F - Acehbooks.org

acehbooks.org

F - Acehbooks.org

,f* ^gfflV 'f*

X X

§fe> '»A' ^fe

ts? 'f* ^SBS? 'f*

^4v X

X X

»y /f*

èa Äsfe, \Ac

f

tt» w£H* -OSO-

? 'f*

X

0222 9498

X

i*i *$&& ^A/

%*^ ^»r «a»»«*

/f* "/W? 'f*

J^Èfc

was»

^ffiP

*A/

ISSKST lassa?? - I»5ÈH4 » ws&i* > ^w^-

'f* ^g? f* ^ ^ 'f* T^RS? /f* -TJKV «f* V$jß

X X X X X X X X X X

.ïA*. iääfei JS^ Jäfeü *A/ A^fei *A/ A/ i^fei ^A'

't"K , 3ïî+ ' * ' * HSIAflfe» 4i>K*X*iV «Otto**» «j£K»5 l

'f* ^§s? ''f* ^pP 'f* ^gP 'f* ^pa


t* 'h

"fpv

X X

_àÉ£. .c

"SSS* 1*

'f*

X X X X X X

äfe& \»é^ .s fer, Yiétf

f» '

pf*. ? p? /'f* f| £F 'f*

X X X X X X

X

X

X

X X

» $!£<

i* V.

/S§8^

"f

TO£» «w«»- «S3» >

X

I

1 *

/f* ^pv /'f** ^pv /'f

^ft

1 * 1 /'f 3^?F 'f* ^!

X X X X X

^P iäSS&i *A* ^feü ^èg- ^fes, ié^

1 * ^«s* pf*.

\è[>

4ffi4.«^

Pf*

«î^fe.

t

^^pf

*A/

^tj*w>

/'f"*

4"SS2»

^pv

4D4.Œ>

"f*

-caaasr ~^"y *ra»«7r

^klçx Pf* ^pv

~"^i:;:r"~ ^**«*T -sar

/'f* ^S*f 'f*

X X X X X X X X X X X

^P ^fa *A/ j^Sfo, jA/ Jäfe, Jjf" i$É&. £$£* iMi «Ä.4* !

IfT W "Sf? ^ ^ ^P "5ft HP ^ W ^ ^

X X X X X X X X X X X X

*Arf .Y5fe< w »Xïfe. *>8i/ ^2& ^

^ï&, ^^- -"!«» ^ ^ Hl t* ^^F 7e?* ^ ^ *5|5T ^PÜF ^

X X X X X X X X X X X

*»êe^ ^fe, >*êtf'

^ ® f

-ïÉj*,

^tâœf

\sêrf j^fe ^Sli, J

«as» < ^f^ ^pv Pf* ^p?

%ï^*' IS

/'f 1 "F ''r

4a«gj>

g» - ^ -^M» *^l -Sê»C ^ ^ ^ i

!t %jjp *f* l$*ß? ^f?" %

X X

X X X

* ^pv /'f«* ^j

X

3*>

r?

4S*?r v^fVy

/f ^ ^ ^

4»«4&fr A«KK1

7»A t^^

4m««t»- ^^^

"5|?"

'bip JSXSÊ, ' «^fei ^A* ^Sfei ^4W

'f* ^pv ''f'* 1 ^ "f'* l3pv "f*

x x x x x x x x

x ^ x . *

'W

x vArf' X Ä#«, vêt/ jrôfes,

» 4^^^ > ^s»

/'f^T *5^w "f'* v&S?

jaêi^

-

Pf*

^Jfes.

«§*»

^jêfr

^êrf ;$*&, i|ä_ .^m ^êi. «4

» ^®w ""Sï^ ^ï^r ^5ÏÎT ra

Pf* ^îpv Pf* 73pv /f*

** v* V v* V V' V V V V Ü

*\ X X * *^ s* s* y* ^ ^» A .^ ^*

SSL J3ÏÈ& 'aétf »îjfe, 'aêf' j^4 ^ê^ ÜÊi&L JS»«L J^^L Jaii J^^L J

/rl^ ^ ^ ^ 4>«ffiB> ^ ^ ^ - ^ ^ ^ > ^ ^ ^ *5 ^ ^^m ^e?" ^ ^ ^ ^

X X X X X X X X X X X X

M . ^^L ^4" **bp ^£ik ^p ^&L ^&- jäälü. ISÉAL ^^K> ^êiC x»

S»- ^thtt 7 JB^ ma* 4HS«> * -49»«»- 4^2» -«o- ^^fc» /'fY* » ^^3» *s»»o- ^SS#W 4»«m> 4^

X X

X

gt iff iÄ Jsfe

7f

X X «

"?fÇ*

X X X X

4^» 4»i«ipf*

^3E* Pf*

X X

X

pf*

X X

"f

X x i


_

wmmmmmm irilimnTiMiBW-'J.'IJIPMi

kb t W 1 ^

O'

W Ä^.*^

HERINNERINGEN UIT DEN RLOKKADETIJD


P

WÊSM I MI BLOKKADETIJD

MARINE-SCHETSEN

J. VAN WACHEM


» *

L. J. VEEN - AMSTERDAM

IM

cc


W

MOED, BELEID EN TROUW

OP BRANDWACHT I EN n

EEN MAILDAG

GENERAAL SCHOONSCHIP

INHOUD.

DE KRACHT DER VIJF VINGERHOEDEN 97

NEEL 1^4

EENE DEPÊCHE VOOR DEN GENERAAL 113

1

17

39

57


I.

Moed, Beleid en Trouw.

Jaap, lange Jaap, aan boord in de wandeling

de lange" genoemd, was een matroos van den

heel ouden stempel, zooals er tegenwoordig waarschijnlijk

weinig meer vóór den boeg te vinden

zullen zijn.

Te Vlissingen geboren en van kindsbeen at aan

boord kon het wel niet anders of hij moest een

zeeman op-en-toP, in hart en nieren zijn. Welnu,

dat was hij dan ook. Flink uit de kluiten geschoten

en breed van borst, had hij kracht voor drie.

De korte, stoppelige ringbaard, die zijn gezicht

bedekte, zijn door het oostersche zonnetje en het

zeewater donker gebruinde huid gaven hem het

uiterlijk van een zeeman van stavast. In zijn jonge

jaren had hij wel eens heel rare stukjes uitgehaald,

J. VAU WACHEM. ' Blokkadetijd.


2

maar nooit bepaald gemeene, waarom iedereen

aan boord, hoog en laag, hem gaarne mocht lijden.

Dè wal deugde nu eenmaal in 't geheel niet

voor onzen zeerob. Een robbertje vechten met de

zonen der Heilige Hermandad, als hij bij toeval

eens in de een of andere herberg 'n paar „vingerhoeden"

te veel had binnen gekregen en topzwaar

was geworden, of eens 'n paar daagjes op

straat blijven, daar bleef het altijd bij. Maar zijn

plunje verkoopen, of brutaal en onwillig tegen zijn

meerderen zijn, aan dat leelijke zwak, den minderen

militair tegenwoordig in ruime mate zoo bijzonder

eigen, had „de lange" nooit geleden. Integendeel,

in zee was hij de flinke, bedaarde,

oppassende zeeman bij uitnemendheid, op wien een

ieder als er wat voorviel altijd kon rekenen en

staat maken.

Geen wonder dus, dat menige commandant, „als

de schuit met de plank aan wal lag", wel eens

iets van hem door de vingers zag, te meer daar

hij er den slag van had, iedereen met een opgeruimd,

soms koddig gezegde dadelijk voor zich te

winnen.

Zoo o. a. was hij op een keer met acht dagen

verlof naar zijne oude moeder te Vlissingen gegaan ;

maar al wie na het verstrijken van die acht

dagen te Willemsoord aan boord was, onze Jaap


3

niet; hij kwam eerst 'n paar dagen later opdagen.

Toen hij den volgenden ochtend bij den commandant

op het rapport moest komen en deze hem vroeg :

„Waar heb jij zoo lang gezeten?" dacht Jaap:

"„Drommels ! als ik dat niet gauw en goed bij den

ouwe in orde maak, dan zit er wat voor me op," en

zei met het leukste en bedaardste gezicht van de

wereld, zoodat commandant en officieren, of zij wilden

of niet, moesten lachen: „Jawel, Kernel! maar da's

Jaap z'n schuld niet dat-ie zoo veul te laat terug

is; hij is op tijd uit Vlissingen vertrokken, maar

Uwes mot weten, dat-ie 't onderweg hier naar toe

altijd door stik in den wind heit gehad en in

Amsterdam nog met averij is motten binnenloopen".

(Jaap had daar in het politiebureau, wegens te

veel „vergunning", moeten uitslapen). „Dus Uwes

zal hem, hoop ik, voor ditmaal wel een beetje

willen verschoonen."

Jaap kwam er dezen keer met een niet al te

zware straf af, omdat hij zich zoo handig had

weten te verantwoorden, doch meer, natuurlijk,

omdat geen sterveling lang kwaad op hem

kon zijn.

Met den leeftijd, kwam ook bij Jaap de kalmte.

Het grooto keerpunt in zijn leven was, toen hij

in Indië op expeditie zijnde, zich zoo voorbeeldig

en moedig wist te gedragen, dat zijn commandant


4

hem waardig keurde voor de Militaire Willemsorde

en hem dan ook daarvoor voordroeg.

Toen Jaap ridder was, haalde hij nooit meer

iets uit dat een commandant hem straf behoefde

op te leggen, omdat, zooals hij zeide, „hij zich

wel zou wachten het „molentje" schande aan te

doen. Jaap heeft z'n tijd gehad, jongens, en daarmee

vast zoo, hoor, en geen Haarlemmerdijkjes

meer ! "

Jammer dat hij het weinigje schrijven en lezen,

in zijn jongensjaren aan boord geleerd, vergeten

had; zeker zou hij het tot onderofficier gebracht

hebben, maar zonder die wetenschap ging dat toentertijd

ook al niet meer. Jaap bleef dus wat hij

was: Matroos der 1ste klasse in het vaste korps.

Wat hij echter aan schrijven en lezen moge zijn

te kort gekomen, zeker is het, dat hij aan kennis

van zijn vak niets te kort kwam, maar dit dubbel

en dwars verstond. Van splitsen en knoopen of

van welk ander matrozenwerk behoefde hem niemand

iets te leeren, en met zijn harmonica

kon hij, in zee zijnde, de Jantjes geheele avonden

in de vroolijkste stemming houden. Jaap was

dan ook voor de harmonie onder de equipage

vooruit alles. Nooit hoorde iemand hem over het

een of ander mopperen, altijd met een tevreden,

opgeruimd gelaat, wist hij met een bemoedigend


5

of vroolijk woord de maats op te beuren. En zóó

een doet meer goed dan dikwerf het gezag van

hoogeren.

De oorlog aan het Rijk van Atjeh was verklaard.

Onze marinemacht in Indië, welke verwaarloosd

en veel te klein was voor de meer dan zware

taak, die van haar zou worden gevorderd, moest

hals over kop uitgebreid en versterkt worden.

Hetgeen nog bruikbaar onder de kap lag, werd

met bekwamen spoed voor den dienst gereed gemaakt

en het ontbrekende aangevuld en bijgewerkt.

Overal in het Vaderland heerschte op de scheepswerven

een drukte en bedrijvigheid, eene opgewondenheid

en gejaag, zooals in geen tijden in

Oud-Nederland beleefd was ; bijna schoten er handen

te kort. Het eene schip na het andere kwam in

dienst en verliet de haven om koers te nemen

naar Sumatra's noordpunt, de plaats waar gedurende

de laatste twintig jaren zoo menig dapper

krijgsman van Zee- en Landmacht, hetzij door

het verpestend klimaat, dan wel door den vijandelijken

kogel of klewang, voor Koning en Vaderland

het leven heeft gelaten.

Op een dezer schepen, dat door het Kanaal van

Suez naar de wateren van den oorlog zou stevenen,

diende Jaap als paai van den voortop. Oud


(i

en bevaren matroos, stram van leden, maar, als

het er op aan kwam, nog lang niet voor een klein

geruchtje vervaard, was hem in werkelijkheid geen

geschikter baantje toe te vertrouwen: Spoedig

was hij dan ook met takelaars en matrozen bezig het

schip zoo vlug mogelijk onder zijn tuig te brengen.

Geen wonder dus, dat Jaap, die geducht de handen

uit de mouwen wist te steken, een goed voorbeeld

voor het jonge volkje was.

Alles ging vrij voorspoedig van de hand, althans

zoo vlug mogelijk als het met het gure, natte

weder der eerste maanden van het voorjaar gaan

kon en vermocht te gaan.

Toen het schip kant en klaar lag en nog slechts

eenige dagen binnen zou blijven voor het innemen

van mondkost en munitie, kreeg Jaap verlof om zich

naar Vlissingen te begeven ten einde zijn moeder

vaarwel te zeggen, „want," zei hij, „'n mensch

kan nooit weten wat gebeurt, hoe raar 'n dubbeltje

soms rollen kan. Mogelijk zie 'k de ouwe ziel bij

m'n leven niet meer terug; ze is al knapjes oud

en ik? — Nou, ja, Jaap zou nog wel eens kans

kunnen loopen van met z'n body zoo pardoes tegen

een blauwe boon van zoo'n leelijken zwarten kerel

op te tornen, dat-ie er niet meer van overeind

kwam."

Jaap scheen een voorgevoel te hebben.


7

Alles ging goed totdat het schip de Straat

van Bab-El-Mandeb gepasseerd was, toen het, op

een kwaden achtermiddag, met het mooie weder,

waarmede tot daartoe de reis begunstigd was geworden,

gedaan was. De wind, welke hoe langer

zoo heviger opstak en op de eerste wacht in een

flinken storm was overgegaan, deed den waterspiegel

geweldig koken en bruisen en het schip

verschrikkelijk te keer gaan. Vóór den wind ging

het over de wilde golven, welke donderend tegen

het schip aansloegen en den romp in al zijn inhouten

deden kraken en trillen.

Van bijdraaien was geen sprake meer. Lenzen en

blijven lenzen was het eenige, waarmede de achterop

loopende waterbergen van het lijf waren te houden.

Door het hevige slingeren kwam in het staande

want, dat in de koude en regen, dus zeer gekrompen,

aangezet was, van lieverlede hoe langer

zoo meer rek. Ieder oogenblik dacht men dan ook

masten en stengen met raas, bij het overgaan van

het schip, te zullen zien afbreken en over boord

slaan.

Verschrikkelijke oogenblikken werden dien nacht

doorleefd. Gelukkig, dat alles nieuw en sterk was,

anders ....

„Jongens," zei Jaap tegen de maats, „vooruit,

als jullie soms nog wat op je kerfstokkie hebt,


8

dan mag je het wel weergaais gauw zeggen, hoor!

Want als dat zoo nog een poosje duren mot, dan

is 't strakjes voor alle hens buiten boord antreeën

om met groot paspoort te gaan. Van den „koffiemolen"

motten we 't niet hebben; de „lappen" en

't tuig motten de schuit er boven houen, anders

loopt 't mis, hoor, en 't gaat als ik je zeg. Maar,

komaan ; geen mesère voor den tijd, zoo ver is

't nog niet, zoolang de boel nog staat, dan geen

moed verloren. Handen uit de mouwen, hoor;

en uitluisteren, versta-je? Houdt je vast! —

Sta-a beenen! — Daar gaat-ie, gaat-ie weer! —

Netjes, hoor! — Houen kabelgarens!"

Met bovenmenschelijke kracht en inspanning

werd het wand „gezwicht". Windboomen van de

gangspillen werden in het want gebonden en met

takels naar elkaar getrokken, om het tuig de noodige

stijfheid te geven, hetgeen dan ook voor een

groot deel gelukte.

Ik zal dien nacht nimmer vergeten, en dat wij

allen, waarde lezer, verheugd waren toen het

eerste morgenrood vóór den boeg, als het ware

uit de zee opdook, nu, dat verzeker ik u; niets

stoffeert zulk een noodweertje akeliger dan heische

duisternis.

Op de dagwacht bedaarde het een weinig, doch

een paar uren later begon de wind nog feller door


i)

te slaan als gedurende den afgeloopen nacht het

geval was geweest.

Een ijzingwekkend, trotsch gezicht was het, die

hemelhooge zeeën achter het schip te zien aanloopen.

Somwijlen geleek het alsof het tegen een

muur van water aanlag.

Naarmate de zonnestralen doorschoten, groeide

het vertrouwen aan; het schip werkte prachtig

op de zee en toonde een echt zeeros te wezen.

Jaap was reeds bezig met voor zijn top te

zorgen en alles zoo stijf mogelijk te zetten. Ook

boven was hij eens een kijkje gaan nemen, of wel

alles in orde was en niets op breken stond.

Plotseling nam het schip zulk een geweldigen

gier en viel zóó zwaar over, dat de kop van een

hoogen „achteroplooper" met zijn volle gewicht op

de in de davids gesjorde sloep neêrbonsde. Tegen

zulk een hevigen schok niet bestand, braken de

ophouders der davids, en sloep met davids viel

in zee. Eén oogenblik later viel het schip over

den anderen boeg, waar een tweede stortzee de

dââr hangende sloep meenam.

Daar lagen wij !

De sloepen beukten de zijden van het schip

op een vreeselijke wijze. Wel waren zij onmidellijk

gekraakt en gebroken, maar niet dadelijk kort en

klein genoeg om los te komen; de boel zat te


10

stevig in elkaar. Telkens kreeg dus het schip,

als de zee wegviel, zulk een slag, dat men dacht

dat het door alles heen zou gaan.

„Kappen wat je kan!" klonk het van de brug.

„Hakt er op in, mannen! — Dat we van den

boel vrij komen!"

Dit was echter in zulk een weer niet zoo gemakkelijk

te doen. Om zulk een karweitje buiten

boord in de rust op te knappen, is al niet gemakkelijk,

maar Jaap, die mede een wakend oog op

alles hield, die den geheelen nacht zich afgesjouwd

had, de onvermoeide, brave kerel bedacht zich geen

enkel oogenblik.

Fluks greep hij zijn bijl, die' boven de beting

aan den mast hing, en klom buiten boord. Met den

uitroep: „Eén arm voor den Koning, één voor mij ! "

verdween zijn hoofd beneden de verschansing.

Weldra kon men binnen boord de forsche bijlslagen

hooren, zoodat men wist dat Jaap zat waar

hij wezen moest en, niettegenstaande hij telkens

onder water ging en dan weer boven kwam, niet voor

niets bezig was, maar zich in die weinige oogenblikken

als een leeuw roerde.

De andere sloep werd gelukkig na eenige malen

door de zee opgenomen en weder tegen boord

aangeslagen te zijn, door de zee van het schip

en touwwerk losgerukt.


11

Eindelijk was Jaap gereed en kwam hij snuivend

en proestend van het water weder met zijn hoofd

boven de verschansing uit.

Juist toen hij zich in zijn volle lengte opwerkte

om binnenboord te klauteren, viel het schip over

en kreeg hij tegen de volle borst een slag van

een takelblok, dat nog buiten was blijven hangen.

„O, God! Help me!" — riep Jaap en stortte

meteen voorover op het dek neder, waar hij

dadelijk door toeschietende armen werd opgevangen.

Jaap zei geen woord meer, maar een dikke golf

bloed, welke uit zijn mond vloog, zei genoeg. Druipnat

en zoo bleek als een doode werd hij beneden

in den ziekenboeg gebracht.

Wij gaan zes dagen voorbij, lezers. De storm

was bedaard en had plaats gemaakt voor een

liefelijk, zonnig weertje. Een aangenaam briesje

vulde de zeilen en verlichtte het werk van de

stuwroef aanmerkelijk. Alles was weder aan boord

op dreef. De ellende en ontbering van drie dagen

en drie nachten niet slapen, hard ploeteren, door

en door nat van het zeewater, van driemaal

vier-en-twintig uur zonder warm eten of drinken,

daar alles in de kombuis uit de kookketels slingerde,

ze zaten er alweder op en waren vergeten,

evenals zoovele andere dagen van misère.


12

„O, neen! Waarlijk niet! — Dat was niet de

gewone bedrijvigheid, welke dien ochtend aan

boord heerschte. Allen staken zich in hun beste

plunje; er was „groot tenue" gelast.

Wat was er dan wel gaande?

Luister, waarde lezer!

Den vorigen avond was lange Jaap aan de

gevolgen van dien slag met het blok bezweken.

De arme kerel had aanhoudend door bloed opgegeven,

tot het met hem gedaan was. De maats

waren niet uit den ziekenboeg te krijgen geweest

en hadden, zonder een woord te spreken, met

droevige gezichten bij het ziekenkot gezeten, waar

„de lange" in lag. Commandant en officieren hadden

ook menigmaal bij datzelfde kot gestaan, om den

armen lijder, die mogelijk ons allen het veege

leven gered had, woorden van vertroosting toe te

spreken, maar, helaas, de dood eischte onverbiddelijk

zijn prooi!

Dien avond voelde Jaap dat het weldra met

hem zou afloopen. De commandant en de dokter

stonden vóór hem, om te vernemen of hij mogelijk

nog iets begeerde.

Alle manschappen waren bij, om en in den ziekenboeg.

Ach, wat een deelneming, wat een oprecht

medelijden stond op aller gezichten te lezen;

wat een welsprekendheid door stilzwijgend-


18

heid! Was het wonder? O, neen! Daar ging immers

een kameraad, een stout zeeman, een kranig

verdediger van het Vaderland hen verlaten !

De commandant drukte vol aandoening de hand

van den stervende.

Nog éénmaal nam Jaap afscheid van zijn kameraden

door zijn hoofd naar hen toe te keeren en

hen met zijn stervende oogen een korte wijle aan

te zien, en met den laatsten golf bloed, welke

zijn mond verliet, ontsnapte ook zijn doodsnik.

Daar lag de stoere, dappere zeeman, de kloeke

zeeman bij uitnemendheid!

Den volgenden morgen, heel vroeg, werd zijn

lijk ingenaaid en aan de beenen van eenige roosterijzers

uit de machinekamer voorzien, waarna

het „achteruit" op het halfdek een plaats werd

gegeven. Neerlands driekleur, ons dierbaar „roodwit-blauw",

dekte het en de medailles en het

ridderkruis, welke Jaap gedragen had, waren aan

de vlag gehecht.

Allen stonden in groot tenue aan dek.

De vlag aan den gaffel waaide halfstok.

Eindelijk, daar kwam de commandant aan dek.

Zijn hoogst ernstig gezicht zeide duidelijk genoeg,

dat hij een allertreurigsten plicht ging vervullen.

Na eenige malen naar de golven gezien te

hebben en even zooveel malen naar de zeilen,


14

zeide hij iets tegen den officier van de wacht, die

daarop de bel van de telegraaf naar de machinekamer

deed overgaan.

„Stoppen," was het commando.

De machine stond stil.

De vaart van het schip werd langzamerhand

minder en minder, hoewel de zeilen voller gingen

staan.

„Tegenbrassen!" klonk het nu van de brug, en

in enkele minuten had Janmaat de voorzeilen omgehaald,

zoodat het schip weldra geheel stil lag.

„All hands voor den boeg", floot daarop de

schipper. Iedereen zocht een goed plaatsje achter

den grooten mast.

Daar trad de commandant naar voren en herdacht

in kernachtige zeemanstaai Jaap's schitterende

zeemansdeugden, en wel zóó, dat het een

ieder tot in het binnenste van zijn gemoed week

werd. Bleek van aandoening stond hij daar met

de handen op het gevest van zijn degen geleund

en schetste in breede trekken Jaap's levensloop.

„Koning en Vaderland verliezen in hem een dapper

en trouw zeeman," waren des commandants

laatste woorden.

„Baksgewijs aantreden," floot daarop de schipper

en allen stelden zich als naar gewoonte langs

boord op.


15

Het baksvolk, waar Jaap bij had aangezeten,

tilden het lijk op een plank op hun schouders en

tegelijkertijd liet zich het eerste salvo uit de geweren

der mariniers hooren.

De stoet stelde zich in beweging. Pijper en tamboer

gingen voorop en speelden den doodenmarsch.

Langzaam en treurig ging het over het bovendek

voorwaarts. Bij den tweeden omgang gaven

de mariniers weder een salvo.

Nadat de derde omgang volbracht was en de

stoet aan stuurboord bij den valreep was aangekomen,

hield men halt en werd de plank met

het lijk in den valreep gelegd.

Het derde salvo viel.

De schipper nam eerst de medailles en het

ridderkruis van de vlag en daarna de vlag van

het lijk.

„Mannen," zeide hij en de woorden bleven hem

bijna in de van aandoening toegeknepen keel

zitten, „een, twee, drie, in Godsnaam!"

De golven openden zich; zij namen het lijk van

een dapper en eerlijk zeeman in haar schoot op.

En Jaap was gevrijwaard, op zijn ouden dag


16

van het smartelijk genadebrood der natie of van

de algemeene liefdadigheid te moeten leven.

Het is voor hen, waarde lezer, die dat, helaas! —

wèl moeten doen, die niet anders kunnen, omdat

zij door den nood gedwongen worden, dat ik door

dit schetsje te schrijven een poging waag om tot

liefdadigheid op te wekken.

Komt! — laten wij een penninkske afzonderen

voor de oudjes te Egmond-aan-Zee ; laat ons iets

doen om de laatste levensdagen van die veteranen,

die in hun jonge jaren alles voor Koning en Vaderland

veil hadden, wat op te vroolijken en hun een

minder treurigen ouden dag te bezorgen ; het gaat

weder tegen den winter. Zij zullen U dankbaar

zijn, zoolang hun adem gaat.


IL

„Op brandwacht."

I.

Hoe scherp ook werd uitgekeken, toch gelukte

het den sluwen en brutalen Atjeher menigmaal de

blokkade te verbreken of ons op de een of andere

wijze om den tuin te leiden.

Men behoeft dan ook van de Atjesche kust maar

weinig gezien te hebben, om te begrijpen, dat al

die koeala's, songgie's, inhammen, geulen en gaten

het strengste en meest waakzame oog gemakkelijk

parten spelen en dat de prauwen, trots alle mogelijke

moeite en haast van onzen kant, toch een

goed heenkomen vonden en ontsnapten.

De vermetelheid der kerels kende somwijlen

bijna geen grenzen en wekte dikwijls ieders verbazing

en bewondering op.

Ongelukkig echter den Atjeher, als wij omtrent

J. VAN WACHEM. Blokkadetijd. 2


18

het een of ander van hetgeen hij in zijn schild

voerde, tijdig bericht hadden ontvangen ; alles werd

dan gedaan om zijn mooie plannen in duigen te

laten vallen en hem in handen te krijgen.

De spionnen gaven echter niet altijd betrouwbare

berichten. Mogelijk waren ze dikwijls met opzet

valsch, want menigmaal gebeurde het, dat alle moeite

totaal vergeefsch was en wij onverrichterzake naar

boord terugkeerden.

Ook het heulen van onze met veel geld en

vlaggen gemaakte vrindjes in de z.g. onderworpen

staatjes met de nog tegen ons gezag in verzet

zijnde, maakte het hun dikwerf gemakkelijk

te slagen, waar nog bijkomt, dat de blokkade

soms maar half was, dikwijls nog veel minder dan

half.

Het kon hen echter ook wel eens duchtig tegenloopen,

bijvoorbeeld, als door een waar bericht

hun vaartuigen met lading en opvarenden in onze

handen vielen door een even brutalen zet van onze

zijde.

Zoo kwam op een zekeren morgen, op de reede

van Gigian ten anker liggende, het bericht aan

boord, dat gedurende den eerstvolgenden nacht een

twintigtal prauwen met pinangnoten beladen uit

Pedir, onder den wal langs, te Gigian de kali

zouden binnenkomen.


19

Onze commandant besloot dadelijk het konvooitje

eens netjes op te lichten.

Niemand koesterde eenig idee van zulk een ongehoord

brutaal waagstuk, daar wij in zee vlak

vóór de monding der rivier lagen. Het was dus

zaak die prauwen, als zij kwamen opdagen, den

pas af te snijden en ze te beletten op strand te

loopen.

Alles wat eiken dag plaats vond, geschiedde

dien dag ook. Om dus aan den wal geen bijzonderen

schijn van meerdere waakzaamheid te

geven, werden tegen den avond alle te water

liggende sloepen geheschen en de stoombarkas achter

het schip vóór dreg gebracht.

Een paar uren later, toen het goed donker was,

keek onze bootsman vreemd op, wijl de officier

van de wacht, die met den commandant op het

halfdek op- en neerliep, hem gelastte met de

meest mogelijke stilte de beide officierssloepen

weder te laten strijken en vóór brandwacht gereed

te maken.

Janmaat was onmiddellijk druk in de weer met

aandragen van al het benoodigde voor het bewapenen

der sloepen en vol moeds, niet wetende wat

hem dien nacht te wachten stond.

Nadat sloepen en stoombarkas zonder eenig

vertoon van vuur of licht en zoo onhoorbaar


20

mogelijk gereed waren gemaakt, werd met alle

voorzichtigheid naar den wal gestoomd en daar

zoo dicht mogelijk de wacht gehouden.

Onder het naar den wal gaan deelden de officierea

het sloepsvolk en de mariniers mede waarop het

dezen keer gemunt was, en, zeiden dat, wilde de

toeleg om al de prauwen in handen te krijgen gelukken,

de meest mogelijke stilte in acht genomen

moest worden.

De vreugde onder Janmaat was groot. Fluisterend

werd elkaar meegedeeld wat iedereen te doen zou

hebben bijaldien de „pinangnootjes" aankwamen

en onder het bereik zouden zijn.

Doodstil werd nu over het water scherp uitgekeken

of de prauwen ook in het gezicht kwamen,

doch de dikke duisternis belette bijna iets op eenigen

afstand te onderscheiden; vandaar dat er

meer moest worden afgegaan op het geluid van

roeiriemen of pagaaien.

Het eenige lichtende punt, was, een heel

eind in zee, het flauwe licht aan de ra van onzen

stoomer, hetgeen de Atjehers niets bevreemd

zal hebben, daar het iederen avond werd geheschen.

De gelegenheid was dus keurig; geen

lichtend sterretje was aan den stikdonkeren hemel

te zien.

In zenuwachtige spanning waren elks ooren en


21

oogen naar den kant van Pedir gericht, doch er

kwamen maar geen prauwen opzetten.

Wel dacht men telkens iets verdachts te hooren,

maar ook evenveel malen bleek het verbeelding

te zijn geweest.

Het werd al later en later en bijna tijd om naar

boord terug te keeren, daar het er weder veel van

had, gelijk reeds zoo menigmaal was gebeurd.dat

wij met een valsch bericht hadden te doen, toen

tegen half twaalf de voorste man in de sloep weder

vermeende heel zacht het geluid van riemslagen in

het water te hooren.

Met verdubbelde scherpte werd door allen geluisterd

en uitgezien en jawel, na enkele minuten

gleed zeer langzaam op een afstand van een honderd

meter, dwars van ons, een donker voorwerp over

het water, zonder dat het ons opmerkte. Spoedig

daarop werd deze prauw door een tweede en derde

gevolgd, toen op eens een vierde en vijfde recht

voor ons uit de duisternis kwamen opduiken.

Langer wachten was nu niet raadzaam meer,

daar men ons zou moeten opmerken en zij door

alarm te maken de achterste prauwen konden

waarschuwen.

»Vooruit! — Haal op riemen!" klonk op eens

het zachte doch ferm uitgesproken commando, en

alle riemen vlogen door het water.


22

De beide sloepen schoten als haaien door de

golven en liepen de prauwen aan boord.

De paniek onder de Atjehers was verbazend.

De meeste prauwen wilden ontkomen door naar

het strand te roeien, doch de aanval ging zoo snel

in zijn werk, dat zij één voor één in onze handen

vielen vóór het te kunnen bereiken.

Daar verboden was te vuren, maar bij mogelijke

tegen weer alleen van het blanke wapen gebruik

gemaakt mocht worden, kregen de achterste prauwen

geen of weinig vermoeden van hetgeen ze

te wachten stond, dan toen het reeds te laat was.

De stoombarkas schoot met volle kracht vooruit

om de allerachterste prauwen het terugkeeren te

beletten.

De tegenweer, die wij ondervonden, was niet

noemenswaard ; de kerels waren lam van den schrik

en vóór zij aan tegenweer goed konden denken,

stonden een paar mariniers of matrozen voor hen

met de bajonet op. hun borst gericht en de bedreiging:

„éen schreeuw en 't gaat er door."

Een paar prauwen gelukte het té ontkomen

door op het strand te loopen. Ook een gedeelte

der opvarenden van de anderen redde zich door

overboord te springen en naar den wal te zwemmen,

waarvan er hoogst waarschijnlijk nog wel eenige

zullen zijn verdronken.


23

Aan den wal werd op eens een hevig rumoer

vernomen en langs het strand werden lichten opgemerkt,

doch de afstand was nog te ver en de

duisternis te dik om iets met eenige zekerheid

te kunnen onderscheiden.

De prauwen werden nu éen voor éen opgepikt

en op sleeptouw achter de stoombarkas genomen,

die met hen naar boord stoomde, waar zij allen

rond het schip ten anker moesten gaan met de

aanzegging: „die moeite doet om te ontsnappen

wordt onmiddellijk neergeschoten."

Zekerheidshalve werden hun alle mogelijke middelen

om te kunnen ontsnappen, als zeiltuig, roeiriemen,

pagaaien en het roer, afgenomen en aan

boord opgeborgen.

Toen alles was afgeloopen en het volk uit de

sloepen binnen boord was, liet onze commandant

de Jantjes een ferm, welverdiend oorlam schenken,

hetgeen met een driewerf : hoezee ! door allen

begroet werd, om daarna de hangmat te gaan opzoeken.

Voor echter de slaap onzen wakkeren zeelieden

de oogen toedrukte, deed eerst nog menig verhaal

over het voorgevallene de rondte.

Tegen 2 uur was alles weder stil en hoorde men

aan boord niets meer dan het zacht heen en weder

loopen der schildwachten, die met het geladen ge-


u

weer in de hand de prauwen in het oog bleven

houden. De prauwen en de lading werden later te

Edi verkocht ; de opbrengst diende om de kas der

buitgelden te stijven, die later onder de equipages

verdeeld is geworden.

De kerels werden den volgenden morgen met

leêge handen en zakken op het strand afgezet, met

het zeer beleefd verzoek van Janmaat om toch

vooral nog eens spoedig met een dergelijk tweede

factuurtje terug te komen.

„De kerels gaven geen asem, maar God hoorde

ze brommen," zeiden de matrozen, die hen naar het

strand weggebracht hadden.

II.

Het was tijdons de tweede expeditie tegen het

Rijk van Atjeh, dat ik, langs de Noord- en Oostkust

van dat heillooze land gestationneerd zijnde,

menigmaal in de gelegenheid was met de vermetelheid

van den Atjeher kennis te maken. De parten,

die hij ons speelde, getuigden vaak van zijn groote

onverschrokkenheid, maar gelijk het spreekwoord

terecht zegt : „de kruik gaat te water zoolang tot zij

breekt ; " zoo ging het ook dikwerf hier. Wee! den Atjeher,

als wij op de een ofandere wijze achter de listen

n lagen waren gekomen, waarmee hij ons bedreigde


25

en waar hij ons dacht in te laten loopen. Een even

slimme als koene daad van onzen kant wierp dan gewoonlijk

vrij spoedig al zijn mooie plannen in duigen.

Van alles beroofd, van prauw en lading, geld en

goed, lieten wij hem, meestal nog met een flink

nat pak op den koop toe, naar huis gaan, om in

zijn kampong te kunnen verhalen, dat die verdoemde

honden van kafirs hem toch te slim waren,

althans in listigheid en stoutmoedigheid geen zier

toegaven.

Zoo herinner ik mij uit die dagen menig nachtelijk

avontuurtje, als wij met stoombarkas of gewapende

sloep er op uit waren den vijand te bespieden

en zooveel mogelijk afbreuk te doen.

Het is, waarde lezer, van een dier welgeslaagde

nachtelijke tochtjes, dat ik U iets vertellen ga.

Bijna alle potentaatjes — en dat zijn zij feitelijk

— langs de kust, van Telok Samoi tot Edi,

waren reeds door de politieke bemoeiingen en het

krachtig optreden van den stationscommandant B.

meer of minder voor de „kompenie" gewonnen.

Alleen die van Simpang Olim, de machtigste door

zijn grooten peperhandel, had zich trots alle moeite

en het streng geblokkeerd houden van de kust en

den afvoerweg naar zee, de Simpang Olimrivier,

steeds vijandig blijven toonen en van geen de minste

toenadering willen hooren.


26

Edi, waar nu weder zoo bloedig door zee- en

landmacht is gevochten, genoot toen reeds onder

de vleugelen onzer Hollandsche driekleur de zichtbare

weldaden des vredes door een levendigen handel

met Poeloe Penang. Meermalen heb ik daar,

geheel alleen, zonder eenig wapen bij mij, uit

de strandbenting een wandeling gemaakt naar de

kampong en onder de Edineezen rondgeboemeld,

om mij van de behendigheid te kunnen overtuigen,

waarmee zij bij hun spelen den uit bamboe vervaardigden

bal met hun voeten opvangen en hun

nevenman weder weten toe te gooien. Maar, de

heeren van den galadegen vervingen de mannen

van het zwaard en .... op die plaatsen, waar ik

toen vrij kon rondloopen, zal men nu waarschijnlijk

wel weder met den klewang kennis maken.

Tu Vas voulu, Georges Bändln!

Doch ter zake.

De Radja van Simpang Olim dan, die mogelijk

juist zijn grootste kracht zocht en vond in zijn

isolement, waardoor het knoeien en heulen met

onze vrienden (?) ongestoord zijn gang kon gaan,

bedacht alle mogelijke listen om zijn peper te

kunnen afvoeren en aan den man te brengen.

Aanhoudend ontvingen wij berichten uit Penang,

dat prauwen van Simpang Olim door de blokkade

hadden weten heen te breken en een goed heen-


27

komen vonden, ja, men zei zelfs, dat zij in

zee, in Straat Malakka, haar lading in Chineesche

wangkangs overscheepten. Geen wonder dus, dat

het toezicht op de monding der Simpang Olimrivier

steeds scherper werd en zij dag en nacht

door een oorlogschip bewaakt bleef.

Toch bleven de berichten altijd hetzelfde luiden.

Ten einde raad besloot men in de monding een

kruisboot te leggen, daar men veronderstelde, dat

de prauwen gedurende de stikdonkere nachten de

rivier uitliepen, en, onder den wal door, aan de

aandacht van het vóór de bank liggende oorlogschip

wisten te ontsnappen.

Nu moet men weten, dat de Simpang Olimrivier,

van hare monding af tot een groot eind binnenwaarts,

eigenlijk geen rivier is, maar evenals

een aantal rivieren van Atjeh uit inhammen en

geulen bestaat, die met zeewater gevuld zijn.

De boorden dezer soort lagunen zijn meestal zeer

moerassig, met dicht laag hout begroeid en doorsneden

met een aantal kleinere en grootere spleten,

die weder in elkaar en in de hoofdgeul uitmonden,

of een eind landwaarts in dood loopen. Ook staan

zij soms wel met een andere rivier, wier monding

hetzelfde te aanschouwen geeft, in verbinding.

Ware doolhoven dus.

Een doorloopend strandgebied heeft men dan


28

ook op zulke plaatsen langs de kust nergens.

Hetgeen men van uit zee voor strand aanziet,

kan veelal op dien naam weinig of geen aanspraak

maken. Evenzoo is het met de monding der Simpang

Olimrivier gesteld.

Een eind binnengaats splitst de diepe geul zich

in drieën, vormt zij den destijds door de marine

genoemden „viersprong." De oogenschijnlijk minst

aanzienlijke tak, de linker, is de eigenlijke Simpang

Olimrivier; nadat zij ongeveer een halve

kilometer evenwijdig met de kustlijn heeft geloopen,

gaat zij met een bijna haaksche bocht verder landwaarts

in naar den kraton en de kampongs van

Simpang Olim. De tweede, even breed en diep

als vóór den viersprong, die wij daarom een tijdlang

voor de ware S. O. rivier hielden, loopt

een eind verder dood. De rechter rivierarm ben

ik nooit in geweest. Waar en hoe zij dus verder

voortloopt is mij onbekend. Ziedaar, waarde lezer,

alzoo een aardig terrein om ons op te kunnen verschalken.

Ik geloof ook niet, dat er lastiger kust is

om te blokkeeren dan de Atjehsche, tenzij men geheel

vertrouwd is met al die lagunen en kreken. Dat

wij dat toen der tijd nog niet waren zal U blijken

uit het feit, dat de Radja van Simpang Olim langen

tijd naar hartelust peper afvoerde en ons bijkans

blind liet turen naar de monding der rivier.


29

Niettegenstaande nu de kruisboot in de rivier

lag en er dus onmogelijk iets uit of in kon, zonder

gezien te worden, bleven de berichten uit

Penang nog steeds hetzelfde luiden. Dat men ons dus,

indien de berichten waarheid bevatten, netjes om

den tuin leidde, stond als een paal boven water.

Zoo nam men ons smakelijk in het ootje, door

o. a. gedurende een zekeren nacht op de kruisboot

met geweervuur te schieten en het vischwant van

onze inlanders te vernielen, dat daar op den wal

onder de boomen te drogen was gehangen, een

feit, dat ons niet weinig in het denkbeeld versterkte,

dat de „Olimmers" de monding van hun

rivier vrij wenschten te hebben.

Bij onzen commandant, den luitenant ter zee

lste kl. Haakman, begon evenwel het vermoeden

te rijzen, dat het een of het ander waar moest

zijn: pepervervoer over land naar een der met

ons bevriende radja's, of, en dit was waarschijnlijker,

Simpang Olim moest meer dan één afvoerweg

naar zee hebben.

Hierop wilde onze commandant een afdoend

antwoord weten. Het begon den Hinken zeeman

te verdrieten zoolang door den Atjeher bij den

neus genomen te worden. Hieraan zou hij een

einde maken, het kostte wat het wilde.

Op een laten achtermiddag, terwijl wij weder


30

vóór de kust ten anker waren gekomen, klonk op

eens het bevel: „Barkas, ho! — Langs zij komen!"

Onze steamlaunch, die een eindje van 't schip

voor dreg lag, stoomde eenige minuten later langs

boord, nam water en steenkolen in en de noodige

munitie voor houwitser en „Beaumonts;" in 't kort,

alles wat voor een goed gewapende barkas om

op „brandwacht" te gaan, noodig is.

Dat wij allen vreemd stonden te kijken, daar

aan alle kanten van den horizon noch van een

prauw, noch van eenig ander vaartuig iets te zien

was, is te begrijpen, maar het raadsel zou spoedig

worden opgelost.

Tegen 5 ure kwam een der 2de luitenants bij

den valreep, stapte in de barkas en vooruit ging

het, de geul door, de monding der rivier binnen.

Na een kort gesprek met den djoeragan der

kruisboot, ging het weder verder, de rivier op,

tot even vóór den hierboven genoemden viersprong,

waar wij onder den linker wal in een smal geultje,

dat met takken en bladeren overdekt was, een

schuilplaats vonden. Voor alle voorzorg was de

dreg in het midden der rivier' uitgeworpen, zoodat

wij ons zonder stoomen uit het kreekje konden

werken.

Daar lagen wij. — De houwitser geladen met

een kartets en de bemanning met het geweer in


8]

de hand gereed om van leer te trekken ; de machinetjes

klaar om ieder oogenblik met volle kracht

vooruit te slaan.

Spoedig viel de duisternis in, die weldra plaats

maakte voor stikdonkeren nacht, met al de geheimzinnigheden

daaraan verbonden.

De grootste stilte werd in acht genomen. Niemand

die een woord repte. Allen keken scherp

uit naar den kant der rivier, als wilden zij de

duisternis doorboren, doch het dichte bladerendak

belette iets te zien. De verbeelding gaf aan

boomen en planten de grilligste en meest fantastische

vormen; dan geleken zij op reusachtige

kerels met strijdknodsen, dan weder op geesten

uit het schimmenrijk. Honderden geheimzinnige

geluiden lieten zich hooren, hetgeen het naar binnen

stroomende water voortbracht, dat door den

vloed werd opgezet.

Straks, als het zijn hoogste punt bereikt heeft,

zal het weder naar zee stroomen en andere geluiden

voortbrengen.

Het eene oogenbik meenden wij dit, het andere

dat te hooren, maar niemand, die tot nog toe onder

al die geluiden het eigenaardig geplas van roeiriemen

en het gekraak der rottanstroppen, waarin

zij heen en weer gaan, had vernomen.

Een heirleger van muskieten deed een algemeenen


82

aanval op het weinige van ons lichaam, dat moest

worden bloot gelaten. Als echte vampyrs zogen zij

ons het bloed af.

„Voorzichtig, mijn waarde! Sla niet naar hen

om ze te verjagen, dat zou u verraden. Ieder

oogenblik toch kunnen er éen, twee, drie, God

weet hoeveel prauwen opdagen en gij zoudt door

uw klap, die ver over het water gehoord wordt,

verder dan gij wel denkt, den naderenden vijand

op zijn hoede doen zijn, alzoo den geheelen toeleg

doen mislukken. Verdraag dus alles geduldig, ja,

zucht zelfs niet, het geboomte zou dien zucht kunnen

overbrengen."

Het minste geritsel, het afvallen van een tak

deed ons opschrikken en de kolf van 't geweer

vaster in de hand klemmen.

Langzaam, naar ieders zin veel te langzaam,

kroop de tijd voorbij. Uren geleken dagen, doch

niets hoorden wij dan het eentonig, zangerig geluid

van millioenen insecten en het gegons der muskieten.

De geheele muskieten-wereld, uitgehongerd

als zij is. gaf elkaar „rendez-vous" in de barkas.

Het steken begon pijn te doen en men had wel

willen vleeken, stampvoeten van de ergernis, die

de beestjes ons veroorzaakten, maar men deed hen

niet. Stilte was het wachtwoord en het was en

bleef dus stil. Toch waren allen klaar wakker en


33

voelde iedereen in die eenzaamheid zijn hart in.

het lichaam bonsen.

„Groote Hemel ! wat was dat ? Daar zullen wij de

poppen aan het dansen krijgen. Was dat in de verte

niet het oorlogsgeschreeuw der Atjehers ? Zou men

ons in de gaten hebben gehad, toen wij de rivier

binnen stoomden ? 't Komt al dichter en dichter. Ja

ze zijn het!"

Een ieder omklemde zijn geweer en hield den

adem in. Het slagpijpje, om den houwitser te doen

losbranden, werd heel voorzichtig in het slagtoestel

gestoken.

„Komt nu maar op! wij zullen je fatsoenlijk

ontvangen, daar zult ge schik van hebben!"

St! wij hoorden niet goed. Dat was toch immers

geen menschelijk geluid, al had het er veel

van in de verte? Neen, het was weder voor de

zooveelste maal onze verbeelding, die ons een

poets speelde; het was het geschreeuw van een

troep apen, door het een of ander toeval opgeschrikt.

Haast waren wij in lachen uitgebarsten, maar

er was stilte bevolen: wij stieten daarom elkander

maar eens met den vinger aan.

Alles was weder als te voren stil geworden.

Geen ander geluid dan dat der insecten liet zich

hooren. Het gegons der gevleugelde bloedzuigers

J. TAN WACHEM . Blokkade-tijd. 3


34

en het geklater van het stroomende water langs

den moerassigen oever ging voort de lucht te vervullen.

Een enkele maal hoorden wij het schor

geschreeuw van een nachtvogel in de nabijheid,

maar dat was dan ook alles.

't Was reeds middernacht geweest. Buiten, in

zee, was de eb ingetreden. Wij konden het hooren

aan het snellere afvloeien van het water.

„Nu bijzonder opgepast, want het zou wel eens

kunnen gebeuren, dat de blokkadeverbrekers, gebruik

makende van het „vallende" water, met

stroom meê de rivier kwamen afzakken."

Weder ging een uur voorbij met scherp uitkijken

en luisteren, maar niets werd vernomen, dat

ons de nadering van den vijand kon doen vermoeden.

Eindelijk! Stil! Wat was dat? Was dat niet

het geplas van roeiriemen?

Ja, waarlijk, deze keer was het zoo, het kwam

al nader. Steeds duidelijker en duidelijker hoorden

wij allen het regelmatig uit en in het water gaan

der riemen.

„Steekt nu maar raak, muskieten! Straks zullen

wij de jeuk, die ondragelijk is, wel wegwrijven,

als wij de handen flink uit de mouwen mogen

steken om bij die kerels aan boord te loopen. "

Een tweede prauw volgde bijna dadelijk de eer-


35

ste, ook zonder iets te vermoeden van onze aanwezigheid.

Nu nog een oogenblikje gewacht of er niet

meer komen opzetten.

In de richting van den viersprong liet zich niets

meer hooren.

„Haal in je tros," klonk fluisterend het kommando.

Langzaam en met groote voorzichtigheid kwam

onze barkas uit haar schuilhoek te voorschijn. In

het midden der rivier werd zoo zacht mogelijk

de dreg binnen boord gehaald, en ... daar dreven

wij de prauwen achterna.

Dat natuurlijk ieder onzer zeer nieuwsgierig

was te weten hoe dat zaakje wel zou afloopen,

zal men begrijpen. Twee prauwen tusschen

twee vuren: de kruisboot en de barkas,

't kon niet mooier; één ding begrepen wij wel,

zij zouden niet probeeren de kruisboot voorbij

te komen. De kerels moesten dus tusschen den

viersprong en de monding een uitweg hebben.

Wat deden zij anders hier?

Op eens hoorden wij geen riemen meer in het

water plassen.

„Weergas ! zouden zij hier of daar reeds de

plaat gepoetst hebben?"

Neen dat kon niet.


36

Voorbij een smallen inham drijvende, hoorden wij

hen met bamboes de prauwen boomen.

Toen wisten wij genoeg.

„Vooruit, volle kracht ! *

De een na den ander sprong dadelijk onder

geschreeuw en gegil te water. Toen wij onmiddellijk

daarop de prauwen langs boord liepen en

de matrozen als katten oversprongen, vonden zij

geen enkelen der opvarenden meer aanwezig. De

Bchrik scheen hun om het hart geslagen te zijn

en zij hadden het verstandiger gedacht een goed

heenkomen te zoeken in de rawah, dan het bezoek

van Janmaat af te wachten. Heel erg ongelijk

kon ik de kerels waarachtig niet geven,

maar hoe zij in in dien moerasboel een heenkomen

vonden, dàt was ons allen den volgenden ochtend,

toen de zon haar licht over de plek liet schijnen,

een waar raadsel. Best mogelijk dat zij in dien

modderpoel weggezakt en gestikt zijn, althans wij

hoorden of zagen niets meer van hen.

Gelukkig was de eb niet lang genoeg ingetreden

om de barkas in de geul geboeid te doen raken;

wij konden achteruit stoomende met de prauwen

weder in de rivier komen, waar wij tot het aanbreken

van den dag voor dreg bleven liggen.

De vangst, al hadden wij de kerels niet geknipt,

was een uitstekende, en het succes hoogst be-


37

langrijk, hetgeen den volgenden ochtend schitterend

zou blijken.

De beide prauwen hadden een mooie lading peper

en in een der kwalies voor drinkwater vonden

wij op den bodem een vuilen in elkaar gewikkelden

lap met ruim 200 dollars, zonder twijfel bestemd

voor het aankoopen van kruit en lood.

Toen wij 's morgens naar boord terugkeerden,

begreep de bemanning der kruisboot er niets van,

dat wij met twee zulke welbeladen „bijlagen" achter

ons op sleeptouw de kalie uitgingen.

Onze commandant was natuurlijk in de wolken

en besloot dadelijk die kreek verder te laten onderzoeken.

Een gewapende sloep en de vlet gingen onmiddellijk

er op uit en wat stonden allen aan boord

te kijken, toen ongeveer 3 à 4 uren later, een

halven gezichtseinder ver naar den kant van

Diamantpunt, een prauw van onder den wal in

zee stak, die door den verrekijker niets anders

bleek te zijn dan onze sloep en de vlet.

Het raadsel was alzoo volkomen opgelost. De

tweede waterweg van Simpang Olim was gevonden.

De kreek, die bij het begin zeer smal en ondiep

was, werd verder op hoe langer hoe breeder en

diep er, tot zij ten laatste breed genoeg was om weder

van de riemen te kunnen gebruik maken, instede


38

van te pagaaien. Na verschillende bochten en

kronkelingen kwam zij eindelijk uit in de „kwala"

Bekas, een rivier, die zich verder op in zee stort,

doch niet zoo groot is als de Simpang Olimrivier.

Het gevolg dezer nachtelijke expeditie was, dat

kort daarop de monding en de geul der bank vóór

de Simpang Olimrivier werden opgenomen en de

Gouvernements stoomer „Siak" met springtij naar

binnen en bij den viersprong ten anker kwam. De

beide afvoerwegen van Simpang Olim waren hiermee

voor goed gesloten.

Welke berichten wij hierna uit Penang kregen ?

Ach, waarde lezer, natuurlijk geen andere dan deze :

„Simpang Olim heeft zijn geheelen voorraad peper

van de hand gezet. Geen prauwen behoeven meer

door de blokkade heen te breken."

Oef!!

Later vond de geslepen radja weder een andere

akal, maar daarover een volgende maal.


III.

Een maildag.

Gedurende de tweede expeditie tegen het Rijk

van Atjeh was aan onze marine een minder roemrijk

aandeel toegezegd dan aan ons dapper Indisch

leger. Het moge evenwel, omdat de marine zelden

in onmiddellijke aanraking met den vijand kwam,

minder roemrijk geweest zijn, even eervol en vermoeiend

was het zeker.

Het aanhoudend geblokkeerd houden der uitgestrekte

kusten en het heen en weer stoomen gaven

aan de equipages meestal weinig, dikwijls in't geheel

geen afleiding.

Menige brave borst had liever den vijand aan,

den wal met zijn geweer te lijf willen gaan, dan

van uit zee met kanonnen, om niet te spreken

van het koeliewerk, dat men hem dikwerf liet,

verrichten.


40

Iedereen, tot de minste scheepsjongen toe, kende

alle hoeken en gaten van den wal, ja, zelfs boomen,

die door een grilligen vorm in de donkergroene

lijst van het strandgezicht bij anderen afstaken,

waren bekend.

Het eenige afwisselende gedurende het maanden

en maanden lange varen bestond menigmaal in

niets anders dan in steenkolenladen, victualie

innemen, aschwippen en een enkele maal een

paar prauwen nazetten, die ons meestal nog te

vlug waren.

Het eentonige leven was dan ook soms bijna niet

vol te houden en liet niet na, zelfs op het allerbeste

humeur nadeeligen invloed uit te oefenen.

Maar kan het wel anders?

Dag in dag uit tusschen water en lucht, aan

boord van een kleinen stoomer, heen en weer

slingeren, alleen met een smalle strook van den

wal in het gezicht en alle dagen dezelfde gezichten

om zich heen, waarlijk, het was geen wonder.

Men was ten langen laatste uitgepraat geraakt

en zoo mopperig, dat soms geringe punten van

verschil overgingen in kleine quaesties.

Had men dan nog op den koop toe een brommigen

commandant aan boord — o, lieve Hemel!

wat een leven vol ergernis en... opoffering.

De couranten en brieven der jongst ontvangen


41

mail werden gelezen, herlezen en nog eens gelezen

en besproken, tot in het oneindige. Gebrek

aan stof om een onderhoudend gesprek gaande te

houden was hier natuurlijk het directe gevolg van,

en wie de wacht niet had of verder iets anders te

doen, deed het best in Godsnaam 's avonds vroeg

te gaan »luisteren hoe het gras in Amerika groeit"

oftewel slapen.

Maar o! die genoegelijke maildagen, als de boot

van Batavia of Penang bij ons een uurtje op de

reede ten anker kwam, of bij niet aanwezig zijn

van kisten en balen een paar minuten stopte, om

de brieven en postpakketten in de sloep af te

geven.

Die dagen brachten altijd groote verandering in

de verschillende humeurtjes teweeg.

„All hands" aan dek en over de verschansing

hangend, om te zien of de onderofficier, die met

de sloep uitgezonden was, wel met briefpakketten

terugkwam, naar welker grootte en aantal kansberekeningen

gemaakt werden van iets of niets te

zullen ontvangen.

Wat een geloop en gescharrel bij den valreep,

wat een gedienstige handen voor het overnemen!

— en als kort daarop de stuurman van „achteruit"

kwam met een dikken bundel in de hand, om

op de „loopplank" de adressen af te roepen, dan


42

stond de geheele „crew" om hem heen in afwachting

van de dingen die komen zouden, d. w. z.

van de namen die op de couverten te lezen waren.

Dit alleen loonde de moeite reeds : de dikwijls

vermakelijke adressen te hooren.

Wat straalden de gezichten van vreugde bij ontvangst

van een „pampieren" tijding.

Natuurlijk moest altijd een gedeelte zich verheugd

en het andere schrikkelijk teleurgesteld

gevoelen, daar allen niet te gelijk een brief uit

het vaderland ontvingen, maar 's avonds, na „theewater",

zag men Janmaat op den „bak" of

„vooruit" zitten, waar de brieven van hand tot

hand gingen en wel tienmaal gelezen of voorgelezen

werden, waar men elkaar allerhande verhalen

en nieuwtjes over „vrouw- en kindlief" te

„Groot-Mokum" of Nieuwediep, heel vertrouwelijk

meedeelde, zoodat zij, die geen brief ontvingen,

toch evenveel nieuws wisten als hun gelukkiger

maats.

Dan duurde het niet lang of Kees, de „waterruimsgast"

die zoo „razend mooi" op de harmonica

kon spelen, werd door de maats uitgenoodigd om

van zijn gaven te laten hooren.

„Ajo, Kees! — geef-je van avond geen moppie ?"

Kees ging dan omlaag naar het kabelgat om den

kabelgast, zijn vriend, zijn „instrement" te vragen,


43

die dat daar voor hem op een goed droog plekje

tusschen het touwwerk hield opgeborgen, zooals

hij zei, „om er de heele ekepazie 'n pleizermeê

te doen, want als dat stuk meziek nou ook nog

onder lager wal komt dan heeft ze tetaal niks

meer voor 'n verzetje."

„Nou, Kees!" — daar kerel, pak 'an, en doe

van avond ereis bijzonder je best, hoor! — „we

zullen je allemaal 'an koor sikkendeeren," zei

Willem de kabelgast als hij Kees „z'n stuk meziek"

overgaf.

Tamboer en pijper haalden trom en fluit om

Kees te secondeeren en op de triangel — een ontlaadstok

van een Beaumont-geweer aan een schiemansgaren"

opgehangen — werd vroolijk op de

maat meêgeslagen.

Kees, als een koning op de „paaiskist," begon

dan eerst een weinig te preludeeren, om, zooals

hij het noemde, „z'n instrement op stem te brengen

en er den gang in te krijgen, daar het zoo

lang in 't kabelgat had gelegen," en en corps

stemde dan het geheele troepje vroolijke zeelui

met hem meê in.

Die vreugde van „vooruit" was dikwerf aanstekelijk

en sloeg wel eens over naar het achterschip,

waar na ontvangen tijding aan tafel en na

tafel een extra fieschje wijn „gepimpeld" werd.


44

„Bij gebrek aan brood moet men zich weten te

behelpen met korstjes van pastei, " zegt het spreekwoord.

— Zoo ook Janmaat, die bij gebrek aan

het noodige aantal dames met elkaar dansten even,

prettig en vroolijk als met hun dulcinea's.

Ik heb gedurende de zes jaren, daar doorgebracht,

menigmaal zulke avonden op de brug zitten

luisteren naar de werkelijk aardige matrozenliedjes,

vooral wanneer er goede jongensstemmen

onder waren voor de z.g. „eerste stem."

Als de jongens meezongen stond Kees, omdat

hij „zoo'n weergaais dolle liefhebber van meziek

was," aan hen de paaiskîst af, zeggende: „voor

de eerste stem de eerste plaats," en ging dan

zelf op den kant van het vóórluik zitten.

Zoo zong dan op mailavond het volkje lustig

lied voor lied, het een na het ander, hun geheele

repertoire, met begeleiding van doffe trom, fluit

en triangel en de alles overstemmende en meenemende

harmonica van Kees.

Het duurde niet lang of men hoorde er éen uit

de vroolijke hoop vragen: „zeg 'ns, jongens! —

is de-n ouwe nog omlaag in de kajuit?"

„Ja," was het antwoord, „hoffie (*) zei zooeven

dat-ie 'n heel dikken brief had gekregen en onder

(') ,Hoffie' ss verkorting van hofmeester.


45

het lezen zóó in z'n schik was, dat-ie er niet

van kon blijven stilzitten, — stellig van z'n vrouw.

Een oogenblikje later zag men den commandant

aan dek komen met een gezicht zoo vroolijk als

iemand die de 100 000 heeft getrokken. Quasi

keek hij eens hoe het schip gezwaaid lag en of

de vloed- of ebstroom al geheel door was. Na

een paar malen naar den wal en de lucht te hebben

gekeken, zeide hij tegen den officier der wacht:

„Ja, mijnheer! — er is vandaag heel wat uitgevoerd,

ik ben hoogst tevreden over de equipage,

laat ze maar een extra oorlam geven, zij heeft

het verdiend, " — en dan zag men onzen commandant

weder even spoedig naar beneden gaan als

hij gekomen was.

„Onderofficier van de wacht!"

„Jawel, menheer! wat blieft?"

„Roep even den bootsman!"

De onderofficier van de wacht liep dan haastig

naar het tusschendeks, naar de hut van den bootsman,

die bezig was achter zijn groen hutgordijntje,

onder het genot van een extra sterk kommetje

koffie uit een klein koperen keteltje, den brief van

moeder de vrouw te lezen.

Juist als hij, mogelijk voor den honderdsten keer,

het pas ontvangen portretje van zijn allerjongste

bekeken heeft, en zeker wel twintigmalen heeft


46

gezegd: „'tis toch kasjeweel, krek z'n moer,"

— komt de onderofficier bij zijn hut aankloppen.

„Ja, wat is?"

„Of u ereis even 'an dek bij den officier van de

wacht wilt komme, bootsman?"

„Ja, schiemansmaat, ik kom sebiet — wacht even,

ik zal mijn fluit bij me steken, 't is toch zoo meteen

kooien af."

Onze „boots" *) die wel begreep waarom hij aan

dek geroepen werd, kwam terstond.

Na een oogenblikje bij den officier van de wacht

geweest te zijn, zag men hem glimlachend terugkomen

en nog vóór dat hij het halfdek af was, hoorde

men hem al roepen:

„Heidaar, gasten! — één bij de klok!"

Drie lange, schrille trillers, het aan boord zoo

goed begrepen gefluit, lieten zich op des bootsmans

fluitje hooren.

De klokslagen met al hun geleidelijke overgangen

van het zachtste piano-pianissimo tot het sterkste

forto-fortissimo galmden driemaal over het dek.

Het gejoel van Janmaat, alles leende er zich

toe om de algemeene vreugde vooruit te verhoogen.

De bottelier was rasch aan dek met zijn mooi

geboend eikenhouten vaatje met de keurig gepoetste

*) „Boots" — verkorting van bootsman.


47

geelkoperen bandjes, en de lustige zingers en spelers

ontvingen hun „5 vingerhoeden. "

Nu nog een „Wien Neêrlandsch bloedje" en het

zoo erg roerende „O, God verlaat mijn Neêrland

niet," en dan legde Kees zijn harmonica het zwijgen

op, zeggende : „nou, boys ! — 't is alweer genoeg

geweest voor van avond, Kees krijgt de hondenwacht"

— en bracht zijn geliefd instrument, dat

geen sterveling aan boord in handen kreeg, naar

de bergplaats in het kabelgat.

Tamboer en pijper verstomden ook weldra,

want als Kees niet „aangaf," waren de anderen

spoedig de kluts kwijt of het gelukte in het geheel

niet.

Wat waren dat prettige avonden op die maildagen.

Wat een opgewekt leven in onze afzondering

en eenzaamheid, wat een onschuldige vreugde, wat

een tevredenheid aan boord van ons stoomertje

op zulke dagen !

En toch, waarde lezer, herinner ik mij een maildag,

die minder aangenaam, ach neen! — laat ik maar

dadelijk zeggen hoogst treurig door allen werd

doorgebracht, een dag dien ik nooit vergeten heb

en ook niet gemakkelijk vergeten kan.


48

Het was bij den uithoek van Noord- en Oostkust,

daar waar de Djamboe-ajer bij Diamant-Punt

zich in zee stort, dat op een zekeren morgen twee

sloepen bij ons van boord staken om de werkzaamheden,

die het opnemen en in kaart brengen van

de monding dezer rivier voorafgingen, voort te

zetten.

Men was er namelijk achter gekomen, dat het

toen nog niet aan ons gezag onderworpen Simpang-

Olim ook langs dezen waterweg peper afvoerde, om

die in straat Malakka aan rondvarende Chineezen

van de hand te zetten.

De monding zou dus worden opgenomen en in

kaart gebracht, ten einde de juiste richting van

de geul te kunnen afbakenen en dan, als het mogelijk

was, met springtij een oorlogscheepje binnen

te brengen.

Het was dus een zeer belangrijke quaestie, te

meer daar over de bank, in de rivier, voor het

grootste onzer schepen water genoeg stond en

voor zoover wij wisten en van spionnen gehoord

hadden, bleef de geul tot ver binnenwaarts zoo

diep.

Men dacht alzoo een heel eind het land te kunnen

binnenstoomen en die waterwegen of afvoerkanalen

van Simpang-Olim te kunnen afsluiten.

Het was buiig weertje dien morgen.


49

De schuimende koppen der rollers in de branding

lieten op den afstand waar wij geankerd waren

genoegzaam zien, dat het zware weer van de vorige

dagen niet zonder uitwerking was gebleven op de

kalmte der zee onder den wal.

Maar wat nood ! — Onze commandant kende geen

gevaar en geen mensch kon voorzien wat er gebeuren

zou.

De uitslag zou echter, helaas! — treurig zijn.

Toen de voorste der twee sloepen over den

eersten grooten roller heen was en de tweede naderde,

kwam deze door dien hevigen golfslag

dwarszeesch, kantelde en maakte een geheele

„torn" in de rondte, zoodat zij vol water weder

goed kwam te liggen.

, Wel had de bootsmaat, die het roer hield, den jeugdigen

officier nog een zijdelingschen wenk gegeven

en den roeiers toegeroepen: „Ajoe, boy's! — trekt

er 'an, en slagtouwen, hoor ! — anders, verdraaid,

we kommen er niet in," — toen zij de

hevige branding naderde — maar alles vergeefs.

Éénmaal uitgezonden, is het dikwijls zeer moeielijk

— vooral voor een jong luitenant! — om onverrichterzake

aan boord terug te keeren, want al

was het gevaar groot, het wordt door een ander,

en vooral door een oudere en hoogere o ! zoo gemakkelijk

te min geschat of verkleind.

J. VAN WACHEM. Blokkadetijd. 4


50

Een paar roeiers wien het gelukt was zich aan

de doften vast te klemmen, maakten die buiteling

met de sloep mede; de anderen dreven in de

branding rond, trachtende zich te redden met

hetgeen uit de sloep drijvende was gebleven.

Eén der matrozen '), een duchtige zwemmer,

redde ongeveer de helft van het sloepsvolk door

hun de hier en daar drijvende roeiriemen in handen

te stoppen en zoo naar de sloep terug te

brengen.

De jeugdige luitenant weigerde het eerst door

hem geholpen te worden. „Red eerst het volk," —

riep hij hem in het water toe.

Allen waren drijvende op riemen, slechts één niet.

Dââr, midden in de branding, dreef Willem,

kampende met de hooge zee om zich boven te

houden.

Als met vernieuwde kracht sloeg onze wakkere

zwemmer om zich heen en kliefde met zijn gespierde

armen de onstuimige golven, ten einde

zoo spoedig mogelijk Willem te bereiken.

Tweemaal kreeg hij hem bij de haren vast,

tweemaal sloegen de hooggaande golven hem weder

uit zijn handen en wierpen hem een eind van

zich af.

') Tot mijn grooten spijt ben ik den naam van dien wakkeren

zeeman vergeten, anders had ik hom hier genoemd.


51

Nog éénmaal zag hij Willem met de hand boven

liet hoofd zwaaien, als een afscheidsgroet aan

allen, om daarna voor eeuwig in het golvengraf

weg te zinken.

Uitgeput van vermoeienis, bijna zelf wegzinkende,

kwam onze redder nog eenmaal door de wilde

branding heen en werd door de tweede ter hulp

gesnelde sloep uit het water opgenomen.

Beide sloepen hielden nu den voorsteven naar

de rollers gekeerd en dreven zoo weder naar buiten,

om te draaien en naar boord terug te keeren.

Aan boord was het ongeval niet geheel onopgemerkt

gebleven, maar men zag met verrekijkers

«n binocles de twee sloepen terugkomen; men

dacht daarom zoo dadelijk niet aan ongelukken.

Toen de sloepen echter dichterbij kwamen zag

men van één slechts negen riemen in de golven

plassen.

„O, God — er is er een verdronken," —riepen

als uit één mond alle aan boord geblevenen.

De sloepen kwamen al nader en nader en jawel,

n man ontbrak.

„Wie zou het zijn?" —was natuurlijk de eerste

vraag. Verschillende onderstellingen hoorde men

maken: die en die konden goed zwemmen, deze

minder, gene in het geheel niet, — maar toen de

sloepen langs boord liepen en er gevraagd werd :


52

wie? — was het zacht en heesch uitgesproken

antwoord der in hun natte plunje treurig en ernstig

uitziende mannen, alleen het eene woord s

»Willem".

Het volk kwam over, de sloepen werden stilzwijgend

geheschen en de terugreis naar Edi aangevangen.

Willem, zoo heette het, was „vermist", maar

Willem, de brave, oppassende zeeman, die al sedert

jaren voor een oude moeder zorgde, die 's nachts,

op de wacht zich altijd onledig hield met wasschen

en naaien voor officieren en machinisten, waarmee

hij voor de oude ziel een aardig duitje verdiende,

hij was vermist om nergens op dit schouwtooneel

teruggevonden te worden.

Geen mensch sprak een woord, allen keken even

bedrukt.

Om 12 uur, met „kok schep op" werd er bijna

niet gegeten.

Tegen den middag werden de tongen een weinig

losser, maar alles en allen alleen over Willem.

De een zei: „mogelijk zal-ie hier of daar wel

zijn 'angedreven", een ander dit, een derde dat,

alle uit de lucht gegrepen onderstellingen ; omdat

men van Willem zooveel had gehouden, wilde men

zich zoo gaarne het onmogelijke voorstellen en

wijsmaken.


53

Op de „platvoet" kwam het bootje van Penang

met brieven, maar die avond is de treurigste geweest

van alle mailavonden.

De harmonica van Kees, de fluit van den pijper

en de trom van den tamboer, zij lieten zich niet

hooren, zij bleven stom. Geen gezang werd aangeheven;

iedereen was te vol van het gebeurde op

de „voormiddagwacht."

Onze commandant vertoonde zich niet aan dek

en gaf geen extra oorlam, en in de longroom was

de lamp vroeg uit.

Toen den volgenden morgen de bottelier last

kreeg om Willem's zak en kooi uit het kabelgat

op te halen en te verzegelen, kwam Kees een half

uurtje later bij den bootsman aan de hut kloppen

met het verzoek: „Bootsman 'n woordje asjeblieft!"

„Wel zeker, Kees, wat is er?"

„Ja, ziet uwes, bootsman, de „andere" — den

naam Willem kon de brave kerel niet uitspreken,

dat deed immers te veel zeer — „zijn boeltje is

zoo effens bij den bottelier gebracht."

„Ja, waren er soms bulletjes van jou bij?"

„Nee, bootsman, 't is krek andersom. Toen we

laatst op Penang waren, hebben we een paar stukken

wit keper gekocht om hemden en broeken te

maken. Nou had ik nog vier broeken en twee

hemden van hem in mijn plunjezak zitten en die

i


51

kom ik uwes afdragen, bootsman!" — en meteen

raapte hij een in een rooden zakdoek geknoopt pak

van het dek op en reikte dit den bootsman over,

zeggende: „'t zou me hier" — Kees wees met zijn

vinger naar zijn eerlijk en trouw zeemanshart —

„eeuwig branden, bootsman, als ik me met een

andermans bullen zou verrijkt hebben ; er zal wel

vendutie vóór de mast worden gehouden en dat

geld komt dus z'n arme, oude moeder toe ; dat

mensch heeft 't harder noodig dan ik, dus uwes

zal me een groot plezier doen met het in z'n zak te

laten stoppen."

„'t Is goed, Kees, 't zal gebeuren," zei de

bootsman.

De waarheid was dat die hemden en broeken

van Kees zelf waren, want toen hij weder vooruit

onder de maats was en daar vertelde, „dat ie nog

net bijtijds dat zoodje van den andere had kunnen

kwijt raken en bij den bootsman had gebracht,"

maakten de bottelier met den bootsman het pak open

en vonden alle stukken gemerkt met het stamboeknummer

van Kees. Bovendien zou een vergissing

onmogelijk geweest zijn, daar de kleederen voor

Willem veel te lang zouden zijn geweest, maar de

bedoeling van Kees was, de moeder van zijn

gewezen scheepskameraad stilletjes wat toe te stoppen;

dat was alles.


55

Alle leed slijt en komt men te boven, en dat

is gelukkig.

Het verlies van onzen Willem sleet ook, maar

zeer langzaam, en het duurde een geruimen tijd

voor aleer Kees te bewegen was naar den nieuwen

kabelgast te gaan om zijn instrument te vragen.

Later kocht Kees op de vendutie zijn eigen broeken

en hemden terug voor 4 en 5 gulden per stuk

en de oudst afgedragene, de z.g. „lapzalvertjes, *

brachten nog heel wat geld op onder de equipage,

omdat het voor Willem's moeder was en de „ouwe

stakkerd anders zoo erg krimp zou lijden."

Willem's mutsenlint met „Kon. Ned. Marine*

kocht een onder het volk zeer bemind officier

voor f 25.

Nog nam Kees den sergeant-schrijver in den

arm, die vooral een heel mooien brief aan Willem's

moeder moest schrijven, waaruit zij heel langzaam

en voorzichtig te weten moest komen hoe het

met haar Willem was afgeloopen, want zei hij:

„als ik in 't Dievediep kom, dan kan ik 't haar

toch niet zeggen, en om zóó maar bij iemand

'an boord te loopen, dat gaat niet. De ouwe ziel

zou stijf blijven van den schrik en ik heb van

mooie woordjes geen kaas gegeten."

Een poosje later, toen Kees, „heel toevallig,"

zooals hij zei, den officier van administratie op het


56

halfdek tegenkwam, vroeg hij dezen voor hem

een delegatie te willen maken op de moeder van

Willem, — „famielje had-ie niet, en't ging nou in

Holland zoo'n beetje tegen de kouw, dus wouw

het ouwe mins niet van de kouw krepeeren, dan

moest ze 'n paar centen hebben."

„Och mijnheer! — ziet uwes, voor 'n balietje

soep en 'n homppie kemies daar zullen me maats

op het wachtschip wel voor zorgen."

Later toen Kees thuis vaarde, zocht hij onmiddellijk

Willem's moeder op, die in een der achterbuurtjes

van den Helder het zoo niet arm dan toch ook

zeker niet rijk had.

„De vrouw wordt te oud om alleen te blijven,"

zei Kees, toen hij aan boord terugkwam, tegen

iemand die van de geschiedenis alles afwist, „hij

zou 't 'ns 'an den wal gaan probeeren."

Kees ging met paspoort en werd te Amsterdam,

om zijn uitstekend gedrag aan boord, dadelijk bij

do brandweer geplaatst.

Willem's moeder nam hij meê en bleef tot

haar dood toe voor haar zorgen.

De redder van het sloepsvolk kreeg later de

zilveren reddingsmedaille ; hij had een brillanten

verdiend.


IV.

„Generaal schoonschip."

Om van den z.g. „Grooten Verzoendag" een

getrouwe beschrijving te geven, dient men niet

alleen humorist te zijn, maar bovendien een groote

gave van opmerken te bezitten.

Beeft men daarbij het geluk zich te mogen

vleien in het bezit van een pen, die alles juist

weet weer te geven, dan ontbreekt alleen nog ondervinding

van het zeeleven om aan den slag te gaan.

Ik kan daarom niet gelooven dat mijn beschrijving

aan alle eischen beantwoorden zal, en wel

omdat het mij, wat de drie eerste punten aangaat,

aan een en ander mangelt. Wat het laatste echter

betreft, de ondervinding, die is er, en, goed

ook, dat verzeker ik U, waarde lezer!

Was het niet dat ik onlangs, zonder er bij na


58

te denken, een ouden scheepskameraad beloofd

had het toch eens te probeeren, waarachtig ! —

ik zou er zeker niet toe over te halen zijn, maar

belofte maakt schuld, dus ....

Wel zijn er heel wat jaren voorbijgegaan sinds

ik het laatst een oorlogsbodem betrad, maar mijn

geheugen, dat mij tot heden nog nooit in den

steek liet, zal mij ook nu wel helpen en de toestand

aan boord zal, dunkt mij, nog niet veel

verandering ondergaan hebben.

De hevige „ Broek-in-Waterlandsche schoonmaakwoede,"

die toen heerschte, zal nog wel dezelfde

zijn gebleven. Draagt zij niet reeds eeuwen

lang een echt Hollandsch karakter?

Nu, als het op boenen, spoelen, vegen en schuren

aankomt, zal zich dat zoo gemakkelijk niet

wijzigen.

Ik vertrouw dan ook dat, niettegenstaande het

misselijk liberaal geknoei den laatsten tijd aan

boord aan den dag gelegd, de beginselen omtrent

de zindelijkheid wel zoo „ultra-conservatief" mogelijk

gehandhaafd zullen zijn, want zindelijkheid —

op het huis of schip wel te verstaan — vóór

alles. De rest, — nu, ja! die zoo nauw kijkt,

houdt het nergens uit.

De geheele wereld weet dat een wasch- en BADinrichting

bij ons in minder dan geen tijd op de


59

flacon is, door den gruwelijken afkeer dien wij

van water hebben, ja, zelfs om ons....

Maar ter zake.

Zaterdag is de dag waarop al wat saterachtig

heet als kwelduivels door een schip holt, niemand,

zelfs niet in zijn heiligdom, met rust of vree laat,

en 's morgens elk plekje met water, zand,

zeildoek of zeepsop ontheiligt en ongenietbaar

maakt, om van de verf-, kalk- en oliekwast, die

's middags den schepter voeren, niet te gewagen.

Ach, lieve Hemel, wat een penibele oogenblikken

's Zaterdags, als all hands, die slechts

eventjes met water kunnen smijten, zich weren

met een ijver en Begeisterung, die hen als het

ware in schoonmaaksters doen veranderen.

Toch heb ik aan boord luidjes ontmoet, die er

'heel anders over dachten, die den Zaterdag de

prettigste dag van de week noemden. Eén dezer

was de oude opperschipper, vroeger jaren lang

bekend onder den bijnaam: „de god van de Willem."

„Hè, meheer!" — pleegde hij dikwijls te zeggen,

„zoo 's Zaterdags komt 'n mensch weer 'ns

een beetje op z'n verhaal. — Is me dat Jandorie

een modderverdeelen ! — Je bent tegenwoordig

bang om 'n koekkoek met een paar putsen water

frisch te maken, als je niet omlaag wilt hooren

balken : hè daar ! aan dek ! — Hou' je water bij


60

je ! — Ik geloof waarachtig, dat ze denken, dat

je de rommel zoo maar zonder water schoon krijgt. —

Jawel, hoor! — dat zou nog niks zeggen al lag

't 'n duim dik op 't dek, tot ze hun nek braken

over de zwijndenj; maar 't zal niet gebeuren! —

Zoolang ik schipper ben, neen hoor! om de "

Hier volgde dan meestal een serie „hartige" woordjes,

die dienen moest, om de redeneering van ons

schippertje klem bij te zetten.

De oude zeerob meende het anders zoo kwaad

niet; al was hij wat ruw en onbehouwen uitgevallen.

Meer dan een halve eeuw had hij de zilte

wateren bevaren; met „fransche sjeu" of „geurmakerij",

zei hij, „hield hij zich niet op."

Als men hem liet doorbabbelen raakte hij op

zijn stokpaardje ; de eene geschiedenis na de andere

hoorde men over den goeden, ouden tijd, den tijd

der zeilschepen.

»Ja, meheer! — toen we die smerige „koffiemolens"

nog niet in de schuit hadden staan, toen

kon'-je je hart nog 'ns aan den boel naar genoegen

ophalen; maar nou, met die olie- en roetsmeerlapperij,

bah! — blijf me er mee van 't lijf,

asjeblieft. — Eén keer steenkolen over je dek

en de grond is er finaal uit, en, ie komt er niet

meer in ook, want ben 'je amper weer zoo ver,

dan is 't: de kolen zijn op — en dezelfde comédie


Cl

begint weer van van voren af aan. — 't Is alles

boter 'an de galg gesmeerd!"

Laat ik echter dadelijk meedeelen, dat ons

ou wetje, niettegenstaande al het „comediespelen",

zooals hij het noemde, voor het ophangen der stuifkleeden

gedurende het kolen innemen voorbeeldig

bleef zorgen, zoodat men van het dek gerust zou

hebben kunnen eten.

„Generaal schoonschipmaken" zou men zeer

gevoegelijk in drieën kunnen verdeelen :

1°. De introductie: de maatregelen en werkzaamheden

van den Vrijdag-namiddag.

2°. De eigenlijke dag: de geheele Zaterdag met

een uurtje pauze om gauw te eten.

3°. De finale: het lieve Zondag-ochtendje voor

een klein opknappertje.

Wat de voorbereiding en nabetrachting aangaat,

zij zijn aan boord bekend onder den naam van:

»vóór- en napeuteren".

Vrijdag-middag, na „rusten", als de tijd door

Janmaat met „lappen en naaien" wordt gesleten,

begint het gezicht van den schipper, hoe later het

wordt, al ernstiger te staan. Zei hem de Éérste-

Officier van morgen niet, dat de commandant a. s.

Zondag met parade het geheele schip wilde zien?


hetgeen zooveel beteekent als: „Schipper ! zorg dat

alles overal in orde is!"

„Ja, meheer! — als de Kernel rondkomt dan

dient alles morgen 'ns een extra-beurt te hebben. —

Ik zal van middag alvast beginnen met tafels en

banken, da's een mooie opschieter voor morgenochtend."

„Hm, ja! — maar vooruit op den bak. — Je

weet, schipper, dat de kolonel dat beunhazen niet

graag ziet."

Gedurende het laatste uur van lappen en naaien

ziet men nu „zeuntjes" en „bijzeuntjes" druk

in de weer met schuren van tafels en banken,

deksels van bakskisten, luiken, enz., te veel om

op te noemen.

Het gevolg hiervan is, dat onze Jantjes dien

avond, den volgenden morgen, middag en avond

en den Zondag-morgen verstoken blijven van het

kommaliewant en meubilair en 5, zegge vijf maaltijden

als een inlander plat op het dek zitten om

het zeildoeken bakskleedje, dat anders als tafellaken

dienst doet.

Putsen worden uit het ruim opgehaald en aan

dek gebracht; schuivers, hand- en stokzwabbers,

schrobbers, bezems, steenen, zand, bijgenaamd

„patentzeep", volgen van lieverlede, om toch den

volgenden morgen na schaften en zindelijkheids-

_ ^ _ _ _ _ _ _


63

inspectie, dadelijk met volle kracht te kunnen aanvallen.

„Van een „extra-beurt" geldt het meer dan

ooit: „eerst zoo gauw als je kan en daarna hoe

langer zoo gauwer," een spreekwoord dat men

vroegere jaren aan boord met de hulp van een

eindje touw oftewel „handdaag" altijd tot een waar

woord wist te maken.

Om den lezer vooral geen verkeerden indruk

van de toepassing en uitlegging dier spreekwijze

te doen verkrijgen, kan ik en durf ik hem gerust

verklaren, dat het aan den wal bekende gezegde

van enkele chefs : „het onmogelijke vergen om het

mogelijke gedaan te krijgen," er geen handbreed

water bijhaalt. - Hun ontbreken de overtuigende

middelen van „Vader Driestreng, " anders ging het

mogelijk ook.

Hoe het dan ook tegemvoordig bij onze marine

toegaat, nu die prikkelende en krachtig werkende

kruiden uit de pharmacopaea van opvoeding voor

jeugdige en onwillige zeelieden geschrapt zijn, is

mij een raadsel en doet mij, na hetgeen ik zoo

nu en dan daaromtrent hoor, met onzen Borger

uitroepen: „Ik wensch geen stap terug te treden

op de afgelegde levensbaan ! ! "

Terwijl zeuntjes en bijzeuntjes aan het schuren

en boenen zijn maakt de schipper de ronde en gaat


64

met argusoogen na wat naar zijn idee morgen goed

opgeknapt moet worden.

Natuurlijk vallen op dat inspectie-reisje hier en

daar aan onderofficieren en matrozen ernstige open

aanmerkingen te maken, waarschuwingen en

standjes te geven — pluimpjes in geen geval —

maar de ouwe is zoo kwaad niet als hij zich wil

voordoen ; heeft hij niet de loffelijke gewoonte eerst

een paar maal te zeggen : „dat's nou de allerlaatste

keer da'k je waarschuw, begrepen? — Een volgende

maal, „man, sta-je op 't halfdek! Hè-je 't

verstaan, of niet? — Oeef-je me asem?"

Op het halfdek, kuildek en overal waar slechts

verondersteld kan worden dat een vetvlak aanwezig

is of vroeger was, worden die plekken naar

behooren met den kalkpot behandeld. De schipper

zegt, dat kalk het vet uit het dek haalt, waarde

brave kerel geen geheel ongelijk in heeft.

Alle vlakjes en vermeende vlakjes worden terdege

ingesmeerd, het dek lijkt wel getatoeërd en

hier en daar doet de groote omvang der smeerkuur

vragen: „Zou het niet beter zijn, als de schipper

het geheele dek in de kalk zette?"

Gedurende het „theewater" ziet men hem nog

even langs de bakken gaan, om enkele baksmeesters

het noodige op hun hart te drukken voor den gewichtigen,

volgenden morgen.


65

Met „achtergasten," „paaien," „waterruims- en

kabelgasten" wordt ook een enkel woordje ge^

wisseld.

Hier heet het: „je weet er alles van hé? —

Morgen!" — daar is het : „denk er 'an : morgen !" —

ginds: „vergeet vooral niet morgen/ enz. enz;

doch overal speelt het woordje „morgen* do

hoofdrol.

Met den provoost in het tusschendeks wordt een

amicaal woordje gewisseld. Beiden zijn veteranen

en kennen elkander reeds lang en van zoo menig

schip en expeditie in Indië, dat de toon veel

vertrouwelijker is dan met de andere scheepsr

onderofficieren. De provoost is dan ook een van

de zeer weinigen, die van den schipper hoort, dat

de kolonel a. s. Zondag met parade rondkomt.

Zeg 'ns stippie !" *) — vraagt hem de schipper,

„heb-je morgen veel volk noodig of kan-je het

met de zeuntjes alleen klaren?"

„ Weergaais, schipper ! — daar vraagt u me zoo

wat, maar laa' me 'ens eventjes prakkeseeren ;

deze week heb ik nogal flink volk en met er een

beetje de hand 'an te houën" — hier maakt de

provoost met zijn hand de welbekende beweging —

„zal 't wel lukken, denk ik."

') Stippie = bijnaam van den provoost.

J. VAN WACHEM. Blokk.idetijd. 5

/


66

„Nou, ouwe! dat blijft zoo afgesproken; ik heb

ze hard noodig en kan ze best 'an dek gebruiken. "

„Ja, schipper ! — zegt uwes dat wel, ik kan 't

gelooven, er leidt heel wat voor 't mes morgen.

H Is maar goed dat u met tafels en banken begonnen

bent, da's ten minste morgenochtend een groote

achter den rug."

„Ja, provoost! 'n uurtje mot er voor mijn plezier

af, anders ben ik niet lekker ! Neem morgen maar

ruim water en denk 'an den Kernel, hoor! —

en voort gaat hij weer!

„Nou nog even bij den zeilmaker 'angeloopen,"

zegt de schipper in zich zelven.

„Zeg 'ns, baas! — denk-je er wel 'an dat 't

morgen Zaterdag is? — Hou-je de dekkleeden

voor de hand en wat oud doek voor schuurlappen?"

„Jawel, schipper! — alles in orde."

Nadat de timmerman ook nog even à faire is

genomen en meegedeeld dat hij zijn „bullen" van

bank kan opbergen tot Maandag, en dat hij

zijn noodhulp wegens gebrek aan volk (?!) moet

afstaan, gaat de schipper naar zijn hut, om daar

met zijn schrijver, een jongmaatje die volgens

's schippers zeggen „luizig vlug met de pen over

het pampier vliegt en een eerste rekenmeester is, "

verder te „parlementeeren" over een en ander.

„Kom 'ns hier, monster! — en vertel me eens


(57

bliksems gauw hoeveel kistjes zeep er nog onder

m'n kooi motten staan!*

„Zooveel, schipper!"

„Dat lieg-je, gauwdief! — dan heb-je er een

geknerpt! — Tel ze als de sakkreju na en geef

me er een hier. Begrepen?"

„Jawel, schipper!"

Op een plankje, dat speciaal voor dat doel in

de hut staat, verdeelt de schipper den inhoud van

het kistje.

„Ziezoo!" — zegt hij, „da's allemaal wat van

de stokvisch!"

Voor het afnemen van verschansings, het paneelwerk

achteruit, vooralleswaargeenz.g. „patentzeep"

en zoutwater bij gebruikt kan worden, komt een naar

verhouding groot of klein stukje op de plank, die

daarna op de kast wordt geborgen.

„Jongen! — denk er 'an, dat je morgenochtend

vroeg bij de hand bent, hoor! — 't Is morgen

boelijn over de nok en maak de hut goed schoon,

versta-je? — Morgen heb ik geen tijd om me

met die snaarderij te bemoeien, denk er dus 'an,

dat je 'n lappie laken uit de kast haalt en schoon

schuiert ; Zondag is het baksgewijs-parade ! —

Kijk meteen m'n hemden 'ns na en poets m'n

sabel een beetje op, da'k 'r niet als een kaailooper

uitzie! Hè-je 't begrepen, luiwammes?"


08

„Jawel, schipper!"

„Hè-je al theewater gehad?"

„Nee, schipper!"

„Nou, ga dan theewater drinken, maar haal

eerst m'n koffie en m'n eten bij den kok weg!"

In een wip staat het eten op het kleptafeltje

gereed, waarvan een groot deel naar 's schippers

maag verhuist met een Amerikaansche haast, die

verbazing wekt.

Nauwelijks is „theewater" afgeloopen, of het is:

„Hé, luizenkop ! — waar ben-je ? — Haal-je

dien boel weg, of denk-je soms da'k nog langer

met dat zoodje voor me wil blijven zitten? —

Sla maar lens ! — Hé, veenhuizer ! — dat kreeg-je

bij je moer niet, is 't wel?"

„Nee, schipper! — nooit!"

„Nou, vreet dan op, en maak de potten en

pannen schoon, maar de bliksem haal je, als je

wat breekt of wegmaakt."

De jongen denkt ook: „mopper maar raak,"

hij heeft het niet slecht bij den schipper en weet

zeer goed dat, als er van den kok een „warme

hand" op tafel staat, er voor hem meer overblijft

dan „borden likken."

„Ziezoo!" zegt de schipper, „alles staat voor

morgen-ochtend op stootgaren, " en steekt zijn smo -

kertje eens aan boven het glas van zijn hutlampje.


69

Terwijl de schipper zijn pijpje leeg rookt en over

den dag van morgen nadenkt, maak ik van die

gelegenheid gebruik om even van den hak op den

tak te springen.

Mogelijk zult gij, waarde lezer, de opmerking

maken: „hoe kwam het, dat de provoost slechts

provoost en de schipper opperschipper was, terwijl

beiden vroeger tegelijk matroos waren geweest?"

In de dagen waarvan ik vertel, meende men

het zoo serieus niet met het onderwijs als tegenwoordig.

Wel had men een z.g. „schoolmeester"

aan boord, een onderofficiersbaantje dat sedert

geruimen tijd „opgedoekt" is, die de jongeheertjes onderricht

gaf, niet in a + b, maar in gewoon a, b, c,

en 2X2 = 4, maar dat onderwijs gaf niet veel.

Zulk een leerling was onze provoost als jongmaatje

ook geweest; hij had geen vluggen kop

en zat liever aan een eindje touw te knoopen

of te splitsen, dan met een boek in zijn handen.

Een marlspijker beviel hem beter dan een schrijfpen ;

zoo'n dun stukje hout kon hij onmogelijk goed

vasthouden.

Onze provoost was dus iemand geworden van

wien men zegt: „hij kan lezen noch bidden."

Ziedaar de reden waarom hij jarenlang als

matroos der 1ste klasse zonder vooruitzicht bij onze

Marine had gevaren.


70

Zoo zachtjes aan begon onze pekbroek op zijn

tandvleesch te loopen ; zijn ribbenkast was van

lieverlede minder buigzaam geworden door al het

zeewater dat er overgegaan was, maar, éen zaak

was zeker, de „pus" (feu sacré) was er daarmee

bij den ouden waterrat niet uit, vandaar dat hem

op een zekeren morgen de vraag gesteld werd,

wat hij wel dacht van een provoostenbaantje, waarbij

totaal geen „schrijverij en rekenarij" annex was.

„Ja, ziet uwes, kommandant! —'t is zoo, ik ben

niet zoo jong meer, maar ik kan toch nog wel

een poosje meê, voor een jongen kerel ga ik nog

niet op zij, maar 't is waar, uwes hebt gelijk. —

De „krommetiek" heeft me zoo stijf als een „bokkum"

gemaakt. — Zou ik er me ereisjes over mogen

bedenken, kommandant? — Het is zoo'n heel

ander leven, niet waar? — TJwes weet het zellevers,

zoo'n 'heele dag in de griebus in plaats van

aan dek, 't is een groot verschil."

Een paar dagen later had de kommandant hem

weer gevraagd hoe hij er over dacht, en toen had

hij gezegd: „Ja, kommandant! —ik heb er vooruit

met de maats ook eens over gesproken en ze

raden het me allen maar sebiet 'an; 't scheelt te

veel voor m'n pesjoen, en bevalt het me niet, dan

mag ik immers later mijn terugstelling vragen.

Niet waar, kommandant?"


71

Eenigen tijd later zei de officier der wacht hem,

dat hij bij den kommandant op het rapport moest

komen, waar deze hem meedeelde dat hij „provoostgeweldige"

was geworden en hij nu maar gauw —

altijd is 't gauw — moest zorgen zijn uniform in

orde te hebben, want dat hij hem den eerstvolgenden

Zondag op parade gekleed wenschte te zien.

Daarna volgde nog zoo iets tusschen de tanden van

„all hands vóór den boeg, vóór de geheele equipage

en.... 't is goed, je kunt je gang gaan," waarmee

de eerste officiëele kennisgeving was afgeloopen.

's Zondags, toen hem de kommandant met een

loffelijk woord over zijn uitstekend gedrag aan de

equipage voorstelde, stond hij er in full dress met

de gouden strepen op de lange jas bij, maar

zweetend van benauwdheid.

„Dat was 'em z'n leven lang niet overkommen,"

zei hij.

Een der officieren had hem opgeknapt met een

jas, die de baas-kleermaker gauw veranderd had

in een uniform van provoost, en de andere heeren

waren zoo „rejaal" geweest om een stuk of wat

„fijne hemden," een vest en een „gulpbroek" —

klepbroeken kon hij nu als onderofficier niet meer

dragen — te geven.

Voor de pet had een der onderofficieren gezorgd,

zoodat onze nieuwe provoost, hoewel zonder grati-


7J

ficatie van den Lande, zoodoende toch de eerste

bovenkleeding vrij had.

Toen de eerste maand voorbij was en de fluit

riep : „luistert naar je namen, tractement halen !" —

Ontving onze provoost op eens zoo veel meer in

zijn portemonnaie, dat hij tot de overtuiging kwam,

dat, al was het nu wel niet heelemaal naar zijn

zin, het toch beter was een klein baasje te zijn

dan een groote knecht.

Vraag mij nu niet, of de schipper dan wel zoo'n

heksenmeester met de pen was; zijn „hanepooten

en vethaakjes" waren met moeite leesbaar. Er

moest dus nog iets anders, een andere reden bestaan

hebben, en die was er ook geweest. De schipper

namelijk was iemand die, nog jong zijnde, zijn gezag

wist te laten gelden — daarom had hij het zooveel

verder gebracht. Het was hier weder de oude

quaestie, alle schippers zijn matrozen, maar niet

alle matrozen zijn schippers.

Die dan ook een weinig de karakters aan boord

bestudeert, zal u spoedig bijna met zekerheid kunnen

zeggen, wie van de matroosjes in de wieg

gelegd is om „dekofficicr" te worden....

»Hé, jongen!" roept de schipper, terwijl hij zijn

PÜPJe op het „spiegelplankje" neerlegt, „zeg 'ns

'an den onderofficier van de wacht, dat ie overgeeft

me een half uur vóór „overal" te porren, ik mocht


73

me eens verslapen, 't Zal wel niet gebeuren,

maar 'n mensch kan nooit weten wat 'm overkomt !"

Het duurt niet lang of het lampje wordt voor

den nacht wat lager gedraaid en een regelmatig

geluid, veel overeenkomst hebbende met dat waarmee

de groote spanzaag van den baas-timmerman in

een der dekbalken of lijf houten op- en neergaat,

bewijst dat onze schipper „onder zeil is" en den

slaap des rechtvaardigen slaapt.

„Tik! — Tik! — Tik! — Bent u wakker

schipper?"

„Wie staat daar te donderjagen 'an m'n hut?"

„Ik schipper! 't Is tijd!"

„Zoo, jongen! — ben jij het?" — vraagt een

grafstem achter het groene hutgordijntje.

„Komaan! — dat doet me plezier. — Haal als

de bliksem m'n koffie."

„Die heb ik al uit de kombuis meegebracht,

schipper ! "

„Daar ben-jij al heel gauw bij. — Heb-je soms

van nacht wat in je nest gedaan, dat je zoo

damm quick bent van ochtend ? Wacht eventjes,

da'k een broek 'antrek, dan kan-je binnen!"

In drie vloeken en geen zucht is de schipper

op de been en gekleed, waarna hij het lampje


74

weder wat hooger draait en het gordijntje openschuift.

„Zoo, laat zien, wat je uit de „kombof" hebt

meegebracht! Geef-me 'n kommetje en haal het

stopflessie met suiker uit de kast op."

De jongen geeft met groote menschenkennis

nooit veel antwoord, maar maakt dat alles in

den kortst mogelijken tijd gereed is, daar de

schipper zelden tweemaal vraagt of.... .

Wanneer de jongen zoo niet dacht, zou het

voor hem geen leven zijn, maar nu? — hij zou

zijn baantje voor al het geld van de wereld niet

kwijt willen zijn.

Die 't weet, die weet het en zal het met mij

eens zijn. Die het niet weet, moet mij gelooven,

als ik zeg: dat schrijversbaantje bij den „Chef van

de equipage" is gewichtiger betrekking als men wel

denkt.

Dat zeemannetje oftewel „'s schippers-noodhulpadministrateur

- hutsjongen" wordt „vooruit"

wel eens te veel naar de oogen gezien en over

het paard getild. Voor velen, zelfs voor onderofficieren,

is hij de vraagbaak als zij wat weten willen,

hetgeen de reden is dat er weinigen zijn, die

hem durven kommandeeren.

Bij menig del hands'je is het heerschap onzichtbaar

en rekent er op, dat men den schippersjongen

toch niet veel durft zeggen.


75

Aan zijn bak — hoewel hij daar weinig komt —

hij zorgt wel dat er voor hem en den schipper

genoeg is: „voor mijn en me baas," heet het als

hij aan de kombuis komt — noemt men hem „bootafhouder,

doodvreter, loopende ballast" en zoo

meer.

Intusschen heeft de schipper zijn „mondspoeling,

hartversterking, koppie troost," of hoe hij zijn

kopje koffie mocht willen noemen, met smaak opgelebberd

en is er reeds eenig geloop in het schip

gekomen.

Daar komt de jongen, die de „glazen slaat,"

namens den onderofficier der wacht met de tijding :

„Schipper, 't is tijd voor overal!"

„Zoo joggie, laat 'em dan maar opstaan!" —is

het korte antwoord.

Eenige oogenblikken daarna hoort men tamboer

en pijper het vroolijke deuntje, de reveille, trommelen

en blazen, zoodat wie soms nog niet wakker

mocht zijn, het nu wel worden zal.

„Overal!" buldert de onderofficier aan dek, na

eerst eenige lang gerekte trillers opzijn „orgeltje" te

hebben laten hooren.

De mecaniek begint zich nu in gang te zetten.

Ieder zeeman ziet zijn hangmat tot de nederigste

dimenciën terug te brengen. „Vijf slagen en twee

kopslagen met de sjorlijn en verder de scheer- en


76

vierlijnen in elkaar gedraaid er tusschen in, alles

volgens model."

Wee! die zijn kooi moet oversjorren! Hij kan

gerust zeggen, dat zijn dag alleronaangenaamst begonnen

is.

„Kooien op" en „wassen en kammen" volgen

snel achter elkaar, en nog binnen het halve uur -

omdat het Zaterdag is — roept de klok met het

welbekende „kok schep op" de Jantjes aan den

disch.

De schipper ziet intusschen de zeepplank weer

eens aan, of alles wel in denzelfden toestand is als

den vorigen avond, en marcheert daarna in diep gepeins

naar het bovendek, om met den officier van

de wacht een praatje te houden over het.... schoonschipmaken.

„Is 't nog geen tijd, meheer?" heeft de schipper

een paar malen gevraagd. De leukert, net of hij dat

ook niet weet!

Maar het is immers Zaterdag, dus ze moeten

maar een beetje „afeten" trouwens aan grutjes met

„rotmok" zullen zij zich niet verslikken en de

graten zullen ook niet in de keel blijven steken.

„Vóór en achter laagwater," valt geweldig vlug

in dien ochtend.

Op eens laat de fluit van den schipper zich

hooren van de z.g. „baksgewijs-zindelijkheidsin-


77

spectie," en allen begeven zich naar het bovendek en

stellen zich in gelederen op.

De bakmeesters komen successievelijk den schipper

rapporteeren : „alles present, schipper ! geen aanmerkingen"

— 's Zaterdags kijkt men zoo streng niet

in de hemdskragen der jongelingschap, waarna dit

rapport door hem aan den officier der wacht wordt

overgebracht.

„'t Is goed, schipper, dank-je, laat maar afgaan ! "

„Best meheer!"

„Wiet !- Wiet !- Wi-i-i-et ! " gilt zijn fluit, hetgeen

dadelijk gevolgd wordt door een kort afgebeten en

nijdig kommando: „schoonschipmaken!"

De verandering, die nu in het schip plaats grijpt, is

moeilijk te beschrijven, lezer!

Een lawaai en geschreeuw, een geloop en gedraaf,

een kommandeeren hier, een kommandeeren

daar, een kommandeeren overal, dat je bijna hooren

en zien vergaan.

Hier schreeuwt er één om water, dââr, om zand

of schrobbers, ginds brult een ander om een balie

met zoetwater, een eind verder iemand om een

spijgatboender of zeep, en door alles heen hoort

men aan alle kanten :

„Pompen aan dek! Pompen in de kuil!"

Van lieverlede komt er geregelder gang in.

Houdt u verzekerd dat daar de schipper voor zorgt.


78

Broeken worden opgestroopt tot boven de knieën,

hemdsmouwen tot onder de oksels, enfin, de kereltjes

loopen er soms halfnaakt bij.

Ieder onderofficier en korporaaltje krijgt een

deel van de matroosjes onder zijn direct toezicht,

behalve de „gasten" en verdere „baantjesgasten",

die zoo'n beetje op hun eigen ageeren.

De bootsman aan dek, de schieman in de kuil

en de provoost in 't tusschendek, zij hebben hun

handen vol.

De konstabel en zijne onderhebbenden loopen

zich schor te schreeuwen om „bosschieters" voor

de batterij.

Matrozen derde klasse, lichtmatrozen en jongens

maken zich als de weerga meester van een schrobber

bijgenaamd „schrijfpen", om op het natte, met

zand bestrooide dek, aan rijen met gelijken slag,

soms — als de schipper een goede bui heeft —

op de maat van het een of ander liedje, cirkelboogjes

te „drukken", alles meer bekend onder

den naam van: „een brief schrijven naar de

ouwelui" oftewel „psalmen zingen."

De mariniers, die nuttige lastdieren, die aan

boord toch reeds zooveel te verduren hebben,

adres aan het legio lieve scheldnaampjes, waarin

zij zich mogen verheugen, als : Jbokkepooten, slangenvergift,

enz. enz. ook zij weten hun werk.

f


7!)

Zij begeven zich naar de dek-, wasch-, spoelen

alle andere mogelijke pompen, om den voormiddag

te pompen, dat hun de lendenen kraken.

De paaien der verschillende toppen zorgen, dat

in minder dan geen tijd het „loopend touwwerk"

van het dek wegkomt en in het want aan de

weeflijnen hangt, teneinde de schrobbers en schoonmakers

niet te hinderen, om vervolgens met het

afboenen van betings, nagelbanken en al wat tot

hun ressort behoort, een begin te maken.

De hofmeester van den kommandant komt een

paar mannetjes vragen om de kajuit en gamellehut

te helpen schoonmaken.

Die der officieren voor de longroom om hetzelfde.

Voor dit soort van onderofficieren heeft de oude

schipper de grootste minachting.

„Zoo'n waterpotleêggooier!" zegt hij tegen den

bootsman, „wat denkt zich wel zoo'n vent met

z'n pisangschil op z'n mouw ! — Kan ie voor den

donder zelf z'n pooten niet van z'n boddy steken ?

— Ja wel! dat hangt ook al de mijnheer uit! —

Wel, God zal me bewaren! zoo'n saffraanpieper

met z'n waaibaard en gestikkedoorde nek is te

blommig om... Affijn, bootsman ! geeft 'm maar

zoo'n paar halfwassen brasems, de rommel moet

achteruit toch ook schoon."

De schipper heeft weer eens even zijn hart


80

lucht gegeven. Hofmeesters, koks, ziekenvaders en

meer van dat soort „onderofficieren van naad tot

naad", zooals men ze aan boord noemt, staan bij

den ouden heer in een geweldig slecht blaadje.

't Was nu eenmaal zoo, er viel aan den ouden

man niet veel meer te veranderen, maar 't was

soms wel eens al te bar, hoe hij die hoogst nuttige

menschen kon doorhalen.

Al wat niet bij het „tuig" behoorde genoot niets

van 's schippers achting.

Dat er natuurlijk hier en daar wel eens onder

het werk een opstopper, muilpeer, drukker, wrijver,

watjekouw, haal uit de mok, en meer dergelijken

— och! onze taal is zoo woordenrijk —

uitgedeeld wordt, hetzij met de punt van een

zeelaars waar een been in zit, dan wel zoo maar

„los uit 't handje", met een „eindje van 27 garens",

wie zal 't betwijfelen ?

De schipper noemt het : „smeerolie waarvan ze

lenig in hun knokken worden."

Met de campagne en het halfdek wordt, wat

het schrobben betreft, zoo gauw mogelijk voortgemaakt,

omdat de kolonel met vlaggeparade aan

dek komt om gericht te houden over de boosdoeners

als anderszins.

In den regel heeft de kommandant er het land

aan zijn schoenen nat te maken. Bij de valreepen


81

liggen dan ook een rij zwabbers tegen het dek

aangedrukt, om het water van vooruit tegen te

houden.

De officier der wacht neemt zoolang een commandeertrapje

in beslag, waarop hij, evenals een

leeuwerik op zijn zoodje, hoog en droog staat.

Met den adelborst van de wacht is 't een ander

geval. Men kan hem vooruit op den „bak" en op

de „loopplank" vinden met opgestroopte broek,

soms ook wel op bloote „straathanden," tenminste

in vroeger jaren, zich zei ven en anderen vervloekende

om al die Zaterdagsche herrie.

In den kuil is het precies van 't zelfde laken een

pak, alleen onder het halfdek is het rumoer minder

heftig.

De „kaptein Darms," (capitaine d'armes), een

oude marinier, belast met het onderhoud der scheepswapens,

welke in rekken opgesteld zijn, is druk

in de weer om al wat „blank" is weg te nemen

en in de wapenkamer te brengen, daar hij bij

ondervinding weet, dat, als één van de heeren

spoelers kans ziet hem een pleizier (?) te doen met

een puts zoutwater, hij het waarachtig niet zal laten.

Nu gaan wij nog een verdieping lager, naar het

tusschendek, om te zien wat daar te koop is.

Heer in den Hemel! zult ge uitroepen, wat is

hier in dien korten tijd gebeurd?

J. TiN WjicnEM. Blokkadetijd. g


82

Is 't schip soms lek geworden ? Het water staat

tot aan de hoofden der luiken en alles, kettingbakken,

zandbakken, enz. ligt open; men weet

bijna niet waar men zijn voeten zal neerzetten om

den hals niet te breken of in een dier vele gaten

te verdwijnen.

't Is hier een drukte van belang, doch maak u

volstrekt niet ongerust, de schuit zinkt niet. Dat

er zooveel water staat, is heel natuurlijk, want

het kan niet wegloopen door spuigaten, zooals er

in den kuil en aan dek aanwezig zijn. Het tusschendek

ligt immers beneden de waterlijn!

Al het water moet weer opgeschept worden en

boven in den kuil belanden om buiten boord te komen.

Vooruit in den ziekenboeg is de majoor-ziekenoppasser

met de „loopende zieken" bezig den boel

gauw aan den kant te brengen, daar strakjes de

dokter komt om tegen parade zijn ziekenrapport

voor den commandant gereed te hebben.

„ Opscheppen en water opsteken ! " commandeert

de provoost, „we verzuipen anders nog!"

„Ajoe! steek op, zeg ik je; gauw wat, dondersteen

! — Zou' je soms willen hebben da'k niet

klaar kwam, kreng daar je bent? - En nou heel

gauw ook, of ik haal je . ..."

De provoost is altijd ongerust dat hij niet klaar

zal komen. Wanneer in den kuil met afspoelen


83

begonnen wordt, moet hij al gereed zijn, anders

zou het vuile water aan dek gedragen moeten

worden, en dat zou een koopje zijn.

„Sakkerloot, dat treft!" zegt hij in zich zei ven,

„daar komt de dokter 'an, de boel is net een beetje

opgeschept!"

„Zal'je opscheppen, varkensgoed! dat een fatsoenlijk

mensch loopen kan!"

De putsen vliegen op en neer, maar onze

dokter staat nog altijd met de deur van de voorlongroom

in de hand eens „hoogte en breedte te

nemen." Niettegenstaande al het drukke gecommandeer

van den provoost, weet de dokter maar al

te goed, dat hij de zaak maar half vertrouwen kan.

„Hé, provoost! kan ik doorloopen?"

„Ja, meheer! 't is temet zoo goed als droog

waar uwes staat!"

„Denk' er om!" roept de provoost — het sein

dat er een „hooge oome" aankomt.

Trots alle mogelijke denk erommetjes wordt

onze dokter een enkelen keer toch onder en boven nat.

„Houd je kalm!" denkt Janmaat, „wat doe'je

m de kou."

Bij de „walengang" gooit er juist een om den

hoek een puts op het dek leeg, met het gevolg,

dat de dokter het in de flank loopt en de plas

over zijn schoenen krijgt.


84

„Verekkeseer, meheer!" zegt die zeeman, „ik

kon uwes niet zien."

„Ik wou dat je " — wat de dokter daar

bromt schrijf ik niet. — „Kan'je niet beter uitje

doppen kijken?"

Een eindje verder, onder den luchtkoker doorgaande,

wil het ongeluk, (volstrekt geen toeval)

dat de man, die aan dek het draaibare bovenstuk

van binnen met water en zeep schoonmaakt, het

schoongemaakte afspoelt. Het gevolg hiervan is,

dat de anders zoo hoogst bedaarde dokter woedend

wordt en .... nat.

Bij het voorluik aangekomen is er een in den

kuil bezig het hoofd schoon te maken; onze

medicus krijgt er een sliert water van langs zijn

mouw.

„Ik mag lijden, kerel! dat je .. .."

En o, groote Goden! vooruit bij de arrestantenhutten

loopt hem in het halfduister, dat daar

heerscht, een marinier vierkant tegen het lijf op.

Orkaan, alles vernielende orkaan geeft de

barometer aan.

„Jou vlegel! — Jou onbeschofte vent! kan'je

niet zien waar je loopt? — Wacht even, van jou

zal 'k rapport maken, 'k zal je leeren me ten

onderste boven te willen loopen! — Hé provoost!

kom 'ns even hier, hoe heet die vent?"


85

„Da's Jonas, meheer!" zegt de provoost, die

meteen begint onzen armen stumperd om z'n

ongeluk den mantel uit te vegen.

„Uilskuiken! kan 'je niet uit je slangenoogen

zien dat meheer 'ankomt." — Je moest't nog eens

doen en mij zoo eens tegen m'n starrement optornen,

kerel, ik zou je .... "

„Ja, meheer!" — zegt hij verder tegen den

dokter, „'k zeg 't zoo dikwijls, als er zoowat is,

dan is 't altijd een van dat adderengebroed. "

Bood van woede, niettegenstaande de verschillende

afkoelingen, schiet de dokter den ziekenboeg

binnen.

In zijn hut teruggekomen moet hij een paar

andere bottines, jas en broek aantrekken, want

zóó, er uitziende als een natte kip, kan hij onmogelijk

straks bij den kolonel verschijnen.

„O! die vervloekte schoonmaakwoede," moppert

hij, „is me dat een godvergeten zwijnentroep.

Foei! 't is schande. — Kijk maar eens; hier zijn

ze ook al om 't hardst bezig; je kunt niet eens

meer aan tafel zitten om te schrijven! Waar zal

ik nou heen? — Moet ik nou in m'n hut het

ziekenrapport maken? Dat zou toch beneden alle

critiek zijn ! "

Er schiet echter geen ander plaatsje over.

Terwijl hij aan het schrijven is van zijn rapport,


86

zijn een paar matrozen bezig de kruisrust uit te

spoelen, hetgeen ongelukkig ten gevolge heeft, dat

de wind het neervallende water door het openstaande

patrijspoortje jaagt.

„Heb 'k nu voor den duivel nergens rust? —

Word ik hier ook nog gehinderd ? Ik wou dat alles

's Zaterdags naar boven viel ! — O ! eeuwige wetten

der zwaartekracht!" — pruttelt de dokter, terwijl

hij haastig het poortje dicht maakt. Juist is hij hiermee

gereed of daar klopt iemand bij hem aan de hut.

„Meheer! mag ik asjeblieft de deur even dicht

schuiven om haar te kunnen afnemen?" vraagt

hem een der matrozen, die de longroom helpen

schoonmaken.

Nu is 't gedaan met 's dokters geduld en met een

donderende stem valt hij uit: „Kerel! als je niet

maakt dat je weg komt, laat ik je heelemaal in de

spaansche-vliegen zalf zetten." — Woedend grijpt

hij naar zijn rapport en pet en vliegt de longroom

uit, de trap op, die men juist bezig is schoon

te maken.

„Donder je op, dat ik door kan!" snauwt hij den

kerels toe, die verschrikt oploopen en mekaar in

den kuil verbaasd aankijken.

Maar de kuiltrap is weggenomen om schoon

gemaakt te worden en de trappen bij de middenluiken

staan er reeds lang niet meer.


87

„Wel, Heer in den Hemel! Verbreken ze nu

alle communicatie met het bovendek? Dan maar

de kajuitstrap op; vliegen kan ik niet," — maar

ook die is weggehaald om dezelfde behandeling te

ondergaan.

Gelukkig ziet de officier der wacht den dokter

als een razende heen- en weerloopen en geeft

onmiddellijk order een trap af te steken.

De voorlongroom geeft een tooneeltje te zien,

dat bepaald de moeite waard is.

De meeste bewoners van dit lustoord hebben

gewoonlijk dienst op zoo'n gewichtigen dag, hetgeen

bepaald een geluk is, anders kwam het mogelijk

nooit schoon. Een Augias-stal, een chaos van

kleedingstukken, boeken en wat dies meer zij,

om met geen polsstok overheen te komen.

De schipper is al eens een kijkje komen nemen.

„Nou, Heeren! dat mag hier vandaag wel eens

„uitgemist" worden ! — Da's het huishouden van

Jan Kalebas! — Ik zal morgen met de nieuwe

week eens kijken of ik niet een paar betere lui

opduikel voor hofmeester, want zoo gaat het niet,

dat zijn een paar luie dagdieven ! "

Terwijl het dek wordt geschrobd, zitten een

paar adelborsten boven op de tafel, een paar

anderen op hun stoel met de beenen als een

kleermaker of in de hoogte tegen een kast of


88

beschot op, om maar vrij te blijven van het lieve

water.

Zoo'n baantje van adelborst van de week in

den kuil bijv. is een heel vroolijke betrekking!

Toegevoegd aan den officier van de week wordt

hij door dezen overal door dik en dun op afgestuurd,

dan om eens hier te kijken en dan weder daar.

In 't tusschendek gaat het nog een beetje, doch

prettig is toch ook anders.

Op de achterkoebrug, nog een verdieping lager

dan het tusschendek, is de bottelier met zijn satellieten

bezig de bottelarij schoon te maken en

„viktalie op te zetten." — Morgenmiddag is 't

rantsoen uitgeven.

De bottelier is dan ook een paar mannetjes bij

den schipper gaan vragen om hem een klein handje

te helpen.

Nu, zij, die dat baantje hebben, zijn nog niet

het slechtst af van het gezelschap.

Victualie ophalen is het liefste baantje, waarvoor

zij gecommandeerd kunnen worden.

De bottelier moet wel een heel nare kerel zijn,

als zij hem flink en vlug de vaten in de bottelarij

uit de ruimen hebben gebracht, en hij hun bij het

weggaan geen „onvervalschte" uit het groote vat

geeft.

Tegen half elf heeft alles terdege met den


89

schrobber of lap met zand een beurt gehad; het

afspoelen zal dus een aanvang nemen.

„Provoost! ben' je klaar?" roept er een in

den kuil.

„Ja --a! — Verr... maar!"

„Ajoe, boys! onder den bak beginnen."

De mariniers weten wat dit beteekent : „Zet nog

«en uur je rug schrap. Pompt en nog eens pompt,

tot je de tong op je schoenen hangt, anders niet. "

Een paar matadors in de edele kunst van watergooien,

stellen zich aan stuur- en bakboordzijde

aan het hoofd en worden onmiddellijk gevolgd door

een paar dito met den bezem om het vuil en zand

weg te krijgen.

Is er een kleine ruimte schoongespoeld, dan treden

daar onmiddellijk eenige specialiteiten met schuivers

op, om het dek droog te maken, waarna de achterhoede

volgt met zwabbers gewapend, om het

laatste achtergebleven water uit hoekjes en gaatjes

te verwijderen.

De provoost heeft intusschen de kleeden in het

tusschendeks neergelegd.

In den kuil en aan dek wordt dat niet gedaan,

daar deze twee dekken den volgenden ochtend

nog even gauw vóór parade met den franschen

slag de nabetrachting ondergaan.

't Is kwart voor twaalven geworden vooraleer


!)()

eenige stemmen door het schip schreeuwen: „Vastpompen,

water genoeg!"

Ik zou de massa water wel eens bij elkaar willen

zien, die zoo'n ochtend over het schip heeft geloopen.

De schipper gaat het halfdek op om te vragen

voor oorlam.

De bottelier met zijn maat staan reeds vooruit

gereed met de welbekende mooie vaatjes en koperen

mokjes, om de „5 vingerhoeden" uit te deelen.

De zeuntjes halen den boel op uit de bakskisten

en verdeden het vleesch of spek, zooeven aan de

pen bij den kok weggehaald, in zooveel evengroote

stukken als er manschappen aan hun bakken zitten.

Haastig worden eenige kommen soep of snert

naar binnen gewerkt, 't Is maar een half uurtje

rusten, heeft de schipper gezegd, anders komt hij

vandaag onmogelijk klaar.

Liever zou hij maar doorgewerkt hebben totdat

alles in orde was en dan laten schaften. „Als ze

hun boddy vol gestouwd hebben met soep," zegt

hij, „zijn ze zoo papperig, dat de meeste lust er

vandoor is."

De schoonmakerij is nu een geheel andere phase

ingetreden, namelijk die der „mooimakerij ".

Het afgeboende, ongeverfde houtwerk wordt

overal met lijnolie gepolitoerd, anders gezegd ingesmeerd.


91

Koper- en ijzerwerk schijnt met zijn fijnsten glans.

Waar het afnemen met de „patent-zeep" te veel

kale plekken heeft gemaakt, wordt heel netjes wat

er te veel is afgeschuurd weder met den kwast

bijgehaald.

Als maar ergens wat verf op uitgesmeerd wordt

betitelt men dat aan boord met den grootschen

naam van „schilderen".

„Tamboer! — Appèl in de batterij!" commandeert

de officier der wacht.

Alle manschappen, die bij de batterij ingedeeld

zijn, begeven zich naar hun posten om hun kanon

eens heel mooi te maken en in de olie te zetten.

De broekings worden stijf getrokken en aan één

kant met een edele krul rondgedraaid.

De zijtalies worden, na losgenomen te zijn, weder

netjes opgeschoten en tegen het rolpaard gelegd,

om het achtertalie niet te vergeten, dat in behoorlijken

vorm weder zijn oude plaats op de zool

inneemt.

Het blanke werk aan het stuk, dat in de kardoeskokers

bewaard wordt, gaat door de handen,

om het te ontdoen van de minste smet, die het

soms mocht aankleven, en wordt daarna weder

met schoone olie ingesmeerd.

Het koperwerk behoeft, wat kleur en glans betreft,

van lieverlede voor goud niet onder te doen.


92

Na een half uurtje gewreven en gesmeerd te

hebben wordt er aftrap geslagen en ook deze mooimakerij

is gelukkig achter den rug.

In dien tusschentijd heeft de schipper aan dek

op- en neergeloopen en zijn oogen eens naar boven

gericht.

De bootsman en schieman begrijpen onmiddellijk

hoe laat het is en geven hun paai een wenkje:

„Hé, paai! denk er aan, de schipper zal, geloof ik,

willen vierkant toppen en brassen."

Zij behoeven het niet te gelooven, het is wel

zeker; ziet maar eens, hoe de schipper aan het

gluren is, of er niet hier of daar een eindje touw

bij hangt of uitsteekt, waar dat niet mag.

Zoo meteen gaat de oudeheer aan't „spreeuwen

schieten," hij heeft er al een paar in de gaten

gekregen. — „Spreeuwen schieten" noemt men

aan boord zulke clandestiene eindjes touw uit het

want laten wegnemen. —

Op een reede gaat de schipper met de vlet het

schip rond om te kijken, en een eind ver vóór

den boeg uit met zijn fluit aan het „telegrapheeren",

aan welke masten de raas getopt en gebrast

moeten worden.

Is er geen vlet of andere sloep te water, dan

weet de schipper nog zoo'n plekje vooruit, op het

schild bij het ezels-hoofd.

«


93

Men moet dan ook niet denken, dat er één touwtje

van het geheele loopend want slap of met

een bocht blijft hangen ; alles wordt snaarstijf gezet.

„Haal stuk! — Haal stuk!" — hoort men zoo

nu en dan, wanneer een tiental mannen achterde

hand aan een eind staan te poelen en er niets

meer van krijgen kunnen, niettegenstaande zij gelijk

invallen.

„Ziezoo!" zegt de schipper, „da's vandaag de

dag eens nuttig besteed."

Hier en daar zijn nog eenige gasten bezig met

de „heel mooimakerij", doch het schoonschipmaken

loopt op zijn einde ; trouwens het is tijd voor theewater

geworden, de Jantjes dienen den inwendigen

mensch te versterken.

„Wiet! Wiet! — Zeuntjes balies en kommen

uitzetten!" luidt het commando* dat onmiddellijk

gevolgd wordt door een tweede : „Denk 'an 't dek

en de verf!" Dit laatste zullen zij nog een ettelijken

keer meer moeten hooren voor dat het „kooien

af" is.

Ik heb het vroeger altijd treurig gevonden dat

's Zaterdags geen rantsoen uitgegeven werd, daar

na zoo'n dag van hard werken het volk wel een

goed maal toekomt. Dien avond is het in den

regel „laag water" in de botersloof en de kaas is

al lang op.


94

Die dus geen stukje spek of vleesch van

's middags bewaard heeft, zal zich met een erg

ongemeubileerde boterham moeten behelpen.

„Zeg ereis, ventje! hebt je m'n koffieketeltje al

gehaald?" vraagt nu de schipper aan zijn jongen.

De toon, waarop de schipper dit vraagt, zegt

den jongen dat de schipper „verschrikkelijk goed"

geluimd moet zijn.

„Heb-je de hut goed schoongemaakt?"

„Ja zeker, schipper! alles is er uit geweest."

„Heb-je mijn laarzen te drogen gehangen?"

„Jawel, schipper! — Ze hangen nog vooruit

aan het „stag".

„Heb-je dit en heb-je dat, — wel twintig verschillende

vragen onder het koffiedrinken.

„Jawel schipper! — jawel!"

„Nou, berg dan den boel maar netjes op en

kom tegen kooien af nog even kijken; misschien

is er dan nog het een of ander."

Na zich gewasschen en geschoren en zijn plunje

voor den volgenden morgen nagezien te hebben,

wordt het verdere gedeelte van den vooravond

door den schipper onder een zwaren boom gesleten.

„Wil je wel gelooven!" — zegt hij tegen den

baas-timmerman, „dat de schuit wel een duim

hooger op het water ligt van al het vuil dat er

af is?"


95

Tegen „kooien af" gaat de man nog even naar

boven om den onderofficier van de wacht te zeggen

dat „ze met hun klavieren" van de nieuwgeschilderde

verschansing af motten blijven en de kooistuwers

de kooien maar 'an motten geven."

„Denkt 'an de muur!" — hoort men deze dan

ook roepen na „bij je verschansing" gefloten

te hebben.

Een half uur later moet de eerste wacht opgezet

worden.

„Tamboer!" — hoort men achteruit op het halfdek

den officier van de wacht roepen.

Tamboer en pijper, die zich bij den grooten mast

aan dek hebben opgesteld, trommelen, toeterenen

fluiten de „taptoe", dat het een aard heeft, alsof

men met een tiental van die levenmakers te doen had.

Nu komt de provoost te voorschijn en vraagt

den officier van de wacht en Eersten-Officier om

de wacht te mogen opzeggen.

„Jawel, provoost!" — zeggen dezen.

„Zooveel duim water vóór en zooveel achter bij

de pomp, zooveel arrestanten recht en zooveel

krom in de boeien, zooveel in voorarrest, menheer

!"

„Goed, provoost!" De provoost gaat daarop

naar het tusschendek, waar hij met een flinke stem

het oude, traditioneele liedje uitgalmt :


96

„Hoort, mannen, hoort!

De een zegt het den ander voort.

Van de wacht en naar de kooi,

Hier ter mate mooi.

„ , . stuurboords ,

Het ]S van avond €-TZ

kwartier,

bakboords

Die geen wacht heeft vertrekt van hier,

Stuurboords . , . , - , ,

Bakboords kwartler heeft de eerste wacht >

God verleent hem een goede wacht.

Goede wacht en goede ree,

Brengt geluk en behouden reis almee.

Vuur, licht en pijpjes uit, het wachtvolk naar boven er*

de rest naar kooi! Rollezerrrrrr ! ! "

En Janmaat trekt zich van de wereldsche zorgen

niets meer aan, legt er het brave hoofd bij

neer; De „Oroote Verzoendag" is ten einde.


V.

De kracht der „vijf vingerhoeden."

Dat de „vijf vingerhoeden" aan boord van een

oorlogsschip een zeer groote rol spelen, zou men

niet vermoeden. Toch is het zoo ; ja, zelfs grooter

dan men wel oppervlakkig denkt.

In de allereerste plaats wensch ik hier te doen

uitkomen, dat ik geen moppergeest wil bevorderen,

— juist het tegendeel is mijn streven, —

maar de waarheid is, dat de jenever, die z.g.

„volkskanker" der door-en-door brave Hollanders,

nu éénmaal niet voor de „zwijnen", d. w. z. voor

die vierpootige spekbuiken wordt gebrouwen.

Waarom men dien drank dus geheel wil verbannen,

in 's Hemelsnaam, — ik begrijp het niet en

zal het waarschijnlijk nimmer kunnen of leeren

begrijpen.

Bereikte men slechts één greintje van zijn ideaal

J. VAN WACHEM. Blokkadetijd. 7


98

met dat streven, ik gaf mij dadelijk gewonnen;

maar men bereikt er niets mede: „het is den

moriaan gewasschen," zou janmaat zeggen.

In mijn tijd hield janmaat wel van een slokje

„roggeolie", en ik ook, en gelukkig heden nog.

Over het voor of tegen van het gebruik van alcoholische

dranken, onder welken vorm dan ook —

de arme duivel drinkt jenever, de groote menheer

een fijne fiesch, — wil ik dus liever zwijgen. Die

hoogst onverkwikkelijke quaestie — zoo het namelijk

een quaestie genoemd mag worden — is in

mijn oogen een echte oude wijven-quaestie en ik

laat haar daarom gaarne ter oplossing over aan

femelaars, of aan afschaffers van „professie", die

vroeger wel eens al te diep in 't glaasje loerden

en, nu de zon niet meer op het water kunnende

zien schijnen, reden vinden om over het verschrikkelijke

jeneverdrinken hun ontstemde violen

te laten krassen.

Misbruik van jenever of van sterken drank in

't algemeen, ja, — dàt is iets anders. Die zich

daaraan herhaaldelijk overgeeft, vind ik, staat beneden

het redelooze dier. Een beest houdt op met

drinken, als het voelt dat het genoeg heeft. Die

dat dus niet kàn of wil, is geen beest, maar staat

er ver beneden.

Voor een goed, stevig doorvoed lichaam, dat in

«


99

weer en wind moet zwoegen en werken, zullen

op zijn tijd een paar oorlammen — aan wal ook

wel Schaepmannetjes genoemd — geen kwaad doen,

en wie daar soms niet tegen mocht kunnen, doet

veel verstandiger een baantje op den wal te zoeken,

„kantoorbezem" te worden, dan ooit een voet aan

boord van een schip te zetten. Zoo iemand kan

toch onmogelijk van het hout zijn, waar men flinke,

stoere zeelui van snijdt; ten minste ik kan het

mij, na mijn veeljarige ondervinding van het zeeleven,

niet anders voorstellen. De ziekelijke philantropie

op het einde onzer 19de eeuw — ook al

„fin de siècle"? — is voor matrozen dan ook wel

wat te ver gegaan. Niet alleen wat de jeneverquaestie

aangaat, maar ook andere zaakjes hadden

aan boord dringend noodig onveranderd dienen te

blijven. „Vader Driestreng" ! Hm! Het staat nu

eenmaal als een paal boven water, dat men noch

met naaimeisjes noch met kantoorheertjes een schip

over den oceaan brengt, doch wel met matrozen,

echte zoutwater-matrozen, kerels uit één stuk.

Geef dus, in Godsnaam, zulken mannen hetgeen

hun toekomt en schei uit met... slappe koffie !

Men zou mij hierop kunnen tegenwerpen, dat

tegenwoordig verscheidene manschappen hun rantsoen

jenever laten „staan" en het kostende uitbetaald

krijgen, hetgeen, vergis ik mij niet, een be-


100

drag is van Vjz cent, zegge: ANDERHALVE CENT,

per man en per dag.

O ja, — ik weet het wel, overal worden menschen

gevonden, die ter wille van het een of ander,

dat hen na aan het hart ligt, zich alles en alles

ontzeggen om een paar centen bij elkaar te krijgen.

De praktijk heeft echter reeds voorbeelden te over

geleverd, dat die „matrozen-afschaffers", als zij met

de uitgezuinigde centjes in hun zak den wal opgaan,

nog grooter, „likkebroers" zijn, dan zij die hun

„hartversterking" aan boord met genoegen en appetijt

naar hun maag doen verhuizen.

„Voor een borrel en een pruimpje tabak," heette

vroeger het spreekwoord, „krijg-je alles gedaan",

en het was de waarheid. Als mijn „zee-waschbaas"

al eens een enkele maal mijn werkgoed minder

schoon had gewasschen, was er niet meer noodig

dan dien keer te vergeten hem een „dikkop" te

geven, en een volgende maal „klopten de bulletjes",

waren ze brandschoon en keurig netjes gevouwen

bovendien.

Zoo herinner ik mij gediend te hebben aan boord

van een oorlogsbodem, welks kommandant afschaffer

was, niet van „professie", maar geheel uit eigen

principe.

*


101

Het rantsoen jenever werd natuurlijk eiken dag

uitgegeven, dat kon niet anders; maar van een

extra-oorlam, daar was nooit, bij welke gelegenheid

ook, sprake van. Altijd en eeuwig was het.. .

koffie. Met slecht en nat weder : koffie. Na zwaren

arbeid: koffie. Bij en voor alles: koffie, koffie.

Geen wonder dus, dat janmaat aan al dat ongeurige,

slappe aftreksel van Mokka-ooft den duivel

had gezien.

Wij lagen in de Noordzee en het spookte leelijk.

Een smerig, buiig najaarsweertje en nu en dan

een stortvloed van hemelwater, die, zoolang als hij

met kracht neersloeg, de hooge zee een weinig

slechtte, hadden ons „vóór klein zeil" doen gaan liggen.

De wind, die echter eerst aan den schralen kant

was geweest, werd hoe langer zoo ruimer en tegelijkertijd

heviger, zoodat het noodig werd nog

meer zeil te minderen.

Daar klonk op eens van de brug: Fokkeraasgasten

klaar staan ! — Enter op ! — Fok reven ! "

Als katten klommen de kerels naar boven en in

minder dan geen tijd lag de ra vol mannen, maar

hoe zij ook trokken en ploeterden, het rif konden

ze er niet in krijgen ; het zeil werd door den hevigen

wind te zeer gespannen. Telkens, als zij een

gedeelte hadden ingepalmd, moesten zij het weder

prijsgeven, daar het hun door een rukwind uit de


102

handen schoot. Men scheurde er zich bijna de

nagels van de vingers op, maar de wind was te

machtig.

Nadat zij zóó een tien minuten bezig waren geweest,

kwam de commandant op de brug, om eens

te zien, wat er wel gaande was dat het werk niet

wilde vlotten.

Een weinig ongeduldig van aard, zette hij de

handen, bij wijze van een scheepsroeper, aan zijn

mond en bulderde: „Wat houdt er aan op die

fokkera?"

Een der matroosjes, een echt brutaaltje, riep

zonder zich om te keeren of te laten zien wie er

antwoord gaf: „Jenever, commandant!"

De commandant kreeg een ingeving. „Haal dan

voor die jenever!" — riep hij terug.

Janmaat was perplex.

„Ajoh, boys!" — hoorde men op de ra —

„Angepakt, hoor! En houen wat je hebt. Er in

zal-ie en mot-ie, al zouwen we onze knuisten van

mekaar halen, — maar er in zal-ie... Haal voor

die jenever, riep den ouwe, dus....!"

Met bovenmenschelijke kracht werd er aange

pakt. Allen spanden zich in tot het uiterste en...

de fok werd dicht gereefd.

„Gèèf ze 'n oorlam," zei de commandant tegen

den officier der wacht, toen hij van de brug naar


103

zijn kajuit ging, en wijd, zeer wijd verbreidde de

felle wind de heerlijke tonen der scheepsklok en

het bijna geen einde nemende gejubel van janmaat

over de wild-bruisende golven der Noordzee.

„Da's de eerste," zei janmaat.

Waarde lezer, het was niet de laatste. De kok

moest van lieverlede voor den bottelier het veld

ruimen, hetgeen die man, och, zoo gewillig en dol

gaarne deed. Dat kan ik u verzekeren!

Prosit !


VI.

„Neel.

Dat er bij die ruwe mannen onder den groven

wapenrok dikwijls een hart van goud klopt, gevoelig

voor de fijnste en edelste indrukken, dààr

wil ik u eens een aardig staaltje van leveren,

waarde lezers.

Aan boord van Zr. Ms. fregat „Zeeland" kwam,

tijdens de tweede Atjeh-expeditie voor onze marine

dikwijls van Penang of Singapore een lading

slachtvee.

Veel bijzonders of „vet" was dat vee in den

regel niet. De beestjes hadden elkander onderweg

half dood getrapt, waren brood-mager en uitgerammeld

van den honger. Bovendien was meestal

nog een groot deel lijdende aan tongblaar en

klauwzeer of andere ziekten, zoodat den meesten

dieren het gaan of staan onmogelijk was. Maar,

gelukkig, janmaat was op het punt van eten niet

*


105

bijzonder kieschkeurig ; hij keek zoo erg nauw niet.

„Eten als er eten is, en is 't er al 'ns een enkelen

keer niet, of zijn de boonen en erwtjes een beetje

extra-hard, nou ja, wat zou dat? — Dan geef-je

maar een knauw meer, of steekt een rif in je

maag," zegt janmaat.

Met een dier ladingen „lederen zakken met

knokken" kwam eens een klein koekalfje aan

boord. Het diertje zag er echter zoo ellendig en

verschrompeld uit, dat het een ieders medelijden

opwekte. De moeite van het slachten was het

zelfs niet waard ; men kan dus nagaan, dat het al

heel treurig met het stomme dier gesteld moest zijn.

De „echte" janmaat, goedhartig en medelijdend

n aard, begon zich het lot van het diertje aan

te trekken, maar het bitter-klein weinigje gras, of

datgene wat heel in de verte op dat voedsel

geleek, strekte niet eeuwig. Dus wat gedaan?

Goede raad was duur. Harde beschuit, rijst, soep,

„snert", grauwe erwtjes, bruine boonen, enz., daar

moest het maar aan leeren gewennen ; zijn klaveren

graskiesjes mocht het gerust uittrekken, hetgeen

het dan ook vrij vlug deed, namelijk wat

het eerste aangaat: de eterij. Het werd in de

menage van janmaat opgenomen en kwam op

„hollandsche kost".

Dat flinke, stevige eten miste natuurlijk zijn


106

uitwerking niet. „Neel" — al dadelijk had het

diertje bij de adoptie een naam gekregen —

groeide dat het een liefhebberij was om aan te

zien; het verheugde zich in het bezit van een

blakenden welstand en doorvoed uiterlijk, en het

sprong en dartelde vooruit op den bak overal vrij

rond, speelde naloopertje met de matrozen ; kortom,

een ieder kreeg schik in het aardige Neeltje.

Met schaften, als janmaat rond het bakskleedje

op het dek zat, deed Neel van bak tot bak haar

ronde, hier en daar den kop tusschen haar vrindjes

stekende, om het hare te vragen. Met een: „Kom

'ns hier, Neel! — Daar heb-je nou ereis een fijn

kommetje lekkere soep, maar denk 'an de graten,

hoor!" of: „Zeg ereis, jongejuffer, zoudtuweswel

een paar knipperdoeletjes x ) lusten?" — zorgde

janmaat, dat Neel meer dan haar portie kreeg.

Neel begon dan ook van lieverlede aanleg te

krijgen om geslacht te worden, zoo mollig en

vetjes zag ze er uit ; maar telkens als zij de laatste

was en bijna er aan zou moeten gelooven, kwam,

tot groot genoegen van geheel „vooruit", een boot

met een nieuwe lading „paaschossen" ter reede

opdagen. Voor Neel gaf dit dan weder uitstel van

executie.

') „Knipperdolletje" = bolvormig hardbrood.

i


107

Na er aan toe — zelfs één keer zéér na er aan

toe — was 't menigmaal geweest, maar haar hals

was steeds nog van 't mes bevrijd gebleven, en

zoo kreeg Neel al den tijd om groot en vet en

sterk te worden.

„Zeg ereis, madam !" zei op een zekeren ochtend

de „sapiesboer" tot Neel, „jij groeit maar raak,

en vreet je buik iederen dag zoo rond als een

ton ; maar je bent en blijft een echte doodvreetster, —

je voert geen drommel uit voor den kost! Dat mot

ereis gedaan zijn, hoor! — Werken mot je, zoo

goed als wij, en je bent nou groot en sterk genoeg ;

dus, Neel, 'angepakt en gauw ook, hoor, of de

duivel zal je halen!"

Voor Neel was een heel net gareeltje gemaakt

en na daarmee „opgetuigd" te zijn, werd zij aan

de aschwip gespannen.

Dat beviel Neel in de eerste dagen geen zier;

zij toonde een koppigheid en hardleerschheid meer

dan erg, maar „alle begin is moeielijk", zei janmaat,

en eindelijk ging het dan ook al beter en beter

tot ten langen laatste Neel evengoed als de beste

matroos naar de commando's luisterde. „Trekt

er 'an!" — „Vast zoo—o!" — „Opkommen!" —

dit verstond zij uitstekend.

Als het fluitje voor het aschwippen zich liet

hooren, werd Neel aangespannen en — hup! —


108

daar ging het, mok voor mok met as en slakken

trok zij door den luchtkoker van de stookplaats

naar het bovendek, waar janmaat gereed stond ze

„waar te nemen" en buiten boord uit te storten.

Van toen af was het leven van Neel, om de

vele en zeer gewichtige diensten, welke zij presteerde

en voornamelijk janmaat van de „Zeeland"

bewees, natuurlijk menschelijkerwijze gesproken,

verzekerd. Neel bleef haar baantje behouden!

Maar .... niets is bestendig op deze wereld

De „Zeeland" was naar Batavia opgeroepen en,

daar haar schroefas onherstelbaar gebroken was,

moest zij door een anderen stoomer gesleept worden.

Voor die reis berekende onze commandant plus

minus zoo- of zus-veel dagen noodig te hebben,

dus de officier van administratie een even groot

aantal om den mond der equipage open houden.

Die berekening was echter eenvoudig genoeg:

zooveel dagen snert, zooveel idem bruine boontjes

met uitgebakken spek, en zooveel keeren. ..

soep. Het menu was opgemaakt, maar voor het

laatstgenoemde gerecht was het noodige vleesch

en wel „versch" vleesch onmisbaar.

Het doodvonnis van Neel was geteekend, en nu

geen uitstel van executie meer!

I


109

In Straat Malakka kwam haar beurt, en tevens

een groote verslagenheid onder janmaat, toen de

order kwam: „Hedennacht op de hondenwacht

Neel slachten!"

Aan de jerimiaden kwam geen einde en aan de

kasians evenmin ; maar .... er was niets aan te

doen.

„Weet-je wat?" zei een oude kanjer, „wegaan

met z'n allen naar den schipper toe en vragen of

die 'ns een goed woordje wil doen bij den secretaris,

dat Neel niet kapot mot. 't Stomme dier heeft

ons zoo trouw geholpen, en zouwen we 't nou tot

dank motten opvreten ? — Neen, jongens, wat we

er 'an kunnen doen, motten we doen!"

Zóó gezegd, zóó gedaan.

De schipper deed een goed woordje, maar hetzij

dat het niet anders kon, dan wel dat de officier

van administratie niet wilde toegeven aan die

gril (?), Neel moest en zou er dezen keer aan gelooven.

Dàt gaf een heel spektakel dien nacht. De oude

matrozen-slachters hadden „geen puf om Neel den

nek af te snijden en in bonken te hakken", —

zij bedankten voor die eer. Het gevolg was,

natuurlijk, dat zij er toe gecommandeerd werden.


110

Neel was geslacht, haar prachtig lichaam in

stukken gehouwen, en onder de verschillende „bakken"

en verdere equipage verdeeld.

De „zeuntjes" brachten 's morgens haar vleesch

aan de pen bij den kok in de kombuis, en van

Neel werd soep gekookt.

Daar werd het half twaalf. „Zeuntjes! — Boel

uitzetten 1 ) en vleesch halen!" riep de provoost

in het tusschendek.

„De boel werd uitgezet", maar wie er naar de

kombuis gingen om vleesch te halen, de bakszeuntjes

niet.

Twaalf uur.

„Kok, schep op!" — „Kok, schep op!" luidde

de scheepsklok, maar wie er naar de kombuis

gingen om soep te halen, alweder geen bakszeuntjes

; wel hofmeesters, dienstdoende hofmeesters

en hutsjongentjes van commandant, officieren,

machinisten en onderofficieren.

De kok bleef met zijn volle ketels geurige soep

en balies lekker vleesch opgescheept zitten.

Janmaat deed zijn maaltijd met een droogje

door duchtig den broodzak met scheepsbeschuit

aan te spreken, maar de soep en het vleesch

gingen 's middags over boord.

') „Boel uitzetten" = tafeldekken.

t


Ill

„Wel, sakkerju!" — riep de schipper— „willen

ze geen van allen? Dan zal ik naar den officier

van de wacht motten gaan rapporteeren wat er

'an de hand is!" En hij liep naar het dek.

„Menheer, het volk weigert te eten," zeide hij

tot den wachthebbenden officier.

„Wat zeg-je?" — vroeg deze. „Wat zeg-je,

schipper?"

„Ja, menheer, de kok zit tot aan z'n nek toe

in de soep en de volle balies vleesch, maar niet

een van het volk die ervan wil."

„Dat is een mop, schipper! — Wat kunnen we

dââr aan doen ? " vroeg weder de officier der wacht.

„Ik denk: niks," zei daarop de schipper; „die

niet eten wil, die eet niet, en daarmee uit. Dwingen

er toe, gaat niet. Maar waarom ook Neel geslacht,

menheer ? — Als we dat beestje op Java aan den

kant hadden gezet, waar het volk om verzocht

heeft, dan hadden we nou daarover geen gemopper ! "

En de oude zeeman sprak de waarheid ; het volk

mopperde nog dagen lang over het slachten van

Neel.

's Avonds kwam het geval ter oore van den

commandant, die van niets afwetende en dus eerst

niet begreep hoe de vork aan den steel zat, op

zijn beurt mopperde, dat het voorgevallen was

en .... niet voorkomen.


112

„De Kernel heit de pest in," zei janmaat, „maar

wij niet minder; waarom most dat goeie dier

kapot? — Hadden ze achteruit...?"

Nu, lezer, ik zal maar niet neerschrijven wat

er alzoo verder gezegd werd.

Een half uur nadat de commandant de geheele

toedracht van de zaak wist, luidde de scheepsklok

janmaat ter beevaart naar het welbekende vaatje

van den bottelier.

„Zie-je wel," zei er een, „dat de Kernel de

duvel er over in heit! Hadden we maar gevraagd

om den Kernel te spreken, dan had Neel nog

geleefd!"


VIL

Een dépèche voor den Generaal.

„Barkas, ho-o!" — klonk het op zekeren avond

omstreeks half elf bij den valreep aan boord

Zr. Ms. fregat Zeeland.

„Hallo, wat is?" — antwoordde de „beurtgast

onmiddellijk.

„'An de trap komme! — Je mot naar den wal!"

Wat was er wel gebeurd, dat nog zoo laat, in

zulk een hondenweer — het was in het hartje van

den kwaden moesson, die op dàt oogenblik juist

bijzonder kwaad was — de stoombarkas naarden

wal moest?

Een klein uur geleden was een onzer „vierde

klasjes" van de westkust op de reede ten anker

gekomen met een hoogst belangrijk bericht, waarvan

Kolonel van Goch onverwijld kennis wilde

geven aan Generaal van S wieten.

Er kwam een adelborst met een dikke missive

.7. VAN WACHEM. Blokkadetijd. g


114

bij zich in de barkas, die, het kostte wat het wilde,

had de Kolonel gezegd, naar Penajoeng bij Z. E.

moest worden gebracht.

Daar de „Zeeland" midden in de baai ten anker

lag, vlak vóór de plaats waar nu Oleh-leh ligt,

gaf het bereiken der monding van de Atjeh-rivier

een paar kwartiertjes stoomen.

De kruisprauw No. 26, die voor de monding

lag te slingeren en te stampen, had gelukkig haar

toplicht nogal helder branden; men begreep dus

uit het onafgebroken heen- en weer- en op- en

neergaan van dat licht in welke richting in den stikdonkeren

avond zoo ongeveer gestuurd moest worden.

Maar o, lieve Hemel! — welk een teleurstelling

stond dien adelborst te wachten.

Bij de kruisboot gekomen, deelde do „djoeragan"

mede, dat het getij al meer dan half verloopen

en het dus te laat was, om nog met zulk weer

door de branding in de geul te komen.

Heilig en zeker zou door het lage water en

de hevige branding op dat gedeelte van de toen

reeds grooter en grooter wordende zandplaat, de

barkas uit elkaar geslagen zijn, zoo zij 't gewaagd

had naar binnen te gaan.

Alzoo, wat nu gedaan!

Achter de kruisboot lag een kleine vlet aan

haar vanglijn te dobberen.

«


115

Naar den wal dus met die vlet. Vierkant door

de hooge branding heen, het strand op, vlak voor

de benting, die toen daar aan de monding was

gelegen. Het was dan ook het eenige dat nog

beproefd kon worden.

„Djoeragan, geef vier man op de vlet met pagaaien,

maar menschen die kunnen zwemmen, " —

zei onze adelborst.

Toen de machinist van de barkas dit hoorde

vroeg deze: „Kunt u zelf wel goed zwemmen ? —

Om door de branding heen te slaan, moet men dat

zaakje terdege verstaan, anders is men voor de

haaien ! "

„Ja, als het anker van de „Zeeland", „klonk

het komische antwoord.

„Dàn ga ik met u mee; ik kan 't goed. —

TJ te laten verdrinken, dat gaat niet. — Begrijp,

dat die vier blauwe kerels, als strakjes de vlet

omslaat, geen hand naar u uitsteken, maar zonder

u den wal opzoeken."

„Vooruit dan, stap in!"

En daar ging het, door regen en wind en zware

deining het strand te gemoet met het schijnsel

der lantarens binnen de benting in het gezicht.

Beiden zaten achteruit naast elkaar in hun oliejas,

met het hoofd diep in een zuidwester gedoken,

sprakeloos voor zich uit te kijken.


116

De vier bijna geheel naakte inlanders hieven

een van die temerige liedjes aan, waarop zij gewend

zijn de pagaai te hanteeren.

Bij de branding gekomen begon hun echter,

naar het alle schijn had, de moed een weinig te

ontzinken, althans het gezang veranderde voor

iederen slag in een: „ajoe, hè!" — ajoe, hè!" —

waarmee zij mekaar aanmoedigden.

Den eersten roller waren zij over, maar hij liep

dadelijk achterin, over het lage boord der kleine

vlet, zoodat deze onmiddellijk zoo goed als geheel

met water gevuld was.

„Strijken stuurboord! — Haal op bakboord ! " —

De vlet draaide als een tol tusschen de voorste

rollers, waar het meestal minder onstuimig water

geeft.

„Haal op allebei!" - - en, gelukkig, de hoogere

uitgebouwde voorsteven der vlet werd door den

golfslag in de hoogte getild, zoodat zij weder

buiten kwam, hoewel ieder oogenblik dreigende

om te slaan.

Gelukkig had men er op gerekend en twee

putsen meegenomen voor het geval er wat te

scheppen zou zijn.

Aan het hoozen wie maar kon, met handen en

putsen, om de vlet zoo spoedig mogelijk meer stabiliteit

te geven, daar zij, in letterlijken zin, mot

i


117

hun zesjes op de vlet dreven. Dit gelukte boven

wonder nogal spoedig, waarna zij geheel werd

uitgehoosd.

Doch met dit al was hiermee de brief niet aan

den wal gebracht.

Terug dus en nog een keer geprobeerd, maar

toen het achterste-voren.

Dicht bij de branding werd de vlet gedraaid en

e inlanders moesten om te pagaaien zich omdraaien

en het roer, als zijnde nu niet langer van

nut, werd uit zijn vingerlingen gelicht en in de

vlet neergelegd.

Met de pagaai werd de vlet zoo goed mogelijk

vierkant tegen de branding gehouden.

De eerste roller sloeg wederom met al zijn kracht

tegen de vlet, maar de hoogere voorsteven bood

weerstand en nam minder water over; de vlet

kreeg alzoo den vollen slag, die haar naar het strand

wierp, hetgeen niet weg nam, dat de twee putsen

wederom volle kracht dienst moesten doen om

haar voor vol- en omslaan te bewaren.

Met den tweeden roller ging het eveneens zóo,

, bons ! daar stootte de vlet tegen het strand.

Allen sprongen er uit en sleepten de vlet door

het water het strand op. Zij brachten daarop den

natgeworden brief bij den luitenant, die het bevel

voerde in de benting, met de order van den Kolonel,


118

dat hij direct naar den Generaal moest worden

gebracht, waaraan deze gevolg gaf door dadelijk

de noodige manschappen daartoe te commandeeren.

Waarlijk! dit was voor deze mannen ook geen

benijdenswaardig baantje. Eerst over de rivier,

dan een ver eind langs het strand en daarna landwaarts,

achter de „Marine-benting" om, naarPenajoeng,

in het holste van den nacht, maar het moest,

dus ,Vooruit en je plicht gedaan!"

Onze luitenant stond vreemd op te kijken, dat

hij nog zóó laat, in zulk een hondenweer, bezoek

van de reede kreeg en wilde hen voor het verdere

gedeelte van den nacht bij zich laten doorbrengen,

maar dat ging niet: zij moesten terug naar boord,

om den Kolonel het bericht te brengen dat de

brief overhandigd en op marsch was.

Hij vroeg het dan ook geen tweemaal, te goed

doordrongen zeker van wat het zeggen wil : zijn

plicht doen en gehoorzamen in den dienst.

Na eerst nog even 'n paar ferme, tot aan de

kerkpoortjes gevulde wijnglazen met brandy te

hebben verschalkt — voor de natte voeten, natuurlijk

! — bracht de luitenant hen naar het strand

terug, waar hij afscheid nam.

„Salut, Heeren ! — Behouden reis ! — Bar weertje,

hé?"

De matroosjes sleepten de vlet weder in zee en


119

beiden er achter om een handje te helpen duwen.

Op het oogenblik dat een eenigszins hooger opkomende

golf de vlet opnam en vlot maakte,

sprongen allen er in, en vooruit ging het weer,

door de branding en de rollers heen, naar de kruisboot

en de stoombarkas terug.

Wat er in het gemoed van dien luitenant op

het strand wel moet hebben omgegaan, toen hij

die vlet, zoo ver als hij kon, in donker nastaarde

en zag kampen met den hoogen golfslag, weet ik

niet, doch minstens zal hij bij zich zelven gedacht

moeten hebben: „Bliksems! — dat is dââr ook

geen rozengeur en maneschijn! — Jelui liever

dan ik!"

„Flink zoo, u kunt gaan!" — zei onze brave

Kolonel, die nog in de kajuit zat te werken, toen

de adelborst aan boord kwam en hem rapporteerde

hoe de brief aan den wal was gekomen en bij

den Generaal zou worden gebracht.

„Barkas, ho-o!" — klonk het nogmaals bij den

valreep.

„Hallo, wat is?"

„Op de bakspier en vuurtje uithalen!"

De machinist kwam kort daarop binnen boord,

en na zich in zijn hut verschoond en gedroogd

te hebben, nam hij, vóór zich ter ruste te leggen,

nog even zijn dagboek ter hand en beschreef de


120

geschiedenis van dien avond met de volgende regels :

„Met adelborst B. in vlet kruisboot 26, nabij

oedjoeng, naar den wal, met spoedbrief voor

generaal. "

„Een hoogst „voordeelige" gelegenheid gehad,

om ver van mijn vaderen met een buikje vol pekel

bij mijn vaderen te worden bijgezet."

„ONKRUID VERGAAT NIET!!"

Een paar uren later droomde hij, dat hij heel

confidentieel, recht broederlijk, naast een Atjeher,

in de maag van een haai over de reede aan het

spelevaren was. Toen hij niet zonder eenigen

schrik uit deze nachtmerrie ontwaakte, bemerkte

hij tot zijn geruststelling dat zijn collega, die naast

hem op het dek sliep, zich in den slaap van den

bultzak had gewoeld en bezig was den zijnen in

beslag te willen nemen.

Met een: „Bras vol, ouwe jongen! — Een

ieder op z'n eige paardenhaar !" — en een daarbij

vergezeld gaanden flinken stomp bleven verder alle

territoriale rechten volkomen gehandhaafd en dommelde

hij weder in, tot het dagschot viel en tamboer

en pijper de reveille lieten hooren.


Mf *

ik

* T^f /'f*

X X

X X X X X X

^S*«* TKKÄT > «£&* -a»U«fc*

'f* *2js? f * ^ ^ /'f* ' 'f*

X X X X X

X X

fe 4k «Hl- 4k 3Êfâi. 4k Ji ê 2L

r *vr W T W T W T W T w # ^

X X x x X X X X X X X X

É # ^# $> # ^ # ^ # $» # $

x X X X X X X X X

X /f1ÎP? PS\ ' 2

x *> x . X A X » X ^ X X X X X X X X J

r ^ T ^P T Ifr «?,r W *» W T w T w ^

» x i x ^ x . X «k * x .„ x x x x X, X X * X

r m 4*f "f* wk ^ -^k />f* 111 ^ *sk ^fr Ä ?fr 4k 7|r «Éà w 4k "«r A w 4k T Ä. w J^ T r

* # * # * # 4t # * $ * $ $

P

x ^ x A x * x 4 x ^ x x . x x x x X x *\

^ x x X X X X X X X X X X X

* ^ # *fc # # # * * * # # A #

x X K X X x

4 ^ '^ x X X

^«ä. iäHi ^lä. j^ek ^ .^i ^ v5te * ^*- v -' cte *n2!T

t*8«sr ""SÎS*' ^^W ^ *SS» «Ana

'f* ^p' /'f* 1 S^? P$\ ^pF ^f"

X . X X X X X X X

H*aœ? ^fto ISK^W oecfc

î^Sr /f's. 1 ^p r X X X

X X X

là S« ^É£L i^i ^éi. jääfe ^ jä^fei >A/

?» ^Xë? ^f* i&tBSr ^^ ^!ÏS* /'f* ^^W ^ r ^|


X X X

^K!^

'f*

J?*£. .Säfei \Ap Ü$£L '»A'

WAST «sar ""S*^ wts^ «SSW -«ffs^

*3|^ /'f* ^ägv /'f« ^äf»7 /'f* TäfF PB^

X X X X X X X X X

J&k ^Ife. _i*£L JSÉ&I >Sfe, \jetf- Äätfe tA'

'f* "^p" />f* ^^gg 7 /'f* ^sp? /'c« ^Sgr ??r w ?|5:

XXX XX XX XX

i*£ J3S8& ik. jg5lk j^k. jäiäfe ili ,3^g, ^ôrf

't* ^ ^i«- ^p IJT ^ ifr ip *?|i* w t$r

X X X X X X

i Js*£. Jsfei iéai /SÏfei ^Af

X x . x X X X

il«L Jäfei "»A' .safe* \A/

%S^ wt&w +3?SSr -«St»

'f* ^jg? 'f« ^|P? /'f«

V v v v »'

Sg JS

X

Jä*£. ^fei

\,3rr

/'B«

^f«r ^ Tfsr ^ T|r ^? -?|r ^p? -3$e lp

X X X

> ^jS»

'f« *3p»^ 'f«

"ÏÏS" TBSSST «sa* -"£«&- «$£» -oïo»

f* ^ F /*f« ^ r ^f« !5§?r ?ÏT

X X , X X X X X X X

X

\iô

*A/ Ä >Ad

/f* *8p* 'f^

i*2L ^ (Sasfei ***' ^fe

'f* *ZsS* 'f* ^J£

X X X X

4k «m 4k 4ÉI. 4k «É&. 4k £Ê&. Jäk

f* ip T fff -?|T W 1??? W "Si* W "?S X X K X ' X X X X ^ X X X ^ X 1

X

.

'f* ^f^ TfT

x - x x x X X * X X ^ X X ^ x p

«S. -Ä 4k «m 4k Ä. 4k Ä 4k J^i Ja** Mi

X X X

"F T ^ -5|r ^ ^ir ^ "?fT lp ^ %

X X X x

* t K x X X

f« ^ ^ 'f* ^S^ P f

El ^ 4k T Ä. ^ 4k -5JT i^k ^ ji** -?|r

üÉ&ü i*' j^fe ^AP

More magazines by this user
Similar magazines