04.09.2013 Views

Untitled

Untitled

Untitled

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

H E T<br />

WA ARE WEZEN<br />

VAN HET<br />

KRIS TENDOM,<br />

VOLGENS DE UITSPRAAKEN<br />

V A N<br />

JEZUS EN ZIJNE APOSTELEN,<br />

DOOR<br />

CORNELIUS ROGGE,<br />

LEERAAR DER REMONSTANTEN ,<br />

. T E B E R K . E L.<br />

Te R O T T E R D A M ,<br />

Bij J. M E IJ E R,<br />

17-9 4.<br />

«fïïONSTH-G£REF.GEMEE«TF<br />

S0TUROAM.


INLEIDING.<br />

W^as immer een onderwerp , voor ieder<br />

Kristen, van welk eene Godsdienffige huishouding<br />

, in deze eeuw gewigtig; het is dit: „ waar-<br />

„ in eigenlijk het waare wezen van het kris-<br />

„ tendom gelegen zij," eene eeuw, waarin<br />

de zon der verlichting zo veele edele waarheidsvrienden<br />

beftraalt, welke onvermoeide pogingen<br />

aanwenden, om de leere van Jezus van<br />

alle bijvoegzelen en toevalligheden te zuiveren<br />

• eene eeuw, waarin ligtzinnige en vermetele<br />

hervormers, weinig acht gevende op de<br />

vatbaarheid en behoeften van het gros des<br />

menschdoms, niet ichroomen, om zelfs het wezen<br />

dier leere aantetasten; om, langs dien weg,<br />

haar tot den willekeurigen peil hunner wijsbegeerte<br />

te vernederen; eene eeuw, waarin<br />

het helaas! ook geenzins ontbreekt aan zoodanigen,<br />

die, met een welmeenenden ijver, doch<br />

zonder verftand of oordeel, de oogmerken en<br />

A' 2 werk-


4<br />

INLEIDING.<br />

werkzaamheden der beide zoorten van hervornïeren,<br />

die hemelsbreed van eikanderen verfchillen,<br />

onderling verwarren, en iederen aanval op het<br />

fchadelijkst bijvoegzel, als eene regtftreekfche<br />

ondermijning van het ganfche wezen van het<br />

kristendom, befchouwen en uitkrijten. In welk<br />

een moeilijken en verdrietigen toeftand moeten<br />

deze onderfcheiden begrippen u brengen, die<br />

met lust tot onderzoek bezield zijt, en wien<br />

de waarheid, boven alles, dierbaar is; van de<br />

eene zijde, toont men de ongegrondheid eu<br />

verderflijkheid van zekere leertakken; men betuigt,<br />

op het plegtigfte, geene de minfte bedoeling<br />

te hebben, om het wezen van den Godsdienst<br />

van Jezus aantetasten, en verzekert u,<br />

dat het geen beftreeden wordt, hiertoe niet behoort.<br />

Dan, van een anderen kant, ziet gij<br />

die zelfde pogingen, als eene omkeering van<br />

den gantfchen kristelijken godsdienst, met de<br />

zwartfte kleuren , brandmerken. Gij word verlegen<br />

; uw gezond verftand ftemt voor het eer-<br />

fte; maar een zekere bijgelovige eerbied •<br />

voor het laatfte; en de uitkomst is, maar al<br />

te dikwijls, of, dat gij, wezen met toevalligheden<br />

verwarrende, de geheele leer verwerpt;<br />

of, van allen onderzoek der waarheid geheel<br />

en al word afgefchrikt. Intusfchen, wordt,<br />

meer dan eens, de vuurigfte wensch in ü verlevendigd;<br />

dat, om eens vooral uit dien doolhof<br />

te geraaken, het wezen van den Godsdienst<br />

van


INLEIDING. 5<br />

van Jezus nauwkeurig bepaald worde, ten einde<br />

zommige ieerftukken, met een gerust en bedaard<br />

gemoed, een vrij en, onbeneveld oog,<br />

van alle zijden te mogen befchouwen, en dezelven,<br />

volgens de uitfpraaken van uw hart en<br />

verftand, aantenemen, in twijfel te trekken, te<br />

verwerpen,'of, als uwer zorg en aandacht geheel<br />

onwaardig, onverfchillig ter zijde te ftellen. —<br />

Dan zó nuttig de oplosfing van dit gefchil,<br />

ten dezen aanzien, moge wezen: niet minder<br />

echter is dezelve, in andere opzigten, onontbeerlijk.<br />

Kent gij eens het waare wezen van het<br />

kristendom, dan zult gij u, met verwerping<br />

van alle onvrugtbaar en fchadelijk bijwerk, van<br />

alle ongodlijke en oudwijffche fabelen, alleen<br />

met de gezonde leer, met de waarheid, die naar<br />

de godzaligheid is, bezighouden: dan zult gij,<br />

hier van houd ik mij verzekerd, velen uwer<br />

mede-kristenen, die van u in Godsdienftige begrippen<br />

verfchillen, uit een ander oogpunt befchouwen<br />

, en, met grooter hartlijkheid, Broeders<br />

noemen , daar gij, in veele opzigten ,<br />

bemerkt, dat de fcheidsmuur, die u van elkandéren<br />

fcheidt, zeer gemaklijk kan weggebroken<br />

worden, zonder eens de grondflagen van het<br />

gebouw, de leer van Jezus, te roeren of te<br />

doen fchudden; dat veele gefchillen woorden,<br />

maar geene zaaken bijvoegfelen, maar geen<br />

wezen betreffen: dan, eindelijk, zal de Godsdienst<br />

van Jezus allengskens dierbaarer aan uw<br />

A 3 hart,


6 INLEIDING.<br />

hart, onontbeerlijker voor uw genoegen, en<br />

de vordering in kennis van denzelven eene behoefte<br />

voor uw verftand worden; naar maate<br />

gij, langs dezen weg, van deszelfs verhevene<br />

fchoonheid en onbereekenbaare weldaadigheid<br />

meer en meer overtuigd word.<br />

Ik heb dan, in deze verhandeling getracht,<br />

om mijne denkbeelden, wegens het ware wezen<br />

van het kiïstendom in eene geregelde orde te<br />

brengen; — iets, dat voor mij zeiven het uitftekendfte<br />

nut gebaard heeft; — ten einde mijne<br />

Landgenooten, wier zedelijke welvaart mij boven<br />

alles dierbaar is, omtrend deze allerbelangrijkfte<br />

zaak, eenig licht te verfchalfen.<br />

Zekerlijk, ik heb op mijn pad verfcheiden<br />

hinderpaalen, moeilijk ter wegruiming, aangetrolfen.<br />

Het N. T. te lezen, als of men het<br />

voor de eerftemaal las; bij iedere, zoogenaamde<br />

, bewijsplaats, voor dat oogenblik te vergeten,<br />

waartoe zij gebezigd wordt, om derzelver<br />

eigenaartige bewijskracht, onbevooroordeeld, te<br />

onderzoeken en te bepaalen; ja, zelfs alle godsdienftige<br />

kundigheden, die ons, dikwijls eer<br />

wij de gewijde fchriften kunnen lezen, reeds<br />

ingcfcherpt worden, uit zijne gedachten te wisfchen,<br />

om uit de eenige waare bron, als het<br />

ware, geheel nieuwe kundigheden te fcheppen:<br />

dat zulks een allermoeilijkfte taak is, zal niemand<br />

ontkennen, die immer zodanig een, onderzoek<br />

beproefd heeft, En nogthans vreesde<br />

ik,


I N L E I D I N G . 7<br />

ik, op eene andere wijze te werkgaande, de<br />

waarheid nimmer te zullen vinden, nimmer<br />

iets anders in de gewijde fchriften aantetreffen,<br />

dan mijne eigene, reeds aangenomene,<br />

gevoelens. Van een anderen kant, wordt zodanig<br />

een onderzoek niet weinig verzwaard,<br />

door de vermenging van bijzonderheden, die<br />

fommige perfoonen, tijden en plaatzen, —met<br />

waarheden, die alle perfoonen, tijden en<br />

plaatzen betreffen. De leerlingen van den Heiland,<br />

weet men, hebben geen geregeld zamenftel<br />

van de leer hunnes meesters nagelaten. Zij<br />

fchreeven, en lieten hem fpreken, naar aanleiding<br />

van zaaken en omftandigheden. Zij fchreeven<br />

en lieten hem fpreeken (konden en moesten<br />

zij wel anders?) op die wijze, als voor<br />

hunne hooreren en lezeren het verfraanbaarst<br />

was. Dan, juist dit maakt het voor ons, die,<br />

na omtrend achtien eeuwen, hunne fchriften<br />

lezen; die van veele gebruiken en vooroordeelen<br />

dier tijden geheel onkundig zijn, ten uiterften<br />

bezwaarlijk, alle die, overal verfpreide,<br />

(lukken bijeen te zamelen, van alle plaatslijke<br />

bijzonderheden aftefcheiden, ieder derzelven op<br />

zijne regte ftede te plaatzen, en dus een gebouw<br />

, de leer van Jezus, optetrekken, 't. welk<br />

voor alle eeuwen en menfchen gepast is.<br />

Vindt dan een nadenkend lezer, bij het doorbladeren<br />

van dit gefchrift, nu eens, iets ter onregter<br />

plaatze; dan eens, iets gebrekkig voor-<br />

A 4 gc-


$ INLEIDING.<br />

gefield; of vindt hij niet, het geen hij wenschte,<br />

en, misfchien, behoorde aantetreffen; ik<br />

durf van zijne edelmoedigheid en regtvaardigheid<br />

vertrouwen, dat de opgenoemde bezwaaren,<br />

voor zoo ver hij, bij eigen ondervinding,<br />

over derzelver gewigt, naauwkeurig weet te<br />

oordeelen, mij, bij hem, voor veele misdagen<br />

en gebreken , toegevendheid en verfchooning<br />

zullen doen vinden.<br />

EER-


EERSTE HOOFDSTUK.<br />

BEPAALING VAN HET WAARE WEZEN<br />

VAN HET KRISTENDOM.<br />

A F D E E L I N G I.<br />

Waarin bejlaat het waare wezen van het<br />

Kristendom ?<br />

Om aan deze vrage juist te beandwoorden,<br />

is het volftrekt nodig, vooraf een duidelijk be-<br />

"grip van haare beteekenis te geven. Met dit<br />

alles vrees ik, dat, in het denken ongeöeffen-<br />


io I. HOOFDST. BEPAALING VAN HET<br />

dan nog kunnen de gronden, in dit gedeelte<br />

vervat, u handleiding verfchaffen, (indien gij<br />

op dezelven wilt voortbouwen) om voor u zeiven<br />

een zamenftel van de leer van Jezus optemaakeu.<br />

Dan ter zaak. Wat beteekenen de woorden;<br />

liet wezen van het kristendom ? door kristendom<br />

verfta ik de leer van Jezus, in hare<br />

gantfche uitgeftrekiheid, zoo als zij door hem,<br />

en, na zijne hemelvaart, door de Apostelen verkondigd<br />

is geworden. Zonder iets over het gezag<br />

der Apostelen, ter verkondiging van leerftukken,<br />

' door Jezus niet gepredikt, te willen<br />

bepaalen, is dit echter zeker; dat in hunne gefchriften<br />

en predikingen veele. waarheden vervat<br />

zijn, die alle geloof verdienen, fchoon Jezus<br />

dezelven, (misfchien 0772 dat het zijne uure<br />

nog niet was) voor zoo veel wij weten, geheel<br />

niet, althans niet openlijk en uitdruklijk, geleerd<br />

heeft. Ook waren de Apostels, toen het<br />

plan der zending van Jezus geheel was afgeloopen,<br />

veel beter in ftaat, om veele leeringen in<br />

een, veel helderer, licht voorteftellen, dan voor<br />

en aleer dit plan zijn volkomen beflag hadt. —<br />

Geen boek derhalven, in de fchriften des N.<br />

T., welkers echtheid algemeen erkend is, is<br />

gewigtiger boven een ander, om te beflisfchen,<br />

wat leer van Jezus zij; uit allen, zonder onderfcheid,<br />

moeten wij dezelve nafpooren; onbetwistbare<br />

kenmerken moeten over de waarde<br />

van


WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. II<br />

van ieder bijzonder deel van dezelve vonnisfen;<br />

en kristendom is de leer van Jezus, met de op­<br />

helderingen en bijvoegzelen der Apostelen.<br />

Zie hier nu de bepaaling van het waare we­<br />

zen van het kristendom; dit wezen beftaat in,<br />

alle zodanige keringen, die in een onverbreek­<br />

baar verband tot eikanderen ftaan, tot de na­<br />

tuur der leer van Jezus geheel en onaffcheide-<br />

lijk behooren en met het hoofddoel van zijne<br />

zending volmaakt overeen flemmen. • Geene<br />

dier leeringen moet weggenomen kunnen wor­<br />

den, zonder de leer zelve te verbasteren, te<br />

verminken of wel te vernietigen. Tegen<br />

over het wezen ftaan toevalligheden, bijvoeg-<br />

zels, en wat des meer zij: dezen allen zijn van<br />

dien aart, dat, zij weggenomen zijnde, de leer<br />

in haar geheel blijft. Ter opheldering en<br />

ftaaving dezer bepaaling, zal ik den mensen<br />

tot een voorbeeld kiezen. Gij erkent met mij,<br />

als een bewezen zaak, dat de leer van Jezus<br />

even zo wel een gewrocht van God is, als ai het<br />

gefchapene, en, in 't bijzonder, de mensch.<br />

Even dezelfde kentekens van de wijze hand<br />

des makers moeten dan in bet eerfte, als in<br />

het laatfte, uitblinken. En wat doet ons de<br />

wijsheid des Scheppers, in al het gefchapene,<br />

boven alles in den mensch, wel het meeste be­<br />

wonderen ? Dit immers; dat alles, waaruit de •<br />

mensch is zamengefteld, tot zijne natuur on-<br />

affcheidelijk behoort. Kan men wel eeniglid,<br />

eenig


I£ I. HOOFDST. BEPAALÏNG VAN HET<br />

eenig vezeltje , in zijn gantsch werktuigelijk<br />

geftel aantoonen, dat overtollig en van zijne<br />

* i Kor. XII. natuur vreemd is * ? „ Indien de voet zeide,<br />

15—22. j ? dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van<br />

„ het ligchaam niet: is die daarom niet van het<br />

„ ligchaam? En indien het oor zeide, dewijl<br />

„ ik het oog niet ben, ben ik van het ligchaam<br />

„ niet, is het daarom niet'van het ligchaam?<br />

„ Ware het geheele ligchaam oog, waar zou<br />

„ het gehoor zijn? Ware het geheele ligchaam<br />

„ gehoor, waar zou de reuk zijn? Maar nu<br />

j, heeft God de leden gezet, een iegelijk van<br />

„ dezelve in het ligchaam, gelijk hij gewild<br />

,, heeft. Het oog kan niet zeggen tot de<br />

,, hand; ik heb u niet van nooden: of weder-<br />

„ om, het hoofd tot de voeten, ik heb ü niet<br />

„'van nooden. Ja, veeleer de leden, die ons<br />

„ dunken de zwakften des ligchaams te zijn,<br />

,, die zijn nodig." Hoe verwonderens-<br />

waardig is tevens dë wederkeerige werking van<br />

het eene lid op het andere! geen derzelven,<br />

dat niet in een onfchendbaar verband met an­<br />

deren ftaat; of dat weggenomen kan worden,<br />

zonder eenige belemmering aan de werking der<br />

f 1 Kor XII naast<br />

bijgelegene deelen toetebrengen f. ,, Het<br />

26. „ zij dat een lid lijdt, zo lijden alle leden me-<br />

„ de; het zij dat een lid verheerlijkt wordt,<br />

„ zo verblijden zich alle leden mede?"<br />

Is , eindelijk, alles, wat den mensch uitmaakt,<br />

niet volkomen gefchikt, om het doel, waartoe<br />

God


WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. 13<br />

God hem dus gefchapen heeft, te bereiken?<br />

Alles, en zijn zedelijk, en zijn werktuiglijk zamenftel,<br />

werkt hiertoe mede. Alle de werkingen<br />

van zijn geest en van zijn ligchaam lopen<br />

in dit eene punt zamen; het einde naamlijk,<br />

waartoe God hem gefchikt heeft. • Wilt gij<br />

dan nu, een duidelijk denkbeeld verkrijgen van<br />

het wezen eener zaak, van alle bijvoegzelen<br />

gezuiverd; en dus ook van het vezen van het<br />

kristendom: verbeeld u dan flegts een mensch,<br />

zo als hij komt uit de hand zijnes Scheppers.<br />

Alles wat gij ziet in hem, behoort tot zijn wezen;<br />

dit alles is volftrekt noodzaaklijk, opdat<br />

hij zodaanig een fchepzel zij, als hij in het<br />

rijk van Gods fchepzelen zijn moet; beroof<br />

hem van eenig deel, hand, voet of oog, en gij<br />

hebt een verminkt, — geen regtfchapen mensch<br />

meer; voeg, in uwe verbeelding, kleur, grootheid<br />

of kleeding bij dit beeld; gij verandert<br />

echter niets in zijn wezen. Hij blijft hetzelfde,<br />

een mensch, of gij hem blank of zwart,<br />

naakt of gekleed,, groot of klein, u voorftelt.<br />

Al dit laatfte behoort dan tot de toevalligheden,<br />

die tot zijn wezen, noch toe- noch afdoen.<br />

Even zodanig een denkbeeld moet<br />

gij u van het wezen van het kristendom vormen;<br />

alle deszelfs deelen moeten even eens op<br />

eikanderen werken, even eens tot deszelfs natuur<br />

behooren, even eens zamenftemmen, om<br />

deszelfs groot doel te helpen bereiken.<br />

Wilt


14 I. HOOFDST. BEPAALING VAN HET<br />

Wilt gij een overtuigend bewijs, dat dit zo<br />

zijn moet, herinner u dan flegts, dat de kris -<br />

telijke openbaring zo wel een werk van God is,<br />

als de mensch: herinner u flegts , dat .geen kunftenaar<br />

in zijn vak vermaard, immer iets voortbrengt,<br />

of het draagt zodanige merkteekenen<br />

van zijne meesterlijke hand, dat ieder kunftkenner,<br />

dikwijls zonder naamteekening gezien te<br />

hebben, kan bepaalen, wie de maaker van het<br />

werk zij. Even eens voeren alle'de gewrochten<br />

van Gods hand de duidelijkfle en verbaazendfte<br />

blijken van zijne, alle menschlijke kunst<br />

en wetenfchap overtreffende, wijsheid. — God<br />

zag eens al wat hij gemaakt hadt, en het was<br />

zeer goed.<br />

A F D E E L I N G II.<br />

De natuur en het oogmerk der leer van Jezus.<br />

Niets blijft er derhalven thans overig, ter<br />

verkrijging van een volledig denkbeeld van het<br />

wezen van het kristendom, dan deszelfs natuur<br />

en hoofdbedoeling juist te kennen. Gemaklijk<br />

begrijpt gij , vriend der waarheid, dat , van<br />

deze kennis verfteken, al het bijgebragte weinig<br />

voldoen zou, om de voorgeftelde vrage te<br />

beandwoorden. Dan, om u geenzins , ten voordeele<br />

der leer van Jezus voor in te nemen, zullen<br />

wij vooraf onderzoeken, welke de natuur<br />

en


WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. 15<br />

en het oogmerk eener Godlijke en, voor alle<br />

menfchen, van alle tijden en landen, gefchikte<br />

openbaaring zijn moeten. Dat de leer<br />

van Jezus zodanig eene openbaring vervat, onderftelien<br />

wij thans, als erkend en aangenomen.<br />

Vervolgens zullen wij zien, of het<br />

geen Jefus en zijne Apostelen, wegens de natuur<br />

en het hoofdoogmerk hunner leer, voordragen,<br />

hiermede overeenftemme.<br />

§• 1.<br />

De natuur en het oogmerk eener Godlijke en<br />

algemeene openbaaring.<br />

De natuur en het oogmerk eener zodanige<br />

openbaring moeten beiden hiertoe ftrekken, om<br />

den mensch waarlijk gelukkig te maken en in<br />

zedelijke volkomenheid geftadig te doen toenemen.<br />

Alles, wat zij vervat en beoogt, moet<br />

hierin, als in een punt, zamen loopen. Alles,<br />

wat hiermede geen gemeenfchap heeft, behoort<br />

noch tot haar natuur, noch tot haar groot doel.<br />

Laten wij hier weder, op denzelfden grondflag,<br />

als bij de voorgaande bepaalingen, bouwen. —<br />

Hoe weinig gij ook in de kennis van de natuur<br />

en het zamenftel van Gods fchepzelen<br />

moogt ervaren zijn, zo veel zult gij toch, bij<br />

eigen onderzoek, of, op verzekering van des<br />

kundigen, gelooven, dat het groote doel van<br />

den


16 I. HOOFDST. BEPAALING VAN HET<br />

den Alwijzen, in het gantfche rijk zijner fchepping,<br />

zij; geluk en vreugde te verfpreiden, en<br />

ieder fchepzel de hoogstmooglijke volmaaktheid,<br />

waar voor het vatbaar is, te fchenken.<br />

Daarom bewonderen wij, te regt, wanneer wij<br />

met de noodige hulpmiddelen ter befchouwing<br />

gewapend zijn, zelfs in de kleinfte, en, voor<br />

het bloote oog bijna onzigtbare, infecten, de<br />

orde, de gepastheid, de volkomenheid van alle<br />

hunne deelen. Geen gevoelig wezen, of het<br />

bezit alles, wat het behoeft, om de aangewezen<br />

plaats, in den rang van Gods fchepzelen,<br />

te bekleeden, • alles, wat het behoeft, om<br />

in zijn kring, al dat geluk en genoegen te genieten<br />

, voor welke het vatbaar is; over allen<br />

is Gods vaderzorg in gelijke maate uitgebreid.<br />

* Matth. vi. Zegt Jefus niet *? „ Aanziet de vogelen des<br />

2 Ó<br />

' „ hemels; zij zaaijen niet, zij maaijen niet,<br />

„ noch verzamelen in de fchuuren, en uwe he-<br />

„ melfche Vader voedt nogthans dezelve." —<br />

,, Zelfs geen muschje kan, zonder zijn wil,<br />

,, op de aarde vallen." Maar nu, zou de mensch,<br />

het pronkftuk van Gods handen, de Heer der<br />

fchepping, die flegts een weinig minder dan de<br />

Engelen gemaakt, met eer en heerlijkheid bekroond,<br />

en tot heerfcher over Gods werken<br />

gefleld is, minder een voorwerp van zorg voor<br />

de opperfte liefde wezen? zou God hem mede<br />

niet tot het genot van dat geluk en tot dien trap<br />

van volkomenheid, waarvoor hij vatbaar is, beftemd


WAARE WEZEN VAN HÉT KRISTENÜOM. if<br />

fteaad hebben; en hem niet tevens alle aanleg<br />

ding verfchaffen, om zijne beftemming te bereiken?<br />

Ja gewisfelijk, ook de mensen moet<br />

nog eens dat genoegen - fmaken, en die volkomenheid<br />

erlangen, waartoe zijne gantfche natuur<br />

is aangelegd. Hoe veel te.meer nog<br />

worden wij genoopt, om zulks te vermoeden,<br />

daar de mensch, even juist daardoor, dér Godheid<br />

gelijkvormiger wordt, naar maate hij gefchikter<br />

is, om waar geluk te genieten, en ia<br />

zedelijke volkomenheid toetenemen. 's Menfchen<br />

geluk beftaat toch geenzins in de voldoening<br />

zijner zinlijke driften; dit is een dierlijk<br />

geluk; maar in de bewustheid van het bezitj<br />

en de vrijheid der uitoefening en te werkftel-<br />

ling van dffuitfïekendfte vermogens. Zijne<br />

volmaaktheid is niet alleen gelegen in de gepastheid.'én<br />

geregelde werking van alle de deelen*<br />

afijnes werktuiglijken geflels, maar ook, en<br />

wel inzonderheid ^ in eène juiste zamenftemming<br />

tot een zelfde doel, een net evenwigt, en zodanig<br />

een gebruik van zijne natuurlijke vermogens<br />

en ingefchapene neigingen, als met betoogmerk<br />

van den Schepper overeenftemt. En<br />

wat is Gods gelukzaligheid, voor zoo veel wij f<br />

kortzigtige fchepzels , van dezelve iets kunnen<br />

weten; dan de bewustheid van de aanbid^<br />

delijkfte volmaaktheden te bezitten, en het on*<br />

bepaald vermogen en de onafhanglijke vrijheid,<br />

Van dezelve te kunnen bezigen? wat is zijne<br />

B foi-


i3 I. HOOFDST. BEPAALING VAN HET<br />

volmaaktheid, dan de vereeniging van de zui­<br />

verde zedelijke goedheid en eene onbegrensde<br />

magt, met de hoogfte wijsheid en de uitge-<br />

breidfte weldadigheid? Nog eens dan,<br />

men kan van Gods volmaakte liefde tot alle zijne<br />

fchepzelen, van zijne zucht , om ieder derzel-<br />

ven aan zijne beftemming te doen beandwoor-<br />

den, niet anders vooronderftellen, dan dat hij<br />

ook den' mensch alle genoegzame aanleidingen,<br />

om tot het doel zijner fchepping te geraaken,<br />

zal verfchaffen. Maar behoeft hij dan juist<br />

eene openbaaring, om dit doel te bereiken?<br />

Voorzeker. Men verfta dit echter niet,<br />

in dien zin, als of er buiten dezelve, geen<br />

waar genoegen , geene regte deugd mogelijk<br />

ware; dit misverftand zou ons 'misfchien ver­<br />

leiden , en tot een zeer liefdeloos oordeel over<br />

het grootfle deel van het menschdom, welk<br />

van eene Godlijke openbaring verfleken is; en<br />

tot eene vermeetele beflisfching, als of de God­<br />

heid verplicht ware, zich aan alle menfchen te<br />

openbaaren, en dus het grootfte deel derzelven<br />

verongelijkt hadde. Om hierin de veiligfte mid­<br />

delweg te houden, kunnen wij dit, ten zeke­<br />

ren regel, aannemen, dat, bij ieder genot van<br />

waar genoegen , bij iedere beoeffening eener<br />

deugd, onze vatbaarheid voor beiden toeneemt,<br />

en gevolglijk, dat zij, die, naar onze meening,<br />

het minfte zedelijk geluk fmaken, ook de min-<br />

fte vatbaarheid voor zedelijk geluk bezitten. Zij<br />

kun-


WAARE WEZEN VAN HET KRISTEN DOM. f j|<br />

Kunnen dan ook gelukkig zijn, maar ieder in<br />

zijn kring. Niet te min blijft het zeker,<br />

dat de mensch, om den hoogstmogelijken trap<br />

Van vatbaarheid voor geluk en Volmaaktheid te<br />

beklimmen , eene Godlijke openbaring nodig<br />

heeft. Immers, dit onderfcheidt den mensch vart<br />

het redenloos gedierte, dat hij, veel trager,<br />

dan hetzelve, de hoogst-nodige kundigheden er­<br />

langt, om zijn beftaan op deze aarde te doen<br />

voortduuren, zich voor onheilen te bewaaren,<br />

en zich voor vijanden te befchermen; dat hij<br />

die kundigheden, niet door zekere natuurdrift^<br />

maar, langs den langen en moeilijken weg van<br />

onderwijs, ondervinding en nadenken, verkrijgt;<br />

en eindelijk, dat hij geenzins gefchikt is, gelijk'<br />

het vee, om op de eens bereikte, hoogte, tot<br />

het einde van zijn leven, te blijven ffilftaan;<br />

maar, om in dat geene, waarop hij zich dan<br />

ook toelegt, geftadig te vorderen. Geene<br />

kunst of wetënfchap is er nog, waarvan de<br />

grenzen, die de mensch niet kan overftappen,<br />

bepaald zijn, geen trap van vordering s<br />

boven welken het voor den mensch onmoge­<br />

lijk is, een hoogeren te beklimmen. Hier<br />

üit volgt dan, dat hij, wiï hij flegts den laag-<br />

ften trap van vordering bereiken 4 reeds eene ><br />

Opvoeding van menfchen behoeft; en zöu hij<br />

dan, om den hoogften top te beklimmen, niet<br />

eene Godlijke opvoeding, eene openbaa­<br />

ring behoeven ? Neem nu dit alles eens bij<br />

B * el-


üo I. HOOFDST. BEPAALING VAN HET<br />

eikanderen; van de eene zijde, Gods onveranderlijke<br />

gezindheid, om den mensch te helpen,<br />

in het bereiken der oogmerken zijner fchepping;<br />

van een .anderen kant, 's menfchen behoeften<br />

van. zodanig eene aanleiding en onderfteuning:<br />

overtuigt,dit u niet, dat, wanneer eene openbaaring<br />

van God, „ den Vader der lichten,<br />

de bron , van alle volmakende zegeningen,"<br />

komt,, die de bekendmaaking van eenige beveelen<br />

aan, en van eenige fchikkingen omtrent het<br />

menschdom , van alle tijden en landen, behelst;<br />

dat deze openbaaring, in haare natuur<br />

en hoofdbedoeling , moet (trekken, om den<br />

mensch gelukkiger en deugdzaamer te maaken ?<br />

. .' , 2. •<br />

De natuur en het hoofdoogmerk der kristelijke<br />

openbaaring.<br />

Maar nu, is dit ook de natuur en het hoofdoogmerk<br />

van den Godsdienst van Jezus? Verheug<br />

u, mijn broeder, over uw geluk, van<br />

kristen te heeten. Ja, dit is de natuur en<br />

het hoofdoogmerk van het kristendom.<br />

Laaten wij nu eerst hooren, wat J. en zijne<br />

Apostels zeiven, wegens de natuur en het doel<br />

hunner leer en zending getuigen. Het volgende<br />

van dit gefchrift moet u doen zien , of zij<br />

hierin aan hunne beloften hebben beandwoord<br />

en de waarheid gefprooken.<br />

De


WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. 21<br />

De Natuur der leer van Jezus.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XI. 2S—30. „ Komt herwaarts<br />

tot mij, gij allen die vermoeid, en belast<br />

zijt, en ik zal u rust geven, neemt mijn jok<br />

op u en leert van mij, * dat ik zachtmoedig * Beter, om<br />

ben en nedrig van hart, en gij zult rust vin- da{<br />

><br />

den voor uw ziel, want mijn jok is zacht, en<br />

mijn last is licht."<br />

JOHANNES Evang. IV. 13. env. „ Zo wie<br />

gedronken zal hebben van het water, dat ik<br />

hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorften;<br />

maar dit water, zal in hem worden<br />

eene fontein van water, fpringendc tot in het<br />

eeuwige leven."<br />

'De Apostels.<br />

P A u L u s. f Een om-<br />

fchrijving van<br />

D E L E E R V A N<br />

Br. aan de Rom. VIII. 2. f „ De wet des gees- J E<br />

"<br />

tes des levens in Kristus Jezus heeft mij vrij ge- ** be gezindmaakt<br />

van de wet der zonde en des doods." keden, die de<br />

6<br />

- h d<br />

- ** 55 Het bedenken des ^rweTtfwer-<br />

Geestes is het leven en de vrede." ken genoegen<br />

:<br />

XIV<br />

- * '«mnhmng. \ n<br />

f£L* en<br />

rijk van God is met fpijs en drank, maar § y*n de leer<br />

regtvaardigheid vrede en blijdfchap door den l at<br />

L '^ z<br />

" s<br />

-<br />

„ ... • _ „ 1<br />

§ Deiivd en<br />

Heiligen Geest." geest lijk ge-<br />

B 3 Eer- luk<br />

' '


«2 I. HOOFDST. BEPAALING VAN HET<br />

Eerfle Br. aan de Kor. I, 30. 1. d. — -<br />

„ Kristus Jezus, die öns geworden is wijsheid<br />

van God, regtvaardigheid, heiligmaking en ver-<br />

losfing."<br />

Br. aan de Eph. IV. 20—24. •>•> Doch gij hebt<br />

* Maar indien Kristus alzo niet geleerd, * indien gij maar<br />

foord "'"heft', ^ m<br />

ê e<br />

^°ort tobt en door hem geleerd zijt. (Ge-<br />

dan zijt gij lijk de waarheid in Jezus is) te weten dat gij<br />

fifvif^fom<br />

Z O n d a f l e<br />

e t l<br />

S§<br />

t aangaande de vorige wande-<br />

geleerd. ling) den ouden mensch die verdorven wordt,<br />

t eigens de door de begeerlijkheid der verleiding, en dat<br />

vorige wande- .. ' ,<br />

liug. §U zoudt vernieuwd worden in den Geest uwes<br />

gemoed?. En den nieuweja mensch aandoen,<br />

die naar God gefchapen is, in waare regtvaar­<br />

digheid en heiligheid."<br />

P E T R U S.<br />

Tweede Br. I. 3, 4. —— Zijne Godlijke<br />

kracht heeft ons alles gefchonken, wat tot het<br />

leven en de godzaligheid behoort , door de<br />

s<br />

* De kennis ** kennis des geenen, die ons geroepen heeft,<br />

van Jezus'.**<br />

t o t h e e r l<br />

k n e i d e n<br />

'j<br />

deugd, door welken (God<br />

en Kristus) ons de grootfte en dierbare belof­<br />

ten zijn gefchonken, op dat gij door dezelven,<br />

ff Evenveel- ff der Godlijke natuur deelachtig zoudt worden,<br />

n a<br />

%Hd% ze°dêd<br />

a t g i j o n t v , o d e n<br />

'<br />

1 h e t<br />

zij' verderf, dat in de<br />

lijke volko- waereld is, door de begeerlijkheid."<br />

menhcid. Men zie verder Rom. I. 16. VIII. 1. XII. 1.<br />

1 Kor. VIII. 19. Gal. V. 6. VI. 15,16. Eph.<br />

V. 9. 2 Tim. II. 19. Tit. II. 11,12,15. e. d.)<br />

Het


WAARE WEZfiN VAN HET KRISTENDOM. 23<br />

Het hoofdoogmerk van de komst en leer<br />

van Jezus.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. V. 17. „ Meent niet dat<br />

H e t<br />

ik gekomen ben, om * de wet en de Prophe- * zetoiij.<br />

ten te ontbinden ik ben niet gekomen om die meen^ve'pfïg.<br />

te ontbinden, maar f te vervullen." tendèvan den<br />

LUCAS Evang. IX. 56. „ De Zoon des men- ?"f'*«<br />

c , Godsdienst te<br />

lenen is niet gekomen, om der menfehen ziel vernietigen.<br />

te verderven, maar om te behouden." t Aanvullen,<br />

JOANNES III. 16. „ Zo lief heeft God<br />

de waereld gehad, dat hij zijn eeniggebooren<br />

Zoon heeft gezonden, op dat ieder, die in hem<br />

gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven<br />

hebbe."<br />

(Zie Matth. XVIII. n. Luc. IV. 17, 18, 21.<br />

Joan. XII. 47.)<br />

Be Apostels.<br />

P E T R U S .<br />

y o l m a a k t n<br />

^<br />

LUCAS Hand.IU.z6. „God, opgewekt hebbende<br />

zijn kind Jezus, heeft denzelven eerst<br />

tot u gezonden, op dat hij u lieden ** zegenen ** Gelukkig<br />

zoude, daarin, dat hij een iegelijk (van u) af- maaien.<br />

keere van uwe boosheden."<br />

E 4 PAU-


»4 I» HOOJDST. BEPAALING VAN HET<br />

B A u L u s.<br />

Eerjle Br. aan de Thesf. V. 9. „ God heeft<br />

pns niet gefield tot toorn, maar tot verkrijging<br />

der zaligheid door onzen Heer Jezus Kristus."•<br />

Eer He Br. aan Tim. I. 15. „ Dit is een getrouw<br />

woord, en aller aanneming waardig, dat<br />

Jezus Kristus in de waereld gekomen is om zondaars<br />

zalig te maken."<br />

— ]j, ^ 5 j (God) wil, dat<br />

fDci-kervat! alle menfchen zalig worden, en tot kennisfe *<br />

yezus. (i gj. waürheid komen."<br />

J O A N N E S,<br />

Eerjle Br. III. 8. 1. d. „ Hiertoe is de Zoon<br />

t De 9011de van God geopenbaard, op dat hij f de werken<br />

wegnemen ^ gs duivels verbreken zoude."<br />

ver gek j'S, 5.<br />

IV. o. „ Hierin is de liefde, van<br />

God tegen ons geopenbaart, dat God zijn eenigr<br />

gebooren Zoon heeft gezonden in de waereld,<br />

** Gelukkig op dat wij zouden ** leven door hem."<br />

leven. ( Zie R m L Xxy<br />

L ^<br />

Weinig zal ik bij deze plaatzen behoeven te<br />

voegen: zij zijn alle duidelijk, en voor het geringst<br />

verfland bevatlijk.' Eenflemmig komen<br />

zij alle hierop neer, dat de natuur en het groot<br />

oogmerk van den Godsdienst van Jezus alleen<br />

hierin beflaan, alleen hierop uitloopen,;<br />

den


WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. 25<br />

den mensch zalig te maken, het eeuwig leven<br />

te fchenken, zijn vrede en genoegen, te bevorderen,<br />

hem tot een gelijkvormigheid met den<br />

Allerheiligften opteleiden. En dus met andere<br />

woorden, hem zedelijk gelukkig te maken, en<br />

in zedelijke volkomenheid onafgebroken te doen<br />

toenemen»<br />

A F D E E L I N G III.<br />

Bepaaling van de kenmerken dier leeringen,<br />

welken tot het wezen van het Kristendom<br />

behoor en.<br />

Thans weten wij, waarin het wezen eener<br />

Godlijke, en, voor alle menfchen gefchikte,<br />

openbaaring beftaan moet: Jezus en zijne Apostels<br />

verklaaren hunne leer als zodanig, en verzekeren,<br />

dat juist hierin haar wezen is gelegen.<br />

Zullen wij, niet alleen van de waarheid<br />

dier verzekering overtuigd worden, maar ook —<br />

en dit is voor ons het gewigtigst het wezen<br />

van hun Godsdienst volkomen leeren kennen,<br />

dan moeten wij dien Godsdienst zei ven<br />

nauwkeurig onderzoeken.<br />

Intusfchen, wordt zodanig een onderzoek niet<br />

•weinig verzwaard, wanneer wij de gewijde<br />

fchriften doorlezende, zo veel in dezelven aantreffen<br />

, welk tot het wezen der leer van Jezus<br />

volftrekt niet behoort, en dat die waarheden,<br />

B 5 wek


aó I. HOOEDST. BEPAALING VAN HET<br />

welken hetzelve aangaan, met vele toevalligheden<br />

vermengd zijn. Sla het N. T. open; gij<br />

vind leerftukken , gefchiedenisfen, wonderen,<br />

raadgevingen en Goddelijke bevelen, onder elkanderen.<br />

En hoe kunt gij iets anders in gefchiedverhaalen<br />

en gelegenheidsbrieven verwachten?<br />

behalven dat nog, vind gij veel, dat niet<br />

ons, maar alleen de menfchen van die eeuw betreft<br />

, en op hunne denkwijze, hunne vooroordeelen<br />

en bijzondere plaatslijke omltandigheden<br />

gegrond is. Hoe veele ongerijmde leeringen,<br />

gefchillen en verwarringen heeft het niet onderfcheiden<br />

van dit plaatslijke van het algemeene;<br />

dit toevallige van het wezenlijke; de leerwijze<br />

van de geloofsleer zelve, in de kristenheid<br />

gebaard? Zonder een zekeren en getrouwen<br />

gids, zullen wij, bij zoo veele kronkel-<br />

en bijpaden, nimmer den regten weg vinden.<br />

En dien gids ontmoeten wij in onze be»<br />

paaling van het wezen van den kristelijken<br />

Godsdienst, dezelve leert ons de onbedrieglijkfle<br />

kenmerken, waardoor wij alles, wat tot het<br />

wezen gebragt moet worden, kunnen onderfcheiden<br />

en van het toevallige afzonderen.<br />

De leeringen van Jezus en van zijne Apostelen<br />

zijn dan, of geloofs-, of zedeleeringen. —<br />

Zekerlijk, men kan en moet de wonderen en<br />

wonderbaare lotgevallen van den Heilland, zo<br />

wel na als voor zijn dood, als geloofswaarheden<br />

befchouwen; maar zij zijn eigenlijk de gron- .<br />

den,


WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. 2?<br />

den, waarop de Godlijkheid der zending en<br />

leer van Jezus rust, de bewijzen voor de zekerheid<br />

zijner beloften en, in zekere opzigten,<br />

de gefchiedenis der openbaaring; dan leeringen<br />

zeiven zijn zij niet. Daar wij ons voorgefteld<br />

hebben, alleen het wezen der leer van<br />

Jezus natefpooren, en niet hare Godlijkheid te<br />

bewijzen, kunnen zij geenzins in ons plan treden.<br />

Herinneren wij ons hier nu'de be-<br />

paaling van het wezen van het kristendom, en<br />

tevens alles, wat wij wegens de natuur en het<br />

groot oogmerk der leer van Jezus zoo even ter<br />

nedergefteld hebben. Volgens die bepaalingen<br />

dan moeten wij de kenmerken der geloofs- en<br />

zedeleer opmaken, zullen dezen zodanig zijn,<br />

dat zij het wezen van het kristendom uitleveren.<br />

Zeer natuurlijk bepaalen zich deze kenmerken<br />

eerst tot de wijze van voordragt, en daar<br />

na tot den inhoud.<br />

Zeer veel ligt ons aan de wijze van voordragt<br />

gelegen. Hieruit moeten wij gedeeltelijk opmaken,<br />

of eene zekere kering wel voor ons<br />

gefchikt zij, en tot het wezen van het kristendom<br />

behoore. De kenmerken die zulks beflisfchen,<br />

moeten op onze bepaaling gegrond zijn. —<br />

Eene openbaaring dan, voor alle menfchen gefchikt,<br />

moet vooreerst, duidelijk en verftaanbaar<br />

fpreken, in haare wezenlijke leeringen; en<br />

Wel zoo, dat ongeoelfenden en onkundigen haar<br />

kun-


s8 I. HOOFDST. BEI'AALING VAN HET<br />

kunnen begrijpen. Wij beöogen hier bepaald<br />

de voordragt, en geenzins den inhoud der leering;<br />

de bevatlijkfte waarheid kan in zodanige<br />

duistere bewoordingen omkleed worden , dat<br />

het fchranderst vernuft moeite heeft, om iets<br />

van dezelve te verdaan. Daar tegen is het<br />

mogelijk, waarheden, die boven het gemeene<br />

begrip gaan, in zulke klaare uitdrukkingen voorteftellen,<br />

dat ieder ongeöeffende, flegts eene<br />

geringe maate van gezond verdand bezittende,<br />

althans zoo veel van dezelven begrijpt, als hij<br />

tot zijn troost, zijne opbeuring en aanfpooring<br />

behoeft. Dat God een geest is, wordt ons in<br />

de duidelijkfte voordragt geleerd: maar hoe veelen<br />

hebben een klaar denkbeeld, wat een geest<br />

zij? Hoe veelen kunnen zich God als zodanig<br />

voordellen? Zeer weinigen. Nogthans gelooven<br />

wij deeze waarheid, die zoo veele andere<br />

Godlijke eigenfchappen influit, en zij is<br />

de grondflag van een eerdienst, welke alleen<br />

den Schepper van hemel en aarde waardig is. —<br />

Na deze verklaaring, wegens de natuur der duidelijkheid,<br />

die wij, ten aanzien der voordragt,<br />

vorderen, behoef ik niets meer hier bij te voegen,<br />

om haare noodzaaklijkheid te betoogen.<br />

Niemand toch zal betwisten, dat de opperde<br />

wijsheid, tot den mensch fprekende, om hem<br />

de gewigtigde zaken te leeren kennen, ook zodanige<br />

taal zal bezigen, als hij kan verdaan.<br />

Zonder duidelijkheid in de voordragt der lee*-<br />

rin»


WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. 29<br />

ringen, kan er noch verftandig geloof, noch<br />

waare gehoorzaamheid plaats hebben.<br />

Een Godlijk afgezant moet ook bejlisfchend<br />

fpreeken. Dit voegt juist aan zijn karacter.<br />

Niets twijfelachtigs, niets onzekers moet men<br />

in zijne voordragt eener wezenlijke leering aantreffen.<br />

Zijne voordragt moet den hoorer of<br />

lezer in ftaat ftellen, om te befluiten, dat het<br />

geen hij bevestigt, geloofd het geen hij<br />

beveelt, betracht moet worden. Betoogt hij,<br />

dan geeft hij dikwijls plaats aan bedenkingen,'<br />

tegenwerpingen en vitterijen; en de uitkomst<br />

is meestal onzekerheid en twijfeling. En wat<br />

behoeft hij betoog? Zijne leer is de uitfpraak<br />

van God zeiven — de uitfpraak der volmaaktde<br />

wijsheid. Ieder fchepzel moet zich aan de<br />

uitfpraak van God onbepaald onderwerpen: ieder<br />

mensch, van gezond verfland, moet het<br />

Gode waardige dier uitfpraak, ook zonder betoog,<br />

kunnen ontdekken. Wanneer derhalvcn<br />

een Godlijk afgezant zegt: „ dit is waarheid,<br />

„ die dit gelooft, zal zalig worden; doet dit,<br />

„ en gij zult leven;" is het geen hij- verkondigt<br />

, ten aanzien der voordragt, tot het wezen<br />

zijner leer volflrekt behoorende: het is iets, tot<br />

welkers openbaaring hij van God is gezonden,<br />

Eindelijk; het kenmerk eener wezenlijke leering<br />

is eenflemmigheid in de voordragt. Het<br />

N. T. ziet gij, is door meer,, dan een leerling<br />

van Jezus, befchreven; maar alle de fchrijvers<br />

heb-


30 I. HOOFDST. BEPAALING VAN HET<br />

hebben toch zijne leer zuiver en onvervalscht<br />

van hem ontvangen: niemand hunner heeft zich<br />

kunnen vergisfen in dat geen, wat leer van Jezus<br />

is'. Wat meer is, zij zijn door hem Verordend,<br />

om zijne leer aan de nakomelingfchap<br />

overteleveren. Hoe zeer dan ook ieder hunner<br />

in ftijl, uitdrukking en betoogwijze van den<br />

anderen verfchille; ftrijdigheid in de voordragt<br />

eener wezenlijke leering van den Godsdienst<br />

van Jezus kan tusfchen hen geen plaats hebben.<br />

Vindt men echter dezelve, dan behoort<br />

de betwiste zaak geenzins tot het wezen vart<br />

het kristendom, maar tot bijvoegzelen, omtrent<br />

welken zij oordeelden, vrijlijk te mogen gevoelen,<br />

wat zij best keurden. Dan, in dit ftuk<br />

kunnen wij niet genoeg alle mogelijke behoedzaamheid<br />

en hefcheidenheid aanprijzen: u niet<br />

genoeg vermaanen, om bij iedere ftrijdigheid,<br />

die gij meent te vinden, liever te twijfelen, uw'<br />

oordeel optefchorten en de betwiste zaak naauwkeurig<br />

en onzijdig te onderzoeken; dan dezelve<br />

terftond op de lijst der bijvoegzelen te zetten.<br />

'• Schoon dan iedere wezenlijke leering<br />

Van het kristendom juist niet, door iederefl<br />

fchrijver Van het N. T. behoeft bevestigd te<br />

worden, dit is nogthans een volftrekt vereischte<br />

van dezelve, dat allen, ondanks het onderfcheid<br />

van fchrijfftijl, in hunne verklaaringert<br />

wegens dezelve zaaklijk oVereenftemmen.<br />

De kenmerken, die den inhoud eener wezen-<br />

lij-


WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. 3!<br />

ïijke leering van het kristendom betreffen, zijn<br />

mede even zeer op onze bovengemaakte bepaalingen<br />

gegrond. Zal het kristendom voor<br />

alle menfchen van alle tijden en plaatfen gefchikt<br />

zijn; dan is het eerjle kenmerk eener leering,<br />

wat den inhoud aanga, Algemeenheid. De<br />

waarheid, of het bevel, dat zij vervat, moet<br />

op alle tijden en landen, en voor alle menfchen,<br />

van wat taal of volk, toepasfelijk zijn.<br />

Het tegendeel hiervan is iedere waarheid, ieder<br />

voorfchrift, dat maar, voor zekere tijden, en<br />

onder zekere bijkomende omftandigheden, nuttig<br />

is. Dus kan het gebod van de onthouding<br />

van het verflikte en afgoden offer, fchoon Apostolisch<br />

en op gezag van den H. Geest gegeven,<br />

ons geenzins betreffen; dewijl het alleen iïrekte,<br />

op dat de Heidenen de Jooden, van dien<br />

tijd, door eene te groote vrijheid van zeden,<br />

niet zouden ergeren.<br />

Beflaat het wezen van het kristendom in zodanige<br />

leeringen, die onaffcheidelijk met eikanderen<br />

verbonden zijn, en op eikanderen werken,<br />

dan moeten de geloofs- en zedeleer, ten<br />

naauwflen, aan eikanderen verknogt zijn, en<br />

een regtflreekfchen wederkeerigen invloed op<br />

eikanderen hebben. Dien famenhang flel ik tot<br />

het tweede kenmerk der leeringen, die tot het<br />

wezen behooren. Alle gelooofswaarheden moeten<br />

derhalven, als een keten, aan eikanderen<br />

hangen, en uit eikanderen voortvloeijen: 'zo<br />

ook


$a L HOOFDST; BEPAALING VAN HET<br />

ook onderling de voorfchriften: en beiden moe-s<br />

ten met eikanderen zo naauw verbonden zijn,<br />

dat zij flegts een groot geheel uitmaaken. De<br />

eerflen moeten dan ten grondflage verftrekken,<br />

waarop: de laatften gebouwd worden; en tot beginzelen,<br />

waaruit dezen voorrvloeijen. Eene<br />

geloofswaarheid 4 geen regtftreekfcben invloed op<br />

de betrachting hebbende, zou alleen een voorwerp<br />

van ijdele nieuwsgierigheid, van onvruchtbare<br />

• befpiegelingen, en haare openbaaring der<br />

opperfte wijsheid onwaardig zijn. —^- Zal de<br />

voorflelling, dat .God, met zijn wezen, overal<br />

tegenwoordig is, wel de deugd krachtdadiger<br />

bevorderen, dan het denkbeeld van Gods nabijheid<br />

, alleen ten aanzien zijner kennis, magt,<br />

wijsheid en liefde? Een zedelijk voorfchrift,<br />

door geene geloofswaarheid aangedrongen<br />

, noch op dezelve gegrond, , wordt een<br />

willekeurig bevel. Zodanig zou voor ons, die<br />

andere gewesten bewoonen, onder andere omftandigheden<br />

leeven, dan de eerfle belijders van<br />

het kristendom, het gebod zijn, om ons van<br />

het verflikte te onthouden. Die redelijke en<br />

verftandige wezens wetten voorfchrijft, moet<br />

ook gronden verfchaffen, waarop zij hunne gehoorzaamheid<br />

kunnen bouwen.<br />

Zeer natuurlijk vloeit hieruit voort, en is met<br />

het gezegde onaffcheidelijk verbonden de overeen/lemming<br />

van ieder deel der leer met het geheel.<br />

Dit zou men als een derde kenmerk kuni<br />

' hen


WAAR.E WEZEN VAN HET KRISTENDOM* gj<br />

ïien befchouwen. Vertoont ons het geheele za-<br />

menftel God, als de volmaak tfte liefde, darl<br />

kan geen bijzonder Ieerftuk van hetzelve ons<br />

eene wreede en wraakgierige Godheid prediken.<br />

Zodanig eene ftrijdigheid zou allen wederkeert<br />

gen invloed der leeringen op eikanderen ver-'<br />

ftooren, en de banden, waarmede zij zamen<br />

verknocht zijn, verbreeken. Zodanig eene ftrij­<br />

digheid zou ons verwarren en onzeker maken,<br />

wat te gelooven J wat te gehoorzamen. Zoda­<br />

nig eene ftrijdigheid zou ons in twijfel bren­<br />

gen , of de leer van Jezus van de hoogfte wijs­<br />

heid wel afkomftig zij. Bevat dan de leer<br />

Van Jezus eene Goddelijke en, voor alle men-<br />

fchen, gefchikte openbaaring, alle welkers dee-<br />

Icn met eikanderen onaffcheidelijk aan een han­<br />

gen ; dan mogen wij alle leeringen, die met het<br />

geheel lijnregt en duidelijk ftrijden, op de lijst<br />

der wezenlijke vrijlijk doorhalen, en in den rang<br />

der bijvoegzelen plaatzen. Intusfchen behoort<br />

men, ook hier, zeer naauwkeurig en opmerk­<br />

zaam te letten, om geene valfche met eene<br />

waare ftrijdigheid te verwarren, en niets te ver­<br />

werpen , als de leer van Jezus tegenfprekende<br />

dan na het bedachtzaamst en onzijdigst onder­<br />

zoek.<br />

Moeten alle de leeringen van het kristendom<br />

ftrekken, om deszelfs natuur en hoofdoogmerk<br />

te bevorderen, en beftaan die natuur en dat<br />

hoofdoogmerk, in dert mensch tot waar geluk<br />

•C en


34 !• HOOFDST. BEPAALING VAN HET<br />

en zedelijke volkomenheid opteleiden , dan<br />

ftellen wij tot een vierde kenmeik van iedere<br />

leering, die tot het wezen van het kristendom<br />

behoort: dat zij eigenaartig en rechtftreeks gefckikt<br />

is, om onze rust en den vrede onzer ziele,<br />

hier op aarde te verzekeren; ons in alle<br />

lotsverwisfelingen een Jloorloos genoegen te fchenken,<br />

en ons voor het genot van het verhevenst<br />

zedelijk geluk vatbaar te maken: en tevens ons<br />

opteleiden en aantefpooren tot zulk een gebruik<br />

onzer natuurlijke krachten en vermogem, driften<br />

en neigingen, als dezelven meer en meer kan<br />

verbeteren, veredelen volmaaktn en aan het oogmerk,<br />

waarmede God ons dezelven gefchonken<br />

heeft-, doen beandwoorden. • Dit toch is het<br />

begrip van ware menschlijke deugd, waardoor<br />

wij juist zodanig eene volkomenheid verkrijgen,<br />

hoedanig alle de gewrochten van den opperden<br />

maaker kenmerkt. En zodanig eene<br />

volkomenheid moeten die leeringen dan ook bedoelen.<br />

Zie daar, vriend der waarheid! de kenmerken,<br />

die iedere leering, tot het waare wezen van het<br />

kristendom behoorende, moeten onderfcheiden —<br />

kenmerken, die allen op onze bepaaling van dat<br />

wezen gegrond zijn duidelijkheid, be­<br />

paaldheid of Heiligheid, en overeenftemming in<br />

de voordragt algemeenheid, zamenhang en<br />

gefchiktheid ter bevordering van waar geluk en<br />

echte deugd in den inhoud iedere kering<br />

die


• WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. g5<br />

die dezelve allen draagt, is ontwijfelbaar eem<br />

wezenlijke leering van het. kristendom. Maar<br />

nu, die een of meer van dezelve mist, of fchijnt<br />

te misfchen? Hierover behoef ik mij, volgens<br />

mijn plan niet te verklaaren. Alleen<br />

kan ik u niet genoeg aanprijzen, wanneer gij<br />

eene leering aantreft, die wel eenigen, echter<br />

niet alle kenmerken van wezenlijkheid voert,<br />

om alle mogelijke pogingen aantewenden, om<br />

het ontbreekend kenmerk zorgvuldig natevorfchen;<br />

dewijl alle de gezegde kenmerken, niet<br />

altijd, ons van zeiven en terftond in het oog<br />

vallen.<br />

C a TWEE-


TWEEDE HOOFDSTUK.<br />

DE GELOOFSLEER.<br />

Vruchtloze moeite zoudt gij, mijn vriend!<br />

aanwenden, indien gij in dit gefchrift, of een<br />

volledig zamenfrel van Godgeleerdheid en zedekunde,<br />

of eene volkomen opgave van alles,<br />

wat Jezus of zijne Apostels geleerd hebben,<br />

poogde te vinden. Zelfs niet alles, wat een,<br />

in den Godsdienst wel onderwezen, kristen behoort<br />

te weten, zult gij hier aantreffen. Immers<br />

dit alles hebt gij in het voorgaande gezien,<br />

is het waare wezen van het kristendom<br />

niet. Ieder Godgeleerd zamenflel , hoe<br />

Evangelisch, hoe zeer in den geest der leer van<br />

Jezus, bevat altijd veel dat zekerlijk het wezen<br />

van het kristendom niet betreft. Eene<br />

naauwkeurige opgave van alles, wat Jezus of<br />

zijne Apostels geleerd hebben, zou ons wel de<br />

bouwflof tot, maar niet, het wezen zelfs<br />

van den Godsdienst van Jezus verfchaffen. Hoe<br />

veel toch zou hier in zij», voor ons van weinig<br />

nut, en niet zeer toepaslijk. Ja, niemand<br />

befchouwe het, als een gebrekkigheid, in<br />

onze opgave van het ware wezen van het kristendom,<br />

zo hij van veele leeringen, welken.ieder<br />

kristen behoort te gelooven of te betrachten,<br />

in dit gefchrift, geen gewag gemaakt vindt. —<br />

Je-


II. HOOFDST. DÊ GELOOFSLEER. 37<br />

Jezus en zijne Apostels fpraken immers geenzins<br />

tot onbefchaafde wilden, welken naauwlijks<br />

weten, dat zij menfchen zijn; maar tot<br />

menfchen, bij welken zij eenige voorafgaande<br />

Godsdienftige kundigheden veronderftelden; bij<br />

de Jooden nogthans meer, dan bij de Heidenen.<br />

Deze lieden, het geen zij reeds wisten,<br />

of, als door God nieuwlings geopenbaard, of<br />

als eene, nimmer te voren ontdekte, verborgenheid<br />

te verkondigen, zou niet alleen noodlooze<br />

moeite geweest zijn, maar zelfs de achting<br />

der Predikers merkelijk hebben doen daalen.<br />

Spraken zij dan tot Jooden, zij waren<br />

altijd der Mozaifche openbaaring indachtig, of<br />

tot Heidenen, zij merkten op de wet der natuur.<br />

Die veronderftelde kennis verbeterden en<br />

zuiverden zij wel, of bouwden op dezelve nieuwe<br />

waarheden; dan het geen reeds bekend was,<br />

predikten zij niet, als nooit te voren bekend;<br />

of zwegen van hetzelve geheel en al. • Ieder<br />

kristen dan, die eene volledige kennis van<br />

den Godsdienst, van het zedelijke, zo wel, als<br />

het leerftellige deel van denzelven, wil verkrijgen,<br />

zoeke dezelve geenszins in dit gefchrift;<br />

maar hij voorzie eerst zijn verlïand met de kennis<br />

van alle die waarheden van den natuurlij-,<br />

ken Godsdienst, welken in de leer van Jezus,<br />

als bekend, veronderfteld, en dus niet opzetlijk<br />

geleerd worden: en daar na onderzoeke hij<br />

het waare wezen van het kristendom.<br />

C 3 Her-


g8 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

Herinner u dan weder onze bovengemaakte<br />

bepaalingen. Dezen zijn de eenige leidslieden ,<br />

die wij op onzen weg volgen moeten, Zij wijzen<br />

ons tot geene andere leeringen, het geloof<br />

of de zeden betreffende, en tot het wezen van<br />

het kristendom behoorende , dan zodanigen,<br />

die de opgegevene kenmerken van echtheid dragen.<br />

Ons plan getrouw, zullen wij in dit<br />

gefchrift, iedere wezenlijke leering van het kristendom,<br />

volgens de uitfpraaken van Jezus en<br />

zijne Apostelen zeiven, eerst voordragen: —<br />

fchoon de ruimte ons verbiede, alle die uitfpraaken<br />

natefchrijven, zullen wij echter dezelven<br />

aanwijzen; (in de veronderftelling dat men,<br />

in dit belangrijk onderwerp, de moeite zal nemen,<br />

om dezelven natelezen;) en flegts denoodzaaklijkften<br />

woordlijk opgeven. — Vervolgens<br />

zullen wij die kenmerken in dezelven aanwijzen<br />

, welke haar tot eene wezenlijke leering van<br />

den Godsdienst van Jezus maken: echter<br />

om noodlooze wijdloopigheid voortekomen ,<br />

zullen wij ons ten aanzien van ieder onderwerp,<br />

alleen tot die kenmerken bepaalen, die eene nader<br />

opmerking verdienen en een naauwkeuriger<br />

betoog behoeven: terwijl wij van zodanigen<br />

flegts zullen zwijgen, die wij veronderflellen<br />

kunnen, dat een opmerkzaamen leezer van zeiven<br />

in het oog vallen.<br />

/<br />

AF-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 3^<br />

A F D E E L I N G I.<br />

Het Geloof.<br />

Waarfchijnlijk verwondert gij u, vriend der<br />

waarheid! van het geloof de eerfte plaats in den<br />

rang der leerftukken te zien bekleeden. Vol­<br />

gens deszeis natuur behoort het tot het zede-<br />

kundig gedeelte der leer van Jezus. Het vor­<br />

dert arbeid en oeffening. Het is niet alleen een<br />

werk des verftands, maar ook van den wil.<br />

En wat anders bedoelen de voorfchriften van<br />

Jezus, 'dan den wil te regelen. Dan, de reden,<br />

waarom wij verkoozen, het onder de leerftuk­<br />

ken te plaatzen, is deze; daar alle de vruch­<br />

ten , die de leeringen van den Godsdienst van<br />

Jezus voortbrengen, afhangen van de wijze,<br />

waarop zij"" geloofd worden; daar zij volgens<br />

derzelver natuur, voorwerpen des geloofs zijn,<br />

achte ik het nodig, het geloof zelve te be­<br />

fchouwen , alvorens de leeringen voortedra-<br />

gen.<br />

Hooren wij nu eerst Jezus en zijne Aposte­<br />

len , de eenige leermeesters, die ons tot de ken­<br />

nis van deszelfs natuur en waarde kunnen lei­<br />

den.<br />

C 4 De


%o ff. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

De Natuur van het Geloof.<br />

J E Z U S .<br />

MARCUS Evang. I. 14, 15. „ En Jezus kwam<br />

*D? blijde tij- U> Galilea predikende * het Evangelie des kodins,<br />

der op- • ••, i<br />

richting eener mn<br />

ë Tt<br />

J van God en zeggende, de tijd is verniemve<br />

huis- vuld, en het koningrijk van God is nabij geko-<br />

g<br />

c°"f"<br />

d o o r<br />

men, bekeert u en gelooft het Evangelie."<br />

JOANNES Evang. XVII. 3. „ Dit is het eeuwif<br />

Erkennen g e<br />

leeven dat zij u f kennen, den eenigen, waar-<br />

0<br />

%M den<br />

A C H T I<br />

§ E N G o d E N<br />

E Z U S<br />

J S Kristus, dien Gij gezonden<br />

hebt."<br />

MATTHEUS Evang. XIII. 23. „ Die nu in de<br />

goede aarde bezaaid is, deze is de geen die het<br />

woord hoort en verfteat, die ook vrucht draagt<br />

en voortbrengt."<br />

MARCUS Evang. X. 15. ,, Zoo wie het koningrijk<br />

van God niet ontfangt als een kindeken,<br />

zal in hetzelve geenzins ingaan."<br />

JOANNES Evang. VII. 17. „Zo iemand des*zelfs<br />

(Gods) wil doen wil, die zal van deze<br />

leer bekennen, of zij uit God zij, dan of ik<br />

uit mij zeiven fpreke."<br />

XVIII. 37. 1. d, „ Een iegelijk<br />

die uit de waarheid is, hoort mijne ftem,"<br />

De


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 4Ï<br />

De Apostels.<br />

P A U L U S.<br />

LUCAS Hand. XX. 21. * „ Betuigende *• Predikende.<br />

beide Jooden en Grieken de bekeering tot God<br />

en het geloof in onzen Heer Jezus Kristus."<br />

Br. aan de Hebr. XI. 1. „ Het geloof nu is<br />

f eene vaste grond der dingen die men hoopt, f Een zeer zeen<br />

een $ bewijs der zaaien,<br />

k e r<br />

die men niet<br />

v e r t r o u<br />

'<br />

,<br />

Ziet.<br />

wen.<br />

§ £ e n vaste<br />

overtuiging<br />

De invloed des Geloofs op de gehoorzaamheid, fi" nü^nder<br />

T<br />

J E Z U S .<br />

het bereik de,r<br />

zinnen vallen.<br />

MATTHEUS Evang. VII. 21, 22, 23. „ Niet<br />

een iegelijk die tot mij zegt, Heere, Heere,<br />

zal ingaan in het koningrijk der hemelen; maar,<br />

die doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen<br />

is; veelen zullen ten dien daage tot mij<br />

zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in uw<br />

naam gepropheteerd, en in uw naam duivelen<br />

uitgeworpen, en in uw naam veele krachten<br />

gedaan? En dan zal ik hen openlijk aanzeggen:<br />

ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij,<br />

gij, die de ongeregtigheid werkt."<br />

8<br />

C 5' Ds


4a II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

De Apostels.<br />

P A U L U S.<br />

* Leden van Br. aan de Gal. V. 24. „ Maar die * Kristi<br />

van %üt«7, Zijn<br />

> h e b b e n<br />

t het vleesch gekruist met de beand.<br />

die hem weegingen en de begeerlijkheden."<br />

gelooven.<br />

f IVat door<br />

vleesch verftaan<br />

word,<br />

J A C O B VS.<br />

zie vs. 19-21. p T r -,,T . ,<br />

van dit hoofd.<br />

B r L L<br />

' *4» *?• » Wat nuttigheid is het, mijne<br />

broeders, indien iemand zegt, dat hij het<br />

geloof heeft, en heeft de-werken niet, kan<br />

dat geloof hem zalig maaken? Het geloof,<br />

indien het de werken niet heeft, is bij<br />

zich zeiven dood."<br />

P E T R U S .<br />

S Dewijl. Tweede Br. I. 3, 5-8. § „ Gelijk ons zijne<br />

ZjkeZondZ'<br />

Godlijke kracht alles gefchonken heeft, wat tot<br />

h e t k e v e n e n d e<br />

Godzaligheid (behoort,) door<br />

ren. de kennis des geenen, die ons geroepen heeft<br />

1§ fantas.<br />

t 0 t heerli kheid<br />

** i<br />

e n d e<br />

^ d<br />

- tt *» gij tot hettigheid.<br />

ze<br />

lve alle naarftigheid toebrengende voegt bij<br />

***' Nedrig- uw geloof §§ deugd bij de deugd kennis, bij<br />

hetd, zoo ook , , . ±. . ,<br />

J<br />

d e<br />

wijs te zijn<br />

k e n n i s<br />

* maatigheid, en bij de maatigiot<br />

maatig- heid, lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid Go d-<br />

z a l i h e i d<br />

Xl'l.3. iTim. &' ? e n bi d e<br />

J Godzaligheid broederlijke<br />

II. 9, 15. liefde, en bij de broederlijke liefde, ltefde jegens


m<br />

II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 43<br />

gens allen; want zo deze dingen bij u zijn en<br />

in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig,<br />

of onvruchtbaar laten in * de kennis van onzen * Het geloof.<br />

Heer Jezus Kristus."<br />

J O A N N E S .<br />

Eerjle Br. II. 6. „ Die zegt, dat hij f in hem | T n h c m g e<br />

blijft die moet ook zelve alzo wandelen, gelijk looft.<br />

hij gewandelt heeft."<br />

(Zie verder Hand, XXIV. 24725. Jac. I. 27.<br />

II. 18. 1 Joan. III. 3, 6, 24. zPetr. I. o.J<br />

Het gewigt van het Geloof.<br />

J E Z U S .<br />

LUCAS Evang. X. 16. 1. d. „ Wie mij verwerpt,<br />

verwerpt den genen, die mij gezonden<br />

heeft."<br />

MATTHEUS Evang. X. 32, 33, 37, 38. „ Een<br />

ieder die mij belijden zal voor de menfchen,<br />

dien zal ik ook belijden voor mijn Vader die<br />

in de hemelen is. Maar zo wie mij verlochend<br />

zal hebben, voor de menfchen, dien zal ik ook<br />

verlochenen voor mijn Vader die in de hemelen<br />

is. Die Vader of Moeder lief heeft boven mij,<br />

is mijnes niet waardig. En die zijn kruis niet<br />

opneemt en mij navolgt, is mijnes niet waardig."<br />

(Men zie Joan. XII. 48.)<br />

Het


44 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

Het vermogen van het Geloof.<br />

J E Z U S .<br />

* Indien gij JOANNES Evang.VUI. 31, 32. * „ Indien gij<br />

e d e n<br />

fiend'ig^'aan ^ * n m n<br />

^<br />

w o o r d<br />

blijft zijt gij waarlijk mijkleeft.<br />

ne Difcipelen en zult f de waarheid verfiaan<br />

i £> e<br />

! eer va<br />

n en de waarheid % zal u vrij maken."<br />

Jezus volko- „„ „ , . ..<br />

men verjlaan.<br />

X X<br />

- s<br />

9- » Om dat gij mij<br />

§ Naamlijk gezien hebt Thomas, zo hebt gij gelooft ** zavan<br />

de flaver- , i^»**,, . ,<br />

„ij der zonde. li<br />

z l n<br />

S J<br />

Z I d i e<br />

J'<br />

z u l l c n e z i e n e n<br />

S nogthans zul-<br />

Zie vs. 34. len gelooft hebben."<br />

** Gelukkig of<br />

wel hun.<br />

Be Apostels.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Rom. I. 16. ,, Het (Evangelie)<br />

is eene kracht Gods tot zaligheid een ieder<br />

die gelooft."<br />

J O A N N E S .<br />

Eerjle Br. V. 4, 5. „ En deze is de overwinning,<br />

die de waereld overwint, (naamlijk)<br />

ons geloof. Wie is het, die de waereld overwint,<br />

dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon<br />

van God?"<br />

De


IL HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 45<br />

De belooning van het Geloof.<br />

J E Z U S .<br />

MARCUS Evang. XVI. 16. „ Die gelooft zal<br />

hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden;<br />

maar die niet zal gelooft hebben, zal verdoemd<br />

worden."<br />

(Men zie Joan. VI. 40.)<br />

De Apostels.<br />

J O A N N E S .<br />

Evang. I. 12. „ Zo veelen hem aangenomen<br />

hebben heeft hij magt gegeven, kinderen Gods<br />

te worden, die naamlijk, die in zijn naam gelooven."<br />

P E T R U S .<br />

LUCAS Hand. X. 43. „ Dezen geven getuigenis<br />

alle de Propheten, dat een ieder die in<br />

hem gelooft, vergeving der zonden ontfangen<br />

zal door zijn naam."<br />

P A u L u s."<br />

XVI. 31. „ Gelooft in den<br />

Heere Jezus Kristus, en gij zult zalig worden."<br />

(Men zie Joan. III. 36. 1 Petr. I. 9.)<br />

Zie


46 11. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

Zie daar, vriend der waarheid! de uitfpraaken<br />

van Jezus en zijne Apostelen, wegens den aart<br />

en de waardij van het geloof, welk zij vorderen.<br />

Volgens de orde, waarin dezelven<br />

geplaatst zijn, zullen wij de onderwerpen, die<br />

zij vervatten, kortlijk overwegen.<br />

De natuur van het geloof. Dat iemand, die<br />

zig voor een Godsgezant uitgeeft, geloof vordert<br />

, is zeer natuurlijki Hier van hangen zijn<br />

gezag, zijn invloed en zijn opgang af. Geen<br />

valsch Propheet zelfs werd immer gevonden,<br />

die geen geloof afeischt. Het kan ons dan niet<br />

bevreemden, dat Jezus en zijne Apostels ook<br />

zoo fterk op geloof aandrongen. Intusfchen<br />

hebt gij uit het bovenftaande kunnen zien, dat<br />

het geloof, welk Jezus afvordert, eenigzins<br />

verfchillende zij van het geen de Apostels prediken.<br />

Het eerfte behelst eenvoudig die waarheden,<br />

welken de Jooden, om dat alles nog<br />

niet gefchied was, wat gebeuren moest, konden<br />

dragen; ,, als, dat Jezus van God is ge-<br />

,j zonden, dat hij van God zijne magt tot won-<br />

,, deren heeft verkregen, en dat het tijdftip<br />

„ der oprigting eener nieuwe huishouding, het<br />

,, tijdftip eener nieuwe fchikking en bedeeling<br />

,, zeer nabij was." Het laatlte bevatte den<br />

gantfchen omtrek der leer van Jezus, benevens<br />

alle zijne daaden en lotgevallen. Bij de Apostelen<br />

betekent: gelooft in den Heere J. K.<br />

Omhelst de gantfche leer (zeer dikwijls is<br />

•Kris-


II. HOOCDST. DE GELOOFSLEER. 47<br />

Kristus de leer van Kristus) die Jezus op ge-<br />

„ zag van God heeft verkondigd en door zijn<br />

„ dood, zijne opftanding, zijne'hemelvaart en<br />

„ de zending van zijn geest bevestigd heeft:<br />

„ erkent hem, als uwen eenigen Koning, wet-<br />

„ gever en den eenigen bewerker van uw heil."<br />

Naamlijk, het geheele plan van de zending van<br />

Jezus was nu geheel voltooid en afgeloopen.<br />

(Zie Mare. I. 14, 15. Joan. VI. 29. Hand.<br />

XX. ai.) Het verdient ook onze opmerking<br />

, en het (trekt, óm ons een juister begrip<br />

van den aart des kristelijken geloofs te geven,<br />

dat Jezus en zijne Apostelen alleen zekere hier<br />

toe voorbereide gemoedsgefteltenis als gefchikt<br />

befchouwen, om de waarheid hunner verzekeringen<br />

van gantfeher harte te erkennen:<br />

eene gemoedsgefteltenis, waarin opregte liefde<br />

tot deugd en waarheid heerscht, en die met<br />

ootmoed, met leerzucht en eerbied geheel vervuld<br />

is • eene gemoedsgefteltenis, reeds bezield<br />

met gezindheden, om Gods wil te doen —<br />

gelijk aan dat van een edelaartig kind, onder<br />

het opzicht van een verftandigen opvoeder; gelijk<br />

aan eene wel toebereide aarde. Zulk eene<br />

zielsgefteltenis verbant alle onredelijke vitlust,<br />

hoogmoed en verwaandheid, en leert ons, de<br />

vaderlijke onderrigtingen van God, met kinderlijken<br />

eerbied, zonder twijfelingen aannemen;<br />

en zijne beveelen en waarfchuwingen, als middelen<br />

tot ons waar geluk, zonder uitzonderingen


48 H. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

gen gehoorzamen. Zulk een zielsgefleltenis<br />

leert ons den Godsdienst, niet als eene onverfchillige<br />

wetenfchap behandelen maar, als<br />

de bron van opperfte gelukzaligheid, onze geheele<br />

ziel inprenten. Men leide echter hier<br />

uit niet af, dat de leer van.Jezus, alleen voor<br />

ligtgeloovigen, gefchikt is, (gelijk Spookhistories<br />

voor bloodaarts) en den toets van een fcherp<br />

onderzoek geenzins kan doorflaan. Het tegendeel<br />

is op de proef waar bevonden ; met dit<br />

alles, blijft het niet minder waar, dat hij die<br />

volftrekt geen gefchiktheid heeft, om te gelooven,<br />

en alles wil ontkennen of in twijfel trekken<br />

, altijd wiskundige bewijzen kan vorderen,<br />

waar alleen zedelijken mogelijk zijn, en op de<br />

laatflen altijd uitvluchten kan maken, en dat<br />

men, om eene waarheid, op zedelijke gronden<br />

te gelooven, en wel zoo, dat dit geloof ten<br />

grondflage onzer zekerde verwachtingen en ten<br />

drijfveer onzer werkzaamheden verflrekke, veel<br />

deugd — en waarheidliefde, veel eerbied, vertrouwen<br />

en onderwerping jegens den Allerhoogflen<br />

behoeft. (Zie Matth. XIII. 23. Mare. X. 15.<br />

Joan. VIL 17. XVIII. 37. 1. d.) Na deze<br />

aanmerkingen, zijn wij in ftaat gefield, om de<br />

natuur van het geloof, voor zo veel het ons<br />

betreft, naauwkeurig te bepaalen. Het beflaat<br />

dan in eene vaste, op bondige bewijzen rustende,<br />

en werkzaame overtuiging van de waarheid<br />

en zekerheid der leeringen, die Jezus en<br />

1 • zij-


IL HOOFDST. DÉ GELOOFSLEER. 49<br />

zijne Apostelsj op gezag van God, aan liet<br />

menschdom geopenbaard hebben; en die kerin­<br />

gen bevatten afwezende voorwerpen, welken<br />

niet onder het bereik onzer zinnen vallen, maar<br />

die wij hoopen en verwachten. (Zie Hebr.<br />

XI. 1.) Wij noemen die overtuiging vast, om­<br />

dat het gewigt der onderwerpen geene wankel­<br />

moedigheid gedoogt: op bondige bewijzen rus­<br />

tende, dewijl zonder dezelve, geen verflandig<br />

of redelijk geloof kan plaats hebben: wij toch<br />

misfen het gezicht der wonderen, én moeten<br />

eeerst door bewijzen van derzelver waarheid<br />

overreed worden, alvorens zij ons tot gronden<br />

kunnen verftrekken, waarop ons geloof der leer<br />

fust: werkzaam, d. i. eene overtuiging, die<br />

een rechtftreekfchen invloed op onze befluiten<br />

en verrigtingen heeft; want de voorwerpen dier<br />

overtuigingen zijn van dien aart, dat zij juist,<br />

gefchikt zijn, om befluiten en daaden voortte-<br />

brengen. Zulk eene overtuiging kan en moet<br />

alleen plaats hebben in een hart, dat God kin­<br />

derlijk eerbiedigt; zig aan zijn wijs welbeha­<br />

gen ootmoedig onderwerpt en in de befchik-<br />

kingen en verordeningen van dien besten Va­<br />

der , ook dan, wanneer het alle de redenen en<br />

oogmerken niet ten vollen beva,t, geheellijk be­<br />

rust.<br />

De invloed van het gelóóf op de gehoorzaam­<br />

heid. Dat Jezus en zijne Apostelen, onder het<br />

geloof, niet mede begreepen de gehoorzaam-<br />

D heid$


5o II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

heid, zal niemand Hellen, die met de gewijde<br />

fchriften eenigzins bekend is. Beiden verklaa-<br />

ren het eerfte als nietig, geheel onwaardig en<br />

dood, indien het van het laatfte afgezonderd<br />

is. Men ziet de Apostels dikwijls enkel op de<br />

bekeering aandringen bij ongeloovigen, die ze­<br />

ker het geloof en de gehoorzaamheid moet in-<br />

fluiten. ([Hand. III. 19.) Paulus handelt bij Fes*<br />

tus niet alleen van de Geloofs — maar ook van<br />

de Zedeleer. (Hand. XXIV. 24, 25.) Hun<br />

grondregel was, dat elk die Jezus voor zijn<br />

Heiland , Koning en wetgever van gantfcher<br />

harte erkende, niet kon nalaaten deszelfs beve-<br />

> len te volbrengen, en ook, op geene andere wij­<br />

ze , het levendige en werkzame van zijn geloof<br />

bewijzen, dewijl iedere daad met onze overtui­<br />

ging moet overeenftemmen, zullen wij ons aan<br />

* Men zie geene onbegaanbaarheid fchuldig maaken *. Die<br />

Matth. VN.^ regel, dat elke daad met zijn beginzel moet<br />

V. 14.'en ' overeenkomen, en zoo ook integendeel, geldt<br />

2 l'etr. I. 3, ze]fs i n het dagelijkfche leven. Een zieke zal<br />

II. 6. '<br />

d e<br />

geneesmiddelen gebruiken van den Arts, ia<br />

6, 24. wien hij een onbepaald vertrouwen fielt; dan,<br />

mist dit vertrouwen, hij zal dezelven verwer*<br />

pen. Maar geen verflandig zieke zal, alleen<br />

van het onbepaald vertrouwen op den Arts,<br />

zonder eenig gebruik van zijn raad of middelen,<br />

eene volkomen herflelling verwachten? Hier<br />

.ziet gij de betrachting eene eigenlijke vrucht,<br />

eene onaffcheidelijke gezellin des geloofs.<br />

Het


Ui HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

Het gewigt van het geloof. Het is geenzins<br />

eene onverfchillige zaak, al of niet te gelooven;<br />

voor zijn gevoelen uit te komen, of hetzelve<br />

te bedekken. -— Was Jezus een gezant<br />

van God, dan fprak God door hem. Die zijne<br />

leer verwerpt, verwerpt de raadgevingen en<br />

onderrigtingen van God; die volgens zijne voor»<br />

fchriften niet wil leeven, zal uit' dezelven, ten<br />

eenigen dage, veroordeeld worden. Moedwillige<br />

en opzetlijke ongeloovigen en ongehoorzamen<br />

zullen geen verfchooning vinden. (Luc.<br />

X. 16. Joan. XII. 48.) Maar niet minder<br />

zwaar zal de verandwoordingzijn van alle hukhelaaren<br />

en mondbelijderen, die in Turkijen even<br />

onverfchillig den Koran, als, onder de kristenen<br />

, de leer van Jezus zouden aannemen,<br />

waar zij flegts het meeste voordeel bij vonden.<br />

Zekerlijk, het geen Jezus (Matth. X. 32.) zegt,<br />

is, in den bepaalden zin, alleen op de eerfte<br />

tijden van het kristendom betrekkelijk. Maar<br />

zou hetzelve vonnis ook niet geftreeken kunnen<br />

worden over alle die onverfchillige kristenen,<br />

welke zich niet fchaamen, om, of uit laage<br />

baatzucht, of uit te verregaande infchikkelijkheid,<br />

hunne ware gevoelens te verbergen, en,<br />

met den mond, te belijden, 't geen zij in hun<br />

hart afkeuren; ja, van het eene Godsdienftige<br />

genootfehap tot het andere overtegaan, gelijk<br />

men van kleed verwisfeit? op het hart tog komt<br />

het alleen aan. En zou het verfchil in harts-<br />

D a<br />

se.-


$2. II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

gefleltenis wel zoo groot zijn, tusfchen de afvalligen<br />

der eerfte eeuwen, en de huichlaaren<br />

van deze tijden?<br />

Het vermogen van het geloof. Nader worden<br />

wij van het gewigt des geloofs overtuigd,<br />

wanneer wij deszelfs eigenaartig vermogen befchouwen.<br />

Jezus en zijne Apostels verzekeren<br />

ons, dat het -de kracht heeft, om ons van de<br />

flavernij der zonde te verlosfen, en ons in ftaat<br />

te ftcllen, om de waereld, d. i. alle waereidfche<br />

begeerten, de begeerlijkheden der oogen,<br />

en des vleefches, en de grootschheid des levens,<br />

te overwinnen: en tevens om ons, niet alleen<br />

in de toekomende, maar zelfs in de tegenwoordige<br />

eeuw volkomen gelukkig te maken. ([Joan.<br />

VIII. 31, 32. XX. .29. 1 Br. V. 4, 5. Hom.<br />

I. 16.) In het volgende zullen wij dit breeder<br />

betoogen;<br />

Het loon des geloofs is niet minder, dan de<br />

vergeving der zonden, de aanneming tot kinderen<br />

van God, en eene eindelooze gelukzaligheid<br />

in het toekomend leven. (Hand. XVI. 31.<br />

X. 43. Joan. I. 12. III. 36. Mare. XVI. 16.)<br />

Gij begrijpt intusfehen wel, dat het geloof,<br />

als een plicht, als een werk des harten en van<br />

den wil befchouwd, ook hierin met alle zedelijke<br />

plichten gelijk is, dat men nimmer de gefielde<br />

belooningen op hetzelve kan toepasfen,<br />

dan in zijne gantfche uitgeflrektheid aangemerkt.<br />

Zal het geloof ons zalig maken, dan moet het<br />

de


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 53<br />

de ziel van ons geestrijk leven zijn, en ons tot<br />

den einde toe bijblijven. • Wanneer een<br />

Arts zeide: vertrouw op mij, en gij zult hertellen;<br />

zou de lijder zinneloos moeten zijn,<br />

die niet begreep, dat hij een gehoorzaam gebruik<br />

der geneesmiddelen, en eene flipte in acht<br />

neming der voorgefehreven leefwijze niet mede<br />

hier onder verflondt. Wanneer de Apostels<br />

zeggen, gelooft in den Heere Jezus Kristus<br />

en gij zult zalig worden, zou. men even zinneloos<br />

moeten zijn, indien men dit loon op<br />

eene bloote en onvruchtbare toeflemming, dat<br />

Jezus de Heiland en Koning der waereld is,<br />

toepaste, en, hier onder, niet zodanig een geloof,<br />

als wij boven gefchetst hebben, en tevens<br />

de voorwaarden, indien wij in hetzelve, tot den<br />

einde toe, volharden, mede begreep.<br />

Na dit alles, ftaat ons thans te onderzoeken,<br />

of zodanig een geloof tot het wezen van het<br />

kristendom behoore. Wij zullen niet ftilftaan<br />

op de wijze waarop hetzelve in de H. S.<br />

wordt voorgedragen. Wie ziet niet, dat het,<br />

uit dien hoofde, in den rang der wezenlijke<br />

leeringen verdient geplaatst te worden: de getuigenisfen<br />

zijn duidelijk, beflisfchend, juist ingericht<br />

om dat geen te bewijzen, dat zij bewijzen<br />

moeten, en tevens eenftemmig; volgens<br />

den inhoud, zal niemand het zijne plaats<br />

onder de wezenlijke leeringen weigeren, daar<br />

de kenmerken hier van ons genoegzaam van<br />

D 3 zei-


54 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER,<br />

zeiven in het oog vallen. En als leerftuk en<br />

als bevel, betreft het alle menfchen. 't Is zoo,<br />

voor ons is het geloof geenzins een overgang<br />

van het Jooden- of Heidendom tot den kristelijken<br />

Godsdienst. Maar hier uit kan niet anders<br />

volgen, dan (en dit is ook nog onzeker)<br />

dat het geloof bij ons minder verdienftelijk is,<br />

dan bij de eerfte kristenen. Evenwel zal toch<br />

niemand ontkennen, dat wij ook verplicht zijn<br />

de leer van Jezus te gelooven, en dat, voor<br />

zo veel wij gelooven, de toegezegde belooningen<br />

ons bok behooren. Alleen verwarre men<br />

het geloof, met de belijdenis niet. Het eerfte<br />

en niet het laatfte geeft ons regt op die heilgoederen.<br />

Het geloof is dan eene leering, voor<br />

alle menfchen ge fc hikt. Deszelfs zantenhang<br />

en overeenflemming met de gantfche leer<br />

van Jezus is zeer naauw; zonder geloof beteekenen<br />

derzelver waarheden en voorfchriften voor<br />

ons niets. Zonder geloof, kunnen wij, noch<br />

de eerften aanneemen noch de laatften volbrengen.<br />

Alleen hem, die gelooft, is ,, het Evan-<br />

„ gelie eene kracht Gods tot zaligheid."<br />

Boven alles, heeft het geloof een eigenaartig<br />

vermogen, om onze-rust en zielevrede te bevorderen,<br />

en ons de betrachting van vele plichten<br />

, die ons wezen kunnen volmaaken, te verligten.<br />

En uit dien hoofde, is het juist ge.<br />

fchikt om het groot oogmerk van het kristendom<br />

te bevorderen. Ik fpreek van een eigenaartig<br />

of


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 55<br />

of onmiddelijk vermogen , in onderfcheiding<br />

van de kracht, welke het, middelijk, door de<br />

geloofswaarheden, oeffent. Dan, zal het geloof<br />

zodanigen weldadigen invloed hebben, dan<br />

moet het ook zodanig gefteld zijn en in zodanig<br />

een hart woonen, als wij boven voorgefteld<br />

hebben. Een voorbeeld zal deze zaak in<br />

het helderst licht plaatzen , en u van hare<br />

waarheid overtuigen, zonder breedvoerig betoog<br />

te behoeven. Wie zijn de gehoorzaamfte,<br />

de vrolijkfte, en voor zig zeiven, de gelukkigfte<br />

kinderen? Zij die hunne ouderen in<br />

alles gelooven; of die niets gelooven, dan 't<br />

geen zij, naar hun kinderlijk begrip, genoegzaam<br />

zeker weten? de ondervinding zegt, de<br />

eerften vol achting en eerbied voor de meerderheid<br />

hunner ouderen, vol vertrouwen op<br />

hunne wijsheid, volbrengen zij wilvaardig, het<br />

geen hun geboden wordt, zij zijn leergierig en<br />

blijven, als het ware, aan den raadgevenden en<br />

waarfchuwenden mond hunner ouderen hangen;<br />

geen hoogmoed, geene waanwijsheid, eigenzinnigheid,<br />

gemelijkheid, bedilzucht of hardnekkigheid<br />

word in hen gevonden. En deze goede<br />

hoedanigheden leggen den grondflag tot zulk<br />

een volmaking hunner krachten en gezindheden<br />

, waardoor zij, in hun volgenden leeftijd,<br />

in alle-hunne verrigtingen uitmunten en beminnelijke<br />

leden des menschlijken gezelfchaps worden.<br />

Deze goede hoedanigheden maken hen<br />

D 4 ten


56 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

ten allen tijden gerust, onbekommerd en blfj-<<br />

moedig, —-jf Dan, ftel u een kind voor, dat<br />

altijd twijfelt, bedilt, mort, en tegenfpreekt;<br />

zijn verfland is nog niet genoeg gevormd, om<br />

de waare reden van der ouderen bevel, of den<br />

grond hunner waarfchuwingen altijd te kunnen<br />

bevatten; en echter wil het noch gelooven,<br />

noch gehoorzamen, voor dat het die reden en<br />

dien grond volkomen begrijpt en zeker weet.<br />

Kan zulk een kind immer in wijsheid of zedelijke<br />

deugd groote vorderingen maaken, en voor<br />

zig zeiven gelukkig worden? Zijne waanwijsheid<br />

is altoos voor hem een hinderpaal, om<br />

iets te leeren, en zijne twijfelzucht doet hem<br />

gefladig naar vreugde en genoegen angst- en<br />

kommervol zoeken, terwijl beiden vlak voor<br />

hem liggen. Eveneens is het met volwasfen<br />

menfchen. Ongeloof, tot eene hebbelijkheid<br />

ingeworteld, belet grootelijks de zedelijke volmaaking<br />

van den mensch, en ftoort gefladig<br />

het genoegen en de rust zijner ziele. Geloof<br />

daartegen, is, de regte weg tot deugd en gelukzaligheid,<br />

voor zwakke, kortzigtige en, in<br />

ftaat van beproeving leeyende ,, fchepzelen.<br />

„ Maar op dienzelfden grondflag kan men ook<br />

voor de ligtgeloovigheid pleiten! " "Wij willen<br />

dit, voor een oogenblik, eens toegeven; dan,<br />

wie zal dan nog ontkennen, dat ligtgeloovigheid<br />

, omtrent deugd — en gelukzaligheid bevorderende<br />

waarheden, voor het gros des rn e,1<br />

?ch-<br />

doms,


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 57<br />

doms, veel voordeeliger zij, dan een hebbelijke<br />

ongeloovigheid ?<br />

A F D E E L I N G ifl.<br />

GOD.<br />

Het wezen van de gantfche leer van Jezus<br />

kan ten aanzien der geloofsleer tot twee hoofdvoorwerpen<br />

gebragt worden , Gon, en JEZUS<br />

KRISTUS (Joan. XVII. 3.) dezen zjjn de eenigen,<br />

die de kristelijke openbaaring ons in een<br />

bijzonder en kenmerkend licht voordek. Zij<br />

zijn de Bronnen, waaruit alle de Geloofsleeringen<br />

voortvloeijen; de hoofdpunten, waarin<br />

alles zamenloopt. Op dezen zal dan ook alleen<br />

mijne aandagt gevestigd zijn. • Bepaalen wij<br />

pns nu vooreerst tot GOD , en befchouwen wij<br />

hem in zijn beft aan, zijn eigenfchappen en werken,<br />

volgens de uitdrukkelijke uitfpraaken van<br />

Jezus en van zijne Apostelen.<br />

D 5 §. 1.


53 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.'<br />

S- I.<br />

HET BESTAAN EN DE EIGENSCHAPPEN<br />

VAN GOD.<br />

Het be/iaan van God.<br />

J E Z U S .<br />

JOANNES Evang. XVII. 3. — „ En dit is het<br />

eeuwige leeven, dat zij u kennen, den eenigen<br />

waarachtigen God."<br />

P A u L u s.<br />

LUCAS Hand. XIV. 15. 1. d. „ Wij ver-<br />

* Beter goden, kondigen, dat gij u van deze ijdele (* dingen)<br />

z o u d t<br />

Aeetonverml"<br />

b e k e e r e n t o t<br />

den levendigen God."<br />

gende leven- (Zie Hand. XVII. 23. 1. d. Rom. I. 20.<br />

looze afgoden. x R o u v n L ^<br />

De natuurlijke eigenfchappen van God.<br />

Eenheid.<br />

J E Z U S .<br />

JOANNES Evang. XVII. 3. „ Den eenigen,<br />

waren God."<br />

MATTHEUS Evang. XIX. 17, „ Niemand<br />

t Volmaakt, is f goed dan één, God."<br />

PAU»


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

P A U L U S.<br />

Eerfte Br. aan de Kor. VIII. 5, 6. „ Want<br />

hoewel er ook zijn die Goden genaamd wor-<br />

d e n<br />

Nogthans hebben wij maar een God<br />

den Vader."<br />

(Zie Eph. IV. 6. 1 Tim. II. 5.)<br />

Geestlijkheid.<br />

J E Z U S .<br />

JOANNES Evang. IV. 24. „ God is een<br />

geest."<br />

-4/ïBögt.<br />

LUCAS Evang. XVIII. 27. „ De dingen,<br />

die onmogelijk zijn bij de menfchen, zijn mogelijk<br />

bij God."<br />

(Zie ook Mare. XIV 36. Rom. I. 20.)<br />

Alwetendheid.<br />

J E Z U S .<br />

LUCAS Evang. XVI. 15. „ God kent uwe<br />

harten."<br />

PAU-


6o II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Hebr. IV. 13. „ Daar is geen<br />

fchepzel onzichtbaar voor hem; maar alle dingen<br />

zijn naakt en geopenbaard voor de oogen<br />

des genen met welken wij te doen hebben."<br />

J O A N N E S . . .<br />

Eerfte Br. IlL 23. „ God kent alle dingen." 1<br />

(Zie Hand. XV. 18.)<br />

(Wegens Gods Eeuwigheid, zie 1 Tim. I.. 1,<br />

7. VI. 16. 2 Petr. III. 8. Onveranderlijkheid,<br />

fac. I. 17. Alomtegenwoordigheid,<br />

Hand. XVII. 27, 28. e. d. Algenoegzaamheid,<br />

Hand. XVII. 23.)<br />

De zedelijke eigenfchappen van God.<br />

Algemeene goedheid en weldaadigheid.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. V. 45. „ Hij doet zijne<br />

zon opgaan over boozen en goeden, en regent<br />

over regtvaardigen en onregtvaardigen,"<br />

LUCAS Evang. VI. 36. „ Zijt dan barmhartig,<br />

gelijk ook uw Vader barmhartig is."<br />

MATTHEUS Evang. VII. n. „ Hoe veel te<br />

meer


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 6I<br />

meer zal uw Vader, die in de hemelen is, goede<br />

gaven geven."<br />

De Apostels.<br />

P A u L u s.<br />

LUCAS Hand. XIV. 17. „ Hoewel hij nogthans<br />

zich niet onbetuigd gelaten heeft, goeddoende<br />

van den hemel, ons regen en vruchtbare<br />

tijden gevende, vervullende onze harten<br />

met fpijs en vrolijkheid."<br />

J A C O B U S.<br />

Br. I. 17. „ Alle goede gaven en alle volmaakte<br />

giften is van boven, van den Vader der<br />

lichten afkomende."<br />

*<br />

(Zie ook 1 Kor. IV. 7. 1 Tim. VI. 17.)<br />

God is de liefdevolle Vader van het gantfche<br />

menschdom, en, in een bijzonderen zin,<br />

VAN DE KRISTGELQOVIGEN.<br />

J E Z U S .<br />

f MATTHEUS Evang. XXIII. 0. „ Een is uw<br />

Vader, naamlijk die in de hemelen is."<br />

Ja-


6z II. HOOEDST. DE GELOOFSLEER^<br />

J O A N N E S .<br />

Eerfte Br. IV. 8. „ God is liefde,"<br />

P A U L U S.<br />

,Br. aan de Rom. II. u. „ Daar is geen<br />

aanneming des perfoons bij God."<br />

X. 12. „ Daar is geen<br />

onderfcbeid van Jood of Griek, maar een zelfde<br />

is Heer van allen, rijk zijnde over allen,<br />

die hem aanroepen."<br />

Br. aan de Gal. III. 26. „ Gij zijt alle kinders<br />

van God, door 't geloof in Kristus."<br />

(Zie verder Rom. VIII. 15. I. d. Gal. IV.<br />

4—7- Joan. L 12. 1 Joan. III. 1, 2.<br />

1 Petr. I. 17. Hand. X. 34. Rom. VIII.<br />

38, 390 *<br />

Gods lankmoedigheid en vergeeflijkheid.<br />

P E T R U S .<br />

Tweede Br. III. 9. „ Maar is langmoedig<br />

over ons, niet willende, dat eenige verlooren<br />

ga, maar dat ze alle tot bekeering komen."<br />

(Zie ook Rom. II. 4.)<br />

JE-


H. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 6$<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XII. 31. „ Alle zonden<br />

en lastering zal den mensch vergeven worden."<br />

J O A N N E S .<br />

Eerfte Br. I. 9. „ Hij (God) is getrouw<br />

en regtvaardig, dat hij ons de zonde vergeve."<br />

(Zie verder Matth. VI. 12, 14. XVIII. 32.<br />

Luc. XV. 20. Jac. V. 15, 20.)<br />

Gods zedelijke volmaaktheid.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XIX. 17. „ Niemand is<br />

* goed, dan een, naamlijk God." * Volmaakt.<br />

JOANNES Evang. VII. 28. - „ Maar hij is<br />

waarachtig, die mij gezonden heeft."<br />

P A U L U S.<br />

Eerfte Br. aan de Kor. X. 13. „ God<br />

is getrouw."<br />

Tweede Br. aan de Kor. I. 20. „ Zo veele<br />

beloften Gods, als er zijn, die zijn in hem ja,<br />

en zijn in hem amen."<br />

Jo-


64 IL; HoOFDST. DE GELOOFSLEER*<br />

]<br />

J O A N N E S .<br />

Eerjle Br. I. 15* „ En dit is de verkondiging<br />

, die wij van hem gehoord hebben, en u<br />

* Heilig is. verkondigen; dat God een * licht is en gantsch<br />

geene duisternis in hem is."<br />

(Zie verder 1 Petr. I. 16. Rom. III. 3-6.<br />

Jac. I. 13. 1 Thesf. V. 24. Wegens Gods<br />

wijsheid, zie Rom, XI. 33. 1 Tim. I. 17.)<br />

Het geloof in het beftaan van een God, is<br />

een wezenlijk leerfluk van het kristendom. En<br />

echter word hetzelve noch door Jezus, noch zijne<br />

Apostelen opzetlijk geleerd. Om deze fchijnbaar<br />

duistere zaak optehelderen, behoeft gij u,<br />

mijn vriend! alleen te herinneren, het geen wij<br />

boven reeds aangemerkt hebben, dat Jezus of<br />

zijne Apostels geene, reeds, erkende, waarheden<br />

predikten. Voeg hier bij, dat de eerfte prediking<br />

der leer van Jezus tot Jooden gefchied-<<br />

de, bij welken het geloof in een God den<br />

fchepper der waereld, het wezen van hun Godsdienst<br />

uitmaakte; en dat de eerde kristengemeenten<br />

meest uit Jooden, met Heidenen vermengd<br />

, beftonden , welke laatflen, door hunne<br />

gemeenfchap met de eerften, de Godheid nu<br />

ook nader leerden kennen. Geen wonder dan,<br />

dat Jezus en zijne Apostels zich vergenoegden ,<br />

met dit leerftuk, als het ware, in hunne leer<br />

overtenemen, zonder hetzelve als een geloofswaar-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 65<br />

waarheid, bij hunne hooreren onbekend of nog<br />

niet erkend, opzetlijk te prediken. . Met<br />

dit alles kunt gij toch zien, dat het geloof in<br />

Gods beftaan een wezenlijk leerftuk is, dewijl<br />

Jezus zelve verklaart, dat God als den eenen<br />

waaren te kennen of te erkennen het eeuwige<br />

leven is, en de Apostels het Evangelie aan Heidenen<br />

verkondigende, die den eenen waaren<br />

God nog niet kenden, juist van deze waarheid<br />

hun onderwijs begonnen. (Zie Hand. XIV. 15.<br />

XVII. 23.) Even dezelfde aanmerking geldt ook<br />

op veelen van de Godlijke eigenfchappen, zedelijken<br />

en natuurlijken. Eene juiste en volkomen<br />

kennis van alle dezelve moet gij niet in de<br />

leer van Jezus zoeken. Deze behelst niets als<br />

wezenlijk 't geen den Jooden uit hunne gewijde<br />

fchriften reeds bekend was; of 't geen,<br />

door behulp van het gezond verftand, uit gronden<br />

die zij legt, gemaklijk kan afgeleid worden.<br />

Wel fpreekt zij zomtijds hiervan; maar<br />

ftelt het niet voor, als iets, dat haar kenmerkt.<br />

Men kan dus alles, wat zij hier omtrent öpzetlijk<br />

leert, als nadere ophelderingen, als bijvoegzelen<br />

tot de Mozaifche openbaaring, aanmerken<br />

; en, zonder de verklaaringen der laatfte<br />

over dit onderwerp volkomen te kennen,<br />

zal men ook geen volledig begrip van de leer'<br />

van Jezus, wegens de Goddelijke volmaaktheden<br />

kunnen vormen. Dit alles zal ddör eene<br />

E bij-


66 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

bijzonderer befchouwing en toetzing der bijgebragte<br />

bewijzen veel duidelijker worden.<br />

De eenheid van God. Dit leerftuk is wel uit<br />

de Mozaifche openbaaring overgenomen, echter<br />

heeft de kristelijke het zo nadrukkelijk bevestigd,<br />

dat het een wezenlijk leerftuk van dezelve<br />

is. Waar de Apostels onder de Heidenen<br />

kwamen, was hunne eerfte bemoeijing,<br />

de veelgoderij te vernietigen, en, op hare puinhoopen,<br />

den dienst van den eenen waaren God<br />

te ftichten. Paulus aan bekeerde Heidenen fchrijvende<br />

dringt allerfterkst op dit leerftuk aan , en<br />

tracht hen van alle gemeenfchap met de afgoderij<br />

zorgvuldig aftetrekken. De last der Apostelen<br />

was eigenlijk juist, de kennis en 't geloof<br />

dezer waarheid, die zich tot hiertoe alleen bij<br />

de Jooden bepaald hadden , over den gantfchen<br />

aardbodem uittebreiden.<br />

De geestlijkheid van God. Deze erkenden<br />

de Jooden; dan, hun ontbrak het waar inzicht<br />

in dit leerftuk, om hieruit afteleiden, dat God<br />

overal kon en moest en niet alleen op ééne plaats<br />

en op eene ligchaamlijke wijze gedient worden.<br />

Slegts met weinige woorden , vertoont<br />

Jezus ons deze waarheid, uit het regte gezigtspunt.<br />

God is een Geest, en kan dus niet<br />

in tempelen, met handen gemaakt, woonen ;<br />

maar is niet ver van een iegelijk onzer<br />

God is een Geest, en kan dus overal gedient<br />

wor-


II. HOOFDST. DE HELO0FSLEER. 67<br />

worden. God is een Geest, en kan gevolglijk<br />

niet door uitwendige plegtigheden en lig,<br />

chaamlijke verrigtingen, maar moet alleen in<br />

geest en waarheid, door hartlijke gehoorzaamheid,<br />

volkomen onderwerping, vuurige dankbaarheid<br />

, en een onbepaald vertrouwen op zijne<br />

liefde en magt gediend en aangebeden worden.<br />

God is een Geest, en deze waarheid is,<br />

wel niet de eenige , echter de voornaame ,<br />

grondflag van dien , geheel geestlijken , eerdienst<br />

aan God, welke de leer van Jezus bijzonder<br />

kenmerkt. Het geen Jezus en zijne<br />

Apostels wegens Gods overige eigenfchappen<br />

als eeuwigheid, onveranderlijkheid, alomtegenwoordigheid,<br />

algenoegzaamheid, almagt en aU<br />

wetenheid leeren , is, of op deze waarheid gebouwd<br />

en uit dezelve afgeleid, of uit de vroegere<br />

Mozaifche-openbaaring ontleend; althans<br />

zij draagen het niet voor als leeringen, tot welker<br />

openbaaring zij van God gezonden zijn,<br />

en die zij , als voorheen geheel onbekende,<br />

waarheden opzetlijk prediken; maar zij bevestigen<br />

het geen reeds bekend was, zetten het<br />

hier door een nieuw gewigt bij , of maken<br />

van hetzelve een gepast en nuttig gebruik bij<br />

volken, die hierin nog onwetend waren. Met<br />

dit alles, behoort het tot het wezen van het<br />

kristendom, om dat het met de hoofdwaarheid:<br />

God is een Geest, ten naauwften is verbonden,<br />

ja in dezelve reeds legt opgefloten.<br />

E 2 Meer


68 II. HOOFBST. DE GELOOFSLEER.<br />

Meer kenmerkende is alles , wat Jezus aan­<br />

gaande Gods zedelijke eigenfchappen, en zijne<br />

gezindheden omtrent het menschdom geopen­<br />

baard heeft. Zijne leer van Gods algemee-<br />

ne liefde over alle menfchen en ontferming over<br />

zondaaren moet men aanmerken als zodanig,<br />

tot welker openbaring hij van God is gezon­<br />

den, dewijl de kennis dezer waarheid, indien<br />

zij voor 'zijne komst al eenigzins beftaan heb-<br />

be, nogthans zeer bepaald en bekrompen was.<br />

In dit opzicht boven alles, geldt het gezeg-<br />

* Matth. XI. de van Jezus: * „ niemand kent den Vader<br />

27. ? ) dan de Zoon en dien het de Zoon wil open-<br />

„ baaren;" en de verzekering van zijn<br />

iJoan. 1.18. meest beminde leerling: f niemand heeft ooit<br />

„ God gezien: de eeniggeboren Zoon, die in<br />

„ den fchoot des Vaders is, heeft hem ons<br />

„ verklaard." Men weet hoedanig de Joo­<br />

den , in 't algemeen, zig het Opperwezen voor-<br />

ftelden: Jehovah was hun bijzondere lands- en<br />

befcherm-God; zij waren, uitfluitender wijze,<br />

zijn volk, en voorwerpen zijner tedere zorg;<br />

alle overige volken konden op geene der voor-<br />

regten, die zij zig aanmaatigden, aanfpraak ma­<br />

ken. Geene vergeving der zonden kon zonder<br />

bloed gefchieden; en deze vergeving bepaalde<br />

zich flegts tot het verzuim of de agteloosheid,<br />

in de waarneming der plegtigheden. Zonden<br />

tegens de zedelijke wet werden, zonder ver-<br />

fchooning, geltraft. Vergelijk nu hier tegen<br />

eens


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 69<br />

eens het beeld, dat Jezus ons van zijn hemelfchen<br />

Vader afmaalt. God is niet alleen een<br />

God der Jooden, maar ook der Heidenen; God<br />

is de Vader van alle menfchen; allen hebben<br />

een gelijk deel in zijn algemeen toevoorzicht<br />

en zijne alles omvattende weldaadigheid; geene<br />

aanneeming des perfoons, geene uitzondering,<br />

ten aanzien van toevalligheden heeft bij hem<br />

plaats; hij is liefde, ook voor alle menfchen,<br />

in den bijzonderften zin, en uit hoofde van bijzondere<br />

betrekkingen, is hij de Vader der kristgeloovigen,<br />

van wien alle volmaakte giften tot<br />

hen afdaalen; zonder de regelen eener ftrikte<br />

onzijdigheid, ten aanzien der nietgeloovigen,<br />

in eenigerlei opzicht, te fchenden; langmoedig<br />

draagt en fpaart hij den wederfpannigen, of hij<br />

nog ten eenigen tijden mogt bekennen, wat tot<br />

zijn vrede dient; zonder bloed van ftieren en<br />

bokken , uit enkele genade, vergeeft hij alle<br />

zonden van hem, die, met een hart, zuiver<br />

van menfchenhaat en wraakzucht, vol opregt<br />

berouw en heilige voornemens ter verbetering,<br />

vol vertrouwen op zijne ontferming, tot hem<br />

terugkeert. Zie daar de echte leer van Jezus.<br />

Wie kan dezelve bij de algemeene gevoelens<br />

dier tijden vergelijkende, haar den naam eener<br />

Goddelijke openbaaring van geheel onbekende<br />

waarheden weigeren? Het geen de kris-<br />

'telijke leer, voor 't overige, wegens Gods zedelijke<br />

volmaaktheid, of heiligheid,,en zijne<br />

E 3 vijs-


70 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

wijsheid vervat, is alleen eene nadere bevesti­<br />

ging van de leer der oude Dichteren en Pro-<br />

pheeten, of is gegrond op de genaêrijke bedee­<br />

ling en de verordeningen des N. V. waarin de<br />

Godheid haare zedelijke eigenfchappen op het<br />

luisterrijkst geopenbaard heeft. Niettemin, be­<br />

hoort het even zeer tot het wezen van het kris­<br />

tendom.<br />

Wij zouden hier reeds kunnen flilftaan, om<br />

de aandacht te kunnen vestigen op de kenmer­<br />

ken van wezenlijkheid, welken in de voorge­<br />

dragen leer gevonden worden; dan, wij oordee-<br />

len zulks veel nuttiger, na dat wij alles wat<br />

het kristendom wegens God leert, befchouwd<br />

zullen hebben, dewijl wij dan in Maat gefield<br />

zijn, om de geheele leer over dit onderwerp<br />

te kunnen overzien.<br />

S- 2.<br />

De werken van God.<br />

Dezen kan men in twee verdeden, zodani­<br />

gen naamlijk, die God eens gewerkt heeft, en<br />

zodanigen die hij onophoudelijk, en bij voort'<br />

duuring werkt.<br />

Onder de eerfte tel ik de fchepping der na­<br />

tuurlijke waereld, en de herschepping der ze­<br />

delijke; onder de laatften de Voorzienigheid,<br />

die de onderhouding en regeering van het heelal<br />

ia


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 71<br />

in zich vervat, en de zedelijke werking in den<br />

mensch. Over alle deze (uitgezondert het werk<br />

der herfchepping, van welke wij in de volg.<br />

Afd. §. 1. zullen handelen) zullen wij thans<br />

de uitfpraaken van Jezus en zijne leerlingen<br />

voordraagen.<br />

De Schepping.<br />

P A U L U S.<br />

LUCAS Hand. XIV. 15. „ Wij verkondigen<br />

ulieden dat gij u zoudt bekeeren tot den<br />

levendigen God, die gemaakt heeft den hemel,<br />

en de aarde, de zee en al het geen in dezelve is."<br />

Br. aan de Hebr. XI. 3. „ Door het geloof<br />

verftaan wij dat de waereld door het woord van<br />

God is toebereid, alzo, dat de dingen, die men<br />

ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien<br />

worden."<br />

(Zie ook Hand. XVII. 24. Rom. XI. 34. IV.<br />

17. 1. d.)<br />

De Voorzienigheid.<br />

J E Z U S .<br />

'MATTHEUS Evang. VI. 26, 28, 29, 30, 32,<br />

33. „ Aanziet de vogelen des hemels, dat zij<br />

niet zaaijen, noch maaijen, noch verzamelen in<br />

E 4 de


72 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

de fchuuren, en uw hemelfche Vader voedt<br />

nogthans dezelven; gaat gij dezelven niet zeer<br />

veel te boven? Aanmerkt de leliën des<br />

velds, hoe zij wasfen, zij arbeiden of fpinnen<br />

niet, en ik zegge u, dat ook Salomo in alle<br />

zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest, gelijk<br />

een van dezen; indien nu God het gras,<br />

dat heden is en morgen in den oven wordt geworpen<br />

, alzo bekleedt, zal hij u niet veel meer<br />

kleeden, gij kleingeloovigen ? Uw hemelfche<br />

Vader weet, dat gij alle deze dingen behoeft<br />

en alle deze dingen zullen u toegeworpen<br />

worden."<br />

De Apostels.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Rom. VIII. 28. „ Wij weten,<br />

dat den geenen, die God lief hebben, alle dingen<br />

medewerken ten goede."<br />

Tweede Br. aan de Kor. IX. 6. „ Die fpaarzaam<br />

zaait, zal ook fpaarzaam maaijen, en die<br />

in zegeningen zaait , zal ook in zegeningen<br />

maaijen. 17, 18. God is magtig alle genade te<br />

* 9^,. dat<br />

doen overvloedig zijn in u: * op dat gij in algeftadig<br />

rui- . . . .<br />

men overvloed l<br />

e s a<br />

'' e<br />

tijd alle genoegzaamheid hebbende, tot<br />

hebbende, al- allen goede werk overvloedig moogt zijn."<br />

tijd in flaat<br />

moogt zijn om<br />

weldaaden te<br />

zaaijey. v


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 73<br />

P E T R U S .<br />

Eerjle Br. V. 7. „ Werpt alle uwe bekommernis<br />

op hem, want hij zorgt voor u."<br />

(Zie ook Joan. V. 17. Luc. XII. 6, 7. Rom.<br />

VIII. 31. a Thesf. III. 3. Hebr. XIII.<br />

5, 6.)<br />

Go^x geestlijke werking in den mensch.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. VI. 13. „ Leid ons niet<br />

in verzoekingen, maar verlos ons van den boozen."<br />

; JOANNES Evang. XV. 2. „ Alle rank, die<br />

in mij geen vrucht draagt, neemt hij weg, en<br />

ieder die vrucht draagt, reinigt hij, op dat zij<br />

meer vrucht dragen."<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Eph. III. 14, 16. „ Om deze<br />

oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader<br />

onzes Heeren. Op dat hij u geve<br />

met kracht verfterkt te worden, door zijn geest<br />

naar den inwendigen mensch."<br />

Br. aan de Pkil. II. 13. „ Want het is God,<br />

die in u werkt, beiden het willen en het werken,<br />

naar zijn * welbehaagen." .* Coedertie.<br />

E 5 JA- refl<br />

heid.


74 n. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

J A c O B u s.<br />

Alg. Br. I. 5. „ Indien iemand van u wijsheid<br />

ontbreekt, dat hij ze van God begeere —<br />

en zij zal hem gegeven worden."<br />

(Zie verder Matth. XIII. 12. Rom. VIII. n.<br />

1. d. Eph. I. 16-18. Phil.Lc). KolVl.<br />

9, 10. 1 Thesf. V. 23. Hebr. XIII. 21.)<br />

Dat God fchepper is van het heelal, is eene<br />

waarheid, die ons reeds door Mozes geleerd<br />

wordt; het kristendom bevestigd dezelve en<br />

verklaart haar nog iets nader, door de bepaaling,<br />

dat alles uit niet is voortgekomen; zeer<br />

natuurlijk was zij een hoofddeel der prediking<br />

der Apostelen, en hierdoor ook is zij een wezenlijk<br />

leerftuk van het kristendom. Het was<br />

ter vernietiging der -afgoderij, niet genoeg, het<br />

beftaan van een God, Heer en Regeerer van<br />

alles te verkondigen; maar om het ongerijmde<br />

gevoelen tegen te gaan, als of die God, in het<br />

voortbrengen der waereld, zig van mindere<br />

Godheden bediend htdde, en dezen over zijn<br />

werk gefteld, waardoor zij mede een zekeren<br />

eerdienst waardig zouden zijn, moesten ook<br />

dien eenen God, als den eenigen Schepper der<br />

waereld, voordellen dan, daar deze waarheid<br />

mede een hoofdleering van denjoodfchen<br />

Godsdienst was, vinden wij weinig melding<br />

van denzelven gemaakt.<br />

De


II. HOOFMT. DE GELOOFSLEER. 75<br />

De onderhouding van het heelal, in zijn oorfprongïïjken<br />

ftaat, de zorg voor de inftandhouding<br />

en*" bewaring van ieder fchepzel, wordt<br />

door Jezus allertreffendst geleerd. Hij maakt<br />

ons opmerkzaam op die onderhouding, ook in<br />

de geringstgeachte fchepzelen , en leidt ons<br />

zelfs op, om hieruit optemaken, dat hij, zo<br />

veel te meer voor het grooter en gewigtiger<br />

zorgt.<br />

Zekerlijk indien wij in de fchriften desN.V.<br />

geene ftellige verzekeringen aantroffen, van<br />

Gods vaderlijke zorg voor, en bettuuring van<br />

den mensch, ten einde in zijne onontbeerlijke<br />

behoeften te voorzien, hem al dat goede te<br />

fchenken, voor welker genot hij vatbaar is, en<br />

doof allerleie lotsverwisfelingen en zedelijke<br />

middelen, tot zijne verordening opteleiden; de<br />

gefchiedenisfen der Joodfche en Kristelijke openbaaring<br />

zouden ons deze waarheid voldoende<br />

en overtuigend prediken. Ik zwijg van de wonderdaadige<br />

gebeurtenisfen, in dezelven vervat;<br />

zij zijn meer bewijzen van Gods almagt, dan<br />

van zijne voortduurende en beftendige zorg<br />

voor het menschdom. Dan, men leze de oude<br />

gefchiedenis, van Jofephs droom af, tot de opneming<br />

van Mozes uit het water. Men<br />

zal zien geene wonderwerken maar<br />

vrijwillige daaden van menfchen allen za-<br />

menloopende, om Gods groot ontwerp te voltooijen.<br />

Men befchouwe, uit dit zelfde oogs<br />

punt,


76 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

punt, de gefchiedenis van Jezus men zal<br />

zien, beiden Herodes en Pilatus tegen h«m vergaderd<br />

en zamengefpannen, om te doerf, 't geen<br />

Gods raad bepaalt hadt, dat gefcbieden zou.<br />

Kunt gij mijn vriend! zonder eene Voorzienigheid<br />

, dit verfchijnzel verklaaren ? Maar<br />

Jezus verzekert ons ook van het beftaan eener<br />

Voorzienigheid, die zig niet alleen over geheele<br />

volken, maar zelfs over jeder bijzonder mensch<br />

uitftrekt. Eerst bevestigt en toont hij, dat de<br />

Algoedheid zelfs voor de geringst fchijnende<br />

fchepzelen, eene tedere zorg draagt; hij herinnert<br />

tevens, dat God de fchepper is des menfchelijken<br />

ligchaams, en des levens; uit het<br />

eerfte leidt hij af, dat God, die voor het mindere<br />

zorgt, de voortreffelijkften zijner fchepzelen<br />

althans niet zal vergeeten; uit het laatfte,<br />

dat hij, die het leeven en het ligchaam fchonk,<br />

ook wel voor het nodige , ter onderhouding<br />

van beide, zal zorgen. 't Is waar: v<br />

Jezus<br />

en zijne Apostels bepaalen die zorg van God<br />

voornaamlijk tot het noodig ligchaamsonderhoud<br />

de eerfte fpreekt misfchien alleen tot<br />

zodanigen , welken vreesden , ter zaake van<br />

hem, hunne beroepen verlaatende, aan het nor<br />

dige gebrek te zullen lijden: maar bevat echtter<br />

zijne verzekering niet dezen regel, die in<br />

alle eeuwen geldt, dat Gods voorzienigheid ons<br />

voor veele onheilen bewaart, die eene getrouwe<br />

en ftandvastige betrachting onzer plichten<br />

ons


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 77<br />

ons zou kunnen berokkenen ? Kan men uit zijne<br />

verzekering niet mede dien regel afleiden;<br />

zorgt God voor het mindere, kleeding en voedzel,<br />

hoe veel meer voor onze gewigtiger belangen.<br />

Schoon wij den Jooden niet alle<br />

kennis van dit leerftuk kunnen weigeren, befchouwden<br />

zij echter de Voorzienigheid, als<br />

alleen en bijzonder werkzaam omtrent zijn uitverkoren<br />

volk, en deszelfs bijzondere belangen<br />

een denkbeeld, zeer natuurlijk uit<br />

hunne bekrompen begrippen wegens de Godheid<br />

voortvloeijende.<br />

De gefchiedenis van den Godsdienst van bijna<br />

alle volken, vertoont ons in alle eeuwen,<br />

het leerftuk eener zekere geestlijke werking van<br />

God in den mensch, als een algemeen aangenomen<br />

gevoelen. En zeer natuurlijk; iedere<br />

natie, het beftaan van eene Godheid geloovende,<br />

en in de kindsheid haarer reden zijnde,<br />

fchreef alles, welkers oorzaak niet terftond in<br />

't oog viel, aan eene onmiddelijke werking haarer<br />

Godheid toe: hoe veel meer dan zekere befluiten<br />

en voornemens, die de allergewigtigfte<br />

bedrijven ten gevolge hadden. De Jooden, wier<br />

Godsdienst een zekeren, gemeenzamen omgang<br />

tusfchen Jehovah en zijn volk voorftelde, hadden<br />

, van de vroegfte tijden der Mozaifche openbaaring<br />

af, zodanig eene Godlijke werking in<br />

den mensch, als eene onlochenbare waarheid<br />

aangenomen en erkend. En dit was bij hen<br />

geen


78 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

geen los opgeraapt denkbeeld; zij hadden ze­<br />

ker bewijzen en voorbeelden genoeg, om het,<br />

als eene waarheid, vast te flellen: zelfs, vooral<br />

in hunne eerfte tijden, ftrekten zij deze wer­<br />

king zoo ver uit, dat zij ook zondige voornee-<br />

*2&?ra.XIV. mens aan dezelve toefchreeven. * „ Dus<br />

„ porde Jehovah David, om zijn volk te tel-<br />

„ len," in 't kort Jehovah was het, die<br />

het kwaad zoo wel fchiep als den vreede maak­<br />

te. Van hier dan ook, dat wij dit leer­<br />

ftuk in de leer van Jezus, niet als eene onbe­<br />

kende waarheid, maar als een aangenomen ge­<br />

voelen, welk zij flegts nader bevestigt en van<br />

verkeerdheden zuivert, voorgedraagen vinden.<br />

De leer^van Jezus dan, fielt ons God voor,<br />

als, door eene onmiddelijke, maar tevens ze­<br />

delijke werking, de oorzaak van onze toene­<br />

ming in kennis, wijsheid, en waare deugd, bij­<br />

aldien wij, van onzen kant, als het ware, met<br />

God hiertoe medewerken, (zie vooral Phil. II.<br />

12, 13.) hen, die alle kwade raadflagen<br />

aan de werking van een boozen geest toefchre-<br />

ven, leert zij, dat God magtig en gezind is,<br />

om ons van denzelven te verlosfen hun,<br />

die God zeiven als" den verzoeker befchouw-<br />

t Matth. VI. den, zegt zij': f „ God kan niet verzogt wor-<br />

e n m e t<br />

Jac I 1 " ^<br />

e t k w a a d e n<br />

^<br />

"ij<br />

z e<br />

lf verzoekt nie-<br />

„ mand." Overzien wij kortlijk, mijn vriend!<br />

het geen de leer van Jezus wegens God, zijne<br />

eigenfchappen en werken vervat, zodanig een<br />

over-


II. HOOGDST. DE GELOOFSLEER. 79<br />

overzicht zal ons des te beter in ftaat ftellen,<br />

om de kenmerken, van wezenlijkheid in dit leerftuk<br />

optefpooren. God is een Geest, die<br />

alle volmaaktheden bezit, welken met zijne<br />

geestlijke natuur overeenftemmen; hij is liefde<br />

zelve, en alleen heilig: hij is de Schepper, Onderhouder<br />

en Regeerer van het heelal: hij is de<br />

Vader van het gantfche menschdom en, in den<br />

verhevenften zin, van alle echte geloovigen:<br />

die voor zijne kinderen beftendig waakt en<br />

zorgt, den hardnekkigen langmoedig draagt,<br />

den berouw hebbende, zonder offers, genadig<br />

vergeeft; zonder wiens toelating of befchikking<br />

niets gebeurt, die de uitkomften onzer daaden<br />

beftuurt, ter bereiking van zijne oogmerken,<br />

en door eene zedelijke werking, den wel willenden<br />

geduurig verfterkt, aanfpoort en bemoedigt<br />

, in de bewandeling van den weg der<br />

deugd. Op deze weinige punten zal de<br />

leer van Jezus, aangaande deze waarheid uitkomen.<br />

De wijze van voordragt, zult gij gezien hebben,<br />

is zodanig, dat gij dit leerftuk eene voornaame<br />

plaats, in den reij der leeringen, niet<br />

kunt weigeren. De getuigenisfen, die ik aangevoerd<br />

heb, zijn duidelijk en voor ieder verftaanbaar.<br />

Zekerlijk, zij laten nog zeer veele<br />

vragen onbeandwoord over. Vergenoeg u intusfchen,<br />

met de denkbeelden die Jezus en zijne<br />

Apostels u van deze waarheden geven; en<br />

poog


8p H. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

poog op die grondflagen voorttebouwen. God<br />

is een geest. Zonder hetzelve laat zich<br />

geen God denken. God is liefde;<br />

hiervan overtuigt u iedere ademhaaling.<br />

God heeft uit niet de waereld gefchapen,<br />

op eene andere wijze kon zij' niet worden.<br />

God onderhoudt en regeert alles; zonder<br />

dit, zou alles weder in het niet vervallen<br />

God befchermt, en verzorgt en beftuurt den<br />

mensch; zonder eene Voorzienigheid, is<br />

het voortduurend beftaan van een fchepzel, ge­<br />

lijk de mensch, voor mij een raadzel.<br />

God werkt in den mensch; ; zonder dit<br />

zal hij nimmer het doel van zijne verordening<br />

bereiken. • Maar wat is een geest, wat is<br />

liefde in God, wat fcheppen uit niet, wat is<br />

Gods voorzienigheid, waarin beftaat die • zede­<br />

lijke werking? Ziet gij niet, dat gij op<br />

alle deze vraagen uwe onkunde kunt belijden;<br />

en, met dit alles, de leer van Jezus, over dit<br />

onderwerp, als duidelijk aannemen? —r- Mis-<br />

fchien zult gij, ten aanzien van het tweede ken­<br />

merk: ftelligheid, bepaaldheid in de uitdruk­<br />

king , aanmerken, dat gij dezelve in veele getui-<br />

genisfen gemist hebt. Dit erken.ik mede, voor­<br />

al ten aanzien van waarheden die bij de Jooden<br />

bekend waren; maar tevens, heb ik, meer dan<br />

eens, aangemerkt, dat echter die waarheden<br />

tot het wezen van het kristendom behooren,<br />

om dat zij met anderen onaffcheidelijk verbon­<br />

den,


Ih HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 81<br />

den, en in dezelven opgeflooten zijn, welken<br />

met allen mogelijken nadruk en op den meest<br />

beflisfchenden toon voorgedragen worden, en<br />

. uit dien hoofde onbetwistbaar wezenlijke leeringen<br />

bevatten. Dat God een Geest is, leert<br />

Jezus ftelligen beflisfchend, als eene waarheid,<br />

tot welkers openbaaring hij gezonden is; minder<br />

beflisfchend, en als eene bekende zaak,<br />

fpreekt hij over de Almacht en Alwetendheid;<br />

het laatfte is nogthans zo wezenlijk als het eerfte,<br />

om dat beiden met elkander onverbreeklijk<br />

verknocht zijn.<br />

Ten aanzien van den inhoud, zal ik uwe aandacht<br />

alleen vestigen op den ouderlingen zamenhang,<br />

en het verband van alle deze waarheden;<br />

en tevens op derzelver gefchiktheid, om het<br />

groote doel van het kristendom te bevorderen.<br />

Want, dat zij algemeen zijn, zonder eenige<br />

betrekking tot tijd, plaats en gelegenheid, blijkt<br />

genoegzaam uit derzelver natuur. Reeds<br />

meermaalen heb ik aangemerkt, dat de eigenfchappen<br />

van God op het naauwst aan eikanderen<br />

verknocht zijn. Is God een Geest, een<br />

volmaakte Geest; dan ftemmen onzichtbaarheid,<br />

eeuwigheid , almacht , alomtegenwoordigheid,<br />

alwetenheid en onveranderlijkheid volkomen<br />

met die eigenfchappen overeen. Zo rasch<br />

ik mij iets ftoflijks in de Godheid voorftel, legt<br />

die band verbroken. Is God een Geest;<br />

hoe juist hangt hier mede zijne liefde, en hei-<br />

F lig-


82 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

ligheid zamen ? Driften, of hartstogten, eene<br />

hieruit voortfpruitende eenzijdigheid, fchending<br />

der beloften, verzoeking van den mensch tot<br />

het kwaad, wreedheid of onbarmhartigheid —<br />

niets van dit alles kan in een zuiveren en volmaakten<br />

Geest plaats hebben. Uit Gods liefde<br />

en heiligheid kan ik ook de andere deugden<br />

, als wijsheid, barmhartigheid en regtvaardigheid<br />

afleiden: of liever zij liggen in dezelven<br />

opgeflooten. Een wezen, dat zodanige<br />

volmaaaktheden bezit, is het, ten hoogften,<br />

overeenkomftig, eene waereld te fcheppen,<br />

en in derzelver vorming alle zijne aanbiddelijke<br />

eigenfchappen, op het glansrijkfte ten<br />

toon' te fpreiden. • De waereld gefchaapen<br />

hebbende, behoort hij, op welk eene wijze<br />

ook, te zorgen, dat zijn werk in denzelfden<br />

ftaat blijft voortduuren, tot het. oogenblik van<br />

deszelfs flooping. Dus behoort hij nog<br />

meer voor den mensch te zorgen, die, volgens<br />

zijne natuur , boven alle andere redenlooze<br />

fchepzelen, Gods vaderlijke zorg behoeft; uit<br />

hoofde van zijne voortreffelijkheid boven dezelven<br />

, die zorg het meest verdient, en die, een<br />

vrijwerkend wezen zijnde, zonder verlies dier<br />

vrijheid, door geene algemeene wetten geheel<br />

geregeerd kan worden. Zonder eene zedelijke<br />

werking in den mensch, kan ik mij, van<br />

den eenen kant, geene Voorzienigheid voorftellen;<br />

van de andere zijde, van den mensch, geene


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 83<br />

ne toeneming in zedelijke volkomenheid verwachten.<br />

Men moge uit het eerfte afleiden,<br />

dat de mensch in veele gevallen niet vrij werkt*<br />

Wij willen dit voor een oogenblik eens toegeven<br />

(fchoon wij voor ons eene zedelijke vrijheid<br />

met Gods zedelijke werking wel beftaanbaar<br />

oordeelen) Wat volgt dan hieruit? Zo de<br />

daad goed is, mist de mensch zijn regt op vergelding.<br />

Maar dit regt is behalven dat, een<br />

onmoogeüjk wezen. Zo de daad kwaad is ?...»<br />

God verzoekt niemand ten kwade. En<br />

wat het laatfte betreft; de zedenlijke werking<br />

is, voor den mensch, ten aanzien zijner deugd,<br />

hetzelfde, als de opvoeding voor een kind,<br />

met opzich op alle, volftrekt onontbeerelijke<br />

kundigheden. Vergelijken wij eindelijk alle<br />

Gods werken met alle zijne eigenfchappen.<br />

Wij vinden zulk een-onverbreekbaar verband<br />

tusfchen beiden, dat wij genoodzaakt zijn te<br />

erkennen, dat zodanige werken alleen zodanig<br />

een God waardig zijn; dat wij in dezelven alle<br />

zijne volmaaktheden kunnen doorzien en verftaan,<br />

en dat wij, zonder die volmaaktheden,<br />

ons geen fchepper, onderhouder en beftuurer<br />

van alles, wat beftaat, kunnen voordellen. —<br />

Is het groote doel van den kristelijken Godsdienst,<br />

den mensch geluk 'en volkomenheid te<br />

bezorgen, en bevat deszelfs natuur alles, wat<br />

hiertoe nodig zij, dan moet ook de voorgedraagen<br />

leer eigenaartig hiertoe medewerken ,<br />

F 2 zal


§4 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

zal zij tot het wezen van het kristendom behooren.<br />

Ja, mijn vriend! dank God voor<br />

de nadere bevestiging en ophelderingen, welken<br />

hij u, ten aanzien dezer allergewigtigfte<br />

waarheden, heeft gegeven: zonder welken geen<br />

geluk of deugd voor u moogelijk zouden zijn.<br />

Zonder het geloof aan één God, als den Schepper<br />

der waereld, aan eene Voorzienigheid , aan<br />

zijne zedelijke werkingen, is het met beiden<br />

gedaan. Verbeeld u eene waereld aan het blind<br />

geval overgelaaten, of het uitwerkzel van eene<br />

toevallige zamenvoeging en vermenging van<br />

ftofdeelen ——- verbeeld u een God zonder menfchenliefde<br />

en zedelijke volmaaktheid verbeeld<br />

u u zeiven aan de laagen en bedriegerijen<br />

van booswigten, aan het geweld van onderdrukkeren<br />

, aan de mishandelingen van dwingelanden,<br />

aan alle rampen, die de natuur kan<br />

voortbrengen, hulploos overgegeven verbeeld<br />

u, ten prooi aan de kracht der verzoekingen,<br />

aan den voortfleependen ftroom van<br />

woedende driften, en onvermogend om dezelven<br />

het hoofd te bieden kunt gij bij deze beelden<br />

u eenige zielevrede, eenige vordering in<br />

zedelijke volkomenheid als mogelijk voorftellen ?<br />

Eene Stoicijnfche gevoelloosheid moge den Godlochenaar<br />

in ftaat {tellen, om de rampen dezes<br />

levens kloekmoedig te ondergaan, hem wapenen<br />

en verharden tegen de pijlen des onge-<br />

vals. Eene gezuiverde zelfsliefde moge<br />

hem


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. §5<br />

hem leeren, zig te hoeden voor zodanige buitenfporigheden,die<br />

hem veragting en fmart kunnen<br />

berokkenen, en zig toeleggen op de betrachting<br />

dier pligten, die hem de achting en<br />

genegenheid zijner tijdgenooten verzekeren ;<br />

maar is ftompe gevoelloosheid waar genoegen,<br />

zielftreelend geluk ? Even weinig als, geen kwaad<br />

te doen, deugd, zedelijke volkomenheid in den<br />

mensch zou kunnen wezen. _ Stel u daartegen<br />

een Wezen voor, wel voor uwe zinnen onbereikbaar,<br />

maar dat echter geen oogenblik u uit<br />

het oog verliest, dat de hoogfte magt met de<br />

uitgebreidfte liefde, eene onbegrensde wetenfchap<br />

met de aanbiddelijkfte wijsheid, eene<br />

paallooze vergeeflijkheid met eene onveranderlijke<br />

liefde tot orde en heiligheid vereenigt. »<br />

Denk, na dit alles, dat juist dit wezen uw<br />

Schepper Onderhouder, uw Vader is een<br />

Vader die ieder oogenblik voor uw zorgt, u<br />

geleidt en befluurt; zonder wiens toelaating en<br />

befchikking u niets gebeurt. Zoudt gij,<br />

bij zodanige voorflellingen, geene rust, geen<br />

troost, geen waar genoegen vinden? Nog<br />

eens, dank God, voor het geloof dezer waarheden?<br />

Dit herinnert u, in voorfpoed, dat<br />

aardsch geluk ook een gefchenk van God is;<br />

en hoe zeer veraangenaamt dit denkbeeld des',<br />

zelfs genot!. Hoe gerust en veilig bezit en<br />

fmaakt.gij dien zegen l een alziend oog bewaakt<br />

eene onweêrflaanbare magt. bevei-<br />

F<br />

3 list


86 II. HOOFDST. DJJ GELOOFSLEER.<br />

ligt eene volmaakte wijsheid en onveranderlijke<br />

liefde zorgen voor u en uwe waare belangen.<br />

Zoudt gij vrees of onrust kennen, daar<br />

gij onder de hoede zijt van, en overfchaduwd<br />

wordt door hem, die waerelden uit het niet ten<br />

voorfchijn bragt, en dingen die niet zijn, roept,<br />

als of zij waren; ,, die harten van menfchen,<br />

„ van koningen leidt als waterbeeken." •<br />

En nu, rampen beftormen u; is wel een onder<br />

dezen, door God niet toegelaaten, of wel toegezonden?<br />

Maar, het zij toelaaten, ofbefchikking;<br />

is wel een onder dezen, met welken God<br />

de bevordering van ons waar geluk niet bedoelt?<br />

Neen kristen! geloof in God, als een<br />

allervolmaaktst Wezen — als uw Schepper, verzorger<br />

en beftuurer, en „ al veranderde<br />

„ dan de aarde haare plaats, en al werden de<br />

„ bergen verzet in 't hart der zee " Uw<br />

hart zal niet ontroerd worden. Het geloof<br />

in één God, gelijk de leer van Jezus ons<br />

hem voorfielt, wekt tevens alle edele en natuurlijke<br />

driften in den mensch op, die eenigen invloed<br />

op zijne verrigtingen hebben, en hem<br />

tot drijfveeren zijner zedelijke volmaaking verflrekken.<br />

Hier noopt hem dankbaarheid (dit,<br />

den nog onbedorven mensch zo eigen, gevoel)<br />

om de menigvuldige en onwaardeerbare weldaaden<br />

van God, tot dat oogmerk, waartoe dezelven<br />

hem gefchonken zijn, ter veredeling en<br />

verbetering zijner geest- en ligchaamsvermo-<br />

gens,


IL HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 87<br />

gens , zorgvuldig aanteleggen. De gedachte<br />

alleen, dat zij gefchenken van God zijn, dooft<br />

ieder opwellende trek tot een ongeregeld misbruik,<br />

dat beide ziels- en ligchaamskragten verlamt<br />

en ontzenuwt. De echte dankbaarheid heiraat<br />

bij hem, in zijne goederen ter bewaaring<br />

zijzer gezondheid, en ter befchaaving van zijn<br />

geest te bebruiken. lederen mensch is eene<br />

zucht ter navolging ingefchaapen. Deze openbaart<br />

zich het tekst in de kindschheid, blijft<br />

echter ons geheel leven door werkzaam , bepaalt<br />

voornaamlijk ons karakter, en is de drijfveer<br />

van de meeste daaden. Hoe weinig nu<br />

ook de handelwijze van God, in het algemeen,<br />

ons ten voorbedde kan (trekken, dewijl hij in<br />

geheel andere betrekkingen tot ons ftaat, dan<br />

wij tot hem en tot eikanderen, echter is zijne<br />

zedelijke volmaaktheid en algemeene weldadigheid<br />

en liefde, zijne beftendige zorg voor ons<br />

tijdelijk en eeuwig welzijn, in een bepaalden<br />

zin, voor den mensch navolgbaar en navolgenswaardig.<br />

Eene leer dan, die ons de gezondfte<br />

denkbeelden geeft van Gods beminnelijke eigenfchappen<br />

, kan niet nalaten , met opregte<br />

harten geloofd wordende, ons, ter volmaking<br />

onzer natuur, en ter betragting van alles, wat<br />

liefde, weldadigheid, toegeeflijkheid en zorgvuldigheid,<br />

omtrent anderen en hunne belangen,<br />

van ons vorderen, opteleiden en aantefpooren.<br />

Wat toch was, van alle eeuwen, de<br />

F 4 hoofd-


8S II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

hoofdbron van onverdraagzaamheid en vervolgzucht?<br />

Bekrompen denkbeelden van de Godheid.<br />

En zouden dan gezuiverder en beminnelijker<br />

voorftellingen onze harten niet in een<br />

warmen gloed van menfchenliefde ontvonken?<br />

Nog eene drift beheerscht den mensch, die<br />

welgeleid en op waardige voorwerpen bepaald,<br />

dikwijls de verhevenfte deugd uitwerkt. Ik<br />

meen gevoel van zijne waarde. Zie dit gevoel<br />

werkzaam in hem, die uit een verachten ftaat,<br />

tot aanzienlijke posten wordt verheven! fchaamt<br />

hij zich nu niet dier geringe bezigheden, welken<br />

hij.voorheen met vermaak verrigtte? Dan,<br />

wat zijn alle koningrijken der aarde met derzelver<br />

heerlijkheid, bij den eernaam van kind<br />

van den grooten Schepper des Heelals, den<br />

Koning der Koningen! hoe zielverheffend, hoe<br />

grootsch is het denkbeeld; „ mijn ligchaam is<br />

een tempel van Gods Geest, eene woning der<br />

Godheid, die hemel en aarde vervult, die in<br />

geene tempelen, met handen gemaakt , hoe<br />

prachtig en heerlijk, wil woonen! bezef die<br />

waardigheid levendig en in hare gantfche uitgeftrektheid;<br />

hoe laag, verachtelijk en vernederend<br />

voor uwe waarde zal de zonde u voorkomen!<br />

hoe vuurig, zult gij de deugd aankleven<br />

, als het eenig middel, om uwen rang waardig<br />

te worden! Hij toch, die zijne waardigheid<br />

, door laagheden ontëert, maakt zijne fchande<br />

des. te zichtbaarer, naar mate hij hoger is<br />

ver-


II. HOOFDST. DF, GELOOFSLEER. 89<br />

verheven. Denk eindelijk, bij dit alles,<br />

dat de ftaat, waarin gij u bevindt, u door de<br />

Voorzienigheid is toegefchikt, met oogmerk,<br />

om 11 veelVuldige gelegenheden en aanleidingen<br />

, ter beö'effening van plichten, die uwe natuur<br />

kujmen volmaaken, te verfchaffen. Dat<br />

die Voorzienigheid u uit alle drukkende ongelegenheden<br />

, waarin eene getrouwe plichtsbetrachting<br />

u zou kunnen ftorten, kan, en ver-<br />

eischt haar oogmerk zulks, zal verlosfen<br />

dat zij u niet boven vermogen zal beproeven,<br />

en bij de verzoeking uitkomst geven • dat<br />

God niet alleen het werken, maar ook het beftendig<br />

willen in u zal werken, wanneer gij<br />

met eerbied en zorgvuldigheid uwe eigen zaligheid<br />

tracht uittewerken ! l<br />

ftel u dit alles gemoedelijk<br />

voor, en zal dan de volmaaking uwer<br />

natuur u niet de aangenaamfie plicht worden?<br />

Zullen zodanige gedachten niet het vermogen<br />

der verzoekingen verzwakken, den invloed der<br />

verleidingen verflaauwen? Zal vrees voor onheilen<br />

u nu wel van uwen plicht kunnen aftrekken?<br />

Zal dit geloof in u niet een edelen<br />

moed ontvonken, en eene onverzettelijke ftandvastigheid,<br />

bij alle gevaaren en hinderpaalen, inboezemen?<br />

Zal het u niet in een blaakenden<br />

ijver doen ontbranden, om toch voor uw eigen<br />

zedelijk welzijn geen minder zorg te dragen, dan<br />

God? Een ligtzinnig fpotter moge dit al-<br />

fcs vrome dweperij noemen; gij, mijn vriend 1<br />

F 5 zijt


QO II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

zijt gelukkig, indien gij u de Godheid en hare<br />

werken in dit licht even waarin de leer<br />

van Jezus u dezelven vertoont geftadig<br />

voorftellende, ook zodanige aandoeningen gewaarwordt,<br />

en hier mede overeenkomftige befluiten<br />

vormt. Op deze wijze kan dan het<br />

geloof aan de voorgeftelde waarheden den grootften<br />

invloed op ons geluk en onze deugd hebben<br />

, de groote oogmerken van het kristendom<br />

bevorderen, en hier door een voornaamen rang<br />

onder deszelfs wezenlijke leeringen bekleeden.<br />

A F D E E L I N G III.<br />

JEZUS KRISTUS.<br />

Wanneer gij, vriend der waarheid! mijne<br />

bovengemaakte, verklaaringen van de kenmerken,<br />

die een wezenlijk leerftuk van het kristendom<br />

onderfcheiden, wel in het oog hebt gehouden,<br />

zult gij, in deze afdeeling, geene beflisfching<br />

der gefchillen , die de kristenheid,<br />

ten aanzien van de onderwerpen, welken wij<br />

thans gaan befchouwen, zo jammerlijk verdeelen,<br />

van mij vorderen of verwachten. Gelukkig<br />

voor uwe rust en deugd; •—- de bijzonderheden<br />

, waaromtrent de meeste twisten plaats<br />

hebben, behooren tot het wezen van het kristendom<br />

geenzins. Zij behelzen , of, enkel<br />

mensch-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 91<br />

menschlijke verldaaringen, van alle Godlijk gezag<br />

verfteken, of, leerftelzelen, gegrond op<br />

uitfpraaken der H. S., die alle kenmerken van<br />

wezenlijkheid misfchen. Vergeet dan, voor<br />

die oogenblikken, welke gij aan de lezing van<br />

dit gefchrift toewijdt, alles, wat de kristenheid,<br />

tot hiertoe, zoo droevig vaneenfcheurt,<br />

alle bijvoegzelen en toevalligheden, om alleen<br />

het wezen der leer van Jezus natefpooren.<br />

Alles, wat Jezus wegens zijn perfoon en zijne<br />

waardigheid geleerd heeft, kan tot deze drie<br />

hoofdpunten gevoeglijk gebragt worden. Vooreetst;<br />

wat hij voor het menschdom geweest is:<br />

ten anderen; wat hij voor het menschdom nog<br />

is. Eindelijk; wat hij in een toekomende huis-<br />

houding voor het menschdom zal wezen.<br />

In deze drie betrekkingen, zullen wij den Heiland<br />

befchouwen, en zijne leer, betreffende dezelven,<br />

woordelijk voordragen.<br />

& ï.<br />

Wat y ezus Kristus voor het menschdom<br />

geweest zij.<br />

Zoon en afgezant van God.<br />

G O D.<br />

MATTHEUS Evang. III. 17. , „ Deze is<br />

mijn


ps. II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

mijn zoon, mijn geliefde, in welken ik mijn<br />

welbehagen heb."<br />

MATTHEUS 'Evang. XVII. 8. „ Deze<br />

is mijn geliefde Zoon, in den welken ik mijn<br />

. * Jezus Kris- welbehagen heb, hoort hem."<br />

tus heeft, op<br />

last van God,<br />

deszelfs welke- J E Z U S<br />

hagen, dal genade<br />

en waarheid<br />

vervat, JOANNES Evang. XII. AQ, 50. „ Ik heb uit<br />

fvTalZt<br />

m<br />

? Z d v e n n i e t<br />

maar de Vader, die<br />

den wil van mij gezonden heeft, heeft mij een gebod ge-<br />

^•1^'. * Z<br />

^<br />

geven,bekend<br />

E n i k<br />

e n en W a t ik<br />

zal.<br />

weet, dat zijn gebod, het eeuwige le-<br />

ë<br />

akt<br />

hTeft<br />

i S<br />

'<br />

g e e<br />

" i k d a n f r e e k<br />

P ' datfpreekik<br />

a l z o<br />

t Dezewoor- '<br />

§ e l i k<br />

J<br />

m i<br />

J<br />

d e V a d e r<br />

gezegd heeft."<br />

den fchijnen , LUCAS Evang. XXII. 70. „ En zij zeiden<br />

S PS° r<br />

a l k : Z i j t § i j d a n d e Z o o n v a n G o d ? E n hi<br />

ge' J zei'<br />

fprooken; de tot hen: gij zegt dat ik het ben."<br />

uogthans komen<br />

zij mij<br />

voor, als eene De Apostels.<br />

aanmerking<br />

vnn den Evan- T<br />

geKst.-Ech- J O A N N E S .<br />

ter wat men<br />

ï5£ e<br />

E v m g L I ?<br />

D e w e t i s d o o r M<br />

doet ' - * " °zes<br />

tveinig ter za gegeven: de genade en waarheid is door Jezus<br />

|f e<br />

- Kristus geworden."<br />

** Die gelooft, „ T r T<br />

dat J. K. de Evang. III. 34, 35, 36. f ,, Die God gezon-<br />

Zoon van God den heeft, fpreekt de woorden Gods. De Va-<br />

%lrf U<br />

als e<br />

Go n<br />

d^ 1<br />

. h e e f t d e n Z o o n l i e f<br />

' e<br />

n heeft alle dingen<br />

gehoorzaamd in zijn hand gegeven. ** Die in den Zoon gemoet<br />

worden. . .<br />

looft


IL HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 93<br />

looft heeft het eeuwige leven, maar die den<br />

Zoon ongehoorzaam is zal het leven niet zien 5<br />

maar de toorn Gods blijft op hem."<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Hehr. I. 1. „ God heeft<br />

gefproken door den Zoon."<br />

P E T R U S .<br />

Tweede Br. I. 17, 18. „ Want hij (Jezus)<br />

heeft van God den Vader eer en heerlijkheid<br />

ontvangen; als zodanig eene ftem van de hoogwaardige<br />

heerlijkheid, tot hem gebragt wierd:<br />

deze is mijn geliefde Zoon, in den welken ik<br />

mijn welbehagen heb. En deze ftem hebben<br />

wij gehoord." •<br />

(Zie verder Matth. XI. 27. Joan. VI. 29, 38.<br />

VIL 16, 29. 1 Joan. IV. 14, 15. Hebr. II.<br />

3> 4-)<br />

GOD, JEZUS en de APOSTELS fpreken hier<br />

allen hetzelfde getuigenis, dat onze Meester een<br />

Zoon en afgezant van God is. Ons wordt<br />

geboden, dit te gelooven, en aan dit geloof<br />

wordt de verkrijging der Evangelifche heilgoederen<br />

verbonden. (Joan. III. 36. Matth. XVII.<br />

5.) Deze waarheid, dat Jezus de Zoon van<br />

God is, is het juist, voor welke hij als een<br />

Mar-


94 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

Martelaar is geftorven. (Luc. XXII. 70.) Immers,<br />

alleen op derzelver belijdenis, werd hij<br />

ter dood veroordeeld.<br />

Maar wat is Zoon van God? Juist dit<br />

is de twistappel; dan, laat ik u ook vragen<br />

, wat is een geest, op God toegepast ? •<br />

Wij beiden moeten andwoorden; wij weien het<br />

niet. En nogthans zijn beiden wezenlijke<br />

leerftukken, ja, mijn vriend! datjezus de<br />

Zoon van God is, moeten wij gelooven, (fchoon<br />

wij wel de woorden, maar de zaak geenzins<br />

begrijpen) en dit, om aan de Godlijkheid zijner<br />

zending, en de waarachtigheid zijner leer<br />

den fterkften fteun te geven. —— Er zijn ook<br />

andere redenen voor de noodzaaklijkheid van<br />

dit geloof; maar zij kunnen in deze §. in geene<br />

* Joan. XII. aanmerking komen. * Hiertoe gebruikt Je-<br />

4P> 5°. zus deze waarheid, en indien wij ook dezelve<br />

hiertoe bezigen, zal zij ons tot het grootfte nut<br />

verftrekken. Wat meer is, God zelve ftelt ons<br />

f Matth. deze leer van dien kant voor; hij zegt; f deze<br />

XVII. 5. j s mij n ggiiejde Zoon hoort hem. De<br />

leer welke Jezus verkondigd heeft, is niet zijne<br />

eigene, niet door hem alleen uitgevonden.<br />

Zij is geheel en al de leer van God. Jezus<br />

heeft zich volftrekt niet kunnen bedriegen in<br />

zijn gevoelens, dat het geen hij gepredikt heeft,<br />

Gods welbehagen vervat: immers hij is Gods<br />

Zoon een Zoon, die alle de liefde en al<br />

het vertrouwen van zijn Vader bezit: Gij,<br />

mijn


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 95<br />

mijn vriend! zoudt immers ook den Zoon eenes<br />

Menfchen, die de liefde en het vertrouwen zijnes<br />

Vaders had , oneindig zekerer gelooven,<br />

dan zijn dienstknegt. Op God en Jezus geldt<br />

dit nog veel fterker. Is Jezus de Zoon<br />

van God, hoe veel fterker wordt dan de verplichting<br />

om hem te gelooven en te gehoorzamen!<br />

Om deze reden, is de aanmerking van<br />

Jezus ten vollen gegrond: „ die mij verwerpt,<br />

verwerpt hem, die mij gezonden heeft." Als<br />

ook het zeggen van den H. Joannes : „ die<br />

den Zoon loochent, loochent ook den Vader."<br />

Tot een ander bewijs, geldt ook hier het geen<br />

Paulus voorftelt; * „ als iemand de wet van * Hebr.X.<br />

„ Mozes heeft te niet gedaan, deze fterft -\zon- l S,<br />

z^jf. v<br />

„ der barmhartigheid, hoe veel te zwaarer ftraf fchoTmng'<br />

„ zal hij waardig geacht worden, die den Zoon<br />

„ van God vertreeden heeft." Deze laatfte<br />

woorden leeren ons, dat, was het ftrafwaardig<br />

bij God, de wet van Mozes, die flegts zijn<br />

dienstknecht was, te overtreden; het oneindig<br />

ftrafwaardiger ten eenigen dage zal geoordeeld<br />

worden, Jezus niet t=e willen gelooven en gehoorzamen,<br />

om dat hij de Zoon van God is. —<br />

Welke verfchillende begrippen men dan ook van<br />

deze benaaming: Zoon van God,moge vormen;<br />

ieder toch, die den naam van een kristen wil<br />

waardig worden, moet van deze hoedanigheid<br />

zulke verhevene denkbeelden koesteren, dat hij<br />

Jezus als een onfeilbaar afgezant van God aanmerkt<br />

,


p6 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.*<br />

merkt, gezonden, om ons den wil en het wel*<br />

behagen des Allerhooglten te verkondigen; dat<br />

hij alle de uitfpraaken van Jezus, dit punt betreffende<br />

, van even dezelfde waarde, van even<br />

hetzelfde gezag oordeelt, als of God tot hem<br />

zeiven onmiddelijk had gefprooken. Van dezen<br />

kant, is deze waarheid, voor ons, ten<br />

uitterften belangrijk; dan, wat men ook uitdenke,<br />

om dezelve en de wijze hoe? té verklaaren;<br />

niets van dit alles, hoe waarachtig<br />

en gegrond ook kan aan dezelve, uit dit<br />

oogpunt befchouwd, eenig meerder gewigt bijzetten.<br />

Verlosfer van het Menschdom door zijn lijden<br />

en fterven.<br />

JEZUS.<br />

MATTHEUS Evang. XX. 28. „ De Zoon des<br />

menfchen is gekomen om zijne ziel te ge-<br />

* Ten nutte ven, tot een rantzoen * voor velen."<br />

JOANNES Evang. X. 15.<br />

leven voor de fchapen."<br />

„ Ik ftel mijn<br />

f Beteekent MATTHEUS Evang. XXVI. 28- „ Dit f is<br />

M I N<br />

§ Verhonds J<br />

b l o e d<br />

'<br />

h e t b l o e d d e s<br />

Nieuwen § Testaments,<br />

welk voor velen vergoten wordt, ter vergeving<br />

der zonden."<br />

JOANNES Evang. XIV. 31. „Op dat de waereld<br />

wete, dat ik den Vader lief heb, en alzo<br />

doe,


ÏI. HóÓFDST. DÊ GELOOFSLEER, gf<br />

doe, gelijk mij de Vader geboden heeft, ftaat<br />

op * laat ons van hier gaan." * De echte<br />

(Zie verder Joan. VI. 5, XV. **- r 30 . S^XS<br />

dezer woor»<br />

JOANNES de dooier. den, is deze of<br />

r<br />

dergelijke uitbreiding:<br />

laai<br />

- JOANNES Evang. I. 20. „ Ziet het lam Gods, on<br />

l n<br />

, aar<br />

dat de zonden der'waereld wegneemt,"<br />

:<br />

gaan (o^zoo<br />

deze woorden<br />

De Apostelu<br />

m<br />

t e<br />

,V er[t<br />

l g<br />

vanheiPaasch-<br />

• feest zijn ge-<br />

P E T R U S . fproken, laat<br />

ons naar Get-<br />

' femané ver-<br />

Eer He Br. I. 18, 19. „ Wetende, dat gij *reMen)u>aar<br />

^ , ,. .. „ het lijden en<br />

met door verganghjke dingen, zilver of goud, de dood,welke<br />

verlost zijt, van uwe vorige ijdele wandelin- de Vader mij<br />

gen Maar door het dierbaar bloed van tifSlt<br />

Kristus, als van een onbeflraffelijk en onbevlekt ten.<br />

lam."<br />

"<br />

Ir<br />

- 21<br />

? H- 5, Dewijl ook Kristus<br />

voor ons geleeden heeft, ons een exempel nalaatende<br />

die zelve onze zonden f gedra- f Weggedragen<br />

heeft in zijn ligchaam op het hout, op dat S e>l<br />

'<br />

wij de zonden afgeflorven zijnde der geregtigheid<br />

leven zouden."<br />

P A u L u s.<br />

7? J T> TTT § Liever; vet-<br />

Br. aan de Rom. III. 25, 26. „ Welken zoening in<br />

(Kristus) God voor gefield heeft § tot eene ver-' zijn bloed doof<br />

r<br />

het geloof.<br />

Z0ê-


98 E. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

zoening door het geloof in zijn bloed; tot eene<br />

\enheid. tie<br />

~ b e t o o n i n v a n z i n e<br />

S J * regtv aardigheid , door de<br />

vergeving der zonden, die te voren gefchied<br />

zijn, onder de verdraagzaamheid van God: tot<br />

eene betooning van zijne regtvaardigheid, in<br />

f Genadig. d e z e n tegenwoordigen tijd: op dat hij f regt-<br />

v a a r d i<br />

weende' ^' £ Z I E N<br />

J' § regtv aar digend den geenen,<br />

die uit het geloof in Jezus is."<br />

Br. aan de Rom. V. 8. „ God bevestigt<br />

zijne liefde tegen ons, dat Kristus voor ons geftorven<br />

is, als wij nog zondaars waren."<br />

Tweede Br. aan de Kor. V. 15, 18, 19, 21.—<br />

„ En hij is voor alle geftorven, op dat de geene<br />

die leven, niet meer zich zeiven zouden leven<br />

, maar dien, die voor hen geftorven en opgewekt<br />

is. En alle deze dingen zijn uit<br />

God, die ons met zich zeiven verzoend heeft,<br />

door Jezus Kristus. Want God was is in<br />

Kristus, de waereld met zich zeiven verzoenende<br />

, haare zonden haar niet toerekenende.<br />

Dien die geene zonden gekend heeft, heeft hij<br />

zonde voor ons gemaakt, op dat wij zouden<br />

** d. i. Eene worden ** regtvaardigheid Gods in hem."<br />

regtv aardig- D , „ ^T _ ,.„ ,<br />

heid, die Gf>-<br />

B r<br />

'<br />

a a n d e R o m<br />

- V<br />

- :<br />

9' »<br />

G E L L<br />

J<br />

K DO01<br />

" &<br />

de welbehaa- ongehoorzaamheid van eenen mensch velen tot<br />

gelijk is, zondaaren gefield zijn; alzo ook zullen door de<br />

gehoorzaamheid van eenen veelen tot regtvaardigen<br />

gefield worden."<br />

Br. aan de Hebr. X. 8—10. „ Als hij te<br />

voren gezegd hadt, flagtoffer en offer voor de<br />

zon-


Ü HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 99<br />

Sonde hebt gij niet gewild; toen fprak hij; zie,<br />

ik kom, om uwen wil te doen 6 God! * in * Door, of vol*<br />

welken wil wij f geheiligd zijn, door de offer- S'- -<br />

hande des ligchaams van Jezus Kristus." J^retnigT<br />

Br. aan de Eph. V. 2. „ Gelijk ook Kristus<br />

ons heeft lief gehad, en zich zeiven ons<br />

overgegeven tot eene offerhande en flagtoffer<br />

Gode."<br />

Br. aan Tit. II. 14. „ Die zich zelVen voor<br />

ons overgegeven heeft, op dat hij ons zou verlosfen<br />

van alle ongeregtigheid, en zich zeiven<br />

een eigen volk reinigen ijverig in goede werken."<br />

Br. aan de Hebr. V. 9. „ En geheiligd zijnde<br />

is hij allen die hem gehoorzaam zijn, eene<br />

oorzaak der eeuwige zaligheid geworden*"<br />

J O A N N E Si<br />

Evang. III. 16. „ Alzo lief heeft God de<br />

Waereld gehad, dat hij zijn eeniggeboren Zoori<br />

heeft gegeven op dat een iegelijk, die in hem<br />

gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven<br />

hebbe."<br />

Eerjle Br. II. 1, 2. „ Indien iemand gezondigt<br />

heeft, wij hebben een voorfpraak bij den<br />

Vader, Jezus Kristus, ** den regtvaardigen: ** Qenbxrnï»<br />

en hij is een verzoening voor onze zonden." hartigm.<br />

III. 16. ,, Hier aan hebben wij de<br />

liefde gekend, dat hij zijn leven voor ons ge*<br />

fteld heeft»"<br />

G 2. Eer*


ioo II. HÖOEDST. DE GELOOFSLEER*<br />

' Eerfte Br. IV. 9, 10. „ Hierin is de liefde<br />

van God tegen ons geopenbaard, dat God zijn<br />

eeniggebooren Zoon gezonden heeft in de wae-<br />

, reld, op dat wij zouden leven door hem: hierin<br />

is de liefde, niet dat wij God lief gehad hebben<br />

, maar dat hij ons heeft lief gehad en zijn<br />

Zoon gezonden tot een verzoening voor onze<br />

zonden."<br />

w o r d e n ><br />

* De zonde te<br />

J A C 0 B U S.<br />

Br. V. 15, 20. „ En het gebed des geloofs<br />

zal den zieken behouden. En zo hij zonden<br />

zal gedaan hebben, het' zal | hem vergeven<br />

D e<br />

g ee<br />

n •> die een zondaar van<br />

bedekken is de'dwaaling zijnes wegs bekeerd, zal een ziele<br />

hetzeirde als, v a n jen dood behouden en zal * meniste der<br />

de zonde uit-<br />

ü<br />

tewisfen of te zonden bedekken."<br />

verzoenen (Zie verder Hand. IV, 12. XIII. 39. Rom.<br />

(zie Pfalm _ T T T T „ ,<br />

XXXII. 1. VID. 10, 33. V. 2, 6, 7. 1 Kor. XV. 3.<br />

vergel. met<br />

l<br />

}ZHiJ2<br />

Eph. L 7. Phil. II. 8. Gal. II. 20. Eph.<br />

V<br />

- 2<br />

*> '*7. 1 Tim. II. 5, 6. Hebr. IX. 26,<br />

de woorden 28. Tit. III. 4. Gal. I. 4. Hebr. I. 3. VII.<br />

1<br />

3 E<br />

° flB<br />

- I' 7 3 9-)<br />

zijne pogingen •<br />

verbete- •<br />

ringe zijnes T T. . .. .<br />

i e r z l c t<br />

broeders, het " g'J? vriend der waarheid! eene vermiddelzijn,<br />

zameling van uitfpraaken van Jezus en zijne<br />

waardoor een « .. , . .<br />

menigte van A 0 S t e l e n<br />

P 5 mgerigt, om u een duidelijk denk-<br />

zonden wordt beeld te geven , van de verlosfing van het<br />

v e r<br />

* e v e n<br />

' mensch-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER, IOI<br />

menschdom door Kristus s en inzonderheid ,<br />

door deszelfs dood. Zorgvuldig heb ik alle<br />

zodanigen bij een gebragt, die regtftreeksch ook<br />

op ons kunnen toegepast worden. Alleen zuiken<br />

heb ik achterweg gelaaten, die op plaatslijke<br />

omftandigheden betrekking hebben; als:<br />

b. v. de vernietiging van alle zoenofferhanden,<br />

zo wel van Heidenen als van Jooden en van den<br />

geheelen plegtigen Godsdienst van Mozes<br />

de inlijving der Heidenen in.de kerk van Gód,<br />

waardoor deze met de Jooden vereenigd en derzelfde<br />

voorregten deelachtig wierden, en dergel.<br />

, mede aan den dood van Kristus verfchuldigde<br />

heilgoederen, in welker nutte en gelukkige<br />

gevolgen, wij zeker dee.len, maar die,<br />

regtftreeksch, voor ons geeirgewigt hebben. —<br />

Welaan dan,, laten wij zo onzijdig, als of wij<br />

nimmer eenige menschlijke verklaring over deze<br />

leer gelezen hadden, de, waarhedenKspfpooren,<br />

die in deze uitfpraaken liggen opgeflooten.<br />

.. I. Eerfte waarheid; God is de uitvinder, de<br />

oorfprong, en .de beftuurer van het geheele ontwerp<br />

, om het menschdom , door den dood van<br />

Kristus, te begelukzaligen. (Joan.Jll, 16, XIV.<br />

31. Rom. III. 25. V. 8. Kor. V. 18, 19, 21.).<br />

. II. Tweede waarheid; de drijfveer van God<br />

was, liefde tot'het menschdom - r — eene zucht,<br />

om- hetzelve,'te'bevrijden van die onheilen,<br />

jyaaraan he.t,. in de ondeugd voortgaande, onvermijdelijk<br />

blootflondt; en, om hetzelve voor<br />

G 3 het


toa II, HOOFDST. DÊ GELOOFSLEER.<br />

het uitgebreidfle geluk vatbaar te maken, en<br />

ook dit aan hetzelve te fchenken: en deze menfchenliefde<br />

is, in de geheele inrigting van het<br />

plan, ten duidelijkfte zichtbaar. (Joan. III. 16.<br />

i Joan. IV. 9, 10, Rom. V. 8.)<br />

III. Derde waarheid; aan dit, door God verordend,<br />

plan heeft Jezus, onverplicht en vrijwillig<br />

zich onderworpen; deels, uit gehoorzaamheid<br />

aan God; deels, uit belanglooze menfchenliefde.<br />

(Joan. XIV. 31. XV. 13. 1 Joan.<br />

III. 16. Eph., V. 2, 26, 27. Gal. II, 20. Phil,<br />

II. 8.)<br />

IV. Vierde waarheid; het Godlijk plan zelf<br />

komt eenvoudig hierop neder. Door de bloeddorftige<br />

woede der Jooden te gedoogen, wilde<br />

God zijn eenigen Zoon, die zich mede hier aan<br />

gehoorzaam j onderwierp , aan het fmartelijkst<br />

lijden en den fchandelijldlen dood overgeven —<br />

en, om de, alles te bovengaande, proef van<br />

gehoorzaamheid en onderwerping, in dien dood<br />

betoond, alle de flraffen der zonden den menfchen<br />

kwijtfchelden, hun alle mogelijke huh><br />

middelen ter vordering in deugd e'n volmaaktheid<br />

fchenken, en, na den dood, eeuwig gelukkig<br />

maken; op voorwaarde van geloof en gehoorzaamheid<br />

aan de leer van Jezus van hunne<br />

zijde, en, voor zo velen, als die voorwaarden<br />

aannamen en getrouw, uit alle'hunne vermogens<br />

onderhielden. (Matth. XX. 28. XXVI. 28,<br />

Joan. I, 29. V, 51. X. 15. XV. 13. Hand.<br />

IV,


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 103<br />

IV. 12. Rom. III. 25, 26. VIH. 33, 34. 2 Kor.<br />

V. 18, 19, 21. Rom. V. 19. iïe/;?-. X. 8—10.<br />

1 Tim. III. 5, 6. iïêir. V. 9. IX. 26, 28. 1 Joan.<br />

I. 7, 9, 11, 12. IV. 9, 10.)<br />

V. Vijfde waarheid; de waarde van dien<br />

dood, ter verzoening der zonde, beftondt niet<br />

enkel in het ftorten van het bloed van Jezus;<br />

maar hierin; dat Jezus de hoogstgeliefde Zoon<br />

van God • volkomen onzondig en tot<br />

den dood des kruis zijn Vader gehoorzaam was.<br />

De eerfte hoedanigheid toonde in Jezus het<br />

uitftekende zijner menfchenliefde, en het vrijwillige<br />

zijner overgeving in God, hoe<br />

dierbaar hem de menfchen en de belangen der<br />

deugd waren. De tweede bevestigde de waarheid<br />

dat Jezus 'voor de zonden der menfchen,<br />

en geenzins, voor zijne eigene hadt geleeden;<br />

welk laatfte, zo hij een gewoon zondig mensch<br />

geweest ware, zeer ligt vermoed zou zijn door<br />

menfchen, die tijdlijke rampen als ftraffen van<br />

zonden befchouwden, en even die zelfde hoedanigheid<br />

verzekerde het menschdom van de<br />

daadelijkheid der vergeving, dewijl heiligheid<br />

en onzondigheid bij God de dierbaarfte offers<br />

zijn, die hem uit de gantfche fchepping kunnen<br />

opgedragen worden. De laatfte hoedanigheid,<br />

gehoorzaamheid aan God, bewees onlochen-<br />

baar, dat deze alleen en niet brand<br />

en flagtoffers • de weg is, om Gode aangemaam<br />

te worden. (1 Petr. I. 19. Rom. VIII.<br />

G<br />

4 34-


104 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

34. V. 19. Phil. II. 8. Hebr, X. 8-10. en anderen.)<br />

VI. Zesde waarheid; het grootfte doel van<br />

dit ontwerp was . niet den mensch in-de<br />

zonde aantemoedigen; maar integendeel, de allerkrachtigfte<br />

drangredenen en beweegmiddelen<br />

tot levensverbetering, tot volharding en vordering<br />

in zedelijke volkomenheid te verfchaffen.<br />

(Joan. XV. 12, 13. I. 29. 1 Petr. I. 18. II. 21,<br />

24. III. 18. Eph. V. 26, 27. Tit. II. 14. Hebr.<br />

V.: 9. IX. 26, 28. en anderen.)<br />

Zo veel mijn Broeder! kan uit de voorgeftelde<br />

plaatzen opgemaakt worden. Niemand betwist<br />

ik de vrijheid, om meer waarheden in dezelven<br />

te zoeken, en te vinden; maar, tot<br />

hiertoe, heb ik mij zeiven nog niet kunnen<br />

overreden, dat er meer, dan de aangewezenen<br />

in dezelven opgefloten liggen. En fchoon ik<br />

zulks- mooglijk achte, vergenoegen wij ons,<br />

voor het. tegenwoordige, met dezelven,<br />

: I k<br />

vertrouw, dat gij thans een duidelijk denk,<br />

beeld hebt verkregen van al dat gene, welk Jezus<br />

hier op aarde voor het menschdom geweest<br />

is; van zijne waardigheid als Zoon en afgezant<br />

van God; en als verlosfer yan -Im menschdom.<br />

Het zal er . dan nu op aankomen, of die leeringen<br />

.welken wij, volgens de uitfpraaken van Jezus<br />

en van zijne leelingen, hebben voorgedragen,<br />

tot het wezen van het kristendom behopren.<br />

Hebt


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 105<br />

Hebt gij de bijgebragte getuigenisfen met opmerkzaamheid<br />

gelezen, dan zult gij gereedlijk<br />

erkennen dat zij, ten aanzien der voordragt,<br />

alle kenmerken van duidelijkheid, ftelligheid;<br />

en overeen/temming bezitten, en dus de voorgedragen<br />

leer, in dit opzicht, wezenlijk tot den<br />

Godsdienst van Jezus behoort. Dan met<br />

betrekking tot den inhoud vereisfchen de ken-<br />

.merken van wezenlijkheid eene nadere overweeg<br />

ging- eS ' ".<br />

Niemand heeft nog betwist, dat de leer wegens<br />

de Godlijke zending van Jezus en zijn<br />

Zoonfchap , ook de tegenswoordige kristenen<br />

betreft en. door hen nog geloofd moet worden.<br />

Zoo is het niet geleegen met de waarr<br />

heid, dat Jezus door zijn dood, het menschdom<br />

van de ftraf der zonde verlost heeft. Eenigen<br />

toch twijfelen, of dezelve op het tegenwoordig<br />

menschdom wel toegepast kunne worden:<br />

anderen gaan .verder, en twijfelen, of het<br />

geheele leerftuk.van de vergeeving der zonden,<br />

de tegenwoordige kristenen betreffe. Een bedachtzaam<br />

en onzijdig onderzoek kan alleen ons<br />

hier den regten weg wijzen. De H. S.<br />

geeft óns zeker geene voldoende en onbetwistbaare<br />

verklaaringen, om de vragen, in hoe ver<br />

de voordeelen van Jezus dood, cok tot de toekomende<br />

gedachten behooren, gerustftellend te<br />

beflisfchen. Dit erken ik. Dan, ook even dit<br />

fiilzwijgen kan ten voordeele dezer zaak uitge-<br />

G 5 legd


ioö II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

legd worden. Het geen ons nog fterker<br />

tot zulk eene gunftige verklaaring overhaalt,<br />

is, dat Jezus ons het karakter van zijn hemelfchen<br />

Vader afmaalt, als geheel liefde, barmhartig-<br />

en vergeeflijkheid, omtrent ieder, die<br />

opregt gezind is zijne zeden te verbeteren, en<br />

zijn broeder, van gantfcher harte, vergeeft.<br />

Bepaaling of uitzondering vinden wij hier niet<br />

gemaakt! Wat meer is; hij leert ons bidden;<br />

„ vergeef ons onze fchulden." Zo nu de vergeving<br />

zich niet door alle eeuwen uitftrekt, is<br />

dit alles voor mij onverklaarbaar. Maar<br />

dit is nog geene vergeving, om den dood van<br />

Kristus -— dit is zo. Komen wij dan een<br />

ftap verder. Jezus fielt ter gedachtenis van zijn<br />

dood een maaltijd in: de Woorden bij de inftelling<br />

gebezigd, doen ons zien, dat hij, bij<br />

zodanig een maaltijd , inzonderheid herdacht<br />

wil hebben, dat zijn ligchaam ten onzen besten<br />

verbroken en zijn bloed ter vergeving onzer<br />

zonden geftort is; de Apostels begrepen<br />

deze inftelling, niet alleen voor hen, maar voor<br />

alle kristen gemeenten, en wel in alle eeuwen,<br />

gefchikt te zijn. Hierom beveelt Paulus; „ verkondigt<br />

den dood des Heeren tot dat hij komt."<br />

Indien nu de vergeving, door den dood van Kristus,<br />

zich niet tot alle tijden uitftrekte; indien<br />

wij aan dien zegen van Jezus dood geen deel<br />

hadden; moesten dan de kristenen niet, reeds<br />

zedert lang, opgehouden hebben, om gemeen-<br />

fchap-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.' 107<br />

fchaplijk wijn te drinken, ter gedachtenis van<br />

het bloed, ter vergeving der zonden geftort? —<br />

Maar verder; dat de vergeving der zonde, om<br />

den dood van Kristus, zich ook uitftrekt tót<br />

alle zodanigen, die, reeds kristenen zijnde, en<br />

van den weg der deugd afgedwaald zijnde, tot<br />

denzelven terugkeeren, leeren ons deze plaatzen:<br />

1 Joan. I. 9. II. 1, 2. Jac. V. 16, 19,20.<br />

(behalven anderen) zeer duidelijk, indien wij<br />

dezelven onbevooroordeeld lezen. En nu, mogen<br />

dan dezelven, voor zo ver wij ons in dezelfde<br />

omftandigheden bevinden, ook niet op<br />

ons toegepast worden? Niemand toch zal beweeren,<br />

dat den eerften kristenen, om dat zij<br />

eenige eeuwen vroeger in het geloof waren *<br />

grooter voorregten [toekomen , dan hun , die<br />

thans gelooven. Maarevenwel, geloof en<br />

bekeering werden, als uitdrukkelijke voorwaarden,<br />

voorgefteld voor ieder, die een deelgenoot<br />

van de heilgoederen van Kristus dood wilde<br />

worden. Zijn dezen ook op ons toepaslijk?<br />

en, zo ja; in welken zin? in even denzelfden,<br />

in welken men die voorwaarden op de eerfte kinderen<br />

, die uit kristgeloovigen geboren wierdèn,<br />

-moest thuisbrengen. Hun kwamen de beloften,<br />

of liever het reh't óp de beloofde heilgoederen,<br />

even zo wel tóe als hunne ouderen. Zo ras<br />

zij in ftaat waren, om te gelooven, en voor<br />

reden vatbaar en voor zonden aanfpraaklijk<br />

•moesten gehouden worden: zo ras hadden zij<br />

door


log II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

door hun geloof en een geftadig toeleggen op<br />

de verbetering van zeden, deel .aan de vergeving<br />

door den dood van Kristus. Dat wij ons<br />

met die kinderen in een even gelijk geval mogen<br />

Hellen, en op dezelfde wijze, als zij, ons<br />

de voordeden van Jezus dood toeëigenen, zal<br />

geen verftandig mensch betwisten: en gevolglijk<br />

is de voorgedragen leer voor alle menfchen<br />

gefchikt.<br />

Een ander kenmerk, dat dezelve tot den rang<br />

van een wezenlijk leerftuk kan verheffen, is<br />

beide de. zanienhang en overeenjlemming met<br />

het geheel. Onderzoeken wij, of zij dit kenmerk<br />

dragen. De waarheden , dat Jezus de<br />

Zoon van God, en door zijn dood, de verlosfer<br />

van het menschdom is, kunnen niet van<br />

eikanderen gefcheiden worden. Men moetheiden<br />

, of geene gelooven. Herleest de derde en<br />

vijfde waarheid, die wij in. het leerftuk der<br />

menfchen verlosjïng hebben voorgelieid, en gij<br />

zult niet kunnen lochenen, dat Jezus de Zoon<br />

van God moest zijn om. door zijn dood de zonde<br />

te niet . te. doen. . Wij zullen hier bij nog<br />

deze aanmerking voegen , j dat,- indien Jezus<br />

voor een gewoon mensch .ware gehouden geworden,<br />

het leerftuk der vergeving door zijn<br />

dood, regtftreeksch aanleiding zou gegeven hebr<br />

ben, om den dood van alle Martelaaren voor<br />

het kristendom in hetzelfde licht te befchouwen.<br />

En welke heillooze en, voor de zeden,<br />

ai-


II. HOOGDST. DE GELOOFSLEER. IÓ


ito II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

dat wij de hoogstmogelijke zekerheid hebben,<br />

dat deze de ware weg zij; niet tevens alles in<br />

het werk ftellen, om ons, ter bewandeling van<br />

dien weg, bekwaam te maken? En wat is geepaster<br />

tot dit doel, dan de zekerheid, die de<br />

leer, dat Jezus Gods Zoon en voor het menschdom<br />

geftorven is, ons geeft? Van een anderen<br />

kant, predikt niets de liefde van God tot<br />

den mensch nadrukkelijker, dan dat hij ons,<br />

toen wij nog zondaars waren, eerst heeft lief<br />

gehad, ons zijn Zoon gezonden, ja zelfs hem<br />

voor ons in den dood heeft overgegeven. Waar<br />

kunnen wij, in het gantfche rijk der fchepping,<br />

duidelijker blijk van Gods onnafpoorlijke wijsheid<br />

aantreffen, dan in deze waarheden, dat<br />

God zijn Zoon. gezonden en in den dood heeft<br />

overgegeven die ons de grootfte zekerheid<br />

geven van Gods wil en gezindheden ten onzen<br />

opzichte, die ons het verhevenfle geluk deelachtig<br />

maken , en tevens ons tot het groote doel<br />

onzer fchepping verheffen? De vergeving •<br />

anders zulk eene eigenaartige aanleiding tot<br />

zorglooze volharding in de zonde, is in'<br />

dit plan juist de fterkfte drangreden tot ftandvastige<br />

aankleving der deugd. Deze leer Verfchaft<br />

ons het volkotnenst denkbeeld van Gods<br />

zedelijke volmaaktheid. Zij vertoont ons God,<br />

als den onveran derlijken vriend van orde en heiligheid,<br />

alle pogingen, die op zedelijke<br />

wezens eenigen invloed kunnen hebben, aanwen-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER, ut<br />

wendende, om zijn bemind menschdom naar<br />

zijn beeld te herfcheppen: maar tegelijk, als<br />

ten hoogden afkeerig, om het gezag zijner wetten,<br />

door geftrenge ftrafoeffeningen te handhaven.<br />

Nu bezeffen wij de overeenftemming der<br />

leer eener Voorzienigheid over en Godlijke werking<br />

in den mensch met alle de Godlijke eigenfchappen.<br />

Zijn wij bij God zo bemind, van<br />

zulk een hooge waarde, dat hij, ter liefde van<br />

ons, zijn eigen Zoonoot ons heeft gezonden,<br />

ja, ter onzer behoudenis hem in den wreedften<br />

dood overgegeven; dan kunnen wij ook<br />

bezeffen, dat de Allerhoogfte het geenzins voor<br />

zich te laag en te vernederend zal rekenen, aan<br />

onze daaden en lotgevallen zich ten hoogften<br />

te laaten gelegen leggen, en derzelver uitkornften<br />

te regelen en te beftuuren: of, door zijn<br />

geest, in onze harten te werken, en ons in zedelijke<br />

volkomenheid geftadig te doen toenemen,<br />

van de zonde aftetrekken en tot ware deugd opteleiden.<br />

Want even dit zelfde, is het groote<br />

doel van Jezus zending en dood.<br />

Dat de voorgedragen leer het laatfte kenmerk<br />

overeenftemming met de natuur en het groote<br />

doel van het kristendom, in den verhevenften<br />

trap bezit, is voor ieder denkend kristen zo<br />

duidelijk, dat het naauwlijks betoog behoeft. —<br />

De zekerheid dat Jezus de Zoon van God, en<br />

zijn dood eene vergeving der zonden is, moet<br />

deugd en gelukzaligheid onder het menschdom,<br />

ten


na II. HOOFDST. DÉ GELOOFSLEER*<br />

ten kragtigfte, bevorderen. Zij ftaat. ons?<br />

borg voor de waarheid, dat de leer van Jezus<br />

alleen Gods wil bevat borg voor de waarheid<br />

zijner dierbaarfte beloften. Geen kristen<br />

behoeft thans te vraagen; „ wat moet ik doen,<br />

,, op dat ik het eeuwige leven beërve: en op<br />

„ welke gronden kan ik, een zwak en feilbaar<br />

„ fchepzel, gewis zijn dat ik, naar mijne uit-<br />

„ terfte pogingen dit volbrengende, eindeloos<br />

„ gelukkig zal worden?" De Zoon van God<br />

andwoordt: „ wilt gij ten leven ingaan, on-<br />

„ derhoud, wat ik u geboden heb; ik ftel mijn<br />

„ leven voor mijne fchapen en geef hun het<br />

„ eeuwige leven." Op deze verzekeringen,<br />

kunt gij uw hoofd gerust ter neder leggen. Hoe<br />

ftreelend moet het voor u zijn, geftadig uw<br />

hart tot een vergevend Vader te mogen verheffen,<br />

hem vrijmoedig te fmeeken, zonder dat<br />

angst of vrees, voor eene wreekende geregtigheid,.<br />

u in zijne ontzaglijke tegenwoordigheid<br />

doen 't zidderen! Welk een verzagtende balzem<br />

ftort de gedachten, dat aardfclie rampen<br />

geene ftraffen van zonden, maar kastijdingen,<br />

middelen tot verbetering der vorige misdagen,<br />

waarfchuwingen, voor toekomende gevaaren, en<br />

dus waare zegeningen en bronnen van een duurzaam<br />

geluk zijn, in de fmartelijkfte wonden,<br />

waarmede tegenfpoed ons treft. Deze gedachte<br />

, een echte vrugt van de zekerheid onzer vergeving,<br />

doet ieder geloovig kristen, zelfs in<br />

wan-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 113<br />

wanfpoeden, den waaren vrede der ziel ongeftoord<br />

gemeten. En hoe veel grooter moet dan<br />

haar zalige invloed, ten dage des voorfpoeds<br />

zijn ? Zoo God voor ons zij, wie zal tegen ons<br />

zijn ? heeft hij ons zoo lief gehad, dat hij zijn<br />

Zoon gezonden, en voor zondaren in den dood<br />

heeft overgegeven, hoe zal hij ons met hem<br />

niet alle dingen fchenken? Boven alles<br />

wordt ons deze leer dierbaar, in die oogenblikken,<br />

wanneer de aannaderende dood ons de<br />

gewigtigfte waarheid, verandwoording van ons<br />

gehouden gedrag voor een alwetend en regtvaardig<br />

Regter, als tegenwoordig voorftelt.<br />

Ontzaglijke oogenblikken! hoe geducht en verfchrikkende<br />

zijt gij voor een gewond geweten,<br />

dat, door de wroegende herinnering van een geheel<br />

zondig leven, op het fmartlijkst verfcheuit<br />

wordt, terwijl geene ftraal van hoop eenig uitzigt<br />

op vergeving opent. Maar gij, mijn vriend!<br />

die gelooft, dat Jezus de Zoon van God en de<br />

Yerlosfer der menfchen is, gij bewandelt den,<br />

door Jezus aangewezen, weg onbekommerd,<br />

en zijt gij eindelijk ter plaatze uwer ruste aangeland<br />

, gij fluit in vrede uwe oogen, als of gij<br />

een verkwikkenden flaap te gemoet zaagt, die<br />

niet geftoord zal worden; dan om een eindeloos<br />

geluk te fmaaken. Door geene angften,<br />

over meenigvuldig begaane, maar ook verbeterde<br />

, misftappen geteisterd, zijn de oogenblikken<br />

van flerven de vrolijkfte van uw geheel lee-<br />

II ven;


U4 H. HOOFDST. DE GELOOFSLEER,<br />

ven; bedaard en gerust ziet gij den dood te gcmoet;<br />

met een vrijmoedig en onbene veld oog<br />

ftaart gij op de aanltaande eeuwigheid, en kunt,<br />

de woorden van den Apostel u toeëigenende,<br />

bij het treffen van den allesbeflisfchenden flag<br />

nog zeggen; „ de dood is verflonden ter over-<br />

„ winning. GfJde zij dank, die mij deze over-<br />

„ winning geeft, door Jezus Kristus." — Indien<br />

gij ook het geloof, datjezus de Zoon van<br />

God en zijn dood het middel der vergeving<br />

uwer zonden is, ten rigtfnoer van uw gantfchen<br />

wandel Helt,zult gij hierin de allerflerkftedrangreden<br />

vinden, om u op uwe eigene volmaking<br />

geduurig toeteleggen. Wegens de eerfte waarheid<br />

is dit uitwerkzel geheel eigenaartig; maar<br />

het is ook even natuurlijk, ten aanzien der andere.<br />

Is het waar, dat het Gode niet behaagde,<br />

de zonde te vergeven, dan om den dood<br />

van zijn eeniggeliefden Zoon; dan is het<br />

niet minder waar, dat God een onverzoenlijk<br />

vijand van de ondeugd is, en, niet uit onverfchilligheid<br />

voor de zonde, maar, uit liefde tot<br />

der menfchen behoud, de zonde vergeeft. Is<br />

het waar, dat God de zonde der menfchen vergeeft<br />

, om de gehoorzaamheid, welke Kristus<br />

in het vrijwillig ondergaan van den kruisdood,<br />

betoonde, dan is het even zeker, dat zedelijke<br />

deugd bij God van de grootfte waarde<br />

is ; dat waare hartsverbetering en geloof ons<br />

niet alleen van de ftraf der zonde verlosfen,<br />

maar


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 115<br />

maar zelfs ons eene ruime belooning zullen<br />

doen vinden. Is het eindelijk waar, datjezus<br />

uitermate verhoogd is, juist om dat hij zijn Vader<br />

gehoorzaam was tot den dood; en tevens,<br />

dat hij hier door een oorzaak der eeuwige zaligheid<br />

is geworden, voor allen, die hem gehoorzaam<br />

zijn; zie daar dan, kristen! de<br />

grondflagen van uwe verwagting en deugd;<br />

overpeins dit alles levendig en gemoedlijk; gevoelt<br />

gij niet uwe waarde, als mensch, als<br />

kristen, op de herdenking, hoe veel God en<br />

Kristus zig aan u hebben laaten gelegen leggen;<br />

ontvonkt uw hart niet in dankbaarheid,<br />

wanneer gij op de onbezeflijk groote liefdé van<br />

God en Kristus tot het menschdom ftaart: herleeft<br />

uwe oorfpronglijke zucht tot het zedelijk<br />

fchoone en goede, en uwe natuurlijke afkeer<br />

van alle zedelijke wanorde niet, in volle kracht,<br />

daar gij ziet, hoe veel de gehoorzaamheid van<br />

eenen bij God geldt: en boven alles, gevoelt<br />

gij niet indrukbaar, hoe zeer het thans uw'<br />

groot belang zij, om alleen voor hem te leeven,<br />

die voor u geftorven is ? En loopt dit alles<br />

niet op een punt uit onze zedelijke<br />

volmaaking?


n6 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

§• 2.<br />

Wat Jezus Kristus voor het Menschdom nog zij.<br />

Koning.<br />

J E Z U S .<br />

* Binnenkort. MATTHEUS Evang. XXVI. 64. * „ Van nu<br />

aan zult gij den Zoon des Menfchen zien, zit­<br />

tende ter regterhand der kracht van God."<br />

XXVIII. 18, 20. „ Mij<br />

is gegeven alle magt in hemel en op aarde.<br />

Ik ben met ulieden tot de voleindig der wae­<br />

reld."<br />

JOANNES Evang. XVIII. 36, 37. „ Mijn ko­<br />

ningrijk is niet van deze waereld." Pila-<br />

tus dan zeide tot hem, „ zijt gij dan een Ko­<br />

ning?" Jezus andwoorde; „ gij zegt dat ik een<br />

Koning ben."<br />

De Apostels.<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Phil. II. 9—n. „ Daarom heeft<br />

hem ook God uittermate verhoogd, en heeft<br />

hem een naam gegeven, die boven alle namen<br />

is, op dat in den naam van Jezus zich zou bui­<br />

gen alle knie der genen, die in den hemel,<br />

op


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 117<br />

op de aarde en onder de aarde zijn, en alle<br />

tongen belijden dat Jezus Kristus de Heer is."<br />

(Zie verder Hand. II. 36. V. 31. Rom. VIII.<br />

34- 1 Kor. XV. 25, 26. Eph. I. 20—22.<br />

Hebr. VIII. 1. XII. 2. 1 Petr. III. 22.)<br />

Voorfpraak, Middelaar, en Voorbidder.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Rom. VIII. 34. — „ Die, ook<br />

voor ons bidt."<br />

Eerfte Br. aan Tim. II. 5. „ Daar is ook<br />

een Middelaar Gods en der menfchen, de mensch<br />

Jezus Kristus."<br />

Br. aan de Hebr. VII. 25. „ Waarom hij<br />

ook volkomen kan zalig maaken , de genen,<br />

die door hem tot God gaan, alzo hij altijd leeft,<br />

om voor hen te bidden."<br />

J O A N N E S .<br />

Eerfte Br. II. 1. „ Wij hebben een voorfpraak<br />

bij den Vader Jezus Kristus, den regtvaardigen."<br />

(Zie verder Joan. XVII. 20. Hebr. IV.<br />

14-16.)<br />

Volgens deze uitfpraaken, ziet gij, datjezus,<br />

ter belooning van zijn • lijden en fterven, ten<br />

H 3 bes-


uS II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER..<br />

beste van het menschdom, door God, tot Ko­<br />

ning is verheven; alles aan zijne heerfchappij<br />

is onderworpen, en, dat zijne regeering, al­<br />

thans tot het einde dezer huishouding , zal<br />

voortduuren. Inzonderheid, heeft Gbd hem tot<br />

een hoofd der gemeente gefield, zo dat alle<br />

kristenen hem alleen, in het zedelijke, voor<br />

hun Koning, en zijne wetten, als de eenige<br />

rigtfnoeren van hun gedrag moeten erkennen.<br />

Eene andere hoedanigheid met deze ten naauw-<br />

fte verbonden, en welke mede aan Jezus wordt<br />

toegekend, is die. van voorfpraak, middelaar,<br />

en voorbidder. Honden wij zijne eerfte waar­<br />

digheid van Opperkoning naast God, wel in<br />

het oog, dan kunnen wij het laatfte in geen an­<br />

deren zin verfïaan, dan dat God Jezus tot een<br />

uitdeeler zijner weldaaden, tijdelijke en geeste­<br />

lijke gefteld heeft, zo dat wij thans alle dezel­<br />

ven om en door hem ontvangen. Door Jezus<br />

moeten wij onze begeerten tot God opzenden;<br />

en door Jezus fchenkt God ons ook, het geen.<br />

wij wenfchen. God blijft dus hierin, zo<br />

wel als in het werk der verlosfing, de opper-<br />

oorzaak: en Jezus is wederom het middel, waar­<br />

door hij zijne liefde en weldadigheid aan ons<br />

openbaart. Intusfchen hoe gij ook 'over dit<br />

leerftuk moogt denken, wacht u, om uit het­<br />

zelve te befluiten, of, dat God zich geheel of<br />

gedeeltelijk aan het waereldbeftuur onttrokken<br />

heeft, of dat Jezus, liefderijker dan God, je­<br />

gens


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 119<br />

gens den mensch gezind, dezen, door fmeekihgen,<br />

ter onzer hulp moet bewecgen. Beide<br />

gevoelens ftrijden lijnregt met het denkbeeld van<br />

God, dat Jezus ons in zijne leer heeft gegeven.<br />

Daar deze leer een hoofdwaarheid bevat, tot<br />

welker verkondiging de Apostels gezonden en<br />

met de wondergaven des H. Geestes begenadigd<br />

wierden, moeten de getuigenisfen, haar<br />

betreffende, in de voordracht, alle kenmerken<br />

van wezenlijkheid bezitten. En deze zijn ook<br />

voor ieder, die dezelve opmerkzaam heeft geleezen,<br />

zo in het oog vallende, dat zij geene<br />

nadere aanwijzing behoeven. Wat den inhoud<br />

betreft, ftraalen de kenmerken van wezenlijkheid<br />

ook even zichtbaar door. Dat dit leerftuk<br />

algemeen is , fpreekt van zelve : Jezus<br />

heerscht als Koning, tot dat hij alle zijne vijanden,<br />

ook den dood, heeft te niet gedaan: en<br />

dus niet minder, dan tot het einde dezer huishouding.<br />

Even klaar kunnen wij ook deszelfs<br />

verband met de geheele leer van Jezus doorzien.<br />

Het is mede een fchakel in de keten des heils;<br />

neem hem weg en de keten is verbroken. God<br />

zendt zijn Zoon, om ons zijn genaêrijke fchikkingen<br />

te openbaaren, de onfchatbaarfte<br />

heilgoederen,, op redelijke, zelfs noodzaaklijke,<br />

voorwaarden, aantebieden. God geeft dien<br />

Zoon aan een fchandelijken dood over, en ver-<br />

H 4 klaart


iao II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

klaart hierbij, dat, om de verdienften van dien<br />

dood, deze heilgoederen elk zullen geworden,<br />

die zig aan die voorwaarden wil onderwerpen —<br />

God wekt dien Zoon uit den dood, neemt hem<br />

ten hemel op, en beloont zijne verdienften door<br />

hem tot uitdeeler dier goederen aanteltellen en<br />

hem alle magt te geven, om geftadig meer deelgenoten<br />

van dezelven aantewinnen. Alles is<br />

hier een onverbreekbare zarflenhang. En<br />

even overeenkomftig is deze leer met alles wat<br />

Jezus ons wegens zijn hemelfchen Vader geleerd<br />

heeft. Niets bevat dezelve, of. het verfterkt<br />

ons in onze gevoelens wegens Gods liefde<br />

tot den mensch en tot de deugd. Zij leert<br />

ons, dat God thans alles middelijk door Kristus<br />

regeert, middelijk door Krhtus in onze harten<br />

werkt; dan de Voorzienigheid of de zedelijke<br />

werking ondergaat hierdoor geene verandering:<br />

zij blijft dezelve: en, wie zal God de<br />

vrijheid betwisten; wie het niet als een blijk<br />

van de hoogfte wijsheid en deugdliefde befchouwen<br />

, wanneer hij Kristus, ten loon zijner verdienften,<br />

even als andere middelen en tweede<br />

oorzaaken, als het werktuig zijner liefde en<br />

weldaadigheid bezigt? Eindelijk, wat kan<br />

ons beter gerustftellen, bij iedere twijfeling,<br />

ten aanzien der zekerheid van Jezus beloften,<br />

welke den zwakken mensch wel eens overvalt<br />

wat krachtdadiger den vrede der ziel<br />

bevorderen, dan de gedachte dat Jezus onze<br />

KOr


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 121<br />

Koning en Middelaar is? Dit is de onfeilbaarfte<br />

waarborg voor de zekerheid zijner beloften,<br />

en het onloochenbaarst bewijs, dat God onveranderlijk<br />

gezind is, om dezelven te vervullen.<br />

Zo lang wij Jezus, als door God ter zijner<br />

regterhand verheven, en, in hem, de deugd op<br />

het heerlijkst beloond befchouwen, kunnen wij<br />

ons ook onwankelbaar verzekerd houden, dat<br />

ook onze arbeid niet ijdel zal zijn in den Heere.<br />

Van een anderen kant, kan eene geftadige verheffing<br />

der gedachten tot Jezus als onzen Koning<br />

en- Middelaar, onzer ziel, in allerlei fmartelijke<br />

wederwaardigheden, en boven alles, rn<br />

zodanigen, die wij om eene goede zaak lijden,<br />

den opbeurendflen troost uitleveren. Jezus was<br />

ook een man van fmarte en in veele krankheden<br />

verzocht; Jezus leed om zijne deugd, en<br />

hoe uittermaate heeft God hem verhoogd en<br />

vergolden , Jezus ziet, kent en gevoelt, als<br />

mensch, onze ellenden; hij heeft medelijden<br />

met onze zwakheden, en zal ons niet boven<br />

vermogen, laten beproeven; hij zal met de beproeving<br />

wel uitkomst geven. Zouden zodanige<br />

voorftellingen niet magtig zijn, om uwer<br />

ziel de ware rust en tevredenheid met uw lot<br />

te fchenken ? En even dezelfde gedachte moet<br />

u ook eene onverzetlijke flandvastigheid in de<br />

volvoering uwer pligten inboezemen. Jezus<br />

was in alles, gelijk wij, verzocht en bleef zonder<br />

zonde, bleef zijn Vader gehoorzaam<br />

H 5 tot


i22 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

tot den dood Verdroeg het kruis en verachtte<br />

de fchande om de heerlijkheid des loons,<br />

waarmede God hem ook eindelijk beloond heeft.<br />

Jezus kan het best over de kracht der verzoekingen<br />

oordeelen; het best medelijden hebben;<br />

indien wij voor derzelver gewigt bezwijken;<br />

het best de waarde onzer zedelijke overwinning<br />

beöordeelen; den gepasten bijfhnd fchenken,<br />

dien wij behoeven; den waardigften naar ver- :<br />

"<br />

dienden beloonen: ja, hij is van God gefield,<br />

om onze deugd te vergelden en te onderfleu-<br />

nen. Befchouw uwen Heiland in dit licht,<br />

hetzelfde, waarin de voorgedragen leer u hem<br />

voorftelt, • en zou dan het geloof in die<br />

leer u niet mede alles fchenken, wat tot een<br />

Godzalig leven nodig is? Moet gij niet<br />

erkennen , dat dit geloof deze leer, met de<br />

natuur en het groote doel van het kristendom,<br />

juist doet overeenftemmen , door welk kenmerk<br />

, gevoegd bij de vorigen, het eene voorname<br />

plaats in de reij der wezenlijke leeringen<br />

verdient?<br />

, $• 3-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 1S3<br />

§• 3-<br />

Wat Jezus, in eene toekomende huishouding,<br />

voor het menschdom zal wezen.<br />

Opwekker ten leven.<br />

J E Z U S .<br />

JOANNES Evang. V. 28, 29. „ De ure komt,<br />

waarin allen, die in de graven zijn, zijne (Jezus)<br />

Item zullen hooren, en zullen uitgaan, die het<br />

goede gedaan hebben, tot de opftanding des<br />

levens; en die het kwade gedaan hebben, tot<br />

de opftanding der verdoemenis."<br />

MATTHEUS Evang. XXII. 30. „ In de opftanding<br />

nemen zij niet ten huwelijk en worden<br />

niet ten huwelijk uitgegeven, maar zij zijn als<br />

Engelen Gods in den hemel."<br />

(Zie ook Joan. XI. 25. Luc. XX. 35, 36.)<br />

P A U L U S.<br />

Tweede Br. aan de Kor. IV. 14. „ Wetende<br />

, dat God -—- ook ons door Jezus zal opwekken."<br />

Eerfte Br. aan de Kor. XV. 50, 53. „ Doch,<br />

dit zeg ik, Broeders, dat vleesch en bloed het<br />

koningrijk van God niet beërven kunnen, nog<br />

dc verderflijkheid beërft de onverderflijkheid.<br />

Want


i=4 H. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

Want dit verderflijke moet onverderflijkheid<br />

aandoen, en dit fterflijke moet onfterflijkheid<br />

aandoen."<br />

(Zie ook i Kor. VI. 14. Philipp. III. 21.)<br />

Regter.<br />

I J E Z U S .<br />

MATTHEUS £MM$ XVI. 27. „ De Zoon des<br />

menfchen zal komen, in de heerlijkheid zijnes<br />

Vaders, met. zijne Engelen, en als dan zal hij<br />

ieder vergelden naar zijn doen."<br />

JOANNES Evang. V. 22, 27. „ De Vader<br />

oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den<br />

Zoon gegeven en heeft hem magt gegeven<br />

gerigt te houden."<br />

MATTHEUS Evang. XXV. 29. „ Eenieder,<br />

wd%tuikt n<br />

* d Ü h e e<br />

^<br />

Z a l § e g e v e n w o r d e n<br />

en hij zal over-<br />

^EVweinig vl<br />

oediglijk hebben: van dengenen, f die niet<br />

heeft en niet heeft, zal genomen worden ook dat hij heeft."<br />

gebruikt. L u C A S E y m g % X I I < 4§_ ^ E n d g d i e n s (._<br />

knegt, die geweten heeft den wil zijnes Heeren,<br />

en zig niet bereid, of naar zijn wil gedaan<br />

heeft, zal met vele flagen geflagen worden.<br />

Maar, die denzelven niet geweten heeft,<br />

en gedaan heeft (dingen) die flagen waardig<br />

zijn, zal met weinig flagen geflagen worden,<br />

en een ieder, dien veel gegeven is, van dien<br />

zal veel geëischt worden : en dien men veel<br />

ver-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 125<br />

vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger<br />

eisfchen."<br />

(Zie verder Matth. XIII. 30, 49. VIL 21. env.<br />

XII. 36. XXV. 31-33.)<br />

De Apostels.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Rom. II. n, 12, 16. „ Daar is<br />

geen aanneeming des perfoons bij God. Want<br />

zo velen, als er zonder wet gezondigd hebben,<br />

zullen zonder wet verlooren gaan; en zo veelen<br />

als er onder de wet gezondigd hebben, zullen<br />

door de wet geöordeelt worden, -— in<br />

den dag wanneer God de verborgene dingen<br />

der menfchen zal oordeelen door Jezus Kristus."<br />

Tweede Br. aan de Kor. V. 10. „ Want<br />

wij allen moeten geopenbaart worden , voor<br />

den regterftoel van Kristus, op dat ieder wegdrage<br />

het geen door het ligchaam (gefchied)<br />

naar dat hij gedaan heeft, het zij goed, het<br />

zij kwaad."<br />

P E T R U S . * Die bij'zijne<br />

komst zullen<br />

Eerjle Br. IV. 5.<br />

l e e v e n<br />

,, Dewelken zullen reken- en ge-<br />

fchap geven den genen, die bereid ftaat, om ^A^Tnemente<br />

oordeelen * de levendigen en dooden." fchen, die im-<br />

(Zie verder Hand. XVII. 31. Rom. XIV. ufif' 66<br />

v 0<br />

^<br />

nebben en dan<br />

10, 12.) nogzullenleev<br />

e n<br />

Be- '


i.26 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

Belooner en ftraffer.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XXV. 46. „ En dezen<br />

zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de regtvaardigen<br />

in het eeuwige leven."<br />

LUCAS Evang. XIII. 41, 43. „ De Zoon<br />

des menfchen zal zijn Engelen uitzenden, en<br />

zij zullen uit zijn koningrijk vergaderen alle ergernisfen<br />

, en de genen die ongeregtigheid<br />

doen, en zullen dezelve in den vurigen oven<br />

werpen; daar zal weening zijn en knarfing dertanden<br />

: dan zullen de regtvaardigen blinken<br />

als de zon, in 't koningrijk .hunnes Vaders."<br />

(Zie verder Matth. XXV. 34-45. Lm. XVI.<br />

19. env.J<br />

De Apostels.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Gal. VI. 7, 8. „ Dwaalt niet,<br />

God laat zig niet befpotten: wat de mensch<br />

zaait, zal hij ook maaijen, die in zijn zelfs<br />

vleesch zaait , zal uit het vleesch verderfnis<br />

maaijen: maar die in den Geest zaait, zal uit<br />

den Geest het eeuwige leven maaijen."<br />

JA-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 127<br />

J A c 0 B u s.<br />

Br. I. 12. ,, Zalig is de man , die verzoeking<br />

verdraagt, want als hij beproefd zal<br />

geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen,<br />

welke de Heer beloofd heeft den genen<br />

die hem lief hebben."<br />

(Zie verder 1 Kor. VI. 9, 10. 2 Tim. IV. 8.)<br />

Be ftaat der beloonden en geftraften.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. VIII. n. 12. „Veelen<br />

zullen komen van het oosten en het westen,<br />

en zullen met Abraham, Izaak en Jacob aanzitten<br />

in het koningrijk der hemelen."<br />

XXV. 21. ,, Wel gij goede<br />

en getrouwe dienstknegt, over weinige zijt<br />

gij getrouw geweest, over velen zal ik u zetten."<br />

JOANNES Evan. XVII. 24. „ Vader, ik wil,<br />

dat, daar ik ben, ook die bij mij zijn, die gij<br />

mij gegeven hebt, op dat zij de heerlijkheid<br />

mogen aanfchouwen ,die'gij mij gegeven hebt."<br />

(Zie ook Matth. V. 8. Luc, XIX. 16—19.<br />

Joan. XIV. 2, 3.)<br />

De


i28 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

De Apostels.<br />

V A u L u s.<br />

Br. aan de Rom. II. 9, 10. -— „ Verdrukking<br />

en benaauwdheid over alle ziel des menfchen,<br />

die het kwade werkt, eerst des Jooden<br />

en ook des Grieken. Maar heerlijkheid, eer<br />

* Gelukzalig- en * vrede eenen ieder die het goede werkt,<br />

heid. e e r s t d e n j o o d e n o o k d e n G r i é k >»<br />

Eerfte Br. aan de Kor. XIII. 12. ,, Wij zien<br />

"laf"'""'<br />

n U d<br />

°° r<br />

** f piegel<br />

' m<br />

e e n e<br />

^<br />

d u i s t e r e r e<br />

'<br />

d e n<br />

| Raadfelack- '<br />

m a a r d a n<br />

zullen wij zien van aangezicht<br />

tig. tot aangezicht."<br />

J O A'K, N E S.<br />

Eerfte Br. III. 2. „ Maar wij weten dat als<br />

tt Jezus. ff Hij zal geopenbaart zijn wij hem gelijk zul-<br />

% En dat jen wezen, § want wij zullen hem zien gelijk<br />

hij is."<br />

Openb. VII. 15. „ Zij zijn voor den troon<br />

van God en dienen hem dag en nacht in zijn<br />

Tempel."<br />

XXI. 3, 4. „ De Tabernakel Gods is<br />

bij de menfchen en hij zal bij hen woonen, en<br />

zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij<br />

hen, en hun God zijn. En God zal alle traanen<br />

van hunne oogen afwisfchen, en de dood zal<br />

niet


ÏI. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 129<br />

hic-t meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch<br />

moeite zal meer zijn."<br />

(Zie ook Rom. II. 7, 8. 2 Thesf. I. 9.)<br />

Zie daar dan, die allergewigtigfïe waarheid,<br />

welke wij aan de leer van Jezus, die het leven<br />

en de onverderflijkheid heeft aan 't licht gebragt,<br />

verfchuldigd zijn, en die haar ver verheft<br />

boven de gisüngen van onzekere wijsgeeren,<br />

en de twijfelende hoop van vrome Israëliten.<br />

Intusfchen zullen zij, die gaarne de waarheid<br />

ongekleed befchouwen, in de voorgedragene<br />

berichten, wegens eene toekomende huishouding,<br />

weinig voedzel voor hunne weetgierigheid<br />

vinden. Hun nogthans, welken het om<br />

zekerheid, om rust, om troost te doen is,<br />

zullen dezelven alle voldoening verfchaffen, en<br />

tot zuivere bronnen van de verhevenfte en duurzaamfte<br />

genoegens verftrekken. Voor deze<br />

laatften, zullen wij dan ook de bijzonderheden<br />

, die in deze plaatzen duidelijk geleerd<br />

worden , kortlijk voordragen; terwijl wij de<br />

eerften aan hunne befpiegelingen, navorfchingen<br />

en gisfingen zullen overlaten.<br />

. De leer van Jezus, wegens een ander leven<br />

en zijne betrekkingen tot hetzelve , komt dan<br />

hier op neder: dat Jezus, ten eenigen dage,<br />

op aarde zal wederkeeren, in het karakter van<br />

een Godlijk regter, en vergezeld van zodanige<br />

uitwendige bewijzen van Majesteit en Godlijk-<br />

I heid,


130 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

heid, als aan zulk een rang voegt. (Matth.<br />

XVI. 27.) Dat hij, door het alvermogen zijnes<br />

Vaders, alle menfchen, die immer geleefd hebben,<br />

weder in het leven zal brengen, en wel,<br />

met hetzelfde ligchaam, dat zij hier omgedragen<br />

hebben, maar geheel veranderd van gedaante<br />

, verheerlijkt, en tot een eindelooze<br />

voortduuring gefchikt. (Joan. V. 28. 2 Kor.<br />

IV. 14.) Dat hij het gantfche herleevende<br />

menschdom zal oordeelen, de goede van de<br />

booze fcheiden , en ieder dat lot fchenken,<br />

welk hij, door zijn gedrag in dit leven, verdiend<br />

heeft, en hierdoor den goeden beloonen<br />

en den kwaaden ftraffen. (Matth. XVI. 27.)<br />

Dat, ten dien dage, geene louter toevalligheden<br />

van geboorte, landaart, rang of iets diergelijks<br />

; maar alleen zedelijk goede of kwaade<br />

verdienden zullen gelden, terwijl ieders omftandigheden<br />

en bijzondere verpligtingen mede<br />

in aanmerking zullen genomen worden:<br />

De wet der natuur zal den Heiden die van<br />

Mozes den Jood, die des Evangeliums den<br />

Kristen vrijfpreken of veroordeelen. (Luc. XII.<br />

47, 48. Rom. II. 11, 12, 16. Matth. XXV. 29.')<br />

Dat geluk en ongeluk, naar ieders verdienden,<br />

juist geregeld zal worden, waardoor een onderfcheid<br />

van trappen, van meer of minder zal<br />

ontdaan. Luc. XII. 47, 48. XIX. 16—19.) D a t<br />

geluk alleen voor hen gefchikt zal zijn, die in<br />

hun kring en volgens hunne vermogens, zich<br />

op


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. ï-34<br />

op de betrachting der voorfchriften van Jezus<br />

getrouwelijk toegelegd hebben; terwijl de rampen<br />

van dat leven het deel zullen zijn voor hen<br />

alleen, die zijne wetten moedwillig gefcbonden<br />

hebben: (dit geldt alleen de Kristenen, de Jooden<br />

en Heidenen zullen naar andere wetten geoordeeld<br />

worden) Matth. Xffl. 41. env. 1 Kor.<br />

VI. 9, 10. Matth. XXV. 46. Dat de gelukzaken,<br />

met eikanderen en met Jezus gezelfchaplijk<br />

vereenigd, eeuwig zullen leeven, deszelfs<br />

heerlijkheid aanfchouwen, en in dezelve groot-<br />

lijks deelen tot eene volkomener kennis<br />

van God, zijne volmaaktheden en werken zullen<br />

geraaken; in hem te vereeren, in het geduurig<br />

fireeven naar grootere volkomenheid, en<br />

tevens in den geftadigen aanwasch in zedelijke<br />

volmaaktheid hun grootst geluk zullen vinden:<br />

dat de rampzaligen, met eikanderen en nog<br />

andere bedorvene zedelijke wezens vereenigd,<br />

van de gelukkigen, en nog meer van Gods tel<br />

genwoordigheid en vriendfehap verwijderd, in<br />

het wroegend herdenken hunner euveldaden,<br />

in de Baart en fpijt over het verwaarloosde, in<br />

de onrust van geftadige twisten, vijandfehappen,<br />

verwijtingen en kwellingen, de ondraaghjkfte<br />

pijnlijke gewaarwordingen zullen gevoelen;<br />

en eindelijk, dat beider ftaat en toeftand<br />

eeuwig verfchiilende zai blijven. (Matth. VIII.<br />

-11, 12. XXV. 21, 46. Luc. XXX. 16-19.<br />

Joan. XIV. 2, 3. XVII. 24; 1 Kor. XIII. 12.<br />

1 2<br />

1 Thesf.


I3& II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

a Thesf. I. 9. 1 Joan. III. 2. Openb. VII. 15.<br />

XXI. 3, 40<br />

Zonder iemand de vrijheid te betwisten, om<br />

uit deze plaatzen, meer, minder, of wel iets<br />

anders optemaken, komt het mij toch voor,<br />

dat de opgegeven bijzonderheden in dezelven,<br />

duidelijk, ftellig en eenflemmig geleerd wor­<br />

den. De verbloemde uitdrukkingen zijn van<br />

dien aart, dat zij zich gemaklijk laaten ontklee-<br />

den; en dan vertoonen zij juist de voorgeftelde<br />

waarheden. Jezus predikt dezelven, met dien<br />

verzekerenden nadruk, als ware hij tot derzel­<br />

ver verkondiging van God gezonden, ,en met<br />

uitdrukkelijke volmagt bekleed; ja bevestigt de­<br />

zelven, door dooden optewekken, en zelf uit<br />

den dood te verrijzen. De Apostels volgen<br />

zijn fpoor, en prediken en leeren dezelven,<br />

mondlijk en fchriftlijk, als hoofdwaarheden van<br />

de leer van Jezus, zonder welker geloof niemand<br />

een Kristen genaamd kon worden. Dat geen<br />

hunner, op eenigerlei wijze, hetzelve tegen-<br />

fpreekt, volgt hieruit eigenaartig. Met het<br />

hoogde regt, verdient dan dit leerftuk eene<br />

voorname plaats in den rang der wezenlijke<br />

waarheden.<br />

Nog meer verdient het die plaats, zo rasch<br />

wij deszelfs inhoud in overweging nemen.<br />

In zommige voorftellingen van, en verklaarin­<br />

gen over deze waarheid, van Jezus en zijne Apos-<br />

te-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 133<br />

telen, treft men wel iets aan, dat alleen in een<br />

gezonden zin en onder regte bepaalingen ook op<br />

ons kan toegepast worden; maar, zonder de­<br />

zen , alleen tot de onmiddelijke hoorers betrek­<br />

kelijk is. Men leze eens de gelijkenisfen van<br />

den onregtvaardigen Rentmeester, van den wel-<br />

lustigen rijken en den armen Lazarus, en, bo­<br />

ven alles, de voortreffelijke fchilderij van den<br />

jong/len gerigtsdag. (Luc. XVI. 1-9. 19-25.<br />

Matth. XXV. 31-46.) Men befchouwe , in<br />

welk een voordeelig licht, de milddadigheid om­<br />

trent behoeftigen en de ftaat der armen<br />

wordt voorgefteld, als hadden zij in dit leven<br />

onregt geleeden; als hadden zij in eene toeko­<br />

mende eeuw alle aanfpraak op vergoeding; men<br />

lette, hoe Jezus van de milddadigheid of kaarig-<br />

heid omtrent hen het lot der rijken in een an­<br />

der leeven doet afhangen; en men zal van de<br />

gegrondheid mijner aanmerking overtuigd wor­<br />

den : armoede of milddadigheid alleen zijn toch<br />

geene genoegzaame aanbeveelingen tot het regt<br />

op een eindloos gelukkig leeven; alzoo dezelve<br />

met veele ftrafbaare ondeugden kunnen gepaard<br />

gaan. Ondanks deze bijzonderheden, welken<br />

echter door eene goede verklaaring op ieder<br />

mensch, in welk eene eeuw ook, toepasfelijk<br />

gemaakt kunnen worden, zal niemand dit leer­<br />

ftuk het kenmerk van algemeenheid betwisten.<br />

De zamenhang en overeenftemming van deze<br />

waarheid met de geheele geloofsleer van Jezus<br />

I 3 is


134 II- HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

is zo naauw, dat men haar de ontkuooping van<br />

alle raadzelen zou kunnen heeten. Zonder haar,<br />

zou de gantfche leer van Jezus eene onbegrijpelijke<br />

duisternis blijven: met haar wordt alles<br />

licht en klaarheid. Alle de volmaaktheden<br />

van God moeten zich in dit eene punt vereenigen<br />

, zal ik mij een zamenhangend begrip van<br />

dezelven vormen. Zonder een toekomenden<br />

ftaat van belooningen en ftraifen, kan ik het<br />

denkbeelM van een wijs, heilig, liefdérijk, almagtig<br />

en alwetend God, met de wanorden der<br />

zedelijke waereld, met den zegepraal en den<br />

voorfpoed der boozen, en de onderdrukkingen<br />

en rampen der goeden niet zamenpaaren. Zonder<br />

dezen, kan ik nimmer bezeffen, met welke<br />

oogmerken een wijs Schepper zulk een wezen,<br />

als de mensch, alleen voor dit leeven beftemd,<br />

en tevens met de verhevenfte vermogens (hoedanigen<br />

hij, om hier gerust en veilig te leeven<br />

en zijn gedacht voortteplanten, niet eens behoeft)<br />

befchonken zou hebben. Een PAULUS<br />

en een KAFFER. 1<br />

Welk een onderfcheid! En<br />

echter heeft de laatfte, zo wel als de eerfte,<br />

al het nodige, om op deze aarde te leeven., en<br />

den gewoonen menfehenouderdom te bereiken.<br />

• Van eene toekomende huishouding<br />

verzekerd, kan ik het groot doeleinde*, waarop<br />

alle de onnafpoorbaare Wegen der Voorzienigheid<br />

uitlopen, ontdekken. Duizenderleie mengelingen<br />

van onderfcheiden lotgevallen, tot welken


Iï. HOOFDST. DF, GELOOFSLEER. 135<br />

ken de natuurlijke en zedelijke waereld aanleiding<br />

moeten verfchaffen, ftrekken alleen, om<br />

hem, die door een regt gebruik van dezelven,<br />

hiertoe ijverig medewerkt, in deugd geöeffender,<br />

zedelijk volmaakter, en, langs dien weg,<br />

voor het genot van zedelijk geluk vatbaarer en<br />

gefchikter te maaken — in 't kort hem voortebereiden<br />

voor de eeuwigheid. 1 En even dit zelfde<br />

bedoelen ook de werkingen van Gods Geest<br />

in onze harten. Dan, ontneem mij het leerftuk<br />

eener toekomende huishouding; en ik kan mij<br />

niet weêrhouden, van te zeggen; welk een omflagtige<br />

toeftel voor een fchepzel van gisteren,<br />

dat als een grasbloempje voorbijgaat. — Maar<br />

nog gegronder reden, tot zodanig een uitroep,<br />

zou ik vinden, zo rasch ik het gantfche plan<br />

van de zending van Jezus, van het leerftuk wegens<br />

een ander leeven afgezonderd, befchouwde.<br />

Hoe toch! moest de Zoon van God zelf<br />

op aarde nederkomen, om de menfchen den wil<br />

en de genaêrijke fchikkingen des Allerhoogften<br />

ten hunnen aanzien te openbaaren; moest hij<br />

den fchandelijken dood fterven,om onsdekragtdaadigfte<br />

zedelijke hulpmiddelen tot de beöeffening<br />

der verhevenfte deugd te verkenen; moest<br />

hij, naast God, tot beheerfcher der zedelijke<br />

waereld verheven worden,om het rijk der deugd<br />

te bevestigen en meer en meer uittebreiden:<br />

en waartoe dit alles? om een fchepzel, dat op<br />

zijn hoogfte, dertig jaaren, met gevoel en be-<br />

I 4 wust-


135 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

Wustbeid leeft, tot een gefchikt aardbewooner<br />

te maaken en hem vervolgens te vernietigen!<br />

die, bij zulke voorftellingen, of de wijsheid<br />

, of wel het geheele beftaan van den Schepper<br />

der waereld in twijfel trok; of, de gantfche<br />

leer van Jezus, als een ongerümde en,<br />

geheel niet zamenhangende, fabel befchouwde,<br />

zou ik deze dooling gaarne vergeven;' Maar<br />

gij -ziet tevens hieruit, van welk een gewigt<br />

voor, en invloed op de geheele leer van Jezus,<br />

vooral op die waarheden, welken zijn perfoon<br />

en zijne verrichtingen bijzonder betreffen, • dit<br />

leerftuk zij, en hoe naauw het met dezelve<br />

zamenhange. Ja, Kristen! ten jongden<br />

gerigtsdage, zal Kristus als Koning en Regter,<br />

de weldaad van vergeving der zonde met de,<br />

hierin begraepsne, eeuwige heilgoederen aan zijne<br />

getrouwen uitdeden. Zij zullen dan ondervinden,<br />

dat alle zonden, waarvan zij zich opregt<br />

bekeerd hebben, en ook zodanigen, waar<br />

aan de zwakheid der menfchelijke natuur hen<br />

onvermijdelijk blootftelde, hun kwijtgefcholden<br />

zijn en tot geen hinderpaal voor hun eeuwig<br />

geluk verftrekken. Het heil, dat zij erlangen,<br />

zal eene belooning zijn hunner getrouwe inachtneming<br />

der voorwaarden des genadeverbonds;<br />

en tevens eene genadegift om de verdienden<br />

van Kristus dood; waarop een geheel vlekloos,<br />

hoe veel minder, zondig leeven hen nimmer<br />

eenig regt had kunnen fchenken.<br />

Be-


II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER. 137<br />

Behoef ik eindelijk, voor Kristenen, den gezegenden<br />

invloed van dit leerftuk op gelukzaligheid<br />

en zedelijke volmaking te betoogen?<br />

Zekerlijk hebben mijne lezers denzelven ondervonden.<br />

Of zou ik mij vermeeten, het levendig<br />

gevoel te befchrijven, dat-deszelfs geloof<br />

in ieder welgefteld hart moet verwekken ? Hoe<br />

flaauw zou mijne afbeelding zijn: hoe fterk zou<br />

zij bij het oorfpronglijke affteken! met dit alles<br />

durf ik verzekeren, dat, zonder eene zekere<br />

verwachting van een eindeloos gelukkig leeven,<br />

geen waar duurzaam genoegen hier op aarde<br />

kan plaats vinden. Hoe zeer wij ons verftrooijen<br />

en vermaaken; oogenblikken van - eenzaamheid<br />

en zelfsverveeling, van nadenken en zwaarmoedigheid<br />

kunnen wij niet altijd ontwijken:<br />

hoe ver wij de gedagten van fterven dagelijks<br />

verwijderen; de kleenfte ramp, eene nietsbeduidende<br />

ongefteldheid, eene gevaarlijke ziekte<br />

van dierbaare panden, herinneren ons geftadig<br />

het ontzaglijk uur des doods. En nu, wat<br />

kan , in zodanige oogenblikken, onze ziele met<br />

blijmoedigheid en genoegen vervullen: wat ons<br />

over het gemis of verlies van tijdelijke goederen<br />

vertroosten: wat de fmarten van een zieklijk<br />

en kwijnend leeven verzagten: wat onze<br />

traanen droogen, bij het affterven van dierbare<br />

vrienden: wat ons den noodigen moed inboezemen,<br />

om den dood bedaard en onverfchrok-<br />

ken te gemoet te zien: wat ons in alle<br />

I 5 ftan-


138 II. HOOFDST. DE GELOOFSLEER.<br />

Handen en lotsverwïsfelingen de waare rust en<br />

zielevreede fchenken? alleen de levendige hoop<br />

op een eindeloos gelukkig leeven. - Hoe<br />

wenschlijk ware het ook, dat wij die verwachting,<br />

bij ieder onzer befluiten en verrichtingen,<br />

beftendig in 't oog hielden. Dan zou geene<br />

verzoeking ons doen bezwijken, geene verleiding<br />

ons doen afdwaalen, geen hinderpaal onzen<br />

'voortgang op den weg der deugd vertraagen.<br />

„ Wat de mensch zaait, zal hij eens<br />

„ maaijen!" deze gedachten onzer zielon-<br />

.uitwischbaar ingeprent, en geduurig voor onzen<br />

geest zweevende, moet noodwendig den<br />

waaren kristen alle krachten doen infpannen,<br />

om immer hooger trap van volkomenheid te bereiken.<br />

Wat landman zal den zaaitijd verzuimen<br />

, wanneer alles hem een overvloedigen oogst<br />

van het gezaaide belooft? En welk verftandig<br />

wezen zal zijn kortftondig leeven hier op aarde<br />

, zijn zaaitijd , in onvruchtbare ijdelheden<br />

verbeuzelen, als hij weet en bedenkt, dat ieder<br />

gezaaid zaadje, iedere edele daad, iedere<br />

braave gezindheid, hem eens honderdvouwdige<br />

vruchten zal fchenken; dat ieder talent, welk<br />

hij hier op winst uitzet, hem eens een woeker,<br />

de hoofdfom oneindig overtreffende, zal aanbrengen?<br />

Onder alle de waarheden, die<br />

Jezus geopenbaard heeft, is dan geene, welke<br />

regtflreekfcher met de natuur en groote bedoeling<br />

der kristelijke leer overeenftemt, en die<br />

zo


II. HOOFDST. DF. GELOOFSLEER. 739 «<br />

zo onaffcheidelijk tot liet Wïzen van bet kris­<br />

tendom behoort, dnn het leert]<br />

mende huishouding. Dan . dan <<br />

Iooze liefde van hem, die door zijn Evaii öL-üe-<br />

een onverderflijk leeven heeft aan het licht ge-<br />

bragt; en bewonder tevens, met verrukking,<br />

het plan der leer van Jezus, dat, in zijne een-<br />

vouwdigheid, zamenhang, eenheid, en uitge-<br />

ftrekte weldadigheid, de vulmaakte wijsheid en<br />

onuitdrukkelijke goedheid van den grooten uit­<br />

vinder op het luisterrijkfte aan den dag brengt,<br />

DER-


DERDE HOOFDSTUK.<br />

D E Z E D E L E E R .<br />

D e heerfchappij der'zedeleer bepaalt zich tot<br />

ons hart, even gelijk de geloofsleer tot ons verftand<br />

fpreekt; echter, zo volftrekt niet, dat de<br />

eerfte met het verftand niets gemeens zou hebben,<br />

of de laatfte ons geheel koud en gevoelloos<br />

laaten. Maar, gelijk deze voornaamlijk<br />

onze denkwijze regelt, zo beftuurt gene, boven<br />

alles, onze gevoelens, voornemens, befluiten<br />

en alle hieruit voortvloeijende verrichtingen.<br />

De zedeleer dan heeft ten doel, den mensch<br />

zedelijk te volmaaken, daar de geloofsleer hem,<br />

ter beöeffening harer voorfchriften , gefchikt<br />

en bekwaam moet maaken. Beiden zijn derhalven<br />

voor den me'nsch van een even groot belang.<br />

Beiden behoeven elkanders onderfteuning.<br />

De zuivere en verhevenfte zedeleer, zonder den<br />

bijftand van eene even volkomen geloofsleer,<br />

brengt den mensch in denzelfden toeftand, welken<br />

de Apostel in zijn Br. aan de Rom. VII.<br />

22, 23. met dichterlijke trekken zo meesterlijk<br />

afmaalt: ,, Hij heeft een vermaak in de wet<br />

„ Gods, naar den inwendigen mensch; maar hij<br />

„ ziet eene andere wet in zijne leden , die<br />

„ ftrijdt tegen de wet van zijn gemoed, en<br />

„ hem gevangen neemt onder de wet der zonde."


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 141<br />

M de." • De volkomenfte geloofsleer, van<br />

eene even volkomen zedeleer beroofd, verleidt<br />

hem tot een, meer befpiegelend, dan nuttig werkzaam<br />

leeven. Verhef dan njmmer, vriend der<br />

waarheid! de eene boven de andere. Ken beide<br />

dezelfde waarde toe; en dank de Algoedheid<br />

, die even volkomen voor de behoeften<br />

van uw hart , als van uw verftand gezorgd<br />

heeft.<br />

Intusfchen zult gij, in dit hoofdftuk, even<br />

weinig een volledig zamenftel van zedekunde, of<br />

eene juiste opgave van alle zedelijke voorfchriften<br />

van Jezus en zijne Apostelen aantreffen,<br />

als gij, in het voorgaande, zodanig een zamenftel<br />

der geloofsleer hebt gevonden. Alleen<br />

datgeen, wat tot de leer van Jezus eigendomlijk<br />

behoort, en op de voorgeftelde geloofsleere<br />

, als op een onwrikbaaren grondflag,<br />

rust kan in ons plan treden. En ten dezen<br />

aanzien, zal ik ook, volgens dezelfde orde<br />

en op dezelfde wijze, die ik in het vorig hoofdftuk<br />

betracht heb, te werk gaan. Voor<br />

het overige verwijs ik den lezer ter nadere opheldering<br />

naar het geen boven (Hoofdft. II.<br />

Inleid.) gezegd is.<br />

AF-


14a III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

A F D E E L I N G L<br />

DE GEHOORZAAMHEID.<br />

De gehoorzaamheid is, ten aanzien der zedeleer<br />

, van hetzelfde gewigt, en ftaat tot deze<br />

in dezelfde betrekking, als het geloof omtrent<br />

de geopenbaarde waarheden. Verfchilt het veel,<br />

op welk eene wijze, met welk eene zielsgefteltenis,<br />

men de laatften aanneemt; het baart ook<br />

een verbaazend onderfcheid, hoe men de voorfchriften<br />

der eerften betracht. Hierom dringen<br />

Jezus en zijne Apostels niet alleen, op de betrachting<br />

, ten fterkften aan; maar zijn ook ten<br />

uiterfte naauwkeurig in de bepaaling van hare<br />

wijze en bedoelingen. Billijk, moogt gij<br />

dan, mijn vriend, van mij vorderen, dat ik,<br />

alvorens de zedeleer van Jezus zelve voortedragen,<br />

u een juist en regtmatig denkbeeld geve<br />

van de kristelijke gehoorzaamheid. • De uitfpraken<br />

van Jezus en zijne Apostelen moeten<br />

hier weder onze gevoelens, welken flegts derzelver<br />

tolken behooren te zijn, regelen.<br />

De natuur der gehoorzaamheid.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. V. 20. „ Want ik zegge<br />

u, ten zij uwe geregtigheid overvloediger<br />

zij 5


-III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 143<br />

zij, dan die der Schriftgeleerden en Pharizeën,<br />

dat gij in 't koningrijk der hemelen geenzins<br />

zult ingaan."<br />

MATTHEUS Evang. VI. 24. „ Gij kunt God<br />

niet dienen en den Mammon."<br />

'<br />

1<br />

VII- 21. „ Niet een ieder<br />

die tot mij zegt, Heer, Heer, zal ingaan in het<br />

koningrijk der hemelen, maar die doet den wil<br />

mijnes Vaders, die in de hemelen is."<br />

1<br />

XH. 35. „ De goede<br />

mensch brengt voort goede dingen uit den goeden<br />

fchat des harten."<br />

XVIII. 3. „ Indien gij u<br />

niet 'verandert en wordt, gelijk de kinderkens,<br />

zult gij in 't koningrijk der hemelen geenzins<br />

ingaan."<br />

LUCAS Evang. IX. 62. „ Niemand, die zijne<br />

hand aan den ploeg Haat en ziet naar het<br />

geen achter zig is, is bekwaam tot het koningrijk<br />

van God."<br />

XI. 35. „ Zie dan toe, daft<br />

niet het licht, dat in u is, duisternis zij."<br />

(Zie verder Matth. V. 8. VII. 14, 17, 18,<br />

24, 26. Mare. X. 20, 21. Matth. XX.<br />

1-16)<br />

De


i44 Hl. HOOFDST. DE ZEDELEERS<br />

De Apostels.<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Rom. XII. 1,2. „ Ik bid u dan<br />

Broeders dat gij uwe ligchamen fielt tot<br />

eene levende, heilige en Gode welbehaagende<br />

offerande (welke is) uwe redelijke Godsdienst.<br />

En wordt dezer waereld niet gelijkvormig, maar<br />

wordt veranderd door de vernieuwing uwes gemoeds,<br />

op dat gij moogt beproeven welke de<br />

goede, welbehaagende en volmaakte wil van<br />

God zij."<br />

Eerjle Br. aan de Kor. XV. 18. „ Zijt flandvastig,<br />

oubeweeglijk, altijd overvloedig zijnde<br />

in 't werk des Heeren, als die dit weet, dat<br />

uw arbeid niet ijdel is in den Heere."<br />

J A c o B u s.<br />

Br. IV. 17. „ Wie dan weet goed te doen,<br />

en niet doet, dien is het zonde."<br />

P E T R U S .<br />

Eerjle Br. I. 15. „ Maar gelijk hij die u<br />

geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zeiven<br />

heilig in al uwen wandel."<br />

Jo-


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 145<br />

J O A N N E S .<br />

Eerfle Br. I. 7. „ Indien wij in het licht<br />

• wandelen, gelijk hij (God) in het licht is, zo<br />

hebben wij gemeenfchap met eikanderen."<br />

II. 6. „ Die zegt, 'dat hij in hem<br />

(Jezus) blijft, moet ook zelve alzo wandelen,<br />

< gelijk hij ge wandelt heeft."<br />

(Zie verder Hand. XXVI. 20. Eph. V. 1.<br />

Hebr. VI. 11. Jac. I. 25. II. 10. 2 Pctr.<br />

!• 5-7- 1 Joan. III. 3.)<br />

De gehoorzaamheid moet op het geloof gegrond<br />

wezen.<br />

J E Z U S .<br />

JOANNES Evang. XV. 4, 5. „ Blijft in mij,<br />

* en ik in 11. Gelijk de rank geene vrucht "Gelijk.<br />

kan draagen van haar zelve zo zij niet in den<br />

wijnftok blijft: alzo ook gij niet, zo gij in mij<br />

niet blijft. Ik ben de wijnftok, (gij zijt) de<br />

ranken: die in mij blijft en ik in hem, die<br />

draagt veel vrucht."<br />

De Apostelt.<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Rom. XIV. 22, 23. „ Zalig is<br />

K hij


146 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

hij die zich zeiyen niet oordeelt in 't geen, dat<br />

* Al wat met ]-,;: v o o r g o e d houdt<br />

onze overtui- •<br />

* Al wat uit den ge-<br />

ging wegens WOVe n<br />

^ et<br />

"'<br />

a t<br />

"<br />

1 S<br />

zonde.<br />

het geuorloof- Ry. aan de Hebr. XL 6. ,, Zonder geloof,<br />

s n e t<br />

geöorloofde°"' *<br />

on<br />

m°oglijk ff Gode te behagen: want,<br />

Jtrijdt. die fjf tot God komt, moet gelooven, dat hij<br />

tttjt fGod • •, e n e g belooner is der geenen f die hem<br />

te behaagen<br />

0 1<br />

tot hemieko- zoeken."<br />

men en hem te .<br />

zoeken zijn<br />

Ipreekwijzen,<br />

T A C 0 E U S.<br />

die allen het- Er. II. iS. „ Toon mij uw geloof, uit<br />

zelfde betee- , . . . . . . ,<br />

u w e w e r e n<br />

kenen naam-<br />

lijk: God te geloof toonen."<br />

willen gehoorzamen.<br />

k<br />

? e n<br />

^ zal u uit mijne werken mijn<br />

De gevolgen der gehoorzaamheid.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XIII. 12, 23. „ Wie<br />

heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk<br />

hebben, die in de goede aarde<br />

bezaaid is, die is de geen, die het woord hoort<br />

en verftaat; die ook vrucht draagt, en voortbrengt,<br />

de een honderd, de ander zestig en de<br />

ander dertig voud."<br />

JOANNES Evang. VIII. 32. „ En de<br />

waarheid zal u vrij maaken."<br />

. XV. 2. „ Alle (rank)<br />

die vrucht draagt, reinigt hij, op dat zij meer<br />

vrucht draage."<br />

PAU-


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 147<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Rom. VI. 22. „ Maar nu, van<br />

de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar<br />

gemaakt, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking."<br />

(Zie ook Matth. XIII. 19. XII. 45. 2 Petr.<br />

II. 20, 21.)<br />

De waardij der gehoorzaamheid.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XII. 50. „ Die den wil<br />

mijnes Vaders doet, die in de hemelen is, is<br />

mijn broeder, zuster en moeder."<br />

XIX. 17. „ Wilt gij in<br />

het leeven ingaan, onderhoud de geboden."<br />

LUCAS Evang. XVII. 10. „ Zo ook gij,<br />

wanneer gij zult gedaan hebben al het geen u<br />

bevolen is, zo zegt; wij zijn * onnutte dienst- * Niets waarknegten:<br />

want wij hebben gedaan, het geen wij ^ge, n<br />

' et<br />

^<br />

fchuldig waren te doen." verdienende.<br />

JOANNES Evang. XIV. 21, 23, 24. „ Die<br />

mijne geboden heeft, en dezelve bewaart, die<br />

is het, die mij liefheeft, en die mij lief heeft,<br />

zal van mijn Vader geliefd worden: en ik zal<br />

hemijief hebben, en ik zal mij zeiven aan hem<br />

openbaaren. En wij zullen tot hem kómen<br />

en bij hem woning maaken • en het woord<br />

K 2 dat


148 III. HOOFDST. DE ZEDELEER:.<br />

dat gij hoort, is het mijne niet, maar des Va­<br />

ders, die mij gezonden heeft."<br />

De Apostels.<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Rom. VI. 22, 23. „ En het ein­<br />

de (der heiligmaking) is het eeuwige leeven.<br />

.Want de bezolding der zonde is de dood; maar<br />

de genadegift van God is het eeuwige leeven,<br />

door Jezus Kristus onzen Heere."<br />

Br. aan de Hebr}- XII. 14. „ Jaagt de<br />

heiligmaking na, zonder welke, niemand den<br />

Heere zien zal."<br />

* Men leze; Eerfte Br. aan Tim. VI. 6. „ Doch * de<br />

o d z a l<br />

tif/nZfe'r- g<br />

genoeging, is noegen.<br />

een\ groot gewin.<br />

h e i d i s e e<br />

k n groot gewin, met verge-<br />

P E T R U S .<br />

Tweede Br. I. 8, 10, 11. „Zo deze dingen<br />

in u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen<br />

u niet ledig of onvruchtbaar laten in de kennis<br />

onzes Heeren Jezus Kristus, daarom, benaar-<br />

ftigt u te meer, om uwe roeping en verkiezing-<br />

vast te maken: want dat doende, zult gij nim­<br />

mer ftruikelen. Want alzo zal u rijklijk wor­<br />

den toegevoegd 'de ingang in het eeuwig ko­<br />

ning-


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 149<br />

ningrijk onzes Heeren en Zaligmakers Jezus<br />

Kristus."<br />

(Zie ook Luc. X. 28. XI. 28. Joan. XIII. 17.<br />

Rom. II. 13.)<br />

Alvorens u, vriend der waarheid! met de gehoorzaamheid,<br />

die Jezus en zijne Apostels afvorderen,<br />

bekend te maaken, oordeel ik mij verplicht,<br />

u eenige rekenfchap te. geven van de<br />

gronden, waarop ik het noodeloos geacht heb,<br />

een eenig bewijs voor de noodzaaklijkheid der<br />

bekeeiing, die gij, misfchien tot hiertoe, als<br />

den hoofdplicht van den kristelijken Godsdienst<br />

befchouwd hebt, onder alle de overige plaats te<br />

vergunnen. De hoofdgrond is , dat ik (hoe<br />

zeer van de noodzaaklijkheid der bekeering overtuigd,<br />

voor alle zodanigen, die van het pad der<br />

deugd en de voorfchriften van het Evangelie<br />

zijn afgeweken , om in de regten van waare geloovigen<br />

herfteld te worden) echter de bekeering,<br />

in dien zin, als de H. Schrift haar voorftelt,<br />

in die plaatzen, welken gewoonlijk aangevoerd<br />

worden, geenzins voor den eerften,<br />

den wezenlijkften plicht van kristenen aanzie.<br />

Vol gens den ftijl der H. Schrijveren zijn dezen<br />

reeds bekeerden; en zelden of nooit hebben zij<br />

van dien plicht aan hun gefchreven. De bekeering<br />

beteekent op de meeste bedoelde plaatzen<br />

niets meer, dan de overgang tot en de aanneming<br />

van den kristelijken Godsdienst, en is air<br />

K 3 leen


150 UI. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

leen voor Jooden, Heidenen en ongeloovigen.<br />

In den algemeenen zin zijn dan allen, voor<br />

welken dit gefchrift gefchikt is, zo wel zij, die<br />

nog geen belijdenis van hun geloof hebben"- afgelegd<br />

en echter de leer van Jezus kennen en<br />

aannemen, als zij, die zulks reeds plechtig beleden<br />

hebben, kristenen en dus bekeerden; en<br />

ten hunnen aanzien, moeten wij alleen die leeringen<br />

opzamelen, welken eigenlijk bedoelen,<br />

ons een juist tafreel van een echten belijder van<br />

de leer van. Jezus te geven: (zonder ons optehouden<br />

met zodanige voorfchriften, die de voorwaarden<br />

bevatten, waarop een ongeloovige —<br />

hoedanige ik onder de kristenen niet onderflel —<br />

een geloovige wordt.) Dit tafreel fchetften wij<br />

u reeds in de voordragt der uitfpraaken van Jezus<br />

en van zijne Apostelen. Befchouwen wij<br />

thans deszelfs bijzondere deelen wat nader.<br />

Door een naauwkeurig overzicht der bijgebragte<br />

plaatzen, zijn wij in ftaat gefreldj, om,<br />

in weinige woorden, het denkbeeld der gehoorzaamheid<br />

, die Jezus en zijne Apostels afeifchen,<br />

te kunnen omvatten. Zij beftaat dan in eene<br />

gevestigde, hartelijke, en op het geloof der voorgefielde<br />

leer, gegronde gezindheid, om alles wat<br />

wij bevinden, door Jezus of zijne Apostelen,<br />

ons als plichtmatig vooorgefchreven te zijn, getrouwlijk<br />

te volbrengen. Ontwikkelen wij deze<br />

bepaaling. Onze gehoorzaamheid moet eene gezindheid<br />

zijn; of een hoofdtrek in ons karakter<br />

uit-


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 151<br />

uitmaaken: even zo als b. v. de hebzucht in<br />

een gierigaart. Die gezindheid moet wel<br />

gevestigd of hebbelijk wezen. Even als zekere<br />

plooi in ons karakter, die, noch door tijden of<br />

omftandigheden geheel glad uitgeftreeken wordt,<br />

maar tot onzen dood in hetzelve blijft. Gij<br />

hebt immers .wel vrekken gekend, die, in jeugd<br />

en ouderdom, in rijkdom en armoede, in ziekte<br />

en gezondheid, in leven en fterven — vrekken<br />

bleven. Die gezindheid moet hartlijk<br />

zijn uit het hart, de zitplaats van alle driften<br />

en neigingen, voortkomen; anders ook,<br />

kan zij nimmer hebbelijk worden;. de mildadigheid<br />

b. v. niet uit het hart voortvloeijende zal<br />

altijd grillig en, onbeftendig zijn. 1 . Boven<br />

alles moet zij gegrond zijn, op het geloof der<br />

waarheden, die. de leer van Jezus predikt. Anders<br />

is zij nimmer kristelijke gehoorzaamheid;<br />

en de deugd waartoe zij ons verheft, kan nimmer<br />

kristeiijk heeten. Ieder mensch handelt<br />

volgens gronden, redenen, en beginzelen: de<br />

hoedanigheid en gefleltenis van dezen beflisfchen<br />

over de zedelijke waarde en het kenmerkende<br />

zijner daaden, en geven aan dezelven,<br />

als het ware, den regten naam: weldaadigheid,<br />

uit hoogmoed, is eigenbaat, uit het geloof —<br />

kristelijke deugd.<br />

(Men zie Matth. XII. 35. XX. 1-16. VII.<br />

' 21. env. Mare. X. 20. env. Rom. XII. 2.<br />

K 4 Jac.


152 HL HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

Jac. IV. 17. 2 Pet. I. 5-7. Rom. XIV.<br />

22, 23. Joan. 4, 5. fleèr. XI. 16.)<br />

Verontrust u niet, mijn vriend! over de onzekerheid<br />

, of uwe gehoorzaamheid wel zodanig<br />

gefield zij, als ik haar befchreven heb. Om<br />

zulks onfeilbaar te kunnen weten, en tevens<br />

om nog nader van de gegrondheid en juistheid<br />

onzer bepaaling overtuigd te worden, hebt gij<br />

flegts eenige der aangehaalde plaatzen wat naauwkeuriger<br />

te befchouwen.<br />

Zij leeren u, op welk een wijze, in welk<br />

een trap of maate gij de voorfchriften van Jezus<br />

moet volbrengen.; met een woord, de hoedanigheden<br />

der gehoorzaamheid, die haare echtheid<br />

kenmerken, en u alle twijfeling ontnemen,<br />

of gij de zedeleer van Jezus wel op de regte<br />

wijze, beöeffent. Laat ik u met mijne aanwijzingen<br />

voorgaan. De regte gehoorzaamheid<br />

is overvloediger, dan de geregtigheid der<br />

Pharizeën; (Matth. V. 20.) • gij weet zeker<br />

waarin die beflond ! Jezus vordert iets<br />

meer dan vroome gebaarden,. of eene naauwgezette<br />

waarneming van plechtigheden , met<br />

welken geene werking des harten is verbonden:<br />

hij vordert daaden; men moet hem niet alleen<br />

hooren, maar het gehoorde tot daadlijkheid<br />

brengen. (Matth. VIL 21. env.) Zij gaat<br />

vergezeld van zodanig een leerzaamheid, volgzucht<br />

en ncdrige onderwerping, die ons aan<br />

wel-


UI. HOOFDST. DE ZEDELEER. 153<br />

welopgevoede, nog onbedorven kinderen gelijk<br />

maakt deugden, die ons, alleen in de leer<br />

van Jezus, de voorfchriften en voorbeelden ter<br />

vorming van ons hart doen nafpooren; en, bij<br />

alle onze vorderingen, ons voor zelfsverheffing<br />

bewaaren, door de eer van al het goede alleen<br />

aan God te geven. (Matth. XVIII. 3, 4.)<br />

Zij bepaalt zig niet flegts tot de letterlijke onderhouding<br />

der voorfchriften; maar verheft ons<br />

tot de navolging van God en Kristus zeiven,<br />

in die opzichten, waarin dezelve voor ons mogelijk<br />

en gepast is; die Jezus gehoorzaamt,<br />

volgt hem in zedelijke reinheid des harten en<br />

der zeden, in een ondoofbaare zucht tot orde<br />

en volmaaktheid, in algemeene welwillendheid<br />

en hartlijke liefde tot het gantfche menschdom ,<br />

in toegevendheid omtrent beledigingen, in geduld,<br />

onderwerping en lijdzaamheid onder de<br />

fchikkingen der Voorzienigheid. Mare. X. ÏK<br />

1 Petr. I. 15. Eph. V. 1. 1 Joan. I. 7. II. 6.<br />

III- 3-) Zij leert ons niet alleen door daaden,<br />

tot welker volvoering zo dikwijls geene<br />

gelegenheid is, maar ook door gezindheden de<br />

goedkeuring van Jezus te bejaagen. Te zorgen,<br />

dat het goede, welk in ons is, gekoesterd<br />

worde, op dat het veele vruchten voort-<br />

brenge; eene verbodene neiging, al waare<br />

zij weleer een troetelkind des harten, te verfmooren<br />

en te onderdrukken; geoorloofde<br />

begeerten te beteugelen en alle eisfehen te wek<br />

K 5 ge-


154 Hl. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

geren wanneer zij de beöeffening van belangrijke<br />

plichten belemmeren; zich zeiven te verloochenen<br />

, en zijn ligchaam en geest Gdde en<br />

zijn dienst geheel en al toetewijen: dit is ook<br />

gehoorzaamheid. (Mare. X. 20, 21, Lui. IX.<br />

62. XI. 35. Rom. XII. 1.) Het groote zegel<br />

harer echtheid, is ftandvastigheid, en geduurige<br />

toeneming in volkomenheid. Zij gelijkt<br />

hierin juist haare moeder, het geloof. Zonder<br />

dit, is. haare waarde van geene de minfte betekenis.<br />

(Hebr. VI. n. 1 Kor.XV. 58. Matth.XX.)<br />

Zie daar, vriend der waarheid! een kort, en<br />

zo wij hoopen, volleedig denkbeeld van de Evangelifche<br />

gehoorzaamheid , die Jezus en zijne<br />

Apostels van reeds geloovigen afeifchen.<br />

Doch, niet te vreden, met dezelven voorteftellen<br />

, voegen zij hierbij zodanige beweeggronden<br />

ter betrachting, die op edele én verheven zielen<br />

den werkzaamften invloed hebben. Edele<br />

zielen zeg ik; voor laagdenkende zijn zij niet.<br />

gefchikt: dezen moeten door andere beweegmiddelen<br />

gefchokt worden. Het eerlïe<br />

voordeel uit deze gehoorzaamheid voortfpruitende,<br />

is de waare zedelijke vrijheid. Het vermogen<br />

, om zich zeiven te beheerfchen, deeze<br />

drift te 'fmooren, gene te leiden; de eene begeerte<br />

te onderdrukken, een andere tot eene<br />

drijfveer onzer werkzaamheid optewekken, is<br />

voorzeker een der mtmuntendften, welken een<br />

redelijk wezen kenmerken. Dit te bezitten en<br />

te


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 155<br />

te werkteftellen, is een onfchatbaar genoegen<br />

voor den verftandigen mensch, en ftreelt de eigenliefde<br />

niet weinig; en nimmer gevoelt hij<br />

zijne voortreffelijkheid fterker, dan in zodanige<br />

oogenblikken. Naar maate wij nu de geboden<br />

van Jezus gehoorzamen, naar maate worden wij<br />

verlost van de flavernij der zonden en zondige<br />

begeerten, (zie Joan. VIII. 31, 3a. Rom. VI.<br />

22.) •—- Een ander voordeel is de geduurige<br />

voortgang in zedelijke volkomenheid. Hoe getrouwer<br />

wij de zedeleer van Jezus aankleven,<br />

hoe gemakkelijker ons de beöeffening harer<br />

voorfchriften wordt, en hoe nader wij tot onze<br />

beftemming geraaken. Door de ouderhouding<br />

der voorfchriften alleen, kunnen wij dat geen<br />

worden, welk wij behooren te zijn, en, van<br />

deugd tot deugd opklimmende, het hoogfte toppunt<br />

bereiken. Behalven, dat zodanige aanhoudende<br />

vorderingen uit de natuur der gehoorzaamheid<br />

zelve voortfpruiten, verzekert de leer<br />

van Jezus ons ook, dat God, en door zijne<br />

beftüuring, en door zijne medewerking, den<br />

ijverigen weiwillenden aanleidingen, gelegenheden,<br />

en zedelijke krachten tot dien arbeid geduurig<br />

zal verkenen. (Matth. XIII. 12, 23.<br />

Joan. XV. 2. Rom. VI. 22. zPetr. I 8—10.) —<br />

Even uitdrukkelijk belooft de mond der waarheid<br />

aan allen die zijne geboden bewaaren ,<br />

zijne bijzondere vriendfchap en die van zijn he-<br />

melfchen Vader: . verwar dezelve niet met<br />

• die


i5


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 157<br />

ons Jezus uitdrukkelijk, dat onze volmaaktfte<br />

gehoorzaamheid volftrekt niets verdient, en<br />

hierom fielt Paulus ons het eeuwig leeven voor,<br />

als een genadegift door Kristus. Laat u dit<br />

mijn vriend! niet verontrusten. Beiden is zeker,<br />

en met eikanderen ten hoogften beflaanbaar.<br />

Onze gehoorzaamheid verdient niets, —<br />

kan een onafhanglijk God, die reeds onze<br />

Schepper en weldoener is, tot geene belooning<br />

verplichten. Dan, het is ook niet minder waar,<br />

dat zij in zich zelve, hoe gebrekkig ook ,<br />

toch veel waardiger, en voor God, uit hoofde<br />

van zijne liefde tot orde en welvoegelijkheid,<br />

veel aangenamer is, dan hardnekkige ongehoorzaamheid<br />

: en, heeft God, onverplicht, uit enkele<br />

genade, een zeker loon op dezelve gefield,<br />

en wel om de Verdienden van Jezus gehoorzaamheid<br />

, dan kunnen wij, fchoon nietsverdienende,<br />

van zijne getrouwheid veilig verwachten<br />

, dat hij die belooning ook aan alle gehoorzamen,<br />

en aan hun alleen zal uitdeelen. (Luc.<br />

XI. 28. XVIII. 10. Joan. XIII. 17. Rom. VI.<br />

22, 23. Hebr. XII. 14. 1 Tim. IV. 8. VI. 6.<br />

2 Petr. I. 11.)<br />

Weinig zal er nodig zijn, om u, vriend der<br />

waarheid! de wezenlijkheid dezer gehoorzaamheid<br />

te betoogen; herlees alleen de voorgeflelde<br />

uitfpraaken, en gij zult de kenmerken dezer<br />

eigenfchap ten aanzien der voordracht, terftond<br />

en van zelve ontdekken. En zoo ook<br />

zal


158 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

zal de inhoud, bij een weinig nadenken u de<br />

kenmerken, waardoor deze leer tot het wezen<br />

van het kristendom moet gebragt worden, duidelijk<br />

vertoonen. Alleen wordt er eenige<br />

oplettendheid vereischt, om de zamenhang en<br />

overeenftemming van deze leering met dè geheele<br />

leer van Jezus, en tevens met haare natuur en<br />

hoofdbedoeling, in eens te overzien. Niettemin<br />

is dezelve zeker en baarblijkelijk.<br />

Vergelijk mijne befchrijving van de gehoorzaamheid<br />

met het geloof. Gij zult gereedlijk erkennen<br />

, dat juist zodanig eene gehoorzaamheid uit<br />

zulk een» geloof moet voortvloeijen; herinner u<br />

het geen wij aangaande God, zijne eigenfchappen<br />

en werken gezegd hebben, gij zult zien,<br />

dat God op geene andere wijze, door redelijke<br />

fchepzelen gehoorzaamd kan worden; en dat<br />

zodanig eene zielsgefteltenis , waarin die gehoorzaamheid<br />

heerscht, alleen voor zijne zedelijke<br />

werking gefchikt is. Alles, wat Jezus<br />

voor ons geweest is, nog is en eens zal wezen<br />

bedoelt alleen ons tot zodanig eene gehoorzaamheid<br />

opteleiden. —- Eene bedenking zou u<br />

nogthans kunnen invallen; waartoe zodanig eene<br />

gehoorzaamheid, als Jezus de verzoening is onzer<br />

zonden ? Om die heilgoederen, welken wij<br />

door Jezus dood genieten, immer waardiger en<br />

voor derzelver genot vatbaarer te worden<br />

om te tóonen, dat zij aan geene ondankbaaren<br />

zijn uitgedeeld om aan onze verplich­<br />

ting,


UI. HOOFDST. DE ZEDELEER. 159<br />

ting, die wij jegens hem hebben, voor zoo veel<br />

wij door zijn dood zijn eigendom zijn geworden,<br />

te beandwoorden boven alles, om in<br />

het bezit der verkregen voorrechten te blijven,<br />

en in gevolge hiervan, deelgenoten van het uit-<br />

Itekendfte voorrecht, de eeuwige zaligheid te<br />

worden. Houd dir toch voor een onwankelbaare<br />

grondregel, dat Kristus eene oorzaak der<br />

vergeving en der eeuwige zaligheid is gewprden<br />

voor hen, die hem gehoorzaam zijn. Den<br />

invloed dezer leer op ons geluk en onze zedelijke<br />

volmaaking te betoogen, zou overbodig<br />

zijn. Deels is dit reeds gefchied, toen wij de<br />

heilzame gevolgen der gehoorzaamheid aantoonden,<br />

welken juist gefchikt zijn om ons in<br />

tijd en eeuwigheid-waarlijk gelukkig te maken.<br />

Waarin anders toch beftaat het waar geluk dan<br />

in het genot van zedelijke vrijheid, in den geduurigen<br />

voortgang in volmaaktheid, in de bewustheid<br />

der vriendfchap van God en Kristus,<br />

in het bezit van den vrede der ziel, door geene<br />

lotsverwisfelingen verftoorbaar, en in de zekere<br />

verwachting eener eindelooze zaligheid?<br />

Deels merken wij aan,. dat die gehoorzaamheid,<br />

welke Jezus afvordert, zo geheel met de bevor-<br />

, dering onzer zedelijke volmaaktheid overeenftemt,<br />

dat, Jezus te gehoorzamen en zig zeiven<br />

te volmaaken, dezelfde zaaken zijn. En dit.<br />

zal bij de ontvouwing dier bijzondere plichten,<br />

welken deze gehoorzaamheid omvat noch nader<br />

büj-


Ï6O III. HOOFDST. DE ZEDELEER;<br />

blijken. Zonder dan hierop langer ftilte-*<br />

ftaan twijfel ik geen oogenblik, of gij zult de<br />

gehoorzaamheid onder de leeringen, die tot het<br />

wezen van het kristendom behooren, gereedlijk<br />

plaats vergunnen.<br />

A F D E E L I N G II.<br />

PLICHTEN OMTRENT GOD EN JEZUS.<br />

Na de vrage: is er een God? is deze zeker<br />

de eerfte en voornaamfte; wat eischt Hij van<br />

mij? Jezus is gezonden om dezelve, in<br />

den naam zijnes hemelfchen Vaders, te beandwoorden.<br />

Zie hier zijne en zijner Leerlingen<br />

voorfchriften desaangaande , waarbij wij ook<br />

die zullen voegen, welken onze plichten omtrent<br />

Jezus zei ven vervatten.<br />

Liefde.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XXII. 37. „ Gij zult<br />

lief hebben den Heere uwen God, met geheel<br />

uw hart, met geheel uwe ziel, en met geheel<br />

uw verftand."<br />

De


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. ' 161<br />

De Apostels.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Rom. VIII. 28. „ Wij weten,<br />

dat den geenen, die God lief hebben, alle dingen<br />

medewerken ten goede."<br />

J A c 0 B u s.<br />

Br. II. 5. —- „ Erfgenaamen des koningrijks<br />

welke hij belooft heeft den geenen , die<br />

hem lief hebben."<br />

J O A N N E S .<br />

Eerfte Br. II. 15. „ Zo iemand de waereld<br />

lief heeft, de liefde des Vaders is niet in<br />

hem."<br />

IV. 20. Indien iemand: zegt ik<br />

heb God lief, eh haat zijn Broeder, die is een<br />

logenaar."<br />

V. 3. „ Dit is de liefde Gods,<br />

dat wij zijne geboden bewaaren."<br />

(Zie verder 1 Kor. VIII. 3. Jac. I. 12. Joan.<br />

III. 17. Luc. X. 27. en over de liefde tot<br />

Jezus, Joan. VIII. 42. XIV. 15, 21, 23,<br />

24, £8. 1 Kor. XVI. 22.)<br />

L Ge-


16a III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

Gehoorzaamheid.<br />

J E Z U S .<br />

'• MATTHEUS Evang. XII. 50. „ Zo wie den<br />

wil mijnes Vaders doet die is mijn broeder,<br />

zuster en moeder."<br />

De Apostels.<br />

P E T R U S .<br />

LUCAS Hand. V. 29. „ Men moet Gode<br />

meer gehoorzaam zijn, dan den menfchen."<br />

J O A N N E S .<br />

Eerjle Br. II. 17. „ Die den wil van God<br />

doet, blijft in eeuwigheid."<br />

(Zie Matth. VII. 21. en over de gehoorzaamheid<br />

aan Jezus, Matth. XXVIII. 20. Joan.<br />

in. 36. xrv. si.<br />

Aanbidding.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. IV. 10. „ Den Heer<br />

uwen God zult gij aanbidden en hem alleen<br />

dienen,"<br />

Jo-


Dl. HOOFDST. DE ZEDELEER. I6J<br />

JOANNES Evang. IV. 23, 24. - „ De waare<br />

aanbidders zullen den Vader aanbidden in<br />

geest en in waarheid: want de Vader zoekt ook<br />

al zulken, die hem alzo aanbidden. God is een<br />

Geest, en die hem aanbidden, moeten hem aanbidden<br />

in Geest en waarheid." J<br />

MATTHEUS Evang. V. 16. „ Laat uw licht<br />

alzo ichijnen voor de menfchen, dat zij uwe<br />

goede, werken zien, en uw Vader, die in de<br />

hemelen is, verheerlijken."<br />

P A U L U S.<br />

Eerjle Br. aan de Kor. VI. 20. „ Verheerlijkt<br />

God in uw ligchaam en in uw geest, welken<br />

Godes zijn."<br />

(Zie Matth. V. 24. Joan. XV. 8. Rom. XII.<br />

t. 1 Kor. X. 31. En over de eer aan Jezus<br />

verfchuldigd, Joan. V. 23.)<br />

Gebed.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. VII. 7. „ Bidt, en u<br />

zal gegeven worden."<br />

LUCAS Evang. XVHI. 1. „ En hij zeide<br />

ook een- gelijkenisfe daar toe fl-rekkende, dat<br />

men altijd moet bidden en niet vertraagen."<br />

L 2 Be


ió4 III. HOOFDST. DE ZEDELEER,<br />

De Apostels.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Phil. IV. 6. „ Laat uw begeerten<br />

in alles, door bidden en fmeeken met dankzegging,<br />

bekend worden bij God."<br />

Br. aan de Koll. III. 17. „ Dankende God<br />

en den Vader door hem (Jezus)."<br />

Eer/Ie Br. aan Tim. II. h 3. „ Ik vermaan<br />

dan voor alle dingen , dat gedaan worden fmeekingen,<br />

gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen<br />

voor alle menfchen wat dat is goed<br />

, en aangenaam voor God."<br />

J A C O B U S.<br />

Br. IV. 3. „ Gij bidt en gij ontfangt niet,<br />

om dat gij kwalijk bidt. Op dat gij het in<br />

uwe wellusten zoud doorbrengen."<br />

J O A N N E S .<br />

Eerjle Br. V. 14, 15. ,, En dit is de vrijmoedigheid,<br />

die wij tot hem hebben, dat, zo<br />

wij iets bidden naar zijn wil, hij ons verhoort.<br />

En indien wij weten, dat hij ons verhoort, wat<br />

* De verzoch- wij ook bidden; zo weten wij, dag wij * de<br />

ken b e d e n ver<br />

%tten krijgm> die wij van hem gebeden<br />

hebben."<br />

(Zie


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 165<br />

(Zie Matth. VI. 5. env. Luc. XI. 5. Rom.<br />

XII. 12. Phil. II. 10. 1 r/n?B. V. 17, 18.<br />

1 Joan. III. ai, 22. ^oan. XVI. 23.)<br />

Misbruik van Gods naam.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. V. 34. „ Zweert gantschlijk<br />

niet, noch bij den hemel, om dat hij is de<br />

troon van God." (En volgende.)<br />

J A c o B u s.<br />

Br. V. 12. ,, Zweert niet niet noch bij den<br />

hemel, noch bij de aarde, noch eenigen anderen<br />

eed; maar uw ja zij, ja, en het, neen,<br />

neen: op dat gij in geen oordeel valt."<br />

(Zie Matth. XXIII. 16.)<br />

Vertrouwen op God.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. VI. 31, 32. „ Daarom<br />

zijt niet bezorgd,zeggende wat zullen wijeeten,<br />

wat zullen wij drinken, of waar mede zullen<br />

wij ons kleéden. • Uw hemelfche Vader<br />

weet, dat gij alle deze dingen behoeft."<br />

L 3 PB-


i66 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

P E T R U S .<br />

Eerjle Br. V. 7. „ Werpt alle uwe bekommernis<br />

op hem, want hij zorgt voor u."<br />

(Zie ook Joan. XIV. 1. 1 Petr. V. 8.<br />

Het bevel, om God lief te hebben, zou men<br />

geenzins tot het wezen van het kristendom kunnen<br />

brengen, in gevalle het alleen, als een andwoord<br />

op de vrage des wetgeleerden; „ wat<br />

„ het eerfte en grootfte gebod, in de wet van<br />

„ Mozes was;" ware voorgefteld geworden.<br />

Dan, daar Jezus niet alleen uitdruklijk verklaart,<br />

dat hetzelve het wezen van den Mozaifchen<br />

Godsdienst uitmaakte; maar zelfs bij Lucas,<br />

ftellig verzekert; „ doet dat en gij zult<br />

„ leven," zo kunnen wij geen oogenblik twijfelen,<br />

of hij heeft dit gebod geheelenal, als<br />

een wezenlijke leering van zijn Godsdienst overgenoomen;<br />

maar ook tevens veel uitgebreider<br />

betekenis aan die woorden gehecht, dan zij bij<br />

Mozes hebben. Onze liefde regelt zich naar<br />

het voorwerp. Naar maate wij God in een beminnelijker<br />

licht befchouwen, naar maate wij<br />

van zijne volmaaktheden verhevener en juister<br />

begrippen koesteren, naar maate word onze<br />

liefde zuiverer en uitgeftrekter. Voor zo<br />

veel wij nu uit de bijgebragte verklaringen mogen<br />

opmaaken, vinden wij in dezelven, deze<br />

denkkeelden, wegens onze liefde tot God, vervat;


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 167 •<br />

vat; dat die liefde (naauwkeuriger wederliefde<br />

en dankbaarheid, uit hoofde van onze betrekkingen<br />

tot God) gelegen is in de oprechtfte begeerte<br />

, om God, door het volbrengen van zijn<br />

wil, aangenaam te worden, en hier door hem<br />

de fchuld onzer verplichting te betaalen. Hij<br />

die God bemint, uit hoofde van zijne beminnelijke<br />

deugden en onuitputlijke weldadigheid,<br />

gehoorzaamt hem ook, om dat hij verdiend gehoorzaamt<br />

te worden. In 't bijzonder be-<br />

fchouwt de leer van Jezus alle menfchenhaat<br />

en ongeregelde waereldsliefde, als met de liefde<br />

tot God onbellaanbaar: om dat het natuurlijk<br />

is voor hem, die God waarlijk lief heeft, hen<br />

te beminnen, welken God zelf met zijne liefde<br />

verwaardigt; en, om dat verdeelde liefde tus-<br />

fchen God en de waereld geen liefde is.<br />

Die God oprecht bemint, kan, in zijn hart,<br />

eene gelijke liefde tot een geheel ftrijdig voorwerp<br />

onmooglijk koesteren. Tijdlijk en<br />

eeuwig geluk is, volgens de uitfpraak der leer<br />

van Jezus, het deel van hem die God bemint. —<br />

De plicht, om God te gehoorzaamen, bij welken<br />

wij de plichten van vertrouwen op en onderwerping<br />

aan de fchikkingen zijner voorzienigheid<br />

voegen, zijn zo gemakkelijk afteleiden<br />

uit de betrekkingen, waarin wij tot God ftaan,<br />

dat het ons geenzins moet bevreemden, zo Jezus<br />

of zijne Apostels op derzelver betrachting<br />

niet meenigvuldiger aangedrongen hebben. Die<br />

L 4 God


i68 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

God kent, als zijn Schepper, Opperheer, Verzorger<br />

en Vader, als de hoogde magt, wijsheid<br />

en liefde, kan zeer licht hieruit afleiden,<br />

dat hij gehouden is, om den wil van dat Wezen<br />

te gehoorzamen, zich aan deszelfs welbehagen<br />

te onderwerpen , en met deszelfs<br />

fchikkingen te vreden in alles op dien God te<br />

vertrouwen. —— Echter beveelen Jezus en de<br />

Apostels ons die plichten, met allen mooglijken<br />

aandrang; die God gehoorzaamt, blijft in<br />

eeuwigheid; die op God vertrouwt en alle onmaatige<br />

waereldfche bekommernisfen verbant<br />

zal beftendig meer en meer ondervinden, hoe<br />

liefderijk God voor zijne behoefte zorgt.<br />

Meer kenmerkt de leer van Jezus zich, door<br />

haare nieuwheid, juistheid en duidelijkheid ten<br />

aanzien dier plichten, welken den zogenaamden<br />

Godsdienst, of de aanbidding en vereering van<br />

God in het bijzonder betreffen. Voor de komst<br />

van Jezus was de Godsdienst eene verrichting,<br />

waarin het hart weinig deelde, en van deugdsbeöeffening<br />

geheel onderfcheiden. De eerfte<br />

was aan tijd en gelegenheden verbonden, en<br />

bepaalde zich tot uitwendigheden; Jezus heeft<br />

het eerst den mensch geleerd, dat Godsdienst<br />

geene plaats of tijd, geene kwelling des ligchaams,<br />

maar alleen het hart, en dit ook geheel,<br />

vordert; Jezus heeft het eerst geleerd,<br />

dat de aanbidding en verheerlijking van God,<br />

in eene plechtige erkentenis van zijne grootheid<br />

en


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 169<br />

en volmaaktheden, en van onze gezindheid en<br />

afhangelijkheid grootlijks geleegen is; maar nog<br />

meer, in de aanhoudende verbetering van ons<br />

zeiven, en een gedrag overeenkomftig met.on­<br />

ze natuur en verordening beftaat; dewijl God<br />

zich in niets meer verheugt, dan in de vol­<br />

maaktheid zijner fchepzelen, en hij door dezel­<br />

ve het meest verheerlijkt wordt. Godsdienst en<br />

deugd zijn, volgens de leer van Jezus, onaf-<br />

fcheidelijke zaken, die onze daden, ook de on-<br />

verfchilligften, dagelijks moeten regelen.<br />

En wie erkent dan haare meerderheid en voor­<br />

treffelijkheid niet, als hij de zedenlooze afgo­<br />

derij van het Heidendom en de omflagtige Gods-<br />

vereering der Mozaifche wet met dezelve ver­<br />

gelijkt !<br />

Bij de aanbidding voeg ik het gebed, dat,<br />

zekerlijk wel een gedeelte van-den Godsdienst<br />

uitmaakt; maar, waardoor wij meer ons zei-<br />

Ven , dan God, bedoelen. De aanbidding is ,<br />

als het ware, de hulde van gelukkige onder-<br />

daanen aan hun weldadigen Opperheer. Het<br />

gebed bevat de fmeekfchriften en dankërkente-<br />

nisfen , die zij voor zijn troon nederleggen.<br />

Deze laatflen begrijpen wij ook onder het ge­<br />

bed. Volgens de leer van Jezus, moet<br />

ons gebed, in weinige en nadrukkelijke woor­<br />

den beftaan, in het verborgen gefchieden, uit<br />

een hart, vol liefde tot God en de menfchen,<br />

en vrij van wraaklust, voortvloeijen, en moet<br />

L 5 zich


170 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

zich niet alleen tot onze aangelegenheden, maar<br />

ook tot die van anderen uitftrekken. Allernadrukkelijkst,<br />

verzekert zij ons van deszelfs verhooring:<br />

ja, de gelijkenisfen, gebezigd, om<br />

ons hier van te overtuigen, zijn zoo fterkfprekende,<br />

als het Godlijk verftand van Jezus kon<br />

uitdenken; maar tevens wordt zij aan voorwaarden<br />

verbonden, die de vereischten van een Godeaangenaam<br />

gebed influiten. -— Ongeacht<br />

dit alles, is de verhooring der gebeden bij velen<br />

een onbegrijpelijke, ja onmogelijke zaak.<br />

De oorzaak hiervan fchuilt alleen in het verkeerd<br />

begrip der verhooring. Moest God ieder<br />

mensch geven, wat hij letterlijk wenscht; ja<br />

dan zou de verhooring der gebeden onmogelijk<br />

en onbegrijpelijk zijn. Maar wanneer die wijze<br />

Vader, aan ieder zijner kinderen, op hun<br />

gebed, dat geen fchenkt, wat hij inderdaad<br />

behoeft, en hem waarlijk gelukkig kan maaken:<br />

wanneer hij aan dwaze kinderen, op hunne gebeden<br />

om fteenen en fcorpioenen, brood en<br />

visfchen geeft, verhoort hij dan hunne gebeden<br />

niet, in den waaren zin? Herlees, vriend deiwaarheid<br />

! de bijgebragte plaatzen, met alle oplettendheid,<br />

en gij zult zien, dat de leer van<br />

Jezus de verhooring in dit licht voorftelt, en<br />

altijd de regte gefteltenis des gebeds vooronderftelt.<br />

Even kenmerkend is alles, wat Jezus leert<br />

wegens het misbruik van Gods heiligen naam,<br />

of


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 171<br />

of het ligtvaardig en nutloos zweren zo<br />

ftrijdig met den eerbied, dien wij den Allerhoogften<br />

zijn verfchuldigd. 't Is zo; het derde<br />

der tien geboden verboodt reeds het valsch<br />

en ligtvaardig zweren; dan de Jooden hadden<br />

allerleie uitvlugten op dit bevel uitgedacht, en<br />

dus heeft Jezus hierin de zedeleer der gezonde<br />

reden herfteld. Dat Jezus bepaaldelijk<br />

fpreekt van de eeden, die op beloften of toezeggingen<br />

gedaan en waarmede deze bekragtigd<br />

worden; en geenzins van geregtlijke eeden ter<br />

bevestiging van de waarheid van getuigenis,<br />

leert de zamenhang waarin het verbod voorkomt,<br />

zeer duidelijk. Nader moet men in dit<br />

gevoelen bevestigd worden, wanneer men zig<br />

herinnert, dat Jezus geen bevel of verbod gegeven<br />

heeft, welk, met de burgerlijke verordeningen<br />

van den Joodfchen ftaat, eenigzins<br />

ftrijdig is; als ook, dat hij zelve op de geregtlijke<br />

bezweering des Hoogenpriesters geiindwoord<br />

heeft, dat, volgens de Joodfche regtspleeging,<br />

van dezelfde betekenis was, als, ten<br />

dezen dage, de bekentenis der waarheid onder<br />

eeden. Met dit alles, verdenke mij nie­<br />

mand , als of ik hiermede de gefchillen der kristenheid<br />

over dit onderwerp wilde beflisfchen;<br />

hoe zeer ik meene, dat het geregtlijk zweeren<br />

met de leer van Jezus, geenzins ftrijdt, is echter<br />

de vrage, of het ook met de gezonde reden<br />

üvereenftemme, bij mij nog niet beandwoord.<br />

De-


i7 2<br />

HL HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

Dezelfde plichten, die wij omtrent God betrachten<br />

moeten, zijn wij ook aan Jezus verfchuldigd,<br />

met die bepaaling, dat wij altijd de<br />

betrekkingen in het oog houden, waarin hij tot<br />

ons ftaat. Wij moeten ook hem lief hebben,<br />

om dat hij de bewerker, het middel is van<br />

ons tijdlijk en geestrijk heil; ook hem gehoorzamen,<br />

om dat hij de afgezant en Zoon van<br />

God, en onze Koning is; ook hem vereeren,<br />

als den vertegenwoordiger'van God; en, daar<br />

hij den post van Middelaar tusfchen God en<br />

ons bekleedt, alle onze gebeden, in zijn naam<br />

tot God opzenden. Deze plichten zijn zo natuurlijk<br />

gegrond op al het geen /wat Jezus voor<br />

ons geweest is, nog is en eens zal wezen, dat<br />

wij dezelve gemaklijk hieruit zouden kunnen afleiden,<br />

al ware het, dat zij ons zo uitdrukhjk<br />

niet geboden waren. Ter deze plaatze<br />

zou ook het geloof in Jezus, moeten gerang-<br />

Ichikt worden, zo wij dit niet reeds boven befchouwd<br />

hadden. Alleen voegen wij hier nog<br />

bij het vertrouwen op de magt en liefde van<br />

Jezus, welk mede het geloof influit, en dat gegrond<br />

moet zijn op zijne waardigheid als onze<br />

Middelaar, Voorfpraak en Koning, aan welke<br />

alles onderworpen is.<br />

Niemand denk'ik zal twijfelen, of deze plichten<br />

ten aanzien der voordragt, tot het wezen<br />

van het kristendom behooren. En, wat<br />

den inhoud betreft weinig zal er noodig zijn,<br />

om


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 173<br />

om van de wezenlijkheid dezer keringen overtuigd<br />

te worden; om nu van haare algemeenheid<br />

te fpreken; zullen wij ons alleen bij derzelver<br />

overeenftemming en naauwe zamenhang<br />

met eikanderen en met de geheele leer van Jezus<br />

een weinig ophouden. Als een keten, zijn<br />

zij aan eikanderen verbonden. Die God opregt<br />

bemint, kan niet- nalaaten te doen wat hem<br />

welbehaaglijk is; dit beide fpoort hem aan, om<br />

Gode de verfchuldigde hulde te bewijzen, hem<br />

met ligchaam en geest te vrheerlijken, en geeft<br />

hem grond, om in alles op God te vertrouwen:<br />

en dit vertrouwen is de moeder van tevredenheid<br />

met de Godlijke fchikkingen, en de<br />

Iterkfle drangreden, om hem, die alles regeert,<br />

alle zaken in den gebede, ootmoedig aantebeveelen,<br />

en dien oorfprong van alle goed, vooral<br />

het goede dat hij geniet, hartgrondig te danken.<br />

Even zo naauw hangen de leeringen<br />

met de geheele leer van Jezus zamen. Een<br />

God die alle mogelijke volmaaktheden bezit,<br />

en dezelven in onze fchepping en herfchepping<br />

zo glansrijk, zo aanbiddelijk vertoond heeft,<br />

en dezelven nog dagelijks in zijne voorzienigheid<br />

over en de werking in ons op het duidelijkst<br />

aan den dag fielt, verdient onbetwistbaar<br />

juist zodanig eene liefde • en gehoorzaamheid,<br />

zodanig een vertrouwen en onderwerping als<br />

wij reeds gefchetst hebben; hij alleen is waardig<br />

de lof, eer en dankzegging van redelijke<br />

fchep-


174 ÏÏI. HOOFDST. DE ZEDELEER*<br />

fchepzelen; hij alleen moet gebeden worden;<br />

daar hij alleen helpen kan en wil. En zo juist<br />

ook zijn alle plichten omtrent Jezus op de be­<br />

trekkingen, waarin hij tot ons ftaat, gegrond.<br />

Befchouwen wij de groote bedoeling en den<br />

aart van het kristendom, en wij zullen voor<br />

beiden niets bevorderlijker vinden, dan de getrouwe<br />

betrachting van even diezelfde plichten.<br />

In het voorgaande hebben wij reeds betoogd<br />

den heilzamen invloed van ons geloof in God<br />

en in Kristus op onze deugd en ons waar geluk:<br />

dan, hoe zeer moet die invloed toenemen<br />

wanneer ons geloof, tot werkzaamheid gebragt<br />

is en zodanige gezindheden verwekt, als wijheden<br />

gefchetst hebben. God te beminnen is,<br />

de edelfte neigingen, die ons door hem zijn<br />

ingefchapen, te volmaaken, erkentenis<br />

voor genoten weldaden, en liefde tot het fchoone<br />

en goede. Die met God, in den gebede,<br />

geftadig verkeert, verfmoort alle waereldliefde,<br />

dooft alle ongeregelde driften en reinigt<br />

zijn hart van alle onzuiverheden der zonde.<br />

Met één woord; die God dient volmaakt zig<br />

zeiven. En kunnen er zuiverer, edeler en<br />

verhevener genoegens, dan die van God te dienen,<br />

gevonden worden? Hoe fchielijk moeten<br />

zorg, vrees en alle kwellingen des geestes verdwijnen<br />

, zodra wij onze bekommernis op den<br />

Heere werpen! Wie kent nog onrust of vrees,<br />

nadat hij, in den gebede, zijn hart voor God<br />

ont-


III. HOOFDST. DF> ZEDELEER. 175<br />

ontlast, en bij hem troost, verlichting en bijftand<br />

gezogt heeft, „ die gezegd heeft, ik zal<br />

„ u niet begeven." Wat maakt de voorfpoed<br />

tot een waar goed, dan de geduurige herinnering,<br />

bij onze dankzeggingen, dat dezelve een<br />

gefchenk van God is? Ja, nimmer kunnen v/ij<br />

ons van eenigen plicht door God geboden, behoorlijk<br />

kwijten, of die oeffening moet voor<br />

ons een bron van het levendigst vermaak worden,<br />

om dat God uit liefde wil gehoorzaamd<br />

zijn. En ieder, die immer bemind heeft, kent<br />

het zoet, dat het denkbeeld, van iets voor het<br />

beminde voorwerp te verrichten, dat aan hetzelve<br />

zal behaagen en een uitflekend genoegen<br />

verfchaffen, in zich vervat. De Godsdienst<br />

die Jezus ons predikt, veredelt ons wezen, en<br />

maakt ons in allen opzichten waarlijk gelukkig.<br />

A F D E E L I N G III.<br />

PLICHTEN OMTRENT ONZE MEDEMENSCHEN.<br />

De men^cli, tot gezelligheid verordend zijnde<br />

, heeft noodwendig eenige plichten, omtrent<br />

zijne gelijken, in acht te nemen. De reden<br />

leert ons dezelve eenigermaate; dan de kristelijke<br />

Godsdienst fchrijft ons zodanige voor, die<br />

de bevelen der reden zeer ver overtreffen, en<br />

welken zij ons nimmer zou hebben kunnen keren;


176 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

ren; hij bekragtigt dezelven door drangredenen,<br />

die geheel op deszelfs natuur gegrond zijn<br />

en den kragtdadigften invloed op onze zielen<br />

moeten hebben. Ja, in dit opzigt, is hij ver<br />

boven de wet van Mozes verheven. Hooren<br />

wij dan de bevelen van Jezus en zijne Apostelen.<br />

Algemeens liefde.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XXII. 39. „ Gij zult<br />

uwen naasten lief hebben als u zeiven."<br />

—'<br />

1<br />

VII. 12. „ Alle dingen,<br />

die gij wilt dat u de menfchen zouden doen,<br />

doet gij hen ook alzo."<br />

De Apsteh.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Rom. XIII. 10. „ De liefde doet<br />

den naasten geen kwaad, zo is dan liefde de<br />

vervulling der wet."<br />

J A C O B U S.<br />

Br. II. 18. „ Indien gij dan de koninglijke<br />

wet volbrengt naar de fchriften, gij zult uwen<br />

naas-


Hl. HOOFDST. DE ZEDELEER. 177<br />

Baasten lief hebben als u zeiven, zo doet gij<br />

wel."<br />

(Zie ook Luc. X. 27—37. Gal V. 14. en inzonderheid<br />

1 Kor. XIII.)<br />

Liefde tot de Vijanden.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. V. 44. „ Maar ik zegge<br />

u, hebt uwe vijanden lief; zegent hen die<br />

u vervloeken , doet Wel den geenen, die u haaten;<br />

en bidt voor de geenen, die u geweld<br />

aandoen en u vervolgen."<br />

P A u L u s.<br />

Er. aan de Rom. XII. 14, 17, 19—21. „ Zegent<br />

hen die u vervolgen, zegent en vervloekt<br />

niet. — Vergeld niemand kwaad voor kwaad. —<br />

Wreekt u zeiven niet, beminden. — Indien dan<br />

uwe vijand hongert, fpijzigt hem: indien hem<br />

dorst, zo geeft hem te drinken. — Wordt van<br />

het kwaad niet overwonnen, maar overwint<br />

het kwaad door het goed."<br />

(Zie Matth. V. 5, 45-48. 1 Petr. III. 9.)<br />

M Lief.


178 UI. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

Liefde tot de Broederen.<br />

J E Z U S .<br />

JOANNES Evang. XV. 12. ,, Dit is mijn gebod,<br />

dat gij eikanderen lief hebt, gelijk ik u<br />

lief gehad heb."<br />

De Apostels.<br />

J O A N N E S .<br />

Eerjle Br. III. 11. „ Dit is de verkondiging,<br />

die gij van den beginne gehoort hebt,<br />

dat wij eikanderen zouden lief hebben."<br />

— 16. „ Hier aan hebben wij<br />

de liefde gekend, dat hij zijn leven voor ons<br />

gefield heeft: wij zijn fchuldig voor de Broederen<br />

het leven te flellen."<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Eph. V. 1, 2. „ Zijt navolgers<br />

van God, als geliefde kinderen, en wandelt in<br />

de liefde, gelijk Kristus ons lief gehad heeft."<br />

(Zie Rom. XII. 10. en Joan. doorgaans.)<br />

Wel-


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 175<br />

Weldadigheid.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. VI. 3, 4. ,, Maar als<br />

gij aalmoesfen doet, zo laat uwe (linkerhand<br />

niet weten, wat uwe regter doet, op dat uwe<br />

aalmoes in het verborgen zij: en uw Vader die<br />

in 't verborgen ziet, zal u in 't openbaar vergelden."<br />

LUCAS Evang. XIV. 13, 14. „ Maar wanneer<br />

gij een maaltijd houdt, nodigd armen —<br />

en gij zult zalig zijn, want het zal u vergolden<br />

worden in de opftanding der regtvaardigen."<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Gal. VI. 9, 10. „ Laat ons goeddoende<br />

niet vertraagen: want, ten zijnen tijde,<br />

zullen wij maaijen, zo wij niet verflappen. Zo<br />

dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen<br />

aan allen, maar meest aan de huisgenooten des<br />

geloofs."<br />

(Zie ook Luc. VI. 38. XVI. 1-9. 2 Kor. IX.<br />

6. Hand. XX. 35.)<br />

M a Dienst'


i8o III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

Dienstvaardigheid.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. VI. 42. „ Geeft den<br />

geenen, die iets van u bidt, en keert u niet<br />

af van den geenen, die van u leenen wil."<br />

JOANNES Evang. XIII. 14, 15. ,, Indien ik,<br />

de Heer en Meester uwe voeten gewasfchen<br />

heb, zijt gij ook fchuldig elkanders voeten te<br />

wasfchen. Want ik heb u een exempel gegeven,<br />

op dat, gelijk ik u gedaan heb, gij ook<br />

doet."<br />

MARCUS XX. 44. ,, En zo wie van u de<br />

eerfte zal willen worden, die zal aller dienstknegt<br />

zijn."<br />

Deelneming in het lot van anderen.<br />

De Apostels.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Gal. VI. 2. „ Draagt elkanders<br />

lasten en vervult alzo de wet van Kristus."<br />

Br. aan de Rom. XII. 15. „ Verblijdt u met<br />

den blijden en weent met den weenenden."<br />

(Zie Jac. II. 13. Matth.V.7. 1 Kor.XII.26.)<br />

Toe-


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. I8I<br />

Toegevenheid.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. V. 39-41. „ Maar ik<br />

zegge u, dat gij den boozen niet wederftaat:<br />

maar zo wie u op de regter wang flaat, keert<br />

hem ook de andere toe. En zo iemand met u<br />

regten wil, en uwen rok nemen, laat hem ook<br />

den mantel. En zo wie u zal dwingen eene<br />

mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen."<br />

(Zie Matth. V. 9.)<br />

Vergeeflijkheid.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. VI. 14. „ Indien gij den<br />

menfchen hunne misdaaden vergeeft, zo zal uw<br />

hemelfche Vader ook u vergeven."<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Eph. IV. 32. „ Zijt tegen eikanderen<br />

goedertieren, barmhartig, vergevende elkanderen<br />

gelijk ook God in Kristus u vergeven<br />

heeft."<br />

(Zie Matth. V. 23,24. XVIII. 15-17,21-35.)<br />

M 3 Zorg


ÏSÜ III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

Zorg voor het zedelijk heil.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XVIII. 6. „ Zo wie een<br />

van deze kleinen die in mij gelooven, ergert,<br />

het ware hem nutter, dat hem een molenlteen<br />

aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken<br />

Ware in de diepte der zee."<br />

' VII. 3—5. „ En wat ziet<br />

gij den fplinter, die in de oogen uwes broeders<br />

is, maar den balk, die in uwe oog is merkt<br />

gij niet ? of, hoe zult gij tot uwen broeder zeggen<br />

: laat toe, dat ik den fplinter uit uwe oogen<br />

uitdoe? en ziet, daar is een balk in uwe oogen.<br />

Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog,<br />

en dan zult gij bezien om den fplinter uit uwes<br />

broeders oog uit te doen."<br />

De AposteU.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Rom. XV. 1, „ Maar wij,<br />

die Merk zijn, zijn fchuldig de zwakheden der<br />

onderken te dragen dat dan een iegelijk<br />

van ons zijn naasten behaage ten goede tot {lichting." <br />

JA-


III. HOOFDST; DE ZEDELEER. 183<br />

J A c o E u s.<br />

Br. V. 19, 20. „ Broeders, indien iemand<br />

onder ü van de waarheid is afgedwaald en hem<br />

iemand bekeert; die wete, dat de geen, die<br />

een zondaar van de dwaaling zijnes wegs bekeert,<br />

zal een ziele van den dood behouden."<br />

(Zie Rom. XIV. 1 Kor. VIII. 8-13. Gal.<br />

VI. 1. 1 Thesf. V. 11, 14. Hebr. X. 24.<br />

III. 12, I 3.)<br />

Het Huwelijk. 1<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. V. 32. „ Maar ik zegge<br />

u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders<br />

dan uit oorzaak van hoererij, die maakt,<br />

dat zij overfpel doet; en zo wie de verlatene<br />

zal trouwen, die doet overfpel."<br />

(Zie ook Matth.XIX. 3-9. 1 Kor.Vil. 2-10.<br />

Hebr. XIII. 4.;<br />

Zie daar, mijn vriend! voorfchriften, welker<br />

getrouwe en algemeene betrachting deze aarde<br />

tot eene zeer gelukkige verblijfplaats voor het<br />

menschdom zou maaken. De zegeningen, die<br />

de Algoede overal zo mildlijk heeft verfpreid,<br />

zijn ontelbaar; van welken alleen gebrek aan<br />

menfchenliefde zo veelen berooft : daartegen<br />

M 4 zijn


i84 Hl. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

zijn de waare rampen dezes levens, zo men<br />

er die genen aftrekt, welken wij eikanderen<br />

brouwen, niet noemenswaardig. En, hoe veel<br />

zou van derzelver bitterheid, door zodanig eene<br />

menfchenliefde, als Jezus ons predikt, verzoet<br />

kunnen worden! Befchouwen wij intusfchen,<br />

wat de leer van Jezus ons beveelt.<br />

De algemeene menfchenliefde, die Jezus ons<br />

voorftelt, kan ik niet anders omfchrijven, dan<br />

eene, uit het hart voortkpmende, en onveranderlijke<br />

geneigdheid, om alle menfchen zonder<br />

uitzondering, niet alleen al het goede te willen<br />

, maar ook al het goede te doen, welk ieder<br />

hunner, in zijn bijzonderen kring, behoeft,<br />

't welk in onze magt ftaat, en welk wij in gelijke<br />

omftandigheden, ons zeiven zouden toewenfchen.<br />

Geene vijanden zijn hiervan uitgefloten.<br />

Lees de gelijkenis van den barmhartigen<br />

Samaritaan , en gij zult u het juiste denkbeeld<br />

van deze liefde kunnen vormen. Daar<br />

uit zult gij zien, dat die algemeene liefde niet<br />

genomen wordt in die bijzondere betekenis,<br />

welke wij aan het woord liefde hechten, wanneer<br />

zij flegts weinige perfoonen kan omvatten<br />

, maar dat zij voorgefteld wordt, als een<br />

uitgeftrekte en hartlijke welwillendheid en dienstvaardigheid<br />

omtrent alle menfchen, (van wat<br />

kleur, landaart, godsdienst of gezindheid jegens<br />

ons,) die uit het denkbeeld, dat ieder mensch<br />

een kind van God, onze broeder, onze gelijke<br />

in


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 185<br />

in waarde, behoefte en aandoeningen is, wordt<br />

geboren : en daar zelfs de naam van vijand<br />

hier op geene uitzondering kan maaken, moet<br />

even diezelfde hartlijke welwillendheid zich ook<br />

tot hem uitllrekken. Met één woord, even<br />

gelijk God alle menfchen, boozen en goeden,<br />

aan zekere goederen een gelijk deel fchenkt,<br />

om dat zij zijne redelijke fchepzels zijn: even<br />

zo ook moeten wij allen, goeden en kwaden,<br />

het beste willen, om dat zij menfchen en onze<br />

gelijken zijn. Geeft de naam van mensch<br />

iemand regt op onze algemeene welwillendheid;<br />

de , naam van kristen maakt hem deelgenoot<br />

eener bijzondere toegeneegenheid, kristen, zeg<br />

ik: ten tijden der Apostelen wist men nog niet<br />

van onderfcheiden godsdienffige genootfchap-<br />

pen; in weerwil van eenige toen reeds opko­<br />

mende fcheuringen, waren de huisgenooten des<br />

geloofs, nog alle kristenen. Heb uwen<br />

naasten lief als u zeiven; en fiel uw leven<br />

voor de broederen; uit dit voorbeeld kunt gij<br />

eenigzins opmaaken, hoedanig een onderfcheid<br />

gij tusfchen menfchen en broederen moogt en<br />

moet ftellen, en op welk eene wijze de broe­<br />

derlijke de algemeene menfchenliefde moet<br />

te bovengaan, fchoon beiden even zeer ons hart<br />

moeten verwarmen. — Dan, wie ook de voor­<br />

werpen zijn onzer liefde, de leer van Jezus ver­<br />

klaart uitdrukkelijk, dat de hoedanigheid dier<br />

liefde alleen de zedelijke waarde van dezelve<br />

M 5 moet


ï86 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

moet bepaalen. Zonder ons bij alle die hoedanigheden<br />

en derzelver verklaaring op te houden<br />

(welke Paulus inzonderheid i Kof. XIII.<br />

naauwkeurig optelt) merken wij aan, dat alle<br />

onze verrichtingen, ten besten van anderen,<br />

alleen uit zulk een hartlijke, en van alle zijdelingfchc<br />

bedoelingen gezuiverde geneigdheid<br />

moeten voortvloeijen, als wij in het voorgaande<br />

reeds befchreven hebben, en dat zij anders<br />

volftrekt geen waarde hebben.<br />

Inzonderheid geldt dit op de weldadigheid;<br />

van welke Jezus uitdrukkelijk verklaart, dat zij<br />

uit eigenbelang, hoogmoed of roemzucht werkzaam<br />

zijnde, alle aanfpraak op beloouing van<br />

Gods zijde volftrekt verliest. Hierom fielt hij<br />

tot eene hoofdvereischte van dezen plicht, dat<br />

wij onze weldaaden zo geheim en onbekend<br />

uitdeelen, dat wij, als het ware, zeiven geene<br />

bewustheid hiervan hebben. Ter vergoeding<br />

ndgthans van deze verzaking van eerzucht,<br />

belooft Jezus zulk eene belooning na dit leeven,<br />

even als of wij door onze weldaaden' God ten<br />

fchuldenaar gemaakt hadden, die de uitgezette<br />

hoofdzom oneindig zal overtreffen. God en<br />

Kristus willen al het goede , een behoeftigen<br />

bewezen, aanmerken, als hun zeiven gefchied,<br />

en als zodanig vergelden. En hoe groot moet<br />

dan de vergelding zijn! Maar dan ook<br />

moet onze weldaadigheid van alle uitzicht op<br />

tijdelijk loon, als voordeel, of toejuiching, geheel


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 187<br />

heel vrij zijn. Die dezen bedoelt, heeft bier<br />

reeds zijn loon weg.<br />

Bij zodanig eene weldaadigheid voegt Jezus<br />

de ijverigfte en nederigfte dienstvaardigheid ,<br />

waardoor wij, met verbanning van allen hoogmoed<br />

en trotschheid, den hulpbehoevenden dien<br />

bijftand verleenen, welke in ons vermogen is,<br />

en zijn ftaat kan verbeteren of veraangenaamen.<br />

Om te toonen ,dat niets hoe laag geacht, hiervan<br />

uitgezonderd is, waschte Jezus de voeten zijner<br />

leerlingen, anders het gewoone werk van (haven.<br />

Door dit bevel is ieder mensch, van wat<br />

ftaat of vermogen, in de gelegenheid gefteld,<br />

om voor anderen nuttig te worden: terwijl de<br />

weldaadigheid toch voornaamlijk tot den rang<br />

der gegoeden behoort.<br />

Zijt gij in geene gelegenheid om de vreugd<br />

van anderen te vergrooten of hunr ; rampen te<br />

verligten , de leer van Jezus predikt u nogthans<br />

het medegevoel, waardoor wij in de aandoeningen<br />

van anderen deelen, ons met den blijden<br />

verblijden, en met den weenenden weenen;<br />

dewijl alle kristenen leden zijn van een groot<br />

ligchaam, en geen lid van ons ligchaam kan<br />

lijden, zonder dat wij het gevoelen. Dit medegevoel<br />

is noodzaaklijk, en als de krachtdaadigfte<br />

aanfpooring, om voör anderen ons nuttig<br />

te maaken; en, als het onontbeerlijk vereischte,<br />

om aan alle onze weldaadige pogingen de<br />

gewenschte uitwerking te geven. Vertroost,<br />

b.


i88 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

b. v. iemand zonder eenig medegevoel in zijne<br />

fmarten, en zie, wat gij te weege zult brengen.<br />

Wij kunnen niet verwagten, altijd van anderen<br />

behandeld te zullen worden, als wij wel<br />

wenfchen. Ieder mensch ftaat bloot voor beledigingen<br />

, 't zij dan ook in welk een trap. —<br />

Ten aanzien van geringe onregtvaardigheden,<br />

en kwellingen, predikt Jezus toegevendheid en<br />

verdraagzaamheid; met betrekking tot allerleie<br />

groote geweldenarijen en vijandlijkheden,<br />

afkeerigheid van alle zucht, om dezelven immer<br />

aan derzelver bewerkers betaald te zetten.<br />

Ja, welke beleedigingen, grooten of kleinen ,<br />

ons ook aangedaan worden, Jezus beveelt ons,<br />

dezelven, van gantfcher harten, te vergeven,<br />

dat is, de fchuld, waarop wij, hierdoor, naar<br />

ons oordeel, regt verkrijgen, geheel kwijttefchelden;<br />

in onze hartlijke welwillendheid omtrent<br />

onze beleedigers niet te verkoelen, maar<br />

integendeel, door weldoen het vuur der twist<br />

en vijandfchap te dooven. Dit beveelt Jezus<br />

ons, en, of zijn gezag nog niet genoeg waare,<br />

verbindt hij aan deze plichten de vergeeving bij<br />

God: zo dat hij, die anderen niet vergeeft ook<br />

geen vergeving bij God zal verkrijgen, waardoor<br />

hij tevens van de eeuwige zaligheid blijft<br />

uitgefloten. Gij begrijpt intusfchen wel,<br />

dat, door deze plichten, het regt tot eene behoorelijke<br />

zelfsverdediging niet vernietigd is.<br />

Dit


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 189<br />

Dit ftrekt zich uit alleen tot de voorkoming en<br />

af'weering van dreigende beleedigingen, die ons<br />

gewigtige rampen zullen brouwen. De plichten<br />

door Jezus gepredikt, bepaalen ons gedrag,<br />

na het ontvangen der beleediging.<br />

Koesteren wij zodanig eene menfchenliefde<br />

als die des Evangeliums, dan is de zorg voor<br />

het zedelijke welzijn van anderen, als het gewigtigst,<br />

een natuurlijk gevolg van dezelve.<br />

Jezus heeft ons dezelve minder aangeprezen,<br />

dan wel ons den flerkflen fchrik ingeboezemd,<br />

om, door ons gedrag, anderen zedelijk rampzalig<br />

te maaken. Hun, die zich hier aan fchuldig<br />

maaken, bedreigt hij het ijsfelijkst lot. Het<br />

kristendom fielt ieder kristen voor, hoe arm<br />

ook in goederen of verfland, als hierin met<br />

alle kristenen van gelijke waarde, dat Jezus ook<br />

voor hem geftorven is, en dus, als te dierbaar,<br />

om verlooren te gaan. Door kleine, geringe,<br />

dat zijn, zwakgeloovige kristenen te ergeren,<br />

wordt men oorzaak, dat zij verlooren gaan:<br />

wanneer, namelijk, iemand, vrijer denkende,<br />

in hun bijzijn iets verricht, dat, naar hun bekrompen<br />

oordeel, en uit gebrek aan inzicht in<br />

de wet der vrijheid, ongeoorloofd, zondig, en<br />

met de leer van Jezus ftrijdig is; ja, hen verleidt,<br />

om zijn voorbeeld te volgen. Immers,<br />

op die wijze, zondigt de zwakke inderdaad,<br />

om dat hij, volgens zijne overtuiging, zondigt:<br />

hij leert zondigen en de wroeging des<br />

' ge-


ioo III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

gewetens fmooren : zijne eenvoudigheid doet<br />

hem de gewaande kristelijke vrijheid ook tot<br />

losbandigheid uitftrekken; en, in weinig tijds,<br />

wordt hij van een naauwgezet kristen een gewetenloos<br />

booswigt. De plicht der. kristelijke<br />

liefde vordert, hem voorzigtig en befcheiden<br />

van zijne doolïng te overtuigen, of,<br />

is' dit niet wel doenlijk, in zijn bijzijn, zich<br />

van geoorloofde dingen, die hem zouden kunnen<br />

ergeren, te. onthouden, fchoon zulks ons<br />

eenige zelfsverloochening mogt kosten.<br />

Onder den dekmantel van zorg voor het zedelijk<br />

heil der naasten, verfchuilen niet zelden vit-,<br />

en bedilzucht, huichelarij en geestlijke hoogmoed.<br />

Hoe zeer de leer van Jezus dan ook<br />

de zorg voor het zedelijk heil van anderen<br />

aanprijze, kent zij aan zodanige bemoeijingen<br />

geene waarde toe, indien zij niet aan oprechte<br />

menfchenliefde haar oorfprong eeniglijk verfchuldigt<br />

zijn integendeel, zij veroordeelt dezelven,<br />

als zondig, indien zij uit liefdeloos en ligtvaardig<br />

oordeelen voortkomen, kleinigheden tot<br />

haar voorwerp (lellen, en van zodanigen aangewend<br />

worden, die, in het zedelijke nog kranker<br />

zijn, dan zij, welken zij willen genezen.<br />

Uit de algemeene' voorfchriften voor ons gedrag<br />

jegens alle menfchen, kunnen de bijzondere<br />

plichten van ieder mensch, in zijne bijzondere<br />

betrekkingen, gemaklijk afgeleid worden.<br />

Wij achten het derhalven onnoodig de<br />

be-


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 19 J.<br />

beveelen van Jezus, of zijne Apostelen, dezen<br />

betreffende, aantevoeren; zij behooren wel tot<br />

het wezen van het kristendom, maar alleen in<br />

zo verr' zij in de algemeene voorfchriften liggen<br />

opgefloten, of regtftreeksch uit dezelven<br />

voortvloeijen. Nog minder is dit nodig, daar<br />

ons plan geenzins is, eene volleedige zedekunde<br />

voortedraagen.<br />

Wij zouden ten dezen aanzien, deze afdeeling<br />

kunnen befluiten, zo niet nog een onderwerp,<br />

welk de zedeleer van Jezus, bijzonder<br />

kenmerkt, zich onzer befchouvving aanboodt,<br />

naamlijk; haare verordeningen en bepaalingeu<br />

omtrent het huwelijk, welken hetzelve zijne, van<br />

God verordende, beftemming volkomen doen<br />

bereiken, alle onkuischheid verbannen, en deweldaadige<br />

drift der natuur tot ,de verhevenfte<br />

einden beftuuren en geleiden. Deze ver­<br />

ordeningen bepaalen de echtelijke vereeniging<br />

flegts tusfchen twee perfoonen van beiderleie<br />

kunne (de trappen van bloedverwandfchap waren<br />

reeds door de wet van Mozes bepaald),<br />

welke band niet mag verbroken worden, dan<br />

ter zake van overfpel de eigenlijke fchending<br />

der voorwaarden , waarop het verdrag<br />

wordt aangegaan. • De zedeleer van Jezus,<br />

ftaat dan regtftreeksch tegen over de Joodfche<br />

echtfcheidingen en de Heidenfche veelwijverij;<br />

herftelt de natuur In haare regten; en voorkomt<br />

de onregtvaardigheden, waaraan men,.<br />

door


192 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

door beide omtrent de eene of andere kunne,<br />

altijd zich fchuldig maakt.<br />

Om van de wezenlijkheid dezer leeringen<br />

overtuigd te x worden, hebbe men alleen zijne<br />

opmerkzaamheid op de kenmerken, die in derzelver<br />

inhoud te vinden zijn, te vestigen. •<br />

Die der voordragt vallen van zeiven in het oog.<br />

Wat derzelver algemeenheid betreft, niemand<br />

heeft immer, getwijfeld of zij wel voor, en tot<br />

alle menfchen gefchikt zijn. Men heeft ten<br />

dezen aanzien, wel eens bedenkingen geopperd<br />

tegens de beveelen, de vijandenliefde<br />

betreffende, en de verordeningen omtrent het<br />

huwelijk, en dezen befchouwd als niet gefchikt<br />

voor menfchen , van allerlei temperamenten.<br />

Dan, de zodanigen fchijnen niet opgemerkt te<br />

hebben, dat het oosten het kristendom heeft<br />

zien geboren worden en den hoogden top van<br />

bloei en luister bereiken. En wien is het<br />

wraakgierig en wellustig karakter van den heetbloedigen<br />

oosterling onbekend? Allernauwst is<br />

de zamenhang en overeenftemming dezer leeringen<br />

met eikanderen, met de plichten jegens<br />

God, en zij vloeijen regtftreeksch voort uit de<br />

voorgeftelde geloofsleer. Koester zodanig eene<br />

menfchenliefde, als Jezus predikt, in uw hart,<br />

en alle de volgende plichten, zelfs de liefde<br />

tot vijanden, zullen u zo gemaklijk, zo natuurlijk<br />

worden, dat gij, zonder aanwijzing, dezelven


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 193<br />

ven zoudt volbrengen. Ook, zo u de laatften<br />

bijna onmogelijk; zijn, is het een bewijs, dat<br />

uwe menfchenliefde kwalijk gefteld is. J a<br />

iedere fchending der verordening omtrent het<br />

huwelijk, is eene fchending van de regtvaardigheid<br />

omtrent anderen: men verongelijkt of<br />

een man, of eene vrouw: en hoe zou dit met<br />

menfchenliefde beftaanbaar zijn ! Menfchenliefde<br />

is zo naauw met de liefde tot God<br />

verbonden (welke plicht alle de overige plichten<br />

der Godzaligheid influit) dat geen van beiden<br />

op haar zeiven beftaan kan; „ die zegt<br />

„ God lief te hebben en zijn broeder haat is<br />

„ een logenaar: ieder, die liefheeft den ge-<br />

„ nen, die geboren heeft, heeft ook lief den<br />

„ genen, die uit hem geboren is. Hier aan<br />

„ weten wij dan, dat wij de kinderen Gods lief<br />

„ hebben, wanneer wij God lief hebben." Menfchenliefde<br />

is dan eene natuurlijke vrucht en<br />

een echt kenmerk der liefde tot God. Befchouwen<br />

wij de geloofsleer, zij ftelt.ons niets<br />

anders voor, dan de liefde van God en Kristus<br />

tot alle menfchen, en geeft ons hierin een voorbeeld,<br />

hoe wij eikanderen moeten beminnen.<br />

Alle de Goddelijke volmaaktheden en werken<br />

bedoelen alleen den mensch gelukkig te maken;<br />

Gods voorzienigheid bezigt werktuigen, om di't<br />

geluk te voltcoijen; en wie zijn dezen, dan<br />

wij menfchen? God werkt middelijk, of door<br />

de middelen, op onze ziel; en wie verfchaffen<br />

N deze


194 UI. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

deze middelen, dan wij, menfchen? Met één<br />

woord, zonder menfchenliefde, zonder wederkeerige<br />

pogingen tot bevordering van elkanders<br />

ligchaamlijk en geestlijk welzijn , zou de geloofsleer<br />

wegens God een raadzel worden.<br />

Verder; wij weten dat Jezus, zich niet gefchaamd<br />

heeft, om den geringften mensch broeder<br />

te noemenja, voor hem te fterven; dat<br />

God zich verwaardigt, om hem ten Vader te<br />

verftrekken; dat de, door Jezus verworven vergeving<br />

bij God niet verkregen kan worden,<br />

zonder menfchenliefde; en dat Jezus de weldaaden,<br />

aan den geringften zijner broederen,<br />

als hem zeiven gefchied, wil aanmerken en beloonen.<br />

Voeg dit alles bijeen; en kan er dan<br />

op zodanig een geloofsleer wel eene andere zedeleer<br />

gebouwd worden ? De gefchiktheid<br />

dezer plichten, om den mensch te volmaaken<br />

en het verhevenst geluk te doen ondervinden<br />

behoeft nauwlijks betoog. Wij menfchen, zo<br />

als wij zijn, zijn geheel en al aangelegd tot zodanig<br />

een liefde. Onze medemenfchen te beminnen<br />

is, onze natuur te volmaaken. Wie<br />

gevoelt niet de drift der perfoonlijke liefde, de<br />

zucht des medelijdens, den trek tot gezelligheid<br />

de neiging om te helpen en zijne kundigheden<br />

medetedeelen? Dat men menfchen eikanderen<br />

ziet haaten en vermoorden, bewijst niets meer,<br />

dan c'c verkeerde regeling van deze en andere<br />

driften. Een volftrekt menfchenhaater is, onder


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 1 $ 5<br />

der verftandige wezens een misgeboorte, een<br />

zeer zeldzaam wanfchepzel. Heb dan alle uwe<br />

•medemenfchen lief, en gij zult uwe natuur vol­<br />

maaken volmaak uwe natuur, en zij zal<br />

u leeren, allen te beminnen. Maar boven<br />

alles is menfchenliefde en haare beöeffening<br />

^ weg tot waar geluk. Haat, gierigheid, gevoelloosheid,<br />

gemelijkheid, wraaklust — alle<br />

deze en dergelijke ongezellige driften zijn dwingelanden,<br />

die nimmer moede zijn ons te pijnigen,<br />

ons als flaaven voortzweepen, die ons<br />

doen zwoegen, en nacht noch dag rust vergunnen.<br />

Te beminnen is de ftreelendfte aandoening,<br />

weltedoen de aangenaamfte bezigheid, voor,<br />

den gevoeligen mensch. Menfchenliefde laat<br />

geen dienst onvergolden, maar beloont hare aanleveren,<br />

met de zoetfte genoegens. D e<br />

verordeningen der kristelijke zedeleer, omtrent<br />

het huwelijk, zijn éven eigenaartig gefchikt,<br />

om deugd en waar geluk onder de menfchen te<br />

verfpreiden. Waar heerfchen vuuriger liefde,<br />

onkreukbaarer trouw, onveranderlijker eensgezmdheid,<br />

behendiger vrede, dan in een echt<br />

volgens de wetten van het kristendom, aangegaan?<br />

Waar worden de kinderen tot nutte leden<br />

der maatfchappij, tot burgers des hemel,<br />

opgevoed, dan bij de belijderen der leer van<br />

Jezus? De veelwijverij fchenkt geene dan dierlijke<br />

genoegens, en ftraft hare voorftanders met<br />

walgmg en fmarten. Zij bevolkt den ftaat mer<br />

N 2<br />

^ - . nut-


196 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

nutlooze, dikwijls fchadelijke, leden. De zaligheden<br />

der echtlijke liefde zijn alleen voor<br />

hem bewaard, die dezelven onverdeeld op een<br />

voorwerp plaatst; zij groeijen bij het klimmen<br />

zijner jaaren, zij vermeenigvuldigen door de befchouwing<br />

harer dierbaare panden, die de deugden<br />

der ouderen voortplanten; zij zullen zelfs<br />

in de eeuwigheid niet verwelken, wanneer haar<br />

oorfprong tot de hoogde zuiverheid gebragt zal<br />

worden. Behoef ik na dit alles nog wel<br />

aantemerken, dat alle de leeringen dezer Afd.<br />

tot het wezen van het kristendom behooren?<br />

A F D E E L I N G IV.<br />

PLICHTFN OMTRENT ONS ZELVE N.<br />

De natuur van het kristendom (trekt, om den<br />

mensch te volmaaken: even hetzelfde is de groote<br />

bedoeling van alle pogingen van Jezus en van<br />

zijne Apostelen. Dit, weet gij reeds uit het<br />

voorgaande, is de Helling, die ik, volgens de<br />

uitfpraaken van Jezus en zijne Apostelen, door<br />

dit gantfche gefchrift , tot een voornaamen<br />

grondflag gelegd heb. Van deze Afd. zal het<br />

inzonderheid afhangen, van hare waarheid overtuigd<br />

te worden. De plichten der zedeleer van<br />

1 Jezus, omtrent ons zeiven, moeten vooral beilisfchen,<br />

of zij gefchikt zijn, om den mensch<br />

te


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 197<br />

te volmaaken. Ik onderfcheide dezelven in zodanigen,<br />

die onze ziel, ons ligchaam, en onze<br />

bezittingen betreffen.<br />

§. 1.<br />

D E Z I E L . ' .<br />

Zelfsverbetering.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XXV. 30. „ En den<br />

* onnutten dienstknegt werpt uit in de buiten- * Onwaardige,<br />

duisternisfe." 8 en<br />

> l u i ê n<br />

'<br />

VI. 20, 22. „ Vergadert<br />

u fchatten in den hemel f de kaars des f De kaars<br />

d e r z i e l<br />

ligckaams is het oog: indien uw oog ** eeni<br />

s h e t<br />

voudig is, z al uw geheel ligchaam verlicht we- Zt"maate<br />

zen<br />

-" dit opklaard<br />

• LUCAS Evang. XW. 24. „ Strijdt om integaan<br />

m de enge poort." . uwedaaden<br />

JOANNES Evang. VI. 27. „ Werkt niet, om VJ"ó„ Èed .<br />

de fpijze, die vergaat, maar die blijft in het ecu- lijk" 0lfeil. g<br />

'<br />

wige leven." baar.<br />

N 3 De


IOS III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

De Apostels.<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Phil. III. 12, 17. ,, Niet dat ik<br />

het reeds gekregen heb, of reeds volmaakt ben;<br />

maar ik jaag er na, of ik het ook grijpen mogt,<br />

waartoe ik van Kristus Jezus ook gegrepen<br />

ben zijt mijne navolgers broeders."<br />

(Matth. V. 6. Rom. XII. 2. Hand. XXVI.<br />

18, 20. Luc. XI. 35O<br />

Zelfbeftuuring.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. V. 8. „ Zalig zijn de<br />

reinen van hart: want zij zullen God zien."<br />

• - V. 29. ,, Indien uw reg-<br />

ter oog u ergert, trekt het uit: want het is<br />

u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw<br />

geheel ligchaam in de helle worde geworpen."<br />

• XV. 19, 20. „ Uit het<br />

hart komen voort booze bedenkingen, doodfla-<br />

gen, overfpelen, hoererijen, dieverijen, valfche<br />

getugenisfen, lasteringen: deze dingen zijn het,<br />

die den mensch verontreinigen."<br />

XVI. 24. ,, Zo iemand<br />

agter mij wil komen, die verloochene zich zei­<br />

ven."<br />

Ds


III. HOOFDST. 'DE ZEDELEER. 199<br />

De Apostels.<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Gal. V. 16. „ Wandelt door<br />

den * geest, en volbrengt de begeerlijkheden * De verklaades<br />

f vleesch niet." ring van geest<br />

vind men<br />

vs. 22.<br />

P E T R U S . t Wat vleesch<br />

zij 3 zie vs. 19.<br />

Eerfte Br. II. n. „ Geliefden! ik vermaane<br />

u, dat gij u onthoudt van de vleeschlijke<br />

begeerlijkheden, welken krijg voeren tegen de<br />

ziel."<br />

(Mare. X. 21. Luc. IX. 62. Eph. IV. 26.<br />

Matth. V. 28. 1 Joan. III. 15. üfo//. III. 5.<br />

^tfc 1. doorg.)<br />

Nederigheid.<br />

1 J E Z U S .<br />

MATTHEUS .Evawg. XVIII. 4. „Zo wie zig<br />

zeiven zal vernederen, gelijk dit kind; deze<br />

is de meeste in 't koningrijk der hemelen."<br />

V<br />

- 3- „ Zalig zijn ** de ** Neder/gen.<br />

armen van geest; want hunner is het koningrijk<br />

der hemelen."<br />

LUCAS Evang. XVIII. 14. „ Ik zegge u,<br />

deze (de Tollenaar) ging af meer geregtvaar-<br />

N4 digd,


aoo III. HOOFDST. ' DE ZEDELEER.<br />

digd, dan gene (de Pharizeeuw) want een ieder,<br />

die zich zeiven verhoogt, zal vernederd<br />

worden, en die zich zeiven vernedert zal verhoogd<br />

worden."<br />

De Apostels.<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Rom. XII. 3. „ Dat hij niet<br />

Wijs zij boven het geen men behoort wijs te<br />

Nederigheid, zijn, maar dat hij wijs zij, tot * maatigheid,<br />

Gelijk als God een ieder de maate des geloofs<br />

gedeeld heeft."<br />

Br. aan de Phil. JL 3. „ Doet geen ding<br />

door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid<br />

achte de een den ander uitnemender,<br />

dan zich zei ven.<br />

J A c o B u s.<br />

Br. IV. 6. „ God wederftaat den hovaardigen,<br />

maar den nederigen geeft hij genade."<br />

(Zie Rom. XII. 16. Eph. IV. 1. Jac. IV.<br />

10.)


III. HOOFDST. DF, ZEDELEER. aoi<br />

i k<br />

HET LIGCHAAM.<br />

KuischheHd en Maatigheid.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Rom. XIII. 13, 14. J 5 Laat ons<br />

als in den dag, eerlijk wandelen: niet in brasferijen<br />

en dronkenfchappen, niet in flaapkame-<br />

ren en ontuchtigheden; maar doet aan den<br />

Heere Jezus Kristus, en'verzorgt het vleesch<br />

niet door begeerlijkheden."<br />

Eerjle Br. aan de Thesf. IV. 3. „ Want<br />

dit is de wil van God, uwe heiligmaking, dat<br />

gij U onthoudt van de hoererij."<br />

(1 Kor. VI. 13. env. 1 Tim. IV. 4,5. 1 Thesf.<br />

IV. 4, 7, 8. Eph. V. 5. Luc. XXI. 34.)<br />

• $• 3-<br />

DE UITTERLIJKE OMSTANDIGHEDEN.<br />

Regte waardeering van de aardfche goederen.<br />

J E Z U S .<br />

LUCAS Evang. XII. 15. „ Wacht u van de<br />

gierigheid, want het is niet in den overvloed<br />

N 5 ge-


co2 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

gelegen, dat iemand leeft uit zijne goederen."<br />

MATTHEUS Evang. VI. 34. „ Zijt niet bezorgt<br />

tegen den morgen: de morgen zal voor<br />

het zijne zorgen."<br />

. VI. 19. „ Vergadert u<br />

geen fchatten op de aarde, die de mot en roest<br />

verderven, en daar de dieven doorgraven en<br />

ftelen."<br />

XVI. 26. „ Wat baat<br />

het een mensch, dat hij de geheele waereld<br />

wint, en lijdt fchade zijner ziele!"<br />

De 'Apostels.<br />

P A u L u s.<br />

Eerfte Br. aan . Tim. VI 10. „ De gierigheid<br />

is een wortel van alle kwaad."<br />

(1 Tim. VI. 16-19- 1 Joan. II. 15. Jac.<br />

VI. 4.)<br />

Vergenoegdheid.<br />

P A U L U S.<br />

Br. aan de Hebr. XIII. 5. „ Zijt vergenoegd<br />

met het tegenwoordige."<br />

Eerfte Br. aan Tim. VI. 8. „ Als wij voedzel


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 203<br />

zei en dekzel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd<br />

zijn."<br />

(Luc. XII. 15.)<br />

Werkzaame zorg voor het noodige.<br />

P A u L u s.<br />

Tweede Br. aan de Thesf. III. 12. „ Wij<br />

bevelen en vermaanen, door onzen Heer Jezus<br />

Kristus, dat zij met ffilheid werkende hun eigen<br />

brood eten."<br />

Eerjle Br. aan Tim. V. 8. „ Doch zo iemand<br />

de zijnen en voornaamlijk zijne huisgenooten<br />

niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend,<br />

en is erger dan een ongeloovige."<br />

(Zie Eph. IV. 28. Matth. VI. n.)<br />

De zelfverbetering moet men als een hoofdplicht<br />

van het kristendom befchouwen, zelfs<br />

voor hen, die in allen opzichten den naam van<br />

kristenen verdienen. Allen, de besten niet uitgezonderd,<br />

ftruikelen toch'in veelen. Dat<br />

zij inzonderheid de plicht is van hen, die zich<br />

in grove buitenfporigheden hebben toegegeven,<br />

blijkt van zelve. Uit de verfchillende wijzen<br />

waarop zij wordt voorgedragen, kan men<br />

gemaklijk opmaaken, dat hierin haare natuur is<br />

begreepen; naamlijk, dat wij onze uitterfte pogingen<br />

aanwenden, om die vermogens, welken<br />

God


ao4 III. HOOFDST. DE ZEDELEER..<br />

God ons heeft gefchonken, en die neigingen,<br />

welken hij in onze natuur gelegd heeft, door<br />

oefening, vlijtigen arbeid, en een aanhoudend<br />

plichtmaatig gebruik, te befchaaven, te vermeerdereu,<br />

te verfterken en uittebreiden. Die<br />

vermogens en goede gezindheden zijn de talenten<br />

, die wij op woeker moeten uitzetten: de<br />

fchatten, die wij zelfs na den dood nog behouden.<br />

Om die te verkrijgen, moeten wij geftadig<br />

ftrijden; om die fpijs moeten wij boven<br />

alles werken, het uitterfte doel onzer pogingin<br />

moet de hoogstmogelijke volmaking onzer<br />

natuur zijn, zo lang wij dit nog niet bereikt<br />

hebben, mogen wij noch rusten noch verflappen.<br />

Met één woord; hierom moeten vrij arbeiden,<br />

zo lang wij ademhalen. Die de hoop<br />

wil behouden van eenmaal Jezus te zien, gelijk<br />

hij is, reinige zich zeiven, gelijk hij rein is.<br />

Eene zuster der zelfverbetering is de zelfbe-<br />

Jluuring; beoogt de eerfte de verbetering van<br />

het goede, de laatfte bedoelt de uitroeijing van<br />

het kwade. Om dit einde te bereiken, moet<br />

gij, mijn vriend! uw driften regeeren. De leer<br />

van Jezus fielt het hart, de zetel van alle drifi<br />

ten, voor, als de rijke bron van alle heillooze<br />

befluiten en daaden; ja, zij gaat verder; zij<br />

verklaart het koesteren der zondige drift even<br />

zondig, als het verrichten der zondige daad:<br />

„ die eene vrouw aanziet, om haar te begee-<br />

„ ren is een overfpeeler: die zijn broeder haat<br />

„ is


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 205<br />

„ is een doodflager." En ten aanzien der zedelijkheid<br />

, of het ftrafverdienende, is het voornemen<br />

even ftrafbaar als de volvoering. Het<br />

hart te zuiveren is dan de grootfte zaak. Gij<br />

•moet alle de wanordenlijke driften en begeerten<br />

beltrijden, beteugelen, onderdrukken, en<br />

tot deugdrijke drijfveeren zuiveren. Zelfs onzondige<br />

en onverfchillige genietingen of verrichtingen,<br />

hoe fterk gij ook aan dezelve verkleefd<br />

moogt zijn, moet gij geheel verzaaken,<br />

zo rasch gij voorziet, dat zij middelen zouden<br />

kunnen worden, om, eene halfgefmoorde zondige<br />

drift weder in vollen gloed te ontfteeken;<br />

dit is de geestlijke flrijd tegen het vleesch: wel<br />

hem, die de verzoekingen verdraagt en volhardt:<br />

hij zal de kroon der overwinning wegdraagen,<br />

die God bereid heeft den genen die<br />

hem lief hebben! Die Jezus leerling wil worden<br />

, moet zich zeiven verloochenen, het dierbaarfte<br />

niet te groot achten, om het geheel te<br />

verzaaken, en nimmer achter zich omzien, naar<br />

het geen hij verlaaten heeft.<br />

Na het koesteren van zondige driften en hebbelijkheden<br />

, is eigenwaan de grootlle hinderpaal<br />

om in geloof en deugd eenige vorderingen te<br />

maaken. Zij vormt de hardnekkigfte ongeloovigen<br />

en de onverbeterlijkfte dwaazen. Hierom<br />

dringt de leer van Jezus zo fterk op nederigheid<br />

aan, en vat deze eigenfchap in hare grootfte<br />

uitgeftrektheid. Hare grondflagcn zijn eene<br />

reg-


2o6 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

regte kennis en juiste waardeering van zich zeiven.<br />

Zij leert den mensch, in de wijsheid en<br />

goedheid van zijn Maaker berusten, en zig aan<br />

zijne fchikkingen onderwerpen, zijne openbaaringen<br />

geloovig aanneemen en tot de bedoelde<br />

einden bezigen; hoe veel onbegrijplijks in dit<br />

alles hem moge voorkomen. Zij leert hem de<br />

meerderheid van waare verdienften erkennen,<br />

en, vrij van wangunst, zich over derzelver vergelding<br />

verheugen; al waren het ook de verdienflen<br />

van een vijand. Zij leert hem wel het<br />

goede in zich zeiven kennen, maar, ver van<br />

zich hierop te verheffen, God, den oorfprong<br />

van allen goed, te danken; maar boven alles<br />

leert zij hem, bij al het goede, ook tevens het<br />

gebrekige optemerken, en fpoort hem onophoudelijk<br />

aan, om het te verbeteren. Zij maakt<br />

hem den kinderen gelijk, in welke nederigheid<br />

de natuurlijkfte deugd is. De nederigheid, die<br />

Jezus ons predikt, is het grootfte fieraad der<br />

deugd, dewijl zij dezelve van alle bedoelingen<br />

om toejuiching te verwerven, zuivert, en haar<br />

uit de-edelfte beginzelen doet voortfpruiten,<br />

en tevens vernietigt zij alles, wat haar groei en<br />

waschdom zou kunnen verhinderen.<br />

Zeer kenmerkend en niet minder krachtdaadig<br />

zijn de drangredenen, waardoor de leer<br />

van Jezus ons van alles, wat ons ligchaam zou<br />

kunnen bezoedelen, poogt aftefchrikken; en onder<br />

dezen, telt zij voornaamlijk de onkuischheid;


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 207<br />

heid; zij behoefde ook zulke werkzame middelen<br />

, om haar verordening omtrent het huwelijk<br />

te onderfteunen, voor menfchen, die aan<br />

de veelwijverij gewoon waren. Zij ftelt.dan<br />

de onkuischheid voor, als eene zonde tegen het<br />

ligchaam, en eene verontheiliging van hetzelve<br />

En, om het ftrafbaare hiervan Je doen<br />

gevoelen, vertoont zij het menschlijke ligchaam<br />

als een tempel van Gods geest, dien hij zich<br />

ter vroonplaats heeft verkoren, en als een lid<br />

van het geestlijke ligchaam, waarvan Kristus<br />

het hoofd is. Door hoererij fchandvlekken en<br />

verontreinigen wij dien tempel; wij nemen een<br />

lid van Kristus en maaken het een lid der hoere.<br />

Hierbij voegt zij nog, dat ieder deelgenoot<br />

der voorregten van den dood van Jezus een eigendom<br />

is geworden van hem, die hem met<br />

zijn bloed gekogt heeft: en dus geen macht<br />

meer over zich zeiven , of zijn ligchaam heeft. —<br />

En of dit alles nog niet genoeg ware , verklaart<br />

zij uitdrukkelijk, dat geen onkuifche of<br />

onmaatige deel heeft in 't koningrijk der hemelen.<br />

Ten aanzien' der aardfche goederen , overtreft<br />

de leer van Jezus alle voorfchriften der<br />

verlichtfte wijsbegeerte. Zij vertoont dezelven<br />

als verganglijk, onbeftendig, als niet gefchikt,<br />

om ons gelukkig te maaken. Zij verbiedt ons<br />

alle angftige zorgen, die dezelven ten voorwerp<br />

hebben; om dat zij zo veel aandacht niet verdie-


2o8 III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

dienen; om dat wij door zorgen en bekommeringen<br />

onzen ftaat niet kunnen verbeteren, om<br />

dat God, die onze waare behoefte kent, van<br />

zelve gereed is, om in dezelve te voorzien:<br />

en inzonderheid, om dat de zorgen ons hart<br />

van God aftrekken, en onzen voortgang in het<br />

goede aanmerkelijk verhinderen. Zij verklaart<br />

rondüit, dat die de waereld dient en lief heeft<br />

(zodanigen zijn gierigaarts, wellustige en geheel<br />

zinnelijke menfchen) God niet kan dienen en<br />

lief hebben : en dat de zorgvuldigheid der waereld<br />

en de verleiding des rijkdoms, de zaaden,<br />

die zij in het hart ftrooit, verflikken. Na<br />

ons de regte waarde van het aardfche, en het<br />

overtreffende der zorg voor gewigtiger belangen<br />

getoond te hebben, prijst zij ons de vergenoegdheid<br />

ten fterkflen aan, waardoor wij<br />

dankbaar en te vreden met den ftaat, waarin<br />

God ons gefield heeft, onze begeerten alleen<br />

tot het nodige bepaalen, en noch de gevaren<br />

van aardfche hoogheid, noch de verleidingen<br />

van rijkdom en weelde najaagen. Men<br />

waane nochthans niet, dat de leer van Jezus<br />

werkloosheid predike. Integendeel, zij gebiedt<br />

ons wel uitdruklijk onze krachten en vermogens<br />

intefpannen, om voor ons en de onzen<br />

het nodig onderhoud te -verkrijgen , ja is het<br />

mooglijk, ons in ftaat te Hellen, om tot de vervulling<br />

der nooden van behoeftigen medetedee-<br />

len. Jezus zelf leert ons bidden; ,, ons<br />

„ da-


in. HOOFDST. DE ZEDELÈERJ<br />

n dagelijks brood geef ons heden." Zo<br />

ver is zij af, om luiheid, verkwisting, of on*<br />

achtzaamheid te begunftigen.<br />

Ten betoogej dat de voorgeftelde plichten,<br />

tot het wezen van het kristendom behooren,<br />

acht ik het genoeg, derzelver overeenftemming,<br />

met eikanderen en de geheele leer van Jezus,<br />

en tevens met de groote bedoeling der laatfte<br />

kortlijk aantewijzen: alzo de overige kenmerken<br />

van zeiven in het oog vallen. Alle de<br />

plichten omtrent ons zeiven loopen op dit eene<br />

punt uit, de volmaaking onzer natuur. Allen<br />

zijn zij juist gefchikt; allen behoeven wij tot<br />

dit einde. Verwaarloos een van dezelve, en<br />

dit zal u min of meer regtftreeksch van uw<br />

groot doel doen verwijderen. • Verwaarloos<br />

een van dezelve en zie ook of gij aan uwe<br />

plichten omtrent God en uwe medemenfchen<br />

volkomen kunt beiindwoorden; betracht dezelve<br />

naauwkeurig, en zij zullen u opleiden, in<br />

ftaat ftellen, ja dringen om u van de laatften te<br />

kwijten: hij wiens hart de zetel van alle deugdlievende<br />

neigingen is, die zijne hartstochten<br />

regelt en beftuurt 4 zijne eigen waarde en die<br />

van alles, wat hem omringt, naauwkeurig kent;<br />

hij alleen kan God, met zijn geheel hart, en<br />

zijne naasten als zig zeiven lief hebben. ,<br />

Daar wij bij iedere geloofsleering, haar invloed<br />

op onze zedelijke volmaaking betoogd hebben ><br />

9 er»


2.io III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

en de voorgeftelde plichten in even denzelfden<br />

kring zamenloopen, zou het eene noodelooze<br />

herhaling zijn, de overeenftemming van dezen<br />

met genen aantewijzen. En dit geldt nog fterker<br />

op een der hoofdbedoelingen van het kristendom<br />

, die van 's menfchen zedelijke volmaaktheid<br />

te bevorderen.<br />

Meer bedenking zal het ontmoeten, als ik<br />

verzeker , dat 'deze plichten ook de andere<br />

hoofdbedoeling, ons waar geluk bevorderen,<br />

althans bij hen, die. in de voldoening van ongetemde<br />

driften al hun heil zoeken. 'Wij verfchillen<br />

echter alleen in de denkbeelden van geluk<br />

; het lust mij thans niet, in een onderzoek<br />

te treeden, wie van ons het naast bij de waarheid<br />

komt. Genoeg, gij zult niet ontkennen,<br />

dat de zelfsvolmaaking de eenige weg is tot dat<br />

geluk, welk ik verkies, en reeds in het voorgaande<br />

als het waar geluk van den mensch heb<br />

voorgefteld. Zij bewaart en vermeerdert onze<br />

gezondheid; zij vervult ons met eene beftendige<br />

blijmoedigheid; zij ftaat ons het genot van<br />

het zinnelijke toe, maar in die maate, dat wij<br />

al het zoet hiervan trekkende, voor walging of<br />

naberouw beveiligd blijven; zij verbant alle<br />

vrees, angst, kommer en verdriet uit ons hart,<br />

en vervult het met de vrolijkfte vooruitzichten,<br />

met de ftreelendfte gewaarwordingen. Waar<br />

wij gaan, in eenzaamheid of in gezelfchap, in<br />

het


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. zit<br />

het afgezonderde of huislijk leeven; in ledigheid,<br />

of in de waarneeming onzer beroepsbezigheden<br />

, vrede en vergenoegen vergezellen onze<br />

gangen. Boven alles maakt zij ons vatbaar<br />

en gefchikt voor zedelijk geluk, hoedanig wij<br />

na den dood, zekerlijk eeuwig en in de grootfte<br />

volkomenheid zullen fmaaken. Hoe verder<br />

wij in zelfsverbetering vorderen, hoe meer wij<br />

hierin ons goorst genoegen vinden. Dus vormen<br />

wij hier reeds onzen ftnaak voor dat goed,<br />

waarvan wij eens eindeloos bezitters zullen blijven.<br />

De voorfchriften van ons gedrag omtrent<br />

ons zeiven verdienen in gevolge van dit<br />

alles tot het wezen van het kristendom gebragt<br />

te worden.-<br />

A F D E E L I N G V.<br />

DE PLEGTIG HEDEN.<br />

De Doop en het H. Avondmaal.<br />

Niemand zal betwisten, dat een Godlijk afgezant<br />

de magt heeft, om, op last van hem,<br />

die hem gezonden heeft, of uit hoofde van het<br />

ö^g, waanneae ixoa hem hek PPH wr> kere<br />

ftellige geboden te geven, zekere uitwen­<br />

dige iigchaamlijke verrichtingen voortefchrijven,


ais IH. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

die afgezonderd en op zich .zelven befchöuwctj<br />

noch eenig nut aanbrengen, noch eenige zedelijke<br />

waarde in zich zelven bevatten. Zodanige<br />

godsdienftige verrichtingen noemt men plegtigheden.<br />

Niettemin mag men van de wijsheid<br />

van een waar Godsgezant verwagten, dat hij<br />

die plegtigheden tot zulke gewigtige bedoelingen<br />

zal doen (bekken, waardoor zij, hoe<br />

nutloos en onwaardig in zich zelven, een zedelijk<br />

nut kunnen (lichten, en eene zedelijke<br />

waarde verkrijgen. . Van deze macht heeft<br />

Jezus gebruik gemaakt; twee zeer eenvoudige<br />

plegtigheden ingefteld, den Doop en het H.<br />

Avondmaal. Plegtigheden , die in zich<br />

zelven nut, noch waarde hebben; (wat nut<br />

kan de befprenging met eenige druppen waters,<br />

of het gebruik van eene beete broods,<br />

of een dronk wijns het ligchaam aanbrengen;<br />

of welke verdiende is in de enkele handeling<br />

gelegen?) maar, door hare aangeweezene bedoelingen,<br />

eigenaartig gefchikt zijn, om derzelver<br />

waardige betrachters het gewigtigst heil te<br />

verfchalfen. Onderzoeken wij de natuur en de<br />

bedoelingen dezer plegtigheden.<br />

De


in. HOOFDST. DE ZEDELEER. 213<br />

De Doop.<br />

J E Z U S .<br />

MATTHEUS Evang. XXVIII. 19. „ Gaat dan<br />

henen, onderwijst alle de volken, dezelve doopende<br />

* in den naam des Vaders, des Zoons * Of op.<br />

en des Heiligen Geestes."<br />

De Apostels.<br />

P A u L u s.<br />

Br. aan de Rom. VI. 4. „ Wij zijn met<br />

hem begraven door den doop in den dood, op<br />

dat gelijkerwijs Kristus is opgewekt tot heerlijkheid<br />

des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid<br />

des levens wandelen zouden."<br />

P E T R U S .<br />

Eerfte Br. III. 21. „ Waar van het tegenbeeld<br />

, de doop, ons nu Dok behoudt; niet die<br />

een aflegging is der vuiligheid des ligchaams,<br />

maar die eene * vrage is eener goede confcien- * Belofte.<br />

tie f tot God." t A a n %<br />

(Zie Hand. XXII. 16. Ephez. V. 46. Tit.<br />

III. 5. 1 Kor. VI. 11. Gal. III. 27. Koll.<br />

II, 12.)<br />

O 3 Het


ai4 ïH. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

Het Avondmaal.<br />

J E Z U S ,<br />

Eerfte Br. aan de Kor. XI. 13. „ Want ik<br />

heb van deft Heere ontvangen het geen ik u lieden<br />

ook overgegeven heb dat de Heer Jezus in<br />

den nacht, in welken hij verraden werdt het<br />

brood nam; en als hij gedankt had, brak hij<br />

het en zeide; „ neemt, eet, dat is mijn lig-<br />

5, chaam dat voor u gebroken wordt: doet dat<br />

„ tot mijner gedagtenisfe." Desgelijks nam hij<br />

ook den' drinkbeker, na 't eeten des Avondmaals<br />

en zeide; „ deze drinkbeker is het nieu-<br />

„ we Testament in mijn bloed: doet dat zo<br />

,, dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijner<br />

„ gedachtenis."<br />

(Vergel. 'Matth. XXVI. 26-28. Mare. XIV.<br />

22—24. Luc. XXII. 19, 20. Zie verder<br />

1 Kor. XI. 26—29. X. iö, 17.)<br />

De Doop, ziet gij, is een teeken der aanneming<br />

tot'e-ninwijing in het kristendom. Waarom<br />

Jezus juist dit, en geen ander teeken verkozen<br />

heeft, vordert geene-' diepe nafporingen,<br />

fchoon Jezus zich hier over niet verklaard hebbe.<br />

Reeds voor 'de komst -van -Jezus, was de doop<br />

bij Heidenen en Jooden in gebruik, als een teeken<br />

van het verlaten van de eene, en het overgaan tot,<br />

en


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. 215<br />

.en de aanneeming van eene andere godsdienfti-<br />

ge partij: werd een Heiden een Profelijt; hij<br />

ging van het Heidendom tot het Joodendom<br />

over; van dien overgang was de doop een tee­<br />

ken. De betekende zaak, of de zaak door dit<br />

teeken aangeduid, was een geestlijke zuivering;<br />

en deze ftemde zeer wel overeen met het denk­<br />

beeld van den overgang, en der inwijing. Die<br />

van de Heidenfche afgoderij en zedenloosheid<br />

afftand deed, en den Mozaifchen godsdienst<br />

omhelsde, erkende zijne onreinheid, eri de zui­<br />

verheid van den laatfien: van den eenen ftaat<br />

tot den anderen overtegaan, kon niet anders,<br />

dan als eene geestlijke reiniging befchouwd<br />

worden. De Apostels, zien wij, verklaaren<br />

den doop in de leer van Jezus, in even den­<br />

zelfden zin. Zij befchouwen denzelven ais een<br />

afbeeldzel eener geestlijke reiniging. —— Van<br />

den kant des gedoopten,. als eene verplichting,<br />

die hij op zich laadde, om zich zelven van alle<br />

befmettingen der vorige zondige gewoonten te<br />

reinigen. Van den kant van Jezus , op<br />

wiens leer hij gedoopt werd, als eene toezeg­<br />

ging dat hij, op zijn geloof en bekeering, van<br />

de fchuld zijner zonden was afgewasfchen, en<br />

door Gods Geest van de magt der zonde ver­<br />

lost, of van hare fmerten volkomen geheiligd<br />

en gezuiverd zou worden. Niets belet ons dus,<br />

om mede den doop aantemerken, als een af-<br />

0 4 beeld-


aifj III. HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

beeldzel van de reiniging der zondenfmet en<br />

fchuld, aan- de leer van Jezus verfchuldigd, en<br />

van de voorwaarde, de reiniging des harte, waar-<br />

Op wij dit geluk deelachtig worden. Deze zaaken<br />

verbeeldt de doop, en herinnert dezelve<br />

ons op 't levendigst. Ook dan wanneer kinderen<br />

dezelven ontvangen. Men maake alleen<br />

dit onderfcheid, dat, in dit geval, de ouders<br />

voor de gedoopte kinderen veründwoordelijk<br />

zijn, dewijl zij in derzelver naam de verplichting<br />

op zich neemen.<br />

Het H. Avondmaal, als een Godsdienflige<br />

maaltijd befchouwd, is mede een plegtigheid,<br />

niet ongewoon bij hen, die het eerst de leer<br />

van Jezus omhelsden. Echter heeft het met de<br />

Joodfche of Heidenfche offermaaltijden niets gemeen<br />

, dan het gezelfchaplijk eten en drinken,<br />

en de flilzwijgende bekentenis, dat alle<br />

de deelgenooten van don maaltijd ook leeden<br />

van eene huishouding zijn. Deze plegtigheid<br />

bedoelt dan niets anders, dan den dood van<br />

Jezus Kristus, ten beste van het menschdom,<br />

levendig te herdenken. Volgens de eigen verklaaring<br />

van Jezus, is het brood, dat gebroken<br />

en geëten wordt, een af beeldzel van het<br />

ligchaam van Kristus, dat voor het menschdom<br />

is gebroken; en de wijn die ingefchon-?<br />

ken en gedronken wordt, een zinnebeeld van<br />

het bloed van Jezus, dat ter vergeving der zon-<br />

/<br />

d@


III. HOOFDST. DE ZEDELEER. ai 7<br />

de geftort is. Door het eten en drinken ver-<br />

klaaren wij, dat wij deelgenooten zijn van de<br />

voorregten van den dood van Jezus, en gevolg­<br />

lijk ons ook aan de voorwaarden, waarop zij<br />

toegezegd worden, geloof en gehoorzaamheid,<br />

onderwerpen. Het fpreekt van zelve, dat<br />

deze plegtigheid moet gefchieden, met zodanig<br />

eene zielsgefteltenis die de herinnering dezer<br />

gewigtige waarheid, en van de betrekkingen,<br />

waarin wij, door dezelve, tot Jezus ftaan, in<br />

ieder regtgeaart gemoed natuurlijk moet ver­<br />

wekken. Kan men den verzoendood van Jezus<br />

voor ons, bij zulke zinnelijke teekenen herden­<br />

ken, en nog geene dankbaarheid jegens hem<br />

en onzen hemelfchen Vader gevoelen ? Dit ware<br />

de tegenftrijdigheid zelve! (<br />

Ten aanzien der voordragt zullen wij niet<br />

onderzoeken, of deze voorfchriften kenmerken<br />

van wezenlijkheid bezitten: zij vallen van zel­<br />

ven in 't oog. Nog minder behoeven wij ons<br />

optehouden, met het betoog. Dat deze inftel-<br />

lingen, of ftellige geboden, volgens derzelver<br />

inhoud tot het wezen van het kristendom be-<br />

hooren, zij herinneren heiden ons, door zin-><br />

nelijke teekenen, die groote leeringen van het<br />

kristendom, waarop het gantfche gebouw der<br />

kristelijke geloofs- en zedeleer gegrond is, — r -<br />

alleen zou men tegen de algemeenheid deze be­<br />

denking kunnen inbrengen; betreft de onder-<br />

O 5 hou.


si 8 DL HOOFDST. DE ZEDELEER.<br />

houding van den doop en de viering van het<br />

Avondmaal wel de tegenwoordige kristenen?<br />

In 't algemeen kan men aanmerken dat er geen<br />

tijdperk nog geweest is, van de eerfte kristeneeuw<br />

tot de tegenwoordige, waarin eenige gemeente<br />

deze inftellingen heeft nagelaaten, in<br />

het gevoelen, dat derzelver geboden haar niet<br />

betroffen. Maar was de kerk dan onfeilbaar?<br />

Kon zij hierin niet dooien? Dit is mogelijk;<br />

dan, met de Apostels is dit echter zoo niet geleegen.<br />

In deze zaak, boven alles, konden en<br />

moesten zij de waare meening van Jezus weten.<br />

En nu, in hunne gefchriften of gefprekken vinden<br />

wij geen fchijn van bewijs, dat zij den<br />

Doop of het Avondmaal aan eenig tijdperk bepaalen;<br />

maar integendeel de duidelijkfte verklaaringen<br />

, dat deze inftellingen door alle kristenen<br />

moeten waargenomen worden. Wegens<br />

het Avondmaal beveelt Paulus, dat wij den<br />

dood van Kristus moeten verkondigen, tot dat<br />

hij komt: en wegens den Doop; zij erkennen<br />

niemand voor een kristen, zo lang hij denzel-<br />

ven nog niet ontvangen hebbe. Verder;<br />

indien wij ongehouden waren, om deze plegtigheden<br />

waartenemen, zouden wij tevens, door<br />

zulks te beweeren, moeten erkennen, dat de<br />

voorregten van den dood van Jezus voor ons<br />

niet gefchikt zijn. Dan, genomen, dat iemand<br />

zulks eens beleed; hij zou toch niet kunnen<br />

loo-


III. HOOFDST* DE ZEDELEER. 219<br />

loochenen , dat de dood van Jezus , en de<br />

groote waarheid van het kristendom • de vergeving<br />

der zonde, verdienen geftadig :<br />

herdacht<br />

te worden; dat Jezus dé eerfte geweest is, die<br />

ons God als een. vergevend Vader heeft leeren<br />

kennen, en wiens- dood deze waarheid, in een<br />

zékeren zin bevestigd heeft; dat wij, die deze<br />

kennis en zekerheid aan Jezus en deszelfs dood<br />

te danken hebben , eenigermate verplicht zijn<br />

ons dien gröotmoedigen en wèldaadigen'menfchenvriend,<br />

dikwijls te herinneren: en waarom<br />

zouden wij dan aarzelen hiertoe - zinnelijke<br />

teckenen -te bezigen, die onze zwakheid zo<br />

krachtdadig te gemoet komen? -— Denk dit<br />

alles' eens regt door, mijn vriend! en gij zult<br />

niet langer -twijfelen, of deze plegtige inftellingen<br />

ook door alle kristenen van alle tijden en<br />

plaatzen moeten waargenoomen worden.<br />

Gij zult erkennen, dat ook dezen tot het wezen<br />

:<br />

van het kristendom -behooren.<br />

B , E S L U I T.<br />

" Aleer "ik affcheid van u neeme, vrierid der<br />

waarheid! kan ik niet nalaaten u nog op eene<br />

zaak opmerkzaam te maaken. De voortreffelijkheid<br />

van den Godsdienst van Jezus. —<br />

Hoe volkomen is hij aangelegd, om den mensch<br />

zedelijk volmaakter, in alle lotsverwisfelingen<br />

ver-


&*o HL HOOFDST. DE ZEDELEÈR.<br />

vergenoegd , en voor het verhevenst geluk,<br />

welk hij ons in de toekomende eeuw toezegt,<br />

vatbaar te maaken! Deze voordeden fchenkthij<br />

den geringen zo wel als den grooten, den<br />

flaaf zo wel als den koning, den onkundigen<br />

zo wel als den fchrandcren. Verheug u<br />

dan in het bezit van dit dierbaarst gefchenk,<br />

en dank uwen hemelfchen Vader, die u nooit<br />

duidelijker bewijs, en getrouwer pand zijner<br />

liefde had kunnen geven. Maak u zijner<br />

goedheid en ontferming waardig, door een regt<br />

en getrouw gebruik dezer gave; d. i. beöeffen<br />

den Godsdienst van Jezus ter vermeerdering<br />

uwer kundigheden , ter verbetering: van<br />

uw hart, ter bevordering van uw waar geluk.<br />

Bezig dit gefchrift als een handleiding<br />

, om u dien arbeid gemaklijker te maaken.<br />

Hiertoe is het ingericht. Bouw op de<br />

gelegde gronden verder voort; verbeter het gebrekige<br />

dezer proeve; en vul aan, waar gij<br />

gapingen aantreft. Wacht u nogthans van<br />

uwe eigen bijzondere verklaaringen , met de<br />

gevolgen, die gij hieruit afleidt, mede tot het<br />

wezen van het kristendom te brengen; maar<br />

toets alles, wat gij hiertoe wilt betrekken, aan<br />

de opgegeven kenmerken. Denk bij dit alles,<br />

gefladig aan het waarachtig gezegde van den<br />

H. Paulus, waarmede ik, deze mijne verhandeling<br />

zal befluiten:<br />

„ Het


Hl. HOOFDST. DE ZEDELEER. 221<br />

9, Het koningrijk van God, is niet fpijs en<br />

2, drank, maar regtvaardigheid en vrede en<br />

„ blijdfchap door den Heiligen Geest." Rom.<br />

XIV. 17.


D R U K F O U T E N .<br />

SI. 11. Reg. i. v. o. ft. i Kor. VIII. /. i Kor. VIL<br />

- 44. - 9. ft. die zullen /. die niet zullen<br />

- 53- - 7.J?. leefwijze niet mede /.leefwijze mede<br />

_ 55.. - 16. ft. eerftcn vol /. eerften. Vol<br />

- 60. - 7- ft- -o- f' -°-<br />

- 9 en 10.7?. 1, 7. /. 17.<br />

- 64. - i.ft- 15. /• 5-<br />

- 74. - 1. v. ©. ft. denzei ven /. dezelve<br />

- 6, v. o. ft. moeiten /. moeiten zij ook<br />

L z i<br />

5<br />

- 75- " 1-fi- h<br />

'J<br />

- 78. - 3. v. o.y?. „mand."<br />

„ mand'?<br />

Overzien/.<br />

Overzien<br />

- 85. - 3. ft. toeleggen /. toeteleggert<br />

- 92. - 3-fi- 8- I. 5. 1. d.<br />

- 126. - 6. ft. LUCAS /. MATTHEUS<br />

- 144.. - 12. ft. iS. /. 58.<br />

- 161. - 4. v. o.y?. Joan. I. 1 Joan.<br />

-165. - i.ft. 1 Thim. V. 17,18. /. 1 Tim.11.1, 2»<br />

- 169. - 1. v. o.y?. gezindheid /. geringheid<br />

- 173. - 3. ft. heid te /. heid niet te<br />

_ 19. ft. de /. deze<br />

- 180. - 11. ft. XX. /. x. v<br />

- 202. - 18, ft. VI. /. IV.<br />

- 213. - 3. v. o. ft. 46. /. 26»<br />

- 214. - 3./?. 13. /. 23»

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!