30.07.2013 Views

Untitled - Acehbooks.org

Untitled - Acehbooks.org

Untitled - Acehbooks.org

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

VIJFDE liüülDGHUür.<br />

DE MOLDKSCHE EILANDEN EN NIEUW GUINEA<br />

MET DE PAPOEWA H-EILANDEN.<br />

ALGEMEEN OVERZIGT VAN DE MOLUKSCHE EN VERDERE<br />

BOVEN GENOEMDE EILANDEN.<br />

i<br />

natuurlijke gesteldheid.<br />

Ligging, grenzen.<br />

De Moluksclie of Specerij-eilanden zijn eigenlijk alleen de<br />

Ternataansclie eilanden; men verstaat echter tegenwoordig onder<br />

de benaming van Moluksclie eilanden of Archipel der Molukken,<br />

ook wel de Groote Oost genoemd, al de eilanden gelegen tusschen<br />

Célébes ten Westen, de Papoewah-eilanden en Nieuw Ouinea ten<br />

Oosten, Timor ten Zuiden, en den Grooten Oceaan ten Noorden.<br />

Zij liggen dus tusschen 2° 43' N.B. (de Noordelijkste punt van<br />

Morotaï of Moro) tot 8° 23' Z.B. (de Zuidelijkste punt van Timor<br />

Laut), en 124° 22' (de Westelijkste punt van Taliaboe) tot<br />

134° 55' (Jamboeai, het Oostelijkste der Aroe-eilanden) O.L.<br />

De Papoewah-eilanden en onze bezittingen op Nieuw Guinea<br />

strekken zich uit van 129° 20' (het eiland Gebeh) tot 141° O.L.,<br />

en liggen tusschen 1° N.B. (de Passi- en de S l<br />

. Davids-eilanden)<br />

en 8° 45' Z.B.<br />

Eestanddeelen, grootte.<br />

"Volgens de bovenstaande bepaling behooren dus tot de Moluksclie<br />

eilanden de volgende: de Ternataansche of eigenlijk-~Moluksche<br />

eilanden, van welke Halmaheira of Djilolo het grootste is;


314<br />

Zuid- en Zuid-Westwaarts van daar de Batjan-, OM- en Soelagroepen;<br />

de Ambonsche eilanden, van welke Ceram en Boeroe<br />

de grootsten zijn, Zuidwaarts van Halmaheira; ten Zuiden van<br />

Ceram de Banda-eilanden, van welke Zon lor of Lontkoir of Grool-<br />

Banda het voornaamste is; de Zuid-Ooster- en Zuid-Westereilanden,<br />

benevens de Aroe-, Kei- en Tenimber-groepen, allen<br />

Zuid-Oost-en Zuidwaarts van Ceram. Van de Papoewah-eilanden<br />

zijn de voornaamsten Waigeoe, Salwaiti en Misool, tusschen<br />

Halmaheira en Nieuw Guinea gelegen.<br />

Van deze eilanden hebben, behalve Nieuw Guinea, alleen<br />

Halmaheira, Ceram en Boeroe eene eenigzins belangrijke uitgestrektheid;<br />

alle overigen kunnen tot de kleine eilanden gerekend<br />

worden. Van velen is de grootte niet naauwkeurig maar slechts<br />

bij benadering bekend. Volgens MELVILL(') hebben<br />

de Ternataansche eilanden eene grootte van 360. iO mijlen.<br />

de Batjan-, OM- en Soela-groepen » » 157.6 »<br />

de Ambonsche eilanden 1<br />

?) » » 543.6 »<br />

de Banda-eilanden » » 0.9 »<br />

de Zuid-Ooster- en Zuid-Wester-eilanden » » 105.4 »<br />

de Aroe-, Kei- en Tenimber-groepen » » 250.0 »<br />

de Papoewah-eilanden<br />

de Nederlandsehe bezittingen op<br />

» » 160.0 »<br />

Nieuw Guinea » » 3210.0 »<br />

Dus de Moluksclie en Papoewah-eilanden en<br />

onze bezittingen op Nieuw Guinea te zamen 4787.9• mijlen.<br />

Natuurlijke gesteldheid.<br />

De Moluksclie eilanden zijn allen bezet met bergen, welke<br />

grootendeels van vulkanischen aard zijn en waaronder zich verscheidene<br />

nog werkende vulkanen bevinden. Het niet-vulkanisch<br />

gedeelte der bergen is van verschillende formatie, gelijk bij de<br />

behandeling der afzonderlijke eilanden, voor zooveel noodig, zal<br />

worden aangewezen. Bijzonder hooge toppen worden slechts op<br />

(') Moniteur des Indes, 1847, en de Statistieke Kaart in hel Tijdsehr.<br />

voor Neérl. Indië, 1849, U l<br />

. II. Deze opgaven verschillen echter in<br />

onderscheidene opziglen van die van denzelfden Schrijver in den Munilcur<br />

van 1816 en het Tgdschr. v. N. J. 1845, Dl. II.<br />

( 2<br />

) Vergelijk BLEEKER, Reis door de Minahassa enz. D 1<br />

. II, bi. 5.


315<br />

enkele eilanden gevonden; daartoe behooren vooral: de G. Tomahoe<br />

of Piek van Boeroe, op bet eiland van laatstgemelden naam<br />

(+ 10Ü00 v'0 ; de G. Noesa Heli op Ceram (± 8500 v*.); de Piek<br />

van Ternate en die van Tidore, op de eilanden van deze namen<br />

(beiden ruim 5000 v'.). Het hoogste in den geheelen Indischen<br />

Archipel is het Sneeuwgebergte in de Westelijke helft van Nieuw<br />

Guinea, dat eene hoogte van 16000 v*. bereikt.<br />

Daar de meeste eilanden zeer klein zijn, en de grootere over<br />

het algemeen eene smalle langwerpige gedaante hebben of uit<br />

zoodanige schier-eilanden zijn zamengesteld en volgens hunne<br />

lengte-as door de bergketenen worden doorsneden, worden er<br />

nergens in de Molukken belangrijke rivieren aangetroffen en zijn<br />

er slechts enkele over een klein gedeelte van haren beneden-loop<br />

voor booten of kleine inlandsche praauwen bevaarbaar; de meesten<br />

droogen in den goeden moeson geheel uit of blijven niets<br />

dan gemakkelijk doorwaadbare beken, en zijn dus noch voor den<br />

landbouw noeb voor den handel belangrijk. Op Nieuw Guinea<br />

schijnen groote rivieren te zijn.; maar onze gebrekkige kennis<br />

van dit eiland bepaalt zich alleen tot de kuststreken.<br />

De mate van vruchtbaarheid van den grond is op de onderscheidene<br />

eilanden verschillend, en Boeroe schijnt in dit opzigt<br />

tot de meest begunstigde te behooren; maar in het algemeen<br />

is zij minder dan die van de Westelijker gelegene landen. De<br />

rijstbouw is dan ook van weinig belang, en, voor zooverre dat<br />

product niet wordt aangevoerd, maakt de sago het hoofdvoedsel<br />

der bevolking uit. Evenwel is de grond bij uitstek geschikt voor<br />

de teelt van specerijen, vooral muskaatnoten en kruidnagelen,<br />

die hier haar vaderland hebben en het hoofdvoortbrengsel dezer<br />

gewesten zijn. Overigens zijn de meeste eilanden met meer of<br />

minder zware bosschen bedekt, die vele goede houtsoorten opleveren.<br />

In het Zuidelijke gedeelte van den Molukschen Archipel heerscht<br />

van Mei tot October de Oostmoeson, die hier de regentijd is<br />

en dikwijls met stormen gepaard gaat, terwijl daarentegen de<br />

Westmoeson in het overige gedeelte des jaars zelden regen<br />

aanbrengt. Op de Noordelijkste eilanden, welke nagenoeg onder<br />

den Evenaar liggen, is de afwisseling der saizoenen meer onregelmatig.


316<br />

§ 2. Staatkundige verdeeling, bestuur en regtswezen,<br />

en militaire raagt.<br />

Verdeeling en bestuur.<br />

De in deze Hoofdgroep te behandelen gewesten vormen met<br />

de Residentie Menado (bl. 206) en de landen en eilanden om en<br />

in de Golf van Tolo gelegen (bl. 232) te zamen het Gouvernement<br />

der Moluksclie eilanden, bestuurd door eenen Gouverneur, die de<br />

bevelen van den Gouverneur Generaal ontvangt en op Amboina<br />

gevestigd is. Hij heeft ter zijner beschikking een ambtenaar met<br />

den raüg van Adsistent Resident, vooral tot het doen van<br />

inspectie-reizen in afgelegene gedeelten van het Gouvernement;<br />

en wordt voorts bijgestaan door eenen Secretaris van het Gouvernement,<br />

die tevens Algemeen Ontvanger is, en mindere<br />

ambtenaren.<br />

Behalve de twee boven vermelde gewesten op Cele'bes wordt<br />

het Gouvernement der Moluksclie eilanden verdeeld in:<br />

A. De Residentie Amboina, staande onder het onmiddellijk<br />

bestuur van den Gouverneur en gesplitst in de Afdeelingen :<br />

a. Amboina, bevattende de hoofdplaats en het Zuidelijke<br />

schier-eiland en de Zuidkust van het Noordelijke schiereiland<br />

van Amboina; onder eenen Adsistent Resident,<br />

tevens Magistraat.<br />

b. Hila en Larike, bevattende de Noordkust van het<br />

Noordelijke schier-eiland van Amboina, de eilanden<br />

Manipa, Ke'lang, Bonoa en het Westelijke gedeelte van<br />

Ceram; onder eenen Adsistent Resident, tevens fungerend<br />

als Notaris, Vendumeester en Ambtenaar van den burgerlijken<br />

stand.<br />

c. Saparoewa en Haroekoe, bevattende de eilanden van die<br />

namen en Noesa laut benevens het grootste gedeelte van<br />

de Zuidkust van Ceram ; onder eenen Adsistent Resident,<br />

tevens fungerend als Notaris, Vendumeester en Ambtenaar<br />

van den burgerlijken stand.<br />

d. Boeroe, bevattende het eiland van dien naam en<br />

Amblaauw; onder eenen Opziener, tevens Ambtenaar<br />

van den burgerlijken stand en Vendumeester.


317<br />

e. Wahaai, bevattende de Noordkust van het eiland Ceram;<br />

onder eenen Civilen en Militairen Gezaghebber, tevens<br />

Ambtenaar van den burgerlijken stand, welke betrekking<br />

door eenen Officier wordt waargenomen.<br />

B. De Residentie Banda; onder het bestuur van eenen<br />

Resident, die tevens Algemeen Ontvanger en Inspecteur der<br />

speeerij-perken is en bijgestaan wordt door eenen Secretaris,<br />

die ook de i'unetiën van Magistraat, Notaris, Ambtenaar<br />

van den burgerlijken stand, Vendumeester, Havenmeester<br />

en Collecteur van het klein-zegel waarneemt. Voorts zijn er<br />

Opzieners voor de eilanden Ai, Run, Lontor of Groot-Banda<br />

en Rosengain, die hoofdzakelijk met het toezigt op de specerijen<br />

hout-eultuur belast zijn en ook, waar zulks te pas komt,<br />

de functiën van Magistraat waarnemen.<br />

Op de overige tot deze Residentie behoorende eilanden zijn<br />

geene Nedcrlandsche ambtenaren gevestigd; doch zij worden<br />

tegenwoordig geregeld door eenen Rondreizenden Ambtenaar<br />

bezocht, tot vereffening van gerezene geschillen, aanstelling van<br />

Inlandsehe Hoofden, enz.<br />

O. De Residentie Ternate.<br />

De tot deze Residentie behoorende eilanden-groepen staan<br />

onder het bestuur van Inlandsehe Vorsten, die hun gebied in<br />

leen hebben van het Nederlandsch Gouvernement. Deze Vorsten<br />

zijn: de Sultan van Ternate, aan wien behalve het eiland van<br />

dezen naam ook een groot deel van Halmaheira met Morotaï<br />

en vele omliggende eilandjes, benevens Motir, Makjan en de<br />

Soela-eilanden behooren ('I; de Sultan van Tidore, wiens gebied<br />

zich uitstrekt over Tidore, Mareh, een deel van Halmaheira, de<br />

Papoewah-eilanden en de Westelijke helft van Nieuw Guinea P);<br />

en de Sultan van Batjan, die de Batjan-groep beheerscht en aan<br />

O Dat ook de Bangaai-eilanden, de landen om de Tolo-golf en eenige<br />

eilanden in het Zuiden van die Golf gelegen aan den Sultan van Ternate<br />

onderhoorig zijn, is reeds vermeld op blz. 177 en bij de behandeling dier<br />

gewesten.<br />

t 5<br />

) Hoewel volgens het Gouvernements-besluit van 50 Julij 1848 Nieuw<br />

Guinea, als eene onderhoorigheid van Tidore, tot de Residentie Ternate<br />

behoort, zijn later de landen op de Zuidkust met de eilanden daar langs gelegen<br />

administratief gebragt onder de Residentie Banda en geplaatst onder<br />

toezigt van een Reizenden Adsistent Resident toegevoegd aan den Gouverneur<br />

der Molukken (bl. 51ti).


318<br />

wien vroeger ook de Obi-groep behoorde j deze laatste eilanden<br />

zijn echter in 1683 door den toenmaligen Sultan aan de O. I.<br />

Compagnie verkocht.<br />

Op het eiland Ternate is een Resident gevestigd, die de Vorsten<br />

leidt en bewaakt en voor de belangen van het Gouvernement<br />

z<strong>org</strong>t; hij wordt bijgestaan door eenen Secretaris, die tevens de<br />

funetiën van Algemeen Ontvanger, Magistraat en Notaris waarneemt,<br />

en door eenige mindere ambtenaren. Voorts zijn alleen<br />

op de eilanden Halmaheira en Batjan Civile en Militaire Posthouders<br />

gevestigd.<br />

Eegtswezen.<br />

Voor de zaken van Europeanen en daarmede gelijk gestelden<br />

heeft men in de Residentiën Amboina, Banda en Ternate ter<br />

hoofdplaats Raden van Juditie. Op Amboina zijn de President,<br />

de Officier van Justitie en de Griffier regtsgeleerden; in de beide<br />

andere Residentiën wordt de functie van President bekleed dooiden<br />

Resident, die van Officier van Justitie door den Secretaris<br />

der Residentie, en die van Griffier door eenen Commies van het<br />

Residentie-bureau. De overige leden zijn Nederlandsche ambtenaren<br />

of burgers. Hunne regtsbevoegdheid is omschreven in<br />

Dl. I, bl. 120.<br />

Voor belangrijke zaken van Inlanders heeft men op Amboina<br />

den Grooten landraad, zamengesteld uit den Gouverneur als<br />

Voorzitter, een Nederlandschen regtsgeleerde als Secretaris, den<br />

Hoofd-djaksa en eenige Inlandsehe leden.<br />

In de Residentie Amboina zijn verder gewone Landraden voor<br />

de Inlandsehe bevolking in de Afdeelingen Amboina, Hila en<br />

Larike, Saparoewa en Haroekoe, en Boeroe; zij worden gepresideerd<br />

door deü hoogst aanwezenden Nederlandschen burgerlijken<br />

ambtenaar.<br />

In de Residentiën Banda en Ternate zijn ter hoofdplaats<br />

Magistraats-geregten, van welke de Secretaris der Residentie<br />

Voorzitter is.— Voorts worden in de Residentie Ternate eivile<br />

zaken tusschen Gouvernements-onderdanen en onderdanen van<br />

den Sultan van Ternate, Tidore of Batjan behandeld voor eene<br />

regtbank te Ternate, zamengesteld uit den Resident als Voorzitter,<br />

een Gouvernements-schrijver als Griffier, en een Djoegoegoe (Rijksbestuurder),<br />

AMi'(Regter) en Imam (Priester) van het betrokken rijk.


319<br />

Militaire magt.<br />

De militaire magt bestaat uit het Garnizoens-bataillon der<br />

Moluksclie eilanden en de ll e<br />

kompagnie Artillerie (zie D 1<br />

. I,<br />

bl. 130). Zij staat onder het bevel van een Luitenant-Kolonel,<br />

Militairen Kommandant der Molukken, en is thans gestationneerd;<br />

In de Residentie Amboina :<br />

Op Amboina, te Amboina en Hila; op Ceram, te Wahaai en<br />

Kamarian (tijdelijk); op Boeroe, in het fort Defensie; op Saparoewa,<br />

in het fort Buurstede. In 1856 bestond deze magt volgens de<br />

formatie uit 19 Officieren en 540 Onderofficieren en Soldaten<br />

der Infanterie; 3 Officieren en 52 Onderofficieren en Soldaten der<br />

Artillerie; 1 Officier der Genie; 7 Officieren van Gezondheid,<br />

en 1 Officier van Administratie.<br />

In de Residentie Banda :<br />

Op Banda Neira, in de forten Belgica en Nassau; op Lontor of<br />

Groot Banda, in het fort Concordia; op Poeloe Ai, in het fort<br />

Revenge; en op het eiland Rosengain. Zij bestond volgens de<br />

formatie in 1856 uit 6 Officieren der Infanterie, 1 Officier der<br />

Artillerie, 2 Officieren van Gezondheid, 1 Officier van Administratie,<br />

en 300 Onderofficieren en Manschappen der Infanterie<br />

en 30 der Artillerie.<br />

In de Residentie Ternate:<br />

Op Ternate, in de forten Oranje en Terlokko; op Halmaheira,<br />

te Bodinga ; en op Batjan, in het fort Barneveld. Volgens dezelfde<br />

formatie bestond zij uit 3 Officieren der Infanterie, 1 Officier xler<br />

Artillerie, 1 Officier van Gezondheid, 1 Officier van Administratie,<br />

en 173 Onderofficieren en Manschappen.<br />

Buitendien heeft men schutterijen:<br />

In de Residentie Amboina, op Amboina, Haroekoe, Saparoewa,<br />

Boeroe, Manipa en Ceram, gezamenlijk omstreeks 2000 man<br />

sterk;<br />

In de Residentie Banda, op Banda Neira, Groot Banda en<br />

Poeloe Ai, te zamen 480 man sterk;<br />

In de Residentie Ternate, te Ternate, 250 man sterk.<br />

De schutterijen bestaan meerendeels uit Christen-Inlanders,<br />

en te Ternate uit de Christenen, Mangkasaren en Javanen<br />

ter hoofdplaats, welke onder het onmiddellijk bestuur van het


320<br />

Gouvernement staan. Zij zijn deels met geweren deels met<br />

pieken gewapend. In gewone tijden bestaau de diensten in het<br />

betrekken van eenige wachten, het verleenen van hulp aan de<br />

politie, het transporteren van gevangenen, enz.; in oorlogstijd<br />

kunnen zij mobiel verklaard worden en hebben meermalen goede<br />

diensten bewezen.<br />

53. Voortbrengselen, handel en scheepvaart, bronnen<br />

van inkomsten voor het Gouvernement.<br />

Plantenrijk.<br />

Van de natuurlijke voortbrengselen van het plantenrijk vermelden<br />

wij als de belangrijkste alleen de houtsoorten, die op de<br />

meeste eilanden in overvloed voorkomen en deels voor meubelhout<br />

deels voor den scheepsbouw, deels voor gewoon timmerwerk,<br />

deels' ook voor brandhout en verfstof geschikt zijn. Eene uitvoerige<br />

opgave met aanwijzing van het gebruik der verschillende<br />

soorten komt voor in het Indisch Archief, D». III, bl. 183 en volgg.<br />

Wij noemen hier als voorbeelden slechts: het ebbenhout, ijzerhout,<br />

Hjati-hovA (op Boeroe en Rosengain), lingua-hoat, wortelhout,<br />

Kajoe mejrah, Kajoe samar, Kajoe nanni, Kajoe bintangor, Kajoe<br />

kamocni, Kajoe nangka, Kajoe kanari, Kajoe poetih (waaruit de<br />

Kajoe-poetih-olie getrokken wordt, vooral op Amboina), enz.<br />

Van de cultuur-gewassen komen vooral in aanmerking:<br />

muskaatnoten- en kruidnagel-boomen, kokos- en sago-palmen,<br />

djagoeng, weinig rijst, koffij, kakao, tabak en katoen. Ook op<br />

de aanplanting van djaü-boomea wordt door het Gouvernement<br />

geregeld toezigt gehouden. Omtrent de hoeveelheid der producten<br />

wordt over het jaar 1860 het volgende medegedeeld:<br />

In de Residentie Amboina.- kruidnagelen, 258117 pond;<br />

muskaatnoten, 396 pikols; foelie, 277^01; tabak, 30000 pond;<br />

omtrent de kakao-, katoen-, sago-, kokos- en #ró-cultuur<br />

wordt alleen het aantal boomen vermeld.<br />

In de Residentie Banda: muskaatnoten, 1072765 pond; foelie,<br />

275586 pond; djati- en kokosnoten-teelt, als boven. Rijst en<br />

sa°-o worden ingevoerd vooral van Ceram.<br />

In de Residentie Ternate: rijst, 27000 pikols. Van koffij,<br />

katoen, sago, muskaatnoten en kruidnagelen wordt alleen het<br />

aantal boomen opgegeven.


321<br />

Dierenrijk.<br />

Van de wilde dieren van den Indischen Archipel komen de<br />

groote soorten in de Molukken niet voor. Men vindt er zwijnen,<br />

herten, geiten, civetkatten, egels, weinig apen, slangen, schildpadden,<br />

en aan de mondingen der rivieren krokodillen. Rundvee,<br />

paarden en schapen zijn er niet inheemsch maar van elders<br />

aangebragt. De Moluksche zeeën zijn bij uitstek rijk aan vischsoorten;<br />

ook walvisschen houden er zich in vrij groot aantal op.<br />

In de nabijheid der Aroe-eilanden bevinden zich uitgestrekte<br />

parelbanken.<br />

Delfstoffenrijk.<br />

Op vele eilanden, inzonderheid op Amboina, Ceram, Saparoewa<br />

en Haroekoe, worden een aantal warme en koude minerale<br />

bronnen gevonden O, wier bestanddeelen en kracht echter nog<br />

niet voldoende onderzocht zijn. Overigens zijn de Molukken,<br />

voor zooverre bekend is, arm aan delfstoffen. Op de Zuidkust<br />

van Ceram zijn op verschillende plaatsen meer of minder rijke<br />

tingronden, steenkolenlagen en aard-oliebronnen ontdekt; het<br />

eiland Batjan bevat steenkolenmijnen, welke zeer goede kolen<br />

opleveren (' 2<br />

Ï. Voorts wordt op enkele plaatsen ijzerhoudende<br />

grond, stofgoud en aluin gevonden, doch van weinig belang.<br />

Sommige Ambonsehe eilanden leveren kalksteen en krijt op.<br />

Handel en scheepvaart, finantiëele uitkomsten.<br />

De handel wordt hoofdzakelijk gedreven op de hoofdplaatsen<br />

Amboina, Banda en Ternate, welke sedert 1854 vrijhavens zijn.<br />

De voornaamste artikelen van uitvoer zijn: de specerijen, die<br />

tot uit 0<br />

. December 1863 tegen een bepaalden prijs aan het<br />

Gouvernement moesten worden geleverd (zie bl. 322), sago,<br />

velerlei houtsoorten, kajoepoetih-olie, schildpad, tripang, vogelnestjes,<br />

was, koffij, kakao, tabak en katoen. Ingevoerd worden :<br />

paarden, runderen, rijst, opium, zout, lijnwaden, ijzer-, koperen<br />

aardewerk. De waarde van den in- en uitvoer was in het<br />

('I Zie o.a.het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandscli Indië,<br />

Dl. XX, bl. 209.<br />

(=) Natuurk. Tijdschr. ü'. II, bl. 668, D'. VI, bl. 165, en D'. XXI, bl. 556.<br />

II. 21


322<br />

jaar 1856, het laatste waaromtrent tot dusverre hierover officiëele<br />

opgaven zijn medegedeeld, in de drie Residentiën als volgt:<br />

Residentiën. I Invoer Uitvoer.<br />

Amboina^7.T77. . . . ƒ425007 ƒ49073<br />

Banda » 310514 « 20742<br />

Ternate » 201150 » 95395_<br />

Dus te zamen |i ƒ936671 ƒ165210<br />

Hierbij zijn onder den uitvoer natuurlijk niet de aan het<br />

Gouvernement geleverde specerijen begrepen.<br />

Omtrent de scheepvaart zijn ook geenc latere officiëele opgaven<br />

dan over het jaar 1856 bekend; en daarin wordt niet elke<br />

Residentie afzonderlijk maar alle drie gezamenlijk met de Afdeeling<br />

Gorontalo (zie bl. 183) vermeld, als volgt:<br />

Vaartuigen en lasten. Totaal.<br />

Havens. E«rop.| , . I lui. !, . , Vaar- . .<br />

. r<br />

, Lasteu. . • i Laslcu. . Laste»,<br />

getuigd. getuigd. tuigen.<br />

Gorontalo,Ternate,], A A t L . , . E a E ,,.on<br />

, ? • T, j 'Aanff. 121 15471 444 1318 565 16789<br />

Amboina en Banda g °<br />

gezamenlijk [Verlr. 201 15237 352 1091 553 16349<br />

Hiervan komt echter slechts een zeer klein gedeelte voor<br />

Gorontalo, althans wanneer men de boven opgegevene waarde<br />

van den in- en uitvoer in die Afdeeling daarvoor als maatstaf<br />

aanneemt.<br />

De hoofdbronnen der inkomsten, welke het Gouvernement van<br />

de Molv!;ken trekt, zijn van denzelfden aard als in de andere<br />

Buitenbezittingen. Tot het einde van het jaar 1863 kwam daarbij<br />

nog, wat de Residentie Amboina betreft, de handel in kruidnagelen,<br />

waarvan de teelt verpligt was en die tegen een vasten prijs aan<br />

het Gouvernement moesten worden geleverd (').<br />

(') Het vroegere specerij-monopolie was reeds met de vrijverklaring der<br />

havens van Amboina, Banda en Ternate vervallen.<br />

Voor de kruidnagelen werd door het Gouvernement aan den planter betaald<br />

50 duiten of 25 cents per Amsterdamsen pond, dat is ƒ51.23 per pikol van<br />

125 Arast. pond.; voor de muskaatnoten 1 e<br />

kwaliteit, 21 duiten; en voor<br />

de foelie i" kwaliteit, 48 1<br />

/ 2<br />

duit per Amst. pond.


Bij besluit van 2 December 1863 is echter die verpligte cultuur en levering met het einde van dat jaar<br />

afgeschaft, en bepaald dat alsdan in die Kesidentie wordt ingevoerd eene jaarlijksehe belasting te -heffen<br />

op het Negeri-volk (zie bl. 334), over het jaar 1864 ten bedrage van ƒ1 per huisgezin, en welke belasting<br />

jaarlijks met een gelijk bedrag wordt verhoogd totdat zij over 1868 gebragt zal zijn op ƒ5 's jaars.<br />

De uitkomsten zijn in de laatste jaren geweest gelijk in de volgende tabel wordt aangewezen.<br />

Amboina. Banda. Ternate.<br />

Balen. Lasten. Baten. Lasten. Baten. Lasten.<br />

1854. ƒ408883:310 ƒ 901934:37 j ƒ1169955:21 ƒ1039303:85 j ƒ49953:118 ƒ301297:96<br />

1855. «327080:621 « 1075070:95 « 1277963:54 » 794960:77 « 51892:62 « 246063:751<br />

1856. »291863:37| » 814387:25 « 1291551:74 » 989489:22 j « 34566:19 « 232341:103<br />

1857. «323931:1031 » 927326:52^ « 1543323:00 » 932113:16* « 46878:55 « 228599:65<br />

Waaruit blijkt dat alleen de Residentie Banda winsten afwerpt, echter niet voldoende om het te kort<br />

der beide andere te dekken.<br />

(') De cijfers achter het deelteeken zijn duiten.


324<br />

§ 4. Bevolking.<br />

Getalsterkte.<br />

Volgens de opgave van MELVILLO was in 1849 de bevolking<br />

van de Residentie<br />

Amboina 277508<br />

Banda 155765<br />

Ternate (met inbegrip van N. Guinea, maar<br />

zonder het Ternataansch gebied op Celébes<br />

en de Banggaai-eilanden) 1<br />

?) 258329<br />

dus 691602 zielen<br />

voor de Moluksclie en Papoeioah-eilanden en Nieuw Guinea.<br />

Volgens het Regeringsverslag over 1860 was de bevolking van<br />

het Gouvernement der Molukken (behalve de Residentie Menado,<br />

zie bl. 185J op het einde van dat jaar als volgt:<br />

Residentie Amboina:<br />

Europeanen 1133<br />

Chinezen 373<br />

Arabieren 69<br />

Andere vreemde Oosterlingen 680<br />

Inlanders 183416 l 3<br />

)<br />

TotaaI~ .185670<br />

Residentie Banda :<br />

Europeanen 524<br />

Chinezen 127<br />

Arabieren 8<br />

Inlanders 110612 C)<br />

TotaalT." .". .111271<br />

Transportere 296941<br />

(') Statistieke Kaart inliet Tijdschr. voor Neêrl. Indië, 1849, Dl. II.<br />

{"•) Terzelfder plaatse wordt de bevolking van liet Temalaansche gebied op<br />

Celebes berekend op 50000, en op de Banggaai-eilanden op'9000 zielen;<br />

zoodat de geheele bevolking van de Residentie Ternate zoude bedraeen<br />

297329 zielen.<br />

( 3<br />

) De bevolking van Ceram en Boeroe is daarin bij gissing geraamd op<br />

60000 zielen. Vergelijk bierachter, Hoofdst.H, §§7 en 8.<br />

CJ De bevolking der Aroe- en Zuid- Wester-eilander, is daarin bij gissing<br />

geraamd op 105000 zielen.


325<br />

Transport 296941<br />

Eesidentie Ternate:<br />

Europeanen 667<br />

Chinezen 395<br />

Arabieren 22<br />

Inlanders .97287 Q<br />

Totaal • .98371<br />

Algemeen totaal 395312 zielen,<br />

waaronder echter niet schijnt begrepen te zijn de bevolking van<br />

Nieuw Guinea en de Papoeicali-eilanden, die door MELVILL te<br />

zamen op 210000 zielen geschat wordt. Uit de vergelijking van<br />

deze cijfers met die van vroegere jaren blijkt dat, terwijl de<br />

bevolking van de twee laatstgenoemde Eesidentiën langzamerhand<br />

toeneemt, die van Amboina vermindert; hetgeen echter ook aan<br />

eene meer of minder naauwkeurige telling zoude kunnen zijn<br />

toe te schrijven. ( s<br />

)<br />

Stamverdeeling.<br />

Volgens sommigen zouden van de Moluksclie eilanden oorspronkelijk<br />

alleen Ceram, Boeroe en Halmaheira eene inheemsche<br />

tot den Alfoerschen stam behoorende bevolking hebben gehad( 3<br />

),<br />

en alle andere eilanden eerst in latere eeuwen langzamerhand<br />

door vreemde kolonisten bevolkt zijn. En zeker is het dat vele<br />

kleine eilanden tegenwoordig alleen door volkplanters zijn bewoond;<br />

maar wanneer men in aanmerking neemt dat ook nu<br />

nog op sommige van deze eilanden (b.v. de Banggaai-, de Aroeeu<br />

Kei-eilanden) zich Alfoersche stammen bevinden, is het, bij<br />

den bekenden afkeer dien deze volken van de zeevaart hebben,<br />

toch niet waarschijnlijk dat zij in lateren tijd derwaarts zijn overgestoken;<br />

en komt men eer tot het vermoeden dat zij vroeger<br />

0) De bevolking van het gebied der Sultans van Ternate en Tidore is<br />

daarin bij gissing geraamd op 96000 zielen.<br />

( 2<br />

) De totale bevolking der drie Residentiën, die volgens MELVILL 750602<br />

zielen bedraagt, is volgens het Regeringsverslag (met bijvoeging der 210000<br />

voor Nieuw Guinea enz.) slechts 605512. Dit verschil van ruim 125000 zielen<br />

is waarschijnlijk daaruit te verklaren dat de raming van het Regeringsverslag<br />

omtrent sommige eilanden veel te laag is; met Ceram is dit althans zeker het<br />

geval; zie hierachter, Hoofdst.11, §8.<br />

( 3<br />

) VALENTW, uitgave van KEYZER, Dl II, bl. 511. Tijdschr. v. Neérl.<br />

lnd. 1856, Dl. I, bi. 76.


326<br />

ook nog wel op andere eilanden werden aangetroffen, maar daar<br />

door de kolonisten zijn verdrongen of uitgeroeid, gelijk altijd<br />

het geval is waar geheel ruwe stammen met minder onbeschaafde<br />

in aanraking komen.<br />

De onbetwiste hoofdzaak is echter deze, dat de inheemsche<br />

bevolking der Molukken bestaat uit Alfoeren 0), die de binnenlanden<br />

der grootere eilanden bewonen en slechts weinig aan de<br />

kusten worden aangetroffen. Zij zijn Heidenen, ruw en onbeschaafd,<br />

en komen in de hoofdtrekken met die van de binnenlanden<br />

van Celebes overeen. Bijzonderheden daaromtrent zullen, zooveel<br />

noodig, later worden opgegeven. Zij, die zich aan de stranden<br />

hebben nedergezet, zijn minder onbeschaafd maar vermengen<br />

zich toch niet met de overige kustbewoners.<br />

Deze kustbewoners der grootere eilanden en de geheele bevolking<br />

der meeste kleine zijn volkplanters uit onderscheidene<br />

oorden van den Indische» Archipel, en behooren tot verschillende<br />

rassen, waaronder het Maleische het hoofdbestanddeel schijnt uit<br />

te maken. Zij zijn deels Mohammedanen; doch velen hunner, vooral<br />

in de Eesidentiën Amboina en Banda, hebben het Christendom aangenomen.<br />

In het jaar 1860 waren in de eerstgenoemde Eesidentie<br />

40841, en in de laatste 694 Inlandsehe Christenen! 2<br />

). Dat echter<br />

onder Mohammedanen en Christenen nog zeer vele bijgeloovige<br />

begrippen heerschen kan blijken uit de bijzonderheden, welke<br />

ten dien opzigte worden medegedeeld omtrent de bevolking der<br />

eilanden Saparoewa, Earoekoe, Noesa laut en de Zuidkust van<br />

Ceram, in het Tijdschrift voor Neêrlandsch Indië, 1843, D 1<br />

. II.<br />

Omtrent de Kabesaran, die ook in de Molukken in gebruik<br />

is, zie men hier vóór, bl. 196.<br />

De bevolking van Nieuw Cuinea en de omliggende eilanden<br />

zijn Papoewahs of Negrito's, van welke eene algemeene beschrijving<br />

gegeven is in D 1<br />

. I, bl. 104; de verder omtrent hen bekende<br />

bijzonderheden zullen worden medegedeeld bij de behandeling<br />

van Nieuw Guinea.<br />

(') Hun aantal in de Molukken wordt door MELVILL t. a. p. op 570000 zielen<br />

gesteld, welk cijfer echter te hoog is in verhouding tot de bevolking, zoo als<br />

die van Gouvernementswege wordt opgegeven.<br />

( 2<br />

) Volgens het Regeringsverslag over 4860. Volgens de gedetailleerde<br />

opgaven van BLEEKEM was in 1854 dat getal in de Residentie Banda veel<br />

grooter en bedroeg alleen op de eigenlijke Banda-eilanden 800.


327<br />

TWEEDE HOOFDSTUK.<br />

DE RESIDENTIE AMBOINA.<br />

§ 1. Ligging, bestanddeel en en grootte dezer<br />

Residentie.<br />

De Residentie Amboina ligt tusschen 126° (de Westkust van<br />

Boeroe) tot 130° 44' (hare Oostelijkste grens op Ceram) O.L.<br />

en 2°46' (de Noordkust van Ceram) tot 3° 5 8' (de Zuidkust van<br />

Amblaamo) Z.B. Zij wordt ten Noorden door de Ceramscke Zee<br />

of Pitt's Straat, ten Zuiden door de Banda-zee bespoeld.<br />

De eilanden tot deze Residentie behoorende zijn: Amboina,<br />

Haroekoe of Oma, Saparoewa ook Honimoa of Oelias genoemd,<br />

Noesa laut (de drie laatstgenoemden gezamenlijk ook onder den<br />

naam van de Oeliassers bekend), Amblaauw, Boeroe, Manipa,<br />

Kélanrj, Bonoa of Boano, het grootste Westelijke gedeelte van<br />

Ceram, en eenige kleinere, die weinig meer dan klippen zijn.<br />

Het Zuid-Oostelijke gedeelte vau Ceram, van 130° 44' aan de<br />

Noordkust en 130° 12' aan de Zuidkust, behoort tot de Residentie<br />

Banda.<br />

Zij hebben volgens de opgave op bl. 314 gezamenlijk eene<br />

grootte van 543.6 • mijlen.<br />

Omtrent de totale sterkte der bevolking zie men bl. 324.<br />

§ 2. Het eiland Amboina.<br />

Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />

Amboina oiAmbon ligt tusschen nagenoeg 3° 28' tot 3° 48'Z.B.<br />

en 127° 58' tot 128° 26' O.L. en heeft volgens de jongste<br />

opmeting van MELVILL eene grootte van 14.25 • mijlen. O<br />

Het bestaat uit twee schier-eilanden (vroeger zeker afzonderlijke<br />

eilanden), van welke het Noordelijke Hitoe en het<br />

(i) ln het Aardrijkskundig Woordenboek wordt voor het eiland Amboina<br />

opgegeven 4789 • mijlen , hetgeen de grootte is van den geheelen Molukschen<br />

Archipel met Nieuw Guinea en de Papoewah-eilanden; zie bl. 514.<br />

Vroegere opgaven van MELVILL stellen Amboina op 16 • mijlen.


328<br />

Zuidelijke Leitimor heet, die door eene alluviale landengte van<br />

1100 el breedte, de Landengte of Pas van Bagoeala gehceten,<br />

met elkander verbonden zijn, en van welke het eerstgenoemde<br />

verreweg het grootste is. Tusschen deze schier-eilanden ligt aan<br />

de Oostzijde de Baai van Bagoeala tusschen de Zuid-Oostkust<br />

van Hitoe en de Oostkust van Leitimor; en aan de Westzijde<br />

de Baad van Amboina, die de Noordzijde van Leitimor over hare<br />

geheele lengte van de Zuidkust van Hitoe scheidt. Deze baai is<br />

zeer diep, en van den ingang tot op een derde van hare lengte<br />

bijna eene mijl breed; dan langzamerhand in breedte afnemende<br />

wordt zij door eene aan de Zuidkust van Hitoe uitstekende<br />

landpunt verdeeld in de Buiten- en Binnen-haai. De kapen aan<br />

den ingang der Baai heeten : op Hitoe, T. Allang, de Zuidelijkste<br />

punt van dat schier-eiland; en op Leitimor, T. Noesanive. Ook<br />

de Oostkust van Hitoe vormt eene vrij diepe bogt, veelal de<br />

Baai van Waai genoemd.<br />

Bij T. Wawolle, den Noord-Westelijken hoek van Hitoe, liggen<br />

drie kleine onbewoonde eilandjes, Be drie broeders of Poeloe Tiga<br />

geheeten. Op eenigen afstand van de Noord-Oostkust van Hitoe<br />

ligt een dergelijk eilandje, P. Pombo genaamd.<br />

Het geheele eiland is bergachtig; vlakten van eenige beteekenis<br />

worden alleen gevonden op sommige plaatsen aan de<br />

kusten, waar de voet van het gebergte door smalle strooken<br />

alluviaal-grond is bedekt.O Dit gebergte, eenmaal door vulkanische<br />

krachten van den bodem der zee opgeheven, is van<br />

zeer verschillende formatie en bestaat op sommige plaatsen uit<br />

graniet- en trachiet-gesteenten op andere uit zandsteen en kalkheuvels.<br />

De hoogste toppen zijn op Hitoe van het Westen af:<br />

de Latoea (3200 v*.), de Wawani (3300 v*.), de Wankauwa<br />

(900 v*.) en de Salhoetoe (4000 v*.); en op Leitimor: de Nonna<br />

(ruim 1800 v*.), de Serman (1700 v*.) en de Hori 1870 v*.).<br />

Eigenlijk gezegde vulkanen zijn op Amboina niet; op den<br />

Wawani worden echter solfatara's gevonden, en hevige aardbevingen<br />

(onder andere in 1644, 1671, 1674, 1687, 1781, 1830<br />

en 1835) getuigen van tijd tot tijd van steeds voortdurende<br />

f 1<br />

) Van eigenlijk gezegde wegen kan dus op Amboina gcene spraak zijn;<br />

er zijn slecJrts paden, die dikwijls sleil en moeijelijk zijn. Men reisl er te<br />

voel, te paard of in een draagstoel.


329<br />

omleraardsche vulkanische werking. Menigvuldige beken, die<br />

zich nergens tot bevaarbare rivieren hebben kunnen vormen,<br />

voeren het uit het binnenland afkomende water meest in eene<br />

Zuid- of Noordwaartsche rigting naar zee, en zijn voor de besproeijing<br />

van den grond van weinig of geen nut. De vruchtbaarheid<br />

is dan ook niet zeer groot, en alleen in de ravijnen<br />

wordt hier en daar een weelderige plantengroei waargenomen.<br />

De alluviale kuststreken zijn deels met RhizopJwren en Panfaws-soorten<br />

deels met sago- en kokos-palmen en andere houtsoorten<br />

bedekt!'); kruidnagel-, kajoe poetih- en kanari-boomen,<br />

acacias en varens groeijen op de berghellingen en heuvels; en<br />

alleen op de hoogste gebergten van Hitoe komen zware bosschen<br />

voor. Apen en verscheurende dieren worden op Amboina niet<br />

gevonden; daarentegen is het zeer rijk aan visscheu, schelpdieren,<br />

insecten en kruipende dieren, waaronder krokodillen,<br />

hagedissen, slangen en schildpadden.<br />

De cultuur-gewassen zijn voornamelijk: kruidnagelen, waarvan<br />

de teelt vroeger verpligt was en die tegen een bepaalden<br />

prijs aan het Gouvernement moesten worden geleverd (bl. 322)<br />

en waarvan het product in 1854 bijna 241000 Amst.'ponden bedroeg<br />

van 219000 boomen; muskaat-noten, waarvan de verpligte<br />

aankweeking en levering in deze Residentie in 1827 is afgeschaft;<br />

kaneel en koffij, waarvan de cultuur in vroegere tijden is ingevoerd<br />

doch later wegens de ongunstige uitkomsten weder gestaakt;<br />

kakao, die uitmuntend slaagt; arrow-root, katoen en vele<br />

vi'uehtboomen; ook de kokos-palm wordt opzettelijk aangekweekt.<br />

Voor den rijstbouw is de grond ten eenenmale ongeschikt; dit<br />

voedingsmiddel wordt grootendeels vervangen door de sago, die<br />

op Amboina in het wild groeit doch niet genoeg voor de bevolking,<br />

waarom het ontbrekende van Ceram wordt gehaald.<br />

Verdeeling, voornaamste plaatsen, inlandsen bestuur.<br />

Amboina maakt het voornaamste bestanddeel uit van de op<br />

bl. 316 vermelde Afdeelingen Amboina en Hila en Larike. De<br />

Afdeeling Amboina bevat geheel Leitimor en de Zuidkust van<br />

(') Voor eene uitvoerige beschrijving van het Planten- en Dierenrijk van<br />

Amboina verwijzen wij naar de Reis van BLEEKER, D'. II.


330<br />

Hitoe, van 1'. Allang (bl. 328) af tot over de Pas Bagoeala, en<br />

verder de Zuid-Oosthoek van laatstgenoemd schier-eiland tot<br />

en met de negeri Waai aan de Bogt van dien naam op de<br />

Oostkust (bl. 328). Het overige gedeelte van Hitoe behoort tot<br />

de Afdeeling Hila en Larike.<br />

De voornaamste plaatsen zijn in de Afdeeling Amboina:<br />

Amboina of Ambon, de hoofdplaats der Residentie, met eene<br />

bevolking van 10500 zielen O. Zij ligt aan de Noord-Westkust<br />

van Leitimor op 3° 41' 40" Z.B. en 128° 15' O.L. en wordt<br />

beschermd door het fort Nieuw Victoria, dat ten Noord-Westen<br />

van de eigenlijke stad ligt en de reede bestrijkt; het is een<br />

onregelmatige zevenhoek met bastions, en omgeven door eene<br />

natte gracht; in het fort bevinden zich de kazernen, eenige<br />

officiers-woningen en Gouvernements-magazijnen. Het fort met<br />

de eigenlijke stad, die door Europeanen en hunne afstammelingen,<br />

Christen-burgers, Chinezen en Arabieren bewoond wordt,<br />

ligt tusschen de riviertjes Tomo (Wai Tomo) en Gadjah (Olifantsrivicr);<br />

maar de buitenwijken, die er een geheel mede uitmaken<br />

en hoofdzakelijk door de Inlanders bewoond worden, strekken'<br />

zich uit tot het riviertje Batoe mejrah ten Noorden en Batoe<br />

gantoeng ten Zuiden, en worden aan de landzijde begrensd door<br />

de heuvels Soja en Batoe gadjah. De geheele lengte der stad<br />

langs het strand bedraagt 570, en hare grootste diepte nog geen<br />

300 roeden. Zij wordt door verscheidene meestal regte straten<br />

doorsneden, die elkander regthoekig kruisen. De Europesche<br />

wijk, uit nette doch lage steenen huizen bestaande, bevindt zich<br />

ten Zuid-Westen van het fort; die der Chinezen ligt ten Zuiden<br />

van het fort, tusschen de Europesche wijk en het strand. De<br />

woningen der Inlanders in de buitenwijken zijn uit hout, gabbagabba<br />

(gespleten takken van den nipah- of den sa^o-palm) en atap<br />

zamengesteld. De openbare gebouwen, die allen zeer eenvoudig<br />

zijn ingerigt, zijn voornamelijk: het stadhuis; het hospitaal;<br />

eene Christenkerk voor Europeanen en eene voor Inlanders; het<br />

Gouvernements-huis te Batoe gadjah ten Zuid-Oosten der stad;<br />

de pasar of marktplaats ten Zuiden van het fort aan het strand ;<br />

(') Volgens het Aardrijkskundig Woordenboek. Volgens BLEEKER bedroeg<br />

zij in 1855 slechts ruim 9000 zielen met inbegrip van de buitenwijken.<br />

Twintig jaren vroeger was zij bijna 12000 zielen sterk.


331<br />

en liet door het Nederlandsche Zendeling-genootschap bekostigde<br />

Instituut ter opleiding van Inlandsehe jongelingen tot<br />

school-onderwijzers en ook tot onderwijzers in de Christelijke<br />

Godsdienst, te Batoe mejrah ten Noorden der stad; aan deze<br />

inrigting is ook eene kleine boekdrukkerij verbonden; het geheel<br />

staat onder het bestuur van eenen Zendeling, thans de Heer<br />

EOSKOT. Voorts zijn er: eene werf, eene gevangenis, scholen, eene<br />

wees- en boedelkamer, enz. De schutterij te Amboina bestaat uit<br />

een bataillon van 7 Kompagniën, sterk (in 1855) 31 Officieren<br />

en 1610 Onderofficieren en Manschappen, en verdeeld in gewapende<br />

of flank-kompagniën en ongewapende of centrum-kompagniën;<br />

onder de laatsten behooren ruim 900 schutters uit de<br />

buitenwijken, die eene soort van reserve of derden ban vormen.<br />

Ook heeft zij een vrij goed geoefend corps muzijkanten. Het<br />

geheel staat onder het opperbevel van den Adsistent Kesident-<br />

Magistraat, met den rang van Luitenant-Kolonel.<br />

Tot de buitenwijken van Amboina worden ook gedeeltelijk<br />

gerekend de negeriën: Halong, dat meer Noordwaarts en Latoe<br />

halat, dat meer Zuidwaarts aan de Baai van Amboina, Erna, dat<br />

nabij de Zuidkust van Leitimor ligt, en Tawiri, Hative besar,<br />

Pakoe, Waiheroe en Nania, die aan de Zuidkust van Hitoe liggen;<br />

omdat steeds een aantal harer ingezetenen zich tot het verrigten<br />

van heerendiensten op de hoofdplaats moeten ophouden.<br />

Voorts vindt men tot deze Afdeeling behoorende nog op<br />

Leitimor: Batoe mejrah, Hative ketjil en Lateri, ten Noord-<br />

Oosten, en Amahoesoe ten Zuid-Westen van de hoofdplaats aan<br />

de Baai van Amboina; langs de Zuidkust: Noesanive, Keri,<br />

Owohan, Hoekoerila, Leahari en Hoetoemoeri; en langs de Zuiden<br />

Oostkust van Hitoe: Allang, Lilibooi, Hatoe, Hatoeroe, Laha,<br />

Tawiri en Hative besar (buitenwijken; zie hierboven), Tanaroeboe,<br />

Roemah liga, Pakoe, Waiheroe, Nania (buitenwijken), Passo met<br />

de niet meer bewapende sterkte Middelburg op de Pas Bagoeala,<br />

Soeli, Tial, Tengah-tengah, Tolehoe en Waai.<br />

Tot de Afdeeling Hila en Larike behooren:<br />

Hila, de hoofdplaats der Afdeeling met 670 zielen (in 1854),<br />

aan de Noordkust van Hitoe bij Tandj. Hila op 128° 11' 10" O.L.<br />

Zij wordt beschermd door het fortje Amsterdam, dat eene kleine<br />

bezetting heeft. Ook is er eene Christenkerk. De schutterij bestond<br />

in 1855 uit 1 Officier en 33 man.


332<br />

Langs de Noordkust heeft men verder, Westwaarts van Hila:<br />

Ceith, Lima met de niet meer bezette sterkte Van der Capellen,<br />

Oering en Assïloeloe; en Oostwaarts: Wakal, Hitoe lama, Hitoe<br />

missing, Morella, Mamala, en Liang. Langs de Westkust: Larike<br />

met de niet meer bewapende sterkte Rotterdam en eene Afdeeling<br />

schutterij van 20 man, en Wakasihoe.<br />

Elke van deze negeriën vormt eene geheel op zich zelf staande<br />

gemeente of staatje, en heeft haar eigen Hoofd of Regent, die<br />

door de bevolking wordt gekozen en door het .Gouvernement<br />

benoemd doch geen Gouvernements-ambtenaar is. Hun onderscheidingsteeken<br />

is, gelijk overal elders in de Molukken, een<br />

rotting met zilveren of, wanneer zij den titel van Radja voeren, met<br />

gouden knop, waarop het Nederlandsche wapen is gegraveerd.<br />

De Regenten van Batoe mejrah, Waai, Basso en Tolehoe voeren<br />

den titel van Radja, de overigen dien van Patik of Orang Kaja;<br />

de Regentsvrouwen heeten Njora. De bevolking is verpligt hunne<br />

woningen te onderhouden en hen te vervoeren waarheen dienstzaken<br />

hen roepen. Voorts beschikt de Regent zonder betaling<br />

over de persoonlijke diensten van één tot vijf ingezetenen van<br />

zijne negeri, naar mate van hare volkrijkheid; deze personen, die<br />

Kwarto's en wier diensten Kwartsdiensten genoemd worden, wisselen<br />

elkander om de maand af. Ook heeft hij het regt twee<br />

Djodjaro's of aanzienlijke meisjes te eischen, om in zijne huishouding<br />

behulpzaam te zijn. Eindelijk geniet de Eegent de<br />

voordeelen, welke verbonden zijn aan zijne betrekking als Batihoofd<br />

(zie bl. 336). I 1<br />

)<br />

De bevolking en haar maatschappelijke toestand.<br />

Eene officiëele opgave van de sterkte der bevolking van het<br />

eiland Amboina in de laatste jaren is ons niet bekend; volgens<br />

I 1<br />

) Vóór de afschaffing der verpligte nagelculluur genoot de Regent van<br />

het Gouvernement ƒ15 van elke Bahar (550 Amst. pond) kruidnagelen en een<br />

jaarlijksch geschenk in lijnwaden ter waarde van fiS ; en wanneer de geleverde<br />

nagelen aan de bevolking werden betaald, werd van dat bedrag i pC l<br />

. geheven,<br />

die onder den Regent en de Nagelschrijvers (boekhouders) werden verdeeld.<br />

Thans zullen zij daarvoor waarschijnlijk op eene andere wijze worden schadeloos<br />

gesteld, doch hoe dit geschieden zal blijkt uit bet Besluit omtrent de<br />

afschaffing der nagelcultuur niet.


333<br />

BLEEKER bedroeg zij in 1855 ruim 26000 zielen, die volgenderwijze<br />

verdeeld waren :<br />

Europeanen en Kleurlingen 665<br />

(Burgers.. 7133<br />

Inlanders 1 . j Christenen 8710<br />

( J N e<br />

c r i<br />

S<br />

- v o l k<br />

} Mohammedanen 10S74<br />

Chinezen 246<br />

Arabieren en andere vreemde Oosterlingen. .283<br />

Slaven. 0 544<br />

Totaal 28455 zielen,<br />

waaronder echter ook de bevolking van do eilanden Bonoa en<br />

Manipa begrepen is, die terzelfder tijd op 2200 zielen werd<br />

gerekend.<br />

De Europeanen zijn Ambtenaren of handelaars en slechts<br />

weinigen in getal; zij zijn op de twee hoofdplaatsen gevestigd.<br />

De kleurlingen of mestiezen, vooral op de hoofdplaats Amboina<br />

wonende, zijn ruim 600 in getal. Slechts weinigen hunner<br />

hebben Europesche vaders; bij verreweg de meesten is die<br />

vermenging reeds in veel vroegere geslachten ontstaan. Zij belijden<br />

het Christendom en kleeden zich als Europeanen, maar<br />

zijn over het algemeen trotseh, lui en zedeloos, en leven meerendeels<br />

in armoede; ten gevolge van dit een en ander neemt hun<br />

getal steeds af en was, volgens BLEEKER, in twintig jaren met<br />

ruim een derde gedeelte verminderd.<br />

De Chinezen zijn, gelijk overal, industriëelen; de Arabieren,<br />

kooplieden of priesters.<br />

De Inlanders of Ambonezen zijn een zeer gemengd ras,<br />

ontstaan uit volkplanters van Ceram, Goram en andere Moluksche<br />

eilanden, misschien ook Chinezen. Zij zijn donkerder van huidkleur<br />

dan de Maleijers, hebben een breeden en platten neus,<br />

uitstekende wangbeenderen, dikke lippen, ver van elkander<br />

staande oogen die eenigzins schuins staan met de buitenhoeken<br />

naarboven, en een gewelfd en vrij breed voorhoofd. Zij hebben een<br />

sterk en vlug ligchaamsgestel, en zijn zeer vatbaar voor verstandelijke<br />

en zedelijke ontwikkeling. Zij spreken het Maleisch,<br />

doch met zeer vele vreemde woorden vermengd. De eigenschappen<br />

(') Dezen zullen ten gevolge van de wet omtrent de opheffing der slavernij<br />

in de Nederlandsche bezittingen met het jaar 1860 verdwenen zijn.


334<br />

van traagheid, z<strong>org</strong>eloosheid, zedeloosheid en woelziekte, die<br />

hun somtijds worden ten laste gelegd, schijnen minder aan<br />

hunnen natuurlijken aanleg te moeten worden toegeschreven dan<br />

aan de onderdrukking, welke zij eerst van de Portugezen en<br />

later van de O. I. Compagnie hebben te verduren gehad. De<br />

stadbewoners onderscheiden zich in dit opzigt ongunstig van<br />

de overigen. Land- en tuinbouw, vischvangst en kleinhandel<br />

zijn de hoofdbedrijven der bevolking; zeevaart valt minder in<br />

hunnen smaak, hoewel zij dikwijls naar de naburige eilanden,<br />

vooral naar Ceram, oversteken om de benoodigde sago te halen.<br />

Als soldaten zijn de Ambonezen zeer oppassend, ijverig en<br />

gewillig in de dienst en getrouw; zij maken het beste gedeelte<br />

der Inlandsehe troepen van ons Oost-Indisch leger uit.<br />

De Christenen en Mohammedanen, hoewel in vrede met<br />

elkander levende, scheiden zich scherp van elkander af en bewonen<br />

afzonderlijke negeriën; slechts op weinige plaatsen vindt<br />

men ze in hetzelfde dorp vereenigd. In elke eenigzins belangrijke<br />

Christen-negeri is eene Protestantsche kerk, eene school en een<br />

Schoolmeester (Inlander); ter hoofdplaats zijn twee Predikanten<br />

gevestigd, tevens voor de onderhoorige Christen-gemeenten,<br />

en ook Europesche Schoolmeesters; overigens wordt de dienst<br />

door Zendelingen verrigt('). In de Mohammedaansche negeriën<br />

zijn moskeeën en de noodige Priesters. Voorts vindt men in elke<br />

negeri een baileo of raadhuis, waar de openbare belangen worden<br />

behandeld.<br />

De Christenen kleeden zich met eene lange katoenen broek,<br />

een borstrok, en eene gekleurde of zwarte kabaai (badjoe), en<br />

dragen op het hoofd een pet of hoed. De Mohammedanen hebben<br />

eene kortere broek en omwinden zich het hoofd met een doek.<br />

De vrouwen dragen eene zwarte of donkere kabaai en eene<br />

gekleurde sarong. De Eegenten der Christen-negeriën kleeden<br />

zich liefst op de Europesche wijze in het zwart.<br />

De Ambonezen worden onderscheiden in Burgers en Negerivolk.<br />

De Burgers, die de hoofdplaats Amboina en enkele andere<br />

negeriën op Leitimor bewonen, zijn geheel vrije lieden, die geene<br />

belangrijke heerendiensten te vervullen hebben en ook vrij zijn<br />

(») Zendelings-posten zijn, op Leitimor: Amboina, Batoe mejrah en<br />

Boetoemoeri; op Hitoe: Allany en Waai. •


835<br />

van de belasting, welke de vroeger verpligte nagelteelt heeft<br />

vervangen. Zij behooren allen tot de schutterij. Velen hunner<br />

zijn trotsch op hun regt als Burger, achten allen arbeid vernederend<br />

en doen daarom niet meer dan voor hun onderhoud<br />

noodig is; anderen echter kweeken vruchten en groenten, drijven<br />

handel of vischvangst of oefenen eenig ambacht uit. Verreweg de<br />

meesten zijn Christenen, de overigen Mohammedanen. Het Negerivolk,<br />

dat voor de grootste helft uit Mohammedanen voor de<br />

kleinste uit Christenen bestaat, bewoont de overige negeriën des<br />

eilands en is aan zijne woonplaats gebonden. Zij waren in 1855<br />

verdeeld in 1264 Dati's of familiën (zie bl. 336). Deze lieden<br />

zijn verpligt tot eene menigte heerendiensten, welke in beloonde<br />

en onbeloonde worden onderscheiden. Beloonde diensten zijn: het<br />

arbeiden aan de Gouvernements-gebouwen; het lossen en laden<br />

van Gouvernements-goederen; het lossen van de aangevoerde<br />

rijst; het vervoeren van reizende ambtenaren, officieren en militairen<br />

per orembaai (vaartuig) of draagstoel; het overbrengen van<br />

Gouvernements-gelden en goederen van en naar Amboina; het<br />

boegseren van schepen; het leveren van bouwmaterialen voor<br />

de Gouvernements-vverken in alle tot de Residentie behoorende<br />

Afdeelingen; en het overbrengen van brieven tusschen de eilanden<br />

Amboina, Saparoea en Earoekoe. Onbeloonde heerendiensten<br />

zijn (behalve die ten behoeve der Kegenten, bl. 332): het bouwen<br />

en onderhouden van kerken, moskeeën, scholen, onderwijzerswoningen,<br />

baileo's, wegen, bruggen, en tot de negeri behoorende<br />

vaartuigen; en het transporteren van schoolmeesters, waar dienstzaken<br />

hen roepen. Tot het einde van het jaar 1863 waren zij<br />

ook verpligt tot het aankweeken en onderhouden van 90 kruidnagelboomen<br />

voor elke dati (familie), waarvoor thans de op<br />

bl. 323 vermelde belasting in de plaats gekomen is. Men berekent<br />

dat deze verrigtingen eiken dienstpligtige zes maanden van het<br />

jaar bezig hielden, waarvan twee zonder loon; in den hem<br />

overschietenden tijd moest hij in de behoeften van zijn gezin voor<br />

het geheele jaar voorzien, meest door tuinbouw of vischvangst.<br />

De afschaffing van de verpligte nagelcultuur, die verreweg den<br />

meesten tijd vorderde, heeft hierin echter eene groote verbetering<br />

gebragt.<br />

De gronden tot eene negeri behoorende zijn meerendeels<br />

gesplitst in doessongs (afdeelingen), welke in ouden tijd aan


336<br />

verschillende familiën (dati's) zijn toegewezen; zij heeten doessong<br />

djati en zijn erfelijk in het geslacht van den oorspronkelijken<br />

bezitter. De Regent is als zoodanig tevens Kapala dati (familiehoofd)<br />

en geniet daarom ook eenige inkomsten uit die gronden.<br />

In verloop van tijd is het eigendomsregt van sommige van die<br />

gronden op andere familiën overgegaan door aankoop of erfenis»;<br />

en dan heeten zij, in het eerste geval doessong bebli-an, in het<br />

laatste doessong poesatca. Op Hitoe vindt men gronden, welke<br />

nooit aan bepaalde familiën zijn toegedeeld; deze zijn in zekeren<br />

zin algemeen eigendom en kunnen bebouwd worden door ieder<br />

die zulks verkiest; de bebouwer verkrijgt daardoor evenwel geen<br />

regt op den grond, maar alleen op zijne voortbrengselen; zoodanige<br />

gronden heeten doessong tetanaman.<br />

§ 3. Het eiland Haroekoe.<br />

Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />

Haroekoe, ook Oma en Boewang besi genoemd, ligt ten Oosten<br />

van Amboina, waarvan het door Straat Haroekoe gescheiden is,<br />

op 3° 35' Z.B. en 138° 33' O.L. Het heeft eene eenigzins ovale<br />

gedaante, doch met eene ver Zuid-Westwaarts uitstekende punt,<br />

die daar in T. Samei eindigt. Oma of Boewang besi is eigenlijk<br />

alleen de naam van het Zuidelijke gedeelte des eilands, terwijl<br />

he^Noordelijke dien van Hatoewaha draagt; de grens tusschen<br />

deze beide deelen is ons niet bekend. De geheele grootte is<br />

3.02 • mijlen. O<br />

De natuurlijke gesteldheid van Haroekoe schijnt dezelfde te<br />

zijn als die van Amboina; het gebergte is echter veel minder<br />

hoog en bereikt nergens 1000 v*. Nabij de Zuidkust bevinden<br />

zich warme bronnen, die ijzer-oxyde bevatten. Bevaarbare rivieren<br />

zijn er niet; onder de voqrnaamsten noemt men de Wai Hoka,<br />

Laikrisa en Tahoe. Omtrent de natuurlijke voortbrengselen van<br />

het plantenrijk is nog zeer weinig bekend. Sago groeit er niet<br />

genoeg voor de bevolking; kokosboomen worden er in vrij groote<br />

hoeveelheid aangekweekt. Het hoofdvoortbrengsel zijn de kruid­<br />

nagelen, waarvan de opbrengst in 1854 bijna 39000 Amst. ponden<br />

O Volgens BLEEKER. Volgens eene oudere opgave van MELVILL slechts<br />

1.1 •mijlen.


337<br />

van ruim 52000 boomon bedroeg. Herten en zwijnen zijn de<br />

voornaamste wilde dieren; runderen, schapen en geiten zijn er<br />

slechts in gering getal.<br />

Plaatsen, bestuur, bevolking.<br />

De negeriën op Haroekoe zijn elf in getal, namelijk : Haroekoe,<br />

de hoofdplaats, aan de Westzijde des eilands in het Zuiden<br />

gelegen, met het in 1820 vernieuwde fort Zeelandia, hetwelk<br />

echter thans niet meer bewapend of bezet is. Zij telde in 1854<br />

ruim 840 inwoners. De schutterij was sterk 1 Officier en 31 man.<br />

Er is ook eene Christenschool.<br />

Noordwaarts van Haroekoe liggen langs de Westkust: Samet,<br />

Roliomoni, Kabauw en Kailolo. .<br />

Aan de Noordkust: Pelauw en Karihoe met het niet meer<br />

bewapende fort Hoorn.<br />

Aan de Oostkust: Hoelalioe.<br />

Aan de Zuidkust: Aboro, Wassoe en Oma.<br />

Het Inlandsch bestuur is volmaakt op dezelfde wijze ingerigt<br />

als op Amboina. De negeriën Samet, Oma, Pelauw, Kailolo en<br />

Kabauw hebben Radja's, de overige Patihs.<br />

Wat het Buropeesch bestuur betreft behoort Haroekoe onder<br />

de Afdeeling Saparoewa en Haroekoe, en staat dus onder den<br />

Adsistent Resident daarvan. Te Haroekoe is echter ook een aan<br />

hem ondergeschikt Gezaghebber gevestigd voor het dagelijksch<br />

bestuur en het waarnemen van het Voorzitterschap van den<br />

Landraad; voorts strekt zijn werkkring zich ook uit tot een<br />

gedeelte der Zuidkust van Ceram.<br />

De bevolking neemt langzaam in getalsterkte toe en bestond in<br />

1855 uit 556 Bati's of familiën O; zij bedroeg toen:<br />

88 Afstammelingen van Europeanen,<br />

288 Burgers \<br />

3204 Christenen I . T . . . / Inlanders,<br />

3544 Mohammedanen j ^n-vo\k \<br />

64 Slaven,<br />

Totaal~7188 zielen.<br />

Haar afkomst en maatschappelijke toestand zijn, wat de Inlanders<br />

betreft, geheel gelijk aan die der Ambonezen.<br />

( l<br />

) Deze verdeeling heeft alleen betrekking op hel Negeri-volk.<br />

II. 32


338<br />

Europeanen zijn er niet; hunne afstammelingen, allen Christenen,<br />

zijn ijveriger dan die op Amboina; de meesten hunner<br />

leven van den handel, sommigen oefenen een ambacht uit. Ook<br />

de Inlandsehe Burgers worden gezegd arbeidzamer tc zijn en<br />

daardoor grootere welvaart te genieten dan die op bovengenoemd<br />

eiland.<br />

De Mohammedanen bewonen de negeriën Roliomoni, Kabauw,<br />

Kailolo en Pelauw, dus het Noord-Westelijke gedeelte des eilands;<br />

de Christenen de zeven andere negeriën, in ieder van welke eene<br />

Christenschool is, waarin door Ambonesche schoolmeesters aan<br />

ongeveer 700 kinderen onderwijs wordt gegeven.<br />

5 4. De eilanden Saparoewa en Melano.<br />

Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />

Saparoewa, ook Honimoa en Oelias of eigenlijk TAase of Oeliasei<br />

geheeten (waarnaar de drie eilanden ten Oosten van Amboina<br />

ook wel gezamenlijk de Oeliassers worden genoemd), ligt onmiddellijk<br />

ten Oosten van Haroekoe en strekt zich ook Noord-Westwaarts<br />

uit tegenover de Noord-Oostkust van laatstgenoemd eiland.<br />

De naam Honimoa behoort eigenlijk alleen aan het Zuidelijke<br />

gedeelte des eilands, terwijl het Noordelijke dien van Hatoewana<br />

draagt; de grens tusschen de twee deelen is ons niet bekend.<br />

Het smalle vaarwater tusschen de beide eilanden wordt Straat<br />

van Saparoewa genoemd. Het eiland strekt zich uit tusschen<br />

128° 37'40" tot 128° 48'40" O.L. en 3° 31' tot 3° 39'Z.B.0).<br />

De grootte bedraagt 2.48 • mijlen.<br />

Aan de Zuidzijde dringt de Baai van Saparoewa en aan de<br />

Noordzijde die van Toeliaha diep landwaarts in. Zij verdeden<br />

het eiland in twee schier-eilanden, van welke het Westelijke het<br />

grootste is, en die door eene ongeveer een halfuur gaans breede<br />

landengte met elkander verbonden zijn. Eene veel kleinere baai,<br />

die van Porto of van Haria, bevindt zich in het Zuidelijke gedeelte<br />

der Westkust. Overigens is van de natuurlijke gesteldheid<br />

O Volgens de Kaart van MELVILL in den Atlas. Volgens de oudere opgave<br />

van denzelfden Schrijver in den Moniteur des Indes, 1840', ligt het eenige<br />

minuteB Westelijker.


339<br />

des eilands nog zeer weinig bekend; het schijnt grootendeels<br />

van tertiaire kalkformatie te zijn; op sommige plaatsen aan de<br />

Noordkust vindt men goede pijp-aarde, op andere eene soort<br />

van klei, ampo of batoe poan genaamd, die door de Inboorlingen<br />

gegeten wordt. De menigvuldige bergen hebben geene aanzienlijke<br />

hoogte; de hoogste toppen bereiken ongeveer 1500 v*. De<br />

Zuid-Oosthoek des eilands is een steil bergland van ongeveer<br />

900 v*. hoog; overigens zijn de kusten meestal laag en hier en<br />

daar met kokosboomen bezet; de landengte tusschen de twee<br />

schier-eilanden is eene weinig verhevene vlakte met grasvelden<br />

bedekt. Op de heuvels vindt men kanari- en tamarindo-boomen,<br />

varens, pandanus-sooïten, en sago-boomen doch niet genoeg voor<br />

de bevolking, die het ontbrekende van Ceram haalt; de bergen<br />

zijn met digte nog onbekende bosschen begroeid. Het voornaamste<br />

voortbrengsel zijn de kruidnagelen, waarvan in 1854 meer dan<br />

90000 boomen waren, die ruim 181000 Amst. ponden nagelen<br />

hadden opgeleverd. Het dierenrijk schijnt weinig van dat op<br />

Amboina te verschillen; runderen worden er nog al gevonden,<br />

doch slechts zeer enkele paarden.<br />

Plaatsen, bestuur, bevolking.<br />

Naar verhouding van de grootte van het eiland zijn er slechts<br />

weinig negeriën; zij zijn de volgende:<br />

Saparoewa, de hoofdplaats des eilands en der Afdeeling, de<br />

zetel van den Adsistent Eesident, aan de Baai van dien naam<br />

op de landengte gelegen. Zij beslaat eene vrij groote uitgestrektheid<br />

langs de kust, doch breidt zich landwaarts in niet ver uit.<br />

Zij maakt een geheel uit met de Westwaarts liggende negeri Tiouw<br />

en telde met inbegrip van deze in 1854 ongeveer 1600 zielen.<br />

Er is eene Christenkerk en school. Aan het strand ligt op eene<br />

kalkrots het steenen fort Buurstede, met eene bezetting van<br />

ongeveer 50 man onder eenen Officier der Infanterie; ook is er<br />

een Officier van Gezondheid, die tevens met de burgerlijke geneeskundige<br />

dienst is belast. De schutterij bestaat uit 3 Officieren<br />

en 120 Onderofficieren en Manschappen.<br />

Aan de Westzijde der Baai van Saparoewa liggen de negeriën<br />

Paperoe en Booi; langs haren Oostelijken oever, Sirisori serani<br />

(Christelijk Sirisori), Sirisori islam (Mohammedaansch Sirisori),<br />

Oelat en Ouw.


340<br />

Aan de Westkust des eilands alleen Porto en Earia, aan de<br />

daarnaar genoemde baai (bl. 338); en aan de Noord-Westpunt,<br />

Koelor.<br />

Aan de Noordkust dor landengte ligt alleen Pia; en aan de<br />

Oostzijde der Baai van Toéhaha: Toehaha, Malioe, IhamaJwe,<br />

Iha, Nollot en Baioaka, de twee laatsten aan de Noord-Oostpunt<br />

des eilands.<br />

De Oostkust is geheel onbewoond.<br />

Saparoewa is het hoofd-eiland van de Afdeeling Saparoewa<br />

en Haroekoe en staat onder het onmiddellijk bestuur van den<br />

Adsistent Eesident. Het Inlandsch bestuur der afzonderlijke<br />

negeriën is geheel gelijk aan dat op Amboina.<br />

De bevolking, wier getalsterkte zeer weinig verandering ondergaat,<br />

bestond in 1855 uit 662 Bati's of familiën (alleen het<br />

Negeri-volk) en bedroeg:<br />

162 Europeanen en.hunne afstammelingen,<br />

2912 Burgers )<br />

7340 Christenen 1 N e g e r i_ v o l k Inlanders,<br />

1154 Mohammedanen )<br />

97 Slaven,<br />

Totaal 11665 zielen.<br />

Haar maatschappelijke toestand en afkomst zijn gelijk aan die<br />

der Ambonezen. De vrouwen zijn schooner van gelaat en gestalte<br />

dan elders in de Molukken. Eene soort van krijgsdans of Kabesaran<br />

(bl. 196) wordt hier ook door djodjaro's (bl. 332) uitgevoerd,<br />

hetgeen op andere eilanden niet schijnt te geschieden.<br />

Omtrent een derde gedeelte der Inlandsehe burgers woont op de<br />

hoofdplaats; de overigen zijn in verschillende negeriën verdeeld.<br />

Blanke Europeanen zijn alleen de ambtenaren; de overigen<br />

zijn kleurlingen en leven, even als op Amboina, in traagheid en<br />

armoede.<br />

De Mohammedanen bewonen alleen de negeriën Sirisori islam,<br />

Iha en Koelor; op de hoofdplaats worden er een dertigtal gevonden.<br />

Alle andere plaatsen zijn uitsluitend met Christenen<br />

bevolkt; zij hebben scholen, even als op Haroekoe, die door<br />

ruim 2100 kinderen bezocht worden.<br />

Op ruim '/4 mijl afstands van de Zuid-Westpunt van Saparoewa<br />

ligt het eilandje Melano of Moelana, omstreeks een uur gaans


341<br />

in omtrek groot en 400 of 500 v*. hoog. Het strekt tot verblijfplaats<br />

voor de lijders aan ongeneeselijke huidziekten (mclaatschen)<br />

van Amboina en de Oeliassers; zij zijn gemiddeld 40 of 50 in<br />

getal, en staan onder geneeskundig toezigt van den Officier van<br />

Gezondheid te Saparoewa,<br />

Het veel kleinere eilandje Pomlo of Gombo, onmiddellijk bij de<br />

Zuid-Westpunt van Saparoewa, is niets dan eene naakte rots.<br />

§ 5. Het eiland Noesa laut.<br />

Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />

Noesa laut, het kleinste der Oeliassers, ligt op kleinen afstand<br />

ten Zuid-Oosten van Saparoewa op 3° 40' Z. B. en 128° 54' O.L.<br />

en is ongeveer 1 Cl mijl groot. Het is van dezelfde formatie als<br />

de naburige eilanden en gtheel bergachtig'; de hoogste toppen<br />

bereiken echter geene 1000 v*. Dat het ook van vulkanischen<br />

aard is blijkt uit de heete bronnen, welke er worden gevonden.<br />

Overigens is de natuurlijke gesteldheid nog weinig bekend.<br />

Op sommige plaatsen komt oker in vrij groote hoeveelheid<br />

voor. Het dierenrijk is niet bekend; van de tamme dieren zijn<br />

er alleen eenige schapen. Ook het plantenrijk is nog niet weten­<br />

schappelijk onderzocht; het belangrijkste voortbrengsel daarvan<br />

zijn de kruidnagelen. In 1854 bedroeg de nagel-oogst 120283<br />

Amst. ponden van 24366 boomen, welke uitkomst echter buiten­<br />

gewoon gunstig was.<br />

Plaatsen, bestuur, bevolking.<br />

Het eiland heeft slechts zeven negeriën, namelijk:<br />

Aan de Westkust, onmiddellijk bij elkander: Sila en Leiniloe<br />

met het niet meer bewapende fortje Beverwijk.<br />

Aan de Zuidkust: Titawaai en Abobo.<br />

Aan de Oostkust: Akoon.<br />

Aan de Noord-Oostkust: Amit en Nalahia.<br />

Noesa laut behoort tot de Afdeeling Saparoewa en Haroekoe.<br />

Te Amit is een aan den Adsistent Eesident ondergeschikte<br />

Gezaghebber gevestigd. Het Inlandsch bestuur is gelijk aan<br />

dat op de naburige eilanden; de negeri Titawaai staat onder<br />

eenen Eadja, de andere onder Patihs.


342<br />

"De bevolking, wier sterkte weinig verandering ondergaat,<br />

bestond in 1855 uit 268 Dati's (alleen het Negeri-volk) en<br />

bedroeg;<br />

4 Afstammelingen van Europeanen,<br />

63 Burgers I , , ,<br />

.... „ ° . ,, Inlanders,<br />

3386 Negen-volk )<br />

26 Slaven,<br />

Totaal 3479 zielen, allen Christenen.<br />

De kleurlingen wonen allen te Leinitoe. De Burgers zijn in<br />

de verschillende negeriën verdeeld met uitzondering van Abobo<br />

en Akoon, die alleen door Negeri-volk worden bewoond. In elke<br />

negeri is eene Christensehool, die gezamenlijk door 750 kinderen<br />

werden bezocht.<br />

§ 6. De eilanden Amblaauw, Manipa, Kélang en Bonoa.<br />

Het eiland AmMaauw.<br />

Amblaauw of Belaauw ligt aan den Zuidelijken ingang van<br />

de veilig bevaarbare Straat Manipa, die tusschen Ceram en<br />

Boeroe stroomt, een paar mijlen van de Zuid rOostkust van<br />

laatstgenoemd eiland, op 3° 52' Z.B. en 127° 15' O.L. Het<br />

is omstreeks 2 • mijlen groot, bergachtig en onvruchtbaar, zoodat<br />

het zelfs geene sago genoeg voortbrengt voor de bevolking,<br />

die het ontbrekende uit de Regentschappen Loemaè'leh en fFaisama<br />

op Boeroe haalt; specerijen worden er niet gekweekt; de<br />

grond levert kalk op.<br />

Er zijn zeven negeriën of bena's, die elk uit twee tot vijf<br />

noeroe's of gehuchten bestaan, namelijk: Loemooi, aan de Oostkust;<br />

Massawooi en Salate, aan de Noordkust; Oelima, aan de<br />

Noord-Westkust; en Elara, Salasi en Siwar, aan de Zuidkust.<br />

Zij staan onder Hoofden, welke den titel voeren van Patik of<br />

Orang Kaja.<br />

De bevolking des eilands, welke in Bati's of geslachten verdeeld<br />

is, bedroeg in 1855 ongeveer 1050 zielen; zij schijnt van<br />

Boeroe afkomstig te zijn, belijdt de Mohammedaansche godsdienst,<br />

en wordt als nijver vo<strong>org</strong>esteld. De hoofdmiddelen van bestaan<br />

zijn visseherij en handel op de naburige eilanden; ook een<br />

gedeelte der van Boeroe gehaalde sago wordt weder in den<br />

handel gebragt.


343<br />

Amblaauw behoort administratief tot de Afdeeling Boeroe;<br />

wij hebben er echter gecnen Posthouder of bezetting. De bevolking<br />

is aan hare woonplaatsen gebonden en verpligt jaarlijks<br />

eene zekere hoeveelheid kalk aan het bestuur te Amboina te<br />

leveren, tegen ƒ50 de kojanA 1<br />

)<br />

Het eiland Manipa,<br />

Manipa, ook Basia, Kondea cn Ilerrea genoemd, ligt in het<br />

Noorden van Straat Manipa nagenoeg 4 mijlen van Boeroe's<br />

Noord-Oosthoek, op 3° 15' Z.B. en 137° 40' O.L., en is<br />

1.7 • mijlen groot. Het eiland is heuvelachtig en heeft een<br />

zandigen grond. De nagelboomen zijn hier, even als op.de<br />

andere in deze § behandelde eilanden, door de O. I. Compagnie<br />

uitgeroeid; sago-palmen komen in overvloed voor; aangekweekt<br />

worden kokosboomen, djagoeng, aardvruchten en groenten. De<br />

uitbreiding van den landbouw wordt, zegt men, verhinderd dooide<br />

menigte wilde zwijnen en herten, die op het eiland worden<br />

aangetroffen.<br />

De negeriën zijn acht in getal: Loehoe, Toeban, Massawooi,<br />

Kélang*?), Assawoedi, Toemalehoe l 3<br />

), Bonoa-hatapoelih en Toenimra;<br />

zij worden bestuurd even als die der naburige eilanden.<br />

De bevolking, die door de gewelddadige maatregelen der O.I.<br />

Compagnie zeer verarmd en verminderd is, bedroeg in 1855<br />

slechts 726 zielen, onder welke een honderdtal Christenen en de<br />

overigen Mohammedanen waren. Zij wordt gezegd grootendeels<br />

van het naburige Ceram afkomstig te zijn, en vindt haar bestaan<br />

in een weinig landbouw, visscherij, en handel in gedroogden<br />

visch, gevogelte, kokos-olie, sago en harssoorten, welke artikelen<br />

vooral aan Ambonesche kooplieden tegen lijnwaden en andere<br />

henoodigdheden verruild worden. Het onderscheid tusschen<br />

Burgers en Negeri-volk schijnt hier ook nog te bestaan; de<br />

eersten verrigten schutters-dienst cn krijgen daarvoor van het<br />

(') De kojan wordt gewoonlijk gerekend op 11 pikols; de pikol op 125<br />

Arast. ponden.<br />

{-) De bevolking van deze negeri is in 1656 van het eiland van dien naam<br />

herwaarts overgebragt.<br />

( 3<br />

) In 1655 is in deze negeri hel fort Wanlrouw gesticht, dat echter sedert<br />

lang vervallen is.


344<br />

Gouvernement geweren in gebruik; de laatsten mogen, even als<br />

elders, niet van woonplaats veranderen.<br />

Manipa behoort met Kélang en Bonoa tot de Afdeeling Hila<br />

en Larike; het Gouvernement wordt er echter niet door eenen<br />

Ambtenaar vertegenwoordigd.<br />

Rondom Manipa liggen verscheidene kleine onbewoonde eilandjes,<br />

onder welke P. Swangi ten Westen en P. Toeban ten Zuiden<br />

de voornaamsten zijn; in de nabijheid van het laatste wordt veel<br />

tripang gevangen.<br />

Het eiland Kélang.<br />

Het eiland Kélang, ook Hatapoetih en Idjal genaamd, ligt<br />

op 3° 10' Z.B. en 137° 47' O.L. ten Noord-Oosten van Manipa,<br />

waarvan het gescheiden is door de nog geene mijl bTeede Straat<br />

van Kélang, terwijl het niet half zoo ver van de Westelijkste<br />

punt van Ceram verwijderd is. Het verheft zich 500 of 600 v^.<br />

boven de oppervlakte der'zee, en heeft eene grootte van 1.5 • mijl.<br />

Van zijne natuurlijke gesteldheid is weinig bekend; het brengt<br />

timmerhout, kanari- en harsgevende boomen voort, en is rijk<br />

aan wilde zwijnen en herten.<br />

In het begin der 17 de<br />

eeuw telde het eiland naar gissing<br />

1600 inwoners, welke in zeven negeriën woonden, waaronder<br />

Salaiti aan de Oostkust de voornaamste was. Wegens hunnen<br />

oproerigen aard werd in het midden dier eeuw een gedeelte deibevolking<br />

naar Manipa en Leitimor overgebragt. De overgeblevenen<br />

werden langzamerhand door zeeroovers weggevoerd of<br />

genoodzaakt naar elders te vlugten; zoodat Kélang thans geheel<br />

onbewoond is en alleen aan zeeroovers nu en dan tot schuilplaats<br />

verstrekt.<br />

Tusschen Kélang en de Westelijkste punt van Ceram (Tandj.<br />

Hatan) ligt het kleine onbewoonde eilandje P. Babi. De smalle<br />

doorvaart tusschen dit eilandje en Ceram heet het Nassatiscke<br />

Gat of de Straat Nassau.<br />

Het eiland Bonoa.<br />

Bonoa, ook Boano en Boan geheeten, is een smal langwerpig<br />

eiland, dat, in eene Noord-Oost- en Zuid-Westwaartsche rigting<br />

nagenoeg evenwijdig aan de kust van Ceram en omstreeks eene<br />

mijl daarvan verwijderd, ten Noord-Oosten van Kélang ligt


345<br />

op 3° Z.B. en 128° O.L. Het vaarwater tusschen Kélang en<br />

Bonoa heet Straat Bonoa; dat tusschen laatstgenoemd eiland en<br />

Ceram wordt door sommigen ook Straat van Bonoa, door anderen<br />

Straat Nassau genoemd. De naam Boano behoort eigenlijk alleen<br />

aan het Noordelijke gedeelte, terwijl het Zuidelijke Loehoe heet;<br />

de geheele grootte is ongeveer 1.5 • mijl. Het eiland is rotsachtig<br />

en onvruchtbaar, zoodat de bevolking haar onderhoud<br />

gedeeltelijk op andere eilanden moet zoeken. De voortbrengselen<br />

zijn voornamelijk timmerhout en kalk.<br />

De bevolking, in het begin der 17 ie<br />

eeuw 6000 zielen sterk,<br />

is door dezelfde oorzaken als die van Kélang verminderd en bedraagt<br />

thans geen 1500 personen. Zij zijn deels Christenen deels<br />

Mohammedanen, en bewonen twee negeriën, Bonoa serani en<br />

Bonoa islam, beiden aan de Zuid-Oostkust gelegen; in de eerste<br />

is een Ambonesche schoolmeester, die tevens vo<strong>org</strong>anger bij de<br />

godsdienst-oefeningen is. Behalve de geringe veldbouw zijn de<br />

hoofdmiddelen van bestaan de visscherij en de handel op Ceram<br />

en andere naburige eilanden. Een tak van nijverheid is ook het vervaardigen<br />

van praauwen, waarin de Bonoaërs zeer bedreven zijn.<br />

Het Nederlandsch bestuur wordt hier niet door eenen Ambtenaar<br />

vertegenwoordigd. Hoewel er geene specerijen geteeld<br />

worden, mag de bevolking het eiland niet met der woon verlaten;<br />

zij is verpligt jaarlijks eene zekere hoeveelheid hout en kalk aan<br />

het Gouvernement te Amboina te leveren.<br />

Bij de Noord-Westkust van Bonoa liggen verscheidene kleine<br />

onbewoonde eilandjes, onder welke Noesa Belaauw het voornaamste<br />

is.<br />

§ 7. Het eiland Boeroe. O<br />

Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />

Boeroe ligt ten Westen van Amboina en Ceram, van welke<br />

eilanden het door Straat Manipa of Straat Boeroe gescheiden is,<br />

( l<br />

) Voor de kennis van Boeroe is nagenoeg de eenige bron de Beschrijving<br />

van het eiland Boeroe, door F. J. WILLEK, eerst medegedeeld in het Indisch<br />

Archief, i849, en in 1858 afzonderlijk uitgegeven onder den titel: Bet eiland<br />

Boeroe, lAjne exploitatie en Balfoersche instellingen, door F. J.WILLER;<br />

met bijdragen en toelichtingen in verband tol Europesche kolonisatie in<br />

Nederlandsch Indië, door Jhr. i. P. CORNETS DE GROOT. Ook BLEEKER<br />

heeft daaraan grootendeels zijne berigten ontleend.


346<br />

tusschen 3° 4' tot 3° 50'Z.B. en 126° 3' tot 127° 30' O.L.<br />

Het wordt ten Noorden door de Piit's Straat, ten Zuiden door<br />

de Banda-zee, en ten Westen door de Straat der Molukken bespoeld,<br />

en heeft eene grootte van 165 of 170 • mijlen.<br />

Bijna overal ligt een zwaar zich ver in zee uitstrekkend<br />

koraalrif, met slechts weinige voeten water bedekt, rondom de<br />

kusten, zoodat deze niet dan voor ligte inlandsehe vaartuigen<br />

te naderen zijn. Alleen aan den Noord-Oosthoek, waar zich de<br />

groote en veilige Baai van Kajeli bevindt, is het eiland voor groote<br />

schepen toegankelijk. Andere belangrijke baaijen zijn er niet;<br />

tot ankerplaatsen voor inlandsehe vaartuigen (orembaai's en<br />

kora-kora's) dienen de Laboean kora-kora in het Oosten en de<br />

Bogt van Bara in het Westen der Noordkust, en voorts de mondingen<br />

der menigvuldige riviertjes vooral aan de Zuidkust, en<br />

de zee-engte tusschen de kleine eilandjes P. Tomakoe, P. Tengah<br />

en P. Pangang Lawit en de Oostkust van Boeroe.<br />

De belangrijkste kapen zijn: T. Karbau of Lissaletta, aan<br />

den Noordelijken, en T. Roeba of Saït, aan den Zuidelijken ingang<br />

der Baai van Kajeli; T. Seroma, aan den Zuid-Oosthoek tegenover<br />

het eiland Amblaauw; T. Batoe Pekka, de Zuidelijkste punt,<br />

vóór welke het kleine eilandje Kelassi en aan wier Westzijde een<br />

kleine inham gevonden wordt; T.Sarmena, de Zuid-Westpunt;<br />

T. Hoekoemina en T.Palpétoe, beiden aan den Noord-Westhoek<br />

des eilands.<br />

Bondom den achtergrond der Baai van Kajeli strekt zich eene<br />

zeer groote, waarschijnlijk alluviale, vlakte uit, die het geheele<br />

Regentschap van dien naam bevat en de Vlakte van Kajeli genoemd<br />

wordt. In den omtrek der Baai is zij op vele plaatsen<br />

moerassig en met bosschen, meest van kajoe poetik-, sago-,<br />

kokos- en $'ai!é-boomeu, bedekt; meer landwaarts in is zij een<br />

open en vlak terrein, met vetten en voor menigerlei cultuur<br />

uitnemend geschikten bodem. Zij is rondom door bergketenen<br />

ingesloten, die zich verder over het geheele eiland uitbreiden.<br />

Aan de Oost-, Zuid- en Westzijde reikt het gebergte tot aan de<br />

kust en eindigt daar op sommige plaatsen, vooral in het Westen,<br />

in een steilen rotswand; aan de Zuidkust zijn eenige kloven,<br />

waarin kleine vlakten worden gevonden. Aan de Noordkust<br />

wijkt het iets meer terug en worden glooijende en golvende<br />

terreinen, doch geene eigenlijk gezegde vlakten aangetroffen.


347<br />

In het weinig bekende binnenland zijn misschien kleine opene<br />

plekken, doch waarschijnlijk geene bergvlakten. Omtrent de<br />

geologische formatie van deze met zwaar geboomte bedekte<br />

bergen is niets bekend. De hoogste toppen zijn: de Kakoe {berg)<br />

Tomahoe of Lemadang (± 7000 v*.), nabij het midden der Westkust,<br />

in het Regentschap van denzelfden naam; de K. Siël<br />

(± 7000 v 1<br />

.), vijf mijlen Oostelijker in het midden des eilands;<br />

aan of op zijnen voet ligt het vrij groote meer Wako-liolo, zoo<br />

men zegt 4000 v 4<br />

. boven den zeespiegel; en de K. Batoe Boeioali<br />

(+ 4500 v*.)', aan de Oostkust, 2'/s mijl ten Zuiden van den<br />

ingang der Baai van Kajeli.<br />

Aan de Zuid- en Noordkust ontlasten zich eene menigte<br />

riviertjes, die het water uit het binnenland afvoeren doch allen<br />

onbevaarbaar zijn. In den droogen moeson verdwijnen zij geheel<br />

of blijven slechts kleine beekjes; terwijl zij in den regentijd<br />

huiten hare oevers treden en, daar de mondingen allen door<br />

banken versperd zijn, op vele plaatsen aan de kust moerassen<br />

doen ontstaan. De voornaamste van deze riviertjes zijn, aan<br />

de Zuidkust van het Oosten af: de Wai (Rivier) Oio, W. Okki,<br />

W. Kolo, W. Tina, W. Mala en W. Koema; en aan de Noordkust<br />

: de W. Bi.<br />

Van meer belang is de W. Apoe of Rivier van Kajeli, die<br />

dc geheele Vlakte van Kajeli in eene Noord-Oostwaartsehe rigting<br />

met tallooze kronkelingen doorstroomt. Zij ontspringt op het<br />

gebergte, dat die vlakte ten Zuiden begrenst, is of 2 dagen<br />

stroom-opwaarts voor kleine vaartuigen bruikbaar, en zoude op<br />

vele plaatsen aan de besproeijing van rijstvelden kunnen worden<br />

dienstbaar gemaakt. Eene linker-zijrivier is de W. Gelen.<br />

Bruggen worden op het geheele eiland niet gevonden; over<br />

sommige riviertjes liggen losse planken of boomstammen; de<br />

anderen moeten doorwaad worden.<br />

In het Zuidelijke gedeelte des eilaads vormt, even als op<br />

Amboina, de Westmoeson den droogen de Oostmoeson den regentijd,<br />

terwijl in het Noordelijke gedeelte het omgekeerde 'plaats<br />

heeft; de gebergten in het midden des eilands schijnen dus ook<br />

hier, gelijk op sommige andere eilanden, de afscheiding tusschen<br />

deze saizoenen te maken. Het onderscheid tusschen beiden is<br />

echter niet zoo scherp als b.v. op Java; ook in den zoogenaamden<br />

droogen tijd valt op Boeroe veel regen. In de Vlakte van Kajeli


348<br />

is tegen het einde van den Oostmoeson de droogte het sterkst<br />

en de hitte het hevigst; in Januarij en Februarij is de temperatuur<br />

daar en aan de kusten op den middag gemiddeld 81° F. Aan<br />

de Baai is hot klimaat ongezond en heersehen dikwijls moeraskoortsen;<br />

meer landwaarts in is zulks bij den droogeren grond<br />

minder het geval, hoewel ook daar van tijd tot tijd koortsen<br />

en buikziekten voorkomen.<br />

De voortbrengselen van het plantenrijk, die bij eene sterkere<br />

bevolking zeer veel zouden kunnen worden vermeerderd en uitgebreid,<br />

zijn, sedert de kruidnagelen in 1657 op last der O. I.<br />

Compagnie zijn uitgeroeid, voornamelijk: zeer goede houtsoorten,<br />

waaronder ebben-, ijzer- en djati-hout, eene menigte kajoe<br />

poetih-boomen, wier bladeren de beste olie uit den geheelen<br />

Archipel opleveren; sago-, arhig-, kokos- en andere palmen in<br />

groote hoeveelheid; rotting, katoen, koffij, tabak en vele keerkringsvruehlen;<br />

harssoorten; rijst, eene soort van gierst (holton),<br />

ijagocng, benevens aard- en en peulvruchten.<br />

Het dierenrijk, voor zooverre het bekend is, heeft behalve<br />

de kleinere soorten en de insecten: tamme buffels, welke voor<br />

Gouvernements rekening worden aangefokt, en wilde, die waarschijnlijk<br />

afstammelingen daarvan zijn; verder herten, hertzwijnen<br />

(babiroesa), wilde zwijnen, slangen, krokodillen,leguanen,<br />

schildpadden; kalongs (vliegende honden); kasuarissen, papegaaijen,<br />

ganzen, hoenders, duiven en eenden. De Baai van<br />

Kajeli is rijk aan visschen en weekdieren; ook walvisschen en<br />

bruinvisschen zijn er niet zeldzaam.<br />

Het delfstoffenrijk is nog geheel onbekend.<br />

Verdeeling van het eiland. Hoofdplaats.<br />

Het eiland is verdeeld in de volgende Fogmorins (bl. 355)<br />

of landschappen, door ons Eegentschappen genoemd, waarvan<br />

echter met eene enkele uitzondering de grenzen binnen 's lands<br />

geheel niet en langs de kusten slechts gebrekkig bekend zijn:<br />

Kajeli, in het Zuid-Oosten, verreweg het grootste en belangrijkste,<br />

zich uitstrekkende over de geheele vlakte rondom de<br />

Baai van dien naam.<br />

Hat, aan de Oostkust, van den K. Batoe Boewah tot aan<br />

T. Seroma, en ten Noorden grenzende aan Kajeli; thans onbewoond.


349<br />

Lotmaëteh, aan de Zuidkust, van T. Seroma tot T. W'amsisi<br />

nabij de W. Oio, ten Noorden grenzende aan Kajeli.<br />

Waisania, grenzende ten Oosten aan Loemaëteh, vaü T. Wamsisi<br />

tot nabij T. Batoe Pekka.<br />

Massarete/i, ten Westen van Waisama, en zich uitstrekkende<br />

tot nabij de W. Koema.<br />

For/ffi, ten Westen van het vo<strong>org</strong>aande, en zich uitstrekkende<br />

tot aan den Zuid-Westelijken hoek des eilands.<br />

Langs de Westkust, van het Zuiden naar het Noorden: Tomahoe,<br />

Palamata en Hoekoemina; thans alle drie onbewoond.<br />

Aan de Noordkust, van het Westen af:<br />

Bara, om de Bogt van dien naam; thans onbewoond.<br />

Lisella, van de Bogt van Bara tot voorbij de W. Ili, en landwaarts<br />

in zich uitstrekkende tot het meer Wako-liolo, hetwelk<br />

tot dit Begentschap behoort.<br />

Tagalisa, ten Westen aan het vorige grenzende en zich Oostwaarts<br />

uitstrekkende tot aan het riviertje Namtjina, dat bij de<br />

kaap van dien naam in zee valt.<br />

Leliali, ten Oosten van het vorige, en ten Oosten en Zuiden<br />

begrensd door Kajeli.<br />

In het Noorden van Leliali ligt nog het zeer kleine, thans<br />

onbewoonde landschap Maroelat, ten Westen van de Laboean<br />

hora-kora.<br />

De hoofdplaatsen dezer Begentschappen liggen niet in die<br />

gewesten zeiven, maar zijn allen met de hoofdplaats Kajeli vereenigd,<br />

en ook hunne Opperhoofden (Begenten) zijn daar gevestigd.<br />

Toen namelijk in 1652 de O.L Compagnie met den Sultan<br />

van Ternate, van wien Boeroe toenmaals eene onderhoorigheid<br />

was, een contract had aangegaan tot uitroeijing der nagelboomen<br />

op laatstgenoemd eiland, kwam dit in opstand tegen<br />

dien Vorst en geraakte dus ook in oorlog met de Compagnie.<br />

Eerst na vijfjarigen strijd onderwierp Boeroe zich en werden bij<br />

de vredesvoorwaarden onder andere de volgende punten vastgesteld<br />

: erkenning van den Gouverneur der Molukken als stadhouder<br />

van den Sultan van Ternate, en belofte om geene verbonden<br />

met andere Vorsten aan te gaan (waardoor Boeroe daadwerkelijk<br />

onder het onmiddellijk gezag der Compagnie werd gebragt);<br />

overplaatsing van alle negeriën (Hoofdplaatsen) van Boeroe naaide<br />

Baai van Kajeli, waar ter harer bescherming eene vesting


350<br />

gebouwd en met Nederlandsch krijgsvolk bezet zoude worden ;<br />

geheele uitroeijing der nagelboomen en belofte van ze nooit meer<br />

te zullen planten. Deze bepalingen zijn volledig ten uitvoer<br />

gelegd en dus de langs de kust gevestigde hoofdplaatsen met<br />

hare, toen reeds Mohammedaansehe, bevolking en Regenten<br />

naar de Baai overgebragt; terwijl alleen de Alfoersehe bevolking<br />

over het geheele eiland op eenigen afstand van de kusten en in<br />

het binnenland is blijven wonen. De hoofdplaatsen, welke daardoor<br />

eigenlijk op zich zelf staande wijken der gemeenschappelijke<br />

hoofdplaats Kajeli geworden zijn, hebben echter den titel van<br />

negeriën en den naam van het oorspronkelijke Begentschap<br />

behouden; en hunne Hoofden zijn, met behoud van hunne<br />

verschillende titels, daar ter plaatse eigenlijk Wijkhoofden<br />

geworden, doch zijn ook Opperhoofden gebleven over de Alfoeren<br />

in hunne binnenlandsehe Regentschappen, die hun gezag steeds<br />

blijven erkennen.<br />

De hoofdplaats Kajeli. de zetel van den Nederlandschen<br />

Opziener of Posthouder J^ligt aan de Zuid-Oostzijde der Baai en<br />

strekt zich over eene lengte van ruim l<br />

/j uur gaans op goringen<br />

afstand van de kust uit. Nagenoeg in het midden ligt het fort<br />

Defensie, een steenen vierhoek met vier halve bastions, vrij goed<br />

bewapenden met ongeveer 25 man onder eenen Luitenant bezet.<br />

Even ten Zuiden van dit fort ligt het Gouvernements-huis, een<br />

eenvoudig houten gebouw, en daarachter de wijk der Christenen<br />

met eene goede steenen kerk, in welke des Zondags door een<br />

schoolmeester in het Maleisch Godsdienst-oefening wordt ge­<br />

houden. Ten Oosten van het fort liggen de Mohammedaansehe<br />

negeriën: Loemaëteh, wier Regent O den titel van Sengaaji heeft;<br />

Hoekoemina, wier Regent Paiih is; Palamata, met eenen Orang<br />

Kaja; Tomahoe, met eenen Orang Toeioa; de drie laatstgenoemden<br />

hebben thans geene Alfoersehe onderdanen; Foggi, met eenen<br />

Patih; en Massareteh, met eenen Orang Kaja. Deze negeriën<br />

worden doorsneden door de monden der riviertjes Wai Soeioel,<br />

Lislesseh, W. Moni en Maksella. Ten Westen van het fort zijn<br />

de negeriën: Leliali en Tagalisa, wier Regenten Radja's zijn;<br />

Maroelat, meteenen Paiih zonder Alfoersehe onderdanen; Wai-<br />

sama met eenen Orang Kaja; Kajeli, meteenen Radja; en daar<br />

(>) Zie bl. 555.


351<br />

achter Lissella, ook met eenen BadjaVh Door deze negeriën<br />

stroomen de riviertjes Saskahoane, JFamlboeta, Wai Goena en<br />

W. Bara. Vroeger had elke van deze negeriën hare eigene<br />

moskee; thans hebben zij er gezamenlijk zes. De huizen hebben<br />

houten stijlen en gebindten, doch zijn overigens uit bamboe en<br />

gabba-gabba zamengesteld en met atap gedekt. Verder valt van<br />

Kajeli niet veel bijzonders te zeggen. Het is sedert 1854 eene<br />

vrijhaven, doch do handel is er nog van weinig belang. De<br />

bevolking vindt voornamelijk haar bestaan in het stoken van<br />

kajoe poelik-o\ie, het bereiden van sago (sago-kloppen), dejagt,<br />

en een weinig visscherij en tuinbouw. Het aanfokken van runderen<br />

geschiedt alleen voor rekening van het Gouvernement. De<br />

schutterij, uit Christen-burgers zamengesteld en 70 man sterk,<br />

is met pieken gewapend; hare dienst bepaalt zich hoofdzakelijk<br />

tot het betrekken van eenige wachten.<br />

Bevolking en bestuur.<br />

De mededeelingen omtrent de sterkte der bevolking van Boeroe<br />

buiten de hoofdplaats berusten alleen op de opgaven der Inlandsehe<br />

Hoofden en zijn dus minder te vertrouwen dan die, welke<br />

de hoofdplaats betreffen. Volgens de laatste, door BLEEKER<br />

gegevene, berigten bedroeg zij in 1855 :<br />

22 Afstammelingen van Europeanen ]<br />

194 Inlandsehe Christenen f - m ^ e<br />

1469 Mohammedanen \ h 00fa plaats.<br />

4 Chinezen i<br />

9 Slaven !<br />

7521 Alfoeren (Heidenen, buiten de hoofdplaats).<br />

Totaal 9219 zielen.<br />

De Christen-bevolking wordt vo<strong>org</strong>esteld als zeer ijverig. Zij<br />

vindt haar bestaan in het bereiden van kajoe poelik-o\ie, sago<br />

en sagoeioir , en in jagt, visscherij, tuinbouw of ambachten.<br />

Velen oefenen ook onderscheidene van deze bedrijven gelijktijdig<br />

uit. Zij genieten dan ook eene groote mate van welvaart;<br />

sommigen hebben een vrij belangrijk geldelijk vermogen; anderen<br />

(') De onbewoonde Regentschappen Hal en Bara schijnen dus ook geeno<br />

negeriën ter huofdplaats te hebben.<br />

{•) Een sajoeuj(r-(palmwijn-)bereider heet Tifadoor.


352<br />

zijn in liet bezit van vaartuigen, akkers, kokos- en sago-palmen,<br />

kostbare visehtuigen, vuurwapenen, enz. Ook omtrent hunnen<br />

zedelijken toestand wordt goede getuigenis gegeven : belangrijke<br />

misdrijven komen onder hen niet voor. De meesten kunnen lezen<br />

en schrijven. Deze Christen-bevolking staat onder het onmiddellijk<br />

bestuur van den ter hoofdplaats gevestigden Opziener, die de<br />

hoogste Nederlandsche autoriteit is in de Afdeeling Boeroe, waartoe<br />

ook Amblaauw behoort. Hij is dus tevens Voorzitter van den<br />

Landraad, die verder uit de Regenten der Mohammedaansehe<br />

negeriën is zamengesteld; indien er geschillen tusschen de<br />

Christenen ontstaan, beslist hij die alleen; in ernstige gevallen<br />

zouden zij voor den Raad van Justitie te Amboina moeten verschijnen.<br />

De Mohammedaansehe bevolking, hoewel minder welvarend<br />

dan de Christelijke, voorziet toch ook op eene voldoende wijze<br />

in hare behoeften door dezelfde middelen als deze laatste. In<br />

kleeding en uiterlijk voorkomen verschillen zij niet van de Mohammedanen<br />

op Amboina; doch in hunne instellingen omtrent het<br />

grondbezit en het huwelijk (hoewel dit laatste op de Mohammedaansehe<br />

wijze door eenen priester gesloten wordt) volgen zij nog<br />

in vele opzigten hunne oude Alfoersehe gebruiken, die hieronder<br />

zullen vermeld worden. Zij staan onder het onmiddellijk bestuur<br />

van de op bl. 350 vermelde Radja's, Patih's, enz., die, even als<br />

de mindere Hoofden, uitliet geslacht hunner vo<strong>org</strong>angers door de<br />

bevolking gekozen en door het Nederlandsche bestuur bevestigd<br />

worden. Op deze Regenten volgen in rang de Elnati's, zijnde de<br />

Hoofden of vertegenwoordigers der verschillende geslachten, die<br />

collectief Bobato's genoemd worden (vergel. bl. 231 en 237), en<br />

van welke een als adsistent en bij ontstentenis als plaatsvervanger<br />

van den Regent fungeert; deze heet als zoodanig Parwis en<br />

wordt om de zes maanden door een ander vervangen. Op hen<br />

volgen de Loembattans of hoofden van huisgezinnen. De door<br />

den Opziener aan den Regent medegedeelde bevelen van het<br />

Gouvernement doet deze, door middel van den Parwis, aan de<br />

Bobato's toekomen, die ze weder overbrengen aan de Loembattans,<br />

welke, elk voor zooverre hem aangaat, voor de uitvoering daarvan<br />

verantwoordelijk zijn. De Regent geniet geene inkomsten van<br />

het Gouvernement noch van zijne Mohammedaansehe onderdanen,<br />

behalve dat deze laatsten verpligt zijn zijne woning te bouwen


353<br />

of te herstellen, waarvoor hij hen echter gedurende den tijd,<br />

dat zij daaraan werken, moet voeden en hun bij de voltooijing<br />

een feest geven; over hetgeen hij als Johoe van zijne Alfoersehe<br />

onderdanen geniet zie men hierachter bl. 356.<br />

De regeling der inwendige belangen van elke negeri wordt<br />

aan haar zelve overgelaten. Deze worden behandeld in eeneu<br />

Raad (ltsia ipsalla) zamengesteld uit de Bobato's met den Regent<br />

als Voorzitter. Deze Raad behandelt ook de politie-overtredingen,<br />

welke met rottingslagen of blok-arrest worden gestraft; alsmede<br />

oivile geschillen over zaken, wier waarde het bedrag van/5 niet<br />

te boven gaat. Zaken, welke over een hooger bedrag loopen,<br />

en zware misdrijven, welke echter zelden voorkomen, moeten<br />

voor den Landraad worden gebragt.<br />

De Alfoersehe, geheel Heidensche bevolking is een stam van<br />

het Batta-ras en wordt beschreven als eenvoudig, onbedorven,<br />

vlijtig, en gemakkelijk tot een voldoenden trap van welvaart en<br />

zedelijke ontwikkeling op te leiden, doch ontsierd door schuwheid<br />

en onzindelijkheid. Zij leven onder elkander vreedzaam, maken<br />

zich niet schuldig aan dobbelspelen, zelden aan dronkenschap,<br />

diefstal of andere misdrijven; en het koppensnellen is hun onbekend,<br />

even als de slavernij. Veelwijverij is bij hen geoorloofd<br />

doch komt zelden voor; omdat het hun bezwaarlijk valt den<br />

koopprijs (kaléli) eener vrouw bij elkander te brengen, die naarmate<br />

van haren rang bestaat in een grooter of kleiner aantal<br />

salempori's (stukken Bengaalsch lijnwaad), kajin patola's (Inlandsehe<br />

kleedjes), kommen, eenig ijzerwerk, enz., welke voorwerpen<br />

allen van vreemde handelaars moeten gekocht worden;<br />

en ook omdat de man verpligt is zijne vrou(v steeds van veel<br />

kleedingstukken (sarongs en badjoe's) te voorzien. De man zelf<br />

draagt gewoonlijk' slechts één kleedingstuk, de tjidako (bl. 186).<br />

De vrouw wordt veelal reeds als kind gekocht en dan door de<br />

vrouwelijke bloedverwanten van den man opgevoed tot aan den<br />

tijd der huwbaarheid; zij moet altijd tot eenen anderen stam<br />

(fenna) behooren dan de man, en gaat door het huwelijk tot<br />

den zijnen over. De kaléli wordt gedeeltelijk voldaan bij het<br />

aangaan der verbindtenis (da-allali) en verder bij den aanvang<br />

der zamenwoning (dahoema téma); sterft de man voordat de<br />

kaléli geheel is betaald, dan is zijn stam daartoe verpligt. Het<br />

sluiten van het huwelijk geschiedt alleen door het geven van<br />

II. 23


354-<br />

een feest op kosten van den man bij gelegenheid van de da-allah<br />

en de dahoema tema. Echtscheiding is niet mogelijk. Bij overlijden<br />

van den man, wordt zijne weduwe de vrouw van zijnen broeder<br />

of naasten bloedverwant (vergel. D'. I, bl. 545, 565 en 645);<br />

en de oudste zoon of, bij ontstentenis van dien, de naaste<br />

bloedverwant of het stamhoofd, voogd over de onmondige kinderen.<br />

De nalatenschap blijft onverdeeld in het huisgezin; wanneer<br />

later vrouwen of dochters dit verlaten, krijgen zij daarvan een<br />

billijk aandeel.<br />

De Godsdienst-begrippen der Alfoeren komen in de hoofdzaak<br />

op het volgende neder: Opo Geba Snoelat (de opperheer der<br />

menschen die alles opschrijft) is de Schepper van alles; hij is<br />

een alwetende en onzigtbare Geest. Uit liefde tot de menschen<br />

heeft hij, na de schepping van Boeroe, Nabiala^ als leeraav<br />

tot de Alfoeren gezonden, die in menschclijke gedaante van<br />

den berg Tomahoe is afgedaald en hun, op last van zijnen<br />

zender, zeven geboden heeft medegedeeld tegen moord, diefstal,<br />

overspel, en wederspannigheid tegen de wettige magt. Voorts<br />

heeft hij de besnijdenis ingesteld, en geleerd dat bij den dood<br />

des ligchaams de ziel niet sterft maar door Opo Geba Snoelat<br />

geoordeeld wordt volgens het boek, waarin hij de daden der men­<br />

schen opschrijft; en dat de zielen der braven in zijne nabijheid<br />

ver boven de wolken een stoorloos geluk genieten, doch ilie der<br />

slechten eeuwig op de wolken blijven rondzwerven. Vervolgens<br />

heeft Nabiala eenige aanzienlijke mannen tot onderwijzers en<br />

voortplanters van zijne leer opgeleid, en is toen weder verdwenen.<br />

Deze mannen heeten Eswohi; zij zijn do priesters der Alfoeren<br />

en tevens toovenaars en geneesheeren (want de geneeskunde<br />

bestaat hoofdzakelijk in tooverij (kanwukit) en bezweringen). Na<br />

zich in de leer van Nabiala en de tooverkunst te hebben geoefend<br />

worden zij met vele ceremoniën tot Eswohi gewijd en vervolgens<br />

aangesteld bij een hoema poedji (gebeden-huisje), dat in elk<br />

gehucht gevonden wordt en waarbij verscheidene zoodanige<br />

priesters zijn om het volk in zijne pligten te onderwijzen en<br />

bij het gebed voor te gaan. Zij genieten daarvoor kleine ge­<br />

schenken doch moeten overigens, even als elk ander, in hun eigen<br />

0) Vergelijk den Dibata der Balla's (UK I, til. 659) en den Djabala der<br />

Dajaks (UI 11, bl. 55).


355<br />

onderhoud voorzien. Het tooveren bestaat in het uitspreken van<br />

een zegenwenseh of een vloek over den persoon of de zaak, wien<br />

het geldt, die daartoe, des noods in beeldtenis, naar het hoema<br />

poedji gebragt wordt. Overigens bestaat ook bij de Alfoeren het<br />

Pamali (vergel. D». I, bl. 531 en Dl. II, bl. 57) hier Sasané genoemd,<br />

waardoor sommige voorwerpen, als bergen, wateren,<br />

boomen, enz., voor een bepaalden tijd of voor altijd ontoegankelijk<br />

verklaard en aan de Geesten toegewijd worden; op Boeroe<br />

kunnen dit alleen zoodanige voorwerpen wezen, welke den<br />

menseh niet dienstig zijn.<br />

De Alfoeren zijn verdeeld in eene menigte Fenna's of stammen,<br />

die elk eene bepaalde uitgestrektheid gronds, Rahisin fenna<br />

(stam-grond), bewonen hetzij in alleen staande huizen voor ééne<br />

familie [hoema kaön) of in gehuchten (hoema lolin) van drie,<br />

vier of vijf huizen, welke dan evenwel dikwijls nog op aanmerkelijken<br />

afstand van elkander liggen. Elke fenna heeft zijn<br />

Hoofd, die in Kajeli en aan de Noordkust Matle'a en op de<br />

andere kusten Geb-ha wordt genoemd. Daar deze Hoofden ook<br />

voor hunne fenna met de vreemde kooplieden handelen, wonen<br />

zij bijna altijd aan de kust bij de Wanangan (anker- of handelplaats),<br />

terwijl de bevolking meer landwaarts in woont. Als<br />

zijn adsistent en plaatsvervanger bij ontstentenis heeft hij eenen<br />

Fancis (bl. 352). Voorts heeft elke hoema lolin een ondergeschikt<br />

Hoofd met den titel Balistoewa.<br />

Be fenna's zijn vereenigd tot Fogmorins (onze Regentschappen),<br />

die elk een Opperhoofd (Regent) hebben met den titel Joho'e<br />

(Bjohoe?). De ter hoofdplaats gevestigde Regenten, die als<br />

Hoofden der Mohammedaansehe bevolking de titels van Sengadji.<br />

Radja, enz. voeren (bl. 350), zijn tevens Johoe's van de Alfoeren<br />

in hunne fogmorins. Enkele groote fogmorins, zoo als Massareteh,<br />

zijn nog weder verdeeld mfenlolins of distrikten, waarover dan<br />

de oudste Geb-ha als Distriktshoofd fungeert en als zoodani°den<br />

titel van Sennolon voert.<br />

De betrekkingen der Hoofden zijn erfelijk in hun geslacht,<br />

doch de persoon wordt daaruit gekozen door de bevolking onder<br />

goedkeuring van den Johoe; de keus van dezen laatsteden ook<br />

van de ondergeschikte Hoofden ter hoofdplaats, moet door het<br />

Europeesch bestuur worden bekrachtigd. Elk man is kiezer voor<br />

den rang boven den zijnen; men mag echter alleen iemand kiezen,


356<br />

die geboren is uit het huwelijk van een Hoofd met de dochter<br />

•van een Hoofd; door deze bepaling wordt de bevolking in<br />

verkiesbaren en onverkiesbaren, of eene soort van adellijken en<br />

niet-adellijken, gesplitst.<br />

De magt van den Geb-ha of Matle'a en den Balistoewa is niet<br />

groot; hun bestuur is aartsvaderlijk; de eerste is de tusschen-<br />

persoon tusschen den Johoe en de Alfoersehe bevolking, en ook<br />

tusschen deze laatste en de vreemde kooplieden. De Balistoewa<br />

schijnt geene inkomsten van de bevolking te trekken; de Geb-ha<br />

of Matle'a geniet een gedeelte van den djagoeng-, gierst- en<br />

tabaks-oogst. De Johoe heeft, wanneer hij zijne fogmorin bezoekt,<br />

aanspraak op de kostelooze levering van provisien en roeijers<br />

voor zijne geheele reis. Voorts moet elke fenna hem een Kwarto<br />

(bl. 333) ter hoofdplaats bez<strong>org</strong>en, die zonder kost of loon allen<br />

hem door den Johoe opgelegden arbeid moet verrigtcn en om de<br />

zes maanden wordt afgewisseld. Eindelijk moet elke fenna hem<br />

jaarlijks een Anhoemlalin te Kajeli leveren, dat is een jongeling-<br />

of meisje, die daar in het Islamisme wordt opgevoed O en<br />

levenslang in zijne dienst blijft; alleen indien eene vrouwelijke<br />

Anhoemlalin met eenen vrijen man trouwt, hetgeen slechts met<br />

toestemming van den Johoe kan geschieden, die dan ook haren<br />

koopprijs ontvangt, wordt zij vrij. Wanneer Anhoemlalins met<br />

elkander trouwen, blijven ook hunne kinderen in dien stand;<br />

zij zijn nagenoeg slaven, doch mogen niet verkocht, wegge­<br />

schonken of mishandeld worden. De Anhoemlalin wordt dooi­<br />

den Geb-ha of Matle'a gekozen; en indien de ouders te bewegen<br />

zijn om hun kind af te staan, ontvangen zij daarvoor van de<br />

gezamenlijke fenna eene schadeloosstelling in lijnwaden; doch<br />

indien zij er niet in bewilligen, kan men hen niet dwingen en<br />

moet een ander kind worden gezocht. De levering dezer Anhoem­<br />

lalins blijft echter dikwijls achterwege en heeft alleen in de<br />

Regentschappen Massareteh en Lisella geregeld plaats.<br />

De gemeenschappelijke belangen worden behandeld in alge-<br />

meene vergaderingen, op de Noordkust Ipsia elders Bapsian<br />

geheeten. Zoo zijn er vergaderingen van het volk, bij den<br />

Balistoewa; vergaderingen van de Balistoeioa's, bij den Matle'a<br />

of Geb-ha; en vergaderingen van deze laatsten bij den Johoe.<br />

(•) Zij worden dan op de hoofdplaats anak pijara, kweekelingen, genoemd.


357<br />

Elk der aanwezenden heeft het regt zijn gevoelen voor te dragen-,<br />

waartusschen eindelijk de hoogste in rang beslist. De regtspraak<br />

over de zeldzaam voorkomende misdrijven of geschillen geschiedt<br />

door dezelfde vergaderingen, naarmate van den rang der betrokkene<br />

personen; er is beroep van eene mindere vergadering<br />

op eene hoogere. De straffen bestaan in eenige rottingslagen,<br />

in geval van diefstal verbonden met teruggave of vergoeding<br />

van het ontvreemde.<br />

Omtrent het grondbezit bestaan de volgende bepalingen:<br />

De ehoe of volstrekte wildernis, als hoog gebergte en ondoordringbare<br />

wouden, en de dabolio of minder ongenaakbare wildernissen<br />

zijn het eigendom der fogmorin maar staan ter vrije<br />

beschikking van ieder, die ze mogt willen ontginnen. De hoena<br />

elin of bewoonde gronden, de hawa elin of beplantbare gronden,<br />

en de hawa of werkelijk beplante gronden zijn het eigendom der<br />

fenna, die ze aan eene andere fenna kan verkoopen. De individuëele<br />

leden eener fenna kunnen, door vergunning van het<br />

Ienna-\\oo{di of door erfopvolging, een gedeelte van die gronden<br />

in bezit krijgen doch niet in vollen eigendom, daar zij die niet<br />

mogen verkoopen. Zoodanig bezit kan ook aan vreemdelingen<br />

worden vergund; aan Inboorlingen mag het niet worden geweigerd.<br />

Sommige groote sago-bosschen zijn eigendom der<br />

fogmorin, andere van eene bijzondere fenna; kleine, opzettelijk<br />

geplante sago-boschjes (mata sago) zijn wat den grond betreft<br />

eigendom van de fenna, en wat het product betreft eigendom<br />

van den planter of zijne regtverkrijgenden.<br />

Aan de Noordkust kan de fenna-grond wel kosteloos aan><br />

eene andere fenna in gebruik gegeven doch niet verkocht<br />

worden.<br />

In het Begentschap Kajeli is in 1657 de grond, waarop de<br />

nieuwe negeriën moesten gesticht worden, in vollen eigendom<br />

aan dezen toegewezen; de stukjes grond in haren omtrek tot<br />

aanleg van tuinen, enz. zijn haar als particuliere en tijdelijke<br />

bezittingen afgestaan. De toen reeds bestaande sago-bosschen<br />

bleven het eigendom der oude Baai-bewoners; de nieuw aankomenden<br />

hebben in hunne behoeften moeten voorzien door het<br />

aanleggen van mata sago's, waarvan alleen het gewas hun<br />

eigendom is. Het overige gedeelte der Vlakte van Kajeli is<br />

onverdeeld gebleven, en elk mag daar jagen en planten naar


358<br />

goedvinden, mits met vergunning van de Nederlandsche autoriteit;<br />

het plukken van kajoe poeWi-bladeren is geheel vrij.<br />

De bevolking in het binnenland leeft deels van de jagt, deels<br />

van den landbouw, waarbij de arbeid door de mannen en vrouwen<br />

gemeenschappelijk wordt verrigt doch zóó dat alleen het ligtste<br />

werk aan de laatstgenoemden wordt overgelaten. Hunne wijze van<br />

landbouw is echter hoogst gebrekkig; zoodat zij niettegenstaande<br />

hunnen ijver slechts schrale oogsten bekomen en meest in armoede<br />

leven. Hunne voornaamste producten zijn: djagoeng, hotton (gierst),<br />

sago, aardappelen en tabak. Wat zij van hunnen oogst kunnen<br />

missen, en verder varkens, dinding (gedroogd hertenvleesch) en<br />

houtsoorten verruilen zij, door tusschenkomst van den Matle'a<br />

(bl. 355) aan de vreemde handelaren, die van tijd tot tijd de<br />

TFanangans (ankerplaatsen) bezoeken, tegen lijnwaden, ijzer-en<br />

aardewerk, en andere voorwerpen, waaraan zij behoefte hebben<br />

en die hun veelal zeer duur worden aangerekend. Daarbij zijn zij<br />

zoo onnadenkend dat zij, om aan eene oogenblikkelijke begeerte,<br />

vooral naar lijnwaden, te voldoen, dikwijls meer van hunnen oogst<br />

verkoopen dan zij kunnen missen; zoodat zij genoodzaakt worden<br />

hunne eigene producten weder van dezelfde kooplieden tegen veel<br />

hoogeren prijs in te koopen. Dit geschiedt dan natuurlijk altijd<br />

op crediet, en draagt veel bij tot hunne armoede; zij voldoen<br />

echter steeds getrouw aan de verpligtingen welke zij hebben<br />

aangegaan.<br />

§ 8. Het eiland Ceram.<br />

ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />

Ceram, verreweg het grootste der Ambonsche eilanden, strekt<br />

zich ten Noorden van Jmboina en de Oeliassers in eene Oosten<br />

Westwaartsche rigting uit van 137° 57' tot 131° O.L. en<br />

2°46' tot 3° 51' Z.B. Ten Westen wordt het door Straat Boeroe<br />

of Manipa en Straat Bonoa, ten Zuiden door de Banda-zee, ten<br />

Noorden door de Zee van Ceram of Pitt's Straal bespoeld. Het<br />

heeft eene oppervlakte van 346 • mijlen.<br />

Aan de Zuidzijde bevinden zich drie belangrijke baaijen: de<br />

Baai van Taroeno O of Piro (waarin de kleine eilandjes P. Babi<br />

(') BLEEKER schrijft Tanoeno en Tanoenoe.


359<br />

cn P. Kassa), de Baai van Elpapoelih of Amahaai, en de Baai<br />

van Teloeti of Iloja; aan de Noordzijde, de Baai van Sawaai of<br />

Sléman (waarvóór de kleine eilandjes P. Ella, P. Moal, en<br />

verscheidene nog kleinere) regt tegenover die van Elpapoelih;<br />

en aan de Noord-Oostzijde de Baai van Waroe. Door drie van<br />

deze baaijen wordt Ceram in drie schier-eilanden verdeeld: de<br />

Baai van Taroeno scheidt een klein Westelijk gedeelte des eilands,<br />

bekend onder den naam van Klein Ceram of Hoeamohel, bijna<br />

geheel af van het overige, dat weder door de tegenover elkander<br />

liggende Baaijen van Elpapoelih cn Sawaai in twee doelen gesplitst<br />

wordt, die door de omstreeks drie mijlen breede landengte van<br />

Saicaai met elkander verbonden zijn en van welke het Oostelijkste<br />

het grootste is l 1<br />

). De landengte van Taroeno, tusschen LToeamohel<br />

en het middelste schier-eiland, is geene mijl breed. De twee<br />

Westelijkste schier-eilanden, die te zamen nog niet de helft<br />

des eilands beslaan, maken West-Ceram uit, terwijl het derde<br />

Midden- of Oost-Ceram genoemd wordt; deze verdeeling berust<br />

hoofdzakelijk op een ethnographiseh verschil, hetwelk later zal<br />

worden aangewezen (bl. 367).<br />

De ons bij name bekende kapen zijn: T. Sihel, Sehel of Sial,<br />

de Zuidpunt van Hoeamohel; T. Latoe aan de Westzijde, en<br />

T.. Kowako aan de Oostzijde van den ingang der Baai van,<br />

Mpapoetih; T. Iloja, aan de Westzijde der Baai van Teloeti;<br />

T. Tallanoeroe, de Noord-Westpunt, T.Lama, de Noord-Oostpunt,<br />

en T.BTatan, de Westelijkste punt des eilands.<br />

Over de geheele lengte van Ceram strekt zich van het Westen<br />

naar het Oosten een ruw en veeltoppig gebergte uit, welks<br />

geologische formatie nog weinig bekend is, doch waarin zich<br />

vele krijt- en kalkbergen' schijnen te bevinden. Op Hoeamohel<br />

is zijne hoogte gering; op het middelste schier-eiland zijn<br />

toppen van 4500 tot 5500 v 4<br />

: op het Oostelijke bereiken zij<br />

eene nog grootere hoogte: de voornaamste toppen zijn daar de<br />

Teloeti en de Noesa-heli of Noesa-hoeale, beiden ten Noorden<br />

van de Teloeli-baai, van welke de laatste op 10000 v*. geschat<br />

wordt. Op vele plaatsen strekt zich dit gebergte tot aan de kust<br />

uit, doch op andere gaat het langzamerhand in laag land over;<br />

(') BLEEKER stelt voor aan het middelste schier-eiland den naam Kaibo'bo,<br />

en aan het Oostelijke dien van Wahuai te geven, naar de voornaamste daarop<br />

voorkomende plaatsen.


360<br />

dit laatste is vooral het geval ten Noord-Oosten van de Elp<br />

poetih-baai, ten Zuid-Oosten van de Baai van Sawaai, en in li<br />

Zuid-Oostelijke gedeelte des eilands, waar zich vrij uitgestret<br />

vlakten bevinden.<br />

Ook hier strekt, even als op Boeroe (bl. 347), het hoogs<br />

gedeelte der bergketen tot scheidsmuur der moesons. De lucht<br />

gesteldheid komt dan ook in het algemeen met die van dat eila;<br />

overeen, doch schijnt ten gevolge van den minder moerassig<br />

grond langs de kusten gezonder te zijn.<br />

De talrijke stroomende wateren hebben over het algeme<br />

eenen Noord- en Zuidwaartschen loop van geringe uitgestrekthei<br />

zijn onbevaarbaar, en droogen in den goeden moeson dikwi,<br />

geheel uit. De voornaamste rivieren zijn :<br />

De Roewala, die uit het Oostelijke schier-eiland in ee<br />

Westwaartsche rigting naar de Baai van Elpapoeiik stroon<br />

in welker Noordelijk gedeelte zij zich nabij de negeri Makar,<br />

ontlast, over eene vrij groote uitgestrektheid eene diepte vi<br />

vijf of zes voet heeft, en op eenigen afstand van haren moi<br />

aan beide kanten eene zijrivier opneemt, van welke die aan<br />

regterzijde Terne heet; bij dit vereenigingspunt heeft de rivi<br />

somtijds eene breedte van 200 v*.<br />

De Bobot of Bobat, die in het Oosten van Ceram ontspring<br />

een Zuid-Westwaartschen loop heeft, en zich bij de negi<br />

Atiahoe met twee monden in het Zuid-Oosten van de Baai v<br />

Teloeti stort.<br />

De Rivier van Sawaai, en nog eene andere iets meer Noor<br />

waarts, die zich beiden in de Oostzijde van de Baai van Sawa<br />

ontlasten.<br />

In jiet Aardrijkskundig Woordenboek worden voorts nog v<<br />

meld: de Assella, Tala, Berioe, Ajer Mejrak, Ajer Masin, II<br />

Poetik, Salla, Epe, Ena-Ena, Gad of Goa, Waroe, Kilmot<br />

(Kelemori), Sarissa en Oelat; zij zijn echter, voor zooverre v<br />

ze hebben kunnen wedervinden, van weinig of geen belang.<br />

De vlakke kuststreken zijn met eene menigte uitgestrekte sagi<br />

bosschen bezet, die niet slechts in de behoeften der bevolkii<br />

van Ceram maar ook van de naburige eilanden ruimschoc<br />

voorzien en door kajoe jsoeii/i-bosschen worden afgewisseld I<br />

stranden zijn met rkizopkoren begroeid. De binnenlanden zi<br />

rijk aan vruchtboomen en wouden, die uitmuntende houtsoorti


361<br />

opleveren, waaronder ijzerhout (kajoe besi), bintangor, katapan,<br />

lingoa en vele andere te vermelden zijn; terwijl «zswaraa-bosschen<br />

de bergtoppen bekleeden. De koffijheester groeit in het wild en<br />

draagt overvloedige vruchten. Suikerriet, tabak, djagoeng, rijst<br />

vaa drooge gronden, en aardvruchten zijn verder de voornaamste<br />

voortbrengselen van het plantenrijk.<br />

Het dierenrijk heeft: herten, wilde zwijnen, geiten, wilde<br />

runderen, doejongs (een tweeslachtig zoogdier, zeekoe), krokodillen,<br />

leguanen, schildpadden, hagedissen, slangen, kasuarissen,<br />

paradijsvogels, papegaaijen; en kleine diersoorten en insecten.<br />

Het delfstoffenrijk van Ceram kan men nog geheel onbekend<br />

noemen; want de op bl. 321 vermelde ontdekkingen van aardolie,<br />

tin en steenkolen hebben tot dusverre nog niet tot nadere<br />

onderzoekingen geleid. Warme zwavelbronnen bevinden zich<br />

langs het strand aan de Westzijde der Elpapoetih-baai. O<br />

Staatkundige verdeeling, voornaamste plaatsen.<br />

Wanneer wij hier spreken van eene staatkundige of administrative<br />

verdeeling van Ceram worden daarmede, wat het Europeesch<br />

bestuur betreft, alleen de kuststreken bedoeld; want<br />

hoewel het geheele eiland eene ondcrhoorigheid van Nederland<br />

is, wordt toch in het binnenland geen regtstreeksch gezag door<br />

ons Gouvernement uitgeoefend. Deze kustlanden nu zijn in de<br />

volgende vier deelen gesplitst:<br />

1°. Het schier-eiland Hoeamohel of Klein Ceram, met de Oostkust<br />

van de Taroeno-baai tot aan (niet met) de negeri Kaibobo en<br />

de Noordkust van het middelste schier-eiland tot aan (niet met)<br />

de negeri Lissabatla; behoorende onder de Afdeeling Hila en<br />

Larike (bl. 316) en staande onder den Adsistent Eesident van<br />

die Afdeeling.<br />

2°. De Zuidkust, van Kaibobo tot en met Hatoemelen, voorbij<br />

de Baai van Teloeti; behoorende tot de Afdeeling Saparoewa en<br />

Haroekoe. Hiervan staat het Westelijke gedeelte, van Kaibobo<br />

tot nabij de Baai van Elpapoelih, onder het toezigt van den<br />

Gezaghebber van Haroekoe (bl. 337); terwijl het overige, Oostelijke<br />

gedeelte onder het onmiddellijk gezag van den Adsistent<br />

Eesident van Saparoewa staat.<br />

(') Bijdragen van liet Instituut voor taal-, land- en volkenkunde.<br />

Nieuwe volgreeks, D 1<br />

. 1, bl. 79.


362<br />

3°. Do Afdeeling of Post Walaai, zich uitstrekkende langs<br />

de Noordkust, van lissatiatta tot en met de negeri Arsoli(') ten<br />

Noord-Westen van de Baai van Waroe. Deze Afdeeling staat<br />

onder het bestuur van eenen Civilen Gezaghebber, welke betrekking<br />

wordt waargenomen door den Militairen Kommandant van<br />

de bezetting te Walaai.<br />

4°. Het Oostelijke gedeelte des eilands, aan de Zuidkust ten<br />

Oosten van Hatoemeten, en aan de Noordkust ten Oosten van<br />

Arsoli of van do Baai van Waroe af (bl. 327). Dit gedeelte, oorspronkelijk<br />

eene onderhoorigheid van den Sultan van Tidore 1<br />

?),<br />

^behoorde vroeger tot de laatstvo<strong>org</strong>aande Afdeeling, doch is sedert<br />

1824 tot de Residentie Banda gebragt. Er is geen Nederlandsch<br />

ambtenaar gevestigd.<br />

De twee laatstgenoemde Afdeelingen zijn, wat het Inlandsch<br />

bestuur betreft, weder zamengesteld uit verscheidene onderdeelen,<br />

door ons Regentschappen genoemd, welke hieronder zullen worden<br />

vermeld, doch wier grenzen niet bekend zijn.<br />

1°. In de Westelijkste, onder Hila en Larike ressorterende,<br />

Afdeeling zijn de voornaamste plaatsen:<br />

Loehoe, Iha, Koelor, Lokki en Piroe, langs de Westzijde der<br />

Baai van Taroeno; Taroeno, aan de Noordzijde van die Baai;<br />

Kallowaai. Noeniali, Maloean, Lakola, Massiroena en Wapoena,<br />

langs de Noordkust des eilands. Te Lokki is eene afdeeling<br />

schutterij van ongeveer 20 man.<br />

2°. In de tweede, onder Saparoewa en Haroekoe behoorende,<br />

Afdeeling vindt men onder andere:<br />

Kaibobo, waar vroeger het sedert lang vernietigde fort Harderwijk<br />

was, de voornaamste plaats van dit gedeelte des eilands,<br />

aan de Oostzijde van de Baai van Taroeno, met ruim 1100 zielen;<br />

(') Bijdragen van het Instituut voor taai-, land- en volkenkunde, Dl IV,<br />

bl. 181. Volgens andere opgaven strekt deze Afdeeling zich uit lot Waroe;<br />

hierdoor moet men dan verslaan: lot aan het Regentschap Waroe; want dat<br />

Regenlschap zelf en de negeri van dien naam behooren niet meer tot Wahaai.<br />


363<br />

Jfaaisamoe; Eatoesoewa ; Kairatoe; Seroeawan ; Kamarian, thans<br />

tijdelijk met militaire bezetting; Tihoelaleli; en Roemahai. Alle<br />

deze plaatsen, met uitzondering van Kairatoe geheel door Christenen<br />

bewoond, liggen ten Westen van de Elpapoetih-baai en<br />

behooren onder het ressort van den Gezaghebber van Haroekoe.<br />

In het tot Saparoewa behoorende gedeelte liggen, van het Westen<br />

af, rondom de Elpapoetih-baai en verder Oostwaarts: Latoe,<br />

Tomalehoe, Hoewalooi, Elpapoelih of Samasoeroe^Apisano, Awaja,<br />

Warakaja, Makariki, Soehoekoe, Amahaai serani, Amahaai islam,<br />

Sepa, Tamilou, Hoja, Teloeti, Tehoewa, Laimoe, Atiahoe, Warimma,<br />

Haloemeleii, en andere.<br />

3°. De Afdeeling Wahaai bestaat uit de volgende Regent­<br />

schappen , van het Westen af:<br />

Lissabatta ; met de plaatsen Lissabatta, Loemawe, Loemawoni,<br />

Loemapeloe, enz.<br />

Sle'man, ten Zuid-Westen van de Baai; met Slc'man.<br />

Fassanea, langs de Westkust van de Baai van Saioaai; met de<br />

plaatsen Fassanea, Hoerali, Massesoelang, Waresiioa, Marhoem,<br />

Karloetoe, Hereloet, enz.<br />

Sawaai, ten Zuiden van de Baai; met Sawaai, Boemalot en<br />

Eawaoloe.<br />

Bissi, aan de Oostzijde van de Baai; met Bissi en Open.<br />

Eatiling, ten Oosten van de Baai van Sawaai. Hier ligt aan<br />

de Noordkust de Nederlandsche post Wahaai 1<br />

. 1<br />

), aan de West­<br />

zijde der kleine naar haar genoemde baai, met een goed bewapend<br />

s t e n<br />

en bezet fort onder kommando van een l<br />

Luitenant, die de<br />

betrekkingen van Civilen en Militairen Gezaghebber in zich<br />

vereenigt. Het fort bevat ook de kazerne, het hospitaal, het<br />

kruidmagazijn, Gouvernements-pakhuizen, en de woningen van<br />

den kommandant en den Officier van Gezondheid. Voorts zijn<br />

in dit Eegentschap de, deels zeer groote, negeriën Eatiling,<br />

Waairama, Latoe-manasela, Eïle (2380 zielen), Masoni (2400 z.),<br />

Tesawele (3100 z.), Makwalipan. Kapawaai (1130 z.), Mareae<br />

(2800 z.), Seteh (2300 z.), Kambali (1300 z.), Konogori (1500 z.).<br />

Sirawaai (1000 z.), en andere.<br />

Eatoeioe; met de plaatsen Eatoewe, Eatoenoevoe (1945 z.),<br />

SaJiahoevoe (3000 z.), Loemalalat (2235 z.), Oewin (2880 z.), enz.<br />

0) ToJ_J829 was de Nederlandsche post te Sawaai gevestigi


364<br />

Goa of Gaa; met Goa of Gaa, Sollal, Reffert, en andere.<br />

RotlioiHoti; met Hotti oiHoti, Bankooi, Matakap, Wahalel,<br />

Toesinhatti, enz.<br />

4°. De Vierde, tot de Eesidentie Banda behoorende, Afdeeling<br />

bevat de Eegentschappen :<br />

Tobo, aan de Zuidkust, grenzende aan do onderhoorigbeid van<br />

Saparoewa,- met de plaatsen Tobo, Batoeassa, Kissa-laut^enz.<br />

Kilmoeri of Kelemori ook Sembilao genoemd, grenzende ten<br />

Westen aan het vo<strong>org</strong>aande; met de plaatsen Kilmoeri, Kilbong,<br />

JCarma^/Batoeloming, enz. /"<br />

Oerong, ten Oosten van het vo<strong>org</strong>aande; met Oerong, Ena-<br />

Ena, Lokon, enz.<br />

Kwaos, aan de Oostkust, ten Noorden van Oerong; met<br />

Kwaos.<br />

Kian, verdeeld in Kian darat en Kian laut, ten Noorden van<br />

Kwaos; met Roemanda of Roembow, Nama, Salagor, Arsoli, enz.<br />

Benama, ten Noorden van het vorige; met Benama.<br />

Kilbat, ten Noorden van het vorige; met Kilbat en Gak.<br />

Kilmoeï, ten Noorden van het vorige j met Kilmoeï.<br />

Waroe, aan de Noord-Oostkust en de Baai van dien naam,met<br />

Waroe, Bilis, enz.<br />

Voorts behooren nog tot deze Afdeeling de kleine bij de<br />

Noord-Oostkust liggende eilandjes Pandjang. Makat en Maderon;<br />

en de nog kleinere, bij de Zuidkust liggende, Kamar, Gosai en<br />

de twee troeW-eilandjes.<br />

Bevolking, bestuur.<br />

De sterkte der bevolking van Ceram is, wat de binnenlanden<br />

betreft, nog minder bekend dan die van Boeroe; en ook omtrent<br />

die der Noordkust bestaat nog veel onzekerheid. De laatste en<br />

best te vertrouwen berigten loopen over het jaar 1854 en zijn<br />

medegedeeld door de Heeren WILLEB, BOSSCHEE en BLEEKEE('),<br />

en door laatstgenoemden verzameld in het II^D 1<br />

. van zijne Reis,<br />

bl. 207. Volgens die gegevens, welke alleen de bevolking der<br />

strandnegeriën niet die van het binnenland betreffen, was toen<br />

naar de officiëele opgaven der Inlandsehe Hoofden de getalsterkte<br />

als volgt:<br />

(') Indisch Archief, Jaarg. I, Dl 11, bl. 275. Tgdschr. voor Ind. taal-,<br />

land- en volkenk., Dl. IV, bl. 55 ; Reis door de Minahassa, enz.


365<br />

Onder de Afdeeling Hila en Larike:<br />

Kleurlingen<br />

4<br />

j Burgers Hl<br />

Inlanders . . ,, (Christenen 357<br />

| Negen-volk j M o h a m m e d a n e n 9 2 2<br />

Heidenen -1054<br />

» Totaal 2448<br />

Onder de Afdeeling Saparoewa en Haroekoe :<br />

Christenen 5379<br />

Mohammedanen 5763<br />

Heidenen -13050<br />

Totaal 24192<br />

Onder de Afdeeling Waliaai:<br />

Europeanen 1<br />

Chinezen<br />

4<br />

Arabieren en andere vreemde Oosterlingen 16<br />

Mohammedanen 2123<br />

Heidenen 38780<br />

Slaven O 1<br />

Totaal 40925<br />

In het Oostelijke gedeelte, onder Banda:<br />

Mohammedanen 72 50<br />

Heidenen -15000<br />

Totaal .22250 0<br />

Algemeen totaal 89815 zielen.* 3<br />

)<br />

Het zal geene overdrijving zijn wanneer hierbij nog 50000<br />

of 60000 zielen worden gevoegd voor de Heidensche bevolking<br />

der binnenlanden. Immers alleen wat de twee eerstgenoemde<br />

en best bekende Afdeelingen betreft, meent BLEEKER voor de<br />

l 1<br />

) De slavenbevolking, die alleen bij de Mohammedanen wordt gevonden,<br />

is in der daad veel sterker; een jaar vroeger bedroeg zij 1271 zielen, doch<br />

wordt hier waarschijnlijk slechts met het cijfer 1 vermeld omdat zij niet wettig<br />

CTkend is. BLEEKER , t. a. p.<br />

Pi Op bl. 306 van het Deel van BLEEKER'S Reis wordt deze bevolking<br />

gesteld op ongeveer 21000 zielen.<br />

( 3<br />

) De op bl. 324 medegedeelde officiëele gouvernemenls-opgave van de<br />

sterkte der bevolking van de Residentie Amboina, waarin Ceram en Boeroe<br />

te zamen op 60000 zielen geraamd worden, is dus veel te laag.


366<br />

boven vermelde erkende totalen de cijfers 6000 en 65000 te<br />

mogen in de plaats stellen; zoodat men de geheele bevolking van<br />

Ceram veilig op 140000 zielen kan schatten.<br />

De erkende bevolking, naar de godsdiensten verdeeld, bestaat<br />

dus uit:<br />

5852 Christenen (Hervormden),<br />

16075 Mohammedanen,<br />

67888 Heidenen,<br />

Totaal 89815 zielen.<br />

De Christenen, omtrent den aard van wier Christendom echter<br />

geen zeer gunstig getuigenis wordt afgelegd O, worden slechts<br />

in de twee eerstgenoemde Afdeelingen gevonden; alleen in het<br />

onder Haroekoe behoorende gedeelte, dat er bijna uitsluitend<br />

mede bevolkt is, zijn er meer dan 3000. Zij zijn van afkomst<br />

Alfoeren, en verschillen in zeden, gewoonten en bijgeloovigheden<br />

weinig van dezen. Van het schoolonderwijs, door Inlandsehe<br />

onderwijzers somtijds zeer gebrekkig gegeven, wordt traag gebruik<br />

gemaakt; en ook de Nederlandsche Zendelingen hebben<br />

weinig voldoening van hunnen ijverigen arbeid. De middelen<br />

van bestaan vinden zij in de sago-bosschen, het aankweeken van<br />

eenige groenten en aardvruchten, en een weinig visscherij. De<br />

noodige kleeding, het voornaamste waardoor zij zich van de<br />

Alfoeren onderscheiden, bekomen zij van vreemde handelaars in<br />

ruil tegen sago, aardvruchten, houtsoorten, tabak, enz. Hunne<br />

negeriën, welke zij veelal afzonderlijk doch somtijds ook met<br />

Heidenen gemeenschappelijk bewonen, worden, even als die der<br />

Mohammedanen, door Radja's. Patih's of Orang Kaja's bestuurd.<br />

Zij spreken een gebrekkig Maleisen.<br />

De Mohammedanen, welke alleen de kustplaatsen en wel<br />

hoofdzakelijk die langs de Zuidkust bewonen, zijn een gemengd ras<br />

van lieden uit vèrsehillende oorden van den Archipel, onder welke<br />

de Maleijers den hoofdstam schijnen uit te maken, gelijk dan<br />

ook het Maleisch het hoofdbestanddeel is van hunne taal, die<br />

echter met zeer vele vreemde woorden vermengd is. Zij staan<br />

in beschaving en nijverheid beneden die der overige Ambonsche<br />

(') Mededeelingen van wege hel Nederlandsche Zendelinggenootschap,<br />

Dl. V, bl 281 en volgg.; Tijdschr. v Neêrl. Indië, 1846, D'. IV, bl 157;<br />

Bijdragen van het Instituut voor taal-, land- en volkenkunde. Nieuwe<br />

volgreeks, Dl. 1, bl. 75.


367<br />

eilanden; de inrigting van het bestuur hunner negeriën is nagenoeg<br />

eveneens als daar. De geheele Zuidkust van Ceram is in<br />

hun bezit; of zij daar ook eenig gezag uitoefenen over dc binneniandsehe<br />

bevolking is ons niet duidelijk gebleken. Aan de<br />

Noordkust hebben zij alleen de hoofdplaatsen der Regentschappen,<br />

doch oefenen op sommige plaatsen ook ecnigen invloed uit op<br />

de inheemsche bevolking; de Mohammedaansehe Regenten zijn<br />

namelijk tevens Kamal der Alfoeren, door welken titel evenwel<br />

meer het denkbeeld van beschermheer of tussohenpersoon tusschen<br />

dezen en de vreemde kooplieden dan dat van beheerscher wordt<br />

uitgedrukt. Deze Kamals zijn ook de personen, door welke de<br />

bevelen van het Nederlandsche Gouvernement aan de Alfoersehe<br />

Hoofden worden overgebragt.<br />

De Heidensche, inheemsche bevolking bestaat uit Alfoeren,<br />

en wel uit twee in zeden en gebruiken aanmerkelijk verschillende<br />

takken van dezen stam. De eene, Oeli-siwa of Pata-siwa (broeder­<br />

schap of corporatie van negenen?), bewoont het gedeelte West­<br />

waarts van Elpapoetih; de andere, Oeli-lima of Pata-lima<br />

(broederschap of corporatie van vijven?), het Oostelijke gedeelte<br />

des eilands.<br />

De Oeli-siwa zijn verdeeld in de drie Afdeelingen, Tala, Eli<br />

wSapoe/ewak, dus genoemd naar drie riviertjes van die namen ('>.<br />

Elke van deze Afdeelingen wordt bestuurd door eenen Raad, Saniri<br />

geheeten, aan welks hoofd de Kapala saniri (Hoofd van den Raad)<br />

staat als hoofd der uitvoerende magt, die de boeten voor mis­<br />

drijven oplegt, welke bestaan in een zeker aantal borden, schotels,<br />

gongs, geweren, stukken lijnwaad, enz. Onder hen staat een<br />

tweede persoon, die den verbasterden Europeschen titel Kapiian<br />

of Portero voert, maar in de Afdeeling Tala eigenlijk Makoeresi,<br />

in EU Toepason, en in Sapoelewah Manoemeten heet; deze wordt<br />

door den Kapala saniri als overbrenger zijner bevelen gebezigd.<br />

Vervolgens is in elke afdeeling een PoJion bandera of Saè'r oewé<br />

(vlaggestok) en een Oedjoeng bandera of Saè'r hoehoeï (vlaggespits),<br />

waarschijnlijk aanvoerders in den strijd. Eindelijk heeft men in<br />

elke negeri een (of meer) Makaseroe of Maoewen (priester), een<br />

0) De Tala ontlast zich in de Westzijde der Elpapoetih-baai; de Eli, bij<br />

de negeri van dien naam , in de Baai van Taroeno ; de Sapoeleivah , bij de<br />

negeri Noeniali, aan de Noordkust.


368<br />

Masaloö of Masola (handlanger der priesters), een Kakiai en een<br />

Maatita, van welke laatsten de ambtsbezigheden ons onbekend<br />

zijn. De kleeding, woningenen middelen van bestaan der Alfoeren<br />

van de Oeli-siwa zijn gelijk aan die op Boeroe; maar zij zijn<br />

een ruw en woest volk, dat met zijne Oostelijke naburen steeds<br />

in vijandschap leeft, en bij hetwelk de gewoonte van het koppensnellen<br />

nog in volle kracht is. Het aanzien van een man hangt<br />

grootendeels af van het aantal menschenhoofden, die hij heeft<br />

afgeslagen; dat van eene negeri, van het getal koppen, waarmede<br />

de baile'o (raadhuis) is versierd; geen man kan trouwen<br />

zoolang hij niet ten minste een kop heeft gesneld. Voorts bestaat<br />

onderhen een geheim genootschap, Kakian of Kakihan geheeten,<br />

van hetwelk ook Christenen en Mohammedanen leden zijn, doch<br />

waarvan de oorsprong en het doel nog niet met juistheid bekend<br />

zijn. Volgens sommigen zoude het opgerigt zijn ten tijde van de<br />

vernieling der specerij-boomen door de O. I. Compagnie, met<br />

het doel om de Europesche magt op Ceram te vernietigen ; volgens<br />

anderen is het eene reeds vroeger bestaan hebbende staatkundige<br />

inrigting in verband met de instellingen der Heidensche eerdienst,<br />

ten doel hebbende : vermeerdering van de magt der priesters<br />

over de bevolking, wering van allen vreemden invloed, onderdrukking<br />

van den gemeenen man, en in het algemeen de verdediging<br />

van de magt en de belangen der Oeli-siwa vooral ook<br />

tegen de Oeli-üma. De Kapala saniri's zijn als zoodanig hoofden<br />

van het kakian-vevboni, waarin overigens de Maoewens of Priesters<br />

de voornaamste rol spelen. Dezen vormen eenen Raad, den<br />

Maoewens-raad of het Maoewens-geregt, die zijne vergaderingen<br />

houdt in de kakian-\muen, welke bij elke negeri in het bosch<br />

gevonden worden, en eene soort van veemgerigt uitoefent over<br />

de leden van het verbond. De straffen , welke deze Raad oplegt,<br />

bestaan in boeten of de doodstraf, welke laatste altijd door<br />

sluipmoord wordt uitgevoerd; zij worden niet slechts toegepast<br />

op regtstreeksche vergrijpen tegen de instelling, maar ook tegen<br />

zoodanige daden, welke indirect den iuvloed van het verbond<br />

zouden kunnen benadeelen; zoo is voor eenige jaren de Regent<br />

van Waisamoe ter dood gebragt omdat hij op last van het Europeesch<br />

bestuur in zijne negeri de vaccine had ingevoerd zonder<br />

voorkennis van den Raad. De toetreding tot het verbond is<br />

verpligt voor alle mannen boven de 18 jaar; bij weigering


369<br />

wordt de onwillige vermoord. De inwijding geschiedt onder vele<br />

geheimzinnige en vreeswekkende ceremoniën in het kakian-hms<br />

ook wel roemak sétan (duivels-huis) genoemd. 0)—• Voorts is<br />

omtrent deze Alfoeren nog niet veel bekend. Zij zijn, even als op<br />

Boeroe, verdeeld in stammen, welke hier Soa heeten en onder<br />

een Stamhoofd, Kapala soa, staan, die somtijds tevens Negerilioofd<br />

is, doch wiens verhouding tot de boven vermelde autoriteiten<br />

ons niet duidelijk is gebleken. De wapenen zijn parangs<br />

(houwers); velen hebben ook geweren; kleine kanonnen zijn<br />

mede niet onbekend, doch schijnen meer artikelen van weelde<br />

dan van werkelijk gebruik te zijn. Veelwijverij is niet in zwang;<br />

echtbreuk en onkuischheid komen zelden voor en worden zwaar<br />

gestraft; een weduwnaar of weduwe kan niet hertrouwen zonder<br />

zich aan den haat en de wraakzucht van de familie van de of<br />

den overledene bloot te stellen. De man koopt de vrouw van hare<br />

ouders of bloedverwanten voor eenen bruidschat (karta), bestaande<br />

in borden, schotels, lijnwaden, gongs, geweren of kleine kanonnen,<br />

wier aantal verschilt naar gelang van den stand der bruid;<br />

indien hij dien bruidschat niet terstond kan voldoen, blijft hij<br />

tot zoolang ondergeschikt aan de familie der vrouw. De begrafenissen<br />

schijnen op soortgelijke wijze plaats te hebben als bij de<br />

Alfoeren in de Minakassa (bl. 192), behalve dat in plaats van een<br />

steenen pot eene mand gebruikt wordt. ( 2<br />

) Onderlinge verbindtenissen<br />

worden gesloten met eedzwering, waarbij de partijen<br />

arak met hun bloed vermengd drinken (minoem soempakan, den<br />

eed drinken). Hunne godsdienst-begrippen zijn nog zeer duister;<br />

zij erkennen een hooger wezen, dat alles geschapen heeft, en ook<br />

eenen sétan (duivel), die bij de inwijding in het kakian-verbond<br />

eene hoofdrol speelt; ook gelooven zij aan eene plaats na den<br />

dood, kerat*?) genaamd, waar het goede beloond en het kwade<br />

gestraft wordt, en waar b.v. de echtbreker eeuwig den echtgenoot<br />

van zijne medeschuldige op de schouders zal dragen. ( 4<br />

)<br />

(') Men zie verder over dit verbond : Koloniale jaarboeken, 18Go, bl. 07;<br />

llededeelingen van wege het Nederl. Zendelinggenootschap, D'.V, bl. 518;<br />

iyischr. v. Neêri. Indië, 1843. D'. 11, bl. 25.<br />

{•) Tijdsehr. v. Neérl. Indië. 1843. Dl. II, bl. 68.<br />

( 3<br />

) Misschien eene verbastering van het Arabische achirat, toekomend leven.<br />

( 4<br />

) De meeste van deze bijzonderheden zijn ontleend aan de Bijdragen van<br />

het Instituut voor taal-, land-en volkenk. Nieuwe volgreeks, Dl. I, bl. 80.<br />

II. 24


370<br />

De Oeli-lima of Pata-lima, die Elpapoelih en verder het Oostelijke<br />

gedeelte des eilands bewonen, zijn veel minder ruw dan<br />

hunne Westelijke naburen; het koppensnellen is bij hen niet in<br />

gebruik, dan alleen in zooverre dat de in den oorlog krijgsgevangen<br />

gemaakte vijanden onmiddellijk worden onthoofd, en<br />

hunne hoofden als zegeteekenen medegevoerd en in de bailéo te<br />

pronk gesteld. Omtrent de Alfoersehe bevolking van Oostelijk<br />

Ceram zijn belangrijke berigten medegedeeld door den Heer<br />

WILLEK O, aan wien wij hoofdzakelijk het volgende ontleenen.<br />

De veelwijverij is bij hen geoorloofd, doeh komt alleen bij de<br />

aanzienlijken voor, die dan nog zelden meer dan twee vrouwen<br />

hebben. De vrouw, die altijd tot een anderen stam moet behooren<br />

dan de man, wordt van haren vader gekocht voor een volgens<br />

haren rang bij tarief bepaald getal voorwerpen, bestaande in<br />

borden, schotels, gongs en stukken lijnwaad. De koopprijs kan<br />

echter geheel of gedeeltelijk later worden afgedaan; de sluiting<br />

van het huwelijk bestaat alleen in het voldoen van dien prijs<br />

of de erkenning van die schuld. Eene weduwe mag hertrouwen<br />

met den naasten bloedverwant van haar overleden man, zonder<br />

dat hij daarvoor een bruidschat betaalt. Man en vrouw verrigten<br />

allen arbeid gezamenlijk, doch het zware werk rust op den man.<br />

Bij overlijden van een gehuwd man met kinderen, komt de<br />

nalatenschap aan zijne weduwe en wordt bij haren dood onder de<br />

kinderen verdeeld; bij overlijden van een gehuwd man zonder<br />

kinderen, komt zijne nalatenschap voor de helft aan de weduwe<br />

en voor de andere helft aan zijne bloedverwanten ; bij overlijden<br />

van een ongehuwd man komt zijne nalatenschap aan zijne<br />

ouders of, bij vóór-overlijden van dezen, aan zijnen naasten<br />

mannelijken bloedverwant.<br />

Wat hunne godsdienst-begrippen betreft: zij gelooven aan<br />

de onsterfelijkheid der ziel (misschien juister : aan een volgend<br />

leven) Olonian, en aan een Opperwezen, Opa Tala Pottoa ge­<br />

naamd, dat alles geschapen heeft en onderhoudt, en het goede<br />

beloont en het kwade straft hetzij in dit of het volgend leven,<br />

maar waaraan zij echter geene vereering toebrengen. Voorts<br />

s t e<br />

(') Uil den i " Jaargang van het Indisch Archief overgenomen in het<br />

werk: Hel eiland Boeroe, zijne exploilalie enz. Deze berigten betreffen<br />

wel bepaaldelijk de Alfoeren van de Afdeeling Wahuai, maar kunnen ook met<br />

vrij groote zekerheid op de overigen worden toegepast.


371<br />

erkennen zij eene menigte goede en booze geesten, wier gunst<br />

zij zoeken te verwerven of wier vijandschap zij trachten af te<br />

weren door allerlei bezweringen en andere ceremoniën. Priesters<br />

hebben zij niet, doch wel geesten-bezweerders, die tevens geneesheeren<br />

zijn en So-oe-So-oe genoemd worden; dezen verrigten<br />

hunne kunsten in huisjes, Loema Pamakahala genaamd.<br />

Zij zijn verdeeld in stammen, hier IJ'au geheeten, welke geen<br />

algemeen Opperhoofd schijnen te hebben. De I/an zijn verdeeld<br />

over Amatti's of landschappen, die weder uit een aantal Lofioki's<br />

of gehuchten bestaan. Het is niet geoorloofd uit de eene Amani<br />

in de andere over te gaan; in eene vreemde Lohoki mag men<br />

zich tijdelijk ophouden, zoolang men niet door zijn wettig Hoofd<br />

wordt opgeëischt. Het bestuur berust bij eenen Latoe of Opperhoofd<br />

der Amani, de Makahitia's of Gehuehtshoofden, en den<br />

Malési door Maleijers en Europeanen veelal Kapitan genaamd.<br />

Deze personen met eenige afgevaardigden uit het volk vormen<br />

den Toetoe' hapi-Jiapi of Raad, die de algemeene belangen der<br />

Amani behartigt en zijne vergaderingen houdt in een daartoe<br />

bestemd gebouw, Lofoa-ira genaamd. Waar de Alfoeren meer<br />

of minder aan de Mohammedaansehe strandbewoners onderworpen<br />

zijn, is de Radja, Patik, Sengadji of Orang Kaja van dezen tevens<br />

Kamal ten opzigte van de eerstgenoemden (zie bl. 367) en geniet<br />

als zoodanig 12 pC 4<br />

. van den geheelen sago-oogst. De bijzondere<br />

betrekking van den Latoe is de volgende : Hij bestuurt de Amani<br />

in haar geheel en zijne eigene Lohoki in het bijzonder; hij regelt<br />

de zaken van oorlog en vrede, z<strong>org</strong>t voor de vervaardiging van<br />

wapenen, voor de verdediging en versterking der Lohoki's, voor<br />

de openbare veiligheid, voor de regtsbedeeling, en voor de regeling<br />

der werkzaamheden en de verdeeling van den sago-oogst; hij<br />

heeft het opperbeleid over elke krijgs-onderneming, z<strong>org</strong>t dat<br />

ieder man ten minste met eene lans, boog en pijlen gewapend<br />

is, en verstrekt voor krijgstogten levensmiddelen aan hen, die<br />

daartoe zeiven onvermogend zijn; na eene overwinning moet hij<br />

een groot feest (Kariapotloa) aanrigten, waarbij de buit gemaakte<br />

koppen worden ten toon gesteld; hiervoor kan hij echter van de<br />

ingezetenen eene te gemoetkoming in eetwaren en lijnwaden<br />

vorderen. Geldelijke inkomsten heeft de Latoe niet; doeh hij geniet<br />

ruim 6 pC l<br />

. van den geheelen sago-oogst, en kan de bevolking<br />

voor vier of vijf dagen oproepen tot de ontginning zijner tuinen


373<br />

en den bouw of de herstelling van zijne woning. Wanneer de<br />

Kamal- hetzij op eigen gezag of op last van de Nederlandsche<br />

overheid aan de Amani eenigen arbeid oplegt, kan de Latoe daarvoor<br />

de geheele bevolking in het werk stellen.— De Makahitia<br />

of het Gehuchtshoofd brengt de bevelen van den Latoe aan zijne<br />

Lohoki over en z<strong>org</strong>t voor hunne uitvoering; hij beslist in kleine<br />

geschillen, en regelt de werkzaamheden van zijne onderhoorigen<br />

in de sago-bosschen; ook is hij de vertrouwde zendeling van den<br />

Latoe bij den Kamal en elders. Hij geniet 3 pC l<br />

. van den sagooogst<br />

en mag over tien personen beschikken voor de bearbeiding<br />

van zijne velden en den opbouw zijner woning.— De Malési,<br />

die dezelfde voordeelen geniet als de Makahitia, is vooreerst<br />

Dorpswachter, en moet minstens om de tien dagen de ronde doen<br />

door de geheele Amani om te onderzoeken of er ook koppensnellers,<br />

verspieders of ander onraad te ontwaren zijn; ten tweede<br />

is hij wigchelaar en moet uit den stand der sterren, de vlugl<br />

der vogels en andere voorteekenen, de meer of minder gunstige<br />

kansen eener onderneming voorspellen; en ten derde is hij ook<br />

voorvechter en moet de strijders naar de door den Latoe aangewezene<br />

plaatsen aanvoeren en hen door gezang, dans en voorbeeld<br />

tot dapperheid aansporen.— Deze drie betrekkingen gaan bij<br />

erfopvolging van den vader op den oudsten zoon over; bij ontstentenis<br />

of ligchamelijke ongeschiktheid van den zoon, wordt<br />

de opvolger door de gezamenlijke mannelijke bevolking gekozen;<br />

de gekozene moet echter altijd tot dezelfde Ifan behooren als zijn<br />

vo<strong>org</strong>anger. Een Makahitia of Malési zoude alleen kunnen ontslagen<br />

worden door den Latoe op eenparig verlangen der ingezetenen<br />

; voor het ontslag van eenen Latoe zoude daarenboven<br />

de tusschenkomst van den Kamal of van de Europesche autoriteit<br />

noodig zijn.<br />

De gewone burgers, de Makahitia's en de Malési's staan wegens<br />

misdrijven, als diefstal, overspel, enz. te regt voor den Toewé<br />

hapi-hapi in de Lofoa-ira (bl. 371); de Latoe kan alleen worden<br />

aangeklaagd bij den Kamal, wiens beslissing de bekrachtiging<br />

van de Europesche autoriteit behoeft. De straffen bestaan alleen<br />

in rottingslagen, bij diefstal met vergoeding van het gestolene,<br />

en bij overspel met vergoeding van den koopprijs der vrouw aan<br />

den beleedigden echtgenoot en. gedwongen huwelijk der beide<br />

schuldigen.


373<br />

* Het grondgebied eener Amani heet Séhoe na oemna, en wordt<br />

onderscheiden in: Oelai kalolannia, of woeste en onbewoonbare<br />

gronden; Soma, of wilde sago-bosschen; Soa-ira, of groote<br />

aangeplante sago-bosschen; Ipia-raoehéna, of kleine aangeplante<br />

sago-bosschen j JFakana, of akkers voor boom- en veldvruchten ;<br />

en de grond, waarop de LoJioki is gebouwd. Deze laatste wordt<br />

beschouwd als eigendom van het dorp of gehucht, dat daarop<br />

staat; al de overige grond is gemeenschappelijk eigendom der<br />

Amani en niet tusschen dc Lohoki's verdeeld. In de Oelai kalolannia's<br />

mag ieder lid der Amani jagen en inzamelen zooveel hij<br />

verkiest zonder eenige controle; in de Soma's wordt de arbeid<br />

door den Makahitia geregeld; groote en kleine sago-bosschen<br />

mag elk aanplanten naar goedvinden, hij krijgt daardoor echter<br />

alleen regt van eigendom op het gewas niet op den grond; voor<br />

de keus van den grond om eene Wakana aan te leggen behoeft<br />

men de toestemming van den Latoe, en ook hier geldt het bezit<br />

niet den grond maar alleen de producten.<br />

Behalve de sago, waarvan zij ongeveer 25 pCA aan de gezamenlijke<br />

Hoofden moeten afstaan (bl. 371 en 372), zijn de<br />

voornaamste voortbrengselen der Alfoeren djagoeng, aardvruchten,<br />

rijst, suikerriet en tabak; ook vervaardigen zij uit zeewater eene<br />

slechte soort van zout. Hun landbouw is zeer gebrekkig; ploeg<br />

en spade zijn hun onbekend; boomen en struiken worden slechts<br />

omgekapt of afgebrand, en daarna de zaadkorrels of plantjes<br />

in den verder niet toebereiden grond gestoken. De jagt op wilde<br />

zwijnen en herten maakt voorts een belangrijk gedeelte van hun<br />

bestaan uit.<br />

DERDE HOOFDSTUK. '<br />

DE RESIDENTIE BANDA,<br />

\ 1. Ligging, bestanddeelen en grootte dezer Eesidentie.<br />

De Residentie Banda ligt wijd uit elkander verspreid tusschen<br />

Nieuw Guinea ten Oosten, Ceram ten Noorden, Celébes op grooten<br />

afstand ten Westen, en Timor en Nieuw Holland ten Zuiden.<br />

Zij strekt zich uit tusschen 3° 34' (op de Zuidkust van Ceram)<br />

tot 8° 23' Z.B. (de Zuidpunt van Timor laut) en 125° 40'


374<br />

(P. Kambing ten Noorden van Timor) tot 134° 55' O.L. (Jamboeai,<br />

het Oostelijkste der Aroc-eilanden).<br />

Tot de Eesidentie Banda behooren, behalve het op bl. 362<br />

en 364 vermelde gedeelte van Ceram, de volgende eilanden­<br />

groepen :<br />

1°. De eigenlijke Banda-eilanden, zijnde: Neira of Klein<br />

Banda, Lontor (Lontlioir) of Groot Banda. Goenoeng Api, Ai<br />

of Wai, Run, Rosengain, Pisang, Kapal, Kraka of Vrouwen­<br />

eiland en Swangi.<br />

2°. De Ceram-laut-eilanden, zijnde: Keffing, Keloe, Gisser,<br />

Kilwaroe, Ceram-laut, Maar, Keffar of Kivar. Mesingarai, Sesifi,<br />

Kisau of Kidan, Kenoli, Nedi of Nedin, Loekon of Kon, Gerogas,<br />

Nokas of KoJion en Marloe.<br />

3°. De Goram-eilanden, zijnde: Goram, Soeroeaki of P. Pan-<br />

djang, ook P.Magit genoemd, cn Manawoko of Manavolka.<br />

4°. De Matabela-eilanden, zijnde: Igar, Matabela, Kesoeï of<br />

Kissoewi, Baliam besar, Baham ketjil, Koeroekaf, Teor en Tengger.<br />

De drie laatstgenoemde groepen worden gezamenlijk de Zuid-<br />

Oosler-eilanden genoemd; ook de drie volgende groepen worden<br />

somtijds nog onder dezen naam begrepen.<br />

5°. De Kei- of Keli-eilanden, zijnde: Groot Kei, waaronder<br />

behooren Bjan, Nohajani. Aranlio, Noesolan, Karihoe, Boriën,<br />

Kroet. Noeliowoe en Arang; Klein Kei, waaronder Boela laut,<br />

Romadang, Bandong, Branan, Maas, Mewasoema, Bajer, Klaar,<br />

Noelioemeo, Krgodan, Eodir. Oet, Oebor, Naaf, Fair, Kraing,<br />

Waiteloet, Naiamoet, Varkikon, Tangoain, Warlioe, Waktokmaas<br />

en eenige kleinere eilandjes; voorts Kalamel, Booi, Kauwer en<br />

Kei-Halwoekan. Verder nog de Tianda- of Kei-anJo-groep, be­<br />

staande uit Tianda, Faam, Walir, Hiniar, Noesereen, Raè' ketjil,<br />

Raë besar en Nunja. 0)<br />

6°. De Kei-Tenimber- of Ketimber-eilanden. ook wel de<br />

Verdoolde eilanden genoemd, zijnde Kei-Tenimber of Ketimber,<br />

Wetter, Falir en Moessa. Zij komen op de Kaarten van MELVILL<br />

(>) De opgave van deze groep is geheel volgens BOSSCHER, Tijdsehr. voor<br />

Ind. taal-, land- en volkenkunde, D'. IV, bl. 25 en BLEEKER, D'. 11, bl. 290.<br />

Op de Kaarten van MELVILL komen slechts weinige van deze eilanden voor,<br />

en gedeeltelijk met geheel andere namen; namelijk : Groot Kei. Klein Kei,<br />

Kei-Watella, Oeber, Oed, Hodin, Ergodang, Doela laut, Bandong, Tiando,<br />

Kanaloor, Onelin, Ta, Dol, Kandar, Skal, Boen, en eenige ongenoemde.


375<br />

en GKEGORY niet voor doch liggen ten Zuid-Westen der Ke\<br />

eilanden.<br />

7. De Aroe-eilanden, zijnde: Wassir, Oedjir of Woedjir oc<br />

Wadjir genoemd, Wokam, Wammer, Babi, Maikor, Trangar<br />

Krei, Ngor-Ngor, Bjeh of BjeJia, Maar, Jaoedi, Workai, Kobi<br />

Kola, Kobroor of Kabroor, Jamboeai, Penamboelai of Ponambolot<br />

Lolla, Meriri, Wallelei, Komfane. Jedan, Poba. Noba, Wari<br />

hoe, Koelor, Boemaar, Swangi, Parakan, Bamboe, Merang, c<br />

andere.<br />

8°. De Tenimber- of Timor-laut-eilanden, zijnde: Fordati<br />

Larat, Sejrah, Timor-laut, Seloe, Moeroefroean, Ij en, Soekelej<br />

Boeriaroe, Moessaioaior, Labobar, Adaut, enz. I 1<br />

)<br />

9°. De Zuid-Wester-eilanden, ook wel de Kleine Oost genoemi<br />

bestaande uit: a. De Babber-groep, zijnde de eilanden: Babbe.<br />

Wetan, Marsela , Baweloor of Batoelora, Baioelaar of Bawert<br />

en Baai. b. De Sermatta- of Sermattan-groep. zijnde: Sermatü<br />

Klappa, Loeang, Kenan, Melawarang, Leakor, jFiata, Menolawi<br />

ea Oepersooi. c. De Letli-groep, zijnde: Laikor of Leileor, Mot<br />

Lelti en Kisser. d. De Weiter-groep, zijnde: Wetter, Babi, Andjh<br />

en KambingP). e. De Romarjroep, zijnde : Roma, Noesanoe,<br />

of Mitta^Jaia of Noesiate fllapora of Motara, Bati, Pasir c<br />

KoesakitlqJ^f. De Bamme-groep, zijnde: Bamme, Lehor, Leh<br />

ketjil, Nera en Nelor. g. De tusschen laatstgenoemde groep e<br />

de Banda-eilanden ver uit elkander liggende eilanden : Tiouw<br />

Teon, Nila, twee Seroea-eilanden en P.Manoek of P.Boeroei<br />

(Vogel-eiland).<br />

10. De zes Schildpad-eilanden, de zes Lucipara-eilanden, e<br />

Goenoeng Api.<br />

Volgens de op bl. 314 medegedeelde opgave zoude de gezame<br />

lijke grootte van deze eilanden ruim 356 • mijlen bedrage<br />

O Volgens BLEEKER, t. a.p. Volgens de Kaart van MELVILL zijn de eiland<br />

van deze groep, van het Noorden af: Molo, Maroe, Sabobar, P. Lima, Vi<br />

date, Maling, Pandjang, Larat, Timor-laut, Kasoewoe, Oeniuri, Selo<br />

hroeroe, Luwantoeba, Sejrah, Mollen, Adaut, Laonara, en verscheide<br />

ongenoemde; zoodat in deze twee opgaven alleen de namen van de voornaams<br />

eilanden overeenkomen.<br />

i 2<br />

) Hoewel P. Kambing geographisch tot de Weller-groep schijnt te t<br />

hooren, wordt het echter staalkundig tot Noordelijk Timor gerekend en is 1<br />

zoodanig eene bezitting van Portugal, volgens de overeenkomst in 1859 n<br />

dat Rijk gesloten. Zie daarover verder hierachter bij de Zesde Hoofdgroep.


376<br />

De geheele Residentie, met inbegrip van het Zuid-Oostelijke gedeeltevan<br />

Ceram, wordt door MELVILL gesteld op 411.3 • mijlen! 1<br />

).<br />

Deze opgave is echter bij de zeer geringe kennis, welke wij<br />

van velen van deze eilanden bezitten, zeker niet naauwkeurig<br />

te achten.<br />

Omtrent de totale sterkte der bevolking zie men bl. 324.<br />

Voorts is thans ook de Zuidkust van Nieuw Guinea, van omstreeks<br />

133° tot 141° O.L., met de daar langs liggende eilanden,<br />

administratief onder de Residentie Banda gebragt. Dit eiland zal<br />

echter in zijn geheel behandeld worden bij de Residentie Ternate.<br />

§ 2. De Banda-eilanden.<br />

Algemeen overzigt van de ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />

voortbrengselen en bevolking van deze groep.<br />

De Banda-eilanden, ongeveer 15 mijlen ten Zuiden van Ceram<br />

in de Banda-zee gelegen en te zamen nog geene vierkante mijl<br />

groot, zijn slechts een geringen afstand van elkander verwijderd;<br />

de drie voornaamste, Lontor, Neira en Goenoeng Api liergen in<br />

elkanders onmiddellijke nabijheid, op 130° O.L. en 4° 32' Z.B.<br />

De Oostmoeson, van Mei tot November, brengt regen en storm<br />

aan; de Westmoeson , van December tot April, is de drooge tijd,<br />

doch wordt ook door regenvlagen afgewisseld; in de kentermaanden<br />

April en November zijn wind en weder zeer veranderlijk.<br />

Alle deze eilanden zijn van vulkanische formatie en aan veelvuldige<br />

en somtijds geweldige aardbevingen onderhevig, waarvan<br />

in deze eeuw die van 1811,1816 en 1852 de sterksten zijn geweest.<br />

Zij maken te zamen het overblijfsel uit van één kolossaal vulkaansysteem,<br />

dat eene groote overeenkomst heeft met het Tenggergebergte<br />

op Java (D 1<br />

.1, bl. 172), waarvan het in de hoofdtrekken<br />

alleen verschilt door de mindere hoogte, waartoe zich hier het gebergte<br />

van den bodem der zee heeft opgeheven l 2<br />

). Het halfkringvormige<br />

Lontor met zijne Noordelijke voortzettingen P. Pisang<br />

en P.Kapal maakt een gedeelte van den ouden kratermuur uit,<br />

wiens Noord-Westelijke- helft weder in de diepte is verzonken;<br />

Goenoeng Api is de Javasche Brdmd, die zich met Neira en<br />

(') Statistieke Kaart in tiet Tijdschr. voor Neêrl. Indië, 1849, Dl.II.<br />

(-) Men zie hierover vooral de Reis van BLEEKER, D'. 11, bl. 234.


377<br />

P. Kraka verheft uit den ouden kraterbodem (de Basar van den<br />

G.Tengger), welke hier ten gevolge van zijne mindere hoogte<br />

door de zee is bedekt en nu tusschen Goenoeng Api en Neira het<br />

smalle en ondiepe Zonnegat, tusschen Goenoeng Api en Lontor<br />

bet Oostergat of Gat van Staman (Celamme) ook Gat van Neira<br />

genoemd, vormt. De eilandjes Rosengain en Ai benevens de iets<br />

verder verwijderde Run en Swangi behooren door hunne ligging,<br />

hoewel die buiten den eigenlijken kratermuur is, blijkbaar tot<br />

hetzelfde bergstelsel. De menigvuldige uitbarstingen van den<br />

thans nog werkenden Goenoeng Api, en vroeger ook welligt van<br />

andere kraters, hebben de oppervlakte der eilanden met vulkanisch<br />

zand en asch bedekt en ook den bodem der zee in de nabijheid<br />

van die kraters opgehoogd. In deze minst diepe gedeelten der<br />

boven genoemde Gaten of Straten, en ook elders rondom de<br />

Banda-eilanden waar de kusten niet al te steil tot op groote<br />

diepte afdalen, hebben zich koraal-polypen gevestigd en riffen<br />

gevormd, die op sommige plaatsen, b.v. aan den Westelijken<br />

ingang van het Gat van Lontor en den Zuidelijken van het<br />

Zonnegat, slechts een smal vaarwater overlaten.<br />

Schoon alle eilanden met bergen en heuvelen bezet zijn, bereiken<br />

deze nergens eene belangrijke hoogte. De voornaamste<br />

toppen zijn: de Goenoeng Api, op het eiland van dien naam<br />

(± 2000 v*.) ; de G.Bandeira of Papenberg, in het Noord-Westen<br />

van Neira (+ 600 v*.); de G. Bandeira, in het midden van het<br />

Noord-Oostelijke gedeelte van Lontor (± 1400 v'.); een andere<br />

G. Bandeira, aan de Noordkust van hetzelfde eiland tegenover<br />

Goenoeng Api (±750 v*.); en een ongenoemde top in het Noorden<br />

van hetzelfde eiland (+ 800 v'.).<br />

Stroomende wateren van eenige beteekenis worden nergens<br />

aangetroffen, daar de zandachtige grond den regen zeer spoedig<br />

inzwelgt. Het drinkwater verschaft men zich uit putten, welke<br />

dikwijls slecht water opleveren.<br />

Behalve voor muskaatnoten-boomen, die welig groeijen en<br />

wier cultuur ook bijna allen bebouwbaren grond heeft ingenomen,<br />

is de geschiktheid van den bodem voor het aankweeken van<br />

andere gewassen niet zeer groot. Goenoeng Api, waar geene<br />

muskaatnoten gekweekt worden, heeft aan de kusten kokoshoornen<br />

en hooger Casuarinen en varens; de andere eilanden<br />

hebben meer pandanus- en varen-soorten. Op Rosengain zijn van


378<br />

Gouvernementswege $«tó-aanplantingen ondernomen, die in<br />

1860 ruim 33330 boomen telden. Voorts heeft men hier en daar<br />

vruehtboomen, eenige groenten en een weinig sago; maar de<br />

meeste voedingsmiddelen worden van elders, de rijst vooral van<br />

Amboina (Ceram) en Java, de sago van Ceram aangevoerd. Het<br />

voornaamste en zeer belangrijke voortbrengsel van het plantenrijk<br />

zijn de muskaatnoten, welke worden aangekweekt op de<br />

eilanden Neira, Lontor en Ai. die daartoe in 34 plantaadjes,<br />

perken genaamd, verdeeld zijn. Deze perken, wier eigenaars<br />

perkeniers worden genoemd, en waarin ook de perkgebouicen,<br />

(dat zijn de woningen der perkeniers en der arbeiders, de rookhuizen,<br />

schuren, enz.) staan, behooren aan Europeanen of hunne<br />

afstammelingen; de arbeid daarin, die onder de O. I. Compagnie<br />

doorperkslaven later door perkhoorigen (hetgeen slechts een andere<br />

naam voor dezelfde zaak was) en Gouverncments-ballingen of tot<br />

dwangarbeid veroordeelden werd verrigt, geschiedt sedert 1860<br />

behalve door de laatstgenoemden door vrije arbeiders, die op<br />

Java, de Zuid-W'ester'-eilanden en elders worden aangeworven.<br />

Zij genieten voor Gouvernements-rekening een handgeld van<br />

ƒ12 voor elk jaar, waarvoor zij zich verbinden, en een loon van<br />

ƒ 2 's maands; terwijl de perkeniers aan alle arbeiders woning,<br />

kleeding, rijst en zout moeten verstrekken. De muskaatnootboom<br />

bereikt eene hoogte van 40 tot 50 v*, en wordt, daar hij<br />

schaduw behoeft, tusschen de nog hoogere faian'-boomen geplant;<br />

hij draagt van zijn achtste tot zijn veertigste jaar vruchten,<br />

en wel het geheele jaar door, doch de voornaamste oogsten hebben<br />

plaats in Augustus en November of December. Onder de buitenschil<br />

der noot zit de foelie als een vezelachtig netwerk over den<br />

binnenbolster; na het wegnemen der foelie wordt de noot boven<br />

rookend vuur gedroogd, dan ontbolsterd, vervolgens in kalkwater<br />

gedompeld en na weder gedroogd te zijn ter verzending in vaten<br />

gekuipt. Van de gebroken noten wordt notenzeep bereid. De<br />

perkeniers zijn verpligt hun geheelen oogst aan het Gouvernement<br />

te leveren tegen vastgestelde prijzen ; vóór 1859 waren die prijzen<br />

s t e<br />

per Amst. pond voor de noten: l soort 16 duiten, 2 4e<br />

soort<br />

6 duiten, 3 de<br />

B t e<br />

soort 4 duiten; en voor de foelie: l soort gemiddeld<br />

42 duiten, 2 de<br />

soort 21 duiten; doch in dat jaar zijn die<br />

prijzen gebragt, voor de noten op 21.7 en 4 1<br />

/», en voor de foelie<br />

op 48 1<br />

/; en 24 duiten. Sedert dien tijd breidt de cultuur zich.


379<br />

meer en meer uit; het getal boomen bedroeg op het einde van<br />

1860 reeds 349268, met eene opbrengst van 1072765 pond<br />

noten en 275586 pond foelie, tegen 349105 boomen met eene<br />

opbrengst van 832634 pond noten en 215465 pond foelie in het<br />

jaar 1859.<br />

Het dierenrijk levert op de Banda-eilanden. voor zooverre<br />

bekendis, weinig belangrijks op. Herten en wilde zwijnen zijn<br />

de grootste viervoetige dieren en komen alleen op Lontor voor.<br />

Verder vindt men er weinige slangen, vledermuizen, ratten,<br />

enz.; en van de vogels vooral papegaaijen, uilen en duiven, en<br />

onder deze laatsten de zoogenaamde Noten-eters (Manoek falor,<br />

Columba cenea), die de muskaatnoten geheel doorzwelgen en<br />

onverteerd weder ontlasten en zoodoende de voortplanting der<br />

boomen bevorderen. De visschen, schaaldieren en insecten dezer<br />

eilanden zijn nog weinig bekend; alleen BLEEKER heeft daaromtrent<br />

eenige wetenschappelijke mededeelingen gedaan. De<br />

tamme dieren waren in 1860 slechts 28 paarden, 328 runderen,<br />

238 geiten, 258 schapen en 121 varkens, verdeeld over de<br />

eilanden Neira, Lontor, Ai en Rosengain; ook hoenders zijn er<br />

zeer schaarsch. Vleesch is er dus slechts zelden te bekomen, en<br />

de levensmiddelen, die nagenoeg allen van elders moeten worden<br />

aangevoerd, zijn in het algemeen zeer duur.<br />

Van het delfstoffenrijk, dat waarschijnlijk onbelangrijk is, is<br />

niets bekend.<br />

Alleen de eilanden Neira, Lontor, Ai en Rosengain zijn op<br />

den duur bewoond. Langs de Oostkust van Goenoeng Api vindt<br />

men moestuinen of andere aanplantingen van ingezetenen van<br />

Neira, met kleine woningen, waar zij of hunne onderhoorigen<br />

zich somtijds tijdelijk ophouden. P. Pisang strekt tot verblijf aan<br />

de melaatschen van de Banda-eilanden, die daar onder toezigt<br />

van eenen Opzigter worden verpleegd. De eilanden Kapal, Kraka<br />

en Swangi, die slechts begroeide rotstoppen zijn, en het iets<br />

grootere Run, zijn allen onbewoond. Deze bevolking was volgens<br />

het Regeringsverslag over 1860 in dat jaar sterk :<br />

524 Europeanen,<br />

127 Chinezen,<br />

8 Arabieren,<br />

5612 Inlanders,<br />

te zamen 6271 zielen.


380<br />

Volgens BLEEKER was zij op liet einde van 1854 nagenoegeven<br />

sterk, namelijk 6333 zielen, van welke 3201 op Neira,<br />

2504 op Lontor, 529 op Ai, 88 op Rosengain en 11 op Pisang;<br />

hiervan waren 484 Europeanen en mestiezen, 800 Inlandsehe<br />

Christenen, en 145 Chinezen.<br />

De Europeanen van het Regeringsverslag zijn, behalve de<br />

Ambtenaren, voor verre het grootste gedeelte kleurlingen, en<br />

wel reeds sedert verscheidene geslachten; met de perkeniers is dit<br />

nagenoeg zonder uitzondering het geval. Zij zijn Christenen doch<br />

worden, behoudens enkele loffelijke uitzonderingen, beschreven<br />

als traag, z<strong>org</strong>eloos, verkwistend, verslaafd aan drank en spel,<br />

en bekrompen van geestvermogens. Daar zij uit trots op hunne<br />

Europesche afkomst, allen arbeid in dienst van anderen beneden<br />

zich achten, en ook te lui zijn om aan vischvangst, tuinbouw, enz.<br />

meer te doen dan volstrekt noodig is om in hunne oogeublikke-<br />

lijke behoeften te voorzien, leven de meesten in armoede; ook<br />

de perkeniers zouden door meer ijver en beter overleg eene veel<br />

grootere mate van welvaart kunnen genieten dan werkelijk het<br />

geval is.<br />

De Chinezen zijn de industriëelen van deze eilanden, en hebben<br />

den geheelen kleinhandel in handen; terwijl de Boeginezen zich<br />

van den handel in de producten der Zuid-Ooster- en Zuid-fFester-<br />

eïlanden hebben meester gemaakt.<br />

De Inlandsehe bevolking, die, gelijk uit de boven medege­<br />

deelde opgaven blijkt, in den laatsten tijd weinig in getalsterkte<br />

veranderd en ook reeds in het begin der 18 ae<br />

eeuw bijna even<br />

groot was O, bedroeg toen de Nederlanders het eerst deze eilanden<br />

bezochten minstens 15000 zielen, die in talrijke welvarende<br />

dorpen vooral op Lontor verspreid waren. In haar verzet tegen de<br />

overweldiging en het monopolie-stelsel van de O. I. Compagnie<br />

(zie D 1<br />

. I, bl. 12, 14 en 16) is deze oorspronkelijke bevolking<br />

geheel ten onder gegaan, deels vernietigd deels naar de Zuid-<br />

Ooster- en andere eilanden uitgeweken, zoodat er van haar weinig<br />

of geene sporen meer te ontdekken zijn. Zij is langzamerhand<br />

vervangen door een zeer gemengd ras van afstammelingen van<br />

verschillende Europesche natiën en oorspronkelijke Bandanezen,<br />

Timorezen, Tenimber-eilanders, Cerammers, Tabellorezen en<br />

( l<br />

) Zie de Reis van BLEEKER, D'. II, bl. '24i.


381<br />

Galelaërs van Halmaheira's Oostkust, slaven (perkslaven of<br />

perkhoorigen en particuliere slaven) en bannelingen uit alle<br />

oorden van den Archipel, en in den laatsten tijd ook Javanen.<br />

Zij zijn deels Christenen deels Mohammedanen of Heidenen, en<br />

worden afgeschilderd als lui, trotsch, aanmatigend en bijgeloovig.<br />

De visscherij is bijna hun eenig bedrijf, en voor de opbrengst<br />

daarvan schaffen zij zich de benoodigde rijst en sago aan. Op<br />

handel of nijverheid leggen zij zich niet toe, en alleen in den<br />

uitersten nood begeven zij zich bij perkeniers of andere ingezetenen<br />

in dienst. Ook de meesten van do sedert 1860 vrij<br />

gewordene perkhoorigen verkiezen liever in armoede te leven<br />

dan zich door vrijwilligen arbeid in de perken een bestaan te<br />

verzekeren; zelfs het aanbod van een loon van 4-0 cents voor<br />

het plukken van elke 1000 noten, vrije woning op de perken,<br />

vrijstelling van schuttersdienst, en andere voordeden hebben hen<br />

daartoe niet kunnen overhalen. O<br />

De bevolking staat onder het bestuur der Nederlandsche<br />

autoriteiten, hoewel de inlandsehe kampongs of negeriën en ook<br />

de Chinezen hunne eigene Hoofden hebben. De diensten, waartoe<br />

zij jegens het Gouvernement verpligt is, bestaan voornamelijk<br />

in het medewerken tot den bouw en het onderhouden van Gou-<br />

vernements gebouwen en pakhuizen en het verrigten van schut­<br />

tersdienst.<br />

Het eiland Neira.<br />

Neira of Banda Neira, ook wel eenvoudig Banda genoemd, is<br />

het hoofd-eiland van de groep en van de geheele Eesidentie, en<br />

als zoodanig de zetel van het Eesidentie-bestuur en den Baad van<br />

Justitie, die gevestigd zijn op de hoofdplaats Neira of Banda, de<br />

eenige negeri van het eiland. Deze strekt zich langs de Zuidkust<br />

uit, en beslaat met hare onderhoorigheden nagenoeg l<br />

/s gedeelte<br />

des eilands. Het Westelijke gedeelte der stad, aan het Zonnegat,<br />

bevat de Chinesche wijk , onder een Kapitein- en een Luitenant-<br />

Chinees en een Chinesehen wijkmeester. Ten Oosten hiervan ligt<br />

de Europesche wijk, bestaande uit twee nagenoeg evenwijdige<br />

straten door verscheidene dwarsstraten met elkander verbonden;<br />

de huizeu zijn meest van steen, doch veelal met «toegedekt; het<br />

Kesidentie-huis ligt in het midden van de Zuidelijkste straat met<br />

0) Regeringsverslag over 1860, bl. 152.


382<br />

het uitzigt op de kust. Het Oostelijke gedeelte der stad bevat het<br />

militaire kampement met officiers-woningen, kazernen en verdere<br />

gebouwen, en de thans niet bewapende sterkte Voorzigtigheid.<br />

Tusschen het Chinesche kamp en de Europesche wijk liggen de<br />

bewapende forten Nassau en Belgica, welke beiden reeds van het<br />

d e<br />

begin der 17 eeuw dagteekenen (Dl. 1, bl. 12). Het eerste,<br />

ook wel het Waterfort genoemd, eene vierhoekige van klipsteen<br />

gebouwde redoute met bastions, hoornwerk, bedekten weg en<br />

gracht, ligt aan de kust, bestrijkt den Zuidelijken ingang van<br />

het Zonnegat en beschermt de daaraan gelegene pakhuizen; ook<br />

de gebouwen binden het fort zijn gedeeltelijk tot pakhuizen<br />

ingerigt. Het andere -ligt een paar minuten gaans Noordelijker<br />

op een kleinen heuvel, en is een regelmatige steenen vijfhoek<br />

met torens op de hoeken en door een ringmuur met vijf bastions<br />

omgeven. Achter de Europesche wijk en het militaire kampement<br />

liggen de Inlandsehe kampongs of wijken Batoe, Batoe, Balawar<br />

en Moe, als mede het bannelings-kwartier. Men vindt voorts te<br />

Neira eene Hervormde kerk met een vasten Predikant, lagere<br />

scholen voor Europeanen en Christen-inlanders, eene wees-en<br />

boedelkamer, eene goede werf, een nieuw zeehoofd tot het lossen<br />

van goederen tegenover het Eesidentie-huis, en een ander van<br />

ouderen datum bij het fort Nassau; enz. Vlak achter de stad<br />

verheft zich de heuvel G. Menangis, aan wiens Zuidelijken voet<br />

het kerkhof ligt.<br />

Het overige gedeelte des eilands wordt ingenomen door de<br />

drie notenperken: Zevenbergen en Hersteller, dat het midden,<br />

Bang/co Batoe, dat het Noord-Oosten, en Lautakka, dat het<br />

Noord-Westen des eilands beslaat; in het laatstgenoemde perk<br />

ligt de G. Bandeira of Papenberg (bl. 377). Deze drie perken<br />

hadden in 1854 te zamen 32632 notenboomen.<br />

De handel, die gelijk boven gezegd is, alleen door vreemde­<br />

lingen gedreven wordt, had in 1854 de volgende resultaten:<br />

VaartmgM^^ Waarde van den<br />

Europeesch getuigd. Inlandsch getuigd, in-en uitvoer.<br />

Aangekomen 25 206 .. ƒ267542<br />

Vertrokken 23 112 ƒ 31050<br />

I I


383<br />

Onder dezen uitvoer zijn natuurlijk de Gouvernements-specerijen<br />

niet begrepen, doch onder den invoer wèl de rijst en<br />

andere behoeften, die voor de voeding der perk-arbeiders en het<br />

dagelijksch gebruik der militairen, enz. benoodigd zijn. Die<br />

cijfers hebben betrekking op het jaar, waarin de vrijverklaring<br />

der haven is afgekondigd; deze kon dus daarop nog niet van<br />

invloed zijn maar zich eerst later, doen gevoelen. Uit vergelijking<br />

van den op bl. 322 over het jaar 1856 medegedeeiden staat blijkt<br />

dan ook dat werkelijk de invoer toen omstreeks ƒ 50000 hooger<br />

was, doch de uitvoer daarentegen ƒ10000 minder bedroeg; en<br />

inderdaad kan ook, niettegenstaande de vrijverklaring der haven,<br />

de handel bezwaarlijk eene hooge vlugt nemen zoolang het<br />

hoofd voortbrengsel dezer eilanden, de specerijen, door het Gouvernement<br />

gemonopoliseerd wordt.<br />

De militaire magt bedroeg in 1854 op Neira 10 Officieren en<br />

279 Onderofficieren en Manschappen. De schutterij der Banda-<br />

eilanden, waarvan echter het grootste gedeelte op Lontor en Ai<br />

gevestigd was, bestond uit drie kompagniën te zamen sterk<br />

480 man, deels met geweren deels met pieken gewapend, en<br />

staande onder bevel van eenen Kapitein en eenige Luitenants.<br />

Het eiland Lontor.<br />

Het eiland Lontor of Lontlioir, ook Banda Lontor, Groot<br />

Banda of Hoog Banda genoemd, is door het Oostergat van Neira<br />

en door het Gat van Lontor van Goenoeng Api geseheiden. Het is<br />

verdeeld in de drie Distrikten : Lontor, Voorwal en Aehterioal O;<br />

het eerste bevat het kleinste Westelijke gedeelte des eilands tot<br />

tegenover het Zonnegat; het tweede, de Noord- en Noord-<br />

Westkust; het derde de Zuid- en Oostkust. Het geheele eiland is<br />

aan de muskaatnoten-cultuur dienstbaar gemaakt; men vindt er<br />

25 perken, namelijk : in het Distrikt Lontor de perken: Simonwal,<br />

Weltevreden, Keli en Noorwegen (waarin de G. Bandeira ligt),<br />

(') Voorwal noemt men in de Molukken in het algemeen die zijde der<br />

eilanden waar do landingsplaatsen, of althans de voornaamste landingsplaatsen,<br />

der handelsvaartuigen zijn ; terwijl de tegenover gestelde zijde Achlerwal<br />

genoemd wordt. Zoo spreekt men ook van de Voorwals- en Achterwalstilanden<br />

van eene groep, b.v. van de Aroe-eilanden, naarmate zij liggen<br />

aan de zijde, die gewoonlijk door de handelaars bezocht wordt, of aan den<br />

tegenover gestelden kant.


384<br />

Takkermono O, Lakooi of Lakkoeï, Namoeloe, Bojauw, en Orang<br />

datang of Orontatie; in het Distrikt Voorwal de perken : Klein<br />

Waling, Groot Waling, Spanlje bij, Keizerstoren of Cay Tortorre,<br />

Kombir, Raning, Zoden inval en Boerang, welk laatste perk de<br />

smalle Noordpunt des eilands inneemt, die in Tandj. Boerang<br />

eindigt; in het Distrikt AcJtterwal de perken: Toetra, Lnst,<br />

Everts, Laoetang, Boetong, Babi mandi, Brie Gebroeders (waarin<br />

de G. Bandeira, de hoogste top van Lontor), Beneden-Benier<br />

en Boven-Bender. Deze 25 perken telden in 1854 te zamen<br />

319010 notenboomen.<br />

Van de vroeger talrijke dorpen op Lontor bestaan slechts drie<br />

overblijfselen, in de negeriën Lontor, Staman of Celamme, en<br />

Wajer.<br />

Lontor ligt aan de Noordkust van het perk Namoeloe aan het<br />

Zonnegat tegenover Goenoeng Api, gedeeltelijk op gedeeltelijk aan<br />

de helling van den ouden kratermuur (bl. 376). Een in dien<br />

muur uitgehouwen trap van ruim 300 treden leidt van de<br />

landingsplaats naar de negeri en de overblijfselen van het oude<br />

fort ILollandia. Er is eene Christenkerk, die ook voor school<br />

dient, waarin door eenen Amboneschen schoolmeester gebrekkig<br />

onderwijs wordt gegeven. Voorts zijn er het Gouvernementskantoor<br />

en de pakhuizen onder het toezigt van eenen Opziener.<br />

De bevolking bedraagt ruim 100 zielen; het Dorpshoofd voert<br />

den titel van Radja.<br />

Staman of Celamme ligt aan de Noord-Westkust aan het<br />

Zuidelijke uiteinde van het perk Boerang en aan het Oostergat<br />

of Staman's Gat. Het is een klein plaatsje met nog geen 100<br />

inwoners, die deels Christenen deels Mohammedanen zijn ; het<br />

Dorpshoofd heeft den titel van Orang Kaja.<br />

Wajer, een nog kleiner plaatsje, ligt aan de Oostkust des<br />

eilands in het perk Brie Gebroeders. Hier ligt tot bescherming van<br />

den Achterwal tegen de zeeroovers het fortje Concordia of Wajer,<br />

eene vierhoekige klipsteenen redoute met drie bastions en eene<br />

bezetting van ongeveer 12 man onder een Onderofficier. Het op<br />

Lontor gevestigde detachement der Bandasche schutterij (bl. 383)<br />

dient tot ondersteuning van deze kleine militaire magt.<br />

(') De Zuidelijkste punt des eilands in dit perk heet Tandj. Nama.


385<br />

Het eiland Goenoeng Api.<br />

Goenoeng Api, ten Westen van Neira en daarvan door liet<br />

smalle Zonnegat gescheiden, bestaat alleen uit den vulkaan, naar<br />

welken het den naam draagt. Het is een spitse kegelberg, wiens<br />

bovengedeelte van allen plantengroei is beroofd. De kratermond<br />

is aanmerkelijk beneden den top aan de Noord-Westzijde des<br />

bergs en stoot onafgebroken zware rookkolommen uit; ook elders<br />

stijgen somtijds uit verschillende spleten zwaveldampen op, zoodat<br />

de berg op vele plaatsen met zwavel is beslagen. De hevigste<br />

uitbarstingen in deze eeuw hadden plaats in de jaren 1820 en<br />

1824 O. Over de voortbrengselen van het lagere gedeelte en<br />

den voet des bergs zie men bl. 377 en 379.<br />

Aan de Noord-Oostzijde des eilands strekt zich een klein<br />

schier-eiland in het Zonnegat uit. Het is misschien eenmaal een<br />

afzonderlijk rots-eilandje geweest, dat door de werking der koraalpolypcn<br />

of door de uitwerpselen van den vulkaan met het hoofdeiland<br />

is verbonden, en draagt nog den naam van P. Oera.<br />

Dat Goenoeng Api geene vaste bevolking heeft is boven reeds<br />

opgemerkt^Aan de Zuidkust vindt men nog de overblijfsels van<br />

de fortjes Batoe Maloeloe en Kijk in de pot, die, met het tegenover<br />

het laatstgenoemde g.degene fort Eollandia op Lontor, den<br />

Westelijken ingang van het Gat van Lontor moesten dekken.<br />

Het eiland Ai.<br />

Ai of Wai, nagenoeg 2 mijlen ten Westen van Lontor en<br />

Goenoeng Api gelegen, is geheel aan de muskaatnoten-cultuur<br />

dienstbaar gemaakt en telt de zes perken Welvaren, Westklip,<br />

Weltevreden, Matalengko, Kleinzanden Verwachting, die in 1854<br />

te zamen 72931 boomen hadden. Er is een Opziener voor de<br />

specerij-cultuur, die tevens met het dagelijksch beheer en de<br />

strandvonderij belast is. Voor de afstammelingen van Europeanen<br />

en de Inlandsehe Christenen (bl. 380) is er een schoolmeester,<br />

die ook des Zondags de godsdienst-oefening leidt.<br />

Van de negeriën Timor en Barat, die hier eenmaal moeten<br />

bestaan hebben, is geen spoor meer overig. Aan de Noordzijde<br />

(') Beschrijvingen van deze uitbarstingen zie men o. a. bij JUNGHUHN<br />

Java, enz. 2d« Afd., 5


386<br />

des eilands ligt het vrij groote steenen fort Revenye, dat reeds<br />

in het begin der 17 de<br />

eeuw is gebouwd en thans alleen tot<br />

bescherming tegen de zeeroovers dient; het heeft eene dergelijke<br />

bezetting als die van Concordia op Lontor, welke ook door een<br />

detachement der Randasche schutterij wordt ondersteund.<br />

Het eiland Rosengain.<br />

Op het eiland Rosengain, ongeveer eene mijl Zuid-Oostwaarts<br />

van Lontor's Zuid-Oosthoek gelegen, worden geene muskaatnoten<br />

geteeld; maar daarentegen is er van Gouvernementswege eene<br />

geregelde ^atfi-bóschcultuiir, om in de behoefte aan timmerhout<br />

voor de Banda-eilanden te voorzien. Deze slaagt er zeer goed<br />

en neemt steeds in uitgebreidheid toe; terwijl het aantal boomen<br />

in 1S55 nog slechts 21000 bedroeg, was dit in 1860 reeds tot<br />

meer dan 33000 gestegen. Het toezigt daarover berust bij eenen<br />

Opziener, die tevens met het dagelijksch bestuur op het eiland<br />

belast is. Vroeger waren 'er ook kalkbranderijen, waar van de<br />

koraalrotsen, welke de kust oplevert, voor het Gouvernement<br />

kalk werd vervaardigd door bannelingen of dwangarbeiders; of<br />

zulks nog het geval is kunnen wij niet verzekeren.<br />

De drie negeriën Tanah massa, Wali en Woelra, die volgens<br />

een Maleisch geschiedverhaal O hier eenmaal moeten bestaan<br />

hebben en eenen Radja tot Opperhoofd hadden, zijn geheel verdwenen.<br />

De geringe bevolking (bl. 380) woont thans in verspreid<br />

staande huizen.<br />

Er is op het eiland een versterkt kampement met eene bezetting<br />

van omstreeks 20 man onder eenen Onderofficier, tot bescherming<br />

tegen den zeeroof en handhaving der orde onder de arbeiders in<br />

het djali-boscb.. Ook deze geringe magt wordt door een detachement<br />

der Bandasche schutterij bijgestaan.<br />

De eilanden Pisang, Kapal, Kraka, Swangi en Run.<br />

P. Pisang, nog geene halve mijl ten Noorden van Lonlor's<br />

Noordpunt gelegen, wordt, gelijk boven gezegd is, alleen door<br />

melaatschen bewoond, die in 1855 elf in getal waren. Het<br />

eilandje brengt vooral pisang- en kokos-boomen voort benevens<br />

O De Geschiedenis van Hiloe, door RIDJALI. Zie Handleiding bij de<br />

beoefening der Maleische taal, 5de uiig., bl. 557.


387<br />

eenige groenten, waarvoor de grond zeer geschikt is. Drinkwater<br />

is er niet maar moet van Neira worden aangebragt.<br />

P. Kopal, op geringen afstand ten Noord-Westen van P. Pisang,<br />

is slechts eene barre rots, die eenigzins de gedaante van<br />

een onttakeld schip heeft en daarnaar den naam Kapal (schip)<br />

draagt.<br />

P. Kraka of Vrouwen-eiland ligt regt Westwaarts van Neira's<br />

Noord-Westelijke punt midden in den Noordelijken ingang<br />

van het Zonnegat, welks sterken stroom het daar eenigzins<br />

breekt.<br />

P.Swangi, ook wel P. Sétan of het Duivels-eiland geheeten,<br />

ligt ongeveer 4 mijlen Noord-Westwaarts van Goenoeng Api;<br />

het is slechts eene groote barre rots.<br />

P. Run ligt een paar mijlen ten Zuid-Westen van P. Ai en is<br />

iets grooter dan dit eiland. Oudtijds moeten ook hier twee<br />

negeriën, Barat en ToeldamQ), bestaan hebben; en zelfs in<br />

het laatst der vorige eeuw was er nog eene redelijke bevolking,<br />

die echter sedert door de zeeroovers is vernietigd of verdreven,<br />

zoodat Run thans even als de drie vo<strong>org</strong>aande eilanden geheel<br />

onbewoond is.<br />

§ 3. De Ceram-laiit-eilanden.<br />

Algemeen overzigt van de ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />

voortbrengselen en bevolking van deze groep.<br />

De Ceram-laut-eilanden liggen onmiddellijk ten Oosten van<br />

Ceram's Zuid-Oosthoek tusschen 130° 50' en 131° 18' O.L. en<br />

op gemiddeld 3° 52' Z.B. De grootsten er van zijn hot.onbeloonde<br />

Ceram-laut, Keffing en Gisser; eene opgave van hunne<br />

gezamenlijke grootte is ons niet bekend; zij zal naar gissing<br />

6 of 7 • mijlen zijn. O<br />

Ook omtrent hunne natuurlijke gesteldheid is zeer weinigbekend.<br />

Zij zijn laag, rusten op eenen grondslag van koraalriffen<br />

en zijn ook gedeeltelijk door zoodanige riffen omgeven; de kleinste<br />

eilanden zijn misschien geheel van deze formatie. De vruchtbaarheid<br />

schijnt niet zeer groot te zijn. Vroeger groeiden er<br />

_ ) MELVILL geeft voor Keffing, Ceram-laut en de omliggende eilandjes<br />

5.5 • mijlen.


388<br />

d e<br />

specerij boomen, die iu de 17 eeuw zijn uitgeroeid; thans zijn<br />

de voornaamste voortbrengselen van den grond: eenige sago,<br />

djagoeng, roode rijst, kokosnoten, en aardvruchten. De voornaamste<br />

diersoorten zijn herten, geiten en wilde zwijnen. De<br />

zee in den omtrek is rijk aan tripang, schildpadden cn agaragar;<br />

vanlripang worden jaarlijks omtrent 200 pikols, van karet<br />

2 pikols,-en van agar-ugar 30 of 40 pikols uitgevoerd.<br />

De bevolking, op ruim 2700 zielen berekend, is in naam<br />

Mohammedaansch en zegt af te stammen van de oorspronkelijke<br />

Bandanezen (bl. 380), doch is thans een zeer gemengd ras van<br />

Boeginezen, Mangkasaren, Tabellorezen, Balinezen, Papoewah-<br />

eilanders, enz. Zij worden beschreven als verslaafd aan liet<br />

gebruik van opium, lui en onzindelijk; den landbouw beoefenen<br />

zij zeer weinig; de nijverheid bepaalt zich tot het vervaardigen<br />

van kleedjes en het smeden van paraugs (kapmessen, houwers),<br />

die op de Zuidelijker gelegene eilanden zeer gewild zijn; maar<br />

zij leven hoofdzakelijk van visscherij en handel, dien zij in de<br />

boven vermelde artikelen drijven vooral met de Banda-groep,<br />

Nieuw Guinea, de Aroe- en Kei-eilanden, Bali en Soembawa.<br />

Hunne vaartuigen koopen zij van de Balinezen en de Kei­<br />

eilanders.<br />

Bijzonderheden omtrent de afzonderlijke eilanden.<br />

Het eiland Keffing, ook wel Groot Keffing genoemd, ligt<br />

onmiddellijk aan Ceram's Zuid-Oostpunt op 130° 50' O.L. en<br />

3° 51'Z.B. Het staat onder het bestuur van een Hoofd met den<br />

titel van Majoor, en heeft de twee negeriën: Keffing met 460,<br />

en Kilberoea met 325 zielen.<br />

Keloe, ook wel Klein Keffing genoemd, ligt onmiddellijk aan<br />

Keffing en is daarvan slechts door eene naauwe geul gescheiden O.<br />

Het staat onder het bestuur van eenen Tiadja, en heeft twee<br />

negeriën: Keloe met 380, en Kwaai met 250 zielen; de laatste<br />

heeft nog een afzonderlijk Hoofd met den titel Orang Kaja. De<br />

Badja van Keloe maakt ook aanspraak op het bezit van een<br />

gedeelte van hst-aiibow ooiulo Ceram-laut. De eilanden Keffing<br />

en Keloe zijn te zamen 1.6 • mijl groot.<br />

(') Op de Kaart van MELVILL komt Keloe niet als een afzonderlijk eiland<br />

voor; en in het Tijdschr. voor Ind. laai-, land- en volkenkunde, D 1<br />

. IV,<br />

1)1.58, wordt het een Distrikt van Kejfinij genoemd.


389<br />

Het veel kleinere Gisser/ïigt ten Noord-Oosten van Keloe en<br />

heeft alleen de negeri Gisser, onder een Hoofd met den titel van<br />

Majoor, met eene bevolking van 120 zielen.<br />

Kilwaroe, nog kleiner dan Gisser, ligt ten Noord-Oosten van<br />

dit eiland in de onmiddellijke nabijheid der Noord-Westkust<br />

van Ceram-laut. Het wordt bestuurd door eenen Radja, en heeft<br />

twee negeriën: Kilwaroe met 400, en Kiltaai met 300 zielen;<br />

laatstgenoemde heeft nog een afzonderlijk Hoofd met den titel<br />

van Kapitein. 13e Eadja van Kilwaroe is heer van een gedeelte<br />

van Ceram-laut en van alle eilanden van deze groep behalve de<br />

drie boven vermelde.<br />

Tusschen de eilanden Gisser, Kilwaroe cn Ceram-laut is eene<br />

uitmuntende voor alle winden veilige reede met goeden ankergrond<br />

(zandgrond) op 7 vadem diepte.<br />

Maar, een zeer klein eilandje ten Noord-Oosten van Ceramlaut,<br />

staat onder eenen Orang Toewa, die aan den Eadja van<br />

Kilwaroe ondergeschikt is. Het telt de vier negeriën : Maar,<br />

Enemelas, Namaloewin en Kïlhoeram, met eene gezamenlijke<br />

bevolking van 430 zielen.<br />

Keffar of Kivar, tusschen Keffing en Ceram-laut gelegen, heeft<br />

slechts -eene bevolking van 60 zielen.<br />

Al de overige op bl. 374 vermelde eilanden van deze groep,<br />

Oostwaarts van Ceram-laut gelegen, zijn geheel onbewoond.<br />

§ 4. De Goram-eilanden.<br />

Algemeen overzigt van de ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />

voortbrengselen en bevolking van deze groep.<br />

De Goram-eilanden liggen ten Zuid-Oosten van de Ceram-lautgroep<br />

tusschen 3°56'tot 4°13'Z.13.en 131°19'tot 131°35'O.L.<br />

Hunne gezamenlijke grootte zal ruim 6 • mijlen zijn.<br />

Zij zijn aanmerkelijk hooger dan de eilanden van de vo<strong>org</strong>aande<br />

groep; Goram en Manawolco zijn bergachtig; op het v<br />

laatstgenoemde eiland verheft zich eene piek?die het voorkomen <<br />

van eenen vulkaan heeft. Ook in vruchtbaarheid overtreffen zij<br />

de even genoemde groep. Behalve de daar genoemde producten<br />

brengen zij vooral voortreffelijke houtsoorten en massooi (zie D 1<br />

. I,<br />

bl. 95) voort.


390<br />

De Mohammedaansehe bevolking, wier sterkte op 4700 zielen<br />

gerekend wordt, is geheel van denzelfden aard als de Ceramlaut-eilandevs,<br />

doch nijverder in handel en zeevaart en ook nog<br />

meer bedreven in het weven van kleedjes en het smeden van<br />

parangs en kléwangs, maar daarbij zeer twistziek en oorlogzuchtig.<br />

Hunne handelsvloot wordt op een honderdtal grootere en kleinere<br />

vaartuigen geschat, welke zij evenwel niet zeiven bouwen.<br />

Bijzonderheden omtrent de afzonderlijke eilanden.<br />

Goram, het Noord-Oostelijkste van de groep, op 3° 56' Z.B.<br />

en 131° 35' O.L., is 2.1 • mijlen groot. Het is vooral in het<br />

Noorden bergachtig; aan de Westzijde des eilands is tegenover<br />

de negeri Oendor eene goede reede in den Oostmoeson, en aan<br />

de Zuid-Oostzijde voor Kalaikat eene goede ankerplaats in den<br />

Westmoeson. Het eiland is verdeeld in de volgende vier Distrikten:<br />

Kenali, inet vijf negeriën, welke tezamen 800 inwoners<br />

hebben, bestuurd door twee Radja's, die in de negeri Kataloka<br />

hun verblijf houden; Loemadang, met zes negeriën en 900 inwoners,<br />

bestuurd door eenen Radja, die te Oendor gevestigd is;<br />

Ainikke, met zes negeriën en 1100 inwoners, bestuurd door eenen<br />

Orang Kaja, die in de negeri Ainikke woont en het oppergezag<br />

van den Radja van Manaiooka erkent; Kalaikat of Kailakkat, met<br />

zes negeriën en 600 inwoners, onder het bestuur van eenen te<br />

Kalaikat gevestigden Orang Kaja.<br />

Soeroeaki of P. Pandjang, door de Inlanders ook wel P. Magit<br />

genoemd, ligt ten Westen van Goram op 131° 30' O.L. en is<br />

ongeveer 1.8 • mijl groot. Het telt slechts de twee negeriën<br />

Besilan en Kidoe-Kidoe, welke te zamen 300 inwoners hebben<br />

en bestuurd worden door eenen Orang Kaja, die het oppergezag<br />

van den Radja van Manawoka erkent.<br />

Manawoka of Manavolka, het bergachtigste en hoogste van de<br />

groep, ten Zuiden van de twee vo<strong>org</strong>aande eilanden gelegen,<br />

op 4° 12' Z.B. en 131° 33' O. L., is 2.6 • mijlen groot.<br />

Het wordt bestuurd door eenen Radja, die in de negeri Amar<br />

gevestigd is. Behalve deze plaats zijn er nog de negeriën:<br />

Arwou, Pantjalang, Sikaro, Lokong, Enloming, Berreeh of Bejrang,<br />

Sigsig, Sigai en Maiwoka. De geheele bevolking bedraagt<br />

1000 zielen.


391<br />

§5. De Matabela-eilanden.<br />

De Matabela- of Waloebela-eilanden strekken zich Zuid-z 1<br />

Oostwaarts van de Goram-eilanden uit, tusschen 4° 20'<br />

4° 48' Z.B. en 131° 40' tot 132° O.L. Zij zullen gezame<br />

misschien eene oppervlakte van 2 • mijlen hebben; de grool<br />

van de groep zijn Kesoeï, 1'eor en Matabela.<br />

De natuurlijke gesteldheid en voortbrengselen dezer eila<br />

• zijn dezelfde als die van de Goram-groep. Op Teor, het Zi<br />

lijkste van allen, verheft zich een vulkaan, van welken<br />

lieiug»--trttbrrrstirrg-^ het Jiirn—1-6-5 0 vermeld wordt;—ita<br />

K^»«Uf-of-Kö^Bfe op-4 n<br />

33' Z.B. eu l!)2 n<br />

O.L.-ctlleei<br />

aonon vulkaan boot jat j- van welken VALENTIJN TrïeTre in 1<br />

eene uitbarsting vermeldt. (')<br />

Alleen Matabela en Kesoeï zijn bewoond door eene bevol<br />

van 1460 Mehummidaniuy die waarschijnlijk van denzei<br />

aard is en dezelfde middelen van bestaan heeft als die der I<br />

vo<strong>org</strong>aande groepen, doch van welke ons geene bijzonderhi<br />

bekend zijn.<br />

Kesoeï, Kissoewi of Kassewooi kan beschouwd worden<br />

het hoofd-eiland van de groep. Het ligt op 4° 30' Z.B<br />

131° 48' O.L. en staat onder het onmiddellijk bestuur van e<br />

Orang Kaja. De bevolking van 1200 zielen is verdeeld ove<br />

drie negeriën Amar, Temmer timor en Temmer barat (?), In ^<br />

is een Radja gevestigd, die het oppergezag heeft over de<br />

heele groep/zuidwaarts van Kesoeï liggen de twee onbewo<br />

Baham-eilanden, en Zuid-Oostwaarts het eveneens onbewoi<br />

Koeroekaf.<br />

Matabela, een weinig ten Noord-Westen van Kesoeï gel<br />

en kleiner dan dit, telt mede drie negeriën: Waiamanoa, K<br />

en Kilwalir ( 3<br />

), te zamen met 260 inwoners; onder het bes<br />

van den Orang Kaja van Kesoeï. Noord~W r<br />

estwaarts van Mak<br />

ligt het onbewoonde Igar, het Noordelijkste van de groep<br />

(') Volgens JUNGHUHN Java enz., AM. II, Hoofdst. Hl, bl. iptr, Ligt<br />

berg op 132°59' 0.L.X<br />

l 2<br />

) Op de Kaart van MELVILL wordt eene negeri toeloer/vermeld , :<br />

in de beschrijvingen van BOSSCHER en BLEEKER niet voorkomt.<br />

t 5<br />

) De negeri Killemanok van MELVILL komt mede bij BOSSCHER en BLE<br />

nicl voor.


392<br />

§ 6. De Kei-eilanden en de Kei-Tenimber-eilanden. (')<br />

Algemeen overzigt van hunne ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />

voortbrengselen en bevolking.<br />

De Kei- of Keh-eilanderi^iggen ten Zuiden van het Westelijke<br />

gedeelte van Nieuw Guinea tusschen 5° 12' tot 6° 4' Z.B. en<br />

132° 40' tot 133° IS' O.L., en vormen eene talrijke groep van<br />

meerendeels zeer kleine eilanden. Groot Kei, het Oostelijkste<br />

van de groep, en het ten Westen daarvan liggende Klein Kei<br />

zijn verreweg de grootste en ook de best bekende van allen.<br />

De gezamenlijke eilanden worden door MELVILL geschat op eene<br />

grootte van 30.5 • mijlen.<br />

Groot Keiffs"ongeveer 2500 v*. hoog en heeft steile kusten<br />

doch geene uitstekende bergtoppen ; het schijnt niet van vulkanischen<br />

aard te zijn, gelijk ook geen der andere eilanden.<br />

Klein Kei^is aan de kusten laag en zandachtig, doch in het<br />

midden hooger en rotsachtig. Beide eilanden zijn zeer vruchtbaar<br />

en bedekt met zware bosschen, die uitmuntende houtsoorten<br />

voor huis- en scheepsbouw en meubelwerk opleveren; kokosbooinen<br />

groeijen overal in menigte in het wild; voorts vindt<br />

men er sago-boomen, suikerriet, djagoeng, aard- en peulvruchten<br />

en groenten in overvloed. De grond bevat zeer goed leem voor<br />

pottebakkerijen, kalksteen en krijt. Bunderen en paarden zijn<br />

er weinig, doch herten, geiten en wilde zwijnen in menigte.<br />

De riffen om en tusschen de eilanden leveren eene groote hoeveelheid<br />

tripang, schildpad en agar-agar op.<br />

De bevolking der geheele groep wordt op 21000 zielen begroot.<br />

Een klein gedeelte hiervan is Mohammedaansch, de overigen<br />

zijn Heidenen hoewel sommige Hoofden zich Christenen noemen.<br />

De Mohammedanen zijn vreemdelingen, volgens hun vo<strong>org</strong>even<br />

van de Banda-eilanden afkomstig, en hebben in taal, voorkomen,<br />

t 1<br />

) Voor deze en de drie vo<strong>org</strong>aande groepen zijn bijna de eenige bronnen<br />

de berigten van den Heer BOSSCHER, die deze eilanden bij herhaling bezocht<br />

en zijne bevindingen medegedeeld heeft in het Tijdschr. voor Ind. taal-,<br />

land- en volkenkunde, D'. IV, Aft. I. Wij volgen dien Schrijver ook ten<br />

opzigte van de namen en ligging der eilanden , welke grootelijks verschillen van<br />

de opgaven op de Kaart van MELVILL en de daaraan ontleende van PIJNAPPEL.<br />

Zie bl.57i, Noot. Men vergelijke ook de Berigten in de Bijdragen van hel<br />

Instituut voor taal-, land- en volkenkunde. Nieuwe volgreeks, D 1<br />

. VI,<br />

bl. 238 en DL VII, bl. 67.


393 .<br />

zeden en gewoonten veel overeenkomst met de strandbewoners<br />

van het Oostelijke gedeelte van Ceram. De Heidenen maken de<br />

oorspronkelijke bevolking dezer eilanden uit; zij behooren tot<br />

den Alfoerschen stam, zijn goed gebouwd, krachtig en niet<br />

leelijk van voorkomen; vele vrouwen zijn in hare jeugd schoon<br />

te noemen. Het gelaat is goed gevormd, het voorhoofd hoog<br />

en eenigzins vooruitstekend, de oogen donker en met zware<br />

wenkbraauwen, de neus groot doch goed gevormd, de mond en<br />

kin breed, de onderlip min of meer vooruitstekend, de baard<br />

zwaar, het hoofdhaar zwart en krullend (niet gekroesd), de<br />

huidkleur bruin-zwart. Hunne kleeding is nagenoeg dezelfde<br />

als die der Alfoeren van Ceram en Boeroe. De wapenen zijn pijl<br />

en boog, schilden en werpspiesen; sommige Hoofden hebben<br />

ook geweren en lilla's. De huizen zijn groot, van planken<br />

gebouwd op palen, met palm- of kokos-bladeren gedekt, en<br />

vereenigd in geregelde kampongs of negeriën, die met klip—<br />

steenen muren omgeven en veelal op moeijelijk te genaken hoogten<br />

aangelegd zijn. Veelwijverij is geoorloofd doch komt zelden voor.<br />

De man koopt zijne vrouw van hare ouders of bloedverwanten<br />

en is, na de'betaling der koopprijs, volkomen meester over haar,<br />

zoodat hij haar zelfs in geval zij overspel pleegt mag ter dood<br />

brengen; bij zijnen dood vervalt zij aan zijnen oudsten broeder<br />

of naasten bloedverwant, die haar dan als zijne vrouw beschouwen<br />

of weder aan een ander uithuwelijken kan. Wat hunne godsdienstige<br />

begrippen betreft: zij hebben eenig denkbeeld van<br />

een volgend leven, gelooven aan eenen Oppergod of Grooten<br />

Geest en eene menigte mindere goede en booze geesten; in elke<br />

negeri is een afgodsbeeldje, Padeo genoemd; tempels of priesters<br />

schijnen er niet te worden gevonden. Omtrent het grondbezit<br />

bestaan de volgende bepalingen: de woeste en onbebouwde<br />

gronden en bosschen in een Distrikt zijn gemeenschappelijk<br />

eigendom van het geheele Distrikt, en elk ingezetene heeft het<br />

regt om te beschikken over hetgeen die gronden kunnen opleveren<br />

en hout te kappen zooveel hij behoeft; de bebouwde en bebouwbare<br />

gronden zijn tusschen de negeriën verdeeld en het gemeenschappelijk<br />

eigendom van hare ingezetenen; buitendien hebben<br />

sommige familiën of personen nog doeson poesaka's, dat zijn<br />

stukken gronds, die zij door erfenis bekomen hebben en waarover<br />

zij naar goedvinden kunnen beschikken, of doeson tetanaman's,


394<br />

dat zijn stukken gronds die zij kunnen bebouwen en over i<br />

voortbrengselen zij kunnen beschikken zonder dat de grond<br />

hun onbeperkt eigendom is (vergelijk bl. 336, 357 en 3<br />

De ijver en ondernemingsgeest der Kei-eilanders worden<br />

geroemd. Zij zijn uitmuntende scheepstimmerlieden, en bou<br />

vaartuigen van verschillende grootte, welke zij aan de Goram<br />

Aroe-eilanders en anderen verkoopen voor lijnwaden, ijzerwa<br />

wapenen en andere benoodigdheden; het bakken van pottei<br />

het bebouwen van den grond wordt zoowel door de vrou<br />

als door de mannen verrigt. Zij drijven een niet onbelangri<br />

handel op Banda, Ceram en de omliggende eilanden, in tri-<br />

(gemiddelde jaarlijkscho uitvoer 600 pikols), schildpad (<br />

8 pikols), kokos-noten en olie, houtsoorten, potten, enz.<br />

Mangkasaarschè handelsvaartuigen bezoeken deze eilander<br />

halen er dezelfde artikelen in ruil tegen rijst, sago, tabak, 1<br />

waden, ijzer- en koperwerk, gongs, olifantstanden, aardew<br />

suiker, gambir, koralen, kruid, geweren, lilla's, enz.<br />

Onze betrekking tot de Kei-eilanden berust op een verbond ii<br />

jaar 1645 tusschen hunne Hoofden en de O. I. Compagnie gesb<br />

bij de vernieuwing van dat verbond, twintig jaren later, he<br />

zij zich als onderdanen der Compagnie erkend (D 1<br />

.1, bl. 18]<br />

Bijzonderheden omtrent de voornaamste eilanden.<br />

Groot Kei, het Oostelijkste en grootste van de groep, li£<br />

133° 18' O.L. en 5° 50' Z.B. en heeft eene oppervlakte<br />

14 • mijlen met eene bevolking van ongeveer 15000 zii<br />

waaronder ook de bewoners der onderhoorige eilandjes begr<br />

zijn. Het heeft eene onregelmatig langwerpige gedaante<br />

lengte-as loopt Noord en Zuid. De zeer geringe breed<br />

oorzaak dat de stroomende wateren van weinig belang mi<br />

zijn. Het eiland is verdeeld in zeven Distrikten met gelijkna<br />

hoofdplaatsen, namelijk: 1°. Waaijer^ in het Noord-We<br />

met vijf negeriën; 2°. Ellat, aan de Westzijde, met de ha)<br />

plaats Ellat en nog twee andere negeriën; tot dit Distrik<br />

hooren de eilandjes\Z)/cm en Nohajani; 3°. Nirong, mede af<br />

Westzijde ten Zuiden van het vo<strong>org</strong>aande, met twaalf nege<br />

hiertoe behooren de eilandjes Aranho, Noesolan, Karihoe, Di<br />

Kroet, Noehowoe en Arang; 4°. Eelir, aan de Zuid-Wesi<br />

ten Zuiden van het vo<strong>org</strong>aande, met de handelplaats Fel


395<br />

acht andere negeriën; 5°. Jamlillo, aan de Zuid-Oostzijde, rnet<br />

negen negeriën; 6°. Eli, aan de Oostzijde, met de handelplaats<br />

Eli, die door eenen muur in twee deelen wordt gescheiden,<br />

welke afzonderlijke namen dragen; 7°. Wattelaar, aan de Noord-<br />

Oost- en Noordkust, met de handelplaats Halir en zeven andere<br />

negeriën. Elk van deze Distrikten wordt op zich zelf bestuurd<br />

door eenen Orang Kaja; de met Mohammedanen bevolkte<br />

Distrikten ^w&&rr-^rr~~7?^^ -zieh echter als .<br />

SJid^eseh+k-fr-aMi Eli en Ellat. De bevolking van EeJir is deels<br />

Mohammodaanseh deels Heidensch; de overige Distrikten zijn<br />

allen door Heidenen bewoond.<br />

Klein Kei ligt onmiddellijk ten Westen van Groot Kei en is<br />

daarvan door een smal vaarwater gescheiden, waarin twee riffen<br />

zijn op welke in het midden 5 en 2 vadem water staat; aan de<br />

zijde van Groot Kei is het vaarwater dieper. Het eiland heeft<br />

eene zeer onregelmatige gedaante, is 13.5 • mijlen groot, en<br />

wordt met de onderhoorige eilandjes op eene bevolking van<br />

6000 zielen geschat. Het wordt verdeeld in drie Distrikten met<br />

'<br />

gelijknamige hoofdplaatsen, namelijk: l°.Doela, in hot Noorden,<br />

onderscheiden in Oostelijk cn Westelijk Hoela, met de handelplaats<br />

Doela en zeven andere negeriën; hiertoe behooren de<br />

eilandjes: Doela laut, met twee kampongs, Momadang, Bandong,<br />

Dranan, Maas, Mewasoema, Bajer. Flaar, Noehoemeo, en<br />

eenige andere onbewoonde Westwaarts van Klein Kei gelegen;<br />

•2°. Tuallalt (Toeallah ?), met de handelplaats Tuallah en acht<br />

andere negeriën; hieronder behooren de eilandjes: Ergodan, Hodir,<br />

Oei, Oebor, Naaf, Eair, Kraing en Watteloet ('); 3°. Banner, het<br />

eenige door Mohammedanen bewoonde Distrikt, met tien negeriën<br />

en de onderhoorige eilandjes: Naiamoel, Varkikon, Tangoain,<br />

Warlioe, Waktokmaas en eenige kleinere. ( 2<br />

)<br />

('} Dit laatste is waarschijnlijk het Kei-Watella van MELVILL. In de nabijheid<br />

van deze eilanden zijn in 1855 of 1851 twee nieuwe eilandjes uit zee<br />

opgerezen. Het eene met eene middellijn van '250 ellen ligt op eene zandbank<br />

en is omgeven door een koraalrif, dat zich aan het eiland Oei verbindt;<br />

de grond van dit eiland beslaat uit klei; men vindt er ook steenen en eenige<br />

sporen van ijzererts. Het andere eilandje ligt op grooteren afsland en is nog<br />

niet nader bekend. Naluurk. Tijdschr. v. Nederl. Indië, D'. VII, bl. 159.<br />

( 2<br />

) Volgens de berigten in de Bijdragen van het Instituut. Nieuwe volgr.,<br />

D'.VI, bl. 250 was Klein Kei in 1855 verdeeld in de vier Distrikten: Doelan,<br />

Toeal, Waijen en Toetoaat.


39G<br />

Van de boven vermelde handelplaatsen zijn alleen de reeden<br />

van Doela en Tuallah bij alle winden zelfs voor groote vaartuigen<br />

veilig; ook de Straat tusschen het eilandje Djati en de negeri<br />

Fllat biedt eene veilige ankerplaats aan, zoo ook de reede van<br />

Doela laut. De reeden van Mi en Ealir zijn alleen in den Westmoeson,<br />

die van Wehr in den Oostmoeson bruikbaar.<br />

De Tianda- of Kei-ando-groep ligt ten Westen van Groot en<br />

ten Noorden van Klein Kei. Zij bestaat uit acht eilanden, van<br />

welke slechts dc twee grootsten, Kei-ando {Tianda) en Faam<br />

bewoond zijn; op het eerste worden twee, op het laatste eene<br />

kampong aangetroffen.<br />

De Kei-Tenimber- of Ketimber-eilanden zijn nog zeer weinig<br />

bekend. Zij zijn vier in getal : Kei-Tenimber, JFetter, Falir en<br />

Moessa en liggen Zuid-Westwaarts van Groot Kei. Alleen op<br />

Kei-Tenimber, 1 •mijl groot, is eene kampong, Moenoe genaamd;<br />

het overige gedeelte der bevolking, die (waarschijnlijk te hoog)<br />

op 3000 zielen, waaronder 800 weerbare mannen, geschat wordt<br />

en over de vier eilanden verspreid is, heeft geene huizen maar<br />

leeft in de holen der rotsen, en is zoo schuw, dat zij op het gezigt<br />

van vreemdelingen terstond de vlugt neemt. De taal is dezelfde<br />

als die der Kei-eilanden.<br />

§ 7. De Aroe-eilanden.O<br />

Algemeen overzigt van hunne ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />

voortbrengselen, handel en bevolking.<br />

De Aroe-eilanden liggen ten Oosten van de Kei-eilanden<br />

tusschen 5° tot 7° Z.B. en 134° tot 134° 55' O.L.( 2<br />

) Zij zijn<br />

meer dan tachtig in getal, van welke echter slechts de negentien<br />

grootsten op den duur bewoond zijn, namelijk: Oedjir, Wokam,<br />

Wammer, Maikor, Trangan, Krei, JForkai, Jamboeai, Lolla,<br />

Meriri. Kobroor, Wattelei, Koba, Kola, Komfane, Fenamboelai,<br />

Warialaoe en Koelor; anderen worden slechts nu en dan bezocht<br />

l 1<br />

) Ook hier is weder de Heer BOSSCHER onze voornaanisle gids; Ttjdsclir.<br />

voor Indische laai-, land- en volkenkunde, Jaarg. 1, D'. 1 en 11. Zie verder<br />

de Reizen van BLEEKER , ERDMUND en KOLF ; het Tijdschr. v. Neérl. Indië,<br />

1844, Dl. 11, 4843, Dl. II, 1838, D U , enz.<br />

O Volgens de Kaart van MELVILL strekken zij zich Noordwaarts slechts tot<br />

5° 25' Z.B. cn Westwaarts lot 154° 15' O.L. uit.


397<br />

door parelvisschers of anderen , die er iets kweeken of inzamelen,<br />

zoo als: Wassir, Merdng, Babi, Bamboe, Noba, Poba, Jedan,<br />

Jaoedi, Maar, Bjeh, Boemaar, Barakan, Swangi, en andere;<br />

de grootste helft is echter geheel onbewoond. Zij worden onderscheiden<br />

in Voorwals- en Achterwals-eilanden (zie bl. 383, Noot),<br />

en ook spreekt men ten opzigte der bevolking van Voorivallers en<br />

Aeliierwallers. Tot de Voorwals-eilanden behooren Wassir, Oedjir,<br />

IVokam, Wammer en Maikor, die door de Soengei of Straat Kobi-<br />

Wato van de Achterwals-eilaiulen worden gescheiden. Hoewel<br />

Trangan ook aan de Westzijde, dat is aan den Voorwal, ligt,<br />

wordt de bevolking echter tot de Achterwallers gerekend, waarschijnlijk<br />

omdat de vreemde handelaars niet of althans minder<br />

regtstreeks met hen in aanraking komen, en zij ook Heidenen<br />

zijn gelijk de andere Achterwallers.<br />

Alle deze eilanden, wier gezamenlijke grootte volgens MELVILL<br />

115 • mijlen bedraagt, liggen in elkanders onmiddellijke nabijheid<br />

en worden slechts door smalle meestal ondiepe Straten,<br />

soengei''s geheeten, gescheiden, in welke een zeer sterke stroom<br />

loopt. Aan de Oost- en vooral aan de Noord-Oostzijde zijn deze<br />

tussehenruimten wijder; doch ook hier worden zij voor groote<br />

vaartuigen onbruikbaar gemaakt door menigvuldige zandbanken<br />

en riffen, waarop en waartusschen rijke tripang- en parelbankon<br />

gevonden worden. Geen der eilanden verheft zich aanmerkelijk<br />

boven de oppervlakte der zee. De meesten zijn door de werking<br />

van koraal-polypen ontstaan; Trangan, Krei en Workai zijn<br />

van kalkformatie; sommigen schijnen slechts van tijd tot tijd<br />

opgehoogde zandbanken te zijn. Zij zijn met eene aardkorst<br />

bedekt, die over het algemeen vrij vruchtbaar is; evenwel groeijen<br />

er geene genoegzame levensmiddelen voor de bevolking, die zelve<br />

weinig neiging voor den veldbouw heeft en door de Kei-eilanders<br />

van kokosnoten en door de Gorammers en andere handelaren<br />

van rijst en sago wordt voorzien. Stroomende wateren zijn er<br />

niet; in de behoefte aan drinkwater wordt voorzien door het<br />

graven van putten, die overal goed water opleveren behalve op<br />

Workai, waar men het van andere eilanden moet halen.<br />

In den Westmoeson, die van bet begin van December tot April<br />

duurt, is de warmtegraad des daags zeer hoog en zijn de nachten,<br />

waarin gewoonlijk een zware dauw valt, daarentegen koud en<br />

guur; in den Oostmoeson, van half April tot half November, is


398<br />

de hitte des daags minder drukkend en zijn de nachten minder<br />

koud. De meeste regen valt gedurende de kenteringen; in dien<br />

tijd heerschen er somtijds koortsen, terwijl anders deze eilanden<br />

vrij gezond schijnen te zijn. Aardbevingen komen slechts zelden<br />

voor en met geringe hevigheid.<br />

De voortbrengselen van het plantenrijk zijn : sago, kokosnoten,<br />

pinang, sirih, suikerriet van geringe hoedanigheid, aardvruchten<br />

en voortreffelijke houtsoorten, zoo als ijzer-, ebben-, djati-, Ungoahout,<br />

kajoe djira (eene soort van eikenhout), en vele andere.<br />

Van het dierenrijk zijn te vermelden : wilde en tamme zwijnen<br />

in menigte, wilde katten (tingalong), springhazen (pilando),<br />

eekhorens, eene soort van konijnen, bosch- en waterslangen,<br />

krokodillen, hagedissen, kikvorschen, eene menigte insecten;<br />

voorts vele soorten van vogelen, waaronder paradijsvogels en<br />

allerlei papegaai-soorten^duiven, boschhoenders en snippen, ook<br />

eene soort van zwaluwen, die eetbare nestjes van middelmatige<br />

hoedanigheid opleveren; tam pluimgedierte, als hoenders, eenden<br />

en ganzen, is zeer schaarseh. De zee levert eene groote menigte<br />

van eetbare visschen op, die niet slechts met netten en fuiken<br />

maar ook op ondiepe plaatsen met eene soort van werpspiesen<br />

(momang) worden gevangen; ook veel oesters en andere schelpdieren.<br />

Doch het belangrijkste, wat de zee den Aroenezen verschaft,<br />

zijn de parelen en de tripang. De tripang wordt op en<br />

tusschen de riffen op ondiepe plaatsen door de vrouwen met de<br />

momang en bij meerdere diepte door de mannen al duikende met<br />

de hand gevangen; de gemiddelde jaarlijksche uitvoer van gedroogde<br />

tripang bedraagt thans 1000 of 1200 pikols. Zoowel aan<br />

den Voor- als aan den Achterwal worden eene groote hoeveelheid<br />

rijke parelbanken gevonden; tot dusverre worden echter hoofdzakelijk<br />

alleen die aan den Achterwal geëxploiteerd, omdat alleen<br />

de Achterwallers parelvisschers (parelduikers) zijn en zij het met<br />

de Voorwallers nooit eens hebben kunnen worden over de voorwaarden<br />

omtrent het visschen (duiken) op de banken, van welke<br />

dezen zich eigenaars noemen O. Dit duiken geschiedt daar alleen<br />

(') De Heer BOSSCHER is er in 1855 in geslaagd zoodanige-overeenkomst<br />

vast te stellen. Wat daarvan het gevolg is geweest is ons niet bekend; hij<br />

zelf had er geene groote verwachting van, vooral omdat hij vreesde dat de<br />

duikers, die gewoon zijn den tijd van den Oostmoeson in ledigheid en dronkenschap<br />

door te brengen, niet geneigd zouden zijn dien voortaan aan den arbeid<br />

te besteden. Tijdschr. voorlnd. taal-, land- en volkenk., D 1<br />

. II, bl. 549.


399<br />

gedurende den Westraoeson, omdat er in den Oostmoeson te veel<br />

branding staat; om dezelfde reden zoude het aan den Voorwal<br />

gedurende den Oostmoeson moeten plaats hebben. De jaarlijksehe<br />

opbrengst bedraagt gemiddeld ƒ12000 tot ƒ 20000 aan paarlen<br />

en 3000 of 35 00 pikols parelschelpen (parelmoer). De pareloester<br />

wordt door de Aroenezen als eene bijzondere lekkernij<br />

beschouwd.<br />

Het delfstoffenrijk bevat, voor zooveel bekend is, alleen kalksteen,<br />

krijt en leem op de eilanden Trangan, Krei en Workai.<br />

Bij het branden van kalk worden de stukken kalksteen en koraal<br />

met groote schelpen vermengd.<br />

Op de Aroe-eiianden, bepaaldelijk te Bobo op Wammer, wordt<br />

een zeer belangrijke handel gedreven. Ingevoerd worden voornamelijk<br />

: lijnwaden, ijzer-, staal-, koper-, glas- en aardewerk,<br />

wapenen, sterke dranken (jenever, araken anijs), olifantstanden,<br />

kramerijen, rijst, sago, tabak, opium, kokos-noten en olie, enz.;<br />

en uitgevoerd : paarlen, parelmoer, tripang, karet en vogelnestjes.<br />

In 1851 bedroeg de waarde van den invoer ƒ 170697, en die<br />

van den uitvoer ƒ 185510; behalve hetgeen buiten Bobo verhandeld<br />

en niet bekend was.<br />

De sterkte der bevolking bedroeg volgens de telling van den<br />

Heer BOSSCHER in 1850 ruim 13000 zielen, waaronder 309 Christenen<br />

en 187 Mohammedanen; de overigen zijn Heidenen.<br />

De Christenen bevonden zich alleen op de Voorwals-eilanden<br />

Wokam, Wamrner en Maikor; zij kleeden zich gelijk de Ambonesche<br />

Christenen. Hun godsdienstige toestand was zeer<br />

gebrekkig, en hunne leiding sedert kort toevertrouwd aan twee<br />

Ambonesehe Schoolmeesters, nadat zij langen tijd van alle onderwijs<br />

waren verstoken geweest; op Wammer waren twee Christenkerken,<br />

op Wokam en Maikor elk eene. De Mohammedanen<br />

waren op de eilanden Oedjir, Wokam en Wammer; op elk der<br />

twee eerstgenoemde eilanden was eene moskee. Hunne kleeding<br />

is gelijk die der Mohammedanen op de Ambonsche eilanden.<br />

De Voorwals-eilanden hebben slechts weinig bewoners, en<br />

dezen, althans de Christenen en Mohammedanen onder hen,<br />

scïSjnen niet tot de zuiver oorspronkelijke bevolking te behooren<br />

maar afstammelingen te zijn van Bandanezen, Cerammers, Gorainmers<br />

en andere eilanders, doch waarschijnlijk met de Aroenezen<br />

vermengd./* 1<br />

^


400<br />

De inheemsche bevolking behoort tot den Alfoerschen stam,<br />

heeft een goed geëvenredigden en stevigen ligchaamsbouw, donkerbruine<br />

huidkleur, en lang zwart hoofdhaar, hetwelk zij op het<br />

achterhoofd zamenbiuden en verder in het wild laten groeijen;<br />

de vrouwen besteden hieraan eenige meerdere z<strong>org</strong>. De kleeding<br />

bestaat bij beide geslachten alleen in de tjidako (bl. 186); slechts<br />

op Waüdei dragen de vrouwen eene soort van korte rokjes van<br />

matwerk, die met eene koperen ketting om de lendenen worden<br />

vastgehouden. Sieraden worden zelden anders dan door de vrouwen<br />

gedragen en bestaan in ivoren en koperen ringen om de<br />

armen en enkels, en groote ivoren oorbellen. De wapenen zijn<br />

pijl en boog, lansen en werpspiesen, een smal vierkant schild<br />

en eene soort van maliën-kolder (badjoe prang) van boomschors<br />

gevlochten; de Voorwallers hebben ook geweren en Villa's, waarmede<br />

zij zeer goed omgaan. De huizen zijn ruw en zonder eenige<br />

gemakken van planken gebouwd en staan op palen, zoo digt<br />

mogelijk bij elkander; zoodat de negeriën of kampongs, waarvan<br />

slechts weinigen vijftig woningen tellen O, eene zeer geringe uitgestrektheid<br />

gronds beslaan ; zij worden dan ook zooveel mogelijk<br />

gebouwd op rotsenen bij voorkeur op die, welke het moeijelijkst<br />

te beklimmen zijn. Elke van deze negeriën heeft haar eigen<br />

Hoofd, die door de bevolking wordt gekozen en den titel voert<br />

van Radja of Orang Kaja; bij wordt bijgestaan door mindere<br />

Hoofden met den titel van Orang Toewa, Kapitein of Toeioan<br />

negeri. Deze Hoofden oefenen ook het regterlijk gezag uit. Hun<br />

invloed is niet zeer groot en hangt hoofdzakelijk van hunne<br />

persoonlijke omstandigheden of hoedanigheden af; alleen in tijd<br />

van oorlog hebben zij een onbeperkt gezag, en is ieder op doodstraf<br />

verpligt hun te gehoorzamen. Zij genieten geene inkomsten dan<br />

eene kleine retributie bij het ontdekken van nieuwe parelbanken<br />

of het vinden van buitengewoon groote paarlen; alleen bij ziekte<br />

of ouderdom hebben zij het regt een zeker aantal hunner onderhoorigen<br />

voor zich te doen werken.<br />

De beschaving der Aroenezen staat op zeer lagen trap; en de<br />

Hoofden munten daarin niet boven het volk uit, alleen kleeden<br />

zij zich gelijk de Mohammedanen. Slechts de Hoofden van<br />

(') Volgens de opgave van BOSSCHER zijn er sleehls vier negeriën met meer<br />

dan 50 huizen, en tellen de tneesten er tusschen de tien en dertig.


401<br />

Samanrj op Wokam en van Djurdjeüa op Wammer maken in dit<br />

opzigt eene gunstige uitzondering en bewonen ook beter ingerigte<br />

huizen. Overigens is de Aroenees zeer gehecht aan voorouderlijke<br />

zeden en gebruiken, geen koppensneller, zachtzinnig, vreedzaam,<br />

geduldig, vatbaar voor raadgevingen, zeer gevoelig voor eene<br />

vriendelijke behandeling, cn ligt geneigd tot het vergeven van<br />

beleedigingen behalve het beschimpen van zijne voorouders en<br />

het verleiden van zijne vrouw of dochters; maar daarentegen ook<br />

verregaand lui en zeer verslaafd aan het misbruik van sterken<br />

drank; in den veldbouw heeft hij weinig lust; en het bouwen<br />

van zeer eenvoudige kleine praauwen, de visch- en tripang-vangst<br />

en het parelduiken zijn de eenige takken van nijverheid, die hij<br />

uitoefent. De handel met vreemde kooplieden wordt hoofdzakelijk<br />

door de Christenen en Mohammedanen van den Voorwal opdreven.<br />

Behalve een onbestemd denkbeeld van een volgend leven<br />

bepalen hunne godsdienstige begrippen zich tot het geloof aan<br />

eene menigte booze geesten (steangi's), die in holle boomen,<br />

grotten of op den bodem der zee huizen en ook wel de gedaante<br />

van menschen, dieren en planten aannemen, en de bewerkers<br />

zijn van alle onheilen, welke hun overkomen; ook de geesten<br />

hunner voorouders straffen hen met ziekte of dood, wanneer zij<br />

zich door hunne nakomelingen of anderen beleedigd achten.<br />

Het blijkt niet dat zij aan deze wezens eenige vereering toebrengen;<br />

alleen wanneer zij eene parel van bijzonder groote<br />

waarde opduiken, werpen zij op de plaats waar die gevonden is<br />

een aantal gongs in zee als een offer aan den geest van die plaats,<br />

om later niet door hem wegens ondankbaarheid gestraft te<br />

worden. Priesters hebben zij niet, en ook van wigchelaars of<br />

geestenbezweerders bij ziekten of andere omstandigheden wordt<br />

geene melding gemaakt. De Christenen en Mohammedanen staan,<br />

wat bijgeloof betreft, niet veel hooger dan de Heidenen.<br />

De Aroe-eilanders zijn, even als de Alfoeren op Ceram<br />

(bl. 367), verdeeld in twee groote bondgenootschappen, hier<br />

Oer-sia of Oeli-siva (de negen gewesten ?) en Oer-lima of Oeh<br />

lirna (de vijf gewesten?) geheeten; de Orang Kaja's van de negeriën<br />

Oedjir, Wokam en Samang worden als de Hoofden van het eerste,<br />

die van Wammer en Maikor als de Hoofden van het laatste<br />

beschouwd. Men zegt dat de Oer-sia vroeger aan den Sultan van<br />

n. 2^


402<br />

Tidore onderworpen waren, wiens Raad uit «c^e» leden bestond,<br />

terwijl de Oer-lima onderhoorig waren aan dien van Ternate,<br />

wiens Eaad uit vijf leden was zamengesteld. Schoon de leden<br />

dezer bondgenootschappen niet, als op Ceram, in zeden en gebruiken<br />

verschillen, geeft deze verdeeling toch dikwijls aanleiding<br />

tot twist en vijandelijkheden. Naar haren maatschappelijken<br />

stand wordt de bevolking onderscheiden in : 1°, leden van de<br />

bangsa (adel), waaruit zooveel mogelijk de Hoofden der negeriën<br />

worden gekozen, en die uit hunne afstammelingen bestaat;<br />

2°, vrije lieden, uit welke ook somtijds Hoofden, vooral die van<br />

minderen rang, worden gekozen; 3°, Orang bitoowan^), of dienstpligtigen,<br />

die aan eenen stam of eene negeri ondergeschikt en<br />

tot zekere diensten verpligt zijn; 4°, slaven, die meest van de<br />

Papoewah-eilanden afkomstig zijn en vroeger veel door de<br />

Cerammers werden aangevoerd; het van tijd tot tijd herhaald<br />

bezoek van oorlogsvaartuigen heeft in de laatste jaren dien handel<br />

zeer doen verminderen.<br />

Omtrent het grondbezit bestaan in do hoofdzaak dezelfde<br />

denkbeelden als op de Kei-eilanden en elders in de Molukken<br />

(bl. 336, 357, 373 en 394).<br />

Gelijk boven reeds is opgemerkt, is de landbouw bij de Aroe-<br />

eilanders van weinig belang, en is de karet-, tripang- en parel-<br />

visseherij en de handel in deze artikelen hun hoofdmiddel van<br />

bestaan. Zeiven verlaten zij hunne eilanden weinig maar wachten<br />

de handelaren af. Dezen, vooral Boeginezen, Mangkasaren,<br />

Cerammers en Gorammers, komen in December of Januarij te<br />

Bobo op Wammer aan en betalen aan de Orang Kaja's van dat<br />

eiland en Wokam eenig ankerage-geld {taboe batoe) en eene<br />

kleine schatting (se'wa tanah, eigenlijk: landhuur), waarvoor zij<br />

het regt hebben uit het bosch al het noodigo te halen om op<br />

den wal eene woning en loodsen op te slaan, waarin de gezag­<br />

voerder-koopman (anakoda) zijnen intrek neemt en de lading<br />

met het scheepstuig gedurende den Westmoeson geb<strong>org</strong>en wordt;<br />

het vaartuig zelf wordt inmiddels, zoo noodig, door daartoe<br />

overkomende Kei-eilanders hersteld. Hier heeft de groothandel<br />

plaats; en middelerwijl zendt de anakoda eeuigen zijner onder-<br />

hoorigen met een gedeelte der medegebragte koopwaren in kleine<br />

0) Misschien het Maleische bertoewan, lieden die eenen heer hebben.


403<br />

vaartuigen {djóngko's) naar de Achterwals-eilanden, om daar de<br />

paarlen, tripang, enz. in te ruilen ; deze onder-kooplieden of commissionnairs<br />

worden toekang petak genoemd. Met het doorkomen<br />

van den Oostmoeson vertrekken de handelaars weder, en treden<br />

de Aroenezen de periode van lediggang en dronkenschap in.<br />

Van de bijzondere gebruiken vermelden wij slechts de volgende.<br />

Bij de geboorte van eene dochter wordt, in het vooruitzigt op<br />

den later voor haar te bedingen bruidschat, een luidruchtig feest<br />

gevierd, waarbij gezongen, op gongs en tifa's (eene soort van<br />

trommen), hunne eenige muzijk-instrumenten, geslagen, een<br />

varken geslagt en veel arak en anijs gedronken wordt; dikwijls<br />

wordt het kind bij dezelfde gelegenheid ook verloofd en het bedrag<br />

van haren koopprijs vastgesteld. De geboorte van eenen zoon<br />

wordt hoogstens als eene- onverschillige zaak beschouwd.<br />

Bij het huwelijk wordt de vrouw door den man van haren<br />

vader of, bij voor-overlijden van dezen, van haren grootvader<br />

of anderen naasten bloedverwant gekocht; kan hij zelf den koop­<br />

prijs (arta) niet geheel betalen, dan wordt hij hierin geholpen<br />

door zijne vrienden, die daarvoor aanspraak krijgen op een Ge­<br />

deelte van den bruidschat der dochters, welke uit dit huwelijk<br />

zullen geboren worden. De arta bestaat, naar gelang van den<br />

rang van het meisje, in een grooter of kleiner aantal Impala's<br />

(stuks voorwerpen), als olifants-tanden, gongs, porceleinen<br />

kommen en schotels, en dergelijke. Bij volstrekt onvermogen<br />

moet de schoonzoon een zeker aantal jaren zijnen schoonvader<br />

dienen en zoolang met zijne vrouw in diens huis blijven wonen.<br />

De man is onbepaald heer en meester over zijne vrouw en heeft<br />

het regt in geval van overspel haar te dooden of den voor haar<br />

betaalden koopprijs terug te vorderen; wil haar medeschuldige<br />

dien betalen dan wordt zij daardoor de vrouw van dezen, maai­<br />

de kinderen van haren eersten man blijven bij hunnen vader.<br />

In andere gevallen schijnt echtscheiding niet bekend te zijn.<br />

Wanneer de man sterft moet de weduwe zich het hoofd doen<br />

hal scheren, mag zich in zes weken aan geen man vertoonen,<br />

en gaat gedurende dien tijd geheel naakt; daarna heeft een<br />

ongehuwde broeder van den overledene het regt haar, zonder<br />

bruidschat te betalen, tot vrouw te nemen (polygamie schijnt dus<br />

hier niet te bestaan); zijn er echter geene ongehuwde broeders<br />

of verlangen dezen haar niet tot vrouw, dan blijft zij evenwel


404<br />

ïn zooverre het eigendom der familie van haren man, dat deze,<br />

als zij hertrouwt, haren bruidschat ontvangt. Wanneer de vrouw<br />

sterft, verlaat de man het huis en houdt zich in bet bosch op<br />

tot na de begrafenis; daarna werpt bij eenig kostbaar voorwerp,<br />

b.v. 'eene gong of oen olifantstand, in de zee of in eene rotskloof<br />

als een offer aan hare nagedachtenis (aan haren geest?) opdat<br />

zij hem later niet kome kwellen.<br />

De lijken worden, met hunne kostbaarste sieraden opgeschikt,<br />

in eene hurkende houding (vergel. bl. 192, 242, 310 en 369)<br />

in een klein diep gat onder hunne woning begraven; in dit graf<br />

worden ook eenige eetwaren gelegd. Indien de overledene een<br />

man was, worden zijne wapenen met hem begraven en op het<br />

graf eenige gongs, aarde- en glaswerk aan stukken geslagen;<br />

ook wordt zijue gewone vischpraauw uit elkander gebroken en<br />

in den grond gestopt.<br />

Bij het ontdekken van eene nieuwe parelbank begeeft zich het<br />

Hoofd der negeri met de geheele mannelijke bevolking naar die<br />

plaats. Een hunner werpt dan, onder het uitspreken van be-<br />

zwerings-formulieren, eenig toovermiddel in een rood lapje<br />

gewikkeld in zee om de booze geesten te verdrijven, en de Orang<br />

Kaja werpt er eenige-duiten bij opdat die waarde hun veelvuldig<br />

worde teruggegeven. Daarna gaan de duikers te water, en de<br />

opbrengst van de eerste vangst wordt geheel tot feestvieren<br />

besteed.<br />

Alle boven vermelde gebeurtenissen gaan met buitensporige<br />

drinkpartijen gepaard.<br />

Misdrijven worden met boete gestraft gewoonlijk te betalen<br />

in olifantstanden of gongs; alleen op moord door eenen slaaf<br />

aan een vrijen man gepleegd staat onvermijdelijk de dood, en ook<br />

overspel door eene vrouw gepleegd kan door haren man des<br />

verkiezende zoo worden gestraft. Overspel door den man gepleegd<br />

en mishandelingen op zijne vrouw geven aan deze het regt om<br />

hem te verlaten en een ander te huwen. Wanneer de eene slaaf<br />

den anderen doodt, moet do eigenaar van den moordenaar de<br />

waarde van den vermoorde aan diens meester vergoeden; zoo<br />

ook wanneer een vrij man eenen slaaf van een ander doodt.<br />

Voor diefstal wordt alleen teruggave der waarde van het gestolene<br />

geëiseht. Indien een veroordeelde niet in staat is de hem opge­<br />

legde boete te betalen, is zijne familie daarvoor aansprakelijk;


405<br />

en indien hij tot eene andere negeri behoort dan de beieedigde<br />

partij, zijne geheele negeri; in dit laatste geval wordt de boete<br />

veelal voldaan door de Hoofden, die daardoor hunnen invloed<br />

op hunne onderhoorigen grootelijks vermeerderen.<br />

De wijze van verbindtenissen te sluiten is dezelfde als bij de<br />

Cerammers (bl. 309) en elders in de Molukken.<br />

Over de taal der Aroenezen zijn door den Heer BHUMÜND<br />

eenige opmerkingen en eene korte Woordenlijst medegedeeld ('),<br />

die echter alleen de Voorwals-eilanden betreffen. Hij vermoedt<br />

dat zij verwant is met de taal der Cerammers, Zuid-Westereilanders,<br />

en in het algemeen met de talen der verschillende<br />

Alfoersehe stammen in den Indischen Archipel, maar niets<br />

gemeens heeft met het Maleisch dan voor zooverre woorden uit<br />

deze taal, door vreemde kooplieden overgebragt, meer of minder<br />

verbasterd in het Aroeneeseh zijn opgenomen. Voorts is de taal<br />

rijk aan vokalen en welluidend, maar zeer arm aan woorden en<br />

volstrekt verstoken van uitdrukkingen voor afgetrokkene denkbeelden,<br />

gelijk trouwens bij een geheel onbeschaafd volk van<br />

zelf spreekt. Vervoeging of verbuiging wordt alleen door hulpwoorden<br />

aangeduid. Handelaren en andere vreemdelingen bedienen<br />

zich van het Maleisch, dat althans door de meeste Hoofden<br />

op de Voorwals-eilanden verstaan wordt.<br />

Bijzonderheden omtrent eenige eilanden.<br />

Wassir, het Noordelijkste der Voorwals-eilanden is niet op<br />

den duur bewoond; er staan echter eenige huizen in de nabijheid<br />

van tuinen, wier eigenaars op Oedjir hun vast verblijf hebben.<br />

Oedjit\\i%i onmiddellijk ten Zuiden van Wassir op 5° 36'Z.B..,<br />

(volgens de kaart van MELVILL). Het heeft de twee negeriën<br />

Oedjir en Timor, wier Hoofden den titel van Orang Kaja voeren,<br />

en die in 1850 te zamen 112 zielen telden; de bevolking was<br />

toen echter zeer verminderd ten gevolge van de cholera, die daar<br />

in het vorige jaar gewoed had. Te Oedjir is eene goede steenen<br />

moskee voor de toen, op zeven Alfoeren na, geheel Mohammedaansehe<br />

bevolking.<br />

Wokam, ten Zuiden van Oedjir en aanmerkelijk grooter dan dit<br />

(het wordt door MELVILL op 3 • mijlen geschat), op 5° 48' Z.B.,<br />

met eene bevolking van 387 zielen, die aan de Westzijde des<br />

(') Tijdschr. voor Neérl. Indië, 1844, D>. II, bl. 521 en volgg.


400<br />

eilands grootendeels Christenen of Mohammedanen, aan de<br />

Oostzijde Heidenen zijn. Er zijn zeven negeriën, ouder welke op<br />

de Westzijde Wokam met eene vervallene steenen Christenkerk<br />

en Samang met eene moskee, en op de Oostzijde Manambai en<br />

Majoeni de voornaamsten zijn. Bij Wokam vindt men nog de<br />

overblijfselen van een stevig uit klipsteen gebouwd fort, dat in<br />

het midden der 17 dc<br />

eeuw hier door de O. I. Compagnie gebouwd<br />

werd om de bevolking in toom te houden, die te regt zeer verbitterd<br />

was niet alleen over de uitroeijing der specerij-boomen,<br />

maar vooral ook omdat zij gedwongen werd de overige producten<br />

dezer eilanden uitsluitend aan de Bandasche handelaars te verkoopen<br />

; in 180# is deze post ingetrokken.<br />

Wammer, ten Zuiden van Wokam op 5°48'Z.B., kan, hoewel<br />

het slechts 2 • mijlen groot is, als het voornaamste van de groep<br />

beschouwd worden, omdat tusschen dit eiland en Wokam de<br />

eenige goede reede is met eene diepte van 6 tot 26 vadem, ten<br />

gevolge waarvan hier de hoofdzetel van den handel is. De<br />

voornaamste handelplaats, Dobo, ligt aan de Noordzijde; zij<br />

bestaat uit 87 huizen doch heeft geene vaste bevolking, maar<br />

gedurende den Westmoeson houden er zich gemiddeld 800 of<br />

1000 vreemdelingen op, van welke er gewoonlijk een paar<br />

honderd gedurende den Oostmoeson achterblijven. De twee<br />

andere negeriën, Bjurdjella en Wangil, hebben te zamen eene<br />

nagenoeg geheel Christelijke bevolking van 190 zielen; in beiden<br />

is eene Christenkerk, van welke die te Bjurdjella een goed<br />

steenen gebouw is.<br />

Maikor, op één na het grootste van de groep, ligt tusschen<br />

6° en 6° 32' Z.B. en heeft eene oppervlakte van 16 • mijlen.<br />

De twee negeriën Maikor en Wangal, van welke de eerste<br />

grootendeels door Christenen de laatste geheel door Heidenen<br />

bewoond is, tellen te zamen 133 inwoners; in de eerstgenoemde<br />

is een houten gebouw dat tot kerk dient. MELVILL spreekt<br />

daarenboven nog van twee dorpen, Bololoet en Batoe, die door<br />

BOSSCHEE niet vermeld worden; laatstgenoemde zegt daarentegen<br />

dat er in het binnenland nog een paar honderd Alfoeren in het<br />

bosch verspreid leven.<br />

Trangan, dat ongeveer even groot is als Maikor, ligt ten<br />

Zuiden van het laatstgenoemde tusschen 6° 33' en 6° 57' Z.B.<br />

I en heeft\wee negeriën/Set eene gezamenlijke, geheel Heidensche,


407<br />

bevolking van 310 zielen, die tot de Achterwallers gerekend<br />

wordt (bl. 397).<br />

Krei, een betrekkelijk klein eiland, ligt aan de Zuid-Oostzijde<br />

van Trangan en heeft twee negeriën, Badalwaër, uit vijf kampongs<br />

bestaande, en Tatibijaroen. met eene gezamenlijke bevolking van<br />

668 zielen, die, gelijk alle Achterwallers, Heidenen zijn.<br />

Workai. ten Oosten van Trangan tusschen 6°40' en 6° 57' Z.B.,<br />

is 8.5 • mijlen groot en heeft zes negeriën met eene bevolking<br />

van 1133 zielen; de grootste plaatsen zijn Longar, Affara en<br />

Wairibang.<br />

Koba, tusschen het Noord-Oostelijke gedeelte van Trangan<br />

en het Noord-Westelijke van Workai gelegen, heeft slechts<br />

ééne negeri van denzelfden naam met eene bevolking van 143<br />

zielen.<br />

Kobroor, het grootste en minst bekende der Aroe-eüanden,<br />

ligt ten Oosten van Maikor en ten Noorden van Koba tusschen<br />

5°47' en 6°34'Z.B., en is volgens MELVILL 60 • mijlen groot.<br />

Er zijn vrij rijke sago-bosschen en voorts pinang- en kokosboomen,<br />

arrt-tuinen, aard- en tuinvruchten. De tien negeriën hebben<br />

te zamen 2926 inwoners; maar buitendien zegt men dat het<br />

binnenland nog sterk bevolkt is. Deze bevolking, die als woest<br />

en wreed wordt afgeschilderd} houdt zich niet met parel visscherij<br />

of tripang'-vangst bezig, maar leeft grootendeels van den veldbouw,<br />

welks producten zij in den Westmoeson aan de vreemde<br />

handelaren verkoopen; ook vervaardigen zij zeer goede praauwen.<br />

Met de overige Aroe-eilanders komen zij weinig in aanraking,<br />

en zijn minder aan het misbruik van sterken drank overgegeven<br />

dan dezen.<br />

Jamboeai, het Oostelijkste eiland van de groep, ten Oosten<br />

van het Zuidelijke gedeelte van Kobroor tusschen 6° 16' en<br />

6°30' Z.B., heeft eene bevolking van 236 zielen in de twee<br />

negeriën Jamboeai en Salaoe.<br />

Penamboelai of Ponamboloe ligt ten Oosten van Kobroor en<br />

ten Noorden van Jamboeai tusschen 5° 55' en 6° 14' Z.B. en is<br />

aanmerkelijk grooter dan laatstgenoemd eiland, doch heeft slechts<br />

ééne negeri van denzelfden naam met 223 inwoners.<br />

Lolla, mede ten Oosten van Kobroor en onmiddellijk ten<br />

Noorden van Penamboelai, heeft ook slechts ééne negeri van.<br />

denzelfden naam met 215 inwoners.


408<br />

Meriri, een klein eiland ten Noorden van Lolla op 5° 44' Z.B.,<br />

heeft de negeri Meriri met 750 zielen.<br />

Waltelei, ten Noorden van Kobroor en ten Westen van Meriri,<br />

is niet veel grooter dan het laatstgenoemde doch heeft zeven<br />

negeriën met 1845 inwoners. De voornaamste plaatsen zijn<br />

Wattelei, Koemoeloe en Margoeli.<br />

Komfane ligt ten Noord-Oosten van Wokam en ten Noorden<br />

van Wattelei op 5°35' Z.B. Van de negeriën of de sterkte deibevolking<br />

is ons geene opgave bekend.<br />

Kolo of Kola ligt op dezelfde breedte ten Oosten van Komfane<br />

en heeft twee negeriën, Maltinoe en Sangaroemi, met eene bevolking<br />

van 560 zielen.<br />

Warialaoe is het Noordelijkste bewoonde eiland van de groep<br />

op 5° 25' Z.B., en heeft alleen de negeri van denzelfden naam<br />

met 134 inwoners.<br />

Alle hierboven vermelde cijfers der bevolking hebben betrekking<br />

op het jaar 1850 en zijn opgemaakt nadat in het vo<strong>org</strong>aande<br />

jaar de cholera had gewoed; waarschijnlijk zijn dus die getallen<br />

thans aanmerkelijk hooger. Daarenboven rekent men dat buiten<br />

de in de negeriën gevestigde bevolking nog een 2500-tal Alfoeren<br />

in de binnenlanden der groote eilanden zonder vast verblijf<br />

rondzwerven.<br />

§ 8. De Tenimber-eilanden.<br />

Algemeen overzigt van de eilanden en hunne bevolking.<br />

De Tenimber- of Timor laut-eilanden behooren tot de minst<br />

bekende van dit gedeelte van den Archipel, zoodat zelfs in de<br />

opgaven van hunne namen groot verschil bestaat (bl. 375).<br />

Vreemde handelaren komen er zelden, zoo het schijnt uit wantrouwen<br />

jegens de bevolking; alleen met Loeang, een der Zuid-<br />

Wester-eilanden, en somtijds met Banda schijnt buitenlandsche<br />

handel te worden gedreven. De Heer BOSSCHER, die ze even<br />

als de naburige eilanden ambtshalve heeft bezocht, heeft zoo<br />

verre ons bekend is zijne bevindingen nog niet publiek gemaakt.<br />

Wij zullen daarom hoofdzakelijk de mededeelingen van den Heer<br />

BLEEKER vermelden, die in zijne Reis l 1<br />

) de voornaamste bekende<br />

bijzonderheden omtrent deze groep heeft bijeen gebragt en daartoe<br />

(') O'. II, bl. 298,


409<br />

ook mondelinge inlichtingen van den Heer BOSSCHER ingewonnen ;<br />

met vergelijking van de berigten van den Heer VAN DOREN,<br />

medegedeeld in de Bijdragen van het Instituut voor de taal-,<br />

land- en volkenkunde van Nederlandsch Indië. (')<br />

De Tenimber-eilanden liggen Zuid-Westwaarts van do Keieilanden<br />

tusschen 6°41' tot 8°34' Z.B. en 130°49' tot 133° O.L.,<br />

en hebben volgens MELVILL eene gezamenlijke grootte van<br />

104.5 • mijlen. Zij zijn in het algemeen berg- of heuvelachtig,<br />

hoewel de bergen geene groote hoogte bereiken. De hoogste<br />

schijnt de vulkaan te zijn, die het onbewoonde eilandje Labobar<br />

(7° 5' Z.B. en 131° 13' O.L.) uitmaakt en ongeveer 2000 V*.<br />

bereikt; verder worden op Timor laut, Larat, Vordate en Sejrah<br />

de hoogste gedeelten aangetroffen; de aard van deze gebergten<br />

is echter niet bekend. Het vaarwater tusschen de verschillende<br />

eilanden is met uitgestrekte riffen bezet, die rijk zijn aan tripang<br />

en karet, hetwelk ook uitvoer-artikelen zijn; ook levert de zee<br />

vele goede vischsoorten op. De voortbrengselen van den grond<br />

zijn hoofdzakelijk kokosnoten en aardvruchten, daar de bevolking<br />

weinig werk maakt van den landbouw en hare rijst en sago van<br />

elders (waarschijnlijk meest van de Zuid-Wester-eilanden) bekomt.<br />

Wilde en tamme varkens komen er in overvloed voor.<br />

Zooverre men weet zijn alleen-de eilanden Timor laut, Larat,<br />

Vordate, Moenoefroean, Sejrah en Adaut bewoond. Hunne bevolking,<br />

die op meer dan 22000 zielen geschat wordt, heeft<br />

den naam van wreed en verraderlijk en onderling zeer afgunstig<br />

te zijn, waarop echter die van Adaut gezegd wordt eene gunstige<br />

uitzondering te maken. Zij woont in op zich zelf staande negeriën<br />

of kampongs, bestuurd door Orang Kaja's, die door het volk<br />

worden gekozen.<br />

De veelwijverij is geoorloofd doch weinig in zwang omdat de<br />

vrouw voor een vrij hoogen prijs, te betalen in gewerkt goud,<br />

olifantstanden, gongs of dergelijke, door den man moet gekocht<br />

worden. De kleeding van beide geslachten bestaat alleen in de<br />

tjidako, en de sieraden in zware koperen ringen om de enkels;<br />

evenwel zijn de mannen zeer op Europesche kleedingstukken<br />

gesteld. Hunne wapenen zijn pijl en boog, lansen, parangs en<br />

klewangs; ook hebben sommigen geweren, waarmede zij echter<br />

(') Nieuwe volgreeks, Oh VII, bl. 67.


410<br />

gebrekkig omgaan. In den oorlog hebben de mannen eene soort<br />

van harnas van buffelhuid, dat het bovenlijf bedekt, en voorts<br />

allerlei versierselen van vederen, bloemen, stukjes gekleurd laken,<br />

goud en ivoor, enz. Zij vereeren eene menigte Goden, en daaronder<br />

ook de geesten hunner voorouders, welke zij nennemojang noemen<br />

en waaraan offeranden gebragt worden. Hiertoe vindt men in<br />

elke kampong eene steenen of aarden hoogte onder een waringinboom;<br />

en deze plaats dient ook tot bet houden van volksvergaderingen<br />

en het raadplegen van priesteressen of wigchelaressen<br />

omtrent den uitslag van deze of gene onderneming. Afgodsbeelden<br />

in eene ruwe mensehelijkc gedaante vindt men overal in<br />

menigte, en de meeste personen dragen kleine zoodanige beeldjes<br />

bij zich.<br />

De wijze van begraven is niet overal dezelfde. Op sommige<br />

plaatsen wordt het lijk in een uitgeholden boomstam gelegd en<br />

zoo op eene stellaadje geplaatst, waar rondom eene groote hoeveelheid<br />

levensmiddelen wordt opgehangen, en blijft daar tot<br />

dat het geheel verteerd is; elders wordt het na eenigcn tijd van<br />

de stelling afgenomen en begraven; op nog andere plaatsen<br />

wordt het eenvoudig op eene rots aan het strand nedergelegd;<br />

weder elders dadelijk in de aarde begraven. Alleen aan bejaarde<br />

lieden, die gehuwd zijn geweest, schijnt men de eer te vergunnen<br />

dat hun lijk op eene stellaadje wordt ten toon gesteld. De nagelatene<br />

goederen worden voor de helft vernield en voor de andere<br />

helft onder de erfgenamen verdeeld. Van het vee van eenen<br />

overledene wordt een derde gedeelte geslagt en, nadat eene zekere<br />

hoeveelheid in of bij de kist is nedergelegd, door de overige<br />

kampong-bewoners opgegeten of medegenomen (verg. bl. 310).<br />

Hunne taal is dezelfde, die op de naburige eilanden wordt<br />

gesproken; er zijn echter, vooral onder de Hoofden, verscheidene<br />

personen die het Maleisch verstaan.<br />

Bijzonderheden omtrent sommige eilanden. •<br />

Timor laut, het hoofd-eiland van de groep, ligt tusschen<br />

7° 11' tot 8°24'Z.B. en 130° 49'tot 131°41'O.L. in eene<br />

Noord-Oost- en Zuid-Westwaartsche rigting; de lengte zal ongeveer<br />

25, doch de gemiddelde breedte niet meer dan 3 of 4 mijlen<br />

bedragen; volgens MELVILL is de grootte 88 • mijlen. De Oostzijde<br />

van het eiland is het hoogst en bereikt van 600 tot 1000 v 4<br />

.;


411<br />

de Westzijde is aanmerkelijk lager en vrij vlak. Op deze laatste,<br />

waarde kust wegens de ondiepte moeijelijk te naderen is, liggen<br />

de negeriën Ma/dia en Analoesoe ; op de Oostzijde, die verreweg<br />

het sterkst bevolkt is, worden een twintigtal negeriën gevonden,<br />

waaronder Oelili en Laoerong de voornaamsten zijn. De geheele<br />

bevolking des eilands wordt op 10000 zielen geschat.<br />

Larat ligt onmiddellijk ten Oosten van den Noord-Oosthoek<br />

van Timor laut, is een heuvelland van vrij groote en gelijkmatige<br />

hoogte, en heeft eene oppervlakte van ongeveer 7 • mijlen. Het<br />

is verdeeld in de drie Distrikten Kaliobor, Larat en Klang, en<br />

telt zeven negeriën, onder welke Ridal of Ridoel en Kaleobar<br />

of Kaliobor aan de Noordkust tot de belangrijksten behooren. De<br />

geheele bevolking wordt op ruim 2500 zielen berekend. Bij de<br />

negeri Ridoel aan de Zuid-Westzijde des eilands is eene bogt,<br />

die ten allen tijde eene veilige ankerplaats aanbiedt, doch welker<br />

binnenkomen in den Oostmoeson moeijelijk is.<br />

Vordate, regt Noordwaarts van Larat op 7° Z.B. gelegen,<br />

is slechts 1 • mijl groot en dus zeer veel kleiner dan dit en<br />

ook minder hoog; echter wordt de bevolking even sterk geschat.<br />

Er zijn vijf negeriën, onder welke Abobo of Adodo in het<br />

Noorden, Sabiana in het Westen en Aweer in het Zuid-Westen<br />

de belangrijksten schijnen te zijn.<br />

Sejrah ligt aan de Westkust van Timor laut op 7° 40' Z.B.<br />

en is even als dit eiland aan de Oostzijde hoog en aan de Westzijde<br />

laag. Het heeft zes negeriën, onder welke Wailoetoe aan<br />

de Noordkust eene der grootsten schijnt te zijn^Het eiland zoude,<br />

volgens de opgave van BLEEKEB, ruim 5000, doch volgens de<br />

opgave in de Bijdragen van het Instituut nog geene 2000 bewoners<br />

hebben.<br />

Moenoefroean, dat niet op de Kaarten voorkomt en welks<br />

ligging ons onbekend is, moet vijf negeriën hebben met omstreeks<br />

1000 inwoners.<br />

Adaut fs een klein eiland, dat volgens de kaart van MELVILL<br />

zeer nabij de Westkust van Timor laut ten Zuiden van Sejrah<br />

op 7° 50' Z.B. ligt, doch volgens de mededeeling van den Heer<br />

BOSSCHEE tusschen laatstgenoemd eiland en de Babber-groep<br />

te zoeken is. Aan de Zuid-Westzijde moet het eene baai met<br />

eene veilige reede hebben. Omtrent het getal der negeriën of<br />

der bewoners zijn geene berigten bekend.


412<br />

§ 9. De Zuid-Wester-eilanden. W<br />

Algemeen overzigt van de ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />

voortbrengselen en bevolking.<br />

De Zuid-Wester-eilanden liggen in twee rijen in het Zuidelijke<br />

gedeelte der Banda-zee, grootendeels tusschen 7°tot 8° 18'Z.B.<br />

en 125° 40' tot 130° 8' O.L., dat is, van ten Westen der<br />

Tenimber-eilanden tot ten Noorden van Timor; alleen de eilanden<br />

Tiouw, Nila, Seroea en Manoek liggen Noordelijker dan deze<br />

grens, tusschen 5° 30' en 7° Z.B. De Zuidelijkste, bijna regt<br />

Oost- en Westwaarts loopende, rij wordt gevormd door de<br />

Babber-, Sermatla- en Letli-groepen; terwijl de andere, die<br />

Noord-Oost- en Zuid-Wcstwaarts loopt, door de Weller-, Romaen<br />

Bamme-groepen en de zoo even genoemde meer Noordwaarts<br />

liggende eilanden gevormd wordt.<br />

De gezamenlijke grootte van deze eilanden is volgens MELVILL<br />

93.5 • mijlen.<br />

Zij zijn meerendeels van vulkanischen oorsprong; Kisser is<br />

van kalkformatie, en Loeang bestaat uit een hoogen klipachtigen<br />

berg door kleine koraal-eilandjes omgeven. Bijna overal steil<br />

en rotsachtig oprijzende uit de zee, die tot vlak bij de kusten<br />

eene onpeilbare diepte heeft, bieden zij den schepen slechts<br />

weinige goede ankerplaatsen aan, die hieronder bij elk eiland<br />

zullen worden opgegeven. Daar er niet dan kleine en zeer weinige<br />

riviertjes of beken worden gevonden is de bevochtiging van den<br />

grond geheel van den regen afhankelijk, en wordt in de behoefte<br />

aan drinkwater veelal door het graven van putten voorzien;<br />

evenwel zijn alle deze eilanden, met uitzondering van Loeang,<br />

zeer vruchtbaar en leveren overvloed van levensmiddelen voor<br />

de bevolking op, en alleen buitengewone droogte veroorzaakt<br />

somtijds hier of daar tijdelijk gebrek. De temperatuur is nagenoeg<br />

dezelfde als op Java. De Oostmoeson vangt aan omstreeks half<br />

April; en schoon dit de zoogenaamde drooge tijd is, is hij toch<br />

somtijds buijig, en vooral in het laatst van April en in het<br />

begin van Mei regent het veelal een week of drie achter elkander,<br />

(') Men zie vooral BOSSCHER, in het Tijdschr. voor Ind. taal-, land- en<br />

volkenkunde, DL II, bl. 419.


413<br />

hetgeen men den kleinen regentijd noemt. De Westmoeson komt<br />

in November of December door en brengt den grooten regentijd<br />

aan, die twee of drie maanden aanhoudt en, vooral in December<br />

enJanuarij, dikwijls met hevige stormen gepaard gaat. Aardbevingen<br />

en onweders komen het meestin September en October<br />

voor, doch zijn zelden zeer hevig.—. De gezondheids-toestand<br />

schijnt zeer voldoende te zijn; alleen pokken-epidemiën komen<br />

van tijd tot tijd voor, en voorbehoedmiddelen daartegen zijn<br />

niet bekend.<br />

Van het delfstoffenrijk op deze eilanden is nog weinig of niets<br />

met zekerheid bekend. Men gelooft dat op Kisser en Babber<br />

marmer te vinden is en meent op laatstgenoemd eiland ook sporen<br />

van koper en ijzer te hebben ontdekt; doch dit vereischt nog<br />

allezins bevestiging. Zandsteen, krijt, graniet, en andere gewone<br />

steensoorten komen op de meeste eilanden in menigte voor.<br />

Het plantenrijk is, behalve op het hooge, schrale en rotsachtige<br />

Loeang, overal welig. Kokosnoten, rijst, djagoeng, aard- en<br />

peulvruchten, tabak, katoen en allerlei keerkringsvruchten zijn<br />

overvloedig; Bamme is rijk in sago-palmen; hetzelfde eiland<br />

benevens Moa en Babber heeft vele uitmuntende houtsoorten<br />

voor huis-en scheepsbouw en meubelwerk; en op al de grootere<br />

eilanden vindt men uitgestrekte en heerlijke weilanden.<br />

Tamme varkens zijn in overvloed op alle eilanden; wilde<br />

zwijnen en wilde ossen alleen op Babber; karbouwen, wilde en<br />

tamme geiten en schapen in menigte op Wetter, Moa, Letti en<br />

Kisser; op de beide laatste eilanden ook paarden van een zeer<br />

goed ras. Het hertengeslacht en ander klein wild ontbreekt geheel.<br />

Vele soorten van duiven, ook bosehhoenders, houtsnippen, kippen<br />

en eenden zijn talrijk. Slangen, hagedissen, kikvorschen en<br />

padden komen overal voor; krokodillen alleen op Wetter. Van de<br />

insecten zijn vooral de honigbijen te vermelden, die op de groote<br />

eilanden nog zeer menigvuldig zijn, hoewel minder dan vroeger,<br />

hetgeen men toeschrijft aan hevige orkanen of buitengewone<br />

droogten, die van tijd tot tijd geheerscht hebben. De zee in den<br />

omtrek der eilanden is rijk aan visch; evenwel wordt van de<br />

visscherij hier niet zooveel werk gemaakt als elders, daar de<br />

bevolking overvloed van andere levensmiddelen heeft. Tripang<br />

en schildpad komen alleen voor in den omtrek der eilanden<br />

Babber, Loeang, Bamme en Roma.


414<br />

Hoewel de voortbrengselen uit de beide laatstgenoemde natuurrijken<br />

zeer overvloedig zijn, wordt daarin slechts weinig buitenlandsche<br />

handel gedreven. De eenige artikelen van uitvoer zijn<br />

tripang (gemiddeld 6S0 pikols's jaars), schildpad (6 pikols) en<br />

was (325 pikols), die voorat door Mangkasaren en voor een<br />

klein gedeelte door handelaars van de Banda-eilanden worden<br />

geruild tegen lijnwaden, staaf-ijzer, messen, parange, bijlen,<br />

spijkers, vischhaken, koperdraad, grof aardewerk, koralen, kruid<br />

en vuurwapenen. Deze handel wordt alleen gedreven op de<br />

eilanden Loeang en Wetter. De overige producten worden slechts<br />

tot binnenlandsoh gebruik aangewend en daartoe door de Loeangers<br />

en Lettinezen, de eenige zeehandelaars van deze groepen,<br />

van het eene eiland naar het andere overgebragt.<br />

Omtrent de sterkte der bevolking bestaan zeer verschillende opgaven.<br />

BLEEKER brengt die in 1852 op 52576 zielen ; BOSSCHEE<br />

in hetzelfde jaar op 46176, waaronder echter de bevolking van<br />

sommigeeilanden, als onbekend, niet begrepen is; MELVILL (Min<br />

1849 op 35700; en WILLER( 2<br />

) in 1847 op 19715 zielen. Schoon<br />

deze cijfers, die grootendeels op de opgaven van Inlandsehe<br />

Hoofden steunen, wel niet als volkomen juist te beschouwen<br />

zijn, schijnt er toch uit te blijken dat de bevolking in de laatste jaren<br />

aanmerkelijk is toegenomen. Onder het door BOSSCHER medegedeelde<br />

getal bevonden zich 2382 Christenen op de eilanden<br />

Lelti. Moa. Roma, Kisser en Wetter. Op de andere eilanden<br />

worden ook nog wel velen gevonden, die zich Christenen noemen<br />

omdat hunne voorouders zulks waren, doch die werkelijk geheel<br />

tot het heidendom zijn teruggekeerd behalve alleen wat hunne<br />

kleeding betreft, waarin zij met de Ambonesche Christenen overeenkomen.<br />

Deze Christenen zijn grootendeels afstammelingen<br />

van Europeanen, deels ook Inlanders. Ten tijde van de O. I.<br />

Compagnie werd van de invoering en uitbreiding van het Christendom<br />

op de Zuid-Wester-eilanden veel werk gemaakt en waren<br />

op de meeste eilanden Zendelingen werkzaam; langzamerhand<br />

is dit verminderd, en in 1841 hebben de Zendelingen, die toen<br />

nog op de vier eerstgenoemde eilanden waren, ook deze verlaten.<br />

Thans zijn daar nog slechts vijf Ambonesche schoolmeesters,<br />

(') Statistieke Kaart in hel Tijihe.hr. v. Neêrl. Indië, 1849, D'. II.<br />

( 2<br />

) Tabel in het Indisch Archief, Jaarg. I, U', II.


415<br />

die behalve het onderwijs in het lezen en schrijven ook het<br />

godsdienstig onderrigt geven en des Zondags bij de godsdienstoefeningen<br />

vo<strong>org</strong>aan. Omtrent de kennis, den godsdienstzin en de<br />

beschaving der Christenen, althans der volwassenen die nog het<br />

onderwijs der Zendelingen hebben genoten, wordt een gunstig<br />

getuigenis gegeven.<br />

De inheemsche meest heidensehe bevolking, door de Christenen<br />

Hindoe's genoemd, behoort hoogst waarschijnlijk tot den Alfoerschen<br />

stam en is misschien naauw verwant met de bewoners van<br />

het Oostelijke gedeelte van Tintori. Het is een lieht gekleurd,<br />

rijzig en goed gebouwd menschenras. Zij zijn over het algemeen<br />

minder onbeschaafd dan de Aroe- en Tenimber-eilanders, werkzaam,<br />

onderdanig aan hunne Hoofden, gewillig en getrouw als<br />

men ben billijk behandelt maar niet geneigd om aanmatiging of<br />

onderdrukking van vreemden te verdragen, oorlogzuchtig en<br />

dapper, wreed jegens overwonnene vijanden, zeer gesteld op den<br />

dans en andere luidruchtige vermaken, en liefhebbers van sterken<br />

drank. Jegens het Gouvernement, door hen nog altijd de Compagnie<br />

genoemd, zijn zij zeer goed gezind. De bevolking van<br />

Babber schijnt zich door trouwloosheid, die van Bamme door<br />

luiheid ongunstig van de overige eilanders te onderscheiden; op<br />

Wetter is het koppensnellen in zwang. De huizen zijn vrij groot,<br />

van planken gebouwd, met nipa/i-blaieren gedekt, en staan digt<br />

bij elkander in geregelde kampongs of negeriën, die altijd door<br />

uit klipsteen opgetrokkene muren omgeven zijn.<br />

De bevolking is verdeeld in drie standen: de Marna of Merne,<br />

dat zijn de adellijken, de eigenlijke heeren des lands, uit welke<br />

de voornaamste Hoofden en de hoogste Priesters worden gekozen;<br />

ie Poer of Boer (waarschijnlijk het Nederlandsche woord), zijnde<br />

de vrije landbouwers of grondeigenaars, uit welke in sommige<br />

gevallen ook de mindere Hoofden en Priesters gekozen worden;<br />

en de Laskars of slaven, deels gekochte of geërfde deels in den<br />

O BossCHEn, Tijdsclir. v. Ind. taal-, land- en volkenkunde, DL II,<br />

bl. 4^6, deelt als zijn vermoeden mede, dal de Zuid-VVester-eilanders van<br />

Timor afkomstig zijn. Daarentegen beweren de Timorezen dat hun eiland<br />

door volkplanters uit het üoslen bevolkt is, hetgeen wel voor een tegenovergestelde<br />

afstamming zoude pleiten, maar waardoor toch het vermoeden van<br />

verwantschap versterkt wordt. HËYMERING berigt (Tijdschr. v. Neérl. Indië,<br />

Dl. 111, bl. 41) dat de Zuid-Wester-eilanders vol gens hunne eigene<br />

overleveringen van Ceram, de Aroe-en Tenimber-eilanden afkomstig zijn.


41G<br />

oorlog gevangen genoraene, die geene regtcn hebben en volstrekt<br />

aan hunnen eigenaar onderworpen zijn.<br />

De geheele eilanden-groep is verdeeld in Distrikten, van<br />

welke sommige verscheidene eilanden bevatten, terwijl elders<br />

weder één eiland in meerdere Distrikten is gesplitst. De Hoofden<br />

dezer Distrikten voeren meest den titel van Orang Kaja, enkelen<br />

dien van Radja; zij worden door de bevolking gekozen uit de<br />

Mama's en bij voorkeur uit het regerend geslacht; alleen wanneer<br />

dit is uitgestorven en men niet uit eenen anderen stam eenen<br />

geschikten persoon kan of wil vinden, kiest men iemand uit den<br />

tweeden stand, wiens aanzien echter altijd minder is dan dat<br />

van eenen Marna. Zij hebben een onbeperkt gezag en beslissen<br />

in alle geschillen tusschen hunne onderhoorigen. In geval van<br />

geschil tusschen de bevolking van twee negeriën, wordt de zaak<br />

in eene vergadering van alle vrije mannen in de baileo (raadzaal)<br />

behandeld, en na het nemen van een besluit de uitvoering<br />

daarvan aan het Distriktslioofd opgedragen. Onder deze Dis-<br />

triktshoofden zijn er ook Negeri-hoofden, die mede veelal Orang<br />

Kaja heeten. Buitendien hebben de eilanden Moa, Kisser en<br />

Tf r<br />

elter elk nog een algemeen Hoofd, die op het eerste Opper-<br />

Orang Kaja en op de beide andere Radja heet. Dezen oefenen<br />

geen regtstreeksch gezag uit, doch beslissen alleen in geschillen<br />

tusschen landschappen welke onder verschillende Hoofden staan,<br />

en in zaken die het algemeen belang van het geheele eiland<br />

betreffen.<br />

De Zuid-Wester-eilanders erkennen het bestaan van een<br />

Opperwezen, Matsoena tnakerissi makelavene (de grootere cn<br />

meerdere God) genaamd, die het heelal bestuurt en onderhoudt<br />

doch zich niet met de lotgevallen der menschen bemoeit; dit<br />

laatste is overgelaten aan twee oudergoden, Oplaire wartcasse en<br />

Oplaire miinetteme, van welke de eerste de God der blanke, de<br />

andere de God der donkerkleurige menschen is. Hoewel zij ook<br />

voor de twee eerstgenoeuulen grooten eerbied hebben, brengen<br />

zij alleen aan den laatste offeranden, die oorspronkelijk in men-<br />

schenhoofden en runderen bestonden. De hoofden worden thans<br />

echter door kokosnoten vo<strong>org</strong>esteld, behalve misschien alleen op<br />

Wetter waar het koppensnellen nog in gebruik is. Deze offers<br />

worden slechts eenmaal in het jaar gebragt, wanneer de Opper­<br />

priester te kennen geeft dat zulks door de Godheid verlangd wordt.


417<br />

Voorts heeft elke negeri of kampong en ook elk meusch een<br />

bijzonderen beschermgod, Ornoesa geheeten, wiens beeld (een<br />

klein op de hurken zittend beeldje) in het midden van elk dorp en<br />

ook in ieder huis, tuin en vaartuig gevonden wordt, en waaraan<br />

dagelijks kleine offers worden gebragt. Ook zijn er booze geesten,<br />

Swungïs, die de oorzaak zijn van alle onheilen welke den mensch<br />

overkomen. De braven gaan na den dood met een verfijnd ligchaam<br />

naar eene plaats, waar zij een ongestoord geluk genieten, van welks<br />

aard men echter geene bepaalde voorstelling heeft; doch de slechten<br />

worden naar eene ongelukkige plaats (noerese rewiule) overgebragt,<br />

waar zij voortdurend zeer zwareu arbeid moeten verrigten of<br />

wel in groote ketels met water of olie worden gekookt.— Elk<br />

landschap heeft eenen Opperpriester en verscheidene priesters<br />

van minderen rang; den eerste, Arricssere geheeten, kiest men<br />

altijd uit de Mama's, de laatsten uit den tweeden stand.<br />

De polygamie is, hoewel niet verboden, echter weinig of niet<br />

in gebruik. Ieder man heeft ééne vrouw, die hij zelf kiest en<br />

voor welke geen bruidschat wordt betaald; hij geeft slechts een<br />

feest ter eere der beschermgoden van zijnen stam en dien zijner<br />

vrouw, waarna de Priester het huwelijk voor gesloten verklaart<br />

door de vrouw in plegtigen optogt naar het huis van den man te<br />

brengen, waar zij door dezen aan de deur wordt opgewacht. Met<br />

het verbranden van eenig hout ter eere van de afgestorvene<br />

bloedverwanten des mans op een offertafeltje, dat daune waniotné<br />

heet en in elk buis gevonden wordt, is dan de geheele plegtigheid<br />

afgeloopen. De huwelijken worden gewoonlijk aangegaan tusschen<br />

personen uit denzelfden stand; indien iemand eene vrouw<br />

neemt uit eenen lageren stand dan den zijne, behooren de kinderen<br />

tot dien der moeder; heeft het omgekeerde plaats, dan maakt de<br />

vrouw zich daardoor bij hare geheele familie gehaat en veracht.<br />

De vrouwen worden goed behandeld, en gevallen van echtbreuk<br />

komen zelden voor; in het algemeen leven zij kuisch en ingetogen,<br />

evenwel is er geene schande in gelegen wauneer zij duurzaam met<br />

eenen man leven zonder wettig gehuwd te zijn.<br />

Bij de geboorte van kinderen hebben geene bijzondere plegtigheden<br />

plaats.<br />

De lijkeu worden na gewasschen te zijn in eene hurkende<br />

houding, met lijnwaad omwonden, buiten de negeri gewoonlijk<br />

op een' der akkers van den overledene begraven en krijgen eenige<br />

II. 37


418<br />

eetwaren en, wanneer liet eenen man geldt, veelal ook wapenen<br />

mede in het graf (verg. bl. 404). Als de afgestorvene iemand uit<br />

een der twee hoogste standen was, heeft de begrafenis eerst drie<br />

dagen na zijn overlijden plaats. Gedurende dien tijd zwerft de ziel<br />

rondom het sterfhuis, waarom dan ook door de Priesters een groot<br />

vuur wordt onderhouden om haar voor te lichten. Op den derden<br />

dag wordt eenig ofTervee geslagt en de ziel door een bezweringsformulier<br />

uitgenoodigd zich in een door den Priester medegebragt<br />

beeldje, davine geheeten, te vestigen tot dat de Oplaire mimetteme<br />

zal beslist hebben of zij naar de plaats des geluks of naar die<br />

des ongeluks moet gaan. Daarna wordt het beeldje op het boven<br />

vermelde offertafeltje geplaatst, het vuur uitgebluscht en het lijk<br />

begraven. De begrafenis heet daarom ook rawene o waai, dat is:<br />

hel vuur uitdooven.<br />

De straffen op misdrijven bestaan in boeten, welke in vee<br />

moeten worden betaald. Een gedeelte hiervan komt aan de<br />

Priesters tot het doen van offeranden; het overige wordt in<br />

stukken gehakt, en ieder ingezetene der negeri neemt daarvan<br />

zooveel als hij bekomen kan. Alleen overspel door eene vrouw<br />

uit den stand der Mama's met eenen slaaf bedreven, en moord<br />

aan een Hoofd gepleegd worden onvermijdelijk met den dood<br />

der schuldigen gestraft; in het laatste geval komt daarbij nog<br />

de boete, voor welke de familie van den moordenaar aansprakelijk<br />

is. Ook bestaat in geval van moord de bloedwraak, welke echter<br />

niet meer mag worden uitgeoefend zoodra de schuldige de hem<br />

opgelegde boete voldaan heeft.<br />

De kinderen der heidensche bevolking genieten volstrekt geen<br />

onderwijs, zoodat wetenschappelijke ontwikkeling bij haar niet<br />

te vinden is. Het ontbreekt echter niet aan natuurlijken aanleg.<br />

De praauwen zijn fraai gebouwd en met versierselen en snijwerk<br />

voorzien; in het bewerken van ijzer en goud, en het uithouwen<br />

van letters en andere figuren in hout en steen zijn velen vrij<br />

goed bedreven j en in het weven van katoenen kleedjes en het<br />

vervaardigen van vischnetten en lijnen zijn zij zeer bekwaam;<br />

eigenlijk gezegde ambachtslieden, die zich bepaaldelijk met het<br />

uitoefenen vaneen dezer bedrijven bezig houden, zijn er evenwel<br />

niet. Het hoofdbedrijf is de landbouw, die op eene gebrekkige<br />

wijze wordt gedreven; de ploeg is zelfs onbekend, en de grond<br />

wordt alleen door middel van puntige met ijzer beslagene stokken


419<br />

omgewoeld en slechts zelden bemest; evenwel heeft men, als<br />

er geene buitengewone droogte heerscht, do<strong>org</strong>aans eenen overvloedigen<br />

oogst. De voornaamste producten zijn vermeld op<br />

bladz. 413. Van de visscherij wordt weinig werk gemaakt. Over<br />

den handel zie men bladz. 414.<br />

Over de taal der Zuid-Wester-eilanders wordt door BOSSCHER.<br />

slechts met een enkel woord gesproken; doch uitvoerig is<br />

daarover gehandeld door den Zendeling HEYMEUING in het<br />

Tijdschrift voor Neérlandsch Indië, 1846, D 1<br />

. III. Volgens hem<br />

is de taal van alle deze eilanden dezelfde, behoudens eenig<br />

dialect-verschil, dat volgens BOSSCHER op Babl/er het grootst is.<br />

Zij behoort tot den Alfoerschen taalstam en schijnt beschaafder<br />

en rijker in woorden en vormen te zijn dan de meeste andere<br />

talen van den Indischeti Archipel. Het Maleisch heeft er weinig of<br />

geen invloed op uitgeoefend; dat de Hindoe-Javanen in vroegere<br />

eeuwen met deze eilanders in aanraking geweest zijn wordt door<br />

sommigen vermoed. Overigens is de taal nog zeer weinig bekend;<br />

en hetgeen HEYMERING daarover heeft medegedeeld is, hoe<br />

verdienstelijk ook als eerste proeve, geheel onvoldoende om tot<br />

eene eenigzins wetenschappelijke kennis er van te geraken. Een<br />

eigen letterschrift heeft zij niet; maar onze karakters schijnen<br />

voldoende te zijn om al hare klanken uit te drukken.<br />

De tijd wordt verdeeld in maanjaren, maanden (eigenlijk:<br />

manen) en dagen. Het jaar vangt aan met den regentijd en heeft<br />

twaalf maanden. De verdeeling in weken schijnen de Heidenen<br />

niet te kennen ; althans de dagen hebben geene bijzondere namen,<br />

maar worden alleen aangeduid door : eerste, tweede, derde, enz.<br />

na volle, nieuwe of kwartier-maan. Ook de uurverdeeling is<br />

onbekend, en de tijd van den dag of den nacht wordt bepaald<br />

door de opgave van den stand van zon of maan.<br />

Bijzonderheden omtrent de verschillende groepen.<br />

De Babber-groep ligt Westwaarts van Timor laut tusschen<br />

129° 35' tot 130° 8' O.L. en 7° 38' tot 8° 5' Z.B. Babber is<br />

verreweg het grootste eiland; de overigen liggen op grooteren of<br />

kleineren afstand daar rondom O. Zij waren in 1852 verdeeld<br />

(') De Dabber-groep wordt met de Sermalla-groep en het eiland Leikor<br />

door MELVILL te zamen op 16 • mijlen geschat.


420<br />

in de vier Distrikten Tepa, Blawas, Noesiate en Potti, niet<br />

gelijknamige hoofdplaatsen; de beide eerstgenoemde omvatten<br />

de eilanden Babber, Baai, Marsela, Batcelora en Baicera; de<br />

twee andere maakten het ongeveer twee mijlen ten Westen van<br />

Babber gelegene eiland TFetau uit. Zij stonden elk onder eenen<br />

Orang Kaja en telden te zamen 23 negeriën met eene bekende<br />

bevolking van 6050 zielen.— Het eiland Babber is vooral aan<br />

de Zuidkust vrij hoog cn bergachtig. Het heeft in den Oostmoeson<br />

eene goede ankerplaats aan de Westzijde tegenover de negeri<br />

Tepa; in den Westmoeson is de ankerplaats aan de Oostzijde<br />

van het eiland ïFelun bij de negeri Noesiate. Bij deze beide<br />

plaatsen vindt men nog overblijfselen van steenen blokhuizen<br />

uit den tijd der O. I. Compagnie.<br />

De Sermatta-groep ligt West-Zuid-Westwaarts van de vorige<br />

tusschen 128° 41' tot 129° 13' O.L. en 8° 7' tot 8° 18' Z.B.<br />

Sermalta en Loeang zijn de eenige bewoonde eilanden van deze<br />

groep. Sermalta, een hoog en bergachtig eiland, is het Oostelijkste<br />

t«n grootste, en verdeeld in de twee Distrikten Ruma-kisser) en<br />

Roma-duratTmct eene bevolking van naar gissing 4000 zielen;<br />

het aantal dorpen is


4-21<br />

Toeteke. Tombra en Xoetcewang, met gelijknamige hoofdplaatsen,<br />

allen door Orang Kaja's bestuurd en met de onderhoorige kam­<br />

pongs door 113S0 zielen bewoond. In de negeri Batoemeaau<br />

is de ruïne van een groot fort, en te Seraai in hetzelfde Distrikt<br />

eene steenen Christenkerk; te Serwaroe in het Distrikt Toeteke<br />

is mede eene zeer goede steenen kerk. In den Oostmoeson biedt<br />

Lelti goede ankerplaatsen aan op de Noord-Westkust tegenover<br />

de negeriën Tombra, Serwaroe en Toeteke; in den Westmoeson<br />

zijn er geene veilige reeden.— Kisser. regt Westwaarts van Letti<br />

en ten Noorden van Timor's Noord-Oosthoek gelegen en tusschen<br />

de 2 en 3 • mijlen groot, is heuvelachtig en op sommige plaatsen<br />

bijna 700 v'. boven den zeespiegel verheven. Het staat in zijn<br />

geheel onder eenen Radja, aan wien de Orang Kaja's der negen<br />

negeriën, van welke Waurili de hoofdplaats is ^ondergeschikt<br />

zijn, en heeft eene bevolking van 5300 zielen. Kisser was vroeger<br />

de zetel van het Ncderlandsch gezag op de Zuid-Wester-eilanden.<br />

hetwelk daar werd uitgeoefend door een ambtenaar der O. I.<br />

Compagnie met den titel van President. Van zijne woning, van<br />

het fort Vollenhoven en van de kazernen der Nederlandsche<br />

kr'ijgsmagt zijn de bouwvallen nog overig nabij de negeri Wau­<br />

rili; in die negeri is eene ruime en goed onderhoudene steenen<br />

Christenkerk. In den Oostmoeson is de ankerplaats aan de<br />

Westzijde des eilands op eene koraalbank een weinig bezuiden<br />

het fort Vollenhoven; in den Westmoeson, aan de Oostzijde des<br />

eilands nabij de negeri Poera-Poera^K<br />

De Wetter-groep ligt ten Noorden van Timor, tusschen 125° 35'<br />

tot 126 c<br />

'55'O.L. en 7°33' tot 8°20' Z.B. Het voornaamste<br />

eiland, Wetter, is 54 • mijlen groot; de-drie andere, Zuid-<br />

Westwaarts daarvan gelegen en van welke P. Kambing aan<br />

Portugal behoort (bl. 375, Noot( :<br />

>), zijn zeer klein en, naar het<br />

schijnt, weinig bewoond. De bevolking bedraagt ruim 5000 zielen,<br />

van welke ongeveer 3000 in gehuchten in het weinig bekende<br />

bergachtige binnenland verspreid zijn j de overigen wonen in<br />

y!s aan of nabij Wétr-etrimd- gelegene negeriën, onder welke f~ ab<br />

Ilwakki aan de Zuidkust als de hoofdplaats beschouwd wordt.<br />

Deze plaats staat regtstreeks onder het bestuur van den Radja<br />

(i) Deie neeeri liet op de Kaart van MEI.VILL in den Alias ten onreglu<br />

. . ° . .. r<br />

.T.-J..I.- r_.i • „„; /„.../_<br />

ddll ue I 1 S H M H UL3 IIIUIIUO. ivijj.i'j" - y •<br />

en volkenkunde, DL II, hl. 451.


422<br />

van Wetter; de andere, die verdeeld zijn in de Distrikten Sautc<br />

en Haroepantej, hebben elk eenen Orang Kaja, met uitzondering<br />

van Tagar Oelor, de voornaamste plaats van het laatstgenoemde<br />

Distrikt, hetwelk een Opper Orang-Kaja tot Hoofd heeft. In 1852<br />

waren op Wetter nog slechts drie Christenen. In den Westmoeson<br />

schijnt dit eiland geene veilige reede aan te bieden; in den<br />

Oostmoeson kan men ankeren tegenover de negeri Ilwakki.<br />

De Roma-groep ligt Oostwaarts van Wetter, tusschen 127° 20'<br />

tot 127° 47' O.L. en 7° 30' tot 7° 45' Z.B. Het hoofd-eiland<br />

Roma, omstreeks 5 • mijlen groot, vormt met de overige, welke<br />

zeer klein^zijn, écn Distrikt en telt vijf negeriën, onder welke<br />

Jeroesoe of Sei-oesoe (Seroesa) aan de Westzijde des eilands O de<br />

hoofdplaats is. De bevolking bedraagt ongeveer 1670 zielen.<br />

De ankerplaats van Roma is in den Oostmoeson bij het eilandje<br />

Noesa mitta een weinig benoorden de hoofdplaats Jeroesoe. In<br />

den Westmoeson schijnt een inham, Roemkoeda genaamd,<br />

tk kleino lU'grrr-ffrft eene redelijke aukerplaats aan te bieden.<br />

De Damme-grocp ligt Noord-Oostwaarts van Roma, tusschen<br />

128° 30' tot 128° 40' O.L. en 6° 57' tot 7° 14' Z.B.l'l Het<br />

hoofd-eiland Lamme, 6.2 • mijlen groot, heeftop zijnen Noord-<br />

Oost'elijken hoek eenen vulkaan, die bijna aanhoudend rookwolken<br />

uitwerpt cn veel zwavel oplevert, en wiens vo<strong>org</strong>ebergten na­<br />

genoeg het geheele eiland innemen. De overige meer Zuidwaarts<br />

gelegene eilandjes zijn zeer klein en van weinig of geen belang.<br />

Lamme is verdeeld inVle drie Distrikten Bebbar, Batoe mérah<br />

en Milong. met de hoofdplaatsen Bebbar in het Noorden, Batoe<br />

mérah in het Zuiden, en Motor in het Westen; buitendien zijn<br />

er nog vijf andere negeriën. De gezamenlijke bevolking is 3800<br />

zielen. Eene Nederlandsche kolonie, in 1646 aan de Zuid-<br />

Oostzijde des eilands gesticht, is wegens de ongezondheid der<br />

plaats voor Europeanen spoedig weder opgebroken. Er zijn<br />

echter nog overblijfselen van de voormalige vestiging der Neder­<br />

landers op dit eiland, in de ruïnen van het fortje Wilhelmus aan )f<br />

de Wilhclmus-baai op de Noordkust, en die van eene andere<br />

l'J Up de haart van .MELVILL ligt deze plaats en OOK net etianaje noesa<br />

milln abusivelijk aan de Oostzijde van Roma Zie het Tijdschrift voor Ind.<br />

taal-, land- en volkenkunde, D'. II, bl. 451.<br />

H Volgens JUNGHUHN, Java, enz., Afd. li, Hoofdsl.lll, bl. 1268, ligt<br />

Damme op 12Ï C<br />

45'0.L. en 7°5'Z.B.<br />

|


433 .<br />

steenen sterkte san de Koehcatti-baai aan dc Oostzijde. Deze<br />

beide baaijen zijn de eenige, hoewel gebrekkige ankerplaatsen<br />

van het eiland; de eerste in den Oost-, de laatste in den Westmoeson<br />

verkieselijk.<br />

De Tiouw-, Nila-, Seroea- en Manoek-eilanden, die ééne<br />

vulkanische reeks uitmaken, liggen ver uit elkander Oost- en<br />

Noord-Oostwaarts van Bamme en zijn klein en van weinig<br />

belang. Zij worden met het later te vermelden Goenoeng Api en<br />

de Lucipara-eilanden te zamen door MELVILL op 3 • mijlen<br />

geschat. Tiouw of Teon ligt regt Oostwaarts van Bamme op<br />

129° 15' O.L. en 7° Z.B. en telt vijf negeriën, van welker<br />

bevolking de sterkte niet bekend is.— Nila, iets grooter dan<br />

Tiouw. ligt op 129° 33' O.L. en 6° 43' Z.B. en bestaat uit<br />

eenen vulkaan, die ongeveer 1600 v*. hoog en nog steeds werkzaam<br />

is. Er zijn op dit eiland vier negeriën.— De twee Seroeaeilanden.<br />

van welke het eene weinig meer dan eene klip is,<br />

liggen in elkanders onmiddellijke nabijheid op 130° 5' O.L. en<br />

6°21' Z.B. Op het grootste O bevindt zich de vulkaan Legelala,<br />

die (waarschijnlijk te°laag) op 600 v». geschat wordt en in 184^<br />

eene hevige uitbarsting heeft ondergaan. Dit eiland, dat door<br />

vroegere vulkanische werkingen gedeeltelijk verzonken schijnt te<br />

zijn °heeft slechts twee negeriën.— P. Manoek of P. Bocroeng,<br />

dat'is: Vogel-eiland, ligt op 130° 24' O.L. en 5°29' Z.B. O.<br />

Het bestaat uit een enkelen niet meer werkenden vulkaan, die<br />

vrij steil uit zee oprijst, is onbewoond, en levert zeer veel zwavel<br />

op, welke vooral door de Cerammers wordt ingezameld.<br />

6 10. De Schildpad- en Lucipara-eilanden eD<br />

Goenoeng Api.<br />

De Schildpad-eilanden, zes in getal, liggen in de Banda-zee<br />

op 127° 53' O.L. en 5° 12' Z.B. Zij zijn uit koraal-riffen<br />

gevormd en geheel onbewoond.<br />

De Lucipara-eilanden. mede zes in getal, liggen een weinig<br />

ten Zuid-Westen der Schildpad-eilanden op 127° 37' O.L. en<br />

(i) Volgens KOLFF ligt dit eiland op 130° 58'O.L. Zie ook JIJKGHUHN,<br />

Java. enz., Afd. II, Hoofdst. III, bl. 12CS.<br />

(') Volgens KoLrr op 130° 18' O.L.


424<br />

5° 27' Z.B.C'. Zij zijn ook slechts koraalriffen, hier en daar met<br />

boomen begroeid doch onbewoond, en hebben eenige vermaardheid<br />

gekregen door de schipbreuk van Z.M. Stoomschip Willem 1<br />

in Mei 188 .<br />

Goenoeng Api. ten Noorden van Wetter op 126° 41' O.L<br />

en 6° 38' Z.B. t 21<br />

, is slechts een onbewoonde, vrij steil uit de<br />

zee oprijzende en steeds rookende vulkaan van ruim 60Ü0 v'.<br />

hoogte.<br />

VIEBDE HOOFDSTI K<br />

DE RESIDENTIE TERNATE.<br />

§ l. Ligging, bestanddeelen en grootte van deze<br />

Residentie.<br />

De Besidcntic Ternate bestaat uit vele, deels ver van elkander<br />

verwijderd liggende, eilanden en gewesten tusschen 121° (het<br />

Westen van het landschap Tomori) tot 141° (de Oostelijke grens<br />

van onze bezittingen op Kieuic Guinea) O.L. en 2°43'N.B.<br />

(de Noordelijkste punt van het eiland Morotaï) tot S°45' Z.B.<br />

(waar de meridiaan van den 141 rten<br />

graad O.L. de Zuidkust<br />

van Nieuw Guinea snijdt).<br />

Behalve de boven (bl. 232—244) behandelde gewesten om<br />

de Golf van Tolo op Celebes en de eilanden in en voor die Golf<br />

gelegen, behooren tot deze Bcsidentie:<br />

1°. De Halmaheira-groep, bestaande uit de eilanden: Halmaheira<br />

of Djilolo. Morotaï, Rau, Ternate, Hiri, Tijore. Majoe,<br />

Tidore, Mitarra, Filongia, Siboe, Mareh, Makjan, Motir, Miskin<br />

Kajoa of Kiouw. Laloeïn, de Goearitji-eilanden, Ganneh, Damm<br />

en andere kleinere, t 3<br />

'<br />

(') Volgens de Kaart van MELVILL. Volgens de opgave in het Aardrijks­<br />

kundig Woordenboek liggen zij op 127° 31 ' O . L . en 5° 28'30" Z. B.<br />

( 3<br />

) Volgens het Woordenboek op 6° 5"'Z.B.<br />

( 3<br />

) De hier en vervolgers vermelde eilanden zijn opgegeven volgens de Kaart<br />

van MELVILL in den Algemeenen Atlas. Zij verschillen, wat de kleine eilanden<br />

betreft, aanmerkelijk van de opgaven van BLEEKER (Reis, DU.bl. 182cnvolgg.),<br />

die hieronder bij elke groep zullen worden medegedeeld.


425<br />

2°. üe Batjan-groep, bestaande uit de eilanden: Batjan, Mandioli,<br />

Botang loman, Tawali of Kasiroela, Tambeli, Latta-Laüa,<br />

Taicali ketjil, en eenige kleinere.<br />

3°. De Obi-groep. zijnde de eilanden: Obi of Ombirah, Gomono,<br />

Obi Latloe, Belang. Tapa, Bissa, Lojang, Gasse, en eenige<br />

kleinere.<br />

4°. De Soela-eilanden. zijnde: Taliaboe, Mangoeli, Soela Besi.<br />

li/a Maioelah, Passi Korra, Tonghaja, en eenige kleinere.<br />

5°. De Papoewah- of Papoesche eilanden, zijnde: a. De Gebehgroep,<br />

bestaande uit de eilanden: Gebeh, Fau, Yoe en Oeloe; b. De<br />

Waigeoe-groep. zijnde: TFaigeoe, Gemien, Koning Wïllems-eiland,<br />

Gagi. Ba/ampele, Rnib, Wiang. Siang, Baba en de Ajoe- en Passieilanden;<br />

c. De Salaicati- of Salwalli-groep, waartoe behooren:<br />

Salicalti, Balante, Poppa. de Boh-eilanden. en eenige kleinere,<br />

en waaraan ook een gedeelte van de Noord-Westkust van Nieuw<br />

Guinea onderhoorig is; d. De Mesowal-o( Misool-groep, bestaande<br />

uit: Misool, Kanari. Maieloh. Woni-melot, en vele kleinere.<br />

6°. De Westelijke helft van Nieuw Guinea tot op 141° O.L.,<br />

benevens de eilanden in de Groote Geelvink-baai gelegen, van<br />

welke de voornaamste zijn : Willem Schoutens-eiland of Mysole<br />

(Soök oiSonk. Biak en Mysole), Jobi of Jappens, Koeroedoe. Bun,<br />

Roswaar of Minswar. Amberpoer en Myfore of Major; alsmede<br />

het Prins Fredrik Hendrik-eiland. Adi. en vele kleinere langs<br />

de Zuid-Westkust, en eenige eilandjes in de baaijen van de<br />

Westkust van Nieuw Guinea.<br />

Volgens de op bl. 314 medegedeelde berekening hebben de hier<br />

vermelde gewesten te zamen eene grootte van 3888 • mijlen,<br />

hetgeen met bijvoeging van de landen cn eilanden om en in de<br />

Tolo-baai (bl. 232, Noot) voor de geheele Residentie eene grootte<br />

geeft van 4339.7 • mijlen.<br />

Omtrent de totaal-sterkte der bevolking zie men bl. 325 j en<br />

omtrent de verdeeling der tot deze Eesidentie behoorende eilanden<br />

tusschen de Vorsten van Ternate, Tidore en Batjan, bl. 317.<br />

§ 2. De Halmaheira-groep.<br />

Het eiland Halmaheira.<br />

Het eiland Halmaheira, ook wel Bjilolo (eigenlijk Bjaïlolo)<br />

genoemd naar een Distrikt van dien naam op de Westkust, is


42(5<br />

verreweg het grootste van de groep en heeft eene oppervlakte<br />

van 313, of met de talrijke kleine eilandjes langs zijne kusten,<br />

van 353Dmijlen. Het ligt(') tusschen 2°15'N.B. totO°53'Z.B.<br />

en 127° 27' tot 128° 53' O.L., en bestaat uit vier groote schiereilanden,<br />

het Noordelijke, het Noord-Oostelijke, het Oostelijke<br />

en het Zuidelijke, welke door diep inloopende baaijen van elkander<br />

gescheiden zijn cn zich in een centraal-land van betrekkelijk<br />

geringe uitgestrektheid vercenigen. De Straal der Molukken bespoelt<br />

het eiland aan de Westzijde, de Groote Oceaan aan de<br />

Noordzijde, de Zee van Halmaheira of Straat van Djilolo aan de<br />

Oostzijde, en de Ceramsche Zee of Pilt'» Straal aan de Zuidzijde.<br />

De voornaamste baaijen zijn i die van Kaoe in het Noord-Oosten;<br />

die van Bitjoli in het Oosten ; die van Weda in het Zuid-Oosten;<br />

en die van Bodinga, hoewel veel kleiner dan de drie vorige, in<br />

het Westen. Behalve deze hebben de kusten nog eene menigte<br />

kleinere inhammen, van welke meerendeels geene namen bekend<br />

zijn. De vier schier-eilanden worden elk in de rigting van<br />

zijne lengte-as door eene zware met digte wouden begroeide<br />

bergketen doorsneden, wier zijtakken zich op vele plaatsen<br />

tot aan de stranden uitstrekken en de gemeenschap over land<br />

tusschen de kustplaatsen beletten. Zij eindigen in het Noorden<br />

in Tandj. Batoe Bisoa, in het Noord-Oosten in T.Lelewi, in<br />

het Oosten in T. Tabor en in het Zuiden in T. Libobo. Slechts<br />

op enkele plaatsen wordt het bergachtige terrein door kleine,<br />

meest met alang-alang bedekte, vlakten afgewisseld. Van den<br />

aard van deze bergketenen is zeer weinig bekend; men weet<br />

dat er zich talrijke vulkanen uit verheffen, van welke de Gamma<br />

Nakore of Gamoe Koenora^n het Zuid-Westen van het Noordeli<br />

schier-eiland, de Tolpjpp de Oostkust, de Djaïlolo in het landschap<br />

van dien naam, de Lahid en de Taboro met name vermeld<br />

worden < s<br />

>. Of de G. Karakan of Karahan in het Noord-Westen<br />

van hetzelfde schier-eiland l 3<br />

) ook een vulkaan is kunnen wij niet<br />

beslissen.^<br />

(') Volgens de Kaart van MELVILL.<br />

(') VALENTIJN, en JUNGHLHN, Java, ent., Afd. 11, Hoofd»!. UI, bl. 1285.<br />

Tijdsehr. v. Neérl. Indië. 48S6, Dl. II, bl.209.<br />

t 3<br />

) Zie de Kaar! van MELVILL.


427<br />

De rivieren zijn uit den aard der zaak van zeer weinig belang.<br />

WILLERI 1<br />

) vermeldt: de Ake (rivier?) Malako of Rivier van Sa/toe,<br />

die na de vlakte van Sa/we te hebben besproeid ten Zuiden van<br />

de plaats van den laatsten naam aan de Westkust uitwatert<br />

en bij hare monding ruim een vadem diep is, zoodat Kora-Kora's<br />

(bl. 214) daar kunnen binnenloopen ; de smalle en wegens baren<br />

snellen stroom onbevaarbare Ake I/ji. in dezelfde vlakte; en de<br />

Ake Maroees, die zich aan de Oostkust bij Kaoe ontlast en dezelfde<br />

grootte heeft als de Ake Malako. Voorts is er de rivier Kajassa,<br />

die in het Zuiden van de Baai van Bodinga uitwatert en gedeeltelijk<br />

het Noordelijke schier-eiland van het centraal-land<br />

scheidt; en de riviertjes Tjabo, Paoe en Sabi, waarvan de loop<br />

niet wordt opgegeven W. Op de Kaart van M E L V I L L worden nog<br />

andere riviertjes op de verschillende schier-eilanden vermeld;<br />

zij schijnen echter slechts onbeduidende kustriviertjes te wezen,<br />

wier namen onbekend zijn.<br />

Aan de kusten is de gemiddelde temperatuur op den middag<br />

ruim 85° F. De dampkring is over het algemeen vochtig. Het<br />

klimaat kan als vrij gezond worden beschouwd; en zelfs de<br />

moerassige streken, die op sommige plaatsen langs de kusten<br />

worden gevonden, schijnen voor de Inboorlingen niet nadeelig<br />

te zijn.<br />

Omtrent de voortbrengselen van IJalniaheira is nog zeer weinig<br />

bekend. Muskaat- en kruidnagel-boomen groeijen hier en daar<br />

in het wild, doch hunne vruchten worden zelden ingezameld. Sago­<br />

palmen komen op sommige vochtige kustplaatsen voor en worden<br />

opzettelijk aangekweekt. Hijst wordt hier en daar in tamelijke<br />

hoeveelheid geteeld; djagoeng zeer weinig. Kokos- en andere<br />

vruchtboomen benevens goede houtsoorten komen er rijkelijk<br />

voor, van welke laatsten echter geen gebruik wordt gemaakt.<br />

(') Indisch Archief, DU, bl. 345, en liet eiland Boeroe, enz., bl. 55.<br />

De hier vermelde rivieren stroomen allen in hel Noordelijke schier-eiland,<br />

dat het eenige gedeelte is waarvan , door de mededeelingen van WILLER , eenige<br />

bijzondorheden bekend zijn; van de drie andere weten wij weinig meer dan<br />

de namen van eenige kustplaatsen, daar de berigten van VALENTIJN omtrent<br />

dit eiland weinig te vertrouwen zijn. Heigeen dus hieronder omtrent de be­<br />

volking enz. vermeld zal worden heeft nagenoeg uitsluitend op het Noordelijke<br />

schier-eiland betrekking, en is geheel aan WILLER ontleend.<br />

(-) Tijdschr. v. Kefrl. Indië, 1866, D'. II, bl. 210.


42?<br />

Het dierenrijk levert buffels, eene menigte wilde zwijnen en herten,<br />

papegaaijen, duiven, raven en ander wild gevogelte, eetbare<br />

vogelnestjes, schildpadden, leguanen, eenen overvloed van visch,<br />

en parelbankcn in de Baai van Kaoe. welke voor rekening van<br />

den Sultan van Ternate geëxploiteerd worden. Het delfstoffenrijk<br />

is nog ten eenenmale onbekend, even als de geheele geologische<br />

formatie des eilands.<br />

Wanneer men den uitvoer van rijst en sago naar 'Ternate<br />

uitzondert, is de handel van weinig belang. Hij wordt door<br />

Mangkasaren, Ternatanen en Tidorezen gedreven. Ingevoerd<br />

worden: wapenen, aaide- cn ijzerwerk, lijnwaden, oude Europesche<br />

kleederen en andere voorwerpen voor den opschik, krnmerijen<br />

cn zout. De hoofdartikelen van den uitvoer zijn: rijst,<br />

sago en schildpad. De handel geschiedt hoofdzakelijk bij ruiling;<br />

aan de kusten is echter ook eenig kopergeld in omloop. Van<br />

het bedrag van den in- en uitvoer zijn geene opgaven bekend.<br />

Eene administrative verdeeling van liet eiland is alleen eenigzins<br />

bekend ten opzigte van het Noordelijke schier-eiland. Dit<br />

is gesplitst in tien Bjiko's of Distrikten, van welke zeven in de<br />

Westelijke helft liggen, namelijk van het Zuiden af: Bodinga,<br />

Bjaïlolo, Sahoe (welker twee hoofdplaatsen door een goeden weg<br />

gemeenschap met elka/idcr hebben), Gamoekoenora. Folofoeo,<br />

Loloda en Toebaroe^Ata drie andere liggen aan de Oostzijde,<br />

en zijn van het Noorden af i Galela^ Tabelfi&cn Kaoe. Zij hebben<br />

allen gelijknamige aan de kust gelegene hoofdplaatsen; Galela,<br />

Bjaïlolo en Bodinga liggen aan de daarnaar genoemde baaijen<br />

of bogten. Op laatstgenoemde plaats is een fortje met eene kleine<br />

Nederlandsche bezetting. Voorts heeft men aan de Baai van<br />

Bodinga nog de meer of minder belangrijke plaatsen Kajassa,<br />

Tonika en Sedangoli. en, tegenover Bodinga aan de andere zijde<br />

der landengte, welke daar naauwelijks een uur breed is, Babane;<br />

deze twee plaatsen hebben door een bruikbaren landweg gemeenschap<br />

met elkander.— Langs de Westkust van het centraalland<br />

en het Zuidelijke schier-eiland liggen, van het Noorden<br />

naar het Zuiden, de negeriën: Kalam, Tuoena, Giia, Pajali,<br />

Maidi, Wama, Sakita en Talangami; en langs de Oostkust:<br />

JFeda, Taja-, Maffa en Het Noord-Oostelijke schier­<br />

eiland heeft aan de Westzijde de negeriën: Jofongo, lFassilec<br />

en Lolobato; en aan de Zuid-Oostzijde: feleoe en Maba.— Het


429<br />

Oostelijke schier-eiland heeft aan zijne Noordkust de negeriën:<br />

Taici, Goltoicassi en Bitjoli; aan de Oostkust: Gali, Kokaicari,<br />

Bolafei, Tippalaho, Gemia en Palani; en aan de Zuidkust: Kobi,<br />

Koje, JFulli, Maüsa, Bote en Gammasoengi.<br />

Staatkundig is Halmaheira verdeeld in Onderhoorigheden van<br />

den Sultan van Ternate en van dien van Tidore. Aan Ternate<br />

behoort het geheele Noordelijke schier-eiland tot aan den mond<br />

der rivier Kaja.tsa op de Westkust en voorts volgens eene Noord-<br />

Oostivaarts loopende lijn tot Jofongo aan de Baai van Kaoe,<br />

benevens de Zuidelijke helft van het Zuidelijke schier-eiland,<br />

bezuiden 0° 10' Z.B., volgens eene denkbeeldige grenslijn, die<br />

van T. Bjojopa op de Westkust naar üXnegeri-ÏV^'op de Oostkust<br />

loopt. Hiertoe behooren, volgens de opgave van BLEEKER,<br />

de volgende kleine eilandjes: langs de Westkust van het Noordelijke<br />

schier-eiland: Manamadek, Bjoerangrood, veertig ongenoemde<br />

eilandjesin de bogt 4ranSedangolij Booi, Toba, Tongoai,<br />

Tjera, Toetcah-Kura, Goeai, Salangudi, Bili, Goeralama, Aroebaik,<br />

Sengaroe, Toengoesoeng, Hareh-porotjo, Foeloe, Gohakake,<br />

Njatcolakko, Adoei, Lidoeicah, Tamoe, Bjerek, Moedagi-tagi,<br />

Leloe, Saoraga, Subol en Oessololi; langs de Oostkust van het<br />

Noordelijke schier-eiland: Metli, Golarai. Takawo, 'Toppo-Toppo,<br />

Barang-Kanek, fFobi, Tolonaen, Koetooem, Kokare-lawoe, Kokare-itji.<br />

Powaleh, Meddek, Fopilo, Sotat en nog vijf ongenoemde;<br />

en ten Oosten en Zuiden van het Zuidelijke schier-eiland:<br />

Boeroe-laicoe, Boeroe-itji, Katinai-laicoe, Kutinai-ilji, Gaaneh,<br />

JFedah of IFidi, Bjerongan, Kobei, Orangkaja, Topa, Solomakit,<br />

Katoedoekoe, Bjodigaila, en een twintigtal ongenoemde eilandjes.<br />

O<br />

Aan den Sultan van Tidore is het geheele overige gedeelte van<br />

Halmaheira onderworpen. Daartoe behooren, volgens BLEEKER,<br />

de eilandjes Jehoe en Roniri aan de Westkust; IFoda, Radja<br />

liaxcohoe, Tamin, Goraloe, Bjodi. Boja-eh, Kappal, Ej-pakkal,<br />

Gee-eeh, Samedi, Sau, Ef-miloeas, Nailoei-pukkal, Seloton,<br />

Saje, Nasloei-miakol, Man, Belengsel, Lai-lai, Ef-mia, Kapaja,<br />

Oroe, higalan, Ota, Tjampanes-moleles, Se-ofi, Lan, Eeöe, Mor,<br />

l') Verreweg de minste van deze eilandjes komen op de Kaart van MELVILL<br />

voor; daarentegen wordt hier gemist hel betrekkelijk groole eiland Dammer,<br />

dat bij MELVILL ten-Zuiden van Halmaheira ligt.


430<br />

Moetoe-maja, Oe-ef en Teling i-mendi, in de Baai van Bitjoli;<br />

en Liab, Je-ef, Oela-i-ef en Salotan, langs de Oostkust van net<br />

Zuidelijke schier-eiland.<br />

Volgens de mededeelingcn van BLEEKER. bedroeg de bevolking(')<br />

van Halmaheira omstreeks het jaar 1854 ruim 27700zielen,<br />

van welke ruim 4600 in het Tidoresche en 23000 in het Ternataanschc<br />

gedeelte des eilands woonden ; van deze laatsten<br />

bevonden zich ruim 20000 op het Noordelijke schier-eiland,<br />

zoodat dit verreweg het sterkst bevolkt is. Met uitzondering<br />

van eenige Ternatanen en andere vreemdelingen behoort deze<br />

bevolking tot den Alfoerschen stam. De mannen zijn over het<br />

algemeen vrij groot van gestalte en sterk gespierd; de vrouwen<br />

daarentegen klein. Zij zijn matig, gehard tegen vermoeijenissen,<br />

ijverig, zacht van inborst, gehoorzaam aan hunne Hoofden zoolang<br />

dezen niets vorderen wat tegen de oude gebruiken strijdt, en<br />

geene dobbelaars of amfioenschuivers; doch zij ziju verregaand<br />

bijgeloovig, van alle wetenschappelijke beschaving verstoken,<br />

liefhebbers van sterken drank, eu beschouwen het koppensnellen<br />

als iets dat volgens de lands-instellingen noodzakelijk moet<br />

geschieden. ( :<br />

> De bewoners van de Distrikten Tabello cn Galela<br />

zijn het ruwst van zeden en als zeeroovers in den Molukse/ten<br />

Archipel gevreesd ; die der overige Distrikten vinden in den<br />

landbouw, dejagt en de visscherij hun bestaan. Hunne nijverheid<br />

is zeer gering; het spinnen en weven is hun onbekend; de<br />

vrouwen vervaardigen alleen zakken van nyxiA-bladcren. Ambachtslieden<br />

zijn er niet, en het noodige smidswerk wordt door<br />

rondreizende Tidorezen verrigt. Alleen vindt men in elk Distrikt<br />

eenige personen, die vaartuigen van verschillende grootte bouwen,<br />

welke echter zeer weinig duurzaam zijn.<br />

De gewone klecding bij mannen en vrouwen bestaat alleen<br />

in de tjidako en eenen hoofddoek ; doch bij feesten schikken<br />

(1) Over dc bevolking van Halmaheira vergelijke uien vooral hel reeds een<br />

en andermaal aangehaalde opstel in hel Tijihchrifl v.N.1 . 1856, D». II,<br />

waar verscheidene bijzonderheden worden opgegeien, die van liet hieronder<br />

medegedeelde afwijken. Oaar de Schrijver echt T zijnen naam niet vermeldt<br />

en wij dus geenen waarb<strong>org</strong> voor de naauwkeurigheiJ zijner bcriglen hebben ,<br />

hebben wij gemeend ons aan WILLEK te moeten houden.<br />

( 2<br />

) ln hel boven vermelde opstel in hel Tijtlschr. v. /V. I. wordt uitdruk­<br />

kelijk gezegd dat zij geene koppensnellers zijn.


431<br />

zij zich op met allerlei Europesche en andere kleedingstukken<br />

en versierselen, welke zij kunnen bekomen. In de Distrikten<br />

Djaïlolo en Sahoe dragen de mannen lange sitsen kabaaijen en<br />

broeken, welke door eenen gordel worden opgehouden; de<br />

vrouwen eene soort van wambuis, naar het schijnt van Spaansche<br />

afkomst, en een kapsel bestaande uit eenen platten band om<br />

het hoofd, waaruit bij de ooren twee punten opsteken, of ook wel<br />

de gewone Maleische klecdiug. Gouden en zilveren sieraden zijn,<br />

wegens hunnen boogen prijs, weinig in gebruik.— De woningen<br />

zijn vrij groot, en in sommige Distrikten op palen in andere<br />

onmiddellijk op den grond gebouwd uit houten stijlen, met<br />

wanden van gabba-gabba (bl. 330) en een dak van atap; hoewel<br />

zij slechts den huisgezin bevatten zijn zij in verscheidene kamers<br />

verdeeld, omdat elk volwassen doch ongehuwd lid des gezins<br />

een afzonderlijk vertrek moet hebben. Het huisraad is zeer<br />

eenvoudig; bamboe en klapperdoppen voorzien in alle behoeften;<br />

evenwel komt ook het gebruik van aarde-, glas- en ijzerwerk<br />

meer en meer in zwang. Versterkte of omheinde negeriën of<br />

kampongs zijn er niet. Alleen de hoofdplaatsen aan de kusten<br />

verdienen den naam van dorpen; maar overigens bestaan de<br />

gemeenten of gehuchten uit verspreid staande woningen.<br />

Een huwelijk kan alleen gesloten worden met goedvinden van<br />

beide partijen en met toestemming der wederzijdsche ouders, en<br />

slechts tusschen personen van eene verschillende tofa of stam<br />

(vergel. bl. 353 en 370). Het aanzoek daartoe moet van den vader<br />

des jongelings uitgaan en vergezeld zijn van een klein geschenk<br />

(haka); daarop volgt de openlijke verloving, en daarna het huwelijk,<br />

waarbij voor de bruid eene zekere koopsom (besi) betaald wordt,<br />

welke van 30 tot 100 realen verschilt, te betalen in geld, wapens,<br />

aardewerk of andere voorwerpen; deze koopsom kan echter voor<br />

een gedeelte ook later betaald worden en wordt tot zoolang als<br />

eene gewone schuld beschouwd. Uithuwelijking van kinderen,<br />

gelijk op Boeroe en de Aroe-eilanden (bl. 353 en 403) heeft hier<br />

geene plaats; en, behalve in de Distrikten Sahoe, Djaïlolo en<br />

Dodinga, mag een man niet trouwen voordat hij een vijandelijken<br />

kop heeft gesneld. Alle huis- en veldarbeid, met uitzondering<br />

van de eerste ontginning van den grond, komt voor rekening<br />

van de vrouw; de man is alleen verpligt de noodige sago te<br />

verschaffen (te kloppen) en houdt zich overigens des verkiezende


432<br />

met jagt of visscherij bezig. Veelwijverij is niet in gebruik ,<br />

doch echtscheidingen komen dikwijls voor; indien het verlangen<br />

daartoe alleen van de vrouw uitgaat moet haar koopprijs worden<br />

terug betaald, in andere gevallen niet; de kinderen blijven altijd<br />

bij den vader, tot wiens stam zij ook gerekend worden te behooren.<br />

Bij overlijden van den man keert de vrouw tot hare familie<br />

terug, en kan hertrouwen met wien zij wil, behalve met een<br />

bloedverwant van haren eersten man. De nalatenschap van ouders,<br />

zoowel bezittingen als schulden, wordt gelijkelijk tusschen de<br />

zonen of naaste mannelijke bloedverwanten verdeeld, die ook<br />

verpligt zijn de ongehuwde dochters te onderhouden doch daarvoor<br />

aanspraak hebben op haren bruidschat. Vrouwen erven<br />

in geen geval.<br />

Alleen aan de kusten worden hier en daar Mohammedanen<br />

aangetroffen, die steeds in afzonderlijke gehuchten of kampongs<br />

wonen; overigens is de bevolking Ileidensch. Deze gelooft in<br />

een almagtig Opperwezen, Johoe ma di hoetoe genaamd, dat alles<br />

geschapen heeft en onderhoudt, en ook de zielen der afgestorvenen<br />

beloont of straft, maar te verheven is om door menschen te<br />

worden aangebeden. In oude tijden heeft dit Opperwezen eenen<br />

wijze, genaamd Gosoeong, naar Ualmaheira gezondeu om den<br />

Alfoeren zijne lara's of voorschriften mede te deelen, welke zeven<br />

in getal zijn en overspel, schaking, diefstal, gewapende roof-<br />

togten, mishandeling van den naaste, en oneerbiedigheid jegens<br />

ouders verbieden, en het koppensnellen omtrent overspelers,<br />

toovcnaars en vijanden des lands voorschrijven. Na het vormen<br />

van eenige leerlingen, die Gomalir heetten en priesters, wigche-<br />

laars en geneesheeren waren, is Gosoeong weder verdwenen; thans<br />

kan iedereen Gomalir worden, die zich daarop eenigeu tijd bij<br />

een bekwamen priester toelegt. Onder dat Opperwezen zijn er<br />

eene menigte goede en booze geesten, ffongi's, die de onmiddellijke<br />

bestuurders van der menschen lotgevallen zijn en aan welke door<br />

de Gomalirs offeranden (fosuhiki's) uit spijzen bestaande worden<br />

toegebragt, hetwelk geschieden moet in een opzettelijk daarvoor<br />

ingerigt houten gebouw, Kokiroba genaamd, dat in elke gemeente<br />

gevonden wordt. De Gomalirs ontvangen daarvoor eene kleine<br />

belooning, en zoo ook voor het doen van voorspellingen en het<br />

genezen van zieken, tot welk laatste bezweringen en sommige<br />

geneeskrachtige kruiden worden aangewend.


433<br />

De bevolking kan onderscheiden worden in vier standen s dien<br />

der dapolo's of edelen, die alleen tot het bestuur geregtigd zijn<br />

doch overigens geene voonegten genieten; dien der ngadoe's of<br />

vrije burgers; dien der miati magogoko's of pandelingen, en<br />

dien der slaven(')._ Pandelingen kunnen tot dien toestand<br />

geraken wegens aangegane schulden hetzij door hen zeiven, door<br />

hunne vrouw, kinderen of ouders; de vrouw echter nooit wegens<br />

schulden van haren man of hare kinderen. Ook kan iemand<br />

alleen pandeling worden in zijne eigene gemeente; heeft hij<br />

in eene andere gemeente schulden gemaakt, dan helpt zijn iofa<br />

(stam) hem, of wel de schuld wordt door zijn Dorpshoofd overgenomen<br />

en hij wordt pandeling bij dezen. Intrest wordt nimmer<br />

berekend; en de pandeling wordt vrij of door voldoening deischuld,<br />

of door tienjarige dienst onverschillig hoeveel het bedrag<br />

der schuld was. Gedurende den diensttijd moet de pandeling<br />

allen arbeid verrigten, welken zijn schuldeischer hem oplegt;<br />

daarentegen moet deze hem, zooveel noodig, van voedsel en<br />

kleeding voorzien, en indien zijn arbeid geld opbrengt, blijft dit<br />

voor de helft tot zijne vrije beschikking terwijl de wederhelft in<br />

mindering van de schuld verstrekt.— Slaven zijn of inboorlingen<br />

van Halmaheira of van de Fapoesche of andere eilanden; zij<br />

worden verkregen door zeeroof, door krijgsgevangenschap wanneer<br />

men geene koppen meer wilde snellen, of door geboorte uit eene<br />

slavin. De eigenaar moet hen voeden en kleeden en is aansprakelijk<br />

voor hunne schulden; hij kan hen voor kleine vergrijpen<br />

kastijden, doch de straf voor ernstige misdrijven wordt door het<br />

dorpsbestuur opgelegd. De slaaf kan zich vrijkoopen tegen eenen<br />

prijs, die in geval van geschil door het dorpsbestuur bepaald<br />

wordt maar nooit de waarde van 30 realen mag te boven gaan.<br />

Eene slavin wordt ook vrij door haar huwelijk met eenen vrijen<br />

man, in welk geval haar eigenaar de besi ontvangt. Door de<br />

beletselen aan den zeeroof en de binnenlandsche oorlogen in den<br />

weg gelegd neemt het getal slaven op Halmaheira steeds af.<br />

(') Slaven heeten in de verschillende Distrikten nilalo, gilango, adoan,<br />

of fata lam. De taal der Alfoeren van Noord- Halmaheira, hoewel misschien<br />

oorspronkelijk verwant aan die van Ceram en Boeroe, is echter zoo verschillend<br />

dat deze eilanders elkander volstrekt niet kunnen verstaan; en een bijna<br />

even groot onderscheid bestaat er tusschen die der onderscheidene Distrikten<br />

op het Noordelijke schier-eiland.<br />

II. SS


43+<br />

Voorts is de bevolking verdeeld in lofa's of stammen. Deze<br />

verdeeling heeft echter alleen betrekking tot het aangaan van<br />

huwelijken, in zooverre niemand mag huwen met iemand van<br />

zijne tofa tot in het vierde geslacht. Voor verdere graden houdt<br />

dit verbod op en wordt ook de tofa niet meer onderscheiden;<br />

en deze verdeeling schijnt dus niet anders te zijn dan een middel<br />

tot het verhinderen van huwelijken tusschen nabestaande bloedverwanten;<br />

zij is derhalve iets anders dan de Sodroe-verdeeling<br />

op Sumatra. en ook dan die in fenna's en ifan's Op Boeroe en<br />

Ceram (bl. 355 en 371).<br />

Eene gamoe of gemeente bestaat uit een twintig- tot zestigtal<br />

huisgezinnen, die, hetzij tot een dorp vereenigd zoo als aan de<br />

kusten, of in gehuchten verspreid zoo als meer landwaarts in,<br />

onder éen gemeentebestuur behooren. Dit bestuur is zamengesteld<br />

uit: een Hoofd, dat op de meeste plaatsen Ngofamanira<br />

heet; een tweede Hoofd, op sommige plaatsen Ngato geheeten;<br />

en een derde met den titel van Kapitan, die alleen in oorlogstijd<br />

eenig zelfstandig gezag heeft. Deze Hoofden vormen met eenige<br />

Ma/dmo's of Oudsten uit eiken tofa den foïki-fo-litjara of Gemeenteraad,<br />

welke zijne vergaderingen houdt in een daartoe<br />

bestemd gebouw, Orom genaamd; deze Baad regelt de verdeeling<br />

van den arbeid, die gemeenschappelijk door de gemeenteleden<br />

moet worden verrigt, en doet ook uitspraak in kleine zaken,<br />

waarop geene zwaardere straf staat dan 12 rottingslagen of eene<br />

boete van 5 realen; de uitvoering van zijne besluiten is aan de<br />

twee eerstgenoemde Hoofden opgedragen. De waardigheid der<br />

Hoofden is erfelijk in hun geslacht, doch dc persoon wordt dooide<br />

gezamenlijke Hoofden en Oudsten gekozen; evenwel volgt<br />

gewoonlijk, zoo daartegen geene gewigtige bezwaren bestaan,<br />

de zoon den vader op. In de weinige Mohammedaansehe gemeenten<br />

is het bestuur op dezelfde wijze ingerigt.<br />

Een zeker aantal, tien of meer, gamoe's vormen een ójiko<br />

of Distrikt. Het inlandsehe Distriktsbestuur is zamengesteld uit:<br />

een Hoofd, dat meestal den titel van SengadjW* voert en door<br />

(') De woonplaats van dit Hoofd heet als zoodanig Saasio; zij ligt gewoonlijk<br />

eenigzins binnen 's lands, en is levens de woonplaats van het meerendeel<br />

der Mohammedaansehe Inboorlingen. In Dodmga heel dit Hoofd Kimehiha;<br />

in Djuïlolo. Ngofamanira; en in Lolodn. Kolano. Alle Dislriklshoofden<br />

zijn Mohammedanen behalve dat van Tabello.


435<br />

den Sultan van Ternate in overleg met de Hoofden der gamoe'&<br />

wordt aangesteld; een Ooegoegoe, die adsistent en, bij ontstentenis,<br />

plaatsvervanger is van den Sengadji; twee Il-lioekoems. mindere<br />

ambtenaren aan den Goegoegoe ondergeschikt; een Imam, een<br />

Chatib en een Modi», voor de Mohammedaansehe godsdienst en<br />

daarmede in verband staande zaken. Naast of boven dit Inlandsehe<br />

bestuur staan eenige Ternataansehe ambtenaren, als : een Hoofdambtenaar<br />

met den titel van Oeloesan O, die de bevelen van<br />

den Sultan aan den Sengadji overbrengt en voor hunne rigtige<br />

uitvoering z<strong>org</strong>t; eenige secretarissen, die tevens als afgezanten<br />

en toezigthouders in afgelegene gewesten worden gebezigd; een<br />

Se'rc'dje'ti of hoofd der politie; een Kolano fangari of politiedienaar;<br />

en een klein getal, hoogstens zeven, baroe-baroe's of<br />

gewapende manschappen. Deze personen vormen te zamen den<br />

sa je kamatahoe icoka of Distriktsraad, welke twee- of driemaal<br />

's maands ten huize van den Oeloesan vergadert en waarin de<br />

Ternataansehe ambtenaren den voorrang hebben. Die raad<br />

handelt over de wijze van uitvoering van de bevelen des Sultans<br />

en voorts over alle aangelegenheden, welke het geheele Distrikt<br />

aangaan. Ook spreekt hij regt in alle zaken, waarin personen<br />

van den adelstand betrokken zijn; in zaken tusschen Heidenen<br />

en Mohammedanen; en in alle zaken, die de regtsmagt der<br />

Dorpsbesturen te boven gaan doch waarvoor geene zwaardere<br />

straf dan 24 rottingslagen of 30 realen boete kan worden opgelegd.<br />

Zaken van meer belang moeten ter eerster instantie voor de<br />

regtbank (den Rand van achttienen) te Ternate worden behandeld.<br />

De straffen bestaan in blok-arrest, geldboeten en rottingslagen,<br />

welke echter ook kunnen worden afgekocht. De geldboeten<br />

worden verdeeld tusschen den Oeloesan, den Sengadji en het<br />

Dorpshoofd van den veroordeelde, die echter weder met hunne<br />

ondergeschikten moeten deelen. De regtspraak geschiedt volgens<br />

de niet beschrevene fognakoe's of oude instellingen, welke op<br />

de lara's (bl. 432) gegrond zijn, en volgens de bevelen des<br />

Sultans voor zooverre zij met die instellingen strooken. Men kan<br />

van den Dorpsraad op den Distriktsraad, en van dezen op den<br />

Eaad van achttienen te Ternate appelleren.<br />

(') De Oeloesan woont in de DistriklshooMpIaals aan het strand, waar<br />

tevens ook de Ternalanen en andere vreemdelingen , ook de kooplieden, gevestigd<br />

zijn.


436<br />

Omtrent het grondbezit bestaan de volgende bepalingen : de<br />

gronden kunnen worden onderscheiden in: Ofo ngana, of verafgelegene<br />

wildernissen; zij behooren aan het geheele Distrikt,<br />

en elk ingezetene mag er de natuurlijke voortbrengselen gaan<br />

inzamelen; Oba ngana, meer nabij gelegene nog woeste maar<br />

voor beplanting vatbare gronden ; deze behooren aan de gemeente,<br />

even als de Gogojawa of beplante akkers; Gamoe, de bodem<br />

waarop het gehucht of dorp is gebouwd; Madjiko malalata of<br />

sago-aanplantingen, die aan het geheele Distrikt behooren en<br />

alleen in Kaoe gevonden worden; Soa masamoeda of sago-plantsoenen,<br />

die aan de gemeente behooren en waar elk lid in gewone<br />

tijden sago mag inzamelen met voorkennis van het Dorpshoofd,<br />

doch die door de geheele gemeente gezamenlijk onder leiding<br />

van het Gemeente-bestuur worden geëxploiteerd wanneer de sago<br />

op Ternate schaarsch is en daardoor aanmerkelijk in prijs stijgt;<br />

en Ngori lalata of sago-aanplantingen van particulieren.— Distrikten<br />

en gemeenten tot hetzelfde Distrikt behoorende kunnen<br />

aan elkander gronden uitleenen tot beplanting met éénjarige<br />

gewassen. Gemeenten kunnen aan elkander grond uitleenen tot<br />

aanplanting van sago-palmen, doch na den eersten oogst vervallen<br />

de jonge en nog niet gevelde boomen met het grondbezit<br />

weder aan den uitleener. Persoonlijk grond-eigendom bestaat<br />

niet; de bezitting bepaalt zich alleen tot het gewas, en het<br />

regt daarop wordt verkregen door ontginning van den grond.<br />

Aileen sago-aanplantingen van bijzondere personen kunnen<br />

verkocht worden of bij erfopvolging overgaan j alle andere<br />

gronden van Distrikten, Gemeenten en particulieren zijn onvervreemdbaar.<br />

De Ternataansehe ambtenaren op Halmaheira genieten geene<br />

bezoldiging van den Sultan ; cn noch zij noch de Inlandsehe<br />

Hoofden trekken van de bevolking eenige geldelijke inkomsten<br />

behalve het hun toekomende aandeel van de opgelegde boeten;<br />

overigens moeten zij door handel of op andere wijzen in hun<br />

eigen onderhoud voorzien. Alleen in het Distrikt Sahoe ontvangen<br />

de Oeloesan en de Sengadji eene kleine hoeveelheid rijst van elk<br />

gewas. Voorts heeft overal de Oetoesan ter zijner beschikking<br />

eenige kokki's, dat zijn lieden, die zonder belooning allen huis-<br />

en veld-arbeid voor hem moeten verrigten en om de maand<br />

worden afgewisseld; even zoo heeft de Sengadji regt op één


437<br />

Ngongare itji. dal is een knaap uit den gegoeden stand, die hem<br />

overal vergezellen en ligte diensten bewijzen moet. De woningen<br />

der Hoofden worden door hunne onderhoorigcn kosteloos gebouwd<br />

maar niet onderhouden ; doch van de openbare gebouwen,<br />

de raadzaal (orom), het offerhuis (kokiroba) en de moskee komt<br />

zoowel het onderhoud als de oprigling voor rekening der bevolking.<br />

De lasten en diensten, waartoe de bevolking ten behoeve<br />

van den Sultan verpligt is, zijn de volgende: behalve Dodinga,<br />

Djaïlolo en Sahoe levert ieder Distrikt voor eiken krijgstogt van<br />

den Sultan zooveel man als hij behoeft, waaraan gaarne voldaan<br />

wordt omdat deze togten hen in de gelegenheid stellen om koppen<br />

te snellen, of althans de scherpte van hun zwaard op een afgehouwen<br />

vijandelijken kop te beproeven, zonder hetwelk zij<br />

niet in het huwelijk kunnen treden. Behalve Dodinga en Djaïlolo<br />

levert elk Distrikt jaarlijks één tot vier Kora-Kora's of geheel<br />

uitgeruste, bewapende en met 30 tot 40 koppen bemande vaartuigen,<br />

die dan door een Ternataansch Gezaghebber worden<br />

gekommandeerd; de ammunitie wordt door den Sultan verstrekt,<br />

en ook de voeding der manschappen nadat de medegebragte<br />

voorraad is opgeteerd. Het Distrikt Sahoe moet voortdurend aan<br />

den Sultan op Ternate leveren honderd manoesia-raioes, dat zijn<br />

volwassen mannen die daar alleen voor den kost werken en van<br />

tijd'tot tijd worden afgewisseld; dertig van hen worden door<br />

den Sultan beschikbaar gesteld om bij de Europesche ingezetenen<br />

als bedienden werkzaam te zijn; ook de anderen hebben dikwijls<br />

gelegenheid om als roeijers of koeli's iets te verdienen; over<br />

deze verdiensten kunnen zij vrij beschikken. De Distrikten<br />

Galela, Sahoe en Djaïlolo leveren jaarlijks aan den Sultan eene<br />

bepaalde hoeveelheid rijst, het eerste zonder, de beide andere<br />

tegen betaling; en hij heeft het regt om, wanneer hij meer rijst<br />

behoeft, het ontbrekende tegen betaling te doen leveren dooide<br />

Distrikten Toebaroe en Tabello. Door het Distrikt Loloda<br />

moeten jaarlijks de daar voorkomende vogelnestjes kosteloos voor<br />

den Sultan worden ingezameld, en door Toebaroe eene zekere<br />

hoeveelheid damar (bars). Eindelijk moet het Distrikt Kaoe<br />

kosteloos de praauwtjes en manschappen leveren, die noodig zijn<br />

voor de exploitatie van de parelbanken in de Baai van Kaoe,<br />

die een monopolie van den Sultan zijn.


438 •<br />

De eilanden Morotaï, Kau, enz.<br />

Morotaï of Moro, ten Noord-Oosten van bet Noordelijke<br />

schier-eiland van Halmalicira en door Straat Morotaï daarvan<br />

gescheiden, ligt tusschen 1°45' tot 3"44' N.B. en 128 c<br />

30' tot<br />

138° 45' O.L. en heeft eene grootte van omstreeks 53 • mijlen.<br />

Het wordt in zijne geheele lengte door een hoog en boschrijk<br />

gebergte doorsneden, dat in het Noorden in den Noordhoek, in<br />

het Zuiden in den Zuidhoek eindigt en van vulkanischen aard<br />

schijnt te zijn; althans nagenoeg in het midden van de Westelijke<br />

helft des eilands bevindt zich een vulkaan, de G. Toto, die<br />

volgens VALENTIJN in vroegere eeuwen menigvuldige en hevige<br />

uitbarstingen moet hebben ondergaan. Aan de Noordzijde is het<br />

eiland door een rif omgeven, dat zich meer dan eene mijl ver in<br />

zee uitstrekt; en ook langs het Zuidelijke gedeelte der Westkust<br />

bevinden zich in Straat Morotaï riffen en klippen, die de vaart<br />

gevaarlijk maken. Sago-palmen komen er in vrij groote hoeveel­<br />

heid voor; en herten en wilde zwijnen bevolken de digte wouden.<br />

Overigens is omtrent de voortbrengselen niets bekend.<br />

Vroeger moet Morotaï eene tamelijk sterke bevolking hebben<br />

gehad; doch thans is het niet op den duur bewoond en houden<br />

zich slechts nu en dan tijdelijk Tabellorezen en Galelarezen aan<br />

de Westkust op, waar nog de kampongs of gehuchten Soppi,<br />

Tolo^en Tisao gevonden worden.<br />

In de onmiddellijke nabijheid van dit eiland liggen, meest in<br />

Straat Morotaï, de zeer kleine eilandjes : Na-ai-morodera, Ngele-<br />

lawoe, Ngele-itji, Nobela-laicoe, Nobela-itji, Dondola-lawoe,<br />

Dondola-itji, Perloe. Galoegaloe-laicoe, Galoegaloe-itji, Taga-<br />

laja, Kokoja, Soessoem-laicoe, Soessoem-ifji, Kodogoeroe, Sakita,<br />

Pedang ; en het iets grootere Rau of Riaoe/on 3° 30'N.B. en<br />

138° 10'O.L., waartoe nog vier kleinere behooren. Zij zijn allen<br />

onbewoond, en worden met Morotaï gerekend tot het gebied van<br />

den Sultan van Ternate te behooren.<br />

De eilanden Ternate, Hiri, Tifore en Majoe.<br />

Het eiland Ternate ligt op geringen afstand van de Westkust<br />

van Halmaheira, voor de Raai van Dodinga. op 0° 50' N.B.<br />

en 127° 30' O.L., en is iets minder dan ééne • mijl groot (').<br />

I') Volgens MELVILL'S Statistieke Kaart is het 1.CD mijl groot.


439<br />

Het bestaat geheel uit eenen nog wcrkzamcn vulkaan, den Gama<br />

lama , van ruim 5300 v'. hoogte, wiens voet aan de Oostzijde de<br />

zachtste helling en de grootste uitgestrektheid heeft, cn wiens kruin<br />

door vroegere uitbarstingen thans in drie toppen gesplitst is, den<br />

Madina, den Ar/at en den Kekau, van welke de middelste de<br />

hoogste is; in de nabijheid van den Arfat bevindt zich de krater,<br />

die van de Noordkust des eilands duidelijk zigtbaar is O. Langs<br />

de zijden van den berg vertoonen zich aan verschillende kanten<br />

vertikale ribben, welke door uit den krater gevloeide lavastroomen<br />

ontstaan zijn; eene van de jongst gevormde (men zegt<br />

in 1763) bevindt zich aan de Noordzijde des eilands en loopt als<br />

eene breede zwarte streep door tot aan het strand, waarom dat<br />

gedeelte der kust Baloe angoes of Verbrande hoek genoemd wordt.<br />

Aan de Noord-Westzijde des eilands bevinden zich niet ver van<br />

de kust een paar kleine meertjes, Soela Takomi di bawah en Soela<br />

Takond di atas (Beneden- en Boven-Soela Takomi), zoo geheeten<br />

naar eene in den grond vcrzwolgcne negeri van dien naam, en ook<br />

wel onder den van de Portugezen overgenomen naam Laguna, en<br />

bij de Inlanders onder dien van Tanah ünggelam (verzonken grond),<br />

bekend; zij hebben het voorkomen van krater-meren en zijn<br />

ook ontstaan door vulkanische werkingen, welke echter thans op<br />

die plaats geheel hebben opgehouden. Nabij de Zuidkust bevindt<br />

zich een dergelijk meertje. Aan de Noord- en Noord-Oostkust<br />

des eilands liggen tusschen de lava-ribben kleine vruchtbare<br />

vlakten met rijst, djagoeng en kokospalmen beplant. Aan de<br />

Oost- en Zuidzijde heeft de bebouwbare grond eenige meerdere<br />

uitgestrektheid, doch ook hier is de land- en tuinbouw van weinig<br />

beteekenis. Aan de Zuid-Oostzijde is de kuststreek op sommige<br />

plaatsen moerassig en met rhizophoren begroeid. Hier bevindt<br />

zich ook bij de kampong Talangami een klein riviertje, waarschijnlijk<br />

het eenige op het eiland.<br />

De voornaamste cultuur-gewassen op Ternate zijn, behalve<br />

de zoo even genoemde rijst en djagoeng, wier hoeveelheid op<br />

verre na niet voldoende is voor de bevolking: sago-palmen,<br />

(') Talrijke uitbarstingen van dezen vulkaan zijn bekend, als in 1608, 1655,<br />

1655, 1675, 11.86, I763 pjl858, 1859, 1840, 1817,1849, 1855,)en vele<br />

van minder belang. De hevigsteo zijn geweest die van 1686, 1840 en 1855,<br />

bij welke gelegenheden vele menschen zijn omgekomen en bijna alle gebouwen<br />

op het eiland vernield.


440<br />

koffij, peper, kruidnagels, muskaatnoten en katoen, alles in<br />

zeer geringe hoeveelheid en niet voor den uitvoer; eenig meerder<br />

werk wordt gemaakt van .s«


441<br />

aanmerkelijk gedeelte van de Oostkust des eilands uit in twee<br />

of drie hoofdstraten, welke evenwijdig met het strand loopen<br />

en door dwarsstraten met elkander verbonden zijn. Eigenlijk<br />

heet alleen het Noordelijke gedeelte Ternate; het vangt aan bij<br />

het fortje Terlokko of ITollandia. dat op eene in zee uitstekende<br />

rots van steen opgetrokken is en eene kleine bezetting heeft.<br />

Hierop volgen de door de Ternatanen bewoonde wijken, in wier<br />

midden de Moskee en aan wier Zuidelijk uiteinde het paleis des<br />

Sultans ligt in Europescben stijl op eenen heuvel gebouwd.<br />

Zuidwaarts van het paleis is eerst de wijk der Mangkasaren en<br />

andere vreemde Oosterlingen, dan die der Chinezen, en eindelijk<br />

die der Europeanen. Alleen dit Zuidelijke gedeelte der stad is<br />

Gouvernements-grondgebied en draagt ook wel den naam van<br />

Matajoe. Tusschen de Mangkasaarschc en Chinesehe wijken<br />

ligt het fort Oranje, eene groote met steenen wallen voorziene<br />

sterkte, waarbinnen zich kazernen, Officierswoningen en magazijnen<br />

bevinden ; het heeft eene bezetting van omstreeks 180 man<br />

Infanterie en Artillerie met zes Officieren, van welke echter<br />

nog 25 man gedetacheerd zijn op Batjan en 10 te Bodinga op<br />

Halmaheira (bl. 428). O In de Europesche wijk vindt men het<br />

Eesirientie-huis, het hospitaal, eene Protestansche kerk, eene<br />

school voor Inlandsehe Christenen, eene Gouvernements lagere<br />

school, eene marktplaats en pakhuizen; hier, even als in de<br />

Chinesehe kampong, zijn de huizen meest van steen gebouwd.<br />

Voorts is er eene Wees- en boedelkamer, een armenhuis, en op<br />

geruimen afstand Zuidwaarts van de stad een Leprozen-gesticht.<br />

De geheele bevolking der hoofdplaats bedraagt omstreeks 6000<br />

zielen, waaronder in het Noordelijke gedeelte ruim 4000 Ternatanen,<br />

die onderdanen van den Sultan zijn; een duizendtal<br />

Mangkasaren en andere vreemde Oosterlingen, omstreeks 400<br />

Chinezen, en 450 Europeanen en Kleurlingen van verschillende<br />

afkomst, welke allen Gouvernements-onderdanen zijn. Onder<br />

deze Europeanen en Kleurlingen zijn omstreeks 400 Christenen.<br />

(') Het fortje Kajoe mejrah of 's Konings Zeehoofd ten zuiden van de<br />

Europesche wijk, dat nog op de Kaart van PIJNAPPEL en in het Aardrijkskundig<br />

Woordenboek voorkomt, wordt niet meer bewapend. Andere oude<br />

sterkten zijn geheel ontmanteld. Over de Schutterij op Ternate zie men<br />

bl. 519.


442<br />

Behalve de hoofdplaats zijn Kalapa pindah en Talangami aan<br />

de Zuid-Oostkust de belangrijkste kampongs.<br />

Het bestuur van Ternate (buiten het kleine Gouvernements­<br />

grondgebied) en der overige tot dit rijk behoorende eilanden<br />

en gewesten (bl. 317) berust bij den Sultan, wiens inlandsehe<br />

titel Kolano is. Hij wordt, zonder bepaalde erf-opvolging, aan­<br />

gesteld door het Nederlandsche Gouvernement, van hetwelk hij<br />

zijn gebied in leen heeft, en bestuurt zijn rijk naar welgevallen<br />

behoudens de in acht neming van bet met het Gouvernement<br />

gesloten contract('). Hij wordt bijgestaan, of eigenlijk de regering<br />

wordt voor hem waargenomen, door eenen Bijksbestuurder, die<br />

den titel van Djoegoegoe voert en uit de volksklasse gekozen<br />

wordt door den Sultan onder bekrachtiging van den Eesident.<br />

De Eijksraad, zonder welken geene belangrijke zaken mogen<br />

behandeld worden en wier leden als zoodanig den titel van<br />

Bobaloe's hebben, is zamengesteld uit den Djoegoegoe, den<br />

Kapitan laut, die het oppertoezigt over het zeewezen heeft cn<br />

gewoonlijk een bloedverwant van den Sultan is, de Sengadji's<br />

of Distriktsboofden en de Kimelaha's en Pomenila's of Ngofama­<br />

nira'» of Dorpshoofden. Deze Eaad wordt ook genoemd de Raad<br />

van achttienen, en vormt onder voorzitterschap van den Djoe­<br />

goegoe tevens het hoogste regterlijk ligchaam, dat uitspraak doet<br />

in alle belangrijke zaken en geschillen de onderdanen des Sultans<br />

betreffende, doch wiens vonnissen niet zonder bekrachtiging van<br />

den Eesident mogen worden ten uitvoer gelegd. Zaken van minder<br />

belang worden door de Distrikts- of Dorpshoofden behandeld.—<br />

De Chinezen, Mangkasaren en andere vreemde Oosterlingen<br />

hebben hunne eigene Hoofden, welke regtstreeks aan de Neder­<br />

landsche autoriteit onderworpen zijn. Over de regtspraak voor<br />

Europeanen en voor Inlanders op Gouvemements-grondgebied<br />

zie men bl. 318.<br />

De Sultan heeft zijne eigene krijgsmagt, die eenigzins op<br />

Europesche wijze gekleed en gewapend is, en waaruit ook, des<br />

gevorderd, aan het Gouvernement hulptroepen moeten worden<br />

0) De tegenwoordige Sultan is aangesteld 30 Mei 18fit. De woordelijke<br />

inhoud van het laatste contracOs ons niet bekend; het komt in de hoofdzaken<br />

overeen met dat, hetwelk in 1861 met den Sullan van Tidore gesloten is,<br />

en waarvan de hoofd-inhoud wordl medegedeeld op bl. 447.


443<br />

verleend; en eene zeemagt, bestaande uit Kora-Kora's, die<br />

insgelijks diensten ten behoeve van het Gouvernement moet<br />

verrigten (vergel. bl. 214).<br />

De bevolking van het geheele eiland bestond op het einde<br />

van 1855 uit:<br />

109 Europeanen,<br />

345 Kleurlingen, / „<br />

o o e. rii- l Gouvernements-<br />

385 Chinezen, \<br />

n, A , • ( onderdanen.<br />

21 Arabieren , 1<br />

2056 ilangkasaren en Inlanders, J<br />

5250 Inlanders ) n .. „ ,<br />

ono oi ,-r. ii r . onderdanen van den buitau.<br />

323 Slaven (Papoewah s?),l<br />

tezamen 8489 zielen; waarbij nog te voegen zijn een dertigtal<br />

leprozen in het gesticht en eenige bannelingen en kettingganger^.<br />

(')<br />

De Europeanen zijn Gouvernements-ambtenaren of kooplieden.<br />

Onder de Kleurlingen bevinden zich eenige ondergeschikte<br />

ambtenaren; sommigen oefenen het een of ander beroep uit;<br />

en velen leven armoedig van de opbrengst van een klein tuintje<br />

of van het overschot der bun door hunne ouders of voorouders<br />

nagelatene bezitting, zonder zelf iets ter vermeerdering van<br />

hunnen welstand te doen. Hun zedelijke toestand laat veel te<br />

wenschen over.— De Arabieren en Chinezen vinden hun bestaan<br />

in den handel; de laatstgenoemden ook in het pachten van<br />

's lands belastingen op den opium, 'arak, sagoewir, het slagten<br />

van varkens en rundvee, het houden van lombard en het hoofdgeld<br />

der Chinezenl 2<br />

); zij schijnen zich in vele opzigten gunstig<br />

van hunne landgenooten in andere deelen van den Archipel te<br />

onderscheiden.— De Mangkasaren en overige Inlandsehe Gouvernements-onderdanen<br />

leven van de vischvangst, den landbouw,<br />

den kleinhandel, en enkelen van eenig ambacht; zij genieten<br />

over het algemeen zeer weinig welvaart. De onderdanen van den<br />

( 1<br />

) Volgens de Statistieke Kaart van MELVILL was in 1849 de bevolking<br />

6140 zielen slerk.<br />

( 2<br />

) De belasting op paarden en slaven, het haven- en ankerage-geld, het<br />

?.egel- en vendu-regt, de zoutverkoop en andere lands-inkomsten worden niet<br />

verpacht maar regtslreeks door de Gouvernements-ambtenaren ontvangen.


444<br />

Sultan hebben dezelfde middelen van bestaan ca genieten even<br />

weinig voorspoed. De oorzaken van dezen ongunstigen toestand<br />

zijn de traagheid der bevolking en, wat de onderdanen van den<br />

Sultan betreft, de drukkende lasten, waaronder zij gebukt gaan.<br />

Deze lasten bestaan in: het doen van onbeloonde heerendiensten<br />

voor den Sultan en zijne talrijke familie; het zonder betaling<br />

aan hen opbrengen van rijst, sago, muskaatnoten, foelie, vogelnestjes,<br />

tripan//, schildpad en paarlen; terwijl de meeste der van<br />

elders aangevoerde benoodigdbeden der bevolking een monopolie<br />

van den Sultan en de Prinsen zijn, die ze aan haar tegen<br />

onevenredig hooge prijzen verkoopen.— De slaven, wier getal<br />

trouwens van jaar tot jaar afneemt, behooren wel niet eigenlijk<br />

tot dien stand maar staan er toch nagenoeg mede gelijk. .Met<br />

toestemming van den Sultan van Tidore worden zij van de<br />

Papoeioah-eilanden afgehaald en tegen betaling van eene bepaalde<br />

som aan de ingezetenen als dienstboden afgestaan. Onder het<br />

boven vermelde getal zijn waarschijnlijk ook begrepen de honderd<br />

dienstbare mannen, die door het Distrikt Sahoe op Halmaheira<br />

aan den Sultan moeten worden geleverd (bl, 437).<br />

De eigenlijk-gezegde Ternatanen, die door JUNGHUHN onder<br />

de Maleiscbe kosmopoliten gerekend worden (zie D 1<br />

. I, bl. 107)<br />

en door anderen, zeker met veel minder regt, wel eens al- van<br />

Chineschcn oorsprong zijn vo<strong>org</strong>esteld, zijn een zeer gemengd<br />

ras, welks afkomst bezwaarlijk te bepalen is. Zij hebben eene<br />

middelmatige gestalte, fijnen ligebaamsbouw, een vrij rond<br />

gelaat, en in wezenstrekken meer gelijkenis op Europeanen dan<br />

op eenig volk uit den Indischen Archipel^. Aan wellevendheid<br />

in den omgang paren zij eene zekere fierheid. Zij zijn traag en<br />

onverschillig omtrent hunne tijdelijke welvaart, maar zeer gezet<br />

op den dans (menari) en andere zinnelijke vermaken; ook sagoetcir<br />

eu arak vallen zeer in hunnen smaak. Het gewone voedsel<br />

bestaat in sago, visch en groenten; rijst en vleesch worden slechts<br />

bij bijzondere gelegenheden gebruikt. De kleeding is nagenoeg<br />

dezelfde als die der Maleijers, behalve dat de mannen geene<br />

kris of ander wapen bij zich dragen; doch de Sultan, de Prinsen<br />

en Rijksgrooten kleeden zich op Europesche wijze, hoewel altijd<br />

met een doek of tulband tot hoofddeksel. De Godsdienst en<br />

(') Tijdsein: v. Neérl. Indië, I8U, Db II, hl. -210.


445<br />

tijdrekening zijn de Mohammedaansehe; de taal is een verbasterd<br />

Maleisch. Als bijzondere volksvermaken worden vermeld de<br />

Dodingo, de Lego-Lego en de Tjakalele. O De Dodingo zijn eene<br />

soort van spiegelgevechten, welke gedurende de maand Ramadan<br />

(de vasten-maand) door een paar-honderd met stokken en<br />

salaxcako's (bl. 187) gewapende mannen op de marktplaats geleverd<br />

worden, en waarbij somtijds ernstige verwondingen plaats<br />

hebben, t 2<br />

) De Lego-Lego is een dans, die op onbepaalde tijden<br />

door opzettelijk daartoe afgerigte danseressen in oud-Spaansche<br />

kleeding in het paleis van den Sultan wordt uitgevoerd, vooral<br />

wanneer er Europeanen tegenwoordig zijn. De Tjakalele wordt<br />

bij bijzondere gelegenheden bij den Sultan of den Eesident<br />

uitgevoerd, door met vederen en bonte doeken en andere versierselen<br />

opgeschikte knapen, die met een rotting en salawako<br />

gewapend, onder begeleiding van Europesche en Inlandsehe<br />

muzijk [gongs en tifa's) eene soort van krijgsdans uitvoeren,<br />

waarbij zij echter naauwkeurig toezien elkander niet te treffen<br />

(vergel. bl. 196).<br />

Een ander gebruik, hetwelk men zegt van Portugeschen<br />

oorsprong te zijn en waaraan alleen Christenen deelnemen, is do<br />

Tjakaiba. Op den tijd wanneer het Chinesehe Nieuwjaar invalt,<br />

trekken eenige min gegoede lieden in Oud-IIollandsche kleeding<br />

met muzijk door de geheele stad, en dansen voor de huizen der<br />

voornaamste ingezetenen totdat hun eenig geschenk gegeven<br />

wordt, waarna zij hunnen togt voortzetten.<br />

Het eilandje Hiri of llira ligt ten Noorden van Ternate en is<br />

daarvan slechts door eene naauwc doch goed bevaarbare straat<br />

gescheiden. Het bestaat alleen uit eenen vulkaan-kegel van<br />

ongeveer 2000 v'. hoogte, is geheel met digt geboomte begroeid<br />

doch onbewoond.<br />

Het eilandje, of eigenlijk de twee eilandjes Ti/ore of Tafoeri,<br />

ligt in de Straat der Molukken nagenoeg in het midden tusschen<br />

de Minakassa en Halmakeira op 1° N.B. en 126° 20' O.L.<br />

Het is bezet met heuvelrijen van 300 of 400 v'. hoogte, en heeft<br />

0) De Lego-Lego en de Tjakalele komen ook op Halmaheira voor.<br />

Tijdschr. v. N. I., 18S6, 0'. II.<br />

( 5<br />

) Iets dergelijks, doch slechts tusschen twee personen, geschiedt ook ia<br />

Palembantj; zie 0'. I, bl. 398.


446<br />

geen vulkanisch voorkomen. Het is bedekt met geboomte, waaronder<br />

zich veel kokos-palmen bevinden. Er houden zich veel<br />

wilde geiten op. liet is onbewoond, doch wordt dikwijls gebruikt<br />

als ververscbingsplaats door de Sangirezen en andere zeevaarders<br />

op hunne togten naar Ternate.<br />

Majoe ligt Noord-Oostivaarts van Ti/ore op 1° 17' N.B. en<br />

126° 32' O.L. Het komt in alle opzigten met laatstgenoemd<br />

eilandje overeen, doch is omtrent dubbel zoo hoog.<br />

Deze drie eilandjes zijn onderhoorighedeu van den Sultan van<br />

Ternate.<br />

De eilanden Tidore, Mitarra, Filongia, Siboe en Maren.<br />

Het eiland Tidore, de verblijfplaats des Sultans van het rijk<br />

van dien naam O, ligt een weinig ten Zuid-Oosten van Ternate,<br />

waarvan het slechts door eene smalle zee-engte gescheiden is,<br />

op 0° 45' N.B., en komt ook in grootte nagenoeg met dit eiland<br />

overeen. De Zuidelijke helft des eilands bestaat uit een regel­<br />

matig gevormden vulkaan-kegel, van ongeveer 5000 v'. hoogte,<br />

wiens top kaal en wiens middelste gedeelte met zwaar woud<br />

begroeid is; beneden de 900 v*. zijn de zachte hellingen, die<br />

zich vooral naar de Oostzijde uitstrekken, met vruchtbaren grond<br />

bedekt en geheel bebouwd. Uitbarstingen van dezen vulkaan<br />

zijn niet bekend. De Noordelijke helft is een ruw vulkanisch<br />

vo<strong>org</strong>ebergte, dat bijna overal steil in zee afdaalt, en slechts<br />

hier en daar aan het strand eenige kleine vlakke plaatsen heeft.<br />

Het eiland is van tijd tot tijd aan sterke aardbevingen onder­<br />

hevig.<br />

Het klimaat van Tidore komt met dat van Ternate overeen;<br />

ook de voortbrengselen der drie natuurrijken zijn, voor zooverre<br />

men ze kent, nagenoeg dezelfde. Voor den rijstbouw is het eiland<br />

niet geschikt; doch aard- en boomvruchten, katoen, tabak,<br />

muskaatnoten en koffij worden met gunstig gevolg aangekweekt<br />

vooral in het Zuid-Oostelijke gedeelte. De saffoewir-vaimen<br />

heeft de vorige Sultan doen uitroeijen, opdat zijne onderdanen<br />

zich niet aan dien drank zouden te buiten gaan.<br />

Omtrent den handel zijn ons geene opgaven bekend; deze<br />

schijnt zich hoofdzakelijk tot de omliggende eilanden te bepalen.<br />

(') De voornaamste der verdere bezittingen van den Sultan zijn opgegeven<br />

op bl. 511.


447<br />

Een voornaam artikel van uitvoer is visch, die veel naar Ternate<br />

gebragt wordt; ingevoerd worden : rijst en de producten, die<br />

den Sultan door zijne onderhoorigbeden op Halmaheira en de<br />

Papoewah-eilanden moeten worden opgebragt.<br />

De hoofdplaats Tidore, als residentie des Sultans ook Soasio<br />

geheeten, ligt aan het Oosterstrand amplütheaters-gewijze op<br />

den voet des bergs, en bestaat grootendeels uit steenen wit<br />

gepleisterde huizen. Van de sterkte harer bevolking is ons geene<br />

opgave bekend. Het op den achtergrond gelegene paleis van<br />

den Vorst onderscheidt zich van de overige gebouwen weiniganders<br />

dan door zijne meerdere grootte. Voor Soasio strekt zich<br />

een kunstmatig opgehoogd rif in zee uit; waardoor slechts vaartuigen<br />

van weinig diepgang aan de hoofdplaats kunnen komen<br />

over een smal niet opgehoogd gedeelte van het rif.<br />

Langs de Oostkust bevinden zich nog enkele negeriën, wier<br />

namen ons niet bekend zijn; en aan het Noorderstrand zijn hier<br />

en daar op de kleine vlakten woningen van visschers of landbouwers,<br />

die zich daar tijdelijk ophouden tot uitoefening van<br />

hun bedrijf.— De door de Portugezen gestichte forten, Tahoela<br />

aan de Oostkust en Romi en Mareieo aan de Westkust, zijn sinds<br />

lang geheel vervallen of gesloopt; ook wij hebben er geene<br />

sterkte of bezetting, en ook geenen vertegenwoordiger van het<br />

Nederlandse h gezag.<br />

Het bestuur van Tidore en zijne onderhoorigbeden berust bij<br />

den Sultan of Kolano, en is nagenoeg geheel op dezelfde wijze<br />

ingerigt als dat van Ternate. Ook hij heeft zijn gebied in leen<br />

van het Nederlandsch Gouvernement, en is gebonden aan een<br />

contract, hetwelk in April 1861 vernieuwd en hoofdzakelijk van<br />

den volgenden inhoud is( l<br />

>: de Sultan en de Rijksgrooten worden<br />

door het Gouvernement naar vrije keuze aangesteld, welk laatste<br />

geregtigd is, des verkiezende, het bestuur zelf in handen te<br />

nemen; hij is verpligt het Gouvernement naar zijn vermogen<br />

met krijgsvolk, wapenen en vaartuigen bij te staan; hij raag<br />

zijn gebied aan geene andere natie overgeven; met de zoodanige<br />

, hoegenaamd geene onderhandelingen aanknoopen; geene sterkten<br />

bouwen of toestaan dat die gebouwd worden, zonder toestemming<br />

(') Men zie dit contract in zijn geheel in de Bijlagen der Nederlandsche<br />

Staatscourant, Zitting 1861—1862, bl. 781.


448<br />

van het jSTederlandsch Gouvernement, hetwelk daartoe alleen<br />

het regt heeft; niet vergunnen dat Europeanen of met hen<br />

gelijkgestelden zich ergens in zijn rijk vestigen buiten de<br />

havenplaatsen, waar zij zich gedurende drie maanden mogen<br />

ophouden doch bij een langer verblijf de toestemming behoeven<br />

van het Gouvernement; het ondernemen van mijn- of andere<br />

ontginningen niet aan vreemdelingen toestaan; hij zal den<br />

slavenhandel, zee- en strandroof met alle magt tegengaan,<br />

handel, scheepvaart en landbouw besehermen en aanmoedigen,<br />

met regtvaardighcid regeren,'s volks welzijn bevorderen, aan zijne<br />

onderdanen geene nieuwe belastingen opleggen noch de bestaande<br />

verhoogen, met zijne naburen in vrede leven, en de wenken en<br />

raadgevingen van het Gouvernement nakomen. Het Gouvernement<br />

heeft het regt, waar het zulks noodig acht, sterkten of<br />

andere gebouwen op te rigten, ambtenaren te plaatsen, ontginningen<br />

te doen, timmerhout te kappen, werklieden en materialen<br />

te vorderen tegen billijke betaling, wegen aan te leggen, enz.<br />

De regtspleging over onderdanen van den Sultan blijft aan hem<br />

overgelaten, behalve wanneer zij misdrijven plegen tegen het<br />

Gouvernement of in gemeenschap met Gouvernements-ondcrdanen;<br />

ook civile zaken tusschen Sultans- en Gouvernementsonderdanen<br />

worden behandeld voor eene afzonderlijke regtbank<br />

te Ternate, zamengesteld uit den Eesident als Voorzitter, een<br />

Gouvernements-Schrijver als Griffier, en een Djoegoegoe, een<br />

Imam (priester) en den Kadi (regter) van Tidore. Geene zware<br />

straffen mogen worden uitgeoefend zonder toestemming van het<br />

Gouvernement; alle verminkende straffen zijn verboden. De<br />

vroeger door het Gouvernement toegekende jaarlijksche vergoeding<br />

voor het uitroeijen der specerij-boomen blijft, hoewel<br />

dat bevel is ingetrokken, bestaan en bedraagt voor den Sultan<br />

ƒ6400, voor de Eijksgrooten, Sengadji's en Kimelaka's van Tidore<br />

ƒ4200, en voor de Hoofden der aan Tidore onderhoorige negeriën<br />

Maba, Weda en Patani (Pajali?) op Halmaheira ƒ2200.<br />

De eigene krijgsmagt des Sultans, uit Infanterie en Artillerie<br />

bestaande, is gebrekkig op Europesche wijze gekleed en gewapend. ,<br />

Zijne zeemagt, uit Kora-Kora's zamengesteld en onder bevel van<br />

den Kapitan laut staande, dient om de aan hem onderhoorige<br />

eilanden in onderwerping te houden en door de jaarlijksche<br />

zoogenaamde kongi-toglende verpligte schatting van hen te innen.


449<br />

Zoowel land- als zeemagt moot, des gevorderd, aan het Nederlandsche<br />

Gouvernement hulptroepen verleenen. Daarenboven<br />

moet elke aan het strand gelegene negeri steeds eene Kora-Kora<br />

ter dienste van het bestuur beschikbaar houden.<br />

Omtrent de sterkte der bevolking van het eiland Tidore is<br />

ons geene latere opgave bekend dan die over het jaar 1854, toen<br />

zij 8157 zielen bedroeg.O Zij is op de Oostkust te zamen ge­<br />

drongen en leeft daar van landbouw cn visscherij; ook het breijen<br />

of knoopen van netten en het ijzer-smeden maken belangrijke<br />

takken van nijverheid uit. Om het laatstgenoemde ambacht uit<br />

te oefenen reizen zij zelfs naar de naburige eilanden cn tot<br />

Menado. De Tidorezcn genieten eene grootere mate van welvaart<br />

dan de Ternatanen, doordat zij werkzamer cn ondernemender<br />

van aard zijn, en ook omdat zij niet aan zoo zware lasten als de<br />

laatstgenoemden zijn onderworpen; daar de Sultan vrij belangrijke<br />

inkomsten trekt van zijne bezittingen op Halmaheira cn do<br />

Papoeicah-eilanden, die hem sago, massooi, schildpad, tripang<br />

en paradijsvogels leveren. Ook het aantal slaven onder hen<br />

schijnt geringer te zijn; en omtrent het pandelingschap is bij<br />

het laatste contract bepaald: dat dit zooveel mogelijk zal worden<br />

tegengegaan; dat de duur daarvan in billijke verhouding zal<br />

staan tot de grootte der schuld cn nooit den tijd van vijf jaren te<br />

boven gaan ; en dat het pandelingschap in geen geval overgaat<br />

op dc bloedverwanten des schuldenaars. — Overigens zijn de<br />

Tidorezcn van eene dergelijke gemengde afkomst als do Terna­<br />

tanen, met wie zij ook in levenswijze, vermaken, kleeding, taal<br />

en Godsdienst overeenkomen.<br />

Het eilandje Mitarra of Noorwegen, in de naauwe straat tus­<br />

schen Ternate en Tidore gelegen, bestaat uit eenen ongeveer<br />

8000 v'. hoogen doch niet werkenden vulkaankcgel, die steil in<br />

zee afloopt. Het is niet op den duur bewoond; doch tijdelijk<br />

houden er zich landbouwers en visschers van Tidore op.<br />

Filongia of Tilango, ten Oosten van Tidore gelegen, is niet<br />

meer dan eene begroeide doch onbewoonde rots van ongeveer.<br />

100 v*. lang en breed en 60 v'. hoog.<br />

O BLEEKER, Reis enz., D'. I, bl. 222. In liet jaar 1816 bedroeg zij volgens<br />

denzeïïden Schrijver "538; terwijl MELVILL haar op zijne Statistieke Kaart<br />

van 1849 met Mareh te zamen slechts op 5921 zielen stelt.<br />

II. 29


450<br />

Siiïoe, dat door BI.EEK.EU vermeld wordt, komt op de ter onzer<br />

"beschikking staande Kaarten niet voor.<br />

Mareh of het Fot lebakkers-eiland ligt regt Zuidwaarts van<br />

Tidore op 0° 34' N.B. en schijnt het overblijfsel van een ingestorten<br />

vulkaan, die thans nog ongeveer 1000 v*. hoogte heeft,<br />

Het is zeer klein en bevolkt met een paar-honderd Tidorezen,<br />

die bun bestaan vinden in de vischvangst en het vervaardigen<br />

van aardewerk, waarvoor de grond goede klei bevat.<br />

Deze vier eilandjes zijn onderhoorigbeden van den Sultan van<br />

Tidore, hoewel hem het regt op Mitarra door den Vorst van<br />

Ternate betwist wordt.<br />

De eilanden Makjan, Motir, Miskin, Kajoa, Laloeïn,<br />

de Goearitji-groep, Ganneh en Dammer.<br />

Het eiland MakjanO, iets kleiner dan Tidore. ligt regt Zuidwaarts<br />

van daar op 0° 18' N.B. en bestaat even als dit uit<br />

eenen vulkaan, die in December 1861 vreesselijk gewoed heeft<br />

en ook vroeger hevige uitbarstingen moet hebben gehad. Bij<br />

eene van deze, zoo men zegt in 1646, is de berg in tweeën<br />

gespleten en bad sedert dien tijd twee spitse'toppen van omstreeks<br />

4000 v*. hoogte, tusschen welke zich een kleine eruptie-kegel<br />

had opgeheven; bij de uitbarsting van 1861 beeft de berg weder<br />

•eene aanmerkelijke verandering van gedaante ondergaan. De<br />

kusten zijn steil en met koraal-riffen omgeven. Het geheele<br />

eiland heeft een ruw en door groote overal verspreid liggende<br />

rotsbrokken oneffen voorkomen, doch moet bijzonder vruchtbaar<br />

zijn. Voor sago-palmcn is de grond niet geschikt; maar rijst,<br />

djagoeng, tabak, kanari-hoome.n (voor olie), aavd- en boomvruchten<br />

worden ei' met zeer goed gevolg gekweekt. De specerijboomen,<br />

die er vroeger welig groeiden, zijn door de O. I.<br />

Compagnie uitgeroeid ; voor deze en ook voor de koffij-cultuur<br />

biedt het eiland uitmuntende gelegenheid aan.<br />

Tabak, hinari-o\ie en sommige andere producten, ook gezouten<br />

en gedroogde visch, worden als handels-artikelen uitgevoerd.<br />

Makjan had verscheidene groote en welvarende negeriën,<br />

onder welke, behalve de hoofdplaats Ngofogila in het Noorden,<br />

(i) Hehalve de oudere berigten zio men over dit eiland de Reis van BLEEKER,<br />

1)1.1, bl. "2*25, en BRUMUND, Fragment mijner reize door de MoliMo's.


451<br />

Ngofomofakia in het Noord-Oosten en Powati in het Oosten tot<br />

de belangrijksten schijnen behoord te hebben. Bij de laatste<br />

uitbarsting van den vulkaan zijn echter vijftien negeriën geheel<br />

of gedeeltelijk verwoest.<br />

De geheel Mohammedaansehe bevolking, omtrent wier afkomst<br />

wij niets weten, had tot 1861 ruim 6000 zielen bedragen doch<br />

is toen aanmerkelijk verminderd, daar velen bij de uitbarsting<br />

zijn omgekomen en zeer velen ook het eiland hebben verlaten!<br />

Zij is ijverig en geniet eene tamelijke welvaart uit landbouw,<br />

handel en vischvangst; als verdere takken van nijverheid worden<br />

genoemd: het spinnen van garen, het weven van gestreept katoen,<br />

het maken van netten en het vervaardigen van fijn vlechtwerk!<br />

De woningen, hoewel vrij groot, vertoonen echter geene sporen<br />

van weelde; zij zijn van bamboe op den grond gebouwd, gewoonlijk<br />

in twee vertrekken verdeeld, en van voren met eene smalle<br />

galerij onder het laag afloopend dak voorzien; het huisraad is<br />

daaraan geëvenredigd.<br />

De Hoofden der negeriën en kampongs dragen de in de<br />

Molukken gewone titels van Sengadji, Kimelaha en Ngofamanira.<br />

Boven of naast deze Hoofden staat echter een ambtenaar van den<br />

Sultan van Ternate, die als zoodanig den titel van Oeloesan voert,<br />

in naam van zijnen Vorst het gezag uitoefent, en z<strong>org</strong>en moet<br />

dat de als belasting opgelegde producten aan den Sultan geleverd<br />

en de tot heerendiensten verpligte ingezetenen naar Ternate<br />

opgezonden worden. De Makjanners verdragen echter slechts<br />

zeer noode de overheersching van den Sultan, tegen wien zij<br />

zelfs nu en dan in openlijk verzet komen «, maar zouden gaarne<br />

weder Nederlandsche ambtenaren op hun eiland gevestigd zien<br />

gelijk in vroegere tijden het geval was. Van oude Nederlandsche<br />

forten zijn hier en daar nog overblijfselen te zien; aan de<br />

Noord-Oostzijde ligt nog het niet meer bewapende noch bezette<br />

fortje Reeburg.<br />

Het eilandje. Motir of Morli ligt regt Noordwaarts van Makjan<br />

op 0° 28'N.B., en is even als dit een vulkaankegel doch veel.<br />

0) Onder anderen in 18i8 en 18197 toen de tusschenkomst van het Nederlandsche<br />

Gouvernement vereischl werd om hen weder in onderwerping te<br />

brengen. -


453<br />

kleineren slechts ruim 2200 v*. hoog. Het wordt alleen bewoond<br />

door eenige Tidorezcn, die hier onder toelating van den Sultan<br />

van Ternate katocn-plantaadjes hebben. Oostwaarts van Morti<br />

ligt eene vrij uitgestrekte parclbank.<br />

Miskin is slechts eene rots, regt Zuidwaarts van Makjan op<br />

0° 8' N.B. gelegen.<br />

Kojoa of Kiouw ligt regt ten Zuiden van Miskin tusschen<br />

0° 3'N.B. en 0°1'Z.B., cn zal in grootte niet veel van Makjan<br />

verschillen. Het wordt somtijds gerekend tot de Goearitji-eitunden,<br />

waarvan het dan het grootste is en tot welke groep, behalve dit<br />

eiland, ook Miskin en eenige Westwaarts gelegene onbewoonde<br />

eilandjes behooren; doch eigenlijk maken alleen deze laatsten de<br />

Goeari/ji-groep uit. Kajoa is van vulkanischcn aard, en aan de<br />

Noordzijde bestaat het op vele plaatsen uit steile rotswanden van<br />

100 v'. hoogte. De bevolking, ongeveer 500 zielen sterk, vindt<br />

baar bestaan in rijstbouw en vischvangst. Voorts levert het eiland<br />

kokosnoten, vogelnestjes, tripang, paarlen en schildpad op; van<br />

alle welke producten jaarlijks eene zekere, hoeveelheid aan den<br />

Sultan van Ternate moet worden opgebragt. De hoofdnegeri<br />

Goaripin ligt aan de Zuidzijde op eene koraalbank nagenoeg<br />

gelijk met de oppervlakte der zee.<br />

" LaloëviA'igi onmiddellijk ten Zuiden van Kajoa en is daarvan<br />

slechts door eene zeer smalle zee-engte gescheiden ; het is onbewoond.<br />

De eigenlijk-gezegde Goearitji-eilanden, die ten Westen van<br />

Kajoa verspreid liggen en niet bewoond worden, zijn Laigoma,<br />

Goenange, Sikou, Leali en andere kleinere.<br />

Ganneh is een klein eilandje, gelegen ten Westen van de Zuidpunt<br />

van Halmaheira op 0° 52' Z.B. en 128° 10' O.L., doch<br />

van hetwelk ons verder geene bijzonderheden bekend zijn.<br />

Dammer, ons mede alleen bij naam bekend, ligt op 1° Z.B. en<br />

128° 22'O.L. regt tegenover Halmaheira s Zuidpunt, waarvan<br />

het door de ruime en veilig bevaarbare Straat Dammer gescheiden<br />

is. Het is bergachtig cn grooter dan Ganneh.<br />

Van een door BLEEKER vermeld onbewoond eiland Bentjan is<br />

ons de ligging niet. bekend.<br />

Alle deze eilanden zijn onderliporigheden van den Sultan van<br />

Ternate.


4 5 3<br />

§ 3. De Batjan-groep. (')<br />

Het eiland Batjan.<br />

Baljan, het hoofd-eiland van de groep, ligt tusschen 0 C<br />

13'<br />

tot 0° 55' Z.B. en 127° 22' tot 128° O.L., ten Westen van het<br />

Zuidelijke schier-eiland van Halmaheira, waarvan het door de<br />

Straat Patiëntie gescheiden is, terwijl aan de Westzijde des<br />

eilands Straat Herberg tusschen Batjan en Groot Taicali, Mandioli<br />

en andere kleinere eilanden stroomt. Deze Straat Herberg<br />

wordt ook nog wel in drie declen onderscheiden, van welke dan<br />

het Noordelijkste Straat Sembaki, het middelste Straat Herberg,<br />

cn het Zuidelijkste Straat Mamboeat heet. Batjan, dat volgens<br />

MELVILL 50 • mijlen groot is, bestaat uit twee schier-eilanden,<br />

van welke het Noordelijke en grootste Batjan of Ombatjan en<br />

het Zuidelijke Laboeha heet. Deze schier-eilanden zijn van<br />

elkander gescheiden door de Baai van Laboeha of Am.am.ng of<br />

Baljan aan de West-, en die van Lepan aan de Oostzijde, tusschen<br />

welke zich eene vlakke en lage land-engte bevindt van ongeveer<br />

anderhalf uur gaans breedte. Behalve deze twee baaijen heeft<br />

men nog aan de Zuidzijde de Baaijen Waja Oewa of Waja Oga<br />

en Silang. en aan de Noord-Oostzijde de Baai Loid of Loeit; in<br />

laatstgenoemde liggen de onbewoonde eilandjes Raloidoï Raloeit<br />

en Babi.<br />

{') Volgens de opgave van BLEEKER, Dl. I, bl. 215, beslaat deze groep uit<br />

de eilanden: Daljan, Mantliolo, Bnlang lornan, Orn-Ora, Embatoe, Waindi<br />

(drie eilanden), Jojo, Embatin, Kasiroela of Grool Tawali, Wiri, Batoe<br />

ampat, Wai-Apokan, Nanoang, Linlang baral, Oewah, Bamilajoe, Tumbeli,<br />

Tiuiada, Onoh, Deroe, Linlang timor, Salipogat, Tawalla (drie eilanden),<br />

Raloeit, Babi, Djitalan, Allang-Allang, Roewo, Pigiradja, Latta-l.atla<br />

(Laive. en Moring), Towapin, Goranofodjojo en Kappal, die echter behalve<br />

het hoofd-eiland ^4


454<br />

Het Noordelijke schier-eiland is bezet met door vlakten afgewisselde<br />

heuvels, die niet van vulkanischen aard zijn en geene<br />

aanmerkelijke hoogte bereiken; de voornaamsten zijn van het<br />

Noorden af: de Boekit Sabatan, B. Loid of Loeit, B.Sembahi<br />

JB. Amas en B. Tepoek. Het Zuidelijke gedeelte des eilands,<br />

hetwelk althans gedeeltelijk vulkanisch schijnt te zijn, heeft<br />

hoogere toppen, waaronder vooral de B. Sindapa, B. Sibela<br />

B. Batoe en B. Sicjaroe. Volgens BLEEKER heeft de<br />

Sibela eene kegelvormige gedaante; volgens de berigten van<br />

CORTS'E/S DE GROOT 0) is dat niet het geval, maar zoude de<br />

Sindapa waarschijnlijk een vulkaan zijn: niet ver benedenzien niet<br />

hoogen kruin van dezen laatste bevindt zich een meer/dat geheel<br />

liet voorkomen van een kratermeer heeft; en nabij den berg zijn<br />

heete bronnen, in welker omtrek zwaveldampen uit spleten in<br />

den grond oprijzen. De kusten zijn afwisselend steil en vlak.—<br />

Het klimaat is gezond, niettegenstaande de temperatuur dikwijls<br />

des middags 95° en des avonds 70° F. is. De drooge moeson,<br />

gedurende welken de wind meest Zuidelijk is, heerscht van Mei<br />

tot October of November; in December valt gewoonlijk de<br />

meeste regen, met Noorden-wind.<br />

Van de heuvels of bergen stroomen eene menigte beken en<br />

riviertjes zeewaarts, die wel somtijds overstroomen doch van<br />

welke slechts weinigen over een zeer klein gedeelte van bunnen<br />

loop voor ligte praauwtjes bevaarbaar zijn. De voornaamsten<br />

zijn : de Soengei Amasing, die op de B. Tepocng ontspringt e<br />

in de Baai van Amasing of Laboeha valt; de S. Besar en de<br />

S.Poang of Poean, die op den B. Amas ontstaan en iets Noordelijker<br />

aan de Westkust uitwateren; de S.Loid. welke in de Baai<br />

van dien naam valt; en de grootste van allen, de S.Sajoan,<br />

die op de hellingen in het midden van het Noordelijke schiereiland<br />

ontstaat en zich aan de Oostkust in de Baai van Lepan<br />

ontlast.<br />

De heuvels en bergen zijn bedekt met in het wild groeijende<br />

specerij- vooral kruidnagelAboomen en ook met zwaar geboomte,<br />

dat uitmuntend timmer- en meubelhout oplevert. De vlakten,<br />

(') In het Fragment der reis van BRUMUMD, hl. ïl en volgg. De Heer<br />

ConNETS DE GROOT heeft zich als Ingenieur van het mijnwezen geruimen lijd<br />

op Baljan opgehouden, terwijl BLEEKER dit eiland slechts ter loops heeft<br />

bezocht.


455<br />

die hier en daar moerassig zijn, zijn begroeid met sago—palmen,<br />

bamboe, varens en eene menigte andere boom- en heestersoorten<br />

; terwijl de kusten met een overvloed van kokos-palmen<br />

prijken. Aan den landbouw wordt door de geringe en trage bevolking<br />

weinig gedaan; eenige rijst en aardvruchten zijn zijne<br />

voornaamste producten. — Van het dierenrijk weet men weinig<br />

moer dan dat eene menigte herten, wilde zwijnen, apen en<br />

papegaaijen de wouden bevolken. De zee is rijk aan visch en<br />

schelpdieren; de kust, aan krokodillen en leguanen; en in<br />

Straat SemlakiYigï eene parelbank.— Het delfstoffenrijk, hoewel<br />

nog slechts gebrekkig bekend, moet zeer belangrijk zijn. Steenkolen-lagen,<br />

met welker ontginning men begonnen is, worden<br />

aangetroffen in de vlakte van Mombia of Ajer Mombia nüm 2 uren<br />

landwaarts in aan de S. Amasing, en in de daar omliggende<br />

heuvels. Goud moet op vele plaatsen in overvloed aanwezig zijn<br />

en wordt gedolven of gewasschen aan de S. Poeang door Chinesehe<br />

bannelingen, die van Borneo herwaarts zijn getransporteerd. Ook<br />

koper moet op Bafjan voorkomen.<br />

De bevolking van Batjan, die in 1854 ruim 1800 zielen be­<br />

droeg, is bijna geheel zamengedrongen in de hoofdnegeri Batjan<br />

of Laboeha gelegen op de Westkust aan de Baai van Ba/jan of<br />

Laboeha. Deze negeri bestaat uit de Christen-kampong, die<br />

eigenlijk Ijaboeha heet, en de Mohammedaansehe, welke naar de<br />

rivier, die haar besproeit, Amasing wordt genoemd. Tusschen do<br />

beide kampongs ligt het paleis van den Sultan, een vervallen<br />

steenen gebouw; overigens zijn de buizen der ingezetenen allen<br />

van bamboe of gabba-gabba gebouwd en met atap gedekt. In de<br />

kampong Laboeha staat het Gouveruements-gebouw, op een<br />

steenen fondament van planken opgetrokken, eene steenen Pro-<br />

testantsche Kerk, eene Christenschool en een zeer goed ingerigt<br />

hospitaal; achter haar ligt het fort Barneveld met eene kleine be­<br />

zetting, die van Ternate derwaarts wordt gedetacheerd (bl. 441).<br />

De Mohammedaansehe kampong bevat behalve de steenen moskee<br />

geene bijzondere gebouwen.<br />

De Christenwijk heeft eene bevolking van ruim 200 zielen,<br />

waarvan nog geen twintig Europeanen zijn en de overigen<br />

Kleurlingen, zoowel van Batjan als van Amboina en elders<br />

afkomstig. Zij staan onder een Hoofd met den titel van Sergeant<br />

Laboeha, die tevens Schoolmeester en Godsdienst-onderwijzer is


4S6<br />

en eenige mindere Hoofden met den titel van Kapala LahoeJta<br />

onder zich heeft; hun hoofdmiddel van bestaan is de kleinhandel.<br />

Van tijd tot tijd wordt deze Christen-gemeente door een<br />

Zendeling-lceraar of een Predikant van Ternate bezocht.<br />

De Mohammedaansehe bevolking, dc eigenlijke Batjanners,<br />

waaronder ook verscheidene Ternatanen voorkomen, is mede een<br />

gemengd ras van een zeer goed voorkomen; vooral hebben de<br />

vrouwen een goeden gelaatsvorm en eene vrij blanke huidkleur. Zij<br />

zijn ijverige Mohammedanen en nemen de voorschriften van don<br />

Koran naauwkeurig in acht; doch niettemin zijn zij verregaand<br />

bijgeloovig cn zeer voor sicangi's en andere booze geesten beducht,<br />

aan welke zij ook hunne ziekten toeschrijven, die dus meest door<br />

tooverformuliercn moeten genezen worden ; voorts zijn zij trotsch,<br />

lafhartig, wreed, tot diefstal geneigd, lui en z<strong>org</strong>eloos. Zij leven<br />

meest van de visscherij; hun handel cn landbouw is van weinig<br />

beteekenis. Het gewone voedsel is sago en visch; rijst wordt<br />

alleen bij feesten gebruikt. De kleeding is voor de Christenen<br />

kabaaijen en broeken en voor hunne vrouwen kabaaijen en sarongs,<br />

voor de Mohammedanen alleen eene lange geslotene badjoe; de<br />

slaven dragen alleen de tjidako. De Sultan en de Prinsen kleeden<br />

zich zooveel mogelijk op Europesche wijze, en hunne vrouwen<br />

met kabaai en sarong.<br />

Het hoofdbestanddeel van de, taal dezer eilanders is het<br />

Maleisch, doch met Ternataansch, Mangkasaarsch en andere<br />

tongvallen vermengd. Velen verstaan echter ook het zuivere<br />

Maleisch.<br />

Het inlandsch bestuur is geheel op dezelfde wijze ingerigt<br />

als op Ternate en Tidore; dc Sultan staat ook in dezelfde verhouding<br />

tot ons Gouvernement, dat hier door een Civiel en<br />

Militair Posthouder vertegenwoordigd wordt. De tegenwoordige<br />

Sultan is in 1862 aan de regering gekomen; hij geniet jaarlijks<br />

van het Gouvernement ƒ1920 tot vergoeding voor de vroeger<br />

uitgeroeide specerij-boomen. De eigene krijgs- en zeemagt van<br />

den Sultan is zeer gering; de troons-opvolger bekleedt echter<br />

den rang van Kapitan laut of Admiraal en draagt als zoodanig<br />

eene soort van Europesche kolonels-uniform.<br />

Behalve ter hoofdplaats Baljan wonen eenige menschen bij<br />

de mijnwerken van Mombia en Soengei Poang; voorts worden<br />

nog vermeld de gehuchten of kampongs Ne-neri, Ajer besar en


457<br />

Indommoet, waar eenige tuinbouw gedreven wordt, meest door<br />

vreemdelingen; terwijl op het Kaartje van CORNETS DE GROOT<br />

nog Salap en Semlaki aan de Westkust voorkomen.<br />

Meer of minder bruikbare wegen zijn op Batjan alleen van de<br />

hoofdplaats naar Soengei Poang, naar Mombia, en over Ne-neri<br />

naar de Straal Patiëntie.<br />

De eilandjes Mandioli, Botang loman, Tawali of Kasiroeta,<br />

Tambeli, Latta-Latta, Tawali ketjil, enz.<br />

Mandioli ligt tegenover de Baai van Baljan op 0° 45' Z.B. en<br />

127°20' O.L. Het is van Batjan gescheiden door het Zuidelijke<br />

gedeelte van Straat Herberg (Straat Mamboeat), waarin ook het<br />

kleinere eiland Botang loman en de nog kleinere Mamboeat, Ra<br />

en Dckal liggen.<br />

Tawali of Groot Tawali, ook Kasiroeta geheeten,^ivordt door<br />

het Noordelijke gedeelte van Straat Herberg (Straat Sembahï) van<br />

de Westkust van het Noordelijke schier-eiland van Batjan geseheiden.<br />

Het ligt op 0° 13' tot 0° 30' Z.B. en 127° 12' O.L.,<br />

en is na het hoofd-eiland verreweg het grootste van de groep.<br />

Aan den Zuidelijken ingang van de Straat ligt nog het veel<br />

kleinere eiland Tambeli, en aan den Noordelijken Lintang.<br />

Latta-Latta(ziin eigenlijk twee eilanden, van welke het eene<br />

Lawe en het andere Moring heet. Zij liggen ten Westen van de<br />

Noordelijke helft van Groot Tawali tusschen 0°12'en 0°20'Z.B.,<br />

en zijn nog door andere kleine èilandjes of rotsen omgeven.<br />

Tawali ketjil of Klein Tawali ligt regt Noordwaarts van Groot<br />

Tawali op 0° 5' Z.B.<br />

Raloid of Raloeit en P.Babi liggen in de Baai van Loid;<br />

en in Straat Patiëntie liggen er verscheidene, van welke Djilalang<br />

of Ngilalang, Allang-Allang en Atori de voornaamsten zijn, die<br />

op de Kaarten vermeld worden.<br />

Alle deze eilanden, die tot het gebied van den Sultan van<br />

Batjan behooren, zijn geheel onbewoond. Vele van de kleinere<br />

zijn niet meer dan rotsen of koraalriffen; de grootere zijn bergachtig,<br />

doch niet zeer hoog noch vulkanisch; zij zijn allen met<br />

een weelderigen plantengroei bedekt.


458<br />

§.4. De Obi-groep.<br />

Het eiland Obi.<br />

Obi, ook Groot Obi, Obi major of Ombirah geheeten, ligt ten<br />

Zuiden van Batjan en Halmaheira tusschen 1° 18' tot 1° 42' Z.B.<br />

en 127° 28' tot 128° 5' O.L., en heeft volgens MELVILLO eene<br />

grootte van 39 • mijlen, terwijl de overige tot deze groep behoorende<br />

eilandjes, die er rondom liggen, te zamen door hem op<br />

7 • mijlen berekend worden. Het is zeer hoog en bergachtig, doch<br />

hier en daar aan de kusten, vooral aan de Westzijde, moerassig.<br />

Deze moerassige streken zijn met sago-bosschen begroeid; voorts<br />

is de vruchtbare grond met allerlei geboomte en vooral ook met<br />

tallooze in het wild groeijende muskaatnoten-boomen bedekt,<br />

die uitmuntende vruchten opleveren, welke echter niet worden<br />

ingezameld. Aan de kusten komt veel schildpad voor. Overigens<br />

is omtrent de natuurlijke gesteldheid en de voortbrengselen van<br />

dit eiland nagenoeg niets bekend.<br />

Nadat dc O. I. Compagnie in 1671 op de Westkust het<br />

blokhuis de Bril/gebouwd had, waarvan de bouwvallen en de<br />

merkpaal der O. I. Compagnie nog bestaan, kocht zij in 1683<br />

de geheele groep voor 800 rijksdaalders van deu Sultan van<br />

Batjan, aan wien deze eilanden toen behoorden. In 1738 werd<br />

echter deze vestiging, wegens de ongezondheid van het terrein,<br />

waarop zij geplaatst was, weder verlaten, en sedert dien tijd<br />

is ook de vaste bevolking van Obi verdwenen, dat nu slechts van<br />

tijd tot tijd door Tabelloresche en Galelasche visschers of zeeroovers<br />

wordt bezocht. Nadat opzettelijke onderzoekingen in de<br />

laatste jaren Obi's rijkdom aan muskaatnoten bevestigd hadden,<br />

is reeds een cn andermaal door particulieren bij het Gouvernement<br />

concessie aangevraagd tot het exploiteren van dit product;<br />

deze concessie is echter tot dusverre niet verleend, daar het<br />

Gouvernement zich niet met de in de aanvragen gestelde voorwaarden<br />

konde vereenigen.<br />

De eilanden Gomono, Obi Lattoe, Belang, Tapa, Bissa,<br />

Lojang en Gasse.<br />

Gomono of Gomano is een eilandje van omtrent 1 • mijl groot,<br />

gelegen ten Zuiden van Obi op 1° 44' 50" Z.B. en 127° 40' O.L.<br />

(') Moniteur des Indes, 4846—1847, pag. 47. In het Aardrijkskundig<br />

Woordenboek wordt 28.5 • mijl opgegeven.


459<br />

Obi Laüoe of Obi Lala, ook wel Klein Obi genaamd, ligt ten<br />

Westen van het hoofd-eiland op 1° 25' Z.B. en 127° 23' O.L.;<br />

het is ongeveer even groot als Gomono. Tusschen Groot Obi en<br />

Obi Lattoe Ligt nog het zeer kleine eilandje Mata—Mata.<br />

Belang is mede een zeer klein eilandje tusschen Groot Obi en<br />

het Noordelijke gedeelte van Obi Lattoe gelegen, op 1°23' Z.B.<br />

en 127° 32' O.L.<br />

Tapa, dat volgens GOLDMAN O twee eilanden zijn, ligt ten<br />

Noord-Westen van Obi op 1° 17'Z.B. en 127° 26'tot 127° 36 'O.L.<br />

Het is grooter dan de vroeger genoemde.<br />

Bissa ligt ten Noorden van Obi op 1° 20' Z.B. en tusschen<br />

127" 40' tot 127° 50' O.L. Het is ongeveer even groot als Tapa.<br />

Lojang, ten Oosten van Obi op 1° 40' Z.B. en 128° 8' O.L.,<br />

zal hoogstens l<br />

/s • mijl groot zijn. Waarschijnlijk is dit hetzelfde<br />

eiland dat elders Lokisoug genoemd wordt.<br />

Gasse ligt ten Oosten van Lojang op 1° 39' 54" Z. B. en<br />

128° 15' 4" O.L., en is aanmerkelijk kleiner dan dit. De Straat<br />

Gasse, tusschen deze beide eilanden is een zeer goed vaarwater,<br />

vooral in den Westmoeson. Bijna een halven graad meer Oostwaarts<br />

liggen nog eenige kleine eilanden, welke volgens de<br />

Kaart van MELVILL mede tot de Batjan-groep behooren, doch<br />

wier namen ons niet bekend zijn.<br />

Alle deze eilanden zijn berg- of heuvelachtig en met geboomte<br />

bedekt doch onbewoond. Overigens weet men er niets van dan dat<br />

op Obi Lattoe en Tapa eene groote menigte muskaatnoten-boomen<br />

gevonden worden.<br />

§ 5. De Soela-eilanden. ( 2<br />

)<br />

Algemeen overzigt der ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />

voortbrengselen, bevolking en bestuur.<br />

De Soela-eilanden, eene onderhoorigheid van den Sultan van<br />

Ternate, liggen in de Moluksclie Zee onmiddellijk ten Oosten der<br />

0) Tijdsein, voor Ind. taal-, land- en volkenkunde, Db VII, bl. 20b.<br />

( 2<br />

) BLEEKER, Reis. Dl. I, bl. 183, geeft de volgende eilanden op als lot de<br />

Soela-groep behoorende: Taliabo, Sehoe, Buwana, Djeni, Lemboe, Daloema,<br />

Aroe, Jano, Kano, Mnncjkololi, Toenassm, Malete, Damuin, Tabalami,<br />

Keloep, Makanateli, Noesa flat, Noesa Mehoedjoe, Aala, Saroembah, Passikaja,<br />

Toentangan, Lala, Penoe, Soela llanyoli (waaronder Toeboeloe en<br />

Pasftoro), Soei'o üesi, L\ffn Matoela, Pugama, Pasknra, en twee ongenoemde<br />

eilanden. Van deze allen komen slechts die. welke wij op bl. 425 vermeld<br />

hebben, met name op de Kaarten voor.


460<br />

Bang gaai-eilanden (bl. 232), van welke zij door Straat Greyhouud<br />

gescheiden zijn. Volgens VAN DER HART O strekken zij zich uit<br />

tusschen 1° 55'tot 2° 30' Z.B. en 123° 6'tot 126° 15' O.L.;<br />

doch volgens de Kaart van MELVILL liggen zij tusschen ruim<br />

124° tot 126° 30' O.L,, hetgeen beter overeenkomt met de<br />

opgaven van dc Heeren BOSSCIIER en MATTIIYSSEN, volgens wier<br />

berigten( s<br />

) de Banggaai-cilanden zich uitstrekken tot 124°26'O.L.<br />

(bl. 232). Hunne gezamenlijke grootte is door MELVILL berekend<br />

op 67 • mijlen. Zij zijn bergachtig en bedekt met bosschen,<br />

die niet slechts eenen overvloed van sago-palmeu maar ook<br />

uitmuntende houtsoorten voor scheepsbouw, timmer- en meubelwerk<br />

opleveren. Voorts is de grond in het algemeen zeer<br />

vruchtbaar cn brengt eene aanzienlijke hoeveelheid rijst en andere<br />

voedingsmiddelen voort; ook wordt er eenige katoen verbouwd.<br />

Was en vogelnestjes worden in de bosschen ingezameld , tripang<br />

en schildpad in menigte langs de kusten gevangen.<br />

Op Besi is eenige handel, die vooral met de Mandharezen<br />

(Westkust van Cele'bes) en Ternatanen gedreven wordt. De invoer<br />

bestaat hoofdzakelijk in: chitsen, wit en zwart katoen, parangs<br />

(zwaarden), Chineesch aardewerk, zout en damar (hars); de<br />

uitvoer in: rijst, sago, dinding (gedroogd vlecsch), was, vogelnestjes,<br />

tripang en schildpad. De belangrijkste invocr-artikelen<br />

worden echter door of voor rekening van den Sultan en zijne<br />

familie gemonopoliseerd, zoodat de bevolking daarvan geen<br />

voordeel trekt.<br />

De bevolking, die alleen op de eilanden Taliabo en Besi wordt<br />

aangetroffen, was in het jaar 1853 omstreeks 7200 zielen sterk.<br />

Hiervan wonen in het gebergte, in het Oosten van Taliabo een<br />

paar-duizend Heidenen, die waarschijnlijk tot den Alfoerschen<br />

stam behooren, van alle beschaving ten eenenmale verstoken<br />

zijn, geheel naakt gaan, den omgang met de strandbewoners<br />

schuwen, en het gezag van den Sultan van Ternate niet erkennen.<br />

Het overige gedeelte der bevolking, dat in verscheidene negeriën<br />

langs de kusten woont, is een gemengd ras waarschijnlijk van<br />

de verschillende naburige eilanden afkomstig, en belijdt althans<br />

in naam de Mohammedaansehe godsdienst. Dezen zijn bekend<br />

[') Fiche rondom Celébes, bl. 118.<br />

(-) Tijdsein-. voor Ind. laai-, land- cn volkenkunde, D'. 11, bl. 90.


461<br />

als gocdo landbouwers, scheepstimmerlieden en meubelmakers,<br />

doch genieten echter geene bijzondere welvaart ten gevolge van<br />

de zware lasten, welke hun door den Sultan worden opgelegd;<br />

behalve tot het leveren van eene bepaalde hoeveelheid rijst en<br />

sago zijn zij verpligt tot het vervaardigen en herstellen van<br />

vaartuigen en meubelen, het doen van koeli-werk, het vellen<br />

van hout, en andere dergelijke hcerendiensten meer. Zij hebben<br />

hunne eigene Hoofden, die even als elders in de Molukken den<br />

titel van Sengadji en dergelijke voeren, doch ondergeschikt zijn<br />

aan eenen Ternataanschen ambtenaar, die hier Salakakan heet<br />

en op Besi gevestigd is; een aan den Salakakan ondergeschikt<br />

Ternataansch beambte, met den titel van Aljïris houdt zijn<br />

verblijf op Taliabo. De Salakakan met de Sengadji's vormen eenen<br />

Eaad van bestuur, die ook in kleine regtszaken beslist; zware<br />

misdrijven of gewigtige geschillen moeten echter te Ternate<br />

worden behandeld.<br />

Bijzonderheden omtrent de voornaamste eilanden.<br />

Taliabo of Taliaboe, het Westelijkste en grootste der eilanden,<br />

wordt van de Banggaai-eilanden door Straat Greyliound, en van<br />

het ten Oosten liggende Mangoeli door dc naauwe Straat Sapalaloe<br />

of Suriname gescheiden. Het heeft van het Westen naar het<br />

Oosten eene lengte van ongeveer 15 mijlen, doch zal gemiddeld<br />

niet meer dan 2 mijlen breed zijn. De Mohammedaansehe bevolking,<br />

tusschen do 2000 en 3000 zielen sterk, woont in het<br />

Westelijke gedeelte des eilands, in vier negeriën, van welke<br />

de voornaamste zijn Taliabo aan de Noordkust, en Likitabi of<br />

Lekitobi, waar de Ternataansehe Alfiris woont, aan de Zuidkust;<br />

deze laatste plaats heeft meer dan 600 inwoners en eene vrij<br />

goede reede. Over (Je Heidenscho bewoners zie men bl.460.<br />

Onmiddellijk ten Noorden van Taliabo ligt het kleine eilandje<br />

Tonghoja, met nog verscheidene andere, welke allen onbewoond<br />

zijn.<br />

Mangoeli, omstreeks even lang doch niet zoo breed als Taliabo,<br />

ligt regt Oostwaarts van dit eiland geheel in dezelfde Oost- en<br />

Westwaartsche rigting. Het is onbewoond, even als het "kXcmePassi<br />

Korra of Paskoro, dat met nog andere eilandjes langs de Noordkust<br />

van Mangoeli ligt. Aan den Zuid-Westhoek van Mangoeli<br />

is eene schoone baai, die eene goede ankerplaats aanbiedt.


462<br />

Besi strekt zich, op 126° O.L., ten Zuiden van Mangoeli in<br />

eene Noord- en Zuidwaartsche rigting uit tot 2° 28' Z.B.; het<br />

zal eene grootte hebben van ongeveer 12 • mijlen. De smalle<br />

straat tusschen de beide eilanden is met riffen en klippen bezet.<br />

Het is het belangrijkste eiland der Soela-groep, en heeft eene<br />

bevolking van omstreeks 2500 zielen, die in elf langs de Oostkust<br />

liggende negeriën of kampongs woont. De hoofdplaats is<br />

Sanana, in het Noordelijke gedeelte, waar ook de Ternataansehe<br />

Salakakan gevestigd is. Voorts worden nog op de Kaarten vermeld<br />

Sabi en Ipa, in bet Zuidelijke gedeelte des eilands. Ten<br />

Zuiden van Besi liggen nog enkele kleine eilandjes tot deze<br />

groep behoorende.<br />

Lifa Maioelah, het Oostelijkste der Soela-eilanden, ligt regt<br />

tegenover de Noord-Oostpunt van Mangoeli, waarvan het door<br />

de enge Straat Lifa Matoelah gescheiden is. Het eiland zal<br />

omstreeks l'/ 2<br />

O mijl groot zijn, en is onbewoond.<br />

§ 6. De Papoewah-eilanden.<br />

Algemeen overzigt der ligging, bestanddeelen, voortbrengselen<br />

en bevolking.<br />

De Papoeieah- of Papoeseke eilanden, ook wel de W'aigeoe-<br />

Misool-archipel geheeten, zijn de eilanden gelegen tusschen<br />

Halmaheira en de Obi-groep ten Westen, Ceram ten Zuiden, en<br />

Nieuw Guinea ten Oosten; zij strekken zich dus uit tusschen<br />

128° 50' (de Pisang-eilanden) tot 131° 42' O.L. (de Wonimelol-eilanden)<br />

en 1° N. B. (de Passi-eilanden) tot 2° 40'Z.B.<br />

(de TFoni-melot-eilanden). Somtijds worden ook wel eenige nog<br />

Oostelijker, in de baaijen van Nieuw Guinea's Westkust, gelegene<br />

eilandjes tot dezen archipel gerekend; wij brengen die echter<br />

liever onder Nieuw Guinea.<br />

De eilanden, welke tot dezen archipel behooren zijn: Waigeoe<br />

of IFageoe, Batampele, Tamngoei, Lontjoei, fFugloel, Alioe-<br />

Keteo, Esmal, Erilopago, Kamtoem, Alebas, Fagi, Tip, Keboe,<br />

Moeter, Biantji, Beanheli, Gof-pial, Goj-kali, Kofuni, Kapegog,<br />

Geiuien, Koning Willem» eilund, Mangoleh, Oewoffo, Kapatboes,<br />

Boeiem, Ballubollali, Oewajagoe, Meljee, Jen, Bag. Patjao,<br />

Alijiu, Ouek, Sipasipa, Mammuu, Lau-lau, Passi (drie eilanden),<br />

Ajoe (negen eilanden), Gebek of Gebi (waaronder Ajoe, Oetoe,


403<br />

Tanau, Solil, Fau of Fow, Gag en Ijoe), Gagi niet Ajoe,<br />

Faam-groep (vijftien eilanden), Pisang (twee eilanden), B<br />

(twee eilanden), Poppa (tien eilanden), Salwatti, Balante, Ijoi<br />

ÏFariri, Man, Man ketjil, Kessim, Bjaudjaha, Kebiah, Balb;<br />

Mai-mai, Iref, Menil, Molt, Bih, Messigit, Gellewoh, Pele<br />

Tabak, Pahan, Bennek, Jegin (vier eilanden), Misóol, Temrr.<br />

(dertien eilanden), Baram (zevenden-twintig eilanden), 0<br />

(vier-en-twintig eilanden), Mateloh (acht eilanden), Kam<br />

(dertien eilanden) en VFoni-melot (zes eilanden) O. Zij kunn<br />

gevoegelijk verdeeld worden in de vier hoofdgroepen, welke v<br />

op bl. 425 hebben opgegeven en waaromtrent hieronder eeni<br />

bijzonderheden zullen worden medegedeeld. Onze kennis omtre<br />

deze eilanden is echter nog zeer oppervlakkig en bepaalt zi<br />

alleen tot sommige van de voornaamsten ; van de meesten wet<br />

wij niets dan met meerdere of mindere naauwkeurigbeid de nam<br />

en de ligging. Velen er van zijn onbewoond.<br />

De Papoewah-eilanden zijn allen bezet met bergen van ze<br />

verschillende hoogte, doch die voor zooverre bekend is niet v<br />

rulkanischen aard zijn. Zij zijn bedekt met bosschen, die u<br />

muntend timmerhout bevatten; sago- en kokos-palmen, mi<br />

kaatnoten, en de boom, welks schors, onder den naam v<br />

Massooi bekend, als specerij en geneesmiddel vooral in Chi<br />

gewild is, komen erin overvloed voor. Ook voor de cultuur v<br />

vele andere gewassen is de grond zeer geschikt.—• Van 1<br />

dierenrijk kent men :• herten, zwijnen, slangen, krokodillen,<br />

guanen en hagedissen; en onder de vogelen vooral de om hun<br />

vederenpracht beroemde paradijsvogels, en eene menigte pa]<br />

gaaijen en duiven. De zee is rijk aan visch, schildpad en tripang.<br />

Het delfstoffenrijk is nog geheel onbekend.<br />

Alle deze eilanden behooren tot het gebied van den Sult<br />

van Tidore en maken als zoodanig een onderdeel uit van<br />

Residentie Ternate. Op de voornaamste eilanden zijn Tidoresc<br />

ambtenaren geplaatst; doch het gezag van den Sultan wordt<br />

vele plaatsen slechts flaauw en met weerzin geëerbiedigd,<br />

schattingen, welke zij hem moeten opbrengen en die hoofdzakel<br />

0) Deze opgave, met eene enkele bijvoeging aan BLEEKER^inlleend, versch<br />

wat de namen betreft in sommige opzigten van de Kaarten van MELVILL, waar<br />

zij ook niet allen voorkornijn., ^ '


464<br />

in sago, massooi, schildpad, tripan//, paradijsvogels cn werklieden<br />

(slaven) bestaan, worden jaarlijks door de zoogenaamde<br />

hon//i-v\oten (een zeker aantal kora-kora's of Tidoresche oorlogsvaartuigen)<br />

afgehaald.<br />

De gezamenlijke grootte dezer eilanden werd door MELVILL O<br />

op 160 • mijlen, en hunne bevolking op 10000 zielen gesteld.<br />

Doch indien men al kan aannemen dat deze opgave wat de<br />

grootte betreft niet ver van de waarheid afwijkt, is zulks zeker<br />

omtrent de bevolking niet het geval en kan men haar voor niet<br />

meer dan eene gissing houden. Immers men weet thans dat<br />

alleen de eilanden Misool en Batante meer dan 5000 en Salwatli<br />

minstens S000 bewoners tellen; en aan JFaigeoe werd door<br />

JMJMONT TJ'UUVILLE eene bevolking van 100000 zielen toegekend,<br />

welk cijfer echter ongetwijfeld zeer veel te hoog is. Schoon wij<br />

nu omtrent de meeste bewoonde eilanden geene betrouwbare<br />

gegevens hebben, is hot toch duidelijk dat het cijfer van MELVILL<br />

veel te laag gesteld is.<br />

Deze bevolking behoort, wat de Inboorlingen betreft, .deels<br />

tot den Alfoerschen stam deels tot het Negriten-ras (Papoewahs),<br />

en is nagenoeg van alle beschaving verstoken. Op de kusten<br />

zijn ook vele vreemdelingen gevestigd van Halmaheira, Ternate,<br />

Tidore en de Oeramsche eilanden afkomstig. De voornaamste<br />

bekende bijzonderheden omtrent de bevolking zullen bij de beschouwing<br />

der afzonderlijke groepen worden medegedeeld.<br />

De Gebeh-groep.<br />

Deze Westelijkste der hoofdgroepen ligt in Straat Bjilolo of<br />

de Zee van Halmaheira onder den Evenaar tusschen 129°18' en<br />

129°40' O.L.<br />

Het hoofd-eiland Gebeh of Gebi strekt zich in eene Noord-<br />

West- cn Zuid-Oostwaartscho rigting ongeveer 6'/- mijl uit, doch<br />

heeft slechts eene geringe breedte. Aan de Zuidzijde, tusschen<br />

dit eiland en Fau, is eene veilige ankerplaats. Gebeh is 400 tot<br />

500 vt. hoog, en heeft overvloed van aard- en boomvruchten,<br />

timmer- en brandhout; er wordt ook een weinig rijst, djagoeng en<br />

suikerriet gekweekt. Varkens, krokodillen, papegaaijen, duiven<br />

en snippen zijn de voornaamste daar voorkomende diersoorten.<br />

, l<br />

) Statistieke Kaart in het Tijdsclir. voor Neérl. Indië, 4849.


405<br />

De eenige kampong, Ketjepi genaamd, ligt aan de Noord-Oostzijde<br />

van het eiland en telt slechts een twintigtal armoedige<br />

huizen, van gabba-gabba gebouwd en met atap gedekt. De<br />

bevolking, wier sterkte ons niet bekend is, bestaat deels uit<br />

Papoewahs O deels uit lieden van de Ternataansehe of Tidoresche<br />

eilanden afkomstig. De eersten gaan geheel naakt met uitzondering<br />

van de tjawat of tjidako (bl. 51 en 186); de anderen<br />

kleeden zich als de Ternatanen. Zij staan onder het bestuur van<br />

eenen Sengadji en eenige mindere Hoofden; de eerste kleedt<br />

zich, behalve dat hij den hoofddoek draagt, geheel op Europesche<br />

wijze in het zwart; de anderen met eene kabaai en broek. Hoewei<br />

de Sengadji aan den Sultan van Tidore onderhoorig is, bekreunt<br />

hij zich weinig om diens bevelen; daarentegen heeft hij zich op<br />

een gedeelte der West- en Noordkust van Nieuw Guinea, zelfs tot<br />

Boreh toe (vergel. bl. 492), eenig gezag weten te verschaffen,<br />

zoodat ook de orders van den Sultan daar door zijne tusschenkomst<br />

worden uitgevoerd. Met de meeste Hoofden kan men zich<br />

in het Maleisch onderhouden; sommigen verstaan ook een weinio-<br />

Engelsch, hetwelk zij hebben overgenomen van de Britsche en<br />

Amerikaansche walvischvaarders, die dikwijls dit eiland aandoen.<br />

FauoiFow, op 0° 6' Z.B. en 129° 35' O.L., is een klein eiland<br />

onder den Zuidwal van Gebeh, waarvan het gescheiden is door<br />

eene smalle straat, die in het midden 15 tot 20 vadem diep is<br />

doch aan de kanten riffen en zandbanken heeft. Aan de Noordzijde<br />

van het eiland is eene diepe baai, welke groot genoeg is<br />

om aan een aantal schepen eene veilige ligplaats aan te bieden.<br />

Het is onbewoond, doch schijnt sterk bevolkt te zijn met kalongs<br />

(vliegende honden).<br />

Yoe oïJoei en Oetoe of Oetta zijn twee kleine en lage eilandjes,<br />

omstreeks l 1<br />

/» mijl ten Noorden van Gebeh gelegen. Een gedeelte<br />

van de bevolking van laatstgenoemd eiland heeft hier tuinen<br />

aangelegd en houdt er voortdurend of tijdelijk verblijf.<br />

(') Volgens DE BRUYN KOPS, in het Natuurkundig Tijdschrift voor Ned.<br />

Indië, D M , bl. 169. BLEEKER noemt ze Alfoeren; op welken grond is ons<br />

niet bekend.<br />

II. 30


466<br />

De Waigeoe-groep.<br />

D« Waigeot- of Waigioe- of Wageoe-groep ligt Oostwaarts<br />

Yan de Gebeh-groep, tussclien deze en Nieuw Guinea, en wordt<br />

ten Zuiden door Straat Dampier c/Lo«miej van de Salwatti-groep<br />

gescheiden; terwijl zij zich Noordwaarts tot en met de Passieilanden<br />

uitstrekt. Zij ligt dus tusschen 1° N.B. tot 0° 35' Z.B.<br />

en 129° 50' tot 131° 25' O.L.<br />

Het hoofd-eiland Waigeoe, tusschen 0° tot 0° 20'Z.B. en<br />

130° 17' tot 131° 20' O.L. gelegen, is van het Westen naar<br />

het Oosten ongeveer 16 mijlen lang doch op verre na niet zoo<br />

breed; de grootte wordt geschat op 60 • mijlen. Het heeft aan<br />

de Zuidzijde twee zeer diepe baaijen, van welke de Oostelijkste,<br />

Baai Chabrf.1 geheeten, het eiland verdeelt in twee schiereilanden,<br />

die slechts door eene smalle landengte in het Noorden<br />

verbonden zijn. De Westelijke is weinig minder diep inloopend<br />

en veel wijder; in deze ligt het eiland Gemien. Tusschen deze<br />

twee baaijen strekt zich Zuid-Oostwaarts eene landtong uit,<br />

welke in vorm veel overeenkomst heeft met het schier-eiland<br />

/Italië. Aan de Noordkust bevinden zich nog een paar kleinere<br />

baaijen: de Arago- of Piapis-baaCfin het Westelijke gedeelte,<br />

en de\offak-baai, regt tegenover de Baai Chabrfl; de Aragobaai<br />

is veilig en voor groote schepen bruikbaar; op het daar<br />

vóór gelegene eilandje Sisipa kan men versch water innemen.<br />

De Noord-Oostpunt des eilands heet Kaap Lamarche. de Zuid-<br />

Oostpunt Kaap Pigot. Het binnenland is geheel met bergketenen<br />

bezet, welke niet zeer hoog zijn en waaruit zich eenige toppen<br />

verheffen, onder welke de Buffels-piek in het Westelijke gedeelte<br />

des eilands de hoogste top is en ongeveer 3000 »*. bereikt.<br />

De kusten zijn laag en op vele plaatsen moerassig; het klimaat<br />

is vochtig en heet. Het eiland is overal met eene rijke vegetatie<br />

bedekt; kokos- en sago-palmen komen in overvloed voor; de<br />

laatsten leveren aan de inwoners hun hoofdvoedsel. De grootere<br />

diersoorten en de vogels schijnen hoofdzakelijk dezelfde te zijn<br />

als op de vo<strong>org</strong>aande groep; voorts vermeldt BLEEKER eene<br />

menigte insecten, schaaldieren en visschen, welke op en bij dit<br />

eiland gevonden worden.— Van de sterkte der bevolking is<br />

geene betrouwbare opgave bekend; dat zij echter zeker vrij groot<br />

is blijkt o.a. uit de berigten van DUMONT D'UKVILLE (bl. 464).


467<br />

Die der binnenlanden bestaat uit Papoevvahs (hoewel somrai<br />

hen ook Alfoeren noemen), die der kusten uit een gemengd<br />

van volken uit het Oostelijke gedeelte van den Archipel.<br />

wordt bestuurd door zes Hoofden, onder welke een, die<br />

titel van Radja voert, het Opperhoofd is en door den Sultan<br />

Tidore wordt aangesteld; de vijf anderen, die den titel<br />

Sengadji hebben, schijnen van den Radja nagenoeg onafhanke<br />

te zijn. In hoeverre de bevolking der binnenlanden het ge<br />

dier Hoofden erkent is ons niet gebleken; waarschijnlijk bep:<br />

hun invloed zich grootendeels tot de kustlanden. De voornaan<br />

bij name bekende kampongs zijn: Waigeoe, waar de Radja :<br />

verblijf houdt, aan de Westelijkste baai der Zuidkust; Oj<br />

op de Noordkust aan de baai van dien naam ; Wa/eri, Am<br />

Wa^ljoe, Oes/a en Bisser, waar de vijf Sengadji's resideren.<br />

Gemien of Gammen is een vrij groot eiland in de even genoec<br />

baai ten Zuiden van Waigeoe gelegen. Het is vrij goed beven<br />

schijnt de suprematie van den Sultan van Tidore niet<br />

erkennen.<br />

Koning Willem's tri&M^ligt ten Zuiden van Gemien in Str<br />

Dampier op 0° 32' Z.B. en 130° 35' O.L. Het is hoog en i<br />

toont zich op eenen afstand uit bet Oosten gezien als drie<br />

zonderlijke eilanden; aan de Zuidzijde eindigt het in eene ho<br />

steile kaap.<br />

Gagi ligt regt Westwaarts van Gemien op 0° 23'Z.B.<br />

129° 55' O.L. Het zal ongeveer 1 • mijl groot zijn en is i<br />

zeer hoog. Aan de Zuid-Oostzijde is eene goede ankerpla.<br />

Het levert veel sago, timmerhout en viseh op. De Sengadji 1<br />

Gebeh schijnt zich als heer van dit eilandje te beschouwen.<br />

Piamis (of Piapis?) is een klein, door Papoewahs en vre(<br />

delingen bewoond eilandje, nagenoeg midden tusschen Gagi<br />

Gemien op 0° 22'Z.B. en 130° 16'O.L. gelegen.<br />

Batampele ligt op geringen afstand van den Zuid-Westwal \<br />

Waigeoe op 0° 18'Z.B. en 130° 16'O.L.<br />

Ritib ligt Noord-Westwaarts van Waigeoe onder den Even;<br />

op 130° 10'O.L.<br />

Wiang, Noord-Westwaarts van Ruib. op 0° 10' N B<br />

130° 5' O.L.<br />

Siang, Noord-Westwaarti van Wiang. op 0°20'NB<br />

129° 57' O.L.


468<br />

Baba ligt ten Noorden van ll'aigeoe op O 3<br />

22' N.B. en<br />

131° 3' O.L. Het heeft vrij hoog gebergte, en wordt door sommigen<br />

tot de ^//oe-eilanden gerekend, van welke het dan verreweg<br />

het grootste is.<br />

De Ajoe-eilanden, volgens BLEEKER negen in getal,^eTt-^w«l<br />

Jm-eikcnden geheeten/liggen tusschen 0°20' tot 0°45'N.B. en<br />

130° 55' tot 131° 20' O.L. Het zijn kleine eilandjes en klippen<br />

(volgens de Kaarten veel meer dan negen), die door den Sengadji<br />

van Gebeh als zijne onderhoorigheid beschouwd worden. Men<br />

vindt er veel schildpadden.<br />

*i De Passi-eilandenjdria in getal, liggen ten Noorden van de<br />

Ajoe-eilanden op 1° N.B. en tusschen 131° 10' tot 131° 15' O.L.<br />

Zij zijn zeer klein en onbewoond. O<br />

De Salwatti-groep.<br />

De Sahcatti- of Salawati-groep bevat de eilanden tusschen<br />

de Gebeh- en Waigeoe-groepen ten Noorden, de Misool-groep ten<br />

Zuiden, Halmaheira en de Obi-groep ten Westen, en Nieuw<br />

Guinea ten Oosten. Zij strekt zich uit tusschen 0° 35' tot<br />

1° 30' Z.B. en 128° 50' tot 131° 12' O.L.<br />

Het hoofd-eiland Salwaiti ligt nabij de Westkust van Nieuw<br />

0<br />

C7«^atusschen 0 55'lotl 0<br />

22'Z.B.cnl30 0<br />

40'totl31 0<br />

12'O.L.,<br />

(') De S'. Davids- of Mapia-eilanden schijnen niet tol de Nederlandsche<br />

bezittingen te worden gerekend | wij vinden ze althans niet als zoodanig vermeld.<br />

Zij liggen ten Noorden van Nieuw Guinea, op I5i°"20'O.L. enü° 50'N.B ,<br />

en zijn vijf in getal, van welke de drie grootsten met allerlei geboomte, inzonderheid<br />

niet kokos- en broodvrnclit-boomen begroeid zijn; de twee kleinsten<br />

zijn slechts zandbanken met gras en kreupelhout bedekt. Voor eenige jaren<br />

hadden zij eene vrij talrijke bevolking, die in 1860 tot 10 personen was verminderd.<br />

Deze lieden zijn sterk gebouwd, hebben een goed voorkomen, geene<br />

platte neuzen, eene koperkleurige huid en geen kroeshaar. Hunne taal verschilt<br />

geheel van die der Papoewahs. Zij wonen in hutten, die grootendeels van<br />

boombladeren vervaardigd en onmiddellijk op den grond gebouwd worden; de<br />

kleeding bestaat alleen in eenig bedekscl om de middel. Hun voedsel is visch,<br />

kreeften, schildpadden en boomvruchten ;" hel vangen en plukken daarvan is<br />

hunne eenige bezigheid ; den overigen lijd brengen zij geheel in ledigheid door.<br />

Wapenen hebben zij niet; de visschen vangen zij met eene soort van elgets,<br />

waaraan punten van hard hout of vischgraten zijn bevestigd. Overigens zijn<br />

zij geheel onbeschaafd, cn schijnen zelfs volstrekt geen denkbeeld van eenige<br />

Godsvereering te hebben. Tijdschr. voor Ind. laai-, land- en volkenkunde,<br />

D'. XI, bl. 155.


46 9<br />

en wordt geschat op eene grootte van ongeveer 33 • mijlen.<br />

De straat tusschen Salwalti en de Westelijkste punt van Nieuio<br />

Guinea heet Straat Galowo, en ligt vol kleine eilandjes en klippen.<br />

Het eiland is geheel bergachtig doch aan de kusten op sommige<br />

plaatsen moerassig. Het brengt veel sago en wilde muskaatnoten<br />

voort; de zee in den omtrek is rijk aan schildpad en tripang.<br />

Er wordt door de bewoners een vrij uitgebreide handel gedreven,<br />

op Waigeoe met hunne eigene vaartuigen, op Tidore, Ternate,<br />

Ceram, Mangkasar en Mandhar met vaartuigen van die plaatsen;<br />

uitgevoerd worden vooral: tripang, schildpad en sago, dit laatste<br />

tot eene hoeveelheid van gemiddeld 200 Icojans (5400 pikols)<br />

'sjaars.— De bevolking wordt begroot op 8000 of 10000 zielen ( l<br />

).<br />

Zij bestaat voor een zeer klein gedeelte uit Mohammedanen van<br />

de Moluksclie eilanden afkomstig; dezen wonen in de kustnegeriën,<br />

van welke Samaleis (op de Kaart Semeter) aan de Noord-Oost­<br />

kust, en Sailoloh aan de Zuid-Westkust de voornaamsten zijn.<br />

Verreweg het grootste deel der bewoners behoort tot Papoesche<br />

stammend en houdt zich in het binnenland op; zij zijn geheel<br />

woest, in sommige gevallen kannibalen, en houden met de strand­<br />

bewoners geene gemeenschap dan voor zooverre noodig is om<br />

hunne producten van de hand te zetten.— liet bestuur berust<br />

bij eenen Radja, die te Samaleis gevestigd is en daar wordt<br />

bijgestaan door eenen Djoegoegoe, een Majoor, een Sengadji, een<br />

Kapitein, een Imam (priester) en een Hoe/wem of Ilakim (regter);<br />

te Sailoloh zijn nog een Kapitein laut, een Djoegoegoe en een Imam.<br />

De Radja en dc Kapitein laut worden door de bevolking uit<br />

de familie hunner vo<strong>org</strong>angers gekozen, welke keuzen door den<br />

Sultan van Tidore en, volgens het contract, ook door het<br />

Nederlandsche Gouvernement moeten bekrachtigd worden; de<br />

overige Hoofden worden door den Radja benoemd onder nadere<br />

goedkeuring des Sultans. De regtspleging berust, wat gewone<br />

0) Volgens GOLDMAN, die daaronder dan nog niet de Mohammedaansehe<br />

bevolking begrijpt. Tijdschr. voor Ind. taal-, land- en volkenkunde, D'. VII,<br />

bl. -106. BLEEKEK spreekt slechts van eene binnenlandsche bevolking van<br />

4000 zielen. Reis, 01. 1, M.8SÖ.<br />

ffl Vol gens het verstag der Gouvernements-Commissie, die in 1858 Nieuw<br />

Guinea bezocht en deze eilanden passeerde. Zie de Bijdragen van het<br />

Instituut voor taal-, land- en volkenkunde, Nieuwe volgreeks, D'.V, bl. 65.<br />

GOLDMAN noemt ze Alfoersehe stammen.


470<br />

zaken betreft, bij den Radja en den Hoekoem; belangrijke<br />

gevallen moeten voor den Eijksraad te Tidore worden gebragt.<br />

Het gezag dezer Hoofden bepaalt zich echter alleen tot de<br />

Mohammedaansehe bevolking en weinige Inboorlingen, die zich<br />

nabij de kust hebben nedergezet; de bevolking van het binnenland<br />

leeft geheel onafhankelijk en brengt geene schatting op.—<br />

De Sultan van Tidore wordt op Salwalti vertegenwoordigd door<br />

eenen te Samaleis gevestigden Alfiris. De jaarlijksche schatting<br />

aan hem op te brengen bestaat in honderd pakken sago en honderd<br />

paradijsvogels; de laatsten worden door den Radja getrokken van<br />

Nieuw Guinea's Noord-Westkust, waar de landschappen Assi en<br />

Megga. ten Noorden van de Telok Berow of Golf van Mac Clue<br />

aan Salwatli onderhoorig zijn (vergel. bl. 481).<br />

Batante of Batanta, eene onderhoorigheid van Salwalti, ligt<br />

Noord-Westwaarts daarvan op 0° 50' Z.B. en 130° 23' tot<br />

131° O.L. Het wordt ten Noorden door Straat Bampier, ten<br />

Zuiden door de Pilt-StraatV) bcspoeld, en is 13 of volgens<br />

anderen slechts 9 • mijlen groot. De Westelijkste punt van het<br />

eiland heet Kaap Malio. Ten Noorden van Batante ligt een uitgestrekt<br />

rif, van Sitlart's rif genaamd; en 3 mijlen ten Oosten<br />

er van het Rif van Batante. Het eiland wordt bewoond door een<br />

duizendtal Papoewahs (volgens GOLDMAN Alfoeren), die zich<br />

grootendeels aan de Zuidkust ophouden en van sago en visch<br />

leven; voorts brengt het eene menigte vruchten en gevogelte<br />

voort. De voornaamste negeri ligt nabij den Zuid-Oosthoek aan<br />

de Fitt-Straat.<br />

De Tameai-^o{ Tamean- en de Faam-groepen bestaan uit ee<br />

menigte onbewoonde eilandjes en klippen in het Westelijke gedeelte<br />

van Straat Bami/er, op omstreeks 0°40' Z.B. en 130°15' O.L.<br />

gelegen.^-<br />

Poppajhet voornaamste van eene groep van tien eilandjes,<br />

welke echter weinig meer dan klippen zijn, ligt ten Westen van<br />

Salwalti op 1° 9' Z.B. en 129° 45' O.L. Het is bijna 6 • mijlen<br />

groot, in het Westelijke gedeelte heuvelachtig en in het Oosten<br />

vrij vlak. Het is bewoond en heeft de twee negeriën Moepalli en<br />

Matta. Sago en kokosnoten zijn de voornaamste voortbrengselen.<br />

(') Wel te onderscheiden van de Pill's-$lïlni( of Ceramsehe Zee ten<br />

Noorden van Ceram.


471<br />

Van de omliggende eilandjes is Kalap, dat aan de Westzijde<br />

ligt, het grootste.<br />

De Boh-eilanden, bestaande uit twee kleine eilandjes en<br />

c<br />

eenige klippen, liggen Westwaarts van Puppa op l 9'Z.B. en<br />

129° 15' O.L. Zij zijn bewoond en leveren sago, kokosnoten,<br />

visch en geiten op.<br />

P. Pisang, eigenlijk twee eilandjes, is het Westelijkste van<br />

de Salwatti-groep en ligt op 1° 22' Z.B. en 128° 52' O.L.<br />

Het is vrij hoog, doch niet op den duur bewoond."^<br />

De Misool- of Mesowal-groep.<br />

De Misool-groep is de Zuidelijkste der tot de Papoewaheilanden<br />

behoorende groepen, en ligt tusschen de Salwatti-groep<br />

en Ceram, van welk laatste zij door de Pill's Slraat is gescheiden.<br />

Zij bevat de eilanden gelegen tusschen 1° 22' tot 2° 45' Z.B. en<br />

129° 37' tot 131° 45' O.L.<br />

Het hoofd-eiland Misool of Mesowal, ook wel Waigamma<br />

genoemd, ligt tusschen 1° 43' tot 2° 4' Z.B. cn 129° 46' tot<br />

130° 30' O.L. en is ongeveer 37 • mijlen groot. Het binnenland<br />

is bergachtig, de kusten zijn op vele plaatsen vlak en laag.<br />

Aan de Oostzijde is eene ruime, diep iuloopende doch met kleine<br />

eilandjes en klippen bezette baai, aan welker Zuidzijde de negeri<br />

Kakap of Koppop ligt; aan de Noord-Westzijde is eene uitmuntende<br />

baai, die vele schepen kan bevatten, en aan welke de<br />

hoofd-negeri Waigamma ligt. Behalve de twee genoemde plaatsen<br />

zijn Silinta aan de Zuid- en Misool aan de Zuid-Oostkust de<br />

voornaamste.— Het bestuur berust bij eenen Radja, welke op<br />

dezelfde wijze als die van Salwalti door den Sultan van Tidore<br />

wordt aangesteld; „aan hem was vroeger ook een gedeelte van<br />

Kieuw Guinea's Westkust, ten Zuiden van de Golf van Mac Cluer,<br />

onderhoorig, doch zijn gezag aldaar heeft thans geheel opgehouden.<br />

O De bevolking van Misool, die op ongeveer 4000 zielen<br />

begroot wordt, bestaat aan de kusten uit Mohammedanen van<br />

O In hel verslag der Gouvernemenls-Commissie, medegedeeld in de<br />

Bijdragen van hel Instituut voor taal-, land- en volkenkunde, Nieuwe<br />

volgreeks, Dl. V, wordt op bl, 199 gezegd, dat Misool verdeeld is tusschen de<br />

Radja's van Misool en Waigamma. In andere berigten wordt echter uitdrukkelijk<br />

slechts van één Radja en van mindere Hoofden melding gemaakl.


473<br />

de Molukken afkomstig, en in het binnenland uit Papoewahs;<br />

het gezag van den Radja zal zich waarschijnlijk wel hoofdzakelijk<br />

tot de eerstgenoemden bepalen. De bekende voortbrengselen zijn<br />

sago, paradijsvogels en papegaaijen.<br />

Eene menigte kleine eilandjes, weinig meer dan klippen,<br />

omringen Misool aan alle zijden; de voornaamsten daaronder zijn<br />

Mateloli ten Noord-Westen en Temmeh ten Zuiden des eilands.<br />

Kanari, het voornaamste van het uit dertien kleine eilandjes<br />

bestaande groepje der Kanari-eilanden, eene onderhoorigbeid van<br />

Misool, ligt Westwaarts van daar opl°48'Z.B. en 129°38'O.L.,<br />

doch is overigens weinig of niet bekend; even als<br />

Woni-inelotJhet voornaamste eiland van het groepje van dien<br />

naam, gelegen Zuid-Oostwaarts van Misool, vóór de Golf van<br />

Mac Cluer, op 2°40'Z.B. en 131°40'O.L.<br />

§ 7. Nieuw Guinea.<br />

Algemeen overzigt van het eiland.<br />

Het eiland Nieuw Guinea ligt tusschen 130° 55' tot 151° 5' O.L.<br />

en 0° 21'tot 10° 40'Z.B. Het wordt ten Westen door de Moluksclie<br />

Zee, en ten Noorden, Oosten en Zuiden door den Grooten Oceaan<br />

bespoeld; Straal Torres stroomt tusschen de Noordelijkste punt<br />

van Kieuw Holland en een gedeelte van Kieuw Guinea's Zuidkust.<br />

De grootte wordt gesteld op omstreeks 11000 • mijlen. O<br />

Het eiland, welks lengte-as zich in eene Noord-West- en<br />

Zuid-Oostwaartscbe rigting uitstrekt, heeft eenen zeer onregel-<br />

matigen vorm. Terwijl het midden-gedeelte van het Noorden<br />

naar het Zuiden eene breedte van meer dan 80 mijlen heeft en de<br />

kusten daar geene noemenswaardige bogten aanbieden, worden<br />

(') Bandbuch der Geonrapliie und Stntistik, begründel durch D'.STEIN<br />

vnd D r<br />

. HÖRSCHELMANN , tien bearbeilet pon Dr WAPPAUS. liandll, Ablh.II,<br />

S. 58G. Kr wordl daar gezegd dat «Nieuw Guinea hel grootste eiland der<br />

«wereld is, hoewel het Borneo slechts weinig overtreft;» evenwel leest men<br />

ook in hetzelfde werk, Band II, Ablh.Ill, S.390, dat «Borneo 129C2D mijlen<br />

«groot en, behalve Nieuw Holland, het grootste eiland der wereld is.»<br />

In KHAMER'S Woordenboek wordl voor TV. Guinea lü a 13000 • mijlen opgegeven.<br />

Dc onvolledige bekendheid der kusten is natuurlijk oorzaak, dat de<br />

grootte niet juist kan worden bepaald; maar bij vergelijking op de Kaart blijkt<br />

althans dat het verschil met Borneo niet groot kan zijn.


473<br />

de beide uiteinden eensklaps slechts betrekkelijk smalle landtongen,<br />

die door diepe baaijen in schier-eilanden worden gesplitst;<br />

dit laatste is inzonderheid in het Westelijke gedeelte het geval.<br />

De Groote Geelvink- of Wandammen-b'aai aan de Noordzijde, die<br />

aan haren ingang meer dan 50 mijlen breed is en omtrent 40 mijlen<br />

landwaarts inloopt, scheidt in het Westen een groot schier-eiland<br />

af, dat door eene landengte van slechts 6 mijlen breedte met het<br />

centraal-gedeelte des eilands verbonden blijft; en dat schiereiland<br />

zelf wordt door de Telok Beroiv of Golf van Mac Cluer,<br />

die van de Westzijde af ongeveer 25 mijlen diep landwaarts<br />

ingaat, weder in twee schier-eilanden gesplitst, welke men het<br />

Noord-Westelijke en het Zuid-Westelijke schier-eiland kan<br />

noemen. Behalve deze twee groote golven heeft men nog eene<br />

menigte kleinere, van welke de voornaamsten zijn:<br />

aan de Noordkust van het Westen naar het Oosten :<br />

de Kleine Geelvink-baai, op 133° 45' O.L.; de Boreli-baai, in<br />

de Westkust van de Groote Geelvink-baai, op 1°Z.B. ; Telok Linijoe<br />

of IIumboldt's-baai, op 140°45' O.L.; Cornelis Kiner's-baai, op<br />

143°45'; en de Golf der Aslrolahe. op 145° 50';<br />

aan de Oostzijde :<br />

de Golf Ilnon op 7°Z.B.;<br />

aan de Westzijde:<br />

Telok Serni, in het Noord-Westelijke schier-eiland op 1° 50'Z.B.;<br />

Telok Kapauw en Telok Sebakor of Rijklof van Goens-baai, in het<br />

Zuid-Westelijke schier-eiland, op 3° en 3° 30' Z.B.;<br />

aan de Zuidzijde :<br />

de Kamrau-baaijov 133°40'; de Bogt van Kaimani. op 3° 40' Z.B.<br />

en 133° 50' O.L., ten Noord-Westen van het eilandje Namatotle;<br />

de Sfwhmm-baai of Telok Bitjaroe, onmiddellijk ten Oosten van<br />

de vo<strong>org</strong>aande en slechts door een smalle bergachtige landtong<br />

daarvan gescheiden, aan wier ingang het zoo even genoemde<br />

eilandje ligt O; de Triton-baai^ op 134° 15',/de Tafel-baai, op<br />

149°; en de Oramjerie-baai, op 149°40' O.L.<br />

0) Deze baai is op de Kaart van MELVILL ten onregto geplaatst in het<br />

Zuiden van het Zuid-Westelijke schier-eiland , op 135° 7' 0 L Zie de Schets<br />

der Zuid-Westkust van Nieuw Guinea, b.hoorende bij het verslag der<br />

Gouvernemeuts-Conimissie, dat medegedeeld is in de Bijdragen van het<br />

Instituut voor taal-, land- en volkenkunde van N.I. Nieuwe volgreeks,<br />

V; en het Natuurkundig Tijdschrift voor Neérl. Indië, D'. XIX, bl. 407.


474<br />

De voornaamste met name bekende kapen zijn:<br />

aan de Noordkust:<br />

Tandj. Kajin-Kajin Beba o(Kaap de Goede Hoop, op 132° 30' O.L. tó;<br />

T. Amberbarkin of Amberbaki, op 133° 22'; T. Ambernoli of Kaap<br />

d'TJrvüle, op 138°; en T.Seprop maneh of Hoek Bonpland, aan<br />

de Oostzijde van de Humboldt's-baai, op 140° 47';<br />

aan de Oostkust:<br />

Koning Willem's Kaap, op 6° 20' Z.E-. en 147° 40' O.L.; de<br />

Zuid-Oostkaap, op 10° 35' Z.B. en 151° 5' O.L.;<br />

aan de Westkust:<br />

Kaap Spencer, ten Noord-Oosten van bet eiland Salwatti, op<br />

0° 53' Z.B.; de Westhoek, zijnde de Westelijkste punt van<br />

Nieuw Guinea, ten Zuiden van Salwatti, op 1°30'Z.B., en<br />

T.Baaik, aan de Zuidzijde van de Rijklof van Goens-baai, op<br />

3°44' Z.B. en 132° 40' O.L.;<br />

aan de Zuidkust:<br />

Kaap van den Bosch, op 4° 12' Z.B. en 132° 50' O.L., en<br />

T. Boeroe, op 135° O.L. en 4° 16' Z.B., en voorts langs de<br />

Zuidkust van de Oostelijke landtong verscheidene kapen, welke<br />

meest van de Engelschen hare namen ontvangen hebben, zoo als :<br />

K. Blackxood, K. Maclatchie, K. Possession, K. Suckling, K. Redsear,<br />

Ronde Kaap, K. Hood, K. Keppel en A'. Rodney, welke allen<br />

tusschen 144° 25' en 148° 25'O.L. liggen.<br />

Het centraal-gedeelte van Nieuw Guinea is zoowel wat zijne<br />

natuurlijke gesteldheid betreft als ook in andere opzigten nagenoeg<br />

geheel onbekend, zoodat zelfs de kusten nog niet overal<br />

naauwkeurig bepaald zijn; dit laatste is ook met de Noordkust<br />

van de Oostelijke landtong het geval. Maar ook omtrent het<br />

overige gedeelte des eilands strekt onze wetenschap zich weinig<br />

verder dan tot de kuststreken uit. De West- en Zuid-Westkusten<br />

tot op 135° O.L. zijn over het algemeen laag en vlak en op<br />

sommige plaatsen moerassig. De voornaamste bergen, welke zich<br />

in dit gedeelte verheffen, zijn: het Baaik-gebergte (3600 v'.), ten<br />

Zuiden van de kaap van dien naam;)de G. Lamantjiri (2250 v 4<br />

.),<br />

bij de Triton-baai; en de G. Mairassi, ten Noorden van<br />

dezelfde baai/t)p 135° O.L. begint eene bergketen, welke zich<br />

(') Volgens de Kaart van MELVILL; volgens andere opgaven ligt deze kaap<br />

«p 132° 45' O.L.


+ 75<br />

Oostwaarts naar het binnenland voortzet, tot op omstreeks<br />

137° 30' den naam draagt van Gebergte Charles Louis, en van<br />

4000 tot 8100 v*. hoog is; meer Oostwaarts krijgt zij den naam<br />

van Sneeuwgebergte en stijgt, op 138° 40', tot omstreeks 16000 v'.<br />

Langs de Noordkust van het Westelijke schier-eiland strekt zich<br />

eene bergketen uit, die bij de Kaap de Goede Hoop 7500, bij<br />

Kaap Amherbaki 8100 v*. hoog is, en zich in den G.Arfah aan<br />

de Doreh-baai tot ruim 8700 v*. verheft. Rondom de Geelvinkbaai<br />

is de kust in het algemeen laag, en bij Kaap d'Urville<br />

moerassig. Meer Oostwaarts verheffen zich langs de Noordkust<br />

gebergten, onder welke het Gautier-gebergle. op 139° 20' O.L.,<br />

het Cycloop-gebergte ten Westen van de Humboldt's-baai, en<br />

het Eyries-gebergte ten Oosten van dezelfde baai, ruim 6000 v*.<br />

hoog zijn. Ten Oosten van de Golf der Astrolabe ligt het Gebergte<br />

van Finisterre, dat van 10000 tot 12000 v'. hoog is; en de<br />

Oostelijke landtong is geheel bezet met eene bergketen, die den<br />

algemeenen naam van Owen Stanley-gebergte draagt en in den<br />

Owen Stanley, op 147° 30' O.L., eene hoogte van nagenoeg<br />

13000 v'. bereikt; andere toppen van dezelfde keten zijn: de<br />

Tule (9200 v*.), de Obree (9400 v-.), de Suckling (10300 v*.),<br />

de Simpson (9100 v'.), de Thompson, de Cloudy, en anderen, die<br />

langzamerhand in hoogte afnemen totdat de keten in de Zuid-<br />

Oostkaap eindigt.— Geen der bergen van Nieuw Guinea is, voor*<br />

zooverre men weet, van vulkanischen aard; het Westelijke<br />

gedeelte des eilands is echter van tijd tot tijd aan aardbevingen<br />

onderhevig.<br />

Als voorname rivier is alleen hekend de Ambernoh of Rochussen,<br />

die op het Sneeuxogehergte haren oorsprong schijnt te hebben,<br />

eerst Noord-West- en vervolgens Noordwaarts loopt, en met<br />

vele armen zich deels in de Geelvink-baai deels in den Grooten<br />

Oceaan ter wederzijde van T, Ambernoh of d' Urville ontlast.<br />

Vóór haren hoofdmond aan de Noordkust ligt het Koning<br />

Willem's eiland.—• Vele kleinere rivieren vallen op verscheidene<br />

plaatsen der kusten in zee; doch van haren loop is weinig of<br />

niets bekend. Hiertoe behooren de Karoefa, aan de Oostzijde<br />

van het schier-eiland Baaik (bl. 479, Noot< 2<br />

>), ten Zuiden van<br />

de Kamrau-baai, en de Wamoeka en Oetamaia (bl. 478).<br />

De hitte is zeer hevig en stijgt aan de Noordkust in den<br />

Oostmoeson somtijds tot 96° F.; de geregelde afwisseling van


476<br />

land- en zeewind brengt bier echter eenige verfrissching te weeg.<br />

Ook op dit eiland valt, even als op Ceram, Boeroe en andere,<br />

op te merken dat het binnenlandsche gebergte eene afscheiding<br />

tusschen de moesons schijnt te veroorzaken ; op de Noordkust<br />

heerscht van September tot April de Westmoeson of regentijd,<br />

terwijl gedurende dezelfde maanden aan de Zuidkust de Oostmoeson<br />

waait; en eveneens is in de andere maanden des jaars<br />

op de Noordkust de Oostmoeson, terwijl op de Zuidkust de<br />

Westmoeson heerscht. Echter is, gelijk elders onder of nabij<br />

den Evenaar, ook hier de werking der moesons niet regelmatig,<br />

en ook gedurende den Oostmoeson regent het bijna dagelijks<br />

in meerdere of mindere mate.<br />

De bekende voortbrengselen van Nieuw Guinea zijn voorna­<br />

melijk: sago- eh andere palmsoorten, kruidnagel- en muskaat-<br />

noten-boomen, ebben-, ijzer-en andere houtsoorten, ook dezulke<br />

die welriekende harsen bevatten cn als reukwerk gebruikt worden,<br />

massooi in groote hoeveelheid, bamboe, rotting, boom- en<br />

aardvruchten, en hars; en uit het dierenrijk: wilde zwijnen,<br />

kangoeroe's, slangen, krokodillen, hagedissen, land-schildpadden,<br />

paradijsvogels, papegaaijen, duiven, boeroeng lawit (zie D 1<br />

. I,<br />

bl. 101), eene menigte insecten; cn van zeedieren: vele visch-<br />

soorten, schildpadden, parel-oesters, tripang, en andere schaal-<br />

en weekdieren O. Metalen zijn er tot dusverre niet ontdekt.<br />

De bevolking, omtrent wier gezamenlijke sterkte bij de vol­<br />

strekte onbekendheid van het binnenland zelfs bij gissing geene<br />

opgave is te doen, bestaat in de kustlanden uit Papoewahs, terwijl<br />

zich in het meer landwaarts in gelegene gebergte verschillende<br />

stammen ophouden, die somtijds Alfoeren genoemd worden (waar­<br />

schijnlijk omdat de bergvolkeren der Molukken tot dit ras behooren)<br />

maar in uiterlijk voorkomen niet van de kustbewoners verschillen! 2<br />

).<br />

Deze bergbewoners zijn echter geheel woest en leven in den natuur­<br />

staat; zoodat zij in dit opzigt nog ver beneden de kust-Papoewahs<br />

staan, bij welke intusschen de beschaving ook zeer gering is.<br />

( !<br />

) Uitvoerige opgaven van de diersoorten van Nieuw Guinea zijn door<br />

BLEEKER medegedeeld in zijne Reis, DU, bl.276 en volgg.; in de Verhandelingen<br />

van hel Dataviaaseh genootschap, Db VI, en in het Natuurkundig<br />

Tijdschrift voor Neérl. Indië, D'. XXII.<br />

( 2<br />

) Bijdragen van het Instituut voor taal-, land- en volkenkunde, Db V,<br />

bl. 181.


'477<br />

Aan de kusten hebben zich hier en daar Maleische kosmopoliten<br />

gevestigd. In de Westelijke helft van Nieuw Guinea zijn de kustlanden<br />

veelal onderworpen aan de in hunne nabijheid liggende<br />

kleinere eilanden, en erkennen zij met deze het oppergezag van<br />

den Sultan van Tidore, voor zooverre hij in staat is dit door<br />

middel van zijne //o«(7z'-vloten te doen gelden.<br />

De Nederlandsche bezittingen op Nieuw Guinea.<br />

De Nederlandsche bezittingen op Nieuw Guinea strekken zich<br />

uit over het Westelijke gedeelte des eilands en de omliggende<br />

kleinere eilanden", en worden ten Oosten begrensd door eene<br />

denkbeeldige lijn, welke van den 141 STEN<br />

graad O.L. op de<br />

Zuidkust dwars over het eiland loopt tot T. Seprop maneh op<br />

140°47' aan de Noordkust! 1<br />

). Zij beslaan, volgens MELVILL, eene<br />

oppervlakte van 3210 • mijlen! 2<br />

), met eene bevolking van naar<br />

gissing 200000 zielen. Vermits wij er echter nergens eenigen<br />

post of ambtenaar hebben, berust ons gezag alleen op onze<br />

suprematie over den Sultan van Tidore, die deze gewesten als<br />

een deel van zijn gebied beschouwt, en op de officiëele in bezit­<br />

neming, welke den 24 STEN<br />

Augustus 1828 heeft plaats gehad. Het<br />

Nederlandsche etablissement Merkus-oord met het fortje Du Bus,<br />

toen aan de Triton-baai^gesticht, is na weinige jaren om de<br />

ongezondheid der plaats of om andere redenen weder opgeheven<br />

en de sterkte in 183^geslecht. In de laatste jaren zijn evenwel<br />

op last van het Gouvernement een en andermaal onderzoekingen<br />

gedaan, naar eene geschikte plaats voor eene nieuwe vestiging<br />

op de Noordkust, doch tot dusverre zonder gevolg. Intusschen<br />

bewijzen de Inboorlingen een bijgeloovigen eerbied aan de door<br />

ons hier en daar opgerigte merkpalen! 3<br />

), in de hoop dat dezen<br />

hen tegen ziekten en andere onheilen beschermen en wij hen van<br />

de Tidoresche overheersehing bevrijden zullen.<br />

(') Volgens het Regerings-besluit van 50 Wij 1818. Volgens de proclamatie<br />

bij de in bezitneming op den "21 Auguslus 18-28 liep de Oostelijke grenslijn<br />

van 141° op de Zuidkust tot de Kaap de Goede Hoop op 152° 45' aan<br />

de Noordkust.<br />

( 2<br />

) Daar de Nederlandsche bezittingen ongeveerde helft des eilands beslaan,<br />

is deze opgave zeker veel te laag. Vergelijk bl.472.<br />

t 3<br />

) Deze merkpalen zijn voorzien van eene ijzeren plaat, waarop het Nederlandsche<br />

wapen met het omschrift Nederlandsch Indië.


478<br />

Vroeger behoorden alle onze bezittingen op en langs Nieuw<br />

Guinea tot de Residentie Ternate ; doch sedert weinige jaren zijn<br />

de Zuidkust-landen van omstreeks 133° tot 141° O.L. (Wonim<br />

di alas; zie hieronder) met de daar langs gelegene eilanden<br />

administratief onder de Residentie Banda gebragt, en wordt het<br />

toezigt daarover uitgeoefend door eenen aan den Gouverneur der<br />

Molukken toegevoegden Adsistent Resident (bl. 316 en 317j.<br />

De West- en Zuidkust-landen zijn verdeeld in de twee groote<br />

Afdeelingen Wonim di bawah (beneden-Wonim) en Wonim di alas<br />

(boven-Wonim); de eerste bevat het Noord-Westelijke en het<br />

Zuid-Westelijke schier-eiland tot omstreeks de Kamrau-baui,<br />

de laatste, de kustlanden van de Kamrau-baai af Oostwaarts O.<br />

Deze Afdeelingen zijn echter slechts geographische benamingen<br />

en vormen volstrekt geen staatkundig geheel, maar bevatten een<br />

aantal rijken of rijkjes, wier gebieders voor het meerendeel op de<br />

nabij gelegene eilanden gevestigd zijn en den titel voeren van Radja<br />

of Sengadji, terwijl de mindere Hoofden Kapitein laut. Kapitein,<br />

Iloekoem, Majoor, Djoedau, Sahada, enz. heeten; zij worden allen<br />

door den Sultan van 'Tidore aangesteld. Deze rijken en onze verdere<br />

onderhoorigheden op Nieuw Guinea zijn de volgende:<br />

a. Langs de Zuidkust van het Oosten af:<br />

Kapia, waarvan de Oostelijke grens niet bepaald is doch dat<br />

zich Westwaarts uitstrekt tot T. Boeroe. Het wordt bestuurd door<br />

eenen Radja, die gevestigd is in de negeri Kapia een weinig ten<br />

Oosten van genoemde Kaap. Meer Oostwaarts, op omstreeks<br />

136° 10' O.L., storten zich de rivieren Wamoeka en Oetamata<br />

in zee; zij schijnen twee armen te zijn van ééne rivier, welke op<br />

het Oostelijke gedeelte van het Gebergte Charles Louis haren<br />

oorsprong beeft. Nabij den mond van laatstgenoemde rivier lio-fc<br />

de negeri Oeta. Nog verder Oostwaarts worden op de Kaart van<br />

MELVILL dertien negeriën vermeld, van welke wij evenwel niet<br />

weten of zij ook tot dit rijk gerekend worden; op die Kaart<br />

heet de kuststreek daar Timakowa, en meer Westwaarts, waar<br />

Kapia ligt, Koiwai. &e. £ * 4 ó /- J&yc^? , / \/^>,<br />

(') Op de Kaarten van MELVILL zijn de benamingen van deze twee Afdeelingen<br />

juist verkeerd geplaatst. Die namen zijn waarschijnlijk door de Tidorezcn of<br />

andere zeevaarders aan deze gewesten gegeven ; Wonim di bawali is dan voor<br />

de uit het Westen komenden het benedenste of naast bij geleyen Wonim,<br />

en Wonim di atas het verder af of hooger op gelegene Wonim.


479<br />

Aidoema, zich uitstrekkende van T. Boeroe tot op de helft der<br />

Triton-baai. Het staat onder eenen Radja, die gevestigd is op<br />

het eiland Aidoema aan den Oostelijken ingang van die baai.<br />

Meer Oostwaarts liggen langs de kust van dit rijk de daaraan<br />

onderhoorige eilanden Bramaai, Kajoe Mérah, Lajtahia en andere<br />

kleinere. Lahakia ligt in de daarnaar genoemde Bogt van La^füsia<br />

ten Westen van T. Boeroe. Over de bevolking van deze bogt<br />

is een aan den Radja van Aidoema ondergeschikt Hoofd gesteld,<br />

die ook den titel van Radja voert. Het eiland Laf/akia zelf is<br />

onbewoond, doch bevat steenkolen-lagen (bruinkool) van zeer<br />

jonge formatie O. Voorts worden in dit gebied op de Kaart nog<br />

vermeld de negeriën Tamsoeroean en Warong ara.<br />

Namatotte, van het midden der Triton-baai tot aan Kamrau in<br />

de baai van dien naam. Het staat onder eenen Radja, die op<br />

het eiland Namatotte zijn verblijf houdt. Dit eiland ligt aan den<br />

ingang der Speelmans-baai of Telok Biljaroe (verg. bl. 473) ten<br />

Westen der Triton-baai en bestaat uit kalksteen-gebergte van<br />

omstreeks 1000 v*. hoogte, dat bijna overal steil in zee afloopt;<br />

het zal ongeveer 2 • mijlen groot zijn. Het Noordelijke gedeelte<br />

des eilands heet Eirani en is weinig bewoond; en ook in het<br />

Zuidelijke gedeelte, Kowai genaamd, is de bevolking niet sterk.<br />

In dit laatste gedeelte ligt de hoofdplaats Namatotte, waar de<br />

Radja woont. Het eiland is eene belangrijke stapelplaats voor<br />

den massow-handel, die daar vooral door de Cerammers gedreven<br />

wordt; ook worden er ebbenhout en slaven gehaald. Een en<br />

ander wordt vooral met rijst en groote glas-koralen betaald.—<br />

Volgens de Kaart behooren tot dit rijk op de vaste kust vier-<br />

en-veertig negeriën.<br />

Adi, zich uitstrekkende van Kamrau tot T. Baaik ( 2<br />

) met in­<br />

begrip van de eilanden Karas en Adi; het staat onder eenen<br />

Radja, die op het eiland Adi woont en eenen Kapitein laut, twee<br />

Kapiteins, een Majoor en een Sahada onder zich heeft. Het eiland<br />

Karas ligt in de Rijklqf van Goens-baai, is ruim 1000 v'. hoog,<br />

(') Natuurkundig Tijdschrift voor Neérl. Indië, D>. XIX, bl.413.<br />

( 2<br />

) Dit schier-eiland , door de Kamrau-buai ten Oosten en de Rijklof van<br />

Goens-baai ten Westen gevormd en thans onder den naam Baaik bekend,<br />

werd vroeger voor een eiland of eene eilandengroep gehouden en heette toen<br />

Oranje-Nassau of Archipel van Oranje Nassau, onder welken naam het<br />

nog op de Kaart van Prof. PIJNAPPEL voorkomt.


480<br />

en niet sterk bevolkt. Het eiland Adi of Wezel-eiland, omstreeks<br />

12 • mijlen groot, ligt regt Zuidwaarts van de Kamraubaai<br />

op 4° 10' Z. B. en 133° 30' O. L. en is door Straat<br />

Nautilus van het landschap Baaik geseheiden. Het bestaat uit<br />

eene koraal-rots, welke zich slechts op weinige plaatsen meer<br />

dan 50 v 4<br />

. boven den zeespiegel verheft, is over het geheel<br />

niet vruchtbaar en slechts op weinige plaatsen met aardvruchten<br />

bebouwd. De bevolking, die hoogstens 200 zielen bedraagt,<br />

woont in op zich zelf staande huizen over het eiland verspreid;<br />

de eenige kampong, Mangawitoe genaamd, ligt aan de Noordkust<br />

en bestaat uit slechts vijf woningen. De Radja woont ongeveer<br />

een half uur meer Oostwaarts, op eene plaats Tawassi genaamd.<br />

Ook op Adi wordt vooral door de Cerammers handel gedreven<br />

in lijnwaden, koperdraad, parange, aarde- en ijzerwerk en tabak,<br />

waarvoor zij tripang, schildpad en paarlen inruilen, welke op<br />

de ten Noorden van Adi liggende onbewoonde Waardeuburgseilanden<br />

worden geviseht.— Op den vasten wal behooren, volgens<br />

de Kaart, dertig negeriën tot dit rijk.<br />

Bij de Zuidkust-landen van Nieuw Guinea moet nog vermeld<br />

worden het groote Prins Frederik Hendrik-eiland, dat aan het<br />

Oostelijke uiteinde van Wonim di alas ligt, tusschen 7° 23' tot<br />

8° 30' Z.B. en 137° 35' tot 139° 10' O.L. Het heeft de gedaante<br />

van eenen driehoek, welks Oostelijke zijde door de naauwe<br />

Prinses Marianne-Slraat van Nieuw Guinea is gescheiden. De<br />

Noordpunt heet Kaap Kolff, de Zuid-Oostpunt Kaap Kool, en de<br />

Westpunt Kaap Valsch.<br />

b. Langs de Westkust, van het Zuiden af:<br />

Van T. Baaik tot aan den Noordelijken ingang van de Golf<br />

van Mac Cluer staat het land onder het bestuur van de Radja's<br />

van Tatangar, AU-AU, Roemballe of Oerambata en Talipi; de<br />

grenzen van het gebied van elk hunner zijn ons evenwel niet<br />

bekend. De Radja van Ali-Ati houdt zijn verblijf op het eilandje<br />

van dien naam aan de Zuidzijde van den ingang dier Golf; de<br />

drie anderen in de negeriën Tatangar, Oerambata en Tatipi aan<br />

de Westkust tusschen Telok Kapauw en de Golf van Mac Cluer.<br />

Daar ligt ook nog de negeri Ati-Ati; en verder langs de Zuidzijde<br />

der Golf, de negeriën ArgoenafÜega, Sekar, Ikoanos, Bidawanas<br />

en Kapitoea; en aan de Noordzijde van dezelfde Golf, Roeba Kajin,<br />

en zes ongenoemde negeriën (volgens de Kaart van MELVILL).


481<br />

In het binnenland van het Zuid-Westelijke schier-eiland huist<br />

eene geheel wilde bevolking.<br />

Het gebied van Salwatti omvat het overige gedeelte dei-<br />

Westkust tot aan de Kaap de Goede Hoop, en de menigte kleine<br />

langs de kust gelegene eilandjes. Dit gedeelte van Wonim di<br />

bawah bevat de landschappen Assi en Megga, welke namen echter<br />

niet op de Kaart voorkomen, doch wel die der negeriën Oeabim,<br />

Sele, Warsai en Maas,- terwijl het binnenland gezegd wordt nog<br />

een dertigtal negeriën met, naar gissing, 40000 inwoners te<br />

bevatten. Het bestuur is in handen van eenen Radja en eenige<br />

ondergeschikte Hoofden, die op het eiland Salwatti gevestigd<br />

zijn en ook over de overige eilanden der Salwatti-groep heersehen<br />

(zie bl. 468—470).<br />

c. Langs de Noordkust van het Westen af:<br />

Ten Oosten van het gebied van Salwatti, tusschen dit en<br />

Amberbaki, liggen vier op zich zelf staande negeriën, van welke<br />

drie den naam van Sorong dragen en een dien van Marwasai<br />

heeft. Zij staan elk onder het bestuur van eenen Sengadji.<br />

Van Amberbaki tot voorbij de Baai van Boren in de Geelvinkbaai<br />

strekt zich het gebied van Boreli of Bórei uit. Behalve<br />

Amberbaki, hetwelk ook hieronder gerekend wordt, liggen langs<br />

de kust aan de baai de negeriën of kampongs Makwari, Rodi,<br />

Rasambori, Kwawi en Ambobridai; de beide laatstgenoemden<br />

slechts door eene uitstekende landtong van elkander gescheiden,<br />

dragen ook te zamen den naam van Longjabi of Roemfabi. Zij<br />

tellen allen te zamen slechts twintig of dertig huizen, die echter<br />

ieder door een geheel geslacht bewoond worden, zoodat één huis<br />

dikwijls twintig mannen bevat behalve de vrouwen en kinderen;<br />

de geheele bevolking wordt op 1000 zielen geschat. Het bestuur<br />

berust bij vijf Hoofden, wier gezag zich hier ook eenigzins over<br />

de binnenlandsche bevolking uitstrekt en die de titels van Korano<br />

(Kolano) of Radja, Kapitein laut, Majoor, Soeroehan en Bjoedau<br />

voeren. De Radja is gevestigd te Ambobridai, de Kapitein laut te<br />

Kwawi, de Majoor te Rasambori, de Soeroehan te Rodi, en de<br />

Bjoedau te Makwari; zij oefenen elk in zijne kampong een<br />

zelfstandig gezag uit doch ondergeschikt aan den Radja. Buim<br />

een uur landwaarts in ligt de kampong Ajambori uit acht huizen<br />

bestaande.— In de Boreh-baai liggen de eilandjes Meosmapi ^<br />

en Manaswari, die uit niet zeer hooge koraal-rotsen bestaan.<br />

II. 5 i


t<br />

482<br />

Het eerste is onbewoond en wordt door de bevolking der Baai<br />

tijds als begraafplaats gebruikt. Op jfcosmapi ligt de uit vei<br />

' buizen bestaande negeri Mansinama, naar welke het ge<br />

eiland ook wel zoo genoemd wordt. Het wordt bestuurd<br />

een Hoekoem en een Sengadji; de eerste is het voorna;<br />

Hoofd, en zijn gezag wordt ook door sommige naburige eila<br />

geëerbiedigd.— De handel der bewoners van de Dorelt-baai i<br />

weinig belang; hij bepaalt zich vooral tot massooi, pareli<br />

schildpad en tripang, welke artikelen zij naar andere eil<<br />

tot zelfs naar Tidore brengen in ruil tegen lijnwaden, koperd<br />

messen, parange en ander ijzerwerk en gekleurde glas-koral<br />

Ten Zuiden van Doreh is de Westkust van de Geelvink<br />

verdeeld tusschen den Sengadji van het eilandje Wand<br />

Wandesd, de twaalf Radja's of Sengadji's van Wand au<br />

die elk over eene kampong het bestuur hebben O, en den .<br />

van Jaoer.<br />

De Zuid- en Zuid-Oostkust der Geelvink-baai met h<br />

2° 15' Z.B. en 136° 20' O.L. gelegene eilandje Aropin vc<br />

het gebied van Aropin, dat onder veertien Radja's of Seng<br />

verdeeld is, die over even zoovele kampongs het bestuur heb<br />

De Noord-Oostkust der Geelvink-baai en een gedeelt<br />

Noordkust tot op ongeveer 138° 5' O.L. behoort ondei<br />

Radja van Koeroedoe of Koeroedoes, een eiland in de Geei<br />

baai op 1° 53' Z.B. en 137° O.L. gelegen. Het eilane<br />

heeft slechts ééne kampong in het Noord-Oostelijke ged<br />

doch op Nieuw Guinea behooren er talrijke kampongs of nej<br />

onder.<br />

Ten Oosten van de Geelvink-baai oefent de Sultan van !<br />

volstrekt geen gezag uit. Het gedeelte der kustlanden tus<br />

het gebied van Koeroedoes. en de Humboldt's-baai is onderl<br />

aan het eilandje KoeratnbaW, dat op eenigen afstand v;<br />

kust ligt; doch bijzonderheden zijn daaromtrent niet be<br />

Aan de Humboldt''s-baai, die in eene buiten- en binnenbat<br />

(') Dc namen van deze kampongs en van die, welke onder Aropin bel<br />

zijn Ie vinden in ie Bijdragen van het Instituut voor taal-, land- en i<br />

kunde, Niemve volgreeks, Dl. V, bl. 198.<br />

( 2<br />

) Hel is eigenlijk eene groep van drie eilandjes, van welke het £<br />

Koerumba en een ander .Irimoa heet. Zij liggen op 1° 55' Z. B. en 1!<br />

tot 158° 50' O.L.


433<br />

onderscheiden worden, liggen zes geregelde en vrij groote kampongs,<br />

namelijk aan de binnenbaai: Oengramo of Oengrauw,<br />

Tobaddi met negentig huizen, Todoes en Wawah; en aan de<br />

buitenbaai twee ongenoemde. Hare gezamenlijke bevolking wordt<br />

op ruim 5000 zielen geschat, die geheel onafhankelijk schijnen<br />

te zijn.<br />

d. De eilanden in de Geelvink-baai.<br />

Behalve de hier vóór reeds vermelde eilanden zijn de volgende<br />

de voornaamsten, over welke de Sultan van Tidore de suprematie<br />

uitoefent:<br />

Soak, midden voor dc baai gelegen tusschen 0° 37' tot<br />

0°55'Z.B. en 135°20' tot 135°55' O.L. Er zijn twee Radja's<br />

en een Sengadji voor de kampongs Kordoor, Uaswani en Roemsiauw.<br />

Biak, op zeer geringen afstand Oost-Zuid-Oostwaarts van Soak,<br />

tusschen 0°49' tot 1° 10'Z.B. en 135°50' tot 136°20' O.L.',<br />

met twee Radja's in de kampongs Bosnin en Saba.<br />

Mysore of Mysole, een klein eilandje onmiddellijk ten Noorden<br />

van de smalle en onbevaarbare Straat, welke Soak van Biak scheidt.<br />

De drie genoemde eilanden, die vroeger voor één eiland gehouden<br />

werden, dragen te zamen den naam van Willem Schoutens-eiland<br />

of Mysore.<br />

Myfore\ ten Zuid- Westen van^oa^, op 1° 10'Z.B. en 135° O.L.<br />

Het is verdeeld tusschen drie Radja's, die gevestigd zijn in de<br />

kampongs Gradefoer, Mansarai en Amberpoer.<br />

Jobi, Jopin of Jappens, het grootste der in de Geelvink-baai<br />

gelegene eilanden. Het ligt tusschen 1°33' tot 1°56'Z.B. en<br />

135° 21' 14" tot 136°50'19"O.L., is dus van het Westen naar<br />

het Oosten ongeveer 22 mijlen lang, en zal eene grootte hebben<br />

van nagenoeg 55 • mijlen. Aan de Noordzijde is het hoog en<br />

bergachtig, aan de Zuidzijde vlak en laag. Er zijn drie Radja's,<br />

die gevestigd zijn in de langs de Zuidkust liggende kampongs<br />

Ambaai, Seroei en Ansoes^); meer Westwaarts liggen nog verscheidene<br />

andere kampongs. Bij Ambaai en Ansoes zijn goede<br />

ankerplaatsen.— Op dit eiland is ook een Nederlandsche merkpaal<br />

opgerigt.<br />

(') De kampong Ansoes bevat eigenlijk de bevolking van het daar tegenover<br />

liggende eilandje van dien naam, welke derwaarts verhuisd is om zich tegen<br />

vijandelijke aanvallen van naburige eilanders in veiligheid te stellen.


484<br />

Misnomin of MisnoemXïvn. Westen van Jobi, op 1° 32'Z.B. en<br />

135° 20' O.L. Of dit eiland bewoond wordt is ons niet bekend.<br />

Amberpoer, op de Kaarten ook Amberpoea en Amberpoole<br />

geheeten, ligt nabij de Oostkust van het Noord-Westelijke schiereiland<br />

tusschen 1°47' tot 2° 7' Z.B. en op 134° 18' O.L.<br />

Over het geheele eiland strekt zich van het Noorden naar het<br />

Zuiden een steile bergrug uit, die 500 tot 600 v*. hoog is.<br />

De negeri Amberpoer, bij welke eene goede ankerplaats is aan<br />

de Zuid-Oostzijde des eilands, bestaat uit negen huizen en<br />

wordt bestuurd door eenen Radja. De bewoners hebben hunne<br />

aanplantingen van aardvruchten enz. meest op de omliggende<br />

eilandjes.<br />

Roswaar, op de Kaarten ook Miasioar en Muismar genoemd,<br />

ligt ten Zuid-Oosten van Amberpoer op 2° Z.B. en 134° 28' O.L.<br />

Het staat onder eenen Radja.<br />

lop, dat op de ons bekende Kaarten niet onder dezen naam<br />

gevonden wordt, onder het bestuur van eenen Sengadji.<br />

Run, op 2° 25' Z.B. en 134° 40' O.L., heeft de kampongs<br />

Jande, Siabis, Roemena en Wajer, van welke de drie eersten door<br />

Radja's de laatste door eenen Sengadji worden bestuurd.<br />

Mohr of Mor, op de Kaarten ook Terschelling genaamd,<br />

ligt in het Zuid-Oosten van de Geelvink-baai op 3° Z.B. en<br />

135° 40' O.L. en staat onder het bestuur van eenen Radja.<br />

Bijzonderheden omtrent eenige gedeelten der bevolking.<br />

De Papoewahs van de Humboldt's-baai^) zijn over het algemeen<br />

grooter en forscher van gestalte en donkerder van huidkleur<br />

dan elders op Nieuw Guinea; de vrouwen zijn echter veel<br />

lichter van kleur dan de mannen, hebben sprekende zwarte oogen,<br />

witte tanden en regelmatige gelaatstrekken. Het hoofdhaar is<br />

bij beide geslachten zwart, wollig en sterk gekroesd; de mannen,<br />

die het, even als den baard, korter afsnijden dan in sommige<br />

andere streken, bestrooijen het met fijn gestampte roode gebakken<br />

klei-aarde, en steken er vederen, bloemen en veelal ook eene<br />

groote bamboezen kam in, terwijl sommigen er ook een dikken<br />

band van kasuaris-haar omheen winden; de vrouwen dragen<br />

(') Bijdragen van liet Instituut voor taal-, land- en volkenkunde, van<br />

Neérl. Indië, Nieuwe volgreeks, D'. V, bl. 8i en 168.


485<br />

het in kleine vlechten rondom afhangende. In het middenschot<br />

van den platten en breeden neus dragen de mannen een stuk<br />

bamboe, hout of steen , of ook wel twee aan elkander verbonden<br />

slagtanden van varkens, en in de ooren dunne ringen van<br />

schildpad. De vrouwen dragen grootere oorringen en, naar mate<br />

van haren ouderdom, meerdere in elk oor; door het middenschot<br />

van den neus dragen zij een zwarten draad, somtijds met koralen<br />

of schelpen voorzien. De mannen en de ongehuwde vrouwen<br />

gaan geheel naakt; alleen de getrouwde vrouwen hebben een<br />

klein voorschootje uit geslagen boomschors of gevlochten koffovezelen<br />

(bl. 181) vervaardigd. Als sieraden dragen de mannen<br />

om de beide bovenarmen een band van gevlochten rotting, waartusschen<br />

zij boombladeren of welriekende grashalmen steken, en<br />

voorts om de armen en den hals snoeren van kleine schelpen, en<br />

somtijds op de borst een vrij groot ornament zamengesteld uit<br />

varkenstanden met een mozaïk van roode en zwarte boontjes er<br />

tusschen gewerkt. De vrouwen hebben zoodanige versierselen niet;<br />

daarentegen zijn zij veelal getatouëerd of hebben zich figuren in<br />

de huid ingebrand, hetgeen bij de mannen zelden voorkomt.—<br />

Hunne wapenen zijn boog en pijlen van bamboe of rotting met<br />

lange punten van hard hout meest van weerhaken voorzien en<br />

somtijds kunstig uitgesneden; sommigen hebben ook lange lansen<br />

van ijzerhout, en dolken vervaardigd uit een varkenspoot of een<br />

mensohelijk dijbeen, waaraan eene zeer scherpe punt is geslepen.<br />

Deze wapenen zijn, zooverre bekend is, nergens op Nieuw Guinea<br />

vergiftigd.<br />

De kampongs zijn geregeld aangelegd en bestaan uit een vrij<br />

groot getal woningen. Zij zijn op eenigen afstand van den wal<br />

in zee gebouwd op zware palen; evenwel hebben alle woningen<br />

gemeenschap met elkander door bruggen of door eene doorloopende<br />

bevloering van niboug-latten langs en rondom de huizen;<br />

de gemeenschap met den vasten wal geschiedt op sommige<br />

plaatsen door bruggen, op andere alleen door middel van vaartuigen.<br />

De huizen zijn vrij stevig gebouwd, met wanden van<br />

gabba-gabba en spits toeloopende daken, die bij kleine huizen<br />

vierkant bij grootere zes- of achtkant en somtijds 40 v'. hoog<br />

zijn. Dit dak, van atappen vervaardigd, hangt rondom over de<br />

zijwanden van het huis af en belemmert eenigzins het in- en<br />

uitgaan door de twee kleine deuren of openingen, die altijd regt


486<br />

tegenover elkander staan; vensters zijn er niet. Elk huis is<br />

verdeeld in twee of meer kamers, van welke eene voor de vrouwen<br />

en meisjes bestemd is. Het huisraad is niet noemenswaardig en<br />

bestaat hoofdzakelijk uit eenige aarden potten en pannen, en<br />

eene soort van houten schraag van 5 of 6 duim hoog, welke tot<br />

hoofdpeluw dient. Als sieraden hangen langs de wanden varkenskoppen<br />

en tanden en bladen schildpad. De stookplaats is eene<br />

houten bak met zand.— In elke kampong is een tempel, die<br />

denzelfden achtkanten vorm heeft als de groote huizen, doch<br />

veel hooger is, en uit welks dak aan de acht zijden uit hout<br />

gesnedene figuren van viervoetige dieren, visschen en vogelen<br />

uitsteken, tusschen welke figuren guirlandes van kokosbladeren,<br />

gras en vruchten hangen. In deze tempels vindt men niets dan<br />

langs de wanden soortgelijke guirlandes, varkens-koppen en<br />

slagtanden, pijlen en bogen, bamboezen fluiten en tija's (bl. 403)<br />

van verschillende grootte, en uitgeholde stukken hout in den<br />

vorm van kleine praauwen en mede bestemd om door er op te<br />

slaan geraas te maken. In den grond zijn eenige houten bakken,<br />

tot stookplaatsen bestemd, en daar rondom de ligplaatsen der<br />

jongelingen, die voortdurend den tempel bewaken.<br />

Omtrent de Godsdienst dezer Papoewahs is niets bekend.<br />

Hunne eerdienst-verrigtingen schijnen alleen te bestaan in het<br />

ontsteken van vuren in de zoo even vermelde stookplaatsen en<br />

het dansen onder het maken van muzijk op de fluiten en verdere<br />

instrumenten; doch ter wiens eere zulks geschiedt heeft men,<br />

door volstrekte onbekendheid met de taal, nog niet kunnen<br />

ontdekken. O<br />

Weinig meer dan van hunne Godsdienstbegrippen weet men<br />

van hun karakter en hunnen zedelijken en maatschappelijken<br />

toestand. Zij zijn stoutmoedig en vermetel, tot diefstal geneigd,<br />

voor zooverre men dit kan afleiden uit hunne zucht om zich bij<br />

het bezoek der Nederlanders meester te maken van hun onbekende<br />

voorwerpen, en niet ontbloot van verstandelijken aanleg. Geestrijke<br />

dranken zijn hun onbekend; bij hunne feesten, die in eten<br />

en dansen onder begeleiding van fluiten en tija's bestaan, drinken<br />

zij water. In het teekenen en snijden in hout en been zijn zij vrij<br />

(') Bij gelegenheid dat door de Gouvernemenls-Conimissie in 1858 uit het<br />

dak van den tempel te Tobaddi de Nederlandsche vlag werd uitgestoken, werden<br />

door de bevolking dezelfde ceremoniën uitgevoerd.


487<br />

bedreven, kunnen minstens tot honderdtallen tellen, en hebben<br />

eenige tijdrekenkunde, zoodat zij bij maan-mnanden rekenen en<br />

daarmede tijds-bepalingen vaststellen. Hunne zwart geverwde<br />

praauwen vervaardigen zij alleen met behulp van steenen bijlen<br />

en messen uit éenen boomstam, en versieren die met gebeeldhouwd<br />

loofwerk en regelmatig ingebrande figuren; zij zijn van 16 tot 30 v'.<br />

lang doch zoo smal dat men er slechts met de beenen vóór<br />

elkander in staan kan. Aan de eene zijde hebben zij eene op het<br />

water liggende vlerk bestaande uit balken met eene bevloering<br />

van bamboe, welke balken ook aan de andere zijde der praauw<br />

uitsteken doch daar niet bevloerd zijn. Op deze vlerk worden<br />

de wapens nedergelegd en zitten ook zij die niet roeijeu. Als<br />

roer wordt een roeispaan gebruikt. De mast is 8 of 10v 4<br />

. hoog,<br />

aan den top met een bosje kasuarishaar, bij wijze van vlag,<br />

versierd; het zeil is eene langwerpig vierkante uit pandanusbladeren<br />

gevlochtene mat (kadjang).<br />

De hoofdbezigheden dezer Papoewahs zijn : de jagt met pijl<br />

en boog op wilde zwijnen en vogelen; de vischvangst met door<br />

hen zeiven vervaardigde netten, met pijl en boog of met eene<br />

soort van harpoenen; en de landbouw, die zich echter bepaalt<br />

tot het aankweeken van aardvruchten, tabak, pisang- en kokosboomen.<br />

Ook vervaardigen zij aarden potten en pannen uit de<br />

roode klei, die rondom de baai gevonden wordt. De voedingsmiddelen<br />

zijn wilde varkens, vogelen, schildpadden O, visschen,'<br />

welke laatsten zij ook rooken om ze tegen bederf te bewaren,<br />

sago, kokosnoten, olie, pisang en aardvruchten; zij gebruiken<br />

daarbij geen zout of peper, welke artikelen hun onbekend zijn.<br />

Hun begrip van grond-eigendom schijnt zich te bepalen tot het<br />

regt op de voortbrengselen van een door hen bebouwd of in bezit<br />

genomen terrein.— In elke kampong is ten minste één Hoofd;<br />

doch zijn titel en de mate van zijn gezag, dat niet zeer groot<br />

schijnt te wezen, zijn onbekend.<br />

Meer Westwaarts langs de Noordkust, tusschen de Humboldt''s-baai<br />

en KoeroedoeW, staan de huizen op den vasten wal<br />

doch ook, althans gedeeltelijk, op palen; zij zijn laag en lang.<br />

(') De schildpadden , wier schaal het in den handel voorkomende Karet is,<br />

worden hier niet gevonden.<br />

(•) Natuurkundig Tijdschrift voor Neêrl. Indië, Dl. 1, bl. 224.


488<br />

De mannen, die verdacht worden van valsch en verraderlijk te<br />

zijn, hebben een wild voorkomen, levendige en mannelijke<br />

gelaatstrekken, en forsch gespierde armen en beenen. Hunne<br />

eenige kleeding bestaat in een zeer klein schortje van touw of<br />

boomvezelen, die als franje afhangen. Het gekroesde haar dragen<br />

sommigen in lange dunne strengen gevlochten, die of rondom<br />

langs het hoofd en het aangezigt nederhangen of van weerszijde<br />

over het hoofd opgeslagen zijn, zoodat zij eenigzins een helm<br />

vertoonen; anderen dragen het haar kort afgesneden; zij dragen<br />

er vederen of bloemen in, doch geene kammen. De zware baard<br />

wordt kort afgesneden. In de ooren dragen zij groote stukken<br />

bamboe met snijwerk voorzien, of ook wel beenen of koperen<br />

ringen; en in den neus stukjes been. Aan de bovenarmen hebben<br />

zij banden, waartusschen bundels bladeren steken, en aan de<br />

beenen snoeren van witte schelpen. De meesten zijn getatouëerd.<br />

Hunne wapens en vaartuigen zijn dezelfde als aan de Humboldt'slaai;<br />

doch de laatsten zijn niet met beeldhouwwerk maar alleen<br />

met eenige ingesnedene figuren voorzien.<br />

De bevolking van de Doreh-baai O, afkomstig van het eiland<br />

Myfore, is over het algemeen klein van gestalte, donkerbruin<br />

van kleur, en veelal zoo met huidziekten behebt dat bij sommigen<br />

de huid met schubben bedekt schijnt. Het zwarte gekroesde haar,<br />

dat evenwel somtijds door het besmeren met kalk eene roodachtige<br />

tint krijgt, laten zij in het wild groeijen zoodat het een zeer<br />

groote verwarde bos wordt; alleen de slaven moeten het haar<br />

kort afgesneden dragen. De mannen steken daarin eene bamboezen<br />

kam, bijna van den vorm van eene vork, aan het boveneinde<br />

met ingesneden figuren en met een afhangend reepje gekleurd<br />

katoen, als een wimpel, versierd. Voorts hebben zij een hoog<br />

doch smal voorhoofd, groote donkerbruine of zwarte oogen, platte<br />

breede neuzen, en groote monden met dikke lippen; bij sommigen<br />

evenwel hebben neus en mond meer den Europeschen vorm. In<br />

de ooren dragen zij bamboezen sieraden, of ringen, of ook wel<br />

hunne sigaren bestaande uit tabak in pandan-hladtrm gerold.<br />

De Hoofden dragen eene goede kabaai, broek en hoofddoek,<br />

welke kleedingstukken zij bij hunne aanstelling van den Sultan<br />

(') Bijdragen van het Instituut, t. a. p. bl. 145. Naluurk. Tijdschrift,<br />

Db I, bl. 115.


489<br />

van Tidore ontvangen; de overigen gaan naakt, behalve een uit<br />

boomschors vervaardigde tjaioat voor de mannen, en eene korte<br />

sarong of een klein broekje voor de vrouwen. Om de armen<br />

dragen zij ringen vervaardigd uit visebgraten, schelpen, koper,<br />

zilver, of rood gekleurde biezen; zoodanige ringen' van rotting<br />

om den hals en om den arm zijn teekenen van rouw. Voorts<br />

is het ligchaam en ook het gelaat getatouëerd; en bij elke zeereis,<br />

die een man gedaan heeft, brandt hij zich eene vlek op de borst<br />

of den arm. In den oorlog maken zij zich het gelaat met houtskool<br />

zwart, somtijds met witte strepen, hangen een kraag van<br />

kasuaris-vederen om den hals, en steken eenige vederen van<br />

witte kakatoe's in het haar ; buiten oorlogstijd duiden zulke witte<br />

vederen het getal personen aan, die door den drager gedood<br />

of geroofd zijn.<br />

Hunne wapenen zijn boog en pijlen, lansen, kléwangs en<br />

parangs, welke zij of zeiven maken bf van de schepen inruilen ,<br />

en een vrij groot langwerpig vierkant houten schild.<br />

De huizen staan, even als aan de Humboldt's-baai, op eenigen<br />

afstand van den vasten wal in zee; zij zijn veel lager dan daar<br />

doch veel langer, veelal tusschen de 60 en 100 v*., en strekken<br />

aan alle gezinnen, die tot hetzelfde geslacht behooren, ter woning.<br />

Een over de geheele lengte loopende gang verdeelt het huis in<br />

twee afdeelingen, die elke weder door afschutsels van matwerk<br />

(kadjang) in verscheidene vertrekken gesplitst zijn, die door de<br />

afzonderlijke gezinnen tot slaap- en bergplaats en keuken ge­<br />

bruikt worden. Het licht komt alleen binnen door de reten, door<br />

welke ook de rook van de stookplaats zich een uitgang moet<br />

banen. Naast het hoofdgebouw is veelal nog een kleiner huis,<br />

dat door de weduwen tot de familie behoorende bewoond wordt.<br />

De gemeenschap tusschen de huizen onderling en met den vasten<br />

wal wordt of door bruggen of door vaartuigen onderhouden.<br />

Omtrent hun karakter wordt een vrij gunstig getuigenis af­<br />

gelegd: zij zijn zacht van aard, eerlijk, regtvaardig, kuisch,<br />

hebben eerbied voor den ouderdom en liefde voor hunne kinderen<br />

en echtgenooten ; diefstal en ontucht worden als grove misdrijven<br />

beschouwd, veelwijverij en echtscheiding zijn niet geoorloofd.<br />

Doch ook zijn zij lui, zoodat zij allen veldarbeid en ander zwaar<br />

werk door de vrouwen laten verrigten, wantrouwend jegens<br />

vreemden, liefhebbers van sterken drank, zeer bijgeloovig, en


490<br />

groote handelaars in slaven, die zij door menschenroof of door<br />

het in den oorlog gevangen nemen van vrouwen en kinderen<br />

bekomen; deze slaven worden echter goed door hen behandeld.<br />

Mannen schijnen in den oorlog niet gevangen genomen maar<br />

gedood cn hunne hoofden in de woning des overwinnaars als<br />

zegeteekenen opgehangen te worden. Ofschoon zij alle wetenschappelijke<br />

ontwikkeling missen ontbreekt het hun niet aan<br />

schranderheid i zij zijn bekwame ijzer-, koper-, zilver- en wapensmeden,<br />

vervaardigen goede praauwen aan beide zijden met<br />

vlerken voorzien, fijn snij- en beeldhouwwerk, en sierlijk maten<br />

vlechtwerk. De vrouwen zijn de potten- en pannenbakkers<br />

zoowel voor den handel met de naburige bergvolken als voor<br />

eigen gebruik.<br />

Behalve de bovengenoemde bedrijven bestaat de bezigheid deimannen<br />

hoofdzakelijk in jagt en visscherij, welke zij op dezelfde<br />

wijs uitoefenen als die van de Humboldt 's-baai; de landbouw komt<br />

grootendeels voor rekening der vrouwen en bepaalt zich tot het<br />

kwecken van een weinig rijst, gierst, djagoeng en aardvruchten.<br />

Deze producten benevens sago, die meest van elders wordt aangebragt,<br />

vischen varkcnsvleesch maken hun gewoon voedsel uit,<br />

dat zij met zout bereiden. De drank is, behalve water, eene soort<br />

van sagoewir, welke zij vervaardigen van het sap uit den bloemstengel<br />

van kokosboomen.<br />

Hunne godsdienst bestaat uit het vereeren van houten beeldjes<br />

vanmenschelijke gedaante, 1 of l'/sv 4<br />

. hoog, Koricaar of Karicaar<br />

genaamd; ieder vervaardigt ze voor zich zelven en ziet daarin<br />

zijnen beschermgod; er zijn mannelijke en vrouwelijke Korwaars.<br />

Zij worden ook vóór het doen van belangrijke ondernemingen geraadpleegd;<br />

hij, die iets ondernemen wil, plaatst zijnen Korwaar<br />

voor zich, vertelt hem wat hij doen gaat en vraagt zijnen raad;<br />

bevangt hem nu eene beving of ontroering, dan wordt de onderneming<br />

tot lateren tijd uitgesteld. Ook afbeeldsels van krokodillen,<br />

hagedissen, slangen en andere dieren worden, zoo het<br />

schijnt als beschermgoden, aan de stijlen der huizen opgehangen<br />

of daarin uitgesneden. Offeranden worden aan deze beelden<br />

niet gebragt; ook zijn er geene tempels of priesters, doch wel<br />

waarzeggers of wigchelaars, die bij gewigtige gelegenheden de<br />

voorteekenen raadplegen. — In de hoofdkampong van Boreh<br />

bevindt zich een gebouw, en vroeger was er ook een dergelijk in de


491<br />

kampong Mansinama op liet eilandje Manasaioari, dat Roemsram<br />

of Roemslam( [<br />

) genoemd wordt, eenigzins den vorm van eene<br />

praauw heeft en op vier-en-twintig palen rust, welke even als<br />

andere deelen van het gebouw versierd zijn met beelden van<br />

hoogst ontuchtige gedaante en houding. Deze beelden hebben<br />

elk een bijzonderen naam en beteekenis, die met de stichting der<br />

negeri Boreh in verband staat. Het huis, dat door de geheele<br />

bevolking gemeenschappelijk wordt onderhouden, schijnt opgerigt<br />

te zijn ter nagedachtenis en vereering der voorouders.<br />

Bij het aangaan van een huwelijk moet de man aan de ouders<br />

van het meisje eenen bruidschat betalen, die voor ieder zonder<br />

onderscheid van stand of leeftijd bepaald is op eene waarde van<br />

tien slaven of 50 stukken blaauw katoen elk ter waarde van<br />

nagenoeg ƒ3; men vergenoegt zich echter veelal met de betaling<br />

van een gedeelte daarvan. Hierna gaan de jongelieden in tegenwoordigheid<br />

hunner ouders naast elkander zitten met den Korwaar<br />

voor zich, en geven elkander de regterhand, nadat de vrouw aan<br />

den man een weinig tabak en deze aan haar eenige sirih heeft<br />

aangeboden, waarmede het huwelijk voltrokken is en niet dan<br />

door den dood kan ontbonden worden. Als de man sterft gaat<br />

zijne weduwe, over aan diens naasten bloedverwant, die haar dan<br />

moet onderhouden en haar ook weder ten zijnen voordeele kan<br />

uithuwelijken; indien de man geene bloedverwanten had, keert<br />

de vrouw tot hare eigene familie terug.<br />

Bij het overlijden van een Hoofd wordt het lijk na gewasschen<br />

te zijn in wit katoen gewikkeld en door de geheele bevolking<br />

naar een vijf voet diep graf (dikwijls op het eilandje Meosmapï)<br />

gebragt, waarin het met het oor op een porceleinen kom of<br />

schotel wordt nedergelegd, met bijvoeging van eenige sieraden<br />

en wapenen ; waarna het graf digtgemaakt en met eene omheining<br />

en een dak van atap voorzien wordt. De Korwaar van den overledene,<br />

die als de oorzaak van diens dood wordt beschouwd,<br />

wordt na deswegens met vervvijtingen overladen te zijn op het<br />

graf geplaatst en blijft daar totdat hij door den tijd vergaat.<br />

I') Men gist dat deze benaming beteekent islamseh huis, en aan dit gebouw<br />

gegeven is öf in navolging van de moskeeën die sommige Papoewahs op Ternate<br />

of Tidore kunnen gezien hebben, óf ter bespotting van de pogingen door<br />

den Sultan nu en dan aangewend om het Islamisme op Nieuw Guinea in te<br />

voeren.


492<br />

Daarna keercn allen naar het sterfhuis terug, houden daar eenen<br />

maaltijd waartoe elk het zijne bijdraagt en die veelal met eenen<br />

feestelijken dans gepaard gaat, en komen er vervolgens nog<br />

gedurende eene maand dagelijks den doode beweenen. De begrafenis<br />

van eenen gewonen Papoewah geschiedt op dezelfde wijze<br />

maar met minder feestelijkheid.<br />

Tot de publieke vermakelijkheden behoort vooral eene soort<br />

van dans, waaraan mannen, vrouwen en kinderen deelnemen.<br />

Alle mannen zijn daarbij met pijlen, bogen en lansen gewapend,<br />

behalve de muzijkanten, dat zijn zij die eene soort van lifa<br />

dragen, welke met de hand geslagen wordt; de helden zijn met<br />

het hun toekomend getal witte kakatoe-vederen (bl. 489) versierd;<br />

velen hebben het gelaat en de borst met houtskool zwart<br />

gemaakt en met witte figuren afgezet; allen zijn met vederen en<br />

bladeren zooveel mogelijk uitgedost. Zoo vormen zij een kring<br />

en maken, terwijl een voordanser allerlei vreemde sprongen doet,<br />

met de beenen de beweging als of zij hard loopen doch komen<br />

inderdaad slechts zeer weinig vooruit. Deze dans duurt onder<br />

luid geschreeuw en


493<br />

zoo ook de wapenen. Deze laatsten bekomen zij grootendeels<br />

van Tomboekoe, van waar zij door handelaren in de Mac Cluerbaai<br />

en vervolgens over land tot hen gebragt worden (bl. 241).<br />

De huizen, die op 12 tot 20 v*. hooge palen uit boomtakken,<br />

bamboe en boomschors gebouwd worden, staan vijf tot tien<br />

minuten van elkander verwijderd in het midden van de tuinen,<br />

die met gierst, rijst, aardvruchten en pisang beplant zijn. Alle<br />

veldarbeid wordt door de vrouwen verrigt; alleen het eerste<br />

ontginnen van den grond geschiedt door de mannen, die zich<br />

overigens bezig houden met de jagt en het verruilen hunner<br />

overtollige producten aan de strandbewoners tegen sago en andere<br />

behoeften.— In zeden en gewoonten verschillen zij weinig van<br />

de laatstgenoemden. Zij maken echter geene slaven, maar dooden<br />

de overwonnene vijanden, in welk geval de overwinnaar zich<br />

met het hem toekomend getal witte kakatoe-vederen versiert;<br />

ook hebben zij geene godsvercering, dan voor zooverre sommigen<br />

door aanraking met de kustbewoners kennis hebben gekregen<br />

aan de Kortcaars van dezen. Hunne Volkshoofden worden onder<br />

den titel van Sengadji of Kapitein aangesteld door een der<br />

Hoofden van Boreh; zij hebben echter volstrekt geen gezag dan<br />

voor zooverre zij zich dit door hunne persoonlijke hoedanigheden<br />

weten te verwerven.<br />

De dooden worden, met de knieën tegen het ligchaam gebonden,<br />

in eene mat gewikkeld en twee dagen na het overlijden<br />

2 of 3 v*. onder den grond in de nabijheid hunner woningen<br />

begraven; is echter iemand der bloedverwanten afwezig, dan<br />

geschiedt de begrafenis niet voordat allen tegenwoordig zijn al<br />

duurt dit ook nog zoo lang; het beweenen van den overledene,<br />

hetwelk bestaat in een aanhoudend geschreeuw der personen die<br />

rondom het lijk staan, heeft slechts gedurende twee dagen en<br />

nachten plaats. Rondom het graf worden eenige bamboe-stokken<br />

in den grond geplaatst, en aardvruchten en suikerriet er op<br />

geplant tot voedsel voor den doode, hoewel het product er van<br />

door de levenden wordt geoogst.<br />

De bevolking van het Arjak-gebergte, waarvan die van Ajambori<br />

afstamt, komt met de laatstgenoemde grootendeels overeen;<br />

het grootste verschil bestaat in het dragen van het haar, hetwelk<br />

zij niet afsnijden. De vrouwen krullen het haar in elkander<br />

zoodat het één groote bos wordt, als eene kolossale ruige muts.


494<br />

Do mannen krullen het óf tot vele kleine bosjes bijéén, waarvan<br />

dan één op de kruin en de andere rondom het hoofd worden<br />

vastgebonden, óf tot drie groote bossen, van welke twee aan<br />

weerszijde der slapen en de derde aan het midden van het achterhoofd<br />

horizontaal uitsteken; zij dragen ook den meer vermelden<br />

kam, en om het voorhoofd eenen band van boomschors, waarop<br />

een tot vijf groote plat geslepene schelpen zijn vastgemaakt.<br />

Het tatouëren is bij dit bergvolk niet in gebruik en, daar zij geene<br />

zeevaarders zijn, ook niet het inbranden van vlekken op borst<br />

of armen. Sieraden van arm- of beenbanden worden alleen door<br />

de mannen gedragen. Hunne woningen zijn niet in kampongs<br />

vereenigd maar staan hier en daar verspreid in het gebergte.<br />

De bevolking der eilanden in de Geelvink-baai komt in de<br />

hoofdzaken met die van Boreh overeen. 0)<br />

De bewoners der Zuid-Westkust van omstreeks 4° Z.B. cn van<br />

daar Noord-Westwaarts (') staan op eenen eenigzins hoogeren<br />

trap van beschaving ten gevolge van het handelsverkeer, dat<br />

reeds sedert langen tijd tusschen hen en de bevolking der<br />

Ceramsche en Anlbonsche eilanden bestaat. Zij zijn in het algemeen<br />

kleiner en tengerder dan de vroeger vermelde stammen,<br />

hebben deuzelfden vorm van gelaat en zijn roetklcurig. Het<br />

haar laten de mannen in het wild groeijen; de vrouwen strengelen<br />

het somtijds in dunne vlechten. Beide geslachten dragen eenige<br />

kleeding: de vrouwen eene sarong; de mannen katoenen kabaaijen<br />

en hoofddoekent 3<br />

), korte broeken of sarongs, en bij volstrekte<br />

armoede althans de tjidako van boomschors. Den neus doorboren<br />

zij niet; mannen en vrouwen hebben kleine gouden of zilveren<br />

oorsieraden, banden van gevlochten rotting om den arm en<br />

somtijds ook halssnoeren van glas-koralen. Hebzucht schijnt een<br />

hoofdtrek van hun karakter te zijn. Gevangen genomene vijanden<br />

dooden zij niet, maar behouden ze als slaven. De bewoners van<br />

dc Bogt van Kainiuni zijn echter koppensnellers.<br />

(') Natuurkundig Tijdschrift voor Neêrl.Indië, D'. I, bl. 200, 208 en 228.<br />

(•) S. MULLER, Renen en onderzoekingen in den Indischen Archipel,<br />

uitgave van het Instituut, D U , bl. 88. Bijdragen van het Instituut, Nieuwe<br />

volgreeks, Db V, bl. 117. Omtrent de bevolking van de Bogt van Lahakia<br />

vindt men aldaar eenige bijzonderheden vermeld op bl. 45.<br />

t 3<br />

) Dit zijn waarschijnlijk alleen de Hoofden ; vergelijk bl. 488.


495<br />

Het Islamisme is hun niet geheel onbekend; zij houden dan<br />

ook geene varkens, sluiten hunne huwelijken op de Mohammedaansehe<br />

wijze, en gedoogen de polygamie; doch hierin bestaat<br />

ook hunne geheele kennis van die godsdienst. Tempels of priesters<br />

hebben zij niet, en hunne eerdienst bepaalt zich tot eenige<br />

bijgeloovige gebruiken. Die van Kaimani erkennen het bestaan<br />

van een Opperwezen, hetwelk zij Auwre noemen, doch waaraan<br />

zij geene hulde toebrengen.— Van tijdrekening hebben zij eenig<br />

begrip: het tijdsverloop van den eenen Oostmoeson tot aan den<br />

anderen, dat is een jaar, noemen zij Ngaraksa; een moeson,<br />

Ngarahoida; eene maan-maand, Oeransa. Voor den Oostmoeson<br />

rekenen zij zes maanden, voor den Westmoeson vijf, en eene<br />

voor de kentering. De tijd van den dag wordt door den stand<br />

der zon aangeduid.<br />

Visscherij is hunne meest geliefde bezigheid; de landbouw<br />

bepaalt zich tot het nankweeken van eenige aardvruchten, suikerriet,<br />

pisang, spaansche peper, sirih cn peulvruchten, in kleine<br />

tuintjes rondom hunne huizen. Het ijzersmeden hebben zij van<br />

de Cerammers geleerd, die hun het staafijzer aanvoeren; voorts<br />

schijnen zij geene andere handwerken te kennen dan het bouwen<br />

van kleine praauwon. Hunne grootere vaartuigen bekomen zij<br />

van dezelfde handelaars, die ze meestal op de Kei-eilanden<br />

aankoopen. Deze en andere Moluksche kooplieden bez<strong>org</strong>en hun<br />

ook lijnwaden, sarongs, bijlen, zwaarden en ander ijzerwerk,<br />

koperdraad, aardewerk, gongs, glas-koralen, tabak, kleine lilla's,<br />

geweren, buskruid cn kogels; in ruil tegen schildpad, paarlen,<br />

tripang, paradijsvogels, papegaaijen, houtsoorten, wilde muskaat-noten,<br />

massooi, enz. Hunne pijlen, bogen en lansen vervaardigen<br />

zij zeiven.<br />

Tot de bijzondere gebruiken behooren nog de volgende:<br />

de lijken worden een jaar na de begrafenis weder opgedolven<br />

en de beenderen dan in zekere rotsholten gebragt, waarop de<br />

bloedverwanten en vrienden gedurende acht dagen feestmalen<br />

houden met dans e,n gong-sneï. Na afloop van dit feest, waarvan<br />

de kosten door de gezamenlijke inwoners van het dorp van den<br />

overledene worden gedragen, voert men de beenderen in een<br />

mandje naar eene bepaalde plaats in het bosch, waar zij dan<br />

blijven.— W T<br />

eduwen dragen gedurende een jaar den rouw over<br />

haren man. Het rouwkleed bestaat in eene kap van zwart of


49G<br />

blaauw katoen of van boomschors, die op het achterhoofd gezet<br />

wordt en tot op de schouders afhangt. Gedurende dezen rouwtijd<br />

neemt zij gewoonlijk haren intrek bij hare familie, en mag eerst<br />

na afloop daarvan een tweede huwelijk aangaan.<br />

Bij overlijden van eenen man heeft de weduwe het vruchtgebruik<br />

der nalatenschap tot aan haren dood. Dan eerst worden<br />

de bezittingen verdeeld tusschen de zonen; de dochters krijgen<br />

daaruit slechts een gering geschenk. Bij ontstentenis van zonen<br />

zijn de broeders of hunne zonen erfgenamen ; en alleen bij geheele<br />

afwezigheid van mannelijke bloedverwanten erven de dochters.—<br />

Alle misdrijven worden gestraft met boeten, welke gedeeltelijk<br />

komen aan de beleedigde partij en gedeeltelijk aan de Hoofden,<br />

die de straf hebben opgelegd. Bepaalde wetten of adats schijnen<br />

onder hen niet te bestaan.<br />

Hetgeen hier over deze strandbewoners gezegd is geldt ook in<br />

de hoofdzaken voor de bevolking van het eiland Adi.<br />

Omtrent de in dit gedeelte van Nieuw Guinea meer binnen<br />

's lands wonende bergvolkeren is zeer weinig bekend. Zij dragen<br />

in het algemeen den naam van IFoeka, dat is bergbewoners, en<br />

worden verder ter onderscheiding genoemd naar het gebergte<br />

waar zij zich ophouden of naar den naam van hunne kampong! 1<br />

).<br />

Zij zijn grooter en forscher van gestalte dan de kustbewoners,<br />

gaan behalve de fjidako geheel naakt en hebben geene sieraden<br />

dan rottingbanden om de armen en beenen. Zij houden zich<br />

hoofdzakelijk bezig met de jagt en het inzamelen van massooi.—<br />

Men zegt dat zij offers brengen aan de zon, door spijzen onder<br />

het prevelen van eenige woorden in de hoogte te heffen en<br />

vervolgens weg te werpen. Ook bij het doen van een eed roepen<br />

zij de zon en den berg Lamantjiri aan.— Bij het aangaan van<br />

een huwelijk wordt het meisje door den jongeling met voorweten<br />

van zijne familie geschaakt en beiden verbergen zich dan eenige<br />

dagen in het bosch, gedurende welken tijd met de familie van<br />

het meisje over deu bruidschat onderhandeld wordt. Als deze<br />

onderhandeling afgeloopen is worden de jongelieden opgezocht,<br />

(') In de Reis van MULLER wordl len onregte gezegd , dal zij den algemeenen<br />

naam van Mairassi's dragen. Matrassi is de naam van een gebergte len Noorden<br />

van de Triton-baat (bl. 474); en daarnaar worden alleen de bewoners van<br />

dat gebeigle Mairussi of Woeka Mairassi genoemd. Bijdragen van het Instituut,<br />

Nieuwe volgreeks, D'. V, bl.63.


497<br />

die dan hun huwelijk sluiten door elkander in tegenwoordigheid<br />

der wederzijdsche familie eene kleine wond aan het voorhoofd toe<br />

te brengen, hetgeen ook over cn weder door alle aanwezige leden<br />

der beide familiën geschiedt.—• Veelwijverij is geoorloofd.—<br />

De lijken worden, na gedurende eene maand boven een vuur<br />

uitgedroogd te zijn, in een rotshol nedergelegd en met boombladeren<br />

toegedekt.<br />

Hoe verder men langs de Zuidkust Oostwaarts gaat des te<br />

ruwer en woester wordt de bevolking. Die uit den omtrek van<br />

de rivier Oetamata drijft nog eenigen handel in massooi met de<br />

Cerammers en woont in min of meer geregelde kampongs, onder<br />

welke Oeta eene van de voornaamsten is. Mannen en vrouwen<br />

doorboren zich de neusvleugels en het middenschot van den neus<br />

en dragen daarin houten pennetjes of vederen. Zij hebben geene<br />

kleeding dan eene zeer gebrekkige bedekking voor de schaamdeelen.<br />

Overigens dragen do mannen eene menigte versierselen,<br />

als halssnoeren, armbanden en gordels meest van rotting, grassoorten,<br />

kasuaris-vederen en varkenstanden vervaardigd; ook<br />

branden zij zich met houtskool figuren op de bovenarmen, de<br />

schouders en de borst. Deze sieraden worden bij do vrouwen<br />

weinig of niet aangetroffen. Zij zijn met pijlen, bogen, lansen<br />

en knodsen gewapend, doch hebben tegen de Nederlanders, die<br />

hen bezochten, geene vijandelijke gezindheid betoond.<br />

Dc bevolking van de Prinses Marianne-Slraat is geheel wild;<br />

zij zwerft door de bosschen rond, nu hier dan daar hare hutten<br />

opslaande. Zij gaan geheel naakt, hebben eene donkerbruine<br />

of blaauwachtig zwarte kleur, zijn niet getatouëerd maar beschilderen<br />

zich het ligchaam en vooral het gelaat met dikke<br />

roode of gele strepen, waartoe zij klei-aarde schijnen te gebruiken.<br />

Voorts dragen zij in de ooren, om den hals en de armen ringen<br />

meest van rotting of biezen, en om de middel eenen drie vingers<br />

breeden gordel uit vezelen van boomschors gevlochten. Zij zijn<br />

gewapend met boog en pijlen en lansen. Bij de weinige ontmoetingen,<br />

welke de Nederlanders met hen hadden, hebben zij<br />

eenen zeer verraderlijken aard aan den dag gelegd.<br />

II. 32


498<br />

ZESDE HOOFDGROEP.<br />

DE RESIDENTIE TIMOR EN ONDERHOORIGHEDEN.<br />

L;:>ÏK HOOFDSTUK.<br />

ALGEMEEN OVERZIGT DEZER RESIDENTIE.<br />

§ 1. Beatanddeelen, ligging, grootte, natuurlijke<br />

gesteldheid en voortbrengselen.<br />

Beatanddeelen, ligging, grootte.<br />

De Residentie Timor en onderhoorigbeden bevat al de Kleine<br />

Soenda-eilanden ten Oosten van P.Rindja (bl. 312); behalve het<br />

Westelijke gedeelte van Flores, dat eene onderhoorigheid van<br />

Bima is en daarmede gerekend wordt tot het Gouvernement van<br />

Cele'bes te behooren (bl. 177 en 305), en het Noordelijke gedeelte<br />

van Timor met P. Kambing t'', hetwelk aan Portugal behoort. Zij<br />

bestaat dus uit:<br />

1°, de grootste Zuidelijke helft van Timor;<br />

2°, de Zuid-Westwaarts daarvan gelegene eilanden i Samaoe<br />

of Samaauw, Kambing Rotti, Landoe, Daoe of Baauw. Boöh,<br />

Noesse', Dana, Ileliana en eenige kleinere.<br />

3°, de Savoe-eilanden, zijnde: Sacoe, Randjoewa of Bendjoar<br />

en LTokki;<br />

4°, Soemba of Tjendana of Sandelhout-eiland ;<br />

5°, de Allor-eilanden, zijnde: Allor of ümbaai, Pantar, en<br />

eenige kleinere;<br />

(') Dit eiland wordt geographisch lot de Wetter-groep gerekend. Zie bl. 375.<br />

( 2<br />

) Wel le onderscheiden van het bovengenoemde P. Kambing.


499<br />

6°, de Solor-eilanden, zijnde: Lomblèm, Adonare of Sabrao,<br />

Solor en eenige kleinere;<br />

7°, het Oostelijke gedeelte van Mores, JEnde geheeten.<br />

De ligging is tusschen 8° 5' (de Noord-Westpunt van Allor) tot<br />

11°5' (P. Heliand) Z.B. en 119° 3' (de Westpunt van Soemba) tot<br />

125°15'(de Oostelijkste punt van ons gebied op Timor) O.L.<br />

Ten Noorden worden deze eilanden bespoeld door de Soenda-<br />

Zee en hare Oostelijke voortzetting, de Zee van Mores; ten Oosten<br />

door de Timor-Zee;<br />

Indisehen Oceaan.<br />

en ten Zuiden door de Timor-Zee en den<br />

De grootte dezer Eesidentie bedraagt volgens MELVILL : O<br />

Het Nederlandsche gedeelte van Timor ( 2<br />

) 352.0 •<br />

Sarnaauw, Rotti en verdere eilanden ten<br />

mijlen.<br />

Zuid-Westen van Timor 29.3 »<br />

De Savoe-eilanden 8.5 »<br />

Soemba 251.8 »<br />

De Allor-eilanden 61.6 »<br />

De Solor-eilanden 39.2 »<br />

Geheel Mores W 300.2 »<br />

tezamen 1042.6 • mijlen.<br />

Natuurlijke gesteldheid en voortbrengselen.<br />

Mores, de Solor- en de Allor-groepen strekken zich bijna in<br />

eene regte lijn Oostwaarts uit van Soembawa tot den Noord-<br />

Westhoek van Timor. en zijn de voortzetting van de eilanden-reeks<br />

(Kleine Soenda-eilanden), die met Bali bij Java's Oosthoek begint.<br />

Zij schijnen slechts één gebergte-systeem uit te maken, hetwelk<br />

met dat van Oost-Java te zamen hangt en slechts door diepere<br />

dalen, welke hier de Straten vormen, gescheiden is. De keten,<br />

(>) Statistieke Kaart inhei Tijdschr .voor Neêrl. Indië, 4849. Hel tractaat<br />

met Portugal in 1859 heefl daarin echter eenige verandering gehragt; doch<br />

eene latere opgave is ons niet bekend.<br />

( 2<br />

) Volgens de opgave van denzelfden Schrijver in den Momteur des Indes,<br />

1846—4847, bedraagt dit gedeelte 561 • mijlen; terwijl het geheele eiland<br />

daar gesteld wordt op 615• mijlen.<br />

( 3<br />

) De grootte van het gedeelte van dit eiland, dat tot het Gouvernement<br />

van Celébes gerekend wordt, is zooverre wij welen nergens afzonderlijk opgegeven.


500<br />

welke al deze eilanden van het Westen naar het Oosten doorsnijdt,<br />

is van dezelfde formatie als in laatstgenoemd gewest en even als<br />

daar met talrijke vulkanen bezet.<br />

Timor en de Zuid-Westwaarts daarvan liggende eilanden schijnen<br />

niet met de vo<strong>org</strong>aande verbonden te zijn maar uit eene<br />

afzonderlijke bergketen te bestaan, die in eene Noord-Oost- en<br />

Zuid-Westwaartsche rigting loopt; zij is ook wel van tertiaire<br />

formatie cn heeft dezelfde hoofdbestanddeelen als op Java [thon-,<br />

zand- en vooral kalksteen), maar is arm aan vulkanen. Ook<br />

Soemba, van welks natuurlijke gesteldheid overigens weinig bekend<br />

is, staat in geen zigtbaar verband met de overige eilanden,<br />

indien het althans niet den schakel tusschen Soembawa , de Savoeeilandcn<br />

en Jlotti uitmaakt; het bestaat gedeeltelijk uit kalk—<br />

gebergte, doch heeft ook ten minste één vulkaan.O<br />

Rivieren van eenig belang worden natuurlijk nergens aangetroffen,<br />

daar de bergketenen overal in de rigting van de lengte-as<br />

der eilanden loopen en niet door aanmerkelijke vlakten worden<br />

afgewisseld. Wel zijn er eene menigte beken en bergstroomen,<br />

doch slechts enkelen daarvan zijn over een klein gedeelte van<br />

hunnen loop bevaarbaar; en terwijl zij in den regentijd dikwijls<br />

overstroomen, droogen velen in den Oostmoeson geheel uit.<br />

Het klimaat en de afwisseling der moesons komen in het<br />

algemeen met die van Oost-Java overeen ; evenwel is de afscheiding<br />

tusschen deze laatsten in het Oosten der Residentie, vooral<br />

op Timor. do<strong>org</strong>aans scherper. Gedurende den Oostmoeson regent<br />

het daar gewoonlijk in 't geheel niet, en de hitte kan op den<br />

middag in de zon tot 125°, en in de schaduw tot 95° F. stijgen.<br />

t\ at de mate van vruchtbaarheid betreft behooren deze eilanden<br />

tot de Tweede Afdeeling (zie D l<br />

. I, bl. 92); en schoon op Timor<br />

in den Oostmoeson de plantenwereld bijna geheel schijnt uit te<br />

sterven, herstelt zij zich bij het aanbreken van den regentijd<br />

met onbegrijpelijke snelheid. De hoofdvoortbrengselen van het<br />

plantenrijk zijn: de Casnarinen (D 1<br />

. I, bl. 204), kokos-, sago-,<br />

lontar- en (/eian^-palmen op alle eilanden; ijzerhout, kajoemejrah-,<br />

kajoe-poeti/i-hoomen en suikerriet, vooral op Timor;<br />

sapan-hout en wilde kaneel, op Flores en Timor; sandelhout, op<br />

Soemba en Timor; en van de cultuurgewassen: djagoeng, rijst,<br />

(') JL'XCHI'HN, Java, enz. Afd. II, Hoofdst. 111, bl.1203.


501<br />

gierst, tarwe, tabak, katoen, kaneel en hengkoedoe (roode verwstof),<br />

aard- en peulvruchten, en velerlei groenten, fruiten en boomvruchten.<br />

In het Portugesche gedeelte van Timor is onlangs de<br />

gedwongene koffij-cultuur ingevoerd.<br />

Het dierenrijk, waarin de groote en verscheurende soorten<br />

ontbreken, heeft: buffels, schapen, geiten, herten, zwijnen, wilde<br />

katten, weinig apen, slangen, krokodillen, leguanen, eene<br />

menigte vogelsoorten, waaronder hoenders, duiven, papegaaijen<br />

en de boeroeng lawit, visschen, vele walvisschen, baaijen, tripang,<br />

schildpad, en parel-oesters, de laatsten aan de Zuidkust van Timor.<br />

Vooral verdienen ook vermelding de paarden van een klein doch<br />

zeer goed ras, welke op al de grootere eilanden gevonden worden;<br />

en van de insecten, honigbijen en witte mieren.<br />

Het delfstoffenrijk is alleen op Timor eenigzins onderzocht en<br />

levert daar: koper, ijzer-ertsen, eenig goud, steenkolen, aardolie,<br />

zwavel, klipzout, toetssteen en slijpsteencn.<br />

§ 2. Bestuur, regts- en krijgswezen; handel en<br />

scheepvaart. Bevolking.<br />

Bestuur, regts- en krijgswezen.<br />

Het burgerlijk bestuur wordt uitgeoefend door eenen Eesident,<br />

die te Koepang op Timor gevestigd is en bijgestaan wordt door<br />

eenen Secretaris, die tevens Kashouder is en als Notaris, Vendumeester<br />

en Ambtenaar van den burgerlijken stand fungeert.<br />

Aan hem ondergeschikt zijn: de Gezaghebber vanBeloe(Midden-<br />

Timor) en de Posthouders te Fialarang, Babauw, Parilti en<br />

Amarassi, allen op Timor; de Gezaghebber der Solor-eilanden,<br />

gevestigd te Larantoeka op Mores, en de Posthouders op de<br />

eilanden Solor, Rotti, Savoe en Allor. Het onmiddellijk Gouvernements-grondgebied<br />

bepaalt zich tot eene kleine uitgestrektheid<br />

in het Zuid-Westen van Timor; overal elders doet ons bestuur<br />

zich slechts middellijk gelden door de Inlandsehe Vorsten en<br />

Hoofden , en berust het op dc met dezen aangegane contracten.<br />

De Europeanen en daarmede gelijkgestelden in deze Residentie<br />

staan wegens belangrijke zaken te regt voor den Raad van<br />

Justitie te Soerabaja. Zaken van minder gewigt van Europeanen<br />

worden afgedaan door het Residents-geregt (den Resident);


502<br />

die van Inlanders, welke Gouverneinents-onderdanen zijn, door<br />

eenen Landraad, zamengesteld uit den Eesident als Voorzitter,<br />

den Secretaris der Eesidentie als Griffier, twee Europesche leden,<br />

twee Inlandsehe Hoofden en den P/jaksa. De regtspleging over<br />

Inlanders buiten het Gouvernements-grondgebied is aan hunne<br />

eigene Vorsten en Hoofden overgelaten, behoudens het verbod<br />

om martelende of verminkende straffen op te leggen.<br />

De krijgsmagt bestaat uit eene garnizoens-kompagnie Infanterie<br />

te Koepang, waarvan detachementen zijn te Atapoepoe op<br />

Timor's Noord-Westkust en te Larantoeka op Mores. Voorts<br />

heeft men op Timor het corps Mardijkers O, en de schutterij uit<br />

Europeanen en hunne afstammelingen zamengesteld; en ook<br />

zijn verschillende Vorsten volgens de met hen geslotene contracten<br />

tot het leveren van hulptroepen verpligt. Het corps Papangers,<br />

bestaande uit Boeginezen, Maleijers, Javanen, Eottinezen, enz.,<br />

dat 250 man sterk doch ongewapend is, kan niet tot de krijgsmagt<br />

gerekend worden; het verrigt nachtwachts-dienst in de hoofdplaats<br />

Koepang.<br />

Handel en scheepvaart; finantiéele uitkomsten.<br />

Omtrent den handel zijn geene officiëele opgaven bekend dan<br />

alleen van Koepang, en niet later dan over het jaar 1856. De<br />

uitvoer bestaat hoofdzakelijk in sandelhout, was, paarden, tripang,<br />

schildpad en vogelnestjes; de invoer in vuurwapenen, kruid,<br />

sterke dranken, lijnwaden, glas-koralen, parange en messen, en<br />

Javaansch blik- en koperwerk. Alle vaartuigen van Nederiandsch-<br />

Indische zeebrieven of jaarpassen voorzien mogen op de verschillende<br />

havens van Timor handel drijven; evenwel worden<br />

alleen te Koepang en te Atapoepoe inkomende regten geheven,<br />

hetgeen aan den handel dier plaatsen niet bevorderlijk is. De<br />

handelsbeweging te Koepang in het jaar 1856 wordt vo<strong>org</strong>esteld<br />

in de volgende tabel.<br />

(') Eigenlijk Mardahéka, dat is Vrije lieden. Dit Corps beslaat sedert 1749<br />

en is zamengesteld uit de afstammelingen van een aantal slaven, die zich in<br />

dat jaar bij een gevecht tegen de Portugezen bij Penfueïk bijzonder verdienstelijk<br />

hebben gemaakt, daarom vrijgelaten en tot eene afzonderlijke krijgsbende<br />

gemaakt zijn; later zijn daar ook vrijgeboren Inlanders bijgevoegd.


503<br />

Vaartuigen en lasten. , Totaal.<br />

Haven. TTTP 7~ " Waarde van<br />

E A R O<br />

P; 1<br />

L N<br />

Lanen. V .Lasten.- i«.„„ in-en uitvoer,<br />

M s l e n<br />

getuigd .getuigd - tuigen. Lasten.<br />

Lang. 40 56291 32 221 72 5850 ƒ124828<br />

Koepang. \<br />

jVerlr. 38 55921 32 221 70 5818 ƒ58183<br />

In de waarde van den uitvoer vertoont zich in dat en de twee<br />

vo<strong>org</strong>aande jaren eene belangrijke vermindering bij vroeger.<br />

In 1853 bedroeg die ruim ƒ152000, en dat was ook het gemiddeld<br />

bedrag der acht vo<strong>org</strong>aande jaren; de oorzaak van die<br />

vermindering wordt niet opgegeven. De gemiddelde waarde van<br />

den invoer heeft weinig verandering ondergaan.<br />

Ook de algemeene linanticele uitkomsten dezer Eesidentie<br />

worden in den laatsten tijd ongunstiger. In 1857, het laatste<br />

jaar waaromtrent die uitkomsten officieel zijn publiek gemaakt,<br />

bedroegen de baten/54736:19 en de lasten ƒ 126327:39; er was<br />

dus een nadeelig verschil van ƒ 71591:18; terwijl over 1856 het<br />

verlies ƒ55737:58, en over 1855 slechts ƒ 50805:10 beliep.<br />

Bevolking.<br />

Volgens het Regeringsverslag over ISbO bedroeg de bevolking<br />

der Eesidentie Timor op het einde van dat jaar:<br />

180 Europeanen,<br />

623 Chinezen,<br />

2 Arabieren,<br />

6341 Inlanders in de Gouvernements-landen op<br />

Timor,<br />

1840000 Inlanders buiten de Gouvernements-landen,<br />

naar gissing.<br />

te zamen 1847146 zielen.<br />

Hieronder waren volgens datzelfde Verslag 2697 Inlandsehe<br />

Christenen. Volgens D r<br />

. BUDDINGH (') waren er in 1855 alleen<br />

ter hoofdplaats Koepang 2450 Inlandsehe Christenen, en bedroeg.<br />

t 1<br />

) Neérlands Oost-Indië. Rehen door D>'. S. A . BUDDINGH, D'. III,.<br />

bl. 293—524.


504<br />

hun getal op Timor 3320, terwijl dat op Botti op 7000 geschat<br />

werd; doch volgens den Zendeling-leeraar DONSELAAR0), wien<br />

men niet verdenken kan dat hij het getal Christenen te gering<br />

zal hebben opgegeven, bedroeg de Christen-gemeente te Koepang<br />

m 1862 slechts 614 zielen, waaronder bijna 200 Europeanen of<br />

Kleurlingen, terwijl in de nabuurschap van de. hoofdplaats nog<br />

373, en in de andere gemeenten 1041 Inlandsehe Christenen<br />

werden gevonden, zoodat de gezamenlijke Christen-bevolking<br />

van dit gedeelte van Timor slechts ruim 2000 zielen telde; en<br />

volgens denzelfden Schrijver bedroeg het getal Christenen op<br />

Botti nog geen duizend. ( 2<br />

)<br />

Bij alle hierboven vermelde cijfers valt op te merken dat<br />

daaronder niet begrepen zijn de bewoners van het Portugesche<br />

gedeelte van Timor, en dus onder de Christenen ook niet dc<br />

Eoomsch Katholijken, die in dat deel des eilands gevonden<br />

worden.<br />

De schatting van het getal der Inlanders buiten de Gouvernements-landen<br />

zullen wij, niet wetende op welke gronden zij<br />

steunt, in hare waarde laten en bij elk afzonderlijk eiland de<br />

sterkte der bevolking opgeven, voor zooverre wij die in andere<br />

bronnen vermeld vinden. Volgens MELVILL ( 3<br />

) bedroeg in 1849<br />

de geheele bevolking der Residentie slechts 1057800 zielen;<br />

en in 1846 werd zij door hem geschat op 1009000 zielen W,<br />

terwijl de bevolking van alle hier bedoelde eilanden, met geheel'<br />

Timor en geheel Mores toen door hem gesteld werd op 1574000<br />

zielen. Bij de twee eerstgemelde cijfers valt echter op te merken<br />

dat ten gevolge van het in 1859 met Portvgal gesloten tractaat<br />

de grenzen van ons gebied verandering hebben ondergaan.<br />

Eene algemeene beschrijving der bevolking is bezwaarlijk te<br />

geven, omdat zij uit zeer verschillende bestanddeelen is zamengesteld.<br />

Behalve de Chinezen toch bevinden er zich eene menigte<br />

andere vreemde Oosterlingen, als Bimanezen, Boeginezen, enz.,<br />

die in het Begeringsverslag onder de algemeene benaming van<br />

O Bel Inlandsehe Christendom en Schoolwezen op Timor. in 186!<br />

door W. M. DOXSELUR ; in de Mededeelingen van wege het Nederlandsche<br />

Zendelinggenootschap, D'. VIII, bl. 24.<br />

( 2<br />

) t.a.p. bl. 52.<br />

( 3<br />

) Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Netrl. Indië, 1849.<br />

i*) Uoniteur des Indes, 1846—1847.


505<br />

inlanders zijn zamengevat, en ook hier en daar met de eigenlijke<br />

Inboorlingen zijn vermengd. Deze laatsten behooren tot den<br />

Alfoerschen stam en komen, wat de hoofdtrekken aangaat, in<br />

voorkomen en levenswijze met de andere vertakkingen van dien<br />

stam overeen. Op sommige eilanden wordt echter ook eene<br />

kroesharige bevolking aangetroffen, die dus sporen van verwantschap<br />

met het Negriten-ras vertoont of misschien wel geheel<br />

daartoe behoort. In het algemeen valt hier op te merken dat<br />

de Inboorlingen van Timor in beschaving bij die der kleinere<br />

meer Westwaarts gelegene eilanden achterstaan.<br />

Eene afzonderlijke vermelding verdienen de zoogenaamde<br />

Zwarte Portugezen, die te Larantoeka in het Noord-Oosten van<br />

Mores en in het landschap Oi/wessi op Timor's Noord-Westkust<br />

worden aangetroffen, en wier oorsprong van het begin der 17 LLC<br />

eeuw dagteekent. Zij zijn Eoomsch Katholijkc Christenen en<br />

stammen af van Portugezen en Inlandsehe vrouwen, die zich<br />

aanvankelijk te larantoeka vereenigden onder het bestuur van<br />

den Portugees JOHAN of GONSALVO D'ORNAY. Deze verplaatste<br />

zich vervolgens met een gedeelte van zijne onderhoorigen naar<br />

Oikoessi, huwde daar met eene dochter van den Vorst van het<br />

naburige landschap Ambenoe, en werd door het Portugeesch<br />

bestuur van Goa erkend als Opperhoofd van Oikoessi en omstreken,<br />

onder den titel van Teninti Generaal. Eenige jaren lateivestigde<br />

zich daar een ander Portugees, DA COSTA genaamd,<br />

die insgelijks met eene Prinses van Ambenoe huwde, en wiens<br />

zoon zich bij den dood van den toen regerenden D'ORNAY in het<br />

bestuur wist te dringen. Sedert dien tijd wordt tot heden de<br />

waardigheid van Teninti Generaal in het nog aan Portugal behoorende<br />

landschap Oikoessi beurtelings door een afstammeling<br />

uit die twee geslachten bekleed. Op Mores zijn de Zwarte Portugezen<br />

thans aan het Nederlandsch gezag onderworpen. (')<br />

(>) Over de oorlogen in de n°e en 18


506<br />

TWEEDE HOOFDSTUK.<br />

HET EILAND TIMOR.<br />

§ 1. Ligging, grenzen, grootte, natuurlijke gesteldheid.<br />

Ligging, grenzen, grootte.<br />

Timor, het Oostelijkste en grootste der Kleine Soenda-eilande<br />

ligt in eene Noord-Oost- en Zuid-Westwaartsehe rigting tusschen<br />

8°20'tot 10°26'Z.B. en 123°30'tot 127°14'O.L. O<br />

Het wordt ten Westen, Zuiden en Oosten bespoeld door een<br />

gedeelte van den Indischen Oceaan, hetwelk hier de Timor-Z<br />

genoemd wordt, en ten Noorden door het Zuidelijkste gedeelte<br />

der Banda-Zee. Van Rotti wordt het gescheiden door Straat<br />

Rotti, van Samaauw door Straat Samaauw. van Allor door Str<br />

Ombai, en van Wetter door eene Straat, die, zooverre ons bekend<br />

is, geen bijzonderen naam draagt maar, met hetzelfde regt als<br />

de beide vorige, Straat Wetter kan genoemd worden.<br />

De grootte van Timor bedraagt volgens MELVILL 613 • mijlen.<br />

Eene andere, ook door VETH medegedeelde, opgave waarbij die<br />

grootte op slechts 418 • mijlen gesteld wordt, is blijkbaar veel te<br />

laag, gelijk eene oppervlakkige meting op de Kaart genoegzaam<br />

bewijst.<br />

Natuurlijke gesteldheid.<br />

Timor wordt in zijne geheele lengte door eene bergketen doorsneden,<br />

die zich bijna overal tot aan de kusten uitstrekt, in het<br />

midden des eilands hare grootste hoogte bereikt doch, zooverre<br />

bekend is, slechts op enkele plaatsen boven de 6000 v'. stijgt.<br />

Het midden-gedeelte van dit gebergte bestaat hoofdzakelijk uit<br />

kalksteen, zandsteen en thonschiefer; uit den eersten bestaan de<br />

hoogste toppen, die over het algemeen steil, zeer ruw van vorm<br />

en door diepe kloven gespleten zijn; deze toppen worden door<br />

de Inboorlingen Batoe (d. i. Batoe, rots, klip) genoemd. Meer<br />

(') ln den Algemeenen Atlos van Nederlandsch Indië is op den rand<br />

der Kaart van de Ooslerhelft der Residentie Timor in de opgave der lengtegraden<br />

eene fout van juist 20°.<br />

Volgens D'. S. MULLER, Reizen en onderzoekingen in den Indischen Archipel,<br />

ligi Timor tusschen 8°20' 15" tot 10 c<br />

22' 19"Z.B. en 125°2T24"<br />

lot 127° 0' 52" 0. L.


507<br />

(. naar de kusten gaat dit gesteente over in kalk van oudere en<br />

jongere formatie (Jura- en Muschel-kalk), en op enkele plaatsen<br />

in krijt. Over eene smalle strook aan de Noord-Westkust in het<br />

landschap Ambenoe slrekt zich een conglomeraat uit, dat nog<br />

steeds gevormd wordt uit stoffen., welke door de rivieren afgevoerd<br />

en door een kalk- en zandachtig deeg verbonden worden.. Aan<br />

sporen van vulkanische werkingen ontbreekt het op Timor niet<br />

geheel; het serpcntijn of ophite, een gesteente dat op enkele<br />

plaatsen tusschen den zandsteen voorkomt, schijnt zich slechts<br />

in vloeibaren staat naar boven te hebben kunnen dringen, en<br />

ook de aard- of bergolie, die hier en daar gevonden wordt, is<br />

een vulkanisch product; doch het bestaan van eigenlijke vulkanen<br />

is nog niet boven allen twijfel verheven, en zeker worden er<br />

geene werkende vuurbergen aangetroffen. VALENTYN spreekt van<br />

een uitgedoofden vulkaan in het Noord-Oosten des eilands; ook<br />

zegt men, dat er in het Nederlandsche gedeelte een ontdekt is.<br />

De hoogste bekende toppen zijn: de Alas, nabij de Zuid-<br />

Oostkust in het Portugesche gebied, die op 11500 v'. geschat<br />

wordt; de Lakaan, in het landschap Fialarang, het Noordelijkste<br />

van ons gebied, ongeveer 6000 v*. hoog; de Miomaffo, de<br />

Moetis en de Feli, ten Zuiden van den vo<strong>org</strong>aanden, in het<br />

landschap Sonebait, omstreeks 4500 v*.; de Timaoe of Timoe,<br />

nabij de Noord-Westkust in het landschap Amfoeang, 4000 v 1<br />

.;<br />

en de Leoe of Faioe Leoe, in het Zuid-Westen des eilands, mede<br />

ongeveer 4000 v 4<br />

. hoog.<br />

De rivieren, die ter wederzijde van de bergketen veelal met<br />

sterke kronkelingen afvloeijen, hebben natuurlijk een zeer beperkten<br />

loop en zijn, ook wanneer zij genoegzaam van water<br />

voorzien zijn, door haar sterk verval onbevaarbaar; met uitzondering<br />

van enkele, die tot op eenen geringen afstand boven<br />

haren mond voor kleine praauwen bruikbaar zijn.<br />

De belangrijkste rivieren zijn:<br />

de Koi (Rivier) Soetrana of N.Foele; zij ontspringt op den berg<br />

Miomaffo, neemt aan hare regterzijde de N. Lelo, N. Noemoele,<br />

N. Soepoe, N. Asin en andere bergstroomen op, en valt na eenen<br />

Westwaartschen loop bij Soetrana, in het Zuiden van het landschap<br />

Ambenoe, in zee.<br />

de A r<br />

. Mina; zij ontstaat uit de zamenvloeijing van de<br />

N. Nili of Koper-rivier (Regts) en de N. Noni of N. Bitoi of


508<br />

Goud-rivier (Links). Dc eerste ontspringt op den berg Neffb<br />

of Konaiki in het Oosten van het landschap Amfoeang; dc<br />

laatste op den Fatoe Leoe. Dc N. Noni vormt de Zuid-Westelijke<br />

grensscheiding van Amfoeang. en na hare vereeniging met de<br />

N. Niti is zij, onder den naam van N. Mina, de Zuidelijke grens<br />

van dat landschap, cn valt aan de Westkust in zee.<br />

de Rivier van Koepang of N. Mino, in de Zuidpunt des eilands.<br />

Zij heeft slechts een zeer beperkten, Noord-Westwaartschen loop,<br />

doorstroomt de hoofdplaats Koepang en valt daar met een wijden<br />

mond in de Baai van dien naam.<br />

De voornaamste baaijen zijn :<br />

de Baai van Koepang, in het Zuid-Westen des eilands; zij<br />

is zeer ruim en veilig, en heeft eene afwisselende diepte van<br />

6 tot meer dan 30 vadem. In deze baai liggen de kleine eilandjes<br />

P. Boeroeng, P. Tikoes en P. Kira.<br />

de Baai van Barata of Bolerata, eene ruime en vrij veilige<br />

baai in het Noorden van het landschap Koepang, tusschen de<br />

kapen Koeroes en Barata (bl. 509).<br />

de Toelang Ikan-baai, in het Noorden van het landschap<br />

Ambenoe, met eene diepte van 20 vadem, doch tegen het Westen<br />

geheel open.<br />

de Baai of liever Reede van Atapoepoe. in het Noorden van<br />

het landschap Fialarang, 25 tot 30 vadem diep, doch mede<br />

tegen het Westen geheel open.<br />

De Baai van Billi, aan de Noordkust, bij de Portugesche<br />

hoofdplaats; zij wordt voor de beste haven van Timor gehouden,<br />

hoewel het binnenzeilen voor vreemdelingen gevaarlijk is wegens<br />

de droogten, welke zich aan beide zijden bevinden.<br />

Daarenboven biedt vooral de Noord-Westkust eene menigte<br />

geschikte reeden en ankerplaatsen aan, waarvan door handelaren<br />

menigvuldig gebruik wordt gemaakt om het betalen der inkomende<br />

regten te Koepang en Atapoepoe te ontduiken.<br />

Aan Kapen is het eiland zeer rijk. De voornaamste met name<br />

bekende zijn :<br />

aan de Noord-Westkust:<br />

T. Moubara, op 8° 38' Z.B.<br />

T. Parimbata, op 8°43'.<br />

T. Batoe Gedeh, op 8° 57'.<br />

Deze drie zijn op Portugeesch grondgebied.


508<br />

T. Atapoepoe, op 8° 5 8' Z.B.<br />

T. Batoe Boetih, op 8° 59'.<br />

Kaap Hornay, ten Noorden van de Toelang Ikan-baai, op 9° 11'.<br />

T. Batoe Mejrah, ten Zuiden van dezelfde baai, op 9° 17'.—<br />

4° Zuidelijker ontlast zich de N. Soetrana.<br />

aan de Westkust:<br />

T. Gemok of Varkenshoek. op 9° 28'Z.B.<br />

T. Mae, op 9° 36'. Nagenoeg in het midden tusschen deze<br />

beide Kapen ontlast zich de N. Mina.<br />

T. Koeroes, op 9°47'aan den Noordelijken ingang van de<br />

Baai van Barata.<br />

T. Barata of Bolerata, op 9° 53', aan den Zuidelijken ingang<br />

van evengenoemde baai.<br />

T. Sitfiana of Kabaka, op 9° 56'.<br />

T. Pakoela, aan den Noordelijken ingang van de Baai van<br />

Koepang, op 10° 4'.<br />

T. Balmoetoeng. aan den Zuidelijken ingang van dezelfde baai,<br />

op 10° 11'.<br />

aan de Zuid-Oostkust:<br />

T. Oisina, de Zuidelijkste punt des eilands, op 10° 26' Z.B.<br />

T. Batoe Poelih, op 10° 17'.<br />

T. Noi Mina, op 10° 5', waar zich ook een klein riviertje<br />

van denzelfden naam ontlast. Tusschen de beide laatstgenoemde<br />

Kapen liggen op geringen afstand van de kust parelbanken.<br />

De Noord-Oostpunt, in het Portugesche gebied, op 8° 24'Z.B.<br />

en 127° 14' O.L.<br />

De luchtsgesteldheid en de belangrijkste voortbrengselen van<br />

Timor zijn reeds vermeld op bl. 500.<br />

\ 2. Staatkundige verdeeling, bestuur, voornaamste<br />

plaatsen.<br />

Verdeeling in Nederlandsen en Fortugeesch grondgebied.<br />

De kleinste Noordelijke helft van Timor met het daarbij gelegene<br />

P. Kambing is thans de eenig overgeblevene bezitting der<br />

Portugezen in den Indischen Archipel. De juiste grenzen tusschen<br />

hun grondgebied en het onze zijn eerst vastgesteld bij een tractaat,<br />

gesloten te Lissabon den 20 April 1859, en afgekondigd in het<br />

Nederlatidsch Staatsblad van 1860, n°. 56 (Lndisch Staatsbl., n°.101).


510<br />

Die grenzen zijn: ten Noorden de grenzen, welke Cova (Korea)<br />

van Jnanilo (Bjeoniloe of Djenilo) afscheiden, en ten Zuiden<br />

die welke Suai (Soai) van Lakecune (Lakekoene) afscheiden; dat<br />

is op de Noord-Westkust op 9°, en op de Zuid-Oostkust op<br />

omstreeks 9° 40'Z.B. Tusschen deze punten volgt de grens, in<br />

eene zeer onregelmatige lijn, de grenzen der tegen elkander<br />

liggende Nederlandsche en Portugesche staten. Deze staten of<br />

landschappen zijn van het Noorden af, op Nederlandsch grondgebied:<br />

Juanilo (Djenilo), Silawang, Fialarang, Lamaksanulu<br />

(Lamaksanoeloe), Lamakané, Nailimu (Naitimoe), Manden, Dirrua<br />

en Lakecune (Lakekoene); en op Portugeesch grondgebied: Cova<br />

(Kowa), Balibo, Lamakilu (Lamakitoe), Tafakai, TatumeaW,<br />

Banken, Dacolo (Dakoio), Tamiru Eulalang en Suai (Soai). Al wat<br />

ten Westen van die grenzen ligt is erkend als Nederlandsch, en<br />

al wat ten Oosten er van ligt als Portugeesch gebied, met uitzondering<br />

van twee enclaves ; namelijk: het landschap Maukatar<br />

of Kaloeninéne, hetwelk Nederlandsch blijft en geënclaveerd is<br />

tusschen de Portugesche gewesten Lamakitoe, Tanterine, Follafoix<br />

(Follefait) en Soai; en de landschappen Oikoessi, Noimoeti en<br />

Ambenoe (het laatste voor zooverre daar tot op het sluiten van het<br />

tractaat de Portugesche vlag werd gevoerdt 2<br />

)), welke Portugeesch<br />

blijven en geënclaveerd zijn tusschen de Nederlandsche gewesten<br />

Am/oeang, Sonebait, Natimoe, Loro-Beboki en lusana.<br />

Van alle aanspraken op eenig ander der Kleine Soenda-eHanden<br />

of gedeelten daarvan is bij hetzelfde tractaat afstand gedaan<br />

door Portugal, hetwelk daarvoor van Nederland eene schadevergoeding<br />

ontvangen heeft ten bedrage van ƒ200000.<br />

Enkele bijzonderheden omtrent het Portugesche gedeelte<br />

van Timor. ( s<br />

)<br />

Het gedeelte van Timor, ten Noorden van de hierboven opgegevene<br />

grenzen, is ten allen tijde bijna geheel onder Portugeesch<br />

(') De Kaart van VERSTEEG heeft, zoo wij meenen, teregt Fatoemea of<br />

Fatoemei.<br />

( 3<br />

) Derhalve is Soetrana, nabij de Zuidelijke grens, waarschijnlijk Neder­<br />

landsch gebleven, dewijl daar sedert 1817 de Nederlandsche vlag gevoerd is.<br />

( 3<br />

) De belangrijkste ons bekende bijdrage tol de kennis van dit gedeelte<br />

van Timor is de Résumé historique de l'établissement Portugais d Timor,<br />

door den legenwoordigen Gouverneur AFFONSO DE CASTRO geplaatst in hel<br />

Tijdschrift voor Indische taai-, land- en volkenkunde, üb XI, bl. 465.


511<br />

gebied geweest, en aan de Nederlanders is daarvan slechts zeer<br />

weinig bekend. Behalve de straks genoemde grensgewesten zijn<br />

langs de Noord-West- en Noordkust de voornaamste bekende<br />

landschappen : Batoe Gedeli, grenzende aan Koioa; Monbara, dat<br />

vroeger eene Nederlandsche bezitting was, doch die ons sedert<br />

vele jaren door de Portugezen werd betwist en bij het tractaat<br />

definitief aan hen is afgestaan; Manatoetoe of Mantotte; Lamsana;<br />

en Laga. In het Noord-Oostelijke gedeelte des eilands strekt<br />

zich, ook over het binnenland, het voormaals groote rijk Loeka<br />

uit, dat echter thans (even als wij dit later omtrent andere rijken<br />

zien zullen) in een groot aantal kleine staatjes gesplitst is, wier<br />

Vorsten bf geheel niet meer of nog slechts flaauw de suprematie<br />

van den Lio-Bai of Keizer van Loeka erkennen, wiens eigen<br />

gebied nu tot eenen kleinen omvang beperkt is. (')<br />

De hoofdplaats der Portugezen is Billi, Belhi of Bellei,<br />

gelegen op de Noordkust op 125° 38' aan eene baai, die de<br />

beste haven van het eiland schijnt te zijn, en door een fort<br />

beschermd. Het is de Residentie van den Gouverneur, en eene<br />

niet zeer welvarende handelplaats, die den naam heeft van zeer<br />

ongezond te zijn. Behalve enkele steenen gebouwen zijn de huizen<br />

van hout en met bladeren gedekt. Het garnizoen is klein en<br />

bestaat voor een goed gedeelte uit Inlanders en Zwarte Portugezen;<br />

het wordt gekommandeerd door een Kolonel. —, In den omtrek<br />

van Billi liggen uitgestrekte steenkolen-lagen.<br />

(') DE CASTRO zegt dat het Portugesche gebied acht-en-veertig staatjes telt,<br />

namelijk: Ambeno, Alias, Alsube, ISibtluto, Bibieo, Barique, Balibo,<br />

Boiboti, iiibissiipo, Lairichi, Ldiman , Lailaco, Looa, Lulubaba, Denbate,<br />

Dailor, Dóte, Tunar, Tuüacnr, Taluró, Tulumurló, Toulan, Hira, Hermèra,<br />

Lacló, Laicure , Lalcia, Lucluta, Limian, Liquicu, Laclubar, Luca,<br />

Manalutn, Molnhes, Moulmra, Manufdc, Hahubo, ükussi, Raimean,<br />

larau, Suai, Saniro, Turiscae, Sululuro, Venilale, Viqucque en Vemasse.<br />

In hoeverre deze, grootendeels alfabetische, opgave juist is kunnen wij niet<br />

beslissen; maar het valt dadelijk in het oog dat zelfs de meeste der in het<br />

Tractaat vermelde grensgewesten er niet in voorkomen.<br />

Overigens vermoeden wij in deze opgave, waarschijnlijk ten gevolge van<br />

onduidelijk schrift, eenige drukfouten : Lairichi, Laiman, Lailaco, Lova en<br />

Lutubnba, zal moeten zijn : Cairichi, Cnnnan, Cailaco, Cova en Cutububa:<br />

voor Tunar, Tuilacar, Taluró, TatUmarió en Toulan, zal moeten gelezen<br />

worden : Funar, Fuilacar, Faturó , Fulurnartó en Foulan; Larau moet<br />

misschien Sarau zijn, en Manufuc zeker iianufai.— Vemasse of Waimassoi<br />

draagt ook den naam van Adé of Adi.


512<br />

Voorts zijn de belangrijkste plaatsen:<br />

langs de Westkust:<br />

Soetrana (zie bl. 510, Noot ( 2<br />

)), Oinoenoe, Batoe Mejrah en<br />

'Hoelang Ikon, allen in bet landschap Ambenoe^; Oikoessi, Lifouie<br />

en Mena, in het landschap Oikoessi^; Batoe Gedeh en Monhara,<br />

in het Noordelijke gedeelte,<br />

langs de Noordkust:<br />

Melinaroe, Manatoeloe, Lamsana, Laga, Asserao, Laoling,<br />

Ouie en Laimode.<br />

Dc voornaamste voortbrengselen van den landbouw zijn:<br />

djagoeng, rijst en thans ook koffij. De artikelen van uitvoer zijn<br />

vooral sandelhout, paarden en was; van deze en alle andere<br />

voorwerpen moeten uitgaande rcgten betaald worden , ten bedrage<br />

van 5 pC'. van de waarde. Niet-Portugesche vaartuigen mogen<br />

nergens anders dan te Billi handel drijven; aan hen is verboden<br />

de invoer van kruid, wapenen, zout, zeep, sterke dranken,<br />

blaauwe lijnwaden, ijzerwerk, kleedingstukken en eenige andere<br />

voorwerpen, van welke het monopolie is overgelaten aan eene<br />

te Billi opgerigte handelmaatschappij. Goederen van vreemden<br />

oorsprong en met vreemde schepen ingevoerd betalen een inkomend<br />

regt van 24 pC; die van Portugeschen oorsprong een<br />

regt van 15 tot 20 pO.<br />

De sterkte der bevolking van dit gedeelte des eilands is in<br />

Portugesche opgaven wel eens op 900000 zielen gesteld; een<br />

cijfer, dat buitensporig veel te hoog is, althans als men eenige<br />

waarde hecht aan alle andere opgaven, waaronder wij er geene<br />

hebben gevonden, die de bevolking van geheel Timor hooger<br />

dan 800000 zielen schat. DE CASTRO, hoewel erkennende dat<br />

(') Het landschap Ambenoe grenst ten Zuiden aan de Nederlandsche gewestén<br />

Amfoeang en Sonebait, van welk laatste het gescheiden wordt door<br />

de rivier Noi Foele (bl. 501), cn ten Noorden aan de Portugesche gewesten<br />

Oikoessi en Noimoeti. Het heeft nagenoeg den vorm van eenen driehoek,<br />

welks basis is de kust, van een weinig len Zuiden van de rivier Soetrana<br />

tot aan Kaap Bornaij (bl. 509), en welks tophoek eindigt in den diep in het<br />

binnenland gelegenen berg iliomaffo.<br />

{•) Oikoessi wordt ten Zuiden door Ambenoe begrensd, ten Oosten door<br />

Noimoeti, en ten Noorden door de Nederlandsche gewesten Loro-Beboki<br />

en lnsana. Noimoeti grenst mede ten Zuiden aan Ambenoe, ten Westen aan<br />

Oikoessi en Insaiiu, en ten Noorden en Noord-Oosten aan de Nederlandsche<br />

gewesten Lidak en Noilimoe.


513<br />

verscheidene staatjes zeer weinig bekend zijn, verklaart dat men<br />

zelfs met de ruimste berekening de bevolking van Portugeesch<br />

Timor niet tot 150000 zielen brengen kan; en dat, daar dit gedeelte<br />

sterker bevolkt is dan het Nederlandsche, het zielental<br />

van het geheele eiland geene 300000 kan bedragen. De bijzonderheden<br />

omtrent deze bevolking zullen hieronder met die<br />

van het geheele eiland worden behandeld.<br />

P. Kambing, dat geographisch tot de Wetter-groep gerekend<br />

wordt, ligt op 125° 37' O.L. en 8° 15' Z.B. regt tegenover de<br />

Portugesche hoofdplaats Billi en omstreeks vijf mijlen daarvan<br />

verwijderd. Het is een zeer klein, heuvelachtig eiland, dat zijne<br />

waarde alleen schijnt te ontleenen aan zijne ligging, die het tot<br />

den sleutel van Billi zoude kunnen maken, waarom ook Portugal<br />

bij het tractaat van 1859 geweigerd heeft het aan Nederland<br />

af te staan. De weinig talrijke bevolking wordt gezegd zeer<br />

woest te zijn en zich te kleeden met de huiden der herten of<br />

geiten, welke het eiland in menigte oplevert.<br />

Hoezeer het bestuur over de Portugesche bezittingen is op­<br />

gedragen aan eenen Gouverneur, oefent deze inderdaad alleen<br />

gezag uit te Billi, Batoe Gedeh en Manatoetoe; overal elders<br />

berust dit bij de Badja's, of eigenlijk bij de Ballo's {Batoe's?),<br />

aan wie ook de regtspleging geheel is overgelaten. De Radja's<br />

of Vorsten worden in elk staatje door de Itijksgrooten uit het<br />

regerend stamhuis gekozen en door den Gouverneur bevestigd,<br />

bij welke gelegenheid zij den rang en titel van Kolonel verkrijgen'<br />

die ook aan de regerende Vorstinnen gegeven worden. Elk staatje<br />

is verdeeld in Succo's (Soekoe's), aan wier hoofd de Ballo's staan,<br />

die de bevelen van den Radja ontvangen door middel van den<br />

Luitenant Kolonel des Rijks (Minister?) doch daaraan slechts<br />

gevolg geven voor zooverre zij goed vinden en inderdaad een<br />

willekeurig gezag uitoefenen. Overigens hebben alle rijksbe­<br />

ambten militaire rangen, en de Vorstelijke personen ook dikwijls<br />

den Portugeschen adellijken titel Bon.<br />

Oikoessi, de hoofdzetel der Zwarte Portugezen, schijnt niet<br />

onder het bestuur van den Gouverneur van Billi maar alleen<br />

onder dat van den Teninti Generaal te staan (bl. 505); het<br />

voert echter de Portugesche vlag en erkent het oppergezag van<br />

dat rijk.<br />

tt 35


514<br />

Alle aan Portugal onderhoorige rijkjes zijn verpligt tot het<br />

opbrengen van eene jaarlijksche schatting, jinta geheeten.<br />

De geregelde troepen bestaan uit het boven vermelde garnizoen<br />

van BUIL, 130 man sterk, waaronder 60 Europeanen, van welke<br />

er 20 Artilleristen zijn. Voorts heeft men te Billi, Batoe Gedeh<br />

en Manatoetoe corpsen ongeregelde troepen, Moradores genaamd,<br />

op de hoofdplaats 600 op de beide andere ongeveer 70 man<br />

sterk. Het zijn Timorczcn, op de inlandsehe wijze gekleed en<br />

met geweren gewapend. De Kommandanten dezer drie corpsen,<br />

die even als hunne andere Officieren door den Gouverneur benoemd<br />

worden, hebben den rang en uniform van Portugeesch<br />

Majoor. Deze troepen betrekken de wachten, doen politie-diensten<br />

en kunnen ook in geval van nood mobiel gemaakt worden; zij<br />

zijn zeer slecht afgerigt cn gedisciplineerd.<br />

Voorts is li elk staatje een corps ongeregelde troepen, die<br />

op dezelfde wijze gekleed en gewapend zijn, maar geen bepaalden<br />

naam dragen. Zij doen in tijd van vrede geene dienst, behalve<br />

dat zij tot lijfwacht dienen bij den Gouverneur wanneer deze<br />

zoodanig rijkje bezoekt.<br />

Het Nederlandsche gedeelte van Timor.<br />

Het aan Nederland onderhoorige gedeelte van Timor is te<br />

onderscheiden in het Gouvernements-grondgebied en het Grondgebied<br />

der Inlandsehe Forsten.<br />

a. Het Gouvernements-grondgebied.<br />

Het Gouvernements-grondgebied bevat het grootste gedeelte<br />

van het voormalige rijk van den Eadja of Vorst van Koepang,<br />

in 1613 door dezen met zijne hoofdstad aan de O. I. Compagnie<br />

afgestaan. Het is eene niet zeer breede strook lands rondom de<br />

Baai van Koepang, langs de kust zich uitstrekkende van T. Koeroes<br />

tot aan Bolk, eene Rottinesche volkplanting tegenover het midden<br />

van Straat Samaauw op 10° 17' Z.B., en binnen 's lands begrensd<br />

door de landschappen of staatjes Takaip, Manoebail, Amabi,<br />

Amarassi en het overschot van het eigen gebied van den Vorst<br />

van Koepang, hetwelk zich bepaalt tot een klein gedeelte van<br />

Timor's Zuidpunt! 1<br />

). In het Zuiden van dit Gouvernements-<br />

(') Dal, behalve dit kleine gedeelte gronds op Timor, ook het eiland Samaauw<br />

eene onderhoorigheid van den Radja van Koepang is zal later blijken.


— 'limor (September.) Ojrer het algemeen was de gezondheidstoestand<br />

naar we-seh. /cC'f<br />

Op sommige plaatsen heerschte gebrek aan het hoofdvoedsel<br />

der bevolking, djagong; voor hongersnood bestond echter geen<br />

vrees, want daar, waar djagong ontbrak, werden boomvruchten<br />

gegeten.<br />

In het gebied van Amarssi deed de behoefte aan djagong zieh<br />

nog al njjpend gevoelen, en kwam aldaar een kind om. ten<br />

gevolge van hot bezigen van schadelijk voedsel. Ken 50tal pikols<br />

djagong werd van wege het bestuur naar die landstreek gezonden,<br />

om te voorzien in de dringenste behoefte.<br />

Amania Djawa oesprak met den resident de wenscheljjkheid<br />

om in lijn rijk eeno volksverhuizing te bewerkstelligen , ten einde<br />

aan een duizendtal werkbare mannen , die wegens overbevolking<br />

van zijn land daar geene gronden ter bebouwing vinden kunnen,<br />

elders arbeid en een middel van bestaan te verschaffen.<br />

Kerst wilde genoemde radja deze volksverhuizing naar Soemba<br />

doen geschieden, doch na r'rjp beraad met den resident werd de<br />

landstreek Paritti als bestemmings-plaata voor deze 1000 landverhuizer?<br />

gekozen, en werd bepaald , dat ter regeling van deze<br />

zaak , de resident met den radja Amania Djawa , op een nader<br />

te bepalen tijdstip , een bezoek aan deze landstreek zouden brengen.<br />

Dit oord, hoezeer schoon en kennelijk vruchtbaar, is tot dus<br />

ver onbebouwd en verlaten, en de vo<strong>org</strong>enomen landverhuizing<br />

zou dus zeer wenschelijk zijn, vermits zij het uitzigt zou openen<br />

dat genoemde landstreek daardoor to eoniger tijd tot een gewenschtcn<br />

trap van welvaart zou kunnen gebragt worden.<br />

— Sumatra's Westkust. De koffijkultuur levert dit jaar een<br />

bijtonder gunstigen oogst op, vooral in de residentie Padangsche<br />

bovenlanden.


515<br />

grondgebied zijn echter nog kleine stukken gronds ter bewoning<br />

afgestaan aan eenige Vorsten, die naauwer dan andere met het<br />

Gouvernement verbonden zijn, zoo als de Radja's van Amfoeang,<br />

Amabi, Taibenoe en Fonai. Ook heeft de Vorst van het rijk<br />

Sonebaii hier in eigendom de gewcstjes Oepoera en Bakenassi,<br />

gewoonlijk te zamen Klein Sonebait geheeten; hij zelf houdt<br />

hier echter niet zijn verblijf, maar wel doen zulks enkele leden<br />

van zijne familie. Voorts zijn hier ook nog gevestigd eenige<br />

Hoofden van de eilanden Rotti, Savoe en Solor, om het toezigt<br />

te houden over hunne onderhoorigen, die in het eerste vierde<br />

gedeelte dezer eeuw door den Eesident HAZAART als volkplanters<br />

hierheen werden overgebragt tot bewaking der grenzen<br />

tegen mogelijke strooperijen van vijandig gezinde ïimorezen,<br />

tot het bebouwen der hier gelegene voor de rijstteelt uitnemend<br />

geschikte gronden, en tot het verrigten van sommige andere<br />

diensten.<br />

De bevolking van dit gebied wordt gerekend op ruim 7000<br />

zielen, waaronder omstreeks 4000 inboorlingen van de zoo even<br />

genoemde eilanden, eenige honderden Chinezen, en een honderdtal<br />

Europeanen. Ongeveer 2000 hunner zijn Christenen, die de<br />

Hervormde godsdienst belijden (vergel. bl. 504); daaronder behooren<br />

ook de hier gevestigde Radja's en verdere Hoofden. In<br />

beschaving munt dit gedeelte der bevolking ver boven de overige<br />

Ti morezen uit.<br />

Het bestuur berust regtstreeks bij den Resident van Timor en<br />

onderhoorigheden, die tevens Voorzitter van den Landraad is en<br />

bijgestaan wordt door eenen Secretaris, een of meer Kommiezen,<br />

en Posthouders te Babauio en te Barilli.<br />

De hoofdplaats Koepang of Timor Koepang ligt aan de Zuidzijde<br />

der Baai van Koepang, grootendeels in eene vlakte en gedeeltelijk<br />

op de hellingen der omringende heuvels of bergen, en wordt<br />

door de rivier van denzelfden naam doorsneden. Zij heeft eene<br />

bevolking van ongeveer 3500 zielen, waaronder 100 Europeanen,<br />

500 Chinezen en een groot aantal Solorezen en Savoerezen; het<br />

aantal inlandsehe Christenen bedraagt nagenoeg 400. Aan de<br />

linkerzijde van den mond der rivier ligt het fort Concordia, dat<br />

in vervallen staat is en eene bezetting heeft van ongeveer 40 man;<br />

de ligging van dit fort, dat door het omringende gebergte<br />

geheel beheerscht wordt, schijnt ongelukkig gekozen te zijn.


516<br />

Hooger op wonen tan dezelfde zijde hoofdzakelijk alleen Inboorlingen<br />

en Savoerezen. Aan de regterzijde van den mond der rivier<br />

strekt zich langs de Baai eerst de kampong der Chinezen met hun<br />

tempel, dan die der Solorezen uit; op eenigen afstand achter dc<br />

eerstgenoemde ligt het Europesche gedeelte der stad, waarin het<br />

Residentie-huis, de Protestantsche Kerk en eene Gouvernements<br />

lagere school met een Nederlandschen onderwijzer gevonden worden.<br />

Daar achter staat op eenigen afstand de moskee, hoofdzakelijk<br />

ter dienste der Solorezen en andere vreemdelingen. Voorts heeft<br />

men te Koepang nog twee Maleische scholen voor Inlanders, in<br />

1834 gesticht; ook is er een Agentschap der Soerabajnsche Weesen<br />

Boedelkamer. De huizen zijn deels van hout deels van steen<br />

gebouwd en met aiap gedekt; slechts^y#yijgen hebben pannen<br />

daken; hun voorkomen getuigt over het algemeen niet van groote<br />

welvaart. De gewone taal der zamenleving is het Maleisch.<br />

De reede van Koepang is in den Westmoeson onveilig, zoodat<br />

er dan slechts weinig handel gedreven wordt. Overigens zie men<br />

over den handel aldaar, bl. 502.<br />

Oica of Oba, Obsapa, Manili, Batoe Boetik en Taroes liggen<br />

Noord-Oostwaarts van Koepang langs dc Baai; zij zijn grooten­<br />

deels bevolkt met Rottinezen, die er den rijstbouw uitoefenen.<br />

Hetzelfde is het geval met<br />

Balautc, dat iets meer landwaarts in aan de Oostzijde der<br />

Baai op 18 palen afstands van de hoofdplaats ligt en jaarlijks<br />

gemiddeld 3000 pikols rijst oplevert. Het heeft eene bevolking<br />

van ruim 2000 zielen en is de verblijfplaats van eenen Neder­<br />

landsehen Posthouder. Een goede rijweg loopt van Koepang over<br />

de zoo even genoemde plaatsen naar Babanw; dit is de eenige<br />

weg van dien aard, welke op Timor gevonden wordt. Overal<br />

elders zijn slechts meer of minder goede voet- of paardenpaden.<br />

Noenkoeroes, mede eene Botlineschc volkplanting ten Noord-<br />

Oosten van Babauw.<br />

ölio of Oeileo ligt regt Noordwaarts van Babauw : 15 palen<br />

van Koepang.<br />

Baritti, de zetel van een Nederlandschen Posthouder, op<br />

30 palen afstands van Koepang aan de Noord-Oostzijde der Baai,<br />

is eene vrij aanzienlijke plaats, welker gedeeltelijk Bottinesche<br />

bevolking thans op ongeveer 3000 zielen gesteld wordt.<br />

Selamoe. aan de Noordzijde der Baai, met eene veilige reede.


517<br />

Op alle deze plaatsen vindt men Protestantsche gemeenten, die<br />

nette kerkjes hebben. Deze dienen tevens tot schoolgebouwen,<br />

waarin het onderligt gegeven wordt door Inlandsehe onderwijzers<br />

die veelal door Zendelingen worden opgeleid. Die scholen zijn<br />

door het Nederlandsche Zendeling-genootschap opgerigt en<br />

aanvankelijk bekostigd, doch in 1857 door het Gouvernement<br />

overgenomen cn onder toezigt van de te Koepang gevestigde<br />

Sub-commissie van onderwijs gesteld.<br />

b. Het grondgebied der Inlandsehe Vorsten.<br />

Buiten het Gouvernements-grondgebied is het Nederlandsche<br />

gedeelte van Timor, even als het Portugesche, in een aantal<br />

staatjes of rijkjes verdeeld, welke elk hun eigen Vorst hebben en<br />

meercndeels door verbrokkeling ontstaan zijn uit de twee vroeger<br />

groote rijken Souebait en Waiicikoe-lVaihali, van welke het eerste<br />

bijna geheel Zuid-Timor het andere Midden-Timor besloeg,.en die<br />

nog over sommige der uit hen ontstane staatjes eenige suprematie,<br />

althans in naam, schijnen uit te oefenen. De Vorsten voeren<br />

den titel van Radja, met uitzondering van die van Sonebuil en<br />

Waiw'ücoe-fFaihali, die Lio-Rai heeten, welke titel gewoonlijk<br />

door Keizer of Grootvorst wordt overgezet. De voornaamste van<br />

deze rijkjes zijn langs dc Zuid-Oostkust: Koepang, Amarassi,<br />

Amanoebang, Haitimoe en Waiioikoe-Waihali, van welk laatste de<br />

op bl. 510 vermelde grensgewesten Lakekoene, Birma en Manden<br />

onderdeden schijnen te zijn; langs de Noord-Westkust: Talcaip,<br />

Amfoeang, Lnsana, Lidak en Fialarang, tot welk laatste de grensgewesten<br />

Bjenilo, Sïlawang, Lamaksanoeloe enLamakanéBehooren;<br />

en in het binnenland: Manoebail, Bilai, Sonebait, Noitimoe en<br />

Maukatar of Kaloenine'ne.<br />

Bij deze opgave, welke grootendeels ontleend is aan de Kaart<br />

van VERSTEEG in den Algemeenen Atlas van Nederlandsch Indië<br />

vergeleken met die van S. MULLER, valt echter op te merken:<br />

vooreerst, dat het door onze gebrekkige kennis van Timor onmogelijk<br />

is met zekerheid op te geven of niet sommige landschappen,<br />

die als onderdeelen van rijkjes voorkomen, op zich<br />

zelf staande staatjes zijn ; en ten tweede, dat door de veelvuldige<br />

onlusten tusschen de Vorsten en hunne Bijksgrooteu, waarbij<br />

deze laatsten zich dikwijls als onafhankelijke gebieders van een<br />

gedeelte des rijks opwerpen, telkens verandering in de verdeeling<br />

des lands ontstaat.


518<br />

Omtrent de voornaamste rijkjes worden hieronder eenige bijzonderheden<br />

opgegeven.<br />

Koepang beslaat slechts eene kleine strook gronds op de<br />

Zuidpunt des eilands. Het voornaamste dorp is Klaiba aan de<br />

Zuidkust; verder vindt men er Samiti en Bolk, welk laatste,<br />

aan Straal Samaauw gelegen, eene Rottinesche volkplanting is;<br />

en Benfoëik, vroeger Hanoni geheeten, eene plaats drie uren Zuidoostwaarts<br />

van Koepang, die beroemd geworden is door eene<br />

overwinning der Nederlanders op de Portugezen in 1 749 (bl. 502,<br />

Noot). De geheele bevolking van dit rijkje wordt op 300 zielen<br />

geschat. De Eadja houdt zijn verblijf op het aan hem onderhoorige<br />

eiland Samaauw, dat het belangrijkste gedeelte van zijn<br />

gebied uitmaakt.<br />

Fonai, dat vroeger een vasal-staatje van Koepang was in diens<br />

rijksgebied gelegen, heeft thans een eigen Radja, die in de<br />

nabijheid der hoofdplaats Koepang woont.<br />

Amarassi is eene smalle doch vrij lange kuststreek, welke zich<br />

van Koepang uitstrekt tot aan de Kaap en het riviertje Noi Mina<br />

(bl. 509). De bevolking wordt gezegd 8000 zielen te bedragen.<br />

Het bestaat uit drie Distrikten of landschappen, welke op de<br />

Kaart van VERSTEEG Talba, Boewarain en Houmeen genoemd<br />

worden en elk eenen Radja hebben. Een hunner, die in dc<br />

hoofdplaats Amarassi gezeteld is en den titel van Radja besar<br />

voert, wordt echter als Oppervorst erkend. In die hoofdplaats<br />

is ook een Nederlandsche Posthouder gevestigd.<br />

Amanoebang grenst ten Westen aan het zoo even genoemde<br />

riviertje Noi Mina, ten Noorden aan dc gebergten Moto en<br />

Babenai, en ten Oosten aan Haiiimoe of volgens andere opgaven<br />

aan Amanatong( l<br />

\ welk laatste echter op de Kaart van VERSTEEG<br />

geen afzonderlijk rijkje uitmaakt maar slechts eene plaats is in<br />

Haitimoe gelegen. De bevolking wordt geschat op 12000 zielen.<br />

Het gezag van den Radja, wiens woonplaats Niki-Niki heet,<br />

wordt slechts in een gedeelte van het rijk erkend j in het overige<br />

oefenen eenige Rijksgrootcn, die zich van hem onafhankelijk<br />

gemaakt hebben, het gebied uit. Kwibaai. Karbanoi. Nakaboeloe<br />

Peni, Oeloeke en Manoeniora worden verder als de voornaamste<br />

kustplaatsen opgegeven; binnen 's lands liggen Babenai, Oefoe,<br />

Lassi, Fatoemoeli en andere.<br />

(') Ook volgens de Kaart van MULLER.


519<br />

Haüimoe ligt, volgens VERSTEEG, tusschen Amanoebang ten<br />

Westen, Waiwikoe-Waihali ten Oosten, en door het gebergte<br />

Foeti ten Noorden begrensd, op dc plaats waar volgens MULLER<br />

het rijkje Nenometan ligt. De eenige plaats, welke daarin wordt<br />

opgegeven , is Anamatong, hetwelk volgens laatstgenoemde Kaart<br />

de naam is van een rijkje ten Westen van Nenometan.<br />

/Fniwikoe-Waihali was oorspronkelijk een groot rijk, dat<br />

zich over een aanzienlijk gedeelte van Midden—Timor van de<br />

Noord- tot de Zuidkust uitstrekte doch van tijd tot tijd door<br />

den afval van sommige deelen aanmerkelijk is ingekrompen.<br />

Thans grenst bet eigen gebied van den Lio-Rai ten Zuid-Westen<br />

aan Ilaitimoe (of Nenometan?) en Sonebait, ten Noord-Westen<br />

aan Noilimoe. en ten Noorden aan het Portugesche gebied.<br />

De ons bekende onderdeelen zijn de op bl. 517 vermelde grensgewesten.<br />

Voorname plaatsen zijn langs de kust Waiwikoe en<br />

Waihali, en in het binnenland Manoemoeti, Lakekoene, Seleroea<br />

en Birma.<br />

Takaip grenst ten Zuiden aan het Gouvernements-grondgebied<br />

en aan Maiwebait, en ten Noorden en Oosten aan Amfocang<br />

waarvan het door de Noi Mina (bl. 507) gescheiden is. Voorname<br />

plaatsen zijn Noi Mina aan den mond dier rivier, en Taramano<br />

waar de Noi Niti zich met de Noi Noni vereenigt.<br />

Amfoeang grenst ten Zuid-Westen aan Takaip, ten Zuiden<br />

aan Pilai en Arnabi, ten Oosten aan Sonebait en ten Noorden<br />

aan het Portugesche staatje Ambenoe. Het bestaat uit de gewesten<br />

Amfoeang in het Westen en Sorbian in het Oosten, welke vroeger<br />

afzonderlijke rijkjes waren, even als het binnen dezelfde grenzen<br />

gelegene Taibenoe, hetwelk vroeger een vasal-staatje van Amfoeang<br />

was doch thans een eigen Radja heeft, die op het Gouvernements-grondgebied<br />

bij Koepang woont. De bevolking wordt<br />

geschat op 12000 zielen. Voorname plaatsen zijn Amfoeang en<br />

Noiloi aan de kust, en Lelogame in het binnenland. De Radja van<br />

Amfoeang woont ook niet in het rijk zelf maar op het Gouvernements-grondgebied<br />

nabij de hoofdplaats Koepang.<br />

Lnsana is een klein staatje, dat ten Zuiden aan de Portugeschelandschappen<br />

Oikoessi en Noimoeti, en ten Noorden aan Lidak<br />

grenst.<br />

Lidak of Nera, vroeger een onderdeel van Waiwikoe-Waihali,<br />

is een klein staatje tusschen Lnsana en Fialarang gelegen en ten


520<br />

Oosten door Noitimoe begrensd. De hoofdplaats Lidak. waar de<br />

Eadja zijn verblijf houdt, ligt ver binnen 's lands.<br />

Fialarang, medevroeger een onderdeel van Waiwikoe-Waihali,<br />

grenst teh Zuiden aan Lidak en wordt aan de andere zijden door<br />

het Portugesche gebied ingesloten. Behalve de boven genoemde<br />

grensgewesten Djenilo, Silawang, Lamakmnoeloe en Lamakan<br />

behooren er toe de Distrikten Loro-Beboki, Harnenno en Balibo;<br />

door sommigen worden ook Lidak en Noitimoe (ten Oosten van<br />

Lidak en ten Noorden van Noimoeti gelegen) onderdeelen van<br />

Fialarang genoemd; terwijl weder anderen Djenilo als een afzonderlijk<br />

rijkje opgeven. Zeker is het dat elk van deze gewesten<br />

een eigen Eadja heeft; maar hoe de verhouding is tusschen die<br />

Vorstjes cn het bestuur van Fialarang kunnen wij niet opgeven,<br />

en evenmin of zij zich nog eenigzins om het opperbewind van<br />

Waiwikoe-Waihali bekreunen.— Het eigenlijke rijk Fialarang.<br />

dat het Noord-Oostelijke gedeelte van dit gebied inneemt, is<br />

gesplitst in twee deelen elk met eenen Eadja, die als de Groote<br />

en de Kleine Radja onderscheiden worden. De landschappen<br />

Fialarang, Lidak en Noitimoe zijn, zooverre bekend is, van geheel<br />

Timor de rijkstcn aan koper. — Te Atapoepoe, in het landschap<br />

Djenilo aan de kust gelegen, is de Nederlandsche Gezaghebber<br />

van Midden-Timor gevestigd; ook bevindt zich daar een vrij<br />

aanzienlijke militaire post. Te Fialarang, de binnen 's lands<br />

niet ver van de Portugesche grenzen gelegene hoofdplaats<br />

des rijks, is een Posthouder geplaatst. Langs de kust vindt<br />

men verder de plaatsen: Djenilo en Oitoena, ten Noorden van<br />

Atapoepoe; Folgerita, Sapiboel, Barboeli en Loro-Beboki, ten<br />

Zuid-Westen van die plaats.<br />

Manoebait, vroeger eene onderhoorigheid van Sonebait, is een<br />

klein gewest ingesloten tusschen het Gouvernements-grondgebied,<br />

Takaip. Bitai en Amabi. De bevolking wordt op 3000 zielen<br />

geschat.<br />

Bitai is een klein landschap ten Zuiden van Amfoeang, waarvan<br />

ons geene verdere bijzonderheden bekend zijn.<br />

Amabi is een vrij groot rijk, grenzende ten Zuiden aan<br />

Amarassi, ten Westen aan het Gouvernements-grondgebied en<br />

Manoebait, ten Noorden aan Amfoeang, en ten Oosten aan Sonebai<br />

en Amanoebang. Het bestaat uit de landschappen Oifetto, Naima<br />

tan en Naikenmeo. De bevolking wordt geschat op 12000 zielen.


521<br />

Pe Radja woontop het Gouvernements-grondgebied nabij Koepang.<br />

Wij vinden ook nog melding gemaakt van een tweeden Vorst<br />

van minderen rang, aan wien bepaaldelijk het bestuur deikrijgszaken<br />

is opgedragen en die in het land zelf woont; hiermede<br />

is waarschijnlijk gedoeld op een Meoe of krijgshoofd, over<br />

welke betrekking zal gesproken worden op bl. 534.<br />

Sonebait. het overschot van het vroeger groote rijk van dien<br />

naam (bl. 517), is thans ten Westen begrensd door Amfoeang,<br />

ten Zuiden door .Amfoeang en Amabi, ten Oosten door Amanoe­<br />

bang, Hailimoe en Waiwikoe-Waihali, en ten Noorden door het<br />

Portugesche gewest Ambenoe, dat zich hier ver in het binnen­<br />

land uitstrekt. Men vindt er de landschappen Winoto, Amakono,<br />

Oinoma. Molo of Oimatan, en andere, die elk eenen aan den<br />

Lio-Rai ondergeschikten Radja hebben. In dit rijk vooral vindt<br />

men vele aanzienlijke rotstoppen, zoo als de Molo, de Feti, de<br />

Panai, de Foesi, de Miomaffo, de Neidjan, de Moelis, de Ganapoea,<br />

en andere. Bekende plaatsen zijn : Noikakei, Loelimeko, Faloeieati,<br />

Neidjan-niolei, enz.<br />

Omtrent het in het Portugesche gebied geènclaveerde rijkje<br />

Maukatar of Kaloeninene is ons niets dan de naam bekend.<br />

Bestuur, regtspleging en verhouding tot het Nederlandsch<br />

Gouvernement.<br />

Gelijk boven reeds gezegd is worden alle deze rijken en rijkjes<br />

bestuurd door Vorsten, die in Sonebait en Waiwikoe-Waihali<br />

den titel van Lio-Rai of Keizer, en overal elders dien van Radja<br />

voeren. Zij hebben onder zich een of meer Rijksgrooten als<br />

Distrikts-hoofden, die in het Timoreesch Siko heeten (in het<br />

Portugesche gebied, dat, gelijk later blijken zal, grootendeels<br />

door een anderen stam bewoond wordt, voeren zij den titel van<br />

Datto of Batoe; zie bl. 513), doch meer onder den aan het<br />

Portugeesch ontleenden titel Fettor (dat in dit geval zooveel<br />

beteekent als: Gouverneur eener Provincie) bekend zijn en<br />

over onderdeelen des rijks het gebied voeren. De Vorsten en<br />

Fettors worden door de gezamenlijke Rijksgrooten uit de rege­<br />

rende geslachten gekozen "en door den Resident van Timor<br />

bevestigd. Onder de Pettors staan de Dorpshoofden, die Tamoe-<br />

kong of Tomokong (in het Maleisch Toemenggoeng) heeten. Alle<br />

deze Vorsten en Hoofden, met uitzondering van de weinigen


522<br />

wier magt door den Nederlandschen invloed eenigzins beperkt<br />

is, oefenen elk in zijnen kring een geheel willekeurig gezag uit,<br />

dat volstrekt door geene wetten en ter naauwernood door enkele<br />

oude gebruiken eenigzins bepaald is. Zij beschikken over leven<br />

en dood hunner onderhoorigen, straffen hen met slavernij of<br />

boeten, en dwingen hen tot allerlei willekeurig opgelegde heerendienstcn<br />

en opbrengsten; het onderhouden van de woningen der<br />

Hoofden, het kappen van sandelhout ten hunnen behoeve, en<br />

het als schatting afstaan van een gedeelte der ingezamelde was,<br />

behoort tot de gewone verpligtingen. Niettemin is het volk,<br />

hetzij dan uit vrees of uit eerbied voor hunne hooge afkomst,<br />

zeer aan zijne Vorsten gehecht. Belangrijke zaken worden behandeld<br />

door eenen Baad, zamengesteld uit den Badja en de Rijksgrooten<br />

; in dien Raad voert een Mqfefo of Spreker voor den<br />

Radja het woord.<br />

Aan de Fettors, of in het Portugeesch gebied de Datoe'a, is<br />

ook de regtsbedeeling toevertrouwd ; schoon in sommige gevallen<br />

tot het uitvoeren hunner vonnissen de toestemming van den<br />

Radja een vcreischte is, wordt deze zelden gevraagd. Hoewel<br />

op verscheidene misdrijven de doodstraf staat, wordt deze echter<br />

zelden toegepast, daar het voor de regters voordeeliger is deze<br />

te laten afkoopen of door eene boete te vervangen. In geval van<br />

tooverij (bl. 530) of van overspel met de vrouw van eenen Radja<br />

is echter de doodstraf niet te ontgaan. Is een veroordeelde niet<br />

in staat om de hem opgelegde boete te betalen, dan vervalt hij<br />

tot den slavenstand.<br />

De betrekking der Vorsten tot het .Nederlandsche Gouvernement<br />

wordt bepaald door de met hen geslotene contracten.<br />

Hoewel zij daarbij erkennen, dat hun gebied een deel van<br />

Nederlandsch liidiï uitmaakt, zijn zij toch meer als bondgenooten<br />

dan als leenmannen van ons Gouvernement te beschouwen.<br />

Zij verbinden zich: daarmede en met elkander in vrede en<br />

vriendschap televen; des gevorderd hulptroepen te verschaffen;<br />

geene onderhandelingen of verbindtenissen met andere natiën<br />

aan te gaan; strandroof en slavenhandel tegen te gaan; landbouw,<br />

nijverheid en scheepvaart te beschermen en te bevorderen;<br />

aan gestrande vaartuigen en schipbreukelingen hulp te verkenen;<br />

aan het Gouvernement tegen betaling materialen en arbeiders<br />

te verstrekken, indien dit mogt goedvinden ergens eenen post


523<br />

of eene sterkte op te rigten, waartoe het zich de vrijheid<br />

voorbehoudt. Zoolang zij deze verbindtenissen getrouw nakomen<br />

zal het Gouvernement zich niet met het inwendig bestuur of<br />

de regtspleging over de onderdanen der Vorsten bemoeijen, behoudens<br />

het verbod om martelende of verminkende straffen op<br />

te leggen. (')<br />

Op sommigen van deze bondgenooten, vooral onder de verst<br />

afwonenden, valt echter weinig te rekenen; inzonderheid Manoebait,<br />

Amanoebang en Sonebait laten in dit opzigt veel te wenschen<br />

over. Het getrouwst hebben zich do<strong>org</strong>aans betoond de Vorsten<br />

van Koepang, Amabi, Amfoeang en Taibenoe.<br />

§ 3. Bevolking.<br />

Getalsterkte, afkomst, uiterlijk voorkomen en verdeeling.<br />

Omtrent de sterkte der bevolking van Timor zijn slechts gissingen<br />

op te geven. Om te zwijgen van de boven vermelde<br />

buitensporige opgave van sommige Portugesche berigten en de<br />

eveneens overdrevene schatting van enkele Nederlandsche Schrijvers,<br />

die de bevolking op 800000 zielen stellen, vermelden wij<br />

alleen dat MELVILL haar op 639000 schatte! 2<br />

), EOORDA VAN<br />

ErsiNOi op minder dan 400000 é 3<br />

), DE CASTRO op minder<br />

dan 300000 (bl. 513) en TEMMINCK(') op weinig meer dan<br />

200000 zielen; en dat men dus waarschijnlijk het minst zal<br />

dwalen met het getal 300000 als het vermoedelijk cijfer der<br />

bevolking aan te nemen, van welke dan ongeveer 150000 in<br />

het Nederlandsche gedeelte des eilands zullen wonen. Hieronder<br />

zijn begrepen de op bl. 515 vermelde Eottinesche en andere<br />

volkplanters, een honderdtal Europeanen en hunne afstammelingen<br />

op bet Gouvernements-grondgebied, de Zwarte Portugezen<br />

en een aantal Chinezen, Mangkasaren en Bocginezen, die als<br />

handelaars in de kustplaatsen gevestigd zijn, doch wier aantal<br />

niet bekend is.<br />

(') Met de Radja's van Amabi en Manoebait is dit contract het laatst vernieuwd<br />

in 1860. Zie de Bijlagen der Nederlandsche Staatscourant, 1861,<br />

bl. 792 en 796.<br />

(') Moniteur des Indes, 1846—1847.<br />

( 3<br />

) Handboek der land- en volkenkunde, Boek II, bl. 65.<br />

(*\ Coup d'ail sur les possessions iYeer/andaises, TomeHI, n.163.


524<br />

De Inboorlingen bebooren tot bet Batta-ras en komen in<br />

ligchaains-bouw en gelaats-trekken overeen met sommige Dajaksehe<br />

en Alfoersehe stammen van Borneo en de Molukken.<br />

Zij hebben eene geelachtig bruine huidkleur, die echter niet bij<br />

allen even donker is; dik. zwarten sluik hoofdhaar; een minder<br />

platten neus dan de Maleische stammen ; donkere, vurige oogen;<br />

een vrij grooten mond met tamelijk dikke lippen; en eene middelmatige<br />

grootte, die echter bij de vrouwen betrekkelijk minder<br />

is dan bij de mannen. Volgens hunne overleveringen waren<br />

hunne stamvaders uit den hemel afkomstig (het gewone verhaal<br />

der volken, die hunne afkomst niet kennen) en hebben zich later<br />

volkplanters van de Oost- en Noord-Oostwaarts gelegene eilanden<br />

in het Noord-Oosten van Timor gevestigd en vervolgens over het<br />

geheele eiland verspreid. Deze volkplanters waren afkomstig<br />

uit het gebied van den Sultan van Ternate. waarom de Timorezen<br />

vroeger ook, althans in naam en wanneer hun belang dit medebragt,<br />

het oppergezag van dien Vorst erkenden! 1<br />

'. Over de verwantschap<br />

der Timorezen met de bevolking van sommige Moluksche<br />

eilanden zie men overigens bl. 415 en de Noot aldaar.<br />

De bevolking van Timor is thans te verdeelen in drie hoofdstammen<br />

: de Koepangezen (Aloeli Koepang), de Timorezen (Tok<br />

Timor) en de Belonezen (Erna Weloe of Beid), die echter niet<br />

zoo zeer in kleur en ligchaamsbouw als wel in tongval, kleeding,<br />

wapenrusting en gebruiken van elkander verschillen.<br />

De Koepangezen, een zeer kleine stam, bewonen gedeeltelijk<br />

het voormalige rijk van den Badja van Koepang (het tegenwoordige<br />

Gouvernements-grondgebied) en zijn voorts grootendeels<br />

op het eiland Samaauw gevestigd.<br />

De Timorezen bewonen het overige gedeelte van de Westelijke<br />

helft van Timor en waren vroeger allen, of nagenoeg allen, aan<br />

den Lio-Bai van Sonebait onderworpen, wiens rijk echter thans,<br />

gelijk boven gebleken is, in vele kleine staatjes versnipperd is<br />

die allen aan het Nederlandsch gezag onderhoorig zijn.<br />

De Belonezen zijn de sterkste stam en beslaan de geheele<br />

Oostelijke helft des eilands. Zij waren vroeger gesplitst in twee<br />

(') ft Schoon hel niet blijkt dat de Sultan van Ternate ooit eenige wezenlijke<br />

«magt op Timor heeft uitgeoefend, grondde zelfs deO.I Compagnie hare<br />

n aanspraken op Timor tegenover de Portugezen op den afstand van dat eiland,<br />

•' in 1685 van den Sultan van Ternate verworven. » VETII, Timor. f«t> /


525<br />

groote rijken, dat van Waiicikoe-Waihali cn dat van Loeka,<br />

die elk onder het bestuur van eenen Lio-Rai stonden, doch<br />

thans ook zeer versnipperd zijn, zoodat het eigen gebied der<br />

Lio-Rai's zeer beperkt is en hun gezag in de overige gedeelten<br />

der rijken slechts flaauw of geheel niet geëerbiedigd wordt.<br />

Waiwikoe-Waihali neemt het Westelijke aan de Timorezen grenzende<br />

gedeelte in en behoort thans grootendeels tot de Nederlandsche<br />

gewesten; Loeka beslaat het Noord-Oostelijke deel<br />

des eilands en is geheel onder Portugeesch gezag.<br />

Omtrent de Belonezen is veel minder bekend dan omtrent de<br />

Timorezen. De bijzonderheden, welke hieronder omtrent de bevolking<br />

zullen worden medegedeeld, hebben dan ook vooral op<br />

de laatstgenoemden betrekking; terwijl wij omtrent dc eersten<br />

slechts kunnen mededeelen wat ons door DE CASTRO is berigt.<br />

Woningen, kleeding, wapenen.<br />

De huizen zijn niet op palen maar onmiddellijk op den grond<br />

gebouwd. Die der gewone volksklasse hebben nagenoeg den vorm<br />

van een bijenkorf van drie of vier el hoogte en nog geringere<br />

doorsnede; zij bestaan uit een houten geraamte met alang-alang<br />

of palmbladeren bekleed en zijn eigenlijk alleen daken, die zonder<br />

wanden op den grond staan. De wouingen der Vorsten en Grooten<br />

zijn eenigzins ruimeren vierkant; zij hebben uit bamboe vervaardigde<br />

wanden, die weinige voeten hoog zijn, terwijl het stevige<br />

houten dakgeraamte, ook met palmbladeren oi alang-alang gedekt,<br />

op vier stijlen rust. Vensters zijn er niet in; de eenige opening<br />

is de deur, die tevens uitgang verleent aan den rook der bijna<br />

altijd brandende haardstede. Het huisraad bestaat hoofdzakelijk<br />

uit een paar matjes om op te slapen, eenige aarden potten,<br />

Chineesch porceleinen kommen en borden, drinkbekers van kokosnoten<br />

vervaardigd, hoornen eetlepels, en doozen en mandjes van<br />

palmbladeren gevlochten.<br />

De gewone kleeding der mannen bestaat uit twee stukken<br />

lijnwaad, elk omstreeks twee Nederlandsche ellen lang en ongeveer<br />

half zoo breed; het eene wordt om de heupen geslagen en<br />

hangt tot op de voeten neder; het andere, dat als een mantel om<br />

de schouders geslagen wordt, bedekt het bovenlijf, doch wordt<br />

op het warmste gedeelte van den dag veelal als eene wrong<br />

om de lendenen gewonden. Deze katoenen, door de vrouwen


52G<br />

gewevene, doeken zijn wit met breede roode randen, in welke<br />

randen dikwijls nog strepen of bloemen van andere kleuren zijn<br />

aangebragt. Het lange haar wordt met een breeden band hoog<br />

opgebonden in eenen bundel en met een bamboezen kam vast­<br />

gehouden. De Koepangezen dragen een doek om het hoofd.—<br />

De vrouwen hebben veelal de gewone sarong, maar somtijds<br />

ook soortgelijke kleediugstukken als de mannen. De vrouwen<br />

der aanzienlijken dragen bij feesten behalve de sarong een wit<br />

katoenen buisje met lange mouwen. Het haar wordt naar boven<br />

gestreken, op het achterhoofd in eene wrong gedraaid en met<br />

een sandelhouten kam vastgehecht; bij feestelijke gelegenheden<br />

wordt daarover ook wel een roode of gele doek met gouden of<br />

zilveren sieraden gedragen.— Beide geslachten dragen als<br />

sieraden om de armen ringen van koperdraad, ivoor of zilver; in<br />

de ooren snoeren van glas-koralen of houten pennen met kwasten<br />

van zwart paardenhaar of rood geverwd bokkenhaar; en om<br />

den hals snoeren van gouden balletjes of dof-gele glas-koralen,<br />

moetisala genaamd, die van Chineschen oorsprong schijnen te<br />

zijn en thans niet meer worden aangevoerd. Voorts dragen allen<br />

aan eenen band over den linkerschouder eenen zak, waarin zich<br />

de ingrediënten voor het «iWA-kaauwen, een eetlepel, een drink­<br />

beker, een spiegeltje, een fluitje, een slijpsteen, en een aantal<br />

amuletten ter beveiliging tegen ziekten cn gevaren, bevinden.<br />

De Meoe's, over welke personen men zie bl. 534, dragen om<br />

het benedenlijf dcu gewonen Timoreschen doek slechts tot aan<br />

de knieën afhangende en om het bovenlijf een chitsen of rood<br />

lakensch vest zonder mouwen; om het hoofd een bonten doek<br />

aan de randen met gouden loovertjes bezet, of eene hooge muts<br />

van palmbladeren met witte doekeu omwonden, van welke ter<br />

wederzijde een aantal linten van verschillende kleuren afhangen;<br />

in de ooren de hier boven vermelde pennen; om de armen<br />

zilveren of ivoren ringen; en wanneer zij een vijandelijk men-<br />

schenhoofd hebben bemagtigd, bekomen zij daardoor het regt<br />

hunne tanden met zilveren of gouden plaatjes te overtrekken en<br />

om de beenen boven de enkels eene reep bokkenvacht te winden.<br />

Het zwaard dragen zij bijna horizontaal digt onder den linker­<br />

arm; aan het gevest hangt een bos rood geverwd bokkenhaar,<br />

aan de schede een aantal belletjes en witte en roode linten, terwijl<br />

aan de punt der schede eene lange regt opstaande rotting bevestigd


537<br />

is, die boven het hoofd van den drager uitsteekt cn aan het<br />

uiteinde met zilveren punten, rood bokkenhaar en papegaaijenvederen<br />

prijkt; deze rotting wordt echter onder het gaan somtijds<br />

gemakshalve van achteren tusschen het kleed gestoken. Rijke<br />

Meoe's dragen dikwijls ook groote gouden platen op de borst en<br />

den rug en aan de muts en het zwaard. Ook de hals, het<br />

hoofdstel en de toom van hun paard zijn met belletjes, gouden<br />

plaatjes en andere ornamenten versierd.— Ook de Jsoe paha's<br />

(hond des lands) of herauten, die door den Vorst het land<br />

rondgezonden worden om het uitbreken van eenen oorlog of het<br />

sluiten van vrede aan te kondigen, zijn op dergelijke maar nog<br />

bontere wijze uitgedost.<br />

De Radja's en Grooten, die in den omtrek van Koepang wonen<br />

en in het algemeen veel beschaafder zijn dan hunne binnen 'slands<br />

wonende ambtgenooten, onderscheiden zich ook van dezen door<br />

hunne kleeding. Sommigen hunner dragen eene chitsen kabaai;<br />

doch de meesten kleeden zich op de Europesche, somtijds wel<br />

wat ouderwetsche wijze, veelal in het zwart. De Radja's hebben<br />

als kenteeken hunner waardigheid eenen stok, op welks gouden<br />

knop het Nederlandsche wapen of dat der O.I. compagnie ge­<br />

graveerd is.<br />

Oorspronkelijke wapenen zijn zwaarden (soeni of, naar het<br />

Portugeesch, espada) en lansen (aoeni of auni) van welke laatsten<br />

bij de Timorezen de schacht met de kaal geschoren huid van een<br />

buffclstaart, bij de Belonezen met geitenvel overtrokken is; de<br />

Belonezen hebben daarbij pijl en boog en schilden, welke bij de<br />

andere stammen nooit in gebruik schijnen te zijn geweest. Tegen­<br />

woordig is echter overal schietgeweer het hoofdwapen. Deze<br />

geweren, meest van Amerikaanschen of Engelschen oorsprong,<br />

bekomen zij van vreemde handelareu en betalen er gaarne eene<br />

waarde van ƒ50 ofƒ60 voor; zij gaan van vader op zoon over<br />

en zijn dikwijls in een zeer slechten staat. Kruid en kogels<br />

verkrijgen zij op dezelfde wijze; in plaats van deze laatsten<br />

gebruiken zij evenwel dikwijls stukjes ijzer of steentjes.<br />

Godsdienst.<br />

De bevolking van het Portugesche gedeelte van Timor belijdt<br />

in naam de Roomsch Katholijke godsdienst; zij is echter geheel<br />

onkundig van hare leerstellingen, en ontvangt ook, behalve


528<br />

misschien op de hoofdplaats, geen godsdienst-onderwijs. De<br />

priesters, die van Goa of Macao derwaarts gezonden worden,<br />

gaan van tijd tot tijd het land rond om te doopen en enkele andere<br />

plegtigheden te verrigten, en doen op de plaatsen waar kerken zijn<br />

de dienst in het Latijn. Deze Christenen zijn dus niets meer dan<br />

gedoopte Heidenen en volgen ook geheel de afgodische gebruiken<br />

der overige bevolking. (')<br />

Op het Gouvernements-grondgebied rondom Koepang wonen<br />

een aantal Hervormde Christenen, in verschillende gemeenten<br />

verdeeld (bl. 503 en 517), die door Zendelingen worden bediend.<br />

Het godsdienst-onderwijs wordt deels door dc Zendelingen zeiven<br />

deels door Inlandsehe onderwijzers gegeven. Dit onderwijs en ook<br />

de dienst zelve geschiedt in het Maleisch. Ook deze Christenen<br />

zijn echter op verre na niet geheel van het Heidensche bijge­<br />

loof genezen, en hun zedelijke toestand laat veel te wenschen<br />

over. ( J<br />

)<br />

Overigens zijn de Timorezen Heidenen. Hun Oppergod heet<br />

Oen neno (Heer des lichts) en woont in de zon, met welk hemel-<br />

ligchaam zelf hij dikwijls verward wordt (vergelijk bl. 496);<br />

zijne gezellin is Foenan, de maan, of eigenlijk eene vrouwelijke<br />

godheid die daarin haren zetel heeft. De sterren (K'foen) zijn de<br />

woonplaatsen van geesten of goden van minderen rang. Deze<br />

allen zijn goede geesten, aan welke alleen roodkleurige dieren<br />

mogen geofferd worden; zij worden echter niet regtstreeks<br />

aangeroepen maar alleen door tusschenkomst van de Niloe's of<br />

geesten der afgestorvenen , die ook als goddelijk worden vereerd. ( 3<br />

)<br />

Buitendien zijn er ook booze geesten, die op of in de aarde hun<br />

verblijf houden en wier boosaardigheid door het offeren van<br />

0) « De vérilable culle il n'y a pas de connu dans ce pays. II y a bcaucoup<br />

i' de Timoriens qui se nommenl Chréliens, mais qui ne connaissent pas les plus<br />

«simples vérilés du chrislianisme, et qui suivcnl les praliques du paganisme.»<br />

DE GASTRO, in de boven aangehaalde Résumé, bl. 480.<br />

(=> Mededeehngen van wege het Nederlandsche Zendehnq-nenootschao<br />

Dl. Vlll, bl. 26.<br />

r<br />

( 3<br />

) Ook bij de Heidensche bevolking van luson, voor zooverre die niet<br />

tol AeNegrito's of Aëtas (zie DM, bl. 104) behoort, treft men deze vereering<br />

van de zielen der voorouders aan, die daar Anito's heelen. Zie Zeitschnft<br />

für allgemeine Erdkunde. Neue Fulge. B. X, S. 249; en het daaraan ontleende<br />

artikel in de Kolomale Jaarboeken, voor 1865, bl "09 en volgg.<br />

Insgelijks bij de Tenimber-eilanders; zie hiervóór, bl. 410.


529<br />

zwarte dieren moet afgewend of verzoend worden. De voornaamsten<br />

onder dezen zijn Oesi paha (Heer der aarde) en Atoïs,<br />

die somtijds zigtbare gedaanten aannemen, de eerste die van<br />

eenen rens de laatste die van een uil, en tegen wier invloed het<br />

volk zich door het dragen van talismans, uit wortelen en kruiden<br />

bestaande, tracht te beveiligen. — Voorts zijn er vele plaatsen,<br />

bergen, rivieren, bosschen, boomen, enz., die volgens de overlevering<br />

leo of pomali dat is heilig of onschendbaar zijn of nog<br />

door de Anaha paha of Landbezweerders , die onder het onmiddellijk<br />

bevel van den Vorst staan, als zoodanig verklaard worden<br />

(vergel. 57 en 355), en waar niet geplant, geviseht, gebaad,<br />

gekapt of iets anders mag gedaan worden. De priesters, wier<br />

waardigheid even als die der Landbezweerders erfelijk is, heeten<br />

Tobor en oefenen grooten invloed op het volk uit; zij zijn tevens<br />

de Aoiénaoes of wigchelaars, die de ingewanden der offerdieren<br />

cn andere voorteekenen raadplegen over den uitslag van beraamde<br />

ondernemingen. De offers worden gebragt op eene soort van<br />

steenen altaar, dat opgerigt is in het midden van het Oeme leo<br />

of Oeme pomali (heilig huis, tempel), in welk huis een steeds<br />

brandend vuur wordt onderhouden en waarin ook altijd een voorraad<br />

van tot talismans gewijde wortelen en andere voorwerpen<br />

van vereering worden bewaard.<br />

Omtrent de godsdienst der Belonezen vermeldt DE CASTRO het<br />

volgende: zij gelooven aan een Opperwezen, van welks magt<br />

en eigenschappen zij ecliter slechts zeer verwarde begrippen<br />

hebben. Ook hebben zij andere voorwerpen van vereering (idoles)<br />

en beschouwen als zoodanig alles wat voor hen geheimzinnig is<br />

of een bijzonderen indruk op ben maakt. Er zijn rijken, waar<br />

de Vorsten of Hoofden de priesterlijke waardigheid hebben; hij,<br />

die haar uitoefent, heet Eadja pomali. In andere rijken is geen<br />

Eadja pomali, maar wordt deze vervangen door eenen Batoe,<br />

genaamd Batoe loeli. De waardigheid van den Batoe loeli is<br />

erfelijk, maar wanneer hij geene afstammelingen heeft, wordt zijn<br />

opvolger mtde Daloe's gekozen. Het huis, waarin de voorwerpen<br />

hunner vereering zijn, wordt Pomali genaamd, en denzelfden<br />

naam geeft men ook aan die voorwerpen zelve, welke gewoonlijk<br />

niets anders zijn dan zwaarden, pijlen , een zak met verschillende<br />

wortels, goud, enz. De dienst van den Batoe heli bepaalt zich<br />

tot het doen van gebeden aan die voorwerpen, het offeren van<br />

II. 34


580<br />

dieren en pinang aan de godheid, en het raadplegen van de<br />

ingewanden van kippen en honden, die bij plegtige gelegenheden<br />

geslagt worden.<br />

Eene gruwzame werking van het bijgeloof vertoont zich in<br />

het geloof aan Souangs of toovenaars. Ziekten, vooral van Vorsten<br />

en aanzienlijken, worden dikwijls toegeschreven aan tooverij •<br />

of de zieke zelf bf ieder ander beschuldigt wien hij wil van<br />

de toovenaar te zijn ; deze beschuldiging geldt tevens voor bewijs<br />

en heeft tot onvermijdelijk gevolg dat de beschuldigde wordt ter<br />

dood gebragt cn zijne bloedverwanten slaven worden van den<br />

aanklager. Daar zoodanige beschuldiging ten allen tijde, ook<br />

zonder bijzondere aanleiding, kan plaats hebben, spreekt het<br />

van zelf dat van dit middel dikwijls gebruik gemaakt wordt om<br />

zich straffeloos op eenen vijand te wreken en zich zeiven te<br />

verrijken.<br />

Beschaving, karakter, levenswijze, maatschappelijke toestand.<br />

De bevolking van Timor staat op een zeer lagen trap van<br />

beschaving, waarop alleen de Radja's en Hoofden in den omtrek<br />

der Europesche hoofdplaatsen eene meer of minder gunstige uit­<br />

zondering maken. Zij hebben geen letterschrift en dus ook geene<br />

geschrevene wetten of overleveringen. Onderwijs der jeugd, van<br />

welken aard ook, is eene geheel onbekende zaak. Ook de land­<br />

bouw is zeer gebrekkig; het eenige werktuig, dat daarbij in<br />

gebruik is, bestaat in een puntigen stok tot het omkrabben van<br />

den grond, die verder door buffels wordt fijn getrapt. Voor het<br />

inzamelen van het goud, van welk metaal vooral in het Portu­<br />

gesche staatje BilUuio aderen ontdekt zijn, kent men mede geen<br />

ander werktuig dan een dergelijken stok. Het koppensnellen<br />

bestaat hier niet op de wijze, waarop zulks bij de Dajaks en<br />

Alfoeren in gebruik is, maar bepaalt zich tot het afhouwen van<br />

de hoofden der vijanden of hunner lijken in of na een openlijk<br />

gevecht, welke hoofden dan als zegeteekenen worden medegevoerd<br />

en op staken voor de woning van den overwinnaar ten toon<br />

gesteld. Van den verstandelijken aanleg der Timorezen valt<br />

weinig te zeggen, daar er nooit pogingen zijn aangewend om<br />

dien te ontwikkelen; uit enkele voorbeelden schijnt echter te<br />

blijken dat zij in dit opzigt niet bij andere stammen achterstaan.<br />

Overigens zijn zij lafhartig, traag, zeer gesteld op zinnelijke


581<br />

vermaken, onder welke vooral het dansen en palmwijn drinken<br />

in aanmerking komen, en onzindelijk in hunne geheele levenswijze<br />

; zij baden zieh zelden of nooit. Zware misdrijven komen<br />

weinig onder hen voor; diefstal is het meest algemeene. Hunne<br />

levenswijze is zeer eenvoudig; water is de gewone drank en<br />

djagoeng met eenige groente het gewone voedsel; rijst en gierst<br />

worden slechts bij bijzondere gelegenheden gegeten, gelijk ook<br />

buffel-, paarden-, geiten- en hondenvleesch. Het hoofdbedrijf<br />

is de landbouw, waaraan de vrouwen een zeer werkzaam aandeel<br />

nemen. Verder houden dc mannen zieh bezig met het kappen<br />

van sandelhout, het inzamelen van palmwijn, was en vogelnestjes,<br />

cn in het Noorden des eilands hier en daar met het goud zoeken;<br />

jagen doen zij weinig, en visschen in het geheel niet, daar zij<br />

zeer slechte zeelieden zijn; ook van de parelbanken langs de<br />

Zuidkust (bl. 509) wordt geen werk gemaakt. Als het veld<br />

bereid is, zaaijen, planten en oogsten de vrouwen het gewas;<br />

zij weven ook de kleedingstukken, vervaardigen de noodige<br />

matjes en mandjes, bereiden de verwstoffen, en verrigten verder<br />

al het huiswerk.<br />

-Naar haren maatschappolijken toestand kan de bevolking<br />

verdeeld worden in drie klassen: adellijken, burgers en slaven.<br />

Tot den adelstand behooren de Vorsten en de Rijksgrooten<br />

(Fettors, Datoe's en andere Hoofden), die veelal ook van Vorstelijke<br />

familie zijn doch zich in beschaving weinig of niet boven<br />

hunne onderhoorigeu onderscheiden. De burgers zijn de vrije ingezetenen<br />

des lands, die echter veel van do onderdrukking hunner<br />

Hoofden te lijden hebben. De slaven, wier aantal vrij groot is,<br />

zijn krijgsgevangene vijanden, uit naburige rijkjes geroofde personen,<br />

zoodanigen die wegens tooverij (bl. 530) of het niet<br />

kunnen betalen van opgelegde boeten tot dezen stand veroordeeld<br />

zijn, en de afstammelingen van deze allen; zij kunnen zoowel<br />

aan burgers als aan adellijken toebehooren; hun lot is echter<br />

zeer dragelijk.<br />

DE CASTRO deelt omtrent den slavenstand de volgende bijzonderheden<br />

mede, van welke wij echter niet weten of zij alleen op<br />

de Belonezen dan wel ook, althans gedeeltelijk, op de Timorezen<br />

betrekking hebben:<br />

Kr zijn eigenlijke slaven en eene soort van lijfeigenen (serfs de<br />

la glèbe), welke men luiuum (loetoem ?) noemt; de eersten kunnen


532<br />

rerkoeht worden, doch de laatsten niet. Elk vrij man kan slaven<br />

houden; maar alleen Vorsten en Datoe's van vorstelijke familie<br />

mogen lijfeigenen hebben. Slaven zijn krijgsgevangenen, geroofde<br />

personen en bloedverwanten van veroordeelde toovenaars; zij<br />

kunnen hunne vrijheid bekomen door aan den Vorst vergunning<br />

te vragen tot het mede betalen der jinta (bl. 514); de eigenaar<br />

van den slaaf moet daartoe echter ook zijne toestemming geven,<br />

welke zelden geweigerd wordt aan de zoodanigcn, die een geruimen<br />

tijd gediend en zich goed gedragen hebben. Zonderling<br />

is hierbij het gebruik, dat de zoo vrij gewordene slaaf terstond<br />

behoort tot de klasse van zijnen voormaligen heer, zoodat de<br />

slaaf van eenen Datoe ook Datoe wordt; de vrij gewordene slaven<br />

van eenen Radja krijgen echter niet den Vorstelijken rang maar<br />

dien van Datoe. Lijfeigenen zijn de zoodanigen, die verpligt zijn<br />

de velden van den Vorst of vorstelijken Datoe, aan wien zij<br />

behooren, te bearbeiden en verder hem alle diensten te bewijzen<br />

welke hij van hen vordert. Hoe zij tot dezen stand geraken wordt<br />

niet vermeld ; sommigen hunner zijn gewezene slaven, die wegens<br />

voorbeeldig gedrag uit hunnen vroegeren toestand tot dien van<br />

lijfeigenen zijn overgebragt. Deze lijfeigenen zijn niet het eigendom<br />

van den Vorst of Datoe maar van het rijk, en kunnen alleen<br />

als slaven verkocht worden in geval van deugdelijk bewezen<br />

slecht gedrag. Zij leven met hunne familiën van de opbrengst<br />

der gronden, welke zij bebouwen; na daaruit in de behoeften<br />

van hunnen heer voorzien te hebben kunnen zij over het overige<br />

als eigenaars beschikken. De oudste of een van de oudsten der<br />

lijfeigenen voert onder den titel van Vader des huizes het bestuur<br />

over alle bezittingen van zijnen heer, en blijft dit ook na diens<br />

overlijden doen tot dat de opvolger gekozen is; hij is ten dien<br />

opzigte aan niemand rekenschap schuldig.<br />

Van de denkbeelden der Timorezen omtrent het grondbezit is<br />

ons niets bekend. Uit de omstandigheid, dat zij zeer dikwijls van<br />

grond verwisselen om hunne maïs-velden aan te leggen, laat zich<br />

afleiden dat zij, even als op andere eilanden van het Oostelijke<br />

gedeelte des Archipels, geen eigenlijken grondeigendom kennen<br />

maar hun eigendoms-regt zich alleen tot de producten bepaalt.<br />

De natuurlijke voortbrengselen, als was en vogelnestjes, schijnen<br />

in elk rijkje algemeen eigendom der bevolking te zijn, waarvan<br />

ieder naar goedvinden kan inzamelen, behoudens het afstaan van


533<br />

een aanzienlijk gedeelte aan de Hoofden; de eerste ontdekking<br />

van eenen boom, waarop bijen nestelen, geeft echter aan den<br />

ontdekker het voortdurend regt op zijne opbrengst, waarom hij<br />

dien boom dan ook met zijn merk teekont. Het kappen van<br />

sandelhout mag alleen geschieden met vergunning van den Vorst,<br />

wien de helft van het gekapte toekomt, terwijl nog een ander deel<br />

aan den Fettor en den Tomokong moet worden afgestaan, zoodat<br />

er voor den kapper zeiven slechts een klein gedeelte overblijft.<br />

De landerijen der Vorsten en Fettors moeten door hunne onderdanen<br />

zonder loon worden bearbeid; zij kunnen zich echter van<br />

deze dienst ontslaan door een vijfde gedeelte van hunnen eigenen<br />

oogst aan deze Hoofden af te staan; deze schatting heet Poni.<br />

De buitenlandsche handel wordt uitsluitend door de in de<br />

kustplaatsen gevestigde Chinezen en andere vreemdelingen gedreven.<br />

Dezen reizen daartoe in den goeden moeson het land door<br />

om van de Inboorlingen hunnen voorraad van sandelhout, was,<br />

enz. in te ruilen tegen bij ben gewilde artikelen, welke zij daartoe<br />

op paarden met zieh voeren. Zij vervoegen zieh in elk rijk het eerst<br />

bij den Radja en de Fettors om vergunning tot het handel drijven<br />

en bescherming op hunne reis te verzoeken, welke laatste maatregel<br />

noodig schijnt om hen tegen berooving door de Timorezen te<br />

vrijwaren; deze gunsten worden hun legen aanzienlijke geschenken<br />

verleend, welker waarde zij natuurlijk later bij hunnen handel<br />

op het volk verhalen. Het bedrag van den buitenlandschen handel<br />

te Koepang is op bl. 503 opgegeven; die in het Portugesche<br />

gebied schijnt nog minder beduidend te zijn; althans DE CASTUO<br />

verhaalt dat vreemde handelsvaartuigen dikwijls met hunne<br />

geheele aangebragte lading weder vertrekken bij gebrek aan<br />

koopers, omdat er geene voortbrengselen des lands als ruilwaren<br />

voorhanden zijn.<br />

Wijze van krijgvoeren.)')<br />

Zeer menigvuldig zijn de onderlinge veeten en oorlogen tusschen<br />

de verschillende rijkjes over geheel Timor; waartoe het opligten<br />

van personen, het rooven van vee, het schenden van grondgebied<br />

bij het kappen van sandelhout of het inzamelen van was, en<br />

(') Men zie hierover uitvoeriger hel lijdschri[t voor iïeertands maie<br />

{846, 01. III, bl. -204 en volgg.


53-i<br />

dergelijke, veelal aanleiding geven; geschillen van de laatstge­<br />

noemde soort vinden dikwijls hunne oorzaak in het gebrek aan<br />

naauwkeurig afgebakende grenzen. De geheele weerbare bevol­<br />

king is dicnslpligtig en wordt aangevoerd en voor eiken krijgstogt<br />

vooraf gewijd door de Meoe's of voorvechters (bij de Belonezen<br />

Tdux genoemd O), die in dit geval tevens de betrekking van<br />

priesters bekleeden. Het getal der Meoe's schijnt niet bepaald te<br />

zijn en te verschillen naar gelang van de grootte des rijks; er<br />

zijn er echter altijd minstens twee, en een hunner voert den titel<br />

van Groot-Meoe of Opper-voorvechter. Voor het aanvangen van<br />

den togt verzamelt elke Meoe zijne onderhoorigen in het Oeme<br />

leo (bl. 529), waar zij zich blootshoofds met brandende kaarsen<br />

in de handen nederzetten. De Meoe verhaalt nu de aanleiding-<br />

tot den oorlog, betoogt de onschuld zijner partij, bidt de toestem­<br />

ming tot en den zegen over den krijg van de Goden af en brengt<br />

hun offers, uit varkens en rijst bestaande, op het altaar, dat zich<br />

in het midden van het huis bevindt; terwijl hij zich voorziet van<br />

drie zakjes met gewijde wortels, steentjes en andere talismans,<br />

van welke sommigen dienen om hem tegen looden kogels te<br />

beschermen, en anderen om hem het geschikte oogenblik te doen<br />

weten om den vijand te overvallen. Indien bij deze plegtigheden<br />

de kaars van een der aanwezigen niet helder brandt, heeft deze<br />

waarschijnlijk eenig misdrijf op het geweten en moet dus met<br />

gewijd badwater gereinigd worden en daarna een rooden of witten<br />

haan offeren om de Goden te verzoenen, van welke verzoening<br />

het teeken in de ingewanden van den haan moet gevonden<br />

worden; ontbreekt dit teeken, hetgeen echter hoogst zelden ge­<br />

beurt, dan mag dc schuldige dezen togt niet mede maken en moet<br />

hij, voordat hij zich bij eene latere expeditie mag aansluiten,<br />

op nieuw gezuiverd worden.<br />

Y\ anneer eene der boven vermelde of eenige andere aanleiding<br />

tot vijandelijkheden is ontstaan en ter kennis van den Vorst<br />

gebragt, doet deze de zaak onderzoeken en stelt, wanneer de<br />

klagt blijkt gegrond te zijn, gewoonlijk pogingen in het werk<br />

om langs minnelijken weg voldoening voor het geleden onregt<br />

te erlangen. Wordt deze geweigerd dan volgt de oorlogsver­<br />

klaring onmiddellijk, tenzij de aanvallende partij zich zwakker<br />

t 1<br />

) DE CASTRO, t.a *. bl. 50*.


535<br />

mogt achten dan de andere, in welk geval eerst een naburig<br />

Vorst onder het toezenden van geschenken als bondgenoot wordt<br />

te hulp geroepen. Inmiddels gaan de Asoe palia's (bl. 527) vond<br />

om het volk ten strijde te roepen. De oorlogsverklaring geschiedt<br />

op de volgende zinnebeeldige wijze : de Meoe's der uitdagende<br />

partij brengen een zwarten hond op vijandelijk grondgebied,<br />

waar zij hem den kop afslaan en dezen met gewijde wortelen<br />

opgevuld, onder het lossen van een geweerschot en het aanheffen<br />

van luid geschreeuw, in dc nabijheid van eene bewoonde plaats<br />

uederwerpen. Zoodva deze stand van zaken in de beide landen<br />

bekend is geworden is alles in beweging en maakt men overal<br />

door het slaan op trommen en bekkens, het blazen op buffelhorens<br />

en schreeuwen een vervaarlijk alarm ; en terstond beginnen<br />

de vijandelijkheden met wederzijdscbe, meestal nachtelijke strooptogten,<br />

waarbij kampongs overvallen, vee cn menschen geroofd,<br />

en zooveel mogelijk koppen gesneld worden. Wanneer het tot<br />

een openlijk gevecht komt, scharen de beide partijen zich in<br />

lange gelederen op de strijdplaats; de Meoe's plaatsen zich voor<br />

het front hunner troepen en branden het eerst hunne geweren<br />

los na elkander eenigen tijd met woorden en gebaren te hebben<br />

getergd. Nu begint de algemeene aanval, die echter zelden lang<br />

duurt; daar de partij, die het eerst een aantal van hare manschappen,<br />

vooral Meoe's, ziet vallen, den slag als verloren<br />

beschouwt en de vlugt neemt. De hevigste strijd heeft plaats om<br />

de hoofden der gewonde of gesneuvelde vijanden magtig te<br />

worden; en dikwijls onthoofdt men zijne eigene gewonden om<br />

te voorkomen dat hunne hoofden den vijand in handen vallen.<br />

Hiermede is echter de oorlog niet geëindigd; de stroopcrijen<br />

duren voort, en veelal worden ook de openlijke gevechten meermalen<br />

herhaald. Deze toestand houdt dikwijls maanden, ja<br />

somtijds jaren aan, en eindigt gewoonlijk door de bemiddeling<br />

van een onzijdigen Vorst. Wanneer het dezen gelukt is zijne<br />

vredesvoorslagen bij de beide partijen ingang te doen vinden,<br />

begeven zich de Vorsten met hunne Meoe's en een aantal gewapende<br />

mannen naar eene bepaalde plaats aan de grenzen,<br />

waar elk op zijn eigen grondgebied blijft staan terwijl de bemiddelaar<br />

zich tusschen hen op de grenslijn plaatst. De twee<br />

vijandelijke Vorsten bieden hem dan elk eene gouden plaat aan,<br />

welke hij naast zich doet nederleggen, terwijl een der Meoe's een.


536<br />

palmtakje voor hem plaatst, hetwelk de tanden van den gedooden<br />

hond moet voorstellen. Dit takje wordt dan door de twee Vorsten<br />

gezamenlijk weggeworpen, waarna zij elkander omhelzen en de<br />

verzoening onder gejuich en geweerschoten gesloten wordt. In<br />

andere rijkjes worden, bij het sluiten van den vrede, op de<br />

grensscheiding twee stokken op zekeren afstand van elkander<br />

in den grond gestoken en door dwarslatten of touwen verbonden,<br />

als zinnebeeld van de scheiding tusschen die rijken; de Groot—<br />

Meoe's van beide partijen hakken dan gezamenlijk die versperring<br />

open, ten teeken dat die afscheiding heeft opgehouden, storten<br />

ieder eenige buffelmelk op den gTond uit, en omhelzen daarna<br />

elkander.<br />

Bij de oorlogen, die het Portugesche Gouvernement dikwijls met<br />

de Inboorlingen te voeren heeft, gaande zaken volmaakt op dezelfde<br />

wijze toe, omdat de Portugesche magt nagenoeg uitsluitend uit<br />

geheel ongeregelde Timoresche hulpbenden bestaat (bl. 514).<br />

De krijgsgevangenen en de hoofden der gesneuvelde vijanden<br />

worden naar Billi gevoerd, waar door de overwinnaars een dans<br />

rondom de op eenen hoop gestapelde koppen wordt uitgevoerd<br />

in tegenwoordigheid van den Gouverneur, die daarna aan elk der<br />

voorvechters eene gouden plaat ter belooning zijner dapperheid<br />

uitreikt. I 1<br />

)<br />

Hoewel uit het bovenstaande genoegzaam blijkt dat de Timorsche<br />

stammen tegenover eene geregelde Europesche krijgsmagt<br />

in het open veld niet zeer te duchten zijn, is het niet te min waar<br />

dat het veroveren van eene hunner kampongs dikwijls ernstige<br />

bezwaren oplevert; daar deze veelal op steile en weinig toegankelijke<br />

rotsen (Fatoe) gebouwd zijn, en de verdedigers van uit<br />

rotskloven en achter struiken den vijand met pijlen en geweervuur<br />

bestoken zonder dat het dezen mogelijk is hun veel nadeel toe<br />

te brengen.<br />

Bijzondere gebruiken, feesten.<br />

Vóór en bij de geboorte van een kind hebben velerlei bijgeloovige<br />

plegtigheden plaats, welke niet allen geschikt zijn om hier<br />

vermeld te worden. Op den zevenden dag na de geboorte wordt<br />

een feest gevierd, waarbij een varken of kleiner huisdier tot dank<br />

aan de goden geofferd wordt.<br />

(') DE GASTRO, t.a.p. bl. 506.


537<br />

Bij het aangaan van een huwelijk wordt onder de Timorezen<br />

de vrouw door den man van hare ouders gekocht voor eene som,<br />

die bij de verloving vastgesteld en op den dag des huwelijks<br />

betaald wordt en heli heet. Zij bestaat in een zeker aantal omassen<br />

(amas, goud), doch wordt daarom niet geheel in goud maar ook<br />

gedeeltelijk in vee, koralen, kleedingstukken, enz. voldaan, en<br />

ook niet altijd in eens afbetaald; in dit laatste geval blijven<br />

echter tot zoolang de vrouw en kinderen het eigendom van<br />

hare ouders, en mag zelfs het lijk van den schuldenaar niet<br />

begraven worden voordat de schuld is voldaan. Op den voor<br />

het huwelijk bepaalden dag gaat de bruidegom begeleid door<br />

zijne bloedverwanten met de heli naar de woning der bruid.<br />

Haai vader zendt hem dan eenen afgezant, Mofefa of Mofefo<br />

(Spreker) genaamd, te gemoet om te onderzoeken of de omassen,<br />

welker waarde niet naauwkeurig bepaald schijnt, wel in orde<br />

zijn. Gewoonlijk valt hierop wat aan te merken, en de bruidegom<br />

is onder de bcspottelijkste voorwendsels nog aan velerlei afzetterijen<br />

blootgesteld eer hij het huis der bruid mag binnenkomen.<br />

Als eindelijk de koop tot wederzijdsch genoegen gesloten is, is<br />

daarmede ook het huwelijk voltrokken, dat vervolgens met een<br />

feestmaal gevierd wordt t 1<br />

'. Het spreekt van zelf dat de meerdere<br />

of mindere rijkdom der partijen in dit alles groote wijzigingen<br />

aanbrengt. — Echtscheiding kan plaats hebben en door beide<br />

partijen gevorderd worden. Veelwijverij is geoorloofd, doch heeft<br />

bij den gewonen Timorees zelden plaats wegens het groote bedrag<br />

der heli's; Radja's en Fettors daarentegen hebben veelal een<br />

groot aantal vrouwen, daar hunne staatkunde medebrengt zich<br />

met velen hunner Onderregenten te verzwageren, om zich van<br />

hunne trouw te verzekeren, en ook een groot aantal vrouwen<br />

voor een bewijs van rijkdom geldt. Eene van haar wordt echter<br />

altijd als de voornaamste of wettige vrouw, de andere meer als<br />

bijwijven beschouwd. Even als bij de Lampongers (D 1<br />

.1, bl. 565),<br />

de Bataks (D>. I, bl. 645), de Alfoeren van Boeroe (PA II, bl. 354)<br />

en andere eilanders van hetzelfde ras, vervalt bij het overlijden<br />

van den man de weduwe aan diens broeder of naasten mannelijken<br />

(') Nog andere gebruiken bij huwelijksverbindtenissen worden vermeld door<br />

S. ML'LLER , Reizen , enz., D 1<br />

. II, bl. 256 der uitgave van het Instituut voor<br />

laai-, land- en volkenkunde.


538<br />

bloedverwant, die haar tot echtgenoot moet nemen, welke verpligting<br />

slechts door het betalen van eene vrij groote som aan<br />

de familie der vrouw kan worden afgekocht.<br />

Volgens DE CASTRO bestaat bij de Belonezen tweederlei wijze<br />

van huwelijk. Bij de eene, cabin geheeten, wordt geene koop­<br />

prijs of huwelijksgift betaald en dikwijls ook geheel geen feest<br />

gevierd; deze wijze van trouwen is eigenlijk die der behoeftigen,<br />

maar schijnt toch ook somtijds bij meer gegoeden gevolgd te<br />

worden. De andere soort van huwelijk heet haqfóli; daarbij<br />

wordt eene huwelijksgift betaald of door den bruidegom of door<br />

de bruid, en de partij, voor wie de huwelijksgift betaald wordt,<br />

gaat bij de andere inwonen. Wanneer een meisje ten huwelijk<br />

gevraagd wordt, begeven zich de jongeling en zijne bloedverwanten<br />

op een bepaalden dag met eenige geschenken naar haar huis om<br />

het officiëele aanzoek te doen; hierop wordt echter niet terstond<br />

een stellig antwoord gegeven, maar daarvoor een andere dag<br />

vastgesteld, op welken zich dan de betrekkingen van het meisje,<br />

insgelijks met geschenken, naar het huis van den jongeling<br />

begeven om dit antwoord te brengen en tevens den dag voor het<br />

huwelijk te bepalen. De voltrekking daarvan geschiedt ten huize<br />

der bruid met feesten, die somtijds drie dagen duren. Indien de<br />

ouders van het meisje hunne toestemming tot het huwelijk<br />

weigeren, roept de jongeling de tusschenkomst van den Badja<br />

in, die dan met de Datoe's de zaak onderzoekt en, indien dezen<br />

het huwelijk goedkeuren, de voltrekking er van gelast. De man<br />

kan slechts met éene vrouw een wettig huwelijk aangaan, doch<br />

zoovele bijwijven nemen als hij verkiest; dezen mogen echter<br />

niet in hetzelfde huis wonen met de wettige vrouw. De bij bij­<br />

wijven verwekte zonen erven gezamenlijk slechts een derde gedeelte<br />

der ouderlijke nalatenschap, terwijl die der wettige vrouw twee<br />

derden bekomen; de dochters schijnen in geen geval te erven<br />

maar ten laste te komen van hare broeders of andere bloedver­<br />

wanten, die dan ook hare huwelijksgift of koopprijs zullen<br />

ontvangen.<br />

Bij het overlijden van een Radja, Fettor of anderen aanzien­<br />

lijke wordt door zijne vrouwen, kinderen en naastbestaanden<br />

een jammerlijk gegil aangeheven, buiten 's huis geweerschoten<br />

gelost, en door rondgezondene boden overal van het sterfgeval<br />

kennis gegeven. De menigte belangstellenden, die zich dan in


539<br />

het sterfhuis verzamelt, wordt gedurende verscheidene dagen<br />

op maaltijden onthaald, waarvoor vele buffels en varkens worden<br />

geslagt, wier hoornen en pooten in het offerhuis worden gebragt.<br />

Inmiddels wordt het lijk gewassoben en in zijne beste kleederen,<br />

met gouden en zilveren platen en koralen versierd, gedurende<br />

twee of drie dagen op eene tafel te pronk gesteld; waarna bet<br />

in een wit doodkleed, met eenige stukken lijnwaad, enkele kostbare<br />

sieraden, een voorraad sirih met toebehooren en eenige<br />

gewijde wortelen in eene zware houten kist wordt gesloten,<br />

welker naden naauwkeurig met was en hars worden digtgestreken.<br />

De begrafenis kan eerst plaats hebben nadat de opvolger van<br />

den overledene is benoemd, al zijne schulden betaald en alle<br />

zijne bloedverwanten aangekomen zijn, wier tegenwoordigheid<br />

dikwijls door aanzienlijke geschenken moet gekocht worden.<br />

Alet dit een en ander verloopen somtijds jaren, gedurende welke<br />

de weduwen zich naauwelijks mogen verwijderen van de doodkist,<br />

die wel eens moet vernieuwd worden. Is eindelijk de dag der<br />

begrafenis daar, dan wordt onder aanhoudend geweervuur<br />

de kist naar buiten gedragen, waarover echter eerst nog eene<br />

worsteling tusschen de vrouwen en de dragers moet plaats<br />

hebben, en vervolgens begraven met een pot met gekookte rijst<br />

en een gedooden hond, welks ziel die van den overledene naar<br />

het schimmenrijk moet geleiden. Voor de levenden is intusschen<br />

ook gez<strong>org</strong>d en eene verbazende hoeveelheid eetwaren bereid,<br />

die na de terugkomst van het graf door de aanwezenden worden<br />

verslonden of, voor zoo verre dit niet mogelijk is, naar huis<br />

medegenomen.<br />

Als teeken van rouw scheren alle huisgenooten van den-overledene<br />

zich het hoofd kaal en vervangen hunne gewone kleedingstukken<br />

door zwarte. Bij den dood van eenen Radja of Fettor<br />

scheren alle mannen uit zijn gebied zich het hoofd kaal.<br />

Bij het overlijden van geringe lieden hebben deze ceremoniën<br />

geene plaats; zij worden spoedig in eene eenvoudige kist of een<br />

uitgeholden boomstam begraven, en, zoo er maaltijden gehouden<br />

worden, wordt daarvoor slechts een enkele buffel of een varken<br />

geslagt.<br />

Behalve de feesten bij geboorten, huwelijken en sterfgevallen,<br />

die grootendeels in het houden van maaltijden en het overvloedig<br />

gebruik van toewak bestaan, worden ook somtijds feesten met


540<br />

zang en dans gevierd. Dit heeft onder anderen plaats wanneer<br />

na eenen krijgstogt de afgehouwene hoofden der vijanden worden<br />

te huis gebragt, wanneer daarmede voor dat zij te pronk gesteld<br />

worden een dans roudom het gewijde huis van den Meoe wordt<br />

uitgevoerd. Voorts zijn er verschillende dansen, die bij bijzondere<br />

gelegenheden des avonds met gezang cn ouder begeleiding van<br />

dc muzijk van kleine koperen klokjes en eene soort van tambourin<br />

worden gedaan. Het dansen geschiedt door de mannen en vrouwen<br />

afzonderlijk; zij houden elkander aan het kleed vast, en<br />

bewegen zich langzaam in eenen kring naar de maat van het<br />

gezang. Dit gezang bestaat in kleine, onbeduidende, dikwijls<br />

geïmproviseerde liedjes, in den smaak van de Maleische Pantoens^),<br />

die 6f door de meisjes of vrouwen alleen of door het<br />

geheele gezelschap worden aangeheven.<br />

DE CASTHO maakt melding van eenen dans, iahedoe genaamd,<br />

die uitsluitend door vrouwen cn alleen onder begeleiding van<br />

tambourins [baba) wordt uitgevoerd, doch waarbij de bewegingen<br />

zeer snel zijn. Deze dans, die voor de Belonesche vrouwen zeer<br />

veel aantrekkelijks schijnt te hebben, wordt dikwijls gedurende<br />

een etmaal met slechts korte tusschenpoozen volgehouden; en<br />

wanneer de Gouverneur het binnenland bezoekt, danst men dien<br />

onafgebroken voor de woning waarin hij zijnen intrek neemt,<br />

ook al duurt zijn verblijf drie dagen. De tabedoe wordt ook gedanst<br />

wanneer een dorp door eene vijandelijke bende wordt aangevallen,<br />

en wel zoolang als het gevecht duurt; dit geschiedt om daardoor<br />

den moed der mannen aan te wakkeren.<br />

Dezelfde Schrijver vermeldt een feest, sallalah genaamd, dat<br />

somtijds bij gelegenheid van den rijstoogst gegeven wordt en<br />

waarbij mannen en vrouwen door elkander op den dorschvloer<br />

over de afgesnedene rijsthalmen dansen, waardoor tevens de<br />

korrels er worden uitgetreden. Dit feest gaat vergezeld van eenen<br />

maaltijd, het ruim gebruik van sterken drank en een luidruchtig<br />

geschreeuw, cn duurt van den avond tot in den m<strong>org</strong>enstond.<br />

Na den afloop er van worden verder de rijstkorrels door paarden<br />

uit de aren getreden.<br />

J e<br />

(') Zie onze Handleiding bij de beoefening der Maleische laai, 5<br />

gave, bl. 296. Eene uitvoerige beschrijving van deze danstn en voorbeelden<br />

dezer gezangen vindt men in S. MILLER, Reizen, enz., D'. ft, bl. 246 cn volgg.<br />

der uitgave van het Instituut.<br />

uit


541<br />

Taal, tijdrekening-, muzijk, nijverheid.<br />

Van de taal der bevolking van Timor is nog weinig meer bekend<br />

dan hetgeen uit de kleine door MULLER, HEIJMERING, FKANCIS,<br />

en enkele anderen medegedeelde woordenlijstjes te leeren valt;<br />

daaruit blijkt echter wel dat zij met die der naburige, door<br />

Alfoersehe stammen bewoonde, eilanden verwant en welligt ook<br />

niet geheel buiten den invloed van het Maleisch gebleven is.<br />

De drie stammen des eilands spreken drie zeer verschillende<br />

hoofd-dialecten; maar ook in de afzonderlijke rijkjes wordt<br />

dikwijls nog een aanmerkelijk verschil van taal waargenomen.<br />

Die van Billi en de naburige rijkjes heet Teto; zij wordt door<br />

DE CASTRO voor het betrekkelijk rijkste van alle dialecten gehouden,<br />

die overigens, als een natuurlijk gevolg van de geringe<br />

beschaving des volks, zeer arm zijn. Daar er geen letterschrift<br />

bekend is, kan er van eenige literatuur geene sprake zijn.<br />

Te Koepang is door de Nederlanders het gebruik der Maleische<br />

taal ingevoerd, die daar dan ook algemeen wordt gesproken.<br />

De Portugezen hebben in hunne bezittingen de Inlanders tot<br />

het aanleeren der Portugesche taal trachten te noodzaken; de<br />

kennis daarvan is echter, althans buiten de hoofdplaats, hoogst<br />

gebrekkig.<br />

Van tijdrekening schijnen de Timorezen geene kennis te hebben,<br />

dan voor zooverre die door den stand van zon en maan en<br />

door de moesons wordt aangewezen.<br />

Hunne muzijk verdient den naam van toonkunst niet. De<br />

instrumenten zijn eenige kleine gongs (D 1<br />

. I, bl. 380), trommen<br />

en tambourins uit een uitgehold stuk hout. vervaardigd en met<br />

de hand geslagen, kleine koperen klokjes of schelletjes waarschijnlijk<br />

van Chineesch maaksel, en buffelhorens, waarop echter<br />

alleen in oorlogstijd schijnt geblazen te worden (bl. 535). Ook<br />

hun gezang is zeer eentoonig, hoewel niet ontbloot van melodie.<br />

De geneeskunst bepaalt zich tot het aanwenden van enkele<br />

uitwendige middelen, vooral bij kraamvrouwen; maar daar overigens<br />

de ziekten aan den invloed van booze geesten of toovenaars<br />

worden toegeschreven, spreekt het van zelf dat zij door bezweringen<br />

moeten worden afgewend of genezen.<br />

In het algemeen hebben zij in geene kunst of tak van nijverheid<br />

noemenswaardige vorderingen gemaakt. Het spinnen, weven en<br />

verwen der kleedingstukken geschiedt op eene gebrekkige wijze


542<br />

door de vrouwen. Zij kunnen slecht9 twee kleuren van verwen<br />

bereiden: blaauw, uit de in het wild groeijende indigo-plant,<br />

en rood uit den wortel van den bengkoedoe-boom. Elk huisgezin<br />

vervaardigt voor eigen gebruik de noodige aarden potten en<br />

pannen, matjes en mandjes uit lontar-bhdcren of bamboe, en<br />

den toewak of palmwijn. Hunne gouden sieraden bekomen zij<br />

grootendeels van de bevolking van het eiland Daauw, daar goudof<br />

ijzersmeden of andere ambachtslieden hoogst zelden onder hen<br />

worden gevonden; in den omtrek van Koepang voorzien de<br />

Chinezen somtijds in de behoefte daaraan.<br />

DERDE HOOFDSTUK.<br />

ONDERHOORIGHEDEN VAN TIMOR.<br />

§ 1. De Zuid-Westwaarts van Timor gelegene eilanden:<br />

Samaauw, Kambing, Rotti, Landoe, Daauw,<br />

Doah, Noessé, Dana, Heliana, enz.<br />

Samaauw.<br />

Het eiland Samaoe of Samaauw, ook Koerong genaamd, ligt<br />

ten Westen van Timor's Zuid-Westpunt, waarvan het door de<br />

smalle Straat Samaauw of Moèloel Rotti gescheiden is, tusschen<br />

10° 7' tot 10° 25'Z.B. en 123° 12' tot 123° 31' O.L. Het is<br />

geheel van dezelfde formatie als Timor, en heeft aan de Oostzijde<br />

eene diep inloopende baai, waardoor het in een Noordelijk en<br />

een Zuidelijk schiereiland verdeeld wordt. De grootte bedraagt<br />

volgens MELVILL 8.4 • mijlent 1<br />

). Het geheele eiland is heuvel­<br />

achtig doch heeft geene belangrijke bergen. Op sommige plaatsen<br />

(') Monileurdeslndes. 1846—1847. Vergelijk S. MCLLEH , Reizen, enz<br />

Db II, bl. 505 der uitgave van het Instituut. BUDDINGH geeft in zijne Reizen.<br />

V. III, bl. 299 aan Samaauw eene gruntte van 561 • mijlen; en FRANCIS<br />

spreekt in het Tijdschr. van Neérl Indië, 1858, D l<br />

l, bl. 562, van even<br />

zooveel Engelsche mijlen; doch zelfs dan is die opgave veel te groot. Op de<br />

Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Neêrl, Indië, 1849, geeft MELVIL<br />

voor de grootte van Samaauw slechts 4.5 • mijl, hetgeen echter Ie weinig<br />

schijnt.


543<br />

vertoonen zich sporen van vulkanische werking: zoo vindt men<br />

bij den heuvel Silain eene plek, waar het gesteente door chemische<br />

werking doorknaagd of uitgebeten en met eene zwavel-korst<br />

bedekt is; op twee andere plaatsen, nabij de West- en de<br />

Noordkust, borrelt met zwaveldeelen bezwangerd water uit den<br />

grond op, dat witachtig van kleur is en daarom Ajer saöoen of<br />

zeepwater genoemd wordt. Aan de Zuid- en Zuid-Oostzijde is<br />

het eiland door uitgestrekte koraalriffen omgeven.<br />

De voortbrengselen zijn: rijst, djagoeng, katoen, groenten,<br />

timmerhout voor huis- en scheepsbouw, eenig rundvee, herten,<br />

varkens, was, vogelnestjes en tripang.<br />

De bevolking bestaat uit Kocpangezen (bl. 524) en wordt door<br />

sommigen op 1800 door anderen op 3000 zielen geschat. De<br />

Radja van dien stam houdt zijn verblijf op dit eiland, hetwelk<br />

zijne voornaamste bezitting is (bl. 518).<br />

De belangrijkste bij name bekende plaatsen zijn : Koerong,<br />

aan de Noordkust: Oiassa, in het Noordelijke gedeelte des<br />

eilands, nabij eene der boven vermelde zwavelbronnen C'; Sissi,<br />

nabij de Noord-Oostpunt aan Straat Samaauw; en Landoetoe,<br />

aan de Zuidkust.<br />

Nabij de Zuidkust ligt het kleine P. Teboes en nog een paar<br />

insgelijks onbewoonde eilandjes, die weinig meer dan klippen<br />

zijn.<br />

Poeloe Kambing, ( s<br />

)<br />

P. Kambing is een zeer klein onbewoond eilandje, dat alleen<br />

door eene natuurkundige bijzonderheid belangrijk is. Het ligt in<br />

Straat Samaauw voor de Baai van het eiland Samaauw, en bestaat<br />

uit eene rots van graauwakke-zandsteen van ongeveer 250 v l<br />

.<br />

hoogte, met eenen afgeknotten top. Die top vormt eene kom van<br />

400 schreden middellijn en 25 v*. diepte. Op den bodem dezer<br />

kom verheffen zich een veertiental uit klei bestaande kegels,<br />

in welker toppen kleine openingen zijn, waaruit onophoudelijk<br />

0) Nabij Oiassa bevindt zich ook eene rijke zoet-water-bron, zoo men<br />

zegt de eenige op het eiland, die ook aan de besproeijing der rijstvelden wordt<br />

dienstbaar gemaakt. In de behoefte aan drinkwater wordt overigens door gegravene<br />

pullen voorzien.<br />

( 2<br />

) In het Aardrijkskundig Woordenboek is dit eiland verward met liet<br />

op bl.515 vermelde P. Kambing.


Q44<br />

slijkachtigc gasbellen of modderblazeu opstijgen, die na een<br />

oogenblik uit één spatten en eene kleine hoeveelheid slijk op<br />

den top en de helling van den kegel uitstorten, welk slijk in<br />

de opene luoht spoedig verhardt. De verhooging, welke deze<br />

kegels hierdoor natuurlijk bekomen, wordt weder verminderd<br />

door de regenbuijen, die van tijd tot tijd een gedeelte van deze<br />

klei wegspoelen.<br />

Eotti.<br />

Het eiland Rotti ligt tusschen 10° 37' tot 11°Z.B. en 122° 52'<br />

tot 123° 29' O. L., ten Zuid-Westen van Timor, in dezelfde<br />

rigting als dit eiland, waarvan het door Straal Rotti gescheiden<br />

is. De grootte bedraagt 30.8 • mijlen. O<br />

De Noord-Oostelijke en Zuid-Westelijke gedeelten van het<br />

eiland, dat van kalksteen-formatie schijnt te zijn, zijn grooten­<br />

deels laag en vlak; het midden-gedeelte is bergachtig, doch<br />

rijst niet boven de 800 v'.; bijzonder uitstekende toppen zijn er<br />

niet. In het Regentschap Landoe, aan de Noordkust, bevinden<br />

zich twee slijkvulkanen cn een klein meer van zont water, welks<br />

bodem bedekt is met eene meer dan twee voet dikke laag zout,<br />

hetwelk door de Inlanders gebruikt wordt. < 5<br />

'<br />

De voornaamste baaijen en ankerplaatsen zijn: die van Kor-<br />

baffo en Renggouio aan de Noordkust; die van Termanoh en<br />

Baak, aan de Noord-Westkust; de Bokkai-baai en de Cgrus-<br />

Aaven, aan de Zuid-Oostkust; de laatste is verreweg de grootste<br />

en best geslotene van allen, doch vol met riffen.<br />

Er zijn vele riviertjes, die wel niet bevaarbaar doch voor<br />

den landbouw van groot nut zijn. De belangrijksten zijn: de<br />

rivieren van Korbaffo en Renggouio, welke aan de Noordkust ia<br />

de baaijen van dezelfde namen vallen; de rivier van Baak, die<br />

zich in de baai van dien naam op de Noord-Westkust stort; en<br />

de rivier van Lollej, die zich in de Cyrus-haven ontlast.<br />

(') Volgens MELVILL in den Moniteur des Indes, 1846—1847. Op de<br />

Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Neêrl Indië. 1849, stelt hij voor<br />

i?o//i en eenige kleinere eilanden te zamen slechts 2-1.8 • mijlen. BUDDINGH<br />

maakt er in zijne Reizen, U'. lil, Bi.500, niet minder dan C10 • mijlen<br />

van; terwijl FRANCIS even zoovele Engelsche mijlen opgeeft, in het Tijdschr.<br />

v.N. 1., 1858, U'. I, bl. 302.<br />

( 3<br />

) Tijdschr. voor Neérl. Indië, 1858, D'. 1, bl. 511. Naluurk. Tijdschr.<br />

voor Nederlandsch Indië, 1851, bl. 591.


545<br />

Het eiland is zeer vruchtbaar en levert vooral vele granen op,<br />

zoo als: rijst, ook voor den uitvoer; eene soort van gierst,<br />

boitok of betek genaamd, die het hoofdvoedsel der bevolking is;<br />

eene andere soort van gierst, dellé (in het Javaansch djali)<br />

genaamd; en tweederlei soort van djagoeng. Voorts peul- en<br />

aardvruchten, groeuten, vrachten, suikerriet, tabak, sirih, pinang,<br />

katoen; kokos-, gebang- en to^nr-palmen, van welke laatsten<br />

toewak, stroop en suiker vervaardigd worden; indigo en mangkoedoe<br />

of bengkoedoe-boomen (bl. 542) voor blaauwe en roode<br />

verfstof; enz. De bosschen, die vooral in het Noorden en Oosten<br />

des eilands gevonden worden, leveren onderscheidene goede houtsoorten<br />

op, waaronder kajoe mejrah en tamarinde.<br />

De wilde dieren zijn herten en varkens; de tamme, voornamelijk<br />

buffels, paarden, geiten, schapen en hoenders. In de bosschen<br />

houden zich eene menigte bijen op; hier en daar worden ook<br />

vogelnestjes ingezameld. Aan dc Zuid-Oostkust vindt men schildpadden,<br />

en overal in den omtrek tripang; van de vischvangst<br />

wordt overigens weinig werk gemaakt.<br />

Metalen of andere delfstoffen komen, zooverre bekend is, niet<br />

voor.<br />

Rotti is verdeeld in achttien staatjes of Regentschappen; zij<br />

zijn van de Noord-Westpunt af Oostwaarts de volgende:<br />

Korbaffo, met de hoofdnegeri Korbaffo en de voornaamste kampongs<br />

Sant, Inggoe soedi en Tana gaej.<br />

Landoe, met de hoofdnegeri Landoe en de kampongs Dai ama,<br />

Inggoe seri en Rai pouh.<br />

Renggouio, met Renggouio, Keka hoeöe, Nala dai, Dato en<br />

Rottei.<br />

Oipauw of Batoe issi, met Oipauw, Ina ai, Feah en Ari.<br />

Bilba, met Bilba, Tara koko, Moemoek, Saniek, enz.<br />

Bioeh, met Bioek, Toene ama, Lioe daej en Kana.<br />

Lelenoek, met Lelenoek, Leni oei en Hako ama.<br />

Bokkai, met Bokkai, Teah ama cn Modoh.<br />

Talos, met Talos, Inggoe oei, Tetoe kade, Boeli horna, enz.<br />

Keka, met Keka, Kapa lai solah, Sakoe thei date en Masa<br />

koene.<br />

Lollei, met Lollei, Pesah, Moelah, Koeli, Kasoe, Nandi, enz.<br />

Tkie, met Thie, Roera la eh, Saba la eh, Bokka, Soeah, Landoe,<br />

Kona, enz.<br />

II. 55


546<br />

Bella, met Bella. Sede feoh, Ompoh, Roeak. enz.<br />

Oinale, met Oinale, Tarahani die, Tarahani onah, Bonk,<br />

Ajik, enz.<br />

Lelain of Osing poka, met Lelain, Bobo, Lodoe, enz.<br />

Bengka. met Bengka, Henoek lej, Taka tej. Ejlah. Loenak,<br />

Baiih, met Baiih, de verblijfplaats van den Nederlandschen<br />

Posthouder, Endeh, Modo, Kou, enz.<br />

1'ermanoh, met Termanoh, Masahoek, Menoh, Lelik. enz.<br />

De acht eerstgenoemde staatjes worden te zamen genoemd<br />

Malahari najik of het Oostelijke gedeelte, en de tien andere<br />

Malahari ioeroen of het Westelijke gedeelte.<br />

Elk van deze staatjes heeft een Vorst en een Rijksbestuurder,<br />

die door het Gouvernement, even als op Timor, Radja en Feltor<br />

genoemd worden. De meeste Fettors hebben ook eenige kampongs<br />

onder hun eigen onmiddellijk bestuur, voor welke zij als<br />

leenmannen van de Radja's kunnen beschouwd worden. De<br />

hoofden der kampongs worden Tomoekoen genoemd. De eigen<br />

lijke inlandsehe benaming vooralle Hoofden is Manek; zij worden<br />

onderscheiden door bij dezen titel den naam van hun staatje<br />

of hunne kampong te voegen. De Radja's hebben als onderscheidingsteeken<br />

van het Gouvernement een rotting met zilveren knop,<br />

behalve die van Termanoh, Baiih. Bengka en Thie, die een<br />

gouden knop hebben. Het bestuur dezer Vorsten en Hoofden<br />

is van denzelfden willekcurigen aard als op Timor; de bevolking<br />

schijnt echter over het algemeen minder van hunne onderdrukking<br />

te lijden te hebben.<br />

De Radja's en Fettors worden door de Rijksgrooten gekozen<br />

en door den Resident van Timor namens het Gouvernement<br />

bevestigd, bij welke gelegenheid zij schriftelijk beloven: aan het<br />

Nederlandsch-Indisch Gouvernement als hunnen Opperheer, en<br />

aan de door hetzelve over hen gestelde magten als hunne overheid,<br />

allen verschnldigden eerbied, gehoorzaamheid en hulp te<br />

bewijzen; de vroeger met dat Gouvernement geslotene contracten<br />

getrouw na te komen, cn in het bijzonder: het welzijn des volks<br />

te bevorderen; met Tegtvaardigheid te regeren; den vrede met<br />

hunne naburen te handhaven; den zeeroof en slavenhandel te<br />

beletten; landbouw, nijverheid, handel en scheepvaart te beschermen;<br />

aan schipbreukelingen hulp te verleenen, en gestrande<br />

goederen te bergen; in geene staatkundige aanraking te treden


547<br />

met vreemde mogendheden ; aan Europeanen of andere Westersche<br />

vreemdelingen geene gronden af te staan, en hunne toelating of<br />

vestiging buiten dc havens des rijks niet te vergunnen zonder<br />

voorkennis en toestemming van het Hoofd van het gewestelijk<br />

bestuur; en dezelfde toestemming te vragen voor handelaars, die<br />

zich langer dan drie maanden in eene havenplaats willen ophouden.<br />

O Een Nederlandsch Posthouder, te Baiih gevestigd,<br />

houdt het toezigt op het nakomen dezer verdragen.<br />

De bevolking van Rotti, die door FRANCIS en BUDDINGH op<br />

40000 zielen geschat wordt, behoort even als die van Timor tot<br />

den Alfoerschen stam. Volgens hunne overleveringen stammen<br />

zij af van Cerammers, Ternatanen, Tidorezen en andere Moluksclie<br />

eilanders, bij welke zich later Belonezen zouden gevoegd hebben.<br />

In uiterlijk voorkomen verschillen zij weinig van de bewoners<br />

van Timor; alleen zijn zij do<strong>org</strong>aans iets kleiner van gestalte<br />

en donkerder van huidkleur ( 2<br />

); maar zij zijn zachtaardiger van<br />

karakter, hebben meer vlijt en geschiktheid voor den arbeid, en<br />

zijn vooral veel beter landbouwers dan dezen. Ernstige misdrijven<br />

komen zelden onder hen voor; maar zij zijn onrustig van aard,<br />

en de mate hunner gehoorzaamheid aan de Eadja's hangt grooten­<br />

deels af van de persoonlijke hoedanigheden van deze laatsten.<br />

De huizen zijn deels van denzelfden vorm als die op Timor,<br />

deels meer op de Maleische wijze gebouwd; de kampongs zijn<br />

klein en zonder orde aangelegd; de meeste hoofdplaatsen zijn<br />

met eenen steenen muur omgeven. De kleeding en sieraden komen<br />

in de hoofdzaak met die der Timorezen overeen, alleen is de<br />

grondkleur der kleedingstukken zwart; ook de Meoe's, hier<br />

Palani's (overeenkomende met het Maleische brani, dapper) ge­<br />

naamd, zijn op soortgelijke wijze uitgedost. De wapenen zijn<br />

Europesche geweren, zwaarden, lansen en somtijds langwerpige<br />

houten of ronde buffellederen schilden, salbako genaamd! 3<br />

) (bij de<br />

(') Met dc Radja's van Korbaffo, Termanoh, lollei en Thie, en de Fettors<br />

van Thie en Io//ei zijn deze overeenkomsten het laatst vernieuwd te Koepang,<br />

den 10 Oclober 1860. Zie de Bijlagen van de Nederlandsche Staatscourant,<br />

48G1—18112, bl. 192.<br />

( 2<br />

) Volgens S. MULLER, Reizen, enz., Dl. II, bl.268; daarentegen zegt<br />

VAN LYNDEN, in het Natuurkundig Tijdschrift voor NedAndie, 18S1, bl. 595,<br />

dat zij blanker zijn. -t


548<br />

Alfoeren van Noord-Celélies. salaicako; zie bl. 187). De maatschappelijke<br />

toestand, levenswijze, mate van beschaving, wijze<br />

van krijgvoeren , en godsdienst komen in dc hoofdtrekken te veel<br />

met die op TSmhrovereen om ze hier afzonderlijk te beschrijvenC';<br />

er zijn eenige Protestantsche gemeenten, die echter bij ontstentenis<br />

van Zendelingen grootendeels aan de leiding van Inlanders<br />

zijn overgelaten. In de achttien hoofdplaatsen der Regentschappen<br />

zijn scholen, welke sedert 1857 door het Gouvernement<br />

worden bekostigd, doch waar het door Inlandsehe of Ambonesche<br />

schoolmeesters gegeven onderwijs zeer gebrekkig is. ( J<br />

)<br />

De nijverheid der Rottinezen bepaalt zich tot eenig gebrekkig<br />

smids- en timmermanswerk, het koken van zout uit zeewater,<br />

en het weven der kleedingstukken door de vrouwen. De handel<br />

wordt hoofdzakelijk gedreven op Koepang en Boeton met vaartuigen<br />

van die eilanden, daar de Rottinezen zeiven zeer slechte<br />

zeelieden zijn. Dc artikelen van uitvoer zijn: rijst, djagoeng.<br />

bottok (bl. 545), stroop en suiker van den lontar-r>a\\a, varkens,<br />

paarden en grof lijnwaad; die van invoer voornamelijk: lijnwaden,<br />

ijzer- en koperwerk, geweren, kruid, gongs, koralen,<br />

pinang en arak.<br />

De muzijk-instruraenten der Rottinezen zijn gongs, trommen<br />

of tambourins, bamboezen fluiten en twee instrumenten, welke<br />

eenige overeenkomst met de guitar hebben; het eene (Sasanoe-ai)<br />

is van hout met twee snaren van koperdraad, het andere (Sasanoeóh)<br />

van bamboe met acht of tien bamboezen snaren. Zij hebben<br />

onderscheidene soorten van gezangen en dansen; deze laatsten<br />

worden onderscheiden in Leno, die alleen door vrouwen, en<br />

Foti, die alleen door mannen worden gedanst; ook hebben zij<br />

de Tjakalele, eene soort van krijgsdans, die alleen door mannen<br />

met zwaard en schild in de handen wordt uitgevoerd (vergel.<br />

bl. 445). Een dans, poekoel gong genaamd, wordt door mannen<br />

en vrouwen gezamenlijk onder begeleiding van gongs verrigt.<br />

Bobaneh en Lendo zijn zangvermaken, waaraan beide seksen<br />

deelnemen. In het algemeen zijn de vermaken der Rottinezen<br />

vrolijker, vlugger en luidruchtiger dan die der Timorezen.<br />

1') Hen zie daarover uitvoerig S, MULLER , t. a p. en G UEVMEBING, in het<br />

Tijdse.hr. voor Neêrl. Indië, 1845, U' ll en 1844, D'. I.<br />

(*) Uededeelingen van wege hel Nederlandsche Zendeling-genootschap,<br />

Dl VIII, hl. 51.


549<br />

De taal der lloUinezeu verschilt geheel van die der naburige<br />

eilanden, en schijnt gesplitst te zijn in twee dialecten, van welke<br />

het eene in het Oostelijke (Matahari najik) en het andere in<br />

het Westelijke (Matahari toeroen; bl. 546) gedeelte des eilands<br />

wordt gesproken. Een eigen letterschrift hebben zij niet.<br />

Landoe.<br />

I.uitdoe is een rotsachtig eilandje evenwijdig aan de Noordkust<br />

van Rotti gelegen en daarvan gescheiden door eene smalle straat,<br />

welke zoo ondiep is dat men bij laag water te voet naar het<br />

staatje Renggouio kan gaan; het is dus naauwelijks een afzonderlijk<br />

eiland te noemen. Landoe is onbewoond.<br />

Daauw.<br />

Daauw, Daoe of Domo, omstreeks 1 • mijl groot, is, na Landoe,<br />

het grootste der eilandjes rondom Rotti, aan welks Zuid-<br />

Westelijk uiteinde het ligt op 122° 42' O.L. cn 10° 53' Z.B.<br />

liet bestaat uit eene lage rots, en levert djatjoentj en peulvruchten<br />

op doch niet genoegzaam voor de bewoners. De bevolking,<br />

welke zegt van Soemba afkomstig te zijn, bedraagt ongeveer<br />

1500 (volgens FUANCIS 4000) zielen, die over zeven kampongs<br />

verdeeld zijn cn door eenen Radja en eenen Fettor bestuurd<br />

worden. Zij zijn welgemaakt van gestalte, goed van karakter,<br />

vernuftig, en stoute zeelieden. Zij zijn zeer bedreven in het<br />

goudsmeden, hetwelk hun voornaamste middel van bestaan is;<br />

met dc door hen vervaardigde sieraden reizen zij naar de omliggende<br />

eilanden, om ze voor levensmiddelen en lijnwaden te<br />

verruilen. Ook op Rotti, Timor cn elders zijn Daauw-vi\a.\\&e,\'$,<br />

als goudsmeden gevestigd.<br />

De overige kleine eilanden rondom Rotti.<br />

Bibi, ook wel Sesibi genoemd, is een zeer klein eilandje ten<br />

Westen van het Noordelijke gedeelte van Landoe.<br />

Oessoc, ook wel op de kaarten Beboe genoemd, ligt ten Oosten<br />

van Landoe.<br />

Ajana en Noessa Sandauio of Noessa Bouw, twee kleine eilandjes<br />

aan de Westkust van Rotti, tegenover Bengka.<br />

Noesse', Noesseh of Noessoe, mede aan de Westkust van Rotti,<br />

tegenover Oinale.


550<br />

Dook of Dook, op geringen afstand ten Zuid-Oosten van<br />

Daauw.<br />

Dana, onmiddellijk ten Zuiden van de Zuidelijke smalle land­<br />

tong van Rotti. welke de Cyrus-haven ten Westen insluit. Het<br />

wordt beschouwd als eene onderhoorigheid van het staatje Thie,<br />

welks bewoners er zout en schildpad halen.<br />

Heliana, ook wel Landiko genoemd, ten Zuid-Oosten van Dana.<br />

Landouw en Noessa Manoek, twee kleine eilandjes ten Zuid-<br />

Oosten van de Cyrus-kaven; het eerste wordt op oudere kaarten<br />

Noessa Alano en Lang eiland, het laatste Noessa La en Hoed-<br />

eiland genoemd.<br />

Noessa Lai, een klein eilandje aan de Zuidkust, tegenover Lollei.<br />

Alle deze eilandjes zijn onbewoond.<br />

§ 2. De Savoe-eilanden, zijnde Savoe, Randjoewa<br />

en Hokki.<br />

Savoe.<br />

Savoe of Sawoe, door de Inboorlingen Raej Hoewa genaamd,<br />

ligt Westwaarts van Rotti tusschen 121° 40' tot 122° O.L. en<br />

10°27' tot 10° 38'Z.B. O, en is 11.3 • mijlen groot! 2<br />

). Het<br />

is heuvelachtig doch lager dan Rotti; de hoogste heuvel is de<br />

Ledekej Boesoe in het Oostelijke gedeelte des eilands; in het<br />

algemeen is de Zuidkust iets hooger dan dc Noordkust. Stroomend<br />

water is er schaarsch ; de beken, welke er gevonden worden,<br />

hebben zelfs te korten loop om voor den landbouw van nut te zijn.<br />

In de behoefte aan drinkwater wordt door gegravene putten<br />

voorzien. De eenige tot ankerplaatsen geschikte Baaijen zijn<br />

die vau Seba aan de Westkust, en die van Timoe aan de Zuid-<br />

Oostzijde.<br />

Zwaar geboomte treft men op Savoe weinig aan ; de grootste<br />

soorten zijn eene soort van waringin, tamarinde, lontar— en<br />

kokos-palmen. Voorts zijn de belangrijkste voortbrengselen uit<br />

0) Volgens de opgave van MULLER tusschen 121 0<br />

ö 4' 59" tot 12I°54'9"0.L.<br />

en 10° 24'54" lol 10° 55'50" Z.B.<br />

( ;<br />

) Volgens MELVILL in den Monileur des Indes. 1846—1847. Op dc<br />

Statistieke Kaart in hel Tijdschr. voor Neérl. Indië, 1849, geeft dezelfde<br />

Schrijver voor de gezamenlijke Savoe-eilanden slechts 8.5 • mijlen. Volgens<br />

andere opgaven is Saroe 123 • Engelsche mijlen groot.


551<br />

het plantenrijk: djagoeng, rijst, gierst, aard- en peulvruchten,<br />

fruiten, suikerriet, pisang, tabak, katoen, sirih, indigo en bengil-oeo'oe-boomen.<br />

Het dierenrijk levert een zeer goed ras van paarden,<br />

die ook gegeten worden, buffels, schapen, geiten en varkens;<br />

doch geene wilde dieren behalve apen. Visch, schildpad en<br />

tripang komen in overvloed rondom het eiland voor; de laatste<br />

wordt echter niet door de Savoenezen zeiven gevangen. Aan de<br />

Zuidkust wordt goede klei gevonden voor pottenbakkers-werk;<br />

doch andere delfstoffen zijn er niet bekend.<br />

Savoe is verdeeld in vijf staatjes of Regentschappen, zijnde<br />

van het Noorden af Oostwaarts de volgende:<br />

Seba, beslaande het Noordelijke gedeelte des eilands, met de<br />

hoofdnegeri Seba, de verblijfplaats van den Nederlandschen<br />

Posthouder, en een groot aantal kampongs, waaronder Nahoro,<br />

Raej dana, Lede ana, Namata, Lobokej, enz.<br />

Liaej, in het Noord-Oosten, met de hoofdnegeri Liacj, en de<br />

kampongs Egeresi, Kali doepa, Kaloramej, Gobo en vele andere.<br />

Timoe, in het Zuid-Oosten, met Timoe, Bah, Banjo, Soerali,<br />

Baraie, enz. O<br />

Menia, in het Zuiden, met Menia, Kongkordia. Jami kolo en<br />

Breda raej.<br />

Mesara, in het Westen, met Mesara, Fedarroh, Mamboro,<br />

Tedida en vele andere kampongs.<br />

Het bestuur over deze staatjes berust, even als op Rotti, bij<br />

Radja's (hier Bowai genaamd) en Fettors (fFelo), die van Gouver-<br />

nementswege bevestigd worden, en dat over de kampongs bij<br />

Tamoekons. De Radja van Timoe wordt bij het Gouvernement als<br />

de eerste in rang beschouwd, waarom hij ook een rotting met<br />

gouden knop voert, terwijl de anderen slechts een zilveren knop<br />

hebben. De meeste Fettors hebben een bijna even groot aantal<br />

kampongs onder hun onmiddellijk bestuur als de Radja's. Hunne<br />

verhouding tot het Gouvernement wordt bepaald door een<br />

contract, dat het laatst vernieuwd is in het jaar 1860 ( 2<br />

), en<br />

(') Deze volgorde der Regentschappen is volgens de opgave van den gewezen<br />

Resident van Timoe, VAN LYNDEN, in hel Natuurkundig Tijdschr. voorNeêrl.<br />

Indië, 18S1. Op dc Kaart van VERSTEEG in den Algemeenen Atlas ligt<br />

Timoe len Noorden van tiaej.<br />

( :<br />

) Zie dc Bijlagen van de Nederlandsche Staatscourant, 1801—1862,<br />

bl. 789.


553<br />

waarbij zij erkennen dat hunne Rijken een gedeelte uitmaken<br />

van Nederlandsch Oost-Indie, en voorts zich verbinden om met<br />

dat Gouvernement in vrede, vriend- en bondgenootschap te<br />

leven; den Resident van Koepany of den als zijn plaatsvervanger<br />

in hun gebied gevestigden ambtenaar te erkennen als den vertegenwoordiger<br />

van het Gouvernement, aan wien alle niet inheemsche<br />

bewoners des eilands regtstreeks onderhoorig zijn; door<br />

het leveren van arbeiders, bouwmaterialen en grond des gevorderd<br />

mede te werken tot het daarstellcn van sterkten, magazijnen of<br />

woningen, welke het Gouvernement mogt noodig achten op te<br />

rigten j den in hun gebied gevestigden Nederlandschen ambtenaar<br />

van eene behoorlijke woning te voorzien, voor zooverre zulks<br />

met de materialen en arbeiders van het eiland geschieden kan ;<br />

hun land nimmer aan eenige andere natie dan de Nederlandsche<br />

over te geven, noch daarmede in staatkundige aanraking te<br />

treden; het welzijn des volks te bevorderen; met regtvaardigheid<br />

te regeren; landbouw, nijverheid, handel en scheepvaart<br />

te beschermen j zee-, strand- en menscbenroof en slavenhandel<br />

te beletten; aan schipbreukelingen hulp te verleenen en gestrande<br />

goederen te bergen, waarvoor zij hulp- en bergloon kunnen<br />

vorderen; aan andere natiën hoe ook genaamd geene gronden te<br />

verhuren, noch haar te vergunnen onder den grond te graven om<br />

uit dat graven voordeel te trekken, zonder vergunning van het<br />

Gouvernement; evenmin aan haar gronden in eigendom af te<br />

staan, of haar zich te laten vestigen buiten de havenplaatsen,<br />

waar handelaars zich gedurende drie maanden mogen ophouden,<br />

doch voor een langer verblijf bijzondere vergunning behoeven;<br />

de Nederlandsch-Indische munten als wettig betaalmiddel te<br />

doen gelden; gevlugte misdadigers en deserteurs uit te leveren;<br />

geene martelende of verminkende straffen op te leggen; geene<br />

heerschappij uit te oefenen over personen, die niet thans reeds<br />

aan hen ondergeschikt zijn, onderlinge geschillen ter beslissing<br />

te onderwerpen aan den in hun gebied gevestigden ambtenaar of<br />

den Resident te Koepang; op de eerste oproeping naar Koepang<br />

op te komen j bij overlijden van eenen Radja of Fettor daarvan<br />

onmiddellijk kennis te doen geven aan den Resident, met berigt<br />

wie volgens de landsgebruiken als opvolger benoemd is, ten<br />

einde deze door den Resident of zijnen gemagtigde worde bevestigd.<br />

Het Gouvernement vergunt hun, voor zooverre zij op


553<br />

zee handel drijven, de Nederlandsche vlag te voeren; laat hun<br />

de regtspleging over hunne eigene onderdanen over; en bemoeit<br />

zich niet onmiddellijk met het inwendig bestuur hunner rijkjes,<br />

zoolang zij de aangegane overeenkomst getrouw nakomen. De<br />

regtspleging over alle vreemdelingen, hoe ook genaamd, verblijft<br />

aan het Gouvernement.<br />

Een Posthouder te Seba gevestigd houdt het toezigt op het<br />

nakomen van dit verdrag.<br />

De bevolking, die vrij sterk doch wier aantal slechts bij gissing<br />

bekend is, werd in 1849 door MELVILL op 28000 zielen geschat.<br />

Volgens de overlevering zijn hare voorvaderen bij de zegepraal<br />

van het Islamisme in Oostelijk Java omstreeks het jaar 1475 uit<br />

bet rijk M&djipaJiit (D 1<br />

.1, bl. 2 en 278) herwaarts gevlugt, en<br />

hebben zich later Timorezen, ïtottinezen, Endenezen (van Mores)<br />

en Boetonnezen met hen vermengd. In de gelaats-trekken der<br />

Savoenezen is dan ook niet zoo ééne algemeene type op te merken,<br />

als zulks b.v. op Timor het geval is. De ligchaams-gestalte is<br />

do<strong>org</strong>aans beneden het middelmatige doch zeer welgemaakt.<br />

Zij zijn levendig en onrustig van aard, moedig in den strijd,<br />

zindelijker dan al hunne naburen , hebben onderling vele twisten,<br />

en voor hunne Hoofden even weinig ontzag als de Rottinezen.<br />

De mannen kleeden zich gelijk de laatstgenoemde eilanders;<br />

de vrouwen dragen om het bovenlijf een dergelijk klcedingstuk,<br />

doch om het benedenlijf eene sarong. Om het lange, opge­<br />

bonden hoofdhaar dragen de mannen een katoenen of zijden<br />

doek; doch de vrouwen gaan blootshoofds. Gouden versierselen,<br />

ivoren of koperen armringen, snoeren van moetisala (bl. 526) en<br />

andere koralen, en dergelijke opschik zijn bij beide geslachten<br />

zeer gezocht. Hunne wapens, welke zij zeiven vervaardigen,<br />

zijn zwaarden, lansen en houteu of buffel-lederen schilden;<br />

de laatsten dienen vooral tot het afweren der steenen, waarmede<br />

zij in hunne gevechten elkander werpen ; voorts hebben zij eene<br />

soort van dolken, en stellen hoogen prijs op Europesche geweren,<br />

die echter slechts weinigen bezitten. De wijze van krijgvoeren<br />

is dezelfde als op Timor en Rotti; ook de voorvechters, hier<br />

Monobani genoemd, zijn op soortgelijke wijze uitgedost.<br />

De huizen zijn do<strong>org</strong>aans langwerpig vierkant, staan op<br />

palen drie of vier voet boven den grond, en zijn steviger, ruimer<br />

en zindelijker dan die op Rotti. Elk huis heeft eene steenen


554<br />

omheining, waarin, zoolang het graan te veld staat, het vee<br />

wordt opgesloten. De kampongs zijn onregelmatig aangelegd en,<br />

behalve Sela, allen met een zwaren muur van los op elkander<br />

gestapelde klipsteenen omgeven.<br />

Dc levenswijze is zeer eenvoudig. Djagoeng, Zowaar-stroop en<br />

suiker maken het voornaamste voedsel uit; hondenvleesch is<br />

eene lekkernij. Paarden, buffels en varkens worden slechts bij<br />

bijzondere gelegenheden, maar dan ook in groote menigte,<br />

geslagt, zoo als bij het overlijden van eenen Radja of dergelijke.<br />

De feesten en vermaken zijn overigens in de hoofdzaak van den-<br />

zelfden aard als op de boven behandelde eilanden.<br />

Het Christendom, dat in vroegeren tijd hier eenigen ingang<br />

schijnt gevonden te hebben, is thans geheel verdwenen. De<br />

gansclie bevolking is heidensch en gelooft aan eene menigte<br />

goede en booze geesten, van welke de eersten in het luchtruim,<br />

de laatsten onder de aarde hun verblijf houden; onder hunne<br />

namen, welke geheel van die van Rotti en Timor verschillen,<br />

treft men ook die van Djawi cn Madjoepai (Madjiipahit) aan, welke<br />

laatste de geest is van den eersten Vorst van Savoe. O<br />

Zij hebben eene afzonderlijke taal, die alleen op Savoe en<br />

Randjoeica gesproken wordt, doch geen letterschrift.<br />

De Savoenezeu zijn goede ijzersmeden, en vervaardigen ook<br />

hunne eigene gouden sieraden. Kleine visscherspraauwtjes zijn<br />

de eenige vaartuigen, welke zij bouwen. De door de vrouwen<br />

gewevene kleedingstukken zijn fijner en beter bewerkt dan die<br />

van Rotti. De handel wordt op dezelfde wijze en in dezelfde<br />

artikelen gedreven als op laatsgenoemd eiland (bl. 548).<br />

Kandjoewa.<br />

Randjoeica, eigenlijk Raej Djoeica en ook wel Bendjoar ge­<br />

heeten, West-Zuid-Westwaarts van Savoe en veel kleiner dan<br />

dit, ligt op 10°38'Z.B. en 121°35'O.L. Het is een laag en<br />

vrij vlak eiland, dat vooral katoen voortbrengt. Het bevat slechts<br />

één rijkje, dat door eenen Radja bestuurd wordt, en telt een vijf<br />

en twintig-tal kampongs, onder welke Oedjoe dirna, Kolo haba,<br />

Ledetalo. Koroh, enz.<br />

De bevolking, wier sterkte onbekend is, komt in alle opzigten<br />

met die van Savoe overeen.<br />

(') Zie hierover uitvoeriger de Reizen van MULLER, D'. 11, hl. 282.


555<br />

Hokki.<br />

Hokki, ook Nieuw eiland en Dana genoemd, ligt op 10° 50' Z.B.<br />

en 121° 18' O.L., Zuid-Westwaarts van Bandjoewa, waarvan<br />

liet door eene breede en veilige straat is gescbeiden. Aan de<br />

Noordzijde is het vlak, aan de Zuidzijde rotsachtig. Het eilandje<br />

is zeer klein en onbewoond.<br />

§ 3. Soemba of Tjendana.<br />

Ligging, grenzen, grootte, natuurlijke gesteldheid,<br />

voortbrengselen.<br />

Het nog weinig bekende eiland Soemba, ook Tjendana, Tjoemba,<br />

Sandelhoul-eiland en Sandelbosch geheeten, ligt ten Zuiden van<br />

Flores, waarvan het door Straat Soemba of Straat Sandelhout<br />

gescheiden is, en overigens door den Indischen Oceaan bespoeld,<br />

tusschen 9°17'tot 10°19'50"Z.B. en 119° 3' tot 120° 55' O.L.,<br />

en heeft volgens de berekening van MELVILL eene grootte van<br />

251.8 • mijlen. ( l<br />

)<br />

Het Zuidelijke en Oostelijke gedeelte des eilands is niet<br />

zeer hoog; over het midden strekt zich een gebergte uit, dat op<br />

sommige plaatsen tot de Noordkust voortloopt en uit zee<br />

gezien, hier en daar eene hoogte van 3000 v 4<br />

. schijnt te hebben! 2<br />

).<br />

De met name bekende toppen zijn alleen de G. Batoe Kapedo en<br />

de G. Bala, beiden in het midden-gedeelte des eilands op eenigen<br />

afstand van de Noordkust; men spreekt ook van een vulkaankegel,<br />

wiens naam of ligging echter niet wordt opgegeven! 3<br />

).<br />

(') Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Neérl. Indië, 1849. In den<br />

ilonileur des Indes, 4846—1847, geeft dezelfde Schrijver 236.5 • mijlen<br />

voor de grootte van dit eiland.<br />

[•) In het Tijdschr. voor Neérl. Indië, -18SS, Db l, bl. 278, wordt het<br />

midden-gedeelte des eilands genoemd «een zeer vruchtbaar tafelland, verdeeld<br />

in vier Afdeelingen : Tanah Maringoe [het koude land), Anakala, Prewatanah<br />

en Lewa; van welke Anakala het schoonste en vruchtbaarste is, en waarin<br />

een meer is, welks water men in verschillende riglingen over de geheele oppervlakte<br />

van het plateau heeft weten te leiden, zoodat het eene onafzienbare<br />

uitgestrektheid rijstvelden besproeit."<br />

( 3<br />

) Zie JUNGHUHN, Java, enz. Afd. II, Iloofdsl. lil, bl. 1265.


556<br />

Overigfins bestaat de bodem grootendeels uit kalkgesteenten,<br />

puimsteen, en lava-slakken, met eene zwarte, vruchtbare aardlaag<br />

bedekt.<br />

Het eiland heeft verscheidene uitstekende punten of kapen,<br />

vooral aan de Noordzijde, van welke op de Kaart van VERSTEEG<br />

met name vermeld worden:<br />

aan de Noordkust, van het Westen af:<br />

T. Sasa of Sasar, T. Palmedo, T. Mamboro (de Noordpunt),<br />

T. Roda, T. Ngaroeicoe, T. Mandolo, T. Baloe ala en T. Keloembo.<br />

Kadoemboe of Kadamboe.<br />

aan de Oostkust, van het Noorden af:<br />

T. Petaicang, T. Rendeh, T. Tapt en T. Menjili.<br />

Voorts worden nog vermeldt 1<br />

): T. Wanda. T. lf r<br />

ai Babi,<br />

T. Amboekoe biroe, T. Batoe mejrah en T. Roeicoe, zonder opgave<br />

van ligging; en de Zuidpunt, op 10°19'50" Z.B. en 120°32' O.L.<br />

De bogten tusschen deze kapen vormen ankerplaatsen, die,<br />

daar de kust bijna overal vrij steil afloopt, wel eene voldoende<br />

diepte hebben doch meerendeels geheel open liggen. De beste<br />

ankerplaatsen zijn i aan de Noordkust bij Nangamessi ten Oosten<br />

van T. Mandolo, en bij Katoembo tusschen T. Baloe ala en T. Ke­<br />

loembo; en aan de Zuidkust in de Westelijke helft des eilands,<br />

bij Tida, waar eene tegen alle winden gedekte baai gevonden<br />

wordt ruim genoeg voor 15 of 20 schepen. Buitendien bicden<br />

ook de monden der rivieren aan kleine vaartuigen veilige lig­<br />

plaatsen aan.<br />

Uit het binnenland vloeijen naar alle zijden eene menigte<br />

rivieren zeewaarts, omtrent wier bevaarbaarheid niets bekend<br />

is, doch die zeker uitmuntend aan den rijstbouw zouden<br />

kunnen worden dienstbaar gemaakt, hetgeen echter niet geschiedt.<br />

De voornaamsten zijn :<br />

aan de Noordkust, van het Westen af:<br />

de Katewe of Kadewi, de Kar inde of Karing i, de Momboro, de<br />

Palmedo, de Kadesa, de Kapoendoe, de Kanata, de Nanga (of<br />

Nangka) messi, de Kambera, de Wai ambedi (misschien dezelfde<br />

als de Sodo), en de Keloembo of Kadoemboe.<br />

aan de Oostkust, van het Noorden af:<br />

de Pelawang, de Maloeloe of Melolo, de Poerah en de Menjili<br />

of Mendjeli.<br />

(') In het Tijdschr, voor Neérl. Indië, 1888, Db 1, bl. 879.<br />

t


557<br />

aan de Zuidkust, van het Oosten af:<br />

de Teraba, de Wai eloe of Wajeloe. de Wam,, de Tarimba,<br />

de Tida, de Panda, de Manoekaka en de iü&wa of itweoê.<br />

aan de Westkust, van het Zuiden af:<br />

de Lamboeja of Lomboja, de Zangaroe, de Lambalawa en de<br />

Koedi.<br />

De Mamboro, de Kambera en de Menjili schijnen van deze<br />

allen de grootsten te zijn.<br />

Het belangrijkste voortbrengsel van het plantenrijk is sandelhout,<br />

waarvan geheele bosschen het binnenste gedeelte des eilands<br />

bedekken. De uitvoer staat echter volstrekt in geene verhouding<br />

tot de hoeveelheid van het produet; omdat de bevolking door<br />

vrees voor de geesten, die deze bosschen bewonen, weerhouden<br />

wordt sandelboomen te kappen of zelfs aan te raken ; men vergunt<br />

dit echter aan vreemdelingen, vooral, aan de Endenezen, tegen<br />

schadeloosstelling en nadat er eenige geweerschoten gewisseld<br />

zijn, waardoor de Soembanezen zieh achten verdedigd te hebben<br />

en overwonnen, doch bij de goden verantwoord te zijn. Voorts<br />

levert Soemba: ebbenhout; kamoening- en verscheidene andere<br />

boomsoorten, uit wier wortels, schors of bladeren verfstoffen<br />

bereid worden; wilde kaneel; lonlar-rtalmen in menigte, waar<br />

van echter door de Inboorlingen geene stroop of suiker wordt<br />

vervaardigd; en katoen ; en als voedingsmiddelen rijst en djagoeng,<br />

die ook naar Ende (Oost-Flores) worden uitgevoerd.<br />

De rijstvelden worden door uitgestrekte grasvlakten afgewisseld.<br />

Het dierenrijk levert eene groote menigte paarden, wier ras<br />

dat van Timor, Savoe en Rotti verre overtreft; zij teelen in het<br />

wild voort en worden in groote hoeveelheid uitgevoerd (alleen<br />

hengsten). Buffels zijn er in groot aantal; zij worden echter niet<br />

uitgeyoerd, en slechts bij zeer bijzondere gelegenheden geslagt,<br />

maar alleen gebruikt om den voor rijstbouw bestemden grond<br />

fijn te trappen. Voorts zijn er vele varkens, weinig schapen en<br />

geiten, en geen wild gedierte. Vogelnestjes worden in groote<br />

hoeveelheid en van de beste soort zoowel in het binnenland als<br />

aan de kusten gevonden. Schildpad en tripang levert de zee in<br />

overvloed op.<br />

Van het delfstoffenrijk is niets bekend.


558<br />

Verdeeling, bestuur, verhouding tot het Nederlandsche<br />

Gouvernement.<br />

Soemba is verdeeld in een aantal rijkjes, wier hoeveelheid<br />

echter niet juist bekend schijnt. Het Tijdschrift voor Neerlands<br />

Indië^ vermeldt 35 rijkjes, namelijk i in het Noordelijke gedeelte<br />

van het Westen af: Koedi of Ketewer (Katewe, Kadewi), Momboro.<br />

Palmedo, Kapoendo, Kanalta, Toimanoe, Kambera, Kadoembo<br />

(Kadamboe, Keloembo), Petaicang, Melolo, en Menjili; in het<br />

Zuidelijke gedeelte van het Westen af: Lamboeja, Roewa, Manoe-<br />

kaka, Panda, Tida, Tarimba, JFasa, Laritoe (Lawitoe). Taboeri<br />

(Taboewi), Wajeloe en Teraba; en in de binnenlanden: Soembi,<br />

Taboende, Karila, Mandar, Letoa-koenda-mara, Lewa-pakoe,<br />

Lewa-laudoet, Lakoeka. Pari-icaloena, Anakala, Loerada, La-<br />

xooenda en Raroeka. Deze opgave, afkomstig van een voormalig<br />

Resident van Timor, verschilt ten eenenmale van die, welke<br />

voorkomt in den Almanak voor Nederlandsch Ludiek) waar slechts<br />

28 rijkjes, meerendeels met geheel andere namen, worden opge­<br />

geven, te weten: Kambera, Lamboenopo, Endatar, Batakapido<br />

(Batoe Kapedo), Taimanok, Samparingo, Kadoenpo. Kamato,<br />

Kadesan, Balmedo, Leina, Mengommong, Prikambira, Oeieindoli,<br />

Bartoeli, Kamata, Tengedo. Kalamba. Sambaiba, Momboromeri,<br />

Tanah kadoengoen, Palindi, Menjili, Sobi, Manoseicani, Piloicatoe,<br />

Talolea en Kadoembo. Volgens de eerste bron heeft elk rijkje een<br />

afzonderlijken Radja; volgens de laatste zijn er meestal twee<br />

tot vier rijkjes onder éénen Vorst vereenigd, zoodat er in het<br />

geheel slechts negen Radja's zijn. Daar er een honderd en<br />

vijftig-tal negeriën zijn ( 3<br />

), en een groot aantal Vorstelijke of<br />

adellijke personen, die zieh hier of daar eenig gezag aanmatigen,<br />

is het bij onze gebrekkige kennis des eilands niet te verwonderen,<br />

dat er zoo weinig overeenkomst tusschen de verschillende berigten<br />

bestaat; te minder daar het Gouvernement alleen met eenige<br />

rijkjes op de Oost- en Noord-Oostkust in regtstreeksche betrek­<br />

king schijnt te staan.<br />

De waardigheid der Radja's is erfelijk in hun geslacht. Hun<br />

bestuur is geheel willekeurig en niet door wetten of adats beperkt.<br />

(') Jaarg. 1SSS. Db I, bl. 282.<br />

ffl Jaarg. 4865. bl. 161.<br />

( 3<br />

) De namen dezer negeriën en het aantal huizen, waaruit zij bestaan,<br />

worden opgegeven in het Tijdschr. v. Neérl. Indië, 4855, DU, bl. 282—281.


559<br />

Zij genieten geene bepaalde inkomsten van de bevolking, maar<br />

verschaffen zich die door het opleggen van willekeurige boeten<br />

om onbeduidende redenen, het verkoopen van hunne onderdanen<br />

als slaven, en dergelijke middelen.<br />

Vroeger waren de Eadja's ondergeschikt- aan de 0.1. Com­<br />

pagnie, die er ook eenen ambtenaar en eenen militairen post had,<br />

gevestigd te Labaja (Lamboeja ?). Dit een en ander is echter<br />

langzamerhand vervallen; en eerst in 1845 zijn weder met eenige<br />

Radja's van de Noord-Oostkust contracten gesloten, waardoor<br />

dezen zich echter niet zeer gebonden schijnen geacht te hebbent 1<br />

);<br />

althans in 1860 is het noodig geacht een nieuw contract aan te<br />

gaan met de Radja's van Taimanoe, Kambera, Kadamboe en<br />

MenjiliC), geheel gelijkluidend met hetgeen nagenoeg gelijktijdig<br />

met de Radja's van Savoe gesloten werd (bl. 551). Een Post­<br />

houder is er echter tot dusverre niet weder gevestigd.<br />

Bevolking.<br />

De bevolking, wier sterkte door MELVILL op 400000 zielen<br />

geschat is( 3<br />

) en omtrent welker afkomst ons geene berigten<br />

bekend zijn, wordt vo<strong>org</strong>esteld als een dom, bijgeloovig, lui,<br />

onzindelijk, vreesachtig en wantrouwend, maar gastvrij, goed­<br />

aardig en schoon menschenras. Zij staan op een zeer lagen trap<br />

van beschaving en leven, daar zij niet zeer genegen zijn om met<br />

vreemdelingen in aanraking te komen, veelal van de kusten<br />

verwijderd. De kleeding der mannen bestaat in een kleedje van<br />

zwart, wit of rood katoen, waarom eenige strengen touw als<br />

buikgordel worden vastgemaakt; de vrouwen dragen alleen eene<br />

zwarte, lange en zeer naauwe sarong. Beide geslachten dragen<br />

het haar lang. De mannen hebben als sieraad armbanden van<br />

ivoor, de vrouwen van glas-koralen.<br />

De wapenen zijn lange lansen, eene soort van zwaarden of<br />

parangs, en ronde schilden van gedroogde buffelhuid vervaar­<br />

digd.<br />

i 1<br />

) Zie het Tijdschr. voor Neérl. Indië, t.a.p. bl. 500.<br />

( 2<br />

) Zie de Bijlagen van de Nederlandsche Staatscourant,<br />

bl. ;81.<br />

1861—1862,<br />

I 3<br />

) Volgens andere berigten zoude de bevolking slechts 12000 zielen bedragen;<br />

en weder volgens andere, 225000 zielen op het bekende gedeelte<br />

en bijna tweemaal zooveel nog onbekend.


560<br />

De huizen, die in geregelde en somtijds vrij groote kampongs<br />

of negeriën bij elkander staan, zijn zeer groot cn hoog op palen<br />

gebouwd. In het midden bevindt zich de stookplaats, en .daar<br />

rondom zijn een aantal, somtijds twintig of meer, kamertjes<br />

gebouwd met den uitgang naar de binnenzijde, van welke iedere<br />

bewoner er een tot zijn gebruik heeft. Deze huizen strekken dus<br />

waarschijnlijk aan meer dan één gezin tot woning. Het huisraad<br />

bestaat uit eenige potten, pannen, matten, manden en weefgetouwen.<br />

De bevolking is verdeeld in vier kasten of standen, die elk<br />

weder in een groot aantal stammen of geslachten onderverdeeld<br />

zijn. De eerste stand bestaat uit den hoogen adel of die geslachten,<br />

uit welke alleen de Radja's mogen gekozen worden; de daartoe<br />

behoorende personen mogen in geen geval met iemand uit eenen<br />

minderen stand huwen. De tweede stand vormt den kleinen of<br />

minderen adel. De derde stand zijn de vrije burgers; en den<br />

vierden stand vormen zij, die geene regten hebben en ten allen<br />

tijde naar goeddunken van den Radja kunnen opgevat en als<br />

slaven verkocht worden. Deze slaven worden in menigte uit­<br />

gevoerd door Boeginezen, Mangkasaren, Bimanezen en andere<br />

eilanders.<br />

De nijverheid der Soembanezen bepaalt zich, behalve deze<br />

slavenhandel, tot dien in paarden, schildpad, vogelnestjes, rijst,<br />

djagoeng. kamoening-hont, touw en vischnetten. Dc mannen ver­<br />

zamelen alleen dit hout, de vogelnestjes en het schildpad, en<br />

vervaardigen de netten en het touw; al het overige werk, ook<br />

de geheele landbouw, wordt door de. vrouwen verrigt.<br />

Van hunne godsdienst is ons alleen bekend, dat zij eene<br />

godheid erkenuen, die hovende wolken woont en Amboe Wolloh<br />

Mandonkoe heet; deze schijnt vooral ook de beschermgod der<br />

sandelboomen te zijn (vergel. bl. 557). Zij hebben ook priesters<br />

om bij ziekten en andere onheilen de booze geesten te bezweren.<br />

De taal, welke geheel van die der naburige eilanden verschilt,<br />

is zacht en welluidend maar zeer arm en onbeschaafd. Een<br />

Woordenlijstje er van is medegedeeld in het Tijdschrift voor<br />

Neêrlandsch Indie, 183Ö, Db I, bl. 290—296.<br />

De vermaken bestaan hoofdzakelijk in maaltijden, waarbij een<br />

groot aantal paarden, buffels en varkens wordt geslagt, zingen en<br />

dansen. Dit laatste geschiedt op soortgelijke wijze als op Timor,


INGEZONDEN STUKKEN.<br />

Onze Sonvei-einiteit in tien<br />

Indischen Archipel.<br />

Als een groote gruweldaad wordt in de Nederlandsche<br />

bladen uit een der Indische overgenomen het feit dat<br />

de Radja van Soedoe op 't eiland Soemba (residentie<br />

Iimor) bij gelegenheid der begrafenis van zijn overleden<br />

moeder een vijftiental lijfeigenen had laten slachten<br />

Dat feit is een beleediging voor onze Redering die<br />

de souvereiniteit over dat eiland op zich genomen heeft<br />

wordt er bijgevoegd. Wij voegen er meer bij: het is'<br />

een schande voor onze Regeering, dat zoodanige feiten<br />

kunnen en m o g e n plaats hebben in de nabijheid en<br />

met voorkennis van 'sRegeerings vertegenwoordigerwant<br />

de Kampong van den Radja van Soedoe is niet<br />

ver van de standplaats van onzen gouvernementsambtenaar<br />

gelegen, en de toebereidselen tot zoodanige<br />

festiviteiten worden lang te voren gemaakt.<br />

Men leest zoodanig kort bericht, zonder er verder<br />

bij na te denken. Misschien verbeelden zich sommigen<br />

nog wel, dat men zich onder die wilden voor zijn plezier<br />

laat slachten, ten genoegen van een geliefden en geëerden<br />

vorst. Maar in werkelijkheid is de zaak onmensehelijkgruwelijk;<br />

want die lijfeigenen zijn do<strong>org</strong>aans personen<br />

van een anderen stam, die bij gelegenheid van een<br />

vechtpartij (oorlog) zijn buitgemaakt en als slaven<br />

moeten dienen.<br />

In Midden-Timor slacht men gelukkig in de laatste<br />

jaren geen menschen meer bij dergelijke gelegenheden<br />

Niet de tusschenkomst van ons bestuur heeft er echter<br />

een einde aan gemaakt; neen, de oorzaak daarvan is<br />

een blijk van den echtpractischen geest der Timoreezen.<br />

De offers worden namelijk wel gevat en ter<br />

slachtbank geleid, maar Chineesche handelaren betalen<br />

er een losprijs voor en nemen die lieden dan mede<br />

als slaven. Of de toestand dier ongelukkigen daardoor<br />

verbeterd is? Wij zullen 't niet beoordeelen.<br />

Bovenstaand gruwelstuk van den Radja van Soedoe<br />

zou nog te verdedigen zijn door de omstandigheid, dat<br />

zoodanige ceremoniën behooren tot de adat; maar<br />

voor 'tgeen wij hieronder zullen vermelden, g'elooven<br />

wij niet, dat eenige verontschuldiging te vinden is.<br />

Diezelfde Radja van Soedoe had een geschil met een<br />

naburige Kampong, niet ver van de controleurswoning<br />

gelegen. Toen men tot geen vergelijk kon komen, besloot<br />

de Radja de Kampong op Soembaneesche wijze te<br />

executeeren, d. w. z. geheel uit te moorden zóó dat<br />

geen levend wezen overblijft. De Radja staat reeds met<br />

zijn gewapende bende vóór de Kampong, gereed om in<br />

de zware omheining van cactus een bres te laten hakken.<br />

De controleur hoort het rumoer en gaat met eenigen<br />

zijner gewapende oppassers daarheen. Hij verzoekt<br />

den Radja zijn vo<strong>org</strong>enomen gruweldaad niet te<br />

volvoeren; maar de Radja blijft aanhouden en is<br />

niet geneigd voorden moreelen invloed van 's Compagnies<br />

vertegenwoordiger zijn plan op te geven. De<br />

oppassers en de andere toegesnelde Savoeneezen dringen<br />

er bü den controleur onann dit hii 'f nifll m„ i noef^..,


560<br />

De huizen, die in geregelde en somtijds vrij groote kampongs<br />

of negeriën bij elkander staan, zijn zeer groot en hoog op palen<br />

gebouwd. In het midden bevindt zieh de stookplaats, en .daar<br />

rondom zijn een aantal, somtijds twintig of meer, kamertjes<br />

gebouwd met den uitgang naar de binnenzijde, van welke iedere<br />

bewoner er een tot zijn gebruik heeft. Deze huizen strekken dus<br />

waarschijnlijk aan meer dan één gezin tot woning. Het huisraad<br />

bestaat uit eenige potten, pannen, matten, manden en weefgetouwen.<br />

De bevolking is verdeeld in vier kasten of standen, die elk<br />

weder in een groot aantal stammen of geslachten onderverdeeld<br />

zijn. De eerste stand bestaat uit den hoogcn adel of die geslachten,<br />

uit welke alleen de Radja's mogen gekozen worden j de daartoe<br />

behoorende personen mogen in geen geval met iemand uit eenen<br />

minderen stand huwen. De tweede stand vormt den kleinen of<br />

minderen adel. De derde stand zijn de vrije burgers; en den<br />

vierden stand vormen zij, die geene regten hebben en ten allen<br />

tijde naar goeddunken van den Radja kunnen opgevat en als<br />

slaven verkocht worden. Deze slaven worden in menigte uit­<br />

gevoerd door Boeginezen, Mangkasaren, Bimanezen en andere<br />

eilanders.<br />

De nijverheid der Soembanezen bepaalt zich, behalve deze<br />

slavenhandel, tot dien in paarden, schildpad, vogelnestjes, rijst,<br />

djagoeng. kamoening-hout, touw en vischnetten. De mannen ver­<br />

zamelen alleen dit hout, de vogelnestjes en het schildpad, en<br />

vervaardigen de netten en het touw; al het overige werk, ook<br />

de geheele landbouw, wordt door de. vrouwen verrigt.<br />

Van hunne godsdienst is ons alleen bekend, dat zij eene<br />

godheid erkennen, die boven de wolken woont en Amboe Wolloli<br />

Mandonkoe heet; deze schijnt vooral ook de beschermgod der<br />

sandelbootnen te zijn (vergel. bl. 557). Zij hebben ook priesters<br />

om bij ziekten en andere onheilen de booze geesten te bezweren.<br />

De taal, welke geheel van die der naburige eilandeu verschilt,<br />

is zacht en welluidend maar zeer arm en onbeschaafd. Een<br />

Woordenlijstje er van is medegedeeld in het Tijdschrift voor<br />

Neêrlandsch Indië, 1855, D'. I, bl. 290—296.<br />

De vermaken bestaan hoofdzakelijk in maaltijden, waarbij een<br />

groot aantal paarden, buffels en varkens wordt geslagt, zingen en<br />

dansen. Dit laatste geschiedt op soortgelijke wijze als op Timor,


voor 'tgeen wij hieronder zullen vermelden, gelooven<br />

wij niet, dat eenige verontschuldiging te vinden is.<br />

Diezelfde Radja van Soedoe had een geschil met een<br />

naburige Kampong, niet ver van de conlroleurswoning<br />

gelegen. Toen men tot geen vergelijk kon komen, besloot<br />

de Radja de Kampong op Soembaneesche wijze te<br />

executeeren, d. w. z. geheel uit te moorden zóó, dat<br />

geen levend wezen overblijft. De Radja staat reeds met<br />

zijn gewapende bende vóór de Kampong, gereed om in<br />

de zware omheining van cactus een bres te laten hakken.<br />

De controleur hoort het rumoer en gaat met eenigen<br />

zijner gewapende oppassers daarheen. Hij verzoekt<br />

den Radja zijn vo<strong>org</strong>enomen gruweldaad niet te<br />

volvoeren; maar de Radja blijft aanhouden en is<br />

niet geneigd voor den moreelen invloed van 's Compagnies<br />

vertegenwoordiger zijn plan op te geven. De<br />

oppassers en de andere toegesnelde Savoeneezen dringen<br />

er bij den controleur op aan, dat hij 't niet zou toestaan.<br />

Zij zelf zouden wel tusschen den Radja van Soedoe<br />

en de bedreigde Kampong staan. De controleur wist<br />

zeer goed, dat de Radja eerbied genoeg had voor de<br />

Savoeneezen en dat hij dus, door dezen gesteund, gemakkelijk<br />

het gruwelstuk kon beletten. Zijn geweten als<br />

mensch zeide hem, dat hij verplicht was, die weerlooze<br />

mannen, vroawen en kinderen te redden uit de wreede<br />

handen dier woestelingen; maar de ambtenaar dreef<br />

boven. Wie weet of hij niet in ongelegenheid zou komen,<br />

als hij dien Radja dwarsboomde; het Gouvernement<br />

houdt niet van dergelyke bemiddelingen; het Gouvernement<br />

verneemt gaarne, dat alles «rustig en vredig" is<br />

op de buitenposten; waarom zou hij die rust verstoren?<br />

Men zou te Batavia er hem zeker geen dank voor weten,<br />

maar veeleer hem voor zijn misplaatste mensehlievendheid<br />

op een minder aangename wijze doen boeten.. ..<br />

Hij beval dus den Savoeneezen ter zijde te gaan en ruim<br />

baan te maken en gaf den Radja van Soedoe te kennen<br />

dat hij zich niet met diens zaken kon inlaten,<br />

daar de Compagnie er toch eigenlijk niet in betrokken<br />

was. Wat nu volgde zal ik maar niet beschrijven:<br />

de omheining der Kampong wordt opengehakt en onder<br />

de oogen van den controleur en der verontwaardigde<br />

Savoeneezen worden de ongelukkige bewoners op gruwelijke<br />

wijze gemoord en geslacht! De overblijfselen<br />

dier geëxecuteerde Kampong zijn thans nog voor belangstellenden<br />

te bezichtigen. Wij weten niet, of dat feit door<br />

den resident van Timor aan de Regeering is medegedeeld,<br />

maar geboekstaafd is 't in het archief ter plaatse,<br />

en de Savoeneezen kunnen er u de détails van vertellen;<br />

want die gebeurtenis heeft niet in de vorige eeuw plaats<br />

gehad; 't is pas een jaar of zes geleden.<br />

Die ambtenaar was geen slecht of wreed mensch,<br />

maar hij wenschte zijn carrière niet te bederven. En<br />

hij ha I goed gezien; juist zoodanige handelwijze geldt<br />

bij de Regeering als een blijk van beleid en doorzicht;<br />

want een ander ambtenaar, die later een gelijksoortige<br />

zaak belette en de eer van Nederland ophield, werd<br />

gestraft. Maar hoe qualifieeert men een Regeering, die<br />

zoodanige ambtenaren vormt?<br />

Den Haag, U April. H. C. H.


561<br />

meest door vrouwen, onder begeleiding van gongs, trommen, en<br />

eene soort van guitar met twee koperen snaren bespannen.<br />

Hunne oorlogen zijn zelden zeer bloedig. De vijandelijke<br />

partijen scharen zich met lans en schild gewapend, op een vlak<br />

terrein, in één gelid tegenover elkander en trachten beurtelings<br />

elkander te treffen. De partij, die het eerst eenige gewonden bekomt<br />

acht zich overwonnen, en betaalt de boete of schadevergoeding,<br />

welke geéischt wordt en gewoonlijk in een aantal paarden, buffels<br />

en slaven bestaat; waarna het sluiten van den vrede met groote<br />

feesten gevierd wordt. Somtijds hebben deze gevechten ook te<br />

paard plaats. Slechts zelden gebeurt het, dat op deze wijze geen<br />

einde aan den oorlog komt. Is dit het geval, dan tracht men<br />

de vijandelijke kampong in brand te steken; en wanneer dit<br />

gelukt, heeft er eene algemeene plundering plaats en worden<br />

de inwoners gedood of als slaven medegevoerd.<br />

De huwelijken worden door de ouders der jongelieden vastgesteld<br />

en de prijs bepaald, welken de bruidegom zal hebben<br />

te betalen voor zijne bruid, die hij vervolgens met behulp van<br />

zijne vrienden moet schaken. Met het betalen van den koopprijs<br />

en het vieren van feesten, welke eenige dagen duren, is dan het<br />

huwelijk voltrokken en de vrouw het wettig eigendom van den<br />

man, die hij des verkiezende kan verkoopen. De veelwijverij is<br />

algemeen, vooral bij de Grooten, in gebruik.<br />

De begrafenis, althans van eenen aanzienlijke, geschiedt niet<br />

voor dat alle bloedverwanten tegenwoordig zijn; tot zoo lang<br />

wordt het lijk in eene zittende houding bij de stookplaats gezet<br />

met den rug naar het vuur gekeerd, en elk die binnenkomt is<br />

verpligt hem een stuk geld, eenige sirih, een kleedje of iets<br />

dergelijks te geven, welke voorwerpen later mede begraven<br />

worden. Eindelijk wordt het lijk, in eenen zak gewikkeld, in<br />

dezelfde houding geplaatst in een graf, op welks bodem eene<br />

gong ligt en dat ook wordt gesloten met eene gong, waarboven<br />

nog eene steenen zerk wordt gelegd. Dit graf wordt dan gedurende<br />

een jaar bewaakt door eenen slaaf, die van tijd tot tijd<br />

eenige sirih ten behoeve van den overledene in den grond moet<br />

stoppen en daarvoor de vrijheid verkrijgt.<br />

De drie of vier naamlooze eilandjes aan de Zuidkust van Soemba,<br />

en Noesa Manoek tegenover de Oostpunt zijn onbewoond.<br />

II. 56


562<br />

§ 4. De Allor-eilanden, zijnde Allor, Pantar en<br />

eenige kleinere.<br />

Allor.<br />

Allor, ook Ombaai, Ornbo, Emmer en Maloewa genoemd, ligt<br />

ten Noord-Westen van Timor, waarvan het door de 15 mijlen<br />

breede Straat Ombaai of Maloewa gescheiden is, tusschen 8° 5'<br />

tot 8° 28' Z.B. en 124° 17' tot 125° 15' O.L., en heeft met de<br />

zeer kleine omliggende eilandjes volgens MELVILL eene grootte<br />

van 46.8 • mijlen.<br />

Het geheele eiland is bezet met bergen, die 3000 tot 4000 v'.<br />

hoog en met bosschen bedekt zijn. De bergstroomen, welke zich<br />

naar alle zijden ontlasten, zijn onbevaarbaar en droogen in den<br />

Oostmoeson geheel uit.<br />

Er zijn slechts weinige belangrijke baaijen. De voornaamste,<br />

die ook eene veilige ankerplaats aanbiedt, is die van Keboela in<br />

het Noord-Westen, door welke de Noord-Westpunt des eilands<br />

tot een schier-eiland gevormd wordt, dat den naam draagt van<br />

Klein Allor of Keboela. Kleine vaartuigen kunnen in den Oostmoeson<br />

bijna overal langs de Zuidzijde liggen, doch moeten<br />

wegens de steile kust en den slechten ankergrond aan den wal<br />

worden vastgemaakt.<br />

De voortbrengselen zijn voornamelijk : lontar-, gebang-, sagoewir-<br />

en kokos-palmen, kajoe poeti/i-boomen, rood hout (timmerhout),<br />

kanari-boomen, en eenige soorten waaruit verfstoffen bereid<br />

worden; weinig katoen; indigo; rijst, djagoeng en gierst; de<br />

soekoen of broodvrucht; verschillende vruchten, ook aard- en peulvruchten;<br />

sirih en tabak. Het dierenrijk levert: wilde zwijnen en<br />

herten, geiten, weinig schapen, tamme varkens, kippen, iripang,<br />

schildpad, vogelnestjes en was. Het delfstoffenrijk is onbekend.<br />

Het eiland is verdeeld in zeven Begentschappen of Distrikten,<br />

zijnde van het Noord-Westen af Zuidwaarts:<br />

Allor of Klein Allor, ook Keboela genoemd, het Noord-<br />

Westelijke schier-eiland, met de kampongs Allor besaar, Allor<br />

ketjil, Daloloew, enz.<br />

Koewi of Maloewa, dc Zuid-Westhoek.<br />

Mataro, Baloe Lolong, Madaman (met de kampong Bitoeka)<br />

en Pailoko of Porliko. langs de Zuidkust.<br />

Poerehman. in het Noord-Oosten.


563<br />

Deze gewesten worden bestuurd door Badja's, die vroeger<br />

gedeeltelijk aan Portugal doek sedert het tractaat van 1859<br />

(bl. 510) allen aan Nederland onderhoorig zijn; die van Allor<br />

voert den distinctiven rotting met zilveren knop. In dit staatje<br />

is ook te Allor ketjil een Nederlandsche Posthouder voor Allor<br />

en Pantar geplaatst, wiens woning te onderhouden de eenige<br />

dienst is welke van den Badja gevergd wordt.<br />

De bevolking is zeer talrijk, maar hare sterkte is alleen bij<br />

gissing bekend; MELVILL stelde die in 1849 op 35000 zielen,<br />

terwijl in het Aardrijkskundig Woordenboek wordt gezegd dat zij<br />

in 1 853 bijna 194000 zielen telde. Zij wordt onderscheiden in<br />

Orang pantej of Strandbewoners en Orang Goenoeng of Bergbewoners.<br />

De Strandbewoners zijn vreemdelingen, zoo men zegt van<br />

Ternate en Boeion afkomstig, die zich hier gevestigd en de<br />

Inboorlingen onderworpen hebben doch thans slechts een zeer<br />

weinig beduidend gezag over hen uitoefenen. Zij zijn Mohammedanen,<br />

en leven hoofdzakelijk van vischvangst en handel. Er<br />

worden onder hen goede pottebakkers aangetroffen en scheepstimmerlieden,<br />

die kleine vaartuigen bouwen; het weven der<br />

kleedingstukkeu wordt door de vrouwen verrigt. De kleeding<br />

bestaat voor de mannen in eene soort van wijde broeken en om<br />

het bovenlijf een stuk lijnwaad gelijk de Timorezen dragen; voor<br />

de vrouwen in eene sarong. De wapens zijn lansen, pijlen en eenige<br />

geweren. De kampongs zijn ongeregeld aangelegd. Dc huizen<br />

staan onmiddellijk op den grond en zijn slecht en vuil maar vrij<br />

groot, zoodat er gewoonlijk vier of vijf huisgezinnen in wonen.<br />

De Bergbewoners of Binnenlanders behooren tot den Alfoerschen<br />

stam en zijn Heidenen. Daar zij zelden met vreemdelingen<br />

in aanraking komen zijn zij minder beschaafd dan de Strandbewoners;<br />

men zegt dat zij twistziek en weinig te vertrouwen<br />

zijn. Hunne kleeding bestaat alleen in eene ijausat (bl. 51)<br />

van boomschors of katoen, en hun opschik in arm-, been- en<br />

oorringen van koperdraad of koralen; hunne woningen zijn gelijk<br />

aan die van het strandvolk. De wapenen zijn pijl en boog,<br />

kléwangs, lansen, ronde schilden van buffelhuid en langwerpig<br />

vierkante van hout. Zij leven van den landbouw, en brengen<br />

hunne rijst, djagoeng, sirih, enz. naar de kustplaatsen in ruil<br />

tegen ijzerwerk, koperdraad en glas-koralen.


5G4<br />

De buitenlandsehe handel wordt alleen door de Strandbewoners<br />

gedreven met Boeginezen, Mangkasaren en Boetonnezen, die<br />

daar vooral rijst, djagoeny en was, en ook wel slaven, uitvoeren<br />

in ruiling tegen koperdraad, gongs, eene soort van koperen<br />

trommen, parangs of kléwangs, messen, glas-koralen, wit katoenen<br />

lijnwaden, arak, zilveren en ivoren armbanden, kruid, enz.<br />

De taal dezer eilanders is nog niet bekend; zij schijnt met<br />

eenig dialect-verschil dezelfde te zijn, die ook op Pan/ar en de<br />

Solor-eilanden gesproken wordt. De handelaars behelpen zich<br />

met het Maleisch, dat door sommige strandbewoners eenigzins<br />

verstaan wordt.<br />

Pantar.<br />

Panlar of Pontare ligt, tusschen 8° 8' tot 8° 38' Z.B. en<br />

123° 53' tot 124° 18' O.L., ten Westen van Allor, waarvan het<br />

gescheiden is door Straat 'Parein of Panlar. terwijl het ten Westen<br />

door Straat Moritja of Maurissa wordt bespoeld. De grootte is<br />

volgens MELVILL 14.8 • mijlen. In voortbrengselen en natuurlijke<br />

gesteldheid verschilt het weinig van Allor; het bereikt<br />

zijne grootste hoogte in het Zuidelijke gedeelte, waar zich eene<br />

piek, die door sommigen voor eenen vulkaan gehouden wordt,<br />

volgens MELVILL tot eene hoogte van 3110 v'. verheft.<br />

Het eiland is verdeeld in drie rijkjes of Regentschappen, te weten:<br />

Pandai, in het Noorden, met dc kampongs Denga Laen, Ladiboleng<br />

en Kapitan.<br />

Bamoesung, in het Zuid-Westen, met Malokoe, Sindjala<br />

Haliweka en Hoekoem.<br />

Blagar, in het Oosten, met Karkaloeman. Noehawala, Todais<br />

en Hoekoemoloe.<br />

De Radja's van deze staatjes, onder welke die van Pandai en<br />

Bamoesang den rotting met zilveren knop hebben, zijn onderhoorig<br />

aan het Gouvernement doch tot geene diensten verpligt.<br />

Omtrent de bevolking, van wier sterkte de opgaven verschillen<br />

van 17000 tot G0000 zielen, en haren handel geldt geheel hetzelfde<br />

wat omtrent die van Allor gezegd is.<br />

De kleinere eilanden.<br />

In Straat Panlar of Tawin liggen van het Noorden af:<br />

P. Pandjang of het Noord-eiland aan den ingang der Straat.<br />

Het is een laag eiland met eenen kleinen heuvel in het midden.


565<br />

/'. Ternate, een klein cn niet zeer hoog eiland, dat gerekend<br />

wordt tot hel staatje Allor te behooren.<br />

P.Soanr/i of Swangi, een zeer klein en laag eilandje, vóór de<br />

Baai van Keboela.<br />

P.Poera of Hoog eiland, in het midden van de Straat. Het<br />

is het grootste van allen en zeer hoog. De Oostelijke helft wordt<br />

gerekend te behooren tot het staatje Allor, de Westelijke tot<br />

Blagar.<br />

P. Tawin of Zuid-eiland, een klein en niet zeer hoog eilandje<br />

aan den Zuidelijken ingang der Straat; het behoort onder Blagar.<br />

In Straal Moritja liggen van het Noorden af:<br />

P. Lapang of Vlak eiland en P. Balang of Groen eiland. Deze<br />

twee liggen nabij elkander, zijn laag en met riffen omgeven; zij<br />

worden gezegd gewone aanlegplaatsen van zeeroovers te zijn.<br />

P. Noehakan, P. Roesa of Midden-eiland, ongeveer in het<br />

midden van deze Straat.<br />

P.Babi, P. Noebatan of Klein eiland, tusschen het vorige en<br />

de kust van Bamoesang.<br />

Belangrijke bijzonderheden omtrent deze eilanden zijn ons<br />

niet bekend.<br />

§ 5. De Solor-eilanden, zijnde Lomblem, Adonare,<br />

Solor en eenige kleinere.<br />

Lomblem.<br />

Het eiland Lomblem, ook Lombatla en Kweila geheeten, ligt<br />

tusschen 8° 10' tot 8° 35' Z.B. en 123° 12' tot 123° 54' O.L.,<br />

ten 'Westen van Panlar, waarvan het gescheiden is door Straat<br />

(JVowang) Moritja of Maurissa, en heeft volgens MELVILL eene<br />

grootte van 25 • mijlen.<br />

Het middelste gedeelte des eilands is vlak en laag; doch in<br />

het Noord-Oosten verheft zich de Lobetolle, een bijna gestadig<br />

rookende vulkaan, tot eene hoogte van ongeveer 4590 v*. Ook<br />

het Zuidelijke gedeelte is bergachtig; de Lamajenong, die de<br />

Zuid-Westpunt vormt, cn de Lamararap, meer Oostwaarts aan<br />

de Zuidkust, zijn daar de voornaamste toppen, hoewel niet zoo<br />

hoog als de Lobetolle. Er zijn twee groote baaijen, eene aan de<br />

Noord- en eene aan de Westzijde, die echter geene geschikte ankerplaatsen<br />

althans voor groote vaartuigen schijnen op te. leveren.


566<br />

Het eiland is verdeeld in drie Staatjes of Regentschappen,<br />

namelijk:<br />

Kedang, dat het Noord-Oostelijke gedeelte inneemt cn eene<br />

onderhoorigheid is van het Staatje Adonare op het eiland van<br />

dien naam. Het heeft langs het strand de drie kampongs Pantej<br />

Kaliko. Dololong en Beang, en nog 109 kampongs in het<br />

gebergte.<br />

Lamararap, bevattende het Zuidelijke gedeelte des eilands,<br />

met de hoofdkampong Lamararap.<br />

Kicella of Kaïcella, in het Zuid-Westen , met dc hoofdkampong<br />

Kicella.<br />

De beide laatsten worden bestuurd door Radja's, die onderhoorig<br />

zijn aan het Gouvernement, doch aan welke geene bijzondere<br />

verpligtingen schijnen te zijn opgelegd.<br />

De sterkte der bevolking wordt door MELVILL op 12000, en<br />

in het Aardrijkskundig Woordenboek op 120000 zielen geschat.<br />

Adonare.<br />

Adonare, ook Sabrao en Serbiti genaamd, ligt tusschen 8° 14'<br />

tot 8°24'Z.B. en 123° tot 123°22'O.L., en wordt ten Oosten<br />

gescheiden van het Noordelijke gedeelte van Lomblem door Straat<br />

Bolleng of het Hollandsche gal. ten Zuiden van Solor door Straal<br />

Solor. en ten Westen van Flores door Straat Flores. De grootte<br />

bedraagt volgens MELVILL 10.3• mijlen, en de bevolking 5000C<br />

zielen; het Aardrijkskundig Woordenboek geeft een bevolkingscijfer<br />

van 36000 zielen.<br />

Het geheele eiland is bergachtig en bereikt zijne grootste<br />

hoogte in het Oostelijke gedeelte in de piek Lamahelang of<br />

Lamahale, die op ongeveer 4730 v*. geschat wordt. Belangrijke<br />

baaijen zijn er niet; doch goede ankerplaatsen vindt men aan<br />

de Noord-Westkust bij Adonare, aan de Oostkust bij Bolleng,<br />

en aan de Zuidkust bij Lamahale.<br />

Adonare is verdeeld in vier Staatjes of Begentschappen,<br />

namelijk:<br />

Adonare. dat het grootste is en zich over de Noord- en Oostkust<br />

uitstrekt. De voornaamste plaatsen zijn Adonare, in het<br />

Westelijke gedeelte van de Noordkust, en Bolleng namanele op<br />

de Oostkust; in het gebergte liggen een vijftigtal kampongs.<br />

Voorts zijn nog onderhoorigheden van Adonare het staatje Kedang


567<br />

op Lomblem (bl. 566) en zeven kampongs op de Noord-Oostpunt<br />

van Flores ten Westen van Tandj. Boenga (bl. 581).<br />

Lamahale, in het Zuid-Oosten, met de kampongs Lamahale<br />

aan do Zuidkust, Bolleng aan de Oostkust, enz., doch geene<br />

kampongs in het gebergte.<br />

Terong, in het Zuiden, met de hoofdkampong Terong aan de<br />

kust. Dit staatje wordt beschouwd eenigzins afhankelijk te zijn<br />

van Adonare.<br />

Woerd, op de Westkust, met de hoofdkampong Woerei. Dit<br />

staatje was vroeger eene onderhoorigheid van het Portugesche<br />

landschap Oikoessi op Timor (bl. 512), doeli ten gevolge van<br />

het tractaat van 1359 heeft het Portugesche gezag daar opgehouden.<br />

Voorts liggen nog op de Zuid-Westpunt des eilands de kampongs<br />

Kenari, Belolong en Wairika, die beschouwd worden als onderhoorigbeden<br />

van den Radja van Larantoeka op Flores (bl. 5 80).<br />

De Vorsten dezer staatjes zijn deels Mohammedanen deels<br />

Heidenen; die van Woerej heet Eoomsch Katholijk Christen te<br />

zijn. De Mohammedaansehe Vorsten voeren den titel van Sengadji.<br />

de Heidensche dien van Attakabellak; onder hen staat een<br />

tweede Hoofd, met den titel van Kapitan, welks waardigheid<br />

met die van Fettor op Timor overeenkomt. De Kampongs-hoofden<br />

heeten Pagawej.<br />

De Vorsten van Adonare, Lamahale en Terong hebben den<br />

Gouvernements-rotting met zilveren knop; zij zijn verpligt om,<br />

wanneer zulks gevorderd wordt, praaüwen te leveren om volk<br />

van of naar Timor over te brengen; in geval van oorlog op de<br />

Solor-eilanden manschappen te leveren; de Gouvernements-vaartuigen<br />

door Straat Flores te doen boegseren, cn ze van water<br />

te voorzien.<br />

Solor.<br />

Solor ligt ten Zuiden van Adonare, waarvan het door Straat<br />

Solor gescheiden is, tusscheh 8° 37' tot 8° 37' 50" Z.B. en<br />

122°54'tot 123°8' O.L.; ten Oosten wordt het door Straat Lamakera<br />

van het Zuidelijke gedeelte van Lomblem, en ten Westen door<br />

Straat Lobetobi of Lobetabi van Flores' Zuid-Oostpunt gescheiden.<br />

De grootte is, volgens MELVILL, 3.9 • mijlen, cn de bevolking<br />

naar gissing 30000 zielen.


568<br />

Het eiland is bergachtig doch minder hoog dan de beide<br />

vorige, en heeft geene bijzonder uitstekende toppen. Het heeft<br />

geene belangrijke baaijen, doch bij Lawajong aan de Noord- en<br />

bij Lamakera aan de Noord-Oostzijde zijn goede ankerplaatsen.<br />

De Staatjes, waarin Solor verdeeld is, zijn:<br />

Lmcajong, aan de Noordkust, met de hoofdkampong Lawajong<br />

en zestien kampongs in het gebergte. Bij deze hoofdplaats, waaide<br />

Nederlandsche Posthouder der Solor-eilanden gevestigd is O,<br />

ligt het oude thans niet meer bezette fort Hendrik, bestaande uit<br />

eenen van klipsteen gemetselden vierhoek met eenige onbruikbare<br />

stukken geschut.<br />

Lamakera, dat het Noord-Oostelijke gedeelte des eilands inneemt,<br />

met de hoofdplaats Lamakera aan het strand en tien<br />

bergkampongs.<br />

Pamangkajoe, het Westelijke en Noord-Westelijke gedeelte,<br />

met de kampongs Pamangkajoe, Ongarereng en Bollaweling aan<br />

de kust, en veertien kampongs in het gebergte. Dit staatje was<br />

vroeger eene Portugesche bezitting en schijnt de suprematie van<br />

Larantoeka te erkennen. De Vorst heeft den naam van Roomsch<br />

Katholijk Christen te zijn.<br />

Voorts ligt nog aan de Noordkust tusschen Lawajong en<br />

Lamakera de op zich zelf staande kampong Mananga, zijnde het<br />

overblijfsel van een staatje van dien naam, hetwelk in 1773<br />

in eenen oorlog met naburige eilanders is verwoest, bij welke<br />

gelegenheid de meeste inwoners als slaven zijn weggevoerd.<br />

De Hoofden dezer staatjes voeren dezelfde titels als die op<br />

Adonare. Met den Sengadji van Lawajong. die door het Gouvernement<br />

als de eerste in rang beschouwd wordt, is in 1860 eeue<br />

overeenkomst aangegaan i !<br />

) gelijkluidend met die met de Hoofden<br />

van Rotti (bl. 546). Hij en de Sengadji van Lamakera voeren<br />

den distinctivcn rotting met zilveren knop; de laatste moet altijd<br />

vijftig man te Koepang hebben tot het verrigten van praauwendiensten.<br />

(') De Gezaghebber der Solor-eilanden, waartoe ook de Oosthoek van<br />

Flores gerekend wordt, is gevestigd op dat eiland te Larantoeka. Zie<br />

bl- 581.<br />

P) Bijlagen van de Nederlandsche Staatscourant, 1861—1862, bl. 795.


569<br />

Omtrent de voortbrengselen, den handel en de bevolking'<br />

Solor-eilanden valt hoofdzakelijk betzelfde te zeggen, wat in<br />

vorige § omtrent die der Allor-eïlanden is medegedeeld.<br />

Bij de artikelen van invoer moeten hier nog vermeld won<br />

olifants-tanden, die op hoogen prijs gesteld en in de woningei<br />

pronk gezet worden als bewijzen van den rijkdom des bezitter<br />

Behalve de vischvangst met hengel en net, zoo als die di<br />

de Allorezen wordt uitgeoefend, maken de Solorezen ook r<br />

harpoenen jagt op haaijen, bruinvisschen en walvisschen, we.<br />

menigvuldig in deze wateren voorkomen, üe traan , die men v<br />

zamelt door ze te laten uitdruipen, wordt meest aan Boegines'<br />

handelaren verkocht; het vleeseh en spek wordt als eene lekke]<br />

beschouwd en ook gedroogd, als dindinej, aan de bergbewori<br />

verkocht.<br />

Op Lomblem hebben zich geene vreemdelingen gevestigd, z<br />

dat daar geen verschil tusschen de Strand- en Bergbewor<br />

bestaat dan voor zooverre de ecrstgenoemden, door hunne m<<br />

dere aanraking met vreemdelingen, eenigzins minder onbeseha<br />

en schuw zijn.<br />

De kleinere eilanden.<br />

Ten Noorden van Lomblem ligt op 7°48' Z.B. en 123°34'.<br />

een klein eilandje, P. Kambing (bij verbastering P. Komba)<br />

Batoe (ara, ook wel Beta genaamd. Het bestaat uit eei<br />

vulkaan, die in 1845 of 1846, voor zooverre men weet, voor<br />

eerst is beginnen te werken en sedert dien tijd dikwijls hev<br />

uitbarstingen heeft en bijna voortdurend rookt. O<br />

Waloe Peni, een klein eilandje bij de Noord-Westpunt 1<br />

Lomblem.<br />

Mahkobani, vier kleine eilandjes aan den Noordelijken ingi<br />

van liet Hollandsche gat.<br />

P.Soangi of Sioangi, ook Boorluchtig eiland genoemd, bij<br />

Zuid-Westpunt van Lomblem, tegenover den berg Lamajenong<br />

Batoe idjoe., aan den Zuidelijken ingang van Straat Lamake<br />

nabij de Zuidpunt van Solor.<br />

Hoog eiland of B. Kambing, vóór den Zuidelijken ingang '<br />

Straat Lobetobi.<br />

(') Natuurkundig Tijdschrift voor Nederl. Indië, Db \,Q>\. 87 en 15


570<br />

Twee kleine eilandjes, die waarschijnlijk P.Bjong heeten, een<br />

weinig ten Noord-Noord-Westen van het vorige, aan den ingang<br />

derzelfde Straat.<br />

P. Siang, regt Westwaarts van Solor's Noord-Westhoek, in<br />

eene baai aan den Oosthoek van Flores.<br />

Een ongenoemd eilandje in Straat Solor, tegenover de kampong<br />

Lamahale op Adonare.<br />

P. IFaibaloe, tegenover de Zuid-Westpunt van Adonare, in<br />

het Zuiden van Straat Flores niet ver van de kust van Larantoeka<br />

(Flores).<br />

P. Mas of Serbetle of Serbile, een laag door verscheidene<br />

klippen omgeven eilandje ten Noorden van Straat Flores, nabij<br />

Flores' Noord-Oosthoek of Tandj. Boenga.<br />

Alle deze eilandjes zijn geheel onbewoond, tenzij zij somtijds<br />

door visschers of zeeroovers worden aangedaan.<br />

§ 6. Flores. O<br />

Ligging, grenzen, grootte, natuurlijke gesteldheid, verdeeling.<br />

Het eiland Flores ligt tusschen 119° 49' tot 123° 1' O.L.<br />

en 8° 3' tot 8° 59' Z.B. Het wordt ten Noorden door de Soendazee,<br />

en ten Zuiden door den Indischen Oceaan besnoeid; ten<br />

Westen wordt het van P. Rindja gescheiden door Straal Molo<br />

(bl. 312), en ten Oosten van Adonare en Solor door Straat<br />

Flores, die veelal in drie deelen wordt onderscheiden, van welke<br />

het Noordelijkste Straat Flores, het middelste het Gat van Larantoeka,<br />

en het Zuidelijkste Straat Lobelobi wordt genoemd.<br />

De grootte is door MELVILL op 300.2 • mijlen gesteld<br />

en de sterkte der bevolking op 250000 zielen; dit laatste berust<br />

echter alleen op gissingen.<br />

O In het Tijdschrift voor Neérl. Indië, 183S, Dl. II, bl. 155—184,<br />

wordt een belangrijk opstel gevonden van den Hoogleeraar VETH, waarin dc<br />

voornaamste lot dien tijd bekende berigten omtrent Flores zijn zamengevat.<br />

In het Tijdschrift voor Indische taal-, land-en volkenkunde, D'. IX {1860),<br />

bl. 445 — 550 komen latere uitvoerige mededeelingen voor van den Heer<br />

J. P. FHEYSS, die van 1854—185G herhaaldelijk dat eiland als handelaar bezocht<br />

en tevens met eene zending van den Gouverneur der Molukken derwaarts<br />

was belast.<br />

( 2<br />

) Op de Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Neérl. Indië, 18i9.<br />

In den Moniteur des Indes. 18i6—18i7. geeft dezelfde Schrijver slechts<br />

252 •mijlen op. Andere oudere opgaven stelden de grootte op 422 •mijlen.


571<br />

Over het midden van het geheele eiland strekt zich van het<br />

Westen naar het Oosten eene bergketen uit, die op vele plaatsen<br />

eene zeer aanzienlijke hoogte bereikt, en van welke ter wederzijde<br />

dwarsjukkcn naar de Zuid- en Noordkust loopen, tusschen<br />

welke bergvlakten en dalen gelegen zijn; zoodat het strand op<br />

sommige plaatsen rotsachtig, hoog en steil, op andere laag<br />

en moerassig is. Slechts van enkele gedeelten van deze keten<br />

is de naam bekend; zoo als het Todo-gebergte, in het Westen<br />

tusschen 120° en 120° 10'O.L., en het Poeto-lec—gebergte omstreeks<br />

een halven graad Oostelijker. Ook van hare geologische<br />

formatie weet men bij uitstek weinig; alleen is bekend dat<br />

zich in de Oostelijke helft des eilands aan en nabij de Zuidkust<br />

eenige vulkanen verheffen, die gedeeltelijk nog werkzaam zijn.<br />

Deze vulkanen zijn : de 67. Rokka of Omboeoe Soro (ongeveer<br />

6400 v'.), aan de kust op 121° O. L.; de G. Keo of Omboeoe<br />

Romba (ongeveer 8800 v*.), omstreeks 20' Oostelijker een weinig<br />

landwaarts in; de vulkaan van Ende, die voortdurend rookt<br />

en gewoonlijk in den Westmoeson uitbarstingen heeft, mede<br />

eenigzins binnen 's lands op ongeveer 121° 30'; de 67. Api,<br />

op eene smalle landtong, op 121° 43'; een niet genoemde<br />

vulkaan landwaarts in op 121° 53'; de G. Lobelobi (6920 v*.),<br />

een zeer werkzame vulkaan aan den Zuid-Oosthoek des eilands<br />

op 122° 45'; de 67. Ilimandiri of Piek van Larantoeka (ruim<br />

5000 v 4<br />

.), nabij de Noord-Oostpunt des eilands op 122° 57';<br />

de Nanga Tabo, een steeds rookende berg aan de Noordkust,<br />

bij de kampong Geliling op 122° 20' O.L.; en welligt andere<br />

nog niet bekende.<br />

De bergruggen, welke zich Noord- en Zuidwaarts van de<br />

hoofdketen uitstrekken, vormen aan de kusten een aantal voor­<br />

gebergten of kapen, die veelal ook meer of minder aanzienlijke<br />

baaijen begrenzen; wij vermelden daarvan de volgende :<br />

Aan de Noordkust van het Westen af:<br />

Tandj. Batoe Kandisang, de Noord-Westpunt des eilands, op<br />

ongeveer 119°52'O.L.; ten Zuiden van deze landtong ligt de Baai<br />

Badak of Laboean Badak.<br />

T. Belaboe ijamba, op nagenoeg 120°5', waarschijnlijk dezelfde,<br />

die op het Kaartje van den Luitenant ter zee VAN GOENSC'<br />

T. Loepa wordt genoemd.<br />

0) ln de Reis van IK BUDDINGH , D*i III.


572<br />

T. Bomba, slechts weinig ten Oosten van de vo<strong>org</strong>aande.<br />

Tusschen deze twee kapen ligt de smalle doch diep inloopende<br />

Baai van Terang, en onmiddellijk ten Oosten van de laatstgenoemde<br />

de Baai van Bari.<br />

T. Longso, op nagenoeg 120° 20'.<br />

T. Besi, op ongeveer 120° 32', cn 9' Oostelijker T. Korobowaja,<br />

tusschen welke twee de groote Baai van Beo ligt, die<br />

nog weder door de minder uitstekende T. Kaünding in twee<br />

deelen gescheiden is.<br />

T. Pasir, op omstreeks 120° 52'.<br />

I. Padang, volgens VAN GOENS op 121° 8'C); onmiddellijk<br />

ten Oosten hiervan bevindt zich de Baai van Rioeng, Rioem<br />

of Riouw.<br />

T. Gomon, op ongeveer 121° 36', eene smalle en steile landtong<br />

welke de Baai van Gomon en die van Karkaëli of Karkalay<br />

van elkander scheidt.<br />

T. Lollokatta, eene ver Noordwaarts uitloopende punt op<br />

121° 41', aan welker Zuid-Oostzijde de niet diepe Lollokattabaai<br />

ligt, die weder door eene kleine niet genoemde kaap van<br />

de Zuid-Oostwaarts daarvan gelegene Mauwaroe-baai wordt gescheiden.<br />

T. Mamoaroe, op ongeveer 121° 47', is eene kleine kaap, die<br />

de baai van dezen naam van de Manlina-baai scheidt, welke<br />

laatste ten Oosten begrensd wordt door<br />

T. Langanio, op 121° 54', ten Oosten van welke de Mausumbibaai<br />

ligt.<br />

T. Batoemana, op 122° 4', ten Oosten van welke eene uitgestrekte<br />

bogt is, welker Zuid-Westelijk gedeelte Bonda-baai<br />

heel.<br />

21 Boenga of Flores-hoofdl 2<br />

) is de Noord-Oostelijkste punt<br />

des eilands op 122° 51' O.L. en 8° 3' Z.B. Ten Zuid-Westen<br />

hiervan is eene diep inloopende bogt, de Celébes-baai, die dit<br />

Noord-Oostelijke gedeelte des eilands tot eene zeer smalle landtong<br />

maakt.<br />

( I Wij houden ons zooveel mogelijk liever aan het Kaartje van VAN GOENS<br />

en dat van den Luit. t. z. KONING in het 1*'eStuk der Indiana van URUMUND,<br />

dan aan de Kaart van VERSTEEG, die ons toeschijnt tot de minst gelukkige in<br />

den Alias te behooren ; vergelijk de Noot op bl. 312.<br />

( J<br />

) Op de meeste Kaarten len onregle T. Besi of IJzerkaap geniemd.


573<br />

Aan de Oostkust des eilands bevinden z^ch twee ongenoemde<br />

baaijen, in welke de eilandjes Waibaloe en Slang (bl. 570) liggen.<br />

Aan de Zuidkust zijn ons geene kapen met name bekend;<br />

men vindt er, van het Westen af, de baaijen:<br />

de Mangrove- en de Alligator-baaijen, aan den Zuid-Westhoek<br />

; /<br />

de Baai vanNauga Lilin. tusschen 120° en 120° 13' O.L. O;<br />

de Baai van Nanga Ranio, tusschen 120° 20' en 120° 30';<br />

de Baai van Borro, onmiddellijk ten Oosten van de vo<strong>org</strong>aande;<br />

de Baai van Nanga Tili, ten Oosten van de vo<strong>org</strong>aande;<br />

de Baai van Keo, ten Zuiden van den vulkaan van dien naam;<br />

de groote en schoone Baai van Ende of Alom, ten Westen<br />

begrensd door het vo<strong>org</strong>ebergte van den G7. Keo en ten Oosten<br />

door de landtong, waarop zieh de 67. Api verheft.<br />

Van de talrijke rivieren, welke aan de Zuid- en de Noordkust<br />

uitwateren, zijn slechts enkelen bij hoog water aan de monding<br />

als haven bruikbaar; overigens zijn zij in den regentijd door<br />

den snellen stroom onbevaarbaar, en in den droogen moeson<br />

te ondiep of geheel uitgedroogd. De voornaamste bij name bekende<br />

rivieren zijn :<br />

aan de Zuidkust, van het Westen af:<br />

de Nanga Lilin of Léle', die op het gebergte Todo ontspringt<br />

en zich in het Westen van de Baai van Nanga Lilin ontlast;<br />

de Nanga Bamo, die op de Oostelijke voortzetting van hetzelfde<br />

gebergte ontstaat en zich in het Westen van de Nanga Eamobaai<br />

stort;<br />

de Nanga Mejrah, die op het gebergte Boeto Leo ontstaat en<br />

een weinig ten Oosten van de vo<strong>org</strong>aande in de Baai van Nanga<br />

Bamo valt;<br />

de Nanga Borro, die in het Westen van de Baai van Nanga<br />

Borro uitwatert;<br />

de Nanga Tili, welke in de Baai van dien naam valt;<br />

de Wai Mede, die ten Westen van den 67. Bok/ca haren mond<br />

heeft.<br />

Van deze allen zijn alleen de Nanga Lilin, de Borro, de Tili<br />

en de Wai Mede aan de monding bruikbaar.<br />

0) Voor de weinig bekende Zuidkust hebben wij alleen de Kaart van<br />

VERSTEEG.


574<br />

Aan de Noordkust, van het Westen af:<br />

de Kokoro, die in de Baai van Bari valt;<br />

de Rivier van Reo, die zich in de Baai van Reo stort;<br />

de IJzer-rivier of Kali Besi, ook Rivier van Potta genaamd,<br />

die zich nabij T. Pasir ontlast;<br />

de Kali Mauwaroe, die zich in het Westen der Mauwaroe-b<br />

stort.<br />

De afwisseling der moesous is dezelfde als op Java, doch de<br />

dampkring is aan menigvuldige cn plotselijke veranderingen<br />

onderhevig, die eenen zeer schadelijken invloed op de gezondheid<br />

uitoefenen. Vooral is dit het geval aan de kusten, waar de do<strong>org</strong>aans<br />

zeer hooge temperatuur dikwijls bij opkomende onweders<br />

op eens aanmerkelijk daalt. De gemiddelde temperatuur is daar<br />

omstreeks 85° F.; in het gebergte is zij natuurlijk aanmerkelijk<br />

lager.<br />

Flores kan naar den aard zijner bevolking en naar zijnen<br />

staatkundigen toestand, misschien ook naar de formatie van zijn<br />

gebergte, in drie deelen worden verdeeld; de weinige bekendheid<br />

des eilands brengt echter mede dat de grensbepaling dezer<br />

deelen slechts benaderend, niet naauwkeurig, kan zijn. Wij onderscheiden<br />

dus:<br />

Westelijk Flores of Mangerai, zich uitstrekkende van de We<br />

kust tot aan de rivier Wai Mede; het wordt beschouwd als<br />

eene onderhoorigheid van den Sultan van Bima op Soembawa e<br />

met diens overige bezittingen gerekend tot het Gouvernement v<br />

Celébes te behooren (bl. 177 en 295).<br />

Midden-Flores, van de Wai Mede tot omstreeks den meridiaan<br />

van den G. Keo of Omboeoe Romba ; het is, hoewel tot de Ned<br />

landsche bezittingen gerekend, inderdaad onafhankelijk.<br />

Oostelijk Flores, gewoonlijk Eude genoemd naar het aan de<br />

Zuidkust liggende staatje van dien naam; het strekt zich uit van<br />

den meridiaan van den G. Keo tot aan de Oostkust en behoort tot<br />

de Eesidentie Timor en onderhoorigheden.<br />

Westelijk Flores of Mangerai.<br />

Mangerai, door de bevolking zelve Raja genoemd, schijnt<br />

verdeeld te zijn in vijf hoofdstaatjes of Regentschappen, van


575<br />

welkt; een zich uitstrekt langs de Westkust tot omstreeks de<br />

Nanga Lilin; het tweede van daar langs de Zuidkust tot omstreeks<br />

de Nanga Mejrah; het derde verder Oostwaarts langs de Zuidkust<br />

tot omstreeks de Wai Mede; het vierde langs de Noordkust van<br />

voorbij de Sari-baai tot omstreeks T. Besi; en het vijfde van<br />

daar verder Oostwaarts langs de Noordkust. Aan het hoofd van<br />

elk dezer staatjes staat een Vorst met den titel van Baloe, die<br />

weder verscheidene mindere Baloe's, waarschijnlijk Hoofden van<br />

Distrikten, onder zich heeft. Deze mindere Hoofden gedragen<br />

zich echter vrij onafhankelijk, en in het algemeen is de magt<br />

der Daloe's zeer gering; zij kunnen boeten en straffen opleggen,<br />

en van hunne onderdanen eene zekere opbrengst van rijst,<br />

djagoeng en was vorderen doch hen overigens tot niets dwingen.<br />

De Daloe van het rijkje langs de Westkust beschouwt zich als<br />

den voornaamste, omdat hij alleen regtstreeks met den Sultan<br />

van Bima in betrekking staat.<br />

Omtrent de verhouding van dezen Sultan tot Mangerai deelen<br />

wij hier kortelijk het volgende mede. In de eerste helft der<br />

17^ eeuw werd zoowel Bima als geheel Flores beschouwd als<br />

eene onderhoorigheid van Goa, en beiden werden dus begrepen<br />

in het ten jare 1667 geslotene Bongaaische contract (U>. I, bl. 20),<br />

waarbij echter Bima geheel aan de suprematie van Goa onttrokken<br />

en onder die der O. I. Compagnie werd gebragt, hetgeen met<br />

Flores niet het geval was. Pogingen later door Bima aangewend<br />

om zich van Mangerai meester te maken hadden herhaalde vijandelijkheden<br />

tusschen dit rijk en Goa ten gevolge, waaraan een<br />

einde scheen te zullen komen toen in 1727 een Bimasche Prins<br />

met eene Goasche Prinses huwde en deze Mangerai als bruidschat<br />

kreeg. Doch een latere Vorst van Goa weigerde deze<br />

schenking te erkennen omdat er geen schriftelijk bewijs van<br />

bestond, en de vijandelijkheden vernieuwden zich van tijd tot tijd;<br />

zoodat eerst de O. I. Compagnie en later het Gouvernement meermalen<br />

moesten tusschen beide komen, tot dat dit laatste in 1822<br />

aan Goa zijne aanspraken voor goed ontzegd en Bima in het bezit<br />

van Mangerai gehandhaafd heeft O, hetwelk daarop in 1821 met<br />

geheel Soembaioa bij het Gouvernement van Celébes is ingedeeld.<br />

(>) Verhandelingen van hel Bat'aviaasch Genootschap, Db XXU1, bl. 140<br />

en 211-218.


578<br />

Hoewel nu de Sultan van Bima aanspraak maakt op het gebied<br />

over geheel Westelijk Mores, wordt echter zijn gezag alleen<br />

aan de Noordkust, en ook daar nog met weerzin, erkend. De<br />

kampongs Bari (dat eene soort van Bimasche volkplanting is)<br />

en Reo, aan de baaijen van die namen, en Polla aan de IJzerrhier<br />

zijn de eenige, die wezenlijk onderworpen zijn en in elke<br />

van welke een Bimasche Eadja gevestigd is. De bevolking van<br />

deze kampongs bestaat voor een klein gedeelte uit Bimanezen,<br />

voorts uit Boeginezen, die er handel drijven, en uit Mangeraiers,<br />

die door den Sultan gedwongen worden zich daar te vestigen<br />

maar meestal hunne huisgezinnen en aanplantingen in het binnenland<br />

houden om bij de eerste gelegenheid derwaarts terug te<br />

keeren en zich aan de knevelarijen van den Bimaschen Vorst<br />

en diens stedehouders te onttrekken. Immers het gebruik, dat<br />

door Bima gemaakt wordt van zijne suprematie over Mangerai,<br />

die vooral strekken moest om dit gedeelte van Flores tegen zeeroovers<br />

te beschermen, waarom ook het Gouvernement haar steeds<br />

gehandhaafd heeft, is inderdaad geen ander dan zooveel mogelijk<br />

de Inboorlingen ten zijnen behoeve te exploiteren. De boven<br />

vermelde groote Daloe's moeten jaarlijks elk tien, en een aantal<br />

mindere Daloe's elk vijf slaven leveren, die in het gebergte<br />

opgevangen, aan de Radja's te Reo en Potta opgezonden en van<br />

daar naar Sap» (bl. 307) getransporteerd worden O. Voorts is de<br />

bevolking verpligt tot de opbrengst van eene zekere hoeveelheid<br />

was, geiten, matten en andere voorwerpen. Ook de handel, hoewel<br />

niet in den letterlijken zin door den Sultan gemonopoliseerd,<br />

wordt echter aan vreemdelingen op allerlei wijzen bemoeijelijkt,<br />

en de Inboorlingen worden gedrongen hunne producten<br />

aan de Bimanezen tegen veel lagere prijzen af te staan dan zij<br />

van anderen zouden kunnen bedingen. De bevolking houdt zich<br />

dus zoo veel mogelijk van de kusten, vooral van de Noordkust,<br />

verwijderd om zich buiten het bereik der Bimanesche autoriteiten<br />

te houden.<br />

De inheemsche bevolking van Mangerai behoort, gelijk die<br />

van geheel Flores, tot het Batta-ras en heeft groote overeenkomst<br />

(') ln spijt van het verbod van den slavenhandel schijnt Bima nog steeds<br />

gelegenheid te vinden om deze schatting te innen ; in vroeger tijd was dit<br />

echter veel erger en zegt men dat jaarlyks wel 2000 slaven van Mangerai<br />

werden uitgevoerd.


577<br />

met sommige Dajaksche stammen op Borneo. Hunne gestalte is<br />

tamelijk groot, zij zijn goed gespierd en vlug in hunne bewegingen.<br />

Zij dragen het zwarte haar, dat bij sommigen eenigzins gekruld<br />

of kroes-aehtig is O, lang en bevestigen het op het achterhoofd<br />

met eene houten pen of eene soort van kam. De kleeding deimannen<br />

bestaat gewoonlijk alleen in de tjaioat, slechts zelden<br />

dragen zij eene sarong; de vrouwen kleeden zich met grove<br />

door haar zelve gewevene sarongs. Hunne sieraden zijn armringen<br />

van koperdraad, snoeren van glas-koralen om den hals en in de<br />

ooren, in welke laatste zij zeer groote gaten hebben, waarin ook<br />

dikwijls opgerolde to«Z«)--bladeren gedragen worden. De wapenen<br />

zijn kléwangs, parang» en lansen. De huizen zijn op niet zeer<br />

hooge palen gebouwd en overigens op dezelfde wijze ingerigt<br />

als die op Soemba (bl. 560); slechts zelden staan zij in eenigzins<br />

belangrijke kampongs vereenigd, maar gewoonlijk of in zeer<br />

kleine groepen of geheel afzonderlijk in het gebergte verspreid.<br />

Dat de Mangeraiers zich niet aan de kusten vestigen is boven<br />

reeds vermeld. Zij worden vo<strong>org</strong>esteld als zacht van karakter,<br />

vreedzaam, schuw en zeer bijgeloovig. Zij gelooven aan een<br />

Opperwezen, dat Moeri KrainW (Heer der Vorsten) of Moeri<br />

djaoeh (Heer die ver af is) genoemd wordt en het kwade straft,<br />

en aan een aantal goede en booze geesten van minderen rang.<br />

Hunne taal is geheel verschillend van die der andere stammen<br />

op Flores, maar schijnt eenige overeenkomst te hebben met die<br />

van Bima. De veelwijverij is algemeen in zwang, eu alle arbeid,<br />

met uitzondering van het inzamelen van was en het kappen der<br />

kaneelboomen, wordt door de vrouwen verrigt; zij doen het<br />

huiswerk, spinnen, weven en verwen de kleedingstukken, bebouwen<br />

het veld en transporteren de producten, tenzij het °roote<br />

vrachten zijn welke op paarden worden vervoerd.— De lijken<br />

worden begraven in eenen diepen kuil, in eene zittende houding<br />

even als bij de Orang Bongo in Bima (bl. 310), bij de Soembanezen<br />

(>) Zonder daarom deze Mangeraiers tot Papoewahs te maken, gelijk wel<br />

eens geschied is, meenen wij hier toch sporen te vinden van vermenging met<br />

het Negrilen-ras, dat vroeger verder dan thans in den Archipel schijnt verspreid<br />

te zijn geweest. Vergelijk Db I, bl. 104.<br />

(-) Deze benaming doet denken aan den Mangkasaarschen Goden- en<br />

Vorstentitel Karaëng of Kraïny (bl. 201 en 248), waaraan zij hoogst waarschijnlijk<br />

is ontleend.<br />

n. 37


578<br />

en vele andere Alfoersehe stammen.— Zij houden veel van zang<br />

en dans en vieren nu en dan feesten, waarbij een aantal buffels<br />

en herten geslagt worden. Hun gewoon voedsel bestaat in rijst,<br />

djagoeng, gierst en aardvruchten; ook sommige slangen worden<br />

door hen gegeten. Toeicak is een zeer geliefkoosde drank.<br />

Het hoofdbedrijf der Mangeraiers is de landbouw. Zij kweeken<br />

behalve de zoo even genoemde voedings-middelen, katoen en<br />

indigo, en hebben ook aanplantingen van kokos-, lontar- en<br />

pisang-hoomm. De grond ondergaat geenerlei bereiding; boomen<br />

en struiken worden op het einde van den droogen moeson af­<br />

gebrand, en in den aanvang van den'regentijd wordt het zaad<br />

in kleine met een puntigen stok gemaakte gaatjes in de aarde<br />

geworpen. Het inzamelen van was, van kaneel (die hier in<br />

grootcn overvloed groeit, doch waarvoor zij altijd den geheelen<br />

boom vellen zonder voor nieuwe aanplanting te z<strong>org</strong>en) en van<br />

sapan-hout geschiedt alleen voor hunnen geringen ruilhandel met<br />

de Boeginezen en om aan de eischen van den Sultan van Bima<br />

te voldoen. Aan vischvangst doen zij niets, en slechts nu en<br />

dan begeven zich enkele personen naar het strand om schaal-<br />

en schelpdieren te zoeken. Overigens is hunne geheele nijverheid<br />

zeer gering en bepaalt zich tot het vervaardigen hunner kleeding-<br />

stukken, het vlechten van matwerk en het gebrekkig versmeden<br />

van afgesletene parangs tot lanspunten.<br />

Midden-Flores.<br />

Midden-Flores, waar het vulkanische gebergte, dat zooverre<br />

men weet in het Westen des eilands niet gevonden wordt, een<br />

aanvang neemt, en dat zich ook van het laatstgenoemde onder­<br />

scheidt door zijnen grooten rijkdom aan kokos-palmen, is het<br />

minst bekende gedeelte van Flores. De grootere woestheid en<br />

strijdbaarheid zijner bewoners, tot wier onderwerping door<br />

Bimanezen en Endenezen meermalen vergeefsche pogingen zijn<br />

aangewend, hebben zeker hiertoe bijgedragen. Deze bevolking<br />

schijnt te bestaan uit drie naauw met elkander verwante<br />

stammen: de Roka's of Rokka's in het Zuiden, de Lango's of<br />

Lang a's in het Noord-Westen, en de TFogo's of Weggo's in het<br />

Noord-Oosten. Aan de Noordkust ligt het landschap Rioeng,<br />

waarschijnlijk ook door de twee laatstgenoemde stammen be­<br />

woond. Zij hebben zwaar, gekroesd haar, dat op het hoofd is


579<br />

zamengebonden cn dan in een grooten bos overeind staat, en<br />

zijn met zware klewangs gewapend. Hunne talrijke kampongs zijn<br />

wel meerendeels in het gebergte maar toch ook gedeeltelijk langs<br />

het strand gelegen; zij zijn evenwel geene vissehers en verlaten<br />

hun land niet, evenmin als zij er vreemden in toelaten. Het door<br />

sommigen medegedeelde berigt, dat zij menscheneters zijn en<br />

niet alleen hunne vijanden maar ook hunne bloedverwanten, als<br />

zij oud en ziekelijk worden, dooden en verslinden, wordt door<br />

anderen tegengesproken. Hunne naburen, de Keo's, verhaalden<br />

aan den Heer FIIEYSS dat zij wel woest en hevig van aard waren,<br />

doch dat men eenigzins met hen en hunne taal bekend zijnde<br />

wel met hen konde omgaan en handel drijven. Ook schijnen<br />

zij zeer getrouw te zijn wanneer men eenmaal een vriendschapsverbond<br />

met hen heeft aangegaan, hetgeen geschiedt door<br />

elkanders bloed te zuigen uit eene in de hand toegebragte wond.<br />

Van hunne godsdienst weet men alleen dat zij een Opperwezen<br />

erkennen, hetwelk Atagai heet. Hunne taal verschilt geheel van<br />

die der andere stammen.<br />

Zij leven van den landbouw en kweeken dezelfde producten<br />

als de Mangeraiers; ook houden zij zich bezig met het inzamelen<br />

van goud en ijzer, welke metalen het gebergte hun oplevert;<br />

of zij ook de kunst verstaan van ze te bewerken is ons niet<br />

gebleken. De bevolking van Eioeng aan de Noordkust ligt onder<br />

de verdenking van te heulen met de zeeroovers, die daarentegen<br />

aan de Zuidkust altijd met kracht zijn afgeweerd. .<br />

Oostelijk Flores of Ende.<br />

De inheemsche bevolking van Oostelijk Mores, die het binnen­<br />

land bewoont, is verdeeld in een groot aantal stammen, welke<br />

verschillende namen dragen misschien naar de gebergten waar<br />

zij zich ophouden.* 1<br />

) Zij zij Heidenen, vrij zacht van karakter,<br />

doch zeer onbeschaafd. Hunne wapenen zijn kléwangs, boog en<br />

pijlen en geweren. Er zijn geene Vorsten, die een grooter of<br />

kleiner gedeelte des lands onder hun bestuur hebben, maar<br />

alleen Oudsten of familie-hoofden. Hun hoofdbedrijf is de land­<br />

bouw, doch zij kweeken geene rijst, waarvoor dit gedeelte des<br />

0) Deze namen worden opgegeven in hel Tijdschrift voor Indische taal-,<br />

land- en volkenkunde, D'. IX, bl. 525, 526 en 550, en zijn ook overgenomen<br />

op de Kaarl van VERSTEEG.


580<br />

eilands minder geschikt schijnt. Hunne taal is verschillend van<br />

die der Westwaarts wonende stammen en in verschillende dialecten<br />

onderscheiden. Overigens zijn omtrent hen weinig bijzonderheden<br />

bekend.<br />

Een groot gedeelte van Oostelijk Flores is, althans in naam.<br />

onderhoorig aan Ende, een staatje aan de Zuidkust aan de Baai<br />

van dien naam gelegen. Het is eene kolonie van Boeginezen,<br />

Mangkasaren en andere Mohammedanen, en wordt bestuurd<br />

door eenen Eadja en een aantal mindere Hoofden met den titel<br />

van Mantri; ook dc Bandar otSjah bandar (Opperhoofd van den<br />

handel) en de Imam (Priester) oefenen eenen grooten invloed uit.<br />

He Endenezen zijn hier de onderdrukkers der Inboorlingen op<br />

dezelfde wijze als de Bimanezen zulks in Mangerai zijn. Zij hebben<br />

zieh van den geheelen handel meester gemaakt en drijven dien<br />

hoofdzakelijk op Singapoera; ook de slavenhandel wordt ter sluik<br />

door hen gedreven, waartoe zij de slaven deels in het binnenland<br />

rooven, deels van Timor en Soemba afhalen of laten aanvoeren.<br />

Voorts bestaat hunne nijverheid vooral in het weven van sarongs,<br />

die rood-bruin geverwd en grof maar zeer sterk zijn.<br />

De voornaamste plaatsen in dit rijkje zijn Amboegaga, ook<br />

wel Ende genoemd, en Braai, beiden in het Oosten der baai aan<br />

de kust gelegen ('). Het eerstgenoemde is de hoofdplaats. In het<br />

jaar 1839 is met den Badja en de Rijksgrooten van Ende door<br />

het Gouvernement een contract aangegaan hoofdzakelijk van<br />

denzelfden inhoud als dat in 1860 met de Hoofden van Savoe<br />

is gesloten (bl. 551). Er is echter geen Nederlandsch Ambtenaar<br />

gevestigd.<br />

Het Noord-Oostelijke gedeelte van Flores wordt ingenomen<br />

door het staatje Larantoeka en het daaraan onderhoorige meer<br />

Zuidwaarts gelegene Sika, en wordt door eenen Badja bestuurd,<br />

aan wien ook nog drie kampongs op het eiland Adonare behooren<br />

(bl. 567). Dit gewest is bevolkt met Zwarte Portugezen (bl. 505),<br />

die in naam de Roomsch Katholijke godsdienst belijden, eene<br />

zekere, hoewel geringe, mate van beschaving bezitten en, ge­<br />

deeltelijk althans, gebrekkig de Portugesche taal spreken.<br />

(') Tongo, insgelijks eene Boeginesche of Mangkasaarsehe vestiging meer<br />

Westwaarts aan de Baai gelegen, waarop de Radja van Ende mede aanspraak<br />

niaakl, heeft zich aan zijn gezag onttrokken.


581<br />

Hun karakter staat echter niet gunstig bekend; zij zijn wantrouwend,<br />

afgunstig, wraakgierig, en heulen dikwijls met de<br />

zeeroovers. Tot het jaar 1859 behoorde deze landstreek aan<br />

Portugal doch is bij het toen gesloten tractaat (bl. 510) aan<br />

Nederland afgestaan. Sedert dien tijd is in de, aan Straat Flores<br />

tegenover de Zuid-Westpunt van Adonare gelegene, hoofdplaats<br />

Larantoeka een Nederlandsch ambtenaar gevestigd met den titel<br />

van Gezaghebber der Solor-eilanden, en is ook het vroeger Portugesche<br />

fortje aldaar door ons Gouvernement bewapend en bezet.<br />

Te Larantoeka wordt een vrij belangrijke handel gedreven, vooral<br />

door Timorezen, Boeginezen en Wadjoerezen, in schildpad,<br />

vogelnestjes, kaneel, sandelhout, was, buffels, geiten en varkens.<br />

Voorts bevindt zich nabij deze plaats, die aan den voet van den<br />

vulkaan llimandiri (bl. 571) ligt, eene warme bron die door<br />

zwavel- en salpeterachtigen grond omringd is.<br />

In het Westelijke gedeelte van de Noord-Oostpunt van Flores<br />

(ten Westen van Tandj. Boen ga) liggen zeven kampongs, welke<br />

aan Adonare behooren (bl. 567) doch wier namen ons niet bekend<br />

zijn.<br />

Meer Westwaarts ligt aan de Noordkust op 122° 20'O. L. de<br />

vrij belangrijke handelplaats Geliting, waartoe ook de daaraan<br />

grenzende kampong Bolong schijnt te behooren, op de Mangkasaarsehe<br />

wijze gebouwd en door eenen van klipsteen opgetrokken<br />

ringmuur omgeven. Zij heeft eene Mohammedaansehe bevolking<br />

bestaande uit Boeginezen, Mangkasaren, Wadjoerezen, Bimanezen<br />

en Saleijerezen, en wordt bestuurd dooreenen Mangkasaarschen<br />

Sjah bandar, die door den Badja van Larantoeka met voorkennis<br />

van den Nederlandschen Gezaghebber wordt aangesteld. Deze<br />

Sjah bandar is bevoegd geschillen tusschen handelaren en ingezetenen,<br />

en ook tusschen deze laatsten onderling, te beslechten<br />

en voor ligte misdrijven boeten of lijfstraffen op te leggen ; alleen<br />

over moord en diefstal doet de Badja zelf uitspraak.! 1<br />

)<br />

De kampong Mauwari, die een paar uren meer Westelijk lag<br />

en door van Sika afkomstige Zwarte Portugezen werd bewoond,<br />

is voor weinige jaren door de Gelitingers verbrand en hare<br />

bevolking naar Sika terug gedreven.<br />

(') Men zie over Geliting en den handel aldaar uitvoeriger het Tijdschrift<br />

voor Indische taul-, land- en volkenkunde, Db XI, bl. 147—154.


582<br />

Voortbrengselen en handel van Flores.<br />

De voortbrengselen van Flores, gedeeltelijk reeds boven ver­<br />

meld, zijn: rijst (behalve in het Oosten des eilands), djagoeng,<br />

eenige soorten van gierst, aard- en peulvruchten, indigo, katoen,<br />

kokos-, lontar- en pisang-hoornen, tamarinde, tabak, kaneel,<br />

sapan-noui en weinig sandelhout. Het dierenrijk levert: paarden<br />

van hetzelfde ras als die van Soemba, buffels in het wild, varkens,<br />

herten, geiten, apen, slangen, schildpad en krokodillen aan de<br />

kusten, tripang, vogelnestjes en was. Het delfstoffenrijk is nog<br />

weinig bekend: de IJzerrivier (bl. 574) voert ijzer en stofgoud<br />

af; meer Oostwaarts langs dc Noordkust, in bet landschap Rioeng<br />

en den omtrek van Geliling, wordt loodglans en ook goud aan­<br />

getroffen; het gebergte Roka bevat insgelijks goud, en de berg<br />

Aspana, welks ligging ons niet bekend is, tin.<br />

De handel op Flores wordt voornamelijk gedreven door Bima­<br />

nezen (alleen op de Noord-Westkust) Mangkasaren, Boeginezen ,<br />

Boetonnezen, Saleijerezen en, wat Ende en Larantoeka betreft,<br />

ook door Koepangezen, Soembanezen en Solorezen. De uitvoer<br />

bestaat, om van den slavenhandel niet te spreken, in: kaneel,<br />

sapan-en sandel-hout, kokos-olie, katoen en daarvan gewevene<br />

kleedjes (de laatsten vooral uit Ende), tamarinde en tabak vooral<br />

uit Geliting, vogelnestjes, was, schildpad, tripang en somtijds<br />

eenige geiten. Ingevoerd worden in Mangerai: suiker, opium,<br />

gambir, rijst, djagoeng, goud, grof aardewerk, ijzer- en koper­<br />

werk, glas-koralen, olifants-tanden en lijnwaden; en te Geliling:<br />

geweren, kruid, parangs en ander ijzerwerk, koralen, olifants­<br />

tanden, Europesche en inlandsehe lijnwaden en opium.<br />

Eilandjes rondom Flores.<br />

F. Rindja ten Westen van Flores, en de eilandjes in en vóór<br />

Straat Flores ten Oosten van dit eiland, zijn reeds vermeld op<br />

bl. 312 en 570.<br />

Langs de Zuidkust van Flores liggen:<br />

Het West-eiland, en nog een kleiner zonder bekenden naam,<br />

aan den Zuidelijken ingang van Straat Molo tegenover de Zuid-<br />

Westpunt van Flores.<br />

Het Toren-eiland, zoo genoemd wegens zij n vorm, ten Oosten<br />

van de Baai van Nanga Lilin, op 120° 15' O. L. Er houden zich


583<br />

eene groote menigte herten op; of het ook door mensehen<br />

bewoond wordt is ons niet bekend.<br />

P. Ende of P. Aloso in de baai van denzelfden naam op<br />

121° 33' O.L.; het behoort aan den Radja van Ende en schijnt<br />

bewoond te zijn.<br />

Langs de Noordkust, van het Westen af:<br />

Seraja besar, Seraja ketjil, Toko-toko en Selolom, vier kleine<br />

eilandjes nabij elkander op geringen afstand van T. Batoe Kandisang<br />

(bl. 571) gelegen.<br />

Gili Bodo, op ruim 120° O.L. nabij T. Loepa (bl. 572).<br />

P. Longso, vóór de Baai van Bari.<br />

P. Tjindek of Tjindi, zeer nabij de kust, ten Westen van<br />

T. Gomon, op 121° 30' O.L.<br />

Roesa Radja of Palowé, een hoog en vulkanisch eilandje,<br />

ten Noord-Oosten van T. Lollokatta, op 121° 45' O.L. en<br />

8° 19' Z.B.<br />

P. Soekoer of Roesa Linguette, mede een vulkanisch eilandje,<br />

veel Noord-Oostelijker gelegen op 122° 10' 30" O.L. en<br />

8° 7' Z.B.<br />

West-Boffer of Pomané en het veel kleinere Oost-Boffer,<br />

onmiddellijk nabij elkander tusschen 122°20' tot 122°23' O.L.<br />

en 8°19' tot 8°22' Z.B.<br />

Groot Bastaard, en een weinig Noord-Oostwaarts Klein<br />

Bastaard, tusschen 122° 22' tot 122° 30' O.L. en 8° 23' tot<br />

8° 27' Z.B. Het vaarwater in den omtrek van de vier laatstgenoemde<br />

eilanden is met zandbanken en ondiepten bezet en valt<br />

bij laag water gedeeltelijk droog.<br />

Alle deze eilandjes zijn onbewoond, tenzij er zich tijdelijk<br />

visschers of zeeroovers ophouden.


VERBETERINGEN".<br />

UI. 15. Op het Kaartje staat: «DaiuutofMentlouw» lees: «DawalafMamloetn.<br />

» 159. B. IIF.T OOSTELIJK DEEL. rnnet zijn: b. HET OOSTELIJK DEEL.<br />

» 180 en-216. De op deze bladzijden vermelde Groote Landraad<br />

te Alangkasar is bij besluit van 24 Ecbruarij 1864<br />

opgeheven en vervangen door Regtbanken van<br />

Omgang, zamengesteld uit Inlandsehe leden onder<br />

voorzitting van eenen Europeschen Regtsgeleerde,<br />

die in de Hoofdplaats van elke Afdeeling zitting<br />

zullen houden.<br />

» 190, rog. 22. «Alapalns» lees: « Mapaloes. » —. Over deze<br />

vereenigingen en den landbouw in de Minahassa in<br />

het algemeen zie men ook de onlangs verschenen<br />

Mededeelingen van wege het Nederlandsche Zendelinggenootschap,<br />

Ü'.VIII, bl. 6—23.<br />

» 211, reg. 1, bij le voegen: Deze en vele andere bruggen in de<br />

Minahassa zijn overdekt, en de Inlanders houden<br />

zieh daar dikwijls op tot het bereiden van hunne<br />

spijs en ook om er te slapen. Zie de Mededeelingen,<br />

t.a. p. bl. 5.<br />

» 366, reg. 2 v.o., bij te voegen : Van de verschillende dialecten,<br />

welke op de Zuidkust van Cerapt en op de Oeliassers<br />

worden gesproken, wordt thans eene door den Zendeling<br />

A. VAN EKRIS vervaardigde Woordenlijst<br />

gedrukt in het VIlI s<br />

*e Deel der boven genoemde<br />

Mededeelingen.

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!