03.08.2013 Views

Download - Marius Broos

Download - Marius Broos

Download - Marius Broos

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

GEEN STOOMTRAM in DINTELOORD<br />

Op 9 augustus<br />

1940 staat een<br />

tram van de<br />

RTM in Anna<br />

Jacobapolder te<br />

wachten op reizigers<br />

naar Steenbergen.<br />

Foto<br />

W.D.J. Cramer.<br />

Geen stoomtram<br />

in Dinteloord<br />

<strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong><br />

Totdat in 1923 lokale ondernemers met hun snelle<br />

en comfortabele autobussen het dorp Dinteloord<br />

voorgoed uit zijn isolement verlosten, was<br />

het maar armzalig gesteld met het openbaar vervoer<br />

in deze streek. Toch was Dinteloord niet geheel<br />

onwillig, als het erom ging moderne vervoermiddelen<br />

binnen haar grenzen te halen. Overigens<br />

was de vraag naar openbaar vervoer maar<br />

gering; particuliere omnibusdiensten konden tot<br />

1900 maar nauwelijks het hoofd boven water<br />

houden.<br />

In dit verhaal wordt de vraag beantwoord, waarom<br />

Dinteloord nooit een stoomtram door of langs haar<br />

straten zag rijden. Tussen 1880 en 1914 was dit<br />

immers het middel van openbaar vervoer.<br />

De omnibusdienst Dinteloord – Roosendaal<br />

In 1876 was in West-Brabant het spoorwegnet<br />

voltooid. Dinteloord had geen station of halte gekregen.<br />

De inwoners van het dorp dreigde voorgoed<br />

verstoken te blijven van adequaat openbaar<br />

vervoer. Wilden zij gebruik maken van de trein,<br />

dan zat er voor hen niets anders op dan een rijtuig<br />

te huren om zich daarmee of via Stampersgat<br />

en Oud Gastel naar Roosendaal of via Steenbergen<br />

en Halsteren naar Bergen op Zoom te<br />

1<br />

begeven. Een alternatief was nog de veerdienst<br />

vanaf een aanlegplaats bij het Dintelsas naar<br />

Ooltgensplaat. Hier konden reizigers dan overstappen<br />

op de stoombootdienst tussen Middelburg<br />

en Rotterdam. Het veerrecht op Ooltgensplaat<br />

was sinds 1875 in handen van de gemeente<br />

Dinteloord en werd toen jaarlijks voor vijf gulden<br />

verpacht aan veerman Marinus Pieter Wijgand.<br />

Indien men bereid was in de zeer vroege ochtenduren<br />

naar Steenbergen te lopen, dan kon de<br />

omnibusdienst van J. van de Kar uitkomst bieden.<br />

Sinds 1874 reed hij elke dag een keer op en neer<br />

tussen Steenbergen en Roosendaal. Uit Steenbergen<br />

was het vertrek ‘s morgens om half zeven.<br />

1<br />

Een andere omnibusdienstondernemer, Gerardus<br />

van Sprundel uit Oud Gastel, reed vanaf 1877<br />

dagelijks twee ritten heen en weer tussen Oud<br />

Gastel en Roosendaal. Waarschijnlijk werd er iets<br />

te weinig van zijn vervoermiddel gebruik gemaakt,<br />

want in 1880 onderging de dienstregeling<br />

een inkrimping en een tariefsverlaging. Toch zag<br />

Van Sprundel er nog brood in om zijn omnibusdienst<br />

in 1881 uit te breiden tot een verbinding<br />

tussen Dinteloord (via Stampersgat en Oud Gastel)<br />

en Roosendaal. Het vertrek uit Dinteloord


Affiche, waarbij P.J. van Sliedregt de opening en<br />

de dienstregeling van zijn omnibusdienst aankondigt.<br />

Document uit 1902, collectie Gemeentearchief<br />

Dinteloord.<br />

vond plaats om half zeven ‘s morgens. ‘s Avonds<br />

om zes uur was Van Sprundel weer terug in Dinteloord.<br />

Bij besluit van 21 mei 1882 gaf het Dinteloordse<br />

gemeentebestuur haar goedkeuring aan<br />

Van Sprundel om een omnibus voor acht personen<br />

en een karretje voor vier personen in te zetten.<br />

De dienstregeling kreeg een uitbreiding. Dagelijks<br />

werd nu om 06.30 uur en 12.30 uur vertrokken<br />

en om 11.30 uur en 18.00 uur teruggekeerd.<br />

Maar de dienst draaide uit op een verlies<br />

en werd op 15 oktober 1884 gestaakt. Wel wilde<br />

Van Sprundel de dienst nog in mei 1885 hervatten,<br />

maar dan moest de gemeente Dinteloord<br />

over de brug komen met een jaarlijkse toelage<br />

van 200 gulden. De gemeenteraad beschikte<br />

echter op 17 april 1885 afwijzend met vier tegen<br />

twee stemmen.<br />

Met de ‘Posterijen’ op stap<br />

Tot overmaat van ramp moest in het najaar van<br />

1886 de veerdienst op Ooltgensplaat tijdelijk wor-<br />

2<br />

den gestaakt, zodat de inwoners van Dinteloord<br />

nog verder in een isolement terecht kwamen. Uit<br />

arren moede richtte de gemeenteraad zich op 20<br />

oktober 1886 tot de minister van Waterstaat,<br />

Handel en Nijverheid, onder wiens toezicht ook<br />

het bedrijf van de ‘Nederlandsche Posterijen’ viel.<br />

Tussen Dinteloord, Steenbergen en Roosendaal<br />

werd de post immers vervoerd met een tweewielige<br />

postkar.<br />

Daarnaast was er van Oud Gastel naar Roosendaal<br />

een bodeloop. Als er nu eens tussen Dinteloord<br />

en Roosendaal langs de kortste weg, dus<br />

over Oud Gastel, een postwagen werd ingezet,<br />

die tevens was ingericht voor het vervoer van vier<br />

tot zes personen, dan was Dinteloord uit zijn isolement<br />

verlost en kon de bodeloop tussen Oud<br />

Gastel en Roosendaal vervallen. De particuliere<br />

ondernemingsgeest was immers ‘te weinig ontwikkeld<br />

om een omnibus- of diligencedienst te<br />

ondernemen’, aldus de raad. Dat zij het jaar tevoren<br />

geen cent subsidie aan Van Sprundel wilde<br />

geven, was zij kennelijk al vergeten. Het voorstel<br />

van de raad kon ondanks de warme aanbevelingen<br />

van burgemeester Cornelis van Mensch de<br />

minister niet overtuigen. 2<br />

De raad liet zich echter niet zonder meer uit het<br />

veld slaan door de afwijzende beschikking van de<br />

minister op 17 november 1886. Acht dagen later<br />

was zij genegen om 300 gulden beschikbaar te<br />

stellen als vergoeding voor de meerprijs van de<br />

postwagen. Op 29 december 1886 liet de minister<br />

weten, dat hij bij de aanbesteding van de postdienst<br />

voor een nieuw tijdvak van vier jaar (vanaf<br />

1 juli 1887) gelegenheid zou geven tot het inschrijven<br />

voor het vervoer van post van Dinteloord<br />

over Oud Gastel naar Roosendaal met een<br />

rijtuig, dat tevens geschikt was voor personenvervoer.<br />

Zoals te verwachten was, ketste het voorstel af<br />

op de hoge meerprijs. De minister wilde niet voor<br />

de extra kosten opdraaien, terwijl Dinteloord<br />

slechts 300 gulden kon inbrengen. Bovendien<br />

kwam het gemeentebestuur van Oud en Nieuw<br />

Gastel in het geweer. Zij vreesde namelijk concurrentie<br />

voor de bestaande omnibusdienst op<br />

Roosendaal en zag af van elke medewerking.<br />

Vrachtkarondernemers en beurtvaarders<br />

In het laatste kwart van de negentiende eeuw<br />

voeren vanuit Dinteloord wekelijks twee beurtschippers<br />

naar Rotterdam en één naar Dordrecht.<br />

Zij brachten landbouwproducten naar de grote<br />

stad en kwamen met winkelwaren terug. Tot 1897<br />

reed nog elke zaterdagmiddag een vrachtkar vanuit<br />

Steenbergen op en neer naar Dinteloord. Vanuit<br />

Dinteloord verzorgde een vrachtkarondernemer<br />

al tientallen jaren het vervoer van winkelgoederen<br />

uit Bergen op Zoom en Roosendaal. Hij<br />

reed elke dinsdag en vrijdag (en vanaf 1885 ook<br />

op zaterdag) naar de grote stad. 3


GEEN STOOMTRAM in DINTELOORD<br />

De omnibusdienst Dinteloord – Willemstad<br />

De eerste omnibusdiensten in de jaren tachtig<br />

van de negentiende eeuw waren geen succes<br />

geweest. Veel aanbod van reizigers uit en naar<br />

Dinteloord was er immers niet. In 1889 kwam er<br />

echter een omnibusdienst van Dinteloord naar<br />

Willemstad tot stand. De ritten werden uitgevoerd<br />

door een rijtuigverhuurster (de weduwe van Pieter<br />

Crassart te Dinteloord) en vormden eigenlijk<br />

een aan- en afvoerverbinding voor de stoombootdienst<br />

Willemstad – Rotterdam. Deze was in handen<br />

van rederij THOR (onder directie van Arie<br />

Smit te Slikkerveer). De rederij ondersteunde de<br />

omnibusdienst met een jaarlijkse toelage van 130<br />

gulden. Dagelijks was er een rit heen en terug<br />

met in Dinteloord vertrek om zes uur ‘s morgens<br />

en aankomst om zes uur ‘s avonds.<br />

Slechts enkele dorpelingen in Dinteloord konden<br />

er een eigen paard en rijtuig op na houden of<br />

huren voor een bezoek aan familieleden of kennissen.<br />

Alle anderen moesten ’in ‘t zweet huns<br />

aanschijns vaak uren loopen om aan een behoefte<br />

van hun hart te voldoen’. Tekening, collectie<br />

<strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

De toelage van rederij THOR was echter ‘in verre<br />

na niet voldoende om voortdurend deze dienst te<br />

kunnen waarnemen’, aldus de rijtuigverhuurster<br />

in haar brief van 3 maart 1890 aan de gemeenteraad<br />

van Dinteloord. Aangezien de dienst in het<br />

belang van alle inwoners was, waarvan ‘een<br />

groot deel niet in staat is om een rijtuig te huren<br />

of te voet te gaan’, verzocht zij een toelage van<br />

250 gulden uit de gemeentekas ‘teneinde haar in<br />

staat te stellen dezen dienst op eene nette en<br />

3<br />

degelijke wijze te kunnen voortzetten’. De raad<br />

wees echter met algemene stemmen het verzoek<br />

af. Sommige raadsleden vonden 130 tot 150 gulden<br />

nog wel mogelijk, maar 250 gulden was veel<br />

te veel. Het resultaat was toen, dat de dienst nog<br />

in 1890 werd ingekrompen tot driemaal per week,<br />

namelijk op dinsdag, woensdag en vrijdag. In verband<br />

met de wekelijkse veemarkt in Rotterdam<br />

was het vertrek op dinsdag vervroegd naar half<br />

vier ‘s nachts.<br />

De dienst had echter nog geen florissant bestaan.<br />

In 1892 verviel de slag (een rit heen en een rit<br />

terug) op woensdag. Maar na 1894 werd er dikwijls<br />

weer driemaal per week gereden. Dan vertrok<br />

er ook op maandag om half vier ‘s nachts<br />

een omnibus naar Willemstad. Graanhandelaren<br />

konden dan een bezoek brengen aan de wekelijkse<br />

graanbeurs in Rotterdam. 4<br />

Op 1 mei 1904 was het de beurt aan de Dinteloordse<br />

rijtuigverhuurder Cornelis van Bezooijen<br />

om de omnibusdienst tussen Dinteloord en Willemstad<br />

voort te zetten. Toen werd er uitsluitend<br />

eenmaal op dinsdag en op vrijdag gereden. 5 Een<br />

enkele reis vergde een uur en kostte vijftig cent<br />

per persoon. Het meenemen van handbagage<br />

was vrij.<br />

Overigens had de Dinteloordse rijtuigverhuurder<br />

Pieter Johannis van Sliedregt twee jaar eerder,<br />

namelijk vanaf 1 mei 1902, een driemaal per dag<br />

gaande omnibusdienst opgezet tussen Dinteloord<br />

en Steenbergen. De prijs voor een enkele reis<br />

bedroeg veertig cent.<br />

Een nieuw vervoermiddel<br />

Bij wet van 9 augustus 1878 werden de vrij zware<br />

voorwaarden voor de aanleg van spoorwegen<br />

versoepeld, zodat een nieuw vervoermiddel in de<br />

vorm van een ‘stoomtram’ kon ontstaan. Wanneer<br />

die niet sneller reed dan 15 kilometer per<br />

uur mocht van de bestaande wegen gebruik worden<br />

gemaakt. De aanlegkosten konden dan tot<br />

een minimum beperkt blijven, want de bovenbouw<br />

(rails en dwarsliggers) en het rollend materieel<br />

(locomotieven, rijtuigen en goederenwagens)<br />

hadden immers een vrij lichte constructie.<br />

De stoomtram veroorzaakte een grote ommekeer<br />

in het openbaar vervoer en bracht wellicht ook<br />

uitkomst voor de inwoners van Dinteloord.<br />

De eerste stoomtrams in West-Brabant reden op<br />

28 september 1880 van Breda naar Oosterhout<br />

en op 15 september 1882 van Bergen op Zoom<br />

naar het Tholenseveer. Deze lijnen werden in de<br />

jaren tachtig nog verlengd. Ook Steenbergen<br />

werd al kort na 1880 geconfronteerd met plannen<br />

voor stoomtramwegen.<br />

De ‘Zuid-Nederlandsche’<br />

De oprichting van de Zuid-Nederlandsche Stoomtramweg-Maatschappij<br />

(ZNSM) kent een lange<br />

voorgeschiedenis. Niet minder dan elf plannen-


makers hebben zich voor het aanleggen van<br />

tramwegen in West-Brabant beijverd. Pas Jhr.<br />

D.J.A.A. van Lawick van Pabst van Nijevelt, burgemeester<br />

van Arnhem, kreeg de zaak financieel<br />

rond met geld uit België. De ZNSM ontstond in<br />

1889 te Breda. Het bedrijf was volledig op Belgische<br />

leest geschoeid. Het maatschappelijk kapitaal<br />

van de onderneming bedroeg 650.000 gulden.<br />

De algemene leiding van het bedrijf berustte<br />

bij een Raad van Bestuur. De dagelijkse leiding<br />

was aanvankelijk in handen van secretaris<br />

A.G.W. Gieben. Al in maart 1892 werd Gieben<br />

opgevolgd door een ‘Ingenieur, Chef van Dienst’<br />

in de persoon van F.J.H. van Wessem. Pas later<br />

kwam de benaming ‘administrateur’ in zwang.<br />

Van Wessem bleef tot zijn dood in 1923 de scepter<br />

zwaaien. Zijn opvolger was F.F. Bosscher. De<br />

administrateur vertegenwoordigde de ZNSM naar<br />

buiten toe en onderhield de betrekkingen met de<br />

bestuurlijke instanties.<br />

Het tramwegnet van de ZNSM werd aangelegd in de jaren<br />

1890-1906. Het sluitstuk werd gevormd door de lijn Oud Gastel<br />

– Willemstad (tramstation). Pas in 1926 werd in Willemstad<br />

de haven bereikt (uitsluitend voor goederenvervoer).<br />

Tekening <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

In 1893 had het gehele tramwegnet van de<br />

ZNSM een lengte van ruim 72 kilometer. Acht<br />

locomotieven, 25 rijtuigen en 65 goederenwagens<br />

zorgden voor het reizigersvervoer en het snel in<br />

betekenis toenemende goederenvervoer. Hoewel<br />

het personenvervoer uit sociaal oogpunt van<br />

groot belang was, omdat zelfs kleine gehuchten<br />

werden ontsloten en de mobiliteit van de bevolking<br />

enorm toenam, was voor de ZNSM uit economisch<br />

oogpunt het goederenvervoer van veel<br />

groter belang. 6<br />

4<br />

Een concessie voor de ZNSM<br />

Het merendeel van de tramwegen in West-Brabant<br />

werd aangelegd door de ZNSM. Vanuit Breda<br />

ontstond op 24 juli 1890 een verbinding met<br />

Antwerpen (via Zundert en Wernhout) en op 17<br />

augustus 1890 met Oudenbosch (via Etten en<br />

Hoeven). Op 30 december 1892 werd de verlenging<br />

van de lijn vanuit Oudenbosch tot Steenbergen<br />

via Oud Gastel en Kruisland feestelijk in gebruik<br />

genomen. Vanaf het Gastelsveer begon een<br />

lijn naar Roosendaal. Spoedig hielden de omnibusdiensten<br />

vanuit Steenbergen en Oud Gastel<br />

het voor gezien. Met ingang van 1 mei 1896 ging<br />

ook de postkar tussen Steenbergen en Roosendaal<br />

aan de kant en werd het vervoer van brieven<br />

en poststukken overgenomen door de tram. 7<br />

Toch was de ZNSM niet zo maar voorbij gegaan<br />

aan Dinteloord. Op 15 juni 1891 had de maatschappij<br />

zich in een verzoekschrift aan de Dinteloordse<br />

gemeenteraad uitgesproken voor een<br />

stoomtramweg van Steenbergen naar<br />

Dinteloord in aansluiting op de lijn vanuit<br />

Breda. De gemeenteraad reageerde gunstig<br />

en verleende op 9 juli 1891 met vijf<br />

tegen twee stemmen een concessie voor<br />

de tijd van dertig jaar. 8 De concessie zou<br />

echter vervallen, wanneer de tramweg<br />

niet vóór 1 januari 1893 in exploitatie was<br />

gebracht.<br />

Het raadsbesluit van 9 juli 1891<br />

Er waren breedvoerige discussies aan dit<br />

besluit vooraf gegaan. Vooral het raadslid<br />

Pieter Cornelis Vogelaar toonde zich een<br />

fel tegenstander van een stoomtram in de<br />

gemeente Dinteloord. Niet alleen had hij<br />

gewetensbezwaren tegen het rijden van<br />

de tram op zondag, maar hij vond het vervoermiddel<br />

ook ‘zeer gevaarlijk voor de<br />

gewone met paarden bespannen voertuigen’<br />

en ‘niet in het belang der neringdoenden<br />

in de gemeente’.<br />

Burgemeester Cornelis van Mensch en de<br />

wethouders Dirk Schilperoort en Leendert<br />

Breure trachtten hem te overtuigen van<br />

het tegendeel. Bij het in acht nemen van<br />

enige voorzichtigheid zouden de paarden<br />

vanzelf gewend raken aan de stoomtram.<br />

Een concessie voor een stoomtram betekende<br />

immers ook dat zo’n weg werd verbreed<br />

tot acht meter. Schade voor de neringdoenden<br />

zat er zeker niet in, want overal waar treinen en<br />

trams waren gaan rijden, betekende dat een groei<br />

van de bevolking en hun bedrijvigheid. Het gewetensbezwaar<br />

van Vogelaar werd afgedaan met de<br />

uitspraak, dat ‘het evenmin zondig is des zondags<br />

met de tram naar de kerk te rijden als met<br />

een rijtuig, dat zoowel van het eene als van het<br />

andere misbruik kan worden gemaakt, maar dat<br />

dit geen reden is om het gebruik te weren’.


GEEN STOOMTRAM in DINTELOORD<br />

Het plan van de ZNSM uit 1891 voor een stoomtram tussen<br />

Steenbergen en Dinteloord. Tekening <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

Een brug te ver<br />

Nadat de ZNSM in 1890 het gedeelte van Breda<br />

naar Oudenbosch in exploitatie had gebracht,<br />

kreeg zij ook meer inzicht in de rendabiliteit van<br />

de onderneming. Evenals elders in het land vielen<br />

de aanlegkosten en de opbrengsten tegen, al<br />

lukte het de maatschappij nog wel om Steenbergen<br />

op 30 december 1892 te bereiken. Wel had<br />

zij genoegen moeten nemen met een veel te<br />

goedkope aanleg van de trambaan, zodat in het<br />

eerste jaar door talloze ontsporingen de uitvoering<br />

van de dienst vaak in de knel kwam.<br />

De opening van de tramdienst voor het publiek op<br />

de allerlaatste dag van 1892 was juist één dag<br />

voordat een tegemoetkoming van de gemeente<br />

Steenbergen van drieduizend gulden kwam te<br />

vervallen. Dinteloord bleek voor de ZNSM echter<br />

een brug te ver. Op 1 januari 1893 verviel dan<br />

ook de concessie.<br />

Pas in 1898 nam de ZNSM weer contact op met<br />

het gemeentebestuur van Dinteloord, maar dat<br />

was meer omdat er zich een alternatief aandiende<br />

om Willemstad in verbinding te brengen met<br />

haar tramwegnet. Dat was een traject, dat begon<br />

in Oud Gastel en eindigde via Fijnaart en Oude<br />

5<br />

Molen in Willemstad. In haar brief van 18<br />

mei 1898 was de ZNSM duidelijk over de<br />

stand van zaken. De kosten van onteigeningen<br />

om de weg op een voldoende<br />

breedte te brengen en de bouw van een<br />

brug over de Steenbergsche Vliet hadden<br />

haar destijds weerhouden van de uitvoering<br />

van het plan uit 1891.<br />

Maar wat was het nu de gemeente Dinteloord<br />

waard om een stoomtram in haar<br />

straten te zien rijden? Drie weken later<br />

wist de ZNSM het antwoord. Er kwam<br />

geen cent subsidie uit de kas van de gemeente,<br />

aldus de gemeenteraad op 8 juni<br />

1898. Dat dat wel erg kort door de bocht<br />

was, zou spoedig blijken.<br />

De Rotterdamsche<br />

De Rotterdamsche Tramweg-Maatschappij<br />

(RTM) begon met medewerking van de<br />

minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid<br />

en de provinciebesturen kort voor<br />

1900 haar vleugels uit te slaan op de<br />

Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. In<br />

de jaren 1898-1909 kwam hier een uitgebreid<br />

tramwegnet tot stand.<br />

Vanuit Rotterdam was dit net te verdelen<br />

in twee vervoersassen. De ene as liep<br />

vanuit Rotterdam over Voorne en Putten<br />

naar Goeree en Overflakkee. De andere<br />

as ging over de Hoeksche Waard naar<br />

Schouwen en Duiveland. Tussen de eilanden<br />

werden eigen stoombootdiensten<br />

ingezet. Op 30 april 1900 werd een lijn<br />

geopend vanuit Brouwershaven via Zierikzee<br />

en het veer Zijpe – Anna Jacobapolder naar<br />

Steenbergen. Hier ontstond verbinding met de<br />

ZNSM in de richtingen Roosendaal en Breda. De<br />

eigen veerdienst van Zijpe naar Numansdorp Haven<br />

(geopend op 15 oktober 1900) bracht de reizigers<br />

vanuit Schouwen en Duiveland naar de<br />

Hoeksche Waard. Vanuit Numansdorp was het al<br />

sinds 2 mei 1898 mogelijk om Rotterdam per<br />

tram (later ook met speciale ‘boottreinen’) te bereiken.<br />

Een tram tussen Steenbergen en Willemstad<br />

Dat de RTM tot in Steenbergen kwam, was niet<br />

alleen om een aansluiting met de ZNSM te<br />

scheppen. In 1898 kwam zij ook met het plan<br />

voor een tramweg van Steenbergen over Dinteloord<br />

en Heijningen naar Willemstad met een<br />

aansluitende veerdienst naar Numansdorp Haven.<br />

Niet alleen zou deze lijn in het belang zijn<br />

van de lokale bevolking en hen uit het isolement<br />

halen, maar bij zware mist en ijsgang kregen de<br />

bewoners van Schouwen en Duiveland tevens<br />

een alternatieve verbinding met Rotterdam.<br />

Overigens trachtte de RTM ook met een tramweg<br />

van Willemstad naar Klundert in aansluiting op de


Het eilandennet van de RTM werd aangelegd in de jaren 1898-1915. Indien<br />

het traject Steenbergen – Willemstad was aangelegd, dan had er een<br />

doorgaande tramdienst kunnen ontstaan vanuit Burgh-Haamstede naar<br />

Rotterdam, die slechts tweemaal werd onderbroken voor een korte oversteek<br />

per pontveer. Tekening <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

plannen van andere concessiejagers in West-<br />

Brabant haar invloedsfeer te vergroten. Daartoe<br />

werd ook op 15 oktober 1900 een eigen veerdienst<br />

vanuit Numansdorp Haven op Willemstad<br />

geopend.<br />

De tramwegverbinding van Steenbergen naar<br />

Willemstad in handen van de RTM moest dus het<br />

alternatief vormen voor de veerdienst van<br />

dezelfde maatschappij tussen Zijpe en<br />

Numansdorp Haven. Het goed doortimmerde<br />

plan kon rekenen op geldelijke<br />

steun van Cornelis Lely, minister van Waterstaat,<br />

Handel en Nijverheid, mits de<br />

provincie Noord-Brabant, de gemeenten<br />

en particulieren hetzelfde deden. 9 Steenbergen<br />

zou uitgroeien tot een zeer gunstig<br />

gelegen tramwegknooppunt met aansluitingen<br />

naar Roosendaal (sinds 1892<br />

via ZNSM) en naar Bergen op Zoom<br />

(sinds 1899, tot Halsteren via ZNSM).<br />

De RTM zag de lijn Steenbergen – Willemstad<br />

als een ‘belangrijke bron van<br />

voeding’ voor haar veer- en tramdiensten<br />

tussen Willemstad en Rotterdam. Kort<br />

voor 1900 was de aanleg van tramwegen<br />

op smalle openbare wegen al een beetje<br />

achterhaald. Delen van het ‘eilandennet’<br />

van de RTM werden op eigen tracés aangelegd.<br />

Ook tussen Steenbergen en Dinteloord<br />

noodzaakte de geringe breedte van de<br />

weg tot de aanleg op een vrije baan met<br />

6<br />

doorsnijdingen van slaperdijken<br />

en kruisingen van Dintel<br />

en Steenbergsche Vliet ter<br />

hoogte van de kruin van de<br />

dijken. De aankoop van de<br />

benodigde gronden en de<br />

bouw van beweegbare bruggen<br />

over de beide rivieren<br />

leidden tot ramingen van<br />

30.000 gulden per strekkende<br />

kilometer tramweg, zodat<br />

de opbrengsten onvoldoende<br />

de rente van het aanlegkapitaal<br />

konden dekken. Een renteloos<br />

voorschot (waarvan de<br />

terugbetaling afhankelijk werd<br />

gesteld van de exploitatieuitkomsten)<br />

tot het maximum<br />

van een derde deel van de<br />

aanlegkosten, was dan ook<br />

zeer zeker op zijn plaats, aldus<br />

Cornelis Lely.<br />

Niet alleen Dinteloord spelbreker<br />

De provincie Noord-Brabant<br />

weigerde echter de gevraagde<br />

medewerking. Zij bleef<br />

nog tot in 1902 vasthouden<br />

aan het systeem van rentegarantie. 10 De gemeenten<br />

Steenbergen, Dinteloord en Willemstad, die bij<br />

elkaar zo’n 12.000 inwoners telden, liepen ook al<br />

niet over van enthousiasme. Dat bleek in september<br />

1899, toen de directeur van de RTM de belangstelling<br />

peilde bij de Brabantse gemeenten<br />

voor de nieuwe stoomtramverbindingen.<br />

Een tram van de ZNSM is zojuist uit Halsteren aangekomen<br />

in Steenbergen. Op 30 april 1900 kreeg de ZNSM aan de<br />

Kade gezelschap van de RTM, toen zij haar nieuwe lijn Anna<br />

Jacobapolder – Steenbergen in exploitatie nam. In de bietencampagne<br />

kwamen veel wagens met suikerbieten vanuit<br />

Zeeland naar West-Brabant en vond aan de Kade de overgave<br />

plaats tussen de RTM en de ZNSM. Foto uit circa 1920,<br />

collectie BBA, Stadsarchief Breda.


GEEN STOOMTRAM in DINTELOORD<br />

De noordwesthoek van West-Brabant<br />

diende zich in de toekomst meer te richten<br />

op Rotterdam: ‘Waar thans de gemeente<br />

uitzicht gesteld kan worden een<br />

zekere, snelle en zeer billijke verbinding<br />

met het Noorden, daar mag niet sleurziek<br />

steeds het oog gewend blijven op Zevenbergen,<br />

omdat men van ouder tot ouder<br />

gewend was via Zevenbergen te reizen’,<br />

aldus de directeur van de RTM.<br />

Inmiddels was in het dorp Dinteloord<br />

veel commotie ontstaan. In de raadsvergadering<br />

van 19 augustus 1899 bracht<br />

de burgemeester Van Mensch het door<br />

de minister gesteunde plan van de RTM<br />

met veel verve op tafel. Nadat hij hen<br />

had gewezen op het goedkoop en snel<br />

vervoer van suikerbieten in het belang<br />

van zowel landbouwers als fabrieken,<br />

deed hij een klemmend beroep op de<br />

raadsleden:<br />

‘Onverantwoordelijk zou het dus zijn als<br />

de raad de hand terugstiet, die de Regeering<br />

ons nu toesteekt om den bloei<br />

voor den landbouw te bevorderen. Landbouw<br />

is voor Dinteloord het voornaamste<br />

middel van bestaan, laten wij dat niet vergeten.<br />

Dat de tramweg in het algemeen<br />

den bloei en de welvaart van Prinsland<br />

zal bevorderen is niet twijfelachtig, dat is<br />

geen zaak van opinie, dat is een onbetwistbare<br />

waarheid. Een gemakkelijke, snelle en<br />

goedkoope communicatie is overal en altijd<br />

in het algemeen belang. Waarom zou<br />

Prinsland eene uitzondering maken op<br />

dien regel! De gelegenheid om uit onze afzondering<br />

te komen, is nu gunstig zonder groote offers. Laten<br />

wij die gelegenheid nu bij de haren grijpen, want<br />

zij komt nooit terug en wij blijven voor eeuwig in<br />

een achterafhoek. Laten wij zorgen dat het nageslacht<br />

ons niet kan verwijten dit middel om den<br />

bloei van ons dorp te bevorderen roekeloos hebben<br />

versmaad.’<br />

Maar het voorstel om een subsidie (hoe hoog die<br />

ook mocht zijn) toe te kennen voor het project,<br />

ontmoette felle tegenstand van wethouder Pieter<br />

Cornelis Vogelaar. 11 Hij vond immers een tram<br />

niet in het belang van de gemeente. ‘Vele neringdoenden,<br />

schippers en vrachtrijders zullen daarvan<br />

schade ondervinden en ook de sabbath zal<br />

geschonden worden daar het dan op dien dag<br />

een soort kermis zal worden’, aldus Vogelaar.<br />

Uiteindelijk werd het voorstel met vier tegen twee<br />

stemmen verworpen. 12<br />

Een golf van verontwaardiging in het dorp<br />

Daar was het dorp het niet mee eens. Nog in september<br />

1899 ontving de raad een verzoekschrift<br />

van 127, meest vooraanstaande, inwoners van<br />

Dinteloord. Zij waren er uiterst over verbaasd dat<br />

Het plan van de RTM uit 1899 voor een stoomtram tussen<br />

Steenbergen en Willemstad. Tekening <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

7<br />

hier enige raadsleden durfden te verklaren dat<br />

een verbinding per stoomtram niet in het belang<br />

van de gemeente was. De Nederlandse regering<br />

en de besturen van provincies en honderden gemeenten<br />

waren immers dagelijks bezig goede<br />

verkeerswegen aan te leggen.<br />

‘Zijn al de leden van die besturen nu zoo van kennis<br />

en doorzicht ontbloot, dat zij daarin door de<br />

vier heeren tegenstemmers worden overtroffen?’<br />

Het dorp verkeerde al te lang in een isolement,<br />

zeker ‘de kleine luiden in onze gemeente, de minder<br />

met aardsche goederen bedeelden, de menschen,<br />

die geen paard en rijtuig te hunner beschikking<br />

hebben of kunnen bekostigen om een<br />

verafwonend familielid, een vriend of kennis te<br />

bezoeken; de menschen die in ‘t zweet huns aanschijns<br />

vaak uren moeten loopen om aan een<br />

behoefte van hun hart te voldoen.’<br />

Het werd wethouder Vogelaar kwalijk genomen,<br />

dat hij anderen het plezier van een vervoermiddel<br />

ontzegde, iets dat hijzelf wel bezat in de vorm van<br />

een rijtuig. Dat was schending van het hoogste<br />

gebod, het gebod van liefde tot zijn evenmens.<br />

De ondertekenaars, waaronder schooldirecteur<br />

Geluk en predikant Offringa, verzochten de raad


een heroverweging van het besluit te nemen. Ook<br />

ging er een brief de deur uit aan Gedeputeerde<br />

Staten van Noord-Brabant. 13<br />

Toch nog concessie in Dinteloord<br />

In de raadsvergadering van 26 september 1899<br />

werd uitgebreid aandacht besteed aan de brief<br />

van de dorpsbewoners. Wethouder Vogelaar nam<br />

het woord en kwam terug op de liefde tot zijn<br />

evenmens. Bij hem stond echter het gebod om<br />

God lief te hebben boven alles. De stoomtram<br />

zou de ondergang van de gemeente veroorzaken,<br />

zowel zedelijk als stoffelijk. Hij hechtte weinig<br />

waarde aan de 127 handtekeningen, vond de<br />

vorm van de tekst zelfs stotend en bleef mordicus<br />

tegen een tram.<br />

Burgemeester Van Mensch vond 127 handtekeningen<br />

veelzeggend en deelde de vrees van wethouder<br />

Vogelaar geenszins. Het bewijs was immers<br />

het aantal handtekeningen van vele neringdoenden,<br />

terwijl ook vele protestantse en gereformeerde<br />

inwoners met hun voorgangers het rekest<br />

hadden ondertekend en in andere plaatsen beurtschippers<br />

en vrachtrijders hun omzet zagen stijgen.<br />

Er was geen twijfel mogelijk, dat de overgrote<br />

meerderheid van de ingezetenen naar de tram<br />

verlangde. Dus moest de raad naar het algemeen<br />

belang kijken. Het voorstel werd nu aangenomen<br />

met vijf tegen twee stemmen. 14<br />

De RTM nam met veel genoegen kennis van het<br />

raadsbesluit. Twee weken eerder achtte zij ‘het<br />

voor het welslagen der onderneming van veel<br />

gewicht dat de Raad Uwer gemeente zich er vóór<br />

uitspreekt.’<br />

Locomotief RTM 32 staat op 9 augustus 1940 met een tram van Steenbergen<br />

naar Anna Jacobapolder te wachten op reizigers bij de halte in<br />

Nieuw-Vossemeer. Indien Dinteloord volgens het plan van de RTM in<br />

1899 een stoomtram binnen haar gemeentegrenzen had gekregen, dan<br />

was zo’n stoomtram vijf tot zesmaal per dag een alledaagse verschijning<br />

geweest. Foto W.D.J. Cramer, collectie <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

8<br />

Een subsidie in het vooruitzicht<br />

Uitdrukkelijk werd in het raadsvoorstel met geen<br />

woord gerept over de hoogte van de subsidie. Dat<br />

was van latere zorg. Het besluit van buurgemeente<br />

Fijnaart en Heijningen liet echter geen twijfel<br />

bestaan over de hoogte van dergelijke tegemoetkomingen.<br />

Het waren slechts druppels op een<br />

gloeiende plaat. De Fijnaartse raad besloot namelijk<br />

in de ochtend van 10 oktober 1899 met<br />

een nipte meerderheid, zes tegen vijf stemmen,<br />

tot een subsidie van 150 gulden per jaar en dat<br />

gedurende tien jaar. Dat was slechts 1500 gulden,<br />

terwijl een kilometer tramweg op 30.000 gulden<br />

zou uitkomen.<br />

‘s Middags liet de burgemeester van Fijnaart, J.<br />

Klein, aan zijn ambtscollega in Dinteloord de uitslag<br />

van de stemming weten. Het zou een mooie<br />

verbinding zijn, maar een voorstel voor 200 gulden<br />

was er toch niet door te halen. Het denkpatroon<br />

van de raadsleden werd niet beter geïllustreerd<br />

dan door de verzuchting van de burgemeester<br />

aan het einde van zijn brief: ‘‘t Is me echter<br />

verbaasd meegevallen, want de meeste der<br />

Fijnaartsche raadsleden verschillen nog in niets<br />

van hun voorvaderen uit den pruikentijd.’ Overigens<br />

waren de bijdragen, die de gemeenten op<br />

de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden konden<br />

bieden aan het tot stand komen van een tramweg,<br />

weinig afwijkend van de gemeenten in<br />

West-Brabant. Per gemeente was dat ook maar<br />

zo’n 150 tot 300 gulden per jaar en dat gedurende<br />

perioden van tien tot dertig jaar. Kennelijk waren<br />

de vele kleine gemeenten met uitsluitend<br />

agrarische activiteiten nogal armlastig, terwijl het<br />

reizen voornamelijk was<br />

weggelegd voor een kleine<br />

groep vooraanstaande inwoners.<br />

Het tramplan sneuvelde echter<br />

al eind 1899 door de weigering<br />

van de provincie Noord-<br />

Brabant een renteloos voorschot<br />

beschikbaar te stellen.<br />

De RTM kon niets anders<br />

doen dan de zaak voorlopig<br />

maar te laten rusten.<br />

Per stoomtram van Oud<br />

Gastel naar Willemstad<br />

In 1897 en 1899 kwam de<br />

ZNSM met plannen voor twee<br />

nieuwe lijnen. Het eerste was<br />

bedoeld om Willemstad in verbinding<br />

te brengen met het<br />

tramwegnet van de ZNSM. Dit<br />

traject begon in Oud Gastel en<br />

eindigde via Fijnaart en Oude<br />

Molen in Willemstad. Het realiseren<br />

van deze lijn liet lang op<br />

zich wachten. Vanuit de pro-


GEEN STOOMTRAM in DINTELOORD<br />

vincie kwam immers weinig financiële<br />

steun. De ZNSM moest het geld grotendeels<br />

zelf ophoesten en ook hier was het<br />

wegennet veelal niet op tramwegexploitatie<br />

berekend. Maar al te vaak was de<br />

kruin van de dijk slechts vijf meter, terwijl<br />

deze aan weerszijden werd geflankeerd<br />

door een steil aflopend talud. Dure grondaankopen<br />

waren dan ook noodzakelijk.<br />

Bovendien vormde de brug over de Mark<br />

bij Stampersgat een struikelblok van belang.<br />

Pas op 15 december 1906 volgde<br />

de officiële opening.<br />

Het tweede traject zou vanaf Leur over<br />

Zevenbergen en Klundert naar Oude Molen<br />

lopen. De ZNSM achtte de aanleg van<br />

deze verbinding slechts nuttig, zodra de<br />

lijn Oud Gastel – Willemstad tot stand<br />

was gekomen en reden tot tevredenheid<br />

zou geven. Het project over Klundert bleef<br />

echter voor altijd in de kast, ondanks alleszins<br />

redelijke vooruitzichten van het<br />

eerste traject. Ofschoon de gemeente<br />

Klundert zich er nog sterk voor maakte,<br />

ervaarde de ZNSM toch te weinig financiele<br />

steun in de streek en gaf dit plan in<br />

1910 definitief op.<br />

Van Steenbergen naar Stampersgat<br />

Inmiddels had de Dinteloordse rijtuigverhuurder<br />

Pieter Johannis van Sliedregt een<br />

omnibusdienst opgezet tussen Dinteloord en<br />

Steenbergen. Vanaf 1 mei 1902 kon men driemaal<br />

per dag reizen in aansluiting op de stoomtrams<br />

van Steenbergen naar Bergen op Zoom,<br />

Roosendaal, Breda en Zierikzee. 15 Dinteloord had<br />

nu wel een dagelijkse omnibusdienst met Steenbergen,<br />

maar onderhuids bleef het verlangen<br />

naar een tramverbinding met de buitenwereld<br />

kriebelen. Nadat in 1908 in Stampersgat een coöperatieve<br />

beetwortelsuikerfabriek in bedrijf was<br />

gekomen, trad burgemeester Van Mensch weer<br />

in contact met de ZNSM. Misschien was het nu<br />

mogelijk om een tramweg van Stampersgat via<br />

Dinteloord naar Steenbergen aan te leggen als<br />

verbinding tussen de lijn Oud Gastel – Willemstad<br />

en Steenbergen. Misschien was de suikerfabriek<br />

wel genegen om een flink bedrag op tafel te leggen.<br />

De ZNSM kaatste de bal echter gelijk terug<br />

met de vraag, welk financieel offer de gemeente<br />

dan wel wilde brengen voor een tram.<br />

In de raadsvergadering van 18 december 1909<br />

werd toen uitgebreid gespeculeerd over de aanlegkosten<br />

van zo’n tramweg, maar niemand van<br />

de aanwezigen wist daarop een wijs antwoord.<br />

Breedvoerige discussies ontstonden nog over het<br />

verhogen van de Hoofdelijke Omslag, de onderhoudskosten<br />

van wegen, de hoogte van haven-<br />

en liggelden alsmede de vrachtkosten per schip<br />

en per tram. Ook nu weer kwamen gewetensbe-<br />

De zomerdienstregeling van 15 mei 1933 vermeldde op het<br />

traject Anna Jacobapolder – Steenbergen vijf trams in elke<br />

richting. Document uit 1933, collectie <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

9<br />

zwaren om de hoek kijken. Het raadslid Pieter<br />

Willem Vogelaar was tegen het rijden van de tram<br />

op zondag. Het was ‘het gebod van de Koning<br />

aller Koningen, dat zegt “Gedenkt den Sabbathdag<br />

dat gij dien heiligt”.’ Uiteindelijk kwam het niet<br />

tot een besluit en werd de zaak aangehouden.<br />

Raadslid Sneep als projectontwikkelaar<br />

Merkwaardig genoeg kwam Pieter Meeuwis<br />

Sneep, nog maar nauwelijks een half jaar raadslid,<br />

in de vergadering van 15 februari 1910 met<br />

een uitgewerkt plan voor een tramweg van Stampersgat<br />

via Dinteloord en Boompjesdijk naar<br />

Steenbergen. De gemeente Dinteloord stelde een<br />

lening van 30.000 gulden beschikbaar. Maar of er<br />

nog een tramwegmaatschappij voor was te vinden<br />

die akkoord zou gaan met vijf voorwaarden<br />

van de gemeente Dinteloord, dat mocht sterk<br />

worden betwijfeld. Deze voorwaarden waren immers<br />

niet gering:<br />

1. Er moesten onderweg zes wisselplaatsen met<br />

los- en laadgelegenheid worden aangelegd.<br />

2. De onderneming moest minstens zestien wagens<br />

à 10 ton laadvermogen beschikbaar stellen<br />

voor het vervoer van bieten en pulp in het laatste<br />

kwartaal van elk jaar.<br />

3. Voor elke beladen wagen diende de tramwegmaatschappij<br />

één (op de verzenders te verhalen)<br />

gulden af te dragen aan de gemeente.


Het plan van P.M. Sneep uit 1909 voor een stoomtram tussen<br />

Steenbergen en Stampersgat via Dinteloord. Tekening<br />

<strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

4. De voorwaarden waren bindend voor een periode<br />

van 50 jaar.<br />

5. De gemeente kreeg het recht van hypotheek<br />

op de tramweg als waarborg voor haar lening.<br />

Volgens Sneep zou het project de gemeente zelfs<br />

winst opleveren. De lening zou nog worden verhoogd<br />

met 5000 gulden voor het aanleggen van<br />

keibestratingen op de los- en laadplaatsen. Aan<br />

rente en aflossing was de gemeente dan jaarlijks<br />

fl. 1629,25 kwijt. Hier tegenover stonden dan naar<br />

schatting 1100 beladen wagens en een besparing<br />

van duizend gulden op onderhoudskosten aan de<br />

wegen, die immers niet meer kapot werden gereden<br />

door de zware karren. De gemeente kreeg zo<br />

zelfs een voordeel van 470 gulden per jaar, dus<br />

hoefde de Hoofdelijke Omslag niet meer omhoog,<br />

terwijl de inwoners toch verlost waren uit hun isolement.<br />

Uiteraard werden er volop vraagtekens<br />

gezet bij het voorstel van Sneep. Het kwam dan<br />

ook niet tot een besluit.<br />

Het raadsbesluit van 22 februari 1910<br />

Dat Dinteloord wel erg verlegen zat om een modern<br />

vervoermiddel blijkt wel uit het raadsbesluit<br />

10<br />

van 22 februari 1910 tot het aangaan van<br />

een lening van 35.000 gulden voor een<br />

tramweg tussen Stampersgat en Steenbergen<br />

‘onverschillig aan welke Maatschappij’.<br />

Burgemeester Van Mensch vond het nog<br />

steeds een erg goed plan en wenste geen<br />

andere mogelijkheden in overweging te<br />

nemen, ondanks dat sommige raadsleden<br />

zich afvroegen of er over vijftig jaar nog<br />

zoveel vervoer van bieten en pulp zou zijn<br />

en of het financieel plaatje niet wat al te<br />

rooskleurig was voorgesteld.<br />

Inmiddels hadden Gedeputeerde Staten<br />

van Noord-Brabant laten weten, dat liever<br />

geen leningen langer dan 40 jaar moesten<br />

worden afgesloten, omdat ‘het nageslacht<br />

niet te zwaar behoort te worden<br />

belast, teneinde voor de toekomst gelegenheid<br />

te behouden, middelen te scheppen<br />

voor buitengewone werken, die te<br />

eeniger tijd wenschelijk of noodzakelijk<br />

mochten worden’. Maar raadslid Sneep<br />

hield voet bij stuk en verdedigde zijn plan<br />

vol vuur. Uiteindelijk werd het voorstel<br />

aangenomen met negen tegen twee<br />

stemmen. 16 Nu was het de beurt aan de<br />

tramwegmaatschappijen om te reageren<br />

op het besluit.<br />

Geen enkele kans op succes<br />

Helaas had de suikerfabriek nauwelijks<br />

belangstelling voor het project. Tussen<br />

Stampersgat en Dinteloord beschikte zij al<br />

over een uitstekende scheepvaartverbinding.<br />

Het tramwegproject liep hier toch<br />

maar parallel aan en had dan ook voor de<br />

suikerfabriek geen betekenis. Slechts voor het<br />

stuk van Dinteloord naar Steenbergen kon de<br />

tram enigszins van nut zijn voor de fabriek, mits<br />

de lijn een omweg maakte over de Boompjesdijk.<br />

Hiervoor was de fabriek wel genegen een kleine<br />

subsidie te geven, maar dit betekende zo goed<br />

als niets omdat de kosten voor de omweg veel<br />

groter waren en bovendien was het oversteken<br />

van de Steenbergsche Vliet ten westen van Steen-


GEEN STOOMTRAM in DINTELOORD<br />

De dorpskern van Dinteloord was in 1916 nauwelijks groter dan in 1832, het jaar waarin in Nederland het<br />

Kadaster werd ingevoerd. Slechts de Westvoorstraat en Oostvoorstraat hadden een aansluitende bebouwing.<br />

Dat was nog niet het geval bij de toenmalige West- (nu Westerstraat) en Oostachterstraat (nu Oosterstraat),<br />

alsmede de West- en Oostgroeneweg en de West- en Oostzijstraat. Langs de dijken stonden<br />

hier en daar wat boerderijen en landarbeidershuisjes (zie topografisch kaartje linksonder).<br />

Het station van de STWB kon dan ook gemakkelijk dichtbij de dorpskern worden geprojecteerd. Naast het<br />

hoofdspoor waren er nog twee sporen. Het ene diende voor het kruisen en inhalen van treinen, terwijl het<br />

andere zorgde voor laad- en losgelegenheid. Tekening <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

bergen veel duurder. Ook de ZNSM reageerde niet<br />

bijster verheugd: ‘Met een dergelijk voorstel (langs<br />

de Boompjesdijk) vrees ik bij mijn bestuur niet het<br />

minste succes te hebben’, aldus administrateur Van<br />

Wessem in zijn reactie op 8 april 1910.<br />

In de raadsvergadering van 23 april 1910 werd<br />

nog gediscussieerd over verdere tegemoetkomingen<br />

aan de ZNSM, maar tot een besluit kwam het<br />

niet. Raadslid Snelleman vond zelfs dat men de<br />

ZNSM niet achterna moest lopen. ‘Hoe de zaak<br />

ook berekend en beredeneerd wordt, er blijft voor<br />

de exploitatie der lijn voor het personenverkeer<br />

een zeer belangrijk jaarlijksch verlies, terwijl het<br />

goederenvervoer hoofdzakelijk plaats heeft gedurende<br />

den bietentijd, wanneer wij reeds onze<br />

handen vol hebben om het tegenwoordige aangeboden<br />

vervoer naar wensch uit te voeren’, aldus<br />

Van Wessem op 11 juli 1910.<br />

Daarmee was het tramplan definitief van de baan.<br />

Het contact van het gemeentebestuur van Dinteloord<br />

met de RTM leerde, dat ook deze tramweg-<br />

11<br />

onderneming geen belangstelling had, zeker niet<br />

zo lang de provincie Noord-Brabant slechts met<br />

een veel te klein renteloos voorschot over de<br />

brug kwam. Bovendien wilde de RTM ook rechtstreeks<br />

van Dinteloord naar Steenbergen.<br />

Een lokaalspoorweg in West-Brabant<br />

Nog tweemaal zou de gemeente Dinteloord worden<br />

geconfronteerd met plannen voor een lokaalspoor-<br />

of tramweg, voordat zij in 1923 definitief in<br />

de armen werd gedreven van lokale autobusondernemers<br />

als Hartman, Van de Merbel en De<br />

Rooij. Zij verlosten uiteindelijk met subsidies van<br />

de gemeenten Dinteloord en Steenbergen de<br />

plaatselijke bevolking uit haar isolement. 17 Op 21<br />

juni 1916 vond in Utrecht de oprichting plaats van<br />

de N.V. Spoorwegmaatschappij Tholen en West-<br />

Brabant (STWB). De aanleg van het lokaalspoorwegnet<br />

omvatte de lijnen Bergen op Zoom – Lage<br />

Zwaluwe (50 km) en Bergen op Zoom – Stavenisse<br />

(29 km) met drie ‘landbouwlaadlijnen’. De lijn in


Na de oprichtingsvergadering van de STWB in Utrecht op 21<br />

juni 1918 werd er stevig getafeld bij een mooi uitgevoerde<br />

menukaart. Document uit 1918, collectie <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

West-Brabant liep van Bergen op Zoom via Halsteren,<br />

Steenbergen, Dinteloord, Fijnaart, Klundert<br />

naar Lage Zwaluwe. Op advies van Gedeputeerde<br />

Staten van Noord-Brabant stapte de gemeente<br />

Dinteloord in de (naar verwachting renderende)<br />

onderneming met 119.700 gulden aan aandelen.<br />

18 Uiteindelijk strandde de onderneming in<br />

maart 1922 op het gebrek aan financiële steun van<br />

Rijk en Provincie, aangezien de geraamde aanlegkosten<br />

sinds 1916 meer dan waren verdubbeld. 19<br />

Nog een laatste stuiptrekking<br />

Kort daarop, in mei 1922, werd op initiatief van burgemeester<br />

H. van der Veen van Willemstad een<br />

‘Commissie ter Verbetering van het Verkeerswezen<br />

in West-Noord-Brabant’ opgericht. De commissie<br />

bestond uit vooraanstaande inwoners van Steenbergen,<br />

Dinteloord, Heijningen en Willemstad. Zij<br />

greep terug op het aloude plan van de RTM uit<br />

1899 voor een tramweg tussen Steenbergen en<br />

Willemstad. Dit plan was misschien nog wel het<br />

meest uitvoerbaar. 20<br />

Ondanks het feit dat de commissie eigenlijk geen<br />

kans op succes kon hebben – overal in het land<br />

12<br />

ontsproten ‘wilde’ autobusdiensten als<br />

paddestoelen uit de grond – ging zij stug<br />

door om bijdragen van Rijk en Provincie<br />

los te krijgen. Het stond haar daarbij voor<br />

ogen, dat een moderne tram met een<br />

maximum snelheid van 45 km/h voor reizigersvervoer<br />

nog wel betekenis had, terwijl<br />

speciaal het vervoer van bieten de<br />

smalle polderwegen kon ontlasten.<br />

De gemeenteraad van Dinteloord was niet<br />

geheel onwillig, maar stelde wel haar<br />

voorwaarden. Op 14 januari 1924 besloot<br />

zij met algemene stemmen 25 jaar lang<br />

een subsidie van 1250 gulden per jaar in<br />

het vooruitzicht te stellen, mits de lijn<br />

langs de Boompjesdijk zou komen te lopen<br />

en er een zijtak naar de suikerfabriek<br />

zou worden aangelegd.<br />

De gemeenteraad van Steenbergen wenste<br />

echter in 1926 geen financiële medewerking<br />

meer te geven. Zij vond voortaan meer belang<br />

te hebben bij een lokaalspoorweg met<br />

Roosendaal. Uiteindelijk stelde de regio nog<br />

geen 3,5 procent van de aanlegkosten in<br />

het vooruitzicht.<br />

De Commissaris van de Koningin in Noord-<br />

Brabant zag zelfs geen aanleiding om burgemeester<br />

Van der Veen als voorzitter van<br />

de commissie in audiëntie te ontvangen.<br />

Het had geen zin meer om dit plan te komen<br />

toelichten. De tram was niet langer<br />

meer het vervoermiddel bij uitstek. Particuliere<br />

autobusdiensten en vrachtauto’s<br />

hadden inmiddels het pleit beslist.<br />

Uitleiding<br />

Het na 1880 op gang komende openbaar vervoer<br />

in de plattelandsgebieden kende aanvankelijk<br />

maar weinig succes. De in 1881 begonnen omnibusdienst<br />

van Dinteloord naar Roosendaal moest<br />

in 1884 wegens gebrek aan voldoende klanten<br />

worden gestaakt. De omnibusdienst van Steenbergen<br />

over Dinteloord naar Willemstad, in aansluiting<br />

op de bootdienst naar Rotterdam, kon<br />

slechts voortbestaan dankzij een subsidie van de<br />

rederij. Pas in 1902 kwam een rendabele omnibusdienst<br />

tussen Dinteloord en Steenbergen tot<br />

stand.<br />

Drie pogingen voor een stoomtram strandden al<br />

in een vroeg stadium. De ZNSM hield in 1892<br />

geen geld meer over voor het doortrekken van<br />

haar lijn Breda – Steenbergen naar Dinteloord.<br />

Een poging van de RTM om haar lijn Brouwershaven<br />

– Steenbergen in 1899 door te trekken<br />

naar Willemstad ketste af op een gebrek aan financiële<br />

medewerking van de provincie Noord-<br />

Brabant. Toch was dit het plan met de meeste<br />

kans op rendement. De verbinding moest een alternatief<br />

zijn voor de veerdienst Zijpe – Numansdorp<br />

Haven en zou dan ook doorgaand reizigers- en


GEEN STOOMTRAM in DINTELOORD<br />

goederenvervoer opleveren.<br />

Bovendien was de RTM erop<br />

uit om meer vervoer uit<br />

West-Brabant op Rotterdam<br />

te verwerven; een soort inlijving<br />

dus van het vroegere<br />

Hollands Brabant. Het plan<br />

bleef nog een kwart eeuw<br />

actueel, maar haalde het uiteindelijk<br />

nooit.<br />

Dat in de gemeenteraad<br />

godsdienstige bezwaren tegen<br />

een stoomtram soms de<br />

overhand kregen, werd in<br />

1899 door vele inwoners van<br />

Dinteloord en een vooruitstrevende<br />

burgemeester op<br />

tijd omgedraaid.<br />

Aangezien Dinteloord zonder<br />

stoomtram bleef, werd er in<br />

1909 vanuit de gemeenteraad<br />

een ultieme poging gedaan<br />

voor een lijn van Steenbergen<br />

over Dinteloord naar<br />

Stampersgat. Maar aangezien<br />

Dinteloord voor een dubbeltje<br />

op de eerste rang wilde<br />

zitten, ging ook dit tramplan<br />

niet door.<br />

Inmiddels was de tijd voor een<br />

stoomtram eigenlijk voorbij. In<br />

tegenstelling tot het gemeentebestuur<br />

van Klundert, dat<br />

in al die jaren in eenzelfde<br />

schuitje had gezeten en al<br />

gauw het intiatief nam voor<br />

een eigen autobusdienst,<br />

wachtte Dinteloord gelaten af. 21 Nog even en dan<br />

zouden autobussen en vrachtauto’s het openbaar<br />

vervoer op het platteland gaan overnemen.◄<br />

Bronnen<br />

Dit artikel is gebaseerd op het Archief Gemeentebestuur<br />

1811-1950 van de voormalige gemeente<br />

Dinteloord en Prinsenland, destijds aanwezig in<br />

het Regionaal Archief West-Brabant te Zevenbergen<br />

en nu in het Historisch Centrum Het Markiezenhof<br />

te Bergen op Zoom. Geraadpleegd zijn de<br />

in 1999 in gebruik zijnde inventarisnummers:<br />

• 1367 t/m 1606 – gemeenteverslagen over de<br />

jaren 1881-1920,<br />

• 1311 t/m 1315 – notulen gemeenteraad over<br />

de jaren 1879-1928,<br />

• 3167 – diverse stukken vervoersdiensten,<br />

• 3182 – diverse stukken spoorwegen,<br />

• 3183 – diverse stukken tramwegen.<br />

Het project van de 'Commissie ter Verbetering van het Verkeerswezen in<br />

West-Noord-Brabant' uit 1922 voor een tramweg van Steenbergen naar<br />

Willemstad kende een vrijliggend baanlichaam, waarop de trams een<br />

snelheid van 45 km/h mochten rijden. Het traject is aangeduid met een<br />

dikke lijn en liep over lange stukken kort langs de weg van Steenbergen<br />

naar Willemstad. Digitale bewerking <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />

13<br />

Literatuur<br />

• A. Dijkers, ‘De Rotterdamsche Tramweg-Maatschappij<br />

op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse<br />

eilanden’ (Leiden 1971).<br />

• W.J.M. Leideritz, ‘De tramwegen van Noord-<br />

Brabant’ (Leiden 1978).<br />

• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘De lijdensweg van de Spoorwegmaatschappij<br />

Tholen en West-Brabant’, in:<br />

Jaarboek Oudheidkundige Kring De Ghulden<br />

Roos, 44 (1984), blz. 132-149.<br />

• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Opkomst en neergang van de<br />

‘N.V. Algemeene Transport Onderneming’ in<br />

West-Brabant, 1927-1934’, in: Jaarboek Oudheidkundige<br />

Kring De Ghulden Roos, 56<br />

(1996), blz. 87-106.<br />

• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Ontwikkelingen in het goederenvervoer<br />

in West-Brabant, 1851-1930’, in:<br />

Jaarboek Oudheidkundige Kring De Ghulden<br />

Roos, 58 (1998), blz. 116-144.<br />

• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘De gemeentelijke autobusdienst<br />

Klundert - Zevenbergen, 1911-1924’, in:<br />

Jaarboek Oudheidkundige Kring De Ghulden<br />

Roos, 59 (1999), blz. 56-85.


• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Lange dagen, lange nachten. Arbeidsomstandigheden<br />

bij de tramwegen in West-<br />

Brabant rond 1900’, in: Tijdschrift Brabants<br />

Heem, 2002-01, blz. 1-8.<br />

Noten<br />

1. J. van de Kar startte in 1862-1863 met omnibus-<br />

en vrachtkardiensten vanuit Steenbergen. De omnibusdienst<br />

tussen Steenbergen en Roosendaal werd<br />

aanvankelijk driemaal in de week gereden. De<br />

vrachtkarren voor het vervoer van winkelgoederen<br />

reden op vaste dagen van de week; bijvoorbeeld in<br />

1863: op maandag naar Roosendaal, op donderdag<br />

naar Breda (en op vrijdag terug) en op dinsdag en<br />

zaterdag naar Dinteloord. Door concurrentie verviel<br />

rond 1885 de rit op dinsdag.<br />

2. Cornelis van Mensch was van 15 december 1883<br />

tot 1 juni 1911 burgemeester van Dinteloord.<br />

3. Het aantal vrachtkarondernemers op Bergen op<br />

Zoom en Roosendaal onderging later nog een uitbreiding.<br />

In 1891 kwamen er twee, in 1908 drie<br />

en in 1912 vier vrachtkarren op de weg. De diensten<br />

vonden toen plaats dinsdag, woensdag, vrijdag<br />

en zaterdag.<br />

4. Vanaf 1912 reden er twee omnibusdienstondernemers<br />

op Willemstad. Zij reden enerzijds in aansluiting<br />

op de boten van rederij THOR naar Rotterdam<br />

en anderzijds op de RTM-veerdienst naar<br />

Numansdorp Haven. Vertrek Dinteloord op maandag<br />

en dinsdag om half vier ‘s nachts; op vrijdag<br />

en zaterdag om zes uur ‘s morgens. Aankomst<br />

Dinteloord alle rijdagen om zes uur ‘s avonds.<br />

5. Vertrek Dinteloord op dinsdag om 03.00 uur en<br />

op vrijdag om 05.00 uur. Vertrek Willemstad respectievelijk<br />

op dinsdag om 16.45 uur en op vrijdag<br />

om 18.15 uur.<br />

6. M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Ontwikkelingen in het goederenvervoer<br />

in West-Brabant, 1851-1930’, in: Jaarboek<br />

Oudheidkundige Kring De Ghulden Roos,<br />

58 (1998), blz. 116-144.<br />

7. Bericht in ‘De Grondwet’ (Rosendaalsche Courant)<br />

van 1 april 1896.<br />

8. Sinds 12 juni 1885 maakte burgemeester Cornelis<br />

van Mensch ook deel uit van de gemeenteraad<br />

en bestond zij uit zeven personen.<br />

9. Brief van 20 mei 1899 van minister C. Lely aan<br />

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, afschrift<br />

in Archief Gemeentebestuur Dinteloord en<br />

Prinsenland, 1811-1950, nummer 3183.<br />

10. Na 1902 kende de provincie Noord-Brabant<br />

financiële steun in de vorm van een renteloos<br />

voorschot tot maximaal tien procent van de kosten<br />

van het aanleggen en in exploitatie brengen<br />

van lokaalspoor- en tramwegen. Dit was echter<br />

nog veel te weinig.<br />

Nadat de meest rendabele lijnen in de jaren<br />

1880-1900 waren aangelegd door particuliere<br />

ondernemingen, kwam er in Noord-Brabant amper<br />

meer wat tot stand. In veel andere provincies<br />

14<br />

Pas nadat autobussen en vrachtauto’s het vervoer<br />

op het platteland hadden opgepakt, kreeg<br />

Dinteloord een goede verbinding met Steenbergen.<br />

Rond 1930 bevonden de wegen zich echter<br />

nog in een slechte toestand, terwijl de oude ophaalbrug<br />

over de Steenbergsche Vliet bij Steenbergen<br />

hard aan vernieuwing toe.<br />

Foto uit: ‘Lijnen door het Brabantse land’. 200<br />

jaar verkeersinfrastructuur in Noord-Brabant,<br />

1796-1996 (Zwolle 1997).<br />

kon de aanleg van lokaalspoor- en tramwegen tot<br />

in de jaren twintig doorlopen.<br />

11. Pieter Cornelis Vogelaar, sinds 1889 raadslid,<br />

was in 1898 zijn collega Dirk Schilperoort als wethouder<br />

opgevolgd.<br />

12. Voor: lid Cornelis Koopmans en burgemeester<br />

Cornelis van Mensch. Tegen: wethouder Leendert<br />

Breure, lid Leendert Vogelaar, wethouder<br />

Pieter Cornelis Vogelaar en lid Herbert Vroon.<br />

Niet aanwezig: Pieter Willem Vogelaar.<br />

13. Over deze kwestie bevinden zich in het Archief<br />

Gemeentebestuur Dinteloord en Prinsenland, 1811-<br />

1950, nummer 3183, drie ongedateerde en inhoudelijk<br />

niet zo veel van elkaar verschillende verzoekschriften.<br />

Het eerste is ondertekend door 127 inwoners<br />

en werd behandeld in de gemeenteraad. De<br />

andere twee zijn concepten aan de gemeenteraad<br />

en aan Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.<br />

Zij zijn dan ook niet voorzien van handtekeningen.


GEEN STOOMTRAM in DINTELOORD<br />

14.<br />

Voor: wethouder Leendert Breure, lid Cornelis<br />

Koopmans, burgemeester Cornelis van Mensch,<br />

lid Leendert Vogelaar en lid Herbert Vroon. Tegen:<br />

wethouder Pieter Cornelis Vogelaar en lid<br />

Pieter Willem Vogelaar.<br />

15.<br />

Vertrek Dinteloord om 08.00, 12.00 en 18.00 uur.<br />

Aankomst Dinteloord om 10.00, 14.00 en 20.00 uur.<br />

16.<br />

De raad bestond sinds 1901 uit elf personen.<br />

Voor: burgemeester Cornelis van Mensch, wethouders<br />

Leendert Breure en Leendert Vogelaar, leden<br />

Antonie J. Bom, Johannes Bom, Johannes<br />

Th. Korst, Hendrik van Nieuwenhuijzen, Pieter M.<br />

Sneep en Hendrikus J. Vlamings. Tegen: leden<br />

Leonardus Snelleman en Pieter W. Vogelaar.<br />

17.<br />

M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Opkomst en neergang van de<br />

‘N.V. Algemeene Transport Onderneming’ in West-<br />

Brabant, 1927-1934’, in: Jaarboek Oudheidkundige<br />

Kring De Ghulden Roos, 56 (1996), blz. 87-106.<br />

18.<br />

Besluiten gemeenteraad van 7 april 1916 en 12<br />

maart 1919.<br />

19.<br />

M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘De lijdensweg van de Spoorwegmaatschappij<br />

Tholen en West-Brabant’, in: Jaarboek<br />

Oudheidkundige Kring De Ghulden Roos,<br />

44 (1984), blz. 132-149.<br />

20.<br />

Ook vanuit Schouwen en Duiveland werd<br />

steeds aangestuurd op een verbetering van de<br />

verbinding met Rotterdam in de vorm van een<br />

tramweg van Steenbergen naar Willemstad. Vanuit<br />

Dinteloord werd het Hoofdcomité van Actie<br />

bijvoorbeeld in 1919 financieel gesteund met 1<br />

cent per inwoner.<br />

21.<br />

M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘De gemeentelijke autobusdienst<br />

Klundert - Zevenbergen, 1911-1924’, in: Jaarboek<br />

Oudheidkundige Kring De Ghulden Roos, 59<br />

(1999), blz. 56-85.<br />

Colofon<br />

Dit artikel is eerder gepubliceerd onder de gelijknamige<br />

titel ‘Geen stoomtram in Dinteloord’ in het<br />

jaarboek van de Cultuur Historische Vereniging<br />

‘Nyen Aenwas van Nassau’ Dinteloord en Prinsenland,<br />

9 (2001), blz. 119-143. In deze versie<br />

zijn redactionele wijzigingen en geschiedkundige<br />

aanvullingen aangebracht.<br />

Uitgave, tekst en samenstelling, alsmede<br />

lay-out en opmaak:<br />

<strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>, Roosendaal, juni 2013,<br />

e-mail: info@mariusbroos.nl<br />

© Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd<br />

en/of openbaar gemaakt door middel<br />

van fotokopie, microfim, op digitale of op welke<br />

andere wijze dan ook, zonder voorafgaande<br />

schriftelijke toestemming van auteur en<br />

uitgever.<br />

15

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!