.<br />
Heden heb ik mij naar het Departement van Buitenlandsche Zaken begeven en den heer<br />
VISCONTI VENOSTA van den inhoud van voornoemd telegram mededeeling gedaan, waarop<br />
Zijne Excellentie mij te kennen gaf, dat kapitein RACCHIA hem op zijne vraag, wat er<br />
toch vo<strong>org</strong>evallen was ter zake van Atjeh, ten antwoord gegeven had: dat eenige agenten<br />
van den Sultan van Atjeh zich tot den Italiaanschen consul te Singapore gewend hadden<br />
met verzoek een tractaat van vriendschap en koophandel met hen te willen sluiten, waarop<br />
door dezen ambtenaar gezegd was dat hij tot dergelijke handelingen geenszins gemagtigd<br />
was, doch zich bereid verklaarde om, in geval hem schriftelijke voorstellen te dier zake<br />
gedaan mogten worden, dezelve ter kennisse zijner Regering te brengen.<br />
Dit is alles, besloot de Minister, wat er tusschen onzen consul te Singapore en de agenten<br />
van Atjeh vo<strong>org</strong>evallen is, doch kapitein RACCHIA heeft daarmede niets te maken gehad.<br />
Gelief. . enz.<br />
m<br />
IS. Brief van Zr. Ms. Minister-Resident<br />
te Washington aan den Minister van<br />
Buitenlandsche Zaken.<br />
(get.) D. EVERWIJN.<br />
N'. 75. NEW-YORK, 25 Junij 1873.<br />
VERTROUWELIJK.<br />
Hoog WelGeboren Heer!<br />
Alvorens, gelijk mijne ambtgenooten, Washington te verlaten, heb ik nog een onderhoud
103<br />
met den Secretary of State gehad, en bij die gelegenheid gevraagd of de laatste mail uit<br />
Singapore welligt iets nieuws had aangebragt. De heer FISH deelde mij daarop mede, dat<br />
thans, naar het scheen, gezanten van Atjeh zich regtstreeks tot den U. S. consul te Singapore<br />
hadden gewend; dat zij zich zeer hadden beklaagd over de handelwijze der Nederlandsche<br />
Regering ten hunnen opzigte, en bepaald de hulp en bescherming der Vereenigde<br />
Staten hadden ingeroepen. De consul had hun echter verklaard zich daaromtrent geenszins<br />
te kunnen uiten maar deswege aan de Amerikaansche Regering te zullen schrijven.<br />
Ik bepaalde mij daarop alleen, vragenderwijze, »and?" te zeggen, waarop de heer FISH<br />
in verzekerenden toon antwoordde: »We will not do much", maar er bijvoegde dat het<br />
eene moeijelijke quaestie voor Nederland was. Ik achtte het niet noodig, thans, ongevraagd,<br />
op vorige quaestien terug te komen, en onze houding door nadere uitleggingen<br />
misschien te verzwakken, maar trachtte hem in die gezindheid van onthouding te bevestigen<br />
, door te wijzen op langdurige en veelvuldige verkeerde handelwijzen der Atjehers,<br />
dat de bestaande overeenkomsten kennelijk en klaarblijkelijk waren geschonden, en dat<br />
door hen niet alleen de rust en veiligheid van Neêrlands bezittingen, maar de handel en<br />
scheepvaart van alle natiën werden bedreigd, en dat uit de mededeelingen der Regering,<br />
officieel gedaan, zelfs bleek dat, als ik mij op 't oogenblik wel herinnerde, ditzelfde Atjeh,<br />
dat thans de hulp van Amerika scheen in te roepen, in of omstreeks 1831 een Amerikaanschen<br />
koopvaarder had genomen en geplunderd, ten gevolge waarvan toenmaals een<br />
Amerikaansch oorlogschip hen was komen tuchtigen.<br />
Het scheen mij dat dit den indruk mijner verzekeringen bij den heer FISH bevestigde.<br />
Het schijnt mitsdien te blijken dat thans aan tusschenkomst van Amerika niet wordt gedacht.<br />
Gelief, enz.<br />
13. Nota van den Minister van<br />
Buitenlandsche Zaken.<br />
(EXTRACT.)<br />
[get.) WESTENBERG.<br />
's GRAVENHAGE , 31 Julij 1873.<br />
Bij gelegenheid van een bezoek , hetwelk mij heden door den heer GORHAM gebragt werd,<br />
die dezer dagen uit Amerika is teruggekeerd, zeide hij mij dat hij te Washington inzage<br />
genomen had van de stukken betreffende de bemoeijingen van den Amerikaanschen consul<br />
te Singapore in de zaken van Atjeh.<br />
Uit die inzage was den heer GORHAM gebleken dat onze vrees (apprehension) ten aanzien<br />
der handelingen van den bedoelden consul werkelijk niet ongegrond geweest was. Die<br />
consul had zeer onvoorzigtig gehandeld en uit het oog verloren dat hij veeleer jegens ons<br />
dan jegens Atjeh , waarmede Amerika niets te maken heeft, eene vriendschappelijke houding<br />
aannemen moest, of althans dat hij zich op een geheel onzijdig standpunt plaatsen moest.<br />
Nu had hij, tengevolge der hem door de Amerikaansche Regering gevraagde inlichtingen<br />
omtrent zijne bemoeijingen, eene explicative nota ingezonden , waarin hij beweerde te zijn<br />
misleid geworden, hetgeen, zeide de heer GORHAM , al ware het zoo, hem nimmer ter verontschuldiging<br />
kan strekken, vermits hij er voor te z<strong>org</strong>en had niet te worden misleid.<br />
De nota was overigens zoo uitvoerig, dat de heer GORHAM een vol uur aan de lezing<br />
daarvan had moeten besteden. De consul deed daarin dag voor dag en bijna uur voor uur<br />
verslag van het verhandelde en van de resultaten welke hij beoogde, en welker belangrijkheid<br />
door hem in alle bijzonderheden aangetoond en zeer breed uitgemeten werd. De Ondersecretaris<br />
van Staat, die het stuk aan den heer GORHAM ter lectuur verstrekt had, verklaarde
104<br />
het geduld niet gehad te hebben het in zijn geheel te lezen, maar er genoeg van gezien<br />
te hebben om te weten dat de steller een dwaas man was<br />
Het was duidelijk dat de consul met het denkbeeld eener schikking met Atjeh zeer was<br />
ingenomen geweest, en dat de Atjehers hem groote handelsvoordeelen vo<strong>org</strong>espiegeld hadden.<br />
Hij scheen de bedoeling gehad te hebben met een volledig uitgewerkt ontwerp voor den dag te<br />
komen, denkende zich daardoor een bijzonder aanzien en grooten naam te zullen verwerven.<br />
Hij had daar nu van moeten afzien, hebbende volgens verzekering van den heer GORHAM,<br />
aan wien ik het speciaal gevraagd heb, stellige bevelen tot onthouding van de Amerikaansche<br />
Regering ontvangen.<br />
Het spreekt van zelf dat ik het punt der beweerde misleiding behoorlijk heb gerectificeerd.<br />
14L. Zr. Ms. Gezant te Londen aan<br />
den Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken.<br />
N°. 23L<br />
Hoog Wel Geb. Heer!<br />
(get) L. GERICKE.<br />
LONDEN, 26 Augustus 1873.<br />
Ik heb de eer Uwer Excellentie hiernevens te doen toekomen eene gesloten missive, die<br />
mij heden m<strong>org</strong>en door den Turkschen Ambassadeur alhier ter verdere bez<strong>org</strong>ing is ter<br />
hand gesteld.<br />
MUSURUS PACHA heeft mij vertrouwelijk kennis gegeven van den inhoud dier missive ,<br />
'die betrekking heeft op de zaken van Atjeh. Zijne Excellentie heeft er bijzonder op aangedrongen<br />
, dat het hoeg-enaamd niet de bedoeling zijner Regering was om in die zaken<br />
tusschen beiden te treden , noch eene of andere regeling van het geschil voor te staan,<br />
maar dat zij meende, dat haar groote moreele invloed op hare geloofsgenooten in Atjeh<br />
welligt zoü kunnen gebezigd worden in het belang eener minnelijke schikking, geheel<br />
overeenkomstig de eer, de waardigheid en de regtmatige belangen van Nederland, en dat<br />
de Verhevene Porte, als bevriende Mogendheid, gaarne haren invloed daartoe zou aanwenden.<br />
Ik heb aan MUSDRXIS PACHA geantwoord, dat ik mij beijveren zou zijne missive nog<br />
heden aan Uwe Excellentie op te zenden; dat ik natuurlijk niets kon zeggen van het onthaal<br />
dat haar zou kunnen te beurt vallen, maar mij overtuigd hield, dat de zeer vriendschappelijke<br />
en gematigde toon daarvan zeker op hoogen prijs zou worden gesteld.<br />
15. De Turksche Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken aan den Turkschen<br />
Ambassadeur te Londen.<br />
N°. 25645/146.<br />
A S. E. MUSURUS PACHA a Londres.<br />
(W. g.) C. VAN BVLANDT.<br />
Le 11 Aoüt 1873.<br />
Votre Excellence connait la question Atchinoise. Avant d'exposer ici d'une manière cir-
405<br />
constanciée notre manière de voir a ce sujet, je ne crois pas inutile d'entrer dans quelques<br />
considérations historiques.<br />
Lorsque le Sultan SELIM porta ses armes victorieuses jusqu'aux extremités de la presqu'ile<br />
Arabique dont il fit la conquête, 1'écho de ses victoires parvint jusqu'a 1'ile de Sumatra.<br />
Les Atchinois envoyèrent une députation jusqu'aux pieds du vainqueur, reconnurent la<br />
suprématie des pouvoirs inhérents a son titre de Khalif, fireht acte de soumission entreles<br />
mams du célèbre SINAN PACHA, arborèrent le drapeau Ottoman dans leurs ports et sur<br />
leurs navires, se déclarèrent enfin vassaux du Sultan SELIM , et demandèrent en retour sa<br />
haute proteetion. Le Sultan SELIM accueillit favorablement ces offres.<br />
Par ses ordres le Vézir SINAN PACHA remit au Sultan vassal des canons et des sabres<br />
d'honneur, que Ton voit encore a Atchin. Depuis cette époque 1'immense distance qui nous<br />
sépare de 1'ile de Sumatra et la difficulté des Communications ont empèché le maintien de<br />
relations regulières; les rapports étaient interrompus lorsque, il y a 22 ans, le Sultan<br />
d'Atchin MANSOUR SCHAH résolut de les renouer. II envoya a eet effet a Constantinople<br />
MOLLA MOUHAMED GARTH, porteur d'une lettre dans laquelle il renouvelait le témoignage<br />
de sa fidélité et de sa soumission.<br />
MANSOUR SCHAH , se ^basant sur les relations établies ab antiquo entre 1'Empire Ottoman<br />
et Atchin , demandait en outre que tout le pays soumis a sa domination fut annexé a 1'Empire<br />
Ottoman en qualité de province vassale; lui même, suivant 1'exemple de ses ancêtres,<br />
reconnaissait la suzeraineté du Sultan et se déclarait vassal du Khalifat de 1'Islam.<br />
Feu Sultan ABDUL MEDJID agréa les offres du Sultan d'Atchin par un firman qu'il lui<br />
octroya.<br />
Aujourd'hui que la Hollande est a la veille d'ouvrir les hostilités contre les Atchinois,<br />
un dólégué du Sultan MAHMOUD est venu renouveler encore la protestation de fidélité de<br />
son peuple et de son Souverain et, invoquant leurs titres de vassaux, réclamer notre intervention<br />
en leur faveur.<br />
Je crois devoir résumer ici le message dont ABDUL RAHMAN, Vézir du Schah actuel<br />
d'Atchin, était porteur et qui s'adressait a S. M. I. le Sultan.<br />
II est dit dans ce message: » D'après des traditions certaines le royaume d'Atchin, que<br />
nous possédons et dont on connait bien les frontières, a été possédé par nos ancêtres, qui<br />
depuis des temps immémoriaux ont occupé le tröne de père en fils dans une entière indépendance.<br />
»Obligés dans la suite d'implorer la proteetion du Sultan SELIM le conquérant, nous devinmes<br />
depuis les sujets du Gouvernement OTTOMAN et nous ne cessames, a partir de cette date,<br />
de lui appartenir et de vivre sous ses hauts auspices. Feu Sultan ABDUL MEDJID, notre<br />
auguste Souverain, avait bien voulu confórer a notre aïeul décédé, le Sultan ALLAIDIN<br />
MANSOUR SCHAH, le grand cordon dü Medjidió, avec un firman.<br />
»II renfermait ses ordres souverains. Nous confessions aussi que 1'auguste Empereur de<br />
Turquie est le Souverain des Souverains Musulmans et qu'il est le seul Khalif et le chef<br />
suprème de toute nation Musulmane. C'est en lui seul, après Dieu, que nous mettons notre<br />
confiance, c'est a lui seul que nous recourons, c'est a lui seul que nous appartenons, c'est<br />
a lui seul que nous confions notre sort, c'est sur lui et son empire que nous appelons les<br />
bénédictions du ciel, c'est de son sceptre que rejaillit la gloire de 1'Islamisme et c'est enfin<br />
par lui que la foi et la doctrine revirent dans tous les pays ou règne la religion de Mahomet.<br />
Ce qui prouve en outre notre attachement et notre soumission au Gouvernement Ottoman,<br />
c'est que nous avons toujours travaillé a nous conformer a ses ordres, et que notre drapeau<br />
ou brille le croissant et qui n'est autre que le drapeau de 1'empire Ottoman, nous couvre<br />
et nous protégé sur terre et sur mer. Mais n'étant pas rassurés, vu la distance qui nous<br />
sépare et la difficulté de communication entre les deux pays, nous sommes convenus, souverain<br />
et sujets, d'expódier en mission particulière auprès de Votre Majesté Impériale notre<br />
Ministre de 1'Intérieur ABDUL RAHMAN, et nous 1'avons chargé de manifester les dessins<br />
dont nous sommes saisis et le vif désir que nous éprouvons tous de vous être a jamais<br />
assujettis, de vous appartenir et de soumettre tout le pays a vos lois, pour que vous disposiez<br />
de nous selon votre bon plaisir, promettant en outre de nous conformer aux volontés<br />
du personnage que vous nous enverrez pour nous gouverner. Nous donnons pouvoir absolu<br />
a notre Ministre d'agir poür nous et en notre nom.<br />
14
106<br />
» Vous pouvez done avoir conrlance en lui, car c'est a lui que nous avons remis le soin<br />
de nos intéréts. Loin d'être frustrés dans nos espérances, nous avons lieu de croire que<br />
Votre Majesté Impériale voudra bien prendre notre cause en main et nous croire pour<br />
toujours vos trés humbles sujets."<br />
(Le sceau) Sultan MAHMOUD.<br />
Quoique les évènements relatés plus haut, accomplis sous le Sultan défunt, n'aient pas<br />
été officiellement portés a la connaissance du Gouvernement Néerlandais, ils n'en font pas<br />
moins partie du domaine des faits. Ils viennent d'être d'ailleurs corroborés et sanctionnés<br />
pour ainsi dire de nouveau et avec plus de solemnité encore par la'démarche récente de<br />
MAHMOUD SCHAH, dont le délégué ABDUL RAHMAN, porteur du susdit message, se trouve<br />
en ce moment a Constantinople. Toutefois, en égard a Pamitié séculaire qui nous unit a la<br />
Hollande, aux rapports pleins de cordialité que nous entretenons et que nous voulons<br />
toujours resserrer avec une puissance amie et alliée; animés en même temps d'un sentiment<br />
de délicatesse, sur lequel il ne nous appartient pas d'insister, nous avons cru devoirnepas<br />
proposer notre médiation dans une circonstance oü la Hollande juge opportun de déclarer<br />
la guerre contre les Atchinois.<br />
Cette médiation d'ailleurs ne saurait s'offrir de notre part que tout autant que Ie Gouvernement<br />
Hollandais serait désireux d'en proflter. L'influence morale et religieuse et le<br />
prestige que notre Sultan peut exercer sur les Atchinois, la foi et la confiance qu'ils ne manqueront<br />
pas d'avoir dans nos conseils, nous fait supposer que notre intervention conciliatrice<br />
et humanitaire amènerait d'heureux rósultats dans un moment oü a travers les préparatifs<br />
de guerre des symptömes de paix se manifestent.<br />
Nous serions heureux pour notre part, d'avoir contribué a faire renaitre Ia bonne harmonie<br />
et entente entre le Gouvernement Néerlandais et le pays d'Atchin.<br />
Le Gouvernement Néerlandais ne se méprendra pas sur la nature de notre démarche. II<br />
sait que nous n'avons nullement la pensee de contester le droit qui lui appartient, comme<br />
a tout État souverain, d'être seul juge des mesures que lui impose le soin de sa dignité et<br />
1'honneur de ses armes, mais il comprendra en même temps la situation que nous créent<br />
d'anciennes traditions.<br />
En les invoquant aujourd'hui pour faire appel a sa générosité et sa modération, nous<br />
savons répondre aux sentiments d'humanité et de civilisation qui caractérisent a un si haut<br />
point la Hollande.<br />
Veuillez, etc.<br />
(s.) RAOHID.<br />
P. S. Veuillez communiquer la présente dépêche a S. E. le Ministre des Affaires Étrangères<br />
de S. M. le Roi des Pays-Bas et lui en envoyer copie.<br />
16. De Minister van Buitenlandsche<br />
Zalen aan Zr. Ms. Minister-<br />
Resident te Constantinopel.<br />
CABINET.<br />
N°. 1/82.<br />
Monsieur!<br />
LA HAYE, 26 Septembre 1873.<br />
L'Ambassadeur de la Sublime Porte m'a transmis, en date du 26 Aoüt dernier, copie
107<br />
d'une dépêche- de Son Excellence le Ministre des Affaires Étrangères de Sa Majesté Impériale<br />
le Sultan, relative a la question Atchinoise.<br />
En invoquant d'anciennes traditions et les démarches récentes f aites' auprès du Gouvernement<br />
Ottoman par le Sultan d'Atchin, Son Excellence RACHID PACHA', sans vouloir empiéter<br />
sur les droits qui appartiennent aux Pays-Bas, croit néanmoins pouvoir faire un appel a<br />
notre générosité et a notre modération pour 1'applanissement du conflit dans lequel nous<br />
nous trouvons actuellement engagés avec 1'état Atchinois.<br />
Nous avons pris connaissance de cette communication avec tout 1'intérêt, que devait nécessairement<br />
inspirer le caractère si éminemment amical dont elle est revètue.<br />
Nous aimons a croire que les observations qui vont suivre seront considérées comme dictées<br />
par des sentiments réciproques de franchise et de cordialité.<br />
Nous n'entendons discuter ni la valeur, ni la nature des relations qui peuvent jadis avoir<br />
existó entre le royaume d'Atchin et 1'empire Ottoman. II résulte d'ailleurs de la dépêche<br />
de Son Excellence RACHID PACHA que ces relations furent ensuite interrompues, et latradition<br />
qui les concerne remonte a une époque si éloignée, que le souvenir même en était<br />
perdu, lorsque le Sultan d'Atchin envoya en 1851 un déléguó a Constantinople, afin d'essayer<br />
de les renouer, ou, pour mieux dire, afin de tacher d'en créer de nouvelles.<br />
Pour se convaincre que depuis des siècles Atchin se considérait comme libre de tout lien<br />
1'unissant a la Porte, il suffit de se rappeler que, ni dans les rapports séculaires que nousmêmes<br />
avons, ainsi que d'autres nations, entretenus avec les peuples de 1'ile de Sumatra et<br />
notamment avec Atchin, ni dans les négociations poursuivies, ni dans les alliances recherchées,<br />
ni dans les traités conclus par eet état, rien n'a jamais indiqué qu'il ne se soit pas cru<br />
autorisó a agir et n'ait pas agi, en effet, de son propre chef et de sa propre autorité. II y<br />
a plus; lorsque MANSOUK SHAH jugea a propos de rechercher, en 1851, une proteetion étrangère,<br />
et au moment oü le Sultan actuel fait aujourd'hui la même démarche, ils s'étaient, 1'un<br />
et 1'autre, adressés inutilement dans ce but a d'autres Puissances, avant de solliciter 1'intervention<br />
de la Sublime Porte, vers laquelle ils auraient dü cependant se tourner en premier lieu,<br />
si les susdites traditions avaient en effet continué a vivre dans leur souvenir.<br />
En ce qui concerne le message actuellement apporté a Constantinople par un délégué du<br />
Sultan d'Atchin, le Cabinet de La Haye se permet de faire observer que ce message, qui a pour<br />
but de faire appel a la sollicitude du Kalife en faveur de ses coréligionnaires résidant a Atchin,<br />
est en tout cas sans objet. Sa Majesté Impériale n'ignore certainement pas que les principes<br />
de tolérance religieuse, professós par le Gouvernement du Roi, assurent la proteetion la<br />
plus large et 1'indépendance la plus compléte aux croyances religieuses des populations<br />
Musulmanes de 1'Archipel Indien placées dans la sphère de son influence.<br />
Aussi la lutte dans laquelle nous nous trouvons actuellement engagés avec Atchin est<br />
elle absolument étrangère a toute considération de cette nature. D'autres motifs 1'ont malheureusement<br />
rendu inévitable, malgré les efforts les plus sérieux que nous n'avons cessé de<br />
faire pour les prévenir. C'est avec un sincère regret que nous avons dü nous convaincre<br />
que le Royaume d'Atchin, bien loin de s'inspirer de sentiments analogues a ceux dont la<br />
Sublime Porte est animéo h notre égard, ne nous témoigne, au contraire , depuis de longues<br />
années, par son attitude et par ses actes, qu'un mauvais vouloir non déguisé v<br />
Vainement nous avons espéré son concours pour 1'accomplissement des devoirs que nous<br />
impose notre position dans 1'Archipel Indien, a 1'égard du commerce et de la navigation<br />
de toutes les nations. Vaines aussi ont été nos tentatives réitérées de conciliation et notre<br />
insistance pour obtenir 1'exécution d'engagements formels contractés par traité.<br />
Lorsque récemment de meilleures dispositions paraissaient enfin se manifester et nous donnaient<br />
Pespoir d'une solution pacifique des difficultés existantes, nous avons malheureusement<br />
dü constater que les ouvertures faites aux autorités Neerlandaises aux Indes n'a va ient<br />
d'autre but que de nous donner le change sur de nouveaux actes hostiles préparés ou<br />
combinés cóntre nous.<br />
11 serait sans doute superflu de nous étendre plus longuement sur ces incidents, que nous<br />
avons cru néamoins devoir brièvement indiquer , afin d'établir la situation dans laquelle nous<br />
nous trouvons placés vis-a-vis du royaume d'Atchin, et afin surtout de prouver a la<br />
Sublime Porte tout le prix que nous attachons a la commu ication qu'elle a bien voulu
•108<br />
nous adresser. Nous avons été heureux d'y trouver un nouveau témoignage de cordiale<br />
amitié du Gouvernement de Sa Majesté Impériale le Sultan. Nous apprécions les sentiments<br />
de délicatesse qui' ont fait comprendre a la Sublime Porte qu'il ne nous serait pas possible<br />
d'accepter une médiation dans nos démêlés avec Atchin, et nous rendons en même<br />
temps une entière justice a la réserve dans laquelle la Sublime Porte se renferme relativement<br />
aux mesures que nous impose le soin de notre dignité et 1'honneur de nos armes<br />
Le Gouvernement du Roi croit ne pouvoir mieux prouver qu'il ne se méprend nullement<br />
sur la nature de la démarche faite auprès de lui, qu'en y répondant de son cóté<br />
avec une entière franchise. Dans ce but il donne volohtiers a la Sublime Porte 1'assurance<br />
que, malgré 1'insuccès des démarches antérieures pour amener un arrangement amiable avec<br />
Atchin, nous n'avons pas un seul instant eu 1'intention de refuser de prêter 1'oreille a des<br />
propositions pacifiques que le Sultan d'Atchin désirerait nous adresser.<br />
La voie a suivre pour réaliser ce désir est indiquée par le traité conclu en 1857 par le<br />
Gouverneur Général des Indes Neerlandaises avec Atchin. Cette voie étant toujours restée<br />
ouverte, un accueil favorable n'a jamais cessé d'être assuré a toute démarche directe du<br />
Sultan d'Atchin auprès du Gouvernement des Indes Orientales Neerlandaises, en vue de<br />
prévenir les conséquences déplorables d'un nouveau recours aux armes.<br />
En général, le Gouvernement du Roi, tout en veillant au maintien de ses droits et a<br />
1'accomplissement des devoirs qui lui incombent, ne manquera jamais dans ses rapports<br />
avec les états indigènes de 1'Archipel Indien, et notamment avec Atchin, de s'inspifer des<br />
sentiments de générositó et de modération auxquels la Sublime Porte fait appel.<br />
Le Cabinet de la Haye aime a croire que le Gouvernement de Sa Majesté Impériale le<br />
Sultan voudra bien voir dans les franches explications qui précédent une nouvelle preuve<br />
de notre sincère désir de resserrer de plus en plus les relations amicales qui heureusement<br />
subsistent depuis si longtemps entre les Pays-Bas et la Sublime Porte Ottomane.<br />
Veuillez agréer, etc.<br />
(s) L. GEHICKE.<br />
P. S. Je vous prie de communiquer la présente dépêche a Son Excellence RACHID PACHA<br />
et de lui en laisser copie.<br />
It. De Minister van Buitenlandsche<br />
Zalen aan Zr. Ms. Minister-<br />
Resident te Constantinopel.<br />
GEHEIM KABINET.<br />
N°. 2/83.J<br />
Hoog Wel Geb. Heer!<br />
's GBAVENHAGE , 26 September 1873.<br />
Mijne dépêche van heden n°. 1/82 behelst ons antwoord op de nota der Turksche Regering<br />
dd. 11 Augustus ter zake van de Atjehsche aangelegenheden. Ik acht het niet ondienstig<br />
TJ Hoog Wel Geb. daarenboven, in aansluiting aan het bij vroegere gelegenheden mede-
109<br />
gedeelde, nog eenige inlichtingen te geven omtrent het standpunt waarop wij in deze<br />
quaestie staan, en omtrent de inzichten en bedoelingen van Zr. Ms. Regering.<br />
De Turksche nota heeft het Departement van Koloniën aanleiding gegeven tot eenige<br />
opmerkingen en beschouwingen , waarvan ik de eer heb hiernevens een afschrift te voegen.<br />
Voor den inhoud van het tractaat van 1857, door het Nederlandsch Indisch Bestuur met<br />
Atjeh gesloten , neem ik de vrijheid U te verwijzen naar de nota van inlichtingen, die<br />
verleden voorjaar door den Minister van Koloniën bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal<br />
is ingediend en waarvan U Hoog Wel Geb. indertijd een exemplaar is toegezonden.<br />
Hetgeen in ons antwoord aan de Porte gezegd wordt ten opzichte van den geest van<br />
eerbiediging, welke het Nederlandsch Indisch Bestuur steeds tegenover de godsdienst van<br />
de inlandsche volken in den Archipel bezielt, wordt bevestigd door het getuigenis van den<br />
van ons geheel onaf hankelijken vorst van Djohore, op het schiereiland Malakka, die onlangs<br />
en sedert het ontstaan van ons conflict met Atjeh de verklaring heeft uitgevaardigd, waarvan<br />
U Hoog Wel Geb. eene Engelsche vertaling hiernevens zal aantreffen.<br />
De kennisneming van die stukken zal U Hoog Wel Geb. in staat stellen om mogelijke<br />
verkeerde opvattingen omtrent scmmige punten, waar het noodig is, te verbeteren , en om<br />
de strekking van het Nederlandsch bestuur in den Archipel in Uwe gesprekken toe te lichten.<br />
Wat echter het laatste punt betreft, zoo veroorloof ik mij U ter Uwer persoonlijke informatie<br />
mede te deelen, dat, hoewel wij , ten einde onnoodigen aanstoot te vermijden , vermeden<br />
hebben in ons antwoord op de nota der Turksche Regering de quaestie der geestelijke<br />
suprematie van den Turkschen Sultan over de Mahomedaansche volken van den Indischen<br />
Archipel opzettelijk aan te roeren , wij evenwel zoodanige aanspraken van den Sultan, indien<br />
zij gemaakt werden, niet zouden kunnen erkennen.<br />
Het zal u dus duidelijk zijn dat wij in slotsom even afkeerig blijven als vroeger van<br />
alle tusschenkomst of inmenging van Turkije en in geene mate daartoe de hand kunnen<br />
leenen. Wil de Porte waarlijk iets tot bevordering van eene vredelievende oplossing doen,<br />
dan, wij zijn er overtuigd van, heeft zij daartoe geen beter middel dan de aanzoeken tot<br />
tusschenkomst, die haar van wege Atjeh gedaan worden, op ondubbelzinnige manier af te<br />
wijzen, zoodat eindelijk de Atjehers mogen begrijpen, dat zij op geen steun in hun verzet<br />
tegen ons te rekenen hebben. De edelmoedige gezindheid en het stelsel van zooveel mogelijke<br />
eerbiediging van bestaande toestanden, welke steeds het Nederlandsch Bestuur in den<br />
Indischen Archipel hebben gekenmerkt, kunnen strekken om de belangstelling, waarvan<br />
de Porte voor Atjeh heeft doen blijken, gerust te stellen.<br />
De overweging van al het bovenstaande, hetwelk u vertrouwelijk en tot eigen gebruik<br />
medegedeeld wordt, zal u voldoende bekend maken met de opvattingen van Zr. Ms. Regering.<br />
U gelieve uwe houding daarnaar te regelen en vooral z<strong>org</strong> te dragen dat die houding<br />
in overeenstemming bliive met den vriendschappelijken toon, dien wij, op het voorbeeld<br />
van Turkije, in ons antwoord hebben trachten te leggen.<br />
Uwe mededeelingen omtrent den indruk, door dit laatste te weeg gebracht, zie ik met<br />
groote belangstelling te gemoet.<br />
Afschrift van dat stuk zal door mij ook aan MUSURUS PACHA worden toegezonden.<br />
Gelief, enz.<br />
(w. g.) L. GERICKE.<br />
P.S. Ik acht het niet ondienstig u hiernevens nog ter uwer informatie afschrift te zenden<br />
van den brief, waarmede MUSURUS PACHA de nota der Turksche Regering heeft ingediend.
HO<br />
18. De Turksche Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken aan Zr. Ms. Minister-Resident<br />
te Constantinopcl.<br />
N°. 36446/23.<br />
M. le Minisfre Resident!<br />
Le 19 Nowmbre 1873.<br />
J'ai 1'honneur de vous transmettre ci-joint copie d'uue dépêche que je viens d'écrire a<br />
MUSURUS PACHA en róponse a celle de Son Excellence le Baron GEEICKE , concernant la<br />
question Atchinoise.<br />
Ainsi que je le déclare dans ma dépêche, Sa Majesté Impériale le Sultan et son Gouvernement<br />
sont sensibles aux sentiments dont M. le Ministre des Affaires Étrangères de S. M.<br />
le Roi, votre auguste Souverain, se fait 1'interprête.<br />
Je vous serais obligé, si vous vouliez bien, de votre coté, transmettre au Gouvernement<br />
Royal 1 expression de nos remerciments pour les termes amicaux et conciliants dans lesquels<br />
sa réponse est concue, et les espérances qu'elle fait concevoir pour 1'heureuse solution de<br />
la question dont il s'agit.<br />
Agréez, etc.<br />
19. Brief van den Turkschen Minister tan<br />
Buitenlandsche Zaken aan den Turkschen<br />
Ambassadeur te Londen.<br />
a S. E. MUSURUS PACHA!<br />
(s.) RACHD.<br />
Le 19 Novembre 1873.<br />
J'ai recu la dépêche que Votre Excellence a bien voulu m'écrire le 3 Octobre n°. 5271/225<br />
pour me transmettre copie d'une note du Ministre des Affaires Étrangères des Pays-Bas,<br />
contenant la réponse du Cabinet de La Haye, relative a, la question Atchinoise.<br />
D'ordre de son Gouvernement M. HELDEWIEE m'a, de son cöté, donné communication et<br />
laisse' copie d'une dépêche identique a celle que Son Excellence M. le Baron GEEICKE vous<br />
a fait parvenir.<br />
^ Je n'ai pas manqué de placer sous les yeux de notre auguste Souverain cette dépêche.<br />
ainsi que les pièces que j'ai recues de Votre Excellence.<br />
C'est avec une profonde satisfaction, que Sa Majesté a relevé les termes conciliants dans<br />
lesquels est concue la réponse du Cabinet de La Haye.<br />
Sa Majesté et son Gouvernement ont été heureux de voir leur démarche si bien appréciée<br />
dans sa nature comme dans sa portée. lis s'en félicitent d'autant plus, qu'ils y voient un<br />
gage de modération, si bien fait pour amener un heureux dénouement de la question Atchinoise.<br />
' Je crois être 1'interprête des sentiments de notre auguste Souverain et de son Gouvernement<br />
en vous chargeant d'exprimer a M. le Baron GEEICKE les voeux que nous formons dans se<br />
sens, ainsi que nos remerciments pour les sentiments qui ont inspiré sa communication<br />
responsive.<br />
Veuillez, etc.<br />
(s.) RACHID.
VI.<br />
STUKKEN<br />
BETREFFENDE DE<br />
OORLOGSVERKLARING<br />
EN DE<br />
STAKING BER EERSTE EXPEDITIE,
143<br />
1. De Gouvernements-commissaris voor Atjeh aan<br />
den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indie.<br />
N°. IV/A.<br />
TER REEDE ATJEH , 26 Maart 1873.<br />
Gelijk ik de eer had Uwer Excellentie bij mijn telegram van den 19den dezer mede te<br />
deelen, verliet ik aan boord van Zr. Ms. stoomschip Citadel van Antwerpen, des namiddags<br />
te vier ure van dien dag, de reede van Poeloe-Pinang. Vergezeld van Zr. Ms. stoomschepen<br />
Marnix en Coehoorn en van den gouvernemeuts-stoomer Siak werd de togt naar Atjeh voortgezet,<br />
en liet de flotille den 22sten daaraanvolgende, ongeveer te half elf ure des voormiddags,<br />
het anker ter reede van die plaats vallen.<br />
Onder uitdrukkelijke vermelding van het gewigt zijner zending, gelastte ik onmiddellijk<br />
daarop den tolk voor de Atjehsche taal SIDI TAHIL zich naar den wal te begeven, ten<br />
einde den Sultan van Atjeh mijn aan dezen gerigten brief van den 22sten te overhandigen.<br />
Daarbij maakte ik gebruik van de diensten van eenige opvarenden eener daags te voren<br />
aangehouden praauw, afkomstig van Gigben en bestemd naar Edi, waarvan dedjoeragan<br />
zich bereid had verklaard om tegen zekere belooning, welke sedert door mij is uitgekeerd,<br />
bedoelden brief aan den Sultan te helpen overbrengen.<br />
Hiertoe ging ik over in verband met de dreigende houding, welke men, volgens geloofwaardige<br />
berigten, in Atjeh tegenover ons wenschte aan te nemen, en welke het mij ten<br />
zeerste onraadzaam deed ' achten voorloopig zelfs een enkelen onzer manschappen aan den<br />
wal te wagen.<br />
Dat er werkelijk eene vijandige stemming in gemeld rijk bestond, bleek duidelijk nit de<br />
omstandigheid, dat, terwijl bij onze aankomst eene groote bedrijvigheid van visschers op<br />
en nabij het strand heerschte, deze al zeer spoedig daarna ophield, om plaats te maken<br />
voor eene groote, steeds aangroeijende menigte gewapend volk, die zich niet alleen gestadig<br />
langs het stand bewoog en den ingang der Atjeh-rivier, zoomede een paar nabij gelegen,<br />
schijnbaar in vervallen toestand verkeerende bentings bezette, maar ook in allerijl een paar<br />
aarden borstweringen opwierp.<br />
In den avond van den 23sten bragt SIDI-TAHIL mij het schriftelijk antwoord des Sultans<br />
over. Te vergeefs zocht ik daarin naar eenige opheldering aangaande de door mij tegen<br />
Atjeh ingebragte grieven en naar een betoon van bereidwilligheid om met mij in onderhandeling<br />
te treden nopens de wijze, om tot eene gewenschte verhouding tot ons Gouvernement te<br />
geraken.<br />
Hierin heb ik aanleiding gevonden om onder dagteekening van den 24sten dezer tot den<br />
Sultan een tweeden brief te rigten, waarin op de onvolledigheid van zijn antwoor d gewezen<br />
en hem nadrukkelijk vo<strong>org</strong>ehouden werd om alsnog binnen den tijd van vier en twintig<br />
uren de in mijn vorig schrijven verlangde ophelderingen te verschaffen, bij gebreke waarvan<br />
ik mij genoodzaakt zoude zien tot beslissende maatregelen over te gaan.<br />
In zijn daarop gevolgd antwoord, 't welk mij in den avond van den 25sten dezer gewerd,<br />
bleef de Sultan ook nu weder in gebreke de bij herhaling gevraagde inlichtingen te geven.<br />
Het verdient intusschen opmerking, dat de vorst in geen zijner beide brieven de tegen hem<br />
aangevoerde grief, waaromtrent meer in 't bijzonder opheldering is gevraagd, heeft weersproken<br />
, — 't geen mijns inziens het voldingendst bewijs oplevert van hare gegrondheid.<br />
Met betrekking tot het voorkomende aan het slot van 's vorsten laatsten brief, dat het<br />
door hem aan onze vlag gegeven saluut van een en twintig schoten onzerzijds niet is beantwoord,<br />
teeken ik hierbij aan, dat den Sultan, bij gelegenheid der eerste zending van<br />
15
114<br />
SIDI TAHIL , onder de gewone voorwaarde van reciprociteit, een saluut is aangeboden, waarop<br />
geen antwoord is ontvangen. Dientengevolge bleef het saluut onzerzijds achterwege. Dat<br />
intusschen het vermeld aantal schoten uit des Sultans geschut zoude zijn gelost, is, niettegenstaande<br />
de meest mogelijke waakzaamheid, door geen onzer schepen opgemerkt;<br />
weshalve de waarheid dier mededeeling met grond kan worden betwijfeld.<br />
In de phase, waarin het Atjehsche vraagstuk thans verkeert, acht ik mij niet verantwoord<br />
de zaak langer slepende te houden. Verdere pourparlers zouden tot niets leiden.<br />
Integendeel ligt het blijkbaar in de bedoeling der Atjehers om door allerlei uitvlugten tijd<br />
te winnen, ten einde zich des te beter tot den strijd tegen ons te kunnen voorbereiden of<br />
wel zich inmiddels elders bondgenooten te verschaffen.<br />
Onze lankmoedigheid is lang genoeg op de proef gesteld, en thans is mijns inziens het<br />
oogenblik aangebroken om met klem en met den meesten ernst op te treden.<br />
Langer dralen zou als een bewijs van zwakheid worden aangemerkt en 's vijands overmoed<br />
slechts aanwakkeren.<br />
Doordrongen van het besef hiervan en met het oog op Uwer Excellentie's telegram van<br />
19 dezer, heb ik dan ook niet geaarzeld heden aan den Sultan van Atjeh den oorlog te<br />
verklaren; hetgeen is geschied bij een manifest, waarvan ik de eer heb Uwer Excellentie<br />
hiernevens een afschrift aan te bieden, vergezeld van kopijen en vertalingen van mijne<br />
brieven aan den Sultan en van diens antwoorden (1).<br />
Zooveel mogelijk heb ik mij in het manifest gehouden aan de bewoordingen, gebezigd in<br />
de door Uwe Excellentie op den 6den dezer gearresteerde proclamatie, terwijl ik mij daarin<br />
slechts die geringe wijzigingen heb veroorloofd, welke door den loop der omstandigheden<br />
zijn noodzakelijk gemaakt.<br />
Dat manifest zal nog heden den Sultan worden toegezonden, terwijl het, zoodra van zijne<br />
ontvangst zal zijn gebleken, nader door het werpen van eenige projectielen in of nabij des<br />
Sultans verblijf, waarvan wij slechts 3600 meters verwijderd liggen, bevestigd zal worden.<br />
In verband met hetgeen ik de eer had in mijn rapport van den 14den dezer, n°. II/A,<br />
ten aanzien van TONGKOE MOHAMAD AKIFFIN mede te deelen, zal het Uwe Excellentie welligt<br />
bevreemden dat ik van zijne diensten geen gebruik heb gemaakt bij het overbrengen mijner<br />
beide voormelde brieven aan den Sultan van Atjeh.<br />
Hiervoor bestond evenwel eene gegronde reden. Het was mij namelijk bij nader inzien in<br />
het belang der zaak niet wenschelijk vo<strong>org</strong>ekomen, om genoemden tongkoe, wiens dubbelzinnige<br />
rol bij de Atjehsche grooten niet onbekend is gebleven, thans met eene zending van<br />
zoo hoogst 1 eederen aard, en waaraan zeer ernstige gevolgen konden verbonden zijn, te belasten.<br />
Terwijl het mij daarom beter toescheen hem onder mijn onmiddellijk toezigt te houden,<br />
heb ik nogtans gebruik gemaakt van zijne bekendheid met den invloedrijken Atjehschen<br />
groote TONGKOE KALI ALIMELIKOEL ADIL, om dezen te wijzen op de ernstige gevolgen, welke<br />
eene vijandige houding van Atjeh jegens ons Gouvernement voor dat Rijk zoude na zich<br />
slepen, en in verband daarmede den raad te geven om aan onze eischen gehoor te verleenen.<br />
Van den betrekkelijken brief en van het schrijven van den mij toegevoegden inlandschen<br />
zendeling DATOE SETIA ABOE HASSAN, mede aan TONGKOE KALI voornoemd gerigt, en strekkende<br />
om hem te bewegen mij te komen ontmoeten, zoomede van de antwoorden van dezen<br />
Atjehschen groote, veroorloof ik mij eveneens afschriften hierbij over te leggen.<br />
Ten slotte acht ik het niet ondienstig Uwer Excellentie enkele opmerkingen mede te deelen<br />
. welke door SIDI TAHIL gedurende zijne aanwezigheid aan den wal waren gemaakt.<br />
Het was hem namelijk gebleken, dat men in Atjeh met de krijgstoerustiogen van onze<br />
zijde volkomen bekend was en zich op kra'chtigen wederstand voorbereidde. Aan de monding<br />
der Atjeh-rivier had zich al voort eene magt van drie duizend man verzameld, welke aanzienlijk<br />
zou worden versterkt. Die magt bestond hoofdzakelijk uit de bevolking der XXII<br />
Moekim, welke ons zeer vijandig gezind is enden oorlog verlangt. Toch meende Sidi-Tahil<br />
eene zekere vrees voor onze naderende troepenmagt te hebben opgemerkt, welke evenwel<br />
achter het masker van grootspraak en snoeverij verb<strong>org</strong>en werd. Men was uitermate ver-<br />
(1) De Hollandsche overzettingen dezer antwoorden volgen later; voor hare vervaardiging ontbreekt<br />
thans de tijd.
115<br />
bitterd op den sjabandar, PANGLIMA TIBANG MOHAMAD , dien men als den bewerker van den<br />
tegenwoordigen hoogst ernstigen toestand beschouwde, en wiens leven door verscheidene<br />
Atjehsche grooten dermate werd bedreigd , dat hij zich zelfs niet buiten de kota van den<br />
Sultan durfde vertoonen.<br />
In de nabijgelegen XXVI Moekim was men het omtrent de wenschelijkheid van een oorlog<br />
met ons niet eens, terwijl het hoofd der XXV Moekim, TOEKOE NEK RADJA MOEDA SETIA,<br />
. met zijne onderhebbende bevolking ons Gouvernement vriendschappelijk gezind is. Dit<br />
laatste werd mij bevestigd door een vertrouweling van genoemden toekoe, die zich een<br />
paar dagen geleden bij mij aan boord kwam vervoegen , en mij namens den toekoe het<br />
verzoek deed om diens schoonvader, den radja moeda van Troemon, te doen ontbieden in<br />
het belang eener schikking met Atjeh.<br />
Dat aan dien voorslag, in verband met onze gebrekkige middelen van gemeenschap, op<br />
dit oogenblik geen gevolg kan worden gegeven , behoeft geen betoog; doch ik behoud mij<br />
voor om later van de diensten van genoemden radja moeda van Troemon die partij te trekken,<br />
welke mij wenschelijk zal voorkomen , terwijl ik intusschen aan TOEKOE NEK RADJA MOEDA<br />
SETIA heb doen weten , dat bijaldien hij zich bij ons wilde aansluiten, hij daarvan bij het<br />
openen der vijandelijkheden zou moeten doen blijken, in welk geval zijn gebied voor tooneelen<br />
van verwoesting zal worden gespaard.<br />
De verklaringen van SIDI TAHIL van strategischen aard, voor de kommandanten van Zr.<br />
Ms. stoomschepen Citadel van Antwerpen en Marnix afgelegd, zullen Uwe Excellentie door<br />
tusschenkomst van den Kommandant der zeemagt en chef van het departement der marine<br />
in Nederlandsch Indie worden bekend gemaakt.<br />
Het is intusschen thans overtuigend gebleken, dat het mij te Poeloe-Pinang geworden<br />
berigt, dat de Sultan van Atjeh op enkele dagreizen van Groot-A tjeh zou zijn in veiligheid<br />
gebragt, niet juist was , en hij zich alsnog daar ophoudt. Van een voornemen om die plaats<br />
te verlaten is hier niets vernomen , weshalve wij ons met de hoop mogen vleijen dat hij er<br />
stand zal blijven houden.<br />
Gedurende ons aanwezen alhier is de reede nog slechts door één handelsvaartuig, onder<br />
Engelsche vlag, bezocht, dat bij onderzoek bleek wapenen noch ammunitie aan boord te<br />
hebben en voor de Westkust van Sumatra bestemd te zijn.<br />
Ter gelegenheid der vermelding hiervan vermeen ik Uwer Excellentie nog te moeten<br />
mededeelen , dat ik, bij nadere overweging, in zóóver op het bij mijn schrijven van den<br />
14den dezer n°. II/A kenbaar gemaakte voornemen ben teruggekomen, dat, behoudens een<br />
te rade gaan met de eischen der billijkheid, bij een aanvoer door handelsvaartuigen van<br />
oorlogsbehoeften eenvoudig tot dezer inbeslagname zal worden overgegaan.<br />
Be Gouvernements-Commissaris voor Atjeh,<br />
(w. ff.) NIEUWENHUYZEN.<br />
P. S. Ik teeken hierbij nog aan, dat ik afschriften van mijn bovenbedoeld manifest heb<br />
gezonden : aan den Consul-generaal der Nederlanden te Singapore, W. H. READ ; aan den<br />
vice-consul der Nederlanden te Poeloe Pinang, PADDAY , ook ter mededeeling aan de consuls<br />
der overige mogendheden aldaar gevestigd; en aan den kommandant van Zr. M. stoomschip<br />
Citadel van Antwerpen; terwijl eindelijk van die oorlogsverklaring tevens mededeeling is<br />
gedaan aan den Gouverneur der Straits-Settlements en den Luitenant-Gouverneur van Prince<br />
of Wales-Island , bij afzonderlijke missives , zonder overlegging evenwel van de betrekkelijke<br />
exemplaren.<br />
a. De Gouvernements-commissaris aan<br />
den Sultan van Atjeh.<br />
(Hollandsche tekst).<br />
B u L A G E N.<br />
(Gewone inleiding).<br />
Vervolgens breng ik ter kennis van Uwe Hoogheid:<br />
dat het bij herhaling gebleken is, dat de bestuurders van Atjeh de ernstige voornemens<br />
*
116<br />
en welwillende bedoelingen miskend hebben, door het Nederlandsch Gouvernement betoond,<br />
om de onderlinge vijandelijkheden, welke zeer ten nadeele der algemeene belangen van<br />
handel en scheepvaart strekken, in de aan gemeld rijk onderhoorige staatjes te keeren en<br />
eene goed geregelde verstandhouding tot dat Gouvernement in 't leven te roepen, en dat<br />
zij de deswege gedane dringende vertoogen hebben in den wind geslagen;<br />
dat zij onlangs met vijandige bedoelingen te Singapore de tusschenkomst van agenten<br />
van buitenlandsche mogendheden tegen het Nederlandsch Gouvernement hebben ingeroepen,<br />
bij monde van dezelfde gezanten, die onder het masker van vriendschap en goede<br />
trouw naar Riouw waren afgevaardigd om aan den resident van dat gewest, van wien<br />
zij bescherming ondervonden, uitstel te vragen van de politieke zending, bedoeld bij het<br />
Gouvernements-besluit van 31 Augustus 1872 la. H 2<br />
. geheim, aan Uwe Hoogheid medegedeeld<br />
bij schrijven van den Gouverneur van Sumatra's Westkust en met een oorlogschip<br />
overgebragt door den controleur jhr. KEATENHOFF;<br />
dat de bestuurders van Atjeh door die handelingen artikel één der op 30 Maart 1857<br />
met dat rijk gesloten overeenkomst van vrede, vriendschap en handel hebben geschonden,<br />
en ik thans gekomen ben om deswege namens de Regering van Nederlandsch Indie de<br />
vereischte schriftelijke opheldering te vragen, — tot het geven waarvan ik den bestuurders<br />
van Atjeh een termijn stel van vier en twintig uren; mij voorbehoudende om, voort na ontvangst<br />
dier opheldering, aan de bestuurders van Atjeh te doen kennen, hoedanig naar<br />
mijne meening tot eene gewenschte verhouding tusschen het Gouvernement van Nederlandsch-Indie<br />
en Atjeh kan worden geraakt, om vervolgens dienaangaande de vereischte<br />
besprekingen te openen.<br />
Geschreven aan boord van Zr. Ms. stoomschip Citadel van Antwerpen, den 22sten Maart 1873.<br />
b. De Sultan van Atjeh aan<br />
den Gouvernements-commissaris.<br />
(Vertaling uit het Maleisch.) 1)<br />
(Gewone inleiding).<br />
Voorts geef ik mijnen vriend kennis, dat ik zijn mij toegezonden brief ontvangen en den<br />
inhoud er van begrepen heb, en dat thans eene onveranderlijke vriendschap tusschen mij<br />
en het Nederlandsch-Indisch Gouvernement bestaat. Intusschen heb ik een schrijven naar<br />
Riouw gezonden , strekkende om uitstel te erlangen van de vo<strong>org</strong>enomen zending (naar<br />
Atjeh) tot dat ik van den Sultan van Turkije antwoord zal hebben ontvangen op mijn aan<br />
hem gerigten brief. Zoodra ik de beveleu en tijdingen van dien vorst zal hebben ontvangen,<br />
zal ik mijn vriend daarvan mededeeling doen. Ook heb ik kortelings gezanten naar Riouw<br />
gezonden, om de zaak van de Gipsy te vereffenen; alleen daartoe strekte het gezantschap.<br />
Thans echter bestaat er (uit dien hoofde) eene eenigszins beperkte vriendschap, en ware het<br />
niet dat ik op het antwoord van den Sultan van Turkije wachtende ben , zoo zou ik het<br />
Nederlandsch Indisch Gouvernement eene dubbele mate van genegenheid toedragen.<br />
Geschreven den 23sten Moecharam, op Zondag, van het jaar 1290. (23 Maart 1873.)<br />
1) De hier medegedeelde vertalingen van de brieven des Sultans zijn die, welke door den Gouvernements-<br />
Commissaris na de afzending van zijn brief aan de Indische Regering zijn bez<strong>org</strong>d.
c. Tonghoe Mohamad Ariffin aan<br />
Tongloe Kali Alimelihoel Adil.<br />
(Vertaling nit het Maleisch.)<br />
(Gewone inleiding.)<br />
117<br />
Ik geef mijn vader kennis dat ik mij aan boord van het oorlogschip in het gevolg bevind<br />
van den Regerings-Commissaris, die naar Atjeh gekomen is, omdat hij voorspoed en vrede<br />
aan U wil brengen, vriendschap wil sluiten en hulp verleenen.<br />
Daarom hoop ik dat mijn vader met alle mogelijke eer den hooggeplaatsten heer zal ontvangen,<br />
opdat er zegen en voorspoed moge geboren worden voor beide partijen.<br />
En de Regerings-Commissaris heeft circa 7000 soldaten bij zich , benevens acht oorlogsbodems<br />
, waarvan vier op de gewone ankerplaats liggen en vier op zee zijn gebleven. Wanneer<br />
nu mijn vader niet treedt in den wensch van den Regerings-Commissaris, dan zal er, naar<br />
ik denk , later groote ongelegenheid komen.<br />
Wanneer vader hulp verwacht van de Engelschen, daar is geen quaestie van , want in<br />
het jaar 1871 is het geheele eiland Sumatra, van Tandjong Toewa (Telok-Betong) tot aan<br />
ons land Atjeh , in handen der Hollanders overgegeven; en de Amerikaanschen consul wilde<br />
ons helpen, maar zooals uit den brief van dien consul te Singapore blijkt, stonden de Engelschen<br />
dit niet toe en kon hij geen voldoende hulp verstrekken, en daarom is het dat ik<br />
den Regerings-Commissaris gevolgd ben.<br />
Welligt dat vader wil hooren naar mijn goeden raad, daar ik de gewoonte en den aard<br />
der blanken ken , en indien dit niet zoo ten goede geschiedt, dan zal er zeker ongelegenheid<br />
komen. In 1857 sloot onze onlangs overleden vorst een contract, dat goed was, met het<br />
Nederlandsch-Indisch Gouvernement; en nu wil dat Gouvernement het rijk Atjeh volstrekt<br />
niet nemen, mits het de suprematie erkenne (letterlijk: mits het erkenne te staan in de<br />
schaduw) van den Koning van Holland.<br />
En dan zullen wij zegen en voorspoed hebben. Wanneer vader, in deze omstandigheden,<br />
het goede wil doen, antwoord dan op dezen brief, dan kan ik het bespoedigen.<br />
Ik heb gegeten de rijst van mijn vader en van den overleden Sultan tot nu toe; ik zal<br />
die weldaden niet vergeten en hoop dat mijn vader geluk en voorspoed hebbe en opklimme<br />
tot de hoogste grootheid, onder bescherming (schaduw) van den Koning van Holland.<br />
Geschreven aan boord van het oorlogschip 21 Maart 1873.<br />
Naschrift.<br />
Vader, dezen brief schreef ik Zaturdag avond aan boord van het oorlogschip, maar ik<br />
heb hem nog niet verzonden, omdat er nog geen zekerheid was omtrent hetgeen uit den<br />
twist zou voortvloeijen, daar er werd gewacht op den brief van den Sultan van Atjeh.<br />
En toen het antwoord van Z. H. den Sultan aan den Regerings-Commissaris aan boord<br />
kwam , was de strekking er van niet goed.<br />
Indien de gedachten van vader zóó zijn, en hij zich niet laat vinden op den weg die het<br />
goede brengt, dan zal er zeker een groote oorlog uitbarsten, want ik heb zelf gehoord,<br />
dat wanneer de Sultan en de rijksgrooten niet onder de suprematie (schaduw) van bet<br />
Nederlandsch-Indisch Gouvernement willen blijven , vader zeker wel ongerief zal ondervinden,<br />
en dan zal het Gouvernement ons niet in zijn hoede nemen.<br />
Wanneer er oorlog komt, dan verliezen wij het zeker, en dan zal het Gouvernement<br />
later zeker een resident hier in ons land plaatsen en wij allen rijksgrooten zullen daarvan<br />
te lijden hebben.<br />
Ik denk, dat, als vader zich toevertrouwt aan de bescherming van het Hollandsche Gouvernement,<br />
dan zal het U voorspoedig gaan als den Sultan van Pontianak en Siak en andere<br />
vorsten. En de KORAN zegt, dat voor ons geloovigen deze aarde eene gevangenis is, maar voor<br />
de niet geloovigen een hemel, en wanneer de menschen die de wereld bezitten onze vrienden<br />
zijn, dan zal ons werk zeker zegenrijk zijn.
118<br />
Wat betreft de zaak (eigenlijk: hoofdstuk, artikel) van dengene, die naar Turkije is<br />
gegaan, namelijk de zoon TONGKOE PAYA, dit zal zeker niet gelukken, want de Koning van<br />
Holland heeft zelf afgezanten in het rijk van Turkije, en al de Europesehe Mogendheden<br />
die in Indie gezag voeren hebben contracten met elkander gesloten; bij voorbeeld indien de<br />
vorst Tjandar Badoen in oorlog is met den vorst van het Rijk Hou, dat grooter is dan het<br />
onze, dan mag de Sultan van Turkije zich daarin niet mengen. En nu hoop ik dat gij ü<br />
voegen zult naar hetgeen goed is, opdat Uwe afstammelingen ons nog lang regeren, met<br />
oorspoed en in welvaren.<br />
d. Datoe Setia Aboe Rassan aan<br />
Tongkoe Kali Alimelikoe Adil.<br />
(Vertaling uit het Maleisch).<br />
Hierbij zend ik u dezen brief, om u mede te deelen dat, wat betreft de zaak tusschen<br />
Atjeh en het Gouvernement, naar mijn dom oordeel er geene groote ongelegenheid uit zal<br />
voortkomen, want de Regerings-Commissaris is een man van groot aanzien, die in die<br />
zaak eene beslissing kan nemen<br />
Daarom raad ik u aan, om, wanneer gij geen goed middel weet, naar mijn wensch<br />
naar boord te komen om den Commissaris te ontmoeten, en te overleggen hoe eene goede<br />
verstandhouding te vinden tot goede beëindiging van de zaak tusschen Atjeh en het Nederlandsch-Indisch<br />
Gouvernement, opdat onmin worde voorkomen tusschen die twee partijen.<br />
Ook kan broeder TONGKOE NJA MANOD naar het schip laten gaan, met een brief van<br />
U, want de groote heer wil niet te zwaar in zijn eisch zijn.<br />
Wanneer die brief uw zegel draagt en de volledige en volmondige verklaring bevat dat<br />
Atjeh staat onder de suprematie van den Koning van Holland, dan is het uit met alles wat<br />
ongelegenheid en ongerief brengt.<br />
e. Tongkoe Kali Alimelikoel Adil aan<br />
Tongkoe Mohamad Ariffin.<br />
(Vertaling uit het Maleisch).<br />
Geschreven 24 Maart 1873.<br />
Ik geef kennis aan mijn zoon, dat ik den brief, dien mijn zoon aan mij gezonden heeft,<br />
ontvangen heb en den inhoud daarvan heb begrepen.<br />
Ik geef u kennis, dat ik ziek was en niet kon gaan naar het schip, om te spreken met<br />
den Regerings-Commissaris.<br />
Het is noodzakelijk dat mijn zoon en DATOE SETIA ABOE HASSAN nog eens goed overdenken,<br />
want de menschen van Atjeh bandelen langzaam en niet ondoordacht.<br />
En ik hoop duizendmaal, dat gij een goeden raad kunt geven aan den grooten heer<br />
opdat het tusschen den Sultan van Atjeh en het Nederlandsch-Indisch Gouvernement goed zij.<br />
f. Tongkoe Kali Alimelikoel Adil aan<br />
Batoe Setia Aboe Hassan.<br />
(Vertaling uit het Maleisch.)<br />
Ik doe U thans iets weten omtrent den stand van zaken in Atjeh.<br />
Ik ben ziek en kan mij niet begeven aan boord van het schip, om met den Regerings-
119<br />
Commissaris te spreken, maar ik denk dat gij over de zaak nog goed moest nadenken,<br />
want de Atjehers handelen langzaam en niet ondoordacht.<br />
Ik hoop duizendwerf dat gij nog goeden raad kunt geven aan den Regerings-Commissaris.<br />
Ik hoop dat de Sultan van Atjeh en het Gouvernement in goede verstandhouding mogen zijn.<br />
g. Toekoe Nek Radja Moeda Setia<br />
aan den Gouvernements-Commissaris.<br />
(Vertaling uit het Maleisch.)<br />
Deze brief is gerigt aan den Regerings-Commissaris.<br />
Geschreven den 24n Moecharam 1290 (24 Maart 1873.)<br />
Telkenmale als SAIDI TAHIB te Atjeh kwam, heb ik mijne gedachten reeds gezegd; nu<br />
verzoek ik dat de Regerings-Commissaris den radja moeda van Troemon plegtig laat ontvangen,<br />
want die Tongkoe Radja Moeda kent de manieren (de wijze van handelen) van<br />
de Compagnie.<br />
Hij kan dat goed aan het verstand brengen van de Atjesche rijksgrooten, opdat mijnheer<br />
op die wijze wete, wie wel en wie niet met de Compagnie willen meegaan.<br />
Wat betreft mijn land , dat onder mijn bestuur is, ik heb het reeds aan SAIDI TAHIB<br />
gezegd, dat ik er erg naar verlang om mij bij de Compagnie te voegen.<br />
Indien mijnheer het niet vertrouwt, dan wil ik een geschrift geven, en duizendwerf<br />
hoop ik dat ik een brief terug ontvang van mijnheer.<br />
En ook met de andere rijksgrooten kan ik spreken, en wanneer er zijn die er ook mede<br />
genoegen nemen, dan kan ik het ook zeggen aan mijnheer.<br />
Wat mijnheer mij ook oplegt, als ik kan, zal ik het opvolgen, maar mijnheer moet<br />
mij beschermen, zooals hij mijn vader den radja moeda van Troemon beschermt.<br />
h. De Gouvernements-Commissaris<br />
aan den Sultan van Atjeh.<br />
(Hollandsche tekst.)<br />
Voorts deel ik Uwe Hoogheid mede dat ik haar schrijven van Zondag den 23sten der<br />
maand Moecharam van het jaar 1290 in welstand ontvangen en zijn inhoud begrepen heb,<br />
doch dat ik daarin in geen enkel opzigt de ophelderingen heb aangetroffen, welke ik in<br />
mijn brief van 22 Maart 1873 van Uwe Hoogheid heb gevraagd.<br />
Intusschen zijn die ophelderingen voor het Nederlandsch-Indisch Gouvernement van het<br />
hoogste belang, en moet ik er daarom op aandringen, dat mij die alsnog binnen den tijd<br />
van vier en twintig uren geworden.<br />
Hoezeer het Nederlandsch-Indisch Gouvernement met den Sultant van Turkije e"veneens<br />
in vriendschappelijke verhouding verkeert, heeft die vorst nogtans geen regt hoegenaamd ,<br />
om zich in de tusschen het Nederlandsch-Indisch Gouvernement en het rijk van Atjeh<br />
gerezen kwestien te mengen.<br />
Dit zou ik bovendien te minder kunnen toestaan, wijl het duidelijk gebleken is , dat Uwe<br />
Hoogheid zich ten strijde voorbereidt door gewapende manschappen te verzamelen.<br />
Uit dien hoofde herhaal ik bij deze mijn uitdrukkelijk verlangen, dat mij binnen den<br />
tijd van 24 uren de ophelderingen worden gegeven bedoeld in mijn voormeld schrijven<br />
van 22 Maart 1873.<br />
Verder herhaal ik mijn wensch om, zoodra mij ten deze de vereischte inlichtingen zullen<br />
zijn verstrekt, de wijze te bepalen, hoedanig tot eene goed geregelde verhouding tusschen<br />
het Nederlandsch-Indisch Gouvernement en het rijk van Atjeh kan worden geraakt.<br />
Ten slotte maak ik er Uwe Hoogheid, in verband met de door haar gemaakte krijgs-
420<br />
toerustingen, opmerkzaam op, dat, bijaldien ik'thans binnen den tijd van 24 uren geen<br />
voldoend antwoord op mijn vorigen brief mogt hebben ontvangen, ik mij in allen ernst<br />
genoodzaakt zal zien, ten deze tot beslissende stappen over te gaan.<br />
Geschreven aan boord van Zr. Ms. stoomschip Citadel van, Antwerpen, den 24sten Maart 1873.<br />
i. l)e Sultan van Atjeh aan<br />
den Gouvernements-commissaris.<br />
(Vertaling uit het Maleisch.)<br />
(Gewone inleiding).<br />
Wijders deel ik mijn vriend mede, dat ik den brief, door SIDI TAHIL overgebragt, met<br />
eerbied heb ontvangen, en na dien te hebben geopend, den inhoud er van goed begrepen<br />
heb. Daarin toch staat vermeld , dat mijn vriend binnen vier en twintig uren antwoord van<br />
mij verlangt. Thans is het mij aangenaam mijn vriend te doen weten, dat ik mijn dienaar<br />
PANGLIMA TIBANG MOHAMAD en de hoeloebalangs die voor den resident van Riouw zijn ver<br />
schenen , namelijk : TOEKOE NJA MOHAMAD , gemagtigde van TOEKOE KALI MALIKOEL ADIL ,<br />
TOEKOE NACHODA MOHAMAD SAID, gemagtigde van TOEKOE NANTA SETIA , TOEKOE AKOEB ,<br />
gemagtigde van TOEKOE NEK RADJA MOEDA SETIA , en TOEKOE NJAH AGAM , gemagtigde van<br />
PANGLIMA MESDJID RADJA , — met een brief naar genoemden resident heb gezonden , om van<br />
hem een uitstel van zes maanden (voor de volbrenging der hem opgedragen zending naar<br />
Atjeh) te vragen. Na aldaar te Riouw gedurende acht en veertig dagen op antwoord te<br />
hebben gewacht, deelde de resident (den gezanten) mede dat het Gouvernement mijn brief<br />
ontvangen had, terwijl hij, resident, Zr. Ms. stoomschip Marnix naar mij toezond. Aldus<br />
was de verklaring der vijf genoemde personen. Waarom komt nu het Gouvernement voor<br />
dat de (toegestane) termijn van zes maanden verstreken is, en wat is wel onze schuld ?<br />
Het Gouvernement gelieve mij zulks mede te deelen, opdat ik het wete. Voorts maakt<br />
mijn vriend de opmerking, dat mijne onderdanen gewapend langs het strand loopen. De<br />
reden hiervan is, dat het schip, waarop mijn vriend zich bevindt, zeer digt aan den wal<br />
geankerd ligt, en het volk, zoodanig schip nog niet gezien hebbende, nieuwsgierig is het<br />
(meer van nabij) te bekijken. Ook is de plaats waar dat schip geankerd ligt geen gewone<br />
ankerplaats. Mijn vriend, die een beter oordeel omtrent zaken beeft, gelieve zulks niet<br />
kwalijk te nemen, en mij m<strong>org</strong>en antwoord te geven.<br />
Ten slotte doe ik opmerken , dat ik het Nederlandsch-Indisch Gouvernement van den wal<br />
met een saluut van een en twintig schoten heb begroet, terwijl ik van de zijde van mijn<br />
vriend geen contra-saluut heb vernomen.<br />
Geschreven den 25sten Moecharam 1290. (25 Maart 1873.)<br />
j. Oorlogsmanifest.<br />
De Commissaris van het Gouvernement van Nederlandsch Indie voor Atjeh ;<br />
Overwegende:<br />
dat op het Gouvernement van Nederlandsch Indie de verpligting rust, om de algemeens<br />
belangen van handel en scheepvaart in den Oost-Indischen Archipel tegen belemmeringen<br />
te beveiligen;<br />
dat die belangen door de onderlinge geschillen en vijandelijkheden der aan het Rijk van<br />
Atjeh onderhoorige staatjes, waarvan enkelen bij herhaling de bescherming van het Nederlandsch-Indisch<br />
Gouvernement hebben ingeroepen, bij voortduring zijn geschaad;<br />
dat de herhaalde vertoogen van de zijde van dat Gouvernement, om aan zoodanigen toestand<br />
een einde te maken en eene goed bevestigde verstandhouding van Atjeh tot hetzelve
424<br />
in het leven te roepen, steeds zijn afgestuit op den onwil en de volslagen onverschilligheid<br />
van de bestuurders van gemeld Rijk, en op hunne magteloosheid om in de onderhoorigheden<br />
van Atjeh de rust en orde naar eisch te handhaven;<br />
dat die pogingen onlangs zelfs zijn beantwoord met verregaande trouweloosheid, op een<br />
tijdstip dat het Nederlandsch-Indisch Gouvernement met de meest welwillende bedoelingen<br />
zich in nadere verbinding met Atjeh heeft gesteld;<br />
dat de Sultan van Atjeh, deswege nadrukkelijk om opheldering gevraagd, eerst bij het<br />
schrijven van den Commissaris van den 22sten dezer, en daarna bij dat van den 24sten<br />
daaraanvolgende, niet alleen geheel in gebreke is gebleven die te verschaffen , maar zelfs de<br />
tegen hem ingebragte grieven niet heeft weêrsproken, en daarenboven er toe is overgegaan<br />
zich zoo in het oog loopend mogelijk ten strijde toe te rusten, dat daaraan geen andere<br />
beteekenis kan worden toegekend dan dat Atjeh het Gouvernement van Nederlandsch Indie<br />
moedwillig heeft gehoond en zich op het daardoor ingenomen vijandig standpunt wenscht<br />
te handhaven;<br />
dat de bestuurders van dat Rijk zich daardoor hebben schuldig gemaakt aan schennis<br />
van het tusschen hetzelve en het Nederlandsch-Indisch Gouvernement op den 30sten Maart<br />
1857 gesloten tractaat van handel, vrede en vriendschap, en het mitsdien overtuigend is<br />
gebleken dat geen staat kan worden gemaakt op de goede trouw van die bestuurders;<br />
dat het der Regering van Nederlandsch Indie onder deze omstandigheden niet langer<br />
mogelijk is, zonder krachtdadige middelen, een zoowel door het algemeen handelsbelang<br />
als de eischen van hare eigene veiligheid in noordelijk Sumatra gevorderden staat van zaken<br />
te waarb<strong>org</strong>en;<br />
Verklaart uit kracht van de magt en bevoegdheid, aan hem door de Regering van Nederlandsch<br />
Indie verleend , in naam van die Regering , den oorlog aan den Sultan van Atjeh,<br />
waarvan hij overigens bij dit manifest mededeeling doet aan elk wien zulks mogt aangaan,<br />
en een iegelijk aandachtig maakt aan alle mogelijke daaruit voortvloeijende gevolgen en aan<br />
de verpligtingen , welke in oorlogstijd op iederen burger van den Staat rusten.<br />
Gedaan aan boord van Zijner Majesteits stoomschip Citadel van Antwerpen, liggende voor<br />
Groot-Atjeh, op heden, "Woensdag den 26sten Maart 1873.<br />
2. De Gouvernements-commissaris<br />
voor Atjeh aan den Gouverneur-<br />
Generaal.<br />
N°. VljA.<br />
(get.) NIEUWENHUYZEN.<br />
TER EEEDE VAN ATJEH , 9 April 1873.<br />
Aan boord van Zr. Ms. schroefstoomschip Citadel van Antwerpen.<br />
Bij mijn rapport van 26 Maart jl., n°. IY\A, deelde ik Uwer Excellentie den uitslag<br />
mede mijner aanvankelijke onderhandelingen met den Sultan van Atjeh, welke zich oplosten<br />
in een oorlogsmanifest, waarvan ik de eer had Uwer Excellentie een afschrift aan te<br />
bieden. Door tusschenkomst van den vice-consul der Nederlanden te Poeloe-Pinang gaf ik<br />
Uwer Excellentie tevens langs telegrafischen weg van den inhoud van dat manifest kennis.<br />
Terwijl de drie toen alhier aanwezige oorlogschepen zich in den vroegen m<strong>org</strong>en van den<br />
27sten Maart gereed maakten om het vuur op de langs het zeestrand zich bevindende bentings<br />
te openen, gewerd mij des Sultans derde brief, waarin hij, onder mededeeling dat<br />
16
i<br />
422<br />
hij geen oorlog met ons verlangde, een uitstel van twee dagen verzocht, om mij een definitief<br />
antwoord op mijne vorige brieven te geven.<br />
Ten einde eene vredelievende oplossing van het Atjehsche vraagstuk zooveel mogelijk in<br />
de hand te werken, willigde ik dat verzoek in bij mijn schrijven van dien zelfden m<strong>org</strong>en,<br />
waarin ik den Sultan onder anderen mededeelde, dat het eenige middel, om verdere verwikkeling<br />
te voorkomen , gelegen was in de erkenning zijnerzijds van de opperheerschappij<br />
van Zrjne Majesteit den Koning der Nederlanden over Atjeh , en waarbij ik tevens de uitdrukkelijke<br />
voorwaarde stelde, dat hij zich binnen den tijd van tweemaal vier en twintig<br />
uren omtrent die erkenning zoude hebben te verklaren, wilde hij de vijandelijkheden onzerzijds<br />
met onherroepelijk geopend zien. Verder werd voor de tijdelijke schorsing dier vijandelijkheden<br />
het beding gesteld, dat van stonde af aan de krijgstoerustingen aan den wal<br />
zouden worden gestaakt.<br />
Toen aan dat beding niet werd voldaan, werd er in den loop van dienzelfden dag door<br />
Zr. Ms. schroefstoomschip Citadel van Antwerpen bij wijze van waarschuwing een schot op<br />
een der bentings gelost, dat aan het beoogde doel beantwoordde. Doch toen de vijand, van<br />
den schrik bekomen, den volgenden m<strong>org</strong>en met een ongeëvenaarden overmoed de werkzaamheden<br />
aan en nabij de forten voortzette, volgde er van onzen kant een gematigd maar<br />
geregeld bombardement op die sterkten , 't welk den 29sten in mindere mate werd herhaald.<br />
Na het verstrijken van den gestelden termijn geen antwoord van den Sultan ontvangen<br />
zijnde , we.-den er uit voormeld stoomschip drie granaten in de op ± 3600 meter verwijderde kota<br />
van den vorst geworpen, welke, volgens bekomen berigten, om en bij die plaats zijn neêrgevallen.<br />
Eerst op den middag van den 30sten gewerd mij des Sultan's antwoord. Vermits dat schrijven<br />
omtrent het hoofdpunt, de aanvaarding van Nederland's souvereiniteit, zeer onbestemd<br />
was, meende ik op eene pertinente verklaring dienaangaande te moeten aandringen, en<br />
stelde ik alsnu in mijn vijfden brief aan den Sultan de categorische vraag: of hij al dan niét de<br />
opperheerschappij van Nederland wenschte te erkennen. Uit zijn op den lsten dezer ontvano-en<br />
schrijven van dien dag zal Uwe Excellentie ontwaren dat de Sultan zich blijkbaar daaromtrent<br />
niet wilde verklaren.<br />
Op het terrein van onderhandelen kon ik mij nu niet langer blijven bewegen. Ik begreep<br />
dat de vijand er naar streefde de zaak slepende te houden, en ik achtte mij dien ten gevolge<br />
verpligt alle onderhandelingen met den Sultan af te breken, zoo lang niet de erkenning onzer<br />
souvereiniteit zijnerzijds was gevolgd.<br />
Deze beslissing liet ik den vorst door de overbrengers van zijn schrijven weten, en sedert vernam<br />
ik niets meer van hem, hetgeen mij in mijne opvatting versterkte, dat wij hier met niets<br />
dan een kunstgreep om tijd te winnen te doen hadden.<br />
Bij de overweging der vraag, wat ons thans te doen stond, stemde de tijdelijke bevelhebber<br />
der maritime middelen in deze wateren met mij in , dat het, met 't oog op de beperkte magt,<br />
waarover op dat oogenblik nog te beschikken viel, en de onbekendheid met de getalsterkte<br />
des vijands en met de gesteldheid van het terrein, geenszins geraden zoude zijn eene landing<br />
te beproeven , ten einde ons van de langs het strand aanwezige forten meester te maken.<br />
Aan een altijd mogelijk échec toch mogten we ons niet blootstellen; de overmoed des vijands<br />
zoude daardoor aanwakkeren, en het vertrouwen onzer manschapDen daarentegen zeer verminderen.<br />
In verband hiermede werd besloten ons voorloopig te bepalen tot het uitoefenen eener gestrenge<br />
surveillance over de omliggende kuststreken en het beschieten , waar noodig, van de<br />
vijandelijke bentings, en zulks in afwachting van de komst der expeditionaire magt wier<br />
vertrek van Batavia op 22 Maart jl. mij werd bekend gemaakt bij Uwer Excellentie's telegram<br />
van dien dag, dat mij met andere officieele bescheiden den29sten daaraanvolgende door<br />
tusschenkomst van Zr. M. stoomschip Djarnbi gewierd.<br />
In den m<strong>org</strong>en van den 5den dezer werd de komst van de transportvloot door de stoomboot<br />
der Nederlandsch-Indische stoomvaartmaatschappij Cores de Vries aangekondigd en<br />
werkelijk liet die vloot in den voormiddag van dien dag het anker te dezer reede vallen<br />
terwijl Zr. Ms. stoomschip Soerabaija, waarop de kapitein ter zee J. F. KOOPMAN zich bevond,<br />
kort daarop mede alhier verscheen. Zr. Ms. raderstoomschip Sumatra en het gouvernements-vaartuig<br />
Bronbeek kwamen respectievelijk den 7den en 8sten dezer alhier aan
123<br />
De generaal-majoor J. H. R. KÖHLEE, opperbevelhebber der expeditionaire land- en zeemagt<br />
voor Atjeh, en de kapitein ter zee KOOPMAN kwamen in den middag aan boord van<br />
de Citadel, waar de noodige besprekingen omtrent den stand der zaken en de voorloopig<br />
te nemen maatregelen betreffende de expeditie plaats vonden.<br />
Men besloot, den volgenden dag, 6 dezer, eene verkenning aan den wal te doen. Deze<br />
werd, na een korten strijd met den vijand, die zich nabij de landingsplaats bevond, naar<br />
wensch volbragt, waarna de daarvoor gebezigde troepen naar boord terugkeerden.<br />
Den 8sten dezer echter ging men tot het algemeen debarkement over, hetwelk volkomen<br />
gelukte, doch niet zonder heftigen strijd tegen den vijand, die met de grootste verbittering<br />
streed en in een toestand van razernij tegen de bajonetten onzer militairen instormde.<br />
T>3 mededeeling van bijzonderheden omtrent de operatien der alhier aanwezige land- en<br />
zeemagt laat ik uit den aard der zaak aan de betrokken bevelhebbers over, wier meer<br />
uitvoerige rapporten Uwer Excellentie door tusschenkomst van het Legerbestuur en den<br />
Kommandant der zeemagt en chef van het departement der marine in Nederlandsch-Indie<br />
zullen worden aangeboden.<br />
Voorts wensch ik nog melding te maken van de komst op den 4den dezer van de Engelsche<br />
gunboat Hornet, commander SWAN, die den daaropvolgenden dag aan boord van<br />
de Citadel mededeelde, dat hij door het Gouvernement der Straits-Settlements herwaarts<br />
was gezonden om, naar aanleiding der proklamatie van den Gouverneur aldaar van 31 Maart jl.<br />
waarvan een afschrift deze vergezelt, te waken tegen den invoer binnen Atjeh van kruit,<br />
wapenen en ammunitie door schepen onder Britsche vlag.<br />
Van het hem gedaan aanbod, om zelf de vaartuigen onder Britsche vlag, die hier mogten<br />
aankomen, te onderzoeken, verklaarde hij, onder dankbetuiging, liever geen gebruik te<br />
willen maken. Dit regt wenschte hij aan ons voorbehouden te zien, doch hij verzocht alleen<br />
om de bedoelde vaartuigen, welke door ons op contrabande mogten worden betrapt, aan<br />
hem uit te leveren.<br />
Dit verzoek werd ingewilligd. Het is mij intusschen aangenaam Uwer Excellentie te kunnen<br />
mededeelen dat er tot dusver van aanhouding of uitlevering van schepen nog geen rede<br />
is geweest.<br />
Ten slotte veroorloof ik mij , ten vervolge van mijn in hoofde dezes aangehaalde rapport van<br />
26 Maart jl. n°. IV/A, Uwer Excellentie hiernevens afschriften ën Hollandsche vertalingen aan<br />
te bieden van de sedert tusschen mij en den Sultan van Atjeh gevoerde correspondentie.<br />
Be Gouvernements-Commissaris voor Atjeh,<br />
{w. g.) NIEUWENHUYZEN.<br />
Na de afsluiting van dit rapport is de benting, waar gisteren een hardnekkig verzet<br />
werd ondervonden, zonder tegenstand door onze troepen genomen, nadat het geschutsvuur<br />
der oorlogschepen de daaromheen liggende steenen muren had vernield.<br />
a. De Sultan van Atjeh aan<br />
den Gouvernements-commissaris.<br />
(Vertaling uit het maleisch.)<br />
B u L A G E N.<br />
{Getoone inleiding.)<br />
Voorts deel ik mijn vriend mede, dat ik zijn mij toegezonden brief in welstand ontvangen<br />
en den inhoud er van geheel begrepen heb. Daarin zegt mijn vriend dat het hem onaangenaam<br />
is (dat het achterdocht bij hem opwekt) om mijne onderdanen gewapend langs het<br />
zeestrand te zien loopen. Maar mijn vriend make zich er toch in 't geheel niet bekommerd<br />
over; hij wete slechts dat dit in den aard der Atjehers ligt. Thans vraag ik mijn vriend<br />
dringend antwoord op den brief, dien ik mijn vriend jongstleden Zondag heb toegezonden.
424<br />
Aanstaanden Zaturdag zal ik mijn vriend bepaald uitsluitsel geven, want ik verlies niet<br />
uit bet oog, hoeveel dagen mijn vriend hier reeds is, zonder een beslissend antwoord<br />
mijnerzijds te hebben ontvangen. Wij willen geenszins oorlog met mijn vriend, maar<br />
alleenlijk eene vriendschappelijke verhouding.<br />
Geschreven den 26sten Moecharam, op Woensdag, van het jaar 1290. (26 Maart 1873).<br />
b. Be Gouvernements-commissaris<br />
aan den Sultan van Atjeh.<br />
(Hollandsche tekst.)<br />
(Gewone inleiding).<br />
Voorts deel ik Uwe Hoogheid mede, dat ik haar op heden m<strong>org</strong>en ontvangen schrijven<br />
van den 26sten dezer overwogen heb.<br />
Evenmin als Uwe Hoogheid verlang ik den oorlog; doch de wijze waarop Atjeh het<br />
Gouvernement van Nederlandsch Indie tot dusver en vooral nu laatstelijk weêr bejegende,<br />
heeft den oorlog onvermijdelijk gemaakt, ten ware Uwe Hoogheid van hare opregte gezindheid<br />
doe blijken, om tot het Gouvernement van Nederlandsch Indie in eene verhouding<br />
te komen , welke een afdoenden waarb<strong>org</strong> tegen verdere verwikkelingen oplevert.<br />
Het eenige middel daartoe is, dat Uwe Hoogheid de opperheerschappij van Zijne Majesteit<br />
den Koning der Nederlanden over Atjeh erkenne.<br />
Hiertoe geef ik haar tot Zaturdagmiddag, den 29sten dezer maand Maart, den tijd.<br />
Is de erkenning der souvereiniteit van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over<br />
Atjeh alsdan niet door Uwe Hoogheid gedaan, dan zal onherroepelijk tot het openen der<br />
vijandelijkheden worden overgegaan, waartoe ik, behalve de hier reeds aanwezige oorlogschepen,<br />
binnen enkele dagen over eene hoogst aanzienlijke strijdmagt, welke van Batavia<br />
in aantogt is, zal kunnen beschikken.<br />
Ik moet Uwe Hoogheid evenwel doen opmerken, dat ik de vijandelijkheden , waarmede<br />
ik juist op het oogenblik dat haar voormeld schrijven mij gewerd een aanvang wilde maken ,<br />
alleen dan zal staken, wanneer Uwe Hoogheid z<strong>org</strong> draagt dat het strand door het zich<br />
thans daarop bevindend gewapende volk worde ontruimd, elke arbeid aan de daar aanwezige<br />
bentings ophoude en geen andere bentings worden opgerigt. M<strong>org</strong>en ochtend, bij het aanbreken<br />
van den dag, behoort aan deze voorwaarde ten duidelijkste te zijn voldaan.<br />
Geschreven aan boord van Zr. Ms. oorlogschip Citadel van Antwerpen, op Donderdag-den<br />
27sten Maart 1873.<br />
c. Be Sultan van Atjeh aan<br />
den Gouvernements-commissaris.<br />
(Gewone inleiding).<br />
Wijders maak ik mijn vriend mijn wensch kenbaar, dat hij mijn land niet verwoeste.<br />
Wat nu het verlangen van mijn vriend is, dat moge de Allerhoogste vervullen, en vervolgens<br />
ben ik het, die 't vervullen zal.<br />
Het moge mijn vriend voorts behagen zijn antwoord op dezen brief te overhandigen aan<br />
brenger dezes, genaamd LEBEH MOHAMAD.<br />
d. Be Gouvernements-commissaris aan<br />
den Sultan van Atjeh.<br />
(Gewone inleiding).<br />
Ik ontvang zoo even een schrijven zonder dagteekening van Uwe Hoogheid, bevattende<br />
de mededeeling: (enz. zie hoven).<br />
Deze mededeeling is mij niet duidelijk en ik verzoek Uwe Hoogheid mij alsnog stellig
425<br />
en bepaald mede te deelen, of zij de souvereiniteit van Zijne Majesteit den Koning der<br />
Nederlanden over het rijk van Atjeh erkent, ja dan neen.<br />
Van Haar antwoord op dezen brief wordt het al of niet staken der vijandelijkheden door<br />
mij afhankelijk gemaakt.<br />
Ik moet Uwe Hoogheid daarbij tevens doen opmerken , dat de aanzienlijke krijgsmagt,<br />
welke door mij van Batavia wordt verwacht tot voortzetting van den oorlog, hier elk<br />
oogenblik kan aankomen, en dat, zoo Uwe Hoogheid de rampen van den ooglog verder aan<br />
Haar land wil besparen, het geraden is Haar antwoord op dit mijn schrijven geen oogenblik<br />
langer dan noodig te doen uitblijven.<br />
Geschreven aan boord van Zr. Ms. stoomschip Citadel van, Antwerpen, den 30sten Maart 1873.<br />
e. De Sultan van Atjeh aan<br />
den Gouvernements-commissaris.<br />
(Vertaling uit het Maleisch.)<br />
[Gewone inleiding).<br />
Den brief, dien het Nederlandsch-Indisch Gouvernement hier heeft gezonden, heb ik in<br />
welstand ontvangen en begrepen. Dat ik mijn schrijven van Zondag jongstleden aan het<br />
Nederlandsch-Indisch Gouvernement niet gedagteekend heb, was eene vergissing. Wat nu<br />
het berigt betreft, dat in mijn schrijven van gisteren vervat is, daarin is, voor zooveel de<br />
onderlinge vriendschapsverhouding aangaat, geen verandering gekomen. Want ik ben een<br />
wees en jong en ik verkeer slechts onder de hoede van den Allerhoogste en vervolgens onder<br />
die van het verheven Nederlandsch-Indisch Gouvernement.<br />
Vervolgens breng ik mijne groeten aan al de heeren.<br />
Geschreven den lsten Separ, op Maandag, van het jaar 1290. (1 April 1873).<br />
3. Proces-verbaal der buitengewone vergadering van<br />
den Baad van Indie op Zondag 20 April 1873.<br />
Tegenwoordig: Zijne Excellentie de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indie,<br />
mr. J. LOUDON , Voorzitter; de leden van den Raad van Nederlandsch Indie: mr. W. RAPPAED ,<br />
H. M. ANDEÉE WILTENS, mr. T. H. DER KINDEEEN en mr. G. G. VAN HABENCAESPEL.<br />
De vergadering wordt bijgewoond door: Zijne Excellentie den Vice-Admiraal O. A. UHLEN-<br />
BECK , Kommandant der Zeemagt en Chef van het Departement der Marine, Zijne Excellentie<br />
den luitenant-generaal N. H. W. S. WHITTON , Kommandant van het leger en Chef van<br />
het Departement van Oorlog in Nederlandsch Indie, en den generaal-majoor G. M. VEBSPIJCK ;<br />
en bijgestaan door den algemeenen-secretaris mr. H. D. LEVYSSOHN NOEMAN.<br />
De vergadering wordt geopend door den voorzitter met de mededeeling dat hij-deze bijeenkomst<br />
belegd heeft ter bespreking der ongunstige berigten , weinige uren te voren van<br />
den Gouvernements-Commissaris voor Atjeh ontvangen.<br />
Hij doet daarop voorlezing van het telegram van den Commissaris dd. 17 April jl. met<br />
het bijbehoorend proces-verbaal van eene op dien dag gehouden vergadering van hem<br />
Gouvernements Commissaris, den opperbevelhebber kolonel VAN DAALEN , den bevelhebber<br />
der maritieme middelen den kapitein ter zee KOOPMAN , en den chef van den staf bij de<br />
expeditie den kolonel EGTEB VAN WISSEKEEKE ; luidende een en ander als volgt:<br />
a. Berigt van den Gouvernements-Commissaris.<br />
> Opperbevelhebber vermeent dat bij de goed gewapende en versterkte overmagt des<br />
vijands van een langer voortzetten onzer onderneming niets anders is te wachten dan een
426<br />
geleidelijk wegsmelten onzer troepen, vooreerst alleen door de wapenen des viiands, maar<br />
verder ook door ziekten ten gevolge van aanhoudende vermoeienissen en ontberingen<br />
Gesteld dat twee bataillons ter versterking worden gezonden, zou één daarvan alleen<br />
reeds nood!g zijn tot aanvulling der geleden verliezen, en het andere geen genoegzame<br />
krachtsvermeerdering opleveren. De vijand verzet, verdedigt zich met ongeëvenaarden<br />
moed en standvastigheid, wordt gestadig door nieuwen toevoer van volk aangevuld<br />
en beschikt daarbij over tal van zeer sterke werken. Willen wij Atjeh nemen dan<br />
achten de militaire autoriteiten thans, nu zij eenmaal eenige kennis van wezenlijken toestand<br />
opdeden , daartoe geheel andere magtsontwikkeling dan de tegenwoordige noodig. Men moet<br />
er dan met tegen behoeven op te zien om des noodseen geheel bataillon aan een storm op<br />
te offeren. Dit en verdere motieven, aangevoerd in eene conferentie waarvan proces-verbaal<br />
is opgemaakt dat tegelijk met dit telegram wordt overgeseind, heeft den opperbevelhebber<br />
bewogen mij een terugtrekken van hier voor te stellen. Ik heb mij niet bevoegd geacht<br />
daann te treden zonder daaromtrent eerst de bevelen van Uwe Exellentie te hebben vernomen<br />
Ik veroorloof mij die thans in te roepen, daarbij aanteekenende dat voorschreven<br />
stap volgens mijne meening ons prestige gevoelig zal schokken, niet alleen hier maar in<br />
den geheelen archipel, terwijl zoo wij hier na verloop van eenige maanden met eene expeditie<br />
van by voorbeeld tien bataillons terugkeeren, de vijand inmiddels gelegenheid zal<br />
hebben gehad zich verder te versterken en welligt ook om zich van de thans ontbrekende<br />
wapens van latere vinding te voorzien, als getrokken kanonnen, achterladers enz. Na al<br />
hetgeen ik m bovenbedoelde conferentie moest vernemen, kan ik intusschen niet ontkennen<br />
dat onze tegenwoordige positie langer onhoudbaar is en geen halve maatregelen kunnen<br />
strekken om daarin gewenschte verandering te brengen. De stoomer Telegraaf, die dit telegram<br />
overbrengt, wacht te Pinang op Uwer Exellentie's beslissing. Soerabaija, Atjeh, 17 April<br />
1873. Gouvernements-Commissaris, NIEUWENHUYZEN.<br />
b. Proces-verbaal van den krijgsraad.<br />
Des voormiddags te 10 ure van den 17den April 1873 waren aan boord van Zr Ms<br />
raderstoomschip Soerabaija vergaderd de Gouvernements-Commissaris voor Atjeh de heer<br />
NIEUWENHUYZEN, de opperbevelhebber der land- en zeemagt bij de expeditie tegen het<br />
rijk van Atjeh, de kolonel der infanterie VAN DAALEN , de bevelhebber der maritieme<br />
middelen in de wateren van Atjeh, de kapitein ter zee KOOPMAN, adjudant des Konin-s<br />
m buitengewone dienst, de chef van den staf bij voormelde expeditie de kolonel<br />
by het wapen der genie EGTER VAN WISSEKERKE, terwijl de adjudant van den opperbevelhebber<br />
en van den bevelhebber der maritieme middelen, de luitenants ter zee der lste klasse<br />
MARINKELLE en BERENDS en de secretaris van den Gouvernements-Commissaris, CANTER-<br />
VISSCHER de vergadering bijwoonden. De vergadering wordt ingeleid door den opperbevelhebber,<br />
den kolonel van DAADEN voornoemd , met eene verwijzing tot het gennge succes<br />
dat by zijne aanvaarding van het opperkommando op 14 April jl. van de krijgsoperatiën<br />
was verkregen en met eene korte mededeeling van hetgeen sedert door de troepenmagt is<br />
verrigt. Den löden April was namelijk eene verkenning uit de genomen missigit in eene<br />
zijwaartscbe ngtmg van den kraton des Sultans gedaan, ten einde te beproeven of de vo<strong>org</strong>elegen<br />
benting niet kon worden omgetrokken. Daarbij werden de troepen hevig door den<br />
vijand bestookt en kwam men tevens tot de overtuiging dat het terrein ,' waarop men zich<br />
bewegen moest, voor de troepen zoo goed als onbegaanbaar was. Dientengevolge meende<br />
men de aangevangen operatiën door een aanval op bedoelde benting te moeten voortzetten<br />
Daartoe begaf zich m den vroegen m<strong>org</strong>en van den 16den April het 3de bataillon met het 9dè<br />
bataillon als reserve op marsch naar de benting, die denkelijk in de rigting van den Kraton<br />
gelegen is terwijl de missigit door de overige troepenmagt bewaakt bleef. Het duurde niet<br />
lang of de helft der reserve moest zich bij de voorste troepen aansluiten, zonder dat dit echter tot<br />
eenig gunstig gevolg leidde, daar de tegenstand van de zijde des vijands buitengewoon was<br />
Dienvolgens werd na een verlies van ruim 100 dooden en gekwetsten tot de retraite besloten '<br />
welke m de beste orde werd volbragt en uitstekend slaagde. In den middag van dien dag werd<br />
daarop een krijgsraad belegd, waarbij de chefs der verschillende korpsen , diensten en staven<br />
tegenwoordig waren en de volgende vragen werden gesteld. Eerstens of van een hernieuwden
127<br />
aanval eenig succes te verwachten en of het raadzaam was daartoe over te gaan. Deze vraag werd<br />
in verband met de door den vijand aan den dag gelegde krachtsontwikkeling en ingenomen<br />
positie en in verband met onze eigene beschikbare strijdmagt eenstemmig ontkennend beantwoord,<br />
op grond waarvan door den opperbevelhebber werd besloten niet tot een hernieuwden<br />
aanval over te gaan. Tweedens in hoever bet, op den vo<strong>org</strong>rond stellende dat de thans ingenomen<br />
positie, welke derhalve niet meer dient tot punt van uitgang voor een'aanval op het<br />
object (den kraton), verlaten moet worden, overweging verdient nog dienzelfden dag tot de<br />
ontruiming over te gaan. Omtrent deze vraag waren de gevoelens verdeeld, hebbende.zich twee<br />
der aanwezige chefs voor een onverwijld terugtrekken verklaard. Door den opperbevelhebber<br />
werd evenwel beslist met het terugtrekken tot den volgenden dag te verwijlen , als wanneer<br />
de met de geblesseerden vertrekkende koelies terug zouden gekeerd zijn , zoo mogelijk nog<br />
vermeerderd met een honderdtal, ten einde bij het retireeren naar de operatie basis (het<br />
strand) niets te behoeven achter te laten. Aan dit terugtrekken is dan ook in den ochtend<br />
van den 17den door de gezamenlijke magt in de beste orde gevolg gegeven, en is daarna de<br />
opperbevelhebber met den chef van den staf aan boord gekomen ten einde met den Gouvernements-Commissaris<br />
te aboucheeren. Na de mededeeling van een en ander, en na van den<br />
Gouvernements-Commissaris op de vraag, of de politieke onderhandelingen welligt eene<br />
gunstige wending hadden genomen, ten antwoord te hebben bekomen dat van zoodanige<br />
onderhandelingen hoegenaamd geen sprake meer is geweest, stelde de opperbevelhebber als<br />
zijne meening op den vo<strong>org</strong>rond, waarin door den chef van den staf geheel werd gedeeld, dat<br />
siaking der krijgsverrigtingen alleszins wenschelijk is, niet slechts wegens het groote aantal<br />
gesneuvelden en gewonden, bedragende dit voor de landmagt alleen reeds ruim 400 man, als<br />
vooral ook uit hoofde der feitelijk gebleken onvoldoendheid der middelen waarover op dat<br />
oogenblik tegen een overmagtigen en hoogst verwoeden vijand te beschikken valt, terwijl<br />
ook dan, wanneer nog zoo spoedig mogelijk versterking mogt kunnen worden gezonden,<br />
biermede in elk geval zooveel tijd zou verloopen, dat het seizoen, hetwelk reeds bij de uitrusting<br />
der expeditie als het alleen gescuikte werd aangegeven, feitelijk zou zijn verstreken,<br />
en men dus de krijgsverrigtingen in het ongunstige seizoen zou moeten op nieuw aanvangen ;<br />
voorts mogt zijns inziens niet worden uit het oog verloren dat de voorraad hooi voor de<br />
artillerie- en cavaleriepaarden zelfs bij verminderd ration slechts voor een acht hoogstens tien<br />
dagen zou kunnen strekken, en volgens verklaring van den paardenarts het voeder van gaba<br />
en rijst op den duur niet van voldoende gehalte zou zijn. Den ernstigen toestand waarin de<br />
troepenmagt zich thans bevindt ten volle beseffende en de hooge beteekenis der door den<br />
opperbevelhebber geopperde bezwaren erkennende , meende de Gouvernements-Commissaris<br />
evenwel onder de aandacht te moeten brengen welken hoogst ongunstigen indruk eene stakingder<br />
expeditie en een terugkeer der troepen uit den aard der zaak zouden moeten maken.<br />
Bij de overweging van dit punt werd de vraag ter sprake gebragt of gedurende den kwaden<br />
moesson de reede van Atjeh eene veilige ligplaats voor de schepen zou blijven aanbieden<br />
en de gemeenschap van de reede met het strand niet verbroken zou worden. Deze<br />
vraag meende de kommandant der maritieme middelen in algemeenen zin ontkennend te<br />
moeten beantwoorden; zijns inziens maakt de in de maand April ingevallen kwade<br />
moesson het liggen ter genoemde reede aan groote bezwaren onderhevig, met het oog<br />
op de hooge zeeën en de hevige branding, welke het behoud van de tegenwoordige<br />
ankerplaats nabij het strand niet doenlijk zoude maken, terwijl de buijen uit het noordwesten<br />
dikwerf elke gemeenschap met den wal afsluiten. Na deze toelichting oppert de Gouvernements-Commissaris<br />
de vraag of de marine bij magte is om in afwachting der komst eener<br />
eventuele tweede expeditie herwaarts Atjeh's kusten met vrucht te bekruisen , ten einde den<br />
invoer binnen 'slands van wapens en ammunitie enz. te beletten. Naar het oordeel van den<br />
bevelhebber der maritieme middelen zou de kwade moesson de uitoefening der politie ter zee<br />
zeer bemoeijelijken, en zouden ook de vaartuigen , in verband met de hierboven genoemde<br />
bezwaren van nautischen aard, de kusten niet genoeg kunnen naderen om op afdoende wijze<br />
tegen invoer van contrabande te waken. Bovendien werd door gemelden bevelhebber gewezen<br />
op den bekenden slechten staat der ketels van Zr. Ms. stoomschepen Djambi, Marnix<br />
en Coehoorn , welke het die bodems ondoenlijk maakt steeds stoomklaar te blijven en het noodige<br />
drinkwater te distilleeren , terwijl eindelijk bij gebreke van dat water het heen en weêr
128<br />
stoonien naar en van Pinang, om zich van die levensbehoefte te voorzien, een grooten voorraad<br />
steenkolen eischt, welken het onzeker is ter gemelde plaats steeds in genoegzame mate<br />
te zullen aantreffen. Alsnu , na al die punten in ernstige beschouwing te hebben genomen,<br />
terugkomende op het vraagstuk der al dan niet staking van de ondernomen krijgsverrigtingen<br />
en den terugkeer der troepenmagt, gaf de Gouvernements-Commissaris te kennen dat dienaangaande<br />
alleen door de Regering kan worden beslist, waarna door den opperbevelhebber<br />
het voorstel werd gedaan om al voort van den tegenwoordigen stand der zaken en van het in<br />
overweging genomen vraagpunt aan den Gouverneur-Generaal mededeeling te doen en<br />
Zijner Excellentie's welmeenen te vragen hoedanig verder ten deze behoort te worden gehandeld.<br />
Daarop telegram vastgesteld , heden m<strong>org</strong>en per Hornet naar Pinang verzonden. Aldus<br />
opgemaakt door NIEUWENHUYZEN , VAN DAALEN , KOOPMAN , EGTER VAN WISSEKERKE.<br />
Gouvernements-Commissaris NIEUWENHUYZEN.<br />
De Gouverneur-Generaal stelt hierop de vraag, wat in de gegeven omstandigheden te doen<br />
valt: de reeds uitgeruste versterking, bestaande in twee bataillons infanterie en eenige artillerie<br />
met den bereids aangewezen nieuwen opperbevelhebber, generaal-rnajoor VERSPIJCK,<br />
met den meesten spoed naar Atjeh te doen vertrekken, dan wel gevolg geven aan de<br />
eenstemmige inzigten van de vergadering voor Atjeh en de expeditie te doen wederkeeren<br />
om haar met de voor een succes onmisbaar blijkende magtsontwikkeling te hervatten in<br />
een gunstiger seizoen.<br />
Van alle zijden wordt op den vo<strong>org</strong>rond gesteld dat het niet doorzetten 'der expeditie<br />
een zoo treurig uiterste zou zijn, dat niet dan wanneer de omstandigheden dit volstrekt<br />
gebieden daartoe mogt besloten worden.<br />
Doch tevens moest na ernstige overweging der gerezen moeijelijkheden met het diepste<br />
leedwezen worden erkend, dat die omstandigheden aanwezig waren; dat, zooals de Gouvernements-Commissaris<br />
dit uitdrukt, de positie onhoudbaar is en geen halve maatregelen<br />
dien ten goede kunnen keeren.<br />
Het eerste, alles afdoende bezwaar was het even vroeg als krachtig doorkomen van het<br />
ongunstig seizoen.<br />
Met de uitspraak van den kommandant der maritieme middelen, dat weldra de reede<br />
van Atjeh geen veilige ligplaats voor schepen meer zal aanbieden en de gemeenschap van<br />
de reede met het strand ernstig bedreigd wordt, stemt de Vice-Admiraal UHLENBECK<br />
volmondig in en hij verklaart het in de eerste twee maanden onmogelijk om de gemeenschap<br />
met den wal te onderhouden, terwijl daarna.de regenmoesson met kracht intreedt.<br />
Hij vraagt hoe het mogelijk zal zijn om te voorzien in de voeding van de expeditionaire<br />
magt, in den geregelden aanvoer van drinkwater, in het evacueren der gewonden en in<br />
zooveel andere eischen en behoeften, die geen uitstel gedoogen ?<br />
De troepen, van alle zijden bestookt door een talrijken vermetelen vijand, zouden alsdan<br />
aan onbeschrijfelijke ellende ten prooi zijn; in één woord er zou niets van teregt komen.<br />
Ook de Kommandant der Landmagt vindt den toestand hagchelijk.<br />
Volgens een door hem, staande de vergadering, van den opperbevelhebber ontvangen<br />
telegram, is de stemming der troepen gedrukt en zijn alle omstandigheden even ongunstig ,<br />
met het vooruitzigt van verergering met den dag, al naar mate de slechte moesson in<br />
hevigheid toeneemt. Dan zal ook door ziekte menigeen worden weggemaaid, onder de<br />
aanhoudende regens het opereeren uiterst moeijelijk wezen, om nog niet eens te gewagen<br />
van de alles afdoende bezwaren door den Vlootvoogd in 't midden gebragt.<br />
Van welke zijde hij de zaak ook beschouwt, ziet hij voor 'toogenblik geen enkel lichtpunt<br />
, en bij volharding niets dan het geheel wegsmelten onzer troepenmagt in 't verschiet.<br />
De thans ontvangen tijdingen zijn naar zijn oordeel van dien aard, dat hij het zenden<br />
van 2 bataillons beschouwt als een halven maatregel, waarvan de uitkomst naar menschelijke<br />
berekening niet anders kan zijn dan het lijden van een nieuw, maar veel gevoeliger<br />
échec, —• een échec dat een vrij wat pijnlijker indruk te weeg brengen, vrij wat<br />
ongunstiger terugslag voor ons gezag hebben zou, dan wanneer thans geweken wordt voor<br />
de elementen en de expeditie tot een beter jaargetijde uitgesteld.<br />
De nu gedane stap is in elk geval niet als een verloren werk te beschouwen; we weten
129<br />
nu dat wij te doen hebben met een onversaagden, tegen ons in den hoogsten graad verbitterden<br />
vijand; diens middelen van tegenweer, de omvang zijner strijdkrachten, waaromtrent<br />
wij in volslagen duisternis verkeerden, zijn thans vrij goed bekend geraakt; met<br />
het terrein, de locale gesteldheid is dit evenzeer het geval. Kortom, er is thans op groote<br />
schaal eene verkenning gedaan, wier resultaten de basis zullen zijn van alle volgende operatien.<br />
De Vice-admiraal brengt nog te berde den treurigen toestand onzer maritieme middelen,<br />
voor wie bij eene expeditie als deze eene zoo belangrijke rol is weggelegd.<br />
Ook is de voorraad marine-amunitie, hier te lande aanwezig, te gering om iets van beteekenis<br />
te ondernemen.<br />
De generaal-majoor VERSPIJCK was aanvankelijk van meening dat eene hervatting der<br />
agressieve beweging nog wel te beproeven zou zijn, al zette hij ook zelf voorop dat de kansen<br />
op succes allerongunstigst stonden.<br />
Op de vraag echter, door den voorzitter hem met den meesten ernst gedaan, of de luttele<br />
kans op succes tegen zoo vele slechte gewaagd mag worden, of hij, zoo hij de verantwoordelijkheid<br />
eener beslissing te dragen had, onze brave soldaten aan de mogelijkheid, ja!<br />
waarschijnlijkheid zou durven blootstellen van aan het strand van Atjeh weg te sterven op de<br />
droevigste, voor ons prestige meest fatale wijs, geeft de Generaal VERSPIJCK een bepaald<br />
ontkennend antwoord.<br />
Nu alle militaire en maritieme autoriteiten, zoo voor Atjeh, als in de vergadering aanwezig,<br />
om verschillende zeer gewigtige redenen, doch vooral om het ongunstig jaargetijde,<br />
hierin overeenstemmen dat dadelijk behoort te worden wedergekeerd, geven ook de leden<br />
van den Raad van Nederlandsch-Indie, hoe noode ook, als hun gevoelen achtereenvolgens<br />
te kennen , dat niets anders overblijft dan terug te trekken, met alle beschikbare middelen<br />
de Atjehsche wateren door onze oorlogstoomers te doen bekruisen en de kust te blokkeeren,<br />
en bij de intrede van het gunstige jaargetijde de krijgsbedrijven te lande te hervatten,<br />
met zulk eene magt en zoodanig uitgerust, dat eene glansrijke-overwinning vooraf zoo<br />
goed als verzekerd zij.<br />
Aan deze eenstemmige zienswijze sluit de Gouverneur-Generaal zich met volle overtuiging<br />
aan, niet slechts uit een oogpunt van goede staatkunde, om namelijk de groote kans<br />
te vermijden van eene tweede, in hare gevolgen veel noodlottiger nederlaag, maar bovenal<br />
uit diep gevoeld besef van wat hij aan onze dappere krijgers verschuldigd is.<br />
Dezen nutteloos op te offeren, terwijl, naar vertrouwd wordt, eene eervolle retraite nog<br />
uitvoerbaar is, ware een daad van onmenschelijkheid , eene Nederlandsche Regering onwaardig;<br />
eene daad, die een veel treuriger weerklank zou hebben, zoo in dezen archipel, als<br />
daar buiten, dan van een tijdelijke staking der vijandelijkheden te lande te verwachten is.<br />
De Gouverneur-Generaal deelt mede, dat hij nog dienzelfden avond tot den terugkeer<br />
der expeditie den Gouvernements-Commissaris zal magtigen; waarop, na een kort debat<br />
over het tijdelijk versterken onzer strijdkrachten in het Gouvernement van Sumatra's Westkust<br />
en in de residentie Riouw, de vergadering door den voorzitter gesloten wordt.<br />
In kennisse van mij,<br />
De Algemeene Secretaris,<br />
(w. g.) LEVYSSOHN NORMAN.<br />
De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indie,<br />
(w. ff.) J- LOUDON.<br />
17
INHOUD.<br />
Bladz.<br />
Voorberigt 3<br />
1. Nota over de betrekkingen tusschen Nederland en Atjeh van 1824 tot 1873 . 5<br />
II. Telegrammen, gewisseld tusschen den Consul-Generaal der Nederlanden te<br />
Smgapore en den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie en tusschen den<br />
Gouverneur-Generaal en den Minister van Koloniën, van 15 Februarii tot<br />
20 Maart 1873<br />
J<br />
IU. Brieven van den Minister van Koloniën :<br />
1. aan den Minister van Buitenlandsche Zaken, dd. 18 Februarij 1873, la A 4<br />
gebeim ' . . . 53<br />
2. aan den Gouv.-Generaal van Ned.-Indie, dd. 20 Febr. 1873, L, G 4<br />
, n°. 30, geheim 56<br />
3<br />
- » * » » » » 27 » 1873, »B 5<br />
, » 35, » 60<br />
4<br />
- » » !><br />
» » » 5 Maart 1873, »H 5<br />
, » 44, » 62<br />
5<br />
- » » » » » » 12 > 1873, »M« » 49, , 64<br />
6<br />
- » » » » » » 16 April 1873, »C 9<br />
, » 64, > 67<br />
Bijlage:<br />
Extract uit het rapport aan den Koning, dd. 15 April 1873, K IJ 8<br />
, geheim. 69<br />
IV. Brieven van den Gouverneur-Generaal aan den Minister van Koloniën met<br />
bijlagen.<br />
1. Brief van 25 Februarij 1873, K P, n°. 13, Kabinet-geheim 73<br />
Bijlage:<br />
Brief van den Consul-Generaal te Singapore aan den Algemeenen Secretaris<br />
van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement, dd. 20 Februarij 1873, n°. 25. 77<br />
2. Brief van 4 Maart 1873, 1». R. n°. 14, geheim 79<br />
Bijlagen :<br />
a. Instructie voor den Gouvernements-Commissaris voor Atjeh. . . . . 81<br />
i. Extract uit een brief van den resident van Riouw aan den Gouverneur-<br />
Generaal , dd. 24 Februarij 1873, la. W. 4/ geheim, met brouillon-tractaat. 83<br />
3. Brief van 14 Maart 1873, la. W. n°. 17, Kab. geheim. . . . . . . . 85<br />
Bijlagen:<br />
a. Extract uit een brief van den Consul-Generaal READ aan den Gouverneur-<br />
Generaal LOUDON, dd. 3 Maart 1873 86<br />
4 J
INHOUD. II<br />
Bladz.<br />
b Brief van TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN aan den resident van Riouw ,<br />
dd. 3 Maart 1873, (uit het Maleisch vertaald) 87<br />
c. Instructie te Singapore voor TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN opgesteld<br />
(uit het Maleisch vertaald) 88<br />
d. Brief van den Amerikaanschen Consul te Singapore voor den sjabandar<br />
van Atjeh (uit het Maleisch vertaald) 89<br />
e. Extract uit een brief van den Consul-Generaal READ aan den Gouverneur-Generaal<br />
LOUDON , dd. 6 Maart 1873 89<br />
V. Diplomatieke stukken.<br />
1. Telegram van den Minister van Buitenlandsche Zaken aan Zr. Ms. Minister-<br />
Resident te Rome, dd. 17 Februarij 1873 93<br />
2. Brief van den Minister van Buitenlandsche Zaken aan Zr. Ms. tijdelijken<br />
zaakgelastigde te Rome, dd. 18 Februarij 1873, n°. 4/14 Kabinet . . 93<br />
3. Telegram van Zr. Ms. Minister-Resident te Rome aan den Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken, dd. 19 Februarij 1873 94<br />
4. Telegram van den Minister van Buitenlandsche Zakenaan Zr. Ms. Minister-<br />
Resident te Rome, dd 19 Februarij 1873 95<br />
5. Telegram van Zr. Ms. Minister-Resident te Rome aan den Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken, dd. 21 Februarij 1873 95<br />
6. Brief van Zr. Ms. tijdelijken zaakgelastigde te Rome aan den Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken, dd. 25 Februarij 1873, n°. 18 95<br />
7. Brief van den Minister van Buitenlandsche Zaken aan Zr. Ms. Minister-<br />
Resident te Washington, dd. 20 Februarij 1873, n°. 3/16, Kabinet . 97<br />
8. Brief van den Minister van Buitenlandsche Zaken aan Zr. Ms, Gezant<br />
te Londen, dd. 21 Februarij 1873, n°. 1/50, Kabinet . . . . . . 98<br />
9. Extract uit een brief van Zr. Ms. Minister-Resident te Washington aan<br />
den Minister van Buitenlandsche Zaken, dd. 10 Maart 1873, n°. 23. 99<br />
. 10. Extract uit een brief van denzelfden aan denzelfden , dd. 14 Maart 1873,<br />
n°. 24 101<br />
11. Brief van Zr. Ms. tijdelijken zaakgelastigde te Rome aan den Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken, dd. 5 April 1873, n°. 52 102<br />
12. Brief van Zr. Ms. Minister-Resident te Washington aan den Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken, dd. 25 Junij 1873, n°. 75 102<br />
13. Nota van den Minister van Buitenlandsche Zaken betreffende een onderhoud<br />
met den Minister-Resident der Vereenigde Staten te 's Gravenhage,<br />
dd. 31 Julij 1873 103<br />
14. Brief van 's Konings Gezant te Londen aan den Minist er van Buitenlandsche<br />
Zaken, dd. 26 Augustus 1873, n°. 231 104<br />
15. Brief van den Turkschen Minister van Buitenlandsche Zaken aan den<br />
Turkschen Ambassadeur te Londen, dd. 11 Augustus 1873 . . . . 104<br />
16. Brief van den Minister van Buitenlandsche Zaken aan Zr. Ms. Minister-<br />
Resident te Constantinopel, dd. 26 September 1873, n°. 1/82 , Kabinet. 106<br />
17. Brief van denzelfden aan denzelfden , dd. 26 September 1873 , n°. 2/83,<br />
Kabinet 108
III INHOUD.<br />
Bladz.<br />
18. Brief van den Turkschen Minister van Buitenlandsche Zaken aan Zr.<br />
Ms. Minister-Resident te Constantinopel, dd. 19 November 1873 . . 11Q<br />
19. Brief van den Turkschen Minister van Buitenlandsche Zaken aan den<br />
Turkschen Ambassadeur te Londen, dd. 19 November 1873 . . . .110<br />
VI. Stukken betreffende de oorlogsverklaring en de staking der eerste expeditie.<br />
1. Brief van den Gouvernements-Commissaris voor Atjeh aan den Gouverneur-<br />
Generaal , dd. 26 Maart 1873, n°. IV/A 113<br />
Bijlagen:<br />
a. Brief van den Gouvernements-Commissaris aan den Sultan van Atjeh,<br />
dd. 22 Maart 1873 115<br />
b. Brief van den Sultan aan den Gouvernements-Commissaris, dd. 23<br />
Maart 1873 116<br />
c. Brief van TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN aan TONGKOE KALI , dd. 21<br />
Maart 1873, met naschrift 117<br />
d. Brief van DATOE SETIA ABOE HASSAN aan TONGKOE KALI, dd. 24 Maart 1873.118<br />
e. Brief van TONGKOE KALI aan TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN , . . .118<br />
f. Brief van TONGKOE KALI aan DATOE SETIA ABOE HASSAN 118<br />
g. Brief van TOEKOE NEK aan den Gouvernements-Commissaris . . . .119<br />
h. Brief van den Gouvernements-Commissaris aan den Sultan, dd. 24 Maart<br />
1873 . . . 119<br />
i. Brief van den Sultan aan den Gouvernements-Commissaris dd 25 Maart<br />
1873 . . . , 1 2 0<br />
j. Oorlogsmanifest, dd. 26 Maart 1873 120<br />
2. Brief van den Gouvernements-Commissaris voor Atjeh aan den Gouverneur-<br />
Generaal , dd. 9 April 1873, n°. VI/A 121<br />
Bijlagen:<br />
a. Brief van den Sultan aan den Gouvernements-Commissaris , dd. 26 Maart<br />
1873 , . . . 123<br />
l. Brief van den Gouvernements-Commissaris aan den Sultan, dd. 27 Maart<br />
1873 124<br />
c. Brief van den Sultan aan den Gouvernements-Commissaris 124<br />
d. Brief van den Gouvernements-Commissaris aan den Sultan, dd. 30 Maart<br />
1873 124<br />
e. Brief van den Sultan aan den Gouvernements-Commissaris, dd. 1 April<br />
1873 125<br />
3. Proces-verbaal der buitengewone vergadering van den Raad van Indie op<br />
20 April 1873 125
1) OORLOG MET ATJEH.<br />
VERSLAG<br />
VAN HET<br />
VERHANDELDE IN DE VERGADERINGEN DER TWEEDE KAMER<br />
IN COMITÉ-GENERAAL<br />
VAN<br />
16, 17, 18 en 19 April 1874. *<br />
GEDRUKT TER ALGEMEENE LANDSDRUKKERIJ.
De Commissie, benoemd in de zitting van 19 October en belast met het onderzoek der<br />
in 1874 met gesloten deuren gehouden beraadslagingen over het ontstaan van den oorlog<br />
met Atjeh, meent aan de Kamer, zoo kort mogelijk, te moeten mededeelen, welke overwegingen<br />
haar bij het volbrengen dier taak hebben geleid.<br />
Reeds dadelijk meenden eenige leden dier Commissie', dat het — nu de Kamer besloten<br />
had de geheimhouding op te heffen — niet wel aanging wijzigingen te brengen in redevoeringen<br />
, die voor ruim zeven jaren door de sprekers zijn nagezien en vastgesteld. Zij<br />
waren van oordeel, dat zelfs geringe veranderingen alle waarde aan de openbaarmaking<br />
zouden ontnemen. Het vermoeden zou zich toch alligt vestigen , dat belangrijke feiten of<br />
meeningen waren achter gehouden. Voor de geschiedenis zou eene verminkte openbaarmaking<br />
geene waarde hebben en weinigen zouden zich de moeite getroosten die beraadslagingen<br />
te lezen bij de voorkennis, dat de geheele waarheid hun toch onthouden werd.<br />
Echter was de Commissie toch eenstemmig van oordeel, dat, ingevolge de baar gegeven<br />
opdragt, naauwgezet moest worden overwogen, of het Staatbelang zich ook tegen geheele<br />
openbaarmaking verzette. Zij stuitte bij het onderzoek op zeer vele uitdrukkingen, die,<br />
zooals trouwens herhaaldelijk door de sprekers werd gezegd, niet in eene openbare zitting<br />
zouden zijn gebezigd en waarvan de weglating door sommige leden wenschelijk werd<br />
geacht. Het bleek evenwel dadelijk, dat elke weglating niet alleen tot andere soortgelijke<br />
moest leiden, maar dat zij ook in de redevoeringen van andere sprekers, vooral in die van<br />
de leden der Regering, wijzigingen noodzakelijk zou maken.<br />
De Commissie overwoog bovendien, dat de zinsneden, over wier weglating of wijziging<br />
twijfel bestond, niet door verantwoordelijke Regeringspersonen, maar door leden der Kamer<br />
waren uitgesproken, en dat de kracht der uitdrukkingen, èn door den loop der tijden èn<br />
omdat zij m comité-generaal waren gebezigd, aanmerkelijk was verzwakt.<br />
Bovenstaande overwegingen hebben de Commissie ten slotte éénparig doen besluiten,<br />
geene wijziging hoegenaamd in de met gesloten deuren uitgesproken redevoeringen aan<br />
te brengen.<br />
lfi November 1881.<br />
CREMERS.<br />
De Commissie voornoemd,<br />
VAN KERKWIJK.<br />
INSINGER.<br />
SCHIMM ELPENNINCK VAN DER OYE.<br />
DES AMORIE VAN DER HOEVEN.
ZITTING 1881—4882. — ?4.<br />
OORLOG MET ATJEH.<br />
'•rslag van hel verhandelde in de vergaderingen<br />
der Tweede Kamer in comité-generaal van<br />
16, 17, 18 en 20 April 1874. (Tol de<br />
openbaarmaking hiervan besloten<br />
19 October 1881).<br />
N°. ï.<br />
ZITTING MET GESLOTEN DEUREN.<br />
16 April 18741.<br />
Voorzitter: de heer Dullert.<br />
Tegenwoordig-, met den Voorzitter, 67 leden te weten de heeren:<br />
Bredius, Mees, van Akerlaken, de Jong, Brouwer, Fabius, Rombach, Idzerda, Hingst<br />
bchimmelpenninck van der Oije, van den Berch van Heemstede, Wintgens, Kerens de<br />
Wijlre, van Loon, Oldenhuis Gratama, van Reenen, van Zuijlen van Nyevelt, Viruly<br />
Verbrugge, Dam, Gevers Deynoot, Bergsma, Haffmans, van Houten, Insinger, xMirandolle,<br />
Jiuyper van Lynden van Sandenburg, Bichon van IJsselmonde, Borret, van Kerkwijk,<br />
van Lek, Sandberg, Schimmelpenninck, van Nispen van Sevenaer, Luyben, Rutgers van<br />
Kozenburg Jonckbloet, Nierstrasz, van Kuyk, Lambrechts, Blom, van Wassenaer van<br />
Catwtjck, Godefroi, Tak, van der Does de Willebois, Saaymans Vader, Storm van 'sGravesande,<br />
Cremers, Teding van Berkhout, Kien, de Lange, Begram, vanForeest, Stieltjes,<br />
de Bruyn Kops, Arnoldt, C. van Nispen tot Sevenaer, Smidt, 's Jacob, de Roo vanAlderwerelt<br />
Blussé, Kappeyne van de Coppello, Mackay, Wybenga, de Ruiter Zylker en<br />
van Harmxma thoe Slooten;<br />
en de heer Minister van Koloniën.<br />
De vergadering wordt geopend.<br />
De Voorzitter: Ik stel op grond van art. 104 Reglement van Orde voor, in de eerste<br />
plaats te beraadslagen over de vraag, of al dan niet over de Atjehsche aangelegenheden<br />
met gesloten deuren zal worden beraadslaagd. Ik stel voor, de discussie in comitégeneraal<br />
te voeren.<br />
De heer Haffmans: Mag ik vragen, Mijnheer de Voorzitter, of het nu eindelijk de<br />
quaestie geldt, om al dan niet met gesloten deuren te beraadslagen?<br />
_ De Voorzitter: Ik moet den heer Haffmans doen opmerken, dat in openbare vergadering<br />
besloten is, over de interpellatie van den heer Messchert van Vollenhoven en over de<br />
van Regeringswege ingezonden stukken gelijktijdig te beraadslagen, zoodat die beide zaken<br />
thans aan de orde zijn. Alvorens nu daarmede aan te vangen, heb ik krachtens art. 104<br />
van het Reglement van Orde de deuren doen sluiten, ten einde te vragen-of de-Kamer<br />
genegen is, de beraadslaging in comité-generaal voort te zetten. Ik zou dit wenschelijk<br />
achten, al ware het alleen om de wijze waarop de stukken van Regeringswege zijn overgelegd,<br />
waardoor openbaar debat onmogelijk is geworden.<br />
De heer Haffmans: Het spijt mij dat ik met den Voorzitter in gevoelen moet verschillen,<br />
te meer omdat ook velen van mijne vrienden tot dit gevoelen schijnen over te hellen<br />
Nogtans is mijne overtuiging zoo vast, dat ik haar geen geweld kan aandoen. Ik zie voor<br />
de behandeling met gesloten deuren geenerlei reden, daarentegen heb ik zeer klemmende<br />
redenen om deze quaestie in het publiek te behandelen. Welke stukken zijn geheim en<br />
welke niet? Ik heb hier de lijst der overgelegde stukken, en met den eersten oogopslaoziet<br />
men dat slechts weinig stukken niet geheim zijn, maar het grootste gedeelte onder<br />
geheimhouding is overgelegd. Geheim zijn in de eerste plaats alle stukken die betrekking
2<br />
hebben op de diplomatie. Maar die stukken komen niet in aanmerking. Ik zie dat de Kamer<br />
niet luistert en er is ook geen publiek, dus ik eindig.<br />
De heer van Houten: Wanneer het comité-generaal is afgeloopen, wordt dan de discussie<br />
over de interpellatie in publieke zitting voortgezet ?<br />
De "Voorzitter: Daartoe kan een voorstel gedaan worden, maar ik acht het nog niet<br />
noodig dit op dit oogenblik van mijne zijde te doen. Wel is het mijn voornemen over deze<br />
zaak geene beslissing te doen nemen in comité-generaal, maar om over eenig voorstel, dat<br />
in comité-generaal gedaan mogt worden, te doen besluiten in openbare zitting.<br />
De heer van Houten: Ik doe dan nu het voorstel de beraadslaging over de zaak van<br />
Atjeh aan te vangen in comité-generaal.<br />
De Voorzitter: Door mij is vo<strong>org</strong>esteld de beraadslaging over deze zaak in comitégeneraal<br />
te voeren. Ik zie op dit oogenblik het verschil niet in tusschen het voorstel van<br />
den heer van Houten en mijn voorstel. Later kan men toch de voortzetting in publieke<br />
zitting voorstellen.<br />
De heer van Houten: Het doel van mijn voorstel is alleen dat, wanneer de Kamer<br />
geen nader besluit neemt, de discussie na het comité-generaal in openbare zitting wordt<br />
voortgezet. In uwen gedachtengang zou het tegenovergestelde het geval zijn. Mij dunkt<br />
tegen mijn voorstel kan weinig bezwaar zijn, want er is voorzeker niemand die er aan denkt<br />
om de zaak in eene geheime zitting te begraven.<br />
De Voorzitter : Ik maak geen bezwaar het voorstel van den heer van Houten over te<br />
nemen, daar door dien heer uitdrukkelijk te kennen gegeven wordt, dat zijn voorstel niet<br />
van het mijne verschilt, en stel dus voor te bepalen: de discussie over deze zaak aan te<br />
vangen in comité-generaal.<br />
Dit voorstel wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.<br />
De Vergadering wordt voor een kwartier uurs geschorst.<br />
De zitting in comité-generaal wordt hervat.<br />
Aan de orde is de beraadslaging over de INTERPELLATIE VAN DEN HEER MESSCHERT VAN<br />
VOLLENHOVEN EN DE VAN REGERINGSWEGE TE DIER ZAKE OVERGELEGDE STUKKEN.<br />
De beraadslaging wordt geopend.<br />
De heer van Zuylen van Wyevelt: Ik constateer alleen dat de heer Minister van<br />
Buitenlandsche Zaken niet tegenwoordig is, zoodat het voeren van een diplomatiek debat<br />
moeijelijk zal zijn.<br />
De Voorzitter : Ik kan de Vergadering mededeelen , dat de Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken mij heeft berigt bij den Koning te ziju geroepen , en zijn ambtgenooten heeft verzocht<br />
aan te teekenen wat in de zitting voorvalt.<br />
De heer van Zuylen van Wyevelt: Het is toch niet hetzelfde of men een diplomatiek<br />
debat voert met den Minister van Koloniën; ik meen dus dat het debat moeijelijk zal<br />
kunnen worden gevoerd omtrent buitenlandsche aangelegenheden.<br />
De Voorzitter: De Minister van Buitenlandsche Zaken zal over een groot uur hier<br />
kunnen zijn , dus tegen half drie. Verlangt de Kamer de persoonlijke tegenwoordigheid<br />
van Zijne Excellentie, voor dat zij het debat aanvangt, dan moet de zitting worden verdaagd<br />
tot drie ure.<br />
De heer van Zuylen van STyevelt: Verschillende punten kunnen zeer wel worden<br />
besproken buiten de tegenwoordigheid van dien Minister; maar ik wenschte eenige ophelderingen<br />
van hem persoonlijk te vragen. Ik spreek natuurlijk alleen voor mij zeiven.<br />
De heer van Lijnden van Sandenburg: Nu de Kamer heeft besloten tot het houden
3<br />
•van comité-generaal, kan dit toch moeijelijk worden opgeheven zonder dat er een woord<br />
is gesproken. Straks heb ik de ervaring opgedaan dat, als eenmaal de geesten ontbonden<br />
zijn , meerdere leden zich tot spreken laten vinden, die niet gaarne de eerste sprekers willen<br />
zijn. Ziedaar de eenige reden waarom ik mij geroepen acht thans een enkel woord te<br />
zeggen, dat zijne aansluiting vindt in hetgeen ik straks reeds in de openbare zitting aanvoerde.<br />
Ik bedoel de wederopvatting van den draad der discussie, die 18 December jl.<br />
tusschen den Minister van Koloniën en mij plaats had. Destijds heb ik art. 2 van de instructie<br />
van den Regeringscommissaris ter sprake gebragt. Wat daarvan eigenlijk waarheid is, en<br />
ten opzigte van die instructie is geschied, is voor de leden der Kamer, die inzage'van de<br />
stukken hebben genomen, thans geen geheim of raadsel meer.<br />
» Hierop echter," zoo sprak ik voorts, » moet de Regering zich verantwoorden: of de<br />
oorlog noodig en onvermijdelijk is geweest en of zij, door de wijze en den tijd waarop zij<br />
de oorlog verklaard heeft, wel gelet heeft op de gevolgen daarvan", enz.<br />
Nu komt de Regering met stukken, waaruit de Kamer hare handelingen zou moeten<br />
beoordeelen en waarin zij dus moet zien eene aanbieding van die verantwoording, waarop<br />
door mij is gewezen.<br />
Na van die verschillende stukken kennis te hebben genomen, ben ik nu toch geheel<br />
bevestigd in de reeds vroeger uitgesprokene overtuiging, dat er strijd is tusschen de verklaringen<br />
van de Regering en hare handelingen.<br />
Hierop vestig ik bovenal en in de eerste plaats de aandacht, want, wanneer men over het<br />
politiek, beleid der Regering wil spreken, 'in verband tot de mate van vertrouwen, welke<br />
de Regering aan de Kamer vraagt, dan is het, mijns inziens, een eerste vereischte dat, al<br />
moge ae Regering zich in 's lands belang gedrongen voelen om der Kamer niet alle mededeelingen<br />
te doen welke zij zoude kunnen, dat dan ten minste in het medegedeelde opregtheid<br />
worde betracht. Deze nu mis ik. De Regering heeft natuurlijk volkomen regt om<br />
mij bewijs voor die bewering te vragen. Ik zal dat bewijs geven. Wanneer zijn de aangelegenheden<br />
met betrekking tot Atjeh het eerst in deze Kamer besproken? Op 27 Februarij van het vorig<br />
jaar , naar aanleiding van de niet vijandige interpellatie des heeren Blussé, welke interpellatie<br />
met het daarop gevolgd debat door den Minister van Koloniën in een berigt aan den<br />
Gouverneur-Generaal (zoo als uit de stukken is gebleken) is gekarakteriseerd als goed te<br />
zijn geslaagd, terwijl de Regering er zich als 't ware op verheft dat zij bij die gelegenheid<br />
zoo min mogelijk aan de Staten-Generaal heeft geopenbaard, en er voornamelijk — ik<br />
moest dit punt misschien niet aanroeren omdat de Minister van Buitenlandsche Zaken niet<br />
tegenwoordig is — en zeer bepaald op heeft gewezen, dat er niets internationaals is geopenbaard.<br />
Toen heeft de Minister van Koloniën naar aanleiding van de vragen tot hem gerigt de<br />
houding aangenomen als of hij niets wist dan het eerste telegram dat door den Gouverneur-<br />
Generaal overgeseind is, te vinden in n°. 4 van de overgelegde stukken, met het antwoord<br />
daarop gegeven door de Regering, onder den datum van 18 Februarij. En de Regering zeide<br />
niet dat zij niet meer inlichtingen wilde geven, maar de Regering zeide , dat zij niets anders<br />
kon mededeelen dan zij toen deed, en daarom deed zij een beroep in deze Kamer op het<br />
kloek beleid van den Indisch Landvoogd.<br />
Den 4den April, bij de tweede interpellatie over de Atjehsche aangelegenheden, waarin<br />
ik mij evenmin mengde als bij gelegenheid van die van den 27sten Februarij, is herhaaldelijk<br />
en van verschillende zijden bij de Regering aangedrongen om mededeelingen te doen ,<br />
op zoodanige wijze als zij meende dat te kunnen doen, betreffende de oorlogsverklaring<br />
aan Atjeh. Daarop heeft de Regering herhaaldelijk verklaard dat zij dat niet kon doen en<br />
zich vereenigd met de onderstelling uitgesproken door den heer van Reenen, dat de Regering<br />
op dat oogenblik niets wist, met name over de aanleiding tot de oorlogsverklaring,<br />
dan hetgeen zij gezegd had, en dat heeft de Regering nog sterker doen uitkomen toen zij<br />
daarbij voegde, dat zij niet wist dan het telegram den vorigen dag ontvangen. Den 29sten<br />
April heeft de Regering wederom verklaard dat zij niets wist en dat zij den 4den April<br />
niets meer had geweten dan op den 27sten Februarij.<br />
En nu blijkt uit de overgelegde stukken dat nota bene reeds bij de eerste interpellatie<br />
de Regering alles wist. Ik vraag : is dit een blijk van opregtheid ? Daarbij is geen sprake<br />
geweest van een beroep op art. 89 van de Grondwet, van een beroep op 's lands belang.
4<br />
Uit het nu overgelegde blijkt dat de Gouverneur-Generaal vooreerst heeft ingezonden een<br />
mailrapport, dat ons niet is overgelegd, gedateerd 9 Januarij, maar ook dat hij sedert niets<br />
heeft gedaan zonder voorkennis van den Minister van Koloniën of van den Ministerraad<br />
en dat, toen voor het eerst hier deze zaak besproken werd, reeds belangrijke telegrammen<br />
gewisseld waren. Dit springt nog meer in 't oog wanneer men in aanmerking neemt het<br />
besprokene op 4 April. Alle telegrammen loopen slechts tot 20 Maart. De geheele operatie<br />
was besloten in overleg met den Minister van Koloniën, die ons hier kwam verklaren:<br />
Wij weten van niets. Ik vraag nogmaals: Is dat een blijk van opregtheid en geeft dit<br />
vertrouwen in eene Regering?<br />
Ik mag die vraag toch stellen, wanneer de Regering wenscht en een groot deel der Kamer<br />
gezmdis, de geheele verantwoordelijkheid voor die zaak aan de Regering te laten. Wanneer<br />
hier herhaaldelijk is moeten worden herinnerd, zoo als ik den 28sten April de eer had te<br />
zeggen, » dat de natie op inlichtingen regt heeft", en zoo als de geachte mterpellant zich<br />
den 21sten Maart uitdrukte, ,dat het Nederlandsche volk regt heeft om de voornemens der'<br />
Regering te kennen, en de Vertegenwoordiging verpligt is op het geven van inlichtingen<br />
aan te dringen", gaat het dan aan dat de Regering niet inlichtingen om redenen in's lands<br />
belang weigert, maar inlichtingen geeft, die later blijken niet te zijn in overeenstemmingmet<br />
hetgeen op dat oogenblik waar was?<br />
EJirlkUeit loahrt am langsten, maar het heeft op mij den indruk gemaakt alsof de<br />
Regering kracht en heil zoekt in het tegenovergestelde.<br />
Uitbreiding van ons gezag, was — het is meermalen herinnerd— noch de wensch, noch<br />
het doel van de Regering, en toen van geene vijandige zijde, door den heer Blussé, den<br />
^!7sten Kebruarij aan den Minister van Koloniën gevraagd werd: »Houdt gij nog vast aan<br />
uw programma, uitgesproken den 26sten October 11.", beantwoordde de Minister dat in bevestigenden<br />
zin. En dat gebeurde, let wel, den 27sten Februarij, nadat het aan Atjeh te<br />
stellen alternatief tusschen susereiniteit of oorlog reeds aan de Regering bekend was<br />
Wat wordt verder uit de stukken bevestigd? Dat de politiek, om de zachtste uitdrukkmg<br />
te gebruiken, die invloed heeft uitgeoefend op den weg, dien men in deze gemeend<br />
heeft te moeten inslaan , reeds lang voorbereid was; voorbereid in voornemens en gedachten<br />
met in voorz<strong>org</strong>smaatregelen en middelen, en daarin lag ook de onvergeeflijke fout.<br />
De heer van Nispen van Sevenaer heeft er indertijd op gewezen, hoe op hetzelfde oogenblik<br />
dat men wist dat de gevolgde politiek tot het voeren van een oorlog kon leiden, de<br />
middelen verwaarloosd werden, die daartoe zouden worden vereischt.<br />
Wanneer men dit nu zoo volkomen bevestigd ziet uit wat ons uit Indie berigt wordt<br />
dat onder andere in het eertsovergelegd telegram geseind wordt dat de toestand der marine"<br />
zeer treurig is, dat uit een proces-verbaal van den Raad van Indie hetzelfde blijkt betreffende<br />
den toestand der marine, en voorts dat men met betrekking tot de kennis van Atjeh<br />
in volslagen duisternis verkeert, dan vraag ik of de bewering te sterk is, dat het mislukken<br />
der eerste expeditie geheel komt ten laste der Regering, ook wanneer men daarbij nog<br />
vergelijkt het niet-geheime stuk n°. 18, een rapport van den heer Nieuwenhuyzen, waarbij<br />
zoo ik mij wel herinner, wordt uitgesproken, dat de toestand der marine, ook wat de munitie<br />
betreft, nog geen expeditie van acht dagen veroorloofde. De overtuiging daarvan heeft<br />
althans voor een goed deel medegewerkt tot het ongunstig oordeel,door de Kamer uitgesproken<br />
over het beheer van het Departement van Marine. Maar daarom kan ook dat oordeel<br />
, dunkt mij, niet anders dan voor rekening komen van het geheele Kabinet.<br />
Uit hoofde van de afwezigheid van den Minister van Buitenlandsche Zaken wensch ik<br />
thans buiten bespreking te laten wat internationaals is geschied en wat op dat gebied heeft<br />
aanleiding gegeven en is geschied , om voort te gaan op een weg, waarop men , mijns inziens<br />
nooit had behoeven te komen en waarvan men - de stukken hebben het aangetoond —<br />
nog bij tijds had kunnen terugkeeren. •<br />
Voor het oogenblik zal ik het daarbij laten. Misschien dat, nu ik gesproken heb, ook<br />
anderen opmerkingen zullen willen in het midden brengen.<br />
Ik weDsch alzoo , resumerende , aan de Regering te vragen: kunt gij rijmen de verklaring<br />
van mets te weten, met hetgeen gij thans zelf, door overlegging van de stukken, bewijst<br />
met alleen te hebben geweten, maar ook te hebben gewild? En moet nu de Regering niet
5<br />
erkennen dat de ligtvaardige wijze waarop de oorlog begonnen is, afgescheiden nog van de<br />
vraag of hij noodzakelijk was, wel met zich moest brengenden ongelukkigen afloop der eerste<br />
expeditie ?<br />
De heer Nierstrasz: Mijnheer de Voorzitter, het was mijn plan niet om in comitégeneraal<br />
te spreken. Dit beteekent, mijns inziens, niets.<br />
"Wij allen hebben de stukken gelezen en begrepen wat zij bevatten, wij hebben ons dus<br />
een oordeel gevormd over de houding van de Regering in deze zaak.<br />
Is het, wensch ik in de eerste plaats te vragen, noodzakelijk dat de punten , die in de<br />
ons overgelegde stukken begrepen zijn, aan de kennisneming van het publiek worden . .<br />
onttrokken ?<br />
Een enkel stuk is er misschien bij waarop dit van toepassing zou kunnen zijn; maar de<br />
hoofdzaak mag, dunkt mij, publiek worden, althans indien de Regering het oordeel van<br />
het publiek over hare handelingen niet vreest.<br />
In zeker opzigt is het gemakkelijk om in comité-generaal verb<strong>org</strong>en te houden welke<br />
rol de Regering en welke rol de oppositie in de geheele zaak van Atjeh eigenlijk hebben<br />
vervuld.<br />
Wanneer die zaak publiek werd behandeld zou de natie ontwaren dat bijna alles wat<br />
de oppositie voorspeld heeft en gezegd heeft dat gebeurd was, zich werkelijk zoo heeft<br />
toegedragen; dat hetgeen hier als » on dils" werd aangevoerd, omdat men niet altijd de<br />
bronnen kan opgeven waaruit men putte, ofschoon die bronnen altijd honorabel waren,<br />
letterlijk waar en juist bevonden is.<br />
Maar is er al eenig motief om een enkel stuk waarin eene buitenlandsche Regering betrokken<br />
is, geheim te houden, welke reden bestond voor het geheim houden of liever het<br />
niet vroeger mededeelen aan ons van die inlichtingen, waarom wij zoo herhaaldelijk gevraagd<br />
hebben?<br />
In een voor de Regering bevriend blad wordt nog gisteren in een artikel gezegd: waarom<br />
heeft de oppositie niet door afstemming van de begrooting van Koloniën getoond, dat zij<br />
in dezen Minister geen vertrouwen stelt, ook niet wat zijn beleid omtrent Atjeh betreft?<br />
Maar de stemming die nu toegeschreven wordt als te zijn eene soort politieke stemming,<br />
eene stemming van vertrouwen of niet, was alleen een bewijs dat de Atjehsche zaak<br />
nog niet d fond bekend was, en dat men niet wist of hetgeen ik en anderen daarover<br />
hebben medegedeeld juist was.<br />
Nu zijn de stukken overgelegd en is daaruit gebleken dat de Regering wist wat zij<br />
zeide niet te weten.<br />
Wat is er vo<strong>org</strong>evallen? Op de Nota, die ons is overgelegd, heeft ons geacht medelid,<br />
de heer Jonckbloet, een overzigt geschreven. Wanneer wij dit nu leggen naast de telegrammen<br />
der Regering, dan zal ieder moeten erkennen, hoe scherpzinnig die geachte<br />
afgevaardigde gezien heeft.<br />
Is het verlangen van de Regering wel zeer groot geweest, om ons zoo spoedig mogelijk<br />
in kennis te stellen met hetgeen in Indie gebeurd is, om ons de juiste toedragt der zaak<br />
te doen kennen? Was de toestand zooveel anders op 22 Maart als, bij voorbeeld, bij de<br />
behandeling van het Adres van Antwoord en der begrooting ? Toen in de Eerste Kamer<br />
en hier opheldering gevraagd is, antwoordde de^Regering altijd, dat het Staatsbelang zich<br />
daartegen verzette.<br />
Daarom zie ik in de geheimhouding niet anders dan de vrees van de Regering om in<br />
het openbaar voor hare daden uit te komen. Als de natie kon weten wat er in die stukken<br />
staat, en op hoe ligtvaardige wijze de oorlog is begonnen en om welke redenen, dan zou<br />
al dat geblaf in sommige dagbladen tegen de oppositie al zeer veel van zijn crediet verliezen!<br />
Ik zal natuurlijk hetgeen ik te zeggen heb over deze zaak in het algemeen bewaren tot<br />
de openbare beraadslaging, dan maakt het veel meer effect!<br />
Maar toch moet ik de aandacht van de Vergadering vestigen op verschillende beweringen<br />
van de Regering, die werkelijk, ik zal nu zeggen: niet juist zijn, om ook hier de parlementaire<br />
gebruiken in het oog te houden, maar die werkelijk in strijd zijn met hetgeen<br />
is vo<strong>org</strong>evallen.<br />
2
6<br />
In het telegram van 17 Februarij heeft de Regering, namens den Koning, eene geheele<br />
reeks van bevelen gegeven. Daaruit blijkt, dat reeds bij het mailrapport van Januarij hier<br />
ontvangen, het vooruitzigt bestond op wat te wachten was. Reeds in de instructie aan<br />
den resident van Riouw gegeven, in het vorig jaar, wordt het verkrijgen van de souvereiniteit<br />
over Atjeh besproken als het doel waarnaar wij^'zouden streven.<br />
Uitbreiding van gezag is wensch en doel.<br />
De Regering heeft het doen voorkomen als of wij Nederlanders'eigenlijk lammetjes geweest<br />
zijn en hoe de Atjehers op schrikkelijke wijze den beest hebben gespeeld. Ik heb uit de<br />
nalatenschap van een overleden resident eenige stukken gekregen, die ik, als het comitégeneraal<br />
blijft duren, aan de Kamer zal mededeelen. Het zijn geen geheime stukken; men<br />
kan in de archiven nazien of zij juist zijn of niet. Het zijn bijv. passen door generaal van<br />
Swieten aan eenige hooggeplaatste persDnen op Padang verleend voor pandelingen (kinderen<br />
boven de 14 jaren), eene lijst van het aantal pandelingen, met consent van het Gouvernement<br />
, slaven , in 1852, 1853 en 1854 in Padang ingevoerd, eene menschenjagt die heeft<br />
plaats gehad op een aantal weggeloopen pandelingen die men had wijs gemaakt dat zij<br />
vet gemaakt en door de Batakkers , aan] wie zij zouden worden verkocht, opgegeten zouden<br />
worden. Dat waren allen handelingen van ons bestuur, terwijl generaal van Swieten gouverneur<br />
van de Westkust was; en dit zeg ik niet om een blaam te werpen op dien achtenswaardigen<br />
man, die op het oogenblik zijn leven en zijne gezondheid waagt ten dienste van<br />
het vaderland, maar alleen om het bewijs te leveren hoe het Hollandsch Gouvernement<br />
onmagtig was om te keeren wat het nu aan de Atjehers ten laste legt.<br />
Een der leden heeft hier eens gezegd: wij waren de rijksadvocaten van Atjeh. Dat zijn<br />
van die dingen waar men om lacht en die men aan den Uilenspiegel overlaat om ze te<br />
commentariëren. Er zijn menschen die veel van grappen houden ; mij maakt het noch koud<br />
noch warm. Ik heb wel gaarne dat men wat notitie van mij neemt. Ik heb liever dat<br />
de menschen mij uitschelden of trachten ten toon te stellen, dan mij doodzwijgen. Ik zal<br />
mij niet met Bismarck vergelijken , maar die houdt er heele kamers op na, die hij beplakt<br />
met hetgeen tegen hem geschreven wordt. Ik wil alleen hierop komen: de oorlog tegen<br />
Atjeh is een gezochte oorlog , een oorlog die voor eene Christen natie eigenlijk eene schande<br />
is, eene groote schande. Het menschen rooven en menschen stelen , dat ook in onze bezittingen<br />
heerscht, tegen den zin van het Gouvernement (want waar generaal van Swieten<br />
is, zou het niet bestaan hebben als hij het had kunnen keeren), is bij die volken zoo ingeworteld<br />
, zij zien er zoo weinig kwaad in, dat het eene gezochte zaak is er een gouvernement<br />
als dat van Atjeh voor aansprakelijk te stellen, dat toch zoo weinig magt over<br />
zijne vasallen heeft.<br />
Ware bovendien eene dergelijke politiek nog bekroond geworden met succes, men zou<br />
dan kunnen zeggen: wij hebben er in allen gevalle veel mede gewonnen. Bij velen toch<br />
maakt de uitkomst de oorsprong der zaak goed. Maar wij wisten in welk een wespenest<br />
wij onze handen staken. Ik heb hier verhaald, en ik heb daaromtrent nog later berigt<br />
gekregen, dat de Raad van indie in het laatst van 1870 een eenparig advies heeft uitgebragt,<br />
dat mede onderteekend is door den heer Nieuwenhuyzen , — men lette wel op, door<br />
den heer Nieuwenhuyzen, van wien iedereen weet hoe gehecht hij was aan den heer van<br />
de Putte en diens opinien, die dus niet ligt iets onderteekend of aan iets medegedaan zou<br />
hebben, hetwelk hij denken kon dat aan den heer van de Putte , den tegenwoordigen Minister<br />
van Koloniën, zou kunnen mishagen.<br />
In dat advies wordt gewaarschuwd voor al de gevolgen die een oorlog met Atjeh zou<br />
hebben; daarvoor was dan ook , naar men meende , weinig reden ; men kon er schepen naar<br />
toe zenden en eene of andere streek, die zich soms aan menschenroof schuldig maakte,<br />
tuchtigen. Maar dat advies is in den wind geslagen. Ik wenschte wel, dat de Minister kon<br />
besluiten dat eenparig advies over te leggen; dan zou men eens zien hoe het Opperbestuur<br />
en de Indische Regering wisten, immers konden weten, wat men ging beginnen en hoe<br />
slecht voorbereid men desniettegenstaande was. Leest wat in den Raad van Indie is vo<strong>org</strong>evallen<br />
, toen tot het zenden van eene expeditie besloten was; generaal Kroesen verklaarde<br />
dat zijne troepen nog niet genoegzaam gewapend, althans nog niet voldoende geoefend<br />
waren om met het achterlaadgeweer om te gaan.
7<br />
Men heeft wel eens gespot met den- mousson, maar het is toch later gebleken , dat de<br />
tijd , toen gekozen , een zeer slechte tijd was , want nu wordt, met het oog op den naderenden<br />
mousson , de terugkomst aangekondigd van cle expeditionaire troepen , voor zoover zij niet<br />
in de forten zijn geb<strong>org</strong>en.<br />
Men wist uit de donnés die men had, in welk een formidabelen toestand Atjeh, voor een<br />
inlandschen staat, verkeerde. Was het dan te verantwoorden toen op dat oogenblik eene<br />
expeditie te land — ik zeg te land en druk er op — te zenden ?<br />
De Minister heeft gezegd : er waren redenen dat eene expeditie moest gaan op dat oogenblik,<br />
opdat geen vreemde vlag in Atjeh zou waaijen. Y/ie nu de stukken goed gelezen heeft,<br />
wie de conferentien van Arifin met den Amerikaanschen consul zoogenaamd gelezen heeft,<br />
wie die overdreven rapporten van Read kent en tevens kennis heeft genomen van het telegram<br />
uit Amerika — 9 Maart — die weet toch zeer goed dat die Amerikaansche consul gehandeld<br />
heeft zonder eenigen last van zijn Gouvernement, zonder dat dit er iets van wist.<br />
Wel heeft de heer Fish , Amerikaansch Minister, toen de heer Westenberg — het spijt mij<br />
dat de Minister van Buitenlandsche Zaken hier niet tegenwoordig is — de onhandigheid<br />
had hem de propositie te doen om te beletten dat de Amerikaansche schepen in Atjeh kwamen,<br />
zeer natuurlijk geantwoord : de Amerikaansche schepen zullen overal heengaan waar het<br />
belang van Amerika het vordert, — maar hij heeft toch dadelijk getelegrapheerd, en de<br />
uitkomst was dat bij Amerika geen plan hoegenaamd was om zich in de Atjehsche<br />
zaken te mengen. De toespraak van den Amerikaanschen admiraal bevestigt hetgeen hij<br />
in zijne rapporten aan de Regering te Washington geschreven heeft. Amerika had met de<br />
zaak hoegenaamd niets te doen.<br />
Ik geloof dus dat de vrees, dat eene buitenlandsche Mogendheid hare vlag in Atjeh zou<br />
doen waaijen, zeer ijdel was.<br />
Nu is het mogelijk — en ik respecteer iedere opinie — dat er nog menschen zijn die<br />
zeggen of denken : men weet nooit hoe men het met Amerika heeft, men moet altijd voorzigtig<br />
zijn en daarom was het noodig Amerika voor een fait accompli te zetten. Ik begrijp<br />
dat het een fait accompli zou zijn wanneer wij feitelijk met Atjeh in oorlog waren, omdat<br />
dan, zonder schending van het volkenregt, Amerika zich met de zaak niet kon bemoeijen.<br />
Maar hangt de staat van oorlog af van het getal schepen dat men er heen zendt ? De<br />
uitkomst van den oorlog kan er van afhangen, maar het feit van den staat van oorlog is<br />
hetzelfde of 3 of 20- schepen worden gezonden. Ware het met het oog op den naderenden<br />
west-moesson , met het oog ook op de weinige kennis die wij van den toestand van Atjeh<br />
bezaten , niet voldoende alleen om Amerika voor het feit te stellen dat wij in oorlog waren<br />
met Atjeh, er eenige schepen heen te zenden? Daarvoor had men schepen genoeg, maar<br />
anders had men er des noodig het wachtschip van Batavia heen kunnen slepen. Dan ware<br />
er een oorlogschip geweest dat den staat van oorlog doet zien. Men had dan werkelijk aan<br />
Amerika kunnen berigten dat wij in oorlog waren met Atjeh , en zoo noodig had men den<br />
boel aan de kust kunnen plat schieten. Dan was er wel degelijk een staat van oorlog geweest<br />
en was er geen enkele gegronde reden om met troepen, met de wapenen nog niet<br />
genoegzaam vertrouwd of nog niet in genoegzame getale van nieuwe wapenen voorzien,<br />
om ons overwigt op den inlander te geven, oorlog te voeren.<br />
Toen hier 26 of 27 Februarij door den heer Blussé eene interpellatie tot de Regering werd<br />
gerigt, had cle Minister reeds volledige instructien gegeven hoe gehandeld moest worden.<br />
In datzelfde telegram vindt men ook een ander bewijs dat de Minister niet altijd^aan de<br />
waarheid getrouw is gebleven. Men vindt daarin den wenk om den vice-president van den<br />
Raad van Nederlandsch Indie, een creatuur van den Minister, naar Atjeh te zenden als<br />
gouvernements-secretaris. Toen ik later hier gezegd heb dat voor die zending het initiatief<br />
is genomen door den Minister, heeft hij mij dit pertinent tegengesproken en gezegd: het<br />
is uitgegaan van den Gouverneur-Generaal. Het scheen of de Minister eene concessie heeft<br />
gedaan aan den heer Loudon , terwijl juist het omgekeerde het geval is geweest, de Minister<br />
heeft aan den heer Loudon gezegd: zend er NieuWenhuyzen heen.<br />
Hoe ongelukkig die zending is afgeloopen , behoef ik niet te herinneren. Men leze de<br />
onderhandelingen, die met den Sultan hebben plaats gehad. Men leze den aandoenlijken<br />
brief en zie hoe dat » kind en die wees", die zich »aan de hoede van den Al bestierder en
8<br />
van het Nederlandsen Gouvernement overgeeft", door den gouvernements-commissaris, den<br />
heer Nieuwenhuyzenis behandeld. Het manifest — en dit stuk is met geheim, dus ikzal<br />
daarop ook in de publieke zitting wijzen - het manifest, waarbij de eischen van het<br />
Nederlandsen Gouvernement werden kenbaar gemaakt, werd aan wal gezonden; het luidt:<br />
, Dat manifest zal nog heden aan den Sultan worden toegezonden, terwijl het zoodra<br />
van zijne ontvangst zal z\jn gebleken nader door het werpen van eenige projecülen m _ of<br />
nabij des Sultans verblijf, waarvan wij slechts 3600 meters verwijderd liggen, bevestigd<br />
zal worden." , j<br />
De Minister heeft die instructie van den Gouvernements-commissaris als zoo dood eenvoudig<br />
vo<strong>org</strong>esteld en als van geen belang, wijl zij niet meer is gebruikt; maarzij is wel<br />
degelijk gebruikt. Begrijp ik den brief van den Gouvernements-commissaris aan den Gouverneur-Generaal<br />
goed, dan is in die instructie alléén eenmaal 24 uren veranderd mtweemaal<br />
24 uren. Men overzie de gewigtige telegrammen over die instructie. Uit vrees voor<br />
de Staten-Generaal en voor het effect in het buitenland moet niet zoo ruw den eisch van<br />
souvereiniteit gesteld worden, maar die is een uitvloeisel er van.<br />
De Minister schrijft in April dat, nu er bloed heeft gevloeid , art. 6 der instructie van den<br />
Gouvernements-commissaris niet meer aan de orde is; nu moeten wij eene vestiging maken.<br />
Het eenig belang dat wij bij Atjeh hebben is, dat daar zich geen vreemde natie vestige.<br />
Wij kunnen geen orde en regel houden m onze eigen bezittingen: opSiak, Deli.Djambi,<br />
Lombok we hebben er een naamgezag; men respecteert er ons ja, maar slavenhandel,<br />
pandelingschap, menschenroof, ze heerschen daar nog steeds; hier in comité-generaal<br />
kunnen wij de zaken noemen zoo als ze zijn.<br />
Er is veel in Atjeh gebeurd dat onze afschuw verwekken moet: het aanranden van parlementairen<br />
, het opgraven van dooden, het is verschrikkelijk als het waar is en niemand<br />
zal dat willen verdedigen. Maar moet overigens een volk ons geen achting inboezemen,<br />
ons geen sympathie geven, dat op die wijze] strijdt voor zijne godsdienst, zijne overtuiging,<br />
ziine onafhankelijkheid?<br />
Als de generaal van Swieten telegrapheert dat de Atjehers zich liever dood vechten<br />
dan zich onderwerpen, is dat geen berigt ter eere van de Atjehers ? Voeren wij daar met<br />
eene utiliteits-politiek, die wij niet gaarne in Europa gouden zien toegepast? Als von Bismarek<br />
m<strong>org</strong>en of overm<strong>org</strong>en verklaart dat het belang van Duitschlands veiligheid, met<br />
het oog op een nieuwen oorlog met Frankrijk, vordert dat Duitschland zich bondgenooten<br />
kunne Ö<br />
verschaffen aan het uitvloeisel der riviermonden, die eigenlijk aan Duitschland behooren;<br />
dat het voor Duitschland's eer en prestige volstrekt noodig is dat wij Duitsch<br />
worden', en het pakt ons in als het kan, — dan doet von Bismarck juist hetzelfde als wij<br />
nu in Atjeh doen.<br />
Daar is geen motief te vinden, waarom wij op dit oogenblik Atjeh. den oorlog aandoen.<br />
De Penangsche bladen zijn vol van al de gruwelen, verkeerdheden en rooverijen der Atjehers.<br />
Daarvan zal veel overdreven zijn, want die bladen zijn reeds 20 jaar lang bezig om<br />
vreemde Gouvernementen tegen het Indisch gouvernement op te zetten.<br />
Steeds heeft de Minister van Koloniën de ware plannen verb<strong>org</strong>en gehouden, die bij de<br />
Indische Regering hebben bestaan: » uitbreiding van gezag is ioel wensch en is wel doel".<br />
Nu zijn wij gekomen tot den toestand van het oogenblik. Deze kan in het openbaar<br />
besproken worden, want hij berust niet op mededeelingen van quasi geheime stukken.<br />
Maar het is beter hier te zeggen, wat misschien in het publiek weinig effect zal maken.<br />
De positie is op dit oogenblik in Atjeh zeer precair. Van een uiterst bevoegd krijgskundige<br />
daar ter plaatse aanwezig, is mij medegedeeld dat op 1800 el van onze vestingwerken<br />
door den vijand nieuwe verschansingen worden opgeworpen. Het zijn bentings<br />
die zeker van achteren wel weder open zijn , waar des avonds muziek gemaakt en krijgsdansen<br />
uitgevoerd worden. Zij wachten slechts op eene gunstige gelegenheid om ons aan<br />
te vallen. Op alles wat zich buiten onze versterkingen vertoont, wordt geschoten. Wanneer<br />
dat land geheel onder water zal staan, zoo als bij den westmousson in den regel gebeurt;<br />
wanneer de bandjirs bruggen en wegen onbruikbaar maken, wat zal dan de positie onzer<br />
krijgslieden ginds zijn?<br />
Zijn wij na het innemen van den kraton iets vooruitgegaan? Enkele staten onder het
9<br />
bereik van ons scheepsgeschut, hebben de Nederlandsche souvereiniteit erkend. Daarop is de<br />
blokkade opgehesen, zoodat nu de binnenlandsche bevolking, die niet onderworpen is,<br />
voorzien wordt van al het noodige, zout, opium, lijnwaden enz. Men zegt, dat de kommandant<br />
der zeemagt verzocht heeft om eene nieuwe vloot en nieuwe manschappen, ten<br />
einde de blokkade voort te zetten. Dit nieuws is een courantenpraatje en misschien zeer<br />
overdreven, maar er zal toch wel eenige waarheid in liggen. Die opheffing der blokkade<br />
is, mijns inziens, bonne mine a mauvais jeu. Mogt deze tweede expeditie eens mislukken,<br />
dan zal de blokkade zeker niet kunnen worden voortgezet. Toch heeft de Minister gezegd,<br />
als of hij schepen uit de tafel kon slaan, er zal geblokkeerd worden.<br />
Het zal zich later van zelf wel uitwijzen , maar na dit een en ander nagegaan te hebben,<br />
komt het mij voor dat de Regering geen blijken heeft gegeven van constitutionelen zin,<br />
van opregten wil om met de Volksvertegenwoordiging open en rond om te gaan. Het is<br />
mogelijk dat 's landsbelang vordert dat enkele stukken geheim worden gehouden met het<br />
oog op vreemde Mogendheden, maar ik kan mij niet voorstellen, dat 's lands belang vorderde<br />
dat de Regering hier iets mededeelde wat niet waar is, niet zoo als het zich heeft<br />
vo<strong>org</strong>edaan. Ik heb eene geheele lijst voor mij , maar ik zal de Kamer niet vermoeijen<br />
met die voor te lezen; men heeft de telegrammen slechts te vergelijken met de hiergevoerde<br />
discussien om zich daarvan overtuigd te zien.<br />
Het eenige waarvoor de oorlog op dit oogenblik noodzakelijk kon worden geacht en dat<br />
eigenlijk van achteren is gebleken, was cle houding van den consul van Amerika te Singapore.<br />
Ik moet er nog opmerkzaam op maken, dat het telegram van den grappenmaker, dat<br />
ik hier heb medegedeeld, waarbij gezegd werd;dat de vloot uit Hongkong vertrokken was,<br />
te vinden is onder de telegrammen, die de Regering ons heeft medegedeeld. Het was dus<br />
geen grap die ik mededeelde, maar een telegram van een particulier aan een handelshuis.<br />
Het was de ongelukkige Canter Visscher, die zoo rampzalig aan de cholera overleden is in<br />
den bloei van zijn leven. Hij is bij den Gouverneur-Generaal gekomen om dit mede te<br />
deelen, ik weet het zeker. Het was niet noodig eene expeditie te land ie doen, die zoo<br />
slecht is afgeloopen. Men zoekt een tweede Bazaine in den armen kolonel van Daalen , terwijl<br />
de heer Nieuwenhuyzen , de werkelijk schuldige , met 12 000 gulden pensioen in Arnhem<br />
woont. De arme van Daalen kan zijn pensioen echter niet krijgen , neen, het is als of hij<br />
oorzaak is dat de eerste expeditie is mislukt. En de. generaal Knoop heeft het in eene andere<br />
vergadering te regt gezegd: »de tweede expeditie is de grootste regtvaardiging van den<br />
afloop der eerste, die er kan wezen". Hoelang heeft de verdienstelijke generaal van Swieten<br />
niet werk gehad om aan den kraton te komen? Immers 47 dagen, met die ontzaggelijke<br />
krijgsmagt. Zeker wel een bewijs dat het terrein daar moeijelijk is. Er kon in den tijd<br />
tusschen de eerste en tweede expeditie wel het een of ander gemaakt zijn, maar binnen<br />
het terrein van den kraton bestond reeds alles.<br />
Ik herhaal nog eens dat de oorlog, mijns inziens, niet genoegzaam is gewettigd. Verder<br />
zal ik over de houding van de Regering tegenover de Volksvertegenwoordiging geen woord<br />
meer zeggen; ik zal dat bij de openbare beraadslaging doen , dan zal ik in't algemeen resumeren<br />
welken indruk op mij de geheime stukken hebben gemaakt en welk groot belang ,<br />
niet voor het vaderland , maar voor deze Regering, er in gelegen is dat die stukken geheim<br />
blijven.<br />
De heer Fransen van de Putte, Minister van Koloniën: Ik sta voornamelijk zoo<br />
spoedig op om een groot misverstand weg te nemen, dat mij blijkt bij twee leden te bestaan<br />
, door hunne mindere bekendheid met de Indische administratie.<br />
Het is een voornaam punt in het debat, dat de Regering niet zou hebben medegedeeld<br />
het in het telegram aangeduide mailrapport van 9 Januarij; dit rapport is echter in handen<br />
van de leden, Mijnheer de Voorzitter.<br />
Wat toch is het mailrapport? Het is eene instelling door den Minister de Waal in het<br />
leven geroepen; de Gouverneur-Generaal geeft met iedere mail een klein overzigt van de<br />
voornaamste gebeurtenissen, soms eenvoudig door te verwijzen naar stukken daarbij overgelegd.<br />
Zoo staat nu in het mailrapport van den 9den Januarij niets anders dan dat de Gouverneur-<br />
3
10<br />
Generaal, naar aanleiding der uit Riouw ontvangen stukken,die aan de Kamer zijn overgelegd,<br />
den brief van 4 Januarij van de algemeene secretarie, die ook aan de Kamer is<br />
overgelegd, heeft doen schrijven aan de Gouvernements-commissarissen. Anders niets. Nu<br />
de adhaesie en mijn telegram van 19 Februarij, gegeven aan het mailrapport van den 9den<br />
Januarij. Ik zeide dat ik met voldoening had gezien dat een krachtig optreden in Atjeh<br />
was voorbereid. Wat beduidde dat?<br />
In den brief van den resident van Riouw staat dat men genoegen neemt met het uitstel<br />
der reis van de Commissarissen naar Atjeh , dat de controleur Kraijenhoff, belast met de zaken<br />
van de noordkust van Sumatra' naar Pinang en een inlander van Riouw naar Atjeh moet<br />
gaan, om den staat van zaken op te nemen, te onderzoeken of die verdeeldheid van<br />
twee partijen in Atjeh bestaat en in 't algemeen zich op de hoogte van de toestanden te<br />
stellen. Nu zeide het telegram van 18 Februarij eenvoudig, dat de Regering met genoegen<br />
had gezien dat men door deze maatregelen voorbereid was, nu een krachtig optreden noodig<br />
zou worden.<br />
Wat betreft de in' het telegram vermelde regeling » in den vo<strong>org</strong>enomen zin ", dat is in<br />
den zin der instructie die uitmaakt het eerste stuk, dat aan cle Kamer is medegedeeld: de<br />
instructie aan de Gouvernements-commissarissen Schiff en van de Wall. De bedoeling was<br />
dus dat op de eene of andere wijze, in die instructie aangegeven, een tractaat zou gesloten<br />
worden met Atjeh. Zulk een tractaat was noodig om vreemde inmenging uit te sluiten,<br />
en de telegrammen van hieruit doelen ook daarop om buitenlandsche inmenging, waar die<br />
bespeurd wordt, te voorkomen en er tegen te protesteren. Het misverstand dat ik zie dat<br />
bestaat hij de heeren van Lynden en Nierstrasz, schijnt een gevolg te zijn hiervan, dat<br />
zij zich een verkeerd denkbeeld hebben gevormd van hetgeen het mailrapport is en verondersteld<br />
hebben, dat daarin zou zijn te vinden het bewijs van eene agressive rigting van<br />
de Indische Regering, hetgeen ten een male onjuist is.<br />
Men heeft hier uitgesproken het woord onwaarheid, en om daarop te antwoorden is niet<br />
gemakkelijk, wanneer men zoo maar spreekt zonder de stukken voor zich te hebben.<br />
Ik herinner mij echter zeer goed dat de geachte afgevaardigde uit Delft zeide, dat de<br />
Minister had getelegrapheerd: de vice-president is de man, en dat ik hierop geantwoord<br />
heb, dat hier wel iets van aan was, maar dat het het regte niet was, daar die woorden<br />
van den heer Loudon waren.<br />
Bovendien zal de geachte afgevaardigde uit Delft bij het lezen der stukken gezien hebben<br />
, dat de heer Loudon schrijft, dat hij , reeds voor dat] hij het telegram ontving, juist<br />
aan den heer Nieuwenhuyzen gevraagd had, of deze genegen was zich met die missie te<br />
belasten. Dit is evenwel waar, dat ook door mij de aandacht op den heer Nieuwenhuyzen<br />
gevestigd is. De reden van die aanduiding is deze, dat volgens het tractaat van 1857 de<br />
gouverneur van Sumatra's Westkust de aangewezen Commissaris was, maar dat ik begreep * .<br />
dat men hem misschien niet uit zijn gewest zou willen wegzenden, en nu wilde helpen<br />
z<strong>org</strong>en dat men den meest geschikten man kiezen zou. Met verwondering heb ik, toen ik<br />
die stukken over Atjeh voor 't eerst in handen kreeg, gezien, dat men bij de in 1872<br />
vo<strong>org</strong>enomene missie den gouverneur van Sumatra's Westkust is voorbijgegaan. De reden<br />
hiervan was, dat men vreesde dat de heer Netscher in Atjeh niet welkom wezen zou,<br />
omdat hij als resident van Riouw dikwijls had moeten medewerken om de Atjehers in<br />
de onderhoorigheden van Siak terug te dringen. Maar al had ik die reden niet geapprouveerd,<br />
aan de zaak was toen niets meer te doen, de heeren Schiff en van de Wall waren<br />
reeds benoemd.<br />
Toen wij het telegram van 16 Februarij ontvingen , wisten wij dat de heer van de Wall<br />
op sterven lag, en in de eerste conferentie, die ik met den Koning hield, heeft Zijne<br />
Majesteit mij in cle eerste plaats gevraagd, of de heer Schiff de volkomen te vertrouwen<br />
man was voor zulk eene gewigtige missie als deze nu geworden was. Bij volkomen kennis<br />
van de capaciteiten van den heer Schiff, dien ik gedurende 3 jaren onder een vorig Ministerie<br />
op mijn bureau heb werkzaam gezien, durfde ik die vraag evenwel niet toestemmend<br />
beantwoorden. Nu zou natuurlijk de gouverneur van Sumatra's Westkust het eerst in<br />
aanmerking komen, maar, zoo als ik zeide, het was te vreezen dat men hem niet zou<br />
durven wegzenden. Alleen voor dat geval heb ik gewezen op den heer Nieuwenhuyzen.
11<br />
Het telegram zegt: » Waarschijnlijk zal er nadere voorziening noodig zijn" enz. »In tegenwoordige<br />
omstandigheden vice-president Raad van Indie misschien meest geschikt, daar<br />
welligt ook gouverneur van Sumatra's Westkust niet weg kan."<br />
En waarom vestigde ik nu de aandacht op den heer Nieuwenhuyzen? Omdat deze tot<br />
groote voldoening van de Regering Commissaris was geweest te Banjermasin. Hij was<br />
voorts resident van Riouw geweest en had het tractaat van Siak, dat de geheele oostkust<br />
van Sumatra omvat, weten te doen sluiten, zonder dat een soldaat er bij te pas was gekomen.<br />
Het komt er [op aan dat men lette op de datums. De geachte afgevaardigde uit Delft<br />
zegt, dat toen in 1870 de Raad van Indie advies uitbragt, de heer Nieuwenhuyzen het<br />
creatuur was van den heer van de Putte.<br />
Mijnheer de Voorzitter! In 1870 zat ik op deze banken en had toen niets te zeggen.<br />
Maar. bovendien dat advies was volgens den heer Nierstrasz tegen alle agressie. Alzoo<br />
voor eene vredelievende missie de heer Nieuwenhuyzen de man.<br />
De instructie voor de heeren Schiff en van de Wall is geheel conform het advies van<br />
den Raad van Indie opgemaakt en daarin kwam geen woord voor van eene agressive<br />
houding; de bedoeling was!altijd eene vredelievende oplossing te vinden.<br />
Ik had een debat verwacht, waarin, ^tegenover de bewering van de Regering, zou zijn<br />
aangetoond, dat de oorlog ook nu nog niet geregtvaardigd was. De sprekers hebben zich<br />
er evenwel bij bepaald om te wijzen op eenige tegenstrijdigheden, onjuistheden, gemis<br />
aan constitutionelen zin bij den Minister, enz.<br />
Er is gezegd dat er geen enkele reden is aangegeven waarom men de souvereiniteit<br />
over Atjeh zou wenschen, dan om vreemde inmenging te voorkomen.<br />
Dat is wat Sumatra betreft, vooral met het oog op ons politiek voorleden, nog al eene<br />
zaak van groot lands belang. ' Daartegenover doet het weinig af of de Minister in zijne<br />
mededeelingen wat meer of minder ruim of naauwkeurig of consequent is geweest, maar<br />
nu het debat daarover geloopen heeft, dien ik mij daarover te verdedigen.<br />
Wat de Minister geseind of geschreven heeft, wordt niet vo<strong>org</strong>elezen, maar de zin<br />
daarvan geheel verkeerd vo<strong>org</strong>esteld.<br />
De heeren van Lynden en Nierstrasz doen het voorkomen, alsof uit een mijner telegrammen<br />
aan den Gouverneur-Generaal zou blijken dat ik aan de Kamer zoo weinig mogelijk<br />
kennis wenschte te geven van wat er voorviel.<br />
Het telegram nu luidde: » Gisteren interpellatie in de Tweede Kamer. Uitvoerige inlichtingen<br />
gegeven, maar enkel op Indisch terrein. Niets internationaals medegedeeld."<br />
Nu vraag ik aan een van de leden, die ooit deel heeft genomen aan de Regering, of het<br />
den 27sten Februarij de tijd was om iets over internationale verwikkelingen aan de Kamer<br />
te zeggen ? Laat iemand, die van dergelijke mededeeling de verantwoordelijkheid zou hebben<br />
• durven dragen, het thans zeggen.<br />
De heeren van Lynden en Nierstrasz moeten nu eens aantoonen wat ik heb teruggehouden,<br />
dat ik aan de Kamer zou hebben kunnen mededeelen op den 27sten Februarij ?<br />
»Maar," heb ik toen gezegd, »in den laten avond van dien dag (16 Februarij) werd de Regering<br />
onaangenaam verrast door een telegram van den Gouverneur-Generaal", enz. (zie bladz. 971<br />
Bijblad, 1ste kolom onderaan), waaruit bleek dat wij door de Atjehers, waarschijnlijk door<br />
hen die zich als onze vrienden voordeden, grovelijk waren misleid, en dat bij de Atjehsche<br />
politiek dubbelzinnigheid nog steedg op den vo<strong>org</strong>rond stond. De Indische Regering moest<br />
dus met meer kracht optreden , ten einde onzen regtmatigen invloed op Sumatra te bewaren.<br />
Na telegraphische gedachtenwisseling van hier met het Indisch bestuur, werd den»22sten<br />
Februarij een tweede telegram uit Indie ontvangen, waarbij de Gouverneur-Generaal kennis<br />
gaf, dat in den Raad van Nederlandsch Indie, vo<strong>org</strong>ezeten door den Gouverneur-Generaal,<br />
en aangevuld door den kommandant van het leger en den bevelhebber der marine, eenstemmig<br />
was besloten tot het zenden van den vice-president van den Raad van Nederlandsch<br />
Indie als Commissaris naar Atjeh met de noodige troepenmagt om ontzag in te boezemen<br />
en onze eischen klem bij te zetten.<br />
Uit deze mededeelingen blijkt genoegzaam dat in het noorden van Sumatra gebeurtenissen<br />
zich ontwikkelden en voorbereidden, waarvan het gewigt door hen, die volk en land kennen,<br />
niet zal worden gering geschat, het minst door hem op wien de volle verantwoordelijkheid
12<br />
rust, ofschoon door den grooten afstand en de natuurlijke verhouding tusschen Opperbestuur<br />
en Indische Regering, de invloed, dien hij kan uitoefenen, in zekere mate beperkt is.<br />
Nu vraag ik, met de telegrammen naast ons: wat kon de Minister den 27 Februarij<br />
meer zeggen ? En laat iemand opstaan en het zeggen: wat heeft de Minister van Koloniën<br />
verzwegen ?<br />
Men heeft herhaaldelijk van de marine gesproken. Toen over de marine geklaagd werd<br />
en de heer Nierstrasz zeide, dat zij in een slechten toestand was , heb ik dat toegegeven. Ik<br />
heb onmiddellijk gezegd: het spijt mij dat de marine in zulk een slechten toestand is. Kan<br />
een Minister op deze plaats sterker woorden gebruiken ?<br />
Hetzelfde wat thans hier behandeld is, heb ik behandeld den 23sten Mei. Toen heb ik<br />
ook aan de Kamer gevraagd: »Kon iemand er aan denken dat de Minister den 27sten Februarij<br />
reeds verder zou gaan, en zich zou uitlaten over het vo<strong>org</strong>evallene te Singapore ? Maar<br />
den 4den April wees de Minister er reeds op, dat Atjeh nu, gelijk vroeger, stappen gedaan<br />
had bij vreemden. Toen stond de Regering reeds op een ander standpunt dan op 27 Februarij."<br />
Als men die datums vergelijkt, wat konden wij dan toen ter tijd bij de hoop , waarin wij<br />
waren , dat de vice-president tot eene schikking zou komen , meer openbaren ? Als men dat<br />
met de telegrammen in de hand wil aantoonen, zal de Regering zich verantwoorden.<br />
Ik moet nog één punt behandelen : de Regering telegrapheerde duidelijk en pertinent om<br />
te trachten eene regeling te maken in den vo<strong>org</strong>enomen zin. Dat sloeg, zoo als ik meermalen<br />
gezegd heb, op de instructien van de heeren van de Wall en Schiff, en sloot dus volstrekt<br />
niet uit om , als de Sultan van Atjeh er toe genegen was, onze souvereiniteit te laten erkennen.<br />
Maar het ging niet aan bij het eerste woord dat tot den Sultan van Atjeh gesproken<br />
werd, den eisch te stellen dat hij de Nederlandsche souvereiniteit zou erkennen. Toen hier<br />
vermoed kon worden dat men dit in Indie doen zou, moest het worden belet. Bij het eerste<br />
telegram waarin gesproken werd van souvereiniteits-erke.nning of oorlog, heb ik er onmiddellijk<br />
over gedacht om daarover te telegrapheren.^Het was in een telegram van den Gouverneur-<br />
Generaal van 22 Februarij. Degenen, die altijd met mij werkten, zeiden: dat is eene vergissing,<br />
dat is telegrammenstijl; en hoe voorzigtig men met de beoordeeling van telegrammen<br />
moet zijn, kan men zien uit hetgeen in de Revue des deux Mondes van Januarij uit<br />
den Fransch-Duitschen oorlog wordt medegedeeld. Maar toen voor de tweede maal dat<br />
woord in een telegram voorkwam , heb ik terstond aan den Gouverneur-Generaal explicatie<br />
gevraagd. Het is waar en dat behoef ik niet te bedekken : wanneer wij de souvereiniteit van<br />
Atjeh ter wering van vreemden invloed konden krijgen , zouden wij die gaarne hebben; maar<br />
het is eene geheel andere zaak-, die als een eersten eisch met de bajonet in de hand op den<br />
vo<strong>org</strong>rond te stellen, en dat heeft het Opperbestuur niet gewild, dat heeft het belet. De heer<br />
Nierstrasz zegt: het heeft niets belet, bet is slechts een verschil geweest van 24 uren. Dit is ,<br />
niet juist, want eerst na de oorlogsverklaring is van de erkenning van souvereiniteit sprake<br />
geweest. In 't voorbijgaan wil ik wel verklaren, dat ik niet elk woord kan verdedigen , dat<br />
door den Commissaris geschreven is. Ik zou het anders hebben gedaan, maar op 3600 mijlen<br />
afstands kan men geen instructie geven voor ieder woord dat in zoo een brief geschreven<br />
wordt. Bij mij althans is het nog de vraag of men goed gedaan'heeft, geen gebruik te maken<br />
van het aanbod van den heer Kraijenhoff om zich aan wal te begeven; wie weet of, als<br />
Kraijenhoff er heen ware gegaan, de zaken geen andere wending hadden genomen. Maar<br />
dit is nu de quaestie niet. De Regering heeft alleen belet dat bij de eerste aanraking de<br />
souvereiniteits-erkenning werd gevorderd.<br />
Men kan lang redeneren over die eerste expeditie, en er veel van zeggen. De Regering was<br />
voorloopig van meening dat het nemen van positie door de schepen en, gelijk de geachte<br />
spreker uit Delft zeide, het des noods verklaren van oorlog, voldoende was. De Indische<br />
Regering en generaal Kroesen , die, gelijk uit de stukken blijkt, de expeditie voor meer<br />
dan voldoende hield, in weerwil dat de nieuwe bewapening eerst onlangs was ingevoerd —<br />
waren van een tegenovergesteld gevoelen. De uitkomst geeft den geachten spreker uit Delft<br />
en mij schijnbaar gelijk. Maar hoe zou het geweest zijn , als de uitslag anders ware geweest ?<br />
Ik herinner aan de expeditie in Bali in 1848; toen heeft men eerst geblokkeerd en daarna<br />
den oorlog verklaard , en toch was dit naar het oordeel van generaal van der Wijck verkeerd.<br />
Als wij ons nu bepaald hadden tot de blokkade en men had gezien wat er tusschen Mei
13<br />
en October in Atjeh is gedaan, welke vreeselijke versterkingen men daar heeft aangelegd,<br />
zou men ons dan niet hebben verweten : waarom hebt gij dit niet belet, gij had toch den tijd ?<br />
Wat die eerste expeditie betreft, verschil ik in zoover van den geachten spreker uit Delft,<br />
dat ik — ofschoon ik de desbetreffende stukken niet met groot genoegen gelezen heb —<br />
toch daarin het bewijs heb meenen te kunnen vinden dat het van eene kleinigheid heeft<br />
afgehangen of die eerste expeditie ware gereüsseerd. Als wij raadplegen de kaarten die wij<br />
ontvangen hebben en de rapporten van de heeren IJssel de Schepper en Pordon — ik spreek<br />
nu niet van rapporten van bevelhebbers — dan zien wij dat de overwinning waarschijnlijk<br />
van eene kleinigheid afhing.<br />
Hetgeen is voorafgegaan aan de oorlogsverklaring is niet nu eerst publiek domein, maar<br />
ik heb het reeds in Junij of Julij, toen de berigten voor het eerst in mijne handen zijn<br />
gekomen, in de Eerste Kamer medegedeeld.<br />
De wijziging van art. 6 der instructie neem ik geheel voor mijne rekening. Wat was<br />
hot geval ? Toen wij die instructie hier kregen, bleek uit art. 6, dat de Gouverneur-<br />
Generaal mets anders bedoelde dan souvereiniteit op het papier, en als die had kunnen<br />
verkregen worden, zonder dat er een schot gedaan werd, zou ik daarmede te vreden zijn<br />
geweest. Maar toen die instructie hier kwam had de Minister al het berigt van de réussite<br />
der eerste bloedige gevechten en toen zeide ik : laten wij ons althans het regt van vestiging<br />
voorbehouden.<br />
Ik heb met betrekking tot het zoo dikwijls besproken punt of het wensch en doel der<br />
Regering was te streven naar uitbreiding van ons gezag, een overzigt laten maken van al<br />
hetgeen ik daaromtrent heb gezegd , niet alleen van 27 Februarij 1873 maar van 27 October<br />
1872 af, want toen heb ik, bij gelegenheid van de quaestie der expeditie naar Deli, voor<br />
het eerst het woord gebruikt. De nota is te lang om haar voor te lezen, maar ik wil ze<br />
gaarne deponeren en als men in het publiek debat op de zaak terugkomt zal ik er het<br />
noodige gebruik van maken. Nergens is een woord gevonden, ofschoon men er naar gezocht<br />
heeft, dat met de handelingen der Regering eenigzins in strijd was. De veranderde omstandigheden<br />
hebben de Regering alleen van politiek doen veranderen, maar het was geenszins<br />
ons doel onze bestuurstaak uit te breiden.<br />
Wat betreft het gezegde van den geachten spreker uit Delft omtrent de blokkade van het<br />
oogenblik, dat er moeten zijn eene nieuwe vloot, nieuwe officieren en nieuwe bemanning,<br />
er is geen enkel officier in Indie die thans boven zijn tijd van 3 jaren gediend heeft. De<br />
bemanning is evenwel ziekelijk. Na de cholera, die aan boord van de schepen gewoed heeft,<br />
lijdt de bemanning aan koortsen. Verwisseling is dus wenschelijk en de Regering is daarop<br />
ook bedacht.<br />
Ten aanzien van het materieel kan ik verklaren dat onze vloot na 1815 nooit zoo goed<br />
in orde is geweest als zij thans is of althans op het einde van dit jaar zal zijn. Ik heb aan<br />
den Gouverneur-Generaal geseind om de slechte schepen, die een geheel jaar geblokkeerd<br />
hebben en nu met onbruikbare ketels op de posten van de Oostkust liggen, buiten dienst<br />
te stellen , daar hij binnen kort 4 nieuwe schepen ontvangt. Ziet men de lijst van schepen<br />
in, waarin staat het achterschip is lek, de davids is stuk, dan behoeft dit geene verwon<br />
dering te baren , wanneer men bedenkt dat de schepen acht maanden in blokkade liggen.<br />
Er zijn slechts weinig schepen waarvan men zegt in goeden staat, maar zij zijn bruikbaar.<br />
Ik hoop dat het met de equipage niet minder gesteld zal zijn.<br />
De heer Insingcr : Ik veroorloof mij de vraag, of de discussie, die op dit oogenblik<br />
gevoerd wordt en alleen betrekking beeft tot de stukken gewisseld tusschen den Gouverneur-<br />
Generaal en het Opperbestuur, ook in openbare zitting kan plaats hebben? De Minister<br />
van Koloniën knikt toestemmend, dus ik zal mij bekorten , om twee redenen: 1°. omdat<br />
ik niet houd van lange redevoeringen, en 2°. omdat er werkelijk enkele zaken zijn, die<br />
niet voor openbare bespreking geschikt zijn. Dit geldt hoofdzakelijk twee punten: het mailrapport<br />
van 9 Januarij 1873 en de benoeming van den vice-president van den Raad van<br />
. Nederlandsch Indie. In het bedoelde mailrapport staat, volgens den Minister, niets anders<br />
dan dat er eene instructie is gegeven aan den heer van de Wall.<br />
4
14<br />
De Minister zegt, dat men niet vaag uit de stukken spreken maar daaruit voorlezen<br />
moet; welnu, ik zal dit doen:<br />
Als bijlage tot dat mailrapport, n°. 5, vindt men een brief van den secretaris Stortenbeker<br />
aan den resident van Riouw. De Minister zegt dat in dat rapport geen sprake is<br />
van agressie, en nu lees ik : » Als er botsingen komen tusschen partijen en den Sultan,<br />
en de Sultan hulp vraagt, behoort die te worden verleend, onder beding evenwel van de<br />
erkenning der opperheerschappij van Nederland over Atjeh. " Iets verder staat: » eene zoo<br />
gunstige gelegenheid zal zich welligt niet ligt voordoen ".<br />
Alzoo, vredelievende aanraking* met beduidende magtsontwikkeling, met de punt van<br />
de bajonet!<br />
Het tweede punt geldt de benoeming van den vice-president van Nederlandsch Indie,<br />
een der hoofdoorzaken van den oorlog. Die vice-president was de meest ongewenschte persoon<br />
om in aanraking te komen met den Sultan van Atjeh, iemand, waarvan deze had<br />
verklaard, niets met hem te maken te willen hebben , omdat hij het Siak-tractaat had<br />
gesloten , omdat die man de grenzen van Atjeh had veranderd, welke wijziging de Sultan<br />
nooit had erkend. Dien man moest men uitkiezen als men den oorlog wenschte, terwijl,<br />
gelijk de Minister teregt aanmerkte, de Gouverneur van Sumatra's Westkust, de man was<br />
bij het tractaat van 1857 aangewezen voor alle onze betrekkingen met Atjeh.<br />
Heeft de Minister van die zaak inderdaad niets geweten ? Heeft hij de benoeming van<br />
dien vice-president zelfs niet geprovoceerd, in plaats van, gelijk hij meermalen in de Kamer<br />
deed uitkomen, eenvoudig het deswege gedaan voorstel van het Indisch Bestuur goed te keuren?<br />
Den 5den November 1873 is bij de vaststelling der Indische begrooting de quaestie behandeld<br />
, of het goed was dat de vice-president van de hoofdplaats verwijderd was, en werd<br />
de opmerking gemaakt dat art. 3G van het Regeringsreglement geschonden was.<br />
Daarop antwoordt de Minister: » De vice-president van den Raad van Nederlandsch Indie<br />
was vroeger, als resident van Riouw, belast met de onderhandelingen op de Oostkust van<br />
Sumatra, en hij was commissaris geweest in Bandjermasin. Toen nu de Gouverneur-<br />
Generaal den heer Nieuwenhuizen de missie wilde opdragen , werd bij telegram de intrekking<br />
van dat Koninklijk kabinetsrescript gevraagd. Ik heb geen zwarigheid gemaakt om, na<br />
verkregen magtiging des Koning, den Gouverneur-Generaal van dien band te ontslaan."<br />
Op 30 April 1873 wordt de zaak verder besproken en zegt de Minister van Koloniën:<br />
» Men zeide dat ik de talenten van den gouverneur van Sumatra's westkust ligt zou achten.<br />
Mijnheer de President, het heeft mij, even als het geachte lid dat de opmerking maakte,<br />
verwonderd, dat de gouverneur van Sumatra niet als commissaris in cle eerste commissie<br />
is opgetreden, en om die reden heb ik in de nota de reden, daarvoor door het Indisch bestuur<br />
gegeven , vermeld , maar voeg er onmiddellijk aan toe clat, zonder een bevel te geven,<br />
clan toch bij wijze van een wenk, de aandacht op den gouverneur van Sumatra's westkust<br />
in deze is gevestigd, voor het geval dat de Regering in Indie kon raadzaam oordeelen den<br />
gouverneur van Sumatra's westkust in de bestaande omstandigheden, in dit oogenblik van<br />
spanning, uit zijn gewest te nemen."<br />
Geen twijfel dat de Minister het hier doet voorkomen, als of hij een wenk geeft om dien<br />
gouverneur van Sumatra's westkust toch vooral niet voorbij te gaan , en aan den Gouverneur-Generaal<br />
de volle verantwoordelijkheid laat van het wegzenden uit de hoofdplaats van<br />
den vice-president van Nederlandsch Indie , in strijd met art. 36 van het Regeringsreglement.<br />
Het telegram van 18 Februarij van den Gouverneur-Generaal aan den Minster van Koloniën<br />
luidt: » Gewigt der zaak vordert dut staat gemaakt kan worden op de commissarissen.<br />
Waarschijnlijk nadere voorziening noodig, daar de een ziek is en de ander zijn gewest<br />
niet verlaten kan. Misschien is vice-president Raad van Indie in de tegenwoordige<br />
omstandigheden meest geschikt, daar welligt gouverneur Sumatra's westkust ook niet weg<br />
kan. Beduidende magtsontwikkeling daardoor vereischt, maar het beoogde doel is een niet onbelangrijk<br />
offer waard. Eene zoo gunstige gelegenheid om Atjeh's vraagstuk op te lossen<br />
niet ligt weder voorkomen." Dus na eerst een wenk te hebben gegeven om den gouverneur<br />
van Sumatra's westkust aan te stellen, geeft de Minister een wenk om hem voorbij te gaan.<br />
Dat is de logische conclusie, welke ik uit de stukken trek. Ik zal inlichtingen van den<br />
Minister afwachten, maar ik geloof dat zoo iets beter in comité-generaal, dan in publieke<br />
zitting kan gebeuren.
15<br />
De heer Fransen van de Putte, Minister van Koloniën: Mijnheer de Voorzitter! Wat<br />
staat in die stukken waarop het mail-rapport en mijn telegram van 18 Februarij aangehaald<br />
betrekking heeft? De heer Insinger heeft het juist vo<strong>org</strong>elezen.<br />
Toen de Gouverneur-Generaal den gouvernements-secretaris dezen brief van 4 Januarij liet<br />
schrijven, was hij in het bezit van de stukken, welke de Kamer kent, en waarin het groot<br />
geschil dat in Atjeh scheen te bestaan, door den resident van Riouw wordt medegedeeld.<br />
Het Atjehsche gezantschap liet doorschemeren dat wanneer men een weinig wachtte de<br />
zoogenaamde Arabische partij in kracht zou verminderen en de partij des Sultans de overhand<br />
zou verkrijgen.<br />
Men spreekt hier altijd van te veel Westersch te denken in Oostersche toestanden, maar<br />
nu vraag ik aan den belangstellenden beoefenaar van Indische toestanden, die kennis heeft<br />
genomen van onze geheele historie in Nederlandsch Indie, of niet van de 10 keeren dat een<br />
zeker gedeelte van Nederlandsch Indie onder ons beheer is gekomen , acht keeren gebeurd<br />
is wat de Gouverneur-Generaal zich voorstelde, dat wij protegeerden of den Sultan of den<br />
contra-sultan. En wat lag hier in de bedoeling van den Gouverneur-Generaal ? Zijne bedoeling<br />
was den Sultan te steunen , dat is nog opgenomen in het telegram van de Regering<br />
van 18 Februarij : » Zoo voor een en ander voorbereiding onmisbaar is, ook om zekerheid<br />
te hebben omtrent de ware gezindheid van den Sultan, die zoo nu nog mogelijk moet<br />
worden ontzien en gesteund enz.'' Dat het steunen van den Sultan kosten kan krachtsinspanning<br />
werd door den Gouverneur-Generaal geschreven.<br />
Nu wat den vice-president van den Raad van Indie betreft.<br />
Het geachte lid neemt de laatste phrase op: » Misschien is de vice-president van den Raad<br />
van Indie onder deze omstandigheden de meest geschikte persoon", maar hij leest niet voor<br />
de woorden: » daar welligt de Gouverneur van Sumatra's Westkust niet weg kan". Als ik<br />
mijn Hollandsch goed ken, dan meen ik dat de Gouverneur van Sumatra's Westkust hier<br />
het eerst is aangeduid en niet de vice-president van den Raad van Indie.<br />
In dien zin heb ik mij heraaldelijk hier uitgelaten , ook toen men besprak de zaak van de<br />
heeren Schiff en van de Wall in verband met het tractaat van 1857. De Minister heeft het<br />
niet nu, maar altijd zoo doen voorkomen. Welke rede zou ik kunnen hebben om het anders<br />
voor te stellen?<br />
De geachte spreker heeft nog gezegd dat de Sultan verklaard- had niet in aanraking te<br />
willen komen met den heer Nieuwenhuyzen. Daarvan is mij nooit iets bekend geweest en<br />
nog niets bekend.<br />
De heer Godefrol: Het komt mij voor dat het zijn nut kan hebben, dat ook van die<br />
zijde eene stem gehoord worde , die over de regtmatigheid van den oorlog een ander gevoelen<br />
is toegedaan, dan tot nu toe door de leden , die het woord gevoerd hebben, is te kennen<br />
gegeven. Het is niet voor de eerste maal dat ik mijn gevoelen over deze zaak doe kennen.<br />
Ik heb reeds den 23sten Mei van het vorige jaar een kort woord gezegd over de regtmatigheid<br />
van den oorlog. Ik spreek alleen over den oorlog in beginsel, niet over de uitvoering,<br />
niet over de mislukte uitvoering, die eene tweede expeditie heeft noodzakelijk gemaakt.<br />
Ik laat daarbij ter zijde den treurigen indruk , die de overgelegde stukken op mij gemaakt<br />
hebben, ten aanzien van de verwaarloozing onzer middelen van defensie in Indie, want op<br />
dezen Minister van Koloniën rust de schuld daarvan niet.<br />
Ik sprak op 23 Mei van het vorig jaar naar aanleiding van een woord van den geachten<br />
afgevaardigde uit Arnhem. Ik toetste toen de regtmatigheid van den oorlog aan dat woord.<br />
De geachte spreker zeide destijds, dat wij niet staan tegenover Atjeh als tegenover eenen<br />
Europeschen staat, en ik antwoordde dat juist in die verhouding tegenover Atjeh de rechtvaardiging<br />
van den oorlog ligt.<br />
Is Atjeh een volkomen onafhankelijke staat, waarmede wij niets hadden uit te staan, zoolang<br />
zij onze regten niet krenkte, dan ware het alleen de vraag geweest, of die Staat zich aan<br />
krenking onzer regten schuldig heeft gemaakt, of wij deswege waarb<strong>org</strong>en moesten eischen,<br />
en bij weigering, het verkrijgen dier waarb<strong>org</strong>en met de wapens in de hand moesten beproeven.<br />
Maar ook dan zelfs kan de vraag, of Atjeh onze regten gekrenkt heeft, niet anders<br />
dan bevestigend beantwoord worden. Denk aan het tractaat van 1857, hoe het door Atjeh
16<br />
herhaaldelijk werd gesehonden; hoe wij, het is bekend, dit lijdelijk verdragen hebben;<br />
hoe daarom gedurende verscheidene jaren onze verhouding tegenover Atjeh inderdaad<br />
geen schoone bladzijde vult in onze koloniale geschiedenis. Maar is het tractaat van<br />
1857 met een onafhankelijk Atjeh gesloten ? Een Engelsch dagblad beweerde dezer dagen<br />
dat het voorbehoud van Atjeh's onafhankelijkheid krachtens het tractaat van 1824 — door<br />
het tractaat van 1857 feitelijk is opgeheven. Maar welk karakter had nu dat tractaat van<br />
1824 , zelfs met dit zoogenaamde voorbehoud van onafhankelijkheid ? Onze verhouding tegenover<br />
Atjeh ? Wil men zich daarvan een goed begrip vormen , men toetse eens die verhouding<br />
aan Europesche begrippen van volkenregt. Men stelle zich dan voor een vreemden Staat, die<br />
zich het regt toekent schelmerijen van onderdanen van een anderen onaf hankelijken Staat<br />
op diens eigen gebied te beteugelen, politie uit te oefenen in de wateren van dien onafhankelijker<br />
Staat. Mij dunkt zoo iets is, met het oog op Europesche begrippen van volkenregt,<br />
klinkklaar onzin. Maar die onzin wordt nog grooter, als men de zaak toetst aan het zoogenaamde<br />
Sumatra-tractaat, aan het tractaat van 1871. Wat is toch daarbij geschied ? Bij die<br />
conventie gaf de eene contracterende Staat aan den anderen volkomen vrijheid om de onafhankelijkheid<br />
van een derden Staat niet te eerbiedigen. Letterlijk onzin ! Maar die onzin erlangt<br />
zin, wanneer men zich plaatst op het standpunt onzer positie als koloniale Mogendheid in<br />
Indie, als men zich herinnert de pligten , die wij daar als koloniale Mogendheid te vervullen,<br />
de belangen die wij er te behartigen hebben. Uit dat oogpunt wordt uitbreiding van gezag,<br />
wordt zelfs de zoozeer (en in beginsel niet ten onregte) veroordeelde veroverings-politiek verklaarbaar.<br />
Laat ons niet vergeten dat wij zijn de tweede koloniale Mogendheid in de wereld, en dat<br />
eene koloniale Mogendheid dikwerf haar bezit moet uitbreiden, om hetgeen zij bezit te behouden.<br />
Het mag soms eene fataliteit zijn , het is de schaduwzijde van het voorregt, dat er<br />
in gelegen is koloniale Mogendheid te zijn.<br />
En wat is ons bezit op het overige Sumatra, op Borneo anders dan bet product van zulk<br />
eene politiek ? Heeft men zich ooit er over geërgerd, dat men daar zijn gezag heeft gevestigd,<br />
hetzij door het zelf uit te oefenen, hetzij door met erkenning van onze souvereiniteit, dat<br />
der inlandsche vorsten te handhaven ? Waarom deze uitbreiding van gezag dan zoozeer<br />
afgekeurd op dat gedeelte van Sumatra, welks onafhankelijkheid tot nog toe geen ander<br />
karakter had dan dat der overige staten van het eiland, alvorens ze onder onze souvereiniteit<br />
zijn gebragt ? Alleen dit antwoord is mogelijk, dat wij elk belang missen bij eenige onderwerping<br />
van Atjeh aan onze souvereiniteit. Wil men zoo iets beweren , dan vraag ik : waarom<br />
dan het Sumatra-tractaat gesloten en goedgekeurd? Waarom moesten wij de vrije hand<br />
hebben in Atjeh ? Omdat het Engelsche protectoraat, dat uit het tractaat van 1824 voortvloeide<br />
, ons niet meer in den weg moest staan. Omdat wij het regt moesten hebben, bragt<br />
ons belang het mede, Atjeh aan ons protectoraat, aan onze souvereinitet des noods, te<br />
onderwerpen.<br />
Uitoefening van dat regt kon worden de voorwaarde, waarvan ons rustig bezit, de handhaving<br />
van ons gezag op het overige Sumatra, waarvan de bevestiging onzer materiele,<br />
politieke, commerciële belangen op het geheele gebied van dat eiland afhankelijk ware.<br />
En laat ons, Mijnheer de Voorzitter, niet vergeten, dat deze verhouding tegenover Atjeh<br />
door de bestrijders van dezen oorlog is goedgekeurd; dat ook zij hunne stem aan het Sumatra-tractaat<br />
niet anders hebben kunnen geven , dan met cle bedoeling om de vrije hand<br />
tegenover dat land te verkrijgen , om in het vroegere Engelsche protectoraat niet langer een<br />
hinderpaal te ontmoeten tegen het doen gelden van ons belang. Maar daarom ook wie dat<br />
tractaat goedkeurde heeft geweten, heeft moeten weten, dat daarin de kiem kon gelegen<br />
zijn van een oorlog, die vroeger of later kon uitbreken.<br />
De geachle afgevaardigde uit Tiel heeft heden m<strong>org</strong>en gezegd, dat de tegenwoordige<br />
politiek reeds was voorbereid door het Sumatra-tractaat. Ja, Mijnheer de Voorzitter, in zooverre<br />
in dat tractaat de kiem lag van een mogelijken oorlog; van de mogelijkheid, dat het<br />
doel, bij het tractaat beoogd, niet anders dan door de kracht der wapenen zou kunnen<br />
worden bereikt. Maar daarom ook drukt de verantwoordelijkheid dubbel zwaar op hen , die,<br />
met deze wetenschap, de voorz<strong>org</strong> verzuimden om voor dat mogelijke geval in de noodige<br />
middelen van oorlogvoering te voorzien; die integendeel er zekeren roem in hebben gesteld
17<br />
cle uitgaven voor de defensie in Indie met eenige duizenden guldens te hebben verminderd.<br />
Die verantwoordelijkheid, ik herhaal het, drukt dubbel zwaar op die staatslieden. Zij<br />
drukt volstrekt niet op dezen Minister van Koloniën. Maar al bevatte nu het tractaat van<br />
1871 de kiem eener mogelijke, eener eventuele noodzakelijkheid om zijn doel door de kracht<br />
der wapenen te bereiken , clan nog blijven hier twee vragen ter beantwoording over.<br />
In de eerste plaats : moest voor dat doel die kracht worden aangewend ? In de tweede<br />
plaats: moest zij worden aangewend, toen wij de eerste expeditie ondernamen ?<br />
De eerste vraag. Ik heb haar op den 23sten Mei 1873 reeds bevestigend beantwoord, toen ik nog<br />
geene kennis droeg van de overgelegde stukken. Die stukken bevestigen volkomen, dat wij<br />
langs den minnelijken weg de waarb<strong>org</strong>en niet konden verkrijgen, noodig om in de toekomst<br />
bevestigd te zijn tegen vreemd protectoraat, tegen vreemden invloed op Sumatra.<br />
Maar was de oorlog noodig, toen wij de eerste expeditie ondernamen ? De beantwoording<br />
van die vraag hangt af van het antwoord op eene andere. Hebben wij den eisch van waarb<strong>org</strong>en<br />
, waarvan de weigering den oorlog ten gevolge moest hebben, op het juiste oogenblik<br />
gesteld ? Ook nu nog, even als op 23 Mei van verleden jaar beweer ik, dat die vraag<br />
niet anders dan bevestigend kan worden beantwoord.<br />
De heer Nierstrasz heeft een volkomen waar woord gespreken, maar waarmede zijne conclusie<br />
even volkomen in strijd is. Ons eenig belang bij Atjeh is , zeide hij, dat geene vreemde<br />
natie zich daar vestige. Hij erkent dus, dat ons belang bij Atjeh vordert dat dit land onder<br />
geenerlei vreemden invloed, oncler geenerlei vreemd protectoriaat gerake. En toch aarzelde hij '<br />
niet dezen oorlog eene schande te noemen. Ik noem juist om die reden den oorlog eene onbetwistbare<br />
noodzakelijkheid. De pogingen van Atjeh om een vreemd protectoraat in te roepen , moesten<br />
in de geboorte gesmoord worden. Ik heb het op 23 Mei van het vorige jaar gezegd en herhaal<br />
het ook nu.<br />
Het Sumatra-tractaat heeft aan het Engelsche protectoraat een einde gemaakt. Wanneer<br />
wij de pogingen , door Atjeh aangewend , en van het feit zelf dragen de stukken de overvloedige<br />
bewijzen , het kan niet worden tegengesproken, om vreemde hulp te verwerven,<br />
om vreemden invloed binnen te halen, niet hadden tegengegaan, wij hadden van het Sumatra-tractaat<br />
scheurpapier gemaakt.<br />
Wat was nu het middel om die pogingen van onze zijde voor het vervolg te verhinderen<br />
? Ongel wijfeld , het eischen van waarb<strong>org</strong>en. Het uiterste middel kon niet anders zijn<br />
dan het eischen van de erkenning van onze souvereiniteit; den vorm waarin dit geschieden<br />
kon daargelaten.<br />
Daarom heb ik ook, met steeds klimmende bevreemding, bij vorige discussien gehoord,<br />
dat Atjeh, toen het een bondgenoot ging zoeken , volkomen in zijn reg't was. Ik ontken<br />
het niet; maar ook wij waren even volkomen in ons regt pogingen tegen te gaan , die<br />
met ons belang in den meest tastbaren strijd waren , waarvan het gelukken ongetwijfeld<br />
aan ons prestige niet alleen , maar eindelijk ook aan ons gezag op Sumatra den meest<br />
gevoeligen knak zoude hebben toegebragt. Bovendien, laten wij ons in dit opzigt eens<br />
plaatsen op het gebied van Europesche toestanden , laten wij ons eens voorstellen dat wij<br />
moeijehjkheden kregen met België , waardoor wij in de noodzakelijkheid kwamen waarb<strong>org</strong>en<br />
van dat land te eischen, ten einde onze regten en belangen in de toekomst te beveliigen.<br />
Stel, België hield ons, even als Atjeh deed, aan de praat, zocht inmiddels bondgenooten<br />
tegen ons en wapende zich. Zou het dan niet zijn abderitische domheid van onzen kant,<br />
als wij niet juist daarom den oorlog zouden verhaasten?<br />
Voor iedereen die de stukken gelezen heeft, kan het toch wel geen twijfel lijden dat<br />
Atjeh ons heeft willen plaatsen tegenover vreemden invloed, tegenover vreemd protectoraat.<br />
Ik althans kan met geen mogelijkheid de positie anders begrijpen; en wordt die positie<br />
nu daardoor veranderd , dat men meent te kunnen beweren , dat de pogingen van Atjeh niet<br />
zouden zijn gelukt ? Mij dunkt, al ware dit zelfs bewezen , het bewijs zou niet wegnemen<br />
het feit zelf dat die pogingen zijn aangewend, en dat ons belang om die in de kiem te<br />
smoren , ons niet alleen het regt gaf, maar ook den pligt oplegde , om waarb<strong>org</strong>en voor<br />
de toekomst te eischen. Het al of niet gelukken der pogingen staat dus in geen verband<br />
hoegenaamd met dat regt, met dien pligt. Maar bovendien komt het mij voor, dat hetgeen<br />
te Singapore tusschen de Atjehnesche gezanten en den Amerikaanschen consul is gebeurd<br />
5
18<br />
wel wat ligt geteld, wel wat met een meur léger beoordeeld wordt. Ik ontken niet, dat<br />
bet Indisch bestuur, bij zijne opvatting van die voorvallen misschien wel wat te zenuwachtig<br />
is geweest. Maar wat te Singapore gebeurd is als een zoo niets beteekenend feit<br />
weg te cijferen , het kan bij mij althans niet opgaan. Ik heb eerbied voor de Amerikaansche<br />
natie, ik bewonder hare energie; maar de geschiedenis van het Europesche volkenregt<br />
heeft dan toch in meer dan één opzigt geleerd, dat het eene natie is met wier diplomatieke<br />
en consulaire agenten men hoogst voorzigtig moet zijn; meer dan eens toch heeft men van<br />
die heeren zonderlinge zaken gezien. Zoo herinner ik mij dat jaren geleden de Amerikaansche<br />
diplomatieke en consulaire agenten in Europa eene bijeenkomst hebben gehouden, indien<br />
ik mij niet bedrieg, te Ostende zonder medeweten van de Amerikaansche Regering, welligt<br />
met haar oogluikend medeweten, om met elkander over den politieken toestand van<br />
Europa van gedachten te wisselen en daarnaar elk op zijn post hun gedrag te regelen.<br />
Ik weet niet welken indruk op andere leden gemaakt heeft de lezing der depêches van den<br />
minister-resident in Amerika en vooral de belangrijke nota die de Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken heeft opgemaakt van het gesprek dat hij gehad heeft met den heer Gorham na<br />
diens terugkomst uit Amerika. Ik voor mij kan niet zeggen, dat het gedrag niet alleen van den<br />
Amerikaanschen consul te Singapore, maar zelfs van den Amerikaanschen Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken zoo geheel vrij is van alle dubbelzinnigheid. Mij trof het althans, hoe die<br />
Minister, na eerst te hebben geantwoord dat een Amerikaansch consul het regt niet heeft<br />
' om oorlogsschepen te ontbieden, later (alsof het eene zaak gold waaromtrent hij zich Ion<br />
vergissen) zeide: Ik heb gedwaald, een consul heeft wèl het regt, als de belangen zijner<br />
landgenooten het vorderen, oorlogsschepen te laten komen; hetgeen hij daarna nog bevestigd<br />
heeft, door deze stellige uitlating, dat de Amerikaansche oorlogsschepen kunnen<br />
gaan waar zij willen.<br />
Wat het gesprek met den heer Gorham betreft, men heeft toch wel geen reden om den<br />
indruk, dien de heer Gorham te Washington gekregen had van.de lezing der nota van<br />
den Amerikaanschen consul te Singapore , te wantrouwen , want hij zou toch wel de laatste<br />
zijn om iets ten nadeele van een consulairen agent van zijn land te zeggen; en toch heeft<br />
hij verklaard, dat de indruk, welken de handelingen van dien consul op bem hadden<br />
gemaakt, hoogst ongunstig was. Het schijnt mij dus toe, dat het gebeurde te Singapore<br />
tusschen de Atjehnesche gezanten en den Amerikaanschen consul aldaar, niet zoo onschuldig<br />
is ais men het wil doen voorkomen.<br />
Maar ik kom nog eens hierop terug: het is niet de vraag en moet de vraag niet zijn,<br />
of de pogingen van de Atjehnezen om een vreemd protectoraat in te halen al dan niet<br />
zouden gelukt zijn. Het feit alleen dat zij dat protectoraat zochten is genoeg tot karakterisering<br />
van eene verhouding van Atjeh tegenover ons, die wij niet konden en mogten toelaten<br />
, die ons het regt gaf, waarb<strong>org</strong>en voor de toekomst te vorderen tegen de herhaling<br />
van dergelijke pogingen; toen die waarb<strong>org</strong>en niet verkregen werden, was de casus belli<br />
aanwezig.<br />
Ik heb alleen over de regtmatigheid van den oorlog mijne opinie ontwikkeld, om die<br />
te stellen tegenover de daaromtrent tot dusverre vernomen opinien.<br />
De heer Fransen van de Putte, Minister van Koloniën.- Hier worden voortdurend<br />
aanhalingen gedaan uit de stukken. Maar als men tien of twaalf keer over dezelfde zaak<br />
moet spreken en die aanhalingen telkens worden gedaan, dan heeft men de stukken niet<br />
altijd juist voor zich. Zoo heeft de geachte spreker uit Almelo, in vrij krasse bewoordingen<br />
gezegd dat, omdat ik een wenk tot de zending van den vice-president van den Raad van<br />
Indie heb gegeven, ik het niet had mogen doen voorkomen alsof hij de man der keuze<br />
van den Gouverneur-Generaal was. Daargelaten nu dat de Gouverneur-Generaal mij getelegrapheerd<br />
heeft de woorden, vroeger door den heer Nierstrasz mij in den mond gelegd:<br />
» de vice-president is de man", heb ik hier voor mij den aan de Kamer over gelegden brief<br />
van den Gouverneur-Generaal van 25 Februarij, en daarin lees ik: » Vervolgens stelde ik<br />
de vraag aan wien de politieke leiding der onderwerpelijke aangelegenheid behoort te worden<br />
opgedragen? Algemeen werd 'sRaacls vice-president, de heer T. N. Nieuwenhuyzen als de<br />
aangewezen persoon bij uitnemendheid daarvoor beschouwd. Dit was reeds mijne meening,
19<br />
toen ik mij nog voor de ontvangst van Uwer Excellenties telegram, ter zake met dien hooggeplaatsten<br />
landsdienaar onderhield en hem voor eene taak van zoo veel gewisrt en omvanc<br />
al vast volkomen bereid bevond".<br />
Daaruit blijkt dat vóórdat het telegram, waarin de wenk was gegeven, ontvangen was<br />
de Gouverneur-Generaal den heer Nieuwenhuyzen reeds had gevraagd of hij genegen was'<br />
Wegens het ver gevorderde uur wordt de beraadslaging verdaagd tot m<strong>org</strong>en ochtend<br />
ten 11 ure in comité-generaal, nadat eerst eene openbare zitting zal zijn gehouden.
20<br />
ZITTING MET GESLOTEN DEUREN.<br />
17 April 1874.<br />
Voorzitter: de heer Dullert.<br />
Tegenwoordig, met den Voorzitter, 69 leden, te weten de heeren:<br />
Mackay, Idzerda, Rombach , de Jong, Bredius , Brouwer, Moens, Mees, van Akerlaken,<br />
Hingst, Bichon van IJsselmonde, lnsinger, Dam, van Loon, Oldenhuis Gratama, van<br />
Reenen, Kerens de Wijlre, Borret, Fabius, van Kuyk, Storm van 's Gravesande, de Roo<br />
van Alderwerelt, van den Berch van Heemstede, Jonckbloet, Kuyper, Lenting, van<br />
Zuijlen van Nyevelt, Schimmelpenninck van der Oije, Goderfroi, Teding van Berkhout,<br />
Gevers Deynoot, Mirandolle , van Nispen van Sevenaer , Wintgens, Lambrechts, Blom ,<br />
Cremers, van Lynden van Sandenburg , Begram , Saaymans Vader , Kien , Nierstrasz, van<br />
der Does de Willebois , Sandberg, Schimmelpenninck , Bergsma , Arnoldts , van Harinxma<br />
thoe Slooten , Haffmans, Luy ben , Heydenrijck, de Ruiter Zylker, van Houten, van<br />
Foreest, Smidt, Blussé, de Lange, de Bruyn Kops, C. van Nispen tot Sevenaer, Viruly<br />
Verbrugge, Stieltjes, van V/assenaer van Oatwijck, Kappeyne van de Coppello, Rutgers<br />
van Rozenburg, 'sJacob, Tak, Wybenga en de Bieberstein;<br />
en al de heeren Ministers.<br />
De notulen van het verhandelde in het vorig comité-generaal worden gelezen en goedgekeurd.<br />
Hervatting der beraadslaging over de interpellatie van den heer MESSOHEET VAN VOLLEN<br />
HOVEN en over de door de Regering overgelegde stukken.<br />
De heer Fransen van de Putte, Minister van Koloniën.- Mijnheer de Voorzitter! Ik<br />
had gisteren de eer aan de Vergadering te doen opmerken, dat, bij het aanhalen uit mijne<br />
redevoeringen over de Atjeh-quaestie, het voor mij zeer moeijelijk is, dadelijk na te gaan<br />
wat bedoeld wordt. Aan de beleefdheid van den heer lnsinger ben ik de mededeeling verschuldigd<br />
, dat die geachte spreker pagina 1413 van het Bijblad bedoeld heeft.<br />
Ik meen dat dit nog al overeen komt met het telegram.<br />
» Men zeide ", ik beantwoordde den heer Nierstrasz, » dat ik de talenten van den gouverneur<br />
van de Westkust ligt zou achten. Mijnheer de President! Het heeft mij, even als<br />
het geachte lid dat de opmerking maakte, verwonderd, dat de gouverneur van Sumatra<br />
niet als commissaris in de eerste commissie is opgetreden , en om die reden heb ik in de<br />
nota de reden, daarvoor door het Indisch bestuur gegeven, vermeld." — In de nota staat<br />
die vermelding op pag. 31. Wanneer men goed leest, ziet men, dat de Minister alleen de<br />
redenen opgeeft, die het Indisch bestuur daarvoor opgegeven had. — » Maar voeg er<br />
onmiddellijk aan toe dat, zonder een bevel te geven, dan toch bij wijze van een wenk de<br />
aandacht op den gouverneur van Sumatra's Westkust in deze is gevestigd, voor het geval<br />
dat de Regering in Indie kon raadzaam oordeelen den gouverneur van Sumatra's Westkust<br />
in de bestaande omstandigheden , in dit oogenblik van spanning , uit zijn gewest te nemen."<br />
Mij dunkt, dit stemt geheel overeen met het telegram.<br />
De heer van Zuylen van Wyevelt: Ik heb meer dan eens het gevoelen verdedigd,<br />
dat het beleid van de Regering in de zaak van Atjeh niet te regtvaardigen is, en ik zou<br />
bij deze gelegenheid om verschillende redenen niet andermaal het woord gevoerd hebben<br />
om dit te betoogen. Mijne individuele meening toch was genoegzaam bekend, en ik meen,<br />
dat het niet doelmatig zou zijn om op dit punt eene beslissing van de Kamer uit te lokken,<br />
althans zeker niet in publieke zitting.<br />
Ik ben het gevoelen toegedaan , zonder dat ik in eenige heimelijke bespreking met andere<br />
leden ben getreden, maar naar hetgeen ik hier en daar heb opgevangen over de wijze<br />
waarop de stukken ons door de Regering medegedeeld zijn beoordeeld, dat de meerderheid<br />
van deze Kamer aan het beleid van de Regering hare goedkeuring niet hechten kan. Ik<br />
spreek hier uit eene gevestigde overtuiging, maar die ik natuurlijk niet kan bewijzen.<br />
Maar evenzeer als ik overtuigd ben, dat dit de stemming is die in de Kamer domineert<br />
evenzeer zou ik meenen dat het op dit oogenblik onvaderlandslievend en onstaatkundig zou<br />
zijn om eene dergelijke stemming door een votum te constateren.
21<br />
Wij zijn toch , indien wij als leden dezer Vergadering oppositie voeren tegen de Regering,<br />
als burgers van Nederland en als vertegenwoordigers van het Nederlandsche volk, in een<br />
toestand van solidariteit met de Regering van Nederland, en ik meen dat het eene verkeerde<br />
zaak zou zijn indien een tak van de Vertegenwoordiging op een zoo aangelegen<br />
punt in het openbaar een blaam op de Nederlandsche Regering trachtte te werpen. Ik<br />
geloof, dat dat niet zou kunnen geschieden zonder dat geheel Nederland een dergelijken<br />
blaam zou deelen. En dat, meen ik, moet worden voorkomen.<br />
Buitendien, gesteld dat de meerderheid van deze Vergadering, zoo als mijn gevoelen is,<br />
het beleid van de Regering afkeurde en dat openlijk uitsprak, dan zou het gevolg moeten<br />
zijn, dat wij eene geheel andere staatkunde omtrent Atjeh zouden volgen.<br />
Na alles wat geschied is, in het tegenwoordig stadium van de zaak, geloof ik, dat<br />
terugtreden tot hetgeen mij oorspronkelijk de beste weg zou zijn vo<strong>org</strong>ekomen, geheel<br />
• onmogelijk geworden is.<br />
Wanneer men overtuigd was dat het geheim gehouden werd , zou men, des noods in comitégeneraal,<br />
eene dergelijke uitspraak kunnen doen; in eene publieke zitting zou ik dit echter<br />
afkeuren.<br />
Ik spreek nu niet van hetgeen reeds door mijn geachten vriend uit Tiel gezegd is, dat<br />
het oogenblik om eene ministeriele krisis uit te lokken, niet goed. gekozen zou zijn, en<br />
ook niet in de bedoeling van de oppositie gelegen heeft, — maar, indien er zooveel redenen<br />
waren die mij zouden genoopt hebben over dit punt thans het stilzwijgen te bewaren, ben<br />
ik nu toch min of meer genoodzaakt het tegenovergestelde te doen, door den Minister van<br />
Koloniën, die mij als het ware heeft uitgetart thans vol te houden dat de oorlog niet was<br />
geregtvaardigd.<br />
De Minister heeft er gisteren zijne verwondering over te kennen gegeven dat dit punt<br />
niet ter sprake is gebragt, en dat er meer klem is gelegd op de weinige opregtheid, die<br />
men in het doen van mededeelingen bij de Ministers meende te hebben opgemerkt.<br />
Indien dus het gezegde van den Minister van Koloniën mij al genoopt heeft het woord<br />
te voeren, ben ik daartoe nog meer aangezet door de rede van den heer Godefroi, die<br />
gemeend heeft eene poging te moeten wagen om den oorlog als regtvaardig en regtmatig<br />
voor te stellen.<br />
Dit acht ik mijn pligt thans te bestrijden, en daarom vraag ik in de eerste plaats wat<br />
den oorlog geregtvaardigd maakt?<br />
Het antwoord hierop, Mijnheer de Voorzitter, ligt voor de hand en moet zijn: eene regtmatige<br />
oorzaak, eene justa causa, zoo als de schrijvers over volkenregt dit noemen. Wanneer<br />
dergelijke oorzaak aanwezig is, meen ik dat ook door elke Regering, die er aanspraak op<br />
maakt het Christelijk beginsel te volgen, ook in het oog moet gehouden worden clat de<br />
oorlog slechts ook dan geregtvaardigd is, wanneer alle mogelijke vredelievende middelen<br />
om het doel te bereiken zijn uitgeput.<br />
Aan die twee beginselen getoetst, meen ik echter dat de handelwijze der Regering ten eenenmale<br />
moet worden afgekeurd, omdat die eischen door de Regering niet zijn in acht genomen.<br />
Vóór ik zal trachten dit aan te toonen, ontmoet ik eene groote vergissing, waarin mijns<br />
inziens de geachte afgevaardigde uit Amsterdam vervallen is, — eene zaak waarop de aandacht<br />
wel moet gevestigd worden om tot eene juiste beoordeeling te komen.<br />
De heer Godefroi stelde Atjeh namelijk voor als een Staat, die eigenlijk niet volkomen<br />
onafhankelijk was, gelijk hij gisteren met zooveel woorden zeide, tot mijne groote verbazing,<br />
die steeg bij het hooren van de argumenten, die een zoo kundig regtsgeleerde als de heer<br />
Godefroi aanvoerde om zijne stelling te betoogen. Hij wees op het tractaat van 1824, dat<br />
inhoudt, met zooveel woorden, dat de onafhankelijkheid van Atjeh gewaarb<strong>org</strong>d wordt, en<br />
verdedigd tegen alle mogelijke inbreuk, die van de zijde van Nederland daartegen zou<br />
kunnen beproefd worden. Hoe dus dit tractaat kan worden aangevoerd als bewijs dat<br />
Atjeh niet onafhankelijk zou zijn, verklaar ik niet te begrijpen.<br />
Evenmin kan, naar mijne meening, waarde gehecht worden aan het andere'argument<br />
van den geachten spreker, namelijk , dat uit het tractaat van 1857 zou blijken dat die souvereiniteit<br />
niet in volle mate aanwezig was.<br />
De geachte spreker heeft zich vergist, wat ons allen gebeuren kan, wanneer men uit<br />
het hoofd citeert, en de stukken, waarop men zich beroept, niet nog eens na heeft gegaan.<br />
6
22<br />
Wat was het betoog van den geachten spreker ? Door het tractaat van 1857 zou door<br />
Atjeh aan Nederland het regt gegeven zijn (hetgeen ik betwijfel, maar dat was het betoog)<br />
om in de wateren van Atjeh eene zekere politie uit te oefenen, en dat, zoodra men zulk een<br />
regt aan eene vreemde Mogendheid toekent, men daardoor voor een gedeelte afstand doet<br />
van zijn souvereine regten.<br />
Indien dit zoo ware , dan zou daaruit volgen dat het Nederlandsch-Indisch Gouvernement<br />
niet souverein was , want het geheele tractaat van 1857 berust op het stelsel van volkomen<br />
wederkeerigheid. In art. 5 wordt door Atjeh aan Nederland niets ingeruimd, wat niet<br />
wederkeerig aan Nederland wordt geconcedeerd. De argumentatie van den geachten spreker<br />
op dit punt gaat in 't geheel niet op.<br />
Neen! Ik beweer, en dat is voor mijne bewijsvoering noodig, dat Atjeh volkomen souverein<br />
was en dat is ten overvloede ook zeer duidelijk aangetoond, in eene Nota, door den<br />
Minister van Buitenlandsche Zaken gerigt aan de Regering van Turkije.<br />
Nu hebben wij met dien souvereinen Staat Atjeh in 1857 een tractaat gesloten , en wat<br />
lezen wij in art. 1 ? » Van nu aan bestaat er bestendige vrede en vriendschap en goede<br />
verstandhouding tusschen het Nederlandsch-Indisch Gouvernement en Z. H. den Sultan<br />
van Atjeh en zijne afstammelingen en opvolgers."<br />
Hoe heeft Nederland die verpligting van vriendschap tegenover Atjeh opgevolgd? Bij<br />
vorige gelegenheden heb ik het reeds gezegd , maar toen , sprekende in 't publiek , kon ik<br />
natuurlijk mijne meening niet op dezelfde onverholen wijze te kennen geven, als nu in<br />
comité-generaal kan geschieden. En nu zeg ik dat er nooit grooter inbreuk op een dergelijk<br />
tractaat kan zijn gemaakt dan door ons is geschied, toen wij, een jaar nadat het tractaat<br />
gesloten was , er toe overgingen om verschillende landstreken, die tot Atjeh behoorden ,<br />
onder onze souvereiniteit te brengen, ten gevolge van het tractaat van Siak.<br />
Dat dit geen hersenschimmige grief, geen onbewezen zaak is, niemand beter dat de<br />
Minister van Buitenlandsche Zaken kan dat weten. Die weet even goed als ik welke<br />
aanhoudende en ernstige vertoogen van Engelands zijde zijn ingekomen om ons juist te<br />
beschuldigen dat wij door het tractaat van Siak inbreuk hebben gemaakt op de verpligtingen<br />
die volgens het tractaat van 1824 op ons rustten.<br />
Mijnheer de Voorzitter! Ik heb op dit oogenblik het archief van Buitenlandsche Zaken<br />
niet tot mijne beschikking, maar ik herinner mij zeer goed die betoogen te hebben gezien<br />
en gelezen.<br />
Buitendien, ik kan een sterker bewijs aanvoeren, dat zeer ten onregte door ons beweerd<br />
is — ik zeg dit in comité-generaal — dat Atjeh geen regt van souvereiniteit over sommige<br />
van die Staten , welke wij meenden dat tot Siak behoorden, heeft gehad. Dat bewijs is<br />
geleverd door hetgeen onlangs in de Staatscourant te lezen stond, dat verschillende dier<br />
landschappen thans , na deelgenomen te hebben aan den oorlog van Atjeh, onze souvereiniteit<br />
hebben erkend. Wel een bewijs, dat zij uit geheel vrijen wil de zijde van Atjeh tegen ons<br />
hebben genomen. Indien zij onderdanen van Siak waren geweest, zou daarvan geen quaestie<br />
hebben kunnen zijn.<br />
Ik moet dus tot mijn leedwezen constateren, dat de eerste schending van het tractaat<br />
van 1857 heeft plaats gehad door Nederland.<br />
Wat zegt nu art. 4 van dat tractaat: » Het Nederlandsch-Indisch Gouvernement en Z. H.<br />
de Sultan van Atjeh zien af van alle vorderingen en aanspraken, die ontstaan zijn voor de<br />
sluiting van deze overeenkomst, ter zake van geschillen van welken aard ook. Voorts wordt<br />
vastgesteld, dat, wanneer deze overeenkomst zal gesloten zijn, al deze geschillen en vorderingen<br />
geheel beslecht en vernietigd zijn, zoodat die nimmer weder kunnen ter sprake komen."<br />
Dus in 1857 werd de spons gehaald over al die vorige vorderingen.<br />
In welk licht komt nu de Nota, in der tijd door den Minister van Koloniën overgelegd,<br />
wanneer men op deze bepaling van het tractaat let ? Is het bewijs niet volkomen geleverd,<br />
dat ik in der tijd met juistheid heb aangemerkt, dat al de grieven, toen tegen Atjeh ingebragt,<br />
niets te beduiden hadden , en niet als de oorzaak van den oorlog zijn aangevoerd ?<br />
Indien toch al die grieven bestonden en daaraan de waarde moest worden gehecht, die<br />
blijkens die Nota, daaraan door de Regering gehecht werd, dan zouden ze natuurlijk bij<br />
de oorlogsverklaring ter sprake zijn gekomen.<br />
Ik herhaal dus mijne vroegere vraag aan de Regering, welke hare grieven tegen Atjeh<br />
waren vóór het zoogenaamde verraad?
23<br />
Dat is toch niet tegen te spreken, en zoo ja, dan verwacht ik tegenspraak van de Regering,<br />
dat lang vóór dat verraad plannen gesmeed werden, in strijd met de onafhankelijkheid van<br />
Atjeh, en de Regering lang vóór dat verraad van plan was om, op de eene of de andere<br />
wijze, onze suprematie over Atjeh te vestigen.<br />
Indien nu al dergelijke plannen konden geregtvaardigd worden door een beginsel van<br />
utiliteit, en men zou kunnen beweren dat dit noodig was om, in het belang van Nederland,<br />
allen vreemden invloed te weren, wettigt desniettemin dergelijk stelsel geenszins den ooriog!<br />
Reeds heeft een ander spreker gevraagd, wat men zou zeggen , indien eene Europesche<br />
Mogendheid op die wijze zou beweren , dat de invloed van eene andere Mogendheid hier<br />
zou moeten worden geweerd ?<br />
En nu vraag ik wederom dit: was er dan reden om voor een dergelijken vreemden invloed<br />
in Atjeh te vreezen, indien niet onze eigen handelingen aanleiding gegeven hadden,<br />
dat Atjeh de hulp van vreemden inriep ? Waarom moet men aannemen, dat een land, dat<br />
zoo tuk is op zijne onafhankelijkheid als Atjeh, dat bewezen heeft met zooveel moed en<br />
volharding die onafhankelijkheid te verdedigen , nu op het oogenblik , zonder dat wij er aanleiding<br />
toe gaven , van een deel zijner souvereiniteit ten behoeve van eene andere Mogendheid<br />
zou willen afzien ? Het geval is niet denkbaar.<br />
Maar zelfs indien men dit aanneemt en met de Regering stelt dat ons belang medebrengt<br />
om vreemden invloed op het noorden van Sumatra te weren , meen ik nog dat dat doel<br />
volkomen bereikbaar ware geweest langs vredelievenden weg. Ik wijs bijv. op een feit dat<br />
niet zeer algemeen bekend is, op een tractaat dat gedurende den Krim-oorlog tusschen<br />
Zweden, Frankrijk en Engeland is gesloten. Toen heeft Zweden (ik verdedig het niet,<br />
integendeel ik vind het van den kant van Zweden eene weinig loffelijke daad) de verplig!<br />
ting op zich genomen, tegenover de garantie van zijne onafhankelijkheid door Frankrijk<br />
en Engeland, om met geene vreemde Mogendheid een tractaat te sluiten dan met goedkeuring<br />
van die twee Mogendheden. Indien wij nu tegenover Atjeh een dergelijken eisch<br />
gesteld hadden, dunkt mij, dat wij het doel dat de Regering beoogde, waarschijnlijk op<br />
die wijze hadden kunnen bereiken.<br />
De spreker uit de hoofdstad zegt: de eigenlijke oorzaak van den oorlog moet gezocht<br />
worden in het tractaat van Sumatra; daar lag de kiem van den oorlog in. Ik wil dat<br />
niet tegenspreken, maar wat bewijst dat dan? Dat eene voorzigtige en verstandige staatkunde<br />
zou gez<strong>org</strong>d hebben dat die kiem eene kiem bleef en zich niet op ongelukkige wijze ontwikkelde.<br />
Waar is het bewijs (het is wederom een van die vragen waarop ik tot dusver van de<br />
Ministers geen antwoord gekregen heb), dat men ooit aan den onafh ankelijken staat Atjeh<br />
eenige aannemelijke voorwaarden heeft gesteld ? Ik begrijp niet hoe men kan spreken van<br />
het aanwenden van vredelievende middelen, wanneer men te doen heeft met een onafhankelijken<br />
Staat en eischen stelt zonder daartegenover eenige concessien te doen. Mij dunkt<br />
dat, als men op het punt der grensscheiding met Siak eenige faciliteiten gegeven had,<br />
dit zeer wel met ons belang had kunnen strooken, men daardoor op voordeelige wijze met<br />
Atjeh had kunnen onderhandelen; maar uit de overgelegde stukken blijkt niet, dat men<br />
inderdaad iets aannemelijks aan Atjeh heeft vo<strong>org</strong>esteld.<br />
Ik wacht dus het antwoord van de Regering op de vraag: Kan de Regering bewijzen,<br />
dat er vóór het zoogenaamde verraad een casus MM tegen Atjeh was?<br />
Ik kom nu tot het nieuwe incident in onze aanraking met Atjeh.<br />
Men heeft het gedrag van den kommandant van de Marnix en van den consul te Singapore,<br />
bij gelegenheid dat de Atjehsche gezanten zich aan boord van ons oorlogsschip bevonden',<br />
zeer naïf genoemd. De Minister van Koloniën is daartegen opgekomen, maar ik moet bekennen<br />
dat ik dat woord naïf nog niet sterk genoeg vind, want het kwam mij voor, als<br />
of men met blindheid geslagen was, dat men niet op de gedachte kwam dat 'slands belang<br />
medebragt zich te vergewissen , wat die vreemde Atjehers dan toch te Singapore deden.<br />
Dit lag voor de hand; had men het gedaan, waarschijnlijk zou die gansche ongelukkig<br />
oorlog zijn vermeden.<br />
Maar was de verontwaardiging, waartoe die stap der Atjehsche gezanten aanleiding had<br />
gegeven, wezenlijk te regtvaardigen ? Was het niet zeer natuurlijk dat Atjeh hulp &<br />
zocht<br />
bij anderen? Zelfs in het tractaat dat zij met Amerika trachtten te sluiten, was nog o. een<br />
hostiliteit tegen Nederland gelegen. De mogelijkheid bestond dat Atjeh als souvereine<br />
Mogendheid met andere Mogendheden tractaten had gesloten en toch met ons in vriend-
24<br />
schap ware gebleven. Ik erken dat dit in strijd zou zijn geweest met ons belang en onze<br />
staatkunde , maar waar staat geschreven dat Atjeh niet even als met ons, met andere<br />
Staten tractaten mag sluiten?<br />
Ik wil nu geenszins beweren dat cle Regering niet volkomen goed heeft gehandeld door<br />
te trachten het sluiten van dat tractaat te voorkomen ; maar als men den toestand beschouwt<br />
gelijk hij nu is—want ik beweer niet dat men had kunnen vooruitzien — dan is<br />
het nog zeer cle vraag , of het niet verkieslijk ware geweest dat dit tractaat ware gesloten,<br />
dan dat wij ons nu in deze moeijelijkheden bevinden. Ik geef geen bepaald antwoord, maar<br />
eene vraag blijft het.<br />
Men heeft dikwijls van dien gevreesden vreemden invloed een zeer overdreven denkbeeld<br />
opgevat. Ik herinner mij bijv. uit het begin mijner diplomatieke carrière de ontsteltenis over<br />
de vreemde inmenging in Borneo ; het was toen als of de geheele zekerheid van ons bestuur<br />
in gevaar werd gebragt door die vestiging te Serawak, en toch is ook die storm overgewaaid<br />
zonder dat wij er veel last van hebben gehad.<br />
Maar wat daarvan zij, ook de heer Godefroi heeft erkend, dat de vrees voor inmenging<br />
van Amerika de Regering van Nederlandsch Indie gebragt heeft in een zekeren overprikkelden,<br />
zenuwachtigen toestand; dat is niet te ontkennen. En nu ware het, mijns inziens,<br />
de roeping van den Minister van Buitenlandsche Zaken geweest, de gemoederen te calmeren<br />
en aan te toonen dat voor zoo buitensporige vrees geen reden hoegenaamd bestond.<br />
Ik neem nu aan het ernstigste geval, dat wezenlijk door dien consul een tractaat met<br />
Atjehers geteekend was , wat had men dan nog ? Was het een stuk dat eenige waarde had ?<br />
De Minister van Buitenlandsche Zaken weet beter. Hij weet dat eene overeenkomst, die niet<br />
geratificeerd is, van nul en geener waarde is. Hoe moest die ratificatie plaats hebben ? Dit<br />
kon niet geschieden per telegram. Maanden moesten verloopen eer dergelijk stuk door Amerika<br />
was goedgekeurd en een staatsstuk was geworden, dat eenige inmenging van de Amerikaansche<br />
vloot in Sumatra had gewettigd. Ik voeg er bij dat volgens de Amerikaansche<br />
constitutie die ratificatie moest plaats hebben door den senaat, zoodat het vrij lang had kunnen<br />
duren vóór die verleend was , en dat dus verschillende invloeden zich konden doen gelden om,<br />
ware dergelijk tractaat gesloten, te z<strong>org</strong>en dat de goedkeuring van de bevoegde magt aan<br />
het tractaat onthouden werd.<br />
Indien ik de zaak wel begrijp, dan was de spil waarom de overhaaste oorlogsverklaring<br />
gedraaid heeft, de vrees voor Amerika, de wensch om Amerika voor te zijn. Daarvoor was<br />
geen aanleiding, en het pleit voor een verkeerd inzigt, dat men aan die zaak eene buitensporige<br />
waarde heeft gehecht. Mij dunkt de Minister van Buitenlandsche Zaken had zijn<br />
ambtgenoot moeten kalmeren , hij had er op moeten wijzen dat Amerika steeds het stelsel van<br />
Monroe volgt: Amerika voor de Amerikanen. Amerika bemoeit zich niet met buitenlandsche<br />
aangelegenheden, waarbij zijn belang niet betrokken is en die aanleiding kunnen geven tot<br />
moeijelijkheden en verwikkelingen. Dit is eene constante politiek van Amerika. Waarom moest<br />
men aannemen dat Amerika in eens eene andere gedragslijn zou volgen ? Evenzeer is het bekend,<br />
en de Minister van Buitenlandsche Zaken weet dit even goed als ik , dat de Amerikaansche Regering<br />
nooit den wensch heeft gekoesterd van het bezitten van koloniën. Amerika wil geene koloniën.<br />
Maar nu neem ik eens aan dat de vrees van de Regering gewettigd was, dan geloof ik —<br />
ik mag dit hier in comité-generaal uitspreken — dat de Regering eene zeer groote fout heeft<br />
begaan door onze vlag bloot te stellen aan een hoon. Dit is voor mij eene grief en doet mij<br />
pijnlijk aan. Ik heb betoogd dat de vrees voor Amerika de oorzaak is geweest voor het ontijdig<br />
zenden van eene expeditie. En dat de expeditie op een ontijdig oogenblik is vertrokken,<br />
zal door niemand ontkend worden. Maar vóór de expeditie vertrok wist men reeds en telegrapheerde<br />
ook de Minister van Koloniën naar Indie, dat men te Washington van de zaak niets<br />
wist. Vóór de expeditie vertrok had dus de Regering reeds de wetenschap dat voor inmenging<br />
van Amerika geen vrees behoefde te bestaan. Waarom heeft men toen aan de Indische Regering<br />
niet in overweging gegeven op grond daarvan de expeditie niet op een zoo ontijdig<br />
oogenblik te doen vertrekken ? En de ontijdigheid der expeditie is door de Indische Regering<br />
erkend, wanneer men let op het rapport, dat aan den Raad van Indie is uitgebragt om het<br />
terugroepen van de eerste expeditie te regtvaardigen.<br />
Dezelfde beweegredenen die golden om de expeditie terug te roepen, waren natuurlijk<br />
ook van kracht om hare uitzending te voorkomen. Ik meen dus dat zoo min voor als na<br />
het zoogenaamd verraad de oorlog gewettigd was.
'25<br />
Thans het tweede punt door mij vooropgesteld. Ook wanneer er eene wettige reden is,<br />
betaamt het onze staatkunde niet oorlog te voeren, tenzij bewezen worde dat alle vredelievende<br />
pogingen om dien te voorkomen zijn uitgeput. Nu weet ik wel dat de Minister van<br />
Buitenlandsche Zaken ons dit 30 April plegtig heeft verzekerd; maar hoe de Minister dergelijke<br />
verklaring kon geven met de wetenschap van het ultimatum van den heer Nieuwenhuyzen<br />
begrijp ik niet; voorzeker getuigt het niet van eene groote mate van opregtheid.<br />
De veroordeeling der Regering op dit punt kan niet beter worden uitgedrukt dan door het<br />
telegram van den Minister van Koloniën op den 12den Maart aan den Landvoogd van Indie<br />
gezonden: »Gij moet aantoonen dat regtvaardigheid en bedachtzaamheid ons leiden.<br />
Daaraan zou kunnen getwijfeld worden als men den eisch van souvereiniteit al te ruw op<br />
den vo<strong>org</strong>rond stelt". De Regering begreep zelve dat er iets odieus, iets excessiefs in het<br />
stellen van dien eisch lag; en of eerst één dag uitstel werd gevraagd en twee a drie dagen<br />
daarna de eisch toch werd gesteld, doet niets ter zake. Ik beweer dat dit den naam van<br />
onderhandeling met verdient; dat is eene onderhandeling & la Bismarck, niet eene die een<br />
Nederlandsch staatsman past. Ik moet spreken gelijk ik het meen, en dan geloof ik niet<br />
aan de vredelievende gezindheid der Regering.<br />
Eene andere grief, reeds meermalen door mij aangevoerd, is het gebrek aan diplomatieke<br />
voorbereiding. Uit het stuk n°. 5 door den Minister van Koloniën medegedeeld, blijkt dat<br />
deze Minister naar het schijnt hieromtrent mijne meening deelt, daar hij zijn ambtgenoot<br />
voor Buitenlandsche Zaken op dat gebrek wees. In dat stuk wordt ook gevraagd om Engeland<br />
m den arm te nemen; en zeer natuurlijk, want Engeland's belang bij het weren<br />
van een Amerikaan sch soort van protectoraat over Sumatra is welligt grooter dan het onze:<br />
Engeland's belangen waren in de straat Malakka grooter dan cle onze.<br />
Welke is dienaangaande de houding van Engeland?<br />
Tot nu toe zijn de gevolgen van het buitenlandsch beleid dezer Regering in deze quaestie<br />
met gelukkig. Men heeft door het gemis van die voorbereiding, welke ons zou in staat<br />
gesteld hebben de zienswijze van de vreemde Kabinetten omtrent onze verhouding tot Atjeh<br />
te kennen, met die zenuwachtigheid welke ook onze Landvoogd in Nederlandsch Indie<br />
toonde, op weinig waardige wijze bij de vreemde Kabinetten aangeklopt om op alle mogelijke<br />
wijze vreemde inmenging te trachten te voorkomen.<br />
De ^ stukken gewagen ook van stappen door Atjehsche gezanten bij Frankrijk gedaan.<br />
De Minister van Buitenlandsche Zaken zal mij wel willen inlichten omtrent hetgeen dienaangaande<br />
is geschied.<br />
Over het algemeen zijn de diplomatieke mededeelingen der Regering in hooge mate<br />
onvolledig en onvoldoende. Ik heb nimmer sterk aangedrongen op het mededeelen van<br />
dergelijke stukken, maar gaat de Regering er eenmaal toe over, dan moeten zij volledig zijn.<br />
Eindelijk wensch ik dat de Minister van Buitenlandsche Zaken in dien zin zijne mededeelingen<br />
aanvulle door ons te zeggen , welke op dit oogenblik onze verhouding met cle vreemde<br />
Mogendheden omtrent de zaken van Atjeh is.<br />
Eene opmerking ten slotte.<br />
De Minister van Koloniën heeft zich eens eene uitdrukking laten ontvallen , waaromtrent<br />
ik hem niet hard wil vallen, omdat cle Minister die uitdrukking gewis betreurt.<br />
De Minister zeide , dat sommige leden dezer Vergadering, waartoe ook ik zeker behoorde ,<br />
meer Atjeesch waren dan de Atjehers zeiven; dat zij meer liefde voor Atjeh dan voor Nederland<br />
hadden. Ik acht het onnoodig mij tegen eene dergelijke aantijging te verdedigen,<br />
maar men houde wel in het oog dat niet alleen de oppositie tegen de houding der Regering<br />
van belang kon zijn om onzen toestand tegenover Atjeh te kenschetsen en eenigen invloed<br />
uit te oefenen op de handelingen der Regering tegenover dien Staat, maar ook om in het<br />
algemeen te weten welke politiek de Regering in de buitenbezittingen wenscht te volgen.<br />
Indien nu deze zaak geenerlei tegenspraak bij deze Kamer ontmoette, zou de Regering<br />
kunnen denken dat die annexatie-politiek welke zij volgt, in den smaak der Nederlandsche<br />
Vertegenwoordiging valt.<br />
Het vijfjarig bestuur van den afgetreden Landvoogd in Nederlandsch Indie heeft zich gekenmerkt<br />
door buitengewone rust. Er heeft in dien tijd geene expeditie plaats gehad en ik<br />
acht dit een grooten zegen en geluk. Nu zou ik het betreuren dat de tegenwoordige oorlog<br />
7
26<br />
de krijgsroem die is ingeoogst en de ophef die daarvan gemaakt is een slechten indruk kon<br />
hebben zoodat een andere, minder vredelievende politiek in Indie gekozen werd. En de<br />
Kamer zal met mij instemmen dat het eene praktische vraag is aan de Regering: »"Wat is<br />
uwe politiek ten aanzien van de andere buitenbezittingen, loopen wij gevaar om dezelfde<br />
redenen , die ons in oorlog gebragt hebben met Atjeh , ook daar in oorlog te komen ? " Ook<br />
op dit punt hoop ik dat de Regering wel zoo goed zal willen zijn mij een antwoord te geven.<br />
De heer Fabius : Toen ik in Indie als chef van het marine-departement werkzaam was,<br />
werd tot eene expeditie naar Siak besloten. Dien ten gevolge had ik conferentien met den<br />
Landvoogd over de middelen om die expeditie te bewerkstelligen en gereed te maken. In<br />
die conferentien kwamen van zelf ter sprake, welke de gevolgen van die expeditie zouden<br />
kunnen zijn , en de vraag , of wij daardoor niet in verwikkelingen met Atjeh zouden komen.<br />
Naar mijne meening bestond daartoe wel degelijk cle vrees, en wel omdat wij niet genoegzaam<br />
waren voorbereid een oorlog te voeren tegen een zoo uitgestrekt gebied met zulke<br />
uitgebreide kusten en zulk eene fanatieke Mohammedaansche bevolking. Naar aanleiding<br />
daarvan herhaalde ik dan ook met den meesten aandrang en kracht, dat men toch vooral<br />
de zeemagt in Indie in dien staat zou brengen, dat men op alles voorbereid kon wezen,<br />
dat men bijv. ook stoombarkassen zou aanschaffen. Daaraan is evenwel geen gevolg gegeven<br />
, en zelfs in 1870 of 1871 werd door den toenmaligen Minister van Marine besloten,<br />
om de zeemagt in Indie te verminderen met twee schroefstoomschepen 1ste klasse, en wel<br />
met het oog om in Amsterdam een zeer groot ramtorenschip te bouwen. Dat schip is in<br />
1871 op stapel gezet, maar wanneer het in het water zal komen is eene vraag.<br />
In Nederland teruggekeerd , bevond ik mij den lsten April 1873 in Zwolle. De vriend<br />
waarbij ik logeerde bragt mij 's m<strong>org</strong>ens een telegram, waaruit ik las: de oorlog tegen<br />
Atjeh is verklaard. Ik schrikte, ik was bekend met de middelen , die men in Indie had,<br />
en zeide: » De Hemel beware ons, wij krijgen slaag." Ik schrikte ook , daar ik dacht aan<br />
het ver gevorderd jaargetijde, want ik was eenige jaren te voren in het laatst van April<br />
in Atjeh geweest, en had toen ondervonden welke hevige deining daar op de kust staat,<br />
zoodat ik , naar boord terugkeerend, heel blij was met een sloep vol water aan boord te komen.<br />
Die ontstane vrees is, gelijk ik reeds zeide, helaas, bevestigd geworden. Ik wil daarover<br />
nu niet verder uitweiden , maar ik voel mij verpligt, nu wij toch in comité-generaal zijn,<br />
mede te deelen waaraan, mijns inziens, de oorlog met Atjeh te wijten is. Ik geloof toch<br />
dat die oorlog het gevolg is van handelingen van Engelsche en andere fortuinzoekers in<br />
Singapore en Poeloe-Pinang, en wel om de volgende redenen.<br />
Het was reeds lang bekend dat bij vele inwoners van beide Engelsche bezittingen eene<br />
groote begeerte bestond om. zich in het vruchtbare Atjeh neder te zetten , en ook om zich<br />
in Deli te vestigen; men wist dat in Atjeh rijke mijnen zijn en dat in Deli onder anderen<br />
eene soort van tabak groeit, niet inferieur aan die van Manilla. Die liefhebbers durfden<br />
zich in die streken echter niet neêrzetten onder het ellendig bestuur van Atjeh, dat bun<br />
geene de minste zekerheid gaf voor de veiligheid van hunne personen en bezittingen.<br />
Wanneer het na zoo ver te brengen was dat de Nederlandsche vlag te Atjeh woei, met<br />
de verzekering dat Nederland bescherming zou verleenen aan allen die zich aldaar zouden<br />
nederzetten , dan zouden bedoelde liefhebbers regt hebben om bescherming van ons te eischen.<br />
Na sluiting van het Siak-tractaat schrijven velen den oorlog toe aan de intriges, niet<br />
alleen van Engelsche kooplieden , maar ook van den Amerikaanschen consul, die zich bij de<br />
bewoners van Singapore en Poeloe-Pinang verdienstelijk wilde maken, misschien ook....<br />
ik laat dit echter daar.<br />
Gelukt het ons dapper leger en onze brave zeemagt Atjeh te onderwerpen en wil men het<br />
annexeren, dan vrees ik van die annexatie de treurigste en ellendigste gevolgen, want dan<br />
zullen de intriganten in de Engelsche bezittingen hun doel bereikt hebben, en zich in<br />
Atjeh nederzetten onder de bescherming der Nederlandsche vlag; en wanneer nu Engelsche<br />
planters in Atjeh vermoord, of hunne bezittingen door vijandige Atjehnezen verbrand worden,<br />
zal er dan niet een verbazende schreeuw opgaan en zal Engeland ons daarvoor niet verantwoordelijk<br />
stellen? Indien wij de magt niet bezitten om de Engelsche onderdanen te<br />
beschermen of te wreken , is het dan niet te verwachten dat Engeland tot ons komt en zegt:
27<br />
Gij kunt dat niet doen en dus, zullen wij het zelf doen ? Zal dit niet het gevolg zijn van<br />
de annexatie? Ik ben dus opgestaan om mijne vrees te kennen te geven voor die gevolgen,<br />
te meer daar de Minister van Koloniën vroeger heeft gezegd, dat die annexatie wensch<br />
noch doel is.<br />
Ik wil in een voorbeeld aantoonen hoever die bescherming van Engelsche onderdanen<br />
getrokken wordt. Weinige jaren geleden werd het huis van een Engelschen jood uit Gibraltar,<br />
Pacificus genaamd , onteigend. Hij beschouwde die onteigening als wederregtelijk , en schreef<br />
onmiddelijk naar Malta waar de Engelsche admiraal Lyons zich bevond, met het gevolg<br />
dat die admiraal weinige dagen later met drie liniesche pen in de Piraeus kwam om Pacificus<br />
weer in zijn huis te zetten, wat ook gebeurde.<br />
Zoo iets zou in Atjeh kunnen gebeuren, wanneer zich daar Engelsche planters gingen<br />
neêrzetten. Dan is het te laat, en zullen wij de treurige gevolgen van die annexatie en dat<br />
Siak-tractaat in zeer ruime mate ondervinden ; wij zullen dan staan voor een fait accompli.<br />
Ook geloof ik dat zulk eene uitbreiding van gebied voor Nederland zeer bedenkelijk<br />
is en gevaarlijk kan worden; want spoedig zal 't ons ontbreken aan personeel en middelen<br />
om dat gezag op die groote uitgestrektheid overal te handhaven.<br />
In gemoede acht ik mij dus verpligt mijne stem tegen die annexatie te doen hooren en<br />
den wensch te uiten dat het, aan deze Regering moge gelukken eene eervolle vrede te verkrijgen<br />
, zonder uitbreiding van gebied in den Indischen Archipel.<br />
Wij hebben nu reeds dikwijls moeite om ons gezag op Borneo en Celebes enz. te handhaven.<br />
Een groot staatsman zeide eens dat een klein land dat uitgebreide overzeesche bezittingen<br />
heeft, zijn eigen ondergang berokkent, wanneer het die bezittingen te ver boven zijn magt<br />
uitbreidt.<br />
Ik moet daarom de anexatie, met de verantwoordelijkheid daarvan, ten zeerste vreezen.<br />
Buitendien, waartoe leidt eene veroveringspolitiek ?<br />
Men ga eens na wat in Europa in deze eeuw heeft plaats gehad.<br />
Napoleon I zond een leger af om Spanje te veroveren en zijn broeder op den troon te<br />
zetten. Dat is de weg geweest tot zijn ongeluk. Rusland volgde. Het groote leger ging in<br />
de woestijnen van dat land te niet; een groot deel verdronk in de Beresina. Napoleon zelf<br />
eindigde op St. Helena.<br />
Men herinnere zich verder wat in Mexico is gebeurd.<br />
Bazaine werd daarheen gezonden met een groot leger. Wat was de afloop. Keizer Maximiliaan<br />
werd gefusileerd, zijne vrouw krankzinnig; Napoleon stierf in Engeland in ballingschap<br />
, en Bazaine zit in de gevangenis. Gevolgen van veroveringspolitiek.<br />
Ik wil hier niet als beschuldiger optreden om dit Kabinet te dwingen heen te gaan,<br />
waarvan deze zijde der Kamer, in verschillende dagbladen, zoo dikwijls op honende en<br />
oneerlijke wijze is verdacht gemaakt. Ik ben alleen opgestaan om eene waarschuwende<br />
stem te doen hooren tegen de veroveringspolitiek en de annexatie. Mogt mijne stem niet<br />
die geweest zijn van den roepende in de woestijn!<br />
De heer Cremers: Ik had gehoopt in het comité-generaal niet te behoeven het woord<br />
te voeren, omdat hetgeen ik te zeggen heb even goed, en welligfc beter, in de openbare<br />
vergadering zou kunnen worden medegedeeld Het zal welligt noodzakelijk zijn om in de<br />
openbare vergadering te herhalen wat ik nu zal zeggen, maar ik meende dat het mijn<br />
pligt was op te komen tegen eene bewering van den heer van Zuylen.<br />
De geachte spreker heeft breedvoerig betoogd dat de oorlog niet geregtvaardigd is, omdat<br />
er geen casus belli zou aanwezig zijn.<br />
Ik herinner dat door den heer van Lynden gezegd is, dat wij sinds jaren tal van vernederingen<br />
en beleedigingen van Atjeh hebben moeten verduren. Volgens een ander spreker,<br />
die ook het beleid der Regering afkeurt, werd op onze vertoogen tegen strand- en zeeroof<br />
door Atjeh niet gelet en de zee onveilig gemaakt. Onze vlag, zeide hij verder, werd gehoond<br />
, en tegenover die feiten » moesten wij eene lankmoedigheid toonen, die geen schoone<br />
bladzijde in onze geschiedenis uitmaakt". Toen echter werden ons de handen gebonden door<br />
de verklaring van het tractaat van 1824. Niet alleen mogten wij geen inbreuk maken op<br />
Atjeh's onafhankelijkheid, maar zelfs geen vijandelijken maatregel nemen tegen dien Staat.
28<br />
Toen echter door het Sumatra-tractaat die belemmering was opgeheven, was eindelijk het<br />
oogenblik daar om stappen te doen ten einde de rust en de veiligheid in den Oost-Indischen<br />
archipel te verzekeren, eene verpligting die wij op ons hadden genomen, maar die tevens<br />
in ons eigen belang was , want, wanneer wij het niet deden, zou alligt eene andere Mogendheid<br />
het ons uit de hand nemen.<br />
Toen nu van onzen kant eindelijk vertoogen werden gedaan tegen den zeeroof en den<br />
menschenroof die daar plaats vonden, en waartegen wij moesten waken èn volgens het<br />
tractaat van 1824 èn volgens een vroeger tractaat van 1818, èn volgens een besluit van<br />
den souvereinen Vorst van 1814, werd op die vertoogen niet alleen geen acht geslagen ,<br />
maar Atjeh trachtte, verbindtenissen aan te knoopen met andere Mogendheden tegen ons,<br />
en onder onze oogen ging het voort zich te versterken en tegen ons te wapenen.<br />
Dit alleen is volgens mijn gevoelen reeds een casus lelli en zou het ook zijn tusschen<br />
Europesche Mogendheden.<br />
De schrijver over volkenregt, Hautefeuille, zegt: » La guerre est non seulement un droit,<br />
elle est souvent un devoir pour les peuples. Si les droits d'une nation sont méconnus par<br />
une autre nation, si son indépendance est menacée , son honneur attaqué, sans qu'il soit<br />
possible d'obtenir une juste satisfaction par les voies amiabh s, par les representations, son<br />
devoir est de recourir aux armes."<br />
Alleen ook op grond van de wapeningen heeft voor een vijftiental jaren Oostenrijk aan<br />
Italië den oorlog verklaard en in 1866 Pruissen aan Oostenrijk. Maar hier is het bovendien<br />
een heel ander geval. Wij staan hier niet tegenover een geciviliseerden Staat, waar men<br />
alleen met het volkenregt in de hand heeft te oordeelen, maar tegenover een barbaarschen<br />
roofstaat; en dat men daarover anders moet oordeelen , heeft de geachte spreker uit Arnhem<br />
zelf toegegeven. Hij zeide toch in de zitting van 23 Mei 1873: »Ik meen dat men in onze<br />
verhouding tot de bevolkingen van Indie verkeerd doet niet het groote onderscheid in acht<br />
te nemen , dat bestaat tusschen de verhouding van Europesche beschaafde Staten onderling<br />
en de verhouding van een beschaafden tot een minder beschaafden Staat. Van daar dan ook<br />
dat ik niet ten volle het zeer ongunstige oordeel onderschrijf, dat over de regtmatigheid<br />
van den oorlog geveld wordt."<br />
De geachte spreker beweert, dat wij in de eerste plaats hebben inbreuk gemaakt op de<br />
integriteit van Atjeh, en dat wel door het tractaat van Siak. Het is eene zware beschuldiging,<br />
ingebragt tegen eene conservative Regering. Ik meen echter, dat zij niet geheel<br />
juist is, want wij hebben bij het tractaat van Siak van 1857 altijd de beweringen volgehouden<br />
, die ook vroeger, en sedert langen tijd reeds, door de Oost-Indische Compagnie<br />
volgehouden waren.<br />
De geachte spreker komt op tegen de bewering van den heer Godefroi, die Atjeh voorstelt<br />
als een Staat, die niet geheel onaf hankelijk is. Ik zal het lange betoog van den geachten<br />
spreker niet volgen. Alleen wensch ik op te merken, dat nog altijd èn van de Engelsche<br />
èn van onze zijde beweerd is , dat Atjeh stond onder onzen invloed. Maar bovendien moet ik<br />
wijzen op hetgeen de geachte spreker uit Arnhem in de zitting van 23 Mei 1873 gezegd<br />
heeft: » Maar wanneer men " , sprak hij , -> mijne stelling aanneemt, die door den geachten<br />
spreker uit Amsterdam 'beaamd wordt, namelijk dat Atjeh anders dan als eene Europesche<br />
Mogendheid moet beschouwd werden, hetgeen naar mijne overtuiging het geval is, juist<br />
omdat wij te doen hebben met eene Mogendheid, die nu reeds min of meer onder onze suzereiniteit<br />
staat.'" Toen noemde de geachte spreker Atjeh eene Mogendheid, die min of meer onder<br />
onze suzereiniteit staat, en nu komt hij op tegen de bewering van den heer Godefroi, dat Atjeh<br />
niet zoo volkomen onafhankelijk is.<br />
Eindelijk zou de geachte spreker er niet zoo bijzonder veel bezwaar in zien, als Atjeh<br />
een tractaat had gesloten , of als eene vestiging van eene vreemde Mogendheid in Atjeh<br />
had plaats gehad. De heeren Fagel, Falck en Elout dachten er anders over; zij schreven dat<br />
het groote voordeel van het tractaat van 1824 en de daarbij gevoegde nota's daarin gelegen<br />
was, dat geheel Sumatra voortaan alleen onder onzen invloed zou staan, met uitsluiting van<br />
alle andere Mogendheden.<br />
Bovendien , om te doen uitkomen dat het gevaar van de bemoeijingen van den Amerikaanschen<br />
consul niet zoo gering was als sommige sprekers willen doen voorkomen, moet ik
29<br />
herinneren dat reeds in 1824 door de Engelsche en de Nederlandsche gevolmagtigden gewezen<br />
werd op het gevaar, dat de Vereenigde Staten vroeger of later zich met Atjeh zonden<br />
verbinden en er eene vestiging zouden doen.<br />
Eindelijk , onlangs is een werkje verschenen van den heer Elout van Soeterwoude, een<br />
man , die bekend is met de Indische zaken en daarover veel geschreven heeft, en die ook<br />
in den Raad van State, waarmede de Regering over al de genomen maatregelen heeft geraadpleegd<br />
, kennis heeft genomen van al de stukken , door de Regering overgelegd.<br />
De heer Elout nu schrijft: » Een volk (Atjeh), in 1602 ons met ongenegen en nog in het<br />
genot van Arabische beschaving , thans een rooverstaat, jegens Nederland vervuld met fanatische<br />
haat, waarvan de ontwikkeling door eene rei van omstandigheden sedert 1824 is<br />
bevorderd. Voorzigtigheid was hier pligt. Immers, zie ik wel, dan stonden we voor twee<br />
gevaren. Het eene bedreigde Keèrland's onverdeeld gezag , magt en invloed. Het andere de<br />
veiligheid in de wateren des Archipels. Een tijdig verhoeden van » faits accomplis " was der<br />
Regering opgelegd. Zij heeft zich daarvan na ernstig en gemoedelijk overleg in het besef<br />
harer groote verantwoordelijkheid ,• met beleid en veerkracht gekweten."<br />
De heer Godefroi: Ik moet hetgeen in de rede van den geachten spreker mij betreft,<br />
kortelijk beantwoorden. Ik moet daarbij nog even op den vo<strong>org</strong>rond stellen , dat voor mij<br />
de regtmatigheid van den oorlog geheel onafhankelijk is* van de vraag, of de oorlog tempor e<br />
utili is begonnen, of bij met beleid is ondernomen. Daarop kan men niet genoeg letten;<br />
anders wordt de quaestie van het beginsel ten onregte door de toepassing overheerscht; dit<br />
is bij menigeen het geval, die het Regeringsbeleid in deze zaak bestrijdt.<br />
De geachte afgevaardigde uit Arnhem beweert dat er geene reden bestond om oorlog te<br />
voeren, want om oorlog te voeren moet er zijn eene regtmatige reden, een justa causa.<br />
Ik vraag al dadelijk, welk moet het karakter, welke de aard zijn dier justa causa? Moet<br />
het zijn eene regtmatige reden in j'oro juridico, of in foro morali? Moet die reden regtmatig<br />
zijn uit een juridieh , uit een moreel oogpunt ? Wilde men daaraan de gevoerde oorlogen<br />
toetsen, dan zijn er zeker weinige oorlogen die regtmatig zijn. Werd niet de onderneming<br />
van meer dan een oorlog geïnfluenceerd uitsluitend door het politiek belang? En<br />
sedert wanneer is het politiek belang synoniem met eene justa causa? Zelfs dus volgens<br />
Europesche begrippen is het onmogelijk te beweren, dat vcor eiken oorlog, ook zelfs uit<br />
het oogpunt van het politiek belang, eene strikt regtvaardige reden moet bestaan.<br />
En nu herinner ik verder aan het verstandig woord door den geachten afgevaardigde<br />
gesproken op 23 Mei 1873: » Wij staan hier niet tegenover een Europeschen Staat." Wij<br />
hebben hier dus niet te doen met Europesche begrippen, niet met de beginselen, waardoor<br />
de oorlogvoering tusschen beschaafde natiën beheerscht wordt. Moest het bestaan eener justa<br />
causa in de opvatting- van den geachten spreker de voorwaarde zijn der geoorloofdheid van<br />
den oorlog, dan zou ook de voortzetting van dien oorlog onregtmatig zijn. En wat zeide<br />
nu de geachte afgevaardigde zelf op 23 Mei 1873 ? » Ik heb nooit beweerd, dat men nu<br />
het zoeken van vrede met Atjeh op den vo<strong>org</strong>rond stellen moest. Ik heb integendeel gezegd,<br />
dat ik het hoogst onwaarschijnlijk achtte, dat wij ons doel nu op andere wijs als door<br />
oorlog zouden bereiken."<br />
Hoe strookt dit met het beweren dat hier de justa causa ontbreekt. De geachte afgevaardigde<br />
uit Arnhem had zich met kracht tegen voortzetting van den oorlog moeten<br />
verzetten, eiken cent, die daarvoor werd aangevraagd, moeten weigeren.<br />
Maar wij hebben hier niet te doen met de verhouding tusschen twee souvereine Staten.<br />
Wij hebben hier te doen met eene verhouding, die beheerscht wordt door ons koloniaalpolitiek<br />
belang. Wat is dat belang ? De beveiliging van ons koloniaal bezit tegen gevaren,<br />
waaraan dat bezit kan blootgesteld zijn zoowel door Indische als door vreemde Europesche<br />
invloeden. Dat belang verklaart het bestaan van tractaten als die van 1824, van 1857, van<br />
1871. Die verdragen, vooral de verdragen van 1824 en 1871, zijn onverklaarbaar, hadden wij<br />
hier te doen met eene verhouding tusschen twee souvereine Staten. De geachte afgevaardigde<br />
uit Arnhem echter, zegt dat ik mij juist op dit punt vergis. Ik ben daarvan nog niet overtuigd.<br />
Waarin zou mijne vergissing bestaan? Het tractaat van 1824 bevat de verbindtenis,<br />
door ons aangegaan, om, al is het dan ook met eerbiediging van Atjeh's onafhankelijkheid<br />
8
30<br />
in de Atjehsche wateren politie uit te oefenen, handel en scheepvaart te beveiligen. Het<br />
ia met het voorbehoud eene onmogelijke verbindtenis , die wij op ons namen ; maar ik laat<br />
dit ter zijde. Wat is nu uitoefening van politie in de Atjehsche wateren op Atjeesch<br />
grondgebied ? Is dit iets anders dan de uitoefening van een souverein regt, dat ware Atjeh<br />
een Europesche Staat, toch ongetwijfeld aan Atjeh zelf toekwam ? Is dus die verpligting,<br />
die wij jegens Engeland op ons namen iets anders dan eene inbreuk op Atjeh's souvereiniteit<br />
En, — hier in eene geheime zitting, mag ik die vraag doen — wat beteekende<br />
eigenlijk die eerbiediging van Atjeh's onafhankelijkheid? Wat anders, dan het beding<br />
tusschen twee koloniale Mogendheden van den Indischen archipel, dat een Indisch gebied<br />
niet door cle eene Mogendheid zal worden geannexeerd zonder toestemming der andere ,<br />
dat wij Atjeh niet zullen inpakken (men vergeve mij deze triviale uitdrukking) zonder<br />
toestemming van Engeland; zoo iets is alleen begrijpelijk in het licht der koloniale politiek.<br />
De geachte afgevaardigde uit Arnhem vergiste zich omtrent hetgeen ik gisteren zeide<br />
van het tractaat van 1857. Ik zeide alleen dat dezer dagen een Engelsch dagblad — ik<br />
meen the Shipping and Mercantile Gazette — beweerde, dat dit tractaat reeds te kort<br />
deed aan cle onafhankelijkheid van Atjeh , die volgens het tractaat van 1824 onzerzijds<br />
moest worden geëerbiedigd. Ik acht dit beweren niet geheel onjuist. Ik haalde het aan<br />
tegen de voorstelling van Atjeh als volkomen onafhankelijken staat. Maar in dit opzigt<br />
kan men het tractaat van 1857 ter zijde laten, al geef ik toe dat het de souvereiniteit<br />
Atjeh eerbiedigde; op grond dat daarbij reciprociteit was bedongen; dan zal toch wel die<br />
verhouding veranderd zijn door het tractaat van 1871 ? Sterker dan daarbij geschiedt, kan<br />
toch wel niet beschikt worden over de souvereiniteit van een vreemden staat. Want het<br />
tractaat is niet anders, dan de opheffing van den waarb<strong>org</strong> van Atjeh's onafhankelijkheid<br />
in 1824 bedongen. Dat tractaat heeft den laatsten hinderpaal weggeruimd tegen<br />
het doen gelden van ons mogelijk belang om Atjeh te annexeren. Ik kan dus niet<br />
genoeg mijne bevreemding herhalen, dat er zijn, die voor dat tractaat hebben gestemd,<br />
en nu daaraan eene zoo onverklaarbare beteekenis geven, onverklaarbaar, als men in dat<br />
tractaat, niet wil gelegen zien het doel, om, in ons koloniaal-politiek belang, ten aanzien<br />
van Atjeh te handelen, zonder eerbiediging zijner onafhankelijkheid. Dat tractaat beoogde<br />
immers wat gisteren de geachte afgevaardigde uit Delft aanvoerde, het weren van eiken<br />
vreemden invloed, van elk vreemd protectoraat dat zich in Atjeh ten onzen nadeele zou<br />
kunnen doen gelden. En als het nu een feit is, dat Atjeh juist dat doel van het tractaat<br />
heeft willen tegenwerken, door onvermoeid overal te zoeken naar vreemden invloed, naar<br />
vreemd protectoraat, bragt dan niet ons koloniaal-politiek belang mede, zonder daarom<br />
dadelijk Atjeh met leger en vloot te overvallen, ten minste afdoende waarb<strong>org</strong>en te eischen<br />
voor de toekomst tegen die benadeeling van ons belang. Of nu,de middelen, om dat belang<br />
met de wapens in de hand te vindicieren, zijn aangewend met eene overhaasting, die de<br />
reden kan geweest zijn van het mislukken der eerste expeditie, die vraag blijft op zich<br />
zelve staan, wil men zich, waar het het beginsel geldt, niet laten influenceren door de wijze<br />
waarop het is toegepast geworden.<br />
Ik kan het niet genoèg herhalen: het feit alleen dat Atjeh gehandeld heeft in strijd<br />
met het doel dat wij door het tractaat van 1871 hebben trachten te bereiken, het feit dat<br />
ons koloniaal-politiek belang door die daad van Atjeh werd gedwarsboomd en benadeeld,<br />
in dat feit alleen lag, konden wij geene waarb<strong>org</strong>en verkrijgen voor de toekomst, een<br />
volkomen geregtvaardigde casus belli.<br />
De zitting wordt voor een kwartier uurs geschorst.<br />
Daarna wordt de beraadslaging over de interpellatie van den heer Messchert van Vollenhoven<br />
en de overgelegde stukken voortgezet.<br />
De heer C. van STlspen van Sevenaer: Mijnheer de Voorzitter! Bij de beraadslaging<br />
over cle begrooting van Koloniën heb ik mijn oordcel over het beleid van den Minister opgeschort<br />
, op grond van ongenoegzame inlichtingen omtrent den oorlog met Atjeh. Daardoor<br />
heb ik mijns inziens het bewijs geleverd, dat ik de zaak als zeer ernstig beschouw, maar
31<br />
tevens ook zonder eenig vooroordeel wil te werk gaan, en eerlijk en onpartijdig wil handelen.<br />
Nu ons echter de noodige inlichtingen zijn verstrekt, staat het mij niet meer vrij, mijn<br />
oordeel ten eenen male te verzwijgen, voor zoover dat bepaald gevestigd is.<br />
Het punt van uitgang der Regering betreffende de zaak van Atjeh is geweest: uitbreiding<br />
1<br />
van gezag , is doel noch wensch. Na het lezen der stukken ben ik tot de overtuiging gekomen,<br />
dat de Regering zich welligt omtrent hare eigene bedoelingen bedriegt, (illusie maakt)'<br />
maar dat doel en wensch wel degelijk uitbreiding van gezag is geweest. Het tegendeel<br />
te zeggen is, volgens mijne bescheiden meening, eene protestatioaetui contraria, een protest<br />
in strijd met de feiten.<br />
Ik zal dit met een paar woorden bewijzen. Ik doe een beroep op de geschiedenis, zoo als<br />
die onder anderen blijkt'uit de nota der Regering onder n°. 141, n°. 1, gedrukt bij de stukken<br />
van 1872—1873, rakende de betrekkingen van Nederland met Atjeh sedert 1824 tot 1873.<br />
Wij hebben op Borneo en Sumatra sedert jaren niet anders gedaan dan voor en na ons<br />
gezag uitbreiden. Die feiten zijn reeds een bewijs voor de stelling, dat uitbreiding van<br />
gezag wèl in de bedoeling lag. Maar in de nota zelve zien wij op pag. 17 en 18 vermeld<br />
wat gebeurd is met Siak en hoe wij bij die gelegenheid Atjeh te na gekomen zijn, ten<br />
minste naar de opvatting van Atjeh, alsmede van Engeland. Op bladz. 18 blijkt dat Nederland<br />
en Atjeh beiden eene regeling van grenzen noodig achtten, en dat onder Siak zich een<br />
tal van staatjes bevinden, welke Atjeh voor zich vindiceerde. Volgens Engeland waren<br />
wij daaromtrent in ons ongelijk.<br />
Ik lees op bladz. 10 der nota:<br />
»In de met de Britsche Regering gewisselde stukken, hebben wij onze regten in die<br />
onderhoorigheden uitdrukkelijk moeten handhaven tegenover de bewering van Engeland,<br />
dat de regten van Siak niet bewezen waren."<br />
Eene dergelijke moeijelijkheid is ontstaan in 1863 ten aanzien van Deli en Langkat, zooals<br />
op pag. 19 van de nota voorkomt.<br />
Iets soortgelijks is gebeurd in 1865 ten aanzien van de staten Assahan, Serdang, Langkat,<br />
Jemian en van Singkel, zie pag. 21 en 22. En bij gelegenheid van de zaak met<br />
Serdang en Assahan, hebben wij zelfs niet eens eene waarschuwing naar Atjeh gezonden,<br />
tegen welks troepen wij gingen strijden. Men rekende dat onnoodig. (Zie pag. 21.)<br />
Het sterkste echter spreekt onze houding regtstreeks tegenover Atjeh in lateren tijd.<br />
In 1865 hadden wij de laatste aanraking met Atjeh gehad (Zie pag. 22 van die nota.)<br />
Wel was nog in 1867 eene beleefdheid gewisseld. Toen was men in zoo goede verstandhouding<br />
met Atjeh, dat men aan den Sultan liet weten dat er een nieuwe Gouverneur-<br />
Generaal was opgetreden. Nu echter verandert de houding in eens. Den 24sten Junij 1870<br />
rigt de toenmalige Minister van Koloniën aan den Gouverneur-Generaal een brief, die voorkomt<br />
op pag 26 van de nota, waarin ik lees:<br />
» Mogt te dien aanzien tot dusver te weinig zijn gedaan, welligt uit bez<strong>org</strong>dheid dat<br />
eene aanraking met Atjeh verder zou leiden dan vooraf te berekenen viel, voortaan mag<br />
dit geen reden zijn van onthouding, waar inmenging pligt is. Integendeel behoort tegenover<br />
Atjeh eene waakzame en meer voortdurende controle te worden uitgeoefend, gepaard<br />
met of achtervolgd door de maatregelen van repressie, welke de handelingen van Atjeh<br />
zouden mogen uitlokken.<br />
» Ook ter bevestiging van onzen invloed in de bij Atjeh gelegen districten van Sumatra<br />
en ter verdediging van de bevolking aldaar tegen kuiperijen of aanslagen van Atjehers,<br />
is een meer werkdadig optreden, in den bewusten zin, naar het schijnt, onmisbaar. Voor-<br />
's hands is daarbij ini acht te nemen de belofte , in 1824 afgelegd, om de onafhankelijkheid<br />
van dien Staat te eerbiedigen, ofschoon mag worden verwacht dat wij van die belemmerende<br />
belofte eerlang ontslagen zullen worden.<br />
» Eene doortastende staatkunde brengt mede, dat wij ons niet tevreden stellen met de<br />
bestraffing, casu quo, van onregtmatige handelingen, in Atjeh gepleegd jegens vreemdelingen<br />
, ^ maar dat wij meer in het algemeen aan den handel en de scheepvaart die mate<br />
van veiligheid verschaffen, waarop mag worden gerekend in streken, waar eene Europesche<br />
Mogendheid haren invloed doet gelden."<br />
Daarin wordt dus op den vo<strong>org</strong>rond gesteld: 1°. doortastende staatkunde, maar 2°. ook
32<br />
dat men spoedig hoopt ontslagen te zijn van den land der onafhankelijkheid van Atjeh, bij<br />
het tractaat van 1824 opgelegd. Dat was in 1870. En ik meen dat dit hetzelfde stuk is<br />
dat door een der geachte sprekers uit Nijmegen eene vorige maal is aangehaald in tegenstelling<br />
met de handelwijze van denzelfden Minister van Koloniën, die een dag vroeger of<br />
een dag later, zich er over verheugde dat hij de formatie van het leger met duizend man<br />
had kunnen verminderen. Doch dit in transitu.<br />
Doel en wensch was dus uitbreiding van gezag , zelfs ten koste van de onafhankelijkheid<br />
of de integriteit van Atjeh. Al wat ik heb aangehaald had min of meer die strekking en<br />
ook dat gevolg.<br />
Volgde liet tractaat van 1871 met Engeland.<br />
Nu heeft men het tractaat van 1871 toch zeker om geen andere reden gesloten, dan om de<br />
handen tegenover Atjeh vrij te hebben en het des noods te kunnen annexeren. Wat zou anders<br />
de beteekenis kunnen zijn van het tractaat van 1871 ? Ik wil het gevraagd hebben. In 1871 is<br />
men dan ook reeds begonnen verkenningen te doen, zoo zeer bestond het plan om later actief<br />
op te treden ; dit is te lezen op pag. 26, 29 en 30 van dezelfde nota. In 1871 komen de<br />
Marnix en de Djambi voor Atjeh; de Djambi wordt ontvangen en men vertrok vriendschappelijk<br />
, niettegenstaande men het voornemen had Atjeh den een of anderen keer aan te tasten.<br />
In 1871 wordt het aan Atjeh onderhoorige Edi geblokkeerd; zie pag. 27 en 28 van de nota.<br />
Precieus is vooral hetgeen op pag. 29 staat.<br />
Ik lees daar: »De wijze, waarop die invloed, namelijk van Nederland over Atjeh, zou<br />
worden uitgeoefend, was steeds een moeijelijk vraagstuk gebleven, maar dit kon niet altoos<br />
onopgelost gelaten worden. Eene oplossing kon alleen verkregen worden: óf door geweld, of<br />
door de minnelijke medewerking van Atjeh. Voor de Regering , die natuurlijk geen geweld<br />
wilde, bleef dus niets anders over dan nogmaals eene poging te doen om Atjeh tot minnelijke<br />
medewerking over te halen."<br />
Het is volkomen duidelijk dat men aan eene minnelijke schikking de voorkeur gegeven<br />
heeft; dat staat geschreven en dat spreekt van zelf. Maar er staat ook, dat onze invloed,<br />
ons protectoraat, óp en óver Atjeh zonder lang dralen moest worden gevestigd , en gevestigd<br />
des noods met geweld. Het was derhalve, zoo als ook hier blijkt, wel degelijk te<br />
doen om uitbreiding van gezag.<br />
Op pag. 30 lees ik in den brief van 24 April 1872 van den Minister van Koloniën aan<br />
den Gouverneur-Generaal wat van onze zijde alzoo aan Atjeh moest worden vo<strong>org</strong>ehouden,<br />
en daarbij de volgende woorden: » Dat onze raad en hulp reeds een en andermaal door de<br />
kleine Staatjes van noordelijk Sumatra is gevraagd;<br />
» dat wij ons te minder aan het verleenen daarvan kunnen onttrekken , omdat de invloed<br />
van Atjeh daar gering schijnt of ongaarne wordt ondervonden;<br />
» dat wij echter gaarne in goede verstandhouding blijven met Atjeh, en dat, als Atjeh<br />
onze ernstige voornemens en onze goede bedoelingen goed begrijpt, het ook zal moeten<br />
inzien , dat het in het belang van den voorspoed en welligt van de integriteit van Atjeh<br />
kan zijn , dat het zich niet verzet tegen de wenschen van sommige Staten naar vrede en<br />
bescherming , maar dat het integendeel, bij het algemeen worden van die wenschen, de<br />
waarb<strong>org</strong>en zoekt te verkrijgen, die daarvoor verstrekt kunnen worden in eene goed geregelde<br />
verhouding tot het Nederlandsch Gouvernement."<br />
Bijzondere opmerking verdienen nog de op pag. 31 en 32 voorkomende instructien verstrekt<br />
aan de heeren Schiff en van de Wall, die slechts uitvloeisels waren van den zoo even aangehaalden<br />
brief. Zij zijn vervat in deze woorden: »zoo is, uitgaande van het door een en<br />
ander aangewezen standpunt, tot de bij het besluit van 31 Augustus 1872 bepaalde zending<br />
besloten, met het doel om, langs minnelijken weg, eene vredelievende vestiging van den<br />
Nederlandschen invloed in Atjeh en zijne onderhoorigheden te beproeven, en den vorst van<br />
dat Rijk tot het besef te brengen, dat zijn belang niet alleen eene goede verstandhouding<br />
met, maar ook eene naauwe aansluiting aan het Nederlandsch-Indisch Gouvernement medebrengt<br />
» ter verzekering tot op zekere hoogte van de verdere integriteit van dat rijk."<br />
En verder: b. »'s Gouvernements goede diensten aanbieden tot het herstellen van eene gewenschte<br />
vriendschappelijke verhouding tusschen Atjeh en zijne onderhoorigheden , waar die<br />
verbroken mogt zijn , of daar , waar onderhoorigheden onderling met elkander in vredebreuk
33<br />
verkeeren; onder dien verstande evenwel, dat alsdan ter zake van zoodanig herstel eene akte<br />
van overeenkomst of compromis moet worden opgemaakt , waarbij partijen zich tegenover<br />
het Gouvernement van Nederlandsch Indie tot eene stipte nakoming der daarbij over en<br />
weêr te bedingen voorwaarden verbinden en voor gezegd Gouvernement het regt wordt<br />
bedongen om op die nakoming toe te zien en daarover te waken." Dat is een adieu aan<br />
de onafhankelijkheid van Atjeh, dat is het protectoraat van Nederland op de meest krachtige<br />
manier gevestigd , dat is zoo ooit, uitbreiding van magt en gezag.<br />
» Mogten die openingen — zoo lees ik verder — geen welwillend oor ontmoeten, dan<br />
zullen de Gouvernements-commissarissen geene met 's Gouvernements waardigheid te vereenigen<br />
pogingen onaangeroerd laten, om den bestuurder van Atjeh tot andere inzigten<br />
te brengen , en , zoo zij daarin niet mogten slagen , hem, zoo indrukwekkend mogelijk,<br />
verantwoordelijk stellen voor al de nadeelen , die uit de door hem betoonde ongeneigdheid,<br />
om aan de welwillende bedoelingen van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement te beantwoorden,<br />
voor de integriteit van zijn Rijk eventueel mogten voortvloeijen."<br />
In art. 8 staat : »Bij elke geschikte gelegenheid zullen de Gouvernements-commissarissen<br />
doen uitkomen , dat het Nederlandsch-Indisch Gouvernement, hoe af keerig ook om zich<br />
verder uit te breiden, ten nadeele van Atjeh, vast besloten is, om niet terug te komen op de<br />
handelingen, waaruit de thans bestaande grenslijnen tusschen de wederzijdsche bezittingen<br />
zijn voortgevloeid". Daarin ligt de erkenning, in goed Hollandsen, dat wij reeds te voren<br />
ten nadeele van Atjeh geannexeerd hadden, en dat wij besloten waren te houden, wat wij<br />
éénmaal aan Atjeh hadden ontnomen.<br />
Nog lees ik daar ten slotte: » terwijl zij bij het ondervinden van bepaalde aarzeling in<br />
eene welwillende beantwoording aan de openingen te doen volgens art. 5, op eene omzigtige<br />
wijze zullen moeten laten doorschemeren, dat bij gebreke van dergelijke beantwoording,<br />
hoe ongaarne ook, het Nederlandsch-Indisch Gouvernement in de noodzakelijkheid zou kunnen<br />
komen om de zijne bescherming inroepende onderhoorigheden onder Nederlands souvereiniteit<br />
in te lijven".<br />
Nu wilde ik toch wel eens weten of wij zeiven, als Pruissen of Frankrijk ons eens zulke<br />
eischen stelden, of wij dan niet zouden overtuigd zijn dat het die Rijken te doen ware,<br />
om bepaald een einde te maken aan onze onafhankelijkheid?<br />
Laten wij ons zeiven eens stellen in de positie van Atjeh, dan geloof ik, dat men dit<br />
gaaf zal toegeven.<br />
Overigens kan ik wijzen op de telegrammen van 18 Februarij, 4, 7, 10 en 12 Maart,<br />
uitgegaan van den Minister van Koloniën ; op den brief van Koloniën aan den Gouverneur-<br />
Generaal dd. 20 Februarij 1873 ; op het telegram van 3 en van 12 Maart van den Gouverneur-<br />
Generaal aan Koloniën; op de inst ructie van 4 Maart 1873 van den Gouverneur-Generaal<br />
voor den Gouvernements-commissaris, en die van 16 April, uitgegaan van koloniën. Het<br />
is mij in een woord duidelijk, dat ivensch en doel wel degelijk was: uitbreiding van gezag.<br />
Maar welke conclusie trek ik nu daaruit?<br />
In de eerste plaats deze, dat de Minister niet had moeten zeggen, wat hij gezegd heeft,<br />
dat namelijk uitbreiding geen doel of wensch was, want dat was integendeel juist de zin<br />
der gepleegde handelingen en der gebezigde woorden. Ik betreur het dat de Minister dit<br />
gezegd heeft, omdat men door zulk eene verkeerde voorstelling van de zaak, eene groote<br />
verwarring van denkbeelden doet ontstaan, en eene oppositie in het leven roept, die<br />
geenszins ongegrond is , maar waarbij het hoofdpunt uit het oog wordt verloren. Immers<br />
ik houd vol dat uitbreiding van gezag in de gegeven omstandigheden doel en wensch MOOT<br />
zijn; maar men had dit dan ook rondweg moeten zeggen. Dan had men eene waardige en<br />
goede houding aangenomen.<br />
In omstandigheden als de onderhavige houd ik die uitbreiding in zekere mate voor onvermijdelijk<br />
; men lette op dat ik druk op: in zekere mate.<br />
Die overtuiging is bij mij versterkt door het lezen van de geheime stukken. Ik geloof<br />
dat wij op Sumatra niet kunnen toelaten vestiging van vreemden invloed. Wij konden die<br />
in casu niet anders weren dan door oorlog, en er waren redenen om hiermede spoed te<br />
maken. Die vestiging van vreemden invloed toch kon elk oogenblik plaats vinden, en wij<br />
konden op die wijze komen te staan voor een fait accompli, in plaats van zeiven daarmede<br />
9
34<br />
vóór te zijn. Erger nadeelen zouden daaruit zijn ontstaan , dan zicli daarvan op Borneo ,<br />
waar wij niet volkomen in ons regt waren, en wel te Serawak met James Brooke, hebben<br />
doen gevoelen, 's Lands belang bragt dus mede dien vreemden invloed zoo spoedig doenlijk<br />
onmogelijk te maken. Ik ontleen bijv. een argument voor die noodzakelijkheid aan de<br />
houding van Italië. Ik herinner daarbij aan iets wat door vele leden der Kamer welligt<br />
vergeten of niet opgemerkt is : de woedende taal die meerdere Italiaansche dagbladen voerden<br />
over de expeditie van Nederland tegen Atjeh , zoodra die bekend werd. Ik zeg niet<br />
zeker dat het Italiaansche Gouvernement zoo dacht, maar toch wel eene groote partij in<br />
Italië. Men wilde onder anderen eene penitentiaire inrigting op Atjeh , met al den nasleep<br />
der onaangenaamheden, die daaruit zouden voortvloeijen voor de buren.<br />
Ik kan mij in comité-generaal vrij uitlaten , zonder vrees van eenig landsbelang te zullen<br />
benadeelen , en dan moet ik zegg-en , dat de houding vay het Amerikaansch Gouvernement<br />
ook dikwijls die is van eene magtige en insolente republiek. Wij zouden ook wel eens van<br />
die insolentie hebben kunnen lijden. Ik geloof niet dat het voorzigtig zou zijn geweest<br />
om Amerika's invloed in Atjeh toe te laten, of bij de handelingen van den Amerikaanschen<br />
consul in te slapen. Men moet niet vergeten dat er een groot onderscheid is tusschen eene<br />
republiek en een éénhoofdig gouvernement. De president van eene republiek is soms afhankelijk<br />
van den drang eener partij die hem op het kussen heeft geholpen. Die partij kan<br />
begrijpen dat de eer der republiek er mede gemoeid is een consul te handhaven of een verkregen<br />
handelsvoordeel te behouden. De Koning, bij eene eenhoofdige Regering, blijft in<br />
allen gevalle boven de partijen. Ik geloof dus dat gerustheid en stilzitten op dit punt niet<br />
te regtvaardigen waren geweest.<br />
Daar moest ook bij tijds een einde w 7<br />
orden gemaakt aan de betrekkingen van Atjeh en<br />
Turkije in deze zaak.<br />
Een groot deel der bevolking in onze Indische bezittingen toch behoort tot de Mohammedaansche<br />
godsdienst, en reeds de zedelijke steun door Turkije aan Atjeh verleend, zou in<br />
sommige omstandigheden genoeg zijn geweest, vooral wanneer de zaak lang geduurd had,<br />
om opstand in onze koloniën te verwekken. Men moest zoo spoedig mogelijk een einde aan<br />
de zaak maken. Het is eene allerfataalste omstandigheid, die mij niet zonder bekommering<br />
laat, dat de oorlog in Atjeh nog voortduurt. Ik ben niet gerust voor de gevolgen, die dat<br />
voor de rust onzer Oost-Indische bezittingen kan hebben.<br />
Wij hadden dus een zeer appreciabel en duidelijk belang, om ons gezag in Atjeh uit<br />
te breiden en om spoed met de zaak te maken. Ik heb hier het woord belang gebruikt.<br />
Want die zegt belang, zegt daarom nog niet regt. Ik kan het grootste belang hebben om<br />
het huis van mijn buurman te annexeren , maar daarom heb ik nog geen regt om dit te<br />
doen. Ik geef toe, dat, in materie van politiek , regt en belang iets nader bij elkander<br />
liggen dan in het gewone leven. Moet ik echter de slotsom van mijne beschouwingen<br />
hierover mededeelen, dan ben ik na eenigen twijfel tot dit resultaat gekomen , dat Nederland<br />
in elk geval regt had te beletten , dat tegen zijne regten en dierbaarste belangen<br />
wierd zamengespannen door een Staat als Atjeh , met een of meer andere Rijken. Het was<br />
een regt van Nederland daar voorz<strong>org</strong>en tegen te nemen , en daarom ben ik van gevoelen,<br />
dat de oorlog èn op het punt van regt èn op het punt van belang, in zoover ik thans heb<br />
gezegd, genoegzaam geregtvaardigd was. Er werd geïntrigeerd en zamengespannen tegen<br />
de regten en belangen van Nederland. Dat mogt Nederland zich niet straffeloos laten welgevallen.<br />
Niet dat ik het niet zeer begrijpelijk vind wat Atjeh deed. Atjeh beschouwde zijne onafhankelijkheid<br />
en integriteit als grootelijks en sedert lang bedreigd, en ik geloof niet ten<br />
onregte. Atjeh begreep zeer goed wat er met Atjeh gebeuren zou. Het stond voor Atjeh<br />
vast, dat het moest worden opgegeten ; cle vraag was maar met welke saus , hetzij met<br />
geweld , hetzij met goedwilligheid. Maar het onbeschaafde Atjeh verkeerde in het geval<br />
van in het geheel niet opgegeten te willen worden, en met geen saus hoegenaamd. Van<br />
daar de zeer eenvoudige en natuurlijke vraag van Atjeh om hulp en bescherming. Volgens<br />
de nota van de Regering heeft Atjeh niets gedaan dan hulp en bescherming vragen, en<br />
heeft het, ter verkrijging daarvan, handelstractaten en vestigingen aan vreemde Mogendheden<br />
willen toestaan. Ik kan in de houding van Atjeh geen verraad, zien. Dat woord ver-
35<br />
raad is zeer ongelukkig gekozen. Hoe kan ik verraad plegen jegens iemand, tegen wien<br />
ik, al zij het ook nog niet op voet van oorlog, dan toch vijandig over sta ? Ik begrijp<br />
verraad, als ik door betrekkingen van vriendschap of onderhoorigheid aan iemand verknocht<br />
ben , en hem voor het uiterlijke vriendelijk behandel, maar in stilte mij vijandig jegens<br />
hem gedraag. Men had het woord verraad dus niet moeten bezigen ; had men alleen trouweloos<br />
gebruikt , dat ware goed geweest. Trouweloos heeft Atjeh gehandeld met onze schepen<br />
te gebruiken om tegen ons zamen te spannen ; met uitwendig geheel anders te handelen<br />
dan in het geheim • met ons door allerlei voorwendsels om den tuin te leiden.<br />
Ik heb overigens noch verraad noch trouweloosheid noodig; ons belang en ons regt<br />
bragt mede voor onze belangen en regten te waken. Ik vind dus dat de oorlog in zooverre<br />
(ik druk nog eens op die woorden : in zooverre) geregtvaardigd is.<br />
Maar nu vraag ik: deden wij ook verstandig, in de gegeven omstandigheden, dien oorlog<br />
aan te vangen ? Hier kom ik tot eene tegenovergestelde conclusie. Men had zich door vroeger<br />
pligtverzuim zelf buiten staat gesteld dien oorlog te voeren. Men was bekend met den<br />
treurigen toestand der krijgsmiddelen, uit dat pligtverzuim geboren: toch maakte men<br />
oorlog. Men was niet in staat oorlog te voeren: toch deed men het. Men had geen de minste<br />
notie van den vijand, dien men bestrijden ging: toch maakte men oorlog. Wel had men<br />
een oogenblik behoefte gevoeld zich d'ie notie te verschaffen , maar men bezat die niet;<br />
men was overtuigd van eigen onwetendheid, en toch maakte men oorlog.<br />
Het kan voor mij van groot belang zijn een rooverbende aan te vallen, maar als ik niet<br />
gez<strong>org</strong>d heb voor wapenen, voor manschappen, voor leeftogt en voor wat meer noodig is,<br />
dan is het hoogst overstandig die bende aan te vallen. Als ik ziek ben of niet sterk genoeg,'<br />
of ik heb miju stok te huis gelaten, dan moet ik, al zou ik het volste regt hebben om'<br />
iemand die mij aanrandt, een pak slaag te geven, in mijn eigen welbegrepen belang<br />
daarvan afzien. Wat ik dus afkeur, is dat de oorlog is begonnen zonder de noodige kennis<br />
zonder de noodige middelen, en met de wetenschap dat beiden ontbraken. Het meest neem'<br />
ik echter kwalijk, dat men niet genoegzaam gereed was. Ik vraag: wat zou er o-ebeurd<br />
zijn, als eens een groote opstand in Indie ware losgebarsten? In casu wist men driejaren<br />
vooruit, dat er oorlog zou ontstaan.<br />
Ik behoef aan de leden der Kamer niet te herinneren de woorden, voorkomende in de<br />
telegrammen. In dat van 22 Februarij staat: »Toestand van marine treurig;" in dat van<br />
4 Maart: Door onze treurige vloot kan Commissaris eerst 7 dezer vertrekken. Volgens den<br />
brief van 25 Februarij van den Gouverneur-Generaal aan den Minister van Koloniën • » ziet<br />
het er allertreurigst uit met de marine." He generaal Kroesen verklaarde in den Raad van<br />
Indie, dat men volkomen onbekend was met de getalsterkte van den vijand; de heer<br />
fechiff rapporteerde dat de sjabandar hem heeft gezegd dat er 60 000 strijders in \tieh<br />
waren aan den kant van den Sultan. Dit cijfer moest tot voorzigtigheid nopen, want dit<br />
waren nog met alle soldaten, alleen zij die het hielden met den Sultan. In de zitting van<br />
den Raad van Indie dd. 20 April werd in één woord gezegd, dat het met alles allertreurigst<br />
uitzag; dat men geheel onbekend was met den toestand, voor het oogenblik geheel onmagL<br />
tegenover Atjeh en dat er - en dat doet de deur toe -zelfs te weinig ammunitie was t<br />
Jndze om den oorlog voor te zetten. Dit is nu iets waarmede ik volstrekt geen vrede kin<br />
hebben Ik weet zeer goed dat dit hoofdzakelijk is te wijten aan een Minister die nu is<br />
afgetreden. Maar de Minister van Koloniën kan zich daarmede niet vrijpleiten; hij is naast<br />
dien Minister van Marine gaan zitten, wetende dat de toestand zoo treurig was en hü Z<br />
naast hem Mijven zitten. Of wist de Minister van Koloniën dat niet? Hoe wordt
36<br />
zou meenen daarmede verkeerd te handelen, om twee redenen: 1°. omdat de oorlog met<br />
Atjeh niet is geëindigd, en zelfs een tijdperk van uitstel zal moeten intreden, zoodat een<br />
ander Gouvernement op dit oogenblik zeer moeijelijk zou kunnen handelen, en 2°. met bet<br />
oog op den stand en de houding der politieke partijen, waarop ik reeds bij de behandeling<br />
der begrooting van Koloniën gewezen heb.<br />
Voor mijn gevoelen heb ik tot bondgenoot den heer Fabius, die zoo even zijne waarschuwende<br />
stem hooren deed, en de heeren van Zuylen en van Lynden, die beiden verklaarden<br />
dat het hen niet te doen is het Ministerie omver te werpen, en nog anderen.<br />
Vooral echter wijs ik op de waarschuwende stem van den heer Fabius. Met hem geloof ik,<br />
dat het eene vraag is of wij met geweld Atjeh kunnen annexeren; ik vrees dat de offers<br />
voor ons te zwaar zouden kunnen zijn. Ik ben o. a. niet verzekerd dat wij steeds over het<br />
noodige personeel zouden kunnen beschikken. Van de geldquaestie spreek ik nog niet eens.<br />
Ik geloof dus dat wij wel zullen doen hoe eer hoe beter, wo spoedig onze eer en ons belang het<br />
toelaten, aan den oorlog met Atjeh een einde te maken , want om met generaal van Swieten,<br />
en ik meen ook met den Minister, voorop te zetten, dat wij niet zullen ophouden voor wij<br />
Atjeh veroverd hebben, zou ik een hoogst onvoorzigtig besluit noemen. Wie waarb<strong>org</strong>t<br />
ons dat het in Indie altijd rustig zal blijven? Wie waarb<strong>org</strong>t ons voor andere eventualiteiten?<br />
De reden waarom ik in comité-generaal gesproken heb is: vooreerst omdat ik sommige<br />
zaken in het belang van het land liever niet in het publiek wilde doen hooren; ten tweede<br />
omdat ik verzoek omtrent vijf punten eenigzins meer vertrouwelijke inlichtingen te mogen<br />
ontvangen:<br />
1°. Zal er in het volgend saizoen eene nieuwe expeditie gezonden worden?<br />
2°. Is het berigt juist dat de blokkade van sommige Staten, die de Nederlandsche vlag<br />
erkend hebben, eenvoudig is opgeheven?<br />
3°. Denkt de Minister met genoegzame zekerheid in het volgende jaar over het noodige<br />
personeel te kunnen beschikken, tot voortzetting van een oorlog?<br />
4°. Vreest de Minister niet een hoogst nadeeligen invloed van den oorlog tegen Atjeh<br />
op ons Nederlandsch leger?<br />
5°. Blijft de Minister volharden bij zijn denkbeeld van annexatie, in den zin van direct<br />
bestuur ?<br />
Wordt de blokkade niet gehandhaafd ten aanzien van Staten die onze vlag erkend hebben<br />
, dan zou Atjeh niet buiten de gelegenheid zijn zich, zij het dan ook op bedekte wijze,<br />
van ammunitie te voorzien, en dit zou ik in het belang van ons land betreuren.<br />
Ik meen met vrijmoedigheid en openhartigheid maar ook met billijkheid te hebben gesproken.<br />
Voor dwalen zijn wij allen vatbaar, maar tevens hoop ik dit te zijn voor overreding<br />
en beter inzigt, wanneer ik werkelijk in dwaling verkeer.<br />
De heer Kuyper: Mijnheer de Voorzitter! Zoo ge mij vergunt wensch ik mijn advies<br />
te beginnen met de voorlezing van de navolgende woorden uit het Bijblaï der zitting van<br />
7 Julij 1871. Daar leest men op blz. 1674: » Ware het niet beter, verkieslijker, meer in het<br />
belang van de Regering zelve geweest, indien zij de stukken, die nu ter inzage op de griffie<br />
zijn gelegd, had laten drukken, voorafgegaan van eene korte historische nota, en besloten<br />
met eene verdediging van vorm en inhoud van het tractaat ? Wij behandelen hier niet onze<br />
eigen zaken , maar die van het Nederlandsche volk , en heeft dit in dergelijke zaken geen regt<br />
op openbaarheid ? Staat er in die stukken iets, waarvoor men de openbaarheid behoeft te schromen<br />
? Was daartoe het verlof van het Engelsche Kabinet noodig ? Ik betwijfel het zeer; maar<br />
al ware het zoo , zou dat verlof zeker niet geweigerd zijn. Waarom het dan niet gevraagd ?<br />
Nog is mijn advies aan de Regering: publiceer die stukken hoe eer hoe beter."<br />
Die woorden, aan den stijl ligt herkenbaar, werden destijds door den tegenwoordigen<br />
Minister van Koloniën , toen afgevaardigde voor Rotterdam, tot den Minister van Bosse<br />
gerigt bij de behandeling van het Sumatra-tractaat Ik- neem ze thans over en rigt ze op<br />
mijne beurt tot deze Regering. Ook ik vraag: Welke oorzaak is er dat de stukken van dit<br />
dossier , niet slechts enkele, maar allen geheim moeten blijven ? Reeds de nomenclatuur van<br />
den inventaris toont, mijns inziens, dat althans verscheidene dezer kopijen voor publiekmaking<br />
zeer wel geschikt zijn. Welk bezwaar bijv. laat zich denken tegen de uitgave der n°s. 5, 6,
37<br />
8, 9,10,11,12,13,155 (ik begrijp dat 15a moeijelijk kan gepubliceerd worden), 16,20,225,<br />
23 en 24? De overige laat ik rusten. Werkelijk komen daarin uitdrukkingen voor die voor<br />
openbaarmaking doen terugdeinzen , uitdrukkingen, door enkele onzer agenten gebezigd,<br />
die met de diplomatieke vormen weinig stroken , en welligt in het buitenland een min gunstig<br />
en indruk zouden maken.<br />
Eene tweede vraag , waartoe het dossier aanleiding geeft, is : waarom is de Regering thans<br />
eerst tot de mededeeling dezer stukken aan de Kamer overgegaan ? Voor elke daad moet een<br />
ratio sufflciens bestaan. Er moet een antwoord te geven zijn op de vraag : waarom toen niet en<br />
nu wel ? Schuilt de oorzaak welligt in hetgeen cle Minister van Koloniën in de zitting van<br />
23 Mei jl. verklaarde , » dat, zoo lang de oorlog duurde , van hem de toezegging tot overlegging<br />
der stukken niet was te wachten" ? Let wel, zelfs met de toezegging, die naar tijdsorde<br />
aan de overlegging zelve nog voorafgaat. En nu kregen wij ze toch. Thans is de Regering<br />
met stukken voor den dag gekomen ? Ze liggen ter griffie. Mag men hier dan uit opmaken<br />
dat cle Regering den oorlog metterdaad reeds als geëindigd beschouwt? Dit is te waarschijnlijker<br />
, wijl bij overlegging door de Regering is aangekondigd dat voortaan inbezitneming<br />
van Atjeh hare gedragslijn zou zijn. Is deze gissing juist, dan behoort op dezen oogenblik<br />
Atjeh's grondgebied reeds formeel tot onze Indische bezittingen.<br />
Maar ook al is deze gissing juist, ook clan nog blijf ik vragen waarom de Regering deze<br />
stukken niet reeds vroeger ter griffie heeft gedeponeerd? Bij aandachtige lezing vraagt men<br />
zich telkens af, waarom door de Regering niet reeds bij vroegere interpellatien inzage van<br />
deze stukken gegeven werd, zoo niet van alle, dan toch van de interessantste, die de Kamer<br />
geheel op de hoogte der zaak zouden gebragt hebben? Was hiervoor oorzaak?<br />
Doch ook al bestond hiertegen bezwaar, nu de stukken eenmaal zijn overgelegd, mag men<br />
bij halve publiciteit wel staan blijven en de Regering zal dunkt mij goed doen , met zich<br />
reeds nu hierover uit te spreken. Kon ze tot algeheele publiciteit overgaan dan kon de beraadslaging<br />
in comité-generaal ophouden. Ik veroorloof mij daarom de vraag of de Regering<br />
bereid is, zich daarover aanstonds uit te spreken en zal even wachten op antwoord. Alleen<br />
zoo dit uitbleef of ontkennend was, kan deze discussie in comité-generaal worden voortgezet.<br />
De heer Fransen van de Putte, Minister van Koloniën: Mijnheer de Voorzitter,<br />
Wanneer de heer Kuyper was gaan zitten, dan zou de Regering natuurlijk bereid zijn geweest<br />
te antwoorden; daar de geachte spreker dit niet deed, wachtte ik dat sein af.<br />
Ik zal nu niet antwoorden op al de door hem gestelde vragen, maar alleen zeggen, dat<br />
de Regering ongenegen is om het geheim der stukken op te heffen.<br />
De heer Kuyper: Mijnheer de Voorzitter. Ik dank den Minister voor zijne verklaring.<br />
We gaan dus in comité-generaal voort, en nogmaals op het dossier terugkomend vraag ik:<br />
of nu de Regering ook genegen is, de verzameling vollediger te maken ?<br />
Reeds de heeren van Lynden van Sandenburg en van Zuylen wezen erop: er ontbreken<br />
stukken. Ik geloof dit ook.. Zou bijv., tot het vellen van een juist oordeel over deze zaak,<br />
niet nog de overlegging wenschelijk zijn van het mailrapport van 9 Januarij ; van het Hongkong-telegram<br />
dat te Batavia ontvangen werd; opgaven van de eischen door belanghebbenden<br />
bij onze Regering gedaan, blijkens cle instructie van den resident Schiff; statistieke opgave<br />
van de gevallen van zee- en menschenroof, waarvan Atjeh telkens beschuldigd wordt. Ik<br />
dring op die overlegging ten zeerste aan. Immers naar gelang ze uitvielen zouden ze ons<br />
oordeel over deze quaestie wijzigen kunnen.<br />
De eisch , dat men alles wat kan gegeven worden, ja, ik zou haast zeggen alles wat<br />
er bestaat, ons ter hand stelle, klemt voor mij nog te meer, wijl ik niet instem met die<br />
sprekers der oppositie, die het oirbaar achten deze discussie zonder votum te eindigen. Mij<br />
dunkt dit kan niet. De Kamer, die nu reeds herhaaldelijk haar oordeel heeft opgeschort<br />
over het regeringsbeleid in zake de oorlogsverklaring aan Atjeh, kan van dat dossier niet<br />
finaal afstappen zonder een oordeel uit te spreken. De Regering heeft daarop regt. Telkens<br />
herhaalde de Minister zijn beweren, dat er goed, voorzigtig en regtvaardiggehandeld was,<br />
en verklaarde onverholen: wanneer gij, Kamer, meent dat verkeerd is gehandeld, spreekt<br />
het uit en ik zal wijken. Men deed dit niet, en kon het niet doen, wijl oordeelvelling<br />
10
38<br />
ondenkbaar was zoolang de stukken nog niet in onze handen waren. Maar thans vervalt<br />
deze exceptie. Thans zijn de stukken overgelegd. Thans is men in staat om te oordeelen;<br />
waarom , zoo vraag ik , zou de Kamer dan nu nog aarzelen om het regeringsbeleid hetzij<br />
goed of af te keuren. Tot eene beslissing moet het toch eens komen. Op goedkeuring heeft<br />
de Regering regt, indien er werkelijk eene meerderheid in de Kamer voor haar beleid is,<br />
maar ook op afkeuring heeft de natie regt, wanneer de overtuiging van de meerderheid<br />
is. dat zij de zienswijze ;der Regering niet deelt.<br />
Ik ga niet meê met den heer van Nispen, die een oordeel ontried met het oog op den<br />
politieken toestand. Behoeft men daarnaar te vragen ? Ik behoor stellig niet tot hen , die<br />
op dit oogenblik aftreding van het Kabinet wenschen. Veeleer hoop ik eene vriendschappelijke<br />
houding tegenover het Kabinet aan te nemen, en zou, voor zooveel mij betreft, dit<br />
Kabinet nog gaarne een drietal jaren aan het bewind zien. Die verklaring doe ik met opzet,<br />
om reeds bij mijn eerste optreden te constateren , dat mijns inziens een Kabinet uit de<br />
oppositie, gelijk die dusver in deze. Kamer gemêleerd was, een ramp zou zijn voor het land.<br />
Onze rigting mag dan ook mijns erachtens nooit medewerken om aan een dergelijk Kabinet<br />
het beleid van zaken in handen te geven, niet wijl er onder deze oppositie geen mannen<br />
zijn van talent, volkomen in staat het bewind te voeren, maar omdat, zoo ik meen , de<br />
politieke levensbeweging van ons volk daardoor verkeerd zou worden geleid.<br />
Dat ik niet te min reeds nu een votum der Kamer wensch, hangt dan ook zaam met<br />
mijne overtuiging, dat zulk een oordeel, ook al was het ongunstig de Regering niet noodzakelijk<br />
tot aftreden zou behoeven te nopen. Het staat natuurlijk aan haar zelve om de<br />
Kabinets-quaestie te stellen. Maar toch onderwerp ik aan haar oordeel de vraag, of het<br />
niet zeer denkbaar is dat de Minister , mijns inziens, de zaak verkeerd heeft geëntameerd<br />
en niet te min, nadat de oorlog een fait accompli is geworden, in mijn oog, de regte man<br />
is om de zaak ten einde te brengen.<br />
In dien zin tot mijn oordeel over de stukken zelve komende, moet ik natuurlijk in een<br />
retrospective beschouwing treden over de drie phases waarin het Regeringsbeleid zich voordoet<br />
en wil aantoonen , dat het Regeringsbeleid van 1871 af tot 25 Januarij 1873 niet<br />
slechts verdedigbaar is, maar goedgekeurd dient te worden; dat haar beleid in het gebeurde<br />
te Singapore daarentegen onverklaarbaar is en eindelijk, dat stellen van het ultimatum aan<br />
Atjeh op het oogenblik waarop dit plaats greep nooit te regtvaardigen noch te verdedigen is.<br />
Tot op 25 Januarij verdedig ik de Regering en stem niet in met den geachten spreker<br />
die mij voorafging, voor zoover hij meende dat reeds voor dien datum agressive staatkunde<br />
in het regeringsbeleid tegenover Atjeh zigtbaar was.<br />
Ik geloof dit niet. Wel erken, ik dat er enkele uitdrukkingen voorkomen die bedenkelijk<br />
zijn in de nota van den heer Schiff, waar hij zegt » dat men nu eene goede casus belli heeft".<br />
Dit verraadt zeker min goede denkbeelden , die in de hoogere ambtenaarswereld van Nederlandsch<br />
Indie ingang vonden. Maar dit bewijst de schuld der Regering niet. Integendeel zij<br />
is, mijns inziens, in haar eerste beleid tot 25 Januarij volkomen ter goeder trouw geweest.<br />
De beschuldiging van onopregtheid den Minister telkens vo<strong>org</strong>eworpen beaam ik dan<br />
ook allerminst. Met opzet heb ik de woorden door den Minister bij de verschillende interpellatie<br />
gebezigd, onderling vergeleken, en, ja, gevonden dat in sommige uitdrukkingen<br />
iets dobbelens lag, (na het vele dat reeds over die zaak te spreken viel en bij 's Ministers<br />
volubiliteit van geest, verklaarbaar) maar van eene intentie om de Vergadering te misleiden,<br />
eenige zucht om eene onware voorstelling van de toestanden te geven, heb ik geen spoor ontdekt.<br />
Toen de oppositie het regeringsbeleid ook vóór 25 Januarij aanviel verloor ze uit het oog<br />
dat de Regering na de sluiting van het Sumatra-tractaat, ja, zeer goed wist dat de eventualiteit<br />
van een oorlog voor de deur stond, maar tevens de opportuniteit, oorlog te verklaren<br />
in hare magt meende te hebben. Dat het tot een oorlog kon komen, zag ze in,<br />
maar meende dat niemand haar tot het voeren van dien oorlog zou kunnen dwingen dan<br />
op het tijdstip dat haar gelegen kwam.<br />
Sinds 1824 stond Atjeh onder curatele van Engeland en werd eerst in 1871 weer vrij man.<br />
Eerst van dat oogenblik af stond het derhalve tegenover Nederland in gelijke verhouding<br />
als elk ander rijk. Evenmin als met eenig ander naburig Rijk de mogelijkheid van oorlog mogt<br />
ontkend worden, mogt men dit opzigtens Atjeh doen. Dit noopte de Regering den generaal
39<br />
Kroesen voorloopige opnemingen te laten doen, maar dwong haar nog niet tot het nemen van<br />
maatregelen , als moest het reeds onverwijld tot een oorlog met Atjeh komen. Aan een incident<br />
dacht men niet. Het eerste stadium, dat der langgerekte onderhandelingen, was nog<br />
naauwelijks geopend.<br />
Dit beleid keur ik niet af.<br />
Na 25 Januarij, in de tweede phase echter, is het Regeringsbeleid, mijns inziens, onverklaarbaar.<br />
Wat in Singapore gebeurd is komt mij voor niet serieus te zijn geweest, in dien vollen<br />
zin des woords , die alleen oorlogsverklaring kon wettigen. Er is daar, ik zal niet zeggen<br />
een farce gespeeld , maar toch een drama. Er is loos alarm geslagen. Er is een intrigue<br />
op touw gezet, die, kon ze uit de stukken worden overgenomen, den inhoud voor een<br />
boeijenden roman zou leveren. De personen die er in optreden, zijn werkelijk interessante<br />
karakters. Stroo en vuur worden zaamgebragt, de vlam slaat uit en ons land is<br />
er de dupe van. Hoofdpersoon daarbij is de majoor Studer, die door den gezant van zijn<br />
eigen Kabinet te 'sGravenhage » a fooi" wordt genoemd. De tweede in rang is onze<br />
consul-generaal Read, die min of meer aan monomanie lijdt. Tongkoe Mok Ariffin heeft<br />
tusschen deze twee als soufleur gefungeerd en de heer Loudon is de dupe gewerden of liever,<br />
heeft in de waardigheid die hij bekleedt, onze natie dupe der historie gemaakt. Kleur ik<br />
te sterk ? Dat Read meer of min monomaan is, blijkt, dunkt mij, uit de stukken onweêrlegbaar.<br />
Hij lijdt onder de idéé fixe dat oorlogsschepen , die de straat van Malakka doorkomen<br />
, het op Atjeh hebben gemunt. Eerst zijn het de Amerikaansche schepen die uit<br />
Hongkong zullen komen, dan twee Fransche, die naar Atjeh op weg zijn om goudmijnen<br />
te exploiteren; dan is het weer het Duitsche oorlogsschip » de Nymphe", dan zijn het<br />
of Italiaansche of Turksche. Maar welk schip ook , met een kanon aan boord, om of bij<br />
Singapore komt, dit weet hij zeker, is gezonden om ons de pas in Atjeh af te snijden.<br />
Ik ontken daarom niet dat de heer Read een actief en uitnemend handelsagent is, maar<br />
dat hij menschenkennis mist en ligtvaardig handelt, toont het dossier. Reeds in September<br />
hoorde hij dat de Atjehsche gezant onderhandelingen had aangeknoopt met Amerika:<br />
en wat doet hij nu ? Zonder den Gouverneur-Generaal ook maar met een woord hiervan<br />
kennis te geven , gaat hij kalm voor handelszaken naar Siam en laat de leiding der zaken<br />
in Singapore over aan een ondergeschikten spion. Dat noem ik ligtvaardig. Veel menschenkennis<br />
mag aan Read evenmin toegekend, althans hij doorziet noch het karakter van<br />
Jenkins noch de Racchia, is jegens ieder achterdochtig, ziet in eiken vreemden agent,<br />
hoe solide ook, niets dan een indringer. Majoor Studer, Amerikaansch consul-generaal is<br />
iemand die het zichzelf druk maakt, in zonderlinge plannen vermaakt schept en zich bemoeit<br />
om een zekeren rol te spelen. Maar of hij serieus is ? Verbeeld u een Consul-Generaal<br />
te Singapore die niet eens weet dat in 1857 een tractaat door ons met Atjeh gesloten<br />
is, en dat nog eerst moet laten onderzoeken. Kon iemand die de eerste elementaire<br />
kennis van Atjeh's verhouding tot ons miste, ooit een ernstigen coup slaan ? Tusschen<br />
die beiden in nu staat als trait d'union Tonkoe Mohammed Ariffin, een doortrapte<br />
geslepen intrigant, die, het is niet te sterk gezegd, kan liegen of het gedrukt is. Hij<br />
spreekt Engelsch als water, maar komt bij den Amerikaanschen Consul en zegt: » Laat<br />
ons de discussie in 'tMaleisch voeren, want ik ken geen Engelsch!" Op de vraag<br />
kent gij den heer Read, antwoordt hij: vroeger heb ik den ouden heer Read gekend<br />
maar den Consul ken ik niet. En een uur te voren was hij nog bij hem. Ariffin is een<br />
kruiper die aan Read schrijft: »Ik sta onder de schoenen van den grooten Consul-<br />
Generaal!" Hij is iemand die altijd kort bij kas is en geld behoeft, en toch nog vo<strong>org</strong>eeft<br />
onbaatzuchtig te zijn. Hij durft verhalen dat hij 300 doll. van den Amerikaanschen<br />
Consul heeft afgeslagen. Is het dan zoo zeker vraag ik, dat een dergelijk man , die het<br />
spel in handen heeft, tusschen Studer en Read in staat en ze met elkander in contact<br />
brengt, wel in ernst, in elk opzigt op onze hand was; zoo zeker dat we door zulk een<br />
man, die met het leukste gezigt de grofste onwaarheden spreekt, misschien niet zelve werden<br />
misleid ? Mogt op het getuigenis van zulk een man tot zulk eene expeditie worden besloten<br />
Nu keur ik niet af dat onze consul-generaal meende van dien Ariffin gebruik te moeten<br />
maken ; men heeft, leider , ook spionnen noodig, maar de heer Schiff heeft te regt gezegd,
40<br />
dat, al heeft Atjeh trouweloos gehandeld, Holland dat niet mag nadoen. Daarom moest<br />
ook onze spionage zijne grenzen hebben gehad, en althans directe leugen niet zijn bevorderd.<br />
Bovendien bij het gebruiken van Ariffin was controle onmisbaar, ten einde na te<br />
gaan of de inlichtingen door hem gegeven te vertrouwen waren. Dat is niet gedaan. Is<br />
dit niet eene ernstige fout?<br />
Eindelijk, de Gouverneur-Generaal is de dupe geworden. Ik heb de eer niet den heer<br />
Loudon persoonlijk te kennen , maar de stukken gaven mij den indruk, dat hij een eenmaal<br />
opgevat denkbeeld niet ligt loslaat, en, door zulk een denkbeeld gedreven, ten eenen<br />
male die bezadigdheid en kalmte van oordeel verliest, die in zijne hooge betrekking noodig<br />
waren, om in de zoo gewigtige zaak van Atjeh te onderscheiden wat waarheid was en<br />
wat op verdichting berustte..<br />
Ik meen dat min gunstig oordeel te kunnen staven. Of welke pogingen heeft de Gouverneur-Generaal<br />
aangewend om de echtheid der hem' gezonden berigten te onderzoeken ?<br />
Hij ontvangt mededeelingen van Read, schrijft er over aan den Gouverneur-Generaal<br />
van de Strait Settlements, en , niettegenstaande dat deze hem geruststelt, gaat hij toch door.<br />
Hij ontvangt een telegram uit Hongkong (in welke bewoordingen weten wij niet, het<br />
ontbreekt in het dossier), dat er onverwijld Amerikaansche oorlogsschepen uit Hongkong<br />
zullen komen. Hij seint aan den Minister van Koloniën » of het waar is ? " — erkent dus<br />
zelf dat hij niet zeker van zijne zaak is, en niettegenstaande uit den Haag geen antwoord<br />
gezonden wordt, beschouwt hij de zaak als zeker en rigt er zijne handelingen naar in. Niet<br />
de feiten, maar zijn eenmaal opgevat denkbeeld van eene Atjeesche expeditie leidt hem<br />
en speelt hem voor den geest, ook waar hij, ik neem aan te goeder trouw, anders sprak.<br />
Dat blijkt uit het verslag van den Raad van Indie, waarin tot de expeditie besloten is.<br />
Destijds was er nog geen sprake van eene expeditie, maar enkel van een magtsvertoon.<br />
En wat zien we nu ? Bij de vraag, wie de opperbevelhebber zal zijn ? stelde de Gouverneur-Generaal<br />
voor , » om het opperbevel te geven aan den eersten officier van dat wapen.<br />
dat de hoofdrol bij de expeditie zou vervullen." En nu volgde daarop dat dit «derhalve de<br />
kommandant der landmagt" was. Is sterker bewijs denkbaar ? Men zendt eene vloot met eene<br />
zekere troepenmagt, zoo men zegt enkel tot vertoon, ten einde gedekt te zijn voor alle<br />
eventualiteiten. Dus zou men denken dat het wapen, dat de hoofdrol te vervullen had, de<br />
zeemagt was. Maar neen , de Gouverneur-Generaal stelt voor om het opperbevel aan den kommandant<br />
der troepen op te dragen. Hoe is dit te verklaren , indien de Gouverneur-Generaal<br />
niet destijds reeds het vaste plan had om de troepen te Atjeh te doen landen.<br />
Blijkbaar bestond dan ook-tusschen den Gouverneur-Generaal en den Minister van Koloniën<br />
een verschil van staatkunde , waarbij de voorzigtigheid aan de zijde van den Minister, de consequentie<br />
en de doortastendheid aan de zijde van den Gouverneur-Generaal waren. De taktiek<br />
van den Gouverneur-Generaal is zeer klaar en duidelijk; hij wil de expeditie zenden, ook al<br />
bestaat er van de zijde van Amerika en Italië geen gevaar meer, en daarbij moet de landmagt<br />
de hoofdrol vervullen. Daarentegen vindt men bij den Minister van Koloniën eene dubbele<br />
phase van politiek. Eerst is het uit de stukken duidelijk, dat hij eene zeer voorzigtige staatkunde<br />
wil en met beleid waarschuwt: »Ga niet af op losse gronden , doe het zóó dat wij niet<br />
in moeijelijkheden geraken,'doe het zoo dat wij nog steeds tot eene vredelievende oplossing<br />
komen kunnen!" Ik heb geene reden om de opregtheid van die waarschuwingen van den<br />
Minister te betwijfelen , en ik doe het ook niet. Maar daarop is de Minister gejaagd geworden<br />
door telegrammen van den Gouverneur-Generaal; de Indische Regering komt telkens met<br />
een nieuw telegram en drijft telkens verder, en ik vraag het aan ieder die de telegrammen<br />
las , of ze niet onloochenbaar den indruk geven , dat de Minister van Koloniën telkens verder<br />
van zijn standpunt af geraakt en toegegeven heeft aan de overdreven eischen van den Gouverneur-Generaal<br />
? Ik maak den Minister daarvan volstrekt geen verwijt. Hij kon in de phase,<br />
waarin toen de zaak stond , niet al de détails beoordeelen zoo als wij, nu wij de stukken voor<br />
ons hebben , en moest dus wel uitgaan van de onderstelling: de verantwoordelijkheid voor de<br />
berigten rust niet op mij , maar op het hoofd der Regering in Indie. Ik wijs er dan ook op,<br />
niet om er Zijne Excellentie een verwijt van te maken, maar alleen om het verschil in zijn<br />
politiek te constateren.<br />
Uit alles blijkt, dat wij, zoo hier als te Batavia, door lóós alarm zenuwachtig geworden,
41<br />
in een toestand zijn geraakt, waarin de zedelijke verantwoordelijkheid "al minder en minder<br />
toerekenbaar wierd, maar die ons tot het ongelukkige resultaat heeft geleid, waarvoor wij<br />
thans staan.<br />
Er zijn ook andere staatslieden in de scène van Singapore betrokken, en ik wenschte wel<br />
dat ik zeggen kon dat het staatslieden waren van de Nederlandsche diplomatie. De mannen<br />
bedoel ik , door de Engelsche Regering te Singapore geplaatst als gouverneur en secretaris,<br />
de heeren Ortt en Birch. Deze hebben in deze geheele zaak blijken gegeven van bezadigdheid<br />
en staatsmanswijsheid. Zij hebben met menschenkennis gehandeld, zij hebben berigten gegeven<br />
die naderhand waar zijn gebleken , ook over den admiraal Jenkins; zij hebben verklaard<br />
dat de consul van Amerika niet serieus handelen kon en hebben ons gewaarschuwd. En wat<br />
blijkt nu dat bij de geheele zaak in het spel is geweest ? Dit. Dat de heer Read, een Engelschman,<br />
met zekere antipathie tegen de Amerikanen bezield was! Dit mag men daaruit<br />
opmaken, dat hij niet vreest in een officieel stuk te gewagen van »Yankee-geest." Als hij zulk<br />
eene uitdrukking bezigt in een officiel bescheiden , blijkt het toch wel, dat antipathie tegen<br />
het Yankeeïsme hem dreef! Dat juist had onze Regering in Indie moeten doen inzien dat er<br />
geen gevaar was, omdat wij in Engeland een contrepoids hadden tegen alle gevaar van de<br />
zijde van Amerika. Dit is meer dan eene bloote onderstelling. Sir Harry Ortt zelf heeft aan<br />
onzen Gouverneur-Generaal verklaard, » dat Engeland niet zou gedoogen dat Amerika of<br />
eenige andere Mogendheid zich op de Noordkust van Sumatra vestigde." Er was dus alle oorzaak<br />
om door de heeren Ortt en Birch tot bezadigder gedragslijn te worden teruggebragt;<br />
maar neen , men was door het looze alarm eenmaal in een toestand gekomen, waarin men zich<br />
zelf niet meer beheerschte , en het werd allengs niet meer het beleid van staatslieden, het besluit<br />
van mannen , die , bij het besef van het gewigt der taak die op hen rustte, ook de kalmte<br />
van geest hadden om de gevolgen van) hun besluit te overzien, maar ontaardde in eene reeks<br />
ondoordachte handelingen van zenuwachtig gejaagde lieden, die, steeds verder en verder<br />
gedreven door vrees voor denkbeeldige gevaren, ten slotte niet meer weten waar zijons heen<br />
sturen. Uit dien hoofde heb ik gezegd, Mijnheer de Voorzitter, het staatsbeleid van 25 Januarij<br />
tot aan het zenden van het ultimatum , kan ik niet noemen serieus en is onverklaarbaar.<br />
Is de laatste phase, het stellen aan Atjeh door onze Regering van het bekende ultimatum ,<br />
verdedigbaar? Ook dit ontken ik. Waarom? Omdat voor dit ultimatum, in het systeem der<br />
Regering, slechts één voldoende grond denkbaar was, te weten: het gevaar dat van Amerika<br />
en Italië dreigde. Maar wat blijkt nu ? Dat men in Singapore , te Batavia en in den Haag,<br />
op zijn laatst genomen reeds den 14den Maart, perfect wist dat er geen gevaar bestond.<br />
Op 19 Maart was de Regerings-commissaris nog in de Straits-Settlements. Er ware dus<br />
tusschen 14 en 22 Maart nog overvloedig tijd geweest om de order te zenden, waarbij den<br />
Regerings-commissaris bevolen werd geen eisch in den vorm van een ultimatum te stellen.<br />
Het denkbeeldig gevaar, dat door de Regering serieus werd opgevat, was vervallen en<br />
de reden om Amerika vóór te zijn bestond niet meer. Als óénige grond voor het stellen<br />
van het ultimatum wordt dan ook opgegeven: »dat Atjeh zich aan verraad en trouweloosheid<br />
zou hebben schuldig gemaakt". Hieruit echter zou wel hebben kunnen voortvloeiden<br />
de noodzakelijkheid om waarb<strong>org</strong>en en genoegdoening van Atjeh te vorderen, maar<br />
nooit is daarmede de onvermijdelijkheid bewijsbaar van het stellen van zulk een ultimatum<br />
op dien tijd en binnen dien termijn.<br />
Te erger wordt dit, nu blijkt dat de Regerings-commissaris ontrouw is geweest aan de<br />
bevelen uit' den Haag. Waren die bevelen nog maar opgevolgd. Den 7den Maart toch telegrapheerde<br />
de Minister van Koloniën, dat het ultimatum moest gesteld worden binnen<br />
zoodanigen termijn, als verloopen moest tusschen de verschijning van den Regerings-commissaris<br />
op de reede en de aankomst der expeditionaire troepen. Den 5den April arriveerden<br />
de troepen eerst en den 22sten Maart is de Regerings-commissaris reeds voor Atjeh gekomen.<br />
Er had dus minstens een termijn van 15 dagen volgens het bevel van den Minister van<br />
Koloniën moeten gesteld zijn. Dit is echter niet geschied. Die termijn is onmiddellijk op 24<br />
uren gesteld en eerst later op de tegenvertoogen van den Sultan eenigzins verlengd; het<br />
bevel uit den Haag is dus niet opgevolgd. Welke reden bestond daarvoor ? Stond men dan<br />
voor een plotseling dreigend gevaar van verraad en trouweloosheid, dat onmiddellijk moest<br />
worden afgewend en gestraft ? Dit zal dunkt mij noch de Minister noch iemand beweren,<br />
11
42<br />
ooral niet nu men zijn vijand niet kende, wist dat 'hij gewapend was en de kwade mousson<br />
voor de deur stond.<br />
Er is nog eene andere reden waarom ik het stellen van het ultimatum afkeur. Er was<br />
bevel gegeven om onze souvereiniteit niet op den vo<strong>org</strong>rond te stellen. Maar wat blijkt nu ?<br />
Dat Tongkoe Mohammed Ariffim met medeweten van den Regerings-commissaris gelijktijdig<br />
met het ultimatum hun een brief verzonden heeft aan een inlandsch hoofd, waarin<br />
reeds dadelijk gesproken wordt van de noodzakelijkheid , dat Atjeh zich te stellen heeft in de<br />
schaduw van de Nederlandsche Regering; den eisch van de erkenning onzer souvereiniteit.<br />
Nu vraag ik: wanneer men uitdrukkelijk dezerzijds last geeft om niet te beginnen met<br />
de souvereiniteit, of dan niet in strijd hiermee gehandeld is , toen men een officieus schrijven<br />
naar Atjeh zond, waarin die souvereiniteit wel terdeeg op den vo<strong>org</strong>rond wordt gesteld?<br />
Het verraad en de trouweloosheid van Atjeh. Kon deze grief ooit nopen tot onverwijld<br />
optreden? Men wist dat het Atjehsche volk verraderlijk en trouweloos van aard is. Dit<br />
vindt bij alle schrijvers over Indische toestanden, al neemt men slechts het woordenboek<br />
van Veth. In hoeverre nu zijn dit verraad en die trouweloosheid aan Atjeh toerekenbaar?<br />
Dit hangt af van het oogpunt waaruit men den staat beziet. Beschouwt men Atjeh als een<br />
rooversnest, als een gewoon rijk of als een inlandschen staat? De Minister kieze , maar welke<br />
dezer drie theorien hij ook neme, altijd zal blijken dat het ultimatum op dien tijd en te dier<br />
oorzake niet geregtvaardigd is.<br />
Is Atjeh een rooversnest? Is het Atjehsche volk gelijk te stellen met een bandietenhoop,<br />
die zich aan God en mensch onteerende misdaden schuldig maakt? Dit wordt beweerd,<br />
niet bewezen. In de historische nota wordt verwezen naar berigten uit de Straits, maar<br />
het heeft mij getroffen dat in die nota vele ongemotiveerde beschuldigingen voorkomen en<br />
slechts één feit wordt genoemd. Op bladz. 24 vind men verhaald dat den 28sten Januarij<br />
een brik van Penang op de Atjehsche kust is bemoeijelijkt, en zie, juist dat eene gespecifierde<br />
feit loopt goed af en de brik keert behouden in de haven terug. Men zal toegeven<br />
dat, wil men tegen eene natie de zware beschuldiging inbrengen dat ze een rooversnest is, die<br />
beschuldiging bewezen dient te worden en dat dit bewijs te leveren is met meer dan losse<br />
phrases. Waar zijn de klagten van reederijen over verlies van dit of dat schip, waar die<br />
van belanghebbenden , waarvan in de stukken gesproken wordt ? Een rooversnest verdedig<br />
ik allerminst. Indien de Regering in staat is hare aanklagt te bewijzen, dan stem ik toe<br />
dat zij geroepen was Atjeh niet alleen te tuchtigen , maar het onder den ban der beschaving<br />
te leggen, ja, het zoo te tuchtigen dat het in het vervolg wel zou nalaten den Archipel<br />
onveilig te maken; maar tot heden zijn de ingebragte beschuldigingen niet gestaafd. Doch<br />
ook al levert de Regering dit bewijs, dan is de beschuldiging, dat Atjeh een rooversnest is,<br />
zeer zeker bewezen, maar zonder dat hierdoor het regeringsbeleid wordt geregtvaardigd.<br />
Immers tegenover zoodanigen staat gelden de gewone usanties en beleefdheden niet, die men<br />
behoort in acht te nemen tegenover een gewoon Rijk, dat de beginselen van internationaal<br />
regt erkent. Ook in het gewone leven handelt men nimmer met een bandiet gelijk men een<br />
fatsoenlijk man bejegent. Met een bandiet wisselt men geene beleefdheden. De Regering<br />
heeft dus door het sluiten van het tractaat van 1857, door het zenden van eene formeele<br />
oorlogsverklaring, door het onderhandelen over het sluiten van een nieuw tractaat, en<br />
door het aanbieden van saluutschoten, zelf in strijd gehandeld met haar beweren, dat Atjeh<br />
zou zijn een rooversnest.<br />
De tweede onderstelling, dat Atjeh zou zijn een gewoon rijl bespreek ik slechts kort.<br />
Beschouwt men Atjeh als een gewoon rijk dan is het volstrekt onverklaarbaar dat men zich<br />
door Siak staten laat schenken waarop Atjeh pretenteerde regten te hebben. Reeds de geachte<br />
afgevaardigde uit de hoofdstad heeft het aangetoond: bij die onderstelling zou de<br />
politiek der Regering eenvoudig onzinnig zijn.<br />
De Regering zal dus wel het eenig sustenu dat houdbaar is voordragen: Atjeh is een<br />
inlandsche staat. Welk een politiek nu is tegenover zulk een Staat geboden? Ik antwoord:<br />
de Regering mag tegen zoodanigen Staat niet optreden met de aanklagt van » verraad en<br />
trouweloosheid", die geheel passen zou tegenover Europesche Staten, maar tegenover een<br />
Indisch vorst geen raison d'être heeft'. Als men aan de eene zijde zich zelf niet aan de strenge<br />
eischen van het internationaal regt gebonden acht, » wijl Atjeh een inlandsche Staat is",
43<br />
mag men niet tevens de andere kaart uitspelen om, daar door Atjeh aansprakelijk te stellen<br />
voor het schenden van de regtsvormen, die tusschen Europesche Staten geldende zijn<br />
Welke veronderstelling men dus ook kieze, steeds blijkt dat de Eegering geen regihad<br />
en met m de noodzakelijkheid was om op 22 Maart - ik druk op dien datum - aan Atjeh<br />
het ultimatum te zenden. Ook het Regeringsbeleid van 22 Maart liet te wenschen over<br />
° e<br />
verklaarde i° de zitting van 2 Julij, bereid te zijn tot elke poging om alsnog<br />
met Atjeh tot eene vreedzame oplossing onzer geschillen te geraken. Hierdoor zou eene<br />
tweede expeditie zijn voorkomen. Maar waarom dan de toegestoken hand niet aangegrepen<br />
Waarom dan de aangeboden bemiddeling van Turkije niet aanvaard; waarom het aanzoek<br />
van den gezant van Atjeh m de Straits Settemen*, strekkende tot bemiddeling van Engeland<br />
geen gehoor gegeven? Van Turkije had men toch niets te vreezen: in den toon waarop<br />
de Hooge Porte blijkens de stukken sprak, straalde allerminst eene vijandelijke bedoeling<br />
te ïukïïndat' de e P g m S<br />
R e° *<br />
g<br />
T O n A<br />
T? * h<br />
-lf uitgegaan/WaaAlijkt dus uft<br />
6 P<br />
tS^Sr ° g m g<br />
° D b 6 P r 0 e f d<br />
^ ^ e n o m tot ine vrede-<br />
Nog dit.<br />
In de gedachtenwisseling met het Turksche Gouvernement komen uitdrukkingen voor<br />
die eer verbittering konden wekken. Men ging daarbij toch uit van het standpunt dat<br />
onze Regering den Sultan van Turkije niet kan erkennen als het geestelijk Aoofd ^nTe<br />
Mohammedaansche volkeren. Met welk regt? De Minister van Buitenlandsche zXn erken<br />
toch immers den Paus van Rome wel terdege als het geestelijk hoofd der RoomschgezTrTden<br />
m het koningrijk der Nederlanden? Waarom dan een andere taktiek in OB^SS^S<br />
a f g e S M d e n t 6 Q b e W d 6 r<br />
^ ^ ^ L ^ V * ^ Tv l<br />
Wij wisten vooruit dat Turkije geen politiek van agressie zou volgen, ook Mohammlnen? al ware men<br />
hierop niet volkomen gerust, dan zouden andere gouvernementen het daarvan wlhebt n<br />
m e<br />
Ha^oïr ft V ^ - V U a t<br />
E e<br />
Haar politiek kan ik uit dien hoofde<br />
i<br />
niet<br />
^<br />
goedkeuren.<br />
^^trouw is gebleven aan hare toezegging<br />
^, Cëömg-.<br />
De eenig wenschelijke politiek ware mijns inziens geweest dat men, na de zekerheid te<br />
hebben verkregen dat Italië en Amerika zich terugtrokken, positie had genomen odeeed<br />
van Atjeh zich van Engelands steun had verzekerd, en langzamerhand Atjeh had gïoeerd<br />
Ook de Sultan van Siak had in 1857 verraderlijk en Trouweloos gehandeld ofkZ<br />
MaÏÏ t^T 111 P<br />
:°<br />
t e c t 0 r a a t t e v e r k r i<br />
^<br />
n bi<br />
J ^ gouvernement der Straits-Settlements<br />
Maar hem heeft men hiervan geen verwijt gemaakt, integendeel, men heeft hem zich laten<br />
doodwerken en hem de lijn gevierd, gelijk de visscher het den snoek aan den haak doet<br />
tot hij eindelijk overal afgewezen, magteloos in handen van ons Indisch Gouvernement vTel'<br />
Waarom heeft men met op gelijke wijs met den Sultan van Atjeh gehandeld. MZITÜ<br />
alle Europesche gouvernementen willen afloopen, Engeland zou zich'toch verzet hebtn Wen<br />
vreemde vestiging op Sumatra's Noordkust. Dan zou de Sultan van zelf weltem en xïï<br />
zijn geworden en zich geschikt hebben in wat het belang onzer koloniale polittek etschte<br />
Onze Europesche invloed zou m Atjeh verzekerd zijn geweest zonder dat we iets voor onze'<br />
politieke belangen hadden te duchten. voor onze<br />
Mag de Kamer, nu die politiek niet gevolgd is, het Regeringsbeleid onbeoordeeldlaten?<br />
Mij dunkt neen, Mijnheer de Voorzitter. De Kamer is geroepen om ten deze haar oordee<br />
onverholen uit te spreken en te verklaren dat de Minister van Koloniën blijkbaar isTezweken<br />
voor aandrang van de zijde van den Gouverneur-Generaal. Stelt dit daarom de Kablneï<br />
quaestie? Ik geloof neen. Ik zie volstrekt niet in, waarom diezelfde Minister Ziezoo vatbaar<br />
bleek voor indrukken uit Batavia, ook niet vatbaar zou zijn voor indrukken van het Knnenhrf<br />
Ik geloof metterdaad, dat, indien de Kamer, met kracht en overtuiging ^1^^<br />
spreekt dit eveneens invloed kan oefenen op des Ministers verdere hafdelvl? om zot<br />
dtvoorhet f delijk t 6 b r 6 n g e n t 0 t<br />
d e r f e<br />
die voor het nationaal belang van meet af het wenschelijkst ^ ware -npolittekiïïakeïtj^<br />
geweest<br />
Waarom zou een votum der Kamer moeten voortvloeijen, dat de verdere leiding in andere<br />
handen overging? Maar hoe de Regering hier ook over denke: het oordeel is nZ steed<br />
opgeschort geweest en eens moet men toch komen , hetzij tot eene absolutie, hetzij^ eene<br />
veroordeeling van het gevoerde beleid. De Regering, ik zei het reeds in den aanvangheeft
44<br />
daarop regt en de oppositie had haar dit regt reeds lang moeten doen weêrvaren, ook al<br />
wenscht ze op dit oogenblik de portefeuilles niet te aanvaarden. Maar wenscht men dit niet,<br />
dan bemoeijelijke men dit Ministerie niet zoo telkens. Ik geef volkomen gelijk aan hen die<br />
van de overzij ons toeroepen: Gij oppositie kunt de Atjeh-quaestie niet alleen aangrijpen<br />
als een middel om het Kabinet omver te werpen, maar zij is een uitnemend aangeboden<br />
middel daarvoor. Immers, het is volkomen constitutioneel dat de oppositie er naar streeft,<br />
om een Kabinet van tegenovergestelden geest te verwijderen. Maar is het feit onloochenbaar<br />
dat de Kamer zelve uit hare constitutionele verhoudingen is geraakt; niet meer die krachtige<br />
partij-formatie bezit die voor het constitutionele leven onmisbaar is, gaat het dan aan die<br />
zwakte der Kamer ten laste te brengen van de Regering ? Dit ware onbillijk. Het is nu<br />
reeds de 13de maal dat wij discussie over de Atjeh-quaestie voeren. Is het dan niet billijk<br />
dat men, zonder voldoening te zoeken voor eigen politiek belang, uitspreke wat de<br />
Regering teregt vraagt dat men eindelijk uitspreken zal.<br />
Op de stukken moet een oordeel geveld. Zal dit geveld worden in comité-generaal of in<br />
het openbaar?<br />
Uw verlangen, Mijnheer de Voorzitter, is, dat een eventueel besluit genomen worde in<br />
openbare zitting. Dat zou de zaak bemoeijelijken. Dit zou politieke gevolgen hebben. Bovendien<br />
in oorlogstoestand moet men met het uitspreken van een af keurend oordeel voorzigtig<br />
zijn. Het behoeft niet in bet openbaar geveld te worden, wijl nog een tweede debat van<br />
nog ernstiger belang ons wacht. Ware de beoordeeling van het verleden de eenige quaestie,<br />
die betreffende Atjeh aan de orde was, dan, ik gevoel het, zou de Regering deKabinetsquaestie<br />
hierbij moeten stellen, maar thans niet. Immers straks volgde een tweede debat<br />
over de politiek der toekomst, die in veel concreter zin tot eene Kabinetsquaestie kan leiden.<br />
Indien de oppositie ten opzigte van de annexatie van Atjeh een gevestigde overtuiging<br />
heeft en die in publieke zitting uitspreekt, moet, het spreekt van zelf, de Regering vallen.<br />
Maar een oordeel over het verleden in comité-generaal geveld heeft zulk eene portée niet.<br />
Ik zou dan ook, indien tegen deze opvatting uwerzijds, Mijnheer de Voorzitter, geen<br />
bezwaar bestaat, en er leden zijn die mijn gevoelen deelen, wenschen dat de Kamer nu<br />
reeds hare meening over het dossier uitsprak bijv. in .dezer voege: »De Kamer van oordeel<br />
dat uit de overgelegde stukken de onontwijkbaarheid van het aan Atjeh op 22 Maart<br />
gestelde ultimatum niet gebleken is, gaat over tot de orde van den dag." Dit zal wel de<br />
zachtste vorm zijn waarin de Kamer een afkeurend oordeel over het verleden kan vellen.<br />
Wat de politieke gevolgen van zulk eene motie zijn zullen hangt van den loop der zaak<br />
af. Ik wensch ze volstrekt niet voor te stellen om eene ministeriele krisis uit te lokken of<br />
de Kabinetsquaestie op den vo<strong>org</strong>rond te stellen; veeleer maak ik de woorden van den<br />
Minister van Koloniën in zijn telegram;, aan den Gouverneur-Generaal tot de mijne, en ook<br />
wanneer er anderen in deze Kamer mogten zijn, die »ruw weg de Kabinetsquaestie op den<br />
vo<strong>org</strong>rond wilden stellen," ik doe dit niet.<br />
»Vorm en inleiding" zijn ook hier van gewigt; ik mag verzoeken dat men hierop lette,<br />
en mogt het zijn dat de Kabinetsquaestie er uit voortvloeide, mij hiervoor niet aansprakelijk<br />
stelle. Waar de eisch van het regt spreekt, moeten we gehoorzamen. Ik geloof dat alleen<br />
door het volgen van deze gedragslijn eene vaste basis aan het debat te gevenis; weshalve<br />
ik de eer heb in bedoelden zin de straks genoemde motie bij de Kamer in te dienen.<br />
De heer Gerlcke van Herwijnen, Minister van Buitenlandsche Zaken: Mijnheer de<br />
Voorzitter! De gevoerde beraadslagingen hebben mij — ik moet het bekennen — den indruk<br />
gegeven, dat er veel woorden gebruikt zijn om zeer eenvoudige zaken te verwarren.<br />
De loop dien de zaak genomen heeft, de aanleiding tot den oorlog, en de handelingen<br />
die daarop gevolgd zijn, staan in logisch en zeer eenvoudig verband; ik zal trachten dit<br />
aan te wijzen.<br />
Ik zal mij uitsluitend bepalen bij hetgeen in betrekking staat tot het buitenlandsch beleid.<br />
In dit opzigt zijn door den geachten afgevaardigde uit Arnhem drie punten op den vo<strong>org</strong>rond<br />
gesteld, namelijk, dat de oorlog niet geregtvaardigd was, dat van vreemden invloed<br />
niets te vreezen was, en dat geene behoorlijke voorbereiding had plaats gehad.<br />
De oorlog was niet geregtvaardigd.
45<br />
Mijnheer de Voorzitter! Bij meer dan ééne gelegenheid is reeds aangetoond, dat de oorlog<br />
niet alleen geregtvaardigd, maar onvermijdelijk noodzakelijk geworden was; hij werd gevorderd<br />
door de z<strong>org</strong> voor onze eer en onze waardigheid, door onze belangen, door de noodzakelijkheid<br />
van zelfbehoud, durf ik wel zeggen, en door het niet nakomen van zijne<br />
verpligtingen aan den Staat, met wien wij oorlogen, opgelegd en door dezen aanvaard.<br />
Indien deze redenen geene genoegzame aanleiding tot den oorlog opleveren, dan zal er<br />
waarschijnlijk nooit een oorlog gevoerd worden, die kan gezegd worden geregtvaardigd te zijn.<br />
Men denke aan hetgeen heeft plaats gehad met de Atjehsche afgevaardigden te Singapore.<br />
De geachte afgevaardigde uit Gouda heeft daarvan met veel talent een geestig tafereel<br />
opgehangen, en bewezen dat het niet moeijelijk is, om ook zeer serieuse zaken in een<br />
komisch daglicht te stellen.<br />
Ik geloof, dat het gebeurde te Singapore van het allerhoogste gewigt is, en dat daaraan<br />
niet meer of minder waarde gehecht is dan behoorde, dat de consul-generaal de Regering<br />
niet ten onregte gewaarschuwd heeft, dat de Indische Regering niet ten onregte dit onmiddellijk<br />
heeft medegedeeld als eene zaak van het hoogste belang,' en dat de Regering bij<br />
de beslissing, die zij genomen heeft, niet anders handelen mogt of kon, dan zij gedaan heeft.<br />
Moest men de onderhandelingen te Singapore gevoerd zoo ligt tellen?<br />
De geachte afgevaardigde uit Gouda heeft in zijn tafereel eene zaak vergeten , namelijk<br />
dat de feiten die naderhand gebleken zijn , wel degelijk hebben doen zien, dat zij geenszins<br />
zoo onbeduidend waren.<br />
Is het niet bewezen, dat hetgeen met den Amerikaanschen consul verhandeld werd bedenkelijk<br />
was; en is dit niet door eene onwraakbare getuigenis gestaafd?<br />
Bekleedt dezelfde consul die als een gek beschreven is op dit oogenblik nog niet dezelfde<br />
plaats als toen ? Zijn er geen bewijzen voorhanden dat Atjeh aan andere Mogendheden aanbiedingen<br />
gedaan heeft, ook aan Engeland, dat die heeft afgewezen?<br />
Mijnheer de Voorzitter! Ik heb de bewijzen daarvan hier voor mij liggen. Is het niet<br />
bewezen dat ook aan Frankrijk zulk een aanbod gedaan is De geachte afgevaardigde uit<br />
Arnhem wenscht daaromtrent mededeelingen te ontvangen.<br />
Welnu, ik wil hier gaarne verklaren dat mij door den Franschen gezant mededeeling is<br />
gedaan van de stappen bij zijne regering gedaan , doch door deze buiten gevolg gelaten.<br />
Stukken hieromtrent bezit ik niet, maar deze mededeeling is zeker voldoende.<br />
Nu wat Turkije betreft. De strijd dien wij daar gevoerd hebben is zeer ernstig geweest<br />
en de gevaarlijkste van allen die wij te overwinnen hadden. "Wij vonden daar groot en tegenstand<br />
tegen onze inzigten, en groote ondersteuning van Atjeh, die eerst na veel moeite overwonnen<br />
is, waarin wij welligt niet zoo volledig geslaagd zouden zijn indien wij niet in<br />
eene zeer welwillende verhouding hadden gestaan tegenover de andere Mogendheden, en<br />
bij dezen steun hadden gevonden.<br />
Toch is het zeer moeijelijk geweest.<br />
Het kan den geachten afgevaardigde uit Arnhem, die lang te Constantinopel woonde , niet<br />
onbekend zijn, dat reeds tijdens zijn verblijf aldaar, door de partij van het jonge Turkije<br />
pogingen werden aangewend om den invloed des Sultans uit te breiden over alle belijders<br />
van den Koran.<br />
Die partij had hare vertegenwoordigers zelfs in den raad van Ministers te Constantinopel.<br />
Bij die partij heeft ook de Atjehsche afgevaardigde steun gezocht, en zeer dikwijls heeft<br />
hij op 't punt gestaan daardoor zijn doel te bereiken. Hetgeen daar door ons verkregen<br />
is, mag wel beschouwd worden als een blijk niet alleen dat het belang van het land daar<br />
goed behartigd werd, maar ook van de wezenlijk vriendschappelijke gezindheid die wij allerwege<br />
mogen ondervinden.<br />
Onderstel eens dat een der verschillende phases welke de zaak doorloopen heeft, eens had<br />
geleid tot datgene wat de Atjehsche afgevaardigde beoogde; onderstel dat de magtsvertooning<br />
welke hij van Turkije of Egypte verlangde, had plaats gehad; onderstel dat de Porte dat<br />
protectoraat eens aanvaard had, hetgeen haar, blijkens de overgelegde nota was aangeboden,<br />
en Turkije een gouverneur had gezonden om het beheer over Atjeh te voeren; onderstel<br />
dat de Porte slechts een gezant naar Atjeh had gezonden om de zending van Atjeh te<br />
reciproceren; onderstel, aan den Sultan van Atjeh ware het grootkruis der Osmanié of een<br />
12
46<br />
eeresabel gezonden — ik geloof dat eene dier zaken, welke allen ter sprake gebragt werden,<br />
zou geweest zijn eene gebeurtenis van bet allerhoogste gewigt, welker gevolgen wij voor<br />
onze bezittingen in den Indischen Archipel niet zouden hebben kunnen overzien.<br />
Daarom kan ik mij volstrekt niet vereenigen met het denkbeeld van den geachten afgevaardigde<br />
uit Gouda, als zouden wij eenigzins de hand hebben moeten leenen aan het<br />
aanbod van Turkije om in deze als middelaar op te treden. Wij moesten integendeel met<br />
alle z<strong>org</strong> waken, dat de Muzelmannen in den Indischen Archipel niet konden denken, dat<br />
daar reeours tegen ons kon gevonden worden. Dat moest onze politiek zijn. Evenmin konden<br />
wij eenige andere bemiddeling aannemen.<br />
Ik zeg dit alles om te bewijzen, dat wij niet zonder goede redenen handelden, toen wij<br />
de beslissing namen, die tot den oorlog geleid heeft; dat de ondervinding geleerd heeft,<br />
dat wij zeer te regt gemeend hadden, dat men onmiddellijk en met kracht moest optreden;<br />
dat dit het eenige middel was om nog grootere moeijelijkheden en gevaren te vermijden.<br />
De oorlog niet geregtvaardigd! Maar hoe kan men dat beweren , na al de pogingen die<br />
wij gedaan hebben om ©ns in vriendschappelijke aanraking met Atjeh te stellen, pogingen<br />
die steeds op eene bijna smadelijke wijze door Atjeh werden afgewezen, en nadat wij, toen<br />
wij eindelijk dachten , zoo als in het antwoord op de Turksche nota gezegd wordt, dat Atjeh<br />
tot betere inzigten kwam, — moesten bemerken dat Atjeh niets anders beoogde dan tijd te<br />
winnen en ons om den tuin te leiden. Toen is ons het doel duidelijk geworden, wat<br />
welligt vroeger reeds ons duidelijk had moeten zijn — ik wil het toegeven — waarmede<br />
het uitstel door Atjeh gevraagd was, om eerst een antwoord uit Turkije te verkrijgen.<br />
Toen kon men begrijpen in welken zin de pogingen waren die men in Turkije aanwendde<br />
en waarop men antwoord wilde wachten. Dat men deze handelwijze niet als<br />
trouweloos, niet als zelfs verraderlijk zou willen beschouwen, begrijp ik niet; en dat wij<br />
ons zulk eene trouwelooze handelwijze hadden moeten laten welgevallen, begrijp ik nog<br />
veel minder. Ik geloof dat onze geheele positie, ons aanzien in den Archipel er mede gemoeid<br />
was, te bewijzen dat wij ons niet ongewroken lieten om den tuin leiden, dat wij<br />
onze eer en waardigheid wisten te handhaven, en dat, wanneer wij spreken, wij willen<br />
dat men ons hoore en onze woorden eerbiedige. Ons belang was er dus zeer zeker in<br />
hooge mate bij betrokken.<br />
Ik zeide: ons zelfbehoud. Waar zou het heen, indien eens die pogingen, waar ik over<br />
gesproken heb, gelukt waren? Gesteld zij hadden in het einde tot uitkomst geleid voor<br />
Atjeh, aan den kant van Amerika of aan den kant van Turkije: was in die beide gevallen<br />
ons bestaan op Sumatra niet bedreigd? Het komt mij onbetwistbaar voor.<br />
Eindelijk hadden wij regt te vragen, dat de contractuele bepalingen, die tusschen Atjeh<br />
en ons bestonden, wierden nagekomen; en na durf ik zeggen, dat bijna geene enkeleder<br />
bepalingen van het tractaat van 1857 door Atjeh werd gerespecteerd. De geachte afgevaardigde<br />
uit Gouda heeft slechts één geval van dien aard gevonden, maar hij is dienaangaande<br />
volkomen in strijd met het gevoelen van de Engelsche Regering, evenzeer als met<br />
onze eigene meening.<br />
Ziehier wat de Engelsche Regering daarover zegt: »Our friend knows that our traders<br />
have been often interfered with, and their ships and property plundered by people in<br />
the neighbourhood of Atcheen, who call themselves our friend's subjects and that, when<br />
we have appeared to our friend for redress he has replied that he i* unable to give it" enz.<br />
. Daar wordt dus gezegd, dat de Engelsche schepen diMoijls beroofd werden, en nu waren<br />
wij door de tractaten verpligt daartegen te waken en dat niet te tolereren. Dat was de<br />
bijna onmogelijke verpligting ons in 1824 opgelegd, terwijl ons de middelen ontnomen<br />
waren om die verpligting te kunnen gestand doen.<br />
Er- is gezegd, dat gebleken zou zijn, dat wij (ik zal het woord maar noemen, hoewel<br />
het hard is) onwaarheid zouden gesproken hebben, toen wij beweerden, dat uitbreiding<br />
van gezag op Sumatra noch wensch noch doel was.<br />
Ik herhaal wat destijds en ook door mij in de zitting van 30 April gezegd is, dat namelijk<br />
alle middelen uitgeput waren om tot eene vredelievende oplossing te geraken. Het<br />
is niemands wensch of doel geweest, ons gezag op Sumatra uit te breiden; wij wilden ons<br />
alleen doen respecteren. Maar men kan zijne handelingen niet altijd binnen de vo<strong>org</strong>eno-
47<br />
men grenzen beperken, en als er dan daden voorkomen, als waarover wij ons tegenover<br />
Atjeh te beklagen hebben, dan is men, hoe vredelievend ook, verpligt een energiek besluit<br />
te nemen. Wil men dit niet, dan is het beter van zijne koloniale bezittingen af te<br />
zien. Maar zoo lang men die wil handhaven, kan en mag men zich sommige zaken niet<br />
laten welgevallen.<br />
Ik geloof niet dat ik verder behoef uit te weiden over de bewering van den geachten<br />
spreker, als zouden wij niets van de vreemden hebben te vreezen gehad. Alleen dit nog.<br />
Na hetgeen ik omtrent Turkije gezegd heb, zou de Kamer zich kunnen verwonderen dat<br />
zich onder de overgelegde geen ander stuk bevindt dan hetgeen de slotsom geweest is van<br />
eene zesmaandsche onderhandeling. De geachte spreker uit Arnhem heeft de overgelegde<br />
stukken reeds onvolledig genoemd, maar zij moesten in dat opzigt wel onvolledig zijn.<br />
Vooreerst kwam het er voor de Kamer op aan het resultaat der onderhandelingen te weten,<br />
en daar dit ailerbevredigendst was , bestond geen behoefte aan verdere stukken. Daarbij zijn<br />
die stukken zoo doorweven met bijzonderheden omtrent bemoeijingen van andere ambassadeurs<br />
en vertrouwelijke mededeelingen aan onzen gezant, dat ze niet vatbaar zijn voor overlegging.<br />
Er wordt gezegd dat wij aan Atjeh geen aannemelijke voorstellen zouden hebben gedaan.<br />
Dit is waarlijk niet te verwonderen ; wij hebben geen middelen gehad om met Atjeh in aanraking<br />
te komen ; wij dachten de gelegenheid tot het doen van voorstellen te Riouw te zullen<br />
vinden. Toen onze gezanten vroeger bij den Sultan gekomen waren om te onderhandelen,<br />
werden zij met een kluitje in het riet gestuurd; zij werden naar Batavia en naar Riouw<br />
verwezen, en toen de Atjehsche afgevaardigden te Riouw verschenen, kregen wij weer '<br />
geen antwoord en werd ons gezegd: wij zullen over zes maanden antwoorden, want wij<br />
moeten berigt uit Turkije afwachten. Maar na zes maanden zullen wij zien of wij u een<br />
antwoord kunnen geven.<br />
De geachte afgevaardigde uit Arnhem — en dit hoorde ik tot mijne verwondering —<br />
zou het nog beter gevonden hebben zoo wij met Amerika een tractaat in den aangeduiden<br />
zin hadden gesloten , in plaats van den oorlog te verklaren. Ik verneem nu van ter zijde<br />
dat de geachte afgevaardigde slechts hypothetisch heeft gesproken. Dan zal ik er niet over<br />
twisten, maar anders zou ik opmerken dat wij elkander niet verstaan, want ik meen dat<br />
het grondbeginsel van onze koloniale politiek steeds geweest is om vreemden invloed uit<br />
te sluiten waar wij ons gezag hebben gevestigd. Mogt de Kamer van een ander gevoelen<br />
zijn, dan zouden de Ministers geen dag langer aan het bewind mogen blijven, want zij<br />
zouden volkomen in strijd zijn met de inzigten der Kamer.<br />
Eene andere zaak heb ik met niet minder bevreemding gehoord. De geachte afgevaardigde<br />
meent dat wij door de genomen beslissing de Nederlandsche vlag aan hoon hebben blootgesteld.<br />
Ik dacht dat al wat wij gedaan hadden juist ten doel had om de Nederlandsche vlag niet<br />
verder aan hoon bloot te stellen. De maatregelen moesten ook met spoed genomen worden<br />
om in geen conflict te komen, want in geval van eene Amerikaansche interventie zouden<br />
wij voorzeker ons tweemalen hebben moeten bedenken. Juist die eventualiteit moest vermeden<br />
worden.<br />
De geachte afgevaardigde is teruggekomen op het punt der voorbereiding. Ik verwachtte<br />
dit niet na hetgeen daarover herhaaldelijk is gezegd. Voorbereiding in den bedoelden zin<br />
zou in mijn oog de grootste politieke misslag geweest zijn , die men kon begaan, de negatie<br />
van onze geheele koloniale politiek. Wij zouden daardoor den schijn aangenomen hebben<br />
als of wij onze beslissing min of meer afhankelijk zouden gesteld hebben van goed- of<br />
afkeuring. Wij zouden juist aanleiding gegeven hebben tot eene inmenging die wij moesten<br />
vermijden. Het komt mij voor dat het ontijdig inhalen van vreemden in deze zaak in hooge<br />
mate gevaarlijk zou geweest zija. Dit neemt niet weg dat de noodige maatregelen waren<br />
genomen, want al onze gezanten waren aangeschreveu een waakzaam oog te houden. Wij<br />
wisten toch dat vroeger pogingen waren gedaan om hulp te verkrijgen, en daarom meenden<br />
wij dat die pogingen konden herhaald worden. Onze gezanten werden aangeschreven<br />
om zoo zij daarvan iets bespeurden , terstond de noodige stappen te doen en mededeeling<br />
aan de Regering te geven.<br />
Door verder te gaan of anders te handelen hadden wij gevaar geloopen eene Atjehsche<br />
quaestie te doen ontstaan, welke niet bestond; men verwijte dus der Regering niet dat<br />
zij geen voorbereiding deed plaats hebben.
48<br />
De geachte afgevaardigde wenscht te weten welke in deze de houding van Engeland was.<br />
Zij was zoo vriendschappelijk mogelijk; de Engelsche Regering en bewindslieden hebben<br />
ons meer regt doen wedervaren dan wij van sommigen in deze Kamer ontmoeten ; zij hebben<br />
schriftelijk en openlijk betuigd, dat Atjeh zeer ten onregte ons vijandige inzigten toeschreef<br />
en dat wij geene andere dan eene vredelievende politiek wenschen te volgen. Dit werd<br />
gezegd door de Engelsche agenten die , in loco zijnde , met onze politiek zeer goed bekend<br />
moesten zijn en die het door gedurige aanraking met den Gouverneur-Generaal volkomen<br />
konden weten.<br />
De geachte afgevaardigde noemde het diplomatiek beleid niet gelukkig ; ik weet toch<br />
inderdaad niet wat meer zou kunnen verlangd worden; wij hebben alle moeijelijkheden<br />
die van de zijde van vreemde Kabinetten dreigden, weten af te wenden; wij zijn met deze<br />
in cle beste verstandhouding gebleven , zoodat, moest ik m<strong>org</strong>en mijne plaats aan een opvolger<br />
inruimen , ik hem de zaken zóu kunnen overgeven met de verklaring, dat met geen<br />
enkele Mogendheid eenige moeijelijkheid bestaat. Als men zes maanden van vrij delicate onderhandelingen<br />
heeft do<strong>org</strong>eworsteld , zes maanden van blokkade , die zoo vaak tot moeijelijkheden<br />
leidt, dan mag dat wel worden gewaardeerd. Ik zeg dit niet uit zelfverheffing, maar de waarheid<br />
mag toch wel gezegd worden.<br />
Omtrent de stappen van Frankrijk gaf ik reeds inlichtingen , en vertrouw dat het gezegde<br />
den geachten afgevaardigde uit Gouda de overtuiging zal hebben gegeven , dat op Singapore<br />
geen farce werd gespeeld, maar serieus gehandeld. Tevens acht ik het voldoende ter<br />
regtvaardiging van onzen consul-generaal, die in deze volgens pligt gehandeld en ons groote<br />
diensten bewezen heeft. Hij heeft gebruik moeten maken van de personen en middelen , die hij<br />
beschikbaar had. Het is zoo gemakkelijk niet instrumenten te vinden die geschikt zijn voor<br />
zekere diensten, en wanneer men zoodanig instrument heeft, moet men het wel gebruiken ,<br />
behoudens maatregelen van voorz<strong>org</strong>.<br />
Na het gesprokene zal ik niets meer zeggen over de aanbeveling van den geachten spreker<br />
om het geestelijk opperhoofd als middelaar te erkennen. Ik geloof dat zulks de gevaarlijkste<br />
inmenging zou geweest zijn. Dat wij overigens gehandeld zouden hebben in strijd met de<br />
usantien van beschaafde natiën , kan ik in geenen deele aannemen. Wij hebben alle middelen<br />
uitgeput om tot een vergelijk te komen met Atjeh , maar kwamen tot de overtuiging dat<br />
ons niets anders overbleef dan het bezigen van geweld. In plaats van den aangeboden olijftak<br />
verkozen zij het zwaard. Dat is de schuld van Atjeh , en niet de onze.<br />
De zitting wordt verdaagd tot m<strong>org</strong>en ten II ure. Ten 3 ure zal alsdan eene openbare<br />
zitting worden gehouden tot het trekken der afdeelingen.
49<br />
ZITTING MET GESLOTEN DEUREN.<br />
Zaturdag 18 April 18 ?4.<br />
Voorzitter: de heer Dnllert.<br />
Tegenwoordig, met den Voorzitter, 70 leden, te weten de heeren:-<br />
Stieltjes, Moens, Sandberg, Mackay, Brouwer, Bredius, van Lynden van Sandenburg,<br />
de Jong, Idzerda, de Roo van Alderwerelt, Cremers, lnsinger, Rombach, Hingst, Kerens<br />
de Wijlre, van den Berch van Heemstede, van Akerlaken, van Houten, Teding van<br />
Berkhout, van Loon , van der Does de Willebois , Gevers Deynoot, Lentmg, Dam , OlclenhmsGratama,<br />
Kuyper, Schimmelpenninck van der Oije. van Harinxma thoe Slooten<br />
Smitz, Arnoldts, Jonckbloet, Mirandolle, Kien, Heydenrijck , van Reenen , van Zuijlen<br />
van Nyevelt, Bergsma , Tak , Lambrechts , Blom, Schimmelpenninck , C. van Nispen tot<br />
Sevenaer, Lvyben, Storm vrn 'sGravesande, Fabius, de Bieberstein, Begram, Nierstrasz<br />
van Foreest, Saaymans Vader, Godefroi, 'sJacob, Viruly Verbrugge, Mees, HafFmans'<br />
Wmtgens, de Ruiter Zylker , Rutgers van Rozenburg, de Lange, van Wassenaer van<br />
Catwijck, Wybenga, Kappeyne van de Coppello, Smidt, van Kerkwijk, van Eek, de<br />
Bruyn Kops, Blussé, van Nispen van Sevenaer en van Kuyk.<br />
GEOPEND TEN 11 URE.<br />
Aan de orde is de voortzetting van de beraadslaging over de INTERPELLATIE VAN DEN<br />
HEER MESSCHERT VAN VOLLENHOVEN EN DE VAN REGERINGSWEGE OVERGELEGDE STUKKEN.<br />
De heer Schimmelpenninck van der Oye: Ik zou het niet gewaagd hebben<br />
als jong lid van deze Vergadering het woord te voeren, indien ik niet zulk een goed voorbeeld<br />
voor mij had in ons jeugdig medelid, den geachten afgevaardigde uit Gouda. Drie verrassingen<br />
heeft hij ons bereid. Ik druk op het woord ons, omdat geen onzer voorbereid<br />
was op hetgeen hij gisteren in het midden bragt, terwijl ik gisteren toevallig van een der<br />
leden aan de overzijde, het voornemen van het lid uit Gouda vernam.<br />
De eerste verrassing was de nieuwe basis waarop hij deze discussie geplaatst heeft, de<br />
tweede was de toelichting van den spreker, de derde was zijne motie. Ik herinner mij'dat<br />
mijn leermeester, de heer Groen van Prinsterer, mij eens zeide: in zijne eerste rede zegt de<br />
spreker niet alles wat hij weet, toont hij niet zijne sterkste positie, dat doet hij eerst in<br />
zijne dupliek. Om nu de dupliek van den heer Kuyper uit te lokken, wensch ik hem een<br />
paar bescheiden vragen te stellen. Ligt het zwaartepunt van den gedachtenloop des heeren<br />
Kuyper in zijne toelichting dan wel in zijne motie? Ik mag waarschijnlijk het eerste aannemen<br />
, daar hij ons met de zwartste kleuren afgeschilderd heeft de rampen, die over het<br />
vaderland zouden komen wanneer de oppositie thans optrad in de plaats van kabinet.<br />
Hij zal mij misschien tegemoet voeren: ik herzeg nogmaals: regt is regt, en ben slechts<br />
gedachtig aan het »fais ce que dois, advienne que pourra ".<br />
Maar dan veroorloof ik mij eene tweede vraag, of zijne motie van zulk eene buitengewone<br />
politieke beteekenis is, — en dat nog wel slaande op het verleden en niet op de toekomst, —<br />
dat zijne motie noodzakelijk is om die ramp, zoo als spreker roerend schetste, over het<br />
vaderland te brengen.<br />
Ik weet volstrekt de bedoeling niet van den heer Kuyper, ook niet of hij zijne motie zal intrekken,<br />
maar ik geloof dat, wanneer men de motie met de toelichting te zamen wil vatten, de geachte<br />
spreker bij zijne motie moet voegen: » behoudens dat het Kabinet nog drie jaren aanblijft."<br />
De heer «erlcke van Herwijnen, Minister van Buitenlandsche Zaken.- Mijnheer de<br />
Voorzitter! Bij de kennisneming van de stenographische aanteekeningen van het gisteren<br />
door mij gesprokene, is mij gebleken dat er onderscheidene punten zijn, die niet door mij<br />
ter sprake werden gebragt of niet volledig genoeg werden behandeld, en die toch welligt<br />
eemg belang konden opleveren. Door den Minister van Koloniën zal evenwel kunnen aangevuld<br />
worden hetgeen door mij niet gezegd werd, maar er is één punt door verscheidene<br />
leden ter sprake gebragt, waaromtrent ik mij verpligt reken aan de Kamer eenige inlichtingen<br />
te geven, namelijk de geheimhouding der stukken, die thans aan de Kamer zijn<br />
medegedeeld , nadat herhaaldelijk verklaard was dat die mededeeling niet wenschelijk was!<br />
13
50<br />
Zoo dikwijls de mededeeling van die sti deken in overweging genomen werd, heb ik mij<br />
daartegen altijd moeten verzetten , omdat het onmogelijk was eenige stukken over te leggen<br />
, zonder daarbij tevens te treden op het terrein der zeer teedere aanrakingspunten der<br />
zaak met de buitenlandsche politiek, hetgeen mij hoogst bedenkelijk voorkwam.<br />
Ik geloof ook niet dat het gewoonte is diplomatieke stukken over te leggen , zoolang de<br />
onderhandelingen waartoe zij betrekking hebben hangende zijn. Voor iedere Mogendheid<br />
zou dit gevaarlijk kunnen zijn , maar voor kleine Mogendheden is het dubbel onwenschelijk.<br />
Nu zal gebleken zijn dat de eigenlijk gezegde onderhandelingen met vreemde Mogendheden<br />
niet vroeger waren afgeloopen dan in December van verleden jaar. Sedert dien tijd<br />
werd de mededeeling der stukken niet meer gevraagd, maar toen zich eene aanleiding<br />
aanbood om die stukken te kunnen overleggen , heb ik gemeend van verderen weerstand<br />
te moeten afzien en mijne toestemming te moeten geven tot de vroeger herhaaldelijk door<br />
de Kamer verlangde mededeeling. Ik wil dus wel bekennen, dat het mij eenigermate bevreemd<br />
heeft dat er thans van verschillende zijden eenige verwondering betoond werd over<br />
de gedane mededeelingen. Had ik dit kunnen voorzien , dan zou ik welligt nog in mijne<br />
vroegere oppositie volhard hebben.<br />
De heer Fransen van de Pntte, Minister van Koloniën : Alvorens mijne rede te beginnen,<br />
wensoh ik aan de Kamer mededeeling te doen van een telegram, gisteren avond van den<br />
generaal van Swieten ontvangen, en dat de aandacht der Kamer wel verdient. Het is gedateerd<br />
: Atjeh , 14 April, en is den 17den te Penang aangeboden , en luidt:<br />
t> Van de staten aan de oostkust was nog geen enkel berigt ontvangen. Aan de noordkust<br />
had, behalve Gighen ook Endjoeng de Nederlandsche souvereiniteit erkend.<br />
» Den llden dezer heeft de vijand een sedert lang aangekondigden aanval op onze legerplaats<br />
gedaan, waarvan hij zich veel succès en onze verdrijving had beloofd. Wanneer<br />
dit de maat moet zijn van 's vijands agressive kracht voor de toekomst, dan is zij zeer gering.<br />
Ofschoon door de vijandige hoofden alle krachten zijn ingespannen , was de opkomst niet<br />
sterker dan ongeveer twee honderd man. De aanval werd gemakkelijk afgeslagen, met een<br />
verlies bij den vijand van 25 dooden, terwijl aan onze zijde slechts 3 ligt gekwest werden.<br />
» De onderwerping bleef nog ontbreken, al schijnt de massa van het volk het vechten moede.<br />
»Het logies voor de achterblijvende magt is bijkans voltooid. De hoofdmagt zal einde<br />
van April of begin van Mei op Java zijn."<br />
Mijnheer de Voorzitter ! Eene enkele opmerking naar aanleiding van hetgeen de Minister<br />
van Buitenlandsche Zaken zoo even in het midden heeft gebragt. Niet zonder aanleidingis<br />
door mij en den Minister van Buitenlandsche Zaken thans tot overlegging van stukken<br />
overgegaan. Bij de behandeling] van de begrooting is op den 18den Januarij in den anderen<br />
tak der Vertegenwoordiging door de heeren Rahusen en van Goltstein aangedrongen op<br />
overlegging der stukken in comité-generaal. Er was bij den jloop dien cle krijgsverrigtingen<br />
namen geen reden om nu niet de eerste gelegenheid aan te grijpen om aan het verzoek<br />
te voldoen. Eenigen tijd te voren zou daartegen nog bedenking hebben bestaan. Want al<br />
waren de bezwaren die de Minister van Buitenlandsche Zaken had op. 1 December , opgeheven<br />
geweest, dan zou ik toch nog geen stukken hebben overgelegd in de phase waarin toen cle<br />
oorlog verkeerde. De troepen waren op dat oogenblik eerst geland en ik achtte het daarom<br />
wenschelijk de zaak zoo weinig mogelijk in openbare discussie te brengen.<br />
In de phase waarin de militaire occupatie nu echter verkeert, al is de oorlogstoestand<br />
ook al niet geheel opgeheven, vond ik het geraden om in overleg met den Minister van<br />
van Buitenlandsche Zaken de stukken over te leggen en dat te doen bij de eerste gelegenheid.<br />
Indien, Mijnheer de Voorzitter! de Regering geheel uit eigen beweging en zonder eene<br />
gelegenheid af te wachten de stukken had aangeboden, dan zou zij daardoor welligt aanleiding<br />
gegeven hebben tot de beschuldiging die haar nu wordt aangewreven, dat zij het<br />
debat op een ander terrein overbrengt.<br />
Ik zal mij zooveel mogelijk bepalen tot hetgeen in geheime zitting behoort te worden<br />
besproken en laten liggen wat ik in de openbare vergadering zal behandelen.<br />
De heer van Zuylen zou niet, zeide hij, in het debat zijn teruggekeerd eergisteren,<br />
wanneer de Minister van Koloniën hem daartoe niet had opgeroepen.<br />
Eene kleine vergissing, Mijnheer de Voorzitter. De heer van Zuylen is het eerst opge-
51<br />
staan, maar heeft zijne redevoering- uitgesteld, omdat de Minister van Buitenlandsche Zaken<br />
nog niet tegenwoordig was. Ik kon hem dus geen aanleiding gegeven hebben om in het<br />
debat te treden. Maar dat daargelaten.<br />
De geachte afgevaardigde uit Arnhem — en dat kon in comité-generaal gerust geschieden<br />
— heeft op nieuw, als ik mij zoo mag uitdrukken, voor Atjeh gepleit. Ik zeg dat<br />
niet in een slechten zin, maar hij heeft de zaak van een Atjehsch standpunt beschouwd.<br />
De graaf van Zuylen heeft als een hoofdargument gebruikt, dat er nooit grooter inbreuk<br />
is gemaakt op een tractaat dan door ons, toen wij de landen , die tot Atjeh behoorden ,<br />
krachtens het Siaktractaat, onder onze souvereiniteit bragten.<br />
Is dat juist ?<br />
Ik herinner alleen aan het debat, hier gehouden in 1871. Toen stond de heer Nierstrasz<br />
zeer sterk tegenover dat beweren, want hij heeft betoogd uit het werk van Anderson, het<br />
geschiedkundig verhaal van Netscher en de Nota van den Minister van der Maesen van<br />
1864, het onbetwistbaar regt van Nederland om zich op de Oostkust van Sumatra tot<br />
Temiang te vestigen.<br />
Anderson heeft, na het onderzoek in 1823, op last der Britsch-Indische Regering ingesteld<br />
, geconstateerd dat het gebied van Siak de geheele Oostkust tot en met Temiang omvatte.<br />
Derhalve waren het de Atjehers, die telkens in onze bezittingen binnendrongen en<br />
daaruit onder anderen in 1864 gerefouleerd moesten worden.<br />
De heer van Zuylen heeft zich beroepen op de Engelsche nota's. Wat was haar geest<br />
en strekking ? Vrees voor uitbreiding van ons gezag op Sumatra's Oostkust, niet pour<br />
les beaux yeux van Atjeh, maar in de onderstelling dat wij cultuur-monopoliën en differentiële<br />
regten zouden invoeren. Die nota's waren het gevolg van de klagten der kooplieden<br />
uit de Strait-Settlements.<br />
Op mijn geheugen afgaande, zou ik gezegd hebben dat de Engelsche Regering zich<br />
over de aanranding der integriteit van Atjeh nooit had uitgelaten ; ik wist zeker dat daarvan<br />
in de Nota van den graaf van Zuylen geen sprake was; maar toen ik gisteren-avond<br />
de stukken inzag, bemerkte ik dat het toch, en met mij , was gebeurd. Daarom is het<br />
van belang, dat ik de stukken even heb kunnen nazien.<br />
Dat de Engelsche Regering zich in den door den heer van Zuylen bedoelden geest heeft<br />
uitgelaten , blijkt uit eene aanteekening , die bij eene vroegere gelegenheid aan de Kamer is<br />
overgelegd, betreffende een gesprek van den Engelschen secretaris Ward, chargé d'afaires<br />
alhier, met den Minister van Koloniën. Er was op dat oogenblik geen Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken, alleen een tijdelijke, de heer van Kattendyke, en die wenschte over de zaak<br />
niet te spreken en haar liever aan mij over te laten.<br />
Volgens de aanteekening, welke destijds aan de goedkeuring van den Engelschen secretaris<br />
onderworpen en later door den Minister van Buitenlandsche Zaken naar Londen gezonden is,<br />
schijnt de heer Ward eene dergelijke opmerking gemaakt te hebben. Het blijkt niet uit zijn'<br />
betoog, maar uit mijn antwoord, dat nog al curieus is met het oog op deze discussie, want<br />
het is er als voor uitgeknipt.<br />
Ik zal er het volgende uit voorlezen:<br />
»Wij willen (op Sumatra's Oostkust) orde en veiligheid bevorderen, trachten onderlinge<br />
verschillen en oorlogen van de Kustlanden op minnelijke wijs te beëindigen en den nadeeligen •<br />
invloed van Atjeh, zuidelijk van Kaap Temiang, tegen te gaan, zonder iets te kort te doen<br />
aan de regten van Atjeh, dat wij niet ten geschenke zouden willen ontvangen."<br />
Ik zal straks in de gelegenheid zijn aan te toonen, dat diezelfde gedachte bij mij heerschte<br />
toen ik hier de eerste maal in de Kamer zeide: het is wensch noch doel, ons gezag in het<br />
noorden van Sumatra uit te breiden.<br />
Als een tweede bewijs dat wij de regten van Atjeh gekrenkt hebben, haalt de heer van Zuylen<br />
aan, dat wij Edi gedeblokkeerd hebben, dat wij ons bemoeid hebben met de twisten tusschen<br />
de Staten onderling. Maar na de tractaten van 1824 en 1871 moesten wij wel wat doen,<br />
en wat wij te doen hadden is door den heer van Zuylen bij eene vorige gelegenheid gezegd':<br />
het was niet de uitoefening van suzereiniteit of souvereiniteit, maar eene soort van politietoezigt<br />
in de wateren van Atjeh, dat ons was opgedragen.<br />
Wanneer de geachte spreker uit Arnhem zegt: het bewijs is geleverd, dat wij telkens
52<br />
agressief tegen Atjeh gehandeld hebben, — dan kan ik dit niet anders beschouwen dan als<br />
een verkeerd begrip van en een reageren tegen het Siak-tractaat, dat hier in de Kamer en<br />
bij het tractaat van 1871 van alle zijden is goedgekeurd.<br />
Ik moet haast denken, dat ik op een ander punt den geachten spreker uit Arnhem niet<br />
goed verstaan heb; ik heb van hem de woorden opgeteekend: de Staatjes, die eerst deel<br />
hebben genomen aan den oorlog, hebben zich thans aan ons onderworpen, en dat in verband<br />
met het Siak-tractaat. Ik begrijp daar niets van, want de Staatjes, die zich thans aan ons<br />
onderworpen hebben na eerst oorlog tegen ons te hebben gevoerd, behooren tot het Rijk van<br />
Atjeh, en dat heeft met het Siak-tractaat hoegenaamd niets te maken.<br />
De grieven,' die in de Nota voorkomen, zegt de geachte spreker uit-Arnhem, zijn nooit<br />
aangevoerd vo'o'r 1857. Wat \vas het doel van die nota? Men heeft beweerd, dat het doel<br />
was eene acte van beschuldiging tegen Atjeh in te brengen; volstrekt niet, maar bij de<br />
totale onwetendheid, die in de Kamer en daarbuiten bestond over onze betrekkingen tot<br />
Atjeh , heb ik de zaak van vroeg af laten ophalen , ten einde die betrekkingen voor een ieder<br />
duidelijk te maken. Ligt in de Nota eene accusatie tegen Atjeh, men kan er even goed in<br />
zoeken eene accusatie tegen ons zelf, want ik ben overtuigd, en deel in dat opzigt volkomen<br />
het gevoelen van den geachten spreker uit Delft, dat, zoo wij het tractaat van 1824<br />
beter hadden uitgevoerd, zoo de orders uit den Haag beter waren opgevolgd, als men onze<br />
marine beter had laten werken en de Atjehers, waar zij zich te buiten gingen, had gerefouleerd,<br />
dat het dan, zeg ik, nooit tot dezen oorlog zou zijn gekomen. Ik heb het dikwijls<br />
gezegd, aan aanschrijvingen heeft het niet gefaald, maar zij zijn niet opgevolgd.<br />
Welke waren de grieven tegen Atjeh vóór hetgeen te Singapore geschiedde ? De grieven<br />
waren dat de kusten en zeeën door de onderlinge oorlogen werden onveilig gemaakt, dat<br />
de eene radja de havens van zijn buurman blokkeerde en vaartuigen onder Europesche vlag<br />
aanhield, dat de schepen als zij strandden werden beroofd. Waren dat grieven die eene<br />
oorlogsverklaring wettigden ? Volstrekt niet. Dit alles had door eene betere handhaving van<br />
de politie in de wateren van Atjeh kunnen voorkomen worden, maar dat is niet geschied.<br />
Reeds van af het jaar 1863 — men kan het archief van mijn Departement nazien — heb<br />
ik herhaaldelijk en uit volle overtuiging den Gouverneur-Generaal geschreven , dat men niet<br />
verder moest gaan dan de Atjehers, waar zij zich aan de oost- of aan de westzijde binnen<br />
ons gebied vertoonden, te refouleren. Men bedenke ook dat het van 1863 tot 1866, zoolang<br />
Palmerston en Russell aan het hoofd van zaken in Engeland stonden, ook uit een politiek<br />
oogpunt geen zaak was, verder te gaan.<br />
Lang vóór dat er sprake was van het verraad en de trouweloosheid van Atjeh, bestonden<br />
zegt men , plannen om daar onze souvereiniteit te vestigen. Bij wie ? Welke souvereiniteit ?<br />
En in welke mate?<br />
Het is bij de behandeling van het tractaat van 1871 hier gezegd, dat uitbreiding van ons<br />
gezag over Atjeh er het gevolg van zou zijn. Misschien, Mijnheer de Voorzitter, was ik te<br />
veel doordrongen van hetgeen ik zelf gedaan heb en van den weerzin die tegen eene agressive<br />
politiek bij mij bestond, dat ik — ik erken het — dit niet in het tractaat gezien heb. Wel<br />
heb ik toegejuicht dat de reserves waren weggenomen , dat wij voortaan , als een of andere<br />
staat van Atjeh zich te buiten ging, niet bang zouden behoeven te zijn om dien staat,<br />
gelijk vroeger Amerika en Engeland gedaan hebben, te bombarderen, maar de zucht tot<br />
vestiging van souvereiniteit heb ik er niet in gezien. Maar de onmogelijke positie, die wij<br />
gekregen hadden , de verpligting tot handhaving van onze regten , zij hebben ons, gelijk<br />
ik straks zal aantoonen , er toe geleid om te vorderen dat ons oppergezag zou worden erkend.<br />
Onze eigene handelingen gaven, zegt de heer van Zuylen, reden om vreemden invloed<br />
in te roepen. Wanneer hebben onze handelingen daartoe aanleiding gegeven ? Men zie de<br />
Nota. Atjeh is niet begonnen in December 1872, maar heeft sedert jaar en dag getracht den<br />
steun van vreemden invloed in te roepen. En waarom, hoor ik mij reeds toevoegen, dan<br />
toen zoo gerust gebleven en later niet ? Mijnheer de Voorzitter , de Regering is er ook later<br />
gerust onder geweest. Den 24sten December 1872 — weinig tijds dus vóór de gebeurtenissen<br />
van Februarij 1873 — telegrapheerde de Gouverneur-Generaal:<br />
» Sultan Atjeh heeft een maand geleden brief aan Sultan Turkije gezonden, welligt kan<br />
U. E. inhoud vernemen en op antwoord invloed uitoefenen." Dit maakte ons niet ongerust;
53<br />
ik zal zoo aanstonds zeggen waarom. Een telegram van 26 Januarij 1873 berigtte: » Atjeh<br />
zendt gezant naar Frankrijk, waarschijnlijk door den rijksbestierder buiten den Sultan om."<br />
Wij hebben de legatien te Parijs en in Turkije gewaarschuwd en hun gezegd: » Ziet dat<br />
gij er achter komt, weest op uwe hoede." Maar hij die zich bezig houdt met de koloniale<br />
politiek, weet dat men het gevaar niet te duchten heeft van de home-governments, maar<br />
van vreemde agenten. Men denke aan Eaffles, Brooke en anderen, die naderhand door hunne<br />
gouvernementen zijn gesteund. Toen dus uit Indie het berigt kwam, dat de Atjehers zich<br />
tot de agenten van vreemde Mogendheden gewend hadden en dat deze aan hunne voorstellen<br />
het oor leenden, werd de zaak bedenkelijker. Maar daarom zou er nog geen reden geweest<br />
zijn om aan Atjeh opheldering en voldoening te vragen, indien niet het Atjehesch gezantschap<br />
met ons in onderhandeling getreden was.<br />
Heeft men vóór het gebeurde te Singapore aan Atjeh eenige redelijke voorwaarden gesteld?<br />
De nota en de verschillende redevoeringen van den Minister geven het antwoord. Men kon<br />
niet in onderhandeling treden omdat men door het gebeurde te Singapore overvallen werd.<br />
Ook ik achtte, na kennisneming van vroegere stukken, het in onderhandeling treden niet<br />
onmogelijk. Wat is toch gebeurd? Het is bekend, want het is gedrukt. In 1857 wilde de<br />
Sultan van Atjeh het tractaat, waarover generaal van Swieten met den Sultan onderhandeld<br />
had, eerst niet teekenen, omdat het niet was een of- en defensief tractaat. Bij de<br />
ratificatie van het tractaat door den admiraal Fabius, is de Sultan daarop met kracht teruggekomen.<br />
Behoef ik te zeggen welk het antwoord was van den generaal van Swieten en<br />
den admiraal Fabius? Een of- en defensief tractaat met u, wat kunt gij leveren? Dit<br />
antwoord is zeer duidelijk. Maar waren wij in 1857 niet gebonden geweest door de reserves<br />
dan had men toen kunnen zeggen tot den Staat, die vroeg een of- en defensief tractaat'<br />
tusschen dit en het protectoraat il ny a quun pas. Maar wij waren gebonden door de<br />
reserves, en van daar dat de Gouverneur-Generaal den generaal van Swieten geen vrijheid<br />
tot handelen kon geven. Het verlangen, in 1857 door den Sultan van Atjeh uitgesproken,<br />
gaf mij evenwel reden om te meenen, dat men nog tot een tractaat zou kunnen komen. '<br />
Waarom, vraagt de geachte spreker uit Arnhem, niet het voorbeeld van Zweden gevolgd<br />
en met Atjeh een tractaat aangegaan waarbij het zich verbond geen tractaat met anderen<br />
te sluiten ? De geachte spreker weet of kan weten, dat zoodanige tractaten niet meer gerespecteerd<br />
worden. Het is o. a. niet geëerbiedigd door Amerika tegenover Engeland. Zou<br />
Amerika het dan tegenover ons geëerbiedigd hebben?<br />
Men is ook gekomen op hetgeen men heeft genoemd de naïviteit van den resident van<br />
Riouw en den kommandant van de Marnix.<br />
Ook ik had wel gewenscht dat de kommandant van de Marnix den sjabandar meer in<br />
't oog had gehouden. Er zijn zamenkomsten geweest in het logement waar beiden logeerden,<br />
en als men nu Oostersche onderhandelingen kent als ook de tafereelen die werden opgehangen<br />
van den toestand in Atjeh, dan meen ik dat, wat later ook gebeurd zij, de<br />
sjabander ook toen met twee, ja zelfs met drie' kaarten speelde. Waren wij niet tusschenbeide<br />
gekomen, hij zou met den resident van Riouw zijn do<strong>org</strong>egaan. De hoop der Atjehers<br />
bestond alleen daarin, gelijk nu duidelijk is gebleken, dat Rachman bij tijds in Konstantinopel<br />
steun zou vinden; dat Turkije de souvereiniteit over Atjeh zou erkennen vóór wij<br />
er bij waren. Altijd en altijd tijd te winnen, dat was het doel. Men moet den resident<br />
niet te hard vallen dat hij bedrogen is geworden.<br />
Overigens, ik zeg het in comité-generaal, van de 10 malen dat er onlusten zijn in onze<br />
Oost-Indische bezittingen zijn 8 malen de ambtenaren door onhandigheid de schuld. De<br />
geheele historie van Benkoelen was de schuld der ambtenaren ; maar de familien der vermoorden<br />
wonen hier te lande, men kan dus zulke zaken niet in het publiek zeggen.<br />
Wie zou niet hebben gewenscht dat de resident van Riouw meer achterdochtig ware<br />
geweest? Maar in ieder geval is de Minister, die eerst maanden later van de zaak kennis<br />
krijgt, daarvoor aansprakelijk?<br />
Misschien — zegt de geachte afgevaardigde uit Arnhem — ware het, goed beschouwd,<br />
beter in Gods naam dan een tractaat van Amerika met Atjeh, dan de tegenwoordige toestand.<br />
Ook ik zeg MISSCHIEN , maar zeker zag ik dan liever den graaf van Zuylen de verantwoordelijkheid<br />
dragen. Ik zou wel eens willen hooren wat van deze en van gindsche<br />
14
54<br />
banken, wat in den lande ware gezegd bij het sluiten van zoodanig Amerikaansch of<br />
Italiaansch tractaat. Neen, ik meen nog steeds dat men moet vasthouden aan de denkbeelden<br />
van Elout, Falck, Fagel, van den Bosch en Baud, dat wij allen vreemden invloed<br />
op Sumatra moeten weren , liever wat opgeven elders in den Archipel.<br />
De constante politiek van Amerika, zegt de heer van Zuylen, is geen vestiging: ik zal<br />
straks daarvan eenige staaltjes meedeelen.<br />
Onze vlag zou in gevaar gebragt zijn van gehoond te worden. Heeft de Regering daartegen<br />
niet gewaakt? Gesteld dat een Amerikaansch eskader ter reede van Atjeh ware gekomen<br />
; welke waren dan cle pertinente bevelen der Regering?<br />
Zoo mogelijk vreemde inmenging te voorkomen en daartegen te protesteren. Dan was de<br />
vlag niet gehoond en dan was het de taak onzer diplomatie geworden.<br />
Verscheidene geachte sprekers hebben op het telegram van 9 Maart gezinspeeld, volgens<br />
hetwelk de minister te Washington had gezegd: » dat hem omtrent de handelingen van<br />
den consul niets bekend was en dat hij inquiries zou nemen."<br />
Men heeft hier toen niet verzuimd, onmiddellijk den Gouverneur-Generaal te telegrapheren.<br />
Doch nu vestig ik de aandacht op de positie van de Regering. Al had zij op 9 Maart geweten<br />
, dat er niet alleen inquiries zouden genomen worden , maar zelfs dat er last was<br />
gegeven tot onthouding, dan was men immers toch do<strong>org</strong>egaan.<br />
Wat was de quaestie, geheel afgescheiden van buitenlandsche bemoeijingen ? Dat wij<br />
opheldering moesten vragen omtrent de handelingen van Atjeh. Wanneer wij omtrent hetgeen,<br />
na het gebeurde te Riouw, na de op onzen bodem genotene gastvrijheid, door de<br />
Atjehsche gezanten te Singapore gedaan was, geene opheldering hadden gevraagd, dan<br />
hadden wij wel weg kunnsn gaan uit Indie! Hst zou dan ook in den loop van zaken niets<br />
veranderd hebben, wanneer de Indische Regering onmiddellijk vernomen had dat de Amerikaansche<br />
regering den 14den Maart bevelen tot onthouding had afgezonden.<br />
De expeditie was op 14 Maart gereed te vertrekken, de Gouvernements-commissaris was<br />
Singapore reeds gepasseerd; het was hem bekend dat Atjeh zich op het sterkst wapende:<br />
moest men toen teruggaan? Wie zou de verantwoordelijkheid daarvan op zich genomen<br />
hebben en welke reden zou er voor geweest zijn? Het was immers juist, wat de Gouverneur-Generaal<br />
in zijn eersten brief van 25 Februarij schreef: » Ook al hadden wij de zekerheid<br />
dat van Amerika niets te vreezen was, de handelingen van Atjeh zouden ons toch dwiugen<br />
om opheldering en voldoening te vragen".<br />
De Kamer weet dat ik wilde dat men beginnen zou met het zenden van schepen en<br />
het vragen van inlichtingen. Doch in Indie is men daar tegen opgekomen en in overeenstemming<br />
met den Raad van Indie, de kommandanten van leger en vloot heeft de Gouverneur-Generaal<br />
besloten direct tevens eene troepenmagt te zenden. Was dat goed gezien? Het is zoo<br />
moeijelijk zich daaromtrent een oordeel te vormen. Als de eerste expeditie haar doel bereikt<br />
had, en ik heb het eergisteren reeds gezegd hoe weinig het gescheeld heeft, dan zou niemand<br />
eene aanmerking hebben gemaakt. Maar dit daargelaten. Stel dat de eerste expeditie niet<br />
in Maart, maar eerst in November ware afgezonden, wat zou men dus gezegd hebben<br />
indien zij gestuit ware op cle verdedigingswerken, in het afgeloopen jaar door de Atjehers,<br />
goede aard werkers als zij zijn, opgeworpen? Immers dit, gij hebt ze een geheel jaar tijd<br />
gegeven, terwijl anders de bataillons, die de generaal Kroesen voldoende rekende, in een<br />
oogenblik de zaak hadden kunnen beëindigen.<br />
Ik hoor daar zeggen, Mijnheer de Voorzitter, dat de generaal Kroesen zeide, dat men<br />
de kracht van dan vijand niet kende en dus niet zeggen kan dat er eene voldoende krijgsmagt<br />
aanwezig was. Ja, dat laat men nu sterk klinken, maar vraagt het aan den generaal<br />
Weitzel, die expedities mede gemaakt heeft; wanneer kent men het vijandelijk land in Indie?<br />
Als men op de kaart het terrein ziet waar den 25 en 26 December zoo gevochten is en<br />
dat waar men op den 6den Januarij versterkingen gevonden heeft bij de missigit, die vroeger<br />
niet bestonden en die men niet had kunnen zien hoewel men er een maand lang vlak bij<br />
gelegen had, dan springt de moeijelijkheid van zulk een krijg in 't oog. De kolonel de Roy van<br />
Zuiderwijn heeft eene versterking met de punt van de bajonet moeten nemen omdat hij ze van<br />
geen kant kon omtrekken. Deze week heb ik een zeeofficier bij mij gehad, die den 6den Januarij<br />
nog in de sloepen was, en die s'avonds voor die versterking komende tot den kapitein
55<br />
van Daalen, den tijdelijken chef van den staf, zeide: Wij kunnen er nu nog niet in , nu zij<br />
leeg is, zoo was zij, versperd, hoe zijt gij er ingekomen ? De kapitein van Daalen heeft<br />
daarop geantwoord: Le Bron was vooruit, wij hebben hem troepen achterop gestuurd en<br />
hem zoo er in geperst. Ik wil niet spreken over die enquête , maar ik durf de uitspraak<br />
doen dat, als er bij de eerste expeditie de helft van het beleid was geweest, dat bij de tweede<br />
expeditie is in acht genomen, wij welligt den lOden April in den kraton geweest waren.<br />
Eindelijk heeft de geachte spreker uit Arnhem eene zeer gewigtige vraag aan de Regering<br />
gesteld; wat is uwe politiek in de buitenbezittingen op Borneo, Celebes en elders?<br />
Zoo weinig uitbreiding als mogelijk is. Ik ben in den laatsten tijd in de gelegenheid geweest<br />
elke poging daartoe te weerstreven. Het is soms zeer moeijelijk, wij zien het weder<br />
op de westkust van Borneo, waar men ons zonder reden heeft aangevallen; en wij moeten<br />
ons daar toch verdedigen.<br />
Ik wil der Kamer wel dit zeggen, omtrent een ander deel van den Archipel waarop<br />
tegenwoordig het oog van Europa en dat van Australië bijzonder gevestigd is, dat is<br />
Nieuw-Guinea. Er gaat bijna geen maand om of wij krijgen een berigt, dat van Australië<br />
uit daar nederzettingen beproefd worden. Wanneer in dat gedeelte , waar onze vlag nog niet<br />
waait, nederzettingen komen dan zal ik mij er niet tegen verzetten. Het gaat boven onze<br />
krachten. Maar het gedeelte van Nieuw-Giunea , waar onze vlag waait zal, zoodra wij weder<br />
vaartuigen beschikbaar hebben , van tijd tot tijd door onze oorlogsschepen bezocht worden.<br />
De admiraal Fabius heeft herinnerd aan eene expeditie in het Siaksche in 1864, en heeft<br />
toen ook gesproken over Atjeh.<br />
De guachte spreker zal zich herinneren dat toen alleen sprake was om Atjehërs uit ons<br />
gebied te refouleeren, maar dat het nimmer in de gedachte gelegen heeft om Atjeh aan<br />
te vallen. Om aan te toonen dat niet gedaan is wat de geachte spreker had aangeraden<br />
— ik zou er m comité-generaal niet over spreken , maar de noodzakelijkheid om dit nu<br />
wel te doen zal de Kamer uit h et geen voorafging wel bevroeden — is de geachte spreker<br />
teruggekomen op hetgeen hij had vo<strong>org</strong>esteld omtrent den aanbouw van twee stoombarkassen.<br />
Ik heb de stukken hierover geraadpleegd, en gezien dat de heer Fabius had vo<strong>org</strong>esteld<br />
twee stoombarkassen te Soerabaija te laten maken, die volgens de begrooting op twintioof<br />
een en twintig duizend gulden het stuk zouden zijn gekomen. Die stukken zijn hierin<br />
handen gekomen van den Minister Pels Rijcken en daarna bij den Minister van Koloniën<br />
Het maken van die stoombarkassen is niet geweigerd, maar zij werden hier gemaakt voor<br />
de helft van den prijs die zij in Indie zouden kosten. Behalve die van de schepen van het<br />
auxihair eskader waren in Indie, toen de oorlog uitbrak, vijf stoombarkassen.<br />
Waar het nu echter meer op aankomt is dat de Gouverneur-Generaal getelegrapheerd<br />
heeft: De toestand der marine is treurig.<br />
Mijnheer de President! Ik vond den toestand ook niet mooi, 'en ik heb - zoover ik dit<br />
in publieke zitting kon zeggen — dit in de Kamer erkend.<br />
Bij gelegenheid van de discussie over hoofdstuk IX, heb ik gezegd: Wie de schuldige<br />
is, weet ik niet en ik heb het daarbij gelaten, maar nu de geachte afgevaardigde uit<br />
Amsterdam zegt, dat dit enkel en alleen de schuld is van den laatsten Minister van Marine<br />
nu antwoord ik : neen !<br />
De primitief aanleidende oorzaak is geweest het niet genoegzaam z<strong>org</strong>en voor de Indische<br />
militaire marine, dat begonnen is onder den Minister Pels Rijcken, die, natuurlijk met eene<br />
zeer goede bedoeling, heeft tegengegaan dat de schepen werden gebouwd die ik opstapel<br />
had willen zetten. Er was hier een aantal kleine schepen van de vierde klasse die aan<br />
Indie overgedaan konden worden, en door eenen brief van den Minister van Marine aan<br />
zijn ambtgenoot voor Koloniën, waarin stond: »wees maar gerust; wij zullen voor de<br />
Indische militaire marine z<strong>org</strong>en — is men ingeslapen. Ook schreef de Minister van Marine<br />
dat hij genoeg materieel had , maar dit materieel is erg tegengevallen. Dit was de eerste oorzaak<br />
De tweede oorzaak is het verminderen van het auxiliair eskader door den Minister Brocx<br />
De heer Brocx heeft er over geschreven aan den Minister van Koloniën, de Minister van<br />
Kolomen aan den Gouverneur-Generaal en de Gouverneur-Generaal aan den Schout bij<br />
Nacht Andreae, die zeide, dat het eskader met twee schepen kon verminderd worden
56<br />
De Indische militaire marine, 't kan niet genoeg gezegd worden, komt voor verantwoording<br />
van den Minister van Koloniën.<br />
Wat is er nu gebeurd ? Toen het auxiliair eskader minder werd, is er gevraagd om vier<br />
schepen 4de klasse, volgens plan van den heer Andreae.<br />
Ik herinner wat ik in 1865 gedaan heb; de aanvraag was er, maar geen plan; toen heb<br />
ik den directeur van scheepsbouw bij mij ontboden, de schepen zijn gemaakt en weggezonden.<br />
Vervolgens is den heer Andreae verzocht een plan te maken; men is daarmede in<br />
Indie een jaar bezig geweest, en toen 't hier kwam zeiden de ingenieurs dat er niets van<br />
deugde. Toen is het hier opgedragen, en na er zes maanden mede bezig te zijn geweest,<br />
heeft mijn vo<strong>org</strong>anger de schepen besteld en heb ik niets anders gedaan dan bij het afmaken<br />
spoed te zetten.<br />
Nu moge het waar zijn dat er twee verantwoordelijke Ministers waren, maar de schuld<br />
komt voor rekening van de circumlocutie.<br />
Toch, Mijnheer de Voorzitter, kan men met slecht materiel veel doen. Dat is bewezen.<br />
Het slechtste schip toch, dat geen uur meer zou drijven, drijft nog. DeBriel, de Coehoorn,<br />
de Maas en Waal, de slechtste van allen , liggen nog op post op de Oostkust van Sumatra.<br />
Even als bij het aanvoeren van bataillons komt het veel aan op den kommandant. Als men<br />
ziet wat Boogaert en"anderen met hunne schepen doen, en dat met andere journalen vergelijkt,<br />
dan ziet men het onderscheid. Ik heb daarom den chef van het personeel opgedragen om niet<br />
te letten op anciënniteit, maar de Mapsten te kiezen als kommandanten op die vier nieuwe<br />
schepen die nu weggaan.<br />
Ik heb nog den heer van Nispen te beantwoorden, die mij er eene beschuldiging van<br />
maakt dat ik naast den Minister van Marine ben gaan zitten, en dat ik ben blijven zitten.<br />
Van het oogenblik af dat ik opgetreden ben heb ik voor de Indisch-militaire marine z<strong>org</strong><br />
gedragen en de Minister van Marine heeft oogenblikkelijk aan mijne eischen toegegeven.<br />
Be Watergeus, het Metalen Kruis en de Zeeland zijn gezonden. Het eenig verschil tusschen<br />
den Minister van Marine en mij was, dat ik de Prins Hendrik had willen zenden, maar ik<br />
heb ingezien dat ik mij aan de geopperde bezwaren moest onderwerpen.<br />
Zoo knoopt zich daaraan vast de klagt •— en daarom behandel ik dit punt ook liever<br />
in comité-generaal — dat er te weinig munitie was. Dit staat in 't proces-verbaal. Maar<br />
het is gebleken dat de admiraal zich heeft vergist; een latere brief bewijst dit. In den<br />
beginne heeft men echter de munitie misbruikt. Puntgranaten zijn niet bestemd om tegen<br />
bamboes en klapperboomen te worden gebruikt ; die kosten te veel geld, daarvoor kan andere<br />
munitie dienen. Op alle schepen; was eene uitrusting aanwezig van 100 projectilen per stuk<br />
volgens de bestaande voorschriften.<br />
De geweren waren er sedert bijna een jaar, maar niet ingeschoten. Dat heeft men in<br />
eene maand gedaan, waarom niet acht maanden vroeger, dan zouden 8000 man eerder<br />
gewapend zijn geweest.<br />
Van het oogenblik dat ik aan het bewind gekomen ben, heb ik buitengewone middelen<br />
gevraagd; nu weder. Toen men mij berigtte, dat men 18 000 geweren had en het daarmede<br />
vooreerst wel kon doen; heb ik den chef der betrokken afdeeling last gegeven om tot<br />
40 000 geweren te laten aanmaken, dewijl er, zoo als hij mij op mijne vraag antwoordde,<br />
28 a 30 000 man in Indie aanwezig zijn. Het heeft dus aan mij niet gelegen.<br />
Ik kom op tegen hetgeen het geachte lid heeft gezegd over gebrek aan leeftogt. Bij den<br />
treurigen indruk dien de enquête op mij gemaakt heeft, verheugde het mij echter dat alle<br />
getuigen daaromtrent eenstemmig dachten, dat de geneeskundige dienst en de intendance<br />
uitnemend waren.<br />
Waarom heb ik dit in comité-generaal behandeld ? Ik wensch aan de Kamer een verzoek<br />
te doen. Wanneer zij meent, dat er voor het een of ander niet voldoende gez<strong>org</strong>d is, zij<br />
gelieve dit, hetzij in comité-generaal, hetzij in de Commissie van Rapporteurs, bij gelegenheid<br />
van de behandeling der credietwetten, den Minister te doen kennen, maar men verkleine<br />
niet in het openbaar onze magt die nu ageert. Men bedenke toch dat de Singapoorsche<br />
bladen daaraan bekendheid geven in Atjeh. De Atjehers zijn een raar volk; zoo als<br />
dit mij bleek, zou ik het nooit gedacht hebben. Uit een brief van den generaal van<br />
Swieten persoonlijk aan mij, bevestigd door een rapport heden nacht per mail ontvangen,
57<br />
blijkt dat de iman vanLepong een der Staten ter noordwestkust van Sumatra, zich alleen<br />
onderworpen heeft omdat hij heeft gezien dat wij sterk genoeg waren. Hij had zich daarvan<br />
overtuigd door een bezoek een paar maanden geleden gebragt in ons kamp, nadat hem<br />
daartoe door den generaal, door tusschenkomst van den adsistent-resident Kroesen, aan<br />
wien de iman dat gevraagd had, verlof was verleend. Toen deze nu onze troepen, onze<br />
kanonnen en achterlaadgeweren, deze vooral, zeer naauwkeurig bezien had, wilde hij zich<br />
onderwerpen. Had hij gezien dat wij niet zoo sterk waren, hij zou zich, zoo als hij zeide,<br />
niet onderworpen hebben.<br />
^ Het is dus tegen ons belang als in de openbare zitting gesproken wordt van eene vloot<br />
die niet drijft, van geweren die niet deugen of er niet zijn. De Regering is tot alle inlichtingen<br />
en verbeteringen bereid, maar men bespreke dat in het geheim.<br />
Gisteren heb ik reeds in weinig woorden aan den geacht jn afgevaardigde uit Gouda gezegd, dat<br />
de stukken, ook wanneer ze niet geheim zijn, maar niet geschikt zijn om te worden overgelegd.<br />
Het overzigt zou incompleet zijn en zulk een incompleet overzigt kan men van mij niet<br />
verwachten. Ik heb bovendien gisteren avond de nommers nagegaan, die ik volgens de<br />
opgave van den geachten spreker had aangeteekend, en in sommige van die stukken komen<br />
slechts een paar regels van bijzonderen aard voor, maar dat weinige is voldoende om te<br />
maken dat het tegen 'slands belang is, dat het stuk publiek worde. De Regering moet<br />
dat stil houden. Als ik mijn wensch had zou ik niets liever zien dan dat het discours,<br />
dat ik op het oogenblik houd, m<strong>org</strong>en gedruktwierd; maar als men op deze plaatsstaat,<br />
heeft men nog iets anders in acht te nemen dan zijne ijdelheid, dan het verlangen om<br />
zich voor zijn persoon geregtvaardigd te zien.<br />
Door den heer van Nispen zijn aan de Regering vijf vragen gedaan.<br />
Zal er eene nieuwe expeditie plaats hebben in het volgende jaar?<br />
Er is mij niets van bekend. Ik wist tot gisteren avond niet officieel, al had ik het ook<br />
zien aankomen, dat de troepen met 1 Mei zouden weggaan. Ik wist ook niet wat er zou<br />
achterblijven. Ik weet het nu door de mail van gisteren. De regter en linker 3de en 9de<br />
halfbataillons blijven achter met vestingartillerie en sappeurs, gezamenlijk een 3000 man,<br />
onder kolonel Pel.<br />
Wordt de blokkade opgeheven in de staatjes die onze souvereiniteit erkennen?<br />
Welk voordeel zouden zij er van hebben zich te onderwerpen, vraag ik , als men hen<br />
onder blokkade hield? En hoe zou men, als de Nederlandsche vlag daar waait, dit tegenover<br />
de vreemde mogendheden verantwoorden? De blokkade is dus opgeheven, maar<br />
de invoer van oorlogscontrabande is verboden.<br />
Denkt de Minister een volgend jaar over het noodige personeel te kunnen beschikken ?<br />
Er is op het oogenblik een overcompleet in Indie. Ik heb, toen ik zag uit het telegram<br />
dat publiek is gemaakt, dat de eerste halve brigade van Padang was opgeroepen, aan<br />
den Gouverneur-Generaal geseind: Wees bedacht op de formatie van eene reseiwe. Ik heb<br />
er op gewezen, omdat ik wist dat de noodige troepen voorhanden waren, men kon namelijk<br />
de garnizoenen op Java vervangen door Maduresche barissan, die gewapend was met achterlaad<br />
geweren en met de eerste expeditie mobiel te houden was. Voorts waren er , en dat<br />
heb ik den Gouverneur-Generaal geseind, 1200 man op dat oogenblik stoomende, zoodat<br />
de gelegenheid' bestond om eene reservebrigade te formeren. De Gouvernenr-Generaal heeft<br />
er op geantwoord, dat hij er op bedacht was.<br />
Toen ik zag, dat de tweede halve brigade van Padang vertrokken was, heb ik den Gouverneur-Generaal<br />
gevraagd of hij 400 mariniers, die gereed stonden, wilde hebben, direct<br />
op Padang. Ik heb daarop antwoord gekregen van generaal van Swieten, nadat de kraton<br />
genomen was: Geen mariniers en geen verdere uitzending van troepen.<br />
Er is, als men de verliezen aan cholera en de gekwesten aftrekt, nog een overcompleet<br />
van plus minus 1500 man, Europeanen. De werving wordt krachtig voortgezet, omdat wij<br />
boven de gewone formatie 3000 man moeten hebben, die in bezetting moeten blijven. Van<br />
daar dat de Regering, niettegenstaande dat overcompleet, voortgaat met al te nemen wat<br />
zij krijgen kan. In plaats van, nu er een overcompleet was , uitvoering te geven aan het<br />
denkbeeld om de Indische brigade op te rigten, waartoe het Koninklijk besluit genomen<br />
is, worden de troepen die aangeworven worden naar Indie gezonden.<br />
15
58<br />
Wij hebben 'de premien niet verminderd en alleen weggenomen wat niets , gaf dan<br />
veel onkosten, het verbond van twee in plaats van zes jaren. Wat de werving betreft,<br />
wij hadden een slecht jaar, omdat het een zachte winter was , maar het begint nu al<br />
beter te worden. In deze en de volgende maand gaan er weêr 400 man heen.<br />
De invloed op het Nederlandsche leger. Daaromtrent zal de Minister van Oorlog wel eens<br />
• mededeelingen doen.<br />
De annexatie-quaestie. Daarover wensch ik mij in publieke zitting uit te laten. Het is<br />
toch natuurlijk het plan om over de voornemens der Regering in het openbaar te spreken<br />
De eerste vraag van den geachten spreker uit Gouda , betreffende de overgelegde stukken<br />
is reeds beantwoord.<br />
Verder heeft die geachte spreker gevraagd naar het mailrapport van den Gouverneur-<br />
Generaal. Maar dat mailrapport heeft de Kamer; daarin staat niets anders dan : hiernevens<br />
de brief van den Gouvernements-secretaris over het uitstel der zending van de heeren Schiff<br />
en van de Wall. Anders niets. Dat is het mailrapport.<br />
De kopij van het Honkongsche telegram. Ik heb het nooit gezien; ik weet er niet meer<br />
van dan wat staat in den brief van den Gouverneur-Generaal van 4 Maart: » Sedert ontving<br />
ik van eene belangstellende zijde de vertrouwelijke mededeeling" enz. Verder heb ik<br />
er niets van gezien. Ik heb er ook geen belang in gesteld , voornamelijk omdat ik vermoedde<br />
dat de Gouverneur-Generaal het zelf niet gezien heeft; ik heb aan het geheele berigt weinig<br />
waarde gehecht, zoo als men zien kan uit mijn antwoord op het telegram waarin door<br />
den Gouverneur-Generaal gevraagd werd: wat doet de Amerikaansche Regering ?<br />
In de derde plaats. De geachte spreker uit Gouda vraagt wie de in de instructie van<br />
den heer Schiff bedoelde » benden" zijn. Ik heb dat stuk niet gesteld en zeker weet ik het<br />
niet. Maar bij de Regering — ik heb het laten nagaan — is nooit iets bekend geweest van<br />
officiële klagten van belanghebbenden in de Straits. Ik meen dus dat dit moet zien op die<br />
staatjes, zoo als Passeh , Pedir en Edi, die kwamen klagen over elkander en over Atjeh,<br />
hetgeen ook uit de laatste phrase is op te maken. Maar zekerheid heb ik niet.<br />
Eindelijk de statistiek van de Atjeesche rooverijen. Ja, als men de nota goed leest,<br />
zal men begrijpen , dat wij er weinig van wisten , maar zeer zeker hebben wij geen statistiek.<br />
Dit zijn de vragen van den geachten spreker uit Gouda. Daarop heeft die geachte spreker<br />
met een onnavolgbaar talent ons geschetst eene farce of een drama; het zou althans zeer<br />
goed een roman kunnen zijn. Onder het penseel van het geachte lid uit Gouda is het een<br />
treffende roman geworden. Hij zegt dat de Amerikanen zelf hun consul fooi hebben genoemd.<br />
In welken zin is dat woord gebruikt. In den zin die het geachte lid er aan hechtte of in<br />
den zin van de lui uit de Straits, die zeiden dat de consul een fooi was, omdat hij niet<br />
had kunnen verhinderen dat hij was found out? Het geachte lid stelde onzen consulgeneraal<br />
voor als een monomaan. Ik doe een beroep op het geachte lid uit Arnhem, op dat<br />
uit Zuidhorn, in het algemeen op allen die sinds de laatste 11 jaren Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken of Koloniën zijn geweest en vraag hun , of zij Read houden voor een nietserieus<br />
man, voor een monomaan. Nu neem ik het den geachten spreker uit Gouda niet<br />
kwalijk dat hij Read houdt voor een monomaan , want met zijn poëtischen geest heeft hij bij<br />
het doorlezen der stukken zich den heer Read gefantaiseerd. Ik begrijp dit omdat, wanneer<br />
ik mij voorstel dat ik in tien jaren niets gelezen had en ook niet wist dat -het geachte lid<br />
is een politiek man en de scherpzinnige schrijver van de Standaard, maar in eens hoorde het<br />
discours gisteren door hem gehouden, ik misschien zou zeggen : het geachte lid is een<br />
scherpzinnig man, die aardig hier en daar uit de stukken wat weet uit te pikken, maar hij<br />
is geen serieus man, hij is een poëet. Ik stel mij den heer Read zoo voor, dat hij van de<br />
eerste opgave van Arifim geen nota heeft genomen, omdat hij destijds in de handelingen<br />
dier Atjehers, die zich nog niet met ons in aanraking hadden gesteld, geen trouweloosheid<br />
zag. Maar van zijn togt naar Siam heeft hij berouw; hij zegt zelf ook : het spijt mij dat<br />
ik naar Siam ben geweest. Toen heeft hij misschien gehad een peu trop d'ardeur, maar<br />
in elk geval niet in den geest van het geachte lid. Read wees op de schepen in de straat<br />
van Malakka , maar dit was de pligt van den consul, terwijl het de pligt was van de Regering<br />
om te beoordeelen welke waarde men daaraan moest hechten. Welke waarde hebben wij er aan<br />
gehecht. Toen men zeide : houd Duitschland onzijdig, hebben wij geglimlacht; maar ik zal
59<br />
zoo aanstonds zeggen waarom wij niet glimlachten toen er quaestie was van Italië en<br />
Amerika. Ik neem den geachten spreker zijne uitspraak niet kwalijk, omdat hij niet weet<br />
wat de Minister van Koloniën weet. Wanneer het geachte lid, of in het algemeen de leden<br />
der Vergadering, kennis willen nemen — want voor hen zijn geen geheimen — van de correspondentie<br />
gedurende de zeven bange maanden die wij hebben do<strong>org</strong>ebragt, met Read<br />
gevoerd, dan zal men niet zeggen: Read is geen serieus man, geen goed ingelicht man,<br />
want zij die Singapore kennen en weten hoe moeijelijk het is in die vrijhaven , met. het<br />
oog op de daar gevestigde bevolking , iets te weten te komen, zullen zeggen, dat Read is<br />
een bekwaam , ernstig en zeer nuttig man , want gedurende de zeven maanden heeft hij,<br />
hoe hij het gedaan heeft weet ik niet, ons steeds op de hoogte gehouden van hetgeen er<br />
in de Atjehnesche club te Singapore gebeurde. Hij waarschuwde per telegraaph dat eene<br />
boot met Arabieren naar Java ging en zeide: pas op.<br />
De Arabieren werden onderzocht, en men vond bij hen brieven van Arabieren en Atjehers<br />
aan onze inlandsche ambtenaren, aan staatsgevangenen, waarin werd aangespoord tot<br />
religie-oorlog; ze zijn aan het Departement van Koloniën aanwezig. Zoo heeft de heer<br />
Read ons van 1863 tot nu toe gediend, en over dergelijk man oordeel ik geenszins als de<br />
geachte afgevaardigde uit Gouda.<br />
De heer Kuyper meent dat men minder had moeten geven om den Amerikaanschen consul,<br />
die man wist niet eens dat ons tractaat van 1857 met Atjeh bestond. Maar, en als men<br />
een weinig in business van dien aard is geweest, zou men zich niet, als de heer Kuyper,<br />
daarover verwonderen. Die geachte afgevaardigde beriep zich op Ord en Birch: maar nu<br />
is onlangs gebleken, dat, toen de heer Read bij den Gouverneur der Straits het Sumatratractaat<br />
ter sprake bragt, men den inhoud daarvan niet eens goed scheen te kennen en in<br />
elk geval geen exemplaar van het tractaat bezat, zoodat de heer Read het uit zijn archief<br />
moest gaan halen.<br />
Ik zal straks nog spreken over een tractaat in 1847 door Engeland met Broenai gesloten,<br />
dat ons werd medegedeeld; toen verleden jaar in Augustus de plannen der Italianen omtrent<br />
Borneo zooveel beweging maakten in de dagbladen , wist de onder-secretaris van<br />
Staat van Engeland niet dat dat tractaat bestond, maar wij wisten het wel.<br />
Was de Amerikaansche consul al een weinig careless, hij wist toch zeer goed wat hij<br />
deed; en als de geachte afgevaardigde met zijne gewone scherpzinnigheid zijne aandacht<br />
had gewijd aan dat brouillon van een Amerikaansch-Atjeesch tractaat, waaraan ik niet<br />
zeer hecht, dan zou hij zich niet zoo verwonderd hebben.<br />
• Arifin was een slimme gast, hij had in de Straits gewoond en had ook Londen bezocht.<br />
Maar noch te Singapore, noch te Londen kan hij geleerd hebben om in een tractaat bepalingen<br />
op te nemen omtrent differentiële regten, begunstiging van Amerikanen, oprigten<br />
van kerken en scholen; daartoe moet men Amerikaan zijn. De denkbeelden in het ontwerptractaat<br />
nedergelegd, kunnen alleen worden aangewezen door een Amerikaan.<br />
Uit de mededeeling van den Minister van Buitenlandsche _ Zaken bleek reeds"dat de heer<br />
Gorham erkende , dat de Amerikaansche consul niet zuiver was.<br />
De geachte afgevaardigde heeft gezegd dat de Minister van Koloniën eene dubbele politiek<br />
voerde, namelijk eerst voorzigtig en later gejaagd. Maar dat geachte lid heeft, in tegenstelling<br />
met den heer C. van Nispen, tevens getuigd (en ik vermeld dit met groote dankbaarheid<br />
, want dit is eene quaestie niet van politiek, maar van hart en gevoel) dat hij de redevoeringen<br />
van den Minister nagegaan en mij niet in tegenspraak met mij zeiven bevonden heeft.<br />
Waaruit put nu echter de heer Kuyper het verwijt van de door hem bedoelde dubbele<br />
politiek: eerst voorzigtig en later gejaagd? Want ik herhaal nog eens dat de Regering<br />
niets anders wist dan wat in de telegrammen stond. De geschreven stukken ontving ik<br />
eerst veel later, sommigen, zooals het journaal van Atjeh eerst in September. Wij hebben<br />
hier altijd moeten handelen op de telegrammen van den Gouverneur-Generaal.<br />
Waar begint nu de gejaagde en eindigt de voorzigtige politiek? De geachte afgevaardigde<br />
vergist zich, waar hij voortdurend spreekt van 25 Januarij; er is geen stuk van<br />
dien datum. Volgens dien geachten spreker zou de heer Ord hebben gezegd, dat Engeland<br />
niet zou gedoogen, dat Amerika zich op Sumatra vestigde; daarop konden wij gerust zijn.<br />
Ik geef om die assurantie-premie niet veel, niet alleen om de verzekering van den heer
60<br />
Ord, maar zelfs al verzekerde de eerste . Minister van Engeland het. Straks zal ik antwoorden<br />
waarom.<br />
Wat de geachte spreker verder gezegd heeft over hetgeen hij het manifest noemt, zal<br />
ik beantwoorden bij het spreken over de motie.<br />
Ik vestig nu de aandacht van de Kamer op het standpunt der Regering, op de wetenschap<br />
die zij had, toen in het begin van 1873 die telegrammen in hare hand kwamen.<br />
Ik herinner in de eerste plaats aan de discussie van 24 en 26 October 1872 bij de Indische<br />
begrooting. Verschillende leden gaven bij het spreken over de expeditie naar Deli de vrees<br />
te kennen, dat bij de Regering eene neiging tot annexatie bestond.<br />
De heer Nierstrasz sprak van annexatie van Siak, maar de heer Stieltjes heeft bepaald<br />
het oog gehad op Atjeh.<br />
Wat antwoordde de Minister ? » Dat is wensch noch doel; maar aan den anderen kant<br />
moet men niet voorbijzien de gevoeligheid , die in beduidende mate wordt opgewekt bij het<br />
vernemen dat de eene of andere vreemde natie, zelfs op punten van den Archipel'waar wij<br />
geen gezag hebben , zich vestigt of wil vestigen."<br />
Men ziet, dat de Minister, die zoo sterk mogelijk gestemd was tegen alle agressive plannen<br />
ten opzigte van Atjeh, even als in 1864, toch eene voorwaarde stelde. Ik heb verder in de<br />
zitting van 26 October geantwoord: » Hetgeen in Deli gebeurd is, geeft de Regering geenerlei<br />
aanleiding om in de politiek ten aanzien der Oostkust van Sumatra verandering te brengen.<br />
Ik herhaal het ten slotte: het is wensch noch doel van de Nederlandsche Regering, uitbreiding<br />
van gezag op Sumatra te bevorderen , maar de Regering moet aan de verpligtingen<br />
voldoen, die haar standpunt op Sumatra, in verband met de gesloten tractaten, haar oplegt.<br />
En de heer Heemskerk verstond dat zeer goed, want terwijl hij acte nam van de verklaring,<br />
dat de Regering geen vergrooting van gebied wilde, voegde hij er aan toe: het is waar<br />
dat de clausule, die de Minister er bijvoegde, dat de omstandigheden er toe kunnen leiden,<br />
de waarde dier verklaring wel eenigzins tempert; maar van het standpunt der Regering<br />
kan ik die voorzigtigheid begrijpen."<br />
En wat was het standpunt van den Minister op den 24sten October ?<br />
Ik had mij toen zeer geoccupeerd met de zaak van Deli, maar de eerste maal dat ik mij<br />
serieus heb bezig gehouden met de Atjehsche quaestie was eenige dagen na den 24sten October,<br />
toen in mijn bezit zijn gekomen de stukken over de zending Schiff. Toen heeft het<br />
een punt van rijpe overweging bij mij uitgemaakt, of ik de instructien mijner ambtsvo<strong>org</strong>angers<br />
moest handhaven. De zending van den heer Schiff was van zeer vredelievenden aard<br />
tegenover hetgeen ik toen wist van in Singapore beraamde plannen van een anderen aard.<br />
Ik héb toen geene verandering in de instructien gemaakt, maar, ik heb het eene vorige<br />
maal gezegd, ik heb na de lezing van die stukken, om mijne bedoeling zeker aan den<br />
Gouverneur-Generaal te doen kennen, den Gouverneur-Generaal direct een brief geschreven<br />
in deze bewoordingen: laten wij oppassen om in Gods naam geen oorlog met Atjeh te maken,<br />
want het zal ons meer bloed en geld kosten als geheel Atjeh waard is. De heer Loudon<br />
antwoordde daarop: wees toch niet ongerust over mijne plannen , ik zal mijne handen in<br />
dat wespennest niet steken.<br />
Waarop grondde ik nu die bijzondere vrees om met Atjeh in aanraking te komen ? Uit<br />
bijzondere omstandigheden , Mijnheer de Voorzitter. Uit de stukken was het niet af te leiden,<br />
dat men in Atjeh zooveel tegenstand ontmoeten zou. Volgens het archief aan mijn departement<br />
is Atjeh eene soort van rotten Staat. Maar het toeval heeft mij een 25 jaren geleden,<br />
toen de oorlog in het noorden van Sumatra's Westkust gevoerd werd, de tehuisreis doen<br />
maken met een paar militairen, welke die expeditien tegen de Atjehers onder Roeps en<br />
Michiels te Baros en Singkel medegemaakt hadden. Die militairen waren liefhebbers van<br />
een grogje en vertelden nog al veel. Zij hebben mij genoeg verhaald van de Atjehers, om<br />
mij de overtuiging te geven, dat wij wel zouden doen een oorlog tegen Atjeh zoo maar<br />
eenigzins mogelijk te vermijden.<br />
Maar wat deed den Minister op 24 October die reserve in acht nemen? Er was kort geleden<br />
door het Italiaansche Gouvernement een zekere heer Cerruti naar den Indischen Archipel<br />
gezonden, voorzien van recommandatiebrieven. Hij werd door den heer Mijer beleefd<br />
behandeld. Hij heeft eenige reizen gedaan in den Indischen Archipel, en heeft zich er mede
61<br />
onledig gehouden om in de Italiaansche bladen zijne indrukken te beschrijven over de<br />
Nederlandsche koloniën, en de aspiraties van Italië.<br />
De brochure is in het Italiaansch geschreven , en de voornaamste stukken heb ik laten<br />
vertalen.<br />
De schrijver begint in het algemeen in herinnering te brengen de geschiedenis der koloniën<br />
, de vroegere kolonisatien van uit Italië , het nut dat tegenwoordig uit de koloniën<br />
getrokken wordt door de Mogendheden die ze bezitten. Van ons zegt hij: » La Hollande a<br />
obtenu deses établissements dans 1'Orient des résultats trés satisfaisants; deux sièclesaprès<br />
la fondation de ses colonies a Java elle avait son capital national doublé , ses manufactures,<br />
son commerce étaient les premiers du monde , et son immense marine marchande sillonait<br />
triomphalement toutes les mers." Hij wekt de begeerte naar dien parel van ons ijsselijk op;<br />
verder zegt hij: » nous ne pouvons nous cacher que quelques puissances intóressées ne vissent<br />
avec regret qu'une colonie Italienne tut fondée dans le voisinage de leurs colonies."<br />
Hij spreekt er over dat Engeland, Frankrijk, Spanje, Nederland niet gaarne eene Italiaansche<br />
nederzetting in de buurt van hunne koloniale bezittingen zouden zien. Maar, zegt<br />
hij, daardoor behoeft Italië zich niet te laten afschrikken. Heeft Sir James Brooke zich niet<br />
in Sumatra gehandhaafd , niettegenstaande de vertoogen van Nederland ? Heeft Engeland zich<br />
door die vertoogen van eene vestiging op Singapore laten terughouden ? En nu wijst hij<br />
er op dat » il y a cinq ans, un cerveau fèló, si vous voulez, mais qui au fond n'avait pas<br />
tort, nous a offert Me de Sumatra, a laquelle il disait avoir des droits par suite de sou<br />
mariage avec une ou plusieurs princesses indigènes." En verder toont hij aan, dat een gedeelte<br />
van Sumatra niet aan Nederland behoort, en dat de inlandsche vorsten in dat gedeelte<br />
zelfs vijandig jegens Nederland gestemd zijn en gaarne het oppergezag van andere<br />
Mogendheden zouden aannemen om tegen Nederland beschermd te worden. Zoo vestigt hij<br />
de aandacht van Italië op Atjeh.<br />
Die brochure was zeker nog al opmerkelijk. Toen nu in de couranten geschreven werd over<br />
eene Italiaansche vestiging op Borneo , schreef mij een vriend of ik den knoop van de intrigue<br />
wel wist. Geen wonder dat ik verlangend was ter zake al het mogelijke te vernemen, en<br />
inderdaad was hetgeen in den particulier aan mij gerigten brief van den heer Anemaet, dien<br />
ik aan de Kamer heb overgelegd , voorkwam niet zonder belang. Toen ik op zekeren dag den<br />
Italiaanschen gezant, die zich misschien wel een weinig gevoelig toonde , dat wij de Italiaansche<br />
plannen in den weg kwamen, over die intrigues te Singapore sprak, waarin de toenmalige<br />
Italiaansche consul zich begeven had, zeide hij van dezen: c'est un fou, maar hij<br />
erkende tevens dat wij ons de zaak , die ons in moeijelijkheden zoude gebragt kunnen hebben,<br />
moesten aantrekken. Het gold hier den afstand aan eene vreemde Mogendheid van de pretentien<br />
van Raton Sarifa, die zich meer dan eens bij request tot deze Kamer gewend heeft, op den<br />
troon van Pontianak.<br />
Intusschen was het ons zeer aangenaam dat op dit oogenhlik de partij van Cerruti in Italië<br />
niet aan het bewind was; toen verleden jaar de zaak van de Italiaansche vestiging op Borneo<br />
aanhangig was, attakeerde hij het Gouvernement in de dagbladen.<br />
"Wij van onzen kant waren op de nabuurschap van de Italiaansche roovers, voor wie de<br />
vestiging bestemd was, niet gesteld, en deden dus pogingen om dat tegen te gaan. Maar dat<br />
is ons niet zoo gemakkelijk gevallen. En voor hen , die meenen dat het ons geen moeite kan<br />
kosten vreemden invloed te weren, ook zonder dat wij souvereiniteit uitoefenen, kan het goed<br />
zijn op te merken, dat de Minister Visconti Venosta, op onze vertoogen tegen de vestiging<br />
eener strafkolonie op Borneo, onder anderen geantwoord heeft met de vraag: Welk regt<br />
helt gij daar waar gij geene souvereiniteit bezit?<br />
Bijna op hetzelfde oogenblik deden de Atjehsche gezanten in Riouw het voorkomen als<br />
of eene partij in Atjeh verlangde onder onze souvereiniteit te komen, terwijl eene andere<br />
partij de souvereiniteit van andere mogendheden zocht. Is het wonder dat de Regering het<br />
toen als een voordeel zou beschouwd hebben, wanneer Atjeh in der minne de Nederlandsche<br />
souvereiniteit bad erkend? En had zij geen reden een bijzonder gewigt te hechten aan het<br />
berigt dat de Atjehers zich tot den Italiaanschen consul gewend hadden en dat deze zich<br />
met de zaak bemoeid had ?<br />
"Wat den Amerikaanschen consul betreft, door meer dan één spreker is beweerd dat de<br />
Amerikanen niet koloniseren.<br />
16<br />
I
62<br />
Amerika heeft ja! een ander systeem, maar dat op dit oogenblik juist voor ons gevaarlijker<br />
was.<br />
De Amerikanen stichten geen directe Staatskolonien, maar de Amerikaansche ingezetenen<br />
leggen koloniën aan, zoo als in de Stille Zuidzee, en die worden dan, gelijk de bescheiden<br />
die ik voor mij heb bewijzen , door de Amerikaansche Regering erkend.<br />
Nu zal men ons tegenwerpen: dat is de Stille Zuidzee, maar op den weg van Malakka<br />
en Borneo verlangen zij dat niet. Mijnheer de Voorzitter! Zij hebben ze daar reeds. Ik<br />
heb hier voor mij, de Amerikaansche gedrukte stukken omtrent een tractaat met Broenai,<br />
waar Amerikanen zich door den Sultan gronden hebben laten afstaan en waar het Amerikaansch<br />
Gouvernement een maritiem station schijnt te hebben willen vestigen. Aanvankelijk<br />
is bet tractaat gesloten door een consul Mass of Mozes , maar een jaar later zijn cle ratificatien<br />
uitgewisseld door den kommandant van een oorlogsschip der Vereenigde Staten. Wanneer<br />
dat in het noorden van Borneo plaats had, wat beteekent dan de verzekering van Mijnheer<br />
Ord dat Engeland geene vestiging van Amerikanen zou toelaten ?<br />
Engeland toch had een tractaat met Broenai (medegedeeld aan Nederland), waarin cle bepaling<br />
voorkomt, » dat de Sultan zich verbindt om geenen afstand hetzij van een eiland of van<br />
eenig etablissement op den vasten wal, in eenig deel van zijn gebied, te doen aan eenige<br />
natie of aan de onderdanen of ingezetenen van dezelve, zonder de toestemming van Hare<br />
Britsche Majesteit." En dit heeft niet belet dat Amerika een tractaat gesloten heeft, dat<br />
Amerikanen zich gronden in Broenai door den Sultan hebben laten afstaan. Het Kabinet<br />
van St. James heeft het niet noodig geoordeeld daarom rusie te maken. Ik vertrouw niet,<br />
evenals de heer Kuyper, dat het gebeuren zou poter nos ieaux yeux.<br />
Degenen die hier wat langer met de zaken bekend zijn, zullen zich wel herinneren wat<br />
gebeurd is met Gibson. Hij had getracht in onze bezittingen een inlandschen vorst tegen<br />
ons op te zetten. Hij was veroordeeld door het Hof. Toen hebben zich twee oorlogsschepen<br />
op de reede van Batavia vertoond, en het is alleen te danken aan het beleid van den<br />
Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist, dat daaruit geen kwade gevolgen zijn ontstaan.<br />
Nadat Gibson veroordeeld en ontvlugt was, heeft de. Amerikaansche gezant Belmonte aan<br />
onze Regering, namens de zijne, eene nota ingediend, waardoor U aller gevoeligheid<br />
zeker zou worden opgewekt.<br />
De Minister van Buitenlandsche Zaken heeft toen een uitweg gevonden , door het arrest<br />
van het Hoog Geregtshof over te leggen. Toen ten tijde waren onze zaken in de buitenbezittingen<br />
niet en règle.<br />
De heer van Nispen van Sevenaer en anderen zullen zich die zaak van Gibson wel herinneren.<br />
Al degenen die over het tractaat van 1871 spraken, hebben zich in dien zin uitgelaten,<br />
dat het tractaat goedkeuring verdiende, omdat het ons regt met uitsluiting van anderen ,<br />
op Sumatra erkende.<br />
De heer Heemskerk is zoo ver gegaan van te zeggen dat hij tegen het tractaat zou stemmen<br />
, niet om het tractaat zelf, maar omdat het verband hield met het andere tractaat,<br />
waarbij onze bezitting op de Kust van Guinea werd prijs gegeven.<br />
De heer Nierstrasz heeft voor het tractaat gestemd , opdat er ten slotte eens een einde<br />
mogt komen aan » al dat gehaspel tusschen Engeland en ons over Sumatra", maar hij wees<br />
tegelijkertijd op het bezwaar dat er in gelegen kon zijn wanneer uitbreiding van ons gezag<br />
er het gevolg van zou moeten worden.<br />
Behalve de heer Nierstrasz en ik , bragt niemand anders tegen dat' mogelijke gevolg van<br />
het tractaat bedenkingen in het midden. Intusschen met die wetenschap van al het geld en<br />
bloed dat het zou kosten, zou ik ook nu, als Nederlandsch Minister, niet anders handelen<br />
dan ik gehandeld heb. Ik geloof, na al wat ik aan de Kamer heb laten zien , dat zelfs de<br />
heer Nierstrasz, gezeten in dit Kabinet, cle verantwoordelijkheid niet op zich zou hebben<br />
willen nemen om anders te handelen.<br />
Nu kom ik terug tot den geachten spreker uit Gouda: Is Atjeh een roofstaat, is het een<br />
Europesche staat, of is het een inlandsche staat ?<br />
Het antwoord is : een inlandsche staat, die men weet, indien men de geschiedenis van den<br />
Archipel kent, dat van tijd tot tijd rooft, en dit op groote schaal doet, indien onze stoomschepen<br />
geen toezigt uitoefenen. Is dat een Europesche staat? Wat heb ik daarover nog te zeg-
63<br />
gen , na hetgeen de heeren Godefroi en van Zuylen hebben gezegd ? Zou het tractaat van 1871 '<br />
zin hebben tegenover een Europeschen staat?<br />
Verder had men de Atjehers niet moeten toerekenen , dat zij bondgenooten hebben gezocht.<br />
Neen , daar zit het niet in ; maar daarin , dat zij , terwijl zij met ons in onderhandeling waren<br />
en uitstel vroegen, terwijl zij naar Singapore gingen en gastvrijheid genoten onder onze vlag,<br />
aldaar steun tegen ons inriepen. Dat was een casus belli en zal het altijd blijven ; en of de Amerikaansche<br />
consul daar gevolg aan gaf of niet, was het voor ons eene reden om opheldering en<br />
waarb<strong>org</strong>en voor de toekomst te vragen. Ik begrijp de redenering van het geachte lid uit<br />
Gouda niet, noch zijne motie. Ik heb reeds aangetoond waarom de Regering na het gebeurde<br />
onmogelijk kon terugtreden.<br />
En nu de motie: » De Kamer, van oordeel dat uit de overgelegde stukken de onontwijkbaarheid<br />
van het aan Atjeh op 22 Maart gestelde ultimatum niet gebleken is, gaat over tot<br />
de orde van den dag." Wat wil men daarmede zeggen? Ik begrijp het niet, want een oogenblik<br />
te voren (tenzij er eene vergissing is in de datums) sprak het geachte lid zijne meening<br />
uit, dat wij toch opheldering en satisfactie hadden moeten vragen , en in den brief van den<br />
Gouvernements-commissaris van 22 Maart staat niets anders te lezen.<br />
In dien brief werd den sultan van Atjeh eenvoudig opheldering gevraagd, terwijl daarna,<br />
wanneer die gegeven was , de Gouvernements :<br />
commissaris de voorwaarden zou mededeelen ,<br />
waarop hij in onderhandeling zou treden. Bedoelt dus het geachte lid een ander stuk ? Na cle<br />
goedkeuring, die hij een oogenblik te voren gaf aan het vragen van opheldering , begrijp ik<br />
niet dat hij kan zeggen , dat die eerste brief van den heer Nieuwenhuyzen ontwijkbaar was.<br />
Ik heb ^ dien brief niet geschreven ;• misschien zou ik hem in een anderen vorm hebben<br />
gesteld; die 24 uren zijn wel wat kort, maar de geachte spreker heeft zelf erkend, dat dit<br />
niet de bedoeling van het Opperbestuur was. Ik doe echter, ter beoordeeling daarvan, weêr<br />
een beroep op hen , die zich met die zaken hebben bezig gehouden, bijv. op generaal Weitzel,'<br />
die veel over militaire zaken geschreven en de expeditie van Bali medegemaakt heeft. Die<br />
inlanders geven nooit een bepaald antwoord, zij stellen zich altijd in de schaduw van het<br />
gezag en zulke praatjes meer, maar zij komen nooit tot een einde; zoo was het met Diepo<br />
Negoro en de anderen. Daarom stelt men hun een termijn van bijv. 24 uren, om er<br />
een eind aan te maken. Men moet dit dus niet uit een Europeesch oogpunt beschouwen.<br />
Wat bedoelt de motie? Ik waardeer de poging. De Heer van Zuylen zegt: de meerderheid<br />
is tegen u, maar ik zal de motie niet stellen, ik wil geen Kabinetsquaestie daarvoor in<br />
het leven roepen. Ik kan mij dit van een oud-Minister van Buitenlandsche Zaken best voorstellen;<br />
ik zou dit ook na eene lange gouvernementele loopbaan, op gindschebanken niet<br />
doen; ik zou liever de begrooting des Ministers verwerpen of iets anders doen, dan op dit<br />
oogenblik voor. de Nederlandsche natie en voor Europa, met andere woorden tot de Regering<br />
zeggen: gij hebt een onregtvaardigen oorlog begonnen. Maar ik begrijp daarentegen<br />
de opregtheid van den geachten spreker uit Gouda, en de Regering, ik persoonlijk, waardeert<br />
dit. Ik wensch niets liever dan dit. .\ aar wat beduidt de motie? Laat de geachte<br />
spreker klaren wijn schenken. Is het eene motie tegen den heer Nieuwenhuyzen, tegen<br />
iets, waarvan de Minister wel rekenschap heeft te geven, maar waarvoor hij niet verantwoordelijk<br />
is? Immers mijne telegrammen zijn niet gecritiseerd. Gaat het dan aan, dat<br />
eene politieke vergadering eene motie aanneemt tegen een afgetreden landsdienaar? Wat<br />
heb ik te doen met dien brief? Men keurt het immers goed, dat er inlichtingen zijn<br />
gegeven. De Regering wenscht daarover licht en openbaarheid. De geachte spreker doet<br />
een beroep op de openbare meening, de Regering van hare zijde eveneens, en men kan<br />
gerust zijn: na een doodvonnis zal ik mij aan geen driejarigen dwangarbeid onderwerpen.<br />
De zitting wordt hervat.<br />
De beraadslaging wordt voortgezet naar aanleiding der interpellatie van den heer Messchert<br />
van Vollenhoven en der door de Regering overgelegde stukken.<br />
De heer Stieltjes: Ik had plan gehad in de publieke zitting de zaak te bespreken,<br />
maar ik ben als het ware door den Minister van Koloniën uitgenoodigd nu te zeggen wat
64<br />
ik te zeggen hebben over de inrigting van leger en marine, zoo in Nederland als in Indie.<br />
Wanneer dit kan bijdragen om onze positie sterker te maken , zal ik aan dit verzoek voldoen.<br />
Ik kom er echter tegen op dat het in beginsel goed zou zijn zaken als deze in het geheim<br />
te bespreken. Ik geloof dat het Engelsche systeem om het mes in de wond te zetten en<br />
de oorzaak in het openbaar te constateren, beter is dan het onttrekken aan de openbaarheid<br />
, dat onder anderen in Frankrijk heeft geleid tot uitgeputte magazijnen en een slecht<br />
leger. Voor ditmaal wil ik echter in het geheim zeggen wat ik te zeggen heb. Ik begin<br />
met enkele zaken , die ik in elk geval liever in comité-generaal behandel, maar ik zal er<br />
enkelen bijvoegen , die ik voor openbare bespreking zeer geschikt acht.<br />
Meermalen is gevraagd aan wien de schuld van het verval onzer marine ? Het is gebleken<br />
dat de schuld verdeeld is en dat die gedeeltelijk het gevolg schijnt van rapporten van den<br />
kommandant der zeemagt in Indie en gedeeltelijk te wijten is aan het Departement van<br />
Marine. Bij eene vroegere gelegenheid heeft de Minister van Koloniën gezegd: » Aan wien<br />
de schuld wanneer het Indisch marine-departement staten inzendt waarop alles als goed<br />
wordt aangeduid" ? Aan de Kamer zijn echter die stukken niet bekend, zij kent alleen<br />
één staat van den toestand der marine, overgelegd op aandrang der Commissie van Rapporteurs<br />
voor het hoofdstuk Marine over 1874, waarin die toestand geenszins rooskleurig<br />
wordt vo<strong>org</strong>esteld. De meeste schepen worden onbruikbaar genoemd, onder de 20 zijn er<br />
slechts weinige goede. Nu is het onbegrijpelijk dat de Gouverneur-Generaal zou gesproken<br />
hebben van een treurigen toestand der marine zonder voorstellen te hebben gedaan om de<br />
marine uit dien treurigen toestand op te heffen. Waar zijn die voorstellen ? Waarom is<br />
daaraan geen gevolg gegeven ? Het is toch ondenkbaar dat de Gouverneur-Generaal zich<br />
zeiven als het ware een klap in het gezigt zou geven. .<br />
De Minister zeide: mijn vo<strong>org</strong>anger heeft het auxiliair eskader verminderd, maar ik zou<br />
het niet gedaan hebben. Het deed mij genoegen dit te hooren; maar neemt men nu maatregelen<br />
om daarop terug te komen ? De Minister zeide ook dat hij in Indie een gepantserd<br />
schip zou wenschen. Dit is, dunkt mij, zeer noodig na hetgeen de Minister gezegd heeft<br />
dat eene menigte vreemde Regeringen het oog hebben op onze bezittingen. Wat nu gebeurd<br />
is kan zich herhalen, ook met andere Staten dan Turkije, Italië en Noord Amerika. Voor<br />
de tweede koloniale Mogendheid is het onverantwoordelijk dat wij daar niet de marinemagt<br />
hebben die noodig is om zenuwaandoeningen te voorkomen, die anders (zoo als gebleken<br />
is) op het verschijnen van een paar oorlogsschepen worden opgewekt.<br />
Mijne vraag is dus: Wordt thans het noodige gedaan om den toestand der marine in<br />
Indie te verbeteren?<br />
De Minister zegt dat zij, aan het einde des jaars zoo goed zal zijn als sedert 1815 het<br />
geval niet was; na het besteden van millioenen en het derwaarts zenden van alle de beschikbare<br />
schepen is dit niet te verwonderen; maar is dat welligt ten koste der Nederlandsche<br />
marine ? Daar dit debat in het openbaar zal worden voortgezet, ware het mij aangenaam<br />
zoo wij een overzigt ontvingen van de schepen en het marinepersoneel en materieel dat hier<br />
te lande beschikbaar zou zijn, wanneer gebeurtenissen als die van Julij 1870 zich weder<br />
voordeden. Toen zeide de Minister van Marine in het mobilisatierapport dat behalve de gepantserde<br />
schepen, ook de andere schepen goede diensten hadden kunnen doen. Welke<br />
schepen en welk personeel zouden we thans bezitten ? Eerst als wij dit weten kunnen wij<br />
nagaan of wij sedert 1870 voor- dan wel achteruitgegaan zijn. Ik heb geenszins bezwaar<br />
tijdelijk iets van ons leger en onze vloot aan die van Indie af te geven, maar dit zij dan<br />
een geheel voorbijgaande maatregel, waarop binnen eenige maanden worde teruggekomen;<br />
maar zeker zou ik niet wenschen dat Atjeh voor ons een Mexico wierd; dat we, behalve<br />
50 millioenen uit te geven in Indie , nog het gevaar van annexatie hadden en welligt bovendien<br />
1000 millioenen te betalen hadden in Europa.<br />
Hetzelfde betreft de landmagt. De Minister deelde ons mede dat op dit oogenblik 1500<br />
man overcompleet zijn bij de gewone formatie van het Indische leger; dit wil zeggen, naar<br />
den tegenwoordigen toestand te oordeelen niets overcompleet. Men zal mij toch wel toegeven<br />
dat wij Atjeh niet zullen kunnen blijven bezetten met de magt die wij thans in Indie<br />
hebben; bij het 18de zal nog wel een 19de en een 20ste bataillon komen.<br />
Dan trekt de Minister alleen af de gesneuvelde en zieke soldaten, maar ik beroep mij op
65<br />
den Minister van Oorlog ten bewijze, dat onder anderen bij de expeditie in de Lampongs en<br />
alle vroegere expeditien gebleken is, dat niet alleen het aantal gesneuvelden en gewonden<br />
gedurende de campagne zeer groot was, maar ook dat der zieken als de troepen in de<br />
garnizoenen waren teruggekeerd. Gisteren nog las ik bij de Stuers dat alleen de kleine<br />
bezetting te Singkel ons in 1842 reeds 500 man had gekost; hoeveel zal dit dan wel niet<br />
bedragen bij eene vestiging van duizenden te Atjeh'in een ongezond klimaat! Er zullen<br />
dus voortdurend aanzienlijke uitzendingen moeten plaats hebben; thans is dit geschied ten<br />
koste van het Nederlandsche leger, en als tijdelijke maatregel heb ik er niet tegen, doch<br />
men trachte dat onmiddellijk aan te vullen door militie en schutterij. Men mag ons leger<br />
niet plunderen zonder tot zulke aanvullingsmiddelen over te gaan. Daarom zou ik gaarne<br />
ontvangen een staat aangevende de sterkte van het leger op 1 Maart of 1 April, om eens<br />
te kunnen zien, of wij vooruit of achteruit zijn gegaan, vergeleken met het jaar 1870.<br />
Men zegt daar: het spreekt van zelf: achteruit. Dan hoop ik dat er maatregelen zullen<br />
worden genomen om daaraan een einde te maken.<br />
Dat er geene middelen daarvoor zouden zijn, spreek ik tegen, maar men moet die middelen<br />
willen. In Mei zouden wij 8000 man méér kunnen hebben, wanneer het der Regering<br />
beliefde, de ligting van 1869 niet te ontslaan.<br />
Zoo is mij medegedeeld, dat een gewone brik, doch sterk gewapend, van de Engelsche<br />
marine te Singapore, met zeer zwaar geschut, krachtiger is dan onze grootste stoomschepen<br />
in Indie, en dat in een gevecht al onze schepen het zouden afleggen tegen dat ééne Engelsche<br />
schip.<br />
Zoo moet de Fransche consul te Singapore, in gesprek met een Nederlander, gedreigd<br />
hebben dat, wanneer hij consul te Batavia was en hij kreeg zijne zitplaats niet naast den<br />
Raad van Indië, hij dan zou telegrapheren om een gepantserd schip, hetwelk in staat zou<br />
wezen om de geheele vloot in den grond te rammen, want, zeide hij, gij hebt hier niets.<br />
Gaat het aan voor eene tweede koloniale Mogendheid, om dit, niet eene maand, maar<br />
jaren lang aan te.zien, en geene maatregelen te nemen, dat wij ten minste een paar gepantserde<br />
schepen, en ook een paar Alabamas hebben. Zulk een soort van Alabama {het<br />
Zilveren Kruis) staat hier op stapel, maar wordt niet afgewerkt.<br />
Nog een paar opmerkingen.<br />
Ik kan toegeven, dat de oorlog met Atjeh vroeger of later onvermijdelijk was, en dat,<br />
daar men niet volkomen zeker was van hetgeen de vreemde Mogendheden wilden, men<br />
gelijk kon hebben die voor te zijn. Daarom maak ik der Regering geen grief dat er een<br />
oorlogstoestand in het leven geroepen is. Atjeh en Nederland zijn een paar volken, die<br />
elkaar sedert eene halve eeuw grooten haat toedragen, van daar dat, even als tusschen de<br />
Fransche en Duitschers, die oorlog vroeger of later onvermijdelijk werd.<br />
Uit het werk van generaal de Steurs, in 1849 uitgegeven, bleek, dat hij sterk gekant<br />
was tegen alle uitbreiding van gezag op Sumatra. Dat werk werd door de liberale pers<br />
uitbundig toegejuicht. Dit boek vormde een tegenhanger met dat van generaal Michiels,<br />
die tot de conservatieve partij behoorde en geheel Sumatra wilde annexeren. Ook omtrent<br />
dit punt is de liberale partij dus in een geheel ander vaarwater gekomen dan 25 jaren<br />
geleden. Maar nu aannemende dat de oorlogsverklaring onvermijdelijk was, hangt het toch<br />
altijd van de Regering af het daartoe gunstige oogenblik en den meest doelmatigen vorm<br />
te kiezen. Wanneer men niet klaar is, al heeft men de meest gegronde grieven, dan doet<br />
men onverstandig met den oorlog te beginnen. Wanneer ik iemand een pak slaag wil geven,<br />
(heeft reeds een der sprekers gezegd) doch ik heb geen wapenen, dan doen ik dom met<br />
niet tot later te wachten.<br />
Men kon den oorlog verklaard en daarna (zoo als de Minister het noemde) positie genomen<br />
hebben zonder daarom eene groote landing te doen en zonder nog al de havens te blokkeren.<br />
Toen de heer Nierstrasz bezig was met zijne rede is er gezegd, dat blokkeren zooveel<br />
schepen kostte, want volgens het tractaat van Parijs moet eene blokkade effectief zijn.<br />
Maar hier is een misverstand. Wanneer men oorlog verklaart is men niet genoodzaakt om<br />
te gelijk te blokkeren. Pruissen en Frankrijk zijn wel in oorlog geweest zonder dat Duitschland<br />
eene Fransche haven heeft geblokkeerd. Wij zijn in 30 met België in oorlog geweest<br />
en geen onzer schepen blokkeerde Ostende. Wij konden dus Atjeh den oorlog verklaren
GO<br />
zonder alle havens te blokkeren. Mijn grootste bondgenoot op dit punt is de Minister van<br />
Koloniën zelve, die aanvankelijk gezegd heeft: zendt eene sterke scheepsmagt. Dit kon nu<br />
wel niet omdat die er niet was, maar met de schepen die wij hadden, hadden wij toch<br />
wel positie kunnen nemen.<br />
Zoo lang de Minister daarbij bleef, was hij in de goede rigting, maar toen hij toestond<br />
dat men landen zou, beging hij eene onvoorzigtigheid. Dit is het zwakke punt, dat toegeven<br />
aan de pressie daartoe uit de Oost. Wanneer men met de scheepsmagt positie genomen<br />
had en het eiland vlak voor Atjeh tot kolenstation had ingerigt, dan had men gemakkelijk<br />
kunnen standhouden en den uitslag der onderhandelingen kunnen afwachten.<br />
Maar — wordt nu gezegd — als wij dit alleen gedaan hadden clan zouden wij den<br />
Atjehers tijd gelaten hebben en ziet eens welke aardwerken en forten zij nu reeds hebben<br />
opgeworpen. Maar, Mijnheer de Voorzitter, dit was het gevolg alweder van de verkeerde<br />
eerste groote landing. Het staat nergens geschreven dat men het rijk van Atjeh juist voor<br />
den kraton moest attaqueren , de scheepsmagt had bij Pedir of een ander staatje eenige<br />
weinige troepen kunnen afzetten. Wanneer men zich tot eene maritime expeditie bepaald<br />
had en Pedir alleen had getuchtigd, zoo als het nu laatst is geschied, en dan weder Edi<br />
of een anderen Staat, dan was er geen gelegenheid geweest voor de Atjehers om zich te<br />
versterken, dan hadden zij op geen honderd uren na kunnen weten tuaar de landing zou<br />
geschieden. Nu de eerste en groote landing bij den kraton had plaats gehad was men voor<br />
de tweede expeditie niet meer vrij en moest men, om de eer van de vlag te redden, ook daar<br />
landen en doen wat de Atjehers wilden , die nu als point d'honneur beschouwden het versterken<br />
van den kraton.<br />
Mijne grootste grief is dus, dat de oorlog dadelijk begonnen is met eene groote landing<br />
(met eene land-expeditie) op een oogenblik dat het leger niet genoeg was aangevuld. Dit<br />
was de groote fout in alle vo<strong>org</strong>aande Eegeringen en ook van deze, want ik herinner er<br />
aan dat het getal van de uit te zenden suppletietroepen nooit zoo gering is geweest als op<br />
de begrooting die wij een paar maanden vóór de eerste expeditie hebben aangenomen. De<br />
voorzigtigheid had toch medegebragt dat men minstens een duizend man meer had uitgezonden.<br />
Wat ik nog meer betreur en afkeur is, dat de maatregelen, die genomen worden om het<br />
leger te land zoodanig te versterken dat het beter wordt dan in 1870, uit blijven, alsook<br />
de geheele omwerking van het Indische leger, — want ingrijpende maatregelen zullen voor<br />
land- en zeemagt noodig zijn, ook om de Indische marine niet alleen in te rigten voor<br />
Indische oorlogen, maar ook voor een paar schepen te z<strong>org</strong>en, die ons wat minder beangst<br />
en zenuwachtig zullen maken voor een vreemd schip.<br />
Met de motie-Kuyper kan ik echter niet medegaan, omdat ik niet afkeur de oorlogsverklaring,<br />
maar wel het niet nemen van groote maatregelen, vóór of na de oorlogsverklaring,<br />
om in de behoeften te voorzien.<br />
De heer van STlspen lot Sevenaer: Ik zal geen misbruik maken van den tijd der<br />
Kamer, en slechts weinig- als antwoord in het midden brengen.<br />
In de eerste plaats heb ik aan den Minister van Buitenlandsche Zaken te doen opmerken,<br />
dat de woorden, die 's Ministers aandacht getrokken en zijne gevoeligheid opgewekt hebben,<br />
naar mijne bescheiden meening niet hebben cle beteekenis die Zijne Excellentie daaraan<br />
toeschrijft. Ik heb hier voor mij het stenographisch verslag van mijne rede, waarin zijn<br />
opgeteekend deze woorden: »2Va hJ lezen der stukken, ben ik tot de overtuiging gekomen,<br />
dat de Regering zich welligt omtrent hare (eigene) bedoelingen bedriegt, maar dat doel en toensch<br />
wel degelijk uitbreiding van gezag is geweest."<br />
Het tegendeel te zeggen noemde ik eene protestatio actui contraria, een protest in strijd<br />
met de feiten. De Minister, van Buitenlandsche Zaken gaf deze woorden terug met de vertolking,<br />
onwaarheid, een woord hetgeen èn volgens de stenographische aanteekeningen, èn<br />
volgens mijn eigen geheugen volstrekt niet door mij is gebruikt. Dit lag ook niet in mijne<br />
bedoeling, want ik voegde er bij: het is mogelijk »dat de Regering zich omtrent hare<br />
eigene bedoelingen bedriegt."<br />
Dit is somtijds ons aller lot. Ik blijf dan ook mijne eerste gedachte handhaven. Het kon<br />
zijn dat de Regering werkelijk oorlogszuchtig jegens Atjeh gestemd was, zonder zich zelve
G7<br />
daarvan volkomen rekenschap te geven. Ik kan dit denkbeeld onmogelijk verlaten<br />
wanneer ik zie den brief van 24 Maart 1872, waarin uitdrukkelijk gezegd wordt dat<br />
Atjeh zich ons protectoraat moet laten welgevallen, hetzij in der minne, hetzij door<br />
geweld, en zonder langer dralen. Ditbragt dan toch mede dat men Atjeh van een deel van<br />
zijn gezag en onafhankelijkheid wilde berooven, des noods met geweld, en hierin ligt dan<br />
toch wel degelijk uitbreiding van ons gezag. Degenen die het protectoraat ondergaat verliest<br />
zijn gezag en onafhankelijkheid ten deele, en dat aldus verloren gedeelte komt in<br />
handen van den beschermheer. Zoo zeer ligt die uitbreiding van gezag in de bedoeling<br />
der Regering, dat er uitdrukkelijk gezegd wordt, de zaak kan niet langer wachten, onze<br />
invloed moet gevestigd worden, onverwijld, hetzij in der minne, hetzij met geweld. Zie<br />
pag. 29 der ra mijne eerste rede aangehaalde Nota.<br />
Ik handhaaf dus mijne opvatting, maar kom er tegen op dat ik eene onwaarheid aan de<br />
Regering zou hebben ten laste gelegd.<br />
Wij zien dikwijls niet klaar in onze eigene wenschen en bedoelingen, wij bedriegen ons<br />
zeiven. Dat kon hier bijzonder gemakkelijk het geval zijn, omdat de Regering, zeer bevreesd<br />
voor het vestigen van vreemden invloed op Sumatra, met zooveel drift streefde naar<br />
hel. doel om dien invloed te weren, dat zij zich geen klare rekenschap van de gebezigde<br />
1 ö<br />
middelen meer geven kon. * e<br />
Wanneer men omtrent één punt zeer sterk gepreoccupeerd is, verliest men de anderen<br />
wel eens uit het oog Door de pressie der omstandigheden is welligt het juiste oordeel<br />
omtrent de keuze der beste middelen aan de aandacht der Regering ontnomen geworden<br />
Zoo is zij misschien verder gegaan dan zij zelf wilde, of meende te willen. Doch daar<br />
over meer dan genoeg.<br />
In de tweede plaats moet ik den Minister van Koloniën dank zeggen voor de gegeven<br />
inlichtingen ofschoon k moet erkennen dat mij die niet op alle punten bevredigen. 8<br />
üetgeen de heer Stieltjes zoo even in het midden bragt, ontslaat mij van eene beantdezer<br />
punten<br />
^Z:7ZTd7 -<br />
Een punt heeft die ffeachte e c h t e r<br />
» ^ * iet<br />
Eenigermate teregt zeide de Minister van Koloniën, dat als die Staten de Nederlandsche<br />
g e h e e s c h e n d e<br />
derrortgezel * ^ ^ Wokkade daar dan niet kan wor-<br />
Aan den eenen kant erken ik dit; maar aan den anderen is het toch ook waar, dat<br />
ZuL het<br />
qfT GD<br />
m a a t r e<br />
?\ ^len het hijschen van onze vlag niet veel baten zal, en<br />
1+• l w ë^ohtig aan oude banden , zeker oorlogscontrabande enz. invoeren van<br />
Atjeh Wanneer men de blokkade opheft moet men daarvoor iets in de plaats te stellen,<br />
iets als »een droit de visite".<br />
Met dat doel zal men dus moeten blijven z<strong>org</strong>en daar een scheepsmagt te hebben. Ik<br />
meen dat er somtijds bij blokkade toch schepen, natuurlijk alleen handelschepen, van neutralen<br />
worden toegelaten, mits die geen oorlogscontrabande aan boord hebben.<br />
fcenpunt blijft evenwel zeer sterk bij mij wegen: de schuld voor den toestand der krijgs•<br />
middelen blijft mede voor rekening der Regering.<br />
Met genoegen vernam ik nu van den Minister dat er, in strijd met de inlichtingen Regeven<br />
in den Raad van Indie, genoeg ammunitie was; maar ik vraag of men het een Hd<br />
der Kamer euvel duiden kan als hij den kommandant van vloot of leger hieromtrent gelooft.<br />
In de stnkken staat uitdrukkelijk de verzekering van een dier opperbevelhebbers, dat<br />
er geen ammunitie was? Zie de zitting van den Raad van 20 April 1873. Maar bovendien<br />
ik vraag, hoe ziet het er uit met eene Regering, die er een opperbevelhebber op nahoudt,<br />
a m m u m t i e i s<br />
a o f n e e n<br />
hrerl ? > J - J« ^lfs de Regering daaromtrent in dwaling<br />
brengt? Het verheugt mij zeer dat er wel ammunitie geweest is, maar het pleit niet voor<br />
^Ltrl & h<br />
0 P<br />
• tot dwaWp , \ , e e n m<br />
° ë e w i S Ü ë p U D t<br />
° n w e t e n d i s e n d e<br />
^nng brengt<br />
?f 7 eAeerie<br />
tandeling. Die toestand is dan toch verregaand verkeerd<br />
Behoorlijke ophelderingen heb ik niet gehoord omtrent hetgeen de heer Stieltjes in het<br />
midden bragt. Evenmin omtrent de gevolgen die de zaak op ons Nederlandschleger zal oefenen<br />
Ook ben ik met gerust gesteld, of wij het volgend jaar niet weder eene expeditie zullen
68<br />
De Minister zegt dat hij daarvan niets weet.<br />
Schoon ziet de zaak er dus nog juist niet uit.<br />
Gaarne erken ik echter, dat ik meer bevredigd ben door de ophelderingen van den Minister,<br />
dan vóór die te hebben gehoord.<br />
De heer Kuyper: Mijnheer de Voorzitter, ik wensch wel een kort woord te dupliceren<br />
op de ministeriele repliek. Ik zal echter niet alle punten bespreken door de Ministers van<br />
Buitenlandsche Zaken en van Koloniën behandeld. Immers bij de Vergadering wint allengs<br />
het verlangen veld om het comité-generaal in openbare vergadering te doen overgaan. Ik geloof<br />
ook dat hervatting van het publiek debat wenschelijk wordt, en zal dus uitsluitend die<br />
punten bespreken, welke voor openbare behandeling minder geschikt zijn.<br />
De Minister van Buitenlandsche Zaken heeft, in antwoord op mijne vraag, waarom de<br />
bemiddeling door Turkije aangeboden, was afgewezen, beweerd, dat ik had voorbijgezien<br />
het bestaan en drijven van de Turksche partij in Konstantinopel, en het gevaar niet in het<br />
oog had gehouden, dat uit de pretentie dier partij, om het groote kalifaat weêr over alle<br />
Mohammedaansche natiën te herstellen, voor onze koloniën zou kunnen voortvloeijen.<br />
Ik heb op dat argument wel gedacht, maar meende dat men behoorde te onderscheiden<br />
tusschen de geestelijke suprematie van den Sultan en de staatkundige pretentie door de bedoelde<br />
partij in Konstantinopel hier aan vastgeknoopt uit de zucht om ook de seculaire suprematie<br />
van den Sultan te doen eerbiedigen door alle Mohammedaansche natiën.<br />
Ik opperde dit bezwaar wijl mij toescheen dat de politiek der Begering te dezen opzigte<br />
min of meer tegenstrijdig was.<br />
Immers, reeds met een enkel woord gaf ik te kennen , dat het Mohammedanisme ten deze<br />
niet alleen staat, maar dat hierbij nog eene andere gezindheid, dezelfde geloofsovertuiging<br />
vindt, van een geestelijk hoofd , op wiens spiritueel gezag een stelsel gebaseerd is van staatkundige<br />
strekking. Ik stipte reeds aan, dat ik het oog had op de Roomsche curie.<br />
Wat doet nu onze Regering? Laat zij als Staat der Nederlanden eenige beperking op<br />
politiek terrein gelden, die ook ten ontzent alligt uit erkenning van de theorie der twee<br />
zwaarden zou kunnen voortvloeijen? Natuurlijk niet. Maar omdat de Regering van Nederland<br />
teregt eene positie inneemt, die lot'afwijzing van elke staatkundige pretentie leidt, wordt<br />
daarom de Vorst-Bisschop van Rome niet als geestelijk hoofd der Roomschgezinden erkend ?<br />
Is er dan niet een nuntius, zaakgelastigde der Roomsche. curie ook in den Haag geaccrediteerd,<br />
en ligt niet daarin reeds van de zijde der Regering het feitelijk bewijs, dat de<br />
Vorst-Bisschop van Rome wel ter deze als het geestelijke hoofd der Roomschen geëerbiedigd<br />
wordt ?<br />
Gaat het nu aan bij het volgen van zulk eene gedragslijn in Nederland, voor onze koloniën<br />
de geheel analoge pretentie van den Sultan van Turkije af te wijzen en hem de erkenning<br />
als geestelijk hoofd der Mohammedaansche bevolking te onthouden, op. grond dat dit gisting,<br />
woeling onder de Mohammedaansche bevolking in het leven zou kunnen roepen ? Is dit geen<br />
tweeslachtige politiek en zou men niet, integendeel, kunnen beweren, dat men juist min<br />
of meer verbittert, ergert en het fanatisme opwekt, door een van het Mohammedanisme<br />
onafscheidelijk geloofsbeginsel te ignoreren, terwijl omgekeerd, indien men dit beginsel regt<br />
liet wedervaren , de Mohammedaan zou zien, dat wij van Staatswege zijn geloof geen belemmering<br />
in den weg leggen, maar ook zijn hiërarchie eerbiedigen, om door die eene erkenningvan<br />
zijne feitelijke belijdenis vertrouwen te wekken. Zoo althans moest de Regering op haar<br />
standpunt oordeelen, krachtens hare verklaring aan Turkije » dat de Nederlandsche Regering<br />
de Mohammedaansche godsdienst beschermt", eene uitdrukking die ik voor hare rekening<br />
laat, maar die althans niet rijmt met het sustenu dat, hetgeen voor de Mohammedaansche<br />
bevolking eene hoofdzaak is , hare belijdenis, van Regeringswege moet worden bestreden.<br />
Zou men nu de aanvaarding van zoo invloedrijke bemiddeling niet tot goede resultaten<br />
hebben kunnen leiden? Wie zal het zeggen? De Minister heeft met geen woord aangewezen<br />
welke denkbeelden van de zijde van Turkije op den vo<strong>org</strong>rond zijn gesteld. Hij zegt, dat<br />
hij eene zware campagne van zes maanden met Konstantinopel heeft gehad. Ik neem het<br />
aan, maar uit de stukken waarnaar ik heb te oordeelen blijkt zelfs niet dat men gepolst<br />
heeft onder welke voorwaarde die bemiddeling door Turkije bedoeld werd. Waarom liet men
69<br />
dit na? Immers wanneer die voorloopige bespreking tot de overtuiging had geleid dat<br />
Turkije iets meer bedoelde dan wij konden toegeven, zou het nog altijd aan ons hebben<br />
gestaan, de onderhandelingen af te breken.<br />
Eene tweede opmerking veroorloof ik mij tegen hetgeen de Minister van Buitenlandsche<br />
Zaken gezegd heeft over het gebeurde te Singapore. Bij vergissing heeft hij mij in den<br />
mond gelegd, dat het daar gebeurde »eene farce" zou geweest zijn. In de stenographische<br />
aanteekeningen die ik voor mij heb; en waarvan ik eer had Zijne Excellentie inzage te<br />
geven, staat juist omgekeerd: »Ik zal niet zeggen, dat het eene farce is." Dus juist het<br />
tegendeel. Ik meen daarop te moeten wijzen, omdat de uitdrukking door den Minister gebezigd,<br />
dat ik de handelingen van onze agenten daar in een bespottelijk daglicht had<br />
trachten te stellen", wel zaam zal hangen metde erroneuse onderstelling dat ik het gebeurde<br />
te Singapore als eene farce had gekarakteriseerd. Waar dus uit de stenographische aanteekeningen<br />
blijkt, dat ik dat woord niet gebruikt heb, zal aan Zijne Excellentie wel elke<br />
grond ontvallen voor de meening, dat het mijne intentie zou geweest zijn te ridiculiseren.<br />
Dit is wel het allerminst mijn doel geweest. Wat heb ik gedaan? Men had den Minister<br />
keer op k eer om licht gevraagd over het Atjehsche mysterie. Eindelijk gaf de Minister aan<br />
den aandrang toe, er kwam licht, en dat licht liet hij ook op de agenten te Singapore<br />
vallen. Ik plaatste ze dus niet in een bespottelijk, maar in een ministerieel daglicht.<br />
Over de zaak zelve van het gebeurde te Singapore hoop ik straks nog een enkel woord<br />
te zeggen in mijn verweer tegen hetgeen de Minister van Koloniën mij repliceerde. Beider<br />
antwoord gold een bedenking, zoodat de Minister van Buitenlandsche Zaken mij wel<br />
ten goede zal houden dat ik, om herhaling te voorkomen, aanstonds overga tot zijn ambtgenoot.<br />
En dan in de eerste plaats nog een woord over de publicering der stukken. Gisteren vernam<br />
ik van de Regering kortweg, dat zij ongenegen was ze te publiceren-, eerst heden<br />
is er iets uitvoeriger reden gegeven, waarom de Regering meende zich tegen openbaarmaking<br />
dier stukken te moeten verzetten. Ik berust daarin, ofschoon ik niet kan zeggen dat de<br />
aangevoerde argumenten mij overtuigd hebben. Het mij gegeven antwoord bewees te veel<br />
en daarom niets. Mijne vraag, was niet: laat alle stukken openbaar gemaakt worden ; maar :<br />
zijn er niet een groot aantal, tegen wier openbaarmaking geen plausible bezwaar bestaat?<br />
Nu wordt mij geantwoord: er zijn in het dossier stukken, waarin al is het maar twee of<br />
drie regels voorkomen die de publicering verbieden. Maar wat bewijst dat? Zijner<br />
niet, en daaronder zeer belangrijke stukken door mij aangewezen, waarin zelfs die » twee<br />
a drie regels" ontbreken?<br />
Maar bovendien, ik deed opzigtens de stukken nog eene andere vraag, die niet van<br />
alle gewigt ontbloot was, en waarop niettemin het antwoord uitbleef. Waarom heeft de<br />
Regering niet reeds vroeger in comité-generaal de stukken aangeboden, naar gelang ze in<br />
haar bezit kwamen? Men zeggeniet: de openbaarmaking zou gestreden hebben met 'slands<br />
belang. Immers dat argument geldt tegen publicering, nooit tegen het mededeelen van<br />
hetgeen daarvoor geschikt was, in comité-generaal. Zou niet omgekeerd het vertrouwen<br />
der Kamer in het beleid der Regering minder geschokt zijn geworden, bijaldien deze stukken<br />
successivelijk waren overgslegd, en zou dit niet eisch zijn geweest van dat gemeen<br />
overleg, waarop vooral deze Regering zich dikwijls beroepen heeft? Dat er uitdrukkingen<br />
in voorkwamen die onze betrekkingen met andere Mogendheden in gevaar zouden kunnen<br />
brengen, kan hiertegen niet gelden. Een geheim der Kamer kan ons nooit tegenover het<br />
buitenland compromitteren. Van een comité-generaal verneemt het buitenland niets.<br />
Ook op de onvolledigheid van het dossier wees ik. Hierop ontving ik ten antwoord»dat<br />
mail-rapport is overgelegd, en de klagten van belanghebbenden, ja, het is onzeker of dit<br />
niet enkel ziet op Gani en andere kleine staatjes, die onze hulp inriepen; andere stukken zijn<br />
er niet." Maar heeft, zoo vraag ik, niet de gansche repliek van den Minister den indruk<br />
gegeven dat, indien het dossier ware geweest wat het behoorde te zijn, veel discussie zou<br />
zijn voorkomen/Een dossier, zal het aan zijn doel beantwoorden, moet niet alleen stukken<br />
geven , maar ook van de toelichtende nota verzeld gaan, waardoor die stukken verstaanbaar<br />
worden. Indien de Minister er zulk eene nota' aan had toegevoegd, waardoor toegelicht ware<br />
geworden het vroeger gebeurde in Amerika en de min of meer bedekte handelingen van<br />
18
70<br />
Italië, dan ware ongetwijfeld beter aan den eisch van een volledig dossier voldaan geweest.<br />
Ik dank den Minister intusschen voor de inlichtingen die hij nu, zij het ook ietwat later,<br />
gegeven heeft en waaronder er, ik erken het, zijn die op de beoordeeling van het Regeringsbeleid<br />
van invloed moeten wezen.<br />
En nu de quaestie zelve, die ik weer vastknoop [aan het gebeurde te Singapore, om van<br />
daar tot de motie te komen.<br />
De Regering voert mij tegen: gij beoordeelt den heer Read onregtvaardig ; de heer Read<br />
is een goed betrouwbaar man , die ons uitnemende diensten heeft bewezen. Heb ik dit<br />
ontkend ? Integendeel, ik heb gisteren zelf uitgesproken dat het een man van groote bekwaamheid<br />
en activiteit is en voor zoover hij als handelsagent en eenvoudig aanbrenger van<br />
berigten optrad, heb ik tegen zijne geschiktheid geen de minste bedenking. Maar vraagt<br />
men, of hij blijk heeft gegeven van dat diep diplomatisch beleid dat te Singapore in de<br />
eerste plaats geëischt werd, dan meen ik in mijne ontkenning te moeten volharden. Immers<br />
hij blijkt bij het ventileren zijner opinien het sine qua non van alle diplomatiek talent:<br />
menschenkennis, volstrekt te missen. Men vergelijke ten bewijze slechts wat over de heeren<br />
Jenkins en Racchia eenerzijds door cle heeren Ortt en Birch en anderzijds door den heer Read<br />
is geopineerd. De dunk der eersten was uiterst gunstig, die van onzen consul-generaal<br />
uiterst ongunstig. En wat toont nu de uitkomst ? Immers, dat de Minister zelf zal moeten<br />
toegeven dat op de heeren Jenkins en Racchia niets valt aan te merken, en dat geen dier<br />
beide heeren zich in verkeerde intrigues gemengd heeft. Bewijs te over, dunkt mij , dat de<br />
heer Read zich in zijne diagnose vergist heeft. Dit bespeurt men telkens. De heer Read meent dat<br />
de zaak van den aankoop van een schip door de Atjehsche gezanten slechts een verzinsel<br />
is, en toch verklaart de resident Schiff in zijne missive dat het wel degelijk was gelijk ze<br />
vo<strong>org</strong>aven, de heer Angelbeek de betrokken persoon en zelfs de koopprijs was genoemd.<br />
Dat men op de ligtgeloovigheid van den heer Read speculeerde, blijkt overtuigend uit het<br />
feit, dat men een valschen brief in zijne handen heeft doen komen, met het doel om zijne<br />
ongerustheid nog te verhoogen. En van dien brief erkent de heer Read zelf dat hij onecht was.<br />
Read is nu eenmaal iemand van groote maatregelen. » II faut agir d'un grand coup ",<br />
schreef hij aan Schiff. Hij beeldde zich in dat hij door mauvais intrigants werd beetgenomen,<br />
en zijn idéé fixe is: dat men daartegen ageren moest. Mogt men dan op zulk een<br />
man afgaan, en ware het, ik vraag dit thans Mijnheer de Voorzitter, bij de kennis die<br />
men van den consul-generaal Read moest hebben, bij het uitbreken der verwikkelingen<br />
te Singapore, niet pligt geweest voor den Gouverneur-Generaal om de ingekomen berigten<br />
nader te onderzoeken en wanneer deze nalatig bleef, voor de Nederlandsche Regering, om<br />
naar Indie te schrijven: gebruik Read als opspeurder, laat deze Ariffim als spion gebruiken,<br />
maar zend onverwijld een diplomatiek agent naar Singapore om in loco de zaak gade te<br />
slaan. Vooral had men er een Hollander behooren heen te zenden, want ik acht dat het<br />
alleszins pligt ware geweest niet door een Kngelschman maar door een Hollander bij zoo<br />
zonderlinge verwikkelingen onze belangen te doen verdedigen. Ik heb majoor Studer een<br />
fooi genoemd. De Minister zeide, ja, een fooi, maar in den zin dat hij zich heeft laten beet<br />
nemen. Intusschen, ik heb uit de stukken geciteerd, en de daarin voorkomende woorden<br />
pleiten zeker niet voor de opvatting van den Minister. Daaruit is alleen op temaken dat<br />
Studer iemand was die zich met alles bemoeide, dingen deed die hem niet aangingen en<br />
zich dwaas aanstelde.<br />
Over het gebruiken van Ariffin heeft de Minister van Koloniën gezwegen en dus stilzwijgend<br />
mijne bewering beaamd, dat al gebruikte men hem als spion, controle noodig<br />
ware geweest.<br />
Wat het tractaat betreft, heeft de Minister erkend, dat er reeds een Amerikaansch tractaat<br />
met Broenei bestond. Is het dus nu niet mogelijk dat Ariffin van den inhoud van het<br />
tractaat kennis droeg het naschreef en ons misleid heeft?<br />
Dat Read zelf » geen serieus man was " heb ik niet gezegd, maar beweerd dat het ge-<br />
• beurde te Singapore mij voorkwam niet serieus te zijn. De persoon, het karakter van Read<br />
heb ik buiten spel gelaten. Slechts waagde ik de gissing dat hij, door een idéé fixe gedreven ,<br />
zijne onderhandelingen min serieus maakte en dit meen ik te mogen volhouden. Na al<br />
hetgeen gezegd is, ook na de nadere inlichtingen van den Minister over de pogingen van
71<br />
Amerika staat het bij mij vast dat, zoolang- de onderhandelingen in geene verdere phase<br />
waren getreden, het serieus karakter, dat tot een casus belli leiden kon, er aan ontbrak.<br />
Dit leidt mij van zelf tot het ultimatum. De Minister heeft erkend dat op 22 Maart de<br />
uitingen van Amerika en Italië ten deele nog onzeker, maar toch van dien aard waren dat<br />
op dat oogenblik geen imminent gevaar bestond. Hij liet er dan ook op volgen: » Maar al<br />
hadden we niet meer met Amerika te rekenen, de expeditie moest toch do<strong>org</strong>aan, want er<br />
was verraad en trouweloosheid gepleegd en dit was reden genoeg voor een casus belli ? Dit<br />
begrijp ik niet. Dat satisfactie en opheldering gevraagd moest worden, heb ik gisteren reeds<br />
erkend, maar tusschen het vragen van satisfactie en opheldering aan een inlandsch vorst<br />
en een onverwijlde casus belli, ligt voor mij een onafzienbare afstand. Ik keer dus tot Amerika<br />
en Italië terug.<br />
Agenten dezer Regeringen, ik stem dit toe, hadden zich in dier voege uitgelaten dat wij<br />
althans een oog in 't zeil moesten houden. Maar had men dan, nu de Regeringen deze agenten<br />
desavoueerden, na positie op Atjeh's reede te hebben genomen, niet kunnen afwachten<br />
hoe de zaken liepen? De Gouvernements-commissaris was nog te Poelo Penang. Maar is<br />
dit dan onbereikbaar voor den telegraaph ? En als men op 14 Maart te 's Hage wist dat<br />
de quaestie met Amerika en Italië voor het oogenblik vrij wel geschikt was, welk bezwaar<br />
was er dan om naar Batavia te telegrapheren: » Laat den Gouvernements-commissaris te Penang<br />
blijven, zend een paar schepen naar de reede van Atjeh om er positie te nemen, en naar<br />
gelang de gebeurtenissen zich ontwikkelen en de onderhandelingen loopen, zullen wij berigt<br />
zenden hoe gij te handelen hebt." Maar niets daarvan. Men heeft kortweg aangenomen<br />
dat er een imminente casus belli was, en dit juist acht ik, hoe men de zaak ook keere,<br />
onbewijsbaar.<br />
Mijne stelling uit dien hoofde acht ik voor alsnog onaantastbaar, dat op 26 Maart volstrekt<br />
geen noodzaak bestond om toen reeds den oorlog aan Atjeh te verklaren.<br />
De Minister zelf doet mij hiervoor een bewijs te meer aan. de hand.<br />
Als men begint te onderhandelen met inlandsche vorsten — voerde de Minister mij tegen —<br />
komt men aan geen einde. Zeer juist, maar wat kan ons nopen dat einde te verhaasten?<br />
Men was niet voorbereid ten oorlog en wist dat met een vijand als Atjeh veel werd gewaagd.<br />
Een oogenblik meende men, gedreven door Amerika of Italië, een slag te moeten<br />
slaan die gevaarlijk was. Waarom dan dien slag toch geslagen, nadat dit gevaar was<br />
afgedreven , en waarom niet veeleer gebruik gemaakt van de eigenschap der inlandsche vorsten<br />
om bij manier van gouddraad te trekken, de onderhandelingen zoo lang te rekken, tot wij<br />
versterking van hier konden zenden, en ginds eene voldoende magt aanwezig ware om Atjeh te<br />
imponeren ? Hierop ontving ik geen antwoord, en het kan ook niet gegeven worden, Mijnheer de<br />
Voorzitter. Inderdaad niemand kan aantoonen dat wij iets, ook maar iets hadden verspeeld, zoo de<br />
onderhandelingen slepende waren gehouden ter bereiking van het dubbel doel: 1°. om ons beter<br />
voor te bereiden, maar ook 2°. om beter te onderzoeken wat er van de gansche zaak aan was.<br />
Immers, de Minister zegt zelf dat hij nog geen stukken had, en nog niet bezat dan<br />
telegrammen. Maar moest dat juist niet een prikkel zijn geweest om eerst vollediger berigten<br />
af te wachten, tot men ons uit Batavia op de hoogte had gesteld en de Regering, na<br />
inzage der stukken, in staat ware geweest de verantwoordelijkheid van zoo ernstig besluit te<br />
dragen ? Juist op dat hebben van » niets dan telegrammen" stuit onverbiddelijk elk beweren<br />
af dat het op 22 Maart zou geweest zijn het tempus utïle et necessarium om toen reeds het<br />
ultimatum te zenden. Dit klemt te meer, wijl ik evenmin antwoord ontving op mijn zeer<br />
ernstig bezwaar, dat de bevelen van het Opperbestuur niet werden gehoorzaamd en een ultimatum<br />
van 24 uur in steè van 14 dagen is gesteld. De Minister heeft het feit niet weersproken<br />
, maar evenmin erkend dat het Indisch bestuur verkeerd handelde door af te wijken<br />
van de van hier gegeven bevelen.<br />
Mede geen antwoord werd vernomen op de vraag, waarom de Gouverneur-Generaal in den<br />
Raad van Indie voorstelde het opperkommando der expeditie te geven aan den eersten officier<br />
in rang van dat wapen, dat bij de expeditie de hoofdrol zou vervullen, waaruit toch onweerlegbaar<br />
bleek dat men toen reeds de landing der expeditionaire troepen op het oog had , iets<br />
waardoor het beleid van het Indisch bestuur nog minder verklaarbaar wordt. Nu vraagt de<br />
Minister mij: wat bedoelt gij met uwe motie; waarom stelt gij haar in dien vorm?
72<br />
Ik moet die vraag- reciproceren aan de Regering. Er was door den heer Messchert eene interpellatie<br />
tot de Regering gerigt die niets beoogde dan het verkrijgen van meerder licht over<br />
plannen, de Regering en haar toekomstig beleid. Toen kwam de Regering plotseling met de<br />
stukken voor den dag. "Wat beteekende nu de aanbieding van die stukken ? Wat kon ze anders<br />
bedoelen dan eene uitdaging aan de Kamer: » Gij hebt mij telkens aangevallen en beweerd dat<br />
mijn beleid de Atjehsche quaestie niet geregtvaardigd was. Dusver antwoordde ik, dat ik die<br />
stukken niet kon overleggen; thans bied ik ze u aan, lees ze nu en breng uw oordeel uit. "<br />
Aan die uitdaging wilde ik gehoor geven; door eene beslissing der Kamer uit te lokken. Maar<br />
ik heb geene haast; ik wensch niet de fout te begaan van den heer Nieuwenhuyzen en nu reeds<br />
op een ultimatum, zoo men niet in tempore utili rekent, aan te dringen.<br />
Of ten deze opzigte het oordeel der Kamer over het regeringsbeleid nu of later wordt uitgesproken<br />
, is mijns inziens volkomen onverschillig. Door spoed meende ik alleen der Regering<br />
een dienst te doen, te meer daar ik meende de Kabinetsquaestie niet te moeten stellen, maar dit<br />
overliet aan de Regering.<br />
Het slot van 's Ministers rede maakte echter aan alle onzekerheid te dien opzigte een einde.<br />
Hij zou zich niet aan driejarigen dwangarbeid onderwerpen. Mij zou het aangenamer zijn<br />
geweest, indien de Minister zich minder beslist had uitgelaten. Maar de Regering heeft<br />
zich nu eenmaal zeer pertinent verklaard en als haar meening te kennen gegeven dat, wordt<br />
de motie aangenomen, de Kabinetsquaestie een feit zal zijn. Dit, ik zei het gisteren reeds,<br />
gaat verder dan mijne bedoeling. De Kabinetsquaestie behoeft mijns inziens alleen gesteld<br />
te worden bij het beoordeelen van de plannen voor de toekomst, niet bij het oordeel over<br />
het verleden. Hieruit volgt dat het thans voor mijne motie niet de tempus utile zou zijn.<br />
Immers daardoor zou elk oordeel over het toekomstig beleid worden afgesneden. Hieruit<br />
volgt dat de Kamer thans niet tot een decisie mag komen en besluiten moet de discussie<br />
over het verledene te adjourneren. Ik gevoel echter dat het zeer moeijelijk is de Kamer tot<br />
zoodanig besluit te leiden. En het behoeft ook niet, want ik heb het zelf in mijne magt<br />
om naderhand , nadat eerst de quaestie over het regeringsbeleid voor de toekomst zal zijn<br />
uitgemaakt, alsnog een oordeel over het verleden uit lokken, wat thans door de Regering<br />
zelve ontraden wordt. Ik zeg dit niet als of ik in de houding van den Minister van Koloniën<br />
eenige wending meen te bespeuren , maar wijl hij zelf heeft verklaard dat hij, aan deze zijde<br />
gezeten, niet tot het indienen eener motie zou gekomen zijn. Hiermeê vervalt ze voor het<br />
oogenblik ; te meer, wijl men na het stellen der Kabinetsquaestie, zulk eene motie niet<br />
anders dan in openbaar debat zou kunnen bespreken, terwijl mijne bedoeling was ze in<br />
stemming te brengen in comité-generaal. Gedoogt nu die usantie van de Kamer dit niet,<br />
dan zal ik mij wel wachten den schijn aan te nemen, als of ik binnenskamers een vonnis<br />
wilde vellen, dat ik schroomen zou voor het publiek uit te spreken. Zoo iemand dan ben<br />
ik een vijand van mysteriën op staatkundig terrein ; ik zal daarom het eenige doen wat mij,<br />
na het stellen der Kabinetsquaestie , rest: mijne motie voor mijzelven adjourneren en haar voor<br />
't oogenblik terugnemen in afwachting van den uitslag waartoe 't debat over de interpellatie-<br />
Messchert zal leiden. Daarvan zal het afhangen, mijns inziens, of het reeds terstond of<br />
eerst bij eene nieuwe phase van de Atjehsche quaestie het tempus utile zal wezen om te komen<br />
tot datgeen, waartoe de Regering zelve door de aanbieding der stukken de Kamer feitelijk<br />
heeft uitgenoodigd.<br />
De heer Bredius: Ik heb het woord gevraagd voor eene eenvoudige motie van orde, vooral<br />
met het oog op die, welke was vo<strong>org</strong>esteld, maar nu is ingetrokken. Over die intrekking betuig<br />
ik mijn leedwezen, omdat ik meende dat door eene stemming daarover de Atjehsche quaestie<br />
beslist zou worden, zoodat men niet telkens weder op dat punt terug behoefde te komen en weder<br />
het verschijnsel te zien dat men om de zaak heen draait zonder dat men het punt in quaestie zelf<br />
durft te stellen, maar om, even als eene mot, om de kaars heen fladdert, op het gevaar af van,<br />
even als deze de vlerken, zich telkens de vingers te branden. Dit neemt niet weg dat ik wensch<br />
. eene motie van orde voor te stellen, de strekking hebbende om de zitting met gesloten deuren<br />
op te heffen en over te gaan tot het openbaar debat. Het komt mij voor dat de geheime stukken,<br />
of de zaken die geheim moeten blijven, genoeg over en weèr zijn behandeld, zoodat al de leden<br />
van de Kamer ten volle in de gelegenheid geweest zijn om daaromtrent zich eene overtuiging te
73<br />
vestigen. Diegenen der leden; die daaromtrent nog geen overtuiging hebben, zullen die wel<br />
nooit krijgen al bleven wij nog 10 dagen discussieren. Wanneer wij overgaan tot de behandeling<br />
in het openbaar zullen wij zeer goed onze overtuiging kunnen uitspreken al is die ook gebaseerd<br />
op de geheime stukken, zonder ze te vermelden, of zonder er zelfs met een enkel woord van te<br />
reppen. Wanneer een onzer zegt: dit of dat is mijne overtuiging, dan weet ieder ander lid genoegzaam<br />
waaruit zij geput is, zonder dat het vermeld worde.<br />
. Ik stel dus als motie van orde voor, dat de zitting met gesloten deuren zal worden opgeheven<br />
en het verdere debat zal gevoerd worden in openbare zitting.<br />
De Voorzitter: door den heer Bredius is vo<strong>org</strong>esteld de zitting met gesloten deuren op<br />
te heffen en het verdere debat te voeren in het openbaar, dus om te sluiten de beraadslaging<br />
over de geheime stukken, door de Regering overgelegd; ik heb op dat woord sluiten gedrukt,<br />
omdat ik dacht dat het in de bedoeling van den geachten voorsteller lag, hoewel<br />
cle heer Bredius het niet duidelijk gezegd heeft.<br />
De motie van orde van den heer Bredius wordt door verschillende leden ondersteund, en<br />
maakt mitsdien een onderwerp van beraadslaging uit.<br />
De heer van Lijnden van $andenburg: Indien het inderdaad cle wensch der Kamer<br />
is thans het comité-generaal op te heffen, dat wil zeggen het debat te sluiten over de geheime<br />
stukken, het is mij wel en ik zal er mij stilzwijgend aan onderwerpen, maar het<br />
gevolg daarvan zal zijn, dat het debat op eenen anderen tijd weder zal moeten worden<br />
opgevat. Dat zal nu misschien toch wel het geval zijn bij het kennelijk doel dat dezerzijds<br />
geopenbaard is om thans geen quaestien in het leven te roepen, die het Ministerie welligt<br />
tot aftreden zouden kunnen nopen; maar wanneer nu het debat gesloten wordt in geheim<br />
comité, dan is de weg afgesneden om te antwoorden op.de rede van den Minister van<br />
Koloniën van heden m<strong>org</strong>en, die alleen uit de geheime stukken kan beantwoord worden.<br />
Ik had mij vo<strong>org</strong>enomen daartoe met een enkel woord over de telegrammen te spreken,<br />
in de openbaarmaking waarvan van Regeringswege bezwaar bestaat en waarover in publieke<br />
zitting dus niet gesproken kan worden.<br />
Wordt thans het debat in comité-generaal gesloten, dan wensch ik alleen te constateren<br />
dat daaruit geene conclusie getrokken werd tegen het onbeantwoord blijven van de rede<br />
van den Minister van Koloniën.<br />
De heer lïaffmans: Ik geloof dat de bedoeling van den geachten voorsteller van de<br />
motie niet dezelfde is als de uwe, Mijnheer de Voorzitter.<br />
Volgens u zou het in den vervolge niet meer geoorloofd zijn over het verledene te spreken<br />
, terwijl het toch de bedoeling van de vergadering geweest is om niet alleen in het<br />
geheim, maar ook met open deuren over het verleden en de overgelegde stukken te spreken.<br />
Daarom zal ik mij tegen uw voorstel verklaren, Mijnheer de Voorzitter, wanneer gij<br />
door het sluiten van het debat bedoelt dat niet meer over het verledene in publieke zitting<br />
mag gesproken worden.<br />
De Voorzitter: Ik doe den heer Haffmans opmerken dat zonder den minsten twijfel,<br />
wanneer de beraadslaging hier gesloten wordt, in de termen door den heer Bredius aangegeven<br />
, door mij niet kan worden toegelaten dat in de openbare zitting terug gekomen<br />
worden op overgelegde geheime stukken. Wil de Kamer hierop later terug komen — en<br />
dit strekke tevens als antwoord aan den heer van Lynden, dan kan een afzonderlijk voorstel<br />
gedaan worden, of op nieuw verlof aan de Kamer worden gevraagd en naar aanleiding<br />
daarvan de beslaging worden hervat.<br />
Maar thans, eenmaal gesloten zijnde, zal ik niet bij magte zijn, om, tegenover de uitdrukkelijke<br />
verklaring der Regering dat de stukken onder geheimhouding worden overgegelegd<br />
de bespreking daarvan in eene openbare vergadering toe te laten.<br />
De heer van Zuylen van HTyevelt: Ik geloof dat wij in deze moeten onderscheiden.<br />
Mijnheer de Voorzitter , ik beaam volkomen hetgeen door u is gezegd omtrent de geheim-<br />
19
74<br />
houding van geheim overgelegde stukken. Maar dat sluit volstrekt niet uit dat men geene<br />
aanmerkingen zou kunnen maken over de zaken die in die stukken' vermeld worden. Dit<br />
is ook door den vorigen geachten spreker gezegd, die zeide, dat wij niet over de stukken<br />
zullen spreken , maar dat iedereen begrijpen zal dat bij die zijne meening te kennen geeft,<br />
deze geput zal hebben uit die stukken. Ik meen dus, Mijnheer de Voorzitter, dat dit in<br />
overeenstemming is met hetgeen door u in den aanvang der discussie werd gezegd, namelijk<br />
dat twee punten, het verleden en de toekomst tegelijk moeten behandeld worden, ofschoon<br />
dit destijds eenigzins in strijd was met mijne meening. Maar uit het besluit dat in comitégeneraal<br />
èn verleden èn toekomst zullen behandeld worden vloeit voort dat die in de openbare<br />
zitting ook niet gescheiden behooren te worden, anders had men zich in comité-generaal<br />
tot het verleden moeten bepalen.<br />
De Voorzitter: Het komt mij voor dat eene behandeling der zaak zoo als de heer<br />
van Zuylen dit wenscht in strijd is met de uitdrukkelijk door de Regering gestelde voorwaarde<br />
van geheimhouding.<br />
Ik zou niet kunnen toelaten dat men, zonder zich op de stukken te beroepen, deze toch<br />
zóó besprak, dat ieder kon voelen dat men dit deed.<br />
De heer Fransen van de Putte: Mijnheer de Voorzitter! Het verwondert mij dat éen<br />
oud-lid en gewezen Minister, die zelf wel stukken heeft overgelegd, eene dergelijke leer<br />
predikt, geheel in strijd met de parlementaire usances in alle landen der wereld; en wat<br />
ook hier niet gebeurd is met de overlegging van de stukken over de Oosterschelde. Zulks<br />
is nimmer gebeurd.<br />
De Regering moet zich ten sterkste verzetten tegen zulk eene handeling der Vergadering;<br />
zij is dus bereid, als de Kamer het verlangt, om de discussie in comité-generaal voort te zetten.<br />
De heer van Zuylen van Wyevelt: Ik meende het ministerieel standpunt te verdedigen;<br />
het standpunt, dat de stukken aan de Kamer in 't geheim medegedeeld, geheim<br />
moeten Mijven.<br />
Maar wat zou het gevolg zijn van het systeem dat door den Minister wordt verdedigd,<br />
dat, en dit kan zijne intentie niet wezen, ons de mond gestopt wordt over alles wat in<br />
de stukken staat, en^wat wij ook uit andere omstandigheden kunnen weten. Elke discussie<br />
zou dan onmogelijk worden, indien er over die zaak een geheim stuk was medegedeeld.<br />
Ik meen dus dat er geen anderen weg overblijft dan ons te onthouden van de vermelding<br />
der stukken en alleen te spreken over de zaken.<br />
De heer Happeyne van de Coppello: Mijnheer de Voorzitter! Helder is de loop<br />
der discussie mij niet. Misschien is het mij ontgaan, maar ik moet vragen of art. 115<br />
Reglement van Orde , geen geheimhouding oplegt omtrent hetgeen in deze Vergadering met<br />
gesloten deuren is vo<strong>org</strong>evallen.<br />
Ik meen dat het besluit nog niet genomen is bij dat artikel bedoeld. Misschien echter<br />
bedrieg ik mij.<br />
De Voorzitter : Ik zou vo<strong>org</strong>esteld hebben dit besluit te nemen vóór het eindigen van<br />
het comité-generaal, zoo als dit altijd gebruikelijk is; anders toch zouden de latere handelingen<br />
in comité-generaal niet vallen onder dat besluit.<br />
De heer Happeyne van de Coppello: Derhalve wanneer mijne stelling juist is, dat<br />
het comité-generaal eindigt met dat besluit, dan volgt daaruit van zelf, dat men in de<br />
openbare beraadslaging niet kan terug komen op hetgeen hier behandeld is en waaromtrent<br />
geheimhouding is opgelegd.<br />
Wat de stukken betreft, daar zij door de Regering medegedeeld zijn, alleen onder voorwaarde<br />
van geheimhouding, kan daarop, dat spreekt van zelf, in de openbare discussie<br />
geen beroep worden gedaan. Deze twee punten moeten dus vaststaan.<br />
Maar wanneer straks in de openbare vergadering wordt besproken cle zaak van Atjeh
75<br />
met het oog- op algemeen erkende feiten en uit het algemeen oogpunt, dan spreekt het<br />
van zelf, dat men wel degelijk een besluit zal kunnen nemen omtrent de algemeene politiek<br />
der Regering. Alleen zal men niet meer kunnen disputeren over feiten, die slechts<br />
bekend zijn uit mededeelingen gedaan in comité-generaal.<br />
Ongetwijfeld zal het moeijelijk zijn voor leden, die aan de openbare discussie deelnemen,<br />
omdat altijd te schiften; die zullen daarbij grootelijks moeten gebruiken eene. soort van<br />
diplomatieke discretie, maar dat is zeer zeker het best gedemandeerd aan den geachten<br />
afgevaardigde uit Arnhem; ik ben overtuigd dat hij ons het voorbeeld zal geven hoe men<br />
dergelijke discussie in vinculis voeren kan.<br />
Maar wanneer thans een der leden beweert, dat hij in comité-generaal wil antwoorden op<br />
de redevoering van den Minister, zou ik persoonlijk geneigd zijn hem dat toe te staan,<br />
maar in het algemeen, dunkt mij, moet er toch een einde aan de discussie in comitégeneraal<br />
komen. Wij zijn reeds drie dagen bezig. Wanneer men nu weder op de redevoeringen<br />
der Ministers wil antwoorden en daarop volgen re- en duplieken, dan zal er nooit een<br />
einde aan het comité-generaal komen, zonder dat dit strekken zal om meer licht te verschaffen<br />
aan de Kamer dan zij werkelijk nu reeds heeft of om de openbaré beraadslaging<br />
beter voor te bereiden.<br />
Ik geloof dus dat de Kamer eenig regt heeft om van hare leden te vorderen, dat ze<br />
niet al te veel spreken en al te welsprekend zijn, en dat deze Vergadering derhalve het regt<br />
heeft om eene motie van orde aan te nemen zoo als is vo<strong>org</strong>esteld; ik meen dat wanneer<br />
de groote meerderheid begrijpt dat er nu lang genoeg in comité-generaal beraadslaagd is, dan<br />
zij die in de geheime vergadering nog redevoeringen zouden willen houden zich moeten opofferen<br />
, toegeven aan het verlangen van velen, dat in eenig verband staat met het oordeel,<br />
buiten deze Kamer over dergelijk geheimhouding, iets dat billijkerwijze behoort mede te<br />
werken om de vo<strong>org</strong>estelde motie te regtvaardigen.<br />
De heer Haffmans: Ik weet niet hoe ik het thans met den Minister van Koloniën<br />
heb. Gisteren was hij in 't geheel niet bevreesd voor openbare beraadslaging, in tegenstelling<br />
met den heer Voorzitter die altijd tegen openbare beraadslaging gestemd was.<br />
Gisteren nog, de heeren zullen het zich herinneren, zeide de Minister, dat hij de geheime<br />
discussie tot een minimum wilde beperken, tot het allernoodzakelijkste. Nu zal er in het<br />
geheel geen openbare discussie plaats hebben over de overgelegde stukken. Ik begrijp die<br />
plotselinge verandering van houding niet. Gisteren sprak de Minister gansch anders; hij<br />
nam het zelfs kwalijk dat men zeide dat hij het comité-generaal geprovoceerd had en thans<br />
mogen wij volgens den Minister niet anders dan in comité-generaal discuteren.<br />
Overigens moet ik nog herinneren, wat de orde betreft, dat wij het besluit genomen<br />
hebben om het debat over de overgelegde stukken en over de interpellatie te vereenigen.<br />
Dat besluit bestaat op het oogenblik nog, en wanneer deze twee zaken nu weêr zullen<br />
gescheiden worden, zoo als, Mijnheer de Voorzitter, uw voorstel op het oogenblik is, moeten<br />
wij een besluit nemen om dat eerste te vernietigen. Ik geloof dat dit punt wel in aanmerking<br />
mag worden genomen.<br />
De Voorzitter: Ik herinner dat ik geen voorstel gedaan heb, maar dat het voorstel<br />
van den heer Bredius is uitgegaan.<br />
De heer Godefroi: Ik wensch te wijzen op eene praktische zijde van het vraagstuk<br />
dat de Kamer bezig houdt. Ik moet vragen of het mogelijk zal zijn in eene publieke zitting<br />
te spreken over de regtmatigheid van den oorlog zonder argumenten te bezigen, die slechts<br />
kunnen nederkomen op het verkondigen van halve waarheden, argumenten dus die geen<br />
verstandig man zal willen gebruiken, want met die halve waarheden zal men, van welke<br />
zijde ook, het publiek duperen als men zich daarmede in het openbaar debat moet behelpen.<br />
Ik heb mij vo<strong>org</strong>esteld, dat het debat in publieke zitting uitsluitend zal moeten loopen<br />
over de yragen van ons geacht medelid uit Utrecht, die het onderwerp der interpellatie<br />
hebben uitgemaakt, en dat men bij het debatteren over die vragen zal kunnen gebruik<br />
maken van de stukken die overgelegd zijn, zonder aan de voorwaarde van geheimhouding
76<br />
onderworpen te wezen. Maar ik kan mij niet voorstellen, dat, wil men de zaak in haren<br />
geheelen omvang behandelen, wij een serieus publiek debat kunnen hebben, zonder dat<br />
men gebruik maakt van de geheime stukken.<br />
Maar daarom ook, wanneer in het publiek debat gesproken zal worden over de regtmatigheid<br />
van den oorlog, zullen degenen), die van oordeel zijn dat men daaromtrent, moet<br />
hun geheim bewaard blijven, niet anders dan halve waarheden zeggen kan , daartegen<br />
moeten opkomen.<br />
De heer Haftmans , voor de derde maal het woord bekomen hebbende, zegt: Nu geloof<br />
ik toch, dat de geachte laatste spreker, eergisteren niet in de Kamer tegenwoordig geweest<br />
is of dat hij het besluit niet gehoord heeft dat wij toen genomen hebben. Men zal<br />
zich herinneren dat wij volgens het voorstel van den heer van Houten besloten hebben om<br />
discussien aan te vangen in comité-generaal. Zij zullen dus in het publiek voortgezet worden;<br />
anders hadden wij niet behoeven te spreken van: aanvangen.<br />
De heer Bredius: De argumenten door den spreker uit Amsterdam gebezigd, zijn<br />
juist argumenten waarom ik de motie heb vo<strong>org</strong>esteld. Ik heb het gedaan, niet om het<br />
debat over de regtvaardigheid van den oorlog in openbare vergadering voor te zetten, maar<br />
opdat aan dat debat eenmaal een einde zou komen. Men heeft wel beweerd in deze geheime<br />
zitting, dat de groote meerderheid der Kamer het beleid der Regering af keurt; maar<br />
men heeft er zich toch niet aan gewaagd, dit door de Kamer bij stemming te laten uitmaken.<br />
Dit heeft mij herinnerd aan een voorval dat ik eens heb bijgewoond. Twee jongens<br />
hadden met elkander eene woordenwisseling, waarbij de kleinste den grootsten met een pak<br />
slaag bedreigde, maar dadelijk, nadat hij deze bedreiging uitgesproken had, zich omkeerde<br />
en hard wegliep. Daaraan werd ik herinnerd, want iets anders is het niet, wanneer men<br />
zoo iets beweert zonder dat men er eenig bewijs van heeft en dit zelfs niet durft aanbieden.<br />
Nu dunkt mij, dat, als men in de phase geraakt dat het altijd bij woorden blijft en men<br />
tot geene decisie komt, het beter is dat aan het debat een einde worde gemaakt, dan dat<br />
het nutteloos en eindeloos zonder resultaat wordt voortgezet. Daarom juist heb ik vo<strong>org</strong>esteld<br />
de geheime zitting op te heffen en over te gaan tot eene openbare zitting, waarin<br />
bepaaldelijk zal worden behandeld de interpellatie van den heer Messchert van Vollenhoven,<br />
die tot dit debat aanleiding heeft gegeven.<br />
De Voorzitter: Ik stel voor de beraadslaging te sluiten en over te gaan tot stemming<br />
over de motie van den heer Bredius, daartoe strekkende, dat de Kamer besluite dat het<br />
comité-generaal zal worden opgeheven, dat zal worden gesloten de beraadslaging over de<br />
interpellatie van den heer Messchert van Vollenhoven, gezamenlijk met die over de van Regeringswege<br />
overgelegde stukken en dat daarna in openbare zitting • zal worden hervat de<br />
beraadslaging over genoemde interpellatie.<br />
Vermits echter, naar ik verneem, aan de juistheid mijner opvatting getwijfeld wordt,<br />
verzoek ik den heer Bredius te willen zeggen of ik zijne meening al dan niet juist heb'<br />
teruggegeven.<br />
De heer Bredius: Volkomen juist, Mijnheer de Voorzitter.<br />
De Voorzitter: Daar het nu blijkt, dat ik de bedoeling van den heer Bredius goed heb<br />
gevat, stel ik voor de beraadslaging te sluiten en over de motie van dat lid te stemmen.<br />
Dienovereenkomstig wordt besloten.<br />
De motie van den heer Bredius in stemming gebragt, wordt met 36 tegen 32 stemmen<br />
verworpen.<br />
Tegen hebben gestemd de heeren van Wassenaer van Catwijck, Smidt, van Kerkwijk,<br />
van Eek, deBruynKops, van Nispen van Sevenaer, vanKuyk, Stieltjes, Moens, Mackay,<br />
van Lynden van Sandenburg, Idzerda, de Roo van Alderwereldt, lnsinger, Hingst, Kerens<br />
de Wijlré, Teding van Berkhout, van Loon, van der Does de Willebois, Schimmelpenninck<br />
v
77<br />
van der Oije , van Harinxma thoe Slooten , Smitz , Arnoldts, Heydenrijck , van Eeenen ,<br />
Bergsma, Tak, Lambrechtsen, Schimmelpenninck, C. van Nispen, Nierstrasz, vanForeest,<br />
Saaymans Vader, Mees, Haffmans en Wintgens.<br />
Foor hebben gestemd de heeren van Wybenga , Kappeyne van de Coppello, Blussé,<br />
Sandberg, Brouwer, Bredius, cle Jong, Cremers, Rombach, van den Berch van Heemstede,<br />
van Akerlaken, van Houten, Gevers Deynoot, Lenting, Dam, Oldenhuis Gratama,<br />
Kuyper, Jonckbloet, Mirandolle , van Zuylen van Nyevelt, Blom , Luyben , Fabius, de Bieberstein<br />
, Begram , Godefroi, 's Jacob, Viruly Verbrugge, de Ruyterj Zylker , Rutgers van<br />
Rozenburg, cle Lange en de Voorzitter.<br />
Bij deze stemming waren cle heeren Kien en Storm van 'sGravesande afwezig.<br />
De heer Haffmans: Ik stel als motie van orde voor dat de Kamer besluite: de zitting<br />
met gesloten deuren op te heffen en de beraadslaging in openbare zitting voort te zetten.<br />
De heer''Fransen van de Putte, Minister van Koloniën: Ik geloof dat na hetgeen de<br />
heer Kappeyne en ook de heer van Zuylen gezegd hebben het duidelijk is dat men in de<br />
openbare zitting niet kan spreken over de stukken; die] onder geheimhouding aan de Kamer<br />
zijn overgelegd.<br />
De Voorzitter : De heer Haffmans stelt voor de zitting met gesloten deuren op te heffen<br />
en de beraadslaging in openbare zitting voort te zetten ; dat is dus de beraadslaging over de<br />
interpellatie van den heer Messchert van Vollenhoven en over de door de Regering overgelegde<br />
stukken.<br />
De heer Ciericke van Herwijnen, Minister van Buitenlandsche Zaken: Wanneer dit de<br />
bedoeling is der motie moet ik mij daartegen ten stelligste verzetten. Het kan nooit de bedoeling<br />
der Kamer geweest zijn de discussie over de onder geheimhouding overgelegde stukken<br />
in het openbaar voort te zetten. Vroeger heb ik mij ten sterkste verzet tegen de mededeeling<br />
der stukken. Ik geloof dat de Regering de verantwoordelijkheid heeft voor de betrekkingen<br />
met buitenlandsche Mogendheden, en dat zij daarom ook het regt heeft te beoordeelen welke<br />
omstandigheden die betrekkingen kunnen in gevaar brengen. Ik verzoek dus ten stelligste<br />
dat althans over de stukken die de betrekkingen met het buitenland betreffen, niet in<br />
openbare zitting zal gesproken worden.<br />
De heer Haffmans: Mijne motie zegt niet dat wij over de geheime stukken in openbare<br />
zitting zouden kunnen spreken.<br />
De Voorzitter: Ik heb herinnerd aan het besluit van Donderdag met 62 tegen 3 stemmen<br />
genomen. De voorsteller der tegenwoordige motie behoorde onder de 62 voorstemmende<br />
leden. Toen is besloten dat in comité-generaal behandeld zou worden de interpellatie van<br />
den heer Messchert van Vollenhoven en te gelijk die over cle door de Regering overgelegde<br />
stukken. Wanneer men nu voorstelt het comité-generaal op te heffen en de beraadslaging<br />
m openbare zitting voort te zetten, dan kan ik dit voorstel niet anders opvatten dan dat<br />
men wenscht hervatting der discussie over de interpellatie en over de overgelegde stukken<br />
in openbare zitting. Zoo men ten opzigte der overgelegde stukken reserves verlangt, moet<br />
men dit voorstellen.<br />
De heer van Houten: Nu door u, Mijnheer de Voorzitter, wordt herinnerd aan de discussie<br />
, die Donderdag tusschen u en mij plaats had, reken ik mij verpligt te zeggen dat<br />
mdien ik van u had verstaan, wat door u volgens het gisteren ontvangen Bijblad is gezegd<br />
ik mij er geenszins mede zou hebben vereenigd. Daaruit toch zou volgen wat de heer van<br />
Zuylen opmerkte, dat, omdat er geheime stukken te onzer kennis zijn gebragt, wij nooit<br />
meer m het openbaar over de Atjehsche zaak zouden kunnen spreken. Mijne bedoeling was<br />
20
78<br />
toen dat in comité-generaal alleen zou worden besproken do inhoud der geheime stukken<br />
of wat bepaald een beroep daarop noodig maakt. Daarop werd door u, naar ik meende,<br />
geantwoord, dat gij van dezelfde meening waart, maar dat het u onmogelijk was alleen<br />
over de overgelegde stukken te doen beraadslagen , en dat daarom de stukken en de interpellatie<br />
bij elkander behoorden,<br />
Het kan echter uwe meening niet zijn geweest, dat men , in de openbare zitting beraadslagende<br />
over de interpellatie-Messchert, niet meer zou mogen spreken over de Atjehsche<br />
aangelegenheid in haar geheel.<br />
Zoo even heb ik dan ook de motie van den heer Bredius ondersteund in het vertrouwen,<br />
dat uwe magt niet gaat boven het Reglement van Orde, waarin ik een waarb<strong>org</strong> vind dat<br />
als men niet geheel van het aan de orde zijnde onderwerp afwijkt, men door u niet tot<br />
de orde kan worden geroepen.<br />
Voor de leden die het comité-generaal wenschen te sluiten, tot welke ik behoor, is de<br />
motie van den heer Haffmans aannemelijk, zoo daaraan wierd toegevoegd het door den<br />
Minister van Buitenlandsche Zaken in het midden gebragte. Is mijne herinnering juist,<br />
dan is ook na de overlegging [der geheime stukken betreffende de Oosterschelde de beraadslaging<br />
voortgezet in het openbaar, met de reserve dat men daarin niet over die stukken zou spreken.<br />
De heer Nierstrasz: Wordt nu besloten tot opheffing van het comité-generaal zonder<br />
meer, dan zullen wij komen tot de openbare zitting, waarin zal kunnen worden besproken<br />
wat naar de meening van den Voorzitter daarvoor vatbaar is. Een ander middel ware , als de<br />
heer Haffmans zijne motie wilde wijzigen door bijvoeging van : voortzetting der beraadslaging,<br />
met uitzondering natuurlijk van de bespreking der geheime stukken.<br />
De heer Haffmans: Dit heb ik reeds uitdrukkelijk verklaard: het is geenszins mijne<br />
bedoeling dat wij in het openbaar over de geheime stukken zouden spreken. Ik wensch<br />
alleen dat niet worde afgesneden over de niet geheime stukken in het publiek te spreken.<br />
Ware de motie van den heer Bredius aangenomen, dan zou dit het geval geweest zijn, en<br />
dit wil ik beletten. Ik ben echter bereid mijne motie in den aangegeven zin te wijzigen,<br />
en te verklaren dat natuurlijk de geheime stukken uitgesloten zijn van eene bespreking in<br />
bet openbaar.<br />
De gewijzigde motie van den heer Haffmans luidt thans: » om de zitting met gesloten<br />
deuren op te heffen en de beraadslaging in openbare vergadering voort te zetten met eerbiediging<br />
van het opgelegd geheim.<br />
De heer de Biebersteln: Mijnheer de Voorzitter! Door het afstemmen van de motie-<br />
Bredius heeft de heer van Lynden van Sandenburg het regt erlangd om de beraadslaging<br />
in geheime zitting te doen voortgaan, en dit wordt dien geachten spreker nu door de vo<strong>org</strong>estelde<br />
motie van den heer Haffmans ontnomen, ik zal dus tegen de motie stemmen.<br />
De beraadslaging wordt gesloten.<br />
De Voorzitter: Ik doe opmerken dat, even als bij motien van orde tot sluiting der<br />
beraadslagingen de Regering in de gelegenheid moet gesteld worden om voor het werkelijk<br />
sluiten der beraadslaging de redevoeringen te beantwoorden, die nog onbeantwoord waren,<br />
ook nu bij de mogelijke opheffing van het comité-generaal, alvorens daartoe werkelijk wordt<br />
overgegaan, aan de Regering de gelegenheid moet gegeven worden om nog te antwoorden<br />
op de redevoeringen welke heden zijn uitgesproken na de rede van de Ministers.<br />
Onder dat voorbehoud wordt de motie van den heer Haffmans in stemming gebragt.<br />
De motie van den heer Haffmans wordt in hoofdelijke stemming gebragt, met 36 tegen<br />
30 stemmen verworpen.<br />
Voor stemmen de heeren Mackay , Bredius, de Roo van Alderwerelt, Cremers, lnsinger,<br />
Kerens cle Wijlró, van den Berch van Heemstede, van Akerlaken, van Houten, van der<br />
Does de Willebóis, Gevers Deynoot, Smits, Arnoldts, van Zuylen , Bergsma, Lambrechts,
79<br />
Schimmelpenninck, Luyben, Fabius, Begram, Nierstrasz, s'Jacob, Viruly, Haffmans, de<br />
Buyter Zylker, Rutgers van Rozenburg, Blussé, van Kuyk, Stieltjes en de Voorzitter.<br />
Afwezig waren de heeren Kuyper, Kien, Storm van 's Gravesande en Wybenga.<br />
De Voorzitter : Wegens het ver gevorderde uur stel ik voor de verdere beraadslagingen<br />
m comité-generaal te verdagen tot aanstaanden Maandag ten 11 ure.<br />
Dienovereenkomstig wordt besloten.
80<br />
ZITTING MET GESLOTEN DEUREN.<br />
SO April 1874.<br />
Voorzitter : de heer Dullert.<br />
Tegenwoordig, met de Voorzitter, 67 leden, te weten de heeren:<br />
Schimmelpenninck van der Oije, de Bruyn Kops, de Jong, Fabius, van Lynden van<br />
Sandenburg, van Zuylen van Nijevelt, van Kerkwijk, Bichon van IJsselmonde, Brouwer,<br />
van Akerlaken , lnsinger , van den Berch van Heemstede, Rombach, Hingst, de Bieberstein,<br />
Idzerda, Kerens de Wijlre , Nierstrasz, van Kuyk, Heydenrijck , Cremers, Smitz , Kuyper,<br />
Mirandolle, Lambrecht, Oldenhuis Gratama, Gevers Deynoot, van der Does de "Willebois,<br />
van Loon , Saaymans Vader , Schimmelpenninck , Dam , Luyben , van Nispen van Sevenaer,<br />
Sandberg , Haffmans , van Reenen , Mackay , Lenting , Godefroi, Jonckbloet, Bergsma ,<br />
van Zinnincq Bergman, de Roo van Alderwerelt, Blom, Teding van Berkhout, Tak,<br />
van Wassenaer van Katwijck, de Lange, C. van Nispen tot Sevenaer, Mees , Wintgens,<br />
Viruly Verbrugge , Arnoldts, Stieltjes , Blussé , Cappijne van de Coppello , Smidt, Jacob ,<br />
Begram , de Ruiter Zylker, Storm van ' Gravesande, Kien , Moens, van Eek en van Houten ;<br />
en al de heeren Ministers.<br />
Voortzetting der beraadslaging over de INTERPELLATIE VAN DEN HEEK MESSCHERT VAN<br />
VOLLBNHOVEN EN DE VAN REGERINGSWEGE OVERGELEGDE STUKKEN.<br />
De heer van Lynden van Sandenburg: Indien de Kamer thans van mij eene breedvoerige<br />
tegenspraak verwacht te hooren van de redevoering door den Minister van Koloniën<br />
gehouden, dan zal zij in die verwachting, ik zeg niet teleurgesteld worden, want ik geloof<br />
dat iedereen naar de opheffing van het comité-generaal verlangt, maar zal daaraan toch niet<br />
voldaan worden.<br />
Ware toch door den geachten afgevaardigde uit Dordrecht Zaturdag 11. geene motie vo<strong>org</strong>esteld,<br />
waarover bijna een uur gesproken is, dan zou ik slechts voor eenigeoogenblikken<br />
de aandacht der Kamer gevraagd hebben; en ofschoon nu sedert een dag is verloopen, ben<br />
ik nog niet van gedachte veranderd en wensch ik mij ook nu te bepalen tot de enkele<br />
opmerkingen die ik Zaturdag had willen maken en mij alzoo voornamelijk hieraan te houden,<br />
dat ik zooveel mogelijk vermijd iets te zeggen wat in publieke zitting gezegd kan worden ,<br />
en voorts alleen bij de door mij bedoelde opmerking te rade ga, met mijne herinnering van<br />
Zaturdag 11.<br />
Hoezeer ik had gewenscht in comité-generaal geheel te zwijgen, toch is mij dit onmogelijk,<br />
omdat het weinige wat ik te zeggen heb ontleend is aan de stukken, met name aan de telegrammen<br />
waarvan wij in publieke zitting niet mogen gewagen en ook omdat het mij niet<br />
te doen is — en het gevaar in publieke zitting daartoe grooter wordt .— om de Regering<br />
zoo als herhaaldelijk is gezegd op dit oogenblik te bemoeijelijken door retrospective beschouwingen,<br />
die daarenboven, afgescheiden van de quaestie van vertrouwen, die ik op ditoogenblik<br />
het plan niet heb te stellen, bij deze gelegenheid geen praktisch nut zouden hebben.<br />
Schitterend voorwaar, gaarne doe ik daaraan hulde, was cle uitvoerige rede Zaturdag door<br />
den Minister van Koloniën gehouden, ter beantwoording der gemaakte opmerkingen; maar<br />
hoe daarmede ook betrekkelijk ingenomen en erkennende dat zij in weinig opzigt boven mijn<br />
lof moge verheven zijn, mag ik toch niet nalaten het koele verstand te raadplegen en die<br />
rede aan kritiek, waartoe zij zooveel stof geeft, te onderwerpen.<br />
En dan moet ik zeggen dat ik mij verbaasd heb over eenige stellingen door den Minister<br />
verkondigd, zoozeer, dat ik bijna geneigd zou zijn om te vragen wat de Minister wel eens<br />
gevraagd heeft met betrekking tot andere redevoeringen: was zij wel inderdaad serieus?<br />
Van de quaestie der overlegging van de stukken onder geheimhouding, wil ik de Regering<br />
geen grief maken. Ik hecht daaraan weinig waarde. Ik waardeer zelfs dat de Regering zoo<br />
streng vasthoudt aan de voorwaarde van geheimhouding, uit vrees — in zoover dit hare<br />
bedoeling is — dat uit het openbaar maken, de handelingen der Regering naar buiten af<br />
in een voor haar minder gunstig daglicht zouden worden gekend en op de door haar ge-
81<br />
wenschte waarde gesteld. Daarenboven beb ik nooit sterk aangedrongen op bet openbaar<br />
maken van stukken die internationale betrekkingen betroffen; en zelfs beb ik de Regering<br />
niet te hard gevallen, wanneer reeds sedert lang toegezegde stukken achterwege bleven.<br />
Ik herinner slechts aan de stukken die door mij den Minister van Buitenlandsche Zaken<br />
gevraagd zijn met betrekking tot de overgave van de kust van Guinea aan Engeland, en<br />
waarvan de overlegging is toegezegd, maar niet geschied.<br />
Ik neem dus aan en eerbiedig het bezwaar dat de Regering ten deze meent te moeten<br />
maken, waardoor wij evenwel in het uitspreken van ons oordeel in zeker opzigt zijn gebonden.<br />
Zoo als de Minister van Koloniën toch zelf gezegd heeft, moet het geheim der<br />
stukken ons van zelf terughouden van het uitspreken van een oordeel in de openbare zitting.<br />
Maar nu moet ik toch herhalen wat ik reeds deed opmerken in mijne eerste rede in comitégeneraal<br />
— en de Minister niet kon weêrspreken —• dat de Regering weinig blijk heeft<br />
gegeven van zucht om het gemeen overleg te bevorderen, en van opregtheid, wanneer ik<br />
in verband breng de verklaringen vroeger door de Regering afgelegd met hetgeen ons nu<br />
bekend is geworden. De Minister heeft dat wel weersproken maar slechts en bij uitsluiting<br />
met het oog op de interpellatie van 27 Februarij. De Regering kon toen niet meer mededeelen<br />
zeide de Minister, omdat de onduidelijkheid, aan den telegramstijl eigen , de berigten<br />
welke zij had niet boven allen twijfel deed verheven zijn.<br />
Ik verklaar dat ik dat niet begrijp, vooral omdat toch naar dien telegrammenstijl is<br />
gehandeld. De bedenkingen tegen de houding van de Regering bij de interpellatie op 4<br />
April blijven in ieder geval in volle kracht. De heer van Reenen had gezegd: »In geval<br />
eener ontkenning, zou ik daaruit moeten opmaken , dat de Minister zelf alleen nog kennis<br />
draagt van de oorlogsverklaring, maar niet bekend is met de omstandigheden die daartoe<br />
aanleiding hebben gegeven". Daarop antwoordde cle Minister van Koloniën : » Het laatste wat<br />
de geachte spreker zegt is juist. Aan de Regering ontbreken nog ten eenen male berigten,<br />
met uitzondering van het zeer korte telegram , gisteren ontvangen". Dat was den 4den April,<br />
en nu zeide de Minister van Koloniën op 21 Maart jl. betrekkelijk cle overlegging van de<br />
de stukken: » Eigenlijk zou met de mededeeling der telegrammen kunnen worden volstaan,<br />
want die bevatten de geschiedenis van het vo<strong>org</strong>evallene , omdat daarop gehandeld is". Als<br />
men nu in aanmerking neemt, dat het laatst overgelegde telegram is van 20 Maart 1873,<br />
hoe kon dan de Regering op 4 April daarna verklaren, dat zij van niets wist? En is<br />
hetgeen ons nu uit de telegrammen is bekend geworden niet eene bevestiging van wat<br />
reeds de geachte afgevaardigde uit Winschoten , de heer Jonckbloet uitgesproken heeft in zijne<br />
nota, gevoegd achter het Verslag betreffende het wetsontwerp tot verhooging der Indische<br />
begrooting van verleden jaar , op bladz. 12 ,.... »dat de Regering op 4 April, ja reeds op 27 Februarij<br />
wist, wat zij op 4 April aan de Volksvertegenwoordiging verklaarde niet te weten" enz.<br />
Eene tweede en niet minder ernstige vraag: Geeft, betgeen de Minister verder in zijne<br />
rede van 11. Zaturdag gezegd heeft, blijk van eene vaste overtuiging, die van het begin<br />
af de grondslag geweest is van de door de Regering gevolgde politiek?<br />
Ik heb Zaturdag jl. verklaard, dat ik, wanneer de motie van den heer Bredius vfierd<br />
aangenomen, daaruit niet de conclusie zou wenschen getrokken te zien , dat de rede van<br />
den Minister van Koloniën niet te weerspreken was en ik mij een nader oordeel reserveerde,<br />
omdat ik meende dat hetgeen de Minister had gezegd niet wel was overeen te brengen<br />
met de ons medegedeelde telegrammen en uit die telegrammen zeiven, hetgeen geschied<br />
was, werd veroordeeld. Daarop moet ik dus nu met een enkel woord terugkomen.<br />
Ik stel op den vo<strong>org</strong>rond, dat ik kan aannemen de meening welke die van de Regering<br />
blijkt te zijn geweest, om ten opzigte van Atjeh eene politiek te volgen , die noodwendig<br />
moest leiden tot eene oorlogsverklaring; maar dan is het mij onverklaarbaar dat men dan ook<br />
niet flink weg daarvoor uitkomt en de quaestie niet op dat terrein houdt, in piaats van te<br />
ontkennen dat men in dien toestand heeft willen komen en getracht heeft langs vriendschappelijken<br />
weg de moeijelijkheden op te heffen. Ik laat de quaestie van de al dan niet regtmatigheid<br />
van den oorlog daar, want ook dit heeft weinig praktisch belang. Alleen moet<br />
ik opkomen tegen de bewering van den heer Godefroi dat de oorlog zijne regtvaardiging<br />
zou vinden in het tractaat van 1871. Ik stem toe dat in dat tractaat de kiem van een oorlog<br />
lag, maar ik kan niet begrijpen dat hij daaruit eo ipso moest voortvloeijen, daar toch Atjeh<br />
geen medehandelend partij bij dat tractaat was. Maar wat daarvan zij en hoe men ook reagere<br />
21
82<br />
tegen het tractaat van 1871, waartoe ik zelf heb medegewerkt, in ieder geval stem ik toe<br />
dat het sluiten van dit tractaat niet kan worden te laste gelegd aan dezen Minister van<br />
Koloniën, die toen niet aan het bewind was, en dat, zoo hij den toestand door het tractaat<br />
in het leven geroepen, geaccepteerd heeft gelijk hij dien vond, dat ook het natuurlijke<br />
gevolg is van de solidariteit van opvolgende Ministers. Maar dat belet niet deze vraag te<br />
stellen : heeft de Regering gedaan wat zij kon om den oorlog te verhoeden, of heeft zij dezen<br />
ai initio gewild? En dan meen ik dat, hoewel uit üe stukken blijkt dat de Regering niet<br />
overtuigd was dat het goed was en te verdedigen om den oorlog te verklaren, de Minister<br />
zich toch heeft laten meêsleepen en alzoo heeft aanleiding gegeven dat men met regt mag<br />
concluderen, de Regering heeft den oorlog gewild.<br />
Er bestaat strijd — ook dit blijkt uit hetgeen de Minister Zaturdag heeft gezegd, en is niet<br />
vreemd, waar men den oorlog volstrekt heeft gewild — over de eigenlijke redenen waarom<br />
de oorlog is verklaard. Men heeft steeds beweerd — en de Minister heeft naar aanleiding der<br />
berigten uit Indie dit ook moeten toegeven — dat de oorlog is moeten worden verklaard<br />
om vreemden invloed te weren. En nu zeide de Minister Zaturdag — ik wijs daarop, omdat<br />
die tegenspraak en onzekerheid strekken tot beoordeeling van de door mij gestelde vraag,<br />
of hier wel aan eene vaste overtuiging als basis van wat men gedaan heeft kan worden<br />
gedacht — dat het niet was uit vrees voor vreemden invloed, maar om de trouweloosheid<br />
van Atjeh dat men den oorlog heeft verklaard. De Minister voegde in een ander deel zijner<br />
rede daar nog bij, dat hij en het Indisch bestuur eigenlijk zóó afkeerig waren van het<br />
voeren van oorlog dat, gelijk de Gouverneur-Generaal zich uitdrukte, hij niet gaarne<br />
zijne hand in dat wespennest zou steken. Hoe is dat echter te rijmen met hetgeen de<br />
Regering gedaan en kennelijk gewild heeft? De oorlog is ontstaan, al naar mate het de<br />
eene of andere keer vo<strong>org</strong>esteld wordt, uit dit alternatief: óf om vreemden invloed uit<br />
te sluiten, óf om de trouweloosheid van Atjeh, ontleend aan het gebeurde te Singapore.<br />
Maar reeds lang te voren wordt met goedvinden, voorkennis en op last van het Operbestuur<br />
eene zending naar Atjeh ge<strong>org</strong>aniseerd, die op zich zelve reeds eene ingewikkelde<br />
oorlogsverklaring bevatte. De zending van den heer Schiff heeft plaats gehad op eene<br />
instructie, die was vastgesteld door of met goedkeuring van den Minister van Koloniën.<br />
Die instructie houdt niet alleen zeer bepaald de kiem in, maar was de eerste stap tot de<br />
oorlogsverklaring, omdat daarbij aan den resident van Riouw werd opgedragen, eischen te<br />
stellen aan den Sultan van Atjeh, die men a priori kon en moest weten dat niet<br />
zouden worden toegestaan. Een uitstel van eenige maanden is toen noodig geacht. Ik<br />
keur nu de zending van den heer Schiff niet af, ik spreek er zelfs geen oordeel over uit,<br />
maar constateer alleen het feit dat, lang reeds vóór men vreemden invloed vreesde en lang<br />
vóór door Atjehsche gezanten te Singapore twouweloosheid zou zijn gepleegd, door de<br />
Regering de eerste stap is gedaan, die moest leiden tot den oorlog.<br />
Wat het weren van vreemden invloed betreft, de Minister heeft zijne homogeneïteit uitgesproken<br />
met de staatkunde van Elout, Falck, Fagel en Baud. Niemand zal ontkennen<br />
dat al die uitnemende staatslieden zeer gekant waren tegen buitenlandschen invloed<br />
in onze Oost-Indische bezittingen; maar hoe deze Minister, die eene geheel andere politiek<br />
volgt, met betrekking tot de toelating van vreemden in onze Oost, dan die mannen, zich op<br />
hen kan beroepen, bevreemdt mij. De tegenwoordige rigting der Regering is toch om<br />
Indie zoo veel mogelijk ' voor vreemden en voor buitenlandschen invloed toegankelijk te<br />
stellen.<br />
Na te hebben geconstateerd dat de aanleiding tot de oorlogsverklaring niet is geweest de<br />
vrees voor buitenlandschen invloed, wordt wederom het voorkomen van dien invloed als<br />
noodzakelijk motief tot de onmiddellijke oorlogsverklaring opgegeven; maar dat dit ook<br />
niet juist is, blijkt hier uit dat, vóór in Indie, met goedvinden van het Opperbestuur, de<br />
oorlog verklaard werd, men hier te lande reeds de zekerheid had, die men ook naar Indie<br />
had overgeseind, dat er voor buitenlandsche tusschenkomst inderdaad niets was te vreezen.<br />
Wanneer ik spreek van het buitenland, dan wil ik, even als ik zoo even hulde heb gebragt<br />
aan den Minister voor zijne rede van Zaturdag, hier gaarne uitspreken dat ik tegen<br />
de houding van den Minister van Koloniën , waar hij zich op internationaal gebied beweegt,<br />
en inderdaad als Minister van Buitenlandsche Zaken optreedt, niet alleen geen bezwaar<br />
heb, maar ook in het bijzonder, dat ik onder de geheime stukken , die ons zijn overgelegd,<br />
met het meeste genoegen en sympathie gelezen heb de missive door den Minister van
83<br />
Koloniën geschreven aan zijn ambtgenoot van Buitenlandsche Zaken, voor zoover die missive<br />
moest strekken als instructie voor onze buitenlandsche vertegenwoordigers, om de poli-<br />
* tiek welke Nederland geroepen is in den Archipel te volgen uit een te zetten. Dat neemt<br />
echter het feit niet weg dat op het oogenblik dat men, ter voorkoming van buitenlandschen<br />
invloed, besloot tot het doorzetten van den oorlog, daartoe om die reden geen grond bestond,<br />
omdat men de zekerheid had dat van vreemden invloed niets was te vreezen.<br />
Ja, zegt de Minister, maar men moet onderscheiden tusschen hetgeen de home-governmenis<br />
en wat de agenten der Mogendheden daar ginds doen; goed, maar wanneer al door<br />
deze iets was gedaan dat niet goed was en moest worden geneutraliseerd, kon dat immers<br />
niet meer schaden, zoodra de home-governments het ontkend hebben en men zeker is van<br />
hunne goede gezindheid?<br />
Turkije heeft de Minister genoemd; welnu, dat gold een home-government, en daarvan<br />
hadden wij niet zooveel te vreezen ; en de diplomatieke worsteling van zes maanden , waarvan<br />
de Minister van Buitenlandsche Zaken gewaagde, is toch niet zoo verschrikkelijk geweest<br />
als men er op let dat met Turkije slechts drie stukken gewisseld zijn: de eerste depêche<br />
van Turkije van 22 Augustus, waarop de Regering eerst 1 October antwoordde, en de<br />
nadere depêche van 2 December, waarbij onze handeling door Turkije zonder reserve werd<br />
goedgekeurd en gewaardeerd.<br />
"Welk was dan dat groote gevaar dat van de zijde van Turkije was te vreezen ? Voor<br />
materiele hulp was geen gevaar te duchten en dat het geestelijk hoofd van het Mohammedanisme<br />
zich aan de zaak van Atjeh zou laten gelegen zijn uit het oogpunt van religiestrijd<br />
heeft men toch niet kunnen voorkomen. De Minister heeft daarbij reeds vroeger hoog opgegeven<br />
van het gebruik dat la jeune Turquie maakt van gehouden redevoeringen in deze<br />
Kamer om den invloed van Turkije ten behoeve van Atjeh te doen gelden, redevoeringen<br />
die zouden zijn overgedrukt in Turksche bladen. Daartegen moet ik opmerken dat, zoover<br />
mijne informatien strekken, ik alleen heb gevonden eene verwijzing naar iets wat de heer<br />
Heemskerk in deze Kamer heeft gezegd, niets meer; maar daarenboven , dat in dezen van<br />
de jeune Turquie, zoo als de Minister zich uitdrukt, niets is te vreezen, omdat zij juist<br />
tegen het orthodoxe Mohammedanisme gekant is.<br />
Onze Regering wist voorts en deed het aan het Indisch bestuur weten , dat op het oogenblik<br />
van het uitzenden der expeditie geen vrees bestond noch voor de tusschenkomst van<br />
Italië, noch voor die van Amerika; terwijl de Minister zelf zeide, verstandig genoeg geweest<br />
te zijn om geen gewigt te hechten aan tot hem gekomen berigten wegens andere gevreesde<br />
tusschenkomst, zoo als bij voorbeeld van Duitschland. Daarbij komt nog wat Amerika betreft<br />
— en dit stelt in het licht door welke ongegronde angsten men zich door die gevreesde<br />
tusschenkomst van Amerika liet leiden — dat de vloot van Hongkong weken noodig bad<br />
om in de Atjehsche wateren te komen, hetgeen men toch wist en in de zitting van den<br />
Raad van Indie zelf is herinnerd. De telegrammen nu , en dit wilde ik aantoonen, bewijzen<br />
dat de Regering het eens is met hetgeen ik zoo even zeide als onvoldoende tot motivering<br />
der oorlogsverklaring; zij meende inderdaad dat in Indie met te groote voortvarendheid<br />
werd gehandeld en dat geen genoegzame grond bestond voor hetgeen is geschied. De fout<br />
der Regering ligt daarom dan ook hierin, dat zij niet volgens die overtuiging handelde.<br />
Waarom, toen de Minister van Koloniën de overtuiging had dat inderdaad door den<br />
Gouverneur-Generaal niet igoed gehandeld werd , waarom toen getelegrapheerd : » wij willen<br />
en mogen u niet binden", in plaats van: » gij moogt niet zoo handelen vóór gij nadere<br />
berigten uit het moederland ontvangt".<br />
Dat had de Regering kunnen, ja moeten doen. In de laatste discussie tusschen mij en<br />
den Minister van Koloniën op 18 December 11. gehouden , betreffende mijne vragen omtrent<br />
de instructie van den Regerings-commissaris , was een groot gedeelte van de Kamer met mij<br />
onder den indruk, dat er ernstig verschil bestond tusschen den Minister van Koloniën en<br />
den Gouverneur-Generaal. Toen heb ik mij zeiven afgevraagd: hoe is het mogelijk, wanneer<br />
de Gouverneur-Generaal aldus in eene zoo ernstige zaak in strijd handelt met de bevelen<br />
uit het moederland, dat de Minister van Koloniën dien hoogen ambtenaar in zijne tegenwoordige<br />
positie laat ? Nu vraag ik, hoe is het mogelijk dat de Regering, hoewel zij niet<br />
heeft kunnen goedkeuren hetgeen op Buitenz<strong>org</strong> is voorbereid en beslist, ondanks dit alles<br />
daaraan toch hare goedkeuring gehecht en vrijheid tot handelen gelaten heeft ? Dat zij het<br />
gedaan heeft, daarin ligt tevens hetgeen ik genoemd heb: hare veroordeeling. De Minister
84<br />
telegrapheert herhaaldelijk dat er meer positive feiten moeten worden medegedeeld, meer<br />
stellige berigten noodig zijn, om op tusschenkomst bij de Mogendheden aan te dringen.<br />
De Regering telegrapheert voorts dat, wanneer men de gedragslijn volgt, die de Gouverneur-<br />
Generaal voorstelt, men niet alleen een zeer slechten indruk bij cle Mogendheden en de<br />
Staten-Generaal zal maken, maar dat er ook geene aanleiding toe bestaat om aldus te<br />
handelen; zeer juist; maar niettegenstaande dit alles, wordt het toch gedaan.<br />
In het telegram van 7 Maart wordt gezegd: »Wij mogen en willen uwe handen niet<br />
binden door verbod , maar meenen dat souvereiniteit of oorlog als eerste eisch hier en elders<br />
slechten indruk zou maken". En het doen van dien eersten eisch was nota bene reeds<br />
bepaald in de zitting van den Raad van Indie, den Minister bekend gemaakt bij telegram<br />
van 22 Februarij, en daartegen was door den Minister bij telegram van denzelfden dag geen<br />
bezwaar gemaakt. Waarom zou hetgeen men zich voorstelde te doen (en gedaan heeft) zoo<br />
slechten indruk maken ? Wanneer de Regering meende en overtuigd was dat de toestand<br />
van het oogenblik zoodanig optreden tegenover Atjeh gebood en regtvaardigde , behoefde<br />
zij niet te vreezen voor dien slechten indruk. Dus dit bewijst hetgeen ik straks heb geavanceerd<br />
, dat de Regering zelve de overtuiging miste dat noodzakelijk was datgene waartoe<br />
in Indie werd besloten en wat zij toch met hare goedkeuring heeft laten begaan. In hetzelfde<br />
telegram van 7 Maart wordt nog gezegd: » Bij onwil, om ons te ontvangen.... is<br />
oorlog onvermijdelijk- die van zelf zich oplost in souvereiniteit." Dus, met andere woorden :<br />
"wij krijgen toch gedaan wat wij wenschen, maar waartoe wij eigenlijk nu toch geen genoegzamen<br />
grond hebben.<br />
In het latere telegram van den Minister van Koloniën aan den Gouverneur-Generaal zegt<br />
de Minister in substantie : Wij zijn het eigenlijk eens wat betreft het doel dat wij wenschen<br />
te bereiken , maar omdat het niet genoegzaam blijkt dat wij regt hebben dat doel<br />
te bereiken langs den vo<strong>org</strong>estelden weg, moeten wij voorzigtig zijn met den vorm, en<br />
daarin verschillen wij slechts. De Minister spreekt verder aan den Gouverneur-Generaal<br />
zijne meening uit dat aan den vorm groot gewigt moet worden gehecht en dat men zich<br />
liever moet laten leiden (wat dus niet geschiedde) door bedachtzaamheid en regtvaardigheid,<br />
dan over te gaan tot een stap (later toch gedaan) die niet noodzakelijk en niet gebruikelijk,<br />
dus ook eigenlijk niet geregtvaardigd is. Dat telegram van 12 Maart geeft, als ik het zoo<br />
noemen mag, in zekeren zin de norma aan van de politiek die de Regering had kunnen<br />
volgen, maar tegen hare overtuiging niet heeft gedaan. En nu vraag ik: wanneer het<br />
thans is gebleken dat zij dat niet gedaan heeft;, maar integendeel den Gouverneur-Generaal<br />
heeft gehandhaafd in het doen van datgene wat zij eigenlijk had willen voorkomen, heb<br />
ik dan regt te zeggen dat de Regering van zeer groote wijfeling in deze heeft blijken gegeven?<br />
Dit is zoo wat het voornaamste wat uit de telegrammen valt te leeren en wat ik meende<br />
te moeten uitspreken naar aanleiding van hetgeen de Minister van Koloniën 11. Zaturdag<br />
gezegd heeft. Ik zou nog wel het een en ander in het midden kunnen brengen tegen hetgeen<br />
de Minister van Buitenlandsche Zaken heeft gezegd, maar daar Zijne Excellentie zich<br />
tot enkele algemeenheden bepaald heeft, zou dit tot niet veel leiden. Hetgeen ik trouwens<br />
voornamelijk heb wallen constateren komt hierop neder dat hetgeen de Regering vroeger en<br />
later heeft verklaard in de Kamer, niet is geweest in overeenstemming met hetgeen zij<br />
gedaan heeft, en in de tweede plaats, en dit vooral, dat uit de telegrammen is gebleken dat<br />
de Regering, terwijl zij eigenlijk afkeurde den weg die door den Gouverneur-Generaal is<br />
gevolgd om redenen daarbij vermeld en nader toegelicht in de missives die tot opheldering<br />
van de telegrammen hebben gestrekt, desniettegenstaande dien weg met hare goedkeuring<br />
heeft doen volgen. Dat geeft mijns inziens blijk van eene weinig te regtvaardigen twijfeling<br />
in de politiek der Regering, die ons geleid heeft tot dezen ongelukkigen oorlog.<br />
De heer Haftmans: Mijnheer de Voorzitter, is de oorlog nu geregtvaardigd? Dit is de<br />
quaestie. Zijn wij thans overtuigd dat de oorlog noodzakelijk en regtmatig is?<br />
Ik heb cle overgelegde stukken met z<strong>org</strong> bestudeerd en grootendeels uitgeschreven. Ik heb<br />
ook de redevoering van den Minister, verleden Zaturdag uitgesproken, met de meeste aandacht<br />
gehoord, — en toch, ik moet zeggen: de oorlog is niet geregtvaardigd, noch tegenover<br />
Atjeh — want er bestond geen behoorlijke casus belli — noch tegenover Nederland — want<br />
de oorlog was niet onvermijdelijk. Ik zal een en ander betoogen.<br />
In de eerste plaats: er is geen casus belli.
85<br />
Wat geeft men voor als reden tot de oorlogsverklaring aan Atjeh? Het zoogenaamde<br />
verraad van Atjeh, het hulp zoeken van liet gezantschap te Singapore bij de consuls van<br />
Amerika en Italië. Gesteld echter dat de opgegeven feiten bewezen waren, dat de consuls<br />
zich met niets anders bemoeid hadden, dan met hetgeen hun aanging en waarin zij iets<br />
doen konden, dat het gekonkel van politieke tinnegieters wezenlijk ernst was, dan nog was<br />
dat hulpzoeken op zich zelf geen verraad, geen casus belli.<br />
De Minister van Koloniën erkent dit zelf, maar voegt er hij dat de omstandigheid, dat<br />
de gezanten bij ons gastvrijheid genoten , dat zij op onze schepen reisden, terwijl zij bij<br />
anderen tegen ons, steun zochten, het vragen van opheldering en rekenschap noodig maakte.<br />
Dit geef ik toe, maar ik vraag of dit (vragen van opheldering en rekenschap) het karakter<br />
van de boodschap is, die de commissaris in Atjeh is komen brengen.<br />
Neen , Mijnheer de Voorzitter , de commissaris viel, gelijk men zegt, met de deur in huis,<br />
hij kwam toegerust ten oorlog en bragt den oorlog. Het vragen van opheldering en rekenschap<br />
dat voorafging, was maar voor den vorm, eene ijdele vertooning. Zijne geheele houding<br />
toonde aan , dat hij volkomen gedecideerd was, ja, dat hij er vurig naar haakte, dat hij<br />
brandde van begeerte om den oorlog te verklaren. De commissaris bewees door zijne houding ]<br />
dat men zich in hem niet vergist had , en dat het waar was wat de Gouverneur-Generaal<br />
geseind had: de vice-president is de man, dat wil zeggen de man om toe te slaan.<br />
De Minister heeft ons eergisteren verhaald, dat het niet de eerste keer was, dat Atjeh<br />
bij vreemden hulp tegen ons heeft gezocht.<br />
Mijnheer de Voorzitter, waarom dan ditmaal de zaak zoo hoog opgenomen, indien men<br />
ze vroeger liet do<strong>org</strong>aan. Daarvoor bestond eene andere reden, en wel deze: men zocht een<br />
» casus belli", en wat men zoekt dat vindt men ligt. Tusschen de Regjring en het Indisch<br />
bestuur stond reeds lang vast, dat er vroeger of later een oorlog met Atjeh komen moest,<br />
dat was, zoo als men zegt, eene uitgemaakte zaak.<br />
De quaestie was maar om eene aanleidende oorzaak tot den oorlog te vinden. Er bestond<br />
tusschen Regering en Indisch bestuur eene afspraak en deze beheerschte de geheele geschiedenis.<br />
Die afspraak aannemende, verklaart zich alles; zonder deze is de oorlogsverklaring onbegrijpelijk.<br />
Ik zal dit in bijzonderheden aantoonen.<br />
De eerste telegram is opmerkelijk. De Gouverneur-Generaal sprak daarin van geen oorlog,<br />
dat was niet noodig, de Minister verstond hem toch. Deze wist waar de Gouverneur-Generaal<br />
heen wilde en wat hij van den Minister verlangde, namelijk eene autorisatie voor den oorlog.<br />
Die autorisatie ontving de Gouverneur-Generaal dan ook per omgaande. En, Mijne Heeren, let<br />
wel op den plegtigen pompeusen aanhef van dat telegram van 18 Februarij.<br />
» Met voorkennis van den ministerraad en den Koning ", het is of de wapenen plegtig gezegend<br />
gorden meer was niet noodig. Toen de heer Loudon deze woorden las aan 't hoofd van<br />
het telegram, wist hij genoeg; hij had verlof om oorlog te voeren.<br />
» Langer dralen", zegt de Minister in dat telegram, »is ongeoorloofd".<br />
Wat wil dat zeggen? Erkent men daarmede niet de bestaande afspraak ? Beteekent dat niet:<br />
wij hebben lang genoeg gedraald, vooruit maar, naar Atjeh!!<br />
Zoo althans heeft de Gouverneur-Generaal het telegram van 18 Februarij opgevat. Dat blijkt<br />
uit het zijne van den 22sten.<br />
Na de ontvangst van het telegram des Ministers heeft hij terstond den Raad van Indie bijeengeroepen<br />
en dan doen besluiten (de heer Loudon zegt er uitdrukkelijk bij » op mijn voorstel"<br />
om zijne verdiensten in het oog des Ministers te doen schitteren als of hij zeide: ik heb het gedaan)<br />
om zoo spoedig mogelijk een commissaris met vier bataillons naar Atjeh te zenden en het ultimatum<br />
te laten stellen: souvereiniteit erkennen of oorlog. Van dat oogenblik af was de teerling<br />
geworpen. De oorlog was er. Van dat oogenblik bestond werkelijk de oorlog, want het zenden<br />
van troepen buiten de zeemagt, niemand zal dat ontkennen, dat was de oorlog.<br />
Spoediger nu is er nooit een oorlog in zijn werk gegaan. In vier dagen tijds! Van 16—22<br />
Februarij. En let wel! van die vier dagen moet afgerekend worden de tijd noodig om ginds<br />
den Raad van Indie zamen te roepen, om hier den Koning te raadplegen en den Ministerraad<br />
bijeen te roepen. Waarlijk! indien men niet zoolang van den oorlog was zwanger gegaan, zou<br />
men dien niet zoo spoedig ter wereld hebben kunnen brengen! Noch hier, noch in Indie heeft<br />
men een oogenblik in beraad gestaan, voor mij een bewijs te meer, dat de oorlog sedert<br />
22
86<br />
lang in beginsel vaststond, en dat men alleen op eene gelegenheid wachtte. Dat overhaast<br />
besluit, gevoegd bij de nietigheid der grieven, (in vergelijking vooral van hetgeen men in<br />
vroeger tijd verdragen had) bewijst nog meer dan het ultimatum dat enkel eischen stelt en van<br />
geen grieven spreekt, dat op het oogenblik geen wezenlijke casus belli bestond, en dat deze<br />
oorlog eigenlijk niet anders is dan wat de Franschen zeggen: une querelle aVAllemand, zoo<br />
als de Duitschers zich uitdrukken: een oorlog die 'oom Zaun gebrochen is, of zoo als men<br />
in goed Hollandsch zegt: een gezocht standje!<br />
De Minister heeft zich dan ook steeds verlegen getoond om de oorzaken van den oorlog<br />
te melden. Op dit punt is de Minister volkomen geregtvaardigd — maar dit is ook het<br />
eenige — hij kon de redenen niet opgeven, want er waren er geen !<br />
Oude grieven waren er in menigte. Die kregen wij dan ook in de Nota. Maar geen nieuwe.<br />
En nu vraag ik, of niet in dat recours op oude grieven de bekentenis ingewikkeld ligt<br />
opgesloten dat nieuwe ontbraken, althans dat ze niet presentabel waren?<br />
Nu hoor ik reeds het verwijt dat ik voor Atjeh pleit, maar ik antwoord: zijn we niet in<br />
comité-generaal om de waarheid onbewimpeld te zeggen? Wil men onpartijdig oordeelen,<br />
clan moet men zich op het standpunt van Atjeh plaatsen. Audiatur et altera pars. Indien<br />
de Atjehers hier spreken konden, Mijnheer de Voorzitter, ik geloof, men zou nog geheel<br />
iets anders hooren!<br />
Ik kom nu tot de vraag of de oorlog noodzakelijk was.<br />
Ja, zegt men, om vreemden invloed te weren. Maar, vooreerst, dat kon op eene andere<br />
wijze gebeuren, enkel door de zeemagt. Daarvoor behoefde men geen troepen te zenden om<br />
dadelijk den oorlog te maken.<br />
In de tweede plaats: de vrees voor die inmenging was, op zijn minst genomen, overdreven.<br />
Zij berustte op geruchten, en dit is zóó waar, dat zelfs cle Minister zich beklaagt,<br />
dat men hem niets dan geruchten voordient. Het is volstrekt noodig, zegt de Minister, om<br />
stelliger berigten te geven, want anders compromitteren wij ons tegenover de vreemde<br />
mogendheden. Wanneer men nu die geruchten tot hun oorsprong vervolgt, komt men ten<br />
slotte tot Mohammed Ariffin van Moko-Moko en tot eene brochure van zekeren Cerruti,<br />
die nooit iemand gelezen heeft.<br />
In de derde plaats had men geruststellende verzekeringen omtrent de bedoelingen van de<br />
vreemde mogendheden alvorens de oorlog begon. De vrees voor dadelijke dreigende inmenging<br />
is dus slechts een pretext, gelijk de Gouverneur-Generaal in zijn brief van 25 Februarij<br />
(n°. 9 der stukken) zelf getuigt. Het zij mij geoorloofd deze gewigtige woorden aan te halen:<br />
» Noodzakelijkheid der expeditie is een uitgemaakte zaak. Zelfs al mogt de verzekering<br />
worden ontvangen dat Amerika zich even weinig als Italië zal bemoeijen. Aan de dubbelzinnige<br />
politiek van Atjeh dient een einde te komen. Zoolang het onze souvereiniteit niet<br />
erkent, blijft vreemde tusschenkomst ons als het zwaard van Damocles bedreigen. Het fait<br />
accompli is het eenig redmiddel. Wie het doel wil, wil de middelen, waar die geoorloofd<br />
en gewettigd zijn door het regt van zelfbehoud."<br />
Ziedaar de theorie van den Gouverneur-Generaal, en dan zeg ik: habemus reum confitenlem.<br />
De Gouverneur-Generaal erkent, dat men den oorlog wilde om den oorlog, om een fait<br />
accompli te stellen, om van den cauchemar van vreemde inmenging bevrijd te worden, om<br />
te kunnen zeggen: wie met Atjeh aanlegt, trekt partij tegen Nederland , want wij zijn met<br />
Atjeh in oorlog.'<br />
Uit deze verklaring blijkt overtuigend, dat de oorlog volstrekt niet presseerde, dat er<br />
geen haast bij was, dat men zich niet hals over kop daarin behoefde te storten, dat men<br />
zich behoorlijk had kunnen voorbereiden en tijd en gelegenheid had kunnen beramen. Van<br />
noodzakelijkheid van den oorlog kan dus geen quaestie zijn, zelfs al neemt men aan, dat<br />
wij te eenigertijd oorlog met Atjeh moesten maken. Deze noodzakelijkheid om oorlog met<br />
Atjeh te maken wordt door den Minister zelf ontkend in zijn brief van 18 Februarij (n e<br />
. 6<br />
der stukken). Daar zegt hij, dat Nederland langs vredelievenden weg door overreding en<br />
waarschuwing zijn doel zou kunnen bereiken. Hij bekent dus, dat er geen oorlog noodig was.<br />
Maar met de politieke quaestie hebben wij hier niet zoo zeer te maken. Het geldt een<br />
oordeel over het Regeringsbeleid.<br />
Ik zeg dan als résumé van mijn oordeel dat men heeft gehandeld met dolle drift, in
-p»<br />
87<br />
plaats van met rijp beraad; dat deze oorlog- ex abrupto zonder voorbereiding, te ongelegener ure,<br />
met overhaasting ondernomen, niet cle daad is van een kalm en bedaard staatsman, maar<br />
een coup de tête van een onbezonnen jongeling, die door » Thatendrang", door zucht om iets '<br />
te doen, gekweld wordt.<br />
Maar nu is de vraag : wie heeft het gedaan ? Dit is iets anders dan de vraag: wie<br />
is verantwoordelijk? Dit is geen quaestie; de Minister heeft zich uitdrukkelijk verantwoordelijk<br />
gesteld voor alle daden, ook van den landvoogd. Maar hij kan dit ligt doen,<br />
want die verantwoordelijkheid heeft geen consequentien, er is geen verhaal, het lot van<br />
Bazaine. is hier niet te vreezen. Gewigtiger is de vraag: wie is de eigenlijke bedrijver: de<br />
Minister van Koloniën of de Gouverneur-Generaal? Daaromtrent kunnen wij uit de telegrammen<br />
veel leeren. De eerste impulsie tot den oorlog is van den Minister uitgedaan •<br />
zijn telegram van 18 Februarij is de vonk die in het kruid sloeg; de Gouverneur-Generaal<br />
vatte daarop vuur en ging zelfs verder dan de Minister had aangewezen. De Minister wilde<br />
aanvankelijk slechts zeemagt sturen ; de Gouverneur-Generaal besloot terstond ook landmagt<br />
te zenden. De Minister ontving daarvan echter terstond, reeds op 22 Februarij berigt,<br />
en op dienzelfden dag keurde hij het goed. Wat zegt toch de Minister in zijn telegram?<br />
» Wat Atjeh betreft, de troepen debarqueren natuurlijk niet vóórdat de ongeneigdheid voldoende<br />
geconstateerd is, om aan onze eischen behoorlijk te voldoen." De Minister legde er<br />
zich bij neder dat de troepen zouden vertrekken; hij maakte slechts eene kleine reserve<br />
op dit punt is dus de Gouverneur-Generaal gedekt.<br />
De Minister heeft Zaturdag gezegd: > de menschen daar ginds vonden goed dadelijk<br />
troepen te zenden? Ik was er tegen." Maar dan vraag ik: waarom hebt gij dan niet geseind<br />
dat gij er tegen waart.<br />
ö<br />
Er is een tweede verschil tusschen r'en Minister en Gouverneur-Generaal. Het betreft het<br />
ultimatum, dat de Minister te ruw vond. Maar ook dit kende de Minister reeds 22 Februarij<br />
en hij maakte er volstrekt geen aanmerking op. Noch in zijn telegram van 22, noch in<br />
dat van 28 Februarij, zelfs niet in dat van 3 Maart rept hij er met een woord van. Eerst<br />
in dat van 4 Maart rijzen cle scrupules van den Minister.<br />
De Gouverneur-Generaal antwoordt 6 Maart: » Souvereiniteits-erkenning hoo°- noodisanders<br />
mets gewonnen. Bij ontvangst van verbod zal ik gehoorzamen." Daarop antwoordt<br />
de Minister 7 Maart: » Wij mogen en willen uwe handelingen niet binden door verbod<br />
maar meenen dat souvereiniteit of oorlog als eerste eisch hier en elders een slechten indruk<br />
zal maken." Hierbij berust de Gouverneur-Generaal niet, hij insisteert bij telegram van 9<br />
Maart: > Geen andere waarb<strong>org</strong> denkbaar dan souvereiniteits-erkenning; zonder dit expeditie<br />
geen zin. Wil mij terstond stellige bevelen geven of mij laten handelen geheel op eigen<br />
verantwoordelijkheid." Nog is de Minister niet overtuigd; hij volhardt in zijn telegram<br />
van 10 en m dat van 12 Maart. Eindelijk telegrapheert de Gouverneur-Generaal: » Wil mij<br />
onverwijld zeggen welken eisch ik dan stellen moet. Ik kan waarlijk geen anderen waarb<strong>org</strong><br />
vinden. Er is geen tijd meer te verliezen." Hierop volgt geen antwoord meer De<br />
Minister schijnt dus eindelijk berust te hebben.<br />
Ziedaar de twee eenige punten waarin de Gouverneur-Generaal van den Minister verschild<br />
heeft. Op beide punten heeft de Minister toegestemd. Ik kan dus niet beweren dat er iets '<br />
gebeurd is buiten hem om. Alles is gebeurd met voorkennis van den Minister, althans in<br />
hoofdzaak. De Minister erkent dit zelf, want hij telegrapheert: » dus verschil betreft inleidingen<br />
vorm." Dit wil zeggen: in hoofdzaak zijn wij het eens, beiden willen wij den oorlog.<br />
Ik beken dat de Minister zich later eenigzins door den Gouverneur Generaal op sleeptouw<br />
heeft laten nemen, maar dit is geen excuus, want hij had den Gouverneur-Generaal eerst<br />
op hol gebragt. Het komt mij voor dat de heer Loudon enkel gehandeld heeft op directe<br />
en indirecte inspiratien van den Minister. Directe inspiratie noem ik bijv. wanneer de<br />
Minister telegrapheert: » Langer dralen is ongeoorloofd." Indirecte inspiratie noem ik wanneer<br />
een mindere iets doet om zijn meerdere te, behagen, naar het oordeel dat hij zich van diens<br />
karakter vormt.<br />
Men ziet in alle stukken dat de heer Loudon energie wil betoonen; dit is zijne constante<br />
preoccupatie. Waarom ? Omdat hij zich den Minister energiek voorstelt, en meent den<br />
Minister te behagen. En werkelijk, in zijn telegram van 27 Februarij maakt de Minister
» 88<br />
den Gouverneur-Generaal een compliment over zijne voortvarendheid en energie. Daardoor<br />
zal de Gouverneur-Generaal niet weinig gesterkt zijn. Toch geloof ik, dat de Gouverneur-<br />
Generaal geheel anders zou gehandeld hebben, indien hij een angstvallig Minister van<br />
Koloniën tegenover zich gehad had. Maar stoute hoofden maken stoute handen.<br />
Mijne conclusie is deze, dat de eer en verantwoordelijkheid van dezen oorlog uitsluitend<br />
aan den Minister van Koloniën behooren. Verleden Zaturdag betoogde de Minister vrij lang<br />
zijne vredelievendheid, zijn afkeer van den oorlog; maar alle die vroegere verklaringen<br />
beteekenen weinig tegenover de feiten: de woorden des Ministers mogen pacifiek geweest<br />
zijn , zijne daden waren agressief.<br />
De heer van Zuylen van Bïyevelt: Ik stemde Zaturdag vóór de beide motien om dit<br />
comité-generaal te sluiten , doch de Kamer besliste anders, en nu rust op mij min of meer<br />
de verpligting, eenige wedersproken punten uit mijne vorige rede nader uiteen te zetten.<br />
De geachte afgevaardigde uit Groningen ziet in die rede eene tegenstrijdigheid met hetgeen<br />
ik vroeger zeide, dat Atjeh eenigzins zijne onafhankelijkheid had verloren, in verband met<br />
het Sumatra-tractaat. Het staat geheel gelijk met hetgeen wij op een ander gebied zagen<br />
gebeuren. Toen vóór eenige jaren besprekingen plaats hadden tusschen von Bismarck en<br />
Napoleon III, waarbij het toegelegd was om geheel buiten weten van den Souverein de<br />
onafhankelijkheid van het Groothertogdom Luxemburg te belagen, zal men wel niet hebben<br />
kunnen beweren , dat dit eenigen grond opleverde om die onafhankelijkheid te betwijfelen.<br />
Evenmin zijn de besprekingen tusschen Engeland en Nederland grond om de onafhankelijkheid<br />
van Atjeh te betwijfelen.<br />
De heer Godefroi erkent, dat in foro jwidico de oorlog niet strikt geregtvaardigd kan<br />
worden ; maar voert aan dat men de reden van den oorlog moet zoeken in een politiek<br />
belang. Plaatst men zich op dat standpunt, dan moet de maatstaf omtrent die regtvaardiging<br />
ook elders worden gezocht, en dan wordt zoodanige gevaarlijke oorlog alleen gebillijkt<br />
als men succes behaald. Indien de eerste expeditie gelukkig ware afgeloopen, men<br />
zou niet zoo naauw gewikt en gewogen hebben of 't regtvaardig was; als de avontuurlijke<br />
politiek slechts met succes ware bekroond. Ik herinner aan een gezegde van von Bismarck<br />
tot een zijner vrienden : De nakomelingschap zal een standbeeld voor mij oprigten, of het<br />
gepeupel van Berlijn zal mij aan een lantaarnpaal ophangen. Daartoe leidt de onzekerheid<br />
eener avontuurlijke politiek, en als men die woorden wil toepassen op de Atjehsche expeditie<br />
, 's Ministers positie Ware weinig benijdenswaard. Evenmin zou ik gaarne de verantwoordelijkheid<br />
der Regering deelen als gebeurd ware wat was voorzien in de instructie van<br />
den heer Nieuwenhuyzen, namelijk: dat onze expeditie ingescheept zijnde, onverrigter zake<br />
en met een bloot protest had moeten terugkomen , wanneer eene vreemde vlag ons te Sumatra<br />
ware voor geweest. Eene staatkunde, die onze vlag aan een dergelijken blaam blootstelt,<br />
is niet voorzigtig te noemen.<br />
Eindelijk hebben wij nu vernomen , waarop ik reeds lang had aangedrongen, wat de<br />
Regering als het casus belli beschouwt, namelijk het zoogenaamd verraad van de Atjehsche<br />
gezanten. Daaruit blijkt dus, dat er voor dien tijd geen casus belli was, en de voorbereidingen<br />
die men openbaar maakte om. aan Atjeh den oorlog te verklaren, dus niet geregtvaardigd<br />
konden worden.<br />
Nu zegt cle heer Godefroi wel, dat van de tien oorlogen er misschien acht niet volgens<br />
de gronden van strikt regt te verdedigen zijn, maar worden aangegaan om zijne belangen<br />
te bevorderen. Ik geef dit volkomen toe, maar dit is nog geene reden voor ons om dat<br />
voorbeeld te volgen. Is het staatkundig om in Indie eene politiek te volgen , die men in<br />
het Westen zou verfoeijen ? Ik spreek niet eens van de millioenen die gespaard waren<br />
gebleven, maar van de verliezen van menschenlevens, van cle duizende slagtoffers van den<br />
oorlog. Denkt men daarover zoo ligtvaardig? Het is daarbij eene zeer gewaagde zaak om<br />
het zedelijkheidsgevoel van de natie min of meer te verkrachten door haar in een niet<br />
geregtvaardigden oorlog te mengen.<br />
De Minister van Koloniën heeft mijn getuigenis ingeroepen omtrent den consul-generaal<br />
Read, en gaarne wil toegeven dat, voor zoover mijne herinnering strekt, ik niets dan<br />
goeds van dien ambtenaar heb vernomen, en dat de Regering te regt vertrouwen in hem<br />
gesteld heeft.
89<br />
's Ministers voorstelling- omtrent het Siak-tractaat is mijns inziens niet juist. Mijns inziens<br />
is de zaak inderdaad door Engeland ernstiger opgevat dan de Minister meent.<br />
In allen gevalle bewijst het hetgeen ik op den vo<strong>org</strong>rond gesteld heb, namelijk: dat<br />
Engeland meent dat door het tractaat van Siak inbreuk was gemaakt op Atjeh's onafhankelijkheid<br />
; want het was de eenige reden die Engeland regt zou gegeven hebben om<br />
daartegen op te komen. Die reden lag in het tractaat van 1824. Het is volkomen waar,<br />
wat de Minister zegt: Engeland heeft dat niet gedaan om Atjeh te believen, maar in zijn<br />
eigen belang. De eenige grond waarop Engeland's protestatie rustte, was dat daardoor te<br />
kort werd gedaan aan die onafhankelijkheid van Atjeh, welke wij bij het tractaat van 1824<br />
moesten eerbiedigen. Wanneer daardoor inbreuk was gemaakt op het tractaat van 1824,<br />
dan had die natuurlijk ook plaats gehad tegen het tractaat van vriendschap in 1857 met<br />
Atjeh gesloten.<br />
De Minister heeft breedvoerig opgegeven van de moeijelijkheden met Italië, dcch deze<br />
zijn mijns inziens op vredelievende diplomatieke wijze te boven gekomen en hadden ook<br />
zeer weinig betrekking op Sumatra, omdat ze veel meer eene vestiging van Italië op<br />
Borneo zoude ten gevolge kunnen hebben.<br />
Eindelijk moet ik den Minister van Buitenlandsche Zaken geluk wenschen wegens de<br />
verklaring die hij ons beeft kunnen afleggen , dat op dit oogenblik onze verstandhouding<br />
wat Atjeh betreft met alle buitenlandsche Mogendheden zoo goed mogelijk is. Ik wensch<br />
cle Regering en de natie geluk met dat bevredigende resultaat en wil daarom hulde brengen<br />
aan de Regering voor hetgeen zij in dat opzigt heeft gedaan. Maar tevens moet ik verklaren<br />
dat het antwoord van clen Minister mij zeer weinig heeft bevredigd. De Minister heeft zich<br />
geheel op het terrein van algemeenheden geplaatst en weinig belangrijks tegengesproken. Het<br />
zwaartepunt van de moeijelijkheden wordt door den Minister van Buitenlandsche Zaken voornamelijk<br />
gelegd op Turkije , en nu meen ik dat Turkije ons reeds al het kwaad gedaan heeft<br />
hetgeen het ons met mogelijkheid berokkenen kon, waarom ik echter deze Regering niet<br />
lastig val. Wat was het geval? Het geestelijk hoofd van cle Mohamedaansche Kerk, de<br />
Cheik-ul-Islam, die een priester is, zal den oorlog tegen Nederland tot een heiligen oorlog<br />
verklaard hebben. Het gevolg van dergelijke verklaring is dat volgens den Koran de krijgslieden,<br />
welke sneuvelen, onmiddellijk plaats vinden in het paradijs. Van daar die doodsverachting,<br />
welke men bij de voorvechters ontmoet heeft. Dit was een gevaar dat voortvloeide uit cle<br />
aanraking met Turkije , dat echter door de diplomatie niet kon voorkomen worden.<br />
Ik ben bevestigd geworden in mijne overtuiging, dat volgens de gezonde regtvaardige<br />
beginselen van staatsregt, de oorlog niet is regtvaardig. Ik ben evenzeer overtuigd dat cle<br />
Regering dezen oorlog reeds lang heeft voorzien en niet tijdig de maatregelen genomen heeft<br />
om bij het uitbreken daarvan behoorlijk voorbereid te zijn. Ook meen ik dat, indien men<br />
den oorlog ook al als onvermijdelijk noodzakelijk beschouwt, dan nog een slecht oogenblik<br />
gekozen is om te beginnen. Daarentegen ben ik in de overtuiging bevestigd, die ik in<br />
mijne eerste rede heb uitgesproken, dat bet onstaatkundig, onvaderlandslievend zou zijn<br />
dit in het openbaar door een votum van de Kamer te constateren.<br />
Eindelijk is er een punt dat ik den Minister van Koloniën ten volle toegeef. Sprekende<br />
van fouten , welke begaan waren , heeft de Minister gezegd: de mensdi is niet onfeilbaar.<br />
Dat is volkomen juist, niemand minder dan ik zal niet erkennen dat dwalen menschelijk is ,<br />
en buitendien , de voorzigtigste staatsman , het beste beleid , zijn nog zoozeer afhankelijk<br />
van allerlei omstandigheden, die geheel onafhankelijk zijn van clen menschelijken wil, dat<br />
ik gaarne wil toegeven dat daarin een grond van verontschuldiging kan gelegen zijn wanneer<br />
de zaken minder goed zijn afgeloopen dan men zich had vo<strong>org</strong>esteld. Maar dan ook meen<br />
ik dat men daarop moet letten om eene staatkunde te volgen, waarop men Gods zegen kan<br />
verwachten. Wanneer men zich beroepen heeft op het getuigenis van den staatsraad Elout,<br />
dan meen ik dat cle laatste woorden waarmede hij zijne inleiding besloot, wel behartiging<br />
verdienen.<br />
De heer Fransen van de Vatte, Minister van Koloniën-. Mijnheer de President, wanneer<br />
ik na het gevoerde debat drie sprekers tot de conclusie hoor komen dat de oorlog niet<br />
geregtvaardigd is, dan zou ik zeggen: — als ik het niet liet uit deferentie voor de Kamer —<br />
ik zie van het woord af. Wanneer toch de Regering-, na hetgeen zij laatstleden Zaturdag<br />
23
00<br />
cle eer had voor te dragen, er nog niet in geslaagd is de Kamer te overtuigen dat de oorlog<br />
was onontwijkbaar, dan zal zij heden — in de stemming waarin de Kamer nu verkeert — er ook<br />
niet toe geraken.<br />
Het is alleen pligtbesef om eenige bepaalde punten te beantwoorden, dat mij heeft doen<br />
opstaan , en niet de hoop om dergelijke verstokte zondaren te bekeeren.<br />
INU kom ik in de eerste plaats tot den heer Stieltjes; en ik wensch wel begrepen te worden.<br />
Het is volstrekt mijne bedoeling niet, en het ligt niet in mijn verleden om gewenschte interpellatien<br />
tegen te gaan of inlichtingen te weigeren in het publiek, ook niet over leger en vloot;<br />
maar mijne aanmerking, of liever verzoek, sloeg niet op de vraag of de uitlating van den heer<br />
Stieltjes. Ik meen echter dat het pligt is in deze vergadering een enkel woord tot waarschuwing<br />
te doen hooren, om zoo lang de zaak van Atjeh niet uit is, niet declinatoir over<br />
onze strijdkrachten aldaar te spreken. Ik zou daarom met genoegen de reeks vragen van<br />
den geachten afgevaardigde uit Amsterdam bijna alle in het publiek beantwoorden. Ik zal onder<br />
anderen de vraag, of onze eigene marine niet te veel heeft geleden door wat zij voor Indie deel,<br />
onmiddellijk beantwoorden met neen, wat het materieel, met ja, wat het personeel betreft.<br />
Neen, wat het materieel betreft, — van de Nederlandsche marine is er naar Indie niets bijzonders<br />
gegaan, als de Zeeland; het Metalen Kruis was toch reeds voor Indische dienst bestemd,<br />
en al die fregatten als de Zeeland en de Wassenaer zijn voor de verdediging hier te lande niet veel<br />
waard. Ik kan hier in comité gerust zeggen, dat noch de sterkte van den romp , noch cle bewapening<br />
van die schepen aan de tegenwoordige eischen voldoet. De bewapening is niet in overeenstemming<br />
met de eischen van den tegenwoordigen tijd.<br />
De schepen zijn in der tijd te zwak gebouwd, in verhouding tot de lasten die zij moeten<br />
dragen, waardoor ze allen van achteren doorzakken en ongeschikt worden voor de dienst.<br />
De machine zal nu uit de Zeeland genomen worden en dit schip in Indie als wachtschip<br />
gebruikt worden , waarvoor het uitstekend geschikt is.<br />
Ik zal nu nog een enkel woord zeggen over hetgeen eergisteren door den geachten spreker<br />
is aangevoerd betreffende de vergelijking van hetgeen nu en in 1870 van de marine gereed was.<br />
Ik zal bij de clefinitive indiening van de begrooting van Marine voor esn staat hiervan<br />
z<strong>org</strong>en. Ik wil alleen nog doen opmerken, dat stoom batterijen , de Ruyter en al die andere<br />
drijvende batterijen, niet veel beteekenen wat weerbaarheid betreft met hun glad geschut<br />
en onvoldoende pantsering. Zij zijn , daar zij nu ook vervuurd zijn, afgekeurd.<br />
Van de 3 ramschepen zijn wij op 4 gekomen; de Guinea is klaar, doch er is eene scheur<br />
in den condensor ontdekt; voor het overige is het schip geheel klaar.<br />
Tegen 4 monitors in 1870 hebben wij er nu 10 klaar.<br />
Er zijn verder twee nieuwe kanonneerbooten, type Staunch, gereed en 8 in aanbouw.<br />
Wat de zeilschepen betreft, kan ik zeggen dat er op dit oogenblik meer gereed zijn dan in 1870.<br />
De geachte afgevaardigde uit Amsterdam kan den staat, dien ik hier heb neergelegd,<br />
inzien, later zal die, bij de definitive begrooting van Marine, meer uitgebreid worden overgedrukt.<br />
Ik meende nog meer over marine te spreken, maar ik zal mij liever beperken tot het volgende:<br />
Wanneer die geachte spreker zegt, dat de schepen , waarover in de Kamer gesproken is,<br />
onbruikbaar en , zoo als hij zegt, » zonder adem " zijn , dan moet ik de opmerking maken,<br />
dat men zulke staten van schepen met verstand moet lezen. Is cle kamer van een huis, dat<br />
men gemeubileerd overneemt, en waarineen goed halfsleten kleed ligt, daarom dan minder<br />
bruikbaar ?<br />
Ik heb hier een staat voor mij van de vloot, met den laatsten mail ontvangen. Wanneer<br />
men dien inziet met het oog van een leek, dan zou men zeggen dat er al heel weinig<br />
schepen zijn die bruikbaar zijn.<br />
» De Citadel van Antwerpen en het Metalen Kruis maken water in het achterschip", leest<br />
men daar in dien staat. Maar, Mijnheer de Voorzitter, al onze houten schroefschepen, zonder<br />
onderscheid, maken water; dat hebben zij altijd gedaan en zullen zij altijd blijven doen.<br />
Verder: » Eenige dekdeelen zijn gescheurd." Dit geldt de Watergeus; maar ik vraag, is<br />
dit nu een reden om te zeggen dat een schip niet bruikbaar is? Ik vraag dit aan de heeren<br />
Fabius, Nierstrasz en allen die verstand van schepen hebben.<br />
Van anderen heet het dat het koper dun geworden is; maar bewijst dit dat een schip<br />
daarom geen goede diensten kan doen?
9L<br />
De Coelioorn, de Briel, de Maas en Waal moeten nu afgekeurd worden, zij zijn totaal<br />
op; maar ik herinner dat zij nog een jaar dienst gedaan hebben, en welke dienst, nadat<br />
hier verklaard was dat zij niet meer drijven konden.<br />
Ik las gisteren in eene courant uit Indie, waar men tegenwoordig alles afkeurt en veroordeelt,<br />
dat die schepen niet deugen, omdat zij zulk ruim-stank hebben. Nu erken ik<br />
dat dit voorde bewoners onaangenaam is, maar aan de bevaarbaarheid van een schip doet<br />
dit niets af.<br />
In de staten waarover de geachte afgevaardigde uit Amsterdam heeft gesproken stond<br />
van verschillende schepen dat de ketels zeer slecht waren. Toch hebben zij nog een en<br />
l'/o jaar medegedaan.<br />
Men moet zich evenwel geen illusien maken, noch omtrent Nederland , noch omtrent<br />
Indie. Ik ben nu te vermoeid om het stuk voor te lezen, maar zal het ter inzage voor de<br />
leden nederleggen, waaruit blijkt dat het betrekkelijk bij andere natiën, en wel bij Engeland,<br />
alwaar van cle gepantserde schepen eigenlijk maar 3 schepen in goeden staat zijn,<br />
niet veel beter gesteld is.<br />
Dit is, naar mijns inziens, het gevolg hiervan, dat de Ministers van Marine in<br />
verschillende landen zich geen genoegzaam rekenschap geven van het verband tusschen<br />
bewapening , romp en werktuigen der schepen van den tegenwoordigen tijd. De Minister<br />
van Marine in Italië stelde voor om de geheele vloot, die 60 millioen gekost had, voor 6<br />
millioen te verkoopen , want meer achtte hij haar niet waard. Men houdt — en daar zit<br />
de fout in — niet genoeg in het oog of een schip nieuwe ketels waard is. Somtijds —<br />
zoo als de Bali in Indie — is het schip opgevaren, maar zijn de ketels nog goed. Van<br />
een ander schip is het omgekeerde waar enz. Bovendien moet men op de kosten letten.<br />
Een kanonneerboot kostte vroeger f25 000. Ik durf het cijfer niet te noemen wat de 22 man<br />
en de luitenants die er op waren, 'sjaars kostten. Thans kost zulk een schip f 125 000;<br />
aan machine, kolen en munitie kost het ook zeer veel. Daar staat een 23 centimeter in ;<br />
met zoo'n wapening kan men wel veel doen, ja, maar de vrienden die tegenover ons staan<br />
zijn niet minder goed toegerust. Derhalve moeten de Ministers van Oorlog en Marine wel<br />
terugschrikken voor do middelen, die zoowel in Indie als hier, voor ons leger en onze<br />
vloot noodig zijn. Intusschen — en dat is al wat gedaan kan worden — er moet bijzonder<br />
gelet worden op het goede verband , waarvan ik zoo even gewaagde , en gez<strong>org</strong>d worden<br />
dat de gelden zoo goed mogelijk besteed worden. Wij zijn op dien weg.<br />
De geachte afgevaardigde uit Amsterdam heeft gewaagd van een brik die beter gewapend<br />
was dan onze groote schepen voor Atjeh zijn. Het was geen brik, dat is eene vergissing,<br />
maar een stoomschip met twee schroeven.<br />
Het schip, de Kornet, was van de grootte van onze oude stoomschepen 3de klasse, dus<br />
iets grooter, maar zeer weinig , dan onze nieuwe 4de klasse, die nu voor Indie zijn gebouwd.<br />
Het was gewapend met twee 18duimers van 4 ton gewigt en met twee 16 duimers. Wij<br />
zijn op het oogenblik beter gewapend. Wij hebben op onze 4de klasse in plaats der oude<br />
klakkebussen een 18duimer van zeven ton en twee achterladers van 12centimeters, terwijl<br />
wij op de nieuwe raderbooten gebruik maken van de 16centimeters van de vroegere 4de<br />
klasse en die verder gewapend zullen worden met vier 12centimeters achterladers.<br />
Wat dus de bewapening betreft zijn wij vooruitgegaan en wij zullen ook trachten te komen tot<br />
schepen die aan de eischen van den tegenwoordigen tijd voldoen, maar dat is niet gemakkelijk,<br />
want dat vraagstuk is noch in Engeland, noch in Frankrijk, noch ergens elders opgelost. Het<br />
eikenhout, dat men tegenwoordig krijgt, is niet meer bruikbaar. In de Anna Pauloiona, die nog<br />
nooit heeft dienst gedaan, zit het vuur reeds. En dat is niet alleen hier, maar ook in andere<br />
landen het geval. Het eikenhout was vroeger goed uitgeloogd, had lang op stam gestaan en was<br />
eenige jaren bruikbaar; men bouwde aan een schip eenige jaren, en zette, als een stuk hout<br />
aangestoken was, er een nieuw stuk in. Maar tegenwoordig is geen goed stuk hout meer te<br />
krijgen.<br />
Nu is de zoogenoemde compositebouw slechts geschikt voor betrekkelijk kleine schepen.<br />
Zoodra men boven zekere grootte gaat, zijn zij niet sterk genoeg meer, zoodat ik tot mijne groote<br />
verwondering voor veertien dagen te Amsterdam heb gezien, dat men bij het bouwen van de<br />
Alkmaar, niet tot verfraaijing maar uit noodzakelijkheid, ijzeren langsverbanden op de plaats
92<br />
waar de hutten komen heeft aangebragt. Volgens Engelsche rapporten is onze Alkmaar reeds<br />
te groot voor compositebouw. Men zal clus ijzeren schepen moeten bouwen en die met zink<br />
bekleeden.<br />
Het geachte lid uit Amsterdam vroeg mij. of er geen voorstellen van den Gouverneur-Generaal<br />
waren. Ik heb reeds vroeger gezegd: in October 1872 zijn de eerste voorstellen uit Indie gekomen,<br />
maar toon was de Minister reeds voor geweest en had hij geld aan de Kamer gevraagd.<br />
De toestand van de vloot heb ik vroeger begrepen dan het schijnt het geval te zijn geweest in<br />
Indie. Daarna ü de eigenlijke noodkreet gekomen in het voorjaar van het vorige jaar, maar toen<br />
w^as de wet om meer geld ook reeds hier bij de Kamer.<br />
Ik heb tot mijn genoegen gezien, dat de tegenwoordige schout-bij-nacht de taak begrijpt, die<br />
ik hem sinds opgedragen heb. Ik wil er nog bijvoegen , dat als men zich houdt aan de°vele aanschrijvingen<br />
omtrent personeel en materieel die ik in de laatste maanden naar Indie gezonden<br />
heb, voortaan de zaak op vasten voet geregeld zal worden.<br />
Eene zaak van veel z<strong>org</strong> echter, waar ik op het oogenblik nog niet in weet te voorzien , is het<br />
gebrek aan volk. Gisteren middag nog heb ik er met den schout-bij-nacht uit het Nieuwe Diep,<br />
dien ik om eene andere reden bij mij had, zeer ernstig over gesproken. Al verhoogt men het<br />
handgeld, kan men met de gage toch niet zoo hoog gaan als op de koopvaardijschepen. Deze<br />
week is te Nieuwe Diep voor volk op stoomschepen f45 betaald. Wij hebben de handgelden<br />
reeds verhoogd en ik heb nog een anderen maatregel genomen: ik heb de equipagestaten der<br />
marine in Indie herzien en de voeding der inlanders verbeterd, zoodat zich meer inlanders verbinden<br />
en de militaire marine 300 man minder Europeanen noodig heeft, die dus hier kunnen<br />
blijven.<br />
Dat is eene zaak van groote z<strong>org</strong>. Er bieden zich wel meer zeemiliciens aan dan geplaatst<br />
kunnen worden, maar, gelijk men weet, kunnen die niet buiten'siands gebruikt worden, dan<br />
in zeer buitengewone omstandigheid.<br />
Wat betreft het gepantserd materieel, de Koning der Nederlanden, geschikt om als<br />
gepantserd vaartuig naar Indie te gaan, zal, naar ik hoop, over een groot jaar klaar<br />
komen, en er zal worden vo<strong>org</strong>esteld, een tweede en een derde schip te bouwen.<br />
De leden, die zich hebben onledig gehouden met de vraag van het uitzenden van troepen,<br />
hebben gevraagd: waarom hebt gij de eerste expeditie niet opgehouden? Ik meen daarop in<br />
het algemeen dit te moeten antwoorden, dat die leden nu een ander denkbeeld hebben over<br />
de verhouding tusschen den Minister en een Indischen landvoogd dan zij hier wel eens<br />
hebben blootgelegd en dan mijne overtuiging is. De Regering hier te lande moet zich<br />
bepalen tot algemeene trekken, maar zich niet in bijzonderheden mengen. Wanneer bij<br />
voorbeeld de Gouverneur-Generaal met den Raad van Indie en den Chef van land en zeemagt,<br />
besloten heeft tot eene expeditie, dan moet de Minister er zich niet mede bemoeijen of het<br />
beter is te Pedir of in Atjeh te landen , en als ik van hier uit heb geschreven : stuur schepen<br />
en men ginds ook troepen daarbij wil uitzenden, zou ik niet gaarne de verantwoordelijkheid<br />
op mij willen laden om dit te verbieden.<br />
Verschillende sprekers, zoo als de heeren Kuyper, van Lynden van Sandenburg en van<br />
Zuylen van Nyevelt, zijn er op teruggekomen dat Amenka zich onthouden had, vóór dat<br />
cle expeditie vertrokken was, en beroepen zich op de telegrammen. Maar wat stond in die<br />
telegrammen? Dat wij wisten dat Amerika geen orders gegeven had, dat de consul, volgens<br />
hetgeen de Amerikaansche Minister heeft medegedeeld, op eigen autoriteit had gehandeld.<br />
Maar meer wisten wij er niet van. Was dat nu voldoende zekerheid ? Doch ik<br />
refereer mij verder aan hetgeen ik Zaturdag gezegd heb, toen ben ik zoowel op dit als op<br />
andere punten zeer wijdloopig geweest.<br />
Nog slechts twee punten. De heer van Lynden is teruggekomen op hetgeen ik op 4<br />
April in antwoord aan den heer van Reenen heb gezegd : » meer kan ik niet mededeelen "<br />
terwijl ik op 27 Februarij, toen de heer Blussé zeide: misschien zijn er redenen van Staat<br />
die beletten meer te zeggen, geantwoord heb, dat dit juist zoo was. Nu vraag ik: ma°de<br />
Regering, als zij met vreemde mogendheden in eene onderhandeling is en telegrammen<br />
wisselt, er de Kamer in mengen ? Mogt een ander het willen doen , ik doe het niet<br />
De verschillende opposanten zijn met elkander in lijnregten strijd. Zal ik op nieuw de<br />
Kamer en mijzelven vermoeijen met dit in het licht te stellen? Zou het mij verder brengen<br />
dan Zaturdag? °
93<br />
Men stelt den Minister verantwoordelijk voor den brief van 22 Maart van den heer Nieuwenhuyzen<br />
; er werd zelfs eene motie op gevestigd. Er wordt over dien brief gesproken alsof<br />
het een ultimatum was, en alsof daardoor niet gehoorzaamd is aan de ministeriele bevelen.<br />
Men heeft ook somwijlen den inhoud van de telegrammen in het debat niet juist weergegeven.<br />
Zoo zeide de geachte afgevaardigde uit Arnhem, dat in een van de telegrammen<br />
stond: » niet al te ruw". Dat is niet juist. Er staat: » niet ruwweg". Een groot onderscheid.<br />
Werkelijk is gehoorzaamd, want in den brief van 22 Maart is niet gevraagd: erkenning<br />
van souvereiniteit, maar, zoo als de Minister wilde: opheldering en rekenschap. Ik ben te<br />
vermoeid om den geheelen brief voor te lezen, maar anders zou men zien dat het eenig<br />
verschil bestaat in de quaestie van 24 uur. Maar dit heb ik eerst geweten in Julij, te gelijk<br />
toen ieder ander het vernam.<br />
Zouden wij den brief anders gesteld hebben ? Ja, misschien; maar zij, die zich zoo<br />
stooten aan den vorm,. letten eens op de gebruiken, die ginds gevolgd worden. Men zie<br />
eens de correspondentie in den Javaschen oorlog, die over Bali en Boni, en dan zal men<br />
zien, dat, als men die vrienden niet zoo behandelt, men nooit tot een einde komt.<br />
Ik zal de Kamar en mijzelven niet meer vermoeijen. Wat heden m<strong>org</strong>en, na mijne rede<br />
van Zaturdag, nog in het midden is gebragt, heb ik reeds drie malen beantwoord. Ik<br />
meen dat die argumenten van hetzelfde allooi zijn als de regters van Oldenbarneveld gebruikten<br />
, zoq als Motley ons op nieuw dezer dagen heeft leeren kennen. Ik denk bij het<br />
vaderlandsche volk en bij de groote meerderheid dezer Kamer regtschapener regters te zullen<br />
vinden dan Oldenbarneveld heeft gehad.<br />
De beraadslaging wordt gesloten.<br />
De Voorzitter: Alvorens het comité-generaal op te heffen stel ik aan de vergadering<br />
voor te besluiten, overeenkomstig art. 105 van het Reglement van Orde, dat omtrent het<br />
verhandelde in comité-generaal geheimhouding wordt opgelegd aan allen die daarbij<br />
tegenwoordig zijn geweest.<br />
Dienovereenkomstig wordt besloten.<br />
De heer Fransen van de Putte: Ik vraag van de beleefdheid der Kamer de verdere<br />
beraadslaging te willen uitstellen tot m<strong>org</strong>en, want ik ben nu te zeer vermoeid.<br />
De Voorzitter: Ik zal eerst het comité-generaal opheffen en daarna voorstellen de<br />
beraadslaging te verdagen tot m<strong>org</strong>en.<br />
Het comité-generaal wordt opgeheven.<br />
24
94<br />
STAAT der effective sterkte van het leger op den lsten April 1874, met<br />
verlof bevonden, mitsgaders van het incompleet in iederen rang.<br />
STAVEN. =<br />
C O M P A G ü l E K E N<br />
K A D E E<br />
ö ^ .<br />
STAVENEN CORPSEN. . d Jj A - s<br />
B g<br />
3 a g £ SS -g S 3 5ó S<br />
I §• I s -s g, a •§ £ g -s<br />
sa o vs 'SS S a s<br />
o ° 3<br />
O H O O . M H P<br />
Groote generale , provinciale en plaatselijke staf, militaire administratie<br />
en geneeskundige dienst 173<br />
» " " " S9 v I<br />
Infanterie.<br />
Staf van het wapen • • 37 „ „ „ „ „ „<br />
Een regement grenadiers en jagers , sterk 4 veld-bataillons en 1 depot,<br />
te zamen 22 compagnien<br />
Acht regementen infanterie, ieder sterk 4 veld-bataillons en 1 depót, uit-<br />
23 43 70 165 141 55 „<br />
makende 25 compagnien per corps 225 208 613 1397 774 431 ,<br />
Een instructie-bataillon , bestaande uit 4 compagnien 7 9 25 52 32 16 „<br />
Een algemeen depot van discipline, sterk 2 compagnien 4 4 8 16 20 4 „<br />
Twee compagnien hospitaal-soldaten „ „ 2 12 8 „ „<br />
Totaal . . . 296 264 718 1642 975 506 „<br />
„ . , t .. ) ontbreekt . . 54 37 44 861 138 „<br />
Vorens de formatie j o v e r c o r a p l e e t. , l ^ . , „<br />
Cavalerie.<br />
Staf van het wapen 6 „ ,, „ „ „ „<br />
Vier regementen huzaren , elk van 4 veld-escadrons, 1 reserve-escadroii<br />
en 1 depot 69 49 96 230 337 74 42<br />
Totaal . . . 75 49 96 230 337 74 42<br />
Volgens de formatie ontbreekt 20 „ 25 6 3<br />
( overcompleet. „ „ „ „ „ „ „ I<br />
Artillerie.<br />
Staf van het wapen 62 50 „ „ „ „ „<br />
Een regement veld-artillerie, bestaande uit 14 batterijen, 1 depót, 2 compagnien<br />
artillerie-transporttrein en 1 compagnie transporttrein. . . . 21 31 60 128 115 34 22<br />
Drie regementen vesting-artillerie, ieder sterk 14 compagnien . . . . 46 28 149 290 242 70 4<br />
Een regement rijdende artillerie, bestaande uit 4 batterijen en 1 depöt. 11 ' 9 15 36 27 10 14<br />
Een corps pontonniers, bestaande uit 2 compagnien 4 2 7 13 14 3 1<br />
Totaal . . . 144 120 231 467 398 117 41<br />
»*. „ , « . j SS»; ƒ ƒ • « f f f<br />
Genie.<br />
Staf van het wapen 81 40 „ „ „ „ „<br />
Een bataillon mineurs en sappeurs, sterk 5 compagnien 6 10 14 47 48 15 „<br />
Totaal . . . 87 50 14 47 48 15 „<br />
Volgens de formatie ontbreekt „ G 3 2 „ „<br />
6<br />
( overcompleet. „ „ „ „ „ 5 „
aanwijzing van de militairen die zich'op dat tijdstip werkelijk onder de wapenen en met groot<br />
ESCADKONS.<br />
^^^ToTïïTFm—<br />
A MILICIENS.<br />
T0TAAL<br />
- p a a<br />
§> « J •<br />
2<br />
10<br />
<br />
« § ^ P fl S a<br />
t; s a t» 5 1 -2 a> .a S.<br />
£ I £ '£ g 1 SE 2 IE g<br />
^ O 3 H O H O E-t<br />
95<br />
!<br />
A A A<br />
* M<br />
E li K I V G E N<br />
Op 1 April 1874 was de sterkte dor scherpschutters bij d<br />
" n » 173 „ 67 „ onderstaande corpsen als volgt:<br />
Eegement grenadiers en jagers . 245<br />
lste regement infanterie . . . . 80<br />
2de , „ . . . . 93<br />
„ , 37 12 3de „ . . . . 106<br />
" " " " 4de * . . . . H7<br />
200 665 2459 3124 93 3728 7 « „ . . . . 83<br />
96<br />
Op den lsten Julij 1873 en 1 April 1874 was de sterkte der vrijwilligers (onderofficieren,<br />
korporaals en soldaten) bij de corpsen der onderstaande wapens als volgt:<br />
Infanterie. (•<br />
„ , T r . Tamboers,<br />
Onderoffi- Korporaals •,„._ I,vi0„0_'
Zeemagt.<br />
In dienst in 1870 tijdens de mobilisatie. Thans gereed.<br />
1 stoombatterij de Ruijter. i echter in slechten staat gewapend met<br />
1 ramtorenschip Prins Hendrik.<br />
l a d<br />
& geschut, zonder waarde.<br />
3 ramschepen Buffel, Schorpioen, Stier.<br />
1<br />
~<br />
4 monitors Ileüigerlee, Tijger, Krokodil<br />
Cerberus.<br />
4 w a a r o n (<br />
ier de Guinea, in herstelling voor<br />
verwisseling-condensor.<br />
1 gep. stoomkanonneerboot n° 1 10 bovendien : Bloedhond, Haai, Panter,<br />
A 1 , Hyena, Wespen Adder, laatstgenoemde<br />
1 stalen kanonneerboot. gereed in Julij.<br />
1 gewapend met glad geschut, weinig waard.<br />
1 _<br />
2 gep. drijvende batterijen Jupüer, Draak. '<br />
1 gep. drijv. verdedigingsvaartuig Borcas. Gesloopt.<br />
1 gep. drijv. kanonneerboot. \<br />
1 gep. ramriviervaartuig.<br />
2 stoomkanonneerbooten Hydra, Ener.<br />
il ~*<br />
1 schroefstoomschip 1ste kl. Zilveren kruis. \ stoomfregat Evertsen.<br />
1 idem 2de » Citadel. 3 schroefstoomschepen lste kl. Zilveren kruis,<br />
2 idem 4de » Dommel Amstel. Curacao, Leeuwarden.<br />
1 raderstoomschip lste » Valk.<br />
1<br />
schroefstoomschip 3de kl. Corn. Dirks.<br />
5 instructie-vaartuigen.<br />
m o e t<br />
1 ketels vernieuwen, zijn gereed.<br />
6 wacht-, kost- en exercitie-vaartuigen.<br />
5<br />
~<br />
6 -<br />
In aanbouw en herstelling. Gereed.<br />
I ramtorenschip Koning der Nederlanden, najaar 1875.<br />
8 stoomkanonneerbooten , begin 1875.<br />
1 schroefstoomschip lste kl. van Galen, najaar 1874.<br />
1 idem 2de » Marnix, laatst 1874.<br />
1 idem 3de » Alkmaar, Augustus 1874.<br />
1 idem 3de » Prinses Maria, najaar 1874.<br />
1 idem 4de •» Aruba, laatst 1874.<br />
1. stoomfregat Anna Paulowna, na 6 maanden.<br />
25
98<br />
NB. Van de opgelegde schepen komen waarschijnlijk niet meer voor herstelling in<br />
aanmerking: 2 stoomfregatten Adolf en Wassenaer, het schroefstoomschip lste kl. Willem<br />
en net schroefstoomschip 4de kl. Soestdijk.<br />
Indien de Willem niet wordt hersteld, moet de Anna Pauloiona worden onderzocht,<br />
hersteld en afgetimmerd, waarvoor zes maanden noodig zijn.<br />
Al het houten materieel van de marine, thans in Oost en West in dienst, komt bij<br />
eventuele buitendienststelling niet meer voor herstelling in aanmerking.<br />
Eikenhout.<br />
Composite bouw.<br />
Uzer bekleed met hout, enkele en dubbele huid, koper of zink.<br />
De Hornet een schroefstoomschip met twee schroeven, van ruim 400 ton, van de grootte<br />
van de schroefstoomschepen 3de kl., iets grooter dan de Riouw enz., kleiner dan de Alkmaar.<br />
gewapend met 4 stukken:<br />
2 van 118®, ligte korte 18 duimen, wegende 4 ton;<br />
2 » 64» » 16 »<br />
Riouw wordt gewapend met:<br />
1 kanon van 18 duim, zwaar, lang, wegende ruim 7 ton.<br />
2 » » 12 » achterlaad,<br />
behalve het sloepsgeschut.