I E G E V E R T I C B « S E R V E - Acehbooks.org

acehbooks.org

I E G E V E R T I C B « S E R V E - Acehbooks.org

I E G E V E R T I C B « S E R V E

i^SW


OUDE GLORIE

>


INDISCHE LETTEREN-REEKS, NR. lo

ONDER REDACTIE VAN

PETER VAN ZONNEVELD

EVENEENS VERKRIJGBAAR IN DEZELFDE REEKS:

[ i ] Carry van Bruggen - Goenong-Djatti [roman]

[2] Carry van Bruggen - Een Indisch h u w e 1 i j k [novelle]

[3 ] Carry van Bruggen -'n Badreisje in de tropen [verhalen]

[4] Adinda - Vrouwen lief en leed onder de

tropen [roman]

[ 5 ] Peter van Zonneveld [samenst.] - Oriëntatie [bloemlezing]

[6] Augusta de Wit - De godin die wacht [roman]

[ 7 ] Augusta de Wit -De drie vrouwen in het Heilige

Woud [verhalen]

[ 8 ] Marie van Zeggelen - Onderworpenen [schetsen]

[ 9 ] Marie van Zeggelen -Het zeeroversjongetje [Indisch

jeugdboek]


C c - 153j - /(/

MARIE VAN ZEGGELEN

OUDE GLORIE

I n d i s c h e r o m a n

Ingeleid en toegelicht

door Rob Nieuwenhuys

p " VOC» te,

U I T G f V E R I I C IIN S F R V F


L. \g«S


INLEIDING

Marie van Zeggelen (M.C. Kooij-van Zeggelen, 1870-

1957) was geen 'groot schrijfster'. Maar wat is eigenlijk

groot? Ze mag er niettemin zijn. In haar tijd werd ze

veel gelezen. Ze genoot zelfs een zekere populariteit,

vooral in de jaren twintig, kort voor en na de eerste

wereldoorlog. Ze schreef niet alleen veel, haar boeken

beleefden ook talrijke herdrukken. Nu leest men haar

niet meer. Ze is een vergeten schrijfster geworden.

Zelfs haar naam wekt nog maar vage reminiscenties

op. Ten onrechte.

Augusta de Wit, een tijdgenoot met wie ze in vele

opzichten te vergelijken is, kent nog een ieder van

naam, al wordt ook zij niet veel meer gelezen, of het

zou dat ene boek moeten zijn dat meer dan dertig

drukken beleefde en dat zelfs nog weleens op boeken-

lijsten voorkomt: Orpheus in de dessa (1903). Marie

van Zeggelen heeft altijd in de schaduw van Augusta

de Wit moeten leven. Ze heeft recht op meer.

In deze Indische Letteren-reeks worden nu drie boe-

ken van Marie van Zeggelen herdrukt en op een later

tijdstip een vierde boek. Een soort eerherstel dus. Her-

drukt worden nu (in chronologische volgorde van ver-

schijning): Onderworpenen (1908), een bundel 'schet-

- 5


sen' uit de jaren dat ze in het bergland van Zuid-

Celebes woonde; Het zeeroversjongetje (1920), een

alleraardigst jeugdboek (negen drukken!) dat zich in de

Molukken afspeelt, en de historische roman Oude glo-

rït'(193$) dat gesitueerd is in de roemruchte tijd van het

toen nog geheel zelfstandige Atjehse Rijk, in de eerste

helft van de zeventiende eeuw.

Onderworpenen is haar debuut als schrijfster ge-

weest. Ze was toen zeven- of achtendertig, maar ze

moet al veel eerder geschreven hebben, daarvoor is het

te goed, zonder veel literaire pretenties, maar (daarom

juist?) zo opvallend en verrassend. Ook in een ander

opzicht. Er waren toen niet zoveel Indische boeken die

zich toen geheel in de Indonesische samenleving afspeel-

den. De meeste schrijvers beperkten zich tot de wereld

van de Europeanen, waarbij de Indische natuur en de

Inlanders (die er overigens lang niet altijd slecht afko-

men) het decor en de stoffering vormen. Orc Verworfe-

nen verscheen bij de Semarangse drukkerij en uitgever

Masman en Stroink die waarschijnlijk niet over ge-

noeg verkoopmogelijkheden beschikte. Misschien is

het daardoor te lang onbekend gebleven. Pas later zou

het door een Nederlandse uitgever in Nederland her-

drukt worden, tweemaal zelfs, in 1918 en in 1932. Het

heeft pas naderhand bekendheid gekregen.

In hetzelfde jaar 1908 kwam nog een boek van Marie

van Zeggelen uit getiteld De gouden kris dat door

prof. Van Vollenhoven, de grondlegger van het adat-

- 6


echt, onmiddellijk herkend werd. Hij prees het uit-

bundig als iets geheel nieuws in de Nederlandse letter-

kunde, omdat de schrijfster zich geheel verplaatst had,

schrijft hij, in de inheemse samenleving, in dit geval de

Boeginese (evenals Onderworpenen dat Van Vollen-

hoven toen blijkbaar nog niet kende). Hij bracht De

gouden kris in verband met wat hij noemde, 'de

jongste inlanderspolitiek', waarmee hij de 'ethische

richting' op het oog had.

Om de boeken van Marie van Zeggelen te kunnen

'plaatsen' volgt hieronder iets over De ethische koers

in de koloniale politiek (de titel van een brochure

van de journalist Pieter Brooshooft) die men gewoon-

lijk laat beginnen met de bekende troonrede van 1901,

waarin de regering voor het eerst van een zedelijke roe-

ping jegens de bevolking sprak, al was er natuurlijk

reeds veel eerder iets aan het kenteren geweest. De zo-

genaamde suikercrisis na 1883 had een sterke verarming

gebracht, waarvan de desastreuze omvang eerst door

rapporten aan het licht gebracht werd, al sprak men

eufemistisch van 'mindere welvaart'. De nieuwe poli-

tiek leidde tot een overigens nog bescheiden, verbete-

ring van het onderwijs voor Inlanders dat op westerse

leest werd geschoeid (omdat men het begrip ontwikke-

ling niet anders dan in westerse zin kon interpreteren)

en tot een voorzichtige welvaartspolitiek (aanleg van

irrigatiewerken, bevordering van het volkscredietwe-

zen, van kleine inheemse industrieën en van kunstnij-

- 7


verheid). Een consequent gevolgde richtlijn voor het

regeringsbeleid is het 'nieuwe rechtsbewustzijn' zoals

Brooshooft het noemde, nooit kunnen worden en nog

minder heeft het in brede lagen van de Europese sa-

menleving wortel kunnen schieten. Het is beperkt ge-

bleven tot een kleine, zij het invloedrijke groep, waar-

aan behalve die van Brooshooft, ook de namen zijn

verbonden van gouverneurs-generaal als Idenburg en

Van Limburg Stirum; van politici als Van Deventer,

Van Kol, Kielstra, Abendanon; van geleerden als

Snouck Hurgronje en Van Vollenhoven; van

schrijfsters als Augusta de Wit, Marie van Zeggelen en

anderen. Op een bepaald niveau had een uitwisseling

plaats tussen Nederlanders en Indonesiërs. De Indone-

siër drong in de gevoelssfeer van de Europeaan, maar

omgekeerd trad ook de Europeaan naar buiten en

kwam de Indonesiër tegemoet. Hij ontdekte een ande-

re wereld die hij wilde begrijpen en waarin hij ook

trachtte door te dringen. Hij bleef niet meer opgeslo-

ten in zijn kleine belangensfeer. Zijn aandacht ver-

breedde zich. Van zijn standpunt uit kunnen we dan

ook inderdaad spreken van een 'wijdere wereld'. Wat

men ook van het ethicisme zeggen kan - het was wat

superieur en soms al te devoot en dierbaar van toon -

het vertegenwoordigt het koloniaal geweten; het werd

gedragen door een oprecht gevoel van medeleven met

het lot van de Inlander die men wilde 'opheffen' uit een

staat van materiële armoede en sociale discriminatie.

- 8


Daarvoor was het nodig dat hij zich bevrijdde van feo-

dale tradities en zich ontwikkelde in westerse zin, een

proces van emancipatie en opvoeding tot zelfstandig-

heid. Nederlanders en Indonesiërs moesten in de toe-

komst samen Indië opbouwen, zei men, en men intro-

duceerde het woord associatiepolitiek. Verder kon de

ethicus voorlopig niet zien. Aan de koloniale maat-

schappijstructuur werd niet getornd en alle vooruit-

gang voor de Indonesiër moest zich voltrekken binnen

dit systeem. De ethische koers trad op humanitaire

gronden eigenlijk alleen corrigerend op. Ze sprak over

verlichting en emancipatie over 'opheffen' en 'opvoe-

den' en kreeg - vaak tegen haar eigen zin in - de rol

toebedeeld van de wel menende voogd die niet kon na-

laten over zijn geliefde pupillen te blijven waken, ook

toen ze allang zelfstandig en onafhankelijk wilden

zijn. Door de Indonesische nationalist van de jaren

twintig en dertig werd de ethische richting dan ook ge-

zien als een 'gevaar' dat het streven naar volledige onaf-

hankelijkheid tegenhield door als een soort 'repressie-

ve tolerantie' te werken. Wat de Indonesiër, ook van

het begin af moet hebben geërgerd, was juist die hulp-

verlening, die betutteling. J.S. Furnivall in zijn beken-

de werk Netherlands In dia; a study of plural socie-

ty (1939) schreef op blz. 389 over al die goedwillende

Nederlanders: 'All this people want to help so much:

"let me help you", one can almost hear them say, "let

me show how you do it, let me do it for you."'

- 9


Toch was de positie van deze ethici welbeschouwd

een tweeslachtige, omdat ze eenzamen waren onder de

Europeanen en vreemden bleven onder de Indone-

siërs. Met al hun kennis van het Inlandse leven, met al

hun bewondering voor de Indische natuur en hun ge-

negenheid voor de Indonesiër, waren zij Europeanen

die met Europese ogen bleven zien. Geen van hen

heeft ooit in Indië kunnen wortelen, ze zijn allen naar

Holland teruggekeerd; de meesten zijn zelfs vroeg ge-

repatrieerd. 'Het gevoel van vreemdelingschap, van

niet thuis te zijn, is niet weg te redeneren,' schreef Nel-

He van Kol reeds in haar Brieven aan Minette (1884)

en haar bewonderaarster Marie van Zeggelen zou het

haar later bijna woordelijk nazeggen. Zonder het

woord 'tragisch' te gebruiken heeft Marie van Zegge-

len meer dan eens in haar werk uitdrukking gegeven

aan dat gevoel van vreemdelingschap. In een van haar

boeken, De Hollandsche vrouw in In d i'é met als on-

dertitel 'Indrukken van een zwervelinge' (1910), dat nu

in het najaar door Conserve wordt herdrukt, schrijft

ze: 'Vrouwen die uit een intellectuele, artistieke omge-

ving komen, missen hier alles. Het is verschrikkelijk

dat eeuwige groen, dat eeuwige thuiszitten tussen de

witgekalkte muren, de vervelende visites bij wild-

vreemden, de onbeduidende praatjes, de totale afwe-

zigheid van alles wat kunst is...' Ze wordt geplaagd

door een hevig heimwee naar Holland. 'Het is erger

dan de meesten denken,' zegt ze.

- 10


Al deze schrijvers en schrijfsters, geleerden en politi-

ci moeten het gevoel gehad hebben van bij elkaar te be-

horen. Ze vormden een groep, maar deze groep moet

zéér klein zijn geweest. We kunnen beter spreken van

een selecte kring van steeds weer dezelfde mensen die

elkaar telkens weer tegenkomen en elkaar begroeten,

die voor elkaar buigen en de hoed afnemen. Augusta

de Wit draagt een verhaal aan Van Deventer op; Van

Deventer schrijft een artikel over Kartini en noemt

haar een 'onbewust medewerkster van Prof. Snouck

Hurgronje'; Kartini geniet van de lectuur van Augusta

de Wit en Augusta de Wit wordt bewonderd door Ma-

rie van Zeggelen; Marie van Zeggelen zal op oudere

leeftijd een biografie over Kartini schrijven nadat ze ja-

renlang secretaresse is geweest van het Kartini-fonds,

in welke hoedanigheid ze nauw met mevrouw Van

Deventer heeft samengewerkt; ze is door Nellie van

Kol tot schrijven gekomen, draagt haar een boek op en

volgt haar op als redactrice van De Hollandsche Le-

lie waar Kartini ook in schreef ('onze Lelie'); Kartini

adoreert Nellie van Kol; Nellie van Kol en haar man

zijn bevriend met de Van Deventers en de Van Deven-

ters met de familie Brooshooft; Augusta de Wit noemt

prof. Van Vollenhoven met groot respect en prof. Van

Vollenhoven beschouwt De gouden kris van Marie

van Zeggelen als een mijlpaal in onze letterkunde en

zo gaat het door. De kring werd door henzelf gesloten.

Wat hen in de eerste plaats bond, was hun gemeenschap-

- n


pelijke afkeer van de Europese samenleving van geld,

tantièmes en promotie, van picknicken en bals, van re-

cepties en homberavondjes. Daarin voelden ze zich

geen van allen thuis. Het gevoel van drooggelegd te

zijn, van verveling, van vereenzaming en geestelijke ar-

moede hebben zij allen gekend, al hebben zij er ver-

schillend op gereageerd: met felle spot als Brooshooft

of Otto Knaap, met lichte ironie zoals Augusta de Wit,

met afzijdigheid zoals de Van Deventers, met be-

rusting en geklaag zoals de meesten. Ze behoorden tot

die dunne toplaag van 'beschaafde mannen en vrou-

wen' die door een 'Oudgast' bedoeld werden in zijn

boekje Onze Oost (1897). Ze kwamen allen voort uit

de 'gegoede burgerstand', met intellectuele en artistieke

behoeften en veel idealisme; ze waren lieden van bescha-

ving en cultuur. Dit heeft hun houding bepaald en van-

zelf overschreden ze de grenzen die de koloniale samen-

leving hun voorschreef. Voor hen was Indië niet meer

bij uitstek het Indië van de Europeaan, maar dat van de

Indonesiër, of liever van beiden, want ze stonden vóór

alles samenwerking voor en propageerden een associa-

tiepolitiek. Een groepsfoto uit Tempo doeloe (1961)

op blz. 163, gemaakt ter gelegenheid van de geboorte

van prinses Juliana, waarop alle bevolkingsgroepen el-

kaar de hand reiken, illustreert dit streven in beeld.

Het proza van Marie van Zeggelen is evenals dat van

Augusta de Wit tijdgebonden, vooral in de beschrij-

vende delen. Ze ziet met een Hollands schildersoog,

- 12


hetgeen niet verwonderlijk is als we weten dat ze een

teken- en schildersopleiding kreeg. Ook haar moeder

was schilderes (haar vader was een bekend volksdich-

ter). Soms zelfs doet de tropische natuur haar aan een

bepaald schilderij denken, 'een dichterlijk schilderij

van Puvis de Chavannes,' zegt ze bijvoorbeeld, 'met zijn

tere pastelkleuren van blauw, violet en groen.' Tel-

kens laat ze zich door haar beschrijvingen meeslepen

die hele bladzijden vullen. Ze doen niet alleen afbreuk

aan het verhaal dat toch altijd een zeker verloop en

een zekere gang moet hebben, ze verraden bovendien

een tekort aan oorspronkelijkheid door een veelvul-

dig gebruik van literaire clichés. Dit is zelfs in haar

beste werk merkbaar. We behoeven slechts een wille-

keurige bladzijde op te slaan om te stuiten op sjablo-

nen als 'rosse avondschijn', 'inktzwart silhouet', 'kant-

werk van lover', 'pinkelen van sterren', 'toveren van

geheimzinnige lichten' en zo maar door. En al deze

'sfeerschepping' wordt voorgedragen op een iets te ho-

ge toon. Ook in het verhaal 'Het mysterie', door haar-

zelf beschouwd als het beste wat ze schreef, past ze de-

zelfde werkwijze toe, maar in deze geschiedenis van

de jonge en eenzame vorstin Itèngré wordt de relatie

tot de hoofdfiguur zo sterk dat de beschrijvingen een

functie krijgen.

Marie van Zeggelen heeft eens in een gesprek gezegd

dat het haar bij het schrijven vooral om mensen ging,

niet om de gebeurtenissen. Het merkwaardige is alleen

- 13


dat wij in haar werk wel mensen - Boeginezen, Atjeh-

ers, Javanen - zien bewegen en handelen, maar ze zel-

den leren kennen. Ze zijn eerder gestalten dan mensen.

Voor zover er van een karaktertekening sprake is,

blijkt deze afgeleid te zijn van de uiterlijke waarne-

ming. De nadruk ligt op de beschrijving van de gebeur-

tenissen zoals ook bij de historische roman als Oude

glorie (1935). Als we een term aan de schilderkunst

ontleend, op de letterkunde toepassen, dan kunnen we

met enige goede wil tot wederzijds begrip zeggen dat

Marie van Zeggelen volgens een impressionistisch

principe werkte. Het verhaal wordt, zoals ook in Oude

glo rie, opgebouwd uit delen die los met elkaar verbon-

den zijn. Compositorisch valt het geheel uiteen in tafe-

relen, beschrijvingen, dialogen enzovoorts. De eind-

indruk is die van een bontheid, een veelheid en een

rijkdom aan details die een criticus 'visionair' noemde,

voorzover men tenminste bij een impressionistische

beeldvorming van 'visionair' mag spreken. Dat Oude

glorie één van Marie van Zeggelens beste boeken is,

kan men beamen, maar niet dat het een 'meesterwerk'

zou zijn - zoals Johan Koning het in een bespreking

noemde. Daarvoor bevat het teveel onverwerkt orna-

ment.

Toch is Oude glorie een curieus en een uniek boek.

Het speelt zich af in de glorietijd van het Atjehse rijk

in de zeventiende eeuw, in een wereld van vorsten en

vazallen, van volk en adel, van hoffeesten en intriges

- H


en van het binnendringen van de Portugezen, Engel-

sen, Hollanders en Zeeuwen. Evenals bij verschillende

andere boeken is de uitbeelding van de Oosterse we-

reld voor haar primair en zijn de Europeanen de

vreemdelingen die in het verhaal weliswaar een rol

spelen, maar die toch als buitenstaanders gezien wor-

den, als binnendringers die elkaar onderling de handel

betwisten, en waarbij natuurlijk een 'sluwe Chinees'

een dubbele rol moet spelen. Het verhaal eindigt met

een nederlaag van de Portugese armada op de kust van

Atjeh, waardoor de weg voor de Nederlanders vrij

komt. Voor Atjeh wordt een periode afgesloten en be-

gint een nieuwe. Maar de Atjehse geschiedenis heeft

een vervolg en eindigt met een lange en verbitterde

oorlog tegen de Hollanders en de onderwerping aan

het Nederlands gezag in het begin van de twintigste

eeuw. Maar hier gaat het boek van mevrouw Van Zeg-

gelen niet meer over. Ze heeft zich beperkt tot de glo-

rietijd van het Atjehse rijk. Daarvoor gebruikte ze ze-

ventiende-eeuwse bronnen. In een artikel in de Neder-

landsche Bibliographie heeft ze deze genoemd: de

reisjournalen van de gebroeders De Houtman en die

van Van Neck, het journaal van de Engelse kapitein

Lancaster en van de Franse generaal Beaulieu, alle ver-

schenen als publicaties van de Linschoten-Vereeniging.

We kunnen ons niet onttrekken aan de indruk dat Ma-

rie van Zeggelen over een glorieuze periode van de At-

jehse geschiedenis heeft geschreven als een late hulde

- 15


aan de 'onderworpenen'. Ze had ze leren kennen toen

zij en haar man in Kota Radja woonden (de hoofdstad

van Atjeh, het tegenwoordige Bandar Aceh), op een

tijdstip dat de onderwerping nog vers in het geheugen

lag. In ieder geval zou zoiets geheel in haar lijn hebben

gelegen.

In de oorlog schreef Marie van Zeggelen haar gero-

mantiseerde biografie van Kartini (1946), die nog drie

drukken beleefde. Daarna verdween Indië uit haar

werk. Vermoedelijk heeft ook zij moeite gehad met de

politieke gebeurtenissen. Ze was overigens op oudere

leeftijd nog zeer actief, ook als schrijfster: 'een kwiek

en heel bedrijvig oud dametje' dat veel praatte en dat

nog van alles wilde doen. Ze hield het meest van Den

Haag, zei ze, maar de meeste van haar vrienden en

vriendinnen had ze in Amsterdam: Lizzy Ansingh, Ri-

ka Hopper, dr. Portielje; ze las nog altijd zo graag Dic-

kens en verlangde te schilderen. Ze was zevenentachtig

toen ze in Huizen stierf, in een rusthuis dat 'Voor An-

ker' heette.

- 16

ROB NIEUWENHUYS


AANTEKENINGEN

Van Marie van Zeggelen bestaat geen samenvattende

monografie. We zijn aangewezen op krante- en tijd-

schriftartikelen die op het Letterkundig Museum te

vinden zijn. Ze zijn verwerkt in mijn Oost-Indische

Spiegel (1978) waar voor deze inleiding ijverig uit geci-

teerd is. Men zie ook de inleidingen bij de heruitgaven

van Onderworpenen en Het zeeroversjongetje in

deze serie van de Indische Letteren. - In de Oost-

Indische Spiegel is haar werk ook in verband ge-

bracht met de ethische richting, waarover men nog af-

zonderlijk lezen kan in het proefschrift van Elsbeth

Locher-Scholten, Ethiek in fragmenten (1981), voor-

al in het laatste stuk 'De ethische politiek, een ver-

gruisd beeld'. - Speciaal over Oude glorie bestaat een

artikel van Gerard van Eckeren in Eigen Haard 1936,

en hij was zeker niet de eerste de beste. - Een Leidse

doctoraal-scriptie door Heleen Smits, A t j eh in de In -

dische literatuur tot 194.8 is in bewerking.

- 17


ALOEDIN RIAJAT SHAH

De groote koning, Al-la-din Mansjoer Shah, heerscher

over Atchin, het 'Rijk der drie zijden', was gestorven.

Luisterrijk had de uitvaart plaats gehad in de stad, die

verscholen lag onder het eeuwenoude dichte loover.

Twee honderd olifanten, vier rhinocerossen, twaalf

met goud en zilver opgetuigde Perzische paarden had-

den de met koperen platen en goudlaken gedekte kist

naar het vorstelijk graf gebracht. Vrouwen en bijvrou-

wen, slavinnen en dienaressen volgden de baar en de

stoet van edellieden die den trein sloot, was onafzien-

baar.

Eerbiedig en bewonderend had het volk toegezien

en telkens als de stoet voorbij kwam, want driemaal

was zij om het Bedehuis gegaan, gonsde de stem der

menigte haar 'Daulat - La ilaha illa 'llah - er is geen

God dan Allah -' Nu lag de koning wiens lichaam

eens glinsterde als de zon, die volmaakt was als de

Noordster, die een slaaf Gods was, onder wiens scha-

duw alle slaven schuil gaan, in zijn verheven graf, be-

schermd door langbladerige ricinusplanten en de vrou-

wen weenden er luid bij en zongen haar klaagliederen.

In de groene lanen waar de brandende zon haar stra-

len door het beschuttend loover poogde neder te wer-

- 19


pen, trok het volk naar de groote kandoeri, het begrafe-

nisfeest ter eere van den afgestorvene, in het nu leege

vorstenverblijf. Vijf dagen lang, zoolang de vrouwen

zouden weenen en klagen bij het graf, vervulden de

hofhoorigen en priesters hun plicht om den grooten

doode te eeren door gebeden, liederen en heilige dan-

sen. Vijf dagen lang treurde de stad om den grooten

doode en rezen de liederen omhoog, dienende voor zijn

zielevaart. Het werk stond stil, de goudsmeden smeed-

den niet, de weefsters weefden niet, de visschers togen

niet uit, de prauwen lagen buiten op het strand en de

vischfuiken waren opgeborgen. Het volk zwierf door

de bezonde lanen en om de groote pleinen waar in ge-

wone tijden de markten gehouden werden en thans de

plaats der samenkomst was voor hen die elkaar zochten

om over den dooden koning te spreken. Van den

hoogsten Orangkaja, de rijksgrooten af tot den laagsten

onvrije was ieder vervuld van de gebeurtenis, het ster-

ven van zijn koning, want deze vorst liet geen mannelij-

ke nazaten achter en wie zou nu den troon erven?

Hierover spraken de menschen op het marktplein,

hierover spraken zij in de rijke groote huizen der

Orangkaja, en zij in de kleine onaanzienlijke wonin-

gen der handarbeiders en visschers. In angstige ver-

wachting beidde men den dag na den terugkeer der

klaagvrouwen, waarop het vorstelijk graf met de kost-

bare steenen gesloten en een nieuwe vorst gekozen zou

worden.

- 20


Nja Ganti, de kleine zoon van Lem Deuha, den

goudsmid, wist niets van dien angst. Hij had voor het

eerst de pracht gezien van deze plechtige uitvaart en

zijn verwonderde oogen zagen nog de schitterend op-

getuigde olifanten, met de gouden en zilveren slagtan-

den, de zijden kleeden en de glanzende en blinkende

torens op hun ruggen, zij zagen nog de fiere paarden

met hun lange manen en rijken toom en zijn hart klop-

te weder plotseling sneller als hij dacht aan de rhinoce-

rossen met hun grimmige naar boven gekrulde hoorns

boven den neus. Vast had hij Vaders hand gepakt toen

hij ze, hoog op diens schouder gezeten, had zien voor-

bijgaan en nu, terwijl hij naar huis ging, altijd nog geze-

ten op Vaders schouder, hield hij die hand vast, zooals

hij ook dien droom van pracht vasthield in zijn kleine

ziel: de optocht van den dooden koning. Zelfs de scho-

ten die uit de stadskanonnen bij de rivier opdreunden,

konden dien droom niet verjagen. Stil zagen zijn wijd-

geopende, donkere oogen op de menigte neer die daar

beneden op den weg golfde, want duizenden waren op

de been en duizenden zoemden tegelijk met de knette-

rende schoten hun 'Allah Illah Allah'. De hooge ko-

piah's der mannen vingen de flitsende zonnestralen op

hun gouden of zilveren randen en de smalle schouder-

doeken der vrouwen geleken roode en gele vlammen als

zij uit de schaduw te voorschijn kwamen. Nja Ganti

zelf was ook op zijn mooist al was hij nog een kleine

jongen. Moeder had hem het zwart zijden beenkleed

- 21


aangetrokken dat op de enkels met borduursel afgezet,

nu door zilveren voetringen gesloten werd. Het witte

baadje had zij met kleine gouden knoopen voorzien en

op zijn hoofd droeg hij, evenals Vader de torenvormi-

ge kopiah, waarop een zilver kruintje fonkelde. Ware

hij een meisje geweest, dan had Moeder hem zeker be-

hangen met alle gouden en zilveren sieraden die meis-

jes dragen, zooals de zware armringen, halskettingen

en oorversierselen. Nja Ganti was een jongen en be-

hoefde dit alles niet, maar toch geleek hij een vorsten-

kind zooals hij daar zat, onbeweeglijk op Vaders

schouder die hem hoog boven de menschen uitdroeg,

zooals men vorstenkinderen doet. En voor Vader was

Nja Ganti een vorstenkind, want hij was zijn eenig

kind, daarbij zijn zoon. Lem Deuha was een eenvou-

dig man, maar hij was een vrij man, geen slaaf. Het be-

roep der goudsmeden was, hoe moeilijk en kunstig het

werk ook is, niet zeer in tel bij de Grooten en rijken,

maar Lem Deuha had zijn innerlijken trots en zijn ar-

beid was hem lief. En die innerlijke trots strekte zich

ook uit tot den zoon, dien hij nu hoog op zijn schou-

der droeg. Bij zijn woning aan de rivier gekomen, zette

hij den jongen voorzichtig neder bij de trap. Daar za-

ten onder de palen van het huis Intan, zijn vrouw en

Tjoet Limpah, zijn schoonmoeder, de pottenbakster.

Ook deze had haar werk niet ter hand genomen op

den begrafenisdag. Zij wachtte de thuiskomst van haar

schoonzoon en kleinzoon.

- 22


'Welaan Lem Deuha,' zei de oude vrouw, 'is er reeds

bericht gekomen wie onze nieuwe vorst zal zijn?'

'Nog niets heb ik vernomen, Tjoet Limpah, maar ik

weet dat over twee nachten de Orangkaja te samen ko-

men en zullen beraadslagen,' antwoordde Lem Deuha.

'De Verhevene verhoede dat een hunner onze ko-

ning wordt!' zeide Tjoet Limpah. 'Het land zou in rep

en roer komen.'

'Maar weet gij dan een geschikt vorst voor ons,

schoonmoeder, wie zou het moeten zijn als hij niet uit

de Orangkaja gekozen wordt?'

'Het zou een moeten zijn, dien men reeds dood

waant, een die lang reeds de middaghoogte van het le-

ven voorbij is, die rustig wacht op het einde. Tot hem

moeten wij gaan.'

Lem Deuha wist wien zijn schoonmoeder bedoelde.

Het was Aloëdin - de oude visscher die opgeklommen

was tot admiraal der vloot, later tot Orangkaja en die

nu stil leefde, verlaten, alleen in een huis dicht bij de

zee. Lem Deuha schudde het hoofd. Tjoet Limpah

werd oud. Zij zeide vreemde dingen en toch óók, dat

wist hij: haar woorden waren dikwijls als goud -

'Meuih aere', echt goud, als het beste dat hij smeedde.

Intan, zijn vrouw noodde tot eten en Nja Ganti die nog

droomerig op de trap zat, liet zich door Moeder van het

stijve baadje en de nauwe kopiah ontdoen; hem werd

daarna een pisangblad met rijst in handen gegeven, en

Intan schudde haar zoon even lachend heen en weer:

- 23


'Ajo Nja, eet wat! slaap je al?'

'Hij is vol van wat hij zag, vrouw!' zeide Lem Deuha

en de groote oogen van het jongetje zagen Vader aan.

Ja, zóó was het!

De weeklacht der vrouwen was verstomd - de olifan-

ten, tweehonderd in aantal, waren weder verdeeld en

teruggekeerd naar de plaatsen waar zij behoorden. De

Messias-olifant naar het vorstenverblijf - de krijgsoli-

fanten buiten den Dalam, de werkolifanten die bij

vloed de galeien op de schoorbalken trekken naar het

strand, en 's vorsten lievelingsolifant Pomerah, de

zachtmoedige, naar zijn eigen huis, dicht bij de rivier.

De groote kandoeri ook was afgeloopen; de danse-

ressen en slavinnen bleven wel in den Dalam. De

geheel-gewapende vrouwenwacht die den koning om-

ringd had was er, maar toch scheen het kasteel leeg.

Niemand ging onder de drie poorten door - de bin-

nenpleinen lagen verlaten - de vrouwen hadden zich,

zooals het behoort, teruggetrokken in de binnenste

vrouwenvertrekken. Daar buiten echter in de stad was

alles als van ouds. De kleermakers en goudborduur-

ders zaten weder op hun matjes onder de beschermen-

de afdaken, de smeden werkten weder bij hun smelt-

ovens, de klop van de weefstok der vrouwen liet zich

weder hooren en de pottenbaksters brachten hun sta-

pels bruin-zwarte potten weder op het rechte hoofd

naar de naburige markt. Aan de rivier die haar golven

- 24


als een flikkerend lint langs de onder loover verborgen

stad voortstuwde, was leven en beweging. De visschers

hadden hun werp- en schepnetten weder bij honderd-

tallen uitgezet langs den oever - en zij zelven voeren,

in de djaloer gezeten, stroomafwaarts, om bij de uit-

monding het vierkante zeil te hijschen en aan de kust

te hengelen. De grootste bedrijvigheid was dââr aan de

flikkerende zee, waar visscherij en scheepvaart weder

ter hand genomen was, want daar leefde de Atjehsche

bevolking grootendeels van. Op de scheepstimmer-

werf werd weder gearbeid; olifanten hielpen er zware

lasten trekken en honderden kleine jongens dreven de

dieren voort. Aan de kust maakten de visschers zich

gereed in zee te gaan. 's Konings groote galeien echter,

ieder vierhonderd roeiers kunnende bergen, lagen on-

gebruikt op het strand - en de duizenden slaven wa-

ren werkeloos. Zagen zij afgunstig naar de ontelbare

visschersprauwen die met hun bollende zeilen zee-

waarts togen? Hoe veel verder, soms tot Malakka toe,

waren zij niet op bevel van den koning gegaan? Hun

vuurroeren hadden over de golven gedreund, hun

vloot was berucht en gevreesd, zelfs bij de groote en

vreemde schepen die uit verre landen kwamen! Meni-

ge buit hadden de galeiroeiers aan land gebracht voor

hun koning en zelfs gevangenen, blanken en bruinen,

gemaakt. Atjeh was gevreesd zelfs in het machtige

Ceylon - maar nu? Wie zou er bevel geven uit te va-

ren? Wie zou hen dwingen pijl en boog ter hand te ne-

- 25


men om zich tegen vijand en vreemdeling te bescher-

men? Er waren thans geen vreemde schepen te zien,

zelfs geen Chineezen, geen Arabieren of Portugeezen.

Het was vreemd maar gelukkig! De Verhevene en ze-

ker ook de machtige Nabir Chailir, de Zeegeest, be-

hoedde hen in dezen tijd, zonder Koning, voor vreem-

delingen. De slaven bleven evenwel in de nabijheid

van het strand, niet alleen om met spiedende oogen te

waken, maar ook om hun vischrecht - want als straks

de netten vol visch aan de kust geworpen werden, zou-

den de duizenden bronzen naakte mannen er op af-

stormen en hun handen vol visch nemen - dat was

hun recht en tevens het geluk van den visscher, want

hij die zijn gift niet afstaat aan de bevolking op het

oogenblik dat de vangst op het droge is, verliest de

gunst van Nabir Chailir.

Er was één man, geen slaaf maar een vrije, die vanuit

zijn woning, door hooge palmen omringd, mede uit-

zag met de slaven naar de zee, die met zijn scherp oog

tuurde naar vreemd zeil of vreemde vlag op de glinste-

rende watervlakte der Surratte passage. Dat was de

oude visscher Aloëdin, die als eenvoudig visscher be-

gonnen was met zijn prauw en schepnet - maar door

Nabir Chailir gezegend, de gunst der bevolking, later

die van den Koning, gewonnen had, en zoo opgeklom-

men was tot admiraal van de Koninklijke vloot. En

nog was in dien tijd zijn gelukster niet tot het hoogte-

punt gestegen, de koning schonk hem uit erkentelijk-

- 26


heid voor zijn overwinningen ter zee, de hand zijner

nicht. Zoo was een prinses van Djohor de gemalin ge-

worden van dezen eenvoudigen visscher. Twee zonen

en een dochter had zij Aloëdin nagelaten. Aloëdin had

zich na haar dood teruggetrokken ten spijt van 's Ko-

nings bevel, dat hij op zijn post blijven zoude. Dit be-

vel was ten leste ingetrokken toen de admiraal het ant-

woord gegeven had op 's Konings vraag - *Welke re-

den hebt gij, Toeankoe Aloëdin, Uwen dienst op te

zeggen?'

'Geen andere, o Koning die gelijk zijt aan de volle

maan en die rechtvaardig en goed is, dan mijn leven.

Mijn leven wordt bedreigd door hen die U omringen,

want hun hart is ziek door Uwe goedheid voor mij. Ge

hebt mij tot Uw eersten dienaar gemaakt, ge hebt mij

de hand Uwer nicht geschonken, het wekt de nijd op

van Uwe rijksgrooten en hofdienaren. Laat mij in vre-

de gaan, Heer, want ik nader den ouderdom en ik sta

anderen af waar zij naar verlangen.'

En zoo was Aloëdin gegaan, want de Koning wist

dat er waarheid school in deze beschuldiging. De

Orangkaja, de rijksgrooten en allen die in 's Konings

gevlij wilden komen, haatten Aloëdin omdat zij hem

benijdden, doch niet alleen daarom, ook om zijn

grooten invloed, die den hunne vernietigde en de

Rijksgrooten, uit wier midden de Koning - in vroege-

re tijden alleen een Havenkoning - gekozen was, wil-

den de heerschappij terug. Aloëdin was de raadgever

- 27


van den Koning geworden, de Koning was door hem

een zelfstandig denkend wezen geworden en dat ver-

droot den Rijksgrooten zeer. Ha! Aloëdin had hen met

zijn scherp oog doorzien en triomfantelijk had hij zich

teruggetrokken, had hij met trotsch gebaar zijn plaats

den benijders aangeboden, maar diep in zijn hart was

een wrok gebleven, een wrok waar alleen zijn dochter

van wist, de jonge weduwe van een Djohors edelman.

Zij woonde bij den ouden vader met haar zoon Iskan-

der. In het huis bij de zee leefden de vader en de doch-

ter met het kind in groote eensgezindheid en tevens in

de grootste eenzaamheid, met enkele slaven, en slavin-

nen van wier trouw zij overtuigd waren. Tjoet Nja Mi-

rah echter verzorgde den maaltijd voor haar vader en

zoon altijd zelf, uit vrees dat er nog belagers van hun

leven zouden zijn, die de slavinnen omgekocht had-

den. De kleine Iskander was de lieveling van zijn

grootvader en ook was hij diens leerling. Alle lessen

kreeg hij uit den mond van Grootvader en was er wel

een wijzer en kundiger mensch dan deze? En was er

wel een stoutmoediger zeevaarder en krijgsman dan

Aloëdin? Waarlijk. Iskander had wel de beste leer-

meester die er in het geheele 'Rijk der drie zijden' was.

Als de goede geesten hem bij wilden staan - en had

Tjoet Nja Mirah niet herhaaldelijk zegespreuken over

haar kind laten uitspreken? - dan zou Iskander eens

worden als Aloëdin zelf geweest was, of wellicht als de

Groote Iskander, wiens naam hij droeg, de vorst die

- 28


over landen en zeeën gekomen was en alle volken had

overwonnen! Tjoet Nja Mirah's eerzucht was even

groot voor den zoon als zij eens voor den vader ge-

weest was. In haar brandde een heldenvuur, dat onder-

houden werd door haar liefde voor deze twee. Daarom

was haar haat tegen de Orangkaja nog grooter dan die

van haar vader, daarom leefde in haar de hoop dat haar

zoon zich eens wreken zou op hen, die nu de macht in

handen zouden krijgen, de Orangkaja! Tjoet Nja Mi-

rah wist niet hoe spoedig haar wensch in vervulling

zoude gaan en zij zelfs niet op den tijd daarvoor be-

hoefde te wachten tot haar zoon volwassen zou zijn.

Terwijl de vele slaven onder de geboden stilte voor

de vischvangst op het strand wachtten tot de netten

aan de kust geworpen werden, en alleen de branding

haar zijig gelispel deed hooren als zij haar schuim op

het strand achterliet, kwamen in de stad de Orangkaja

bijeen op het grootste marktplein, waar de schaduw

van een reusachtige Waringin een koele zaal gelijk was.

Zij waren van alle zijden gekomen. Zij kwamen uit

Kampong Djawa, Pandi, Lambhoe, Batok, Meurata,

en zij die in de stad zelve woonden, verlieten hun koe-

le, op palen rustende huizen en voegden zich bij dege-

nen die met hun prauwen de rivier waren komen af-

zakken of te voet den tocht van het binnenland uit on-

dernomen hadden. Heden zou beslist worden wie van

hen allen 'Havenkoning' worden zou. Op den tijd dat

de olifant ontwaakt, dus vroeg in den morgen, begon

- 29


het marktplein zich reeds te vullen. Velen toch hadden

des nachts gereisd, daar het dan koel en men lichter

van voet is, doch het duurde tot 'lehoer', den tijd van

het middaggebed eer allen bijeen waren en de oudste

der Rijksgrooten Teungkoe Moehammed het woord

nam.

'Welaan, mijn jongere broeders,' begon hij, 'gij allen

die hier gezeten zijt zult de reden kennen, waarom wij

hier bijeen zijn. Wij hebben vijf dagen achtereen als het

ware gesluimerd, thans is het oogenblik daar waarop

wij ontwaakt zijn en met open oog en helder hoofd ons

lot moeten bepalen. Zijt gij het allen hiermede eens?'

De oudste van Kampong Pandi antwoordde daarop:

'Wij vragen vergeving voor onze komst, oudere

broeder, en wij deelen U mede, dat wij U eerbiedig zul-

len aanhooren en de redenen die gij ons ontvouwen

zult, aandachtig in overweging zullen nemen.'

Een gemurmel van instemming ging op uit de om-

ringende menigte. Voor hen die het marktplein voor-

bijgingen was het of de groote Waringin zelve sprak,

want de donkere gestalten aan zijn voet, tusschen zijn

ver heen loopende wortels, geleken één met den boom

en het gemurmel was als het gemurmel van een zacht

golvende waterkom, waaruit de boom scheen te rijzen.

Zijn luchtwortels daalden neder als fijne sluiers van

takken en zoo stond hij daar als een tempel, donker en

hoog, een tempel gevuld met menschen midden in het

zonlicht.

- 3


'Zij beraadslagen!' zeide de oude Tjoet Limpah die

naar de markt ging, dragende haar stapel bruine potten

op het nog donkere hoofd. 'Moge de Verhevene hun

goede gedachten geven!' Haar lange, zwarte gestalte, in

de zwarte broek tot de enkels, in het nauwsluitend

zwart baadje, geleek een heilige figuur in het gouden

zonlicht, waarin alleen haar matbruin gezicht en het

roodbruin der hooggestapelde potten warm glansde -

een donkere kolom geleek zij, dragende een zacht don-

kere vlam. De markt was een half uur gaans weg, en

toen zij tegen het avondgebed terugkeerde, zonder

potten nu, het hoofd alleen gedekt door haar slendang,

vertraagde haar gang in de nabijheid van het markt-

plein.

'La Illah 'llah! Wat geschiedde daar? Hoe was alles

opeens veranderd?' Het zachte instemmende gemur-

mel van dezen middag was aangezwollen tot een woest

tumult. Hoor! er werden ruwe woorden gesproken,

men riep alle heiligen aan, men schreeuwde en krijsch-

te - en nu zij nader kwam, zàg hij het - allen waren

verspreid over het plein - de schaduw van den warin-

gin was weggetrokken als opgezogen door zijn blader-

kroon die niet meer wilde beschutten deze woedende,

tierende menigte!

Men vocht - men sloeg. Niet te onderscheiden wa-

ren de menschen, als één klomp drongen zij samen.

Tjoet Limpah bleef staan, een rechte donkere zuil ge-

lijk in het reeds dalende licht. De vrouwen die achter

- 31


haar aan kwamen, als zij gekleed in lange zwarte broe-

ken en baadjes, stootten elkaar aan:

'Zie Tjoet Limpah - waarom blijft zij stil staan? Laat

ons doorgaan, vlug!' en sommigen, die jong waren en

goedlachs, gleden langs haar heen, ginnegappend om

de oude vrouw die er zich iets van aantrok, dat de man-

nen daar op het marktplein elkaar in de haren vlogen!

Wat hadden zij daar mee te maken, de vrouwen? Als

hun mannen en zoons er maar buiten bleven dan was

het goed! 'Kom Tjoet Nja - oude Moeder,' zeide er een

die haar goed kende - 'stoor U daar niet aan - ga mee

- de Uwen zijn daar niet bij!' maar Tjoet Limpah

hoorde haar niet. Zij bleef staan, zij wilde niet verder

en de marktgangsters gingen door. Zij lieten haar,

Tjoet Limpah was altijd vreemd - zij was, zeide men,

waarschijnlijk een afstammeling van zekere Nja Walri-

am, de vrouw die in oude tijden eens verdronken was

en weder terugkeerde bij haar familie omdat zij be-

schermd was door de engkoet Djibib, de grootste vis-

schen in zee die haar met schelpen en zeewier bedekt

hadden en aldus redden. Alle vrouwelijke afstamme-

lingen van deze Nja Walriam hadden een wonderlijke

macht - haar gelukte alles wat zij ondernamen, zij

stonden in een reuk van heiligheid. Tjoet Limpah wil-

de daar echter nooit over hooren. In de kampong durf-

de men er niet van spreken, doch men wist heel goed

dat Tjoet Limpah om die reden de zoogmoeder was ge-

weest van Aloëdins dochter. In den tijd toen hij nog

- 3 2


heerschte was Tjoet Limpah in den Dalam geroepen

en zij had de kleine Tjoet Nja Mirah gevoed. Eenmaal

weder terug gekeerd naar haar kampong, wilde zij ech-

ter geen woord spreken over haar verblijf daar. Zij was

geslotener dan ooit, doch niemand haatte haar daar-

om, integendeel, de vrouwen zoowel als de mannen

hadden ontzag voor Tjoet Limpah en zij wisten dat

haar wijze woorden uit een goed hart kwamen. Men

vroeg haar dikwijls om raad in moeilijke gevallen en

daarom liet een der vechtende mannen zijn geheven

hand, tot den slag gereed, weder zakken, toen hij daar

opeens de donkere, onbeweeglijke figuur zag staan.

Tjoet Limpah in het rosse, dalende zonlicht. Het uit-

spreken van haar naam was reeds genoeg om ook de

anderen te doen opzien, te doen zwijgen. Zij die zoo-

even met vurige oogen elkaar hadden aangezien, wier

stemmen krijschten en vloekten, gingen uit elkaar. -

Waar was Tjoet Limpah? Was zij een verschijning of

stond zij daar werkelijk? Het was geen gewoonte dat

vrouwen op de bijeenkomsten der mannen kwamen,

in geen geval vrouwen van lage afkomst. De oudste

der Orangkaja Toeankoe Moehammed trad op haar

toe: Wat voert U hierheen, Tjoet Limpah? Wat wilt

ge?'

'Waarom zijt ge het met elkander niet eens?' was haar

wedervraag.

'Wij moeten onzen vorst kiezen - weet gij wie het

zijn zal, Tjoet Limpah? Wijs hem dan aan!'

- }}


De mannen hadden zich om de vrouw heenge-

schaard. Zij wendde zich langzaam om, zag den kring

rond.

'Niemand Uwer zal het zijn, de Verhevene wil het

niet!'

'Niemand onzer! Wie dan, Tjoet Limpah, wie zal on-

ze vorst zijn?'

'Hij die aan zee woont, Toeankoe - de man die niet

mededingt met U, die niet vecht als gij, de man die stil

wacht en bedaard is, die ouder is dan gij allen, Aloëdin.

Ga tot hem en zeg hem dat gij hem gekozen hebt!'

Tjoet Limpah maakte een gebaar met den arm en de

kring opende zich. Men liet haar door. Een gonzend

gemurmel steeg achter haar op. Niet achtend wat er

om haar heen gebeurde, schreed Tjoet Limpah over

het plein. De zon was gezonken. Van de Missigit riep

de priester het 'Alia 111 Allah.' Er is geen God dan Al-

lah, en de geloovige spoedde zich naar het bedehuis en

het verreinende bad voor het ritueele gebed.

Over de donkere stad die nu in avondrust verzonken

scheen, deed de maan plotseling haar zilverblauw licht

glanzen. Huizen en geboomte wierpen hun lange scha-

duwen op blank gedrenkte wegen en weder lag het

groote marktplein in het witte licht als een zilvermeer

rond den zwarten Waringin-koning en weder kwamen

de Orangkaja daar bijeen, want Tjoet Limpah's woor-

den hadden doel getroffen. Zij waren als de zaadkorrel

- 34


geweest in de omgeploegde aarde. De oudste uit Kam-

pong Pandi had zijn broeders vermaand niet te krakee-

len of te vechten over de vraag wie tot koning be-

noemd zou worden; zouden zij allen, die toch geza-

menlijk het goede wilden, niet worden 'tot brandhout

voor de hel', wanneer zij twistten? 'Laat ons naar Aloë-

din gaan en hem vragen onze Radja te zijn!' en een an-

der, de Teunkoe van Batok sprak een paar woorden

die bij allen ingang vonden: 'Aloëdin is immers oud!

Hoe lang zal zijn regeering duren en dan is een on-

zer rijp daarvoor!' - In vele donkere oogen brandde

ook de vraag: 'Hebben wij het niet in onze macht hoe

lang Aloëdins regeering duren zal?' Zeker, de Orang-

kaja hadden de macht en bleven die behouden - een

havenkoning kon zonder hen niets uitrichten. In

waarheid heerschten zij over den Koning en niet de

Koning over hen, was het dus niet begeerenswaardiger

Orangkaja te zijn dan Koning? 'Welaan, laat ons naar

Aloëdin gaan, nog voor de morgen aanbreekt, om zijn

antwoord te weten!' Zoo spraken eenigen en weder

was het de oudste van Kampong Pandi die aan Teun-

koe Moehammed verzocht de zendelingen aan te wij-

zen, die onmiddellijk op weg zouden gaan naar Aloë-

dins huis. Twaalf Orangkaja werden gekozen en twin-

tig als metgezellen, zoodat twee en dertig zendelingen

op het uur, geschikt een reis te beginnen, zich op weg

zouden begeven. Teunkoe Moehammed en de oudste

van Kampong Pandi waren onder hen en Teunkoe

- 35


Moehammed, hen allen verzamelende, deed de gebrui-

kelijke geluksvraag: 'Met hoe weinigen zijn wij?'

'Wij zijn slechts met twee en dertig mannen,' was het

antwoord en eerst daarna togen de mannen op weg.

Over den schouder sloegen zij den sirihdoek met de

zilveren sleutels en gouden sierknoop; in den gordel

droegen zij de rentjong of kris.

Naar landsgewoonte liepen zij achter elkaar, zoodat

zij een langen stoet vormden. Wanneer de maan vol is,

blijven de menschen in een Atjehsche kampong op, zij

zitten in de djoeroë of vóór het huis en de kinderen

spelen hun maneschijnspelletjes, verstoppertje of het

olifantenspel. Nja Ganti, bijna naakt nu, speelde met

de anderen meutomtom, het spel waarin men een tou-

wen ring in het zand verbergt om er met een stok naar

te steken. Hij was aan de beurt, maar toen hij den stoet

mannen zag gaan, daar op den maanbeschenen weg on-

der de zwarte boomen, wierp hij zijn stok weg en bij

Grootmoeder gekomen, die in de donkere slagscha-

duw van het huis zat, vroeg hij:

'Wie zijn zij en waar gaan zij heen, Grootmoeder?'

'Het zijn de Orangkaja en zij gaan hun Koning ha-

len, Kleinzoon!'

Nja Ganti zag hen na. Zou hij ook eens, als hij man

was, zoo in lange rij loopen en een koning halen?

In den zeer vroegen morgen voor de zon aan de kim

was, werd de oude Tjoet Limpah gewekt door haar

-36


dochter Intan. Intan deed het uiterst voorzichtig, want

men mag een slapende niet ruw storen, de ziel mag niet

plotseling teruggebracht worden in het lichaam. Zij

zette zich daarom voor haar weefgetouw en begon,

hoewel het nog niet geheel licht was, eenige malen den

weefstok aan te drukken, hetgeen een kloppend geluid

maakt. Intan's weefgetouw stond meest onder het

huis, zooals de gewoonte is bij de vrouwen van Atjeh,

maar wanneer de klei voor de pottenbakkerij werd

aangebracht, deed zij haar werk binnenshuis, dan was

er geen plaats voor het weefgetouw. De weefstok brak

Tjoet Limpah's droom inderdaad af - en voerde de

oude vrouw uit de verbeelding naar de werkelijkheid.

'Moeder,' zeide Intan haar slaapbank naderend, 'de

Teunkoe Moehammed is gekomen en wil U spreken.'

Buiten wachtte de Orangkaja, Teunkoe Moeham-

med. Hij had Tjoet Limpah's raad noodig; want de

nachtelijke tocht der Orangkaja naar het huis van

Aloëdin had tevergeefs plaats gehad. Hun verzoek was

afgeslagen, Aloëdin begeerde het niet, Koning te zijn.

Hij begeerde rust, niets anders. De hand op den schou-

der van zijn kleinzoon Iskander - den twaalfjarigen

knaap, had hij er bij gevoegd dat hij zijn laatste levens-

jaren wilde wijden aan dit kind - dat hij deze le-

venstaak ten einde wilde brengen en zich te oud voelde

om te regeeren.

Den ganschen nacht tot het eerste kraaien van den

haan hadden de Orangkaja, de twaalf zendelingen bin-

- 37


nenshuis, de twintig volgelingen daar buiten, gezeten

en gewacht op het eind der besprekingen tusschen den

woordvoerder en Aloëdin. Toen eindelijk waren zij

weder stadwaarts gegaan, met brandende fakkels, want

de maan was ondergegaan en de nacht diep en duister.

Men zag zelfs de zee niet - men hoorde haar slechts

ruischen, zacht en ver, en Aloëdin had met de hand

nog op den schouder van Iskander, de donkere figuren

der Orangkaja in den nacht zien verdwijnen, spook-

gestalten onder het grillig licht der fakkels.

Alsof zij er bij ware geweest, zag Tjoet Limpah

hem zoo staan, toen Teunkoe Moehammed haar bui-

ten, onder het huis zijn wedervaren vertelde. Tjoet

Limpah kende de liefde van Aloëdin voor den klein-

zoon. Zijn Moeder, de voorname Tjoet Nja Mirah was

immers haar zoogkind geweest en had zij zich niet al-

tijd als een moeder gevoeld van deze dochter Aloë-

dins? Zeker, de oude Tjoet Limpah had haar eigen kin-

deren, een groot aantal, zeer lief, daaronder was Intan,

de vrouw van den goudsmid, maar voor het kind van

vorstelijke afstamming, Mirah, gevoelde zij iets bij-

zonders. Om haar was zij in den Dalam gekomen, had

zij haar eigen kroost verlaten - zij had het voorname

kind gevoed en met haar melk was een kracht in het

kind gestroomd, die het voor altijd bond aan de vrouw

uit het volk. Wreed had men haar van Mirah geschei-

den toen zij zich te veel rechten ging aanmatigen. Zij

had dit nooit vergeten en heimelijk waar zij kon, was

-38


zij de kleine Mirah in het leven nabij gekomen. Op

haar bruiloft met den Prins van Djohor was zij degeen

geweest, die den bruidegom de voeten waschte. Dat

had men niet kunnen verhinderen en toen Iskander ge-

boren was, had zij haar gaven, rijst en vruchten, aan

den Dalam gebracht. Zoolang Aloëdin met zijn doch-

ter en kleinzoon aan zee woonde had zij haar zoog-

kind niet meer gezien... maar nu, als Aloëdin tot ko-

ning gekozen werd, als hij vernam wie daarvoor den

wijzen raad gegeven had, dan... stellig zou zij weder in

genade worden aangenomen. O! niet als vrouw van

eenigen invloed, maar als nederige slavin, meer wilde

zij niet! Zeker, zij was nu, hoewel een eenvoudige pot-

tenbakster, een vrije vrouw, maar ter wille van Tjoet

Nja Mirah, ter wille van den zoon Iskander, zou zij

willen zijn de nederige slavin die de voeten kust van

haar vorstin... Doch nu was er iets zonderlings ge-

beurd! Aloëdin wilde geen Koning zijn! - Hij wilde in

de eenzaamheid blijven!

'Wat zullen wij doen, Tjoet Limpah, hoe zullen wij

dit aanpakken?' vroeg Teunkoe Moehammed haar, en

zij richtte het gebogen hoofd op.

'Nogmaals moet ge tot hem gaan, Teunkoe, nog-

maals en als hij weder weigert nogmaals...'

'En dan?'

'En dan, als hij voor de derde maal weigert, neem dan

Uw wapen en zeg hem, dat hij sterven moet.'

'Aloëdin is een moedig man, dat weet ge toch, Tjoet

- 39


Limpah,' zeide Teunkoe Moehammed. Tjoet Limpah

zweeg; zij dacht na - zij zag naar den hemel. De

lichtstreep van den komenden dag werd breeder - de

bladeren van de lage pisangboomen kregen een satij-

nen glans, vogels begonnen te kwetteren en bedrijvig

te ritselen in de kruinen der hoogere boomen.

'Zeg hem,' - Tjoet Limpah sprak zacht maar duide-

lijk - 'zeg hem, Teunkoe, dat gij ook Iskander, den

Prins zult doen sterven.'

Na het vertrek van Teunkoe Moehammed begaf Tjoet

Limpah zich naar de rivier om te baden, daarna ge-

bruikte zij den morgenmaaltijd met haar dochter In-

tan en schoonzoon Lem Deuha; en toen zij de rijst ge-

nuttigd had, begaf zij zich naar haar pottenbakkerij

onder het huis. Hier waren de kleikuilen waarin haar

voeten traden om de klei te kneden en kleine Nja Gan-

ti volgde haar als gewoonlijk om te zien hoe Groot-

moeder in de grijze en bruine klei met tot de knie ont-

bloote beenen rondstapte. Intan vond het wel gemak-

kelijk. Zij kon haar gang gaan in huis, terwijl haar kind

bij Grootmoeder was en zich vermaakte met Groot-

moeders dans en zang - want het geleek soms wel of

Grootmoeder in de klei danste en om den kleinen jon-

gen bezig te houden, wellicht ook voor zich zelf om

regelmatiger te stampen, zong zij er wel eens liedjes

bij:

- 40


of

Thans zal ik zingen van heia popeia

Het touw van den vlieger is gebroken

Word spoedig groot, kind

Opdat gij twee landen kunt regeeren.

O klei, o aarde, waarom zijt ge weerspannig?

Wees week, o klei, wees gehoorzaam, dan zal

ik mooie potten van U maken!

Als Grootmoeder dat aardige kleilied zong dat zij zelf

bedacht, mocht kleine Nja Ganti meezingen. Hij

vroeg dan op denzelfden toon als Grootmoeder:

'Welke potten worden er gemaakt?'

En Grootmoeder antwoordde al zingend:

'Potten om rijst in te koken - en 'Boeleukat' in te

maken, die kleine Nja Ganti zoo graag lust.'

'En welke potten nog meer?' zong Nja Ganti dan we-

der?'

'Potten die geen potten zijn, maar vazen met deksels

en kleine openingen.'

'Wat doet men daarmede?'

'Men brandt er wierook in! Wierook, die de goede

geesten roept.'

'Voor wie wil Grootmoeder de goede geesten roe-

pen?'

'Voor mijn kleine Nja Ganti - mijn zoet diamantje!'

Dezen morgen echter zong Grootmoeder niet. Zij

- 41


stampte de klei en het was of kleine Nja Ganti er niet

was. Toch zat hij daar gehurkt bij den kleikuil en keek

naar Grootmoeder en toen hij eindelijk vroeg: 'Waar-

om zingt Grootmoeder niet?' kreeg hij ten antwoord:

'Ga naar je Moeder - toe dan! Laat Grootmoeder al-

leen! Pas op, val niet in den kuil, anders wordt je ook

nog klei en stampt Grootmoeder je fijn.'

Daar lachte Nja Ganti om, hij wist wel dat zij dat

niet doen zou, maar toen Grootmoeder uit den kuil

stapte en zeide dat zij geen kleine jongens vandaag kon

gebruiken - liep hij vlug onder het huis vandaan en

klom de ladder op die naar de Djoeroe voerde.

Niet alleen Nja Ganti vond Grootmoeder dien dag

vreemd - Intan riep haar tevergeefs om het tweede

maal van den dag te nuttigen, maar haar Moeder bleef

bij haar draaischijf. - Zij maakte met haar handige

vingers wel vijftig potten dien dag.

Vliegensvlug liet zij de rondgeknede ballen op de

schijf draaien, terwijl haar fijne, sterke vingers de holte

indrukten, den rand ombogen en haar nagels de teeke-

ning trokken in scherpe lijntjes. Allerlei vormen van

potten maakte Tjoet Limpah dezen dag. Geen woord

sprak zij, geen hapje rijst at zij. Telkens als er een pot

klaar was werd deze in de felle zon geplaatst om te dro-

gen en toen het uur voor het middaggebed naderde,

stond er buiten op het grasveld een lange rij potten die

er slechts op wachtte om gebakken te worden. Weder

trok Tjoet Limpah naar de rivier om te baden, daarna

- 42


haalde zij haar kleurige reisslendang uit het slaapver-

trek en zeide tot haar dochter dat zij niet eten zou dien

avond.

'Waarheen gaat ge, Moeder? Wat is er toch met U?'

vroeg Intan verbaasd en wantrouwend. Zij had reeds

van de vrouwen in de Kampong gehoord dat haar

Moeder in de vergadering der Orangkaja gesproken

had. Het vroege bezoek van Teunkoe Moehammed

had haar ook wat verontrust. Waar mengde Moeder

zich toch in? Waren dit vrouwenzaken?! Stellig zou

Lern Deuha dit afkeuren. Maar wat had een schoon-

zoon over zijn schoonmoeder te zeggen in wier huis

hij woonde? 'Nu,' herhaalde Intan, 'Moeder wat is er

met U? Ge eet niet, ge drinkt niet - ge spreekt geen

woord - wat is er dan?'

'Mij scheelt niets, kind, maar wellicht kan een ander

iets overkomen door mijn schuld. Ik moet dat verhoe-

den. Bekommer je niet om mij en spreek er niet over

dat ik heen ga. Wees niet ongerust.'

Zoo ging dus Tjoet Limpah tegen het vallen van den

avond. Intan zat op de trap en wachtte tot haar man

thuis zou komen, die goudsieraden naar de markt van

Lohong had gebracht en de kleine Nja Ganti viel tegen

Moeders schoot in slaap.

Er brandden fakkels toen Tjoet Limpah bij het huis van

Aloëdin aankwam. De avond was gevallen met zijn die-

pe duisternis vóór de maan opkomt. Tjoet Limpah was

- 43


in jaren niet op het strand geweest. Zij bracht weke-

lijks haar potten naar de markten landwaarts in; bij de

zee kwam zij nooit - en het ruischen klonk haar

vreemd in de ooren, te vreemder en geheimzinniger

omdat zij haar niet kon zien. Zij vertraagde haar tred

in de nabijheid van het groote huis op de hooge palen.

Zij hoorde vele stemmen, zacht ingehouden, nu eens

opdreunend dan weer verflauwend. Zou Aloëdin nog

leven, zou Iskander nog leven? Als beiden dood wa-

ren, dan zou zij zelve, Tjoet Limpah, daar heen gaan

waar de golven ruischten - zij zou weerkeeren naar

Nja Walriam, van wie zij immers afstamde, de golven

zouden haar wegvoeren voor altijd. Het zeewier en de

schelpen zouden haar dekken.

"Wat wilt ge hier, vrouw?' vroeg een stem plotseling.

Zij kwam van een slaaf, die de wacht had bij het klap-

perbosch.

'Breng mij naar Tjoet Nja Mirah,' zeide Tjoet Lim-

pah. 'Zeg haar, dat haar zoogmoeder haar spreken

moet.'

Zij had haar ouden bevelenden toon weder gevon-

den en hoewel de slaaf haar onduidelijk zag, gehoor-

zaamde hij haar. 'Volg mij,' zeide hij, maar dicht bij het

gedeelte van het huis, waar de vrouwen verblijf hiel-

den, vroeg hij: 'Hebt ge geen wapens?'

'Geene,' zeide Tjoet Limpah - 'zie maar.' Zij sloeg

haar roode slendang naar achteren over den rug en liet

den gordel zien, dien zij om het middel droeg.

- 44


'Ik kom met vredige bedoeling - er is haast bij -

breng mij naar uw meesteres.'

In de diepe duisternis onder het huis was een groep

slavinnen bijeen. Tjoet Limpah trad op haar toe: 'Wie

uwer roept voor mij Tjoet Nja Mirah? Het is een zaak

van belang, er is haast bij!'

'Wij durven niet,' zeide een oude vrouw. 'De meeste-

res heeft ons bevolen hier te blijven zoolang de verga-

dering duurt. Zij is in de Tramoe met haar zoon. Wij

mogen haar niet storen!'

Iskander was dus niet bij Aloëdin! Wellicht had zijn

Moeder ook angst om haar zoon. 'Roep Tjoet Nja Mi-

rah - zeg haar dat haar zoogmoeder haar spreken

moet,' zeide Tjoet Limpah weer.

'Wij durven niet, wij zouden gestraft worden!'

Wie er sprak kon Tjoet Limpah niet zien. Het waren

angstige stemmen, die uit het donker opstegen.

'Zeg mij,' vroeg Tjoet Limpah weder, 'hoeveel malen

waren de Orangkaja hier bij dit huis?'

'Twee maal,' zeiden de stemmen door elkaar.

Twee maal! dus het derde bezoek was er nog niet ge-

weest!

Aloëdin en Iskander konden nog gered worden!

'Ik zal zelf gaan,' zeide Tjoet Limpah.

'Ge moogt de trap niet op!' dreigde een stem - 'de

Orangkaja zijn daar, de Djoeroë is vol!'

Maar Tjoet Limpah was reeds om het huis geloopen

en bereikte de trap. Op dat oogenblik daalden er man-

- 45


nen de treden af. Tjoet Limpah bleef staan, onbewege-

lijk in de schaduw van het huis. De maan kwam op en

een zachte schijn gleed over het strand. Vele mannen

daalden de trap af - Tjoet Limpah zag de donkere

gestalten langs zich gaan en degenen die buitenshuis

gewacht hadden, doofden de fakkels. Stellig had Aloë-

din weder een weigerend antwoord gegeven. Wanneer

zouden de Orangkaja terugkeeren? Zouden zij nu be-

raadslagen en dan wederkeeren of zouden zij wachten

tot de dag aanbrak? Tjoet Limpah wist dat haar nu de

macht ontbrak om de Orangkaja van besluit te doen

veranderen. Als Aloëdin bleef weigeren zou hij moe-

ten sterven. Het was een orakel door haar zelf uit-

gesproken, dat niet meer herroepen kon worden.

Nu scheen het haar toe dat alle mannen het huis ver-

laten hadden en vlug als een kat beklom Tjoet Limpah,

de hand krampachtig aan het touw, de slendang om het

hoofd geslagen om niet herkend te worden, de trap.

Een donkere figuur stond daar... breed en forsch... het

was Aloëdin. Tjoet Limpah zonk voor hem neer.

'Wie zijt ge, vrouw?'

'De dienares die Uw voeten kust - Tjoet Limpah, de

pottenbakster uit de Kampong aan het water.'

Zij zeide niet 'de voedster van Uw kind,' want als

zoodanig was zij immers verjaagd uit zijn huis? Maar

Aloëdin herkende haar.

'Wat wilt ge, Tjoet Limpah, voedster van Tjoet Nja

Mirah?'

-46


'Ik wil U bezweren het voorstel aan te nemen van de

Orangkaja, Toeangkoe, word hun Koning! Het land

komt in gevaar als ge het niet doet. Morgenochtend

zullen zij weer komen en U weder vragen...'

'Ik zal weder weigeren, ik wil rust.'

'Toeangkoe,' Tjoet Limpah kroop nader tot zij zijn

kleed kon beroeren - 'zij zullen U dooden - en Iskan-

der! Iskander zullen zij dooden!'

'Sta op,' zeide Aloëdin nu ook zacht. 'Kom mede,

volg mij.'

Door de bamboereten der hooge galerij gleden de

manestralen naar binnen. Vóór het huis was het leeg;

de mannen waren afgetrokken. In de verte begon het

strand en ook de zee te glinsteren en binnen in de half

duistere Djoeroë spraken Aloëdin, Tjoet Nja Mirah en

de oude voedster langen tijd samen, zoo lang dat men

wel een gantang rijst gaar kon koken, zeiden de slavin-

nen. Daarna werden slaven geroepen, er was een lichte

beroering rondom het stille huis - totdat ver na mid-

dernacht de voedster langzaam de trap afdaalde, ge-

volgd door Iskander, den slanken knaap, van top tot

teen gehuld in een donkere Idja, daarna kwam Aloëdin

zelf en hen volgde Tjoet Nja Mirah. De slavinnen slo-

ten zich bij den kleinen stoet aan, men wist nu wat er

ging gebeuren. Een prauw wachtte in zee. Aloëdin wil-

de zijn pleegzoon in veiligheid brengen, want hij wist

nu dat diens leven bedreigd werd ook al bleef hij, de

grootvader, leven en Tjoet Limpah zou de geleidster

- 47


zijn. Slaven droegen Iskander en Tjoet Limpah door

de schuimende branding aan boord en nu een volle

maan de zee met haar duizenden diamanten deed flik-

keren, droeg een donkere romp onder gespannen zeil

den jongen Iskander weg van zijn land naar den va-

salstaat Djohor, tot hij eens teruggeroepen zou wor-

den, als Sultan van Atjeh, dit was Aloëdin's wensch.

Weder was de stad, hoofdplaats van het Rijk der drie

Zijden in feesttooi. De fraaiste van alle olifanten was

Pomerah, de zachtmoedige. Zij zou den Sultan dragen,

den nieuw gekozen Koning, Aloëdin Riajat Shah, die

zelf schitterend als de zon, gelukkig als de zee, vol als

de maan, gezeten zou zijn in den gouden draagstoel,

hoog als een toren boven op den rug van Pomerah.

Want in den vroegen morgen, op het oogenblik dat de

olifant ontwaakt, hadden de Orangkaja, dragende de

cadi, de kroon der Koningen, met ontbloot zwaard het

huis aan zee betreden en voor de laatste maal hadden

zij gevraagd of Aloëdin hun Sultan wilde zijn. Zoo hij

weigerde zou hij moeten sterven en zijn kleinzoon

met hem, daar alleen door hun dood een bloedige bur-

geroorlog verhoed kon worden.

En Aloëdin had toegestemd. 'Neemt mij tot Uw Ko-

ning, ik zal mijn plicht doen. Gij zult mij mogen

kastijden wanneer ik dien verzuim, maar bedenkt wel

dat ook gij, Orangkaja, mij gehoorzaamheid verschul-

digd zijt en ik U, als Uw Vader, tuchtigen mag wan-

neer ik dat noodig oordeel.'

-48


Hierop zwoeren de Orangkaja Aloëdin trouw en

brachten het bericht aan het volk.

Zeven dagen bereidde het zich voor op de ontvangst

van den nieuwen koning en nu was het weder feest in

de stad. Hoog gezeten onder scharlaken tenten togen

de machtige Rijksgrooten op hun olifanten naar het

huis van Aloëdin - voorop liep Pomerah, geleid door

een slaaf. Zij droeg den gouden stoel overdekt met kar-

mozijn fluweel op den rug - zijden en koperen siera-

den hingen om haar groote ooren. Haar slagtanden

waren gevat in gouden kokers en boven haar geduldi-

ge, met glinstering omhangen kop, hield een tweede

slaaf een gouden pajong.

Op de pleinen en in de lanen was het volk weder als

bij de begrafenis in drommen bijeen, doch nu was er

vreugde in de harten, want het land was voor onderlin-

gen oorlog behoed - een koning was gekozen die

rechtvaardig was - en het juichte den stoet toe, het

groette onderdanig den koningsolifant, dragende het

nog leeg gestoelte, en het wachtte den ganschen mor-

gen, want straks zou de optocht weder langs de massa

komen met den grootmachtigen Sultan.

Gaarkeukentjes lieten hun vettige geuren van ge-

braad en gebak opgaan, want niemand ging voor den

maaltijd naar huis. Men at en dronk onder de hooge

Kanarieboomen. Jonge mannen lieten in schaduwrijke

hoeken kleurige en glanzende hanen met elkaar vech-

ten, die gespoord elkaar bloedige verwondingen aan-

- 49


achten, waarbij de omstanders wedden. Anderen

dobbelden en pruimden sirih. Kleine kinderen speel-

den schreeuwend en lachend, kropen onder de menig-

te door, sommigen gingen naar hun Moeders en vielen

tegen haar schouder in slaap. Het wachten duurde

lang, totdat daar eindelijk de schoten uit de vesting

over de stad dreunden. Hoor! hoor! daar naderde de

Koning! - De bloedende hanen werden in hun kooien

geborgen, de spelers wierpen de dobbelsteenen in hun

kleurigen sirihdoek, de oude vrouwen lieten hun gaar-

keukens in den steek, alles drong naar voren, naar den

weg waarlangs de optocht zou komen. Zooveel moge-

lijk schaarden zich de mannen op de voorste rij - de

Vaders met hun zoons. Zij gaven hun de linkerhand en

in de rechter hielden zij het ontbloote zwaard. Dit zou

de Sultan zien als eerbewijs, als het symbool van de

trouw van het volk - want het wil zeggen: 'Zie,

Grootmachtige, hier is mijn zwaard dat U verdedigen

zal en hier is mijn nakomeling wiens leven het Uwe is.'

De zon was op haar hoogtepunt gekomen toen de

olifanten in het gezicht kwamen. De schaduw was on-

der hun breede zuilenpoten verzwolgen. Pomerah's

kopversierselen fonkelden in de zon, want de pajong

werd nu niet meer boven haar gehouden daar de hoog-

ste, de Sultan, nu in het gouden huis op haar rug troon-

de. Hij die zelf alles overschaduwde. 'Daulat! Daulat!'

juichte het volk. De schoten dreunden, donderden

over elkaar tot de stoet de moskee, het met drie daken

- 50


gedekte bedehuis, genaderd was. Rondom schaarden

zich de hooge dieren en dan op een teeken der slaven,

knielden zij, richtten de slurven omhoog zoodat het

rose tandvleesch te zien kwam. De Orangkaja stegen

af, zij schaarden zich bij den ingang van het bedehuis

en nu naderde Pomerah met haar hoogen last en ook

zij boog de zuilenbeenen onder zich - de slurf sloeg zij

omhoog en driemaal groette zij op deze wijze. - Aloë-

din Riajat Shah klom langs het trapje dat een slaaf aan-

droeg omhoog en begaf zich naar het bedehuis, gaande

door de eeregang der Rijksgrooten, die met ontbloot

zwaard, de oogen neergeslagen daar wachtten en ach-

ter den Koning de Missigit binnengingen. Ruischend

verhieven zich alle olifanten tegelijk uit hun knielende

houding, ook Pomerah die in hun midden bleef staan

en als zij, wachtten de olifanten der Rijksgrooten on-

bewegelijk, de slurven recht omlaag, aan de hand van

hun geleider, wachtten, tot straks na lange plechtig-

heid in de donkere moskee, waar alleen het eeuwige

roode licht brandt, de gekroonde Koning en zijn eerste

dienaren, de Rijksgrooten, weder te voorschijn zou-

den treden.

Het vorstenverblijf hoog boven de stad, met zijn ve-

le vijvers en lanen achter zijn groen bolwerk van on-

doordringbaar struikgewas, wallen van zoden, en ster-

ke verschansing, was gereed zijn nieuwen heerscher te

ontvangen. De drie vestingpoorten stonden open, op

de binnenpleinen hurkten eerbiedig de duizenden sla-

- 51


ven en slavinnen, stonden de krijgsknechten en wacht-

te ook de groote, gewapende vrouwenmacht. Toen Ie-

hoer, de tijd voor het middaggebed voorbij was, de

zon haar heetste stralen door het bladerdak over de

stad neerstortte, reed Sultan Aloëdin Riajat Shah op

Pomerah de zachtmoedige, gevolgd door de hooggeze-

ten rijksgrooten, de vestingspoort binnen.

Weder had de kleine Nja Ganti deze pracht mede

aangezien, nu niet op den schouder van Vader maar

aan zijn hand, zooals andere zoons bij hun Vader ston-

den. Nja Ganti had alles vergeten wat er thuis vele da-

gen geleden gebeurd was. Den geheelen nacht hadden

hij en zijn Moeder op Grootmoeder gewacht. Zij was

niet teruggekomen. De potten waren droog geworden

in de zon. Wie zou ze morgen bakken? Wie zou voor

Nja Ganti het lied van de klei zingen? Wie zou wie-

rook willen branden voor het zoet diamantje? Doch in

den morgen na het bad in de rivier, was er een man ge-

komen die met Lem Deuha gesproken had en Lem

Deuha had zijn vrouw Intan en kleine Nja Ganti ge-

rustgesteld - Tjoet Limpah zou eens terug keeren en

Lem Deuha had bevel gekregen op den dag na het

groote welkomstfeest in den Dalam te komen bij den

hoogmachtigen Sultan Aloëdin Riajat Shah... geze-

gend zij zijn naam!

Nja Ganti had Vaders Daulat herhaald 'Daulat,'

'Daulat,' voor iederen olifant die voorbij kwam met de

pracht van fluweelen kleed en fonkelende sieraden.

- P


Niets trok meer zijn aandacht onder het naar huis

gaan, geen hanengevecht of gebakgeur op de markt-

plaats, geen luidruchtig balspel der kinderen in de

groene lanen, en toen hij weder in de armen zijner

moeder sprong, die op de trap van het huis zat, werden

onuitgesproken woorden tot glanzende beelden in

zijn klein donker hoofd. Beelden die weder ineenvloei-

den tot vonkenspattende kleuren en goudschittering

onder hoog geboomte, waar langs de Koning ging met

zijn trits van machtige olifanten.

Tjoet Nja Mirah, Iskanders moeder was Aloëdin ge-

volgd naar het vorstenverblijf in de stad. Niet als de

Prinses van Djohor, maar verkleed als eenvoudige sla-

vin, was zij met de vrouwen des nachts in den Dalam

gekomen, onopgemerkt door de Orangkaja. Zij wilde

niet gezien worden. Tjoet Nja Mirah speelde haar spel

met vaste hand. Nooit zou zij haar Vader verlaten; zij

wilde voor zijn leven waken, niet alleen omdat hij haar

Vader was dien zij liefhad, maar ook omdat zij, wan-

neer zijn einde daar was, Iskander op den troon wilde

plaatsen. Dit was immers altijd beider heimelijke

wensch geweest, daarom was er natuurlijk een bijzon-

dere zorg aan de opvoeding van den kleine Iskander

besteed. Nu Aloëdin echter zelf tot Koning was uitge-

roepen, waren zijn beide zonen, haar broeders, de

rechtmatige troonopvolgers en derhalve Tjoet Nja Mi-

rah's natuurlijke vijanden en ook de Orangkaja waren

- 53


haar vijanden. Om hen te bestrijden was het voorna-

melijk dat Tjoet Nja Mirah in de nabijheid van Aloë-

din bleef, dat zij niet met Iskander en haar oude

voedster was meegegaan. Haar zoon was veilig in Djo-

hor, visschers hadden reeds bericht gebracht van zijn

behouden aankomst op Malakka en door hen zou de

gemeenschap onderhouden worden met Tjoet Lim-

pah. Aloëdin echter was oud en zijn leven kon binnen

enkele jaren worden afgesneden. Dit kon op twee ma-

nieren geschieden. De weelderige levenswijze die een

noodzakelijk gevolg was van het verblijf in den Da-

lam, waartegen Aloëdin wellicht niet meer bestand

zou zijn, of het verraad van de Orangkaja. Zij, de

Orangkaja, waren het groote gevaar waaraan zij den

jongen Iskander onttrokken hadden, maar waaraan de

oude Aloëdin toch nog altijd blootstond.

Wel hadden zij Aloëdin tot hun vorst gekozen, wel

hadden zij bij de heilige lamp in de Moskee trouw ge-

zworen, maar velen, ja de meesten hoopten op zijn

spoedige dood - de meesten hadden den ouden man

slechts tot Koning uitgeroepen om hun onderlingen

twist te staken en met sluwheid den tijd voor te berei-

den zich de macht toe te eigenen. Als een hunner on-

der Aloëdins regeering invloed kreeg, zou deze Aloe-

dins dood bespoedigen en zich van den troon meester

maken. Tjoet Nja Mirah moest in de omgeving van

haar ouden Vader blijven om dit te verhoeden, zij

moest alles in het werk stellen om Aloëdins leven te

- 54


ekken, zij moest voor hem zorgen zooals alleen een

dochter dat kan, opdat hij negentig of wel honderd

jaar zou worden - zij zou hem de oogen toedrukken

en dan, dan zou Iskander groot zijn en hij zou Koning

worden van Atjeh, Pedir en Djohor, ondanks de twee

troonpretendenten, haar broeders! Dit was de stille

overeenkomst tusschen Vader en dochter, Iskander

zou hem opvolgen en niet een zijner zoons.

Het zou niet gemakkelijk zijn de twee broeders

voorbij te gaan, maar had Tjoet Nja Mirah niet meer-

dere rechten, daar zij haar leven gewijd had aan den

Vader en bovendien de weduwe van een Djohors edel-

man was? Hââr zoon zou regeeren en hij zou stellig

een gezegend Koning zijn, hij, met zijn helder verstand

en schoon gevormd lichaam! De moeder moest dit al-

les voorbereiden en enkele woorden van Aloëdin,

even voor hij gekroond werd, hadden haar de overtui-

ging gegeven dat zij, tegelijk met haar Vaders troon-

bestijging zelve ook macht zou krijgen. 'Nu is het aan

U, Mirah, mijn dochter, de zaken zoo te leiden als wij

willen.'

'Wij moeten alle verraad weeren,' had zij geant-

woord.

'Het is zooals gij zegt, en niemand kan dit beter dan

gij-'

Op haar nachtelijken tocht naar de stad, gaande met

haar vrouwen, als een hunner, naar den vorstelijken

Dalam, klonk dit antwoord nog in haar na. 'Niemand

- 55


kan dit beter dan gij.' En haar gedachten hadden vasten

vorm aangenomen. Onder het feestgejoel van het volk

daarbuiten, onder de dreunende schoten uit het kanon

kreeg die vorm een machtige gestalte, een gestalte die

tot duivel werd en Tjoet Nja Mirah tot zijn hooge sla-

vin maakte. Donker in haar zwarte broek tot de en-

kels, in haar zwart baadje tot de knie stond zij onder de

honderden slavinnen, gekleed als zij, en wachtte de

komst van den Koning en zijn gevolg van Orangkaja.

Alles was gereed voor het groote feest. De slaven en

slavinnen die in den Dalam gebleven waren, de bij-

vrouwen, de vrije mannen, goudsmeden, borduurders,

metaalbewerkers, timmerlieden, alles wat tot den hof-

staat van den overleden Koning behoord had, was als

tot nieuw leven gewekt, nu Sultan Aloëdin Riajat Shah

de verheven plaats zou innemen. Slavinnen hadden de

met gouddraad bewerkte zitmatten in het binnenver-

blijf uitgespreid; de verhoogde steenen zitplaats voor

den Koning badden zij behangen met fluweelen klee-

den; twintig waaierdraagsters stonden daarachter om

gedurende den maaltijd den Koning koelte toe te bren-

gen. In de keukens dicht bij de rivier waren honderd

kippen, drie bokken en twee schapen geslacht, de

prachtigste visch was per prauw van zee aangebracht.

Duizend klappers waren door bijlslagen opengehakt

en toonden hun hard, melkblank vleesch. In de zwarte

potten werd de rijst gekookt, in andere gestoomd, in

eenige gebakken. De scherpe lucht van verrotte vruch-

-56


ten en eieren, bij voorkeur door het Atjehsche volk ge-

nuttigd, vermengde zich met die van geurige kruiden,

zooals nagel, kaneel en Spaansche peper, die met pan-

danbladeren in het borrelend water gekookt werden.

Het fijnste gebak en de zoetste toespijzen waren door

de kundigste kooksters reeds bereid, brandende dran-

ken, arak en gegist klapperwater, sirih om te pruimen

en opium om te schuiven waren eveneens gereed, want

deze genietingen zouden aan het eind van den maaltijd

het feest eerst tot het toppunt voeren. Was het zoo ver

gevorderd en de nacht reeds genaderd tot het eerste ha-

nengekraai, dan traden de prachtig getooide danseres-

sen binnen en begonnen de door muziek begeleide,

verleidelijke dansen. Op dit oogenblik wachtte Tjoet

Nja Mirah. Vanaf dat de duisternis gevallen was tot het

eerste hanengekraai was zij achter de feestzaal onzicht-

baar voor de gasten gebleven, omringd door de haren.

De slavinnen wisten wel, waarom Tjoet Nja Mirah, ge-

kleed als een gewone slavin het vorstenverblijf betre-

den had! Haar meesteres wilde niet opgemerkt wor-

den, doch nu zij eenmaal daar waren, gaven zij door

haar houding en groet het teeken dat men haar weder

als meesteres beschouwde. Zonder verwondering ont-

vingen zij Tjoet Nja Mirah's bevelen en brachten die

over aan degenen die nog tot de oude hofhouding be-

hoorden. Was zij niet inderdaad de meesteres die over

alles gebieden zou? Aan wie zij den grootsten eerbied

en gehoorzaamheid verschuldigd waren?

- 57


'Onze meesteres, de Prinses van Djohor, beveelt U

tot haar te komen.' Deze boodschap hadden de slavin-

nen her en der gebracht van het oogenblik af dat Tjoet

Nja Mirah's voet de groote Djoeroë betreden had. Ter-

wijl de honderd gewapende dienaressen van den over-

leden Koning op het binnenplein bijeen kwamen om

den nieuwen Sultan te ontvangen, de krijgsknechten

zich met dat zelfde doel bij de poorten schaarden, liet

Tjoet Nja Mirah de mannen tot haar voeren die reeds

voor het feest in den Dalam vertoefden. Onder hen

waren vele kamponghoofden met hun hulpen, de Wa-

ki's, vele priesters en Orang Toeha, oude wijze men-

schen die de priesters vervangen als raadgevers. Met

ieder hunner beraadslaagde Tjoet Nja Mirah, nadat zij

de gebruikelijke plichtplegingen gewisseld had. De

priester of het kamponghoofd bracht de teunbah door

het teeken van den voetkus te maken, een lichte bui-

ging, of door op den drempel van het vertrek de han-

den op het hoofd leggende, te zeggen:

'Uw dienaars eerbiedige groet.'

Tjoet Nja Mirah antwoordde dan:

'Eerbiedige groeten komen onzen Heer Allah toe.'

Vervolgens werd het gesprek op zachten toon ge-

voerd. Als Tjoet Nja Mirah het teeken maakte dat de

geroepene heen kon gaan, glansde er een raadselachtig

vuur in de oogen der priesters en teungkoe's. Tjoet Nja

Mirah had hun veel gevraagd over het gedrag der

Orangkaja in de kampongs en in de missigits.

-58


Wie deed zijn plicht en wie niet? Wie maakte mis-

bruik van zijn macht en wie niet? Wie bestal het een-

voudige volk, wie bestal het bedehuis en wie niet? Wie

verleidde hun vrouwen en dochters en wie liet deze

met rust? En wie vooral, wilden roem en eer en dach-

ten eens den troon te veroveren?

En Tjoet Nja Mirah had den armen teungkoe's en

priesters vele goede dingen beloofd, geld, huizen en be-

scherming tegen al zulk machtsmisbruik, als zij dezen

nacht de hand wilden leenen aan het grootsche plan,

de meest gevreesde en gehate Orangkaja onschadelijk

te maken en het land te bevrijden van deze slechte, ver-

dorven menschen, zoodat Aloëdins regeering een ge-

zegende zoude worden, alleen gesteund door goede en

oprechte edellieden. Daaraan moesten de teungkoe's,

de Waki's, de priesters en Orang Toeha dezen nacht

medewerken, want deze nacht zou een heilige nacht

zijn, die hun allen en het gansche volk geluk zou bren-

gen - nimmer toch zou er weder een gelegenheid zijn

als deze, waarop alle Orangkaja bijeen waren in het

vorstenverblijf, nimmer een, waarop het volk dat de

knevelarijen der machthebbers moe was, eindelijk

wraak kon nemen.

Toen de priesters en kamponghoofden zich weder

naar de feestvierenden begaven, waar zij zich bij de an-

dere mannen voegden, die nederig gezeten, het geneug-

te der grooten gadesloegen, wisten zij allen dat het ge-

richt zijn werk zou doen als straks het feest op zijn

- 59


hoogst was en de hanen hun eerste gekraai lieten hoo-

ren. Zij legden hun geweten het zwijgen op. Werd er

wel een der rijksgrooten gespaard?! Zouden niet de

goeden met de kwaden lijden?

Het gastmaal was inderdaad schoon en glanzend, de

Dalam had langen tijd niet zulk een groot festijn onder

zijn dak gehad. Niet alleen de vorst en de rijksgrooten,

alle gasten, waartusschen de slaven met zilveren scha-

len en geurige spijzen rondgingen, ook de menschen

onder het volk daarbuiten vergastten zich aan wat daar

in de keukens was klaargemaakt en zelfs de olifanten

der rijksgrooten, die met één been aan den grond geke-

tend, geduldig wachtten tot hun meesters in den vroe-

gen morgen weder zouden opstijgen, kregen hun deel

van de Pitang Peungat, het zoete gebak, waaraan de

kinderen heden hun genoegen konden eten.

Het uur vorderde nu tot ver na middernacht. De

twee danseressen waren in het vrouwenverblijf ge-

tooid zooals het behoorde; haar beenen en armen

droegen de gouden banden die tot de knie en elleboog

reikten, haar hoofden waren versierd met het hooge,

smalle van gouden krullen voorziene hoofddeksel,

waarop luchtige vederen gestoken waren, die straks

onder den dans als groote vogels hun sierlijke bewegin-

gen zouden paren aan die der danseressen. Roodzijden

baadjes, gouden slendangs en korte broekjes, waaraan

kleine schellen hingen, omvingen de slanke lijven, le-

nig als die der slangen. In den breeden gordel waaraan

- 60


ook de slendang van goudstof hing, was een kris gesto-

ken met een van diamanten schitterenden greep.

Twintig jonge slavinnen, in zwarte broeken en rood-

zijden baadjes, ieder voorzien van een kleine trom, die

aan roode koorden om haar hals hing, waren de danse-

ressen voorgegaan naar de feestzaal, waar zij op het ta-

pijt plaats namen, dat voor den troon op den grond

was gespreid en nu werd door haar jonge, trillende

stemmen het lied aangeheven ter eere van den nieuwen

Koning, de glinsterende zon, de gelukzalige, wiens le-

ven reeds door heldendaden uitstak boven dat van alle

koningen der wereld. Nu eens met de palmen, dan

weer met de lenige bruine vingers sloegen haar handen

op het gespannen schapenvel der trom, zoodat de don-

kere doffe tonen tot ver in den Dalam weerklonken.

De danseressen die midden op het tapijt tot drie maal

toe hun eerbiedigen groet in knielende houding aan

den grooten Koning gebracht hadden, hieven nu we-

der de gevederde hoofden en verrezen statig om hun

dans te beginnen. De door spijs en drank verzadigde

gasten kruisten de beenen onder zich, rekten de hal-

zen, want dit was het hoogtepunt van het gastmaal; zij

lieten zich de bekers volschenken, die slaven hun over

den schouder aanreikten. Zij dronken van het vurige,

sterke water en toen de lampjes voor de opium aan

hun knie werden gezet, verspreidden de opiumpijpen

een wee-zoete geur - wel was Aloëdin Riajat Shah

groot en machtig, om zoo een feest te geven! Zoo sterk

- 61


was nooit de arak geweest, zoo zaligmakend nooit de

opium, zoo volmaakt waren nooit de bewegingen der

danseressen geweest en nooit ook had een Koning ver-

lof gegeven dat deze haar hulde betoonden aan hen,

zijn minderen, den rijksgrooten. Immers altijd was de-

ze alleen voor den Koning geweest, ja het was zelfs een

uitzondering, dat de rijksgrooten niet de oogen

moesten sluiten onder den dans, daar alleen de groot-

machtige Koning naar de danseressen en haar schoone

vormen mocht zien - en nu? Hun was niet bevolen de

oogen te sluiten en zij vertrouwden die oogen niet!

Waren zij beneveld door den vurigen drank, door de

zoete opium? De danseressen naderden hen, bogen

zich tot aan hun knie! Zij voelden de vederen als stree-

ling langs hen gaan, zij beroerden hun handen en... in

hun ooren klonk zachte fluistering, een vraag, een be-

vel... zij wisten niet wat! Het was maar een vluchtig

woord, een vluchtige aanraking... als de gestalten we-

der afdwaalden en haar dans woester werd, de krissen

uit de gordels omhoog flikkerden, zochten de rijks-

grooten naar de beteekenis der zooeven toegefluisterde

woorden, zij begrepen niet - of zouden die woorden

werkelijk een boodschap behelzen, was waarlijk het

oogenblik voor hen aangebroken en bleek de hulde

aan den nieuwen Sultan slechts schijn? Wat beteeken-

den anders die vreemde toegefluisterde woorden der

danseressen: 'Volg ons, volg ons, het uur der vergel-

ding is gekomen.'

- 6z


De krijgsdans was ten einde. Onder het aanhoudend

tromgeroffel zegen de danseressen ter aarde, maar we-

der verhieven zij de gevederde hoofden en weder rezen

zij op; een andere dans begon. De slanke figuren, glan-

zend van goud, schitterend door edelsteenen, bewogen

zich weder naar de rondom nedergezeten rijksgrooten

en telkenmale als zij dicht genoeg genaderd waren

drongen de woorden tot dezen door: 'Volg ons, straks

als wij gaan, volg ons, het uur der vergelding is daar.'

Bemerkte de Koning niets? Was hij bedwelmd door

het vurige water en de opium? Het scheen althans zoo.

Als wezenloos zagen de oude oogen over de menigte

heen. Soms onttrokken de slavinnen met haar groote

waaiers deze geheel aan zijn gezicht, ja de Koning

moest wel bedwelmd zijn, want geen enkele beweging

maakte hij, geen enkel tegenbevel gaf hij, toen één

voor één de Orangkaja zich van hun plaatsen verhie-

ven en de danseressen volgden die met hun gevederde

hoofden en hun goudglinsterende slendangs wenkten.

De Koning scheen te slapen onder het geluid der trom-

men en het gezang der twintig slavinnen die op het ta-

pijt gezeten waren. De doffe muziek en het schrille ge-

zang overstemden het verre gekraai der hanen, die het

vierde uur van den nacht aankondigden. De Koning

hoorde hen niet.

Geen der rijksgrooten keerde weder.

De priesters, de teungkoe's bleven toezien hoe het

feest voortduurde door muziek en dans, drank en

-6}


opium - doch de rijksgrooten keerden niet weder. De

Koning sliep met open oogen op zijn troon. De slavin-

nen wuifden met de groote waaiers, maar ook haar be-

wegingen vertraagden... tot langzaam haar moede ar-

men zakten, de Koning het hoofd boog en daarbuiten

de dag als een koudzilveren streep aan den hemel ver-

scheen.

Toen ontwaakte onder het volk de vrees, de ontzet-

ting. Wat was er geschied? Slaven ijlden naar het plein

vóór den Dalam, de menschen vroegen: 'Wat is er,

waar zijn de Orangkaja?' en ieder hoorde het: 'Tjoet

Nja Mirah heeft hen allen door de gewapende vrou-

wenmacht aan de achterzijde van het kasteel laten om-

brengen. Hun lijken zijn in de rivier geworpen!'

Tevergeefs wachtten de geketende olifanten hun

meesters. Het volk stroomde de drie poorten van den

Dalam uit. Hoe zou de Verhevene deze daad rechten?

Wat had het volk van Atjeh, Pedir en Soemadera te

wachten na dezen nacht der verschrikking? Zijn zegen

of zijn wraak? 'Alia ill' Allah, God is groot en Moham-

med zijn Profeet!'

-64


DE WRAAK VAN DEN VERHEVENE

Eens, toen Lem Deuha de 'peukajan', de gouden lijfsie-

raden, naar het vorstenverblijf moest brengen, nam hij

Nja Ganti mede. Lem Deuha was sinds Aloëdin Riajat

Shah regeerde eerste goudsmit van het hof geworden.

Hij behoefde niet meer naar de naburige markten te

gaan om zijn sieraden te verkoopen, hij werkte voor

den Koning en dat nam al zijn tijd in beslag. Gouden

randversieringen voor de hoofddeksels der mannen

maakte hij, waar soms op kunstige wijze den verheven

naam 'Allah' in gedreven werd; puntige gouden knoo-

pen vervaardigde hij, die zoowel door mannen als

vrouwen gedragen worden, knoopen in allerlei vor-

men als bloemen en vruchten, de 'bohpade', of door

fijne kettingen aaneen gevoegd en ditmaal, nu Nja

Ganti met hem mede mocht, bracht hij twee uit goud-

draad gevlochten gordels, waarin hij zeldzame stee-

nen, de 'batee glima' en de 'batee lamroet' in het slot

had gezet. De 'batee glima' en de 'batee lamroet' moch-

ten alleen door vorsten gedragen worden. De 'batee

glima' was rood en de 'batee lamroet' groen. Men zeide

dat wanneer een vorst ze droeg, de dag de kleur der

steenen aannam, rood of groen. Niemand minder dan

Tjoet Limpah, die eens met Prins Iskander naar het

-65


land van Djohor reisde, had deze wonderbare steenen

voor den Koning medegebracht. Hun waarde was niet

groot, maar wel hun kracht, die alleen in werking

kwam, wanneer een vorst ze droeg. Lem Deuha had de

eervolle opdracht gekregen de gordels te maken en de

steenen in het slot te zetten. Immers, hij was niet alleen

de eerste goudsmit, maar ook de schoonzoon van

Tjoet Limpah, die sinds haar terugkomst uit Djohor in

den Dalam woonde, als oudste dienares van Tjoet Nja

Mirah, de dochter des Konings.

Nja Ganti was nu bijna zeven jaar, hij ging voor het

eerst mede met Vader naar den Dalam; eindelijk had

Intan, zijn Moeder erin toegestemd en Nja Ganti was

blij, want in den Dalam was Grootmoeder, die hem al-

tijd nog haar 'zoet diamantje', noemde en de olifant Po-

merah, die zooals ze hem eens verteld had, een betoo-

verde prinses was.

Nja Ganti luisterde nog altijd gaarne naar de liederen

en verhalen zijner Grootmoeder; zij kwam dikwijls in

haar oude huis waar Nja Ganti met zijn ouders woon-

de, want Intan, zijn Moeder had het niet willen verla-

ten, al was Lem Deuha hofgoudsmid geworden.

Als Grootmoeder kwam zette Nja Ganti zich altijd

bij haar neder op de trap of onder het huis en vroeg

haar het kleilied te zingen of een reisverhaal te vertel-

len en deze had Tjoet Limpah altijd! Zij was immers

ook zoo ver geweest? Eerst op zee met een schip naar

een vreemd land, waar een andere Koning was en later

- 66


was zij weer teruggekomen, ook over zee, met een nog

veel grooter schip dan dat waarmee zij gegaan was, een

schip van een vreemd volk, de Portugeezen, die op Ma-

lakka heerschten - maar zonder Prins Iskander was zij

teruggekeerd, die was bij den Koning van Djohor ge-

bleven. Het speet Nja Ganti wel een weinig dat Groot-

moeder geen potten meer bakte onder het huis, de

kleikuilen waren er nog en soms haalde hij klei van de

rivier en stampte en danste erin evenals Grootmoeder

vroeger deed, maar dat duurde nooit lang want Moe-

der wilde het niet, dat was geen jongenswerk, zeide zij,

kleistampen en pottenbakken dat deden alleen oude

vrouwen. En het was waar! Zag Nja Ganti niet dat al-

leen oude vrouwen als Grootmoeder iedere week naar

de markt gaan met de hooge stapels potten op het

hoofd? Maar het was immers maar een spelletje van

Nja Ganti, waarom verbood Moeder het toch? En...

waarom mocht hij ook nooit mede naar den Dalam als

Vader daar heen ging? Als hij eens groot was, dan zou

hij doen wat hij wilde, dan kon Moeder hem niet meer

thuis houden, hij zou op een schip gaan, net als Groot-

moeder, een groot schip naar een ander land. Maar nu

was hij nog klein, hij moest gehoorzamen. Waarom

verbood Moeder eigenlijk zoo veel? Zelfs wel eens om

bij Grootmoeder te zitten als zij kwam!?

'Kleine jongens moeten liever buiten spelen,' zeide

zij, 'met andere jongens, balspel of verstoppertje of

vliegers oplaten. Waarom wilde hij toch altijd verhaal-

-67


tjes hooren en raadsels bedenken en liedjes zingen?'

Als Moeder zoo sprak, lachte Tjoet Limpah wel eens

en zeide: 'Een kind wordt maar niet wat zijn Moeder

wil, Intan. Misschien steekt er wel een t'adati in hem.'

'Een t'adati? Een verzenzegger en liedjeszanger? De

hemel verhoede dat! Laat hij goudsmid worden als zijn

Vader, of borduurder of timmerman, dat is een eerlijk

beroep... maar t'adati!'

Zoo had Moeder gesproken en Nja Ganti wist het

nu, hij mocht geen t'adati worden. Eigenlijk wist hij

niet goed wat het was, maar hij zou het Grootmoeder

vragen en zij moest hem nu ook het verhaal van Pome-

rah vertellen, want Vader ging naar den Koning met de

gouden gordels en Nja Ganti mocht natuurlijk niet

mede naar binnen. Hij zou achter, zooals Vader zeide,

in het paleis naar Grootmoeder gebracht worden en

Nja Ganti was heel nieuwsgierig hoe het er daar wel

uit zou zien, of het daar alles even wonderlijk mooi

zou zijn als op die feestdagen, toen de groote optoch-

ten voorbij gingen die hij van Vaders schouder af ge-

zien had. Nu liep hij achter hem als een groote jongen,

hij droeg een kopiah, precies als Vader, een lange wijde

broek, die aan de enkels sloot, en hij had een rooden

doek over den schouder met een sleutelbos eraan.

Intan had haar zoon noode met Lem Deuha laten

gaan, zij had haar kind zoo lang mogelijk uit den Da-

lam willen houden, zij verfoeide den Dalam, zij ver-

- 68


foeide de vrouw die daar heerschte, Tjoet Nja Mirah,

die op den dag der troonsbestijging alle Orangkaja had

laten ombrengen. Voorwaar! de Orangkaja hadden

misschien veel kwaad gedaan, er waren slechte, boos-

aardige menschen onder hen geweest, maar toch ook

wel goede en onder hen was zeker de oudste van Kam-

pong Pandi en de edele Teunkoe Moehammed ge-

weest. Stellig, Tjoet Nja Mirah had de wraak van den

Verhevene op zich geladen en wat meer zegt, op de re-

geering haars Vaders, Aloëdin Riajat Shah! Nooit kon

Intan dien vreeselijken nacht vergeten, dien nacht zoo

schoon en feestelijk begonnen en zoo bloedig geëin-

digd! Zij wist het nog goed, hoe zij op den terugtocht

naar huis, met den slapenden Nja Ganti in haar armen,

voortdurend het geluid van den onzichtbaren vogel

Tareue gehoord had, kèt-kèt-kèt! En toen zij thuiskwa-

men was een groote, bruine vlinder mede naar binnen

gevlogen, dat waren slechte voorteekenen en al was er

nu pracht en glans in den Dalam, al was de Koning om-

ringd door betrouwbare mannen, door hem zelf geko-

zen Rijksgrooten, al waren er duizend gewapende sla-

vinnen rondom hem, en bewaakte een vrouw als Ad-

miraal van de vloot de veertig groote galeien die dage-

lijks in zee gingen, eens zouden Aloëdin en Tjoet Nja

Mirah de wraak van den Verhevene gevoelen!

Het was waar, twee jaar waren voorbij gegaan en er

was nog niets geschied, er was zelfs vrede gesloten met

den Koning van Malakka, maar het kon nog gebeuren,

-69


de Verhevene had het in zijn hand. En wat was de tijd

voor Hem? Aloëdin, de Koning zelf, moest toch ook

wel zoo denken. Waarom liet hij anders zijn geliefden

kleinzoon Iskander altijd ver weg in Djohor? Dit was

voor de veiligheid, hij vreesde gevaar, evenals Intan.

Intan was veel alleen en daarom kon zij veel naden-

ken en veel gedachten voeden die niet goed voor haar

waren. Reeds lang kwelde haar nog iets dat haar droef

stemde. Waarom had zij geen kinderen meer? Waarom

alleen Nja Ganti? - Zij had gebeden, geofferd bij de

heilige graven, niets hielp. Als zij behalve Nja Ganti,

kinderen, dochters bijvoorbeeld had gehad, dan zou

zij er niet zoo over denken dat zij eens Nja Ganti

moest afstaan. Afstaan, zooals zij zelfs haar Moeder

had moeten afstaan. Als meisje reeds was zij afgunstig

geweest op die Tjoet Nja Mirah, die niet haar zoog-

zuster, (want Intan was vele jaren jonger) maar toch

haar moeders zoogkind was, omdat zij altijd de groote

plaats in het hart dier Moeder had ingenomen - nu te

langen leste was Tjoet Limpah geheel in den Dalam

opgenomen en Intan's man ging het desgelijks. Het

kon niet lang meer duren of Aloëdin zou hem bevelen

daar zijn intrek te nemen en wat bleef er dan anders

over dan mede te gaan, het huis te verlaten, want Lem

Deuha zou zijn zoon mede willen nemen en Nja Ganti

verliezen? Dat zou nooit gebeuren. O! vroeger waren

zij allen gelukkiger geweest, toen Moeder nog een ar-

me pottenbakster was en haar man een gewone goud-

- 70


smid die sieraden naar de markt op Lohong bracht! In-

tan's weefstoel stond nu weder beneden onder het

huis. Zij was een ijverige vrouw en wanneer zij de noo-

dige bezigheden in huis had verricht was zij meesten-

tijds aan het weefgetouw te vinden. Zij maakte gaarne

donkere Idja's - lange en breede heupdoeken die door

de voorname vrouwen gedragen werden - met dof-

gouden randen erin. Het gouddraad moest uit een an-

dere kampong komen, een dagreis ver weg. Tot nu toe

had Lem Deuha het altijd voor zijn vrouw medege-

bracht als hij ter markt ging - nu den laatsten tijd was

hij veel in het vorstenverblijf en zoo moest Intan dik-

wijls lang wachten op haar gouddraad. Buurvrouwen

die naar de naburige markten gingen, of visschers die

hun visch in het binnenland verkochten, waren haar

wel eens ter wille om het kostbare draad mede te bren-

gen, maar deze hulp kostte Intan natuurlijk geld en zij

dacht er wel eens over, zelf te gaan. Waarom niet? Zij

was zoo veel alleen! Desnoods kon zij Nja Ganti mee-

nemen. Nja Ganti meenemen en niet meer terugkee-

ren, hem behoeden voor den Dalam? Intan schrok zelf

van die plotselinge gedachte! Lem Deuha, haar man

zou haar immers dadelijk weer terug halen! Heftig

wierp zij de schietspoel door het getouw en snel ving

de andere hand deze op. Als zij dan den stok weder in

beide handen nam, strekten zich haar beenen recht te-

gen de lat onder den stoel - en zij deed harder dan an-

ders het tokkend geluid weerklinken. Zij luisterde,

- 71


antwoordde een andere weefster, een buurvrouw niet

met dezelfden klop, een soort groet, een teeken dat

men dâar ook aan het werk was? Of was het een klaag-

zang dien zij hoorde? Intan's handen lieten den stok

los, de spoel viel op de rietmat, zij luisterde aandachtig

en nu wist zij... het was een klaagzang en het geluid

naderde, het naderde haar huis! - Op den iets hooger

gelegen weg achter de lage pisangboomen naderden

gestalten. Het waren de vrouwen uit Kampong Oleu-

leh en de oude nettenboeter Nja Brahim was bij hen.

Intan kende hem goed. Hij was een vroom man; hij

boette zijn vischnetten altijd aan den ingang van het

bedehuis, zoo den zegen van hen opvangende die zich

in de Moskee begaven. Wat wilde hij? Waarom kwa-

men zij hier bij Intan's huis?

'Gegroet! vrouw van Lem Deuha', zeide Nja Brahim,

het pad afdalend dat naar het huis liep. 'Deze vrouwen

willen U iets vragen. Er is een groot ongeluk geschied.'

Nu waren de vrouwen ook allen het huis genaderd,

hun weenend gezang was verstomd.

'Spreekt,' zeide Intan, 'en treedt binnen bij mij. Wat

is er, wat wilt gij?'

Zij was hen reeds voorgegaan op de trap en de vrou-

wen volgden haar, na eerst met de klapperdop vol wa-

ter die, als naar gewoonte bij de eerste treden gereed

lag, haar voeten besprenkeld te hebben. Ook Nja Bra-

him beklom de trap en toen nu allen binnen waren in

de Djoeroë, waar slechts enkele zonnestralen door de

- 72


amboereten heen drongen, bogen de vrouwen het

omhulde hoofd en weder begonnen zij hun weenend

gezang. Het werd Intan angstig om het hart, wat was

er geschied, maar zij wist het, zij moest wachten tot

het weenen op zou houden en men haar zeggen zou,

waarom de vrouwen juist bij haar kwamen. Nu sprak

opeens de oudste der vrouwen, terwijl het geween op-

hield. -

'Wij komen Uw wijze Moeder Tjoet Limpah raad-

plegen.'

'Zij is niet meer hier, weet ge dat niet? Zij woont in

den Dalam,' antwoordde Intan.

'Dat hoorden wij van Nja Brahim en wij wilden U

verzoeken ons bij haar te brengen.'

'En wat wilde ge van haar weten?' informeerde Intan,

'wat is er toch geschied?'

'Sta mij toe het te vertellen,' zeide Nja Brahim, 'deze

vrouwen zijn te ziek van hart want zij hebben bijna al-

les wat hun dierbaar was verloren. Gisteren zijn zes

sterke prauwen uitgevaren met zout, suikerstroop en

goederen voor de peperplanters aan de Westkust. De

mannen en zoons van deze vrouwen hadden een gun-

stigen wind gewacht om uit te varen en alles scheen hun

ook goed gezind — de zee en de wind, de zeegeest zelf

- tot dicht bij de kust een groot vreemd schip met drie

vleugels, hooger en grooter dan 's Konings grootste ga-

lei, het kanon op hen richtte. Zij konden niet ont-

vluchten en hebben zich overgegeven, maar iemand

- 73


van de kust die de prauwen wachtte, heeft gezien dat

alle menschen om het leven zijn gebracht door de blan-

ken die op het groote schip waren en dat hun lichamen

in zee zijn geworpen, terwijl de kostbare waar uit de

prauwen door deze menschen aan boord van het schip

is gebracht.'

'Wie heeft U dit bericht?' vroeg Intan.

Nja Brahim schoof nader tot Intan en voorzichtig

sprak hij: 'Dit is juist de reden waarom deze vrouwen

Tjoet Limpah wilden spreken, vrouw van Lem Deuha.

Heden morgen is er een vreemdeling in Kampong

Oleuleh gekomen. Wij meenen dat hij een Portu-

geesch heer is - een landsman van Malakka, waar

Tjoet Limpah immers zoo lang vertoefd heeft. Hij

heeft het ons verteld en de roeiers van Djohor die hem

brachten hebben het bevestigd.'

'En is hij nog hier?' vroeg Intan.

'Neen, hij is weder vertrokken en hij wilde dat wij

den Koning waarschuwden, want het schip dat onze

mannen heeft aangerand, was geen Portugeesch schip,

zeide hij. Het was van andere blanken, van menschen

die zeer slecht en wreed waren, die de onzen kwaad

wilden doen en die spoedig hier zullen komen met hun

groote hooge schepen. Wij weten dat Tjoet Limpah,

die het volk der Portugeezen kent, de raadsvrouw van

den Koning is en daarom wilden deze vrouwen eerst

tot haar gaan - maar zonder U, vrouw van Lem Deu-

ha zullen zij geen toegang in den Dalam krijgen.'

- 74


'Welnu, ik zal met U gaan,' zeide Intan en de vrou-

wen, waarvan eenigen weder zacht de weeklacht op

zangerigen deun aanhieven, stonden op van de zitmat

en volgden Intan die de slendang over het donkere

hoofd geworpen had, de trap af. Buiten op den weg

echter zetten zij weder hun geween in en Intan die

voorop liep, prevelde zacht: 'Alla il Alla, dit is de

wraak van den Verhevene!'

Terwijl de weenende vrouwen met zijn moeder aan

het hoofd den Dalam naderden, luisterde Nja Ganti

aandachtig naar het verhaal, dat Tjoet Limpah deed

van Pomerah, de zachtmoedige. En niet alleen Nja

Ganti luisterde, ook Talama en Distri, de twee kleine

'meuhadi' die, als ze eenmaal volleerd waren, voor den

Koning zouden mogen dansen en zingen. Zij waren

toen ze acht jaren telden, in den Dalam gebracht en

werden door oudere vrouwen onderwezen hoe zij de

ledematen lenig moesten maken - hoe zij het kleine li-

chaam voor- en achterwaarts konden buigen, hoe zij

de vingers konden doen knappen en de castignetten en

de trommen doen weerklinken - maar de hoofdzaak

was dat zij later de 'meuhadi' (waarnaar zij ook den

naam droegen) konden opzeggen, vrome gedichten die

bij plechtigheden behooren, en welke half gesproken

half gezongen worden. Daarom luisterden zij dikwijls

naar Tjoet Limpah's verhalen en zaten nu onbewege-

lijk, de beenen onder zich gevouwen bij haar en Nja

Ganti. De lange uit ruitvormige plaatjes bestaande ket-

- 75


tingen vielen van hun magere halsjes tot op de knieën.

Het zwarte haar was strak tot boven op hun hoofdjes

gekamd, waar een klein hekwerk van witte bloempjes

de haarwrong omringde. Verder droegen de 'meuhadi'

geen versierselen. Nja Ganti echter vond de meisjes

heel mooi, hij kende alleen de kinderen uit de kam-

pong, de meisjes die hun 'mepipit', verstoppertje speel-

den en daarbij als ze elkaar gevonden hadden, luid gil-

den, of de jongens, die bij het vlieger oplaten hard

schreeuwden tegen den wind in. Deze meisjes waren

zoo stil en zoo onbewegelijk als hij nog nooit gezien

had; het maakte grooten indruk op hem en nog meer

toen Grootmoeder hem verteld had dat zij 'meuhadi'

waren en later zangeressen en danseressen zouden

worden. Hij durfde niet te vragen of dat het zelfde was

als t'adati, maar het scheen er toch wel iets op te gelij-

ken en al bewonderde hij de meisjes, veel naar haar kij-

ken durfde hij niet meer. Hij werd er 'maloe' van, ver-

legen. Nu Tjoet Limpah echter eenmaal aan het vertel-

len ging, vergat Nja Ganti de 'meuhadi'. Ja, hij vergat

alles wat er om hem heen was - den geheelen Dalam

met zijn muren, poorten en wallen, waar hij zooeven

met Vader geloopen had. Ver weg werd hij gevoerd

naar een heerlijk hoog woud, waar slanke palmen hun

vederdossen ophieven en breede waringins hun lucht-

wortels tot de aarde bogen. Prachtige bloemen in aller-

lei kleuren fonkelden daartusschen, glanzende blauw-

en roodgevederde vogels vlogen van tak naar tak. Her-

-76


ten, reeën, bokken en eekhoorns leefden er eendrach-

tig tesamen, want wilde zwijnen kwamen hier nooit in

dit oord, maar in de breede, golvende rivier die snel en

ruischend uit de bergen aan kwam vlieten, leefden ge-

heimzinnige krokodillen - heilige krokodillen die de

voorouders zijn van nu levende menschen en daarom

door een ieder worden ontzien. De koning zelf kwam

dagelijks de heilige dieren voederen.

'Maar de vreemde prinses, de bruid van den Koning,

die uit een ander land kwam,' zoo vertelde Tjoet Lim-

pah, 'wist dit niet. Zij had nog nooit daar boven in de

bergen een krokodil gezien en daarom ging zij op een

kwaden dag met haar negen en dertig slavinnen naar

de rivier om er te baden, zonder voedsel mede te ne-

men voor de heilige dieren! Wat deden nu de krokodil-

len?...' Grootmoeder hield even op en Nja Ganti

fluisterde, terwijl de angst in zijn oogen stond: 'Zij aten

haar op!'

'Zij aten haar op,' herhaalden zachtjes de 'meuhadi'.

Ook in haar poppenoogen was iets van angst te

bespeuren.

'Weineen,' ging Tjoet Limpah voort. 'Hoor wat er

gebeurde en denk er aan, Talama, en gij Distri, dat ge

U nooit te veel laat bekoren door mooie kleeren en dat

ge nooit meer wilt hebben dan dat wat ge reeds door

Allah's goedheid bezit! De krokodillen nu, die immers

heilige dieren waren, vonden zich veel te goed om de

prinses en al de slavinnen op te eten, maar ze verzon-

- 77


nen een list. Toen ten tweede male de prinses met haar

negen en dertig slavinnen bij de rivier kwam om er te

baden, zonder voedsel mee te brengen voor de kroko-

dillen, dreven er plotseling op de golven veertig prach-

tige zijden 'badjoe gadjah', lange tot de voeten reikende

vrouwenbaadjes, in allerlei heerlijke kleuren. Nu was

de bruid van den Koning een zachtmoedige, lieve

vrouw, maar zij hield helaas veel van opschik en de

eenvoudige zwarte broeken en baadjes der vrouwen in

de benedenlanden die zij, als zij eenmaal de gemalin

van den Koning was, zelf zou moeten dragen, hoewel

er sieraden genoeg zouden zijn om die eenvoudige

kleeding luister bij te zetten, bevielen haar allerminst.

Toen ze nu de prachtige baadjes zag, beval zij haar sla-

vinnen die te grijpen. Al de vrouwen zwommen jui-

chend naar de mooie kleeren en ook de prinses greep

er naar. Zij trof werkelijk het mooiste baadje van allen,

glinsterend als zilver, fonkelend als goud - maar daar-

voor was zij ook een prinses! Toen nu de slavinnen al-

len met haar kostbare prooi aan den oever kwamen,

beval de prinses dat zij zich allen zouden kleeden met

de heerlijke baadjes en deze kleeding aan den Koning

en alle vrouwen in het paleis zouden laten zien. Zij zel-

ve gaf het voorbeeld en zoo trokken allen de baadjes

aan.'

Tjoet Limpah hield even op. Nja Ganti en de twee

'meuhadi' hielden de oogen strak op de vertelster ge-

richt. Zij gevoelden dat er nu iets ging gebeuren - de

-78


krokodillen wilden immers wraak nemen? Talamah

knapte haar vingers - Distri's ketting rammelde, daar

zij zich wat voorover gebogen had, Nja Ganti perste

de lippen op elkaar...

'En nauwelijks hadden zij dat gedaan,' zeide Tjoet

Limpah, 'of zij veranderden allen in olifanten, de prin-

ses in een mooien, lichtgrijs getinten olifant, de negen

en dertig slavinnen in gewone, donkere olifanten. En

deze laatsten hieven vertoornd de slurven en verniel-

den alles wat rondom hen was. Zij rukten de hooge

palmen, zelfs de waringinboomen uit den grond. Zij

vertrapten bloemen en planten en alle dieren sloegen

voor hen op de vlucht. De reeën, bokken en herten

vloden heen, maar de eekhoorns riepen door hun ver-

schrikte kreten de vijanden van het land, de wilde

zwijnen, die in grooten getale kwamen opzetten, om

zich met de olifanten te meten, doch deze waren te

krachtig, zij moesten het onderspit delven. Toen vloog

de lamtahit, de blauw gevederde vogel met gele borst

naar het paleis van den Koning en lokte met zijn be-

kend geluid van 'tha hi - thi hi,' iedereen naar buiten.

Meenende dat een aardbeving het bosch en den om-

trek vernield had, toog de Koning zelf uit met honderd

slaven en slavinnen, voorgegaan door de lamtahit, die

boven hen vloog. Daar vonden zij bij het verwoeste

bosch de veertig olifanten, waarvan een, de lichtgrijze,

onderdanig voor den Koning knielde, terwijl de ande-

ren de slurven omhoog sloegen. Dadelijk begreep de

- 79


Koning dat dit de prinses was met haar slavinnen; hij

weende van droefheid over de betoovering zijner

bruid, en liet haar door de slaven naar zijn paleis voe-

ren. Hij noemde haar Pomerah, de zachtmoedige, en

stelde haar aan als zijn eigen olifant en tevens als de

volgelinge van den heiligen olifant, die telken jare naar

het Bedehuis ging om den Messias nederig hulde te

brengen, den Messias, den altijd verwachte door het

Atjehsche volk. De andere olifanten, de betooverde

slavinnen, werden tot straf genoemd de 'Gadjah Kia-

nat', de 'vernielenden' en zij dienen er nog voor om

booswichten die ter dood veroordeeld worden, te ver-

pletteren.'

Tjoet Limpah zweeg.

Een eind verder stond Pomerah onder haar vorste-

lijk afdak, de kinderen konden van hier haar hoogen

grijzen rug zien en de lange, roode koorden die haar

kop versierden, waarop telkens de zon scheen.

'Wordt zij nooit meer een prinses?' vroeg Nja Ganti

zacht.

Tjoet Limpah schudde het hoofd. 'Als de Verhevene

het wil, kan alles, mijn diamantje, misschien als alle

vrouwen haar ijdelheid hebben afgelegd of als er een

vrouw regeert in deze landen, die even zachtmoedig is

als Pomerah.' Maar Nja Ganti kon niet verder vragen

want op dit oogenblik kwam een slavin Tjoet Limpah

zeggen dat haar dochter Intan en een lange stoet vrou-

wen haar bij de buitenste poort wachtten.

- 80


Tjoet Limpah moest Nja Ganti alleen laten, maar de

'meuhadi' beloofden op hem te passen. 'Blijf maar bij

haar,' zeide Grootmoeder, 'tot Vader of ik je komen

halen; loop niet weg, want het is hier zoo groot, we

zouden je niet meer terug kunnen vinden.'

Nja Ganti had grooten lust weg te loopen, want hij

gevoelde bijna angst voor de twee 'meuhadi', veel liever

was het hem geweest als hij den olifant Pomerah had

moeten wachten - maar zie, nauwelijks was Groot-

moeder weg of Talamah trok Nja Ganti aan zijn baad-

je en vroeg: 'Ken je Meuko-ko?' Natuurlijk kende Nja

Ganti Meuko-ko en Distri sprong opeens om hem

heen. 'Alala! Wij gaan Meuko-ko spelen! - Wie zal

zich verstoppen, wie zoekt en wie is de rijst?' 'Nja Gan-

ti moet zoeken,' vond Talamah. 'En ik ben de rijst,' zei

Distri. Nja Ganti had niet veel te vertellen. Hij werd

met zijn gezicht naar den muur gezet. Zoodra hij 'Ko'

hoorde roepen moest hij gaan zoeken en Talamah was

verplicht, terwijl hij zocht, uit haar schuilhoek te ko-

men en rijst te gaan eten, dus naar Distri te loopen die

zich ook ergens verscholen had; dan was het de kunst,

ook rijst te gaan eten en Talamah te verhinderen bij de

rijst te komen. 'Ko!' roep Talamah's schril stemmetje.

'Ko!' antwoordde de rijst en Nja Ganti liep hard den

kant uit waar hij de meisjesstem hoorde. Maar nergens

zag hij Talamah, nergens Distri. En toch voortdurend

'ko-ko-ko-ko'. Ha, daar liep Talamah hem voorbij. -

Vlug! Vlug! - Nu moest hij haar een tik geven voor zij

- 81


ij de rijst was, maar het was mis, ze was hem te vlug af

en eer hij zich kon bedenken, hoorde hij weer: 'ko-ko'.

Nu was hij gelukkiger, Talamah had een tik beet. 'Ik

ben aan de beurt voor zoeken,' zeide zij en keerde haar

gezicht naar den muur. Nja Ganti verschool zich ach-

ter een dikken boom. 'Ko!' riep hij zoo hard hij kon,

toch bleef hij stil staan, al riep de rijst ook: 'Ko-ko' -

maar Talamah had hem gezien, ze liep vlug naar den

boom, Nja Ganti kon nog juist ontkomen. Hard 'Ko-

ko' roepend rende hij naar de rijst, maar jawel!... Tala-

mah had hem juist een tik gegeven. Nu zou hij de rijst

zijn en Distri moest zoeken. Als rijst had hij een oo-

genblik rust, want hij mocht niet van zijn plaats. Tala-

mah zoowel als Distri kwamen om beurten bij hem en

verdwenen weer even spoedig als zij gekomen waren,

want ze waren elkaar steeds te vlug af. Nja Ganti

dacht, hoe die stille, stijve poppetjes van zooeven plot-

seling veranderd waren in even wilde kinderen als die

waar hij aan gewoon was in de Kampong. Van zijn

schuilplaats uit beantwoordde hij haar voortdurend

'Ko-ko' geroep, maar vreemd, nu was het opeens stil,

hij hoorde geen meisjesstemmen meer, en nieuwsgie-

rig keek hij om den boom heen. Geen Talamah, geen

Distri, maar op eenigen afstand zag hij een troep gewa-

pende mannen nader komen. Zij bewogen zich snel in

de richting van Nja Ganti. Zouden de mannen hem

pakken? Mocht er hier misschien geen 'Meukoko' ge-

speeld worden? Stellig waren de 'meuhadi' ongehoor-

- 82


zaam geweest en nu lieten zij Nja Ganti alleen, maar

Nja Ganti wilde niet door de mannen gepakt worden,

nog minder wilde hij zijn neus of zijn handen laten af-

kappen, zooals men wel met boosdoeners deed. Hij

liep wat hij loopen kon en bereikte den overkant van

het zonnige plein. Hier was de schaduw van het paleis.

Hier ook moest Vader zijn! Hij beklom de trap, een

breede steenen trap, maar hij kwam niet verder dan tot

de derde trede. Wel tien groote, donkere vrouwen ver-

sperden hem den weg. 'Wat moet je, wat wil je, kleine

jongen?' Nja Ganti zag met schrik, dat zij allen in de

breede gordels die hun middel omsloten, rentjongs

droegen. 'Vergeving,' zei hij en hurkte neer. 'Verge-

ving, ik zoek mijn Vader Lem Deuha.' Lem Deuha, dat

was een bekende naam en Nja Ganti mocht binnenko-

men. De vrouwen omringden hem.

'Hoe kom jij hier?'

'Wie heeft je hier gebracht?'

'Ben je de kleinzoon van Tjoet Limpah?'

Nja Ganti had geen tijd om op de eene vraag te ant-

woorden, of de andere was er al, en hij wist niet beter

te doen dan maar aldoor vergeving te vragen. 'Ampon.'

Zeker mocht hij hier ook al niet zijn, want nu kwam

de grootste en zeker de opperste van de vrouwen op

hem af en zeide:

'Weet je wel dat je in het paleis van den grooten Ko-

ning bent en dat er een vreeselijke straf op staat, zoo

maar hier binnen te komen? En wie zegt ons dat je niet

-83


jokt, als je beweert een zoon van Lem Deuha te zijn.'

'Ik ben het heusch,' zeide Nja Ganti kleintjes, 'verge-

ving, ik ben het heusch.'

'Lem Deuha is binnen bij den Koning,' sprak weer

een andere vrouw, 'zal ik het kind bij hem brengen?'

'O, alstublieft,' riep Nja Ganti, 'neem mij mede,

breng mij naar Vader!'

Nu hieven de vrouwen de armen op en lachten hem

uit. Ja, dat zou hij willen, zoo maar binnen gebracht te

worden bij den Koning! Alsof deze zoo maar kleine

jongens van de straat bij zich toeliet!

Het huilen stond Nja Ganti nader dan het lachen.

Als een muur rees de vrouwenschaar rondom hem op.

Onheilspellend glommen de rentjongs op haar zwarte,

lange broeken, maar opeens week de muur uiteen. Een

hooge stem beval:

'Laat hem hier komen,' en Nja Ganti, oprijzend, voel-

de zich door vele handen getrokken en voortgeduwd.

Voor hij het wist, stond hij in een groote tramoe, waar

zitmatten op den grond gespreid lagen en koperen

lampjes aan kettingen van de zoldering hingen. Weder

zag hij vrouwen, niets dan vrouwen, maar deze waren

niet gewapend en niet in het zwart gekleed. Zij droegen

baadjes van zijde en hadden kleurige slendangs over

den schouder. Zij waren zeker even mooi als de prinses

Pomerah en haar vrouwen, waar Grootmoeder van

verteld had. En daar, daar zat Pomerah zelf, een mooie

prinses, die de hand naar hem uitstak...!

-84


'Kom hier, jongetje, wie ben je?'

'Nja Ganti, ik vraag vergeving.'

'De zoon van Lem Deuha?'

'Vergeving, ja.'

'En de kleinzoon van Tjoet Limpah?'

'Vergeving, ja.'

'Laat hem hier zitten,' zeide de prinses, 'en geef hem

van de boeleukat, de gele kleefrijst.'

Gele kleefrijst! Dat was Nja Ganti's lievelingsspijs!

Hij durfde nu weer goed rondkijken en hij verwonder-

de zich, want hij zag niets dan vriendelijke gezichten.

Hier mocht hij zeker zijn, en terwijl hij at, spraken de

vrouwen onderling over hem. Wat zij zeiden, begreep

hij niet maar hij trok er zich niet veel van aan, hij smul-

de van de rijst en hij liet het toe, dat een zijn kopiah af-

nam en hem over zijn haar streek. Een ander nam nu

zijn hand in de hare; zij bekeek de lijnen in de palm en

zeide opeens een woord dat hij begreep. 't'Adati'.

'T'adati, zouden ze hem t'adati maken? Maar dat

mocht immers niet! Moeder had het toch verboden?

Maar als de prinses het nu wel wilde?

'Kan je zingen?' vroeg de vrouw die zijn hand geno-

men had.

Natuurlijk kon hij zingen.

'Zing dan eens voor ons.'

Nja Ganti slikte nu het laatste hapje boeleukat naar

binnen, hij stond op en vroeg, nu opeens vrijpostig ge-

worden:

-85


'En dansen ook?'

'Ja, dans erbij.'

'Mag ik dan naar Vader?'

De vrouwen lachten en de prinses zeide: 'Als je heel

mooi danst en zingt, mag je naar je vader.'

Nja Ganti dacht even na. Wat zou hij zingen? En

hoe zou hij dansen? Het kleilied van Grootmoeder

kwam hem in de gedachten.

'O klei, o aarde, waarom zijt ge weerspannig?

Wees week, o klei, wees gehoorzaam!

Dan zal ik mooie potten van u maken

Welke potten?

Potten om rijst in te koken en om boeleukat in te

Hij hield even op en zong:

'Die de mooie prinses aan Nja Ganti geeft.'

maken...'

De vrouwen klapten in de handen en sommige zongen

mede:

'Die de mooie prinses aan Nja Ganti geeft.'

Nja Ganti werd al ondernemender. Hij danste en

trapte in de denkbeeldige klei en zong:

- 86


'Potten met deksels, waarin wierook brandt.

Waarom doet men dat?

Wierook roept de goede geesten voor de mooie

prinses.'

'Voor de mooie prinses,' zongen de vrouwen weer

mede. Het was of de kleine jongen 'rak gedronken had;

hij had waarlijk de verrukking bereikt die noodig is

voor den mystieken dans. Tjoet Nja Mirah hief de

hand op en beval haar slavinnen te zeggen dat het ge-

noeg was en nu Nja Ganti daar opeens stil stond, hulp-

behoevend rondkijkend, zeide zij:

'Breng hem bij den Koning. Zeg hem, dat dit het

kind is van Lem Deuha.'

Als in een droom liep Nja Ganti tusschen de diena-

ressen. Zij gingen de tramoe uit en een lange smalle

gang in - toen werd opeens een gordijn weggescho-

ven. Nja Ganti stond in een groote ruimte, waar een

schemerig licht hing. Aan het eind was een verheven-

heid, met kleeden bedekt. Daar zat de Koning en naast

hem op den grond de vijf Rijksgrooten. Achter den

Koning stonden slavinnen die met waaiers wuifden en

vóór den troon, nederig gehurkt tusschen de gouden

sieraden, zat Lem Deuha zijn vader. Nja Ganti bleef

staan, de dienaressen hadden zich op den grond gewor-

pen en opeens begreep hij het, hij moest ook zijn groet

brengen!

'Vergeving, groote Koning,' zei hij bevend; hij viel

-87


op zijn knieën en boog het kleine donkere hoofd op

den grond. Zoo bleef hij liggen totdat Lem Deuha hem

zelf ophief en verklaarde dat het werkelijk zijn zoon

was. De groote vrouw, Tjoet Nja Mirah, had hem la-

ten brengen, zeide een der dienaressen. Zij kuste de

voeten van den grooten almachtigen Koning en vroeg

vergeving. De Koning maakte haar duidelijk door een

gebaar met de hand, dat zij, de dienaressen, heen kon-

den gaan en Nja Ganti werd door zijn Vader tot vlak

bij Aloëdin Riajat Shah gevoerd. Nog altijd had hij

geen kopiah op en, evenals de vrouwen, streek de Ko-

ning hem nu over het hoofd. Ook nam hij zijn kleine

handen en bekeek die. Toen zeide Aloëdin tot zijn

eersten goudsmit:

'Uw zoon moet t'adati bij mij worden. Breng hem de

volgende maand mede, Lem Deuha, dan mag hij hier

komen op de school van het Heilige Boek.'

Koning Aloëdin had een kwartier daarna wel andere

gedachten dan kleine t'adati's op de school van het Hei-

lige Boek te brengen!

Twaalf ruiters reden in galop op hun brieschende

paarden door de drie poorten tot voor het paleis. Zij

brachten een ijlboodschap van het strand, dat twee

vreemde groote schepen op de ree van Atjeh lagen. De

Sarabandar, het havenhoofd, liet den Koning vragen

wat hij doen moest. Aloëdins vlootadmiraal was een

vrouw, door haar kwamen 's Konings bevelen tot den

- 88


Sarabandar. Haar naam was Hajati. Zij had behoord

tot de eerste dienaressen van Aloëdins koninklijken

voorganger en nu was zij een der trouwste ambtenaren

van Aloëdin Riajat Shah. Voor het ambt van admiraal

en geheimraad had hij twee vrouwen verkozen boven

mannen, Hajati had hij admiraal gemaakt en Tjoet

Limpah geheimraad. Welken man zou hij ooit zoo

kunnen vertrouwen als deze vrouwen? Onder de nieu-

we Rijksgrooten, hoewel door den Koning zelf geko-

zen, was er immers geen die geheel zonder eigenbaat

was, die niet stil in zijn hart naar macht streefde, dit

deed een vrouw niet. Tot nu was er geen vrouw op den

troon van Atjeh geweest en er zou er ook wel nooit

een komen, meende de heerscher van thans. Of, het

volstrekte geboorterecht moest zulks gebieden.

Het volstrekte geboorterecht was er bij eene, en zij

zelve wist het niet. Het was begraven, absoluut begra-

ven... Hajati wist wie zij was, en ook Tjoet Limpah

wist wie zij was, en wanneer Hajati en Tjoet Limpah

eensgezind bleven, dan ook zou het geheim begraven

blijven. Maar Koning Aloëdin had geen rekening ge-

houden met de vrouwelijke jaloezie, toen hij Hajati, de

verstandige, aanstelde tot zijn admiraal, en Tjoet Lim-

pah, de wijze, tot zijn geheimraad. Nog nooit was deze

jaloezie zoo tot uiting gekomen als op dit oogenblik,

waarop beiden bij den Koning toegang vroegen voor

een gewichtige mededeeling. Hajati moest de ijlbood-

schap van den Sarabandar overbrengen, Tjoet Limpah

-89


de klacht der vrouwen en moeders over de vernieling

van de visschersprauwen en den moord op hun man-

nen en zonen. De vrouwen waren er eerst geweest,

maar de ruiters eischten onmiddellijk antwoord.

jati.

' 's Lands zaken gaan voor vrouwenzaken,' zeide Ha-

'Deze vrouwenzaken zijn ook landszaken,' meende

Tjoet Limpah.

'Ik beveel U mij voor te laten gaan,' zeide Hajati.

'Ik neem alleen bevelen van den Koning aan,' zeide

Tjoet Limpah.

Een slaaf maakte een eind aan den strijd. Hij bracht

's Konings bevel, dat beiden tegelijk binnen mochten

treden. Zij gingen, maar toen zij den groet hadden ge-

bracht, driemaal hun 'daulat' met de handen geheven

boven het hoofd, verhief de wijze Tjoet Limpah haar

stem.

'Heer, groote Koning, die almachtig is, laat Hajati,

Uw admiraal eerst spreken. Deze, uw slavin, wacht.'

Hierop zette zij zich neder, de beenen gekruist, het

hoofd gebogen en Hajati, trotsch, dat zij den zege be-

haald had, begon te spreken:

'Twaalf ruiters van de kustwacht, groote Koning,

brengen de boodschap dat twee groote, vreemde sche-

pen ter reê liggen en door kanonschoten hun komst

hebben doen weten.'

'Wie zijn het? Menschen van donkere kleur of Portu-

geezen?'

- 90


'Vergeving, groote Koning, men zegt, het zijn ande-

re blanken, wellicht onderdanen van den machtigen

Koning van Spanje, maar wie het zijn weet de Saraban-

dar niet.'

'Vergeving, mag ik spreken, groote Heer?' vroeg

Tjoet Limpah.

'Spreek, vrouw.'

'Het zullen Engelschen zijn, geen onderdanen van

den Koning van Spanje, Heer, zij zijn vijanden van de

Portugeezen.'

'Waarom denkt ge dat het Engelschen zijn, vrouw?'

'Omdat er vele schepen van de Engelschen kruisen,

Heer, tusschen Atjeh en Malakka, zelfs tot Djohor toe.

Dit volk is zeer machtig en heeft grootere schepen dan

de Portugeezen. Uit de boodschap die ik van de vrou-

wen gekregen heb, maak ik op, dat dit schepen der En-

gelschen zijn.'

'Welke boodschap is dit?'

'De boodschap is deze, Heer. Zes prauwen met le-

vensmiddelen voor de peperplanters op de Westkust

zijn gisteren door een vreemd schip aangevallen. De

menschen zijn om het leven gebracht en de gansche

buit is binnengebracht.'

'Dit hebben dus de twee vreemde schepen gedaan?'

'Het kunnen ook andere schepen zijn geweest die de

prauwen beroofd hebben, groote Heer. Uw slavin

heeft geen verstand van zeezaken, zij weet alleen dat

Portugeezen en Engelschen vijanden van elkaar zijn

- 91


en elkaar Uw gunst zullen betwisten. Daulat.'

'Groote Koning,' sprak Hajati, 'terecht zegt Tjoet

Limpah dat zij geen verstand van zeezaken heeft.

Hoe zou zij ook? Zij is een dienares van de prinses van

Djohor en weet alleen van vrouwenbelangen. De Por-

tugeezen zijn op het oogenblik onze vrienden, wij drij-

ven een voordeeligen handel met hen, zij hebben reeds

nederzettingen aan de kust. Als de Engelschen hun vij-

anden zijn, zijn zij ook de onze, vooral na den overval

op deze zes Atjehse prauwen. Zij verdienen niet anders

dan hier vandaan gejaagd te worden.'

'Niet anders dacht ik te doen, Hajati; laat onmiddel-

lijk veertig gewapende galeien uitvaren en breng mij,

vóórdat de zon weder aan de kim is, het bericht dat de

twee schepen onze reede hebben verlaten of door onze

kanonnen vernield zijn.'

'De wil van den Grooten Heer zal uitgevoerd wor-

den,' zeide Hajati, 'Daulat.'

Met een vernietigenden blik op Tjoet Limpah verliet

zij de Djoeroë.

Het was een wijle stil in de zaal toen Hajati vertrok-

ken was. Tjoet Limpah was alleen met den Koning,

want de rijksgrooten en zelfs de slavinnen waren voor

de komst der beide vrouwen reeds heengegaan. Einde-

lijk sprak Aloëdin:

'Wat hebt ge mij te vertellen, voedster van Tjoet Nja

Mirah? Zeg vrijuit wat ge denkt.'

Tjoet Limpah schoof nader en op zachten doch dui-

delijken toon zeide zij:

- 92


'De Koning die groot en machtig is moet wijsheid pa-

ren aan kracht. Het zou kunnen zijn, dat het verjagen

van deze vreemde schepen ongeluk bracht over het

land.'

'Hebben zij zich niet vermeten de onzen aan te val-

len?' merkte Aloëdin op.

'Wie verzekert den grooten Koning dat het Engel-

schen waren die de onzen deden sneuvelen?'

'Ooggetuigen brachten toch de tijding?'

'Die ooggetuigen, o Groote Koning, waren Portu-

geezen, vijanden van de Engelschen.'

De Koning dacht na. Deze vrouw was twintig ma-

nen in Malakka en Djohor geweest, zij kende vele

vreemde rassen die daar bijeen waren.

'Wat weet ge van de Engelschen, Tjoet Limpah?'

vroeg hij, 'zijn zij blank?'

'Zeer blank, Heer, blanker dan de Portugeezen en zij

zijn machtig. Een vrouw heerscht over hun land.'

'Hoe kunnen zij dan machtig zijn?'

Tjoet Limpah waagde het een oogenblik den Koning

aan te zien, toen boog zij nederig het hoofd.

'Ik vraag vergeving, Heer, doch het is zooals ik zeg,

een vrouw heerscht daar, een machtige Koningin, men

zegt nog machtiger dan de Koning van Spanje.'

'Gij vergist u, vrouw, de Koning van Spanje heerscht

over alle landen in het Westen, want deze zijn allen

leenstaten van hem, uitgezonderd dat der Portugee-

zen.'

- 93


'Vergeving, Heer, de Portugeezen willen dat wij dit

gelooven zullen, maar zij spreken onwaarheid, Heer.

De koning van Spanje is ook koning over de Portugee-

zen. - Wel weet ik dat er een ander blank volk is dat

zich tegen dien machtigen Koning verzet. Er zijn ook

moedige zeevaarders onder hen.'

'Wie zijn dit, Tjoet Limpah?'

'Dit zijn Zeeuwen en Hollanders, groote Koning,

even blank als de Engelschen.'

is.'

'En hebben zij ook een vrouw tot Koningin?'

'Neen, groote Heer, er is een prins, die nog zeer jong

'En deze prins durft den grooten Koning van Spanje

te bestrijden?'

'Het is zooals gij zegt, Heer, hij is zeer groot en

machtig en heeft vele verstandige admiraals.'

'Het kunnen toch niet hun schepen geweest zijn die

hier ter reê lagen?'

'Uw slavin denkt van niet, Heer. Deze Hollanders

zag ik nimmer op Malakka.'

'Zijn zij ook vijanden van de Portugeezen?'

'Zeer zeker, Heer. De Portugeezen zijn terecht zeer

bang, dat die andere volken onze zee bevaren. Zij wil-

len hier alleen blijven en zij verdienen ons vertrouwen

niet, Heer, zij willen onze menschen in dit land het ge-

loof ontnemen in Allah den Verhevene en in Moeham-

med, zijn profeet.'

'Gij spreekt duistere taal, Tjoet Limpah, dit kan niet

- 94


waar zijn. Hebben zij niet beloofd een nieuw bedehuis

voor ons te bouwen in de streek waar zij zich zullen

nederzetten?'

'Een bedehuis, Heer, waarin onze heilige lamp niet

zal branden, een bedehuis, waar wij den Profeet zou-

den moeten verloochenen, waar wij een anderen God

zullen aanbidden en binnen kunnen treden, zonder

eerst het verreinende bad te nemen! Ook zal de bede-

vaart naar Mekka van geen beteekenis meer zijn voor

hen die dit geloof aannemen.'

din.

'Hoe weet gij dit alles, Tjoet Limpah?' vroeg Aloë-

'Een man in Malakka die veel gereisd had, heeft het

aan prins Iskander en Uw slavin verteld.'

'Aan prins Iskander!? Hebt gij het toegelaten,

voedster van Tjoet Nja Mirah, dat de prins zulke

lasterlijke taal aanhoorde?'

'Vergeving, Heer, vergeving, uw slavin kon het niet

verhinderen, de prins is reeds een mensch, al is hij

jong. Hoe zou ik, nederige vrouw, hem kunnen belet-

ten te spreken met wien hij wil?'

'En de Sultan van Djohor, vrouw, zal hij zulks niet

tegengaan?'

'De Sultan van Djohor, groote Heer, weet immers

niet wie de prins eigenlijk is. Als hij wist wie de prins

was, zou hij hem wellicht met meer voorzorg omrin-

gen.'

'Gij hebt dus gezwegen, vrouw?'

- 95


'Mijn mond heeft gezwegen en zal zwijgen, zoolang

mijn vorst het gebiedt.'

Er was een oogenblik stilte. Toen zeide Aloëdin:

'Wanneer het is zooals ge zegt, vrouw, dan mag Is-

kander daar niet meer blijven; hij moet aan het gevaar

onttrokken worden. De Verhevene en zijn Profeet

zijn mijn getuigen, hoe ik dien kleinzoon, die niet

mijn afstammeling is maar de afstammeling van den

Koning der koningen, heb lief gekregen, hoe ik hem

beschouw als mijn eigen! Ik zou hem bij mij gehouden

hebben tot hij groot was als ik rustig als een gewoon

mensch aan zee had kunnen blijven. Onopgemerkt als

mijn eigen kleinzoon zou ik hem opgevoed hebben

voor den troon en mijn zoons zouden hem niet vijan-

dig geworden zijn. Nu is alles anders geworden en ik

moest hem wel afstaan maar hij mag geen ongeloovige

worden, dat gevaar moet ik voorkomen. Denkt gij,

Tjoet Limpah, dat er gevaar dreigt?'

'De Portugeezen zijn inderdaad een gevaar, groote

Heer, en de prins verkeert veel met hen, hij is zeer ver-

standig en wil graag leeren; hij spreekt ook reeds ande-

re talen, er is gevaar, groote Heer. Ik zegen het oogen-

blik, waarop ik dit den Koning zeggen kan en ik zegen

ook den aanval op onze prauwen want deze doet den

Koning zien, welk onheil de Portugeezen stichten.'

'Dus de Portugeezen zouden deze euveldaad begaan

hebben?'

'De Portugeezen namen de gelegenheid waar, waar-

-96


op er Engelsche schepen kruisten om onze prauwen te

overvallen, zoodat de groote Koning denken zoude

dat de Engelschen het gedaan hadden.'

Maar Tjoet Limpah was hier te ver gegaan. Een oo-

genblik had haar wijsheid haar verlaten door zich op

verboden terrein te begeven. Dit was een zaak tus-

schen den Koning en zijn admiraal; zooeven was het

bevel gegeven vijandig op te treden tegen de Engel-

schen. Als Tjoet Limpah gelijk had, zou de list der Por-

tugeezen gelukt zijn. Er zou een misgreep begaan zijn

tegenover een vreemde natie, een misgreep die niet

meer goed te maken was, want Hajati voerde altijd

stipt en onmiddellijk 's Konings bevelen uit. De

kustruiterij was reeds lang aan het strand en Hajati zelf

zou daar ook zijn op haar klein Perzisch paard. Het be-

vel was niet meer te herroepen en dit hinderde Aloë-

din, want ook hij twijfelde nu inderdaad aan de Portu-

geezen. Het ergerde den Koning en daarom sprak hij:

'Gij hebt reeds te veel woorden gebruikt, vrouw,

meer dan ik U vroeg, het is genoeg, ga!'

Tjoet Limpah bracht de teunbah. 'Daulat, Heer,' ver-

rees van den grond en ging.

Alles komt toch zooals het komen moet, en zij,

Tjoet Limpah, had haar meening gezegd.

Dienzelfden nacht was er een hevig gevecht op zee tus-

schen de vreemde schepen en de galeien des Konings.

Er kruisten ook Portugeezen en Chineezen, maar deze

- 97


zagen slechts toe en trachtten door het gebulder der

kanonnen en vuurroeren heen te zeilen en weg te ko-

men. Zij wilden hun handel met het vruchtbare peper-

land niet in gevaar brengen, maar de vreemde schepen

verlieten bij het zonnegloren de reede van Atjeh, met

het vaste besluit, in grooteren getale weder te komen

en dit heidensche land tot rede te brengen.

Het waren niet alleen de vreemde mogendheden die

het Land der drie Zijden bedreigden. Djohor, de va-

zalstaat, kwam in opstand. Hadden de Portugeezen

hun invloed gebruikt, of was de nijd opgewekt van het

groote Djohor, door den toenemenden handel die aan

de kusten van Atjeh, Pedir en Soemedara begon te

bloeien? Daar wemelde het van zeilen uit China, Ben-

galen, Koromandel, Arabie en Java, Pinang, tabak, pe-

per, rijst en suiker kwamen zij halen, metalen en wa-

pens voerden zij in. Er was een levendige vischhandel

en de kunstnijverheid, de goudsmeedkunst en de zijde-

teelt vooral, bevorderden de toenadering tusschen At-

jeh en de vreemde landen. Djohor begon moeilijkhe-

den in den weg te leggen en eenige malen werden prau-

wen uit Djohor door Atjeh opgebracht. Nu achtte

Djohor zich beleedigd en telkens wanneer de At-

jeh'sche galeien in de buurt kwamen, dreunden de ka-

nonnen van Djohor's kust. Tot eindelijk het ergste ge-

beurde, juist toen Aloëdin aanstalten had gemaakt,

zijn kleinzoon terug te laten komen; de gevangenne-

-98


ming van prins Iskander in de vesting te Djohor.

Aloëdin Riajat Shah verklaarde thans den oorlog aan

zijn Vasalstaat.

Tjoet Nja Mirah hield vele godsdienstoefeningen met

haar vrouwen. Niet alleen op de heilige avonden, maar

ook in gewone tijden klonken de stemmen der bidden-

den tot in het verblijf van den Sultan door.

'Hoe, hoe hajjam, hoe hajat,' kreten al hooger en

hooger de voorgangsters, en de omzittenden vielen in:

'Hoe hajjam!'

Tjoet Nja Mirah toog met haar vrouwen naar de hei-

lige graven en offerde wierook, bloemen en rijst - en

zij deed beloften die vervuld zouden worden als haar

zoon Iskander uit zijn gevangenschap bevrijd werd.

Aloëdin Riajat Shah zag dit alles aan en liet een wijs

man, die naar Mekka was geweest, Ben Hoessein, bij

zich komen.

'Zeg mij, Ben Hoessein, hoe kan ik den Verhevene

gunstig stemmen?'

Ben Hoessein richtte zich, na den eerbiedigen groet

uit zijn nederige houding op.

'Hij, die verdwaald is, groote Koning, moet trachten

het punt te vinden, dat hij verlaten heeft. Richt Uw ge-

dachten op het Verleden. Het zijn de daden welke niet

meer te herroepen zijn, die den Wandelaar van den

weg naar het hoogste afbrengen.'

'Zal ik den Messias gaan zoeken in het Bedehuis?'

- 99


'Het is goed, o Koning, ten aanzien van het volk den

Verhevene te zoeken, maar zoek hem ook en vooral in

het binnenste van Uw huis en Uw hart - want één

met Hem zijn is de ware aanbidding.'

En terwijl de duizenden krijgslieden ter zee vochten,

aan de kusten de kanonnen bulderden, liet Aloëdin

Riajat Shah de veertien olifanten optuigen en begaf

zich met zijn twaalf Rijksgrooten naar de Missigk.

Voorop ging de heilige Messias-olifant, die slechts eens

in het jaar dienst deed, daarachter volgde Pomerah, de

zachtmoedige, dragende den Sultan, en bij de Missigit

gekomen stegen allen af en vertoefden lang daarbinnen

bij de roode lamp. Het volk wachtte buiten eerbiedig

Sultans terugkomst. Wie zou straks den heiligen oli-

fant berijden? Zou de Messias eindelijk gekomen zijn

en het land redden van onheil? Maar toen na uren de

Koning weder verscheen, besteeg niet de Verwachte,

maar Aloëdin Riajat Shah den heiligen olifant en Po-

merah, de zachtmoedige, volgde met haar schitterende

kopsieraden, maar zonder berijder. De twaalf rijks-

grooten bestegen hun hooge dieren en zagen vanuit

hun overdekte statiestoelen op het volk neer.

In de schemering van het binnenvertrek was Aloë-

din Riajat Shah nu alleen. De 'dikir' der vrouwen, die

al wilder en wilder omhoog sloeg - het gillende 'Hoe

hajjam', klonk hier nauwelijks door. Aloëdin was al-

leen en hij stond stil. Hij was verdwaald en zocht naar

het punt, vanwaar hij gekomen was. Hij zag zijn leven

- ioo


van arm visscher op zee. Hij wierp zijn schepnet en de

zilveren visch was de kostbare gave der zilveren zee.

Toen werden de visschen goud - Spaansche matten en

gouden dukaten werden deze dieren en 's Konings Ali

Moghajat's gunst werd hem deelachtig. Hij kreeg het

vertrouwen, hij werd een groot man, hij beheerschte

nu de vloot die naar zee ging en de wapenen die andere

volken bestreden. Hij kreeg 's Konings nicht tot

vrouw en de Koning stond hem zijn dochter af, het

kind van de vrouw, die hij verstooten had. Tjoet Nja

Mirah werd in naam Aloëdins dochter. Een vrouw uit

het volk werd haar voedster en verder werd zij opge-

voed met de zonen die hem geboren werden. Maar

Tjoet Nja Mirah had een wreeden aard - toch had

Aloëdin haar lief als zijn eigen dochter - en later had

hij haar kind, Iskander lief als zijn kleinzoon. Voor

hem verwaarloosde hij zijn eigen kinderen, die heento-

gen naar Pasee, en naar Pedir. Tjoet Nja Mirah had van

klein af grooten invloed op Aloëdin. Zij was een

vorstenkind en hij een visscher; hij gehoorzaamde

haar. Zij waren als een vorst en zijn volk! Maar dat

wist Tjoet Nja Mirah niet. Haar voedster wist het ge-

heim en had het bijna verraden in haar verontwaardi-

ging voor den smaad dien Aloëdin verdroeg. Toen had

Aloëdin haar van het kind verwijderd, dat lange jaren

de zoogmoeder als verzorgster bij zich gehouden had.

Tjoet Nja Mirah was mede gegaan naar den Dalam,

toen hij als Koning gekroond werd. Tjoet Nja Mirah

- IOI


had den grooten moord op de rijksgrooten bevolen en

hij, Aloëdin had zich niet verzet. Hij had zich laten

bedwelmen door opium en drank en Tjoet Nja Mi-

rah's wil. Kwam nu de wraak van den Verhevene? Hij

had den Verhevene gezocht en deze was niet gekomen.

Zou hij nu te vinden zijn in het binnenste zijner ver-

trekken - in zijn eigen hart?

Hij was een oud, een zeer oud man - en het was

moeilijk den weg te vinden naar zijn eigen hart, maar

ergens schemerde daar een licht, klein en warm, onge-

zien door anderen, zooals in de moskee, en in Aloë-

dins somber gemoed rees de stille hoop op vergeving

van zonden en op den terugkeer naar den weg tot den

Allerhoogste.

- I02


VREEMDE SCHEPEN

De compagnie der 'Ver afgelegen landen' had haar eer-

ste schepen uitgezonden. Het waren de 'Mauritius' met

vier en tachtig koppen, de 'Holland' met evenveel

manschappen, de 'Amsterdam', waarop negen en vijf-

tig en het 'Duifje', waarop twintig koppen waren. Cor-

nells Houtman had het bewind over deze vloot, welke

voor het eerst denzelfden weg zou gaan, reeds door de

Portugeezen bevaren, namelijk om de Kaap de Goede

Hoop, en niet, zooals men sedert eenigen tijd probeer-

de te doen, om het noord-oosten van Europa. - En

Cornells Houtman bracht na twee jaar en vier maan-

den in 1597 deze vloot behouden in de Hollandsche ha-

ven terug, weliswaar na veel ontbering en het verlies

van vele menschen, zelfs van een schip, doch met

winst beladen. Zoo besloten de kooplieden tot Am-

sterdam weder een vloot uit te zenden, thans ten getale

van acht schepen, die in de maand Mei van het jaar 1598

onder bevel van Jacob van Neck de haven van Texel

verliet. En alsof opeens de zeewind door de wollen

wambuizen der stoere Hollanders en Zeeuwen blies,

richtte men overal maatschappijen op, die zich met de

Amsterdamsche konden meten. Weldra zeilde een

vloot de haven van Rotterdam uit onder bevel van Ja-

- 103


cob Mahu en bij Vlissingen lichtten twee schepen van

het Handelshuis de Moucheron het anker. Het waren

de 'Leeuw' met honderd drie en twintig man en de

'Leeuwin' met honderd koppen, onder bewindvoering

van dienzelfden Cornells Houtman, die van de Am-

sterdamsche Compagnie naar de Zeeuwsche was over-

gegaan.

Alsof dit alles niet genoeg was, rustte Amsterdam

het jaar daaropvolgend, weder drie schepen uit, onder

den Admiraal van der Heyen en tezelfder tijd werd de

Brabantsche Compagnie opgericht die in 1599 acht

schepen, en in 1600 nog zes uitrustte, waarover weder

Jacob van Neck het bewind voerde. Zoo wapperden

de zeilen van de eerste Hollandsche en Zeeuwsche

Oost-Indiëvaarders overal op de wijde zee, zeer ten on-

gerief van de Portugeezen, die, tot de tanden gewa-

pend, deze mededingers in de Indische wateren ontvin-

gen. Toen Cornells Houtman den een-en-twintigsten

Juni 1599 in de baai van Atjeh ankerde, was de reede be-

zaaid met Arabische, Chineesche en Pegureesche bar-

ken, maar, wat meer zeide, er kruisten ook Portugee-

sche schepen, vijanden, die den handel hier zouden

stremmen! Cornells Houtman had een uitvoerige in-

structie van Zijne Excellentie, den Prince Maurits, bij

zich, waarin o.a. deze woorden voorkwamen:

'Wanneer nu Godt Almachtich U met voorspoedi-

cheyt in Oost Indië sal gebracht hebben, soo willen wij

U vermaent hebben met sulke prudencie de landen aan

- 104


te doen, dat ghij moghet ontcomen alle de listen ende

laegen die de Portuguesen, Spaense ofte inwoners der

lande U soude mogen bereijdt hebben, daartoe alle

middelen spenderende om eenige van heure joncken

ofte barquen te becomen om van hun te vernemen de

gelegenheyt van dien ende de staet van het landt. Ende

dat vernomen hebbende, doet alle naersticheyt die mo-

gelijck en de eerlijck is, om Uwe ladingen te becomen.'

Op de lange reize naar Oost-Indië had de bevelheb-

ber reeds met 'Alle naersticheyt' gestreefd om ladingen

in te nemen. Of het immer op de eerlijke manier ge-

schied was, door Prins Maurits aanbevolen, daarover

dacht Cornells Houtman niet te veel na. Was het eer-

lijk geweest den trotschen, donkerharigen edelman,

wiens prauw hij bij de Malediven had laten enteren,

zijn ringen en edelsteenen af te nemen? Zeker toch was

het wel prudencie, diens jonge, mooie vrouw onge-

deerd te laten gaan. Nog zag hij de donkere, trotsche

oogen van den man, die als een beleedigd vorst zich

met zijn prauw verwijderde. Een klein avontuur was

het slechts, Houtman haalde er de schouders over op.

Een zeeman was geen papkind en hij moest toch wel

eenige vergoeding hebben tegenover de gevaren, waar-

aan hij bloot stond! Twee weken tevoren waren zij bij-

na vergaan op de gevaarlijke banken bij Sint Augus-

tein, daarna doorstonden zij in de Saldanna baai een

verraderlijken aanval van de zwarte Hottentotten, die

hen midden onder vreedzaam handeldrijven met hun

- 105


werpspiezen te lijf gingen. Dertien zijner mannen wa-

ren om hals gebracht. - Bijlo! Ongedeerd liep geen

schip een haven binnen, dat wist Houtman maar al te

goed. Hier op de kust van Atjeh moest hij voorname-

lijk op de Portugeezen passen, die zouden zeker nog

gevaarlijker zijn dan de Atjehers. Een kleine prauw

kwam langszij. Er zat een Chinees in met een hemels-

blauw hemd aan en de woorden gedachtig van zijn

Prince 'alle middelen te spenderen om eenige van heu-

re joncken ofte barquen te becomen om van hun te

vernemen de gelegenheyt van dien ende de staet van

het landt,' liet hij deze prauw oppikken. De Chinees

gehoorzaamde en kwam aan boord, en thans werd er

een gesprek geopend tusschen den bewindvoerder,

den stuurman John Davis en den Chineeschen koop-

man Long Pi. Men sprak Chineesch, Spaansch en En-

gelsch door elkaar.

'Wie waren er op de Portugeesche schepen?'

'Troepen van Malakka, master.'

'En wie was de bevelhebber?'

'Don Alfonso Vincent.'

'Kruiste hij allang hier?'

'Sedert enkele dagen, master.'

'Dus hij heeft van onze komst gehoord,' lachte

Houtman, 'laat hem nu eens wat vertellen van Atjeh,'

zeide hij tot den stuurman. De kleine, gestaarte man

vertelde van den grooten Koning Aloëdin, die zeer

oud was, wel honderd jaar, zeide men, dat het land

- 106


zeer rijk was, rijk aan hout, koper, goud, saffieren, ro-

bijnen, rijk aan vee, paarden, geiten, wilde zwijnen en

vooral - hier grijnsde Long Pi - aan peper. 'Als de be-

velhebber peper wilde koopen, moest hij wel goed toe-

zien dat hij geen steenen en zand kreeg inplaats van de-

ze kostbare specerij, want al was de Koning oud, slim

was hij nog wel.'

'Maar nog slimmer zijn de Chineezen,' zeide Davis

en Houtman beloofde den man een flinke belooning,

als hij de Portugeezen weg wilde houden, als hij handel

dreef met den Koning.

'Long Pi is tot Uw dienst, genadigde Heer, hij zal

zijn uiterste best doen.' Daarop trok hij zich wat terug,

want de aandacht van den bevelhebber werd geboeid

door twee prauwen, die bakboordzijde genaderd wa-

ren. De tweede stuurman meldde het den bevelhebber:

dit waren de afgezanten van den Sultan van Atjeh. Zij

beklommen den valreep. Het waren de Sarabander, de

havenmeester, en de geheimschrijver van den Sultan

en gevolgd door eenige andere ambtenaren, zij waren

in getale van tien. Plechtig brachten zij hun eerbiedi-

gen groet, de hand heffend boven de hooge, smalle ko-

piah, om ze dan weder neder te doen vallen op de

zwarte, naar de enkels zich versmallende broek. Zij

kwamen uit naam van den machtigen Sultan, zeide de

Sarabander, den naam van het schip vragen, het getal

der manschappen en het aantal der kanonnen opne-

men. Wanneer het doel van de reis was, specerijen te

- 107


koopen, dan zou de Grootmachtige, den Heer be-

windhebber onmiddellijk het zegel geven, dat toegang

tot den wal gaf.

De kleine Long Pi staarde met zijn schuine oogen in

het onbewegelijke, gele gezicht naar deze ceremonie.

Wel een ander mensch moest hem opeens dezen Hol-

lander schijnen, die nu zoo hoffelijk mogelijk den afge-

vaardigde ontving - een ander mensch dan degeen die

zooeven over zijn nederig geschoren hoofd en lange

vlecht heengesproken had. Deze Atjehsche grooten

werden inderdaad met alle reverenties ontvangen,

maar, hoe deftig de op stevige beenen geplante Hollan-

ders ook deden, de magere gestalten in de lange, wijde

broeken onder de hooge kopiah's wonnen het in Long

Pi's oogen in voornaamheid. Toch merkte hij wel ee-

nig verschil tusschen den bevelhebber en diens tréso-

rier bijvoorbeeld en den stuurman. Deze stuurman

was een andere landsman dan de bevelhebber. Hij had

lichte oogen en een bruine sik, waarschijnlijk was hij

een Engelschman, wat deed hij dan op een Zeeuwsch

schip? Daar stak wat achter, dacht Long Pi, misschien

kon hij er zijn voordeel mee doen. En over zijn blauwe

jas heen maakte hij de opmerking: 'Hier waren nu in

deze kleine baai allerlei landaarden bijeen, Hollanders,

Zeeuwen, Portugeezen en Engelschen, allemaal vijan-

den van elkaar, die aan het rijke peperland wilden

smullen.' Achter Long Pi's strak gelaat brandde het

van plezier, maar niemand zag het. De jongmaatjes, de

- 108


matrozen in den mast, maakten grappen over hem; zij

kogelden met pruimpjes tabak naar zijn blauwe hemd

of probeerden van hun onmetelijke hoogte af te spu-

wen op zijn puntig hoofddeksel. Long Pi trok er zich

niets van aan. Het gesprek tusschen de Atjehsche hoof-

den en den bevelhebber had intusschen zijn voort-

gang. De Sarabander had nog een verzoek. Het zou

den machtigen Koning zeer welkom zijn, wanneer

twee lieden van dit schip mede wilden gaan om des be-

velhebbers wedergroet te brengen. Nu, hierop was ge-

rekend. Cornells Houtman had reeds twee pootige en

welbespraakte borsten daarvoor uitgezocht, Philip de

Brauw en Jacob Jansen en ook de geschenken voor den

Grootmachtige waren reeds gereed. Zij bestonden uit

een spiegeltje, een fraai drinkglas en een armband van

bloedkoraal. Hiermede belast vertrokken de Brauw en

Jansen eenige uren later in gezelschap van den Saraban-

der, den geheimschrijver en de acht andere ambtena-

ren, die met even deftig ceremonieel afscheid namen

als zij aan boord gekomen waren.

Toen kwam Long Pi weder bescheiden te voor-

schijn; men had hem geheel vergeten. Long Pi glim-

lachte en zijn oogjes trokken daarbij iets schuiner.

'Geef hem een koupan,' zeide Houtman tot Davis.

Long Pi grinnikte. 'Een koupan! Dat is slechts vier-

honderd cash, het moet een pardow zijn, master - vier

mass. Voor vier mass lever ik U een prauw met Portu-

geezen, maar voor een koupan...'

- 109


'Nu, voor een koupan?' vroeg Davis.

'Master schertst. Voor een koupan levert Long Pi

een prauw vol Zeeuwsche heeren aan de Portugeezen.'

'Je bent een schelm,' zeide Davis, maar hij gaf hem

een heele pardow en buigend vertrok de kleine, blau-

we Long Pi.

Des avonds tegen zonsondergang beklommen twee

vreemde, witte gedaanten den valreep. Het waren de

Brauw en Jansen, beiden gehuld in lange witte, katoe-

nen hemden en het hoofd eveneens met een witte tul-

band bekroond. Zij brachtten den bevelhebber, Corne-

lis Houtman, de verzekeringen van vrede van den Sul-

tan en tevens een korf, gevuld met verscheidene soor-

ten specerijen en vruchten. Dit getuigde dus alles van

een vriendelijke gezindheid en de tevredenheid van den

bevelhebber deelde zich ook mede aan het scheepsvolk.

Tot laat in den nacht klonk het gelach en gezang over

het dek, want alles verzamelde zich om de witte bood-

schappers heen, die met niet weinig overdrijving een

kleurig verhaal opdischten van de ontvangst, hun door

Zijne Majesteit en diens vrouwen bereid. Met open

mond luisterde naar hen de jongste scheepsjongen.

'Maar eer wij met onze peper naar huis gaan,' zeide

de Brauw, 'moeten wij er allemaal op bezoek, jij even-

goed, Jochem Stijloor, als de bevelhebber en de schat-

bewaarder en je krijgt net zoo'n schoon nachthemdje

aan als wij.'

'Ik zou je danken, ik en wil niet,' gilde de jongen en

- no


hij hield zijn handen reeds op zijn ooren, want de

Brauw wilde hem bij een dier lichaamsdeelen pakken,

waaraan de jongen zijn bijnaam verdiende, maar hij

was hem te vlug af en liep weg.

'Ik zal je kielhalen,' riep de Brauw hem achterna,

maar Jochem wist wel, dat het malligheid was en zette

zich achter bij de jongmaatjes.

Den volgenden morgen zeer vroeg, verscheen er we-

der een prauw en wendde den steven naar het vreemde

schip. Ditmaal was het een mooie groote en zoowaar,

daar was de Sarabander weder, waarschijnlijk met het

zegel, dacht de bevelhebber. Maar welke grootheid

bracht hij nu mede? Cornelis Houtman zag duidelijk,

dat het niet dezelfde menschen van gisteren waren, de

Sarabander met de roeiers en slechts één ambtenaar.

Zij bestegen den valreep en na den gebruikelijken

groet verklaarde de Sarabander:

'Deze medegekomene, groote Heer, is een der hof-

hoorigen van onze machtigen Sultan. De Sultan heeft

hem lief als zijn zoon en verzoekt den grooten Heer

hem als gijzelaar te beschouwen, zoolang de Sultan de

eer zal hebben, den bevelhebber van dit schip te ont-

vangen in zijn paleis. Hij beveelt den grooten Heer de-

zen, zijn zoon in het volste vertrouwen aan en noodigt

hem uit, straks in de prauw te willen afdalen, opdat wij

U naar het paleis van den Sultan kunnen brengen.'

De gijzelaar bracht nu zijn eerbiedigen groet en zei-

de in zuiver Spaansch:

- in


'Uw nederige dienaar groet U, groote Heer, en ge-

voelt het als een eer, hier op Uw schip te mogen ver-

toeven.'

Het was een zeer jonge man, wiens smal gelaat en

open, donkere oogen den bevelhebber zeer wel aan-

stonden. Hij vroeg, welke betrekking de gijzelaar be-

kleedde en de jonge man antwoordde: 'Vergeving,

Heer, nog geen. Ik ben door den Sultan voor studie

naar een ander land gezonden en ik weet nog niet, wel-

ke betrekking de vorst mij waardig keurt.'

'Hoe moet ik U dan noemen?' vroeg Cornelis Hout-

man.

'Nja Ganti, Heer,' zeide de jonge man en bracht we-

der de teunbah.

'Zorg goed voor Nja Ganti,' zeide Houtman nog

eens tot Davis, voor hij in de prauw stapte, 'laat hem

niet te veel wijn drinken, maar doe Uw voordeel met

Uw onderhoud.'

Men kon het inderdaad niemand beter opdragen dan

John Davis, om dezen jongen Atjeher op te passen,

daar hij een bijzonderen tact had met allerlei slag men-

schen om te gaan en Davis zelven was de opdracht bij-

zonder aangenaam, want hij wilde iedere gelegenheid

aangrijpen dit rijke land Atjeh, Pedir en Soemadera te

leeren kennen. De Indische Archipel was een begeerlij-

ke buit voor de zeevarende volken van het westen ge-

worden en de Portugeezen hadden geen ongelijk, de

Engelschen en de Hollanders als gevaarlijke concur-

- 112


enten te vreezen. Toch waren de Engelschen het

meest gevreesd. Zij hadden immers reeds vóór de Hol-

landers den Maleischen Archipel bezocht, zelfs hier en

daar nederzettingen, tot groote ergernis van Portugal!

De Hollanders waren alleen nog maar in de noordelij-

ke zeeën te duchten geweest, hoewel, nu zij in openlij-

ken opstand tegen den koning van Spanje waren, en

het levensonderhoud hen dwong alle kluisters te ver-

breken, deze 'kondige' zeevaarders en pootige zee-

schuimers thans ook de schrik der zeeën beneden de

equator waren geworden. Nu zelfs hun onderne-

mingsgeest handelsmaatschappijen in het leven had ge-

roepen, zooals 'de Compagnie der verafgelegen lan-

den', werd het een volk, waar rekening mede gehou-

den moest worden. Niet alleen de Portugeezen dach-

ten er zoo over, maar ook de Engelschen, die als vrien-

den met de Hollanders wilden samenwerken. Meer-

malen wisselde Engeland met de Republiek scheeps-

volk en zoo was John Davis onder Cornelis Houtman

met de schepen van de Moucheron uitgevaren. Davis

was dezen machtigen handelsman aanbevolen door

Robert Graaf van Essex, aan wien hij een rapport

moest brengen van deze merkwaardige reis. Het was

den Engelschman dus niet onaangenaam, een Atjeher

aan te treffen, met wien hij zich in een bekende taal

kon onderhouden, iemand die bovendien, daar hij als

gijzelaar was afgezonden, ondanks zijn jeugd, een man

van beteekenis moest zijn. Op het achterschip, onder

- "3


een zonnetent gezeten, want het begon al heeter en

heeter te worden, luisterde hij naar wat de gijzelaar

hem van zijn leven en van het hof daarginder bij den

grooten Koning vertelde; beter gezegd, op Davis' vra-

gen antwoordde, want een jonge man van opvoeding

zou nimmer zoo lang het woord gevoerd hebben te-

genover een oudere en bovendien een vreemdeling.

Davis vernam dus, dat Nja Ganti een zoon uit het volk

was en door den Koning opgemerkt, omdat zijn

Grootmoeder, Tjoet Limpah, de voedster was geweest

van Aloëdins dochter.

Op zijn zevende jaar was hij in den Dalam op de

school van het Heilige Boek gekomen om t'adati te

worden, verzenzegger en zanger voor den Koning en

de rijksgrooten. Men had hem een zorgvuldige opvoe-

ding gegeven! Moesten de jonge t'adati niet aan alle ei-

senen voldoen, zoowel lichamelijk als geestelijk, om

eens in de beurtzangen der Rateb's de hoofdrol te kun-

nen spelen? Lenig moest hun lichaam zijn en lenig hun

geest, lange oefeningen vorderde het om het buigen en

strekken van armen en beenen, het voor- en achter-

overbrengen van schouders en hoofd op de juiste ma-

nier te volbrengen, de stem een goede toonhoogte en

buiging te geven en de diepere beteekenis te onderken-

nen der zangen van het koor en het gesproken woord.

Dit alles gaat gepaard met een studie van het Heilige

Boek, den Koran, en een leven, dat aan reinheid, sober-

heid paart. Daarom was Nja Ganti van zijn zevende

- 114


jaar af streng behoed geworden voor de zondige bui-

tenwereld en hij had niemand minder dan den wijzen

Abdoel Hamid als leermeester gehad. Vijf jaar lang

was hij t'adati geweest aan het hof van Sultan Aloëdin

Riajat Shah...

Toen Nja Ganti zoover gekomen was met zijn ver-

haal, boog hij het hoofd en zag lang neer op zijn gevou-

wen handen. Davis wachtte een poos, doch toen de

Atjehsche gast bleef zwijgen en als in gedachten ver-

zonken scheen, wenkte hij een der scheepsjongens en

zeide: 'Breng ons een beker wijn en zie eens, of er wat

te eten valt.' Toen richtte hij zijn blik weer op den te-

genover hem zittende en bemerkte, dat er weer een an-

dere uitdrukking in de donkere oogen was. Hij vroeg

verder, vroeg naar de eigenaardigheden aan het hof,

naar den ouden Sultan en diens vermoedelijken opvol-

ger en vernam, dat Sultan Aloëdin twee zoons had,

waarvan de oudste Moehammed Shah reeds medezeg-

ging in de regeering had, dat er een zeer beminde klein-

zoon was, die in Djohor leefde. Het trof John Davis

dat het stille gezicht van Nja Ganti een levendiger uit-

drukking kreeg, toen hij over den kleinzoon sprak.

'Hoe is zijn naam?'

'Iskander was zijn naam, Heer. Nu noemt hij zich

Perkasa Alam en als de Verhevene het wil, zal hij eens

Sultan Aloëdins opvolger zijn.'

'En niet de zoon, Moehammed Shah?' vroeg Davis.

'Alleen als de Verhevene het wil, Heer,' was Nja Gan-

- 115


ti's antwoord. Hij boog snel het hoofd, als wilde hij

den vreemdeling het vuur niet doen zien, dat in zijn

oogen blonk.

De scheepsjongen en een andere, namelijk 'Stijloor',

brachten wijn, beschuit en gebak. Davis noodigde zijn

gast uit toe te tasten en na een oogenblik vroeg hij, wei-

begrijpend dat het gesprek van zooeven in andere ba-

nen gevoerd moest worden:

'En hoe komt het, dat de jonge toeangkoe zoo goed

Spaansch spreekt?'

Nja Ganti glimlachte en beviel zoo beter aan Davis

dan zooeven. Hij vertrouwde die koranbrabbelaars en

halve heiligen niet erg, zij waren het juist, die het

gauwst met hun rentjongs klaar stonden, want in

naam van den Verhevene was alles geoorloofd tegen de

ongeloovigen. Hij luisterde naar het verhaal van Nja

Ganti's verdere leven en het was waarlijk onderhou-

dend genoeg, Davis' belangstelling te wekken. Hij

kreeg er een voortreffelijk overzicht door van het le-

ven en karakter van het Atjehsche volk. Men acht het

ook onder de armsten een duurzame plicht, den kinde-

ren kennis bij te brengen en wanneer, zooals hier het

geval was met Nja Ganti, de vorst zelf de opvoeding

van een kind ter hand neemt, geven de ouders hun ze-

gen mede, waar dat kind ook heen gezonden wordt.

Het sprak vanzelf dat Nja Ganti aan het eind van zijn

t'adati-jaren naar den vreemde ging. Staat niet de uit-

drukking 'op reis gaan' bij het volk gelijk met 'studee-

- 116


en', 'leeren', 'onderwijs krijgen'? In zijn eigen land, on-

der het oog van hen, die hem als kind hebben zien spe-

len, kan niemand immers een groot man worden! En

een groot man moest Nja Ganti worden, dat wilde de

Sultan. Hij was eerst naar de Lampongs gezonden en

later naar Groot-Java. Daar had hij als 'moerib', stu-

dent, de scholen bezocht. Daar, vooral op het eiland

Java, waren vele menschen die andere talen spraken,

Javanen, Soendaneezen, Egyptenaren, Arabieren, Chi-

neezen, en zeer vele Portugeezen en Spanjaarden.

'En hebben de Portugeezen niet getracht U hun ge-

loof op te dringen?' waagde Davis te vragen.

'Misschien hebben zij het getracht, Heer, maar het

zou niet gekund hebben, want Abdoel Hamid was

mijn leermeester.'

'Zijt gij een vriend van de Portugeezen?' vroeg Davis

weer.

'Vergeving, Heer,' zeide de jonge man, 'daar kan ik

moeilijk op antwoorden, ik heb Portugeezen leeren

kennen, die mijn vrienden waren en anderen die mijn

vijanden zijn; zij zijn mijn vijanden die mijn land

kwaad doen.'

'En zij daar, Nja Ganti?' Davis wees naar de schepen

van Don Alfonso, die evenals de 'Leeuw' en de 'Leeu-

win' zachtjes op de kalme golven der Suratte-passage

dobberden. 'Doen zij Uw land geen kwaad?'

Nja Ganti fronste de fijne wenkbrauwen. 'Zoolang

zij alleen peper en andere specerijen koopen, Heer, en

- «7


ons weer goede dingen van hun land verkoopen, doen

zij geen kwaad; onze handel is daarmede gediend, maar

wanneer zij zich mengen in onzen godsdienst of in on-

ze wetten, dan zijn zij onze vijanden.'

'Dit is juist het verschil, Nja Ganti, tusschen de Por-

tugeezen en de andere westersche naties,' zeide Davis.

'Noch de Engelschen, noch de Zeeuwen zouden het

bestaan zich in Uw godsdienst of wetten te dringen; zij

willen niet anders dan een eerlijken handel. Het is te

hopen, dat er spoedig een verbond tusschen dezen en

Uw vorst komt, dat dien handel bestendigen zal.'

'Het is, zooals gij zegt, Heer,' en Nja Ganti boog be-

leefd, 'ik vrees alleen, dat het moeilijk zal gaan, want de

Portugeezen zijn op het oogenblik zeer bevriend met

Moehammed Shah.'

'Maar deze is toch niet de Sultan?' vroeg Davis.

'Neen, Heer, hij is de zoon, maar de Sultan zelf is

oud, zeer oud. Het behaagde den Verhevene hem over

de negentig jaar te doen worden. Voor ik heentrok

naar de vreemde landen, was zijn hand nog sterk en

zijn blik nog helder; hij haatte en verachtte de Portu-

geezen. Nu is zijn hand zwak geworden, zijn blik min-

der vast en wat is de haat van een zwak en bijna blind

mensch, Heer?'

Davis boog zich over naar den jongen man.

'Kunnen anderen die jong zijn en denken als hij, hem

niet dienen en het land beschermen?'

'Dat kunnen zij, Heer en dat willen zij ook,' zeide de

- 118


ander, 'zij zullen alles doen wat de plicht hun voor-

schrijft.'

Davis dronk zijn beker uit en vroeg als onverschillig:

'Zeidet ge niet, dat de naam van den kleinzoon Iskan-

der, "Alam" was?'

'Perkasa Alam, Heer,' antwoordde Nja Ganti, 'de

Verhevene zegene hem.' Eerbiedig bracht hij de han-

den aaneen boven het hoofd, toen gleed zijn blik even

schichtig over den Engelschman. De Portugeezen wa-

ren slim, maar men doorzag ze spoedig... wat moest

men van dézen blanke denken? Hoe was zijn gezind-

heid? In alle geval was hij een vijand der Portugeezen

en daarom moest men oppassen niet te veel te zeggen.

Had hij reeds niet te veel gezegd? Hierover dacht Nja

Ganti na toen de stuurman hem een oogenblik alleen

moest laten, daar hij bij Pieter Stockman, den kapitein

geroepen werd. Terwijl een oogenblik de scheeps-

trompet schetterde en de voetstappen van het scheeps-

volk, dat ter inspectie geroepen werd, langs hem

dreunden, zat Nja Ganti onder de zonnetent - een

tengere, donkere figuur op het kussen, dat men voor

hem had neergelegd. Dat, wat onder het gesprek met

den stuurman Nja Ganti opeens zoo stil had doen zijn,

was de herinnering aan iets, dat hij als lang vergeten

waande in zijn binnenste. Toen hij van zijn kindertijd

vertelde, was het beeld zijner Moeder Intan voor hem

opgerezen, Intan, die niet wilde dat hij t'adati werd, die

hevig geschreid had, toen Vader hem heenbracht naar

- 119


den Dalam. O, Nja Ganti begreep, nu wereldwijs,

waarom zijn Moeder zich zoo verzet had. Sommige

t'adati hadden een slechten naam bij het volk, zij wa-

ren in zeer veel gevallen de arme slachtoffers van ver-

dorven mannen, rijke wellustelingen, waarvan het

land overstroomd was en die door het volk ten diepste

geminacht werden. Daarom, daarom wilde Moeder

niet, dat haar kind t'adati werd! Maar Moeder wist

niet, dat de echte t'adati, die aan het hof waren en door

heilige mannen opgevoed werden, dien smaad niet ver-

dienden. Hun leven moest heilig en kuisch zijn. Hoe

had de kleine Nja Ganti echter Moeders tegenzin an-

ders kunnen verklaren dan uit het feit, dat hij nu voor-

goed wegging, haar eenig kind? En daarom, onder haar

snikken door, had hij haar in het oor gefluisterd: 'Moe-

der, Nja Ganti zal iederen avond de goede geesten bid-

den, dat ze U een anderen zoon geven, een die altijd bij

U blijft.' En Intan had zijn gezicht tusschen haar han-

den genomen en met betraande oogen in de zijne ge-

blikt.

'Dat is goed, mijn zoon, bid de goede geesten, dat ik

een kind krijg.'

Iederen avond, na het verreinende bad, en iederen

morgen als de olifant ontwaakt, had Nja Ganti alle

goede geesten gevraagd, Moeder een kind te brengen,

een kind dat altijd bij haar zou blijven, en ziet, zijn ge-

bed was verhoord! Intan had een kleinen zoon gekre-

gen, maar zij was gestorven met haar kind. Zij was

- I20


heengegaan en haar zoon ook - hij was, juist zooals

Nja Ganti het gewenscht had, altijd bij haar geble-

ven... Nja Ganti had na dien tijd geen wenschen meer

durven koesteren. Zij werden vervuld! Lem Deuha,

zijn Vader, had een andere vrouw genomen, maar Nja

Ganti had zijn Moeder nooit vergeten.

In den Dalam was veel veranderd sedert zijn terug-

komst. Hoewel Sultan Aloëdin altijd nog zelf het heft

in handen had, regeerde eigenlijk zijn zoon, Moeham-

med Shah en de hooge onderdanen, de Orangkaja, za-

gen naar den kroonpretendent met vreeze, want zijn

regeering kon niet lang meer uitblijven. De Dalam was

daardoor als het ware in twee helften verdeeld, de eene

was die van den ouden Sultan, met enkele getrouwe

Orangkaja, de Prinses van Djohor en hare vrouwen -

de andere die van Moehammed Shah, de rijksgrooten

en Hajati, de vrouwelijke admiraal, die in schijn Aloë-

dins bevelen, doch in werkelijkheid die van Moeham-

med Shah opvolgde. De oude Tjoet Limpah, Nja Gan-

ti's Grootmoeder, had haar oude plaats behouden als

eerste dienares der prinses en vrouwelijke geheimraad

van den Sultan. Nja Ganti had haar bij zijn terugkomst

geheel grijs teruggevonden, maar overigens was zij,

hoewel zij reeds zeventig telde, altijd nog de sterke,

besliste vrouw van vroeger. Zij geleek een trouwe, le-

vendige waakhond, immer beducht voor gevaar dat

zijn meester of meesteres kon bedreigen. Aloëdin en

Tjoet Nja Mirah werden door haar beschermd, hoewel

- 121


het geleek, alsof zij door den Koning en de prinses be-

schermd werd. Nja Ganti, nu ouder en wijzer gewor-

den, zag dit zeer goed; als kind had hij Grootmoeder

bewonderd om haar verhalen en liederen, nu eerde hij

haar om haar wijs inzicht en niet alleen daarom. Ab-

doel Hamid had Nja Ganti's denken vroeg geleid naar

de innerlijke zijde der dingen, en daarom zag hij nu,

dat zijn Grootmoeder niet alleen een wijs, oud

vrouwtje was, zij scheen hem ook toe, een begenadig-

de te zijn. Niet als hij had zij een school bezocht, nie-

mand had haar onderwezen, zij was maar een arme

pottenbakster geweest, het volksgeloof deed haar af-

stammen van de zeevrouw Walriam, maar dit was een

heidensche sage, waaraan Nja Ganti, die een geloovig

moslim was geworden, geen waarde mocht hechten.

Tjoet Limpah, zijn Grootmoeder, was een uitverkore-

ne, zoo dacht Nja Ganti.

En in hetzelfde oogenblik, waarin de kleinzoon aan

de Grootmoeder dacht, gingen Tjoet Limpah's gedach-

ten naar den kleinzoon. Werd hij niet als gijzelaar op

het schip gehouden in ruil voor den blanken man, die

heden feestelijk onthaald werd in den Dalam? Zoo-

even was deze op een olifant gezeten, gevolgd door an-

dere olifanten met kleurige tenten op hun rug, de drie

poorten binnengereden. De oude Aloëdin Riajat Shah,

op zijn fluweelen troon, rijkelijk getooid met juwelen

en edelsteenen, een kris in zijn gordel en een tweede

kris op zijn rug, had hem zien binnen komen, want

- 122


vanuit zijn hooggelegen paleis kon hij het plein over-

zien, terwijl niemand hem kon zien. Tjoet Limpah be-

hoorde tot de vrouwen, die met de prinses van Djohor

de komst van den vreemdeling verbeidden in de galerij

vóór de groote Djoeroë, waar de Sultan met zijn veer-

tig slavinnen en vijf rijksgrooten verbleef. Zij zag den

gast op het plein voor het paleis afstappen van den

knielenden olifant, - een donkere, breede figuur met

golvend haar onder grooten zwarten hoed, een rood

gelaat boven breeden witten plooikraag. Zij zag dade-

lijk het verschil tusschen dezen blanke en een Portu-

gees; dezen heer ontbrak de sierlijkheid en de gemak-

kelijkheid van een grandseigneur, maar hij geleek

Tjoet Limpah sterker en vaster van hand, zeer zeker

beter geschikt voor het groote doel, dat zij allen die

hier wachtten voor oogen hadden! Dat doel was: den

oorlog met Djohor, die nu al jaren duurde, met zijn

hulp te beslechten en Iskander naar zijn land terug te

doen keeren. Voor dit plan, vooral wat Iskander aan-

ging, hadden zij de handen ineengelegd; dit vormde

een band tusschen Aloëdin en Tjoet Nja Mirah, waar-

van Tjoet Limpah de einden vasthield. Nog kon de

zoon, Moehammed Shah deze hoop vernielen; was hij

eenmaal op den troon, dan zou Iskander geen kans

meer hebben, want de Portugeezen, onder wier in-

vloed hij stond, zouden dan hun macht gebruiken.

Zoo was er een stille strijd tusschen deze twee groepen

in den Dalam, hij werd zeer stil gevoerd, niet openlijk.

- 123


De gast die hier binnenkwam zou niets merken van

wat hier broeide; er zou groot vreugdebetoon zijn, ve-

le gastrijen zouden gehouden worden, maar onder dat

alles zouden de Portugeezen en Moehammed Shah

hun spel spelen. Tjoet Limpah hield de wacht; zij zou

goed toezien welke spijzen en dranken den vreemde-

ling werden aangeboden; zoowel Tjoet Nja Mirah als

Aloëdin zelf hadden bevolen dat alles wat de maaltij-

den en drinkgelagen betrof, onder leiding zou staan

van Tjoet Limpah, de eerste dienares. Zoo wisten zij,

dat alles in veilige handen was. Dezen vreemdeling

mocht geen haar gekrenkt worden, hij moest terugkee-

ren naar zijn schip met het vaste voornemen den Sul-

tan en zijn volk te bevrijden van het Portugeesche juk

en de terugkomst van Iskander, den waren troonop-

volger, voor te bereiden. En Tjoet Limpah dacht: deze

vreemdeling moest ook bijzonder geëerd worden, om-

dat wat men hèm aandeed, ook daarginds op het

vreemde schip Nja Ganti, den gijzelaar werd aange-

daan. Zij had tegenover dezen kleinzoon ook een

plicht te vervullen; dikwijls meende zij den geest van

haar dochter Intan te zien en de vraag te hooren: 'Moe-

der, wat doet ge met mijn kleine Nja Ganti? Zal hij een

vroom goed man worden? Behoed hem toch voor af-

dwaling.'

O zeker, Lem Deuha, de Vader, was er ook; hij had

Nja Ganti zeer lief, maar die liefde was gemengd met

trots, dezelfde trots, die hem den kleinen jongen hoog

- 124


deed dragen op zijn schouder, boven de menschen uit,

toen deze nog een klein kind was.

Lem Deuha woonde nu in den Dalam, met zijn jon-

ge vrouw, een veel jongere vrouw, Tjoet Limpah

mocht haar niet; zij was schoon als een robijn, maar

haar hart was zwart als kool. Hoe geheel anders dan

haar zachte, stille Intan was deze Talamah! Tjoet Lim-

pah was er zeker van, dat zij Lem Deuha bedroog en

daarom vooral vreesde Tjoet Limpah voor haar Nja

Ganti. Zij poogde hem van het huis zijns Vaders af te

houden, niet omdat zij verwijdering tusschen den Va-

der en den zoon wenschte, maar wel die tusschen Nja

Ganti en Talamah; zij kenden elkaar immers goed uit

den tijd, toen Talamah meuhadi en Nja Ganti t'adati

was? Doch toen was Nja Ganti nog een kind, nu was

hij als een man teruggekomen; Tjoet Limpah wilde al-

les doen om haar Nja Ganti te behoeden en zij ver-

droeg er zelfs voor, dat Lem Deuha haar verweet, dat

zij zijn zoon van hem aftrok. De schoonzoon dacht

natuurlijk, dat Tjoet Limpah het niet verdragen kon,

dat een zoo jonge vrouw in de plaats van haar Intan ge-

komen was en Tjoet Limpah liet hem in die meening,

terwille van Nja Ganti.

Wat den vreemdeling betrof, Tjoet Limpah's wensch

werd vervuld, hij keerde dien avond terug naar zijn

schip met groote voldoening over het bezoek. Zoo had

nog geen Indisch potentaat Cornelis Houtman ont-

vangen! Een schitterend feest was hem bereid gewor-

- 125


den en de oude Sultan had hem met vriendelijkheden

overstelpt, aldus was zijn relaas aan de kapiteins Pieter

Stockman en Frederik Houtman, zijn broeder, die

hun 'overhooft' met verlangen aan boord van de

'Leeuw' opwachtten, want van deze ontmoeting hing

zeer veel af. Nu, het verslag van de twee afgezondenen,

de Brauw en Jansen, was inderdaad niet overdreven ge-

weest, er heerschte een groote weelde aan het hof, de

Sultan had een enorm aantal olifanten, zoo men geloo-

ven wilde negenhonderd, en duizend gewapende sla-

vinnen.

'Soude hij die medebrengen bij een tegenbezoek?'

vroeg Stockman.

'Daar en heeft hij niet van gesproken,' zeide Hout-

man, 'en ik geloof ook dat hij te oud is om hier te ko-

men. Wel kreeg ik het verzoek, weder terug te komen

om verdere besprekingen te houden over een goede

commercie en dat zal ik doen ook, want het was Son-

derling - hij geloofde het niet, dat ik geen Engelsch-

man was. Hij vroeg mij telkens weer, of ik uit dat land

kwam, waar een vrouw regeerde. En, bijlo, hij had nog

nooit van de Republiek gehoord, zeide hij.'

'Heb maar prudencie,' maande Frederik, die een

voorzichtig man was en niet veel woorden sprak. 'Zij

worden daar door de Portugeezen zeer tegen de Engel-

schen opgehitst.'

'Welnu, daaromme juist dient hij goed te weten, dat

wij geen Engelschen zijn,' meende Houtman, en hij

- 126


liet de prachtige dagge zien, die de Koning hem ge-

schonken had. Zij was van kostelijk metaal en met ro-

bijnen bezet. Deze kris gaf de onbepaalde vrijheid alle

levensmiddelen onbetaald te krijgen en alle minderen

als slaven te behandelen, terwijl iemand die zonder 's

Konings verlof een dergelijk wapen draagt, ter dood

veroordeeld wordt. De twee tesoriers, Thomas Coy-

mans en Guion Ie Fort waren er ook bij gekomen en

ieder bezichtigde de prachtige kris op zijn beurt.

Houtman toonde nu ook het monster peper, dat hij

reeds bemachtigd had; hij had als goed koopman naar

de prijzen geïnformeerd en de Koning scheen wel ge-

negen een huis aan het strand af te staan, waarin de

kooplieden hun intrek zouden kunnen nemen. Het

was van gewicht, dat deze zaak spoedig haar beslag

nam en daarom had Houtman het verzoek om weldra

weder te komen, niet afgeslagen.

Nog altijd wachtte de prauw die den bevelhebber ge-

bracht had, op den gijzelaar. Stuurman Davis onder-

brak daarom dit levendige gesprek, het 'overhooft'

meldende, dat Nja Ganti beleefd verlof vroeg om heen

te gaan. Den gijzelaar! Dien had men bijna vergeten.

Houtman stond op en onderhield zich een oogenblik

met den jongen Atjeher. Nja Ganti hoorde den lof

over zijn vriendelijken Koning met waardigheid aan.

Hij zeide, dat dit de plicht was van ieder souverein,

vreemdelingen die goede bedoelingen hadden met

voorkomendheid te ontvangen en dat hij zeker was,

- 127


dat niet alleen de Heer Opperbevelhebber, maar ieder

die het dezen behagen zou naar den Sultan te zenden,

met dezelfde voorkomendheid ontvangen zou wor-

den. Hij vroeg nu verlof om afscheid te nemen en

dankte den Heer Opperbevelhebber en ook de andere

heeren (hierbij boog hij zich naar stuurman Davis)

voor de goede ontvangst. Zij zagen hem na, de vijf

stoere mannen, toen hij in de groote Sultansprauw

stapte, nu door fakkels verlicht, want de avond was

reeds gevallen. Het ranke schip danste weldra over de

donkere golven.

'Die man kan zijn woord doen,' merkte Stockman

op en Davis zeide: 'Mochten wij hier lang verwijlen,

dan zou hij ons goed de taal van het land kunnen lee-

ren.'

De door fakkels verlichte prauw, waarin Nja Ganti

gezeten was, passeerde even voorbij het schip de

'Leeuw' een ander vaartuig, donker en nauwelijks ver-

licht door een klein oliepitje. Het was de prauw van

Long Pi, die zich ongezien naar het schip liet brengen,

waarop Don Alfonso Vincent, de Portugees, het bevel

voerde. Sedert de Zeeuwsche schepen ter reede lagen,

bracht Long Pi zijn derde bezoek aan Don Alfonso.

De eerste maal was het geschied na zijn gesprek met

Cornelis Houtman, de tweede maal na een bezoek aan

het schip de 'Leeuwin', waar hij zijn kostbaar, blauw

porcelein te koop had aangeboden. Deze, de derde

maal, zou zijn om verslag te brengen over het feest, dat

- 128


de Sultan ter eere van den Zeeuwschen bevelhebber ge-

geven had. Zoo bleef Don Alfonso Vincent op de

hoogte van diens verrichtingen en van de vorderingen

die de commerciën der Zeeuwen maakten; deze laatste

berichten waren niet van vroolijken aard voor hem.

Terwijl zijn smalle, bruine hand de lange donkere

puntbaard streelde en nog puntiger maakte, groef zich

een rimpel tusschen de grijs-blauwe oogen, die vreemd

in het donkere gelaat stonden. Onrustig verschoof hij

de blinkende dagge aan den gordel boven de zwart zij-

den korte pofbroek.

Long Pi hield zijn schuwe oogen op den grond ge-

richt.

'En,' vroeg Alfonso, toen de Chinees zijn relaas ten

einde had gebracht, 'wanneer gaat de Engelschman er

nu heen?'

'Zoodra er meer vertrouwen is, genadige Heer. Als

de Zeeuwsche bevelhebber eenige commerciën heeft

afgesloten, en de heeren kapiteins een woning hebben

gekregen om zaken te doen...'

'Een woning?' viel Alfonso Long Pi driftig in de rede,

'Caramba! zoover mag het niet komen! Dat moet

voorkomen worden. Je vergeet toch niet, varken, wat

ik je heb opgedragen?'

Long Pi schraapte zijn keel. Hij was een rijke Chi-

nees, baas en werkgever van vele arme landgenooten,

houder van vele slaven. Een varken genoemd te wor-

den was niet prettig, maar Long Pi dacht eraan, wie het

- 129


zeide en slikte met hooge minachting de beleediging

weg. Hij zeide:

'De genadige heer weet toch wel, dat een woning een

betere kooi is dan een schip?'

'Dat weet ik, jakhals, maar in een woning kunnen ze

geweren en andere wapens meebrengen.'

'Daarmede voeren ze niet veel uit, genadige Heer, als

zij dronken zijn,' zeide Long Pi, de jakhals heelemaal

op zijde duwend. 'Long Pi heeft beloofd te zorgen dat

er geen een hier meer vandaan komt en Long Pi houdt

zijn belofte, maar zonder geld en zonder geduld zou al-

les kunnen mislukken.'

'Hoeveel moet er zijn?' vroeg Alfonso en trok de lade

der tafel, waar hij voor gezeten was, open.

'Honderd piaster, Heer, als er geen verraad komt.'

'Hoe zou er verraad kunnen komen, hond?'

Long Pi richtte zijn schuine oogen, waarin opeens de

haat gloeide, op Don Alfonso, die hem gelukkig niet

aanzag - dit laatste scheldwoord was gevaarlijk ge-

weest.

'Het verraad zou kunnen komen, genadige groote

Heer,' zeide Long Pi's kalme stem, 'als er minder geld is

dan Long Pi noodig heeft.'

Don Alfonso greep naar het geld in de lade, telde het

na, deed het in een beurs en wierp het ineengedraaide

zakje naar Long Pi, die met zijn oogen mede had ge-

teld. Hij ving het op in zijn magere hand en eenige

oogenblikken daarna klonk de roeislag van zijn kleine,

- 130


donkere prauw langs den hoogen spiegel van het Por-

tugeesche schip.

Nog vóór een week verloopen was trokken de koop-

lieden en commiezen van de 'Leeuw' en de 'Leeuwin' in

het huis aan het strand, dat de Sultan Aloëdin Riajat

Shah hun beleefdelijk had afgestaan. Er was plaats

voor zes of acht personen en velen bleven dus aan

boord.

De bewoners van het huis maakten het zich er ge-

makkelijk en dreven er weldra hun ruilhandel in spe-

cerijen en stoffen. De bevolking begon hen reeds te

kennen. Al stond het huis op een afstand van de stad,

zoo kwam men er toch heen met allerlei koopwaar,

kippen en geiten, olie en rijst, vruchten, katoentjes en

sieraden. Soms kregen de menschen duiten ervoor,

maar meestal was het een ruilhandel van spiegeltjes,

kralen en blinkende knoopen. Ook de Chineezen, die,

opeengehoopt in vuile krotjes leefden, droegen van al-

les aan, doch zij wilden van geen ruilhandel weten. Zij

moesten baar geld hebben, maar zij brachten dan ook

het beste, alles wat noodig was om den Zeeuwschen

sinjeurs een plaisant leven te bezorgen. Long Pi drilde

hen goed en hij was de vraagbaak van het Zeeuwsche

gezelschap; men kon het niet zoo 'sonderlingh' verzin-

nen, of Long Pi wist het te verschaffen. Hij liet er zich

flink voor betalen, maar dat deerde den kooplieden

niet, het geld was er om te rollen en zoodra het peper-

- ^


contract geteekend was, zouden ze de groene vlag weer

hijschen en 'in 't zeil gaan', om weken, maanden weer

de ontbering op zee te doorstaan. De twee Engelschen

Davis en Tomkins verbleven meermalen in het huis.

Zij hadden het initiatief genomen, Nja Ganti als lee-

raar in de Atjehsche taal aan te stellen. Deze kwam nu

getrouw iederen avond na zonsondergang en onder-

wees Guion le Fort, Davis en Tomkins zijn landstaal.

Geen van hen was nog in den Dalam geweest; Cornelis

Houtman had er zijn reden voor. Telkenmale wan-

neer de bevelhebber zijn opwachting bij den groot-

machtigen Sultan maakte, moest hij, voor den breeden

ouden Sultan gezeten, verzekeren, dat hij geen En-

gelschman was. Wel had hij verteld dat er twee Engel-

schen aan boord waren, maar hij had er spijt van, want

de uitroep van den Sultan bewees maar al te goed, hoe

weinig die natie in de gunst stond.

'Ik gaf wel duizend pond,' zeide de Grootmachtige,

'als gij geen Engelschen aan boord had. Men heeft mij

veel kwaad van die menschen verteld.'

Toch wilde de Indische potentaat Engelschen zien.

Zelfs zeide hij eens bij het afscheid aan Cornelis Hout-

man: 'Breng mij die Engelschen hier, laat ze mij zien.'

Houtman kon niet anders doen, dan een vage belofte

geven, maar hij raadde Davis en Tomkins sterk af naar

den Sultan te gaan, men wist dat de Sultan zeer op En-

gelschen gebeten was. Waarom hen dan aan zulk een

gevaar bloot te stellen? Niet alleen een gevaar voor hen

- 132


zelf, maar ook een gevaar voor den handel, die zou lee-

lijk in de knel komen en wanneer het contract eens af-

sprong, dan zou de geheele reis voor niets zijn geweest.

Het duurde intusschen lang, eer het contract afgeslo-

ten was. Cornelis Houtman moest het grootste geduld

oefenen, bezoek op bezoek brengen en den Sultan van

zijn land vertellen en van den Koning van Spanje, die,

zooals de Grootmachtige meende, over de geheele we-

reld regeerde, behalve natuurlijk over Atjeh, Pedir en

Soemadera! Hij moest rijst en zoet gebak eten, arak

drinken en toeback pruimen - hij zat evenals de Sul-

tan, met de beenen gekruist en luisterde naar de beurt-

zangen der t'adati; soms stonden er twintig mannen

om een kleine, als vrouw uitgedoste jongen en zongen

op dreunenden toon de rateb, waar Houtman niets

van verstond.

'Héhé lam heum. Héhé lam heum, geef ruimte aan

de t'adati, die spreken zal.'

'Oudere broeders,' antwoordt de t'adati, 'geef ruimte,

dat de t'adati binnentrede. Ik wil bloemen geven aan U

- ruikertjes van djeunpa bloemen.

Stroomopwaarts is de markt - stroomafwaarts de

kampong...'

Tot laat in den nacht klonk deze nasale zang in de

Atjehsche taal, waarvan de doodmoede bevelhebber

niets begreep. De Orangkaja zaten naast hem, aten,

dronken en luisterden - de oude, naar hij dacht suffe

Sultan, keek toe met half dichtgeknepen oogen... Op

- 133


een nacht echter maakte de Grootmachtige het teeken

dat allen heen moesten gaan, de dansers, de zangers,

t'adati, de Orangkaja. Zij rezen een voor een op, men

ging. Alleen de slavinnen bleven. De Sultan scheen

wakker te worden. Hij wenkte een oude vrouw en be-

val: 'Roep Nja Ganti.'

Nja Ganti verscheen, bracht zijn onderdanigen

groet met het hoofd op den grond en vroeg:

'Wat beveelt de Grootmachtige Heer aan zijn dienst-

knecht?'

'Vertel dezen Heer van den grooten oorlog, van on-

zen nood, van den Prins die wacht.'

Nja Ganti schoof op zijn knieën naar den bevelvoer-

der. Zacht, doch verstaanbaar vertelde hij van het

groote leed, dat de Koning droeg, dat zij allen droegen,

die het land trouw waren. Sinds jaren was er oorlog

met Djohor, een vroegeren vasalstaat; men hield daar

een Prins gevangen, den lieveling van dezen ouden Ko-

ning. Hij moest de opvolger worden van Sultan Aloë-

din Riajat Shah; de Grootmachtige riep de hulp in van

den Heer Bevelhebber van de twee schepen om het

land Djohor te bestrijden en den Prins te bevrijden. De

Sultan had een groote krijgsmacht, vierhonderd galei-

en, ieder bemand met vierhonderd bewapende slaven;

zij allen wilden voor hun Koning sterven. Het ver-

stand echter, die troepen te leiden, en vooral de kracht,

ontbrak hier, want de Koning was oud, en daarom riep

hij de hulp in van het volk, dat, zooals hij gehoord had,

- 134


zelfs tegen den machtigen Koning van Spanje in

opstand durfde komen. Als Djohor overwonnen

werd, zou de Sultan eeuwig dankbaar zijn aan deze

vreemdelingen; hij zou den Verhevene prijzen en den

Zeeuwen een groot huis aanbieden, waar zij altijd een

voordeeligen handel in peper zouden kunnen drijven.

Tot aan zijn laatsten snik zou hij de Zeeuwen en hun

Prince prijzen.

'En op welke manier,' vroeg Houtman aan Nja Gan-

ti, 'zullen wij Uw Koning kunnen helpen?'

'De Grootmachtige vraagt U, zijn troepen naar Djo-

hor te brengen, die op Uw schepen verborgen zullen

zijn, terwijl de galeien zonder bemanning naar Djohor

kunnen.'

'Zeg aan den Grootmachtigen Sultan/ antwoordde

de bevelhebber, 'dat ik hierover eerst met de kapiteins

in den scheepsraad moet spreken, alleen kan ik in zulk

een zaak geen beslissing nemen.'

'Ik zal het aldus zeggen, Heer,' boog Nja Ganti. 'De

Koning wil, dat ik U nog in vertrouwen meedeele, dat

dit een groot geheim voor de Portugeezen moet blij-

ven; zij mogen van niets weten, Heer, zij zouden ons

zeer tegenwerken.'

Houtman beloofde gaarne geheimhouding en vroeg

nu verlof om heen te gaan.

'Ik zal U het mooiste geven, wat ik bezit,' zeide de Sul-

tan, 'een gordel met een robijn, al wat ge maar wilt, een

slavin, de mooiste die ik heb - een Perzisch paard...'

- 135


Houtman boog, hij beloofde weder te komen en

vroeg nogmaals verlof heen te gaan. Vele vrouwen-

oogen spiedden hem na door de reten van den

bamboe-muur. Nu was Tjoet Nja Mirah's wensch ver-

vuld, men had dezen man gesmeekt hen te helpen; van

hem moest wel hulp komen, hij was immers ook een

vijand van de Portugeezen? Beter kon het niet! Nu zou

Iskander terugkomen vóór den dood van Aloëdin en

haar zoon zou zegevieren!

Toen Cornelis Houtman bij de zijnen aan boord te-

rugkwam, riep hij Coymans, Stockman, Davis, Guion

Ie Fort en ook zijn broeder Frederik liet hij van het an-

dere schip komen.

'De Sultan heeft zijn voorwaarden gesteld. Hij vraagt

onze hulp voor Djohor. Wij zullen zijn troepen over-

brengen en dan kan een contract geteekend worden.'

Zij zagen allen stil voor zich uit. Frederik zeide:

'Denk aan de resolutie: betrouwt U op de inwoners

des lants niet, noch laetende deselve met geen gewee-

ren aan boort comen opdat ghij en U schepen niet

overweldicht wordt!'

'Welnu, wij zullen er over denken,' zeide Houtman,

'maar als wij weigeren, krijgen wij niets, en wat dan?

Naar huis zonder peper?'

'Gij hebt gelijk, wij moeten ons antwoord uitstellen,'

zeide Davis.

Dit vonden de anderen ook. Het antwoord werd uit-

gesteld van dag tot dag. Maar op een morgen kwam de

-136


kleine Long Pi aan het huis, waar de kooplieden hun

intrek hadden genomen en vroeg master Davis te spre-

ken. Davis ontving den Chinees voor het huis in de

schaduw van het overhangend dak. Hij zette zich op

een kist en Long Pi deed insgelijks op een mat, die daar

lag.

'Genadige Heer,' zeide Long Pi, zijn toon was uiterst

beleefd, hij sprak gaarne met dezen heer, dien hij fijn

en verstandig achtte, hoewel hij hem voor eenige

piasters uit den weg zou ruimen als het nu eenmaal

niet anders kon.

'Genadige heer, vergeving als Long Pi zich met ande-

re zaken dan die der commercie bemoeit, maar het

gaat om Uw welzijn - ook om het welzijn van den

heer opperbevelhebber en dat van de kapiteins en de

commiezen, maar bovenal om het Uwe en dat van Uw

landgenoot.'

'Welaan, spreek, Long Pi.'

'Ik dank U, genadige heer, dat gij mij spreken laat, en

naar mij luisteren wilt. Ik wil U een diep geheim toe-

vertrouwen. Moehammed Shah, de zoon van den

Grootmachtige, die het moede is, te wachten tot zijn

vader dood is, wil op den troon komen. Hij beraamt

een overval en de Portugeezen willen hem daarin hel-

pen. Moehammed Shah heeft ontdekt, dat de Groot-

machtige met Uwe hulp een einde wil maken aan den

oorlog met Djohor en aldus Perkasa Alam, den klein-

zoon, kan bevrijden. Dat wil Moehammed Shah ver-

- 137


hinderen en daarom wil hij den oorlog met Djohor la-

ten voortduren, tot hij zelf op den troon komt, om la-

ter Perkasa Alam, den kroonpretendent, gevangen te

nemen. Hij zal wraak nemen, als gij zijn vader helpt en

is reeds bezig met de Portugeezen een plan te beramen,

uw schepen aan te vallen.'

Davis glimlachte. 'Wij kunnen ons verdedigen, Long

Pi, en wij zijn niet bang voor de Portugeezen.' Long Pi

glimlachte ook; zijn schuinstaande oogen knepen half

dicht.

'De genadige heer heeft gelijk, de Portugeezen zijn

niet zoo sterk als de Zeeuwen. Als de genadige heer het

verlangt, kan Long Pi u het bestek van de schepen be-

zorgen en precies opgeven, hoeveel gewapende krach-

ten er zijn.' - hij kuchte even - 'ook zou Long Pi u

kunnen helpen zelf een aanslag te doen, voor men u

overvalt.'

hij:

Davis zag den Chinees scherp aan en langzaam vroeg

'Hoeveel zou dit wel kosten, Long Pi?'

Long Pi zag op zijn beurt Davis aan; zijn mond

grijnsde.

'Niets, genadige heer. Long Pi zegt dit alles niet om

goud te krijgen, Long Pi zegt het om de Portugeezen

ondienst te doen.'

Davis rustte met zijn ellebogen op de knieën en

dacht na.

Kwam de man dus werkelijk waarschuwen? Was

-138


er verraad te duchten van de Portugeezen?'

'Is dit dus alles, wat ge te zeggen hebt, Long Pi?'

'De genadige heer heeft Long Pi nog niet geant-

woord op het voorstel dat hij deed.'

'De Portugeezen aan te vallen, dat doen wij niet,

Long Pi, wij zijn hier gekomen om handel te drijven

en gebruiken onze kanonnen alleen ter verdediging.

Laat ze gerust komen.'

Long Pi was opgerezen en bracht zijn groet met de

handen boven het hoofd. 'Dan heeft Long Pi niets

meer te zeggen, Heer, alleen zou hij nog een vraag wil-

len doen.'

'En die is?'

'Heeft de grootmachtige Sultan niet het verzoek ge-

daan dat master Davis hem zou bezoeken?'

'Inderdaad, dat heeft de Grootmachtige.'

'Long Pi raadt den genadigen heer aan, dit verzoek in

te willigen. De Grootmachtige wil gaarne met Engel-

schen kennis maken, hij acht ze zeer hoog, al sprak

zijn mond anders tot den heer bevelhebber die een

Zeeuw is. Long Pi weet, dat de Grootmachtige aan den

genadigen heer, wiens verstand scherp is, raad wil vra-

gen en ook erop aan zal dringen dat zijn schip gewa-

pende troepen op zal nemen voor den slag tegen Djo-

hor. Het zou verstandig wezen, als de genadige heer dit

toestond, want als de troepen aan boord van Uwe

schepen zijn, kan Moehammed Shah deze niet meer

gebruiken voor een overval op zijn vader en de Portu-

- 139


geezen zullen hem niet willen helpen zonder deze

troepen. De genadige heer vergeve Long Pi zijn inmen-

ging in deze zaak, maar hij raadt hem aan, zooveel mo-

gelijk gewapende lieden aan boord van Uw schepen te

nemen, om aldus Moehammed Shah en de Portugee-

zen onschadelijk te maken.

Long Pi was nu tot vertrek gereed, hij bracht nog

eens zijn beleefden afscheidsgroet.

'Dit is dus alles, wat gij te zeggen hebt?' vroeg Davis.

Long Pi legde de gekruiste handen op de borst en

boog.

'Dit is alles, genadige heer, Long Pi wenscht hem een

goede ontvangst bij den Sultan, wiens naam gezegend

is.'

Davis zag het blauwe hemd van den Chinees nog in

de verte op het witte zand schitteren, toen hij de sloep,

die aan het strand lag, liet los maken en vóór de zon

ten middag was gestegen, was hij aan boord en be-

raadslaagde met den opperbevelhebber en de twee ka-

piteins, wat hem te doen stond. Cornelis Houtman

nam er genoegen mede dat Davis en Tomkins den Da-

lam zouden bezoeken en de eerste bij een herhaling

van het verzoek aangaande de gewapende troepen, toe-

stemming zou geven tot het vervoer daarvan naar Djo-

hor.

Schitterend was de stoet die in het vroege morgenuur

Davis en Tomkins naar den Dalam bracht. Gouden en

- 140


oode baldakijnen wiegden op de ruggen der olifanten.

Sommige waren behangen met trommen en fluiten,

schilden en speren, als emblemen van roem en vreug-

de. Twaalf Orangkaja volgden op olifanten, vooraan

gingen Davis en Tomkins. Het volk drong op de plei-

nen en lanen tesamen om te zien. Dat moest wel een

koning zijn, die zoo werd ontvangen! En sommigen

wisten het: zijzelven waren geen koningen, maar afge-

zanten van een koning - anderen zeiden, van een

groote koningin, nog machtiger dan de Koning van

Spanje! Zouden de Portugeezen nu verdwijnen? Zou-

den zij verjaagd worden? Maar hier lachten velen om,

hoe kon men de Portugeezen verjagen? En waarom

zou men ze verjagen, ze deden geen kwaad, ze lieten

verdienen, vraag het maar aan de Chineezen, die bren-

gen hun goud en edelsteenen en borden en schalen

naar hen toe. Long Pi was rijk door de Portugeezen en

hij liet weer honderden Chineezen werken, die rond-

om zijn woning in kleine krotjes woonden!

Waar was Long Pi, terwijl Davis en Tomkins naar

den Dalam gebracht werden? Waar was hij, terwijl

overal verraad loerde om de vreemdelingen onschade-

lijk te maken? Long Pi was thuis; hij was in zijn groote

woning door hemzelf gebouwd, welke langzaam aan al

beter en beter geworden was, omdat hij als arme, naak-

te Chinees hier gekomen, eerst door ijverig werken

ook langzaam zijn schatten vergaard had. Long Pi

stond voor zijn huisaltaar, voor de kleurige, door flik-

- 141


kerende kaarsen beschenen kakimono's, waarop zijn

heilige goden waren afgebeeld, en hij brandde wie-

rook. Long Pi zag in zijn verbeelding het zwarte gelaat

met de lichte oogen van Don Alfonso en hij hoorde

weder de beleediging 'hond'. En dan zag hij het gelaat

van den ander, den Engelschman, die hem behandeld

had als een mensch en die verstand had. Verstand -

het edelste wat er bestond voor Long Pi, en deze ver-

standige mensch had hij verraden! Long Pi kruiste de

armen over de borst. Schrikwekkend en wreed zagen

de Goden op hem neer, hij boog het hoofd. Lang bleef

hij zoo staan en hij prevelde: 'Ik zal hem redden.'

Inderdaad, hij kon nog zorgen, dat het teeken uit-

bleef, om de troepen reeds gevechtsklaar te maken,

maar hoe verder het verraad te stuiten? Hoe kon hij al-

len bereiken, die in deze zaak gewikkeld waren? Alles

was immers voorbereid. Moehammed Shah in zijn

eenzaam lustverblijf naast den Dalam, bespiedde alles.

Don Alfonso aan boord van zijn schip was op de hoog-

te van de handelingen der Zeeuwen en Hajati wachtte

aan het strand met haar machtige vloot. Alles was ge-

reed om den ouden Aloëdin in den waan te brengen

dat hij bedrogen werd door de Zeeuwen en Engelschen

en dezen dat zij door Aloëdin verraden waren. Nie-

mand zou weten dat alles het werk was van Moeham-

med Shah. Maar Long Pi wist, dat er één man was, die

de vreemde schepen nog kon waarschuwen, dat er ver-

raad broedde, dat was Nja Ganti, waar was Nja Ganti?

- 142


Terwijl het Dalamfeest ter eer van de Engelschen in

vollen gang was, sloop Long Pi bij de vestingpoorten

rond. Niet gaarne kwam hij in den Dalam, want het

Dalamvolk ontzag zich niet, alles wat Chinees was, uit

te schelden, maar hij overwon zijn tegenzin en vroeg

den wachter beleefd naar binnen te mogen. Toen keek

hij rond. Wist men ook waar Nja Ganti was? Hij vroeg

het aan de slaven, die den vechthanen de sporen aan de

pooten bonden, want straks had de Sultan een groot

hanengevecht aan het volk beloofd, maar de slaven

lachten hem uit en de leiders der olifanten dreigden

hem, door de dieren te laten verpletteren. Weer vroeg

Long Pi naar toeangkoe Nja Ganti, waar was hij?

'In de moskee, hij bidt voor jouw zieleheil!' riep er

een.

'Bij Abdoel Hamid, den vromen man, ga daar maar

heen, ze maken nog een Moslim van je!'

'Hij is bij jou thuis, en eet al je varkens op, ga maar

vlug.'

Een slaaf kwam met zijn gespoorden haan onder den

arm naar hem toe en riep:

'Wil je weten, waar Nja Ganti is? Bij zijn liefje, Tala-

mah!'

Maar op dit oogenblik werden zelfs de hanenjongens

verjaagd, want een stoet witte, Perzische paarden was

de poort binnengekomen. Voorop reed een rijksgroo-

te, Mir Hassan, gevolgd door vele dienaren. Alles

moest wijken, Mir Hassan kwam van de Oostgrens uit

- 143


het land Pedir, en had een gewichtige boodschap voor

den grooten Koning Aloëdin Riajat Shah. Het plein

was opeens als schoongeveegd. Ook Long Pi liep snel,

voortgedreven door honderden dienaren en slaven, die

den kleinen Chinees zelfs niet eens meer zagen, en hij

bereikte ongezien een der leege olifantshokken, waar

hij zich in de schaduw van het afdak neerzette. Hij wil-

de niet heengaan, voor hij Nja Ganti had gevonden en

hij dacht na.

'Bij zijn liefje Talamah? Bij de vrouw van zijn vader!'

In gewone tijden zou Long Pi daarover gegrinnikt

hebben, nu bleef hij ernstig. Snel gingen zijn gedachten

terug, inderdaad de draden waren tot moeilijke knoo-

pen verwikkeld! Hier vermoedde Long Pi een strik,

die Nja Ganti gespannen was. Had Moehammed Shah

niet gezegd, dat Nja Ganti in de eerste plaats onschade-

lijk gemaakt moest worden? Hem gevangen zetten of

om hals brengen zou argwaan bij den Sultan wekken,

maar men kon hem lokken en nu was Nja Ganti wel-

licht naar Talamah gelokt? Long Pi kende haar, had hij

haar niet vele zijden slendangs, bonte veeren, en

glinsterende kralen verkocht? Maar dat geschiedde al-

tijd buiten de Dalampoort, hij kende het huis van Lem

Deuha niet. Nu moest hij te weten komen, waar het

was. Een kleine jongen speelde tusschen de leege oli-

fantshokken met zijn vlieger.

Long Pi riep hem toe: 'Zeg mij, waar woont Lem

Deuha, de goudsmid?'

- 144


'Lem Deuha is op reis,' riep de jongen, maar meteen

moest hij hard wegloopen, want de vlieger rees om-

hoog en trok het kind mee.

'Waar is zijn woning?' schreeuwde Long Pi.

'Daar bij de kleermakers, achter de doeri-heg.'

Long Pi ging er heen, hij moest Nja Ganti vinden!

Mir Hassan was van zijn paard gestegen, en verzocht

bij den grootmachtigen Koning gelaten te worden,

maar voor het paleis rees de muur van gewapende,

donkere slavinnen. De grootmachtige vierde feest, er

waren hooge vreemdelingen in den Dalam, men

mocht den Grootmachtige niet storen. Mir Hassan

zeide, een gewichtige boodschap te hebben, hij kwam

uit het land Pedir waar des Sultans tweede zoon Sri

Aloëdin woonde. Hij moest toegelaten worden.

De muur bleef onwrikbaar. Mir Hassan kende de

macht der donkere vrouwen, hij had gehoord van de

groote moord op de Orangkaja, door Tjoet Nja Mirah

bevolen; men was dit na tien jaar nog niet vergeten en

ook Mir Hassan die in Pedir leefde, was het verhaal be-

kend. Tjoet Nja Mirah had macht en daarom zeide hij:

'Voer mij naar de Prinses van Djohor.'

Hij was een groot, rijzig man, een bloedroode idja

omwikkelde als reiskleed zijn donkere gestalte, zijn

edelgevormd hoofd was door een goud-omrande ko-

piah gedekt. Hij was een indrukwekkend man, maar

de gewapende, donkere vrouwenschaar liet zich daar

- 145


niet door beïnvloeden. Men weigerde: 'ook de Prinses

van Djohor was niet te spreken gedurende dit feest'.

'Roep dan haar dienares, Tjoet Limpah,' zeide Mir

Hassan.

Er ging een gemurmel door de vrouwen. Hoe kende

deze toeangkoe den naam van Tjoet Limpah! Iedereen

wist wel, dat Tjoet Limpah gedurende dit feest niet te

benaderen was, zij moest het oog op alles houden en

zij had juist uit naam van Tjoet Nja Mirah, streng be-

volen, niemand, wie ook, gedurende dit feest in den

Dalam te laten. De opperste der slavinnen bracht nu

de 'daulat' en zeide: 'Wij willen haar waarschuwen, toe-

angkoe, maar wij vreezen, dat zij niet komen kan.

Haar plaats is nu dag en nacht bij de kooksters en de

vuren, bij de schenksters en de danseressen.' 'Welaan

dan, roep haar en zeg haar, dat het een gewichtige

boodschap is, die ik voor haar meesteres breng.'

Eenige vrouwen gingen naar binnen. Mir Hassan

wachtte en zijn volgelingen wachtten. Zij zetten zich

in de schaduw van den waringinboom, terwijl de paar-

den door slaven werden afgestapt en drinken kregen.

Mir Hassan wachtte den geheelen middag; hij wachtte

tot de schaduw onder den waringin vergleed; hij

wachtte tot het groote hanengevecht voorbij was en de

tonen van fluit en trom de dansen der 'meuhadi' aan-

kondigden. Hij wachtte tot de nacht viel en van de

missigit de roep van den imam klonk, een roep die ver-

loren ging in het feestgeroes - toen stond hij op,

- 146


wenkte zijn volgelingen en begaf zich naar het verblijf

van des Sultans zoon, Moehammed Shah, want de tij-

ding die hij bracht was te gewichtig om tot den volgen-

den dag uitgesteld te worden. Hedenmorgen was de

jonge Perkasa Alam met een gevolg van vier edellie-

den, drie vrouwen en vele slaven op de kust van Pedir

geland. Hij was Djohor ontvlucht en stelde zich onder

de hoede van Sri Aloëdin, jongere broeder van Moe-

hammed Shah. Mir Hassan was de afgezant van den

Pedirschen leenheer en kwam de bevelen halen van

den grootmachtigen Sultan, wat men nu doen moest

met Perkasa Alam.

Intusschen had iemand anders Tjoet Limpah van de

dure plicht afgetrokken, iemand anders, veel minder

in aanzien dan de groote Mir Hassan, wien het niet ge-

lukt was, de oude vrouw naar buiten te roepen. Het

was een kleine slavin geweest, die tegen zonsonder-

gang door de vele dienaressen, allen bezig voor het

feest, was heengedrongen en naar Tjoet Limpah had

gevraagd. Nederig had ze haar groet gebracht, want

Tjoet Limpah, hoewel dienares der prinses, was een

vrije vrouw, en zij had, na twee maal om vergeving te

hebben gevraagd, gezegd, dat Tjoet Limpah komen

moest bij het huis van Lem Deuha. Er was een ongeluk

gebeurd. Een oogenblik weifelde Tjoet Limpah, zij

wist dat Hajati en de haren listen beraamden om haar

buiten den Dalam te krijgen, daarom had zij immers

- 147


herhaaldelijk geweigerd, aan het verzoek van zekeren

toeankoe Mir Hassan te voldoen en was op haar post

gebleven! Liepen de Engelschen niet den ganschen dag

gevaar op min of meer gewelddadige wijze door Moe-

hammed Shah omgebracht te worden? Het zekerste

middel daartoe was wel het bekende, hetzelfde waar-

mede Tjoet Nja Mirah in Tjoet Limpah's afwezigheid

de vele Orangkaja tien jaar geleden weerloos had ge-

maakt, de spijzen en dranken door toevoeging van

kruiden bedwelmend te maken. Een mensch sterft

daar niet aan, doch hij wordt alleen weerloos. Tjoet

Limpah's oog ging daarom over alle spijzen en dran-

ken, die de slavinnen binnenbrachten. Zij waakte -

maar nu lag daar de kleine slavin aan haar voeten en

zeide, dat er een ongeluk gebeurd was in het huis van

Lem Deuha. In dat huis was Talamah en bij Talamah

kon misschien Nja Ganti zijn. Tjoet Limpah had hem

heden niet gezien, ook gisteren niet - Lem Deuha was

op reis voor goud naar de westkust, een ongeluk?!

Tjoet Limpah's oogen staarden, de kleine slavin was

opgerezen, het armgebaar van Tjoet Limpah deed haar

voorgaan. Tjoet Limpah volgde. Angstig drong de

kleine slavin door de vrouwen die verstaan hadden.

'Een ongeluk!' 'Waar?' 'Bij het huis van Lem Deuha!'

O, la, la, zij hadden het wel gedacht. Zijn jonge

vrouw was hem ontrouw, zij was een overspelige,

ieder wist het... zou Nja Ganti?

'O, de slang - de arme jonge Nja Ganti!'

- 148


Geen een der vrouwen die haar niet de schuld gaf,

geen die, mocht het zoo zijn, Nja Ganti's aandeel daar-

in niet verkleinde. Hij was een onschuldige, vrome

t'adati geweest, hij had geleerd, hij was teruggekomen

als student, als een mooie, jonge man, iedere moeder

wenschte hem tot schoonzoon. Nu was hij door den

booze verleid en dat nog wel door zijn vaders vrouw!

Zou hij dood zijn? Zou Lem Deuha hem hebben ge-

krist? Men giste, men meende het allang te hebben be-

merkt! Boentot had gezien, hoe hij lachte en praatte

met Talamah, terwijl zij goed bij de rivier waschte, een

ander had opgemerkt, hoe hij behendig door een ope-

ning in de bamboeheg die Lem Deuha's huis omringde

kroop, een vierde wist, dat hij een prachtig stel Boenga

Loeting gekocht had en dat met deze kostbaarheden la-

ter Talamah's ooren omhangen waren! Men verbeidde

angstig en brandend van nieuwsgierigheid Tjoet Lim-

pah's terugkomst, maar deze kwam niet terug en een

der oudste vrouwen, Nja Din, zeide: 'Kom, hervatten

wij ons werk, wij moeten immers nog de spijzen berei-

den die morgen ter feestviering naar de vreemde sche-

pen gebracht moeten worden?' Zoo waren zij allen

weer aan het werk getogen, want er was nog veel te

doen en zij wisten het allen: in het vroege morgenuur

zouden honderd slavinnen de spijzen en dranken in

gesloten manden en kannen met deksels naar het

strand brengen, waar Hajati's galeien wachtten.

Ieder wist het nu al, want het bericht was uit de

- 149


Djoeroë doorgedrongen: De vreemde schepen zouden

gewapende krijgslieden aan boord nemen en de oorlog

met Djohor zou binnenkort beslecht worden. Einde-

lijk zou er een eind komen aan de vele rooverijen op

zee, aan de verschrikkelijke aanvallen, die onschuldige

visschers te doorstaan hadden. De Grootmachtige Sul-

tan had nu vrienden gevonden, die helpen zouden en

de Prinses van Djohor zou haar zoon terugkrijgen. -

O, dit was ook wat het volk wenschte, want het vrees-

de Tjoet Nja Mirah, maar haar zoon had men lief, haar

zoon bewonderde men, hoewel niemand hem na zijn

twaalfde jaar meer gezien had. Hij leefde ver weg als

een sprookjesprins! En men wenschte hem terug.

Daarom werden de vrouwen niet moe, zij bereidden

hun rijst en sajoers, visch in allerlei soorten en goelè

pioe van de klapper, zij bakten de fijngewreven blim-

bing, uien en Spaansche peper in olie, zij versierden

met donkere bladeren en roode bloemen de zilveren

schotels, waarop de gele kleefrijst als gele torens gesta-

peld was. Kruidig zoet gebak maakten zij en verkoe-

lende dranken goten zij in de drinkkannen. Den gan-

senen nacht door snapten en lachten zij, Tjoet Limpah

en het ongeluk bij Lem Deuha waren bijna vergeten;

even lieten zij het werk staan, om den prachtigen af-

tocht der gasten te zien, die, op wachtende olifanten

gezeten, weder naar het strand gebracht werden, bege-

leid door honderden fakkeldragende slaven. Morgen

zou het feest weder aan boord worden voortgezet.

- 150


Morgen! Behalve de Grootmachtige Sultan sliep nie-

mand dien nacht, want alles zou den volgenden mor-

gen vroeg naar de uitvaart der galeien gaan zien. De

rijksgrooten bleven in den Dalam. Zij sluimerden

licht. Tjoet Nja Mirah bleef den ganschen nacht wa-

ken met haar vrouwen. Zij zouden mede op olifanten

en paarden en de lageren zouden loopen. Bij het krie-

ken van den dag zouden allen opbreken. Eerst de sla-

vinnen met de spijzen, dan de trek- en lastdieren, daar-

achter de rijksgrooten en eindelijk de Grootmachtige

Sultan op Pomerah, omringd van parasollen-dragende

dienaren.

Op de 'Leeuw' en 'Leeuwin' vernam men reeds vroeg

het dreunen van 's lands kanon. Zeker was de Sultan

nu uit den Dalam vertrokken. Zoowel de bevelhebber

als de kapiteins wisten, dat Sultan Aloëdin Riajat Shah

zelf den uittocht zijner troepen wilde bijwonen. Daar-

om waren eenige der kooplieden, Guion le Fort, Jac-

ques Baudins, Johan van Eertbrugge, benevens hun

schrijvers en commiezen, in de woning aan het strand

gebleven om den Grootmachtige op te wachten en

ook om nuttige redenen, namelijk om den Sultan da-

delijk het pepercontract te doen teekenen, als de

'Leeuw' in 't zeil ging met 's Sultans troepen.

De 'Leeuwin' zou later volgen ter assistentie met de

inmiddels weder aan boord gekomen kooplieden, die

voor de commissie aan het strand gebleven waren. Het

zou lang duren, dat wist men, eer 's Sultans stoet er

- ijl


zijn zou, maar aan het strand was groote drukte van

uitloopende galeien. De werkolifanten trokken de

slanke, mastlooze vaartuigen van de schoorbalken.

Meer dan tienduizend naakte mannen, met spies en

kris gewapend, enkelen met vuurroeren, teekenden

hun donkere lichamen af tegen het zilverlichte strand,

waartegen de branding haar wit schuim sloeg. De lucht

trilde over zee en strand als een van parelmoer glan-

zende, doorzichtige koepel. Op de 'Leeuw' en de 'Leeu-

win' waren de zeilen nog niet geheschen, de hooge

masten staken fijn tegen de glinsterende lucht af - nog

was het anker niet gelicht, en langzaam dreef van de

kreek uit, waar de monding der rivier was, een kleine

vloot onaanzienlijke vaartuigen vol vrouwen, de sla-

vinnen met haar kleurige manden vol spijzen en

vruchten, roode, groene en gele vruchten, zilveren

kannen en gouden bekers.

'Laat ze maar den valreep op!' beval Cornelis Hout-

man.

Kapitein Davis had hun reeds verteld van de tracta-

ties, welke de Sultan voor het uitvaren het 'overhooft'

en zijn scheepsvolk wilde aanbieden. Cornelis Hout-

man had er deugd in. Het ging alles goed. Zijn broeder,

Frederik, die aan boord van de 'Leeuwin' was, zag alles

te zwart in. Davis had een nog beter onthaal gevonden

dan hijzelf en er was dus geen sprake van verraad. De

Sultan had hun verzekerd, dat hij de Portugeezen haat-

te!

- 152


Langzaam naderde de vrouwenvloot - een voor een

legden de schepen aan langszij de 'Leeuw'. Van de 'Leeu-

win' kregen zij teeken, weer heen te gaan. Frederik

Houtman bliefde geen tractaties. De booten keerden -

en nog meer vrouwen bestegen de smalle ladder. Hoo-

ger en hooger klommen de statige, tengere figuren in

hun lange broeken, op het hoofd de manden met eet-

waar, op den schouder de sierlijke drinkkannen. Wist

een harer wat zij brachten? Wist een harer, wie met rui-

me hand dienzelfden nacht het bedwelmend zaad in de

spijzen en dranken gestrooid had, om het wachtende,

vreemde volk op het hooge schip van zijn zinnen te be-

rooven? Hoe zouden zij iets weten, nu Tjoet Limpah, de

leidsvrouw er niet was? Zij hadden alles met vroolijken

zin bereid, en met vroolijken zin hierheen gebracht. Zij

wisten niet dat Hajati haar handlangsters had onder

kleine slavinnen, die gebogen rondgingen en behendig

haar werk deden! Zij wisten van niets. Zij bewogen

zich aan boord tusschen al die blanke mannen als don-

kere vorstinnen, die niemand durfde aanraken. Trot-

sche oogen, trotsche monden, zwart haar in een wrong

ter zijde in den hals gedraaid - in haar mannelijke klee-

ding, maar die het fijne vrouwenlijf gratievol omving.

Cornelis Houtman liet hen op het achterschip ko-

men - de trompetter stak zijn trompet. Het signaal

weerklonk en tot de jongmaatjes en scheepsjongens

toe, kwamen alle hens aan dek. Zij mochten zitten. De

vrouwen gingen rond met spijs en drank...

- 153


Davis werd op den schouder getikt. Een commies

meldde, er was een Chinees voor den captain. Het

duurde een poos, voor hij op het voorschip was. Hij

moest door zoovelen heendringen, viel bijna over de

pofbroeken en hooge modderlaarzen. Daar stond

Long Pi - Long Pi niet in een blauw, maar in donker-

bruin hemd - het gezicht half verborgen onder een

groote punthoed.

'Master! - ik moet U alleen spreken.'

Davis zag dat de man ontsteld was.

'Waarschuw Uw overhooft, het eten is niet goed, het

drinken is bedwelmend! Zij zullen sterven als zij eten

en drinken.'

jij?'

Davis pakte den kleinen man bij den schouder:

'Spreek, onverlaat! Worden wij verraden? Hoe weet

'Ik wil Master redden,' fluisterde Long Pi - 'Master,

Master, geloof Long Pi - laat ze niet eten, laat ze niet

drinken...'

'Houdt hem vast,' gebood Davis een matroos. Hij

snelde naar het achterschip. Zij aten, zij dronken en

waren vroolijk. Een vrouw kwam bij hem en bood

hem een beker - een andere hield op geheven hand

een zilveren schaal met gele rijst. Hij weigerde, drong

door tot Cornelis Houtman - hij fluisterde hem iets

in.

Houtman lachte - hij lachte, hij sloeg zich op de

knie, zoo plaisant was het!

- 154


'Laat dien vent hier komen! Wij zullen hem laten

drinken, den gestaarten zoon van het Hemelsche Rijk!'

Davis poogde een ander te bereiken... Stockman -

Pieter Stockman - waar was hij? Hij zat wat verder-

op... hij zag Davis strak aan... hij lachte... hij ant-

woordde niet! Mijn God, zij lachten, zij lachten allen

- zij luisterden niet!

Maar Long Pi! Long Pi zelf moest komen, moest hen

bezweren, niet te eten, niet te drinken. Waar was hij?

Voor Davis rezen opeens twee, drie, vier, meerdere

bronsnaakte mannen, gewapend met spies, lans en

rentjong, achter elkaar in warrelende snelheid stegen

zij, vulden zij het dek, drongen achter elkaar op. Het

waren de troepen, de gewapende mannen voor Djohor

- rondom het schip was de zee opeens bedekt met de

groote galeien, donker van mannen, geweldig van ge-

wapende strijders. Zij klommen aan boord - Davis

bukte zich, hij wrong zich door de naakte beenen en

schouders. Daar stond Long Pi, zijn kleine bruine han-

den geheven, zijn schuine oogen starend. Davis boog

zijn roode kop met de bruine sik tot dicht bij den man.

'Is dit verraad?' schreeuwde hij - 'Long Pi, is dit ver-

raad?'

'Vergeving, Master - ik wil U redden!'

'Maar je hebt mij gezegd - mij gevraagd ze op te ne-

men, de Sultanstroepen! En je wist, je wist!...'

'Ik wist...' gilde Long Pi - maar zijn stem werd

gesmoord - Davis had hem met beide handen beetge-

- 155


pakt en hij kwakte hem over boord - er was een

plons, iets bruins dook in de golven...

Aloëdin Riajat Shah was nu op zijn Pomerah, de

zachtmoedige, het strand genaderd. Om een goed

overzicht te hebben, steeg hij niet af maar bleef zitten

onder zijn hooge, gouden tent. Het geduldige hoofd

van Pomerah liet de geduldige slurf hangen. De slaven

stonden naast haar - een met een pajong. De olifan-

ten, waarop de rijksgrooten gezeten waren, twaalf in

getal, schaarden zich achter den Grootmachtige. Tjoet

Nja Mirah was ook gekomen met haar vrouwen, de

meesten te paard. Zij waren afgestegen en zaten op het

strand. Ook de Zeeuwsche kooplieden in het op palen

staande huis zagen toe onder de schaduw hunner gale-

rij. Het was een trotsch gezicht. De vele, met donkere

roeiers gevulde galeien, die langzamerhand de zee be-

volkten - de schepen met de witte zeilen, die wacht-

ten, in de verte de schepen der Portugeezen, ook in 't

zeil die... spiedden.

Toen gebeurde het ongeloofelij ke - dat wat niet te

begrijpen was. Er klonk geschrei - het was geen

vreugdegeschrei! Het waren kreten. Er was een wild

tumult. Wat geschiedde daar in de verte aan boord? Er

werd geschoten. Van de 'Leeuwin' bulderde het kanon,

en weer en weer - booten werden gestreken - donke-

re mannen zag men zwermen van het eene schip naar

het andere - overboord sprongen menschen, vrou-

wen wilden den valreep af - kleine booten werden

-156


volgeladen - meer menschen sprongen overboord -

onder het donderend geschut werd de zilveren, blanke

morgenzee opeens bezaaid met menschen, met donke-

re lichamen, met zwarte koppen - die nog leefden wil-

den zich redden...

De rijksgrooten hadden zich dicht bij den Groot-

machtige geschaard. De Sultan, onder zijn baldakijn,

wees met zijn wapen naar het huis. 'Vang ze, de schur-

ken! Dood ze - breng ze bij me, de verraders!' En hon-

derden slaven omsingelden het huis van de kooplie-

den. Zij hieuwen met hun sabels, eenigen schoten met

hun pistolen, maar dertien hunner werden neergelegd

en Guion Ie Fort, Jacques Baudins en Johan van Eert-

brugge werden gebonden en tot voor Aloëdin Riajat

Shah gesleurd. Pomerah, de zachtmoedige, hief de

slurf.

'Breng ze naar den Dalam!' beval Aloëdin.

Tjoet Nja Mirah was met haar vrouwen op de paar-

den gesprongen. Zij draafden terug in het flikkerend

zonlicht.

Aan boord van de 'Leeuw' waren Cornelis Houtman

en de zijnen omgebracht. Frederik Houtman, door

Hajati zelf en den geheimschrijver aangevallen, werd

als gevangene aan land gebracht. Davis en Tomkins,

beiden gewond, bleven op het gehavende schip met de

vele dooden en gewonden en des middags hakten zij

den kabel en voeren af.

- 157


DE BRIEF VAN PRINS MAURITS

Wat deerde den Sultan Aloëdin, den somberen man,

die zich verraden achtte het ongeluk van Lem Deuha,

den goudsmit, dat van Talamah, eens meuhadi aan zijn

hof? Dit waren kleine levens, die niet telden, nu er

zoovelen omgekomen waren, nu de aanval op Djohor

mislukt was en zijn krijgers, inplaats van moedig te

sneven voor den roem van Atjeh, verraderlijk door de

vreemden waren omgebracht. Wat deerde het hem,

dat Tjoet Limpah, de vrouw die voor de Engelschen en

Zeeuwen gesproken had, haar dooden begroef en lijk-

dienst hield in het huis van Lem Deuha? Wat deerde

het den Koning, dat Nja Ganti, zijn beschermeling ge-

broken nederzat bij den wijzen man, Abdoel Hamid,

aan wien hij zijn zonden gebiecht had?... Want Hajati

had haar spel gespeeld en gewonnen. Talamah had Nja

Ganti weten te lokken en Nja Ganti was naar de

mooie Talamah gegaan. Lem Deuha, plotseling van

zijn reis teruggekeerd, had zijn eigen kind gevonden

bij haar die zijn vrouw was. Toen was het vonnis vol-

trokken, Lem Deuha had Talamah gedood en daarna

zichzelve om het leven gebracht.

De kleine slavin, die Tjoet Limpah van haar plicht

moest aftrekken, opdat het bedwelmend zaad door de

-158


handlangsters van Hajati in het voedsel gestrooid kon

worden, deze slavin had geen onwaarheid gesproken,

toen zij de oude vrouw een ongeluk aankondigde! In-

derdaad, er was een ongeluk geschied en ware Tjoet

Limpah niet bijtijds gekomen, dan zou ook Nja Ganti

niet meer geleefd hebben, maar Tjoet Limpah had de

kris, die hij zich in de borst wilde steken, aan zijn hand

ontwrongen en Abdoel Hamid, de leermeester had

Nja Ganti medegenomen naar zijn huis. De oude man

deed zich zelven de heilige belofte den jongen man te

beschermen tegen de listen van het leven.

Koning Aloëdin Riajat Shah was voor dit alles on-

verschillig. Pomerah had den Grootmachtige naar het

kasteel gebracht en, eenmaal in den Dalam, had Aloë-

din zich teruggetrokken. Niemand waagde het hem te

naderen. Zelfs zijn zoon, Moehammed Shah werd niet

toegelaten en Moehammed Shah betreurde deze afwe-

ring niet; nu was hij het, die de bevelen gaf en Hajati

die ze uitvoerde. Perkasa Alam, die in Pedir geland

was, zou daar blijven. Mir Hassan had strenge orders,

hem gevangen te houden in het land van Pedir. Zij, die

hem lieten ontsnappen zouden met den dood gestraft

worden. Tjoet Nja Mirah, Moehammed Shah's zooge-

naamde zuster, werd uitgewezen, zij kon de gevangen-

schap van haar zoon deelen, of zich in het land van Pe-

dir nederzetten, waar Sri Aloëdin haar bevelen zoude

heen te gaan. Tjoet Nja Mirah ging - haar zoon was

gekomen en zij wilde ieder lot met hem deelen; een-

- 159


maal zou de wraak komen, eenmaal zou haar zoon tri-

omfeeren, dat wist zij. Een gansche stoet volgde haar.

Mir Hassan geleidde. Voorop gingen de rood opge-

tuigde, lichte Perzische paarden, dragende Mir Hassan

en zijn volgelingen, dan kwamen de olifanten met de

prinses van Djohor, haar dienaressen, haar slavinnen.

Achter deze vrouwen de vier blanke gevangenen op de

kleine, wilde paarden uit het land der Bataks, Guion Ie

Fort, Frederik Houtman, Jacques Baudins en Johan

van Eertbrugge. Moehammed Shah achtte hen veiliger

in Pedir dan in de omgeving van Aloëdin Riajat Shah,

wien zij, als de gelegenheid schoon was, stellig zouden

pogen te overtuigen, dat niet de Zeeuwen, doch de

troepen van Aloëdin zelf het verraad hadden gepleegd.

Kapitein Frederik Houtman toch, was van alles getui-

ge geweest! Het heette dat Sultan Aloëdin ziek was en

met niemand kon spreken. Guion le Fort vond het een

verblijdend teeken dat twee mannen den stoet sloten:

de wijze Abdoel Hamid en hun vriend Nja Ganti. Zij

gingen dus mede? Zij zouden bij hen blijven? Dan was

er wellicht een kans, eenmaal bevrijd te worden, want

hij wist het: deze mannen zouden hen helpen.

Zoo trok de lange stoet in den vroegen morgen de

drie poorten van den Dalam uit, achter zich latende de

groote, onder loover verborgen stad, waar de schrik en

vrees nog natrilde over den menschenmoord op de

vreemde schepen die uit verre landen gekomen waren

om peper te halen. Nja Ganti op zijn wit en bruin ge-

- 160


vlekt paard, zag niet meer om; hij liet het graf van zijn

Vader achter, door Tjoet Limpah eerbiedig gedekt met

de gedoengdoeng bladeren en besprenkeld met welrie-

kend water. Eens zou ook hij in dit graf liggen, want

een kind behoort aan den Vader, zelfs als dit kind de

schuld is van den dood zijns Vaders. En was hij ook

niet de oorzaak van dien zijner moeder Intan? Hij had

immers den wensch voor haar gedaan en door de ver-

vulling daarvan was zij gestorven? Maar de schuld aan

zijn Vader was grooter, deze toch had de kris in eigen

borst gestoken inplaats van in die van zijn zoon. Hij

was een schuldige voor de menschen en voor het oog

van den Verhevene. Hij had geen ander leven meer

voor zich dan dat van schuld en boete; wat het ook

brengen zou, hij wilde zich offeren, hij zou de boete,

de straf zoeken; mocht zijn leven lang of kort zijn,

zooals Allah het wilde, zoo zou het geschieden!

Nja Ganti hield het door kopiah gedekte hoofd ge-

bogen en hij hief het eerst op toen de golvende heuve-

len en hooge, zich nederbuigende bamboestoelen van

het land Pedir in het zicht kwamen.

Perkasa Alam, de jonge prins van Djohor wachtte zijn

Moeder.

Ruiters, die als voorhoede gezonden waren, hadden

het bericht van haar komst in het huis van Sri Aloëdin,

zijn oom, gebracht. Hij vertoefde daar met zijn jonge

vrouw, dienaressen en slaven. Perkasa Alam was een

- i6i


trotsche, donkere vorst van vijf en twintig jaar; hij had

een forsche en toch slanke gestalte, een vol gelaat, een

vurig oog. Hij geleek op Tjoet Nja Mirah, maar zijn

mond was minder wreed. Alles aan hem sprak van

kracht en vernuft, moed en standvastigheid.

Toen de stoet het huis van Sri Aloëdin genaderd was,

daalde Perkasa Alam de trap af en begroette zijn moe-

der. Zij boog zich neer als voor een meerdere. Alle

hoogmoed legde deze vrouw af voor den zoon, in wien

zij den koning van het rijk van Atjeh, Pedir en Soema-

dera zag. En allen die achter haar kwamen, brachten

dienzelfden groet, Tjoet Limpah en alle dienaressen en

alle volgelingen; allen erkenden hem als Iskander Moe-

da, den opvolger van Aloëdin Riajat Shah en Nja Gan-

ti wist, terwijl hij zijn gelaat tot de aarde boog, dat hij

zijn meester gevonden had. 'Radja,' prevelde hij.

Pedir lag dagreizen ver van Atjeh, maar de geruchten

uit dit land schenen door de lucht te komen, de wind

dreef ze voort. Zij kwamen niet alleen door de lieden

die ter markt gingen, door de visschers, wier schepen

de kust aandeden, door reizigers, die uit de beneden-

landen de bergen ingingen, zij kwamen op wonderlij-

ke wijze, alsof zij uit de lucht gestrooid waren in het

vorstenverblijf van Sri Aloëdin en in die van Tjoet Nja

Mirah en Perkasa Alam. Geruchten van Atjeh, van de

groote stad onder het zware loover. Wanneer Tjoet

Limpah ze hoorde, bracht zij ze over aan Nja Ganti,

- 162


en, wat Nja Ganti wist, wist Perkasa Alam. Een toege-

wijde dienstknecht was Nja Ganti voor zijn meester.

De blanke gevangenen trokken er voordeel van, want

Nja Ganti was hun leermeester gebleven in de taal en

door Nja Ganti hoorden zij van Perkasa Alam, die

eens, zooals zij allen hier dachten, vorst van Atjeh zou-

de zijn. Hij, de verstandige en moedige, die eens den

gevangenen hun vrijheid zou geven! Deze hoop leefde

bij de achtergeblevenen, bij Frederik Houtman,

Guion Ie Fort, Jacques Baudins en Johan van Eert-

brugge. Wanneer Perkasa Alam den ouden Sultan,

wiens levensdagen geteld waren, zou opvolgen, dan

was het uur der bevrijding voor hen geslagen, maar

ieder van hen wist ook, dat twee menschen zich tegen

deze troonsbestijging verzetten zouden: Moehammed

Shah en Sri Aloëdin. Meermalen sprak Frederik Hout-

man in vertrouwen met Nja Ganti en diens leer-

meester Abdoel Hamid over den toestand van het

land. Hij was de taal nu zoover machtig, dat er geen

tolk meer noodig was, die ieder vertrouwelijk woord

onmogelijk maakte. Nog niet was het hem gelukt, met

Perkasa Alam zelf een onderhoud te hebben, want Sri

Aloëdin bewaakte den Prins streng; Abdoel Hamid

evenwel prees hem als een verstandig en moedig man,

als een mensch, die in het vreemde land groote kennis

had opgedaan, die bovendien een gelukkige hand had,

zoodat het land gezegend zoude zijn, waar hij regeer-

de. En door Tjoet Limpah, de wijze grootmoeder van

-163


Nja Ganti, die Houtmans wonden na den overval ver-

zorgd had, door haar wist hij, dat het de vurige wensch

van Aloëdin was, Iskander Moeda, zooals de vrouw

Perkasa Alam steeds noemde, voor zijn dood terug te

zien, doch die, uit vrees echter voor Iskanders leven,

van een ontmoeting had afgezien. De gesprekken met

Tjoet Limpah waren van groot nut voor Frederik

Houtman, hoewel de vrouw in het geheel niet spraak-

zaam was. Ook wilde zij niet alles vertellen van de din-

gen die er aan het hof gebeurden; wat zij niet zeggen

wilde, verzweeg zij, dat meende hij reeds te hebben op-

gemerkt, maar toch gevoelde hij, dat hij haar vertrou-

wen had en dat haar raadgevingen, als zij die spontaan

uit zich zelve gaf, waard waren in overweging geno-

men te worden.

'De Fleer moet geduld hebben,' had Tjoet Limpah

gezegd, 'in de eerste plaats moet de Heer op goeden

voet komen met den vorst van Pedir, Sultan Sri Aloë-

din. Wanneer de toeangkoe in zijn gunst staat, zal

Tjoet Limpah het zoover weten te brengen, dat de

Heer naar Atjeh kan gaan en met den Koning kan spre-

ken. De Grootmachtige zal den Heer aanhooren en

hem de vrijheid geven naar zijn land terug te gaan.

Maar de Heer moet geduld hebben tot Tjoet Limpah

het teeken geeft. Atjeh is thans als een moskee met

twee lampen.'

'Meent ge daarmede, dat er twee Koningen heer-

schen?' vroeg Houtman.

- 164


'Het is zooals gij zegt, Heer, en er behoort slechts

één lamp te zijn. Daarom moet de Heer wachten, tot

Tjoet Limpah het teeken geeft!'

'En welk zal dat teeken zijn, Tjoet Limpah?' vroeg

hij weder.

'Als Tjoet Limpah laat zeggen, dat zij met de vrou-

wen van Selimoen naar de markt te Oléh-Gléh gaat,' en

nog eens maande zij: 'de Heer moet geduld hebben.'

Frederik Houtman en de zijnen hadden inderdaad

geduld. Het leven in Pedir was niet ondragelijk. Zij

woonden tesamen in een groot huis, een afgedankt

vorstenverblijf, dicht bij de rivier, die echter ontoegan-

kelijk was door het moeras, dat zich aan haar oever ge-

vormd had. Daarom was het strand van hier uit zeer

moeilijk te bereiken. Aan de andere zijde waren de

dichtbegroeide heuvelen, die naar den hoogsten berg

van Pedir, den Goudberg voerden. Zij trachtten goede

vrienden te blijven met Sri Aloëdin, Tjoet Limpah's

raad gedachtig en het bleek niet moeilijk te zijn, daar

deze leenvorst een zachte inborst had. Het scheen den

Zeeuwen zelfs toe, dat hij laf was en steeds in vrees leef-

de voor zijn machtigen broeder, Moehammed Shah,

die hem in bedwang hield door hem Perkasa Alam toe

te vertrouwen, wiens ontvluchting hem in ongenade

zou brengen. Zoo leefde alles in het land van Pedir in

den vreeze voor Atjeh, onder het geheime toezicht van

Moehammed Shah, die zijn handlangers en spionnen

had. Tjoet Nja Mirah had ze echter ook, ze was geen

-165


gevangene, zooals haar zoon en in haar huis kwamen

en gingen de kooplieden en marktgangers. Was het

door hen, dat na maanden geduld, opeens de tijding in

het huis der Zeeuwen kwam?: 'Er zijn weder Holland-

sche schepen op de reede van Atjeh!'

De mannen zaten dien avond lang bij elkaar, zij

moesten een besluit nemen. Zij moesten de Oostinje-

vaarders een teeken geven, dat zij er waren, dat zij hier

gevangen zaten, of... zouden zij het weten, zou het een

schip zijn, dat ter bevrijding uit de Nederlanden was

gezonden?! Frederik Houtmans voorstel werd over-

wogen: Hij zou Sultan Sri Aloëdin verlof vragen, naar

Atjeh te gaan, om contact met de zijnen te zoeken. En

hij zou zijn woord verpanden terug te keeren in de ge-

vangenschap, als Koning Aloëdin niet toestemde in de

bevrijding van hen allen. Guion Ie Fort had een beden-

king:

'Moeten wij niet wachten op het teeken van Tjoet

Limpah?'

De anderen vonden dat men niet moest uitstellen.

De reis duurde lang en wanneer Moehammed Shah,

die nu de macht in handen had, geen onderhandelin-

gen met de schepen wilde doen, dan zouden deze we-

der in 't zeil gaan, dan was alle hoop weer vervlogen.

Jacques Baudins, die aan heete koortsen leed, voelde

zich duizelig worden bij die veronderstelling:

'Wij moeten het nu doen, al was het vannacht nog.'

'Niets zonder Sri Aloëdin,' zeide Houtman. 'Beter

- 166


onduit dan tersluiks, zoo zouden we allen om hals ge-

bracht worden. Nu dreigt er hoogstens gevaar voor

mij.'

Maar zeer laat nog, voor men de rust zocht op de

bamboe slaapbanken, beklom iemand de trap. Het was

Nja Ganti; hij bracht den gebruikelijken groet en zei-

de:

'Tjoet Limpah laat U zeggen, Heer, dat de vrouwen

ter markt gaan naar Oléh-Gléh, en deze, Uw dienaar

heeft een nederig verzoek.'

'En dat is?' vroeg Houtman, die opgerezen was en nu

breed voor hem stond.

'Dat Nja Ganti met den Heer mede mag reizen, als

hij naar het land van Atjeh gaat.' Hij wist het dus?

dacht Houtman.

'Zijt ge niet bang uw hoofd te verliezen, Nja Ganti?

Ge behoort bij Perkasa Alam, het is gevaarlijk.'

'Ik ben niet bang, Heer.' Hij zeide het zoo zeker en

gelaten, dat de anderen allen bijvielen:

'Ja, Nja Ganti moet mede, dan zijn wij gerust.'

'Sri Aloëdin, Heer,' zeide Nja Ganti, 'zal het een

waarborg zijn, dat gij terugkeert. Moehammed Shah

mag mijn leven nemen, als gij ontvlucht...'

Het waren de schepen 'Vereenigde Nederlanden' en

'Hof van Holland' die Atjeh hadden aangedaan. Zij

stonden onder bevel van den vice-admiraal Van Caer-

den en brachten een brief van Graaf Maurits van Nas-

-167


sau, Prince van Oranje, aan den Grootmachtigen Sul-

tan van Atjeh, Pedir en Soemadera. De bevelhebber

was reeds aan wal geweest en zonder veel moeite toege-

laten bij den Grootmachtigen Sultan, doch den brief

van den Prins had hij niet kunnen overhandigen, daar

het perkament, waarop de missive geschreven was,

niet kon worden aangeraakt door den Koning, noch

door den oeloebalang, noch door den opperschrijver

of eersten rijksgroote.

Een Portugeesche monnik, die juist een bezoek

bracht in den Dalam, legde het den stoeren Hollander

beleefd uit:

'Den Heer bevelhebber kon niet verwachten, dat

iemand, die een geloovig Mohammedaan was, een var-

kensvel ter hand zou nemen!'

'Maar het en is geen varkensvel - het is best perka-

ment! Van edel schapenvel!' had Van Caerden geant-

woord, 'en een brief van Mijn Heer Prince zelf.'

De monnik sloeg de oogen neer en maakte een ge-

baar van verontschuldiging. Toen was er met veel sta-

tie en groot ceremonieel een Spaansch edelman in de

sultanszaal gekomen, die na een eerbiedige buiging

voor den ouden Koning gemaakt te hebben, zich met

even groote hoffelijkheid tot Van Caerden gewend

had, doch deze had, den hoed dieper op het hoofd

plantende, zich omgedraaid en was de zaal uitgeloo-

pen. Hij wilde niets met een Spanjaard te maken heb-

ben; dat was een 'viand', een, waartegen zijn Heer Prin-

- 168


ce duidelijk gewaarschuwd had. Had hij de blikken

van verstandhouding gezien tusschen den Portugees

en den Spanjaard, waarschijnlijk ware hij op zijn schre-

den teruggekeerd. Nu gaf hij beiden vrij spel.

'Dit was nu een Hollander, een zeeschuimer, een

roover, een ruw, onbehoorlijk mensch,' moest de oude

Sultan van hen vernemen. 'Zag de Grootmachtige zelf,

hoe bang deze man was voor een Spaansch edelman en

een Portugeesch geestelijke?'

De oude oogen van Sultan Aloëdin, gezeten op zijn

troon van kussens, keken glansloos naar de fraai uitge-

doste heeren; hij wuifde met de hand, opdat de slavin-

nen arak en spijzen zouden brengen, en liet de hanen-

gevechten beginnen op de mat, die voor den troon lag,

want daar bracht Aloëdin zijn dagen mede door; alleen

het hanengevecht had zijn groote belangstelling, en

toch... des nachts, als alles stil was en hij den slaap te-

vergeefs zocht, dacht hij aan Iskander, zijn lieveling,

die zoo dichtbij in Pedir was, en toch niet bij hem

mocht komen. Er was geen Tjoet Limpah meer, die

hem raadde; er was niemand meer aan wie hij zijn ge-

dachten en wenschen kon zeggen, hij wenschte dood

te zijn, maar vóór zijn sterven wilde hij Iskander zien.

Moehammed Shah voerde onderhandelingen met

den bevelhebber der HoUandsche schepen, want peper

wilde hij wel verkoopen, ondanks de inmenging der

Portugeezen en Van Caerden van zijn kant, wees de ge-

zanten en kooplieden niet af. Weldra zou er een con-

- 169


tract geteekend worden voor 1800 Bahar peper en de

bevelhebber lachte in zijn breeden witten plooikraag.

Al was de zee rondom bezaaid met Portugeesche zei-

len, straks zou hij er doorheen laveeren met zijn peper

aan boord! Maar hij moest geduld hebben, dat begreep

hij. Reeds drie dagen duurden nu de onderhandelin-

gen. Op den laten middag van den derden dag zag hij

een schuitje naderen, dat de wilde golven, ondanks den

vrij sterken wind trotseerde om de 'Vereenigde Neder-

landen' te bereiken. Hoe nader het kwam, hoe duidelij-

ker het voor den bevelhebber werd, dat dit geen gezan-

ten van den Sultan waren. Hij riep zijn kapitein en den

stuurman. Wie kon dat zijn? Het scheen een landge-

noot, begeleid door een voornamen Atjeher... En

groot was de vreugde, toen het bootje langszij meerde

en Frederik Houtman den valreep beklom. Van Caer-

den kon nauwelijks zijn ontroering verbergen, toen

hij Houtman, den eens zoo blozenden en sterken

Zeeuw, daar voor zich zag als een vermagerd en bleek

man, en hij verborg die onder een scherts: 'Met U en

mijn schuit vol peper varen wij thuis,' zeide hij, hem

op den schouder kloppend, doch Houtman legde het

'Overhoort' dadelijk uit, dat hiervan geen sprake kon

zijn. Hij moest terug naar zijn kamp in Pedir; hij had

zijn eerewoord aan den Sultan gegeven niet van hier te

vertrekken, zonder dat alle gevangenen bevrijd waren.

'Alsof de Sultans van Atjeh hun woord houden!' riep

Van Caerden. 'Gij gaat mede, Houtman, wat souden de

- 170


Hoogmogenden wel seggen, dat ick u aan boord had

gehad en u weer had laten gaan? Dat komt wis mijn eer

te na!'

Maar Houtman was niet te bepraten en hij zeide op

ernstigen toon:

'Luister naar mij, vriend, ik kom hier niet alleen om

met u te spreken, dat gij, nu of in het Vaderland terug

sijnde, onze bevrijding zult bewerkstelligen, maar

ook, opdat gij zeggen zult, dat ik door hier te blijven,

u lading kan besorgen, maken dat ge een vast contract

met den Koning kunt aangaan, opdat de Nederlanders

jaarlijks aldaar in vrede en vriendschap souden mogen

komen om te handelen.'

Een half uur kon hij aan boord vertoeven, was hij

niet op tijd terug, dan zouden de achtergeblevenen,

Guion Ie Fort, Johan van Eertbrugge en Jacques Bau-

dins het moeten ontgelden. Doch zelfs deze veelbelo-

vende voorstelling en het gevaar, dat de achtergebleve-

nen liepen, kon den driftigen Van Caerden niet over-

tuigen.

'Ik en laat u niet van boord gaan, Houtman! Alle ele-

menten - ben ick niet het 'overhooft' - heb ik niet te

bevelen?' doch eenig rumoer op het voorschip deed

hen 't gesprek afbreken. Een matroos meldde: Er was

een prauw met eenige roeiers aangekomen, waarin een

Atjehsche vrouw zat; zij wilde aan boord komen.

'Vraag wie zij is - waar ze vandaan komt,' beval Van

Caerden.

- 171


'Van de markt te Oleh-Gléh,' was het antwoord, dat

de matroos een oogenblik daarna bracht.

'Laat haar aan boord,' fluisterde Houtman, 'dat is

iemand, die ons wat te zeggen heeft, ik ken haar.'

Het was Tjoet Limpah, gekleed als slavin en het

hoofd omhuld door een donkere slendang. Zij zonk

voor Frederik Houtman neer.

'Heer, ik kom in grooten haast - luister naar uw ne-

derige slavin, Heer. De Spanjaarden en Portugeezen

zijn aan alle kanten - zij omsingelen u - er zijn ver-

sterkingen opgericht aan het strand en bij de rivier -

de geheele armada van Don Alfonso wil deze schepen

aanvallen, nog voor de ochtend aanbreekt! De galeien

van den Koning zijn door Moehammed Shah uitge-

rust. Vlucht, Heer, verlaat dit schip niet meer en licht

het anker - gij kunt mij meenemen, Heer, als ik terug-

ga, is er voor mij geen hoop meer, men zal weten, dat

ik u gewaarschuwd heb, Heer. Nog voor de nacht valt,

ik bezweer het u, moet gij hier vandaan!'

'En Nja Ganti dan? Tjoet Limpah? Men zal Nja Gan-

ti dooden als ik niet terugkeer. Hij stond voor mijn

leven in!'

'Men doet hem niets Heer, hij heeft het geluksteeken

- men doet hem niets! Gij moet uw leven redden!'

'Ik gaf mijn woord, Tjoet Limpah en ik houd dat...'

en hij wendde zich tot Van Caerden.

Houtman had de wijze Tjoet Limpah nog nooit in

zulk een opwinding gezien. Het moest waar zijn. -

- 172


'Als zij het zegt, is er gevaar,' zeide hij tot Van Caer-

den. 'Neem haar mee, zij zal het met haar leven moe-

ten boeten, als zij teruggaat - zorg voor haar! Zij is een

wijze vrouw, zij zal u geluk brengen.'

'En gij?' vroeg Van Caerden.

'Ik ga terug - het kan niet anders. Leef wel - vaar-

wel Van Caerden - in godsnaam, ga in 't zeil!'

'Ik heb al duizend realen betaald en nog geen zak pe-

per!'

'Beter duizend realen dan duizend koppen verlie-

zen!' zeide Houtman - hij drukte Van Caerden de

hand. 'Zorg voor Tjoet Limpah! En werk voor ons bij

de Hoogmogenden en bij onzen Prince!'

'God zegene u, ik zal mijn best doen.'

Snel klom Houtman den valreep af, snel sprong hij

in 't bootje, waarin Nja Ganti hem wachtte, Nja Ganti,

die niet wist van zijn geluksteeken, die niet wist dat het

zijn Grootmoeder was geweest, die zooeven in een

prauw hem voorbij was gekomen en zij roeiden terug

over de donkere golven, waarin de ondergaande zon

zich vurig weerspiegelde. -

De 'Vereenigde Nederlanden' en 'Het Hof van Hol-

land' gingen nog dien avond in 't zeil, maar hun verbol-

gen 'overhooft' nam wraak op alle schepen, die hij in

de Suratte passage ontmoette. Vijf Goezeratta's - twee

Bengaleezen en een groot Portugeesch vaartuig wer-

den geënterd - van de lading ontdaan en zee ingezon-

den. Toen stevende Van Caerden van Atjeh's kust weg.

- 173


Tjoet Limpah zat onbewegelijk aan boord en zag de

laatste lichten aan de kust verdwijnen. Waarheen ging

zij? Waarheen de Verhevene het wilde - zij was in

Zijn hand.

En de Portugeesche monnik, dezelfde die er Van

Caerden zoo beleefd op gewezen had, dat een geloovig

Mohammedaan geen varkensvel kan aanraken, zat eer-

biedig voor den troon van den ouden Koning Aloëdin

- en hij zeide:

'Uw Grootmachige ziet wel, dat deze menschen

niets dan zeeschuimers zijn - Uw peper en kostbare

specerijen, o vorst, zijn beter bewaard voor den groo-

ten Koning van Spanje, die heerscher is over de wereld,

behalve over die van Atjeh, Pedir en Soemadera.'

De Koning hief de oude hand, een teeken dat de ha-

nen hun gevecht konden beginnen, en de naakte sla-

ven zetten de dieren op de mat; onmiddellijk bogen zij

de rood bekroonde koppen; in wilden, hevigen haat

vlogen de scherpgewapenden op elkaar aan. De veeren

vlogen uit borst en vleugels - de arme lichamen bloed-

den, tot er één ontzield neerviel.

De slavinnen wiegden met haar waaiers, anderen

streken met doeken langs 's Konings oud gelaat om het

zweet eraf te vegen. Slaven kwamen en boden arak aan

den Sultan, den rijksgrooten en den Portugeeschen

monnik.

In het jaar 1601 rustte de Middelburgsche Compagnie

- 174


weder een vloot uit: 'De Zeelandia', 'De Middelburg',

'De Langeberque' en 'De Zon' met bestemming voor

Atjeh. Vier opperkooplieden maakten deel uit van de

equipage: Gerard Le Roy, Laurens Bicker, Johan Ja-

cobsz. en Nicolaas van der Lee. Zij hadden een brief

van Graaf Maurits, Prince van Oranje en geschenken

voor den Sultan van Atjeh, Pedir en Soemadera mee.

Zeven maanden na hun vertrek uit Zeeland ankerden

zij in de haven van Atjeh. Het was er niet rustig, de Ko-

ning van Atjeh was in oorlog met de Portugeezen. An-

drea Furtado de Mandoça liep met zijn machtige arma-

da het geheele eiland Sumatra af. In Malakka had hij

versterkingen opgericht, maar de haven van Atjeh was

door de Atjehers vrijgehouden die met de zwaarbewa-

pende galeien hun kust verdedigden. De vreemde vlag,

die van de Zeeuwsche schepen woei, was hun thans

welkom, want veel was er veranderd in de stad van het

land der drie Zijden. De Portugeezen waren te ver ge-

gaan, zelfs Moehammed Shah zag in, dat zij geen bond-

genooten, maar heerschers waren geworden. Daarom

gaf hij gehoor aan den wensch van zijn ouden vader:

deze Zeeuwsche kooplieden zouden met eere ontvan-

gen worden - dies werden de veertig olifanten weder

opgetuigd met de gouden torens en gouden draagstoe-

len, dies reden de vier opperkooplieden, omstuwd van

het volk, naar den Dalam en zij reikten den ouden, bij-

kans blinden Koning den goudomranden, zwaar per-

kamenten brief over van hun opperbevelhebber, den

- 175


Heer Prince van Oranje, welke brief werd voorgelezen

door den opnieuw aangestelden Geheimschrijver Nja

Ganti, zoon van Lem Deuha, kleinzoon van de wijze

Tjoet Limpah, die aan boord van de 'Vereenigde Ne-

derlanden' bij de kust van Goa gestorven was en plech-

tig begraven, die nu als een heilige vereerd werd door

hare landgenooten, daar zij dezen oorlog met de Por-

tugeezen voorspeld had.

De brief, welke sprak van de vorige, zeer te betreu-

ren gebeurtenissen op de schepen van Houtman en

Van Caerden, voorvallen, die door het verraad der Por-

tugeezen waren in het leven geroepen, eindigde aldus:

Derhalve verzoek ik U.M. aan gezegde Portugeezen

geen geloof te schenken; en opdat Uwe Majesteit,

van den huidigen dag af aan, geen aanleiding moogt

hebben om eenige achterdocht te koesteren ten op-

zichte van hen, die van hier zullen komen in Uw

Rijk, om daar handel te drijven, zoo heb ik aan hen,

die dezen brief overbrengen, bevel en volmacht gege-

ven, te weten aan deze vier Kapiteins, met name Cor-

nells Bastiaanse, Jan Tonneman, Mathijs Antonisse

en Cornelis Adriaanz, en aan even zooveel zaakge-

lastigden, wier namen zijn: Gerard Le Roy, Laurens

Begger (Bicker), Jan Jacobsz. en Nicolaas van der

Lee - dat zij op nieuw met vier schepen en in mijn

Naam, met den Koninklijken Persoon van U.M. en

Hare onderdanen zouden gaan onderhandelen om

-176


de hulp, welke zij tegen Hare onderdanen zou noo-

dig hebben, tot welk einde genoemde personen van

voldoende bevelen en volmacht zijn voorzien.

Nog heb ik hun opgedragen, om aan U.M. eenige

geschenken, naar het gebruik dezer landen, ter

hand te stellen, ten teeken van mijn begeerte, om

met U.M. vriendschap te onderhouden. Ik verzoek

Haar, die met dezelfde goede gezindheid wel te wil-

len aannemen, als waarmede ik ze zend.

En hiermede zal ik onzen Heer bidden, dat Hij

den koninklijken persoon van U.M. in Zijne hoede

neme en Haar staten uitbreide zooals ik Haar dat

toewensch.

Uit Den Haag in Holland den uden December

van het jaar zestienhonderd.

De handen Uwer Majesteit kust,

Haar Dienaar,

Maurice van Nassau.

Er waren thans geen Portugeezen, die den Koning be-

vreesd maakten voor een varkensvel. De brief werd in

dank ontvangen, evenzoo de geschenken, een drink-

schaal, een spiegel en een vaas. De opperkooplieden za-

ten in de Djoeroë op lederen kussens en werden koste-

lijk getracteerd. Tot laat in den nacht duurde het feest

waarbij ook Moehammed Shah aanwezig was en in een

prachtigen maneschijn brachten de geduldige olifanten

- 177


de kooplieden, overbeladen met kostbaarheden uit des

Sultans schatkist, naar het strand, waar de koninklijke

galeien wachtten om de gasten weder aan boord te

brengen. Evenwel, ondanks al deze vriendelijkheid,

talmde de Grootmachtige dagen lang om het peper-

contract te teekenen.

De vier schepen verhieven hun masten op de reede,

doodstil in de broeiende hitte, of zachtkens bewogen,

wanneer er een lichte bries over de zee streek. Einde-

lijk besloten Le Roy en Bicker weder aan land te gaan.

Thans spraken zij met de rijksgrooten die op het voor-

plein van den Dalam de wacht hielden en een hunner

Sri Moehammed, ging op hun verzoek naar binnen en

confereerde met den Koning. Toen hij weder buiten

verscheen, was dezelfde Nja Ganti bij hem, die den

brief had voorgelezen; hij scheen de vertrouweling van

den ouden Koning te zijn.

'Heeren,' zeide Nja Ganti eerbiedig, 'alvorens een

contract te teekenen, wenscht de Grootmachtige Uw

geldstukken te onderzoeken. Wanneer zij echt bevon-

den worden, wordt het onmiddellijk geteekend en ook

Uw ander verzoek zal dan ingewilligd worden, name-

lijk dat, om de gevangenen te bevrijden.'

'Laat iemand met ons aan boord gaan, dan zullen we

de geldstukken laten zien,' zei Bicker ongeduldig. 'De

Koning zal gerust zijn, zij zijn alle echt, maar wij kun-

nen niet langer dan twee dagen meer wachten.'

Dien zelfden middag nog werden den Koning dui-

-178


zend realen gebracht, die onder toezicht van den

eersten Rijksgroote, Sri Moehammed een voor een

doorgesneden werden en zie, alle waren echt goud!

Nja Ganti bracht nu den eerbiedsgroet aan den

Grootmachtige: 'De nederige slaaf die Uw voeten kust,

vraagt thans verlof, de gevangenen te mogen bevrijden

en ze hier te brengen om den Grootmachtige te mogen

begroeten. Zij zijn hier reeds in den Dalam aangeko-

men en wenschen den grooten Koning te danken voor

hun bevrijding.'

'Zij zullen ontvangen worden. Vraag hun, hier bij

mij neder te zitten om te beraadslagen, hoe ik den brief

van Zijne Princelijke Excellentie zal beantwoorden.'

Het werd een nacht, waarin veel van het geduld en

de zelfbeheersching der gewezen gevangenen gevergd

werd. Een verkeerd ofte haastig gesproken woord kon

de goedgezindheid des Konings doen keeren. Guion Ie

Fort had zijn mede lotgenooten doen beloven, aan

Frederik Houtman het woord te laten, daar hij door

zijn voorzichtigheid en tact en vooral door zijn vrij-

willigen terugkeer van het schip 'De Vereenigde Ne-

derlanden' de gunst van den ouden Aloëdin verworven

had. Zij zaten er dus in dezen gewichtigen nacht als

zwijgende getuigen bij, hoe er door Abdoel Hamid,

Frederik Houtman en Nja Ganti een brief werd op-

gesteld aan den Heer Prince van Oranje, wien de Ko-

ning als zijn broeder in verre landen beschouwde. 'Hij

wilde gaarne handel met den broeder drijven, de spece-

- 179


ijen van Atjeh en Pedir op zijn schepen laden en een

huis stichten, waarin de kooplieden zich in vrede kon-

den vestigen, zoodat de broeders in eeuwige vriend-

schap tot heil van beide landen zouden samenwerken.

Ter bevestiging van deze vriendschap en dezen broe-

derband gaf de Grootmachtige de vrijheid zonder los-

geld aan de vier gevangenen, die drie jaar in het land van

Pedir gewoond hadden en er zich als ware edellieden

gedragen hadden. Ook deed de vorst Zijne Excellentie

den Prins eenige geschenken toekomen, welke door 's

Konings eerste rijksdienaren zouden overhandigd wor-

den, gaande dezen mede op de schepen, welke thans ter

reede lagen in Atjeh. De Koning van Atjeh, Pedir en

Soemadera, glinsterend als de zon op den middag, doch

zeer oud van dagen, die rechtvaardig is boven alle recht-

vaardigen, verzocht zijn broeder in de verre landen de-

zelfde rechtvaardigheid te betrachten en deze afgezan-

ten in zijn liefde en bescherming te nemen gedurende

hun verblijf in het vreemde land. Ook verzocht de

Grootmachtige deze afgezanten, na niet al te langen tijd

terug te doen keeren, opdat de Koning, wiens dagen

hier op aarde geteld zijn, hen nog mocht terug zien.'

De Koning liet zich den inhoud eenige keeren uitleg-

gen; wanneer iets hem niet beviel, hief hij de hand op

en het werd verbeterd in den zin, zooals hij het

wenschte. Zoo moest vooral in den brief doorstralen,

dat hij in vijandschap leefde met de Portugeezen, die,

(de Koning wist dit nu!) de oorzaak waren geweest van

- 180


de noodlottige gebeurtenissen van eenige jaren gele-

den, toen zoovele menschen omgekomen waren bij de

vreemde schepen. Al was het land van den Prince van

Oranje ver, toch hoopte de Koning van Atjeh, dat Zij-

ne Excellentie het Land der drie Zijden wilde steunen

om de qualijckdoenders, de Portugeezen te helpen ver-

jagen, zijnde Z.E.'s schepen groot en uitstekend bewa-

pend, en geschikt om dit ontuig te verdelgen. Aldus

kon de handel tusschen de landen waar de Koninklijke

broeder regeert en deze onder den keerkring besten-

digd worden en een onverbrekelijke vriendschap, zoo

God Almachtig dat wil, hiervan het gevolg zijn.

Frederik Houtman bracht den Grootmachtige eer-

biedig onder het oog, dat het goed zoude zijn, wanneer

de afgezanten gekozen zouden worden uit edellieden,

die behalve hun eigen taal, ook nog andere talen kon-

den spreken, of dat aan deze edellieden een deskundige

zou worden toegevoegd, daar Z.E. de Prins van Oran-

je, noch de Hoogmogende Heeren de taal van dit land

verstonden. Wanneer de Grootmachtige in deze func-

tie Toeangkoe Nja Ganti wilde benoemen, zou hij

zelf, Frederik Houtman, eenmaal in de Nederlanden

zijnde, er veel toe kunnen bijdragen dat de afgezanten

een aangenaam en aan het doel beantwoordend ver-

blijf in het vreemde land zouden hebben.

De wijze Abdoel Hamid bracht na Houtmans rede

den eerbiedsgroet en vroeg den Grootmachtige nede-

rig, wanneer Nja Ganti als tolk aan de edellieden werd

- 181


toegevoegd, mede te mogen gaan, om in de nabijheid

van zijn voormaligen leerling te kunnen zijn. Guion Ie

Fort sprak zacht een paar woorden tot den naast hem

zittenden Houtman en deze vroeg of de wijze Abdoel

Hamid er zich wel rekenschap van gaf, dat het gure kli-

maat nadeelig kon zijn voor iemand, die reeds de mid-

daghoogte van het leven voorbij is? De zeventigjarige

boog het hoofd en glimlachte. 'Haroep ta oedip. Wad-

jib ta maté' - 'te leven is geen noodzakelijkheid, wel

om te sterven! Als de Verhevene het wil, dat ik in het

vreemde land sterf, welnu, het zij zoo. Ik kan slechts

Zijn wil volvoeren.'

En wie zouden de edellieden zijn, die tot Z.E. den

Prins van Oranje gezonden werden? Nu bogen de

rondom zittenden Rijksgrooten zich tot elkaar. De

Grootmachtige wenkte Sri Moehammed tot zich en

deze deelde nu den aanwezigen mede, nadat hij aan al-

len den eerbiedsgroet gebracht had:

'De Groote Koning, de schaduw van Allah benoemt

als afgezanten de edelman Mir Hassan, den Rijksgroo-

te Sri Moehammed, den geleerde Abdoel Hamid en

den tolk Nja Ganti.'

Het was een plechtig oogenblik en Frederik Hout-

man vroeg verlof den Grootmachtige uit naam van

zijn volk te danken voor het blijk van vertrouwen en

vriendschap dat door dit besluit gegeven was. Hij gaf

de verzekering erbij, dat alles in het werk gesteld zou

worden om het den afgezanten, zoowel op reis als ge-

- 182


durende hun verblijf aangenaam te maken, opdat het

den grooten Koning gegeven zoude zijn, hen allen we-

der in zijn land terug te zien.

In de volgende dagen viel er zeer veel te doen. Tus-

schen den Koning en de opperkooplieden kwam het

pepercontract tot stand en er werd een factorij gesticht

- zij kreeg den naam 'Zeeland' en was de eerste vesti-

ging der Nederlanders in Atjeh. Het oude huis van

Aloëdin aan het strand werd daarvoor gebruikt, het-

zelfde waar eens de Rijksgrooten hem tot Koning ge-

kozen hadden en waaruit Iskander onder de hoede van

Tjoet Limpah gevlucht was.

Nja Ganti had verlof gevraagd, voor zijn vertrek aan

Perkasa Alam zijn eerbiedigen afscheidsgroet te mo-

gen brengen en het was hem toegestaan, hoewel Moe-

hammed Shah, Aloëdins zoon den omgang tusschen

den geheimschrijver en den kroonpretendent verbo-

den had, zoodra hem gebleken was, welke rol Tjoet

Limpah gespeeld had ten opzichte van den aanval op

de schepen van Van Caerden. Altijd nog speelde Moe-

hammed Shah zelf een dubbele rol, uiterlijk liet hij het

gezag aan zijn Vader, wiens dood hij vurig wenschte,

doch uit bijgeloof niet verhaasten wilde. Thans had hij

echter de Portugeezen als vrienden verloren en hij ge-

voelde daardoor de macht van Iskander groeien. De-

zen gevangen houden tot Aloëdin dood was, scheen

hem het eenige middel om zelf den troon te bestijgen,

tenzij een ander plan gelukte, dat hij in samenwerking

-183


met zijn broeder Sri Aloëdin had opgemaakt. Als dit

plan gelukte, behoefde hij niet op den dood van den

ouden Koning te wachten en zeker zou het slagen, als

de zeer verstandige raadgevers van Aloëdin verwijderd

waren. De benoeming van het gezantschap was dan

ook met volle instemming van Moehammed Shah ge-

schied. Hij deed alles om den vertrekkenden behulp-

zaam te zijn en gaf openlijk blijk van zijn groote vreug-

de door de aanzegging van de groote kandoeri in den

Dalam ter eere der vertrekkenden. Ook bij de moskee

werd voor hen geofferd met wierook en vruchten en

de armen werden gelaafd met spijs en drank. Zoo deel-

de het volk mede in het verheugende feit dat de Sultan

van Atjeh, Pedir en Soemadera vriendschapsbanden

aanknoopte met een Prince van den bloede, ver over

zee, Graaf Maurits van Nassau, Catzenellebogen, Mar-

kies van der Vere ende Vlissingen, tevens gouverneur

ende Capiteyn-Generaal over zeven provinciën,

Admiraal-Generaal van de vloot. Zoo vergezelden de

wenschen van het gansche volk de afgezanten op hun

verre reis, want ieder die bij de heilige moskee vruch-

ten of andere spijzen kwam halen sprak zijn goeden

wensch uit tot behouden overkomst. Nja Ganti was

zoo gelukkig dien van Perkasa Alam zelf in ontvangst

te mogen nemen. Hij was geheel alleen met den jongen

prins - geen slaven, geen dienaressen waren in de

Djoeroë - buiten in de galerijen alleen, zaten de wach-

ters die Sri Aloëdin dag en nacht op bevel van zijn

- 184


oeder, Perkasa Alam's huis liet bewaken. Perkasa

Alam stelde groot belang in Nja Ganti's reis. Veel zou

hij zien, veel zou hij hooren en alles moest hij onthou-

den om er Perkasa Alam van te kunnen mededeelen.

De republiek der Nederlanden voerde een hardnekki-

gen strijd met Spanje - hetzelfde land, dat door de

Portugeezen, Atjeh en geheel Soemadera teisterde. Nja

Ganti zou als tolk natuurlijk overal Mir Hassan moe-

ten volgen. In Mir Hassan ook had Perkasa Alam een

groot vertrouwen. Als hij, Perkasa Alam, eenmaal de

teugels in handen had, zou Mir Hassan zijn admiraal

en Nja Ganti zijn geheimschrijver zijn. Het was een

beschikking van den Verhevene, dat juist deze twee

naar het verre land werden afgezonden.

'Gij zijt een uitverkorene, Nja Ganti, maar dat heeft

mijn Moeder, Tjoet Nja Mirah reeds ontdekt toen ge

klein waart. Zij heeft het in uw hand gezien en aan de

inplanting van uw haar. Doe er uw voordeel mede.'

Nja Ganti boog. Was hij een uitverkorene? Hij, die

zijn Vader, zijn Moeder en nu ook zijn beschermende

Grootmoeder op zulk een droevige wijze verloren

had? Voelde hij zich niet een schuldenaar, een mensch,

die alleen boete moet doen? - Perkasa Alam, die wel

op het gelaat van den jongeren vriend zag wat er bij

hem omging, hervatte:

'En vergeet nooit, Nja Ganti, dat ge uw Grootmoe-

der, de groote en wijze Tjoet Limpah verschuldigd

zijt, zelf een groot mensch te worden. De weg is voor

-185


u open, betreed hem. Zij die dood zijn, leven in de za-

ligheid van den hemel. Wij, die nog op aarde zijn, mo-

gen niet over hen treuren - eenmaal moet een mensch

sterven - maar wij mogen hun nagedachtenis eeren.

Uw Grootmoeder heeft haar graf gevonden ver van

ons weg. Ik wil u een goudblok medegeven, dat ge op

haar graf zult neerleggen, wanneer ge daar komt in het

land van Goa. Zeg dan dat het is van den zoon, die haar

nooit vergeet - dezelfde die haar in den dood dreef.'

Nja Ganti maakte een beweging. Hij zag Perkasa

Alam aan.

'Ik dreef haar in den dood,' ging de andere voort, 'ik

was het, die haar de belofte deed geven Moehammed

Shah om het leven te brengen - zij met de vrouwen

die ter markte zouden gaan naar Oleh-Gléh, zouden het

doen. Hajati ontdekte het en zou haar verraden heb-

ben, als Tjoet Limpah niet tegelijkertijd Moehammed

Shah's aanval en dien der Portugeezen op de vreemde

schepen ontdekt had. Zij is aan Hajati's hand ontsnapt

door haar vlucht naar het schip. Zij heeft een bloedbad

voorkomen door haar waarschuwing.'

Nja Ganti waagde te zeggen: 'Maar Heer, daar in

Goa is zij aan heete koortsen gestorven, zooals bericht

is - niet door Uw schuld!'

'Het is door mijn schuld dat zij het waagstuk heeft

ondernomen en ware zij niet op het schip ontkomen,

dan zou zij den vreeselijksten dood gevonden hebben

in Atjeh. Moehammed Shah wachtte haar en Hajati

wachtte haar.'

- i8é


'Hajati wacht nog,' zeide Nja Ganti.

'Zij wacht nog - maar als Iskander Moeda aan het

bewind komt, Nja Ganti, dan zal er geen Hajati meer

zijn...'

'En geen Moehammed Shah...' zeide Nja Ganti - de

oogen neergeslagen. Perkasa Alam stond op - hij

raakte Nja Ganti aan.

'Ge hebt mij begrepen, broeder, bereid er u op voor.

Als ge terugkomt uit het verre land is er geen Moeham-

med Shah meer, en geen Hajati.'

'Dan is er Koning Iskander Moeda,' zeide Nja Ganti

met zacht fonkelende ogen. 'Radja! vertrouw op Uw

dienstknecht!'

De vier schepen lagen zeilreê. De wind blies reeds de

witte schitterende zeilen bol, op ieder schip negen

toen de ankers gelicht waren. De golven flikkerden

heftig in het zonlicht en beloofden een wilden dans,

straks buitengaats.

'De Zeelandia', 'De Middelburg', 'De Langeberque',

'De Zon', met peper geladen, gingen de haven uit. Hun

saluutschoten donderden over het water, tot daar,

waar de kust was en de achtergeblevenen in de factorij

hen nazagen - heil roepend tot wederkomst!

Kleine booten en prauwen, enkele galeien bewogen

zich om de vertrekkende schepen, zij gingen de vuur-

proef tegemoet der Spaansche armada, die alles

bestookte wat Atjeh's reede verliet.

En zij stonden allen bijeen op het achterdek - zij die

-187


drie jaar lang gevangen waren geweest daar in het land

dat verder en verder zich verwijderde - het land met

zijn groene kust, slank gebogen palmboomen en fijne

parelgrijze bergen tegen hooge lucht.

Frederik Houtman, de armen gekruist over de borst,

innerlijk wetend, dat hij dit eens weer zou zien. Zij

stonden daar ook, die voor langen tijd hun land verlie-

ten - Mir Hassan, Sri Moehammed, Nja Ganti en de

oude Abdoel Hamid. Hij was een statige verschijning

met den witten doek om het hoofd. De andere waren

donker - maar waardig - het goud op hun hoofddek-

sels, het zilver op hun baadjes, aan hun polsen, stem-

pelden hen tot hoogwaardigheidsbekleeders. Nja Gan-

ti droeg op zijn hand een Oosterschen vogel, een

bloedrooden papegaai - geschenk van Perkasa Alam

aan Graaf Maurits, Prins van Oranje - een kostbaar

bezit, dat Nja Ganti bij zich hield zooveel hij kon,

want de vogel was schuw en moest op de zeereis ge-

temd worden. Nja Ganti's hand streelde de roode vee-

ren, maar zijn blik ging peinzend naar Atjeh's groene

kust, totdat hij niets meer zag dan de zilveren golven

van de wijde zee, die hem zouden voeren naar het ver-

re land van Prins Maurits.

- 188


ISKANDER MOEDA

Koning Aloëdin Riajat Shah had afstand gedaan van

den troon en zijn zoon Moehammed had zich als heer-

scher doen verklaren onder den naam Riajat Shah, Ko-

ning van Atjeh, Pedir en Soemadera.

Nog vóór dien tijd had Koning Aloëdin een hoog

Engelsch afgezant, Sir Lancaster, ontvangen, die een

brief van de Koninginne Elisabeth medebracht voor

Zijne Majesteit den Koning van Atjeh.

Deze brief, liggende op een gouden schotel, was door

een olifant in den Dalam gebracht en vervolgens eerbie-

diglijk door den Engelschen generaal, Zijne Majesteit

aangeboden. Een reeks van feesten was daarop gevolgd;

men had den Engelschen heeren gastmalen geoffreerd

en geschenken vereerd; de slavinnen hadden gedanst

en muziek gemaakt, het hof had zich op zijn schitte-

rendst aan den afgezant van de machtigste Koningin

der aarde vertoond. Ten slotte was een hoffelijke brief

opgesteld door des Konings schrijvers, waarin de 'Sul-

tana van Vrankrijk, Irland, Holland en Vriesland ge-

huldigd werd als de grootste vijandin van den Sultan

van Afrangie*, die zich verwaandelijk als Koning der

* Noot v.d. S.: 'Spanje'.

- 189


wereld had voorgedaan, maar niets anders was dan een

uitstekende trotschheid en laatdunkende geest!'

Ten slotte was den afgezant den beste weg ten koop-

handel aangewezen en werd er een Engelsch-Atjehsch

verbond gesloten, waarna 'De Ascension', 'The Dra-

gon' en 'De Hector' weder zee kozen.

Het scheen dat de bemoeiingen voor dit feest de laat-

ste energie van Koning Aloëdin hadden uitgeput. La-

chend had de zes en negentigjarige Koning Sir Lan-

caster bij het afscheid gevraagd, hem bij terugkomst

een 'Soet Portugeesch meiske' mede te brengen.

Het 'soet Portugeesch meiske' zou, wanneer Sir Lan-

caster aan dit verzoek voldaan had, Zijne Majesteit

echter niet meer gevonden hebben, want den dag na

zijn troonsafstand was de oude Sultan in een grooten

toengkang, die op de rivier wachtte, gedragen, een

tweemaster met sierlijk rieten afdak en daarmede was

hij met een aantal volgelingen, waaronder de ge-

trouwste Orangkaja, naar de kust van Pedir gevaren.

Daar zou hij dan zijn pleegzoon Iskander eindelijk we-

derzien, want om hem had hij afstand gedaan van den

troon, om hem liet hij alle eer en grootheid varen, die

een beletsel waren geweest de taak te volbrengen, die

hij zich voorheen als Rijksgroote voorgesteld had, te

doen: de taak, Iskander op te voeden tot vorst van At-

jeh, Pedir en Soemadera. Thans was zijn zoon, Riajat

Shah op den troon, maar Aloëdin wist wel, dat deze

man niet geschapen was om te regeeren. Hij, die wer-

- 190


keiijk recht had, niet alleen door geboorte, maar ook

door karakter en aanleg, zou hem eens vervangen en

hem, Aloëdin werd het nog voor zijn dood geschon-

ken, dezen man te zegenen.

Aloëdin had van zijn beide zoons de belofte gewon-

nen Iskander in het leven te laten en te beschermen.

Een belofte aan een man van zoo hoogen leeftijd is hei-

lig; er zou ongeluk over het land en henzelven komen,

als zij die belofte niet hielden en Riajat Shah had op de-

ze voorwaarde bovendien den troon bestegen. Hij zou

Iskander in het leven laten. En terwijl Aloëdin in de

toengkang de zachtglanzende zee opvoer, was het of in

zijn gemoed de oude kalmte en berusting weder terug-

keerden. Ontdaan van alle machtsvertoon, scheen het

of hij uiterlijk ook weder de vroegere waardigheid

kreeg, die de mensch Aloëdin, de admiraal, de man, die

eenzaam aan het strand woonde, bezat. Riep het ge-

lispel der golven zelfs niet de dagen terug zijner jeugd,

waarin hij als kind, knaap en jongeling het net uit-

wierp om de kostbare visch te vangen? Aloëdin zat stil,

de oude handen in den schoot gevouwen onder het rie-

ten dak, waardoor de zon haar gouden licht zeefde.

Men dacht dat de Sultan sliep of sufte, de Orangkaja

spraken niet - het geklapper der zeilen wanneer de

wind erin blies, was het eenige geluid dat aan boord ge-

hoord werd. Aloëdin sliep niet, hij dacht terug aan de

dagen van vroeger en overdacht wat er nu nog op het

eind van zijn lang leven gebeuren ging.

- 191


Bij de bocht van Pedir, daar, waar de Goudberg ten

westen rijst, kwam een fraai opgetuigde galei met hon-

derd roeiers, Aloëdins vaartuig tegemoet. Het was de

galei van Sri Aloëdin, Sultan van Pedir, waarin hij zelf

en Perkasa Alam gezeten waren. De jonge prins had

toestemming van zijn beide ooms gekregen zijn

Grootvader tegemoet te reizen. Ook was hem medege-

deeld door welke oorzaak de troonsverwisseling van

Atjeh had plaatsgehad en hij wilde de eerste zijn, die

Aloëdin Riajat Shah na den terugkeer in het gewone le-

ven verwelkomde. In ruim vijftien jaar had hij Aloëdin

niet gezien. Het leven in Djohor had hem met vele

menschen in kennis gebracht, ondanks zijn gevangen-

schap daar, had hij een goede opvoeding gehad en vele

leermeesters die verre uitblonken boven den eenvou-

digen visscher Aloëdin, waren de zijne geweest, doch

toen de galei naast het visschersvaartuig aanlegde, en

hij een oogenblik daarna aan boord van de toengkang

de gestalte naderde, die onder de afdekking gezeten

was, boog hij zich diep en ontroerd neder, want dit

was de eerste leermeester die hem als kind geleid had.

De aanraking van de oude, trillende hand op zijn

hoofd onderging hij als een zegen.

Tjoet Nja Mirah had haar woning opengesteld voor

Aloëdin; daarheen brachten de slaven hem in een

draagstoel. Dagelijks bezocht hem Iskander, die door

Sri Aloëdin meer vrijheid gekregen had.

De reis was lang en vermoeiend geweest voor den

- 192


grijsaard; het leven scheen heen te vlieden, iedereen

verwachtte het einde; de getrouwe Orangkaja hadden

zich in den omtrek van de woning der prinses van Djo-

hor gevestigd want zij wilden tot het laatst bij hun ko-

ning blijven, doch op een laten middag, vóór het

avondgebed, ontbood Aloëdin zijn dochter Tjoet Nja

Mirah bij zich. Verder mocht niemand worden toege-

laten. Tjoet Nja Mirah kwam. Zij was een oude vrouw

geworden, sedert Tjoet Limpah heen was gegaan om

nimmer terug te keeren, maar Aloëdins oogen konden

dit niet meer waarnemen. Voor hem was zij het kleine

meisje dat eens bij hem gebracht werd door een slavin

van den Koning en hij hoorde weer de stem die zeide:

'De Grootmachtige vraagt u, dit kind als uw kind te be-

schouwen en het op te voeden buiten de kraton. Geef

het een voedster uit het volk, want haar moeder, zelf

van Koninklijken bloede, is in ongenade gevallen bij

den Koning. De Koning wil dit kind niet kennen, maar

haar afstammelingen zullen weder in genade worden

aangenomen als er vorstelijk bloed door hen vloeit.'

Aloëdin meende weder die slavin voor zich te zien en

hij sprak weder dezelfde woorden, die hij toen gespro-

ken had, vreemde woorden voor Tjoet Nja Mirah,

maar die bij herhaling al duidelijker en duidelijker wer-

den: 'Zeg aan den machtigen Mansjoer Shah, Koning

van Atjeh, Pedir en Djohor, dat ik voor zijn dochter

zorgen zal, dat ik haar noemen zal Nja Mirah en haar

opvoeden zal, zooals het een vorstenkind betaamt.'

- 193


Met een gesmoorden gil zonk Nja Mirah voor de

rustbank van den stervende neder; zij was dus een ko-

ningsdochter en zij had het nooit geweten! Aloëdin, de

voormalige visscher was niet haar Vader! Altijd had zij

de trots, de sterke trots in zich gevoeld, doch bedwon-

gen omdat zij zich een visscherskind waande, maar

haar zoon, haar Iskander zou Koning zijn! Ze hief haar

hoofd op, Aloëdin had de oogen gesloten. Een wilde

haat sloeg in haar op. Deze man had het geheim be-

waard zijn leven lang! Hij had haar vernederd, hij had

zich de macht toegeëigend, die zij had moeten bezit-

ten! Nog was hij niet dood, nog kon zij wraak nemen.

Ze trok de kris uit haar gordel - zij hief haar op, maar

op hetzelfde oogenblik omvatte een sterke arm haar.

Haar zoon Iskander, door den gil verontrust, was bin-

nengekomen, worstelend met de oude vrouw hield hij

de kris nu in de hand, wierp het wapen op den grond en

haar voortdrijvend naar buiten riep hij een Orangkaja

en beval, hijgend van woede: 'Lever deze vrouw uit aan

den Sultan; zij is des doods schuldig!'

Dienzelfden avond blies Aloëdin Riajat Shah den

laatsten adem uit in de armen van Iskander Moeda,

zijn lieveling.

De regeering van Riajat Shah was niet onder gunstige

voorteekenen begonnen.

Ziekte onder het vee, aardbevingen en ten slotte een

- 194


langdurige droogte die de rijstaanplant verhinderde,

zoodat een mislukte oogst te wachten stond. Riajat

Shah liet een bedevaart naar een heilige grot aankondi-

gen, de 'Empai loeloe', bij de Kampong Lampoeêh; een

lange karavaan van mannen, vrouwen en kinderen

trok dagenlang over de stoffige, smalle wegen naar de

monding der rivier, waar de rots zich verhief, die de

grot verborg. Men baadde er, men offerde er en deed

luid de heilige woorden uit den koran weerklinken,

totdat het vlot met een deel van het offermaal in zee ge-

dreven was, maar Empai loeloe bleef doof voor de

smeekbeden; het bleef droog, geen regen viel neer. Wat

hadden de menschen misdreven dat de straf ditmaal

zoo lang en zoo hard was? Zouden het de kwade ge-

ruchten uit Pedir zijn? Inderdaad, er kwamen geruch-

ten uit het zusterland die verontrustend waren; de

wind had ze voortgedreven, evenals eenmaal die uit

Atjeh naar Pedir werden gedreven; de stof, die overal

opwarrelde had ze tot duistere gestalten vervormd, de

gestalten van kwaadsprekendheid en laster.

Perkasa Alam, heette het, had zijn eigen Moeder ver-

moord; hij wilde nu ook zijn Oom, Sri Aloëdin ver-

moorden, om Sultan van Pedir te worden. Den reeds

lang door koortsen verzwakten Koning Riajat Shah,

ontstelden deze vage geruchten. Hij ontbood Hajati,

de vrouwelijke admiraal bij zich en vroeg haar naar de

waarheid van al deze berichten en deze, voor zijn

troon gezeten, vroeg nederig vergeving. Zij kon den

- 195


Grootmachtige hierop alleen antwoorden, wanneer

niemand in de nabijheid was.

Met een handgebaar maakte Riajat Shah het den die-

naren en den waaienden slavinnen duidelijk, dat zij

gaan moesten en toen Hajati nu alleen was met den

Grootmachtige, dien zij niet alleen als kind, maar ook

als medeplichtige gekend had, zeide zij langzaam en

duidelijk:

'Er is een geheim, Koning, die de rechtvaardigste is

van allen, dat tot nu toe alleen bij Uw dienares be-

waard werd, doch na het overlijden van den grooten

Aloëdin Riajat Shah, zal zijn uitgelekt. Dit kan de re-

den zijn van de verwarring in Pedir. Daarom mag ik

mijn belofte breken en mijn geheim uitspreken want

er kan gevaar dreigen als Uw dienares zwijgt.'

'Spreek, Hajati, maar bedenk wel, dat gij de waarheid

zegt.'

Er flikkerde iets in Hajati's oog. Zoo was dus Riajat

Shah aan haar verraad gewend, dat hij haar nu, in dit

vertrouwelijke oogenblik zelfs niet geloofde!

'Als de Koning twijfelt aan de woorden van haar, die

aan zijn voeten ligt, dan zal zij zwijgen,' zeide zij.

'Spreek, Hajati,' beval Riajat Shah met trillende lip-

pen. Ook zijn oogen flikkerden een oogenblik. Hij liet

ze op de vrouw rusten, die hij vreesde en haatte, maar

die hij noodig had en ontzien moest, omdat ze te veel

wist, te veel en ook meer dan hij zelf. Dit hinderde

hem! Welk geheim zou zij hem ontsluieren?

- 196


'Tjoet Nja Mirah, de Moeder van Perkasa Alam, was

niet het kind van Koning Aloëdin, zij is niet de zuster

van Koning Riajat Shah...'

De Koning had zich voorover gebogen, koortsachtig

had zijn hand de kris gegrepen die op zijn schoot lag.

Hij luisterde en Hajati ging voort:

'Zij is de dochter van Koning Aladin Mansjoer Shah

en Perkasa Alam is zijn kleinzoon. Hij is dus de wette-

lijke troonopvolger.'

'Hoe weet gij dat, bewijs het.'

'Ik was een jong kind en dienares bij de vorstin, de

Moeder van Tjoet Nja Mirah; zij werd door Koning

Aladin Mansjoer Shah verstooten. Haar kind werd aan

den admiraal Aloëdin gebracht en ik ging mede om het

te dienen. Tjoet Limpah werd de voedster, alleen zij en

ik kenden het geheim.'

'En nu? Weet Perkasa Alam, weet Tjoet Nja Mirah

het?'

'Als zij weten, groote Koning, dan weten zij het van

den zaligen Aloëdin zelf, die het op zijn sterfbed ont-

huld zal hebben en dan dreigt gevaar, want Tjoet Nja

Mirah zal alles in het werk stellen, den Sultan van Pe-

dir en ook den Sultan van Atjeh te ontzetten, om haar

zoon, den wettigen troonopvolger, te doen zegevie-

ren.'

'Heeft Perkasa Alam zijn Moeder dan niet om het le-

ven gebracht?'

'Ik vrees, Heer, dat deze geruchten verspreid worden,

- 197


om u te bedriegen, om ons in te doen slapen, zoodat

wij geen overval duchten.'

'De overval moet van onze zijde komen.' Het was of

Riajat Shah weder opleefde; hij was een klein, onaan-

zienlijk, zwak uitziend man, maar zijn wreede natuur

vond eerst bevrediging als hij zich ten strijde kon

rusten. Zijn gedachten, die altijd bezig waren geweest

met krijgslisten vonden thans weder, gelijk een ver-

dwaalde rivier, haar vertrouwde bedding.

'Wij moeten hen vóór zijn,' zeide hij. 'Van twee zij-

den dienen zij aangevallen te worden. Wij moeten niet

wachten, tot Perkasa Alam een groote macht heeft.'

Wanneer de Koning hem en zijn Moeder zou kun-

nen gevangen nemen, is alle gevaar voorbij,' opperde

Hajati.

'Wij moeten zijn leven sparen,' zeide de Koning.

'Wij moeten zijn leven sparen,' Hajati herhaalde het.

Zij wist het, dit was de belofte aan Koning Aloëdin, die

vervuld moest worden, anders zou er nog meer onge-

luk over het land komen.

'Roep de Rijksgrooten, en gij, vrouw, doe uw plicht.

Alles moet klaar zijn, zoodra ik het teeken geef.'

Hajati rees op, bracht de teunbah... om haar mond

was een hoonende trek, zij had het deze visscherszoon

wel duidelijk aan het verstand gebracht, dat hij op een

troon zat, die hem niet toekwam. O, als zij Tjoet Nja

Mirah niet zoo haatte, zoo diep, bijna verlammend

haatte omdat deze altijd Tjoet Limpah boven haar had

- 198


voorgetrokken, hoe spoedig zou dan Iskander, de

moedige en waarlijk vorstelijke daar zitten, waar nu de

zieke en listige Riajat Shah zat. Het zou haar maar een

enkele wenk kosten!

Het was niet moeilijk, een aanleiding voor den oor-

log te vinden. De menschen in Pedir waren zondig.

Het bestuur van Sri Aloëdin was slap. Daarom waren

er aardbevingen, daarom was er droogte.

Koning Riajat Shah zou Pedir straffen. Een vloot na-

derde van de zeezijde, een troepenmacht door de bos-

schen het land van Pedir.

Sri Aloëdin, reeds lang in goede verstandhouding

met Perkasa Alam, nam diens hulp ter verdediging

aan. Hij zelf verdedigde de kust en Perkasa Alam trok

zijn oom, Riajat Shah tegemoet.

Een hevige worsteling volgde. Perkasa Alam's paard,

in den strijd gewond, stortte neer. Een oogenblik van

verbijstering om het dier, dat hij zeer lief had, daar het

met hem uit Djohor was gekomen, deed hem alle

voorzichtigheid verliezen. Terwijl hij naar een beek

snelde om water te halen, werd hij omsingeld en in een

oogenblik ontwapend. Zoo bracht men hem als krijgs-

gevangene voor Riajat Shah's olifant. Het doel was be-

reikt; de gevaarlijke Perkasa Alam gevangen en triom-

feerend keerde de Koning naar het land van de drie zij-

den terug.

En alsof dit ook naar den wensch was van Empai loe-

loe, waarheen altijd nog menschen ter bedevaart to-

- 199


gen, die hun koranspreuken bij de grot zongen, begon-

nen de regens te vallen. De regens stroomden over Pe-

dir en Atjeh, de rivieren zwollen, traden buiten haar

oevers; onder de hooge boomen en het zware neerhan-

gende loover hing een grijs regengordijn. De markt-

pleinen en lanen waren leeg, weken lang stroomde de

regen neer en niemand zag, dat in dien nevel van regen

een nieuw gevaar naderde. Het was nog ver, doch het

kwam nader en nader uit de grijze, bijna onzichtbare

zee. Het was de groote armada van Don Alfonso Vin-

cent om de stad van Atjeh te tuchtigen en den handel

met andere landen te vernietigen. De troebelen in het

land zelf waren een vreugdevolle aanleiding voor den

vijand om nu den grooten slag te slaan. Riajat Shah was

een zwak man. Sri Aloëdin beteekende niet veel en de

jonge Perkasa Alam zat, zwaar gekerkerd, gevangen in

den Dalam.

Het eerste geschut bulderde langs de kust. Ongezien

waren bij de rivier honderden Portugeesche krijgs-

knechten geland. Zij drongen door het dichte struikge-

was; zij verschrikten de bevolking die in haar huizen

verscholen zat. Dood en verderf verspreidden zij in

het Chineesche kamp, waar bij tientallen tegelijk de

menschen in hun krotjes vermoord werden. In de mos-

kee smeekten geloovigen den Verhevene om hulp, het

hoofd ter aarde. Duizenden vluchtten naar den Dalam

en weldra bulderde ook van daar het kanon. Maar de

overmacht bleek te sterk; meer en meer Portugeezen

- 200


landden, de marktpleinen waren gevuld met gewapen-

de, schreeuwende en schietende mannen, grooter en

geweldiger dan de Atjehers, slimmer en krachtiger dan

zij.

De eerste vesting viel.

In de donkere djoeroë zat Riajat Shah ineengekrom-

pen van koorts. Zijn Oeloebalang en zijn Orangkaja

gaven bevelen. Alles vocht, alles verdedigde zich, zelfs

de vrouwen, zij waren als furies... maar de Portugee-

zen naderden, de schoten vielen in den Dalam, wilde

gillen klonken op en opeens riep een stem daartus-

schen:

'Perkasa Alam, bevrijdt Perkasa Alam, hij moet ons

helpen!' en vele stemmen riepen dien naam. Mannen

drongen het sultansverblijf binnen: 'Geef ons Perkasa

Alam, Grootmachtige, open zijn cel, hij moet onze

aanvoerder zijn!'

Riajat Shah's moede hoofd zonk neer.

'Ga, ik sta het toe.'

Perkasa Alam werd bevrijd.

Aan den avond van dien dag waren de Portugeezen

verdreven, de armada trok af, meer dan driehonderd

dooden medevoerend; vele gewonden lagen in de

groote plassen op de doordrenkte wegen en de krijgs-

olifanten die de overwinnaars droegen, deden met hun

zware pooten het water opspatten. Pomerah, de zacht-

moedige, die het rijdier van Perkasa Alam was, deelde

voor het eerst in deze strijdhulde, die het volk zijn be-

- 201


ijder bracht. Het 'Daulat - daulat' dreunde tot in den

Dalam door, waar de zieke Riajat Shah op zijn legerste-

de met zijn brandende koorts vocht.

De overwinning van Perkasa Alam ging van mond tot

mond, van schip tot schip. De Portugeezen werden ge-

haat, zoowel in Malakka en Djohor als langs de kusten

van Soemadera tot Bantam toe. De Portugeezen waren

de schrik der zee en de mare dat zij verslagen waren voor

de kust van Atjeh, verspreidde zich ook daar. Een Hol-

landsen schip dat de haven van Texel binnenliep, bracht

het bericht en men juichte. Men juichte in Amsterdam,

men juichte aan de Maze in Rotterdam, in Vere en in

Middelburg. De magistraat van die stad bracht de bood-

schap over aan de Atjehsche afgezanten, Mir Hassan,

Sri Moehammed, en Nja Ganti. Nja Ganti's hart klopte

snelier, hij moest de hand erop leggen om het te doen

bedaren. Waarom was hij nu niet in zijn land? Waarom

had hij den triomf van Iskander niet medegemaakt en

waarom kon hij Abdoel Hamid niet meer gelukkig ma-

ken met deze tijding? Nja Ganti's mentor, de zeventig-

jarige, die de lange zeereis uitstekend verdragen had,

was in het gure klimaat van Zeeland plotseling ziek ge-

worden en kort na aankomst aldaar gestorven. Het was

een harde slag voor den jongen tolk geweest... Maar er

was een troost, hij had Abdoel Hamid tot het laatste

verzorgd, hij had hem de oogen toegedrukt en zich als

zijn zoon gevoeld toen de leermeester eerbiedig op

- 202


kosten van de bewindhebbers van de O.I. Compagnie,

in de Sint Pieterskerk te Middelburg begraven werd.

Dit treurige feit had hem nader gebracht tot de blanke

menschen, Kapitein Frederik Houtman en vele stoere

zeelieden kwamen hem de hand drukken, bij vele voor-

name burgers werd hij als een vriend ingehaald en de

Vroedschap trok zich zijner aan, alsof hij haar pleeg-

zoon was geworden. Zijn taak, als tolk het woord te

voeren voor Mir Hassan en Sri Moehammed, nam hem

geheel in beslag en de nagedachtenis aan Abdoel Ha-

mid, den man die mee was gegaan, om hem te behoeden

voor gevaren, sterkte hem en had langzamerhand de in

zich zelven teruggetrokken Nja Ganti tot een kalm en

zelfstandig mens gemaakt. Een nieuwe vriend had hij

gekregen aan Sinjeur Weerer, een heer uit Luxemburg,

die de taal van Atjeh verstond, hoewel hij die niet goed

kon spreken. Deze had het gezantschap in de haven van

Vlissingen opgewacht en was daar verder bij gebleven.

Hij was een man van middelbaren leeftijd, maar nog

niet zoo oud om Nja Ganti's vader te kunnen zijn. Pret-

tig en joviaal in zijn manier van doen, wist hij met

grooten tact Nja Ganti's vertrouwen te winnen en Nja

Ganti voelde zich, hoewel niet afhankelijk, geheel vei-

lig bij hem. De jonge man begon zich aan de vreemde

omgeving te gewennen, zóó zelfs dat de gedachte aan

het eigen land hem soms beangstigde, want hoe zou hij

nu wel alles vinden als hij weder kwam? Hoe zou hij

zich weder in den hoogen, versterkten Dalam voegen

- 203


en uren lang nederhurken aan de voeten van den

troon, om mede naar de hanengevechten te kijken?

Hoe anders was het leven hier in het koele Noorden!

Een geweldige levende kracht bruischte hier in de ge-

moederen, zoowel Mir Hassan als Sri Moehammed als

Nja Ganti hadden dit dadelijk opgemerkt. In het eerst

had het hen verschrikt, nu was het of hun Oostersche

ziel er zich langzaam voor ontplooide. Zij misten de

praal van hun Sultans en Rijksgrooten, maar de dag,

waarop het groote en gewichtige gebeuren zou - de

aanbieding van des Sultans brief aan den Prins van

Oranje, die dag toonde hun, dat ook hier in het land der

zeevaarders een vorstelijke pracht en grootheid kon

zijn, die hoewel van heel ander gehalte dan de Indische,

een groote bekoring op hen had uitgeoefend.

's Prinsen galacoetse met rooden baldakijn, getrok-

ken door zes paarden, en geëscorteerd door een com-

pagnie ruiters, had hen van Bommel naar de leger-

plaats van den opperbevelhebber gebracht. Door een

schitterenden staf van hoofdofficieren ontvangen, wer-

den zij naar de tent van den Prins van Oranje geleid.

Mir Hassan presenteerde de brieven, want ook die,

welke door den Prins aan den Sultan geschreven was,

behoorde erbij, nu voorzien van 's Sultans zegel, 'om te

bewijzen dat deze brief wel ontvangen en den Sultan

weert was geweest.'

De Prins, omringd door eenige vreemde vorsten,

had zijn warmen dank uitgesproken en zich met ieder

- 204


onderhouden doch met Nja Ganti het meest omdat hij

Spaansch sprak en de eer had, Iskanders geschenk, de

roode papegaai, den Prins aan te bieden. Het dier was

nu tam en kende zijn les; twee namen had Nja Ganti

hem leeren uitspreken: Maurits en Iskander, maar

toen hij den vogel in de hand van een speerknecht gaf,

om het dier door den Prins te laten streelen, sloeg het

met zijn vleugels, zoodat Nja Ganti bij hem moest ko-

men, om hem tot bedaren te brengen. Met den vogel

ging weder een trouw vriend van hem weg; Nja Ganti

liet hem noode achter. Na het bezoek in de tent, werd

het gezantschap rondgeleid in het legerkamp en te

hunner eere voerden zestien cornetten ruiterij een

spiegelgevecht met degen en pistool uit. Daarna had-

den ze de loopgraven bezichtigd en Sri Moehammed

had zelfs bij de batterijen een stuk mogen afvuren op

de belegerde stad. De Prins lag voor Grave, een kleine

maar sterke vesting. Hoe geheel anders was zulk een

gevechtsterrein dan in het verre land over zee, waar zij

vandaan kwamen! Hier was dus alles open en ruim, al

was de vijand ook onzichtbaar in de loopgraven, maar

in het Oostersche land verborg men zich achter dich-

ten plantengroei en doodde elkaar verraderlijk!

De terugtocht was niet minder glorieus geweest dan

de aankomst. De statiecoetse had hen nu, door drie

cornetten cavalerie begeleid, naar Nijmegen gebracht.

Vandaar waren zij naar Buren gegaan, waar het kasteel

van des Prinsen zuster hun weder gastvrijheid aan-

- 205


ood. Eindelijk werd over Cuilenburg en Utrecht,

Amsterdam bereikt.

Deze stad met haar hooge huizen, haar kanalen en

breede wateren had vooral Nja Ganti sterk geboeid,

doch toen het winter was geworden, keerden zij naar

Middelburg terug, omdat het daar beslotener was en

niet zoo koud. Ook wilden zij voor hun vertrek af-

scheid nemen van degenen, die gedurende Abdoel Ha-

mids ziekte zoo goed geweest waren en Nja Ganti toef-

de lang bij het graf van zijn leermeester, zooals hij te

Goa bij dat van zijn Grootmoeder getoefd had, tot ein-

delijk de dag kwam, dat Mir Hassan, Sri Moehammed

en Nja Ganti, begeleid door hun vriend Weerer, naar

Amsterdam afreisden, waar het groote schip lag, dat

hen van hier weg zou voeren.

Het was in het voorjaar van het jaar 1604.

Vier jaren waren verloopen sinds Aloëdin Riajat

Shah's dood en nog had Tjoet Nja Mirah haar zoon de

smadelijke behandeling niet kunnen vergeven, die hij

haar had aangedaan! Niet des doods schuldig had Sri

Aloëdin, de Sultan van Pedir haar bevonden, toen Per-

kasa Alam haar aan hem overgeleverd had, doch ge-

vangenisstraf had hij haar, had hij al haar vrouwen

doen ondergaan! Sri Aloëdin koesterde reeds lang een

haat tegen de vrouw, die zich, na haar nederzetting in

Pedir rechten aanmatigde, die hij nauwelijks gedoogen

kon.

- 206


Nu was de gelegenheid er, haar macht te fnuiken,

haar kuiperijen tegen te gaan en, dit vooral was hem

veel waard, Perkasa Alam aan haar invloed te onttrek-

ken. Te goed kende de Sultan haar ijzeren wil en haar

zucht tot heerschen. Was eenmaal haar zoon op den

troon, dan zou niets haar beletten zich van Pedir en de

Sultanstitel meester te maken, iets dat des te gemakke-

lijker ging, waar Pedir een leenstaat van Atjeh was. Sri

Aloëdin wilde zijn neef, Perkasa Alam te vriend hou-

den en hij deelde daarom, heftiger dan een Sultan an-

ders doen zou in een tijd, welke de eene koningsmoord

na den andere boekstaven kon, de verontwaardiging

met den jongen prins over den moorddadigen aanval

zijner Moeder op haar eigen Vader. Hij schoof de mo-

gelijkheid ver van zich dat, zooals Tjoet Nja Mirah

verzekerd had, Aloëdin Riajat Shah niet haar Vader

was, dat zij geroofd en door hem verborgen was ge-

houden, omdat zij rechten op den troon had. Vrou-

wenpraatjes waren dit! Riajat Shah had hem in deze

meening zeer gesteund. Hij had zich na Perkasa Alams

overwinning op de Portugeezen met den broeder ver-

zoend. Ook hij vreesde Tjoet Nja Mirah's macht en be-

waarde het geheim der geboorte van Tjoet Nja Mirah

voor zich. Perkasa Alam leefde in de veronderstelling,

dat zijn Moeder zijn Grootvader had willen vermoor-

den en dat nog wel in zijn laatste levensuren! Toch

durfden geen der Sultans het doodvonnis over de prin-

ses uitspreken; daar zou ongeluk uit voortkomen.

- 207


In zijn groote woning met vrouwen, kinderen, bij-

vrouwen, slavinnen en dienaren vond Nja Ganti den

Prins terug, toen hij na lange reis weder in zijn land te-

ruggekomen was. Hij en de andere afgezanten waren

met vreugde en groot ceremonieel ontvangen. Nja

Ganti kreeg den post van geheimschrijver bij Perkasa

Alam, met de belofte, tot Orangkaja verheven te wor-

den, wanneer deze eens regeerend vorst zou worden.

Mir Hassan en Nja Ganti gevoelden beiden, dat het

land een goede toekomst tegemoet zou gaan, als Perka-

sa Alam den zieken Riajat Shah eens vervangen had.

Zij hadden beiden veel ondervinding opgedaan, zij

hadden de machtige staten in het andere werelddeel

leeren kennen, krachtige persoonlijkheden ontmoet

als Prins Maurits, Oldenbarneveldt, Leicester en

toch... beiden waardeerden, beiden eerden Perkasa

Alam. Hij was hun Maurits, hun Oldenbarneveldt,

hun Leicester. Voorlopig konden zij echter niets doen

dan zijn ooms, de beide Sultans als hun vorst erkennen

en met Perkasa Alam den nieuwen staat voorbereiden.

Om het prinsenverblijf vormde zich allengs een

nieuwe kolonie, waar de nijverheid bloeide. Goudsme-

den, goudstikkers, houtsnijders, weefsters en potten-

baksters oefenden er hun bedrijf uit en leverden siera-

den en gebruiksvoorwerpen aan het jonge hof, dat tal-

rijk was aan vrouwen, kinderen en dienaren. Meerma-

len werd Nja Ganti belast met vertrouwensposten,

zoowel door Perkasa Alam als door Sultan Sri Aloë-

- 208


din. Te paard toog hij het land in of een prauw bracht

den geheimschrijver naar de kustplaatsen, waar rijke

peperaanplantingen waren en factorijen opgericht

werden door vreemde naties, want niet alleen de Hol-

landers en Zeeuwen, ook Franschen en Engelschen

dreven met Atjeh en Pedir handel.

Op een zijner kusttochten naar het oosten in het

land van Idir, bracht een slaaf hem het bevel te komen

bij de Prinses van Djohor, Moeder van den grooten

Perkasa Alam. Nja Ganti wist, dat Tjoet Nja Mirah

daar in gevangenschap leefde. De reden echter was

hem niet bekend en hij volgde den slaaf, die hem naar

het vervallen huis bracht waar Tjoet Nja Mirah en

haar vrouwen verblijf hielden. Daar was hij weder te-

midden dier vrouwenschaar en, juist zooals vele jaren

geleden, toen hij voor de Prinses liedjes gezongen en

gedanst had, zette hij zich neder en bracht den eerbie-

digen groet, want voor hem was Tjoet Nja Mirah altijd

de hooge vrouw, dochter van Koning Aloëdin Riajat

Shah, zuster van de beide Sultans en boven alles de

Meesteres van de groote Tjoet Limpah, zijn Groot-

moeder. Het was dan ook als zoodanig dat de slimme

vorstin den jongen geheimschrijver bij zich ontboden

had.

'Kleinzoon van Tjoet Limpah, ik wilde u weerzien

en ik wil u in groot vertrouwen nemen. Wanneer ge

mij den dienst bewezen hebt, dien ik u vragen zal,

kunt ge op mijn gunst rekenen. Ik weet, dat ge reeds

- 209


een vriend en vertrouwde zijt van mijn machtigen

zoon, maar een jonge man als gij kan ook nog andere

gunsten verlangen. Kies u een slavin, een vrouw uit

mijn hofkring - laat het beste paard voor u zadelen,

dat in mijn stal is - ik zal u sieraden geven, die uit Djo-

hors schatkist komen - dat alles wil ik u geven als ge

mij de vrijheid brengt.'

'Hoe zal ik, nederige dienaar, dit kunnen?' vroeg Nja

Ganti.

'Gij zult het kunnen, als ge alles weet,' zeide Tjoet

Nja Mirah. 'Gij, die de schrijfkunst verstaat en vele ta-

len, gij moet mij aanhooren en terwijl ik spreek mijn

verhaal opschrijven.'

De slavinnen brachten spijs en dranken en boden die

Nja Ganti aan - een bracht een papierrol en een veder

en terwijl Nja Ganti schreef, wat Tjoet Nja Mirah's

mond sprak, waaide een hem koelte toe.

Toen het geschrift gereed was, herhaalde de Prinses

haar belofte. Als zij de vrijheid terugkreeg, zou hij dat

alles krijgen, wat hij wenschte, een mooie slavin, een

fraai paard, het schoonste sieraad uit Djohors schat-

kist. Doch Nja Ganti zeide:

'Mijn Grootmoeder, Tjoet Limpah en mijn leer-

meester Abdoel Hamid, hooge vrouw, leerden mij, de

belooning reeds in de daad zelf te zoeken en niet in den

dank van anderen. Ik zal gelukkig zijn, als ik Uw bevrij-

ding kan bewerkstelligen en ik ben het nu reeds door

den kleine dienst, dien ik voor U verrichten mocht.'

- 2IO


Daarop nam hij afscheid en voer zijn prauw naar

huis. Den volgende morgen bood hij Perkasa Alam,

Tjoet Nja Mirah's verweerschrift aan. Het was de ont-

sluiering van het geheim harer geboorte en de bevesti-

ging dat hij, Perkasa Alam rechten op den troon van

Atjeh en Pedir had - meer dan zijn ooms.

De Prins las het stuk aandachtig - toen liet hij het

zich nog eens door Nja Ganti voorlezen - eindelijk

zeide hij:

'Ik geloof het - mijn Moeder spreekt de waarheid.

In Djohor is mij reeds een bericht ter oore gekomen,

dat niet Aloëdin Riajat Shah, doch Koning Mansjoer

Shah mijn Grootvader zoude zijn - maar Aloëdin is

mijn beschermer geweest - hij was mijn leermeester -

ik heb hem als mijn Grootvader liefgehad en mijn

moeder heeft nooit anders dan bescherming en liefde

van hem ontvangen. Nooit had zij de hand naar hem

op mogen heffen. Zij is schuldig en boosaardig.'

Nja Ganti, voor zijn vorst gezeten, vroeg:'

'Zal ik dit alles weder zeggen aan de Prinses van Djo-

hor?' en toen Perkasa Alam niet antwoordde, waagde

hij het hier aan toe te voegen: 'Uw Moeder heeft de

hand naar hem opgeheven om U, haar zoon, zeide zij.

Zij sprak van misleiding en vernedering, door Koning

Aloëdin haar aangedaan - zij heeft de schuld op zich

genomen, de Orangkaja te laten ombrengen bij de

troonsbestijging van Koning Aloëdin Riajat Shah. Zij

heeft dit alles terwille van haar zoon gedaan, opdat hij

- 211


op den troon zou komen, dit zeide zij mij - vergeving,

Heer.'

'Ik wil niet op den troon komen door list, moord en

bedrog, Nja Ganti - zij heeft alles voor niets gedaan.

Zij heeft haar geweten bezoedeld door de slechte da-

den. Ik wil door het volk zelf op den troon worden ge-

plaatst - of ik een Koningskind ben of de afstamme-

ling van een eenvoudig visscher. Zeg dat aan mijn

Moeder!'

'Moet ik dit met dezelfde woorden zeggen, Heer?'

'Met dezelfde woorden, Nja Ganti, en spoedig...'

Maar ruiters brachten eenige dagen daarna een be-

richt uit Atjeh.

Koning Riajat Shah - de rechtvaardige der recht-

vaardigsten was gestorven.

Een groote lijkdienst moest gehouden worden. De

Dalam was in rouw gedompeld - doch de Dalam

wachtte een nieuwen vorst - en ieder wist het: die

vorst zou Perkasa Alam zijn - Iskander Moeda, die de

Portugeezen verjaagd had!

Men bereidde zich voor in Pedir. Galeien werden

uitgerust, die over zee naar Atjeh zouden gaan en door

de rivier de stad konden bereiken, nu het water hoog

was.

Sri Aloëdin gaf zijn bevelen voor een groote kandoe-

ri - de grootste die er nog in deze landen gehouden

was. Hij liet zijn olifanten en paarden optuigen, zoo-

wel voor den lijkdienst van zijn broeder als voor de in-

- 212


wijdingsfeesten van zijn neef. Perkasa Alam liet Nja

Ganti bij zich ontbieden.

'Hebt ge mijn Moeder de boodschap reeds gebracht,

Nja Ganti?'

'Uw dienaar keert zoo juist weder, Heer. De Prinses

heeft Uw woorden vernomen.'

'Keer terug, Nja Ganti, neem het vlugste paard, dat

er is. Zeg haar, dat zij in vrijheid is, dat zij en haar

vrouwen mij in den Dalam wachten van Atjeh...'

En Nja Ganti ging. Zijn paard had het schuim op

den mond, toen hij afsteeg voor het huis van Tjoet Nja

Mirah. Hij bracht zijn boodschap. Tjoet Nja Mirah

hoorde hem aan. Rondom zaten de vrouwen. Geen

vreugdevol woord kwam van haar lippen - de vrou-

wen verroerden zich niet.

'Het is ons reeds bekend, Toeangkoe,' sprak einde-

lijk de Prinses. 'Zeg aan mijn zoon Perkasa Alam,

voortaan Koning Iskander Moeda, dat ik zijn groot-

heid niet wil deelen, omdat ik volgens zijn woorden

een onwaardige ben. Ik dank hem voor de vrijheid en

zal die gebruiken naar mijn believen.'

Nja Ganti boog het hoofd. Hij dacht na, doch Tjoet

Nja Mirah, meenend dat hij wachtte op een belooning

zeide:

'Gij hebt verdiend, Nja Ganti, wat ik u toezeide.

Kies dus uit mijn slavinnen, mijn paarden, mijn siera-

den.'

Maar Nja Ganti zag haar aan. Er fonkelde iets in zijn

- 213


oog, dat Tjoet Nja Mirah nog niet kende - maar dat

haar deed denken aan haar eerste dienares, Tjoet Lim-

pah.

'Nja Ganti wil niets, hooge vrouw,' zeide de geheim-

schrijver. 'Hij vraagt vergeving en verlof om heen te

gaan.'

Tjoet Nja Mirah liet hem gaan. De vrouwen zagen

hem na, toen hij op het vlugge paard wegreed. Waar-

om had hij niets genomen van alles wat hem toe-

kwam?

In den laten avond, een maanloozen nacht, voer een

groote galei met vijftig roeiers de zee tegemoet. Daarin

zaten de Prinses van Djohor en hare vrouwen. Waar-

heen gingen zij? Men wist het niet. - Men fluisterde

Priaman, Malakka, Djohor - misschien wel Ceylon -

Goa! Men wist niets zeker, het was goed er niet over te

spreken! De zee was vol gevaren. Arabieren konden

een schip vol vrouwen overvallen en de zeegeest kon

wraak nemen, de zeegeest kon dien vermoorde Orang-

kaja oproepen - de maanlooze nacht beschutte hen,

de galei voer langzaam weg, de roeislagen verwijder-

den zich - er was niets meer te zien van het schip, dat

de vrouwen bracht naar een ver, ongeweten land.

De dag der troonsbestijging was daar.

Trommen en fluiten verkondden feest aan het volk.

Veertig olifanten stonden op het voorplein in den Da-

lam; veertig slaven hielden hen aan gulden kettingen,

- 214


iedere olifant droeg een tent. Gouden, purperen en zil-

veren tenten waren het, ook blinkende schilden en

schitterende wapens droegen zij. Pomerah alleen had

een rood fluwelen kleed als dek; gouden kralen vielen

van haar kop en roode veeren wuifden er boven. Sla-

ven hielden purperen pajongs boven haar. Honderd

slaven in witte kleeren wiegden met veeren waaiers.

Vijfhonderd gewapende vrouwen in zwarte broeken

en zwarte baadjes hielden de wacht op het plein. En op

de trappen van den Dalam stonden de negen en dertig

Orangkaja, waaronder Mir Hassan, Sri Moehammed

en Nja Ganti waren.

Toen kwam Perkasa Alam. Tot dicht bij den Dalam

had de galei uit Pedir hem gebracht; zijn vrouwen, zijn

slavinnen, zijn slaven volgden. Dicht drongen de men-

schen op; een groote krijgsmacht stond voor de Da-

lampoort, deze zou volgen als de olifanten buiten kwa-

men.

Perkasa Alams vrouwen bestegen de trappen van

het vorstenverblijf. De vorst zelf, in zwarte zijde,

slechts versierd met den gouden gordel, waarin de ro-

bijn fonkelde, de steen die den dag rood kleurt, en de

hooge kopiah waarin de diamant schitterde, naderde

Pomerah.

Pomerah boog de knieën, hief driemaal de slurf, alle

olifanten achter haar deden desgelijks. Perkasa Alam

steeg op. Pomerah's rug rees nu langzaam en met den

Prins, straks Koning, onder den gouden tent naderde

- 215


het dier de Dalampoort. Toen stegen ook de rijksgroo-

ten op en de olifanen volgden hun gebieder. Pomerah

kende den weg, ook zonder den slaaf die naast haar

moest gaan. Het kanon liet zijn vreugdeschot daveren

van het bastion en terwijl Perkasa Alam naar buiten

werd gedragen, weerklonken helderer en sterker de

fluiten en trommen. De paarden der krijgslieden stei-

gerden, maar zij moesten wachten tot alle olifanten uit

de poorten kwamen. Toen sloten zij zich bij den stoet

aan. Dan volgden de slavinnen, dan de gewapende

vrouwen. Het volk zag toe: goudsmeden, kleerma-

kers, timmerlieden, duizenden arbeiders, reeds door

den vorst aangesteld, en duizenden vrouwen. De zon

wierp verblindende stralen door het groen over deze

ontelbare hoofden. Weder stonden daar de vaders, het

wapen in de rechterhand, den zoon aan de linker. We-

der juichte het volk: 'Daulat, daulat!' en weder kniel-

den bij de moskee gekomen, de hooge olifanten neder

om hun berijders te laten afstijgen.

De roode lamp brandde in de moskee, wachtend de

heilige gelofte van den vorst die gekroond zou worden

en weder beidde het volk buiten de terugkomst.

De zon was hooger gestegen, wierp haar zengenden

gloed neer door het zacht beschermende loover, toen

Perkasa Alam, nu Iskander Moeda, zijn olifant weder

besteeg en dadelijk, nog voor des Konings rijksgrooten

en volgelingen buiten waren, barstte het volk reeds

uit: 'Daulat, daulat!' want daar naderde hij, dien het

- 216


zelf als Koning gekozen had, op wien het jaren lang ge-

wacht had. Wist het dan, dat er nu een groote tijd zou

komen, een tijd van roem, welvaart en vreugde? Wist

het, dat Atjeh één zou worden met Djohor en Oeran,

dat een armada van drie honderd schepen eens uit zou

zeilen en overal den roem zou verspreiden van het

machtige Atjeh? Het volk juichte, de schoten dreun-

den, de olifanten schreden als groote, grijze reuzen

door de menigte en Nja Ganti, hoog gezeten onder

zijn rood fluwelen tent, zag ontroerd neer op die dui-

zenden hoofden. Kleine jongens, op Vaders schouder

gezeten, wuifden hem toe. Zoo had hij ook eens opge-

zien naar al die pracht, zoo had hij ook eens 'Daulat!'

geroepen. En nu zag hij van zijn hooge zitplaats op dit

alles neer! Op vaders, die met hun zoons pronkten, op

moeders die de kinderen in slaap wiegden, op groot-

moeders die hen mijn 'zoet diamantje' noemden.

De schoten dreunden, zij dreunden tot aan zee en de

zee lispelde aan het strand. Fluisterde zij van de glorie

die verdween en wederkwam en weder verdween?

Fluisterde zij van eb en vloed, die komt en gaat?

De schoten dreunden en de groene kust van Atjeh

verstond dien klank. Ook de eenzame vrouw, die

recht en trotsch, bij haar galeien de wacht hield. Hajati

wist, dat haar rijk uit was en haar voet niet meer betre-

den zou den weg naar de poorten van den Dalam, want

dit jonge geslacht wilde haar niet. De sterke veste der

stad, verborgen onder het hoog geboomte, had haar

niet meer noodig.

- 2I 7


De stad vierde feest, want een jonge Koning bracht

een nieuwe toekomst en een nieuwe glorie had haar

aanvang genomen.

- 218


Colofon

De Indische roman Oude glorie van Marie van Zegge-

len, Indische Letteren-reeks nr. 10, werd in opdracht

van uitgeverij Conserve gezet in de Garamond corps

n/15 punts en gedrukt door drukkerij Groenevelt bv

te Landgraaf en gebrocheerd door binderij Van Strien

te Dordrecht.

De roman verscheen eerder in 1935 bij de Nederland-

sche Keurboekerij te Amsterdam.

Het getekende portret van de auteur is afkomstig uit

het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag;

de prent op het omslag uit het Tropenmuseum in Am-

sterdam.

Vormgeving en typografie: Carla Goossens en Mare

van Meurs.

2e druk mei 1989: 1.750 exemplaren.

UITGEVERIJ CONSERVE,

Vuurdoornweg 37, 1871 TR Schoorl

Postbus 74,1870 AB Schoorl

(Tel. 02209-3693)


Marie vqn Zeggelen:

Oude glorie. Ingeleid en toegelicht

door RobNieawenhuys.

Marie van Zeggelen (1870-1957)

was al over de zestig toen ze haar ro-

%v man OUt>E,GLDR"Jij|J935) begon

te schrijven. Het verhaal speelt zich

af in de glorietijd vân^het zelfstandige Atjehs.e rijk in

de zestiende en zeventiende eeuw, in een wereld van

vorstehen vazallen, van Volk.en adel, van hoffeesten en

intriges en van het binnendringen van de Portugezen,

Engelsen, Hollanders en Zeeuwen.

Evenals bij verschillende andere van haar toeken

is d* uitbeelding of liever nog de ver-bedding van de

Oosterse wereld primair en zijn de Europeanen de

vreemdelingen die in het verhaal weliswaar etn rol spe-

len, maar die toch als de binnendringers gezien wor-

den. Het verhaal eindigt met eejn nederlaag van de Por-

tugese armada waardoor de;>cg voor de Nederlanders

vrijkomt. Voor Atjeh wordt een periode afgesloten en

begint een nieuwe.

Marie van Zeggelen had Atjeh en de Atjehers le-

ren kennen toen zij en haar man in Kota Radja, de

hoofdstad van Atjeh, woö*nden op een tijdstip dat de

onderwerping van Atjeh nog vers in het geheugen lag.

We ontkomen niet aan de indruk dat zij over een glorf-,

euze periode van de Atjehse geschiedenis schreef al.s

een late hulde aan-dé 'onderworpenen'. '

«

More magazines by this user
Similar magazines