Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
VIJFDE liüülDGHUür.<br />
DE MOLDKSCHE EILANDEN EN NIEUW GUINEA<br />
MET DE PAPOEWA H-EILANDEN.<br />
ALGEMEEN OVERZIGT VAN DE MOLUKSCHE EN VERDERE<br />
BOVEN GENOEMDE EILANDEN.<br />
i<br />
natuurlijke gesteldheid.<br />
Ligging, grenzen.<br />
De Moluksclie of Specerij-eilanden zijn eigenlijk alleen de<br />
Ternataansclie eilanden; men verstaat echter tegenwoordig onder<br />
de benaming van Moluksclie eilanden of Archipel der Molukken,<br />
ook wel de Groote Oost genoemd, al de eilanden gelegen tusschen<br />
Célébes ten Westen, de Papoewah-eilanden en Nieuw Ouinea ten<br />
Oosten, Timor ten Zuiden, en den Grooten Oceaan ten Noorden.<br />
Zij liggen dus tusschen 2° 43' N.B. (de Noordelijkste punt van<br />
Morotaï of Moro) tot 8° 23' Z.B. (de Zuidelijkste punt van Timor<br />
Laut), en 124° 22' (de Westelijkste punt van Taliaboe) tot<br />
134° 55' (Jamboeai, het Oostelijkste der Aroe-eilanden) O.L.<br />
De Papoewah-eilanden en onze bezittingen op Nieuw Guinea<br />
strekken zich uit van 129° 20' (het eiland Gebeh) tot 141° O.L.,<br />
en liggen tusschen 1° N.B. (de Passi- en de S l<br />
. Davids-eilanden)<br />
en 8° 45' Z.B.<br />
Eestanddeelen, grootte.<br />
"Volgens de bovenstaande bepaling behooren dus tot de Moluksclie<br />
eilanden de volgende: de Ternataansche of eigenlijk-~Moluksche<br />
eilanden, van welke Halmaheira of Djilolo het grootste is;
314<br />
Zuid- en Zuid-Westwaarts van daar de Batjan-, OM- en Soelagroepen;<br />
de Ambonsche eilanden, van welke Ceram en Boeroe<br />
de grootsten zijn, Zuidwaarts van Halmaheira; ten Zuiden van<br />
Ceram de Banda-eilanden, van welke Zon lor of Lontkoir of Grool-<br />
Banda het voornaamste is; de Zuid-Ooster- en Zuid-Westereilanden,<br />
benevens de Aroe-, Kei- en Tenimber-groepen, allen<br />
Zuid-Oost-en Zuidwaarts van Ceram. Van de Papoewah-eilanden<br />
zijn de voornaamsten Waigeoe, Salwaiti en Misool, tusschen<br />
Halmaheira en Nieuw Guinea gelegen.<br />
Van deze eilanden hebben, behalve Nieuw Guinea, alleen<br />
Halmaheira, Ceram en Boeroe eene eenigzins belangrijke uitgestrektheid;<br />
alle overigen kunnen tot de kleine eilanden gerekend<br />
worden. Van velen is de grootte niet naauwkeurig maar slechts<br />
bij benadering bekend. Volgens MELVILL(') hebben<br />
de Ternataansche eilanden eene grootte van 360. iO mijlen.<br />
de Batjan-, OM- en Soela-groepen » » 157.6 »<br />
de Ambonsche eilanden 1<br />
?) » » 543.6 »<br />
de Banda-eilanden » » 0.9 »<br />
de Zuid-Ooster- en Zuid-Wester-eilanden » » 105.4 »<br />
de Aroe-, Kei- en Tenimber-groepen » » 250.0 »<br />
de Papoewah-eilanden<br />
de Nederlandsehe bezittingen op<br />
» » 160.0 »<br />
Nieuw Guinea » » 3210.0 »<br />
Dus de Moluksclie en Papoewah-eilanden en<br />
onze bezittingen op Nieuw Guinea te zamen 4787.9• mijlen.<br />
Natuurlijke gesteldheid.<br />
De Moluksclie eilanden zijn allen bezet met bergen, welke<br />
grootendeels van vulkanischen aard zijn en waaronder zich verscheidene<br />
nog werkende vulkanen bevinden. Het niet-vulkanisch<br />
gedeelte der bergen is van verschillende formatie, gelijk bij de<br />
behandeling der afzonderlijke eilanden, voor zooveel noodig, zal<br />
worden aangewezen. Bijzonder hooge toppen worden slechts op<br />
(') Moniteur des Indes, 1847, en de Statistieke Kaart in hel Tijdsehr.<br />
voor Neérl. Indië, 1849, U l<br />
. II. Deze opgaven verschillen echter in<br />
onderscheidene opziglen van die van denzelfden Schrijver in den Munilcur<br />
van 1816 en het Tgdschr. v. N. J. 1845, Dl. II.<br />
( 2<br />
) Vergelijk BLEEKER, Reis door de Minahassa enz. D 1<br />
. II, bi. 5.
315<br />
enkele eilanden gevonden; daartoe behooren vooral: de G. Tomahoe<br />
of Piek van Boeroe, op bet eiland van laatstgemelden naam<br />
(+ 10Ü00 v'0 ; de G. Noesa Heli op Ceram (± 8500 v*.); de Piek<br />
van Ternate en die van Tidore, op de eilanden van deze namen<br />
(beiden ruim 5000 v'.). Het hoogste in den geheelen Indischen<br />
Archipel is het Sneeuwgebergte in de Westelijke helft van Nieuw<br />
Guinea, dat eene hoogte van 16000 v*. bereikt.<br />
Daar de meeste eilanden zeer klein zijn, en de grootere over<br />
het algemeen eene smalle langwerpige gedaante hebben of uit<br />
zoodanige schier-eilanden zijn zamengesteld en volgens hunne<br />
lengte-as door de bergketenen worden doorsneden, worden er<br />
nergens in de Molukken belangrijke rivieren aangetroffen en zijn<br />
er slechts enkele over een klein gedeelte van haren beneden-loop<br />
voor booten of kleine inlandsche praauwen bevaarbaar; de meesten<br />
droogen in den goeden moeson geheel uit of blijven niets<br />
dan gemakkelijk doorwaadbare beken, en zijn dus noch voor den<br />
landbouw noeb voor den handel belangrijk. Op Nieuw Guinea<br />
schijnen groote rivieren te zijn.; maar onze gebrekkige kennis<br />
van dit eiland bepaalt zich alleen tot de kuststreken.<br />
De mate van vruchtbaarheid van den grond is op de onderscheidene<br />
eilanden verschillend, en Boeroe schijnt in dit opzigt<br />
tot de meest begunstigde te behooren; maar in het algemeen<br />
is zij minder dan die van de Westelijker gelegene landen. De<br />
rijstbouw is dan ook van weinig belang, en, voor zooverre dat<br />
product niet wordt aangevoerd, maakt de sago het hoofdvoedsel<br />
der bevolking uit. Evenwel is de grond bij uitstek geschikt voor<br />
de teelt van specerijen, vooral muskaatnoten en kruidnagelen,<br />
die hier haar vaderland hebben en het hoofdvoortbrengsel dezer<br />
gewesten zijn. Overigens zijn de meeste eilanden met meer of<br />
minder zware bosschen bedekt, die vele goede houtsoorten opleveren.<br />
In het Zuidelijke gedeelte van den Molukschen Archipel heerscht<br />
van Mei tot October de Oostmoeson, die hier de regentijd is<br />
en dikwijls met stormen gepaard gaat, terwijl daarentegen de<br />
Westmoeson in het overige gedeelte des jaars zelden regen<br />
aanbrengt. Op de Noordelijkste eilanden, welke nagenoeg onder<br />
den Evenaar liggen, is de afwisseling der saizoenen meer onregelmatig.
316<br />
§ 2. Staatkundige verdeeling, bestuur en regtswezen,<br />
en militaire raagt.<br />
Verdeeling en bestuur.<br />
De in deze Hoofdgroep te behandelen gewesten vormen met<br />
de Residentie Menado (bl. 206) en de landen en eilanden om en<br />
in de Golf van Tolo gelegen (bl. 232) te zamen het Gouvernement<br />
der Moluksclie eilanden, bestuurd door eenen Gouverneur, die de<br />
bevelen van den Gouverneur Generaal ontvangt en op Amboina<br />
gevestigd is. Hij heeft ter zijner beschikking een ambtenaar met<br />
den raüg van Adsistent Resident, vooral tot het doen van<br />
inspectie-reizen in afgelegene gedeelten van het Gouvernement;<br />
en wordt voorts bijgestaan door eenen Secretaris van het Gouvernement,<br />
die tevens Algemeen Ontvanger is, en mindere<br />
ambtenaren.<br />
Behalve de twee boven vermelde gewesten op Cele'bes wordt<br />
het Gouvernement der Moluksclie eilanden verdeeld in:<br />
A. De Residentie Amboina, staande onder het onmiddellijk<br />
bestuur van den Gouverneur en gesplitst in de Afdeelingen :<br />
a. Amboina, bevattende de hoofdplaats en het Zuidelijke<br />
schier-eiland en de Zuidkust van het Noordelijke schiereiland<br />
van Amboina; onder eenen Adsistent Resident,<br />
tevens Magistraat.<br />
b. Hila en Larike, bevattende de Noordkust van het<br />
Noordelijke schier-eiland van Amboina, de eilanden<br />
Manipa, Ke'lang, Bonoa en het Westelijke gedeelte van<br />
Ceram; onder eenen Adsistent Resident, tevens fungerend<br />
als Notaris, Vendumeester en Ambtenaar van den burgerlijken<br />
stand.<br />
c. Saparoewa en Haroekoe, bevattende de eilanden van die<br />
namen en Noesa laut benevens het grootste gedeelte van<br />
de Zuidkust van Ceram ; onder eenen Adsistent Resident,<br />
tevens fungerend als Notaris, Vendumeester en Ambtenaar<br />
van den burgerlijken stand.<br />
d. Boeroe, bevattende het eiland van dien naam en<br />
Amblaauw; onder eenen Opziener, tevens Ambtenaar<br />
van den burgerlijken stand en Vendumeester.
317<br />
e. Wahaai, bevattende de Noordkust van het eiland Ceram;<br />
onder eenen Civilen en Militairen Gezaghebber, tevens<br />
Ambtenaar van den burgerlijken stand, welke betrekking<br />
door eenen Officier wordt waargenomen.<br />
B. De Residentie Banda; onder het bestuur van eenen<br />
Resident, die tevens Algemeen Ontvanger en Inspecteur der<br />
speeerij-perken is en bijgestaan wordt door eenen Secretaris,<br />
die ook de i'unetiën van Magistraat, Notaris, Ambtenaar<br />
van den burgerlijken stand, Vendumeester, Havenmeester<br />
en Collecteur van het klein-zegel waarneemt. Voorts zijn er<br />
Opzieners voor de eilanden Ai, Run, Lontor of Groot-Banda<br />
en Rosengain, die hoofdzakelijk met het toezigt op de specerijen<br />
hout-eultuur belast zijn en ook, waar zulks te pas komt,<br />
de functiën van Magistraat waarnemen.<br />
Op de overige tot deze Residentie behoorende eilanden zijn<br />
geene Nedcrlandsche ambtenaren gevestigd; doch zij worden<br />
tegenwoordig geregeld door eenen Rondreizenden Ambtenaar<br />
bezocht, tot vereffening van gerezene geschillen, aanstelling van<br />
Inlandsehe Hoofden, enz.<br />
O. De Residentie Ternate.<br />
De tot deze Residentie behoorende eilanden-groepen staan<br />
onder het bestuur van Inlandsehe Vorsten, die hun gebied in<br />
leen hebben van het Nederlandsch Gouvernement. Deze Vorsten<br />
zijn: de Sultan van Ternate, aan wien behalve het eiland van<br />
dezen naam ook een groot deel van Halmaheira met Morotaï<br />
en vele omliggende eilandjes, benevens Motir, Makjan en de<br />
Soela-eilanden behooren ('I; de Sultan van Tidore, wiens gebied<br />
zich uitstrekt over Tidore, Mareh, een deel van Halmaheira, de<br />
Papoewah-eilanden en de Westelijke helft van Nieuw Guinea P);<br />
en de Sultan van Batjan, die de Batjan-groep beheerscht en aan<br />
O Dat ook de Bangaai-eilanden, de landen om de Tolo-golf en eenige<br />
eilanden in het Zuiden van die Golf gelegen aan den Sultan van Ternate<br />
onderhoorig zijn, is reeds vermeld op blz. 177 en bij de behandeling dier<br />
gewesten.<br />
t 5<br />
) Hoewel volgens het Gouvernements-besluit van 50 Julij 1848 Nieuw<br />
Guinea, als eene onderhoorigheid van Tidore, tot de Residentie Ternate<br />
behoort, zijn later de landen op de Zuidkust met de eilanden daar langs gelegen<br />
administratief gebragt onder de Residentie Banda en geplaatst onder<br />
toezigt van een Reizenden Adsistent Resident toegevoegd aan den Gouverneur<br />
der Molukken (bl. 51ti).
318<br />
wien vroeger ook de Obi-groep behoorde j deze laatste eilanden<br />
zijn echter in 1683 door den toenmaligen Sultan aan de O. I.<br />
Compagnie verkocht.<br />
Op het eiland Ternate is een Resident gevestigd, die de Vorsten<br />
leidt en bewaakt en voor de belangen van het Gouvernement<br />
z<strong>org</strong>t; hij wordt bijgestaan door eenen Secretaris, die tevens de<br />
funetiën van Algemeen Ontvanger, Magistraat en Notaris waarneemt,<br />
en door eenige mindere ambtenaren. Voorts zijn alleen<br />
op de eilanden Halmaheira en Batjan Civile en Militaire Posthouders<br />
gevestigd.<br />
Eegtswezen.<br />
Voor de zaken van Europeanen en daarmede gelijk gestelden<br />
heeft men in de Residentiën Amboina, Banda en Ternate ter<br />
hoofdplaats Raden van Juditie. Op Amboina zijn de President,<br />
de Officier van Justitie en de Griffier regtsgeleerden; in de beide<br />
andere Residentiën wordt de functie van President bekleed dooiden<br />
Resident, die van Officier van Justitie door den Secretaris<br />
der Residentie, en die van Griffier door eenen Commies van het<br />
Residentie-bureau. De overige leden zijn Nederlandsche ambtenaren<br />
of burgers. Hunne regtsbevoegdheid is omschreven in<br />
Dl. I, bl. 120.<br />
Voor belangrijke zaken van Inlanders heeft men op Amboina<br />
den Grooten landraad, zamengesteld uit den Gouverneur als<br />
Voorzitter, een Nederlandschen regtsgeleerde als Secretaris, den<br />
Hoofd-djaksa en eenige Inlandsehe leden.<br />
In de Residentie Amboina zijn verder gewone Landraden voor<br />
de Inlandsehe bevolking in de Afdeelingen Amboina, Hila en<br />
Larike, Saparoewa en Haroekoe, en Boeroe; zij worden gepresideerd<br />
door deü hoogst aanwezenden Nederlandschen burgerlijken<br />
ambtenaar.<br />
In de Residentiën Banda en Ternate zijn ter hoofdplaats<br />
Magistraats-geregten, van welke de Secretaris der Residentie<br />
Voorzitter is.— Voorts worden in de Residentie Ternate eivile<br />
zaken tusschen Gouvernements-onderdanen en onderdanen van<br />
den Sultan van Ternate, Tidore of Batjan behandeld voor eene<br />
regtbank te Ternate, zamengesteld uit den Resident als Voorzitter,<br />
een Gouvernements-schrijver als Griffier, en een Djoegoegoe (Rijksbestuurder),<br />
AMi'(Regter) en Imam (Priester) van het betrokken rijk.
319<br />
Militaire magt.<br />
De militaire magt bestaat uit het Garnizoens-bataillon der<br />
Moluksclie eilanden en de ll e<br />
kompagnie Artillerie (zie D 1<br />
. I,<br />
bl. 130). Zij staat onder het bevel van een Luitenant-Kolonel,<br />
Militairen Kommandant der Molukken, en is thans gestationneerd;<br />
In de Residentie Amboina :<br />
Op Amboina, te Amboina en Hila; op Ceram, te Wahaai en<br />
Kamarian (tijdelijk); op Boeroe, in het fort Defensie; op Saparoewa,<br />
in het fort Buurstede. In 1856 bestond deze magt volgens de<br />
formatie uit 19 Officieren en 540 Onderofficieren en Soldaten<br />
der Infanterie; 3 Officieren en 52 Onderofficieren en Soldaten der<br />
Artillerie; 1 Officier der Genie; 7 Officieren van Gezondheid,<br />
en 1 Officier van Administratie.<br />
In de Residentie Banda :<br />
Op Banda Neira, in de forten Belgica en Nassau; op Lontor of<br />
Groot Banda, in het fort Concordia; op Poeloe Ai, in het fort<br />
Revenge; en op het eiland Rosengain. Zij bestond volgens de<br />
formatie in 1856 uit 6 Officieren der Infanterie, 1 Officier der<br />
Artillerie, 2 Officieren van Gezondheid, 1 Officier van Administratie,<br />
en 300 Onderofficieren en Manschappen der Infanterie<br />
en 30 der Artillerie.<br />
In de Residentie Ternate:<br />
Op Ternate, in de forten Oranje en Terlokko; op Halmaheira,<br />
te Bodinga ; en op Batjan, in het fort Barneveld. Volgens dezelfde<br />
formatie bestond zij uit 3 Officieren der Infanterie, 1 Officier xler<br />
Artillerie, 1 Officier van Gezondheid, 1 Officier van Administratie,<br />
en 173 Onderofficieren en Manschappen.<br />
Buitendien heeft men schutterijen:<br />
In de Residentie Amboina, op Amboina, Haroekoe, Saparoewa,<br />
Boeroe, Manipa en Ceram, gezamenlijk omstreeks 2000 man<br />
sterk;<br />
In de Residentie Banda, op Banda Neira, Groot Banda en<br />
Poeloe Ai, te zamen 480 man sterk;<br />
In de Residentie Ternate, te Ternate, 250 man sterk.<br />
De schutterijen bestaan meerendeels uit Christen-Inlanders,<br />
en te Ternate uit de Christenen, Mangkasaren en Javanen<br />
ter hoofdplaats, welke onder het onmiddellijk bestuur van het
320<br />
Gouvernement staan. Zij zijn deels met geweren deels met<br />
pieken gewapend. In gewone tijden bestaau de diensten in het<br />
betrekken van eenige wachten, het verleenen van hulp aan de<br />
politie, het transporteren van gevangenen, enz.; in oorlogstijd<br />
kunnen zij mobiel verklaard worden en hebben meermalen goede<br />
diensten bewezen.<br />
53. Voortbrengselen, handel en scheepvaart, bronnen<br />
van inkomsten voor het Gouvernement.<br />
Plantenrijk.<br />
Van de natuurlijke voortbrengselen van het plantenrijk vermelden<br />
wij als de belangrijkste alleen de houtsoorten, die op de<br />
meeste eilanden in overvloed voorkomen en deels voor meubelhout<br />
deels voor den scheepsbouw, deels voor gewoon timmerwerk,<br />
deels' ook voor brandhout en verfstof geschikt zijn. Eene uitvoerige<br />
opgave met aanwijzing van het gebruik der verschillende<br />
soorten komt voor in het Indisch Archief, D». III, bl. 183 en volgg.<br />
Wij noemen hier als voorbeelden slechts: het ebbenhout, ijzerhout,<br />
Hjati-hovA (op Boeroe en Rosengain), lingua-hoat, wortelhout,<br />
Kajoe mejrah, Kajoe samar, Kajoe nanni, Kajoe bintangor, Kajoe<br />
kamocni, Kajoe nangka, Kajoe kanari, Kajoe poetih (waaruit de<br />
Kajoe-poetih-olie getrokken wordt, vooral op Amboina), enz.<br />
Van de cultuur-gewassen komen vooral in aanmerking:<br />
muskaatnoten- en kruidnagel-boomen, kokos- en sago-palmen,<br />
djagoeng, weinig rijst, koffij, kakao, tabak en katoen. Ook op<br />
de aanplanting van djaü-boomea wordt door het Gouvernement<br />
geregeld toezigt gehouden. Omtrent de hoeveelheid der producten<br />
wordt over het jaar 1860 het volgende medegedeeld:<br />
In de Residentie Amboina.- kruidnagelen, 258117 pond;<br />
muskaatnoten, 396 pikols; foelie, 277^01; tabak, 30000 pond;<br />
omtrent de kakao-, katoen-, sago-, kokos- en #ró-cultuur<br />
wordt alleen het aantal boomen vermeld.<br />
In de Residentie Banda: muskaatnoten, 1072765 pond; foelie,<br />
275586 pond; djati- en kokosnoten-teelt, als boven. Rijst en<br />
sa°-o worden ingevoerd vooral van Ceram.<br />
In de Residentie Ternate: rijst, 27000 pikols. Van koffij,<br />
katoen, sago, muskaatnoten en kruidnagelen wordt alleen het<br />
aantal boomen opgegeven.
321<br />
Dierenrijk.<br />
Van de wilde dieren van den Indischen Archipel komen de<br />
groote soorten in de Molukken niet voor. Men vindt er zwijnen,<br />
herten, geiten, civetkatten, egels, weinig apen, slangen, schildpadden,<br />
en aan de mondingen der rivieren krokodillen. Rundvee,<br />
paarden en schapen zijn er niet inheemsch maar van elders<br />
aangebragt. De Moluksche zeeën zijn bij uitstek rijk aan vischsoorten;<br />
ook walvisschen houden er zich in vrij groot aantal op.<br />
In de nabijheid der Aroe-eilanden bevinden zich uitgestrekte<br />
parelbanken.<br />
Delfstoffenrijk.<br />
Op vele eilanden, inzonderheid op Amboina, Ceram, Saparoewa<br />
en Haroekoe, worden een aantal warme en koude minerale<br />
bronnen gevonden O, wier bestanddeelen en kracht echter nog<br />
niet voldoende onderzocht zijn. Overigens zijn de Molukken,<br />
voor zooverre bekend is, arm aan delfstoffen. Op de Zuidkust<br />
van Ceram zijn op verschillende plaatsen meer of minder rijke<br />
tingronden, steenkolenlagen en aard-oliebronnen ontdekt; het<br />
eiland Batjan bevat steenkolenmijnen, welke zeer goede kolen<br />
opleveren (' 2<br />
Ï. Voorts wordt op enkele plaatsen ijzerhoudende<br />
grond, stofgoud en aluin gevonden, doch van weinig belang.<br />
Sommige Ambonsehe eilanden leveren kalksteen en krijt op.<br />
Handel en scheepvaart, finantiëele uitkomsten.<br />
De handel wordt hoofdzakelijk gedreven op de hoofdplaatsen<br />
Amboina, Banda en Ternate, welke sedert 1854 vrijhavens zijn.<br />
De voornaamste artikelen van uitvoer zijn: de specerijen, die<br />
tot uit 0<br />
. December 1863 tegen een bepaalden prijs aan het<br />
Gouvernement moesten worden geleverd (zie bl. 322), sago,<br />
velerlei houtsoorten, kajoepoetih-olie, schildpad, tripang, vogelnestjes,<br />
was, koffij, kakao, tabak en katoen. Ingevoerd worden :<br />
paarden, runderen, rijst, opium, zout, lijnwaden, ijzer-, koperen<br />
aardewerk. De waarde van den in- en uitvoer was in het<br />
('I Zie o.a.het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandscli Indië,<br />
Dl. XX, bl. 209.<br />
(=) Natuurk. Tijdschr. ü'. II, bl. 668, D'. VI, bl. 165, en D'. XXI, bl. 556.<br />
II. 21
322<br />
jaar 1856, het laatste waaromtrent tot dusverre hierover officiëele<br />
opgaven zijn medegedeeld, in de drie Residentiën als volgt:<br />
Residentiën. I Invoer Uitvoer.<br />
Amboina^7.T77. . . . ƒ425007 ƒ49073<br />
Banda » 310514 « 20742<br />
Ternate » 201150 » 95395_<br />
Dus te zamen |i ƒ936671 ƒ165210<br />
Hierbij zijn onder den uitvoer natuurlijk niet de aan het<br />
Gouvernement geleverde specerijen begrepen.<br />
Omtrent de scheepvaart zijn ook geenc latere officiëele opgaven<br />
dan over het jaar 1856 bekend; en daarin wordt niet elke<br />
Residentie afzonderlijk maar alle drie gezamenlijk met de Afdeeling<br />
Gorontalo (zie bl. 183) vermeld, als volgt:<br />
Vaartuigen en lasten. Totaal.<br />
Havens. E«rop.| , . I lui. !, . , Vaar- . .<br />
. r<br />
, Lasteu. . • i Laslcu. . Laste»,<br />
getuigd. getuigd. tuigen.<br />
Gorontalo,Ternate,], A A t L . , . E a E ,,.on<br />
, ? • T, j 'Aanff. 121 15471 444 1318 565 16789<br />
Amboina en Banda g °<br />
gezamenlijk [Verlr. 201 15237 352 1091 553 16349<br />
Hiervan komt echter slechts een zeer klein gedeelte voor<br />
Gorontalo, althans wanneer men de boven opgegevene waarde<br />
van den in- en uitvoer in die Afdeeling daarvoor als maatstaf<br />
aanneemt.<br />
De hoofdbronnen der inkomsten, welke het Gouvernement van<br />
de Molv!;ken trekt, zijn van denzelfden aard als in de andere<br />
Buitenbezittingen. Tot het einde van het jaar 1863 kwam daarbij<br />
nog, wat de Residentie Amboina betreft, de handel in kruidnagelen,<br />
waarvan de teelt verpligt was en die tegen een vasten prijs aan<br />
het Gouvernement moesten worden geleverd (').<br />
(') Het vroegere specerij-monopolie was reeds met de vrijverklaring der<br />
havens van Amboina, Banda en Ternate vervallen.<br />
Voor de kruidnagelen werd door het Gouvernement aan den planter betaald<br />
50 duiten of 25 cents per Amsterdamsen pond, dat is ƒ51.23 per pikol van<br />
125 Arast. pond.; voor de muskaatnoten 1 e<br />
kwaliteit, 21 duiten; en voor<br />
de foelie i" kwaliteit, 48 1<br />
/ 2<br />
duit per Amst. pond.
Bij besluit van 2 December 1863 is echter die verpligte cultuur en levering met het einde van dat jaar<br />
afgeschaft, en bepaald dat alsdan in die Kesidentie wordt ingevoerd eene jaarlijksehe belasting te -heffen<br />
op het Negeri-volk (zie bl. 334), over het jaar 1864 ten bedrage van ƒ1 per huisgezin, en welke belasting<br />
jaarlijks met een gelijk bedrag wordt verhoogd totdat zij over 1868 gebragt zal zijn op ƒ5 's jaars.<br />
De uitkomsten zijn in de laatste jaren geweest gelijk in de volgende tabel wordt aangewezen.<br />
Amboina. Banda. Ternate.<br />
Balen. Lasten. Baten. Lasten. Baten. Lasten.<br />
1854. ƒ408883:310 ƒ 901934:37 j ƒ1169955:21 ƒ1039303:85 j ƒ49953:118 ƒ301297:96<br />
1855. «327080:621 « 1075070:95 « 1277963:54 » 794960:77 « 51892:62 « 246063:751<br />
1856. »291863:37| » 814387:25 « 1291551:74 » 989489:22 j « 34566:19 « 232341:103<br />
1857. «323931:1031 » 927326:52^ « 1543323:00 » 932113:16* « 46878:55 « 228599:65<br />
Waaruit blijkt dat alleen de Residentie Banda winsten afwerpt, echter niet voldoende om het te kort<br />
der beide andere te dekken.<br />
(') De cijfers achter het deelteeken zijn duiten.
324<br />
§ 4. Bevolking.<br />
Getalsterkte.<br />
Volgens de opgave van MELVILLO was in 1849 de bevolking<br />
van de Residentie<br />
Amboina 277508<br />
Banda 155765<br />
Ternate (met inbegrip van N. Guinea, maar<br />
zonder het Ternataansch gebied op Celébes<br />
en de Banggaai-eilanden) 1<br />
?) 258329<br />
dus 691602 zielen<br />
voor de Moluksclie en Papoeioah-eilanden en Nieuw Guinea.<br />
Volgens het Regeringsverslag over 1860 was de bevolking van<br />
het Gouvernement der Molukken (behalve de Residentie Menado,<br />
zie bl. 185J op het einde van dat jaar als volgt:<br />
Residentie Amboina:<br />
Europeanen 1133<br />
Chinezen 373<br />
Arabieren 69<br />
Andere vreemde Oosterlingen 680<br />
Inlanders 183416 l 3<br />
)<br />
TotaaI~ .185670<br />
Residentie Banda :<br />
Europeanen 524<br />
Chinezen 127<br />
Arabieren 8<br />
Inlanders 110612 C)<br />
TotaalT." .". .111271<br />
Transportere 296941<br />
(') Statistieke Kaart inliet Tijdschr. voor Neêrl. Indië, 1849, Dl. II.<br />
{"•) Terzelfder plaatse wordt de bevolking van liet Temalaansche gebied op<br />
Celebes berekend op 50000, en op de Banggaai-eilanden op'9000 zielen;<br />
zoodat de geheele bevolking van de Residentie Ternate zoude bedraeen<br />
297329 zielen.<br />
( 3<br />
) De bevolking van Ceram en Boeroe is daarin bij gissing geraamd op<br />
60000 zielen. Vergelijk bierachter, Hoofdst.H, §§7 en 8.<br />
CJ De bevolking der Aroe- en Zuid- Wester-eilander, is daarin bij gissing<br />
geraamd op 105000 zielen.
325<br />
Transport 296941<br />
Eesidentie Ternate:<br />
Europeanen 667<br />
Chinezen 395<br />
Arabieren 22<br />
Inlanders .97287 Q<br />
Totaal • .98371<br />
Algemeen totaal 395312 zielen,<br />
waaronder echter niet schijnt begrepen te zijn de bevolking van<br />
Nieuw Guinea en de Papoeicali-eilanden, die door MELVILL te<br />
zamen op 210000 zielen geschat wordt. Uit de vergelijking van<br />
deze cijfers met die van vroegere jaren blijkt dat, terwijl de<br />
bevolking van de twee laatstgenoemde Eesidentiën langzamerhand<br />
toeneemt, die van Amboina vermindert; hetgeen echter ook aan<br />
eene meer of minder naauwkeurige telling zoude kunnen zijn<br />
toe te schrijven. ( s<br />
)<br />
Stamverdeeling.<br />
Volgens sommigen zouden van de Moluksclie eilanden oorspronkelijk<br />
alleen Ceram, Boeroe en Halmaheira eene inheemsche<br />
tot den Alfoerschen stam behoorende bevolking hebben gehad( 3<br />
),<br />
en alle andere eilanden eerst in latere eeuwen langzamerhand<br />
door vreemde kolonisten bevolkt zijn. En zeker is het dat vele<br />
kleine eilanden tegenwoordig alleen door volkplanters zijn bewoond;<br />
maar wanneer men in aanmerking neemt dat ook nu<br />
nog op sommige van deze eilanden (b.v. de Banggaai-, de Aroeeu<br />
Kei-eilanden) zich Alfoersche stammen bevinden, is het, bij<br />
den bekenden afkeer dien deze volken van de zeevaart hebben,<br />
toch niet waarschijnlijk dat zij in lateren tijd derwaarts zijn overgestoken;<br />
en komt men eer tot het vermoeden dat zij vroeger<br />
0) De bevolking van het gebied der Sultans van Ternate en Tidore is<br />
daarin bij gissing geraamd op 96000 zielen.<br />
( 2<br />
) De totale bevolking der drie Residentiën, die volgens MELVILL 750602<br />
zielen bedraagt, is volgens het Regeringsverslag (met bijvoeging der 210000<br />
voor Nieuw Guinea enz.) slechts 605512. Dit verschil van ruim 125000 zielen<br />
is waarschijnlijk daaruit te verklaren dat de raming van het Regeringsverslag<br />
omtrent sommige eilanden veel te laag is; met Ceram is dit althans zeker het<br />
geval; zie hierachter, Hoofdst.11, §8.<br />
( 3<br />
) VALENTW, uitgave van KEYZER, Dl II, bl. 511. Tijdschr. v. Neérl.<br />
lnd. 1856, Dl. I, bi. 76.
326<br />
ook nog wel op andere eilanden werden aangetroffen, maar daar<br />
door de kolonisten zijn verdrongen of uitgeroeid, gelijk altijd<br />
het geval is waar geheel ruwe stammen met minder onbeschaafde<br />
in aanraking komen.<br />
De onbetwiste hoofdzaak is echter deze, dat de inheemsche<br />
bevolking der Molukken bestaat uit Alfoeren 0), die de binnenlanden<br />
der grootere eilanden bewonen en slechts weinig aan de<br />
kusten worden aangetroffen. Zij zijn Heidenen, ruw en onbeschaafd,<br />
en komen in de hoofdtrekken met die van de binnenlanden<br />
van Celebes overeen. Bijzonderheden daaromtrent zullen, zooveel<br />
noodig, later worden opgegeven. Zij, die zich aan de stranden<br />
hebben nedergezet, zijn minder onbeschaafd maar vermengen<br />
zich toch niet met de overige kustbewoners.<br />
Deze kustbewoners der grootere eilanden en de geheele bevolking<br />
der meeste kleine zijn volkplanters uit onderscheidene<br />
oorden van den Indische» Archipel, en behooren tot verschillende<br />
rassen, waaronder het Maleische het hoofdbestanddeel schijnt uit<br />
te maken. Zij zijn deels Mohammedanen; doch velen hunner, vooral<br />
in de Eesidentiën Amboina en Banda, hebben het Christendom aangenomen.<br />
In het jaar 1860 waren in de eerstgenoemde Eesidentie<br />
40841, en in de laatste 694 Inlandsehe Christenen! 2<br />
). Dat echter<br />
onder Mohammedanen en Christenen nog zeer vele bijgeloovige<br />
begrippen heerschen kan blijken uit de bijzonderheden, welke<br />
ten dien opzigte worden medegedeeld omtrent de bevolking der<br />
eilanden Saparoewa, Earoekoe, Noesa laut en de Zuidkust van<br />
Ceram, in het Tijdschrift voor Neêrlandsch Indië, 1843, D 1<br />
. II.<br />
Omtrent de Kabesaran, die ook in de Molukken in gebruik<br />
is, zie men hier vóór, bl. 196.<br />
De bevolking van Nieuw Cuinea en de omliggende eilanden<br />
zijn Papoewahs of Negrito's, van welke eene algemeene beschrijving<br />
gegeven is in D 1<br />
. I, bl. 104; de verder omtrent hen bekende<br />
bijzonderheden zullen worden medegedeeld bij de behandeling<br />
van Nieuw Guinea.<br />
(') Hun aantal in de Molukken wordt door MELVILL t. a. p. op 570000 zielen<br />
gesteld, welk cijfer echter te hoog is in verhouding tot de bevolking, zoo als<br />
die van Gouvernementswege wordt opgegeven.<br />
( 2<br />
) Volgens het Regeringsverslag over 4860. Volgens de gedetailleerde<br />
opgaven van BLEEKEM was in 1854 dat getal in de Residentie Banda veel<br />
grooter en bedroeg alleen op de eigenlijke Banda-eilanden 800.
327<br />
TWEEDE HOOFDSTUK.<br />
DE RESIDENTIE AMBOINA.<br />
§ 1. Ligging, bestanddeel en en grootte dezer<br />
Residentie.<br />
De Residentie Amboina ligt tusschen 126° (de Westkust van<br />
Boeroe) tot 130° 44' (hare Oostelijkste grens op Ceram) O.L.<br />
en 2°46' (de Noordkust van Ceram) tot 3° 5 8' (de Zuidkust van<br />
Amblaamo) Z.B. Zij wordt ten Noorden door de Ceramscke Zee<br />
of Pitt's Straat, ten Zuiden door de Banda-zee bespoeld.<br />
De eilanden tot deze Residentie behoorende zijn: Amboina,<br />
Haroekoe of Oma, Saparoewa ook Honimoa of Oelias genoemd,<br />
Noesa laut (de drie laatstgenoemden gezamenlijk ook onder den<br />
naam van de Oeliassers bekend), Amblaauw, Boeroe, Manipa,<br />
Kélanrj, Bonoa of Boano, het grootste Westelijke gedeelte van<br />
Ceram, en eenige kleinere, die weinig meer dan klippen zijn.<br />
Het Zuid-Oostelijke gedeelte vau Ceram, van 130° 44' aan de<br />
Noordkust en 130° 12' aan de Zuidkust, behoort tot de Residentie<br />
Banda.<br />
Zij hebben volgens de opgave op bl. 314 gezamenlijk eene<br />
grootte van 543.6 • mijlen.<br />
Omtrent de totale sterkte der bevolking zie men bl. 324.<br />
§ 2. Het eiland Amboina.<br />
Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />
Amboina oiAmbon ligt tusschen nagenoeg 3° 28' tot 3° 48'Z.B.<br />
en 127° 58' tot 128° 26' O.L. en heeft volgens de jongste<br />
opmeting van MELVILL eene grootte van 14.25 • mijlen. O<br />
Het bestaat uit twee schier-eilanden (vroeger zeker afzonderlijke<br />
eilanden), van welke het Noordelijke Hitoe en het<br />
(i) ln het Aardrijkskundig Woordenboek wordt voor het eiland Amboina<br />
opgegeven 4789 • mijlen , hetgeen de grootte is van den geheelen Molukschen<br />
Archipel met Nieuw Guinea en de Papoewah-eilanden; zie bl. 514.<br />
Vroegere opgaven van MELVILL stellen Amboina op 16 • mijlen.
328<br />
Zuidelijke Leitimor heet, die door eene alluviale landengte van<br />
1100 el breedte, de Landengte of Pas van Bagoeala gehceten,<br />
met elkander verbonden zijn, en van welke het eerstgenoemde<br />
verreweg het grootste is. Tusschen deze schier-eilanden ligt aan<br />
de Oostzijde de Baai van Bagoeala tusschen de Zuid-Oostkust<br />
van Hitoe en de Oostkust van Leitimor; en aan de Westzijde<br />
de Baad van Amboina, die de Noordzijde van Leitimor over hare<br />
geheele lengte van de Zuidkust van Hitoe scheidt. Deze baai is<br />
zeer diep, en van den ingang tot op een derde van hare lengte<br />
bijna eene mijl breed; dan langzamerhand in breedte afnemende<br />
wordt zij door eene aan de Zuidkust van Hitoe uitstekende<br />
landpunt verdeeld in de Buiten- en Binnen-haai. De kapen aan<br />
den ingang der Baai heeten : op Hitoe, T. Allang, de Zuidelijkste<br />
punt van dat schier-eiland; en op Leitimor, T. Noesanive. Ook<br />
de Oostkust van Hitoe vormt eene vrij diepe bogt, veelal de<br />
Baai van Waai genoemd.<br />
Bij T. Wawolle, den Noord-Westelijken hoek van Hitoe, liggen<br />
drie kleine onbewoonde eilandjes, Be drie broeders of Poeloe Tiga<br />
geheeten. Op eenigen afstand van de Noord-Oostkust van Hitoe<br />
ligt een dergelijk eilandje, P. Pombo genaamd.<br />
Het geheele eiland is bergachtig; vlakten van eenige beteekenis<br />
worden alleen gevonden op sommige plaatsen aan de<br />
kusten, waar de voet van het gebergte door smalle strooken<br />
alluviaal-grond is bedekt.O Dit gebergte, eenmaal door vulkanische<br />
krachten van den bodem der zee opgeheven, is van<br />
zeer verschillende formatie en bestaat op sommige plaatsen uit<br />
graniet- en trachiet-gesteenten op andere uit zandsteen en kalkheuvels.<br />
De hoogste toppen zijn op Hitoe van het Westen af:<br />
de Latoea (3200 v*.), de Wawani (3300 v*.), de Wankauwa<br />
(900 v*.) en de Salhoetoe (4000 v*.); en op Leitimor: de Nonna<br />
(ruim 1800 v*.), de Serman (1700 v*.) en de Hori 1870 v*.).<br />
Eigenlijk gezegde vulkanen zijn op Amboina niet; op den<br />
Wawani worden echter solfatara's gevonden, en hevige aardbevingen<br />
(onder andere in 1644, 1671, 1674, 1687, 1781, 1830<br />
en 1835) getuigen van tijd tot tijd van steeds voortdurende<br />
f 1<br />
) Van eigenlijk gezegde wegen kan dus op Amboina gcene spraak zijn;<br />
er zijn slecJrts paden, die dikwijls sleil en moeijelijk zijn. Men reisl er te<br />
voel, te paard of in een draagstoel.
329<br />
omleraardsche vulkanische werking. Menigvuldige beken, die<br />
zich nergens tot bevaarbare rivieren hebben kunnen vormen,<br />
voeren het uit het binnenland afkomende water meest in eene<br />
Zuid- of Noordwaartsche rigting naar zee, en zijn voor de besproeijing<br />
van den grond van weinig of geen nut. De vruchtbaarheid<br />
is dan ook niet zeer groot, en alleen in de ravijnen<br />
wordt hier en daar een weelderige plantengroei waargenomen.<br />
De alluviale kuststreken zijn deels met RhizopJwren en Panfaws-soorten<br />
deels met sago- en kokos-palmen en andere houtsoorten<br />
bedekt!'); kruidnagel-, kajoe poetih- en kanari-boomen,<br />
acacias en varens groeijen op de berghellingen en heuvels; en<br />
alleen op de hoogste gebergten van Hitoe komen zware bosschen<br />
voor. Apen en verscheurende dieren worden op Amboina niet<br />
gevonden; daarentegen is het zeer rijk aan visscheu, schelpdieren,<br />
insecten en kruipende dieren, waaronder krokodillen,<br />
hagedissen, slangen en schildpadden.<br />
De cultuur-gewassen zijn voornamelijk: kruidnagelen, waarvan<br />
de teelt vroeger verpligt was en die tegen een bepaalden<br />
prijs aan het Gouvernement moesten worden geleverd (bl. 322)<br />
en waarvan het product in 1854 bijna 241000 Amst.'ponden bedroeg<br />
van 219000 boomen; muskaat-noten, waarvan de verpligte<br />
aankweeking en levering in deze Residentie in 1827 is afgeschaft;<br />
kaneel en koffij, waarvan de cultuur in vroegere tijden is ingevoerd<br />
doch later wegens de ongunstige uitkomsten weder gestaakt;<br />
kakao, die uitmuntend slaagt; arrow-root, katoen en vele<br />
vi'uehtboomen; ook de kokos-palm wordt opzettelijk aangekweekt.<br />
Voor den rijstbouw is de grond ten eenenmale ongeschikt; dit<br />
voedingsmiddel wordt grootendeels vervangen door de sago, die<br />
op Amboina in het wild groeit doch niet genoeg voor de bevolking,<br />
waarom het ontbrekende van Ceram wordt gehaald.<br />
Verdeeling, voornaamste plaatsen, inlandsen bestuur.<br />
Amboina maakt het voornaamste bestanddeel uit van de op<br />
bl. 316 vermelde Afdeelingen Amboina en Hila en Larike. De<br />
Afdeeling Amboina bevat geheel Leitimor en de Zuidkust van<br />
(') Voor eene uitvoerige beschrijving van het Planten- en Dierenrijk van<br />
Amboina verwijzen wij naar de Reis van BLEEKER, D'. II.
330<br />
Hitoe, van 1'. Allang (bl. 328) af tot over de Pas Bagoeala, en<br />
verder de Zuid-Oosthoek van laatstgenoemd schier-eiland tot<br />
en met de negeri Waai aan de Bogt van dien naam op de<br />
Oostkust (bl. 328). Het overige gedeelte van Hitoe behoort tot<br />
de Afdeeling Hila en Larike.<br />
De voornaamste plaatsen zijn in de Afdeeling Amboina:<br />
Amboina of Ambon, de hoofdplaats der Residentie, met eene<br />
bevolking van 10500 zielen O. Zij ligt aan de Noord-Westkust<br />
van Leitimor op 3° 41' 40" Z.B. en 128° 15' O.L. en wordt<br />
beschermd door het fort Nieuw Victoria, dat ten Noord-Westen<br />
van de eigenlijke stad ligt en de reede bestrijkt; het is een<br />
onregelmatige zevenhoek met bastions, en omgeven door eene<br />
natte gracht; in het fort bevinden zich de kazernen, eenige<br />
officiers-woningen en Gouvernements-magazijnen. Het fort met<br />
de eigenlijke stad, die door Europeanen en hunne afstammelingen,<br />
Christen-burgers, Chinezen en Arabieren bewoond wordt,<br />
ligt tusschen de riviertjes Tomo (Wai Tomo) en Gadjah (Olifantsrivicr);<br />
maar de buitenwijken, die er een geheel mede uitmaken<br />
en hoofdzakelijk door de Inlanders bewoond worden, strekken'<br />
zich uit tot het riviertje Batoe mejrah ten Noorden en Batoe<br />
gantoeng ten Zuiden, en worden aan de landzijde begrensd door<br />
de heuvels Soja en Batoe gadjah. De geheele lengte der stad<br />
langs het strand bedraagt 570, en hare grootste diepte nog geen<br />
300 roeden. Zij wordt door verscheidene meestal regte straten<br />
doorsneden, die elkander regthoekig kruisen. De Europesche<br />
wijk, uit nette doch lage steenen huizen bestaande, bevindt zich<br />
ten Zuid-Westen van het fort; die der Chinezen ligt ten Zuiden<br />
van het fort, tusschen de Europesche wijk en het strand. De<br />
woningen der Inlanders in de buitenwijken zijn uit hout, gabbagabba<br />
(gespleten takken van den nipah- of den sa^o-palm) en atap<br />
zamengesteld. De openbare gebouwen, die allen zeer eenvoudig<br />
zijn ingerigt, zijn voornamelijk: het stadhuis; het hospitaal;<br />
eene Christenkerk voor Europeanen en eene voor Inlanders; het<br />
Gouvernements-huis te Batoe gadjah ten Zuid-Oosten der stad;<br />
de pasar of marktplaats ten Zuiden van het fort aan het strand ;<br />
(') Volgens het Aardrijkskundig Woordenboek. Volgens BLEEKER bedroeg<br />
zij in 1855 slechts ruim 9000 zielen met inbegrip van de buitenwijken.<br />
Twintig jaren vroeger was zij bijna 12000 zielen sterk.
331<br />
en liet door het Nederlandsche Zendeling-genootschap bekostigde<br />
Instituut ter opleiding van Inlandsehe jongelingen tot<br />
school-onderwijzers en ook tot onderwijzers in de Christelijke<br />
Godsdienst, te Batoe mejrah ten Noorden der stad; aan deze<br />
inrigting is ook eene kleine boekdrukkerij verbonden; het geheel<br />
staat onder het bestuur van eenen Zendeling, thans de Heer<br />
EOSKOT. Voorts zijn er: eene werf, eene gevangenis, scholen, eene<br />
wees- en boedelkamer, enz. De schutterij te Amboina bestaat uit<br />
een bataillon van 7 Kompagniën, sterk (in 1855) 31 Officieren<br />
en 1610 Onderofficieren en Manschappen, en verdeeld in gewapende<br />
of flank-kompagniën en ongewapende of centrum-kompagniën;<br />
onder de laatsten behooren ruim 900 schutters uit de<br />
buitenwijken, die eene soort van reserve of derden ban vormen.<br />
Ook heeft zij een vrij goed geoefend corps muzijkanten. Het<br />
geheel staat onder het opperbevel van den Adsistent Kesident-<br />
Magistraat, met den rang van Luitenant-Kolonel.<br />
Tot de buitenwijken van Amboina worden ook gedeeltelijk<br />
gerekend de negeriën: Halong, dat meer Noordwaarts en Latoe<br />
halat, dat meer Zuidwaarts aan de Baai van Amboina, Erna, dat<br />
nabij de Zuidkust van Leitimor ligt, en Tawiri, Hative besar,<br />
Pakoe, Waiheroe en Nania, die aan de Zuidkust van Hitoe liggen;<br />
omdat steeds een aantal harer ingezetenen zich tot het verrigten<br />
van heerendiensten op de hoofdplaats moeten ophouden.<br />
Voorts vindt men tot deze Afdeeling behoorende nog op<br />
Leitimor: Batoe mejrah, Hative ketjil en Lateri, ten Noord-<br />
Oosten, en Amahoesoe ten Zuid-Westen van de hoofdplaats aan<br />
de Baai van Amboina; langs de Zuidkust: Noesanive, Keri,<br />
Owohan, Hoekoerila, Leahari en Hoetoemoeri; en langs de Zuiden<br />
Oostkust van Hitoe: Allang, Lilibooi, Hatoe, Hatoeroe, Laha,<br />
Tawiri en Hative besar (buitenwijken; zie hierboven), Tanaroeboe,<br />
Roemah liga, Pakoe, Waiheroe, Nania (buitenwijken), Passo met<br />
de niet meer bewapende sterkte Middelburg op de Pas Bagoeala,<br />
Soeli, Tial, Tengah-tengah, Tolehoe en Waai.<br />
Tot de Afdeeling Hila en Larike behooren:<br />
Hila, de hoofdplaats der Afdeeling met 670 zielen (in 1854),<br />
aan de Noordkust van Hitoe bij Tandj. Hila op 128° 11' 10" O.L.<br />
Zij wordt beschermd door het fortje Amsterdam, dat eene kleine<br />
bezetting heeft. Ook is er eene Christenkerk. De schutterij bestond<br />
in 1855 uit 1 Officier en 33 man.
332<br />
Langs de Noordkust heeft men verder, Westwaarts van Hila:<br />
Ceith, Lima met de niet meer bezette sterkte Van der Capellen,<br />
Oering en Assïloeloe; en Oostwaarts: Wakal, Hitoe lama, Hitoe<br />
missing, Morella, Mamala, en Liang. Langs de Westkust: Larike<br />
met de niet meer bewapende sterkte Rotterdam en eene Afdeeling<br />
schutterij van 20 man, en Wakasihoe.<br />
Elke van deze negeriën vormt eene geheel op zich zelf staande<br />
gemeente of staatje, en heeft haar eigen Hoofd of Regent, die<br />
door de bevolking wordt gekozen en door het .Gouvernement<br />
benoemd doch geen Gouvernements-ambtenaar is. Hun onderscheidingsteeken<br />
is, gelijk overal elders in de Molukken, een<br />
rotting met zilveren of, wanneer zij den titel van Radja voeren, met<br />
gouden knop, waarop het Nederlandsche wapen is gegraveerd.<br />
De Regenten van Batoe mejrah, Waai, Basso en Tolehoe voeren<br />
den titel van Radja, de overigen dien van Patik of Orang Kaja;<br />
de Regentsvrouwen heeten Njora. De bevolking is verpligt hunne<br />
woningen te onderhouden en hen te vervoeren waarheen dienstzaken<br />
hen roepen. Voorts beschikt de Regent zonder betaling<br />
over de persoonlijke diensten van één tot vijf ingezetenen van<br />
zijne negeri, naar mate van hare volkrijkheid; deze personen, die<br />
Kwarto's en wier diensten Kwartsdiensten genoemd worden, wisselen<br />
elkander om de maand af. Ook heeft hij het regt twee<br />
Djodjaro's of aanzienlijke meisjes te eischen, om in zijne huishouding<br />
behulpzaam te zijn. Eindelijk geniet de Eegent de<br />
voordeelen, welke verbonden zijn aan zijne betrekking als Batihoofd<br />
(zie bl. 336). I 1<br />
)<br />
De bevolking en haar maatschappelijke toestand.<br />
Eene officiëele opgave van de sterkte der bevolking van het<br />
eiland Amboina in de laatste jaren is ons niet bekend; volgens<br />
I 1<br />
) Vóór de afschaffing der verpligte nagelculluur genoot de Regent van<br />
het Gouvernement ƒ15 van elke Bahar (550 Amst. pond) kruidnagelen en een<br />
jaarlijksch geschenk in lijnwaden ter waarde van fiS ; en wanneer de geleverde<br />
nagelen aan de bevolking werden betaald, werd van dat bedrag i pC l<br />
. geheven,<br />
die onder den Regent en de Nagelschrijvers (boekhouders) werden verdeeld.<br />
Thans zullen zij daarvoor waarschijnlijk op eene andere wijze worden schadeloos<br />
gesteld, doch hoe dit geschieden zal blijkt uit bet Besluit omtrent de<br />
afschaffing der nagelcultuur niet.
333<br />
BLEEKER bedroeg zij in 1855 ruim 26000 zielen, die volgenderwijze<br />
verdeeld waren :<br />
Europeanen en Kleurlingen 665<br />
(Burgers.. 7133<br />
Inlanders 1 . j Christenen 8710<br />
( J N e<br />
c r i<br />
S<br />
- v o l k<br />
} Mohammedanen 10S74<br />
Chinezen 246<br />
Arabieren en andere vreemde Oosterlingen. .283<br />
Slaven. 0 544<br />
Totaal 28455 zielen,<br />
waaronder echter ook de bevolking van do eilanden Bonoa en<br />
Manipa begrepen is, die terzelfder tijd op 2200 zielen werd<br />
gerekend.<br />
De Europeanen zijn Ambtenaren of handelaars en slechts<br />
weinigen in getal; zij zijn op de twee hoofdplaatsen gevestigd.<br />
De kleurlingen of mestiezen, vooral op de hoofdplaats Amboina<br />
wonende, zijn ruim 600 in getal. Slechts weinigen hunner<br />
hebben Europesche vaders; bij verreweg de meesten is die<br />
vermenging reeds in veel vroegere geslachten ontstaan. Zij belijden<br />
het Christendom en kleeden zich als Europeanen, maar<br />
zijn over het algemeen trotseh, lui en zedeloos, en leven meerendeels<br />
in armoede; ten gevolge van dit een en ander neemt hun<br />
getal steeds af en was, volgens BLEEKER, in twintig jaren met<br />
ruim een derde gedeelte verminderd.<br />
De Chinezen zijn, gelijk overal, industriëelen; de Arabieren,<br />
kooplieden of priesters.<br />
De Inlanders of Ambonezen zijn een zeer gemengd ras,<br />
ontstaan uit volkplanters van Ceram, Goram en andere Moluksche<br />
eilanden, misschien ook Chinezen. Zij zijn donkerder van huidkleur<br />
dan de Maleijers, hebben een breeden en platten neus,<br />
uitstekende wangbeenderen, dikke lippen, ver van elkander<br />
staande oogen die eenigzins schuins staan met de buitenhoeken<br />
naarboven, en een gewelfd en vrij breed voorhoofd. Zij hebben een<br />
sterk en vlug ligchaamsgestel, en zijn zeer vatbaar voor verstandelijke<br />
en zedelijke ontwikkeling. Zij spreken het Maleisch,<br />
doch met zeer vele vreemde woorden vermengd. De eigenschappen<br />
(') Dezen zullen ten gevolge van de wet omtrent de opheffing der slavernij<br />
in de Nederlandsche bezittingen met het jaar 1860 verdwenen zijn.
334<br />
van traagheid, z<strong>org</strong>eloosheid, zedeloosheid en woelziekte, die<br />
hun somtijds worden ten laste gelegd, schijnen minder aan<br />
hunnen natuurlijken aanleg te moeten worden toegeschreven dan<br />
aan de onderdrukking, welke zij eerst van de Portugezen en<br />
later van de O. I. Compagnie hebben te verduren gehad. De<br />
stadbewoners onderscheiden zich in dit opzigt ongunstig van<br />
de overigen. Land- en tuinbouw, vischvangst en kleinhandel<br />
zijn de hoofdbedrijven der bevolking; zeevaart valt minder in<br />
hunnen smaak, hoewel zij dikwijls naar de naburige eilanden,<br />
vooral naar Ceram, oversteken om de benoodigde sago te halen.<br />
Als soldaten zijn de Ambonezen zeer oppassend, ijverig en<br />
gewillig in de dienst en getrouw; zij maken het beste gedeelte<br />
der Inlandsehe troepen van ons Oost-Indisch leger uit.<br />
De Christenen en Mohammedanen, hoewel in vrede met<br />
elkander levende, scheiden zich scherp van elkander af en bewonen<br />
afzonderlijke negeriën; slechts op weinige plaatsen vindt<br />
men ze in hetzelfde dorp vereenigd. In elke eenigzins belangrijke<br />
Christen-negeri is eene Protestantsche kerk, eene school en een<br />
Schoolmeester (Inlander); ter hoofdplaats zijn twee Predikanten<br />
gevestigd, tevens voor de onderhoorige Christen-gemeenten,<br />
en ook Europesche Schoolmeesters; overigens wordt de dienst<br />
door Zendelingen verrigt('). In de Mohammedaansche negeriën<br />
zijn moskeeën en de noodige Priesters. Voorts vindt men in elke<br />
negeri een baileo of raadhuis, waar de openbare belangen worden<br />
behandeld.<br />
De Christenen kleeden zich met eene lange katoenen broek,<br />
een borstrok, en eene gekleurde of zwarte kabaai (badjoe), en<br />
dragen op het hoofd een pet of hoed. De Mohammedanen hebben<br />
eene kortere broek en omwinden zich het hoofd met een doek.<br />
De vrouwen dragen eene zwarte of donkere kabaai en eene<br />
gekleurde sarong. De Eegenten der Christen-negeriën kleeden<br />
zich liefst op de Europesche wijze in het zwart.<br />
De Ambonezen worden onderscheiden in Burgers en Negerivolk.<br />
De Burgers, die de hoofdplaats Amboina en enkele andere<br />
negeriën op Leitimor bewonen, zijn geheel vrije lieden, die geene<br />
belangrijke heerendiensten te vervullen hebben en ook vrij zijn<br />
(») Zendelings-posten zijn, op Leitimor: Amboina, Batoe mejrah en<br />
Boetoemoeri; op Hitoe: Allany en Waai. •
835<br />
van de belasting, welke de vroeger verpligte nagelteelt heeft<br />
vervangen. Zij behooren allen tot de schutterij. Velen hunner<br />
zijn trotsch op hun regt als Burger, achten allen arbeid vernederend<br />
en doen daarom niet meer dan voor hun onderhoud<br />
noodig is; anderen echter kweeken vruchten en groenten, drijven<br />
handel of vischvangst of oefenen eenig ambacht uit. Verreweg de<br />
meesten zijn Christenen, de overigen Mohammedanen. Het Negerivolk,<br />
dat voor de grootste helft uit Mohammedanen voor de<br />
kleinste uit Christenen bestaat, bewoont de overige negeriën des<br />
eilands en is aan zijne woonplaats gebonden. Zij waren in 1855<br />
verdeeld in 1264 Dati's of familiën (zie bl. 336). Deze lieden<br />
zijn verpligt tot eene menigte heerendiensten, welke in beloonde<br />
en onbeloonde worden onderscheiden. Beloonde diensten zijn: het<br />
arbeiden aan de Gouvernements-gebouwen; het lossen en laden<br />
van Gouvernements-goederen; het lossen van de aangevoerde<br />
rijst; het vervoeren van reizende ambtenaren, officieren en militairen<br />
per orembaai (vaartuig) of draagstoel; het overbrengen van<br />
Gouvernements-gelden en goederen van en naar Amboina; het<br />
boegseren van schepen; het leveren van bouwmaterialen voor<br />
de Gouvernements-vverken in alle tot de Residentie behoorende<br />
Afdeelingen; en het overbrengen van brieven tusschen de eilanden<br />
Amboina, Saparoea en Earoekoe. Onbeloonde heerendiensten<br />
zijn (behalve die ten behoeve der Kegenten, bl. 332): het bouwen<br />
en onderhouden van kerken, moskeeën, scholen, onderwijzerswoningen,<br />
baileo's, wegen, bruggen, en tot de negeri behoorende<br />
vaartuigen; en het transporteren van schoolmeesters, waar dienstzaken<br />
hen roepen. Tot het einde van het jaar 1863 waren zij<br />
ook verpligt tot het aankweeken en onderhouden van 90 kruidnagelboomen<br />
voor elke dati (familie), waarvoor thans de op<br />
bl. 323 vermelde belasting in de plaats gekomen is. Men berekent<br />
dat deze verrigtingen eiken dienstpligtige zes maanden van het<br />
jaar bezig hielden, waarvan twee zonder loon; in den hem<br />
overschietenden tijd moest hij in de behoeften van zijn gezin voor<br />
het geheele jaar voorzien, meest door tuinbouw of vischvangst.<br />
De afschaffing van de verpligte nagelcultuur, die verreweg den<br />
meesten tijd vorderde, heeft hierin echter eene groote verbetering<br />
gebragt.<br />
De gronden tot eene negeri behoorende zijn meerendeels<br />
gesplitst in doessongs (afdeelingen), welke in ouden tijd aan
336<br />
verschillende familiën (dati's) zijn toegewezen; zij heeten doessong<br />
djati en zijn erfelijk in het geslacht van den oorspronkelijken<br />
bezitter. De Regent is als zoodanig tevens Kapala dati (familiehoofd)<br />
en geniet daarom ook eenige inkomsten uit die gronden.<br />
In verloop van tijd is het eigendomsregt van sommige van die<br />
gronden op andere familiën overgegaan door aankoop of erfenis»;<br />
en dan heeten zij, in het eerste geval doessong bebli-an, in het<br />
laatste doessong poesatca. Op Hitoe vindt men gronden, welke<br />
nooit aan bepaalde familiën zijn toegedeeld; deze zijn in zekeren<br />
zin algemeen eigendom en kunnen bebouwd worden door ieder<br />
die zulks verkiest; de bebouwer verkrijgt daardoor evenwel geen<br />
regt op den grond, maar alleen op zijne voortbrengselen; zoodanige<br />
gronden heeten doessong tetanaman.<br />
§ 3. Het eiland Haroekoe.<br />
Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />
Haroekoe, ook Oma en Boewang besi genoemd, ligt ten Oosten<br />
van Amboina, waarvan het door Straat Haroekoe gescheiden is,<br />
op 3° 35' Z.B. en 138° 33' O.L. Het heeft eene eenigzins ovale<br />
gedaante, doch met eene ver Zuid-Westwaarts uitstekende punt,<br />
die daar in T. Samei eindigt. Oma of Boewang besi is eigenlijk<br />
alleen de naam van het Zuidelijke gedeelte des eilands, terwijl<br />
he^Noordelijke dien van Hatoewaha draagt; de grens tusschen<br />
deze beide deelen is ons niet bekend. De geheele grootte is<br />
3.02 • mijlen. O<br />
De natuurlijke gesteldheid van Haroekoe schijnt dezelfde te<br />
zijn als die van Amboina; het gebergte is echter veel minder<br />
hoog en bereikt nergens 1000 v*. Nabij de Zuidkust bevinden<br />
zich warme bronnen, die ijzer-oxyde bevatten. Bevaarbare rivieren<br />
zijn er niet; onder de voqrnaamsten noemt men de Wai Hoka,<br />
Laikrisa en Tahoe. Omtrent de natuurlijke voortbrengselen van<br />
het plantenrijk is nog zeer weinig bekend. Sago groeit er niet<br />
genoeg voor de bevolking; kokosboomen worden er in vrij groote<br />
hoeveelheid aangekweekt. Het hoofdvoortbrengsel zijn de kruid<br />
nagelen, waarvan de opbrengst in 1854 bijna 39000 Amst. ponden<br />
O Volgens BLEEKER. Volgens eene oudere opgave van MELVILL slechts<br />
1.1 •mijlen.
337<br />
van ruim 52000 boomon bedroeg. Herten en zwijnen zijn de<br />
voornaamste wilde dieren; runderen, schapen en geiten zijn er<br />
slechts in gering getal.<br />
Plaatsen, bestuur, bevolking.<br />
De negeriën op Haroekoe zijn elf in getal, namelijk : Haroekoe,<br />
de hoofdplaats, aan de Westzijde des eilands in het Zuiden<br />
gelegen, met het in 1820 vernieuwde fort Zeelandia, hetwelk<br />
echter thans niet meer bewapend of bezet is. Zij telde in 1854<br />
ruim 840 inwoners. De schutterij was sterk 1 Officier en 31 man.<br />
Er is ook eene Christenschool.<br />
Noordwaarts van Haroekoe liggen langs de Westkust: Samet,<br />
Roliomoni, Kabauw en Kailolo. .<br />
Aan de Noordkust: Pelauw en Karihoe met het niet meer<br />
bewapende fort Hoorn.<br />
Aan de Oostkust: Hoelalioe.<br />
Aan de Zuidkust: Aboro, Wassoe en Oma.<br />
Het Inlandsch bestuur is volmaakt op dezelfde wijze ingerigt<br />
als op Amboina. De negeriën Samet, Oma, Pelauw, Kailolo en<br />
Kabauw hebben Radja's, de overige Patihs.<br />
Wat het Buropeesch bestuur betreft behoort Haroekoe onder<br />
de Afdeeling Saparoewa en Haroekoe, en staat dus onder den<br />
Adsistent Resident daarvan. Te Haroekoe is echter ook een aan<br />
hem ondergeschikt Gezaghebber gevestigd voor het dagelijksch<br />
bestuur en het waarnemen van het Voorzitterschap van den<br />
Landraad; voorts strekt zijn werkkring zich ook uit tot een<br />
gedeelte der Zuidkust van Ceram.<br />
De bevolking neemt langzaam in getalsterkte toe en bestond in<br />
1855 uit 556 Bati's of familiën O; zij bedroeg toen:<br />
88 Afstammelingen van Europeanen,<br />
288 Burgers \<br />
3204 Christenen I . T . . . / Inlanders,<br />
3544 Mohammedanen j ^n-vo\k \<br />
64 Slaven,<br />
Totaal~7188 zielen.<br />
Haar afkomst en maatschappelijke toestand zijn, wat de Inlanders<br />
betreft, geheel gelijk aan die der Ambonezen.<br />
( l<br />
) Deze verdeeling heeft alleen betrekking op hel Negeri-volk.<br />
II. 32
338<br />
Europeanen zijn er niet; hunne afstammelingen, allen Christenen,<br />
zijn ijveriger dan die op Amboina; de meesten hunner<br />
leven van den handel, sommigen oefenen een ambacht uit. Ook<br />
de Inlandsehe Burgers worden gezegd arbeidzamer tc zijn en<br />
daardoor grootere welvaart te genieten dan die op bovengenoemd<br />
eiland.<br />
De Mohammedanen bewonen de negeriën Roliomoni, Kabauw,<br />
Kailolo en Pelauw, dus het Noord-Westelijke gedeelte des eilands;<br />
de Christenen de zeven andere negeriën, in ieder van welke eene<br />
Christenschool is, waarin door Ambonesche schoolmeesters aan<br />
ongeveer 700 kinderen onderwijs wordt gegeven.<br />
5 4. De eilanden Saparoewa en Melano.<br />
Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />
Saparoewa, ook Honimoa en Oelias of eigenlijk TAase of Oeliasei<br />
geheeten (waarnaar de drie eilanden ten Oosten van Amboina<br />
ook wel gezamenlijk de Oeliassers worden genoemd), ligt onmiddellijk<br />
ten Oosten van Haroekoe en strekt zich ook Noord-Westwaarts<br />
uit tegenover de Noord-Oostkust van laatstgenoemd eiland.<br />
De naam Honimoa behoort eigenlijk alleen aan het Zuidelijke<br />
gedeelte des eilands, terwijl het Noordelijke dien van Hatoewana<br />
draagt; de grens tusschen de twee deelen is ons niet bekend.<br />
Het smalle vaarwater tusschen de beide eilanden wordt Straat<br />
van Saparoewa genoemd. Het eiland strekt zich uit tusschen<br />
128° 37'40" tot 128° 48'40" O.L. en 3° 31' tot 3° 39'Z.B.0).<br />
De grootte bedraagt 2.48 • mijlen.<br />
Aan de Zuidzijde dringt de Baai van Saparoewa en aan de<br />
Noordzijde die van Toeliaha diep landwaarts in. Zij verdeden<br />
het eiland in twee schier-eilanden, van welke het Westelijke het<br />
grootste is, en die door eene ongeveer een halfuur gaans breede<br />
landengte met elkander verbonden zijn. Eene veel kleinere baai,<br />
die van Porto of van Haria, bevindt zich in het Zuidelijke gedeelte<br />
der Westkust. Overigens is van de natuurlijke gesteldheid<br />
O Volgens de Kaart van MELVILL in den Atlas. Volgens de oudere opgave<br />
van denzelfden Schrijver in den Moniteur des Indes, 1840', ligt het eenige<br />
minuteB Westelijker.
339<br />
des eilands nog zeer weinig bekend; het schijnt grootendeels<br />
van tertiaire kalkformatie te zijn; op sommige plaatsen aan de<br />
Noordkust vindt men goede pijp-aarde, op andere eene soort<br />
van klei, ampo of batoe poan genaamd, die door de Inboorlingen<br />
gegeten wordt. De menigvuldige bergen hebben geene aanzienlijke<br />
hoogte; de hoogste toppen bereiken ongeveer 1500 v*. De<br />
Zuid-Oosthoek des eilands is een steil bergland van ongeveer<br />
900 v*. hoog; overigens zijn de kusten meestal laag en hier en<br />
daar met kokosboomen bezet; de landengte tusschen de twee<br />
schier-eilanden is eene weinig verhevene vlakte met grasvelden<br />
bedekt. Op de heuvels vindt men kanari- en tamarindo-boomen,<br />
varens, pandanus-sooïten, en sago-boomen doch niet genoeg voor<br />
de bevolking, die het ontbrekende van Ceram haalt; de bergen<br />
zijn met digte nog onbekende bosschen begroeid. Het voornaamste<br />
voortbrengsel zijn de kruidnagelen, waarvan in 1854 meer dan<br />
90000 boomen waren, die ruim 181000 Amst. ponden nagelen<br />
hadden opgeleverd. Het dierenrijk schijnt weinig van dat op<br />
Amboina te verschillen; runderen worden er nog al gevonden,<br />
doch slechts zeer enkele paarden.<br />
Plaatsen, bestuur, bevolking.<br />
Naar verhouding van de grootte van het eiland zijn er slechts<br />
weinig negeriën; zij zijn de volgende:<br />
Saparoewa, de hoofdplaats des eilands en der Afdeeling, de<br />
zetel van den Adsistent Eesident, aan de Baai van dien naam<br />
op de landengte gelegen. Zij beslaat eene vrij groote uitgestrektheid<br />
langs de kust, doch breidt zich landwaarts in niet ver uit.<br />
Zij maakt een geheel uit met de Westwaarts liggende negeri Tiouw<br />
en telde met inbegrip van deze in 1854 ongeveer 1600 zielen.<br />
Er is eene Christenkerk en school. Aan het strand ligt op eene<br />
kalkrots het steenen fort Buurstede, met eene bezetting van<br />
ongeveer 50 man onder eenen Officier der Infanterie; ook is er<br />
een Officier van Gezondheid, die tevens met de burgerlijke geneeskundige<br />
dienst is belast. De schutterij bestaat uit 3 Officieren<br />
en 120 Onderofficieren en Manschappen.<br />
Aan de Westzijde der Baai van Saparoewa liggen de negeriën<br />
Paperoe en Booi; langs haren Oostelijken oever, Sirisori serani<br />
(Christelijk Sirisori), Sirisori islam (Mohammedaansch Sirisori),<br />
Oelat en Ouw.
340<br />
Aan de Westkust des eilands alleen Porto en Earia, aan de<br />
daarnaar genoemde baai (bl. 338); en aan de Noord-Westpunt,<br />
Koelor.<br />
Aan de Noordkust dor landengte ligt alleen Pia; en aan de<br />
Oostzijde der Baai van Toéhaha: Toehaha, Malioe, IhamaJwe,<br />
Iha, Nollot en Baioaka, de twee laatsten aan de Noord-Oostpunt<br />
des eilands.<br />
De Oostkust is geheel onbewoond.<br />
Saparoewa is het hoofd-eiland van de Afdeeling Saparoewa<br />
en Haroekoe en staat onder het onmiddellijk bestuur van den<br />
Adsistent Eesident. Het Inlandsch bestuur der afzonderlijke<br />
negeriën is geheel gelijk aan dat op Amboina.<br />
De bevolking, wier getalsterkte zeer weinig verandering ondergaat,<br />
bestond in 1855 uit 662 Bati's of familiën (alleen het<br />
Negeri-volk) en bedroeg:<br />
162 Europeanen en.hunne afstammelingen,<br />
2912 Burgers )<br />
7340 Christenen 1 N e g e r i_ v o l k Inlanders,<br />
1154 Mohammedanen )<br />
97 Slaven,<br />
Totaal 11665 zielen.<br />
Haar maatschappelijke toestand en afkomst zijn gelijk aan die<br />
der Ambonezen. De vrouwen zijn schooner van gelaat en gestalte<br />
dan elders in de Molukken. Eene soort van krijgsdans of Kabesaran<br />
(bl. 196) wordt hier ook door djodjaro's (bl. 332) uitgevoerd,<br />
hetgeen op andere eilanden niet schijnt te geschieden.<br />
Omtrent een derde gedeelte der Inlandsehe burgers woont op de<br />
hoofdplaats; de overigen zijn in verschillende negeriën verdeeld.<br />
Blanke Europeanen zijn alleen de ambtenaren; de overigen<br />
zijn kleurlingen en leven, even als op Amboina, in traagheid en<br />
armoede.<br />
De Mohammedanen bewonen alleen de negeriën Sirisori islam,<br />
Iha en Koelor; op de hoofdplaats worden er een dertigtal gevonden.<br />
Alle andere plaatsen zijn uitsluitend met Christenen<br />
bevolkt; zij hebben scholen, even als op Haroekoe, die door<br />
ruim 2100 kinderen bezocht worden.<br />
Op ruim '/4 mijl afstands van de Zuid-Westpunt van Saparoewa<br />
ligt het eilandje Melano of Moelana, omstreeks een uur gaans
341<br />
in omtrek groot en 400 of 500 v*. hoog. Het strekt tot verblijfplaats<br />
voor de lijders aan ongeneeselijke huidziekten (mclaatschen)<br />
van Amboina en de Oeliassers; zij zijn gemiddeld 40 of 50 in<br />
getal, en staan onder geneeskundig toezigt van den Officier van<br />
Gezondheid te Saparoewa,<br />
Het veel kleinere eilandje Pomlo of Gombo, onmiddellijk bij de<br />
Zuid-Westpunt van Saparoewa, is niets dan eene naakte rots.<br />
§ 5. Het eiland Noesa laut.<br />
Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />
Noesa laut, het kleinste der Oeliassers, ligt op kleinen afstand<br />
ten Zuid-Oosten van Saparoewa op 3° 40' Z. B. en 128° 54' O.L.<br />
en is ongeveer 1 Cl mijl groot. Het is van dezelfde formatie als<br />
de naburige eilanden en gtheel bergachtig'; de hoogste toppen<br />
bereiken echter geene 1000 v*. Dat het ook van vulkanischen<br />
aard is blijkt uit de heete bronnen, welke er worden gevonden.<br />
Overigens is de natuurlijke gesteldheid nog weinig bekend.<br />
Op sommige plaatsen komt oker in vrij groote hoeveelheid<br />
voor. Het dierenrijk is niet bekend; van de tamme dieren zijn<br />
er alleen eenige schapen. Ook het plantenrijk is nog niet weten<br />
schappelijk onderzocht; het belangrijkste voortbrengsel daarvan<br />
zijn de kruidnagelen. In 1854 bedroeg de nagel-oogst 120283<br />
Amst. ponden van 24366 boomen, welke uitkomst echter buiten<br />
gewoon gunstig was.<br />
Plaatsen, bestuur, bevolking.<br />
Het eiland heeft slechts zeven negeriën, namelijk:<br />
Aan de Westkust, onmiddellijk bij elkander: Sila en Leiniloe<br />
met het niet meer bewapende fortje Beverwijk.<br />
Aan de Zuidkust: Titawaai en Abobo.<br />
Aan de Oostkust: Akoon.<br />
Aan de Noord-Oostkust: Amit en Nalahia.<br />
Noesa laut behoort tot de Afdeeling Saparoewa en Haroekoe.<br />
Te Amit is een aan den Adsistent Eesident ondergeschikte<br />
Gezaghebber gevestigd. Het Inlandsch bestuur is gelijk aan<br />
dat op de naburige eilanden; de negeri Titawaai staat onder<br />
eenen Eadja, de andere onder Patihs.
342<br />
"De bevolking, wier sterkte weinig verandering ondergaat,<br />
bestond in 1855 uit 268 Dati's (alleen het Negeri-volk) en<br />
bedroeg;<br />
4 Afstammelingen van Europeanen,<br />
63 Burgers I , , ,<br />
.... „ ° . ,, Inlanders,<br />
3386 Negen-volk )<br />
26 Slaven,<br />
Totaal 3479 zielen, allen Christenen.<br />
De kleurlingen wonen allen te Leinitoe. De Burgers zijn in<br />
de verschillende negeriën verdeeld met uitzondering van Abobo<br />
en Akoon, die alleen door Negeri-volk worden bewoond. In elke<br />
negeri is eene Christensehool, die gezamenlijk door 750 kinderen<br />
werden bezocht.<br />
§ 6. De eilanden Amblaauw, Manipa, Kélang en Bonoa.<br />
Het eiland AmMaauw.<br />
Amblaauw of Belaauw ligt aan den Zuidelijken ingang van<br />
de veilig bevaarbare Straat Manipa, die tusschen Ceram en<br />
Boeroe stroomt, een paar mijlen van de Zuid rOostkust van<br />
laatstgenoemd eiland, op 3° 52' Z.B. en 127° 15' O.L. Het<br />
is omstreeks 2 • mijlen groot, bergachtig en onvruchtbaar, zoodat<br />
het zelfs geene sago genoeg voortbrengt voor de bevolking,<br />
die het ontbrekende uit de Regentschappen Loemaè'leh en fFaisama<br />
op Boeroe haalt; specerijen worden er niet gekweekt; de<br />
grond levert kalk op.<br />
Er zijn zeven negeriën of bena's, die elk uit twee tot vijf<br />
noeroe's of gehuchten bestaan, namelijk: Loemooi, aan de Oostkust;<br />
Massawooi en Salate, aan de Noordkust; Oelima, aan de<br />
Noord-Westkust; en Elara, Salasi en Siwar, aan de Zuidkust.<br />
Zij staan onder Hoofden, welke den titel voeren van Patik of<br />
Orang Kaja.<br />
De bevolking des eilands, welke in Bati's of geslachten verdeeld<br />
is, bedroeg in 1855 ongeveer 1050 zielen; zij schijnt van<br />
Boeroe afkomstig te zijn, belijdt de Mohammedaansche godsdienst,<br />
en wordt als nijver vo<strong>org</strong>esteld. De hoofdmiddelen van bestaan<br />
zijn visseherij en handel op de naburige eilanden; ook een<br />
gedeelte der van Boeroe gehaalde sago wordt weder in den<br />
handel gebragt.
343<br />
Amblaauw behoort administratief tot de Afdeeling Boeroe;<br />
wij hebben er echter gecnen Posthouder of bezetting. De bevolking<br />
is aan hare woonplaatsen gebonden en verpligt jaarlijks<br />
eene zekere hoeveelheid kalk aan het bestuur te Amboina te<br />
leveren, tegen ƒ50 de kojanA 1<br />
)<br />
Het eiland Manipa,<br />
Manipa, ook Basia, Kondea cn Ilerrea genoemd, ligt in het<br />
Noorden van Straat Manipa nagenoeg 4 mijlen van Boeroe's<br />
Noord-Oosthoek, op 3° 15' Z.B. en 137° 40' O.L., en is<br />
1.7 • mijlen groot. Het eiland is heuvelachtig en heeft een<br />
zandigen grond. De nagelboomen zijn hier, even als op.de<br />
andere in deze § behandelde eilanden, door de O. I. Compagnie<br />
uitgeroeid; sago-palmen komen in overvloed voor; aangekweekt<br />
worden kokosboomen, djagoeng, aardvruchten en groenten. De<br />
uitbreiding van den landbouw wordt, zegt men, verhinderd dooide<br />
menigte wilde zwijnen en herten, die op het eiland worden<br />
aangetroffen.<br />
De negeriën zijn acht in getal: Loehoe, Toeban, Massawooi,<br />
Kélang*?), Assawoedi, Toemalehoe l 3<br />
), Bonoa-hatapoelih en Toenimra;<br />
zij worden bestuurd even als die der naburige eilanden.<br />
De bevolking, die door de gewelddadige maatregelen der O.I.<br />
Compagnie zeer verarmd en verminderd is, bedroeg in 1855<br />
slechts 726 zielen, onder welke een honderdtal Christenen en de<br />
overigen Mohammedanen waren. Zij wordt gezegd grootendeels<br />
van het naburige Ceram afkomstig te zijn, en vindt haar bestaan<br />
in een weinig landbouw, visscherij, en handel in gedroogden<br />
visch, gevogelte, kokos-olie, sago en harssoorten, welke artikelen<br />
vooral aan Ambonesche kooplieden tegen lijnwaden en andere<br />
henoodigdheden verruild worden. Het onderscheid tusschen<br />
Burgers en Negeri-volk schijnt hier ook nog te bestaan; de<br />
eersten verrigten schutters-dienst cn krijgen daarvoor van het<br />
(') De kojan wordt gewoonlijk gerekend op 11 pikols; de pikol op 125<br />
Arast. ponden.<br />
{-) De bevolking van deze negeri is in 1656 van het eiland van dien naam<br />
herwaarts overgebragt.<br />
( 3<br />
) In 1655 is in deze negeri hel fort Wanlrouw gesticht, dat echter sedert<br />
lang vervallen is.
344<br />
Gouvernement geweren in gebruik; de laatsten mogen, even als<br />
elders, niet van woonplaats veranderen.<br />
Manipa behoort met Kélang en Bonoa tot de Afdeeling Hila<br />
en Larike; het Gouvernement wordt er echter niet door eenen<br />
Ambtenaar vertegenwoordigd.<br />
Rondom Manipa liggen verscheidene kleine onbewoonde eilandjes,<br />
onder welke P. Swangi ten Westen en P. Toeban ten Zuiden<br />
de voornaamsten zijn; in de nabijheid van het laatste wordt veel<br />
tripang gevangen.<br />
Het eiland Kélang.<br />
Het eiland Kélang, ook Hatapoetih en Idjal genaamd, ligt<br />
op 3° 10' Z.B. en 137° 47' O.L. ten Noord-Oosten van Manipa,<br />
waarvan het gescheiden is door de nog geene mijl bTeede Straat<br />
van Kélang, terwijl het niet half zoo ver van de Westelijkste<br />
punt van Ceram verwijderd is. Het verheft zich 500 of 600 v^.<br />
boven de oppervlakte der'zee, en heeft eene grootte van 1.5 • mijl.<br />
Van zijne natuurlijke gesteldheid is weinig bekend; het brengt<br />
timmerhout, kanari- en harsgevende boomen voort, en is rijk<br />
aan wilde zwijnen en herten.<br />
In het begin der 17 de<br />
eeuw telde het eiland naar gissing<br />
1600 inwoners, welke in zeven negeriën woonden, waaronder<br />
Salaiti aan de Oostkust de voornaamste was. Wegens hunnen<br />
oproerigen aard werd in het midden dier eeuw een gedeelte deibevolking<br />
naar Manipa en Leitimor overgebragt. De overgeblevenen<br />
werden langzamerhand door zeeroovers weggevoerd of<br />
genoodzaakt naar elders te vlugten; zoodat Kélang thans geheel<br />
onbewoond is en alleen aan zeeroovers nu en dan tot schuilplaats<br />
verstrekt.<br />
Tusschen Kélang en de Westelijkste punt van Ceram (Tandj.<br />
Hatan) ligt het kleine onbewoonde eilandje P. Babi. De smalle<br />
doorvaart tusschen dit eilandje en Ceram heet het Nassatiscke<br />
Gat of de Straat Nassau.<br />
Het eiland Bonoa.<br />
Bonoa, ook Boano en Boan geheeten, is een smal langwerpig<br />
eiland, dat, in eene Noord-Oost- en Zuid-Westwaartsche rigting<br />
nagenoeg evenwijdig aan de kust van Ceram en omstreeks eene<br />
mijl daarvan verwijderd, ten Noord-Oosten van Kélang ligt
345<br />
op 3° Z.B. en 128° O.L. Het vaarwater tusschen Kélang en<br />
Bonoa heet Straat Bonoa; dat tusschen laatstgenoemd eiland en<br />
Ceram wordt door sommigen ook Straat van Bonoa, door anderen<br />
Straat Nassau genoemd. De naam Boano behoort eigenlijk alleen<br />
aan het Noordelijke gedeelte, terwijl het Zuidelijke Loehoe heet;<br />
de geheele grootte is ongeveer 1.5 • mijl. Het eiland is rotsachtig<br />
en onvruchtbaar, zoodat de bevolking haar onderhoud<br />
gedeeltelijk op andere eilanden moet zoeken. De voortbrengselen<br />
zijn voornamelijk timmerhout en kalk.<br />
De bevolking, in het begin der 17 ie<br />
eeuw 6000 zielen sterk,<br />
is door dezelfde oorzaken als die van Kélang verminderd en bedraagt<br />
thans geen 1500 personen. Zij zijn deels Christenen deels<br />
Mohammedanen, en bewonen twee negeriën, Bonoa serani en<br />
Bonoa islam, beiden aan de Zuid-Oostkust gelegen; in de eerste<br />
is een Ambonesche schoolmeester, die tevens vo<strong>org</strong>anger bij de<br />
godsdienst-oefeningen is. Behalve de geringe veldbouw zijn de<br />
hoofdmiddelen van bestaan de visscherij en de handel op Ceram<br />
en andere naburige eilanden. Een tak van nijverheid is ook het vervaardigen<br />
van praauwen, waarin de Bonoaërs zeer bedreven zijn.<br />
Het Nederlandsch bestuur wordt hier niet door eenen Ambtenaar<br />
vertegenwoordigd. Hoewel er geene specerijen geteeld<br />
worden, mag de bevolking het eiland niet met der woon verlaten;<br />
zij is verpligt jaarlijks eene zekere hoeveelheid hout en kalk aan<br />
het Gouvernement te Amboina te leveren.<br />
Bij de Noord-Westkust van Bonoa liggen verscheidene kleine<br />
onbewoonde eilandjes, onder welke Noesa Belaauw het voornaamste<br />
is.<br />
§ 7. Het eiland Boeroe. O<br />
Ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />
Boeroe ligt ten Westen van Amboina en Ceram, van welke<br />
eilanden het door Straat Manipa of Straat Boeroe gescheiden is,<br />
( l<br />
) Voor de kennis van Boeroe is nagenoeg de eenige bron de Beschrijving<br />
van het eiland Boeroe, door F. J. WILLEK, eerst medegedeeld in het Indisch<br />
Archief, i849, en in 1858 afzonderlijk uitgegeven onder den titel: Bet eiland<br />
Boeroe, lAjne exploitatie en Balfoersche instellingen, door F. J.WILLER;<br />
met bijdragen en toelichtingen in verband tol Europesche kolonisatie in<br />
Nederlandsch Indië, door Jhr. i. P. CORNETS DE GROOT. Ook BLEEKER<br />
heeft daaraan grootendeels zijne berigten ontleend.
346<br />
tusschen 3° 4' tot 3° 50'Z.B. en 126° 3' tot 127° 30' O.L.<br />
Het wordt ten Noorden door de Piit's Straat, ten Zuiden door<br />
de Banda-zee, en ten Westen door de Straat der Molukken bespoeld,<br />
en heeft eene grootte van 165 of 170 • mijlen.<br />
Bijna overal ligt een zwaar zich ver in zee uitstrekkend<br />
koraalrif, met slechts weinige voeten water bedekt, rondom de<br />
kusten, zoodat deze niet dan voor ligte inlandsehe vaartuigen<br />
te naderen zijn. Alleen aan den Noord-Oosthoek, waar zich de<br />
groote en veilige Baai van Kajeli bevindt, is het eiland voor groote<br />
schepen toegankelijk. Andere belangrijke baaijen zijn er niet;<br />
tot ankerplaatsen voor inlandsehe vaartuigen (orembaai's en<br />
kora-kora's) dienen de Laboean kora-kora in het Oosten en de<br />
Bogt van Bara in het Westen der Noordkust, en voorts de mondingen<br />
der menigvuldige riviertjes vooral aan de Zuidkust, en<br />
de zee-engte tusschen de kleine eilandjes P. Tomakoe, P. Tengah<br />
en P. Pangang Lawit en de Oostkust van Boeroe.<br />
De belangrijkste kapen zijn: T. Karbau of Lissaletta, aan<br />
den Noordelijken, en T. Roeba of Saït, aan den Zuidelijken ingang<br />
der Baai van Kajeli; T. Seroma, aan den Zuid-Oosthoek tegenover<br />
het eiland Amblaauw; T. Batoe Pekka, de Zuidelijkste punt,<br />
vóór welke het kleine eilandje Kelassi en aan wier Westzijde een<br />
kleine inham gevonden wordt; T.Sarmena, de Zuid-Westpunt;<br />
T. Hoekoemina en T.Palpétoe, beiden aan den Noord-Westhoek<br />
des eilands.<br />
Bondom den achtergrond der Baai van Kajeli strekt zich eene<br />
zeer groote, waarschijnlijk alluviale, vlakte uit, die het geheele<br />
Regentschap van dien naam bevat en de Vlakte van Kajeli genoemd<br />
wordt. In den omtrek der Baai is zij op vele plaatsen<br />
moerassig en met bosschen, meest van kajoe poetik-, sago-,<br />
kokos- en $'ai!é-boomeu, bedekt; meer landwaarts in is zij een<br />
open en vlak terrein, met vetten en voor menigerlei cultuur<br />
uitnemend geschikten bodem. Zij is rondom door bergketenen<br />
ingesloten, die zich verder over het geheele eiland uitbreiden.<br />
Aan de Oost-, Zuid- en Westzijde reikt het gebergte tot aan de<br />
kust en eindigt daar op sommige plaatsen, vooral in het Westen,<br />
in een steilen rotswand; aan de Zuidkust zijn eenige kloven,<br />
waarin kleine vlakten worden gevonden. Aan de Noordkust<br />
wijkt het iets meer terug en worden glooijende en golvende<br />
terreinen, doch geene eigenlijk gezegde vlakten aangetroffen.
347<br />
In het weinig bekende binnenland zijn misschien kleine opene<br />
plekken, doch waarschijnlijk geene bergvlakten. Omtrent de<br />
geologische formatie van deze met zwaar geboomte bedekte<br />
bergen is niets bekend. De hoogste toppen zijn: de Kakoe {berg)<br />
Tomahoe of Lemadang (± 7000 v*.), nabij het midden der Westkust,<br />
in het Regentschap van denzelfden naam; de K. Siël<br />
(± 7000 v 1<br />
.), vijf mijlen Oostelijker in het midden des eilands;<br />
aan of op zijnen voet ligt het vrij groote meer Wako-liolo, zoo<br />
men zegt 4000 v 4<br />
. boven den zeespiegel; en de K. Batoe Boeioali<br />
(+ 4500 v*.)', aan de Oostkust, 2'/s mijl ten Zuiden van den<br />
ingang der Baai van Kajeli.<br />
Aan de Zuid- en Noordkust ontlasten zich eene menigte<br />
riviertjes, die het water uit het binnenland afvoeren doch allen<br />
onbevaarbaar zijn. In den droogen moeson verdwijnen zij geheel<br />
of blijven slechts kleine beekjes; terwijl zij in den regentijd<br />
huiten hare oevers treden en, daar de mondingen allen door<br />
banken versperd zijn, op vele plaatsen aan de kust moerassen<br />
doen ontstaan. De voornaamste van deze riviertjes zijn, aan<br />
de Zuidkust van het Oosten af: de Wai (Rivier) Oio, W. Okki,<br />
W. Kolo, W. Tina, W. Mala en W. Koema; en aan de Noordkust<br />
: de W. Bi.<br />
Van meer belang is de W. Apoe of Rivier van Kajeli, die<br />
dc geheele Vlakte van Kajeli in eene Noord-Oostwaartsehe rigting<br />
met tallooze kronkelingen doorstroomt. Zij ontspringt op het<br />
gebergte, dat die vlakte ten Zuiden begrenst, is of 2 dagen<br />
stroom-opwaarts voor kleine vaartuigen bruikbaar, en zoude op<br />
vele plaatsen aan de besproeijing van rijstvelden kunnen worden<br />
dienstbaar gemaakt. Eene linker-zijrivier is de W. Gelen.<br />
Bruggen worden op het geheele eiland niet gevonden; over<br />
sommige riviertjes liggen losse planken of boomstammen; de<br />
anderen moeten doorwaad worden.<br />
In het Zuidelijke gedeelte des eilaads vormt, even als op<br />
Amboina, de Westmoeson den droogen de Oostmoeson den regentijd,<br />
terwijl in het Noordelijke gedeelte het omgekeerde 'plaats<br />
heeft; de gebergten in het midden des eilands schijnen dus ook<br />
hier, gelijk op sommige andere eilanden, de afscheiding tusschen<br />
deze saizoenen te maken. Het onderscheid tusschen beiden is<br />
echter niet zoo scherp als b.v. op Java; ook in den zoogenaamden<br />
droogen tijd valt op Boeroe veel regen. In de Vlakte van Kajeli
348<br />
is tegen het einde van den Oostmoeson de droogte het sterkst<br />
en de hitte het hevigst; in Januarij en Februarij is de temperatuur<br />
daar en aan de kusten op den middag gemiddeld 81° F. Aan<br />
de Baai is hot klimaat ongezond en heersehen dikwijls moeraskoortsen;<br />
meer landwaarts in is zulks bij den droogeren grond<br />
minder het geval, hoewel ook daar van tijd tot tijd koortsen<br />
en buikziekten voorkomen.<br />
De voortbrengselen van het plantenrijk, die bij eene sterkere<br />
bevolking zeer veel zouden kunnen worden vermeerderd en uitgebreid,<br />
zijn, sedert de kruidnagelen in 1657 op last der O. I.<br />
Compagnie zijn uitgeroeid, voornamelijk: zeer goede houtsoorten,<br />
waaronder ebben-, ijzer- en djati-hout, eene menigte kajoe<br />
poetih-boomen, wier bladeren de beste olie uit den geheelen<br />
Archipel opleveren; sago-, arhig-, kokos- en andere palmen in<br />
groote hoeveelheid; rotting, katoen, koffij, tabak en vele keerkringsvruehlen;<br />
harssoorten; rijst, eene soort van gierst (holton),<br />
ijagocng, benevens aard- en en peulvruchten.<br />
Het dierenrijk, voor zooverre het bekend is, heeft behalve<br />
de kleinere soorten en de insecten: tamme buffels, welke voor<br />
Gouvernements rekening worden aangefokt, en wilde, die waarschijnlijk<br />
afstammelingen daarvan zijn; verder herten, hertzwijnen<br />
(babiroesa), wilde zwijnen, slangen, krokodillen,leguanen,<br />
schildpadden; kalongs (vliegende honden); kasuarissen, papegaaijen,<br />
ganzen, hoenders, duiven en eenden. De Baai van<br />
Kajeli is rijk aan visschen en weekdieren; ook walvisschen en<br />
bruinvisschen zijn er niet zeldzaam.<br />
Het delfstoffenrijk is nog geheel onbekend.<br />
Verdeeling van het eiland. Hoofdplaats.<br />
Het eiland is verdeeld in de volgende Fogmorins (bl. 355)<br />
of landschappen, door ons Eegentschappen genoemd, waarvan<br />
echter met eene enkele uitzondering de grenzen binnen 's lands<br />
geheel niet en langs de kusten slechts gebrekkig bekend zijn:<br />
Kajeli, in het Zuid-Oosten, verreweg het grootste en belangrijkste,<br />
zich uitstrekkende over de geheele vlakte rondom de<br />
Baai van dien naam.<br />
Hat, aan de Oostkust, van den K. Batoe Boewah tot aan<br />
T. Seroma, en ten Noorden grenzende aan Kajeli; thans onbewoond.
349<br />
Lotmaëteh, aan de Zuidkust, van T. Seroma tot T. W'amsisi<br />
nabij de W. Oio, ten Noorden grenzende aan Kajeli.<br />
Waisania, grenzende ten Oosten aan Loemaëteh, vaü T. Wamsisi<br />
tot nabij T. Batoe Pekka.<br />
Massarete/i, ten Westen van Waisama, en zich uitstrekkende<br />
tot nabij de W. Koema.<br />
For/ffi, ten Westen van het vo<strong>org</strong>aande, en zich uitstrekkende<br />
tot aan den Zuid-Westelijken hoek des eilands.<br />
Langs de Westkust, van het Zuiden naar het Noorden: Tomahoe,<br />
Palamata en Hoekoemina; thans alle drie onbewoond.<br />
Aan de Noordkust, van het Westen af:<br />
Bara, om de Bogt van dien naam; thans onbewoond.<br />
Lisella, van de Bogt van Bara tot voorbij de W. Ili, en landwaarts<br />
in zich uitstrekkende tot het meer Wako-liolo, hetwelk<br />
tot dit Begentschap behoort.<br />
Tagalisa, ten Westen aan het vorige grenzende en zich Oostwaarts<br />
uitstrekkende tot aan het riviertje Namtjina, dat bij de<br />
kaap van dien naam in zee valt.<br />
Leliali, ten Oosten van het vorige, en ten Oosten en Zuiden<br />
begrensd door Kajeli.<br />
In het Noorden van Leliali ligt nog het zeer kleine, thans<br />
onbewoonde landschap Maroelat, ten Westen van de Laboean<br />
hora-kora.<br />
De hoofdplaatsen dezer Begentschappen liggen niet in die<br />
gewesten zeiven, maar zijn allen met de hoofdplaats Kajeli vereenigd,<br />
en ook hunne Opperhoofden (Begenten) zijn daar gevestigd.<br />
Toen namelijk in 1652 de O.L Compagnie met den Sultan<br />
van Ternate, van wien Boeroe toenmaals eene onderhoorigheid<br />
was, een contract had aangegaan tot uitroeijing der nagelboomen<br />
op laatstgenoemd eiland, kwam dit in opstand tegen<br />
dien Vorst en geraakte dus ook in oorlog met de Compagnie.<br />
Eerst na vijfjarigen strijd onderwierp Boeroe zich en werden bij<br />
de vredesvoorwaarden onder andere de volgende punten vastgesteld<br />
: erkenning van den Gouverneur der Molukken als stadhouder<br />
van den Sultan van Ternate, en belofte om geene verbonden<br />
met andere Vorsten aan te gaan (waardoor Boeroe daadwerkelijk<br />
onder het onmiddellijk gezag der Compagnie werd gebragt);<br />
overplaatsing van alle negeriën (Hoofdplaatsen) van Boeroe naaide<br />
Baai van Kajeli, waar ter harer bescherming eene vesting
350<br />
gebouwd en met Nederlandsch krijgsvolk bezet zoude worden ;<br />
geheele uitroeijing der nagelboomen en belofte van ze nooit meer<br />
te zullen planten. Deze bepalingen zijn volledig ten uitvoer<br />
gelegd en dus de langs de kust gevestigde hoofdplaatsen met<br />
hare, toen reeds Mohammedaansehe, bevolking en Regenten<br />
naar de Baai overgebragt; terwijl alleen de Alfoersehe bevolking<br />
over het geheele eiland op eenigen afstand van de kusten en in<br />
het binnenland is blijven wonen. De hoofdplaatsen, welke daardoor<br />
eigenlijk op zich zelf staande wijken der gemeenschappelijke<br />
hoofdplaats Kajeli geworden zijn, hebben echter den titel van<br />
negeriën en den naam van het oorspronkelijke Begentschap<br />
behouden; en hunne Hoofden zijn, met behoud van hunne<br />
verschillende titels, daar ter plaatse eigenlijk Wijkhoofden<br />
geworden, doch zijn ook Opperhoofden gebleven over de Alfoeren<br />
in hunne binnenlandsehe Regentschappen, die hun gezag steeds<br />
blijven erkennen.<br />
De hoofdplaats Kajeli. de zetel van den Nederlandschen<br />
Opziener of Posthouder J^ligt aan de Zuid-Oostzijde der Baai en<br />
strekt zich over eene lengte van ruim l<br />
/j uur gaans op goringen<br />
afstand van de kust uit. Nagenoeg in het midden ligt het fort<br />
Defensie, een steenen vierhoek met vier halve bastions, vrij goed<br />
bewapenden met ongeveer 25 man onder eenen Luitenant bezet.<br />
Even ten Zuiden van dit fort ligt het Gouvernements-huis, een<br />
eenvoudig houten gebouw, en daarachter de wijk der Christenen<br />
met eene goede steenen kerk, in welke des Zondags door een<br />
schoolmeester in het Maleisch Godsdienst-oefening wordt ge<br />
houden. Ten Oosten van het fort liggen de Mohammedaansehe<br />
negeriën: Loemaëteh, wier Regent O den titel van Sengaaji heeft;<br />
Hoekoemina, wier Regent Paiih is; Palamata, met eenen Orang<br />
Kaja; Tomahoe, met eenen Orang Toeioa; de drie laatstgenoemden<br />
hebben thans geene Alfoersehe onderdanen; Foggi, met eenen<br />
Patih; en Massareteh, met eenen Orang Kaja. Deze negeriën<br />
worden doorsneden door de monden der riviertjes Wai Soeioel,<br />
Lislesseh, W. Moni en Maksella. Ten Westen van het fort zijn<br />
de negeriën: Leliali en Tagalisa, wier Regenten Radja's zijn;<br />
Maroelat, meteenen Paiih zonder Alfoersehe onderdanen; Wai-<br />
sama met eenen Orang Kaja; Kajeli, meteenen Radja; en daar<br />
(>) Zie bl. 555.
351<br />
achter Lissella, ook met eenen BadjaVh Door deze negeriën<br />
stroomen de riviertjes Saskahoane, JFamlboeta, Wai Goena en<br />
W. Bara. Vroeger had elke van deze negeriën hare eigene<br />
moskee; thans hebben zij er gezamenlijk zes. De huizen hebben<br />
houten stijlen en gebindten, doch zijn overigens uit bamboe en<br />
gabba-gabba zamengesteld en met atap gedekt. Verder valt van<br />
Kajeli niet veel bijzonders te zeggen. Het is sedert 1854 eene<br />
vrijhaven, doch do handel is er nog van weinig belang. De<br />
bevolking vindt voornamelijk haar bestaan in het stoken van<br />
kajoe poelik-o\ie, het bereiden van sago (sago-kloppen), dejagt,<br />
en een weinig visscherij en tuinbouw. Het aanfokken van runderen<br />
geschiedt alleen voor rekening van het Gouvernement. De<br />
schutterij, uit Christen-burgers zamengesteld en 70 man sterk,<br />
is met pieken gewapend; hare dienst bepaalt zich hoofdzakelijk<br />
tot het betrekken van eenige wachten.<br />
Bevolking en bestuur.<br />
De mededeelingen omtrent de sterkte der bevolking van Boeroe<br />
buiten de hoofdplaats berusten alleen op de opgaven der Inlandsehe<br />
Hoofden en zijn dus minder te vertrouwen dan die, welke<br />
de hoofdplaats betreffen. Volgens de laatste, door BLEEKER<br />
gegevene, berigten bedroeg zij in 1855 :<br />
22 Afstammelingen van Europeanen ]<br />
194 Inlandsehe Christenen f - m ^ e<br />
1469 Mohammedanen \ h 00fa plaats.<br />
4 Chinezen i<br />
9 Slaven !<br />
7521 Alfoeren (Heidenen, buiten de hoofdplaats).<br />
Totaal 9219 zielen.<br />
De Christen-bevolking wordt vo<strong>org</strong>esteld als zeer ijverig. Zij<br />
vindt haar bestaan in het bereiden van kajoe poelik-o\ie, sago<br />
en sagoeioir , en in jagt, visscherij, tuinbouw of ambachten.<br />
Velen oefenen ook onderscheidene van deze bedrijven gelijktijdig<br />
uit. Zij genieten dan ook eene groote mate van welvaart;<br />
sommigen hebben een vrij belangrijk geldelijk vermogen; anderen<br />
(') De onbewoonde Regentschappen Hal en Bara schijnen dus ook geeno<br />
negeriën ter huofdplaats te hebben.<br />
{•) Een sajoeuj(r-(palmwijn-)bereider heet Tifadoor.
352<br />
zijn in liet bezit van vaartuigen, akkers, kokos- en sago-palmen,<br />
kostbare visehtuigen, vuurwapenen, enz. Ook omtrent hunnen<br />
zedelijken toestand wordt goede getuigenis gegeven : belangrijke<br />
misdrijven komen onder hen niet voor. De meesten kunnen lezen<br />
en schrijven. Deze Christen-bevolking staat onder het onmiddellijk<br />
bestuur van den ter hoofdplaats gevestigden Opziener, die de<br />
hoogste Nederlandsche autoriteit is in de Afdeeling Boeroe, waartoe<br />
ook Amblaauw behoort. Hij is dus tevens Voorzitter van den<br />
Landraad, die verder uit de Regenten der Mohammedaansehe<br />
negeriën is zamengesteld; indien er geschillen tusschen de<br />
Christenen ontstaan, beslist hij die alleen; in ernstige gevallen<br />
zouden zij voor den Raad van Justitie te Amboina moeten verschijnen.<br />
De Mohammedaansehe bevolking, hoewel minder welvarend<br />
dan de Christelijke, voorziet toch ook op eene voldoende wijze<br />
in hare behoeften door dezelfde middelen als deze laatste. In<br />
kleeding en uiterlijk voorkomen verschillen zij niet van de Mohammedanen<br />
op Amboina; doch in hunne instellingen omtrent het<br />
grondbezit en het huwelijk (hoewel dit laatste op de Mohammedaansehe<br />
wijze door eenen priester gesloten wordt) volgen zij nog<br />
in vele opzigten hunne oude Alfoersehe gebruiken, die hieronder<br />
zullen vermeld worden. Zij staan onder het onmiddellijk bestuur<br />
van de op bl. 350 vermelde Radja's, Patih's, enz., die, even als<br />
de mindere Hoofden, uitliet geslacht hunner vo<strong>org</strong>angers door de<br />
bevolking gekozen en door het Nederlandsche bestuur bevestigd<br />
worden. Op deze Regenten volgen in rang de Elnati's, zijnde de<br />
Hoofden of vertegenwoordigers der verschillende geslachten, die<br />
collectief Bobato's genoemd worden (vergel. bl. 231 en 237), en<br />
van welke een als adsistent en bij ontstentenis als plaatsvervanger<br />
van den Regent fungeert; deze heet als zoodanig Parwis en<br />
wordt om de zes maanden door een ander vervangen. Op hen<br />
volgen de Loembattans of hoofden van huisgezinnen. De door<br />
den Opziener aan den Regent medegedeelde bevelen van het<br />
Gouvernement doet deze, door middel van den Parwis, aan de<br />
Bobato's toekomen, die ze weder overbrengen aan de Loembattans,<br />
welke, elk voor zooverre hem aangaat, voor de uitvoering daarvan<br />
verantwoordelijk zijn. De Regent geniet geene inkomsten van<br />
het Gouvernement noch van zijne Mohammedaansehe onderdanen,<br />
behalve dat deze laatsten verpligt zijn zijne woning te bouwen
353<br />
of te herstellen, waarvoor hij hen echter gedurende den tijd,<br />
dat zij daaraan werken, moet voeden en hun bij de voltooijing<br />
een feest geven; over hetgeen hij als Johoe van zijne Alfoersehe<br />
onderdanen geniet zie men hierachter bl. 356.<br />
De regeling der inwendige belangen van elke negeri wordt<br />
aan haar zelve overgelaten. Deze worden behandeld in eeneu<br />
Raad (ltsia ipsalla) zamengesteld uit de Bobato's met den Regent<br />
als Voorzitter. Deze Raad behandelt ook de politie-overtredingen,<br />
welke met rottingslagen of blok-arrest worden gestraft; alsmede<br />
oivile geschillen over zaken, wier waarde het bedrag van/5 niet<br />
te boven gaat. Zaken, welke over een hooger bedrag loopen,<br />
en zware misdrijven, welke echter zelden voorkomen, moeten<br />
voor den Landraad worden gebragt.<br />
De Alfoersehe, geheel Heidensche bevolking is een stam van<br />
het Batta-ras en wordt beschreven als eenvoudig, onbedorven,<br />
vlijtig, en gemakkelijk tot een voldoenden trap van welvaart en<br />
zedelijke ontwikkeling op te leiden, doch ontsierd door schuwheid<br />
en onzindelijkheid. Zij leven onder elkander vreedzaam, maken<br />
zich niet schuldig aan dobbelspelen, zelden aan dronkenschap,<br />
diefstal of andere misdrijven; en het koppensnellen is hun onbekend,<br />
even als de slavernij. Veelwijverij is bij hen geoorloofd<br />
doch komt zelden voor; omdat het hun bezwaarlijk valt den<br />
koopprijs (kaléli) eener vrouw bij elkander te brengen, die naarmate<br />
van haren rang bestaat in een grooter of kleiner aantal<br />
salempori's (stukken Bengaalsch lijnwaad), kajin patola's (Inlandsehe<br />
kleedjes), kommen, eenig ijzerwerk, enz., welke voorwerpen<br />
allen van vreemde handelaars moeten gekocht worden;<br />
en ook omdat de man verpligt is zijne vrou(v steeds van veel<br />
kleedingstukken (sarongs en badjoe's) te voorzien. De man zelf<br />
draagt gewoonlijk' slechts één kleedingstuk, de tjidako (bl. 186).<br />
De vrouw wordt veelal reeds als kind gekocht en dan door de<br />
vrouwelijke bloedverwanten van den man opgevoed tot aan den<br />
tijd der huwbaarheid; zij moet altijd tot eenen anderen stam<br />
(fenna) behooren dan de man, en gaat door het huwelijk tot<br />
den zijnen over. De kaléli wordt gedeeltelijk voldaan bij het<br />
aangaan der verbindtenis (da-allali) en verder bij den aanvang<br />
der zamenwoning (dahoema téma); sterft de man voordat de<br />
kaléli geheel is betaald, dan is zijn stam daartoe verpligt. Het<br />
sluiten van het huwelijk geschiedt alleen door het geven van<br />
II. 23
354-<br />
een feest op kosten van den man bij gelegenheid van de da-allah<br />
en de dahoema tema. Echtscheiding is niet mogelijk. Bij overlijden<br />
van den man, wordt zijne weduwe de vrouw van zijnen broeder<br />
of naasten bloedverwant (vergel. D'. I, bl. 545, 565 en 645);<br />
en de oudste zoon of, bij ontstentenis van dien, de naaste<br />
bloedverwant of het stamhoofd, voogd over de onmondige kinderen.<br />
De nalatenschap blijft onverdeeld in het huisgezin; wanneer<br />
later vrouwen of dochters dit verlaten, krijgen zij daarvan een<br />
billijk aandeel.<br />
De Godsdienst-begrippen der Alfoeren komen in de hoofdzaak<br />
op het volgende neder: Opo Geba Snoelat (de opperheer der<br />
menschen die alles opschrijft) is de Schepper van alles; hij is<br />
een alwetende en onzigtbare Geest. Uit liefde tot de menschen<br />
heeft hij, na de schepping van Boeroe, Nabiala^ als leeraav<br />
tot de Alfoeren gezonden, die in menschclijke gedaante van<br />
den berg Tomahoe is afgedaald en hun, op last van zijnen<br />
zender, zeven geboden heeft medegedeeld tegen moord, diefstal,<br />
overspel, en wederspannigheid tegen de wettige magt. Voorts<br />
heeft hij de besnijdenis ingesteld, en geleerd dat bij den dood<br />
des ligchaams de ziel niet sterft maar door Opo Geba Snoelat<br />
geoordeeld wordt volgens het boek, waarin hij de daden der men<br />
schen opschrijft; en dat de zielen der braven in zijne nabijheid<br />
ver boven de wolken een stoorloos geluk genieten, doch ilie der<br />
slechten eeuwig op de wolken blijven rondzwerven. Vervolgens<br />
heeft Nabiala eenige aanzienlijke mannen tot onderwijzers en<br />
voortplanters van zijne leer opgeleid, en is toen weder verdwenen.<br />
Deze mannen heeten Eswohi; zij zijn do priesters der Alfoeren<br />
en tevens toovenaars en geneesheeren (want de geneeskunde<br />
bestaat hoofdzakelijk in tooverij (kanwukit) en bezweringen). Na<br />
zich in de leer van Nabiala en de tooverkunst te hebben geoefend<br />
worden zij met vele ceremoniën tot Eswohi gewijd en vervolgens<br />
aangesteld bij een hoema poedji (gebeden-huisje), dat in elk<br />
gehucht gevonden wordt en waarbij verscheidene zoodanige<br />
priesters zijn om het volk in zijne pligten te onderwijzen en<br />
bij het gebed voor te gaan. Zij genieten daarvoor kleine ge<br />
schenken doch moeten overigens, even als elk ander, in hun eigen<br />
0) Vergelijk den Dibata der Balla's (UK I, til. 659) en den Djabala der<br />
Dajaks (UI 11, bl. 55).
355<br />
onderhoud voorzien. Het tooveren bestaat in het uitspreken van<br />
een zegenwenseh of een vloek over den persoon of de zaak, wien<br />
het geldt, die daartoe, des noods in beeldtenis, naar het hoema<br />
poedji gebragt wordt. Overigens bestaat ook bij de Alfoeren het<br />
Pamali (vergel. D». I, bl. 531 en Dl. II, bl. 57) hier Sasané genoemd,<br />
waardoor sommige voorwerpen, als bergen, wateren,<br />
boomen, enz., voor een bepaalden tijd of voor altijd ontoegankelijk<br />
verklaard en aan de Geesten toegewijd worden; op Boeroe<br />
kunnen dit alleen zoodanige voorwerpen wezen, welke den<br />
menseh niet dienstig zijn.<br />
De Alfoeren zijn verdeeld in eene menigte Fenna's of stammen,<br />
die elk eene bepaalde uitgestrektheid gronds, Rahisin fenna<br />
(stam-grond), bewonen hetzij in alleen staande huizen voor ééne<br />
familie [hoema kaön) of in gehuchten (hoema lolin) van drie,<br />
vier of vijf huizen, welke dan evenwel dikwijls nog op aanmerkelijken<br />
afstand van elkander liggen. Elke fenna heeft zijn<br />
Hoofd, die in Kajeli en aan de Noordkust Matle'a en op de<br />
andere kusten Geb-ha wordt genoemd. Daar deze Hoofden ook<br />
voor hunne fenna met de vreemde kooplieden handelen, wonen<br />
zij bijna altijd aan de kust bij de Wanangan (anker- of handelplaats),<br />
terwijl de bevolking meer landwaarts in woont. Als<br />
zijn adsistent en plaatsvervanger bij ontstentenis heeft hij eenen<br />
Fancis (bl. 352). Voorts heeft elke hoema lolin een ondergeschikt<br />
Hoofd met den titel Balistoewa.<br />
Be fenna's zijn vereenigd tot Fogmorins (onze Regentschappen),<br />
die elk een Opperhoofd (Regent) hebben met den titel Joho'e<br />
(Bjohoe?). De ter hoofdplaats gevestigde Regenten, die als<br />
Hoofden der Mohammedaansehe bevolking de titels van Sengadji.<br />
Radja, enz. voeren (bl. 350), zijn tevens Johoe's van de Alfoeren<br />
in hunne fogmorins. Enkele groote fogmorins, zoo als Massareteh,<br />
zijn nog weder verdeeld mfenlolins of distrikten, waarover dan<br />
de oudste Geb-ha als Distriktshoofd fungeert en als zoodani°den<br />
titel van Sennolon voert.<br />
De betrekkingen der Hoofden zijn erfelijk in hun geslacht,<br />
doch de persoon wordt daaruit gekozen door de bevolking onder<br />
goedkeuring van den Johoe; de keus van dezen laatsteden ook<br />
van de ondergeschikte Hoofden ter hoofdplaats, moet door het<br />
Europeesch bestuur worden bekrachtigd. Elk man is kiezer voor<br />
den rang boven den zijnen; men mag echter alleen iemand kiezen,
356<br />
die geboren is uit het huwelijk van een Hoofd met de dochter<br />
•van een Hoofd; door deze bepaling wordt de bevolking in<br />
verkiesbaren en onverkiesbaren, of eene soort van adellijken en<br />
niet-adellijken, gesplitst.<br />
De magt van den Geb-ha of Matle'a en den Balistoewa is niet<br />
groot; hun bestuur is aartsvaderlijk; de eerste is de tusschen-<br />
persoon tusschen den Johoe en de Alfoersehe bevolking, en ook<br />
tusschen deze laatste en de vreemde kooplieden. De Balistoewa<br />
schijnt geene inkomsten van de bevolking te trekken; de Geb-ha<br />
of Matle'a geniet een gedeelte van den djagoeng-, gierst- en<br />
tabaks-oogst. De Johoe heeft, wanneer hij zijne fogmorin bezoekt,<br />
aanspraak op de kostelooze levering van provisien en roeijers<br />
voor zijne geheele reis. Voorts moet elke fenna hem een Kwarto<br />
(bl. 333) ter hoofdplaats bez<strong>org</strong>en, die zonder kost of loon allen<br />
hem door den Johoe opgelegden arbeid moet verrigtcn en om de<br />
zes maanden wordt afgewisseld. Eindelijk moet elke fenna hem<br />
jaarlijks een Anhoemlalin te Kajeli leveren, dat is een jongeling-<br />
of meisje, die daar in het Islamisme wordt opgevoed O en<br />
levenslang in zijne dienst blijft; alleen indien eene vrouwelijke<br />
Anhoemlalin met eenen vrijen man trouwt, hetgeen slechts met<br />
toestemming van den Johoe kan geschieden, die dan ook haren<br />
koopprijs ontvangt, wordt zij vrij. Wanneer Anhoemlalins met<br />
elkander trouwen, blijven ook hunne kinderen in dien stand;<br />
zij zijn nagenoeg slaven, doch mogen niet verkocht, wegge<br />
schonken of mishandeld worden. De Anhoemlalin wordt dooi<br />
den Geb-ha of Matle'a gekozen; en indien de ouders te bewegen<br />
zijn om hun kind af te staan, ontvangen zij daarvoor van de<br />
gezamenlijke fenna eene schadeloosstelling in lijnwaden; doch<br />
indien zij er niet in bewilligen, kan men hen niet dwingen en<br />
moet een ander kind worden gezocht. De levering dezer Anhoem<br />
lalins blijft echter dikwijls achterwege en heeft alleen in de<br />
Regentschappen Massareteh en Lisella geregeld plaats.<br />
De gemeenschappelijke belangen worden behandeld in alge-<br />
meene vergaderingen, op de Noordkust Ipsia elders Bapsian<br />
geheeten. Zoo zijn er vergaderingen van het volk, bij den<br />
Balistoewa; vergaderingen van de Balistoeioa's, bij den Matle'a<br />
of Geb-ha; en vergaderingen van deze laatsten bij den Johoe.<br />
(•) Zij worden dan op de hoofdplaats anak pijara, kweekelingen, genoemd.
357<br />
Elk der aanwezenden heeft het regt zijn gevoelen voor te dragen-,<br />
waartusschen eindelijk de hoogste in rang beslist. De regtspraak<br />
over de zeldzaam voorkomende misdrijven of geschillen geschiedt<br />
door dezelfde vergaderingen, naarmate van den rang der betrokkene<br />
personen; er is beroep van eene mindere vergadering<br />
op eene hoogere. De straffen bestaan in eenige rottingslagen,<br />
in geval van diefstal verbonden met teruggave of vergoeding<br />
van het ontvreemde.<br />
Omtrent het grondbezit bestaan de volgende bepalingen:<br />
De ehoe of volstrekte wildernis, als hoog gebergte en ondoordringbare<br />
wouden, en de dabolio of minder ongenaakbare wildernissen<br />
zijn het eigendom der fogmorin maar staan ter vrije<br />
beschikking van ieder, die ze mogt willen ontginnen. De hoena<br />
elin of bewoonde gronden, de hawa elin of beplantbare gronden,<br />
en de hawa of werkelijk beplante gronden zijn het eigendom der<br />
fenna, die ze aan eene andere fenna kan verkoopen. De individuëele<br />
leden eener fenna kunnen, door vergunning van het<br />
Ienna-\\oo{di of door erfopvolging, een gedeelte van die gronden<br />
in bezit krijgen doch niet in vollen eigendom, daar zij die niet<br />
mogen verkoopen. Zoodanig bezit kan ook aan vreemdelingen<br />
worden vergund; aan Inboorlingen mag het niet worden geweigerd.<br />
Sommige groote sago-bosschen zijn eigendom der<br />
fogmorin, andere van eene bijzondere fenna; kleine, opzettelijk<br />
geplante sago-boschjes (mata sago) zijn wat den grond betreft<br />
eigendom van de fenna, en wat het product betreft eigendom<br />
van den planter of zijne regtverkrijgenden.<br />
Aan de Noordkust kan de fenna-grond wel kosteloos aan><br />
eene andere fenna in gebruik gegeven doch niet verkocht<br />
worden.<br />
In het Begentschap Kajeli is in 1657 de grond, waarop de<br />
nieuwe negeriën moesten gesticht worden, in vollen eigendom<br />
aan dezen toegewezen; de stukjes grond in haren omtrek tot<br />
aanleg van tuinen, enz. zijn haar als particuliere en tijdelijke<br />
bezittingen afgestaan. De toen reeds bestaande sago-bosschen<br />
bleven het eigendom der oude Baai-bewoners; de nieuw aankomenden<br />
hebben in hunne behoeften moeten voorzien door het<br />
aanleggen van mata sago's, waarvan alleen het gewas hun<br />
eigendom is. Het overige gedeelte der Vlakte van Kajeli is<br />
onverdeeld gebleven, en elk mag daar jagen en planten naar
358<br />
goedvinden, mits met vergunning van de Nederlandsche autoriteit;<br />
het plukken van kajoe poeWi-bladeren is geheel vrij.<br />
De bevolking in het binnenland leeft deels van de jagt, deels<br />
van den landbouw, waarbij de arbeid door de mannen en vrouwen<br />
gemeenschappelijk wordt verrigt doch zóó dat alleen het ligtste<br />
werk aan de laatstgenoemden wordt overgelaten. Hunne wijze van<br />
landbouw is echter hoogst gebrekkig; zoodat zij niettegenstaande<br />
hunnen ijver slechts schrale oogsten bekomen en meest in armoede<br />
leven. Hunne voornaamste producten zijn: djagoeng, hotton (gierst),<br />
sago, aardappelen en tabak. Wat zij van hunnen oogst kunnen<br />
missen, en verder varkens, dinding (gedroogd hertenvleesch) en<br />
houtsoorten verruilen zij, door tusschenkomst van den Matle'a<br />
(bl. 355) aan de vreemde handelaren, die van tijd tot tijd de<br />
TFanangans (ankerplaatsen) bezoeken, tegen lijnwaden, ijzer-en<br />
aardewerk, en andere voorwerpen, waaraan zij behoefte hebben<br />
en die hun veelal zeer duur worden aangerekend. Daarbij zijn zij<br />
zoo onnadenkend dat zij, om aan eene oogenblikkelijke begeerte,<br />
vooral naar lijnwaden, te voldoen, dikwijls meer van hunnen oogst<br />
verkoopen dan zij kunnen missen; zoodat zij genoodzaakt worden<br />
hunne eigene producten weder van dezelfde kooplieden tegen veel<br />
hoogeren prijs in te koopen. Dit geschiedt dan natuurlijk altijd<br />
op crediet, en draagt veel bij tot hunne armoede; zij voldoen<br />
echter steeds getrouw aan de verpligtingen welke zij hebben<br />
aangegaan.<br />
§ 8. Het eiland Ceram.<br />
ligging, grootte, natuurlijke gesteldheid, voortbrengselen.<br />
Ceram, verreweg het grootste der Ambonsche eilanden, strekt<br />
zich ten Noorden van Jmboina en de Oeliassers in eene Oosten<br />
Westwaartsche rigting uit van 137° 57' tot 131° O.L. en<br />
2°46' tot 3° 51' Z.B. Ten Westen wordt het door Straat Boeroe<br />
of Manipa en Straat Bonoa, ten Zuiden door de Banda-zee, ten<br />
Noorden door de Zee van Ceram of Pitt's Straal bespoeld. Het<br />
heeft eene oppervlakte van 346 • mijlen.<br />
Aan de Zuidzijde bevinden zich drie belangrijke baaijen: de<br />
Baai van Taroeno O of Piro (waarin de kleine eilandjes P. Babi<br />
(') BLEEKER schrijft Tanoeno en Tanoenoe.
359<br />
cn P. Kassa), de Baai van Elpapoelih of Amahaai, en de Baai<br />
van Teloeti of Iloja; aan de Noordzijde, de Baai van Sawaai of<br />
Sléman (waarvóór de kleine eilandjes P. Ella, P. Moal, en<br />
verscheidene nog kleinere) regt tegenover die van Elpapoelih;<br />
en aan de Noord-Oostzijde de Baai van Waroe. Door drie van<br />
deze baaijen wordt Ceram in drie schier-eilanden verdeeld: de<br />
Baai van Taroeno scheidt een klein Westelijk gedeelte des eilands,<br />
bekend onder den naam van Klein Ceram of Hoeamohel, bijna<br />
geheel af van het overige, dat weder door de tegenover elkander<br />
liggende Baaijen van Elpapoelih cn Sawaai in twee doelen gesplitst<br />
wordt, die door de omstreeks drie mijlen breede landengte van<br />
Saicaai met elkander verbonden zijn en van welke het Oostelijkste<br />
het grootste is l 1<br />
). De landengte van Taroeno, tusschen LToeamohel<br />
en het middelste schier-eiland, is geene mijl breed. De twee<br />
Westelijkste schier-eilanden, die te zamen nog niet de helft<br />
des eilands beslaan, maken West-Ceram uit, terwijl het derde<br />
Midden- of Oost-Ceram genoemd wordt; deze verdeeling berust<br />
hoofdzakelijk op een ethnographiseh verschil, hetwelk later zal<br />
worden aangewezen (bl. 367).<br />
De ons bij name bekende kapen zijn: T. Sihel, Sehel of Sial,<br />
de Zuidpunt van Hoeamohel; T. Latoe aan de Westzijde, en<br />
T.. Kowako aan de Oostzijde van den ingang der Baai van,<br />
Mpapoetih; T. Iloja, aan de Westzijde der Baai van Teloeti;<br />
T. Tallanoeroe, de Noord-Westpunt, T.Lama, de Noord-Oostpunt,<br />
en T.BTatan, de Westelijkste punt des eilands.<br />
Over de geheele lengte van Ceram strekt zich van het Westen<br />
naar het Oosten een ruw en veeltoppig gebergte uit, welks<br />
geologische formatie nog weinig bekend is, doch waarin zich<br />
vele krijt- en kalkbergen' schijnen te bevinden. Op Hoeamohel<br />
is zijne hoogte gering; op het middelste schier-eiland zijn<br />
toppen van 4500 tot 5500 v 4<br />
: op het Oostelijke bereiken zij<br />
eene nog grootere hoogte: de voornaamste toppen zijn daar de<br />
Teloeti en de Noesa-heli of Noesa-hoeale, beiden ten Noorden<br />
van de Teloeli-baai, van welke de laatste op 10000 v*. geschat<br />
wordt. Op vele plaatsen strekt zich dit gebergte tot aan de kust<br />
uit, doch op andere gaat het langzamerhand in laag land over;<br />
(') BLEEKER stelt voor aan het middelste schier-eiland den naam Kaibo'bo,<br />
en aan het Oostelijke dien van Wahuai te geven, naar de voornaamste daarop<br />
voorkomende plaatsen.
360<br />
dit laatste is vooral het geval ten Noord-Oosten van de Elp<br />
poetih-baai, ten Zuid-Oosten van de Baai van Sawaai, en in li<br />
Zuid-Oostelijke gedeelte des eilands, waar zich vrij uitgestret<br />
vlakten bevinden.<br />
Ook hier strekt, even als op Boeroe (bl. 347), het hoogs<br />
gedeelte der bergketen tot scheidsmuur der moesons. De lucht<br />
gesteldheid komt dan ook in het algemeen met die van dat eila;<br />
overeen, doch schijnt ten gevolge van den minder moerassig<br />
grond langs de kusten gezonder te zijn.<br />
De talrijke stroomende wateren hebben over het algeme<br />
eenen Noord- en Zuidwaartschen loop van geringe uitgestrekthei<br />
zijn onbevaarbaar, en droogen in den goeden moeson dikwi,<br />
geheel uit. De voornaamste rivieren zijn :<br />
De Roewala, die uit het Oostelijke schier-eiland in ee<br />
Westwaartsche rigting naar de Baai van Elpapoeiik stroon<br />
in welker Noordelijk gedeelte zij zich nabij de negeri Makar,<br />
ontlast, over eene vrij groote uitgestrektheid eene diepte vi<br />
vijf of zes voet heeft, en op eenigen afstand van haren moi<br />
aan beide kanten eene zijrivier opneemt, van welke die aan<br />
regterzijde Terne heet; bij dit vereenigingspunt heeft de rivi<br />
somtijds eene breedte van 200 v*.<br />
De Bobot of Bobat, die in het Oosten van Ceram ontspring<br />
een Zuid-Westwaartschen loop heeft, en zich bij de negi<br />
Atiahoe met twee monden in het Zuid-Oosten van de Baai v<br />
Teloeti stort.<br />
De Rivier van Sawaai, en nog eene andere iets meer Noor<br />
waarts, die zich beiden in de Oostzijde van de Baai van Sawa<br />
ontlasten.<br />
In jiet Aardrijkskundig Woordenboek worden voorts nog v<<br />
meld: de Assella, Tala, Berioe, Ajer Mejrak, Ajer Masin, II<br />
Poetik, Salla, Epe, Ena-Ena, Gad of Goa, Waroe, Kilmot<br />
(Kelemori), Sarissa en Oelat; zij zijn echter, voor zooverre v<br />
ze hebben kunnen wedervinden, van weinig of geen belang.<br />
De vlakke kuststreken zijn met eene menigte uitgestrekte sagi<br />
bosschen bezet, die niet slechts in de behoeften der bevolkii<br />
van Ceram maar ook van de naburige eilanden ruimschoc<br />
voorzien en door kajoe jsoeii/i-bosschen worden afgewisseld I<br />
stranden zijn met rkizopkoren begroeid. De binnenlanden zi<br />
rijk aan vruchtboomen en wouden, die uitmuntende houtsoorti
361<br />
opleveren, waaronder ijzerhout (kajoe besi), bintangor, katapan,<br />
lingoa en vele andere te vermelden zijn; terwijl «zswaraa-bosschen<br />
de bergtoppen bekleeden. De koffijheester groeit in het wild en<br />
draagt overvloedige vruchten. Suikerriet, tabak, djagoeng, rijst<br />
vaa drooge gronden, en aardvruchten zijn verder de voornaamste<br />
voortbrengselen van het plantenrijk.<br />
Het dierenrijk heeft: herten, wilde zwijnen, geiten, wilde<br />
runderen, doejongs (een tweeslachtig zoogdier, zeekoe), krokodillen,<br />
leguanen, schildpadden, hagedissen, slangen, kasuarissen,<br />
paradijsvogels, papegaaijen; en kleine diersoorten en insecten.<br />
Het delfstoffenrijk van Ceram kan men nog geheel onbekend<br />
noemen; want de op bl. 321 vermelde ontdekkingen van aardolie,<br />
tin en steenkolen hebben tot dusverre nog niet tot nadere<br />
onderzoekingen geleid. Warme zwavelbronnen bevinden zich<br />
langs het strand aan de Westzijde der Elpapoetih-baai. O<br />
Staatkundige verdeeling, voornaamste plaatsen.<br />
Wanneer wij hier spreken van eene staatkundige of administrative<br />
verdeeling van Ceram worden daarmede, wat het Europeesch<br />
bestuur betreft, alleen de kuststreken bedoeld; want<br />
hoewel het geheele eiland eene ondcrhoorigheid van Nederland<br />
is, wordt toch in het binnenland geen regtstreeksch gezag door<br />
ons Gouvernement uitgeoefend. Deze kustlanden nu zijn in de<br />
volgende vier deelen gesplitst:<br />
1°. Het schier-eiland Hoeamohel of Klein Ceram, met de Oostkust<br />
van de Taroeno-baai tot aan (niet met) de negeri Kaibobo en<br />
de Noordkust van het middelste schier-eiland tot aan (niet met)<br />
de negeri Lissabatla; behoorende onder de Afdeeling Hila en<br />
Larike (bl. 316) en staande onder den Adsistent Eesident van<br />
die Afdeeling.<br />
2°. De Zuidkust, van Kaibobo tot en met Hatoemelen, voorbij<br />
de Baai van Teloeti; behoorende tot de Afdeeling Saparoewa en<br />
Haroekoe. Hiervan staat het Westelijke gedeelte, van Kaibobo<br />
tot nabij de Baai van Elpapoelih, onder het toezigt van den<br />
Gezaghebber van Haroekoe (bl. 337); terwijl het overige, Oostelijke<br />
gedeelte onder het onmiddellijk gezag van den Adsistent<br />
Eesident van Saparoewa staat.<br />
(') Bijdragen van liet Instituut voor taal-, land- en volkenkunde.<br />
Nieuwe volgreeks, D 1<br />
. 1, bl. 79.
362<br />
3°. Do Afdeeling of Post Walaai, zich uitstrekkende langs<br />
de Noordkust, van lissatiatta tot en met de negeri Arsoli(') ten<br />
Noord-Westen van de Baai van Waroe. Deze Afdeeling staat<br />
onder het bestuur van eenen Civilen Gezaghebber, welke betrekking<br />
wordt waargenomen door den Militairen Kommandant van<br />
de bezetting te Walaai.<br />
4°. Het Oostelijke gedeelte des eilands, aan de Zuidkust ten<br />
Oosten van Hatoemeten, en aan de Noordkust ten Oosten van<br />
Arsoli of van do Baai van Waroe af (bl. 327). Dit gedeelte, oorspronkelijk<br />
eene onderhoorigheid van den Sultan van Tidore 1<br />
?),<br />
^behoorde vroeger tot de laatstvo<strong>org</strong>aande Afdeeling, doch is sedert<br />
1824 tot de Residentie Banda gebragt. Er is geen Nederlandsch<br />
ambtenaar gevestigd.<br />
De twee laatstgenoemde Afdeelingen zijn, wat het Inlandsch<br />
bestuur betreft, weder zamengesteld uit verscheidene onderdeelen,<br />
door ons Regentschappen genoemd, welke hieronder zullen worden<br />
vermeld, doch wier grenzen niet bekend zijn.<br />
1°. In de Westelijkste, onder Hila en Larike ressorterende,<br />
Afdeeling zijn de voornaamste plaatsen:<br />
Loehoe, Iha, Koelor, Lokki en Piroe, langs de Westzijde der<br />
Baai van Taroeno; Taroeno, aan de Noordzijde van die Baai;<br />
Kallowaai. Noeniali, Maloean, Lakola, Massiroena en Wapoena,<br />
langs de Noordkust des eilands. Te Lokki is eene afdeeling<br />
schutterij van ongeveer 20 man.<br />
2°. In de tweede, onder Saparoewa en Haroekoe behoorende,<br />
Afdeeling vindt men onder andere:<br />
Kaibobo, waar vroeger het sedert lang vernietigde fort Harderwijk<br />
was, de voornaamste plaats van dit gedeelte des eilands,<br />
aan de Oostzijde van de Baai van Taroeno, met ruim 1100 zielen;<br />
(') Bijdragen van het Instituut voor taai-, land- en volkenkunde, Dl IV,<br />
bl. 181. Volgens andere opgaven strekt deze Afdeeling zich uit lot Waroe;<br />
hierdoor moet men dan verslaan: lot aan het Regentschap Waroe; want dat<br />
Regenlschap zelf en de negeri van dien naam behooren niet meer tot Wahaai.<br />
363<br />
Jfaaisamoe; Eatoesoewa ; Kairatoe; Seroeawan ; Kamarian, thans<br />
tijdelijk met militaire bezetting; Tihoelaleli; en Roemahai. Alle<br />
deze plaatsen, met uitzondering van Kairatoe geheel door Christenen<br />
bewoond, liggen ten Westen van de Elpapoetih-baai en<br />
behooren onder het ressort van den Gezaghebber van Haroekoe.<br />
In het tot Saparoewa behoorende gedeelte liggen, van het Westen<br />
af, rondom de Elpapoetih-baai en verder Oostwaarts: Latoe,<br />
Tomalehoe, Hoewalooi, Elpapoelih of Samasoeroe^Apisano, Awaja,<br />
Warakaja, Makariki, Soehoekoe, Amahaai serani, Amahaai islam,<br />
Sepa, Tamilou, Hoja, Teloeti, Tehoewa, Laimoe, Atiahoe, Warimma,<br />
Haloemeleii, en andere.<br />
3°. De Afdeeling Wahaai bestaat uit de volgende Regent<br />
schappen , van het Westen af:<br />
Lissabatta ; met de plaatsen Lissabatta, Loemawe, Loemawoni,<br />
Loemapeloe, enz.<br />
Sle'man, ten Zuid-Westen van de Baai; met Slc'man.<br />
Fassanea, langs de Westkust van de Baai van Saioaai; met de<br />
plaatsen Fassanea, Hoerali, Massesoelang, Waresiioa, Marhoem,<br />
Karloetoe, Hereloet, enz.<br />
Sawaai, ten Zuiden van de Baai; met Sawaai, Boemalot en<br />
Eawaoloe.<br />
Bissi, aan de Oostzijde van de Baai; met Bissi en Open.<br />
Eatiling, ten Oosten van de Baai van Sawaai. Hier ligt aan<br />
de Noordkust de Nederlandsche post Wahaai 1<br />
. 1<br />
), aan de West<br />
zijde der kleine naar haar genoemde baai, met een goed bewapend<br />
s t e n<br />
en bezet fort onder kommando van een l<br />
Luitenant, die de<br />
betrekkingen van Civilen en Militairen Gezaghebber in zich<br />
vereenigt. Het fort bevat ook de kazerne, het hospitaal, het<br />
kruidmagazijn, Gouvernements-pakhuizen, en de woningen van<br />
den kommandant en den Officier van Gezondheid. Voorts zijn<br />
in dit Eegentschap de, deels zeer groote, negeriën Eatiling,<br />
Waairama, Latoe-manasela, Eïle (2380 zielen), Masoni (2400 z.),<br />
Tesawele (3100 z.), Makwalipan. Kapawaai (1130 z.), Mareae<br />
(2800 z.), Seteh (2300 z.), Kambali (1300 z.), Konogori (1500 z.).<br />
Sirawaai (1000 z.), en andere.<br />
Eatoeioe; met de plaatsen Eatoewe, Eatoenoevoe (1945 z.),<br />
SaJiahoevoe (3000 z.), Loemalalat (2235 z.), Oewin (2880 z.), enz.<br />
0) ToJ_J829 was de Nederlandsche post te Sawaai gevestigi
364<br />
Goa of Gaa; met Goa of Gaa, Sollal, Reffert, en andere.<br />
RotlioiHoti; met Hotti oiHoti, Bankooi, Matakap, Wahalel,<br />
Toesinhatti, enz.<br />
4°. De Vierde, tot de Eesidentie Banda behoorende, Afdeeling<br />
bevat de Eegentschappen :<br />
Tobo, aan de Zuidkust, grenzende aan do onderhoorigbeid van<br />
Saparoewa,- met de plaatsen Tobo, Batoeassa, Kissa-laut^enz.<br />
Kilmoeri of Kelemori ook Sembilao genoemd, grenzende ten<br />
Westen aan het vo<strong>org</strong>aande; met de plaatsen Kilmoeri, Kilbong,<br />
JCarma^/Batoeloming, enz. /"<br />
Oerong, ten Oosten van het vo<strong>org</strong>aande; met Oerong, Ena-<br />
Ena, Lokon, enz.<br />
Kwaos, aan de Oostkust, ten Noorden van Oerong; met<br />
Kwaos.<br />
Kian, verdeeld in Kian darat en Kian laut, ten Noorden van<br />
Kwaos; met Roemanda of Roembow, Nama, Salagor, Arsoli, enz.<br />
Benama, ten Noorden van het vorige; met Benama.<br />
Kilbat, ten Noorden van het vorige; met Kilbat en Gak.<br />
Kilmoeï, ten Noorden van het vorige j met Kilmoeï.<br />
Waroe, aan de Noord-Oostkust en de Baai van dien naam,met<br />
Waroe, Bilis, enz.<br />
Voorts behooren nog tot deze Afdeeling de kleine bij de<br />
Noord-Oostkust liggende eilandjes Pandjang. Makat en Maderon;<br />
en de nog kleinere, bij de Zuidkust liggende, Kamar, Gosai en<br />
de twee troeW-eilandjes.<br />
Bevolking, bestuur.<br />
De sterkte der bevolking van Ceram is, wat de binnenlanden<br />
betreft, nog minder bekend dan die van Boeroe; en ook omtrent<br />
die der Noordkust bestaat nog veel onzekerheid. De laatste en<br />
best te vertrouwen berigten loopen over het jaar 1854 en zijn<br />
medegedeeld door de Heeren WILLEB, BOSSCHEE en BLEEKEE('),<br />
en door laatstgenoemden verzameld in het II^D 1<br />
. van zijne Reis,<br />
bl. 207. Volgens die gegevens, welke alleen de bevolking der<br />
strandnegeriën niet die van het binnenland betreffen, was toen<br />
naar de officiëele opgaven der Inlandsehe Hoofden de getalsterkte<br />
als volgt:<br />
(') Indisch Archief, Jaarg. I, Dl 11, bl. 275. Tgdschr. voor Ind. taal-,<br />
land- en volkenk., Dl. IV, bl. 55 ; Reis door de Minahassa, enz.
365<br />
Onder de Afdeeling Hila en Larike:<br />
Kleurlingen<br />
4<br />
j Burgers Hl<br />
Inlanders . . ,, (Christenen 357<br />
| Negen-volk j M o h a m m e d a n e n 9 2 2<br />
Heidenen -1054<br />
» Totaal 2448<br />
Onder de Afdeeling Saparoewa en Haroekoe :<br />
Christenen 5379<br />
Mohammedanen 5763<br />
Heidenen -13050<br />
Totaal 24192<br />
Onder de Afdeeling Waliaai:<br />
Europeanen 1<br />
Chinezen<br />
4<br />
Arabieren en andere vreemde Oosterlingen 16<br />
Mohammedanen 2123<br />
Heidenen 38780<br />
Slaven O 1<br />
Totaal 40925<br />
In het Oostelijke gedeelte, onder Banda:<br />
Mohammedanen 72 50<br />
Heidenen -15000<br />
Totaal .22250 0<br />
Algemeen totaal 89815 zielen.* 3<br />
)<br />
Het zal geene overdrijving zijn wanneer hierbij nog 50000<br />
of 60000 zielen worden gevoegd voor de Heidensche bevolking<br />
der binnenlanden. Immers alleen wat de twee eerstgenoemde<br />
en best bekende Afdeelingen betreft, meent BLEEKER voor de<br />
l 1<br />
) De slavenbevolking, die alleen bij de Mohammedanen wordt gevonden,<br />
is in der daad veel sterker; een jaar vroeger bedroeg zij 1271 zielen, doch<br />
wordt hier waarschijnlijk slechts met het cijfer 1 vermeld omdat zij niet wettig<br />
CTkend is. BLEEKER , t. a. p.<br />
Pi Op bl. 306 van het Deel van BLEEKER'S Reis wordt deze bevolking<br />
gesteld op ongeveer 21000 zielen.<br />
( 3<br />
) De op bl. 324 medegedeelde officiëele gouvernemenls-opgave van de<br />
sterkte der bevolking van de Residentie Amboina, waarin Ceram en Boeroe<br />
te zamen op 60000 zielen geraamd worden, is dus veel te laag.
366<br />
boven vermelde erkende totalen de cijfers 6000 en 65000 te<br />
mogen in de plaats stellen; zoodat men de geheele bevolking van<br />
Ceram veilig op 140000 zielen kan schatten.<br />
De erkende bevolking, naar de godsdiensten verdeeld, bestaat<br />
dus uit:<br />
5852 Christenen (Hervormden),<br />
16075 Mohammedanen,<br />
67888 Heidenen,<br />
Totaal 89815 zielen.<br />
De Christenen, omtrent den aard van wier Christendom echter<br />
geen zeer gunstig getuigenis wordt afgelegd O, worden slechts<br />
in de twee eerstgenoemde Afdeelingen gevonden; alleen in het<br />
onder Haroekoe behoorende gedeelte, dat er bijna uitsluitend<br />
mede bevolkt is, zijn er meer dan 3000. Zij zijn van afkomst<br />
Alfoeren, en verschillen in zeden, gewoonten en bijgeloovigheden<br />
weinig van dezen. Van het schoolonderwijs, door Inlandsehe<br />
onderwijzers somtijds zeer gebrekkig gegeven, wordt traag gebruik<br />
gemaakt; en ook de Nederlandsche Zendelingen hebben<br />
weinig voldoening van hunnen ijverigen arbeid. De middelen<br />
van bestaan vinden zij in de sago-bosschen, het aankweeken van<br />
eenige groenten en aardvruchten, en een weinig visscherij. De<br />
noodige kleeding, het voornaamste waardoor zij zich van de<br />
Alfoeren onderscheiden, bekomen zij van vreemde handelaars in<br />
ruil tegen sago, aardvruchten, houtsoorten, tabak, enz. Hunne<br />
negeriën, welke zij veelal afzonderlijk doch somtijds ook met<br />
Heidenen gemeenschappelijk bewonen, worden, even als die der<br />
Mohammedanen, door Radja's. Patih's of Orang Kaja's bestuurd.<br />
Zij spreken een gebrekkig Maleisen.<br />
De Mohammedanen, welke alleen de kustplaatsen en wel<br />
hoofdzakelijk die langs de Zuidkust bewonen, zijn een gemengd ras<br />
van lieden uit vèrsehillende oorden van den Archipel, onder welke<br />
de Maleijers den hoofdstam schijnen uit te maken, gelijk dan<br />
ook het Maleisch het hoofdbestanddeel is van hunne taal, die<br />
echter met zeer vele vreemde woorden vermengd is. Zij staan<br />
in beschaving en nijverheid beneden die der overige Ambonsche<br />
(') Mededeelingen van wege hel Nederlandsche Zendelinggenootschap,<br />
Dl. V, bl 281 en volgg.; Tijdschr. v Neêrl. Indië, 1846, D'. IV, bl 157;<br />
Bijdragen van het Instituut voor taal-, land- en volkenkunde. Nieuwe<br />
volgreeks, Dl. 1, bl. 75.
367<br />
eilanden; de inrigting van het bestuur hunner negeriën is nagenoeg<br />
eveneens als daar. De geheele Zuidkust van Ceram is in<br />
hun bezit; of zij daar ook eenig gezag uitoefenen over dc binneniandsehe<br />
bevolking is ons niet duidelijk gebleken. Aan de<br />
Noordkust hebben zij alleen de hoofdplaatsen der Regentschappen,<br />
doch oefenen op sommige plaatsen ook ecnigen invloed uit op<br />
de inheemsche bevolking; de Mohammedaansehe Regenten zijn<br />
namelijk tevens Kamal der Alfoeren, door welken titel evenwel<br />
meer het denkbeeld van beschermheer of tussohenpersoon tusschen<br />
dezen en de vreemde kooplieden dan dat van beheerscher wordt<br />
uitgedrukt. Deze Kamals zijn ook de personen, door welke de<br />
bevelen van het Nederlandsche Gouvernement aan de Alfoersehe<br />
Hoofden worden overgebragt.<br />
De Heidensche, inheemsche bevolking bestaat uit Alfoeren,<br />
en wel uit twee in zeden en gebruiken aanmerkelijk verschillende<br />
takken van dezen stam. De eene, Oeli-siwa of Pata-siwa (broeder<br />
schap of corporatie van negenen?), bewoont het gedeelte West<br />
waarts van Elpapoetih; de andere, Oeli-lima of Pata-lima<br />
(broederschap of corporatie van vijven?), het Oostelijke gedeelte<br />
des eilands.<br />
De Oeli-siwa zijn verdeeld in de drie Afdeelingen, Tala, Eli<br />
wSapoe/ewak, dus genoemd naar drie riviertjes van die namen ('>.<br />
Elke van deze Afdeelingen wordt bestuurd door eenen Raad, Saniri<br />
geheeten, aan welks hoofd de Kapala saniri (Hoofd van den Raad)<br />
staat als hoofd der uitvoerende magt, die de boeten voor mis<br />
drijven oplegt, welke bestaan in een zeker aantal borden, schotels,<br />
gongs, geweren, stukken lijnwaad, enz. Onder hen staat een<br />
tweede persoon, die den verbasterden Europeschen titel Kapiian<br />
of Portero voert, maar in de Afdeeling Tala eigenlijk Makoeresi,<br />
in EU Toepason, en in Sapoelewah Manoemeten heet; deze wordt<br />
door den Kapala saniri als overbrenger zijner bevelen gebezigd.<br />
Vervolgens is in elke afdeeling een PoJion bandera of Saè'r oewé<br />
(vlaggestok) en een Oedjoeng bandera of Saè'r hoehoeï (vlaggespits),<br />
waarschijnlijk aanvoerders in den strijd. Eindelijk heeft men in<br />
elke negeri een (of meer) Makaseroe of Maoewen (priester), een<br />
0) De Tala ontlast zich in de Westzijde der Elpapoetih-baai; de Eli, bij<br />
de negeri van dien naam , in de Baai van Taroeno ; de Sapoeleivah , bij de<br />
negeri Noeniali, aan de Noordkust.
368<br />
Masaloö of Masola (handlanger der priesters), een Kakiai en een<br />
Maatita, van welke laatsten de ambtsbezigheden ons onbekend<br />
zijn. De kleeding, woningenen middelen van bestaan der Alfoeren<br />
van de Oeli-siwa zijn gelijk aan die op Boeroe; maar zij zijn<br />
een ruw en woest volk, dat met zijne Oostelijke naburen steeds<br />
in vijandschap leeft, en bij hetwelk de gewoonte van het koppensnellen<br />
nog in volle kracht is. Het aanzien van een man hangt<br />
grootendeels af van het aantal menschenhoofden, die hij heeft<br />
afgeslagen; dat van eene negeri, van het getal koppen, waarmede<br />
de baile'o (raadhuis) is versierd; geen man kan trouwen<br />
zoolang hij niet ten minste een kop heeft gesneld. Voorts bestaat<br />
onderhen een geheim genootschap, Kakian of Kakihan geheeten,<br />
van hetwelk ook Christenen en Mohammedanen leden zijn, doch<br />
waarvan de oorsprong en het doel nog niet met juistheid bekend<br />
zijn. Volgens sommigen zoude het opgerigt zijn ten tijde van de<br />
vernieling der specerij-boomen door de O. I. Compagnie, met<br />
het doel om de Europesche magt op Ceram te vernietigen ; volgens<br />
anderen is het eene reeds vroeger bestaan hebbende staatkundige<br />
inrigting in verband met de instellingen der Heidensche eerdienst,<br />
ten doel hebbende : vermeerdering van de magt der priesters<br />
over de bevolking, wering van allen vreemden invloed, onderdrukking<br />
van den gemeenen man, en in het algemeen de verdediging<br />
van de magt en de belangen der Oeli-siwa vooral ook<br />
tegen de Oeli-üma. De Kapala saniri's zijn als zoodanig hoofden<br />
van het kakian-vevboni, waarin overigens de Maoewens of Priesters<br />
de voornaamste rol spelen. Dezen vormen eenen Raad, den<br />
Maoewens-raad of het Maoewens-geregt, die zijne vergaderingen<br />
houdt in de kakian-\muen, welke bij elke negeri in het bosch<br />
gevonden worden, en eene soort van veemgerigt uitoefent over<br />
de leden van het verbond. De straffen , welke deze Raad oplegt,<br />
bestaan in boeten of de doodstraf, welke laatste altijd door<br />
sluipmoord wordt uitgevoerd; zij worden niet slechts toegepast<br />
op regtstreeksche vergrijpen tegen de instelling, maar ook tegen<br />
zoodanige daden, welke indirect den iuvloed van het verbond<br />
zouden kunnen benadeelen; zoo is voor eenige jaren de Regent<br />
van Waisamoe ter dood gebragt omdat hij op last van het Europeesch<br />
bestuur in zijne negeri de vaccine had ingevoerd zonder<br />
voorkennis van den Raad. De toetreding tot het verbond is<br />
verpligt voor alle mannen boven de 18 jaar; bij weigering
369<br />
wordt de onwillige vermoord. De inwijding geschiedt onder vele<br />
geheimzinnige en vreeswekkende ceremoniën in het kakian-hms<br />
ook wel roemak sétan (duivels-huis) genoemd. 0)—• Voorts is<br />
omtrent deze Alfoeren nog niet veel bekend. Zij zijn, even als op<br />
Boeroe, verdeeld in stammen, welke hier Soa heeten en onder<br />
een Stamhoofd, Kapala soa, staan, die somtijds tevens Negerilioofd<br />
is, doch wiens verhouding tot de boven vermelde autoriteiten<br />
ons niet duidelijk is gebleken. De wapenen zijn parangs<br />
(houwers); velen hebben ook geweren; kleine kanonnen zijn<br />
mede niet onbekend, doch schijnen meer artikelen van weelde<br />
dan van werkelijk gebruik te zijn. Veelwijverij is niet in zwang;<br />
echtbreuk en onkuischheid komen zelden voor en worden zwaar<br />
gestraft; een weduwnaar of weduwe kan niet hertrouwen zonder<br />
zich aan den haat en de wraakzucht van de familie van de of<br />
den overledene bloot te stellen. De man koopt de vrouw van hare<br />
ouders of bloedverwanten voor eenen bruidschat (karta), bestaande<br />
in borden, schotels, lijnwaden, gongs, geweren of kleine kanonnen,<br />
wier aantal verschilt naar gelang van den stand der bruid;<br />
indien hij dien bruidschat niet terstond kan voldoen, blijft hij<br />
tot zoolang ondergeschikt aan de familie der vrouw. De begrafenissen<br />
schijnen op soortgelijke wijze plaats te hebben als bij de<br />
Alfoeren in de Minakassa (bl. 192), behalve dat in plaats van een<br />
steenen pot eene mand gebruikt wordt. ( 2<br />
) Onderlinge verbindtenissen<br />
worden gesloten met eedzwering, waarbij de partijen<br />
arak met hun bloed vermengd drinken (minoem soempakan, den<br />
eed drinken). Hunne godsdienst-begrippen zijn nog zeer duister;<br />
zij erkennen een hooger wezen, dat alles geschapen heeft, en ook<br />
eenen sétan (duivel), die bij de inwijding in het kakian-verbond<br />
eene hoofdrol speelt; ook gelooven zij aan eene plaats na den<br />
dood, kerat*?) genaamd, waar het goede beloond en het kwade<br />
gestraft wordt, en waar b.v. de echtbreker eeuwig den echtgenoot<br />
van zijne medeschuldige op de schouders zal dragen. ( 4<br />
)<br />
(') Men zie verder over dit verbond : Koloniale jaarboeken, 18Go, bl. 07;<br />
llededeelingen van wege het Nederl. Zendelinggenootschap, D'.V, bl. 518;<br />
iyischr. v. Neêri. Indië, 1843. D'. 11, bl. 25.<br />
{•) Tijdsehr. v. Neérl. Indië. 1843. Dl. II, bl. 68.<br />
( 3<br />
) Misschien eene verbastering van het Arabische achirat, toekomend leven.<br />
( 4<br />
) De meeste van deze bijzonderheden zijn ontleend aan de Bijdragen van<br />
het Instituut voor taal-, land-en volkenk. Nieuwe volgreeks, Dl. I, bl. 80.<br />
II. 24
370<br />
De Oeli-lima of Pata-lima, die Elpapoelih en verder het Oostelijke<br />
gedeelte des eilands bewonen, zijn veel minder ruw dan<br />
hunne Westelijke naburen; het koppensnellen is bij hen niet in<br />
gebruik, dan alleen in zooverre dat de in den oorlog krijgsgevangen<br />
gemaakte vijanden onmiddellijk worden onthoofd, en<br />
hunne hoofden als zegeteekenen medegevoerd en in de bailéo te<br />
pronk gesteld. Omtrent de Alfoersehe bevolking van Oostelijk<br />
Ceram zijn belangrijke berigten medegedeeld door den Heer<br />
WILLEK O, aan wien wij hoofdzakelijk het volgende ontleenen.<br />
De veelwijverij is bij hen geoorloofd, doeh komt alleen bij de<br />
aanzienlijken voor, die dan nog zelden meer dan twee vrouwen<br />
hebben. De vrouw, die altijd tot een anderen stam moet behooren<br />
dan de man, wordt van haren vader gekocht voor een volgens<br />
haren rang bij tarief bepaald getal voorwerpen, bestaande in<br />
borden, schotels, gongs en stukken lijnwaad. De koopprijs kan<br />
echter geheel of gedeeltelijk later worden afgedaan; de sluiting<br />
van het huwelijk bestaat alleen in het voldoen van dien prijs<br />
of de erkenning van die schuld. Eene weduwe mag hertrouwen<br />
met den naasten bloedverwant van haar overleden man, zonder<br />
dat hij daarvoor een bruidschat betaalt. Man en vrouw verrigten<br />
allen arbeid gezamenlijk, doch het zware werk rust op den man.<br />
Bij overlijden van een gehuwd man met kinderen, komt de<br />
nalatenschap aan zijne weduwe en wordt bij haren dood onder de<br />
kinderen verdeeld; bij overlijden van een gehuwd man zonder<br />
kinderen, komt zijne nalatenschap voor de helft aan de weduwe<br />
en voor de andere helft aan zijne bloedverwanten ; bij overlijden<br />
van een ongehuwd man komt zijne nalatenschap aan zijne<br />
ouders of, bij vóór-overlijden van dezen, aan zijnen naasten<br />
mannelijken bloedverwant.<br />
Wat hunne godsdienst-begrippen betreft: zij gelooven aan<br />
de onsterfelijkheid der ziel (misschien juister : aan een volgend<br />
leven) Olonian, en aan een Opperwezen, Opa Tala Pottoa ge<br />
naamd, dat alles geschapen heeft en onderhoudt, en het goede<br />
beloont en het kwade straft hetzij in dit of het volgend leven,<br />
maar waaraan zij echter geene vereering toebrengen. Voorts<br />
s t e<br />
(') Uil den i " Jaargang van het Indisch Archief overgenomen in het<br />
werk: Hel eiland Boeroe, zijne exploilalie enz. Deze berigten betreffen<br />
wel bepaaldelijk de Alfoeren van de Afdeeling Wahuai, maar kunnen ook met<br />
vrij groote zekerheid op de overigen worden toegepast.
371<br />
erkennen zij eene menigte goede en booze geesten, wier gunst<br />
zij zoeken te verwerven of wier vijandschap zij trachten af te<br />
weren door allerlei bezweringen en andere ceremoniën. Priesters<br />
hebben zij niet, doch wel geesten-bezweerders, die tevens geneesheeren<br />
zijn en So-oe-So-oe genoemd worden; dezen verrigten<br />
hunne kunsten in huisjes, Loema Pamakahala genaamd.<br />
Zij zijn verdeeld in stammen, hier IJ'au geheeten, welke geen<br />
algemeen Opperhoofd schijnen te hebben. De I/an zijn verdeeld<br />
over Amatti's of landschappen, die weder uit een aantal Lofioki's<br />
of gehuchten bestaan. Het is niet geoorloofd uit de eene Amani<br />
in de andere over te gaan; in eene vreemde Lohoki mag men<br />
zich tijdelijk ophouden, zoolang men niet door zijn wettig Hoofd<br />
wordt opgeëischt. Het bestuur berust bij eenen Latoe of Opperhoofd<br />
der Amani, de Makahitia's of Gehuehtshoofden, en den<br />
Malési door Maleijers en Europeanen veelal Kapitan genaamd.<br />
Deze personen met eenige afgevaardigden uit het volk vormen<br />
den Toetoe' hapi-Jiapi of Raad, die de algemeene belangen der<br />
Amani behartigt en zijne vergaderingen houdt in een daartoe<br />
bestemd gebouw, Lofoa-ira genaamd. Waar de Alfoeren meer<br />
of minder aan de Mohammedaansehe strandbewoners onderworpen<br />
zijn, is de Radja, Patik, Sengadji of Orang Kaja van dezen tevens<br />
Kamal ten opzigte van de eerstgenoemden (zie bl. 367) en geniet<br />
als zoodanig 12 pC 4<br />
. van den geheelen sago-oogst. De bijzondere<br />
betrekking van den Latoe is de volgende : Hij bestuurt de Amani<br />
in haar geheel en zijne eigene Lohoki in het bijzonder; hij regelt<br />
de zaken van oorlog en vrede, z<strong>org</strong>t voor de vervaardiging van<br />
wapenen, voor de verdediging en versterking der Lohoki's, voor<br />
de openbare veiligheid, voor de regtsbedeeling, en voor de regeling<br />
der werkzaamheden en de verdeeling van den sago-oogst; hij<br />
heeft het opperbeleid over elke krijgs-onderneming, z<strong>org</strong>t dat<br />
ieder man ten minste met eene lans, boog en pijlen gewapend<br />
is, en verstrekt voor krijgstogten levensmiddelen aan hen, die<br />
daartoe zeiven onvermogend zijn; na eene overwinning moet hij<br />
een groot feest (Kariapotloa) aanrigten, waarbij de buit gemaakte<br />
koppen worden ten toon gesteld; hiervoor kan hij echter van de<br />
ingezetenen eene te gemoetkoming in eetwaren en lijnwaden<br />
vorderen. Geldelijke inkomsten heeft de Latoe niet; doeh hij geniet<br />
ruim 6 pC l<br />
. van den geheelen sago-oogst, en kan de bevolking<br />
voor vier of vijf dagen oproepen tot de ontginning zijner tuinen
373<br />
en den bouw of de herstelling van zijne woning. Wanneer de<br />
Kamal- hetzij op eigen gezag of op last van de Nederlandsche<br />
overheid aan de Amani eenigen arbeid oplegt, kan de Latoe daarvoor<br />
de geheele bevolking in het werk stellen.— De Makahitia<br />
of het Gehuchtshoofd brengt de bevelen van den Latoe aan zijne<br />
Lohoki over en z<strong>org</strong>t voor hunne uitvoering; hij beslist in kleine<br />
geschillen, en regelt de werkzaamheden van zijne onderhoorigen<br />
in de sago-bosschen; ook is hij de vertrouwde zendeling van den<br />
Latoe bij den Kamal en elders. Hij geniet 3 pC l<br />
. van den sagooogst<br />
en mag over tien personen beschikken voor de bearbeiding<br />
van zijne velden en den opbouw zijner woning.— De Malési,<br />
die dezelfde voordeelen geniet als de Makahitia, is vooreerst<br />
Dorpswachter, en moet minstens om de tien dagen de ronde doen<br />
door de geheele Amani om te onderzoeken of er ook koppensnellers,<br />
verspieders of ander onraad te ontwaren zijn; ten tweede<br />
is hij wigchelaar en moet uit den stand der sterren, de vlugl<br />
der vogels en andere voorteekenen, de meer of minder gunstige<br />
kansen eener onderneming voorspellen; en ten derde is hij ook<br />
voorvechter en moet de strijders naar de door den Latoe aangewezene<br />
plaatsen aanvoeren en hen door gezang, dans en voorbeeld<br />
tot dapperheid aansporen.— Deze drie betrekkingen gaan bij<br />
erfopvolging van den vader op den oudsten zoon over; bij ontstentenis<br />
of ligchamelijke ongeschiktheid van den zoon, wordt<br />
de opvolger door de gezamenlijke mannelijke bevolking gekozen;<br />
de gekozene moet echter altijd tot dezelfde Ifan behooren als zijn<br />
vo<strong>org</strong>anger. Een Makahitia of Malési zoude alleen kunnen ontslagen<br />
worden door den Latoe op eenparig verlangen der ingezetenen<br />
; voor het ontslag van eenen Latoe zoude daarenboven<br />
de tusschenkomst van den Kamal of van de Europesche autoriteit<br />
noodig zijn.<br />
De gewone burgers, de Makahitia's en de Malési's staan wegens<br />
misdrijven, als diefstal, overspel, enz. te regt voor den Toewé<br />
hapi-hapi in de Lofoa-ira (bl. 371); de Latoe kan alleen worden<br />
aangeklaagd bij den Kamal, wiens beslissing de bekrachtiging<br />
van de Europesche autoriteit behoeft. De straffen bestaan alleen<br />
in rottingslagen, bij diefstal met vergoeding van het gestolene,<br />
en bij overspel met vergoeding van den koopprijs der vrouw aan<br />
den beleedigden echtgenoot en. gedwongen huwelijk der beide<br />
schuldigen.
373<br />
* Het grondgebied eener Amani heet Séhoe na oemna, en wordt<br />
onderscheiden in: Oelai kalolannia, of woeste en onbewoonbare<br />
gronden; Soma, of wilde sago-bosschen; Soa-ira, of groote<br />
aangeplante sago-bosschen; Ipia-raoehéna, of kleine aangeplante<br />
sago-bosschen j JFakana, of akkers voor boom- en veldvruchten ;<br />
en de grond, waarop de LoJioki is gebouwd. Deze laatste wordt<br />
beschouwd als eigendom van het dorp of gehucht, dat daarop<br />
staat; al de overige grond is gemeenschappelijk eigendom der<br />
Amani en niet tusschen dc Lohoki's verdeeld. In de Oelai kalolannia's<br />
mag ieder lid der Amani jagen en inzamelen zooveel hij<br />
verkiest zonder eenige controle; in de Soma's wordt de arbeid<br />
door den Makahitia geregeld; groote en kleine sago-bosschen<br />
mag elk aanplanten naar goedvinden, hij krijgt daardoor echter<br />
alleen regt van eigendom op het gewas niet op den grond; voor<br />
de keus van den grond om eene Wakana aan te leggen behoeft<br />
men de toestemming van den Latoe, en ook hier geldt het bezit<br />
niet den grond maar alleen de producten.<br />
Behalve de sago, waarvan zij ongeveer 25 pCA aan de gezamenlijke<br />
Hoofden moeten afstaan (bl. 371 en 372), zijn de<br />
voornaamste voortbrengselen der Alfoeren djagoeng, aardvruchten,<br />
rijst, suikerriet en tabak; ook vervaardigen zij uit zeewater eene<br />
slechte soort van zout. Hun landbouw is zeer gebrekkig; ploeg<br />
en spade zijn hun onbekend; boomen en struiken worden slechts<br />
omgekapt of afgebrand, en daarna de zaadkorrels of plantjes<br />
in den verder niet toebereiden grond gestoken. De jagt op wilde<br />
zwijnen en herten maakt voorts een belangrijk gedeelte van hun<br />
bestaan uit.<br />
DERDE HOOFDSTUK. '<br />
DE RESIDENTIE BANDA,<br />
\ 1. Ligging, bestanddeelen en grootte dezer Eesidentie.<br />
De Residentie Banda ligt wijd uit elkander verspreid tusschen<br />
Nieuw Guinea ten Oosten, Ceram ten Noorden, Celébes op grooten<br />
afstand ten Westen, en Timor en Nieuw Holland ten Zuiden.<br />
Zij strekt zich uit tusschen 3° 34' (op de Zuidkust van Ceram)<br />
tot 8° 23' Z.B. (de Zuidpunt van Timor laut) en 125° 40'
374<br />
(P. Kambing ten Noorden van Timor) tot 134° 55' O.L. (Jamboeai,<br />
het Oostelijkste der Aroc-eilanden).<br />
Tot de Eesidentie Banda behooren, behalve het op bl. 362<br />
en 364 vermelde gedeelte van Ceram, de volgende eilanden<br />
groepen :<br />
1°. De eigenlijke Banda-eilanden, zijnde: Neira of Klein<br />
Banda, Lontor (Lontlioir) of Groot Banda. Goenoeng Api, Ai<br />
of Wai, Run, Rosengain, Pisang, Kapal, Kraka of Vrouwen<br />
eiland en Swangi.<br />
2°. De Ceram-laut-eilanden, zijnde: Keffing, Keloe, Gisser,<br />
Kilwaroe, Ceram-laut, Maar, Keffar of Kivar. Mesingarai, Sesifi,<br />
Kisau of Kidan, Kenoli, Nedi of Nedin, Loekon of Kon, Gerogas,<br />
Nokas of KoJion en Marloe.<br />
3°. De Goram-eilanden, zijnde: Goram, Soeroeaki of P. Pan-<br />
djang, ook P.Magit genoemd, cn Manawoko of Manavolka.<br />
4°. De Matabela-eilanden, zijnde: Igar, Matabela, Kesoeï of<br />
Kissoewi, Baliam besar, Baham ketjil, Koeroekaf, Teor en Tengger.<br />
De drie laatstgenoemde groepen worden gezamenlijk de Zuid-<br />
Oosler-eilanden genoemd; ook de drie volgende groepen worden<br />
somtijds nog onder dezen naam begrepen.<br />
5°. De Kei- of Keli-eilanden, zijnde: Groot Kei, waaronder<br />
behooren Bjan, Nohajani. Aranlio, Noesolan, Karihoe, Boriën,<br />
Kroet. Noeliowoe en Arang; Klein Kei, waaronder Boela laut,<br />
Romadang, Bandong, Branan, Maas, Mewasoema, Bajer, Klaar,<br />
Noelioemeo, Krgodan, Eodir. Oet, Oebor, Naaf, Fair, Kraing,<br />
Waiteloet, Naiamoet, Varkikon, Tangoain, Warlioe, Waktokmaas<br />
en eenige kleinere eilandjes; voorts Kalamel, Booi, Kauwer en<br />
Kei-Halwoekan. Verder nog de Tianda- of Kei-anJo-groep, be<br />
staande uit Tianda, Faam, Walir, Hiniar, Noesereen, Raè' ketjil,<br />
Raë besar en Nunja. 0)<br />
6°. De Kei-Tenimber- of Ketimber-eilanden. ook wel de<br />
Verdoolde eilanden genoemd, zijnde Kei-Tenimber of Ketimber,<br />
Wetter, Falir en Moessa. Zij komen op de Kaarten van MELVILL<br />
(>) De opgave van deze groep is geheel volgens BOSSCHER, Tijdsehr. voor<br />
Ind. taal-, land- en volkenkunde, D'. IV, bl. 25 en BLEEKER, D'. 11, bl. 290.<br />
Op de Kaarten van MELVILL komen slechts weinige van deze eilanden voor,<br />
en gedeeltelijk met geheel andere namen; namelijk : Groot Kei. Klein Kei,<br />
Kei-Watella, Oeber, Oed, Hodin, Ergodang, Doela laut, Bandong, Tiando,<br />
Kanaloor, Onelin, Ta, Dol, Kandar, Skal, Boen, en eenige ongenoemde.
375<br />
en GKEGORY niet voor doch liggen ten Zuid-Westen der Ke\<br />
eilanden.<br />
7. De Aroe-eilanden, zijnde: Wassir, Oedjir of Woedjir oc<br />
Wadjir genoemd, Wokam, Wammer, Babi, Maikor, Trangar<br />
Krei, Ngor-Ngor, Bjeh of BjeJia, Maar, Jaoedi, Workai, Kobi<br />
Kola, Kobroor of Kabroor, Jamboeai, Penamboelai of Ponambolot<br />
Lolla, Meriri, Wallelei, Komfane. Jedan, Poba. Noba, Wari<br />
hoe, Koelor, Boemaar, Swangi, Parakan, Bamboe, Merang, c<br />
andere.<br />
8°. De Tenimber- of Timor-laut-eilanden, zijnde: Fordati<br />
Larat, Sejrah, Timor-laut, Seloe, Moeroefroean, Ij en, Soekelej<br />
Boeriaroe, Moessaioaior, Labobar, Adaut, enz. I 1<br />
)<br />
9°. De Zuid-Wester-eilanden, ook wel de Kleine Oost genoemi<br />
bestaande uit: a. De Babber-groep, zijnde de eilanden: Babbe.<br />
Wetan, Marsela , Baweloor of Batoelora, Baioelaar of Bawert<br />
en Baai. b. De Sermatta- of Sermattan-groep. zijnde: Sermatü<br />
Klappa, Loeang, Kenan, Melawarang, Leakor, jFiata, Menolawi<br />
ea Oepersooi. c. De Letli-groep, zijnde: Laikor of Leileor, Mot<br />
Lelti en Kisser. d. De Weiter-groep, zijnde: Wetter, Babi, Andjh<br />
en KambingP). e. De Romarjroep, zijnde : Roma, Noesanoe,<br />
of Mitta^Jaia of Noesiate fllapora of Motara, Bati, Pasir c<br />
KoesakitlqJ^f. De Bamme-groep, zijnde: Bamme, Lehor, Leh<br />
ketjil, Nera en Nelor. g. De tusschen laatstgenoemde groep e<br />
de Banda-eilanden ver uit elkander liggende eilanden : Tiouw<br />
Teon, Nila, twee Seroea-eilanden en P.Manoek of P.Boeroei<br />
(Vogel-eiland).<br />
10. De zes Schildpad-eilanden, de zes Lucipara-eilanden, e<br />
Goenoeng Api.<br />
Volgens de op bl. 314 medegedeelde opgave zoude de gezame<br />
lijke grootte van deze eilanden ruim 356 • mijlen bedrage<br />
O Volgens BLEEKER, t. a.p. Volgens de Kaart van MELVILL zijn de eiland<br />
van deze groep, van het Noorden af: Molo, Maroe, Sabobar, P. Lima, Vi<br />
date, Maling, Pandjang, Larat, Timor-laut, Kasoewoe, Oeniuri, Selo<br />
hroeroe, Luwantoeba, Sejrah, Mollen, Adaut, Laonara, en verscheide<br />
ongenoemde; zoodat in deze twee opgaven alleen de namen van de voornaams<br />
eilanden overeenkomen.<br />
i 2<br />
) Hoewel P. Kambing geographisch tot de Weller-groep schijnt te t<br />
hooren, wordt het echter staalkundig tot Noordelijk Timor gerekend en is 1<br />
zoodanig eene bezitting van Portugal, volgens de overeenkomst in 1859 n<br />
dat Rijk gesloten. Zie daarover verder hierachter bij de Zesde Hoofdgroep.
376<br />
De geheele Residentie, met inbegrip van het Zuid-Oostelijke gedeeltevan<br />
Ceram, wordt door MELVILL gesteld op 411.3 • mijlen! 1<br />
).<br />
Deze opgave is echter bij de zeer geringe kennis, welke wij<br />
van velen van deze eilanden bezitten, zeker niet naauwkeurig<br />
te achten.<br />
Omtrent de totale sterkte der bevolking zie men bl. 324.<br />
Voorts is thans ook de Zuidkust van Nieuw Guinea, van omstreeks<br />
133° tot 141° O.L., met de daar langs liggende eilanden,<br />
administratief onder de Residentie Banda gebragt. Dit eiland zal<br />
echter in zijn geheel behandeld worden bij de Residentie Ternate.<br />
§ 2. De Banda-eilanden.<br />
Algemeen overzigt van de ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />
voortbrengselen en bevolking van deze groep.<br />
De Banda-eilanden, ongeveer 15 mijlen ten Zuiden van Ceram<br />
in de Banda-zee gelegen en te zamen nog geene vierkante mijl<br />
groot, zijn slechts een geringen afstand van elkander verwijderd;<br />
de drie voornaamste, Lontor, Neira en Goenoeng Api liergen in<br />
elkanders onmiddellijke nabijheid, op 130° O.L. en 4° 32' Z.B.<br />
De Oostmoeson, van Mei tot November, brengt regen en storm<br />
aan; de Westmoeson , van December tot April, is de drooge tijd,<br />
doch wordt ook door regenvlagen afgewisseld; in de kentermaanden<br />
April en November zijn wind en weder zeer veranderlijk.<br />
Alle deze eilanden zijn van vulkanische formatie en aan veelvuldige<br />
en somtijds geweldige aardbevingen onderhevig, waarvan<br />
in deze eeuw die van 1811,1816 en 1852 de sterksten zijn geweest.<br />
Zij maken te zamen het overblijfsel uit van één kolossaal vulkaansysteem,<br />
dat eene groote overeenkomst heeft met het Tenggergebergte<br />
op Java (D 1<br />
.1, bl. 172), waarvan het in de hoofdtrekken<br />
alleen verschilt door de mindere hoogte, waartoe zich hier het gebergte<br />
van den bodem der zee heeft opgeheven l 2<br />
). Het halfkringvormige<br />
Lontor met zijne Noordelijke voortzettingen P. Pisang<br />
en P.Kapal maakt een gedeelte van den ouden kratermuur uit,<br />
wiens Noord-Westelijke- helft weder in de diepte is verzonken;<br />
Goenoeng Api is de Javasche Brdmd, die zich met Neira en<br />
(') Statistieke Kaart in tiet Tijdschr. voor Neêrl. Indië, 1849, Dl.II.<br />
(-) Men zie hierover vooral de Reis van BLEEKER, D'. 11, bl. 234.
377<br />
P. Kraka verheft uit den ouden kraterbodem (de Basar van den<br />
G.Tengger), welke hier ten gevolge van zijne mindere hoogte<br />
door de zee is bedekt en nu tusschen Goenoeng Api en Neira het<br />
smalle en ondiepe Zonnegat, tusschen Goenoeng Api en Lontor<br />
bet Oostergat of Gat van Staman (Celamme) ook Gat van Neira<br />
genoemd, vormt. De eilandjes Rosengain en Ai benevens de iets<br />
verder verwijderde Run en Swangi behooren door hunne ligging,<br />
hoewel die buiten den eigenlijken kratermuur is, blijkbaar tot<br />
hetzelfde bergstelsel. De menigvuldige uitbarstingen van den<br />
thans nog werkenden Goenoeng Api, en vroeger ook welligt van<br />
andere kraters, hebben de oppervlakte der eilanden met vulkanisch<br />
zand en asch bedekt en ook den bodem der zee in de nabijheid<br />
van die kraters opgehoogd. In deze minst diepe gedeelten der<br />
boven genoemde Gaten of Straten, en ook elders rondom de<br />
Banda-eilanden waar de kusten niet al te steil tot op groote<br />
diepte afdalen, hebben zich koraal-polypen gevestigd en riffen<br />
gevormd, die op sommige plaatsen, b.v. aan den Westelijken<br />
ingang van het Gat van Lontor en den Zuidelijken van het<br />
Zonnegat, slechts een smal vaarwater overlaten.<br />
Schoon alle eilanden met bergen en heuvelen bezet zijn, bereiken<br />
deze nergens eene belangrijke hoogte. De voornaamste<br />
toppen zijn: de Goenoeng Api, op het eiland van dien naam<br />
(± 2000 v*.) ; de G.Bandeira of Papenberg, in het Noord-Westen<br />
van Neira (+ 600 v*.); de G. Bandeira, in het midden van het<br />
Noord-Oostelijke gedeelte van Lontor (± 1400 v'.); een andere<br />
G. Bandeira, aan de Noordkust van hetzelfde eiland tegenover<br />
Goenoeng Api (±750 v*.); en een ongenoemde top in het Noorden<br />
van hetzelfde eiland (+ 800 v'.).<br />
Stroomende wateren van eenige beteekenis worden nergens<br />
aangetroffen, daar de zandachtige grond den regen zeer spoedig<br />
inzwelgt. Het drinkwater verschaft men zich uit putten, welke<br />
dikwijls slecht water opleveren.<br />
Behalve voor muskaatnoten-boomen, die welig groeijen en<br />
wier cultuur ook bijna allen bebouwbaren grond heeft ingenomen,<br />
is de geschiktheid van den bodem voor het aankweeken van<br />
andere gewassen niet zeer groot. Goenoeng Api, waar geene<br />
muskaatnoten gekweekt worden, heeft aan de kusten kokoshoornen<br />
en hooger Casuarinen en varens; de andere eilanden<br />
hebben meer pandanus- en varen-soorten. Op Rosengain zijn van
378<br />
Gouvernementswege $«tó-aanplantingen ondernomen, die in<br />
1860 ruim 33330 boomen telden. Voorts heeft men hier en daar<br />
vruehtboomen, eenige groenten en een weinig sago; maar de<br />
meeste voedingsmiddelen worden van elders, de rijst vooral van<br />
Amboina (Ceram) en Java, de sago van Ceram aangevoerd. Het<br />
voornaamste en zeer belangrijke voortbrengsel van het plantenrijk<br />
zijn de muskaatnoten, welke worden aangekweekt op de<br />
eilanden Neira, Lontor en Ai. die daartoe in 34 plantaadjes,<br />
perken genaamd, verdeeld zijn. Deze perken, wier eigenaars<br />
perkeniers worden genoemd, en waarin ook de perkgebouicen,<br />
(dat zijn de woningen der perkeniers en der arbeiders, de rookhuizen,<br />
schuren, enz.) staan, behooren aan Europeanen of hunne<br />
afstammelingen; de arbeid daarin, die onder de O. I. Compagnie<br />
doorperkslaven later door perkhoorigen (hetgeen slechts een andere<br />
naam voor dezelfde zaak was) en Gouverncments-ballingen of tot<br />
dwangarbeid veroordeelden werd verrigt, geschiedt sedert 1860<br />
behalve door de laatstgenoemden door vrije arbeiders, die op<br />
Java, de Zuid-W'ester'-eilanden en elders worden aangeworven.<br />
Zij genieten voor Gouvernements-rekening een handgeld van<br />
ƒ12 voor elk jaar, waarvoor zij zich verbinden, en een loon van<br />
ƒ 2 's maands; terwijl de perkeniers aan alle arbeiders woning,<br />
kleeding, rijst en zout moeten verstrekken. De muskaatnootboom<br />
bereikt eene hoogte van 40 tot 50 v*, en wordt, daar hij<br />
schaduw behoeft, tusschen de nog hoogere faian'-boomen geplant;<br />
hij draagt van zijn achtste tot zijn veertigste jaar vruchten,<br />
en wel het geheele jaar door, doch de voornaamste oogsten hebben<br />
plaats in Augustus en November of December. Onder de buitenschil<br />
der noot zit de foelie als een vezelachtig netwerk over den<br />
binnenbolster; na het wegnemen der foelie wordt de noot boven<br />
rookend vuur gedroogd, dan ontbolsterd, vervolgens in kalkwater<br />
gedompeld en na weder gedroogd te zijn ter verzending in vaten<br />
gekuipt. Van de gebroken noten wordt notenzeep bereid. De<br />
perkeniers zijn verpligt hun geheelen oogst aan het Gouvernement<br />
te leveren tegen vastgestelde prijzen ; vóór 1859 waren die prijzen<br />
s t e<br />
per Amst. pond voor de noten: l soort 16 duiten, 2 4e<br />
soort<br />
6 duiten, 3 de<br />
B t e<br />
soort 4 duiten; en voor de foelie: l soort gemiddeld<br />
42 duiten, 2 de<br />
soort 21 duiten; doch in dat jaar zijn die<br />
prijzen gebragt, voor de noten op 21.7 en 4 1<br />
/», en voor de foelie<br />
op 48 1<br />
/; en 24 duiten. Sedert dien tijd breidt de cultuur zich.
379<br />
meer en meer uit; het getal boomen bedroeg op het einde van<br />
1860 reeds 349268, met eene opbrengst van 1072765 pond<br />
noten en 275586 pond foelie, tegen 349105 boomen met eene<br />
opbrengst van 832634 pond noten en 215465 pond foelie in het<br />
jaar 1859.<br />
Het dierenrijk levert op de Banda-eilanden. voor zooverre<br />
bekendis, weinig belangrijks op. Herten en wilde zwijnen zijn<br />
de grootste viervoetige dieren en komen alleen op Lontor voor.<br />
Verder vindt men er weinige slangen, vledermuizen, ratten,<br />
enz.; en van de vogels vooral papegaaijen, uilen en duiven, en<br />
onder deze laatsten de zoogenaamde Noten-eters (Manoek falor,<br />
Columba cenea), die de muskaatnoten geheel doorzwelgen en<br />
onverteerd weder ontlasten en zoodoende de voortplanting der<br />
boomen bevorderen. De visschen, schaaldieren en insecten dezer<br />
eilanden zijn nog weinig bekend; alleen BLEEKER heeft daaromtrent<br />
eenige wetenschappelijke mededeelingen gedaan. De<br />
tamme dieren waren in 1860 slechts 28 paarden, 328 runderen,<br />
238 geiten, 258 schapen en 121 varkens, verdeeld over de<br />
eilanden Neira, Lontor, Ai en Rosengain; ook hoenders zijn er<br />
zeer schaarsch. Vleesch is er dus slechts zelden te bekomen, en<br />
de levensmiddelen, die nagenoeg allen van elders moeten worden<br />
aangevoerd, zijn in het algemeen zeer duur.<br />
Van het delfstoffenrijk, dat waarschijnlijk onbelangrijk is, is<br />
niets bekend.<br />
Alleen de eilanden Neira, Lontor, Ai en Rosengain zijn op<br />
den duur bewoond. Langs de Oostkust van Goenoeng Api vindt<br />
men moestuinen of andere aanplantingen van ingezetenen van<br />
Neira, met kleine woningen, waar zij of hunne onderhoorigen<br />
zich somtijds tijdelijk ophouden. P. Pisang strekt tot verblijf aan<br />
de melaatschen van de Banda-eilanden, die daar onder toezigt<br />
van eenen Opzigter worden verpleegd. De eilanden Kapal, Kraka<br />
en Swangi, die slechts begroeide rotstoppen zijn, en het iets<br />
grootere Run, zijn allen onbewoond. Deze bevolking was volgens<br />
het Regeringsverslag over 1860 in dat jaar sterk :<br />
524 Europeanen,<br />
127 Chinezen,<br />
8 Arabieren,<br />
5612 Inlanders,<br />
te zamen 6271 zielen.
380<br />
Volgens BLEEKER was zij op liet einde van 1854 nagenoegeven<br />
sterk, namelijk 6333 zielen, van welke 3201 op Neira,<br />
2504 op Lontor, 529 op Ai, 88 op Rosengain en 11 op Pisang;<br />
hiervan waren 484 Europeanen en mestiezen, 800 Inlandsehe<br />
Christenen, en 145 Chinezen.<br />
De Europeanen van het Regeringsverslag zijn, behalve de<br />
Ambtenaren, voor verre het grootste gedeelte kleurlingen, en<br />
wel reeds sedert verscheidene geslachten; met de perkeniers is dit<br />
nagenoeg zonder uitzondering het geval. Zij zijn Christenen doch<br />
worden, behoudens enkele loffelijke uitzonderingen, beschreven<br />
als traag, z<strong>org</strong>eloos, verkwistend, verslaafd aan drank en spel,<br />
en bekrompen van geestvermogens. Daar zij uit trots op hunne<br />
Europesche afkomst, allen arbeid in dienst van anderen beneden<br />
zich achten, en ook te lui zijn om aan vischvangst, tuinbouw, enz.<br />
meer te doen dan volstrekt noodig is om in hunne oogeublikke-<br />
lijke behoeften te voorzien, leven de meesten in armoede; ook<br />
de perkeniers zouden door meer ijver en beter overleg eene veel<br />
grootere mate van welvaart kunnen genieten dan werkelijk het<br />
geval is.<br />
De Chinezen zijn de industriëelen van deze eilanden, en hebben<br />
den geheelen kleinhandel in handen; terwijl de Boeginezen zich<br />
van den handel in de producten der Zuid-Ooster- en Zuid-fFester-<br />
eïlanden hebben meester gemaakt.<br />
De Inlandsehe bevolking, die, gelijk uit de boven medege<br />
deelde opgaven blijkt, in den laatsten tijd weinig in getalsterkte<br />
veranderd en ook reeds in het begin der 18 ae<br />
eeuw bijna even<br />
groot was O, bedroeg toen de Nederlanders het eerst deze eilanden<br />
bezochten minstens 15000 zielen, die in talrijke welvarende<br />
dorpen vooral op Lontor verspreid waren. In haar verzet tegen de<br />
overweldiging en het monopolie-stelsel van de O. I. Compagnie<br />
(zie D 1<br />
. I, bl. 12, 14 en 16) is deze oorspronkelijke bevolking<br />
geheel ten onder gegaan, deels vernietigd deels naar de Zuid-<br />
Ooster- en andere eilanden uitgeweken, zoodat er van haar weinig<br />
of geene sporen meer te ontdekken zijn. Zij is langzamerhand<br />
vervangen door een zeer gemengd ras van afstammelingen van<br />
verschillende Europesche natiën en oorspronkelijke Bandanezen,<br />
Timorezen, Tenimber-eilanders, Cerammers, Tabellorezen en<br />
( l<br />
) Zie de Reis van BLEEKER, D'. II, bl. '24i.
381<br />
Galelaërs van Halmaheira's Oostkust, slaven (perkslaven of<br />
perkhoorigen en particuliere slaven) en bannelingen uit alle<br />
oorden van den Archipel, en in den laatsten tijd ook Javanen.<br />
Zij zijn deels Christenen deels Mohammedanen of Heidenen, en<br />
worden afgeschilderd als lui, trotsch, aanmatigend en bijgeloovig.<br />
De visscherij is bijna hun eenig bedrijf, en voor de opbrengst<br />
daarvan schaffen zij zich de benoodigde rijst en sago aan. Op<br />
handel of nijverheid leggen zij zich niet toe, en alleen in den<br />
uitersten nood begeven zij zich bij perkeniers of andere ingezetenen<br />
in dienst. Ook de meesten van do sedert 1860 vrij<br />
gewordene perkhoorigen verkiezen liever in armoede te leven<br />
dan zich door vrijwilligen arbeid in de perken een bestaan te<br />
verzekeren; zelfs het aanbod van een loon van 4-0 cents voor<br />
het plukken van elke 1000 noten, vrije woning op de perken,<br />
vrijstelling van schuttersdienst, en andere voordeden hebben hen<br />
daartoe niet kunnen overhalen. O<br />
De bevolking staat onder het bestuur der Nederlandsche<br />
autoriteiten, hoewel de inlandsehe kampongs of negeriën en ook<br />
de Chinezen hunne eigene Hoofden hebben. De diensten, waartoe<br />
zij jegens het Gouvernement verpligt is, bestaan voornamelijk<br />
in het medewerken tot den bouw en het onderhouden van Gou-<br />
vernements gebouwen en pakhuizen en het verrigten van schut<br />
tersdienst.<br />
Het eiland Neira.<br />
Neira of Banda Neira, ook wel eenvoudig Banda genoemd, is<br />
het hoofd-eiland van de groep en van de geheele Eesidentie, en<br />
als zoodanig de zetel van het Eesidentie-bestuur en den Baad van<br />
Justitie, die gevestigd zijn op de hoofdplaats Neira of Banda, de<br />
eenige negeri van het eiland. Deze strekt zich langs de Zuidkust<br />
uit, en beslaat met hare onderhoorigheden nagenoeg l<br />
/s gedeelte<br />
des eilands. Het Westelijke gedeelte der stad, aan het Zonnegat,<br />
bevat de Chinesche wijk , onder een Kapitein- en een Luitenant-<br />
Chinees en een Chinesehen wijkmeester. Ten Oosten hiervan ligt<br />
de Europesche wijk, bestaande uit twee nagenoeg evenwijdige<br />
straten door verscheidene dwarsstraten met elkander verbonden;<br />
de huizeu zijn meest van steen, doch veelal met «toegedekt; het<br />
Kesidentie-huis ligt in het midden van de Zuidelijkste straat met<br />
0) Regeringsverslag over 1860, bl. 152.
382<br />
het uitzigt op de kust. Het Oostelijke gedeelte der stad bevat het<br />
militaire kampement met officiers-woningen, kazernen en verdere<br />
gebouwen, en de thans niet bewapende sterkte Voorzigtigheid.<br />
Tusschen het Chinesche kamp en de Europesche wijk liggen de<br />
bewapende forten Nassau en Belgica, welke beiden reeds van het<br />
d e<br />
begin der 17 eeuw dagteekenen (Dl. 1, bl. 12). Het eerste,<br />
ook wel het Waterfort genoemd, eene vierhoekige van klipsteen<br />
gebouwde redoute met bastions, hoornwerk, bedekten weg en<br />
gracht, ligt aan de kust, bestrijkt den Zuidelijken ingang van<br />
het Zonnegat en beschermt de daaraan gelegene pakhuizen; ook<br />
de gebouwen binden het fort zijn gedeeltelijk tot pakhuizen<br />
ingerigt. Het andere -ligt een paar minuten gaans Noordelijker<br />
op een kleinen heuvel, en is een regelmatige steenen vijfhoek<br />
met torens op de hoeken en door een ringmuur met vijf bastions<br />
omgeven. Achter de Europesche wijk en het militaire kampement<br />
liggen de Inlandsehe kampongs of wijken Batoe, Batoe, Balawar<br />
en Moe, als mede het bannelings-kwartier. Men vindt voorts te<br />
Neira eene Hervormde kerk met een vasten Predikant, lagere<br />
scholen voor Europeanen en Christen-inlanders, eene wees-en<br />
boedelkamer, eene goede werf, een nieuw zeehoofd tot het lossen<br />
van goederen tegenover het Eesidentie-huis, en een ander van<br />
ouderen datum bij het fort Nassau; enz. Vlak achter de stad<br />
verheft zich de heuvel G. Menangis, aan wiens Zuidelijken voet<br />
het kerkhof ligt.<br />
Het overige gedeelte des eilands wordt ingenomen door de<br />
drie notenperken: Zevenbergen en Hersteller, dat het midden,<br />
Bang/co Batoe, dat het Noord-Oosten, en Lautakka, dat het<br />
Noord-Westen des eilands beslaat; in het laatstgenoemde perk<br />
ligt de G. Bandeira of Papenberg (bl. 377). Deze drie perken<br />
hadden in 1854 te zamen 32632 notenboomen.<br />
De handel, die gelijk boven gezegd is, alleen door vreemde<br />
lingen gedreven wordt, had in 1854 de volgende resultaten:<br />
VaartmgM^^ Waarde van den<br />
Europeesch getuigd. Inlandsch getuigd, in-en uitvoer.<br />
Aangekomen 25 206 .. ƒ267542<br />
Vertrokken 23 112 ƒ 31050<br />
I I
383<br />
Onder dezen uitvoer zijn natuurlijk de Gouvernements-specerijen<br />
niet begrepen, doch onder den invoer wèl de rijst en<br />
andere behoeften, die voor de voeding der perk-arbeiders en het<br />
dagelijksch gebruik der militairen, enz. benoodigd zijn. Die<br />
cijfers hebben betrekking op het jaar, waarin de vrijverklaring<br />
der haven is afgekondigd; deze kon dus daarop nog niet van<br />
invloed zijn maar zich eerst later, doen gevoelen. Uit vergelijking<br />
van den op bl. 322 over het jaar 1856 medegedeeiden staat blijkt<br />
dan ook dat werkelijk de invoer toen omstreeks ƒ 50000 hooger<br />
was, doch de uitvoer daarentegen ƒ10000 minder bedroeg; en<br />
inderdaad kan ook, niettegenstaande de vrijverklaring der haven,<br />
de handel bezwaarlijk eene hooge vlugt nemen zoolang het<br />
hoofd voortbrengsel dezer eilanden, de specerijen, door het Gouvernement<br />
gemonopoliseerd wordt.<br />
De militaire magt bedroeg in 1854 op Neira 10 Officieren en<br />
279 Onderofficieren en Manschappen. De schutterij der Banda-<br />
eilanden, waarvan echter het grootste gedeelte op Lontor en Ai<br />
gevestigd was, bestond uit drie kompagniën te zamen sterk<br />
480 man, deels met geweren deels met pieken gewapend, en<br />
staande onder bevel van eenen Kapitein en eenige Luitenants.<br />
Het eiland Lontor.<br />
Het eiland Lontor of Lontlioir, ook Banda Lontor, Groot<br />
Banda of Hoog Banda genoemd, is door het Oostergat van Neira<br />
en door het Gat van Lontor van Goenoeng Api geseheiden. Het is<br />
verdeeld in de drie Distrikten : Lontor, Voorwal en Aehterioal O;<br />
het eerste bevat het kleinste Westelijke gedeelte des eilands tot<br />
tegenover het Zonnegat; het tweede, de Noord- en Noord-<br />
Westkust; het derde de Zuid- en Oostkust. Het geheele eiland is<br />
aan de muskaatnoten-cultuur dienstbaar gemaakt; men vindt er<br />
25 perken, namelijk : in het Distrikt Lontor de perken: Simonwal,<br />
Weltevreden, Keli en Noorwegen (waarin de G. Bandeira ligt),<br />
(') Voorwal noemt men in de Molukken in het algemeen die zijde der<br />
eilanden waar do landingsplaatsen, of althans de voornaamste landingsplaatsen,<br />
der handelsvaartuigen zijn ; terwijl de tegenover gestelde zijde Achlerwal<br />
genoemd wordt. Zoo spreekt men ook van de Voorwals- en Achterwalstilanden<br />
van eene groep, b.v. van de Aroe-eilanden, naarmate zij liggen<br />
aan de zijde, die gewoonlijk door de handelaars bezocht wordt, of aan den<br />
tegenover gestelden kant.
384<br />
Takkermono O, Lakooi of Lakkoeï, Namoeloe, Bojauw, en Orang<br />
datang of Orontatie; in het Distrikt Voorwal de perken : Klein<br />
Waling, Groot Waling, Spanlje bij, Keizerstoren of Cay Tortorre,<br />
Kombir, Raning, Zoden inval en Boerang, welk laatste perk de<br />
smalle Noordpunt des eilands inneemt, die in Tandj. Boerang<br />
eindigt; in het Distrikt AcJtterwal de perken: Toetra, Lnst,<br />
Everts, Laoetang, Boetong, Babi mandi, Brie Gebroeders (waarin<br />
de G. Bandeira, de hoogste top van Lontor), Beneden-Benier<br />
en Boven-Bender. Deze 25 perken telden in 1854 te zamen<br />
319010 notenboomen.<br />
Van de vroeger talrijke dorpen op Lontor bestaan slechts drie<br />
overblijfselen, in de negeriën Lontor, Staman of Celamme, en<br />
Wajer.<br />
Lontor ligt aan de Noordkust van het perk Namoeloe aan het<br />
Zonnegat tegenover Goenoeng Api, gedeeltelijk op gedeeltelijk aan<br />
de helling van den ouden kratermuur (bl. 376). Een in dien<br />
muur uitgehouwen trap van ruim 300 treden leidt van de<br />
landingsplaats naar de negeri en de overblijfselen van het oude<br />
fort ILollandia. Er is eene Christenkerk, die ook voor school<br />
dient, waarin door eenen Amboneschen schoolmeester gebrekkig<br />
onderwijs wordt gegeven. Voorts zijn er het Gouvernementskantoor<br />
en de pakhuizen onder het toezigt van eenen Opziener.<br />
De bevolking bedraagt ruim 100 zielen; het Dorpshoofd voert<br />
den titel van Radja.<br />
Staman of Celamme ligt aan de Noord-Westkust aan het<br />
Zuidelijke uiteinde van het perk Boerang en aan het Oostergat<br />
of Staman's Gat. Het is een klein plaatsje met nog geen 100<br />
inwoners, die deels Christenen deels Mohammedanen zijn ; het<br />
Dorpshoofd heeft den titel van Orang Kaja.<br />
Wajer, een nog kleiner plaatsje, ligt aan de Oostkust des<br />
eilands in het perk Brie Gebroeders. Hier ligt tot bescherming van<br />
den Achterwal tegen de zeeroovers het fortje Concordia of Wajer,<br />
eene vierhoekige klipsteenen redoute met drie bastions en eene<br />
bezetting van ongeveer 12 man onder een Onderofficier. Het op<br />
Lontor gevestigde detachement der Bandasche schutterij (bl. 383)<br />
dient tot ondersteuning van deze kleine militaire magt.<br />
(') De Zuidelijkste punt des eilands in dit perk heet Tandj. Nama.
385<br />
Het eiland Goenoeng Api.<br />
Goenoeng Api, ten Westen van Neira en daarvan door liet<br />
smalle Zonnegat gescheiden, bestaat alleen uit den vulkaan, naar<br />
welken het den naam draagt. Het is een spitse kegelberg, wiens<br />
bovengedeelte van allen plantengroei is beroofd. De kratermond<br />
is aanmerkelijk beneden den top aan de Noord-Westzijde des<br />
bergs en stoot onafgebroken zware rookkolommen uit; ook elders<br />
stijgen somtijds uit verschillende spleten zwaveldampen op, zoodat<br />
de berg op vele plaatsen met zwavel is beslagen. De hevigste<br />
uitbarstingen in deze eeuw hadden plaats in de jaren 1820 en<br />
1824 O. Over de voortbrengselen van het lagere gedeelte en<br />
den voet des bergs zie men bl. 377 en 379.<br />
Aan de Noord-Oostzijde des eilands strekt zich een klein<br />
schier-eiland in het Zonnegat uit. Het is misschien eenmaal een<br />
afzonderlijk rots-eilandje geweest, dat door de werking der koraalpolypcn<br />
of door de uitwerpselen van den vulkaan met het hoofdeiland<br />
is verbonden, en draagt nog den naam van P. Oera.<br />
Dat Goenoeng Api geene vaste bevolking heeft is boven reeds<br />
opgemerkt^Aan de Zuidkust vindt men nog de overblijfsels van<br />
de fortjes Batoe Maloeloe en Kijk in de pot, die, met het tegenover<br />
het laatstgenoemde g.degene fort Eollandia op Lontor, den<br />
Westelijken ingang van het Gat van Lontor moesten dekken.<br />
Het eiland Ai.<br />
Ai of Wai, nagenoeg 2 mijlen ten Westen van Lontor en<br />
Goenoeng Api gelegen, is geheel aan de muskaatnoten-cultuur<br />
dienstbaar gemaakt en telt de zes perken Welvaren, Westklip,<br />
Weltevreden, Matalengko, Kleinzanden Verwachting, die in 1854<br />
te zamen 72931 boomen hadden. Er is een Opziener voor de<br />
specerij-cultuur, die tevens met het dagelijksch beheer en de<br />
strandvonderij belast is. Voor de afstammelingen van Europeanen<br />
en de Inlandsehe Christenen (bl. 380) is er een schoolmeester,<br />
die ook des Zondags de godsdienst-oefening leidt.<br />
Van de negeriën Timor en Barat, die hier eenmaal moeten<br />
bestaan hebben, is geen spoor meer overig. Aan de Noordzijde<br />
(') Beschrijvingen van deze uitbarstingen zie men o. a. bij JUNGHUHN<br />
Java, enz. 2d« Afd., 5
386<br />
des eilands ligt het vrij groote steenen fort Revenye, dat reeds<br />
in het begin der 17 de<br />
eeuw is gebouwd en thans alleen tot<br />
bescherming tegen de zeeroovers dient; het heeft eene dergelijke<br />
bezetting als die van Concordia op Lontor, welke ook door een<br />
detachement der Randasche schutterij wordt ondersteund.<br />
Het eiland Rosengain.<br />
Op het eiland Rosengain, ongeveer eene mijl Zuid-Oostwaarts<br />
van Lontor's Zuid-Oosthoek gelegen, worden geene muskaatnoten<br />
geteeld; maar daarentegen is er van Gouvernementswege eene<br />
geregelde ^atfi-bóschcultuiir, om in de behoefte aan timmerhout<br />
voor de Banda-eilanden te voorzien. Deze slaagt er zeer goed<br />
en neemt steeds in uitgebreidheid toe; terwijl het aantal boomen<br />
in 1S55 nog slechts 21000 bedroeg, was dit in 1860 reeds tot<br />
meer dan 33000 gestegen. Het toezigt daarover berust bij eenen<br />
Opziener, die tevens met het dagelijksch bestuur op het eiland<br />
belast is. Vroeger waren 'er ook kalkbranderijen, waar van de<br />
koraalrotsen, welke de kust oplevert, voor het Gouvernement<br />
kalk werd vervaardigd door bannelingen of dwangarbeiders; of<br />
zulks nog het geval is kunnen wij niet verzekeren.<br />
De drie negeriën Tanah massa, Wali en Woelra, die volgens<br />
een Maleisch geschiedverhaal O hier eenmaal moeten bestaan<br />
hebben en eenen Radja tot Opperhoofd hadden, zijn geheel verdwenen.<br />
De geringe bevolking (bl. 380) woont thans in verspreid<br />
staande huizen.<br />
Er is op het eiland een versterkt kampement met eene bezetting<br />
van omstreeks 20 man onder eenen Onderofficier, tot bescherming<br />
tegen den zeeroof en handhaving der orde onder de arbeiders in<br />
het djali-boscb.. Ook deze geringe magt wordt door een detachement<br />
der Bandasche schutterij bijgestaan.<br />
De eilanden Pisang, Kapal, Kraka, Swangi en Run.<br />
P. Pisang, nog geene halve mijl ten Noorden van Lonlor's<br />
Noordpunt gelegen, wordt, gelijk boven gezegd is, alleen door<br />
melaatschen bewoond, die in 1855 elf in getal waren. Het<br />
eilandje brengt vooral pisang- en kokos-boomen voort benevens<br />
O De Geschiedenis van Hiloe, door RIDJALI. Zie Handleiding bij de<br />
beoefening der Maleische taal, 5de uiig., bl. 557.
387<br />
eenige groenten, waarvoor de grond zeer geschikt is. Drinkwater<br />
is er niet maar moet van Neira worden aangebragt.<br />
P. Kopal, op geringen afstand ten Noord-Westen van P. Pisang,<br />
is slechts eene barre rots, die eenigzins de gedaante van<br />
een onttakeld schip heeft en daarnaar den naam Kapal (schip)<br />
draagt.<br />
P. Kraka of Vrouwen-eiland ligt regt Westwaarts van Neira's<br />
Noord-Westelijke punt midden in den Noordelijken ingang<br />
van het Zonnegat, welks sterken stroom het daar eenigzins<br />
breekt.<br />
P.Swangi, ook wel P. Sétan of het Duivels-eiland geheeten,<br />
ligt ongeveer 4 mijlen Noord-Westwaarts van Goenoeng Api;<br />
het is slechts eene groote barre rots.<br />
P. Run ligt een paar mijlen ten Zuid-Westen van P. Ai en is<br />
iets grooter dan dit eiland. Oudtijds moeten ook hier twee<br />
negeriën, Barat en ToeldamQ), bestaan hebben; en zelfs in<br />
het laatst der vorige eeuw was er nog eene redelijke bevolking,<br />
die echter sedert door de zeeroovers is vernietigd of verdreven,<br />
zoodat Run thans even als de drie vo<strong>org</strong>aande eilanden geheel<br />
onbewoond is.<br />
§ 3. De Ceram-laiit-eilanden.<br />
Algemeen overzigt van de ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />
voortbrengselen en bevolking van deze groep.<br />
De Ceram-laut-eilanden liggen onmiddellijk ten Oosten van<br />
Ceram's Zuid-Oosthoek tusschen 130° 50' en 131° 18' O.L. en<br />
op gemiddeld 3° 52' Z.B. De grootsten er van zijn hot.onbeloonde<br />
Ceram-laut, Keffing en Gisser; eene opgave van hunne<br />
gezamenlijke grootte is ons niet bekend; zij zal naar gissing<br />
6 of 7 • mijlen zijn. O<br />
Ook omtrent hunne natuurlijke gesteldheid is zeer weinigbekend.<br />
Zij zijn laag, rusten op eenen grondslag van koraalriffen<br />
en zijn ook gedeeltelijk door zoodanige riffen omgeven; de kleinste<br />
eilanden zijn misschien geheel van deze formatie. De vruchtbaarheid<br />
schijnt niet zeer groot te zijn. Vroeger groeiden er<br />
_ ) MELVILL geeft voor Keffing, Ceram-laut en de omliggende eilandjes<br />
5.5 • mijlen.
388<br />
d e<br />
specerij boomen, die iu de 17 eeuw zijn uitgeroeid; thans zijn<br />
de voornaamste voortbrengselen van den grond: eenige sago,<br />
djagoeng, roode rijst, kokosnoten, en aardvruchten. De voornaamste<br />
diersoorten zijn herten, geiten en wilde zwijnen. De<br />
zee in den omtrek is rijk aan tripang, schildpadden cn agaragar;<br />
vanlripang worden jaarlijks omtrent 200 pikols, van karet<br />
2 pikols,-en van agar-ugar 30 of 40 pikols uitgevoerd.<br />
De bevolking, op ruim 2700 zielen berekend, is in naam<br />
Mohammedaansch en zegt af te stammen van de oorspronkelijke<br />
Bandanezen (bl. 380), doch is thans een zeer gemengd ras van<br />
Boeginezen, Mangkasaren, Tabellorezen, Balinezen, Papoewah-<br />
eilanders, enz. Zij worden beschreven als verslaafd aan liet<br />
gebruik van opium, lui en onzindelijk; den landbouw beoefenen<br />
zij zeer weinig; de nijverheid bepaalt zich tot het vervaardigen<br />
van kleedjes en het smeden van paraugs (kapmessen, houwers),<br />
die op de Zuidelijker gelegene eilanden zeer gewild zijn; maar<br />
zij leven hoofdzakelijk van visscherij en handel, dien zij in de<br />
boven vermelde artikelen drijven vooral met de Banda-groep,<br />
Nieuw Guinea, de Aroe- en Kei-eilanden, Bali en Soembawa.<br />
Hunne vaartuigen koopen zij van de Balinezen en de Kei<br />
eilanders.<br />
Bijzonderheden omtrent de afzonderlijke eilanden.<br />
Het eiland Keffing, ook wel Groot Keffing genoemd, ligt<br />
onmiddellijk aan Ceram's Zuid-Oostpunt op 130° 50' O.L. en<br />
3° 51'Z.B. Het staat onder het bestuur van een Hoofd met den<br />
titel van Majoor, en heeft de twee negeriën: Keffing met 460,<br />
en Kilberoea met 325 zielen.<br />
Keloe, ook wel Klein Keffing genoemd, ligt onmiddellijk aan<br />
Keffing en is daarvan slechts door eene naauwe geul gescheiden O.<br />
Het staat onder het bestuur van eenen Tiadja, en heeft twee<br />
negeriën: Keloe met 380, en Kwaai met 250 zielen; de laatste<br />
heeft nog een afzonderlijk Hoofd met den titel Orang Kaja. De<br />
Badja van Keloe maakt ook aanspraak op het bezit van een<br />
gedeelte van hst-aiibow ooiulo Ceram-laut. De eilanden Keffing<br />
en Keloe zijn te zamen 1.6 • mijl groot.<br />
(') Op de Kaart van MELVILL komt Keloe niet als een afzonderlijk eiland<br />
voor; en in het Tijdschr. voor Ind. laai-, land- en volkenkunde, D 1<br />
. IV,<br />
1)1.58, wordt het een Distrikt van Kejfinij genoemd.
389<br />
Het veel kleinere Gisser/ïigt ten Noord-Oosten van Keloe en<br />
heeft alleen de negeri Gisser, onder een Hoofd met den titel van<br />
Majoor, met eene bevolking van 120 zielen.<br />
Kilwaroe, nog kleiner dan Gisser, ligt ten Noord-Oosten van<br />
dit eiland in de onmiddellijke nabijheid der Noord-Westkust<br />
van Ceram-laut. Het wordt bestuurd door eenen Radja, en heeft<br />
twee negeriën: Kilwaroe met 400, en Kiltaai met 300 zielen;<br />
laatstgenoemde heeft nog een afzonderlijk Hoofd met den titel<br />
van Kapitein. 13e Eadja van Kilwaroe is heer van een gedeelte<br />
van Ceram-laut en van alle eilanden van deze groep behalve de<br />
drie boven vermelde.<br />
Tusschen de eilanden Gisser, Kilwaroe cn Ceram-laut is eene<br />
uitmuntende voor alle winden veilige reede met goeden ankergrond<br />
(zandgrond) op 7 vadem diepte.<br />
Maar, een zeer klein eilandje ten Noord-Oosten van Ceramlaut,<br />
staat onder eenen Orang Toewa, die aan den Eadja van<br />
Kilwaroe ondergeschikt is. Het telt de vier negeriën : Maar,<br />
Enemelas, Namaloewin en Kïlhoeram, met eene gezamenlijke<br />
bevolking van 430 zielen.<br />
Keffar of Kivar, tusschen Keffing en Ceram-laut gelegen, heeft<br />
slechts -eene bevolking van 60 zielen.<br />
Al de overige op bl. 374 vermelde eilanden van deze groep,<br />
Oostwaarts van Ceram-laut gelegen, zijn geheel onbewoond.<br />
§ 4. De Goram-eilanden.<br />
Algemeen overzigt van de ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />
voortbrengselen en bevolking van deze groep.<br />
De Goram-eilanden liggen ten Zuid-Oosten van de Ceram-lautgroep<br />
tusschen 3°56'tot 4°13'Z.13.en 131°19'tot 131°35'O.L.<br />
Hunne gezamenlijke grootte zal ruim 6 • mijlen zijn.<br />
Zij zijn aanmerkelijk hooger dan de eilanden van de vo<strong>org</strong>aande<br />
groep; Goram en Manawolco zijn bergachtig; op het v<br />
laatstgenoemde eiland verheft zich eene piek?die het voorkomen <<br />
van eenen vulkaan heeft. Ook in vruchtbaarheid overtreffen zij<br />
de even genoemde groep. Behalve de daar genoemde producten<br />
brengen zij vooral voortreffelijke houtsoorten en massooi (zie D 1<br />
. I,<br />
bl. 95) voort.
390<br />
De Mohammedaansehe bevolking, wier sterkte op 4700 zielen<br />
gerekend wordt, is geheel van denzelfden aard als de Ceramlaut-eilandevs,<br />
doch nijverder in handel en zeevaart en ook nog<br />
meer bedreven in het weven van kleedjes en het smeden van<br />
parangs en kléwangs, maar daarbij zeer twistziek en oorlogzuchtig.<br />
Hunne handelsvloot wordt op een honderdtal grootere en kleinere<br />
vaartuigen geschat, welke zij evenwel niet zeiven bouwen.<br />
Bijzonderheden omtrent de afzonderlijke eilanden.<br />
Goram, het Noord-Oostelijkste van de groep, op 3° 56' Z.B.<br />
en 131° 35' O.L., is 2.1 • mijlen groot. Het is vooral in het<br />
Noorden bergachtig; aan de Westzijde des eilands is tegenover<br />
de negeri Oendor eene goede reede in den Oostmoeson, en aan<br />
de Zuid-Oostzijde voor Kalaikat eene goede ankerplaats in den<br />
Westmoeson. Het eiland is verdeeld in de volgende vier Distrikten:<br />
Kenali, inet vijf negeriën, welke tezamen 800 inwoners<br />
hebben, bestuurd door twee Radja's, die in de negeri Kataloka<br />
hun verblijf houden; Loemadang, met zes negeriën en 900 inwoners,<br />
bestuurd door eenen Radja, die te Oendor gevestigd is;<br />
Ainikke, met zes negeriën en 1100 inwoners, bestuurd door eenen<br />
Orang Kaja, die in de negeri Ainikke woont en het oppergezag<br />
van den Radja van Manaiooka erkent; Kalaikat of Kailakkat, met<br />
zes negeriën en 600 inwoners, onder het bestuur van eenen te<br />
Kalaikat gevestigden Orang Kaja.<br />
Soeroeaki of P. Pandjang, door de Inlanders ook wel P. Magit<br />
genoemd, ligt ten Westen van Goram op 131° 30' O.L. en is<br />
ongeveer 1.8 • mijl groot. Het telt slechts de twee negeriën<br />
Besilan en Kidoe-Kidoe, welke te zamen 300 inwoners hebben<br />
en bestuurd worden door eenen Orang Kaja, die het oppergezag<br />
van den Radja van Manawoka erkent.<br />
Manawoka of Manavolka, het bergachtigste en hoogste van de<br />
groep, ten Zuiden van de twee vo<strong>org</strong>aande eilanden gelegen,<br />
op 4° 12' Z.B. en 131° 33' O. L., is 2.6 • mijlen groot.<br />
Het wordt bestuurd door eenen Radja, die in de negeri Amar<br />
gevestigd is. Behalve deze plaats zijn er nog de negeriën:<br />
Arwou, Pantjalang, Sikaro, Lokong, Enloming, Berreeh of Bejrang,<br />
Sigsig, Sigai en Maiwoka. De geheele bevolking bedraagt<br />
1000 zielen.
391<br />
§5. De Matabela-eilanden.<br />
De Matabela- of Waloebela-eilanden strekken zich Zuid-z 1<br />
Oostwaarts van de Goram-eilanden uit, tusschen 4° 20'<br />
4° 48' Z.B. en 131° 40' tot 132° O.L. Zij zullen gezame<br />
misschien eene oppervlakte van 2 • mijlen hebben; de grool<br />
van de groep zijn Kesoeï, 1'eor en Matabela.<br />
De natuurlijke gesteldheid en voortbrengselen dezer eila<br />
• zijn dezelfde als die van de Goram-groep. Op Teor, het Zi<br />
lijkste van allen, verheft zich een vulkaan, van welken<br />
lieiug»--trttbrrrstirrg-^ het Jiirn—1-6-5 0 vermeld wordt;—ita<br />
K^»«Uf-of-Kö^Bfe op-4 n<br />
33' Z.B. eu l!)2 n<br />
O.L.-ctlleei<br />
aonon vulkaan boot jat j- van welken VALENTIJN TrïeTre in 1<br />
eene uitbarsting vermeldt. (')<br />
Alleen Matabela en Kesoeï zijn bewoond door eene bevol<br />
van 1460 Mehummidaniuy die waarschijnlijk van denzei<br />
aard is en dezelfde middelen van bestaan heeft als die der I<br />
vo<strong>org</strong>aande groepen, doch van welke ons geene bijzonderhi<br />
bekend zijn.<br />
Kesoeï, Kissoewi of Kassewooi kan beschouwd worden<br />
het hoofd-eiland van de groep. Het ligt op 4° 30' Z.B<br />
131° 48' O.L. en staat onder het onmiddellijk bestuur van e<br />
Orang Kaja. De bevolking van 1200 zielen is verdeeld ove<br />
drie negeriën Amar, Temmer timor en Temmer barat (?), In ^<br />
is een Radja gevestigd, die het oppergezag heeft over de<br />
heele groep/zuidwaarts van Kesoeï liggen de twee onbewo<br />
Baham-eilanden, en Zuid-Oostwaarts het eveneens onbewoi<br />
Koeroekaf.<br />
Matabela, een weinig ten Noord-Westen van Kesoeï gel<br />
en kleiner dan dit, telt mede drie negeriën: Waiamanoa, K<br />
en Kilwalir ( 3<br />
), te zamen met 260 inwoners; onder het bes<br />
van den Orang Kaja van Kesoeï. Noord~W r<br />
estwaarts van Mak<br />
ligt het onbewoonde Igar, het Noordelijkste van de groep<br />
(') Volgens JUNGHUHN Java enz., AM. II, Hoofdst. Hl, bl. iptr, Ligt<br />
berg op 132°59' 0.L.X<br />
l 2<br />
) Op de Kaart van MELVILL wordt eene negeri toeloer/vermeld , :<br />
in de beschrijvingen van BOSSCHER en BLEEKER niet voorkomt.<br />
t 5<br />
) De negeri Killemanok van MELVILL komt mede bij BOSSCHER en BLE<br />
nicl voor.
392<br />
§ 6. De Kei-eilanden en de Kei-Tenimber-eilanden. (')<br />
Algemeen overzigt van hunne ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />
voortbrengselen en bevolking.<br />
De Kei- of Keh-eilanderi^iggen ten Zuiden van het Westelijke<br />
gedeelte van Nieuw Guinea tusschen 5° 12' tot 6° 4' Z.B. en<br />
132° 40' tot 133° IS' O.L., en vormen eene talrijke groep van<br />
meerendeels zeer kleine eilanden. Groot Kei, het Oostelijkste<br />
van de groep, en het ten Westen daarvan liggende Klein Kei<br />
zijn verreweg de grootste en ook de best bekende van allen.<br />
De gezamenlijke eilanden worden door MELVILL geschat op eene<br />
grootte van 30.5 • mijlen.<br />
Groot Keiffs"ongeveer 2500 v*. hoog en heeft steile kusten<br />
doch geene uitstekende bergtoppen ; het schijnt niet van vulkanischen<br />
aard te zijn, gelijk ook geen der andere eilanden.<br />
Klein Kei^is aan de kusten laag en zandachtig, doch in het<br />
midden hooger en rotsachtig. Beide eilanden zijn zeer vruchtbaar<br />
en bedekt met zware bosschen, die uitmuntende houtsoorten<br />
voor huis- en scheepsbouw en meubelwerk opleveren; kokosbooinen<br />
groeijen overal in menigte in het wild; voorts vindt<br />
men er sago-boomen, suikerriet, djagoeng, aard- en peulvruchten<br />
en groenten in overvloed. De grond bevat zeer goed leem voor<br />
pottebakkerijen, kalksteen en krijt. Bunderen en paarden zijn<br />
er weinig, doch herten, geiten en wilde zwijnen in menigte.<br />
De riffen om en tusschen de eilanden leveren eene groote hoeveelheid<br />
tripang, schildpad en agar-agar op.<br />
De bevolking der geheele groep wordt op 21000 zielen begroot.<br />
Een klein gedeelte hiervan is Mohammedaansch, de overigen<br />
zijn Heidenen hoewel sommige Hoofden zich Christenen noemen.<br />
De Mohammedanen zijn vreemdelingen, volgens hun vo<strong>org</strong>even<br />
van de Banda-eilanden afkomstig, en hebben in taal, voorkomen,<br />
t 1<br />
) Voor deze en de drie vo<strong>org</strong>aande groepen zijn bijna de eenige bronnen<br />
de berigten van den Heer BOSSCHER, die deze eilanden bij herhaling bezocht<br />
en zijne bevindingen medegedeeld heeft in het Tijdschr. voor Ind. taal-,<br />
land- en volkenkunde, D'. IV, Aft. I. Wij volgen dien Schrijver ook ten<br />
opzigte van de namen en ligging der eilanden , welke grootelijks verschillen van<br />
de opgaven op de Kaart van MELVILL en de daaraan ontleende van PIJNAPPEL.<br />
Zie bl.57i, Noot. Men vergelijke ook de Berigten in de Bijdragen van hel<br />
Instituut voor taal-, land- en volkenkunde. Nieuwe volgreeks, D 1<br />
. VI,<br />
bl. 238 en DL VII, bl. 67.
393 .<br />
zeden en gewoonten veel overeenkomst met de strandbewoners<br />
van het Oostelijke gedeelte van Ceram. De Heidenen maken de<br />
oorspronkelijke bevolking dezer eilanden uit; zij behooren tot<br />
den Alfoerschen stam, zijn goed gebouwd, krachtig en niet<br />
leelijk van voorkomen; vele vrouwen zijn in hare jeugd schoon<br />
te noemen. Het gelaat is goed gevormd, het voorhoofd hoog<br />
en eenigzins vooruitstekend, de oogen donker en met zware<br />
wenkbraauwen, de neus groot doch goed gevormd, de mond en<br />
kin breed, de onderlip min of meer vooruitstekend, de baard<br />
zwaar, het hoofdhaar zwart en krullend (niet gekroesd), de<br />
huidkleur bruin-zwart. Hunne kleeding is nagenoeg dezelfde<br />
als die der Alfoeren van Ceram en Boeroe. De wapenen zijn pijl<br />
en boog, schilden en werpspiesen; sommige Hoofden hebben<br />
ook geweren en lilla's. De huizen zijn groot, van planken<br />
gebouwd op palen, met palm- of kokos-bladeren gedekt, en<br />
vereenigd in geregelde kampongs of negeriën, die met klip—<br />
steenen muren omgeven en veelal op moeijelijk te genaken hoogten<br />
aangelegd zijn. Veelwijverij is geoorloofd doch komt zelden voor.<br />
De man koopt zijne vrouw van hare ouders of bloedverwanten<br />
en is, na de'betaling der koopprijs, volkomen meester over haar,<br />
zoodat hij haar zelfs in geval zij overspel pleegt mag ter dood<br />
brengen; bij zijnen dood vervalt zij aan zijnen oudsten broeder<br />
of naasten bloedverwant, die haar dan als zijne vrouw beschouwen<br />
of weder aan een ander uithuwelijken kan. Wat hunne godsdienstige<br />
begrippen betreft: zij hebben eenig denkbeeld van<br />
een volgend leven, gelooven aan eenen Oppergod of Grooten<br />
Geest en eene menigte mindere goede en booze geesten; in elke<br />
negeri is een afgodsbeeldje, Padeo genoemd; tempels of priesters<br />
schijnen er niet te worden gevonden. Omtrent het grondbezit<br />
bestaan de volgende bepalingen: de woeste en onbebouwde<br />
gronden en bosschen in een Distrikt zijn gemeenschappelijk<br />
eigendom van het geheele Distrikt, en elk ingezetene heeft het<br />
regt om te beschikken over hetgeen die gronden kunnen opleveren<br />
en hout te kappen zooveel hij behoeft; de bebouwde en bebouwbare<br />
gronden zijn tusschen de negeriën verdeeld en het gemeenschappelijk<br />
eigendom van hare ingezetenen; buitendien hebben<br />
sommige familiën of personen nog doeson poesaka's, dat zijn<br />
stukken gronds, die zij door erfenis bekomen hebben en waarover<br />
zij naar goedvinden kunnen beschikken, of doeson tetanaman's,
394<br />
dat zijn stukken gronds die zij kunnen bebouwen en over i<br />
voortbrengselen zij kunnen beschikken zonder dat de grond<br />
hun onbeperkt eigendom is (vergelijk bl. 336, 357 en 3<br />
De ijver en ondernemingsgeest der Kei-eilanders worden<br />
geroemd. Zij zijn uitmuntende scheepstimmerlieden, en bou<br />
vaartuigen van verschillende grootte, welke zij aan de Goram<br />
Aroe-eilanders en anderen verkoopen voor lijnwaden, ijzerwa<br />
wapenen en andere benoodigdheden; het bakken van pottei<br />
het bebouwen van den grond wordt zoowel door de vrou<br />
als door de mannen verrigt. Zij drijven een niet onbelangri<br />
handel op Banda, Ceram en de omliggende eilanden, in tri-<br />
(gemiddelde jaarlijkscho uitvoer 600 pikols), schildpad (<br />
8 pikols), kokos-noten en olie, houtsoorten, potten, enz.<br />
Mangkasaarschè handelsvaartuigen bezoeken deze eilander<br />
halen er dezelfde artikelen in ruil tegen rijst, sago, tabak, 1<br />
waden, ijzer- en koperwerk, gongs, olifantstanden, aardew<br />
suiker, gambir, koralen, kruid, geweren, lilla's, enz.<br />
Onze betrekking tot de Kei-eilanden berust op een verbond ii<br />
jaar 1645 tusschen hunne Hoofden en de O. I. Compagnie gesb<br />
bij de vernieuwing van dat verbond, twintig jaren later, he<br />
zij zich als onderdanen der Compagnie erkend (D 1<br />
.1, bl. 18]<br />
Bijzonderheden omtrent de voornaamste eilanden.<br />
Groot Kei, het Oostelijkste en grootste van de groep, li£<br />
133° 18' O.L. en 5° 50' Z.B. en heeft eene oppervlakte<br />
14 • mijlen met eene bevolking van ongeveer 15000 zii<br />
waaronder ook de bewoners der onderhoorige eilandjes begr<br />
zijn. Het heeft eene onregelmatig langwerpige gedaante<br />
lengte-as loopt Noord en Zuid. De zeer geringe breed<br />
oorzaak dat de stroomende wateren van weinig belang mi<br />
zijn. Het eiland is verdeeld in zeven Distrikten met gelijkna<br />
hoofdplaatsen, namelijk: 1°. Waaijer^ in het Noord-We<br />
met vijf negeriën; 2°. Ellat, aan de Westzijde, met de ha)<br />
plaats Ellat en nog twee andere negeriën; tot dit Distrik<br />
hooren de eilandjes\Z)/cm en Nohajani; 3°. Nirong, mede af<br />
Westzijde ten Zuiden van het vo<strong>org</strong>aande, met twaalf nege<br />
hiertoe behooren de eilandjes Aranho, Noesolan, Karihoe, Di<br />
Kroet, Noehowoe en Arang; 4°. Eelir, aan de Zuid-Wesi<br />
ten Zuiden van het vo<strong>org</strong>aande, met de handelplaats Fel
395<br />
acht andere negeriën; 5°. Jamlillo, aan de Zuid-Oostzijde, rnet<br />
negen negeriën; 6°. Eli, aan de Oostzijde, met de handelplaats<br />
Eli, die door eenen muur in twee deelen wordt gescheiden,<br />
welke afzonderlijke namen dragen; 7°. Wattelaar, aan de Noord-<br />
Oost- en Noordkust, met de handelplaats Halir en zeven andere<br />
negeriën. Elk van deze Distrikten wordt op zich zelf bestuurd<br />
door eenen Orang Kaja; de met Mohammedanen bevolkte<br />
Distrikten ^w&&rr-^rr~~7?^^ -zieh echter als .<br />
SJid^eseh+k-fr-aMi Eli en Ellat. De bevolking van EeJir is deels<br />
Mohammodaanseh deels Heidensch; de overige Distrikten zijn<br />
allen door Heidenen bewoond.<br />
Klein Kei ligt onmiddellijk ten Westen van Groot Kei en is<br />
daarvan door een smal vaarwater gescheiden, waarin twee riffen<br />
zijn op welke in het midden 5 en 2 vadem water staat; aan de<br />
zijde van Groot Kei is het vaarwater dieper. Het eiland heeft<br />
eene zeer onregelmatige gedaante, is 13.5 • mijlen groot, en<br />
wordt met de onderhoorige eilandjes op eene bevolking van<br />
6000 zielen geschat. Het wordt verdeeld in drie Distrikten met<br />
'<br />
gelijknamige hoofdplaatsen, namelijk: l°.Doela, in hot Noorden,<br />
onderscheiden in Oostelijk cn Westelijk Hoela, met de handelplaats<br />
Doela en zeven andere negeriën; hiertoe behooren de<br />
eilandjes: Doela laut, met twee kampongs, Momadang, Bandong,<br />
Dranan, Maas, Mewasoema, Bajer. Flaar, Noehoemeo, en<br />
eenige andere onbewoonde Westwaarts van Klein Kei gelegen;<br />
•2°. Tuallalt (Toeallah ?), met de handelplaats Tuallah en acht<br />
andere negeriën; hieronder behooren de eilandjes: Ergodan, Hodir,<br />
Oei, Oebor, Naaf, Eair, Kraing en Watteloet ('); 3°. Banner, het<br />
eenige door Mohammedanen bewoonde Distrikt, met tien negeriën<br />
en de onderhoorige eilandjes: Naiamoel, Varkikon, Tangoain,<br />
Warlioe, Waktokmaas en eenige kleinere. ( 2<br />
)<br />
('} Dit laatste is waarschijnlijk het Kei-Watella van MELVILL. In de nabijheid<br />
van deze eilanden zijn in 1855 of 1851 twee nieuwe eilandjes uit zee<br />
opgerezen. Het eene met eene middellijn van '250 ellen ligt op eene zandbank<br />
en is omgeven door een koraalrif, dat zich aan het eiland Oei verbindt;<br />
de grond van dit eiland beslaat uit klei; men vindt er ook steenen en eenige<br />
sporen van ijzererts. Het andere eilandje ligt op grooteren afsland en is nog<br />
niet nader bekend. Naluurk. Tijdschr. v. Nederl. Indië, D'. VII, bl. 159.<br />
( 2<br />
) Volgens de berigten in de Bijdragen van het Instituut. Nieuwe volgr.,<br />
D'.VI, bl. 250 was Klein Kei in 1855 verdeeld in de vier Distrikten: Doelan,<br />
Toeal, Waijen en Toetoaat.
39G<br />
Van de boven vermelde handelplaatsen zijn alleen de reeden<br />
van Doela en Tuallah bij alle winden zelfs voor groote vaartuigen<br />
veilig; ook de Straat tusschen het eilandje Djati en de negeri<br />
Fllat biedt eene veilige ankerplaats aan, zoo ook de reede van<br />
Doela laut. De reeden van Mi en Ealir zijn alleen in den Westmoeson,<br />
die van Wehr in den Oostmoeson bruikbaar.<br />
De Tianda- of Kei-ando-groep ligt ten Westen van Groot en<br />
ten Noorden van Klein Kei. Zij bestaat uit acht eilanden, van<br />
welke slechts dc twee grootsten, Kei-ando {Tianda) en Faam<br />
bewoond zijn; op het eerste worden twee, op het laatste eene<br />
kampong aangetroffen.<br />
De Kei-Tenimber- of Ketimber-eilanden zijn nog zeer weinig<br />
bekend. Zij zijn vier in getal : Kei-Tenimber, JFetter, Falir en<br />
Moessa en liggen Zuid-Westwaarts van Groot Kei. Alleen op<br />
Kei-Tenimber, 1 •mijl groot, is eene kampong, Moenoe genaamd;<br />
het overige gedeelte der bevolking, die (waarschijnlijk te hoog)<br />
op 3000 zielen, waaronder 800 weerbare mannen, geschat wordt<br />
en over de vier eilanden verspreid is, heeft geene huizen maar<br />
leeft in de holen der rotsen, en is zoo schuw, dat zij op het gezigt<br />
van vreemdelingen terstond de vlugt neemt. De taal is dezelfde<br />
als die der Kei-eilanden.<br />
§ 7. De Aroe-eilanden.O<br />
Algemeen overzigt van hunne ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />
voortbrengselen, handel en bevolking.<br />
De Aroe-eilanden liggen ten Oosten van de Kei-eilanden<br />
tusschen 5° tot 7° Z.B. en 134° tot 134° 55' O.L.( 2<br />
) Zij zijn<br />
meer dan tachtig in getal, van welke echter slechts de negentien<br />
grootsten op den duur bewoond zijn, namelijk: Oedjir, Wokam,<br />
Wammer, Maikor, Trangan, Krei, JForkai, Jamboeai, Lolla,<br />
Meriri. Kobroor, Wattelei, Koba, Kola, Komfane, Fenamboelai,<br />
Warialaoe en Koelor; anderen worden slechts nu en dan bezocht<br />
l 1<br />
) Ook hier is weder de Heer BOSSCHER onze voornaanisle gids; Ttjdsclir.<br />
voor Indische laai-, land- en volkenkunde, Jaarg. 1, D'. 1 en 11. Zie verder<br />
de Reizen van BLEEKER , ERDMUND en KOLF ; het Tijdschr. v. Neérl. Indië,<br />
1844, Dl. 11, 4843, Dl. II, 1838, D U , enz.<br />
O Volgens de Kaart van MELVILL strekken zij zich Noordwaarts slechts tot<br />
5° 25' Z.B. cn Westwaarts lot 154° 15' O.L. uit.
397<br />
door parelvisschers of anderen , die er iets kweeken of inzamelen,<br />
zoo als: Wassir, Merdng, Babi, Bamboe, Noba, Poba, Jedan,<br />
Jaoedi, Maar, Bjeh, Boemaar, Barakan, Swangi, en andere;<br />
de grootste helft is echter geheel onbewoond. Zij worden onderscheiden<br />
in Voorwals- en Achterwals-eilanden (zie bl. 383, Noot),<br />
en ook spreekt men ten opzigte der bevolking van Voorivallers en<br />
Aeliierwallers. Tot de Voorwals-eilanden behooren Wassir, Oedjir,<br />
IVokam, Wammer en Maikor, die door de Soengei of Straat Kobi-<br />
Wato van de Achterwals-eilaiulen worden gescheiden. Hoewel<br />
Trangan ook aan de Westzijde, dat is aan den Voorwal, ligt,<br />
wordt de bevolking echter tot de Achterwallers gerekend, waarschijnlijk<br />
omdat de vreemde handelaars niet of althans minder<br />
regtstreeks met hen in aanraking komen, en zij ook Heidenen<br />
zijn gelijk de andere Achterwallers.<br />
Alle deze eilanden, wier gezamenlijke grootte volgens MELVILL<br />
115 • mijlen bedraagt, liggen in elkanders onmiddellijke nabijheid<br />
en worden slechts door smalle meestal ondiepe Straten,<br />
soengei''s geheeten, gescheiden, in welke een zeer sterke stroom<br />
loopt. Aan de Oost- en vooral aan de Noord-Oostzijde zijn deze<br />
tussehenruimten wijder; doch ook hier worden zij voor groote<br />
vaartuigen onbruikbaar gemaakt door menigvuldige zandbanken<br />
en riffen, waarop en waartusschen rijke tripang- en parelbankon<br />
gevonden worden. Geen der eilanden verheft zich aanmerkelijk<br />
boven de oppervlakte der zee. De meesten zijn door de werking<br />
van koraal-polypen ontstaan; Trangan, Krei en Workai zijn<br />
van kalkformatie; sommigen schijnen slechts van tijd tot tijd<br />
opgehoogde zandbanken te zijn. Zij zijn met eene aardkorst<br />
bedekt, die over het algemeen vrij vruchtbaar is; evenwel groeijen<br />
er geene genoegzame levensmiddelen voor de bevolking, die zelve<br />
weinig neiging voor den veldbouw heeft en door de Kei-eilanders<br />
van kokosnoten en door de Gorammers en andere handelaren<br />
van rijst en sago wordt voorzien. Stroomende wateren zijn er<br />
niet; in de behoefte aan drinkwater wordt voorzien door het<br />
graven van putten, die overal goed water opleveren behalve op<br />
Workai, waar men het van andere eilanden moet halen.<br />
In den Westmoeson, die van bet begin van December tot April<br />
duurt, is de warmtegraad des daags zeer hoog en zijn de nachten,<br />
waarin gewoonlijk een zware dauw valt, daarentegen koud en<br />
guur; in den Oostmoeson, van half April tot half November, is
398<br />
de hitte des daags minder drukkend en zijn de nachten minder<br />
koud. De meeste regen valt gedurende de kenteringen; in dien<br />
tijd heerschen er somtijds koortsen, terwijl anders deze eilanden<br />
vrij gezond schijnen te zijn. Aardbevingen komen slechts zelden<br />
voor en met geringe hevigheid.<br />
De voortbrengselen van het plantenrijk zijn : sago, kokosnoten,<br />
pinang, sirih, suikerriet van geringe hoedanigheid, aardvruchten<br />
en voortreffelijke houtsoorten, zoo als ijzer-, ebben-, djati-, Ungoahout,<br />
kajoe djira (eene soort van eikenhout), en vele andere.<br />
Van het dierenrijk zijn te vermelden : wilde en tamme zwijnen<br />
in menigte, wilde katten (tingalong), springhazen (pilando),<br />
eekhorens, eene soort van konijnen, bosch- en waterslangen,<br />
krokodillen, hagedissen, kikvorschen, eene menigte insecten;<br />
voorts vele soorten van vogelen, waaronder paradijsvogels en<br />
allerlei papegaai-soorten^duiven, boschhoenders en snippen, ook<br />
eene soort van zwaluwen, die eetbare nestjes van middelmatige<br />
hoedanigheid opleveren; tam pluimgedierte, als hoenders, eenden<br />
en ganzen, is zeer schaarseh. De zee levert eene groote menigte<br />
van eetbare visschen op, die niet slechts met netten en fuiken<br />
maar ook op ondiepe plaatsen met eene soort van werpspiesen<br />
(momang) worden gevangen; ook veel oesters en andere schelpdieren.<br />
Doch het belangrijkste, wat de zee den Aroenezen verschaft,<br />
zijn de parelen en de tripang. De tripang wordt op en<br />
tusschen de riffen op ondiepe plaatsen door de vrouwen met de<br />
momang en bij meerdere diepte door de mannen al duikende met<br />
de hand gevangen; de gemiddelde jaarlijksche uitvoer van gedroogde<br />
tripang bedraagt thans 1000 of 1200 pikols. Zoowel aan<br />
den Voor- als aan den Achterwal worden eene groote hoeveelheid<br />
rijke parelbanken gevonden; tot dusverre worden echter hoofdzakelijk<br />
alleen die aan den Achterwal geëxploiteerd, omdat alleen<br />
de Achterwallers parelvisschers (parelduikers) zijn en zij het met<br />
de Voorwallers nooit eens hebben kunnen worden over de voorwaarden<br />
omtrent het visschen (duiken) op de banken, van welke<br />
dezen zich eigenaars noemen O. Dit duiken geschiedt daar alleen<br />
(') De Heer BOSSCHER is er in 1855 in geslaagd zoodanige-overeenkomst<br />
vast te stellen. Wat daarvan het gevolg is geweest is ons niet bekend; hij<br />
zelf had er geene groote verwachting van, vooral omdat hij vreesde dat de<br />
duikers, die gewoon zijn den tijd van den Oostmoeson in ledigheid en dronkenschap<br />
door te brengen, niet geneigd zouden zijn dien voortaan aan den arbeid<br />
te besteden. Tijdschr. voorlnd. taal-, land- en volkenk., D 1<br />
. II, bl. 549.
399<br />
gedurende den Westraoeson, omdat er in den Oostmoeson te veel<br />
branding staat; om dezelfde reden zoude het aan den Voorwal<br />
gedurende den Oostmoeson moeten plaats hebben. De jaarlijksehe<br />
opbrengst bedraagt gemiddeld ƒ12000 tot ƒ 20000 aan paarlen<br />
en 3000 of 35 00 pikols parelschelpen (parelmoer). De pareloester<br />
wordt door de Aroenezen als eene bijzondere lekkernij<br />
beschouwd.<br />
Het delfstoffenrijk bevat, voor zooveel bekend is, alleen kalksteen,<br />
krijt en leem op de eilanden Trangan, Krei en Workai.<br />
Bij het branden van kalk worden de stukken kalksteen en koraal<br />
met groote schelpen vermengd.<br />
Op de Aroe-eiianden, bepaaldelijk te Bobo op Wammer, wordt<br />
een zeer belangrijke handel gedreven. Ingevoerd worden voornamelijk<br />
: lijnwaden, ijzer-, staal-, koper-, glas- en aardewerk,<br />
wapenen, sterke dranken (jenever, araken anijs), olifantstanden,<br />
kramerijen, rijst, sago, tabak, opium, kokos-noten en olie, enz.;<br />
en uitgevoerd : paarlen, parelmoer, tripang, karet en vogelnestjes.<br />
In 1851 bedroeg de waarde van den invoer ƒ 170697, en die<br />
van den uitvoer ƒ 185510; behalve hetgeen buiten Bobo verhandeld<br />
en niet bekend was.<br />
De sterkte der bevolking bedroeg volgens de telling van den<br />
Heer BOSSCHER in 1850 ruim 13000 zielen, waaronder 309 Christenen<br />
en 187 Mohammedanen; de overigen zijn Heidenen.<br />
De Christenen bevonden zich alleen op de Voorwals-eilanden<br />
Wokam, Wamrner en Maikor; zij kleeden zich gelijk de Ambonesche<br />
Christenen. Hun godsdienstige toestand was zeer<br />
gebrekkig, en hunne leiding sedert kort toevertrouwd aan twee<br />
Ambonesehe Schoolmeesters, nadat zij langen tijd van alle onderwijs<br />
waren verstoken geweest; op Wammer waren twee Christenkerken,<br />
op Wokam en Maikor elk eene. De Mohammedanen<br />
waren op de eilanden Oedjir, Wokam en Wammer; op elk der<br />
twee eerstgenoemde eilanden was eene moskee. Hunne kleeding<br />
is gelijk die der Mohammedanen op de Ambonsche eilanden.<br />
De Voorwals-eilanden hebben slechts weinig bewoners, en<br />
dezen, althans de Christenen en Mohammedanen onder hen,<br />
scïSjnen niet tot de zuiver oorspronkelijke bevolking te behooren<br />
maar afstammelingen te zijn van Bandanezen, Cerammers, Gorainmers<br />
en andere eilanders, doch waarschijnlijk met de Aroenezen<br />
vermengd./* 1<br />
^
400<br />
De inheemsche bevolking behoort tot den Alfoerschen stam,<br />
heeft een goed geëvenredigden en stevigen ligchaamsbouw, donkerbruine<br />
huidkleur, en lang zwart hoofdhaar, hetwelk zij op het<br />
achterhoofd zamenbiuden en verder in het wild laten groeijen;<br />
de vrouwen besteden hieraan eenige meerdere z<strong>org</strong>. De kleeding<br />
bestaat bij beide geslachten alleen in de tjidako (bl. 186); slechts<br />
op Waüdei dragen de vrouwen eene soort van korte rokjes van<br />
matwerk, die met eene koperen ketting om de lendenen worden<br />
vastgehouden. Sieraden worden zelden anders dan door de vrouwen<br />
gedragen en bestaan in ivoren en koperen ringen om de<br />
armen en enkels, en groote ivoren oorbellen. De wapenen zijn<br />
pijl en boog, lansen en werpspiesen, een smal vierkant schild<br />
en eene soort van maliën-kolder (badjoe prang) van boomschors<br />
gevlochten; de Voorwallers hebben ook geweren en Villa's, waarmede<br />
zij zeer goed omgaan. De huizen zijn ruw en zonder eenige<br />
gemakken van planken gebouwd en staan op palen, zoo digt<br />
mogelijk bij elkander; zoodat de negeriën of kampongs, waarvan<br />
slechts weinigen vijftig woningen tellen O, eene zeer geringe uitgestrektheid<br />
gronds beslaan ; zij worden dan ook zooveel mogelijk<br />
gebouwd op rotsenen bij voorkeur op die, welke het moeijelijkst<br />
te beklimmen zijn. Elke van deze negeriën heeft haar eigen<br />
Hoofd, die door de bevolking wordt gekozen en den titel voert<br />
van Radja of Orang Kaja; bij wordt bijgestaan door mindere<br />
Hoofden met den titel van Orang Toewa, Kapitein of Toeioan<br />
negeri. Deze Hoofden oefenen ook het regterlijk gezag uit. Hun<br />
invloed is niet zeer groot en hangt hoofdzakelijk van hunne<br />
persoonlijke omstandigheden of hoedanigheden af; alleen in tijd<br />
van oorlog hebben zij een onbeperkt gezag, en is ieder op doodstraf<br />
verpligt hun te gehoorzamen. Zij genieten geene inkomsten dan<br />
eene kleine retributie bij het ontdekken van nieuwe parelbanken<br />
of het vinden van buitengewoon groote paarlen; alleen bij ziekte<br />
of ouderdom hebben zij het regt een zeker aantal hunner onderhoorigen<br />
voor zich te doen werken.<br />
De beschaving der Aroenezen staat op zeer lagen trap; en de<br />
Hoofden munten daarin niet boven het volk uit, alleen kleeden<br />
zij zich gelijk de Mohammedanen. Slechts de Hoofden van<br />
(') Volgens de opgave van BOSSCHER zijn er sleehls vier negeriën met meer<br />
dan 50 huizen, en tellen de tneesten er tusschen de tien en dertig.
401<br />
Samanrj op Wokam en van Djurdjeüa op Wammer maken in dit<br />
opzigt eene gunstige uitzondering en bewonen ook beter ingerigte<br />
huizen. Overigens is de Aroenees zeer gehecht aan voorouderlijke<br />
zeden en gebruiken, geen koppensneller, zachtzinnig, vreedzaam,<br />
geduldig, vatbaar voor raadgevingen, zeer gevoelig voor eene<br />
vriendelijke behandeling, cn ligt geneigd tot het vergeven van<br />
beleedigingen behalve het beschimpen van zijne voorouders en<br />
het verleiden van zijne vrouw of dochters; maar daarentegen ook<br />
verregaand lui en zeer verslaafd aan het misbruik van sterken<br />
drank; in den veldbouw heeft hij weinig lust; en het bouwen<br />
van zeer eenvoudige kleine praauwen, de visch- en tripang-vangst<br />
en het parelduiken zijn de eenige takken van nijverheid, die hij<br />
uitoefent. De handel met vreemde kooplieden wordt hoofdzakelijk<br />
door de Christenen en Mohammedanen van den Voorwal opdreven.<br />
Behalve een onbestemd denkbeeld van een volgend leven<br />
bepalen hunne godsdienstige begrippen zich tot het geloof aan<br />
eene menigte booze geesten (steangi's), die in holle boomen,<br />
grotten of op den bodem der zee huizen en ook wel de gedaante<br />
van menschen, dieren en planten aannemen, en de bewerkers<br />
zijn van alle onheilen, welke hun overkomen; ook de geesten<br />
hunner voorouders straffen hen met ziekte of dood, wanneer zij<br />
zich door hunne nakomelingen of anderen beleedigd achten.<br />
Het blijkt niet dat zij aan deze wezens eenige vereering toebrengen;<br />
alleen wanneer zij eene parel van bijzonder groote<br />
waarde opduiken, werpen zij op de plaats waar die gevonden is<br />
een aantal gongs in zee als een offer aan den geest van die plaats,<br />
om later niet door hem wegens ondankbaarheid gestraft te<br />
worden. Priesters hebben zij niet, en ook van wigchelaars of<br />
geestenbezweerders bij ziekten of andere omstandigheden wordt<br />
geene melding gemaakt. De Christenen en Mohammedanen staan,<br />
wat bijgeloof betreft, niet veel hooger dan de Heidenen.<br />
De Aroe-eilanders zijn, even als de Alfoeren op Ceram<br />
(bl. 367), verdeeld in twee groote bondgenootschappen, hier<br />
Oer-sia of Oeli-siva (de negen gewesten ?) en Oer-lima of Oeh<br />
lirna (de vijf gewesten?) geheeten; de Orang Kaja's van de negeriën<br />
Oedjir, Wokam en Samang worden als de Hoofden van het eerste,<br />
die van Wammer en Maikor als de Hoofden van het laatste<br />
beschouwd. Men zegt dat de Oer-sia vroeger aan den Sultan van<br />
n. 2^
402<br />
Tidore onderworpen waren, wiens Raad uit «c^e» leden bestond,<br />
terwijl de Oer-lima onderhoorig waren aan dien van Ternate,<br />
wiens Eaad uit vijf leden was zamengesteld. Schoon de leden<br />
dezer bondgenootschappen niet, als op Ceram, in zeden en gebruiken<br />
verschillen, geeft deze verdeeling toch dikwijls aanleiding<br />
tot twist en vijandelijkheden. Naar haren maatschappelijken<br />
stand wordt de bevolking onderscheiden in : 1°, leden van de<br />
bangsa (adel), waaruit zooveel mogelijk de Hoofden der negeriën<br />
worden gekozen, en die uit hunne afstammelingen bestaat;<br />
2°, vrije lieden, uit welke ook somtijds Hoofden, vooral die van<br />
minderen rang, worden gekozen; 3°, Orang bitoowan^), of dienstpligtigen,<br />
die aan eenen stam of eene negeri ondergeschikt en<br />
tot zekere diensten verpligt zijn; 4°, slaven, die meest van de<br />
Papoewah-eilanden afkomstig zijn en vroeger veel door de<br />
Cerammers werden aangevoerd; het van tijd tot tijd herhaald<br />
bezoek van oorlogsvaartuigen heeft in de laatste jaren dien handel<br />
zeer doen verminderen.<br />
Omtrent het grondbezit bestaan in do hoofdzaak dezelfde<br />
denkbeelden als op de Kei-eilanden en elders in de Molukken<br />
(bl. 336, 357, 373 en 394).<br />
Gelijk boven reeds is opgemerkt, is de landbouw bij de Aroe-<br />
eilanders van weinig belang, en is de karet-, tripang- en parel-<br />
visseherij en de handel in deze artikelen hun hoofdmiddel van<br />
bestaan. Zeiven verlaten zij hunne eilanden weinig maar wachten<br />
de handelaren af. Dezen, vooral Boeginezen, Mangkasaren,<br />
Cerammers en Gorammers, komen in December of Januarij te<br />
Bobo op Wammer aan en betalen aan de Orang Kaja's van dat<br />
eiland en Wokam eenig ankerage-geld {taboe batoe) en eene<br />
kleine schatting (se'wa tanah, eigenlijk: landhuur), waarvoor zij<br />
het regt hebben uit het bosch al het noodigo te halen om op<br />
den wal eene woning en loodsen op te slaan, waarin de gezag<br />
voerder-koopman (anakoda) zijnen intrek neemt en de lading<br />
met het scheepstuig gedurende den Westmoeson geb<strong>org</strong>en wordt;<br />
het vaartuig zelf wordt inmiddels, zoo noodig, door daartoe<br />
overkomende Kei-eilanders hersteld. Hier heeft de groothandel<br />
plaats; en middelerwijl zendt de anakoda eeuigen zijner onder-<br />
hoorigen met een gedeelte der medegebragte koopwaren in kleine<br />
0) Misschien het Maleische bertoewan, lieden die eenen heer hebben.
403<br />
vaartuigen {djóngko's) naar de Achterwals-eilanden, om daar de<br />
paarlen, tripang, enz. in te ruilen ; deze onder-kooplieden of commissionnairs<br />
worden toekang petak genoemd. Met het doorkomen<br />
van den Oostmoeson vertrekken de handelaars weder, en treden<br />
de Aroenezen de periode van lediggang en dronkenschap in.<br />
Van de bijzondere gebruiken vermelden wij slechts de volgende.<br />
Bij de geboorte van eene dochter wordt, in het vooruitzigt op<br />
den later voor haar te bedingen bruidschat, een luidruchtig feest<br />
gevierd, waarbij gezongen, op gongs en tifa's (eene soort van<br />
trommen), hunne eenige muzijk-instrumenten, geslagen, een<br />
varken geslagt en veel arak en anijs gedronken wordt; dikwijls<br />
wordt het kind bij dezelfde gelegenheid ook verloofd en het bedrag<br />
van haren koopprijs vastgesteld. De geboorte van eenen zoon<br />
wordt hoogstens als eene- onverschillige zaak beschouwd.<br />
Bij het huwelijk wordt de vrouw door den man van haren<br />
vader of, bij voor-overlijden van dezen, van haren grootvader<br />
of anderen naasten bloedverwant gekocht; kan hij zelf den koop<br />
prijs (arta) niet geheel betalen, dan wordt hij hierin geholpen<br />
door zijne vrienden, die daarvoor aanspraak krijgen op een Ge<br />
deelte van den bruidschat der dochters, welke uit dit huwelijk<br />
zullen geboren worden. De arta bestaat, naar gelang van den<br />
rang van het meisje, in een grooter of kleiner aantal Impala's<br />
(stuks voorwerpen), als olifants-tanden, gongs, porceleinen<br />
kommen en schotels, en dergelijke. Bij volstrekt onvermogen<br />
moet de schoonzoon een zeker aantal jaren zijnen schoonvader<br />
dienen en zoolang met zijne vrouw in diens huis blijven wonen.<br />
De man is onbepaald heer en meester over zijne vrouw en heeft<br />
het regt in geval van overspel haar te dooden of den voor haar<br />
betaalden koopprijs terug te vorderen; wil haar medeschuldige<br />
dien betalen dan wordt zij daardoor de vrouw van dezen, maai<br />
de kinderen van haren eersten man blijven bij hunnen vader.<br />
In andere gevallen schijnt echtscheiding niet bekend te zijn.<br />
Wanneer de man sterft moet de weduwe zich het hoofd doen<br />
hal scheren, mag zich in zes weken aan geen man vertoonen,<br />
en gaat gedurende dien tijd geheel naakt; daarna heeft een<br />
ongehuwde broeder van den overledene het regt haar, zonder<br />
bruidschat te betalen, tot vrouw te nemen (polygamie schijnt dus<br />
hier niet te bestaan); zijn er echter geene ongehuwde broeders<br />
of verlangen dezen haar niet tot vrouw, dan blijft zij evenwel
404<br />
ïn zooverre het eigendom der familie van haren man, dat deze,<br />
als zij hertrouwt, haren bruidschat ontvangt. Wanneer de vrouw<br />
sterft, verlaat de man het huis en houdt zich in bet bosch op<br />
tot na de begrafenis; daarna werpt bij eenig kostbaar voorwerp,<br />
b.v. 'eene gong of oen olifantstand, in de zee of in eene rotskloof<br />
als een offer aan hare nagedachtenis (aan haren geest?) opdat<br />
zij hem later niet kome kwellen.<br />
De lijken worden, met hunne kostbaarste sieraden opgeschikt,<br />
in eene hurkende houding (vergel. bl. 192, 242, 310 en 369)<br />
in een klein diep gat onder hunne woning begraven; in dit graf<br />
worden ook eenige eetwaren gelegd. Indien de overledene een<br />
man was, worden zijne wapenen met hem begraven en op het<br />
graf eenige gongs, aarde- en glaswerk aan stukken geslagen;<br />
ook wordt zijue gewone vischpraauw uit elkander gebroken en<br />
in den grond gestopt.<br />
Bij het ontdekken van eene nieuwe parelbank begeeft zich het<br />
Hoofd der negeri met de geheele mannelijke bevolking naar die<br />
plaats. Een hunner werpt dan, onder het uitspreken van be-<br />
zwerings-formulieren, eenig toovermiddel in een rood lapje<br />
gewikkeld in zee om de booze geesten te verdrijven, en de Orang<br />
Kaja werpt er eenige-duiten bij opdat die waarde hun veelvuldig<br />
worde teruggegeven. Daarna gaan de duikers te water, en de<br />
opbrengst van de eerste vangst wordt geheel tot feestvieren<br />
besteed.<br />
Alle boven vermelde gebeurtenissen gaan met buitensporige<br />
drinkpartijen gepaard.<br />
Misdrijven worden met boete gestraft gewoonlijk te betalen<br />
in olifantstanden of gongs; alleen op moord door eenen slaaf<br />
aan een vrijen man gepleegd staat onvermijdelijk de dood, en ook<br />
overspel door eene vrouw gepleegd kan door haren man des<br />
verkiezende zoo worden gestraft. Overspel door den man gepleegd<br />
en mishandelingen op zijne vrouw geven aan deze het regt om<br />
hem te verlaten en een ander te huwen. Wanneer de eene slaaf<br />
den anderen doodt, moet do eigenaar van den moordenaar de<br />
waarde van den vermoorde aan diens meester vergoeden; zoo<br />
ook wanneer een vrij man eenen slaaf van een ander doodt.<br />
Voor diefstal wordt alleen teruggave der waarde van het gestolene<br />
geëiseht. Indien een veroordeelde niet in staat is de hem opge<br />
legde boete te betalen, is zijne familie daarvoor aansprakelijk;
405<br />
en indien hij tot eene andere negeri behoort dan de beieedigde<br />
partij, zijne geheele negeri; in dit laatste geval wordt de boete<br />
veelal voldaan door de Hoofden, die daardoor hunnen invloed<br />
op hunne onderhoorigen grootelijks vermeerderen.<br />
De wijze van verbindtenissen te sluiten is dezelfde als bij de<br />
Cerammers (bl. 309) en elders in de Molukken.<br />
Over de taal der Aroenezen zijn door den Heer BHUMÜND<br />
eenige opmerkingen en eene korte Woordenlijst medegedeeld ('),<br />
die echter alleen de Voorwals-eilanden betreffen. Hij vermoedt<br />
dat zij verwant is met de taal der Cerammers, Zuid-Westereilanders,<br />
en in het algemeen met de talen der verschillende<br />
Alfoersehe stammen in den Indischen Archipel, maar niets<br />
gemeens heeft met het Maleisch dan voor zooverre woorden uit<br />
deze taal, door vreemde kooplieden overgebragt, meer of minder<br />
verbasterd in het Aroeneeseh zijn opgenomen. Voorts is de taal<br />
rijk aan vokalen en welluidend, maar zeer arm aan woorden en<br />
volstrekt verstoken van uitdrukkingen voor afgetrokkene denkbeelden,<br />
gelijk trouwens bij een geheel onbeschaafd volk van<br />
zelf spreekt. Vervoeging of verbuiging wordt alleen door hulpwoorden<br />
aangeduid. Handelaren en andere vreemdelingen bedienen<br />
zich van het Maleisch, dat althans door de meeste Hoofden<br />
op de Voorwals-eilanden verstaan wordt.<br />
Bijzonderheden omtrent eenige eilanden.<br />
Wassir, het Noordelijkste der Voorwals-eilanden is niet op<br />
den duur bewoond; er staan echter eenige huizen in de nabijheid<br />
van tuinen, wier eigenaars op Oedjir hun vast verblijf hebben.<br />
Oedjit\\i%i onmiddellijk ten Zuiden van Wassir op 5° 36'Z.B..,<br />
(volgens de kaart van MELVILL). Het heeft de twee negeriën<br />
Oedjir en Timor, wier Hoofden den titel van Orang Kaja voeren,<br />
en die in 1850 te zamen 112 zielen telden; de bevolking was<br />
toen echter zeer verminderd ten gevolge van de cholera, die daar<br />
in het vorige jaar gewoed had. Te Oedjir is eene goede steenen<br />
moskee voor de toen, op zeven Alfoeren na, geheel Mohammedaansehe<br />
bevolking.<br />
Wokam, ten Zuiden van Oedjir en aanmerkelijk grooter dan dit<br />
(het wordt door MELVILL op 3 • mijlen geschat), op 5° 48' Z.B.,<br />
met eene bevolking van 387 zielen, die aan de Westzijde des<br />
(') Tijdschr. voor Neérl. Indië, 1844, D>. II, bl. 521 en volgg.
400<br />
eilands grootendeels Christenen of Mohammedanen, aan de<br />
Oostzijde Heidenen zijn. Er zijn zeven negeriën, ouder welke op<br />
de Westzijde Wokam met eene vervallene steenen Christenkerk<br />
en Samang met eene moskee, en op de Oostzijde Manambai en<br />
Majoeni de voornaamsten zijn. Bij Wokam vindt men nog de<br />
overblijfselen van een stevig uit klipsteen gebouwd fort, dat in<br />
het midden der 17 dc<br />
eeuw hier door de O. I. Compagnie gebouwd<br />
werd om de bevolking in toom te houden, die te regt zeer verbitterd<br />
was niet alleen over de uitroeijing der specerij-boomen,<br />
maar vooral ook omdat zij gedwongen werd de overige producten<br />
dezer eilanden uitsluitend aan de Bandasche handelaars te verkoopen<br />
; in 180# is deze post ingetrokken.<br />
Wammer, ten Zuiden van Wokam op 5°48'Z.B., kan, hoewel<br />
het slechts 2 • mijlen groot is, als het voornaamste van de groep<br />
beschouwd worden, omdat tusschen dit eiland en Wokam de<br />
eenige goede reede is met eene diepte van 6 tot 26 vadem, ten<br />
gevolge waarvan hier de hoofdzetel van den handel is. De<br />
voornaamste handelplaats, Dobo, ligt aan de Noordzijde; zij<br />
bestaat uit 87 huizen doch heeft geene vaste bevolking, maar<br />
gedurende den Westmoeson houden er zich gemiddeld 800 of<br />
1000 vreemdelingen op, van welke er gewoonlijk een paar<br />
honderd gedurende den Oostmoeson achterblijven. De twee<br />
andere negeriën, Bjurdjella en Wangil, hebben te zamen eene<br />
nagenoeg geheel Christelijke bevolking van 190 zielen; in beiden<br />
is eene Christenkerk, van welke die te Bjurdjella een goed<br />
steenen gebouw is.<br />
Maikor, op één na het grootste van de groep, ligt tusschen<br />
6° en 6° 32' Z.B. en heeft eene oppervlakte van 16 • mijlen.<br />
De twee negeriën Maikor en Wangal, van welke de eerste<br />
grootendeels door Christenen de laatste geheel door Heidenen<br />
bewoond is, tellen te zamen 133 inwoners; in de eerstgenoemde<br />
is een houten gebouw dat tot kerk dient. MELVILL spreekt<br />
daarenboven nog van twee dorpen, Bololoet en Batoe, die door<br />
BOSSCHEE niet vermeld worden; laatstgenoemde zegt daarentegen<br />
dat er in het binnenland nog een paar honderd Alfoeren in het<br />
bosch verspreid leven.<br />
Trangan, dat ongeveer even groot is als Maikor, ligt ten<br />
Zuiden van het laatstgenoemde tusschen 6° 33' en 6° 57' Z.B.<br />
I en heeft\wee negeriën/Set eene gezamenlijke, geheel Heidensche,
407<br />
bevolking van 310 zielen, die tot de Achterwallers gerekend<br />
wordt (bl. 397).<br />
Krei, een betrekkelijk klein eiland, ligt aan de Zuid-Oostzijde<br />
van Trangan en heeft twee negeriën, Badalwaër, uit vijf kampongs<br />
bestaande, en Tatibijaroen. met eene gezamenlijke bevolking van<br />
668 zielen, die, gelijk alle Achterwallers, Heidenen zijn.<br />
Workai. ten Oosten van Trangan tusschen 6°40' en 6° 57' Z.B.,<br />
is 8.5 • mijlen groot en heeft zes negeriën met eene bevolking<br />
van 1133 zielen; de grootste plaatsen zijn Longar, Affara en<br />
Wairibang.<br />
Koba, tusschen het Noord-Oostelijke gedeelte van Trangan<br />
en het Noord-Westelijke van Workai gelegen, heeft slechts<br />
ééne negeri van denzelfden naam met eene bevolking van 143<br />
zielen.<br />
Kobroor, het grootste en minst bekende der Aroe-eüanden,<br />
ligt ten Oosten van Maikor en ten Noorden van Koba tusschen<br />
5°47' en 6°34'Z.B., en is volgens MELVILL 60 • mijlen groot.<br />
Er zijn vrij rijke sago-bosschen en voorts pinang- en kokosboomen,<br />
arrt-tuinen, aard- en tuinvruchten. De tien negeriën hebben<br />
te zamen 2926 inwoners; maar buitendien zegt men dat het<br />
binnenland nog sterk bevolkt is. Deze bevolking, die als woest<br />
en wreed wordt afgeschilderd} houdt zich niet met parel visscherij<br />
of tripang'-vangst bezig, maar leeft grootendeels van den veldbouw,<br />
welks producten zij in den Westmoeson aan de vreemde<br />
handelaren verkoopen; ook vervaardigen zij zeer goede praauwen.<br />
Met de overige Aroe-eilanders komen zij weinig in aanraking,<br />
en zijn minder aan het misbruik van sterken drank overgegeven<br />
dan dezen.<br />
Jamboeai, het Oostelijkste eiland van de groep, ten Oosten<br />
van het Zuidelijke gedeelte van Kobroor tusschen 6° 16' en<br />
6°30' Z.B., heeft eene bevolking van 236 zielen in de twee<br />
negeriën Jamboeai en Salaoe.<br />
Penamboelai of Ponamboloe ligt ten Oosten van Kobroor en<br />
ten Noorden van Jamboeai tusschen 5° 55' en 6° 14' Z.B. en is<br />
aanmerkelijk grooter dan laatstgenoemd eiland, doch heeft slechts<br />
ééne negeri van denzelfden naam met 223 inwoners.<br />
Lolla, mede ten Oosten van Kobroor en onmiddellijk ten<br />
Noorden van Penamboelai, heeft ook slechts ééne negeri van.<br />
denzelfden naam met 215 inwoners.
408<br />
Meriri, een klein eiland ten Noorden van Lolla op 5° 44' Z.B.,<br />
heeft de negeri Meriri met 750 zielen.<br />
Waltelei, ten Noorden van Kobroor en ten Westen van Meriri,<br />
is niet veel grooter dan het laatstgenoemde doch heeft zeven<br />
negeriën met 1845 inwoners. De voornaamste plaatsen zijn<br />
Wattelei, Koemoeloe en Margoeli.<br />
Komfane ligt ten Noord-Oosten van Wokam en ten Noorden<br />
van Wattelei op 5°35' Z.B. Van de negeriën of de sterkte deibevolking<br />
is ons geene opgave bekend.<br />
Kolo of Kola ligt op dezelfde breedte ten Oosten van Komfane<br />
en heeft twee negeriën, Maltinoe en Sangaroemi, met eene bevolking<br />
van 560 zielen.<br />
Warialaoe is het Noordelijkste bewoonde eiland van de groep<br />
op 5° 25' Z.B., en heeft alleen de negeri van denzelfden naam<br />
met 134 inwoners.<br />
Alle hierboven vermelde cijfers der bevolking hebben betrekking<br />
op het jaar 1850 en zijn opgemaakt nadat in het vo<strong>org</strong>aande<br />
jaar de cholera had gewoed; waarschijnlijk zijn dus die getallen<br />
thans aanmerkelijk hooger. Daarenboven rekent men dat buiten<br />
de in de negeriën gevestigde bevolking nog een 2500-tal Alfoeren<br />
in de binnenlanden der groote eilanden zonder vast verblijf<br />
rondzwerven.<br />
§ 8. De Tenimber-eilanden.<br />
Algemeen overzigt van de eilanden en hunne bevolking.<br />
De Tenimber- of Timor laut-eilanden behooren tot de minst<br />
bekende van dit gedeelte van den Archipel, zoodat zelfs in de<br />
opgaven van hunne namen groot verschil bestaat (bl. 375).<br />
Vreemde handelaren komen er zelden, zoo het schijnt uit wantrouwen<br />
jegens de bevolking; alleen met Loeang, een der Zuid-<br />
Wester-eilanden, en somtijds met Banda schijnt buitenlandsche<br />
handel te worden gedreven. De Heer BOSSCHER, die ze even<br />
als de naburige eilanden ambtshalve heeft bezocht, heeft zoo<br />
verre ons bekend is zijne bevindingen nog niet publiek gemaakt.<br />
Wij zullen daarom hoofdzakelijk de mededeelingen van den Heer<br />
BLEEKER vermelden, die in zijne Reis l 1<br />
) de voornaamste bekende<br />
bijzonderheden omtrent deze groep heeft bijeen gebragt en daartoe<br />
(') O'. II, bl. 298,
409<br />
ook mondelinge inlichtingen van den Heer BOSSCHER ingewonnen ;<br />
met vergelijking van de berigten van den Heer VAN DOREN,<br />
medegedeeld in de Bijdragen van het Instituut voor de taal-,<br />
land- en volkenkunde van Nederlandsch Indië. (')<br />
De Tenimber-eilanden liggen Zuid-Westwaarts van do Keieilanden<br />
tusschen 6°41' tot 8°34' Z.B. en 130°49' tot 133° O.L.,<br />
en hebben volgens MELVILL eene gezamenlijke grootte van<br />
104.5 • mijlen. Zij zijn in het algemeen berg- of heuvelachtig,<br />
hoewel de bergen geene groote hoogte bereiken. De hoogste<br />
schijnt de vulkaan te zijn, die het onbewoonde eilandje Labobar<br />
(7° 5' Z.B. en 131° 13' O.L.) uitmaakt en ongeveer 2000 V*.<br />
bereikt; verder worden op Timor laut, Larat, Vordate en Sejrah<br />
de hoogste gedeelten aangetroffen; de aard van deze gebergten<br />
is echter niet bekend. Het vaarwater tusschen de verschillende<br />
eilanden is met uitgestrekte riffen bezet, die rijk zijn aan tripang<br />
en karet, hetwelk ook uitvoer-artikelen zijn; ook levert de zee<br />
vele goede vischsoorten op. De voortbrengselen van den grond<br />
zijn hoofdzakelijk kokosnoten en aardvruchten, daar de bevolking<br />
weinig werk maakt van den landbouw en hare rijst en sago van<br />
elders (waarschijnlijk meest van de Zuid-Wester-eilanden) bekomt.<br />
Wilde en tamme varkens komen er in overvloed voor.<br />
Zooverre men weet zijn alleen-de eilanden Timor laut, Larat,<br />
Vordate, Moenoefroean, Sejrah en Adaut bewoond. Hunne bevolking,<br />
die op meer dan 22000 zielen geschat wordt, heeft<br />
den naam van wreed en verraderlijk en onderling zeer afgunstig<br />
te zijn, waarop echter die van Adaut gezegd wordt eene gunstige<br />
uitzondering te maken. Zij woont in op zich zelf staande negeriën<br />
of kampongs, bestuurd door Orang Kaja's, die door het volk<br />
worden gekozen.<br />
De veelwijverij is geoorloofd doch weinig in zwang omdat de<br />
vrouw voor een vrij hoogen prijs, te betalen in gewerkt goud,<br />
olifantstanden, gongs of dergelijke, door den man moet gekocht<br />
worden. De kleeding van beide geslachten bestaat alleen in de<br />
tjidako, en de sieraden in zware koperen ringen om de enkels;<br />
evenwel zijn de mannen zeer op Europesche kleedingstukken<br />
gesteld. Hunne wapenen zijn pijl en boog, lansen, parangs en<br />
klewangs; ook hebben sommigen geweren, waarmede zij echter<br />
(') Nieuwe volgreeks, Oh VII, bl. 67.
410<br />
gebrekkig omgaan. In den oorlog hebben de mannen eene soort<br />
van harnas van buffelhuid, dat het bovenlijf bedekt, en voorts<br />
allerlei versierselen van vederen, bloemen, stukjes gekleurd laken,<br />
goud en ivoor, enz. Zij vereeren eene menigte Goden, en daaronder<br />
ook de geesten hunner voorouders, welke zij nennemojang noemen<br />
en waaraan offeranden gebragt worden. Hiertoe vindt men in<br />
elke kampong eene steenen of aarden hoogte onder een waringinboom;<br />
en deze plaats dient ook tot bet houden van volksvergaderingen<br />
en het raadplegen van priesteressen of wigchelaressen<br />
omtrent den uitslag van deze of gene onderneming. Afgodsbeelden<br />
in eene ruwe mensehelijkc gedaante vindt men overal in<br />
menigte, en de meeste personen dragen kleine zoodanige beeldjes<br />
bij zich.<br />
De wijze van begraven is niet overal dezelfde. Op sommige<br />
plaatsen wordt het lijk in een uitgeholden boomstam gelegd en<br />
zoo op eene stellaadje geplaatst, waar rondom eene groote hoeveelheid<br />
levensmiddelen wordt opgehangen, en blijft daar tot<br />
dat het geheel verteerd is; elders wordt het na eenigcn tijd van<br />
de stelling afgenomen en begraven; op nog andere plaatsen<br />
wordt het eenvoudig op eene rots aan het strand nedergelegd;<br />
weder elders dadelijk in de aarde begraven. Alleen aan bejaarde<br />
lieden, die gehuwd zijn geweest, schijnt men de eer te vergunnen<br />
dat hun lijk op eene stellaadje wordt ten toon gesteld. De nagelatene<br />
goederen worden voor de helft vernield en voor de andere<br />
helft onder de erfgenamen verdeeld. Van het vee van eenen<br />
overledene wordt een derde gedeelte geslagt en, nadat eene zekere<br />
hoeveelheid in of bij de kist is nedergelegd, door de overige<br />
kampong-bewoners opgegeten of medegenomen (verg. bl. 310).<br />
Hunne taal is dezelfde, die op de naburige eilanden wordt<br />
gesproken; er zijn echter, vooral onder de Hoofden, verscheidene<br />
personen die het Maleisch verstaan.<br />
Bijzonderheden omtrent sommige eilanden. •<br />
Timor laut, het hoofd-eiland van de groep, ligt tusschen<br />
7° 11' tot 8°24'Z.B. en 130° 49'tot 131°41'O.L. in eene<br />
Noord-Oost- en Zuid-Westwaartsche rigting; de lengte zal ongeveer<br />
25, doch de gemiddelde breedte niet meer dan 3 of 4 mijlen<br />
bedragen; volgens MELVILL is de grootte 88 • mijlen. De Oostzijde<br />
van het eiland is het hoogst en bereikt van 600 tot 1000 v 4<br />
.;
411<br />
de Westzijde is aanmerkelijk lager en vrij vlak. Op deze laatste,<br />
waarde kust wegens de ondiepte moeijelijk te naderen is, liggen<br />
de negeriën Ma/dia en Analoesoe ; op de Oostzijde, die verreweg<br />
het sterkst bevolkt is, worden een twintigtal negeriën gevonden,<br />
waaronder Oelili en Laoerong de voornaamsten zijn. De geheele<br />
bevolking des eilands wordt op 10000 zielen geschat.<br />
Larat ligt onmiddellijk ten Oosten van den Noord-Oosthoek<br />
van Timor laut, is een heuvelland van vrij groote en gelijkmatige<br />
hoogte, en heeft eene oppervlakte van ongeveer 7 • mijlen. Het<br />
is verdeeld in de drie Distrikten Kaliobor, Larat en Klang, en<br />
telt zeven negeriën, onder welke Ridal of Ridoel en Kaleobar<br />
of Kaliobor aan de Noordkust tot de belangrijksten behooren. De<br />
geheele bevolking wordt op ruim 2500 zielen berekend. Bij de<br />
negeri Ridoel aan de Zuid-Westzijde des eilands is eene bogt,<br />
die ten allen tijde eene veilige ankerplaats aanbiedt, doch welker<br />
binnenkomen in den Oostmoeson moeijelijk is.<br />
Vordate, regt Noordwaarts van Larat op 7° Z.B. gelegen,<br />
is slechts 1 • mijl groot en dus zeer veel kleiner dan dit en<br />
ook minder hoog; echter wordt de bevolking even sterk geschat.<br />
Er zijn vijf negeriën, onder welke Abobo of Adodo in het<br />
Noorden, Sabiana in het Westen en Aweer in het Zuid-Westen<br />
de belangrijksten schijnen te zijn.<br />
Sejrah ligt aan de Westkust van Timor laut op 7° 40' Z.B.<br />
en is even als dit eiland aan de Oostzijde hoog en aan de Westzijde<br />
laag. Het heeft zes negeriën, onder welke Wailoetoe aan<br />
de Noordkust eene der grootsten schijnt te zijn^Het eiland zoude,<br />
volgens de opgave van BLEEKEB, ruim 5000, doch volgens de<br />
opgave in de Bijdragen van het Instituut nog geene 2000 bewoners<br />
hebben.<br />
Moenoefroean, dat niet op de Kaarten voorkomt en welks<br />
ligging ons onbekend is, moet vijf negeriën hebben met omstreeks<br />
1000 inwoners.<br />
Adaut fs een klein eiland, dat volgens de kaart van MELVILL<br />
zeer nabij de Westkust van Timor laut ten Zuiden van Sejrah<br />
op 7° 50' Z.B. ligt, doch volgens de mededeeling van den Heer<br />
BOSSCHEE tusschen laatstgenoemd eiland en de Babber-groep<br />
te zoeken is. Aan de Zuid-Westzijde moet het eene baai met<br />
eene veilige reede hebben. Omtrent het getal der negeriën of<br />
der bewoners zijn geene berigten bekend.
412<br />
§ 9. De Zuid-Wester-eilanden. W<br />
Algemeen overzigt van de ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />
voortbrengselen en bevolking.<br />
De Zuid-Wester-eilanden liggen in twee rijen in het Zuidelijke<br />
gedeelte der Banda-zee, grootendeels tusschen 7°tot 8° 18'Z.B.<br />
en 125° 40' tot 130° 8' O.L., dat is, van ten Westen der<br />
Tenimber-eilanden tot ten Noorden van Timor; alleen de eilanden<br />
Tiouw, Nila, Seroea en Manoek liggen Noordelijker dan deze<br />
grens, tusschen 5° 30' en 7° Z.B. De Zuidelijkste, bijna regt<br />
Oost- en Westwaarts loopende, rij wordt gevormd door de<br />
Babber-, Sermatla- en Letli-groepen; terwijl de andere, die<br />
Noord-Oost- en Zuid-Wcstwaarts loopt, door de Weller-, Romaen<br />
Bamme-groepen en de zoo even genoemde meer Noordwaarts<br />
liggende eilanden gevormd wordt.<br />
De gezamenlijke grootte van deze eilanden is volgens MELVILL<br />
93.5 • mijlen.<br />
Zij zijn meerendeels van vulkanischen oorsprong; Kisser is<br />
van kalkformatie, en Loeang bestaat uit een hoogen klipachtigen<br />
berg door kleine koraal-eilandjes omgeven. Bijna overal steil<br />
en rotsachtig oprijzende uit de zee, die tot vlak bij de kusten<br />
eene onpeilbare diepte heeft, bieden zij den schepen slechts<br />
weinige goede ankerplaatsen aan, die hieronder bij elk eiland<br />
zullen worden opgegeven. Daar er niet dan kleine en zeer weinige<br />
riviertjes of beken worden gevonden is de bevochtiging van den<br />
grond geheel van den regen afhankelijk, en wordt in de behoefte<br />
aan drinkwater veelal door het graven van putten voorzien;<br />
evenwel zijn alle deze eilanden, met uitzondering van Loeang,<br />
zeer vruchtbaar en leveren overvloed van levensmiddelen voor<br />
de bevolking op, en alleen buitengewone droogte veroorzaakt<br />
somtijds hier of daar tijdelijk gebrek. De temperatuur is nagenoeg<br />
dezelfde als op Java. De Oostmoeson vangt aan omstreeks half<br />
April; en schoon dit de zoogenaamde drooge tijd is, is hij toch<br />
somtijds buijig, en vooral in het laatst van April en in het<br />
begin van Mei regent het veelal een week of drie achter elkander,<br />
(') Men zie vooral BOSSCHER, in het Tijdschr. voor Ind. taal-, land- en<br />
volkenkunde, DL II, bl. 419.
413<br />
hetgeen men den kleinen regentijd noemt. De Westmoeson komt<br />
in November of December door en brengt den grooten regentijd<br />
aan, die twee of drie maanden aanhoudt en, vooral in December<br />
enJanuarij, dikwijls met hevige stormen gepaard gaat. Aardbevingen<br />
en onweders komen het meestin September en October<br />
voor, doch zijn zelden zeer hevig.—. De gezondheids-toestand<br />
schijnt zeer voldoende te zijn; alleen pokken-epidemiën komen<br />
van tijd tot tijd voor, en voorbehoedmiddelen daartegen zijn<br />
niet bekend.<br />
Van het delfstoffenrijk op deze eilanden is nog weinig of niets<br />
met zekerheid bekend. Men gelooft dat op Kisser en Babber<br />
marmer te vinden is en meent op laatstgenoemd eiland ook sporen<br />
van koper en ijzer te hebben ontdekt; doch dit vereischt nog<br />
allezins bevestiging. Zandsteen, krijt, graniet, en andere gewone<br />
steensoorten komen op de meeste eilanden in menigte voor.<br />
Het plantenrijk is, behalve op het hooge, schrale en rotsachtige<br />
Loeang, overal welig. Kokosnoten, rijst, djagoeng, aard- en<br />
peulvruchten, tabak, katoen en allerlei keerkringsvruchten zijn<br />
overvloedig; Bamme is rijk in sago-palmen; hetzelfde eiland<br />
benevens Moa en Babber heeft vele uitmuntende houtsoorten<br />
voor huis-en scheepsbouw en meubelwerk; en op al de grootere<br />
eilanden vindt men uitgestrekte en heerlijke weilanden.<br />
Tamme varkens zijn in overvloed op alle eilanden; wilde<br />
zwijnen en wilde ossen alleen op Babber; karbouwen, wilde en<br />
tamme geiten en schapen in menigte op Wetter, Moa, Letti en<br />
Kisser; op de beide laatste eilanden ook paarden van een zeer<br />
goed ras. Het hertengeslacht en ander klein wild ontbreekt geheel.<br />
Vele soorten van duiven, ook bosehhoenders, houtsnippen, kippen<br />
en eenden zijn talrijk. Slangen, hagedissen, kikvorschen en<br />
padden komen overal voor; krokodillen alleen op Wetter. Van de<br />
insecten zijn vooral de honigbijen te vermelden, die op de groote<br />
eilanden nog zeer menigvuldig zijn, hoewel minder dan vroeger,<br />
hetgeen men toeschrijft aan hevige orkanen of buitengewone<br />
droogten, die van tijd tot tijd geheerscht hebben. De zee in den<br />
omtrek der eilanden is rijk aan visch; evenwel wordt van de<br />
visscherij hier niet zooveel werk gemaakt als elders, daar de<br />
bevolking overvloed van andere levensmiddelen heeft. Tripang<br />
en schildpad komen alleen voor in den omtrek der eilanden<br />
Babber, Loeang, Bamme en Roma.
414<br />
Hoewel de voortbrengselen uit de beide laatstgenoemde natuurrijken<br />
zeer overvloedig zijn, wordt daarin slechts weinig buitenlandsche<br />
handel gedreven. De eenige artikelen van uitvoer zijn<br />
tripang (gemiddeld 6S0 pikols's jaars), schildpad (6 pikols) en<br />
was (325 pikols), die voorat door Mangkasaren en voor een<br />
klein gedeelte door handelaars van de Banda-eilanden worden<br />
geruild tegen lijnwaden, staaf-ijzer, messen, parange, bijlen,<br />
spijkers, vischhaken, koperdraad, grof aardewerk, koralen, kruid<br />
en vuurwapenen. Deze handel wordt alleen gedreven op de<br />
eilanden Loeang en Wetter. De overige producten worden slechts<br />
tot binnenlandsoh gebruik aangewend en daartoe door de Loeangers<br />
en Lettinezen, de eenige zeehandelaars van deze groepen,<br />
van het eene eiland naar het andere overgebragt.<br />
Omtrent de sterkte der bevolking bestaan zeer verschillende opgaven.<br />
BLEEKER brengt die in 1852 op 52576 zielen ; BOSSCHEE<br />
in hetzelfde jaar op 46176, waaronder echter de bevolking van<br />
sommigeeilanden, als onbekend, niet begrepen is; MELVILL (Min<br />
1849 op 35700; en WILLER( 2<br />
) in 1847 op 19715 zielen. Schoon<br />
deze cijfers, die grootendeels op de opgaven van Inlandsehe<br />
Hoofden steunen, wel niet als volkomen juist te beschouwen<br />
zijn, schijnt er toch uit te blijken dat de bevolking in de laatste jaren<br />
aanmerkelijk is toegenomen. Onder het door BOSSCHER medegedeelde<br />
getal bevonden zich 2382 Christenen op de eilanden<br />
Lelti. Moa. Roma, Kisser en Wetter. Op de andere eilanden<br />
worden ook nog wel velen gevonden, die zich Christenen noemen<br />
omdat hunne voorouders zulks waren, doch die werkelijk geheel<br />
tot het heidendom zijn teruggekeerd behalve alleen wat hunne<br />
kleeding betreft, waarin zij met de Ambonesche Christenen overeenkomen.<br />
Deze Christenen zijn grootendeels afstammelingen<br />
van Europeanen, deels ook Inlanders. Ten tijde van de O. I.<br />
Compagnie werd van de invoering en uitbreiding van het Christendom<br />
op de Zuid-Wester-eilanden veel werk gemaakt en waren<br />
op de meeste eilanden Zendelingen werkzaam; langzamerhand<br />
is dit verminderd, en in 1841 hebben de Zendelingen, die toen<br />
nog op de vier eerstgenoemde eilanden waren, ook deze verlaten.<br />
Thans zijn daar nog slechts vijf Ambonesche schoolmeesters,<br />
(') Statistieke Kaart in hel Tijihe.hr. v. Neêrl. Indië, 1849, D'. II.<br />
( 2<br />
) Tabel in het Indisch Archief, Jaarg. I, U', II.
415<br />
die behalve het onderwijs in het lezen en schrijven ook het<br />
godsdienstig onderrigt geven en des Zondags bij de godsdienstoefeningen<br />
vo<strong>org</strong>aan. Omtrent de kennis, den godsdienstzin en de<br />
beschaving der Christenen, althans der volwassenen die nog het<br />
onderwijs der Zendelingen hebben genoten, wordt een gunstig<br />
getuigenis gegeven.<br />
De inheemsche meest heidensehe bevolking, door de Christenen<br />
Hindoe's genoemd, behoort hoogst waarschijnlijk tot den Alfoerschen<br />
stam en is misschien naauw verwant met de bewoners van<br />
het Oostelijke gedeelte van Tintori. Het is een lieht gekleurd,<br />
rijzig en goed gebouwd menschenras. Zij zijn over het algemeen<br />
minder onbeschaafd dan de Aroe- en Tenimber-eilanders, werkzaam,<br />
onderdanig aan hunne Hoofden, gewillig en getrouw als<br />
men ben billijk behandelt maar niet geneigd om aanmatiging of<br />
onderdrukking van vreemden te verdragen, oorlogzuchtig en<br />
dapper, wreed jegens overwonnene vijanden, zeer gesteld op den<br />
dans en andere luidruchtige vermaken, en liefhebbers van sterken<br />
drank. Jegens het Gouvernement, door hen nog altijd de Compagnie<br />
genoemd, zijn zij zeer goed gezind. De bevolking van<br />
Babber schijnt zich door trouwloosheid, die van Bamme door<br />
luiheid ongunstig van de overige eilanders te onderscheiden; op<br />
Wetter is het koppensnellen in zwang. De huizen zijn vrij groot,<br />
van planken gebouwd, met nipa/i-blaieren gedekt, en staan digt<br />
bij elkander in geregelde kampongs of negeriën, die altijd door<br />
uit klipsteen opgetrokkene muren omgeven zijn.<br />
De bevolking is verdeeld in drie standen: de Marna of Merne,<br />
dat zijn de adellijken, de eigenlijke heeren des lands, uit welke<br />
de voornaamste Hoofden en de hoogste Priesters worden gekozen;<br />
ie Poer of Boer (waarschijnlijk het Nederlandsche woord), zijnde<br />
de vrije landbouwers of grondeigenaars, uit welke in sommige<br />
gevallen ook de mindere Hoofden en Priesters gekozen worden;<br />
en de Laskars of slaven, deels gekochte of geërfde deels in den<br />
O BossCHEn, Tijdsclir. v. Ind. taal-, land- en volkenkunde, DL II,<br />
bl. 4^6, deelt als zijn vermoeden mede, dal de Zuid-VVester-eilanders van<br />
Timor afkomstig zijn. Daarentegen beweren de Timorezen dat hun eiland<br />
door volkplanters uit het üoslen bevolkt is, hetgeen wel voor een tegenovergestelde<br />
afstamming zoude pleiten, maar waardoor toch het vermoeden van<br />
verwantschap versterkt wordt. HËYMERING berigt (Tijdschr. v. Neérl. Indië,<br />
Dl. 111, bl. 41) dat de Zuid-Wester-eilanders vol gens hunne eigene<br />
overleveringen van Ceram, de Aroe-en Tenimber-eilanden afkomstig zijn.
41G<br />
oorlog gevangen genoraene, die geene regtcn hebben en volstrekt<br />
aan hunnen eigenaar onderworpen zijn.<br />
De geheele eilanden-groep is verdeeld in Distrikten, van<br />
welke sommige verscheidene eilanden bevatten, terwijl elders<br />
weder één eiland in meerdere Distrikten is gesplitst. De Hoofden<br />
dezer Distrikten voeren meest den titel van Orang Kaja, enkelen<br />
dien van Radja; zij worden door de bevolking gekozen uit de<br />
Mama's en bij voorkeur uit het regerend geslacht; alleen wanneer<br />
dit is uitgestorven en men niet uit eenen anderen stam eenen<br />
geschikten persoon kan of wil vinden, kiest men iemand uit den<br />
tweeden stand, wiens aanzien echter altijd minder is dan dat<br />
van eenen Marna. Zij hebben een onbeperkt gezag en beslissen<br />
in alle geschillen tusschen hunne onderhoorigen. In geval van<br />
geschil tusschen de bevolking van twee negeriën, wordt de zaak<br />
in eene vergadering van alle vrije mannen in de baileo (raadzaal)<br />
behandeld, en na het nemen van een besluit de uitvoering<br />
daarvan aan het Distriktslioofd opgedragen. Onder deze Dis-<br />
triktshoofden zijn er ook Negeri-hoofden, die mede veelal Orang<br />
Kaja heeten. Buitendien hebben de eilanden Moa, Kisser en<br />
Tf r<br />
elter elk nog een algemeen Hoofd, die op het eerste Opper-<br />
Orang Kaja en op de beide andere Radja heet. Dezen oefenen<br />
geen regtstreeksch gezag uit, doch beslissen alleen in geschillen<br />
tusschen landschappen welke onder verschillende Hoofden staan,<br />
en in zaken die het algemeen belang van het geheele eiland<br />
betreffen.<br />
De Zuid-Wester-eilanders erkennen het bestaan van een<br />
Opperwezen, Matsoena tnakerissi makelavene (de grootere cn<br />
meerdere God) genaamd, die het heelal bestuurt en onderhoudt<br />
doch zich niet met de lotgevallen der menschen bemoeit; dit<br />
laatste is overgelaten aan twee oudergoden, Oplaire wartcasse en<br />
Oplaire miinetteme, van welke de eerste de God der blanke, de<br />
andere de God der donkerkleurige menschen is. Hoewel zij ook<br />
voor de twee eerstgenoeuulen grooten eerbied hebben, brengen<br />
zij alleen aan den laatste offeranden, die oorspronkelijk in men-<br />
schenhoofden en runderen bestonden. De hoofden worden thans<br />
echter door kokosnoten vo<strong>org</strong>esteld, behalve misschien alleen op<br />
Wetter waar het koppensnellen nog in gebruik is. Deze offers<br />
worden slechts eenmaal in het jaar gebragt, wanneer de Opper<br />
priester te kennen geeft dat zulks door de Godheid verlangd wordt.
417<br />
Voorts heeft elke negeri of kampong en ook elk meusch een<br />
bijzonderen beschermgod, Ornoesa geheeten, wiens beeld (een<br />
klein op de hurken zittend beeldje) in het midden van elk dorp en<br />
ook in ieder huis, tuin en vaartuig gevonden wordt, en waaraan<br />
dagelijks kleine offers worden gebragt. Ook zijn er booze geesten,<br />
Swungïs, die de oorzaak zijn van alle onheilen welke den mensch<br />
overkomen. De braven gaan na den dood met een verfijnd ligchaam<br />
naar eene plaats, waar zij een ongestoord geluk genieten, van welks<br />
aard men echter geene bepaalde voorstelling heeft; doch de slechten<br />
worden naar eene ongelukkige plaats (noerese rewiule) overgebragt,<br />
waar zij voortdurend zeer zwareu arbeid moeten verrigten of<br />
wel in groote ketels met water of olie worden gekookt.— Elk<br />
landschap heeft eenen Opperpriester en verscheidene priesters<br />
van minderen rang; den eerste, Arricssere geheeten, kiest men<br />
altijd uit de Mama's, de laatsten uit den tweeden stand.<br />
De polygamie is, hoewel niet verboden, echter weinig of niet<br />
in gebruik. Ieder man heeft ééne vrouw, die hij zelf kiest en<br />
voor welke geen bruidschat wordt betaald; hij geeft slechts een<br />
feest ter eere der beschermgoden van zijnen stam en dien zijner<br />
vrouw, waarna de Priester het huwelijk voor gesloten verklaart<br />
door de vrouw in plegtigen optogt naar het huis van den man te<br />
brengen, waar zij door dezen aan de deur wordt opgewacht. Met<br />
het verbranden van eenig hout ter eere van de afgestorvene<br />
bloedverwanten des mans op een offertafeltje, dat daune waniotné<br />
heet en in elk buis gevonden wordt, is dan de geheele plegtigheid<br />
afgeloopen. De huwelijken worden gewoonlijk aangegaan tusschen<br />
personen uit denzelfden stand; indien iemand eene vrouw<br />
neemt uit eenen lageren stand dan den zijne, behooren de kinderen<br />
tot dien der moeder; heeft het omgekeerde plaats, dan maakt de<br />
vrouw zich daardoor bij hare geheele familie gehaat en veracht.<br />
De vrouwen worden goed behandeld, en gevallen van echtbreuk<br />
komen zelden voor; in het algemeen leven zij kuisch en ingetogen,<br />
evenwel is er geene schande in gelegen wauneer zij duurzaam met<br />
eenen man leven zonder wettig gehuwd te zijn.<br />
Bij de geboorte van kinderen hebben geene bijzondere plegtigheden<br />
plaats.<br />
De lijkeu worden na gewasschen te zijn in eene hurkende<br />
houding, met lijnwaad omwonden, buiten de negeri gewoonlijk<br />
op een' der akkers van den overledene begraven en krijgen eenige<br />
II. 37
418<br />
eetwaren en, wanneer liet eenen man geldt, veelal ook wapenen<br />
mede in het graf (verg. bl. 404). Als de afgestorvene iemand uit<br />
een der twee hoogste standen was, heeft de begrafenis eerst drie<br />
dagen na zijn overlijden plaats. Gedurende dien tijd zwerft de ziel<br />
rondom het sterfhuis, waarom dan ook door de Priesters een groot<br />
vuur wordt onderhouden om haar voor te lichten. Op den derden<br />
dag wordt eenig ofTervee geslagt en de ziel door een bezweringsformulier<br />
uitgenoodigd zich in een door den Priester medegebragt<br />
beeldje, davine geheeten, te vestigen tot dat de Oplaire mimetteme<br />
zal beslist hebben of zij naar de plaats des geluks of naar die<br />
des ongeluks moet gaan. Daarna wordt het beeldje op het boven<br />
vermelde offertafeltje geplaatst, het vuur uitgebluscht en het lijk<br />
begraven. De begrafenis heet daarom ook rawene o waai, dat is:<br />
hel vuur uitdooven.<br />
De straffen op misdrijven bestaan in boeten, welke in vee<br />
moeten worden betaald. Een gedeelte hiervan komt aan de<br />
Priesters tot het doen van offeranden; het overige wordt in<br />
stukken gehakt, en ieder ingezetene der negeri neemt daarvan<br />
zooveel als hij bekomen kan. Alleen overspel door eene vrouw<br />
uit den stand der Mama's met eenen slaaf bedreven, en moord<br />
aan een Hoofd gepleegd worden onvermijdelijk met den dood<br />
der schuldigen gestraft; in het laatste geval komt daarbij nog<br />
de boete, voor welke de familie van den moordenaar aansprakelijk<br />
is. Ook bestaat in geval van moord de bloedwraak, welke echter<br />
niet meer mag worden uitgeoefend zoodra de schuldige de hem<br />
opgelegde boete voldaan heeft.<br />
De kinderen der heidensche bevolking genieten volstrekt geen<br />
onderwijs, zoodat wetenschappelijke ontwikkeling bij haar niet<br />
te vinden is. Het ontbreekt echter niet aan natuurlijken aanleg.<br />
De praauwen zijn fraai gebouwd en met versierselen en snijwerk<br />
voorzien; in het bewerken van ijzer en goud, en het uithouwen<br />
van letters en andere figuren in hout en steen zijn velen vrij<br />
goed bedreven j en in het weven van katoenen kleedjes en het<br />
vervaardigen van vischnetten en lijnen zijn zij zeer bekwaam;<br />
eigenlijk gezegde ambachtslieden, die zich bepaaldelijk met het<br />
uitoefenen vaneen dezer bedrijven bezig houden, zijn er evenwel<br />
niet. Het hoofdbedrijf is de landbouw, die op eene gebrekkige<br />
wijze wordt gedreven; de ploeg is zelfs onbekend, en de grond<br />
wordt alleen door middel van puntige met ijzer beslagene stokken
419<br />
omgewoeld en slechts zelden bemest; evenwel heeft men, als<br />
er geene buitengewone droogte heerscht, do<strong>org</strong>aans eenen overvloedigen<br />
oogst. De voornaamste producten zijn vermeld op<br />
bladz. 413. Van de visscherij wordt weinig werk gemaakt. Over<br />
den handel zie men bladz. 414.<br />
Over de taal der Zuid-Wester-eilanders wordt door BOSSCHER.<br />
slechts met een enkel woord gesproken; doch uitvoerig is<br />
daarover gehandeld door den Zendeling HEYMEUING in het<br />
Tijdschrift voor Neérlandsch Indië, 1846, D 1<br />
. III. Volgens hem<br />
is de taal van alle deze eilanden dezelfde, behoudens eenig<br />
dialect-verschil, dat volgens BOSSCHER op Babl/er het grootst is.<br />
Zij behoort tot den Alfoerschen taalstam en schijnt beschaafder<br />
en rijker in woorden en vormen te zijn dan de meeste andere<br />
talen van den Indischeti Archipel. Het Maleisch heeft er weinig of<br />
geen invloed op uitgeoefend; dat de Hindoe-Javanen in vroegere<br />
eeuwen met deze eilanders in aanraking geweest zijn wordt door<br />
sommigen vermoed. Overigens is de taal nog zeer weinig bekend;<br />
en hetgeen HEYMERING daarover heeft medegedeeld is, hoe<br />
verdienstelijk ook als eerste proeve, geheel onvoldoende om tot<br />
eene eenigzins wetenschappelijke kennis er van te geraken. Een<br />
eigen letterschrift heeft zij niet; maar onze karakters schijnen<br />
voldoende te zijn om al hare klanken uit te drukken.<br />
De tijd wordt verdeeld in maanjaren, maanden (eigenlijk:<br />
manen) en dagen. Het jaar vangt aan met den regentijd en heeft<br />
twaalf maanden. De verdeeling in weken schijnen de Heidenen<br />
niet te kennen ; althans de dagen hebben geene bijzondere namen,<br />
maar worden alleen aangeduid door : eerste, tweede, derde, enz.<br />
na volle, nieuwe of kwartier-maan. Ook de uurverdeeling is<br />
onbekend, en de tijd van den dag of den nacht wordt bepaald<br />
door de opgave van den stand van zon of maan.<br />
Bijzonderheden omtrent de verschillende groepen.<br />
De Babber-groep ligt Westwaarts van Timor laut tusschen<br />
129° 35' tot 130° 8' O.L. en 7° 38' tot 8° 5' Z.B. Babber is<br />
verreweg het grootste eiland; de overigen liggen op grooteren of<br />
kleineren afstand daar rondom O. Zij waren in 1852 verdeeld<br />
(') De Dabber-groep wordt met de Sermalla-groep en het eiland Leikor<br />
door MELVILL te zamen op 16 • mijlen geschat.
420<br />
in de vier Distrikten Tepa, Blawas, Noesiate en Potti, niet<br />
gelijknamige hoofdplaatsen; de beide eerstgenoemde omvatten<br />
de eilanden Babber, Baai, Marsela, Batcelora en Baicera; de<br />
twee andere maakten het ongeveer twee mijlen ten Westen van<br />
Babber gelegene eiland TFetau uit. Zij stonden elk onder eenen<br />
Orang Kaja en telden te zamen 23 negeriën met eene bekende<br />
bevolking van 6050 zielen.— Het eiland Babber is vooral aan<br />
de Zuidkust vrij hoog cn bergachtig. Het heeft in den Oostmoeson<br />
eene goede ankerplaats aan de Westzijde tegenover de negeri<br />
Tepa; in den Westmoeson is de ankerplaats aan de Oostzijde<br />
van het eiland ïFelun bij de negeri Noesiate. Bij deze beide<br />
plaatsen vindt men nog overblijfselen van steenen blokhuizen<br />
uit den tijd der O. I. Compagnie.<br />
De Sermatta-groep ligt West-Zuid-Westwaarts van de vorige<br />
tusschen 128° 41' tot 129° 13' O.L. en 8° 7' tot 8° 18' Z.B.<br />
Sermalta en Loeang zijn de eenige bewoonde eilanden van deze<br />
groep. Sermalta, een hoog en bergachtig eiland, is het Oostelijkste<br />
t«n grootste, en verdeeld in de twee Distrikten Ruma-kisser) en<br />
Roma-duratTmct eene bevolking van naar gissing 4000 zielen;<br />
het aantal dorpen is
4-21<br />
Toeteke. Tombra en Xoetcewang, met gelijknamige hoofdplaatsen,<br />
allen door Orang Kaja's bestuurd en met de onderhoorige kam<br />
pongs door 113S0 zielen bewoond. In de negeri Batoemeaau<br />
is de ruïne van een groot fort, en te Seraai in hetzelfde Distrikt<br />
eene steenen Christenkerk; te Serwaroe in het Distrikt Toeteke<br />
is mede eene zeer goede steenen kerk. In den Oostmoeson biedt<br />
Lelti goede ankerplaatsen aan op de Noord-Westkust tegenover<br />
de negeriën Tombra, Serwaroe en Toeteke; in den Westmoeson<br />
zijn er geene veilige reeden.— Kisser. regt Westwaarts van Letti<br />
en ten Noorden van Timor's Noord-Oosthoek gelegen en tusschen<br />
de 2 en 3 • mijlen groot, is heuvelachtig en op sommige plaatsen<br />
bijna 700 v'. boven den zeespiegel verheven. Het staat in zijn<br />
geheel onder eenen Radja, aan wien de Orang Kaja's der negen<br />
negeriën, van welke Waurili de hoofdplaats is ^ondergeschikt<br />
zijn, en heeft eene bevolking van 5300 zielen. Kisser was vroeger<br />
de zetel van het Ncderlandsch gezag op de Zuid-Wester-eilanden.<br />
hetwelk daar werd uitgeoefend door een ambtenaar der O. I.<br />
Compagnie met den titel van President. Van zijne woning, van<br />
het fort Vollenhoven en van de kazernen der Nederlandsche<br />
kr'ijgsmagt zijn de bouwvallen nog overig nabij de negeri Wau<br />
rili; in die negeri is eene ruime en goed onderhoudene steenen<br />
Christenkerk. In den Oostmoeson is de ankerplaats aan de<br />
Westzijde des eilands op eene koraalbank een weinig bezuiden<br />
het fort Vollenhoven; in den Westmoeson, aan de Oostzijde des<br />
eilands nabij de negeri Poera-Poera^K<br />
De Wetter-groep ligt ten Noorden van Timor, tusschen 125° 35'<br />
tot 126 c<br />
'55'O.L. en 7°33' tot 8°20' Z.B. Het voornaamste<br />
eiland, Wetter, is 54 • mijlen groot; de-drie andere, Zuid-<br />
Westwaarts daarvan gelegen en van welke P. Kambing aan<br />
Portugal behoort (bl. 375, Noot( :<br />
>), zijn zeer klein en, naar het<br />
schijnt, weinig bewoond. De bevolking bedraagt ruim 5000 zielen,<br />
van welke ongeveer 3000 in gehuchten in het weinig bekende<br />
bergachtige binnenland verspreid zijn j de overigen wonen in<br />
y!s aan of nabij Wétr-etrimd- gelegene negeriën, onder welke f~ ab<br />
Ilwakki aan de Zuidkust als de hoofdplaats beschouwd wordt.<br />
Deze plaats staat regtstreeks onder het bestuur van den Radja<br />
(i) Deie neeeri liet op de Kaart van MEI.VILL in den Alias ten onreglu<br />
. . ° . .. r<br />
.T.-J..I.- r_.i • „„; /„.../_<br />
ddll ue I 1 S H M H UL3 IIIUIIUO. ivijj.i'j" - y •<br />
en volkenkunde, DL II, hl. 451.
422<br />
van Wetter; de andere, die verdeeld zijn in de Distrikten Sautc<br />
en Haroepantej, hebben elk eenen Orang Kaja, met uitzondering<br />
van Tagar Oelor, de voornaamste plaats van het laatstgenoemde<br />
Distrikt, hetwelk een Opper Orang-Kaja tot Hoofd heeft. In 1852<br />
waren op Wetter nog slechts drie Christenen. In den Westmoeson<br />
schijnt dit eiland geene veilige reede aan te bieden; in den<br />
Oostmoeson kan men ankeren tegenover de negeri Ilwakki.<br />
De Roma-groep ligt Oostwaarts van Wetter, tusschen 127° 20'<br />
tot 127° 47' O.L. en 7° 30' tot 7° 45' Z.B. Het hoofd-eiland<br />
Roma, omstreeks 5 • mijlen groot, vormt met de overige, welke<br />
zeer klein^zijn, écn Distrikt en telt vijf negeriën, onder welke<br />
Jeroesoe of Sei-oesoe (Seroesa) aan de Westzijde des eilands O de<br />
hoofdplaats is. De bevolking bedraagt ongeveer 1670 zielen.<br />
De ankerplaats van Roma is in den Oostmoeson bij het eilandje<br />
Noesa mitta een weinig benoorden de hoofdplaats Jeroesoe. In<br />
den Westmoeson schijnt een inham, Roemkoeda genaamd,<br />
tk kleino lU'grrr-ffrft eene redelijke aukerplaats aan te bieden.<br />
De Damme-grocp ligt Noord-Oostwaarts van Roma, tusschen<br />
128° 30' tot 128° 40' O.L. en 6° 57' tot 7° 14' Z.B.l'l Het<br />
hoofd-eiland Lamme, 6.2 • mijlen groot, heeftop zijnen Noord-<br />
Oost'elijken hoek eenen vulkaan, die bijna aanhoudend rookwolken<br />
uitwerpt cn veel zwavel oplevert, en wiens vo<strong>org</strong>ebergten na<br />
genoeg het geheele eiland innemen. De overige meer Zuidwaarts<br />
gelegene eilandjes zijn zeer klein en van weinig of geen belang.<br />
Lamme is verdeeld inVle drie Distrikten Bebbar, Batoe mérah<br />
en Milong. met de hoofdplaatsen Bebbar in het Noorden, Batoe<br />
mérah in het Zuiden, en Motor in het Westen; buitendien zijn<br />
er nog vijf andere negeriën. De gezamenlijke bevolking is 3800<br />
zielen. Eene Nederlandsche kolonie, in 1646 aan de Zuid-<br />
Oostzijde des eilands gesticht, is wegens de ongezondheid der<br />
plaats voor Europeanen spoedig weder opgebroken. Er zijn<br />
echter nog overblijfselen van de voormalige vestiging der Neder<br />
landers op dit eiland, in de ruïnen van het fortje Wilhelmus aan )f<br />
de Wilhclmus-baai op de Noordkust, en die van eene andere<br />
l'J Up de haart van .MELVILL ligt deze plaats en OOK net etianaje noesa<br />
milln abusivelijk aan de Oostzijde van Roma Zie het Tijdschrift voor Ind.<br />
taal-, land- en volkenkunde, D'. II, bl. 451.<br />
H Volgens JUNGHUHN, Java, enz., Afd. li, Hoofdsl.lll, bl. 1268, ligt<br />
Damme op 12Ï C<br />
45'0.L. en 7°5'Z.B.<br />
|
433 .<br />
steenen sterkte san de Koehcatti-baai aan dc Oostzijde. Deze<br />
beide baaijen zijn de eenige, hoewel gebrekkige ankerplaatsen<br />
van het eiland; de eerste in den Oost-, de laatste in den Westmoeson<br />
verkieselijk.<br />
De Tiouw-, Nila-, Seroea- en Manoek-eilanden, die ééne<br />
vulkanische reeks uitmaken, liggen ver uit elkander Oost- en<br />
Noord-Oostwaarts van Bamme en zijn klein en van weinig<br />
belang. Zij worden met het later te vermelden Goenoeng Api en<br />
de Lucipara-eilanden te zamen door MELVILL op 3 • mijlen<br />
geschat. Tiouw of Teon ligt regt Oostwaarts van Bamme op<br />
129° 15' O.L. en 7° Z.B. en telt vijf negeriën, van welker<br />
bevolking de sterkte niet bekend is.— Nila, iets grooter dan<br />
Tiouw. ligt op 129° 33' O.L. en 6° 43' Z.B. en bestaat uit<br />
eenen vulkaan, die ongeveer 1600 v*. hoog en nog steeds werkzaam<br />
is. Er zijn op dit eiland vier negeriën.— De twee Seroeaeilanden.<br />
van welke het eene weinig meer dan eene klip is,<br />
liggen in elkanders onmiddellijke nabijheid op 130° 5' O.L. en<br />
6°21' Z.B. Op het grootste O bevindt zich de vulkaan Legelala,<br />
die (waarschijnlijk te°laag) op 600 v». geschat wordt en in 184^<br />
eene hevige uitbarsting heeft ondergaan. Dit eiland, dat door<br />
vroegere vulkanische werkingen gedeeltelijk verzonken schijnt te<br />
zijn °heeft slechts twee negeriën.— P. Manoek of P. Bocroeng,<br />
dat'is: Vogel-eiland, ligt op 130° 24' O.L. en 5°29' Z.B. O.<br />
Het bestaat uit een enkelen niet meer werkenden vulkaan, die<br />
vrij steil uit zee oprijst, is onbewoond, en levert zeer veel zwavel<br />
op, welke vooral door de Cerammers wordt ingezameld.<br />
6 10. De Schildpad- en Lucipara-eilanden eD<br />
Goenoeng Api.<br />
De Schildpad-eilanden, zes in getal, liggen in de Banda-zee<br />
op 127° 53' O.L. en 5° 12' Z.B. Zij zijn uit koraal-riffen<br />
gevormd en geheel onbewoond.<br />
De Lucipara-eilanden. mede zes in getal, liggen een weinig<br />
ten Zuid-Westen der Schildpad-eilanden op 127° 37' O.L. en<br />
(i) Volgens KOLFF ligt dit eiland op 130° 58'O.L. Zie ook JIJKGHUHN,<br />
Java. enz., Afd. II, Hoofdst. III, bl. 12CS.<br />
(') Volgens KoLrr op 130° 18' O.L.
424<br />
5° 27' Z.B.C'. Zij zijn ook slechts koraalriffen, hier en daar met<br />
boomen begroeid doch onbewoond, en hebben eenige vermaardheid<br />
gekregen door de schipbreuk van Z.M. Stoomschip Willem 1<br />
in Mei 188 .<br />
Goenoeng Api. ten Noorden van Wetter op 126° 41' O.L<br />
en 6° 38' Z.B. t 21<br />
, is slechts een onbewoonde, vrij steil uit de<br />
zee oprijzende en steeds rookende vulkaan van ruim 60Ü0 v'.<br />
hoogte.<br />
VIEBDE HOOFDSTI K<br />
DE RESIDENTIE TERNATE.<br />
§ l. Ligging, bestanddeelen en grootte van deze<br />
Residentie.<br />
De Besidcntic Ternate bestaat uit vele, deels ver van elkander<br />
verwijderd liggende, eilanden en gewesten tusschen 121° (het<br />
Westen van het landschap Tomori) tot 141° (de Oostelijke grens<br />
van onze bezittingen op Kieuic Guinea) O.L. en 2°43'N.B.<br />
(de Noordelijkste punt van het eiland Morotaï) tot S°45' Z.B.<br />
(waar de meridiaan van den 141 rten<br />
graad O.L. de Zuidkust<br />
van Nieuw Guinea snijdt).<br />
Behalve de boven (bl. 232—244) behandelde gewesten om<br />
de Golf van Tolo op Celebes en de eilanden in en voor die Golf<br />
gelegen, behooren tot deze Bcsidentie:<br />
1°. De Halmaheira-groep, bestaande uit de eilanden: Halmaheira<br />
of Djilolo. Morotaï, Rau, Ternate, Hiri, Tijore. Majoe,<br />
Tidore, Mitarra, Filongia, Siboe, Mareh, Makjan, Motir, Miskin<br />
Kajoa of Kiouw. Laloeïn, de Goearitji-eilanden, Ganneh, Damm<br />
en andere kleinere, t 3<br />
'<br />
(') Volgens de Kaart van MELVILL. Volgens de opgave in het Aardrijks<br />
kundig Woordenboek liggen zij op 127° 31 ' O . L . en 5° 28'30" Z. B.<br />
( 3<br />
) Volgens het Woordenboek op 6° 5"'Z.B.<br />
( 3<br />
) De hier en vervolgers vermelde eilanden zijn opgegeven volgens de Kaart<br />
van MELVILL in den Algemeenen Atlas. Zij verschillen, wat de kleine eilanden<br />
betreft, aanmerkelijk van de opgaven van BLEEKER (Reis, DU.bl. 182cnvolgg.),<br />
die hieronder bij elke groep zullen worden medegedeeld.
425<br />
2°. üe Batjan-groep, bestaande uit de eilanden: Batjan, Mandioli,<br />
Botang loman, Tawali of Kasiroela, Tambeli, Latta-Laüa,<br />
Taicali ketjil, en eenige kleinere.<br />
3°. De Obi-groep. zijnde de eilanden: Obi of Ombirah, Gomono,<br />
Obi Latloe, Belang. Tapa, Bissa, Lojang, Gasse, en eenige<br />
kleinere.<br />
4°. De Soela-eilanden. zijnde: Taliaboe, Mangoeli, Soela Besi.<br />
li/a Maioelah, Passi Korra, Tonghaja, en eenige kleinere.<br />
5°. De Papoewah- of Papoesche eilanden, zijnde: a. De Gebehgroep,<br />
bestaande uit de eilanden: Gebeh, Fau, Yoe en Oeloe; b. De<br />
Waigeoe-groep. zijnde: TFaigeoe, Gemien, Koning Wïllems-eiland,<br />
Gagi. Ba/ampele, Rnib, Wiang. Siang, Baba en de Ajoe- en Passieilanden;<br />
c. De Salaicati- of Salwalli-groep, waartoe behooren:<br />
Salicalti, Balante, Poppa. de Boh-eilanden. en eenige kleinere,<br />
en waaraan ook een gedeelte van de Noord-Westkust van Nieuw<br />
Guinea onderhoorig is; d. De Mesowal-o( Misool-groep, bestaande<br />
uit: Misool, Kanari. Maieloh. Woni-melot, en vele kleinere.<br />
6°. De Westelijke helft van Nieuw Guinea tot op 141° O.L.,<br />
benevens de eilanden in de Groote Geelvink-baai gelegen, van<br />
welke de voornaamste zijn : Willem Schoutens-eiland of Mysole<br />
(Soök oiSonk. Biak en Mysole), Jobi of Jappens, Koeroedoe. Bun,<br />
Roswaar of Minswar. Amberpoer en Myfore of Major; alsmede<br />
het Prins Fredrik Hendrik-eiland. Adi. en vele kleinere langs<br />
de Zuid-Westkust, en eenige eilandjes in de baaijen van de<br />
Westkust van Nieuw Guinea.<br />
Volgens de op bl. 314 medegedeelde berekening hebben de hier<br />
vermelde gewesten te zamen eene grootte van 3888 • mijlen,<br />
hetgeen met bijvoeging van de landen cn eilanden om en in de<br />
Tolo-baai (bl. 232, Noot) voor de geheele Residentie eene grootte<br />
geeft van 4339.7 • mijlen.<br />
Omtrent de totaal-sterkte der bevolking zie men bl. 325 j en<br />
omtrent de verdeeling der tot deze Eesidentie behoorende eilanden<br />
tusschen de Vorsten van Ternate, Tidore en Batjan, bl. 317.<br />
§ 2. De Halmaheira-groep.<br />
Het eiland Halmaheira.<br />
Het eiland Halmaheira, ook wel Bjilolo (eigenlijk Bjaïlolo)<br />
genoemd naar een Distrikt van dien naam op de Westkust, is
42(5<br />
verreweg het grootste van de groep en heeft eene oppervlakte<br />
van 313, of met de talrijke kleine eilandjes langs zijne kusten,<br />
van 353Dmijlen. Het ligt(') tusschen 2°15'N.B. totO°53'Z.B.<br />
en 127° 27' tot 128° 53' O.L., en bestaat uit vier groote schiereilanden,<br />
het Noordelijke, het Noord-Oostelijke, het Oostelijke<br />
en het Zuidelijke, welke door diep inloopende baaijen van elkander<br />
gescheiden zijn cn zich in een centraal-land van betrekkelijk<br />
geringe uitgestrektheid vercenigen. De Straal der Molukken bespoelt<br />
het eiland aan de Westzijde, de Groote Oceaan aan de<br />
Noordzijde, de Zee van Halmaheira of Straat van Djilolo aan de<br />
Oostzijde, en de Ceramsche Zee of Pilt'» Straal aan de Zuidzijde.<br />
De voornaamste baaijen zijn i die van Kaoe in het Noord-Oosten;<br />
die van Bitjoli in het Oosten ; die van Weda in het Zuid-Oosten;<br />
en die van Bodinga, hoewel veel kleiner dan de drie vorige, in<br />
het Westen. Behalve deze hebben de kusten nog eene menigte<br />
kleinere inhammen, van welke meerendeels geene namen bekend<br />
zijn. De vier schier-eilanden worden elk in de rigting van<br />
zijne lengte-as door eene zware met digte wouden begroeide<br />
bergketen doorsneden, wier zijtakken zich op vele plaatsen<br />
tot aan de stranden uitstrekken en de gemeenschap over land<br />
tusschen de kustplaatsen beletten. Zij eindigen in het Noorden<br />
in Tandj. Batoe Bisoa, in het Noord-Oosten in T.Lelewi, in<br />
het Oosten in T. Tabor en in het Zuiden in T. Libobo. Slechts<br />
op enkele plaatsen wordt het bergachtige terrein door kleine,<br />
meest met alang-alang bedekte, vlakten afgewisseld. Van den<br />
aard van deze bergketenen is zeer weinig bekend; men weet<br />
dat er zich talrijke vulkanen uit verheffen, van welke de Gamma<br />
Nakore of Gamoe Koenora^n het Zuid-Westen van het Noordeli<br />
schier-eiland, de Tolpjpp de Oostkust, de Djaïlolo in het landschap<br />
van dien naam, de Lahid en de Taboro met name vermeld<br />
worden < s<br />
>. Of de G. Karakan of Karahan in het Noord-Westen<br />
van hetzelfde schier-eiland l 3<br />
) ook een vulkaan is kunnen wij niet<br />
beslissen.^<br />
(') Volgens de Kaart van MELVILL.<br />
(') VALENTIJN, en JUNGHLHN, Java, ent., Afd. 11, Hoofd»!. UI, bl. 1285.<br />
Tijdsehr. v. Neérl. Indië. 48S6, Dl. II, bl.209.<br />
t 3<br />
) Zie de Kaar! van MELVILL.
427<br />
De rivieren zijn uit den aard der zaak van zeer weinig belang.<br />
WILLERI 1<br />
) vermeldt: de Ake (rivier?) Malako of Rivier van Sa/toe,<br />
die na de vlakte van Sa/we te hebben besproeid ten Zuiden van<br />
de plaats van den laatsten naam aan de Westkust uitwatert<br />
en bij hare monding ruim een vadem diep is, zoodat Kora-Kora's<br />
(bl. 214) daar kunnen binnenloopen ; de smalle en wegens baren<br />
snellen stroom onbevaarbare Ake I/ji. in dezelfde vlakte; en de<br />
Ake Maroees, die zich aan de Oostkust bij Kaoe ontlast en dezelfde<br />
grootte heeft als de Ake Malako. Voorts is er de rivier Kajassa,<br />
die in het Zuiden van de Baai van Bodinga uitwatert en gedeeltelijk<br />
het Noordelijke schier-eiland van het centraal-land<br />
scheidt; en de riviertjes Tjabo, Paoe en Sabi, waarvan de loop<br />
niet wordt opgegeven W. Op de Kaart van M E L V I L L worden nog<br />
andere riviertjes op de verschillende schier-eilanden vermeld;<br />
zij schijnen echter slechts onbeduidende kustriviertjes te wezen,<br />
wier namen onbekend zijn.<br />
Aan de kusten is de gemiddelde temperatuur op den middag<br />
ruim 85° F. De dampkring is over het algemeen vochtig. Het<br />
klimaat kan als vrij gezond worden beschouwd; en zelfs de<br />
moerassige streken, die op sommige plaatsen langs de kusten<br />
worden gevonden, schijnen voor de Inboorlingen niet nadeelig<br />
te zijn.<br />
Omtrent de voortbrengselen van IJalniaheira is nog zeer weinig<br />
bekend. Muskaat- en kruidnagel-boomen groeijen hier en daar<br />
in het wild, doch hunne vruchten worden zelden ingezameld. Sago<br />
palmen komen op sommige vochtige kustplaatsen voor en worden<br />
opzettelijk aangekweekt. Hijst wordt hier en daar in tamelijke<br />
hoeveelheid geteeld; djagoeng zeer weinig. Kokos- en andere<br />
vruchtboomen benevens goede houtsoorten komen er rijkelijk<br />
voor, van welke laatsten echter geen gebruik wordt gemaakt.<br />
(') Indisch Archief, DU, bl. 345, en liet eiland Boeroe, enz., bl. 55.<br />
De hier vermelde rivieren stroomen allen in hel Noordelijke schier-eiland,<br />
dat het eenige gedeelte is waarvan , door de mededeelingen van WILLER , eenige<br />
bijzondorheden bekend zijn; van de drie andere weten wij weinig meer dan<br />
de namen van eenige kustplaatsen, daar de berigten van VALENTIJN omtrent<br />
dit eiland weinig te vertrouwen zijn. Heigeen dus hieronder omtrent de be<br />
volking enz. vermeld zal worden heeft nagenoeg uitsluitend op het Noordelijke<br />
schier-eiland betrekking, en is geheel aan WILLER ontleend.<br />
(-) Tijdschr. v. Kefrl. Indië, 1866, D'. II, bl. 210.
42?<br />
Het dierenrijk levert buffels, eene menigte wilde zwijnen en herten,<br />
papegaaijen, duiven, raven en ander wild gevogelte, eetbare<br />
vogelnestjes, schildpadden, leguanen, eenen overvloed van visch,<br />
en parelbankcn in de Baai van Kaoe. welke voor rekening van<br />
den Sultan van Ternate geëxploiteerd worden. Het delfstoffenrijk<br />
is nog ten eenenmale onbekend, even als de geheele geologische<br />
formatie des eilands.<br />
Wanneer men den uitvoer van rijst en sago naar 'Ternate<br />
uitzondert, is de handel van weinig belang. Hij wordt door<br />
Mangkasaren, Ternatanen en Tidorezen gedreven. Ingevoerd<br />
worden: wapenen, aaide- cn ijzerwerk, lijnwaden, oude Europesche<br />
kleederen en andere voorwerpen voor den opschik, krnmerijen<br />
cn zout. De hoofdartikelen van den uitvoer zijn: rijst,<br />
sago en schildpad. De handel geschiedt hoofdzakelijk bij ruiling;<br />
aan de kusten is echter ook eenig kopergeld in omloop. Van<br />
het bedrag van den in- en uitvoer zijn geene opgaven bekend.<br />
Eene administrative verdeeling van liet eiland is alleen eenigzins<br />
bekend ten opzigte van het Noordelijke schier-eiland. Dit<br />
is gesplitst in tien Bjiko's of Distrikten, van welke zeven in de<br />
Westelijke helft liggen, namelijk van het Zuiden af: Bodinga,<br />
Bjaïlolo, Sahoe (welker twee hoofdplaatsen door een goeden weg<br />
gemeenschap met elka/idcr hebben), Gamoekoenora. Folofoeo,<br />
Loloda en Toebaroe^Ata drie andere liggen aan de Oostzijde,<br />
en zijn van het Noorden af i Galela^ Tabelfi&cn Kaoe. Zij hebben<br />
allen gelijknamige aan de kust gelegene hoofdplaatsen; Galela,<br />
Bjaïlolo en Bodinga liggen aan de daarnaar genoemde baaijen<br />
of bogten. Op laatstgenoemde plaats is een fortje met eene kleine<br />
Nederlandsche bezetting. Voorts heeft men aan de Baai van<br />
Bodinga nog de meer of minder belangrijke plaatsen Kajassa,<br />
Tonika en Sedangoli. en, tegenover Bodinga aan de andere zijde<br />
der landengte, welke daar naauwelijks een uur breed is, Babane;<br />
deze twee plaatsen hebben door een bruikbaren landweg gemeenschap<br />
met elkander.— Langs de Westkust van het centraalland<br />
en het Zuidelijke schier-eiland liggen, van het Noorden<br />
naar het Zuiden, de negeriën: Kalam, Tuoena, Giia, Pajali,<br />
Maidi, Wama, Sakita en Talangami; en langs de Oostkust:<br />
JFeda, Taja-, Maffa en Het Noord-Oostelijke schier<br />
eiland heeft aan de Westzijde de negeriën: Jofongo, lFassilec<br />
en Lolobato; en aan de Zuid-Oostzijde: feleoe en Maba.— Het
429<br />
Oostelijke schier-eiland heeft aan zijne Noordkust de negeriën:<br />
Taici, Goltoicassi en Bitjoli; aan de Oostkust: Gali, Kokaicari,<br />
Bolafei, Tippalaho, Gemia en Palani; en aan de Zuidkust: Kobi,<br />
Koje, JFulli, Maüsa, Bote en Gammasoengi.<br />
Staatkundig is Halmaheira verdeeld in Onderhoorigheden van<br />
den Sultan van Ternate en van dien van Tidore. Aan Ternate<br />
behoort het geheele Noordelijke schier-eiland tot aan den mond<br />
der rivier Kaja.tsa op de Westkust en voorts volgens eene Noord-<br />
Oostivaarts loopende lijn tot Jofongo aan de Baai van Kaoe,<br />
benevens de Zuidelijke helft van het Zuidelijke schier-eiland,<br />
bezuiden 0° 10' Z.B., volgens eene denkbeeldige grenslijn, die<br />
van T. Bjojopa op de Westkust naar üXnegeri-ÏV^'op de Oostkust<br />
loopt. Hiertoe behooren, volgens de opgave van BLEEKER,<br />
de volgende kleine eilandjes: langs de Westkust van het Noordelijke<br />
schier-eiland: Manamadek, Bjoerangrood, veertig ongenoemde<br />
eilandjesin de bogt 4ranSedangolij Booi, Toba, Tongoai,<br />
Tjera, Toetcah-Kura, Goeai, Salangudi, Bili, Goeralama, Aroebaik,<br />
Sengaroe, Toengoesoeng, Hareh-porotjo, Foeloe, Gohakake,<br />
Njatcolakko, Adoei, Lidoeicah, Tamoe, Bjerek, Moedagi-tagi,<br />
Leloe, Saoraga, Subol en Oessololi; langs de Oostkust van het<br />
Noordelijke schier-eiland: Metli, Golarai. Takawo, 'Toppo-Toppo,<br />
Barang-Kanek, fFobi, Tolonaen, Koetooem, Kokare-lawoe, Kokare-itji.<br />
Powaleh, Meddek, Fopilo, Sotat en nog vijf ongenoemde;<br />
en ten Oosten en Zuiden van het Zuidelijke schier-eiland:<br />
Boeroe-laicoe, Boeroe-itji, Katinai-laicoe, Kutinai-ilji, Gaaneh,<br />
JFedah of IFidi, Bjerongan, Kobei, Orangkaja, Topa, Solomakit,<br />
Katoedoekoe, Bjodigaila, en een twintigtal ongenoemde eilandjes.<br />
O<br />
Aan den Sultan van Tidore is het geheele overige gedeelte van<br />
Halmaheira onderworpen. Daartoe behooren, volgens BLEEKER,<br />
de eilandjes Jehoe en Roniri aan de Westkust; IFoda, Radja<br />
liaxcohoe, Tamin, Goraloe, Bjodi. Boja-eh, Kappal, Ej-pakkal,<br />
Gee-eeh, Samedi, Sau, Ef-miloeas, Nailoei-pukkal, Seloton,<br />
Saje, Nasloei-miakol, Man, Belengsel, Lai-lai, Ef-mia, Kapaja,<br />
Oroe, higalan, Ota, Tjampanes-moleles, Se-ofi, Lan, Eeöe, Mor,<br />
l') Verreweg de minste van deze eilandjes komen op de Kaart van MELVILL<br />
voor; daarentegen wordt hier gemist hel betrekkelijk groole eiland Dammer,<br />
dat bij MELVILL ten-Zuiden van Halmaheira ligt.
430<br />
Moetoe-maja, Oe-ef en Teling i-mendi, in de Baai van Bitjoli;<br />
en Liab, Je-ef, Oela-i-ef en Salotan, langs de Oostkust van net<br />
Zuidelijke schier-eiland.<br />
Volgens de mededeelingcn van BLEEKER. bedroeg de bevolking(')<br />
van Halmaheira omstreeks het jaar 1854 ruim 27700zielen,<br />
van welke ruim 4600 in het Tidoresche en 23000 in het Ternataanschc<br />
gedeelte des eilands woonden ; van deze laatsten<br />
bevonden zich ruim 20000 op het Noordelijke schier-eiland,<br />
zoodat dit verreweg het sterkst bevolkt is. Met uitzondering<br />
van eenige Ternatanen en andere vreemdelingen behoort deze<br />
bevolking tot den Alfoerschen stam. De mannen zijn over het<br />
algemeen vrij groot van gestalte en sterk gespierd; de vrouwen<br />
daarentegen klein. Zij zijn matig, gehard tegen vermoeijenissen,<br />
ijverig, zacht van inborst, gehoorzaam aan hunne Hoofden zoolang<br />
dezen niets vorderen wat tegen de oude gebruiken strijdt, en<br />
geene dobbelaars of amfioenschuivers; doch zij ziju verregaand<br />
bijgeloovig, van alle wetenschappelijke beschaving verstoken,<br />
liefhebbers van sterken drank, eu beschouwen het koppensnellen<br />
als iets dat volgens de lands-instellingen noodzakelijk moet<br />
geschieden. ( :<br />
> De bewoners van de Distrikten Tabello cn Galela<br />
zijn het ruwst van zeden en als zeeroovers in den Molukse/ten<br />
Archipel gevreesd ; die der overige Distrikten vinden in den<br />
landbouw, dejagt en de visscherij hun bestaan. Hunne nijverheid<br />
is zeer gering; het spinnen en weven is hun onbekend; de<br />
vrouwen vervaardigen alleen zakken van nyxiA-bladcren. Ambachtslieden<br />
zijn er niet, en het noodige smidswerk wordt door<br />
rondreizende Tidorezen verrigt. Alleen vindt men in elk Distrikt<br />
eenige personen, die vaartuigen van verschillende grootte bouwen,<br />
welke echter zeer weinig duurzaam zijn.<br />
De gewone klecding bij mannen en vrouwen bestaat alleen<br />
in de tjidako en eenen hoofddoek ; doch bij feesten schikken<br />
(1) Over dc bevolking van Halmaheira vergelijke uien vooral hel reeds een<br />
en andermaal aangehaalde opstel in hel Tijihchrifl v.N.1 . 1856, D». II,<br />
waar verscheidene bijzonderheden worden opgegeien, die van liet hieronder<br />
medegedeelde afwijken. Oaar de Schrijver echt T zijnen naam niet vermeldt<br />
en wij dus geenen waarb<strong>org</strong> voor de naauwkeurigheiJ zijner bcriglen hebben ,<br />
hebben wij gemeend ons aan WILLEK te moeten houden.<br />
( 2<br />
) ln hel boven vermelde opstel in hel Tijtlschr. v. /V. I. wordt uitdruk<br />
kelijk gezegd dat zij geene koppensnellers zijn.
431<br />
zij zich op met allerlei Europesche en andere kleedingstukken<br />
en versierselen, welke zij kunnen bekomen. In de Distrikten<br />
Djaïlolo en Sahoe dragen de mannen lange sitsen kabaaijen en<br />
broeken, welke door eenen gordel worden opgehouden; de<br />
vrouwen eene soort van wambuis, naar het schijnt van Spaansche<br />
afkomst, en een kapsel bestaande uit eenen platten band om<br />
het hoofd, waaruit bij de ooren twee punten opsteken, of ook wel<br />
de gewone Maleische klecdiug. Gouden en zilveren sieraden zijn,<br />
wegens hunnen boogen prijs, weinig in gebruik.— De woningen<br />
zijn vrij groot, en in sommige Distrikten op palen in andere<br />
onmiddellijk op den grond gebouwd uit houten stijlen, met<br />
wanden van gabba-gabba (bl. 330) en een dak van atap; hoewel<br />
zij slechts den huisgezin bevatten zijn zij in verscheidene kamers<br />
verdeeld, omdat elk volwassen doch ongehuwd lid des gezins<br />
een afzonderlijk vertrek moet hebben. Het huisraad is zeer<br />
eenvoudig; bamboe en klapperdoppen voorzien in alle behoeften;<br />
evenwel komt ook het gebruik van aarde-, glas- en ijzerwerk<br />
meer en meer in zwang. Versterkte of omheinde negeriën of<br />
kampongs zijn er niet. Alleen de hoofdplaatsen aan de kusten<br />
verdienen den naam van dorpen; maar overigens bestaan de<br />
gemeenten of gehuchten uit verspreid staande woningen.<br />
Een huwelijk kan alleen gesloten worden met goedvinden van<br />
beide partijen en met toestemming der wederzijdsche ouders, en<br />
slechts tusschen personen van eene verschillende tofa of stam<br />
(vergel. bl. 353 en 370). Het aanzoek daartoe moet van den vader<br />
des jongelings uitgaan en vergezeld zijn van een klein geschenk<br />
(haka); daarop volgt de openlijke verloving, en daarna het huwelijk,<br />
waarbij voor de bruid eene zekere koopsom (besi) betaald wordt,<br />
welke van 30 tot 100 realen verschilt, te betalen in geld, wapens,<br />
aardewerk of andere voorwerpen; deze koopsom kan echter voor<br />
een gedeelte ook later betaald worden en wordt tot zoolang als<br />
eene gewone schuld beschouwd. Uithuwelijking van kinderen,<br />
gelijk op Boeroe en de Aroe-eilanden (bl. 353 en 403) heeft hier<br />
geene plaats; en, behalve in de Distrikten Sahoe, Djaïlolo en<br />
Dodinga, mag een man niet trouwen voordat hij een vijandelijken<br />
kop heeft gesneld. Alle huis- en veldarbeid, met uitzondering<br />
van de eerste ontginning van den grond, komt voor rekening<br />
van de vrouw; de man is alleen verpligt de noodige sago te<br />
verschaffen (te kloppen) en houdt zich overigens des verkiezende
432<br />
met jagt of visscherij bezig. Veelwijverij is niet in gebruik ,<br />
doch echtscheidingen komen dikwijls voor; indien het verlangen<br />
daartoe alleen van de vrouw uitgaat moet haar koopprijs worden<br />
terug betaald, in andere gevallen niet; de kinderen blijven altijd<br />
bij den vader, tot wiens stam zij ook gerekend worden te behooren.<br />
Bij overlijden van den man keert de vrouw tot hare familie<br />
terug, en kan hertrouwen met wien zij wil, behalve met een<br />
bloedverwant van haren eersten man. De nalatenschap van ouders,<br />
zoowel bezittingen als schulden, wordt gelijkelijk tusschen de<br />
zonen of naaste mannelijke bloedverwanten verdeeld, die ook<br />
verpligt zijn de ongehuwde dochters te onderhouden doch daarvoor<br />
aanspraak hebben op haren bruidschat. Vrouwen erven<br />
in geen geval.<br />
Alleen aan de kusten worden hier en daar Mohammedanen<br />
aangetroffen, die steeds in afzonderlijke gehuchten of kampongs<br />
wonen; overigens is de bevolking Ileidensch. Deze gelooft in<br />
een almagtig Opperwezen, Johoe ma di hoetoe genaamd, dat alles<br />
geschapen heeft en onderhoudt, en ook de zielen der afgestorvenen<br />
beloont of straft, maar te verheven is om door menschen te<br />
worden aangebeden. In oude tijden heeft dit Opperwezen eenen<br />
wijze, genaamd Gosoeong, naar Ualmaheira gezondeu om den<br />
Alfoeren zijne lara's of voorschriften mede te deelen, welke zeven<br />
in getal zijn en overspel, schaking, diefstal, gewapende roof-<br />
togten, mishandeling van den naaste, en oneerbiedigheid jegens<br />
ouders verbieden, en het koppensnellen omtrent overspelers,<br />
toovcnaars en vijanden des lands voorschrijven. Na het vormen<br />
van eenige leerlingen, die Gomalir heetten en priesters, wigche-<br />
laars en geneesheeren waren, is Gosoeong weder verdwenen; thans<br />
kan iedereen Gomalir worden, die zich daarop eenigeu tijd bij<br />
een bekwamen priester toelegt. Onder dat Opperwezen zijn er<br />
eene menigte goede en booze geesten, ffongi's, die de onmiddellijke<br />
bestuurders van der menschen lotgevallen zijn en aan welke door<br />
de Gomalirs offeranden (fosuhiki's) uit spijzen bestaande worden<br />
toegebragt, hetwelk geschieden moet in een opzettelijk daarvoor<br />
ingerigt houten gebouw, Kokiroba genaamd, dat in elke gemeente<br />
gevonden wordt. De Gomalirs ontvangen daarvoor eene kleine<br />
belooning, en zoo ook voor het doen van voorspellingen en het<br />
genezen van zieken, tot welk laatste bezweringen en sommige<br />
geneeskrachtige kruiden worden aangewend.
433<br />
De bevolking kan onderscheiden worden in vier standen s dien<br />
der dapolo's of edelen, die alleen tot het bestuur geregtigd zijn<br />
doch overigens geene voonegten genieten; dien der ngadoe's of<br />
vrije burgers; dien der miati magogoko's of pandelingen, en<br />
dien der slaven(')._ Pandelingen kunnen tot dien toestand<br />
geraken wegens aangegane schulden hetzij door hen zeiven, door<br />
hunne vrouw, kinderen of ouders; de vrouw echter nooit wegens<br />
schulden van haren man of hare kinderen. Ook kan iemand<br />
alleen pandeling worden in zijne eigene gemeente; heeft hij<br />
in eene andere gemeente schulden gemaakt, dan helpt zijn iofa<br />
(stam) hem, of wel de schuld wordt door zijn Dorpshoofd overgenomen<br />
en hij wordt pandeling bij dezen. Intrest wordt nimmer<br />
berekend; en de pandeling wordt vrij of door voldoening deischuld,<br />
of door tienjarige dienst onverschillig hoeveel het bedrag<br />
der schuld was. Gedurende den diensttijd moet de pandeling<br />
allen arbeid verrigten, welken zijn schuldeischer hem oplegt;<br />
daarentegen moet deze hem, zooveel noodig, van voedsel en<br />
kleeding voorzien, en indien zijn arbeid geld opbrengt, blijft dit<br />
voor de helft tot zijne vrije beschikking terwijl de wederhelft in<br />
mindering van de schuld verstrekt.— Slaven zijn of inboorlingen<br />
van Halmaheira of van de Fapoesche of andere eilanden; zij<br />
worden verkregen door zeeroof, door krijgsgevangenschap wanneer<br />
men geene koppen meer wilde snellen, of door geboorte uit eene<br />
slavin. De eigenaar moet hen voeden en kleeden en is aansprakelijk<br />
voor hunne schulden; hij kan hen voor kleine vergrijpen<br />
kastijden, doch de straf voor ernstige misdrijven wordt door het<br />
dorpsbestuur opgelegd. De slaaf kan zich vrijkoopen tegen eenen<br />
prijs, die in geval van geschil door het dorpsbestuur bepaald<br />
wordt maar nooit de waarde van 30 realen mag te boven gaan.<br />
Eene slavin wordt ook vrij door haar huwelijk met eenen vrijen<br />
man, in welk geval haar eigenaar de besi ontvangt. Door de<br />
beletselen aan den zeeroof en de binnenlandsche oorlogen in den<br />
weg gelegd neemt het getal slaven op Halmaheira steeds af.<br />
(') Slaven heeten in de verschillende Distrikten nilalo, gilango, adoan,<br />
of fata lam. De taal der Alfoeren van Noord- Halmaheira, hoewel misschien<br />
oorspronkelijk verwant aan die van Ceram en Boeroe, is echter zoo verschillend<br />
dat deze eilanders elkander volstrekt niet kunnen verstaan; en een bijna<br />
even groot onderscheid bestaat er tusschen die der onderscheidene Distrikten<br />
op het Noordelijke schier-eiland.<br />
II. SS
43+<br />
Voorts is de bevolking verdeeld in lofa's of stammen. Deze<br />
verdeeling heeft echter alleen betrekking tot het aangaan van<br />
huwelijken, in zooverre niemand mag huwen met iemand van<br />
zijne tofa tot in het vierde geslacht. Voor verdere graden houdt<br />
dit verbod op en wordt ook de tofa niet meer onderscheiden;<br />
en deze verdeeling schijnt dus niet anders te zijn dan een middel<br />
tot het verhinderen van huwelijken tusschen nabestaande bloedverwanten;<br />
zij is derhalve iets anders dan de Sodroe-verdeeling<br />
op Sumatra. en ook dan die in fenna's en ifan's Op Boeroe en<br />
Ceram (bl. 355 en 371).<br />
Eene gamoe of gemeente bestaat uit een twintig- tot zestigtal<br />
huisgezinnen, die, hetzij tot een dorp vereenigd zoo als aan de<br />
kusten, of in gehuchten verspreid zoo als meer landwaarts in,<br />
onder éen gemeentebestuur behooren. Dit bestuur is zamengesteld<br />
uit: een Hoofd, dat op de meeste plaatsen Ngofamanira<br />
heet; een tweede Hoofd, op sommige plaatsen Ngato geheeten;<br />
en een derde met den titel van Kapitan, die alleen in oorlogstijd<br />
eenig zelfstandig gezag heeft. Deze Hoofden vormen met eenige<br />
Ma/dmo's of Oudsten uit eiken tofa den foïki-fo-litjara of Gemeenteraad,<br />
welke zijne vergaderingen houdt in een daartoe<br />
bestemd gebouw, Orom genaamd; deze Baad regelt de verdeeling<br />
van den arbeid, die gemeenschappelijk door de gemeenteleden<br />
moet worden verrigt, en doet ook uitspraak in kleine zaken,<br />
waarop geene zwaardere straf staat dan 12 rottingslagen of eene<br />
boete van 5 realen; de uitvoering van zijne besluiten is aan de<br />
twee eerstgenoemde Hoofden opgedragen. De waardigheid der<br />
Hoofden is erfelijk in hun geslacht, doch dc persoon wordt dooide<br />
gezamenlijke Hoofden en Oudsten gekozen; evenwel volgt<br />
gewoonlijk, zoo daartegen geene gewigtige bezwaren bestaan,<br />
de zoon den vader op. In de weinige Mohammedaansehe gemeenten<br />
is het bestuur op dezelfde wijze ingerigt.<br />
Een zeker aantal, tien of meer, gamoe's vormen een ójiko<br />
of Distrikt. Het inlandsehe Distriktsbestuur is zamengesteld uit:<br />
een Hoofd, dat meestal den titel van SengadjW* voert en door<br />
(') De woonplaats van dit Hoofd heet als zoodanig Saasio; zij ligt gewoonlijk<br />
eenigzins binnen 's lands, en is levens de woonplaats van het meerendeel<br />
der Mohammedaansehe Inboorlingen. In Dodmga heel dit Hoofd Kimehiha;<br />
in Djuïlolo. Ngofamanira; en in Lolodn. Kolano. Alle Dislriklshoofden<br />
zijn Mohammedanen behalve dat van Tabello.
435<br />
den Sultan van Ternate in overleg met de Hoofden der gamoe'&<br />
wordt aangesteld; een Ooegoegoe, die adsistent en, bij ontstentenis,<br />
plaatsvervanger is van den Sengadji; twee Il-lioekoems. mindere<br />
ambtenaren aan den Goegoegoe ondergeschikt; een Imam, een<br />
Chatib en een Modi», voor de Mohammedaansehe godsdienst en<br />
daarmede in verband staande zaken. Naast of boven dit Inlandsehe<br />
bestuur staan eenige Ternataansehe ambtenaren, als : een Hoofdambtenaar<br />
met den titel van Oeloesan O, die de bevelen van<br />
den Sultan aan den Sengadji overbrengt en voor hunne rigtige<br />
uitvoering z<strong>org</strong>t; eenige secretarissen, die tevens als afgezanten<br />
en toezigthouders in afgelegene gewesten worden gebezigd; een<br />
Se'rc'dje'ti of hoofd der politie; een Kolano fangari of politiedienaar;<br />
en een klein getal, hoogstens zeven, baroe-baroe's of<br />
gewapende manschappen. Deze personen vormen te zamen den<br />
sa je kamatahoe icoka of Distriktsraad, welke twee- of driemaal<br />
's maands ten huize van den Oeloesan vergadert en waarin de<br />
Ternataansehe ambtenaren den voorrang hebben. Die raad<br />
handelt over de wijze van uitvoering van de bevelen des Sultans<br />
en voorts over alle aangelegenheden, welke het geheele Distrikt<br />
aangaan. Ook spreekt hij regt in alle zaken, waarin personen<br />
van den adelstand betrokken zijn; in zaken tusschen Heidenen<br />
en Mohammedanen; en in alle zaken, die de regtsmagt der<br />
Dorpsbesturen te boven gaan doch waarvoor geene zwaardere<br />
straf dan 24 rottingslagen of 30 realen boete kan worden opgelegd.<br />
Zaken van meer belang moeten ter eerster instantie voor de<br />
regtbank (den Rand van achttienen) te Ternate worden behandeld.<br />
De straffen bestaan in blok-arrest, geldboeten en rottingslagen,<br />
welke echter ook kunnen worden afgekocht. De geldboeten<br />
worden verdeeld tusschen den Oeloesan, den Sengadji en het<br />
Dorpshoofd van den veroordeelde, die echter weder met hunne<br />
ondergeschikten moeten deelen. De regtspraak geschiedt volgens<br />
de niet beschrevene fognakoe's of oude instellingen, welke op<br />
de lara's (bl. 432) gegrond zijn, en volgens de bevelen des<br />
Sultans voor zooverre zij met die instellingen strooken. Men kan<br />
van den Dorpsraad op den Distriktsraad, en van dezen op den<br />
Eaad van achttienen te Ternate appelleren.<br />
(') De Oeloesan woont in de DistriklshooMpIaals aan het strand, waar<br />
tevens ook de Ternalanen en andere vreemdelingen , ook de kooplieden, gevestigd<br />
zijn.
436<br />
Omtrent het grondbezit bestaan de volgende bepalingen : de<br />
gronden kunnen worden onderscheiden in: Ofo ngana, of verafgelegene<br />
wildernissen; zij behooren aan het geheele Distrikt,<br />
en elk ingezetene mag er de natuurlijke voortbrengselen gaan<br />
inzamelen; Oba ngana, meer nabij gelegene nog woeste maar<br />
voor beplanting vatbare gronden ; deze behooren aan de gemeente,<br />
even als de Gogojawa of beplante akkers; Gamoe, de bodem<br />
waarop het gehucht of dorp is gebouwd; Madjiko malalata of<br />
sago-aanplantingen, die aan het geheele Distrikt behooren en<br />
alleen in Kaoe gevonden worden; Soa masamoeda of sago-plantsoenen,<br />
die aan de gemeente behooren en waar elk lid in gewone<br />
tijden sago mag inzamelen met voorkennis van het Dorpshoofd,<br />
doch die door de geheele gemeente gezamenlijk onder leiding<br />
van het Gemeente-bestuur worden geëxploiteerd wanneer de sago<br />
op Ternate schaarsch is en daardoor aanmerkelijk in prijs stijgt;<br />
en Ngori lalata of sago-aanplantingen van particulieren.— Distrikten<br />
en gemeenten tot hetzelfde Distrikt behoorende kunnen<br />
aan elkander gronden uitleenen tot beplanting met éénjarige<br />
gewassen. Gemeenten kunnen aan elkander grond uitleenen tot<br />
aanplanting van sago-palmen, doch na den eersten oogst vervallen<br />
de jonge en nog niet gevelde boomen met het grondbezit<br />
weder aan den uitleener. Persoonlijk grond-eigendom bestaat<br />
niet; de bezitting bepaalt zich alleen tot het gewas, en het<br />
regt daarop wordt verkregen door ontginning van den grond.<br />
Aileen sago-aanplantingen van bijzondere personen kunnen<br />
verkocht worden of bij erfopvolging overgaan j alle andere<br />
gronden van Distrikten, Gemeenten en particulieren zijn onvervreemdbaar.<br />
De Ternataansehe ambtenaren op Halmaheira genieten geene<br />
bezoldiging van den Sultan ; cn noch zij noch de Inlandsehe<br />
Hoofden trekken van de bevolking eenige geldelijke inkomsten<br />
behalve het hun toekomende aandeel van de opgelegde boeten;<br />
overigens moeten zij door handel of op andere wijzen in hun<br />
eigen onderhoud voorzien. Alleen in het Distrikt Sahoe ontvangen<br />
de Oeloesan en de Sengadji eene kleine hoeveelheid rijst van elk<br />
gewas. Voorts heeft overal de Oetoesan ter zijner beschikking<br />
eenige kokki's, dat zijn lieden, die zonder belooning allen huis-<br />
en veld-arbeid voor hem moeten verrigten en om de maand<br />
worden afgewisseld; even zoo heeft de Sengadji regt op één
437<br />
Ngongare itji. dal is een knaap uit den gegoeden stand, die hem<br />
overal vergezellen en ligte diensten bewijzen moet. De woningen<br />
der Hoofden worden door hunne onderhoorigcn kosteloos gebouwd<br />
maar niet onderhouden ; doch van de openbare gebouwen,<br />
de raadzaal (orom), het offerhuis (kokiroba) en de moskee komt<br />
zoowel het onderhoud als de oprigling voor rekening der bevolking.<br />
De lasten en diensten, waartoe de bevolking ten behoeve<br />
van den Sultan verpligt is, zijn de volgende: behalve Dodinga,<br />
Djaïlolo en Sahoe levert ieder Distrikt voor eiken krijgstogt van<br />
den Sultan zooveel man als hij behoeft, waaraan gaarne voldaan<br />
wordt omdat deze togten hen in de gelegenheid stellen om koppen<br />
te snellen, of althans de scherpte van hun zwaard op een afgehouwen<br />
vijandelijken kop te beproeven, zonder hetwelk zij<br />
niet in het huwelijk kunnen treden. Behalve Dodinga en Djaïlolo<br />
levert elk Distrikt jaarlijks één tot vier Kora-Kora's of geheel<br />
uitgeruste, bewapende en met 30 tot 40 koppen bemande vaartuigen,<br />
die dan door een Ternataansch Gezaghebber worden<br />
gekommandeerd; de ammunitie wordt door den Sultan verstrekt,<br />
en ook de voeding der manschappen nadat de medegebragte<br />
voorraad is opgeteerd. Het Distrikt Sahoe moet voortdurend aan<br />
den Sultan op Ternate leveren honderd manoesia-raioes, dat zijn<br />
volwassen mannen die daar alleen voor den kost werken en van<br />
tijd'tot tijd worden afgewisseld; dertig van hen worden door<br />
den Sultan beschikbaar gesteld om bij de Europesche ingezetenen<br />
als bedienden werkzaam te zijn; ook de anderen hebben dikwijls<br />
gelegenheid om als roeijers of koeli's iets te verdienen; over<br />
deze verdiensten kunnen zij vrij beschikken. De Distrikten<br />
Galela, Sahoe en Djaïlolo leveren jaarlijks aan den Sultan eene<br />
bepaalde hoeveelheid rijst, het eerste zonder, de beide andere<br />
tegen betaling; en hij heeft het regt om, wanneer hij meer rijst<br />
behoeft, het ontbrekende tegen betaling te doen leveren dooide<br />
Distrikten Toebaroe en Tabello. Door het Distrikt Loloda<br />
moeten jaarlijks de daar voorkomende vogelnestjes kosteloos voor<br />
den Sultan worden ingezameld, en door Toebaroe eene zekere<br />
hoeveelheid damar (bars). Eindelijk moet het Distrikt Kaoe<br />
kosteloos de praauwtjes en manschappen leveren, die noodig zijn<br />
voor de exploitatie van de parelbanken in de Baai van Kaoe,<br />
die een monopolie van den Sultan zijn.
438 •<br />
De eilanden Morotaï, Kau, enz.<br />
Morotaï of Moro, ten Noord-Oosten van bet Noordelijke<br />
schier-eiland van Halmalicira en door Straat Morotaï daarvan<br />
gescheiden, ligt tusschen 1°45' tot 3"44' N.B. en 128 c<br />
30' tot<br />
138° 45' O.L. en heeft eene grootte van omstreeks 53 • mijlen.<br />
Het wordt in zijne geheele lengte door een hoog en boschrijk<br />
gebergte doorsneden, dat in het Noorden in den Noordhoek, in<br />
het Zuiden in den Zuidhoek eindigt en van vulkanischen aard<br />
schijnt te zijn; althans nagenoeg in het midden van de Westelijke<br />
helft des eilands bevindt zich een vulkaan, de G. Toto, die<br />
volgens VALENTIJN in vroegere eeuwen menigvuldige en hevige<br />
uitbarstingen moet hebben ondergaan. Aan de Noordzijde is het<br />
eiland door een rif omgeven, dat zich meer dan eene mijl ver in<br />
zee uitstrekt; en ook langs het Zuidelijke gedeelte der Westkust<br />
bevinden zich in Straat Morotaï riffen en klippen, die de vaart<br />
gevaarlijk maken. Sago-palmen komen er in vrij groote hoeveel<br />
heid voor; en herten en wilde zwijnen bevolken de digte wouden.<br />
Overigens is omtrent de voortbrengselen niets bekend.<br />
Vroeger moet Morotaï eene tamelijk sterke bevolking hebben<br />
gehad; doch thans is het niet op den duur bewoond en houden<br />
zich slechts nu en dan tijdelijk Tabellorezen en Galelarezen aan<br />
de Westkust op, waar nog de kampongs of gehuchten Soppi,<br />
Tolo^en Tisao gevonden worden.<br />
In de onmiddellijke nabijheid van dit eiland liggen, meest in<br />
Straat Morotaï, de zeer kleine eilandjes : Na-ai-morodera, Ngele-<br />
lawoe, Ngele-itji, Nobela-laicoe, Nobela-itji, Dondola-lawoe,<br />
Dondola-itji, Perloe. Galoegaloe-laicoe, Galoegaloe-itji, Taga-<br />
laja, Kokoja, Soessoem-laicoe, Soessoem-ifji, Kodogoeroe, Sakita,<br />
Pedang ; en het iets grootere Rau of Riaoe/on 3° 30'N.B. en<br />
138° 10'O.L., waartoe nog vier kleinere behooren. Zij zijn allen<br />
onbewoond, en worden met Morotaï gerekend tot het gebied van<br />
den Sultan van Ternate te behooren.<br />
De eilanden Ternate, Hiri, Tifore en Majoe.<br />
Het eiland Ternate ligt op geringen afstand van de Westkust<br />
van Halmaheira, voor de Raai van Dodinga. op 0° 50' N.B.<br />
en 127° 30' O.L., en is iets minder dan ééne • mijl groot (').<br />
I') Volgens MELVILL'S Statistieke Kaart is het 1.CD mijl groot.
439<br />
Het bestaat geheel uit eenen nog wcrkzamcn vulkaan, den Gama<br />
lama , van ruim 5300 v'. hoogte, wiens voet aan de Oostzijde de<br />
zachtste helling en de grootste uitgestrektheid heeft, cn wiens kruin<br />
door vroegere uitbarstingen thans in drie toppen gesplitst is, den<br />
Madina, den Ar/at en den Kekau, van welke de middelste de<br />
hoogste is; in de nabijheid van den Arfat bevindt zich de krater,<br />
die van de Noordkust des eilands duidelijk zigtbaar is O. Langs<br />
de zijden van den berg vertoonen zich aan verschillende kanten<br />
vertikale ribben, welke door uit den krater gevloeide lavastroomen<br />
ontstaan zijn; eene van de jongst gevormde (men zegt<br />
in 1763) bevindt zich aan de Noordzijde des eilands en loopt als<br />
eene breede zwarte streep door tot aan het strand, waarom dat<br />
gedeelte der kust Baloe angoes of Verbrande hoek genoemd wordt.<br />
Aan de Noord-Westzijde des eilands bevinden zich niet ver van<br />
de kust een paar kleine meertjes, Soela Takomi di bawah en Soela<br />
Takond di atas (Beneden- en Boven-Soela Takomi), zoo geheeten<br />
naar eene in den grond vcrzwolgcne negeri van dien naam, en ook<br />
wel onder den van de Portugezen overgenomen naam Laguna, en<br />
bij de Inlanders onder dien van Tanah ünggelam (verzonken grond),<br />
bekend; zij hebben het voorkomen van krater-meren en zijn<br />
ook ontstaan door vulkanische werkingen, welke echter thans op<br />
die plaats geheel hebben opgehouden. Nabij de Zuidkust bevindt<br />
zich een dergelijk meertje. Aan de Noord- en Noord-Oostkust<br />
des eilands liggen tusschen de lava-ribben kleine vruchtbare<br />
vlakten met rijst, djagoeng en kokospalmen beplant. Aan de<br />
Oost- en Zuidzijde heeft de bebouwbare grond eenige meerdere<br />
uitgestrektheid, doch ook hier is de land- en tuinbouw van weinig<br />
beteekenis. Aan de Zuid-Oostzijde is de kuststreek op sommige<br />
plaatsen moerassig en met rhizophoren begroeid. Hier bevindt<br />
zich ook bij de kampong Talangami een klein riviertje, waarschijnlijk<br />
het eenige op het eiland.<br />
De voornaamste cultuur-gewassen op Ternate zijn, behalve<br />
de zoo even genoemde rijst en djagoeng, wier hoeveelheid op<br />
verre na niet voldoende is voor de bevolking: sago-palmen,<br />
(') Talrijke uitbarstingen van dezen vulkaan zijn bekend, als in 1608, 1655,<br />
1655, 1675, 11.86, I763 pjl858, 1859, 1840, 1817,1849, 1855,)en vele<br />
van minder belang. De hevigsteo zijn geweest die van 1686, 1840 en 1855,<br />
bij welke gelegenheden vele menschen zijn omgekomen en bijna alle gebouwen<br />
op het eiland vernield.
440<br />
koffij, peper, kruidnagels, muskaatnoten en katoen, alles in<br />
zeer geringe hoeveelheid en niet voor den uitvoer; eenig meerder<br />
werk wordt gemaakt van .s«
441<br />
aanmerkelijk gedeelte van de Oostkust des eilands uit in twee<br />
of drie hoofdstraten, welke evenwijdig met het strand loopen<br />
en door dwarsstraten met elkander verbonden zijn. Eigenlijk<br />
heet alleen het Noordelijke gedeelte Ternate; het vangt aan bij<br />
het fortje Terlokko of ITollandia. dat op eene in zee uitstekende<br />
rots van steen opgetrokken is en eene kleine bezetting heeft.<br />
Hierop volgen de door de Ternatanen bewoonde wijken, in wier<br />
midden de Moskee en aan wier Zuidelijk uiteinde het paleis des<br />
Sultans ligt in Europescben stijl op eenen heuvel gebouwd.<br />
Zuidwaarts van het paleis is eerst de wijk der Mangkasaren en<br />
andere vreemde Oosterlingen, dan die der Chinezen, en eindelijk<br />
die der Europeanen. Alleen dit Zuidelijke gedeelte der stad is<br />
Gouvernements-grondgebied en draagt ook wel den naam van<br />
Matajoe. Tusschen de Mangkasaarschc en Chinesehe wijken<br />
ligt het fort Oranje, eene groote met steenen wallen voorziene<br />
sterkte, waarbinnen zich kazernen, Officierswoningen en magazijnen<br />
bevinden ; het heeft eene bezetting van omstreeks 180 man<br />
Infanterie en Artillerie met zes Officieren, van welke echter<br />
nog 25 man gedetacheerd zijn op Batjan en 10 te Bodinga op<br />
Halmaheira (bl. 428). O In de Europesche wijk vindt men het<br />
Eesirientie-huis, het hospitaal, eene Protestansche kerk, eene<br />
school voor Inlandsehe Christenen, eene Gouvernements lagere<br />
school, eene marktplaats en pakhuizen; hier, even als in de<br />
Chinesehe kampong, zijn de huizen meest van steen gebouwd.<br />
Voorts is er eene Wees- en boedelkamer, een armenhuis, en op<br />
geruimen afstand Zuidwaarts van de stad een Leprozen-gesticht.<br />
De geheele bevolking der hoofdplaats bedraagt omstreeks 6000<br />
zielen, waaronder in het Noordelijke gedeelte ruim 4000 Ternatanen,<br />
die onderdanen van den Sultan zijn; een duizendtal<br />
Mangkasaren en andere vreemde Oosterlingen, omstreeks 400<br />
Chinezen, en 450 Europeanen en Kleurlingen van verschillende<br />
afkomst, welke allen Gouvernements-onderdanen zijn. Onder<br />
deze Europeanen en Kleurlingen zijn omstreeks 400 Christenen.<br />
(') Het fortje Kajoe mejrah of 's Konings Zeehoofd ten zuiden van de<br />
Europesche wijk, dat nog op de Kaart van PIJNAPPEL en in het Aardrijkskundig<br />
Woordenboek voorkomt, wordt niet meer bewapend. Andere oude<br />
sterkten zijn geheel ontmanteld. Over de Schutterij op Ternate zie men<br />
bl. 519.
442<br />
Behalve de hoofdplaats zijn Kalapa pindah en Talangami aan<br />
de Zuid-Oostkust de belangrijkste kampongs.<br />
Het bestuur van Ternate (buiten het kleine Gouvernements<br />
grondgebied) en der overige tot dit rijk behoorende eilanden<br />
en gewesten (bl. 317) berust bij den Sultan, wiens inlandsehe<br />
titel Kolano is. Hij wordt, zonder bepaalde erf-opvolging, aan<br />
gesteld door het Nederlandsche Gouvernement, van hetwelk hij<br />
zijn gebied in leen heeft, en bestuurt zijn rijk naar welgevallen<br />
behoudens de in acht neming van bet met het Gouvernement<br />
gesloten contract('). Hij wordt bijgestaan, of eigenlijk de regering<br />
wordt voor hem waargenomen, door eenen Bijksbestuurder, die<br />
den titel van Djoegoegoe voert en uit de volksklasse gekozen<br />
wordt door den Sultan onder bekrachtiging van den Eesident.<br />
De Eijksraad, zonder welken geene belangrijke zaken mogen<br />
behandeld worden en wier leden als zoodanig den titel van<br />
Bobaloe's hebben, is zamengesteld uit den Djoegoegoe, den<br />
Kapitan laut, die het oppertoezigt over het zeewezen heeft cn<br />
gewoonlijk een bloedverwant van den Sultan is, de Sengadji's<br />
of Distriktsboofden en de Kimelaha's en Pomenila's of Ngofama<br />
nira'» of Dorpshoofden. Deze Eaad wordt ook genoemd de Raad<br />
van achttienen, en vormt onder voorzitterschap van den Djoe<br />
goegoe tevens het hoogste regterlijk ligchaam, dat uitspraak doet<br />
in alle belangrijke zaken en geschillen de onderdanen des Sultans<br />
betreffende, doch wiens vonnissen niet zonder bekrachtiging van<br />
den Eesident mogen worden ten uitvoer gelegd. Zaken van minder<br />
belang worden door de Distrikts- of Dorpshoofden behandeld.—<br />
De Chinezen, Mangkasaren en andere vreemde Oosterlingen<br />
hebben hunne eigene Hoofden, welke regtstreeks aan de Neder<br />
landsche autoriteit onderworpen zijn. Over de regtspraak voor<br />
Europeanen en voor Inlanders op Gouvemements-grondgebied<br />
zie men bl. 318.<br />
De Sultan heeft zijne eigene krijgsmagt, die eenigzins op<br />
Europesche wijze gekleed en gewapend is, en waaruit ook, des<br />
gevorderd, aan het Gouvernement hulptroepen moeten worden<br />
0) De tegenwoordige Sultan is aangesteld 30 Mei 18fit. De woordelijke<br />
inhoud van het laatste contracOs ons niet bekend; het komt in de hoofdzaken<br />
overeen met dat, hetwelk in 1861 met den Sullan van Tidore gesloten is,<br />
en waarvan de hoofd-inhoud wordl medegedeeld op bl. 447.
443<br />
verleend; en eene zeemagt, bestaande uit Kora-Kora's, die<br />
insgelijks diensten ten behoeve van het Gouvernement moet<br />
verrigten (vergel. bl. 214).<br />
De bevolking van het geheele eiland bestond op het einde<br />
van 1855 uit:<br />
109 Europeanen,<br />
345 Kleurlingen, / „<br />
o o e. rii- l Gouvernements-<br />
385 Chinezen, \<br />
n, A , • ( onderdanen.<br />
21 Arabieren , 1<br />
2056 ilangkasaren en Inlanders, J<br />
5250 Inlanders ) n .. „ ,<br />
ono oi ,-r. ii r . onderdanen van den buitau.<br />
323 Slaven (Papoewah s?),l<br />
tezamen 8489 zielen; waarbij nog te voegen zijn een dertigtal<br />
leprozen in het gesticht en eenige bannelingen en kettingganger^.<br />
(')<br />
De Europeanen zijn Gouvernements-ambtenaren of kooplieden.<br />
Onder de Kleurlingen bevinden zich eenige ondergeschikte<br />
ambtenaren; sommigen oefenen het een of ander beroep uit;<br />
en velen leven armoedig van de opbrengst van een klein tuintje<br />
of van het overschot der bun door hunne ouders of voorouders<br />
nagelatene bezitting, zonder zelf iets ter vermeerdering van<br />
hunnen welstand te doen. Hun zedelijke toestand laat veel te<br />
wenschen over.— De Arabieren en Chinezen vinden hun bestaan<br />
in den handel; de laatstgenoemden ook in het pachten van<br />
's lands belastingen op den opium, 'arak, sagoewir, het slagten<br />
van varkens en rundvee, het houden van lombard en het hoofdgeld<br />
der Chinezenl 2<br />
); zij schijnen zich in vele opzigten gunstig<br />
van hunne landgenooten in andere deelen van den Archipel te<br />
onderscheiden.— De Mangkasaren en overige Inlandsehe Gouvernements-onderdanen<br />
leven van de vischvangst, den landbouw,<br />
den kleinhandel, en enkelen van eenig ambacht; zij genieten<br />
over het algemeen zeer weinig welvaart. De onderdanen van den<br />
( 1<br />
) Volgens de Statistieke Kaart van MELVILL was in 1849 de bevolking<br />
6140 zielen slerk.<br />
( 2<br />
) De belasting op paarden en slaven, het haven- en ankerage-geld, het<br />
?.egel- en vendu-regt, de zoutverkoop en andere lands-inkomsten worden niet<br />
verpacht maar regtslreeks door de Gouvernements-ambtenaren ontvangen.
444<br />
Sultan hebben dezelfde middelen van bestaan ca genieten even<br />
weinig voorspoed. De oorzaken van dezen ongunstigen toestand<br />
zijn de traagheid der bevolking en, wat de onderdanen van den<br />
Sultan betreft, de drukkende lasten, waaronder zij gebukt gaan.<br />
Deze lasten bestaan in: het doen van onbeloonde heerendiensten<br />
voor den Sultan en zijne talrijke familie; het zonder betaling<br />
aan hen opbrengen van rijst, sago, muskaatnoten, foelie, vogelnestjes,<br />
tripan//, schildpad en paarlen; terwijl de meeste der van<br />
elders aangevoerde benoodigdbeden der bevolking een monopolie<br />
van den Sultan en de Prinsen zijn, die ze aan haar tegen<br />
onevenredig hooge prijzen verkoopen.— De slaven, wier getal<br />
trouwens van jaar tot jaar afneemt, behooren wel niet eigenlijk<br />
tot dien stand maar staan er toch nagenoeg mede gelijk. .Met<br />
toestemming van den Sultan van Tidore worden zij van de<br />
Papoeioah-eilanden afgehaald en tegen betaling van eene bepaalde<br />
som aan de ingezetenen als dienstboden afgestaan. Onder het<br />
boven vermelde getal zijn waarschijnlijk ook begrepen de honderd<br />
dienstbare mannen, die door het Distrikt Sahoe op Halmaheira<br />
aan den Sultan moeten worden geleverd (bl, 437).<br />
De eigenlijk-gezegde Ternatanen, die door JUNGHUHN onder<br />
de Maleiscbe kosmopoliten gerekend worden (zie D 1<br />
. I, bl. 107)<br />
en door anderen, zeker met veel minder regt, wel eens al- van<br />
Chineschcn oorsprong zijn vo<strong>org</strong>esteld, zijn een zeer gemengd<br />
ras, welks afkomst bezwaarlijk te bepalen is. Zij hebben eene<br />
middelmatige gestalte, fijnen ligebaamsbouw, een vrij rond<br />
gelaat, en in wezenstrekken meer gelijkenis op Europeanen dan<br />
op eenig volk uit den Indischen Archipel^. Aan wellevendheid<br />
in den omgang paren zij eene zekere fierheid. Zij zijn traag en<br />
onverschillig omtrent hunne tijdelijke welvaart, maar zeer gezet<br />
op den dans (menari) en andere zinnelijke vermaken; ook sagoetcir<br />
eu arak vallen zeer in hunnen smaak. Het gewone voedsel<br />
bestaat in sago, visch en groenten; rijst en vleesch worden slechts<br />
bij bijzondere gelegenheden gebruikt. De kleeding is nagenoeg<br />
dezelfde als die der Maleijers, behalve dat de mannen geene<br />
kris of ander wapen bij zich dragen; doch de Sultan, de Prinsen<br />
en Rijksgrooten kleeden zich op Europesche wijze, hoewel altijd<br />
met een doek of tulband tot hoofddeksel. De Godsdienst en<br />
(') Tijdsein: v. Neérl. Indië, I8U, Db II, hl. -210.
445<br />
tijdrekening zijn de Mohammedaansehe; de taal is een verbasterd<br />
Maleisch. Als bijzondere volksvermaken worden vermeld de<br />
Dodingo, de Lego-Lego en de Tjakalele. O De Dodingo zijn eene<br />
soort van spiegelgevechten, welke gedurende de maand Ramadan<br />
(de vasten-maand) door een paar-honderd met stokken en<br />
salaxcako's (bl. 187) gewapende mannen op de marktplaats geleverd<br />
worden, en waarbij somtijds ernstige verwondingen plaats<br />
hebben, t 2<br />
) De Lego-Lego is een dans, die op onbepaalde tijden<br />
door opzettelijk daartoe afgerigte danseressen in oud-Spaansche<br />
kleeding in het paleis van den Sultan wordt uitgevoerd, vooral<br />
wanneer er Europeanen tegenwoordig zijn. De Tjakalele wordt<br />
bij bijzondere gelegenheden bij den Sultan of den Eesident<br />
uitgevoerd, door met vederen en bonte doeken en andere versierselen<br />
opgeschikte knapen, die met een rotting en salawako<br />
gewapend, onder begeleiding van Europesche en Inlandsehe<br />
muzijk [gongs en tifa's) eene soort van krijgsdans uitvoeren,<br />
waarbij zij echter naauwkeurig toezien elkander niet te treffen<br />
(vergel. bl. 196).<br />
Een ander gebruik, hetwelk men zegt van Portugeschen<br />
oorsprong te zijn en waaraan alleen Christenen deelnemen, is do<br />
Tjakaiba. Op den tijd wanneer het Chinesehe Nieuwjaar invalt,<br />
trekken eenige min gegoede lieden in Oud-IIollandsche kleeding<br />
met muzijk door de geheele stad, en dansen voor de huizen der<br />
voornaamste ingezetenen totdat hun eenig geschenk gegeven<br />
wordt, waarna zij hunnen togt voortzetten.<br />
Het eilandje Hiri of llira ligt ten Noorden van Ternate en is<br />
daarvan slechts door eene naauwc doch goed bevaarbare straat<br />
gescheiden. Het bestaat alleen uit eenen vulkaan-kegel van<br />
ongeveer 2000 v'. hoogte, is geheel met digt geboomte begroeid<br />
doch onbewoond.<br />
Het eilandje, of eigenlijk de twee eilandjes Ti/ore of Tafoeri,<br />
ligt in de Straat der Molukken nagenoeg in het midden tusschen<br />
de Minakassa en Halmakeira op 1° N.B. en 126° 20' O.L.<br />
Het is bezet met heuvelrijen van 300 of 400 v'. hoogte, en heeft<br />
0) De Lego-Lego en de Tjakalele komen ook op Halmaheira voor.<br />
Tijdschr. v. N. I., 18S6, 0'. II.<br />
( 5<br />
) Iets dergelijks, doch slechts tusschen twee personen, geschiedt ook ia<br />
Palembantj; zie 0'. I, bl. 398.
446<br />
geen vulkanisch voorkomen. Het is bedekt met geboomte, waaronder<br />
zich veel kokos-palmen bevinden. Er houden zich veel<br />
wilde geiten op. liet is onbewoond, doch wordt dikwijls gebruikt<br />
als ververscbingsplaats door de Sangirezen en andere zeevaarders<br />
op hunne togten naar Ternate.<br />
Majoe ligt Noord-Oostivaarts van Ti/ore op 1° 17' N.B. en<br />
126° 32' O.L. Het komt in alle opzigten met laatstgenoemd<br />
eilandje overeen, doch is omtrent dubbel zoo hoog.<br />
Deze drie eilandjes zijn onderhoorighedeu van den Sultan van<br />
Ternate.<br />
De eilanden Tidore, Mitarra, Filongia, Siboe en Maren.<br />
Het eiland Tidore, de verblijfplaats des Sultans van het rijk<br />
van dien naam O, ligt een weinig ten Zuid-Oosten van Ternate,<br />
waarvan het slechts door eene smalle zee-engte gescheiden is,<br />
op 0° 45' N.B., en komt ook in grootte nagenoeg met dit eiland<br />
overeen. De Zuidelijke helft des eilands bestaat uit een regel<br />
matig gevormden vulkaan-kegel, van ongeveer 5000 v'. hoogte,<br />
wiens top kaal en wiens middelste gedeelte met zwaar woud<br />
begroeid is; beneden de 900 v*. zijn de zachte hellingen, die<br />
zich vooral naar de Oostzijde uitstrekken, met vruchtbaren grond<br />
bedekt en geheel bebouwd. Uitbarstingen van dezen vulkaan<br />
zijn niet bekend. De Noordelijke helft is een ruw vulkanisch<br />
vo<strong>org</strong>ebergte, dat bijna overal steil in zee afdaalt, en slechts<br />
hier en daar aan het strand eenige kleine vlakke plaatsen heeft.<br />
Het eiland is van tijd tot tijd aan sterke aardbevingen onder<br />
hevig.<br />
Het klimaat van Tidore komt met dat van Ternate overeen;<br />
ook de voortbrengselen der drie natuurrijken zijn, voor zooverre<br />
men ze kent, nagenoeg dezelfde. Voor den rijstbouw is het eiland<br />
niet geschikt; doch aard- en boomvruchten, katoen, tabak,<br />
muskaatnoten en koffij worden met gunstig gevolg aangekweekt<br />
vooral in het Zuid-Oostelijke gedeelte. De saffoewir-vaimen<br />
heeft de vorige Sultan doen uitroeijen, opdat zijne onderdanen<br />
zich niet aan dien drank zouden te buiten gaan.<br />
Omtrent den handel zijn ons geene opgaven bekend; deze<br />
schijnt zich hoofdzakelijk tot de omliggende eilanden te bepalen.<br />
(') De voornaamste der verdere bezittingen van den Sultan zijn opgegeven<br />
op bl. 511.
447<br />
Een voornaam artikel van uitvoer is visch, die veel naar Ternate<br />
gebragt wordt; ingevoerd worden : rijst en de producten, die<br />
den Sultan door zijne onderhoorigbeden op Halmaheira en de<br />
Papoewah-eilanden moeten worden opgebragt.<br />
De hoofdplaats Tidore, als residentie des Sultans ook Soasio<br />
geheeten, ligt aan het Oosterstrand amplütheaters-gewijze op<br />
den voet des bergs, en bestaat grootendeels uit steenen wit<br />
gepleisterde huizen. Van de sterkte harer bevolking is ons geene<br />
opgave bekend. Het op den achtergrond gelegene paleis van<br />
den Vorst onderscheidt zich van de overige gebouwen weiniganders<br />
dan door zijne meerdere grootte. Voor Soasio strekt zich<br />
een kunstmatig opgehoogd rif in zee uit; waardoor slechts vaartuigen<br />
van weinig diepgang aan de hoofdplaats kunnen komen<br />
over een smal niet opgehoogd gedeelte van het rif.<br />
Langs de Oostkust bevinden zich nog enkele negeriën, wier<br />
namen ons niet bekend zijn; en aan het Noorderstrand zijn hier<br />
en daar op de kleine vlakten woningen van visschers of landbouwers,<br />
die zich daar tijdelijk ophouden tot uitoefening van<br />
hun bedrijf.— De door de Portugezen gestichte forten, Tahoela<br />
aan de Oostkust en Romi en Mareieo aan de Westkust, zijn sinds<br />
lang geheel vervallen of gesloopt; ook wij hebben er geene<br />
sterkte of bezetting, en ook geenen vertegenwoordiger van het<br />
Nederlandse h gezag.<br />
Het bestuur van Tidore en zijne onderhoorigbeden berust bij<br />
den Sultan of Kolano, en is nagenoeg geheel op dezelfde wijze<br />
ingerigt als dat van Ternate. Ook hij heeft zijn gebied in leen<br />
van het Nederlandsch Gouvernement, en is gebonden aan een<br />
contract, hetwelk in April 1861 vernieuwd en hoofdzakelijk van<br />
den volgenden inhoud is( l<br />
>: de Sultan en de Rijksgrooten worden<br />
door het Gouvernement naar vrije keuze aangesteld, welk laatste<br />
geregtigd is, des verkiezende, het bestuur zelf in handen te<br />
nemen; hij is verpligt het Gouvernement naar zijn vermogen<br />
met krijgsvolk, wapenen en vaartuigen bij te staan; hij raag<br />
zijn gebied aan geene andere natie overgeven; met de zoodanige<br />
, hoegenaamd geene onderhandelingen aanknoopen; geene sterkten<br />
bouwen of toestaan dat die gebouwd worden, zonder toestemming<br />
(') Men zie dit contract in zijn geheel in de Bijlagen der Nederlandsche<br />
Staatscourant, Zitting 1861—1862, bl. 781.
448<br />
van het jSTederlandsch Gouvernement, hetwelk daartoe alleen<br />
het regt heeft; niet vergunnen dat Europeanen of met hen<br />
gelijkgestelden zich ergens in zijn rijk vestigen buiten de<br />
havenplaatsen, waar zij zich gedurende drie maanden mogen<br />
ophouden doch bij een langer verblijf de toestemming behoeven<br />
van het Gouvernement; het ondernemen van mijn- of andere<br />
ontginningen niet aan vreemdelingen toestaan; hij zal den<br />
slavenhandel, zee- en strandroof met alle magt tegengaan,<br />
handel, scheepvaart en landbouw besehermen en aanmoedigen,<br />
met regtvaardighcid regeren,'s volks welzijn bevorderen, aan zijne<br />
onderdanen geene nieuwe belastingen opleggen noch de bestaande<br />
verhoogen, met zijne naburen in vrede leven, en de wenken en<br />
raadgevingen van het Gouvernement nakomen. Het Gouvernement<br />
heeft het regt, waar het zulks noodig acht, sterkten of<br />
andere gebouwen op te rigten, ambtenaren te plaatsen, ontginningen<br />
te doen, timmerhout te kappen, werklieden en materialen<br />
te vorderen tegen billijke betaling, wegen aan te leggen, enz.<br />
De regtspleging over onderdanen van den Sultan blijft aan hem<br />
overgelaten, behalve wanneer zij misdrijven plegen tegen het<br />
Gouvernement of in gemeenschap met Gouvernements-ondcrdanen;<br />
ook civile zaken tusschen Sultans- en Gouvernementsonderdanen<br />
worden behandeld voor eene afzonderlijke regtbank<br />
te Ternate, zamengesteld uit den Eesident als Voorzitter, een<br />
Gouvernements-Schrijver als Griffier, en een Djoegoegoe, een<br />
Imam (priester) en den Kadi (regter) van Tidore. Geene zware<br />
straffen mogen worden uitgeoefend zonder toestemming van het<br />
Gouvernement; alle verminkende straffen zijn verboden. De<br />
vroeger door het Gouvernement toegekende jaarlijksche vergoeding<br />
voor het uitroeijen der specerij-boomen blijft, hoewel<br />
dat bevel is ingetrokken, bestaan en bedraagt voor den Sultan<br />
ƒ6400, voor de Eijksgrooten, Sengadji's en Kimelaka's van Tidore<br />
ƒ4200, en voor de Hoofden der aan Tidore onderhoorige negeriën<br />
Maba, Weda en Patani (Pajali?) op Halmaheira ƒ2200.<br />
De eigene krijgsmagt des Sultans, uit Infanterie en Artillerie<br />
bestaande, is gebrekkig op Europesche wijze gekleed en gewapend. ,<br />
Zijne zeemagt, uit Kora-Kora's zamengesteld en onder bevel van<br />
den Kapitan laut staande, dient om de aan hem onderhoorige<br />
eilanden in onderwerping te houden en door de jaarlijksche<br />
zoogenaamde kongi-toglende verpligte schatting van hen te innen.
449<br />
Zoowel land- als zeemagt moot, des gevorderd, aan het Nederlandsche<br />
Gouvernement hulptroepen verleenen. Daarenboven<br />
moet elke aan het strand gelegene negeri steeds eene Kora-Kora<br />
ter dienste van het bestuur beschikbaar houden.<br />
Omtrent de sterkte der bevolking van het eiland Tidore is<br />
ons geene latere opgave bekend dan die over het jaar 1854, toen<br />
zij 8157 zielen bedroeg.O Zij is op de Oostkust te zamen ge<br />
drongen en leeft daar van landbouw cn visscherij; ook het breijen<br />
of knoopen van netten en het ijzer-smeden maken belangrijke<br />
takken van nijverheid uit. Om het laatstgenoemde ambacht uit<br />
te oefenen reizen zij zelfs naar de naburige eilanden cn tot<br />
Menado. De Tidorezcn genieten eene grootere mate van welvaart<br />
dan de Ternatanen, doordat zij werkzamer cn ondernemender<br />
van aard zijn, en ook omdat zij niet aan zoo zware lasten als de<br />
laatstgenoemden zijn onderworpen; daar de Sultan vrij belangrijke<br />
inkomsten trekt van zijne bezittingen op Halmaheira cn do<br />
Papoeicah-eilanden, die hem sago, massooi, schildpad, tripang<br />
en paradijsvogels leveren. Ook het aantal slaven onder hen<br />
schijnt geringer te zijn; en omtrent het pandelingschap is bij<br />
het laatste contract bepaald: dat dit zooveel mogelijk zal worden<br />
tegengegaan; dat de duur daarvan in billijke verhouding zal<br />
staan tot de grootte der schuld cn nooit den tijd van vijf jaren te<br />
boven gaan ; en dat het pandelingschap in geen geval overgaat<br />
op dc bloedverwanten des schuldenaars. — Overigens zijn de<br />
Tidorezcn van eene dergelijke gemengde afkomst als do Terna<br />
tanen, met wie zij ook in levenswijze, vermaken, kleeding, taal<br />
en Godsdienst overeenkomen.<br />
Het eilandje Mitarra of Noorwegen, in de naauwe straat tus<br />
schen Ternate en Tidore gelegen, bestaat uit eenen ongeveer<br />
8000 v'. hoogen doch niet werkenden vulkaankcgel, die steil in<br />
zee afloopt. Het is niet op den duur bewoond; doch tijdelijk<br />
houden er zich landbouwers en visschers van Tidore op.<br />
Filongia of Tilango, ten Oosten van Tidore gelegen, is niet<br />
meer dan eene begroeide doch onbewoonde rots van ongeveer.<br />
100 v*. lang en breed en 60 v'. hoog.<br />
O BLEEKER, Reis enz., D'. I, bl. 222. In liet jaar 1816 bedroeg zij volgens<br />
denzeïïden Schrijver "538; terwijl MELVILL haar op zijne Statistieke Kaart<br />
van 1849 met Mareh te zamen slechts op 5921 zielen stelt.<br />
II. 29
450<br />
Siiïoe, dat door BI.EEK.EU vermeld wordt, komt op de ter onzer<br />
"beschikking staande Kaarten niet voor.<br />
Mareh of het Fot lebakkers-eiland ligt regt Zuidwaarts van<br />
Tidore op 0° 34' N.B. en schijnt het overblijfsel van een ingestorten<br />
vulkaan, die thans nog ongeveer 1000 v*. hoogte heeft,<br />
Het is zeer klein en bevolkt met een paar-honderd Tidorezen,<br />
die bun bestaan vinden in de vischvangst en het vervaardigen<br />
van aardewerk, waarvoor de grond goede klei bevat.<br />
Deze vier eilandjes zijn onderhoorigbeden van den Sultan van<br />
Tidore, hoewel hem het regt op Mitarra door den Vorst van<br />
Ternate betwist wordt.<br />
De eilanden Makjan, Motir, Miskin, Kajoa, Laloeïn,<br />
de Goearitji-groep, Ganneh en Dammer.<br />
Het eiland MakjanO, iets kleiner dan Tidore. ligt regt Zuidwaarts<br />
van daar op 0° 18' N.B. en bestaat even als dit uit<br />
eenen vulkaan, die in December 1861 vreesselijk gewoed heeft<br />
en ook vroeger hevige uitbarstingen moet hebben gehad. Bij<br />
eene van deze, zoo men zegt in 1646, is de berg in tweeën<br />
gespleten en bad sedert dien tijd twee spitse'toppen van omstreeks<br />
4000 v*. hoogte, tusschen welke zich een kleine eruptie-kegel<br />
had opgeheven; bij de uitbarsting van 1861 beeft de berg weder<br />
•eene aanmerkelijke verandering van gedaante ondergaan. De<br />
kusten zijn steil en met koraal-riffen omgeven. Het geheele<br />
eiland heeft een ruw en door groote overal verspreid liggende<br />
rotsbrokken oneffen voorkomen, doch moet bijzonder vruchtbaar<br />
zijn. Voor sago-palmcn is de grond niet geschikt; maar rijst,<br />
djagoeng, tabak, kanari-hoome.n (voor olie), aavd- en boomvruchten<br />
worden ei' met zeer goed gevolg gekweekt. De specerijboomen,<br />
die er vroeger welig groeiden, zijn door de O. I.<br />
Compagnie uitgeroeid ; voor deze en ook voor de koffij-cultuur<br />
biedt het eiland uitmuntende gelegenheid aan.<br />
Tabak, hinari-o\ie en sommige andere producten, ook gezouten<br />
en gedroogde visch, worden als handels-artikelen uitgevoerd.<br />
Makjan had verscheidene groote en welvarende negeriën,<br />
onder welke, behalve de hoofdplaats Ngofogila in het Noorden,<br />
(i) Hehalve de oudere berigten zio men over dit eiland de Reis van BLEEKER,<br />
1)1.1, bl. "2*25, en BRUMUND, Fragment mijner reize door de MoliMo's.
451<br />
Ngofomofakia in het Noord-Oosten en Powati in het Oosten tot<br />
de belangrijksten schijnen behoord te hebben. Bij de laatste<br />
uitbarsting van den vulkaan zijn echter vijftien negeriën geheel<br />
of gedeeltelijk verwoest.<br />
De geheel Mohammedaansehe bevolking, omtrent wier afkomst<br />
wij niets weten, had tot 1861 ruim 6000 zielen bedragen doch<br />
is toen aanmerkelijk verminderd, daar velen bij de uitbarsting<br />
zijn omgekomen en zeer velen ook het eiland hebben verlaten!<br />
Zij is ijverig en geniet eene tamelijke welvaart uit landbouw,<br />
handel en vischvangst; als verdere takken van nijverheid worden<br />
genoemd: het spinnen van garen, het weven van gestreept katoen,<br />
het maken van netten en het vervaardigen van fijn vlechtwerk!<br />
De woningen, hoewel vrij groot, vertoonen echter geene sporen<br />
van weelde; zij zijn van bamboe op den grond gebouwd, gewoonlijk<br />
in twee vertrekken verdeeld, en van voren met eene smalle<br />
galerij onder het laag afloopend dak voorzien; het huisraad is<br />
daaraan geëvenredigd.<br />
De Hoofden der negeriën en kampongs dragen de in de<br />
Molukken gewone titels van Sengadji, Kimelaha en Ngofamanira.<br />
Boven of naast deze Hoofden staat echter een ambtenaar van den<br />
Sultan van Ternate, die als zoodanig den titel van Oeloesan voert,<br />
in naam van zijnen Vorst het gezag uitoefent, en z<strong>org</strong>en moet<br />
dat de als belasting opgelegde producten aan den Sultan geleverd<br />
en de tot heerendiensten verpligte ingezetenen naar Ternate<br />
opgezonden worden. De Makjanners verdragen echter slechts<br />
zeer noode de overheersching van den Sultan, tegen wien zij<br />
zelfs nu en dan in openlijk verzet komen «, maar zouden gaarne<br />
weder Nederlandsche ambtenaren op hun eiland gevestigd zien<br />
gelijk in vroegere tijden het geval was. Van oude Nederlandsche<br />
forten zijn hier en daar nog overblijfselen te zien; aan de<br />
Noord-Oostzijde ligt nog het niet meer bewapende noch bezette<br />
fortje Reeburg.<br />
Het eilandje. Motir of Morli ligt regt Noordwaarts van Makjan<br />
op 0° 28'N.B., en is even als dit een vulkaankegel doch veel.<br />
0) Onder anderen in 18i8 en 18197 toen de tusschenkomst van het Nederlandsche<br />
Gouvernement vereischl werd om hen weder in onderwerping te<br />
brengen. -
453<br />
kleineren slechts ruim 2200 v*. hoog. Het wordt alleen bewoond<br />
door eenige Tidorezcn, die hier onder toelating van den Sultan<br />
van Ternate katocn-plantaadjes hebben. Oostwaarts van Morti<br />
ligt eene vrij uitgestrekte parclbank.<br />
Miskin is slechts eene rots, regt Zuidwaarts van Makjan op<br />
0° 8' N.B. gelegen.<br />
Kojoa of Kiouw ligt regt ten Zuiden van Miskin tusschen<br />
0° 3'N.B. en 0°1'Z.B., cn zal in grootte niet veel van Makjan<br />
verschillen. Het wordt somtijds gerekend tot de Goearitji-eitunden,<br />
waarvan het dan het grootste is en tot welke groep, behalve dit<br />
eiland, ook Miskin en eenige Westwaarts gelegene onbewoonde<br />
eilandjes behooren; doch eigenlijk maken alleen deze laatsten de<br />
Goeari/ji-groep uit. Kajoa is van vulkanischcn aard, en aan de<br />
Noordzijde bestaat het op vele plaatsen uit steile rotswanden van<br />
100 v'. hoogte. De bevolking, ongeveer 500 zielen sterk, vindt<br />
baar bestaan in rijstbouw en vischvangst. Voorts levert het eiland<br />
kokosnoten, vogelnestjes, tripang, paarlen en schildpad op; van<br />
alle welke producten jaarlijks eene zekere, hoeveelheid aan den<br />
Sultan van Ternate moet worden opgebragt. De hoofdnegeri<br />
Goaripin ligt aan de Zuidzijde op eene koraalbank nagenoeg<br />
gelijk met de oppervlakte der zee.<br />
" LaloëviA'igi onmiddellijk ten Zuiden van Kajoa en is daarvan<br />
slechts door eene zeer smalle zee-engte gescheiden ; het is onbewoond.<br />
De eigenlijk-gezegde Goearitji-eilanden, die ten Westen van<br />
Kajoa verspreid liggen en niet bewoond worden, zijn Laigoma,<br />
Goenange, Sikou, Leali en andere kleinere.<br />
Ganneh is een klein eilandje, gelegen ten Westen van de Zuidpunt<br />
van Halmaheira op 0° 52' Z.B. en 128° 10' O.L., doch<br />
van hetwelk ons verder geene bijzonderheden bekend zijn.<br />
Dammer, ons mede alleen bij naam bekend, ligt op 1° Z.B. en<br />
128° 22'O.L. regt tegenover Halmaheira s Zuidpunt, waarvan<br />
het door de ruime en veilig bevaarbare Straat Dammer gescheiden<br />
is. Het is bergachtig cn grooter dan Ganneh.<br />
Van een door BLEEKER vermeld onbewoond eiland Bentjan is<br />
ons de ligging niet. bekend.<br />
Alle deze eilanden zijn onderliporigheden van den Sultan van<br />
Ternate.
4 5 3<br />
§ 3. De Batjan-groep. (')<br />
Het eiland Batjan.<br />
Baljan, het hoofd-eiland van de groep, ligt tusschen 0 C<br />
13'<br />
tot 0° 55' Z.B. en 127° 22' tot 128° O.L., ten Westen van het<br />
Zuidelijke schier-eiland van Halmaheira, waarvan het door de<br />
Straat Patiëntie gescheiden is, terwijl aan de Westzijde des<br />
eilands Straat Herberg tusschen Batjan en Groot Taicali, Mandioli<br />
en andere kleinere eilanden stroomt. Deze Straat Herberg<br />
wordt ook nog wel in drie declen onderscheiden, van welke dan<br />
het Noordelijkste Straat Sembaki, het middelste Straat Herberg,<br />
cn het Zuidelijkste Straat Mamboeat heet. Batjan, dat volgens<br />
MELVILL 50 • mijlen groot is, bestaat uit twee schier-eilanden,<br />
van welke het Noordelijke en grootste Batjan of Ombatjan en<br />
het Zuidelijke Laboeha heet. Deze schier-eilanden zijn van<br />
elkander gescheiden door de Baai van Laboeha of Am.am.ng of<br />
Baljan aan de West-, en die van Lepan aan de Oostzijde, tusschen<br />
welke zich eene vlakke en lage land-engte bevindt van ongeveer<br />
anderhalf uur gaans breedte. Behalve deze twee baaijen heeft<br />
men nog aan de Zuidzijde de Baaijen Waja Oewa of Waja Oga<br />
en Silang. en aan de Noord-Oostzijde de Baai Loid of Loeit; in<br />
laatstgenoemde liggen de onbewoonde eilandjes Raloidoï Raloeit<br />
en Babi.<br />
{') Volgens de opgave van BLEEKER, Dl. I, bl. 215, beslaat deze groep uit<br />
de eilanden: Daljan, Mantliolo, Bnlang lornan, Orn-Ora, Embatoe, Waindi<br />
(drie eilanden), Jojo, Embatin, Kasiroela of Grool Tawali, Wiri, Batoe<br />
ampat, Wai-Apokan, Nanoang, Linlang baral, Oewah, Bamilajoe, Tumbeli,<br />
Tiuiada, Onoh, Deroe, Linlang timor, Salipogat, Tawalla (drie eilanden),<br />
Raloeit, Babi, Djitalan, Allang-Allang, Roewo, Pigiradja, Latta-l.atla<br />
(Laive. en Moring), Towapin, Goranofodjojo en Kappal, die echter behalve<br />
het hoofd-eiland ^4
454<br />
Het Noordelijke schier-eiland is bezet met door vlakten afgewisselde<br />
heuvels, die niet van vulkanischen aard zijn en geene<br />
aanmerkelijke hoogte bereiken; de voornaamsten zijn van het<br />
Noorden af: de Boekit Sabatan, B. Loid of Loeit, B.Sembahi<br />
JB. Amas en B. Tepoek. Het Zuidelijke gedeelte des eilands,<br />
hetwelk althans gedeeltelijk vulkanisch schijnt te zijn, heeft<br />
hoogere toppen, waaronder vooral de B. Sindapa, B. Sibela<br />
B. Batoe en B. Sicjaroe. Volgens BLEEKER heeft de<br />
Sibela eene kegelvormige gedaante; volgens de berigten van<br />
CORTS'E/S DE GROOT 0) is dat niet het geval, maar zoude de<br />
Sindapa waarschijnlijk een vulkaan zijn: niet ver benedenzien niet<br />
hoogen kruin van dezen laatste bevindt zich een meer/dat geheel<br />
liet voorkomen van een kratermeer heeft; en nabij den berg zijn<br />
heete bronnen, in welker omtrek zwaveldampen uit spleten in<br />
den grond oprijzen. De kusten zijn afwisselend steil en vlak.—<br />
Het klimaat is gezond, niettegenstaande de temperatuur dikwijls<br />
des middags 95° en des avonds 70° F. is. De drooge moeson,<br />
gedurende welken de wind meest Zuidelijk is, heerscht van Mei<br />
tot October of November; in December valt gewoonlijk de<br />
meeste regen, met Noorden-wind.<br />
Van de heuvels of bergen stroomen eene menigte beken en<br />
riviertjes zeewaarts, die wel somtijds overstroomen doch van<br />
welke slechts weinigen over een zeer klein gedeelte van bunnen<br />
loop voor ligte praauwtjes bevaarbaar zijn. De voornaamsten<br />
zijn : de Soengei Amasing, die op de B. Tepocng ontspringt e<br />
in de Baai van Amasing of Laboeha valt; de S. Besar en de<br />
S.Poang of Poean, die op den B. Amas ontstaan en iets Noordelijker<br />
aan de Westkust uitwateren; de S.Loid. welke in de Baai<br />
van dien naam valt; en de grootste van allen, de S.Sajoan,<br />
die op de hellingen in het midden van het Noordelijke schiereiland<br />
ontstaat en zich aan de Oostkust in de Baai van Lepan<br />
ontlast.<br />
De heuvels en bergen zijn bedekt met in het wild groeijende<br />
specerij- vooral kruidnagelAboomen en ook met zwaar geboomte,<br />
dat uitmuntend timmer- en meubelhout oplevert. De vlakten,<br />
(') In het Fragment der reis van BRUMUMD, hl. ïl en volgg. De Heer<br />
ConNETS DE GROOT heeft zich als Ingenieur van het mijnwezen geruimen lijd<br />
op Baljan opgehouden, terwijl BLEEKER dit eiland slechts ter loops heeft<br />
bezocht.
455<br />
die hier en daar moerassig zijn, zijn begroeid met sago—palmen,<br />
bamboe, varens en eene menigte andere boom- en heestersoorten<br />
; terwijl de kusten met een overvloed van kokos-palmen<br />
prijken. Aan den landbouw wordt door de geringe en trage bevolking<br />
weinig gedaan; eenige rijst en aardvruchten zijn zijne<br />
voornaamste producten. — Van het dierenrijk weet men weinig<br />
moer dan dat eene menigte herten, wilde zwijnen, apen en<br />
papegaaijen de wouden bevolken. De zee is rijk aan visch en<br />
schelpdieren; de kust, aan krokodillen en leguanen; en in<br />
Straat SemlakiYigï eene parelbank.— Het delfstoffenrijk, hoewel<br />
nog slechts gebrekkig bekend, moet zeer belangrijk zijn. Steenkolen-lagen,<br />
met welker ontginning men begonnen is, worden<br />
aangetroffen in de vlakte van Mombia of Ajer Mombia nüm 2 uren<br />
landwaarts in aan de S. Amasing, en in de daar omliggende<br />
heuvels. Goud moet op vele plaatsen in overvloed aanwezig zijn<br />
en wordt gedolven of gewasschen aan de S. Poeang door Chinesehe<br />
bannelingen, die van Borneo herwaarts zijn getransporteerd. Ook<br />
koper moet op Bafjan voorkomen.<br />
De bevolking van Batjan, die in 1854 ruim 1800 zielen be<br />
droeg, is bijna geheel zamengedrongen in de hoofdnegeri Batjan<br />
of Laboeha gelegen op de Westkust aan de Baai van Ba/jan of<br />
Laboeha. Deze negeri bestaat uit de Christen-kampong, die<br />
eigenlijk Ijaboeha heet, en de Mohammedaansehe, welke naar de<br />
rivier, die haar besproeit, Amasing wordt genoemd. Tusschen do<br />
beide kampongs ligt het paleis van den Sultan, een vervallen<br />
steenen gebouw; overigens zijn de buizen der ingezetenen allen<br />
van bamboe of gabba-gabba gebouwd en met atap gedekt. In de<br />
kampong Laboeha staat het Gouveruements-gebouw, op een<br />
steenen fondament van planken opgetrokken, eene steenen Pro-<br />
testantsche Kerk, eene Christenschool en een zeer goed ingerigt<br />
hospitaal; achter haar ligt het fort Barneveld met eene kleine be<br />
zetting, die van Ternate derwaarts wordt gedetacheerd (bl. 441).<br />
De Mohammedaansehe kampong bevat behalve de steenen moskee<br />
geene bijzondere gebouwen.<br />
De Christenwijk heeft eene bevolking van ruim 200 zielen,<br />
waarvan nog geen twintig Europeanen zijn en de overigen<br />
Kleurlingen, zoowel van Batjan als van Amboina en elders<br />
afkomstig. Zij staan onder een Hoofd met den titel van Sergeant<br />
Laboeha, die tevens Schoolmeester en Godsdienst-onderwijzer is
4S6<br />
en eenige mindere Hoofden met den titel van Kapala LahoeJta<br />
onder zich heeft; hun hoofdmiddel van bestaan is de kleinhandel.<br />
Van tijd tot tijd wordt deze Christen-gemeente door een<br />
Zendeling-lceraar of een Predikant van Ternate bezocht.<br />
De Mohammedaansehe bevolking, dc eigenlijke Batjanners,<br />
waaronder ook verscheidene Ternatanen voorkomen, is mede een<br />
gemengd ras van een zeer goed voorkomen; vooral hebben de<br />
vrouwen een goeden gelaatsvorm en eene vrij blanke huidkleur. Zij<br />
zijn ijverige Mohammedanen en nemen de voorschriften van don<br />
Koran naauwkeurig in acht; doch niettemin zijn zij verregaand<br />
bijgeloovig cn zeer voor sicangi's en andere booze geesten beducht,<br />
aan welke zij ook hunne ziekten toeschrijven, die dus meest door<br />
tooverformuliercn moeten genezen worden ; voorts zijn zij trotsch,<br />
lafhartig, wreed, tot diefstal geneigd, lui en z<strong>org</strong>eloos. Zij leven<br />
meest van de visscherij; hun handel cn landbouw is van weinig<br />
beteekenis. Het gewone voedsel is sago en visch; rijst wordt<br />
alleen bij feesten gebruikt. De kleeding is voor de Christenen<br />
kabaaijen en broeken en voor hunne vrouwen kabaaijen en sarongs,<br />
voor de Mohammedanen alleen eene lange geslotene badjoe; de<br />
slaven dragen alleen de tjidako. De Sultan en de Prinsen kleeden<br />
zich zooveel mogelijk op Europesche wijze, en hunne vrouwen<br />
met kabaai en sarong.<br />
Het hoofdbestanddeel van de, taal dezer eilanders is het<br />
Maleisch, doch met Ternataansch, Mangkasaarsch en andere<br />
tongvallen vermengd. Velen verstaan echter ook het zuivere<br />
Maleisch.<br />
Het inlandsch bestuur is geheel op dezelfde wijze ingerigt<br />
als op Ternate en Tidore; dc Sultan staat ook in dezelfde verhouding<br />
tot ons Gouvernement, dat hier door een Civiel en<br />
Militair Posthouder vertegenwoordigd wordt. De tegenwoordige<br />
Sultan is in 1862 aan de regering gekomen; hij geniet jaarlijks<br />
van het Gouvernement ƒ1920 tot vergoeding voor de vroeger<br />
uitgeroeide specerij-boomen. De eigene krijgs- en zeemagt van<br />
den Sultan is zeer gering; de troons-opvolger bekleedt echter<br />
den rang van Kapitan laut of Admiraal en draagt als zoodanig<br />
eene soort van Europesche kolonels-uniform.<br />
Behalve ter hoofdplaats Baljan wonen eenige menschen bij<br />
de mijnwerken van Mombia en Soengei Poang; voorts worden<br />
nog vermeld de gehuchten of kampongs Ne-neri, Ajer besar en
457<br />
Indommoet, waar eenige tuinbouw gedreven wordt, meest door<br />
vreemdelingen; terwijl op het Kaartje van CORNETS DE GROOT<br />
nog Salap en Semlaki aan de Westkust voorkomen.<br />
Meer of minder bruikbare wegen zijn op Batjan alleen van de<br />
hoofdplaats naar Soengei Poang, naar Mombia, en over Ne-neri<br />
naar de Straal Patiëntie.<br />
De eilandjes Mandioli, Botang loman, Tawali of Kasiroeta,<br />
Tambeli, Latta-Latta, Tawali ketjil, enz.<br />
Mandioli ligt tegenover de Baai van Baljan op 0° 45' Z.B. en<br />
127°20' O.L. Het is van Batjan gescheiden door het Zuidelijke<br />
gedeelte van Straat Herberg (Straat Mamboeat), waarin ook het<br />
kleinere eiland Botang loman en de nog kleinere Mamboeat, Ra<br />
en Dckal liggen.<br />
Tawali of Groot Tawali, ook Kasiroeta geheeten,^ivordt door<br />
het Noordelijke gedeelte van Straat Herberg (Straat Sembahï) van<br />
de Westkust van het Noordelijke schier-eiland van Batjan geseheiden.<br />
Het ligt op 0° 13' tot 0° 30' Z.B. en 127° 12' O.L.,<br />
en is na het hoofd-eiland verreweg het grootste van de groep.<br />
Aan den Zuidelijken ingang van de Straat ligt nog het veel<br />
kleinere eiland Tambeli, en aan den Noordelijken Lintang.<br />
Latta-Latta(ziin eigenlijk twee eilanden, van welke het eene<br />
Lawe en het andere Moring heet. Zij liggen ten Westen van de<br />
Noordelijke helft van Groot Tawali tusschen 0°12'en 0°20'Z.B.,<br />
en zijn nog door andere kleine èilandjes of rotsen omgeven.<br />
Tawali ketjil of Klein Tawali ligt regt Noordwaarts van Groot<br />
Tawali op 0° 5' Z.B.<br />
Raloid of Raloeit en P.Babi liggen in de Baai van Loid;<br />
en in Straat Patiëntie liggen er verscheidene, van welke Djilalang<br />
of Ngilalang, Allang-Allang en Atori de voornaamsten zijn, die<br />
op de Kaarten vermeld worden.<br />
Alle deze eilanden, die tot het gebied van den Sultan van<br />
Batjan behooren, zijn geheel onbewoond. Vele van de kleinere<br />
zijn niet meer dan rotsen of koraalriffen; de grootere zijn bergachtig,<br />
doch niet zeer hoog noch vulkanisch; zij zijn allen met<br />
een weelderigen plantengroei bedekt.
458<br />
§.4. De Obi-groep.<br />
Het eiland Obi.<br />
Obi, ook Groot Obi, Obi major of Ombirah geheeten, ligt ten<br />
Zuiden van Batjan en Halmaheira tusschen 1° 18' tot 1° 42' Z.B.<br />
en 127° 28' tot 128° 5' O.L., en heeft volgens MELVILLO eene<br />
grootte van 39 • mijlen, terwijl de overige tot deze groep behoorende<br />
eilandjes, die er rondom liggen, te zamen door hem op<br />
7 • mijlen berekend worden. Het is zeer hoog en bergachtig, doch<br />
hier en daar aan de kusten, vooral aan de Westzijde, moerassig.<br />
Deze moerassige streken zijn met sago-bosschen begroeid; voorts<br />
is de vruchtbare grond met allerlei geboomte en vooral ook met<br />
tallooze in het wild groeijende muskaatnoten-boomen bedekt,<br />
die uitmuntende vruchten opleveren, welke echter niet worden<br />
ingezameld. Aan de kusten komt veel schildpad voor. Overigens<br />
is omtrent de natuurlijke gesteldheid en de voortbrengselen van<br />
dit eiland nagenoeg niets bekend.<br />
Nadat dc O. I. Compagnie in 1671 op de Westkust het<br />
blokhuis de Bril/gebouwd had, waarvan de bouwvallen en de<br />
merkpaal der O. I. Compagnie nog bestaan, kocht zij in 1683<br />
de geheele groep voor 800 rijksdaalders van deu Sultan van<br />
Batjan, aan wien deze eilanden toen behoorden. In 1738 werd<br />
echter deze vestiging, wegens de ongezondheid van het terrein,<br />
waarop zij geplaatst was, weder verlaten, en sedert dien tijd<br />
is ook de vaste bevolking van Obi verdwenen, dat nu slechts van<br />
tijd tot tijd door Tabelloresche en Galelasche visschers of zeeroovers<br />
wordt bezocht. Nadat opzettelijke onderzoekingen in de<br />
laatste jaren Obi's rijkdom aan muskaatnoten bevestigd hadden,<br />
is reeds een cn andermaal door particulieren bij het Gouvernement<br />
concessie aangevraagd tot het exploiteren van dit product;<br />
deze concessie is echter tot dusverre niet verleend, daar het<br />
Gouvernement zich niet met de in de aanvragen gestelde voorwaarden<br />
konde vereenigen.<br />
De eilanden Gomono, Obi Lattoe, Belang, Tapa, Bissa,<br />
Lojang en Gasse.<br />
Gomono of Gomano is een eilandje van omtrent 1 • mijl groot,<br />
gelegen ten Zuiden van Obi op 1° 44' 50" Z.B. en 127° 40' O.L.<br />
(') Moniteur des Indes, 4846—1847, pag. 47. In het Aardrijkskundig<br />
Woordenboek wordt 28.5 • mijl opgegeven.
459<br />
Obi Laüoe of Obi Lala, ook wel Klein Obi genaamd, ligt ten<br />
Westen van het hoofd-eiland op 1° 25' Z.B. en 127° 23' O.L.;<br />
het is ongeveer even groot als Gomono. Tusschen Groot Obi en<br />
Obi Lattoe Ligt nog het zeer kleine eilandje Mata—Mata.<br />
Belang is mede een zeer klein eilandje tusschen Groot Obi en<br />
het Noordelijke gedeelte van Obi Lattoe gelegen, op 1°23' Z.B.<br />
en 127° 32' O.L.<br />
Tapa, dat volgens GOLDMAN O twee eilanden zijn, ligt ten<br />
Noord-Westen van Obi op 1° 17'Z.B. en 127° 26'tot 127° 36 'O.L.<br />
Het is grooter dan de vroeger genoemde.<br />
Bissa ligt ten Noorden van Obi op 1° 20' Z.B. en tusschen<br />
127" 40' tot 127° 50' O.L. Het is ongeveer even groot als Tapa.<br />
Lojang, ten Oosten van Obi op 1° 40' Z.B. en 128° 8' O.L.,<br />
zal hoogstens l<br />
/s • mijl groot zijn. Waarschijnlijk is dit hetzelfde<br />
eiland dat elders Lokisoug genoemd wordt.<br />
Gasse ligt ten Oosten van Lojang op 1° 39' 54" Z. B. en<br />
128° 15' 4" O.L., en is aanmerkelijk kleiner dan dit. De Straat<br />
Gasse, tusschen deze beide eilanden is een zeer goed vaarwater,<br />
vooral in den Westmoeson. Bijna een halven graad meer Oostwaarts<br />
liggen nog eenige kleine eilanden, welke volgens de<br />
Kaart van MELVILL mede tot de Batjan-groep behooren, doch<br />
wier namen ons niet bekend zijn.<br />
Alle deze eilanden zijn berg- of heuvelachtig en met geboomte<br />
bedekt doch onbewoond. Overigens weet men er niets van dan dat<br />
op Obi Lattoe en Tapa eene groote menigte muskaatnoten-boomen<br />
gevonden worden.<br />
§ 5. De Soela-eilanden. ( 2<br />
)<br />
Algemeen overzigt der ligging, natuurlijke gesteldheid,<br />
voortbrengselen, bevolking en bestuur.<br />
De Soela-eilanden, eene onderhoorigheid van den Sultan van<br />
Ternate, liggen in de Moluksclie Zee onmiddellijk ten Oosten der<br />
0) Tijdsein, voor Ind. taal-, land- en volkenkunde, Db VII, bl. 20b.<br />
( 2<br />
) BLEEKER, Reis. Dl. I, bl. 183, geeft de volgende eilanden op als lot de<br />
Soela-groep behoorende: Taliabo, Sehoe, Buwana, Djeni, Lemboe, Daloema,<br />
Aroe, Jano, Kano, Mnncjkololi, Toenassm, Malete, Damuin, Tabalami,<br />
Keloep, Makanateli, Noesa flat, Noesa Mehoedjoe, Aala, Saroembah, Passikaja,<br />
Toentangan, Lala, Penoe, Soela llanyoli (waaronder Toeboeloe en<br />
Pasftoro), Soei'o üesi, L\ffn Matoela, Pugama, Pasknra, en twee ongenoemde<br />
eilanden. Van deze allen komen slechts die. welke wij op bl. 425 vermeld<br />
hebben, met name op de Kaarten voor.
460<br />
Bang gaai-eilanden (bl. 232), van welke zij door Straat Greyhouud<br />
gescheiden zijn. Volgens VAN DER HART O strekken zij zich uit<br />
tusschen 1° 55'tot 2° 30' Z.B. en 123° 6'tot 126° 15' O.L.;<br />
doch volgens de Kaart van MELVILL liggen zij tusschen ruim<br />
124° tot 126° 30' O.L,, hetgeen beter overeenkomt met de<br />
opgaven van dc Heeren BOSSCIIER en MATTIIYSSEN, volgens wier<br />
berigten( s<br />
) de Banggaai-cilanden zich uitstrekken tot 124°26'O.L.<br />
(bl. 232). Hunne gezamenlijke grootte is door MELVILL berekend<br />
op 67 • mijlen. Zij zijn bergachtig en bedekt met bosschen,<br />
die niet slechts eenen overvloed van sago-palmeu maar ook<br />
uitmuntende houtsoorten voor scheepsbouw, timmer- en meubelwerk<br />
opleveren. Voorts is de grond in het algemeen zeer<br />
vruchtbaar cn brengt eene aanzienlijke hoeveelheid rijst en andere<br />
voedingsmiddelen voort; ook wordt er eenige katoen verbouwd.<br />
Was en vogelnestjes worden in de bosschen ingezameld , tripang<br />
en schildpad in menigte langs de kusten gevangen.<br />
Op Besi is eenige handel, die vooral met de Mandharezen<br />
(Westkust van Cele'bes) en Ternatanen gedreven wordt. De invoer<br />
bestaat hoofdzakelijk in: chitsen, wit en zwart katoen, parangs<br />
(zwaarden), Chineesch aardewerk, zout en damar (hars); de<br />
uitvoer in: rijst, sago, dinding (gedroogd vlecsch), was, vogelnestjes,<br />
tripang en schildpad. De belangrijkste invocr-artikelen<br />
worden echter door of voor rekening van den Sultan en zijne<br />
familie gemonopoliseerd, zoodat de bevolking daarvan geen<br />
voordeel trekt.<br />
De bevolking, die alleen op de eilanden Taliabo en Besi wordt<br />
aangetroffen, was in het jaar 1853 omstreeks 7200 zielen sterk.<br />
Hiervan wonen in het gebergte, in het Oosten van Taliabo een<br />
paar-duizend Heidenen, die waarschijnlijk tot den Alfoerschen<br />
stam behooren, van alle beschaving ten eenenmale verstoken<br />
zijn, geheel naakt gaan, den omgang met de strandbewoners<br />
schuwen, en het gezag van den Sultan van Ternate niet erkennen.<br />
Het overige gedeelte der bevolking, dat in verscheidene negeriën<br />
langs de kusten woont, is een gemengd ras waarschijnlijk van<br />
de verschillende naburige eilanden afkomstig, en belijdt althans<br />
in naam de Mohammedaansehe godsdienst. Dezen zijn bekend<br />
[') Fiche rondom Celébes, bl. 118.<br />
(-) Tijdsein-. voor Ind. laai-, land- cn volkenkunde, D'. 11, bl. 90.
461<br />
als gocdo landbouwers, scheepstimmerlieden en meubelmakers,<br />
doch genieten echter geene bijzondere welvaart ten gevolge van<br />
de zware lasten, welke hun door den Sultan worden opgelegd;<br />
behalve tot het leveren van eene bepaalde hoeveelheid rijst en<br />
sago zijn zij verpligt tot het vervaardigen en herstellen van<br />
vaartuigen en meubelen, het doen van koeli-werk, het vellen<br />
van hout, en andere dergelijke hcerendiensten meer. Zij hebben<br />
hunne eigene Hoofden, die even als elders in de Molukken den<br />
titel van Sengadji en dergelijke voeren, doch ondergeschikt zijn<br />
aan eenen Ternataanschen ambtenaar, die hier Salakakan heet<br />
en op Besi gevestigd is; een aan den Salakakan ondergeschikt<br />
Ternataansch beambte, met den titel van Aljïris houdt zijn<br />
verblijf op Taliabo. De Salakakan met de Sengadji's vormen eenen<br />
Eaad van bestuur, die ook in kleine regtszaken beslist; zware<br />
misdrijven of gewigtige geschillen moeten echter te Ternate<br />
worden behandeld.<br />
Bijzonderheden omtrent de voornaamste eilanden.<br />
Taliabo of Taliaboe, het Westelijkste en grootste der eilanden,<br />
wordt van de Banggaai-eilanden door Straat Greyliound, en van<br />
het ten Oosten liggende Mangoeli door dc naauwe Straat Sapalaloe<br />
of Suriname gescheiden. Het heeft van het Westen naar het<br />
Oosten eene lengte van ongeveer 15 mijlen, doch zal gemiddeld<br />
niet meer dan 2 mijlen breed zijn. De Mohammedaansehe bevolking,<br />
tusschen do 2000 en 3000 zielen sterk, woont in het<br />
Westelijke gedeelte des eilands, in vier negeriën, van welke<br />
de voornaamste zijn Taliabo aan de Noordkust, en Likitabi of<br />
Lekitobi, waar de Ternataansehe Alfiris woont, aan de Zuidkust;<br />
deze laatste plaats heeft meer dan 600 inwoners en eene vrij<br />
goede reede. Over (Je Heidenscho bewoners zie men bl.460.<br />
Onmiddellijk ten Noorden van Taliabo ligt het kleine eilandje<br />
Tonghoja, met nog verscheidene andere, welke allen onbewoond<br />
zijn.<br />
Mangoeli, omstreeks even lang doch niet zoo breed als Taliabo,<br />
ligt regt Oostwaarts van dit eiland geheel in dezelfde Oost- en<br />
Westwaartsche rigting. Het is onbewoond, even als het "kXcmePassi<br />
Korra of Paskoro, dat met nog andere eilandjes langs de Noordkust<br />
van Mangoeli ligt. Aan den Zuid-Westhoek van Mangoeli<br />
is eene schoone baai, die eene goede ankerplaats aanbiedt.
462<br />
Besi strekt zich, op 126° O.L., ten Zuiden van Mangoeli in<br />
eene Noord- en Zuidwaartsche rigting uit tot 2° 28' Z.B.; het<br />
zal eene grootte hebben van ongeveer 12 • mijlen. De smalle<br />
straat tusschen de beide eilanden is met riffen en klippen bezet.<br />
Het is het belangrijkste eiland der Soela-groep, en heeft eene<br />
bevolking van omstreeks 2500 zielen, die in elf langs de Oostkust<br />
liggende negeriën of kampongs woont. De hoofdplaats is<br />
Sanana, in het Noordelijke gedeelte, waar ook de Ternataansehe<br />
Salakakan gevestigd is. Voorts worden nog op de Kaarten vermeld<br />
Sabi en Ipa, in bet Zuidelijke gedeelte des eilands. Ten<br />
Zuiden van Besi liggen nog enkele kleine eilandjes tot deze<br />
groep behoorende.<br />
Lifa Maioelah, het Oostelijkste der Soela-eilanden, ligt regt<br />
tegenover de Noord-Oostpunt van Mangoeli, waarvan het door<br />
de enge Straat Lifa Matoelah gescheiden is. Het eiland zal<br />
omstreeks l'/ 2<br />
O mijl groot zijn, en is onbewoond.<br />
§ 6. De Papoewah-eilanden.<br />
Algemeen overzigt der ligging, bestanddeelen, voortbrengselen<br />
en bevolking.<br />
De Papoeieah- of Papoeseke eilanden, ook wel de W'aigeoe-<br />
Misool-archipel geheeten, zijn de eilanden gelegen tusschen<br />
Halmaheira en de Obi-groep ten Westen, Ceram ten Zuiden, en<br />
Nieuw Guinea ten Oosten; zij strekken zich dus uit tusschen<br />
128° 50' (de Pisang-eilanden) tot 131° 42' O.L. (de Wonimelol-eilanden)<br />
en 1° N. B. (de Passi-eilanden) tot 2° 40'Z.B.<br />
(de TFoni-melot-eilanden). Somtijds worden ook wel eenige nog<br />
Oostelijker, in de baaijen van Nieuw Guinea's Westkust, gelegene<br />
eilandjes tot dezen archipel gerekend; wij brengen die echter<br />
liever onder Nieuw Guinea.<br />
De eilanden, welke tot dezen archipel behooren zijn: Waigeoe<br />
of IFageoe, Batampele, Tamngoei, Lontjoei, fFugloel, Alioe-<br />
Keteo, Esmal, Erilopago, Kamtoem, Alebas, Fagi, Tip, Keboe,<br />
Moeter, Biantji, Beanheli, Gof-pial, Goj-kali, Kofuni, Kapegog,<br />
Geiuien, Koning Willem» eilund, Mangoleh, Oewoffo, Kapatboes,<br />
Boeiem, Ballubollali, Oewajagoe, Meljee, Jen, Bag. Patjao,<br />
Alijiu, Ouek, Sipasipa, Mammuu, Lau-lau, Passi (drie eilanden),<br />
Ajoe (negen eilanden), Gebek of Gebi (waaronder Ajoe, Oetoe,
403<br />
Tanau, Solil, Fau of Fow, Gag en Ijoe), Gagi niet Ajoe,<br />
Faam-groep (vijftien eilanden), Pisang (twee eilanden), B<br />
(twee eilanden), Poppa (tien eilanden), Salwatti, Balante, Ijoi<br />
ÏFariri, Man, Man ketjil, Kessim, Bjaudjaha, Kebiah, Balb;<br />
Mai-mai, Iref, Menil, Molt, Bih, Messigit, Gellewoh, Pele<br />
Tabak, Pahan, Bennek, Jegin (vier eilanden), Misóol, Temrr.<br />
(dertien eilanden), Baram (zevenden-twintig eilanden), 0<br />
(vier-en-twintig eilanden), Mateloh (acht eilanden), Kam<br />
(dertien eilanden) en VFoni-melot (zes eilanden) O. Zij kunn<br />
gevoegelijk verdeeld worden in de vier hoofdgroepen, welke v<br />
op bl. 425 hebben opgegeven en waaromtrent hieronder eeni<br />
bijzonderheden zullen worden medegedeeld. Onze kennis omtre<br />
deze eilanden is echter nog zeer oppervlakkig en bepaalt zi<br />
alleen tot sommige van de voornaamsten ; van de meesten wet<br />
wij niets dan met meerdere of mindere naauwkeurigbeid de nam<br />
en de ligging. Velen er van zijn onbewoond.<br />
De Papoewah-eilanden zijn allen bezet met bergen van ze<br />
verschillende hoogte, doch die voor zooverre bekend is niet v<br />
rulkanischen aard zijn. Zij zijn bedekt met bosschen, die u<br />
muntend timmerhout bevatten; sago- en kokos-palmen, mi<br />
kaatnoten, en de boom, welks schors, onder den naam v<br />
Massooi bekend, als specerij en geneesmiddel vooral in Chi<br />
gewild is, komen erin overvloed voor. Ook voor de cultuur v<br />
vele andere gewassen is de grond zeer geschikt.—• Van 1<br />
dierenrijk kent men :• herten, zwijnen, slangen, krokodillen,<br />
guanen en hagedissen; en onder de vogelen vooral de om hun<br />
vederenpracht beroemde paradijsvogels, en eene menigte pa]<br />
gaaijen en duiven. De zee is rijk aan visch, schildpad en tripang.<br />
Het delfstoffenrijk is nog geheel onbekend.<br />
Alle deze eilanden behooren tot het gebied van den Sult<br />
van Tidore en maken als zoodanig een onderdeel uit van<br />
Residentie Ternate. Op de voornaamste eilanden zijn Tidoresc<br />
ambtenaren geplaatst; doch het gezag van den Sultan wordt<br />
vele plaatsen slechts flaauw en met weerzin geëerbiedigd,<br />
schattingen, welke zij hem moeten opbrengen en die hoofdzakel<br />
0) Deze opgave, met eene enkele bijvoeging aan BLEEKER^inlleend, versch<br />
wat de namen betreft in sommige opzigten van de Kaarten van MELVILL, waar<br />
zij ook niet allen voorkornijn., ^ '
464<br />
in sago, massooi, schildpad, tripan//, paradijsvogels cn werklieden<br />
(slaven) bestaan, worden jaarlijks door de zoogenaamde<br />
hon//i-v\oten (een zeker aantal kora-kora's of Tidoresche oorlogsvaartuigen)<br />
afgehaald.<br />
De gezamenlijke grootte dezer eilanden werd door MELVILL O<br />
op 160 • mijlen, en hunne bevolking op 10000 zielen gesteld.<br />
Doch indien men al kan aannemen dat deze opgave wat de<br />
grootte betreft niet ver van de waarheid afwijkt, is zulks zeker<br />
omtrent de bevolking niet het geval en kan men haar voor niet<br />
meer dan eene gissing houden. Immers men weet thans dat<br />
alleen de eilanden Misool en Batante meer dan 5000 en Salwatli<br />
minstens S000 bewoners tellen; en aan JFaigeoe werd door<br />
JMJMONT TJ'UUVILLE eene bevolking van 100000 zielen toegekend,<br />
welk cijfer echter ongetwijfeld zeer veel te hoog is. Schoon wij<br />
nu omtrent de meeste bewoonde eilanden geene betrouwbare<br />
gegevens hebben, is hot toch duidelijk dat het cijfer van MELVILL<br />
veel te laag gesteld is.<br />
Deze bevolking behoort, wat de Inboorlingen betreft, .deels<br />
tot den Alfoerschen stam deels tot het Negriten-ras (Papoewahs),<br />
en is nagenoeg van alle beschaving verstoken. Op de kusten<br />
zijn ook vele vreemdelingen gevestigd van Halmaheira, Ternate,<br />
Tidore en de Oeramsche eilanden afkomstig. De voornaamste<br />
bekende bijzonderheden omtrent de bevolking zullen bij de beschouwing<br />
der afzonderlijke groepen worden medegedeeld.<br />
De Gebeh-groep.<br />
Deze Westelijkste der hoofdgroepen ligt in Straat Bjilolo of<br />
de Zee van Halmaheira onder den Evenaar tusschen 129°18' en<br />
129°40' O.L.<br />
Het hoofd-eiland Gebeh of Gebi strekt zich in eene Noord-<br />
West- cn Zuid-Oostwaartscho rigting ongeveer 6'/- mijl uit, doch<br />
heeft slechts eene geringe breedte. Aan de Zuidzijde, tusschen<br />
dit eiland en Fau, is eene veilige ankerplaats. Gebeh is 400 tot<br />
500 vt. hoog, en heeft overvloed van aard- en boomvruchten,<br />
timmer- en brandhout; er wordt ook een weinig rijst, djagoeng en<br />
suikerriet gekweekt. Varkens, krokodillen, papegaaijen, duiven<br />
en snippen zijn de voornaamste daar voorkomende diersoorten.<br />
, l<br />
) Statistieke Kaart in het Tijdsclir. voor Neérl. Indië, 4849.
405<br />
De eenige kampong, Ketjepi genaamd, ligt aan de Noord-Oostzijde<br />
van het eiland en telt slechts een twintigtal armoedige<br />
huizen, van gabba-gabba gebouwd en met atap gedekt. De<br />
bevolking, wier sterkte ons niet bekend is, bestaat deels uit<br />
Papoewahs O deels uit lieden van de Ternataansehe of Tidoresche<br />
eilanden afkomstig. De eersten gaan geheel naakt met uitzondering<br />
van de tjawat of tjidako (bl. 51 en 186); de anderen<br />
kleeden zich als de Ternatanen. Zij staan onder het bestuur van<br />
eenen Sengadji en eenige mindere Hoofden; de eerste kleedt<br />
zich, behalve dat hij den hoofddoek draagt, geheel op Europesche<br />
wijze in het zwart; de anderen met eene kabaai en broek. Hoewei<br />
de Sengadji aan den Sultan van Tidore onderhoorig is, bekreunt<br />
hij zich weinig om diens bevelen; daarentegen heeft hij zich op<br />
een gedeelte der West- en Noordkust van Nieuw Guinea, zelfs tot<br />
Boreh toe (vergel. bl. 492), eenig gezag weten te verschaffen,<br />
zoodat ook de orders van den Sultan daar door zijne tusschenkomst<br />
worden uitgevoerd. Met de meeste Hoofden kan men zich<br />
in het Maleisch onderhouden; sommigen verstaan ook een weinio-<br />
Engelsch, hetwelk zij hebben overgenomen van de Britsche en<br />
Amerikaansche walvischvaarders, die dikwijls dit eiland aandoen.<br />
FauoiFow, op 0° 6' Z.B. en 129° 35' O.L., is een klein eiland<br />
onder den Zuidwal van Gebeh, waarvan het gescheiden is door<br />
eene smalle straat, die in het midden 15 tot 20 vadem diep is<br />
doch aan de kanten riffen en zandbanken heeft. Aan de Noordzijde<br />
van het eiland is eene diepe baai, welke groot genoeg is<br />
om aan een aantal schepen eene veilige ligplaats aan te bieden.<br />
Het is onbewoond, doch schijnt sterk bevolkt te zijn met kalongs<br />
(vliegende honden).<br />
Yoe oïJoei en Oetoe of Oetta zijn twee kleine en lage eilandjes,<br />
omstreeks l 1<br />
/» mijl ten Noorden van Gebeh gelegen. Een gedeelte<br />
van de bevolking van laatstgenoemd eiland heeft hier tuinen<br />
aangelegd en houdt er voortdurend of tijdelijk verblijf.<br />
(') Volgens DE BRUYN KOPS, in het Natuurkundig Tijdschrift voor Ned.<br />
Indië, D M , bl. 169. BLEEKER noemt ze Alfoeren; op welken grond is ons<br />
niet bekend.<br />
II. 30
466<br />
De Waigeoe-groep.<br />
D« Waigeot- of Waigioe- of Wageoe-groep ligt Oostwaarts<br />
Yan de Gebeh-groep, tussclien deze en Nieuw Guinea, en wordt<br />
ten Zuiden door Straat Dampier c/Lo«miej van de Salwatti-groep<br />
gescheiden; terwijl zij zich Noordwaarts tot en met de Passieilanden<br />
uitstrekt. Zij ligt dus tusschen 1° N.B. tot 0° 35' Z.B.<br />
en 129° 50' tot 131° 25' O.L.<br />
Het hoofd-eiland Waigeoe, tusschen 0° tot 0° 20'Z.B. en<br />
130° 17' tot 131° 20' O.L. gelegen, is van het Westen naar<br />
het Oosten ongeveer 16 mijlen lang doch op verre na niet zoo<br />
breed; de grootte wordt geschat op 60 • mijlen. Het heeft aan<br />
de Zuidzijde twee zeer diepe baaijen, van welke de Oostelijkste,<br />
Baai Chabrf.1 geheeten, het eiland verdeelt in twee schiereilanden,<br />
die slechts door eene smalle landengte in het Noorden<br />
verbonden zijn. De Westelijke is weinig minder diep inloopend<br />
en veel wijder; in deze ligt het eiland Gemien. Tusschen deze<br />
twee baaijen strekt zich Zuid-Oostwaarts eene landtong uit,<br />
welke in vorm veel overeenkomst heeft met het schier-eiland<br />
/Italië. Aan de Noordkust bevinden zich nog een paar kleinere<br />
baaijen: de Arago- of Piapis-baaCfin het Westelijke gedeelte,<br />
en de\offak-baai, regt tegenover de Baai Chabrfl; de Aragobaai<br />
is veilig en voor groote schepen bruikbaar; op het daar<br />
vóór gelegene eilandje Sisipa kan men versch water innemen.<br />
De Noord-Oostpunt des eilands heet Kaap Lamarche. de Zuid-<br />
Oostpunt Kaap Pigot. Het binnenland is geheel met bergketenen<br />
bezet, welke niet zeer hoog zijn en waaruit zich eenige toppen<br />
verheffen, onder welke de Buffels-piek in het Westelijke gedeelte<br />
des eilands de hoogste top is en ongeveer 3000 »*. bereikt.<br />
De kusten zijn laag en op vele plaatsen moerassig; het klimaat<br />
is vochtig en heet. Het eiland is overal met eene rijke vegetatie<br />
bedekt; kokos- en sago-palmen komen in overvloed voor; de<br />
laatsten leveren aan de inwoners hun hoofdvoedsel. De grootere<br />
diersoorten en de vogels schijnen hoofdzakelijk dezelfde te zijn<br />
als op de vo<strong>org</strong>aande groep; voorts vermeldt BLEEKER eene<br />
menigte insecten, schaaldieren en visschen, welke op en bij dit<br />
eiland gevonden worden.— Van de sterkte der bevolking is<br />
geene betrouwbare opgave bekend; dat zij echter zeker vrij groot<br />
is blijkt o.a. uit de berigten van DUMONT D'UKVILLE (bl. 464).
467<br />
Die der binnenlanden bestaat uit Papoevvahs (hoewel somrai<br />
hen ook Alfoeren noemen), die der kusten uit een gemengd<br />
van volken uit het Oostelijke gedeelte van den Archipel.<br />
wordt bestuurd door zes Hoofden, onder welke een, die<br />
titel van Radja voert, het Opperhoofd is en door den Sultan<br />
Tidore wordt aangesteld; de vijf anderen, die den titel<br />
Sengadji hebben, schijnen van den Radja nagenoeg onafhanke<br />
te zijn. In hoeverre de bevolking der binnenlanden het ge<br />
dier Hoofden erkent is ons niet gebleken; waarschijnlijk bep:<br />
hun invloed zich grootendeels tot de kustlanden. De voornaan<br />
bij name bekende kampongs zijn: Waigeoe, waar de Radja :<br />
verblijf houdt, aan de Westelijkste baai der Zuidkust; Oj<br />
op de Noordkust aan de baai van dien naam ; Wa/eri, Am<br />
Wa^ljoe, Oes/a en Bisser, waar de vijf Sengadji's resideren.<br />
Gemien of Gammen is een vrij groot eiland in de even genoec<br />
baai ten Zuiden van Waigeoe gelegen. Het is vrij goed beven<br />
schijnt de suprematie van den Sultan van Tidore niet<br />
erkennen.<br />
Koning Willem's tri&M^ligt ten Zuiden van Gemien in Str<br />
Dampier op 0° 32' Z.B. en 130° 35' O.L. Het is hoog en i<br />
toont zich op eenen afstand uit bet Oosten gezien als drie<br />
zonderlijke eilanden; aan de Zuidzijde eindigt het in eene ho<br />
steile kaap.<br />
Gagi ligt regt Westwaarts van Gemien op 0° 23'Z.B.<br />
129° 55' O.L. Het zal ongeveer 1 • mijl groot zijn en is i<br />
zeer hoog. Aan de Zuid-Oostzijde is eene goede ankerpla.<br />
Het levert veel sago, timmerhout en viseh op. De Sengadji 1<br />
Gebeh schijnt zich als heer van dit eilandje te beschouwen.<br />
Piamis (of Piapis?) is een klein, door Papoewahs en vre(<br />
delingen bewoond eilandje, nagenoeg midden tusschen Gagi<br />
Gemien op 0° 22'Z.B. en 130° 16'O.L. gelegen.<br />
Batampele ligt op geringen afstand van den Zuid-Westwal \<br />
Waigeoe op 0° 18'Z.B. en 130° 16'O.L.<br />
Ritib ligt Noord-Westwaarts van Waigeoe onder den Even;<br />
op 130° 10'O.L.<br />
Wiang, Noord-Westwaarts van Ruib. op 0° 10' N B<br />
130° 5' O.L.<br />
Siang, Noord-Westwaarti van Wiang. op 0°20'NB<br />
129° 57' O.L.
468<br />
Baba ligt ten Noorden van ll'aigeoe op O 3<br />
22' N.B. en<br />
131° 3' O.L. Het heeft vrij hoog gebergte, en wordt door sommigen<br />
tot de ^//oe-eilanden gerekend, van welke het dan verreweg<br />
het grootste is.<br />
De Ajoe-eilanden, volgens BLEEKER negen in getal,^eTt-^w«l<br />
Jm-eikcnden geheeten/liggen tusschen 0°20' tot 0°45'N.B. en<br />
130° 55' tot 131° 20' O.L. Het zijn kleine eilandjes en klippen<br />
(volgens de Kaarten veel meer dan negen), die door den Sengadji<br />
van Gebeh als zijne onderhoorigheid beschouwd worden. Men<br />
vindt er veel schildpadden.<br />
*i De Passi-eilandenjdria in getal, liggen ten Noorden van de<br />
Ajoe-eilanden op 1° N.B. en tusschen 131° 10' tot 131° 15' O.L.<br />
Zij zijn zeer klein en onbewoond. O<br />
De Salwatti-groep.<br />
De Sahcatti- of Salawati-groep bevat de eilanden tusschen<br />
de Gebeh- en Waigeoe-groepen ten Noorden, de Misool-groep ten<br />
Zuiden, Halmaheira en de Obi-groep ten Westen, en Nieuw<br />
Guinea ten Oosten. Zij strekt zich uit tusschen 0° 35' tot<br />
1° 30' Z.B. en 128° 50' tot 131° 12' O.L.<br />
Het hoofd-eiland Salwaiti ligt nabij de Westkust van Nieuw<br />
0<br />
C7«^atusschen 0 55'lotl 0<br />
22'Z.B.cnl30 0<br />
40'totl31 0<br />
12'O.L.,<br />
(') De S'. Davids- of Mapia-eilanden schijnen niet tol de Nederlandsche<br />
bezittingen te worden gerekend | wij vinden ze althans niet als zoodanig vermeld.<br />
Zij liggen ten Noorden van Nieuw Guinea, op I5i°"20'O.L. enü° 50'N.B ,<br />
en zijn vijf in getal, van welke de drie grootsten met allerlei geboomte, inzonderheid<br />
niet kokos- en broodvrnclit-boomen begroeid zijn; de twee kleinsten<br />
zijn slechts zandbanken met gras en kreupelhout bedekt. Voor eenige jaren<br />
hadden zij eene vrij talrijke bevolking, die in 1860 tot 10 personen was verminderd.<br />
Deze lieden zijn sterk gebouwd, hebben een goed voorkomen, geene<br />
platte neuzen, eene koperkleurige huid en geen kroeshaar. Hunne taal verschilt<br />
geheel van die der Papoewahs. Zij wonen in hutten, die grootendeels van<br />
boombladeren vervaardigd en onmiddellijk op den grond gebouwd worden; de<br />
kleeding bestaat alleen in eenig bedekscl om de middel. Hun voedsel is visch,<br />
kreeften, schildpadden en boomvruchten ;" hel vangen en plukken daarvan is<br />
hunne eenige bezigheid ; den overigen lijd brengen zij geheel in ledigheid door.<br />
Wapenen hebben zij niet; de visschen vangen zij met eene soort van elgets,<br />
waaraan punten van hard hout of vischgraten zijn bevestigd. Overigens zijn<br />
zij geheel onbeschaafd, cn schijnen zelfs volstrekt geen denkbeeld van eenige<br />
Godsvereering te hebben. Tijdschr. voor Ind. laai-, land- en volkenkunde,<br />
D'. XI, bl. 155.
46 9<br />
en wordt geschat op eene grootte van ongeveer 33 • mijlen.<br />
De straat tusschen Salwalti en de Westelijkste punt van Nieuio<br />
Guinea heet Straat Galowo, en ligt vol kleine eilandjes en klippen.<br />
Het eiland is geheel bergachtig doch aan de kusten op sommige<br />
plaatsen moerassig. Het brengt veel sago en wilde muskaatnoten<br />
voort; de zee in den omtrek is rijk aan schildpad en tripang.<br />
Er wordt door de bewoners een vrij uitgebreide handel gedreven,<br />
op Waigeoe met hunne eigene vaartuigen, op Tidore, Ternate,<br />
Ceram, Mangkasar en Mandhar met vaartuigen van die plaatsen;<br />
uitgevoerd worden vooral: tripang, schildpad en sago, dit laatste<br />
tot eene hoeveelheid van gemiddeld 200 Icojans (5400 pikols)<br />
'sjaars.— De bevolking wordt begroot op 8000 of 10000 zielen ( l<br />
).<br />
Zij bestaat voor een zeer klein gedeelte uit Mohammedanen van<br />
de Moluksclie eilanden afkomstig; dezen wonen in de kustnegeriën,<br />
van welke Samaleis (op de Kaart Semeter) aan de Noord-Oost<br />
kust, en Sailoloh aan de Zuid-Westkust de voornaamsten zijn.<br />
Verreweg het grootste deel der bewoners behoort tot Papoesche<br />
stammend en houdt zich in het binnenland op; zij zijn geheel<br />
woest, in sommige gevallen kannibalen, en houden met de strand<br />
bewoners geene gemeenschap dan voor zooverre noodig is om<br />
hunne producten van de hand te zetten.— liet bestuur berust<br />
bij eenen Radja, die te Samaleis gevestigd is en daar wordt<br />
bijgestaan door eenen Djoegoegoe, een Majoor, een Sengadji, een<br />
Kapitein, een Imam (priester) en een Hoe/wem of Ilakim (regter);<br />
te Sailoloh zijn nog een Kapitein laut, een Djoegoegoe en een Imam.<br />
De Radja en dc Kapitein laut worden door de bevolking uit<br />
de familie hunner vo<strong>org</strong>angers gekozen, welke keuzen door den<br />
Sultan van Tidore en, volgens het contract, ook door het<br />
Nederlandsche Gouvernement moeten bekrachtigd worden; de<br />
overige Hoofden worden door den Radja benoemd onder nadere<br />
goedkeuring des Sultans. De regtspleging berust, wat gewone<br />
0) Volgens GOLDMAN, die daaronder dan nog niet de Mohammedaansehe<br />
bevolking begrijpt. Tijdschr. voor Ind. taal-, land- en volkenkunde, D'. VII,<br />
bl. -106. BLEEKEK spreekt slechts van eene binnenlandsche bevolking van<br />
4000 zielen. Reis, 01. 1, M.8SÖ.<br />
ffl Vol gens het verstag der Gouvernements-Commissie, die in 1858 Nieuw<br />
Guinea bezocht en deze eilanden passeerde. Zie de Bijdragen van het<br />
Instituut voor taal-, land- en volkenkunde, Nieuwe volgreeks, D'.V, bl. 65.<br />
GOLDMAN noemt ze Alfoersehe stammen.
470<br />
zaken betreft, bij den Radja en den Hoekoem; belangrijke<br />
gevallen moeten voor den Eijksraad te Tidore worden gebragt.<br />
Het gezag dezer Hoofden bepaalt zich echter alleen tot de<br />
Mohammedaansehe bevolking en weinige Inboorlingen, die zich<br />
nabij de kust hebben nedergezet; de bevolking van het binnenland<br />
leeft geheel onafhankelijk en brengt geene schatting op.—<br />
De Sultan van Tidore wordt op Salwalti vertegenwoordigd door<br />
eenen te Samaleis gevestigden Alfiris. De jaarlijksche schatting<br />
aan hem op te brengen bestaat in honderd pakken sago en honderd<br />
paradijsvogels; de laatsten worden door den Radja getrokken van<br />
Nieuw Guinea's Noord-Westkust, waar de landschappen Assi en<br />
Megga. ten Noorden van de Telok Berow of Golf van Mac Clue<br />
aan Salwatli onderhoorig zijn (vergel. bl. 481).<br />
Batante of Batanta, eene onderhoorigheid van Salwalti, ligt<br />
Noord-Westwaarts daarvan op 0° 50' Z.B. en 130° 23' tot<br />
131° O.L. Het wordt ten Noorden door Straat Bampier, ten<br />
Zuiden door de Pilt-StraatV) bcspoeld, en is 13 of volgens<br />
anderen slechts 9 • mijlen groot. De Westelijkste punt van het<br />
eiland heet Kaap Malio. Ten Noorden van Batante ligt een uitgestrekt<br />
rif, van Sitlart's rif genaamd; en 3 mijlen ten Oosten<br />
er van het Rif van Batante. Het eiland wordt bewoond door een<br />
duizendtal Papoewahs (volgens GOLDMAN Alfoeren), die zich<br />
grootendeels aan de Zuidkust ophouden en van sago en visch<br />
leven; voorts brengt het eene menigte vruchten en gevogelte<br />
voort. De voornaamste negeri ligt nabij den Zuid-Oosthoek aan<br />
de Fitt-Straat.<br />
De Tameai-^o{ Tamean- en de Faam-groepen bestaan uit ee<br />
menigte onbewoonde eilandjes en klippen in het Westelijke gedeelte<br />
van Straat Bami/er, op omstreeks 0°40' Z.B. en 130°15' O.L.<br />
gelegen.^-<br />
Poppajhet voornaamste van eene groep van tien eilandjes,<br />
welke echter weinig meer dan klippen zijn, ligt ten Westen van<br />
Salwalti op 1° 9' Z.B. en 129° 45' O.L. Het is bijna 6 • mijlen<br />
groot, in het Westelijke gedeelte heuvelachtig en in het Oosten<br />
vrij vlak. Het is bewoond en heeft de twee negeriën Moepalli en<br />
Matta. Sago en kokosnoten zijn de voornaamste voortbrengselen.<br />
(') Wel te onderscheiden van de Pill's-$lïlni( of Ceramsehe Zee ten<br />
Noorden van Ceram.
471<br />
Van de omliggende eilandjes is Kalap, dat aan de Westzijde<br />
ligt, het grootste.<br />
De Boh-eilanden, bestaande uit twee kleine eilandjes en<br />
c<br />
eenige klippen, liggen Westwaarts van Puppa op l 9'Z.B. en<br />
129° 15' O.L. Zij zijn bewoond en leveren sago, kokosnoten,<br />
visch en geiten op.<br />
P. Pisang, eigenlijk twee eilandjes, is het Westelijkste van<br />
de Salwatti-groep en ligt op 1° 22' Z.B. en 128° 52' O.L.<br />
Het is vrij hoog, doch niet op den duur bewoond."^<br />
De Misool- of Mesowal-groep.<br />
De Misool-groep is de Zuidelijkste der tot de Papoewaheilanden<br />
behoorende groepen, en ligt tusschen de Salwatti-groep<br />
en Ceram, van welk laatste zij door de Pill's Slraat is gescheiden.<br />
Zij bevat de eilanden gelegen tusschen 1° 22' tot 2° 45' Z.B. en<br />
129° 37' tot 131° 45' O.L.<br />
Het hoofd-eiland Misool of Mesowal, ook wel Waigamma<br />
genoemd, ligt tusschen 1° 43' tot 2° 4' Z.B. cn 129° 46' tot<br />
130° 30' O.L. en is ongeveer 37 • mijlen groot. Het binnenland<br />
is bergachtig, de kusten zijn op vele plaatsen vlak en laag.<br />
Aan de Oostzijde is eene ruime, diep iuloopende doch met kleine<br />
eilandjes en klippen bezette baai, aan welker Zuidzijde de negeri<br />
Kakap of Koppop ligt; aan de Noord-Westzijde is eene uitmuntende<br />
baai, die vele schepen kan bevatten, en aan welke de<br />
hoofd-negeri Waigamma ligt. Behalve de twee genoemde plaatsen<br />
zijn Silinta aan de Zuid- en Misool aan de Zuid-Oostkust de<br />
voornaamste.— Het bestuur berust bij eenen Radja, welke op<br />
dezelfde wijze als die van Salwalti door den Sultan van Tidore<br />
wordt aangesteld; „aan hem was vroeger ook een gedeelte van<br />
Kieuw Guinea's Westkust, ten Zuiden van de Golf van Mac Cluer,<br />
onderhoorig, doch zijn gezag aldaar heeft thans geheel opgehouden.<br />
O De bevolking van Misool, die op ongeveer 4000 zielen<br />
begroot wordt, bestaat aan de kusten uit Mohammedanen van<br />
O In hel verslag der Gouvernemenls-Commissie, medegedeeld in de<br />
Bijdragen van hel Instituut voor taal-, land- en volkenkunde, Nieuwe<br />
volgreeks, Dl. V, wordt op bl, 199 gezegd, dat Misool verdeeld is tusschen de<br />
Radja's van Misool en Waigamma. In andere berigten wordt echter uitdrukkelijk<br />
slechts van één Radja en van mindere Hoofden melding gemaakl.
473<br />
de Molukken afkomstig, en in het binnenland uit Papoewahs;<br />
het gezag van den Radja zal zich waarschijnlijk wel hoofdzakelijk<br />
tot de eerstgenoemden bepalen. De bekende voortbrengselen zijn<br />
sago, paradijsvogels en papegaaijen.<br />
Eene menigte kleine eilandjes, weinig meer dan klippen,<br />
omringen Misool aan alle zijden; de voornaamsten daaronder zijn<br />
Mateloli ten Noord-Westen en Temmeh ten Zuiden des eilands.<br />
Kanari, het voornaamste van het uit dertien kleine eilandjes<br />
bestaande groepje der Kanari-eilanden, eene onderhoorigbeid van<br />
Misool, ligt Westwaarts van daar opl°48'Z.B. en 129°38'O.L.,<br />
doch is overigens weinig of niet bekend; even als<br />
Woni-inelotJhet voornaamste eiland van het groepje van dien<br />
naam, gelegen Zuid-Oostwaarts van Misool, vóór de Golf van<br />
Mac Cluer, op 2°40'Z.B. en 131°40'O.L.<br />
§ 7. Nieuw Guinea.<br />
Algemeen overzigt van het eiland.<br />
Het eiland Nieuw Guinea ligt tusschen 130° 55' tot 151° 5' O.L.<br />
en 0° 21'tot 10° 40'Z.B. Het wordt ten Westen door de Moluksclie<br />
Zee, en ten Noorden, Oosten en Zuiden door den Grooten Oceaan<br />
bespoeld; Straal Torres stroomt tusschen de Noordelijkste punt<br />
van Kieuw Holland en een gedeelte van Kieuw Guinea's Zuidkust.<br />
De grootte wordt gesteld op omstreeks 11000 • mijlen. O<br />
Het eiland, welks lengte-as zich in eene Noord-West- en<br />
Zuid-Oostwaartscbe rigting uitstrekt, heeft eenen zeer onregel-<br />
matigen vorm. Terwijl het midden-gedeelte van het Noorden<br />
naar het Zuiden eene breedte van meer dan 80 mijlen heeft en de<br />
kusten daar geene noemenswaardige bogten aanbieden, worden<br />
(') Bandbuch der Geonrapliie und Stntistik, begründel durch D'.STEIN<br />
vnd D r<br />
. HÖRSCHELMANN , tien bearbeilet pon Dr WAPPAUS. liandll, Ablh.II,<br />
S. 58G. Kr wordl daar gezegd dat «Nieuw Guinea hel grootste eiland der<br />
«wereld is, hoewel het Borneo slechts weinig overtreft;» evenwel leest men<br />
ook in hetzelfde werk, Band II, Ablh.Ill, S.390, dat «Borneo 129C2D mijlen<br />
«groot en, behalve Nieuw Holland, het grootste eiland der wereld is.»<br />
In KHAMER'S Woordenboek wordl voor TV. Guinea lü a 13000 • mijlen opgegeven.<br />
Dc onvolledige bekendheid der kusten is natuurlijk oorzaak, dat de<br />
grootte niet juist kan worden bepaald; maar bij vergelijking op de Kaart blijkt<br />
althans dat het verschil met Borneo niet groot kan zijn.
473<br />
de beide uiteinden eensklaps slechts betrekkelijk smalle landtongen,<br />
die door diepe baaijen in schier-eilanden worden gesplitst;<br />
dit laatste is inzonderheid in het Westelijke gedeelte het geval.<br />
De Groote Geelvink- of Wandammen-b'aai aan de Noordzijde, die<br />
aan haren ingang meer dan 50 mijlen breed is en omtrent 40 mijlen<br />
landwaarts inloopt, scheidt in het Westen een groot schier-eiland<br />
af, dat door eene landengte van slechts 6 mijlen breedte met het<br />
centraal-gedeelte des eilands verbonden blijft; en dat schiereiland<br />
zelf wordt door de Telok Beroiv of Golf van Mac Cluer,<br />
die van de Westzijde af ongeveer 25 mijlen diep landwaarts<br />
ingaat, weder in twee schier-eilanden gesplitst, welke men het<br />
Noord-Westelijke en het Zuid-Westelijke schier-eiland kan<br />
noemen. Behalve deze twee groote golven heeft men nog eene<br />
menigte kleinere, van welke de voornaamsten zijn:<br />
aan de Noordkust van het Westen naar het Oosten :<br />
de Kleine Geelvink-baai, op 133° 45' O.L.; de Boreli-baai, in<br />
de Westkust van de Groote Geelvink-baai, op 1°Z.B. ; Telok Linijoe<br />
of IIumboldt's-baai, op 140°45' O.L.; Cornelis Kiner's-baai, op<br />
143°45'; en de Golf der Aslrolahe. op 145° 50';<br />
aan de Oostzijde :<br />
de Golf Ilnon op 7°Z.B.;<br />
aan de Westzijde:<br />
Telok Serni, in het Noord-Westelijke schier-eiland op 1° 50'Z.B.;<br />
Telok Kapauw en Telok Sebakor of Rijklof van Goens-baai, in het<br />
Zuid-Westelijke schier-eiland, op 3° en 3° 30' Z.B.;<br />
aan de Zuidzijde :<br />
de Kamrau-baaijov 133°40'; de Bogt van Kaimani. op 3° 40' Z.B.<br />
en 133° 50' O.L., ten Noord-Westen van het eilandje Namatotle;<br />
de Sfwhmm-baai of Telok Bitjaroe, onmiddellijk ten Oosten van<br />
de vo<strong>org</strong>aande en slechts door een smalle bergachtige landtong<br />
daarvan gescheiden, aan wier ingang het zoo even genoemde<br />
eilandje ligt O; de Triton-baai^ op 134° 15',/de Tafel-baai, op<br />
149°; en de Oramjerie-baai, op 149°40' O.L.<br />
0) Deze baai is op de Kaart van MELVILL ten onregto geplaatst in het<br />
Zuiden van het Zuid-Westelijke schier-eiland , op 135° 7' 0 L Zie de Schets<br />
der Zuid-Westkust van Nieuw Guinea, b.hoorende bij het verslag der<br />
Gouvernemeuts-Conimissie, dat medegedeeld is in de Bijdragen van het<br />
Instituut voor taal-, land- en volkenkunde van N.I. Nieuwe volgreeks,<br />
V; en het Natuurkundig Tijdschrift voor Neérl. Indië, D'. XIX, bl. 407.
474<br />
De voornaamste met name bekende kapen zijn:<br />
aan de Noordkust:<br />
Tandj. Kajin-Kajin Beba o(Kaap de Goede Hoop, op 132° 30' O.L. tó;<br />
T. Amberbarkin of Amberbaki, op 133° 22'; T. Ambernoli of Kaap<br />
d'TJrvüle, op 138°; en T.Seprop maneh of Hoek Bonpland, aan<br />
de Oostzijde van de Humboldt's-baai, op 140° 47';<br />
aan de Oostkust:<br />
Koning Willem's Kaap, op 6° 20' Z.E-. en 147° 40' O.L.; de<br />
Zuid-Oostkaap, op 10° 35' Z.B. en 151° 5' O.L.;<br />
aan de Westkust:<br />
Kaap Spencer, ten Noord-Oosten van bet eiland Salwatti, op<br />
0° 53' Z.B.; de Westhoek, zijnde de Westelijkste punt van<br />
Nieuw Guinea, ten Zuiden van Salwatti, op 1°30'Z.B., en<br />
T.Baaik, aan de Zuidzijde van de Rijklof van Goens-baai, op<br />
3°44' Z.B. en 132° 40' O.L.;<br />
aan de Zuidkust:<br />
Kaap van den Bosch, op 4° 12' Z.B. en 132° 50' O.L., en<br />
T. Boeroe, op 135° O.L. en 4° 16' Z.B., en voorts langs de<br />
Zuidkust van de Oostelijke landtong verscheidene kapen, welke<br />
meest van de Engelschen hare namen ontvangen hebben, zoo als :<br />
K. Blackxood, K. Maclatchie, K. Possession, K. Suckling, K. Redsear,<br />
Ronde Kaap, K. Hood, K. Keppel en A'. Rodney, welke allen<br />
tusschen 144° 25' en 148° 25'O.L. liggen.<br />
Het centraal-gedeelte van Nieuw Guinea is zoowel wat zijne<br />
natuurlijke gesteldheid betreft als ook in andere opzigten nagenoeg<br />
geheel onbekend, zoodat zelfs de kusten nog niet overal<br />
naauwkeurig bepaald zijn; dit laatste is ook met de Noordkust<br />
van de Oostelijke landtong het geval. Maar ook omtrent het<br />
overige gedeelte des eilands strekt onze wetenschap zich weinig<br />
verder dan tot de kuststreken uit. De West- en Zuid-Westkusten<br />
tot op 135° O.L. zijn over het algemeen laag en vlak en op<br />
sommige plaatsen moerassig. De voornaamste bergen, welke zich<br />
in dit gedeelte verheffen, zijn: het Baaik-gebergte (3600 v'.), ten<br />
Zuiden van de kaap van dien naam;)de G. Lamantjiri (2250 v 4<br />
.),<br />
bij de Triton-baai; en de G. Mairassi, ten Noorden van<br />
dezelfde baai/t)p 135° O.L. begint eene bergketen, welke zich<br />
(') Volgens de Kaart van MELVILL; volgens andere opgaven ligt deze kaap<br />
«p 132° 45' O.L.
+ 75<br />
Oostwaarts naar het binnenland voortzet, tot op omstreeks<br />
137° 30' den naam draagt van Gebergte Charles Louis, en van<br />
4000 tot 8100 v*. hoog is; meer Oostwaarts krijgt zij den naam<br />
van Sneeuwgebergte en stijgt, op 138° 40', tot omstreeks 16000 v'.<br />
Langs de Noordkust van het Westelijke schier-eiland strekt zich<br />
eene bergketen uit, die bij de Kaap de Goede Hoop 7500, bij<br />
Kaap Amherbaki 8100 v*. hoog is, en zich in den G.Arfah aan<br />
de Doreh-baai tot ruim 8700 v*. verheft. Rondom de Geelvinkbaai<br />
is de kust in het algemeen laag, en bij Kaap d'Urville<br />
moerassig. Meer Oostwaarts verheffen zich langs de Noordkust<br />
gebergten, onder welke het Gautier-gebergle. op 139° 20' O.L.,<br />
het Cycloop-gebergte ten Westen van de Humboldt's-baai, en<br />
het Eyries-gebergte ten Oosten van dezelfde baai, ruim 6000 v*.<br />
hoog zijn. Ten Oosten van de Golf der Astrolabe ligt het Gebergte<br />
van Finisterre, dat van 10000 tot 12000 v'. hoog is; en de<br />
Oostelijke landtong is geheel bezet met eene bergketen, die den<br />
algemeenen naam van Owen Stanley-gebergte draagt en in den<br />
Owen Stanley, op 147° 30' O.L., eene hoogte van nagenoeg<br />
13000 v'. bereikt; andere toppen van dezelfde keten zijn: de<br />
Tule (9200 v*.), de Obree (9400 v-.), de Suckling (10300 v*.),<br />
de Simpson (9100 v'.), de Thompson, de Cloudy, en anderen, die<br />
langzamerhand in hoogte afnemen totdat de keten in de Zuid-<br />
Oostkaap eindigt.— Geen der bergen van Nieuw Guinea is, voor*<br />
zooverre men weet, van vulkanischen aard; het Westelijke<br />
gedeelte des eilands is echter van tijd tot tijd aan aardbevingen<br />
onderhevig.<br />
Als voorname rivier is alleen hekend de Ambernoh of Rochussen,<br />
die op het Sneeuxogehergte haren oorsprong schijnt te hebben,<br />
eerst Noord-West- en vervolgens Noordwaarts loopt, en met<br />
vele armen zich deels in de Geelvink-baai deels in den Grooten<br />
Oceaan ter wederzijde van T, Ambernoh of d' Urville ontlast.<br />
Vóór haren hoofdmond aan de Noordkust ligt het Koning<br />
Willem's eiland.—• Vele kleinere rivieren vallen op verscheidene<br />
plaatsen der kusten in zee; doch van haren loop is weinig of<br />
niets bekend. Hiertoe behooren de Karoefa, aan de Oostzijde<br />
van het schier-eiland Baaik (bl. 479, Noot< 2<br />
>), ten Zuiden van<br />
de Kamrau-baai, en de Wamoeka en Oetamaia (bl. 478).<br />
De hitte is zeer hevig en stijgt aan de Noordkust in den<br />
Oostmoeson somtijds tot 96° F.; de geregelde afwisseling van
476<br />
land- en zeewind brengt bier echter eenige verfrissching te weeg.<br />
Ook op dit eiland valt, even als op Ceram, Boeroe en andere,<br />
op te merken dat het binnenlandsche gebergte eene afscheiding<br />
tusschen de moesons schijnt te veroorzaken ; op de Noordkust<br />
heerscht van September tot April de Westmoeson of regentijd,<br />
terwijl gedurende dezelfde maanden aan de Zuidkust de Oostmoeson<br />
waait; en eveneens is in de andere maanden des jaars<br />
op de Noordkust de Oostmoeson, terwijl op de Zuidkust de<br />
Westmoeson heerscht. Echter is, gelijk elders onder of nabij<br />
den Evenaar, ook hier de werking der moesons niet regelmatig,<br />
en ook gedurende den Oostmoeson regent het bijna dagelijks<br />
in meerdere of mindere mate.<br />
De bekende voortbrengselen van Nieuw Guinea zijn voorna<br />
melijk: sago- eh andere palmsoorten, kruidnagel- en muskaat-<br />
noten-boomen, ebben-, ijzer-en andere houtsoorten, ook dezulke<br />
die welriekende harsen bevatten cn als reukwerk gebruikt worden,<br />
massooi in groote hoeveelheid, bamboe, rotting, boom- en<br />
aardvruchten, en hars; en uit het dierenrijk: wilde zwijnen,<br />
kangoeroe's, slangen, krokodillen, hagedissen, land-schildpadden,<br />
paradijsvogels, papegaaijen, duiven, boeroeng lawit (zie D 1<br />
. I,<br />
bl. 101), eene menigte insecten; cn van zeedieren: vele visch-<br />
soorten, schildpadden, parel-oesters, tripang, en andere schaal-<br />
en weekdieren O. Metalen zijn er tot dusverre niet ontdekt.<br />
De bevolking, omtrent wier gezamenlijke sterkte bij de vol<br />
strekte onbekendheid van het binnenland zelfs bij gissing geene<br />
opgave is te doen, bestaat in de kustlanden uit Papoewahs, terwijl<br />
zich in het meer landwaarts in gelegene gebergte verschillende<br />
stammen ophouden, die somtijds Alfoeren genoemd worden (waar<br />
schijnlijk omdat de bergvolkeren der Molukken tot dit ras behooren)<br />
maar in uiterlijk voorkomen niet van de kustbewoners verschillen! 2<br />
).<br />
Deze bergbewoners zijn echter geheel woest en leven in den natuur<br />
staat; zoodat zij in dit opzigt nog ver beneden de kust-Papoewahs<br />
staan, bij welke intusschen de beschaving ook zeer gering is.<br />
( !<br />
) Uitvoerige opgaven van de diersoorten van Nieuw Guinea zijn door<br />
BLEEKER medegedeeld in zijne Reis, DU, bl.276 en volgg.; in de Verhandelingen<br />
van hel Dataviaaseh genootschap, Db VI, en in het Natuurkundig<br />
Tijdschrift voor Neérl. Indië, D'. XXII.<br />
( 2<br />
) Bijdragen van het Instituut voor taal-, land- en volkenkunde, Db V,<br />
bl. 181.
'477<br />
Aan de kusten hebben zich hier en daar Maleische kosmopoliten<br />
gevestigd. In de Westelijke helft van Nieuw Guinea zijn de kustlanden<br />
veelal onderworpen aan de in hunne nabijheid liggende<br />
kleinere eilanden, en erkennen zij met deze het oppergezag van<br />
den Sultan van Tidore, voor zooverre hij in staat is dit door<br />
middel van zijne //o«(7z'-vloten te doen gelden.<br />
De Nederlandsche bezittingen op Nieuw Guinea.<br />
De Nederlandsche bezittingen op Nieuw Guinea strekken zich<br />
uit over het Westelijke gedeelte des eilands en de omliggende<br />
kleinere eilanden", en worden ten Oosten begrensd door eene<br />
denkbeeldige lijn, welke van den 141 STEN<br />
graad O.L. op de<br />
Zuidkust dwars over het eiland loopt tot T. Seprop maneh op<br />
140°47' aan de Noordkust! 1<br />
). Zij beslaan, volgens MELVILL, eene<br />
oppervlakte van 3210 • mijlen! 2<br />
), met eene bevolking van naar<br />
gissing 200000 zielen. Vermits wij er echter nergens eenigen<br />
post of ambtenaar hebben, berust ons gezag alleen op onze<br />
suprematie over den Sultan van Tidore, die deze gewesten als<br />
een deel van zijn gebied beschouwt, en op de officiëele in bezit<br />
neming, welke den 24 STEN<br />
Augustus 1828 heeft plaats gehad. Het<br />
Nederlandsche etablissement Merkus-oord met het fortje Du Bus,<br />
toen aan de Triton-baai^gesticht, is na weinige jaren om de<br />
ongezondheid der plaats of om andere redenen weder opgeheven<br />
en de sterkte in 183^geslecht. In de laatste jaren zijn evenwel<br />
op last van het Gouvernement een en andermaal onderzoekingen<br />
gedaan, naar eene geschikte plaats voor eene nieuwe vestiging<br />
op de Noordkust, doch tot dusverre zonder gevolg. Intusschen<br />
bewijzen de Inboorlingen een bijgeloovigen eerbied aan de door<br />
ons hier en daar opgerigte merkpalen! 3<br />
), in de hoop dat dezen<br />
hen tegen ziekten en andere onheilen beschermen en wij hen van<br />
de Tidoresche overheersehing bevrijden zullen.<br />
(') Volgens het Regerings-besluit van 50 Wij 1818. Volgens de proclamatie<br />
bij de in bezitneming op den "21 Auguslus 18-28 liep de Oostelijke grenslijn<br />
van 141° op de Zuidkust tot de Kaap de Goede Hoop op 152° 45' aan<br />
de Noordkust.<br />
( 2<br />
) Daar de Nederlandsche bezittingen ongeveerde helft des eilands beslaan,<br />
is deze opgave zeker veel te laag. Vergelijk bl.472.<br />
t 3<br />
) Deze merkpalen zijn voorzien van eene ijzeren plaat, waarop het Nederlandsche<br />
wapen met het omschrift Nederlandsch Indië.
478<br />
Vroeger behoorden alle onze bezittingen op en langs Nieuw<br />
Guinea tot de Residentie Ternate ; doch sedert weinige jaren zijn<br />
de Zuidkust-landen van omstreeks 133° tot 141° O.L. (Wonim<br />
di alas; zie hieronder) met de daar langs gelegene eilanden<br />
administratief onder de Residentie Banda gebragt, en wordt het<br />
toezigt daarover uitgeoefend door eenen aan den Gouverneur der<br />
Molukken toegevoegden Adsistent Resident (bl. 316 en 317j.<br />
De West- en Zuidkust-landen zijn verdeeld in de twee groote<br />
Afdeelingen Wonim di bawah (beneden-Wonim) en Wonim di alas<br />
(boven-Wonim); de eerste bevat het Noord-Westelijke en het<br />
Zuid-Westelijke schier-eiland tot omstreeks de Kamrau-baui,<br />
de laatste, de kustlanden van de Kamrau-baai af Oostwaarts O.<br />
Deze Afdeelingen zijn echter slechts geographische benamingen<br />
en vormen volstrekt geen staatkundig geheel, maar bevatten een<br />
aantal rijken of rijkjes, wier gebieders voor het meerendeel op de<br />
nabij gelegene eilanden gevestigd zijn en den titel voeren van Radja<br />
of Sengadji, terwijl de mindere Hoofden Kapitein laut. Kapitein,<br />
Iloekoem, Majoor, Djoedau, Sahada, enz. heeten; zij worden allen<br />
door den Sultan van 'Tidore aangesteld. Deze rijken en onze verdere<br />
onderhoorigheden op Nieuw Guinea zijn de volgende:<br />
a. Langs de Zuidkust van het Oosten af:<br />
Kapia, waarvan de Oostelijke grens niet bepaald is doch dat<br />
zich Westwaarts uitstrekt tot T. Boeroe. Het wordt bestuurd door<br />
eenen Radja, die gevestigd is in de negeri Kapia een weinig ten<br />
Oosten van genoemde Kaap. Meer Oostwaarts, op omstreeks<br />
136° 10' O.L., storten zich de rivieren Wamoeka en Oetamata<br />
in zee; zij schijnen twee armen te zijn van ééne rivier, welke op<br />
het Oostelijke gedeelte van het Gebergte Charles Louis haren<br />
oorsprong beeft. Nabij den mond van laatstgenoemde rivier lio-fc<br />
de negeri Oeta. Nog verder Oostwaarts worden op de Kaart van<br />
MELVILL dertien negeriën vermeld, van welke wij evenwel niet<br />
weten of zij ook tot dit rijk gerekend worden; op die Kaart<br />
heet de kuststreek daar Timakowa, en meer Westwaarts, waar<br />
Kapia ligt, Koiwai. &e. £ * 4 ó /- J&yc^? , / \/^>,<br />
(') Op de Kaarten van MELVILL zijn de benamingen van deze twee Afdeelingen<br />
juist verkeerd geplaatst. Die namen zijn waarschijnlijk door de Tidorezcn of<br />
andere zeevaarders aan deze gewesten gegeven ; Wonim di bawali is dan voor<br />
de uit het Westen komenden het benedenste of naast bij geleyen Wonim,<br />
en Wonim di atas het verder af of hooger op gelegene Wonim.
479<br />
Aidoema, zich uitstrekkende van T. Boeroe tot op de helft der<br />
Triton-baai. Het staat onder eenen Radja, die gevestigd is op<br />
het eiland Aidoema aan den Oostelijken ingang van die baai.<br />
Meer Oostwaarts liggen langs de kust van dit rijk de daaraan<br />
onderhoorige eilanden Bramaai, Kajoe Mérah, Lajtahia en andere<br />
kleinere. Lahakia ligt in de daarnaar genoemde Bogt van La^füsia<br />
ten Westen van T. Boeroe. Over de bevolking van deze bogt<br />
is een aan den Radja van Aidoema ondergeschikt Hoofd gesteld,<br />
die ook den titel van Radja voert. Het eiland Laf/akia zelf is<br />
onbewoond, doch bevat steenkolen-lagen (bruinkool) van zeer<br />
jonge formatie O. Voorts worden in dit gebied op de Kaart nog<br />
vermeld de negeriën Tamsoeroean en Warong ara.<br />
Namatotte, van het midden der Triton-baai tot aan Kamrau in<br />
de baai van dien naam. Het staat onder eenen Radja, die op<br />
het eiland Namatotte zijn verblijf houdt. Dit eiland ligt aan den<br />
ingang der Speelmans-baai of Telok Biljaroe (verg. bl. 473) ten<br />
Westen der Triton-baai en bestaat uit kalksteen-gebergte van<br />
omstreeks 1000 v*. hoogte, dat bijna overal steil in zee afloopt;<br />
het zal ongeveer 2 • mijlen groot zijn. Het Noordelijke gedeelte<br />
des eilands heet Eirani en is weinig bewoond; en ook in het<br />
Zuidelijke gedeelte, Kowai genaamd, is de bevolking niet sterk.<br />
In dit laatste gedeelte ligt de hoofdplaats Namatotte, waar de<br />
Radja woont. Het eiland is eene belangrijke stapelplaats voor<br />
den massow-handel, die daar vooral door de Cerammers gedreven<br />
wordt; ook worden er ebbenhout en slaven gehaald. Een en<br />
ander wordt vooral met rijst en groote glas-koralen betaald.—<br />
Volgens de Kaart behooren tot dit rijk op de vaste kust vier-<br />
en-veertig negeriën.<br />
Adi, zich uitstrekkende van Kamrau tot T. Baaik ( 2<br />
) met in<br />
begrip van de eilanden Karas en Adi; het staat onder eenen<br />
Radja, die op het eiland Adi woont en eenen Kapitein laut, twee<br />
Kapiteins, een Majoor en een Sahada onder zich heeft. Het eiland<br />
Karas ligt in de Rijklqf van Goens-baai, is ruim 1000 v'. hoog,<br />
(') Natuurkundig Tijdschrift voor Neérl. Indië, D>. XIX, bl.413.<br />
( 2<br />
) Dit schier-eiland , door de Kamrau-buai ten Oosten en de Rijklof van<br />
Goens-baai ten Westen gevormd en thans onder den naam Baaik bekend,<br />
werd vroeger voor een eiland of eene eilandengroep gehouden en heette toen<br />
Oranje-Nassau of Archipel van Oranje Nassau, onder welken naam het<br />
nog op de Kaart van Prof. PIJNAPPEL voorkomt.
480<br />
en niet sterk bevolkt. Het eiland Adi of Wezel-eiland, omstreeks<br />
12 • mijlen groot, ligt regt Zuidwaarts van de Kamraubaai<br />
op 4° 10' Z. B. en 133° 30' O. L. en is door Straat<br />
Nautilus van het landschap Baaik geseheiden. Het bestaat uit<br />
eene koraal-rots, welke zich slechts op weinige plaatsen meer<br />
dan 50 v 4<br />
. boven den zeespiegel verheft, is over het geheel<br />
niet vruchtbaar en slechts op weinige plaatsen met aardvruchten<br />
bebouwd. De bevolking, die hoogstens 200 zielen bedraagt,<br />
woont in op zich zelf staande huizen over het eiland verspreid;<br />
de eenige kampong, Mangawitoe genaamd, ligt aan de Noordkust<br />
en bestaat uit slechts vijf woningen. De Radja woont ongeveer<br />
een half uur meer Oostwaarts, op eene plaats Tawassi genaamd.<br />
Ook op Adi wordt vooral door de Cerammers handel gedreven<br />
in lijnwaden, koperdraad, parange, aarde- en ijzerwerk en tabak,<br />
waarvoor zij tripang, schildpad en paarlen inruilen, welke op<br />
de ten Noorden van Adi liggende onbewoonde Waardeuburgseilanden<br />
worden geviseht.— Op den vasten wal behooren, volgens<br />
de Kaart, dertig negeriën tot dit rijk.<br />
Bij de Zuidkust-landen van Nieuw Guinea moet nog vermeld<br />
worden het groote Prins Frederik Hendrik-eiland, dat aan het<br />
Oostelijke uiteinde van Wonim di alas ligt, tusschen 7° 23' tot<br />
8° 30' Z.B. en 137° 35' tot 139° 10' O.L. Het heeft de gedaante<br />
van eenen driehoek, welks Oostelijke zijde door de naauwe<br />
Prinses Marianne-Slraat van Nieuw Guinea is gescheiden. De<br />
Noordpunt heet Kaap Kolff, de Zuid-Oostpunt Kaap Kool, en de<br />
Westpunt Kaap Valsch.<br />
b. Langs de Westkust, van het Zuiden af:<br />
Van T. Baaik tot aan den Noordelijken ingang van de Golf<br />
van Mac Cluer staat het land onder het bestuur van de Radja's<br />
van Tatangar, AU-AU, Roemballe of Oerambata en Talipi; de<br />
grenzen van het gebied van elk hunner zijn ons evenwel niet<br />
bekend. De Radja van Ali-Ati houdt zijn verblijf op het eilandje<br />
van dien naam aan de Zuidzijde van den ingang dier Golf; de<br />
drie anderen in de negeriën Tatangar, Oerambata en Tatipi aan<br />
de Westkust tusschen Telok Kapauw en de Golf van Mac Cluer.<br />
Daar ligt ook nog de negeri Ati-Ati; en verder langs de Zuidzijde<br />
der Golf, de negeriën ArgoenafÜega, Sekar, Ikoanos, Bidawanas<br />
en Kapitoea; en aan de Noordzijde van dezelfde Golf, Roeba Kajin,<br />
en zes ongenoemde negeriën (volgens de Kaart van MELVILL).
481<br />
In het binnenland van het Zuid-Westelijke schier-eiland huist<br />
eene geheel wilde bevolking.<br />
Het gebied van Salwatti omvat het overige gedeelte dei-<br />
Westkust tot aan de Kaap de Goede Hoop, en de menigte kleine<br />
langs de kust gelegene eilandjes. Dit gedeelte van Wonim di<br />
bawah bevat de landschappen Assi en Megga, welke namen echter<br />
niet op de Kaart voorkomen, doch wel die der negeriën Oeabim,<br />
Sele, Warsai en Maas,- terwijl het binnenland gezegd wordt nog<br />
een dertigtal negeriën met, naar gissing, 40000 inwoners te<br />
bevatten. Het bestuur is in handen van eenen Radja en eenige<br />
ondergeschikte Hoofden, die op het eiland Salwatti gevestigd<br />
zijn en ook over de overige eilanden der Salwatti-groep heersehen<br />
(zie bl. 468—470).<br />
c. Langs de Noordkust van het Westen af:<br />
Ten Oosten van het gebied van Salwatti, tusschen dit en<br />
Amberbaki, liggen vier op zich zelf staande negeriën, van welke<br />
drie den naam van Sorong dragen en een dien van Marwasai<br />
heeft. Zij staan elk onder het bestuur van eenen Sengadji.<br />
Van Amberbaki tot voorbij de Baai van Boren in de Geelvinkbaai<br />
strekt zich het gebied van Boreli of Bórei uit. Behalve<br />
Amberbaki, hetwelk ook hieronder gerekend wordt, liggen langs<br />
de kust aan de baai de negeriën of kampongs Makwari, Rodi,<br />
Rasambori, Kwawi en Ambobridai; de beide laatstgenoemden<br />
slechts door eene uitstekende landtong van elkander gescheiden,<br />
dragen ook te zamen den naam van Longjabi of Roemfabi. Zij<br />
tellen allen te zamen slechts twintig of dertig huizen, die echter<br />
ieder door een geheel geslacht bewoond worden, zoodat één huis<br />
dikwijls twintig mannen bevat behalve de vrouwen en kinderen;<br />
de geheele bevolking wordt op 1000 zielen geschat. Het bestuur<br />
berust bij vijf Hoofden, wier gezag zich hier ook eenigzins over<br />
de binnenlandsche bevolking uitstrekt en die de titels van Korano<br />
(Kolano) of Radja, Kapitein laut, Majoor, Soeroehan en Bjoedau<br />
voeren. De Radja is gevestigd te Ambobridai, de Kapitein laut te<br />
Kwawi, de Majoor te Rasambori, de Soeroehan te Rodi, en de<br />
Bjoedau te Makwari; zij oefenen elk in zijne kampong een<br />
zelfstandig gezag uit doch ondergeschikt aan den Radja. Buim<br />
een uur landwaarts in ligt de kampong Ajambori uit acht huizen<br />
bestaande.— In de Boreh-baai liggen de eilandjes Meosmapi ^<br />
en Manaswari, die uit niet zeer hooge koraal-rotsen bestaan.<br />
II. 5 i
t<br />
482<br />
Het eerste is onbewoond en wordt door de bevolking der Baai<br />
tijds als begraafplaats gebruikt. Op jfcosmapi ligt de uit vei<br />
' buizen bestaande negeri Mansinama, naar welke het ge<br />
eiland ook wel zoo genoemd wordt. Het wordt bestuurd<br />
een Hoekoem en een Sengadji; de eerste is het voorna;<br />
Hoofd, en zijn gezag wordt ook door sommige naburige eila<br />
geëerbiedigd.— De handel der bewoners van de Dorelt-baai i<br />
weinig belang; hij bepaalt zich vooral tot massooi, pareli<br />
schildpad en tripang, welke artikelen zij naar andere eil<<br />
tot zelfs naar Tidore brengen in ruil tegen lijnwaden, koperd<br />
messen, parange en ander ijzerwerk en gekleurde glas-koral<br />
Ten Zuiden van Doreh is de Westkust van de Geelvink<br />
verdeeld tusschen den Sengadji van het eilandje Wand<br />
Wandesd, de twaalf Radja's of Sengadji's van Wand au<br />
die elk over eene kampong het bestuur hebben O, en den .<br />
van Jaoer.<br />
De Zuid- en Zuid-Oostkust der Geelvink-baai met h<br />
2° 15' Z.B. en 136° 20' O.L. gelegene eilandje Aropin vc<br />
het gebied van Aropin, dat onder veertien Radja's of Seng<br />
verdeeld is, die over even zoovele kampongs het bestuur heb<br />
De Noord-Oostkust der Geelvink-baai en een gedeelt<br />
Noordkust tot op ongeveer 138° 5' O.L. behoort ondei<br />
Radja van Koeroedoe of Koeroedoes, een eiland in de Geei<br />
baai op 1° 53' Z.B. en 137° O.L. gelegen. Het eilane<br />
heeft slechts ééne kampong in het Noord-Oostelijke ged<br />
doch op Nieuw Guinea behooren er talrijke kampongs of nej<br />
onder.<br />
Ten Oosten van de Geelvink-baai oefent de Sultan van !<br />
volstrekt geen gezag uit. Het gedeelte der kustlanden tus<br />
het gebied van Koeroedoes. en de Humboldt's-baai is onderl<br />
aan het eilandje KoeratnbaW, dat op eenigen afstand v;<br />
kust ligt; doch bijzonderheden zijn daaromtrent niet be<br />
Aan de Humboldt''s-baai, die in eene buiten- en binnenbat<br />
(') Dc namen van deze kampongs en van die, welke onder Aropin bel<br />
zijn Ie vinden in ie Bijdragen van het Instituut voor taal-, land- en i<br />
kunde, Niemve volgreeks, Dl. V, bl. 198.<br />
( 2<br />
) Hel is eigenlijk eene groep van drie eilandjes, van welke het £<br />
Koerumba en een ander .Irimoa heet. Zij liggen op 1° 55' Z. B. en 1!<br />
tot 158° 50' O.L.
433<br />
onderscheiden worden, liggen zes geregelde en vrij groote kampongs,<br />
namelijk aan de binnenbaai: Oengramo of Oengrauw,<br />
Tobaddi met negentig huizen, Todoes en Wawah; en aan de<br />
buitenbaai twee ongenoemde. Hare gezamenlijke bevolking wordt<br />
op ruim 5000 zielen geschat, die geheel onafhankelijk schijnen<br />
te zijn.<br />
d. De eilanden in de Geelvink-baai.<br />
Behalve de hier vóór reeds vermelde eilanden zijn de volgende<br />
de voornaamsten, over welke de Sultan van Tidore de suprematie<br />
uitoefent:<br />
Soak, midden voor dc baai gelegen tusschen 0° 37' tot<br />
0°55'Z.B. en 135°20' tot 135°55' O.L. Er zijn twee Radja's<br />
en een Sengadji voor de kampongs Kordoor, Uaswani en Roemsiauw.<br />
Biak, op zeer geringen afstand Oost-Zuid-Oostwaarts van Soak,<br />
tusschen 0°49' tot 1° 10'Z.B. en 135°50' tot 136°20' O.L.',<br />
met twee Radja's in de kampongs Bosnin en Saba.<br />
Mysore of Mysole, een klein eilandje onmiddellijk ten Noorden<br />
van de smalle en onbevaarbare Straat, welke Soak van Biak scheidt.<br />
De drie genoemde eilanden, die vroeger voor één eiland gehouden<br />
werden, dragen te zamen den naam van Willem Schoutens-eiland<br />
of Mysore.<br />
Myfore\ ten Zuid- Westen van^oa^, op 1° 10'Z.B. en 135° O.L.<br />
Het is verdeeld tusschen drie Radja's, die gevestigd zijn in de<br />
kampongs Gradefoer, Mansarai en Amberpoer.<br />
Jobi, Jopin of Jappens, het grootste der in de Geelvink-baai<br />
gelegene eilanden. Het ligt tusschen 1°33' tot 1°56'Z.B. en<br />
135° 21' 14" tot 136°50'19"O.L., is dus van het Westen naar<br />
het Oosten ongeveer 22 mijlen lang, en zal eene grootte hebben<br />
van nagenoeg 55 • mijlen. Aan de Noordzijde is het hoog en<br />
bergachtig, aan de Zuidzijde vlak en laag. Er zijn drie Radja's,<br />
die gevestigd zijn in de langs de Zuidkust liggende kampongs<br />
Ambaai, Seroei en Ansoes^); meer Westwaarts liggen nog verscheidene<br />
andere kampongs. Bij Ambaai en Ansoes zijn goede<br />
ankerplaatsen.— Op dit eiland is ook een Nederlandsche merkpaal<br />
opgerigt.<br />
(') De kampong Ansoes bevat eigenlijk de bevolking van het daar tegenover<br />
liggende eilandje van dien naam, welke derwaarts verhuisd is om zich tegen<br />
vijandelijke aanvallen van naburige eilanders in veiligheid te stellen.
484<br />
Misnomin of MisnoemXïvn. Westen van Jobi, op 1° 32'Z.B. en<br />
135° 20' O.L. Of dit eiland bewoond wordt is ons niet bekend.<br />
Amberpoer, op de Kaarten ook Amberpoea en Amberpoole<br />
geheeten, ligt nabij de Oostkust van het Noord-Westelijke schiereiland<br />
tusschen 1°47' tot 2° 7' Z.B. en op 134° 18' O.L.<br />
Over het geheele eiland strekt zich van het Noorden naar het<br />
Zuiden een steile bergrug uit, die 500 tot 600 v*. hoog is.<br />
De negeri Amberpoer, bij welke eene goede ankerplaats is aan<br />
de Zuid-Oostzijde des eilands, bestaat uit negen huizen en<br />
wordt bestuurd door eenen Radja. De bewoners hebben hunne<br />
aanplantingen van aardvruchten enz. meest op de omliggende<br />
eilandjes.<br />
Roswaar, op de Kaarten ook Miasioar en Muismar genoemd,<br />
ligt ten Zuid-Oosten van Amberpoer op 2° Z.B. en 134° 28' O.L.<br />
Het staat onder eenen Radja.<br />
lop, dat op de ons bekende Kaarten niet onder dezen naam<br />
gevonden wordt, onder het bestuur van eenen Sengadji.<br />
Run, op 2° 25' Z.B. en 134° 40' O.L., heeft de kampongs<br />
Jande, Siabis, Roemena en Wajer, van welke de drie eersten door<br />
Radja's de laatste door eenen Sengadji worden bestuurd.<br />
Mohr of Mor, op de Kaarten ook Terschelling genaamd,<br />
ligt in het Zuid-Oosten van de Geelvink-baai op 3° Z.B. en<br />
135° 40' O.L. en staat onder het bestuur van eenen Radja.<br />
Bijzonderheden omtrent eenige gedeelten der bevolking.<br />
De Papoewahs van de Humboldt's-baai^) zijn over het algemeen<br />
grooter en forscher van gestalte en donkerder van huidkleur<br />
dan elders op Nieuw Guinea; de vrouwen zijn echter veel<br />
lichter van kleur dan de mannen, hebben sprekende zwarte oogen,<br />
witte tanden en regelmatige gelaatstrekken. Het hoofdhaar is<br />
bij beide geslachten zwart, wollig en sterk gekroesd; de mannen,<br />
die het, even als den baard, korter afsnijden dan in sommige<br />
andere streken, bestrooijen het met fijn gestampte roode gebakken<br />
klei-aarde, en steken er vederen, bloemen en veelal ook eene<br />
groote bamboezen kam in, terwijl sommigen er ook een dikken<br />
band van kasuaris-haar omheen winden; de vrouwen dragen<br />
(') Bijdragen van liet Instituut voor taal-, land- en volkenkunde, van<br />
Neérl. Indië, Nieuwe volgreeks, D'. V, bl. 8i en 168.
485<br />
het in kleine vlechten rondom afhangende. In het middenschot<br />
van den platten en breeden neus dragen de mannen een stuk<br />
bamboe, hout of steen , of ook wel twee aan elkander verbonden<br />
slagtanden van varkens, en in de ooren dunne ringen van<br />
schildpad. De vrouwen dragen grootere oorringen en, naar mate<br />
van haren ouderdom, meerdere in elk oor; door het middenschot<br />
van den neus dragen zij een zwarten draad, somtijds met koralen<br />
of schelpen voorzien. De mannen en de ongehuwde vrouwen<br />
gaan geheel naakt; alleen de getrouwde vrouwen hebben een<br />
klein voorschootje uit geslagen boomschors of gevlochten koffovezelen<br />
(bl. 181) vervaardigd. Als sieraden dragen de mannen<br />
om de beide bovenarmen een band van gevlochten rotting, waartusschen<br />
zij boombladeren of welriekende grashalmen steken, en<br />
voorts om de armen en den hals snoeren van kleine schelpen, en<br />
somtijds op de borst een vrij groot ornament zamengesteld uit<br />
varkenstanden met een mozaïk van roode en zwarte boontjes er<br />
tusschen gewerkt. De vrouwen hebben zoodanige versierselen niet;<br />
daarentegen zijn zij veelal getatouëerd of hebben zich figuren in<br />
de huid ingebrand, hetgeen bij de mannen zelden voorkomt.—<br />
Hunne wapenen zijn boog en pijlen van bamboe of rotting met<br />
lange punten van hard hout meest van weerhaken voorzien en<br />
somtijds kunstig uitgesneden; sommigen hebben ook lange lansen<br />
van ijzerhout, en dolken vervaardigd uit een varkenspoot of een<br />
mensohelijk dijbeen, waaraan eene zeer scherpe punt is geslepen.<br />
Deze wapenen zijn, zooverre bekend is, nergens op Nieuw Guinea<br />
vergiftigd.<br />
De kampongs zijn geregeld aangelegd en bestaan uit een vrij<br />
groot getal woningen. Zij zijn op eenigen afstand van den wal<br />
in zee gebouwd op zware palen; evenwel hebben alle woningen<br />
gemeenschap met elkander door bruggen of door eene doorloopende<br />
bevloering van niboug-latten langs en rondom de huizen;<br />
de gemeenschap met den vasten wal geschiedt op sommige<br />
plaatsen door bruggen, op andere alleen door middel van vaartuigen.<br />
De huizen zijn vrij stevig gebouwd, met wanden van<br />
gabba-gabba en spits toeloopende daken, die bij kleine huizen<br />
vierkant bij grootere zes- of achtkant en somtijds 40 v'. hoog<br />
zijn. Dit dak, van atappen vervaardigd, hangt rondom over de<br />
zijwanden van het huis af en belemmert eenigzins het in- en<br />
uitgaan door de twee kleine deuren of openingen, die altijd regt
486<br />
tegenover elkander staan; vensters zijn er niet. Elk huis is<br />
verdeeld in twee of meer kamers, van welke eene voor de vrouwen<br />
en meisjes bestemd is. Het huisraad is niet noemenswaardig en<br />
bestaat hoofdzakelijk uit eenige aarden potten en pannen, en<br />
eene soort van houten schraag van 5 of 6 duim hoog, welke tot<br />
hoofdpeluw dient. Als sieraden hangen langs de wanden varkenskoppen<br />
en tanden en bladen schildpad. De stookplaats is eene<br />
houten bak met zand.— In elke kampong is een tempel, die<br />
denzelfden achtkanten vorm heeft als de groote huizen, doch<br />
veel hooger is, en uit welks dak aan de acht zijden uit hout<br />
gesnedene figuren van viervoetige dieren, visschen en vogelen<br />
uitsteken, tusschen welke figuren guirlandes van kokosbladeren,<br />
gras en vruchten hangen. In deze tempels vindt men niets dan<br />
langs de wanden soortgelijke guirlandes, varkens-koppen en<br />
slagtanden, pijlen en bogen, bamboezen fluiten en tija's (bl. 403)<br />
van verschillende grootte, en uitgeholde stukken hout in den<br />
vorm van kleine praauwen en mede bestemd om door er op te<br />
slaan geraas te maken. In den grond zijn eenige houten bakken,<br />
tot stookplaatsen bestemd, en daar rondom de ligplaatsen der<br />
jongelingen, die voortdurend den tempel bewaken.<br />
Omtrent de Godsdienst dezer Papoewahs is niets bekend.<br />
Hunne eerdienst-verrigtingen schijnen alleen te bestaan in het<br />
ontsteken van vuren in de zoo even vermelde stookplaatsen en<br />
het dansen onder het maken van muzijk op de fluiten en verdere<br />
instrumenten; doch ter wiens eere zulks geschiedt heeft men,<br />
door volstrekte onbekendheid met de taal, nog niet kunnen<br />
ontdekken. O<br />
Weinig meer dan van hunne Godsdienstbegrippen weet men<br />
van hun karakter en hunnen zedelijken en maatschappelijken<br />
toestand. Zij zijn stoutmoedig en vermetel, tot diefstal geneigd,<br />
voor zooverre men dit kan afleiden uit hunne zucht om zich bij<br />
het bezoek der Nederlanders meester te maken van hun onbekende<br />
voorwerpen, en niet ontbloot van verstandelijken aanleg. Geestrijke<br />
dranken zijn hun onbekend; bij hunne feesten, die in eten<br />
en dansen onder begeleiding van fluiten en tija's bestaan, drinken<br />
zij water. In het teekenen en snijden in hout en been zijn zij vrij<br />
(') Bij gelegenheid dat door de Gouvernemenls-Conimissie in 1858 uit het<br />
dak van den tempel te Tobaddi de Nederlandsche vlag werd uitgestoken, werden<br />
door de bevolking dezelfde ceremoniën uitgevoerd.
487<br />
bedreven, kunnen minstens tot honderdtallen tellen, en hebben<br />
eenige tijdrekenkunde, zoodat zij bij maan-mnanden rekenen en<br />
daarmede tijds-bepalingen vaststellen. Hunne zwart geverwde<br />
praauwen vervaardigen zij alleen met behulp van steenen bijlen<br />
en messen uit éenen boomstam, en versieren die met gebeeldhouwd<br />
loofwerk en regelmatig ingebrande figuren; zij zijn van 16 tot 30 v'.<br />
lang doch zoo smal dat men er slechts met de beenen vóór<br />
elkander in staan kan. Aan de eene zijde hebben zij eene op het<br />
water liggende vlerk bestaande uit balken met eene bevloering<br />
van bamboe, welke balken ook aan de andere zijde der praauw<br />
uitsteken doch daar niet bevloerd zijn. Op deze vlerk worden<br />
de wapens nedergelegd en zitten ook zij die niet roeijeu. Als<br />
roer wordt een roeispaan gebruikt. De mast is 8 of 10v 4<br />
. hoog,<br />
aan den top met een bosje kasuarishaar, bij wijze van vlag,<br />
versierd; het zeil is eene langwerpig vierkante uit pandanusbladeren<br />
gevlochtene mat (kadjang).<br />
De hoofdbezigheden dezer Papoewahs zijn : de jagt met pijl<br />
en boog op wilde zwijnen en vogelen; de vischvangst met door<br />
hen zeiven vervaardigde netten, met pijl en boog of met eene<br />
soort van harpoenen; en de landbouw, die zich echter bepaalt<br />
tot het aankweeken van aardvruchten, tabak, pisang- en kokosboomen.<br />
Ook vervaardigen zij aarden potten en pannen uit de<br />
roode klei, die rondom de baai gevonden wordt. De voedingsmiddelen<br />
zijn wilde varkens, vogelen, schildpadden O, visschen,'<br />
welke laatsten zij ook rooken om ze tegen bederf te bewaren,<br />
sago, kokosnoten, olie, pisang en aardvruchten; zij gebruiken<br />
daarbij geen zout of peper, welke artikelen hun onbekend zijn.<br />
Hun begrip van grond-eigendom schijnt zich te bepalen tot het<br />
regt op de voortbrengselen van een door hen bebouwd of in bezit<br />
genomen terrein.— In elke kampong is ten minste één Hoofd;<br />
doch zijn titel en de mate van zijn gezag, dat niet zeer groot<br />
schijnt te wezen, zijn onbekend.<br />
Meer Westwaarts langs de Noordkust, tusschen de Humboldt''s-baai<br />
en KoeroedoeW, staan de huizen op den vasten wal<br />
doch ook, althans gedeeltelijk, op palen; zij zijn laag en lang.<br />
(') De schildpadden , wier schaal het in den handel voorkomende Karet is,<br />
worden hier niet gevonden.<br />
(•) Natuurkundig Tijdschrift voor Neêrl. Indië, Dl. 1, bl. 224.
488<br />
De mannen, die verdacht worden van valsch en verraderlijk te<br />
zijn, hebben een wild voorkomen, levendige en mannelijke<br />
gelaatstrekken, en forsch gespierde armen en beenen. Hunne<br />
eenige kleeding bestaat in een zeer klein schortje van touw of<br />
boomvezelen, die als franje afhangen. Het gekroesde haar dragen<br />
sommigen in lange dunne strengen gevlochten, die of rondom<br />
langs het hoofd en het aangezigt nederhangen of van weerszijde<br />
over het hoofd opgeslagen zijn, zoodat zij eenigzins een helm<br />
vertoonen; anderen dragen het haar kort afgesneden; zij dragen<br />
er vederen of bloemen in, doch geene kammen. De zware baard<br />
wordt kort afgesneden. In de ooren dragen zij groote stukken<br />
bamboe met snijwerk voorzien, of ook wel beenen of koperen<br />
ringen; en in den neus stukjes been. Aan de bovenarmen hebben<br />
zij banden, waartusschen bundels bladeren steken, en aan de<br />
beenen snoeren van witte schelpen. De meesten zijn getatouëerd.<br />
Hunne wapens en vaartuigen zijn dezelfde als aan de Humboldt'slaai;<br />
doch de laatsten zijn niet met beeldhouwwerk maar alleen<br />
met eenige ingesnedene figuren voorzien.<br />
De bevolking van de Doreh-baai O, afkomstig van het eiland<br />
Myfore, is over het algemeen klein van gestalte, donkerbruin<br />
van kleur, en veelal zoo met huidziekten behebt dat bij sommigen<br />
de huid met schubben bedekt schijnt. Het zwarte gekroesde haar,<br />
dat evenwel somtijds door het besmeren met kalk eene roodachtige<br />
tint krijgt, laten zij in het wild groeijen zoodat het een zeer<br />
groote verwarde bos wordt; alleen de slaven moeten het haar<br />
kort afgesneden dragen. De mannen steken daarin eene bamboezen<br />
kam, bijna van den vorm van eene vork, aan het boveneinde<br />
met ingesneden figuren en met een afhangend reepje gekleurd<br />
katoen, als een wimpel, versierd. Voorts hebben zij een hoog<br />
doch smal voorhoofd, groote donkerbruine of zwarte oogen, platte<br />
breede neuzen, en groote monden met dikke lippen; bij sommigen<br />
evenwel hebben neus en mond meer den Europeschen vorm. In<br />
de ooren dragen zij bamboezen sieraden, of ringen, of ook wel<br />
hunne sigaren bestaande uit tabak in pandan-hladtrm gerold.<br />
De Hoofden dragen eene goede kabaai, broek en hoofddoek,<br />
welke kleedingstukken zij bij hunne aanstelling van den Sultan<br />
(') Bijdragen van het Instituut, t. a. p. bl. 145. Naluurk. Tijdschrift,<br />
Db I, bl. 115.
489<br />
van Tidore ontvangen; de overigen gaan naakt, behalve een uit<br />
boomschors vervaardigde tjaioat voor de mannen, en eene korte<br />
sarong of een klein broekje voor de vrouwen. Om de armen<br />
dragen zij ringen vervaardigd uit visebgraten, schelpen, koper,<br />
zilver, of rood gekleurde biezen; zoodanige ringen' van rotting<br />
om den hals en om den arm zijn teekenen van rouw. Voorts<br />
is het ligchaam en ook het gelaat getatouëerd; en bij elke zeereis,<br />
die een man gedaan heeft, brandt hij zich eene vlek op de borst<br />
of den arm. In den oorlog maken zij zich het gelaat met houtskool<br />
zwart, somtijds met witte strepen, hangen een kraag van<br />
kasuaris-vederen om den hals, en steken eenige vederen van<br />
witte kakatoe's in het haar ; buiten oorlogstijd duiden zulke witte<br />
vederen het getal personen aan, die door den drager gedood<br />
of geroofd zijn.<br />
Hunne wapenen zijn boog en pijlen, lansen, kléwangs en<br />
parangs, welke zij of zeiven maken bf van de schepen inruilen ,<br />
en een vrij groot langwerpig vierkant houten schild.<br />
De huizen staan, even als aan de Humboldt's-baai, op eenigen<br />
afstand van den vasten wal in zee; zij zijn veel lager dan daar<br />
doch veel langer, veelal tusschen de 60 en 100 v*., en strekken<br />
aan alle gezinnen, die tot hetzelfde geslacht behooren, ter woning.<br />
Een over de geheele lengte loopende gang verdeelt het huis in<br />
twee afdeelingen, die elke weder door afschutsels van matwerk<br />
(kadjang) in verscheidene vertrekken gesplitst zijn, die door de<br />
afzonderlijke gezinnen tot slaap- en bergplaats en keuken ge<br />
bruikt worden. Het licht komt alleen binnen door de reten, door<br />
welke ook de rook van de stookplaats zich een uitgang moet<br />
banen. Naast het hoofdgebouw is veelal nog een kleiner huis,<br />
dat door de weduwen tot de familie behoorende bewoond wordt.<br />
De gemeenschap tusschen de huizen onderling en met den vasten<br />
wal wordt of door bruggen of door vaartuigen onderhouden.<br />
Omtrent hun karakter wordt een vrij gunstig getuigenis af<br />
gelegd: zij zijn zacht van aard, eerlijk, regtvaardig, kuisch,<br />
hebben eerbied voor den ouderdom en liefde voor hunne kinderen<br />
en echtgenooten ; diefstal en ontucht worden als grove misdrijven<br />
beschouwd, veelwijverij en echtscheiding zijn niet geoorloofd.<br />
Doch ook zijn zij lui, zoodat zij allen veldarbeid en ander zwaar<br />
werk door de vrouwen laten verrigten, wantrouwend jegens<br />
vreemden, liefhebbers van sterken drank, zeer bijgeloovig, en
490<br />
groote handelaars in slaven, die zij door menschenroof of door<br />
het in den oorlog gevangen nemen van vrouwen en kinderen<br />
bekomen; deze slaven worden echter goed door hen behandeld.<br />
Mannen schijnen in den oorlog niet gevangen genomen maar<br />
gedood cn hunne hoofden in de woning des overwinnaars als<br />
zegeteekenen opgehangen te worden. Ofschoon zij alle wetenschappelijke<br />
ontwikkeling missen ontbreekt het hun niet aan<br />
schranderheid i zij zijn bekwame ijzer-, koper-, zilver- en wapensmeden,<br />
vervaardigen goede praauwen aan beide zijden met<br />
vlerken voorzien, fijn snij- en beeldhouwwerk, en sierlijk maten<br />
vlechtwerk. De vrouwen zijn de potten- en pannenbakkers<br />
zoowel voor den handel met de naburige bergvolken als voor<br />
eigen gebruik.<br />
Behalve de bovengenoemde bedrijven bestaat de bezigheid deimannen<br />
hoofdzakelijk in jagt en visscherij, welke zij op dezelfde<br />
wijs uitoefenen als die van de Humboldt 's-baai; de landbouw komt<br />
grootendeels voor rekening der vrouwen en bepaalt zich tot het<br />
kwecken van een weinig rijst, gierst, djagoeng en aardvruchten.<br />
Deze producten benevens sago, die meest van elders wordt aangebragt,<br />
vischen varkcnsvleesch maken hun gewoon voedsel uit,<br />
dat zij met zout bereiden. De drank is, behalve water, eene soort<br />
van sagoewir, welke zij vervaardigen van het sap uit den bloemstengel<br />
van kokosboomen.<br />
Hunne godsdienst bestaat uit het vereeren van houten beeldjes<br />
vanmenschelijke gedaante, 1 of l'/sv 4<br />
. hoog, Koricaar of Karicaar<br />
genaamd; ieder vervaardigt ze voor zich zelven en ziet daarin<br />
zijnen beschermgod; er zijn mannelijke en vrouwelijke Korwaars.<br />
Zij worden ook vóór het doen van belangrijke ondernemingen geraadpleegd;<br />
hij, die iets ondernemen wil, plaatst zijnen Korwaar<br />
voor zich, vertelt hem wat hij doen gaat en vraagt zijnen raad;<br />
bevangt hem nu eene beving of ontroering, dan wordt de onderneming<br />
tot lateren tijd uitgesteld. Ook afbeeldsels van krokodillen,<br />
hagedissen, slangen en andere dieren worden, zoo het<br />
schijnt als beschermgoden, aan de stijlen der huizen opgehangen<br />
of daarin uitgesneden. Offeranden worden aan deze beelden<br />
niet gebragt; ook zijn er geene tempels of priesters, doch wel<br />
waarzeggers of wigchelaars, die bij gewigtige gelegenheden de<br />
voorteekenen raadplegen. — In de hoofdkampong van Boreh<br />
bevindt zich een gebouw, en vroeger was er ook een dergelijk in de
491<br />
kampong Mansinama op liet eilandje Manasaioari, dat Roemsram<br />
of Roemslam( [<br />
) genoemd wordt, eenigzins den vorm van eene<br />
praauw heeft en op vier-en-twintig palen rust, welke even als<br />
andere deelen van het gebouw versierd zijn met beelden van<br />
hoogst ontuchtige gedaante en houding. Deze beelden hebben<br />
elk een bijzonderen naam en beteekenis, die met de stichting der<br />
negeri Boreh in verband staat. Het huis, dat door de geheele<br />
bevolking gemeenschappelijk wordt onderhouden, schijnt opgerigt<br />
te zijn ter nagedachtenis en vereering der voorouders.<br />
Bij het aangaan van een huwelijk moet de man aan de ouders<br />
van het meisje eenen bruidschat betalen, die voor ieder zonder<br />
onderscheid van stand of leeftijd bepaald is op eene waarde van<br />
tien slaven of 50 stukken blaauw katoen elk ter waarde van<br />
nagenoeg ƒ3; men vergenoegt zich echter veelal met de betaling<br />
van een gedeelte daarvan. Hierna gaan de jongelieden in tegenwoordigheid<br />
hunner ouders naast elkander zitten met den Korwaar<br />
voor zich, en geven elkander de regterhand, nadat de vrouw aan<br />
den man een weinig tabak en deze aan haar eenige sirih heeft<br />
aangeboden, waarmede het huwelijk voltrokken is en niet dan<br />
door den dood kan ontbonden worden. Als de man sterft gaat<br />
zijne weduwe, over aan diens naasten bloedverwant, die haar dan<br />
moet onderhouden en haar ook weder ten zijnen voordeele kan<br />
uithuwelijken; indien de man geene bloedverwanten had, keert<br />
de vrouw tot hare eigene familie terug.<br />
Bij het overlijden van een Hoofd wordt het lijk na gewasschen<br />
te zijn in wit katoen gewikkeld en door de geheele bevolking<br />
naar een vijf voet diep graf (dikwijls op het eilandje Meosmapï)<br />
gebragt, waarin het met het oor op een porceleinen kom of<br />
schotel wordt nedergelegd, met bijvoeging van eenige sieraden<br />
en wapenen ; waarna het graf digtgemaakt en met eene omheining<br />
en een dak van atap voorzien wordt. De Korwaar van den overledene,<br />
die als de oorzaak van diens dood wordt beschouwd,<br />
wordt na deswegens met vervvijtingen overladen te zijn op het<br />
graf geplaatst en blijft daar totdat hij door den tijd vergaat.<br />
I') Men gist dat deze benaming beteekent islamseh huis, en aan dit gebouw<br />
gegeven is öf in navolging van de moskeeën die sommige Papoewahs op Ternate<br />
of Tidore kunnen gezien hebben, óf ter bespotting van de pogingen door<br />
den Sultan nu en dan aangewend om het Islamisme op Nieuw Guinea in te<br />
voeren.
492<br />
Daarna keercn allen naar het sterfhuis terug, houden daar eenen<br />
maaltijd waartoe elk het zijne bijdraagt en die veelal met eenen<br />
feestelijken dans gepaard gaat, en komen er vervolgens nog<br />
gedurende eene maand dagelijks den doode beweenen. De begrafenis<br />
van eenen gewonen Papoewah geschiedt op dezelfde wijze<br />
maar met minder feestelijkheid.<br />
Tot de publieke vermakelijkheden behoort vooral eene soort<br />
van dans, waaraan mannen, vrouwen en kinderen deelnemen.<br />
Alle mannen zijn daarbij met pijlen, bogen en lansen gewapend,<br />
behalve de muzijkanten, dat zijn zij die eene soort van lifa<br />
dragen, welke met de hand geslagen wordt; de helden zijn met<br />
het hun toekomend getal witte kakatoe-vederen (bl. 489) versierd;<br />
velen hebben het gelaat en de borst met houtskool zwart<br />
gemaakt en met witte figuren afgezet; allen zijn met vederen en<br />
bladeren zooveel mogelijk uitgedost. Zoo vormen zij een kring<br />
en maken, terwijl een voordanser allerlei vreemde sprongen doet,<br />
met de beenen de beweging als of zij hard loopen doch komen<br />
inderdaad slechts zeer weinig vooruit. Deze dans duurt onder<br />
luid geschreeuw en
493<br />
zoo ook de wapenen. Deze laatsten bekomen zij grootendeels<br />
van Tomboekoe, van waar zij door handelaren in de Mac Cluerbaai<br />
en vervolgens over land tot hen gebragt worden (bl. 241).<br />
De huizen, die op 12 tot 20 v*. hooge palen uit boomtakken,<br />
bamboe en boomschors gebouwd worden, staan vijf tot tien<br />
minuten van elkander verwijderd in het midden van de tuinen,<br />
die met gierst, rijst, aardvruchten en pisang beplant zijn. Alle<br />
veldarbeid wordt door de vrouwen verrigt; alleen het eerste<br />
ontginnen van den grond geschiedt door de mannen, die zich<br />
overigens bezig houden met de jagt en het verruilen hunner<br />
overtollige producten aan de strandbewoners tegen sago en andere<br />
behoeften.— In zeden en gewoonten verschillen zij weinig van<br />
de laatstgenoemden. Zij maken echter geene slaven, maar dooden<br />
de overwonnene vijanden, in welk geval de overwinnaar zich<br />
met het hem toekomend getal witte kakatoe-vederen versiert;<br />
ook hebben zij geene godsvercering, dan voor zooverre sommigen<br />
door aanraking met de kustbewoners kennis hebben gekregen<br />
aan de Kortcaars van dezen. Hunne Volkshoofden worden onder<br />
den titel van Sengadji of Kapitein aangesteld door een der<br />
Hoofden van Boreh; zij hebben echter volstrekt geen gezag dan<br />
voor zooverre zij zich dit door hunne persoonlijke hoedanigheden<br />
weten te verwerven.<br />
De dooden worden, met de knieën tegen het ligchaam gebonden,<br />
in eene mat gewikkeld en twee dagen na het overlijden<br />
2 of 3 v*. onder den grond in de nabijheid hunner woningen<br />
begraven; is echter iemand der bloedverwanten afwezig, dan<br />
geschiedt de begrafenis niet voordat allen tegenwoordig zijn al<br />
duurt dit ook nog zoo lang; het beweenen van den overledene,<br />
hetwelk bestaat in een aanhoudend geschreeuw der personen die<br />
rondom het lijk staan, heeft slechts gedurende twee dagen en<br />
nachten plaats. Rondom het graf worden eenige bamboe-stokken<br />
in den grond geplaatst, en aardvruchten en suikerriet er op<br />
geplant tot voedsel voor den doode, hoewel het product er van<br />
door de levenden wordt geoogst.<br />
De bevolking van het Arjak-gebergte, waarvan die van Ajambori<br />
afstamt, komt met de laatstgenoemde grootendeels overeen;<br />
het grootste verschil bestaat in het dragen van het haar, hetwelk<br />
zij niet afsnijden. De vrouwen krullen het haar in elkander<br />
zoodat het één groote bos wordt, als eene kolossale ruige muts.
494<br />
Do mannen krullen het óf tot vele kleine bosjes bijéén, waarvan<br />
dan één op de kruin en de andere rondom het hoofd worden<br />
vastgebonden, óf tot drie groote bossen, van welke twee aan<br />
weerszijde der slapen en de derde aan het midden van het achterhoofd<br />
horizontaal uitsteken; zij dragen ook den meer vermelden<br />
kam, en om het voorhoofd eenen band van boomschors, waarop<br />
een tot vijf groote plat geslepene schelpen zijn vastgemaakt.<br />
Het tatouëren is bij dit bergvolk niet in gebruik en, daar zij geene<br />
zeevaarders zijn, ook niet het inbranden van vlekken op borst<br />
of armen. Sieraden van arm- of beenbanden worden alleen door<br />
de mannen gedragen. Hunne woningen zijn niet in kampongs<br />
vereenigd maar staan hier en daar verspreid in het gebergte.<br />
De bevolking der eilanden in de Geelvink-baai komt in de<br />
hoofdzaken met die van Boreh overeen. 0)<br />
De bewoners der Zuid-Westkust van omstreeks 4° Z.B. cn van<br />
daar Noord-Westwaarts (') staan op eenen eenigzins hoogeren<br />
trap van beschaving ten gevolge van het handelsverkeer, dat<br />
reeds sedert langen tijd tusschen hen en de bevolking der<br />
Ceramsche en Anlbonsche eilanden bestaat. Zij zijn in het algemeen<br />
kleiner en tengerder dan de vroeger vermelde stammen,<br />
hebben deuzelfden vorm van gelaat en zijn roetklcurig. Het<br />
haar laten de mannen in het wild groeijen; de vrouwen strengelen<br />
het somtijds in dunne vlechten. Beide geslachten dragen eenige<br />
kleeding: de vrouwen eene sarong; de mannen katoenen kabaaijen<br />
en hoofddoekent 3<br />
), korte broeken of sarongs, en bij volstrekte<br />
armoede althans de tjidako van boomschors. Den neus doorboren<br />
zij niet; mannen en vrouwen hebben kleine gouden of zilveren<br />
oorsieraden, banden van gevlochten rotting om den arm en<br />
somtijds ook halssnoeren van glas-koralen. Hebzucht schijnt een<br />
hoofdtrek van hun karakter te zijn. Gevangen genomene vijanden<br />
dooden zij niet, maar behouden ze als slaven. De bewoners van<br />
dc Bogt van Kainiuni zijn echter koppensnellers.<br />
(') Natuurkundig Tijdschrift voor Neêrl.Indië, D'. I, bl. 200, 208 en 228.<br />
(•) S. MULLER, Renen en onderzoekingen in den Indischen Archipel,<br />
uitgave van het Instituut, D U , bl. 88. Bijdragen van het Instituut, Nieuwe<br />
volgreeks, Db V, bl. 117. Omtrent de bevolking van de Bogt van Lahakia<br />
vindt men aldaar eenige bijzonderheden vermeld op bl. 45.<br />
t 3<br />
) Dit zijn waarschijnlijk alleen de Hoofden ; vergelijk bl. 488.
495<br />
Het Islamisme is hun niet geheel onbekend; zij houden dan<br />
ook geene varkens, sluiten hunne huwelijken op de Mohammedaansehe<br />
wijze, en gedoogen de polygamie; doch hierin bestaat<br />
ook hunne geheele kennis van die godsdienst. Tempels of priesters<br />
hebben zij niet, en hunne eerdienst bepaalt zich tot eenige<br />
bijgeloovige gebruiken. Die van Kaimani erkennen het bestaan<br />
van een Opperwezen, hetwelk zij Auwre noemen, doch waaraan<br />
zij geene hulde toebrengen.— Van tijdrekening hebben zij eenig<br />
begrip: het tijdsverloop van den eenen Oostmoeson tot aan den<br />
anderen, dat is een jaar, noemen zij Ngaraksa; een moeson,<br />
Ngarahoida; eene maan-maand, Oeransa. Voor den Oostmoeson<br />
rekenen zij zes maanden, voor den Westmoeson vijf, en eene<br />
voor de kentering. De tijd van den dag wordt door den stand<br />
der zon aangeduid.<br />
Visscherij is hunne meest geliefde bezigheid; de landbouw<br />
bepaalt zich tot het nankweeken van eenige aardvruchten, suikerriet,<br />
pisang, spaansche peper, sirih cn peulvruchten, in kleine<br />
tuintjes rondom hunne huizen. Het ijzersmeden hebben zij van<br />
de Cerammers geleerd, die hun het staafijzer aanvoeren; voorts<br />
schijnen zij geene andere handwerken te kennen dan het bouwen<br />
van kleine praauwon. Hunne grootere vaartuigen bekomen zij<br />
van dezelfde handelaars, die ze meestal op de Kei-eilanden<br />
aankoopen. Deze en andere Moluksche kooplieden bez<strong>org</strong>en hun<br />
ook lijnwaden, sarongs, bijlen, zwaarden en ander ijzerwerk,<br />
koperdraad, aardewerk, gongs, glas-koralen, tabak, kleine lilla's,<br />
geweren, buskruid cn kogels; in ruil tegen schildpad, paarlen,<br />
tripang, paradijsvogels, papegaaijen, houtsoorten, wilde muskaat-noten,<br />
massooi, enz. Hunne pijlen, bogen en lansen vervaardigen<br />
zij zeiven.<br />
Tot de bijzondere gebruiken behooren nog de volgende:<br />
de lijken worden een jaar na de begrafenis weder opgedolven<br />
en de beenderen dan in zekere rotsholten gebragt, waarop de<br />
bloedverwanten en vrienden gedurende acht dagen feestmalen<br />
houden met dans e,n gong-sneï. Na afloop van dit feest, waarvan<br />
de kosten door de gezamenlijke inwoners van het dorp van den<br />
overledene worden gedragen, voert men de beenderen in een<br />
mandje naar eene bepaalde plaats in het bosch, waar zij dan<br />
blijven.— W T<br />
eduwen dragen gedurende een jaar den rouw over<br />
haren man. Het rouwkleed bestaat in eene kap van zwart of
49G<br />
blaauw katoen of van boomschors, die op het achterhoofd gezet<br />
wordt en tot op de schouders afhangt. Gedurende dezen rouwtijd<br />
neemt zij gewoonlijk haren intrek bij hare familie, en mag eerst<br />
na afloop daarvan een tweede huwelijk aangaan.<br />
Bij overlijden van eenen man heeft de weduwe het vruchtgebruik<br />
der nalatenschap tot aan haren dood. Dan eerst worden<br />
de bezittingen verdeeld tusschen de zonen; de dochters krijgen<br />
daaruit slechts een gering geschenk. Bij ontstentenis van zonen<br />
zijn de broeders of hunne zonen erfgenamen ; en alleen bij geheele<br />
afwezigheid van mannelijke bloedverwanten erven de dochters.—<br />
Alle misdrijven worden gestraft met boeten, welke gedeeltelijk<br />
komen aan de beleedigde partij en gedeeltelijk aan de Hoofden,<br />
die de straf hebben opgelegd. Bepaalde wetten of adats schijnen<br />
onder hen niet te bestaan.<br />
Hetgeen hier over deze strandbewoners gezegd is geldt ook in<br />
de hoofdzaken voor de bevolking van het eiland Adi.<br />
Omtrent de in dit gedeelte van Nieuw Guinea meer binnen<br />
's lands wonende bergvolkeren is zeer weinig bekend. Zij dragen<br />
in het algemeen den naam van IFoeka, dat is bergbewoners, en<br />
worden verder ter onderscheiding genoemd naar het gebergte<br />
waar zij zich ophouden of naar den naam van hunne kampong! 1<br />
).<br />
Zij zijn grooter en forscher van gestalte dan de kustbewoners,<br />
gaan behalve de fjidako geheel naakt en hebben geene sieraden<br />
dan rottingbanden om de armen en beenen. Zij houden zich<br />
hoofdzakelijk bezig met de jagt en het inzamelen van massooi.—<br />
Men zegt dat zij offers brengen aan de zon, door spijzen onder<br />
het prevelen van eenige woorden in de hoogte te heffen en<br />
vervolgens weg te werpen. Ook bij het doen van een eed roepen<br />
zij de zon en den berg Lamantjiri aan.— Bij het aangaan van<br />
een huwelijk wordt het meisje door den jongeling met voorweten<br />
van zijne familie geschaakt en beiden verbergen zich dan eenige<br />
dagen in het bosch, gedurende welken tijd met de familie van<br />
het meisje over deu bruidschat onderhandeld wordt. Als deze<br />
onderhandeling afgeloopen is worden de jongelieden opgezocht,<br />
(') In de Reis van MULLER wordl len onregte gezegd , dal zij den algemeenen<br />
naam van Mairassi's dragen. Matrassi is de naam van een gebergte len Noorden<br />
van de Triton-baat (bl. 474); en daarnaar worden alleen de bewoners van<br />
dat gebeigle Mairussi of Woeka Mairassi genoemd. Bijdragen van het Instituut,<br />
Nieuwe volgreeks, D'. V, bl.63.
497<br />
die dan hun huwelijk sluiten door elkander in tegenwoordigheid<br />
der wederzijdsche familie eene kleine wond aan het voorhoofd toe<br />
te brengen, hetgeen ook over cn weder door alle aanwezige leden<br />
der beide familiën geschiedt.—• Veelwijverij is geoorloofd.—<br />
De lijken worden, na gedurende eene maand boven een vuur<br />
uitgedroogd te zijn, in een rotshol nedergelegd en met boombladeren<br />
toegedekt.<br />
Hoe verder men langs de Zuidkust Oostwaarts gaat des te<br />
ruwer en woester wordt de bevolking. Die uit den omtrek van<br />
de rivier Oetamata drijft nog eenigen handel in massooi met de<br />
Cerammers en woont in min of meer geregelde kampongs, onder<br />
welke Oeta eene van de voornaamsten is. Mannen en vrouwen<br />
doorboren zich de neusvleugels en het middenschot van den neus<br />
en dragen daarin houten pennetjes of vederen. Zij hebben geene<br />
kleeding dan eene zeer gebrekkige bedekking voor de schaamdeelen.<br />
Overigens dragen do mannen eene menigte versierselen,<br />
als halssnoeren, armbanden en gordels meest van rotting, grassoorten,<br />
kasuaris-vederen en varkenstanden vervaardigd; ook<br />
branden zij zich met houtskool figuren op de bovenarmen, de<br />
schouders en de borst. Deze sieraden worden bij do vrouwen<br />
weinig of niet aangetroffen. Zij zijn met pijlen, bogen, lansen<br />
en knodsen gewapend, doch hebben tegen de Nederlanders, die<br />
hen bezochten, geene vijandelijke gezindheid betoond.<br />
Dc bevolking van de Prinses Marianne-Slraat is geheel wild;<br />
zij zwerft door de bosschen rond, nu hier dan daar hare hutten<br />
opslaande. Zij gaan geheel naakt, hebben eene donkerbruine<br />
of blaauwachtig zwarte kleur, zijn niet getatouëerd maar beschilderen<br />
zich het ligchaam en vooral het gelaat met dikke<br />
roode of gele strepen, waartoe zij klei-aarde schijnen te gebruiken.<br />
Voorts dragen zij in de ooren, om den hals en de armen ringen<br />
meest van rotting of biezen, en om de middel eenen drie vingers<br />
breeden gordel uit vezelen van boomschors gevlochten. Zij zijn<br />
gewapend met boog en pijlen en lansen. Bij de weinige ontmoetingen,<br />
welke de Nederlanders met hen hadden, hebben zij<br />
eenen zeer verraderlijken aard aan den dag gelegd.<br />
II. 32
498<br />
ZESDE HOOFDGROEP.<br />
DE RESIDENTIE TIMOR EN ONDERHOORIGHEDEN.<br />
L;:>ÏK HOOFDSTUK.<br />
ALGEMEEN OVERZIGT DEZER RESIDENTIE.<br />
§ 1. Beatanddeelen, ligging, grootte, natuurlijke<br />
gesteldheid en voortbrengselen.<br />
Beatanddeelen, ligging, grootte.<br />
De Residentie Timor en onderhoorigbeden bevat al de Kleine<br />
Soenda-eilanden ten Oosten van P.Rindja (bl. 312); behalve het<br />
Westelijke gedeelte van Flores, dat eene onderhoorigheid van<br />
Bima is en daarmede gerekend wordt tot het Gouvernement van<br />
Cele'bes te behooren (bl. 177 en 305), en het Noordelijke gedeelte<br />
van Timor met P. Kambing t'', hetwelk aan Portugal behoort. Zij<br />
bestaat dus uit:<br />
1°, de grootste Zuidelijke helft van Timor;<br />
2°, de Zuid-Westwaarts daarvan gelegene eilanden i Samaoe<br />
of Samaauw, Kambing Rotti, Landoe, Daoe of Baauw. Boöh,<br />
Noesse', Dana, Ileliana en eenige kleinere.<br />
3°, de Savoe-eilanden, zijnde: Sacoe, Randjoewa of Bendjoar<br />
en LTokki;<br />
4°, Soemba of Tjendana of Sandelhout-eiland ;<br />
5°, de Allor-eilanden, zijnde: Allor of ümbaai, Pantar, en<br />
eenige kleinere;<br />
(') Dit eiland wordt geographisch lot de Wetter-groep gerekend. Zie bl. 375.<br />
( 2<br />
) Wel le onderscheiden van het bovengenoemde P. Kambing.
499<br />
6°, de Solor-eilanden, zijnde: Lomblèm, Adonare of Sabrao,<br />
Solor en eenige kleinere;<br />
7°, het Oostelijke gedeelte van Mores, JEnde geheeten.<br />
De ligging is tusschen 8° 5' (de Noord-Westpunt van Allor) tot<br />
11°5' (P. Heliand) Z.B. en 119° 3' (de Westpunt van Soemba) tot<br />
125°15'(de Oostelijkste punt van ons gebied op Timor) O.L.<br />
Ten Noorden worden deze eilanden bespoeld door de Soenda-<br />
Zee en hare Oostelijke voortzetting, de Zee van Mores; ten Oosten<br />
door de Timor-Zee;<br />
Indisehen Oceaan.<br />
en ten Zuiden door de Timor-Zee en den<br />
De grootte dezer Eesidentie bedraagt volgens MELVILL : O<br />
Het Nederlandsche gedeelte van Timor ( 2<br />
) 352.0 •<br />
Sarnaauw, Rotti en verdere eilanden ten<br />
mijlen.<br />
Zuid-Westen van Timor 29.3 »<br />
De Savoe-eilanden 8.5 »<br />
Soemba 251.8 »<br />
De Allor-eilanden 61.6 »<br />
De Solor-eilanden 39.2 »<br />
Geheel Mores W 300.2 »<br />
tezamen 1042.6 • mijlen.<br />
Natuurlijke gesteldheid en voortbrengselen.<br />
Mores, de Solor- en de Allor-groepen strekken zich bijna in<br />
eene regte lijn Oostwaarts uit van Soembawa tot den Noord-<br />
Westhoek van Timor. en zijn de voortzetting van de eilanden-reeks<br />
(Kleine Soenda-eilanden), die met Bali bij Java's Oosthoek begint.<br />
Zij schijnen slechts één gebergte-systeem uit te maken, hetwelk<br />
met dat van Oost-Java te zamen hangt en slechts door diepere<br />
dalen, welke hier de Straten vormen, gescheiden is. De keten,<br />
(>) Statistieke Kaart inhei Tijdschr .voor Neêrl. Indië, 4849. Hel tractaat<br />
met Portugal in 1859 heefl daarin echter eenige verandering gehragt; doch<br />
eene latere opgave is ons niet bekend.<br />
( 2<br />
) Volgens de opgave van denzelfden Schrijver in den Momteur des Indes,<br />
1846—4847, bedraagt dit gedeelte 561 • mijlen; terwijl het geheele eiland<br />
daar gesteld wordt op 615• mijlen.<br />
( 3<br />
) De grootte van het gedeelte van dit eiland, dat tot het Gouvernement<br />
van Celébes gerekend wordt, is zooverre wij welen nergens afzonderlijk opgegeven.
500<br />
welke al deze eilanden van het Westen naar het Oosten doorsnijdt,<br />
is van dezelfde formatie als in laatstgenoemd gewest en even als<br />
daar met talrijke vulkanen bezet.<br />
Timor en de Zuid-Westwaarts daarvan liggende eilanden schijnen<br />
niet met de vo<strong>org</strong>aande verbonden te zijn maar uit eene<br />
afzonderlijke bergketen te bestaan, die in eene Noord-Oost- en<br />
Zuid-Westwaartsche rigting loopt; zij is ook wel van tertiaire<br />
formatie cn heeft dezelfde hoofdbestanddeelen als op Java [thon-,<br />
zand- en vooral kalksteen), maar is arm aan vulkanen. Ook<br />
Soemba, van welks natuurlijke gesteldheid overigens weinig bekend<br />
is, staat in geen zigtbaar verband met de overige eilanden,<br />
indien het althans niet den schakel tusschen Soembawa , de Savoeeilandcn<br />
en Jlotti uitmaakt; het bestaat gedeeltelijk uit kalk—<br />
gebergte, doch heeft ook ten minste één vulkaan.O<br />
Rivieren van eenig belang worden natuurlijk nergens aangetroffen,<br />
daar de bergketenen overal in de rigting van de lengte-as<br />
der eilanden loopen en niet door aanmerkelijke vlakten worden<br />
afgewisseld. Wel zijn er eene menigte beken en bergstroomen,<br />
doch slechts enkelen daarvan zijn over een klein gedeelte van<br />
hunnen loop bevaarbaar; en terwijl zij in den regentijd dikwijls<br />
overstroomen, droogen velen in den Oostmoeson geheel uit.<br />
Het klimaat en de afwisseling der moesons komen in het<br />
algemeen met die van Oost-Java overeen ; evenwel is de afscheiding<br />
tusschen deze laatsten in het Oosten der Residentie, vooral<br />
op Timor. do<strong>org</strong>aans scherper. Gedurende den Oostmoeson regent<br />
het daar gewoonlijk in 't geheel niet, en de hitte kan op den<br />
middag in de zon tot 125°, en in de schaduw tot 95° F. stijgen.<br />
t\ at de mate van vruchtbaarheid betreft behooren deze eilanden<br />
tot de Tweede Afdeeling (zie D l<br />
. I, bl. 92); en schoon op Timor<br />
in den Oostmoeson de plantenwereld bijna geheel schijnt uit te<br />
sterven, herstelt zij zich bij het aanbreken van den regentijd<br />
met onbegrijpelijke snelheid. De hoofdvoortbrengselen van het<br />
plantenrijk zijn: de Casnarinen (D 1<br />
. I, bl. 204), kokos-, sago-,<br />
lontar- en (/eian^-palmen op alle eilanden; ijzerhout, kajoemejrah-,<br />
kajoe-poeti/i-hoomen en suikerriet, vooral op Timor;<br />
sapan-hout en wilde kaneel, op Flores en Timor; sandelhout, op<br />
Soemba en Timor; en van de cultuurgewassen: djagoeng, rijst,<br />
(') JL'XCHI'HN, Java, enz. Afd. II, Hoofdst. 111, bl.1203.
501<br />
gierst, tarwe, tabak, katoen, kaneel en hengkoedoe (roode verwstof),<br />
aard- en peulvruchten, en velerlei groenten, fruiten en boomvruchten.<br />
In het Portugesche gedeelte van Timor is onlangs de<br />
gedwongene koffij-cultuur ingevoerd.<br />
Het dierenrijk, waarin de groote en verscheurende soorten<br />
ontbreken, heeft: buffels, schapen, geiten, herten, zwijnen, wilde<br />
katten, weinig apen, slangen, krokodillen, leguanen, eene<br />
menigte vogelsoorten, waaronder hoenders, duiven, papegaaijen<br />
en de boeroeng lawit, visschen, vele walvisschen, baaijen, tripang,<br />
schildpad, en parel-oesters, de laatsten aan de Zuidkust van Timor.<br />
Vooral verdienen ook vermelding de paarden van een klein doch<br />
zeer goed ras, welke op al de grootere eilanden gevonden worden;<br />
en van de insecten, honigbijen en witte mieren.<br />
Het delfstoffenrijk is alleen op Timor eenigzins onderzocht en<br />
levert daar: koper, ijzer-ertsen, eenig goud, steenkolen, aardolie,<br />
zwavel, klipzout, toetssteen en slijpsteencn.<br />
§ 2. Bestuur, regts- en krijgswezen; handel en<br />
scheepvaart. Bevolking.<br />
Bestuur, regts- en krijgswezen.<br />
Het burgerlijk bestuur wordt uitgeoefend door eenen Eesident,<br />
die te Koepang op Timor gevestigd is en bijgestaan wordt door<br />
eenen Secretaris, die tevens Kashouder is en als Notaris, Vendumeester<br />
en Ambtenaar van den burgerlijken stand fungeert.<br />
Aan hem ondergeschikt zijn: de Gezaghebber vanBeloe(Midden-<br />
Timor) en de Posthouders te Fialarang, Babauw, Parilti en<br />
Amarassi, allen op Timor; de Gezaghebber der Solor-eilanden,<br />
gevestigd te Larantoeka op Mores, en de Posthouders op de<br />
eilanden Solor, Rotti, Savoe en Allor. Het onmiddellijk Gouvernements-grondgebied<br />
bepaalt zich tot eene kleine uitgestrektheid<br />
in het Zuid-Westen van Timor; overal elders doet ons bestuur<br />
zich slechts middellijk gelden door de Inlandsehe Vorsten en<br />
Hoofden , en berust het op dc met dezen aangegane contracten.<br />
De Europeanen en daarmede gelijkgestelden in deze Residentie<br />
staan wegens belangrijke zaken te regt voor den Raad van<br />
Justitie te Soerabaja. Zaken van minder gewigt van Europeanen<br />
worden afgedaan door het Residents-geregt (den Resident);
502<br />
die van Inlanders, welke Gouverneinents-onderdanen zijn, door<br />
eenen Landraad, zamengesteld uit den Eesident als Voorzitter,<br />
den Secretaris der Eesidentie als Griffier, twee Europesche leden,<br />
twee Inlandsehe Hoofden en den P/jaksa. De regtspleging over<br />
Inlanders buiten het Gouvernements-grondgebied is aan hunne<br />
eigene Vorsten en Hoofden overgelaten, behoudens het verbod<br />
om martelende of verminkende straffen op te leggen.<br />
De krijgsmagt bestaat uit eene garnizoens-kompagnie Infanterie<br />
te Koepang, waarvan detachementen zijn te Atapoepoe op<br />
Timor's Noord-Westkust en te Larantoeka op Mores. Voorts<br />
heeft men op Timor het corps Mardijkers O, en de schutterij uit<br />
Europeanen en hunne afstammelingen zamengesteld; en ook<br />
zijn verschillende Vorsten volgens de met hen geslotene contracten<br />
tot het leveren van hulptroepen verpligt. Het corps Papangers,<br />
bestaande uit Boeginezen, Maleijers, Javanen, Eottinezen, enz.,<br />
dat 250 man sterk doch ongewapend is, kan niet tot de krijgsmagt<br />
gerekend worden; het verrigt nachtwachts-dienst in de hoofdplaats<br />
Koepang.<br />
Handel en scheepvaart; finantiéele uitkomsten.<br />
Omtrent den handel zijn geene officiëele opgaven bekend dan<br />
alleen van Koepang, en niet later dan over het jaar 1856. De<br />
uitvoer bestaat hoofdzakelijk in sandelhout, was, paarden, tripang,<br />
schildpad en vogelnestjes; de invoer in vuurwapenen, kruid,<br />
sterke dranken, lijnwaden, glas-koralen, parange en messen, en<br />
Javaansch blik- en koperwerk. Alle vaartuigen van Nederiandsch-<br />
Indische zeebrieven of jaarpassen voorzien mogen op de verschillende<br />
havens van Timor handel drijven; evenwel worden<br />
alleen te Koepang en te Atapoepoe inkomende regten geheven,<br />
hetgeen aan den handel dier plaatsen niet bevorderlijk is. De<br />
handelsbeweging te Koepang in het jaar 1856 wordt vo<strong>org</strong>esteld<br />
in de volgende tabel.<br />
(') Eigenlijk Mardahéka, dat is Vrije lieden. Dit Corps beslaat sedert 1749<br />
en is zamengesteld uit de afstammelingen van een aantal slaven, die zich in<br />
dat jaar bij een gevecht tegen de Portugezen bij Penfueïk bijzonder verdienstelijk<br />
hebben gemaakt, daarom vrijgelaten en tot eene afzonderlijke krijgsbende<br />
gemaakt zijn; later zijn daar ook vrijgeboren Inlanders bijgevoegd.
503<br />
Vaartuigen en lasten. , Totaal.<br />
Haven. TTTP 7~ " Waarde van<br />
E A R O<br />
P; 1<br />
L N<br />
Lanen. V .Lasten.- i«.„„ in-en uitvoer,<br />
M s l e n<br />
getuigd .getuigd - tuigen. Lasten.<br />
Lang. 40 56291 32 221 72 5850 ƒ124828<br />
Koepang. \<br />
jVerlr. 38 55921 32 221 70 5818 ƒ58183<br />
In de waarde van den uitvoer vertoont zich in dat en de twee<br />
vo<strong>org</strong>aande jaren eene belangrijke vermindering bij vroeger.<br />
In 1853 bedroeg die ruim ƒ152000, en dat was ook het gemiddeld<br />
bedrag der acht vo<strong>org</strong>aande jaren; de oorzaak van die<br />
vermindering wordt niet opgegeven. De gemiddelde waarde van<br />
den invoer heeft weinig verandering ondergaan.<br />
Ook de algemeene linanticele uitkomsten dezer Eesidentie<br />
worden in den laatsten tijd ongunstiger. In 1857, het laatste<br />
jaar waaromtrent die uitkomsten officieel zijn publiek gemaakt,<br />
bedroegen de baten/54736:19 en de lasten ƒ 126327:39; er was<br />
dus een nadeelig verschil van ƒ 71591:18; terwijl over 1856 het<br />
verlies ƒ55737:58, en over 1855 slechts ƒ 50805:10 beliep.<br />
Bevolking.<br />
Volgens het Regeringsverslag over ISbO bedroeg de bevolking<br />
der Eesidentie Timor op het einde van dat jaar:<br />
180 Europeanen,<br />
623 Chinezen,<br />
2 Arabieren,<br />
6341 Inlanders in de Gouvernements-landen op<br />
Timor,<br />
1840000 Inlanders buiten de Gouvernements-landen,<br />
naar gissing.<br />
te zamen 1847146 zielen.<br />
Hieronder waren volgens datzelfde Verslag 2697 Inlandsehe<br />
Christenen. Volgens D r<br />
. BUDDINGH (') waren er in 1855 alleen<br />
ter hoofdplaats Koepang 2450 Inlandsehe Christenen, en bedroeg.<br />
t 1<br />
) Neérlands Oost-Indië. Rehen door D>'. S. A . BUDDINGH, D'. III,.<br />
bl. 293—524.
504<br />
hun getal op Timor 3320, terwijl dat op Botti op 7000 geschat<br />
werd; doch volgens den Zendeling-leeraar DONSELAAR0), wien<br />
men niet verdenken kan dat hij het getal Christenen te gering<br />
zal hebben opgegeven, bedroeg de Christen-gemeente te Koepang<br />
m 1862 slechts 614 zielen, waaronder bijna 200 Europeanen of<br />
Kleurlingen, terwijl in de nabuurschap van de. hoofdplaats nog<br />
373, en in de andere gemeenten 1041 Inlandsehe Christenen<br />
werden gevonden, zoodat de gezamenlijke Christen-bevolking<br />
van dit gedeelte van Timor slechts ruim 2000 zielen telde; en<br />
volgens denzelfden Schrijver bedroeg het getal Christenen op<br />
Botti nog geen duizend. ( 2<br />
)<br />
Bij alle hierboven vermelde cijfers valt op te merken dat<br />
daaronder niet begrepen zijn de bewoners van het Portugesche<br />
gedeelte van Timor, en dus onder de Christenen ook niet dc<br />
Eoomsch Katholijken, die in dat deel des eilands gevonden<br />
worden.<br />
De schatting van het getal der Inlanders buiten de Gouvernements-landen<br />
zullen wij, niet wetende op welke gronden zij<br />
steunt, in hare waarde laten en bij elk afzonderlijk eiland de<br />
sterkte der bevolking opgeven, voor zooverre wij die in andere<br />
bronnen vermeld vinden. Volgens MELVILL ( 3<br />
) bedroeg in 1849<br />
de geheele bevolking der Residentie slechts 1057800 zielen;<br />
en in 1846 werd zij door hem geschat op 1009000 zielen W,<br />
terwijl de bevolking van alle hier bedoelde eilanden, met geheel'<br />
Timor en geheel Mores toen door hem gesteld werd op 1574000<br />
zielen. Bij de twee eerstgemelde cijfers valt echter op te merken<br />
dat ten gevolge van het in 1859 met Portvgal gesloten tractaat<br />
de grenzen van ons gebied verandering hebben ondergaan.<br />
Eene algemeene beschrijving der bevolking is bezwaarlijk te<br />
geven, omdat zij uit zeer verschillende bestanddeelen is zamengesteld.<br />
Behalve de Chinezen toch bevinden er zich eene menigte<br />
andere vreemde Oosterlingen, als Bimanezen, Boeginezen, enz.,<br />
die in het Begeringsverslag onder de algemeene benaming van<br />
O Bel Inlandsehe Christendom en Schoolwezen op Timor. in 186!<br />
door W. M. DOXSELUR ; in de Mededeelingen van wege het Nederlandsche<br />
Zendelinggenootschap, D'. VIII, bl. 24.<br />
( 2<br />
) t.a.p. bl. 52.<br />
( 3<br />
) Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Netrl. Indië, 1849.<br />
i*) Uoniteur des Indes, 1846—1847.
505<br />
inlanders zijn zamengevat, en ook hier en daar met de eigenlijke<br />
Inboorlingen zijn vermengd. Deze laatsten behooren tot den<br />
Alfoerschen stam en komen, wat de hoofdtrekken aangaat, in<br />
voorkomen en levenswijze met de andere vertakkingen van dien<br />
stam overeen. Op sommige eilanden wordt echter ook eene<br />
kroesharige bevolking aangetroffen, die dus sporen van verwantschap<br />
met het Negriten-ras vertoont of misschien wel geheel<br />
daartoe behoort. In het algemeen valt hier op te merken dat<br />
de Inboorlingen van Timor in beschaving bij die der kleinere<br />
meer Westwaarts gelegene eilanden achterstaan.<br />
Eene afzonderlijke vermelding verdienen de zoogenaamde<br />
Zwarte Portugezen, die te Larantoeka in het Noord-Oosten van<br />
Mores en in het landschap Oi/wessi op Timor's Noord-Westkust<br />
worden aangetroffen, en wier oorsprong van het begin der 17 LLC<br />
eeuw dagteekent. Zij zijn Eoomsch Katholijkc Christenen en<br />
stammen af van Portugezen en Inlandsehe vrouwen, die zich<br />
aanvankelijk te larantoeka vereenigden onder het bestuur van<br />
den Portugees JOHAN of GONSALVO D'ORNAY. Deze verplaatste<br />
zich vervolgens met een gedeelte van zijne onderhoorigen naar<br />
Oikoessi, huwde daar met eene dochter van den Vorst van het<br />
naburige landschap Ambenoe, en werd door het Portugeesch<br />
bestuur van Goa erkend als Opperhoofd van Oikoessi en omstreken,<br />
onder den titel van Teninti Generaal. Eenige jaren lateivestigde<br />
zich daar een ander Portugees, DA COSTA genaamd,<br />
die insgelijks met eene Prinses van Ambenoe huwde, en wiens<br />
zoon zich bij den dood van den toen regerenden D'ORNAY in het<br />
bestuur wist te dringen. Sedert dien tijd wordt tot heden de<br />
waardigheid van Teninti Generaal in het nog aan Portugal behoorende<br />
landschap Oikoessi beurtelings door een afstammeling<br />
uit die twee geslachten bekleed. Op Mores zijn de Zwarte Portugezen<br />
thans aan het Nederlandsch gezag onderworpen. (')<br />
(>) Over de oorlogen in de n°e en 18
506<br />
TWEEDE HOOFDSTUK.<br />
HET EILAND TIMOR.<br />
§ 1. Ligging, grenzen, grootte, natuurlijke gesteldheid.<br />
Ligging, grenzen, grootte.<br />
Timor, het Oostelijkste en grootste der Kleine Soenda-eilande<br />
ligt in eene Noord-Oost- en Zuid-Westwaartsehe rigting tusschen<br />
8°20'tot 10°26'Z.B. en 123°30'tot 127°14'O.L. O<br />
Het wordt ten Westen, Zuiden en Oosten bespoeld door een<br />
gedeelte van den Indischen Oceaan, hetwelk hier de Timor-Z<br />
genoemd wordt, en ten Noorden door het Zuidelijkste gedeelte<br />
der Banda-Zee. Van Rotti wordt het gescheiden door Straat<br />
Rotti, van Samaauw door Straat Samaauw. van Allor door Str<br />
Ombai, en van Wetter door eene Straat, die, zooverre ons bekend<br />
is, geen bijzonderen naam draagt maar, met hetzelfde regt als<br />
de beide vorige, Straat Wetter kan genoemd worden.<br />
De grootte van Timor bedraagt volgens MELVILL 613 • mijlen.<br />
Eene andere, ook door VETH medegedeelde, opgave waarbij die<br />
grootte op slechts 418 • mijlen gesteld wordt, is blijkbaar veel te<br />
laag, gelijk eene oppervlakkige meting op de Kaart genoegzaam<br />
bewijst.<br />
Natuurlijke gesteldheid.<br />
Timor wordt in zijne geheele lengte door eene bergketen doorsneden,<br />
die zich bijna overal tot aan de kusten uitstrekt, in het<br />
midden des eilands hare grootste hoogte bereikt doch, zooverre<br />
bekend is, slechts op enkele plaatsen boven de 6000 v'. stijgt.<br />
Het midden-gedeelte van dit gebergte bestaat hoofdzakelijk uit<br />
kalksteen, zandsteen en thonschiefer; uit den eersten bestaan de<br />
hoogste toppen, die over het algemeen steil, zeer ruw van vorm<br />
en door diepe kloven gespleten zijn; deze toppen worden door<br />
de Inboorlingen Batoe (d. i. Batoe, rots, klip) genoemd. Meer<br />
(') ln den Algemeenen Atlos van Nederlandsch Indië is op den rand<br />
der Kaart van de Ooslerhelft der Residentie Timor in de opgave der lengtegraden<br />
eene fout van juist 20°.<br />
Volgens D'. S. MULLER, Reizen en onderzoekingen in den Indischen Archipel,<br />
ligi Timor tusschen 8°20' 15" tot 10 c<br />
22' 19"Z.B. en 125°2T24"<br />
lot 127° 0' 52" 0. L.
507<br />
(. naar de kusten gaat dit gesteente over in kalk van oudere en<br />
jongere formatie (Jura- en Muschel-kalk), en op enkele plaatsen<br />
in krijt. Over eene smalle strook aan de Noord-Westkust in het<br />
landschap Ambenoe slrekt zich een conglomeraat uit, dat nog<br />
steeds gevormd wordt uit stoffen., welke door de rivieren afgevoerd<br />
en door een kalk- en zandachtig deeg verbonden worden.. Aan<br />
sporen van vulkanische werkingen ontbreekt het op Timor niet<br />
geheel; het serpcntijn of ophite, een gesteente dat op enkele<br />
plaatsen tusschen den zandsteen voorkomt, schijnt zich slechts<br />
in vloeibaren staat naar boven te hebben kunnen dringen, en<br />
ook de aard- of bergolie, die hier en daar gevonden wordt, is<br />
een vulkanisch product; doch het bestaan van eigenlijke vulkanen<br />
is nog niet boven allen twijfel verheven, en zeker worden er<br />
geene werkende vuurbergen aangetroffen. VALENTYN spreekt van<br />
een uitgedoofden vulkaan in het Noord-Oosten des eilands; ook<br />
zegt men, dat er in het Nederlandsche gedeelte een ontdekt is.<br />
De hoogste bekende toppen zijn: de Alas, nabij de Zuid-<br />
Oostkust in het Portugesche gebied, die op 11500 v'. geschat<br />
wordt; de Lakaan, in het landschap Fialarang, het Noordelijkste<br />
van ons gebied, ongeveer 6000 v*. hoog; de Miomaffo, de<br />
Moetis en de Feli, ten Zuiden van den vo<strong>org</strong>aanden, in het<br />
landschap Sonebait, omstreeks 4500 v*.; de Timaoe of Timoe,<br />
nabij de Noord-Westkust in het landschap Amfoeang, 4000 v 1<br />
.;<br />
en de Leoe of Faioe Leoe, in het Zuid-Westen des eilands, mede<br />
ongeveer 4000 v 4<br />
. hoog.<br />
De rivieren, die ter wederzijde van de bergketen veelal met<br />
sterke kronkelingen afvloeijen, hebben natuurlijk een zeer beperkten<br />
loop en zijn, ook wanneer zij genoegzaam van water<br />
voorzien zijn, door haar sterk verval onbevaarbaar; met uitzondering<br />
van enkele, die tot op eenen geringen afstand boven<br />
haren mond voor kleine praauwen bruikbaar zijn.<br />
De belangrijkste rivieren zijn:<br />
de Koi (Rivier) Soetrana of N.Foele; zij ontspringt op den berg<br />
Miomaffo, neemt aan hare regterzijde de N. Lelo, N. Noemoele,<br />
N. Soepoe, N. Asin en andere bergstroomen op, en valt na eenen<br />
Westwaartschen loop bij Soetrana, in het Zuiden van het landschap<br />
Ambenoe, in zee.<br />
de A r<br />
. Mina; zij ontstaat uit de zamenvloeijing van de<br />
N. Nili of Koper-rivier (Regts) en de N. Noni of N. Bitoi of
508<br />
Goud-rivier (Links). Dc eerste ontspringt op den berg Neffb<br />
of Konaiki in het Oosten van het landschap Amfoeang; dc<br />
laatste op den Fatoe Leoe. Dc N. Noni vormt de Zuid-Westelijke<br />
grensscheiding van Amfoeang. en na hare vereeniging met de<br />
N. Niti is zij, onder den naam van N. Mina, de Zuidelijke grens<br />
van dat landschap, cn valt aan de Westkust in zee.<br />
de Rivier van Koepang of N. Mino, in de Zuidpunt des eilands.<br />
Zij heeft slechts een zeer beperkten, Noord-Westwaartschen loop,<br />
doorstroomt de hoofdplaats Koepang en valt daar met een wijden<br />
mond in de Baai van dien naam.<br />
De voornaamste baaijen zijn :<br />
de Baai van Koepang, in het Zuid-Westen des eilands; zij<br />
is zeer ruim en veilig, en heeft eene afwisselende diepte van<br />
6 tot meer dan 30 vadem. In deze baai liggen de kleine eilandjes<br />
P. Boeroeng, P. Tikoes en P. Kira.<br />
de Baai van Barata of Bolerata, eene ruime en vrij veilige<br />
baai in het Noorden van het landschap Koepang, tusschen de<br />
kapen Koeroes en Barata (bl. 509).<br />
de Toelang Ikan-baai, in het Noorden van het landschap<br />
Ambenoe, met eene diepte van 20 vadem, doch tegen het Westen<br />
geheel open.<br />
de Baai of liever Reede van Atapoepoe. in het Noorden van<br />
het landschap Fialarang, 25 tot 30 vadem diep, doch mede<br />
tegen het Westen geheel open.<br />
De Baai van Billi, aan de Noordkust, bij de Portugesche<br />
hoofdplaats; zij wordt voor de beste haven van Timor gehouden,<br />
hoewel het binnenzeilen voor vreemdelingen gevaarlijk is wegens<br />
de droogten, welke zich aan beide zijden bevinden.<br />
Daarenboven biedt vooral de Noord-Westkust eene menigte<br />
geschikte reeden en ankerplaatsen aan, waarvan door handelaren<br />
menigvuldig gebruik wordt gemaakt om het betalen der inkomende<br />
regten te Koepang en Atapoepoe te ontduiken.<br />
Aan Kapen is het eiland zeer rijk. De voornaamste met name<br />
bekende zijn :<br />
aan de Noord-Westkust:<br />
T. Moubara, op 8° 38' Z.B.<br />
T. Parimbata, op 8°43'.<br />
T. Batoe Gedeh, op 8° 57'.<br />
Deze drie zijn op Portugeesch grondgebied.
508<br />
T. Atapoepoe, op 8° 5 8' Z.B.<br />
T. Batoe Boetih, op 8° 59'.<br />
Kaap Hornay, ten Noorden van de Toelang Ikan-baai, op 9° 11'.<br />
T. Batoe Mejrah, ten Zuiden van dezelfde baai, op 9° 17'.—<br />
4° Zuidelijker ontlast zich de N. Soetrana.<br />
aan de Westkust:<br />
T. Gemok of Varkenshoek. op 9° 28'Z.B.<br />
T. Mae, op 9° 36'. Nagenoeg in het midden tusschen deze<br />
beide Kapen ontlast zich de N. Mina.<br />
T. Koeroes, op 9°47'aan den Noordelijken ingang van de<br />
Baai van Barata.<br />
T. Barata of Bolerata, op 9° 53', aan den Zuidelijken ingang<br />
van evengenoemde baai.<br />
T. Sitfiana of Kabaka, op 9° 56'.<br />
T. Pakoela, aan den Noordelijken ingang van de Baai van<br />
Koepang, op 10° 4'.<br />
T. Balmoetoeng. aan den Zuidelijken ingang van dezelfde baai,<br />
op 10° 11'.<br />
aan de Zuid-Oostkust:<br />
T. Oisina, de Zuidelijkste punt des eilands, op 10° 26' Z.B.<br />
T. Batoe Poelih, op 10° 17'.<br />
T. Noi Mina, op 10° 5', waar zich ook een klein riviertje<br />
van denzelfden naam ontlast. Tusschen de beide laatstgenoemde<br />
Kapen liggen op geringen afstand van de kust parelbanken.<br />
De Noord-Oostpunt, in het Portugesche gebied, op 8° 24'Z.B.<br />
en 127° 14' O.L.<br />
De luchtsgesteldheid en de belangrijkste voortbrengselen van<br />
Timor zijn reeds vermeld op bl. 500.<br />
\ 2. Staatkundige verdeeling, bestuur, voornaamste<br />
plaatsen.<br />
Verdeeling in Nederlandsen en Fortugeesch grondgebied.<br />
De kleinste Noordelijke helft van Timor met het daarbij gelegene<br />
P. Kambing is thans de eenig overgeblevene bezitting der<br />
Portugezen in den Indischen Archipel. De juiste grenzen tusschen<br />
hun grondgebied en het onze zijn eerst vastgesteld bij een tractaat,<br />
gesloten te Lissabon den 20 April 1859, en afgekondigd in het<br />
Nederlatidsch Staatsblad van 1860, n°. 56 (Lndisch Staatsbl., n°.101).
510<br />
Die grenzen zijn: ten Noorden de grenzen, welke Cova (Korea)<br />
van Jnanilo (Bjeoniloe of Djenilo) afscheiden, en ten Zuiden<br />
die welke Suai (Soai) van Lakecune (Lakekoene) afscheiden; dat<br />
is op de Noord-Westkust op 9°, en op de Zuid-Oostkust op<br />
omstreeks 9° 40'Z.B. Tusschen deze punten volgt de grens, in<br />
eene zeer onregelmatige lijn, de grenzen der tegen elkander<br />
liggende Nederlandsche en Portugesche staten. Deze staten of<br />
landschappen zijn van het Noorden af, op Nederlandsch grondgebied:<br />
Juanilo (Djenilo), Silawang, Fialarang, Lamaksanulu<br />
(Lamaksanoeloe), Lamakané, Nailimu (Naitimoe), Manden, Dirrua<br />
en Lakecune (Lakekoene); en op Portugeesch grondgebied: Cova<br />
(Kowa), Balibo, Lamakilu (Lamakitoe), Tafakai, TatumeaW,<br />
Banken, Dacolo (Dakoio), Tamiru Eulalang en Suai (Soai). Al wat<br />
ten Westen van die grenzen ligt is erkend als Nederlandsch, en<br />
al wat ten Oosten er van ligt als Portugeesch gebied, met uitzondering<br />
van twee enclaves ; namelijk: het landschap Maukatar<br />
of Kaloeninéne, hetwelk Nederlandsch blijft en geënclaveerd is<br />
tusschen de Portugesche gewesten Lamakitoe, Tanterine, Follafoix<br />
(Follefait) en Soai; en de landschappen Oikoessi, Noimoeti en<br />
Ambenoe (het laatste voor zooverre daar tot op het sluiten van het<br />
tractaat de Portugesche vlag werd gevoerdt 2<br />
)), welke Portugeesch<br />
blijven en geënclaveerd zijn tusschen de Nederlandsche gewesten<br />
Am/oeang, Sonebait, Natimoe, Loro-Beboki en lusana.<br />
Van alle aanspraken op eenig ander der Kleine Soenda-eHanden<br />
of gedeelten daarvan is bij hetzelfde tractaat afstand gedaan<br />
door Portugal, hetwelk daarvoor van Nederland eene schadevergoeding<br />
ontvangen heeft ten bedrage van ƒ200000.<br />
Enkele bijzonderheden omtrent het Portugesche gedeelte<br />
van Timor. ( s<br />
)<br />
Het gedeelte van Timor, ten Noorden van de hierboven opgegevene<br />
grenzen, is ten allen tijde bijna geheel onder Portugeesch<br />
(') De Kaart van VERSTEEG heeft, zoo wij meenen, teregt Fatoemea of<br />
Fatoemei.<br />
( 3<br />
) Derhalve is Soetrana, nabij de Zuidelijke grens, waarschijnlijk Neder<br />
landsch gebleven, dewijl daar sedert 1817 de Nederlandsche vlag gevoerd is.<br />
( 3<br />
) De belangrijkste ons bekende bijdrage tol de kennis van dit gedeelte<br />
van Timor is de Résumé historique de l'établissement Portugais d Timor,<br />
door den legenwoordigen Gouverneur AFFONSO DE CASTRO geplaatst in hel<br />
Tijdschrift voor Indische taai-, land- en volkenkunde, üb XI, bl. 465.
511<br />
gebied geweest, en aan de Nederlanders is daarvan slechts zeer<br />
weinig bekend. Behalve de straks genoemde grensgewesten zijn<br />
langs de Noord-West- en Noordkust de voornaamste bekende<br />
landschappen : Batoe Gedeli, grenzende aan Koioa; Monbara, dat<br />
vroeger eene Nederlandsche bezitting was, doch die ons sedert<br />
vele jaren door de Portugezen werd betwist en bij het tractaat<br />
definitief aan hen is afgestaan; Manatoetoe of Mantotte; Lamsana;<br />
en Laga. In het Noord-Oostelijke gedeelte des eilands strekt<br />
zich, ook over het binnenland, het voormaals groote rijk Loeka<br />
uit, dat echter thans (even als wij dit later omtrent andere rijken<br />
zien zullen) in een groot aantal kleine staatjes gesplitst is, wier<br />
Vorsten bf geheel niet meer of nog slechts flaauw de suprematie<br />
van den Lio-Bai of Keizer van Loeka erkennen, wiens eigen<br />
gebied nu tot eenen kleinen omvang beperkt is. (')<br />
De hoofdplaats der Portugezen is Billi, Belhi of Bellei,<br />
gelegen op de Noordkust op 125° 38' aan eene baai, die de<br />
beste haven van het eiland schijnt te zijn, en door een fort<br />
beschermd. Het is de Residentie van den Gouverneur, en eene<br />
niet zeer welvarende handelplaats, die den naam heeft van zeer<br />
ongezond te zijn. Behalve enkele steenen gebouwen zijn de huizen<br />
van hout en met bladeren gedekt. Het garnizoen is klein en<br />
bestaat voor een goed gedeelte uit Inlanders en Zwarte Portugezen;<br />
het wordt gekommandeerd door een Kolonel. —, In den omtrek<br />
van Billi liggen uitgestrekte steenkolen-lagen.<br />
(') DE CASTRO zegt dat het Portugesche gebied acht-en-veertig staatjes telt,<br />
namelijk: Ambeno, Alias, Alsube, ISibtluto, Bibieo, Barique, Balibo,<br />
Boiboti, iiibissiipo, Lairichi, Ldiman , Lailaco, Looa, Lulubaba, Denbate,<br />
Dailor, Dóte, Tunar, Tuüacnr, Taluró, Tulumurló, Toulan, Hira, Hermèra,<br />
Lacló, Laicure , Lalcia, Lucluta, Limian, Liquicu, Laclubar, Luca,<br />
Manalutn, Molnhes, Moulmra, Manufdc, Hahubo, ükussi, Raimean,<br />
larau, Suai, Saniro, Turiscae, Sululuro, Venilale, Viqucque en Vemasse.<br />
In hoeverre deze, grootendeels alfabetische, opgave juist is kunnen wij niet<br />
beslissen; maar het valt dadelijk in het oog dat zelfs de meeste der in het<br />
Tractaat vermelde grensgewesten er niet in voorkomen.<br />
Overigens vermoeden wij in deze opgave, waarschijnlijk ten gevolge van<br />
onduidelijk schrift, eenige drukfouten : Lairichi, Laiman, Lailaco, Lova en<br />
Lutubnba, zal moeten zijn : Cairichi, Cnnnan, Cailaco, Cova en Cutububa:<br />
voor Tunar, Tuilacar, Taluró, TatUmarió en Toulan, zal moeten gelezen<br />
worden : Funar, Fuilacar, Faturó , Fulurnartó en Foulan; Larau moet<br />
misschien Sarau zijn, en Manufuc zeker iianufai.— Vemasse of Waimassoi<br />
draagt ook den naam van Adé of Adi.
512<br />
Voorts zijn de belangrijkste plaatsen:<br />
langs de Westkust:<br />
Soetrana (zie bl. 510, Noot ( 2<br />
)), Oinoenoe, Batoe Mejrah en<br />
'Hoelang Ikon, allen in bet landschap Ambenoe^; Oikoessi, Lifouie<br />
en Mena, in het landschap Oikoessi^; Batoe Gedeh en Monhara,<br />
in het Noordelijke gedeelte,<br />
langs de Noordkust:<br />
Melinaroe, Manatoeloe, Lamsana, Laga, Asserao, Laoling,<br />
Ouie en Laimode.<br />
Dc voornaamste voortbrengselen van den landbouw zijn:<br />
djagoeng, rijst en thans ook koffij. De artikelen van uitvoer zijn<br />
vooral sandelhout, paarden en was; van deze en alle andere<br />
voorwerpen moeten uitgaande rcgten betaald worden , ten bedrage<br />
van 5 pC'. van de waarde. Niet-Portugesche vaartuigen mogen<br />
nergens anders dan te Billi handel drijven; aan hen is verboden<br />
de invoer van kruid, wapenen, zout, zeep, sterke dranken,<br />
blaauwe lijnwaden, ijzerwerk, kleedingstukken en eenige andere<br />
voorwerpen, van welke het monopolie is overgelaten aan eene<br />
te Billi opgerigte handelmaatschappij. Goederen van vreemden<br />
oorsprong en met vreemde schepen ingevoerd betalen een inkomend<br />
regt van 24 pC; die van Portugeschen oorsprong een<br />
regt van 15 tot 20 pO.<br />
De sterkte der bevolking van dit gedeelte des eilands is in<br />
Portugesche opgaven wel eens op 900000 zielen gesteld; een<br />
cijfer, dat buitensporig veel te hoog is, althans als men eenige<br />
waarde hecht aan alle andere opgaven, waaronder wij er geene<br />
hebben gevonden, die de bevolking van geheel Timor hooger<br />
dan 800000 zielen schat. DE CASTRO, hoewel erkennende dat<br />
(') Het landschap Ambenoe grenst ten Zuiden aan de Nederlandsche gewestén<br />
Amfoeang en Sonebait, van welk laatste het gescheiden wordt door<br />
de rivier Noi Foele (bl. 501), cn ten Noorden aan de Portugesche gewesten<br />
Oikoessi en Noimoeti. Het heeft nagenoeg den vorm van eenen driehoek,<br />
welks basis is de kust, van een weinig len Zuiden van de rivier Soetrana<br />
tot aan Kaap Bornaij (bl. 509), en welks tophoek eindigt in den diep in het<br />
binnenland gelegenen berg iliomaffo.<br />
{•) Oikoessi wordt ten Zuiden door Ambenoe begrensd, ten Oosten door<br />
Noimoeti, en ten Noorden door de Nederlandsche gewesten Loro-Beboki<br />
en lnsana. Noimoeti grenst mede ten Zuiden aan Ambenoe, ten Westen aan<br />
Oikoessi en Insaiiu, en ten Noorden en Noord-Oosten aan de Nederlandsche<br />
gewesten Lidak en Noilimoe.
513<br />
verscheidene staatjes zeer weinig bekend zijn, verklaart dat men<br />
zelfs met de ruimste berekening de bevolking van Portugeesch<br />
Timor niet tot 150000 zielen brengen kan; en dat, daar dit gedeelte<br />
sterker bevolkt is dan het Nederlandsche, het zielental<br />
van het geheele eiland geene 300000 kan bedragen. De bijzonderheden<br />
omtrent deze bevolking zullen hieronder met die<br />
van het geheele eiland worden behandeld.<br />
P. Kambing, dat geographisch tot de Wetter-groep gerekend<br />
wordt, ligt op 125° 37' O.L. en 8° 15' Z.B. regt tegenover de<br />
Portugesche hoofdplaats Billi en omstreeks vijf mijlen daarvan<br />
verwijderd. Het is een zeer klein, heuvelachtig eiland, dat zijne<br />
waarde alleen schijnt te ontleenen aan zijne ligging, die het tot<br />
den sleutel van Billi zoude kunnen maken, waarom ook Portugal<br />
bij het tractaat van 1859 geweigerd heeft het aan Nederland<br />
af te staan. De weinig talrijke bevolking wordt gezegd zeer<br />
woest te zijn en zich te kleeden met de huiden der herten of<br />
geiten, welke het eiland in menigte oplevert.<br />
Hoezeer het bestuur over de Portugesche bezittingen is op<br />
gedragen aan eenen Gouverneur, oefent deze inderdaad alleen<br />
gezag uit te Billi, Batoe Gedeh en Manatoetoe; overal elders<br />
berust dit bij de Badja's, of eigenlijk bij de Ballo's {Batoe's?),<br />
aan wie ook de regtspleging geheel is overgelaten. De Radja's<br />
of Vorsten worden in elk staatje door de Itijksgrooten uit het<br />
regerend stamhuis gekozen en door den Gouverneur bevestigd,<br />
bij welke gelegenheid zij den rang en titel van Kolonel verkrijgen'<br />
die ook aan de regerende Vorstinnen gegeven worden. Elk staatje<br />
is verdeeld in Succo's (Soekoe's), aan wier hoofd de Ballo's staan,<br />
die de bevelen van den Radja ontvangen door middel van den<br />
Luitenant Kolonel des Rijks (Minister?) doch daaraan slechts<br />
gevolg geven voor zooverre zij goed vinden en inderdaad een<br />
willekeurig gezag uitoefenen. Overigens hebben alle rijksbe<br />
ambten militaire rangen, en de Vorstelijke personen ook dikwijls<br />
den Portugeschen adellijken titel Bon.<br />
Oikoessi, de hoofdzetel der Zwarte Portugezen, schijnt niet<br />
onder het bestuur van den Gouverneur van Billi maar alleen<br />
onder dat van den Teninti Generaal te staan (bl. 505); het<br />
voert echter de Portugesche vlag en erkent het oppergezag van<br />
dat rijk.<br />
tt 35
514<br />
Alle aan Portugal onderhoorige rijkjes zijn verpligt tot het<br />
opbrengen van eene jaarlijksche schatting, jinta geheeten.<br />
De geregelde troepen bestaan uit het boven vermelde garnizoen<br />
van BUIL, 130 man sterk, waaronder 60 Europeanen, van welke<br />
er 20 Artilleristen zijn. Voorts heeft men te Billi, Batoe Gedeh<br />
en Manatoetoe corpsen ongeregelde troepen, Moradores genaamd,<br />
op de hoofdplaats 600 op de beide andere ongeveer 70 man<br />
sterk. Het zijn Timorczcn, op de inlandsehe wijze gekleed en<br />
met geweren gewapend. De Kommandanten dezer drie corpsen,<br />
die even als hunne andere Officieren door den Gouverneur benoemd<br />
worden, hebben den rang en uniform van Portugeesch<br />
Majoor. Deze troepen betrekken de wachten, doen politie-diensten<br />
en kunnen ook in geval van nood mobiel gemaakt worden; zij<br />
zijn zeer slecht afgerigt cn gedisciplineerd.<br />
Voorts is li elk staatje een corps ongeregelde troepen, die<br />
op dezelfde wijze gekleed en gewapend zijn, maar geen bepaalden<br />
naam dragen. Zij doen in tijd van vrede geene dienst, behalve<br />
dat zij tot lijfwacht dienen bij den Gouverneur wanneer deze<br />
zoodanig rijkje bezoekt.<br />
Het Nederlandsche gedeelte van Timor.<br />
Het aan Nederland onderhoorige gedeelte van Timor is te<br />
onderscheiden in het Gouvernements-grondgebied en het Grondgebied<br />
der Inlandsehe Forsten.<br />
a. Het Gouvernements-grondgebied.<br />
Het Gouvernements-grondgebied bevat het grootste gedeelte<br />
van het voormalige rijk van den Eadja of Vorst van Koepang,<br />
in 1613 door dezen met zijne hoofdstad aan de O. I. Compagnie<br />
afgestaan. Het is eene niet zeer breede strook lands rondom de<br />
Baai van Koepang, langs de kust zich uitstrekkende van T. Koeroes<br />
tot aan Bolk, eene Rottinesche volkplanting tegenover het midden<br />
van Straat Samaauw op 10° 17' Z.B., en binnen 's lands begrensd<br />
door de landschappen of staatjes Takaip, Manoebail, Amabi,<br />
Amarassi en het overschot van het eigen gebied van den Vorst<br />
van Koepang, hetwelk zich bepaalt tot een klein gedeelte van<br />
Timor's Zuidpunt! 1<br />
). In het Zuiden van dit Gouvernements-<br />
(') Dal, behalve dit kleine gedeelte gronds op Timor, ook het eiland Samaauw<br />
eene onderhoorigheid van den Radja van Koepang is zal later blijken.
— 'limor (September.) Ojrer het algemeen was de gezondheidstoestand<br />
naar we-seh. /cC'f<br />
Op sommige plaatsen heerschte gebrek aan het hoofdvoedsel<br />
der bevolking, djagong; voor hongersnood bestond echter geen<br />
vrees, want daar, waar djagong ontbrak, werden boomvruchten<br />
gegeten.<br />
In het gebied van Amarssi deed de behoefte aan djagong zieh<br />
nog al njjpend gevoelen, en kwam aldaar een kind om. ten<br />
gevolge van hot bezigen van schadelijk voedsel. Ken 50tal pikols<br />
djagong werd van wege het bestuur naar die landstreek gezonden,<br />
om te voorzien in de dringenste behoefte.<br />
Amania Djawa oesprak met den resident de wenscheljjkheid<br />
om in lijn rijk eeno volksverhuizing te bewerkstelligen , ten einde<br />
aan een duizendtal werkbare mannen , die wegens overbevolking<br />
van zijn land daar geene gronden ter bebouwing vinden kunnen,<br />
elders arbeid en een middel van bestaan te verschaffen.<br />
Kerst wilde genoemde radja deze volksverhuizing naar Soemba<br />
doen geschieden, doch na r'rjp beraad met den resident werd de<br />
landstreek Paritti als bestemmings-plaata voor deze 1000 landverhuizer?<br />
gekozen, en werd bepaald , dat ter regeling van deze<br />
zaak , de resident met den radja Amania Djawa , op een nader<br />
te bepalen tijdstip , een bezoek aan deze landstreek zouden brengen.<br />
Dit oord, hoezeer schoon en kennelijk vruchtbaar, is tot dus<br />
ver onbebouwd en verlaten, en de vo<strong>org</strong>enomen landverhuizing<br />
zou dus zeer wenschelijk zijn, vermits zij het uitzigt zou openen<br />
dat genoemde landstreek daardoor to eoniger tijd tot een gewenschtcn<br />
trap van welvaart zou kunnen gebragt worden.<br />
— Sumatra's Westkust. De koffijkultuur levert dit jaar een<br />
bijtonder gunstigen oogst op, vooral in de residentie Padangsche<br />
bovenlanden.
515<br />
grondgebied zijn echter nog kleine stukken gronds ter bewoning<br />
afgestaan aan eenige Vorsten, die naauwer dan andere met het<br />
Gouvernement verbonden zijn, zoo als de Radja's van Amfoeang,<br />
Amabi, Taibenoe en Fonai. Ook heeft de Vorst van het rijk<br />
Sonebaii hier in eigendom de gewcstjes Oepoera en Bakenassi,<br />
gewoonlijk te zamen Klein Sonebait geheeten; hij zelf houdt<br />
hier echter niet zijn verblijf, maar wel doen zulks enkele leden<br />
van zijne familie. Voorts zijn hier ook nog gevestigd eenige<br />
Hoofden van de eilanden Rotti, Savoe en Solor, om het toezigt<br />
te houden over hunne onderhoorigen, die in het eerste vierde<br />
gedeelte dezer eeuw door den Eesident HAZAART als volkplanters<br />
hierheen werden overgebragt tot bewaking der grenzen<br />
tegen mogelijke strooperijen van vijandig gezinde ïimorezen,<br />
tot het bebouwen der hier gelegene voor de rijstteelt uitnemend<br />
geschikte gronden, en tot het verrigten van sommige andere<br />
diensten.<br />
De bevolking van dit gebied wordt gerekend op ruim 7000<br />
zielen, waaronder omstreeks 4000 inboorlingen van de zoo even<br />
genoemde eilanden, eenige honderden Chinezen, en een honderdtal<br />
Europeanen. Ongeveer 2000 hunner zijn Christenen, die de<br />
Hervormde godsdienst belijden (vergel. bl. 504); daaronder behooren<br />
ook de hier gevestigde Radja's en verdere Hoofden. In<br />
beschaving munt dit gedeelte der bevolking ver boven de overige<br />
Ti morezen uit.<br />
Het bestuur berust regtstreeks bij den Resident van Timor en<br />
onderhoorigheden, die tevens Voorzitter van den Landraad is en<br />
bijgestaan wordt door eenen Secretaris, een of meer Kommiezen,<br />
en Posthouders te Babauio en te Barilli.<br />
De hoofdplaats Koepang of Timor Koepang ligt aan de Zuidzijde<br />
der Baai van Koepang, grootendeels in eene vlakte en gedeeltelijk<br />
op de hellingen der omringende heuvels of bergen, en wordt<br />
door de rivier van denzelfden naam doorsneden. Zij heeft eene<br />
bevolking van ongeveer 3500 zielen, waaronder 100 Europeanen,<br />
500 Chinezen en een groot aantal Solorezen en Savoerezen; het<br />
aantal inlandsehe Christenen bedraagt nagenoeg 400. Aan de<br />
linkerzijde van den mond der rivier ligt het fort Concordia, dat<br />
in vervallen staat is en eene bezetting heeft van ongeveer 40 man;<br />
de ligging van dit fort, dat door het omringende gebergte<br />
geheel beheerscht wordt, schijnt ongelukkig gekozen te zijn.
516<br />
Hooger op wonen tan dezelfde zijde hoofdzakelijk alleen Inboorlingen<br />
en Savoerezen. Aan de regterzijde van den mond der rivier<br />
strekt zich langs de Baai eerst de kampong der Chinezen met hun<br />
tempel, dan die der Solorezen uit; op eenigen afstand achter dc<br />
eerstgenoemde ligt het Europesche gedeelte der stad, waarin het<br />
Residentie-huis, de Protestantsche Kerk en eene Gouvernements<br />
lagere school met een Nederlandschen onderwijzer gevonden worden.<br />
Daar achter staat op eenigen afstand de moskee, hoofdzakelijk<br />
ter dienste der Solorezen en andere vreemdelingen. Voorts heeft<br />
men te Koepang nog twee Maleische scholen voor Inlanders, in<br />
1834 gesticht; ook is er een Agentschap der Soerabajnsche Weesen<br />
Boedelkamer. De huizen zijn deels van hout deels van steen<br />
gebouwd en met aiap gedekt; slechts^y#yijgen hebben pannen<br />
daken; hun voorkomen getuigt over het algemeen niet van groote<br />
welvaart. De gewone taal der zamenleving is het Maleisch.<br />
De reede van Koepang is in den Westmoeson onveilig, zoodat<br />
er dan slechts weinig handel gedreven wordt. Overigens zie men<br />
over den handel aldaar, bl. 502.<br />
Oica of Oba, Obsapa, Manili, Batoe Boetik en Taroes liggen<br />
Noord-Oostwaarts van Koepang langs dc Baai; zij zijn grooten<br />
deels bevolkt met Rottinezen, die er den rijstbouw uitoefenen.<br />
Hetzelfde is het geval met<br />
Balautc, dat iets meer landwaarts in aan de Oostzijde der<br />
Baai op 18 palen afstands van de hoofdplaats ligt en jaarlijks<br />
gemiddeld 3000 pikols rijst oplevert. Het heeft eene bevolking<br />
van ruim 2000 zielen en is de verblijfplaats van eenen Neder<br />
landsehen Posthouder. Een goede rijweg loopt van Koepang over<br />
de zoo even genoemde plaatsen naar Babanw; dit is de eenige<br />
weg van dien aard, welke op Timor gevonden wordt. Overal<br />
elders zijn slechts meer of minder goede voet- of paardenpaden.<br />
Noenkoeroes, mede eene Botlineschc volkplanting ten Noord-<br />
Oosten van Babauw.<br />
ölio of Oeileo ligt regt Noordwaarts van Babauw : 15 palen<br />
van Koepang.<br />
Baritti, de zetel van een Nederlandschen Posthouder, op<br />
30 palen afstands van Koepang aan de Noord-Oostzijde der Baai,<br />
is eene vrij aanzienlijke plaats, welker gedeeltelijk Bottinesche<br />
bevolking thans op ongeveer 3000 zielen gesteld wordt.<br />
Selamoe. aan de Noordzijde der Baai, met eene veilige reede.
517<br />
Op alle deze plaatsen vindt men Protestantsche gemeenten, die<br />
nette kerkjes hebben. Deze dienen tevens tot schoolgebouwen,<br />
waarin het onderligt gegeven wordt door Inlandsehe onderwijzers<br />
die veelal door Zendelingen worden opgeleid. Die scholen zijn<br />
door het Nederlandsche Zendeling-genootschap opgerigt en<br />
aanvankelijk bekostigd, doch in 1857 door het Gouvernement<br />
overgenomen cn onder toezigt van de te Koepang gevestigde<br />
Sub-commissie van onderwijs gesteld.<br />
b. Het grondgebied der Inlandsehe Vorsten.<br />
Buiten het Gouvernements-grondgebied is het Nederlandsche<br />
gedeelte van Timor, even als het Portugesche, in een aantal<br />
staatjes of rijkjes verdeeld, welke elk hun eigen Vorst hebben en<br />
meercndeels door verbrokkeling ontstaan zijn uit de twee vroeger<br />
groote rijken Souebait en Waiicikoe-lVaihali, van welke het eerste<br />
bijna geheel Zuid-Timor het andere Midden-Timor besloeg,.en die<br />
nog over sommige der uit hen ontstane staatjes eenige suprematie,<br />
althans in naam, schijnen uit te oefenen. De Vorsten voeren<br />
den titel van Radja, met uitzondering van die van Sonebuil en<br />
Waiw'ücoe-fFaihali, die Lio-Rai heeten, welke titel gewoonlijk<br />
door Keizer of Grootvorst wordt overgezet. De voornaamste van<br />
deze rijkjes zijn langs dc Zuid-Oostkust: Koepang, Amarassi,<br />
Amanoebang, Haitimoe en Waiioikoe-Waihali, van welk laatste de<br />
op bl. 510 vermelde grensgewesten Lakekoene, Birma en Manden<br />
onderdeden schijnen te zijn; langs de Noord-Westkust: Talcaip,<br />
Amfoeang, Lnsana, Lidak en Fialarang, tot welk laatste de grensgewesten<br />
Bjenilo, Sïlawang, Lamaksanoeloe enLamakanéBehooren;<br />
en in het binnenland: Manoebail, Bilai, Sonebait, Noitimoe en<br />
Maukatar of Kaloenine'ne.<br />
Bij deze opgave, welke grootendeels ontleend is aan de Kaart<br />
van VERSTEEG in den Algemeenen Atlas van Nederlandsch Indië<br />
vergeleken met die van S. MULLER, valt echter op te merken:<br />
vooreerst, dat het door onze gebrekkige kennis van Timor onmogelijk<br />
is met zekerheid op te geven of niet sommige landschappen,<br />
die als onderdeelen van rijkjes voorkomen, op zich<br />
zelf staande staatjes zijn ; en ten tweede, dat door de veelvuldige<br />
onlusten tusschen de Vorsten en hunne Bijksgrooteu, waarbij<br />
deze laatsten zich dikwijls als onafhankelijke gebieders van een<br />
gedeelte des rijks opwerpen, telkens verandering in de verdeeling<br />
des lands ontstaat.
518<br />
Omtrent de voornaamste rijkjes worden hieronder eenige bijzonderheden<br />
opgegeven.<br />
Koepang beslaat slechts eene kleine strook gronds op de<br />
Zuidpunt des eilands. Het voornaamste dorp is Klaiba aan de<br />
Zuidkust; verder vindt men er Samiti en Bolk, welk laatste,<br />
aan Straal Samaauw gelegen, eene Rottinesche volkplanting is;<br />
en Benfoëik, vroeger Hanoni geheeten, eene plaats drie uren Zuidoostwaarts<br />
van Koepang, die beroemd geworden is door eene<br />
overwinning der Nederlanders op de Portugezen in 1 749 (bl. 502,<br />
Noot). De geheele bevolking van dit rijkje wordt op 300 zielen<br />
geschat. De Eadja houdt zijn verblijf op het aan hem onderhoorige<br />
eiland Samaauw, dat het belangrijkste gedeelte van zijn<br />
gebied uitmaakt.<br />
Fonai, dat vroeger een vasal-staatje van Koepang was in diens<br />
rijksgebied gelegen, heeft thans een eigen Radja, die in de<br />
nabijheid der hoofdplaats Koepang woont.<br />
Amarassi is eene smalle doch vrij lange kuststreek, welke zich<br />
van Koepang uitstrekt tot aan de Kaap en het riviertje Noi Mina<br />
(bl. 509). De bevolking wordt gezegd 8000 zielen te bedragen.<br />
Het bestaat uit drie Distrikten of landschappen, welke op de<br />
Kaart van VERSTEEG Talba, Boewarain en Houmeen genoemd<br />
worden en elk eenen Radja hebben. Een hunner, die in dc<br />
hoofdplaats Amarassi gezeteld is en den titel van Radja besar<br />
voert, wordt echter als Oppervorst erkend. In die hoofdplaats<br />
is ook een Nederlandsche Posthouder gevestigd.<br />
Amanoebang grenst ten Westen aan het zoo even genoemde<br />
riviertje Noi Mina, ten Noorden aan dc gebergten Moto en<br />
Babenai, en ten Oosten aan Haiiimoe of volgens andere opgaven<br />
aan Amanatong( l<br />
\ welk laatste echter op de Kaart van VERSTEEG<br />
geen afzonderlijk rijkje uitmaakt maar slechts eene plaats is in<br />
Haitimoe gelegen. De bevolking wordt geschat op 12000 zielen.<br />
Het gezag van den Radja, wiens woonplaats Niki-Niki heet,<br />
wordt slechts in een gedeelte van het rijk erkend j in het overige<br />
oefenen eenige Rijksgrootcn, die zich van hem onafhankelijk<br />
gemaakt hebben, het gebied uit. Kwibaai. Karbanoi. Nakaboeloe<br />
Peni, Oeloeke en Manoeniora worden verder als de voornaamste<br />
kustplaatsen opgegeven; binnen 's lands liggen Babenai, Oefoe,<br />
Lassi, Fatoemoeli en andere.<br />
(') Ook volgens de Kaart van MULLER.
519<br />
Haüimoe ligt, volgens VERSTEEG, tusschen Amanoebang ten<br />
Westen, Waiwikoe-Waihali ten Oosten, en door het gebergte<br />
Foeti ten Noorden begrensd, op dc plaats waar volgens MULLER<br />
het rijkje Nenometan ligt. De eenige plaats, welke daarin wordt<br />
opgegeven , is Anamatong, hetwelk volgens laatstgenoemde Kaart<br />
de naam is van een rijkje ten Westen van Nenometan.<br />
/Fniwikoe-Waihali was oorspronkelijk een groot rijk, dat<br />
zich over een aanzienlijk gedeelte van Midden—Timor van de<br />
Noord- tot de Zuidkust uitstrekte doch van tijd tot tijd door<br />
den afval van sommige deelen aanmerkelijk is ingekrompen.<br />
Thans grenst bet eigen gebied van den Lio-Rai ten Zuid-Westen<br />
aan Ilaitimoe (of Nenometan?) en Sonebait, ten Noord-Westen<br />
aan Noilimoe. en ten Noorden aan het Portugesche gebied.<br />
De ons bekende onderdeelen zijn de op bl. 517 vermelde grensgewesten.<br />
Voorname plaatsen zijn langs de kust Waiwikoe en<br />
Waihali, en in het binnenland Manoemoeti, Lakekoene, Seleroea<br />
en Birma.<br />
Takaip grenst ten Zuiden aan het Gouvernements-grondgebied<br />
en aan Maiwebait, en ten Noorden en Oosten aan Amfocang<br />
waarvan het door de Noi Mina (bl. 507) gescheiden is. Voorname<br />
plaatsen zijn Noi Mina aan den mond dier rivier, en Taramano<br />
waar de Noi Niti zich met de Noi Noni vereenigt.<br />
Amfoeang grenst ten Zuid-Westen aan Takaip, ten Zuiden<br />
aan Pilai en Arnabi, ten Oosten aan Sonebait en ten Noorden<br />
aan het Portugesche staatje Ambenoe. Het bestaat uit de gewesten<br />
Amfoeang in het Westen en Sorbian in het Oosten, welke vroeger<br />
afzonderlijke rijkjes waren, even als het binnen dezelfde grenzen<br />
gelegene Taibenoe, hetwelk vroeger een vasal-staatje van Amfoeang<br />
was doch thans een eigen Radja heeft, die op het Gouvernements-grondgebied<br />
bij Koepang woont. De bevolking wordt<br />
geschat op 12000 zielen. Voorname plaatsen zijn Amfoeang en<br />
Noiloi aan de kust, en Lelogame in het binnenland. De Radja van<br />
Amfoeang woont ook niet in het rijk zelf maar op het Gouvernements-grondgebied<br />
nabij de hoofdplaats Koepang.<br />
Lnsana is een klein staatje, dat ten Zuiden aan de Portugeschelandschappen<br />
Oikoessi en Noimoeti, en ten Noorden aan Lidak<br />
grenst.<br />
Lidak of Nera, vroeger een onderdeel van Waiwikoe-Waihali,<br />
is een klein staatje tusschen Lnsana en Fialarang gelegen en ten
520<br />
Oosten door Noitimoe begrensd. De hoofdplaats Lidak. waar de<br />
Eadja zijn verblijf houdt, ligt ver binnen 's lands.<br />
Fialarang, medevroeger een onderdeel van Waiwikoe-Waihali,<br />
grenst teh Zuiden aan Lidak en wordt aan de andere zijden door<br />
het Portugesche gebied ingesloten. Behalve de boven genoemde<br />
grensgewesten Djenilo, Silawang, Lamakmnoeloe en Lamakan<br />
behooren er toe de Distrikten Loro-Beboki, Harnenno en Balibo;<br />
door sommigen worden ook Lidak en Noitimoe (ten Oosten van<br />
Lidak en ten Noorden van Noimoeti gelegen) onderdeelen van<br />
Fialarang genoemd; terwijl weder anderen Djenilo als een afzonderlijk<br />
rijkje opgeven. Zeker is het dat elk van deze gewesten<br />
een eigen Eadja heeft; maar hoe de verhouding is tusschen die<br />
Vorstjes cn het bestuur van Fialarang kunnen wij niet opgeven,<br />
en evenmin of zij zich nog eenigzins om het opperbewind van<br />
Waiwikoe-Waihali bekreunen.— Het eigenlijke rijk Fialarang.<br />
dat het Noord-Oostelijke gedeelte van dit gebied inneemt, is<br />
gesplitst in twee deelen elk met eenen Eadja, die als de Groote<br />
en de Kleine Radja onderscheiden worden. De landschappen<br />
Fialarang, Lidak en Noitimoe zijn, zooverre bekend is, van geheel<br />
Timor de rijkstcn aan koper. — Te Atapoepoe, in het landschap<br />
Djenilo aan de kust gelegen, is de Nederlandsche Gezaghebber<br />
van Midden-Timor gevestigd; ook bevindt zich daar een vrij<br />
aanzienlijke militaire post. Te Fialarang, de binnen 's lands<br />
niet ver van de Portugesche grenzen gelegene hoofdplaats<br />
des rijks, is een Posthouder geplaatst. Langs de kust vindt<br />
men verder de plaatsen: Djenilo en Oitoena, ten Noorden van<br />
Atapoepoe; Folgerita, Sapiboel, Barboeli en Loro-Beboki, ten<br />
Zuid-Westen van die plaats.<br />
Manoebait, vroeger eene onderhoorigheid van Sonebait, is een<br />
klein gewest ingesloten tusschen het Gouvernements-grondgebied,<br />
Takaip. Bitai en Amabi. De bevolking wordt op 3000 zielen<br />
geschat.<br />
Bitai is een klein landschap ten Zuiden van Amfoeang, waarvan<br />
ons geene verdere bijzonderheden bekend zijn.<br />
Amabi is een vrij groot rijk, grenzende ten Zuiden aan<br />
Amarassi, ten Westen aan het Gouvernements-grondgebied en<br />
Manoebait, ten Noorden aan Amfoeang, en ten Oosten aan Sonebai<br />
en Amanoebang. Het bestaat uit de landschappen Oifetto, Naima<br />
tan en Naikenmeo. De bevolking wordt geschat op 12000 zielen.
521<br />
Pe Radja woontop het Gouvernements-grondgebied nabij Koepang.<br />
Wij vinden ook nog melding gemaakt van een tweeden Vorst<br />
van minderen rang, aan wien bepaaldelijk het bestuur deikrijgszaken<br />
is opgedragen en die in het land zelf woont; hiermede<br />
is waarschijnlijk gedoeld op een Meoe of krijgshoofd, over<br />
welke betrekking zal gesproken worden op bl. 534.<br />
Sonebait. het overschot van het vroeger groote rijk van dien<br />
naam (bl. 517), is thans ten Westen begrensd door Amfoeang,<br />
ten Zuiden door .Amfoeang en Amabi, ten Oosten door Amanoe<br />
bang, Hailimoe en Waiwikoe-Waihali, en ten Noorden door het<br />
Portugesche gewest Ambenoe, dat zich hier ver in het binnen<br />
land uitstrekt. Men vindt er de landschappen Winoto, Amakono,<br />
Oinoma. Molo of Oimatan, en andere, die elk eenen aan den<br />
Lio-Rai ondergeschikten Radja hebben. In dit rijk vooral vindt<br />
men vele aanzienlijke rotstoppen, zoo als de Molo, de Feti, de<br />
Panai, de Foesi, de Miomaffo, de Neidjan, de Moelis, de Ganapoea,<br />
en andere. Bekende plaatsen zijn : Noikakei, Loelimeko, Faloeieati,<br />
Neidjan-niolei, enz.<br />
Omtrent het in het Portugesche gebied geènclaveerde rijkje<br />
Maukatar of Kaloeninene is ons niets dan de naam bekend.<br />
Bestuur, regtspleging en verhouding tot het Nederlandsch<br />
Gouvernement.<br />
Gelijk boven reeds gezegd is worden alle deze rijken en rijkjes<br />
bestuurd door Vorsten, die in Sonebait en Waiwikoe-Waihali<br />
den titel van Lio-Rai of Keizer, en overal elders dien van Radja<br />
voeren. Zij hebben onder zich een of meer Rijksgrooten als<br />
Distrikts-hoofden, die in het Timoreesch Siko heeten (in het<br />
Portugesche gebied, dat, gelijk later blijken zal, grootendeels<br />
door een anderen stam bewoond wordt, voeren zij den titel van<br />
Datto of Batoe; zie bl. 513), doch meer onder den aan het<br />
Portugeesch ontleenden titel Fettor (dat in dit geval zooveel<br />
beteekent als: Gouverneur eener Provincie) bekend zijn en<br />
over onderdeelen des rijks het gebied voeren. De Vorsten en<br />
Fettors worden door de gezamenlijke Rijksgrooten uit de rege<br />
rende geslachten gekozen "en door den Resident van Timor<br />
bevestigd. Onder de Pettors staan de Dorpshoofden, die Tamoe-<br />
kong of Tomokong (in het Maleisch Toemenggoeng) heeten. Alle<br />
deze Vorsten en Hoofden, met uitzondering van de weinigen
522<br />
wier magt door den Nederlandschen invloed eenigzins beperkt<br />
is, oefenen elk in zijnen kring een geheel willekeurig gezag uit,<br />
dat volstrekt door geene wetten en ter naauwernood door enkele<br />
oude gebruiken eenigzins bepaald is. Zij beschikken over leven<br />
en dood hunner onderhoorigen, straffen hen met slavernij of<br />
boeten, en dwingen hen tot allerlei willekeurig opgelegde heerendienstcn<br />
en opbrengsten; het onderhouden van de woningen der<br />
Hoofden, het kappen van sandelhout ten hunnen behoeve, en<br />
het als schatting afstaan van een gedeelte der ingezamelde was,<br />
behoort tot de gewone verpligtingen. Niettemin is het volk,<br />
hetzij dan uit vrees of uit eerbied voor hunne hooge afkomst,<br />
zeer aan zijne Vorsten gehecht. Belangrijke zaken worden behandeld<br />
door eenen Baad, zamengesteld uit den Badja en de Rijksgrooten<br />
; in dien Raad voert een Mqfefo of Spreker voor den<br />
Radja het woord.<br />
Aan de Fettors, of in het Portugeesch gebied de Datoe'a, is<br />
ook de regtsbedeeling toevertrouwd ; schoon in sommige gevallen<br />
tot het uitvoeren hunner vonnissen de toestemming van den<br />
Radja een vcreischte is, wordt deze zelden gevraagd. Hoewel<br />
op verscheidene misdrijven de doodstraf staat, wordt deze echter<br />
zelden toegepast, daar het voor de regters voordeeliger is deze<br />
te laten afkoopen of door eene boete te vervangen. In geval van<br />
tooverij (bl. 530) of van overspel met de vrouw van eenen Radja<br />
is echter de doodstraf niet te ontgaan. Is een veroordeelde niet<br />
in staat om de hem opgelegde boete te betalen, dan vervalt hij<br />
tot den slavenstand.<br />
De betrekking der Vorsten tot het .Nederlandsche Gouvernement<br />
wordt bepaald door de met hen geslotene contracten.<br />
Hoewel zij daarbij erkennen, dat hun gebied een deel van<br />
Nederlandsch liidiï uitmaakt, zijn zij toch meer als bondgenooten<br />
dan als leenmannen van ons Gouvernement te beschouwen.<br />
Zij verbinden zich: daarmede en met elkander in vrede en<br />
vriendschap televen; des gevorderd hulptroepen te verschaffen;<br />
geene onderhandelingen of verbindtenissen met andere natiën<br />
aan te gaan; strandroof en slavenhandel tegen te gaan; landbouw,<br />
nijverheid en scheepvaart te beschermen en te bevorderen;<br />
aan gestrande vaartuigen en schipbreukelingen hulp te verkenen;<br />
aan het Gouvernement tegen betaling materialen en arbeiders<br />
te verstrekken, indien dit mogt goedvinden ergens eenen post
523<br />
of eene sterkte op te rigten, waartoe het zich de vrijheid<br />
voorbehoudt. Zoolang zij deze verbindtenissen getrouw nakomen<br />
zal het Gouvernement zich niet met het inwendig bestuur of<br />
de regtspleging over de onderdanen der Vorsten bemoeijen, behoudens<br />
het verbod om martelende of verminkende straffen op<br />
te leggen. (')<br />
Op sommigen van deze bondgenooten, vooral onder de verst<br />
afwonenden, valt echter weinig te rekenen; inzonderheid Manoebait,<br />
Amanoebang en Sonebait laten in dit opzigt veel te wenschen<br />
over. Het getrouwst hebben zich do<strong>org</strong>aans betoond de Vorsten<br />
van Koepang, Amabi, Amfoeang en Taibenoe.<br />
§ 3. Bevolking.<br />
Getalsterkte, afkomst, uiterlijk voorkomen en verdeeling.<br />
Omtrent de sterkte der bevolking van Timor zijn slechts gissingen<br />
op te geven. Om te zwijgen van de boven vermelde<br />
buitensporige opgave van sommige Portugesche berigten en de<br />
eveneens overdrevene schatting van enkele Nederlandsche Schrijvers,<br />
die de bevolking op 800000 zielen stellen, vermelden wij<br />
alleen dat MELVILL haar op 639000 schatte! 2<br />
), EOORDA VAN<br />
ErsiNOi op minder dan 400000 é 3<br />
), DE CASTRO op minder<br />
dan 300000 (bl. 513) en TEMMINCK(') op weinig meer dan<br />
200000 zielen; en dat men dus waarschijnlijk het minst zal<br />
dwalen met het getal 300000 als het vermoedelijk cijfer der<br />
bevolking aan te nemen, van welke dan ongeveer 150000 in<br />
het Nederlandsche gedeelte des eilands zullen wonen. Hieronder<br />
zijn begrepen de op bl. 515 vermelde Eottinesche en andere<br />
volkplanters, een honderdtal Europeanen en hunne afstammelingen<br />
op bet Gouvernements-grondgebied, de Zwarte Portugezen<br />
en een aantal Chinezen, Mangkasaren en Bocginezen, die als<br />
handelaars in de kustplaatsen gevestigd zijn, doch wier aantal<br />
niet bekend is.<br />
(') Met de Radja's van Amabi en Manoebait is dit contract het laatst vernieuwd<br />
in 1860. Zie de Bijlagen der Nederlandsche Staatscourant, 1861,<br />
bl. 792 en 796.<br />
(') Moniteur des Indes, 1846—1847.<br />
( 3<br />
) Handboek der land- en volkenkunde, Boek II, bl. 65.<br />
(*\ Coup d'ail sur les possessions iYeer/andaises, TomeHI, n.163.
524<br />
De Inboorlingen bebooren tot bet Batta-ras en komen in<br />
ligchaains-bouw en gelaats-trekken overeen met sommige Dajaksehe<br />
en Alfoersehe stammen van Borneo en de Molukken.<br />
Zij hebben eene geelachtig bruine huidkleur, die echter niet bij<br />
allen even donker is; dik. zwarten sluik hoofdhaar; een minder<br />
platten neus dan de Maleische stammen ; donkere, vurige oogen;<br />
een vrij grooten mond met tamelijk dikke lippen; en eene middelmatige<br />
grootte, die echter bij de vrouwen betrekkelijk minder<br />
is dan bij de mannen. Volgens hunne overleveringen waren<br />
hunne stamvaders uit den hemel afkomstig (het gewone verhaal<br />
der volken, die hunne afkomst niet kennen) en hebben zich later<br />
volkplanters van de Oost- en Noord-Oostwaarts gelegene eilanden<br />
in het Noord-Oosten van Timor gevestigd en vervolgens over het<br />
geheele eiland verspreid. Deze volkplanters waren afkomstig<br />
uit het gebied van den Sultan van Ternate. waarom de Timorezen<br />
vroeger ook, althans in naam en wanneer hun belang dit medebragt,<br />
het oppergezag van dien Vorst erkenden! 1<br />
'. Over de verwantschap<br />
der Timorezen met de bevolking van sommige Moluksche<br />
eilanden zie men overigens bl. 415 en de Noot aldaar.<br />
De bevolking van Timor is thans te verdeelen in drie hoofdstammen<br />
: de Koepangezen (Aloeli Koepang), de Timorezen (Tok<br />
Timor) en de Belonezen (Erna Weloe of Beid), die echter niet<br />
zoo zeer in kleur en ligchaamsbouw als wel in tongval, kleeding,<br />
wapenrusting en gebruiken van elkander verschillen.<br />
De Koepangezen, een zeer kleine stam, bewonen gedeeltelijk<br />
het voormalige rijk van den Badja van Koepang (het tegenwoordige<br />
Gouvernements-grondgebied) en zijn voorts grootendeels<br />
op het eiland Samaauw gevestigd.<br />
De Timorezen bewonen het overige gedeelte van de Westelijke<br />
helft van Timor en waren vroeger allen, of nagenoeg allen, aan<br />
den Lio-Bai van Sonebait onderworpen, wiens rijk echter thans,<br />
gelijk boven gebleken is, in vele kleine staatjes versnipperd is<br />
die allen aan het Nederlandsch gezag onderhoorig zijn.<br />
De Belonezen zijn de sterkste stam en beslaan de geheele<br />
Oostelijke helft des eilands. Zij waren vroeger gesplitst in twee<br />
(') ft Schoon hel niet blijkt dat de Sultan van Ternate ooit eenige wezenlijke<br />
«magt op Timor heeft uitgeoefend, grondde zelfs deO.I Compagnie hare<br />
n aanspraken op Timor tegenover de Portugezen op den afstand van dat eiland,<br />
•' in 1685 van den Sultan van Ternate verworven. » VETII, Timor. f«t> /
525<br />
groote rijken, dat van Waiicikoe-Waihali cn dat van Loeka,<br />
die elk onder het bestuur van eenen Lio-Rai stonden, doch<br />
thans ook zeer versnipperd zijn, zoodat het eigen gebied der<br />
Lio-Rai's zeer beperkt is en hun gezag in de overige gedeelten<br />
der rijken slechts flaauw of geheel niet geëerbiedigd wordt.<br />
Waiwikoe-Waihali neemt het Westelijke aan de Timorezen grenzende<br />
gedeelte in en behoort thans grootendeels tot de Nederlandsche<br />
gewesten; Loeka beslaat het Noord-Oostelijke deel<br />
des eilands en is geheel onder Portugeesch gezag.<br />
Omtrent de Belonezen is veel minder bekend dan omtrent de<br />
Timorezen. De bijzonderheden, welke hieronder omtrent de bevolking<br />
zullen worden medegedeeld, hebben dan ook vooral op<br />
de laatstgenoemden betrekking; terwijl wij omtrent dc eersten<br />
slechts kunnen mededeelen wat ons door DE CASTRO is berigt.<br />
Woningen, kleeding, wapenen.<br />
De huizen zijn niet op palen maar onmiddellijk op den grond<br />
gebouwd. Die der gewone volksklasse hebben nagenoeg den vorm<br />
van een bijenkorf van drie of vier el hoogte en nog geringere<br />
doorsnede; zij bestaan uit een houten geraamte met alang-alang<br />
of palmbladeren bekleed en zijn eigenlijk alleen daken, die zonder<br />
wanden op den grond staan. De wouingen der Vorsten en Grooten<br />
zijn eenigzins ruimeren vierkant; zij hebben uit bamboe vervaardigde<br />
wanden, die weinige voeten hoog zijn, terwijl het stevige<br />
houten dakgeraamte, ook met palmbladeren oi alang-alang gedekt,<br />
op vier stijlen rust. Vensters zijn er niet in; de eenige opening<br />
is de deur, die tevens uitgang verleent aan den rook der bijna<br />
altijd brandende haardstede. Het huisraad bestaat hoofdzakelijk<br />
uit een paar matjes om op te slapen, eenige aarden potten,<br />
Chineesch porceleinen kommen en borden, drinkbekers van kokosnoten<br />
vervaardigd, hoornen eetlepels, en doozen en mandjes van<br />
palmbladeren gevlochten.<br />
De gewone kleeding der mannen bestaat uit twee stukken<br />
lijnwaad, elk omstreeks twee Nederlandsche ellen lang en ongeveer<br />
half zoo breed; het eene wordt om de heupen geslagen en<br />
hangt tot op de voeten neder; het andere, dat als een mantel om<br />
de schouders geslagen wordt, bedekt het bovenlijf, doch wordt<br />
op het warmste gedeelte van den dag veelal als eene wrong<br />
om de lendenen gewonden. Deze katoenen, door de vrouwen
52G<br />
gewevene, doeken zijn wit met breede roode randen, in welke<br />
randen dikwijls nog strepen of bloemen van andere kleuren zijn<br />
aangebragt. Het lange haar wordt met een breeden band hoog<br />
opgebonden in eenen bundel en met een bamboezen kam vast<br />
gehouden. De Koepangezen dragen een doek om het hoofd.—<br />
De vrouwen hebben veelal de gewone sarong, maar somtijds<br />
ook soortgelijke kleediugstukken als de mannen. De vrouwen<br />
der aanzienlijken dragen bij feesten behalve de sarong een wit<br />
katoenen buisje met lange mouwen. Het haar wordt naar boven<br />
gestreken, op het achterhoofd in eene wrong gedraaid en met<br />
een sandelhouten kam vastgehecht; bij feestelijke gelegenheden<br />
wordt daarover ook wel een roode of gele doek met gouden of<br />
zilveren sieraden gedragen.— Beide geslachten dragen als<br />
sieraden om de armen ringen van koperdraad, ivoor of zilver; in<br />
de ooren snoeren van glas-koralen of houten pennen met kwasten<br />
van zwart paardenhaar of rood geverwd bokkenhaar; en om<br />
den hals snoeren van gouden balletjes of dof-gele glas-koralen,<br />
moetisala genaamd, die van Chineschen oorsprong schijnen te<br />
zijn en thans niet meer worden aangevoerd. Voorts dragen allen<br />
aan eenen band over den linkerschouder eenen zak, waarin zich<br />
de ingrediënten voor het «iWA-kaauwen, een eetlepel, een drink<br />
beker, een spiegeltje, een fluitje, een slijpsteen, en een aantal<br />
amuletten ter beveiliging tegen ziekten cn gevaren, bevinden.<br />
De Meoe's, over welke personen men zie bl. 534, dragen om<br />
het benedenlijf dcu gewonen Timoreschen doek slechts tot aan<br />
de knieën afhangende en om het bovenlijf een chitsen of rood<br />
lakensch vest zonder mouwen; om het hoofd een bonten doek<br />
aan de randen met gouden loovertjes bezet, of eene hooge muts<br />
van palmbladeren met witte doekeu omwonden, van welke ter<br />
wederzijde een aantal linten van verschillende kleuren afhangen;<br />
in de ooren de hier boven vermelde pennen; om de armen<br />
zilveren of ivoren ringen; en wanneer zij een vijandelijk men-<br />
schenhoofd hebben bemagtigd, bekomen zij daardoor het regt<br />
hunne tanden met zilveren of gouden plaatjes te overtrekken en<br />
om de beenen boven de enkels eene reep bokkenvacht te winden.<br />
Het zwaard dragen zij bijna horizontaal digt onder den linker<br />
arm; aan het gevest hangt een bos rood geverwd bokkenhaar,<br />
aan de schede een aantal belletjes en witte en roode linten, terwijl<br />
aan de punt der schede eene lange regt opstaande rotting bevestigd
537<br />
is, die boven het hoofd van den drager uitsteekt cn aan het<br />
uiteinde met zilveren punten, rood bokkenhaar en papegaaijenvederen<br />
prijkt; deze rotting wordt echter onder het gaan somtijds<br />
gemakshalve van achteren tusschen het kleed gestoken. Rijke<br />
Meoe's dragen dikwijls ook groote gouden platen op de borst en<br />
den rug en aan de muts en het zwaard. Ook de hals, het<br />
hoofdstel en de toom van hun paard zijn met belletjes, gouden<br />
plaatjes en andere ornamenten versierd.— Ook de Jsoe paha's<br />
(hond des lands) of herauten, die door den Vorst het land<br />
rondgezonden worden om het uitbreken van eenen oorlog of het<br />
sluiten van vrede aan te kondigen, zijn op dergelijke maar nog<br />
bontere wijze uitgedost.<br />
De Radja's en Grooten, die in den omtrek van Koepang wonen<br />
en in het algemeen veel beschaafder zijn dan hunne binnen 'slands<br />
wonende ambtgenooten, onderscheiden zich ook van dezen door<br />
hunne kleeding. Sommigen hunner dragen eene chitsen kabaai;<br />
doch de meesten kleeden zich op de Europesche, somtijds wel<br />
wat ouderwetsche wijze, veelal in het zwart. De Radja's hebben<br />
als kenteeken hunner waardigheid eenen stok, op welks gouden<br />
knop het Nederlandsche wapen of dat der O.I. compagnie ge<br />
graveerd is.<br />
Oorspronkelijke wapenen zijn zwaarden (soeni of, naar het<br />
Portugeesch, espada) en lansen (aoeni of auni) van welke laatsten<br />
bij de Timorezen de schacht met de kaal geschoren huid van een<br />
buffclstaart, bij de Belonezen met geitenvel overtrokken is; de<br />
Belonezen hebben daarbij pijl en boog en schilden, welke bij de<br />
andere stammen nooit in gebruik schijnen te zijn geweest. Tegen<br />
woordig is echter overal schietgeweer het hoofdwapen. Deze<br />
geweren, meest van Amerikaanschen of Engelschen oorsprong,<br />
bekomen zij van vreemde handelareu en betalen er gaarne eene<br />
waarde van ƒ50 ofƒ60 voor; zij gaan van vader op zoon over<br />
en zijn dikwijls in een zeer slechten staat. Kruid en kogels<br />
verkrijgen zij op dezelfde wijze; in plaats van deze laatsten<br />
gebruiken zij evenwel dikwijls stukjes ijzer of steentjes.<br />
Godsdienst.<br />
De bevolking van het Portugesche gedeelte van Timor belijdt<br />
in naam de Roomsch Katholijke godsdienst; zij is echter geheel<br />
onkundig van hare leerstellingen, en ontvangt ook, behalve
528<br />
misschien op de hoofdplaats, geen godsdienst-onderwijs. De<br />
priesters, die van Goa of Macao derwaarts gezonden worden,<br />
gaan van tijd tot tijd het land rond om te doopen en enkele andere<br />
plegtigheden te verrigten, en doen op de plaatsen waar kerken zijn<br />
de dienst in het Latijn. Deze Christenen zijn dus niets meer dan<br />
gedoopte Heidenen en volgen ook geheel de afgodische gebruiken<br />
der overige bevolking. (')<br />
Op het Gouvernements-grondgebied rondom Koepang wonen<br />
een aantal Hervormde Christenen, in verschillende gemeenten<br />
verdeeld (bl. 503 en 517), die door Zendelingen worden bediend.<br />
Het godsdienst-onderwijs wordt deels door dc Zendelingen zeiven<br />
deels door Inlandsehe onderwijzers gegeven. Dit onderwijs en ook<br />
de dienst zelve geschiedt in het Maleisch. Ook deze Christenen<br />
zijn echter op verre na niet geheel van het Heidensche bijge<br />
loof genezen, en hun zedelijke toestand laat veel te wenschen<br />
over. ( J<br />
)<br />
Overigens zijn de Timorezen Heidenen. Hun Oppergod heet<br />
Oen neno (Heer des lichts) en woont in de zon, met welk hemel-<br />
ligchaam zelf hij dikwijls verward wordt (vergelijk bl. 496);<br />
zijne gezellin is Foenan, de maan, of eigenlijk eene vrouwelijke<br />
godheid die daarin haren zetel heeft. De sterren (K'foen) zijn de<br />
woonplaatsen van geesten of goden van minderen rang. Deze<br />
allen zijn goede geesten, aan welke alleen roodkleurige dieren<br />
mogen geofferd worden; zij worden echter niet regtstreeks<br />
aangeroepen maar alleen door tusschenkomst van de Niloe's of<br />
geesten der afgestorvenen , die ook als goddelijk worden vereerd. ( 3<br />
)<br />
Buitendien zijn er ook booze geesten, die op of in de aarde hun<br />
verblijf houden en wier boosaardigheid door het offeren van<br />
0) « De vérilable culle il n'y a pas de connu dans ce pays. II y a bcaucoup<br />
i' de Timoriens qui se nommenl Chréliens, mais qui ne connaissent pas les plus<br />
«simples vérilés du chrislianisme, et qui suivcnl les praliques du paganisme.»<br />
DE GASTRO, in de boven aangehaalde Résumé, bl. 480.<br />
(=> Mededeehngen van wege het Nederlandsche Zendehnq-nenootschao<br />
Dl. Vlll, bl. 26.<br />
r<br />
( 3<br />
) Ook bij de Heidensche bevolking van luson, voor zooverre die niet<br />
tol AeNegrito's of Aëtas (zie DM, bl. 104) behoort, treft men deze vereering<br />
van de zielen der voorouders aan, die daar Anito's heelen. Zie Zeitschnft<br />
für allgemeine Erdkunde. Neue Fulge. B. X, S. 249; en het daaraan ontleende<br />
artikel in de Kolomale Jaarboeken, voor 1865, bl "09 en volgg.<br />
Insgelijks bij de Tenimber-eilanders; zie hiervóór, bl. 410.
529<br />
zwarte dieren moet afgewend of verzoend worden. De voornaamsten<br />
onder dezen zijn Oesi paha (Heer der aarde) en Atoïs,<br />
die somtijds zigtbare gedaanten aannemen, de eerste die van<br />
eenen rens de laatste die van een uil, en tegen wier invloed het<br />
volk zich door het dragen van talismans, uit wortelen en kruiden<br />
bestaande, tracht te beveiligen. — Voorts zijn er vele plaatsen,<br />
bergen, rivieren, bosschen, boomen, enz., die volgens de overlevering<br />
leo of pomali dat is heilig of onschendbaar zijn of nog<br />
door de Anaha paha of Landbezweerders , die onder het onmiddellijk<br />
bevel van den Vorst staan, als zoodanig verklaard worden<br />
(vergel. 57 en 355), en waar niet geplant, geviseht, gebaad,<br />
gekapt of iets anders mag gedaan worden. De priesters, wier<br />
waardigheid even als die der Landbezweerders erfelijk is, heeten<br />
Tobor en oefenen grooten invloed op het volk uit; zij zijn tevens<br />
de Aoiénaoes of wigchelaars, die de ingewanden der offerdieren<br />
cn andere voorteekenen raadplegen over den uitslag van beraamde<br />
ondernemingen. De offers worden gebragt op eene soort van<br />
steenen altaar, dat opgerigt is in het midden van het Oeme leo<br />
of Oeme pomali (heilig huis, tempel), in welk huis een steeds<br />
brandend vuur wordt onderhouden en waarin ook altijd een voorraad<br />
van tot talismans gewijde wortelen en andere voorwerpen<br />
van vereering worden bewaard.<br />
Omtrent de godsdienst der Belonezen vermeldt DE CASTRO het<br />
volgende: zij gelooven aan een Opperwezen, van welks magt<br />
en eigenschappen zij ecliter slechts zeer verwarde begrippen<br />
hebben. Ook hebben zij andere voorwerpen van vereering (idoles)<br />
en beschouwen als zoodanig alles wat voor hen geheimzinnig is<br />
of een bijzonderen indruk op ben maakt. Er zijn rijken, waar<br />
de Vorsten of Hoofden de priesterlijke waardigheid hebben; hij,<br />
die haar uitoefent, heet Eadja pomali. In andere rijken is geen<br />
Eadja pomali, maar wordt deze vervangen door eenen Batoe,<br />
genaamd Batoe loeli. De waardigheid van den Batoe loeli is<br />
erfelijk, maar wanneer hij geene afstammelingen heeft, wordt zijn<br />
opvolger mtde Daloe's gekozen. Het huis, waarin de voorwerpen<br />
hunner vereering zijn, wordt Pomali genaamd, en denzelfden<br />
naam geeft men ook aan die voorwerpen zelve, welke gewoonlijk<br />
niets anders zijn dan zwaarden, pijlen , een zak met verschillende<br />
wortels, goud, enz. De dienst van den Batoe heli bepaalt zich<br />
tot het doen van gebeden aan die voorwerpen, het offeren van<br />
II. 34
580<br />
dieren en pinang aan de godheid, en het raadplegen van de<br />
ingewanden van kippen en honden, die bij plegtige gelegenheden<br />
geslagt worden.<br />
Eene gruwzame werking van het bijgeloof vertoont zich in<br />
het geloof aan Souangs of toovenaars. Ziekten, vooral van Vorsten<br />
en aanzienlijken, worden dikwijls toegeschreven aan tooverij •<br />
of de zieke zelf bf ieder ander beschuldigt wien hij wil van<br />
de toovenaar te zijn ; deze beschuldiging geldt tevens voor bewijs<br />
en heeft tot onvermijdelijk gevolg dat de beschuldigde wordt ter<br />
dood gebragt cn zijne bloedverwanten slaven worden van den<br />
aanklager. Daar zoodanige beschuldiging ten allen tijde, ook<br />
zonder bijzondere aanleiding, kan plaats hebben, spreekt het<br />
van zelf dat van dit middel dikwijls gebruik gemaakt wordt om<br />
zich straffeloos op eenen vijand te wreken en zich zeiven te<br />
verrijken.<br />
Beschaving, karakter, levenswijze, maatschappelijke toestand.<br />
De bevolking van Timor staat op een zeer lagen trap van<br />
beschaving, waarop alleen de Radja's en Hoofden in den omtrek<br />
der Europesche hoofdplaatsen eene meer of minder gunstige uit<br />
zondering maken. Zij hebben geen letterschrift en dus ook geene<br />
geschrevene wetten of overleveringen. Onderwijs der jeugd, van<br />
welken aard ook, is eene geheel onbekende zaak. Ook de land<br />
bouw is zeer gebrekkig; het eenige werktuig, dat daarbij in<br />
gebruik is, bestaat in een puntigen stok tot het omkrabben van<br />
den grond, die verder door buffels wordt fijn getrapt. Voor het<br />
inzamelen van het goud, van welk metaal vooral in het Portu<br />
gesche staatje BilUuio aderen ontdekt zijn, kent men mede geen<br />
ander werktuig dan een dergelijken stok. Het koppensnellen<br />
bestaat hier niet op de wijze, waarop zulks bij de Dajaks en<br />
Alfoeren in gebruik is, maar bepaalt zich tot het afhouwen van<br />
de hoofden der vijanden of hunner lijken in of na een openlijk<br />
gevecht, welke hoofden dan als zegeteekenen worden medegevoerd<br />
en op staken voor de woning van den overwinnaar ten toon<br />
gesteld. Van den verstandelijken aanleg der Timorezen valt<br />
weinig te zeggen, daar er nooit pogingen zijn aangewend om<br />
dien te ontwikkelen; uit enkele voorbeelden schijnt echter te<br />
blijken dat zij in dit opzigt niet bij andere stammen achterstaan.<br />
Overigens zijn zij lafhartig, traag, zeer gesteld op zinnelijke
581<br />
vermaken, onder welke vooral het dansen en palmwijn drinken<br />
in aanmerking komen, en onzindelijk in hunne geheele levenswijze<br />
; zij baden zieh zelden of nooit. Zware misdrijven komen<br />
weinig onder hen voor; diefstal is het meest algemeene. Hunne<br />
levenswijze is zeer eenvoudig; water is de gewone drank en<br />
djagoeng met eenige groente het gewone voedsel; rijst en gierst<br />
worden slechts bij bijzondere gelegenheden gegeten, gelijk ook<br />
buffel-, paarden-, geiten- en hondenvleesch. Het hoofdbedrijf<br />
is de landbouw, waaraan de vrouwen een zeer werkzaam aandeel<br />
nemen. Verder houden dc mannen zieh bezig met het kappen<br />
van sandelhout, het inzamelen van palmwijn, was en vogelnestjes,<br />
cn in het Noorden des eilands hier en daar met het goud zoeken;<br />
jagen doen zij weinig, en visschen in het geheel niet, daar zij<br />
zeer slechte zeelieden zijn; ook van de parelbanken langs de<br />
Zuidkust (bl. 509) wordt geen werk gemaakt. Als het veld<br />
bereid is, zaaijen, planten en oogsten de vrouwen het gewas;<br />
zij weven ook de kleedingstukken, vervaardigen de noodige<br />
matjes en mandjes, bereiden de verwstoffen, en verrigten verder<br />
al het huiswerk.<br />
-Naar haren maatschappolijken toestand kan de bevolking<br />
verdeeld worden in drie klassen: adellijken, burgers en slaven.<br />
Tot den adelstand behooren de Vorsten en de Rijksgrooten<br />
(Fettors, Datoe's en andere Hoofden), die veelal ook van Vorstelijke<br />
familie zijn doch zich in beschaving weinig of niet boven<br />
hunne onderhoorigeu onderscheiden. De burgers zijn de vrije ingezetenen<br />
des lands, die echter veel van do onderdrukking hunner<br />
Hoofden te lijden hebben. De slaven, wier aantal vrij groot is,<br />
zijn krijgsgevangene vijanden, uit naburige rijkjes geroofde personen,<br />
zoodanigen die wegens tooverij (bl. 530) of het niet<br />
kunnen betalen van opgelegde boeten tot dezen stand veroordeeld<br />
zijn, en de afstammelingen van deze allen; zij kunnen zoowel<br />
aan burgers als aan adellijken toebehooren; hun lot is echter<br />
zeer dragelijk.<br />
DE CASTRO deelt omtrent den slavenstand de volgende bijzonderheden<br />
mede, van welke wij echter niet weten of zij alleen op<br />
de Belonezen dan wel ook, althans gedeeltelijk, op de Timorezen<br />
betrekking hebben:<br />
Kr zijn eigenlijke slaven en eene soort van lijfeigenen (serfs de<br />
la glèbe), welke men luiuum (loetoem ?) noemt; de eersten kunnen
532<br />
rerkoeht worden, doch de laatsten niet. Elk vrij man kan slaven<br />
houden; maar alleen Vorsten en Datoe's van vorstelijke familie<br />
mogen lijfeigenen hebben. Slaven zijn krijgsgevangenen, geroofde<br />
personen en bloedverwanten van veroordeelde toovenaars; zij<br />
kunnen hunne vrijheid bekomen door aan den Vorst vergunning<br />
te vragen tot het mede betalen der jinta (bl. 514); de eigenaar<br />
van den slaaf moet daartoe echter ook zijne toestemming geven,<br />
welke zelden geweigerd wordt aan de zoodanigcn, die een geruimen<br />
tijd gediend en zich goed gedragen hebben. Zonderling<br />
is hierbij het gebruik, dat de zoo vrij gewordene slaaf terstond<br />
behoort tot de klasse van zijnen voormaligen heer, zoodat de<br />
slaaf van eenen Datoe ook Datoe wordt; de vrij gewordene slaven<br />
van eenen Radja krijgen echter niet den Vorstelijken rang maar<br />
dien van Datoe. Lijfeigenen zijn de zoodanigen, die verpligt zijn<br />
de velden van den Vorst of vorstelijken Datoe, aan wien zij<br />
behooren, te bearbeiden en verder hem alle diensten te bewijzen<br />
welke hij van hen vordert. Hoe zij tot dezen stand geraken wordt<br />
niet vermeld ; sommigen hunner zijn gewezene slaven, die wegens<br />
voorbeeldig gedrag uit hunnen vroegeren toestand tot dien van<br />
lijfeigenen zijn overgebragt. Deze lijfeigenen zijn niet het eigendom<br />
van den Vorst of Datoe maar van het rijk, en kunnen alleen<br />
als slaven verkocht worden in geval van deugdelijk bewezen<br />
slecht gedrag. Zij leven met hunne familiën van de opbrengst<br />
der gronden, welke zij bebouwen; na daaruit in de behoeften<br />
van hunnen heer voorzien te hebben kunnen zij over het overige<br />
als eigenaars beschikken. De oudste of een van de oudsten der<br />
lijfeigenen voert onder den titel van Vader des huizes het bestuur<br />
over alle bezittingen van zijnen heer, en blijft dit ook na diens<br />
overlijden doen tot dat de opvolger gekozen is; hij is ten dien<br />
opzigte aan niemand rekenschap schuldig.<br />
Van de denkbeelden der Timorezen omtrent het grondbezit is<br />
ons niets bekend. Uit de omstandigheid, dat zij zeer dikwijls van<br />
grond verwisselen om hunne maïs-velden aan te leggen, laat zich<br />
afleiden dat zij, even als op andere eilanden van het Oostelijke<br />
gedeelte des Archipels, geen eigenlijken grondeigendom kennen<br />
maar hun eigendoms-regt zich alleen tot de producten bepaalt.<br />
De natuurlijke voortbrengselen, als was en vogelnestjes, schijnen<br />
in elk rijkje algemeen eigendom der bevolking te zijn, waarvan<br />
ieder naar goedvinden kan inzamelen, behoudens het afstaan van
533<br />
een aanzienlijk gedeelte aan de Hoofden; de eerste ontdekking<br />
van eenen boom, waarop bijen nestelen, geeft echter aan den<br />
ontdekker het voortdurend regt op zijne opbrengst, waarom hij<br />
dien boom dan ook met zijn merk teekont. Het kappen van<br />
sandelhout mag alleen geschieden met vergunning van den Vorst,<br />
wien de helft van het gekapte toekomt, terwijl nog een ander deel<br />
aan den Fettor en den Tomokong moet worden afgestaan, zoodat<br />
er voor den kapper zeiven slechts een klein gedeelte overblijft.<br />
De landerijen der Vorsten en Fettors moeten door hunne onderdanen<br />
zonder loon worden bearbeid; zij kunnen zich echter van<br />
deze dienst ontslaan door een vijfde gedeelte van hunnen eigenen<br />
oogst aan deze Hoofden af te staan; deze schatting heet Poni.<br />
De buitenlandsche handel wordt uitsluitend door de in de<br />
kustplaatsen gevestigde Chinezen en andere vreemdelingen gedreven.<br />
Dezen reizen daartoe in den goeden moeson het land door<br />
om van de Inboorlingen hunnen voorraad van sandelhout, was,<br />
enz. in te ruilen tegen bij ben gewilde artikelen, welke zij daartoe<br />
op paarden met zieh voeren. Zij vervoegen zieh in elk rijk het eerst<br />
bij den Radja en de Fettors om vergunning tot het handel drijven<br />
en bescherming op hunne reis te verzoeken, welke laatste maatregel<br />
noodig schijnt om hen tegen berooving door de Timorezen te<br />
vrijwaren; deze gunsten worden hun legen aanzienlijke geschenken<br />
verleend, welker waarde zij natuurlijk later bij hunnen handel<br />
op het volk verhalen. Het bedrag van den buitenlandschen handel<br />
te Koepang is op bl. 503 opgegeven; die in het Portugesche<br />
gebied schijnt nog minder beduidend te zijn; althans DE CASTUO<br />
verhaalt dat vreemde handelsvaartuigen dikwijls met hunne<br />
geheele aangebragte lading weder vertrekken bij gebrek aan<br />
koopers, omdat er geene voortbrengselen des lands als ruilwaren<br />
voorhanden zijn.<br />
Wijze van krijgvoeren.)')<br />
Zeer menigvuldig zijn de onderlinge veeten en oorlogen tusschen<br />
de verschillende rijkjes over geheel Timor; waartoe het opligten<br />
van personen, het rooven van vee, het schenden van grondgebied<br />
bij het kappen van sandelhout of het inzamelen van was, en<br />
(') Men zie hierover uitvoeriger hel lijdschri[t voor iïeertands maie<br />
{846, 01. III, bl. -204 en volgg.
53-i<br />
dergelijke, veelal aanleiding geven; geschillen van de laatstge<br />
noemde soort vinden dikwijls hunne oorzaak in het gebrek aan<br />
naauwkeurig afgebakende grenzen. De geheele weerbare bevol<br />
king is dicnslpligtig en wordt aangevoerd en voor eiken krijgstogt<br />
vooraf gewijd door de Meoe's of voorvechters (bij de Belonezen<br />
Tdux genoemd O), die in dit geval tevens de betrekking van<br />
priesters bekleeden. Het getal der Meoe's schijnt niet bepaald te<br />
zijn en te verschillen naar gelang van de grootte des rijks; er<br />
zijn er echter altijd minstens twee, en een hunner voert den titel<br />
van Groot-Meoe of Opper-voorvechter. Voor het aanvangen van<br />
den togt verzamelt elke Meoe zijne onderhoorigen in het Oeme<br />
leo (bl. 529), waar zij zich blootshoofds met brandende kaarsen<br />
in de handen nederzetten. De Meoe verhaalt nu de aanleiding-<br />
tot den oorlog, betoogt de onschuld zijner partij, bidt de toestem<br />
ming tot en den zegen over den krijg van de Goden af en brengt<br />
hun offers, uit varkens en rijst bestaande, op het altaar, dat zich<br />
in het midden van het huis bevindt; terwijl hij zich voorziet van<br />
drie zakjes met gewijde wortels, steentjes en andere talismans,<br />
van welke sommigen dienen om hem tegen looden kogels te<br />
beschermen, en anderen om hem het geschikte oogenblik te doen<br />
weten om den vijand te overvallen. Indien bij deze plegtigheden<br />
de kaars van een der aanwezigen niet helder brandt, heeft deze<br />
waarschijnlijk eenig misdrijf op het geweten en moet dus met<br />
gewijd badwater gereinigd worden en daarna een rooden of witten<br />
haan offeren om de Goden te verzoenen, van welke verzoening<br />
het teeken in de ingewanden van den haan moet gevonden<br />
worden; ontbreekt dit teeken, hetgeen echter hoogst zelden ge<br />
beurt, dan mag dc schuldige dezen togt niet mede maken en moet<br />
hij, voordat hij zich bij eene latere expeditie mag aansluiten,<br />
op nieuw gezuiverd worden.<br />
Y\ anneer eene der boven vermelde of eenige andere aanleiding<br />
tot vijandelijkheden is ontstaan en ter kennis van den Vorst<br />
gebragt, doet deze de zaak onderzoeken en stelt, wanneer de<br />
klagt blijkt gegrond te zijn, gewoonlijk pogingen in het werk<br />
om langs minnelijken weg voldoening voor het geleden onregt<br />
te erlangen. Wordt deze geweigerd dan volgt de oorlogsver<br />
klaring onmiddellijk, tenzij de aanvallende partij zich zwakker<br />
t 1<br />
) DE CASTRO, t.a *. bl. 50*.
535<br />
mogt achten dan de andere, in welk geval eerst een naburig<br />
Vorst onder het toezenden van geschenken als bondgenoot wordt<br />
te hulp geroepen. Inmiddels gaan de Asoe palia's (bl. 527) vond<br />
om het volk ten strijde te roepen. De oorlogsverklaring geschiedt<br />
op de volgende zinnebeeldige wijze : de Meoe's der uitdagende<br />
partij brengen een zwarten hond op vijandelijk grondgebied,<br />
waar zij hem den kop afslaan en dezen met gewijde wortelen<br />
opgevuld, onder het lossen van een geweerschot en het aanheffen<br />
van luid geschreeuw, in dc nabijheid van eene bewoonde plaats<br />
uederwerpen. Zoodva deze stand van zaken in de beide landen<br />
bekend is geworden is alles in beweging en maakt men overal<br />
door het slaan op trommen en bekkens, het blazen op buffelhorens<br />
en schreeuwen een vervaarlijk alarm ; en terstond beginnen<br />
de vijandelijkheden met wederzijdscbe, meestal nachtelijke strooptogten,<br />
waarbij kampongs overvallen, vee cn menschen geroofd,<br />
en zooveel mogelijk koppen gesneld worden. Wanneer het tot<br />
een openlijk gevecht komt, scharen de beide partijen zich in<br />
lange gelederen op de strijdplaats; de Meoe's plaatsen zich voor<br />
het front hunner troepen en branden het eerst hunne geweren<br />
los na elkander eenigen tijd met woorden en gebaren te hebben<br />
getergd. Nu begint de algemeene aanval, die echter zelden lang<br />
duurt; daar de partij, die het eerst een aantal van hare manschappen,<br />
vooral Meoe's, ziet vallen, den slag als verloren<br />
beschouwt en de vlugt neemt. De hevigste strijd heeft plaats om<br />
de hoofden der gewonde of gesneuvelde vijanden magtig te<br />
worden; en dikwijls onthoofdt men zijne eigene gewonden om<br />
te voorkomen dat hunne hoofden den vijand in handen vallen.<br />
Hiermede is echter de oorlog niet geëindigd; de stroopcrijen<br />
duren voort, en veelal worden ook de openlijke gevechten meermalen<br />
herhaald. Deze toestand houdt dikwijls maanden, ja<br />
somtijds jaren aan, en eindigt gewoonlijk door de bemiddeling<br />
van een onzijdigen Vorst. Wanneer het dezen gelukt is zijne<br />
vredesvoorslagen bij de beide partijen ingang te doen vinden,<br />
begeven zich de Vorsten met hunne Meoe's en een aantal gewapende<br />
mannen naar eene bepaalde plaats aan de grenzen,<br />
waar elk op zijn eigen grondgebied blijft staan terwijl de bemiddelaar<br />
zich tusschen hen op de grenslijn plaatst. De twee<br />
vijandelijke Vorsten bieden hem dan elk eene gouden plaat aan,<br />
welke hij naast zich doet nederleggen, terwijl een der Meoe's een.
536<br />
palmtakje voor hem plaatst, hetwelk de tanden van den gedooden<br />
hond moet voorstellen. Dit takje wordt dan door de twee Vorsten<br />
gezamenlijk weggeworpen, waarna zij elkander omhelzen en de<br />
verzoening onder gejuich en geweerschoten gesloten wordt. In<br />
andere rijkjes worden, bij het sluiten van den vrede, op de<br />
grensscheiding twee stokken op zekeren afstand van elkander<br />
in den grond gestoken en door dwarslatten of touwen verbonden,<br />
als zinnebeeld van de scheiding tusschen die rijken; de Groot—<br />
Meoe's van beide partijen hakken dan gezamenlijk die versperring<br />
open, ten teeken dat die afscheiding heeft opgehouden, storten<br />
ieder eenige buffelmelk op den gTond uit, en omhelzen daarna<br />
elkander.<br />
Bij de oorlogen, die het Portugesche Gouvernement dikwijls met<br />
de Inboorlingen te voeren heeft, gaande zaken volmaakt op dezelfde<br />
wijze toe, omdat de Portugesche magt nagenoeg uitsluitend uit<br />
geheel ongeregelde Timoresche hulpbenden bestaat (bl. 514).<br />
De krijgsgevangenen en de hoofden der gesneuvelde vijanden<br />
worden naar Billi gevoerd, waar door de overwinnaars een dans<br />
rondom de op eenen hoop gestapelde koppen wordt uitgevoerd<br />
in tegenwoordigheid van den Gouverneur, die daarna aan elk der<br />
voorvechters eene gouden plaat ter belooning zijner dapperheid<br />
uitreikt. I 1<br />
)<br />
Hoewel uit het bovenstaande genoegzaam blijkt dat de Timorsche<br />
stammen tegenover eene geregelde Europesche krijgsmagt<br />
in het open veld niet zeer te duchten zijn, is het niet te min waar<br />
dat het veroveren van eene hunner kampongs dikwijls ernstige<br />
bezwaren oplevert; daar deze veelal op steile en weinig toegankelijke<br />
rotsen (Fatoe) gebouwd zijn, en de verdedigers van uit<br />
rotskloven en achter struiken den vijand met pijlen en geweervuur<br />
bestoken zonder dat het dezen mogelijk is hun veel nadeel toe<br />
te brengen.<br />
Bijzondere gebruiken, feesten.<br />
Vóór en bij de geboorte van een kind hebben velerlei bijgeloovige<br />
plegtigheden plaats, welke niet allen geschikt zijn om hier<br />
vermeld te worden. Op den zevenden dag na de geboorte wordt<br />
een feest gevierd, waarbij een varken of kleiner huisdier tot dank<br />
aan de goden geofferd wordt.<br />
(') DE GASTRO, t.a.p. bl. 506.
537<br />
Bij het aangaan van een huwelijk wordt onder de Timorezen<br />
de vrouw door den man van hare ouders gekocht voor eene som,<br />
die bij de verloving vastgesteld en op den dag des huwelijks<br />
betaald wordt en heli heet. Zij bestaat in een zeker aantal omassen<br />
(amas, goud), doch wordt daarom niet geheel in goud maar ook<br />
gedeeltelijk in vee, koralen, kleedingstukken, enz. voldaan, en<br />
ook niet altijd in eens afbetaald; in dit laatste geval blijven<br />
echter tot zoolang de vrouw en kinderen het eigendom van<br />
hare ouders, en mag zelfs het lijk van den schuldenaar niet<br />
begraven worden voordat de schuld is voldaan. Op den voor<br />
het huwelijk bepaalden dag gaat de bruidegom begeleid door<br />
zijne bloedverwanten met de heli naar de woning der bruid.<br />
Haai vader zendt hem dan eenen afgezant, Mofefa of Mofefo<br />
(Spreker) genaamd, te gemoet om te onderzoeken of de omassen,<br />
welker waarde niet naauwkeurig bepaald schijnt, wel in orde<br />
zijn. Gewoonlijk valt hierop wat aan te merken, en de bruidegom<br />
is onder de bcspottelijkste voorwendsels nog aan velerlei afzetterijen<br />
blootgesteld eer hij het huis der bruid mag binnenkomen.<br />
Als eindelijk de koop tot wederzijdsch genoegen gesloten is, is<br />
daarmede ook het huwelijk voltrokken, dat vervolgens met een<br />
feestmaal gevierd wordt t 1<br />
'. Het spreekt van zelf dat de meerdere<br />
of mindere rijkdom der partijen in dit alles groote wijzigingen<br />
aanbrengt. — Echtscheiding kan plaats hebben en door beide<br />
partijen gevorderd worden. Veelwijverij is geoorloofd, doch heeft<br />
bij den gewonen Timorees zelden plaats wegens het groote bedrag<br />
der heli's; Radja's en Fettors daarentegen hebben veelal een<br />
groot aantal vrouwen, daar hunne staatkunde medebrengt zich<br />
met velen hunner Onderregenten te verzwageren, om zich van<br />
hunne trouw te verzekeren, en ook een groot aantal vrouwen<br />
voor een bewijs van rijkdom geldt. Eene van haar wordt echter<br />
altijd als de voornaamste of wettige vrouw, de andere meer als<br />
bijwijven beschouwd. Even als bij de Lampongers (D 1<br />
.1, bl. 565),<br />
de Bataks (D>. I, bl. 645), de Alfoeren van Boeroe (PA II, bl. 354)<br />
en andere eilanders van hetzelfde ras, vervalt bij het overlijden<br />
van den man de weduwe aan diens broeder of naasten mannelijken<br />
(') Nog andere gebruiken bij huwelijksverbindtenissen worden vermeld door<br />
S. ML'LLER , Reizen , enz., D 1<br />
. II, bl. 256 der uitgave van het Instituut voor<br />
laai-, land- en volkenkunde.
538<br />
bloedverwant, die haar tot echtgenoot moet nemen, welke verpligting<br />
slechts door het betalen van eene vrij groote som aan<br />
de familie der vrouw kan worden afgekocht.<br />
Volgens DE CASTRO bestaat bij de Belonezen tweederlei wijze<br />
van huwelijk. Bij de eene, cabin geheeten, wordt geene koop<br />
prijs of huwelijksgift betaald en dikwijls ook geheel geen feest<br />
gevierd; deze wijze van trouwen is eigenlijk die der behoeftigen,<br />
maar schijnt toch ook somtijds bij meer gegoeden gevolgd te<br />
worden. De andere soort van huwelijk heet haqfóli; daarbij<br />
wordt eene huwelijksgift betaald of door den bruidegom of door<br />
de bruid, en de partij, voor wie de huwelijksgift betaald wordt,<br />
gaat bij de andere inwonen. Wanneer een meisje ten huwelijk<br />
gevraagd wordt, begeven zich de jongeling en zijne bloedverwanten<br />
op een bepaalden dag met eenige geschenken naar haar huis om<br />
het officiëele aanzoek te doen; hierop wordt echter niet terstond<br />
een stellig antwoord gegeven, maar daarvoor een andere dag<br />
vastgesteld, op welken zich dan de betrekkingen van het meisje,<br />
insgelijks met geschenken, naar het huis van den jongeling<br />
begeven om dit antwoord te brengen en tevens den dag voor het<br />
huwelijk te bepalen. De voltrekking daarvan geschiedt ten huize<br />
der bruid met feesten, die somtijds drie dagen duren. Indien de<br />
ouders van het meisje hunne toestemming tot het huwelijk<br />
weigeren, roept de jongeling de tusschenkomst van den Badja<br />
in, die dan met de Datoe's de zaak onderzoekt en, indien dezen<br />
het huwelijk goedkeuren, de voltrekking er van gelast. De man<br />
kan slechts met éene vrouw een wettig huwelijk aangaan, doch<br />
zoovele bijwijven nemen als hij verkiest; dezen mogen echter<br />
niet in hetzelfde huis wonen met de wettige vrouw. De bij bij<br />
wijven verwekte zonen erven gezamenlijk slechts een derde gedeelte<br />
der ouderlijke nalatenschap, terwijl die der wettige vrouw twee<br />
derden bekomen; de dochters schijnen in geen geval te erven<br />
maar ten laste te komen van hare broeders of andere bloedver<br />
wanten, die dan ook hare huwelijksgift of koopprijs zullen<br />
ontvangen.<br />
Bij het overlijden van een Radja, Fettor of anderen aanzien<br />
lijke wordt door zijne vrouwen, kinderen en naastbestaanden<br />
een jammerlijk gegil aangeheven, buiten 's huis geweerschoten<br />
gelost, en door rondgezondene boden overal van het sterfgeval<br />
kennis gegeven. De menigte belangstellenden, die zich dan in
539<br />
het sterfhuis verzamelt, wordt gedurende verscheidene dagen<br />
op maaltijden onthaald, waarvoor vele buffels en varkens worden<br />
geslagt, wier hoornen en pooten in het offerhuis worden gebragt.<br />
Inmiddels wordt het lijk gewassoben en in zijne beste kleederen,<br />
met gouden en zilveren platen en koralen versierd, gedurende<br />
twee of drie dagen op eene tafel te pronk gesteld; waarna bet<br />
in een wit doodkleed, met eenige stukken lijnwaad, enkele kostbare<br />
sieraden, een voorraad sirih met toebehooren en eenige<br />
gewijde wortelen in eene zware houten kist wordt gesloten,<br />
welker naden naauwkeurig met was en hars worden digtgestreken.<br />
De begrafenis kan eerst plaats hebben nadat de opvolger van<br />
den overledene is benoemd, al zijne schulden betaald en alle<br />
zijne bloedverwanten aangekomen zijn, wier tegenwoordigheid<br />
dikwijls door aanzienlijke geschenken moet gekocht worden.<br />
Alet dit een en ander verloopen somtijds jaren, gedurende welke<br />
de weduwen zich naauwelijks mogen verwijderen van de doodkist,<br />
die wel eens moet vernieuwd worden. Is eindelijk de dag der<br />
begrafenis daar, dan wordt onder aanhoudend geweervuur<br />
de kist naar buiten gedragen, waarover echter eerst nog eene<br />
worsteling tusschen de vrouwen en de dragers moet plaats<br />
hebben, en vervolgens begraven met een pot met gekookte rijst<br />
en een gedooden hond, welks ziel die van den overledene naar<br />
het schimmenrijk moet geleiden. Voor de levenden is intusschen<br />
ook gez<strong>org</strong>d en eene verbazende hoeveelheid eetwaren bereid,<br />
die na de terugkomst van het graf door de aanwezenden worden<br />
verslonden of, voor zoo verre dit niet mogelijk is, naar huis<br />
medegenomen.<br />
Als teeken van rouw scheren alle huisgenooten van den-overledene<br />
zich het hoofd kaal en vervangen hunne gewone kleedingstukken<br />
door zwarte. Bij den dood van eenen Radja of Fettor<br />
scheren alle mannen uit zijn gebied zich het hoofd kaal.<br />
Bij het overlijden van geringe lieden hebben deze ceremoniën<br />
geene plaats; zij worden spoedig in eene eenvoudige kist of een<br />
uitgeholden boomstam begraven, en, zoo er maaltijden gehouden<br />
worden, wordt daarvoor slechts een enkele buffel of een varken<br />
geslagt.<br />
Behalve de feesten bij geboorten, huwelijken en sterfgevallen,<br />
die grootendeels in het houden van maaltijden en het overvloedig<br />
gebruik van toewak bestaan, worden ook somtijds feesten met
540<br />
zang en dans gevierd. Dit heeft onder anderen plaats wanneer<br />
na eenen krijgstogt de afgehouwene hoofden der vijanden worden<br />
te huis gebragt, wanneer daarmede voor dat zij te pronk gesteld<br />
worden een dans roudom het gewijde huis van den Meoe wordt<br />
uitgevoerd. Voorts zijn er verschillende dansen, die bij bijzondere<br />
gelegenheden des avonds met gezang cn ouder begeleiding van<br />
dc muzijk van kleine koperen klokjes en eene soort van tambourin<br />
worden gedaan. Het dansen geschiedt door de mannen en vrouwen<br />
afzonderlijk; zij houden elkander aan het kleed vast, en<br />
bewegen zich langzaam in eenen kring naar de maat van het<br />
gezang. Dit gezang bestaat in kleine, onbeduidende, dikwijls<br />
geïmproviseerde liedjes, in den smaak van de Maleische Pantoens^),<br />
die 6f door de meisjes of vrouwen alleen of door het<br />
geheele gezelschap worden aangeheven.<br />
DE CASTHO maakt melding van eenen dans, iahedoe genaamd,<br />
die uitsluitend door vrouwen cn alleen onder begeleiding van<br />
tambourins [baba) wordt uitgevoerd, doch waarbij de bewegingen<br />
zeer snel zijn. Deze dans, die voor de Belonesche vrouwen zeer<br />
veel aantrekkelijks schijnt te hebben, wordt dikwijls gedurende<br />
een etmaal met slechts korte tusschenpoozen volgehouden; en<br />
wanneer de Gouverneur het binnenland bezoekt, danst men dien<br />
onafgebroken voor de woning waarin hij zijnen intrek neemt,<br />
ook al duurt zijn verblijf drie dagen. De tabedoe wordt ook gedanst<br />
wanneer een dorp door eene vijandelijke bende wordt aangevallen,<br />
en wel zoolang als het gevecht duurt; dit geschiedt om daardoor<br />
den moed der mannen aan te wakkeren.<br />
Dezelfde Schrijver vermeldt een feest, sallalah genaamd, dat<br />
somtijds bij gelegenheid van den rijstoogst gegeven wordt en<br />
waarbij mannen en vrouwen door elkander op den dorschvloer<br />
over de afgesnedene rijsthalmen dansen, waardoor tevens de<br />
korrels er worden uitgetreden. Dit feest gaat vergezeld van eenen<br />
maaltijd, het ruim gebruik van sterken drank en een luidruchtig<br />
geschreeuw, cn duurt van den avond tot in den m<strong>org</strong>enstond.<br />
Na den afloop er van worden verder de rijstkorrels door paarden<br />
uit de aren getreden.<br />
J e<br />
(') Zie onze Handleiding bij de beoefening der Maleische laai, 5<br />
gave, bl. 296. Eene uitvoerige beschrijving van deze danstn en voorbeelden<br />
dezer gezangen vindt men in S. MILLER, Reizen, enz., D'. ft, bl. 246 cn volgg.<br />
der uitgave van het Instituut.<br />
uit
541<br />
Taal, tijdrekening-, muzijk, nijverheid.<br />
Van de taal der bevolking van Timor is nog weinig meer bekend<br />
dan hetgeen uit de kleine door MULLER, HEIJMERING, FKANCIS,<br />
en enkele anderen medegedeelde woordenlijstjes te leeren valt;<br />
daaruit blijkt echter wel dat zij met die der naburige, door<br />
Alfoersehe stammen bewoonde, eilanden verwant en welligt ook<br />
niet geheel buiten den invloed van het Maleisch gebleven is.<br />
De drie stammen des eilands spreken drie zeer verschillende<br />
hoofd-dialecten; maar ook in de afzonderlijke rijkjes wordt<br />
dikwijls nog een aanmerkelijk verschil van taal waargenomen.<br />
Die van Billi en de naburige rijkjes heet Teto; zij wordt door<br />
DE CASTRO voor het betrekkelijk rijkste van alle dialecten gehouden,<br />
die overigens, als een natuurlijk gevolg van de geringe<br />
beschaving des volks, zeer arm zijn. Daar er geen letterschrift<br />
bekend is, kan er van eenige literatuur geene sprake zijn.<br />
Te Koepang is door de Nederlanders het gebruik der Maleische<br />
taal ingevoerd, die daar dan ook algemeen wordt gesproken.<br />
De Portugezen hebben in hunne bezittingen de Inlanders tot<br />
het aanleeren der Portugesche taal trachten te noodzaken; de<br />
kennis daarvan is echter, althans buiten de hoofdplaats, hoogst<br />
gebrekkig.<br />
Van tijdrekening schijnen de Timorezen geene kennis te hebben,<br />
dan voor zooverre die door den stand van zon en maan en<br />
door de moesons wordt aangewezen.<br />
Hunne muzijk verdient den naam van toonkunst niet. De<br />
instrumenten zijn eenige kleine gongs (D 1<br />
. I, bl. 380), trommen<br />
en tambourins uit een uitgehold stuk hout. vervaardigd en met<br />
de hand geslagen, kleine koperen klokjes of schelletjes waarschijnlijk<br />
van Chineesch maaksel, en buffelhorens, waarop echter<br />
alleen in oorlogstijd schijnt geblazen te worden (bl. 535). Ook<br />
hun gezang is zeer eentoonig, hoewel niet ontbloot van melodie.<br />
De geneeskunst bepaalt zich tot het aanwenden van enkele<br />
uitwendige middelen, vooral bij kraamvrouwen; maar daar overigens<br />
de ziekten aan den invloed van booze geesten of toovenaars<br />
worden toegeschreven, spreekt het van zelf dat zij door bezweringen<br />
moeten worden afgewend of genezen.<br />
In het algemeen hebben zij in geene kunst of tak van nijverheid<br />
noemenswaardige vorderingen gemaakt. Het spinnen, weven en<br />
verwen der kleedingstukken geschiedt op eene gebrekkige wijze
542<br />
door de vrouwen. Zij kunnen slecht9 twee kleuren van verwen<br />
bereiden: blaauw, uit de in het wild groeijende indigo-plant,<br />
en rood uit den wortel van den bengkoedoe-boom. Elk huisgezin<br />
vervaardigt voor eigen gebruik de noodige aarden potten en<br />
pannen, matjes en mandjes uit lontar-bhdcren of bamboe, en<br />
den toewak of palmwijn. Hunne gouden sieraden bekomen zij<br />
grootendeels van de bevolking van het eiland Daauw, daar goudof<br />
ijzersmeden of andere ambachtslieden hoogst zelden onder hen<br />
worden gevonden; in den omtrek van Koepang voorzien de<br />
Chinezen somtijds in de behoefte daaraan.<br />
DERDE HOOFDSTUK.<br />
ONDERHOORIGHEDEN VAN TIMOR.<br />
§ 1. De Zuid-Westwaarts van Timor gelegene eilanden:<br />
Samaauw, Kambing, Rotti, Landoe, Daauw,<br />
Doah, Noessé, Dana, Heliana, enz.<br />
Samaauw.<br />
Het eiland Samaoe of Samaauw, ook Koerong genaamd, ligt<br />
ten Westen van Timor's Zuid-Westpunt, waarvan het door de<br />
smalle Straat Samaauw of Moèloel Rotti gescheiden is, tusschen<br />
10° 7' tot 10° 25'Z.B. en 123° 12' tot 123° 31' O.L. Het is<br />
geheel van dezelfde formatie als Timor, en heeft aan de Oostzijde<br />
eene diep inloopende baai, waardoor het in een Noordelijk en<br />
een Zuidelijk schiereiland verdeeld wordt. De grootte bedraagt<br />
volgens MELVILL 8.4 • mijlent 1<br />
). Het geheele eiland is heuvel<br />
achtig doch heeft geene belangrijke bergen. Op sommige plaatsen<br />
(') Monileurdeslndes. 1846—1847. Vergelijk S. MCLLEH , Reizen, enz<br />
Db II, bl. 505 der uitgave van het Instituut. BUDDINGH geeft in zijne Reizen.<br />
V. III, bl. 299 aan Samaauw eene gruntte van 561 • mijlen; en FRANCIS<br />
spreekt in het Tijdschr. van Neérl Indië, 1858, D l<br />
l, bl. 562, van even<br />
zooveel Engelsche mijlen; doch zelfs dan is die opgave veel te groot. Op de<br />
Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Neêrl, Indië, 1849, geeft MELVIL<br />
voor de grootte van Samaauw slechts 4.5 • mijl, hetgeen echter Ie weinig<br />
schijnt.
543<br />
vertoonen zich sporen van vulkanische werking: zoo vindt men<br />
bij den heuvel Silain eene plek, waar het gesteente door chemische<br />
werking doorknaagd of uitgebeten en met eene zwavel-korst<br />
bedekt is; op twee andere plaatsen, nabij de West- en de<br />
Noordkust, borrelt met zwaveldeelen bezwangerd water uit den<br />
grond op, dat witachtig van kleur is en daarom Ajer saöoen of<br />
zeepwater genoemd wordt. Aan de Zuid- en Zuid-Oostzijde is<br />
het eiland door uitgestrekte koraalriffen omgeven.<br />
De voortbrengselen zijn: rijst, djagoeng, katoen, groenten,<br />
timmerhout voor huis- en scheepsbouw, eenig rundvee, herten,<br />
varkens, was, vogelnestjes en tripang.<br />
De bevolking bestaat uit Kocpangezen (bl. 524) en wordt door<br />
sommigen op 1800 door anderen op 3000 zielen geschat. De<br />
Radja van dien stam houdt zijn verblijf op dit eiland, hetwelk<br />
zijne voornaamste bezitting is (bl. 518).<br />
De belangrijkste bij name bekende plaatsen zijn : Koerong,<br />
aan de Noordkust: Oiassa, in het Noordelijke gedeelte des<br />
eilands, nabij eene der boven vermelde zwavelbronnen C'; Sissi,<br />
nabij de Noord-Oostpunt aan Straat Samaauw; en Landoetoe,<br />
aan de Zuidkust.<br />
Nabij de Zuidkust ligt het kleine P. Teboes en nog een paar<br />
insgelijks onbewoonde eilandjes, die weinig meer dan klippen<br />
zijn.<br />
Poeloe Kambing, ( s<br />
)<br />
P. Kambing is een zeer klein onbewoond eilandje, dat alleen<br />
door eene natuurkundige bijzonderheid belangrijk is. Het ligt in<br />
Straat Samaauw voor de Baai van het eiland Samaauw, en bestaat<br />
uit eene rots van graauwakke-zandsteen van ongeveer 250 v l<br />
.<br />
hoogte, met eenen afgeknotten top. Die top vormt eene kom van<br />
400 schreden middellijn en 25 v*. diepte. Op den bodem dezer<br />
kom verheffen zich een veertiental uit klei bestaande kegels,<br />
in welker toppen kleine openingen zijn, waaruit onophoudelijk<br />
0) Nabij Oiassa bevindt zich ook eene rijke zoet-water-bron, zoo men<br />
zegt de eenige op het eiland, die ook aan de besproeijing der rijstvelden wordt<br />
dienstbaar gemaakt. In de behoefte aan drinkwater wordt overigens door gegravene<br />
pullen voorzien.<br />
( 2<br />
) In het Aardrijkskundig Woordenboek is dit eiland verward met liet<br />
op bl.515 vermelde P. Kambing.
Q44<br />
slijkachtigc gasbellen of modderblazeu opstijgen, die na een<br />
oogenblik uit één spatten en eene kleine hoeveelheid slijk op<br />
den top en de helling van den kegel uitstorten, welk slijk in<br />
de opene luoht spoedig verhardt. De verhooging, welke deze<br />
kegels hierdoor natuurlijk bekomen, wordt weder verminderd<br />
door de regenbuijen, die van tijd tot tijd een gedeelte van deze<br />
klei wegspoelen.<br />
Eotti.<br />
Het eiland Rotti ligt tusschen 10° 37' tot 11°Z.B. en 122° 52'<br />
tot 123° 29' O. L., ten Zuid-Westen van Timor, in dezelfde<br />
rigting als dit eiland, waarvan het door Straal Rotti gescheiden<br />
is. De grootte bedraagt 30.8 • mijlen. O<br />
De Noord-Oostelijke en Zuid-Westelijke gedeelten van het<br />
eiland, dat van kalksteen-formatie schijnt te zijn, zijn grooten<br />
deels laag en vlak; het midden-gedeelte is bergachtig, doch<br />
rijst niet boven de 800 v'.; bijzonder uitstekende toppen zijn er<br />
niet. In het Regentschap Landoe, aan de Noordkust, bevinden<br />
zich twee slijkvulkanen cn een klein meer van zont water, welks<br />
bodem bedekt is met eene meer dan twee voet dikke laag zout,<br />
hetwelk door de Inlanders gebruikt wordt. < 5<br />
'<br />
De voornaamste baaijen en ankerplaatsen zijn: die van Kor-<br />
baffo en Renggouio aan de Noordkust; die van Termanoh en<br />
Baak, aan de Noord-Westkust; de Bokkai-baai en de Cgrus-<br />
Aaven, aan de Zuid-Oostkust; de laatste is verreweg de grootste<br />
en best geslotene van allen, doch vol met riffen.<br />
Er zijn vele riviertjes, die wel niet bevaarbaar doch voor<br />
den landbouw van groot nut zijn. De belangrijksten zijn: de<br />
rivieren van Korbaffo en Renggouio, welke aan de Noordkust ia<br />
de baaijen van dezelfde namen vallen; de rivier van Baak, die<br />
zich in de baai van dien naam op de Noord-Westkust stort; en<br />
de rivier van Lollej, die zich in de Cyrus-haven ontlast.<br />
(') Volgens MELVILL in den Moniteur des Indes, 1846—1847. Op de<br />
Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Neêrl Indië. 1849, stelt hij voor<br />
i?o//i en eenige kleinere eilanden te zamen slechts 2-1.8 • mijlen. BUDDINGH<br />
maakt er in zijne Reizen, U'. lil, Bi.500, niet minder dan C10 • mijlen<br />
van; terwijl FRANCIS even zoovele Engelsche mijlen opgeeft, in het Tijdschr.<br />
v.N. 1., 1858, U'. I, bl. 302.<br />
( 3<br />
) Tijdschr. voor Neérl. Indië, 1858, D'. 1, bl. 511. Naluurk. Tijdschr.<br />
voor Nederlandsch Indië, 1851, bl. 591.
545<br />
Het eiland is zeer vruchtbaar en levert vooral vele granen op,<br />
zoo als: rijst, ook voor den uitvoer; eene soort van gierst,<br />
boitok of betek genaamd, die het hoofdvoedsel der bevolking is;<br />
eene andere soort van gierst, dellé (in het Javaansch djali)<br />
genaamd; en tweederlei soort van djagoeng. Voorts peul- en<br />
aardvruchten, groeuten, vrachten, suikerriet, tabak, sirih, pinang,<br />
katoen; kokos-, gebang- en to^nr-palmen, van welke laatsten<br />
toewak, stroop en suiker vervaardigd worden; indigo en mangkoedoe<br />
of bengkoedoe-boomen (bl. 542) voor blaauwe en roode<br />
verfstof; enz. De bosschen, die vooral in het Noorden en Oosten<br />
des eilands gevonden worden, leveren onderscheidene goede houtsoorten<br />
op, waaronder kajoe mejrah en tamarinde.<br />
De wilde dieren zijn herten en varkens; de tamme, voornamelijk<br />
buffels, paarden, geiten, schapen en hoenders. In de bosschen<br />
houden zich eene menigte bijen op; hier en daar worden ook<br />
vogelnestjes ingezameld. Aan dc Zuid-Oostkust vindt men schildpadden,<br />
en overal in den omtrek tripang; van de vischvangst<br />
wordt overigens weinig werk gemaakt.<br />
Metalen of andere delfstoffen komen, zooverre bekend is, niet<br />
voor.<br />
Rotti is verdeeld in achttien staatjes of Regentschappen; zij<br />
zijn van de Noord-Westpunt af Oostwaarts de volgende:<br />
Korbaffo, met de hoofdnegeri Korbaffo en de voornaamste kampongs<br />
Sant, Inggoe soedi en Tana gaej.<br />
Landoe, met de hoofdnegeri Landoe en de kampongs Dai ama,<br />
Inggoe seri en Rai pouh.<br />
Renggouio, met Renggouio, Keka hoeöe, Nala dai, Dato en<br />
Rottei.<br />
Oipauw of Batoe issi, met Oipauw, Ina ai, Feah en Ari.<br />
Bilba, met Bilba, Tara koko, Moemoek, Saniek, enz.<br />
Bioeh, met Bioek, Toene ama, Lioe daej en Kana.<br />
Lelenoek, met Lelenoek, Leni oei en Hako ama.<br />
Bokkai, met Bokkai, Teah ama cn Modoh.<br />
Talos, met Talos, Inggoe oei, Tetoe kade, Boeli horna, enz.<br />
Keka, met Keka, Kapa lai solah, Sakoe thei date en Masa<br />
koene.<br />
Lollei, met Lollei, Pesah, Moelah, Koeli, Kasoe, Nandi, enz.<br />
Tkie, met Thie, Roera la eh, Saba la eh, Bokka, Soeah, Landoe,<br />
Kona, enz.<br />
II. 55
546<br />
Bella, met Bella. Sede feoh, Ompoh, Roeak. enz.<br />
Oinale, met Oinale, Tarahani die, Tarahani onah, Bonk,<br />
Ajik, enz.<br />
Lelain of Osing poka, met Lelain, Bobo, Lodoe, enz.<br />
Bengka. met Bengka, Henoek lej, Taka tej. Ejlah. Loenak,<br />
Baiih, met Baiih, de verblijfplaats van den Nederlandschen<br />
Posthouder, Endeh, Modo, Kou, enz.<br />
1'ermanoh, met Termanoh, Masahoek, Menoh, Lelik. enz.<br />
De acht eerstgenoemde staatjes worden te zamen genoemd<br />
Malahari najik of het Oostelijke gedeelte, en de tien andere<br />
Malahari ioeroen of het Westelijke gedeelte.<br />
Elk van deze staatjes heeft een Vorst en een Rijksbestuurder,<br />
die door het Gouvernement, even als op Timor, Radja en Feltor<br />
genoemd worden. De meeste Fettors hebben ook eenige kampongs<br />
onder hun eigen onmiddellijk bestuur, voor welke zij als<br />
leenmannen van de Radja's kunnen beschouwd worden. De<br />
hoofden der kampongs worden Tomoekoen genoemd. De eigen<br />
lijke inlandsehe benaming vooralle Hoofden is Manek; zij worden<br />
onderscheiden door bij dezen titel den naam van hun staatje<br />
of hunne kampong te voegen. De Radja's hebben als onderscheidingsteeken<br />
van het Gouvernement een rotting met zilveren knop,<br />
behalve die van Termanoh, Baiih. Bengka en Thie, die een<br />
gouden knop hebben. Het bestuur dezer Vorsten en Hoofden<br />
is van denzelfden willekcurigen aard als op Timor; de bevolking<br />
schijnt echter over het algemeen minder van hunne onderdrukking<br />
te lijden te hebben.<br />
De Radja's en Fettors worden door de Rijksgrooten gekozen<br />
en door den Resident van Timor namens het Gouvernement<br />
bevestigd, bij welke gelegenheid zij schriftelijk beloven: aan het<br />
Nederlandsch-Indisch Gouvernement als hunnen Opperheer, en<br />
aan de door hetzelve over hen gestelde magten als hunne overheid,<br />
allen verschnldigden eerbied, gehoorzaamheid en hulp te<br />
bewijzen; de vroeger met dat Gouvernement geslotene contracten<br />
getrouw na te komen, cn in het bijzonder: het welzijn des volks<br />
te bevorderen; met Tegtvaardigheid te regeren; den vrede met<br />
hunne naburen te handhaven; den zeeroof en slavenhandel te<br />
beletten; landbouw, nijverheid, handel en scheepvaart te beschermen;<br />
aan schipbreukelingen hulp te verleenen, en gestrande<br />
goederen te bergen; in geene staatkundige aanraking te treden
547<br />
met vreemde mogendheden ; aan Europeanen of andere Westersche<br />
vreemdelingen geene gronden af te staan, en hunne toelating of<br />
vestiging buiten dc havens des rijks niet te vergunnen zonder<br />
voorkennis en toestemming van het Hoofd van het gewestelijk<br />
bestuur; en dezelfde toestemming te vragen voor handelaars, die<br />
zich langer dan drie maanden in eene havenplaats willen ophouden.<br />
O Een Nederlandsch Posthouder, te Baiih gevestigd,<br />
houdt het toezigt op het nakomen dezer verdragen.<br />
De bevolking van Rotti, die door FRANCIS en BUDDINGH op<br />
40000 zielen geschat wordt, behoort even als die van Timor tot<br />
den Alfoerschen stam. Volgens hunne overleveringen stammen<br />
zij af van Cerammers, Ternatanen, Tidorezen en andere Moluksclie<br />
eilanders, bij welke zich later Belonezen zouden gevoegd hebben.<br />
In uiterlijk voorkomen verschillen zij weinig van de bewoners<br />
van Timor; alleen zijn zij do<strong>org</strong>aans iets kleiner van gestalte<br />
en donkerder van huidkleur ( 2<br />
); maar zij zijn zachtaardiger van<br />
karakter, hebben meer vlijt en geschiktheid voor den arbeid, en<br />
zijn vooral veel beter landbouwers dan dezen. Ernstige misdrijven<br />
komen zelden onder hen voor; maar zij zijn onrustig van aard,<br />
en de mate hunner gehoorzaamheid aan de Eadja's hangt grooten<br />
deels af van de persoonlijke hoedanigheden van deze laatsten.<br />
De huizen zijn deels van denzelfden vorm als die op Timor,<br />
deels meer op de Maleische wijze gebouwd; de kampongs zijn<br />
klein en zonder orde aangelegd; de meeste hoofdplaatsen zijn<br />
met eenen steenen muur omgeven. De kleeding en sieraden komen<br />
in de hoofdzaak met die der Timorezen overeen, alleen is de<br />
grondkleur der kleedingstukken zwart; ook de Meoe's, hier<br />
Palani's (overeenkomende met het Maleische brani, dapper) ge<br />
naamd, zijn op soortgelijke wijze uitgedost. De wapenen zijn<br />
Europesche geweren, zwaarden, lansen en somtijds langwerpige<br />
houten of ronde buffellederen schilden, salbako genaamd! 3<br />
) (bij de<br />
(') Met dc Radja's van Korbaffo, Termanoh, lollei en Thie, en de Fettors<br />
van Thie en Io//ei zijn deze overeenkomsten het laatst vernieuwd te Koepang,<br />
den 10 Oclober 1860. Zie de Bijlagen van de Nederlandsche Staatscourant,<br />
48G1—18112, bl. 192.<br />
( 2<br />
) Volgens S. MULLER, Reizen, enz., Dl. II, bl.268; daarentegen zegt<br />
VAN LYNDEN, in het Natuurkundig Tijdschrift voor NedAndie, 18S1, bl. 595,<br />
dat zij blanker zijn. -t
548<br />
Alfoeren van Noord-Celélies. salaicako; zie bl. 187). De maatschappelijke<br />
toestand, levenswijze, mate van beschaving, wijze<br />
van krijgvoeren , en godsdienst komen in dc hoofdtrekken te veel<br />
met die op TSmhrovereen om ze hier afzonderlijk te beschrijvenC';<br />
er zijn eenige Protestantsche gemeenten, die echter bij ontstentenis<br />
van Zendelingen grootendeels aan de leiding van Inlanders<br />
zijn overgelaten. In de achttien hoofdplaatsen der Regentschappen<br />
zijn scholen, welke sedert 1857 door het Gouvernement<br />
worden bekostigd, doch waar het door Inlandsehe of Ambonesche<br />
schoolmeesters gegeven onderwijs zeer gebrekkig is. ( J<br />
)<br />
De nijverheid der Rottinezen bepaalt zich tot eenig gebrekkig<br />
smids- en timmermanswerk, het koken van zout uit zeewater,<br />
en het weven der kleedingstukken door de vrouwen. De handel<br />
wordt hoofdzakelijk gedreven op Koepang en Boeton met vaartuigen<br />
van die eilanden, daar de Rottinezen zeiven zeer slechte<br />
zeelieden zijn. Dc artikelen van uitvoer zijn: rijst, djagoeng.<br />
bottok (bl. 545), stroop en suiker van den lontar-r>a\\a, varkens,<br />
paarden en grof lijnwaad; die van invoer voornamelijk: lijnwaden,<br />
ijzer- en koperwerk, geweren, kruid, gongs, koralen,<br />
pinang en arak.<br />
De muzijk-instruraenten der Rottinezen zijn gongs, trommen<br />
of tambourins, bamboezen fluiten en twee instrumenten, welke<br />
eenige overeenkomst met de guitar hebben; het eene (Sasanoe-ai)<br />
is van hout met twee snaren van koperdraad, het andere (Sasanoeóh)<br />
van bamboe met acht of tien bamboezen snaren. Zij hebben<br />
onderscheidene soorten van gezangen en dansen; deze laatsten<br />
worden onderscheiden in Leno, die alleen door vrouwen, en<br />
Foti, die alleen door mannen worden gedanst; ook hebben zij<br />
de Tjakalele, eene soort van krijgsdans, die alleen door mannen<br />
met zwaard en schild in de handen wordt uitgevoerd (vergel.<br />
bl. 445). Een dans, poekoel gong genaamd, wordt door mannen<br />
en vrouwen gezamenlijk onder begeleiding van gongs verrigt.<br />
Bobaneh en Lendo zijn zangvermaken, waaraan beide seksen<br />
deelnemen. In het algemeen zijn de vermaken der Rottinezen<br />
vrolijker, vlugger en luidruchtiger dan die der Timorezen.<br />
1') Hen zie daarover uitvoerig S, MULLER , t. a p. en G UEVMEBING, in het<br />
Tijdse.hr. voor Neêrl. Indië, 1845, U' ll en 1844, D'. I.<br />
(*) Uededeelingen van wege hel Nederlandsche Zendeling-genootschap,<br />
Dl VIII, hl. 51.
549<br />
De taal der lloUinezeu verschilt geheel van die der naburige<br />
eilanden, en schijnt gesplitst te zijn in twee dialecten, van welke<br />
het eene in het Oostelijke (Matahari najik) en het andere in<br />
het Westelijke (Matahari toeroen; bl. 546) gedeelte des eilands<br />
wordt gesproken. Een eigen letterschrift hebben zij niet.<br />
Landoe.<br />
I.uitdoe is een rotsachtig eilandje evenwijdig aan de Noordkust<br />
van Rotti gelegen en daarvan gescheiden door eene smalle straat,<br />
welke zoo ondiep is dat men bij laag water te voet naar het<br />
staatje Renggouio kan gaan; het is dus naauwelijks een afzonderlijk<br />
eiland te noemen. Landoe is onbewoond.<br />
Daauw.<br />
Daauw, Daoe of Domo, omstreeks 1 • mijl groot, is, na Landoe,<br />
het grootste der eilandjes rondom Rotti, aan welks Zuid-<br />
Westelijk uiteinde het ligt op 122° 42' O.L. cn 10° 53' Z.B.<br />
liet bestaat uit eene lage rots, en levert djatjoentj en peulvruchten<br />
op doch niet genoegzaam voor de bewoners. De bevolking,<br />
welke zegt van Soemba afkomstig te zijn, bedraagt ongeveer<br />
1500 (volgens FUANCIS 4000) zielen, die over zeven kampongs<br />
verdeeld zijn cn door eenen Radja en eenen Fettor bestuurd<br />
worden. Zij zijn welgemaakt van gestalte, goed van karakter,<br />
vernuftig, en stoute zeelieden. Zij zijn zeer bedreven in het<br />
goudsmeden, hetwelk hun voornaamste middel van bestaan is;<br />
met dc door hen vervaardigde sieraden reizen zij naar de omliggende<br />
eilanden, om ze voor levensmiddelen en lijnwaden te<br />
verruilen. Ook op Rotti, Timor cn elders zijn Daauw-vi\a.\\&e,\'$,<br />
als goudsmeden gevestigd.<br />
De overige kleine eilanden rondom Rotti.<br />
Bibi, ook wel Sesibi genoemd, is een zeer klein eilandje ten<br />
Westen van het Noordelijke gedeelte van Landoe.<br />
Oessoc, ook wel op de kaarten Beboe genoemd, ligt ten Oosten<br />
van Landoe.<br />
Ajana en Noessa Sandauio of Noessa Bouw, twee kleine eilandjes<br />
aan de Westkust van Rotti, tegenover Bengka.<br />
Noesse', Noesseh of Noessoe, mede aan de Westkust van Rotti,<br />
tegenover Oinale.
550<br />
Dook of Dook, op geringen afstand ten Zuid-Oosten van<br />
Daauw.<br />
Dana, onmiddellijk ten Zuiden van de Zuidelijke smalle land<br />
tong van Rotti. welke de Cyrus-haven ten Westen insluit. Het<br />
wordt beschouwd als eene onderhoorigheid van het staatje Thie,<br />
welks bewoners er zout en schildpad halen.<br />
Heliana, ook wel Landiko genoemd, ten Zuid-Oosten van Dana.<br />
Landouw en Noessa Manoek, twee kleine eilandjes ten Zuid-<br />
Oosten van de Cyrus-kaven; het eerste wordt op oudere kaarten<br />
Noessa Alano en Lang eiland, het laatste Noessa La en Hoed-<br />
eiland genoemd.<br />
Noessa Lai, een klein eilandje aan de Zuidkust, tegenover Lollei.<br />
Alle deze eilandjes zijn onbewoond.<br />
§ 2. De Savoe-eilanden, zijnde Savoe, Randjoewa<br />
en Hokki.<br />
Savoe.<br />
Savoe of Sawoe, door de Inboorlingen Raej Hoewa genaamd,<br />
ligt Westwaarts van Rotti tusschen 121° 40' tot 122° O.L. en<br />
10°27' tot 10° 38'Z.B. O, en is 11.3 • mijlen groot! 2<br />
). Het<br />
is heuvelachtig doch lager dan Rotti; de hoogste heuvel is de<br />
Ledekej Boesoe in het Oostelijke gedeelte des eilands; in het<br />
algemeen is de Zuidkust iets hooger dan dc Noordkust. Stroomend<br />
water is er schaarsch ; de beken, welke er gevonden worden,<br />
hebben zelfs te korten loop om voor den landbouw van nut te zijn.<br />
In de behoefte aan drinkwater wordt door gegravene putten<br />
voorzien. De eenige tot ankerplaatsen geschikte Baaijen zijn<br />
die vau Seba aan de Westkust, en die van Timoe aan de Zuid-<br />
Oostzijde.<br />
Zwaar geboomte treft men op Savoe weinig aan ; de grootste<br />
soorten zijn eene soort van waringin, tamarinde, lontar— en<br />
kokos-palmen. Voorts zijn de belangrijkste voortbrengselen uit<br />
0) Volgens de opgave van MULLER tusschen 121 0<br />
ö 4' 59" tot 12I°54'9"0.L.<br />
en 10° 24'54" lol 10° 55'50" Z.B.<br />
( ;<br />
) Volgens MELVILL in den Monileur des Indes. 1846—1847. Op dc<br />
Statistieke Kaart in hel Tijdschr. voor Neérl. Indië, 1849, geeft dezelfde<br />
Schrijver voor de gezamenlijke Savoe-eilanden slechts 8.5 • mijlen. Volgens<br />
andere opgaven is Saroe 123 • Engelsche mijlen groot.
551<br />
het plantenrijk: djagoeng, rijst, gierst, aard- en peulvruchten,<br />
fruiten, suikerriet, pisang, tabak, katoen, sirih, indigo en bengil-oeo'oe-boomen.<br />
Het dierenrijk levert een zeer goed ras van paarden,<br />
die ook gegeten worden, buffels, schapen, geiten en varkens;<br />
doch geene wilde dieren behalve apen. Visch, schildpad en<br />
tripang komen in overvloed rondom het eiland voor; de laatste<br />
wordt echter niet door de Savoenezen zeiven gevangen. Aan de<br />
Zuidkust wordt goede klei gevonden voor pottenbakkers-werk;<br />
doch andere delfstoffen zijn er niet bekend.<br />
Savoe is verdeeld in vijf staatjes of Regentschappen, zijnde<br />
van het Noorden af Oostwaarts de volgende:<br />
Seba, beslaande het Noordelijke gedeelte des eilands, met de<br />
hoofdnegeri Seba, de verblijfplaats van den Nederlandschen<br />
Posthouder, en een groot aantal kampongs, waaronder Nahoro,<br />
Raej dana, Lede ana, Namata, Lobokej, enz.<br />
Liaej, in het Noord-Oosten, met de hoofdnegeri Liacj, en de<br />
kampongs Egeresi, Kali doepa, Kaloramej, Gobo en vele andere.<br />
Timoe, in het Zuid-Oosten, met Timoe, Bah, Banjo, Soerali,<br />
Baraie, enz. O<br />
Menia, in het Zuiden, met Menia, Kongkordia. Jami kolo en<br />
Breda raej.<br />
Mesara, in het Westen, met Mesara, Fedarroh, Mamboro,<br />
Tedida en vele andere kampongs.<br />
Het bestuur over deze staatjes berust, even als op Rotti, bij<br />
Radja's (hier Bowai genaamd) en Fettors (fFelo), die van Gouver-<br />
nementswege bevestigd worden, en dat over de kampongs bij<br />
Tamoekons. De Radja van Timoe wordt bij het Gouvernement als<br />
de eerste in rang beschouwd, waarom hij ook een rotting met<br />
gouden knop voert, terwijl de anderen slechts een zilveren knop<br />
hebben. De meeste Fettors hebben een bijna even groot aantal<br />
kampongs onder hun onmiddellijk bestuur als de Radja's. Hunne<br />
verhouding tot het Gouvernement wordt bepaald door een<br />
contract, dat het laatst vernieuwd is in het jaar 1860 ( 2<br />
), en<br />
(') Deze volgorde der Regentschappen is volgens de opgave van den gewezen<br />
Resident van Timoe, VAN LYNDEN, in hel Natuurkundig Tijdschr. voorNeêrl.<br />
Indië, 18S1. Op dc Kaart van VERSTEEG in den Algemeenen Atlas ligt<br />
Timoe len Noorden van tiaej.<br />
( :<br />
) Zie dc Bijlagen van de Nederlandsche Staatscourant, 1801—1862,<br />
bl. 789.
553<br />
waarbij zij erkennen dat hunne Rijken een gedeelte uitmaken<br />
van Nederlandsch Oost-Indie, en voorts zich verbinden om met<br />
dat Gouvernement in vrede, vriend- en bondgenootschap te<br />
leven; den Resident van Koepany of den als zijn plaatsvervanger<br />
in hun gebied gevestigden ambtenaar te erkennen als den vertegenwoordiger<br />
van het Gouvernement, aan wien alle niet inheemsche<br />
bewoners des eilands regtstreeks onderhoorig zijn; door<br />
het leveren van arbeiders, bouwmaterialen en grond des gevorderd<br />
mede te werken tot het daarstellcn van sterkten, magazijnen of<br />
woningen, welke het Gouvernement mogt noodig achten op te<br />
rigten j den in hun gebied gevestigden Nederlandschen ambtenaar<br />
van eene behoorlijke woning te voorzien, voor zooverre zulks<br />
met de materialen en arbeiders van het eiland geschieden kan ;<br />
hun land nimmer aan eenige andere natie dan de Nederlandsche<br />
over te geven, noch daarmede in staatkundige aanraking te<br />
treden; het welzijn des volks te bevorderen; met regtvaardigheid<br />
te regeren; landbouw, nijverheid, handel en scheepvaart<br />
te beschermen j zee-, strand- en menscbenroof en slavenhandel<br />
te beletten; aan schipbreukelingen hulp te verleenen en gestrande<br />
goederen te bergen, waarvoor zij hulp- en bergloon kunnen<br />
vorderen; aan andere natiën hoe ook genaamd geene gronden te<br />
verhuren, noch haar te vergunnen onder den grond te graven om<br />
uit dat graven voordeel te trekken, zonder vergunning van het<br />
Gouvernement; evenmin aan haar gronden in eigendom af te<br />
staan, of haar zich te laten vestigen buiten de havenplaatsen,<br />
waar handelaars zich gedurende drie maanden mogen ophouden,<br />
doch voor een langer verblijf bijzondere vergunning behoeven;<br />
de Nederlandsch-Indische munten als wettig betaalmiddel te<br />
doen gelden; gevlugte misdadigers en deserteurs uit te leveren;<br />
geene martelende of verminkende straffen op te leggen; geene<br />
heerschappij uit te oefenen over personen, die niet thans reeds<br />
aan hen ondergeschikt zijn, onderlinge geschillen ter beslissing<br />
te onderwerpen aan den in hun gebied gevestigden ambtenaar of<br />
den Resident te Koepang; op de eerste oproeping naar Koepang<br />
op te komen j bij overlijden van eenen Radja of Fettor daarvan<br />
onmiddellijk kennis te doen geven aan den Resident, met berigt<br />
wie volgens de landsgebruiken als opvolger benoemd is, ten<br />
einde deze door den Resident of zijnen gemagtigde worde bevestigd.<br />
Het Gouvernement vergunt hun, voor zooverre zij op
553<br />
zee handel drijven, de Nederlandsche vlag te voeren; laat hun<br />
de regtspleging over hunne eigene onderdanen over; en bemoeit<br />
zich niet onmiddellijk met het inwendig bestuur hunner rijkjes,<br />
zoolang zij de aangegane overeenkomst getrouw nakomen. De<br />
regtspleging over alle vreemdelingen, hoe ook genaamd, verblijft<br />
aan het Gouvernement.<br />
Een Posthouder te Seba gevestigd houdt het toezigt op het<br />
nakomen van dit verdrag.<br />
De bevolking, die vrij sterk doch wier aantal slechts bij gissing<br />
bekend is, werd in 1849 door MELVILL op 28000 zielen geschat.<br />
Volgens de overlevering zijn hare voorvaderen bij de zegepraal<br />
van het Islamisme in Oostelijk Java omstreeks het jaar 1475 uit<br />
bet rijk M&djipaJiit (D 1<br />
.1, bl. 2 en 278) herwaarts gevlugt, en<br />
hebben zich later Timorezen, ïtottinezen, Endenezen (van Mores)<br />
en Boetonnezen met hen vermengd. In de gelaats-trekken der<br />
Savoenezen is dan ook niet zoo ééne algemeene type op te merken,<br />
als zulks b.v. op Timor het geval is. De ligchaams-gestalte is<br />
do<strong>org</strong>aans beneden het middelmatige doch zeer welgemaakt.<br />
Zij zijn levendig en onrustig van aard, moedig in den strijd,<br />
zindelijker dan al hunne naburen , hebben onderling vele twisten,<br />
en voor hunne Hoofden even weinig ontzag als de Rottinezen.<br />
De mannen kleeden zich gelijk de laatstgenoemde eilanders;<br />
de vrouwen dragen om het bovenlijf een dergelijk klcedingstuk,<br />
doch om het benedenlijf eene sarong. Om het lange, opge<br />
bonden hoofdhaar dragen de mannen een katoenen of zijden<br />
doek; doch de vrouwen gaan blootshoofds. Gouden versierselen,<br />
ivoren of koperen armringen, snoeren van moetisala (bl. 526) en<br />
andere koralen, en dergelijke opschik zijn bij beide geslachten<br />
zeer gezocht. Hunne wapens, welke zij zeiven vervaardigen,<br />
zijn zwaarden, lansen en houteu of buffel-lederen schilden;<br />
de laatsten dienen vooral tot het afweren der steenen, waarmede<br />
zij in hunne gevechten elkander werpen ; voorts hebben zij eene<br />
soort van dolken, en stellen hoogen prijs op Europesche geweren,<br />
die echter slechts weinigen bezitten. De wijze van krijgvoeren<br />
is dezelfde als op Timor en Rotti; ook de voorvechters, hier<br />
Monobani genoemd, zijn op soortgelijke wijze uitgedost.<br />
De huizen zijn do<strong>org</strong>aans langwerpig vierkant, staan op<br />
palen drie of vier voet boven den grond, en zijn steviger, ruimer<br />
en zindelijker dan die op Rotti. Elk huis heeft eene steenen
554<br />
omheining, waarin, zoolang het graan te veld staat, het vee<br />
wordt opgesloten. De kampongs zijn onregelmatig aangelegd en,<br />
behalve Sela, allen met een zwaren muur van los op elkander<br />
gestapelde klipsteenen omgeven.<br />
Dc levenswijze is zeer eenvoudig. Djagoeng, Zowaar-stroop en<br />
suiker maken het voornaamste voedsel uit; hondenvleesch is<br />
eene lekkernij. Paarden, buffels en varkens worden slechts bij<br />
bijzondere gelegenheden, maar dan ook in groote menigte,<br />
geslagt, zoo als bij het overlijden van eenen Radja of dergelijke.<br />
De feesten en vermaken zijn overigens in de hoofdzaak van den-<br />
zelfden aard als op de boven behandelde eilanden.<br />
Het Christendom, dat in vroegeren tijd hier eenigen ingang<br />
schijnt gevonden te hebben, is thans geheel verdwenen. De<br />
gansclie bevolking is heidensch en gelooft aan eene menigte<br />
goede en booze geesten, van welke de eersten in het luchtruim,<br />
de laatsten onder de aarde hun verblijf houden; onder hunne<br />
namen, welke geheel van die van Rotti en Timor verschillen,<br />
treft men ook die van Djawi cn Madjoepai (Madjiipahit) aan, welke<br />
laatste de geest is van den eersten Vorst van Savoe. O<br />
Zij hebben eene afzonderlijke taal, die alleen op Savoe en<br />
Randjoeica gesproken wordt, doch geen letterschrift.<br />
De Savoenezeu zijn goede ijzersmeden, en vervaardigen ook<br />
hunne eigene gouden sieraden. Kleine visscherspraauwtjes zijn<br />
de eenige vaartuigen, welke zij bouwen. De door de vrouwen<br />
gewevene kleedingstukken zijn fijner en beter bewerkt dan die<br />
van Rotti. De handel wordt op dezelfde wijze en in dezelfde<br />
artikelen gedreven als op laatsgenoemd eiland (bl. 548).<br />
Kandjoewa.<br />
Randjoeica, eigenlijk Raej Djoeica en ook wel Bendjoar ge<br />
heeten, West-Zuid-Westwaarts van Savoe en veel kleiner dan<br />
dit, ligt op 10°38'Z.B. en 121°35'O.L. Het is een laag en<br />
vrij vlak eiland, dat vooral katoen voortbrengt. Het bevat slechts<br />
één rijkje, dat door eenen Radja bestuurd wordt, en telt een vijf<br />
en twintig-tal kampongs, onder welke Oedjoe dirna, Kolo haba,<br />
Ledetalo. Koroh, enz.<br />
De bevolking, wier sterkte onbekend is, komt in alle opzigten<br />
met die van Savoe overeen.<br />
(') Zie hierover uitvoeriger de Reizen van MULLER, D'. 11, hl. 282.
555<br />
Hokki.<br />
Hokki, ook Nieuw eiland en Dana genoemd, ligt op 10° 50' Z.B.<br />
en 121° 18' O.L., Zuid-Westwaarts van Bandjoewa, waarvan<br />
liet door eene breede en veilige straat is gescbeiden. Aan de<br />
Noordzijde is het vlak, aan de Zuidzijde rotsachtig. Het eilandje<br />
is zeer klein en onbewoond.<br />
§ 3. Soemba of Tjendana.<br />
Ligging, grenzen, grootte, natuurlijke gesteldheid,<br />
voortbrengselen.<br />
Het nog weinig bekende eiland Soemba, ook Tjendana, Tjoemba,<br />
Sandelhoul-eiland en Sandelbosch geheeten, ligt ten Zuiden van<br />
Flores, waarvan het door Straat Soemba of Straat Sandelhout<br />
gescheiden is, en overigens door den Indischen Oceaan bespoeld,<br />
tusschen 9°17'tot 10°19'50"Z.B. en 119° 3' tot 120° 55' O.L.,<br />
en heeft volgens de berekening van MELVILL eene grootte van<br />
251.8 • mijlen. ( l<br />
)<br />
Het Zuidelijke en Oostelijke gedeelte des eilands is niet<br />
zeer hoog; over het midden strekt zich een gebergte uit, dat op<br />
sommige plaatsen tot de Noordkust voortloopt en uit zee<br />
gezien, hier en daar eene hoogte van 3000 v 4<br />
. schijnt te hebben! 2<br />
).<br />
De met name bekende toppen zijn alleen de G. Batoe Kapedo en<br />
de G. Bala, beiden in het midden-gedeelte des eilands op eenigen<br />
afstand van de Noordkust; men spreekt ook van een vulkaankegel,<br />
wiens naam of ligging echter niet wordt opgegeven! 3<br />
).<br />
(') Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Neérl. Indië, 1849. In den<br />
ilonileur des Indes, 4846—1847, geeft dezelfde Schrijver 236.5 • mijlen<br />
voor de grootte van dit eiland.<br />
[•) In het Tijdschr. voor Neérl. Indië, -18SS, Db l, bl. 278, wordt het<br />
midden-gedeelte des eilands genoemd «een zeer vruchtbaar tafelland, verdeeld<br />
in vier Afdeelingen : Tanah Maringoe [het koude land), Anakala, Prewatanah<br />
en Lewa; van welke Anakala het schoonste en vruchtbaarste is, en waarin<br />
een meer is, welks water men in verschillende riglingen over de geheele oppervlakte<br />
van het plateau heeft weten te leiden, zoodat het eene onafzienbare<br />
uitgestrektheid rijstvelden besproeit."<br />
( 3<br />
) Zie JUNGHUHN, Java, enz. Afd. II, Iloofdsl. lil, bl. 1265.
556<br />
Overigfins bestaat de bodem grootendeels uit kalkgesteenten,<br />
puimsteen, en lava-slakken, met eene zwarte, vruchtbare aardlaag<br />
bedekt.<br />
Het eiland heeft verscheidene uitstekende punten of kapen,<br />
vooral aan de Noordzijde, van welke op de Kaart van VERSTEEG<br />
met name vermeld worden:<br />
aan de Noordkust, van het Westen af:<br />
T. Sasa of Sasar, T. Palmedo, T. Mamboro (de Noordpunt),<br />
T. Roda, T. Ngaroeicoe, T. Mandolo, T. Baloe ala en T. Keloembo.<br />
Kadoemboe of Kadamboe.<br />
aan de Oostkust, van het Noorden af:<br />
T. Petaicang, T. Rendeh, T. Tapt en T. Menjili.<br />
Voorts worden nog vermeldt 1<br />
): T. Wanda. T. lf r<br />
ai Babi,<br />
T. Amboekoe biroe, T. Batoe mejrah en T. Roeicoe, zonder opgave<br />
van ligging; en de Zuidpunt, op 10°19'50" Z.B. en 120°32' O.L.<br />
De bogten tusschen deze kapen vormen ankerplaatsen, die,<br />
daar de kust bijna overal vrij steil afloopt, wel eene voldoende<br />
diepte hebben doch meerendeels geheel open liggen. De beste<br />
ankerplaatsen zijn i aan de Noordkust bij Nangamessi ten Oosten<br />
van T. Mandolo, en bij Katoembo tusschen T. Baloe ala en T. Ke<br />
loembo; en aan de Zuidkust in de Westelijke helft des eilands,<br />
bij Tida, waar eene tegen alle winden gedekte baai gevonden<br />
wordt ruim genoeg voor 15 of 20 schepen. Buitendien bicden<br />
ook de monden der rivieren aan kleine vaartuigen veilige lig<br />
plaatsen aan.<br />
Uit het binnenland vloeijen naar alle zijden eene menigte<br />
rivieren zeewaarts, omtrent wier bevaarbaarheid niets bekend<br />
is, doch die zeker uitmuntend aan den rijstbouw zouden<br />
kunnen worden dienstbaar gemaakt, hetgeen echter niet geschiedt.<br />
De voornaamsten zijn :<br />
aan de Noordkust, van het Westen af:<br />
de Katewe of Kadewi, de Kar inde of Karing i, de Momboro, de<br />
Palmedo, de Kadesa, de Kapoendoe, de Kanata, de Nanga (of<br />
Nangka) messi, de Kambera, de Wai ambedi (misschien dezelfde<br />
als de Sodo), en de Keloembo of Kadoemboe.<br />
aan de Oostkust, van het Noorden af:<br />
de Pelawang, de Maloeloe of Melolo, de Poerah en de Menjili<br />
of Mendjeli.<br />
(') In het Tijdschr, voor Neérl. Indië, 1888, Db 1, bl. 879.<br />
t
557<br />
aan de Zuidkust, van het Oosten af:<br />
de Teraba, de Wai eloe of Wajeloe. de Wam,, de Tarimba,<br />
de Tida, de Panda, de Manoekaka en de iü&wa of itweoê.<br />
aan de Westkust, van het Zuiden af:<br />
de Lamboeja of Lomboja, de Zangaroe, de Lambalawa en de<br />
Koedi.<br />
De Mamboro, de Kambera en de Menjili schijnen van deze<br />
allen de grootsten te zijn.<br />
Het belangrijkste voortbrengsel van het plantenrijk is sandelhout,<br />
waarvan geheele bosschen het binnenste gedeelte des eilands<br />
bedekken. De uitvoer staat echter volstrekt in geene verhouding<br />
tot de hoeveelheid van het produet; omdat de bevolking door<br />
vrees voor de geesten, die deze bosschen bewonen, weerhouden<br />
wordt sandelboomen te kappen of zelfs aan te raken ; men vergunt<br />
dit echter aan vreemdelingen, vooral, aan de Endenezen, tegen<br />
schadeloosstelling en nadat er eenige geweerschoten gewisseld<br />
zijn, waardoor de Soembanezen zieh achten verdedigd te hebben<br />
en overwonnen, doch bij de goden verantwoord te zijn. Voorts<br />
levert Soemba: ebbenhout; kamoening- en verscheidene andere<br />
boomsoorten, uit wier wortels, schors of bladeren verfstoffen<br />
bereid worden; wilde kaneel; lonlar-rtalmen in menigte, waar<br />
van echter door de Inboorlingen geene stroop of suiker wordt<br />
vervaardigd; en katoen ; en als voedingsmiddelen rijst en djagoeng,<br />
die ook naar Ende (Oost-Flores) worden uitgevoerd.<br />
De rijstvelden worden door uitgestrekte grasvlakten afgewisseld.<br />
Het dierenrijk levert eene groote menigte paarden, wier ras<br />
dat van Timor, Savoe en Rotti verre overtreft; zij teelen in het<br />
wild voort en worden in groote hoeveelheid uitgevoerd (alleen<br />
hengsten). Buffels zijn er in groot aantal; zij worden echter niet<br />
uitgeyoerd, en slechts bij zeer bijzondere gelegenheden geslagt,<br />
maar alleen gebruikt om den voor rijstbouw bestemden grond<br />
fijn te trappen. Voorts zijn er vele varkens, weinig schapen en<br />
geiten, en geen wild gedierte. Vogelnestjes worden in groote<br />
hoeveelheid en van de beste soort zoowel in het binnenland als<br />
aan de kusten gevonden. Schildpad en tripang levert de zee in<br />
overvloed op.<br />
Van het delfstoffenrijk is niets bekend.
558<br />
Verdeeling, bestuur, verhouding tot het Nederlandsche<br />
Gouvernement.<br />
Soemba is verdeeld in een aantal rijkjes, wier hoeveelheid<br />
echter niet juist bekend schijnt. Het Tijdschrift voor Neerlands<br />
Indië^ vermeldt 35 rijkjes, namelijk i in het Noordelijke gedeelte<br />
van het Westen af: Koedi of Ketewer (Katewe, Kadewi), Momboro.<br />
Palmedo, Kapoendo, Kanalta, Toimanoe, Kambera, Kadoembo<br />
(Kadamboe, Keloembo), Petaicang, Melolo, en Menjili; in het<br />
Zuidelijke gedeelte van het Westen af: Lamboeja, Roewa, Manoe-<br />
kaka, Panda, Tida, Tarimba, JFasa, Laritoe (Lawitoe). Taboeri<br />
(Taboewi), Wajeloe en Teraba; en in de binnenlanden: Soembi,<br />
Taboende, Karila, Mandar, Letoa-koenda-mara, Lewa-pakoe,<br />
Lewa-laudoet, Lakoeka. Pari-icaloena, Anakala, Loerada, La-<br />
xooenda en Raroeka. Deze opgave, afkomstig van een voormalig<br />
Resident van Timor, verschilt ten eenenmale van die, welke<br />
voorkomt in den Almanak voor Nederlandsch Ludiek) waar slechts<br />
28 rijkjes, meerendeels met geheel andere namen, worden opge<br />
geven, te weten: Kambera, Lamboenopo, Endatar, Batakapido<br />
(Batoe Kapedo), Taimanok, Samparingo, Kadoenpo. Kamato,<br />
Kadesan, Balmedo, Leina, Mengommong, Prikambira, Oeieindoli,<br />
Bartoeli, Kamata, Tengedo. Kalamba. Sambaiba, Momboromeri,<br />
Tanah kadoengoen, Palindi, Menjili, Sobi, Manoseicani, Piloicatoe,<br />
Talolea en Kadoembo. Volgens de eerste bron heeft elk rijkje een<br />
afzonderlijken Radja; volgens de laatste zijn er meestal twee<br />
tot vier rijkjes onder éénen Vorst vereenigd, zoodat er in het<br />
geheel slechts negen Radja's zijn. Daar er een honderd en<br />
vijftig-tal negeriën zijn ( 3<br />
), en een groot aantal Vorstelijke of<br />
adellijke personen, die zieh hier of daar eenig gezag aanmatigen,<br />
is het bij onze gebrekkige kennis des eilands niet te verwonderen,<br />
dat er zoo weinig overeenkomst tusschen de verschillende berigten<br />
bestaat; te minder daar het Gouvernement alleen met eenige<br />
rijkjes op de Oost- en Noord-Oostkust in regtstreeksche betrek<br />
king schijnt te staan.<br />
De waardigheid der Radja's is erfelijk in hun geslacht. Hun<br />
bestuur is geheel willekeurig en niet door wetten of adats beperkt.<br />
(') Jaarg. 1SSS. Db I, bl. 282.<br />
ffl Jaarg. 4865. bl. 161.<br />
( 3<br />
) De namen dezer negeriën en het aantal huizen, waaruit zij bestaan,<br />
worden opgegeven in het Tijdschr. v. Neérl. Indië, 4855, DU, bl. 282—281.
559<br />
Zij genieten geene bepaalde inkomsten van de bevolking, maar<br />
verschaffen zich die door het opleggen van willekeurige boeten<br />
om onbeduidende redenen, het verkoopen van hunne onderdanen<br />
als slaven, en dergelijke middelen.<br />
Vroeger waren de Eadja's ondergeschikt- aan de 0.1. Com<br />
pagnie, die er ook eenen ambtenaar en eenen militairen post had,<br />
gevestigd te Labaja (Lamboeja ?). Dit een en ander is echter<br />
langzamerhand vervallen; en eerst in 1845 zijn weder met eenige<br />
Radja's van de Noord-Oostkust contracten gesloten, waardoor<br />
dezen zich echter niet zeer gebonden schijnen geacht te hebbent 1<br />
);<br />
althans in 1860 is het noodig geacht een nieuw contract aan te<br />
gaan met de Radja's van Taimanoe, Kambera, Kadamboe en<br />
MenjiliC), geheel gelijkluidend met hetgeen nagenoeg gelijktijdig<br />
met de Radja's van Savoe gesloten werd (bl. 551). Een Post<br />
houder is er echter tot dusverre niet weder gevestigd.<br />
Bevolking.<br />
De bevolking, wier sterkte door MELVILL op 400000 zielen<br />
geschat is( 3<br />
) en omtrent welker afkomst ons geene berigten<br />
bekend zijn, wordt vo<strong>org</strong>esteld als een dom, bijgeloovig, lui,<br />
onzindelijk, vreesachtig en wantrouwend, maar gastvrij, goed<br />
aardig en schoon menschenras. Zij staan op een zeer lagen trap<br />
van beschaving en leven, daar zij niet zeer genegen zijn om met<br />
vreemdelingen in aanraking te komen, veelal van de kusten<br />
verwijderd. De kleeding der mannen bestaat in een kleedje van<br />
zwart, wit of rood katoen, waarom eenige strengen touw als<br />
buikgordel worden vastgemaakt; de vrouwen dragen alleen eene<br />
zwarte, lange en zeer naauwe sarong. Beide geslachten dragen<br />
het haar lang. De mannen hebben als sieraad armbanden van<br />
ivoor, de vrouwen van glas-koralen.<br />
De wapenen zijn lange lansen, eene soort van zwaarden of<br />
parangs, en ronde schilden van gedroogde buffelhuid vervaar<br />
digd.<br />
i 1<br />
) Zie het Tijdschr. voor Neérl. Indië, t.a.p. bl. 500.<br />
( 2<br />
) Zie de Bijlagen van de Nederlandsche Staatscourant,<br />
bl. ;81.<br />
1861—1862,<br />
I 3<br />
) Volgens andere berigten zoude de bevolking slechts 12000 zielen bedragen;<br />
en weder volgens andere, 225000 zielen op het bekende gedeelte<br />
en bijna tweemaal zooveel nog onbekend.
560<br />
De huizen, die in geregelde en somtijds vrij groote kampongs<br />
of negeriën bij elkander staan, zijn zeer groot cn hoog op palen<br />
gebouwd. In het midden bevindt zich de stookplaats, en .daar<br />
rondom zijn een aantal, somtijds twintig of meer, kamertjes<br />
gebouwd met den uitgang naar de binnenzijde, van welke iedere<br />
bewoner er een tot zijn gebruik heeft. Deze huizen strekken dus<br />
waarschijnlijk aan meer dan één gezin tot woning. Het huisraad<br />
bestaat uit eenige potten, pannen, matten, manden en weefgetouwen.<br />
De bevolking is verdeeld in vier kasten of standen, die elk<br />
weder in een groot aantal stammen of geslachten onderverdeeld<br />
zijn. De eerste stand bestaat uit den hoogen adel of die geslachten,<br />
uit welke alleen de Radja's mogen gekozen worden; de daartoe<br />
behoorende personen mogen in geen geval met iemand uit eenen<br />
minderen stand huwen. De tweede stand vormt den kleinen of<br />
minderen adel. De derde stand zijn de vrije burgers; en den<br />
vierden stand vormen zij, die geene regten hebben en ten allen<br />
tijde naar goeddunken van den Radja kunnen opgevat en als<br />
slaven verkocht worden. Deze slaven worden in menigte uit<br />
gevoerd door Boeginezen, Mangkasaren, Bimanezen en andere<br />
eilanders.<br />
De nijverheid der Soembanezen bepaalt zich, behalve deze<br />
slavenhandel, tot dien in paarden, schildpad, vogelnestjes, rijst,<br />
djagoeng. kamoening-hont, touw en vischnetten. Dc mannen ver<br />
zamelen alleen dit hout, de vogelnestjes en het schildpad, en<br />
vervaardigen de netten en het touw; al het overige werk, ook<br />
de geheele landbouw, wordt door de. vrouwen verrigt.<br />
Van hunne godsdienst is ons alleen bekend, dat zij eene<br />
godheid erkenuen, die hovende wolken woont en Amboe Wolloh<br />
Mandonkoe heet; deze schijnt vooral ook de beschermgod der<br />
sandelboomen te zijn (vergel. bl. 557). Zij hebben ook priesters<br />
om bij ziekten en andere onheilen de booze geesten te bezweren.<br />
De taal, welke geheel van die der naburige eilanden verschilt,<br />
is zacht en welluidend maar zeer arm en onbeschaafd. Een<br />
Woordenlijstje er van is medegedeeld in het Tijdschrift voor<br />
Neêrlandsch Indie, 183Ö, Db I, bl. 290—296.<br />
De vermaken bestaan hoofdzakelijk in maaltijden, waarbij een<br />
groot aantal paarden, buffels en varkens wordt geslagt, zingen en<br />
dansen. Dit laatste geschiedt op soortgelijke wijze als op Timor,
INGEZONDEN STUKKEN.<br />
Onze Sonvei-einiteit in tien<br />
Indischen Archipel.<br />
Als een groote gruweldaad wordt in de Nederlandsche<br />
bladen uit een der Indische overgenomen het feit dat<br />
de Radja van Soedoe op 't eiland Soemba (residentie<br />
Iimor) bij gelegenheid der begrafenis van zijn overleden<br />
moeder een vijftiental lijfeigenen had laten slachten<br />
Dat feit is een beleediging voor onze Redering die<br />
de souvereiniteit over dat eiland op zich genomen heeft<br />
wordt er bijgevoegd. Wij voegen er meer bij: het is'<br />
een schande voor onze Regeering, dat zoodanige feiten<br />
kunnen en m o g e n plaats hebben in de nabijheid en<br />
met voorkennis van 'sRegeerings vertegenwoordigerwant<br />
de Kampong van den Radja van Soedoe is niet<br />
ver van de standplaats van onzen gouvernementsambtenaar<br />
gelegen, en de toebereidselen tot zoodanige<br />
festiviteiten worden lang te voren gemaakt.<br />
Men leest zoodanig kort bericht, zonder er verder<br />
bij na te denken. Misschien verbeelden zich sommigen<br />
nog wel, dat men zich onder die wilden voor zijn plezier<br />
laat slachten, ten genoegen van een geliefden en geëerden<br />
vorst. Maar in werkelijkheid is de zaak onmensehelijkgruwelijk;<br />
want die lijfeigenen zijn do<strong>org</strong>aans personen<br />
van een anderen stam, die bij gelegenheid van een<br />
vechtpartij (oorlog) zijn buitgemaakt en als slaven<br />
moeten dienen.<br />
In Midden-Timor slacht men gelukkig in de laatste<br />
jaren geen menschen meer bij dergelijke gelegenheden<br />
Niet de tusschenkomst van ons bestuur heeft er echter<br />
een einde aan gemaakt; neen, de oorzaak daarvan is<br />
een blijk van den echtpractischen geest der Timoreezen.<br />
De offers worden namelijk wel gevat en ter<br />
slachtbank geleid, maar Chineesche handelaren betalen<br />
er een losprijs voor en nemen die lieden dan mede<br />
als slaven. Of de toestand dier ongelukkigen daardoor<br />
verbeterd is? Wij zullen 't niet beoordeelen.<br />
Bovenstaand gruwelstuk van den Radja van Soedoe<br />
zou nog te verdedigen zijn door de omstandigheid, dat<br />
zoodanige ceremoniën behooren tot de adat; maar<br />
voor 'tgeen wij hieronder zullen vermelden, g'elooven<br />
wij niet, dat eenige verontschuldiging te vinden is.<br />
Diezelfde Radja van Soedoe had een geschil met een<br />
naburige Kampong, niet ver van de controleurswoning<br />
gelegen. Toen men tot geen vergelijk kon komen, besloot<br />
de Radja de Kampong op Soembaneesche wijze te<br />
executeeren, d. w. z. geheel uit te moorden zóó dat<br />
geen levend wezen overblijft. De Radja staat reeds met<br />
zijn gewapende bende vóór de Kampong, gereed om in<br />
de zware omheining van cactus een bres te laten hakken.<br />
De controleur hoort het rumoer en gaat met eenigen<br />
zijner gewapende oppassers daarheen. Hij verzoekt<br />
den Radja zijn vo<strong>org</strong>enomen gruweldaad niet te<br />
volvoeren; maar de Radja blijft aanhouden en is<br />
niet geneigd voorden moreelen invloed van 's Compagnies<br />
vertegenwoordiger zijn plan op te geven. De<br />
oppassers en de andere toegesnelde Savoeneezen dringen<br />
er bü den controleur onann dit hii 'f nifll m„ i noef^..,
560<br />
De huizen, die in geregelde en somtijds vrij groote kampongs<br />
of negeriën bij elkander staan, zijn zeer groot en hoog op palen<br />
gebouwd. In het midden bevindt zieh de stookplaats, en .daar<br />
rondom zijn een aantal, somtijds twintig of meer, kamertjes<br />
gebouwd met den uitgang naar de binnenzijde, van welke iedere<br />
bewoner er een tot zijn gebruik heeft. Deze huizen strekken dus<br />
waarschijnlijk aan meer dan één gezin tot woning. Het huisraad<br />
bestaat uit eenige potten, pannen, matten, manden en weefgetouwen.<br />
De bevolking is verdeeld in vier kasten of standen, die elk<br />
weder in een groot aantal stammen of geslachten onderverdeeld<br />
zijn. De eerste stand bestaat uit den hoogcn adel of die geslachten,<br />
uit welke alleen de Radja's mogen gekozen worden j de daartoe<br />
behoorende personen mogen in geen geval met iemand uit eenen<br />
minderen stand huwen. De tweede stand vormt den kleinen of<br />
minderen adel. De derde stand zijn de vrije burgers; en den<br />
vierden stand vormen zij, die geene regten hebben en ten allen<br />
tijde naar goeddunken van den Radja kunnen opgevat en als<br />
slaven verkocht worden. Deze slaven worden in menigte uit<br />
gevoerd door Boeginezen, Mangkasaren, Bimanezen en andere<br />
eilanders.<br />
De nijverheid der Soembanezen bepaalt zich, behalve deze<br />
slavenhandel, tot dien in paarden, schildpad, vogelnestjes, rijst,<br />
djagoeng. kamoening-hout, touw en vischnetten. De mannen ver<br />
zamelen alleen dit hout, de vogelnestjes en het schildpad, en<br />
vervaardigen de netten en het touw; al het overige werk, ook<br />
de geheele landbouw, wordt door de. vrouwen verrigt.<br />
Van hunne godsdienst is ons alleen bekend, dat zij eene<br />
godheid erkennen, die boven de wolken woont en Amboe Wolloli<br />
Mandonkoe heet; deze schijnt vooral ook de beschermgod der<br />
sandelbootnen te zijn (vergel. bl. 557). Zij hebben ook priesters<br />
om bij ziekten en andere onheilen de booze geesten te bezweren.<br />
De taal, welke geheel van die der naburige eilandeu verschilt,<br />
is zacht en welluidend maar zeer arm en onbeschaafd. Een<br />
Woordenlijstje er van is medegedeeld in het Tijdschrift voor<br />
Neêrlandsch Indië, 1855, D'. I, bl. 290—296.<br />
De vermaken bestaan hoofdzakelijk in maaltijden, waarbij een<br />
groot aantal paarden, buffels en varkens wordt geslagt, zingen en<br />
dansen. Dit laatste geschiedt op soortgelijke wijze als op Timor,
voor 'tgeen wij hieronder zullen vermelden, gelooven<br />
wij niet, dat eenige verontschuldiging te vinden is.<br />
Diezelfde Radja van Soedoe had een geschil met een<br />
naburige Kampong, niet ver van de conlroleurswoning<br />
gelegen. Toen men tot geen vergelijk kon komen, besloot<br />
de Radja de Kampong op Soembaneesche wijze te<br />
executeeren, d. w. z. geheel uit te moorden zóó, dat<br />
geen levend wezen overblijft. De Radja staat reeds met<br />
zijn gewapende bende vóór de Kampong, gereed om in<br />
de zware omheining van cactus een bres te laten hakken.<br />
De controleur hoort het rumoer en gaat met eenigen<br />
zijner gewapende oppassers daarheen. Hij verzoekt<br />
den Radja zijn vo<strong>org</strong>enomen gruweldaad niet te<br />
volvoeren; maar de Radja blijft aanhouden en is<br />
niet geneigd voor den moreelen invloed van 's Compagnies<br />
vertegenwoordiger zijn plan op te geven. De<br />
oppassers en de andere toegesnelde Savoeneezen dringen<br />
er bij den controleur op aan, dat hij 't niet zou toestaan.<br />
Zij zelf zouden wel tusschen den Radja van Soedoe<br />
en de bedreigde Kampong staan. De controleur wist<br />
zeer goed, dat de Radja eerbied genoeg had voor de<br />
Savoeneezen en dat hij dus, door dezen gesteund, gemakkelijk<br />
het gruwelstuk kon beletten. Zijn geweten als<br />
mensch zeide hem, dat hij verplicht was, die weerlooze<br />
mannen, vroawen en kinderen te redden uit de wreede<br />
handen dier woestelingen; maar de ambtenaar dreef<br />
boven. Wie weet of hij niet in ongelegenheid zou komen,<br />
als hij dien Radja dwarsboomde; het Gouvernement<br />
houdt niet van dergelyke bemiddelingen; het Gouvernement<br />
verneemt gaarne, dat alles «rustig en vredig" is<br />
op de buitenposten; waarom zou hij die rust verstoren?<br />
Men zou te Batavia er hem zeker geen dank voor weten,<br />
maar veeleer hem voor zijn misplaatste mensehlievendheid<br />
op een minder aangename wijze doen boeten.. ..<br />
Hij beval dus den Savoeneezen ter zijde te gaan en ruim<br />
baan te maken en gaf den Radja van Soedoe te kennen<br />
dat hij zich niet met diens zaken kon inlaten,<br />
daar de Compagnie er toch eigenlijk niet in betrokken<br />
was. Wat nu volgde zal ik maar niet beschrijven:<br />
de omheining der Kampong wordt opengehakt en onder<br />
de oogen van den controleur en der verontwaardigde<br />
Savoeneezen worden de ongelukkige bewoners op gruwelijke<br />
wijze gemoord en geslacht! De overblijfselen<br />
dier geëxecuteerde Kampong zijn thans nog voor belangstellenden<br />
te bezichtigen. Wij weten niet, of dat feit door<br />
den resident van Timor aan de Regeering is medegedeeld,<br />
maar geboekstaafd is 't in het archief ter plaatse,<br />
en de Savoeneezen kunnen er u de détails van vertellen;<br />
want die gebeurtenis heeft niet in de vorige eeuw plaats<br />
gehad; 't is pas een jaar of zes geleden.<br />
Die ambtenaar was geen slecht of wreed mensch,<br />
maar hij wenschte zijn carrière niet te bederven. En<br />
hij ha I goed gezien; juist zoodanige handelwijze geldt<br />
bij de Regeering als een blijk van beleid en doorzicht;<br />
want een ander ambtenaar, die later een gelijksoortige<br />
zaak belette en de eer van Nederland ophield, werd<br />
gestraft. Maar hoe qualifieeert men een Regeering, die<br />
zoodanige ambtenaren vormt?<br />
Den Haag, U April. H. C. H.
561<br />
meest door vrouwen, onder begeleiding van gongs, trommen, en<br />
eene soort van guitar met twee koperen snaren bespannen.<br />
Hunne oorlogen zijn zelden zeer bloedig. De vijandelijke<br />
partijen scharen zich met lans en schild gewapend, op een vlak<br />
terrein, in één gelid tegenover elkander en trachten beurtelings<br />
elkander te treffen. De partij, die het eerst eenige gewonden bekomt<br />
acht zich overwonnen, en betaalt de boete of schadevergoeding,<br />
welke geéischt wordt en gewoonlijk in een aantal paarden, buffels<br />
en slaven bestaat; waarna het sluiten van den vrede met groote<br />
feesten gevierd wordt. Somtijds hebben deze gevechten ook te<br />
paard plaats. Slechts zelden gebeurt het, dat op deze wijze geen<br />
einde aan den oorlog komt. Is dit het geval, dan tracht men<br />
de vijandelijke kampong in brand te steken; en wanneer dit<br />
gelukt, heeft er eene algemeene plundering plaats en worden<br />
de inwoners gedood of als slaven medegevoerd.<br />
De huwelijken worden door de ouders der jongelieden vastgesteld<br />
en de prijs bepaald, welken de bruidegom zal hebben<br />
te betalen voor zijne bruid, die hij vervolgens met behulp van<br />
zijne vrienden moet schaken. Met het betalen van den koopprijs<br />
en het vieren van feesten, welke eenige dagen duren, is dan het<br />
huwelijk voltrokken en de vrouw het wettig eigendom van den<br />
man, die hij des verkiezende kan verkoopen. De veelwijverij is<br />
algemeen, vooral bij de Grooten, in gebruik.<br />
De begrafenis, althans van eenen aanzienlijke, geschiedt niet<br />
voor dat alle bloedverwanten tegenwoordig zijn; tot zoo lang<br />
wordt het lijk in eene zittende houding bij de stookplaats gezet<br />
met den rug naar het vuur gekeerd, en elk die binnenkomt is<br />
verpligt hem een stuk geld, eenige sirih, een kleedje of iets<br />
dergelijks te geven, welke voorwerpen later mede begraven<br />
worden. Eindelijk wordt het lijk, in eenen zak gewikkeld, in<br />
dezelfde houding geplaatst in een graf, op welks bodem eene<br />
gong ligt en dat ook wordt gesloten met eene gong, waarboven<br />
nog eene steenen zerk wordt gelegd. Dit graf wordt dan gedurende<br />
een jaar bewaakt door eenen slaaf, die van tijd tot tijd<br />
eenige sirih ten behoeve van den overledene in den grond moet<br />
stoppen en daarvoor de vrijheid verkrijgt.<br />
De drie of vier naamlooze eilandjes aan de Zuidkust van Soemba,<br />
en Noesa Manoek tegenover de Oostpunt zijn onbewoond.<br />
II. 56
562<br />
§ 4. De Allor-eilanden, zijnde Allor, Pantar en<br />
eenige kleinere.<br />
Allor.<br />
Allor, ook Ombaai, Ornbo, Emmer en Maloewa genoemd, ligt<br />
ten Noord-Westen van Timor, waarvan het door de 15 mijlen<br />
breede Straat Ombaai of Maloewa gescheiden is, tusschen 8° 5'<br />
tot 8° 28' Z.B. en 124° 17' tot 125° 15' O.L., en heeft met de<br />
zeer kleine omliggende eilandjes volgens MELVILL eene grootte<br />
van 46.8 • mijlen.<br />
Het geheele eiland is bezet met bergen, die 3000 tot 4000 v'.<br />
hoog en met bosschen bedekt zijn. De bergstroomen, welke zich<br />
naar alle zijden ontlasten, zijn onbevaarbaar en droogen in den<br />
Oostmoeson geheel uit.<br />
Er zijn slechts weinige belangrijke baaijen. De voornaamste,<br />
die ook eene veilige ankerplaats aanbiedt, is die van Keboela in<br />
het Noord-Westen, door welke de Noord-Westpunt des eilands<br />
tot een schier-eiland gevormd wordt, dat den naam draagt van<br />
Klein Allor of Keboela. Kleine vaartuigen kunnen in den Oostmoeson<br />
bijna overal langs de Zuidzijde liggen, doch moeten<br />
wegens de steile kust en den slechten ankergrond aan den wal<br />
worden vastgemaakt.<br />
De voortbrengselen zijn voornamelijk : lontar-, gebang-, sagoewir-<br />
en kokos-palmen, kajoe poeti/i-boomen, rood hout (timmerhout),<br />
kanari-boomen, en eenige soorten waaruit verfstoffen bereid<br />
worden; weinig katoen; indigo; rijst, djagoeng en gierst; de<br />
soekoen of broodvrucht; verschillende vruchten, ook aard- en peulvruchten;<br />
sirih en tabak. Het dierenrijk levert: wilde zwijnen en<br />
herten, geiten, weinig schapen, tamme varkens, kippen, iripang,<br />
schildpad, vogelnestjes en was. Het delfstoffenrijk is onbekend.<br />
Het eiland is verdeeld in zeven Begentschappen of Distrikten,<br />
zijnde van het Noord-Westen af Zuidwaarts:<br />
Allor of Klein Allor, ook Keboela genoemd, het Noord-<br />
Westelijke schier-eiland, met de kampongs Allor besaar, Allor<br />
ketjil, Daloloew, enz.<br />
Koewi of Maloewa, dc Zuid-Westhoek.<br />
Mataro, Baloe Lolong, Madaman (met de kampong Bitoeka)<br />
en Pailoko of Porliko. langs de Zuidkust.<br />
Poerehman. in het Noord-Oosten.
563<br />
Deze gewesten worden bestuurd door Badja's, die vroeger<br />
gedeeltelijk aan Portugal doek sedert het tractaat van 1859<br />
(bl. 510) allen aan Nederland onderhoorig zijn; die van Allor<br />
voert den distinctiven rotting met zilveren knop. In dit staatje<br />
is ook te Allor ketjil een Nederlandsche Posthouder voor Allor<br />
en Pantar geplaatst, wiens woning te onderhouden de eenige<br />
dienst is welke van den Badja gevergd wordt.<br />
De bevolking is zeer talrijk, maar hare sterkte is alleen bij<br />
gissing bekend; MELVILL stelde die in 1849 op 35000 zielen,<br />
terwijl in het Aardrijkskundig Woordenboek wordt gezegd dat zij<br />
in 1 853 bijna 194000 zielen telde. Zij wordt onderscheiden in<br />
Orang pantej of Strandbewoners en Orang Goenoeng of Bergbewoners.<br />
De Strandbewoners zijn vreemdelingen, zoo men zegt van<br />
Ternate en Boeion afkomstig, die zich hier gevestigd en de<br />
Inboorlingen onderworpen hebben doch thans slechts een zeer<br />
weinig beduidend gezag over hen uitoefenen. Zij zijn Mohammedanen,<br />
en leven hoofdzakelijk van vischvangst en handel. Er<br />
worden onder hen goede pottebakkers aangetroffen en scheepstimmerlieden,<br />
die kleine vaartuigen bouwen; het weven der<br />
kleedingstukkeu wordt door de vrouwen verrigt. De kleeding<br />
bestaat voor de mannen in eene soort van wijde broeken en om<br />
het bovenlijf een stuk lijnwaad gelijk de Timorezen dragen; voor<br />
de vrouwen in eene sarong. De wapens zijn lansen, pijlen en eenige<br />
geweren. De kampongs zijn ongeregeld aangelegd. Dc huizen<br />
staan onmiddellijk op den grond en zijn slecht en vuil maar vrij<br />
groot, zoodat er gewoonlijk vier of vijf huisgezinnen in wonen.<br />
De Bergbewoners of Binnenlanders behooren tot den Alfoerschen<br />
stam en zijn Heidenen. Daar zij zelden met vreemdelingen<br />
in aanraking komen zijn zij minder beschaafd dan de Strandbewoners;<br />
men zegt dat zij twistziek en weinig te vertrouwen<br />
zijn. Hunne kleeding bestaat alleen in eene ijausat (bl. 51)<br />
van boomschors of katoen, en hun opschik in arm-, been- en<br />
oorringen van koperdraad of koralen; hunne woningen zijn gelijk<br />
aan die van het strandvolk. De wapenen zijn pijl en boog,<br />
kléwangs, lansen, ronde schilden van buffelhuid en langwerpig<br />
vierkante van hout. Zij leven van den landbouw, en brengen<br />
hunne rijst, djagoeng, sirih, enz. naar de kustplaatsen in ruil<br />
tegen ijzerwerk, koperdraad en glas-koralen.
5G4<br />
De buitenlandsehe handel wordt alleen door de Strandbewoners<br />
gedreven met Boeginezen, Mangkasaren en Boetonnezen, die<br />
daar vooral rijst, djagoeny en was, en ook wel slaven, uitvoeren<br />
in ruiling tegen koperdraad, gongs, eene soort van koperen<br />
trommen, parangs of kléwangs, messen, glas-koralen, wit katoenen<br />
lijnwaden, arak, zilveren en ivoren armbanden, kruid, enz.<br />
De taal dezer eilanders is nog niet bekend; zij schijnt met<br />
eenig dialect-verschil dezelfde te zijn, die ook op Pan/ar en de<br />
Solor-eilanden gesproken wordt. De handelaars behelpen zich<br />
met het Maleisch, dat door sommige strandbewoners eenigzins<br />
verstaan wordt.<br />
Pantar.<br />
Panlar of Pontare ligt, tusschen 8° 8' tot 8° 38' Z.B. en<br />
123° 53' tot 124° 18' O.L., ten Westen van Allor, waarvan het<br />
gescheiden is door Straat 'Parein of Panlar. terwijl het ten Westen<br />
door Straat Moritja of Maurissa wordt bespoeld. De grootte is<br />
volgens MELVILL 14.8 • mijlen. In voortbrengselen en natuurlijke<br />
gesteldheid verschilt het weinig van Allor; het bereikt<br />
zijne grootste hoogte in het Zuidelijke gedeelte, waar zich eene<br />
piek, die door sommigen voor eenen vulkaan gehouden wordt,<br />
volgens MELVILL tot eene hoogte van 3110 v'. verheft.<br />
Het eiland is verdeeld in drie rijkjes of Regentschappen, te weten:<br />
Pandai, in het Noorden, met dc kampongs Denga Laen, Ladiboleng<br />
en Kapitan.<br />
Bamoesung, in het Zuid-Westen, met Malokoe, Sindjala<br />
Haliweka en Hoekoem.<br />
Blagar, in het Oosten, met Karkaloeman. Noehawala, Todais<br />
en Hoekoemoloe.<br />
De Radja's van deze staatjes, onder welke die van Pandai en<br />
Bamoesang den rotting met zilveren knop hebben, zijn onderhoorig<br />
aan het Gouvernement doch tot geene diensten verpligt.<br />
Omtrent de bevolking, van wier sterkte de opgaven verschillen<br />
van 17000 tot G0000 zielen, en haren handel geldt geheel hetzelfde<br />
wat omtrent die van Allor gezegd is.<br />
De kleinere eilanden.<br />
In Straat Panlar of Tawin liggen van het Noorden af:<br />
P. Pandjang of het Noord-eiland aan den ingang der Straat.<br />
Het is een laag eiland met eenen kleinen heuvel in het midden.
565<br />
/'. Ternate, een klein cn niet zeer hoog eiland, dat gerekend<br />
wordt tot hel staatje Allor te behooren.<br />
P.Soanr/i of Swangi, een zeer klein en laag eilandje, vóór de<br />
Baai van Keboela.<br />
P.Poera of Hoog eiland, in het midden van de Straat. Het<br />
is het grootste van allen en zeer hoog. De Oostelijke helft wordt<br />
gerekend te behooren tot het staatje Allor, de Westelijke tot<br />
Blagar.<br />
P. Tawin of Zuid-eiland, een klein en niet zeer hoog eilandje<br />
aan den Zuidelijken ingang der Straat; het behoort onder Blagar.<br />
In Straal Moritja liggen van het Noorden af:<br />
P. Lapang of Vlak eiland en P. Balang of Groen eiland. Deze<br />
twee liggen nabij elkander, zijn laag en met riffen omgeven; zij<br />
worden gezegd gewone aanlegplaatsen van zeeroovers te zijn.<br />
P. Noehakan, P. Roesa of Midden-eiland, ongeveer in het<br />
midden van deze Straat.<br />
P.Babi, P. Noebatan of Klein eiland, tusschen het vorige en<br />
de kust van Bamoesang.<br />
Belangrijke bijzonderheden omtrent deze eilanden zijn ons<br />
niet bekend.<br />
§ 5. De Solor-eilanden, zijnde Lomblem, Adonare,<br />
Solor en eenige kleinere.<br />
Lomblem.<br />
Het eiland Lomblem, ook Lombatla en Kweila geheeten, ligt<br />
tusschen 8° 10' tot 8° 35' Z.B. en 123° 12' tot 123° 54' O.L.,<br />
ten 'Westen van Panlar, waarvan het gescheiden is door Straat<br />
(JVowang) Moritja of Maurissa, en heeft volgens MELVILL eene<br />
grootte van 25 • mijlen.<br />
Het middelste gedeelte des eilands is vlak en laag; doch in<br />
het Noord-Oosten verheft zich de Lobetolle, een bijna gestadig<br />
rookende vulkaan, tot eene hoogte van ongeveer 4590 v*. Ook<br />
het Zuidelijke gedeelte is bergachtig; de Lamajenong, die de<br />
Zuid-Westpunt vormt, cn de Lamararap, meer Oostwaarts aan<br />
de Zuidkust, zijn daar de voornaamste toppen, hoewel niet zoo<br />
hoog als de Lobetolle. Er zijn twee groote baaijen, eene aan de<br />
Noord- en eene aan de Westzijde, die echter geene geschikte ankerplaatsen<br />
althans voor groote vaartuigen schijnen op te. leveren.
566<br />
Het eiland is verdeeld in drie Staatjes of Regentschappen,<br />
namelijk:<br />
Kedang, dat het Noord-Oostelijke gedeelte inneemt cn eene<br />
onderhoorigheid is van het Staatje Adonare op het eiland van<br />
dien naam. Het heeft langs het strand de drie kampongs Pantej<br />
Kaliko. Dololong en Beang, en nog 109 kampongs in het<br />
gebergte.<br />
Lamararap, bevattende het Zuidelijke gedeelte des eilands,<br />
met de hoofdkampong Lamararap.<br />
Kicella of Kaïcella, in het Zuid-Westen , met dc hoofdkampong<br />
Kicella.<br />
De beide laatsten worden bestuurd door Radja's, die onderhoorig<br />
zijn aan het Gouvernement, doch aan welke geene bijzondere<br />
verpligtingen schijnen te zijn opgelegd.<br />
De sterkte der bevolking wordt door MELVILL op 12000, en<br />
in het Aardrijkskundig Woordenboek op 120000 zielen geschat.<br />
Adonare.<br />
Adonare, ook Sabrao en Serbiti genaamd, ligt tusschen 8° 14'<br />
tot 8°24'Z.B. en 123° tot 123°22'O.L., en wordt ten Oosten<br />
gescheiden van het Noordelijke gedeelte van Lomblem door Straat<br />
Bolleng of het Hollandsche gal. ten Zuiden van Solor door Straal<br />
Solor. en ten Westen van Flores door Straat Flores. De grootte<br />
bedraagt volgens MELVILL 10.3• mijlen, en de bevolking 5000C<br />
zielen; het Aardrijkskundig Woordenboek geeft een bevolkingscijfer<br />
van 36000 zielen.<br />
Het geheele eiland is bergachtig en bereikt zijne grootste<br />
hoogte in het Oostelijke gedeelte in de piek Lamahelang of<br />
Lamahale, die op ongeveer 4730 v*. geschat wordt. Belangrijke<br />
baaijen zijn er niet; doch goede ankerplaatsen vindt men aan<br />
de Noord-Westkust bij Adonare, aan de Oostkust bij Bolleng,<br />
en aan de Zuidkust bij Lamahale.<br />
Adonare is verdeeld in vier Staatjes of Begentschappen,<br />
namelijk:<br />
Adonare. dat het grootste is en zich over de Noord- en Oostkust<br />
uitstrekt. De voornaamste plaatsen zijn Adonare, in het<br />
Westelijke gedeelte van de Noordkust, en Bolleng namanele op<br />
de Oostkust; in het gebergte liggen een vijftigtal kampongs.<br />
Voorts zijn nog onderhoorigheden van Adonare het staatje Kedang
567<br />
op Lomblem (bl. 566) en zeven kampongs op de Noord-Oostpunt<br />
van Flores ten Westen van Tandj. Boenga (bl. 581).<br />
Lamahale, in het Zuid-Oosten, met de kampongs Lamahale<br />
aan do Zuidkust, Bolleng aan de Oostkust, enz., doch geene<br />
kampongs in het gebergte.<br />
Terong, in het Zuiden, met de hoofdkampong Terong aan de<br />
kust. Dit staatje wordt beschouwd eenigzins afhankelijk te zijn<br />
van Adonare.<br />
Woerd, op de Westkust, met de hoofdkampong Woerei. Dit<br />
staatje was vroeger eene onderhoorigheid van het Portugesche<br />
landschap Oikoessi op Timor (bl. 512), doeli ten gevolge van<br />
het tractaat van 1359 heeft het Portugesche gezag daar opgehouden.<br />
Voorts liggen nog op de Zuid-Westpunt des eilands de kampongs<br />
Kenari, Belolong en Wairika, die beschouwd worden als onderhoorigbeden<br />
van den Radja van Larantoeka op Flores (bl. 5 80).<br />
De Vorsten dezer staatjes zijn deels Mohammedanen deels<br />
Heidenen; die van Woerej heet Eoomsch Katholijk Christen te<br />
zijn. De Mohammedaansehe Vorsten voeren den titel van Sengadji.<br />
de Heidensche dien van Attakabellak; onder hen staat een<br />
tweede Hoofd, met den titel van Kapitan, welks waardigheid<br />
met die van Fettor op Timor overeenkomt. De Kampongs-hoofden<br />
heeten Pagawej.<br />
De Vorsten van Adonare, Lamahale en Terong hebben den<br />
Gouvernements-rotting met zilveren knop; zij zijn verpligt om,<br />
wanneer zulks gevorderd wordt, praaüwen te leveren om volk<br />
van of naar Timor over te brengen; in geval van oorlog op de<br />
Solor-eilanden manschappen te leveren; de Gouvernements-vaartuigen<br />
door Straat Flores te doen boegseren, cn ze van water<br />
te voorzien.<br />
Solor.<br />
Solor ligt ten Zuiden van Adonare, waarvan het door Straat<br />
Solor gescheiden is, tusscheh 8° 37' tot 8° 37' 50" Z.B. en<br />
122°54'tot 123°8' O.L.; ten Oosten wordt het door Straat Lamakera<br />
van het Zuidelijke gedeelte van Lomblem, en ten Westen door<br />
Straat Lobetobi of Lobetabi van Flores' Zuid-Oostpunt gescheiden.<br />
De grootte is, volgens MELVILL, 3.9 • mijlen, cn de bevolking<br />
naar gissing 30000 zielen.
568<br />
Het eiland is bergachtig doch minder hoog dan de beide<br />
vorige, en heeft geene bijzonder uitstekende toppen. Het heeft<br />
geene belangrijke baaijen, doch bij Lawajong aan de Noord- en<br />
bij Lamakera aan de Noord-Oostzijde zijn goede ankerplaatsen.<br />
De Staatjes, waarin Solor verdeeld is, zijn:<br />
Lmcajong, aan de Noordkust, met de hoofdkampong Lawajong<br />
en zestien kampongs in het gebergte. Bij deze hoofdplaats, waaide<br />
Nederlandsche Posthouder der Solor-eilanden gevestigd is O,<br />
ligt het oude thans niet meer bezette fort Hendrik, bestaande uit<br />
eenen van klipsteen gemetselden vierhoek met eenige onbruikbare<br />
stukken geschut.<br />
Lamakera, dat het Noord-Oostelijke gedeelte des eilands inneemt,<br />
met de hoofdplaats Lamakera aan het strand en tien<br />
bergkampongs.<br />
Pamangkajoe, het Westelijke en Noord-Westelijke gedeelte,<br />
met de kampongs Pamangkajoe, Ongarereng en Bollaweling aan<br />
de kust, en veertien kampongs in het gebergte. Dit staatje was<br />
vroeger eene Portugesche bezitting en schijnt de suprematie van<br />
Larantoeka te erkennen. De Vorst heeft den naam van Roomsch<br />
Katholijk Christen te zijn.<br />
Voorts ligt nog aan de Noordkust tusschen Lawajong en<br />
Lamakera de op zich zelf staande kampong Mananga, zijnde het<br />
overblijfsel van een staatje van dien naam, hetwelk in 1773<br />
in eenen oorlog met naburige eilanders is verwoest, bij welke<br />
gelegenheid de meeste inwoners als slaven zijn weggevoerd.<br />
De Hoofden dezer staatjes voeren dezelfde titels als die op<br />
Adonare. Met den Sengadji van Lawajong. die door het Gouvernement<br />
als de eerste in rang beschouwd wordt, is in 1860 eeue<br />
overeenkomst aangegaan i !<br />
) gelijkluidend met die met de Hoofden<br />
van Rotti (bl. 546). Hij en de Sengadji van Lamakera voeren<br />
den distinctivcn rotting met zilveren knop; de laatste moet altijd<br />
vijftig man te Koepang hebben tot het verrigten van praauwendiensten.<br />
(') De Gezaghebber der Solor-eilanden, waartoe ook de Oosthoek van<br />
Flores gerekend wordt, is gevestigd op dat eiland te Larantoeka. Zie<br />
bl- 581.<br />
P) Bijlagen van de Nederlandsche Staatscourant, 1861—1862, bl. 795.
569<br />
Omtrent de voortbrengselen, den handel en de bevolking'<br />
Solor-eilanden valt hoofdzakelijk betzelfde te zeggen, wat in<br />
vorige § omtrent die der Allor-eïlanden is medegedeeld.<br />
Bij de artikelen van invoer moeten hier nog vermeld won<br />
olifants-tanden, die op hoogen prijs gesteld en in de woningei<br />
pronk gezet worden als bewijzen van den rijkdom des bezitter<br />
Behalve de vischvangst met hengel en net, zoo als die di<br />
de Allorezen wordt uitgeoefend, maken de Solorezen ook r<br />
harpoenen jagt op haaijen, bruinvisschen en walvisschen, we.<br />
menigvuldig in deze wateren voorkomen, üe traan , die men v<br />
zamelt door ze te laten uitdruipen, wordt meest aan Boegines'<br />
handelaren verkocht; het vleeseh en spek wordt als eene lekke]<br />
beschouwd en ook gedroogd, als dindinej, aan de bergbewori<br />
verkocht.<br />
Op Lomblem hebben zich geene vreemdelingen gevestigd, z<br />
dat daar geen verschil tusschen de Strand- en Bergbewor<br />
bestaat dan voor zooverre de ecrstgenoemden, door hunne m<<br />
dere aanraking met vreemdelingen, eenigzins minder onbeseha<br />
en schuw zijn.<br />
De kleinere eilanden.<br />
Ten Noorden van Lomblem ligt op 7°48' Z.B. en 123°34'.<br />
een klein eilandje, P. Kambing (bij verbastering P. Komba)<br />
Batoe (ara, ook wel Beta genaamd. Het bestaat uit eei<br />
vulkaan, die in 1845 of 1846, voor zooverre men weet, voor<br />
eerst is beginnen te werken en sedert dien tijd dikwijls hev<br />
uitbarstingen heeft en bijna voortdurend rookt. O<br />
Waloe Peni, een klein eilandje bij de Noord-Westpunt 1<br />
Lomblem.<br />
Mahkobani, vier kleine eilandjes aan den Noordelijken ingi<br />
van liet Hollandsche gat.<br />
P.Soangi of Sioangi, ook Boorluchtig eiland genoemd, bij<br />
Zuid-Westpunt van Lomblem, tegenover den berg Lamajenong<br />
Batoe idjoe., aan den Zuidelijken ingang van Straat Lamake<br />
nabij de Zuidpunt van Solor.<br />
Hoog eiland of B. Kambing, vóór den Zuidelijken ingang '<br />
Straat Lobetobi.<br />
(') Natuurkundig Tijdschrift voor Nederl. Indië, Db \,Q>\. 87 en 15
570<br />
Twee kleine eilandjes, die waarschijnlijk P.Bjong heeten, een<br />
weinig ten Noord-Noord-Westen van het vorige, aan den ingang<br />
derzelfde Straat.<br />
P. Siang, regt Westwaarts van Solor's Noord-Westhoek, in<br />
eene baai aan den Oosthoek van Flores.<br />
Een ongenoemd eilandje in Straat Solor, tegenover de kampong<br />
Lamahale op Adonare.<br />
P. IFaibaloe, tegenover de Zuid-Westpunt van Adonare, in<br />
het Zuiden van Straat Flores niet ver van de kust van Larantoeka<br />
(Flores).<br />
P. Mas of Serbetle of Serbile, een laag door verscheidene<br />
klippen omgeven eilandje ten Noorden van Straat Flores, nabij<br />
Flores' Noord-Oosthoek of Tandj. Boenga.<br />
Alle deze eilandjes zijn geheel onbewoond, tenzij zij somtijds<br />
door visschers of zeeroovers worden aangedaan.<br />
§ 6. Flores. O<br />
Ligging, grenzen, grootte, natuurlijke gesteldheid, verdeeling.<br />
Het eiland Flores ligt tusschen 119° 49' tot 123° 1' O.L.<br />
en 8° 3' tot 8° 59' Z.B. Het wordt ten Noorden door de Soendazee,<br />
en ten Zuiden door den Indischen Oceaan besnoeid; ten<br />
Westen wordt het van P. Rindja gescheiden door Straal Molo<br />
(bl. 312), en ten Oosten van Adonare en Solor door Straat<br />
Flores, die veelal in drie deelen wordt onderscheiden, van welke<br />
het Noordelijkste Straat Flores, het middelste het Gat van Larantoeka,<br />
en het Zuidelijkste Straat Lobelobi wordt genoemd.<br />
De grootte is door MELVILL op 300.2 • mijlen gesteld<br />
en de sterkte der bevolking op 250000 zielen; dit laatste berust<br />
echter alleen op gissingen.<br />
O In het Tijdschrift voor Neérl. Indië, 183S, Dl. II, bl. 155—184,<br />
wordt een belangrijk opstel gevonden van den Hoogleeraar VETH, waarin dc<br />
voornaamste lot dien tijd bekende berigten omtrent Flores zijn zamengevat.<br />
In het Tijdschrift voor Indische taal-, land-en volkenkunde, D'. IX {1860),<br />
bl. 445 — 550 komen latere uitvoerige mededeelingen voor van den Heer<br />
J. P. FHEYSS, die van 1854—185G herhaaldelijk dat eiland als handelaar bezocht<br />
en tevens met eene zending van den Gouverneur der Molukken derwaarts<br />
was belast.<br />
( 2<br />
) Op de Statistieke Kaart in het Tijdschr. voor Neérl. Indië, 18i9.<br />
In den Moniteur des Indes. 18i6—18i7. geeft dezelfde Schrijver slechts<br />
252 •mijlen op. Andere oudere opgaven stelden de grootte op 422 •mijlen.
571<br />
Over het midden van het geheele eiland strekt zich van het<br />
Westen naar het Oosten eene bergketen uit, die op vele plaatsen<br />
eene zeer aanzienlijke hoogte bereikt, en van welke ter wederzijde<br />
dwarsjukkcn naar de Zuid- en Noordkust loopen, tusschen<br />
welke bergvlakten en dalen gelegen zijn; zoodat het strand op<br />
sommige plaatsen rotsachtig, hoog en steil, op andere laag<br />
en moerassig is. Slechts van enkele gedeelten van deze keten<br />
is de naam bekend; zoo als het Todo-gebergte, in het Westen<br />
tusschen 120° en 120° 10'O.L., en het Poeto-lec—gebergte omstreeks<br />
een halven graad Oostelijker. Ook van hare geologische<br />
formatie weet men bij uitstek weinig; alleen is bekend dat<br />
zich in de Oostelijke helft des eilands aan en nabij de Zuidkust<br />
eenige vulkanen verheffen, die gedeeltelijk nog werkzaam zijn.<br />
Deze vulkanen zijn : de 67. Rokka of Omboeoe Soro (ongeveer<br />
6400 v'.), aan de kust op 121° O. L.; de G. Keo of Omboeoe<br />
Romba (ongeveer 8800 v*.), omstreeks 20' Oostelijker een weinig<br />
landwaarts in; de vulkaan van Ende, die voortdurend rookt<br />
en gewoonlijk in den Westmoeson uitbarstingen heeft, mede<br />
eenigzins binnen 's lands op ongeveer 121° 30'; de 67. Api,<br />
op eene smalle landtong, op 121° 43'; een niet genoemde<br />
vulkaan landwaarts in op 121° 53'; de G. Lobelobi (6920 v*.),<br />
een zeer werkzame vulkaan aan den Zuid-Oosthoek des eilands<br />
op 122° 45'; de 67. Ilimandiri of Piek van Larantoeka (ruim<br />
5000 v 4<br />
.), nabij de Noord-Oostpunt des eilands op 122° 57';<br />
de Nanga Tabo, een steeds rookende berg aan de Noordkust,<br />
bij de kampong Geliling op 122° 20' O.L.; en welligt andere<br />
nog niet bekende.<br />
De bergruggen, welke zich Noord- en Zuidwaarts van de<br />
hoofdketen uitstrekken, vormen aan de kusten een aantal voor<br />
gebergten of kapen, die veelal ook meer of minder aanzienlijke<br />
baaijen begrenzen; wij vermelden daarvan de volgende :<br />
Aan de Noordkust van het Westen af:<br />
Tandj. Batoe Kandisang, de Noord-Westpunt des eilands, op<br />
ongeveer 119°52'O.L.; ten Zuiden van deze landtong ligt de Baai<br />
Badak of Laboean Badak.<br />
T. Belaboe ijamba, op nagenoeg 120°5', waarschijnlijk dezelfde,<br />
die op het Kaartje van den Luitenant ter zee VAN GOENSC'<br />
T. Loepa wordt genoemd.<br />
0) ln de Reis van IK BUDDINGH , D*i III.
572<br />
T. Bomba, slechts weinig ten Oosten van de vo<strong>org</strong>aande.<br />
Tusschen deze twee kapen ligt de smalle doch diep inloopende<br />
Baai van Terang, en onmiddellijk ten Oosten van de laatstgenoemde<br />
de Baai van Bari.<br />
T. Longso, op nagenoeg 120° 20'.<br />
T. Besi, op ongeveer 120° 32', cn 9' Oostelijker T. Korobowaja,<br />
tusschen welke twee de groote Baai van Beo ligt, die<br />
nog weder door de minder uitstekende T. Kaünding in twee<br />
deelen gescheiden is.<br />
T. Pasir, op omstreeks 120° 52'.<br />
I. Padang, volgens VAN GOENS op 121° 8'C); onmiddellijk<br />
ten Oosten hiervan bevindt zich de Baai van Rioeng, Rioem<br />
of Riouw.<br />
T. Gomon, op ongeveer 121° 36', eene smalle en steile landtong<br />
welke de Baai van Gomon en die van Karkaëli of Karkalay<br />
van elkander scheidt.<br />
T. Lollokatta, eene ver Noordwaarts uitloopende punt op<br />
121° 41', aan welker Zuid-Oostzijde de niet diepe Lollokattabaai<br />
ligt, die weder door eene kleine niet genoemde kaap van<br />
de Zuid-Oostwaarts daarvan gelegene Mauwaroe-baai wordt gescheiden.<br />
T. Mamoaroe, op ongeveer 121° 47', is eene kleine kaap, die<br />
de baai van dezen naam van de Manlina-baai scheidt, welke<br />
laatste ten Oosten begrensd wordt door<br />
T. Langanio, op 121° 54', ten Oosten van welke de Mausumbibaai<br />
ligt.<br />
T. Batoemana, op 122° 4', ten Oosten van welke eene uitgestrekte<br />
bogt is, welker Zuid-Westelijk gedeelte Bonda-baai<br />
heel.<br />
21 Boenga of Flores-hoofdl 2<br />
) is de Noord-Oostelijkste punt<br />
des eilands op 122° 51' O.L. en 8° 3' Z.B. Ten Zuid-Westen<br />
hiervan is eene diep inloopende bogt, de Celébes-baai, die dit<br />
Noord-Oostelijke gedeelte des eilands tot eene zeer smalle landtong<br />
maakt.<br />
( I Wij houden ons zooveel mogelijk liever aan het Kaartje van VAN GOENS<br />
en dat van den Luit. t. z. KONING in het 1*'eStuk der Indiana van URUMUND,<br />
dan aan de Kaart van VERSTEEG, die ons toeschijnt tot de minst gelukkige in<br />
den Alias te behooren ; vergelijk de Noot op bl. 312.<br />
( J<br />
) Op de meeste Kaarten len onregle T. Besi of IJzerkaap geniemd.
573<br />
Aan de Oostkust des eilands bevinden z^ch twee ongenoemde<br />
baaijen, in welke de eilandjes Waibaloe en Slang (bl. 570) liggen.<br />
Aan de Zuidkust zijn ons geene kapen met name bekend;<br />
men vindt er, van het Westen af, de baaijen:<br />
de Mangrove- en de Alligator-baaijen, aan den Zuid-Westhoek<br />
; /<br />
de Baai vanNauga Lilin. tusschen 120° en 120° 13' O.L. O;<br />
de Baai van Nanga Ranio, tusschen 120° 20' en 120° 30';<br />
de Baai van Borro, onmiddellijk ten Oosten van de vo<strong>org</strong>aande;<br />
de Baai van Nanga Tili, ten Oosten van de vo<strong>org</strong>aande;<br />
de Baai van Keo, ten Zuiden van den vulkaan van dien naam;<br />
de groote en schoone Baai van Ende of Alom, ten Westen<br />
begrensd door het vo<strong>org</strong>ebergte van den G7. Keo en ten Oosten<br />
door de landtong, waarop zieh de 67. Api verheft.<br />
Van de talrijke rivieren, welke aan de Zuid- en de Noordkust<br />
uitwateren, zijn slechts enkelen bij hoog water aan de monding<br />
als haven bruikbaar; overigens zijn zij in den regentijd door<br />
den snellen stroom onbevaarbaar, en in den droogen moeson<br />
te ondiep of geheel uitgedroogd. De voornaamste bij name bekende<br />
rivieren zijn :<br />
aan de Zuidkust, van het Westen af:<br />
de Nanga Lilin of Léle', die op het gebergte Todo ontspringt<br />
en zich in het Westen van de Baai van Nanga Lilin ontlast;<br />
de Nanga Bamo, die op de Oostelijke voortzetting van hetzelfde<br />
gebergte ontstaat en zich in het Westen van de Nanga Eamobaai<br />
stort;<br />
de Nanga Mejrah, die op het gebergte Boeto Leo ontstaat en<br />
een weinig ten Oosten van de vo<strong>org</strong>aande in de Baai van Nanga<br />
Bamo valt;<br />
de Nanga Borro, die in het Westen van de Baai van Nanga<br />
Borro uitwatert;<br />
de Nanga Tili, welke in de Baai van dien naam valt;<br />
de Wai Mede, die ten Westen van den 67. Bok/ca haren mond<br />
heeft.<br />
Van deze allen zijn alleen de Nanga Lilin, de Borro, de Tili<br />
en de Wai Mede aan de monding bruikbaar.<br />
0) Voor de weinig bekende Zuidkust hebben wij alleen de Kaart van<br />
VERSTEEG.
574<br />
Aan de Noordkust, van het Westen af:<br />
de Kokoro, die in de Baai van Bari valt;<br />
de Rivier van Reo, die zich in de Baai van Reo stort;<br />
de IJzer-rivier of Kali Besi, ook Rivier van Potta genaamd,<br />
die zich nabij T. Pasir ontlast;<br />
de Kali Mauwaroe, die zich in het Westen der Mauwaroe-b<br />
stort.<br />
De afwisseling der moesous is dezelfde als op Java, doch de<br />
dampkring is aan menigvuldige cn plotselijke veranderingen<br />
onderhevig, die eenen zeer schadelijken invloed op de gezondheid<br />
uitoefenen. Vooral is dit het geval aan de kusten, waar de do<strong>org</strong>aans<br />
zeer hooge temperatuur dikwijls bij opkomende onweders<br />
op eens aanmerkelijk daalt. De gemiddelde temperatuur is daar<br />
omstreeks 85° F.; in het gebergte is zij natuurlijk aanmerkelijk<br />
lager.<br />
Flores kan naar den aard zijner bevolking en naar zijnen<br />
staatkundigen toestand, misschien ook naar de formatie van zijn<br />
gebergte, in drie deelen worden verdeeld; de weinige bekendheid<br />
des eilands brengt echter mede dat de grensbepaling dezer<br />
deelen slechts benaderend, niet naauwkeurig, kan zijn. Wij onderscheiden<br />
dus:<br />
Westelijk Flores of Mangerai, zich uitstrekkende van de We<br />
kust tot aan de rivier Wai Mede; het wordt beschouwd als<br />
eene onderhoorigheid van den Sultan van Bima op Soembawa e<br />
met diens overige bezittingen gerekend tot het Gouvernement v<br />
Celébes te behooren (bl. 177 en 295).<br />
Midden-Flores, van de Wai Mede tot omstreeks den meridiaan<br />
van den G. Keo of Omboeoe Romba ; het is, hoewel tot de Ned<br />
landsche bezittingen gerekend, inderdaad onafhankelijk.<br />
Oostelijk Flores, gewoonlijk Eude genoemd naar het aan de<br />
Zuidkust liggende staatje van dien naam; het strekt zich uit van<br />
den meridiaan van den G. Keo tot aan de Oostkust en behoort tot<br />
de Eesidentie Timor en onderhoorigheden.<br />
Westelijk Flores of Mangerai.<br />
Mangerai, door de bevolking zelve Raja genoemd, schijnt<br />
verdeeld te zijn in vijf hoofdstaatjes of Regentschappen, van
575<br />
welkt; een zich uitstrekt langs de Westkust tot omstreeks de<br />
Nanga Lilin; het tweede van daar langs de Zuidkust tot omstreeks<br />
de Nanga Mejrah; het derde verder Oostwaarts langs de Zuidkust<br />
tot omstreeks de Wai Mede; het vierde langs de Noordkust van<br />
voorbij de Sari-baai tot omstreeks T. Besi; en het vijfde van<br />
daar verder Oostwaarts langs de Noordkust. Aan het hoofd van<br />
elk dezer staatjes staat een Vorst met den titel van Baloe, die<br />
weder verscheidene mindere Baloe's, waarschijnlijk Hoofden van<br />
Distrikten, onder zich heeft. Deze mindere Hoofden gedragen<br />
zich echter vrij onafhankelijk, en in het algemeen is de magt<br />
der Daloe's zeer gering; zij kunnen boeten en straffen opleggen,<br />
en van hunne onderdanen eene zekere opbrengst van rijst,<br />
djagoeng en was vorderen doch hen overigens tot niets dwingen.<br />
De Daloe van het rijkje langs de Westkust beschouwt zich als<br />
den voornaamste, omdat hij alleen regtstreeks met den Sultan<br />
van Bima in betrekking staat.<br />
Omtrent de verhouding van dezen Sultan tot Mangerai deelen<br />
wij hier kortelijk het volgende mede. In de eerste helft der<br />
17^ eeuw werd zoowel Bima als geheel Flores beschouwd als<br />
eene onderhoorigheid van Goa, en beiden werden dus begrepen<br />
in het ten jare 1667 geslotene Bongaaische contract (U>. I, bl. 20),<br />
waarbij echter Bima geheel aan de suprematie van Goa onttrokken<br />
en onder die der O. I. Compagnie werd gebragt, hetgeen met<br />
Flores niet het geval was. Pogingen later door Bima aangewend<br />
om zich van Mangerai meester te maken hadden herhaalde vijandelijkheden<br />
tusschen dit rijk en Goa ten gevolge, waaraan een<br />
einde scheen te zullen komen toen in 1727 een Bimasche Prins<br />
met eene Goasche Prinses huwde en deze Mangerai als bruidschat<br />
kreeg. Doch een latere Vorst van Goa weigerde deze<br />
schenking te erkennen omdat er geen schriftelijk bewijs van<br />
bestond, en de vijandelijkheden vernieuwden zich van tijd tot tijd;<br />
zoodat eerst de O. I. Compagnie en later het Gouvernement meermalen<br />
moesten tusschen beide komen, tot dat dit laatste in 1822<br />
aan Goa zijne aanspraken voor goed ontzegd en Bima in het bezit<br />
van Mangerai gehandhaafd heeft O, hetwelk daarop in 1821 met<br />
geheel Soembaioa bij het Gouvernement van Celébes is ingedeeld.<br />
(>) Verhandelingen van hel Bat'aviaasch Genootschap, Db XXU1, bl. 140<br />
en 211-218.
578<br />
Hoewel nu de Sultan van Bima aanspraak maakt op het gebied<br />
over geheel Westelijk Mores, wordt echter zijn gezag alleen<br />
aan de Noordkust, en ook daar nog met weerzin, erkend. De<br />
kampongs Bari (dat eene soort van Bimasche volkplanting is)<br />
en Reo, aan de baaijen van die namen, en Polla aan de IJzerrhier<br />
zijn de eenige, die wezenlijk onderworpen zijn en in elke<br />
van welke een Bimasche Eadja gevestigd is. De bevolking van<br />
deze kampongs bestaat voor een klein gedeelte uit Bimanezen,<br />
voorts uit Boeginezen, die er handel drijven, en uit Mangeraiers,<br />
die door den Sultan gedwongen worden zich daar te vestigen<br />
maar meestal hunne huisgezinnen en aanplantingen in het binnenland<br />
houden om bij de eerste gelegenheid derwaarts terug te<br />
keeren en zich aan de knevelarijen van den Bimaschen Vorst<br />
en diens stedehouders te onttrekken. Immers het gebruik, dat<br />
door Bima gemaakt wordt van zijne suprematie over Mangerai,<br />
die vooral strekken moest om dit gedeelte van Flores tegen zeeroovers<br />
te beschermen, waarom ook het Gouvernement haar steeds<br />
gehandhaafd heeft, is inderdaad geen ander dan zooveel mogelijk<br />
de Inboorlingen ten zijnen behoeve te exploiteren. De boven<br />
vermelde groote Daloe's moeten jaarlijks elk tien, en een aantal<br />
mindere Daloe's elk vijf slaven leveren, die in het gebergte<br />
opgevangen, aan de Radja's te Reo en Potta opgezonden en van<br />
daar naar Sap» (bl. 307) getransporteerd worden O. Voorts is de<br />
bevolking verpligt tot de opbrengst van eene zekere hoeveelheid<br />
was, geiten, matten en andere voorwerpen. Ook de handel, hoewel<br />
niet in den letterlijken zin door den Sultan gemonopoliseerd,<br />
wordt echter aan vreemdelingen op allerlei wijzen bemoeijelijkt,<br />
en de Inboorlingen worden gedrongen hunne producten<br />
aan de Bimanezen tegen veel lagere prijzen af te staan dan zij<br />
van anderen zouden kunnen bedingen. De bevolking houdt zich<br />
dus zoo veel mogelijk van de kusten, vooral van de Noordkust,<br />
verwijderd om zich buiten het bereik der Bimanesche autoriteiten<br />
te houden.<br />
De inheemsche bevolking van Mangerai behoort, gelijk die<br />
van geheel Flores, tot het Batta-ras en heeft groote overeenkomst<br />
(') ln spijt van het verbod van den slavenhandel schijnt Bima nog steeds<br />
gelegenheid te vinden om deze schatting te innen ; in vroeger tijd was dit<br />
echter veel erger en zegt men dat jaarlyks wel 2000 slaven van Mangerai<br />
werden uitgevoerd.
577<br />
met sommige Dajaksche stammen op Borneo. Hunne gestalte is<br />
tamelijk groot, zij zijn goed gespierd en vlug in hunne bewegingen.<br />
Zij dragen het zwarte haar, dat bij sommigen eenigzins gekruld<br />
of kroes-aehtig is O, lang en bevestigen het op het achterhoofd<br />
met eene houten pen of eene soort van kam. De kleeding deimannen<br />
bestaat gewoonlijk alleen in de tjaioat, slechts zelden<br />
dragen zij eene sarong; de vrouwen kleeden zich met grove<br />
door haar zelve gewevene sarongs. Hunne sieraden zijn armringen<br />
van koperdraad, snoeren van glas-koralen om den hals en in de<br />
ooren, in welke laatste zij zeer groote gaten hebben, waarin ook<br />
dikwijls opgerolde to«Z«)--bladeren gedragen worden. De wapenen<br />
zijn kléwangs, parang» en lansen. De huizen zijn op niet zeer<br />
hooge palen gebouwd en overigens op dezelfde wijze ingerigt<br />
als die op Soemba (bl. 560); slechts zelden staan zij in eenigzins<br />
belangrijke kampongs vereenigd, maar gewoonlijk of in zeer<br />
kleine groepen of geheel afzonderlijk in het gebergte verspreid.<br />
Dat de Mangeraiers zich niet aan de kusten vestigen is boven<br />
reeds vermeld. Zij worden vo<strong>org</strong>esteld als zacht van karakter,<br />
vreedzaam, schuw en zeer bijgeloovig. Zij gelooven aan een<br />
Opperwezen, dat Moeri KrainW (Heer der Vorsten) of Moeri<br />
djaoeh (Heer die ver af is) genoemd wordt en het kwade straft,<br />
en aan een aantal goede en booze geesten van minderen rang.<br />
Hunne taal is geheel verschillend van die der andere stammen<br />
op Flores, maar schijnt eenige overeenkomst te hebben met die<br />
van Bima. De veelwijverij is algemeen in zwang, eu alle arbeid,<br />
met uitzondering van het inzamelen van was en het kappen der<br />
kaneelboomen, wordt door de vrouwen verrigt; zij doen het<br />
huiswerk, spinnen, weven en verwen de kleedingstukken, bebouwen<br />
het veld en transporteren de producten, tenzij het °roote<br />
vrachten zijn welke op paarden worden vervoerd.— De lijken<br />
worden begraven in eenen diepen kuil, in eene zittende houding<br />
even als bij de Orang Bongo in Bima (bl. 310), bij de Soembanezen<br />
(>) Zonder daarom deze Mangeraiers tot Papoewahs te maken, gelijk wel<br />
eens geschied is, meenen wij hier toch sporen te vinden van vermenging met<br />
het Negrilen-ras, dat vroeger verder dan thans in den Archipel schijnt verspreid<br />
te zijn geweest. Vergelijk Db I, bl. 104.<br />
(-) Deze benaming doet denken aan den Mangkasaarschen Goden- en<br />
Vorstentitel Karaëng of Kraïny (bl. 201 en 248), waaraan zij hoogst waarschijnlijk<br />
is ontleend.<br />
n. 37
578<br />
en vele andere Alfoersehe stammen.— Zij houden veel van zang<br />
en dans en vieren nu en dan feesten, waarbij een aantal buffels<br />
en herten geslagt worden. Hun gewoon voedsel bestaat in rijst,<br />
djagoeng, gierst en aardvruchten; ook sommige slangen worden<br />
door hen gegeten. Toeicak is een zeer geliefkoosde drank.<br />
Het hoofdbedrijf der Mangeraiers is de landbouw. Zij kweeken<br />
behalve de zoo even genoemde voedings-middelen, katoen en<br />
indigo, en hebben ook aanplantingen van kokos-, lontar- en<br />
pisang-hoomm. De grond ondergaat geenerlei bereiding; boomen<br />
en struiken worden op het einde van den droogen moeson af<br />
gebrand, en in den aanvang van den'regentijd wordt het zaad<br />
in kleine met een puntigen stok gemaakte gaatjes in de aarde<br />
geworpen. Het inzamelen van was, van kaneel (die hier in<br />
grootcn overvloed groeit, doch waarvoor zij altijd den geheelen<br />
boom vellen zonder voor nieuwe aanplanting te z<strong>org</strong>en) en van<br />
sapan-hout geschiedt alleen voor hunnen geringen ruilhandel met<br />
de Boeginezen en om aan de eischen van den Sultan van Bima<br />
te voldoen. Aan vischvangst doen zij niets, en slechts nu en<br />
dan begeven zich enkele personen naar het strand om schaal-<br />
en schelpdieren te zoeken. Overigens is hunne geheele nijverheid<br />
zeer gering en bepaalt zich tot het vervaardigen hunner kleeding-<br />
stukken, het vlechten van matwerk en het gebrekkig versmeden<br />
van afgesletene parangs tot lanspunten.<br />
Midden-Flores.<br />
Midden-Flores, waar het vulkanische gebergte, dat zooverre<br />
men weet in het Westen des eilands niet gevonden wordt, een<br />
aanvang neemt, en dat zich ook van het laatstgenoemde onder<br />
scheidt door zijnen grooten rijkdom aan kokos-palmen, is het<br />
minst bekende gedeelte van Flores. De grootere woestheid en<br />
strijdbaarheid zijner bewoners, tot wier onderwerping door<br />
Bimanezen en Endenezen meermalen vergeefsche pogingen zijn<br />
aangewend, hebben zeker hiertoe bijgedragen. Deze bevolking<br />
schijnt te bestaan uit drie naauw met elkander verwante<br />
stammen: de Roka's of Rokka's in het Zuiden, de Lango's of<br />
Lang a's in het Noord-Westen, en de TFogo's of Weggo's in het<br />
Noord-Oosten. Aan de Noordkust ligt het landschap Rioeng,<br />
waarschijnlijk ook door de twee laatstgenoemde stammen be<br />
woond. Zij hebben zwaar, gekroesd haar, dat op het hoofd is
579<br />
zamengebonden cn dan in een grooten bos overeind staat, en<br />
zijn met zware klewangs gewapend. Hunne talrijke kampongs zijn<br />
wel meerendeels in het gebergte maar toch ook gedeeltelijk langs<br />
het strand gelegen; zij zijn evenwel geene vissehers en verlaten<br />
hun land niet, evenmin als zij er vreemden in toelaten. Het door<br />
sommigen medegedeelde berigt, dat zij menscheneters zijn en<br />
niet alleen hunne vijanden maar ook hunne bloedverwanten, als<br />
zij oud en ziekelijk worden, dooden en verslinden, wordt door<br />
anderen tegengesproken. Hunne naburen, de Keo's, verhaalden<br />
aan den Heer FIIEYSS dat zij wel woest en hevig van aard waren,<br />
doch dat men eenigzins met hen en hunne taal bekend zijnde<br />
wel met hen konde omgaan en handel drijven. Ook schijnen<br />
zij zeer getrouw te zijn wanneer men eenmaal een vriendschapsverbond<br />
met hen heeft aangegaan, hetgeen geschiedt door<br />
elkanders bloed te zuigen uit eene in de hand toegebragte wond.<br />
Van hunne godsdienst weet men alleen dat zij een Opperwezen<br />
erkennen, hetwelk Atagai heet. Hunne taal verschilt geheel van<br />
die der andere stammen.<br />
Zij leven van den landbouw en kweeken dezelfde producten<br />
als de Mangeraiers; ook houden zij zich bezig met het inzamelen<br />
van goud en ijzer, welke metalen het gebergte hun oplevert;<br />
of zij ook de kunst verstaan van ze te bewerken is ons niet<br />
gebleken. De bevolking van Eioeng aan de Noordkust ligt onder<br />
de verdenking van te heulen met de zeeroovers, die daarentegen<br />
aan de Zuidkust altijd met kracht zijn afgeweerd. .<br />
Oostelijk Flores of Ende.<br />
De inheemsche bevolking van Oostelijk Mores, die het binnen<br />
land bewoont, is verdeeld in een groot aantal stammen, welke<br />
verschillende namen dragen misschien naar de gebergten waar<br />
zij zich ophouden.* 1<br />
) Zij zij Heidenen, vrij zacht van karakter,<br />
doch zeer onbeschaafd. Hunne wapenen zijn kléwangs, boog en<br />
pijlen en geweren. Er zijn geene Vorsten, die een grooter of<br />
kleiner gedeelte des lands onder hun bestuur hebben, maar<br />
alleen Oudsten of familie-hoofden. Hun hoofdbedrijf is de land<br />
bouw, doch zij kweeken geene rijst, waarvoor dit gedeelte des<br />
0) Deze namen worden opgegeven in hel Tijdschrift voor Indische taal-,<br />
land- en volkenkunde, D'. IX, bl. 525, 526 en 550, en zijn ook overgenomen<br />
op de Kaarl van VERSTEEG.
580<br />
eilands minder geschikt schijnt. Hunne taal is verschillend van<br />
die der Westwaarts wonende stammen en in verschillende dialecten<br />
onderscheiden. Overigens zijn omtrent hen weinig bijzonderheden<br />
bekend.<br />
Een groot gedeelte van Oostelijk Flores is, althans in naam.<br />
onderhoorig aan Ende, een staatje aan de Zuidkust aan de Baai<br />
van dien naam gelegen. Het is eene kolonie van Boeginezen,<br />
Mangkasaren en andere Mohammedanen, en wordt bestuurd<br />
door eenen Eadja en een aantal mindere Hoofden met den titel<br />
van Mantri; ook dc Bandar otSjah bandar (Opperhoofd van den<br />
handel) en de Imam (Priester) oefenen eenen grooten invloed uit.<br />
He Endenezen zijn hier de onderdrukkers der Inboorlingen op<br />
dezelfde wijze als de Bimanezen zulks in Mangerai zijn. Zij hebben<br />
zieh van den geheelen handel meester gemaakt en drijven dien<br />
hoofdzakelijk op Singapoera; ook de slavenhandel wordt ter sluik<br />
door hen gedreven, waartoe zij de slaven deels in het binnenland<br />
rooven, deels van Timor en Soemba afhalen of laten aanvoeren.<br />
Voorts bestaat hunne nijverheid vooral in het weven van sarongs,<br />
die rood-bruin geverwd en grof maar zeer sterk zijn.<br />
De voornaamste plaatsen in dit rijkje zijn Amboegaga, ook<br />
wel Ende genoemd, en Braai, beiden in het Oosten der baai aan<br />
de kust gelegen ('). Het eerstgenoemde is de hoofdplaats. In het<br />
jaar 1839 is met den Badja en de Rijksgrooten van Ende door<br />
het Gouvernement een contract aangegaan hoofdzakelijk van<br />
denzelfden inhoud als dat in 1860 met de Hoofden van Savoe<br />
is gesloten (bl. 551). Er is echter geen Nederlandsch Ambtenaar<br />
gevestigd.<br />
Het Noord-Oostelijke gedeelte van Flores wordt ingenomen<br />
door het staatje Larantoeka en het daaraan onderhoorige meer<br />
Zuidwaarts gelegene Sika, en wordt door eenen Badja bestuurd,<br />
aan wien ook nog drie kampongs op het eiland Adonare behooren<br />
(bl. 567). Dit gewest is bevolkt met Zwarte Portugezen (bl. 505),<br />
die in naam de Roomsch Katholijke godsdienst belijden, eene<br />
zekere, hoewel geringe, mate van beschaving bezitten en, ge<br />
deeltelijk althans, gebrekkig de Portugesche taal spreken.<br />
(') Tongo, insgelijks eene Boeginesche of Mangkasaarsehe vestiging meer<br />
Westwaarts aan de Baai gelegen, waarop de Radja van Ende mede aanspraak<br />
niaakl, heeft zich aan zijn gezag onttrokken.
581<br />
Hun karakter staat echter niet gunstig bekend; zij zijn wantrouwend,<br />
afgunstig, wraakgierig, en heulen dikwijls met de<br />
zeeroovers. Tot het jaar 1859 behoorde deze landstreek aan<br />
Portugal doch is bij het toen gesloten tractaat (bl. 510) aan<br />
Nederland afgestaan. Sedert dien tijd is in de, aan Straat Flores<br />
tegenover de Zuid-Westpunt van Adonare gelegene, hoofdplaats<br />
Larantoeka een Nederlandsch ambtenaar gevestigd met den titel<br />
van Gezaghebber der Solor-eilanden, en is ook het vroeger Portugesche<br />
fortje aldaar door ons Gouvernement bewapend en bezet.<br />
Te Larantoeka wordt een vrij belangrijke handel gedreven, vooral<br />
door Timorezen, Boeginezen en Wadjoerezen, in schildpad,<br />
vogelnestjes, kaneel, sandelhout, was, buffels, geiten en varkens.<br />
Voorts bevindt zich nabij deze plaats, die aan den voet van den<br />
vulkaan llimandiri (bl. 571) ligt, eene warme bron die door<br />
zwavel- en salpeterachtigen grond omringd is.<br />
In het Westelijke gedeelte van de Noord-Oostpunt van Flores<br />
(ten Westen van Tandj. Boen ga) liggen zeven kampongs, welke<br />
aan Adonare behooren (bl. 567) doch wier namen ons niet bekend<br />
zijn.<br />
Meer Westwaarts ligt aan de Noordkust op 122° 20'O. L. de<br />
vrij belangrijke handelplaats Geliting, waartoe ook de daaraan<br />
grenzende kampong Bolong schijnt te behooren, op de Mangkasaarsehe<br />
wijze gebouwd en door eenen van klipsteen opgetrokken<br />
ringmuur omgeven. Zij heeft eene Mohammedaansehe bevolking<br />
bestaande uit Boeginezen, Mangkasaren, Wadjoerezen, Bimanezen<br />
en Saleijerezen, en wordt bestuurd dooreenen Mangkasaarschen<br />
Sjah bandar, die door den Badja van Larantoeka met voorkennis<br />
van den Nederlandschen Gezaghebber wordt aangesteld. Deze<br />
Sjah bandar is bevoegd geschillen tusschen handelaren en ingezetenen,<br />
en ook tusschen deze laatsten onderling, te beslechten<br />
en voor ligte misdrijven boeten of lijfstraffen op te leggen ; alleen<br />
over moord en diefstal doet de Badja zelf uitspraak.! 1<br />
)<br />
De kampong Mauwari, die een paar uren meer Westelijk lag<br />
en door van Sika afkomstige Zwarte Portugezen werd bewoond,<br />
is voor weinige jaren door de Gelitingers verbrand en hare<br />
bevolking naar Sika terug gedreven.<br />
(') Men zie over Geliting en den handel aldaar uitvoeriger het Tijdschrift<br />
voor Indische taul-, land- en volkenkunde, Db XI, bl. 147—154.
582<br />
Voortbrengselen en handel van Flores.<br />
De voortbrengselen van Flores, gedeeltelijk reeds boven ver<br />
meld, zijn: rijst (behalve in het Oosten des eilands), djagoeng,<br />
eenige soorten van gierst, aard- en peulvruchten, indigo, katoen,<br />
kokos-, lontar- en pisang-hoornen, tamarinde, tabak, kaneel,<br />
sapan-noui en weinig sandelhout. Het dierenrijk levert: paarden<br />
van hetzelfde ras als die van Soemba, buffels in het wild, varkens,<br />
herten, geiten, apen, slangen, schildpad en krokodillen aan de<br />
kusten, tripang, vogelnestjes en was. Het delfstoffenrijk is nog<br />
weinig bekend: de IJzerrivier (bl. 574) voert ijzer en stofgoud<br />
af; meer Oostwaarts langs dc Noordkust, in bet landschap Rioeng<br />
en den omtrek van Geliling, wordt loodglans en ook goud aan<br />
getroffen; het gebergte Roka bevat insgelijks goud, en de berg<br />
Aspana, welks ligging ons niet bekend is, tin.<br />
De handel op Flores wordt voornamelijk gedreven door Bima<br />
nezen (alleen op de Noord-Westkust) Mangkasaren, Boeginezen ,<br />
Boetonnezen, Saleijerezen en, wat Ende en Larantoeka betreft,<br />
ook door Koepangezen, Soembanezen en Solorezen. De uitvoer<br />
bestaat, om van den slavenhandel niet te spreken, in: kaneel,<br />
sapan-en sandel-hout, kokos-olie, katoen en daarvan gewevene<br />
kleedjes (de laatsten vooral uit Ende), tamarinde en tabak vooral<br />
uit Geliting, vogelnestjes, was, schildpad, tripang en somtijds<br />
eenige geiten. Ingevoerd worden in Mangerai: suiker, opium,<br />
gambir, rijst, djagoeng, goud, grof aardewerk, ijzer- en koper<br />
werk, glas-koralen, olifants-tanden en lijnwaden; en te Geliling:<br />
geweren, kruid, parangs en ander ijzerwerk, koralen, olifants<br />
tanden, Europesche en inlandsehe lijnwaden en opium.<br />
Eilandjes rondom Flores.<br />
F. Rindja ten Westen van Flores, en de eilandjes in en vóór<br />
Straat Flores ten Oosten van dit eiland, zijn reeds vermeld op<br />
bl. 312 en 570.<br />
Langs de Zuidkust van Flores liggen:<br />
Het West-eiland, en nog een kleiner zonder bekenden naam,<br />
aan den Zuidelijken ingang van Straat Molo tegenover de Zuid-<br />
Westpunt van Flores.<br />
Het Toren-eiland, zoo genoemd wegens zij n vorm, ten Oosten<br />
van de Baai van Nanga Lilin, op 120° 15' O. L. Er houden zich
583<br />
eene groote menigte herten op; of het ook door mensehen<br />
bewoond wordt is ons niet bekend.<br />
P. Ende of P. Aloso in de baai van denzelfden naam op<br />
121° 33' O.L.; het behoort aan den Radja van Ende en schijnt<br />
bewoond te zijn.<br />
Langs de Noordkust, van het Westen af:<br />
Seraja besar, Seraja ketjil, Toko-toko en Selolom, vier kleine<br />
eilandjes nabij elkander op geringen afstand van T. Batoe Kandisang<br />
(bl. 571) gelegen.<br />
Gili Bodo, op ruim 120° O.L. nabij T. Loepa (bl. 572).<br />
P. Longso, vóór de Baai van Bari.<br />
P. Tjindek of Tjindi, zeer nabij de kust, ten Westen van<br />
T. Gomon, op 121° 30' O.L.<br />
Roesa Radja of Palowé, een hoog en vulkanisch eilandje,<br />
ten Noord-Oosten van T. Lollokatta, op 121° 45' O.L. en<br />
8° 19' Z.B.<br />
P. Soekoer of Roesa Linguette, mede een vulkanisch eilandje,<br />
veel Noord-Oostelijker gelegen op 122° 10' 30" O.L. en<br />
8° 7' Z.B.<br />
West-Boffer of Pomané en het veel kleinere Oost-Boffer,<br />
onmiddellijk nabij elkander tusschen 122°20' tot 122°23' O.L.<br />
en 8°19' tot 8°22' Z.B.<br />
Groot Bastaard, en een weinig Noord-Oostwaarts Klein<br />
Bastaard, tusschen 122° 22' tot 122° 30' O.L. en 8° 23' tot<br />
8° 27' Z.B. Het vaarwater in den omtrek van de vier laatstgenoemde<br />
eilanden is met zandbanken en ondiepten bezet en valt<br />
bij laag water gedeeltelijk droog.<br />
Alle deze eilandjes zijn onbewoond, tenzij er zich tijdelijk<br />
visschers of zeeroovers ophouden.
VERBETERINGEN".<br />
UI. 15. Op het Kaartje staat: «DaiuutofMentlouw» lees: «DawalafMamloetn.<br />
» 159. B. IIF.T OOSTELIJK DEEL. rnnet zijn: b. HET OOSTELIJK DEEL.<br />
» 180 en-216. De op deze bladzijden vermelde Groote Landraad<br />
te Alangkasar is bij besluit van 24 Ecbruarij 1864<br />
opgeheven en vervangen door Regtbanken van<br />
Omgang, zamengesteld uit Inlandsehe leden onder<br />
voorzitting van eenen Europeschen Regtsgeleerde,<br />
die in de Hoofdplaats van elke Afdeeling zitting<br />
zullen houden.<br />
» 190, rog. 22. «Alapalns» lees: « Mapaloes. » —. Over deze<br />
vereenigingen en den landbouw in de Minahassa in<br />
het algemeen zie men ook de onlangs verschenen<br />
Mededeelingen van wege het Nederlandsche Zendelinggenootschap,<br />
Ü'.VIII, bl. 6—23.<br />
» 211, reg. 1, bij le voegen: Deze en vele andere bruggen in de<br />
Minahassa zijn overdekt, en de Inlanders houden<br />
zieh daar dikwijls op tot het bereiden van hunne<br />
spijs en ook om er te slapen. Zie de Mededeelingen,<br />
t.a. p. bl. 5.<br />
» 366, reg. 2 v.o., bij te voegen : Van de verschillende dialecten,<br />
welke op de Zuidkust van Cerapt en op de Oeliassers<br />
worden gesproken, wordt thans eene door den Zendeling<br />
A. VAN EKRIS vervaardigde Woordenlijst<br />
gedrukt in het VIlI s<br />
*e Deel der boven genoemde<br />
Mededeelingen.