A M P I E N - Acehbooks.org

acehbooks.org

A M P I E N - Acehbooks.org

U

LEGER GEDESERTEERDEN BELG

r**

HARDERWIJK.

Fi KM A I. WEDDING.

1887

A M P I E N


BIBLIOTHEEK KITLV

0044 8058

O So ^is ^*f'

_Ji


DE DESERTEUR.


DE DESERTEUR.

LOTGEVALLEN ONDER DE ATJEHERS,

UIT HET NEÉRL.-INDISCH LEGER GEDESERTEERDEN BELG.

A M P I E N.

V* VOOR V >>

[ÏIâL-,IAND-â VOLKENKUNDE

HARDERWIJK,

FIRMA I. WEDDING

1887.


I.

»Jean Baptist T , oud 24 jaar, geboren te Gent

(België), beroep machinist, laatstelijk soldaat in de....

compagnie van het bataljon infanterie, in garnizoen

te Atjeh....

Is dat goed zoo ?"

De toegesprokene, een korte, breed gebouwde kerel

met een brutaal uiterlijk, maar door ziekte en ontbering

vervallen en vermagerd, knikte onverschillig toestemmend.

»Waarom deserteerde je eigenlijk?"

Hij staarde voor zich uit en scheen niet genegen te

zijn om te spreken. De vraag werd herhaald en bh' trok

ongeduldig de schouders op. Maar hn' veranderde van

houding, toen hem herinnerd werd, dat h|j geen reden

had om zijn ondervrager brutaal of onwelwillend te bejegenen.

„Waarom ik eigenlijk deserteerde, luitenant'? Ja, dat

weet ik waarachtig zelf niet. Om de menage was het

niet, zooals ze wel vertellen. Ik wil niet zeggen, dat die

altijd zoo uitstekend was, vooral niet toen wij zelven langzamerhand

in gezouten vleesch veranderden ; O maar ik

begreep toch ook wel, dat de Atjehers mij geen biefstuk

(1) Dit gezegde doelt op de ontzettende hoeveelheden gezouten vleesch die

inen onze soldaten op Atjeh — als bezuinigings-maatregel ! — heeft laten

verorberen.

De Deserteur. 1


2

zouden voorzetten. Om de behandeling was het ook

niet; ik heb nooit onverdiend in de kast gezeten. Ik

houd het er voor, dat het werken mjj ging vervelen.

Toen wjj op een goeien dag van corveeën in de benting

terugkeerden, hoorde ik een soldaat pruttelen, terwijl

hij met een vloek zn'n schop in den grond smeet: »Je

bent hier meer polderjongen dan soldaat. Ik zou wel

eens willen weten, of dat bij de Atjehers ook zoo is."

Dat is nog zoo gek niet, dacht ik zoo, wat hij daar

zegt. Ik ging op de baleh-baleh (brits, rustbank) liggen

en de begeerte om naar de Atjehers over te loopen kwam

bg mij op, om mjj niet meer te verlaten."

»En toen ben je maar van je post geloopen en gedeserteerd

»Dat is te zeggen — van mijn post niet. Ik was wel

op wacht, maar om twaalf uur van mjjn post »voor 't

geweer" afgelost. Een half uur later liep ik weg."

„Maar hoe heb je ongemerkt uit de benting kunnen

komen ?"

„Nou, dat ging gemakkelijk genoeg. De manschappen,

die niet op post stonden, sliepen, de Javaansche

sergeant, die op wacht was, deed niet veel minder, en

ik wachtte natuurlijk tot de luitenant zijn ronde had

gemaakt. Toen ging ik naar buiten, den Javaanschen

soldaat, schildwacht »voor 't geweer", wijsmakende, dat

ik naar het privaat ging en mnn geweer medenam,

omdat ik de Atjehers niet vertrouwde."

»Vertel eens verder, hoe het je gegaan is."

„Alles ?"

„Ja, alles, wat je ten minste nog goed weet."

„Mag ik er dan bh" gaan zitten ? want ik ben zoo

lam in mh'n beenen."


3

Den verbaler werd een stoel gegeven en na een glas

ajer-batoe (jjswater) te hebben gedronken, ging hy

voort :

„Toen ik kruipend over de open terreinstrook, die de

benting omringt, in de rimboe (struikgewas, wildernis)

was gekomen zonder door iemand opgemerkt te zijn,

liep ik op goed geluk recht voor my uit. Mijn geweer

hing ik aan den riem over den schouder, maar de

bajonet hield ik in de hand, om klaar te zu'n bij een

onverhoedschen aanval.

„Het weer was niet helder, zoodat ik moeite had om

het voetpad door de wildernis te volgen ; nu en dan viel

er een regenbui. Met beide ooren luisterend en zooveel

mogelijk rondom mij heen ziende, zal ik zoo naar mijn

berekening een uur hebben voortgeloopen, toen ik tot

mijn schrik bemerkte, dat ik in verkeerde richting ging.

Want eensklaps hoorde ik het getik tegen de bamboekokers

en patjols (schoppen) (') van een onzer posten

dicht bjj mij, en op den top van een heuveltje gekomen,

dat ik bezig was te beklimmen, zag ik de bekende petroleumlantaarns,

vóór de draadversperring van een benting.

Dat moet Djêrir zijn geweest. Terwijl ik een oogenblik

in gedachten stond, hoe mijn marsch te hervatten,

vlamde het licht uit een geweerloop en sloeg een kogel

vlak voor mijn voeten in den grond. Een der schildwachten

had mjj, boven op die hoogte staande, gezien.

Er volgden meer schoten, maar ik had mn' reeds plat

(1) Opdat de wachtcommandanten zich van de waakzaamheid der schildwachten

konden overtuigen zonder ieder oogenblik rondes te maken, waren

er bij de verschillendo posten ijzeren voorwerpen, zooals schoppon, enz. en ook

wel bamboekokers opgehangen, waartegen de schildwachten ieder kwartier

moesten slaan.


op den grond geworpen en kroop snel door de struiken,

links aanhoudende. Nu kon ik mij niet andermaal in de

marschroute vergissen. Ik ging, Djérir een 100 passen

rechts van mn' latende, behoedzaam voorbij en voorwaarts

in de richting van de rivier. Weldra had ik den post achter

mn'. Het kon, zoo dacht ik, nu niet lang meer duren,

of ik moest in aanraking komen met de Atjehers. Het

weer was intusschen aanmerkelijk opgeklaard en de regen

had opgehouden ; de heldere maneschijn verlichtte

het landschap zoo klaar, dat ik het pad, waarop ik

voortging, duidelijk, nagenoeg evenwijdig aan de rivier,

voor mij uit zag kronkelen. Voorwaarts in een donkeren

kampong-rand, zag ik hier en daar een lichtje schijnen,

en mij nu en dan omkeerende op het klimmend en dalend

terrein, bespeurde ik nog flauw de lantaarns onzer uiterste

posten.

„Het was een mooie nacht. De sterren flonkerden en

duizenden, duizenden vuurvliegen schitterden in de hoogopgaande

bamboe-doeriestruiken langs de kali. Ik liep na

te denken, hoe ik by' de Atjehers, als machinist wellicht,

een boel geld zou verdienen ; hoe ik daarmede dan zoo

gauw mogelijk naar België zou terugkeeren, en naar....

Belle Mine, die mooie meid, van wie ik u vroeger vertelde,

maar die toch de eigenlijke oorzaak was geweest,

dat ik koloniaal werd.

„De stilte van den nacht werd slechts verbroken door

mijn schreden of door een Allah.' van een Atjehschen

wachtpost in de kampong, die ik hoe langer zoo meer

naderde.

„Toen ik eindelijk aan den ingang daarvan was gekomen

en goed uit mnn oogen moest zien, om het pad

te houden, dat onder het dak der klapperboomen geheel

1


5

in donker werd gehuld, — aarzelde ik. Het was niet

uit vrees, maar het was mij, alsof ik hier voor het eerst

iets van berouw gevoelde ; een oogenblik dacht ik er

aan om terug te keeren. Het was te laat. Ik hoorde

snel, hoewel zacht, heen en weer loopen en fluisteren.

Begrijpende, dat ik was opgemerkt en verloren zou zn'n,

zoo ik vluchtte, omknelde ik vaster de kling van mijn

bajonet en stapte, luid roepende: „Orang blanda —

deserteur!" de kampong vastberaden binnen.

„Er volgde geen antwoord. Ik kon bijna geen hand

voor oogen zien en het scheen, alsof de lichtjes, die ik

kort geleden had opgemerkt, plotseling waren uitgedoofd.

Bovendien was het doodsstil geworden ; ik hoorde geen

enkel gerucht meer. Langzaam voortgaande en terwijl mijn

oogen geleidelijk aan de duisternis gewenden, kwam ik

al spoedig aan een huis — een gewoon Atjehsch huis

door een pagger (heg) omgeven, op palen gebouwd en

met een hooge houten trap aan de voorzijde. Het moest

bewoond zijn, want aan een der palen stond een geit

vastgebonden, en een hond, die onder de woning had

liggen slapen, hief plotseling een vervaarlijk geblaf aan.

Ik stond op het punt om de trap te beklimmen en

gerucht aan het huis te maken, maar na een oogenblik

nadenken kwam het mü toch meer geraden voor de

kampong verder in te gaan, overtuigd, als ik was, wel

iemand op mijn weg te zullen ontmoeten. Met dit doel

hervatte ik mijn marsch langs het kampongpad, dat

een bocht om het huis maakte. Ik ging den hoek om

Eensklaps lag ik languit op den grond. Ik was gestruikeld

over eeii stuk hout, dat daar lag, of dat mü

behendig tusschen de beenen was gestoken.

„Het laatste kwam mü wel het waarschijnlijkst voor ;


want op hetzelfde oogenblik, waarop ik viel, zat mij

een kerel op den nek en hadden zich twee of drie anderen

van mü'n armen en beenen meester gemaakt. Mijn

geweer en bajonet waren in een oogenblik in hunne handen.

Terwijl de mijne werden gebonden, trachtte ik

zooveel mogelijk in het Maleisch uit te drukken, dat ik:

niet met vüandige bedoelingen, maar als deserteur was

gekomen en als vrij man onder hen wenschte te leven.

Zn' letten weinig op hetgeen ik zeide — dat zn wellicht

niet goed verstonden — en slechts nu en dan gaven zij

een kort en driftig: „baai, baai" (goed, goed) ten antwoord,

maar schenen al dadelijk onderling te twisten

over de verdeeling en het bezit van mijn wapens. Onder

dit standje trachtte ik op te staan, doch dit werd mn'

belet door twee voeten, welke zich heel onzacht op mijn

schouders plaatsten en mij dwongen kalm te blijven

liggen.

„Deze voelbare aanmaning om rustig te zijn ging gepaard

met een gebrul van den Atjeher, waarin ik duidelijk

het Maleische woord andjing (hond) verstond. De

ontvangst viel mij dus niet meê ; en ik lag er over te

piekeren (nadenken), dat ik wellicht een domme streek

had begaan met dat deserteeren, toen een der Atjehers

ten laatste het woord nam en een voorstel scheen te

doen, waarmede de overigen instemden.

„Met een ruk en de andere helft van de toespraak

van zooeven, beduidde men mü op te staan. Wü gingen

op marsch.

„H«, die het voorstel deed — zooals ik ten minste

vermoed — liep vooruit, in de eene hand mijn geweer,

in de andere de bajonet dragende; ik volgde tusschen

twee van imjn vriendelijke gastheeren in, en nummer

6


7

vier maakte de achterhoede uit. Onderweg werd aanvankelijk

geen woord gewisseld, maar weldra braken

nieuwe onlusten uit. Nummer drie bemerkte eensklaps,

dat nummer twee bezig was om, zoo ongemerkt voortwandelende,

een mijner broekzakken te visiteeren en de zich

daarin bevindende pakjes patronen, zak met tabak en portemonnaie

van eigenaar te doen veranderen en voorloopig

te bergen tusschen de plooien van zijn kaftan of baadje.

Algemeene verontwaardiging, geschreeuw, gevloek en

bijna een vechtpartij I ' De orde werd niet spoedig en

niet gemakkelijk hersteld, vooral, zooals ik duidelijk

kon opmerken, omdat de heeren elkaar onderling voor

geen cent vertrouwden. Eindelijk, gingen wij toch weer

voort; maar mijn leidslieden waren nu zoo dicht opgesloten,

om elkaar op de vingers te kunnen zien, dat ik

ieder oogenblik mjjn voorman op de hielen trapte of

door mijn achterman geschopt werd.

„Na een kwartier aldus te zijn voortgegaan, kwamen

wij op een heuvelachtig open terrein, door een kampong

ingesloten, te oordeelen althans naar de spitse daken,

die ik in het maanlicht hier en daar tusschen en boven

de klapperboomen kon waarnemen. In een diepte van

deze vlakte, achter een vrij hoogen heuvel, werd halt

gemaakt."


II.

„Na een kort beraad verwijderden zich twee der Atjehers,

mij onder bewaking van de rest van het escorte

achterlatende. Zij keerden weldra terug, belast en beladen

met hout, zooals ik bemerkte, w r aarvan al spoedig een

helder en knappend bivakvuur opvlamde.

„Door een müner vriendelijke geleiders werd ik nu

door teekens en gebaren en met enkele maleische woorden

uitgenoodigd, of liever werd mij dringend gelast,

alles, wat ik in mjjn zakken of bij mij mocht dragen,

aan hem af te geven. De beide pakjes patronen, de zak

met tabak en de portemonnaie, die mij gedurende den

marsch reeds gerold waren, zag ik op den grond liggen

in het volle licht van het vuur — den zakkenroller waren

deze voorwerpen op zijn beurt weer ontnomen — en achtereenvolgens

werden daarnaast gelegd : mijn mes, mijn

kam, mijn horloge, mjjn pijp, een lucifersdoosje — in

ée'n woord, alles, wat ik uit de benting had medegenomen

en mijn eigendom was, met uitzondering van het geweer

en de patronen, die van het gouvernement waren. In de

hoop, dat ik na die uitpakkerjj met rust zou worden gelaten,

werd ik, tot mijn woede, teleurgesteld, toen de

kerels mij vervolgens met rukken en duwen en driftige

gebaren te kennen gaven, dat ik mijn kleeding moest uit-


9

trekken. Mjjn toppie (pet), dat reeds op den grond was

gevallen, werd met de meeste aandacht geïnspecteerd;

zeker niet om het model of het maaksel, want van in

hunne handen gevallen gesneuvelden, en ook door deserteurs,

is onze uniform den vijanden overbekend geworden

„Pardon, luitenant, ik bedoel vrinden " ( 1 ) viel de

verhaler hier zichzelf, en schamper lachende, in de reden,

met den wijsvinger by wijze van saluut tegen de klep

van zijn pet slaande.

Na de opmerking om dergelijke ongepaste aardigheden

voor zich te houden, te hebben beantwoord met een

tweeden tik tegen het toppie en het verplaatsen van een

kleine verhevenheid op de wang van rechts naar links,

ging hij voort :

„Ik geloof, dat zij geld of tabak in mijn pet zochten,

want tot zelfs de band werd er uitgescheurd — zonder dat

zij echter iets vonden dan een spel kaarten en een zakdoek.

Niet zonder tegenstribbelen en eerst nadat twee

der roovers hunne klewangs voor den dag hadden gehaald,

ontdeed ik mij van buis, broek en schoenen. Deze

kleedingstukken werden bekeken, betast en bevoeld, met

een nauwgezetheid, zooals ik gedurende mijn geheelen

diensttijd nog nimmer bij een inspectie, zelfs niet voor

een generaal, had bijgewoond. Het gold echter ook hier

minder de kleeding dan wel hetgeen daarin verborgen

kon zijn. Teleurgesteld wierpen de Atjehers ze

evenwel op den grond, doch niet dan nadat een der

inspecteurs, een kleermaker, dacht ik, al de knoopen,

(1) De soldaten noemen de Atjehers spottend „vrinden van 't gouvernement",

doelende op de ziekelijke politiek welke als het ware bedelde om de

vriendschap Oer allerslechtste hoofden.


10

met uitzondering van de allernoodzakelijkste, had afgesneden

en in zy'n baadje gestoken.

„Ik meende mij nu weer te mogen kleeden; maar zoover

was het nog niet. Onverhoeds werd ik door drie van

de kerels vastgegrepen - om mij te kunnen ontkleeden,

had men het touw van mijn armen losgemaakt — en begon

de vierde een even nauwkeurig onderzoek op mijn

lichaam, als zooeven met mijn uniformstukken had plaats

gehad. Bij de eerste betasting reeds vond de roover een

zakje met rijksdaalders gevuld op mijn borst, dat ik

aan een koord op het bloote lichaam, onder mijn onderkleederen

had verborgen, en die ik van myn oppassersgeld

had bespaard. Hij maakte een geluid als een

blazende kat, en zich niet eens den tijd gunnende om

het touw los te maken, rukte hij er zoo hevig aan, dat

het brak en mij door de huid sneed. Dol van woede

trachtte ik den Atjeher in de keel te bijten, en er ontstond

een worsteling, waarin ik al heel spoedig het onderspit

dolf, daar ik mijn armen nagenoeg voelde ontwrichten.

Onder bewaking van alle vier de dieven, die

hun klewang hadden ter hand genomen, werd ik losgelaten,

in de gelegenheid gesteld myn goed aan te trekken

en daarna opnieuw gebonden. Toen ook het touw

om myn beenen was gestrikt, dwongen zij mij op den

grond te gaan zitten en toe te zien, dat zy' al het geroofde,

met uitzondering van het geweer met bajonet en

patronen, onder elkander gingen verloten. Het getal rijksdaalders,

toevallig even, werd gelijkelijk verdeeld ; maar

de aanstaande eigenaars van de voorwerpen werden door

het lot aangewezen met een spel van die kleine Chineesche

speelkaartjes, waarmede men de Javaansche

vrouwen veel ziet „keplekken" (een soort hazardspel).


Il

„Ik was nu in de gelegenheid om een oogenblik over

mijn toestand na te denken, en ik verzeker u, luitenant,

dat ik reeds berouw had als haren op mijn hoofd over

de domste streek, die ik tot nu in mijn leven heb

uitgevoerd, en dadelijk al middelen bedacht om zoo gauw

mogelyk weer van de Atjehers „te deserteeren." Ik beschouwde

aandachtig de vier „heeren" bij het vuur, die mij

„verwelkomd" hadden, en die bij het schijnsel der vlammen

vier duivels geleken. Twee hunner herkende ik —

ik durf er myn hoofd onder verwedden — als bezoekers

van den pasar pasar (markt) bij de mesigit (moskee) ;

herhaalde malen heb ik hen daar zien zitten bij de oude

steenen begraafplaats aan de rechterhand, als u naar

Oleh-leh gaat, den een met sarongs en tabak, den anderen

met kippen en eieren. Ik zie de kerels nog duidelijk

voor mij. Zij hadden alle vier de wyde Atjehsche broek

aan en waren overigens gekleed in een wit kort buisje,

met van riet gevlochten toppies op het hoofd, of hadden

een soort slendang (lange doek) van vuil wit katoen om

het naakte bovenlijf geslagen en de lange zwarte haren

met hoofddoeken omwoeld. Een hunner scheen iets meer

te zijn dan de anderen ; ten minste, zijn broek was onder

aan de pijpen, of liever aan de gaten, waar de beeilen

doorsteken, met vierkantjes van gouddraad bestikt ;

ook had hij een kiewang met zilveren greep.

„ Toen zij daar als echte gauwdieven met hun gemeene

gezichten mijn goed bekeken en stuk voor stuk door

hun vieze, bruine vingers lieten gaan, spande ik alle

krachten in om het touw te verbreken waarmede ik gebonden

was, — doch vruchteloos. Ware het my gelukt

dan had ik mijn leven op het spel gezet om te ontvluchten.



„Ten laatste was de buit naar algemeen genoegen,

zoo 't scheen, verdeeld en beduidde men mij om op te

staan. Het vuur werd uit elkaar geworpen en gedoofd,

en wij gingen andermaal, in de vorige orde, op marsch.

Naar myn berekening liepen wy nu ongeveer nog een

half uur, en twee of drie kampongs door, toen wij weder,

en nu voor goed, halt maakten by een groot huis,

dat wel tot de laatste kampong scheen te behooren,

die wij doorgetrokken waren, doch in ieder geval daar

buiten stond. Een zware pagger (heg) en eenige hoog

opgaande bamboe-doeriestruiken omringden het. Uit een

eerbiedig fluisteren en wijzen naar de woning maakte

ik op, dat zy' van een hoofd was. Een der mannen legde

zijn klewang op den grond, beklom stil en langzaam de

hooge houten trap, die naar den ingang leidde, en verdween

in het huis. Na een kwartier ongeveer keerde

hjj langs denzelfden weg terug, nam zyn wapen weer

ter hand en wenkte zijn metgezellen hem, met mij, te

volgen. Wij gingen achter het huis om, en onderweg

deelde hij, die daar binnen was geweest, op fluisterenden

toon iets aan de anderen mede. Ik zou weldra begrijpen,

wat het geweest was. Onmiddellijk achter de woning

werd ik in een kleine vierkante vlakte geleid, die door

lage aarden wallen, aan de buitenzijde met struikgewas

begroeid, was ingesloten — een Atjehsche benting dus.

In een der hoeken daarvan ontwaarde ik dadelijk by

het binnenkomen — want het was nu heldere maneschijn —

het beruchte Atjehsche blok op den grond. Ik wist direct,

wat my' stond te wachten. De Atjehers duwden my'

voort tot in dien hoek, grepen mij vervolgens onverhoeds

en stevig aan, en terwy'l een hunner het blok opende,

zetten de overige vrienden mij met de beenen in een


LS

der gaten — waarna de eerste het blok weer sloot. (*)

Met vloeken en schelden en met al het Maleisch, dat

ik ken, protesteerde ik tegen deze handelwijze, doch zonder

eenig ander gevolg, dan dat ik van een der kerels

een schop in den rug ontving, dien ik nog drie dagen

later voelde. Terwijl dit alles voorviel, kwam er een

vh'fde persoon op het terrein, gewapend met een klewang,

maar bovendien nog met een donderbus over-den schouder.

Ik vermoed, dat hij uit het huis kwam. Hij scheen

de anderen te komen aflossen — althans die verwijderden

zich nu na eenige woorden met den nieuw aangekomene

te hebben gesproken. De schildwacht, want dat

was hij, zooals ik bemerkte, kwam naar mij toe, overtuigde

zich dat mijn in arreststelling naar behooren

was verricht en dat het blok goed gesloten was ; daarna

kwam hij voor mij staan en maakte mij duidelijk, dat

ik een kind des doods zoude zijn by de minste poging,

die ik tot ontvluchting durfde wagen.

„Vervolgens begon hij op en neer te wandelen zonder

mij echter uit het oog te verliezen.

„Het weer scheen intusschen opnieuw te veranderen;

er kwam wind, het werd nu en dan donker en weldra

sloeg mij een fijne motregen in het gelaat. Ook mijn schild-

en Een blok is een lange, zware houten balk, die in de lengte juist in het

midden is doorgezaagd, en waarvan de beide helften, aan twee der uiteinden,

zoodanig met een zwaar scharnier zijn verbonden, dat zij bij wijze van

een schaar kunnen geopend en gesloten worden. Over de lengte der beide

halve balken zijn halfronden uitgezaagd, die, wanneer het blok is gesleten,

volkomen rondo gaten vormen. De gevangenen worden nu, met do boenen

door die gaten, in het blok gesloten. De soldaten noemen dit strafwerktuig

niet oneigenaardig de portative politiekamer, of ook wel de knoopenschaar,

omdat er tot twaalf gevangenen aangeregen kunnen worden, zooalsknoopen,

op het bekende poetsplankje.


14

wacht scheen dit onaangenaam te vinden, want hij plaatste

zich onder een afdakje van atap (blad) tegenover

mijn gevangenis, en trok zich bovendien nog zijn wit

bovenkleed over het hoofd. Lui en vadsig evenals onze

Javaantjes op wacht, ging hij spoedig zitten en een oogenblik

later reeds hoorde ik den trouwen wachter luid

snorken, ü kunt begrijpen, hoe ik toen het mogelijke en

onmogelpe aanwendde om uit het blok te geraken. Welk

een schoone gelegenheid zou dit geweest zijn om den kerel

zijn wapens te ontnemen en te vluchten — om nooit

weer te deserteeren ; want ik verzeker u, dat ik hoe langer

zoo meer berouw kreeg ! Maar of ik mijn voeten al

wrong en schuurde, dat het bloed er langs droop, zooals

ik duidelijk voelde, het hielp mij niets - ik zat vast

en ik bleef vast. Dit nachtje zal ik niet licht vergeten,

luitenant ! 't Is niet te beschrijven, wat ik uitstond. Dooiden

motregen, die aanhoudend bleef neervallen, was ik

langzamerhand door en door nat geworden; mijn armen

waren opgezwollen en pijnlijk van het knellen der touwen,

waarmede ik nog steeds gebonden was, en mijn

opengereten enkels veroorzaakten mij onuitstaanbare pijn.

Hoelang ik in dezen toestand bleef, weet ik niet, maar

wel, dat ik langzamerhand mijn bewustzijn verloor en

weer bijkwam, toen men bezig was mij uit het blok

te halen. Het was toen dag. Toen de Atjehers bemerkten,

dat ik onmogelijk loopen kon, namen twee kerels mij

op en droegen mij voort. Ik werd onder een afdak gebracht

in de nabijheid van het groote huis en op een

baleh-baleh (rustbank) neergelegd. Spoedig verscheen

een oude, afzichtelijk leelijke en onzindelijke vrouw, die

op alles behalve zachthandige wijze de wonden aan mijn

voeten met een v uilen lap en onrein water begon te


15

wasschen. Daarna legde zij er natte kleiaarde op, alsofik

een gedrukt paard ware. Nu werd mij ook eenig eten

gebracht, nl. wat rijst en kleine dobbelsteentjes vleesch

met kerrie, dat mij goed smaakte, omdat ik uitgehongerd

was, maar aan bereiding en zindelijkheid alles te

wenschen liet. Weldra viel ik in een vasten slaap, waarvan

men mij dan ook rustig liet genieten. Toen ik na geruimen

tijd ontwaakte, kwam de vrouw mijn wonden weer

verbinden en bemerkte ik tekens, dat er altijd een „eerepost"

met ontblooten klewang voor mijn deur schilderde.

Spoedig herstelden zich mn'n gekneusde lichaamsdeelen

en mijn krachten, dank zij mijn sterk gestel en

de rust, die ik genoot, meer dan de paardenmiddeltjes van

de Atjehsche pleegzuster. Ongeveer acht dagen zal ik ziek

zijn geweest, en gedurende dien tijd ontbrak het mij zeker

niet aan bezoek. De bewoner van het huis, mijn gastheer

dus, was inderdaad een hoofd, zooals ik gedacht

had ; hij werd door het volk Toekoe Said genoemd en

met eerbied bejegend. Dagelijks kwam hij mij bezoeken

en vroeg dan met enkele maleische woorden en gebaren

naar mijn welstand, en ik mag niet zeggen dat

hij mij onvriendelijk behandelde. Hij was een oud man

met een goedig gezicht, of liever hij is dat nog, want

een paar dagen vóór ik van de Atjehers weer ben weggeloopen

naar onze postenlinie, heb ik hem nog gezien.

Uit de kampong, die hem toebehoort, en ook uit de

omliggende, kwamen iederen dag mannen en vrouwen

en ook kinderen naar mji zien, hoewel vrouwen weinig.

De mannen, die mij gevangen gemaakt en mishandeld

hadden, merkte ik echter niet onder hen op. De meeste

bezoekers staarden mij een oogenblik aan en gingen

dan weer heen ; sommigen hunner wierpen mij echter


16

woedende blikken toe of gebaren van haat en nijd, ja

enkele malen bedreigingen. Dit gebeurde echter nooit,

als zij Toekoe Said gewaar werden, die belang in mij

scheen te stellen.

Den eersten dag, dat ik weer, op een stok geleund,

dien Saïd mij liet geven, had gewandeld, kreeg ik eensklaps

een onweerstaanbare begeerte om een bad in de

kali (rivier) te gaan nemen. Ik begaf mij dan ook met

dit doel derwaarts, maar bemerkte ook nu weer, dat

de schildwacht mij op den voet volgde. Toen hij mijn

voornemen bemerkte, wees hij mij een plaats aan in

de rivier, waar ik mijn bad zou kunnen gebruiken, doch

ging ook zelf, gekleed en wel en zonder zijn wapens

af te leggen, in het ondiepe water, waarin hij stroomafwaarts,

dus in mijn rug, postvatte. Na mij verfrischt

en gewasschen te hebben, keerde ik naar den oever

terug en wilde mij weer kleeden, maar was niet weinig

verbaasd, toen ik op de plek, waar ik mijn onder- en

bovenkleeding had achtergelaten, slechts laatstbedoelde

mocht terugvinden. Daar lag niets meer dan mijn buis,

mijn blauw linnen broek en mijn pet. Met een vloek

vroeg ik den schildwacht, wie mijn goed had weggenomen

— hij had het onmogelijk kunnen doen, want

wij hadden elkaar geen oogenblik uit het oog verloren.

— Maar dit nam toch niet weg, dat de kerel

medeplichtig was aan den diefstal ; dit zag ik in zijn

oogen, waarmede hij mij zoo spottend en met gemaakte verbazing

aankeek, dat ik in woede ontstoken op hem aanviel.

Hij sprong echter achteruit en hield mij zijn

klewang voor, waarop ik begreep verstandiger te handelen

met mijn klachten in te brengen bij Toekoe Saïd.

Ik was nu spoedig gekleed — dit voordeel had ik


17

althans van het koopje, dat mij daar geleverd was —

en op weg naar mijn beschermer, als een schaduw gevolgd

door mijn schildwacht.

Toen ik om den hoek van het huis ging, zag ik

toevallig met een oogopslag, dat mijn eerwaardige gastheer,

Toekoe Saïd, kamponghoofd en voorganger van

de geloovigen bezig was inderhaast mijn ontstolen

ondergoed in te pakken.

De Deserteur :'


111.

„Een oogenblik stond ik als verbijsterd van verbazing en

in beraad, wat te doen ; maar in dat zelfde oogenblik verdween

mijn vriendelijke gastheer met mijn pakéjan

(kleeding) binnen de woning en kwam ik tot het besluit,

dat het verstandigste zoude zijn niets anders te doen, dan

mij, zoo mogelijk, bij voorkomende gelegenheid op slinksehe

wijze weer in het bezit te stellen van mijn ontvreemd

eigendom. Het zag er nu echter treurig uit met

mijn uitrusting, daar ik nagenoeg niets anders had overgehouden

dan mijn bovenkleeding.

„Intusschen had ik thans ook kennis gemaakt met

het eerlijk karakter van een Atjehsch hoofd en kon daar

voor het vervolg mijn voordeel mede doen.

„Behalve deze verdrietelijkheid, had ik over de behandeling

gedurende mijn verblijf in de kampong Lampoe —

zooals de naam van het gebied was van dien kleerendief

en waarin ik slechts een paar weken vertoefde, alvorens

verder landwaarts in te worden gebracht — geen

reden tot klagen.

„Wanneer ik dit zeg, moet men echter niet denken,

dat ik hiermede wil te kennen geven een goed leven

te hebben gehad. Dat zij verre! Maar daar ik niet anders

dacht dan te zullen blootstaan aan voortdurende


19

mishandelingen en honger lijden, misschien wel aan

moord — denkende aan mijn eerste kennismaking — zoo

viel mij de wijze, waarop ik verder bejegend werd, inderdaad

nog al mede. Van lichamelijke pijnigingen of

straften was geen sprake meer; alleen werd mij duidelijk

gemaakt in het Maleisch — dat de Atjehers slecht

spreken en ik weinig versta — dat ik onmiddellijk vermoord

zou worden bij de eerste poging tot ontvluchting.

„Ik behield mijn ligplaats onder het afdakje, dat

tevens de overige vertrekken van mijn woning uitmaakte.

Driemalen daags werd mij eten gebracht, nl. 's morgens

droge rijst of ook wel een soort van koek, die,

als ik mij niet bedrieg, van sago en van gemalen rijst

wordt gebakken, en nu eens week dan weer zoo hard

was als scheepsbeschuit ; 's middags rijst met kerrie,

lombok en visch of geroosterd vleesch, doorgaans van

geiten, soms van een sapie (koe) en enkele malen van

een karbouw; 's avonds weer rijst en somtijds vruchten

daarbij, een pisang, een papaja, een klapper of een

stuk pompelmoes. Dit eten was op zichzelf nog zoo

kwaad niet, als het maar niet zoo onzindelijk ware

toebereid geweest. De verregaande onzindelijkheid van

de Atjehers, die uit de onreine, ongewasschen rijst

en uit het smerige, nimmer gereinigd wordende vaatwerk

overtuigend bleek, benam mij aanvankelijk allen

eetlust.

„Maar men gewent zich wel aan hangen, hoeveel te

spoediger dus aan onzindelijk eten, wanneer men niets

anders krijgt. In het begin at ik met de oogen dicht

en met lange tanden, maar weldra wist ik niet beter,

of het hoorde er zoo bij. Ik zorgde echter zooveel moge-


20

lijk uit de keuken te blijven, wanneer men althans

dezen naam wil geven aan de plaats, waar gekookt

werd.

„In een afgelegen hoek van het huis, en ook wel buiten

het huis, onder een afdakje van atap (blad), waren

een paar zeer vuile vrouwen eenige malen daags bezig

in allerlei onzindelijke aarden voorwerpen te koken.

De potten en pannen staan boven het vuur, dat aangelegd

is in gaten, die gegraven zijn in een hoop hier of

daar in het huis neergeworpen aarde, of in den grond

zelf. De gereed te maken spijzen liggen in zakken en zakjes

om de kookvrouwen verspreid. Het vleesch, aan stokjes

gestoken, die naar het vuur overhellen, roostert langzaam

en stinkt geweldig. Koekjes bakken, visch schoonmaken

en een kip „uithalen" geschiedt nagenoeg gelijktijdig

door dezelfde morsige, bruine, aapachtige vingers.

„Als de dames een oogenblikje kunnen rusten, wanneer

alles staat te koken, te borrelen en te knappen, houden

zij zich onledig met de jacht op klein wild in eikaars

lange, zwarte haren — een handwerkje bij de Atjehsche

schoonen zeer in trek. — Wat het verrichten van arbeid

betreft, in het begin had ik niets te doen dan meê te

loopen bij het werk, waarbij ik genoodzaakt werd tegenwoordig

te zijn. Het bepaalde zich tot visschen in de

kali (rivier), werken op de sawah's (rijstvelden), uitpluizen

en draaien van tabak in den vorm van kabeltouw, afhakken

van vee, nadat het door den hadji (priester) was geslacht,

en meer huiselijk werk. Al deze werkzaamheden, met

uitzondering van het visschen, dat uitsluitend de mannen

deden, werden door mannen en vrouwen verricht ; de

sawah-arbeid dikwijls door oude vrouwen. Meermalen


21

kon ik de vrouwen niet van de mannen onderscheiden.

"Beide seksen worden in hun ouderdom dikwijls afzichtelijk

leelijk, en de vrouwen dragen evenals de mannen

broek, sarong en baadje. In de kampong hield men zich

veel onledig met handwerk, b.v. het vervaardigen van

grof en fijn vlechtwerk van riet en bamboe-bast, door

welk werk de bewoners dier kampong zelfs zeer bekend

zijn, en stikten de vrouwen met zilverdraad de vierkantjes,

die men onder aan de wijde, nationale selouar-Atjeh

(Atjehsche broek) waarneemt, of andere versierselen op de

kleeding der hoofden. Zooals ik zeide, had ik aanvankelijk

niets anders te doen dan toe te zien, en mocht ik zelfs geen

werktuig of instrument in handen nemen. Of dit ten

doel had mij zoo ongemerkt het werk te leeren of om

mij eerst wat te laten „veratjehneezen", weet ik niet,

maar wel weet ik, dat ik later den verloren tijd ongemakkelijk

heb moeten inhalen en dat menigeen onder het

aanhoudend, zwaar werken, dat ik toen voor mijn rekening

kreeg, zou bezweken zijn. Maar gelukkig heb ik een

krachtig gestel, en het scheen, alsof ik in de achting

van de bevolking rees, toen zij mij onvermoeid het zware

poekat (werpnet) door de kali zag trekken of zware

balken aansjouwen en bekappen voor een huis, dat gebouwd

werd, of werken op ladangs. (*)

„In de eerste weken, dat ik in de kampong was,

werd ik eer met onverschillige minachting dan met

eenige belangstelling, of nieuwsgierigheid zelfs, beschouwd.

De mannen, die voorbij mijn tampat (ligplaats)

gingen, waarop ik ziek lag uitgestrekt, zagen nauwelijks

m

(1) Terrein, dat platgebrand wordt, om het geschikt te maken voor de rijst-

cultuur


22

naar mij om ; sommigen deden het met een blik, waaruit

haat en nijd was te lezen — enkelen spogen vlak

voor mij op den grond. Vrouwen ontwaarde ik aanvankelijk

weinig en nooit zonder doek voor het gelaat —

later ontmoette ik ze meer en ongesluierd. Kinderen

waren er betrekkelijk weinig in de kampong — mooie

kinderen, krachtig gebouwd en met levendige oogen. De

kinderen waren erg schuw en het kostte mij veel moeite

eenigszins gemeenzaam met hen te worden.

„Het trok in het begin mijn aandacht, dat sommige

jongens, knaapjes van 5 tot 7 jaren naar gissing, misvormd

waren door een vreemd vooruitstekend uitwas,

zooals ik dacht, aan het onderlijf. Later bleek mij echter,

dat die kinderen onlangs besneden waren en nu, ter

bevordering van de genezing, een soort kooitje van gevlochten

bamboe voor den buik droegen, waarover dan

hun kleeding hing.

„Over het algemeen vond ik de Atjehers erg lui in

alles, wat zij deden, behalve wanneer het iets betrof, dat

den krijg raakte. Wapens slijpen, kogels gieten, tandakken

(dansen) met lans en klewang en den geheelen dag

in het veld zijn om de Kafirs (ongeloovige honden —

Hollanders) te bevechten of afbreuk te doen — in dit

alles zijn zij onvermoeid. Het andere zwaardere werk,

dat zij 's morgens, en het lichtere, dat zij 's avonds

voor zonsondergang verrichten, gaat minder vlug van

de hand, en over het geheel doen de vrouwen vrü wa t

meer dan de mannen, die over dag lang slapen en, naar

het mij voorkwam, telkens gingen bidden — dat zij volgens

den koran minstens vijfmalen daags moeten doen —

wanneer het werk hen verveelde en zij zich daaraan

wilden onttrekken of uitrusten. Op feestvieren zijn zij ver-


23

zot, en bedrinken zich aan een brouwsel, dat veel van

sagoeër [ l ) heeft, maar ook aan arak.

„De meer beschaafde westersche dronkenschap van

jenever en cognac maakt echter ook al flinke vordering

onder hen. De meeste mannen zijn hartstochtelijke opiumschuivers.

Het opioen, mâdat of tjandoe (opium) wordt

doorgaans door de hoofden op feesten uitgereikt en als

een soort betaalmiddel gegeven aan hen, die gaan vechten

tegen de blanda's, vooral aan de voorvechters. Om opium

machtig te worden is de Atjeher, als hij het niet kan koopen,

tot de grootste laagheden in staat ; zelfs het verkwanselen

van vrouwen en kinderen voor een hoeveelheid van

dit vergif is volstrekt geen zeldzaamheid. De hoofden,

en wel de rijke hoofden, zijn nagenoeg uitsluitend in

het bezit van opium, dat hun door middel van de

Atjehers te Singapore bezorgd wordt in kisten, die

voor een waarde van ruim 1000 gulden inhouden. In

grootere of kleinere hoeveelheden, tot zelfs een balletje

zoo groot als een erwt, verkoopen zjj het weer met

woeker aan hunne ondergeschikten, of gebruiken het

heulsap om alles van hen gedaan te kunnen krijgen.

„Als de Atjeher op een feest goed opgewonden raakt,

gaat hij dansen, met een parang (mes, dolk) gewapend,

en toont aan de omstanders zijn moed en gehardheid

door zich aanhoudend in armen en beenen te steken.

Bij zulke gelegenheden werd ik altijd door hen, die mij

niet ongenegen waren, ijlings verwijderd. Over andere

afschuwelijke ondeugden van de Atjehers, die trouwens

algemeen bekend zijn, zal ik liever niet in bijzonderheden

treden.

(!) Vocht dat uit den sago-booni wordt opgevangen, door er een gat in to

alaan, en dat men laat gisten.


24

„Spoedig na mijn herstel reeds begon een hadji

(priester) mij langzamerhand voor te bereiden tot den

Mahomedaanschen godsdienst, waartoe ik stellig zou

hebben moeten overgaan, indien ik het verblijf in de

kampong Lampoe niet had geruild tegen dat in Babapoeti.

Hadjie Ibrahim, de voorganger van de Atjehsche

kudde te Lampoe, hield dagelijks catechisatie

met mij — maar op een eigenaardige wijze. Als ik

op de sawah of in den papajatuin van den Ketjik

(kamponghoofd) of in de kampong zelve aan het nieuwe

huis werkte, en ook wel als ik zat te eten, zag ik Tongkoe

Mandersah (priester van de kampong) in de verte

aankomen met zijn pajong boven het hoofd, den koran

en het koranstoeltje. Deze soort van stoeltjes, welke veel

in de Mendersahs (bedehuizen) en Mesigits (moskeeën)

gebruikt worden om het Heilig Boek op neder te leggen

en vervolgens op Turksche wn'ze daarvoor geknield te

lezen of te bidden, verdienen wel een kleine beschrijving ;

want, hoewel op het oog hoogst eenvoudig, zijn zjj toch

staaltjes van vernuft en van onuitputtelijk geduld. Het

stoeltje bestaat uit een plankje van een halven meter

lengte en een paar centim. dikte, bij een breedte van

2y2 à 3 decim. ten naastenbij. Het wordt in de dikte

tot op de helft van de lengte doorgezaagd; vervolgens

wordt uit de hand over de geheele breedte een scharnier

ingesneden, iets dat een ongelooflijk geduld moet

kosten; daarna wordt de eerste bewerking over de andere

helft herhaald, waarna het stoeltje als een wafelijzer kan

worden geopend en dichtgeslagen en dus in den vorm

van een liggend kruis op den grond kan worden gezet.

Om op mijn catechiseermeester terug te komen, —

hh' zette zich neder, vouwde zijn beenen toe, zijn koran


2.".

en stoeltje open, en begon mij voor te lezen of voor mij

te bidden, zoo ik mij niet bedroog. Hij hield dan bijna

onafgewend den blik op mij gevestigd en wees met den

vinger om beurten naar den hemel en naar mü, den

adspirant-Muzelman.

„Intusschen werkte ik kalm door, alsof er van geen

Ibrahim sprake was. Het scheen tot het effect van de

plechtigheid ook weinig af te doen, of ik er bij present

bleef of niet. Want meermalen moest ik mij verwijderen,

om het een of ander te halen, en bleef dan korter

of langer tijd weg, hetgeen geen reden voor den prediker

scheen te zijn om de oefening of voorbereiding

zoolang te staken, evenmin als ik mij, na hem by het

eten met zijn geprevel, bij wijze van muziek aan tafel,

te hebben genoten, weinig aandachtig en nog minder

eerbiedig uitstrekte om mijn middagslaapje waar te

nemen.

„Hij preekte maar trouw door. Wanneer men hierbij

in aanmerking neemt, dat ik natuurlijk geen tittel of

jota van het Arabisch of van het Atjehsch, dat hij

prevelde, verstond, dan zal het niemand verbazen,

dat ik niet uit overtuiging Mahomedaan kon worden.

Het eenige, wat ik ooit van mijn leermeester heb kunnen

verstaan, was de vraag, in gebrekkig maleisch op

zekeren dag tusschen een lezing en een gebed in gedaan,

of ik ook bij geval rokomanilla (manillasigaren) van de

blanda's had medegenomen Ik moest Zijn AVel Eerwaarde

antwoorden, dat ik hem tot mijn leedwezen niet

kon laten opsteken, aangezien zijn brave geloofsgenooten

mij zelfs tot mijn pakje pruimtabak toe hadden ontstolen.

Hij betuigde door gebaren zijn leed over dit ongeval,

d. w. z. niet over dat ongehoord stelen, waaraan zijn'


26

schapen zich schuldig maakten, maar uit teleurstelling, dat

hij de manilla's niet zag aanrukken. In weerwil van deze

kleine onaangenaamheid bleef hij mij toch trouw den

weg wijzen naar Mahomed's zevenden hemel, en ik zou

in geen maand kunnen vertellen, hoe de kerel mg wel

verveeld heeft.'

„Van het karakter der Atjehers geloof ik verder

nog gerust te kunnen zeggen, dat er, dunkt mü, geen

leugenachtiger, listiger, verraderlijker en ook geen dommer

en toch trotscher volk kan bestaan. Om zich de

eer van het een of ander feit te geven, laat ik b. v.

eens noemen het stelen of veroveren van een Beaumontgeweer

op de Kafirs, iets dat als een wapenfeit wordt

aangemerkt, deinzen zij dikwijls niet terug voor den

laaghartigsten sluipmoord, zelfs op bloedverwanten.

„Het volgend geval deed zich eenmaal te Lampoe

voor. Drie Atjehers, nl. een hoofd en twee minderen,

die zwagers waren, gingen op zekeren dag op roof uit

in de richting van het kampement der Nederlanders.

Tegen den middag komt het hoofd alleen terug, en

wel met de geheele wapenrusting van een Nederlandschen

soldaat. Hg doet aan het verzamelde kampongvolk

een verschrikkelijk verhaal van een aanval, dien hij

alleen had gedaan op een benting van de blanda's, daar

zijn beide tochtgenooten niet goed gedurfd hadden, toen het

er op aankwam. Na bijna de geheele bezetting te hebben

doodgeslagen, was hij met de veroverde wapens doodbedaard

terug gegaan naar de beide vrienden, die sidderend

in de rimboe (wildernis) waren achtergebleven. Maar

zie, daar komt een patrouille aan van de Kafirs, en

in het gevecht, dat opnieuw ontstaat, doet hij andermaal

een tiental vijanden in 't zand bijten — doch, helaas,


met verlies van de beide kampongbewoners, die in den

strijd vielen. Zoo luidde het verhaal, dat door den schurk

met een onuitstaanbaar gezwets werd opgedischt. De

trots en opgeblazenheid, waarmee hij met zijn buit door

het volk liep, waren inderdaad ontzettend bespottelijk.

„Maar zie, wat gebeurd er? Met het vallen van den

avond komt een der beiden door het hoofd doodgemelde

Atjehers, meer dood dan levend, in de kampong aan.

Stervend geeft hij de volgende lezing van het voorgevallene.

„Bij een verlaten woning op een halfuur van een benting

der Hollanders gekomen, hadden zij eensklaps een Javaansch

soldaat ontwaard, die blijkbaar bezig was met

rampassen. ( l ) De zwager van den verhaler besluipt den

onvoorzichtige en schiet hem, op een paar passen afstand,

in den rug met zijn donderbu? dood. Men kwam overeen,

dat hem, die den moord beging, het geweer van den verslagene,

het opperhoofd de sabel en het leergoed, en den

dercle _ den verhaler dus - wat er op het lijk verder

mocht gevonden worden, zoude toebehooren. De verdeeling

geschiedde aldus. Onder het naar huis gaan weet

het hoofd aan den laatstbedoelde in te fluisteren dat hij,

den bezitter van het geweer moest vermoorden en dat

zij dan met hun tweeën om het wapen zouden dobbelen.

De overeenkomst wordt zwijgend gesloten en terwijl het

hoofd de aandacht van het slachtoffer op iets in de verte

vestigt, steekt de eene bloedverwant den anderen overhoop.

Het lot beslist, dat de doodslager het geweer zal

hebben. Maar dit kwam niet uit met de rekening van het

hoofd. Op een kwartier afstand van hunne woonplaats ge-

(1) Eigenlijk rooven, maar hier meer in de beteekenis van nasnuffelen van

verlaten huizen, iets, dat onze soldaten dikwijls zeer onvoorzichtig doden.


28

komen, trekt hij geheel onverwacht zijn roedoes (Atjehsch

mes), keert zich bliksemsnel om en stoot zijn volger het

wapen tot aan het hecht in de borst. Daarna ontneemt

hij hem alles wat hij van den vermoorden soldaat bij zich

heeft, en werpt het lichaam in de kali. De ongelukkige

— die intusschen loon naar werken kreeg — was

echter niet dood. Hij kwam langzaam in het koele water,

dat toevallig zeer laag in de rivier stond, tot bewustzijn

en strompelde naar zijn woning, waar hij echter,

na bovenstaand verhaal te hebben gedaan, den adem

uitblies.

„Het hoofd was rijk en kon zich de gevolgen van zijn

misdaden voor een aanzienlijk bedrag afkoopen. AVant

zoo verregaand zedeloos en willekeurig is de Atjehsche

adat (wet), dat de mindere man voor diefstal dikwijls

wordt gepijnigd en gedood en de rijken, als zij slechts

boete betalen, verder ongestraft de schandelijkste euveldaden

kunnen bedrijven.


IV.

„ßuim veertien dagen zal ik in de kampong Lampoe

vertoefd hebben, toen ik voor het eerst het binnenste

van een bewoond Atjehsch huis betrad — en nog wel

op slinksche wijze.

„In het begin met ruw geweld en later met allerlei

dreigende gebaren daaruit geweerd, bekroop mg op

zekeren dag de lust om in de woning van den Ketjik, (*)

die in de onmiddellijke nabijheid was gelegen van het

nieuwe huis, waaraan ik werkte, een kijkje te gaan

nemen. Ik had ZHEG. met al de mannelijke en vrouwelijke

leden van zijn gezin in optocht zien uitgaan,

waarschijnlijk om een pasar (markt) te bezoeken, of een

feest in den omtrek te gaan bijwonen, en op het uur

van de middagrust waagde ik de inspectie.

„Het uiterlijk van het huis was iets beter dan dat

van de overige kampong-woningen. Het had een dubbel

dak, zooals van de Chineesche huizen, doch zonder opgekrulde

hoeken ; het was wat grooter, hooger en rustte op

meer palen dan de daaromheen gelegene — een paar van

mindere hoofden uitgezonderd — en was van fijner vlechtwerk

uit licht en donker bamboe - („treng," zeggen

de Atjehers) - langs de wanden voorzien. Een galerij

(1) Kamponghoofd.

«


30

omringde de vertrekken. De vrij breede houten trap van

twintig treden met houten leuningen was spoedig beklommen

en de klep van vlechtwerk, die zich „deur"

liet noemen en slechts met een houten pin door een

ijzeren kram gesloten was, even spoedig geopend. In een

smal gangetje, een soort doorloop, gekomen, dat, zooals

ik dadelijk bemerkte, de woning juist in twee gedeelten

verdeelde, die elk weer uit twee nagenoeg even groote

vertrekken bestonden, ontmoette ik al dadelijk — wie

had ooit zoo iets kunnen denken I — een paar heele oude

kennissen van mij. Hoe is 't mogelijk? zult u vragen,

luitenant. En toch is het zoo. Daar zag ik namelijk op

eenmaal over een lijntje hangen.... de treurige overblijfselen

van mijn gestolen onderkleeding : mijn hemd,

zonder mouwen — mijn onderbroek, met nog slechts

ééne pijp ! Omtrent de echtheid van mijn gekaapt eigendom

behoefde ik geen oogenblik in twijfel te verkeeren,

daar de gouvernements-equipementstukken nog duidelijk

prijkten met A. 97889G, door den braven sergeant Kobus,

mijn sectiecommandant bg de „Blanda's," eigenhandig

met roode verf daarin afgedrukt. Toevallig was het dien

dag, dat ik hier in deze Atjehsche woning bezig was,

juist Zaterdag, en onwillekeurig vlogen mijn gedachten

naar Kotta-Radja en omliggende posten, waar de Zaterdagsche

inspectie werd gehouden. Ik maakte zwijgend

een vergelijking tusschen de orde en zindelijkheid daarginds

en den vuilen boel hier, en had verschrikkelijk

berouw, dat ik zoo dom was geweest om over te loopen

naar de Atjehers, die mgn goed hadden gestolen; want

al zeg ik het zelf — en sergeant Kobus kan het getuigen,

luitenant, — ik ben altijd proper en netjes op mijn

uitrusting geweest. Maar ik had niet veel tijd om te


31

piekeren (na te denken). Ik lichtte een klep op - ongeveer

een dergelijke als die voor den ingang van het

huis — in het beschot hangende, dat de vertrekken van

het gangetje afsloot, en trad de eerste kamer (als het

hokje dien naam verdient) aan mijn rechterhand binnen.

Aanvankelijk zag ik niets dan een donkere ruimte, want

het daglicht, dat slechts toegang kreeg door de reten

van het gessak (plat geslagen bamboe) - waaruit een

groot gedeelte van den wand was gemaakt — en door de

openingen tusschen de beide daken, was niet voldoende

om het overigens geheel gesloten vertrek, dat bovendien

met geheel het huis door de zware kronen van opgaande

klapperboomen werd beschaduwd, voldoende te verlichten.

Mijn oogen wenden echter spoedig aan dit schemerdonker

en ik bemerkte aldra, dat de vloer, waarop ik

liep, van pinanghout vervaardigd, ook licht doorliet, door

openingen, die de bewoners schenen te gebruiken om

daardoor alles naar beneden onder het huis te werpen,

wat zg kwijt wilden zijn. Dat zij dit bovendien nog

slordig doen, ondervond ik eensklaps door uit te glijden en

languit neer te vallen. Het vertrek, dat ik langzamerhand

nauwkeuriger opnam, scheen door de beide dames

van den kampong-commandant te worden bewoond, te

oordeelen naar sommige voorwerpen en kleedingstukken

uitsluitend door vrouwen gebruikt en gedragen. In welke

verhouding deze dames tot het hoofd stonden, ben ik

niet te weten gekomen. Ik zag de vrouwen zoo nu en

dan, maar toch dikwijls genoeg om te weten, dat zij,

naar mijn begrip van mooi althans, wedijverden in leelijkheid.

De eene zal ongeveer twintig, de andere om

en bij de veertig jaren zijn geweest. In de laatste dagen

had ik vriend Ibrahim, den hadji, met nog een vreemden


32

Atjeher herhaaldelijk het huis zien binnengaan en toevallig

gehoord, dat eene der proemoeas ( J ) ziek ;iag.

„De vrouw van het hoofd scheen echter gelukkig hersteld

— immers, ik had beiden zien uitgaan. En nu

was ik zoo onbeleefd haar kamer te doorsnuffelen. Veel

merkwaardigs vond ik er niet in — maar wel veel

eigenaardigs. De wanden waren hier en daar behangen

met gekleurde doeken en op den vloer lagen eenige

fijn gevlochten matjes, benevens een paar bultzakken

met langwerpig ronde, en ook vierkante kussens, bijna

alle met groote gaten er in, waaruit pruiken kapok

hingen. Een baleh-baleh (rustbank) van gevlochten bamboe

stond in een der hoeken, en in een anderen, tot

mijn niet geringe verbazing, een Europeesch houten

ledikant zonder beddegoed niet alleen, maar zelfs zonder

onderlagen. Daarnaast een buffet-kastje met de opening

tegen den wand der kamer geplaatst, zoodat ik er niet

in kon zien, en een oude roodfluweelen stoel, waarop

een vergulde schildenjlijst was neergezet. Al deze voorwerpen

deden mij sterk denken aan een aandeel van den

inventaris van een afgeloopen schip, aan welks roof de

eigenaar van het huis stellig een handje had meegeholpen.

„Een ruw bewerkte tafel stond in het midden deiruimte

en daarop bemerkte ik verscheidene gereedschappen

en benoodigdheden, zooals betel-bladeren, kalk,

pinangnoot, tot het gereedmaken van de geliefde sirihpruim,

maar ook lange, fijne bamboesteeltjes en gekleurde

draden. Daaruit vervaardigen de vrouwen een soort

van bloemen, die ik vroeger reeds had gezien, en door

(1) Eene der vele Atjehsche uitdrukkingen voor het woord vrouw.


33

de soldaten, „doodsbloemen" werden genaamd, waarom

weet ik niet. Zij zijn zuiver kegelvormig, een vinger lang

en worden door de vrouwen aan een lang steeltje gedragen.

„Er lagen eenige half- en geheel afgewerkte bloemen

op tafel. Toen ik er een van wilde opnemen om ze van

nabij te beschouwen, merkte ik een stuk gebreid goed

op, dat gedeeltelp was uitgetrokken en waarvan de

draad op een houtje was gerold. Eensklaps valt mijn

oog op A 978896, en daar herken ik waarlijk een

van mijn gestolen kousen, die tot Atjehsche dames-handwerken

werd verwerkt.

„Ik mocht mij niet lang ophouden met eene bespiegeling

over zulk een vreemde lotsverwisseling van een paar

soldaten-sokken, maar moest mijn inspectie voortzetten.

„Trouwens in deze kamer was zij afgeloopen, nadat

ik nog een groote, goed gesloten kist van Djatti-hout

onder de tafel had opgemerkt. Het tweede vertrek,

dat ik betrad, was blijkbaar dat van het hoofd. Op

dezelfde wijze nagenoeg ingericht, als hetgeen ik zoo

even in hoofdtrekken beschreef, was het in de hoeken

en op planken opgestapeld met allerlei barang (goederen)

in zakken, in kisten of oningepakt.

„Een scheepsklok met één wijzer, Europeesche stoelen,

tafel en kast, vooral een vélocipède trokken mn'n aandacht

onder allerlei Indische voorwerpen. De wanden

waren beplakt met etiquetten van flesschen en blikjes,

met een proclamatie van den generaal Van S wieten

en met allerlei prenten en prentjes uit Hollandsche en

Hngelsche illustraties. Een paar donderbussen, klewangs

en messen waren met een hoop vischnettten aan den

wand gehangen, en, raad eens, luitenant !... met mijn

De Deserteur. *


34

geweer, dat mij door de schurken, die mij opbrachten,

was afgenomen. Mijn oog viel natuurlh'k dadeljjk op het

Beaumont onder al dat ontuig. Toen ik naderbij trad,

ja wel, hoor! daar las ik mijn wapennummer op de

kolfplaat. Ik kon een' vloek niet inhouden, toen ik mijn

trouwe spuit ( x ) daar geheel verwaarloosd, rood door

den roest terugvond. Hoe gaarne had ik ze weer over

mü'n schouder gelegd, om er mede naar Kotta-Badja

terug te marscheeren.

„Ik had echter niets anders te doen dan het wapen

weer op te hangen en ijlings mijn inspectie door het

huis te vervolgen, wilde ik niet overvallen worden dooide

terugkeerende vrinden. Eenigszins haastig verder

willende gaan, schopte ik een voorwerp vooruit, dat

voor mijn voeten op den grond lag, zoodat het door

het vertrek vloog. Ik ging het terughalen om het weer

op zijn vorige plaats te zetten, ten einde mijn bezoek

door niets te verraden. Het bleek mn' een lederen sandaal

te zijn, zooals veel door de hoofden wordt gedragen.

Maar verbeeld u wederom mijn ergernis en

verbazing, toen ik aan een plotselinge ingeving om het

ding te bekijken gevolg gevende, in de zool, dicht bij

de hak, andermaal A 978896 moest lezen — mijn

met slagletters ingeslagen nummer !

„Het schandaal van een Atjehsch opperhoofd had

mijn modelschoenen tot een paar sandalen ingericht.

Al het leer boven de zolen was weggesneden, op een

klein riempje na, dat, zooals u weet, tusschen de teenen

gekneld, het voorwerp onder den voet vasthoudt. Hoofdschuddend

en toch in mijn geest moetende lachen om

(1) Soldatonterm voor „geweer "


35

die roovers — hier nog wel een hooggeplaatste, nota

bene — die alles schenen te kunnen gebruiken, zette

ik de sandalen weer op de plaats, waar zij stonden,

sloop het vertrek uit en door het gangetje de keuken

in. Een beschrijving van zulk een ruimte gaf ik vroeger

reeds.

„Verplaatst men zich nu in gedachten daarin en

denkt men zich daarbij een hoop van allerlei door

elkaar geworpen vaatwerk: Indisch en Europeesch, van

roode en witte aarde, van porselein, van ijzer en van

koper, opgestapelde en omvergegooide zakken met rijst,

met gedroogde visch, met zwarte peper, met witte

peper, met zwarte suiker, met ongebrande koffieboonen,

heele en gebroken champagne- en andere flesschen en

aarden kruiken (natuurlijk, evenals veel van het vaatwerk,'van

ons afkomstig), met klapperolie en ander vet,

met melk of met petroleum gevuld, een stapel vruchten,

een bak met eieren, in één woord, denk u een pasar

(markt), waar een dolle karbouw heeft huisgehouden, dan

maakt ge u een vrij getrouwe voorstelling van de keuken

in het huis van den Ketjik van Lampoe.

„Een opening, in het atappen dak aangebracht, trekt

rook en damp „naar den hoogen", en toen ik zoo eens

naar boven en naar beneden keek, wachtte mij ook hier

nog een kleine verrassing. Ik bespeurde nl. eene langwerpig

ronden zak, ongeveer in den vorm van een bantal

goeling (rolkussen). Onderzoekend van aard, schopte ik

hem met den voet om. Wat zie ik alweer... ? A

978896. De zoo straks gemiste pijp van mijn onderbroek

had een andere bestemming gekregen en was door mevrouw

de Ketjik'sche — meer vindingrijk dan kieskeurig

— tot een berging voor zout ingericht. Wellicht


«U

had ik by' een nauwkeurig voortgezet onderzoek de aan

het andere kleedingstuk (dat ik daar straks in het gangetje

had teruggevonden) ontbrekende onderdeden ook

nog wel uit den chaos opgevischt; maar de tijd dwong

my voort te maken, en bovendien, de zaak kwam my

toch ook minder gewichtig voor.

„Ik stapte de keuken uit en kwam tot de zekerheid,

dat ik het aantal vertrekken in het huis goed

had geraden en er dus nog slechts één moest visiteeren.

„Ik had de afsluiting voor den toegang tot die kamer

spoedig gevonden, sloeg hem open en kroop naar

binnen.

„Een onbeschrijfelijke stank, door bedorven lucht, opium

en visch naar het mij voorkwam, veroorzaakt, deed mij

onwillekeurig een stap terugdeinzen, en ik stond op

het punt om dat „kwalijk riekende", donkere verblyf

zonder verdere „kunstbeschouwing" te verlaten, toen ik

toevallig een luik, een soortgelijke klep als voor den ingang

hing, in een der buitenwanden ontdekte. Ik stootte

het luik open. Na even wat frissche lucht te hebben

gehapt, keek ik in het licht, dat naar binnen stroomde,

onderzoekend om my heen, en... dacht van schrik te

verstijven. In een hoek van het vertrek lag een menschelyk

wezen op een baleh-baleh uitgestrekt, in eenigszins

opgerichte houding, een paar groote koolzwarte

oogen, met een onbeschrijfelijke uitdrukking van angst,

strak op my gevestigd houdende. Uit het door ziekte en

ouderdom tot iets ongelooflijk afzichtelyks geworden en

doodshoofdachtig met geel vel overtrokken gelaat zou ik

niet hebben kunnen opmaken, of het dat van een man of

van eene vrouw moest zyn, zoo de afschuwelijk uitge-


37

rekte en opgescheurde ooren C 1 ) my' niet hadden doen

zien, dat het eene vrouw was, die daar nederlag.

„Gedurende eenige minuten beschouwden wy elkaar als

verbijsterd. Zij blijkbaar in doodsangst, dat ik haar zou

vermoorden — en ik door het afzichtelijke der plotselinge

verschyning. Bovendien vloog het my door het

hoofd, dat zij mij zoude verraden en dacht ik er een

oogenblik aan haar te wurgen. Maar met afgrijzen

liet ik deze afschuwelijke opwelling varen, liet plotseling

het luik vallen, dat ik nog steeds met den arm

omhoog hield, en snelde het vertrek uit, echter niet zoo

snel, of ik zag de vrouw, wellicht meenende, dat ik op

haar af kwam, onder het slaken van een rauwen gil

achterover op haar leger vallen. Zonder verder om te

zien, ijlde ik de woning uit, sloot het luik voor de trap,

zooals ik het gevonden had, vloog haar af en begaf

my' toen, schijnbaar zoo bedaard mogelijk, naar de plaats

van mijn werk. Ik berekende niet langer dan een half

uur weg te zy'n geweest. De Atjehers sliepen nog. Mij

op den grond uitstrekkende, bekwam ik spoedig van

den schrik, overdacht myn ontdekkingstocht en de mogelijke

gevolgen ervan, daar die zieke vrouw mij

stellig zoude verraden, en viel weldra in slaap.

„Een paar uren, dunkt my', zal ik hebben geslapen,

toen een heidensch leven in de kampong my' wekte.

Boven alles uit klonk het gegil en geschreeuw van

vrouwen.

(1) De Atjelische vrouwen doorboren zich de ooren, om ringen en knoppen

te dragen, reeds op jeugdigen leeftijd, en maken dan de gaten door rekken

en trekken, dikwijls met behulp van gewicht, zoo groot, dat op later leeftijd

de aanvankelijk nauwelijks zichtbare gaatjes wel met de volle schijf van

een ringit (rijksdaalder) kunnen worden versierd, 't Is maar weereen quaestie

van smaak!

»


38

„Ik zag Ibrahim in draf naar het huis van het kampong-hoofd

loopen, gevolgd door den vreemden Atjeher,

dien ik reeds vroeger had waargenomen, en my' later

bleek een soort toovenaar, dokter of duivelbanner te

zijn. Naar de oorzaak van het kabaal vragende, deelde

een Atjeher mij mede, dat de Ketjik, van een feest, dat

hy had by'gewoond, te huis komende, zijn moeder Nja-

Mat, die al langen tijd ziek was geweest, dood had gevonden.

„Ik schrikte by het vernemen van deze tijding, dadelijk

begrijpende, dat ik, hoe onwillekeurg dan ook, de oorzaak

van haar plotselingen dood was. De vrouw, die

wellicht nog nimmer in haar leven een blanke had gezien,

was door mijn onverwachte verschijning stellig zoo

hevig ontsteld geworden, dat haar uitgeput gestel onder

dien door hevigen schrik veroorzaakten schok was bezweken.

Dit alles ging mij pijlsnel door het hoofd, toen

ik haar in myn gedachten andermaal, met dien verbijsterden

blik onder het uiten van een gil achterover zag

vallen. De vrees bekroop my nu nog meer, dat mijn bezoek

aan het huis zou worden opgemerkt, hoewel ik

alles had geplaatst en gesloten, zooals ik het gevonden

had.

„Spoedig echter werd ik op'dit punt gerustgesteld;

niemand scheen in de ontsteltenis over het onverwacht

verscheiden van Nja-Mat te hebben opgemerkt, dat er

iemand in de woning moest zyn geweest.

„Ongemerkt was ik intusschen opgewandeld in de

richting van het sterfhuis, maar weldra beletten mij

de Atjehers het dichter te naderen.

„Ik was echter genoeg in de nabijheid om juist waar

te nemen, dat al de leden van het gezin andermaal de


39

woning verlieten, om slechts toegang te verleenen aan

den hadji. Volgens de voorschriften van den Koran, zoo

hoorde ik, werd het lijk door den priester gewasschen

en mocht niemand daarbij tegenwoordig zijn. Eerst na

afloop dier godsdienstige plechtigheid, die zeven malen

moet worden herhaald, konden de bloedverwanten het

huis weer binnentreden. Nog voor zonsondergang had

de begrafenis plaats, die ik echter slechts uit de verte

mocht gadeslaan. Het lyk, in witte lakens gewikkeld en

met bloemen bestrooid, werd door mannen — het scheen

mij toe, op een plank — naar het graf gedragen, dat

niet ver achter het huis was gedolven. ( l ) Ik hoorde

Ibrahim uit den Koran lezen en bidden, de dragers en

volgers hem naprevelen, en niet lang daarna zag ik

allen huiswaarts keeren.

„'s Nachts hoorde ik het rumoer van een Jandorifeest,

( 2 ) zooals de soldaten dat noemen, waarvan ik

echter niets kan vertellen, omdat mij belet werd er

heen te gaan.

„Des anderen daags bezocht ik het graf van de arme

ziel, wier dood ik zoo geheel argeloos en, gelukkig voor

my, door anderen geheel onopgemerkt, verhaast had. Een

langwerpig heuveltje dat nog pas met water scheen begoten,

verrees boven haar laatste rustplaats, en door

eenige stokjes omhoog gehouden, was een wit laken,

waarop eenige bloemen lagen, als een tentje daarboven

gespannen. ( 3 )

(1) Hoewel op Atjeh veel kerkhoven worden aangetroifon, wordt toch

ook dikwijls in de kampongs begraven.

(2) Het woord is Sjandoerie en wil zeggen: feestvieren by plechtige of

godsdienstige gebeurtenissen.

(3) Een gewoonte bij vele Indische stammen in gebruik, omdat zij gelooven,

dat het goed is hunne dooden tegen de zonnestralen te beschutten.

m


f V.

„Op een goeden dag, platzak van een bezoek aan de

Seroegs l 1 ) naar huis keerende, werd ik van den kampongrand

uit reeds gewenkt en geroepen door eenige

Atjehers. „Yakenau, Yakenau," (de Atjehsche vertaling

voor: „kom hier") schreeuwden de kerels aanhoudend,

zoodat ik begreep, dat er iets by'zonders aan de hand

moest zijn. Ik wandelde intusschen met denzelfden bedaarden

pas door, want van den eersten dag af had ik

eene nog onverschilliger houding aangenomen dan die,

welke my altijd van natuur eigen is geweest, en

daar ik toevallig een paar malen in de gelegenheid was

geweest — eens tegenover een amokmaker en later nogmaals

bij een bandjir (overstrooming) — om te bewijzen,

dat ik niet bang was voor mijn „hachje", had ik het

volk reeds vry wel doen begrijpen, dat het mij al heel

weinig kon schelen, wat er met my gebeurde.

„Toen ik by de schreeuwers was aangekomen, maakten

zij zich nog drukker met hun Atjeh-koeterwaalsch en

met allerlei gebaren, die ik niet begreep. Ik ondervond

echter geen onvriendelpe bejegening ; zij namen mij in

hun midden en voort ging het in de richting van "het

(1) Seroegs zijn kuilen en ondiepe plaatsen langs de rivieren, die aan de

waterzijde met gevlochten bamboe zijn afgesloten en waarin de visch, mot

vloed binnengekomen, bij eb achterblijft.

#


41

huis van Ketjik, waarvoor ik reeds uit de verte een

hoop volk zag samengeschoold. Aha, dacht ik, de huisinspectie

is uitgelekt en de inspecteur zal worden opgehangen

of zoo iets. Gelukkig echter betrof het opstootje

iets anders.

„Te midden van de menigte op den grond zat een

voornaam Atjehsch hoofd. Zoo was althans mijn eerste

indruk, en hij bleek juist te zyn. De eerbiedige houding

van het kampongvolk en het pàkejan bâgoes (mooi kostuum)

van den bezoeker deden my' de gevolgtrekking

maken, dat hij vrij hoog geplaatst moest zijn. Laat ik

hem maar dadelijk aan u voorstellen als Toekoe Machmoed,

Oeloebalang der Moekim, waartoe de kampong

behoorde

„Een oogenblik dacht ik, dat de kerel — pardon,

Zy'ne Excellentie, wil ik zeggen — een „opgezette" was,

of dat er een pop was neergezet van gele was. Want

hij zat daar „op z'n kleermakers", met de handen in

den schoot en neergeslagen oogen, precies als een

mummie.

„Er heerschte een plechtige stilte, en ik geloof, dat

hy' het volk eenige oogenblikken goedertieren onthaalde

op het genot van den aanblik zy'ner heerlijkheid. Hij

scheen my' toe evengoed veertig als zestig jaren te kunnen

tellen ; zijn gelaat, als dat van .alle Atjehers, mager,

hoekig en donker geel, kwam mij nog wat onzindelijker

voor dan de tronies van de Atjehers om mij heen,

overigens gaf hy my den indruk van groot en stevig

gebouwd te zyn. Van zijn tenue merkte ik op een wit

onderkleed, met goud- en zilverdraad en juweelen knoopjes

versierd, waarover een groenachtig satijnen jasje met

dergelijke versierselen was aangetrokken ; verder de be-


42

kende Atjehsche broek, rijkelyk geborduurd onder aan de

beenopeningen, eindelijk een hoofddeksel, dat scheen

samengesteld uit een tulband en een hoog, stijf mutsje,

nogal veel gedragen en op de Atjehsche „kappia"

gelijkende. Tal van volgers, die achter hem neergehurkt

waren, droegen pajong, wapens en de sirihdoos. Het

meest viel my op de witheid van zijn onderkleeding ;

zoo'n wit hemd had ik op Atjeh nog niet gezien, hoewel

ik er toch zeker van ben, dat het by ons, met een bijzondere

aanbeveling voor een extra kluitje zeep, terstond

naar den waschbaas zou zijn teruggebracht.

„Toen ik Zyn Hoogheid op my'n gemak bekeken had,

en nog in twijfel verkeerde, of ik inderdaad met een

levende of met een „geprepareerde" te doen had, werd ik

in dit opzicht eensklaps uit den droom geholpen.

„Vriend Ibrahim, dicht in zijn nabijheid zittende,

zag onderzoekend den kring rond, tot zijn blik op mij

rustte, en fluisterde toen den Oeloebalang iets toe. Deze

richtte langzaam het hoofd op, wendde het terzijde

en ontlastte zich van een vervaarlijken straal rood

sirih-speeksel. Tegelijkertijd echter met deze nette verrichting

nam hij mij van top tot teen met een enkelen

blik op. Zoo iets listigs en sluws, als uit dien blik sprak,

had ik nog niet in Atjehsche oogen gezien. Na eenige

oogenblikken werd mij beduid uit den kring te komen

en tegenover den Toekoe, op een tiental passen

afstand van hem, op den grond te gaan zitten. Ik dacht

nu eens nauwkeurig opgenomen te zullen worden, of

wel een ondervraging te ondergaan omtrent de Blanda's

en hun leger, of naar de redenen van mijn desertie.

Noch het een noch het ander had echter plaats. De

Oeloebalang, nu eens in gesprek met den Ketjik, dan


43

weder met den Hadji, verwaardigde mij met woord noch

blik.

„Toen ik daar zoo een poosje als een gek had gezeten,

moest ik mij omkeeren en den hoogen bezoeker mijn

rug toekeeren. Of hij dien bekeken heeft, weet ik niet.

Eindelijk kon ik weer gaan, en toen hoorde ik van de

Atjehers, dat ik in het gevolg van Toekoe Machmoed

mede zou gaan naar zijn kampong. Een half uur

later werd mij een pak op het hoofd gelegd, dat de

Ketjik uit zijn huis had gehaald en ik dragen moest,

en dat geschenken bevatte voor zijn chef den Oeloebalang.

Ik kreeg mijne plaats tusschen zijn volgers en wij togen

op marsch. Mijn afscheid van de kampong en haar bewoners

was intusschen noch van langen duur noch hartverscheurend.

Mijnheer den Ketjik, die mij zoo schandelijk

bestolen had en voor wien ik zoo hard moest

werken, zag ik niet meer, en slechts een paar arme

Atjehers, met wie ik aan het nieuwe huis had gearbeid,

riepen my een Maleisch „tabe, tabe" toe, of piepten en

floten door hun neus een Atjehschen afscheidsgroet, dien ik

slechts kan weergeven met waaislaeikoen.

„Ook mijne goederen en reistoilet waren al heel spoedig

ingepakt en in orde. Toen ik nl. uit den kring van voor

het aangezicht des Oeloebalangs moest verdwpen en

hoorde, dat ik hem had te volgen — toen was ik ook

tegelijkertijd ingepakt en marschvaardig, daar ik letterlijk

niets meer bezat dan het goed, dat ik aanhad,

te weten, een blauw katoenen mouwvest, een dito pantalon

en mijn toppie (politiemuts), van welk hoofddeksel

nog door een Atjeher, zeker een sandalen-lapper, de

lederen klep was afgetrokken.

„In dit weinig omslachtig reiskostuum en op zoo be-


'1-1

knopte wjjze van benoodigdheden voorzien, toog ik in

het gevolg van mijn nieuwen heer en meester door het

land van Atjeh. Wie weet hoe lang en hoe ver, dacht

ik. Maar de reis duurde korter, dan ik verwacht had. Er

werd onderweg niet gerust, slechts een klein oponthoud

had er plaats, toen halverwege een Atjeher ons te gemoet

kwam met een akelig, klein, mager handpaardje,

waarop de hoofdpersoon van den stoet plaats nam. Door

kampongs en sawahs, en langs een zeer hoog gedeelte

van den kali-oever bereikten wjj nog voor het vallen

van den avond de verblijfplaats van den Oeloebalang

ToeJcoe-Machmoed.

* *

*

„Deze verblijfplaats, de kampong Eabapoeti, ligt inderdaad

schilderachtig mooi langs de rivier.

„In een vrij diepe vallei, door heuvels en dalen afgewisseld,

liggen bijna honderd woningen, waaronder

zeer hooge en zeer fraaie, met kunstig vervaardigde en

goed onderhouden daken, in een hoog opgaand, zwaar

gekroond klapperbosch verscholen. De rivier slingert

zich met een sierlijken zwaai om de kampong ; aan deze

zijde kabbelend tegen den hoogen, steenachtigen oever,

aan gene zijde een strook der lager gelegene landen

onderwater zettend, stroomt en bruist zh' bij bandjirs

(overstroomingen) met donderend geraas en woeste pracht

in ijlende vaart over geheel het omliggend landschap,

waarvan dan slechts de kampong Eabapoeti, als een

groene oase in die waterwoestenij, zichtbaar blijft.

„De bevolking, waarvan een gedeelte haar hoofd

te gemoet kwam, scheen mij beter gekleed dan die te

Lampoe, en het kwam mij voor, dat ook de tuinen en


45

paggers (heggen) om hunne huizen netter aangelegd

en onderhouden waren.

„De menschen namen weinig notitie van mij. Slechts

enkelen beschouwden mij met eenige nieuwsgierigheid

en verwondering ; maar de meesten, die my opmerkten,

verheelden, althans met hunne oogen, den haat en wrok,

dien zy tegen de Kafirs blijven voeden, ingeenen deele.

Niettemin werd my een vrij goed maal en een ligplaats

op een oude, wrakke baleh-baleh onder een afdakje

verstrekt, echter zonder dat iemand het woord tot mij

richtte. Van die weinige belangstelling trok ik my

echter niet veel aan; ik herhaalde voor de zooveelste

maal mijn stopwoord : „'t zal mijn tijd wel duren," at

mijn potje leeg, strekte mij uit en sliep als een roos

aan één stuk door tot den volgenden morgen.

„Op onaangename wijze werd ik echter plotseling

gewekt door hevige, pijnlijke schokken in den rug, en

snel oprijzende, zag ik een Atjeher naast mijn balehbaleh,

die zich onledig hield mij geweldige schoppen

in den rug toe te dienen. Woedend vloog ik van mijn

rustbank, en kort aangebonden zijnde, gaf ik den kerel

een oorvijg, die een daalder waard was, en zoo flink

aankwam, dat de vrind met het hoofd tegen een deipalen

van het huis terechtkwam en een oogenblik als

versuft bleef liggen. Zie zoo, dacht ik, daar heb-je vooreerst

genoeg aan, jou leelyke monjet (aap). Spoedig echter

was hij weer op de been en verdween in het huis. Om

mij henen ziende en op verdere aanvallen bedacht, ontwaarde

ik op eenigen afstand, onder een pendoppo gezeten, den Oeloebalang

Toekoe Machmoed. De onverwachte kloppartij

in het vroege morgenuur scheen hem erg te vermaken,

ten minste hy hield zyn buik vast van het lachen,


46

en evenzoo de Atjehers, die by hem waren. Telkens

hoorde ik hen hunne pret luchten met „ohohoho's" en

„oeroeroës". Intusschen had ik het goed ingezien om op

mijn hoede te blijven, want weldra zag ik mijn vrind, den

porder, tandakkende (dansende) uit de woning terug

komen, nu natuurlijk gewapend met een langen klewang.

Daar hij door dit tandakken nogal langzaam naderde,

keek ik zoo eens rond, of er ook bij geval iets voor de

hand lag, waarmede ik mij zou kunnen verdedigen ; mijn

oog viel op de wankelende baleh-baleh, waarop ik den

nacht had doorgebracht, en terstond zag ik, dat er een

poot van het oude ding zoo goed als bijhing. Ik pakte

hem stevig beet, zette mijn voet tegen de slaapsteê en

met een forschen ruk had ik het stuk hout in mijn handen.

U moet weten, dat ik in België altijd „meester op alle

wapens" ben geweest, en daarom had ik al dadelyk vertrouwen,

toen ik dezen wel wat zwaren baton (') meteen

paar appèls ( 2 ) boven het hoofd zwaaide. Andermaal

hoorde ik de door den neus geblazen „o&o7«o's" vanden

Oeloebalang en zyn staf onder de pendoppo. Eindelijk

was de gladdahher ( 3 ) mij genaderd; hij draaide nog

een maal of wat om mij heen, maar eensklaps zijn kans

schoon meenende, hieuw hij met een vervaarlijken zwaai

naar mijn hoofd — en ik geloof wel met de beste bedoeling

om er de helft af te slaan. Maar ik, ook niet linksch,

maakte snel een rechtsche uitwijking, bukte mij en pareerde

met den baleh-balehpoot boven mijn hoofd uitgestrekt

den slag. De klewang drong diep in het hout.

(1) Baton: acUermstok.

(2) Appèl: een hoorbaar starapen op den grond, by het schermen gebruikelijk.

(3) Gladdakker: Scheldnaam, dien de Europeanen heel dikwijls tegenover

Inlanders bezigen.


47

Of ik nu eensklaps bemerkte, dat mijn aanvaller zijn

wapen niet al te stevig in de hand hield, of dat ik dit

maar eens onwillekeurig, gedachtig aan mijn schermlessen,

probeerde, weet ik niet, maar wel, dat ik met beide

handen en met alle kracht mijn houten wapen naar

omlaag trok en — den kerel ontwapende. — Bliksemsnel

werp ik nu baleh-baleh-poot en klewang, die onbewegelijk

in elkaar vast zaten, over mijn hoofd weg, kroop den Atjeher

tusschen de beenen en wierp hem in een oogwenk

achterover op den grond, zoo netjes en zoo vlug, alsof

ik nog straatjongen in Gent was „Ohohoho ! ! Oeroeroeroe!

!" - klonk het uitbundig juichend van onder

de pendoppo.—

„Maar ik was nog niet waar ik wilde zijn.

„Door de kortstondige worsteling, gevolgd door deze

buiteling, lagen hout en klewang weer binnen mijn bereik.

In lichaamskracht was mijn tegenstander niet tegen mij

opgewassen - dat bemerkte ik al gauw ; met de knie

op zijn borst en mijn linkerhand, om den mageren, gelen

strot gekneld, had ik den Atjeher geheel en al in mijn

macht. Snel strekte ik de rechterhand uit, vatte den

klewang en schudde hem met kracht uit het hout.

Toen hief ik het wapen hoog op, zwaaide het driemalen

boven den zwarten schurkenkop, en ... wierp het ver van

mij af. Daarna liet ik myn gevangene los, stond bedaard

op en wachtte met over de borst gekruiste armen, wat

hij verder van plan mocht zijn te doen.

„De „porder" scheen echter vooreerst zijn bekomst te

hebben ; hij richtte zich langzaam en moeilijk op, liet zijn

klewang in den steek en sloop bukkend, alsof'hy zich

schaamde, andermaal zyn woning in.

„De bijvalsbetuigingen van den Oeloebalang en zijn


48

gezelschap gingen bijna in luid gejuich over, toen ik den

Atjeher met zyn eigen wapen dreigde den kop te zullen

klieven — maar verstomden eensklaps, toen ik den

klewang wegwierp en den kerel vryliet. Onmiskenbare

blijken van ontevredenheid merkte ik duidelijk by hen

op. Zulk een beëindiging van een gevecht is bij de Atjehers

iets ongehoords en onbekends.

„Later kwam ik genoeg in de gelegenheid hiervan

overtuigd te worden. Het slottooneel, waarop de toeschouwers

zich bij voorbaat het meest zaten te vergasten, nl.

getuigen van een moord te zijn en bloed te zien stroomen,

waarop alle Atjehers verzot zyn, werd hun onverwacht

en zonder eenigen grond — in hun oogen — onthouden

; daar waren zy woedend over. Grootmoedigheid,

medelijden ridderlijkheid zijn bij hen te onpractisch,

ten eenenmale onbekend, en het eerste wat de Oeloebalang

dan ook had uitgeroepen na afloop van het gevecht,

zooals hij mij later zelf mededeelde, was: „die

kerel is ook alweer als alle Hollanders, dapper maar dom."

„Ook myn vijand, dien ik zoo royaal behandelde, is my

nimmer in eenig opzicht erkentelijk daarvoor geweest ;

integendeel, ik meende altijd, dat hij min of meer spottend

en vragend het hoofd schudde, als hij mij zag.

Pogingen om met my te vechten, stelde hij echter niet

meer in het werk; maar ik was alty'd min of meer voorbereid

op een sluipmoord, dien hij gemakkelijk had

kunnen beproeven, daar ik my steeds nagenoeg geheel in

de open lucht te slapen legde. Gedurende de eerste nachten

maakte ik een soort toestel van planken, dat op mijn

lichaam moest vallen, als er iemand bij mijn slaapplaats

kwam, doch dit verveelde mij gauw en ik liet het na.

„Als een gevolg van mijn eerly'k gevecht intusschen


49

maar misschien nog meer om mijn fatsoenlijke opvatting

van „het recht van den sterkste," werd ik door de

lijfwacht van den Moekim-commandant in het my' bekende

blok gesloten. Ditmaal ging dit echter nog al

niet hardhandig en van mishandeling was geen sprake.

Het strafwerktuig stond weder in de onmiddellijke nabijheid

van Machmoed's woning, en terwijl ik zat opgesloten,

scheen de geheele kampong-bevolking langs my'

heen te defileeren.

„De beteekenis van deze voorstelling was : dat ik, hoe

brani (dapper) dan ook, toch, Kafir (') zijnde, werd gestraft

en niets dan eene gevangene en slaaf was van den machtigen

Oeloebalang. Na verloop van weinige uren echter

werd ik weer ontslagen en bij Toekoe Machmoed gebracht.

„Ik trof hem aan in zyn pendoppo, en bij deze gelegenheid

voor het eerst het woord tot mij richtende, gaf

hij mij in vrij goed maleisch kort en duidelijk te kennen,

dat ik uitsluitend bij hem zoude werken en met een'

goede behandeling beloond, of met een slechte, al spoedig

met den dood, zou gestraft worden — al naar mate

mijn gedrag zou blijken te zijn.

„Na deze aanbeveling stond hij op en wenkte mij hem

te volgen. Wij verlieten de pendoppo, gingen het huis

om, en vervolgens naar een alleenstaand gebouw, dat op

een vijftig passen afstands daarvan gelegen was.

„Het kwam mij nog nieuw voor en was langwerpig en

smal van vorm, sierlijk vervaardigd uit de gewone bouwmaterialen

: pinanghout, bamboe en atap. Mijn heer en

meester opende de deur en wij traden binnen

Wat was dat ! ? ü kunt niet gelooven, luitenant,

hoe verbaasd ik stond te kijken. Ik begreep er niets van.

(1) Kafir: Ongeloovige hond.

De Deserteur.

4


I

VI.

„Ik wreef mijn oogen uit en trok mij eens aan de

haren, om zekerheid te hebben, dat ik niet sliep, maar

wel degelijk wakker was. Ik geloofde inderdaad een

oogenblik, luitenant, op eens in Kotta-Radja verplaatst

en corvee-wapenkamer (') te hebben. Verbeeld u, daar

stonden netjes op een geweerrek gerangschikt een veertigtal

van onze Beaumontgeweren ; daar hingen langs

de wanden onze patroontasschen met bandeliers en koppels

met sabels en scheeden ; daar lag een hoop van

onze randsels; hier stond een bak met duizenden verbruikte

hulzen, ginds een met scherpe patronen ; op een

lang gelid stonden wel vyftig niet gesprongen granaten

en bommen gerangeerd; ik merkte een trom, een

signaalhoorn, eenige revolvers, een officierssabel, veldflesschen,

een officierstasch, uniformbroeken, jassen, petten

en slobkousen .... ja, wat zag ik daar niet ? De wanden

waren beplakt en behangen met allerlei stukken beschreven

en bedrukt papier, die mij spoedig bladen bleken

te zijn uit verscheurde administratieboeken, strafregisters

en zakboekjes. Al de door onsj .uitgevaardigde proclamation

en kennisgevingen aan het Atjehsche volk

(1) Corvee-wapenkamer is oen dienst, waartoe dagelijks soldaten gecommandeerd

worden om opgelegde wapens te poetsen.


.-,1

waren er bij — en ik schudde mijn hoofd over dat aantal.

Een „Handleiding voor de troepen der tweede expeditie

tegen het ryk van Atjeh," een kaart van het land,

een plan van den Kraton, een prijscourant Van Leeuwen

en C° Ik zou u gaan vervelen, als ik wilde trachten

slechts de helft op te noemen van wat mijn oogen aanschouwden

in dit museum, wapen- en kleedingmagazijn

van den Oeloebalang Toekoe Machmoed. Laat ik echter

Voor de merkwaardigheid nog even opnoemen: een zakbijbeltje,

een batterijschool, een portretalbum en een

exemplaar van Conscience's Baas Ganzendonk, naast

elkaar op een plankje.

„De Toekoe scheen zich te vermaken met mijn verbazing

en liet mij een oogenblik beteuterd staan en

rondkijken. Ten laatste begon hij weer te spreken en mij

te verklaren, dat ik belast werd met schoonmaken,

-schoonhouden en repareeren van zijn zonderlinge verzameling,

waarmede ik dadelyk, en wel met een der geweren,

die hy mij persoonlijk in handen gaf, in zijne

tegenwoordigheid had aan te vangen. Ik nam mijn

„partie en brave," zooals wy in België zeggen, bekeek

de arme. zwart verroeste spuit en begon met te betoogen,

dat ik vooreerst zonder olie niets kon aanvangen, maar

bovendien nog verschillende gereedschappen behoefde,

e ik misschien wel onder den ouden rommel van het

magazijn vinden zou. De Atjeher scheen dit moeilijk

te begrijpen, doch liet mij ten laatste een paar borstels

n — die ik dan ook weldra in een randsel vond —

en uit de kampong klapper-olie brengen. Ik toog aan

den arbeid. De Oeloebalang volgde ieder mijner bewegingen

en inspecteerde elk onderdeel, dat ik gepoetst had.

„Tegen den middag liet hy'mij slecht eten brengen en


52

zich zelf aflossen door een zijner ondergeschikten, dietot

my'n geruststelling van het hoofd tot de voeten gewapend

was. Toen de avond viel, kon ik inrukken en

kwam Machmoed persoonlijk het „museum" sluiten.

„Ik mocht mij toen in de rivier gaan baden, kreeg

weer een' hoeveelheid rijst te eten en zocht mijn tampat

(ligplaats) op. Moe van het werken viel ik spoedig

in slaap. Voor zoo verre ik had kunnen nagaan, werd

ik, eenmaal uit het wapenmagazijn zijnde, niet verder

bewaakt.

„De eerste dagen gingen op deze wijze voorbij. Ik had

mijn handen vol - dat verzeker ik u, want dat boeltje

zag er uit, dat het een schande was. Bovendien waren

er tal van kleine reparaties te verrichten, waartoe mij

langzamerhand de gereedschappen geleverd werdendoor

een Atjehschen zwaardveger, die in de kampong woonde,

en die eigenlijk niet veel meer was dan een messenslyper.

„Vele geweren vond ik echter geheel onbruikbaar, vooral

door defecten aan het sluit-toestel, die door mij niet

te verhelpen waren. Evenwel, ik was te lang machinist

in België geweest om niet aardig te kunnen knutselen,

en met wat oud ijzer en de uiterst geringe hulpmiddelen,

waarover ik te beschikken had, bracht ik menig

wapen — de Atjehers kwamen ook al spoedig met hun

donderbussen, na bekomen verlof van den Oeloebalang —

weer in slagvaardigen toestand.

„Onwillekeurig, zooals dat gaat, kreeg ik plezier in

my'n wapenkamer, die er heel anders ging uitzien dan

ik haar gevonden had, en ook de officier van wapening,

zooals ik Toekoe Machmoed in gedachten noemde, als

ik hem iederen morgen zag aankomen om inspectie te

houden, was hoogst tevreden. Ik ontving daarvan de


53

bewijzen door eene iets minder slechte menage, een paar

oude, vieze kleedingstukken en eene behandeling, die,

hoewel verre van welwillend, toch ook niet bepaald

slecht was te noemen. Nu en dan maakte Toekoe zelfs

wel eens een praatje met mij, en dat liep dan natuurlijk

altijd over zijn museum ot' over den oorlog met de

blanda's. Keeds van 1873 af, zoo vertelde Inj bijv., dagteekende

het begin van zijn verzameling. De meeste

voorwerpen had hij zelf veroverd (iets, dat hij natuurlijk

loog, zooals alle Atjehers doen) en de rest tegen hooge

prijzen door geheel Atjeh laten opkoopen. De slag van

LongBattah, zooals hij dat voor ons ongelukkig gevecht

van December 1874 noemde, de overvalling der patrouille

van den kapitein Van Swieten en dergelijke wapenfeiten,

die de Atjehers maar al te goed onthouden, hadden

een groot deel der wapens en uitrustingen aan zijn verzameling

geleverd. Later kwam hij er moeilijker aan en

had hij meermalen honderd tot honderdvijftig dollars

voor een Beaumontgeweer betaald. Het was vooral

eigenaardig hem te hooren praten over den krijg. Van

dat vechten, of liever gezegd van die wijze van oorlogvoeren

van de Hollanders, daar begreep hij niets vanj

t ging hem te hoog. In het begin had hij klaar gestaan,

zooals de meeste Atjehsche hoofden, om zich te

onderwerpen; want wat kon het verzwakte Atjeh uitrichten

tegen de zoo talrijke en goed uitgeruste legers

en vloten van den machtigen Badja Wolanda ? (Koning

van Holland). Maar langzamerhand hadden zü opgemerkt,

dat, hoe dapper de officieren en soldaten ook vochten,

r niet doorgetast scheen te worden ; dat den Atjehers

telkens de gelegenheid werd gelaten om zich te

herstellen — iets, dat de Westersche volken wellicht


54

als eene welwillende beleefdheid aan elkaar verplicht

zjjn, maar de Indische stammen dood-eenvoudigals nietdurven

beschouwen. „Ik herinner mij nog zeer goed,"

zoo zwetste de officier van wapening bij een andere

gelegenheid, „hoe ik jaren geleden, kort voor het

terugkeeren van het groote leger naar Java, commandant

was van de benting Lampoe-oek. Op zekeren dag

werden wij daar aangevallen door de blanda's. Wij

hadden het geluk de soldaten, die gering in aantal

waren, bij den telkens herhaalden stormloop tegen het

sterke werk, terug te slaan. Officieren en soldaten vochten

als leeuwen ; ik zag met bewondering hun moed.

Dat de aanvoerder — ik zie hem nog — een rijzige

figuur, met rood gelaat, een kruis op de borst en het

toppie (pet) achter op het hoofd, niet tienmalen, bij wijze

van spreken, is neergeschoten, is mij alth'd een raadsel

geweest ( J ). Hij moet een djimat (talisman) hebben gedragen.

Maar nu dachten wij natuurlijk, dat den volgenden

dag een veel grootere macht van de Kafirs die benting

zoude komen innemen en verwoesten; wij waren

daarop voorbereid en hadden reeds des nachts onze barang

(goederen) in veiligheid gebracht. Dit behoefden

we echter niet te doen ; er gebeurde niets. Ik herhaal

het, dat ging ons te hoog, we begrepen er niets van. Ik

zag het groote leger niet lang daarna inschepen en wegstoomen

van de reede, en wij bleven rustig in onze sterke

posten, op nog geen kwartier afstands van den ouden

Kraton onzer sultans, (Allah hebbe hun ziel I), dien deblanda's

bezet hielden.

(1) Toekoe Hachmoed doelde hier klaarblijkelijk op het schitterend, maar

voor ons ongelukkig gevecht van den IGden April 1871, onder den onvorsaagden

ridderlijken majoor (thans generaal te Semarang) J. H. Itomswinckol.


55

„Wij geloofden, dat de profeet het hart der Kafirs

met vrees had geslagen. En zoo ging het nog dikwijls.

En het eind van het lied voor de Hollanders zal zijn —

enfin, zooals vandaag of morgen uw lot zal worden n.l. :

onder het mes van den kerel, dien gü zoo aartsdomhet

leven liet bij die vechtpartij, door sluipmoord te vallen.

Hadt gij hem de hersens ingeslagen, dan waart gij voor

goed overwinnaar en hadt de andere het nooit meer

kunnen worden — nu heeft hij nog kans. Ziedaar een

beeld van Holland en Atjeh."

„Onder al deze beschouwingen van den bluffenden Toekoe

poetste ik maar trouw door — dat scheen hem

niet te hinderen — en meermalen, als hij met minachting

over ons sprak, prevelde ik tusschen de tanden een

„verrek" of zoo iets. Maar dat ik het niettemin dikwijls

in mijn hart eens moest zijn met zijn hoogst practische

opvatting van den strijd om het bestaan hier op

dit ondermaansche, zal ik u wel niet behoeven te

zeggen.

„Dagelijks kwam ik intusschen meer in aanraking

met de kampongbevolking. Toen zij eenmaal merkten,

dat ik in kennis en handigheid dien ouwen, suften scharenslijper

de baas was, kwam iedereen, na vooraf gevraagde

vergunning bij den Oeloebalang, meteenkarrewei

— Osman met een klewang ; Saïd met een paar lekke

petroleum-blikken ; Abdoel met een paar scharen en

messen ; bij Mohamed moest ik een reparatie aan de

suiker-machine komen verrichten ( x ) ; mevrouw Nja-

(1) De Atjehers persen de suiker uit het riet, tusschen een paar steenen of

ijzeren loopers, die door een karhouw, een paard en ook wel door menschen

in beweging wordon gebracht.


56

Pang bracht mjj een koperen ketel uit haar keuken ;

mejuffrouw Tjot-Bri haar ijzeren harp, waarop zij zijde

en gouddraad spande. Zoo ging het van 's morgens vroeg

tot 's avonds laat.

„Mijn illusie echter om bij dat volk geld te verdienen,

ging al heel spoedig in rook op ; van niemand ontving

ik zelfs een pèng (>). Met veel zelfvoldoening bemerkte

ik echter eens, dat mijn klanten bh' den Oeloebalang

gingen betalen, als ik voor hen gewerkt had. Zij lieten

hem de verrichte reparatie zien, en dan bepaalde de

gladakker, hoeveel hg voor mijn moeite moest hebben.

U kunt u niet voorstellen, hoe woedend ik mjj daarover

wel gemaakt heb. De eenige, die mij nu en dan nog

eens een kleine belooning bracht, was een vrouw, voor

wie ik een paar oorringen, zoo groot als een paar kinderhoepels,

soldeerde. Misschien had zjj wel een goed

oog op den Kafir, want behalve de vruchten, waaruit

de belooningen bestonden, die ik dikwijls van haar kreeg,

waren er op zekeren dag ook bloemen bijgevoegd.

Was dit bij geval een declaratie? Ik weet het niet. Ik

heb nooit moeite gedaan een nadere verklaring uit te

lokken, teruggehouden door de afstootende bekoorlijkheden

van de Atjehsche dame.

„Behalve het bedrijf van landbouw, suikerriet persen,

wapens smeden, schilden vlechten, zijde weven en borduren,

hielden de mannen zich veel bezig met den krijg

en krijgsoefeningen.

„Wanneer eenige Atjehers hun geluk tegen de Hollanders

gingen beproeven, ontvingen zij in den regel van

(1) Eon pèng is een looden muntstukjo waarvan er ,ruim 7000 op een ringit

(rijksdaalder) gaan


57

den Oeloebalang Beaumontgeweren uit zun maga zijn ter

leen. Maar van te voren had ik dan theorie met de miliciens.

In bijzijn van Toekoe Machmoed moest ik

dikwijls, een paar uren achtereen, heel langzaam een

geweer uit elkaar nemen, ineenzetten, laden, ontladen

en aftrekken. Dit was echter meer een pantomime dan

een theorie, want zwijgend of met een enkel woord Maleisch,

vertoonde ik de onderdeelen, zooals een goochelaar

zijn voorwerpen doet, en paste ze dan in het geweer.

Hoe dikwijls ik dit ook voordeed, er was geen

Atjeher, die het mij vlug kon nadoen. In dit opzicht

waren zij niet pinter (snugger) ; want zoo had ik ook

op mijn wapenkamer in een korf de verschillende onderdeelen

van drie geweren gevonden, die de Toekoe niet

weer bij elkaar had kunnen passen.

„Na afloop van de theorie kreeg ieder krijgsman een

paar scherpe patronen van den Oeloebalang, die dan op

honderd passen afstand werden afgevuurd op een tusschen

twee boomen gespannen karbouwenhuid, met allerlei

figuren beklad.

„Des avonds volgde dan een chandoeri-feest ter eere

Tan de helden, die gingen vechten, voor welke gelegenheid

somtijds een karbouw werd geslacht. Alvorens te

yertrekken, kochten zij, die het konden betalen, een djimat

bij den hadji van de kampong. Die talisman bestond

doorgaans uit een blad van den koran, tot een klein vierkant

opgevouwen en daarna vastgeplakt en gekleefd in

een soort zwarte hars; soms ook uit een stukje papier,

door den hadji beschreven en beklad met een tooverbrief,

en ook wel eens uit een vodje van de kleeding, die zevenmaal

- onverschillig door denzelfden of door meerdere

heiligen - naar het graf van den profeet was ge-


58

dragen. Het voorwerp werd om den hals op de bloote

borst gedragen en beveiligde den bezitter - dit spreekt

van zelf - volkomen tegen alle mogelijke verwondingen,

welke de wapens der Kafirs zouden kunnen veroorzaken!

„Op zekeren dag kwam de „Officier van Wapening"

vroeger dan gewoonlijk in het magazijn, en begreep ik

dadelijk, dat er iets bijzonders aan de hand moest zijn,

daar hn iets gejaagds en onrustigs bij zijn binnentreden

niet kon verbergen.

„Weldra deelde hij mij dan ook mede, dat den volgenden

dag al de geweren zouden uitgereikt worden,

daar er prang besar (groote oorlog) op til was. Hij zelf

wilde mede uitrukken tegen de Kafirs, en ik zou hem

volgen met zijn wapens, waaronder twee geweren, die

ik dan voortdurend tijdens het gevecht voor hem had

te laden. Met innerlijk genoegen hoorde ik deze tijding

aan; want het zal u niet onwaarschijnlijk voorkomen,

luitenant, dat mijn allereerste gedachte was aan een

kans, die mij mogelijk door het toeval zou aangeboden

worden, om bij deze gelegenheid te ontvluchten —

terug te deserteeren naar de oude kameraden, die ik

zoo onberedeneerd en onbesuisd tot mijn schade en

schande verliet. Het berouw komt echter na de zonde.

„In den loop van dien dag kwam er allerlei vreemd

volk in de kampong aan, geleid door mindere hoofden,

die allen onder den Oeloebalang ten strijde zouden gaan.

's Avonds was er groote Jandorie.

„De opperbevelhebber onthaalde op een karbouw,geiten,

opium en opwindende dranken, en toen hij daar

's nachts gedurende het feest, waarvan ik u dadehjk het

een en ander zal vertellen, met de onderbevelhebbers

onder zjjn pendoppo zat, deed hij zich duchtig te goed


59

aan Hollandsche Schiedammer en Fransehe cognac. De

bekende kisten, waarin die dranken te Oleh-leh aankomen,

stonden althans opengebroken voor de pendoppo,

en de vierkante pot ( l ) zag ik lustig onder de heeren

rondgaan.

Hij pakte uit met zijn rijkdom, met zün' vrouwen en

liet zelfs de sedatti's dansen. Dit zijn knapen van 10 tot

15 jaren, die bij rijke hoofden verblijf houden om hen

te vermaken, niet alleen door den dans, maar vooral

door de schandelijke, menschonteerende gewoonten van

dit land, die van algemeene bekendheid zijn en waarover

ik verder moet zwijgen. De beklagenswaardige kinderen,

in zijden met goud en zilverdraad geborduurde kleederen

en zilveren ringen om de polsen en voeten, tandakten

op walgelijke manier met op gelijke wfize uitgedoschte

mannen en vrouwen.

„Met verbazing zag ik op dit feest vele mooie, jonge

vrouwen. Dezen zijn inderdaad zeer schaars onder de bevolking,

omdat zij, evenals vee, door de rijke hoofden

worden opgekocht en afgeperst van den minderen, armen

man met geld of opium, of met beloften van hem te

zullen beschermen. De niets bezittende Atjehers leven

gewoonlijk met afzichtelijk leelijke vrouwen, die dikwijls

twintig, dertig, ja veertig jaren ouder zijn dan haar

mannen.

„Iets, dat ook mijn bevreemding wekte, was het koperen,

pleten, zelfs vergulde vaatwerk, waarin lekkernijen

werden rondgediend, en niet minder de prachtige

zilveren kandelaars, waarin waskaarsen brandden.

(1) Het Schiedammer vocht komt in roodgcverfde kisten, waarin 6 tot 12

vierkante flesschen - algemeen bekend onder den naam van vierkante pot-

ten — in Indiê aan.


(ill

„Toen het liederlijk en hoogst vervelende bal geëindigd

was, stroomde het volk naar een kleine vlakte aan de

andere zijde der pendoppo tot het bijwonen van een

nieuwe soort van vermakelijkheid.

„Ik schrikte geweldig van de vertooning, die ik daar

plotseling voor oogen had, en beefde van woede. Midden

in den breeden kring, door het volk gevormd, stond met

geveld geweer... een Hollandsch soldaat.

„In de blauw katoenen uniform gekleed, leergoed en

randsel om, sabel op zijde, pet op, stond hy daar uitdagend

in de gevechtspositie. Ik herhaal het, ik beefde

van woede, want voorziende, wat er zou plaats hebben,

was ik mij zelven nauwelijks meester. Begrijpende dat

het een gevangene was, die daar voor mijn oogen vermoord

moest worden, besloot ik in ieder geval een poging te

wagen om een mijner oude krn'gsmakkers te redden of —

met hem te vallen. Spoedig was mijn plan gemaakt.

U weet, hoe onverschillig ik over mijn leven denk — en

u kunt ook wel nagaan, dat het mjj onder die Atjehers

knapjes ging vervelen.

„Ik wilde van den Oeloebalang genade hebben voor

het slachtoffer, en bij weigering een der grootste klewangs

grijpen — waarop ik reeds het oog had - van

een der toeschouwers, om vervolgens te laten zien, hoe

een paar Hollandsche soldaten weten te sterven.


VII.

„Terwijl ik dit alles overdacht en de oogen op het

onbewegelijk slachtoffer gevestigd hield.... schoot ik

eensklaps in een onderdrukten schaterlach. De soldaat

was een opgezette pop, vrij natuurlijk vervaardigd van

met kapok opgevulde uniformstukken uit het wapen- en

kleedingmagazijn van den Oeloebalang. Nu begreep ik

er alles van: er zou een spiegelgevecht plaats hebben

tusschen een Atjehsch krijgsman en dien nagebootsten

Hollandschen, respectievelijk voorstellende Âtjeh en Holland.

Zoo was het ook. Nauwelijks had ik deze verblijdende

ontdekking gedaan en de juiste gevolgtrekking

gemaakt, of bijna ter zelfder tüd trad een Atjeher in

den kring, gewapend met klewang en schild, met alle

mogelijke messen en dolken, en met een lans, waaraan

een lap was bevestigd, die de Atjehsche vlag moest voorstellen

: twee witte, gekruiste klewangs op een rood veld.

Ik hoorde nu ook de tonen van gamelanginstrumenten

(groote trom), begeleid met korte roffels op mün bataljonstrom

uit het magazijn, en met oorverscheurende

stooten op een der signaalhorens, evenals de trom welwillend

door den Toekoe voor het feest ten gebruike

gegeven. De gewapende Atjeher, middelerwn.1 in de nabijheid

van de pop gekomen, begon nu, onder een heidensch

leven van het orkest en van de toeschouwers, te


62

tandakken. Hij draaide en danste al om den gemarkeerden

vijand heen, en scheen vooral te willen doen uitkomen,

hoe onverschillig hij was voor het geweer van den

blanda. Nu eens plaatste hij zich met de borst tegen

de punt der bajonet, dan draaide hij het wapen verachtelijk

den rug toe, of bootste het knallen van geweerschoten

na, daarbij met de hand een gebaar makende, dat moest

voorstellen, hoe hij de kogels van de kafirs goedig opving

en in zijn baadje stak.

„Het volk juichte : Hohohohohohoo ! ! bij het zien van

o groote onversaagdheid en doodsverachting ; de gongslager

deed een aanhoudend: Boem-boem - boemboem-

Boem - boem - boemboem, dreunen en de hoornblazer

stelde wanhopige pogingen in het werk, om een drage,

lijk: Bij den hok in de keuhen moet je wezen,( v ) uit zijn

hoorn te stooten. Dat signaal was hem stellig, onder

die, welke hij van de Kafirs had afgeluisterd, het best

bevallen, maar ondanks aanhoudend oefenen scheen hij

het juiste tempo toch maar niet in zijn harden Atjehschen

kop te kunnen opnemen.

„Toen die vervelende, flauwe tandakker ruim een half

uur om den vermeenden soldaat had gedraaid, begon

hij het gevecht. Het regende klewangslagen en mesen

lanssteken op de stomme kapok-pop ; zij had reeds

het geweer laten vallen, de armen hingen nog slechts

aan een draadje bij het lichaam en het hoofd achter op

den rug. Bjj iederen slag of steek van den aanvaller

stiet het publiek een gillenden juichkreet uit, en hielden

gong en hoorn een wedstrijd in wanklanken. Toen de

(1) Het dienst-signaal onzer infanterie, zooals de soldaten dat zingen

voor middag eten, enz.


63

pop eindelijk omver viel en de tandakker in een allerbespottelijkste,

verwaande houding, met den overwonnen

vijand onder den voet, de Atjeh-vaan en zijn wapens

omhoog hield, dacht ik in allen ernst, dat het volk tot

razernij oversloeg. Gong en trompet zwegen. Goddank,

dacht ik — die zijn ten minste stuk maar, ja wel, —

een oogenblik later, toen het volk even adem hapte

om de dollemanskreten te kunnen herhalen, daar bonsde

en schetterde het weer inmijnooren: „Boem-boem-boem

boem" .. .Bij den kok in de keuken moet je wezen, enz.,

enz.

„De overige nummers van het programma, zooals:

„de onkwetsbare Hadji" en een wâjang-voorstelling (soort

van komedie), die ik niet gaarne zou willen begrijpen —

ga ik stilzwijgend voorbij. Laat in den nacht legde ik

mij half doof van het geweld, alle Atjehers verwenschende

en met een heimwee-achtig verlangen naar een avondje

in het Théâtre de 1 a M o n n a i e, op mh'n balehbaleh

ter ruste. Lang sliep ik echter niet.

„Keeds vroeg in den morgen was de geheele kampong

weer in rep en roer; men maakte zich gereed om op

te rukken tegen de blanda's. Uit enkele woorden van den

Oeloebalang, had ik daags te voren kunnen opmaken, dat

er een konvooi zou worden aangevallen, dat nu en dan

tusschen de posten marcheerde, om ze te voorzien van

levensmiddelen en krijgsbehoeften. Een Atjeher, die op

den passâr bij Kotta-Eadja schijnbaar kippen en eieren

verkocht, maar inderdaad een spion was, had het juiste

uur van vertrek, de sterkte van het konvooi en de bedekking

ervan van een kettingganger vernomen, met

wien hg reeds langen tjjd verstandhouding hield. De

kerel had zijn medewerking beloofd, om de koelies, die


(il

zouden aangewezen worden tot het dragen van materialen,

over te halen hun barang (goederen) tijdens het gevecht

weg te werpen en dan over te loopen naar de Atjehers.

„Dit een en ander had ik van Toekoe Machmoedzelven

vernomen, toen hij in opgewondenheid verzekerdeen

zwetste de Hollanders ditmaal geheel te zullen vernietigen.

Hoe hij dat echter dacht aan te leggen, m. a. w.

zijn plan de campagne, deelde hij mjj natuurlijk niet mede.

„Langs den hoofdweg door de kampong loopende, zaten

tusschen de 400 à 500 Atjehers neergehurkt, het bovenlijf

in witte en donkere lappen gewikkeld tegen de koude,

want het was een frissche morgen, op dezelfde wijze als

bij ons de kettinggangers (koelies), wanneer zij een

kolonne moeten volgen met materialen of ambulances.

Voor zooverre ik kon nagaan, was hunne bewapening

vrh' regelmatig. Allen hadden natuurlijk hun klewang,

velen een donderbus en een honderdtal Beaumont-, Sniderof

jachtgeweren. Schilden, lansen en alle denkbare soorten

van groote en kleine Atjehsche messen merkte ik

voorts in den hoop op. Sommigen zaten zich te ontnuchteren

door wat rijst te eten van een pisangblad, anderen

maakten zich een sirihpruimpje klaar of lieten elkaar

hunne wapens zien, maar er heerschte overigens meer

orde en stilte, dan ik verwacht had. Van de hoofden bemerkte

ik echter nog niets.

t

„Met mijn beide Beaumontgeweren en een zak met

patronen, een lans, twee klewangs en twee roedoes (lange

messen), wachtte ik bij dependoppo op mh'n heeren meester,

dien ik telkens verwenschte, als ik er aan dacht, dat hij

mij wellicht zou noodzaken op mijne oude kameraden

te schieten. Berekening en hoop om te kunnen ontvluchten

kwamen sterker dan ooit bij mij op.


65

„Na een uur wachtens en toen de zon al vrij hoog

aan den hemel stond, kwamen eindelijk de luie hoofden,

nog half suf van de opium en van het feest van den

vorigen avond, één voor één, aanslenteren. Zn' plaatsten

zich ieder voor een gedeelte van den hoc-p en overtuigden

zich toen zeker, of hun kampongvolk aanwezig was.

Ook de Oeloebalang verscheen en achter hem een Hadji.

„De priester begon te bidden, kruiste de armen over

de borst, sloeg ze omhoog en gilde : „Allah ! Allah-il-

Allah!" Eensklaps rees de bende, dien kreet verward

naprevelende, van den grond op, en zonder verder oponthoud

zette de slordige kolonne zich in beweging. Dit

alles was spoediger in zijn werk gegaan, dan ik gedacht

had, maar wij waren nog niet, waar wn' wezen moesten.

„Na nauwelijks een paar honderd passen te hebben

gemarcheerd, hield de troep halt, want de Oeloebalang

moest nog wat bidden. Na een klein kwartier vermorst

te hebben, schreeuwde de hadji —die natuurlijk als

aalmoezenier in het gevolg van den generaal-en-chef

meemarcheerde — andermaal zijn Allah! Allah! uit,

en voort ging het weer. Een half uur later echter alweer

halt. Toekoe-Edi had een nieuw aanvalsplan aan Machmoed

mede te deelen. Vooruit weer. Halt! de commandant

moest een versehe sirihpruim nemen. En zoo gebeurde

het gedurende den langen marsch, dat er zeker wel tienmalen

geheel noodeloos oponthoud plaats had. Dan moest

er gerust worden, dan had Toekoe Osman dorst, dan

moest Toekoe Osman bidden of Toekoe Abdallah weer

wat anders doen; in één woord, wij kropen over den

weg. Ten langen leste zag ik echter eensklaps in de

verte de Hollandsche vlag van een der posten hovende

klapperboomen wapperen.

Do Deserteur.


66

„Van het begin van het gevecht behoef ik U weinig

te vertellen, luitenant; U weet, hoe de Atjehers plotseling

stuitten en teruggeslagen werden door de bedekking

van het konvooi, die reeds vroeg in den morgen ver

vooruit was gemarcheerd, en een uitstekende stelling

op het terrein had ingenomen. Maar van te voren, luitenant,

had ik nog een merkwaardige ontmoeting, die ik

U moet mededeelen.

„Door al dat oponthoud, waarvan ik melding maakte,

waren langzamerhand de hoofden, die bn het begin van

den marsch bij hun eigen kampongvolk waren, bij elkaar

gekomen en liepen nu aan het hoofd van de geheele

bende, leder hunner werd gevolgd door een soort wapendrager,

zooals ik van Toekoe Machmoed was, en ongemerkt

liep ik tusschen die vuile kerels, die officiersbedienden,

in. Naast my liep een kleine Atjeher, gebukt

onder een hoop wapens, evenals ik, en met het hoofd,

hoewel het weer gaandeweg warm was geworden, bn'na

geheel in een soort hoofddoek en tulband tevens, verstopt.

„Ik was verschrikkelijk uit mijn humeur en nog brutaler

en onverschilliger dan gewoonlp. Nu en dan had

ik al eens mijn boosheid geuit met een paar vloeken

en dan ook wel opgemerkt, dat mijn nevenman, die

kleine Atjeher, naar mjpeek. Ik meende, dat hem mijn

gemopper hinderde, en, uit kwaadaardigheid en ook al

om te toonen, dat ik niet bang voor hem was, bromde

ik zoo halfluid tusschen de tanden: „Ik wou, dat de

geheele troep tot den laatsten man door de Hollanders

werd neergeschoten — en ik ook."

„Stel u mijn verbazing voor, luitenant, toen ik het

mannetje naast rag op denzelfden toon en ook in het Hol-


t i?

landsch hoorde brommen : „Ik help het je wenschen,

kameraad."

„'t Was of ik uit de lucht viel, dat kunt U begrijpen.

Zoo van ter zijde had ik hem al wel eens aangekeken

en in stilte gedacht: 't is waarachtig, of die kerel zich

nu en dan wel eens wascht: wat heeft hij voor een

Atjeher een lichte gelaatskleur en een blanken neus,

maar eer dacht ik aan het uur van mijn dood dan aan....

Jan Pieterse, bijgenaamd de Buikelaar, van de 5 do compagnie

van het 20 stö bataljon die verleden jaar deserteerde;

— en waarachtig, hij was het toch in levenden

lijve.

„„Wat bliksem Duikelaar, ben jij dat? ... had ik,

nog niet van mijn verbazing bekomen, nauwelijks geuit, toen

hij snel sprak : „Ik had je reeds lang opgemerkt, Jean Baptist,

maar, kerel, houd je kalm, want op mijn woord, ze

vermoorden ons...."

„„Je loopt toch terstond mee weg, als je kunt?"viel

ik hem in de rede.

„„Dank je," was het kort bescheid; „Ik heb het eens

beproefd en er mijn bekomst van gekregen ; ze hebben

me half dood gemarteld, en toen ik weer tot bewustzijn

kwam en appèl hield over mjjn ooren, ontbrak er

een. Kp maar eens." Hij lichtte zijn tulband een weinig

op en ik zag een litteeken op de plaats, waar eenmaal

zun linker oor zat.

„„Kom, kameraad " Ik wilde hem medelijdend

troosten, maar een duw in mnn rug stoorde het gesprek,

en mü omkeerende zag ik een Atjeher, die mü met de

hand naar den Oeloebalang wees, die mij had laten

roepen. Ik had natuurlijk niets anders te doen dan te

gaan; zacht fluisterde ik nog: „courage, kameraad —


08

tot ziens..." maar ik heb hem nooit weergezien en weet

dus ook niet, of hij in het gevecht, dat volgde, sneuvelde,

of met de Atjehers is teruggegaan. Hebt U bijgeval

ook iets van hem gehoord, luitenant?"

Tot mijn leedwezen moest ik mijn verbaler deze vraag

ontkennend beantwoorden. Ik vroeg daarop naar eenige

bijzonderheden, tactiek en vechtwijze der Atjehers betreffende,

waarvan ik het een en ander aanteekende, en,

voor zooveire min of meer eigenaardig of wetenswaardig,

hier mededeel.

„Het is ons geluk, luitenant — zoo vervolgde ni. de

deserteur - dat de Atjehsche hoofden altijd onderling

oneenig en afgunstig en daarbij bespottelijk verwaand

en waanwijs zijn. ledereen wil commandeeren, iedereen

heeft aanvalsplannen, iedereen zal de Kafirs vernietigen

eii iedereen is in zijn eigen oogen de grootste held. Vandaar,

dat er nooit eenheid in de operation is en zij steeds

in afzonderlijke gevechten worden geslagen. Wanneer

het noodlot wilde, dat er onder hen een Äbdel-Kader,

of een Schamyl, of een Mahdi opstond, aan wien de

kleine vorsten en het legio hoofden, met de over-talrijke

bevolking van de kust-kampongs, blindelings wilden gehoorzamen

.... dan zou ik het ergste voor ons vreezen

"

„Maar de Habib Abdul Kachman dan?" viel ik hem

in de rede...

„De Habib Abdul Rachman, luitenant," riep de deserteur

lachend uit, „ik zou voor een lief ding willen, dat

u eens kondt hooren, hoe de Atjehsche hoofden met dien

snuiter den draak steken. Zijn gezag was nul op Atjeh,

toen hu' zich aan ons overgaf. Als afstammeling van den

profeet had hij van dit overwicht wellicht gebruik kun-


69

nen maken, ware hij niet een ontzenuwde, hoogst verwijfde

Arabier geweest. De Atjehers wisten heel goed, dat hij

gaarne geheel Atjeh, met de geheele bevolking er bü,

voor ééne mooie vrouw had willen verkoopen, als hij dat

had kunnen doen. De poets, die . hij het HoUandsche

gouvernement met dat prachtig pensioen heeft gespeeld,

vinden zij onbetaalbaar. De ernstigste vergadering verandert

in een schaterlachend gezelschap, telkens als die

ui weer verteld wordt "

„Ik vond het noodig onzen machinist, die zoo op

eens tot de politiek overging, met de vraag in de rede

te vallen :

„Vechten de mindere Atjehers goed?"

„Uitstekend, luitenant. De hoofden maken de kerels

gek met opium en de hadji's met het paradijs en met

de houri's van Mahomed. Men kan hen brengen in het

gevecht, waar men wil; maar zooals ik zeide, iedereen

wil hen ergens anders brengen, en alle hoofden en hadji's

zijn veldheeren en geven orders. Misschien hebben zij

dit van onze politieke "

„Maar hoe ben je nu eigenlijk kunnen wegloopen?"

riep ik ongeduldig uit, want Jean Baptist werd ongepast

met zijne politieke en tactische beschouwingen.

„O juist, laat ik U dat nog even vertellen. De Oeloebalang

had zich bij het begin van het gevecht al spoedig

zoodanig verdekt opgesteld achter een paar omgevallen

klapperboomen, dat hü onmogelijk door onze geweerkogels

kon geraakt worden; hij lag op zijn buik plat

op den grond. Ik stond naast hem, om hem telkenmale

een'^ geladen geweer over te reiken in plaats van dat,

't welk hij had afgeschoten.

Daar bemerkte ik, dat hij aanhoudend vuurde op den


70

hoofd-officier, commandant der bedekkingstroepen van

het konvooi, die zich nu eens hier dan eens daar vertoonde

en zich onophoudelijk bloot gaf. Op een gegeven

oogenblik stond hij, ten voeten uit voor ons zichtbaar,

op een heuveltje, gaf een signaal op zijn tirailleurfluitje

en gelastte den hoornblazer, die achter hem stond,

„attaqueeren" te blazen. Hij was toen nog geen 200

passen verwijderd van de plaats, waar de Oeloebalang

en ik ons in hinderlaag bevonden.

„Toekoe Machmoed wachtte juist op een geweer, dat

ik bezig was voor hem te laden, en zette mij, beangst,

als hij was, zijn zeker schot op den officier te zullen verliezen,

tot spoed aan. Ik was overtuigd, dat de commandant

een verloren man zou zijn — zoo ik niet tusschenbeide

kwam. Maar ik had heel weinig tjjd snel gaf ik den

Atjeher het geweer over. Hij greep het haastig, bracht

het tegen den schouder, mikte en schoot

„De officier wenkte den hoornblazer om „retireeren"

te blazen en — wandelde dood bedaard het heuveltje af.

„De Oeloebalang werd des duivels, want het geweer

had geweigerd. Zelf de oorzaak daarvan willende onderzoeken,

rukte hij het sluitstuk open en vond een

huls in plaats van een geweigerde patroon in den bak.

In het enkel oogenblik tijd, dat ik had om te laden,

was het mjj gelukt snel een reeds verbruikte patroon

in plaats van een scherpe in het geweer te doen.

„De bedrogen schutter scheen dadeljjk den streek, dien

ik hem gespeeld had, te begrüpen. Zich met eene hand

half oprichtende, in de andere de huls houdende, die

het leven van den commandant redde, zag hij mü aan,

alsof hij mjj wilde verscheuren, en dit tooneel vond ik

zoo grappig, dat ik den Atjehschen hoofdman in zun


71

gezicht uitlachte met een schaterlach.... Maar ik verloor

er mijn tegenwoordigheid van geest niet bij en nam

dadelijk mijn maatregelen. Begrijpende, dat ik op de

plaats vermoord zou worden, als ik slechts een oogenblik

draalde, wierp ik bliksemsnel de wapens weg, die ik

nog droeg, met uitzondering van een der lange klewangs,

sprong, als een razende met het wapen om mü heen

slaande, vooruit in de remboe (wildernis), mij bukkende

en van richting veranderende, totdat ik bemerkte, dat

de Atjehers — ook al niet wetende, wat er gebeurde —

een oogenblik mijn spoor bijster werden. Toen kroop ik

als een kat weer achteruit, dus in de richting van de

Atjehers, mijn eenige weg tot terugtocht, omdat, wilde ik

voorwaarts gaan in de richting onzer bentings, ik een natte

sawah had over te steken, waarin de Atjehers mij stellig

achterhaald of neergeschoten zouden hebben.

„In het terrein, achter de intusschen nog steeds in

vuurgevecht zünde Atjehers, verscholen, liep ik in een

grooten boog als een haas naar de rivier, wierp mü in het

water en zwom, wat ik zwemmen kon, stroomafwaarts.

„Het gillen en schreeuwen van achtervolgers, of beter

gezegd van jagers, die het terrein afliepen om het ontvluchte

wild op te sporen, hoorde ik nog eenigen tgd,

maar weldra verstomden deze geluiden en werd ik, tot

mijn groote geruststelling en zelfvoldoening, gewaar, dat

ik niet achtervolgd werd. Een paar honderd slagen van

Kotta-Alam (*) gekomen, dacht ik waarachtig nog verloren

te zjjn, want ik zag duidelijk een Atjeher in de

kali (rivier). Naderbij gekomen bemerkte ik echter, dat

het gelukkig een doode was, die naar zee dreef.

(' Een onzer posten, vluk aan de rivier gelegen


72

„En nu weet ü alles van mijn lotgevallen, luitenant,

maar.... ik van het deserteeren ! Een knappe kerel, die

mü dat nog eens laat doen; ik ben van die aardigheden

voor goed genezen. Dat verzeker ik U1 Kon ik hetzelfde

nu ook maar zeggen van de koorts, die mij ondermijnt .

Ik verlang hard naar het hospitaal."

De deserteur had zijne geschiedenis geëindigd. Het

verhaal, zoo eigenaardig door den onverschilligen, lichtzinnigen

soldaat gedaan, had ik - dagelijks als ik met

hem sprak - met de meeste aandacht gevolgd en aangeteekend,

en het was mij een aangename, ik gelooi

tevens nuttige bezigheid, om gedurende ons tegenwoordig

geheel doelloos en den militairen geest doodend

postenleven, de geschiedenis op te schrijven voor allen,

die belang stellen in het dappere, maar zoo verwaarloosde

en miskende Indische leger.

More magazines by this user
Similar magazines