fase 1 en fase 2

stedelijkwonen.net

fase 1 en fase 2

Basisopleiding: Bachelor in de

TOEGEPASTE ARCHITECTUUR

Module: GEINTEGREERD PRACTICUM 5

Partim: AP 5 - Architectuurprojecten 5

Academiejaar: 2009-2010 Semester: 5 Datum: 16-09-2009

Lectoren: Rudy De Jaegher, Rob van Helvoort, Johan Verleye

EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR

STEDELIJK WONEN IN BRUSSEL


SITEMAP EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR

SITEMAP EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR 2

INLEIDING EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR 3

OPDRACHT EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR 4-10

Gegeven

Gevraagd

Criteria voor de oefening

In te dienen stukken

CONTEXT EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR 11-17

Begeleiding van het project

Attitude van de student

Doelstellingen van de oefening

Vormvereisten voor de documenten

Verloop van de oefening

Indienen van de studie & digitaal indienen

Evaluatie

Puntenverdeling

BIJLAGEN EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR 18->

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 2


INLEIDING EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR

In de module Geïntegreerd Practicum 5 en Geïntegreerd Practicum 6 wordt er gewerkt rond

het thema “Stedelijk Wonen”.

De opdracht kadert in een grootschalig stedenbouwkundig ontwerp; de inplanting van een

HST-terminal op het voormalig rangeerstation van Schaarbeek. De studie die WEST8, een

internationaal bureau gespecialiseerd in stedelijk ontwerp en landschapsarchitectuur, hiervan

gemaakt heeft in opdracht van de NMBS voorziet onder andere in een uitbreiding van een

zone voor stedelijk wonen in en aan het kanaal van Brussel als onderdeel van de geplande

ontwikkelingen rond HST Noord.

De eigenlijke opgave situeert zich als studie binnen een grootschalig project, een

bouwkundige realisatie met een niet traditioneel bouwsysteem, waarbij sterk ingespeeld

wordt op actuele thema’s als energie-efficiënt bouwen, duurzaamheid en multi-generatie

wonen.

Een belangrijk aandachtspunt, nieuw voor de deelnemers aan deze module, is de

stedenbouwkundige problematiek en integratie van open ruimte in het ontwerp. Hierbij ligt

de focus onder andere op de integratie van verkeer en parkeren en het gebruik van

buitenruimte (privé, semiopenbaar en openbaar). Met ruime aandacht voor de relatie tussen

al deze facetten, kwalitatieve uitwerking van de ruimtes en de binding met de gebouwde

omgeving.

De module Geïntegreerd Practicum combineert de toepassingen van de theoretische insteek

uit de overige modules. Gezien daarbij niet alleen aan modules uit de respectievelijke

semesters 5 en 6 wordt gedacht kan ze eigenlijk als een eindwerk worden beschouwd.

Alle knowhow die gedurende de zes semesters van de opleiding Toegepaste architectuur is

opgedaan wordt op die manier vervat in één project.

Dit document bevat drie belangrijke onderdelen:

De opdracht met de twee hoofdstukken; de gegevens en het gevraagde

De context met de onderwijskundige gegevens en de praktische afspraken

De bijlagen, een niet limitatieve lijst met bijkomende informatie

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 3


OPDRACHT EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR

OPDRACHT: GEGEVEN

Het eindwerk is gesitueerd op een bestaande reële locatie in een stad. Ieder jaar wordt een

andere stad gekozen met telkens een locatie met recente of geplande stedenbouwkundige

ontwikkelingen. De opdracht past in een gekozen ontwikkelingsplan op deze locatie.

Dit jaar valt de keuze op Brussel.

WEST8 -urban designers & landscape architects- hebben een masterplan gemaakt voor de

zone tussen het Brusselse Noordstation, de site Thurn & Taxis, de verbinding met het

station van Schaarbeek en verder door naar de luchthaven. Binnen dit voorstel van WEST8

is een woonzone voorzien langs en in het kanaal van Vilvoorde. Dit is de locatie waarop

gewerkt zal worden.

Het accent ligt hierbij zowel op de stedenbouwkundige en architecturale aspecten als op de

bouwtechnische uitvoering van het ontwerp.

In AP5 wordt door elke groep een voorstudie en voorontwerp gemaakt volgens een

opgegeven programma. Deze voorontwerpen vormen de basis voor de opdracht van AP6

waarin de ideeën worden omgezet naar een beperkt uitvoeringsdossier.

In aanvulling op de informatie uit voorstudie en voorontwerp zijn tevens een aantal

randvoorwaarden vastgelegd in basisgegevens, bouwkundige voorschriften en

bijzondere eisen.

Een gedeelte van deze bijkomende elementen heeft betrekking op de begrippen

energie-efficiëntie en duurzaam bouwen, een onderwerp dat dit academiejaar een

rode draad vormt door semester 5 en semester 6.

Na het bezoek ter plaatse zou je een duidelijk beeld moeten hebben van de locatie en de

omgeving waar gebouwd zal worden.

In het kader van de oefening AP5 veronderstellen we nu dat een sociaal bewogen

projectontwikkelaar ter plaatse betaalbare huisvesting met goede woonkwaliteit wil

realiseren.

Om de oefening in het kader van de opleidingsdoelstellingen te zien worden enkele

ontwerpregels opgelegd.

Bouwstructuur

Het hele terrein wordt in een minimum van tijd bebouwd, daarom moet het ontwerp

gemaakt worden in functie van een rationele en rendabele bouwstructuur.

Om deze reden wordt een rastersysteem voorgesteld wat aanleiding kan geven tot

skeletbouw bestaande uit kolommen, balken en platen.

Het ontwerp moet binnen de omtrek van de rasterlijnen vallen. Het basisraster is

gevormd op 480*480cm, herleidingen tot veelvouden van 60*60 kunnen als

ontwerpbasis worden toegepast maar wat de draagconstructie betreft werk je het best

zoveel mogelijk met een structuur van 480/480.

Naast twee zones die met de meest gebruikte structuursystemen worden gerealiseerd

(beton en staal) moet een derde zone worden uitgewerkt met een alternatief

bouwsysteem, hetzij houtbouw, prefabbetonbouw (wandenbouwsysteem),

modulebouw (stapelen van modules) of eender welk ander bestaand

constructiesysteem.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 4


• Bouwprogramma

Er wordt gevraagd om een variabel programma uit te werken met in het totaal;

- 9 woonunits voor alleenstaande personen (9 x 1 persoon)

- 9 woonunits voor koppels zonder kinderen (9 x 2 personen)

- 9 woonunits voor jonge gezinnen met 2 kinderen (9 x 4 personen)

- 6 woonunits voor drie-generatiegezinnen (gezin met 2 grootouders, 2 ouders,

2 kinderen) (6 x 6 personen)

De totale bewoonbare oppervlakte mag niet groter zijn dan 4.500 m2 (bruto).

In het geheel van het project moet er 200 m2 aan commerciële ruimte voorzien

worden.

Zorg ervoor dat je per woonblok (groep van woonunits voor 1 student) er 3+3+3+2

woningen voorkomen waarin per woonblok en dus per student minstens 1 aangepaste

unit voor een rolstoelgebruiker voorkomt.

Ondergronds moet er ruimte zijn om een 60-tal auto’s op een realistische en bij

voorkeur aangename manier te kunnen stallen. Een oppervlakte van 1.800 m2 moet

volstaan voor parkeren en circulatie. Minimaal 800 m2 van deze parking moet zich

onder de woonunits bevinden.

• Context

Iedere groep ontwerpt een masterplan voor de bebouwing van de site. Dit plan moet

op te delen zijn in drie evenwaardige delen, eerder woonblokken genoemd, waardoor

elke student één bepaald stuk verder kan uitwerken.

Naast dit masterplan wordt tevens gevraagd een massaplan voor het totale eiland te

ontwikkelen. Dit houdt in dat het hele eiland, wat vijf maal de oppervlakte van het

masterplan beslaat, moet worden ingevuld met vier equivalent oppervlaktes, drie met

bewoning, één oppervlakte als park met openbaar karakter.

• Ontwerpeisen

Lage kostprijs. Beperk de oppervlaktes, de beste manier om de kostprijs te drukken is

niet te groot bouwen. Er dient echter niet bespaard te worden op essentiële

voorzieningen zoals thermische en akoestische isolatie en minimaal technisch

comfort.

Er moet aandacht geschonken worden aan de mogelijkheden tot toepassing van het

principe meegroeiwonen en alle constructies moeten aandacht hebben voor de

principes van duurzaam bouwen.

Meer informatie over en praktische toepassingen van deze beginselen vind je via de

kennisbank van dit project op http://stedelijkwonen.net/brussel/

Om stedelijk wonen aantrekkelijk te maken moet naast het “dak boven het hoofd” er

voldoende open ruimte aanwezig zijn, ruimte die vlot benutbaar is zowel privé als

gemeenschapsruimte , ruimte waar men elkaar ontmoet, speelruimte voor kinderen,

stedelijk groen en ruimtelijke openheid. Bouw dus niet alles dicht en besteed zorg aan

geplande open ruimte, open ruimte is meer dan datgene wat rest na bebouwing.

Dat je in een stad niet alle woningen met een auto kunt bereiken is op zich niet erg

maar zorg zeker voor mogelijkheden een fiets of bromfiets te stallen dicht bij de

woning en bied mogelijkheid om “laden en lossen” vlot te laten verlopen. Dit moet

bijdragen bij tot de woonkwaliteit.

Meerlagenbouw hoeft niet negatief ervaren te worden wanneer er voldoende aandacht

is voor het vlot bereiken van elke laag. Open ruimte moet onderliggende bouwlagen

voldoende licht en groen bezorgen. Realiseer een oplossing waarbij de

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 5


gemeenschappelijke open ruimte voor iedereen vlot bereikbaar blijft zodat op geen

enkele plaats een gevoel van opsluiting ontstaat.

Er mogen geen traditionele gevelmaterialen (bijvoorbeeld metselwerk) toegepast

worden.

Binnen een woonblok zullen zones liggen welke op een andere manier gefundeerd

moeten worden. Het type fundering wordt later opgegeven. Tussen elke zone wordt

een zettingsvoeg voorzien.

• Randvoorwaarden

De woningen worden gebouw op een eiland; de aanwezigheid van water is een

belangrijk gegeven om het ontwerp uit te werken.

Het verkeer op het water (vrachtschepen en pleziervaart) moet als een attractie

gezien worden voor de toekomstige bewoners van het project.

De toegangen tot de woningen zijn vrij te kiezen. Zorg ervoor zoveel mogelijk

individuele toegangen te voorzien, deze zijn persoonlijker dan gemeenschappelijke

trapzalen met één ingang en geven het wonen op een verdieping een meer individueel

gevoel.

De daken moeten platte daken zijn. De dakverdiepingen dienen vlot toegankelijk te

zijn voor inspectie en onderhoud. Waar mogelijk worden de platte daken ingericht als

daktuinen voor de bewoners en/of bezoekers.

De mogelijkheden tot het benutten van de daken moeten maximaal zijn. Zo is er niets

verkeerd aan bijvoorbeeld een “voetbalkooi” op het dak.

De compartimentering van het gebouw moet bestudeerd zijn en duidelijk opgelost

worden.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 6


OPDRACHT: GEVRAAGD

De opdracht wordt opgedeeld en uitgewerkt in twee verschillende fases:

Fase 1: voorstudie en bundel (AP5 - in groep)

In de eerste fase worden alle gegevens verzameld van de locatie en wordt het opgegeven

programma omgezet in een voorstudie.

In deze voorstudie wordt het algemeen masterplan gepresenteerd.

Fase 2: voorontwerp (AP5 - individueel)

Het voorontwerp wordt uitgetekend en gepresenteerd met als doel de bouwheer en

verschillende beleidspartners op diverse niveaus een totaalbeeld van het project te geven.

De af te leveren documenten moeten alle betrokken partijen in staat kunnen stellen het

voorstel volledig te begrijpen.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 7


OPDRACHT: CRITERIA VOOR DE OEFENING (waarmee rekening te houden bij ontwerpen en uittekenen)

Algemene criteria:

Bij het ontwerpen:

Er moet volledig voldaan worden aan de ontwerpregels in verband met bouwstructuur,

bouwprogramma, ontwerpeisen en randvoorwaarden.

Bij het tekenen:

Tekeningen worden opgemaakt op basis van de bundel "tekenconventies" uitgegeven door

het WTCB.

Zorg dat alle documenten een eenduidige lay-out krijgen. Titelbladen moeten in functie zijn

van de tekening. Het ontwerp van een eigen titelblad (per groep) is aan te bevelen.

De plaats van verticale doorsneden wordt gekozen om problemen te kunnen oplossen en te

laten zien. Dus op de moeilijkste plaatsen.

Een inplantingplan is bedoeld om het gebouw een absolute positie te geven ten opzichte van

zijn omgeving. Dit betekend dat de maten op dat plan moeten toelaten om het gebouw op

het terrein te kunnen uitzetten op een moment dat er nog niets gebouwd is. Dus de

afmetingen moeten de assen van het project inplanten ten opzichte van vaste (bestaande)

referentiepunten op het terrein of de onmiddellijke omgeving.

Grondplannen, verticale doorsneden en gevel moeten volledig overeenkomen. Een raam dat

op de plannen op een andere plaats gesitueerd is dan in de gevel is onvergeeflijk. Niet aan

deze eis voldoen is een absoluut breekpunt bij de beoordeling.

Elke tekening wordt gemaakt voor een bepaald doel. Een presentatie moet het project

kunnen verkopen en de opdrachtgever in staat stellen te kunnen begrijpen hoe het gebouw

er zal uitzien. Een uitvoeringsplan moet de uitvoerders in staat stellen te kunnen begrijpen

wat ze moeten uitvoeren. Bijgevolg is de informatie op de verschillende plannen niet

dezelfde.

De complexiteit van de informatie op een uitvoeringsplan is veel groter dan op een

presentatieplan.

Uitvoeringsplannen worden zeer uitvoerig en lang geconsulteerd. Presentatieplannen worden

eerder vluchtig en meer van op afstand geconsulteerd.

Draag zorg voor een eenvoudig doch correct gebruik van lijndiktes en de juiste graad van

detaillering. Dit komt ten goede aan de duidelijkheid en de leefbaarheid van de plannen.

Alle tekeningen (doorsneden, gevels en details) worden duidelijk aangeduid op de

corresponderende tekeningen. Op elk plan is het NOORDEN duidelijk aangegeven.

Zorg ervoor dat alle afmetingen en peilen die nodig zijn voor de uitvoering op de tekening

staan. Ook een deur krijgt een positie in de muur. Alle afmetingen worden nauwkeurig en

eenvormig omschreven. Wees logisch en consequent in het gebruik van de eenheden.

Vermeld bij alle constructieonderdelen het materiaal. Schrijf bij een samenstelling van een

vloer de bovenste laag eerst en daaronder in volgorde de eronder liggende lagen.

De materiaalomschrijving zoals die op de plannen dient voor te komen moet bondig,

gedetailleerd, volledig en neutraal zijn zonder vermelding van merknamen.

Houd in het oog dat alle bouwelementen geplaatst en de constructies uitgevoerd kunnen

worden.

Pas lijndiktes en/of plotstijl aan aan de schaal. Zie hiervoor eveneens de “aanvullende

documentatie bij de opmaak van plannen”.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 8


Specifieke criteria voor fase 1: voorstudie en bundel (AP5 - in groep)

Bij het ontwerpen:

In het stedenbouwkundig voorstel van WEST8 voor HST Noord is een behoorlijk grote zone

voorzien voor stedelijk wonen. Een deel daarvan is gesitueerd in een verbreed stuk van het

kanaal naar Vilvoorde. Op dit eiland bevindt zich de bouwzone voor het ontwerp.

Het bouwterrein heeft een afmeting van 40 m bij 100 m en situeert zich op de zuidelijke

hoek van het eiland. Op deze plaats wordt het eiland verbonden met het vasteland door

middel van een brugconstructie zoals in het logewerk nader uitgewerkt is. Deze constructie

wordt mee opgenomen in het verdere ontwerp.

Bij het tekenen:

In deze fase moeten er tekeningen gemaakt worden met als doel een ontwerp voor te stellen

aan bouwheer, overheidsdiensten, eventuele kopers, … Bijgevolg moeten alle documenten

toelaten de architectuur van de gebouwen te tonen en te laten begrijpen. De indeling en de

grootte van de ruimten, het functioneren van het gebouw, de toegankelijkheid, maar ook de

sfeer, de vormgeving, ... moeten duidelijk voorgesteld worden.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 9


OPDRACHT: IN TE DIENEN STUKKEN (welke documenten worden verwacht)

Specifiek voor fase 1 gevraagde stukken: voorstudie en bundel (AP5 - in groep)

De in te dienen stukken voor deze fase bestaan uit 2 onderdelen: een werkbundel en een

presentatie van het voorontwerp.

Werkbundel:

Presentatie:

Alle documenten, aanvullende documentatie, foto's en schetsen worden

verzameld in een naslagwerk dat als permanente hulp kan dienen bij de

verdere studie. Ten behoeve van de nodige flexibiliteit en mogelijke

uitbreidbaarheid wordt de voorstudie bij voorkeur gepresenteerd in een map.

Elke student maakt tevens gebruik van de opdrachtbundel als een schetsboek

waar alle nota's in opgenomen worden.

Tevens worden aan de hand van voorbeelden projecten met vergelijkbare

functies nader bekeken en/of voorgesteld.

Naast schetsen, tekeningen, foto's, en nota's bevat de bundel ook een

beschouwende architectuurkritiek over het project door alle afzonderlijke

leden van de werkgroep.

Het doel van deze bundel is relevante informatie kunnen verwerken en op een

duidelijke wijze presenteren.

De resulterende documenten worden per groep gebundeld in een studienota

die de uitgangspunten voor de concrete opdracht illustreren.

De bundel, in A3-formaat, wordt opgesteld volgens de geldende richtlijnen

voor een verslag zoals de voorgaande jaren verworven in het

“communicatieve vaardigheden”.

Het resultaat wordt zowel in bundel afgegeven als door de volledige

werkgroep gepresenteerd voor een publiek van ongeveer 40 personen. De

bundel bevat ALLE op te maken documenten, in de presentatie hoeft niet

alles terug te komen.

Specifiek voor fase 2 gevraagde stukken: voorontwerp (AP5 - individueel)

Elke student (individueel) maakt van zijn deel van het masterplan (in groep)

de volgende documenten: inplantingplan, alle grondplannen (inclusief

kelderverdiepingen en dakenplan), alle gevels en minstens 6 principe sneden.

Optionele documenten: 3D voorstelling, schetsen, sfeerbeelden, enz..

Vrijheid van presentatie, eventueel kan ook de voorstudie hierin verwerkt

worden.

Tekeningen worden niet beoordeeld als deze niet voldoen aan de gestelde

vormelijke eisen.

De tekeningen worden steeds zowel op papier als onder digitale vorm in het

.pdf bestandsformaat ingeleverd.

De titel, op elk blad aangebracht in de rechterbenedenhoek (grootte in

verhouding tot het bladformaat) omvat altijd volgende correct ingevulde

elementen:

- voornaam en naam

- groepsnummer

- per tekening: de juiste titel (omvat een perfecte omschrijving van de

inhoud van het volledige blad)

- nummering van de bladen: n/N, waarin n het volgnummer is en N het

totaal aantal bladen van het ontwerp.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 10


CONTEXT EINDWERK TOEGEPASTE ARCHITECTUUR

CONTEXT: BEGELEIDING VAN HET PROJECT

Begeleiding door lectoren Rudy De Jaegher, Rob van Helvoort en Johan Verleye.

Alle groepen zijn gedurende de volledige begeleidingssessie in het atelier aanwezig en

blijven tot het einde van de sessie doorwerken, het is zondermeer nuttig alle algemene

mededelingen van lectoren te kunnen horen. Het is toegelaten om de begeleiding van

andere groepen mee te volgen en op die manier meer op te steken.

CONTEXT: ATTITUDE VAN DE STUDENT

Een gedreven persoonlijke inzet is belangrijk, intense en permanente activiteit is een

absolute noodzaak om het vereiste resultaat en niveau te kunnen bereiken. Het opmaken

van een individuele planning is hierbij van groot belang om het aantal af te werken

documenten en de beschikbare tijd goed in kaart te brengen.

Kom steeds voorbereid naar de begeleiding en breng alle relevante documenten mee.

Zorg ervoor dat je vragen duidelijk geformuleerd en gedocumenteerd zijn om ze begrijpbaar

te maken voor de lectoren, maak een lijst met vragen die je vóór elke sessie kunt aanvullen

en schrappen.

Neem de opmerkingen van de begeleidingssessies altijd door, ze maken integraal deel uit

van de opdracht.

Maak geregeld een kleine proefafdruk op de gevraagde schaal om de gebruikte tekenstijl te

kunnen controleren.

Een correcte houding aannemen behoort tot de leerdoelen en wordt daarom zeker een item

bij de algemene beoordeling van de student en zijn werk.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 11


CONTEXT: DOELSTELLINGEN VAN DE OEFENING (didactische verantwoording)

Algemene doelstellingen van de oefening

De nodige competenties verwerven om opdrachten die op een architectuurbureau

voorkomen in de ontwerp- en uitvoeringsontwerpfase uit te werken.

In staat zijn op zelfstandige wijze een ontwerp volledig uit te werken tot en met de

uitvoeringstudie.

Specifieke doelstellingen van de oefening voor fase 1: voorstudie en bundel (AP5 -

in groep)

Informatie kunnen verzamelen, verwerken en op een inzichtelijke wijze presenteren.

Voorstellen van bepaalde oplossingen.

Specifieke doelstellingen van de oefening voor fase 2: voorontwerp (AP5 -

individueel)

Een voorontwerp op een correcte en wijze kunnen voorstellen zodat het project en de

opzet van het gebouw volledig duidelijk wordt.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 12


CONTEXT: VORMVEREISTEN VOOR DE DOCUMENTEN (lay-outafspraken in te dienen documenten)

Algemene vormvereisten

De tekeningen zijn technisch correct opgebouwd, leesbaar en stijlvol opgetekend.

Zowel de inhoud als de volledigheid van het uitgewerkte onderdeel zijn belangrijk.

Specifieke vormvereisten voor fase 1: voorstudie en bundel (AP5 - in groep)

De bundel:

We wijzen er op dat in de bundel het resultaat van de volgende onderzoeken

moet voorkomen (in afzonderlijke delen opgesplitst of verwerkt tot één

geheel):

- Onderzoek functioneel concept

- Onderzoek constructieve structuur

- Gevelonderzoek

- Onderzoek naar brandveiligheid en toegankelijkheid voor mindervalide

personen

- Onderzoek naar de technische uitrusting

De bundel is tenminste opgebouwd uit volgende onderdelen:

- een titelblad (kaft).

- een inhoudstabel met bladverwijzing

- verschillende schutbladen die de indeling visualiseren

De bundel wordt opgemaakt in een A3 formaat.

Inhoudelijk bevat de bundel tenminste alle plannen die je zelf produceerde, alle

overige plannen en andere bestanden noodzakelijk om het gebouw volledig

voor te stellen, alle studies zoals gevraagd in de opgave, individuele

appreciatie, beschouwing, kritiek en de nodige bijlagen.

Een studie omvat meer dan verzameling van kopijen in een bundel, er moet

zeker voldoende begeleidende tekst en uitleg in voorkomen. De geleverde

informatie moet relevant zijn voor en toegepast in het project.

Documenten en herkenbaarheid.

Een van de doelstellingen voor het derde jaar TA is aan de hand van een

simulatieoefening de student voor te bereiden op het werken aan een

grootschalig project in een groot bureau.

Een belangrijk punt dat hierbij goed moet worden uitgewerkt is de codering en

identificatie van alle gegevens.

Elk plan wordt daarom vanaf het prille begin voorzien van een titel met hierin

tenminste de naam van het plan, datum en volgnummer.

De bundel moet volledig zijn en goed worden samengesteld.

Let hierbij op de 30-secondenregel; bij het snel doorbladeren moet je in een

zeer korte tijd een impressie van het project kunnen opdoen, om verdere

detailvragen beantwoord te krijgen moet je in het document vlug wegwijs

geraken.

Een goede en duidelijke structuur in het document is van zeer groot belang.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 13


Specifieke vormvereisten voor fase 2: voorontwerp (AP5 - individueel)

De tekeningen:

De tekeningen moeten de opdrachtgever een goed inzicht geven in het project:

concept, planopbouw, structuur, volume en gevels.

De concrete opdeling van het masterplan in woonblokken gebeurt in

groepsverband, eventueel in samenspraak met en zeker na consultatie van de

lectoren.

De plattegronden op schaal 1/100, alle gevels op schaal 1/100, relevante

sneden op schaal 1/100.

Basistekeningen moeten met behulp van CAD software opgemaakt worden.

De plannen zijn technisch correct opgebouwd, leesbaar én stijlvol opgetekend.

plattegronden

Op alle plattegronden moet eventueel aanpalende buitenaanleg

aangeduid worden.

Benoem alle ruimtes en meubileer ze in detail; teken ook straatmeubilair.

Vermeld de oppervlaktes. Breng in de ruimtes de grote afmetingen aan;

gebruik daarvoor zoveel mogelijk doorlopende maatlijnen. Zet ook de

grote buitenafmetingen (van de volumes) op het plan, evenals de

afmetingen van alle openingen in buitenmuren en de situering daarvan.

Waak er voor dat tekst, maatgetallen, doorsnedenaanduidingen en

meubels niet door elkaar geplaatst worden.

Bij vides gebruik je geen arcering! Teken de eventuele zichtbare meubels

op de onderliggende verdieping in de dunste lijndikte.

Teken de perceelsgrenzen met een lijn.

Zorg dat de toegang van het gebouw duidelijk aangeduid wordt met een

pijl (gebruik 45°) en vergeet op geen enkele plattegrond de noordpijl te

tekenen.

Onmiddellijk bovenliggende volumeveranderingen worden met een

streeplijn aangeduid. Bijvoorbeeld niveauverschillen in het plafond,

doorhangende balken, vides, de overgang van hellend plafond naar

horizontaal plafond (dakverdieping), uitkragende volumes enz. Van

metalen profielen wordt steeds de as met een punt-streeplijn aangeduid,

opleg inbegrepen. Indien het profiel zichtbaar is worden de randen

eveneens getekend zoals een bovenliggende volumeverandering.

Teken op alle plattegronden de horizontaal doorgesneden

regenwaterafvoeren.

Teken alle vaste inrichting gedetailleerd uit, rekening houdend met de

schaal. Zoek documentatie zodat je weet wat je nodig hebt voor een

hedendaagse inrichting.

Bij de detaillering van het schrijnwerk houd je rekening met de schaal:

vaste en bewegende stijlen worden als rechthoekje voorgesteld.

Houd rekening met de toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers en alle

aspecten van brandveiligheid.

doorsneden

Voor elke doorsnede geldt als regel dat er een duidelijk onderscheid in

lijndikte moet zijn tussen doorgesneden bouwonderdelen en

aanzichtlijnen.

Benoem alle ruimtes en meubileer ze in detail. Teken ook straatmeubilair.

Bij de detaillering van het schrijnwerk houd je rekening met de schaal:

vaste en bewegende stijlen worden als rechthoekje voorgesteld.

De grondlijn moet duidelijk overkomen.

Breng de belangrijkste hoogtematen aan op doorlopende maatlijnen

(enkel verticale bemating in een doorsnede!).

Teken de dakgoten (snede) en de regenwaterafvoeren (zicht).

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 14


gevels

Teken alle gevels met schaduwbepaling onder 45°. Ook secundaire

elementen als hemelwaterafvoeren en dakgoten veroorzaken schaduw.

Teken de achterliggende vloeren en muren met een dunne streeplijn.

Duidt op een correcte manier de schuif-, wentel-, draai-, en/of kiprichting

van het schrijnwerk aan.

De grondlijn moet duidelijk overkomen.

Schrijnwerk moet voldoende gedetailleerd worden. Vaste stijlen en

bewegende delen moeten getekend worden. Let er ook op een buitendeur

normaal hoger is dan een binnendeur. Gebruik aangepaste buitendorpels

(schaduw).

Zorg ervoor dat de bovenzijden van het buitenschrijnwerk (ramen en

deuren) zoveel mogelijk op één lijn geplaatst worden. Normaal bevindt de

bovenzijde van het buitenschrijnwerk zich tussen 220 en 240 cm boven

het afgewerkte vloerpas.

Houd er bij uitkragende volumes rekening mee dat deze aan de

onderzijde ook nog moeten worden geïsoleerd en afgewerkt.

Teken schouwen en dakdoorvoeren met schaduwbepaling.

Verschillende gevelmaterialen moeten herkenbaar weergegeven worden.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 15


CONTEXT: VERLOOP VAN DE OEFENING (data en agenda )

zie bijlage 6.1: jaarplanning - agenda voor AP5 en AP6

Week 2: kennismaking met de oefening en bezoek aan de site

bezoek aan gebouwde voorbeelden

Week 3: lezingen over het HST project en over Brussel

Week 4: voorleggen van masterplan

Week 8: indienen bundel en presentatie masterplan in groep

Week 9-13: uitwerken van voorontwerp (individueel)

Week 16: indienen voorontwerp

CONTEXT: INDIENEN VAN DE STUDIE & DIGITAAL INDIENEN (procedures voor het indienen)

zie bijlage 6.1: jaarplanning - agenda voor AP5 en AP6

De tekeningen worden individueel opgemaakt en worden steeds zowel op papier als

onder digitale vorm in het .pdf bestandsformaat op cd, dvd of andere vorm van

magnetische drager ingeleverd.

Deelnemers waarvan de resultaten, ingediend op papier of digitaal, door henzelf of een

vertegenwoordiger, niet op het voorziene moment op de juiste plaats aanwezig zijn

krijgen als beoordeling het cijfer nul.

Bij betwisting van toegekende punten wordt enkel gebruik gemaakt van de digitaal

ingediende documenten.

Indien geen digitale documenten werden ingediend is er geen betwisting mogelijk.

Indien je elektronische versies van je bestanden aanmaakt (om uit te delen of af te

spelen) houd er dan rekening mee dat niet iedereen altijd de laatste versie van de

betreffende software ter beschikking heeft. Zo kan de inhoud van een PowerPoint 2007

presentatie voor velen nog jaren een goed bewaard geheim blijven.

In een dergelijk geval neem je bij voorkeur je toevlucht tot een format dat overal en

bij voorkeur gratis ter beschikking is. Bijvoorbeeld een .pdf bestand. Let er wel op dat

je een dergelijk bestand niet met een waanzinnige resolutie wegschrijft, voor projectie

is 72 dpi ruim voldoende, om uit te printen 300 dpi.

CONTEXT: EVALUATIE: (specifieke criteria, data en afspraken voor de evaluatie)

zie bijlage 5.1: evaluatiefiche voor AP5&6

Algemene aspecten van de evaluatie

De jury bestaat uit lectoren en wordt al dan niet aangevuld met externe deskundigen.

In de tweede zittijd van architectuurprojecten 5 geldt dezelfde puntenverdeling als in

de eerste zittijd. Het staat een deelnemer aan de tweede zittijd vrij om bepaalde

onderdelen al dan niet opnieuw te doen.

De tekeningen zijn technisch correct opgebouwd, leesbaar en stijlvol opgetekend.

Zowel de inhoud als de volledigheid van het uitgewerkte onderdeel zijn belangrijk.

Tekeningen worden niet beoordeeld als deze niet voldoen aan de gestelde vormelijke

eisen.

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 16


CONTEXT: PUNTENVERDELING (beoordelingsgewicht per onderdeel)

30 % van de punten van architectuurprojecten 5 wordt gegeven voor de bundel (in

groep)

20 % van de punten van architectuurprojecten 5 wordt gegeven voor de presentatie

(in groep).

50 % van de punten van architectuurprojecten 5 wordt gegeven voor het voorontwerp

(individueel).

AP5 academiejaar 2009-2010 lectoren: Rob van Helvoort - Rudy De Jaegher - Johan Verleye Pag 17

More magazines by this user
Similar magazines