10 vragen bij straffen voor gedrag Bejegening - Politieacademie

politieacademie.nl

10 vragen bij straffen voor gedrag Bejegening - Politieacademie

Voorbij het

Van der Steen tijdperk ?

10 vragen bij ‘Straffen voor gedrag

Hidde de Blouw, MSc

Programmamanager Lectoraat Lerende Politie Organisatie, Politieacademie

“Politiemensen moeten hun eigen persoonlijke normen

integreren met hun professionele normen. Dat is een lastige

en kwetsbare aangelegenheid die onderlinge collegiale

en professionele steun en toetsing verdient.”


Een belangrijk principe van de methode Van der Steen is dat je de beslissing om

te waarschuwen of te bekeuren niet laat afhangen van houding en gedrag van

de burger tijdens het bekeuringgesprek. Dit wordt binnen de methode ‘straffen

voor gedrag’ genoemd. Het blijkt dat politiemensen soms wel degelijk ‘straffen

voor gedrag’ tijdens een handhavinggesprek. Dit verdient aandacht en verdieping

in het perspectief van de voortdurende ontwikkeling van de professionaliteit

en de ‘fitness’ van politieoptreden op basis van haar discretionaire ruimte en

in relatie tot haar legitimiteit en gezag.

In dit artikel wil ik voer voor een professionele dialoog geven door aspecten van

bejegening in handhavingsgesprekken 1 langs te lopen vanuit de invalshoeken

communicatie en argumentatie 2 . Het ‘straffen voor gedrag’ is hiervoor de

opstap. De aandachtspunten worden aan het eind samengevat in 10 vragen

voor onderlinge collegiale bespreking. Professionele dialoog is een belangrijk

aangrijpingspunt voor de ontwikkeling van de (lerende) politie. Want het gaat

niet alleen om persoonlijke vraagstukken voor de individuele professional in de

frontlijn, maar ook om de werking en ontwikkeling van de politie in de samenleving

als geheel.

De afgelopen paar jaar heb ik in contacten met tientallen ervaren politiemensen

van meerdere korpsen kunnen spreken over hoe zij beslissen en handelen in

hun dagelijkse politiepraktijk. Regelmatig kwam daarbij aan de orde dat zij

soms ‘straffen voor gedrag’ tijdens het bekeuringgesprek. Het is hen op zichzelf

helder wat de methode Van der Steen beoogt en waarom. Tegelijkertijd is er

onderling herkenning en een zekere mate van begrip wanneer een collega een

situatie te berde brengt waarin het gedrag van de burger tijdens het contact

blijkbaar aanleiding gaf om te straffen voor dat gedrag. Mijns inziens moeten

we dit niet afdoen als een afwijking van de aangeleerde methode en ook niet

als een incidentele ‘terugval’ naar een formele beroepshouding waarin tegenspraak

niet wordt geduld en onderdanigheid wordt beloond. Belangrijk is de

bejegening in handhavinggesprekken juist onderwerp van intercollegiaal professioneel

overleg te laten zijn.

Ook het onderzoek van Mandemaker en de Pater (zie elders in deze bundel)

geeft aan dat de manier waarop ervaren collega’s burgers bejegenen afwijkt

van de manier waarop een student dit aanleert. Zij bevelen aan om ervaren

collega’s een professionaliseringstraject aan te bieden. Dit zou dan mijns inziens

niet zozeer gericht moeten zijn op het (opnieuw) aanleren van de methode Van

de Steen, maar op een professionele uitdieping van de ervaringen, motieven en

argumenten om in sommige situaties toch te ‘straffen voor gedrag’. Daarbij is

een toetsing aan de uitgangspunten van de methode van belang. Er is in de ogen

van optredende politiemensen blijkbaar vaak genoeg aanleiding om repressief te

9 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


eageren op houding en gedrag van de burger tijdens het handhavingsgesprek.

Of dit terecht en professioneel is, is niet alleen een kwestie van individuele

discretionaire bevoegdheid en evenmin een kwestie van al of niet competente

toepassing van een methode of protocol.

De methode Van der Steen

In deze paragraaf vat ik de methode Van der Steen samen. Ruim dertig jaar geleden

werd de methode binnen de politie geïntroduceerd. Koppelaar en Van der

Steen (oud-hoofdinspecteur van politie) ontwikkelden een methode om agenten

te trainen hoe ze in bekeuringsituaties burgers correct – we zouden nu zeggen:

professioneel – konden bejegenen en de kans op escalatie konden verminderen.

Aan de hand van videoscènes en rollenspelen met acteurs konden studenten

zich oefenen in de directe interactie met publiek. De methode werd ook toegesneden

op optreden in conflictsituaties en opvang van slachtoffers van zedendelicten.

Daarnaast op hoofdlijnen ook voor intern werkoverleg en coaching van

medewerkers. Inmiddels heeft de methode qua leermateriaal een visuele update

gehad naar een cd-rom: “De Wet Mulder nader belicht”. In dit artikel beperk

ik mij tot de interactie tussen politieagent en burger en de bejegening van de

burger door de politieagent in bekeuringsituaties. Ik gebruik hierna voor de

leesbaarheid de strafrechtelijke terminologie 3 en de hij-vorm.

Een belangrijk element van de methode Van der Steen is een scheiding te maken

tussen het feitelijk gedrag dat aanleiding is tot staandehouding en het gedrag

dat de burger vertoont tijdens het handhavinggesprek zelf. Het principe is dat

je als politieagent waarschuwt dan wel bekeurt voor het initiële overtredinggedrag

en niet een bekeuring voor die overtreding geeft naar aanleiding van

houding en gedrag van de burger tijdens het gesprek zelf. Dit laatste heet in

de methode ‘straffen voor gedrag’ en wordt bestempeld als niet professioneel

politieoptreden.

Volgens de methode neem je de beslissing om te bekeuren dan wel te waarschuwen

vóórdat je contact maakt met de burger. In de opening van het gesprek

wordt de waargenomen overtreding en de beslissing meegedeeld aan de burger.

Dit creëert duidelijkheid, bevordert een zakelijk contact, ondersteunt een

professionele bejegening richting de burger en vermindert de kans op escalatie.

Daarmee is de legitimiteit en het gezag van de politie en haar relatie met het

publiek gediend.

10 Bejegenen bij handhaving


De methode Van der Steen heeft als grondslag de indeling van de interactie in

fasen of stappen die successievelijk doorlopen worden. In de vernieuwde versie

wordt dit uitgewerkt onder het kopje tactische instructies. Dit naast de juridische

instructies, die hier verder niet meer ter sprake komen.

Na de beslissing tot staandehouding opent de agent het gesprek. Hierin geeft

hij aan welke overtreding hij gezien heeft en dat hij daar een bekeuring dan

wel een waarschuwing geeft. Na deze opening is er ruimte voor reactie van de

burger en geeft de agent daarop repliek. Tenslotte wordt het gesprek afgerond

en worden de administratieve zaken afgehandeld (het noteren van de gegevens,

zoals de identiteitsgegevens van de burger). Zie ook de tabel aan het eind van

dit artikel.

In de fase ‘ruimte voor reactie van de burger’ is luisteren belangrijk. Daarmee

wordt bedoeld dat de agent de burger laat merken dat hij de burger hoort, begrijpt

en serieus neemt in zijn reactie. Door bijvoorbeeld de opmerkingen van de

burger te parafraseren en terug te geven, “Ik begrijp dat u haast heeft omdat

de spits vanochtend erg lang is door het slechte weer, …” , om vervolgens aan te

geven welke redenen de agent heeft om te bekeuren of te waarschuwen.

Het adequaat omgaan met de reactie van de burger vraagt een rationele aanpak,

waarbij de agent zich dus niet moet laten leiden door eigen irrationele

gedachten, zoals “had je maar eerder moeten opstaan.” Daarbij wordt verwezen

naar de methode van de rationeel emotieve therapie (RET). Rationeel is dat

de agent bewust accepteert dat de burger mogelijk weerstand zal vertonen,

omdat het begrijpelijk is dat het aangesproken worden op een overtreding en

daar eventueel ook nog een bekeuring voor krijgen, niet een aangename situatie

voor de burger oplevert. Weerstand vanuit frustratie of schrik is begrijpelijk

en daarom in de bejegening van burger naar agent in eerste instantie aanvaardbaar.

De geuite frustratie wordt professioneel ‘opgevangen’ en is op zichzelf

geen reden om van de voorgenomen beslissing af te wijken.

Luisteren alleen is niet voldoende. De agent zal ook moeten ingaan op de argumenten

van de burger om te laten merken dat de burger gehoord, begrepen

en serieus genomen wordt in zijn reactie. De methode Van der Steen noemt dat

‘van repliek dienen’. Er worden drie typen reacties van burger benoemd, A-, B-

en C-gedrag. Op elk van deze reactietypen wordt weer een repliek aangereikt.

Bij A-gedrag komt de burger met een excuus voor zijn overtreding. Bij B-gedrag

wordt de regel zelf of het beleid om deze regel, al of niet met prioriteit, te

handhaven door de burger bekritiseerd. Bij C-gedrag is de persoon van agent

zelf ‘doelwit’ van de burger in de vorm van verbale agressie. Zie voor een overzicht

de tabel aan het eind van dit artikel.

11 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


Kenmerkend is dat de repliek de vorm heeft van een fasering. Als belangrijk

principe wordt aangereikt om in eerste instantie ‘mee te veren’ met de burger

en daarna te komen met de eigen argumenten om staande te houden en de redenen

om te bekeuren of te waarschuwen. Dit wordt ook wel de judo-beweging

genoemd: meeveren en vervolgens overnemen. In de Verenigde Staten is in dit

verband de techniek van ‘verbal judo’ ontwikkeld 4 .

De methode Van der Steen benoemt ook verkeerde reacties van de politieagent.

Deze hebben meer de vorm van een ‘stijl’ van reageren, zoals bagatelliseren,

formeel reageren of willen overtroeven. Deze laatste reactiestijlen werken vaak

escalatieverhogend.

In de leerstof wordt aangegeven dat de meeste klachten over politieoptreden te

maken hebben met de manier waarop een handhavinggesprek wordt geopend

en de manier van reageren op de reactie van de burger. Verkeerde reacties van

de agent kunnen leiden tot escalatie van de interactie, met als gevolg gezichtsverlies,

negatieve beeldvorming, kans op klachten, extra werk in afhandeling.

Contact met de burger op meerdere niveau tegelijk

Een handhavinggesprek is meer dan het doorlopen van een aantal fasen in de

gespreksvoering en de toepassing van enkele gesprekstechnieken. In het bij

velen bekende model van communicatie tussen zender en ontvanger wordt

globaal onderscheid gemaakt tussen inhoudsniveau en betrekkingsniveau.

Hoe wordt er met het inhoudelijke onderwerp omgegaan en hoe wordt er met

elkaar omgegaan. Wanneer een agent een burger aanspreekt en de burger

daarop reageert, gebeurt er meer dan alleen overdracht van informatie van

de ene persoon naar de andere persoon. De gesprekspartners praten over een

inhoudelijke kwestie, maar vormen en reguleren tijdens de contacten ook hun

onderlinge relatie, hun betrekking met elkaar. Op betrekkingsniveau leven verwachtingen

over hoe contacten zullen verlopen, hoe men met elkaar omgaat en

behoort te gaan en allerlei beelden en gevoelens over elkaars betrokkenheid en

intenties. Op betrekkingsniveau ervaren de gesprekspartners of er sprake is van

wederkerigheid in hun onderlinge omgang. Communicatie vindt altijd tegelijkertijd

op deze niveaus plaats. Je kunt niet alleen inhoudelijk communiceren, er

wordt tegelijkertijd ook op betrekkingsniveau gecommuniceerd en vice versa.

Inhouds- en betrekkingsniveau worden elk nog verder onderscheiden. Zie ook

de tabel aan het eind van dit artikel. Op inhoudsniveau is er sprake van inhoud

en procedure. Op betrekkingsniveau worden interactie en beleving onderscheiden.

Actief wisselen tussen communicatieniveaus heet ‘schakelen’. Schakelen

is direct sturen op het niveau waar de gesprekspartners in de procedure zitten,

12 Bejegenen bij handhaving


hoe de onderlinge interactie is of hoe men het gesprek beleeft. Schakelen is

gericht op de voortgang van het gesprek. Een schakeling op procedureniveau is

bijvoorbeeld: “Meneer, ik begrijp uw argumenten, maar voor mij is uw overtreding

te ernstig om niet te bekeuren. [schakeling:] Ik wil nu graag de gegevens

gaan noteren. Mag ik uw naam.”

Voor een agent is het van belang in de directe interactie met de burger te kunnen

schakelen tussen de communicatieniveaus en van zichzelf te weten waar

hem dat meer en minder gemakkelijk af gaat.

De tactische aanwijzingen binnen de methode Van der Steen richten zich

voornamelijk op procedureel niveau. Doel is het handhavinggesprek zowel efficiënt

af te wikkelen als ook de overtreder, de burger, correct te bejegenen. De

methode is opgebouwd rond de fasering. Dit is slechts de kapstok voor waar

het werkelijk om gaat, namelijk een professionele bejegening. En die zit niet in

het volgen van een fasering, maar ligt op een dieper communicatieniveau. De

tactische instructies van de methode helpen om ‘jezelf staande te houden na het

staande houden’, maar in wezen gaat om contact te krijgen met de burger, om

met hem te spreken over de na te leven en door de politie te handhaven norm.

In een dergelijk contact gaat het niet alleen om de te handhaven norm, maar

ook om het wederzijds handhaven van de omgangsnormen tijdens het contact.

Bejegenen: ’doe ik normaal tegen jou, doe jij normaal tegen mij’

Bejegenen is vooral een communicatieve handeling op interactie- en belevingsniveau.

Correct (of professioneel) bejegenen wil dan ook niet zeggen dat de

agent vanuit het procedurele niveau blijft communiceren, maar juist op interactie

en belevingsniveau contact maakt met de burger. Dáár ligt het aanknopingspunt

om de burger aan te spreken op zijn normoverschrijding en gewenste

normnaleving.

Bejegenen is het doelgericht tegemoet treden van de ander. Dat is niet hetzelfde

als tegemoet komen aan wat de ander wil. Het moet duidelijk zijn waarom

de burger wordt aangesproken. Het hoeft niet altijd gepaard te gaan met sympathie,

maar wel met empathie om effectief te zijn.

Eerder onderzoek naar de interactie politie-publiek gaf aan dat “empathie in

principe meer is dan een technische sociale vaardigheid, het gaat om het daadwerkelijk

begrijpen en ervaren van de situatie van een ander” 5 .

De manier waarop politiemensen regels en normen handhaven, moet een weerspiegeling

zijn van de bedoeling van die regels en normen. Het doel van normhandhaving

moet zogezegd congruent zijn met de weg er naar toe. Rechtvaardig

optreden gaat niet alleen om de norm of regel, maar ook om de manier en

13 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


stijl van optreden zelf. De handhaving wordt sterker als ook het optreden zelf

rechtvaardig is. Zie elders in deze bundel Bergsma met een bespreking van de

begrippen procedurele en interactionele rechtvaardigheid.

De Nationale Ombudsman spreekt over het vereiste van professionaliteit en

het vereiste van correcte bejegening en verwijst naar de standaarden van de

beroepsgroep 6 . De methode Van der Steen kan worden gezien als een standaard

voor de politieberoepsgroep. Mede omdat het gericht is op voorkomen van

escalatie door de eigen manier van optreden van politiemensen. Uiteraard niet

omdát zij optreden. De Nationale Ombudsman stelt dat het voor de politie niet

altijd eenvoudig is om de normale politietaak tegenover sommige burgers uit te

voeren. Sommigen hebben er moeite mee om, zoals de Nationale Ombudsman

formuleert “een rol als burger te kiezen die passend is in onze maatschappelijke

verhoudingen”. Vervolgens merkt de Nationale Ombudsman op: “De politie

oefent overheidsgezag uit en dat vereist ook dat gezag door burgers die met de

politie te maken krijgen, wordt aanvaard. Als een politieambtenaar op basis van

een professionele afweging van oordeel is dat een burger een proces-verbaal

krijgt of een boetebeschikking wegens een overtreding, dan kan in redelijkheid

enige discussie daarover wel worden gevoerd.”

Dit sluit aan bij de opmerking dat weerstand vanuit frustratie of schrik begrijpelijk

is en daarom in de bejegening van burger naar agent in eerste instantie

aanvaardbaar. Voor de agent is van belang om geuite frustratie professioneel op

te kunnen vangen, daar een redelijke discussie over te kunnen voeren en waar

nodig ook de grens te stellen.

De Nationale Ombudsman vindt dat het uitschrijven van een boete escalatie in

de hand kan werken, wanneer bij de ontvanger ervan het gevoel leeft dat deze

ten onrechte wordt uitgeschreven. Er kan tussen agent en burger verschil in opvatting

ontstaan over de rechtvaardigheid van de bekeuring en er kan verschil in

beleving ontstaan over de rechtvaardigheid van de manier waarop de bekeuring

wordt uitgedeeld. Het is duidelijk dat de agent zich moet onthouden van ongepaste

opmerkingen en verbale of non-verbale uitingen die escalatie kunnen

voeden. Politiemensen zeggen in dit verband: “Ik doe normaal tegen jou, doe jij

normaal tegen mij.” 7

Het je onthouden van ongepaste opmerkingen is een bouwsteen voor proportioneel

politieoptreden. Het is tegelijkertijd een voorbeeld voor de manier waarop

je met elkaar in deze samenleving kunt omgaan, ook in situaties waarin je een

ander aanspreekt op zijn gedrag of wordt aangesproken op eigen gedrag.

14 Bejegenen bij handhaving


Voor politiemensen is van belang goed te kunnen onderscheiden waar de weerstand

van de burger vandaan komt (schrik, onbegrip, gevoel van onrecht, onwil)

en bij zichzelf en bij collega’s de triggers te (her)kennen waardoor zij ertoe

neigen zelf ongepast (non-)verbaal gedrag te vertonen en disproportioneel op

te treden.

‘Straffen voor gedragbij E-gedrag?

In de ervaring van politiemensen ontstaat regelmatig spanning doordat de

burger in de discussie tijdens een handhavinggesprek doorschiet in het uiten van

zijn frustratie over gevoeld onbegrip, vermeend aangedaan onrecht, ervaren disrespect,

etc. Het lijkt er dan op dat de burger in zijn reactie er overduidelijk voor

kiest om verbaal en non-verbaal ongepast en escalerend gedrag te vertonen,

zonder aanleiding daartoe van de kant van de agent. Ik noem dit in het verlengde

van de terminologie van de methode Van der Steen ‘E-gedrag’. Dit definieer

ik als escalatiegedrag van de burger door ongepast grensoverschrijdend gedrag

in het intermenselijk contact.

Het gaat hier om meer dan C-gedrag zoals dat in de methode Van der Steen

wordt omschreven. In ‘E-gedrag’ laat een burger merken zich weinig gelegen te

laten liggen aan enige ordening, veiligheid en rekening houden met elkaar in

de samenleving en daar ook niet op wenst te worden aangesproken. Zogezegd

een ‘dikke ik met een kort lontje’. Deze onderliggende houding komt tevoorschijn

in aanhoudend onmaatschappelijk gedrag. Dat gedrag uit zich eerst in de

overtreding, daarna in de bejegening richting agent en zal zich vermoedelijk opnieuw

voordoen zodra betrokkene zijn weg vervolgt. Niet alleen het gezag van

de handhaver is dan aan de orde, ook de wijze van deelnemen van de burger

aan het maatschappelijk verkeer.

De volgende redenering formuleer ik afgeleid van uitspraken van meerdere

politiemensen en is uitdrukkelijk bedoeld als inzet voor een professionele

gedachtenwisseling.

Wanneer er sprake is van ‘E-gedrag’ kan een heroverweging ertoe leiden de

burger alsnog te bekeuren voor de initiële overtreding waarvoor hij staande is

gehouden. Die overtreding wordt als het ware ‘intentioneel herhaald’ door de

grensoverschrijdende provocatie. De na te leven norm wordt opnieuw ‘overtreden’

door nu in het handhavinggesprek tekeer te gaan tegen de politieagent

die die norm handhaaft. De politieagent kan gezien worden als de vertegenwoordiger

van de na te leven norm (en het waarom van die norm). Als de

provocatie de perken te buiten gaat, maar niet te bestempelen is als belediging,

bedreiging of belemmering, is dit een grond om alsnog te bekeuren voor de

15 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


initiële overtreding. Of dit praktisch, juridisch en moreel voldoende grond is,

lijkt me een discussie waard. Mijns inziens is het procedureel en interactioneel

rechtvaardig als de agent de burger eerst nog een keer voor de keus stelt: of

ophouden met de provocatie of alsnog een bekeuring krijgen.

Of ‘E-gedrag’ leidt tot het alsnog aanzeggen van een bekeuring, lijkt mij de

discretionaire bevoegdheid van de agent. Van groot belang is dat de agent van

zichzelf weet dat deze heroverweging niet stoelt op eigen emoties of vooroordelen,

maar gebaseerd is op het optreden tegen maatschappelijk ongepast

gedrag. Onprofessioneel zou zijn om de burger ‘terug te pakken’ omdat je zelf

inmiddels ook ‘over de rooie’ bent.

Wanneer het gedrag tijdens het handhavinggesprek zich ook uit in belediging

of bedreiging van de agent of ambtshandelingen belemmert, kan overwogen

worden dit als zodanig als nieuw (strafbare) feit te benoemen. Dan kan hiervoor

een proces-verbaal worden aangezegd en eventueel tot aanhouding worden

overgegaan. Ook hier lijkt het me professioneel correct om de burger eerst nog

een keer voor de keus te stellen. Dit wordt in de methode Van der Steen ook zo

aangereikt. Een extra punt van afweging zal hierbij zijn hoe een aanhouding

zich verhoudt tot de zwaarte van de oorspronkelijke overtreding. Als een agent

een burger staande houdt voor een ‘achterlichtje’, is het dan proportioneel om

uiteindelijk met die burger aan het bureau te komen na aanhouding voor belediging?

Een agent moet zich hierover helder kunnen verantwoorden.

Het is professioneel om de inzet van discretionaire bevoegdheid te kunnen

onderbouwen, waarbij de afweging van subsidiariteit en proportionaliteit

transparant is en helder aangegeven kan worden hoe het gesprek is verlopen

op inhoudsniveau en betrekkingsniveau (inhoudelijke argumenten, manier van

argumenteren en onderlinge omgang).

Overigens reikt de uitoefening van discretionaire bevoegdheid verder dan het

beslissen door een individuele politieagent om wel of niet bekeuren. Ook de

keuze om de ene buurt wel te besurveilleren, het ene groepje wel in de gaten te

houden, het ene type overtreding meer aandacht te geven, etc. is een uitwerking

van discretionaire bevoegdheid. Voor een deel wordt dit ingekaderd in beleid

en prioriteitstelling, voor een ander deel is het juist de professionele (regel)

ruimte waardoor politiemensen flexibel kunnen inspelen op concrete, actuele

situaties. Om daadwerkelijk flexibel te zijn vraagt dat juist om het kunnen overstijgen

van de concrete, actuele situatie. Het begrip ‘discretie’ in discretionaire

bevoegdheid betekent immers het kunnen maken van onderscheid. Je bent niet

‘zomaar’ aan het handhaven en beslissen omdat het ‘toevallig’ je werk is.

16 Bejegenen bij handhaving


Een professionele toepassing van de discretionaire bevoegdheid maakt dat de

politie goed kan aansluiten bij – een goede ‘fit’ heeft met – de concrete situatie

in haar context. Discretionaire ruimte en vooral de invulling daarvan is een

kenmerk van de ‘fitness’ 8 van de politie.

Heb je een verhaal bij je verhaal

Voor politiemensen is het van belang van zichzelf te weten hoe zij zelf tegenover

de door hem gehandhaafde regels staan. In gesprekken met politiemensen

komt regelmatig naar voren dat men bepaalde overtredingen minder bekeurenswaardig

vindt en daarvoor veelal waarschuwt of gewoon laat lopen. Dit

verschilt per agent. Motieven om er toch voor te bekeuren liggen bijvoorbeeld

in de ernst of gevaar van de overtreding in het algemeen of in de specifieke

situatie, omdat er afspraken zijn om in een bepaalde periode of in een bepaald

gebied er tegen op te treden, omdat het overduidelijk in het zicht van de politie

gebeurt en/of omstanders dit zien, omdat een collega met wie men op surveillance

is er wel voor bekeurt, omdat men het boetebedrag zelf erg hoog vindt,

omdat het onderdeel is van opleiding, omdat het ‘bijvangst’ is in het kader van

ander optreden en soms omdat men nog een aantal bekeuringen moet ‘scoren’.

Dit laatste wordt overigens consequent als een zwak motief benoemd.

Voor een agent is het derhalve van belang te weten vanuit welke waarden en

motieven hij optreedt, omdat het van grote invloed is op de manier van optreden,

zowel bij het contact maken als in het verdere verloop van het handhavinggesprek.

In een andere publicatie is het zo verwoord: “Het is voor een agent

onvoldoende om alleen op de eigen private moraal op een burger af te stappen

en hem aan te spreken. Dan zou een agent een burger in uniform zijn, waarvan

een andere burger zich net zoveel aantrekt als van wie dan ook. Maar omdat

echt contact maken vraagt om persoonlijke aanwezigheid, doet de private moraal

van de agent er wel degelijk toe. De uitdaging voor politiemensen is om de

hoogstpersoonlijke, private moraal te verdiepen tot een professionele moraal.

Een professionele moraal waarin publieke moraal met de eigen private moraal is

verbonden.” 9

Waarden en motieven vormen de basis waarop politiemensen hun argumenten

en hun manier van argumenteren kunnen stoelen 10 .

De argumenten die de agent gebruikt krijgen hun effectiviteit en geldigheid behalve

door opsommen van feiten en redeneren vooral door een adequate communicatie

op interactie- en belevingsniveau. En dat werkt omgekeerd natuurlijk

ook voor de argumenten en opstelling van de burger richting agent. Door te

argumenteren neem je de ander als gesprekspartner serieus.

17 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


De effectiviteit van argumentatie heeft te maken met de normatieve aanvaardbaarheid

van die argumenten 11 . “U rijdt te hard en dat mag niet” is een zwakker

argument dan “u rijdt te hard en dat levert hier teveel gevaar op voor anderen

en uzelf”. Zowel de inhoudelijke kracht van de argumenten als de manier

waarop ze worden gebracht moeten congruent met elkaar zijn. Een rechtvaardige

norm moet rechtvaardig gehandhaafd worden. Dat heeft naast proportionaliteit

en subsidiariteit te maken met de redelijkheid en toon op interactie- en

belevingsniveau 12 . “Regel is regel” en “omdat ik het als politieagent zeg” zijn

normatief geen werkzame argumenten. Zo bejegen je burgers als kinderen op

een belerende manier en raak je niet hun volwassen burgerschapsgedrag. Op

eenzelfde manier geredeneerd heeft de effectiviteit van handhaving als geheel

te maken met de normatieve aanvaardbaarheid van die handhaving. ‘Jagen op

bonnen’ is een variant op ‘regel is regel’ en ondermijnt de normatieve aanvaardbaarheid

van handhaving als geheel.

Als een agent bij zichzelf merkt dat hij in de basis niet verder komt dan formele

of privé argumenten, lijkt het me van belang zich verder te verdiepen in de

functie, werking en legitimiteit van wet- en regelgeving in de samenleving en

daarmee samenhangend de functie, werking en legitimiteit van politieoptreden.

Het (micro-)moment van beslissen en aanzeggen

De clou van het aanspreken op een overtreding is het handhaven van de norm.

Je zou kunnen stellen dat de handhaving in oplopende kracht is ‘afgerond’ als

de agent voldoende merkt dat de burger het aanspreken op zijn overtreding

accepteert, het belang van naleving van de norm inziet en bereidheid toont de

norm na te (gaan) leven 13 . De laatste twee punten blijven regelmatig impliciet

in de contacten. Als tegenovergestelde zou je kunnen zeggen dat een minimale

handhaving eruit bestaat de gegevens van de burger te kunnen hebben genoteerd

in het kader van de administratieve afhandeling. De vraag is waarmee een

agent tevreden is. Het handhaven van de norm ligt niet alleen in het feit van de

bekeuring of waarschuwing zelf, maar ook in de impact bij de burger ervan. Het

laatste kan alleen worden bepaald aan de hand van de reactie van de burger.

In gesprekken met politiemensen valt op dat men veelal eerst even wil weten

‘wat voor vlees men in de kuip’ heeft. Dat kan de agent pas inschatten na het

eerste contact met de burger. Dit betekent soms dat men het moment uitstelt

om te beslissen te waarschuwen dan wel te bekeuren en daarbij soms ook het

moment uitstelt om deze beslissing aan de burger mee te delen.

18 Bejegenen bij handhaving


In de methode Van der Steen wordt aangegeven altijd vóór het contact te beslissen

14 en tijdens de opening van het gesprek de beslissing ook meteen mee te delen.

Het creëren van duidelijkheid voor de burger over de (handhavings)intentie van

de agent is een aspect van procedurele rechtvaardigheid. Het is niet fair om in

het gesprek de beslissing tot wel of niet bekeuren te laten ‘hangen’. Als dan

uiteindelijk meegedeeld wordt dat de burger een bekeuring krijgt, werkt dat

mogelijk escalatieverhogend. Het roept op zijn minst een gevoel van machtswillekeur

op en bewerkstelligt daarmee per saldo verlies van gezag en autoriteit.

Dit betekent dat de inschatting met ‘wat voor type’ de agent te maken heeft,

veelal gebeurt in de eerste momenten van het contact en de aanloop daar naar

toe. Ervaren politiemensen geven aan in die momenten hun definitieve beslissing

eventueel bij te stellen. De agent moet van zichzelf doorhebben in welke

mate hij in deze micro-momenten beoordeelt op grond van waar-neming of van

waar-mening op basis van bijvoorbeeld stereotypering. Intercollegiale uitwisseling

over dergelijke micro-momenten is van belang om professionaliteit van

bejegening te kunnen toetsen en te ontwikkelen.

De ene burger is de andere niet en dat geldt ook voor politiemensen.

Uit recent onderzoek 15 komt naar voren dat bepaalde groepen in de samenleving

meer intrinsiek gemotiveerd zijn om regels na te leven. Deze groepen zijn

juist door een waarschuwing meer aanspreekbaar op hun naleving van de norm

dan met een bekeuring. Er zijn andere groepen die niet of minder gemotiveerd

zijn om zich aan regels te houden. Deze groepen geven zelf ook aan een meer

repressieve aanpak, bv. door bekeuring, aanvaardbaar te achten. De burger

bestaat dan ook niet. Met iedere individuele burger opnieuw moet individueel

contact gemaakt worden. Daarbij bestaat over en weer de kans dat de individuele

burger een algemeen stereotiep beeld van politie en politieagenten heeft en

omgekeerd dat politieagenten reageren vanuit hun stereotypering van soorten

burgers (“daar heb je er weer zo één”).

Weer anders ligt het in een straatcultuur met de provocaties van sommige jongerengroepen

rechtstreeks tegen de politie, los van de mogelijke overtredingen

van regels. Dit ligt anders omdat men vanuit een burgercultuur deze jongeren

niet effectief kan aanspreken op hun keuze zich juist vanuit straatcultuur onmaatschappelijk

of in ieder geval onburgerlijk te gedragen. Een aanhouding en

proces-verbaal voor belediging of belemmering ambtshandeling werkt vooral

statusverhogend binnen hun eigen groep 16 .

Behalve dat de agent een inschatting moet kunnen maken van het type burger,

is het minstens zo belangrijk dat hij van zichzelf en van zijn collega’s weet tot

welke waardengroep hij zèlf behoort. Ken je zogezegd je eigen ‘pincode’.

19 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


Ook is zicht op de eigen stijl en die van de collega belangrijk. In eerder onderzoek

zijn verschillende politiestijlen beschreven: de pragmaticus, de pessimist,

de ordehersteller, de hulpverlener 17 .

Als het gaat om de straatcultuur worden er specifieke typen onderscheiden:

de boeman, de gefrustreerde, de welwillende, de ervaringsdeskundige 18 .

Zelfkennis en zelfreflectie is van invloed op de afwegingen en beslissingen tijdens

interactie met de verschillende burgers. Dit ‘ken jezelf’ gaat verder dan het

competent kunnen toepassen van een methode voor handhavinggesprekken,

gesprekstechnieken en sociaal-communicatieve vaardigheden.

Het gaat er wezenlijk om hoe je in je vak staat. Omdat iedereen een blinde vlek

heeft, is feedback van en dialoog met anderen, in eerste instantie collega’s, een

noodzakelijke aanvulling.

Van der Steen methode: wel verder kijken, niet achterlaten

De beslissing om te waarschuwen of te bekeuren laten afhangen van een beoordeling

van het type burger en de mate van medewerking en acceptatie en blijft

overigens wel een ‘gevaarlijk’ pad. De valkuil is immers dat de politieagent zelf

teveel als persoon in een uniform reageert en teveel op basis van emotie of eigen

stijltype beslist. Dat levert uitspraken op als “Nou, als u er zo over denkt” of

“dit soort mensen vind ik vreselijk irritant” of “dat doet maar”. Het verhoogt de

kans op escalatie en machtswillekeur, zeker wanneer dit gepaard gaat met door

de agent ervaren arrogantie of disrespect van de kant van de burger.

Vaak is het contact tussen burger en politieagent incidenteel. Er kan meestal

niet worden teruggegrepen op eerder waarschuwingen en bekeuringen. De

agent weet niet of er sprake is van een meerpleger van de betreffende overtreding

of zelfs van iemand die in ruimere zin op meerdere gebieden regelmatig

overtredingen pleegt. De agent moet het dus doen met wat hij op het moment

van interactie waarneemt en ervaart. Op zichzelf is daarom het optreden op

grond van de oorspronkelijke principes van de methode Van der Steen een goed

professioneel uitgangspunt. Een afwijking van deze beroepsstandaard zou je

professioneel moeten kunnen en willen verantwoorden.

Het zou overigens de moeite waard zijn te onderzoeken of een gegeven waarschuwing

kan worden geregistreerd in de politiesystemen, zodat dergelijke

informatie wel beschikbaar is. Bovendien wordt het mogelijk de gegeven waarschuwingen

mee te tellen in de ‘prestatiescore’. Waarschuwen is immers ook

handhavend optreden. Het zou een extra wending geven aan het denken over

de ‘instrumentatie’ van normhandhavend optreden 19 . Ook komt de beslissing te

waarschuwen of te bekeuren in een ander licht te staan.

20 Bejegenen bij handhaving


Intercollegiale professionele dialoog:

praten over politiewerk is ook politiewerk

Professioneel politieoptreden zou een normaal onderwerp van collegiale intervisie

én toetsing mogen zijn. Collegiale intervisie en toetsing is op zich nog (steeds)

in ontwikkeling bij de politie 20 . Hoewel iedere politieman en politievrouw voor

zichzelf scherp heeft waarom hij of zij bepaalde beslissingen neemt, is het minder

gebruikelijk onderling door te vragen. Het ‘inzetten’ van de denkbeeldige collega

Doris Makahoe kan hierbij helpen 21 . De discretionaire bevoegdheid wordt

als een individuele bevoegdheid beschouwd, waarin men elkaar de professionele

ruimte laat om zelfstandig te beslissen. Als collega’s het te vaak niet eens zijn met

elkaars stijl en beslissingen, gaat men er wel voor zorgen niet te vaak bij elkaar

‘op de wagen te zitten’. In die zin spelen persoonlijke opvattingen en waarderingen

een belangrijke, sturende rol in de uitoefening van het politievak. Tegelijkertijd

is dat ook de kracht, want politiewerk is werk van, voor en met mensen.

In dit artikel zijn verschillende aandachtspunten benoemd die onderwerp van

intercollegiaal overleg zouden kunnen zijn. Intercollegiale professionele uitwisseling

is een belangrijke voedingsbodem voor communicatief en argumentatief

sterk politieoptreden. Uiteindelijk is het gewoon een goed gesprek over goed

politiewerk 22 .

Hieronder nog een keer bij elkaar gezet in de vorm van 10 vragen:

1. Het optreden op grond van de oorspronkelijke principes van de methode

Van der Steen is een goed professioneel uitgangspunt. Hoe sta je hier

tegenover en ben je bereid en in staat om een afwijking daarvan verwoorden

en te verantwoorden.

2. Kun je in de directe interactie met de burger voldoende schakelen tussen

de communicatieniveaus en weet je van jezelf waar je dat meer en minder

gemakkelijk af gaat.

3. Kun je helder onderscheid maken hoe het gesprek is verlopen op inhoudsniveau

en betrekkingsniveau (inhoudelijke argumenten, manier van

argumenteren en onderlinge omgang).

4. Ben je in staat en bereid om door burgers geuite frustratie professioneel op

te vangen, daar een redelijke discussie over te voeren en waar nodig ook de

grens te stellen.

5. Kun je een goed onderscheid maken waar de weerstand van de burger

vandaan komt (schrik, onbegrip, gevoel van onrecht, onwil).

6. Weet je bij jezelf en bij collega’s de triggers te (her)kennen waardoor ook

jij ertoe neigt zelf ongepast (non-)verbaal gedrag te vertonen en

disproportioneel op te treden.

21 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


7. Heb je van jezelf door hoe je in micro-momenten burgers beoordeelt en

weet je in welke mate je dit doet op basis van welke stereotypering.

8. Kun je helder maken hoe je binnen je discretionaire bevoegdheid

proportionaliteit en subsidiariteit hebt afgewogen.

9. Weet je van jezelf en je collega’s hoe je zelf tegenover de te handhaven

regels staat en vanuit welke waarden, motieven en stijlvoorkeuren je

optreedt (ken je je eigen ‘pincode’).

10. Kun je voor jezelf, in relatie tot jouw gedachten over de functie, werking

en legitimiteit van wet- en regelgeving en de politie in de samenleving, de

argumenten onderbouwen die je kunt inzetten in handhavinggesprekken.

Deel je deze gedachten en argumenten ook met collega’s.

Tot slot

Politiewerk kan niet worden uitgeoefend door robots, intelligente camera’s,

hersenloze flitspalen 23 , etc. Want hoewel waarnemen en informatie verwerken

essentiële voorwaarden zijn, ligt de kern van het werk in het contact met de

burger (in allerlei hoedanigheden, zoals slachtoffer, overtreder, getuige, verdachte,

etc. ). In en door het contact, in en door de bejegening wordt de norm

gehandhaafd. Politiewerk is naast informatiegestuurd daarom eerder nog contactgestuurd

te noemen. Een professionele, wederkerige bejegening is uiteindelijk

de belangrijkste grondslag voor vertrouwen in de politie en aanvaarding van

haar gezag en legitimiteit.

De manier waarop de politie normen handhaaft is op zichzelf een bijdrage

aan een manier van samen leven waarin men respect heeft voor individuele en

situationele verschillen en tegelijkertijd zich wil houden aan algemene regels en

normen in het onderlinge maatschappelijke verkeer en daar ook op aanspreekbaar

is.

Een politieagent is zelf ook een burger van de samenleving die kan worden aangesproken

op eigen overtredinggedrag. En tegelijkertijd is hij een handhaver die

professioneel andere (mede)burgers aanspreekt op hun gedrag. Hij doet dat in

de verwachting dat ook de burger uit zichzelf de norm wil naleven, inclusief de

omgangsnormen. In die zin kun je spreken van co-creatie van goed samen leven

in de onderlinge bejegening tijdens een handhavinggesprek. Daartoe moeten

politiemensen hun eigen persoonlijke normen integreren met hun professionele

normen. Dat is een lastige en kwetsbare aangelegenheid die onderlinge

collegiale en professionele steun en toetsing verdient 24 .

22 Bejegenen bij handhaving


Als professie en als uitgeoefende overheidstaak, van waaruit steeds aansluiting

(‘fit’) gezocht moet worden met de maatschappelijke omgeving en haar

dynamiek, vraagt dit ook om een voortdurende ontwikkeling van het onderling

aansluiten op elkaar en het onderling leren van en met elkaar.

Want politiewerk doe je wel zelf, maar niet alleen.

Tabel Gespreksfasering

De fasering is op hoofdlijnen als volgt:

Beslissing tot staandehouding op grond van waargenomen gedrag en benoemen

daarvan als overtreding/gedraging

en het maken van de keuze tussen waarschuwen of bekeuren op basis van de

feiten en daarmee samenhangende argumenten

Vervolgens komen er drie fasen in het gesprek zelf

Opening van het gesprek waarin wordt aangegeven over welk feitelijk gedrag

en overtreding het gaat en de consequenties daarvan in de vorm van een

waarschuwing dan wel bekeuring.

Ruimte voor reactie van de burger en omgaan hiermee waarin geluisterd wordt

naar de reactie van de burger en hierop repliek wordt gegeven.

Afronding en administratieve afhandeling waarin de identiteit van de burger wordt

vastgesteld en de administratieve zaken worden afgehandeld. Dit kan overigens

ook parallel plaatsvinden aan de andere fasen.

23 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


Tabel typen reacties van de burger en repliek

In hoofdlijnen is de reactie van de agent

op de reactie van de burger per type reactie als volgt:

A

B

C

Excuus; de burger komt met een excuus en verwijst naar omstandigheden

buiten zijn wil en invloed die geleid hebben tot de overtreding

De repliek kent de volgende stappen

Meeveren, begrip tonen

Argumenteren, waarin de eigen oorspronkelijke argumenten om

staande te houden en te waarschuwen dan wel te bekeuren worden

gehanteerd

Afronden

Verkeerde reacties van de agent zijn

Negeren

Bagatelliseren

Formeel reageren

Kritiek op de regel of beleid; de burger bagatelliseert het belang van de

regel / norm, de ernst van de normschending of het beleid om juist deze

regel te handhaven

De repliek kent dezelfde stappen als bij A-gedrag

Meeveren

Argumenteren

Afronden

Verkeerde reacties zijn

Persoonlijk opvatten

Formeel reageren

Intimideren, beledigen

Afreageren op de persoon van de politieagent door neerbuigend, verbaal

agressief gedrag

Bij dit gedrag kent de repliek de volgende fasen

Negeren

Tot de orde roepen, door het gedrag te benoemen en de grens te stellen

Voor de keuze stellen: meewerken of aangehouden worden voor een

nieuw strafbaar feit (bv. belemmeren, beledigen, bedreigen)

Verkeerde reacties zijn

Meespelen

Extreem reageren

Overtroeven

24 Bejegenen bij handhaving


Tabel niveaus van communicatie 25 :

Het onderwerp van gesprek,

BETREKKINGSNIVEAU INHOUDSNIVEAU

Inhoud

de feiten, meningen en argumenten mbt het onderwerp, die wordt uitgewisseld.

Schakelen op dit niveau is aansluiten op de inhoudelijke thematiek en argumentatie

van de ander, ingaan op wat hij zegt; af en toe samenvatten/teruggeven wat de

ander gezegd heeft = parafraseren, ‘hardop luisteren’.

Procedure

de manier waarop over het onderwerp wordt gesproken, de structuur van het

gesprek (de opening, de volgorde van subonderwerpen, de afronding).

Dit betreft de faseringen in het behandelen van het onderwerp.

Schakelen op dit niveau is duidelijk maken waarover eerst gesproken wordt,

wie nu aan het woord komt, dat je terug komt op een vorig punt, dat het

afgerond gaat worden, etc.

Interactie

De manier van omgaan met elkaar als gesprekspartners, de sfeer en de toonzetting,

de invloed op elkaar.

Schakelen op dit niveau is het expliciteren van het patroon van omgang,

bijv. 'jij behandelt me als een klein kind' of 'ik vind dat jij me respectvol benadert'.

Concepten zoals de Roos van Leary en Transactionele Analyse kunne helpen om op

dit niveau manieren van omgang met elkaar te bespreken.

Beleving

Ieders beleving van het gesprek, meningen, gedachten, verwachtingen. De gevoelens

die je daarbij hebt. Meestal ook gebaseerd op voorgaande ervaringen. Er is

in het algemeen meer begrip wanneer je meer gemeenschappelijke ervaringen hebt.

Schakelen op dit niveau is het naar voren brengen van of vragen naar de eigen,

innerlijke beleving over of naar aanleiding van wat er gebeurt op de andere niveaus

of eerdere ervaringen of manieren waarop gesprekspartners waarnemen (de filters,

waarden en overtuigingen). Schakelen op dit niveau is ook expliciet respect tonen

voor de beleving van de ander. Hoewel emoties niet altijd op feiten gebaseerd zijn,

zijn de emoties zelf wel een feit.

NB Procedureniveau wordt ook wel als eerste laag op het betrekkingsniveau gezien. Daarnaast wordt belevingsniveau

ook wel gevoelsniveau genoemd.

NB2 Betrekkingsniveau wordt ook wel procesniveau genoemd, waarbij er dan drie niveaus worden onderscheiden:

inhoud-, procedure- en procesniveau. Interactie en beleving worden dan bij elkaar gevoegd.

NB3 Schultz von Thun (1982) maakt nog een mooi onderscheid in o.a. appellerend en expressief aspect van communicatie.

In de collegiale uitwisseling kan besproken worden welk appèl je als agent nu eigenlijk doet op de burger

en of dit ook spoort met je manier van uiten (expressie).

25 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


26 Bejegenen bij handhaving


Noten

1 Met dank aan diverse collega’s uit politiepraktijk en –onderwijs voor hun commentaar op een

eerdere versie van dit artikel. De auteur blijft uiteraard geheel verantwoordelijk voor het

gestelde in de tekst.

2 Als hypothetische exercitie kunt u de gedachten en redeneringen in dit artikel ook eens ‘loslaten’

op bejegening binnen organisaties, bijv. functioneringsgesprekken tussen chef en medewerker of

tussen docent en student

3 Juridisch wordt er qua terminologie onderscheid gemaakt tussen enerzijds strafrechtelijk staande

houden, opsporingsambtenaar, verdachte, overtreding en bekeuren en anderzijds het op grond

van bestuurlijk handhavingsrecht doen stilstaan, toezichthouder, betrokkene, gedraging en

beschikken. In dit artikel houd ik de strafrechtelijke terminologie aan. Het begrip opsporingsambtenaar

vervang ik door agent, het begrip verdachte door burger.

4 Thompson, G.J, (1984-1994) grondlegger van Verbal Judo, besproken in Ditzhuijzen, J. van

& Plaisier, J, “Plan- en procesevaluatie van de scholing van gevangenispersoneel in “Verbal Judo””

WODC, Ministerie van Justitie 2007

5 Kop, N. et al, Interactie Politie en Publiek, 1997, Kluwer Politieserie no 19. samenvatting.

Zij zeggen verder:

“Empathie heeft ook invloed op het gebruik van andere sociale vaardigheden. Zo ligt het meer

voor de hand om duidelijkheid te verschaffen, indien men zich inleeft in de (onzekere) situatie

van de andere partij. Naast empathie is het geven van duidelijkheid van groot belang. Het geven

van duidelijkheid kan op meerdere manieren een rol spelen. Bijvoorbeeld door aan de burger

duidelijk te maken waarom de interactie (of bepaalde aspecten daarvan) plaats vindt (‘waarom

wordt ik gecontroleerd’, ‘waarom moet ik wachten’). Het creëren van duidelijkheid kan als een

sociale vaardigheid gezien worden”

6 Nationale Ombudsman, Rapport 2008 / 202. Hierin wordt een casus beschreven waarin een burger

wordt aangesproken op stapvoets rijden met een scooter op een trottoir. Hij draagt ook geen

helm en er mankeert iets aan de scooter. In het gesprek pakt de burger zijn identiteitsbewijs

terug uit de handen van de agent en slaat daarbij ook het aantekenboekje van de agent uit

handen. Een en ander leidt tot aanhouding met geweld.

De Nationale Ombudsman omschrijft de vereisten van professionaliteit en correcte bejegening

als volgt:

• Het vereiste van professionaliteit houdt in dat ambtenaren met een bijzondere training of opleiding

jegens burgers overeenkomstig de standaarden van hun beroepsgroep handelen. Dit brengt

met zich mee dat ambtenaren zich dienen te onthouden van gedragingen of het plaatsen van

opmerkingen die escalatie in de hand kunnen werken en dat zij, na voorafgaande spanningen,

niet zonder noodzaak horen te dreigen met een boete.

• Het vereiste van correcte bejegening houdt onder meer in dat bestuursorganen burgers als mens

respecteren en hen beleefd behandelen. Dit brengt met zich mee dat ambtenaren het plaatsen

van ongepaste opmerkingen achterwege dienen te laten

7 Blouw, H. de & Sprenger, C. ; Oog in oog, recht in hart, in Passie voor Politie, Politieacademie, 2007

8 Bedoeld in darwinistische zin, zij het niet als ‘survival of the fittest’ , maar als ‘contribution of the

fittest’, d.w.z. het door goed aan te sluiten / in te spelen op een situatie leveren van een goede en

passende bijdrage aan een veilige en vredige samenleving.

27 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?


9 Zie noot 7

10 Vergelijk het model van de neurologische niveaus van Robert Dilts / Gregory Bateson, waarin de

volgende lagen worden onderscheiden: omgeving – gedrag – vaardigheden – waarden/overtuigingen

– identiteit – zijnsniveau/ spiritualiteit. Het is een vaardigheid om te kunnen argumenteren,

echter inhoudelijk gebaseerd op onderliggende waarden, overtuigingen en motieven.

11 Braet, A.; De redelijkheid van de klassieke retorica ; Leiden University Press, 2007; blz. 12

12 Tyler (2006) besproken in Bergsma, R. Hoe willen burgers behandeld worden, Politieacademie,

2008 blz 7: “mensen gebruiken ethische oordelen over de eerlijkheid van een procedure om te

bepalen of een autoriteit legitiem is”.

Zie ook in deze bundel de bijdrage van R. Bergsma.

13 Deze oplopende kracht heeft te maken met wat ik noem ‘luisterdiepte’. Het eerste niveau van

luisteren is horen, daarna komt begrijpen, vervolgens accepteren/ mee eens zijn en tenslotte

doen / naleven. Vaak verstaat men onder luisteren dat iemand doet wat je zegt, gehoorzaam is.

Als iemand in een gesprek ‘ja’ zegt of knikt wil dat veelal niet meer zeggen dan dat iemand je

gehoord en begrepen heeft. Het is niet vanzelfsprekend dat iemand het met je eens is, laat staan

dat hij gaat doen wat je wil.

zie ook Blouw, H. de; De dynamiek van communicatie. paper module communicatie, Nederlandse

Politie Academie, Apeldoorn; 1996-2007

14 Het gaat hier in eerste instantie om de beslissing strafrechtelijk dan wel bestuurs-/ administratiefrechtelijk

op te treden. Vervolgens om de beslissing te waarschuwen dan wel te bekeuren/

beschikken

15 Mulder, S. & Couvrete, E.; Stijlkeuzes in handhaving; TNS-NIPO, symposium 30 oktober 2008.

Dit onderzoek gebruikt het NIPO-WIN model (Waarden In Nederland), gebaseerd op de door

Rokeach (1973) geformuleerde eindwaarden en instrumentele waarden. In het NIPO-WIN model

worden de volgende segmenten onderscheiden:

Modalen, behoudenden, zorgzamen, geëngageerden, ruimdenkers, zakelijken, luxe zoekers,

genieters. Normhandhaving heeft in al deze waardengroepen een verschillende werking.

16 Zie Kop, Euwema et al; Conflict op straat: strijden of mijden ; Politie en Wetenschap nr 40,

Apeldoorn, 2007

17 Torre, E.J. van der, Politiewerk – Politiestijlen, community policing, professionalisme, Samson,

Alphen aan den Rijn, 1999

18 Valk, B.W. van der; De staat tegen de straat ; blz. 76, Politieacademie, 2008

19 Zo eenvoudig is de discussie natuurlijk niet. Zie Boek, J.L.M. en Visser, R.A., Handhaven: eerst kiezen,

dan doen - Spanningsvelden in de handhaving; Expertisecentrum Rechtshandhaving, 2005.

Hierin wordt ingegaan op de spanningsvelden verleiden – afschrikken, principe – pragmatisme,

maatwerk – bulkwerk.

Zie ook Handhaven= brengen van balans, VtS Politie Nederland, 2008.

Daarnaast spelen er natuurlijk ook allerlei bedrijfsvoerings- en ICT-aspecten een rol.

20 Professioneel intercollegiaal overleg werd ook al in 1997 voorgesteld in Kop et al,

Interactie Politie en Publiek, 1997, Kluwer Politieserie no 19. samenvatting

21 In meerdere series workshops met groepen dienders in een groot regiokorps is geoefend met het

‘inzetten’ van de denkbeeldige collega Doris Makahoe. Dit is een andere naam voor Situatie Georiënteerd

Optreden (SGO). De politiemensen werden uitgenodigd met elkaar voorvallen die ze

28 Bejegenen bij handhaving


met elkaar meegemaakt hebben, alsnog uitvoerig met elkaar na te bespreken. Onder het motto:

‘een goede nabespreking is een goede voorbereiding’ en ‘goed praten over goed politiewerk is

ook politiewerk’.

Doris Makahoe is een samenvoeging van Doel – Risico – Mag het – Kan het – Hoe gaan we het

doen.

Beschreven in rapportages t.b.v. het betreffende regiokorps, Politieacademie, Lectoraat Lerende

Politieorganisatie i.s.m. Maatwerk, 2007 – 2008

22 Zie ook Nap, J. Vragen naar goed politiewerk ; Tijdschrift voor de Politie, januari 2007

23 De term ‘hersenloze flitspalen’ is ontleend aan Berkhout, R. in Vertrouwde Handhaving,

Tijdschrift voor de Politie, september 2008

24 Zie noot 7

25 Blouw, H. de; De dynamiek van communicatie. paper module communicatie, Nederlandse

Politie Academie, Apeldoorn; 1996-2007

mede gebaseerd op P. Watzlawick, 1974, Schulz von Thun, 1982, F.P. Schwab, 1987

29 Voorbij het Van der Steen tijdperk ?

More magazines by this user