04.09.2013 Views

BIBLIOTHEEK KITLV - Acehbooks.org

BIBLIOTHEEK KITLV - Acehbooks.org

BIBLIOTHEEK KITLV - Acehbooks.org

SHOW MORE
SHOW LESS

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

BIBLIOTHEEK KITLV

n n


f

BEELDEN ÜIT NEDERLANDSCH INDIË.


» f-


BEELDEN

UIT

NEDERLANDSCH INDIË

5, v

F. J. VAN UILDRIKS.

HAARLEM,

H. D. TJEENK WILLINK.

1893.


INLEIDING.

Met een zeer verklaarbaren trots kunnen wij, Nederlanders, als het

te pas komt, spreken over onze schoone bezittingen daarginder

tusschen de keerkringen, en het is ons een behoefte, zoo nu en dan

eens de bijna vijftig Nederlanden, die daar geknipt kunnen worden

enkel uit Java, Borneo, Sumatra en Celebes, mee te laten wegen in

de schaal, waardoor het gewicht van ons eigen klein landje wordt

aangewezen.

Welnu, daar straalt genoeg licht uit van de historiebladen, waarop

de geschiedenis onzer kolonisatie staat opgeteekend, om veel schaduw

te overstralen, en zoolang het Nederlandsch er klinkt als de taal der

beschaafden, zoolang hebben wij het recht, ons te verheugen, dat

naast het Britsche ook het Nederlandsche Indie zich waardig in de

rij der koloniën handhaaft.

Een der beste middelen, om onze ingenomenheid te toonen met

het feit, dat onze vlag daar in het tropische land over een zoo uit-

gestrekt en zoo rijk grondgebied wappert, is voorzeker, dat wij elke

gelegenheid aangrijpen, om land en volk beter te leeren kennen en

stellig neemt die ingenomenheid toe en zal op beteren, hechteren

grondslag steunen, naarmate wij helderder voorstellingen hebben van


IV

INLEIDING.

die zoo rijk -bedeelde, heerlijk schoone landstreken en van hun goed-

moedige en lijdzame bevolking hier, hun krijgshaftige en strijdlustige

of vroom-geloovige bewoners daarginds en hun weer elders nauwelijks

aan den natuurstaat ontkomen jagers of visschers.

Die voorstellingen te verlevendigen en te verhelderen is het doel

van deze Beelden uit Aedcrlandsch-Indic, die geen volledige schets

van land en volk in onzen archipel willen geven, maar eenvoudig be-

oogen aangenaam bezig te houden en de gedachten te doen verwijlen

in het land van zonneschijn en gastvrijheid, waaraan herinnering of

toekomstdroom zoovelen onzer landgenooten bindt.

October 1893. DE SCHRIjFSTEK.


t

Inleiding

I. Batavia

INHOUD.

II. De omgeving van Batavia met Buitenzorg 2?

III. Midden- en Oost-Java 6

IV. Atjeh

V. Midden-Sumatra

VI. Deli en de tabak

VII. Borneo

VIII. Celebes

IX. De meer oostelijk gelegen eilanden

Lijst van geraadpleegde artikelen en geschriften 348

Biz.

m

i

99

144

189

227

274

291


Biz.

Gezicht te Batavia 3

Eene straat in Batavia (oude stad). 6

Eene straat in het nieuwe Batavia.. 10

Maleische woning in de omstreken

van Batavia II

Gezicht in Batavia (de nieuwe stad) 14

Europeesche woning te Batavia.... 18

De krissendans 19

Allée van waringins te Buitenzorg. 24

Eene javaansche bruiloft 30

De gamelang 31

Het Paleis van den Gouverneur-

Generaal, uit 's Lands Plantentuin

te Buitenzorg gezien 33

Vijver in 's Lands Plantentuin te Buitenzorg

36

Javaansche kinderen 38

De Gambang 39

Maleisch binnenhuis 42

Een javaansche palankijn 46

Javaansch kapsel. — Maleisch kapsel. 47

Wachtpost te Batavia 50

Javaansche herberg 54

Een kampong 55

Dansende bayaderen onder een indischen

vijgeboom in de omstreken

van Buitenzorg 58

De Sultan van Djokjokarta 62

De Sultane van Djokjokarta 63

Ruinen te Brambanan 66

De Javaansche Gratiën 70

De Soesoehoenan (keizer) van Solo. 71

De tempel van Boeroe-Boedor 74

Gezicht te Soerakarta 78

Prins Mangkoe Ngoro 79

Bas-Reliefs van den tempel van

Boeroe-Boedor 82

Bas-relief van den tempel van Boeroe-

Boedor 8(

Keukens in de open lucht te Soerabaija 87

LIJST VAN PLATEN.

Blz.

De overdekte markt of bazar te Soerabaija

90

Een „Amok"-maker 94

Gezicht op de reede van Olehleh. 103

De nieuwe Moskee te Kotta Radja 106

Plattegrond der oude Missigit.

Plattegrond der Nieuwe Missigit.

Gezicht in Olehleh 110

Spoorwegstation „Kraton" te Kotta

Radja III

Gezicht op Panteh Perak 114

Brug over de Atjeh-rivier 115

Gezicht in den Kraton (Noorderface) 118

Sultansgraven te Kotta Radja 119

De bedwingers van Atjeh 122

Aanvoerders van Atjeh 126

Monding derPadang-riviermet den

Apenberg 127

De Chineesche tempel te Padang,

van binnen 130

Hulpbrug over de Batang Masang 134

De Batang Hari met de monding

van de Potar 135

Waterval in de kloof van de Ané. 138

De stoombarkas der Sumatra-expeditie

op de Batang Hari 142

Huis met rijstschuur en taboehuisje

te Alahan pandjang 143

Het dorp Grabak 146

Brug over de Goemanti bij Alahan

pandjang 150

Paueboom bij Alahan pandjang... 151

Koffiemantri en vrouw te Alahan

pandjang, en de inlandsche schrijver

der expeditie 154

Top van den Talang 158

Controleurswoning te Moeara Laboe 159

Huis te Alahan pandjang 162

Beeldhouwwerk van een ouden Hindoe-tempel

166


LIJST VAN PLATEN.

Biz.

Twee vergroeide boomen 167

Woning van een handelaar te Kota

Baroe 170

Rijstschuren te Kota Baroe 174

Huis te Bedar Alam 175

De Piek van Korintji 178

Rolan-brug over de Bangko 182

Koffie-droogloodsen te Soerian.... 183

Waterval van de Timboeloen 186

Bingin Telok 190

Pasar te Lolo 191

Overdekte brug te Lolo 194

Huizen te Soeroelangoen 198

Moskee te Palembang 199

Waringin-boom bij Soeroelangoen. 203

De Sultan van Djambi 206

Rebabspeler 207

Controleurswoning te Djambi 210

Inwoners van Moeara Menkoelem. 214

Jong meisje te Napal Litjin 215

De Batang liari met drijvende woningen

voor Djambi . 218

Woning van den sultan van Doesoen

tenga 222

Gevecht van een Dajak met een

orang-oetan 228

Orang-oetans 232

De Argusfazant 232

Dajaksche krijgslieden 236

Wapenen en gereedschappen der

I )ajaks 240

Wapenen der Dajaks 241

Een dorp op Borneo 244

Dajaks 248

Visscherswoning op Borneo 249

Ilcrtenjacht op Borneo 252

Een smidse op Borneo 256

Een landschap op Borneo 257

Dorpsgezicht op Borneo 260

De babiroessa 264

Gezicht te Makassar 265

Blz.

Weg van Tondano (Celebes) 268

Waterval bij Tondano (Celebes) .. 269

Bewoner van Timor 272

Inboorling van Timor 273

De rivier van Dodinga 276

Wapenen enz. der bewoners van

Timor 280

Moskee te Ternate 281

Niroe, de Alfoer van Dodinga .... 284

Kimalaha 288

Alfoeren 289

Hassan en zijn zoon Idriss 292

Eene europeesche woning op Ternate

293

Moskee op Amboina.., 296

Gezicht op Amboina 297

Gezicht op Amboina 300

Het dorp Waroe-Waroe op Ceram. 304

Inboorlingen van Ceram 305

De Paradijsvogel 308

De goudkleurige sifflet (Parotia

aurea) mannetje en wijfje 309

De Goenong-Api, vulkaan op Banda 312

Gezicht op Dobbo 313

Inboorlingen van Nieuw-Guinea... 316

Papoe uit de omstreken van Dorey 320

Papoe uit de omstreken van Dorey 321

Papoe van de Prinses-Mariannestraat

(Nieuw-Guinea) 324

Arfaks 328

Eene prauw der Papoes 329

Het gewijde huis te Dorey (Nieuw-

Guinea) 332

Wapenen en gereedschappen der

Papoes 333

Wapenen, gereedschappen en versierselen

der Papoes 336

Een tempel te Dorey 337

Huis te Aiambori 340

Het dorp Andaï 344


JAVA.


EERSTE HOOFDSTUK.

BATAVIA.

Wie, vóór hij onze Oost gaat bezoeken, zich door lectuur ook

maar eenigszins op de hoogte heeft gesteld van het land, en de

zeereis dienstbaar heeft gemaakt aan zijn kennismaking met

Insulinde, is er zeer goed op voorbereid, dat geen trotsche natuurtooneelen,

geen statige handelspaleizen of pakhuizen zelfs zijn

oog zullen treffen bij 't naderen van de hoofdstad van Ncderlandsch

Indië, want alle schrijvers over Indië hebben hem reeds teleurstelling

aangekondigd tegelijk met het ankeren op de reede van Batavia.

Hij verwacht dan ook niets anders dan dien lagen kustzoom

aan het vlakke moerassige strand, maar toch, als het helder

weer is, hebben het vergezicht op de landwaarts in gelegen

bergen en de weelderige kustvegetatie reeds een groote bekoorlijkheid

voor de van de zeereis naar den geest vermoeiden

reiziger. Immers de eentonigheid is voor een gezonden geest veel

moeilijker te dragen dan de rijkste verscheidenheid van indrukken

en zoo stapt de bezoeker, hongerend naar geestesvoedsel, in het

kleine met twee paarden bespannen rijtuigje, dat hem door een

groote poort de stad binnenrijdt.

Men kan echter thans ook op andere wijze de stad naderen,

nu op 15 Maart 1887 de op 1 Mei 1877 begonnen aanleg van

een zeehaven te Tandjong Priok op 10 KM. afstands van Batavia,

met de volledige ingebruikstelling der havenwerken is bekroond.

De vaartuigen stoomen tusschen groote zeehoofden de haven

binnen, waar in ruime dokken en werkplaatsen voor het gouvernement

en voor particulieren gelegenheid bestaat schepen te


2

laten herstellen en waar de mailstoomers rustig aan de kaaimuren

liggen vastgehecht. Toch wordt er nog met grond geklaagd

over onvoldoende spoorwegcommunicatie, gemis van opslagloodsen

en goede loskranen, zoodat vele schepen liever in de

buitenhaven lossen en, eenmaal in de binnenhaven, toch van prauwen

voor het lossen gebruik maken. Aan de eigenlijke reede van

Batavia konden de schepen niet lossen; lichters onderhielden de

gemeenschap tusschen stad en reede en een toestand van tijd- en

geldverlies voor den handel was er het gevolg van. Van Tandjong

Priok brengt nu de spoorweg de passagiers langs het nieuwe scheepvaartkanaal

door een vlakte van nipahpalmen en voorbij de landhuizen

der voorsteden tot midden in de oude stad bij het stadhuis.

Ook de van de reede komende reiziger reed door de poort,

waar vroeger het oude kasteel stond, de door de Compagnie aangelegde

oude stad binnen en kreeg dus denzelfden indruk van

verlatenheid en stilte, als de per spoor aankomende vreemdeling

nu. Toch is het opmerkelijk, hoe hier het oude door het

nieuwe is overschaduwd. Onze voorouders hadden in hunne zucht

om Batavia een hollandsch aanzien te geven, groote hooge huizen

gebouwd met deftige stoepen en gemetselde banken en hadden

die in navolging van de beroemde amsterdamsche grachten langs

kanalen aangelegd, waarvan er wel een zestiental de stad in

regelmatige vierkanten verdeelden. Later, toen kwaadaardige

koortsen hunne werking hadden uitgeoefend, werden die grachten

wel voor 't meerendeel gedempt, maar de ongezondheid der lage

moerassige streek heeft toch de meeste Europeanen naar de voorsteden

doen verhuizen, terwijl ze in 't oude Batavia hun kantoren

en pakhuizen hebben, waar ze slechts den hoogst noodigcn

tijd aan hunne zaken besteden, aan inlanders en Chineezen de

eigenlijke stad overlatend.

De eigen wijk van dat gele volkje te Batavia biedt altijd een

eigenaardig levendig schouwspel aan ; ze bestaat uit breede straten

met huizen van telkens afwisselenden stijl en levendig gekleurde

zonderling versierde gevels. Overal bemerkt men op de vele

winkels geheimzinnige opschriften in mat goud, maar 't meest


4

treft de ontzettende drukte en beweging op straat; men eet,

drinkt, koopt en verkoopt, kijft en vecht er of maakt zijn toilet ;

daar wordt geschoren, gebakken en gekookt, alles op de open-

bare straat te midden van het rustelooze gewoel van voetgangers en

ruiters, karren, palankijnen en koelies. De verpestende stank van al-

lerlei eetwaren doet verder het tooneel niet in bekoorlijkheid winnen.

Op de plaat, die een straat in de oude stad voorstelt, ziet ge

wel een paar van die gestaarte heeren, die er werkelijk een

eerste viool spelen. Een fransch reiziger, die in 1878 Java be-

zocht zegt, hen goed karakterizeerend, dat zij alles zijn en dat men

hen altijd en overal vindt. Die pakkedrager, schier bezwijkend

onder zijn last, is een Chinees ; maar ook die vermogende koop-

man , die zich door eenige dragers laat volgen en wiens nadering

wordt aangekondigd door een kleinen trommel van tlangevel, is

een Chinees. Gij vindt den onvermijdelijken Chinees op straat en

op de binnenplaatsen of onder de galerijen van de hotels; des-

noods baant hij zich een weg in uwe kamer en maakt u razend

met zijn kruiperige, indringende beleefdheid. Toch heeft hij zijn

deugden, als daar zijn, werkzaamheid en spaarzaamheid; hij is

matig en volhardend en onvermoeid bij den arbeid, maar ook

hartstochtelijk belust op winst. Bij iedere handelsoperatie ia hij

de noodzakelijke tusschenpersoon ; de kleinhandel is over het ge-

heele eiland Java in zijne handen en hij exploiteert, verslindt en

ruïneert Javanen en Maleiers, die zijn weerlooze prooi zijn. Hij

is daarbij zoo taai als leer en leeft en tiert, waar ieder ander

bezwijken zou, is tevreden met hetgeen voor ieder ander onvol-

doende zou zijn en wordt rijk, waar een ander nauwelijks in zijn

onderhoud zou kunnen voorzien. Toch gevoelt hij zich vreemde-

ling op Java en evenals de europeesche ambtenaar of koopman

keert hij, zoodra hij fortuin gemaakt heeft, naar zijn vaderland terug.

Zooeven maakten wij onderscheid tusschen Javanen en Maleiers

en mogen dus wel even de voor de hand liggende vraag beant-

woorden , of Javanen dan geen Maleiers zijn. Welzeker, zij be-

hooren tot dat groote onderdeel van het Mongoolsche ras, den

Maleischen stam, die tot ver in Polynésie zich oostwaarts heeft


5

uitgebreid, maar de drie takken, die van dien stam zich op Java

vertoonen, zijn de Soendaneezen ten Westen van de tji Losari

en tji Tandoewi, Javanen in 't eigenlijke Midden-Java, en aan

de kusten en in de steden de eigenlijke Maleiers, die ook veel

op Sumatra voorkomen, terwijl wij als vierden tak nog de min-

der talrijke Madoereezen in 't oosten zouden kunnen noemen. Zij

hebben elk hun eigen taal en verstaan elkander nieten 't Maleisch ,

dat onze ambtenaren leeren , en waarin u , mevrouw, op de zeereis

zulke aardige vorderingen hebt gemaakt , is hoe algemeen gebruikt

ook, niet enkel voor de Europeanen doch ook voor hunne tal-

rijke bedienden eene vreemde, ten minste eene aangeleerde taal.

Voor den ethnoloog mogen Javanen en Maleiers door den bouw

van hunnen schedel verschillen, het onderscheid is overigens bijna

niet merkbaar, beiden en ook de Soendaneezen hebben het stroeve ,

gitzwarte haar, weinig of geen baard, kleine zwarte schuin ge-

plaatste oogen , een platten neus , tamelijk grooten mond en uitste-

kende wangbeenderen en de gele, naar het bruin zweemende gelaats-

kleur. Wat geaardheid betreft, is de Javaan vreedzamer en geduldi-

ger, meer onderworpen ook dan de Maleier, die bij zijne geniale

luiheid toch uitermate prikkelbaar is en geene beleediging verdraagt.

Wij zullen later nog gelegenheid hebben, hunne geaardheid

en wijze van leven te bespreken; voorloopig lokken de „gezich-

ten" in het nieuwe Batavia blz. 3, 10 en 14 en de europeesche

woning op plaat 6 onze aandacht. Wat ons daar allereerst treft,

is de breedte der wegen en de grootsche aanleg, en inderdaad

is het nieuwe Batavia een der mooiste steden der wereld. In

plaats van straten heeft men er breede lanen, door hooge trot-

sche boomen omzoomd en overschaduwd, en omringd door dl de-

weelde der tropische flora, terwijl de sierlijke, smaakvolle huizen

met hunne door zuilen gedragen veranda's, hun helderwitte gevels,

zoo wonderwel uitkomend tegen het donkere groen der palmen

en waringins, doen denken aan antieke grieksche tempels, te

midden van een heilig bosch.

Ja, reeds terstond maakt de reiziger met de palmen, dien ka-

rakteristieken tropischen boom kennis, en ofschoon hij niet aan-


îene straat in a

(Jùte à Bataofr


iMtavia (Oude stad)

l" ville ancienne.)


8

stonds unter Palmen wandelt, reeds op den rit van zee naar

de stad vindt hij ze, hoewel dan misschien anders, dan hij zich

had voorgesteld. Wij noemden reeds de ;«>«/*-palmen en nu is

deze een der weinige palmsoorten, die hun groote bladerkronen

niet op hooge, slanke stammen dragen, maar ze onmiddellijk

uit den grond doen te voorschijn komen. Maar wacht slechts

even, spoedig ziet gij ook den weldoener der tropen, den kokospalm

of klapperboom , voor u verrijzen, en die buitengewoon

hooge, gladde en smalle stam ginds, van heldergrijze kleur,

die zich lijnrecht verheft en in een vederbos van schoone, lichtgroen

gekleurde bladeren eindigt, is de areka- of pinang-^aXm.

Heldergele, uit meer dan honderd vruchten bestaande trossen

hangen sierlijk bij den stam neder, terwijl in ieder nootje ter

grootte van een ei, weer kleinere besloten zijn. Ge weet, die

nootjes zijn een hoofdbestanddeel van de versnapering, die dé Maleiers,

mannen en vrouwen beide, als sirihpruim kauwen; zij wikkelen

zoo'n nootje in een met kalk bestreken betelblad en hebben

de ingrediënten voor 't vervaardigen van die pruimpjes in meer

of minder fraaie sirihdoozen steeds bij zich. (Zie blz 26).

Ook de waringin vormt hier reeds een sieraad zijner omgeving

en op het aloen-aloen (spreek uit „aloon-aloon") of dorpsplein van

menig dorp bieden zijn schaduwrijke gewelven het heerlijkste

lommer. In de verte gelijkt hij op een grooten, met prachtig

groen bedekten koepel met galerijen en groote en kleine zalen

in gemeenschap staande, allen met sierlijk loof bedekt. Een geheel

loofbosch meent men te zien, als men naderbij komt en

toch is het slechts één boom, die zich steeds verjongt en vernieuwt

en jonge loten voor zich uit zendt, zonder zelf aan kracht

te verliezen. Uit de horizontale takken ontspruiten namelijk forsche

luchtwortels, die benedenwaarts groeiend den grond zoeken en

als zij dien hebben bereikt, opnieuw stammen vormen, die met

den moederstam één geheel blijven uitmaken, zoodat ze samen

als het ware een groene lustwarande vormen.

In eigen rijtuig door die fraaie lanen en niet met boomen beplante

„gangen" te rijden, moge wel de aangenaamste manier


Zijn, van zich te laten vervoeren, wij verheugen ons er toch

hartelijk in, dat in den laatsten tijd de communicatiemiddelen te

Batavia zeer verbeterd zijn. De spoorlijn BatavJa-Buitenzorg en

Batavia-Bekassi heeft in de stad verscheiden halten en daarbij

vergemakkelijkt een stoomtram het verkeer. Zij gaat door de oude

stad en de buitenwijken tot Kampong Melajoe, voorbij Meester Cor-

nells en loopt wel over eene lengte als van Leiden naar Den Haag

Waar de lijn Batavia-Buitenzorg en de stoomtram elkaar krui-

sen aan t eind van de voorstad Noordwijk, is een der drukste punten

van Batavia, in de buurt ook van het beroemde Koningsplein. Stel-

lig hebt ge u van dat plein een verkeerde voorstelling gemaakt. Ge

hebt gedacht aan een ruime , mooi bestrate markt met fraaie huizen,

villa's en gouvernementsgebouwen er omheen, en volstrekt niet

aan een reusachtige vlakte met gras begroeid van 45 HA. opper-

vlakte, dus zoo groot, dat de villa's weinig uitkomen. Een dubbele

rij tamarinden omgeeft de groote grasvlakte en omzoomt een

breeden rijweg en een bestraal voetpad langs de gebouwen.

Een dier gebouwen is het paleis van den Gouverneur-Generaal,

waar zich de logeervertrekken bevinden voor den landvoogd en

zijn gevolg; maar hij vertoeft niet dikwijls en niet lang achter-

een te Batavia, en houdt bij voorkeur zijn verblijf te Buitenzorg.

Het oude gouvernementsgebouw, dat door een overdekte gang

nog met het nieuwe is verbonden, maakt uiterlijk een zet^een^-

voudigen indruk, maar van binnen .vertoont het mooie, voor

recepties en feesten bestemde zalen en galerijen. Een 'ander

>»hcieel gebouw, waarvan het erf ook aan het Koningsplein uit-

rit, ,s de woning van den resident van Batavia, kenbaar mede

aan de eerewacht, die er haar plaats heeft.

Zooals de tamarinden het Koningsplein omgeven, zoo wordt

Waterlooplein, dat ook een grasvlakte, maar van minder

boo° te afmCtingen is ' over ^haduwd door waringins en djoewar-

zich mCn K DeZe laatSte Zijn Van Sumatra afk °n>stig, ontwikkelen

vuldi< ZCnd ' SnCl Cn VOrmC ' 1 ZeCr hard hoUt ' zoodat Z 'J veelJ

fraaiif I bcplanting van Wc * cn wordcn aangekweekt. De minder

i-eeuw van Waterloo, het wit gekalkte kolommetje op


St

-

-

-

>

s

44

i

5

a

o

©


a

-r

e

e

c

0)


1

-

?

?

<

'y

I

»

-i

s

e

>

v

=

C

;

c

.-

p

hi


I 2

houten voetstuk, dat een wansmakelijken houten leeuw draagt,

staat midden op het plein, en het nu voor bureaux bestemde

en in 1808 door Daendels opgerichte paleis van Weltevreden

of het Groote Huis, bevat o. a. de vergaderzaal van den Raad

van Indië en vergunt de heeren tevens uit het drie verdiepingen

hooge gebouw een blik te slaan op het voor Jan Pieterszoon

Coen daar in 1876 opgerichte standbeeld. Lang vóór men dus

in Nederland den beroemden landvoogd huldigde, had men het

op de plaats zijner werkzaamheid gedaan. Het standbeeld te

Hoorn werd 30 Mei 1893 onthuld.

Zoo successievelijk zijn we intusschen de voorsteden Molen-

vliet, Noordwijk, Rijswijk en Weltevreden gepasseerd en gaan

nu niet terstond zuidwaarts naar Meester Cornelis, waartoe de-

spoor ons in de gelegenheid stelt, maar willen liever nog wat

toeven in de mooie lanen, om de villa's langs de hoofdwegen

en de inlandsche kampongs wat van naderbij te beschouwen.

Te midden van heerlijke tuinen, waar de tropische flora hare

kostelijkste gaven ten toon spreidt, staan de cottages en land-

huizen elk als in zijn eigen lusthof. Men kan zich niets aange-

namers denken dan die europeesche huizen. Ruime, op bevallige

zuilen rustende galerijen omringen de woning en houden de zonne-

stralen buiten de vertrekken. terwijl de voor- en de achtergalerij

door een breede gang zijn verbonden. De vertrekken zelf zijn

ruim, hoog en luchtig; marmeren vloeren en gepleisterde wanden

vervangen onze tapijten en behangsels en de met leder of ge-

vlochten riet bekleede stoelen lokken tot rusten uit, terwijl spiegels

en vazen en schilderijen zoowel de vertrekken als de galerijen

versieren. Terwijl de achtergalerij het huisvertrek vormt, dient

de voorgalerij voor ontvangkamer. Het alleraardigst gezicht, dat

de door tal van lampen verlichte en goed van schommelstoelen

voorziene voorgalerij, waar het huisgezin des avonds vertoefde,

den voorbijganger bood, wordt den toeschouwer nu dikwijls ont-

houden , daar men zich tegenwoordig bij voorkeur in de achter-

galerij ophoudt. Op het erf achter het slechts één verdieping

hooge, steenen huis liggen de bijgebouwen, die de bedienden-


13

kamers, badkamer, keuken, provisiekamer of dispens, stallen

en soms ook de logeervertrekken bevatten.

In die slaap- en logeervertrekken wordt menigmaal een droevig

martelaarschap doorstaan vanwege de kwellingen, den mensch

berokkend door het kruipend, of meer nog door het vliegend en

stekend gedierte. De muskieten, die in de lage en vochtige streken

z 'ch in massa ophouden, schijnen in 't bijzonder te azen op het

. oed van den Europeaan, vooral van den nieuw-aangekomene ,

.e» vervolgen hem overal. Wee hem, zoo hij niet zorgvuldig genoeg

te werk gaat bij het dicht trekken van het muskietengordijn,

dat zijn slaapplaats omgeeft, één enkele listige of trage

achterblijver van dat verfoeilijke muskietengebroed is voldoende,

om iemands nachtrust totaal te bederven. Wat het kruipend

gedierte aangaat, is een soort van pad een vaste bezoeker

der voor- en achtergalerijen, en wie het dier mocht willen verwijderen

en het bijv. tot een eind buiten het erf liet brengen ,

zou binnen niet al te langen tijd toch op dezelfde plaats de

kennismaking met den ongenooden gast kunnen hernieuwen, want

het beestje zoekt trouw zijn oude plaats weer op. De bekende

kleine hagedisjes oUjitjaks, die vliegen, spinnen, enz., nuttigen

en dus tot de bruikbare huisdieren kunnen worden gerekend, en

de grootere tokkahs , waarvan de officiëele naam geckos is, ontbreken

in geen javaansche woning en behooren tot die eigenaardigheden

van het tropische land, waaraan de nieuweling slechts

met moeite gewend raakt, vooral daar ze door hun eentonig ge-

Piep als kamergenooten niet bij uitstek begeerlijk zijn. Buiten

voegt de kalong of groote vleermuis zijn schreeuwende kreten

D 'j de slaapverdrijvende muziek.

En om nu terstond ons thuis te gevoelen, willen we het niet

uitstellen kennis te maken met de bewoners dier huizen, voor

zoover zij geen land-, ja zelfs geen rasgenooten van ons zijn,

n -l- met de inlandsche bedienden in eene europeesche woning.

Natuurlijk stellen we ons eene huishouding met kinderen voor

en ontmoeten dan al dadelijk de baboe met haren tot op de

voeten neerhangenden gebloemden rok of sarong, die om het


(iezioht in Bata^ 1 '

(Batavia:


f (de nieuwe stad)

//« nouvelle.)

iäwft?

lili*-,;


i6

middel met een soort van sjerp is vastgemaakt, de slendang,

waarin zij baby draagt en haar lang gekleurd bovenkleed of

kabaja. In bergstreken gebruikt ze de warmere kabaja panas.

Ook in ons land vertoont ze zich nu en dan met teruggekeerde

familiën en maakt in de niet voor haar passende omgeving een

innig melancholieken indruk. Trouwens uitgelaten of vroolijk is

ze ook in Indië zelden, een soort van zwaarwichtigen ernst is

bijna aan alle inlandsche bedienden eigen. Na haar is de eerste

bediende of huisjongen aan de beurt, als man, natuurlijk be-

hoorlijk met den hoofddoek gedekt. Zulk een gekleurde vierkante

katoenen doek, de ikel of oedeng genoemd, op bijzondere wijze

om het hoofd geslagen, zóó dat er een klein driehoekig puntje

op het voorhoofd hangt, wordt enkel door de mannen gedragen

en dat zoowel binnen- als buitenshuis. Javanen, Soendaneezen

en Madoereezen hebben elk hun eigen manier, zich den doek

om het hoofd te winden. De koetsier alleen draagt ter verhoo-

ging zijner deftigheid een hoogen hoed op den hoofddoek. De

vrouwen dragen geen hoofddoek, maar hebben het glanzige git-

zwarte haar tot een wrong geknoopt in den nek hangen. Die

kondeh wordt door een fijne lange naald bijeengehouden. Het

ruime witte bovenkleed van den huisjongen is de badjoe, waarvan

ons baadje komt en zijn onderkleed heet kain, dat is wat bij de

vrouwen sarong wordt genoemd, maar veel korter, want hij draagt

er een mannenbroek van europeesch fatsoen, een tjelana, onder.

Veel van het werk, dat hier tot de taak van den huisknecht

behoort, wordt den huisjongen uit de hand genomen; zoo is er

een aparte bediende voor het schoonhouden der lampen, de

lampenjongen, want in de deftige europeesche huizen is het stelsel

van verdeeling van arbeid ingevoerd en wordt door de veelal

luie inlanders gretig aanvaard. Zoo heeft de koetsier, koesir zegt

men op Java, een stal- of paardenjongen onder zich ; zoo is er

meestal een kleine huisjongen voor 't vegen en ander huiswerk,

terwijl we dan nog met kokki en soms met den dispensjongen

het bediendenpersoneel moeten aanvullen.

Zoo'n kok heeft in eene indische huishouding geen lichte taak.


17

Zijn vuur moet hij in den gemetselden haard met een grooten,

uit bamboes gevlochten waaier aanwaaien en voor brandstof ge-

bruikt men er bijna uitsluitend hout, waarop kokki water heeft

te koken voor koffie en thee, rijst en toespijzen moet bereiden

voor de bedienden en tweemaal daags spijzen moet koken voor

de tafel van mijnheer en mevrouw, 's Morgens gaat hij naar de

dispens of provisiekamcr, om bevelen van mevrouw te ontvangen

voor het werk van dien dag, de ingrediënten voor de verschil-

lende spijzen in ontvangst te nemen en geld te ontvangen voor

markt-uitgaven. Met het naar de markt gaan, het houthakken

en waterdragen is zijn dag dan ook vrijwel gevuld. Gelukkig

dat zijn vrouw hem in velerlei dingen kan helpen, o. a. bij het

kokosnootraspen, een bezigheid, die bijna dagelijks moet plaats

hebben. Het dikke witte vleesch van de klapper of kelapa wordt

op een rasp van bijzonder maaksel zeer fijn gewreven, en ziet

er dan uit als sneeuw. Men mengt het met water en zijgt het

nog door eene zeef en het dan verkregen witte vocht is de eigen-

lijke kokosmelk of santan, die in allerlei spijzen wordt gebruikt

zooals bij de bereiding van sambal en kerry, het stoven van

groente en het koken van rijstebrij. Laat men de santan eenige

uren staan, dan komt er een dikke laag room op, die, als men

ze nog eens afzonderlijk kookt, in kokosolie overgaat, welke

onze boter met succes kan vervangen.

Wij hebben nu in hoofdzaken meegedeeld, wat er om en in

zulk een europeesche woning wordt aangetroffen, alleen de bad-

of mandi-kamer moet nog even nader worden beschouwd , want zij

speelt dagelijks een rol in het leven van den Europeaan in Indië,

die zich niet „lekker" voelt, als hij zijn bad niet heeft genomen.

Meestal neemt hij dat bad in den vorm eener douche, waarbij

h'j ettelijke emmertjes vol koud water over zijn warme leden uit-

g'et, terwijl op de allereenvoudigste manier het voor de besproeiing

gebruikte water wegvloeit. Het bassin in de mandi-kamer dient

meer als waterreservoir dan wel als badkuip in den eigenlijken zin.

Niet in de onmiddellijke nabijheid der fraaie woningen van

Europeanen, en dus niet aan de hoofdwegen, treft men te Ba-


Europeesche woning te Batavia.

(Mu i son à Batavia.)


De krissendans.

(Danse des kriss et des bâtons.)


20

tavia de maleische woningen , in kampongs vereenigd , aan. Zoo'n

groen bosschage, waarin een aantal javaansche hutten zich verbergen,

is vaak als een eilandje te midden der rijstvelden; altijd

staat er aan den ingang een poort van bamboes, die bij feestelijke

gelegenheden tevens het staketsel vormt voor een illuminatie

met vetpotjes en een vlaggendecoratie. Ten opzichte dier

laatste zijn de Javaantjes niet kieskeurig; ze schromen niet bijv.

ter eere van een bruiloft in de kampong een vlag met „petroleum"

en eene andere met „buskruit" te doen wapperen, afkomstig

van schuiten , welke die lading in hebben gehad. De woningen

zijn opgetrokken van bamboes en met gedroogde en saamgevouwen

palmbladeren, die volkomen op riet gelijken, gedekt,

zoodat die atap-daken er altijd dor en grijs uitzien

en niet met mos begroeid zijn, zooals in ons land met de nederigste

hutjes dikwijls het geval is. De wanden der hutten vertoonen

een aardig, uit verschillende gekleurde blokjes en banden

gevormd patroon. De vierkante'opening, die voor venster

dient, kan met een luikje worden afgesloten en een schoorsteen

ontbreekt natuurlijk ook. Trouwens die is ook in europeesche

woningen dikwijls ver te zoeken en de rook, die van de gemetselde

stookplaats opstijgt, moet ook daar dikwijls zich ongeleid

zelf eenen uitweg zoeken en kiest dien dan meestal langs de opening

tusschen het overhangende dak en den wand der woning. De

soort van lage breede bank van bamboes, de balé-balé, ontbreekt

in geene maleische woning en meestal staat een dergelijk meubel

onder de galerij vóór het huis. Zij dient daar binnen voor

stoel, tafel en bed en ter vriendelijke verwelkoming van gasten

worden er niet zelden matten op uitgespreid. Aan den

zolder hangt aan touwen de ajoenan, het aardige inlandsche

wiegje, en hoe bruikbaar en geschikt voor huisraad de vrucht

van den klapperboom is, blijkt uit de kort en langgesteelde

voorwerpen van huiselijk gebruik, die aan de wanden prijken

en alle van uitgeholde kokosnoten zijn vervaardigd. Als borden

en schotels doen de groote banaan- of pisangbladeren op uitstekende

wijze dienst. Van uurwerken weet de inlander niet af,


21

naar den stand der mata /Wzberekent hij den tijd van den dag

Al valt de avond ook steeds in om zes uur, zooals bij ons in

't laatst van September, wanneer wij al weer vrijwat aan onze

avonden hebben en onze goede verlichting slechts noode zouden

missen, de inlander doet het nog steeds met zijn katoen- of

vherpitje m een bakje met olie, maar bij bezoeken of feestelijke

gelegenheden steekt hij een groot aantal van die pelita's of inlandsche

lampjes aan, en moet hij zich des avonds of des nachts

OP ^S begeven, dan geeft zijn damarfakkel of flambouw van

hars hem het noodige licht op zijn pad.

Het dagelijksch voedsel van den inlander bestaat uit wat rijst

met een stukje visch en wat fijn gewreven spaansche peper, vermengd

met zout en een weinig trast, d. i. een soort van weinig

smakelijke , leelijk ruikende vischgelei. Zulk een maal gaat zonder

hulp van lepel of vork naar binnen; alleen bij feestelijke gelegenheden

heeft hij een meer weelderig rijstmaal. Die rijst heeft de

vrouw van den inlander zelf gestampt. Herinnert ge u Adinda

nog, wier rijstblok driemaal twaalf kerven van hare hand droeg,

toen ze zóó de maanden had geteld, die verloopen moesten,

voor Saïdjah terugkeeren zou?

Meestal is zulk een blok of lesoeng in tweeën verdeeld ; het

grootste gedeelte vormt een langwerpigen bak, het kleinste,

meer massieve, is in het midden van een kleine uitholling in den

vorm van een vijzel voorzien, den loempang. In den langen bak

stampt men de rijst uit de halmen met stokken van zwaar, hard

hout, de z. g. aloes. Daarna wordt zij gewand en vervolgens in

dien houten vijzel uit den dop gestampt. De vrouwen, die in

elkanders buurt met stampen bezig zijn , vermaken zich met het op

de maat, nu langzaam, dan vlug, in verschillende tempo's te doen.

Een huis, dat in geen kampong zal ontbreken, is dewarong

of inlandsche restauratie, die men overal langs de wegen en in

de nabijheid van markten en posthuizen vindt. Er is meestal een

soort winkeltje aan verbonden en onder de voorgalerij is op de

balé-balé allerlei bekoorlijks uitgestald om de voorbijgangers tot

koopen uit te noodigen, als gekookte rijst, visch- en hoender-


2 2

kerry, gebakken visch, stukjes klappernoot, gekookte of rauwe

toespijzen, inlandsen brood ofroti mani, koffie, javaansche suiker,

inlandsche koekjes of kwee kwee, tabak, sigaretten of strootjes,

sirih met wat er bij behoort, lombok of spaansche peper en de

onvermijdelijke sambal. Wat dit laatste is, valt moeilijk te zeggen.

Met een omschrijving zou het moeten heeten een soort van heete

toespijs bij de rijst, die gebraden wordt en sterk met spaansche

peper is gekruid, maar er zijn zooveel soorten van en al die

soorten hebben met elkander zoo weinig overeenkomst, dat men

een Indisch kookboek, bijv. dat van kokki Bitja, zou moeten raad.

plegen, om cenig idee van sambal te krijgen, en eigenlijk weet

men nooit wat sambal is, als men nog niet in Indië aan een

complete rijsttafel heeft aangezeten. Men maakt het van bijna

alles, b.v. van kippemaag, van kalfslever, van visch , van sommige

vruchten, ja, van wat al niet! Treedt de vermoeide inlander in

zulk een warong of restauratie binnen, dan wordt hem de gekookte

rijst of nasi voorgezet in een mandje van fijn gevlochten

bamboe. Men weet dat de rijst op het veld staande padi en van

den dop ontdaan gabah wordt genoemd. De andere gerechten

zijn op pisangbladeren uitgestald.

Onder het in de restauratie verkrijgbare noemde ik de koffie,

die in aarden koffiepotjes van grijze klei wordt klaargemaakt.

Het potten- en pannenbakken verstaan de inlanders vrijwel, ten

minste voor eigen gebruik is het inlandsch aardewerk hun goed

genoeg, al zouden wij het te bros en ook te poreus vinden, mede

een gevolg van het feit dat de kunst van verglazen er onbekend

is. Zulk een aarden trekpot voor koffie wordt nooit voor thee

gebruikt, want die drinkt de inlander niet.

De vruchten, die het jaargetijde meebrengt, zijn altijd in de

warong te krijgen. De beroemde manggistan is meestal aanwezig;

elke vrucht, zoo groot als een vuist en volkomen rond,

heeft een violette, dikke, bittere schil die van binnen rood is,

maar het witte vruchtvleesch rondom de kleine pit heeft een

bijzonder aangenamen smaak, frisch en geurig en fijner dan die

onzer druiven. Verder ontbreekt ook zelden of nooit de pisang


23

of banaan , die de inlanders veel in hun tuinen kweeken De plant

is geen boom met stam en takken, maar lijkt meer op een reus-

achtige zuringplant, want de bladeren ontwikkelen zich tot enorme

grootte; 't geheel wordt wel vijftien voet hoog en levert eene

voedzame, lekkere vrucht. De groote, hartvormige bloemknop

hangt aan een omgebogen stengel naar beneden, en als de buitenste

omhulsels afvallen, vertoonen zich eenige rijen bloemen boven

elkander, die zich weldra tot vruchten zetten. Zoon tros vruchten

estaat uit vele kammen of sisirs boven elkander en elke vrucht

's halvemaanvormig, eerst groen en. als ze rijp is, geel, heeft

een dunne zachte schil en melig, flauw zoet vruchtvleesch. De

nanka, i„ vorm g e ] ij k aan den anailas en naar fijne roomkaas

smakend, gaat voor niet zeer gezond door en buitendien kan

de bezoeker er zich verkwikken aan oranjeappelen, djeroeks of

citroenen, komkommers, pompelmoezen, watermeloenen en doe-

nans, ramboetans en doekoes.

Wel een begeerlijk plekje moet zulk een warong, waar hij voor

vm-gobangs (i gobang — 2\ cent) zijn genoegen kan eten , schijnen

voor den vermoeiden koelie, die zijne zware vrachten bevestigd

heeft aan de uiteinden van een taaie, buigzame lat, depikoelan,

zoodanig op zijn schouder geplaatst, dat de beide lasten juist in

evenwicht zijn. De manier, waarop zulk een piekelende koelie te

Batavia over den weg zweeft, steekt door de snelheid sterk aftegen

den loomen, deftigen tred der andere oosterlingen. Het eigen-

aardig gepiep van zijn veerkrachtigen draaglat, ook wel pikolstok

genoemd, meldt reeds van verre dat hij er aan komt huppelen in

zijn zwembroekje met zijn pruimpje tusschen de lippen onder zijn

op den onmisbaren hoofddoek geplaatsten reusachtigen zonnehoed.

Dat pruimpje is een genotmiddel, waarvan de inlander onaf-

scheidelijk is. Reeds op twaalf- of dertienjarigen leeftijd, als den

jongeling of het meisje de tanden worden afgevijld, 't geen van

een feest vergezeld gaat en ze dus „groot" zijn verklaard, begint

ook het sirih-pruimen en later zal geen Maleier verzuimen den

bezoeker de sirih-doos toe te schuiven, opdat hij zich van een

pruimpje kunne voorzien. In de doos of in de koperen pakinangan


Allée van waring 1 "

(Allée des multipffl'


jjs te Buitenzorg.

fits à Buitenzor,/.)


26

vindt hij alle benoodigdheden, de katjip of kleine schaar, om

stukjes van de pinaiignoot af te snijden, het ronde koperen doosje

met cle gambirkoekjes, het bakje met de pinangnoot, dat voor

de kalk, waarbij een stokje of spaantje, om zich mee te bedienen

en het open bakje vyaarop de sirihbladeren liggen, die men

alle dagen versch moet hebben. Ook in kraampjes en stalletjes

langs de wegen kan de reiziger zich de sirihpruim. gereed maken.

Hij neemt dan een sirihblad, smeert daarop een weinigje natte

kalk, doet er een klein stukje gambir en een stukje van de pi-

nangnoot in, vouwt het toe en steekt het in den mond, terwijl

hij daarna een pruimpje zeer fijne tabak tusschen de lippen neemt.

De sirihpruim werkt zeer sterk afscheidend op de speekselklieren

en onmiddellijk vormt zich in den mond veel vuurrood speeksel

door de inwerking van de kalk op de verschillende stoffen. De

tabakspföirn dient om de roode lippen er van tijd tot tijd mee

af te vegen, door erlangs te strijken. De inlanders beweren dat

het een gezond werkje is, maar de Europeanen vinden zonder

uitzondering den smaak onaangenaam, hoewel een sirihblad af

zonderlijk een frisschen, prikkelenden smaak heeft. Het voortdurend

spuwen, dat met dit pruimen gepaard gaat, moet echter voorde

spijsvertering door verlies aan speeksel schadelijk zijn. Tegen-

woordig rooken de inlanders ook veel hun „strootjes" of sigaretten ,

met een bedroefd slecht tabaksoortje gevuld.

Van de genoemde ingrediënten voor het sirih-kauwen bespraken

wij bij 't noemen van enkele boomen reeds de areka- of pinang-

palm met zijn mooi loof en zijn oranjekleurige vruchten met bruine

nootjes; de sirih of betel is evenals de peper eene klimplant,

die op rijen tegen andere boomen of tegen staken wordt opge-

leid. De gambir is een soort van extract, samentrekkend

van smaak en bruin van kleur, uit de in water gekookte bladeren

van de gambirplant door uitdamping verkregen ; als het sap be-

hoorlijk dik is, wordt het gedroogd en, in vierkante koekjes

gesneden, in den handel gebracht. Zij wordt evenals ook vele

pinangnoten op Java ingevoerd uit de gambirtuinen van den

Riouw-archipel en van West-Sumatra en Malakka.


TWEEDE HOOFDSTUK.

DE OMGEVING VAN BATAVIA MET BUITENZORG.

In anderhalf uur brengt de trein den reiziger van Batavia naar

Buitenzorg. Die spoorweg werd in 1869 onder leiding van den

oud-genieofficier, kolonel Maarschalk, in een minimum van tijd

gebouwd. In 1875 werd deze chef van den nieuwen dienst der

staatsspoorwegen op Java, waardoor hem zijn bij deze lijn opgedane

ervaring goed te pas kwam. In den aanvang is de weg

vrij vlak, maar voorbij Tjiloewar wordt het terrein bergachtig,

zoodat men door zeer afwisselende, aan natuurschoon overrijke

landschappen rijdt met een prachtig uitzicht op de rijstvelden,

waardoor de Tji-Liwong kronkelt, terwijl men bij 't naderen van

de bergen in het Buitenzorgsche de blauwe toppen boven het

geboomte ziet uitsteken.

Voorloopig echter wordt het oog geboeid door wat men op

de rijstvelden ziet gebeuren. Mannen en vrouwen zijn er bezig

met ploegen, met zaaien en met oogsten , want dit alles geschiedt

gelijktijdig. Terwijl hier de mannen aan 't ploegen en eggen zijn,

verpoten ginds de vrouwen de jonge plantjes en brengen ze naar

de onder water staande sawahs; in lange rijen gaan zij achter

elkander door het water en steken de stengels regelmatig in

rechte, als met een liniaal getrokken, lijnen in den grond. Elders

weder is de oogst reeds aan den gang en ook daar zijn het

voornamelijk de vrouwen, die de buigende, goudgele halmen

afsnijden en wel halm voor halm afzonderlijk. Een omslachtig

en tijdroovend werk, hoe vlug de vrouwen het cirkelvormige, in

hout gevatte mesje of de ani-ani ook hanteeren, dat ze met duim

en voorsten vinger bij den dunnen steel vasthouden, terwijl ze met


2,S

de overige vingers dierzelfde hand de halmen één voor één afsnijden,

die ze in de andere hand tot bosjes vergaren.

Voor den Javaan heeft dj rijstbouw eene hooge beteekenis. Als

de westmoesson zich begint te doen gelden , vangt hij met het aan.

leggen der vakken, voor de zaailingen bestemd, de zoogenaamde

kweekbedden aan. De grond wordt daartoe goed omgeploegd

en los en fijn gemaakt en nadat het water, dat van hooger gelegen

streken komt, door middel van leidingen in de aangelegde

vakken is toegelaten, wordt de padi gezaaid. Vijf dagen later, als

het zaad ontkiemd is, laat men de bezaaide vakken droog loopen

en zoo twee of drie dagen liggen , waarna men ze opnieuw onder

water zet. Een vijftig- of zestigtal dagen blijven de kweekplantjes

daar, dan zijn ze groot en sterk genoeg om te worden overgeplant.

Voor hare ontvangst heeft de Javaan dan namelijk het groote

rijstveld, zijn sawah, in orde gebracht. Hij heeft het geploegd

en zorgvuldig geëgd, heeft het op een helling liggende veld door

dammetjes of galengans in vakken ingedeeld, die ieder bijna waterpas

zijn, terwijl in de dammen insnijdingen voorkomen, opdat

het aan den hoogen kant instroomende water kunne afvloeien.

Daarna laat hij het water over de omgeploegde velden loopen,

zoodat het geheel een meer gelijkt, door de elkaar kruisende

dammen in afzonderlijke bekkens verdeeld. Elk vak ontvangt het

bergwater van een ander, dat hooger is gelegen en stort in kleine

watervallen op een lager gelegen vak zijnen overvloed uit. Op

deze velden, waar het water zich even onmerkbaar als gestadig

ververscht, moeten de padiplantjes uit de kweekbedden worden

overgebracht. De mannen trekken de plantjes uit den grond, binden

ze in bossen en verdeden ze in rijen over de te bewerken

sawah, maar aan de vrouwen is de eigenlijke taak van het overplanten

opgedragen; zij drukken de zaailingen met de vingers

in den vochtigen, weeken grond op een voet afstands van elkander.

Acht of tien dagen na de overplanting krijgt de padi nieuwe

uitspruitsels en de plant, die tot nu toe geelachtig van tint was,

begint groen te worden en verheft zich boven het water. Kort

daarna vermindert men de besproeiing; het water, dat nog altijd


29

rutschend overstortte van het eene vak op het andere, houdt

op te vloeien en het veld krijgt een effen groen aanzien. Als de

taak van het wieden dan weer door vrouwen is volbracht, volgt

het tijdperk waarin de padi vrucht draagt ; de aren of pluimen ,

naar de soort der plant verschillend van kleur, schitteren tusschen

het behagelijk frissche groen en als de aar zich buigt,

doordien de korrels beginnen te zwellen, moet de waterbedeeling

geheel ophouden. Nu begint voor den landbouwer een tijdperk

van voortdurende zorg, om de velden overdag tegen de aanvallen

der rijstvogeltjes, rijstdiefjes of glatiks, en des nachts tegen

die der wilde zwijnen, te beschutten. Hier en daar worden wachthuisjes,

hoog boven het veld verheven, opgericht, van waar uit

koorden over het veld worden gespannen met kleine zeiltjes of

fladderende figuren er aan, die door de wachters of door den

wind worden bewogen. Ook wel moet de bewaker de bundels

bamboesstengels, aan de vier hoeken van het dak bevestigd , heen

en weer schudden, om door het geraas de vogels te verjagen.

Zoon wachthuisje, goeboeg of ranggon genoemd, staat op hooge

bamboe-staken, heeft een dakje van atap en daaronder, hoog

boven het veld, zetelt in zijn kleine hut de wachter, veilig voor

tijgers en slangen en verschaft zich vaak eenige afleiding in zijne

eenzaamheid door een klagend gezang of melancholiek fluitspel,

dat de nachtelijke stilte verbreekt.

Als de halmen geel beginnen te worden en de korrel eenigszins

verhardt, is de tijd voor het padi-snijden daar. De geheèle

bevolking eener dessa neemt aan den oogst deel en allerwege

heerscht leven en beweging, ook bij het binnenbrengen van den

oogst in de loemboengs of voorraadschuren, 't geen echter eerst

geschiedt, als de rijst eene maand op het veld in kegelvormige

hoopen van hoog opgestapelde bossen heeft liggen drogen.

Het feit, dat in de westelijke helft der Soenda-eilanden de

rijst het hoofdvoedsel der bevolking is, mag men veilig aannemen

als een bewijs voor den hoogeren trap van ontwikkeling,

dien deze Maleiers hebben bereikt, in tegenstelling met de bewoners

van de oostelijke helft onzer bezittingen, waar sago het


Eene javaansche bruiloft.

(Noce javanaise.)


;

SC >.


32

hoofdvoedsel is. Deze toch wordt gemakkelijk verkregen uit het

zachte celweefsel, dat de plant van binnen vult, terwijl wij nu

hebben gezien, hoeveel moeite de rijstbouw kost. Daarbij mis-

lukt de oogst niet zelden ; het waden door den modder, om de

jonge plantjes in de sawahs te zetten, is zeer ongezond en de

opbrengst is niet evenredig aan de moeite. Toch zou het ver-

geefsche moeite zijn de Javanen en andere Maleiers over te halen

tot het verbouwen van tarwe en maïs, die in voedende kracht

het waarschijnlijk van de rijst winnen, in plaats van hun lieve-

lingsvoedsel. En ook hier is het de macht der traditie, die het

oude in stand houdt. De Maleier is gehecht aan den rijstbouw,

dien het voorgeslacht van de Hindoes leerde en overnam ; allerlei

plechtige, door den godsdienst gewijde gebruiken zijn hemdier

baar geworden en hangen met den rijstbouw samen en tot zelfs

het afsnijden van de rijst op die langzame manier, zoo halm

voor halm, is een gevolg van het bijgeloof, dat het gebruik der

zeis verbiedt. Hier vooral wil hij van het 'nieuwe of vreemde

niets weten, ook al is het beter. Zoo versmaadt hij onzen ploeg,

al is die veel doelmatiger dan de javaansche, en de ouderwet-

sche wijze van bemesting, alleen door het stroo der rijst, blijft

hij op vele plaatsen volgen, al put die het land uit.

Eigenaardige bewijzen voor dat bijgeloof kan men nog in over-

vloed bijbrengen. Zoo gebiedt de adat, dat een mahomedaansch

priester wierook en padi-stroo brandt bij de slamatan of sela-

tnetan, het feestmaal waarmee hij den arbeid van het zaaien

begint en uit de richting van den rook leidt men af, of een goed

of slecht gewas te wachten is. Selamet beteekent heil, geluk, en

't woord seldmetan, eigenlijk heiloffer, heeft later den zin van

„offermaaltijd" gekregen. Als de jonge plantjes in de sawahs zijn

gezet, moet de landbouwer zich veertig dagen van alle gebruik van

zout in de spijzen onthouden; na vier uur inden middag en vóór

vijf uur in den morgen mag geen rijst gestampt worden, wijl

er dan ziekte in het gewas komt. Is de rijst volgroeid , dan heeft

er weer een slamatan plaats, om ongevallen van de vrucht af

te wenden en als de oogst aanvangt, moet een doekoen of wijze,


Het Paleis van den Gouverneur-Generaal, uit 's Lands Plantentuin te Buitenzorg gezien.

(Jardin des Plantes à Buitenzorg: Le Palais.)


u

een medicijnmeester, de halmen zoeken die de rijstbruid én den

njstbruidegom moeten voorstellen. Deze worden vervolgens saam-

gebonden en toegesproken met bloemen versierd en tegen de-

zon beschut. Bij het binnenbrengen in de loemboeng wordt weer

wierook gebrand, om de booze geesten, die er in mochten ver-

blijven , te verdrijven. Bruid en bruidegom worden het eerst achter

een nieuwe mat met eenige bossen padi, die de bruiloftsgenooten

voorstellen, neergelegd, en om die gewijde halmen heen wordt nu

de oogst opgetast, waarna een maaltijd het oogstfeest besluit.

Behalve op sawahs wordt de rijst in hoog gelegen streken,

of waar de voorraad water niet groot is, gekweekt op tegals ot

ladangî, dat zijn droge rijstvelden of ook wel op gagahs, af-

gebrande plaatsen in de bosschen, waarbij de rijst niet wordt

uitgepoot en meestal van minder goede hoedanigheid blijft.

Is de rijst van de sawahs , dan laat men deze óf braak liggen

ter afweiding van het vee, óf men zet ze weer onder water en

tfcelt er visch op, óf men beplant ze opnieuw met rijst of be-

plant of bezaait ze met tweede gewassen, als djagoeng of maïs,

kapas of katoen, indigo of tabak.

Na dit nauwlettend kijkje op de rijstvelden, waarlangs ons de

spoorweg voerde, die op weg was naar Buitenzorg, wordt het

tijd den blik zuidwaarts te wenden naar dat mooie oord met zijn

beroemden plantentuin. Het plaatsje zelf, dat vroeger reeds veel

drukte te aanschouwen gaf bij de tweemaal 's jaars gehouden

wedrennen, is in den laatsten tijd veel levendiger geworden door

de verplaatsing van de algemeene secretarie, het kabinet van

den Gouverneur-Generaal van Batavia naar Buitenzorg en dooi-

de vestiging aldaar van de bureaux van den Westerspoorweg.

De Pilaar, een hooge witte obelisk van steenen opgetrokken.

oorspronkelijk bestemd ter verfraaiing van het uitzicht uit het

onderkoninklijk paleis, kon gerust aan de natuur de opluistering

van dat uitzicht hebben overgelaten, want bijna nergens op aarde

vertoont zij zich in schooner en liefelijker gewaad, waar zij de

vallei der Tji Liwong, den vulkaan Salak en de rij der Blauwe

Bergen voor den toeschouwer onthult, 't Paleis zelf, laag uit ontzag


35

voor de aardbevingen, maakt geen grootschen indiuk , maar vormt

een smaakvol geheel met den grooten vijver aan de achter- en

den uitgestreken hertekamp aan de voorzijde. Het park bij dit

paleis van den Gouverneur-Generaal gaat onmiddellijk in den

Gouvernements-Plantentuin van Buitenzorg over.

Laat mij bij de rijke hoeveelheid stof, die schrijvers over en

bezoekers van Indië ons ter beschikking bieden , waar deze schoone

inrichting ter sprake komt, beginnen met u de figuur te schetsen

die altijd groote aantrekkelijkheid voor mij heeft gehad en wien

in dezen eene eereplaats toekomt, want zoo min als wij ons de

levensschets van een beroemd man kunnen denken, zonder eene

aan zijne ouders gewijde bladzijde, zoo min kunnen wij de ge-

schiedenis van den Plantentuin ons voor den geest roepen, zonder

te toeven bij het beeld van den vader dier inrichting, Johannes

Elias Teysmann.

Als twee-en-twintigjarig jongeling stapte hij den 2 c1en Januari

1830 als tuinman van den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal

van den Bosch te Batavia aan wal en tot zijn dood op 22 Juni

1882 bracht hij in onafgebroken werkzaamheid en ijverige studie-

van landbouw en botanie zijne levensdagen te Buitenzorg door.

Zijn vader, een Duitscher, was tuinbaas bij de familie van Om-

meren op den Mentenberg bij Arnhem ; de é"enige zoon werkte

eerst onder de leiding zijns vaders, werd daarna tuinknecht te

Voorburg en trad later bij graaf van den Bosch in dienst. Toen

deze onder den donder van het geschut zijn plechtigen intocht

hield als Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Oost-Indië, kon

zeker wel niemand vermoeden, dat de tot zijn gevolg behoo-

rende nederige tuinman zich een eereplaats zou verwerven onder

de geleerden, die zich de studie der tropische plantenvormen

tot levenstaak hebben gesteld.

Aan de hand der data uit Teysmann's werkzaam leven wil-

len wij de historie van onzen Plantentuin nagaan, maar moeten

toch volledigheidshalve even teruggaan naar de jaren vóór 1830.

Buitenzorg werd in 1745 door de Indische regeering als een

soort van heerlijkheid aan den Gouverneur-Generaal, baron van


37

Imhoff, geschonken en werd later door de opvolgende Gouverneurs-Generaals

tegen een bepaalden prijs overgenomen. In 1810

verkocht Daendels bij zijn vertek naar Europa het landhuis en

het park aan het Gouvernement en na de ontruiming door de

Engelschen kwam men op initiatief van den hoogleeraar Reinwardt,

in 1815 aan de commissarissen-generaal toegevoegd

als directeur voor de zaken van landbouw, kunsten en wetenschappen

, op het denkbeeld er een tuin aan te leggen, minder nog

bestemd om de wetenschappelijke kennis der plantenwereld te bevorderen

, dan om proeven te nemen in het belang van vele takken

van industrie. Het gunstig klimaat van Buitenzorg lokte tot het

grootsche plan uit; wel is waar zijn er weinig plaatsen op aarde, waar

meer regen valt, maar de meestal met donderslagen gepaard

gaande frissche buien, die bijna dagelijks tusschen drie en vijf uur

in den namiddag vallen en zelfs in den drogen moesson niet

ontbreken, brengen heerlijke koelte en verkwikkende vochtigheid

aan.

Men stelde zich met recht veel goeds van zulk eenen tuin

voor; de indische flora toch was in dien tijd voor een aanzienlijk

deel nog een gesloten boek en bij de schoone gelegenheid,

die een plantentuin zou aanbieden tot degelijke waarneming der

flora van Nederlandsch Indië, zouden stellig de beoefenaars der

botanische wetenschap in Europa met ingenomenheid zich den

weg zien openen tot het aanknoopen van een wetenschappelijke

betrekking met de verwijderde koloniën. In de Javasche courant

van 23 Jan. 1819 kon Reinwardt berichten, dat de grootsche

instelling tot stand was gekomen.

De regeering had een deel van het uitgestrekte park, behoorende

bij het paleis van den Gouverneur-Generaal, er voor beschikbaar

gesteld. Meerendeels vlak met eene zachte glooiing

naar het oosten, werd het terrein met kleine beken doorsneden,

die den aanleg van vijvers gemakkelijk maakten. Aan den hoofdingang

ter zuidzijde bouwde men de eenvoudige planken woningen

en gebouwen voor het toeziend personeel, de werk- en bergplaatsen

en de kweekerijen. Daarenboven zou men op niet te


Javaansche kinderen.

(Enfants javanais.)


40

grooten afstand, op het zuidoostwaarts gelegen Gedeh-gebergte,

de gelegenheid vinden tot den aanleg van tuinafdeelingen , waar

men in staat zou zijn de kweeking te beproeven van allerlei

planten uit de meest onderscheiden klimaten.

Na Reinwardt werd Dr. Blume tot directeur der inrichting

benoemd, terwijl Zippelius tot eersten hortulanus werd aangesteld

en toen met Blume's terugkeer naar Nederland de betrekking

van directeur onvervuld bleef (alleen een oud-lid der natuurkundige

commissie, de heer Diard, heeft omstreeks 1837 nog

korten tijd den titel gevoerd), terwijl Zippelius in 't laatst van

1830 overleed, stelde de Gouverneur-Generaal Jan van den Bosch

zijnen bekwamen tuinman in diens plaats aan en droeg de leiding

van den plantentuin aan Johannes Elias Teysmann op, in

het volle vertrouwen op diens werkkracht en zijnen natuurlijken

aanleg. Met een voorbeeldeloozen ijver en onverpoosde inspanning

greep de jonge hortulanus alle onder zijn bereik liggende

middelen tot eigen ontwikkeling aan en daar hij telkens in aanraking

moest komen met de leden der destijds in Indië werkzame

natuurkundige commissie, ontbrak hem de gelegenheid tot

vermeerdering zijner kennis niet.

Met hetzelfde schip was ook als nederige volgelinge van graaf

van den Bosch de aardige Dirkje van der Wal naar Java gekomen

en de aan boord reeds ontwaakte liefde leidde spoedig

na Teysmann's benoeming tot hortulanus tot een huwelijk , dat

50 jaar lang voor beiden een zegen is geweest. Zij was de steun

en de roem van zijn eenvoudig huis ; van al zijnen arbeid volkomen

op de hoogte, nam zij sommige kweekerijen geheel voor

hare rekening en de behulpzame, flinke, krachtige vrouw w as

dikwijls de vriendelijke chaperonne door het park en steeds de

gulle gastvrouw voor de vele bezoekers van Teysmann's huis. Zij

stierf nog geen twee jaar vóór haren man. Kinderen hebben ze

niet gehad.

Van 1831 af tot 1868 was en bleef Teysmann de ziel der

gansche inrichting. Tusschen 1837 en 1843 had hij veel steun

aan Dr. J. K. Hasskarl, den bekwamen kruidkundige, aan wien


4'

wij de overbrenging van de kina uit Zuid-Amerika naar Java

danken en die als adsistent-hortulanus werkzaam was. Samen

verrijkten zij den materiëelen schat van den plantentuin en ook

na het vertrek van den adsistent-hortulanus bleef de nu weer

alleen aan zijne taak arbeidende werker bezig. In 't geheel heeft

hij twee-en-vijftig jaren lang daar te Buitenzorg in en toch buiten

de maatschappij geleefd binnen de grenzen zijner wereld, die

bestond uit zijn tuin, zijn kweekerijen, zijn studeervertrek en zijn

verzameling van naturaliën. Het optreden en heengaan van dertien

opperlandvoogden, de waarnemenden niet medegerekend, heeft

Teysmann beleefd en niet één hunner kon zijne groote verdiensten

en zijne bescheidenheid miskennen, terwijl tevens hulde moest

worden gebracht aan de onverstoorbare zelfstandigheid en onafhankelijkheid

van dezen nederigen, maar energischen dienaar van

land en wetenschap. De eene generatie van ambtenaren na de

andere zag hij komen en ontwikkelen en hem voorbijstreven,

terwijl hijzelf op de ambtelijke ladder trouw en vast positie hield.

Wel werd hij op 6 Juli 1854 tot broeder en 29 April 1864 tot

ridder der orde van den Nederlandschen leeuw benoemd en kreeg

hij in 1858 den titel van inspecteur honorair der cultures, maar

zijn tractement bleef steeds uiterst bescheiden en bedroeg tot 1868

altijd slechts /250 's maands.

Tot dat jaar woonde hij in zijne oude, eenvoudige planken

woning aan den ingang van den plantentuin, waar hij voor eigen

rekening een lokaal voor zijne naturalia had bijgebouwd, maar

bij de reorganisatie, toen Dr. R. H. Scheffer in Januari 1868

tot directeur van 's rijks plantentuin werd benoemd, betrok hij

een hem in eigendom toebehoorend huis aan den grooten postweg

nabij de zoogenoemde Pilaar, waar ook het nevengebouw

voor zijne rijke verzamelingen werd ingericht en een groot stuk

gronds voor de menagerie werd afgezonderd, waarvoor hij moeite

noch kosten had gespaard. Beroemd is zijn collectie Orthopteren

of rechtvleugelige insecten. Die reorganisatie, waartoe de beroemde

prof. Miquel in overleg met Teysmann den stoot had gegeven,

sloot mede in, dat Teysmann bij besluit van 22 Januari 1869


"s §

U

3 4


44

eervol als hortulanus werd ontslagen om voortaan belast te blijven

met het doen van reizen in den O. I. Archipel, zoowel in 't belang

van 's lands plantentuin als in dat van handel en nijverheid. De

heer Binnendijk werd in zijn plaats tot hortulanus en de heer

Wigman tot adsistent-hortulanus benoemd. Laatstgenoemde werd

dezer dagen (Juli '93) tot hortulanus herbenoemd.

Een eigenaardige bepaling in het besluit tot ontslag van Teysmann

was, dat de oud-hortulanus nimmer langer dan zes maanden

achtereen op reis mocht zijn. Die bepaling vloeide voort uit de

kennis van zijn rusteloozen ijver als verzamelend natuuronderzoeker,

waarmee hij schier geheel Indië reeds had doorkruist.

Op die tochten bleek het, hoe bescheiden zijn levenseischen waren

en hoe hij zich wist te behelpen ter wille van zijn doel, het zoeken

en verzamelen van nieuwe of zeldzame planten of dieren.

Aanzienlijk is het aantal nieuwe plantensoorten die hij aan

het licht bracht; de kennis der flora van Nieuw-Guinea verrijkte

hij met 133 soorten na zijne reis in 1872. Menige plantensoort werd

naar hem genoemd en door het geslacht Teysmannia, waarvan

de soort Teysmannia altifrons bekend is, zal zijn naam vereeuwigd

zijn. De kostbare beroemde werken van Miquel werden schier

geheel opgebouwd uit door Teysmann verzamelde bouwstoffen

en gegevens. Daarbij werden planten en zaden onafgebroken door

Teysmann gewisseld met de verschillende botanische inrichtingen.

In Nederlandsch Indië zijn door zijne zorgen ingevoerd de

oliepalm, de zoete cassave, de West-Indische ananas, terwijl

aan de teelt van katoen, thee, kaneel, kamfer, getah-pertsja,

caoutchouc, cacao, zijde, door zijne ervaringen een krachtio-en

stoot werd gegeven. Door hem werd het valsch begrip opgeheven,

dat kruidnagelen en muskaatnoten alleen in de Molukken

goed tieren. Maar vooral was zijn werkzaamheid vruchtbaar in

den eigenlijken zin des woords op het gebied der vanillecultuur.

Die plant, door zijne zorgen naar Java overgebracht, leerde hij

kunstmatig bevruchten, daar het insect, dat in Zuid-Amerika voor

de bevruchting zorgt, in ons Indië ontbreekt en zoo kon hare

teelt op Java voordeden afwerpen en een winst opleveren, waarvan


45

ook hijzelf tot innig genoegen zijner vele vrienden partij kon trekken.

Behalve den catalogus van 's lands plantentuin, die in 1866

werd gepubliceerd, waaraan zijn adsistent S. Binnendijk ijverig

meewerkte en die, vergeleken met den in 1823 door Blume

samengestelden catalogus, getuigt van de weergalooze ontwikkeling

en vermeerdering van den plantenschat, heeft Teysmann in

indische tijdschriften veel over verschillende cultures en planten

geschreven en was in de laatste jaren van zijn leven bezig aan

de samenstelling van eene alphabetische lijst van inlandsche plantennamen,

die bij zijn dood op 22 Juni 1882 nog niet was voltooid.

Anderhalf jaar vroeger was op schitterende wijze de gedenkdag

gevierd, waarop het vijftig jaar was geleden, dat Teysmann

in Indië aankwam en die 2 Ae Januari 1880 zag de schoone, werkelijke

huldiging van ware verdienste. Het eerelidmaatschap van

allerlei geleerde genootschappen en maatschappijen van wetenschap

, die zich op zijn feest lieten vertegenwoordigen, werd hem

toen in fraai bewerkte oorkonden overhandigd en die treffende

ovatie, waaraan noch vleierij, noch ijdele plichtplegingen ten

grondslag lagen, was de ongedwongen uiting eener dankbareerkenning

van persoonlijke kracht en deugden.

Kracht ging er inderdaad van Teysmann uit; door zijn karakter

en zijn vasten wil wist hij zich steeds te doen eerbiedigen

in den nederigen stand, waaruit titels, rang, noch huldeblijken

hem konden verleiden, zich te verheffen. Vertoon van ijdele vormen

was hem een gruwel, eenvoudig en oprecht was hij in al

zijn doen en laten, voor zich zelven en anderen streng in de

opvatting van plichten en toch zoo ontvankelijk voor gemoedsindrukken,

zoo gevoelig voor vriendschap en waardeering.

Achter in den rozentuin, een omvangrijk vierkant veld, aan

welks randen tallooze variëteiten van de koningin der bloemen

staan gerangschikt, staat een eenvoudig gedenkteeken voor den

vader van Buitenzorg's plantentuin.

Twee jaar voor zijn dood had men er reeds een ander grafwaarts

moeten dragen, wiens arbeid twaalf jaar lang den tuin


Een javaansche palankijn.

(Un palanquin javanais.)


Javaansch kapsel.

(Coiffure javanaise.)

Maleisch kapsel.

(Coiffure malaise.)


48

ten goede was gekomen en die den 9 d en Maart 1880 te Sindanglaja,

dicht bij den bergtuin van Tjipannas overleed; 't was de

36jarige Dr. R. H. C. C. Scheffer, van wiens benoeming tot directeur

in 1868 we reeds melding maakten. Bij Teysmann aan huis

genoot Scheffer de hartelijkste gastvrijheid en duurzaam bestond

er een alleraangenaamste verhouding tusschen die twee, pleitend

voor beider degelijk, flink karakter.

Toen in 1871 het zetelgebouw van de naar Batavia verplaatste

directie van het mijnwezen ter beschikking van den directeur

van den plantentuin was gesteld, werden daarheen het bureau en

de bibliotheek overgebracht en men begon ijverig aan de rangschikking

en systematizeering van de kostbare materialen en

het herbarium, zoodat grondige, wetenschappelijke studie gemakkelijk

werd gemaakt. Doubletten stond Scheffer aan zusterinstellingen

af, om de verzameling _in uitgebreider kring nuttig

te doen zijn. In die eerste jaren ontwikkelde Scheffer een groote

werkzaamheid op wetenschappelijk gebied, schreef flansche en

latijnsche werken over bepaalde plantensoorten en werkte in

tijdschriften en brochures aan de vermeerdering onzer kennis der

flora van Nederlandsch Indië.

Gedurende de twaalf jaren, dat hij directeur was, heeft hij de

bergtuinen Tjibodas en Tjibeurem, tegen de noordelijke helling

van den Gedeh gelegen, productief gemaakt, legde op groote

schaal een cultuurtuin voor proeven aan, opende in 1876 eene

landbouwschool met 82 leerlingen (in 1884 opgeheven) en leidde

met groote zorg de inrichting van herbarium en bibliotheek.

(In den eerstgenoemden bergtuin, dien van Tjibodas, waren in

1852 indertijd de eerste kinaplantjes gekweekt, die kort te voren

via Leiden uit Bolivia waren overgebracht. Later werd de

gouvernements-kinaonderneming naar het Bandongsche verplaatst.)

Verder is aan Scheffer de verspreiding te danken van abbizzia's

als schaduwboomen, vooral voor koffieplantjes ; dan heeft hij de

cultuur van den australischen eucalyptus met kracht bevorderd

en bovenal zal Indië Scheffer verplicht zijn voor de ijverige

en volhardende pogingen ter invoering en verspreiding van


49

de Liberia-koffie. Zijn opvolger, Dr. M. Treub, zet sinds 1880

Scheffers arbeid op waardige wijze voort en heeft o. a. het che-

misch pharmacologisch laboratorium in 't leven geroepen ter

nuttige vervanging van het in i860 opgehevene, waar nu Dr.

Greshoff de geneeskrachtige schatten van den plantentuin onder-

zoekt. Mede door zijn invloed is een jaar geleden een fonds ge-

sticht, waardoor een geregeld bezoek van nederlandsche plant-

kundigen aan 's lands Plantentuin te Buitenzorg verzekerd is en

dit fonds zal ongetwijfeld het zijne doen, om de flora van Indië

uit een practisch oogpunt bekend te maken en te doen waar-

deeren. Onderdirecteur is Dr. Burck, die in den zomer van 1893

een zeer interessant monster getah pertjah uit de bladeren van

den pais quium borneëuse getrokken, naar het Koloniaal Museum

zond. In de behoefte der tegenwoordige getah-pertjah industrie-

zou door die manier van winning der stof gemakkelijker kunnen

worden voorzien en zonder gevaar voor uitroeiingen der boomen.

De tweehonderd vaste werklieden wonen met hunne gezinnen

hier en daar in kamponghuizen in den tuin verspreid. Er is dag

aan dag heel wat werk te doen., om paden, perken en boschjes

van afgevallen bladeren, gras en onkruid te zuiveren, 't geen

toch zoo hoog noodig is, om broeiplaatsen voor insecten te

voorkomen en slangen buiten te houden. Nog grooter zorg eischt

de afwatering. De tuin helt naar de Tji Liwong en men is er

steeds op uit aan stortregens een geleidelijken afloop te bezor-

gen. Het laat zich begrijpen hoe vochtig bij de dagelijksche re-

genbuien de gebouwen en hun inhoud moeten zijn. Boeken en

instrumenten kunnen in weinige oogenblikken door schimmel be-

derven. Een lederen portefeuille, die men op zijn lessenaar laat

liggen, is twee dagen later beschimmeld, zoodat de geheele in-

ventaris van kisten en kasten telkens naar buiten moet worden

gebracht in de zon, om voor bederf behoed te worden, terwijl

in het botanisch museum het legio insecten en hunne larven het

conserveeren komt bemoeilijken.

De gansche tuin is nu 81 bouw of 58 H.A. groot; dagen

zijn niet voldoende, om een volledig denkbeeld te krijgen van


Wachtpost te Batavia.

(Corps de garde à Batavia.)


52

de vormenpracht, waardoor deze tuin alle dergelijke in de scha-

duw stelt; het best is nog zich meer een reusachtig park dan

een tuin voor te stellen. Groote rijwegen loopen er door, en

's morgens wordt er ook veel gewandeld. Jammer dat de éti-

quette, die van het paleis afstraalt, de dames niet vergunt er

in sarong en kabaai, het geliefkoosd huistoilet, rond te dwalen.

Er zijn anders uitlokkende plekjes in overvloed, bijv. de groote

vijver en de daarmee communiceerende ronde vijver met de

hoog opspringende fontein, beide op onze platen te zien met

de reuzenbladeren van de victoria regia. Het is een merkwaar-

dige aanblik, die bladeren van i à 2 M. middellijn als groote ta-

felbladen met een opstaanden'rand daar te zien drijven. Met

vele kilo's zou men ze kunnen belasten, zonder dat ze onder

dompelden en een niet al te zwaar knaapje zou er met zijn

kinderstoeltje op kunnen plaats nemen. Keert men een blad om,

dan ziet men aan den onderkant de sterke aderen, die hier wel

zoo dik zijn als een kinderarmpje en een stevig traliewerk vor-

men, dat de natuur tot steun aan deze reuzenbladeren heeft ge-

geven. Maken zij vooral den indruk van stevigheid, de bloemen,

die er tusschen drijven en met een middellijn van 2 of 3 d.M.

ook nog reuzen in haar soort zijn, verwekken bovendien niet

minder het besef van schoonheid, als onze teedere rozen en an-

dere fijne flora-kinderen.

Wonderschoon is verder het gezicht van een berghelling op

de snel vlietende Tji Liwong en het vergezicht op de trotsche

kruin van den Panggerango, waarachter de rookkolom uit den

Gedeh opstijgt, op de driedubbele kruin van den met zwaar

geboomte bedekten Salak en op de donkere ravijnen, dichte

bosschen, welige rijstvelden en onder aardige boomgroepjes ver-

scholen inlandsche huisjes aan de langzaam oprijzende hellingen.

En dan de waringinlaan ! Onze plaat geeft ze te zien, de beide

rijen oude, dikke stammen, allen uitloopers of tot stammen ge-

worden wortels van zes indische vijgenboomen. Takken strekken

zich 20 en meer M. lang naar alle zijden uit, maar gevaar voor

breken bestaat er niet, omdat op tal van plaatsen uit "eiken


53

tak wortels ontspringen , den bodem bereiken en er diep indringen

om voedingsstoffen op te zuigen. De dunnere, op koorden ge-

lijkende wortels, geven met varens en orchideeën een geheel

eigenaardig karakter aan deze schoone laan. In de palmenaf-

deeling zijn allerlei soorten en verscheidenheden vertegenwoordigd

en waar het terrein nog meer zinkt, komt men aan een moe-

rassigen voor de rhizophoren gereserveerden bodem. Men weet,

hoe de mangrovewouden met hunne zich in het slijk begravende

luchtwortels aan de moerassige kusten van het eiland grooten-

deels uit rhizophoren bestaan. Laat ons nog even met Dr. Cos-

terus, die in 1892 zijne wetenschappelijke reis deed, stilstaan

bij de zonderlinge mierenplanten, die zich door wortels aan de

boomen weten vast te hechten en in het onderste dikke gedeelte

van hun stammetje een geweldige hoeveelheid kwaadaardige mieren

herbergen, die men verstandig doet niet zonder chloroform te

naderen. Snijdt men zoo'n plant door, dan vindt men er een aan-

tal wijde gangen in, die met elkaar gemeenschap hebben en waarin

de mieren in volwassen en onvolkomen toestand te vinden zijn.

En nu afscheid genomen van den Buitenzorgschen Plantentuin ,

met den wensch, dat het hem tot in lengte van dagen welga !

In het hotel Bellevue met zijn prachtig panorama rust de

westerling gaarne uit van de vermoeienissen, die 't bezichtigen

van den Plantentuin noodzakelijk meebrengt, en kan, als hij

den tijd heeft, in de omstreken van Buitenzorg zijn kennis van

land en volk op aangename wijze uitbreiden. Zoo geven ons de pla-

ten op blz. 46 , 47 , 54 en 58 beelden te zien, die een flansch reiziger

en schilder, de heer de Molins, in de buurt van Buitenzorg op-

nam. De javaansche palankijn is een vervoermiddel dat zeld-

zaam wordt ; het nauwe houten kastje heeft den vorm van een

trapezium, is geheel dicht en alleen tusschen de spleten door

van het snijwerk gaf de javaansche schoone hare oogen den kost.

De draagstoel met zonnetent voor reconvalescenten en europeesche

vrouwen bij bergbestijgingen in gebruik komt nog veel voor,

maar minstens even veilig kan men zich toevertrouwen aan de


Javaansche herberg.

(Hôtellerie javanaise.)


56

javaansche paardjes, die vooral in bergstreken onberekenbare

diensten bewijzen. Op hellingen, waar een hond moeite zou

hebben zich staande te houden, hurkt het paard neder op zijne

achterpooten, gebruikt die als een remtoestel en loopt alleen

met de voorpooten. Aandachtig, met gebogen kop, opgestoken

ooren en onafgewenden blik onderzoekt hij met den voet het

terrein ; met ongeloofelijke behendigheid vermijdt hij de glibbe-

rige wortels, de verwarde slingerplanten en de klompen klei

en met een zekerheid, die den mensch vertrouwen inboezemt,

vervolgt het edele, schrandere dier zijnen weg.

Zooals het gebruik der palankijn afneemt, zoo vangt in Oost-

Java de tjikarveer aan te verdwijnen. Het is een zonderling

voertuigje, welks lage hemel dwingt tot rechtopzitten met de

beenen recht voor zich uit ; men heeft een rolkussen als steun

in den rug. Aan buitenkant en lijstwerk kan men bontbeschilderd

snijwerk bewonderen met vergulde garoeda-koppen. Tegenwoordig

staan echter reeds aan de kleinste spoorweghalten dos à dos,

zado's zegt de inlander, en speelwagentjes of z. g. pegons, vier-

kante bakjes op twee wielen ter beschikking en de tjikarveer

wijkt terug naar het hartje der binnenlanden , zoodat het haast

ijd wordt, een model ervan in een museum voor de vergetel-

theid te bewaren.

Wat de javaansche kapsels aangaat, de personen zijn zeker

voor eene bijzondere gelegenheid aldus getooid, ten minste alge.

meen dragen ze den hoofddoek niet op deze wijze met die punten

en als , wat wel zoo schijnt te zijn, de rechtsche figuur op blz. 47 een

vrouw verbeeldt, zou daaruit des te duidelijker blijken, dat het

een bijzondere tooi is, want, zooals we reeds vroeger zeiden, ge-

woonlijk gaat de maleische vrouw blootshoofds. De javaansche

herberg, hoewel ook getrouw naar de natuur geteekend, kan

toch met als type gelden; dan moesten op de baleh-baleh

vóór het huis de delicatessen zijn uitgestald, zooals wij dat bij

onze beschrijving van de restauratie of warong, waarheen we

hier nog eens verwijzen, duidelijk maakten.

De dansende bayaderen vertoonen een festijn van de inlan-


57

ders, dat de heer de Molins zelf heeft bijgewoond en niet on-

aardig vertelt hij van die plechtigheid. Na de dansende bayadere

met haren sarong, rijk versierden gordel en wit nauwsluitend lijfje

te hebben beschreven, verhaalt hij, hoe zij niet alleen bleef op het

tooneel, door de mat onder den waringin voorgesteld. „Van tijd

tot tijd verscheen ook een man, wiens rol gedeeltelijk uit zang,

gedeeltelijk uit pantomine bestond, want er wordt hier een soort

van drama opgevoerd, ontleend aan het overoude thema, de

liefde. De bayadere, wie hare eenzaamheid wat lang valt, drukt

door allerlei kwijnende houdingen hare verveling uit. Zij gaat heen

en weder op de mat, rekt de armen uit, buigt zich achterover

en neuriet zacht een weemoedigen klaagzang. Gedurende dit ge-

heele eerste gedeelte, dat zeer lang duurt, blijft de danser,

haar partner, rustig in een hoek op den grond uitgestrekt. Maar

weldra komt het oogenblik, dat ook hij moet optreden; hij

staat op, gaat naar de danseres toe en betuigt haar met geba-

ren zijne liefde, welke betuiging door de dame met eene onver-

biddelijke weigering wordt beantwoord. De minnaar wordt daar-

door niet afgeschrikt, maar verdubbelt zijne pogingen, om het

hart der schoone te winnen; om haar te verteederen bindt hij

zich zelfs voor het gelaat een masker, dat niet verder dan de

bovenlip reikt en waarvan de naar de kin gebogen hoeken aan

zijn gezicht eene allerzotste uitdrukking van droefheid geven. Te

vergeefs; op hetzelfde oogenblik, dat zijn levendig gebaren-

spel den vurigsten hartstocht uitdrukt, ontvangt hij met den

waaier een geduchten tik op den neus. Verwoed over deze be-

leediging, werpt onze minnaar zijn masker weg en bindt een

ander voor, met vreeselijk rollende oogen en geweldige, witte

tanden, het masker van den toorn, zooals het eerste dat der

smart. In dreigende houding nadert de held de onwillige schoone

en geeft zijn gevoel lucht in een reeks van heftige gebaren, van

sprongen en wendingen, de een al buitensporiger dan de andere.

Verschrikt over de door haar opgewekte drift, vlucht de jonge

vrouw in een hoek en verwijt zich zelve hare te groote streng-

heid. Toch houdt de eigenliefde haar terug; zij wil den eersten


Dansende bayaderen onder een indischen vij

(Danse de bayaderes sous un multipliai


ijgeboom in de omstreken van Buiteiizor0'.

ant aux environs de Buitenzorg.)


6o

stap niet doen, maar als de danser eensklaps zijn boosaardig

masker afwerpt en haar weder in de nederige houding van een

smeekeling nadert, kan zij aan zooveel zielegrootheid geen weerstand

bieden, staat op, gaat haren heer te gemoet en zweert

hem volkomen gehoorzaamheid, terwijl zij al zijne bewegingen

volgt ; gaat hij voor- of achteruit, zij evenzeer, tot ze eindelijk

met hem deelneemt aan den dans, waartoe hij haar met zegevierende

blikken noodigt."

Maar zulke schouwspelen komen niet dikwijls voor; een meer

alledaagsch, doch niet minder groot genot, verschaft de poppenkast

of wajang, vertoond door den dalang of javaanschen impressario.

Die wajang neemt eene groote plaats in het leven van

den javaan in en voor oud en jong is 't genot van zulk een

vertooning zoo groot, dat men er zich allerlei opofferingen voor

getroost. Uren ver loopen ze, om een lampahan of tooneelstuk

te zien spelen en ze zouden hunne laatste spaarduiten niet ont

zien, als er bij zulke gelegenheden entreegelden werden geheven,

wat echter niet het geval is. Er wordt een soort van onheilbezwerende

kracht aan de vertooning van dit schimmenspel toe

geschreven en bij het ondernemen van het een of ander gewichtig

werk, bij een huwelijk, bij ziekte, bij waarschijnlijke mislukking

van den rijstoogst. laat de door en door bijgeloovige Javaan op

zijn eigen erf de wajang spelen.

Wij spraken zooeven van een schimmenspel en inderdaad is

het niet anders. Op een langwerpig, vierkant stuk wit doek, dat

rondom van een rooden rand is voorzien en door middel van

ringen en touwtjes zoo strak mogelijk op een in den grond geplaatst

raam van bamboes wordt gespannen, worden de schaduwen

vertoond van platte poppen met beweegbare gewrichten

die door touwtjes en stokjes in beweging worden gebracht. De

voorstellingen, waarbij de goden op aarde rondwandelen, zijn

meestal ontleend aan de vóór-islamitische periode en halfgoden

en menschen met bizarre vormen spelen er naast de goden hunne

rol in. Een volledig stel poppen bestaat wel uit 200 stuks en

de vertooner of dalang wordt hoog vereerd om zijn kennis van


61

de duizend en één verhalen, waarin hij alle personen in hun

eigenaardig karakter laat optreden en dat uren lang, ja, soms

den ganschen nacht door. Boven zijn hoofd hangt walmend de

blentjong of groote lamp, die de schimmen der poppen op het

doek toovert.

Soms worden, en het was een waagstuk, toen dat in de vorige

eeuw te Soerakarta voor het eerst geschiedde, de poppen door

menschen van vleesch en bloed vervangen ; maar populair is zulk

een wajang nooit geworden. Enkele reizende gezelschappen

wagen zich er aan en de acteurs en actrices moeten dan als de

poppen op het scherm door houding en gebaren de personen

voorstellen, van wier heldendaden de dalanç sprekende en zin-

gende verhaalt; maar liefst ziet de Javaan daarvoor andere dan

zijn oude, echte wnjangverhalen gebezigd. Soms wordt door lach-

wekkende maskers der spelers de aantrekkelijkheid der voorstel-

ling verhoogd.

Natuurlijk wordt alles begeleid door muziek, en welke muziek!

De geweldige slagen op den tam-tam zijn nog niets in verge-

lijking met de scherpe, snijdende tonen van half houten, half

koperen instrumenten, terwijl op eenige kleine tinnen cymbalen

de maat wordt aangegeven.

Liefelijker muziek roept ons de afbeelding van de gamelan

in de herinnering. Het is een inlandsch orkest, waar op aller-

zonderlingste instrumenten, een soort van potten of ketels van

allerlei grootte, bekkens of kenongs tot den bonang baroeng ver-

eenigd, een soort harmonika's met koperen of houten toetsen,

genders en gambangs, groote en kleine gongs, de zware trom

of bedoeg, violen met twee snaren of rebabs, met zeer breeden

strijkstok bespeeld, en nog andere levenmakende items, door

middel van stokjes, van getah-pertsja balletjes voorzien, de z. g.

taboe/is, wordt geslagen, zoodat er een zonderlinge muziek ont-

staat. Soms is die zacht, vol zilverachtige tonen, soms wee-

moedig en klagend, maar veelal kunnen wij, Europeanen, even-

min in de gamelang als in den anklong een melodie herkennen

en schijnt slechts een cacophonie van tonen ons oor te bereiken.


De Sultan van Djokjokarta.

(Le Sultan de Djokdjokkwta.)


De sultane van Djokjokarta.

(La Sultane de Djokdjokkarta.)


64

De soorten van gamelans, afwisselend naar tijd en gelegenheid,

komen in hoofdzaak met elkaar overeen.

Meestal begeleidt de gamelan het dansen of tandakken, dat

uit het maken van rustige, afgemeten bewegingen bestaat, waarbij

de voeten der bevallige rongengs zich nauwelijks van den grond

verheffen; soms ook schijnen de dansen een soort van spiegelgevechten,

zooals de op een der vroegere platen voorgestelde krissendans.

Aan de hoven der inlandsche vorsten worden dergelijke

vertooningen dikwijls gegeven. Hier zijn het vier jonge knapen , in

schitterend gekleurde kleeding met een javaanschen helm in den

vorm van een diadeem getooid en aan den linkerarm een soort van

schild dragend van verguld leder, eenigszins in de gedaante van een

arend met twee koppen, en kostbare gouden ringen aan armen

en polsen. Er is meer leven en handeling in dezen dans; dekrissen

worden gezwaaid en kruisen elkaar op de maat der muziek.

Ook een tooneeltje van huiselijke muziek konden we in plaat

brengen, waar de harmonica met houten toetsen of gambang

wordt bespeeld; die met metalen toetsen heet saron. Het instrument

bestaat uit een langwerpig vierkanten houten bak, die

naar de rechterzijde smaller toeloopt. Op de langste zijden

liggen kussentjes van een soort vlechtwerk en daarop rusten met

de uiteinden een achttiental vlak tegen elkander liggende blokjes

van het harde djati-hout. Twee taboehs of hamertjes, bestaande

uit zeer kleine houten cylinders, in het rond met laken of flanel

bekleed en in welker midden een stokje is bevestigd , waarvan

de speler het uiteinde in de hand houdt, dienen om aan het

instrument vrij schrale tonen te ontlokken.

Bij onze beoordeeling van de muziek der Javanen moeten we

niet vergeten, dat de inlander en de Europeaan nog niet geleerd

hebben elkander, op het punt van muziek te verstaan en dat

de laatste, bewust of onbewust, in den waan verkeert, dat zijne

toonschaal, die slechts de kleine verscheidenheid van groote en

kleine terts toelaat, bij uitsluiting in de natuur gegrond en dus

de eenig mogelijke is.

Zoo huiselijk als het ^^««^-plaatje, zoo vreedzaam zien er


65

ook de beide tooneeltjes uit, die de javaansche kinderen en het

maleische binnenhuis voorstellen. Bij beide moet ons wel weer

de opmerking uit de pen, dat die luidjes voor de plechtige

gelegenheid van 't photographeeren wat al te môoi zich zijn

gaan optuigen. Bij dat tafelkleed en die fraaie stoelen is een

klein vraagteekentje wel op zijn plaats. Ze zouden haast doen

twijfelen aan onze vroegere, volkomen getrouwe schildering

van een maleisch binnenhuis. De kooi, waarmee de javaan-

sche kinderen zich vermaken, zal zeker een perkoetoet of

tortelduif bevatten, den gelief koosden vogel der Javanen, die

bijna bij geen enkele hut ontbreekt. De beide haarlokken

midden op het hoofd van het staande knaapje worden vrij al-

gemeen zoo gedragen volgens een voorschrift van den Islam. Het

scheren van het hoofd begint met het tweede jaar en wordt van

tijd tot tijd herhaald , tot de jongen volwassen is, waarna de

punt der haarstaarten wordt afgeknipt en aan het haar zijn vrijen

wasdom wordt gelaten. Het van rotan gevlochten kapje van het

zittende jongentje wordt gewoonlijk zóó door santri's of priester-

leerlingen gedragen. De oto of borstlap en de djarit of lange katoe-

nen lap, die tot gordel dient en degelong of armbanden van goud

of zilver ontbreken zelden bij de feestklecdij der jonge Javaantjes.

Op de hoofdplaatsen dragen de meisjes onveranderlijk baadje

en broek; de loshangende kiel zou in Holland „nachtpon" worden

genoemd en daaronder komen dan de pijpen van de broek uit met

een smal kantje en dunne witte kousen, vaak echte cache-misères.

Voor wij thans van onze eerste groep platen afscheid nemen

en daarmee ons tweede hoofdstuk besluiten, rest ons nog slechts

de taak, om naar aanleiding van de plaat de javaansche politie

in haren arbeid u voor oogen te stellen. Langs de wegen op één

paal afstands van elkander zijn de leden van de 'xnYandsene g ar doe

gestationneerd op hunne wachtposten. Die wachthuisjes, die van

voren geheel open zijn, staan ook meestal bij den ingang van

een kampong. Vijf of zes inlanders (men weet het, alleen de

hoofden of chefs zijn Nederlanders), gewone bewoners van een

kampong, moeten op hunne beurt ervoor opkomen, laten het


Ruïnen te B

(Temple djaïnisU


Brambanan.

te à Brambanam.)


68

tegenwoordig ook wel door bezoldigde dienaren doen en hebben

vooreerst tot taak om op een hol, houten blok, den kentongan

of tong-tong, van langwerpigen vorm door middel van slaan de

uren aan te geven. Vóór het wachthuis wordt dikwijls een vuur

gebrand tegen muskieten en tegen de vaak doordringende koude

van een javaanschen nacht, want niet bij elke wacht behoeft de

inlandsche politie zich warm te loopen, om gebruik te maken

van de vele gereedschappen, waarmee dieven en moordenaars

worden gevangen. Die groote vorken van boomtakken, met dunne,

buigzame doornbamboe omwonden, de z. g. tjongkops, dienen

om den vluchteling tusschen te vangen en maken dat hij niet

voor- noch achteruit kan en niets heeft aan zijn scherp verraderlijk

wapen, de kris.' Men heeft die vangvorken ook van ijzer,

verder lansen en natuurlijk ontbreken de touwen niet, en zijn

ook handboeien en sabels deelen van de uitrusting der inlandsche

politie. Alleen de schout van politie is een Europeaan en

heeft den hoogsten europeeschen ambtenaar in eene afdeeling

als directeur boven zich. De inlandsche agenten dragen den titel

van oppasser.

Van het amokloopen of blindelings moorden hoort men tegenwoordig

niet meer zooveel als vroeger. Zoo'n plotseling razend

geworden inlander, zoo'n amokmaker, kon schrik genoeg

verspreiden in de kampongs en de europeesche buurten.

Als teleurstelling of wanhoop met misbruik van opium den Javaan

het besluit hadden doen nemen zich van kant te maken

, doodde hij eerst een zoo groot mogelijk aantal slachtoffers,

door wie hij in den dood vergezeld wilde worden en stak met

zijn kris overhoop wie hem in den weg kwam, vriend of vijand,

Europeaan of inlander. Hoorde men ergens het geroep amok,

amok! dan werd in alle wachthuizen op het blok of den tongtong

geslagen en ieder borg zich door de vlucht. Als schoongeveegd

waren pleinen en wegen en het eind was meestal dat de

politie met lanssteken den ongelukkige afmaakte.


DERDE HOOFDSTUK.

MIDDEN- EN OOST-JAVA.

Veel van hetgeen wij in West-Java tot hiertoe bespraken,

zullen we in Midden- en Oost-Java weer ontmoeten, maar wat

die laatstgenoemde deelen van het eiland zeer bepaald kenmerkt

in tegenstelling met het Westen, zijn de belangwekkende herinneringen

en overblijfselen, die de geschiedenis van het oude Java

ons voor den geest roepen. De javaansche maatschappij heeft

door den invloed van het europeesch gezag groote veranderingen

ondergaan en verliest met toenemende snelheid veel van haar

nationaal karakter. Wie haar nog in hare oorspronkelijke vormen

wil leeren kennen, moet haar gadeslaan in Midden-Java en wel

in de beide gewesten, die nog een zweem van zelfstandigheid

bewaard hebben en onder den naam van de „Vorstenlanden"

bekend zijn. Officieel dragen zij de namen Soerakarta en Djokjokarta,

welke laatste naam als Jogjakarta gespeld behoort teworden.

De daar regeerende vorsten, de soesoehoenan of keizer

van Soerakarta en de sultan van Djokjokarta, stammen in rechte

lijn af van het huis van Mataram, dat eenmaal bijna geheel

Java beheerschte. Reeds had de Oost-Indische Compagnie zich

in den loop des tijds van verscheiden deelen van het groote rijk

meester gemaakt, toen de keizer van Mataram, die met de Madoereezen

en Makassaren in oorlog was, de hulp der Compagnie

inriep in 't midden der vorige eeuw. Daarbij verhief de pangeran

Ario Mangkoe Boemi in 1746 de vaan des opstands tegen

zijn broeder, den toenmaligen keizer Pakoe Boewono II (pakoe

boewono beteekent wereldspijker) ; nadat die burgeroorlog negen

jaar lang had gewoed, werd eindelijk door bemiddeling van den


De Javaansche Gratiën.

(Les filles du Sultan de Djokdjokkarta.)


Do Soesoehoenan (keizer) van Solo.

(L'empereur de Solo.)


72

gouverneur-generaal Mossel eene overeenkomst gesloten, waarbij

liet rijk in twee afzonderlijke staten werd gesplitst en de Compagnie

als souverein van het rijk werd erkend. De soesoehoenan

(aangebedene) bleef zijnen zetel houden te Soerakarta, terwijl zijn

broeder den titel aannam van sultan van Djokjokarta en daar

zijn verblijf vestigde ; ook werd nog een stuk van het aan den

eerste toegewezen deel onder het beheer gesteld van een van

hem onafhankel.jken prins, pangeran Adipati Mangkoe Negoro.

Onze plaat geeft het portret van een afstammeling van dien

vorst, den prins Mangkoe Negoro, die in 1878 door den

Franschman Désiré Charnay werd bezocht. Zijn hofhouding vertoonde

de grootste pracht en in tegenstelling met andere mahomedaansche

regenten had hij geen harem en stelde zich met

ééne echtgcnoote tevreden. Hij heeft een eigen regiment van inlandsche

soldaten en draagt den titel van kolonel in het hollandsche

leger, een titel waarop hij veel meer roem draagt dan

op dien van javaansch prins.

De boven vermelde versnippering had de macht der vorsten

zeer verzwakt, al besloegen de Vorstenlanden toen nog een.

groot deel van Java. Bovendien werden hunne handelingen door

de Compagnie sterk gecontroleerd, hunne hoofdsteden omringd

door forten met ncderlandsch garnizoen en de troonsopvolging

zoowel als de benoeming der voornaamste ambtenaren moesten

door de Compagnie, en na 1800 door het nederlandsch

gouvernement, worden goedgekeurd. Opvolgende gebeurtenissen

gaven aanleiding dat, eerst door Daendels, later door Raffles,

maar vooral bij het einde van den javaanschen oorlog 111 1830,

de macht der Mataramsche vorsten steeds meer besnoeid werd

Die oorlog, waaraan de afpersing bij de door Chineezen gepachte

tolpoorten mee schuld had, duurde van 1825-1830 en eindigde

toen met de gevangenneming van Dipo Negoro, den mataramschcn

prins, die den innigsten haat tegen de overheerschers van

zijn vaderland koesterde en den mahomedaanschen godsdienst

gebruikte als middel, om de bevolking tegen de Nederlanders

op te zetten. Hij was volgens het verhaal een niet erkende zoon



van den in 1815 gestorven sultan Hamangkoe Boewono III en

sedert 1822 voogd van diens jeugdigen kleinzoon. De sultans

zijn thans niet meer dan schimmen van vorsten, die ieder

het gebied voeren over slechts ééne der drie-en-twintig residentiën,

waarin Java verdeeld is , — gewesten, die in grootte

en bevolkingscijfer het gemiddelde der overige niet te boven

gaan en in rijkdom varr voortbrengselen verre bij haar zouden

achterstaan, indien niet de beste landerijen in handen waren gekomen

van europeesche huurders, die ze tegen betaling van

niet onbelangrijke sommen gepacht hebben van de javaansche

prinsen en ambtenaren , wien ze door den soesoehoenan en den

sultan als apanage zijn toegewezen.

Van de gronden, die niet in apanage zijn uitgegeven, trekken

de vorsten de inkomsten zelve ; alle andere rijksinkomsten hebben

zij nevens de exploitatie der djati-bosschen en vogelnestklippen

aan het europeesch gezag moeten afstaan. De troepen, die zij

onderhouden, dienen alleen voor staatsie en zijn door inrichting

en uitrusting voor een ernstigen oorlog geheel ongeschikt. De

rechtspraak over_hunne onderdanen is in naam in hunne handen.

maar aan strenge controle der nederlandsche residenten onderworpen.

Doch terwijl deze vorsten van alle wezenlijke macht

zijn beroofd en wij hun enkel de uiterlijke praal van het Oosten

hebben gelaten, heeft men hun de middelen gegeven om een

grooten staat te voeren, daar van regeeringswege voor traktement

en schadeloosstelling den soesoehoenan jaarlijks 800.000, den

sultan 500.000 gulden worden uitbetaald. In naam een onafhankelijk

vorst, en een reeks van wijdklinkende titels voerende,

bezit de soesoehoenan in werkelijkheid geene politieke macht

hoegenaamd ; het groote, eenige gouden zonnescherm heeft

hij voor de hollandsche vlag neergeslagen. Met bewonderenswaardigen

takt heeft onze regeering daar in Midden-Java zooveel

mogelijk bestaande sociale toestanden en oude gewoonten

en instellingen geëerbiedigd in de landen van die „spijkers der

wereld", en bovenal getracht zich den steun en de vriendschap

te verzekeren van de op Java zoo machtige en invloedrijke


T'

De tempel van

(Temple de 1


m Be iroe-Boedor.

Boeroe-Boedor)

Itprflp


76

aristocratie, aan wier leiding en gezag het volk sinds eeuwen

en eeuwen gewoon is zich te onderwerpen en tot wie het met

den diepsten eerbied opziet. Pakoe Boewono IX, wiens portret

wij geven, regeerde sinds 1862 en stierf in 't voorjaar van 1893

Zijn zoon en opvolger, Pakoe Boewono X is 26 jaar oud. Decouranten

maakten onlangs melding van den dood zijner 80-jarige

grootmoeder Ratoe Bendoro en, wat belangrijker is, van de erfenis,

die den jongen soesoehoenan ten deel is gevallen.

De overleden keizer zou, volgens ieders berekening, nalaten

ongeveer 3 millioen — en de werkelijkheid is dat ƒ 16,000 aan

contanten en ruim i$ ton schuld zijn achtergebleven. De oorzaak

ligt waarschijnlijk in de schromelijk slordige administratie

in den kraton met ap- en dependencies en den daaruit voortvloeienden

diefstal op groote schaal. Allerlei gefingeerde posten

werden in uitgaaf gebracht. Zoo pareerde alleen voor kippen

jaarlijks eene som van ongeveer ƒ30,000. Personen kwamen op

de betalingslijsten voor, als pensioen genietende, terwijl zij reeds

jaren geleden waren gestorven.

De soesoehoenan, die zich een man toont van eene energie,

welke velen niet in hem hadden gezocht, is nu bezig dezen

Augiasstal schoon te vegen. Met den resident als raadsman zal

hij daarin zeker slagen.

De tegenwoordige sultan van Djokjokarta, Z. H. Hamangkoe

Boewono VII is minzaam in den omgang en beleefd in zijne

vormen en gaf in 1890 een groot bewijs van liberaliteit, door in

December bij den rouwdienst, die in de protestantsche kerk werd gehouden

ter nagedachtenis van den kort te voren overleden koning

Willem III, met de prinsen van zijn hof tegenwoordig te zijn.

De vorsten wonen in uitgestrekte kratons, met dikke steenen

muren en wachttorens omgeven, terwijl de ruimte daarbinnen

een aantal pleinen, scheidsmuren, poorten en woningen bevat

en aan vele honderden tot woonplaats strekt. Het middelpunt

vormt de Dalem of de eigenlijke woning van den vorst, waarvoor

zich de aloen-aloen (spreek uit aloon-aloon) of het groote

plein uitstrekt. Daar vermaken zich de inlandsche grooten soms


77

met het tournooispel of senenan. Onmiddellijk voor den Dalem

is de sitinggil, een verhooging met traliewerk omgeven, waar

zich bij de groote feesten de vorst aan zijne onderdanen vertoont.

Ook de inlandsche lijfwacht, de pradjoerits, exercecren op het

plein, dat als elders een brandpunt voor het verkeer vormt. De

schitterendste vertooning maakt dat plein bij de drie groote

feesten, die gevierd worden op den eersten dag der tiende, den

twaalfden dag der twaalfde en den twaalfden dag der tweede

maand van het mahomedaansche jaar. Het zijn de twee beiramfeesten

en 't geboortefeest van Mahomed en daar de soesoehoenan

en de sultan ook hoofden van den Islam op Java zijn, hebben

juist die godsdienstige feesten met groote pracht en praal plaats.

Al die groote feesten hebben den gemeenschappelijken naam van

garebegs en dit woord, dat gegons of gesuis beteekent, is een

aardige illustratie van de waarheid, dat de inlanders hun vóórislamitische

adat met den hedendaagschen godsdienst in overeenstemming

weten te brengen. Vóór de komst der Arabieren

werd met het woord garebeg op Java reeds het gebruik aangeduid

, dat alle inlandsche grooten en dorpshoofden minstens éénmaal

's jaars met hunne heerendienstplichtigen ter hoofdplaats

verschenen, om vóór hunnen vorst te defileeren. Het voorbijtrekken

van die duizenden, allen in volle wapenrusting en door

verschillende gamelans aangevoerd , werd met het suizen (garebeg)

van den wind vergeleken en later is dat woord de naam van de

plechtigheid zelve geworden. Toen nu de Hindoe-godsdienst voor

den Islam plaats maakte, hebben de vorsten het zóó geschikt,

dat de onderhoorigen op een der bovengenoemde mahomedaansche

feesten hunne opwachting in den kraton komen maken.

Natuurlijk heeft de soesoehoenan zijn Kapoetrén, de vrouwelijke

afdeeling zijner huishouding, bestaande uit de echtgenooten en

dochters van den Grooten Heer, en deze dames vertoonen niet

zelden in hare wezenlijke schoonheid de sporen harer afstamming

van de arische Hindoes, waarbij zich arabisch bloed heeft

gevoegd. De bloem harer schoonheid, waarvan het bevallige

groepje der drie dochters van den soesoehoenan ons een staaltje


Gezicht te Soerakarta.

(Avenue ù Soerakarta.)


I'rins Mangkoe Ngoro.

(Li Prince Mangkoe Ngoro.)


So

geeft te zien, is echter van veel kortstondiger duur dan in onze

koudere gewesten, wijl onder den tropischen hemel vroegrijpheid

door een vroeg verval wordt gevolgd.

De lommerrijke lanen en drukke straten van de hoofdstad, Solo of

Soerakarta, doen denken aan Batavia, vooral de handelswijk maakt

er volkomen denzelfden indruk. De plantengroei is er echter nog

meer meester gebleven van het terrein, om niet te zeggen,

dat hij hier grootscher is. De vriendelijke bosschages, waarin

de huizen in 't Westen wegschuilen, zijn hier door het echte

woud vervangen. Een bosch van palmen, broodboomen en waringins

omringt de kampongs, terwijl sommige lanen of straten

niettemin van menschen wemelen en het er verbijsterend druk

kan zijn. Opmerkelijk is dan, wat bij volksmenigten op Java

zoo dikwijls treft, dat men te midden der wriemelende menigte niets

hoort dan een zeker murmelend gefluister ; dat nergens een kinderlach

weerklinkt of iemand met verheffing van stem spreekt en dat

nooit een vloek of een onhebbelijk woord wordt vernomen. Onder al

die fluisterende barrevoetsgangers heerscht eene spookachtige stilte.

Ook Djogjokarta is een zuiver javaansche stad , maar beteekent

veel minder dan Solo. Zij maakt denzelfden indruk van een bosch

met een groot plein voor den kraton ; een reusachtig hok,

waarin hier luipaarden worden bewaard, beantwoordt aan de

groote tijgerkooi van den solo'schen soesoehoenan.

Het huis van Mataram, waarvan wij melding maakten als van

het stamhuis der thans regeerende vorsten, was het huis der

mahomedaansche overweldigers, die de vroeger daar heerschende

Hindoes aan zich onderwierpen. Het hoogst beschaafde Hindoevolk,

dat van Thibet uit zich zuidwaarts over Voor-Indië had

uitgebreid, dat onder zijne zonen den grooten godsdienststichter

Boeddha of Siddharta telde en een tijdlang over geheel Zuid- en

Oost-Azië althans in geestelijken zin heerschappij voerde, breidde

zich in 't begin onzer jaartelling oostwaarts over de eilanden

van den Indischen archipel uit en maakte er onder zijn zegenrijk

bestuur de maleische bevolking onder velerlei nuttige zaken ook


Si

met den rijstbouw en 't gebruik van den buffel of karbouw bekend.

De karbouw is dus op Java en de andere eilanden ingevoerd

en is er evenmin inheemsch als paarden, schapen en rundvee,

't geen men zeker niet zou vermoeden, als men let op 't veelvuldig

gebruik, dat van het geduldige, leerzame en sterke dier

wordt gemaakt, naar ons idee als 't ware met den Javaan

vereenzelvigd. Multatuli schilderde de droefheid van den Javaan

over 't verlies zijner buffels en nog steeds kunnen schrijvers

naar waarheid de vreugde en den triomf onder woorden

brengen, waarmee de Maleier van zijn opgespaard geld zich een

nieuwen karbouw aanschaft, die zijn ploeg door de zware aarde

van het rijstveld trekt, de balken uit de bosschen sleept, zijn

producten van landbouw en nijverheid met de pedati's of zware

karren vervoert en in den molen loopt, als dat werk van hem

gevorderd wordt. Hij is breeder en vleeziger dan onze koe

en heeft een platten kop met naar achter liggende horens.

Dikwijls is de eigenaar zeer gehecht aan zijn sterken, goedigen

karbouw, die op het erf zijn eigen schuurtje heeft en zich met zijn

gelodok of klokje aan den hals door een kind gewillig laat leiden.

Maar ook geestelijke goederen brachten de Hindoes naar Java

mee, toen zij als kolonisten in talrijke scharen overkwamen.

Hunne beschaving, zich uitende in godsdienst, letterkunde en

kunst, vooral in bouw- en beeldhouwkunst, sloeg er hare tempelen

op. En de tempels in eigenlijken zin bleven niet uit; aan

die gebouwen werd de meeste zorg besteed. Tjandïs noemen

de tegenwoordige Javanen de gebouwen uit den Hindoetijd, die

waarschijnlijk tot het laatst der 15de eeuw heeft geduurd, 'toen

de Boeddhistische leer voor 't zwaard van den geloovige, die

Allah eerde, moest wijken. Vreedzaam bestonden op Java naast

elkaar de beide godsdiensten, die in Hindustan zeer vijandig tegen

elkander waren gestemd. Daar immers had het Brahmaïsme voortdurend

een zwaren strijd te voeren tegen het jongere Boeddhisme,

terwijl ze hier in het Oosten een soort van verbroedering schijnen

te hebben aangegaan, merkbaar aan 't gemengde karakter

van sommige monumenten hunner bouwkunst.


Bas-reliefs van den tempel van Boeroe-Boedor.

(Bas-reliefs du temple de Boeroe-Boedor.)


84

In West-Java, waar de invloed der Hindoes minder groot

schijnt te zijn geweest, waar er althans de minste sporen van

zijn overgebleven, vindt men geen tjandis. Nagenoeg in 't

midden van het eiland, op en om het plateau van het Diënggebergte,

treft men ze het eerst aan, vooral in de residenties Kedoe,

Samarang, Djokjokarta en Soerakarta, terwijl ze daarna

weer zeer menigvuldig worden in Oost-Ja va, beginnende met

Soerabaya en Kediri.

Natuurlijk hebben die gebouwen en tempels veel van den tand

des tijds geleden, maar men moet ook erkennen dat die tand

soms aardig ruw heeft toegebeten en zich niet, zooals gewoonlijk,

tot muisjesachtig knabbelen heeft bepaald ; immers dââr langs

de hellingen van het Diëngplateau zijn lavastroomen neergestort

en eruptiekegels door eigen uitbarstingen uiteengeslagen en hebben

priestersteden met lavapuin overdekt en tempels en paleizen

vernield. Later, veel later, toen gras en houtgewas zich hadden

ontwikkeld op de puinhoopen, kwam men voor de teelt van

tabak en groenten de allengs verweerde lava ontginnen en een

aantal nieuwe dorpen, waar de naam van Allah wordt geprezen,

zijn opgebouwd tusschen de heiligdommen, eenmaal aan Siwa,

den levenschenker gewijd.

Sedert 1814 zijn de oudheden van het Diëngplateau aan de

Europeanen bekend ; verschillende archaeologen deden er nasporingen

en in 1861 zond het Bataviaasch Genootschap van

Kunsten en Wetenschappen den bekwamen photograaf van Kinsbergen

er heen, om de overblijfselen op te nemen. De daarvoor

noodige ontgravingen werden op kosten der regeering onder

leiding van een bekwaam ingenieur gedaan. In 1885 richtten

enkele kundige ambtenaren te Djokjokarta een vereeniging op

voor oudheid- en volkenkundig onderzoek. Er werd geld bijeengebracht,

doch maar al te gauw was dat bij den arbeid van

ontruiming en opgraving verbruikt, zoodat de in 1889 ontvangen

gift van het Provinciaal Utrechtsen Genootschap voor Kunsten

en Wetenschappen hoogst welkom was, en toen later nogmaals

het graven uit geldgebrek moest worden gestaakt, heeft de re-


85

geering geldelijken steun geschonken, die dankbaar is aanvaard.

Wat heeft al die arbeid aan het licht gebracht? Om te beginnen

moeten wij even van Kinsbergen's reeds vroeger gegeven

reproduction van den grooten Boro Boedor in herinnering

brengen, dat prachtigst bouwwerk uit den Hindoetijd, ten N

W. van Djokjo in 't Z van Kedoe gelegen. Deze tempel en

de rumen te Prambanan, ten N. O. van Djokjokarta nabij de

tweede spoorweghalte aan den Wcg

beschouwing ten volle waard.

naar Solo, zijn eene nadere

Te midden van een tooverachtig schoon landschap, verrijst deheuvel,

waarop het bouwwerk rust, of liever, om welks top de

tempel ,s heengebouwd. Het is n.l. geen tempel in den zin

di«l wij aan dat woord hechten, want de stompe pyramide,

die wij daar voor onze oogen zien, vormt, met uitzondering alleen

van den bovensten koepel céne massa met den heuvel zelven

en heeft geen binnenruimte. Het monument bestaat uit vijf

reusachtige, rondloopende galerijen of terrassen, die zich trapsgewijze

boven elkander verheffen met eene menigte nissen voor

de Boeddhabeelden, terwijl de steenen wanden geheel zijn be-'

dekt met bas-reliefs, die de legende van den grooten Boeddha

of Cakya-moeni voorstellen, van zijne wonderbare geboorte tot

aan zijnen dood. Het getal Boeddhabeelden in nissen en rotonden

aangebracht in natuurlijke grootte, bedraagt vijfhonderd

v.jf-en-v,jft,g, het gcheele aantal figuren is natuurlijk vele,

vele duizenden.

Op onze platen zijn een paar bas-reliefs voorgesteld, waarvan

de beschrijving vrij goed een denkbeeld'geeft van dergelijke oude

godsdienstige voorstellingen. Het bovenste bas-relief van de groote

plaat stelt Boeddha voor als anachoreet, in gesprek met een aantal

personen; naar hunne hoofddeksels te oordeelen, moeten het

lieden van hoogen rang zijn.

Het tweede bas-relief stelt een vorst en eene vorstin voor

ieder m eigen pavillioen gezeten en mede in gesprek met hovelingen

en aanzienlijken.

Het derde is belangrijker van inhoud. Boeddha op een lotus-


Bas-relief van den tempel van Boeroe-Boedor.

(Bas-relief du temple de Boeroe-Boedor.)


Keukens in de open lucht te Soerabaija.

{Cuis;nia-* ambulants ii Soerabaija.)


88

blad staande, wordt aldus over een breeden stroom of de zee

gedragen; boomen en min of meer conventioneele rotsen wijzen

den oever aan. Geniën der wateren, der aarde en der lucht

bieden den toekomstigen Boeddha hunne hulde en hunne geschenken

; onder de figuren in het bovengedeelte van het tafereel

vindt men ook twee vrome Brahmanen.

Het laatste bas-relief dezer plaat stelt een schip voor, dat in

gevaar schijnt van op de rotsen te stranden; een man der equipage

heeft zich aan den boeg vastgeklemd. Aan den oever ziet

men twee aanzienlijke personen, een man en eene vrouw met

een kind, giften uitdeden aan eenige jonge en oude lieden, misschien

schepelingen, die aan de schipbreuk ontkomen zijn. Op

eenigen afstand is een op palen rustend huis afgebeeld , zooals men

die nog heden in sommige streken van Nederlandsch-Indië vindt.

De andere plaat stelt een basrelief voor, waarop een koning

is te zien, aan wien verschillende soorten van geschenken worden

aangeboden.

De javaansche beelden zijn grootendeels gehouwen uit de

trachietblokken, die men in menigte in de beddingen der rivieren

vindt. Zij zijn uit dat weerbarstig materiaal dikwijls met veel zorg

en kunst gebeiteld en ontkenen daaraan eene eigenaardige kunstwaarde,

maar de symboliek, die het middel om de macht en

heerlijkheid der goden te veraanschouwelijken, doet zoeken in

onnatuurlijke vermenigvuldiging der ledematen en wanstaltige

samensmelting van mensch- en diergestalten, de verwaarloozing

van de lessen der anatomie en het volkomen gemis van uitdrukking,

doen hen weinig aan onze begrippen van schoonheid beantwoorden.

In den bouwstijl en de ornamentatie der tjandi's veel

meer dan in de godenbeelden, bewonderen wij het hooge standpunt

der javaansche kunst.

Deze qualificatie, welke aan prof. Veth is ontleend, slaat

evenwel minder op de beelden van de Boro-Boedor dan wel op

die van de Tjandi Sewoe, de beroemde tempels bij Prambanan,

aan den weg van Djogjokarta naar Solo. Daar staan, zooals de

naam, die beteekent Duizend Tempels, reeds doet vermoeden, vele


«9

gebouwen in groepen bijeen, meestal bestaande uit één hoofdtempel

met bij- en voortempels. Naar de nauwkeurigste berekening,

die de deels vormlooze puinhoopen toelaten, moeten hier

wel 254 tempelgebouwen bij elkander hebben gestaan. Rondom

den hoofdtempel stonden vier m het vierkant geplaatste rijen van

kleinere tjandi's. De bovengenoemde ook door bemiddeling van Dr.

Groneman opgerichte archaeologische vereeniging te Djogjokarta

vordert tegenwoordig goed met haar onderzoek. In Mei 1893 werd

een der wanden aan den voet der Prambanantempels ontbloot

en er wordt veel gedaan in 't belang van de conserveering der

tempelgroep. Het geboomte en de hinderlijke paggers worden

opgeruimd en de tempel zelf van onkruid gezuiverd. De meest

voorkomende godenbeelden zijn die van Doerga, Siwa's gemalin

en Ganesa, hun zoon. De laatste was de god der wijsheid en

werd voorgesteld met een olifantskop of ook wel in de gedaante

van een zittenden olifant. Ook komen vele Raksasa's voor, dat

zijn voorstellingen van de reuzen of titans der Hindoe-mythologie.

Men plaatste die beelden aan de ingangen der'tempels of heiligdommen

als bewakers of wachters. Zij vertoonen ons gedrochtelijke

wezens, onmatig dik voor hun lengte, ineengedrongen van

statuur, doorgaans op één knie liggend met uitpuilende oogen,

vrceselijke slagtanden en woest loshangende haren, met een geweldigen

knots gewapend. Zulke raksasa's worden nog dikwijls

in verzamelingen aangetroffen en bij vele der monumenten zijn

ze, hoe verwrikt en uit het lood gezakt, toch nog te herkennen.

Want och, die goden en helden zijn zóó gehavend!

Fanatieke Mahomedanen, aan alle beeidendienst vijandig, hebben

hun de ledematen vergruisd en gebroken. Hier staat een

gehalveerde Ganesa, wien men zelfs zijn olifantsmuil niet heel

heeft gelaten, daarnaast een Boeddha met verbrijzelde kroon op

den schedel en Doerga is snoodelijk van haar voetstuk gestort.

Zoo gaat de grootheid der godsdiensten voorbij 1

Wij willen ons intusschen nu niet langer bij ruïnen ophouden ,

maar liever in Java's bedrijvigste en volkrijkste stad nog een

kijkje nemen.


VX-K-NW *?%«€

De overdekte markt ol

(Le Bazar Glapp


01 ba/.ir te Soerabaija.

ip à Soerabaija)


92

Soerabaija gelijkt niet op Batavia. Dat parkachtige, vriendelijke

aanzien, dat de koningin van het Oosten zoo bekoorlijk maakt,

ontbreekt er of is althans slechts aan ééne zijde, aan die van de

voorstad Simpang, waarheen de schoone laan, de Genteng, leidt,

op te merken. Maar laat ons in de verbeelding de stad van de

zeezijde naderen met een der stoomschepen, die den geregelden

dienst tusschen Batavia en de kustplaatsen vervullen. De veilige

reede is door het eiland Madoera tegen alle winden beschut,

welk voordeel in beteekenis wint, doordien de Brantas, Soerabaija's

rivier, zeer ver landwaarts in bevaarbaar is, al maken in

den regentijd de sterke strooming en in den drogen moeson de

ondiepten dat feit somtijds illusoir. De Kali Mas of Goudrivier,

dat is die monding der Brantas of Kediri, waaraan Soerabaija

is gelegen, snijdt de oude stad middendoor en veroorzaakte er

vroeger groote drukte en levendigheid, die niet verminderd zijn,

nu sedert 1885 de pakhuizen aan de rivier in directe verbinding

staan met den staatsspoorweg door den aanleg van het lijntje,

dat tot Ocdjong voortloopt, aan den mond der Kali Mas. Daar

worden in prauwtjes of prahoes goederen en personen uit de zeeschepen

aan wal gebracht en men vindt er in de buurt van

Soerabaija's uiterste punt in zee de bekende zeeofficieren-sociëteit

..Modderlust", zoo genoemd naar de slijkwildernis, die er zich

bij laag water vertoont en waaruit een alleronaangenaamste stank

van rottend koraal opstijgt, wat echter niet belet, dat het er

't grootste gedeelte van het jaar een plekje van uitgezochte "gezelligheid

is.

Bij de Bibisbrug gaat de stoomtram over de Kali Mas en bereikt

de stad, die in plaats van een tuin wel een vesting gelijkt,

waar men spaarzaam moest zijn met de ruimte, want de huizen

staan dicht naast elkaar; pleinen, parken en lommerrijke lanen

zijn ver te zoeken. Of ja, in de bovenstad vindt men ze ; däär

zijn ook de huizen met erven omgeven en tusschen de europeeschc

woningen in heeft men er in tegenstelling met Batavia tal van

inlandsche kampongs, terwijl de schoone, langs de rivier aangelegde

weg met zijn villa's en tuinen, de Genteng, naar het


93

residentiehuis in de voorstad Simpang leidt. Het verschil tusschen

de boven- en de benedenstad uit hygiënisch oogpunt,

wordt wel eens in twijfel getrokken, maar in elk geval is deze

zuidzijde een heerlijk bezit voor het overigens zoozeer van natuurschoon

misdeelde Soerabaija.

Doch wie zou iets anders verwachten bij den „zetel van een

voor Nederlandsch-Indië buitengewoon bloeiende industrie", zooals

prof. van der Lith de stad noemt? Men heeft er vele fabrieken

van particulieren ; de inlanders zijn een bijzonder nijver volkje,

maar vooral de gouvernements-werkplaatsen maken Soerabaija

tot een industrieel middelpunt. Het is een der weinige plaatsen in

Indië, waar men van een werkmansklasse kan spreken, van een

europeeschen derden stand. Dat komt door de aanwezigheid van

den artillerie-constructiewinkel, de fabriek voor marine en stoomwezen,

het z. g. marine-etablissement, de rijkswerf en het arsenaal.

Aan de gouvernements-werkplaatsen arbeiden onder toezicht

van europeesche meesterknechts vele inlanders en doen dienst

als ijzer- en kopergieters, smeden, draaiers, kuipers, modelleurs,

schilders en graveurs. Velen van die inlanders blijven jarenlang

op die wijze aan de fabriek en brengen het soms tot tractementen

van / ioo 's maands, zooals met enkele stokers en machinisten

t geval is, terwijl reeds de ƒ 30 à ƒ 40 's maands, waartoe een

pakhuismeester, een mantri bij de statistieke opname of een

hoofdmandoer bij eene handelsfirma het brengen, voor een Javaan

een aardig inkomen vormen.

hen der aardige, meest moderne gebouwen in Soerabaija is

„Concordia", waarnaar de Societeits-straat is genoemd, een onwaardeerbaar

plekje voor danslustige jonge dames en- muziekhefhebbende

baren en oud-gasten. In de europeesche toko's zijn

allerlei voorwerpen van weelde en smaak in overvloed voorhanden

en, als om zoo weinig mogelijk indisch te zijn, heeft Soerabaija

van haar aloon-aloon de regentswoning doen verdwijnen , om die

naar de bovenstad over te brengen, terwijl het oude regentenpaleis

op het heete. stoffige plein tot hoogere burgerschool is ingericht.

i-en opmerkelijke poging , om europeesche gebruiken na te vol-


M

i^


9 S

gen, was de inrichting van den grooten Simpangschen tuin, een

mooi openbaar park, door eenige van Soerabaija's ingezetenen

in 't leven geroepen. Maar zoo'n openbare tuin heeft in Indië

geen reden van bestaan, zulke instellingen moeten er wel kwij-

nen , want het verkeer in de buitenlucht is er een al te groot

deel van den dag volstrekt geen genot. En zoo leidde de tuin,

hoe smaakvol en sierlijk hij ook was aangelegd, een kwijnend

leven, tot hij nu in particuliere handen is overgegaan en er villa's

ter verhuring op zullen worden gebouwd.

Zooeven noemden wij de europeesche toko's, waar waren uit

het moederland te verkrijgen waren, doch ook de inlandsche

industrie bloeit in Soerabaija en biedt bijna bij eiken tred ons

hare producten aan. Met de allerprimitiefste werktuigen knutselen

de Javanen allerlei aardigs in elkaar en trachten hunne bestikte

muiltjes, kunstig uitgesneden zeeschelpen , wandelstokken, ringen ,

lepels, sigarenkokers enz. aan den man te brengen. Origineel is

de manier, waarop de bloemenverkooper zijn geurige vracht

aan den pikolan of draagstok, die op zijn schouder rust, vervoert.

Hij hangt nl. aan beide einden van den stok een stuk zeer zacht

hout in den vorm eener piramide en heeft daar honderden prach-

tige bloemen in gestoken.

Een gewone verschijning in de straten is de man met de

draagbare gaarkeuken. Op de plaat zien wij een heel groepje dier

mannen bijeen; ze verkoopen klappermelk met sago, stukjesvleesch-

afval, aan een houten pen geregen, vet en mager om en om,

even geroosterd boven het aarden komfoor, koekjes donkerbruine

javaansche suiker in droge maïsbladeren gewikkeld, kleverig rijst-

gebak, waarop vliegen te gast gaan, ikantri of kleine gezouten

vischjes, deng-deng of schijfjes in de zon gedroogd buffelvleesch

en meer dergelijke heerlijkheden. Voor den ingang der kampongs

slaan ze dikwijls hun uitstallinkje op, en op den pasar, den slag-

ader in de indische samenleving, ontbreken ze nooit, evenmin

als de broodventer met zijn twee groote blikken trommels of bussen.

Zoo tiert de dienst van Mercurius welig in de stad van de

Kali Mas. Die stroom is, als hij van de bergen komt, een genot


g6

voor het oog en breed en statig doorstroomt hij de vlakte onder

een groen gewelf van reusachtig bamboes, welks stevige stengels

als de pijpen van een onmetelijk orgel aan beide zijden oprijzen.

Inlandsche prauwen met sierlijke, van riet gevlochten hutjes

op het dek, schuiven over de rivier en aan de oevers verrichten

vrome Javanen de bij de mahomedaansche wet voorgeschreven

wasschingen.

Wie namelijk den Islam op Java zou willen bestudeeren, moet

Soerabaija als veld van werkzaamheid niet voorbijgaan, want

van deze residentie uit verspreidde zich het Mahomedanisme en

de meest bekende leeraren en verbreiders van den Islam liggen

er begraven. Het aantal Javanen, dat met hun overgespaard geld

de pelgrimsreis naar Mekka onderneemt, is in deze streken dan

ook altijd grooter dan in de andere deelen van Java en de hadji's

zijn er zeer gezien.

Maar ook de christelijke zending werkt in deze streken , en

gaarne zou zij het voortdringende Islamisme den pas afsnijden.

Hier en daar worden inderdaad kleine christengemeenten gesticht,

vooral ten Z. van Malang komen er bloeiende voor. Daar en

aan Java's interessante zuidkust zou nog zeer veel te bewonderen

zijn, maar andere beelden roepen ons. Wij moeten afscheid nemen

van Java.


8 U M A T R A.


VIERDE HOOFDSTUK.

A T J E II.

Een verhaal van annexatie kan men onze koloniale geschiedenis

noemen. Nu eens werd langs vreedzamen weg ons gebied

uitgebreid en een vriendelijk schrijven aan of van een inlandsen

vorst drukte het zegel op de inbezitneming, of wel handelstractaten

leidden op overredende wijze de bezetting door de nederlandsche

regeering in; dan weer werd slechts onder protest het

gezag van ons gouvernement erkend en moest wapengeweld ons

bevestigen in 't bezit, van wat veroveringszucht of wijs overleg

ons begeerlijk had doen schijnen.

Eén streek is er echter, waar het op geen van beide manieren

gemakkelijk blijkt te gaan; waar geen tractaten kunnen

helpen en waar het oorlogsgeweld na een twintigjarig machtsvertoon

buiten staat is, een toestand van onderworpenheid in

't leven te roepen. Met de geleidelijke annexatie van de gebieden

der inlandsche heerschers op Java, op Celebes en op Borneo

is wat Noord-Sumatra thans te aanschouwen geeft, slechts in de

verte te vergelijken. Een verzet, zoo hardnekkig, zoo berekenend

en toch kloekmoedig, als de Atjehers ons in Indië bieden, hebben

wij nog nergens ontmoet. Met deze zonen van den Profeet en

hunnen prang saai/ of heiligen oorlog valt niet te spotten, misschien

omdat de kracht van hun geloof steun vindt in hun arabische afkomst;

hun Allah-Allahgeroep is mee gevolg hunner bloedmenging

waar het elders in den archipel vrucht van leer en voorbeeld

,s > en zooals de Mahdi-volgers in Egypte Engeland handen vol

verk geven, zoo hebben wij daar ginds in Atjeh's pacificatie

ons eene zware taak gesteld.


IOO

Zeeroof van de Atjehers, plundering en wegvoering van bewoners

van 't eiland Nias door de benden van den sultan van

Atjeh en verzoeken om steun van die zijde, tot het nederlandsch

bestuur gericht, zoo luidt in hoofdzaak de gewone vermelding

van de aanleiding tot den oorlog. Een bepaald feit wordt niet

genoemd en de in Nov. 1881 door de regeering aan de Tweede

Kamer medegedeelde, vóór den krijg gewisselde officiëele telegrammen,

geven niet veel meer licht.

Onze consul-generaal te Singapore telegrafeerde op 15 Febr.

1873 aan den Gouverneur-Generaal James Loudon, dat er intriges

waren ontdekt van atjehsche envoyés met den amerikaanschen

en den italiaanschen consul, en toen de Gouverneur nadere

inlichtingen vroeg, meldde een telegram van den i6 den , dat die

gezanten uit Atjeh een algemeenen brief van den Sultan hadden

en hulp inriepen tegen de gehate Nederlanders, dat de amerikaansche

consul beloofd had , naar admiraal Jenkins, die in China

was, te schrijven en dat hij een tractaat van 12 artikelen had

opgesteld, om door den sultan te laten teekenen; dat verderde

consul van Italië een specialen brief van den sultan wachtte,

maar dat de diplomatieke agent van Italië spoedig naar Atjeh

zou kunnen gaan , terwijl de Amerikanen in twee maanden gereed

zouden kunnen zijn om er te verschijnen.

Nog dienzelfden dag werd door den heer Loudon aan den

minister van koloniën, den heer Fransen van de Putte, geseind

en eenvoudig mededeeling gedaan van de door hem ontvangen

tijdingen en twee dagen later ontving hij tot antwoord , dat bij

Amerika en Italië op onthouding werd aangedrongen; dat, als

het bericht van den consul te Singapore juist bleek , langer dralen

ongeoorloofd was en dat een krachtige zeemacht opheldering en

rekenschap moest gaan vragen voor het dubbelzinnig en verraderlijk

gedrag, maar dat men zekerheid moest hebben omtrent

de gezindheid van den sultan, die zoo mogelijk moest worden

ontzien en gesteund. In elk geval moest ten spoedigste eene genoegzame

zeemacht worden gezonden, om nuttige vrees te wekken

en vreemde tusschenkomst vóór te zijn en te voorkomen.


IOI

Dit telegram werd een dag later gevolgd door een ander, waarin

gemeld werd, dat de regeering bedacht was op versterking van

de zeemacht en het vertrek van een paar oorlogsschepen werd

aangekondigd.

Den 22sten Februari seint nu de Gouverneur-Generaal, dat er

na beraadslaging met den Raad van Nederlandsen Indië besloten

's, zoo spoedig mogelijk een commissaris met vier bataillons

naar Atjeh te zenden met het ultimatum , Nederland als souve-

«in te erkennen of oorlog, want dat Amerika voor een/«* ac

comph moet worden gesteld. Dit telegram kruiste een tot voorzichtigheid

manend bericht van onzen minister van koloniën,

at luidde : „Laat men bij aanrakingen met Amerika of Italië

en bij protesten voorzichtig zijn, om conflicten te vermijden

Wat Atjeh betreft, de troepen debarkeeren natuurlijk niet, vóórdat

ongeneigdheid voldoende is geconstateerd, om aan onze

e.schen behoorlijk te voldoen." Werkelijk was door een brochure

van Ceruthti Italië's aandacht op Atjeh gevestigd en Amerikanen

hadden zich kort te voren door den sultan van Broenei gronden

laten afstaan. Zes dagen later kwam weer van den minister een

telegram over de interpellatie in de Tweede Kamer, met bericht,

dat daarbij niets internationaals geopenbaard was- wel

wist men, dat Italië zijn consul te Singapore per telegram

onthouding had bevolen.

In zijn bericht van 2 Maart vraagt dan de Gouverneur-Generaal

wat Amerika doet, en seint nog denzelfden dag, dat volons

gerucht Amerika een vloot van Hongkong naar Atjeh heeft

gezonden en betreurt het, dat de expeditie ontijdig publiek is

geworden. Hierop antwoordt de minister van koloniën den volgenden

dag, dat het inhuren van transportschepen in Indië de


I02

volgenden dag, den 4 den Maart, vloog weer langs de draden

en kabels de wenk van den minister: „Met eisch van souvcreiniteit

zij men voorzichtig."

Den 6 den Maart moest de Gouverneur-Generaal telegrafeeren,

dat het eskader van Amerika den vorigen dag nog te Honkong

was, en liet er op volgen: „Wij zijn dus voor." Inderdaad was

den 5 de » de vice-president reeds vertrokken en ook leeds bepaald,

dat generaal Köhler de expeditie zou kommandeeren. Het kwam

dus toen leelijk uit, dat de consul-generaal te Singapore dienzelfden

dag aan den Gouverneur-Generaal seinde, dat de consul

van Amerika volstrekt geen geheim tractaat omtrent handelsvoorrechten,

als waarop de heer Loudon in een zijner telegrammen

had gezinspeeld , had gesloten.

Misschien was men reeds te ver gegaan, om zich geheel terug

te trekken in dezen, ten minste de minister seint daarna wel,

dat het een slechten indruk zou maken, om souvcreiniteit of

oorlog als eersten eisch te stellen, maar wil toch den Gouverneur-Generaal

niet de handen binden en zegt, dat bij onwil,

talmen of weigering van waarborgen de oorlog onvermijdelijk is

en zich vanzelf in souvereiniteit oplost. Dit was den 7


Gezicht op de reede van Olehleh.

(Vue de la rade d'Olehleh.)


I04

van Pinang naar Atjeh vertrokken. Troepen gaan den 22-« van

hier" Dat diplomatieke laatste woord luidde: „Ons verschil betreft

inleiding en vorm, maar die zijn hier van groot gewicht.

Bij krachtig en spoedig handelen blijft het te meer van belang,

te toonen, dat rechtvaardigheid en bedachtzaamheid ons leiden.

Daaraan zou kunnen getwijfeld worden, indien souvereiniteit, al

moet die volgen, ruw weg op voorgrond werd gesteld. Zoo

iets schijnt even onnoodig als weinig gebruikelijk. Uitgangspunt

zij dus, gelijk in vroegere telegrammen is aangegeven, onze

eisch om opheldering, rekenschap en voldoening voor hetgeen

geschied is en waarborgen bij tractaat tegen herhaling en voor

duurzame regelmatige betrekkingen. Verdere omschrijving van

onze verhouding blijve overgelaten aan het tractaat, voor welks

sluiting natuurlijk het aanwezen onzer macht is te benuttigen.

Zoo was dan, hoe men ook over die bescheiden moge denken

en of men met generaal Booms en anderen van oordeel

moge zijn, dat reeds 25 Febr. de expeditie eene uitgemaakte

zaak was, de oorlog begonnen; de troepen, volgens bovengenoemd

telegram uit Batavia vertrokken den 22- Maart,

landden den 8^ April 1873 op Atjeh's kusten en stonden onder

bevel van den generaal-majoor J. H. R. Köhler. Onverwijld werd

den volgenden dag eene verkenning ondernomen naar het binnenland,

en naar den Kraton opmarscheerend, stuitte men

op de Groote Missigit, waarvan het atap-dak en een groote

waringin op verren afstand te zien waren. Weinig dachten de

officieren en soldaten toen, dat de verovering van dat gebouw

ons zulk eene buitengewone krachtsinspanning en zoovele offers

zou kosten en dat de drie Missigit-veroveringen ons op een verlies

van 25 officieren en 35° anderen aan gesneuvelden en gewonden

zouden komen te staan.

Het woord missigit beteekent plaats der nederbu.gmg, dus

bedehuis of tempel. Dit gebouw was omgeven door rijst-, suikerriet-

en tegalvelden, waartusschen klappertuinen, boschjes, kampongs

en enkele begraafplaatsen, die de laatste rustplaats aanwezen

van vorstelijke personen of van hen, die in vroegere tijden


los

op Atjeh eene belangrijke rol gespeeld hadden. De tempel zelf

was een vierhoek, gevormd door buitenmuren van harden klipsteen

met een stevig cement opgemetseld, welke aan den buitenkant

glad waren afgebikt. Die muren waren 2.50 M. hoog en 0.65 M.

dik en gemiddeld 1.50 M. lang. De oostelijke muur was gedeeltelijk

ingestort ; de tegenoverstaande had eene 2 M. breede opening en in

den zuidelijken muur was ook een afgeronde gleuf te zien, die breed

genoeg was, om een man door te laten. Binnen die muren was

het terrein opgehoogd en vormde, als 't ware, kleine bastions,

waarop men staande over de muren kon zien en vuren. Middenin

was het plateau tusschen de muren met steenen bevloerd en

droeg het houten moskeegebouw, gedekt met twee spits toeloopende

daken van atap. Breede galerijen omgaven de binnenruimte

, waar een 2000tal Mahomedanen hunne godsdienstplichten

konden vervullen.

Reeds den iO den April 1873 omstreeks twee uur in den middag

ging dat groote houten missigitgebouw in vlammen op, toen

na hevige gevechten en bloedige schermutselingen de nederlandsche

soldaten binnen waren en de eerste verovering een feit was.

Ze hadden een zwaren dag gehad, die soldaten van het 3 e bataljon

infanterie en die van het ç/e bataljon, nadat ze 's morgens

om 7 uur van het strandbivak naar het binnenland van Atjeh waren

opgerukt. Ze hadden door een koewala of lagune moeten waden,

hadden een smalle jukbrug met steile op- en afgangen moeten passeeren

, sommigen hadden anderhalf uur moeten wachten op de

achterhoede in de heete, droge, schaduvvlooze sawah bij een

temperatuur van ioo° F., en eindelijk hadden ze blootgestaan

aan vijandelijke salvo's van achter de paggers van klappertuinen

of den aanval van met klewang en lans gewapende Atjehers

moeten weerstaan. Zoo hevig was hier en daar de strijd, dat bijv.

van een elftal, die stand hielden tegen een twintigtal vijanden, een

zestal sneuvelden en de vijf anderen allen gehouwen of gestoken

wonden hadden. De meesterlijke wijze, waarop de Atjeher zijn

klewang hanteert, gevoegd bij zijne groote lenigheid, vlugheid

en buigzaamheid, maakt dat bij zulk handgemeen worden de


Plattegrond der oude Missigit.

(Plan de la mosquée ancienne.)

a. b. Ringmuren, c. Bevloerd plateau (hoog i Meter), d. Missigit

(gebouw), e. Waschplaatsen. ƒ Put. g. Boomen.

De nieuwe Moskee te Kotta Radja.

(La Mosquée nouvelle à Kotta Radja.)

Plattegrond der nieuwe Missigit.

(Plan de la mosquée.)

^Sg^i

A. Hoofdgebouw. B. Bijgebouwen, a. Waschplaatsen. b Goten.

c. Pompen.


io8

nederlandsche soldaat meer houwen ontvangt, dan hij steken

uitdeelt. Toen men de Missigit al vechtend was genaderd, nam

het vuur van daar uit steeds in hevigheid toe, en de granaten,

die door de onzen binnen de muren werden geworpen, sprongen

wel, maar onmiddellijk daarna begon het geweervuur uit de missigit

opnieuw. De korte afstand was namelijk oorzaak, dat de

granaten eerst sprongen acht of tien seconden, nadat ze op den

grond waren neergekomen en de vijand had nog tijd zich te

dekken voor de vlucht. Dit werkte ontmoedigend en het was

met vreugde, dat het bevel tot bestorming van majoor Cavaljé

werd ontvangen.

Wij zeiden reeds, dat men om twee uur binnen de omheining

was; het gebouw brandde af en de Atjehers weken, doch steeds

om 'weerman drie zijden op te dringen, zoodat een hevig geweervuur

moest worden onderhouden en telkens uitvallen werden

gedaan Door den in aantal steeds toenemenden vijand werd de

toestand voor de onzen onhoudbaar, de troepen konden niet in

de missigit blijven en nog vóór zes uur ontruimden de nederlandsche

soldaten het terrein in den gewonen pas, als van een

militairen marsch terugkeerend, onder de huilende kreten van

den vijand, die weder bezit nam van zijn heiligdom. Generaal

Köhler had het bevel tot ontruiming gegeven, toen hij zich op

eenigen afstand van de muren bevond en hem een rapport van

den commandant der landingsdivisie was ter hand gesteld, dat

den toestand als onhoudbaar schilderde.

Slechts vier dagen later, toen ten tweeden male de Missigit

was genomen en generaal-majoor Köhler zich naar de oostzijde

van het terrein begaf, om zich van den stand van zaken op de

hoogte te stellen, werd hij bij den grooten waringin door een

vijandelijken geweerkogel doodelijk getroffen. Een Atjeher , opgesteld

in de loopgraven aan de overzijde der rivier, had hem

door den linkeropperarm in de borst getroffen; de kogel was in

de longen gedrongen en hoewel een officier van gezondheid onmiddellijk

aanwezig was, overleed de generaal zeer kort na de

verwonding. Hij was nog slechts 5 5 jaar oud. Het was een droevig


loc

slot aan dien roemvollen i4den April, toen het „Voorwaarts"

reeds des morgens om half zes door majoor Cavaljé was uitge-

sproken tot het opnieuw oprukken tegen en het veroveren van

de Missigit. Op de stormladders zag men dien dag onze soldaten

als helden strijden en vallen ; boven gekomen, schoten ze hunne

geweren af, moesten de op hen gerichte klewangslagen en lans-

steken afweren, vuurden telkens weer, tot ze, door steek, houw

of kogel getroffen, naar beneden vielen, 's Vijands moed en on-

versaagdheid waren niet minder bewonderenswaardig; menige

oor de onzen geworpen granaat werd teruggeslingerd, want daar

de buizen een constanten brandtijd van twaalf seconden hadden,

was het niet mogelijk ze te temperen. Het eenig middel was

ze langer in de hand te houden, en een paar kanonniers, die

dat deden en, om zekerder te werpen, hoofd en schouders boven

den muur uitstaken, moesten dat heldenfeit met den dood be-

koopen. Nadat binnen en buiten de ommuring een paar uren

verwoed was gestreden, zag de vijand van verdere offensieve

bewegingen af en bestookte de soldaten slechts van uit de loop-

graven , helaas, met dat noodlottig gevolg voor generaal Köhler.

Na deze tweede Missigitverovering vertoefden onze troepen er

nog twee dagen en vonden er betrekkelijk weinig veranderd sedert

den io d en April. Gelijk ze op dien datum des avonds om zes

uur het heiligdom verlieten, zoo was dat ook het geval in den

morgen van den 17^ April, omdat een wel roemrijk, maar

met een terugtocht eindigend gevecht op den i6 d


Gezicht in Olehieb.

(Avenue d'Olehleh.)


Spoorwegstation "Kraton" te Kotta Radja.

(La gare à Kotta Radja.)


I 12

ning op 14 Dec. bij Kotta Moesapi, waar generaal Pel zich

onderscheidde en de bloedige gevechten op de kerstdagen van

1873, kwamen wij in 't bezit van de vlakte van Pantej Perak

tegenover Kraton en Missigit en hadden op 6 Jan. 1874 onder

bevel van kolonel de Roy van Zuydewijn het geluk Atjeh's groote

Missigit voor de derde maal, vooral door de krachtige werking

der vestingartillerie, te nemen, terwijl dien dag het vuren op den

Kraton, dat spoedig tot zoo goede uitkomst leidde, reeds krachtig

werd aangevangen. Het thans open terrein tusschen Missigit en

Kraton was toen bedekt met bamboestoelen en dicht, hoog

struikgewas, waardoor de lage borstweringen van den Kraton

geheel aan het oog waren onttrokken en men de juiste plaats

van den Kraton niet kon onderscheiden. Op 25 Maart 'jj werd

door den gouverneur-generaal van Lansberge bij zijn bezoek

aan Atjeh bepaald, dat de Missigit weer zou worden opgebouwd,

gedeeltelijk op gouvernementskosten, gedeeltelijk door bijdragen

van Atjehers, als om te bewijzen, dat onze nederzetting geen

belemmering van den mahomedaanschen godsdienst beoogde.

Kundige mahomedaansche priesters, waaronder de hoofdpang-

hoeloe van Garoet, stelden het plan voor de nieuwe moskee

vast. Den 9 d en 0ct. '79 had het leggen van den eersten steen

plaats en in 1881 was het gebouw voltooid, zooals onze plaat

het te zien geeft.

Hier zij met een enkel woord gewaagd van den gedele-

geerde van de vereeniging Het Roode Kruis, den heer G. von

Bültzingslöwen, die zich bij de tweede expeditie naar Atjeh

zeer verdienstelijk maakte. Hoewel bemiddeld, deelde hij geheel

vrijwillig de gevaren van den oorlog en was altijd daar, waar

de meeste gewonden vielen, legde voorloopige verbanden aan,

deelde verfrisschende dranken uit en nam vaak zelf de gewonden

op, om ze voorzichtig in de tandoes of draagmatten te leggen,

en hoe uitmuntend de dienst der ambulance bijv. op dien 6 deo

Jan. 1874 georganiseerd v/as, kan daaruit blijken, dat omstreeks

12 uur op den middag reeds 126 van de gewonde krijgers goed

verbonden naar de ziekenschepen waren overgebracht. Günther


"3

von Bültzingslöwen was een Duitsch edelman, in 1839 te Lübeck

geboren, had aan den Fransch-Duitschen oorlog van 1870 deel

genomen en keerde daarna naar Indië terug, waar hij te Soerabaja

sedert 1868 zijne zaken had. In 1873 verliet hij zijne

suikerfabrieken, om als held van het Roode Kruis in den Atjehoorlog

mee te strijden. Hij werd in 1874 ridder van de Militaire

Willemsorde en wat meer zegt, in gansch Indië verwierf hij zich

de dankbaarheid van soldaten en officieren, terwijl na zijn dood

°P 21 Aug. 1889 op een der pleinen van Soerabaja een eenvoudig,

schoon, door den heer Lecomte te Delft ontworpen gedenkteeken

, voor hem is opgericht.

Een bevoegd beoordeelaar , de luitenant-generaal J. van Swieten,

militair opperbevelhebber en tevens civiel regeerings-commissaris

bij de tweede atjehsche expeditie, zegt van hem: „Bij alle gevechten

is hij tegenwoordig en schroomt hij niet hulp te verkenen

, zelfs onder het vijandelijk vuur ; nu eens om een eerste

verband te leggen, dan om uit zijn voorraad lafenis te geven."

Generaal van Swieten was toen reeds 66 jaren oud, had in

Indië een hoogst roemvol verleden achter zich; Java en Sumatra,

Bali en Boni hadden hem oorlogslauweren bezorgd en sinds 1862

was hij gepensionneerd en behartigde 's lands belangen eerst als

staatsraad in buitengewonen dienst, later als afgevaardigde voor

den Haag in de Tweede Kamer, en men kan niet nalaten het

in hem te prijzen, dat hij na de mislukking der eerste expeditie

zich tot opperbevelhebber en regeerings-commissaris bij de tweede

onderneming tegen Atjeh liet benoemen. Van 14 tot 26 April

1873 had kolonel van Daalen als opvolger van generaal Köhler

gefungeerd. De kraton van den sultan werd veroverd in Febr.

74 en 't échec der eerste expeditie door van Swieten hersteld.

Zijn hoofdkwartier had deze in den kampong Penajoeng in defraaie

woning van den Kadli Radja of opperrechter gevestigd.

In April '74 keerde de generaal naar Nederland terug, het bevel

aan kolonel J. L. J. H. Pel overlatende. In zijne proclamatie van

12 hebruari 1874 had generaal van Swieten na de verovering

van den kraton verklaard, dat Nederland het bestuur aanvaardde


Gezicht op Panteh Perak.

ytvemte de Panteh Perak.)


Brug over de Atjeh-rivier.

(l'ont sur la rivière d'Atjeh.)


no

over de drie sagi's of hoofddistricten van Groot-Atjeh, dat de

hoofden van hunne waardigheid vervallen zouden worden verklaard

, als ze vóór het eind der maand geen blijken van onderwerping

hadden gegeven, en dat in de adat geen verandering

zou worden gebracht met dat verschil, dat het nederlandsche

gouvernement souverein zou zijn in plaats van den sultan.

De maatregelen, die generaal van Swieten ten aanzien van

de verdere regeling der atjehsche zaken trof en die in overeenstemming

waren met de beschikbare militaire en financiëele

krachten, hebben reeds spoedig voor een gansch ander stelsel

plaats gemaakt. Tot zijn dood in 1888 heeft generaal van

Swieten dat andere systeem heftig en bitter bestreden , en al is

Groot-Atjeh op andere wijze onderworpen , dan hij had gewenscht,

zoodat hij aanvankelijk in 't ongelijk werd gesteld, de oorlog

ontbrandde opnieuw en wij moeten, helaas, constateeren dat,

nu, vijfjaar na zijnen dood, de pacificatie nog verre en de toestand

nog niet rooskleurig is.

Sedert 1873 is Neerlands driekleur op Atjeh's bodem gezien

en heeft er aan het strand levendige, drukke tooneelen

aanschouwd. De transportvloot, die van den aanvang af in de

vele behoeften van het leger moest voorzien, de talrijke stoombarkassen

, die lange rijen prauwen op sleeptouw voerden, de roeibooten,

zeilvaartuigen en vletjes en de groote en kleine stoomen

zeilschepen, deden in de baai van Atjeh voortdurend een tooneel

van leven en bedrijvigheid ontstaan. Van daar uit zag men

tusschen het groen in de verte de monding der Atjehrivier, waarheen

alle drukte zich richtte, want langs dien weg werden het

leger zijne benoodigdheden toegevoerd.

In het begin van 1875 werd het aan de monding der rivier

gelegen Boekit Radja Bedil, een verlaten vijandelijke versterking,

tot een onzer strandvestigingen in de vallei van Groot-Atjeh ingericht.

Toen reeds was het daar eerst zoo levendige strand eenzaam

en verlaten , want het verkeer van het binnenland met de reede

vond niet meer langs de rivier, maar over het meer westelijk gelegen

Oleh-leh plaats. De wekelijks verschijnende stoombarkas


117

met vivres, water en berichten van de buitenwereld, was de eenige

gemeenschap met de hoofdvesting in 't binnenland. Thans is sedert

vele jaren die post opgeheven en verlaten en de natuur heeft

er hare rechten hernomen en met woekerend onkruid en struiken

de plaats weer bezet.

Zoo heeft onze vlag er allerlei vestigingen zien opkomen en

verdwijnen, nu eens verlaten, omdat het lage, moerassige land

al te ongezond bleek, dan weer omdat de steeds herhaalde aanvallen

het er te onveilig maakten, of wel omdat weer nieuwe

plannen van verdediging of aanval eene gewijzigde groepeerin"der

versterkingen of bentings noodzakelijk maakten.

De oudste der bentings is die te Penajoeng, aan de rivier ten

Z. van Kotta Radja, langen tijd een zeer gevaarlijke post, nl.

vóór de overzijde der rivier in ons bezit was. Zij verschilt geheel

van alle later gebouwde versterkingen, niet alleen omdat de

palissadeering later door een aarden wal werd vervangen, maar

ook omdat het eene gebastionneerde redoute is. De overige bentings

van Atjeh zijn vierkante redoutes met cirkelbastions op

twee diagonale hoekpunten. Meestal bleef, wanneer een gewichtig

punt was veroverd, waar een versterking zou worden opgericht,

een groot deel der ageerende kolonne daar bivakkeeren. Onmiddellijk

nadat de plaats door den staf was aangewezen, werd de

nieuwe benting getraceerd en de mineurs met handlangers van

infanterie en artillerie maakten een aanvang met den bouw,

waarvoor klapper- en pinangboomen moesten worden gekapt en

materialen door koelies van Kotta Radja werden aangevoerd. Na

vijf dagen was meestal een enceinte gereed en waren de gebouwen

onder dak gebracht. Een houten palissadeering van 2 à

3 M. hoogte omringt nu meestal de binnenruimte ; de palissaden

zijn van scherp gepunt ijzerhout- Achter de palissadeering is

voor de schildwachten een loopplank of banket aangebracht,

zoó hoog, dat de troepen eventueel alleen het hoofd en

e borst aan den naderenden vijand vertoonen. Een horizonale

ijzerdraadversperring vormt de buitenste omheining van

elke benting. Petroleumlampen met reflectoren werpen 's avonds


Sultansgi-avcii te Kotta Radja.

(Tombeaux des sultans à Kotta Radja.)


I20

een wijden lichtkring om het geheel. De hoofdversterking, de

Kraton of Kotta Radja (koningsfort), is door een hoogen gemet-

selden muur omringd, die aan de buitenzijde nog beschermd

wordt door eene eenige meters breede ijzerdraadversperring. Poort

met schildwacht geven toegang tot de hoofdwacht, kazernes,

keukens, bureelen en tot het Generaalsplein, waar de Gouver-

neur van Atjeh en onderhoorigheden woont en waarop wij verder

nog terugkomen.

Van een enkele aanleiding tot het oprichten eener benting aan

de noordoostkust willen wij hier als voorbeeld melding maken.

De kleine staat Edi, nog in deze eeuw uit enkele nederzettingen

ontstaan, nam door zijn gunstige ligging voor den handel spoedig

in bloei toe. De radja was weinig geneigd, om als zoovelen zijner

buren, den Sultan van Atjeh als zijn souverein te erkennen, werd

daarom door die buren herhaaldelijk beoorloogd, zocht bescher-

ming en steun bij het Nederlandsch-Indisch Gouvernement en

bood in 1869 zijne onderwerping aan, die van onze zijde krach-

tens het tractaat van 1857 moest worden geweigerd.

Toen wij nu in April 1873 met Atjeh in oorlog waren geraakt.

kwam de radja op zijn verzoek terug en op den 7 den Mei werd

plechtig onze vlag op Edi's grondgebied geheschen. Reeds spoedig

werd het landschap nu èn van de zee- èn van de landzijde bedreigd,

zoodat nabij de monding van de Edirivier door de onzen eene

strandbenting moest worden bezet. Een weinig meer landwaarts

in werd op de hoogte Boekit Sjabander een flinke versterking

met goede palissadeering gebouwd en tot in 't begin'van 1878

hadden er te Edi geen rustverstoringen meer plaats. In Mei van

dat jaar echter begonnen de aanvallen op onze versterking, maar

toen uit Groot-Atjeh meer militaire hulp was opgedaagd, wer-

den de vijandelijke benden verjaagd, en tot het jaar 1887 be-

paalden zich de woelingen tot kleine aanvallen op den radja van

Edi, vooral van eene atjehsche bende onder zekeren Toekoe

Aboe, wien het ook gelukte , de bevolking nu en dan in beroe-

ring te brengen. Een zeer ernstige rustverstoring had er in April

en Mei 1889 plaats, van te grooter beteekenis, omdat het


121

volk van Edi in 't geheel niet meer te vertrouwen was, zoo-

dat generaal van Teyn het nood ig oordeelde een vrij aan-

zienlijke krijgsmacht naar Edi te zenden. In verschillende gevech-

ten, waarbij vooral onze amboineesche troepen zich onderscheid-

den , werden de vijandelijke benden uit al hun stellingen verdre-

ven en de rust in Edi volkomen hersteld, zoodat op 11 Juli 1889

de troepen van de expéditionnaire colonne alle naar Kotta Radja

waren teruggekeerd. Toch worden nog telkens aanvallen beproefd ;

de arbeiders, die dezen zomer van 1893 aan de trambaan of

de telefoonverbinding werkten , moesten door soldaten worden

„gedekt".

Op de wijze als in Edi moet telkens, nu hier dan daar, ons

gezag worden gehandhaafd.

* *

*

Zooals wij bij Java na een blik in 't verleden op de inlandsche

bevolking, verval en achteruitgang en ondergegane grootheid

moesten constateeren, zoo is dat ook hier aan Sumatra's

noordpunt het geval. Atjeh was vroeger een machtig rijk, maar

door twisten over de opvolging en den strijd tusschen heersch-

zuchtige radja's was het achteruitgegaan, en toen wij er ons gezag

vestigden was Groot-Atjeh bij lange niet meer wat het vroeger

was geweest. Reeds sedert vele jaren vóór het begin van den

oorlog waren de hoeloebalangs en zelfs sommige hoofden van

oorspronkelijk nog minderen rang, feitelijk van den sultan geheel

onafhankelijk, al erkenden zij diens oppergezag in naam en al

brachten zij soms met politieke nevenbedoelingen hem eenigen

cijns op. Naarmate de sultan armer en machteloozer werd namen

de macht en rijkdom zijner nog slechts in naam aan hem onder-

geschikte hoofden toe. Sommigen o. a. onze aartsvijand Panglima

Pohm kwamen zelfs van tijd tot tijd in openlijk verzet tegen hun-

nen leenheer. Het voornaamste district, dat hetwelk den Kraton,

et sultansverblijf, omgaf, is het eerst in onze handen gekomen ;

buitendien zijn er nog drie sagi 's of districten, die de namen

dragen van de sagi's der XXV, XXVI en der XXII Moekims.


Generaal-Majoor J. H. Köhler.

Luit.-Generaal J. van Swieten.

Gen.-Maj. C. B. F. Wiggers v. Kerchem.

Do bedwingers van Atjeh.

(Les vainqueurs d'Atjeh.)

Luit.-Generaal K. van der Heijden.

Luit.-Kolonel A. R. W. Gey van Pittius.

(Chef van den Staf van de krijgsmacht te Atjeh.)

Generaal-Majoor J. L. J. H. Pel.

Luit.-Generaal G. M. Verspijck.

Generaal-Majoor A. J. Diemont.


124

Deze zijn nader gesplitst in onderdeden, welke, nauwer aan

elkander verbonden, onder den naam van IV, VI, VIII, IX enz.

Moekims, elk onder een afzonderlijk hoofd staan. De panglima's

der drie sagi's ontvangen van eiken nieuwen sultan steeds een

pemerian radja of geschenk van groote waarde. Elke moekim

wordt gevormd door eenige kampongs, wier bewoners in denzelfden

tempel of missigit hun godsdienstplichten vervullen , terwijl

iedere sagi een groote missigit bezit, waarheen de geloovigen

van de samenstellende moekims eens per jaar, zoo 't heet, een

bedevaart moeten ondernemen. De XXII Moekim heeft ons veel

last en moeite gegeven ; slechts weinig behoort daarvan aan ons ;

de genoemde Panglima Polim voerde er lang het bewind. Zijn'

kleinzoon, Toekoe Moeda Soleiman, legde den 17«^» Jun T893

op de oude sultansgraven in den Kraton den eed van trouw aan

ons gouvernement af, een bewijs, hoe de toestanden veranderd

zijn. De ontvangst door gouverneur Deykerhoff liet aan hormat

niets te wenschen over. In Maart 1879 was in de XXII Moekim

de missigit van Indrapoeri het middelpunt van den tegenstand.

Het uiterlijk- van de toekoe's of atjehsche hoofden is meestal

ver van gunstig; sluwheid en achterdocht zijn er veelal naast

wrok en haat op te lezen. Wat hun kleeding betreft, dragen ze in

den regel een gevlochten met zilver- en gouddraad doorweven

kapje, een donker buis met bewerkte gouden knoopen en de zonderlinge

wijde broek, waaraan men bijna geen pijpen bespeurt en

die dus op een zak gelijkt; de onmisbare sleutels zijn aan een over

den schouder geworpen doek vastgemaakt en natuurlijk ontbreekt

ook de rentjong of atjehsche kris niet.

In de sagi der XXV Moekim zijn bewoond de IV en de VI

Moekims en het trouwe Maraksa, welks bewoners reeds bij de

eerste expeditie op onze zijde waren en daarvoor dan ook na ons

vertrek zwaar hebben geleden. De hoofden der bevolking staan

onder geregeld toezicht van onze controleurs, terwijl de bezettingen

der bentings voor het handhaven van rust en veiligheid in

hun omtrek zorg dragen. Die zorg deelen ze met den Kadli of

opperrechter, welk ambt bij de sultans van Atjeh reeds uit de I7 d e

eeuw dagteekent. Met het verval van het rijk hield het verval van


125

des sultans rechtsmacht gelijken tred en de macht van den Kadli

strekt zich niet verder uit dan het door den sultan rechtstreeks bestuurde

territoir. De geestelijke rechtsspraak en die bij huwelijks en

rechtsquaestiën is in handen'van de priesters of oelama's, door den

sultan in overleg met de sagi-hoofden en hoeloebalangs aangesteld.

Ons beginsel van het divide et impera werd en wordt dikwijls toegepast

in de twisten tusschen de partij der hoeloebalangs en die

der oelama's. De moslemin zijn de aanhangers der laatstgenoemde

partij. Tegen hen richt zich Toekoe Oemar, die in den zomer van

1893 als onze bondgenoot de moslemin uit de IV, VI en IX Moekims

verjoeg. Zelfs Kaloet in de XXII Moekim nam hij toen voor ons,

ofschoon wij in 1892 tot tweemaal toe te vergeefs beproefd

hadden, de flink versterkte plaats te veroveren.

Noemden wij onder de helden, die de atjehsche hoofden

hebben willen leeren, onze vlag te eerbiedigen, reeds de generaals

Köhler en van Swieten, onze plaat geeft, behalve het portret

van de generaals C. B. F. Wiggers van Kerchem en A. J. Diemont,

respectievelijk van Februari tot November '76 en van November

76 tot Juni 'JJ civiel en militair gouverneur, ten voeten uit

het beeld van Karel van der Heyden, den held van Samalangan.

Hij was als eenvoudig korporaal zijn indischen dienst begonnen,

had op Bali gestreden, in 1851 zich in het Palembangsche onderscheiden,

had daarna roem verworven door zijn dapper en

beleidvol optreden in de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo

en was, geleidelijk in rang opklimmend, in het jaar 1872 tot

luitenant-kolonel benoemd.

In dien rang werd door hem eerst als bataljonschef en later

als kommandant der derde brigade deelgenomen aan de expeditie

tegen Atjeh onder bevel van generaal van Swieten. Bij het omtrekken

van den Kraton werd hij door een schampschot gewond,

net eerste, dat hem in al de jaren van zijnen dienst, hoewel

hij zich nimmer ontzag, had getroffen. In 1876 tot kolonel bevorderd,

nam hij in Juni 1877 de leiding in Atjeh over uit de

handen van den generaal-majoor Diemont en bleef er tot April

T °8i aan het bewind. In 't begin van 1877 rukte hij met drie bataljons

infanterie en de noodige artillerie uit ter onderwerping van


De Sjahbandar van Gighen.

Aanvoerders der Atjehers.

(Chefs At fijiiioi s.)

Habieb Abdoe'l Rachman. De Radja van Gighen.


Monding der Padaag-rivier met den Apentiérg.

(MUH/ des singes et C embouchure it la rivière de Padaug.)


128

het aan Atjeh grenzende rijk Samalangan. Bij het bestormen der

kampong Kotta Blang Temoelit, de hoofdversterking in dat rijk,

ontstond er plotseling een paniek onder een der bataljons. Toen

plaatste van der Heyden zich aan het hoofd en wist de soldaten

door zijn woord tot nieuwen moed aan te vuren, zoodat ze met

gunstig gevolg een nieuwe bestorming ondernamen. Bij die gelegenheid

, waarop de kolonel de lauweren verwierf, die hem, zooals

wij weten, later zijn betwist geworden, werd hij door een kogel

in het linkeroog getroffen , maar bleef trots die verwonding het bevel

voeren op het oorlogsterrein. Door den koning werden zijne verdiensten

erkend in de toekenning van het kommandeurskruis der Militaire

Willemsorde en in zijne verheffing tot luitenant-generaal en tot

den rang van civiel en militair gouverneur van Atjeh.

Gedurende zijn bestuur onderwierp zich in 1878 de bekende

Habieb Adoe'l Rachman El Zahier, wiens portret op onze plaat is

afgebeeld. Deze ondernemende avonturier was in Hadramaut in

Zuid-Arabië geboren, werd voor den geestelijken stand bestemd

en doorliep de godsdienstige scholen te Calicoet, Mekka, Kairo

en Konstantinopel, werd eigenaar van een zeilvaartuig en zwierf in

Voor- en Achter-Indië, Egypte, Arabie en Turkije rond, verdedigde

de rechten van dezen, genas genen van eene ziekte en wist steeds

zijne eerzucht te bevredigen. Eindelijk kwam hij in Atjeh, waar

hij dqor zijn kennis en zijn redenaarstalent de gunst van den

sultan wist te winnen. Hij werd tot hoofd van den eeredienst

aangesteld en deed alles om het Mahomedanisme zijn vroegeren

luister terug te geven. Bij 't uitbreken van den, oorlog zocht

Habieb hulp in Europa en toen dat niet gelukte, keerde hij

terug en nam de leiding in handen, door plannen van aanval

en verdediging te beramen en versterkingen aan te leggen. Maar

weldra zag hij in, dat een meer actief optreden van de zijde

der Hollanders noodig zou zijn en toen wij de XXII Moekim

met succes betraden, kreeg Habieb de schuld bij de Atjehers

en kwam zich te Kotta Radja onvoorwaardelijk aan generaal

van der Heyden onderwerpen. In December '78 bracht

het stoomschip Curaçao hem naar Djeddah in Arabie en in

Mekka's voorhaven, waar men was overeengekomen, dat


129

hij zich zou vestigen, stapte hij op 29 December '78 aan wal.

Links van hem is de radja van Gighen afgebeeld, de eerste

vorst van de staten aan de noordkust, die zich aan ons gezag

onderwierp en reeds den 20^« April '74 de nederlandsche vlag

op den pasar te Gighen liet hijschen. In Augustus '76 voegde

deze radja zich echter bij de vijandelijke hoofden der XXII

Moekim, maar na den val van Samalangan en Merdoe kwam

hij in Mei 'jj weer zijne onderwerping aanbieden, waarbij hem

vergeving werd geschonken. Het derde portret is dat van den havenmeester

of sjahbander van Gighen, met wien de vreemde handelaars

het meest in aanraking komen, den voornaamsten en invloedrijksten

persoon na den radja. Zeker maken alle drie, zooals

zij hier zijn gegeven, een gunstigen indruk op den toeschouwer;

slimheid is op hun gelaat te lezen, ja, maar ook een wilskracht,

die eerbied afdwingt en een melancholie, die tot nadenken stemt.

Het werk van generaal van der Heyden was voorbereid en

mogelijk gemaakt door den generaal-majoor Pel, die van April

1874 tot Februari '76 het bevel voerde en wiens veertigdaagsche

zegetocht, waardoor Groot-Atjeh van vijanden werd schoongeveegd,

altijd bij ons in dankbare herinnering zal blijven. Hij

had op 2.6 April 1874 het militaire en civiele bevel te Kotta

Radja overgenomen van generaal van Swieten en onder zijn

leiding werd er nog in 1874 veel en moedig gestreden; zoo

werkten het gevecht van Garouw op 28 Juni en ook de nachtelijke

aanval op de benting Longbatta Missigit van 21 op 22

November '75 en nog zoovele andere gevechten mee, om een

afgesloten linie van posten in ons bezit te brengen. Na de veiligheid

der positie verzekerd te hebben, was hij er op uit onze

vestiging in alle richtingen uit te breiden. Hij drong in de VI

Moekim door, bereikte de IV Moekim en tastte daarna de IX

en XXII Moekims aan en 't resultaat der operatiën van 26 December

'75 tot 21 Februari '76 was dat de postenketen tot Pager

Ajer en Baroe kon worden vooruitgeschoven. Te midden dier

krijgsverrichtigen stierf hij plotseling in den nacht van 24 op

25 Februari 1876 nabij Lamara aan de Koerong Tjoet in een

tijdelijk bivak. Een slagaderbreuk deed alles in 6 à 8 minuten


De Ohineesche tempe!

(Temp/e rli i mu


te Padang van binnen.

m à Padang.)


132

afloopen. De verslagenheid was algemeen, want de strenge generaal

was zeer bemind. Op het kerkhof te Kotta Petjoet is een

hem waardig monument opgericht te zijner herinnering. De opvolgers

van generaal van der Heyden waren de heeren Pruys van.

der Hoeven (April 1881 tot Maart 1883) en Laging Tobias (Maart

1883 tot Augustus 1884), civiele gouverneurs.

Aan den veldtocht van generaal Pel nam ook majoor H. K.

F. van Teyn deel, die bij de schitterende verovering van Lambaroe

op 7 Maart 1876 bewijzen gaf van zijn beleid, evenals later bij

't vermeesteren der vijandelijke stelling te Tjadé nog in 't zelfde

jaar. Na in West-Java en Palembang ons leger te hebben gediend,

werd hij in Augustus 1884, toen tot de „concentratie" onzer stelling

in Groot-Atjeh besloten was, aan den civielen en militairen gouverneur

H. Demmeni (Augustus 1884 tot Dec. 1886) toegevoegd.

Dat de aftocht onzer troepen uit de XXVI en XXII Moekims met

geringe verliezen plaats had, was aan van Teyns leiding te danken.

Toen in December 1886 generaal Demmeni stierf te Payacombo ,

waar hij herstel van gezondheid zocht, werd majoor van Teyn tot

kolonel, civiel en militair gouverneur van Atjeh benoemd. Op

15 November 1888 werd hij tot generaal-majoor bevorderd. Onder

zijn bestuur had in 1889 de reeds besproken tocht naar Edi plaats en

in Mei 1891 werd de leiding overgenomen door kolonel H. Pompe

van Meerdervoort. Generaal van Teyn was in April van dat jaar

met verlof wegens twaalfjarigen dienst naar Nederland vertrokken.

Midden in dat tweejarig verlof stierf hij te Utrecht in Juni 1892.

Slechts weinige maanden bleef kolonel Pompe van Meerdervoort

aan het bewind en na een tijd van talmen werd tot zijn opvolger

benoemd de overste C. Deykerhoff, die in December 1891 tot

kolonel en in Januari 11. tot generaal-majoor is bevorderd en die

nu nog het bewind voert.

* *

*

Er wordt echter niet voortdurend gestreden daar in ons nieuwe

wingewest in 't verre Oosten. Het licht op den Willemstoren op

het uiteinde van Poeloe Bras zou ook vreedzame tooneelen be-


133

schijnen, als het naar de haven van Oleh-leh en daar overheen

zijn lichtstralen kon uitgieten. Oleh-leh was voor de komst der

Hollanders een zeer onbeduidend dorpje, omdat de schepen daar

met mochten ankeren, doch alle de monding der Atjehrivier opzochten

, om den gebruikelijken tol aan densjahbandar of havenmeester

te betalen, waarna het hun veroorloofd was hunne goederen

langs dien stroom naar den Kraton op te voeren. Tijdens

onze expedities en ook daarna werd de reede van Oleh-leh de

plaats, waarheen alle voor Atjeh bestemde schepen het eerst

koers zetten, want om eenige andere kustplaats aan te doen

moet men eerst blijkens een door den havenmeester van Olehleh

af te geven bewijs van den Gouverneur daartoe vergunning

hebben gekregen. De booten der in 1870 opgerichte Nederl. Inch

Stoomvaartmaatschappij stoomden elke week beurtelings om de

Oost- en Westkust van Sumatra naar Atjeh en brachten er vrij

wat levendigheid, zoodat sedert onze vestiging aldaar het havenplaatsje

geheel nieuw is aangelegd met breede wegen, een ruime

marktplaats, terwijl de plaat een goede voorstelling geeft van

den algemeen gevolgden bouwtrant. De woningen der officieren,

de kazernes enz. staan afzonderlijk op een landtong, terwijl bij

de ijzeren pier steeds veel drukte heerscht en stoomkranen bezig

zijn de goederen uit de laadprauwen op te halen. Uitsluitend

/oor Atjeh en 't verbruik der troepen worden geheele stoom

schepen gecharterd en speciale treinen vervoeren de goederen

naar den Kraton. Het is een bont genuanceerde handelsdrukte,

want Bengaleezen , Chineezen, Javanen, Arabieren en bevriende

tjehers verdringen elkander of worden verdrongen door Europeanen

van allerlei kleur en klank. Duitschers met de meest

uiteenloopende dialecten, een enkele Franschman of Belg, voorzien

daar elk op zijne wijze in hun onderhoud. Van sommigen

's de landaard moeilijk te raden; zoo spreekt de zoogenaamde

nek Alberti een eigen taaltje, dat het meest met Fransch overeenkomt.

Hij leverde nog in 1892 zijn cognac op de verst afgeven

posten. Als de bij het kiesrecht-debat in 1893 in de Tweede

amer vereeuwigde Jan Dop, kon hij lezen noch schrijven en in


Hulpbrug over de Batang Masang.

(Pont sur le Batang Masang.)


Il

Do Batang Hari met de monding van de Potar.

(Le Batang Hari et l'embouchure du Potar.)


136

een soort van hieroglyphenschrift, dat alleen voor hem verstaanbaar

was, hield hij boek van zijn uitgebreide handelszaken.

De spoorweg verbindt Oleh-leh met Kotta Radja, den vroegeren

Kraton, en behalve de troepen vervoert die weg allerlei

inlanders, Atjehers, Klingaleezen (afkomstig van de kust van

Koromandel of Kalinga), Chineezen e. a., die met vruchten

en koopwaren naar den pasar gaan. Eerst passeert de trein

een lange brug over de bij vloed geheel onder water staande

lagune en na een kwartiertje rijdens volgt de halte bij kampong

Gedah. reeds in de nabijheid van Kotta Radja en de nieuwe

missigit of moskee, en evenals kampong Djawa aan de overzijde

der Atjehrivier gelegen. In kampong Djawa houdt de inlander

zich met het aanplanten van koffie bezig ; volgens atjehsche

overleveringen moet die plant er trouwens reeds in de vorige

eeuw gekweekt zijn, en er van uit Arabië zijn overgebracht.

In kampong Gedah wonen de koelies en de werklieden der

genie en vandaar heeft men een aardig gezicht op de in 1874

gebouwde en in 1879 vernieuwde brug, die naar Pantej Perak

voert, met den flinken breeden weg. Over de Kroeng Daroe, het

beekje dat door den Kraton is geleid, zijn een viertal bruggen

geslagen. Indien men over de brug van Pantej Perak, nu Demmenibrug

genoemd, den ringdijk volgt en dus het militaire hospitaal

en 't kerkhof te Kotta Petjoet passeert, komt men in kampong

Penajoeng met zijn drukke Chineezenbevolking, waar de stapelmagazijnen

en veestapels van de Atjeh-leverantie zijn. Aan deze

zijde der brug, niet ver van de Noorderpoort van Kotta Radja,

leidt de weg langs ruime nette kazernes naar dat gedeelte van

ons hoofdkwartier, dat er allerminst oorlogszuchtig uitziet.

Een kring van lichtgeverfde, keurig gebouwde officierswoningen,

sommige met kleine bloemperken, eenige met prijs gemaakte

lilla's en andere stukjes geschut ter versiering ervoor, maar alle

blijkbaar met eenig comfort ingericht, vormen een aardig tooneeltje.

Vóór de groote, vroolijk gebouwde woning van den

bevelhebber wappert aan den officiëelen vlaggestok de driekleur

en het generaalsplein met zijn bloem- en grasperken en de keurige


m

muziektent is door een breeden, van banken voorzienen weg omgeven

Het monsterkanon van Kota Moesapi, dat 7 M. lang en

1000 KG. zwaar is en in een reuk van heiligheid staat, siert het

plein. Nu die metalen heilige sinds Juli '93 binnen den kraton is,

kan volgens de legende de oorlog niet lang meer duren.

Een kijkje in een eigenaardig houten gebouwtje met een zinken

dak, dat door houten palen gestut, er boven uitsteekt en dus den

wind vrijen toegang geeft, vertoont ons de op de plaat u voorgestelde

sultansgraven. Met een geleider er binnen getreden,

hooren we dat onder die grootste zerk de stichter van het

Mahomedanisme in Atjeh ligt begraven. Zijn graf mag zich in

de hooge bescherming der nederlandsche regeering verheugen

en dat wel om deze reden. Toen de Kraton door ons veroverd

was en wij er kazernes en magazijnen moesten oprichten, stuitte

men op het bezwaar dat zich bijna op elk plekje, dat niet door

een der gebouwen van den ex-sultan werd ingenomen, een graf

bevond van een of ander vorstelijk persoon en de onderworpen

atjehsche hoofden konden zich in voldoende mate doen gelden,

om ertegen te protesteeren, dat spade of houweel een dier graven

zou ontheiligen. Daarom werd er een accoordje bedacht, want

men had niet veel lust zich door de doode Atjehers te laten

verdrijven uit den Kraton, waar men zich trots de levende dito

toegang had verschaft. Onder al die heilige graven liet men zich

het allerheiligste wijzen en, om onzen goeden wil te toonen,

werd dat graf gerespecteerd en door omtuining en dak tegen

regen en kwaadwilligen beschermd. Nu behoort het met de ijsfabriek

en het telegraafkantoor tot de glanspunten en bezienswaardigheden

, die aan de bezoekers van Kotta Radja of aan

hoofden, die hunne onderwerping aanbieden, worden vertoond.

Uit het oogpunt der handelsbelangen valt er over Atjeh en

de kustplaatsen vrijwat te zeggen. De haven van Oleh-leh zou

een zeer geschikt middelpunt kunnen vormen voor den peperhandel

van de kustplaatsen, als de producten rechtstreeks naar

t moederland werden verscheept, terwijl bij wat ondernemingsgeest

van onze zijde Atjeh een aangewezen tusschenstation kon

zijn voor de internationale handelsvaart. Het engelsche eiland


140

Penang heeft daarvan thans nog altijd het monopolie, terwijl

toch Atjeh daarvoor inderdaad gunstiger is gelegen. De van

Singapore komende schepen doen nu Prince of Wales-eiland,

in de wandeling Penang geheeten, aan, maar moeten op hunne

reis naar Point de Galle op Ceylon of naar Aden verscheiden

mijlen buiten den koers afleggen en hebben daarenboven een

minder veiligen weg, dan wanneer zij rechtstreeks van Singapore

naar Diamantpunt en dus naar Atjeh stevenen. Daarbij biedt

de Lembaley-baai op Poeloe Bras een veilige ligplaats voor schepen

aan, terwijl in de nabijheid geschikte terreinen zijn voor magazijnen,

kolenloodsen, woningen enz. en ook andere havens aan

Atjeh's Noord- en Oostkust daarvoor in aanmerking kunnen komen.

Uit dat oogpunt dus kan voor Atjeh eene groote toekomst zijn

weggelegd De vestiging van een kolenstation te Poeloeway is

in dit opzicht een stap in de goede richting.

Voor wij ons van Atjeh zuidwaarts begeven, is het zaak ten

slotte even na te gaan, hoe onze stelling er op dit oogenblik

is. We zien dan, dat de „concentratie" geleid heeft tot het behoud

van eenen gelijkzijdigen driehoek van versterkingen, waarvan

éénê zijde door de zee wordt gevormd. Het gebied binnen

de postenlinie wordt door bevriende Atjehers bewoond. Elke zijde

is ongeveer twee uur lang. Aan de zee komen slechts aan de eindpunten

versterkingen voor, nl. die van Kota Pohama en die van

Kota Pagani. Van de eerste benting zuidwaarts gaande, passeeren

we achtereenvolgens onze versterkingen Pakan-Kroeng-Tjoet, Lamjong,

Boekit Kareng, Roempit, Tjot-Iri, Lampermey en Siroen

en "hebben dan een afstand van ongeveer twee uren afgelegd.

Van Siroen westwaarts trekkend, vinden we de versterkingen

Lambaroe. Lamreng , Lampeneroet, Ketapan-Doea , Blang ,

Lamdjamoe, Lamtih en Sabang en zijn dan bij Kota-Pagani aan

de zee gearriveerd. Op een paar uitzonderingen na zijn onze

posten onderling en met den Kraton en Oleh-leh door een stoomtram

verbonden. De gemiddelde afstand tusschen onze bentings

is 17 minuten gaans, een afstand die de Atjehers niet belet, zich

telkens in troepen van 30 à 40 man in hinderlaag te leggen en


Hi

aanvallen te doen, zooals nog dezer dagen (begin Juli '93) tusschen

Tjot-Iri en Lampermey.

Tot 1885 besloeg het door ons bezette gebied, zooals ook uit

al het voorgaande blijkt, eene veel grootere oppervlakte. Glé

Kambing lag nog 2 1 it uur ten zuidoosten van Lambaroe. Jammer,

dat wij bij het terugtrekken binnen onze geconcentreerde stelling

juist die Atjehers, die ons eerst de meeste diensten hadden bewezen

, aan hun lot moesten overlaten en dus mede aan de minder

aangename ervaringen en ontmoetingen van de zijde der ons

vijandige benden. Vooral de oelama's en de tengkoes, de hoofden

der priesterpartij, blijven het tweedrachtsvuurtje aanstoken. In

dezen zomer nog lezen en hooren wij steeds van aanvallen,

door den oproerigen Nja Makam geleid, tegen onze troepen

en de ons goedgezinde Atjehers, o. a. in Edi, Langkat, Tamiang

en Seroeway. Het binnensmokkelen van wapens en munitie over

Tamiang en andere havens heeft ook nog voortdurend op groote

schaal plaats. Gelukkig dat in Juli '93 de badal of vertegenwoordiger

van Panglima Polim's kleinzoon, het sagi-hoofd°der

XXII Moekim, zijne onderwerping is komen aanbieden en ook degevreesde

Toekoe Oemar blijken van zijne goede gezindheid geeft.

Zooals wij reeds meldden, legde Toekoe Moeda Soleiman, dekleinzoon

van Panglima Polim, den I7 d en Juli 1893 zelf mede

den eed van trouw af en door daden toonde Toekoe Oemar zich

steeds duidelijker onzen bondgenoot. Wie weet, of niet de door

majoor Kielstra in 1886 in De Gids gemaakte vergelijking tusschen

Atjeh en Sumatra's Westkust goed gezien zal blijken. Daar

toch lieten een halve eeuw geleden de toestanden ook alles te

Wenschen over en nu staat, dank zij het politiek beleid van

enkele bewindhebbers als generaal Michiels en dank zij het vertrouwen

, waarmee de Regeering hen vereerde, nergens het nederlandsch

gezag op hechter grondslagen dan daar. Ook op Sumatra's

Westkust heeft men, trouwens door de omstandigheden gedwongen,

soms een stelsellooze politiek gevolgd en stellig behoort

eene wending ten goede, als daar heeft plaats gehad, voor Atjeh

volstrekt niet tot de onmogelijkheden.


De stoombarkas der Sumatra-expeditie op de Batang Hari.

(Le bateau à vapeur de l'expédition hollandaise sur le Batang Hari.)


V;Ht*

60

S

f?

OS

OH

pg 4j

c

-


VIJFDE HOOFDSTUK.

MIDDEN-SUMATRA.

De beelden, aan Midden-Sumatra ontleend, voeren ons terug

naar den in 1877 vanwege het Aardrijkskundig Genootschap

ondernomen tocht, die ten doel had de nog onbekende streken

in de Padangsche Bovenlanden en Palembang te verkennen, de

Batang Hari als waterweg naar de oostkust op te nemen en

hare zijtakken te onderzoeken. De bedoeling was na te gaan in

hoeverre deze laatste konden dienen tot afvoer van de producten

uit het delfstoffenrijk, welker aanwezigheid was geconstateerd en

van de landbouwvoortbrengselen, die de rijke humuslagen aan de

oostelijke helling van Sumatra's bergland zouden kunnen opleveren.

Een onderzoek te water dus van de genoemde rivieren en een

onderzoek te land van het oostelijk deel der Padangsche Bovenlanden

lag reeds in 1874 in het plan van het Genootschap.

Het riep daartoe de geldelijke hulp in van alle burgers van

den staat, omdat men meende, dat aller belang ermee gemoeid

was, indien er eene poging werd gewaagd, om eindelijk ons

het onwaardeerbaar bezit onzer rijke koloniën meer waardig te

toonen en kennis op te doen van het land, den bodem . den

plantengroei, de diersoorten en niet het minst van de bevolking

in die streken, die nominaal reeds honderd en meer jaren tot

ons gebied worden gerekend en waarvan feitelijk dikwijls niet

meer dan de naam door ons gekend wordt. Verscheiden onafhankelijke

radja's zwaaien tusschen Padang en Djambi, tusschen

de west- en de oostkust van Sumatra, den schepter en hebben

nooit een Nederlander op hun grondgebied geduld, zooals de

expeditie later tot haren last en hare schade nu en dan moest


145

ondervinden. De rijken Kwantan, Indragiri en Retell, ten noorden

grenzende aan ons gebied, hadden vreedzame bewoners; men

hoopte de bevolking der onbekende streken daarnaar te kunnen

afmeten, een hoop, die wel eenigszins is teleurgesteld.

De oproeping van het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap

op 't eind van 1875 gedaan, had een schitterend succes;

de bijdragen vloeiden mild, maar er was dan ook veel noodig

en het Genootschap, dat in verschillende groote plaatsen commission

had voor dat doel, verwachtten blijkbaar ook veel bijdragen

, ten minste toen na een paar maanden op een achttal

lijsten voor een bedrag van/12,845 was geteekend, werd er nog

eens dringend aangeklopt voor dien „ontdekkingstocht naar een

volkomen onbekend gedeelte der nederlandsche bezittingen, door

Nederlanders bestierd en uitgevoerd", bij allen, ,,die dien tocht

een daad achten, getuigende van wetenschappelijken zin, van

politiek beleid, van een goeden commerciëelen blik en van ontwakenden

ondernemingsgeest", 't Effect was, dat de twintigste

lijst sloot met een som aan particuliere bijdragen van/25487,59.

Het comité voor de Sumatra-expeditie, waarvan prof. Veth voorzitter

was, won ijverig berichten in omtrent de te bereizen terreinen,

spoorde bronnen op, waaruit kennis van land en volk kon

worden verkregen , deed bij de regeering aanvragen om materiëele

hulp en zedelijken steun en koos het personeel, dat aan den tocht

zou deelnemen. Wat den steun der regeering betreft, werd door

den minister van koloniën op de begrooting van 1877 een post

van ƒ 20,000 voorgedragen ter beschikking van het Genootschap

voor het steunen van wetenschappelijke reizen, terwijl terstond

een stoombarkas met volledigen en voor het doel geheel passenden

inventaris beschikbaar werd gesteld. Als deelnemers aan

den tocht werden , na voordracht door het comité, door 't Genootschap

aangewezen de luitenant ter zee, 2 e klasse, J. Schouw

Santvoort, die zich reeds op Borneo met rivieropname had beziggehouden

; verder als zoöloog, de heer Joh. Snelleman en als

topograaf, mineraloog en photograaf de heer Daniël Veth. Zouden

deze heeren het rivieronderzoek voor hunne rekening nemen,


Het do

(Le /,-11111/11111g


loi? örabak.

iij 'ie Grabak.)


148

het landonderzoek zou plaats hebben onder de leiding van den

heer A. L. van Hasselt, controleur 2 d « klasse te Soepajong in

de Padangsche Bovenlanden. Aan den heer Schouw Santvoort

werd op zijn verzoek verlof verleend, om vóór hij met de reeds

naar Batavia gezonden stoombarkas het rivieronderzoek aanving,

van Padang over land naar Djambi te reizen en dus een tocht

dwars door Sumatra te maken, een reis die hij in den tijd tusschen

den 29 sten Maart en den i8 den April 1877 met succes ten eindebracht

onder een streng incognito.

Zonder eenig europeesch geleide, alleen van een inlandsen

hoofd met zijn klein gevolg vergezeld en ongewapend, waagde

zich Schouw Santvoort in de nog geheel onbekende, nooit door

een Europeaan betreden en door een onvriendelijk gezinde bevolking

bewoonde gewesten der Boven-Djambi. Den 4 den April

overschreed hij de grens van het nederlandsch grondgebied, en

eerst veertien dagen later was hij bij de hoofdplaats van het

Djambische rijk aangekomen. Telkens had hij zich aan de nasporing

en vervolging van den in 1858 door onze regeering afgezetten

sultan Taha van Djambi moeten onttrekken. Van Palembang

reisde hij vervolgens naar Batavia om zich met de uitrusting

en 't vervoer der barkas bezig te houden en was een paar maanden

later te Djambi terug, waar hij door 't maken van schetskaarten,

teekeningen en beschrijvingen het onderzoekingsplan voorbereidde

en aan de aardrijkskundige wetenschap groote diensten bewees.

Helaas, dat op 8 December van datzelfde jaar 1877 een telegram

van den Gouverneur-Generaal bij 't Ministerie van Koloniën moest

aankomen met bericht, dat Schouw Santvoort plotseling te Djambi

aan eene hartkwaal was overleden. Later bleek, dat hij reeds

23 November was gestorven. Te midden van zijnen arbeid is

de jonge man, wiens jaren nog geen tweeen-dertig mochten

zijn, plotseling weggerukt, een ouden vader in droefheid achterlatend.

Prof. Veth, die warme hulde aan Schouw Santvoort's

werkzaamheid bracht, heeft later aan 't verraderlijk klimaat van

Afrika's westkust zijn geliefden zoon ten offer moeten brengen,

dienzelfden zoon, die als reisgezel van den zoo betreurden zeeofficier

aan den Sumatra-tocht deelnam.


149

Als opvolger van den heer Schouw Santvoort ging al zeer

spoedig na het treurig doodbericht de luitenant ter zee Cornelissen

naar Indië, om het rivieronderzoek te leiden en dus de zijrivieren

vaI1 de Hari op te nemen, benevens dat deel van den hoofdstroom

, dat tusschen Simalidoe en Sigoentoer ligt en waar de

ijverige resident van Palembang, de heer Pruys van der Hoeven,

zijn op eigen initiatief begonnen onderzoek had moeten staken.

Laat mij u even in 't kort het resultaat van den Sumatratocht

en de hoofdmomenten der reis mogen meededen, om

daarna bij enkele onzer platen stil te staan, die meest alle naar

door den heer Veth genomen photographieën zijn vervaardigd.

Dea 8»ten Maart 1877 vertrokken de reizigers uit Padang, waar

zij den i7 d en Januari 1878 terugkwamen, zonder zoover oostwaarts,

als zij hadden gehoopt, hun onderzoek te hebben kunnen

voortzetten, zonder dus ook dat andere doel, de ontmoeting

met de rivierexpeditie, te hebben bereikt. De stations, gelegen

in een langwerpigen kring, van waar uit de leden het terrein

opnamen en waar zij een korteren of längeren tijd werkzaam

bleven tot het in orde brengen hunner aanteekeningen,

waren Soepajang, Silago, Sidjoendjoeng, Alahan Pandjang,

Moeara Laboe en Loeboekh Gedang. In Juni, toen de grens

van ons gebied was bereikt, en men wilde doordringen in

de Rantau, d. i. het onafhankelijke, aan onze grenzen palende

land, wilde een der vorsten, de radja van Sigoentoer, de gevraagde

vergunning om door te gaan, niet geven en uit

menig voorteeken viel af te leiden, dat een niet toegestaan

voorttrekken de reizigers in groot levensgevaar zou brengen. Vandaar

den kringloop, door de expeditie verricht, waarbij echter

èn op ethnologisch èn op zoölogisch en botanisch gebied ijverig

werd verzameld, terwijl werkelijk op geografisch gebied een

resultaat van beteekenis werd verkregen, doordien omtrent den

loop der Batang Hari en hare bevaarbaarheid kon worden geconstateerd

, dat zij een veel meer noordelijken loop heeft , dan

op de tot nu toe bestaande kaarten werd ondersteld , en dat de

rivieren Sipottar, Mamoen en Pangejan zijrivieren zijn, die bijna


60

S

CS

'o 5

s

C3

P*

C --v

3

J 1

3 I

s 5 !

E I

œ *

o ^

6C


Pauebo un

(Manguier arbre

bij jAlahan

Pane — à landjang.

Muliiin l'iiiidjaiH/.j


152

alle zuiver oostelijk stroomen. De mislukking der poging om

van dit deel der Padangsche Bovenlanden naar het Djambische

door te dringen , deed de leden der expeditie er op bedacht zijn ,

langs eene andere zijde te trachten, het geheimzinnig gebied

der Rantau te naderen en de studie van land en volk leidde

tot het besluit, dit onderzoek van Palembang uit te beginnen.

De beeren Van Hasselt en Veth reisden in Maart '78 over

Batavia naar Palembang, om echter, helaas, van die zijde niet

veel beter te slagen. In het aan Nederland rechtstreeks onder-

worpen gebied ging alles goed, maar reeds te Soeroelangoen

op de grens van het Limoensche begonnen de moeilijkheden , en

noch de goedwilligheid van het inlandsch hoofd Pajoeng Poetih,

noch de tegenwoordigheid van een paar hoofden van lageren

rang met een zeker aantal koelies kon beletten, dat de vijandige

gezindheid der hier en daar gewapend optredende bevolking

den chef der expeditie noodzaakte, den terugtocht te aanvaarden,

en in Juli reeds moest de landexpeditie hare taak als afgedaan

beschouwen. Wel besloot de heer van Hasselt nog naar Djambi

te gaan en daar den heer Cornelissen te raadplegen, maar daar

waren de berichten en besprekingen ook al niet opwekkend en

te Palembang, waar ook de heer Veth was gearriveerd, werd

de landexpeditie ontbonden verklaard. De heer Snelleman had

reeds met de beschrijving van de fauna der Padangsche Boven-

landen zijnen arbeid in overleg met de commissie als voltooid

beschouwd.

Wat de heer Cornelissen te vertellen had, toen de heer van

Hasselt hem bezocht, was al niet vroolijker; den I2 den Mei te

Djambi gekomen, had hij in Juni met een kolenprauw en de

bidar van den controleur die plaats verlaten, om ook al weer

zijn hoofd te stooten. Met klewangs gewapend, liep hier en daar

de oeverbevolking te hoop, daarbij daalde de waterstand in de rivier

onrustbarend erg en na tot Teloek Bengkal te zijn opgevaren . was

afzakken het wachtwoord. Nog een kleine tocht, deTembesiop,

eindigde mede ontmoedigend op 25 Juli '78 en na kennisneming

van de voorstellen tot het sluiten van het onderzoek, door den heer


153

Cornelissen naar Nederland gezonden, kon de commissie niet

anders doen, dan er, hoewel noode berustend , in toe te stemmen.

De vruchten van onze Sumatra-expeditie zijn opgezameld in

een uitvoerig werk, van wege het Aardrijkskundig Genootschap

uitgegeven ; uitstekende kaarten, teekeningen , beschrijvingen vullen

aan wat er aan onze kennis van de bereisde streken ontbrak.

Zij doen juist door hunne belangrijkheid den wensch naar meerdere

kennis omtrent dat schoone eiland ontstaan, dat slechts euphemistisch

gesproken eene nederlandsdhe kolonie mag heeten en

waarvan het gansche midden daar als een groot vraagteeken ons

verwijtend aanstaart. Misschien is ook hier de langzame weg de

zekere en moeten onze ambtenaren, die daar aan de grenzen

van ons gebied zijn geplaatst, geleidelijk de stemming der inlandsche

bevolking door hun woorden en daden trachten te verbeteren

, maar laten zij dan inderdaad ijverig aan die taak werken.

Want zóó mag de toestand niet blijven. Midden-Sumatra slechts

aan de randen bekend en geen mogelijkheid om er een

expeditie zonder eenige vijandige bedoeling door te doen

trekken, dus geen correspondentie tusschen de bezittingen ter

Oost- en ter Westkust ! Zonder de bedoeling van terreinaanwinst

zouden de nederlandsche en de indische regeering bij hunne

aanstelling van ambtenaren deze vraag in het oog moeten houden,

of de bedoelde personen ondernemingsgeest en energie, ja, maar

ook takt en overleg genoeg bezitten , om het midden van Midden-

Sumatra tot pacificatie te brengen zonder oorlogsgeweld en dus

enkel tot die pacificatie, die het bereizen en doortrekken van

die gewesten mogelijk maakt. Komaan, daar moet een barrière

vallen, niet door geweldigen aandrang, maar door overreding

en verruiming van inzicht, want het is een barrière van wantrouwen

en vrees; wie helpt dien slagboom opruimen? Eere eiken

reiziger en eiken ambtenaar, die er zijne krachten aan beproeft!

Eenige jaren nadat de heeren van de Sumatra-expeditie de

streken aan de Beneden-Moesi hadden opgenomen, bezocht een

jong zoöloog, Dr. J. C. C. Loman ze; en van een enkel zijner


Koffiemantri en vrouw te Alahan pandjang, en de inlandsche schrijver der expeditie.

(Le maître de café et sa femme à Alahan pandjang', et le scribe de l'expédition.)


i56

jachtavonturen volgt hier de beschrijving. Met nog twee reisgenooten,

die groote jagers waren, had hij eerst een enkelen dag

in de buurt van Palembang het waterwild trachten te verschalken,

was vervolgens, na een viertal dagen stoomens met een

kleine rivierboot over de Moesi en haar zijrivier, de Lemattan,

van Moeara Enim per karretje verder het land ingegaan en over

Lahat naar Boenga-Mas trekkend, maakte hij in de buurt van

die laatste plaats een heusche olifantenjacht mee.

Van Palembang uit werd de jacht op waterwild ondernomen

in een grooten bidar, een van die aardige scheepjes, die een

beschermenden kap dragen tegen de tropische zonnestralen, zoodat

ze er eenigszins als venetiaansche gondels uitzien. Het voorgedeelte,

de zitplaats der inlandsche roeiers, is onbeschut; dan

volgt een overdekt gedeelte voor de passagiers, terwijl de stuurman

op den hoogen achtersteven aan het roer gezeten is. Op de

Ogan, een rechter zijrivier van de Moesi, moest de bidar worden

verlaten en van kleiner prauwen gebruik worden gemaakt. „Elk

onzer stapte', zoo luidt het reisverhaal, „in zulk een algemeen gebruikt

vervoermiddel, niets anders dan een uitgeholden boomstam,

en zette zich zoo goed en zoo kwaad, als het ging, voorzichtig

daarin neder. Eene kleine beweging op zijde zou het lanke vaartuig

doen kantelen en het is dus zaak, zoo stil mogelijk te zitten

en alle bewegingen zoo bedaard mogelijk uit te voeren. Het

water is wel niet koud en een bad heerlijk verfrisschend

doch een krokodillengebit is verbazend scherp! Merkwaardig is

het, om de behendigheid te zien, waarmee de inlanders deze

notedoppen weten te besturen. Zonder inspanning loopen zij er

in heen en weder, gaan voorbij elkaar, hoewel de daartoe beschikbare

breedte ternauwernood een halven meter bedraagt en

stappen van het eene vaartuigje in een naastliggend over met

de grootste bedaardheid, alsof zij vasten grond onder de voeten

hadden. Achter ons hurkte een visscher, die met zijn pagaai

het vaartuigje besturen zou, en voort ging het naar drie zijden

het moeras in en tusschen de waterplanten, waar duizenden watervogels

als eenden, waterhoenders, plevieren , reigers enz. zich


'57

ophouden of hunne nesten hebben gemaakt. Niet lang daarna

verstoorde schot op schot de rust der gevleugelde bewoners en

rolde de donder onzer buksen over de anders zoo kalme wateren

van het moeras bij Kamal."

Te Goenoeng Megang, een groot dorp, toefde het reisgezelschap

,„ de fraaie, met kunstig snijwerk versierde en van planken

vloeren voorziene woning van den pangeran, die als alle inlandsche

hoofden uit die streken als teeken zijner waardigheid

een soort van gevlochten muts of kalotje droeg, doorweven met

goud- of zdverdraad, hem bij zijne aanstelling door onze regeermg

geschonken. Voor de jacht bleek die streek uitstekend

geschikt; aan herten, tijgers, neushoorns en tapirs was er geen

gebrek, en nog den vorigen nacht had eene kudde olifanten verwoestingen

in de ladangs aangericht.

Ook sommige wegen hadden door de groote dikhuiden veel

geleden: vooral de telegraafpalen hadden het moeten ontgelden

Het sclnjnt voor een olifant al bijzonder aantrekkelijk te zijn

om z,ch ,u,st tegen deze door den mensch neergezette boomstammen

te wrijven en daaraan zijne woede te koelen, door ze

omver te loopen, als zag het snuggere dier in de telegraafpalen

het onfeilbare teeken , dat zijne heerschappij i„ deze streken

ten einde loopt, en dat het langzaam maar zeker verdreven

zal worden uit het woud zijner geboorte of omkomen in den

strijd tegen aanplantingen en ontginningen.

Een beroemd olifantenjager had alles voor de jacht in gereed^

he,d gebracht, en in de eerste ochtendschemering ging rnen op

weg. Toen het bosch ter zijde van den weg moest worden betreden,

deden telkens de goloks of kapmessen dienst, om een

pad door het dichte kreupelbosch té banen. „Soms", zoo veralt

de re,z,ger, „maakten wij gebruik van een voetpaadje

da naar een naastbijzijnden ladang geleidde, elders doorwaadden

tijd vle°; r n er bergStr00m £ T ^ " " ^ ^ ^

weren n 7 ^ gemakkeli J ker ^S te vinden was. Geweren

, patronen, en mondbehoeften moesten dan boven het

hoofd gedragen worden, 0m ze voor het water te bewaren


Top van den Talang.

(Le sommet du Talang.)

SfëÉBBbt


i6o

dat ons meermalen boven het middel reikte. En weder op eene

andere plaats voerde onze weg door een moeras, waar wij tot

aan de knieën in de modder zakten en slechts met groote inspanning

voorwaarts gingen.

„Doch eindelijk was ook die hinderpaal overwonnen en na een

paar uren bevonden wij ons op een open plek in het woud,

waar wij met gejuich de eerste sporen van ons wild begroetten

in de omvergeworpen boomen en afgerukte takken, welker nog

geheel frissche blader tooi bewees, dat de aanrichters dezer verwoesting

nabij moesten zijn. Nu werd de grootste stilte in acht

genomen; wapens werden geladen, overtollige kleedingstukken

uitgetrokken, hoeden en dastars of hoofddoeken ter zijde gelegd

als te lastig, en de gansche tros van koelies moest achterblijven.

Slechts de olifantenjager en een paar zijner volgers begaven

zich verder en kropen voetje voor voetje door het dichte

kreupelhout, dat hier zoo ondoordringbaar was, dat men ternauwernood

op vijf passen voor zich uit iets kon onderscheiden.

Met angstige omzichtigheid werd de kudde beslopen, waarbij

wij zorgden den wind in ons voordeel te hebben; langzaam

ging het op het doel af; elk ongewoon geluid kon de dieren

verschrikken en doen vluchten ; elke dorre, krakende tak moest

zorgvuldig vermeden worden en het dichte groen onhoorbaar ter

zijde geschoven, om ons man voor man door te laten. Nog

omstreeks twintig passen scheidden ons van de dieren, toen

plotseling een ontzettend gebrul de doodsche stilte verbrak en

het woud deed daveren.

„Het is moeilijk, onze gewaarwordingen op dit oogenblik te

beschrijven ; slechts zij, die een dergelijke jacht hebben meegemaakt,

kunnen zich een denkbeeld vormen van den gemoedstoestand

van iemand, die voor de eerste maal zijns levens het

getrompet van dezen reus der wouden in zijne onmiddellijke nabijheid

hoort. De olifantenjager echter zag lachende naar ons

om en scheen er evenveel om te geven als om het gefluit van

een vogel; hij wenkte ons, hem te volgen en tot op weinige

passen van de nog niets vermoedende kudde te naderen. Nu


IÖI

zag men hier en daar iets grauws door het groen schemeren....

een schot knalde, nog een en verscheiden meer volgden en in

een oogwenk overstelpte een tiental kogels de verschrikte dieren,

die onmiddellijk opsprongen en naar alle zijden in vollen draf

het op een loopen zetten.

»Ik gevoel mij niet in staat, het helsch gekraak te beschrijven,

dat nu volgde. Men denke zich slechts een troep van vijftien

olifanten, die naar alle zijden verschrikt uit elkaar stuift en zich

een weg baant door een dicht begroeide wildernis, onbesuisd

door dik en dun voorthollende, terwijl forsche boomen als riet

door midden knappen en de plek in een oogwenk herschapen

wordt in een met modder bedekt mengelmoes van boomstammen,

takken en bladeren. Enkele seconden slechts en alles was voorbij !

Nog hoorde men het dof gedreun der vluchtenden in de verte,

toen van alle zijden de jagers reeds de verlaten woestenij be-

traden, en al kruipende en klauterende over dit bijna onbegaan-

baar knibbelspel bijeen kwamen, om elkaar nadere bijzonder-

heden over het gebeurde te vertellen.

„Het oogenblik, dat de verraste dieren opspringen en overal

een goed heenkomen zoeken, is tevens het eenige gevaarlijke

dezer jacht, want wee den jager, die door een niet doodelijk

getroffen olifant ontdekt wordt! Brullend van pijn werpt de ge-

wonde zich op zijn belager en verplettert hem met een enkelen

trap van den loggen voet. Doorgaans kan men gelukkig door

een snellen zijsprong het gevaar ontkomen, want het dier valt

meestal in zijne dolle woede niet den schutter aan, doch den

kruitdamp, die na het schot als een blauwe wolk in de lucht

blijft zweven.

» In het onderhavige geval gebeurde echter niets van dien aard.

De omgeving was even kalm als te voren, doch geen enkele-

der olifanten was onder het moordend lood bezweken. Eenigs-

zins teleurgesteld over dezen ungünstigen uitslag, zaten wij in

een kring terneder en poogden de verloren vochten des lichaams

weder aan te vullen door 't genot van koude thee, toen op eens

vak bij olls een geweerschot viel en de kreet Mati, mati (dood,


^^^^

Huis te Al

(Une maison à


üaT PftI >djang.

n mhan pandjang.)


164

dood) ons verrast deed opspringen en waarlijk, toen wij als één

man naar de plek stormden, van waar het schot kwam . daar la-

de doode kolos geen twintig passen van de plaats, waar hij

weinige oogenblikken te voren rustig te midden zijner makkers

verwijlde. Een der pradjoerits had zich unbemerkt verwijderd

om het spoor der vluchtende dieren een eindweegs te volgen,'

toen hij de zoo welkome ontdekking deed.

„Zoo was dan het jagershart ten slotte toch bevredigd en de-

terugweg, ofschoon even vermoeiend als het begin d^er jacht

scheen niet half zoo lang onder de vroolijke gesprekken, die'

natuurlijk alle het gebeurde tot onderwerp hadden."

Onze platen geven enkele belangwekkende kijkjes op wat de

Sumatra-expeditie te aanschouwen kreeg. Laat ons intusschen

nog even aan Sumatra's Westkust toeven bij den onlangs voltooiden

spoorweg en het schoone land, dat hij doorstoomt. Aan dereede

te Padang laat de boot achter het eilandje Poeloe Pisang het

anker vallen. Van de hoogte, waarop de seinpaal geplaatst is

wordt de nadering van een schip reeds drie à vier uren te voren

bespeurd , zoodat het aantal prauwen en sampans, om de sche-

pen te verwelkomen, altijd zeer groot is; de ligplaats is dan

ook wel een uur rodens van den ingang der rivier verwijderd.

Van uit zee ziet men op het strand het monument voor den

lu.tenant-kolonel A. T. Raaff. die van 1821 -,824 er resident was.

Naar t N. ,s het terrein langs de kust vlak en daar ,s dicht

langs het strand de ruime, gezonde stad gebouwd. Men vindt

er breede, lommerrijke wegen, omzoomd door inlandsche kam-

pongs of door de ruime woningen der Europeanen. Op het Michiels-

ple.n verrijst het monument van generaal Michiels, die in 1837

als militair commandant van Sumatra's Westkust den beruchten

reeds m 1821 uitgebroken Padrie-oorlog, tot een goed einde

bracht. De Padries, leden eener godsdienstige secte, hadden aan

de Westkust hunne heerschappij steeds uitgebreid en onderdruk-

ten de bevolking, die bij ons gezag steun zocht. Het langst

handhaafden zij zich „1 Bondjol, terwijl ze in ,838 te


i65

Daloe-Daloe uit hun laatste schuilplaats werden verdreven.

Aan de fraaie Belantong ligt het hotel van den Gouverneur.

Alle huizen zonder onderscheid rusten op palen. De inlandsche

kampongs liggen grootendeels in de nabijheid van het strand

en de rivier; de Chineezen en Klingaleezen (van de kust van

Coromandel of Kalinga) wonen in afzonderlijke kampongs.

Aan de andere zijde der rivier rijzen overal steile rotsen omoog,

die uitloopers zijn van het hoofdgebergte en diep indringende

baaien omsluiten. Een dier uitloopers eindigt in den kegelvormigen

Apenberg. die een schiereilandje vormt. De Apenberg is

weelderig begroeid en het dichte hout is doorsneden met paden,

die naar den hoogsten top voeren , waar men een heerlijk mooi

vergezicht kan genieten over de maleische woningen onder de

fraai gevederde kokosboomen, de met eilandjes en schepen bezaaide

zee, de vlakte naar het N. en de halvemaanvormige stad,

zich voordoende als een kokosbosch.

De voornaamste merkwaardigheid van den berg bestaat in

eene apenkolonie, die daar sedert eene lange reeks van jaren

gevestigd is en onder de bescherming staat van plaatselijke ver,

ordeningen, welke streng verbieden , de apen te vangen of te

storen. Sedert den bouw van het havenlicht zijn ze echter sterk

verminderd. „Zij behooren", zoo schrijft prof Veth in 1885,

"tot de in troepen van 10 tot 50 gezellig levende soort, die de

zooiogen Macacus cynomolgus, de Nederlanders meerkatten of

gnjze apen en de Maleiers monjet noemen, de vroolijkste en

gültigste van alle vierhandige geslachten. Bezoekt men de plek

m den vroegen morgen, dan ziet men de apen in grooten getale

aan het strand vergaderd ; zij springen rond op de rotsblokken,

maken jacht op schelp- en schaaldieren, baden zich in de zilte

golven en reinigen en wasschen hunne jongen Plotseling springen

Z'J onder luid geschreeuw weg, slingeren zich van boom tot

oom en verdwijnen soms eensklaps in het bosch. Ze zijn echter

'o strekt niet schuw en zich hunner veiligheid bewust, gapen

J e toeschouwers met brutale nieuwsgierigheid aan."

an de ten Z. van Padang gelegen Koninginnebaai en Emma-


Beeldhouwwerk van een ouden Hindoe-tempel.

(Statue hindoue.)


Twee vergroeide boomen.

(Arbre remarquable à Moearn-Laboe.)


168

haven begint de nieuwe West-Sumatraspoorweg. Op die plaats

staat het flinke, ijzeren gebouw voor de spoorwegbureaux. Het

plan voor dien spoorweg heeft vrijwat wederwaardigheden beleefd ,

vóór het zijne verwezenlijking nabij was. Ontstaan door den wensch,

om de door den mijningenieur W. H. de Grève in 1867 en 1868

ontdekte steenkolenlagen ten O. van het Singkarah-meer produc-

tief te kunnen maken , hield het plan achtereenvolgens de in-

genieurs de Grève, die helaas, in 1872 bij peilingen in de rivier

verdronk, R. D. M. Verbeek en J. L. Cluysenaer lange jaren

bezig. In het „Feestblad" , door de Delftsche studenten bij het

jongste lustrum uitgegeven, wordt aan Willem Hendrik de Grève

eene warme en welverdiende hulde gebracht. Cluysenaer zond

verschillende plannen en rapporten en het vierde, dat hij in 1884

aan de regeering deed toekomen, vond bijval. Het oorspronkelijk

idee van een vervoer naar de oostkust had men toen reeds als

niet te verwezenlijken laten varen. De moeilijkheden bij dezen

spoorweg waren vele om de terreingesteldheid, want men moest

den Boekit Barisan over, om van Solok de toen nog Brande-

wijnsbaai geheeten golf bij Padang te bereiken, en nu was het

de vraag welke der bergpassen de minste bezwaren in den weg

stelde. Het'resultaat van de overwegingen was, dat in 1887 tot

staatsaanleg werd besloten, dat de weg van het Soengei-Doerian-

kolenveld door de Soloksche vlakte langs den Oostdijken oever

van het meer van Singkarah, noordwaarts naar Padang Pandjang

zou loopen, waar een zijtak naar Fort de Koek zou beginnen.

De hoofdlijn gaat door de Kloof van And van Padang uit of

liever van de door minister Keuchenius herdoopte Brandewijnsbaai,

die nu Koninginnebaai heet. De eigenlijke haven wordt Emma-

haven genoemd ; een zijtakje verbindt nog het station Padang

met de handelswijk aldaar. Aan den hoofdingenieur bij den dienst

der staatsspoorwegen op Java, den heer J_. W. IJzerman, wiens

echtgenoote, mevr. IJzerman-Junius, onder den naam Annie

Foore zich als schrijfster een welverdienden naam verwierf, werd

met toekenning van eene groote mate van zelfstandigheid de

hoofdleiding toevertrouwd. Dat de leiding bij „vader IJzerman",


169

zooals het ondergeschikt personeel hem noemt, in goede handen

is, bleek dit jaar (1893I nog weer op treffende wijze. Terecht

heet hij „de man met den sprekenden naam", hij, die zoo

kloekmoedig aan allerlei moeilijkheden het hoofd biedt. In den

nacht van 23 op 24 Dec. 1892 vielen er hevige regens in het

Anei-dal, alle zijtakken stegen tot een buitengewoon peil, reuzenstammen

werden ontworteld en weggevoerd, geen wonder,

dat de bruggen tegen den bandjir niet bestand bleken. Toen de

heer IJzerman onmiddellijk ter plaatse was, moest hij in den

spoorwegdijk een opening van 90 M. constateeren ; de baan was

over lengten van 80 en 100 M. weggeslagen evenals de spoordam.

De Anei, die vroeger ook wel „bandjirde," was nu zooveel

boozer, omdat haar bed door de spoorwegwerken, den dijk

en de zeven dwarsdammen met pijlers en bruggen aanmerkelijk

was vernauwd.

Met ijzeren wilskracht is men aan het werk getogen, dwangarbeiders,

ook die bij de Ombiliënmijnen werkzaam waren, zijn

aan den urgenten arbeid bij den spoorweg gezet, noodbruggen

zijn gebouwd en dezen zomer nog is de ramp hersteld en rijdt

men weer door de kloof. Daar de kolenexploitatie nog niet aan

den gang was, blijft de schade gelukkig betrekkelijk gering.

Over een mogelijke herhaling zijn hier en daar sombere voorspellingen

gedaan, maar de bandjir van 18 Juli '93, waarbij het

water twee M. boven zijn gewonen stand rees, heeft de deugdelijkheid

der voorzieningen bewezen, want noch spoorweg, noch

kunstwerken hebben eenige schade bekomen.

In den aanvang hadden enkele der zake kundigen een zwaar

hoofd in het aangrijpingspunt der steenkolenlagen en hadden

voor de Sawa Loento-vallei liever een noordelijker gelegen punt

,n het dal der Ombiliënrivier gekozen willen zien. Het in 1887

door de Tweede Kamer gevoteerde plan droeg hunne goedkeuring

niet weg, omdat zij aan de eerst gewilde spoorwegrichting

via Soebang de voorkeur zouden hebben gegeven, waarbij

-sawa-Loento als beginpunt paste.

Hoe dat echter zij, ieder moet erkennen dat er met ijver is


Woning van een b'

(Demeure d'un riche '


j^eiaar te Kota Ba,-,,,.

, gehand à Kota-BaIOe


172 «

gewerkt en dat, al bedragen de kosten volgens nu mogelijke berekening

nog/130,000 per KM., (Vragen des Tijds, Aug.'93)

alles zeer eenvoudig is ingericht en 't karakter eener industriebaan

draagt. Waar 't kon, ligt de spoorweg op den postweg

en om goedkoop te werken, is het amerikaansche look-out systeem

gevolgd. Het woord diaga (pas op) onder een bordje,

waarop een locomotief geteekend staat, vervangt bij de talrijke

overwegen onzen wachter.

Reeds in Juli 1891 werd de lijn Padang-Padang Pandjang

voor 't publiek geopend en de nu voltooide spoorweg is een

der groote wonderen van ingenieurskunst. De namen van Ruys

en Wijnmalen, Post, Delprat, Karsten, Wijss, Grinis Plaat en

André de la Porte zijn er onafscheidelijk aan verbonden. Zoowel

aan hunne vinding en hun overleg, als aan de physiche

krachten, waarover ze te beschikken hadden, werden hooge

eischen gesteld. Het meten in zwaar terrein met veelal ongenaakbare

hoekpunten en rivieren, die herhaaldelijk moesten

worden doorwaad, zooals bij de kloof der And en langs de

hellingen der Soengei Lassi en der Si-Loengkang het geval was,

onder een tropisch zonnetje met nu en dan een tropische regenbui

ter afkoeling, eischte een gezond en sterk gestel. Voor liefhebbers

van natuurschoon moge er bijna geen fraaier streek

denkbaar zijn dan de steile bergweg voorbij de halte Kandang

Ampat in „De Kloof", waar de nagenoeg vertikale rotswanden

van den waterspiegel tot de kruin bedekt zijn met een weelderigen

plantengroei, voor spoorwegingenieurs verviel veel van het

mooie, als zij tusschen en langs die steile wanden moesten passen

en meten, ten einde een bruikbaar tracé te vinden met

bogen van geen kleiner straal dan 150 M. en met geen steiler

hellingen dan van 70 per duizend

Aan de Koninginnebaai logeerden de ingenieurs in het ijzeren

bureaugebouw, dat van September 1887 af, toen de werken

aan de haven zijn begonnen, steeds uitmuntend heeft voldaan.

Met zijn dubbele wanden, waartusschen steeds luchtbeweging

plaats heeft, zijn dubbel dak met ventilatiekap en zijne luchtige


'73

galerij aan alle zijden, was het een uiterst koel en prettig verblijf,

dat steeds volkomen vrij bleef van witte mieren en ander

ongedierte. Voor Indië kunnen zulke goed ingerichte ijzeren

huizen niet genoeg worden aanbevolen.

De wijze, waarop de werkkracht van veroordeelden gebruikt

is, heeft bij den spoorwegbouw op Sumatra uitmuntende resultaten

gegeven. De personen, op Java tot 5 en meer jaren dwangarbeid

veroordeeld, werden er aan den arbeid gezet. Het geregelde

werk onder streng toezicht heeft hun goed gedaan en

verscheiden van hen zijn flinke ambachtslui geworden. Als vrijearbeiders

bij de spoorwegwerken had men vooreerst de Chineezen,

die een krachtig lichaam, een zekere mate van intelligentie,

een taai geduld en den vasten wil om te slagen meebrengen.

Uitmuntend geschikt voor zwaar en moeilijk grondverzet, laten

zij zich ongeveer het dubbele betalen van hetgeen de inlanders

verdienen, doch daarvoor presteeren zij dan ook soms driemaal

zooveel werk! De Javanen en Soendaneezen, die uit eigen beweging

naar Sumatra zijn gekomen, om aan den spoorweg tewerken,

zijn geschikt voor mandoer, machinist, aannemer,

stoker enz.

Bij het ontwerpen van gebouwen, kaaimuren en het havenemplacement

stuitte men op groote moeilijkheden, die men niet

had voorzien, want de koraalplaat, die men zich als op den

rotsgrond rustend had voorgesteld, bleek een betrekkelijk geringe

dikte te hebben en op eene peillooze diepte van zachte modder

te rusten. Alles moest dus van lichte constructie zijn. Even na

Padang moest de Padangrivier worden overbrugd, 't geen geschiedde

door een fraaie ijzeren brug met drie openingen, twee

van twintig en een van zestig meter. Aan bruggen trouwens geen

gebrek. Op den langen noordwaarts gaanden weg langs de zee

naar Padang Pandjang of liever naar het eerste station Kajoe

Tanam, had men reeksen van rivieren, die van de bovenlanden

naar zee stroomen, dicht bij hare mondingen te passeeren en zoo

zijn er verscheiden meer of minder fraaie en kunstige bruggen

gebouwd over de Djattie-rivier, de Oedjoeng Karang, de Soengei


Rijstschuren te Kota Baioe.

(Granges à riz.)


176

Tarong, de Pandjalinan, de Loeboek Boeaja, de Kasang, de

Anei, de Tepakis, de Oelakanrivier en nog een paar meer.

Bij het genoemde station Kajoe Tanam is het uit met de

vlakte-lijn-spoorwegen en begint het tandradspoor de lijn te beheerschen;

hier moet dan ook de verdeeling van den trein plaats

hebben, omdat die niet in zijn geheel tegen de hellingen van

het tandradspoor kan worden opgetrokken. In Februari 1890

begon het spoorleggen van Kajoe Tanam uit; nu moest met

hellingen van 5 1 per duizend tot 23 per duizend gestegen worden,

en zoo kunstig is het tandradspoor aangelegd, dat men in den

trein zittend niets buitengewoons bespeurt; slechts komt de trein

bij eventueel stoppen iets sneller tot staan dan op adhaesie-spoor.

De locomotief is steeds aan het laagste eind van den trein, duwt

hem tegen de hellingen op en houdt bij het naar beneden gaan

tegen. Bij het breken van noodkettingen of haken kan dus nooit

een deel van den trein terugloopen.

Padang Pandjang, waar 6 Januari 1891 de eerste werktrein

aankwam, is als kruispunt van de wegen naar Padang, Fort de

Kock en Solok, een aardig levendig stadje met drukke markten

en veel vertier. De zijtak naar de residentieplaats Fort de Koek

gaat in noordelijke richting van den hoofdspoorweg af, en zuidwaarts

gaat nu de lijn langs het mooie , stille Singkarah-meer

naar de Sawah-Loento-vallei, de vindplaats der steenkolen Langs

het meer moesten enkele grintbeddingen worden overbrugd en na

het aan 't zuidelijk uiteinde gelegen kleine welvarende stadje

Singkarah te zijn gepasseerd, loopt de lijn naar Solok midden

door vruchtbare rijstvelden. Een interessant punt is daarna nog

de 825 M. lange tunnel bij Moeara Kalaban, die tot het beloofde

land, de Loento-vallei met haar kolenveld, het stoompaard toegang

geeft. Drie kolenlagen zijn er zichtbaar; de twee bovenste

hebben ieder eene dikte van 2 M„ de onderste laag is 6 M. dik.

Van de rivierbedding af zijn deze gevolgd tot in den bergwand

op de hoogte, waar men met de mijngangen begint. De mijningenieur

P. H. R. Pierre werd in Augustus 1892 met de leiding

der exploitatie belast. In Juli 1893 zijn de eerste Ombiliënkolen


177

te Soerabaya per s.s. Celebes gearriveerd en wel een lading van

2000 ton, terwijl de marineschepen en die der Paketvaart ze

reeds alle innemen. Als de ontgraving der kolen eenmaal in

vollen gang is, en er jaarlijks minstens 200,000 ton steenkolen

naar de Emmahaven worden vervoerd, zooals men voornemens

is te doen, dan zal er leven en bedrijvigheid in de Loento-vallei

heerschen. Het werd trouwens ook tijd, want het vijfde lustrum

na de ontdekking der kolen, behoort reeds tot het verleden.

Door dezen spoorweg zal tevens weer een steentje losgeraakt

zijn van die barrière, die, zooals ik vroeger opmerkte, Midden-

Sumatra voor ons afsluit, want ook door de voordeden van spoorwegen

en andere verkeersmiddelen te leeren inzien, moet de inlandsche

bevolking tot waardeering der met vreedzame bedoelingen

komende Nederlanders worden gebracht.

Voor nog enkele beelden uit Midden-Sumatra vraag ik thans uwe

aandacht. De uit bamboe en rotan gemaakte hulpbrug over de

Batang Masang is in de buurt van Fort de Koek. Ten zuiden

van, Solok ligt te midden eener met sawahs goed bebouwde

vlakte het dorp Soepajang en van daar leidt een pad langs eene

steile berghelling zigzagsgewijze naar de hoogvlakte van Alahan

Pandjang. De plaats zelve ligt op een 1500 M. hooge vlakte en

heeft een zeer aangenaam klimaat ; op den weg van Soepajang

erheen is het uitzicht bijzonder mooi en de schoone gezichtspunten

nemen in aantal toe, als men, door het dorp gaande, de

mooie, in maleischen stijl gebouwde brug passeert, om den heuvelrug

aan de andere zijde te beklimmen. Die overdekte brug ligt over

de rivier Goemanti, een zijtak van de Batang Hari of Djambi,

die hier nog onbeteekenend klein is, maar later veel dieper en

breeder wordt en zijnen oorsprong neemt uit een der vier bergmeren

van den vulkaan den Talang, een der toppen van den daar

wel 2000 M. hoogen Boekit Barisan. Bij die brug zag de heer

Veth den prachtigen vruchtboom , die mangga's droeg en door

de inlanders paueboom werd genoemd. De woningen in Alahan

Pandjang schijnen verschillende reizigers en teekenaars te hebben


Be Piek V» !

(Le pic d e


fun Korintji.

le Korintji.)

^^Çh,^Kj(k^\


i8o

uitgelokt, ze in woord of beeld te schetsen. Ze zijn meestal

rijkelijk met snijwerk versierd, dat wel grof is, maar door de

alleraardigst bonte kleurschakeering een fraai effect maakt. De

balei, een soort van gemeentehuis, waar ook dikwijls doortrekkende

reizigers onder dak worden gebracht, is mede aldus versierd

en zelfs de rijstschuren doen er blijkens onze afbeelding

aan mee. Het taboe-huisje vóór de woningen der aanzienlijken

is een afdak , waaronder een uitgeholde boomstam hangt, met

geitenvel bespannen, die taboe heet. Bij feesten en plechtigheden

evenals ook bij rampen of ongelukken, wordt erop geslagen , om de

bevolking bijeen te roepen, waartoe het op grooten afstand hoorbare,

doffe geluid best in staat is. Deze „taboe" is dus niet te

verwarren met de op de Zuidzee-eilanden gebruikelijke uitdrukking

, voor wat door de priesters geheiligd en ongenaakbaar is

verklaard.

De reeds genoemde vulkaan met zijne vier schoon gelegen

bergmeren, waarvan het hoogst gelegene 't kleinst is, vertoont

op zijnen top een prachtige, rijke vegetatie, waar varens van

meer dan dubbele manshoogte hier en daar het pad onbegaanbaar

doen zijn. Door de spleten dringen aan de kale zijde van

den top voortdurend zeer heete dampen omhoog, maar die

moeilijkheid en 't lastige loopen op de met losse steenen bedekte

paden, worden alle ruimschoots vergoed door het uitzicht,

dat boven te bewonderen valt. De piek van-Korintji,

Padang met den Apenberg, de Soloksche vlakte en het meer

van Singkarah , dat alles is bij eenigszins helder weer duidelijk

te zien en rechtvaardigt de meening, dat het uitzicht van den

Talang met de schoonste zwitsersche berggezichten de vergelijking

kan doorstaan.

Ten Oosten van Alahan Pandjang ligt de kampong Grabak

en in Z. O. richting leidt een bijna twaalf uur lange, voor de

pedati's of tweewielige met een buffel bespannen karren, uitstekend

berijdbare weg naar Moeara Laboe, een plaats van

nog jonge dagteekening, die slechts bestaat uit de woning van

den controleur, de woningen van eenige andere beambten en


i8i

het koffiepakhuis met weinige inlandsche huizen. Nu de bovengenoemde

spoorweg er vlak in de buurt bij Kota Baroe passeert,

zal het zeker een veel levendiger plaats worden dan in

1877, toen de heer D. D. Veth na een paar dagen van eenzaam

omzwerven voor zijne onderzoekingen weer met de heeren van

Hasselt en Snelleman in de controleurswoning samentrof. Van

Moeaia Laboe deden zij toen te zamen eenen tocht naar de XII

Kotta's, het zuidelijkste landschap van de residentie Padangsche

Bovenlanden, waarvan de grootste kampong die is, welke den

naam Bedar Alam draagt en door een grooten kring van

sawahs is omgeven. De huizen vonden ze er allerellendigst onderhouden

; overal ontbraken planken, van het oorspronkelijk

snijwerk was weinig meer te zien en de erven hadden een verwaarloosd

en slordig voorkomen. Een ervan werd door den heer

Veth gephotographeerd. Toch waren al die erven door paggers

en slooten omringd , zoodat men gedurig over brugjes moest gaan

en over hekjes moest klimmen. Die voorzorgen maakten een

grappig contrast met het voorkomen der huizen en hunne omgeving,

waaraan niet veel te bederven scheen.

De bewoners dier XII Kotta's verschillen nog al van hunne

buren in andere deelen der Padangsche Bovenlanden. Zij dragen

de lasten op den rug, terwijl de andere bewoners der Bovenlanden

dat op het hoofd doen en de haardracht wijkt ook af, want

bij de mannen ziet men hier veelal lang haar, dat tot over de

schouders hangt; elders wordt het kort geschoren. De vrouwen

leggen het haar op het hoofd samen en winden er dan een

doek om, terwijl zij in de andere streken het haar in een soort

van wrong op de één e zijde van het hoofd dragen. De taal is

van allen echter dezelfde; alleen brouwen de bewoners der XII

Kotta's nog sterker en slikken nog meer letters, ja lettergrepen

in, zoodat ze nog moeilijker te verstaan zijn dan de anderen.

Weer een beeld uit den omtrek van Moeara Laboe is de waterval

van de Timoeloen, waar het water zich van een dertig

meter hoogen rotswand in een smalle en donkere kloof stort.

Zulke watervallen heeft die rivier hoogerop nog veel meer en


Rotan-brug over de Bangko.

(Pont de rotins sur le Bangko.)


184

nu en dan is zij niet minder onstuimig dan de Bangko, waarover

een mooie, voor voetgangers bestemde hangbrug van rotan

is geslagen.

Verder brachten de heeren van de Sumatra-expeditie een bezoek

aan den kampong Soerian iooo M. hoog gelegen op een

berghelling met zeer veel koffieaanplantingen in de buurt. Een

watermolen was er in werking voor het ontbolsteren der koffie

en groote droogloodsen waren gedekt met daken, die geheel

konden openslaan , zoodat de koffie bij zonneschijn van de warmte

profiteerde en de daken des nachts en bij regen werden gesloten.

Voortdurend vereischt namelijk de koffie groote zorg, van den

tijd af, dat de zaadjes in de kweekbedding worden gelegd, tot

de beide glibberige boontjes uit het koffievruchtje zijn verwijderd.

Op bijna alle bergachtige terreinen in Indië komt de koffieboom

in velerlei graden van ontwikkeling gekweekt voor. De rechtopstaande

boompjes met hunne uitstaande takken en glimmende

leerachtige bladeren leveren een aardig gezicht op. Een krans

als van roode kersen slingert zich boven elk tweetal bladeren

om den stengel heen, telkens een dertigtal of meer boven elk

paar. Hier en daar steekt een sierlijk gevormd wit bloempje

tusschen een groep vruchtjes uit, de voorlooper van eiken nieuwen

bloei. Vorm en geur herinneren aan de jasmijn ; de bloempjes

komen in éénen nacht te voorschijn en duren één hoogstens tweedagen

; dan verflenst het fijne bloesempje en neemt een roestkleur

aan. De koffiebloem heeft meeldraden en stamper, die tegelijkertijd

rijp zijn en waarvan men weet, dat er zelfbestuiving bij plaats

heeft. Valt de bloeitijd nu samen met harden wind, dan brengen

tal van vruchten in plaats van twee boonen slechts één tot rijpheid.

Indien zich één boontje in de vrucht ontwikkelt, wordt dit

geheel rond en onder den naam van mannetjeskoffie wordt die

soort ingezameld. Zoo doet men ook met de zoogenaamde loewakkoffie

; telkens ziet men in de paden hoopjes boonen liggen,

die, volkomen van het roode vruchtvleesch of de pulpa ontdaan,

daar achtergelaten zijn door een soort van bunsing of loewak,

een dier, dat 's nachts door de koffievelden sluipt en de roode


i85

vruchten eet. In zijn spijskanaal wordt slechts de pulpa opgelost,

terwijl de boonen geheel ongedeerd weer buiten het lichaam

komen. De doffere kleur, die de boonen aannemen, is voor de

koopers een middel, om de loewakkoffie van andere te herkennen.

De manier, waarop de boonen van het vruchtvleesch worden

ontdaan, is lang niet op alle koffielanden dezelfde. Op de goed

ingerichte etablissementen op Java brengt een stoommachine

den zoogenaamden pulper in beweging, eene machine, die uit

twee draaiende, met metalen knobbels bezette schijven bestaat,

waartusschen de kersroode vruchtjes gebroken worden en de

beide boontjes vrij komen. Een krachtige waterstraal voert die

laatste in een grooten gemetselden bak, waar de fermentatie

plaats heeft, een gistingsproces, waardoor het glibberige laagje

verdwijnt. In de droogschuren met de daken, die opgeslagen

kunnen worden, wordt het vocht uit de boonen verwijderd. De

droge zaden komen in groote cilinderzeven met verschillend

groote gaten, waardoor de boonen naar de grootte worden gesorteerd

om daarna verpakt te worden.

Onze verdere platen na die van den pasar te Lolo betreffen het

tweede gedeelte van den tocht, de poging om van Palembang

uit diep in het binnenland door te dringen. In die aan de moerassige

oostkust gelegen zeer drukke handelsstad is evenals in Atjeh de

bezetting in den voormaligen kraton gevestigd en achter de hooge

steenen muren verrijzen de helderwitte wanden van een der fraaiste

moskeeën uit den Indischen Archipel. Palembang is dan ook

een heerlijk oord voor het Mahomedanisme ; 't is een broeinest

van hadji's en fanatieke Arabieren. Hier als bij alle andere

mahomedaansche bedeplaatsen treft de soberheid en eenvoudigheid

van de binnenruimte als tegenstelling tot de rijk versierde

buitenzijde. De bamboe-huizen, op vlotten gebouwd, die de rivier

van Palembang verlevendigen, ontmoet men ook weer op de

Djambi of Batang Hari, die, zooals wij weten, een eind werd

opgevaren. Aan een der zijtakken, de Rawas, ligt het welvarende

dorp Bingin Telok en de rivier wordt druk bevaren door

prauwen, waarin de heer Veth mannen en vrouwen ontmoette,


i88

die met manden op weg waren naar de ladangs, om de rijpe

padi te snijden. De dorpen worden in deze streken doesoens genaamd,

en de controleurswoningen, „het etablissement", zooals ze

daar zeggen, vertegenwoordigen den zetel van het niet zeer gewilde

nederlandsche gezag.

Tot Soeroelangoen was het terrein vlak; maar bij het landschap

Limoen, begon het berg- of liever heuvelland. Moeara

Menkoelem en Napal Litjin waren de beide dorpen, die aan de

Boven-Rawas werden bezocht. Daar was de verstandhouding met

de bevolking zeer goed. De Dipati's of hoofden ontvingen de

reizigers ten hunnent, maar waarschuwden voor de vijandige gezindheid

der verder westwaarts wonende stammen, terwijl ook

hun zelven de westelijk leidende wegen geheel onbekend waren.

Een van hen, die wij reeds noemden, Pajong Poetih, deed nog

ijverig zijn best de hoofden gunstiger te stemmen, maar toen

het ook onmogelijk bleek, voldoende dragers en koelies te krijgen,

moest aan den zwerftocht door Midden-Sumatra, die weken

aaneen had geduurd, wel een eind worden gemaakt.

Doesoen Tenga is een der dorpen, dat door den resident van

Palembang, den heer Pruys van der Hoeven, werd aangedaan,

toen hij na Schouw Santvoort's dood in 't begin van 1878 vóór

de aankomst van luitenant Cornelissen met de Barito ver de

Djambi opvoer. Hij vond in de buurt van Djambi ook sporen

van een ouden Hindoe-tempel, ten minste verscheiden Ganesabeelden

trof hij er aan. Toen de Barito naderde, verliet sultan

Taha zijne gewone verblijfplaats, Teloek Rendah; zijn geweten

dreef hem waarschijnlijk op de vlucht voor den nederlandschen

overheidspersoon.

En zoo, onze plaatbeschouwing eindigend met het slot der

Sumatra-expeditie, zooals we ons praatje over Midden-Sumatra

met den aanvang van die onderneming openden, gaan wij over

naar een ander deel van Sumatra, een deel waar we anders

dan in Atjeh en anders dan in Midden-Sumatra van een vreedzaam

succes zullen kunnen gewagen.


ZESDE HOOFDSTUK.

DELI EN DE TABAK.

De Deli-maatschappij zal weldra het feest van haar vijf-entwintig-jarig

bestaan kunnen vieren en zal dan kunnen terugzien

op een kwart eeuw van ijverigen arbeid, waarin zij door

haar kloeken ondernemingsgeest veel goeds heeft tot stand gebracht.

Wat coöperatie van kapitalen vermag is hier weer duidelijk

aan 't licht getreden, waar een wildernis van moeras en

bosch binnen enkele jaren herschapen werd in eene winstgevende

landbouwstreek, die duizenden en duizenden werk en brood bezorgde.

Eere dengenen, die de wig der beschaving daar zoo

diep in Sumatra hebben ingedreven !

Het landschap Deli aan Sumatra's oostkust, ten N. en ten Z.

ongeveer op gelijken afstand geflankeerd door de landschappen

Langkat en Serdang, maakt deel uit van de onderhoorigheden

van Siak, die een aanvang nemen bij de Tamiangrivier, waar

het rijk Atjeh eindigt, en zich tot bezuiden de Siakrivier voortzetten.

Door een verdrag met den sultan zijn ze in 1858 onder

het nederlandsch gezag gekomen en vormen sinds 1873 een

nieuwe nederlandsche residentie met Bengkalis als zetel des bestuurs.

Als overal aan de oostkust van Sumatra bestond de bodem

uit een breede strook aangeslibden grond en was moerassig, onbewoond

en met maagdelijke bosschen bedekt. Waar intusschen

die aangeslibde bodem van den weligen plantengroei ontdaan en

voor den akkerbouw toebereid wordt, toont hij zich voorbeeldeloos

vruchtbaar. Hij bestaat uit een dikke laag teelaarde met

een ondergrond van zachte klei, geschikt voor eene grootc ver-


T.

3-


192

scheidenheid van producten, rijst, indigo, kokosboomen , pisangs,

notenmuskaat, maar bovenal voor tabak.

Zoo is het geen wonder, dat de nederlandsche ondernemingsgeest

zich van dat terrein veel beloofde en , in Deli aanvangende,

hebben dan ook de landbouwondernemingen zich

daar van alle beschikbare gronden meester gemaakt en hebben

noordwest- en zuidoostwaarts de armen uitgestrekt naar de aangrenzende

landen van Langkat en Serdang. De voornaamste

ondernemer is de in 1869 opgerichte Deli-maatschappij, dieharen

zetel heeft te Amsterdam en waarin de Nederlandsche

Handelmaatschappij voor een aanzienlijk kapitaal is betrokken.

De aanleiding, dat onder de vele beschikbare terreinen op

Sumatra's oostkust de europeesche industrie in de eerste plaats

aan dat van Deli de voorkeur heeft gegeven, is geleden in het

schrander inzicht van den sultan, die hier in 1866 regeerde,

en die in 1873 overleden is. Met het oog op de wezenlijke belangen

van zijn land en volk, ontving hij , in plaats van de

europeesche ondernemers af te stooten, hen met open armen en

was steeds bereid, hun gronden voor hunne ondernemingen af

te staan, alleen zorgende, dat de bewoners niet in het vreedzaam

bezit hunner woningen, tuinen en velden werden gestoord.

Niet alleen de ondernemers varen wel bij de ontwikkeling van

Deli, ook onder de inlanders zijn handel en vertier en veiligheid

van persoon en goed aanmerkelijk toegenomen. De sultan en de

overige hoofden hebben hunne inkomsten zeer zien stijgen;

chineesche en andere immigranten vinden er als koelies werk

en de inboorlingen waren reeds terstond in groot aantal behulpzaam

in het aanbrengen van materialen, het bouwen van schuren

en huizen en het kappen van bosschen, maar zij behooren niet

tot de vaste arbeiders.

Met de rivier van Hamparan Perak vormt de rivier van Deli

eene delta, die uit onderscheiden eilandjes bestaat. De invaart

wordt zeer bemoeilijkt door een uitgestrekte modderbank. Bij

aankomst in den vroegen morgen ziet men heel in de verte de

bergreeks, die den ruggegraat vormt van het eiland ; de toppen


193

der bergen zijn wazig en lichtblauw en zoodra de tropische zon

de dampen optrekt van de tusschengelegen alluviale vlakte,

smelt alles te zamen, de bergen, het rookkolommetje boven een

krater, de wolken, de wasem van kust en zee en, eer ge de

modderbanken der kust hebt bereikt, is het grootsche panorama

verdwenen en blijft slechts over de onafzienbare kustlijn met

hare eeuwiggroene bedekking. Achter eiken riviermond der delta

diezelfde achtergrond van groen , maar de kapitein kent de iets

hoogere boomen van Serdang en ziet uit naar de bakens, dieden

weg wijzen naar de modderbank van Deli. Langzaam aan

scharrelt hij die over; van tijd tot tijd werkt de schroef bruine

moddergolven op; soms ligt men stil, dan weder is aan de

staken, waaraan de visschers hunne netten bevestigen, te zien,

dat er voortgang is, eindelijk schuift de boot in dieper water

en den riviermond binnen. Aan' weerszijden staan de strandboomen

in 't water op pooten als van reusachtige spinnekoppen,

waar tusschen de modder neerslaat, de doode bladeren zich legeren,

de rijpe zaden ontkiemen en zoo zet het rizophorenwoud zijnen

veroveringstocht op de zee voort, langzaam, maar gestadig en

zeker. Als het waar is, wat de sage zegt, dat het nu hoog gelegen

Deli Toewa, 35 mijlen landwaarts in, eens eene havenplaats

was, dan zullen onze kindskinderen hunne tabaksvelden

hebben. waar thans de stoomboot de ankerplaats Belawan bereikt.

Vroeger werden de goederen in maleische schuiten naar de

ondernemingen vervoerd. Toen was de rivier voortdurend bedekt

met de lichters en prauwen, die de gemeenschap met de hoofdplaats

, Laboean Deli geheeten , met de stoomschepen op de reede

en de plantages langs de rivier onderhielden. Zij brachten de

mailpakketten aan, waren met materialen voor het bouwen van

huizen en schuren geladen en voerden de kostbare producten aan

boord der stoombooten, die Deli op de reis naar Pinang en

Singapore aandeden.

Nu trilt er aanhoudend de grond tot in diepe lagen onder

dreunende spoortreinen, nu is hij gevangen onder een dikke zandlaag,

die een netwerk draagt van rails en wissels; nu boren in


Overdekte I"' 11 «

{l'ont couvert ''" l


»g te Lolo.

Batang Lolo.)


196

zijn binnenste heipalen, ijzeren schroeven, steenen fundeeringen,

dragers van stationsgebouwen, loodsen en steigers.

De oude hoofdplaats Laboean Deli ligt een weinig boven het

punt, waar de vertakking der rivier tot vorming der delta begint.

Zij bestaat uit een pasar of marktplaats met aaneengeschakelde

winkelhuizen, die twee lange straten vormen en uitloopen op

den dalem van den sultan en de moskee en uit eenige verspreide

of tot kleine kampongs vereenigde woningen. Vóór den aanvang

van de vestiging der Europeanen vond men op den pasar en

daarbuiten slechts ellendige hutten, waren in de winkels slechts

voorwerpen van dagelijksche behoefte verkrijgbaar en hadden

zich slechts een twintigtal Chineezen, meest goudsmeden, in de

hoofdplaats gevestigd. Thans is Laboean een welvarend stadje

met een groot aantal planken- en steenen huizen, alle op palen

staande , en fraaie nieuwe kampongs. De bevolking dier inlandsche

wijken staat onder een hoofd of oudste, die den titel Datoe

draagt en in kleine zaken recht mag spreken.

Drie à vier uur de rivier op ligt nu het brandpunt der beschaving

in Deli, het fraaie Medan. In 1876 gewaagde prof. Veth

bij eene beschrijving van Deli nog niet eens van die plaats en

nu is het de hoofdplaats van Deli en van de residentie Sumatra's

Oostkust, de standplaats van den resident, van den overstekommandant

der troepen, van den rechtsgeleerden voorzitter van

den landraad, van den predikant, van de vertegenwoordigers

der Deli-maatschappij, der Deli-spoorwegmaatschappij en der

Nederlandsche Handelmaatschappij ; het is de woonplaats van tal

van ambtenaren, officieren en handelaren, middelpunt van den

handel in Boven-Deli.

De eerste hoofd-administrateur, de heer J. Nienhuys, koos in

1869 Medan kort na de oprichting der Maatschappij als zijne

woonplaats uit om de centrale ligging ten opzichte van de toenmalige

bezittingen. In vroegere tijden was Medan eene groote sterkte

der inlanders, die zich daar verdedigden, waarschijnlijk tegen

atjehsche invallen. Overblijfselen uit dien tijd zijn een dubbele

ringwal, die zich ook aan de overzijde der rivier uitstrekt en de


197

landtong insluit, welke daar gevormd wordt door de samenvloeiing

van het riviertje de Boboera en de Delirivier.

Aan de overzij der rivier was de maleische kampong Medan

gelegen, maar waar de heer Nienhuys de palen van zijn huis in

den grond zette, was toen wildernis tot ver landwaarts in. Het

allereenvoudigste plankenhuis is eerst in 1889 door een nieuw

en grooter vervangen. Reeds spoedig na die eerste vestiging te

Medan werd het hoofdkwartier der te Rotterdam opgerichte Arendsburg-maatschappij

gevestigd aan de Voengalrivier meer westelijk ;

dat der Deli Batavia-maatschappij een achttal kilometers boven

Medan aan de Deli en dat van den heer van der Sluys,

later van de Amsterdam-Deli-Compagnie, aan de Boboera. Over

't geheele rijk verspreid waren de vestigingen van een achttal

andere planters. Medan werd toen door een dertig voet brecden

weg langs de rivier naar beneden met Laboean en naar boven

met Deli Toewa verbonden; allengs werden oostelijk en westelijk

wegen naar Serdang en Langkat aangelegd en, hoe gebrekkig

bij gemis aan regeeringszorg deze verbindingen ook waren, vooral

in den regentijd, al spoedig trok de plaats het civiel en militair

bestuur tot zich ; de sultan bouwde in de buurt een paar paleizen ,

tal van europeesche, maleische en vooral chineesche winkels

verrezen er, en nu telt de plaats eenige duizenden inwoners en

is het centrum van spoorwegen naar de ankerplaats Belawan,

naar Deli Toewa, Boven-Langkat en Serdang.

Op 16 Februari 1888 werd de spoorlijn van Belawan naar

Laboean voor het verkeer geopend en thans verdringen zich in

eerstgenoemde havenplaats de stoom- en zeilschepen, worden

er telkens weer nieuwe pakhuizen bijgebouwd, is er een kampon"in

aanbouw en zijn zeven komende en evenveel vertrekkende

treinen nauwelijks in staat alle goederen en passagiers te vervoeren.

De sectie Laboean-Medan werd op 25 Juli 1886 voor

het publiek verkeer geopend, terwijl de afstand Medan-Serdang

8 Februari 1890 gereed kwam.

Ie Medan aankomend van den grooten weg naar Laboean,

passeert men het Immigranten-asyl en het hospitaal der Deli-


Moskee te Palembang.

{Mosijaée de l'alembaiuj.)


200

maatschappij. Dat asyl strekt tot het verplegen van immigranten,

die met chronische of ongeneeslijke ziekten behept zijn, die door

lichaamsgebreken niet in hun onderhoud kunnen voorzien, die

krankzinnig zijn of geene middelen hebben, om zich elders te

doen verplegen. Het is voor 150 personen ingericht en is eene

inrichting, die èn het Planterscomité èn de regeering, die de zaak

gesteund heeft, alle eer aandoet. Vandaar komt men in de mooie,

door kokospalmen beschaduwde laan, die naar een net onderhouden

park met engelsche grasperken en tropische boomen en

bloemen leidt, waarin een zevental woningen van beambten en

het hoofdkantoor der Maatschappij zijn gelegen. Verder omgeeft

een aardig wandelpad, dat een schoone laan belooft te worden,

het stationsplein, waar een groot grasveld zich als een effen

groen laken voor den bezoeker uitspreidt. Een flink aangelegde

renbaan met nette tribune verhoogt Medan's aantrekkelijkheid

en de gezelligheid van den omgang, die er intusschen wei wat

al te veel een deftig javaansch, bijna europeesch karakter aanneemt;

boorden, gekleede zwarte jas en handschoenen zijn er,

helaas, lang geen onbekende zaken meer.

Links van den grooten weg ligt de chineesche wijk, regelmatig

doorsneden met breede straten. Hier vindt de koelie der

onderneming op feest- en rustdagen al wat zijn hart begeert,

winkels met lekkernijen, medicijnen en kleederen uit het Hemelsche

rijk. Voorts het heulsap van den papaver, dat hem ginds

is verboden, varkensvleesch, sterke dranken en gelegenheid,

om zijn geld en goed te verspelen of te verpanden.

Rechts kronkelen nauwe laantjes en paadjes tusschen een mengelmoes

van chineesche, javaansche, bengaalsche, europeesche

en maleische winkels en eet- en slaaphuizen en hoogerop staat

het nieuwe sultanspaleis met dat voor den djaksa of inlandschen

officier van justitie, zijn factotum.

Zoo blijkt het, dat de wensch, door prof. Veth in 1876 uitgesproken

, is vervuld, dat de welvaart van Deli, die toen door

hem een „nog teere plant" werd genoemd, gewaarborgd is en

dat werkelijk zorg is gedragen voor al die aangelegenheden,


20I

waarvan toen, volgens hem, de toekomst van Deli afhing, nl

voor „de handhaving der politie op de ondernemingen, de waarborging

der rechtszekerheid van de contracten tusschen landheeren

en arbeiders, de zorg voor een spoedige en doeltreffende

rechtsbedeling en de verbetering van den toestand der reede "

En nu de tabak zelf, het Deli-product bij uitnemendheid I De

plant behoort tot de solaneeën, een plantenfamilie, waaronder

vele vergiftige gewassen voorkomen, maar die toch onzen aardappel

mede onder hare leden telt. Laat ons even hare historie

ophalen. Eerst in 1496 werd in Europa de aandacht op de tabak

gevestigd. Columbus had, toen hij voor de tweede maal

Amerika verliet, op het eiland St. Domingo een spaanschen

monnik achtergelaten, Romano Pano. Deze monnik deelde in

datzelfde jaar mede, dat de inboorlingen van het eiland de zonderlinge

gewoonte hadden, een zeker kruid, kohoba, te rooken

uit pijpen, die zij tabako's noemden. Ook wel wikkelden zij een

gedroogd blad van dat kruid in een maisblad, staken het eene

eind van het rolletje aan en trokken met den mond aan het

andere einde er rook uit. Die rolletjes noemden ze ook tabako's.

De pijpen, door de Indianen gebruikt, hadden den vorm vaneen

holle vork, waarvan zij de tanden in de neusgaten staken, terwijl

ze het trechtervormig eind over een bekken hielden, waarop

droge /W^«-bladeren lagen te smeulen. Op die manier ademden

zij den rook in.

In 1519 vonden de Spanjaarden het rooken in Mexico algemeen

in zwang. De Mexicanen mengden onder de tabak nog

rozenbladeren of welriekende hars en toen den veroveraars de

vredespijp werd aangeboden, mochten zij die niet weigeren.

Weldra kregen ook de Spanjaarden smaak in het rooken; zij

noemden de plant tabak en een klein eiland, waar die plant

veel groeide, Tabago van de kleine Antillen, werd er naar genoemd.

^ Aanvankelijk bracht men naar Europa enkel tabakszaden, die

°j a ' 'n 1558 in Lissabon werden uitgezaaid. Daar trokken de

P anten de opmerkzaamheid van Jean Nicot, den franschen gezant

aan het portugeesche hof. Toen hij in 1560 naar Parijs


Waringin-boom bjj So

{Un waf'wgi


Soeroelangoen

gin.)


204

terugkeerde, nam hij eenige plantjes en zaden mee en gaf ze als

een botanische merkwaardigheid ten geschenke aan de Regentes,

Catharina de Medicis, die het geschenk bereidwillig aanvaardde

voor den botanischen tuin te Parijs. Zij gaf haar zwakken , lijdenden

zoon, Karel IX , den raad, de snuif te gebruiken tegen hoofdpijn.

Het voorbeeld, door het hof gegeven, werkte aanstekelijk

en de gewoonte, om tabak te snuiven, verbreidde zich weldra

door het gansche land en over de grenzen. Zelfs de fransche

dames snoven en droegen een kostbaar doosje met door amber

geparfumeerde tabak bij zich.

De bladeren van de plant werden in den aanvang enkel in

de geneeskunde gebruikt. Men weet, dat in dien tijd alle vreemde

planten het eerst aan de doctoren werden gegeven, om er de

geneeskracht van te onderzoeken en zoo werden ook de ongedroogde

tabaksbladeren, evenals de door heeten damp daaruit

geperste olie tegen hoofdpijn, maagpijn, hoest, jicht en kiespijn

gebruikt.

Toen de Engelschen tegen het einde der i6 de eeuw de tabak

leerden kennen, begonnen ze die terstond te rooken of te

„drinken", zooals men toen zei. Zij brachten die gewoonte mee

uit Virginie en maakten de aarden pijpen der Indianen na ; hunnematrozen

en soldaten deelden hunne bekendheid met het rooken

aan de Hollanders mee en later in den dertigjarigen oorlog ook

aan de Duitschers, toen ze den „winterkoning" in Boheme als

hulptroepen dienden.

Natuurlijk bleef de oppositie tegen het nieuwe niet uit. De

universiteit van Oxford verklaarde in 1605, dat het rooken eene

uitvinding des duivels was; paus Urbanus VIII vaardigde in 1692

den kerkban tegen de rookers uit, doch een zijner opvolgers.

Benedictus VII, hief dien in 1724 weer op. Vau dien banvloek

ontheven, heeft dan de tabak hare wereldverovering tot stand

gebracht en hoewel er nog steeds gegronde, aan de lessen der

hygiëne ontleende bezwaren tegen het geurig kruid kunnen worden

ingebracht, vindt het in alle rangen en standen en onder alle

hemelstreken zijne vurige vereerders, die, als ze in Deli vertoef-


2C-5

den, zeker niet zouden verzuimen de tabakscultuur in oogenschouw

te nemen.

Langs de wegen zijn op afstanden van 10 vadem (ongeveer

19 M.), stokken in den grond gestoken, die de breedte der

velden aangeven in de nog met bosch of hoog gras bedekte-

wildernis. De diepte van een veld is 150 vadem, dus elk heeft

een oppervlakte van 1500 vierk. vadem of driekwart bouw, (1

bouw = 500 vierk. Rijnl. roede = 7096 M 2 .), en daar de tabaks-

planten elk een ruimte noodig hebben van '/e vierkante vadem,

is er plaats voor 9000 planten. Gewoonlijk neemt men de af-

standen zóó, dat een veld 10000 planten kan bevatten.

Bij loting worden die velden aan de koelies toegewezen en ze

laten er met kennersblik een oog over gaan. Zwaar bosch,

denkt er een, dat geeft veel werk ; veel lalang of hoog gras,

zegt een ander, hier zal de tabak niet zoo goed groeien, terwijl

een derde zich bezwaard gevoelt door het water, dat hij ziet,

en dat slooten graven zal noodig maken. Vóór alles is er zegen

op het werk noodig en de koelie bouwt vóór zijn veld op stokjes

een klein tempeltje met kleurige papieren en brandt er wierook-

stokjes bij, alles om de booze geesten te verdrijven.

Tegenwoordig worden de koeliehuizen niet zooals vroeger ge-

lijkvloers gebouwd, maar vijf voet uit den grond. Ze hebben

een planken vloer, wanden van planken en niet van atap en

zien er netjes en ruim uit. Twee woonhuizen, elk bestemd voor

achttien man en met de lengte-as loodrecht op den grooten weg

gebouwd, staan steeds te zamen en op genoeg afstand van

elkander, om een pleintje te vormen, waarvan de zijde tegen-

over den weg wordt ingenomen door het huisje van den tandil,

den baas der zes-en-dertig man. Drie van deze ploegen of kongsies

staan onder één assistent. De tandil geeft door het blazen op

een hoorn of het slaan op den tong-tong het teeken tot het

beginnen of eindigen van het werk. Elke kongsie heeft vier

schuren te harer beschikking, die ze de een na de ander

moet vullen, dus heeft een assistent in twaalf schuren het

werk na te gaan en op het drogen en bundelen het oog


te

c/icvMir 8

De Sultan van Djambi.

(Le Sultan de Djambi.)


Rebabspeler.

{Joueur de rebab aux environs de Soeroelangoen.)


2o8

te houden, wat geen kleinigheid is, zooals wij later zullen zien.

Het werk, dat, als er om de velden geloot is, den koelie

wacht, op zulk een veld, dat in Januari geheel bedekt is met

groote woudboomen, die daar in een onontwarbare wildernis

door stekelige rotan verbonden , groeien, zal die plaats herscheppen

in een oord, waar binnen vier maanden geplant en binnen zes

maanden geoogst kan worden. Om zes uur 's morgens staat de

man reeds met zijn aan de punt omgebogen kapmes de takken

te kappen en naar zich toe te trekken en door ze op groote

hoopen op te stapelen tegen de liggende boomstammen, schept

hij orde in den chaos. Zoodra dit werk verricht is, worden de

stapels ten vure gedoemd en in de maand Februari stijgt er in

Deli vrijwat rook ten hemel op. Die arbeid tusschen het gekapte

bosch en de stekelige rotan kwetst vaak de voeten en beenen

en veroorzaakt licht beenwonden, die voortwoekeren, tenzij

iemands bloed van huis uit zuiver is, of een krachtige behandeling

wordt toegepast, 't geen nu in het uitstekende hospitaal of

ook in het immigranten-asyl mogelijk is.

Intusschen zijn er na het boschkappen, zoo noodig, reeds

slooten gegraven en bruggen gemaakt en dan begint het omhakken

van den grond niet met de spade, maar met den langgesteelden

tjangkol, waarmee hij 9 à 1 2 cM. diep wordt omgewerkt

en kleinere boomstronken en wortels eruit worden gehaald. Dezeworden

met de overblijfselen van den vorigen brand tot nieuwe

stapels vereenigd en nadat die verbrand zijn, wordt de grond ten

tweeden male omgewerkt, 't geen fijn-tjangkollen heet.

Zoo is alles klaar voor de ontvangst der plantjes, geteeld op

bedden, waarin tabakszaad was gezaaid. Na vijf of zes dagen

kwamen de plantjes boven den grond kijken, waren teer en fijn

en moesten zorgvuldig worden begoten, terwijl een afdakje van

lalang ze tegen den feilen zonneschijn beschutte. In April is het

planten der jonge, krachtige zaailingen in vollen gang; ze worden

op twee voet van elkander en op rijen van drie voet afstands

geplaatst. De assistent moet daarbij goed uit zijn oogen zien,

of die afstand trouw wordt bewaard. De koelie toch, die geheel


209

voor eigen rekening werkt, en betaald wordt naar het aantal

planten en hun voorkomen, wil natuurlijk gaarne op de ruimte

smokkelen. Ziet hij, dat het toezicht slap is, dan maakt hij

daarvan onmiddellijk gebruik en aan den achterkant van het

veld staan de planten soms jammerlijk opeen. Om het toezicht

te vergemakkelijken, legt men dan ook paden door de velden

aan en een achterweg er omheen.

Bij eiken zaailing wordt een plankje gezet, waarvan de schaduw

nog een dag of veertien het plantje tegen de middagzon moet

beschermen. Onafgebroken blijven ze onder het voortgroeien de

zorg van den mensch vereischen. Vroeg in den morgen gaat de

koelie rond, om de rupsen, wormen en sprinkhanen te dooden,

die zijn gave bladeren belagen, en om de waterloten af te breken,

die na het toppen van de plant met tropische groeikracht

uit de oksels der bladeren opschieten en het voedsel tot zich

trekken, dat voor hen niet bestemd is. Verder moet er bij droogte

begoten worden ; tot driemaal toe moet de aarde tegen de stengels

worden opgehoogd en nu en dan moeten de onderste bladeren

worden afgebroken, terwijl bij het toppen de kruin van

de plant wordt weggenomen ter bevordering van den groei der

16 tot 22 overblijvende bladeren. Planten, waarvan men zaad

wil winnen, worden niet getopt ; men laat ze doorgroeien. Zoo

worden ze soms tien voet hoog; er groeien witte en paarse

bloemen aan, die later veranderen in groene en eindelijk donkerbruine

bolletjes, gevuld met zaad, dat met veel zorg gedroogd

en gezuiverd en in flesschen bewaard wordt.

De onderste bladeren worden het eerst rijp en beginnen geel

te worden, en met hakmessen gewapend, gaan de koelies aan

het werk; de gekapte planten worden voorzichtig gevlijd in draagmatten

op pooten en met spoed naar de nabijgelegen schuur

gedragen. Zulk een droogschuur is dertig vadem lang en tien

breed of m. a. w. ruim iooo M*. groot, de plant wordt er eerst

beneden opgehangen, tien planten aan één stok, die met de

uiteinden rust op dwarslatten en gemakkelijk naar een hooger

verdieping kan worden opgelicht; elke man hangt zijn eigen


Controleurs-wom

( Maison du coftt r


«ing te Djambi.

'râleur à Djambi.)


212

planten bijeen. Den volgenden morgen komt de assistent in de

schuur, ziet elke partij na en taxeert ze in tegenwoordigheid

van den werkman. Hij schrijft de hoeveelheden in zijn boekje,

waarin elke koelie zijne bladzijde heeft, en aan 't eind van het

oog.stjaar wordt het bedrag van alle leveringen verrekend met

de voorschotten, die de koelie om de veertien dagen heeft ontvangen

, en 't bedrag, dat hij dan te goed heeft, hem uitbetaald.

Het drogen der tabak duurt ongeveer drie weken; te snel

mag dit niet geschieden; de bladeren zouden dan bros of wankleurig

worden ; te langzaam mag het ook niet gaan ; ze zouden

dan beschimmelen of verrotten. De droogschuur heeft daarom

wanden met kleppen , die naar gelang van de behoefte worden

geopend. In zeer vochtig weer worden op den grond vuurtjes

aangelegd, die veel rook geven en daardoor den luchtomloop

bevorderen. Van de gedroogde plant worden de bladeren afgenomen

en in enkele soorten gescheiden, zooals topbladeren,

voetbladeren, stuk enz.. Deze worden in bundels van ongeveer

vijftig bladen saamgebonden en per kar verzonden naar de fermenteerschuur,

waar ten slotte van alle hoeken der onderneming

de oogst wordt ontvangen en gewogen.

Als de tabak van de velden is, ook de tweede snit, die opschiet

uit den stronk van de gekapte plant en soms even goed is

als deze, wanneer n.l. het toenassen of snijden met groote zorg

geschiedt, wordt een deel der velden met rijst beplant door de

schuurbouwers of de bevolking. De rest wordt wildernis, evenals

het eerstgenoemde land na één rijstoogst. Het is dan echter

volstrekt niet onverschillig, welke soort wildernis er komt. Is

het jong bosch, dat opkomt en wordt dit niet vernield door

brand, dan kan men er zeker van zijn, dat deze boschgrond

na vijf of acht jaar weder een uitstekend product zal kunnen

leveren. Komt er echter lalang of hoog gras, dan verarmt de

grond. Met zorg voor boschgroei kan Deli goede tabak blijven

voortbrengen ; zonder die zorg gaat dat niet.

In Juli rijden overal op de ondernemingen de karren met tabaksbundels

de fermenteerschuur binnen. Na het wegen zorgt de


213

administrateur, die vlak bij de schuur woont, zelf voor het sta-

pelen der tabak. Zoolang die nog kleverig is en veel waterdeelen

bevat, wordt ze op langwerpige, een paar voet breede en om-

streeks drie voet hooge stapeltjes gevlijd ; deze worden spoedig

warm , en na weinige dagen wordt bundel voor bundel afgenomen ,

geschud en opnieuw opgestapeld. Allengs worden stapeltjes bij-

eengevoegd , de hoopen worden al grooter en grooter, naarmate

de tabak droger en minder spoedig warm wordt. Eindelijk komt

zij op groote stapels van omstreeks tien voet lang, acht breed

en even hoog en dan kan zij eene warmte verdragen van 60

tot 65° C. Zulk een stapel staat een maand of langer, en de

aanhoudende hitte geeft het blad zachtheid, rekbaarheid, glans

en gelijkmatigheid van kleur, die in Europa zoo gezocht zijn.

Deze fermentatie is dus het rottingproces, dat echter telkens ge-

stoord wordt, eer er bederf intreedt, en voortgezet wordt, tot er

geen rotting meer begint en het product in balen geperst en

verzonden kan worden. Bij vettige tabak duurt het zes tot negen ,

bij andere soms slechts drie à vier maanden.

Van eiken stapel wordt zorgvuldig de inhoud opgeteekend,

benevens de warmte, die hij vroeger heeft gehad en de dage-

lijksche toeneming; kleine thermometers doen daarbij dienst, die

in bamboekokers op verschillende hoogten in het midden van

den stapel worden gestoken. De oude van Java gekomen plan-

ters voelden indertijd met de hand, of de stok in den koker

warm genoeg was en of de stapel „om" moest; nu echter houdt

men liever rekening met de feiten dan met het gevoel.

In het begin van September loopt het veldwerk ten einde, en

geleidelijk worden alle koelies naar de fermenteerschuur gezon-

den , om de bladen soort bij soort te voegen : dan zijn de tabak,

de koelies en de assistenten allen daar bijeen. Naarmate de stapels

grooter worden, komt er ruimte in de schuur; de koelies plaatsen

zich langs de wanden ; vroeger zaten ze op matten, maar dit

bleek voor de gezondheid nadeelig en nu gaan ze op een ver-

plaatsbaren planken vloer, met matten bedekt, zitten. De sor-

teerder zet zich met den rug naar het licht en maakt het mid-


Inwoners van Moeara Menkoelem.

(Indigènes de Moeara-Menkoelam.)


'"X fràt

Jong meisje te Napal litjin.

{Jeune fille de Napal-Litjin.)


2l6

delpunt uit van een halven cirkel in den vloer gestoken stokjes,

Hij ontvangt een aantal bossen van de voldoend gefermenteerde

tabak en blaadje voor blaadje legt hij tusschen de stokjes, die-

de verschillende soorten scheiden. Donker, bruin, vaal, geel,

eenige soorten van grof, spikkel en stuk, tot in 't geheel wel

een zestiental variëteiten schift hij. Tegenover hem zitten zijne

helpers, die de bladen van elk dezer soorten naar de lengte uit-

spreiden, in vier afmetingen verdeden en deze tot bossen binden

van 35 tot 40 bladen. Tandils en assistenten zien toe, dat geen

fouten worden gemaakt, geven inlichtingen en zorgen voor de

orde. De den volgenden morgen van de bundelaars aangenomen

bossen worden op de balé-balé uitgespreid en het bedrag geno-

teerd ten voordeele van den maker, waarbij per bundel wordt

berekend; deze z.g. „fijne" bossen worden nu weder op stapel

gebracht en gefermenteerd, tot de verzending ongeveer in Januari

eenen aanvang neemt. Dan zijn de meeste koelies weg.

De beste tabakskenners, de bundelsorteerders, bereiden in de

ontvangkamer de verzending voor en werpen daartoe de bundels

naar soorten in de op den grond gemaakte vakken. Elke stapel

wordt afzonderlijk gepakt en geperst in balen van 80 kilo, ter-

stond gemerkt volgens hoedanigheid en afmeting. Voortdurend

houden hierbij een assistent en een administrateur toezicht, want

eene zorgvuldige sorteering en verpakking verhoogen op den duur

de waarde van een merk.

Reeds de eerste Deli-tabak, in Nederland aangevoerd, bedong

er hooge prijzen, en in 1875, toen de oogst nog wel door zware

regens veel had geleden, had de productie van Deli, Langkat en

Serdang eene waarde van vier millioen gulden.

De indruk, die na 't lezen van deze bladzijden blijft, moet,

dunkt ons, zijn, dat er daar hard wordt gewerkt, in de velden

en in de schuren, niet minder dan in de kantoren en op de

bureaux. Zondagsrust schiet er zelfs wel eens bij in op drukke

momenten; alleen den I««n en den i6


217

van de tabak hebben de koelies het ook nog al gemakkelijk;

ze wonen dan in de kongsie-huizen, die nieuw gewit en geteerd

zijn, terwijl de britsen en de afwatering mede zijn nagekeken.

Er is nu tijd voor praten, kibbelen en spelen , en aan alle drie

geven de werklieden daar zich gretig over. De assistenten

krijgen ook eenige weken vacantie voor 't bezoeken van familie

en vrienden, en allen zijn daartoe in staat gesteld door de afrekening.

Even voordat de tabak is afgesorteerd, is ook de rekeningcourant

met de werklieden opgemaakt. De koelie is belast met

zijn voorschot bij de aanneming, met de geregelde veertiendaagsche

voorschotten voor levensonderhoud, met de kosten zijner

gereedschappen en van het boschkappen. In zijn credit komen

de opbrengst van zijn oogst, het loon van bundelen, sorteeren

en andere kleine werkzaamheden. Is er een saldo voor hem, dan

wordt hem dat uitbetaald.

Een ijverige koelie kan in Deli in een tabaksseizoen, d. i. in

acht of negen maanden, van ƒ 200 tot f 300 verdienen, eene

som die zijne behoeften genoeg te boven gaat, om hem tot

betrekkelijk belangrijke besparingen in staat te stellen. Jammer

slechts dat opiumschuiven en hazardspel onder hen zoozeer in

zwang zijn, en dat het gouvernement van de verpachting van

opium verkoop en speeltafels belangrijke voordeden trekt. Zoo

wordt Deli voordeelig voor onze schatkist. In 1876 werd de belastingheffing

door het gouvernement tegen de uitkeering van nog

geen/100.000 van den sultan overgenomen, en al dadelijk brachten

de verschillende verpachte middelen een pachtschat op van

/372.000, waarbij nog de opbrengst van uit- en invoerrechten

niet was gerekend. De vorsten van Langkat en Serdang hebben

ook hun recht van belastingheffing ieder voor nog geen/50.000

afgestaan, wat tot groote winsten aanleiding heeft gegeven.

Hoewel dus de regeering geen vaderlijke kan genoemd worden,

waar zij de inlanders in de verleiding brengt, die uitgaat van

spel en opium, in andere opzichten trekt zij zich het lot van

den inlandschen arbeider daarginds ernstig aan. In eene ordonnantie

van 13 Juli 1880, een eerste voorbeeld van sociale wet-


De Batang Hari met de drr

{Le Batang Har®


koningen voor Djambi

Wh de Djambi.)


220

geving in Indië, is er eene regeling getroffen van de onderlinge

rechten en plichten van beide partijen ; daarin wordt den werkgever

de verplichting opgelegd , om te voorzien in de voldoende huisvesting

en geneeskundige verpleging en behandeling van den werkman

en steeds zorg te dragen voor de aanwezigheid van goed

bad- en drinkwater. Elke willekeurige inbreuk op het werkcontract

wordt gestraft aan den kant van den werkgever met een

geldboete van ten hoogste honderd gulden ; aan den kant van

den arbeider met eene geldboete van ten hoogste vijftig gulden

of ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder

loon, gedurende ten hoogste ééne maand. Natuurlijk is de verhouding

tusschen planter en werkman, hoewel dan nu wettelijk

geregeld, op de ééne plaats beter dan op de andere; zij hangt

immers samen met temperament en beschaving bij beide partijen

, maar meer en meer begint men toch in Deli te begrijpen,

dat een goede, zorgvuldige behandeling der werklieden een voortdurenden

toevoer van immigranten en goed werk waarborgt en

dat het geld, ten koste gelegd aan een goede verpleging en een

eerlijke betaling van den werkman, de noodzakelijkste en inderdaad

productiefste uitgaaf eener onderneming is.

En wie zijn nu de ontginners en de arbeiders, de drijvers van

die beschavingswig in Oost-Sumatra? Eender administrateurs van

de Deli-maatschappij geeft in een lijstje van namen van tabaksondernemingen

een aardig beeld van de veelheid der daar vertegenwoordigde

nationaliteiten. Men vindt er Pollonia , Helvetia,

Rotterdam, Denmark, Glenarchy, Saint-Cyr, Arnhemia, Germania,

Saentis, Bavaria, Hessia, Frankfurt en Hilversum, die

een bewijs zijn , dat van de ondervinding en de kennis, in velerlei

landen opgedaan, gebruik kon worden gemaakt. Het kosmopolitisch

karakter hield, in verband met de snelle opvolging der

meestal jeugdige ontginners, een frisschen geest in Deli levendig.

Niet minder groot is de verscheidenheid onder het werkvolk.

De voornaamste werkkracht vormen de Chineezen ; de arbeid

op de velden en in de fermenteerschuur is in hoofdzaak in hunne

handen. Zij komen meestal hier uit de zuidelijkste provincie van


221

China, Kwang Tung, waarvan Canton de hoofdplaats en Swatow

de voornaamste haven voor de inscheping der koelies is. Een

proef, genomen met directe emigratie uit de noordelijker gelegen

provincie Foekian mislukte; de emigranten van daar zijn minder

geschikt voor veldarbeid in de tropen, en de chineesche machthebbenden

maakten een einde aan den uitvoer uit Amoy. Volgens

opgaaf van het Planters-comité te Medan was het aantal Chineezen,

gevestigd op landbouwondernemingen van leden der Deli-

Plantersvereeniging in Deli, Langkat en Serdang op i Mei 1890

tot 40.662 gestegen, van wie slechts 7 i jt procent uit de provinciën

Foekian en Hainan gezamenlijk afkomstig waren. Alle werkzaamheden,

die niet in onmiddellijk verband staan met de tabak

en hare behandeling, worden, daar de chineesche werkkrachten

gezocht en duur zijn, door werklieden van anderen landaard

verricht.

Zoo bewijzen de Maleiers, de bewoners der kust, slechts

enkele diensten als schuitenvoerders, boschkappers of schuurbouwers.

Iets meer doen de Battaks, uit de hooge binnenlanden,

die geen voldoende voeding vinden op hunne slecht bebouwde,

ontboschte, door droogte en sterke winden geteisterde hoogvlakten.

Zij komen zich voor e-enigen tijd op de ondernemingen

vestigen, waar zij niet als vaste werklieden, maar als aannemers

bijna al het bosch kappen, schuren en koeliehuizen bouwen en

als belooning niet alleen geld, maar ook een deel van den afgeplanten

grond voor hun eigen rijstcultuur erlangen. Met hen

is ook in den aanvang de tabakscultuur beproefd, maar terwijl

de velden van de tegelijkertijd daarvoor gebruikte Chineezen er

prachtig uitzagen, waren de hunne verwaarloosd, bedorven door

insecten en uitschietende loten.

Een andere groep werklieden zijn de Javanen. Hun werk bestaat

voornamelijk in het maken van wegen en afwateringen,

het schoonhouden of aanplanten van jong bosch in de afgeplante

velden van ondernemingen, die de toekomst niet zorgeloos te

gemoet gaan, de bijcultures, zooals op enkele ondernemingen

koffie, cacao, bamboe en notenmuskaat, grondbewerking, als


Woning van den sultan te Doesoen tenga.

{Demeure du sultan de Djambi, à Doesoen-Tengah.)


223

de Chineezen ten achter zijn, het drijven der ossen, 't voeren

der karren, enz.

Voor dit laatste werk gebruikt men echter bij voorkeur de

Klingaleezen, dat zijn emigranten van de kust van Coromandel

of Kalinga, vandaar Klingaleezen of Klingen, die veel meer

zorg dragen voor het vee en het zachter behandelen dan de

Javanen. De Klingaleezen zijn zeer gezocht op de ondernemingen,

ze zijn spaarzaam, hebben weinig noodig voor levensonderhoud,

gebruiken opium, vleesch, noch sterken drank en spreken een

aardig, vlug, rollend taaltje. Ze komen meestal van Pinang en

Singapore, maar het zou voor den landbouw op Sumatra en

ook voor de mijn- en koffieondernemingen van veel belang zijn,

wanneer zij van de kust van Coromandel rechtstreeks konden

worden aangevoerd; doch de werving en het contracteeren zijn

voor Nederlandsch Oost-Indië in Britsch-Indië niet toegestaan

zoodat slechts weinige Klings naar Deli komen en dan op eigen

gelegenheid. Wel wil de britsch-indische regeering de emigratie

toestaan, maar op voorwaarden, die onze regeering nog niet

heeft willen aanvaarden. Al te bezwarend zijn ze echter niet, en

't is te hopen, dat men er eindelijk toe zal overgaan erin toe

te stemmen.

Een zesde soort werklieden zijn de Boyans, dat zijn de eilanders

van Bawean, het ten N. van Java gelegen eilandje, die te

Singapore dien naam hebben gekregen. Ze deden daar als staljongens

en koetsiers dienst, en gaan nu in clubjes van twintig

en dertig onder een mandoer naar Deli als schuur- en huizénbouwers,

zijn rustig en vertrouwbaar en zeer zuinig. Noemen wij

nu nog eenige honderden Bandjareezen, die meestal meekomen

met de Bandjermasinsche schepen, welke de maloeka-matten

voor de verpakking van Borneo naar Deli aanvoeren, dan hebben

wij de voornaamste groepen arbeiders aangewezen.

Indirect zou het leven van die werklieden veraangenaamd

kunnen worden, als er meer Javanen kwamen, trouwens hun

aantal is steeds toenemend, en daarbij de bekendheid algemeener

werd met de manier, waarop de Javaan in zijn gezellige dessa


2 24

woont. Doch de verbinding van Java met Deli is vóór 1891

steeds gebrekkig geweest, waardoor Deli, schoon bijna alle tabak

naar Nederland gaat, afhankelijk was van vreemde vlaggen

voor het tabaksvervoer, zooals het ook voor de aanraking met

China in de armen van vreemden is gedreven. De Koninklijke

Packetvaartmaatschappij, sedert Januari '91 in werking, heeft nu

een snelle vaart tusschen Java en Deli geopend, zoodat de Deh.

planters tot nut en ontspanning gemakkelijker Java kunnen bezoeken

en de Javanen er eerder toe zullen komen, in Sumatra

betere levensvoorwaarden te zoeken, dan in het aan arbeidskrachten

overrijke Java voor hen zijn weggelegd.

In de laatste paar jaren zijn de communicatie-middelen sterk

vooruitgegaan en de energieke pogingen van de Packetvaart zullen

het vreemdelingenverkeer zeker naar onze koloniën lokken; het

samenstellen van reisboeken heeft zij reeds opgedragen aan Dr.

Johan van Bemmelen, leeraar aan het Gymnasium Willem III,

voor Samarang, Soerabaja, Makassar en de Molukken en aan

den majoor der infanterie G. B. Hooijer voor Padang en de Padangschc

Bovenlanden, en de namen der samenstellers doen ons

een paar prettig geschreven Baedekers te gemoet zien.

Wat de maildiensten betreft, is het bekend dat het geregeld

vervoer van mailpakketten, passagiers en lading van en naar

Oost-Indië aan twee maatschappijen is gegund, de maatschappij

»Nederland" en de »Rotterdamsche Lloyd", die beide soms Atjeh

aandoen, maar in welker reisroute Deli nog niet is opgenomen.


i

I

i BORNEO, CELEBES EN DE MOLÜKKEN.

I


ZEVENDE HOOFDSTUK.

BORNEO.

Wie herinnert zich niet uit reisverhalen van ouderwetsche zeeheden

de betiteling van onze koloniën als het Apenland ? Welnu

zoo «he naam op eenig deel van onzen archipel in werkelijkheid

toepasselijk mag heeten, dan is het op het groote eiland, waarvan

thans een paar beelden onze aandacht inroepen

Aan de randen van het onbekende binnenland, waar de grond

begint te rijzen en de uitloopers zich vertoonen der bergketenen

die waarschijnlijk in het midden des eilands zich tot een hoog

bergplateau vereenigen, begint reeds het onmetelijke, ondoordringbare

woud, dat in zijn donkere diepten de wilde stammen

der Dajaks bergt en den boschmensch, den orang-oetan tot

schuilplaats dient. Majas is de inlandsche naam van deze apensoort,

szmza satyrus noemen hem de geleerden. Zijn eigenaard.ge

veel menschelijks hebbende physionomie vertoont kleine

schitterende oogen, een grooten, breeden mond, een smal'

met rimpels doorgroefd dom voorhoofd en een ver vooruitstekende

onderkaak. De vingers zijn bij het laatste lid naar binnen '

gebogen, zoodat zij als haken dienst kunnen doen. In zijn vaderland

Borneo komt hij nog in grooten getale voor. Het bekende

re.sverhaal van den engelschen natuuronderzoeker Russell Wallace

schildert een menigte ontmoetingen, die de reiziger had met

deze apen bij zijn verblijf in 't binnenland van Serawak het

vorstendom van den radja Brooke ten noorden van onze residentie

Westerafdeeling. Daaruit blijkt, dat de orang-oetans niet overal

schuw zijn en zich tot zeer nabij de woningen, ook van Europeanen,

wagen. Een menigte van die dieren, mannetjes zoowel


%->


230

als wijfjes van allerlei leeftijd, werden door Wallace gevangen.

De wijze, waarop de zeer jong buit gemaakte exemplaren zich

gedragen, gelijkt merkwaardig veel op de manieren, die wij

van kleine kinderen gewoon zijn ; daarbij hebben de jongen van

die soort apen, welke men onder den algemeenen naam van

mensch-apen samenvat, iets zeer menschelijks in hun gezicht,

vooral door de minder sterke ontwikkeling der kaken. Alle menschapen

onderscheiden zich van andere apen door het gemis van

eeltachtige plekken op de achterdeelen van het lichaam, het

volkomen ontbreken van een staart en vooral ook daardoor, dat

zij niet in het bezit zijn van de eigenaardige verzamelplaatsen

voor overtollig voedsel, die men wangzakken noemt, en die men

bij de meeste andere apen aantreft. Het gebit der mensch-apen

komt geheel met dat der menschen overeen ; alleen de hoektanden

zijn sterker ontwikkeld en steken dus eenigszins boven

de andere tanden uit. De voorste ledematen winnen het in lengtevan

de achterste, en bij het loopen der anthropomorphcn raakt

niet de geheele voet, doch slechts de buitenrand van de zool

den bodem. Hun gewone manier van gaan is op handen en

voeten, doch ze zetten dan de handen niet met het binnenvlak

op den grond, maar rusten op de naar binnen geslagen vingers.

Naast den orang-oetan behooren tot de anthropomorphe apen

de gorilla en de chimpansé, beiden veel woester en kwaadaardiger

dan de aap van Borneo en Sumatra. Hoe boos de orangoetan

er op de plaat, waar hij met den Dajak strijdt, moge

uitzien, in werkelijkheid behoort hij tot de kalme naturen, houdt

van de eenzaamheid en leidt een echt kluizenaarsleven. Gewoonlijk

zit hij ineengedoken op een tak met zijn gezicht naar den

grond gekeerd. Met de armen houdt hij zich aan een hoogeren

boomtak vast of hij laat ze slap langs het lichaam hangen. Overdag

houdt hij zich bij voorkeur op in de toppen der hooge

boomen, tegen den avond daalt hij naar lagere gedeelten en

maakt zich van takken en bladeren daar een nachtverblijf. Op

den grond is de orang-oetan een sukkel ; zijn waggelende gang

schijnt hem veel inspanning te kosten. Wanneer men hem op


231

zijn vier ledematen ziet rondwandelen, maakt hij geen indrukwekkend

figuur, maar op de twee achterste ledematen alleen ,

gaat het wandelen hem al heel moeielijk af, zoodat wij verhalen

en voorstellingen omtrent orang-oetans in die staande houding

gerust een weinig mogen wantrouwen. Het gezicht van dezen

aap wordt vooral op lateren leeftijd afschuwelijk leelijk; om het

blauwgrijze gelaat ontwikkelt zich een tamelijk lange baard van

roodachtig bruine haren, en er vertoonen zich op wangen en

voorhoofd eigenaardige verhevenheden en uitwassen.

De lippen van den orang-oetan zijn buitengewoon ontwikkeld

en zeer bewegelijk; zij schijnen voor hem het voornaamste ge-,

voelszintuig te zijn. Alles, wat hem vreemd voorkomt, wordt

eerst met de lippen in aanraking gebracht .en nauwkeurig onderzocht.

Vooral de onderlip speelt bij deze handeling eene groote

rol, doch deze wordt ook nog tot andere doeleinden gebezigd,

namelijk tot tijdelijke bewaarplaats van overtollig voedsel en ze

wordt tot een gootje verlengd voor het opnemen van vloeistoffen.

Een volwassen exemplaar van deze apensoort is vier voet

lang en heeft eene verbazende spierkracht, waarvan hij echter

zelden gebruik maakt ; als hij aangevallen wordt, vlucht hij in

de hooge toppen der boomen en breekt in zenuwachtigen angst

takken af, zooals men gezegd heeft, met het doel zijn vervolgers

er mee te werpen, doch inderdaad laat hij ze slechts vallen,

zoodat ze enkel gevaarlijk kunnen zijn voor iemand, die vlak

onder den boom staat. De inboorlingen van Borneo vervolgen

hen met vergiftigde pijlen, ter wille van hun vleesch, hun vet

en hunne huid, waarvan wel kleedingstukken worden gemaakt.

De waarnemingen, door verschillende personen op gevangen

exemplaren gedaan, komen alle hierop neer, dat zij geschiktheid

toonen, om zich aan den omgang met menschen te gewennen

, en dat ze meer aanleg voor iets wat naar verstandelijke

ontwikkeling zweemt, blijken te bezitten, dan hun idioot uiterlijk

zou doen vermoeden. Doch eerst wanneer het gelukt zal

zijn, de mensch-apen veel langer, dan tot nu toe het geval

was, in gevangen en gezonden staat in het leven te houden,


Orang-oetans.

(Orangs-outangs.)

f,#>/


De Argusfazant.

{Faisans Argus, mâle et femelle.)


234

eerst dan zal men met eenige zekerheid kunnen bepalen, hoe

ver zich de verstandelijke vermogens dezer dieren uitstrekken.

Het gevecht van een Dajak met een orang-oetan, waarvan

velen onzer lezers de afbeelding zeker wel bekend is, had plaats

in de onmiddellijke nabijheid van de plek, waar Russell Wallace

zijn verblijf hield. De Dajaks kwamen hem vertellen, dat

een hunner kameraden den vorigen dag bijna door een majas

was gedood. In een dajaksch huis in de buurt hadden de bewoners

een grooten orang-oetan gezien, bezig met de jonge uitspruitsels

van een palmboom aan den waterkant af te eten. Bij

de nadering van menschen was hij dieper het bosch in gevlucht,

waarop eenige mannen, met pieken en bijlen gewapend, op weg

waren gegaan, om hem den doortocht te versperren. Toen de

voorste der mannen het dier had bereikt, beproefde hij het met

zijn piek te doorsteken, maar de majas greep het wapen en,

den arm van zijn vijand tusschen zijne tanden vattende, beet hij

hem boven den elleboog, en verscheurde het vleesch op gruwelijke

wijze. Waren de andere mannen niet zoo dicht in de nabijheid

geweest, dan zou de man nog ernstiger gewond en misschien

gedood zijn geworden, want hij was buiten staat zich te

verdedigen. Nu evenwel schoten zijne makkers toe, en maakten

het dier met hunne bijlen en pieken af. De gewonde bleef langen

tijd ziek en kreeg nooit het gebruik van zijnen arm terug.

„Het voedsel van den majas," zegt Wallace, „bestaat hoofdzakelijk

uit vruchten ; maar van tijd tot tijd eet hij ook bladeren,

knoppen en jonge uitspruitsels. Hij schijnt de voorkeur te geven

aan onrijpe vruchten ; somwijlen eet hij enkel het zaad of depitten

en altijd vernielt en verspilt hij veel meer dan hij eet.

De doerian is een van zijn meest geliefkoosde lekkernijen; overal

, waar deze vrucht in de nabijheid der bosschen groeit, komt

de orang-oetan er op af; maar zelfs voor dat lekkere hapje

zal hij niet licht een open vlakte oversteken. Zelden daalt hij

trouwens naar den grond; hij moet al ergen honger hebben,

als hij aan den waterkant jonge loten gaat zoeken of door

grooten dorst gekweld worden, wat het geval kan zijn bij lang-


235

durige droogte, als de holten der bladeren hem geen drinken

meer opleveren."

Onze aan de Dajaks gewijde platen roepen uwe aandacht in

voor deze oorspronkelijke bewoners van het groote eiland, de

thans aan de Maleiers onderworpen heidenen. Wel bemoeit de

maleische regeering zich niet rechtstreeks met de huishoudelijke

aangelegenheden der Dajaks en laat het bestuur hunner kampongs

aan de hoofden, de orang-kaja's over , maar zij worden

onder allerlei voorwendsels, door alle denkbare middelen, door

geweld en list tot allerlei diensten en belastingen verplicht, en

wanneer zij zich van die verplichtingen niet kwijten, worden ze

als slaven weggevoerd. Sinds eeuwen is het reeds aldus gegaan,

en slechts hier en daar is de invloed van het nederlandsche

gouvernement in staat geweest, dien stand van zaken te veranderen

en de dajaksche bevolking tegen geweldenarijen te

beschermen.

Onder den naam Dajaks wordt een groot aantal stammen

saamgevat, die in taal, levenswijze, voorkomen en godsdienstbegrippen

sterk uiteenloopen. Dit geldt reeds van de stammen,

die langs de kusten wonen, en zal naar alle waarschijnlijkheid in

niet geringer mate toepasselijk zijn op de Dajaks van het groote

onbekende binnenland, een ons beschamend vraagteeken, nog

veel grooter en leelijker dan dat van Midden-Sumatra.

Van algemeene bekendheid is de grootte der dajaksche huizen ;

wij herinneren ons allen uit onze leerboeken de passage, dat een

dorp soms slechts uit een paar huizen bestaat. Een huis of lamin

met twaalf deuren is dan ook niet groot in zijne soort; er zijn

genoeg huizen met vijftien, twintig en nog meer openingen

en een breedte van wel 200 M. bereikend. Naar de woningen

wordt veelal ook de belasting geregeld, die een dorp moet

opbrengen. Een belasting van ƒ 12 per jaar en per deur is

iets zeer gewoons. Zooveel deuren een huis heeft, zooveel

huisgezinhen wonen erin. Op de vraag, „hoe groot is uw dorp,"

antwoordt de Dajak : „zoo en zooveel deuren." Langs een


l

'


wm

m

si

tf-m\\> -i


238

hooge trap of ladder, soms slechts een ingekerfden boomstam,

komt men het op zware ijzerhouten palen gebouwde huis binnen

en betreedt dan eene galerij of vertrek, dat de geheele breedte

der woning beslaat en tot voorraadschuur, ontvangkamer, raaden

feestzaal dient. Daarachter liggen de kamers {bilik) der verschillende

gezinnen, waar mannen, vrouwen, jongens en meisjes.

allen bijeen zijn. In kolossale ronde bakken van boomschors bewaren

zij hunnen voorraad van maïs, rijst en boschproducten;

kleine, sierlijk gevlochten mandjes bevatten de visch, die als toespijs

wordt genuttigd. Netten en vischtuig ontbreken bijna in geen

dajaksch huis. Behalve visch eten zij ook veel varkensvleesch,

vooral bij feestelijke gelegenheden.

De vloeren bestaan meestal uit vrij ver van elkaar liggende

niboeng-latten en daar de afgesloten ruimten of kolongs onder de

woonvertrekken, waar de varkens huizen, en waar alle afval en

onreinheid zich verzamelt, naar de hoogere verdieping afschuwelijke

geuren doen opstijgen, vraagt men zich af, hoe de Dajaks

het bij die vuilheid uithouden en wanneer de regeering eens

inbreuk zal gaan maken op dien adat. In de vertrekken ziet men

behalve de slaapmatjes, die als eenvoudige legersteden dienen,

veel klapper- of kokosdoppen, om uit te drinken en die bij feestelijke

gelegenheden, met arak gevuld, ijverig rondgaan, bamboezen

kokers, om water in te halen en enkele ruwe aarden en

ijzeren potten. De stookplaatsen bestaan eenvoudig uit een platten

steen met eenige opstaande steenen er omheen.

Eene zeer belangrijke rol spelen in het huiselijk leven der

Dajaks de aarden kruiken of potten, waarvan de schrijvers over

Borneo en de Dajaks nooit verzuimen te gewagen. Ze zijn van

donkerkleurig verglaasd aardewerk en hebben eenige overeenkomst

in vorm met onze bekende keulsche potten, behalve dat

de hals nauwer en de buik wijder is. Die potten maken den

rijkdom der familiën uit en worden naar gelang van grootte, vorm

en den aard der ingebakken, uit gedrochtelijke figuren bestaandeversieringen

in onderscheiden klassen verdeeld, die zeer in prijs

verschillen. De liefhebberij voor deze potten of tampajans is aan


239

alle dajaksche stammen eigen , zoo zelfs dat zij geene moeite

of opoffering ontzien, om in het bezit ervan te komen. Langs

de wanden der woning geplaatst en met kostbare kleeden overdekt,

getuigen die pronkstukken van den rijkdom der bewoners.

Gewone kruiken, nagas genoemd, met ruwe draken- of slangenfiguren

versierd, kosten /80 tot / 100 en zijn ongeveer een meter

hoog. Kostbaarder soorten zijn boven het bereik van den gemeenen

man en worden alleen bij de hoofden der stammen of bij de

maleische vorsten aangetroffen. Zoo betaalt men voor de soeratbaroe

tot/600, voor de tjenamoen tot/500; goedkooper zijn

de roessa, die ƒ 120 à /150 kosten. Het duurst zijn de goesi,

die noch groot, noch fraai, maar uiterst zeldzaam zijn; er bestaan

voorbeelden van, dat deze kruiken sommen van ƒ3000 tot

/ 5000 opbrachten.

Tot dusver is er bij wat wij hier van die liefhebberij der

Dajaks hebben verteld , absoluut geen onderscheid tusschen dat onschuldig

vermaak en het genot, dat onze dames in haar oud

porselein hebben, en kon de glorie van een hollandsche dame op

hare „lange lijzen" volkomen op ééne lijn worden gesteld met

het pronken eener dajaksche huisvrouw, die hare lampajans of

martevanen aan den bezoeker vertoont. Voor de Dajaks heeft

echter het bezit dier voorwerpen ook een geestelijken kant; de

waarde zit niet enkel in het fijne en kunstvolle der bewerking,

maar in de denkbeelden, die zij aan de voorwerpen hechten.

„Deze potten", zegt prof. G. A. Wilken, onze, helaas, zoo

vroeg aan de wetenschap en aan de leidsche hoogeschool ontvallen

geleerde, „zijn voor hen met een zekere toovermacht

begaafd. Zij verzekeren den bezitters welslagen in den handel,

een rijken oogst, voorspoed bij jacht en vischvangst ; ze wenden

ziekten en rampen van hen af en verdrijven de booze ^eesten.

Het water, dat in deze potten gestaan heeft, krijgt wonderdadige

kracht."

Ten aanzien van de vraag, hoe het komt, dat juist die oude

potten door de Dajaks als fetischen vereerd worden, zal het zaakzijn,

zich te herinneren, dat die potten waarschijnlijk oorspron-


-äopMrou CUPLAr/T^

Wapenen en gereedschappon der Dajaks.

{Armes et ustensiles des indigènes de Bornéo.)


Wapenen der Dajaks.

{Armes des indigènes de Bornéo.)


242

keiijk reliekbewaarders zijn geweest, bergplaatsen van schedels,

beenderen, asch en andere overblijfselen van het menschelijk

lichaam. De zielen der afgestorvenen bleven volgens het geloof

der Dajaks nauw aan die overblijfselen verbonden en ook aan

de plek, waar zij bewaard werden. Van dit geloof tot de over-

tuiging van de goddelijkheid der bewaarplaatsen zelve, was slechts

ééne schrede.

Behalve van deze heilige voorwerpen gewagen ook alle schrijvers

over Dajaks van het koppensnellen en van de sporen dier ge-

woonte in de aanwezigheid van menschenhoofden in en bij de

dajaksche woningen. Nog in het verleden jaar (1892) verschenen

boekje van den heer M. Buys. Twee maanden op Bonieo's West-

kust , wordt verteld van de vermummiede menschenkoppen, die

hij te midden van wapentuig zag hangen, zwart van den rook

en den ouderdom en bijna zonder gelaatsvorm. De Batang-Loepar

Dajaks, die de heer Buys bezocht, beweerden geen verschen kop

te bezitten, en als ze er een hadden gehad, zouden ze dien blijk-

baar niet hebben durven vertoonen, want door den invloed van

James Brooke in Serawak en door dien van het nederlandsch

gezag in de onderworpen en aangrenzende streken , is daar die-

gruwel zoo goed als uitgeroeid.

Maar vroeger, en zeker nu nog in het binnenland, was en is

onder de voortdurend met elkaar in oorlog levende stammen

een der hoofdtrekken van den strijd het koppensnellen , waarbij

elk menschenhoofd, dat men op welke wijze dan ook mach-

tig worden kon, indien het maar niet van stam- of bondge-

noot kwam , als een heerlijk zegeteeken werd beschouwd. Toen

het koppensnellen eenmaal eene manie, eene ziekte geworden

was, kwam het ook niet meer op persoonlijke dapperheid tegen-

over den vijand aan; moordenaars togen uit, om in bosch en

veld weerlooze voorbijgangers te verrassen ; dorpen werden des

nachts overvallen, woningen overrompeld, ja, somwijlen zelfs

graven geschonden, om menschenhoofden machtig te worden.

Het is van algemeene bekendheid, dat hierbij niet in de eerste

plaats aan moordzucht of wreedheid moet worden gedacht. Het


2 43

koppensnellen stond bij de Dajaks ,n nauw verband met hun

godsdienstige voorstellingen, met de hoogere aandoeningen van

het gemoedsleven. Het opperwezen, bij de Dajaks in de Zuideren

Oosterafdeelmg Mohatara en in de Westerafdeeling Djewata

genoemd, eischte die offers, en daarbij heerschte onder hen het

geloof, dat een krijgsman niet rustig in zijn graf kon liggen, zoolan*

een zijner verwanten , als in zijnen naam , niet een of meer koppen

had gesneld De aldus verslagenen zouden, meende men, den

gevallen held aan gene zijde des grafs tot dienaars zijn. In de

tweede plaats verschafte men, door het buit maken van schedels

zich schutsgeesten in de zielen der verslagenen, welker leven

en werkzaamheid ten nauwste met hunnen schedel verbonden

werd geacht. Zelfs het opslorpen van het uit het afgeslagen

hoofd druipende bloed was eene uiting van de zucht, om zich

den moed en de deugden van den „gesnelde" eigen te maken,

door d,ens levenssap bij uitnemendheid in zich op te nemen

Vandaar de voorliefde van jonge meisjes voor den bruidegom,

die e-en ijverig koppensneller was. „Een Dajak", zegt de heer

M. Buys, „uitgaande op koppensnellen, achtte zich dus bezig

met een lofwaardig werk, het zich verschaffen van eene hoogere

bescherming, de bescherming van de geesten der afgestorvenen

evenzeer als de Roomsche, die zich een reliek van een heilige

of een voorwerp, dat daarmee in aanraking geweest is, tracht te

verwerven of de eenvoudige geloovige in alle godsdiensten, die

z-ch beijvert om door offers en gebeden invloed uit te oefenen

op den wil der hoogere machten."

Tot de dingen, die aan het leven van den Dajak waarde

batten, behooren verder zijne wapenen en zijne muziekinstrumenten.

Die laatste zijn allerlei soort van trommen van verschillende

grootte en bestaande uit lange cilinders van boomschors,

ln het midden nauw toeloopend, met gevlochten rotankoorden

bespannen, of welker openingen met herten vel of andere

dierenhuiden overtrokken zijn.

Van zijne wapens maakt de Dajak zeer veel werk en som-

"»gc zijn er bij, die voor het volk bepaald kenschetsend zijn,


Een dorp

(Uu villad


-Vv

p op Borneo.

ld Bornéo.)


246

en zelden of nooit elders worden aangetroffen. De aard van het

volk is zeer onafhankelijk, niet slaafsch als die van andere inlanders;

met den Europeaan spreekt de Dajak als met zijns gelijke.

De Dajaks zijn zeer bekwame zwaardvegers, en vele stammen

smelten zelf het ijzer, dat zij voor de vervaardiging hunner

wapenen behoeven. Het meest gewone zwaard, dat bij niemand

ontbreekt, is de parang of mandau, die soms ook als bijl of

hakmes dienst kan doen. Krissen worden eveneens aangetroffen,

ende schilden worden, zoo goed als de parang, met allerlei ornamenten

versierd, zooals met veeren, koralen en bossen menschenhaar.

Niet zelden wordt er in ruwe onbeholpen trekken een

menschelijk gelaat op geteekend. Lansen met groote bamboezen

schachten en zeer lange lemmeten komen veel voor. maar 't

meest typische wapen is het blaasroer of de sampitan.

Dit geduchte wapen is doorgaans acht voet lang; de holte

heeft nauwelijks i cM. in doorsnede; de schacht wordt met de

grootste zorgvuldigheid versierd en daarna zoo glad mogelijk

gemaakt. Het wapen wordt uit zeer hard hout vervaardigd , meestal

uit het bekende ijzerhout, dat ook als bouwmateriaal zoo uitstekende

diensten heeft bewezen om zijne buitengewone zwaarte,

zeer gelijkmatige dichtheid en onaantastbaarheid voor insecten.

Bekend is, hoe men al te kwistig met dat hout is omgegaan,

zooals ook met het getah-pertsja en andere boschproducten o. a.

den tenkazuang, die een plantenvet levert, en hoe er nu schaarschte

is aan die fraaie houtsoort, die in de lucht spoedig een fraaien,

donkeren, glanzigen tint aanneemt. Intusschen, voor hunne sampitans

hebben de Dajaks er nog genoeg van, en wat schatten

het binnenland bergt, is ons trouwens, geheel onbekend. Naast

de opening van het blaasroer bevestigt de Dajak aan het boveneind

een speerpunt als de bajonet op een geweer, zoodat

het roer ook als lans dienst kan doen.

En nu de pijlen. Ze zijn dun en niet langer dan zeven

à acht cM. ; zij worden uit het hout van den sagopalm gesneden

en hebben overal denzelfden omvang, ongeveer als een

dikke stopnaald. Aan het boveneind wordt een kegelvormig stuk


247

zacht, week hout bevestigd, dat juist in het roer past; dikwijls

ook bestaat de punt uit een vischgraat of tand. De wonde, door

zulke pijltjes veroorzaakt, is van zoo weinig beteekenis, dat zij

zelfs voor een dier van de grootte eener rat niet doodelijk zou

kunnen zijn, maar het vergif, waarmee ze bestreken worden,

heeft eene verschrikkelijke uitwerking.

Men trekt dit gif uit den oepasboom of antiaris toxicana, dietot

de familie der broodboomen behoort, door een gat in den

stam te boren, waaruit dan een wit lij m ig sap vloeit, dat in

flesschen van bamboe wordt opgevangen. Zoolang het gif versch

is, veroorzaakt het onfeilbaar den dood ; maar het verliest zeer

spoedig zijne kracht en is onschadelijk, als het twee uren aan

den invloed der lucht is blootgesteld geweest. Het wordt dan

tevens zwart van kleur. Daarom worden de flesschen zorgvuldig

gesloten, om het binnendringen der lucht te beletten; de houten

stop wordt met was bestreken en daarover wordt nog een blaas

gespannen. De pijlen dragen gewoonlijk niet verder dan veertig

pas; zeer geoefende schutters blazen ze soms tot op een afstand

van zeventig of tachtig pas, maar zij hebben dan bijna alle

kracht verloren en kunnen niet meer in de huid dringen. Een

dajaksch krijger heeft altijd dertig of veertig zulke pijlen bij zich

in een van bamboe vervaardigde, met rotandraden omvlochten

pijlkoker, die op zijde aan den gordel hangt.

Die gordel, de tjawat, is een lap van geklopten boombast

of katoen vervaardigd, die om de heupen is gebonden en in een

breede slip van voren en van achteren neerhangt. Soms hangen

zij er kralen en belletjes aan, want van glans en schittering zijn

ze bij hunne primitieve kleeding niet afkeerig ; glaskoralen versieren

hals, armen en beenen, terwijl ringen van koperdraad en

fazantenveeren hun hoofd en 't gevest van den parang tooien.

Vele stammen onderscheiden zich van elkander door den aard

der oorsieraden, waarbij tanden van alligators en wilde zwijnen,

snavels van rhinocerosvogds naast houten schijfjes, ringen van

koperdraad en vrij zware looden versierselen in aanmerking komen.

Sommige Dajaks hebben den maleischen sarong aangenomen,


S& -

Dajaks.

(Famille d gak.)


Visseherswoning op Borneo.

{Casi di' pêcheurs, à Bornéo.)


250

die tot over de knieën reikt; andere maken veel werk van ]1C(;

tatoeëeren van hun lichaam.

De vrouwen dragen den bidang of nauwsluitende rok en veelal

een keurslijf, uit een weefsel van boomschors en bamboes vervaardigd,

rijkelijk met ringen en koralen versierd. Een aardige

beschrijving van een Dajak in feestkleedij, zooals ook een onzer

platen te zien geeft, vond ik bij den heer S. W. Tromp, die

de Bahau-Tring-Dajaks, in naam aan den sultan van Koetei

onderworpen, bezocht in 1885 en die als eerste Europeaan daar

weer kwam na Schwaner en von Dewall in 1847. Hij verhaalt,

hoe bij een feest, dat hij bijwoonde, — 't was eigenlijk het eind van

den rouwtijd over een gestorven hoofd —, de vrouwen en meisjes

sierlijk waren uitgedost en bij een paar brandende harspitten

dansten. „Zij droegen een kleedje van gebloemde stof, omzoomd

met breede randen van rood en geel laken. Het was éénmaal

om het middel geslagen, zoodat een der fraai getatoeëerde beenen

nu en dan onder het loopen zichtbaar werd. Aan den bovenkant

was dit kleedje bedekt met verscheiden strengen vingerdikke

koralen van oude herkomst en daarom van hooge

waarde. Over den rug hadden eenige vrouwen van voornamen

rang een br.eede slip van, naar smaakvolle patronen aaneengeregen

kralen, om den hals droegen allen colliers in zoo grooten

getale, dat het bovenlijf, bij sommigen gehuld in een jakje

zonder mouwen met belletjes versierd, daardoor gedeeltelijk bedekt

werd; in de ooren hingen tinnen en koperen ringen zoo

groot in gewicht of in aantal, dat de lellen tot de borst uitgerekt

waren."

De ons bekende Dajaks zijn klein van gestalte, slank en weigebouwd,

bruin van soms zeer lichten tint, zoodat ze daarin

de Chineezen gelijken, maar verder met de ook aan andere Maleiers

eigen kenmerkende gelaatstrekken. Algemeen luidt het

oordeel der reizigers gunstig over hen; hunne goedhartigheid,

eerlijkheid en bescheidenheid worden geroemd; de band, die de

huisgezinnen verbindt, schijnt zeer nauw te zijn en nog niet te

worden verslapt door de pogingen, van mahomedaansche zijde


251

gedaan, om deze heidenen tot den Islam te bekeeren. In het

^tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, jrg. 1893, deelt

de heer S. W. Tromp omtrent de Dajaks aan de Boven-Kapoeas

mee, dat onder hen eene zwenking naar het Mahomedanisme

niet te miskennen valt, en dat door het afnemen van het koppensnellen

het terrein op het gebied van het geloof min of meer

braak ligt en beschikbaar wordt voor andere cultuur.

Hun heidensch veelgodendom stelt natuurkrachten en grootsche

verschijnselen als zelfbewuste wezens voor; machtige, meest

weldadige geesten, de sangiangs, bewonen stroomen en bergen,

zee en lucht, en zijn in bijna alle gevallen opgewassen tegen de

booze geesten of hantoes, ook toh genoemd, die ziekten en

kwalen veroorzaken en door toovermiddelen en formules bezworen

moeten worden met behulp van de behabei's, dat zijn

shamanen of priesters, ook balians en basirs genoemd. Zij hebben

geen nabi of profeet en ook geen heilig boek, enkel tjeriieras

of mondelinge overleveringen.

Aan den veldarbeid en het zoeken van levensonderhoud in de

bosschen doen vrouwen zoowel als mannen mee ; het maken

van booten of sampans, wapens en vlechtwerk is verder het

werk der mannen, die het in het smeden ver hebben gebracht;

het stampen van rijst of sago en het weven van kleedingstukken

dat der vrouwen. Het javaansche batiken is reeds bij sommige

stammen doorgedrongen, zoodat, nu het op Java zijn besten

tijd heeft gehad, het op Borneo mogelijk .nog eens goede dagen

te gemoet zal gaan. Tot nu toe was in de kampongs op Java

ieder Javaan zijn eigen timmerman en kleermaker, maar weldra

zal hij ophouden het laatste te zijn.

Het is verbazend, hoe het gebruik van handnaaimachines onder

de inlanders in het binnenland van Java is toegenomen. Geen pasar,

hoe klein die ook moge zijn, of er zitten minstens een paar inlandsche

eigenaars van naaimachines met hun werktuigje onder

een afdakje, om de pas gekochte kains te naaien of katoen met

een enkelen snit in een baadje te verwerken. Een baadje kost daar

slechts 5 cent aan knip- en naailoon ; een sarong aan naailoon 1


Hertenjaeht I °'

{Dijaks en '"'*


WfM^'


254

cent, terwijl soms door-echte kunstenaars in het yak hoogstens 15

cent voor een baadje en 12 cent voor een broek wordt gerekend.

Nu het batiken, het met bloemen en figuren beschilderen

van het witte doek, in onbruik raakt, kan het goed zijn,

even te herinneren, hoe het wordt verricht. Het geschiedt geheel

uit de hand en veel gereedschap is er niet voor noodig.

Een staand raam, gamangan, om het doek over te

hangen; een paar bamboelatten, waartusschen het wordt vastgeklemd,

de d jepit; een paar koperen tjanting s, een soort

van koperen trechter met heel fijne tuit, die als penseel

dienst doen; de noodige was, om op een soort van vuurtest

gesmolten te worden en een verf kuip, ziedaar alles De kunst

bestaat nu hierin, om op het afgesponnen stuk wit katoen

de gcwcnschte figuren te teekenen en deze door middel van

de tjanting, die daartoe vooraf gevuld is, met eene laag

kokende was te overdekken. Is dit geschied, dan wordt het doek

in de gereedstaande verf kuip gedaan, om de grondkleur, meestal

blauw of rood, te ontvangen ; de was verhindert de geteekende

figuren dezelfde kleur aan te nemen en deze blijven dus wit.

Na gedroogd te zijn, wordt het doek in een pot met kokend

water gedompeld, om de was los te maken, die daarna zorgvuldig

verzameld wordt, om later opnieuw te worden gesmolten.

^ Nu is nog slechts een klein gedeelte van den arbeid verricht.

Een der eigenaardigheden van het javaansche batik ligt in de

buitengewone grilligheid der kleuren. Dus moet het doek weer

op het raam, om nieuwe figuren in andere kleuren te ontvangen

en de teekenaar heeft telkens slechts de plekken, die hij niet

door de verf in de kuip wil laten aantasten, met was te bedekken

en deze later te verwijderen.

De adat bepaalt, dat sommige batikpatronen alleen worden

gedragen door personen van vorstelijke afkomst; behalve in de

Vorstenlanden houdt men zich daaraan niet meer, waarschijnlijk

ook al, doordien de europeesche fabrikant met zijne gedrukte

katoenen stoffen als batiker is opgetreden.

Dien weg zal het in Borneo zeker ook op gaan, nu d.


255

Packetvaartmaatschappij, sedert 1891 voor de buitenbezittingen

een gemakkelijk en geregeld middel van verkeer heeft geopend ;

maar voorloopig zal de inlandsche bevolking op Borneo nog

in menig opzicht die van Java navolgen, eer ze aan europeesche

gewoonten, vermaken en bezigheden de voorkeur geeft.

Zoo worden in de inlandsche wijken van Pontianak en Bandjermasin

af en toe ze/rt/««£--voorstellingen gegeven, zooals wij diebij

onze beschouwing van Java hebben beschreven en dit oorspronkelijk

javaansch vermaak vindt er veel bijval.

De beschavingspog ngen van ons bestuur bepalen zich onder

de Dajaks hoofdzakelijk tot het tegengaan van het koppensnellen ;

inlandsche scholen zijn er nog niet en de protestantsche zending

kan op Borneo evenmin op schitterende uitkomsten wijzen. Deenkele

christengemeenten in de Zuider- en Oosterafdeeling zijn

kleine kuddekens en in de geheele Westerafdeeling zoekt men

te vergeefs een enkelen protestantischen Dajak. Wat de oorspronkelijke

bewoners van Borneo noodig hebben is, dat onze re^eering

er meer geregelde landbouw- en handelstoestanden helpt in

het leven roepen, dat de wildernissen worden geëxploiteerd en

de boschproducten behoorlijk worden behandeld, dat het handwerk

er wordt gesteund en meer van dien aard. De expeditie,

die nu wordt voorbereid naar de Boven-Kapoeas, en waaraan deheer

Büttikofer o. a.. als zoöloog zal deelnemen , draagt een wetenschappelijk

karakter en zal in dezen beteekenisvolle wenken kunnen

geven. Rome is ook niet op een dag gebouwd en wij zouden

ook te- veel kunnen vergen. Dit althans hebben de Buitenbezittingen

voor, dat zij in mindere mate worden geëxploiteerd dan

met Java 't geval is; landrente naar het stelsel van admodiatie,

dat slechte systeem van loven en bieden, dat tot 1872 gold,

heeren- en cultuurdiensten en opiumpacht zijn op Java alle gelijktijdig

in functie geweest, terwijl de regeering over 't geheel voldaan

was, indien maar de Buitenbezittingen de kosten van haar

bestuur dekten. Java echter moest voor buitengewone uitgaven

opkomen, voor oorlogskosten in Indië, batige sloten voor het

moederland enz. Waar een bevoegd beoordeelaar zegt, dat om


i ! ' . ' -

S K

CQ 3

J §

.2 S

4


258

eenige ontwikkeling en beschaving onder de Dajaks te brengen,

aan wie die zegeningen ongetwijfeld goed besteed zouden zijn,

ettelijke dozijnen ambtenaren moesten worden aangesteld, waar

nu een twee- of drietal werkzaam zijn, daar kunnen wij voorloopig

van ons kleine landje niet alles eischen , maar daar is een

des te krachtiger aandrang gerechtvaardigd op den particulieren

ondernemingsgeest en het eigen initiatief van onze kapitalisten en

onze jonge werkkrachten , die, nu het oogstverband bij Kon. Besluit

van 24 Maart 1886 is geregeld, daartoe te gereeder aanleiding

vinden. Inderdaad zijn door den cultan van Sambas in den laatsten

tijd verscheiden concessies ter vestiging van land- en mijnbouwondernemingen

uitgegeven aan europeesche ondernemers. De Sambas

Exploration Company is sinds een jaar ijverig aan de goudwinning

bezig, voorloopig met vrij goed resultaat. Een paar groote

landbouwondernemingen in Borneo's Westerafdeeling gevestigd,—

en langzamerhand wordt voor de beschaving terrein gewonnen,

misschien langs nog zekerder weg dan door het oprichten van

inlandsche scholen. De heer Buys moge vreezen, dat met den

europceschen mijnbouwei en landontginner de Chineezen zouden

komen, om de Dajaks op den achtergrond te drijven, zijn wensch

dat, beschermd door ons bestuur, de Dajaks zelf zich zouden

uitbreiden en de hulpbronnen van hun land zouden exploiteeren,

zal, hoe fraai ook klinkend, noodzakelijk eenpium votum blijven ;

zoo iets ligt niet in de lijn onzer koloniale historie.

Wat eigen wilskracht, huizend in de borst van een ondernemend

man, vermag, blijkt uit de geschiedenis van het landschap

Serawak en zijn weldoener Sir James Brooke. Door zijnen vader,

die in dienst der Engelsche Oost-Indische Compagnie was geweest

, werd James Brooke voor het leger in Indië bestemd, en

hij kreeg in 1817, toen hij veertien jaar was, zijne aanstelling als

kadet. Een gevaarlijke wonde, in den krijg tegen Birma opgedaan ,

en de dood zijns vaders riepen hem naar Engeland terug; hij bereisde

later Frankrijk en Italië , en voldeed weldra met zijn eigen jacht

aan zijn wensch, om vreemde- landen in Oost en West te bezoeken.


259

Langzamerhand kwam bij hem een plan tot rijpheid, dat hij,

hoe avontuurlijk het ook was, met onversaagde stoutmoedigheid

en zeldzaam beleid tot een goed einde bracht. Borneo,

het groote, bijkans onbekende eiland, wilde- hij voor de christelijke

beschaving winnen. Daar wilde hij een staat vestigen, die

het middelpunt zou worden, van waar uit beschaving, vrijheid en

waarachtige ontwikkeling over Insulinde zouden worden verspreid.

In October 1838 vertrok James Brooke naar Borneo en landde

op de noordwestkust te Serawak. Met den sultan van Broenei

knoopte hij daar betrekkingen aan, waardoor de sultan hem het

geheele district Serawak in volle souvereiniteit afstond en hem

op 24 Sept. 1841 onder den titel van Radja met het onbeperkt

gezag over dat land bekleedde.

Brooke's eerste streven was er op gericht, orde en veiligheid

en een geregeld bestuur te doen heerschen in plaats van het

willekeurig gezag der inlandsche vorsten. De zeerooverij moest

beteugeld worden, en om dat doel te bereiken spaarde de nieuwe

Radja moeite noch inspanning. Hierbij kreeg hij steun van de in

die wateren gestationneerde engelsche^ zeemacht en ook later werd

hij telkens in zijne ondernemingen geholpen door den invloed

van Engeland, zooals het ook inderdaad zijn doel was, voor

zijn vaderland een nieuwe belangrijke stelling te winnen. Al was

zijn plan niet vrij van Don Quichotterie en al heeft het dus niet

aan zijne groote verwachtingen voldaan, voor de bevolking is

Brooke's werken zeer zeker heilzaam geweest.

Een zijner neven, Charles Johnson Brooke, heeft in 1866 een

groot werk over de onderneming uitgegeven. Daarin lezen wij

o. a., hoe door Brooke's tusschenkomst en nadat de sultan wegens

zceroof door Engeland was getuchtigd, in 1846 het eiland Laboean

door den sultan van Broenei in vollen eigendom aan Engeland

werd afgestaan. Niet te verwonderen, dat hij bij zijne bezoeken

in het moederland in 1847 en 1852 met eerbewijzen werd overladen.

Serawak ging onder zijn krachtig en verstandig bestuur

met reuzenschredcn vooruit; de handel breidde zich uit, de bevolking

nam toe en welvaart en vrede heerschte er, tot in 1857


Dorpsgezio" (

{Un r illu'f à


|f "l' Borneo.

j à Bornéo.)

Vv Vl/u


262

een hevig oproer onder de Chineezen te Serawak alles dreigde

te verstoren. Het huis en de bezittingen van den radja werden

vernield, en in 't volgend jaar keerde hij naar Engeland terug

met geschokte gezondheid, maar met de hoop, dat het moederland

zijne schepping in het verre Oosten zou willen aanvaarden

en haar voor ondergang zou willen bewaren. De onderhandelingen

leidden echter niet tot de gewenschte uitkomst en nog

tweemaal, in 1861 en 1863, keerde Brooke naar Serawak terug*

waar zijne beide neven namens hunnen oom de regeering uitoefenden.

Na Brooke's dood op 1 r Juni 1868 werd Charles Johnson

Brooke radja van Serawak. Den i6^en Augustus 1893 seinde de

7'm^-correspondent uit Singapore aan zijn blad: „Heden is

radja Brooke naar Londen scheep gegaan. Er is sprake van de

mogelijke overdracht van Britsch Noord-Borneo aan Serawak, en

de radja moet tot onderhandelen geneigd zijn, als hij er toewordt

uitgenoodigd."

De grondvester van het vorstendom heeft het bestuur er zóó

ingericht, dat het volk tot zelfregeering wordt opgeleid. Er is

een raad ingesteld, die over alle zaken van inwendig bestuur

beslist en uit zeven leden bestaat, waarvan vier inlanders moeten

zijn, want Brooke was van oordeel, dat het inlandsch element

in de regeering het overwicht moet bezitten. Hij liet zich bij alles

leiden door beginselen>van humaniteit en rechtvaardigheid, van

maatschappelijken vooruitgang en eerbiediging der persoonlijkheden,

en al beweren velen dat hij een droombeeld heeft nagejaagd,

want dat de door hem in 't leven geroepen instellingen

kunstmatige scheppingen zijn en dus geen levenskracht bezitten,

waar is het toch, dat thans het vorstendom Serawak als onafhankelijke

staat is erkend, dat onder de leiding van engelsche ingenieurs

aan de exploitatie der antimoniummijnen wordt gewerkt,

dat de eeuwenoude bosschen langzamerhand worden ontgonnen,

dat de Dajaks aan de kust de zeerooverij hebben vaarwel gezegd,

dat zij en de Maleiers er in vrede verkeeren, dat de hoofdplaats

Koetsjing en andere vestigingen steeds vooruitgaan en dat de heer

Buys in zijn reeds aangehaald werk zegt, veel goeds te hebben


2Ö3

gehoord over het land en zijn tweehonderd duizend bewoners

Bruikbare wegen door het geheele land, rust en orde, een zich

al meer en meer ontwikkelende handel; het meer geregeld drijven

van den landbouw door de inlandsche bevolking; de aanwezigheid

van zendingsscholen en andere kenteekenen van eene ontluikende

beschaving, getuigden volgens hem zeer ten gunste van

het bestuur des lands.

Die gansche geschiedenis is buiten de Nederlanders om afgespeeld

wèl een bewijs, hoe slechts in euphemistischen zin van

het nederlandsche eiland Borneo kan worden gesproken en hoehet

wezenlijk slechts een oratorische wending is te zeggen, dat wij

daar een land bezitten, dat twee-en-twintig-maal zoo groot is als

ons vaderland. Zoo beslaat bij voorbeeld het gouvernementsgebjed

te Singkawang ten N. van Pontianak gelegen in de residentie

Wester-afdeehng één vierkante paal. Daarop zijn gelegen de versterking,

de woningen van officieren en ambtenaren, een chineesche

en een maleische kampong. Alles, wat er buiten ligt

behoort aan den sultan van Sambas. De Chineezen, in dat gebied

wonende betalen belasting aan ons gouvernement; de

Dajaks doen het aan hem. De europeesche concessionarissen van

goudmijnen, tabak- en koffiecultuur betalen jaarlijks eene zekeresom

aan den sultan en niets aan ons gouvernement. Voor de

veiligheid ,„ zijn bied en voor de wegen ,Qrgt onze

d.e behalve te Singkawang, nog te Montrado, Benkayang en

Sambas een vierkante paal zijn eigendom mag noemen. Het

hoofd, meest een Chinees, is in die streken de lauthai of burgemeester,

onder hem staat nog de kaptjong.

Ons gezag, in „aam over de résidentielWesterafdeeling en.

^rlr "n f erafdeeling ZiCh Uitstrekk ^, bepaalt zich in die

g oote gebieden tot meer of minder breede kuststreken en dat

bleekt H". 30 " 13 m0eieIlJk gCn0Cg VaIt °- te ha » dh -en,

totll ? TT 00rl ° 2 in het B -i—"sehe van l859

eens! H' T , aSt,gt h00fd G0erapati ee » —htig e

dwtzTr t t cn zooved inviocd toonde te h " °p*

dweepzieke bevolking, zelfs nog nadat hij zich had moeten ver-


266

schuilen in de wildernissen aan de Boven-Doesocn en toen de

partijhoofden Amin Oellah en Demang Lehmon het ons zoo

lastig maakten. De schadelijke uitwerking van dien strijd op de

toen juist begonnen ontginning der mijnen bij Pengaron was nog

lang daarna merkbaar ; eerst in 't laatst van 1878 begon de geregelde

ontginning van de groote gouvernements-steenkolenmijn

Oranje-Nassau. In 1870 heeft de oproerling Wankang met zijne

brandals te Bandjermasin nog eens woelingen verwekt, die hij

met zijn dood boette.

Een ander terrein, waar ons gezag met moeite is gehandhaafd,

is de afdeeling Montrado, waar de chineesche goudwasschers

zich tot kongsies hadden vereenigd en waar na allerlei

moeilijke krijgsoperatiën de Chineezen tot onderwerping zijn

gebracht.

Laat mij hier even zoo kort mogelijk Borneo's historie resumeeren.

Op verschillende plaatsen van het eiland, o. a. ook in

Serawak, zijn oudheden van cirvaïtischen oorsprong ontdekt,

waaruit met zekerheid mag worden afgeleid, dat er reeds vroegtijdig

Hindoes moeten geweest zijn. Het kunnen echter Hindoe-

Javanen zijn geweest, daar enkele deden van Borneo tot de

onderhoorigheden van het hindoesche rijk Modjopahit op Java

moeten hebben behoord. In de 1 5 de eeuw werd door Soekadana

in het westen, Broenei in het noorden en Banjermasin in het

zuiden reeds eene zekere suprematie uitgeoefend. De eerste Europeaan,

die het eiland bezocht, was waarschijnlijk de Portugees

Don Jorge de Menezes, die in 1526 op eene reis naar de Molukken

Borneo aandeed. Deze ontdekking leidde tot het aanknoopcn

van handelsbetrekkingen, zoowel door de Spanjaarden

als door de Portugeezen, bepaaldelijk met de maleische rijken

van Broenei en Banjermasin. In 1600 verscheen de nederlandsche

vlootvoogd Olivier van Noord te Broenei; in 1604 vertoonde

zich Van Waerwijck op de nog zeer weinig bekende westkust;

in 1608 richtten de Nederlanders eene factorij op te Soekadana

en een jaar later sloot Bloemaert een contract met den sultan

van Sambas. Ook op de zuidkust in het rijk Banjermasin wer-


267

den door de Oost-Indische Compagnie factorijen gevestigd, die-

echter weder werden verlaten.

De landen langs de noordwestelijke kust en aan de noord-

oostelijke punt van het eiland vormen, zooals wij weten, het

sultanaat Broenei, ook wel Borneo-proper genoemd, het vorsten-

dom Serawak, onderhoorigheden van den sultan der Soeloe-

eilanden en Britsch Noord-Borneo. Het groote binnenland is vrij-

wel onbekend ; op de kaarten is, zooals wij reeds zeiden, wat

er buiten het bovengenoemde van het groote eiland over is, in

twee nederlandsche residentiën verdeeld, de Westerafdecling en

de Zuider- en Oosterafdeeling.

Aan de bezigheden van de inlandsche, maleische en dajaksche

bevolking, voor zoover die uit jacht en vischvangst bestaan, her-

inneren ons een paar der aan Borneo gewijde platen. De dieren-

wereld is op het groote eiland inderdaad rijk genoeg, om de

gelegenheid tot beide te openen. De zee, de tallooze meren

en plassen, de rivieren en stroomen wemelen van een onuitput-

telijken overvloed van visch. Bij elke groep rotsen langs de kust

ziet men groote scharen van fraai gekleurde visschen spelen en

onder het wier en de koraalgewassen zich voortspoeden, som-

mige prijken met zwarte en oranje strepen; andere zijn hemels-

blauw met doorschijnende vinnen ; enkele geel, nog andere kun-

nen in rijkdom en schittering van kleur met de papegaaien en

lori's der bosschen wedijveren.

Visch neemt dan ook hier evenals elders eene ruime plaats in

het leven en bedrijf der inboorlingen van den archipel in ; visch

vormt, nevens de rijst, het hoofdbestanddeel van hun voedsel;

visch vangen, visch kweeken, visch drogen, visch zouten, visch

op verschillende wijzen bereiden is de dagelijksche bezigheid van

vele duizenden. „De langgestrekte kusten", zegt prof. Veth, „der

meestal langwerpige of door diep indringende baaien ingesneden

eilanden bieden, in deze meestal stille en veilige wateren, voor

de zoutwatervisscherij de ruimste gelegenheid en de ontelbare

klare stroomen en prachtige meren zijn van zoetwatervisschen

in niet geringen overvloed voorzien, althans daar waar het ge-


Weg van Tondano (Celebes).

{Route de Tondino.)


Waterval bij Tondano (Celebes).

{Chutes di' lu ririîre, à Tondano.)


270

bruik van vernielende vischwijzen, zooals het bedwelmen der

visch door in het water geworpen kruiden, niet met al te goeden

uitslag tegen de schier onuitputtelijke voortbrengingskracht der

natuur heeft gewerkt. Eindeloos is de rijkdom der soorten van

visch, die de wateren van Insulinde opleveren, verwonderlijk de

verscheidenheid harer vaak zonderlinge en grillige vormen :

schitterend schier als die der vogelen de kleurenpracht, waarmee

zij getooid zijn.

„Ontelbaar zijn de plaatsen langs de kusten, waardevisscherij

als middel van bestaan wordt gedreven ; en geen water in het

binnenland, dat niet door liefhebbers wordt afgevischt. Vele

plaatsen zijn beroemd door den invloed of de bijzondere voor-

treffelijkheid der vischsoorten, die er gevangen worden : Atje-h

om zijn makreelen, Siak om zijn elften, die aan den handel de

bekende troeboek leveren, Grissee om zijn haringen, ikan ban-

deng , die in zijne vischvijvers gekweekt worden. Makassar om

zijne roode vischjes, ambassis-soorten, die op eigenaardige wijze

toebereid ook op de tafels der Europeanen als toespijs ver-

schijnen, Ternate om zijne geepen, sakko, Amboina om zijne-

tonijnen , djakalang, enz., enz. Eindeloos verscheiden zijn ook

de toestellen en gereedschappen, waarvan zich de inlander be-

dient , om de bewoners der wateren te bemachtigen. De sero

of vaste fuik, door bamboezen staketsels gevormd, aan het zee-

strand of in de riviermonden, de velerlei kleinere fuiken, in de-

binnenwateren in gebruik, de stuipmanden, vallen, knijpers, de

velerlei soorten van netten, zooals de poekat of het groote trek-

net, de djaring of het drijf net, de djala of het werpnet, de

schepnetten van verschillende soort, de velerlei hengels en lijnen,

de in allerlei verscheidenheden voorhanden werpspiesen, har-

poenen en de verschillende kruiden, die in het water geworpen

worden om de visschen te verdooven, vormen een lange reeks

van vischtoestellen, die echter stellig nog verre van volledig is."

In de verschillende deden van Borneo worden nu deze, dan

gene dezer vischwijzen toegepast en bovendien zijn de binnen-

wateren bevolkt met schildpadden, hagedissen, kikvorschen,


271

maar ook met krokodillen en alligators. Deze vraatzieke mon-

sters zijn niet enkel de schrik der visschen en andere waterbe-

woners , maar zij verslinden alles wat in hun bereik komt en

sleepen dikwijls menschen van den oever of uit vaartuigen weg.

De sampans, waarmee de menigte rivieren en binnenwateren

van Borneo worden bevaren, zijn meestal bemand met 12 à 20

roeiers, allen gewapend met lange, dunne bamboes, om te

boomen, de pagaai en de soear. Langs de ondiepten en de

riams of watervallen wordt de boot geboomd en over de soeangs

of voor de vischvangst aangelegde dammen wordt het vaartuig

vaak met algemeene krachtsinspanning voortgetrokken aan sterke

rotantouwen. Toch blijft de waterweg op Borneo meestal te ver-

kiezen boven de wegen en voetpaden, die in allertreurigsten

toestand zijn.

Buiten het water vindt men op het eiland zeer weinig groote

verscheurende dieren; bijna geen andere dan den maleischen

beer en een zekere soort van tijger van middelmatige grootte-

en fraai gestreept. Daarentegen wemelen de bosschen, vlakten

en moerassen van herten in overgroote menigte, reeën, apen

varkens, antilopen, buffels, tapirs, civetkatten, wezels en otters

en zijn dus ware lustoorden voor den vermetelen jager, die in

de gedaante van den lasso-slingerenden Dajak de vlugge dieren

uit de wouden van het binnenland bedreigt.


i aif AU"

Bewoner van Timor.

{Indigène de Timor.)


Inboorling van Timor.

{Indigène de Timor.)


ACHTSTE HOOFDSTUK.

C E L E B E S.

Als een vermagerd Borneo, dat zijne aangeslibde gronden

tusschen de vier uitloopers van het centrale bergland heeft zien

verzinken bij eene daling van den zeebodem, zoo vertoont het

bergachtige Celebes zijne vier rotsige armen, waar Boegineezen,

Makassaren en Alfoeren hun visschers- en jagersbedrijf uitoefenen

en waar zij voor een gedeelte ook reeds tot den landbouw en

den handel zijn overgegaan, ja het tot een zekeren graad van

christelijke beschaving hebben gebracht.

Wie van Celebes hoort, concentreert veelal zijne aandacht op

den zuidwestelijken hoek met Makasser en omstreken of op de

Minahassa, de noordoostelijke punt, met de hoofdstad Menado,

en onze platen houden zich daaraan, behalve dat zij een beeld'

uit het oorspronkelijk woud geven door de voorstelling van het

hertzwijn, den babiroessa, een dier, dat in levenswijze met het

wilde zwijn overeenkomt, doch niet wroeten kan in den grond

om zich met wortels te voeden. Het heeft een bijna naakte huid

en groote slagtanden, die recht naar boven staan; bij het mannetje

krommen die van de bovenkaak zich achterwaarts en gelijken

op de horens van eene gems.

Doch waar de babiroessa huist, dringt zelden een Europeaan

door, want ook op Celebes moeten we weer van een onbekend

binnenland gewagen, van een vraagteeken, dat heen wijst naar

een vraag, die op antwoord wacht. In 1882 schreef de heer W. F.

Margadant als ter opwekking van zijne landgenooten het volgende,

dat nog wel eens herhaald mag worden. „Engelschen, Russen ,


275

Italianen, Franschen en Duitschers bereizen onzen archipel, doen

er ontdekkingen, jagen en schilderen er, maar hoogst zelden

ontmoet men een landgenoot, die uit eigen beweging, op eigen

kosten tracht den sluier te lichten over de binnenlanden van

Sumatra, Borneo, Celebes en Nieuw-Guinea gespreid. Brooke

reist in 't N. van Borneo, Carl Bock in 't Z., Dent ook in 't

N., de Italiaan Beccari in N.-Guinea, evenals de Rus Miclucho

Maclay, Wallace bestudeert nog steeds fauna, flora en klimaat

van Java, de Franschen Wallon en Guillaume werden in Atjeh

vermoord, nu zijn er Brau de Saint Pol Lias en de Croix", en

zoo gaat hij nog voort met een lijstje, dat wij nu reeds weder

kunnen verlengen.

Intusschen heeft het gouvernement Celebes en onderhoorigheden

nooit te klagen gehad over gemis aan bezoek in de hoofdplaats

Makassar, die reeds lang een zeer druk middelpunt van den archipel

is. De reede is eene der beste van Nederlandsch Indië. Uit volle

zee zeilen of stoomen de schepen tot onmiddellijk voor de stad en

vinden tusschen de kust en de daarvoor liggende eilanden van

den Spermonde-archipel eene veilige ankerplaats. Ten einde het

lossen en het laden van de schepen, vooral van de stoomschepen,

die geregeld van Singapore, Java of de Molukken, Makassar

aandoen, te bevorderen, zijn er twee groote in zee uitgebouwde

hoofden, terwijl een derde vlak bij de kolcnloodsen daar het

innemen van de noodige steenkolen gemakkelijk doet plaats

hebben. Van de aanlegplaats der stoombooten tot de europeesche

wijken is de afstand niet groot. Langs het fort Rotterdam, de

sociëteit, de secretarie en verdere bureaux voert een breede weg

langs een plein naar het Hoogepad, de voornaamste en breedste

straat, aan beide zijden beplant met groote tamarindeboomen,

die haar tot eene schoone laan, het sieraad van de plaats maken.

Op dezen weg, waar het huis van den gouverneur en andere

groote woningen gevonden worden, komen de wegen uit, die

verder in de europeesche wijken voeren.

De kampongs vormen samen het grootste en sterkst bevolkte

gedeelte van de plaats; overigens kunnen ze wel het eigenaar-


De rivier v;m Dodinga.

( La ririlri il, Ihxlinga.)


278

digste, maar zeker niet het fraaiste gedeelte van Makassar genoemd

worden. De kleine van bamboe opgetrokken en op palen

rustende woningen staan aan de wegzijde vrij regelmatig naast

elkander, hier en daar eens afgewisseld door een gering steenen

of groot evenzeer op palen gebouwd huis; van den openbaren

weg zijn ze gescheiden door paggers, zoodat er langere of kortere

straten gevormd worden, die over 't algemeen een zindelijk

aanzien hebben. Dichter bij het europeesche gedeelte vermindert

echter het aantal inlandsche woningen en neemt dat der steenen

huizen toe; de straten worden breeder en vaak door aan de

zijden geplant geboomte overschaduwd ; de huizen liggen verder

van elkander af en zijn bijna alle aan den voorkant en op zijde

voorzien van erven, waaraan men door het planten van boomen

en struiken of door groote potten met bloeiende planten het

aanzien van tuinen tracht te geven.

Buiten Makassar is de omgeving vrij eentonig met hare grasvlakten

en rijstvelden, maar op een uur of vier afstands begint

het gebergte en de mooie waterval van Bantimoeroeng dichtbij

Maros lokt tal van bezoekers. Deze meest bekende punten

op het zuidelijk schiereiland behooren tot het Gouvernement

van Celebes en onderhoorigheden ; buiten de gouvernementslanden

en de residentie Menado in het noorden bevat Celebes nog

de -streken rondom de golf van Tomori, die bij de residentie

Ternate behooren, maar van dat alles staat slechts een klein

gedeelte onmiddellijk onder het nederlandsch gezag; het overige

wordt door vorsten bestuurd, die ons oppergezag erkennen of

met het nederlandsch gouvernement een bondgenootschap hebben

gesloten.

Zoo bevat de residentie Menado behalve het directe gouvernementsgebied

verscheiden inlandsche staatjes, door radja's bestuurd,

waarvan sommige zich met ons hebben verbonden tot

onderling dienstbetoon en tot vrede en vriendschap, terwijl de

regeling der troonsopvolging aan de goedkeuring van het nederlandsch

gezag is onderworpen. Tusschen verschillende van die

rijkjes op Celebes bestaan weer allerlei ingewikkelde verhoudin-


279

gen, gevolgen van een soort van daar heerschend leenstelsel.

Het noordelijk schiereiland is bergachtig als het gansche eiland

, maar de bergen zijn er bedekt met bosschen, die niet met

de weelderige wouden van Java en Sumatra kunnen worden vergeleken,

tengevolge van den schralen bodem en de dikwijls

voorkomende droogte. Zoo werden de streken rondom Gorontalo

in 1888 ruim acht maanden door aanhoudende droogte geteisterd,

zoodat al het gras verschroeide en de anders altijd groene

heuvels en bergen er uitzagen, alsof er een hevige brand had

gewoed. De afdeeling Gorontalo is door verscheiden kleine rijkjes

van het belangrijkste deel der residentie, de Minahassa,

gescheiden, waarin de hoofdplaats Menado ligt. Die laatste

zou een voortreffelijke haven kunnen zijn, indien de halve cirkel

der baai, waaraan de stad is gelegen, niet juist open was

aan de westzijde, en dus in den westmoesson helaas, aan de

hevige stormen en hoogloopende zeeën uit het westen blootstond.

In het stadje zelf bestaan de hoofdstraten uit goed onderhouden

grintwegen, door breede hagen omzoomd, waarachter de

houten huizen der Europeanen liggen, door tuinen vol bloemperken

omringd. De woningen der Chineezen, vroeger primitief

en minder aanlokkelijk, zijn sedert den grooten brand in 1880,

die de geheele chineesche wijk in asch legde, van duurzamer en

hechter bouw en alle met gegalvaniseerd ijzer gedekt. In de laatste

tien jaren zijn de hoofdwegen in de Minahassa verhard en verbeterd,

een voldoend aantal bruggen wordt van gouvernementswege

onderhouden en de pasangrahans of primitieve hotels voor

reizende ambtenaren en ook voor particulieren opengesteld, zijn

in goeden staat. Langs een der mooiste wegen in de aan natuurschoon

zoo rijke Minahassa bereikt men van Menado uit den

op de plaat voorgestelden waterval van Tondano aan het meer

van dien naam. De weg leidt langs notenmuscaat-tuinen, bosschages

van vruchtboomen , rijstvelden , om , als het terrein hooger

wordt, door koffidanden naar Tomohon te voeren. Deze plaats ligt

zeer schoon aan den voet van den Lokon, een berg, die dit jaar in

't begin van April 1893 door de hevige onderaardsche schuddingen


I

Wapenen enz. der bewonen ran Timor.

C.ti-iiies ft ustetisiUs d«.s habitants de. Timor.)


Moskee te Ternate.

(Mosquée à Ternate.)


282

en het uitbraken van steenen, asch en zwaveldamp grooten schrik

in den omtrek verspreidde.

Door den invloed der christelijke beschaving hebben de dorpen

in de Minahassa iets eigenaardig gelijkvormigs gekregen,

iets nets en wel onderhoudens, waarbij bedden van rozen en

blauwe klokjes en gelijk geschoren heggen de erven sieren en

net gewitte met blauw afgezette huisjes zich in het rijke plantsoen

dier erven als verschuilen. Wit en blauw zijn de kleuren

der Minahassa, zooals rood en groen die van Ambon zijn.

Tomohon, een van die dorpen, bezit eene meisjesschool voor

dochters van inlandsche hoofden en andere aanzienlijke inlanders,

terwijl de inrichting tot opleiding van inlandsche godsdienstleeraars

er gevestigd is en men in de buurt de kweekschool

heeft voor inlandsche genootschapsonderwijzers. In deze

streken is nu het Christendom het voertuig der beschaving, zooals

in vroeger tijden de Hindoe-godsdienst dat was. De schrijfkunst

is reeds door de Hindoes in den archipel ingevoerd ; veel

schrijfvormen zijn uit oude indische alphabetten afkomstig, maar

eerst met den Islam is op Java, Sumatra en Zuid-Celebes het

met inkt beschrijven van eigengemaakt papier in zwang gekomen.

Vóór dien tijd diende geprepareerde boombast of bamboes als

schrijfmateriaal, de kalam uit de hoornachtige vezels van den

arengpalm gesneden, diende als pen of waar de stof te hard

was, werd een mesje gebruikt. Zoo heet in de Lampongsche

districten het letterschrift nog satra-rentjong naar het mesje (rentjong).

Tegenwoordig echter legt de inlandsche industrie zich met

succes op de fabricage van papier toe. Het schrift, dat algemeen

gebezigd wordt, is het arabische, met eenige letterteekens vermeerderd

en buitendien bezitten verschillende volken nog een eigen

letterschrift, dat buiten het door hen bewoonde gebied niet bekend is.

Een breede bergpas voert van Tomohon naar Tondano, dat

vroeger zelfs in het schoone kratermeer lag; eerst in het begin

dezer eeuw heeft men de bewoners ertoe kunnen brengen, hunne

woningen op de rieteilandjes in het meer te verlaten en door het

verbranden hunner hutten dwong men hen sich meer landwaarts


283

in te vestigen en hun paalwoningendorpen te verlaten. Door de

javaansche wijk van Tondano trekkend, zoo genoemd naar de

ballingen uit Java, die er na den opstand van Diepo Negoro

waren heengebracht, bereikt men al spoedig den beroemden

waterval, die het water van het meer van Tondano afvoert door

de Temberan en door een drietal boven elkander gelegen bekkens

van trachiet gevormd wordt, zoo dicht bij elkander, dat

de waterkolommen, op eenigen afstand gezien, slechs eenen

enkelen val schijnen te vormen. .De beide bovenste kolommen

hebben slechts eene hoogte van 3 à 4 M. , maar de middelste

val is ongeveer 70 voet hoog en stort zich in eene diepe kom

met loodrechte wanden, overal met een dichten plantengroei

bedekt. Alle wegen in den omtrek van Tondano zijn rijk aan

natuurschoon, vooral waar de vulkaan Klabat zich in zijne majestueuze

schoonheid vertoont. De tegenwoordige zetel van den

gouverneur is Ajermadidi, aan den weg naar de in verval geraakte

havenplaats Kema.

In groote bosschages worden in de Minahassa de Sagopalmen

gekweekt, die het hoofdvoedsel leveren voor de bewoners van de

ten O. van Celebes gelegen eilanden. In de boeiende reisverhalen

van Alfred Russell Wallace over d,at gedeelte van onzen indischen

archipel, verhalen, waaraan de hier opgenomen platen voor het

meerendeel zijn ontleend, lezen wij veel over het algemeen gebruik,

dat van de sago wordt gemaakt. De boom, zegt hij,

wordt een weinig dikker dan de kokospalm, maar zelden zoo

hoog, heeft zeer groote, sterke en doornachtige bladeren, die

gedurende een zeker aantal jaren den stam geheel bedekken en

groeit in moerassen en op vochtige plekken langs de berghellingen

, waar hij even goed tiert als in zout of brak water.

De sagopalm bewijst op Celebes, de Molukken en de andere

in de oosthelft van onzen archipel gelegen eilanden velerlei diensten.

De middenribbe der reusachtige bladeren van den schoonen

vederpalm vervangt met voordeel het bamboes; die nerf heeft

eene lengte van tien tot vijftien voet en is aan het benedeneind

soms zoo dik als het been van een volwassen man. Uit zeer


w*

ai

^5

.§ §


286

vast merg bestaande en bekleed met eene dunne, maar taaie

opperhuid, kunnen die bladribben als palen het dak dragen ja

men bouwt er geheele woningen van; gespleten en op balken

gelegd, vormen zij eene vloer; gelijkmatig uitgezocht en aan

elkander bevestigd, doen zij voor de fraaiste planken niet onder

en behoeven noch verf, noch vernis. Tot dunne plankjes gezaagd

dienen zij voor het maken van die mooie doosjes, waarin op

Ceram een zoo levendigen handel wordt gedreven, die sterk en

licht zlJn en zeer geschikt voor het bewaren van insecten. Aan

dien laatsten lof van het sagohout herkennen we Wallace den

hartstochtelijken verzamelaar en grooten natuurvereerder Het i's een

genot te lezen, met hoeveel ambitie hij daar in onzen archipel

zich op het vinden van vreemde vogels, kevers , vlinders en andere

d.eren toelegt, hoe geen moeite hem te veel en geen ontbering

hem te lastig is en hoe innig gelukkig hij is met de vondst van

een insect, dat hij op de een of andere plaats hoopte te zullen

aantreffen, of met het verkrijgen van een ongeschonden levend

exemplaar der zeldzaam fraaie paradijsvogels.

Maar om op den sagopalm terug te komen en de wijze

waarop de voedende stof eruit wordt verkregen. Men kiest eenen

sagopalm uit, die op het punt staat bloem te maken, men

snijdt hem bij den grond af, neemt de bladeren weg alsook een

stuk van den bast van den stam. Door de uitspruitsels beneden

aan de stammen blijft een sagobosch vanzelf bestaan. Het merg

wordt na de overlangsche splijting zichtbaar, is beneden roodachtig,

maar hooger op zuiver wit van kleur, zeer stevig en hard en

met houtvezels doorsneden. Dit merg wordt met een zwaren

houten stamper of knods, aan het dikke eind van een scherp

gepunten steen voorzien, eruit gehaald en tot een grof poeder

gestampt of liever tot zeer kleine stukjes, die dan in gevlochten

korfjes naar de naaste beek worden gebracht, waar een soort

van wasch- of zuiveringstoestel is opgericht. In een zak wordt

het merg met water begoten, geperst en gekneed en zoo gefiltreerd

, tot het meel is losgeraakt en door de zeef in een daaronder

staande kuip is terechtgekomen, terwijl de houtvezels


287

achterblijven. Zoodra er een genoegzame hoeveelheid gezuiverd

meel in de kuip aanwezig is, laat men het uitdruipen en rolt

het vervolgens in cilindervormige stukken of brooden ter zwaarte

v.m dertig pond. Die brooden worden in bladeren van den sagopalm

gerold en als ruwe sago in den handel gebracht. De kleur

der sago is nu nog lichtrood ; de stof wordt in water gekookt

tot eene lijmachtige pap, die een weinig samentrekkend is en

met zout en citroen wordt gegeten. Ook worden er koeken van

gebakken, waarbij de sago eerst fijn gemalen en gezeefd wordt,

en dan in een aarden oven wordt gelegd, die in regelmatige

langwerpige vakjes is verdeeld. Deze oven, die van onderen met

gloeiende houtskolen wordt gestookt, is van boven met palmbladeren

bedekt; vijf minuten, nadat het meel in den oven is

gedaan, zijn de broodjes of koeken gereed. Warm met boter

gegeten, smaken zij uitmuntend en met suiker en geschrapte

kokosnoot toebereid, zijn ze bepaald eene lekkernij. Die koekjes,

lempings, laat men, om ze te bewaren, in de zon drogen, ze

worden dan zeer hard en kunnen jaren lang goed blijven. In

water geweekt en weer verwarmd, zijn ze dan weer terstond

smakelijk.

De vruchten van den sagopalm zijn ronde, schubachtige glanzige

noten, die door den boom slechts eenmaal worden voortgebracht.

Zijn de vruchten rijp, dan wordt het merg hard en de

boom begint af te sterven. Zooals ik zei, vermenigvuldigt hij zich

ook door uitspruitsels aan den wortel. Een palm van gemiddelde

grootte, dus een van een twintigtal voeten hoog en vier à vijf

voet in omtrek, kan dertig brooden van dertig pond opleveren,

van eiken toman of brood maakt men zestig koeken van drie

in het pond. Een gewoon mensch gebruikt niet meer dan twee

van die koeken voor zijnen maaltijd ; vijf zijn voldoende voor

zijn dagelijksch rantsoen. Die achttienhonderd koeken kunnen hem

dus een geheel jaar in het leven houden en, zonder dat daarvoor

veel inspanning noodig is, want twee personen kunnen in vijf

dagen een geheelen boom uithollen en het merg tot brooden

maken en twee andere kunnen in dienzelfdcn tijd van dat meel


ffittfH ,ni;

Kimakha.

(Khnalalia, professeur d'escrime?)


2QO

koeken bakken. Maar daar het meel ook zeer goed ongebakken

bewaard kan blijven, zal de man in minder dan tien dagen

zijnen voorraad voor het gansche jaar gereed hebben. Nu de

meeste sagopalmen tegenwoordig privaat eigendom zijn, moet

een boom worden gekocht en men betaalt er op zijn hoogst

tien francs voor. Deze lage prijs van het voedsel heeft intus.

sehen ook zijne nadeelige zijden, daar het de menschen onverschillig

maakt omtrent het bebouwen van den grond en hen,

wat de geriefelijkheden en genietingen des levens aangaat, op

een laag standpunt houdt.


NEGENDE HOOFDSTUK.

DE MEER OOSTELIJK GELEGEN EILANDEN.

Wij zijn nu genaderd tot dat gedeelte onzer bezittingen, dat

langen tijd het neusje van den zalm vertegenwoordigde, aan de

Groote Oost, zooals de Molukken ten tijde van de Oost-indische

Compagnie steeds werden genoemd, waarschijnlijk een eernaam

aan de eilanden gegund, als de mildvloeiende bron van zilver en

goud, waaruit de aandeelhouders hunne ruime winsten ontvingen.

Omtrent hunne oude geschiedenis is niet veel bekend. In de

i4 de eeuw moeten de vier rijkjes Djilolo, Ternate, Tidore en

Batjan reeds van eenige beteekenis zijn geweest ; ook schijnen

zich in die eeuw Javanen en Arabieren op Ternate te hebben

gevestigd. De daar regeerende vorst ging in r486 tot den mahomedaanschen

godsdienst over. Onderhoorigheden van de genoemde

rijkjes werden door stadhouders bestuurd.

Kenmerkend voor deze eilandengroep was het feit, dat er kruidnagel-

en muskaatnotenboomen gevonden werden. Terwijl toch

de andere eilanden van den archipel producten leverden, die ook

elders werden verkregen, waren deze specerijen alleen op de Molukken

te vinden, zoodat de bezitters van die groep meesters

waren van de wereldmarkt in die zoo gezochte waar. Er is dan

ook vrij wat gestreden om dat bezit door Portugeezen, Engelschen

en Nederlanders. Harde, zelfs wreede maatregelen zijn genomen

door wie eenmaal meester was van den buit, om zich in

het bezit ervan te handhaven en het voordeel, dat de Molukken

opleverden, voor zich alleen te behouden

Het eerst verscheen de Portugees op de kampplaats. In 1511


^3

o s

S i

5» .a

£ 5

S s

9 b


294

liet hij er zich zien en werd er vriendelijk ontvangen, belust als

de eilandbewoners waren op de voordeden van den handel met

de westerlingen. De goede verstandhouding was echter niet duurzaam

; toen er andere kapers op de kust kwamen, veranderden

de toestanden, hoewel gedurende de geheele i6


295

dernemen. Als samengesmolten uit zoo verschillende maatschappijen,

gaf de Compagnie in zekeren zin het beeld onzer republiek

terug, en zooals in die republiek de Staten-Generaal de

eenheid vertegenwoordigden, zoo deed dat in het bedoelde

handelslichaam het centrale bestuur, de Heeren Zeventienen, uit

de bewindhebbers (aanvankelijk 73 , later minder) gekozen.

Voor ons doel is het niet noodig stil te staan bij de handelingen

en de tribulatiën van de Compagnie ; een zeer verkwikkeiijk

schouwspel levert zulk een blik niet op. Oneenigheid over

de verlenging van het octrooi, 't uitblijven van rekening en verantwoording,

bitse bejegening van wie het waagde protest tegen

bestuurshandelingen in te brengen, zelfs verzet tegen de besluiten

der Staten-Generaal en als resultaat van dat alles een steeds

dichter sluier, uitgespreid over den toestand der Compagniesdat

alles, hoe ondenkbaar thans in onze eeuw van openbaarheid,

staat er te lezen op de historiebladen onzer koloniale geschiedenis

in de 17de en 18de eeuw; en toen het liedje was uitgezongen,

werd de plaats der Compagnie in 't begin dezer eeuw

door den staat ingenomen.

Laat ons het optreden der Compagnie op de Molukken intusschen

nog even nader beschouwen. Reeds in 1600 wisten de

Nederlanders het monopolie van den nagelhandel te verkrijgen ,

altijd met moeite gehandhaafd tegenover de naijverige Portugeezen.

Inderdaad gaf het onzen handel een niet geringen steun ,

toen de Zeventienen in 1609 de voordracht bij de Staten-Generaal

indienden, om Pieter Both van Amersfoort als Gouverneur-

Generaal naar Indië te zenden , zoodat aan ons gezao- een zekere

centralisatie werd gegeven. In de tweede helft der 17de e'euw

waren èn de Spanjaarden, die er zich ook hadden doen gelden,

èn de Portugeezen van het tooneel der Molukken verdwenen.

Hun plaats in het strijdperk was intusschen reeds weer bezet

door een volk van angelsaksisch ras, dus met grooter weerstandsvermogen

begiftigd en al hebben wij in den strijd met de

Engelschen per slot van rekening aan het langste eind getrokken ,

't heeft heel wat beleid en overleg gekost, om het zoover te


Gezicht op Amboina.

(liivière de Batour-Méra, à Amboiue.)


298

brengen. Zelfs werd reeds in de 17de eeuw een Raad van defensie

benoemd, waarin een gelijk getal Nederlanders en Engelschen

zitting namen, om de belangen der beide volken te behartigen.

In de Molukken streefde de Compagnie, anders dan op Java,

hoofdzakelijk naar de opperheerschappij en naar het verkrijgen

van grondgebied. De stadhouders of salahakans, vooral die van

Ceram of Homahowel, gaven haar veel last en moeite en mis-

schien was dat niet te verwonderen, als we hooien hoe de

Compagnie daar en elders in de Molukken optrad.

Aan Nederlanders werden bijv. op Banda de voor de noten-

cultuur geschikte gronden afgestaan en deze in perceelen of per-

ken verdeeld, waarin die vrijburgers of perkeniers hunne slaven

of perkhoorigen lieten arbeiden. Uit vrees dat de specerijen van

de streken, waar de Compagnie geen onmiddellijk toezicht kon

uitoefenen, aan andere handelaren werden afgestaan, werden

nu en dan, het eerst van Amboina uit, de zoogenaamde hongi-

tochten gehouden, waarbij inlanders in dienst der Compagnie met

hun korra-koi-ras of kleine vaartuigen ergens aan land gingen,

in naam om orde en veiligheid te handhaven, maar inderdaad

om er op ruwe wijze de kruidnagelboomen uit te roeien. Dat

dergelijke handelingen voortdurend tot oproer en verzet leidden,

behoeft ons niet te verwonderen. Na de bespreking van een he-

vigen opstand op Ceram zegt prof. van der Lith :

„Voortaan zouden de specerijen alleen daar groeien , waar de

Compagnie zulks verlangde. Nagelen mochten alleen op Am-

boina en de Oeliassers worden voortgebracht en de muskaatnoten

alleen in de Banda-eilanden worden aangetroffen. Maar daar de

natuur zich niet aan die bepalingen stoorde en voortging, met

milde hand hare schatten over de Molukken te verspreiden, was

een aanhoudend toezicht noodig om dit te beletten. Daartoe

werden de hongitochten benuttigd. Op vaste tijden van het jaar

werd de bevolking van Amboina opgeroepen , om met hare vaar-

tuigen aldaar bijeen te komen. Onder aanvoering van een Com-

pagniesbeambte werd dan een kruistocht ondernomen en overal

waar men specerijboomen aantrof, werden dezen vernietigd'


299

althans voor zooverre men ze bereiken kon, want tot in de

binnenlanden der groote eilanden durfde men zich niet wagen.

Elk scheutje, dat een boom dreigde te worden, werd in naam

der Compagnie vernietigd. Maar ook nog op eene andere wijze

wist de Compagnie van die hongitochten nut te trekken. Wanneer

een nagel-oogst goed uitviel, verkreeg de Compagnie dikwijls

nagelen in zoo groote hoeveelheid, dat het moeilijk was, ze tegen

den vastgestelden hoogen prijs te verkoopen. Om nu niet genoodzaakt

te zijn tegen lagere prijzen de nagelen te veilen, verbrandde

men somwijlen 't geen men te veel had. Maar dit kwam

te duur uit, want men moest de Amboneezen voor de nagelen,

die men verbrandde, betalen. Welnu, ook daarin voorzag de

hongitocht! Vreesde men voor eenen ruimen oogst, dan riep men

de hongivloot te zamen, op het tijdstip dat de nagelen rijp

werden, doch vóór het oogsten. Kwamen de inlanders dan van

den tocht terug, dan waren de vruchten aan de boomen bedorven

en de Compagnie behoefde ze niet aan te nemen! En ook

tegen het gevaar van opstand maakte men van den hongitocht

gebruik. Na afloop daarvan gaf men een feest en trachtte den

inlander door sterke dranken te bedwelmen, hem praatziek te

maken en zóó er achter te komen, of hij kwade plannen in het

schild voerde. Dat het onder een zoodanig stelsel den Molukken

niet kon welgaan spreekt wel van zelf. De eilanden, waar

geene specerijen mochten worden geteeld, zagen zich van eene

ruime bron van welvaart beroofd en werden bovendien jaarlijks

door de bemanning der hongivloot gekweld, die, niet betaald en

slecht gevoed, zich door het berooven der bevolking van de

andere eilanden schadeloos zocht te stellen voor de afpersingen,

die zij zelve te lijden had. En op de eilanden, voor die teelt

afgezonderd, was het lot der inwoners niet beter. Gedwongen

aanplant en gedwongen levering belemmerden hunne vrijheid;

de geringe betaling, die de Compagnie gaf, was bij lange na

geene voldoende belooning voor de genomen moeite, terwijl de

bewoners bovendien gebukt gingen onder allerlei diensten, die

zij voor niet aan hunne hoofden en aan de Nederlanders moesten


Gezicht

(Um '

I


f A,lll >oina.

f OéUbes.)


302

bewijzen. Ook voor hun zedelijk welzijn werd weinig gedaan.

Wel zorgde de Compagnie in de Molukken voor de handhaving

der Christelijke religie, maar aan goed onderwijs werd niet gedacht."

Geen wonder, dat de bevolking achteruitging en een

droevig beeld van verval opleverde.

Wat de eilandengroepen ten O. van Celebes betreft, d. z. de

Molukken, de kleine Soenda-eilanden, de Zuidwester- en de Zuidoostereilanden,

de Key- en de Aroearchipel, doe ik slechts hier

en daar een greep uit de reisbeschrijvingen, die daarover tot

ons zijn gekomen. Aan de hand onzer platen worden we dan

het eerst naar Timor geleid, het half aan Portugal behoorend

meest oostelijk gelegen eiland van de groep der kleine Soendaeilanden.

Het is zeer bergachtig, maar de bergen zijn slechts

schraal begroeid en hoewel de jaarlijksche regenhoeveelheid er

volstrekt niet zoo gering is, spreekt men toch terecht van Timor's

droog klimaat, omdat de regenval zich tot enkele maanden bepaalt

, en het er menigmaal van Juni tot October volkomen droog

blijft. Vandaar het gemengde karakter van den plantengroei,

die reeds een half-australisch karakter draagt en het voorkomen

van eucalyptussen en casuarinen naast bamboe-boschjes.

Een groote hinderpaal voor de ontwikkeling van het eiland

is de trage aard der bevolking en daarbij het bestuur in de binnenlanden,

dat door tal van kleine, elkander beoorlogende vorsten

wordt uitgeoefend. De regeerings-almanak noemt drie-entwintig

vorsten, waaronder drie keizers. De hoop, die men langen

tijd gekoesterd heeft, om door het vinden van rijke kopermijnen

nieuwe bronnen van welvaart voor Timor te openen, schijnt niet

verwezenlijkt te zullen worden, daar de onderzoekingen, reeds

in die richting ingesteld, geene resultaten opleverden. Zoo heeft

het nabij gelegen Flores, doordien men zich er rijke tinmijnen

voorspiegelde, in 1890 eene expeditie tot zich gelokt, dieevenmin

op resultaten kan bogen, al is door de ingestelde nasporingen,

die tot verzet bij de bevolking leidden, en door de latere

onderzoekingen onze kennis van het eiland aanmerkelijk uitge-


303

breid. Ongelukkig hebben de schermutselingen met de in 't binnenland

wonende Roka's verscheidenen der onzen het leven gekost.

Timor's hoofdstad Koepang wordt weinig bezocht; de walvischvaarders

doen de plaats niet meer aan, die trouwens ook

enkel in den oostmoesson een veilig toevluchtsoord is. Paarden

sandelhout en was worden er uitgevoerd. De omtrek der stad

heeft een treurig, somber voorkomen, vooral ten gevolge van

den schralen plantengroei. Maleiers, Hollanders en Chineezen

zijn er sterk in de minderheid tegenover de inboorlingen, die

veel overeenkomst vertoonen met de echte Papoea's van de A roeeilanden

en Nieuw-Guinea. Ze zijn rijzig van gestalte, hebben

eene zeer donkerbruine gelaatskleur, sterk sprekende trekken,

een grooten, licht gebogen neus en dicht kroes haar.

Een eigenaardigheid van Timor is, dat het koren er reeds op

betrekkelijk zoo geringe hoogte kan verbouwd worden, terwijl

de korrel van voortreffelijke hoedanigheid is. Zeker wijst dit feit

op de mogelijkheid van vooruitgang in den landbouw, indien

de regeering de moeite wilde nemen, wegen aan te leggen, (ie

inlanders te onderwijzen en hen aan te moedigen en voort te

helpen. Deze verzuchting, ook bij zijn bezoek aan andere eilanden

daar in de buurt door Wallace geslaakt, is er eene, die

nog voortdurend weer geuit wordt, maar die ook, waar bij de

regeering de beste wil aanwezig is, slechts in den loop der tijden

en gestadig aan met het aanbrengen van afdoende verbeteringen

kan worden beantwoord. Zij moge intusschen allen, die invloed

m het oosten van onzen archipel kunnen uitoefenen, tot waakzaamheid

aansporen.

De bergbewoners van Timor behooren tot het ras der Papoea's ;

ze bouwen hunne woningen op palen van drie à vier voet hoo^,'

terwijl de kustbewoners op den vlakken grond wonen. Hun voornaamste

kleedingstuk is een lange lap doek, die om de heupen

wordt gewonden en tot op de knieën neerhangt. Een merkwaardig

bijgeloof, dat aan de Zuidzee-eilanden herinnert, heerscht op

Timor. Het daar bekende taboe heet hier p*maU\ het kent een

soort van heiligheid of onschendbaarheid aan bepaalde voorwe,-


Het dorp Waroe-Waroe op Ceram.

>Jtade et Village de Warou-Warou. — Warus-Wants ; Ceram.")


*

ta g

6 2

g 3

es

-_ 3

sr. ~


3o6

pen toe en vervult de Timoreezen met diep ontzag. Met behulp

van zekere ceremoniën wordt dat gewijde karakter aan de nietigste

zaken bij de meest alledaagsche gelegenheden toegekend. Inlandsche

christenen zijn er slechts zeer weinig op het eiland en

bijna overal heeft het volk zijne onafhankelijkheid weten te bewaren

, zoodat de heerschers in naam, de Portugeezen en de

Nederlanders, er volstrekt niet met ingenomenheid worden behandeld.

De residentie Ternate vindt haar middelpunt en hare hoofdplaats

in het uit de geschiedenis der Oost-Indische Compagnie door de

verdragen met de sultans bekende eiland van dien naam, dat

als een groene piramide, door rookwolken gekroond, oprijst uit

de zee. Het bestaat slechts uit dien vuurspuwenden berg, welks

hellingen tot op vrij groote hoogte zijn bebouwd, hoewel er voortdurend

aardbevingen worden gevoeld. De krateropening ligt aan

de noordzijde; als een breede zwarte streep loopt van daar een

der lava-uitstortingen tot de kust naar beneden. De in het groen

verscholen hoofdplaats bestaat uit een drietal straten, die ongeveer

evenwijdig loopen en door smalle paden met elkander verbonden

zijn. Het gebied van den sultan bestaat er uit negen

kampongs , door Mahomedanen bewoond , en zijn paleis , om de

aardbevingen natuurlijk uit één verdieping bestaande, maakt meer

indruk dan het lage houten gebouw, de woning van den resident

of het oude fort Oranje, dat de bezetting huisvest. Ternate heeft

ten gevolge van de frissche zeewinden een aangenaam klimaat

en wordt voor lijders aan borstkwalen zeer aanbevolen.

In de stad Ternate zijn de europeesche woningen groot en

ruim en zeer doelmatig ingericht. De heer Achille Raffray, die

de Molukken in 1877 bezocht, vertelt van de moskee in de inlandsche

stad op Ternate. dat het een zeer merkwaardig monument

is. Aan de straatzijde loopt een soort van zuilengang, die

naar een binnenplein voert, waarop de moskee staat, met haar

allerprimitiefst pyramidaal dak, uit vijf verdiepingen bestaand,

alle met kokosbladeren gedekt.


307

Onze op Dodinga betrekking hebbende platen verplaatsen ons

op het eiland Djilolo of Halmaheira, in vorm een tweede Celebes,

maar dat nog veel minder bekend is. Voor zoover men heeft

kunnen nagaan , is het binnenland er met ondoordringbare wouden

bedekt, van welker weergalooze schoonheid onze afbeelding van

de rivier van Dodinga met de aardige sampan en den pagaaienden

Alfoer wel eenig denkbeeld geeft. De Alfoeren zijn er de oorspronkelijke

bewoners, maar leven met de heerschende Maleiers

in de beste verstandhouding. In het dorp Dodinga of liever,

in wat vroeger het dorp was, want het welvarende land is

door de oorlogen van de beide laatste eeuwen in eene ruïne

veranderd, staat de moskee der Maleiers naast de fetischen der

Alfoeren, ruw bewerkte, levensgroote, houten borstbeelden met

natuurlijk haar versierd. Afdakjes van palmbladeren beschermen

deze godenbeelden tegen den invloed van het weder ; op den

grond liggen dikwijls gebroken potten en kannen en stukken

veelkleurige stof, als offergaven voor de goden daar neergelegd.

De gestalte der Alfoeren is sierlijker en rijziger dan die der

Maleiers, en door hun ovaal gelaat, hun vrij hoog open voorhoofd

, hun arendsneus en hunne horizontaal liggende oogen onderscheiden

zij zich mede van de meerderheid der maleischc

volken. Zij hebben een soms vrij gevulden baard en forsche en

gespierde ledematen. Hunne lange, zwarte eenigszins krullende

haren worden achter op het hoofd door middel van een houten

kam tot een soort van chignon opgestoken. Hunne kleeding bestaat

uit een rotangordel, waaraan een stuk roode of blauwe

stof is bevestigd, dat door dien gordel wordt gehaald en bij wijze

van voorschoot afhangt. Armbanden van ijzer- of koperdraad,

groote breede ringen, die van schelpen worden vervaardigd, en

een halsketting van glaskoralen voltooien hun kostuum. Hunne

wapenen zijn getande lansen van ijzerhout en een kleine boog

en pijlen van bamboes ; deze laatste zijn niet vergiftigd. De Alfoer

Niroe, die door den heer Raffray gephotographeerd werd, was

onrustig en gejaagd onder die handeling als een echte wilde.

Het had moeite gekost, hem zoo ver te krijgen; blijkbaar gaf


De Paradijs vogel.

(Un oisexii de Paradis: l'aradisea rubra).


De goudkleurige sifflet (L'arotia aam,) mannetje eu wijfje!

(Le sifilet à gorge dorée, mâle femelle.)


3IO

hij de voorkeur aan de vrijheid in de bosschen, waar hij waarsch.jnhjk

zijne hut versierd had met de trofeeën zijner vaardigheid

in het koppensnellen.

Een meer grappige figuur was die van den Maleier Kimalaha

met zijn allerzonderiingsten hoed. Hij bekleedde de waardigheid

van dorpshoofd of orang-kaPal, was een man van middelbaren

leeftijd en leelijk in zijne soort. Zijn veelkleurige hoed was van

palmbladeren vervaardigd en had de gedaante van een langen

smallen trechter, die van boven met een vederbos was gekroond

Het bewijs zijner schermkunst, waarvan de plaat ons een staaltje

te zien geeft, leverde hij bij eene toevallige gelegenheid. Hij zag

namelijk b,j een bezoek aan den europeeschen reiziger een paar

alfoersche schilden, die deze voor zijne ethnografische verzameling

had gekocht. Ze waren vervaardigd van een stuk hout van

ruim een halven meter lengte, liepen naar het midden smaller

toe en waren daar 10 cM. ongeveer breed. Er wassen lichte

buiging in het hout aangebracht en aan de buitenzijde waren

de schilden zwart geverfd en ingelegd met witte schelpen, die

aardige figuren vormden. Toen Kimalaha een dier schilden zag

werd mogelijk eene herinnering uit zijn jongelingsjaren bij hem

levendig, ten minste op eens nam hij zijn kris en zich met een

der schilden dekkende, stelde hij zich te weer tegen een denkbeeldigen

vijand. Daarna voerde hij, voor- en achterwaarts

springende, allerlei bewegingen uit, zich buigende en weer oprtchtende,

altijd met het schild aan den linkerarm, nu eens zijn

hoofd, dan zijne beenen, straks zijne borst dekkende. Deze schermkunst,

die stellig aangeleerd was, en aan vaste regels gebonden

scheen, gaf blijk van veel methode en geen geringe behendigheid.

In dien tijd, toen nog geen Paketvaart het verkeer vergemakkelijkte,

deed de fransche reiziger den tocht van Ternate naar

Nieuw-Guinea met een schoener van een rijken Maleier, die er

heen ging, om ruilhandel te drijven. Hij heette Hassan en geeft

ons met zijn zoon Idriss ook op de plaat den indruk van een

well-to-do Maleier. In zijn huisgezin bleven bij een bezoek van

de Europeanen als in elk mahomedaansch gezin de vrouwen on-


3"

zichtbaar, hoewel hare zorgende hand merkbaar was in de

keurige inrichting van Hassan's woning en de geurigheid der

thee, die den gasten werd geschonken.

Meer dan Ternate beteekent Ambon of Amboina, de hoofdplaats

der Molukken. Het eiland bestaat uit twee schiereilanden,

Hitoe en Leitimor, door diepe inhammen van elkander gescheiden

en alleen door eene zandige landengte, den pas van Bagoeala,

ruim een meter breed, vereenigd. Aan de fraaie beschutte haven

in het westen ligt de stad, die uit een gansche reeks van lanen

bestaat, waaronder de Paradijsstraat, rechthoekig elkaar kruisend

en aan weerszijden omzoomd door bloeiende hagen, waarachter

te midden van tuinen aardige europeesche en inlandsche woningen

liggen onder de schaduw van palmen, kanariboomen, waarvan

de pitten eene smakelijke olie leveren, en velerlei vruchtboomen,

als doerians en manggistans, tjoklats, blimbings en papaja's.

Zandige wegen, met dicht gras of koesoe-koesoe bedekte paden

en lommerrijke lanen voeren over de heuvelen en bergen van

het schilderachtige landschap. De albizzia moluccana met het

fijne acacia-loof is een sieraad der ambonsche bosschen. Het residentshuis

Batoe Gadjah is niet veel meer dan een ruw betimmerde

loods; het park met zijn overvloed kristalhelder water

vergoedt echter veel. Als het kanaal door de landengte, dat sinds

1824 reeds verzand is, heropend werd, 't geen slechts weinig

kosten na zich zou sleepen, kon de handel van Ambon daarvan

zeker groot voordeel trekken en bij een exploitatie der bosschen

van Ceram een uitstekende stapelplaats van producten worden.

Bij de stijging in den prijs der kruidnagelen beginnen de europeesche

planters der Molukken in den laatsten tijd weder naast

cacao en notemuskaat ook den kruidnagelboom te telen. De

nagelboom heeft donkergroene bladeren, groeit in den vorm van

eene piramide en wordt ongeveer 8 M. hoog. Het weligst tiert

hij op een steenachtigen, vulkanischen grond, op de helling van

bergen, waar de frissche zeewind door zijn gebladerte kan spelen.

Men plant hem in tuinen of in bossçhen. Wil men hçm aan-


De Goenong-Api, vulkaan op Banda.

(Le vulcaii de Banda.)


Oezieht op Dobbo.

( l'Mage de Dobbo.)


314

kweeken, dan laat men rijpe of moernagelen, zoodra ze afgevallen

zijn, ontkiemen en plaatst vervolgens de jonge planten 6 à 7

M. van elkander. Op vijftien- à achttienjarigen leeftijd beginnen

de boomen vruchten of liever bloemknoppen te dragen. Zijn de

knoppen vier maanden oud, dan is het tijd ze te plukken. De

boomen worden beklommen en de nagelen met de stelen afgeplukt

en in mandjes gedaan. Het laten zitten der stelen zou het

uitkomen van nieuwe nagelen belemmeren. Ook worden spoedig

de vruchten van hare stelen ontdaan, anders zouden ze in hoedanigheid

achteruitgaan. Daarna worden ze gedurende 4 à 5

dagen op matten aan de zomerwarmte blootgesteld en dan los

in zakken verzameld. Een vruchtdragende boom brengt meestal

jaarlijks ongeveer 2 KG. nagelen op. Terwijl de strandbewoners

van Amboina grootendeels Mahomedanen of Christenen zijn, hebben

de Alfoeren, die de bergachtige binnenlanden bewonen en slechts

zelden de kusten bezoeken, hunnen ouden godsdienst en de vroegere

gewoonten, waaronder ook het koppensnellen, nog bewaard

In den laatsten tijd begint de zending er wat succes te heb

ben onder het trouwe, vroolijke, gulhartige ambonsche volk

zoodat het christendom er vrijwat ingang vindt en er zeer gun

stig werkt. De school wordt meestal in de kerkjes gehouden

wat de Mahomedanen niet geheel zonder grond doet twijfelen

aan de godsdienstige onzijdigheid van het onderwijs.

Het gebruik van vele portugeesche woorden, die zij met male.sch

vermengen, wijst bij de inlandsche bevolking in en om

de hoofdstad op gedeeltelijk portugeesche afkomst, en ofschoon

ze zich thans protestantsche Christenen noemen, hebben ze voor

hunne bruiloften en andere feestelijke gelegenheden de processiën

en gezangen der katholieke kerk bijgehouden, wonderlijk vermengd

met de gongs en inlandsche dansen van het eiland In

hun dialect komen weinig hollandsche woorden voor, hoewel

deze taal reeds meer dan tweehonderd jaar in hunne omgeving

wordt gesproken; blijkbaar zijn nog altijd de namen, die zij aan

vogels, boomen en voorwerpen van dagelijksch gebruik geven,

van portugeeschen oorsprong.


3'S

Vele Amboineezen gaan elders fortuin zoeken en zijn als klerken,

boekhouders, opzieners, soldaten en schoolmeesters algemeen

gezocht. De welvaart van den kleinen man is trouwens in

het Ambonsche grooter dan in vele gedeelten van Java en Sumatra

, hij kleedt en voedt zich beter en heeft beter woning dan

de meeste andere inlanders. Des Zondags dragen de vrouwen

lange blinkend zwarte kabaaien en sarongs en ook de mannen

zijn in het zwart. Op de ambonsche burgerschool gaan wel

driehonderd leerlingen , meest kinderen van „burgers" , d. i. eenvoudige

inlanders, die, kosteloos onderwijs voor hunne kinderen

versmadend, een betrekkelijk hoog schoolgeld betalen, zoo

hoog, dat geen enkele europeesche school in Indië naar verhouding

minder kost dan de ambonsche burgerschool. Die burgers

worden vermakelijkerwijze wel „blootepooters" genoemd, want

de Amboineezen laten zich in twee klassen indeelen, lieden die

schoenen en die geen schoenen dragen. De eersten zijn de regenten

of eigenlijk slechts dorpshoofden, de schoolmeesters, inlandsche

predikanten, dokters en een klein aantal gegoeden, overigens

niet scherp gescheiden van de rest der bevolking, de blootepooters.

Die laatsten amuseeren zich in de bergstreken, ten minste op

Leitimor in de zoogenaamde taphuisjes, typische plaatsen van

ontspanning. Van sago-bladeren en een paar stijlen vervaardigd,

zijn deze kleine roodbruine hutten meestal gesloten met het gewone

afsluitingsmiddel, namelijk doornige takken, kruiselings

geplant voor de deur. Want niet eiken dag en gewoonlijk eerst

laat in den voormiddag komt de eigenaar er aanzetten met een

paar lange bamboes en groote van een palmblad gevormde

peperhuizen, die gevuld zijn met schuimenden palmwijn.' Een

landelijke bank, die nabij de hut onder een broodboom geplaatst

is, vormt de eenige zitplaats en veelal het eenige meubel, en

hier smaken de „burgers" hunne ontspanning. Intusschen is het

geen onschuldig genot, al moet tot lof der Amboineezen worden

gezegd, dat ze iri 't geheel geen opium gebruiken, ze voldoen

çr toch aan hun dubbçlen hartstocht van drinken en spelen. Tg


Inboorlingen van

(Indigènes de la '


" X| "u\N-(ininea.

Foelie Guinée.)


3i8

huis, in de stad, zijn ze te veel onder het oog der politie, dieden

inlander het kaartspel verbiedt.

Een haven- en ankerplaats, welke niet voor die van Ambon

zou behoeven onder te doen, is Waroe op de oostkust van

Ceram. Het nederlandsch gezag op dit eiland, dat er zich in de

binnenlanden zoo goed als niet kan doen gelden, wordt te

Wahaai aan de noordkust door den kommandant der bezetting,

tevens civielen gezaghebber, vertegenwoordigd. Op een tweetal

andere plaatsen van Ceram zijn zoogenaamde posthouders gevestigd,

ambtenaren, die evenmin als de civiele gezaghebbers

tot het kader van het binnenlandsch bestuur behooren en meestal

in streken worden geplaatst, waar wij onze aanspraken willen

doen gelden, zonder in staat te zijn ons gezag te handhaven.

Een tocht in de trouwens bijna nimmer door Europeanen bezochte

binnenlanden gaat met groote bezwaren gepaard, hetgeen

nog in 1892 door prof. Martin kon worden geconstateerd ;

toen hij van Amahaai naar Wahaai dwars door Ceram reisde.

In de nabijheid van de baai van Amahaai hebben Amboineezen

uitgestrekte cacaoplantages aangelegd. De echte Cerammers

leven echter nog zoo goed als volkomen in den natuurstaat; de

mannen met hun zwaar kroezig haar aan den linker slaap in

een ronden , platten wrong opgebonden, dragen houten kokers

in de ooien ; aan de armen en beenen prijken ringen van gevlochten

riet en halskettingen van glaskoralen, of roode bessen

voltooien het hoogst primitieve kostuum. Toch is er eenig streven

naar beschaving merkbaar en een neiging bij de inlanders om

zich tot het christendom te bekeeren , waarmee ze dan ook veelal

tot hemden en broeken overgaan. Een amboineesche schoolmeester

heeft hier en daar soms een vrij talrijk groepje kinderen

in zijne school bijeen. Waroe ligt midden tusschen sagoboomen

en het land eromheen is laag en moerassig. Over 't geheel laat

onze regeering zich met de tusschen Celebes en N.-Guinea gelegen

eilanden weinig in; van tijd tot tijd komen er eens ambtenaren,

om twisten bij te leggen of overtredingen te straffen , waarbij


319

echter wind en weder dienende moeten zijn ; het verschil tusschen

de jaargetijden is in die streken bijzonder groot.

Zuidoostelijk van Ceram liggen de Aroe-eilanden, waar onze

afbeelding van sierlijke vogels de aandacht op vestigt, maar

eerst moeten we even toeven op de Keij-eilanden, ook wel Ewafeilanden

genoemd, die in den laatsten tijd meer bekend zijn geworden

door de expeditie, van wege het Aardrijkskundig Genootschap

er heen gezonden onder de heeren H. O. W. Planten

en C. J. M. Wertheim. Het is een heel groepje, alle met zware

bosschen bedekt, die goede houtsoorten leveren, maar ook hier

vaak op onoordeelkundige wijze worden geëxploiteerd. Op Toeal,

dat sinds 1890 de standplaats is van een controleur, is door europeesche

ondernemers eene houtzagerij gevestigd, die bevredigende

resultaten schijnt op te leveren. De bevolking wordt wat

minder schuw en komt meer zich aan de kusten vestigen, terwijl

zij zich vroeger enkel in het binnenland ophield. Om het misbruik

van sterken drank onder hen tegen te gaan. is in 1891

de invoer daarvan verboden. Op Groot-Kcij zijn op de glooiende

terreinen tuinen en klapperbosschen aangelegd, terwijl de sago

er veelal wordt aangevoerd door Cerammers in ruil tegen hout

en prauwen of ook wel tegen parelmoerschelpen en paradijsvogels.

De heeren Planten en Wertheim hebben een rijken voorraad

ethnographica vandaar meegebracht, dit jaar door den

heer Pleyte in het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap

beschreven.

De paradijsvogels zijn de echte producten van de Aroe-eilanden ,

die over 't algemeen laag en vlak zijn en, zooals de Aroeëes

zegt. uit modder en koraal bestaan. Men onderscheidt de groep

in Voorwals- en Achterwalseilanden, de eerste aan de noordwestzijde

, dus naar den grooten handelsweg gekeerd, de laatste

aan den zuidoostkant. Toen Wallace de eilanden bezocht, kwamen

er slechts eens in het jaar de inlandsche vaartuigen aan,

die in December of Januari van Makassar vertrokken, in den

westmoesson en in Juli of Augustus met den oostmoesson weer


Papoea uit de omstreken van Dorey.

(Indigène de Dorey.)


Papoea uit de omstreken van Dorey.

(Indigène de Dorey.)


322

huiswaarts keerden. Nu worden deze streken geregeld bezocht

door de Koninklijke Paketvaartmaatschappij. die te Dobbo, de

voornaamste plaats, gelegen op het eilandje Wammer, in hare

stoombooten de producten des lands meevoert, de parelen en

het parelmoer, de tripang, paradijsvogels, vogelnestjes, schildpad

en haaivinnen. In den laatsten tijd klagen de radja's uit die streek

over de onwettige roofparelvisscherij door of vanwege australische

en andere vrijbuiters daar zonder eenige licensie gepleegd. Bij

heele scheepsladingen worden de rijke parelbanken in het groot

afgestroopt op eene wijze, die binnen heel kort tot eene totale

vernieling dier kostbare nederzettingen van schelpdieren leiden

moet. Ervaren duikers weten natuurlijk precies, welke generaties

van schelpen gewoonlijk de paarien bevatten en de andere laten

zij zitten. Maar de ruwe gasten uit Nieuw-Zeeland enz. storen

zich daar niet aan. Zij maken eenvoudig een razzia in het groot.

Het geheele product wordt naar Londen gezonden en daar wordt

eenvoudig het onbruikbare weggesmeten. Rapporten, door de

Java ingeleverd , wijzen op die verkeerde toestanden en in Aug.

1893 heeft de regeering besloten er een oorlogschip heen te

zenden , met de opdracht, een eind aan die strooptochten te maken.

Het stadje Dobbo bestaat uit twee evenwijdig loopende straten

van een zestigtal vrij goed gebouwde huizen. die door

chineesche, boegineesche en makassaarsche handelaren gedurende

den handelstijd bewoond worden. De open invaart aan de westzijde

tusschen de koraalriffen, die het eiland omringen, is een

zeer goede ankerplaats.

In dien handelstijd komen telkens nieuwe prauwen aan en de

bevolking vermeerdert haast met den dag. Om de twee of drie

dagen wordt er eene nieuwe woning geopend en in orde gebracht.

Overal ziet men inlanders, beladen met bamboes, rotan en palmbladeren,

om deuren, muren, daken en blinden te herstellen of

te vernieuwen; anderen brengen alles aan, wat zij gedurende de

laatste maanden hebben kunnen bijeen verzamelen, zoekende,

of zij koopers kunnen vinden voor hunne vruchten of andere

landsproducten. Als dan eindelijk ieder huis bijna winkel is ge-


323

worden, komen in den zonneschijn de matten voor de deuren,

om zout, suiker, thee, beschuit en andere artikelen, die door

de buitengewone vochtigheid van den dampkring zouden bederven,

te laten drogen.

Het is merkwaardig volgens Wallace, te zien, hoe die zonderling

gemengde bevolking, aan bedrog en oplichterij gewend

daar zonder overheid, zonder politie, zonder rechters en advocaten

huishoudt. Toch hoort men er nooit van moord en plundering

en alles schijnt er vreedzaam en goed zijnen gang te gaan. Het

volgende bewijs van hun vernuft en vindingrijkheid wordt nog door

den reiziger meegedeeld. Twee zijner inlandsche matrozen kondigden

met luider stem telkens het uur aan met behulp van een

eigenaardig toestel. In een groote vaas, half met water gevuld,

laten ze een halve, zorgvuldig uitgeholde kokosnoot drijven,

waarin van onder een klein gaatje is geboord. Tengevolge van

de verhouding tusschen die opening en de grootte der schaal

van de noot loopt deze juist in een bepaalden tijd vol en zinkt

dan eensklaps naar den bodem. De man roept dan het getal

uren af, sedert het opgaan der zon verloopen, haalt de schaal

uit het water op en laat haar weer drijven. Deze goedkoope

uurwijzer ging volkomen zuiver gelijk met een horloge.

De sierlijke, op de Aroe-eilanden thuis behoorende paradijsvogel

was langen tijd, als 't ware, een mythe. Daar in 't verre

Oosten moesten raadselachtige, bovennatuurlijke wezens bestaan

die in de gedaante van vogels de lucht bewoonden, nooit op

aarde neerdaalden en zich, als zij wilden rusten, te slapen legden

op den wind, gedragen door hun prachtige vederbossen. De

nectar der bloemen alleen strekte hun tot voedsel, hun 'eeriige

drank was de morgendauw. Levend zag men ze nooit van dichtbij,

na hun dood vielen er enkelen op den grond neer, zoodat ze

wel boerang mati of doode vogels werden genoemd. Zonnevogels

betitelden hen de Portugeezen ; de naam paradijsvogel schijnt

van nederlandschen oorsprong te zijn, althans Jan van Linschoten

spreekt in 1598 van den avis paradiseus en Linnaeus houdt

zich aan dien naam; ook hij had in 1760 enkel te beschikken


Papoea van de Prinset-Marianne-straat (Nieuw-Guinea).

(Nouvelle Guinée: Indigène du Passage Marianne.)


326

over de meer of minder goed toebereide, van de wilden van

Nieuw-Guinea verkregen huiden en kende de volkomen exemplaren

niet.

Het licht van de 19^ eeuw is echter ook over die mythische

vogels opgegaan en heeft hen van Iuchtverhevelingen tot een

aardsch verschijnsel gemaakt, dat in de vogelenwereld thuis behoort.

Een groot deel des jaars dragen zij zelfs een hoogst eenvoudig

kleed; alleen in den tijd van den hoogsten zonnestand,

in zomer en najaar zijn ze met het beroemde feestkleed getooid.

De namen van von Rosenberg en Wallace en die van de Franschen

Lesson en Bennet zijn onafscheidelijk verbonden aan 't ontsteken

van het over die vogels opgegane licht, dat ons toont

hoe de paradijsvogel tot de kraaiachtigen behoort, niet veel grootei

is dan een leeuwerik en zich kenmerkt door iets, dat men te

vergeefs bij andere vogels zoekt, n.l. de zonderlinge siervederen,

waarmee de mannetjes pronken, bundels van lange, draadvormige,

onsamenhangende vederen aan de zijden, die de vogel

onder het vliegen kan opzetten, terwijl ook de twee middelste

staartpennen veelal verlengd zijn tot fijne, afgeplatte of gekronkelde

draden. Ook komen eigenaardige versierselen van vederen

op kop, rug en schouders voor. Al die siervederen schitteren

met eene oogverblindende kleurenpracht van heldergeel, rood en

alle denkbare metaalkleuren e\i schakeeringen. De wijfjes en de

jongen zijn eenvoudig van kleur en vorm.

De drie soorten van paradijsvogels. die op de Aroe-eilanden

Nieuw-Guinea, Waigeoe en Misool voorkomen , hebben veel overeenkomst

met elkander, wat lichaamsbouw, grootte, kleur en

karakter der pluimen aangaat; ook in levenswijze en gewoonten

stemmen ze overeen. Het zijn levendige, onrustige diertjes, die

zich het gevaar bewust zijn , dat ze door hunne schoonheid loopen.

Het enthousiasme van Wallace bij zijne eerste ontmoeting op

de Aroe-eilanden met deze lang door hem begeerde vogels, was

groot. De dichterlijke woorden, waarin hij aan zijne bewondering

uiting geeft, zijn reeds zoo dikwijls nageschreven, dat ik mij hier

van eene herhaling wil onthouden. Zijne eenvoudige, zakelijke


327

beschrijving van het eerste exemplaar, dat hem levend werd

gebracht, kan misschien de voorstelling, die wij ons van het

mooie dier maken, ten goede komen. Het grootste deel van het

lichaam was schitterend vermiljoen met een zachten weerglans,

die met geleidelijke overgangen voortliep naar het oranjegeel van

de kleine fluweelige veeren aan hals en kop. De witte, zijdeachtige

buikveêren werden door een band van metaalgroen gescheiden

van het roode keeltje. Boven ieder oog had de vogel een smaragdgroene

vlek en de gele bek en helderblauwe pooten staken

sterk af bij het overige lichaam. Aan beide zijden van de borst,

half onder de vleugels verborgen, bevonden zich bossen van

grijsachtig gele vederen, met een breeden smaragdgrt enen band

afgezet, die de vogel naar willekeur kon opzetten bij het uitslaan

der vleugels en die hij als een waaier kon ontplooien. De twee

middelste staartpennen, dun als een metalen draad, waren vijf

duim lang; zij kruisten elkander en gingen dan in sierlijke kromming

uiteen, kronkelden zich als spiralen en eindigden in een

paar schitterende knoppen.

Na zulk een beschrijving laat zich de verrukking van den

ijverigen natuuronderzoeker beter verklaren , al weten wij ook allen

zeer goed, dat bij den ernstigen vorscher niet minder groote

geestdrift kan worden gewekt door het voor leeken schijnbaar

onbeduidende en weinig in 't oog vallende. Tevens laat het zich

denken, hoe ook de inlanders erop uit zullen zijn, het bewegelijke,

moeilijk te vangen vogeltje te verschalken. De jagers voorzien

hunne pijlen van een houten knop of dop, ten einde den

vogel alleen door de kracht van den slag te dooden , zonder hem

te verwonden of het gevederte te beschadigen , of ook wel wordt

met zeer scherp gepunte pijlen geschoten, terwijl op sommige

eilanden lijmroeden en strikken dienst doen. In de lagere boomen,

waar het woud niet te dicht is, houdt de paradijsvogel zich op,

leeft van zeer harde noten, andere vruchten en insecten en is

onafgebroken in beweging, zoodat men voortdurend het geruisch

zijner vleugels hoort. Steeds vliegen ze van boom tot boom en

blijven nimmer lang op denzelfden tak zitten; bij 't minste ge-


3

'B

a'


aw der Papoes.

'(/«e des Papous.)


330

rucht verdwijnen ze tusschen het gebladerte. In de lommerrijke

kruinen van hooge boomen brengen zij den nacht door. De wijze

van nestelen en de eieren der vogels zijn geheel onbekend, zelfs

het uitloven van eene belooning voor 't vinden van een ei had

geen gevolgen.

De met boog en pijlen gewapende jager bouwt zich meestal

in den drogen moesson tusschen de takken der boomen, waar

de vogels den nacht doorbrengen, een soort van loofdakje of

ruwe hut, verschuilt zich daar bij dag en zoodra de vogels

's avonds op den boom neerstrijken om te slapen, schiet de jager

ze in den rug of onder den oksel en de op den grond gevallen

exemplaren worden terstond met een doek van boomschors bedekt

en door een helper opgeraapt. De zorg voor de levend of

dood gevangen vogels laat bij de Papoea's meestal veel te wenschen

over; ongeschonden exemplaren worden dan ook soms

met groote sommen betaald , sommen , waar de europeesche mode

goed voor is. Dan moet, nadat de ingewanden er uit zijn genomen,

de huid met een gloeiend ijzer worden toegeschroeid en

met een laagje plantenwas bestreken. Behalve de drie genoemde

soorten, treft men in den archipel nog wel een tiental andere

aan, verschillend door vedersiering aan hals en borst, of lengte

en kleur van snavel, staart en vleugels. Op Waigeoe wordt devogel

gestrikt.

Tot dezelfde residentie als deze eilanden, de residentie Amboina,

behoort de Banda-groep, die uit deelen van een grooten

vulkaan bestaat. Na de instorting van kr^termuren of de verbrokkeling

der randen van den vuurmond bleef nog de geweldige

krater zijne lava- en puinmassa uitwerpen', en zoo ontstond

de thans reeds sedert onheugelijke tijden werkzame eruptiekegel,

de Goenong Api of Vuurberg, die de uitgeworpen massa's steeds

om zijn krater ophoopt en een voortdurend gevaar is voor zijne

omgeving. De door de eilandjes omsloten haven heeft zulk helder

water, dat men op een diepte van tien meter de koraalpolypen

en de kleinste voorwerpen kan onderscheiden. De kleine


33 t

stad Neyra met hare witte huizen en atapdaken, ligt aan den

voet van steile heuvels, met- bosschen en muskaattuinen bedekt.

De lichte vulkanische bodem en de buitengewoon vochtige dampkring

van deze eilanden, waar iedere maand regen valt, zijn bij

uitnemendheid voor de teelt van muscaatboomen geschikt. Het

gansche jaar door prijken ze met rijpe vruchten van de gedaante

en de kleur van een langwerpige perzik; als de schil openbarst

vertoont zich de fraaie noot, omkleed met een netvormig weefsel,

de foelie, en in zijn harde bruine schaal ons muskaatnootje bergend.

De bloesem is een fijn geel bloempje, de bladeren zijn

glanzig donkergroen met grijzen onderkant en de boom wordt

wel dertig à veertig voet hoog.

In den laatsten tijd is de cultuur van de noten, dank zij het

initiatief van den heer P. C. Lans, in eertijds bijna geheel verwilderde

streken weer met kracht ter hand genomen. Men weet,

hoe slechts op drie der eilanden de notencultuur indertijd door

de Oost-Indische Compagnie op grond der genoemde gruwelijk

hardvochtige politiek werd gehandhaafd, terwijl de overige systematisch

van hun voornaamste voortbrengsel werden beroofd en of

geheel woest gelaten , óf aangewezen voor de teelt van andere

daar minder goed tierende gewassen. De staat bestendigde na

1800 dien toestand ; noch de perkeniers of houders der tuinen,

noch de perkslaven van de Banda-eilanden hadden een goeden

naam. Met de eilanden Rhoen en Rosengain was men bij voorbeeld

zoo roekeloos te werk gegaan ; het eerste bleef een wildernis,

in het tweede begon men met djati-cultuur. Nadat in 1864

reeds het monopolie was opgeheven, weid in 1874 een andere

weg ingeslagen; woeste gronden zijn toen en later op die eilanden

in erfpacht afgestaan en voor de notenmuskaat-cultuur ontgonnen.

Een groote opbrengst geven ze nog niet, maar ze zijn

ook nog slechts ten deele beplant en de perken of tuinen met

de daartusschen gelegen helderwitte perkgebouwen, die Lontor,

een ander eiland der groep, zulk een schilderachtig aanzien geven ,

moeten er nog sterk in aantal toenemen.

En het leven van de perkeniers en hunne arbeiders? Nu de


fS

- ;-'-«r

'^mmmï&&

Het gewijde huis te Dorev (Nieuw-Guinea)

(Maison sacrée de Dorey.)

V. VKV,v' *-%


Wapenen en gereedschappen der Papoea-;.

(Armes et ustensiles des Panons,)


3 34

perkslaven of perkhoorigèn sinds i860 voor vrije arbeiders hebben

plaats gemaakt, en sinds 1873 de teelt geheel vrij is verklaard

, wordt des morgens om vijf uur de klok in het perkhuis

geluid, om de meest van Java gekomen en door een contract

voor eenigen tijd gebonden arbeiders te waarschuwen dat het

tijd is, om op den pluk uit te gaan. De noten worden het geheele

jaar door geplukt. Voor het thuisbrengen van een grooter

aantal noten dan het vastgestelde minimum worden premiën

uitgereikt en op de tijdstippen, dat de boomen 't overvloedigst

dragen, kunnen die sommen wel eens tot tien gulden in de

maand stijgen.

De plukkers en pluksters zijn voorzien van een langen bamboestok

met een klein korfje, de gaai-gaai, op het eind. en ze

hebben eenige verlengstukken bij zich, die ze, zooals wij onze

vischhengels, in elkaar kunnen schuiven. De korf, waarin de geplukte

noten worden verzameld, dragen ze op den rug. Door

oefening is het oog van de arbeiders scherp en de hand vlug

geworden en in menigte vallen de vruchten in het peervormige

mandje, afgestooten van den tak door den kleinen vork boven

het mandje, die het steeltje vat en met een ruk afbreekt. Zit

de vrucht te hoog, dan wordt de bamboestok verlengd en

als ze is geplukt, wordt ze van de bruingele buitenlaag ontdaan

, die onder den boom blijft liggen en na verrotting eene

goede mest is, en de noot, door de foelie omgeven, gaat inde

groote korf mee naar het perkhuis. Daar komen allen samen

om de noten te doen tellen, waartoe de plukkers ze in hoopjes

van vijf of tien rangschikken. De perkenier of zijn opzichter

houden aanteekening van 't aantal vruchten ; de plukker ontdoet

ze van de foelie en daarmee is reeds vroeg op den middag de

arbeid van den dag afgeloopen. De mannen gaan dan visschen

of hun eigen moestuin bewerken en de vrouwen zetten zich aan

het weefgetouw. Voorwaar, de Deli-arbeiders, die wij op de

tabaksvelden aan 't werk hebben gezien, hebben zwaarder arbeid

te verrichten, te meer daar zij in de brandende zonnestralen op

de gloeiende velden arbeiden, terwijl de notenplukkers in koele,


335

geurige bosschen, onder de kanariboomen, die de teederder noteboomen

beschutten, bezig zijn aan 't inzamelen van het prikkelende

genotmiddel, dat, als de tabak, voor menschen van elke

gelaatskleur zijne bekoorlijkheid schijnt te hebben.

De noten zijn intusschen door het bij de rookloods vast aangestelde

personeel in ontvangst genomen, om gedurende veertien

dagen of drie weken aan den rook van smeulend hout te

worden blootgesteld, eene bewerking die dient, om de hoornschil

van de noot los te maken. De foelie ligt intusschen op

gevlochten matten in de zon te drogen. Voor den arbeider wisselt

het notenplukken af met het afsnijden van het tusschen de

boomen te lang opgeschoten gras, het aanleggen van kweekbedden,

't overplanten van notenboompjes, 't uitkloppen der

noten en het verschepen van het product, dat door de opkoopers

en de Handelmaatschappij betaald wordt met /no per

pikol noten 'en ƒ230 per pikol foelie (1 pikol == 6i 3 /4 KG.)

Vroeger waren alle perkhoorige gebouwen door een ringmuur

omgeven en bestonden uit naast elkaar gebouwde kamers, uitkomende

op één binnenerf, maar nu de vrijheid is ingehaald en

de premie de rottingslagen heeft vervangen, verrijzen overal bamboehuizen

voor de afzonderlijke gezinnen. De perkeniers wonen

in flinke steenen huizen met goede atapdaken en leiden het aangename

leven van den nog niet door de weelde en de overbeschaving

gekwelden oosterling. Ook hun heeft de verandering goed

gedaan, de opheffing van het monopolie heeft bij hen energie

en ondernemingsgeest gewekt en daarmee den wensch doen ontstaan

, dat de Banda-eilanden een eigen bestuur mochten erlangen.

Die wensch naar decentralisatie wordt in den laatsten tijd

herhaaldelijk gehoord, en meer en meer schijnt men van hooger

hand er een gunstig oor aan te willen leenen. Het artikel van

den oud-resident, den heer Verkerk Pistorius in de Vraoen des

Tijds van Juni '93, vat de zaak op de goede wijze aan, geeft

direct uitvoerbare plannen aan de hand en wijst op de britschindische

instellingen. die de schrijver op de plaats zelf heeft bestudeerd.

Wel spreekt hij alleen van Java en acht, wat de Buiten-


Wapenen, gereedschappen en versierselen ùci- Papoea».

(Armes, ustensiles et coiffure des Papous.)


Een tempel te Dorev.

(Un temple à Dorey.)


338

bezittingen betreft, alleen Menado en Deli geschikt voor zelfbestuur,

maar als eenmaal de goede werking der decentralisatie is

gebleken, zal zij spoedig algemeen worden ingevoerd. Reeds

dikwijls is betoogd, dat de indische geldmiddelen uitsluitend ten

bate der kolonie moesten strekken, maar die noodzakelijke scheiding

der geldmiddelen kan alleen bij een veranderde bestuursinrichting,

bij decentralisatie namelijk, de gewenschte vruchten afwerpen.

Het is toch immers al te dwaas, dat, nu de bestuurstaak in

Indië, die aanvankelijk slechts gericht was op het handhaven

der suprematie en her innen van belastingen in verschillenden

vorm , zich zoozeer heeft uitgebreid, dat het onmogelijk wordt

alle draden in ééne hand te houden, nog maar steeds alles van

uit één middelpunt moet worden geregeld. Zoodra er in die uitgestrekte

koloniën sprake is van eene zaak, waarbij de begrooting

is betrokken , moet over den gouverneur-generaal heen de minister

van koloniën beslissen omtrent zaakjes, ten onzent behoorend

tot de competentie van een gemeentebestuur. Geen enkel politieoppasser

kan in een of ander district boven het gewone vastgestelde

aantal worden benoemd, of de controleur, die zoodanige

benoeming noodig acht, moet de machine in beweging zetten,

die over de volgende schijven loopt: assistent-resident, resident,

directeur van binnenlandsch bestuur, directeur van justitie, algemeene

secretarie, raad van Nederlandsch-Indië, gouverneur-generaal,

minister van koloniën en vice ver sal

Natuurlijk, dat bij zulk eene regeling èn het gevoel van verantwoordelijkheid

moet lijden èn bij de lagere ambtenaren alle

geest van initiatief tot het aanbrengen van verbeteringen moet

blijven slapen. Het voorbeeld van engelsch Indië kon ons leeren,

dat het mogelijk is, in de verschillende onderdeden residenties,

assistent-residenties enz., het bestuur zóó in te richten, dat de

grondslag is plaatselijke behandeling en afdoening van plaatselijke

belangen door vertegenwoordigers van de verschillende onderdeden.

Met de gelden wordt dan zuiniger huisgehouden en de

belastingen worden zorgvuldiger geïnd, omdat de betrokkenen

bij beide handelingen belang hebben.


339

Op Java zou men residentiesgewijze te werk kunnen gaan. Daar

zouden alle uitgaven , niet behoorend tot de algemeene bestuursuitgaven,

door een residentie-raad kunnen worden vastgesteld. In

die raden, die eenmaal 's jaars zouden vergaderen, om de begrooting

vast te stellen, moesten zitting hebben behalve den

resident-voorzitter, de assistent-residenten en de controleurs, dan

een of meer vertegenwoordigers van den handel en van de industrie,

de regenten en voornaamste districtshoofden en een of meer vertegenwoordigers

van de vreemde oosterlingen. Ook worden die

raden dan vanzelf de lichamen, die aangewezen zijn, om de belangen

van het gewest onder de aandacht van den gouverneurgeneraal

te brengen.

Zoo zullen niet alleen de locale belangen tot hun recht komen,

maar daarenboven zullen de bureaux te Batavia, de Algemeene

Secretarie, de Raad van Nederlandsch-Indië en ook het ministerie

van koloniën ontheven worden van een massa overbodig

werk, waartoe ze thans verplicht zijn, zonder dat ze over de

locale kennis beschikken, die ervoor noodig is. Zoo zal ook een

einde gemaakt worden aan de fout van generaliseeren, die allerlei

plaatselijke toestanden en omstandigheden pasklaar tracht te

maken voor eenmaal aangenomen model-reglementen.

Zijn de residentie-raden eenigen tijd in functie geweest, dan

zullen districts- en misschien voor de hoofdplaatsen gemeentelijke

raden dienen te worden ingesteld, maar dat alles is van latere

zorg. Van meer dadelijk belang is de vraag, hoe Jhr. C. H. A.

van der Wijck, de nieuwe gouverneur-generaal, over de quaestie

denkt. Heeft zijn ambtelijk leven in Indië, dat meer dan dertig

jaren onafgebroken duurde, en waarin hij de betrekkingen van

gewestelijk secretaris van Batavia, assistent-resident en resident,

lid en vice-president van den Raad van Nederlandsch-Indië achtereenvolgens

bekleedde, hem, wat bijna niet te betwijfelen valt,

gunstig voor de zaak gestemd, dan gaat Java zeker een schoone

toekomst te gemoet. Het departement van koloniën is blijkbaar

vóór decentralisatie; een wetsontwerp regelende de inrichting

van gewestelijke en plaatselijke besturen op Java is in Juli '93


Huis te Aiai

(Le village i-A


laiiibori.


342

ter overweging aan den Raad van State gezonden. Vervuld schijnt

te zullen worden prof. de Louter's wensch, in zijn Gidsartikel

over decentralisatie in Britsch-Indië geuit, „dat ook voor de Nederlandsche

koloniën de staatslieden mogen opstaan, wier blik over

den engen gezichtseinder van het onmiddellijk geldelijk voordeel

heenreikt en wier krachtige hand onvervaard den koninklijken

weg der staatkundige opvoeding aanwijst, welke alleen eene koloniale

heerschappij rechtvaardigt."

Er bestaat alle hoop op verandering van stelsel en beleid, te

meer daar de nieuwe landvoogd, in de kracht zijner jaren tot

dezen post geroepen, door groote werkkracht uitmunt. Dat hij

bij zijne zorgen voor Java de Buitenbezittingen niet zal verwaarlozen,

daarvoor staat ons zijne kennis van wat daar noodig is

borg, eene kennis, die hij onlangs op zijne reis als commissaris

van de Indische Paketvaartmaatschappij op de doeltreffendste

wijze heeft kunnen uitbreiden.

Eene reeks van onze platen voert ons heen naar het oostelijkste

uiteinde van Nederlandsen Oost-lndië, naar het verre Nieuw-Guinea

Het westelijkste gedeelte ervan is in 1828 in ons bezit overgegaan

; toen is daar aan de kust het fort du Bus gebouwd, dat

om de ongezondheid der plek in 1836 moest worden verlaten.

Op een ander punt heeft de regeering van Nederlandsch Indië

thans een steenkolendepôt ; hier en daar staat aan de kust een

merkpaal met een ijzeren, soms een vergulde plaat, waarop men

het nederlandsche wapen en de woorden Nederlandsch Indie

ziet ; de sultan van Tidore stelt er opperhoofden aan, doch alleen

middellijk op aansporing der nederlandsche ambtenaren en heft

er van tijd tot tijd schattingen ; de bewoners der Molukken onderhouden

eenige handelsbetrekkingen met de bewoners van Nieuw-

Guinea, maar dat is dan ook alle aanraking, die Nederland direct

of indirect met het groote eiland heeft.

Zoo weinig weten wij eigenlijk van onze bezittingen daar, dat

in 1892 nog een onderzoek moest worden ingesteld, of de Tugeri's,

een stam op Nieuw-Guinea's zuidkust, die invallen op britsch


343

gebied hadden gedaan, inderdaad jpinnen onze grenzen wonen.

In datzelfde jaar heeft de regeering het denkbeeld in overweging

genomen, om op één of meer punten van Nieuw-Guinea ver^

tegenwoordigers te plaatsen. Een begin van uitvoering is jntusschen

reeds nu daarop uitgeloopen, dat een posthouder aan de

zuidkust door de bevolking is verjaagd. Tot nu toe zijn een viertal

zendingsposten op of bij het eiland gevestigd en ook de katholieke

godsdienst tracht bekeerlingen onder de Papoea's te maken.

Die donkerbruine bewoners, wier naam „kroesharigen" beteekent,

deden den spaanschen zeevaarder Ortez de Itates bij

het kortstondig bezoek, dat hij in 1545 aan de noordkust van

het eiland bracht, denken aan de negers der kust van Guinea

in Afrika en hij gaf het land den naam Nieuw-Guinea. Later

hebben Schouten en Abel Tasman, de Franschen Bougainville

en Dumont d'Urville, de Engelschen Cook en Forrest, zoo voor

als na in den loop der jaren de kusten aangedaan ; Robidé van

der Aa, Beccari, Raffray, Albertis, Miklucho Maclay, Van Hasselt,

Zoller, Horst, Von Rosenberg, Von Schleinitz, Moresby

en Meijer hebben er licht over verspreid. De laatste landde in

Maart 1873 te Dorey aan de noordwestelijke punt der Geelvinkbaai.

Van deze Papoea's zegt hij, dat zij geen spoor van gemeentelijke

of staatsinrichting kennen en dat ieder er in den

meest volstrekten zin zijn eigen meester is. Een der middelen om

zich tegen de aanvallen van vijandige bergbewoners te beschermen,

was bij de kustbewoners het steken van scherp gepunte

bamboesstokjes, die gevaarlijke wonden veroorzaken, in den

grond op grooten afstand van de dorpen in een gesloten kring.

Evenals de Dajaks zijn de Papoea's koppensnellers, maar de

Papoea doet van de in zijn huis bewaarde zegeteekenen gemakkelijker

afstand en schenkt ze weg in ruil voor wat tabak of

blinkende snuisterijen Nog later, in 1887 en 1888, heeft de

heer F. S. A. de Clercq, resident van Ternate, vier reizen naar

N.-Guinea gedaan; in het tijdschrift van het Aardrijkskundig

Genootschap, afl. 2, 1893, geeft hij een proeve van beschrijving

der Noord- en Westkust.


liet dorp Andai'.

(Le village d'Auda'i.)


345

Vele stammen vervaardigen beeltenissen van hunne afgestorvenen

in den vorm van houten beelden, korwars, van een voet

hoog, soms met doeken omwonden en den hals met schelpen

versierd. Gedurende den rouwtijd gaat, meenen zij, de geest van

den overledene in dit houten beeld over, dat voortaan een voorwerp

hunner vereering wordt en dat door hen wordt meegenomen

op zwerftochten en aangeroepen wordt, om de vervulling

hunner wenschen te verkrijgen. Blijft de geest doof voor hunne

gebeden, dan wordt hij wel eens op slagen onthaald, maar

geen zoon zal bij voorbeeld het beeld van zijn vader afstaan

hij zou dan ontwijfelbaar ziek worden naar zijn eigen meenino-.

Over smalle, lange, ruw bewerkte bruggetjes moeten de op

palen en stellingen boven het water gebouwde huizen te Dorey

worden bereikt; 't zijn lage woningen met aan de kanten opgewipte

daken; wanden en vloeren zijn allergebrekkigst uit brokken

van oude planken van booten, verrotte matten en palmbladeren

gemaakt, en door die holle vloeren ziet men het kabbelende

zeewater bij vloed, maar de menschen, die in deze

hutten huizen, hebben dezelfde forsche, kloeke gestalte als de

Aroeëezen en zien er met hunne arendsneuzen zeer verstandig

uit. Hun hartstocht voor hun kapsel neemt een groot deel van

hun ledigen tijd in beslag ; zestandige vorken van bamboes worden

er op kunstige wijze als kammen in bevestigd en een zekere

mode wordt angstvallig gevolgd bij de reusachtige coiffures. Als

hoofdkussen dient hun een stuk hout, dat kunstig besneden en

uitgehold is en waarin hun hals komt te liggen.

De bewoners van het Arfakgebergte of de Arfaki's behooren

tot denzelfden stam als de Papoea's van de kusten; ze lijden

evenals deze veel aan huidziekten en zijn niet lichter van kleur,

ten minste als men de kleurschakeeringen elders bij hetzelfde

volk in aanmerking neemt. Dat gebergte is nog door weinig

Europeanen bezocht; de Italiaan Albertis was er in 1872 en

Dr. Meijer vond er in de vochtige donkere wouden een in diepe

armoede levende bevolking, die hem echter vriendelijker ontving

dan de kustbewoners hadden gedaan en hem in de lange lood-


34


347

tegenhangers van zooveel andere martelaren, die in vroeger en

later tijden leden voor wat hun heilig was.

Een belangrijk vraagstuk in zake de zending is dit, in hoever

de zendelingen in het belang der zaak handelen door in

sommige opzichten concessiën te doen aan de zeden en gewoonten

des volks. Moeten zij bijv. alleen hen doopen, die overtuigd geworden

zijn van de voortreffelijkheid der christelijke leer en afstand

doen van alle daarmee strijdende traditiën of moeten zij

meer letten op de hoeveelheid dan op de hoedanigheid der bekeerlingen,

vertrouwende dat een volgend geslacht beter Christenen

zal opleveren ten gevolge van hunnen voortgezetten arbeid

en het toenemen van hunnen invloed. Deze vraag stelt zich o. a.

ook de heer Buys in zijne reisbeschrijving van Sumatra's Westkust

en het is duidelijk dat hij haar wil opgelost zien in den

meest praktischen zin. De Islam, die wat minder hooge eischen

stelt, is anders een te gevaarlijke concurrent.


LIJST VAN GERAADPLEEGDE ARTIKELEN EN

GESCHRIFTEN.

Dit boek is de vrucht van veel zoeken en snuffelen en schiften en

kiezen. Bij de samenstelling heb ik sommige onderdeden uitvoerig

behandeld, terwijl ik aan den anderen kant vele zaken bekend heb

verondersteld, als daar zijn, de inrichting van 't bestuur, de klimaatstoes'.anden,

de ligging en natuurlijke gesteldheid der eilanden,

de hoofdtrekken der koloniale historie e. a.

Waar mij bij beschrijvingen of mededeelingen van feiten de geraadpleegde

bronnen den voor de stof geschikten vorm pasklaar leverden,

heb ik niet geschroomd dien over te nemen; waar ik woordenkeus

of schikking meende te kunnen verbeteren, heb ik dat hier en daar

gedaan en waar eigen indrukken, door gesprekken en door deze of

vroegere lectuur verkregen, in den tekst pasten, heb ik die gegeven.

De voornaamste der geraadpleegde bronnen zijn:

PROF.F.].VETH. Java, geographisch , ethnologisch, historisch. Haarlem,

Erven Bohn. 1875.

,, Schetsen uit Insulinde. Eigen Haard 1885 en 1886.

„ Het latidschap Deli op Sumatra. Eigen Haard 1876.

,, Schetsen van Java. Eigen Haard 1875.

,, Oudheden van Java. Eigen Haard 1876 en 1879.

,, In Memoriam. (J. Schouw Santvoort). Eigen Haard 1877.

„ De ?noskee van Indrapoeri. Eigen Haard 1879.

PROF. P. A. VAN DER LITH. Nederlandsch Oost-Indié. (De acht reeds

verschenen afleveringen). Leiden, E. J. Brill. 1893.

DR. H. F. JONKMAN, 'S Lands plantentuin te Buitenzorg. Vragen van

den Dag 1892 '.

' Toen een gedeelte van het werk reeds was afgedrukt, kwam mij de feestviering

in den Plantentuin te Buitenzorg, die verleden jaar, Mei 1892, ter eere

van het 75-jarig bestaan plaats had, in de herinnering, en dus heb ik noch de

'oen uitgesproken redevoering van den heer Treub, noch het door het meerendeel

der ambtenaren samengestelde gedenkboek, waarin de geschiedenis en de


349

FR. JUNGHUHN. Java (versehenen 1849).

ALFRED RUSSELL WALLACE. Malay Archipelago. (In Veth's vert. Insulinde

genoemd).

K. W. VAN GoRKOM. Dr. R. H. C. C. Scheffer en 's Lands Plantentuin

te Buitenzorg. Eigen Haard 1880.

« Johannes Elias Teysmann. Eigen Haard 1882.

C. ROGGE. Een dienstreis van Amboina naar de noordkust van Ceram.

Tijdschrift van het Aardr. Gen. 1890.

DR. J. C. C. LOMAN. Een kijkje in de Palembang sehe bovenlanden.

Gids 1884.

W. F. VERSTEEG. De ontdekkingstocht naar Djambi en Korintji. Eigen

Haard 1875.

E. B. KIELSÏRA. Generaal-majoor H. K.'F. van Teijn. Eigen Haard 1889.

„ De staatsspoorwegen op Java. Eigen Haard 1891.

,, Generaal van Swieten. Eigen Haard 1888.

„ De uitbreiding van het Nederlandsch gezag op Sumatra.

Gids. Nov. 1887.

„ De mesdjid te Raja. Eigen Haard 1882.

„ Steenkolen en spoorwegen ter westkust van Sumatra.

Gids. Oct. 1884.

„ Een en ander omtrent Dipo Negoro. Gids 1885.

A. W. P. VERKERK PISTORIUS. Een wandeling over Ambon. Gids.

April 1883.

tegenwoordige toestand van den tuin beschreven zijn, kunnen raadplegen. Uit

bovengenoemd overzicht daarvan wil ik toch hier even de namen der hoofd-

ambtenaren, nu aan den Tuin werk/aam, geven. Ze zijn: DR. W. BÜRCK, adi.

dir., hoofd der afdeeling herbarium en museum, benoemd 29 Nov. i88i'deheer

P. DE MONCHY, conservator aan die afd. sinds Mei 1888; DR. J. M. JANSE, hoofd

der afd. botanische laboratoria, benoemd 24 Febr. 1890; DR. P. VAN ROMHURGII

hoofd der afd. cultuurtuin en agricultuur-chemùch laboratorium, benoemd 24

Febr. 1890; DR. M. GRESHOKF, hoofd der afd. fharmacologisch laboratorium,

benoemd 18 Aug. 1888, wegens ernstige ongesteldheid in 1892 vervangen

door Dr. B00RSMA; H. J. WiGMAN, hoofd der afd. botanische tuin en bergtuin te

Tjibodas, benoemd tot hortulanus in plaats van den heer Binnendijk in Oct. 1883

redacteur van het in 1890 verschenen tijdschrift Teysmannia; W. G. LOVINK,

assistent-hortulanus, benoemd 24 Aug. 1884; J. J. SMITH JR., ook aan de afd.

Tjibodas verbonden; C. LANG, teekenaar-fotograaf, benoemd i Juni 1871 A. Uijr

DEN BOOGAARD, commies-bibliothecaris, benoemd 21 April 1890 en C. SCHRIJN

klerk, de laatste drie aan de afd. bureau, bibliotheek en photografisch atelier

werkzaam, onder de leiding van den directeur DR. M. TREUB.


350

A. W. P. VERKERK PISTORIUS, Decentralisatie in het Indisch bewind.

Vragen des Tijds. Juni 1893.

E. COENEN. Iels over Djambi in 1885. Eigen Haard i8


351

J. F. D. BRUINSMA. Onze versterking in het landschap Edi en de krijgsverrichtingen

aldaar gedurende de maanden April en Mei 1889.

Sneek, H. Pyttersen. 1890.

R. A. VAN SANDICK. De Ombiliënkolenvelden. Vragen des Tijds. Jan. 1891.

n De crisis der tabaksondernemingen in Deli. Vragen

van den Dag. Febr. 1892.

11 Sumatra-spoorwegen en Ombiliënkolenvelden. Vragen

des Tijds. Aug. 1893.

DR. J. E. ROMBOUTS. Onze naaste verwanten. Eigen Haard 1889.

A. W. STF.LLWAGEN. Schetsen uit de Buitenbezittingen. Eigen Haard 1875.

O. G. H. HELDRING. Een uitstapje in Midden-Java. De Natuur 1890.

DR. H. F. R. HUBRECHT. De Sumatra-expeditie. Eigen Haard 1875,

1876, 1877, 1878 en 1879.

11 De haven'van Batavia. Eigen Haard 1876.

DR. A. F. EILF.RTS DE HAAN. Een inspectiereisje in de Westerafdeeling

van Borneo. Eigen Haard 1892.

M. Buvs. Twee maanden op Borneo's Westkust. Leiden, S. C. van

Doesburgh. 1892.

E. DE MOLINS. Herinneringen eener reis op Java. De Aarde en haar

Volken 1886.

A. WERUMEUS BUNING. Lndisch Marineleven. Eigen Haard 1890.

DESIRE CHAKNAY. Zes weken op Java. Aarde en haar Volken 1882.

BATAVUS. Een dag in Java's binnenland. Eigen Haard 1892.

„ Een tocht naar Java's Zuiderzeesirand. Eigen Haard 1892.

„ Een uitstapje naar Wendit. Eigen Haard 1892.

SoEDADji. Atjeh-Causerie. Eigen Haard 1891.

W. G. BOOT. Korte schets der noordkust van Ceram. Tijdschrift van

het Aardr. Gen. 1893.

P. HEERING. Een javaansche trouwplechtigheid. Eigen Haard 1881.

F. DE BAS. Eerste en laatste woning (herinnering aan gen. Pel). Eigen

Haard 1879.

„ De g ener aal-majoor J. L. J. LL. Pel. Eigen Haard 1876.

DR. J. C. COSTERUS. Herinneringen aan 's Lands Plantentuin te Buitenzorg.

De Natuur. Juni 1893.

W. V00RMOLEN. Onze Maildiensten. Eigen Haard 1888.

Jo. DE VRIES. De oude en de nieuwe keizer van Solo. Eigen Haard 1893.

P. G. BOOMS. De urgentie en de opportuniteit van den Atjeh-oorlog

getoetst. Vragen des Tijds 1882.


352

PRYAMANAH. Tjitrawarna, Indische schetsen, naar de natuurgeteekend.

Eigen Haard 1891 en 1892.

R. BRO; MIDDEL. Losse schetsen over Nederlandsch Indië. Groningen,

P. Noordhoff. 1890.

J. WIJMA en J. C. SANDER. Bezoek aan Nederlandsch Oost- en West-

Indië. Schiedam, J. Odé. 1891.

W. J. Vertellingen uit het Indische oorlogsleven. Eigen Haard 1888«

BERTAJO. Atjeh tegenover Penang. Eigen Haard 1875.

M. C. FRANK. Een stoornis van bedenkelijken aard. Eigen Haard 1876.

P. F. LAGING TOBIAS. Onze tegenwoordige politiek in Atjeh en hare

gevolgen. Gids 1886.

C. J. LEENDERTZ. Maleische Dieven. Vragen van den Dag. Sept. 1888.

F. S. A. DE CLERCQ. De West-en N~oordkust van Nederlandsch Nieuw-

Guinea. Tijdschrift van het Aardr. Gen. 1893 afl. 2.

B. H. SCUROVEN. Schetsen van Nederlandsch /W&'. Tiel, D. Mijs. 1887.

J. F. NiERMEijER. De bevolking der voornaamste plaatsen van Java.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap 1891.

J. W. POST. De tandspoorweg op Sumatra. De Natuur 1892.

Verder van ongenoemden :

Onze oorlog in het Oosten. Eigen Haard 1877.

Het sultanaat en het hof van Djogjocarta. Eigen Haard 1893.

De onthulling van het gedenkteeken voor Günther von Buttlingslöwen

le Soerabaya. Eigen Haard 1893.

De Flor es-expeditie. Eigen Haard 1890.

Ingang eener Javaanse be kampong te Soerabaya. Eigen Haard 1892.

Een keizerlijke optocht in Djokjokarta. Eigen Haard 1890.

Soerabaya. Eigen Haard 1891.

Een dag in Groot-Atjeh. Eigen Haard 1878.

Kar el van der Heijden. Eigen Haard 1878.

Habieb Abdoe'l Rachman. Eigen Haard 1879.

Op marsch in de XXV Moekims. Eigen Haard 1879.

De Lokon. Nieuwe Rotterd. Courant 5 Sept. 1893.

Bouwstoffen voor geschiedenis en wetgeving zijn ontleend aan schrijvers

als: De Jonge, P. A. Tiele, M. L. van Deventer, Mr. J. A. van der

Chijs, Mr. N. P. van den Berg, Dr. J. H. F. Sollewijn Gelpke, Mr.

J. P. Moltzer e. a.

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!