05.09.2013 Views

Untitled

Untitled

Untitled

SHOW MORE
SHOW LESS

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

01 1047 8385 UB AMSTERDAM


D E

N I E U W E

H E L O I S E.


J U L I A

• O F D E

N I EU WE H E L O I S E.

IN B R I E V E N

V A N

T W E E G E L I E V E N ,

WOONACHTIG IN EENE KLEKNE STAD

AAN DEN VOET DER ALPEN.

NAAR. H E T F R A N S C H VAN

J. J. R O U S S E A U ,

MET FLAATEN.

E E R S T E D E E L .

TE A M S T E R D A M , BIJ

JO HANNES AL L ART.

MD C C X C VII.


VOORBERICHT.

33e HELOÏSE van den groeten ROUSSEAO

is al ce bekend , Europa heefc dit boek te

veel gelezen en bewonderd, om nog deszelfs

lofrede te maken. — Het zoude de fchini

van JEAN JACQUES voorzeker ontheiligd zijn,

zijnen gevestigden roem te willen onderdeuren

door eene opfomming van alle de bijzon«

dere en eenige fchoonheden van dezen Roman.

Dit alleen zal ik mij daaromtrent veroorloven

te zeggen , dat ik als Vertaler voor de

moeite,die het in heeft ROUSSEAU te gevoelen

en hem in eene andere taal te doen fpreken,

mij dubbel beloond heb gevonden door het

edel vermaak, van mij met zco veele kiefche

en verhevene gevoelens, in eenen zoo oft*

navolgbaren, wegflependen ftijl voorgedragen

, eenen geruimen tijd te mogen bezig

houden. — Ik doe aan mijnen Schrijver die

* 3 hui-


vi V O O R B E R I C H T .

hulde , dac ik aan het einde van dit Eerfle

Deel uitroepe, gelijk ik meermalen onder het

vertalen onwillig deed : Er is maar ééne.

Zon — en maar één JEANJACQUES!

Wat de HELOÏSE zelve betreft; daar­

omtrent zal ik liefst ROUSSEAU zelf laten

fpreken, en ten dien einde zijne korte voor­

rede voor dit werk hier inlasfchen.

„ Groote Steden — zegt hij, hebben

Schouwfpelen, en verbasterde volken heb­

ben Romans nodig. Ik heb de zeden van

mijnen tijd gezien , en deze brieven in het

licht gegeven. Waarom leefde ik niet in

eene eeuw, waarin ik die op het vuur zoude

hebben moeten werpen?"

Offchoon ik mij op den tijtel enkel

Uitgever noeme , heb ik zelf aan dit boek

gewerkt, en ik ontveinze zulks niet. Of ik

het geheel gemaakt hebbe, en of de gant-

fche briefwisfeling een verdichtfel zij? wat

gaat dit u aan, lieden van de wereld? het

is. toch zeker eene verdichting ten uwen

opzichte."

„ Elk


V O O R B E R I C H T . vu

„ Elk eerlijk man behoort zich als fchrijver

te noemen van de boeken die hij uitgeeft.

Ik plaats daarom mijnen naam aan het hoofd

dezer verzameling van Brieven, niet om mij

dezelve aantematigen , maar om er verandwoordlij

k voor te zijn. Is er eenig kwaad

in, dat men het aan mij wijte; bevat het iet

goeds , ik wil er geenen roem op dragen.

Deugt het boek niet, des te meer ben ik

verplicht daarvoor uittekomen; ik begeer

niet vcor beter gehouden te worden , dan

ik wezenlijk ben."

„ Wat de waarheid der gevallen betieft,

verklaar ik, dat ik, fchoon meermalen in het

vaderland onzer Gelieven geweest zijnde, er

nimmer, noch van den Baron D'ETANGE,

noch van zijne dochter, noch van den I ïeer

D'ORBE, noch van Mïjlord EDUAUD BOM-

STON, noch van den Heer DE WOUIAR,

heb hooren fpreken. Ook moet ik berichten,

dat de aanduiding van plaatfen hier en daar

aanmcrklijk verdraaid is , het zij om den

lezer des te beter te misleiden, het zij uit

hoofde van de bckrompene kennis des fchrijvers

daaromtrent. Zie daar al wat ik zeggen

* x kan.


vs ii V O O R B E R I C H T .

kan. Elk een denke er over, gelijk hij

wil."

,, Dit boek is niet gemaakt om in de we­

reld te worden rondgedragen, het fchikt zich

voor zeer weinige lezers. De ft ijl er van zal

lieden van fmaak ftuiten, de ilof zal opzien

verwekken bij hen die van eene ftroeve denk­

wijze zijn, en alle de gevoelens zullen buiten

de natuur wezen voor hun die aan geene

menschlijke deugd geloven. Het moet aan

dv; zoogenaamde Godsdienftigen, aan lieden

van losfe zeden, en aan de wijsgeeren even

zeer mishagen: het moet galante vrouwen

beledigen, en eerbare vrouwen ergeren. Wien

zal het dus bevallen ? Misfchien niemand dan

mij alleen : zeker althands zal het niemand

ten halve voldoen."

„ Al wie zich verledigen wil om deze

brieven te lezen , moet zich met geduld

wapenen omtrent de taalfouten, den zwel­

lenden en gemeenen ftijl,en de ingewikkelde

uitdrukking van gewoone denkbeelden ; hij

moet zich vooraf herinneren, dat zij, die

deze


V O O R B E R I C H T .

deze brieven wisfelden, geene Franfchen,

geene fraaië vernuften, geene gelieven, geene

wijsgeeren zijn ; maar landbewooners , bui­

tenlanders, lieden van eene afgezonderde

levenswijze, die nog jong, genoegzaam nog

kinders zijn , en die in hunne romanesquc

verbeelding hunne welmeenende harsfen-

fchimmen voor wijsbegeerte houden."

,, Waarom zou ik fchroomen mijne ge­

dachten te zeggen? Dit boek , in zijnen

plompen ftijl gefchreven, is voor de vrouwen

meer gefchikt, dan wijsgeerige boeken. Het

kan zelfs nuttig zijn vóórhaar, die te ïrid-

den van een losbandig leven eenige zucht

voor de eerbaarheid behouden hebben. Met

de meisjens is het anders gelegen. Nooit

las een volmaakt zedig meisje Romans, cn

voor dezen heb ik het opfchrift zoo duidüjk

gefteld, dat men het boek opflaande terftond

weten kon, wat men er van te denken hebbe.

Zij die, in weerwil van den tijtel, ééne

bladzijde er van lezen durft, is een ramp­

zalig meisje; maar dat zij haren val niet aan

dit boek wijte, het kwaad had zich reeds te

vooren bij haar gevestigd. Heeft zij éénmaal

* 5

b e

"


x V O O R B E R I C H T .

begonnen, dan leze zij vrij tot het einde toe

voord : zij heeft er niets meer bij te ver«

liezen."

„ Dat een man van fteile begrippen,

deze verzameling doorloopcndc, zich ergere

aan de esrfle afdeelingen , het boek geem-

lijk wegwerpe, en zich tegen deszelfs uit­

gever beige; ik zal mij niet beklagen over

zijne onbillijkheid; in zijne plaats gefield,

zou ik misfchien hetzelfde gedaan hebben.

Zo er een of ander zijn mocht, die, na het

geheele werk te hebben doorgelezen , mij

durfde veroordeelen, wijl ik hetzelve in het

licht gaf; hij zegge dit, aan de geheele we­

reld, zo hij het verkiest, maar hij kome het

mij niet zeggen: ik gevoel dat ik dien man,

zoo lang ik leeve, niet zoude konnen hoog

achten !" ——

Dus ver ROUSSEAU. Wat mijne vertaling

betreft :in de plaats van deszelfs verdienstlijk-

heid te roemen, zal ik liever verfchooning

vragen voor eenige kleene, hier en daar in

weerwil van mij zelf overgeblevene, verlam­

mingenvan den ooripronglijken llijl, die door­

gaands


V O O R B E R I C H T . xi

gaands in alle overzettingen, vooral uit het

Fransch,en allerbijzonderst in de werken van

den onvergelijklij ken R o U s S E A U , niet te ver­

mijden zijn, ten zij men zijnen Aucïeur flechts

vrijelijk en van verre navolge. — Deze waar­

de echter durf ik aan mijnen zwakken arbeid

toeichrijven, dat de meening van den Schrij­

ver getrouw uitgedrukt,en de ftijl doorgaands

Nederduitsch is, althands dat de grove Gal'

licismes, in gewoone vertalingen maar al te

gemeenzaam , zorgvuldig vermijd zijn ge­

worden. — Hier en daar is eene korre op­

helderende aantekening geplaatst, en bij

die gelegenheid, door onoplettendheid, op

bladz. ia8. de rots van Léucate in het voo-

rig Languedoc genomen voor die van Leu-

cadie, in Griekenland, berucht wegens de

nederftorting van Sappho uit wanhoop over

haren geliefden Phaön, welke laatile ROUS­

SEAU gewisfeiijk bedoelde.

Ik heb niets meer hierbij te voegen, dan

den hartlijken wensch, da; ROUSSEAU's

HELOÏSE dcor zijne Nederlandfche lezercn

wel verflaan, recht gewaardeerd, cn tot die

edele


XII V O O R B E R I C H T .

edele bedoelingen, welke des fchrijvers pen

beltuurden, benuttigd worde!

Het tweede Deel zal zoo fpoedig mooglijk

volgen, zullende 't geheele werk vier Deelen

van dezelfde grootte als ;dit beflaan.

DE VERTALER.

BRIE-


B R I E V É Ë

VAN TWEE

G E L I E V E N 3

WOONACHTIG IN EÈNE KLEENE STAD

AAN DEN VOET DER. ALPEN.

, 1 , , , 1 1 . 1 • i i . t mm*

EERSTE AFDEELING.

*

I. B R I E F *

/lan JÜLIA.

,

Ik moet mij van U verwijderen, M.'jufTer'! dié

gevoel ik; reeds veel eerder had ik dit moéten

doen, of liever, ik had u nooit moeten

zien. Wat nu gedaan? hoe mij te gedragen? Gij

hebt mij uwe vriendfehap toegezegd, zie mijne

verlegenheid, en geef mij raad.

Gij weet, ik ben iri uw huis niét gekomen

dan op het aanzoek van Mevrouw uwe Moeder.'

Jw DEEL, A


* B R I E V E N V A N

Bewust, dat ik eenige aangename kundigheden

mij had eigen gemaakt, geloofde zij, dat die,

in eene plaats waar het aan meesters mangelt, van

eenig nut konden _zijn aan de opvoeding eener

dochter, die zij aanbidt. 11c van mijnen kant,

trots van iets bijtedragen ter verfiering van eene

zoo natuurlijk fchoone ziel, ik heb mij met die

gevaarlijke zorg durven belasten, zonder het gevaar

er van te voorzien, althands zonder daarvoor

te duchten. Ik zal u niet zeggen, dat ik mijne

licKtvaardigheid reeds aanvanglijk boete; nooit

hoop ik mij zelf in zoo verre te vergeten, dan

ik u iet voordragen zou, het geen u niet voege

aan te hooren, -en te kort doen aan het ontzag

, dat ik uwer deugd meer nog dan aan uwe

geboorte en bevalligheden fchuldig ben. Zo

ik lijde, heb ik ten minde den troost van alleen

te lijden, en ik zou geen geluk begeeren ten

koste van het uwe.

Ondertusfchen zie ik u dagelijks, en ik ontwaare,

dat gij zonder het te merken fchuldelooa

rampen verzwaart, waarmede gij geen medelijden

kunt oenenen , en die u onbekend moeten

zijn. Ik weet, wel is waar, welk een gedrag

in dit geval de voorzichtigheid bij mangel van

alle hoop voorfchiïjve, en zeker zou ik getracht

hebben dat te volgen, indien ik ten dezen

opzichte de voorzichtigheid met de wellevendheid

verzoenen ken; dan hoe kan ik mij

wel»


T w E È G E L I E V E N . I

Welvoeglijk verwijderen uit een huis, waartoe de

eigenares zelve mij toegang heefc gegeven^

waarin zij mij met goedheden overlaadt, en aanmerkt

als Van eenig nut omtrent het geen haaf

dierbaarst in de Wereld is? Hee kan ik dió

tederhartige moeder berooven van het vermaak

om eenmaal haren echtgenoot te verrasfehefl

door uwe vorderingen in wetenfehappen, welke

zij ten dien einde opzetlijk voor hem ver*

bergt? Moet ik onbeleefdelijk vertrekken zonder

haar iets te zeggen? moet ik haar de reden

van mijne verwijdering verklaren , en zal die*

zelfde belijdenis niet beledigende voor haar zijn,

als herkomfüg van een man , wiens geboorta

noch fortuin hem nimmer konnert veroorloven

tiaar uwe hand te dingen?

Eén middel zie ik flechts, MejurTer! om mij

Uit deze moeilijkheid te redden, en dit is, dat

dezelfde hand, die mij daarin bracht, er mij

tevens uit helpe; dat ik zoo wel mijne feut

als mijnen misflag aan u verfchuldigd zij, en dat

gij mij, ten minden uit medelijden met mij,

uw bijzijn ontzeggen wilt. Toon mijnert brief

aan uwe Oudereu, doe mij uw huis verbieden,,

ban mij weg, zoo als het u behaagt ; ik kart

alles van u doorftain, maar u uit eigen bewa*

ging verlaten kan ik niets

Gij — mij verbannen! ik — u veriaten'! « t «


4 B R I E V E N ' T A S

en waarom toch? waarom is het dan eenernis»

daad, voor verdienden gevoelig te zijn, en te

beminnen het geen men vereeren moet? neen,

fchoone JULIA! uwe bekoorlijkheden hadden

mijne oogen verrukt, maar nimmer zouden zij

mijn hart vervoerd hebben, indien niet eene

veel vermogender'bekoorlijkheid ze bezielde.

Het is die aandoenlijke vereeniging eener zoo

levendige gevoeligheid met bedendige minzaamheid,

het is dat teder medelijden met de" v

rampen

van anderen, het is dat juist verdand, die

kiefche fmaak, welke hunne zuiverheid van die

der ziel ontleenen, het zijn, kortom, veel meer

de fchoonheden uwer gevoelens dan die der

leeft, welke ik in u aanbidde. Het zij zoo,

dat men zich u nog fchooner konne voordellen,

maar beminlijker, en meer het hart van een braaf

man waardig, neen, JULIA! dit is niet mooglijk.

Zomtijds durf ik mij vleijen , dat de Hemel

eene geheime overeenkomst gelegd heeft in onze

genegenheden, even gelijk in onzen fmaak en in

onze jaaren. Nog zoo jong, is er niets dat de

neigingen der natuur in ons doet ontaarten , alle

onze ger.egenheden fchijnen een zweem naar elkander

te hebben. Eer wij nog bezet zijn met

de éénvormige vooroordeelen der wereld, hebben

wij reeds eene gelijke wijze van gevoelen

en van befchouwen , en waarom zou ik dezelfde

overeendemming in onze harten mij niet mogen


T W E E G E L I E V E N . 5

gen voordellen , die ik in onze denkbeelden befpeur?

Nu en dan ontmoeten zich onze oo/en;

op het zelfde oogenblik ontlnappen ons eenige

zuchten . . . etlijke deelswijze tranen . . . ö

JUJLIA ! zo eens deze overeenkomst hooger

oorfprong had ... zo eens de Hemel ons bedemd

had al het menschlijk geweld .. .1

ach ! vergeef mij ! ik dwaal: ik durf mijne

wenfehen in de plaats der hoope te dellen , en

de hevigheid mijner begeerten zet aan derzeiver

voorwerp eene mooglijkheid bij, die er aan ontbreekt.

Ziddercnd zie ik welk eene kwelling zich

mijn hart berokkene. Ik zoek mijn ongeluk

niet te koesteren, ik zou het zelfs verfoeijen,

zo dir mooglijk ware. Oordeel of mijne gevoelens

zuiver zijn, uit de natuur der gunste,

die ik van u heb afgefmeekt. Demp , zo heq

wezen kan, de bron van een vergif, dat mij

voedzel tevens en den dood verfchaft. Ik wil

flechts genezen zijn of derven, en ik fmeek om

wwe gedrengheid, gelijk een minnaar om uwe

gunsten bidden zou.

Ja, van mijnen kant, beloof ik, zweer ik ualle

mijne krachten te zullen beproeven , om mijne

rede te herdellen, of de beroerenis, die ik in

mij gevoel, in hetbinnende mijner ziel te verbergen;

maar ik bid u, ontnek mij die lieve zachte

A 3 00«


6 B R I E V E N V A N

pogen, die mij den dood aandoen; onttrek aan

m'jn gezicht uwe gelaatstrekken , uw voorkomen,

uwe armen , uwe handen, uwe blonde

hairlokken , uwe gebaaren ; houd die bekoorlijke

Item in, die men niet zonder gevoelige

beweging hooren kans zijt, helaas! zijt een ander

dan gij zijt, op dat mijn hart tot zich zelf

konne komen.

Zal ik het u rond-uit zeggen? Bij die uitfpanningen

welke de vermaaklijkheid van den

avondllond verwekt, geeft gij u over met ieder

een aan kwellende gemeenzaamheden, Gij

zijt niet omzichtiger ten mijnen opzichte dan

ten aanzien van anderen. Gister nog, haperde

er weinig aan of gij hadt mij bij het verbeuren

van pand een kus laten nemen; gij boodt

flechts fluauwen tegenftand. Gelukkig dat ik

zorg droeg om niet ftout door te tasten, mijne

toenemende onthutfing deed mij gewaar worden ,

dat ik mij zelf' zou ongelukkig maken , en ik

wedcrhicld mij. Ach ! indien ik naar mijpen

wensch dien kus had mogen fmaken, zij

zou de laatfte zucht mijnes levens geweest,

en ik de gelukkigftc der menfehen geftorven

?ijn.

Ik bid u, laat ons deze uïrfpanningen verdijden

, waar van de gevolgen noodlottig konen

Neen, ca,ar is er niet. ééne die zonder


T W E E G E L I E V E N . 7

der gevaar tij, zelfs niet de kinderachtigste van

alle. Ik beef altoos van daarbij uwe hand aanteraken

, en ik weet niet hoe het bij komt dat

ik dezelve altijd ontmoete. Naaawlijks rust zij

op de mijne , of eene koude rilling overvalt

mij; het fpel veroorzaakt mij de koorts of liever

eene ijlhoofdigheid; ik zie, ik gevoel niets

meer, en wat zal ik, in dat oogenblik van

verftrooijing, zeggen, doen , waar mij verbergen,

hoe inftaan voor mij zelve?

Eene andere ongelegenheid doet zich op bij

het houden onzer lesfen. Zoo dra ik u ee»

oogenblik zie zonder uwe Moeder of uwe Nicht,

verandert gij eensflags van houding; gij neemt

een voorkomen aan zoo ernlTig, zoo koel, zoo

ijskoud, dat de eerbied en de vrees van u te mishagen

mij de tegenwoordigheid van geest en

het gezond oordeel doen verliezen, en ik heb

moeite van al bevende eenige woorden te Hameien

van eene les, die gij naauwlijks met alle

uwe fchranderheid kunt nagaan. Op deze

wijze loept uwe aangenomene onbeftendigheid

te gelijk tot onzer beider nadeel uit; gij

maakt mij bedroefd, en oefent u zelve niet,

zonder dat ik bezefren kan, welke reden er zij

voor iemand die zoo veel verftand bezit, om in

hare ge'aartheid dermate te veranderen. Ik durf

het u afvragen, hoe is het mooglijk , dat gij zoo

4artel zijt in het openbaar, en zoo ftatig als

A 4

v

' 'n


I B R I E V E N V A N

Wi) met ons beiden zijn? Ik meende, dat juist

het tegendeel moest plaats hebben, en dat men

zijne houding regelen moest, naar gelang van

den kring van menfchen waarin men zich bevindt,

In de plaats hiervan zie ik u, aan mijnen

kant altoos met dezelfde verlegenheid, afzonderlijk

op een ftatelijken toon, en op een

gemeenzamen voet bij ieder een. Het behage

u meer gelijk aan u zelve te wezen, misfchien

zal ik dan minder lijden.

Indien het medelijden, aan welgevormde zielen

.natuurlijk eigen, u kan vertederen jegens het lijden

van eenen ongelukkigen-, voor wien gij eenige

achting hebt doen blijken, dan zult gij door

eenige geringe veranderingen in uw gedrag zijnen

toeitand minder verdrietlijk maken, en hij zal

mee meer gelatenheid zijn .fiijzwijgen en zijne

rampen verduwen; indien zijn omzichtig gedrag

en zijn toeftand u niet treffen, en gij u

bedienen Wilt van uw recht om hem rampzalig

te maken , gij kunt het doen , zonder

dit hij er zich over beklagen zal: - nog liever

wil hij ongelukkig worden door uw bevel, dan

door eene Gnhcicheidene vervoering, die hem

in uw oog fchuldig zoude maken. Kortom, hoe

gij pok over mijn lot befast, ik zal,mij ten minfi'-a

niet te verwijten hebben, da: ik eene vermetele

hoop heb gekoesterd, en als gij dezen

hlïef gelezen hebt, hebt gij alles gedaan, wat


T W E E G E L I E V E N . 9

ik van u zou durven vergen, dan zelfs, wanneer

ik geene weigering te vrezen had.

II. B R I E F .

Aan JULIA,

Hoe zeer, MejufFer! heb ik mij in mijnen eer-,

ften brief vergist! In plaats van mijne rampen

te verlichten, heb ik ze enkel verzwaard door

mij aan uwe ongenade bloot te ftellen , en nu

gevoel ik, dat u te mishagen de grootfte van

die allen is. Uwe ftilzwijgendheid, uwe koele

en ftrakke houding voorfpellen mij maar al te

zeer mijn ongeluk. Indien gij voor een gedeelte

mijne iineekbede verhoord hebt, het is Hechts

ora mij Gaar door des te beter te fkaffeh,

E pol cVamor di me vi fece accorta

Fur i biondi Cupelli allor vslati,'

E Pamorofo fguardo in fe raccolto (i).

Gij fnijdt in het openbaar die onfchuldigë gemeenzaamheid

af, waarover ik de dwaasheid had

mij

Cl) Dst is: Na dat gif mijne lief Je bemerkt badt,

heelekte gij de pchoonbeid uzver blonde bairen mei

(enen fiuiet, en uwen verliefden blik •atderhiild £.y.

Aant. de* V U T .

A 5


to B R I E V E N T A N

mij te beklagen, maar gij zijt daarom in het afzonderlijke

niet minder (troef, en uwe voorbedachte

ftrengheid vertoont zich even zoo

wel in uwe beleefdheden, als in uwe weigeringen.

Waarom kunt gij dan niet bezeffen, hoe folterend

deze koelheid voor mij zij! ach ! gij zoudt mijne

Hraf te zwaar vinden. Met welk een vuur zon

ik niet wenfchen de zaak op zijnen voorigen

voet te herftellen, en te bewerken, dat gij dien

noodlottigen brief nimmer gelezen hadt. Neen,

uit vrees van u andermaal te beledigen, zou ik

u dezen niet fchrijven, had ik den eerften niet

gefchreeven , en ik wil mijnen misdag niet

herhalen , maar vei beteren. Moet ik ter uwer

bevrediging zeggen dat ik mij zelf bedrogen

heb? Moet ik betuigen dat ik geene liefde

voor u gevoelde ? .... ik... ik zou dien verfoeilijken

meineed uitfpreken! Is de verachtlijke

logen dat hart waardig waarover gij hecrscht?

ach ! dat ik ongelukkig zij, indien ik het zijn

moet; nimmer zal ik noch logenaar noch laagzielig

worden, omdat ik onbedachtzaam ben geweest

, en de misdaad, die mijn hart begaan

heeft, kan mijne pen niet miskennen.

Ik gevoel bij voorraad al het gewicht van

uwe verontwaardiging, en ik verwacht er de

uiterfte gevolgen van, als eene gunst welke gij

mij


T W E E G E L I E V E N . 11

mij in de plaats van alle andere guniten fchuldig

zijt; want het vuur dat mij verteert verdient wel

ftraf, maar geene verachting. Ai! laat mij niet

over aan mij zeiven; gewaardig u ten minilen

om over mijn lot te 'befchikken; zeg wat uw

wil zij. Wat gij mij ook zoudt mogen voorfchrijven,

ik zal zeker gehoorzamen. Legt gij

mij een eeuwig ftilzwijgcn op ? ik zal mij zelf

weten te dwingen om het te bewaren. Verbant

gij mij uit uwe tegenwoordigheid ? ik zweer dat

gij mij niet meer zien zult, Beveelt gij mij te

fterven? 6! dit zal mij niet het moeilijkst vallen.

Er is geen bevel, dat ik niet ondcrfchrijven

wil, behalven dat van u niet langer te beminnen

; en zelfs hieromtrent zou ik gehoorzamen,

zo het mij mooglijk was.

Honderdmalen op een dag ben ik in de ver»

boeking om mij aan uwe voeten te werpen,

die met mijne tranen te befproeicn, en daar

den dood of vergiffenis te verwerven. Altoos

flremt eene doodlijke ontrocrenis mijnen moed,

mijne knieën fchudden en durven zich riet buigen

; het woord fterft op mijne lippen, en mijne

ziel bezit geene de minfte ftoutmoedigheid

tegen den fchroom van u te beledigen.

Is er ter wereld een toeftand ijslijker dan de

mijne? Mijn hart voelt al te wel hoe fchuldig

het is, en het kan echter niet ophouden zulks

te


52 B R I E V E N V A N

te wezen. De misdaad en de wroeging beroeren

her gel ijkerhand , en zonder te weten,

wat mijn lot zijn zai, dobber ik in eene duldeloze

onzekerheid, tusfchen de hoop op genade,

en de vrees voor ftraf.

Dan neen, ik hoop niets, ik heb geen rechi,

om iets te hoopcn. De eenige gunst die ik

van u verwacht, is mijne ftraf te verhaasten.

Voldoe aan eene rechtvaardige wraak. Ben ik

m'et ongelukkig genoeg, daar ik mij genoodzaakt

zie, u zelve daarom te verzoeken? Straf mij,

dit moe: gij doen; maar indien gij niet onbarmhartig

zijt, leg dan die koele en misnoegde

houding af; die'mij tot wanhoop brengt; wanneer

men eeneu misdadigen ter dood verzendt,

toont men hem geene gramfohap meer.

III. B R I E F ,

4an JULIA.

Word niet ongeduldig, MejufFer! dit is de

laatftc maal, dat ik u lastig vallen zal.

Hoe ver was ik af, bij den aanvang mijner

liefde voor u, van alle de fmaften te voorzien,

welke ik mij zelf bereidde! in het eerst gevoelde

ik geene andere dan die van eene lief*

de


T W E E G~E L I E V Ë N. Ijf

de zonder hoop, welke de rede door lengte

van tijd overwinnen kan ; vervolgends ontwaarde

ik eene veel grotere frnart, het verdriet

naamlijk van u te mishasen ; en thands ondervind

ik de bitterde van alle , door het gevoel

uwer eigene kwellingen, ö JÜLIA ! ik zie het

met innige droefheid , mijne klachten liooren

uwe rust. Gij bewaart een onoverwinlijk z-vijgen

; maar alles ontdekt aan mijn naauwlettend

hart uwe geheime gemoedsbewegingen. Uwe

oogen daan treurig, mijmerend, op de aarde gevestigd;

eenige verdwaalde blikken worden op mij

geflagen; uw levendig blos verwelkt; eene onge«

woone bleekheid ligt op uwe wangen; de vrolijkheid

verlaat u; eene doodlijke droefgeestigheid

overmeestert u, en niets dan eene onveranderlijke

zachtheid van ziel bewaart u voor eenigermate

geemiijk te worden.

Het zij dan uit gevoeligheid, of uit verontwaardiging,

of uit medelijden 'met mijne lijdens,

ik zie, dat gij er door aangedaan zijt; ik ben bevreesd

van de uwe te vermeerderen, cn die vreeê

kwelt mij veel meer, dan de hoop, die er uit

ontdaan moest, mij dreelen kan; want, of ik

bedrieg mij zelf, of uw geluk is mij veel dierbarer

dan mijn eigen.

Wanneer ik intusfehen weder tot mij zelve

kome, begin ik te bemerken, hoe verkeerd ik

over


24 B R I E V E N V A H

over mijn eigen hart geoordeeld had, en ik zié.

al te laat, dat het geen ik in den beginne had

aangezien als eene voorbijgaande bedwelming,

indedaad het lot mijnes levens beflisfen zal.

De toeneming nwer droefheid heeft mij die van

mijn ongeluk doen kennen. Nimmer, neen nimmer

zoude de gloed uwer oogen , het blo*

zende van uwe couleur, de bevalligheid van uw

vernuft, al het bekoorlijke uwer oude vrolijkheid,

zulk eene uitwerking gedaan hebben, als

uwe neêrflachtigheid alleen. Zijt verzekerd,

Godlijke JULIA! indien gij zien kondt, welk

eene verwoesting deze acht dagen kwijnens in

mijne ziel hebben aangericht, gij zelve zoudt

bitter treuren over de rampen die gij mij be*

rokkent. Zij zijn van nu af aan ongeneeslijk,

en ik gevoel met wanhoop, dat het vuur, welk

mij verteert, niet zal worden uitgedoofd dan in

het graf.

Dan dit zij zoo; hij, die niet gelukkig kan

worden , kan het ten minde verdienen te wezen

, en ik zal weten u te noodsaken van eenen

man te achten, wien gij met geen het minde

andwoord verwaardigd hebt. Ik ben jong, en

kan éénmaal die onderfcheiding verdienen, welke

ik thands niet waardig ben. Inmiddels moet

ik u de rust hergeven, die ik voor altoos verloren

heb, en welke ik u hier, in weerwil van

mij zeiven, ontroove. Het is billijs , dat ik

al-


T W E E GELIEVEN. 15

alleen het leed drage van de misdaad, waaraan

ik alleen fchuldig ben. Vaarwel, al te fchoone

JULIA! leef gerust, en hervat uwe blijgeestig»

heid; van morgen af aan zult gij mij niet meec

zien. Maar zijt verzekerd , dat de vuurige en

zuivere liefde voor u, die mij heefc doen blaaken,

niet dan met mijn leven zal worden uitgebluscht;

dat mijn hart, vervuld met een zoo

waardig voorwerp, zich nimmer meer verlaagen

kan; dat het zijne hulde van nu af aan u en

aan de deugd alleen zal toewijden, en dat men

nimmer het heiligdom, waarin JULIA werd aangebeden

, door andere liefdevlammen zal zien.

ontheiligen.

B R I E F J E

Van JULIA.

Verwijdsr het denkbeeld van uw vertrek nood-,

zaaldijk te hebben gemaakt. Een deugdzaam,

hart zou weten zich te overwinnen of te zwijgen

, en misfchien zou het dan gevaarlijk worden.

Maar gij . . gij kunt wel blijven.

Antwoord.

Langen tijd heb ik gezwegen ; eindelijk heb-»

ben uwe koele bejegeningen mij doen fpreken..

Men


ïo B R I E V E N V A »

Men moge Zich ten gevalle van dé deugd korinen

overwinnen ; maar de verachting van 't voorwerp

dat men bemint is ondraaglijk. Ik moet

vertrekken.

IL B R I E F J E

Van JULIA.

Ptfèen, mijn Heer ! na het geen gij fchijnf

gevoeld te hebben, na het geen gij gewaagd

hebt mij te zegjen, vertrekt een man, zoo ah»

gij voorgaaft te zijn , niet; hij doet meer.

Antwoord.

Ik heb niets voorgewend dan e?ne gematigde

drift, daar mijn hart wanhopig van liefde was.-

Morgen zult gij voldaan zijn , en wat gij 'er

ook Van zeggen moogt, ik zal minder gedaan'

hebben dan te vertrekken.

III. B R I E F J E

Van JULIA.

önbezonnene! zo mijn leven u dierbaar is,vrees

dan van het uwe aantetasten! Ik word gade*


T W E E G E L I E V E N . if

degeflagen, en kan u noch fpreken noch fehrijveri

voor morgen. Wacht hierop.

IV. B R I E F *

Van JULIA.

Tk moet dan eindelijk dat noodlottig, dat kwa«*

lijk verborgen geheim bekennen! Hoe vaak heb

ik gezworen, dat het niet dan met mijn leven

aan mijnen boezem zou ontwrongen Worden!

't gevaar van het uwe perst het mij af; her.

ontfnapt mij, Cn mijne eer is verloren. Helaas!

ik heb maar al te zeer woord gehouden %

kan er een wreeder dood zijn, dan zijne eer tö

overleven ?

Wat zal ik zeggen? hoe zal ik een zoo pijnigend

ffilzwijgen afbreken ? of liever, heb ik

hiet reeds alles gezegd, en hebt gij mij niet

maar al te wel begrepen ? ach! gij hebt 'er te

veel van gezien , om het overige nier te raaden!

Trapswijze verlokt in de valftrikken vart

eenen lagen verleider, zie ik den verfchriklijken

afgrond, waarheen ik ijle, Zonder mij te konnen

wederhouden. Listig man! het is veel

meer mijne liefde, dan de uwe, die u ftouf

maakt. Gij ziet de vervoering van mijn hart,

gij bedient u daarvan om mij te bederven, en

L DEEL. B na


iS B R I E V E N V A N

na mij verachtlijk gemaakt te hebben , is mijn

grootfte fmart deze, dat ik genoodzaakt ben u te

verachten', ó Ongelukkige! ik achtte u, en gij

ontëert mij! geloof mij, indien uw hart berekend

was om dezen zegepraal gerustlijk te genieten

, het zoude dien nimmer behaald hebben.

Gij hebt het gedaan, en uwe wroegingen

zullen er door toenemen; ik had geene misdadige

neigingen in mijne ziel. De zedigheid, de

eerbaarheid waren mij dierbaar; ik fchepte vermaak

in dezelve aantekweken door een eenvouwig

en werkzaam leven. Wat hebben mij die

zorgen gebaat, welke de Hemel verfmaad heeft?

van den dag af, dat ik het ongeluk had u te

zien, gevoelde ik het gif, dat mijne zinnen en

mijne rede verpest; ik gevoelde het zints 't

eerlte oogenblik, en uwe oogen , uwe gevoe»

lens, uwe gefprekken, uwe misdadige ,pen maken

het eiken dag meer doodlijk.

Ik heb niets verzuimd om den voordgang dezer

noodlottige hartstocht te beteugelen; onvermogend

om tegenftand te bieden, heb ik mij

willen beveiligen van aangevallen te worden ; uwe

vervolgingen hebben mijne gewaande voorzichtigheid

te loor gefteld. Honderdmaal heb ik mij

san de voeten van de oorzaken mijnes levens

willen nederwerpen; honderdmaal mijn fchuldig

hart voor hun willen openleggen; dan,zij konnen

nist


T W E E G E L I E V É N. i£

niet bezcfïenwat daarin omgaat; zij zullen voor

eene onherfielbare kwaal gewoone geneesmiddelen

bezigen willen; mijne moeder is zwak en

zonder gezag; ik ken de onverzetlijke ftrengheid

van mijnen vader, en ik zal er niets doof

uitwerken dan mij, mijn geilacht, en u zelfs

te bederven en te ontëeren. Mijne vriendin is

afwezig, mijn broeder leeft niet. meer, ik vind

ter wereld geencn befchermer tegen den vijand

die mij vervolgt; te vergeefs roep ik den Hemel

aan , de Hemel is doof voor de gebeden

der zwakken. Alles geeft voedfel aan den gloed

die mij verteert, alles laat mij over aan mij

zelve, of liever, alles levert mij in uwe handen

; de geheele natuur fchijnt uwe medeflanderes

te zijn; vruchtloos zijn alle mijne pogiiv

gen; ik bemin u, in fpijr van mij zelve. Hoe,

zou mijn hart, dat geenen tegenftand bieden

kon, toen het in zijn volle kracht was, zich

nu maar ten halven overgeven? zou dat hart*

dat niets ontveinzen kan, U het overige zijner

zwakheid verheelen ? Ach! ik had den eerften,

den bezwaarlijkften flap niet moeten doen$

hoe zou ik mij nu van de volgenden konncit

wederhouden? Neen, zedert die eerfte fchredö

voel ik mij ten afgrond wcgileuren t en gij

kunt mij zoo ongelukkig maken als gij goed-»

Vindt. .

Zoo verfchriklijk is de toeftaüd waarin ik

B a mij


B R I E V E N V A K

mij bevinde, dat ik geenen toevlucht meer

nemen kan dan tot hem , die mij daarin dortedc

, en dat, om mijn geheel bederf te verhoeden

, gij mijn eenige befchermer tegen u

zclven zijn moet. Ik weet, deze belijdenis van

mijne wanhopige gedeldheid kon ik verwijlen ;

ik kon eenigen tijd mijne fchaamte verbergen,

en mij trapswijze overgeven, om mij zelf daardoor

te misleiden. Vruchtlooze list die wel

mijne eigenliefde zou konnen vleien, maar nimmer

mijne deugd redden! Weg, ik zie, ik gevoel

te veel waar de eerde misflag mij heen

leidt, en ik zocht mijnen ondergang niet voortebereiden,

maar te ontwijken.

Evenwel zo gij niet de flechtfte der mannen

zijt, zo ooit één vonk van deugd in uwe

ziel tintelde, zo deze nog eenig fpoor behouden

heeft van die gevoelens van eer, waarvan

gij mij doortrokken fcheent, kan ik u dan laag

genoeg befchouwen, om misbruik te maken van

de noodlottige belijdenis, welke mijne verbijstering

mij afperst? Neen, ik ken u; gij zult mijne

zwakheid onderdeunen, gij zult mijn beveiliger

worden, en mijn' perfoon tegen mijn eigen

hart befchermen. Uwe deugden zijn de

laatde toevlucht mijner onfchuld; mijne eer durft

zich aan de uwe toevertrouwen, en gij kunt de

eene niet behouien zonder de andere; ach! edelmoedige

ziel! bewaar ze btide, en gewaardig

u


T w x E G E L I E V E N . si

u ten minde ter liefde van u zelve, medelijden

me: mij te oefenen.

Mijn God ! ben ik genoeg vernederd ? ik fchrijt*

u neergeknield, ik baad mijn papier in mijne

tranen, ik verhef mijne beangste fmekingen tot

n. En verbeeld u intusfchen niet, dat ik onkundig

ben, dat ik dezelve van u ontvangen

moest, en dat ik, om mij te doen gehoorzamen,

mij flechts met overleg behoefde fchuldig

te maken. Vriend! ontvang dit gewaande meesterfcbap,

maar laat mij de eerbaarheid; liever

wil ik uwe flavin zijn en onfchuldig leven,

dan uwe afhanglifkheid van mij te koopén ten

koste mijner ontëering. Indien gij mij gehoor

wilt geven, welk eene liefde, welke blijken van

hoogachting moogt gij niet verwachten van haar ,

die u hare herftelling in het leven zal te danken

hebben ? Welke bekoorlijke genoegens bevat de

zachte vereeniging van twee reine zielen! Uwe

overwonnene hartstochten zullen de bronader

van uw geluk zijn, en de geneugten die gij

fmaakt den Hemel zelve waardig,

Ik geloof, ik hoope, dat een hart, welk mij

toefcheen al de verkleefdheid van 't mijne waardig

te zijn, de edelmoedigheid die ilT er van verwacht

njet zal te loor ftellcn, Maar tevens hoop

ik, dat indien dit hart laag genoeg ware

om misbruik te maken van mijni dwaling , en

B 3 van


55 B R I E V E N V A N

van de erkentenis die het mij afdwingt, alsdan

de verachting en verontwaardiging mij de verlorene

rede zonden wedergeven , en dat ik zelf

niet laag genoeg zijn zou om eenen minnaar

te ontzien, over wien ik reden zou hebben van

te blozen. Gij zult of deugdzaam of veracht

zijn; ik zal met kiesehhied behandeld worden, of

van mijne dwaling genezen; zie daar de eenigê

hoop die mij overblijft, buiten die van te Herven,

V, B R I E F .

Aan JULIA,

emclfehe machten! ik had eene ziel voor de

droefheid, geef er mij eene voor de gelukzaligheid

geflemd! Liefde, leven der ziele, koora

gij de mijne onderfchragen, die op het punt

Haat van te bezwijken, ö Onuitfpreeklijke bekoorlijkheid

der deugd! onweêrftaanbare kracht

der Hem van het bemind voorwerp! geluk,

vermaken, verrukkingen , hoe overweldigend

zijn uwe indrukken! wie kan er de gewaarwording

van wederftaan ? ö Hoe zal ik befland

blijveu tegen dien ftroom van geneugten , die

mijn hart komt overftelpen \ hoe de ontroeringen

ftülen van eene beangste minnares? ju-*

LIA! . . . . neen! mijne JULIA geknield! mijne

JULIA tranen Horten! , , . , zij, waaraan

*e


T W E E G E L I E V E N . i" ó

' E gehcclal hulde moest bewijzen, eenen man die

haar aanbidt, fmeken , dat hij haar niet beVèdige

, dat hij zich zelf niet ontëcre ! Indien

het mooglijk ware mij jegens u te belgen,

het zoude zijn om uwe huiveringen , die ons

beiden vernederen! Oordeel rechtmatiger, reine,

hemelfche fchoonheii! over den aart van

uw gezag! Zeg mij, indien ik de bevalligheden

uwer perfoon aanbid, is hec niet vooral van

wege den diepen indruk dier vlekloze ziel, welke

er in huisvest, en waarvan alle de trekken

een godlijk merkteken dragen? Gij vreest

voor mijne aanvallen te bezwijken; maar welke

aanvechtingen behoeft zij te duchten , die

alle de gevoelens, welke zij inboezemc, met

eerbied en welvoeglijkheid bekleedt? Is er een

man op de wereld, laag genoeg, oin zich ten

uwen opzichte ftoute vrijheden te veroorloven ?

Duld, duld dat ik een volkomen genot hebbe

van het onverwacht geluk van bemind te worden

. . . bemind van haar . . . throonen der

wereld, hoe ver zie ik u beneden mij! Dat ik

hem duizendmaal omhclze, dien aanbidlijken

brief, waarin uwe liefde en uwe gevoelens met

vuurige letteren geprent zijn; waarin ik , m

weerwil van al de hevigheid van een getroffen

hart, met verrukking zie, hoe zeer de levendigftc

driften zelfs, in eene brave ziel, het heilig

kenmerk der deu£d behouden. Welk monsl

e r

B 4


§4 B R I E V E N V A N

ter zon, na het lezen van dien aandoenlijke!!

brief, misbruik van uwe gedeldheid konncn

maken, en op de kenlijkde wijze zijne diepe

minachting voor zich zelf aan den da> leggen?

Neen, waarde minnares! del vertrouwen in een

getrouw vriend , die niet in Haat is om u te

misleiden. Laat mijn verfland voor altoos verloren

zijn, laat de verwarring mijner zinnen

ieder oogenblik toenemen, uwe pcribon is van

nu af aan voor mij het bekoorlijkst, maar ook

het heiligst pand, waarmede ooit fterveling vereerd

werd. Beiden mijne liefdevlam en haar voorwerp

zullen eene onfehendbare zuiverheid behouden.

Ik zou meer zidderen van uwe kuifene

aanloklijkheden aanteranden, dan voor de

laagfte fchendaad , en gij kunt bij uwen vader

geen ongedoorder veiligheid genieten , dan bij

uwen minnaar, ö Indien ooit deze gelukkige

minnaar zich één oogenblik jegens u vergeten

mocht ... ju LI A'S minnaar zou eene la,"e

rif 1 hebben! Neen , als ik ophoude de deugd

te beminnen, zal ik u niet meer liefhebben; en

na mijn eerde verachtlijk bedrijf, begeer i!c

yiiet, dat gij mij langer bemint,

Stel u dan gerust, ik bezweer het u in den

flfram der tedere en zuivei e liefde, die ons vereenigt';

zij is het, die uwe waarborg moet zijn

VOor mijne befcheidenheid en mijne hoogach-

{ingj zij is bet, die voor zich zelve moet in-

daan.


T W E E G E L I E V E N . 25

ftaan. En waarom zouden uwe angstvalligheden

verder gaan dan mijne begeerten ? naar welk

geluk zou ik meer willen haaken, daar geheel

mijn hart dat, welk het geniet, naauwlijks omvatten

kan? Het is waar, beiden zijn wij jong,

wij beminnen voor de eerfte en eenigfte maal

van ons leven, en hebben geheel geene ondervinding

van de hartstochten ; maar is dan de

eer die ons geleidt een bedrieglijke gids? heeft

dezelve eene bedenklijke ondervinding nodig,

welke men niet verkrijgt dan door een aantal

van wandaden ? Ik weet niet of ik mij bedrieg,

maar het fchijnt mij toe, dat alle de gevoelens

van eerlijkheid in mijn boezem huisvesten. Ik

ben geen fuoode verleider, gelijk gij mij in uwe

viaag van wanhoop noemt, maar een oprecht

en gevoelig man , die gereediijk openbaart 'c

geen hij gevoelt, en die niets gevoelt waarover

bij behoeft te blozen. Om alles met één woord

te zeggen, ik heb nog grooter affchrik van de

m'sdaad, dan van JULIA niet meer te beminnen.

Ik weet zelfs niet, neen w r

aarlijk niet, of

de liefde die gij verwekt, beftaan kan met het

vergeten van de deugd, en of wel iemand dan

var. eene rechtfehapene ziel, alle uwe bevalligheden

genoegzaam kan gevoelen. Welke goede daad,

die ik om baars zelfs wil niet gedaan zou hebben,

zou ik nu niet bedrijven , om mij uwer

waardig te maken? Ach! het behage u, u toe-

{evertrouwen aan de vuurige liefdedrift die gij

B 5 zei-


2


T W E E G E L I E V E N . ay

trouwde, ons geftadig onderhield over de grondregelen

der galanterie , over de voorvallen van

hare jeugd, over de konstgreepen der minnaars,

en dat, indien zij ons al niet, om ons voor

de fhïkken der mannen te behoeden, leerde er

voor hun te fpannen , zij ons ten minden in

duizend zaken onderwees, welke jonge meisjes

niet behoorden te weten. Vertroost u dan over

haar verlies, als over eenen ramp, die eenige

vergoeding met zich brengt. In de jaaren die

wij nu bereiken, begonden hare onderrichtingen

gevaarlijk te worden , en welligt heeft ons de

Hemel haar ontnomen op dat tïjdffip, toen het

niet nuttig was dat zij langer bij ons verbleef.

Herinner u wat gij mij zeide, toen ik den besten

der broederen verloor. Is CHAILLOT U

nog dierbarer? Hebt gij meer redenen om haar

te betreuren?

Keer weder, mijne waarde! zij heeft uwer

niet meer nodig. Helaas ! terwijl gij uwen

tijd verfpilt in vruchtloze weeklachten , vreest

gij niet van u zelf nieuwe klaagflof te bewerken?

vreest gij niet, gij, die de gefteldheid

van mijn harte kent, om uwe vriendin overtelaten

aan gevaaren, welke door uw bijzijn zouden

voorgekomen wezen? ö hoe veel is er zedert

uw vertrek gebeurd! gij zult ziddereu, als

gij verneemt, aan welke gevaaren ik mij door

mijne onvoorzichtigheid heb blootgefteld. Ik

hoop


aS B R I E V E N V A N

hoop dat ik ze ontkomen ben; maar ik zie mij,

om zoo te fpreken , overgegeven aan de befchcidenheid

van een ander; het üaat aan u,

mij aan mijzelve wedertegeven. Kom dan ipoedig

terug. Ik heb er niets van gezegd, zoo

•lang uwe zorgen nuttig waren voor uwe arme

Leidsvrouw (*) ; ja ik zou de eerde geweest

zijn om u te raden dat gij haar dezelve betoonde.

Zedert zij niet meer leeft, zijt gij die

aan haar geilacht verfchuldigd ; wij zullen dezelve

hier met ons beiden beter vervullen, davi

gij alken op het land kunt doen, en gij zult

u kwijten van de plichten der dankbaarheid,

zonder die der vriendfchap te kwetfen.

Zedert mijns vaders vertrek hebben wij onze

voorige levenswijze weder aangevangen, en mijne

moeder is meer gezet bij mij; doch dit is

meer uit eene heblijkheid, dan uit wantrouwen.

Hare gezelfchappen nemen nog verfcheidene uuren

bij haar weg, welke zij aan mijne kleene

ftudien niet ontrooven wil, en BABI vervangt

dan flordig genoeg hare plaats. Offchoon ik

bij deze goede moeder veel te veel gerustheid

ontdek, kan ik echter niet befluiten haar kennis

er van te geven; ik wenschte wel voor mijne

veiligheid te zorgen zonder hare achting te

verliezen, en gij alleen kunt dit alles in orde

breni*)

Bonne,


T \v E E G E L I E V E N . sa

brengen. Keer terug, mijne CLAARTJÏ! keer

ÏJUings terug. Ik heb fpijt van de lesfcn d e ik

zonder u ontvang, en vrees van al te geleerd

te zullen worden. Onze meester is niet flechts

een man van verdiensten, hij is tevens deugd­

zaam , en daarom juist is hij te meer gevaarlijk.

Ik ben al te wel van hem voldaan om het van

mij zelve te zijn. In zijne en onze jaaren 'is

het beter bij den deugdzaamften man zelfs, in­

dien hij te gelijk beminlijk is , met zich beide

.meisjes te zijn, dan alleen.

VII. B R I E F .

Andwoord.

Ik verfta u, en gij doet mij beven. Niet dat

ik gelove, dat het gevaar zoo nabij is, als gij

het u verbeeldt. Uwe vrees tempert voor het

tegenwoordige de mijne; maar de toekomst be­

kommert mij , en indien gij niet in ftaat zijc

u zelf te overwinnen, voorzie ik niet dan on­

heilen. Keiaas! hoe menigmaal heeft mij de

arme CHAILLOT voorfpeld, dat de eerfte lief­

dezucht van uw hart uw levenslot beflisfen zou!

ach! Nicht! moet gij , nog zoo jong, reeds

uw lot bepaald zien ? Wat zullen wij haar nu

misfen , die bekwame Vrouw , welke gij het

voordeelig voor ons acht verloren te hebben! Mis-

fchien


B R I E V E N V A K

fchien zou het nuttig voor ons geweest zijn, ZO

wij in den beginne in vertrouwder handen gevallen

waren , maar nu uit de hare komende,

zijn wij te veel geoefend om ons door andere

te laten beftuuren, en niet genoeg , om ons

zelve te beheerfchen; zij alleen kon ons beveiligen

voor de gevaaren, waaraan zij ons had

bloot gefield. Zij heeft ons veel geleerd , en

wij hebben, dunkt mij, voor onzen ouderdom

veel nagedacht. Die warme en tedere vriendfchap

, welke ons bijna van de wieg af vereenigde,

heeft ons, om zoo te fpreken, vroegtijdig

de ziel verlicht ten opzichte van alle de

hartstochten. Wij kennen vrij wel 'hare kenmerken

en hare uitwerkfelen; alleen de konst

van dezelve te onderdrukken mangelt ons. God

geve , dat uw jonge Wijsgeer die konst beter

verfla dan wij!

Gij verftaat mij, wanneer ik zeg wij'; ik

fpreek voornaamlijk van u; want wat mij betreft

, mijne Leidsvrouw heeft mij altoos gezegd

, dat mijne domheid de plaats der rede bij

mij zou vervullen, dat ik nimmerverftaud hebben

zou om te weten te beminnen , en dat

ik al te mal was, om t'eeniger tijd dwaasheden

te begaan. Mijne JULIA! neem u zelve in acht;

hoe meer zij zich van uw verftand beloofde,

hoe meer zij beducht was voor uw hart. Heb

intusfehen goeden moed; ik ben verzekerd, dat

uw


T W E E G E L I E V E N . 51

uw hart alles doen zal, wat de wijsheid en de

eer doen konnen, en het mijne, twijfel er niet

aan , zal van zijne zijde doen al wat in het

vermogen der vriendfchap is. Indien wij al te

veel weten voer onze jaaren, deze kundigheid

heeft ten minften onze zeden niet bedorven. Geloof,

mijne waarde ! dat er veele meisjes zijn

veel onnozeler , en echter minder eerbaar dan

wij: wij zijn het, omdat wij begeeren het te

zijn , en, men zegge wat men wil, dit is 't

middel, om het zekerer te wezen.

Ondertusfchen zal ik, wegens het geen gij mij

gemeld hebt, geen gerust oogenblik genieten, eer

ik bij u ben; want het is geen louter inbeelding,

dat gij voor gevaar vreest, 't Is waar, er is

een gemaklijk behoedmiddel, tweewoorden met

uwe moeder gefproken , en alles is afgedaan;

maar ik begrijp u, gij begeert geen hulpmiddel

dat alles op eenmaal affnijdt; gij wilt wel u

zelve buiten de mooglijkheid flellen van te bezwijken,

maar geenszins de eer derven van tegenftand

te bieden, ö arme Nicht! .... indien

flechts de minfte fchijn ... de Baron

D'KTANGE zou bewilligen om zijne dochter,

zijn eenig kind te geven aan een gering burgerman

zonder middelen! . . . Hoopt gij dit? . . .

wat hoopt «ij dan ? wat zoekt gij ? .... arme

, ongelukkige Nicht! . . . vrees evenwel

niets van mij. Uwe vriendin zal uw geheim

hei-


-

B R I E V E N v i H

heilig bewaren. Veelen zonden het welvoeg*

lijker vinden dat te openbaren, en misfchien

hebben zij gelijk. Ik voor mij , die niet

veel van tegenfpreken houde, ik begeer geene

welvoeglijkheid , die de vriendfchap, de goede

trouw, en het vertrouwen verraadt; ik verbeelde

mij dat elke betrekking, ieder leeftijd zijne

eigene grondregelen, plichten, en deugden heeft;

dat het geen in andere voorzichtigheid zou zijn,

in mij trouwloosheid zoude wezen, en dat men,

dit een en ander niet behoorlijk onderfcheidende,

ons ondeugend doet worden in de plaats

Van veiftandig. Is uwe liefde flaauw, dan zullen

wij die wel overwinnen; is zij hevig, dart

zou men haar aan de treurigfte tooneelen blootftellen,

indien men ze door geweldige middelen

wilde tegengaan, en de vriendfchap behoort

geene andere middelen te beproeven dan waarvoor

zij inftaan kan. Maar van den anderen

kant, zult gij éénmaal onder mijn opzicht zijnde,

u betaamlijk hebben te gedragen. Ja zeker,

gij zult eens zien, wat eene geftrenge opzieneres

van achttien jaaren te betekenen hebbe.

Gij weet, het is niet voor mijn vermaak,

dat ik ver van u af ben, en de lente is op het

land niet zoo aangenaam als gij u wel verbeeldt;

men lijdt daar beurtlings koude en hette; men

vindt bij het wandelen geene fchaduw, en moet

zich in huis bij het vuur verwarmen. Wat mijn

Va-


T W E E G E L I E V E N . §3

Vader betreft, hij ondervind, te midden van zijne

fraaie gebouwen, dat evenwel de nieuwspapieren

hier veel laster aankomen dan in de Stad. Dus

wenscht ieder een niets liever dan derwaard

wedertekeeren, en ik hoop, dat gij mij binnen

vier of vijf dagen omhelzen zult. Maar dit

bekommert mij, dat vier of vijf dagen nog ik

weet niet hoe veele uurett maken, waarvan

er verfcheidere voor den Wijsgeer beftemd zijn.

Voor den Wijsgeer, Nicht! verftaat gij mij?

denk vrij,, dat alle deze uuren voor hem alleen

verfchijnen zullen,

Word nü niet befchaamd, en 11a uwe oogen niet

neder. Een ftatig voorkomen aantenemen is u on­

doenlijk, dl: zou bij uwe gelaatstrekken niet voe­

gen. Gij weet dat ik naauwüjks fchreicn kan zon­

eter lagchen , en dat ik daarom niet te minder ge­

voelig ben , het bedroeft mij daarom niet te min^

der dat ik verre van u af ben, en ik betreur

daarom niet weinigerde goede CHAILLÖT. On­

eindig dankbaar ben ik u , dat gij de bezorging

van haar gedacht met mij deelen wilt; riimmer,

zoo lang ik leef, zal ik er mij van onttrekken, en

gij zoudt ophouden dezelfde te zijn, indien gij

eenige gelegenheid om goed te doen liet verlo­

ren gaan. Ik erken, de arme MIETJE was

praatziek, al te vrij in hare gemeenzame ge-

lprekken, niet befcheiden genoeg hij jonge mei§-<

jes, en er zeer op gefield, om van haren jon-

I. ÖËEL, C gen


54

B R I E V E N V A N

gen tijd te praten. Ook zijn het niet zoo zeer

de eigenlchappen van haren geest, die ik betreur,

offchoon zij bij die kwade ook voortreflijke

hoedanigheden bezat. Ik betreur in haar het

verües van haar goed hart, van hare innige

verkleefdheid aan mij; waardoor zij voor mij

te gelijk de tederheid eener Moeder en de vertrouwlijkheid

van eene Zuster bezat. Zij verving

voor mij de plaats van mijn geheel gcflacht;

naauwlijks toch heb ik mijne Moeder gekend,

mijn Vader bemint mij in zoo ver hij daar voor

vatbaar is , wij hebben uwen beminlijken broeder

verloren, en de mijnen zie ik bijkans nooit.

Zie daar mij als eene verlatene wees! Gij alleen,

liefkind! zijt mij nog overgebleven, want, uwe

goede moederen gij, dit is één. Evenwel, gij

hebt gelijk. Ik heb u behouden — en ik weende!

ik was wel dwaas, wat behoefde ik te wee»

ncn?

P. S. Uit vrees voor eenig ongeval zend ik dezen

brief aan onzen meester, op dat hij

des te zekerer in uwe handen kome.

VIII.


T w E s G E L I E V E N . sS

VIII. BRIEF O).

Aan JULIA.

Wat heeft de liefde toch vreemde eigenzinnighe»

den , fchoone JÜLIA! Mijn hart bezit meer dan

het immer hoopte, en het is niet voldaan, Gij

bemint mij, gij verklaart mij dit, en ik zachte.

Nog durft dit onrechtvaardig hart begeeren,

daar er niets meer te begeeren is; het foltert mi|

door zijne inbeeldingen, en verontrust mij irt den

fchoot van het geluk. Geloof niet, dat ik de

wetren mij eenmaal opgelegd vergeten heb, noch

onwillig geworden ben om die te gehoorzamen ;

neen, maar een heimlijke fpijt kwelt mij op de

gewaarwording, dat die plichten mij alleen moeilijk

vallen, dat gij die u liet voorftaan , zoo

zwak te zijn, thans zoo veel Iterkte hebt, en dat

ik zoo weinig moeite heb te doen om mijne

driften,te bedwingen, naardien gij zoo oplettend

Zijt, om dezelve voortekomen.

e n

C


S6 B R I E V E N V A N

Wat zijt gij zedert twee maanden veranderd,,

zonder eenige wezenlijke verandering in onzen

toeftand! uwe onpaslijkheden houden op ; er komt

uiers meer in van onlust of moedloosheid; alle

de bevalligheden hebben zich weder herfteld; alle

uwe bekoorlijkheden zijn verlevendigd ; de pas

ontloken roos is niet frisfeher dan gij; de boerterijen

gaan wederom haren gang; gij zijt geestig

bij ieder een; gij dartelt, zelfs met mij gelijk

voor dezen, en 't geen mij het meest van allen

kwelt, gij zweert mij eene eeuwige liefde op

eenen zoo luchthartigen toon, als of gij van de

vermaaklijkfte zaak der wereld fpraakt.

Zeg, zeg mij, onftandvastigef is dit het kenmerk

eener geweldige hartstocht , 'die genoodzaakt

is zich zelf te bedwingen, en indien gij

flechts de minfte neiging te beteugelen hadt, zou

deze dwang althands uwe vrolijkheid van Geest

niet onderdrukken? ö hoe zeer veel beminlijker

waart gij toen gij minder fchoon waart! hoe zeer

betreur ik nu die aandoenlijke bleekheid, dat dierbaar

onderpand van 'c geluk eenes minnaars, en .

hoe haatlijk is mij .de onvocglijke gezondheid,

welke gij herfteld hebt ten koste van mijne rust!

ja , liever zag ik u nog zieklijk, dan met die

opgeruimde houding, met die tintelende oogen,

met dien frisfehen blos , welke mij beledigen.

Hebt gij al zoo ras vergeeten, dat gij dus niet

geiteld waart, toen gij mijn madedogen affmeekte?


T W E E G E L I E V E N . 37

t? ? JULIA, JULIA! wat is die hevige liefde

binnen weinig tijds bedaard geworden !

Maar het geen mij nog meer beledigt, is, d*t na

u aan mijne bcfcheidcnh id overgegeven te hebben,

gij nu dezelve toont te mistrouwen, en dat gij

de gevaaren fchuwt als of gij daarvoor nog te

vrezen hadt. Beloont gij mijne ingetogenheid op

de/.e wijze, en verdiende mijne ongekrenkte eerbied

van uwe zijde die beledigingV wel verre, dat

bet vertrek van uwen vader ons meer vrijheid zou

gelaten hebben , kan ik u ter naauwer nood alleen

zien. Uwe onaffcheidbare Nicht verlaat u

geheel niet meer. Ongevoelig hervatten wij onze

oude levenswijze , onze voorige omzichtigheid,

met dit onderfcheid alleen , dat dezelve u toen

lastig viel, en nu behaagt.

Wat zal dan de belooning eener zoo zuivere

hulde zijn, indien het niet uwe achting is; en wat

baat mij eene altoosdurende en vrijwillige onthouding

van het liefde dat in de wereld is, indien

zij die dezelve afvordert mij daarvoor .«reencn

dank weet? Indedaad, ik ben moede van vergeefs

te lijden, en van mij zelf te doemen tot de

wreedde beroovingen zonder er zelfs enige verdiende

door te hebben. Hoe? moest gij drafloos

uwe fchoonheid herdellen terwijl gij mij veracht?

moeten mijne oogen onophoudelijk op bekoorlijkheden

daaren , welke mijn mond nimmer

C 3 v na-


3* B R I E V E N V A N

naderen mag? Kortom, moet ik mij zelf alle

hoop bencemen , zonder mij ten minfle de eer

eener zoo wreede opoffering te konnen aanmatigen

? Neca , daar gij u niet langer aan mijn

woord van eer vertrouwt, wil ik mij daar aan

niet meer nutloos verbonden houden; het is eene

onrechtvaardige zekerheid , welke gij u zoo wel

door mve voorzorgen als door mijne belofte bezorgt;

gij zij; al tc ondankbaar, of ik ben al te

naauwgezet, en ik wil niet langer die gelegenheden

van het gslukslot afwijzen , welke gij

niet zuk konnen afinijdev.,1 Kortom, hoedanig

ook mijn loc wezen moge, ik gevoel dat

ik een taak heb opgenomen die boven mijne

krachten is, JULIA! herneem de zorg voor n

zelve; ik geef u een pand terug, al te gevaarlijk

voor de trouwe van den bewaarder, en waarvan

de befcherming uw hart minder kosten zal, dan

gij hebt voorgewend te vrezen.

Ik zeg het u ernftig; neem u zelf in acht, of

verban mij, dat is te zeggen, beroof mij van het

leven. Ik heb een lichtvaardig verdrag aangegaan.

Ik fta verwonderd, hoe ik het zoo lang heb konnen

nakomen; ik weet, dat ik ditbeftendig doen

moest, maar ik gevoel dat het mij onmooglijk

is. Men verdient te bezwijken, wanneer men

z.ieh zulke gevaarlijke plichten oplegt. Geloof

mi},, waarde en lieve JULIA! geloof dit gevoelig

hart dat niet dan alleen voor u klopt, gij zult

altoos


T W E E G E L I E V E N . 39

altoos geëerbiedigd worden ; maar de rede kan

mij voor een oogenblik verlaten, en de bedwelming

der zinnen kan tot eene misdaad vervoeren

, waarvan men in bedaarder gefleldheid een affchrik

zoude hebben. Gelukkig, dat ik uwe hoop

niet heb te loor gefteld, ik heb twee maanden

lang gezegepraald , en daar voor zijt gij mij de

beloning fchuldig van twee eeuwen lijdens.

IX. B R I E F .

Van JULIA.

Ik begrijp het: de vermaken der ondeugd en" de eer

der deugd zouden u te zamen een genoeglijk lot

verfchaffen ? Is dit uwe zedenleer!

ö! mijn Vriend! gij wordt wel ras moede van

edelmoedig te zijn! waart gij het dan alleen uit

gemaaktheid ? Een zonderling blijk van verkleefdheid

waarlijk, u te beklagen over mijne gezondheid

! zou het zijn, om dat gij gehoopt hadt

dezelve door mijne dwaze liefde geheel en al te

zien verwoesten, en dat gij ftaat maakte dat

ik u eenmaal om het leven ioude fmeken ? of,

hebt gij voorgenomen mij zoo lang te ontzien,

als ik affchrik inboezemde, en uw woord intetrekken

wanneer ik weder draaglijk werd? Ik

zie in foortgelijke opofferingen die verdiende

niet, om er zich zoo veel op te laten voorftaan.

C 4 Even


4


T W E E GELIEVEN. 41

van bier dat gij mijne gevoelens van onflmdvastigheid

en mijn hart van wispelturigheid befchuldigt.

Ach! mijn vriend! beoordeelt gij het niet

al te geftreng ? Er is meer dan een dag nodig om

het te leeren kennen. Wacht, en misfchien zult

gij bevinden, dat dit hart, het welk u bemint,

het uwe niet onwaardig is.

Kondet gij begrijpen met welk eene ontroering

ik de eerde aandoeningen van dat gevoel dat mij

aan u verbind, gewaard werd, gij zouit in ftaat

zijn om te ooroeelen over de wanorde welke het

in mij verwekken moest. Ik ben opgevoed naar

grondregelen van zoodanig eens geftrcngh'iid, dat

de zuiverde liefde mij toefcheen de grootfte fchande

te zijn. Alles leerde mij of deed mij geloven,

dat een gevoelig meisje verloren was bij het eerde

woord van tederheid, dat uit haren mond ging;

mijne ontftelde verbeelding verwarde de misdaad

met de belijdenis der hartstocht; en ik had zulk

een verfchriklijk denkbeeld van deze eerfte onderneming

, dat ik uaauwlijks eenigen a'dand

tusfehen dezelve en den uiterften ftap gewaar

werd. Een overgroot wantrouwen van mij zelve

vermeerderde mijne beroerenislen ; de wordelingen

der zedigheid fchenenmij toe die der kuischheid

te zijn; ik melkte het pijnigende der ft.ilzwijgendheid

aan als eene vrucht van de hevigheid

der driften. Ik hield mij zelf voor verloren , zoo

dia ik zoude gefproken hebben , en echter ik

C 5 moest


0 B R I E V E N V A N

moest fpreken of u ongelukkig maken. Aldus

nier. langer in ftaat om mijne gevoelens te verbergen

, trachtte ik de edelmoedigheid der uwen

optcwekken , en mij meer aan u dan aan mij

zelve toevertrouwende, zocht ik, door uwe eer

in het belang van mijne befcherming te doen treden

, mij zelf die middelen van redding te bezorgen,

waarvan ik mij beroofd vond.

Ik heb gezien dat ik mij bedrogen heb; ik

had mij niet uitgelaten of ik voelde verademing;

naauwlijks had ik uw andwoord, of ik gevoelde

mij geheel en al bedaard, en twee maanden ondervindings

hebben mij geleerd,dat mijn teergevoelig

hart liefde nodig heeft, maar dat mijne zinnen

gecnen minnaar behoeven. Oordeel, gij die de

deugd bemint , met welk eene vreugde ik deze

gelukkige ontdekking gedaan heb ! Gered uit dien

afgrond van vernedering waarin mijne angftige verbeeldingen

mij geftort hadden , finaak ik het ftreelend

vermaak van eene zuivere liefde. Deze toeftandmaakt

het geluk mijnes levens uit; zij heeft

een heilzaamcn invloed op mijne geestgefteldheid

en gezondheid; naauwlijks kan ik mij een aangenamer

ftaat voorftellen, en de vereeniging van de

liefde met de onfchuld fchijnt mij toe het paradijs

op aarde te zijn.

Zints dien tijd had ik geene vreze meer voor

u ; en wanneer ik het alleen zijn met u zorgvuldig

ver-


T W E E G E L I E V E N . 43

vermij 1de, was het ruim zoo veel om uwen als

om mijnen wil; trouwends uwe oogen en uwe

zuchten verraadden meer drifes dan wilsheid, en

indien gij de vastftelling door u zelf gemaakt

immer vergeten hadt, ik zou ze niet hebben vergeten.

Ach ! mijn Vriend ! waarom kan ik in uwe

ziel dat gevoel van geluk en van kalmte,

welk in de mijne hcerscht , niet overftorten!

waarom kan ik u niet leeren den allerbekoorlijkften

ftaat van het leven gerusllijk te genieten

! De geneugten der vereeniging van twee

harten paaren zich bij ons aan die der onfchuld;

geene vrees, geene fchaamtc hoe ook genaamd

ftoort onze gelukzaligheid; te midden

der waare genoegens van de liefde konnen wij

ipreken van de deugd zonder te blozen,

E v''è il'piacer con Vonoflade accanto (a).

Ik weet niet welk een treurig voorgevoel

zich in mijnen boezem verheft en mij toeroept

dat wij werklijk den ecnigen tijd van geluk,

dien de Hemel ons befchoren heeft , genieten.

Ik zie in de toekomst niets anders voor mij dan

fcheiding, onheilen, beroereriislen, tegenftrevingen.

(a) dat is: daar vindt men vermaak en deugd tt

zemen, Aant. des VER.T.


44 B R I E V E N V A N

gen. De minde verandering in onze tegenwoordige

omftandigueden fchijnt mij toe niet anders

dan ongunftig te konnen zijn. Neen, indien

ooit een zachter band ons vereenigen mocht,

dan weet ik niet of de overmaat van geluk

hetzelve niet fpoedig geheel zou verwoesten.

Het oogenblik Van 't genot is het beflisfend tijdftip

der liefde, en voor de onze is elke verandering

gevaarlijk , wij konnen niet anders dan

daarbij verliezen.

Ik fmeek u, mijn lieve , mijn eenige Vriend!

tracht de bedwelming dier ijdele driften te bedaaren,

welke altoos worden opgevolgd van

fpijt, naberouw, en droefheid. Smaken wij het

kalm genot van onze tegenwoordige gefteldheid.

Gij ftelt er vermaak in mij te onderwijzen, en

hoe veel genoegen het mij verfchafTe uw onderwijs

te ontvangen, is u bekend. Vermeerderen

wij nog onze lesfen , laat ons niet langer van

elkander af zijn, dan de welvoeglijkheid eischt,

laat ons de oogenblikken, die wij niet in elkanders

gezelfchap flijten konnen, hefteden om ons

te fchrijven, en ons eenen kostbaren tijd ten

nutte maken, welken wij wellicht nog eens zullen

te rug wenfehen. Ach! mocht ons lot, zoo

als het dan ook is, ons leven lang duurenj Het

verftand wordt verrijkt, de rede wordt verlicht, de

ziel verkrijgt eene vastigheid, het hart geniet.;

wat ontbreekt er nog.aan ons geluk?

X,


T W E E G E L I E V E N . 41

X. B R I E F .

Aan JULIA.

I^Joe veel reden hebt gij, mijne JULIA! om

re ze/gen dar ik u nog niet ken! Telkens verbeeld

ik mij aile de rijkdommen van uwe fchoone

ziel reeds te kennen , en echter ontdek ik bij

aanhoudenheid nieuwe. Welke vrouw vereeuigde

immer zoo als gij de tederheid met de deugd,

en wist door de mengeling van de eene met de

andere die beide meer beminlijk te maken? Ik

vind in deze wijsheid, die mij rampzalig maakt,

ik weet niet welk eene aanminnigheid en be*

koorlijkheid, en gij bekleedt de opofferingen

waartoe gij mij noodzaakt met zoo veel bevalligheid,

dat het weinig verfchilt, of gij zoudr,

er mij op doen verlieven.

Ik gevoel het eiken dag meer en meer, dat

van u bemind te zijn het hoogde goed is! er is,

er kan geen geluk zijn , dat daaraan evenaart,

en indien ik kiezen moes* -

tusfehen uw hart en het

bezit van uwe' perfoou zelve, neen! bekoorlijke

JULIA ! geen oogenblik zou ik mij beraaden.

Maar wat zou mij tot zulk eene harde keus noodzaken

, en waarom zou men van één fcheiden het

geen de natuur heeft willen zamenveegen ? De

tijd,


45 B R I E V E N V A N

tijd, zegt gij, is kostbaar, laat ons dien, zo»

als hij is, weten ten nutte te maken, en ons

wachten van door ons ongeduld den vreedzamen

loop er van te ftremmen. 6! dat hij voorbijga

en welvare! moet men, om het genot te hebben

van eenen aangenaamen toeftand een nog

aangenamer prijs geven , en de rust verkiezen

boven de hoogfte gelukzaligheid ? Is niet al de

tijd dien men beter hefteden kan verloren? ach!

indien men duizend jaaren levens in één quartier

uurs genieten kan, wat behoeft men dan verdrietig

de dagen optetellen, die men zal geleefd

hebben?

Al wat gij van het geluk onzer tegenwoordige

gefteldheid zegt, is buiten tegenfpraak; ik

bezef dat wij gelukkig moeten zijn, en echter

ben ik het niet. Laat vrij de wijsheid door uwen

mond fpreken, de Hem der natuur is nogthands

de fterkfte. Wat raad om haar te wederftaan,

wanneer zij inftemt met de taal van het hart?

Behalven u alleen zie ik niets in dit aardsch

verblijf dat waardig is mijne ziel en mijne genegenheden

te bemeesteren; neen, zonder u is

de gantfche natuur niets meer voor mij; maar

haar gebied is in uwe oogen, en daarin is zij

onwederftaanbaar.

Geheel anders, Hemelfche JULIA! is de zaak

met u gelegen ; gij zijt voldaan met mijne zinnen

.


T W E E G E L I E V E N . 4?

nen te bekooreri, en bevindt u in geer.en twecftrijd

met de uwe. Het fcliijnt dat menschlijke"

driften te laag zijn voor eene zoo verhevene

ziel, en met" de fchoonheid, bezit gij tevens de

zuiverheid, der Engelen, ö Zuiverheid! die ik

al morrende eerbiedig, waarom kan ik u niet

vernederen, of mij tot u verheffen! Maar neen,

ik zal fteeds langs de aarde kruipen , en u altoos'

in den Hemel zien fchitteren. Wel aan! zijt gelukkig

ten koste van mijne rust; blijf in het bezit

van alle uwe deugden; dat de laage flerveling verga

, die immer beproeven mocht er ééne eenige

van te fchenden, Zijt gelukkig, ik zal trachten

te vergeten hoe beklagenswaardig ik ben, en uit

uw geluk zelve zal ik troost fcheppen tegen mijne

rampen. Ja, waarde minnares' ik verbeelde mij

dat mijne liefde even zoo volmaakt is als haar

aanbidlijk voorwerp; alle de driften ontvlamd door

uwe bekoorlijkheden , worden uitgedoofd door de

volmaaktheden van uwe ziel, deze zie ik in zulk

eene kalmte, dat ik hare rust niet flooren durf.

200 vaak ik in de verzoeking kome om u de

geringfte liefkozing te ontrooven , wederhoudt

mij de fchroom van u te beledigen , maar nog

meer mijn eigen hart door de vrees van een

zoo rein geluk te verpesten; bij het waardeeren

der genoegens waarnaar ik haak, bereken ik

alleenlijk wat zij u zouden konnen kosten ; en

daar ik mijn geluk niet met het uwe kon doen

beftaan. heb ik, denk hoe ik bemin! van het

mijne afïtand gedaan. Wel-


B R I E V E N V A N

Welke onoplosbare tcgenftrijdigheden zijn et

in de gevoelens die gij hij mij verwekt! ter zelfder

tijd ben ik onderdanig en vrijpostig, driftig

en ingetogen, ik kan u niet aanzien, zonder

eenen tweeftrijd in mij zelve gewaar te worden.

Uwe aanblikken, uwe ftem boezemen het hart met

de liefde tevens de zachte neiging der onfchuld

in ; en dit is eene Godlijke bevalligheid, welke

men niet zonder jammer verwoesten kan. Zo ik

nog buitcnfporige wenfchen voeden durf, het is

alleen buiten uwe tegenwoordigheid; mijne begeerten

, daar zij u zelve niet durven naderen,

wenden zich naar uwe bceldnis, en het is aan

deze dat ik mij wretke over het ontzag, dat ik

gedwongen ben u toetedragen.

Intusfchen ga ik kwijnen en ik verteer mij

zelf; het v uur vloeit door mijne aderen; niets

is in ftaat om het te verdooven of te temperen,

en wanneer ik het bedwingen wil, blaas ik het

des te fteiker aan. Ik moet gelukkig zijn , ik

ben hef, dit erken ik; ik klaag niet over mijn

lot; zoo als het dan ook is, wilde ik het niet

verruilen met dat van de Koningen der aarde.

Evenwel is er een wezenlijk verdriet dat mij

kwelt, en dat ik vergeefs zoek te ontvluchten;

ik zou niet willen ftcrven, en echter fterf ik;

ik wilde voor u leven, en gij —. gij berooft'

mij van het leven.

XL


T W E E GELIEVEN. 49

XL BRIEF.

Van JULIA.

I k gevoel, mijn Vriend! dat ik dagelijks meet

aan u verkleefd worde ; her. is mij ondoenlijk

mij langer van u te verwijderen, de kortfte afwezigheid

valt mij ondraaglijk , en ik moet u

of zien of fchrijven , ten einde mij gcftadig

met u bezig te houden.

Zoo groeit m'.jne^iefde aan te gelijk met de

uwe; want thands zie ik hoe zeer gij mij bemint,

uit uwe wezenlijke vrees om mij genoegen te

geven , daar gij in den beginne er flechts de

vertoning van maakte, ter betere bereiking uwer

oogmerken. Ik onderfcheide zeer wel in u de

overmacht die uw hart verkregen heeft, over de

bedwelming eener verhitte verbeeldingskracht,

en in uw tegenwoordig zeifsbed.vang ontdek ik

honderdmaal meer hartstocht dan in de eerfte

vervoeringen uwer drift. Ik weet tevens, dac

uwe toeftand, hoe lastig ook, niet ontbloot is

van genoegens. Her is flreelend voor een rechtgeaart

minnaar opofferingen te doen, die hem

allen worden aangerekend, en waarvan niet ééne

eenige verloren is voor het hart van haar die

hij bemint. Ja wie weet, of gij, mijne gevoelt

DEEL. D lig*


50 B R I E V E N V A N

ligheid kennende, niet eene beter berekende konstgreep

gebruikt om mij te verleiden. Dan neen, ik

ben onrechtvaardig, en gij zijt niet in ftaat om

ten mijnen opzichte u van eene list te bedienen.

Onderrusfchen zal ik mij, indien ik wijs ben,

nog meer voor het medelijden wachten dan voor

de liefde. Ik voel mij duizendmaal meer vertederd

door uwe ontzagbetooningen dan door uwe

drifren, en ik vrees, dat gij, met de welvoeglijkfte

partij te kiezen, indedaad de gevaarlijkfte

gekozen hebt.

Ik moet u uit de gulheid' van mijn hart eene

waarheid zeggen, die hetzelve levendig gevoelt,

en waarvan het uwe u behoort te overtuigen; zij

is deze, dat, in weêrwil van het noodlot,van

ouderen, ja van ons zeiven, onze lotgevallen

voor altoos zaamverbonden zijn, en dat wij

niet meer gelukkig of ongelukkig zijn konnen,

dan met elkander. Onze zielen hebben zich, om

zoo te fpreken, in alle hare punten aangeraakt,

en overal hebben wij dezelfde zamenhcchting gevoeld

; (verbeter mijnen mïsflag, mijn vriend!

zo ik uwe Natuurkundige onderrichtingen kwalijk

te pas brenge.) Het noodlot zal ons, ja, konnen

fcheiden, maar niet ontbinden van elkander.

Wij zullen voordaan altoos dezelfde genoegens,

en dezelfde fmarten ondervinden; en gelijk die

gelieven , waarvan gij mij fpraakt, die, zegt men,

op onderfcheidene plaatzen eenerleie gewaarwor-


t * u GÈLIÈVEN. $t

wordingen hebben, zouden wij hetzelfde gevoe*

len , zelfs aan de twee uiterften der wereld*

Staak dan de hoop, indien gij dezelve immer

gekoesterd hebt, van u een geluk op u zelf te

vormen, en dat te kopen ten koste van het mijne,,

Verbeeld u niet, dat gij gelukkig zoudt konnen

zijn, zo ik ontëerd ware, of dat gij met een oog

van voldoening mijne fchande , èn mijne tranen

zoudt konnen aanfehouwen.- Geloof mij, mijn

Vriend! ik ken uw hart beter dan gij Zelve. Eene

zoo tedere, zoö oprechte liefde moet over de

driften weten te heerfcheii; gij hebt te veel ge*

daan om er een einde van te maken zonder u zelf

in *t verderf te ftorten, en gij kunt niet langer

mijn ongeluk voltooijen, zonder tevens het uwe

te bewerken.

Ik wenschte dat gij kondet bezefFen, van hoe

Veel belang het voor ons beiden is, dat gij de

zorg voor ons ge'meenfchaplijk lot geheel aan

mij overgeeft. Twijfelt gij of gij mij niet even

dierbaar zijt als ik mij zelve; meent gij dat er

eenig geluk voor mij moogüjk zoude zijn $ waarin

gij niet deelde ? Neen, mijn Vriend ! ik heb dezelfde

belangen als gij, en een weinig meer verftand

om die te befbuuren. Ik fta toe, dat ik de

jongfteben; maar hebt gij nimmer waargenomen s

dat, gelijk het verftand bij de Vrouwen doorgaands

zwakker is en vroeger afneenjt, hetzelve

D a zicb


5» B R I E V E N V A N

zich ook eerder vormt, gelijk een broze zonnebloem,

die voor den eik opgroeit en fterft? Van

onze vroegfte jeugd af aan zijn wij belast met

een zoo gevaarlijk pand , dat de zorg om hetzelve

te bewaren al ras het oordeel bij ons opfcherpt,

en het is een uitmuntend middel om de gevolgen

der dingen wel te kennen, dat men een levendig

gevoel hebbe van alle de gevaaren, waaraan zij

ons bloot ftellen. — Wat mij betreft , hoe meer

ik mij met onzen toeftand bezig houde, hoe meer

ik u in den naam der liefde moet verzoeken ; zijt

toch gehoorzaam aan hare zachte Item, en laat

ubeftuuren, ja helaas! door eene andere blinde,

maar die ten minfte een fteunpunt heeft waaraan

zij vasthoud.

Ik weet niet, mijn Vriend! of onze harten het

geluk zullen hebben van elkander te verflaan , en

of gij bij het lezen van dezen brief deelen zult in

de tedere aandoening, welke mij dien heeft ingegeven.

Ik weet niet of wij ooit zuilen kunnen

overeenftemmen in de wijze van befchouwen

even gelijk in die van gevoelen; maar dit weet

ik, dat het gevoelen van hem, die het minst van

ons beiden zijn geluk affcheidt van dat des anderen,

indedaad het verkies'!ijkst gevoelen is.

XII.


T W E E G E L I E V E N . 53

XII. B R I E F .

Aan JULIA.

]YIijne JULIA! ho» treffend is de eeuvouwigheid

van uwen brief! hoe duidlijk zie ik daarin

de helderheid eener onfchuldige ziel, en de tedere

angstvalligheid der liefde! Uwe gedachten

ontwikkelen zich konfteloos en zonder moeite;

zij verwekken in het hart eenen ftreelenden indruk

, rimmer eigen aan een gekunftelde ftijl.

Gij voert de onwederlegbaarfte redenen aan op

eenen zoo eenvouwigen trant, dat men er op

moet nadenken, om er de kracht van te gevoelen

, en de verhevene gevoelens kosten u

zoo weinig, dat men ze bijkans zou aanmerken

als gemeenzame denkbeelden, ö Ja! zonder

twijfel ftaat het aan u onze lotgevallen te

regelen ; dit is geen recht dat ik u affta, het'

is eene rechtvaardigheid die ik van u eïsch , en

uw verftand moet mij fchadeloos ftellen voor het

nadeel, dat gij aan het mijne veroorzaakt hebt.

Van dit oogenblik af draag ik u voor mijn

gantfche leven de beheerfching mijner neigingen

op; befchik over mij als over eenen man, die

niets meer voor zich zelf is, en wiens geheel

aanzijn alleen in betrekking tot u ftaat. Ik zal,

zijt des verzekerd, de verbindcenis die ik aanga

ü 3 na-


54. B R I E V E N V A K

nakomen, wat gij mij ook mocht voorfchrijven,.

Of ik zal er beter door worden, of gij zult et

te gelukkiger door zijn, en ik zie van allen kant

de verzekerde beloning mijner gehoorzaamheid.

Ik draag u derhalven onbepaald de zorg op

voor ons gemeenfchaplijk geluk; bewerk het

uwe, en alles is wel. ik voor mij, die u geen

oogenblik vergeren, noch aan u denken kan zon«

der hartstochten die ik overwinnen moet, ik

ga mij eeniglijk bezig houden met die zorgen,

welke gij mij hebt opgelegd.

Zedert een jaar, dat wij ons te zamen oefen»

den, hebben wij naauwlijks iet anders gedaan,

dan gelezen zonder orde en fchier alleen zoo

als het viel; meer met oogmerk om uwen fmaak

te toetfen, dan om dien te vormen. Daarenboven

, zoo veel beroerings in de ziel liet ons

zeer weinig vrijheid over voor het verltand.

De oogen waren ter naauwer nood op het boek

gevestigd, de mond fprak er de woorden van

Uit, maar de aandacht ontbrak altoos, Uwe

kleene Nicht, niet vooraf bezet met zulke denkbeelden,

verweet ons onze weinige bevattelijkheid

, en bezorgde zich gemakiijk de eer van

ons vooruit te ftreeven. Ongevoelig is zij de

meesteres van den meester geworden, en offehoon

wij zomtijds over hare inbeeldingen

gelagchen hebben, zij is echter wezenlijk de

eenige van ons drieën, die iets weet van al hes

gegn wij geleerd hebben, Qr»


T W K E G E L I E V E N . §5

Om dan den verlorenen tijd (ach! JULIA!

was er ooit een die beter hefteed werd?) weder

intehalen, heb ik een foort van plan uitgedacht,

hetwelk gefchikt is om door eene geregelde orde

het nadeel te herftellen , dat onze kunde bij

die verftrooijingen geleden heeft. Ik zend het

u; ftraks zullen wij het te zamen nalezen, en

ik vergenoeg mij thands met er eenige losfe

aanmerkingen over te maken.

Wilden wij, beminlijke Vriendin! ons met een

ftapel van geleerdheid belasten, en meer weten

voor anderen dan voor onszelven, dan zou mijn

zamenftel niets deugen; want het is geheel daartoe

ingericht om uit veele dingen iets te nemen,

en om eene kleene verzameling te maken uit

eene groote boekerij. De wetenfchap is bij de

meeste lieden die ze beoefenen eene geld-munt

waarmede men veel opheeft, die tot het gelukkig

leven niets toebrengt dan in zoo verr» men ze in

omloop brengt, en die nergends goed toe is dan

tot den Koophandel. Ontneem aan onze geleerden

het vermaak van zich te doen aanhooren, en

de wetenfchap zal geene waarde meer voor hun

hebben. Zij verzamelen in de Studeercel met

geen ander oogmerk, dan om dit in 't openbaar

uitteventen , zij begeeren niet wijs te zijn dan

in het oog van anderen, en zij zouden zich der

ftudie niet meer bekreunen , indien zij geene

D 4 he-


56 B R I E V E N , V A N

bewonderaars meer hadden Wij voor ons,

die rut met onze kundigheden doen willen,

wij verzamelen die niet om ze weder te verkopen,

maar om ze tot ons gebruik aanteleggen;

niet om er ons mede te bezwaaren, maar om

er voedfel uittetrekken. Weinig te lezen , en

bet geen wij gelezen hebben veel te overdenken,

of't geen hetzelfde is, er veel met elkander over

te fpreken , is het middel om die fpijs wel te

verteeren. Ik oordcel dat wanneer men eenmaal

het begrip vatbaar gemaakt heeft door de heblijkheid

van natedenken, het altoos beter is die

zaken, welke men in boeken zou vinden, door

zich zelf te ontdekken; dit is bet waare geheim

om zich dezelve vast in het hoofd te prenten en

ze tot ons eigendom te maken. Wanneer men

dezelve integendeel zoodanig ontvangt als zij

ons medegedeeld worden, is het bijkans altoos

in een anderen vorm , dan onze eigene. Wij

zijn veel rijker dan wij meenen ; maar, zegt

ÏIONTAIGNE, men vormt ons tot het ontleenen

en het opzamelen; men leert ons zich te bedienen

van -eens anders goed meer dan van ons

eigen

(/;) Zoo dacht SE NE c.\ zelf. Inlien min %

zegt hij , mij de wetenfchap fchouk, onder beding

dat ik dezelve niet vertonen zoude , ik zou ze niet.

hegeereti* Verhevene wijsgeerte 1 zie daar, waar­

tos men u gebruikt.


T W E E G E L I E V E N . 57

eigen, of liever, terwijl wij zonder ophouden

voorraad opleggen, durven wij niets aantasten;

wij zijn gelijk aan die gierigaarts, die enkel

bedacht zijn om hunne pakhuizen te vullen,

en zich te midden van den overvloed doodhongeren.

Ik beken, er zijn veele menfchen, voor wien

dit ftelfel fchadelijk zoude zijn, en die veel

moeten lezen en weinig denken , om dat wegens

de zwakheid van hun verfband, niets zoo

Hecht is zaamgefteld dan het geen zij uit zich

zelve voordbrengen. U prijs ik juist het tegendeel

aan, u die bij het lezen van boeken

zelfs het geen gij daarin vindt verbetert, en

wier werkzaam vernuft over een boek een ander

bock maakt, beter zoiïïts dan het eerfte.

Wij zullen elkander derhalven onze denkbeelden

mededeelen ; ik zal u zeggen wat anderen gedacht

hebben, gij zult mij zeggen wat gij over

dit onderwerp denkt, en doorgaands zal ik op

het einde der les meer geleerd hebben dan gij.

Hoe minder gij zult behoeven te lezen, hoe

beter de keus der ft ofte zal moeten gedaan worden

, en zie hier de gronden voor de mijne.

De groote dwaling der geenen die ftudeeren is,

gelijk ik u gezegd heb, dat zij zich te veel op

hunne boeken verlaten , en niet genoeg gebruik

maken van hun eigen brein ; zonder te beden-

D 5 ken,


$S B R I E V E N V A M

ken, dat van alle de drogredenaars {Soph'tftes}

ons eigen verftand ons doorgaands her minfte

misleidt. Zoo dra men flechts inkeeren wil tot

zich zelve , gevoelt ieder een wat goed , her­

kent elk wat fchoon is; noch het een noch het

ander behoeft men ons te leeren kennen, en

men bedriegt zich daaromtrent niet dan in zoo

verre men zich zelf wil bedriegen. Dan de

voorbeelden van het uitnemend goede en uit-

ftekend fchoone, zijn zeldzamer en minder be­

kend , men moet ze dus verre buiten ons op-

fpooren. De hoogmoed, de krachten der

natuur naar onze eigene zwakheid afmetende,

doet ons die hoedanigheden, welke wij niet in

ons zeiven befpeuren, als harsfenfchimmig aan»

zien ; de luiheid en de ondeugd verlaten zich op

deze gewaande onmooglijkheid, en de zwakke

mensch beweert dat men nimmer ziet, het geen

niet alle dagen gezien word. Deze dwaling

moet men uitrooijen. Men moet zich gewen­

nen om die groote voorwerpen optemaken en

te befchouwen, op dat men zich alle voorwend-

felen beneeme om hen niet te volgen. Op de be-

fchouwing dezer uitmuntende voorbeelden verheft

de ziel, ontvlamt het harte zich; door hen aan­

houdend te betrachten zoekt men hun gelijk­

vormig te worden, en men kan niets meer dul­

den dat middelmatig is, zonder eenen doodlijken

afkeer.

Zoe-


T W E E GELIEVEN. 59

Zoeken wij dan niet meer in de boeken die

grondbeginfelen en regelen, welke wij veel ze»

kerer in ons zeiven aantreffen. Laat ons alle

die ijdele twisten der Wijsgeeren over het geluk

en de deugd daar laten; laat ons den tijd, dien

zij verfpillen om na te fpooren hoe men deugdzaam

en gelukkig worden moet, hefteden om

zulks te zijn ; en laten wij ons liever groote

voorbeelden ter naftreeving voordellen, dan nutloze

leerftelfels om die te volgen.

Ik heb altoos geloofd , dat het goede niets

anders was dan het fchoone in oefening gebracht,

dat het één ten naauwfte verbonden was aan

het ander, en dat beiden hunnen gemeenzamen

oorfprong hadden in de wel geregelde natuur.

Uit dit denkbeeld volgt, dat de fmaak zich

door dezelfde middelen volmaakt als het verftand

, en dat eene ziel, recht getroffen door het

bekoorlijke van de deugd, ook in dezelfde mate

gevoelig moet zijn voor alle andere foorten vaH

fchoonheden. Men kan zich oefenen zoo wel in

het befchouwen als in het gevoelen, of liever

een keurig gezicht is niets anders dan een kiesch

en fijn gevoel. Het is op deze wijze, dat een

fchilder op het gezicht van een fchoon landfchap

of bij een fraai fchilderij verrukt word

door voorwerpen, welke een gemeen befchouwer

zelfs niet opmerkt. Hoe veele zaaken zijn er,

welke men niet ontwaart dan door het gevoel,

en


fö B R I E V E N V A N

en waarvan men geene reden geven kan? hoe

veel van die dingen die men niet kan uitdruk­

ken f«) , die zoo dikwijls voorkomen en waar­

over de fmaak alleen uitfpraak doet ? — De

fmaak is in zekeren zin het microscoop des oor­

deels; zij is het, die de kleene voorwerpen on­

der deszelfs bereik brengt, en hare werkingen

beginnen , waar die van het oordeel eindigen.

Wat wordt er dan vereischt om haar te be-

fchaven ?

dat men zich oefene om te b,efchouwen

zoo wel als om te gevoelen, en om over het

fchoon door bezichtiging daarvan te oordeelen ,

gelijk over het goede door gevoel. Neen, ik

beweer dat alle harten zelfs niet berekend zijn

om getroffen te worden op het eerfte gezicht

van JULIA.

• Ziedaar, mijne bekoorlijke leerlinge ! waarom

ik alle uwe fludien bepaal tot boeken van

fmaak en voor de zeden. Zie daar de reden,

waarom ik, mijn geheele leerftelfel tot voorbeel­

den brengende, u geene andere befchrijving van

de deugden geef dan een tafereel van deugdzame

menfehen , noch andere voorfchriften om wel te

fchrijven, dan boeken die wel gefchreven zijn.

Verwonder u dus niet over de befnoeijing die

ik maak in uwe voorgaande leesoefeningen ; ik

(


T W E E G E L I E V E N . 6r

ben overreed , dat men dezelve moet inkorten

om ze nuttig te doen zijn, en ik zie daaglijks

hoe langer hoe meer dat alles wat niet tot de

ziel fpreekt, niet waardig is u onledig te houden.

Wij zullen de taaien affchaffen , behalven

de Italiaanfche welke gij kent en bemint. Ook

zullen wij de beginfelen der Algebra en Geometrie

daarlaten. Zelfs zouden wij de Natuurkunde

laten vaaren , indien de bewoordingen

welke zij u aan de band geeft mij daartoe

den moed niet benamen. Voor altoos zullen

wij afrtappen van de nieuwe Üefehiedenis, uitgezonderd

die van ons Land; en dit nog alleen

daarom, wijl het een vrij en eenvouwig land is,

waar men menfchen van de voorwereld in he«

dendaagfcne tijden aantreft; want gij moet u

niet laten misleiden door hun die zeggen dat de

gefchiedenis van zijn eigen land voor ieder een

de belangrijkfte is. Dit is niet waar. Er zijn

landen , waarvan de gefchiedenis zelfs niet te

lezen is, of men. moet een onnozele ziel of een

Scaats - onderhandelaar zijn. De meest belangrijke

gefchiedenis is die waarin men de meeste

voorbeelden , deugden , charaders van allerlei

foort, met één woord het meeste onderricht,

aantreft. Zij zullen u vertellen, dat er zoo veel

van dit alles bij ons als bij de ouden gevonden

word.

(«) Vergelijk b. v. den XI. Brief.

Aant. des VUT.


Ót B R I E V E N V A H

wordt. Het is wederom onwaar. Sla hunne"

gefchiedenis op. en breng hen tot zwijgen. Er"

zijn volken zonder (eene eigene) Phijfiognomie,

die geene fchilders behoeven, daar zijn Staatsheftaren

zonder charaéter, welke geene gefchiedfchrijvers

nodig hebben, en waarin men , zoo

dra men weet welken post een man bekleed,

te gelijk Vooruit weet alles wat hij daarin verrichten

zal. — Zij zullen zeggen dat het ons

ontbreekt aan goede gefchiedboekers < maar

vraag hen eens waarom ? ook dit is onwaarachtig.

Verfchaf flechts flof tot groote gefchiedenisfen,

en er zullen zich goede gefchiedfchrijvers

opdoen. Eindelijk, zij zullen zeggen dat de menfchen

van alle tijden gelijk aan elkander zijn,

dat zij dezelfde deugden en ondeugden hebben;

en dat men om geen andere reden de ouden

bewondert dan om dat zij ouden zijn. Dit is*

even ver bezijden de waarheid; want in vroeger'

tijden deed men groote dingen door kleene middelen

, en hedendags doet men vlak het tegendeel.

De ouden waren de tijdgenoten hunner

Gefchiedfchrij veren , en echter hebben zij ons

geleerd die te bewonderen. Voorzeker indien

ooit de nakomelingfchap de onzen bewondert,

wij zullen hun daartoe de flof niet verfchafe

hebben.

Uit infchiklijkheid voor uwe onaffcheidbaar

getrouwe Nicht heb ik eenige kleene werkjes

yan


T W Ï K G E L I E V E N . 6 j

van fmaak overgelaten, die ik voor n zou

hebben afgefchafc. Buiren PETRA RC HA,

TASSO, METASTASIO, en de eerfté

meesters van het Fransch Tooneel, voeg ife

er noch dichters noch boeken over de liefde

bij, tegen de gewoone inrichting der leesverzamelingen

voor uwe fexe beftemd. Wat zouden

wij uit die boeken van de liefde leeren ? ach!

JULIA ! ons hart zegt er ons meer van dan

zij, en de nagebootfle taal der boeken is zoo

koud voor elk een die zelf verliefd is ! daarenboven

verzwakken deze oefeningen de ziel, zij

Horten dezelve eene laffe weekheid in, en

beneemen haar alle hare veerkracht. De waare

liefde integendeel is een geweldig vuur dat zijnen

gloed aan de overige aandoeningen mededeelt,

en ze bezielt met een nieuw leven. Het is

hierom , dat men gezegd heeft, dat de liefde

helden vormt. Gelukkig hij wien het fchiklot

in de gelegenheid gefield heeft om zulks te

worden, en die JULIA voor zijne Minnares

heeft!

XIII. B R I E F

Van JULIA.

Jk heb het u immers gezegd dat wij gelukkig waren

; en niets overtuigt mij daarvan meer dan

de


64 B R I E V E N V A N

de fmart die ik gevoel bij de minfte verandering

van onzen toefland. Indien wij gevoelige

kwellingen hadden, zou dan eene fcheiding van

een paar dagen er ons zoo veele veroorzaken?

ik zeg ons, omdat ik weet, dat mijn vriend

deelt in mijn ongeduld ; hij deelt er in omdat

ik het gevoele, en hij gevoelt het tevens voor-

zich zelve; zulke dingen behoeft hij niet meer

te zeggen.

Wij zijn eerst zedert gister avond op het land,

het uur is nog niet daar dat ik u in de flad

ontmoet zou hebben , en echter doet mijne

verwisfeling van plaats mij uwe afwezigheid nu

reeds ondraaglijker voorkomen. Indien gij mij

niet de Geometrie verboden hadt, zou ik u zeg­

gen dat mijne droefgeestigheid is in de zaamge-

ftelde reden van tijd en van plaats ; zoo veel

vind ik dat de verwijdering bijdraagt tot het

verdriet der afwezigheid, van elkander.

Ik heb uwen brief en uw ontwerp van ftudee-

ren medegenomen, om ze beiden te overdenken;

den eerften heb ik reeds tweemaal herlezen, cn

het flot treft mij zeer. Ik zie , mijn vriend!

dat gij de ware liefde gevoelt, wijl zij u niet

berooft van den fmaak voor hetgeen welvoeg­

lijk is, en dat gij zelfs in dat punt, waarin uw

hart het gevoeligst is, opofferingen aan de deugd

weet te doen. Trouwens zich te bedienen van

het


T W E E G E L I E V E N . 6%

het middel van onderwijzing om eene vroüw tè

bederven is de verachtlijkfte van alle verleidingen

, en wanneer men zijne minnares zoekt te

vertederen door behulp van Romans , bezit men

weinig vermogen daartoe in zich zelve. Wan*

neer gij bij uwe fcsfen de Wijsgeerte naar uwe

oogmerken gefchikt hadt, en getracht grondregelen

te vormen die uw eigen belang begunftigden,

gij zoudt, fchoon mij willende misleidenj

mij fpoedig het bedrog hebben doen ontdekken;

maar uwe gevaarlijkfte verleiding is, dat gij er

u niet van bedient. Van het oogenblik af, dat

de zucht om te beminnen mijn hart overmeesterde

, en dat ik daarin de behoefte eefter

eeuwige verbindtenis vóelde ontdaan, bad ik den

Hemel Om mij te vereeuigen niet met een beminlijk

man, maar met een man die eene lchoone

ziel bezit; ik bezefte toch dit van alle de

genoegens die men fmaken kan dit het minfte

voor walging vatbaar is, en dat de rechtmatigheid

en de eer alle de gevoelens verfieren waarmede

zij gepaard gaan. Wegens dit verftandig

bepaaleu mijner keuze heb ik, gelijk SALOMO,

bij het geen ik begeerd had, nog verkregen het

geen ik niet begeerde. Uit de vervulling van dezen

wensch voorfpelle ik mij eenen goeden uit«

flag voor de overige, en ik wanhoop niet, mijn

Vriend! van u eenmaal zoo gelukkig te zullen

konnen maken , als gij verdient te zijn. De

middelen hiertoe zijn langwijlig , bezwaarlijk,

L DEEL. E twij-s


€6 B R I E V E N VAN

twijfelachtig, en de belctfelen verfchriküjk. Ik

durf mij met niets vleien, maar geloof vrij dat

alles, wat het geduld en de liefde doen konnen,

niet verzuimd zal worden. Ga intusfehen voord

mijner moeder in allen opzichte genoegen te

geven, en bereid u , om bij de terugkomst yan

mijn vader die eindelijk na dertig jaaren dienens

voor altoos zijn ontflag neemt, de trotsheden te

verdragen van een oud ftuursch edelman,maar een

man vol van_ eerlijke gevoelens, die u beminnen

zal zonder u beleefdheden te doen , en hoogachten

zonder het u te zeggen.

Ik heb mijn brief voor een poos laten liggen

om eene wandeling te gaan doen in de bosfehen

nabij ons huis. ö Mijn lieve Vriend! ik geleidde

u dcrwaard, of liever ik bracht er u in mijn

harr. Ik koos de plaatfen uit, die wij te zamen

moesten doorwandelen, ik verkoos de ftille wijkplaatfen

voor ons gefchikt, om daar in te vertoeven

; onze harten ontlasteden zich reeds bij voorraad

aan elkander in die bekoorlijke verblijven;

deze vermeerderden het genoegen dat wij 1'maakren

van bij elkander te zijn, zij ontleenden op hunne

beurt eene nieuwe waardij van het verblijf van

twee oprechte gelieven, en ik ftond verbaasd,

dat ik in mijne eenzaamheid daarin nimmer dc

fchconbeden had opgemerkt, welke ik er met u

in vond.

On-


T ff s E G E L I E V E N . 6?

Onder de natuurlijke boscbjcs welke deze bekoorlijke

plaats vormt, is er één nog verrukkender

dan de overige , waarin ik het meeste

genoegen vind , en welk ik daarom beftemd

heb voor eene kleene vcrrasfehing van mijnen

Vriend. Men zal niet konnen zeggen dat hij

altoos befcheiden, en ik van mijne zijde nimmer

edelmoedig zij. Dan wil ik hem doen gevoelen ,

in weerwil der heerfchende vooroordeelen, hoe

veel beter dat geene zij wat het harte geeft dan

het geen de onbefcheidenheid met geweld rooft.

Voor het overige moet ik u, uit vrees dat uwe

levendige verbeeldingskracht zich niet al te veel

toegeve, vooraf zeggen , dat wij niet met elkander

in het boschje gaan zullen zonder de onaf*

fcheidbare Nicht.

Van haar gefproken ; het is bepaald , indien

u dit niet geheel mishaagt, dat gij ons maandag

zult komen zien. Mijne moeder zal hare Cales

zenden aan mijne Nicht, gij zult om tien uur

maken, bij haar te zijn; zij zal u verzeilen ; gij

zult den dag met ons doorbrengen, en wij zullen

des anderen dags allen te gelijk na het middagmaal

naar de ftad terug keeren.

Tot hiertoe was ik met mijn brief gevorderd ,

toen ik ontdekte, dat ik hier niet zoo veel gelegenheid

heb als in de ftad, om u dien te bezorgen.

Eerst had ik gedacht u een van uwa

E a bce»


6*8 B R I E V E N VAN

boeken door sus TIN den zoon van den Tuin*

man wederom te zenden , en om dit boek een

omflag van papier te doen, waarin ik mijn brief

leide. Maar behalvcn dat bet onzeker is of

uwe gedachten er op vallen zouden om hem te

zoeken, üoudehet eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid

zijn het lot van ons gantfche leven aan

foortgelijke gevaaren bloot te ftellen. Ik zal mij

dan vergenoegen met ti alleenlijk door' een

briefje de bepaalde zamenkomst van maandag te

melden, en ik zal den brief bewaren om u dien

zelve ter hand te ftellen. Ik zou ook anders een

weinig ongerust zijn, of er niet te veel gedacht

en verwacht wierd bij het geheim van

het boschjc.

XIV. B R I E F .

Aan JULIA.

Wat hebt gij gedaan? ach! wat hebt gij ge*

daan, mijne JULIA? gij wilde mij eene belooning

fchenken , en gij hebt mij rampzalig ge.

maakt. Ik ben dronken , of liever zinneloos,

Alle mijne zinnen zijn ontfteld, alle mijne vermogens

in wanorde gebracht door dien doodlijken

kus. Gij wilde mijne fmarten verzachten ?

wreede! gij hebt ze nog bitterer gemaakt, ik

heb vergif van uwe lippen gezogen; het gist,

het


T W E E G E L I E V E N . 69

het ontfleekt mijn bloed, het doodt mij, en uw

medelijden is de oorzaak dat ik fterve.

ó Onvergeetbaar aandenken van dat oogenblik

van bedrog , bedwelming, en betovering;

nooit , nooit zult gij uit mijne ziel gewischt

worden, en zoo lang de bekoorlijkheden van

JULIA daarin zullen geprent zijn, zoo lang uit

dit onrustig hart gevoelige aandoeningen en' zuchten

zullen opwellen , zult gij de ftraf en het geluk

mijnes levens uitmaken.

Helaas! ik genoot eene uiterlijke gerustheid;

gehoorzaam aan uwe hoogde bevelen, morde

ik niet meer over een lot, waarover gij wel het

beduur hadt willen op u nemen. Ik had de

hevige driftsvervocringen cencr onbezonnen verbeeldingskracht

onderdrukt, ik had mijn gezicht

bedekt met eenen fluier, en mijn hart aan ban»

den gelegd; mijne driften durfden zich niet meer

in hare volle kracht naar buiten vertoonen, en

ik was zoo vergenoegd als ik het wezen kou»

Ik ontvang uw briefjen , en begeef mij ijlings

naar uwe Nicht; wij rijden naar Clartns, ik zie

u, en mijn hart klopt; de zachte toon uwer

dem brengt hetzelve op nieuw in beweging; ik

ontmoet u als iemand die buiten zich zeiven is,

en de afleiding van uwe Nicht was mij


7© B R I E V E N V A N

thuin , men houd gcrustlijk het middagmaal, en

gij ftelt mij hcimlijk uwen brief rer hand, welken

ik in het bijzijn van die tc vrezen ooggetuige

niet durfde lezen ; toen de zon begon te

daalen, ontweeken wij met ons drieën in het

bosch zijne overige linden , en mijne geruste

ecnvouwigheid Helde zich zelfs geen aangenamer

töeffcand, dan de mijne, voor.

Bij het naderen van het boschje bemerkte ik,

niet zonder eene hcimlijke ontroering, uwe afgefprokene

tekens , uw wederzijds glimlagchen,

en dat een hooger blos op uwe wangen rees. Er

binnen tredende zag ik met bevreemding uwe

Nicht naar mij toekomen , en mij met eene

bevallig fmekende houding om een kus vragen.

Zonder iets van dit geheim te begrijpen , omhelsde

ik die bekoorlijke vriendin, en hoe bcminlijk,

hoe innemend zij ook wezen moge, nooit

ondervond ik beter, dat de zinlijke gewaarwordingen

niets anders zijn , dan 't geen het hart

ze doet zijn. Maar in welk een toefiand geraakte

ik , toen ik een oogenblik daarna gevoelde

. . . . de hand beeft mij eene

zachte ziddering .... uwe rozenmond . . . .

de mond van JULIA de mijne aanraken,

zich daarop drukken , en mijn ligchaam in uwe

armen geklemd 1 Neen, het blikfemvuur is niet

fehichtiger, niet fneller dan dat, welk mij oogenblikjijk

in vlam zettc.de. Ailes wat aan mij is,

ver-


T W E E G E L I E V E N . 7»

verzamelde zich in één middenpunt onder dit verrukkend

gevoel. Het vuur vloeide te gelijk met

onze zuchten van onze brandende lippen, en mijn

hart bezweek onder het vol - op der wellust

wanneer ik u op eenmaal zag verbleeken , uwe

fchoone oogen fluiten, op uwe Nicht leunen , en

in flaauwte vallen. Zoo vernietigde de fchrik het

vermaak , en mijn geluk was flechts een weêrlicht.

Ik weet naauwlijks wat mij zedert dat noodlottig

oogenblik wedervaren zij. De diepe indruk dien

ik ontvangen heb, kan niet meer worden uitgewischt.

Een gunstbewijs? . . . ö dit is eene

verfchriklijke foltering. . . Neen , behoud vrij

uwe kusfchen, ik kan ze niet verdragen .... zij

zijn al te fchcrp, al te dieptreffend, zij dringen

in, zij branden tot in het merg . . . zij zouden

mij dol'maken. Eéne enkele, ja, ééne enkele

heeft mij geftort in eene verbijstering , waarvan

ik niet weder terug kan komen. Ik ben dezelfde

niet meer, en u befchouw ik even weinig als dezelfde.

Ik zie u niet meer tegenftand biedende

en gefh-eng gelijk voorheen, maar ik gevoel en

raak u onophoudelijk aan als gekneld aan mijnen

boezem, gelijk gij één oogenblik waart, ö JULIA!

welk een lot eene hartstocht, waarvan ik niet meer

meester ben, mij ook voorfpelle, welk eene behandeling

uwe geftrengheid ook voor mij uitdenke,

in dien toeftaud waarin ik mij' nu bevind kan

E 4 ik


7* B R I E V E N V A N

ik nier langer leven, en ik gevoel, dat ik maar

Herven moet, het zij dan aan uwe voeten , . „ «

of in uwe armen.

XV. B R I E E.

Fan JULIA.

H et is nodig, mijn Vriend! dat wij ons VOQE

eenigen tijd van elkander fcheiden; en zie daar ie

eerde proef van die gehoorzaamheid, welke gij

mij hebt toegezegd. Geloof, dat ik zeer gewichtige

redenen heb, om dezelve thands van u te

vorderen, en gij weet, dat ik die moet hebben,

om tot zulk een belluit te komen; wat u belangt,

gij hebt er geene andere nodig dan mijnen wil.

Al zedert langen tijd moest gij eene reis doen in

Walliferland. Ik wenschte dat gij dezelve thands

ondernemen konde, nu het nog niet koud is. Offchoon

de Herfst hier ter plaa^fë nog aangenaam

zij, ziet gij echter den top van den Dent-de *amant

reeds wit worden , en over zes wecken

zou ik u niet toelaten in eene zoo barre landdreek

die reis te doen Tracht dan op morgen te verdekken:

gij zult mij fchrijvenaan het adres dat ik u

zen-

(


M ijnliiirt bezweek onder liet vol-op der «fStUrt .Trannee»

ik u op éénmaal zag vwbleeltcu op uwe Nicht leuixeu,

en inflaatrwte vallen. Bladz.^i.


T W E E G E L I E V E N .

^ende, en mij uwen eerden brief doen geworden

als gij te Sion zult aangekomen zijn.

Nooit hebt gij met mij over den daat uwer eigene

zaaken willen fpreken; maar gij zijt buiten

uw Vaderland; ik weet dat gij daar een gering

vermogen bezit , en gij vermindert dat nog bij

aanhoudendheid op eene plaats, daar gij niet blijyen

zoudt, ware het niet om mijnen wil. Ik mag

dus onderdellen dat een gedeelte van uwe beurs

zich in de mijne bevind, en ik zend u in afrekening

eene kleinigheid in de beurs welke gij in deze

doos zult vinden , die gij niet openen moet in het

bijzijn van den brenger. Ik zal de moeite niet

nemen om bedenkingen voortckomen, ik acht u

te veel, om te geloven dat gij in daat zijt die te

maken.

Ik verbiede u, niet alleen zonder mijn bevel

terug te keeren , maar zelfs ons te komen vaarwel

zeggen. Gij kunt fchrijven aan mijne Moeder of

aan mij, enkel om ons te berichten, dat gij genoodzaakt

zijt wegens een onverwacht voorval

oogenbiiklijk te vertrekken, en mij, zo gij wilt,

eenigen raad geven omtrent mijne leesoefeningen,

tot uwe terugkomst. Dit alles moe: nacuurlijk

gefchieden , en zonder den minden zweem van

achterhoudendheid. Vaarwel, mijn Vriend! vergeet

niet, dat gij het hart en de rust van JULIA

m-t u neemt.

n

E S XVI.


7* B R I E V E N V A K

XVI. B R I E F .

Andwoord.

Jk herlees uwen ontzettenden brief, en ik zidder

bij eiken regel. Evenwel zal ik gehoorzamen,

dit heb ik beloofd; ik moer, ik zal gehoorzaam

zijn. Maar gij weet niet, neen, wrtcdaartige!

gij zult nimmer bezeilen konnen wat zulk eene oflerhande

aan mijn hart kost. Ach! gij hadt de

proefneming van het boschje niet nodig om het

gevoelig te maken! dit is een fijne trek van wreedheid,

die uw omncdedogend hart had konnen fpaaren

, en ik kan u ten minfte tarten om mij bij

mooglijkheid nog ongelukkiger te maken.

Gij zult uwe doos in denzelfden ftaat terug ontvangen

, waarin gij dien gezonden hebt. Bij de

wreedheid nog de vernedering te voegen, dit is te

veel; heb ik u meesteres van mijn lot gelaten, ik

heb u geene befchikking gegeven over mijne eer.

Dit is een heilig pand, (het cénige helaas! dat

mij overig blijft!) het geen tot aan het einde van

mijn leven niemand zal bewaren, dan ik zelve. ,

XVII.


T W E E G E L I E V E N . 75

XVII. B R I E F .

Weder - eindwoord.

u w brief verwekt mijn medelijden; dit is het

Cénige opftel zonder verftand, dat gij immer gefchreven

hebt.

Ik beledig dan uwe eer, voor welke ik duizendmaal

mijn leven zoude opofferen? Ik kwets dan

uwe eer, ondankbare; die mij bereid gezien hebt

om de mijne aan u aftefïaan ? waar is dan die eer

die ik fchende? zeg het mij, laaghartige, ziel zonder

kieschheid. ö ! Hoe vcrachtlijk zijt gij, indien

gij geene eer hebt dan zulk eene die JULIA niet

kent! Wat! zij die hun lot zamen declen willen,

zouden hunne bezittingen niet mogen deelen, en

iemand, die er voor uitkomt dat h'j de mijne is,

houd zich beledigd door mijne geiehenken! zedert

wanneer toch is het eene laagheid geworden iet te

ontvangen van het voorwerp dat men bemint?

zints wanneer word het hart ontcerd door aantenemen

't geen het hart geeft? ja maar, men veracht

een man die van een ander iet ontvangt,

men veracht hem, wiens behoeften grooter zijn

dan zijn vermogen, is het niet waar? en wie veracht

hem ? laage zielen, die hunne eer in den rijkdom

ftellen, en die de deugden met goud gewicht

waar-


76 B R I E V E N V A N

waardeeren! (lelt dan een braaf man zijne eer in

deze laage grondregelen, en pleit zelfs hetvvooroordeel

van het gezond verftand niet reeds ten voordeele

des min-vermogenden?

Er zijn buiten kijf lange gefchenken, welke

een eerlijk man niet kan aannemen; maar weet,

dat deze niet minder de hand onteeren die ze aanbied,

en dat eene gift, die met welvoeglijkheid

kan gedaan worden, altoos even zoo gevoeglijk

kan worden ontvangen; en zeker verwijt mijn hart

mij de mijne niet, het verheft zich op dezelve.

Ik ken niets verachtlijkers, dan eenen man wiens

hart en wiens oppasfingen men koopt, behalven

alleen de vrouw die hem daarvoor betaalt; maar

tusfchen twee vereenigdc harten is de gemeenfchap

van goederen eene billijkheid, een plicht, en indien

ik nog ten achteren ben wegens het geen

ik meer hebbe dan gij, neem ik zonder fchroom

(van u) aan het geen ik behoude, cn ik blijf u

fchuldig het geen ik u nog niet gegeven heb; ach!

indien de gefchenken der liefde ten last zijn,

welk hart kan dan ooit dankbaar wezen ?

Onderflelt gij misfchien dat ik van mijne eigene

benodigdheden affnippere, het geen ik beftemde

om in de uwe te voorzien? ik zal u van het tegendeel

een bewijs geven, dat boven alle tegenspraak

is. En dit is, dat de beurs welke ik u

wederom zendé tweemaal de fom bevat die


T W E È G E L I E V E N . 77

*r de eerde reis in was, en dat het alleen van mij

zou afhangen om dezelve nog eens te verdubbelen»

Mijn Vader geeft mij tot mijn onderhoud een

jaargeid, dat zekerlijk matig is, maar hetgeen ik

nimmer behoef aan te tasten, zoo oplettend is

mijne moeder om mij van alle^ te voorzien; om

nu niet te zeggen dat mijn borduur- en kantewerk

genoegzaam zijn om mij van het een en ander te

verzorgen. Het is waar dat ik niet altoos zoo

ruim van geld voorzien ben geweest; de bekommernisfen

eener noodlottige hartstocht hebben mij

zedert lang zekere bezorgingen doen verwaarlozen,

waaraan ik mijn overfchot befleedde; dan

even dit is eene reden te meer om van het zelve

zulk een gebruik te maken als ik werklijk doe;

ik moet u vernederen voor eene verkeerdheid waarvan

gij oorzaak zijt, en de liefde behoort de misflagen

te boeten, welke zij zelf doet begaan.

Laat ons ter zaake komen. Gij zegt dat de

eer u verbied mijne gefchenken aantenemen. Indien

dit zoo is, heb ik niets meer te zeggen, en

ik ben het met u eens, dat het u niet vrij ftaat om

de bewaring van zoodanig iets uit uwe handen te

geven. Zo gij mij derhalven hiervan overtuigen

kunt, doe het dan op eene duidlijke , onwedcr-

(preeklijke wijze, en zonder nutloze fpitsvindigheid;

want gij weet, dat ik eene vijandin ben van

drogredenen. In dat geval kunt gij mij de beurs

terug geven, ik neem dezelve wederom zonder

mij


fi B R I E V E N V A N

mij daar over te beklagen , en er zal niet meet

van gefproken worden.

Maar dewijl ik niet houde van vitzieke lieden

zoomin als van eene valfche eerzucht, zo weet,

dat, indien gij mij nog eens de doos terug zendt

zonder u te rechtvaardigen, of zo uwe verdediging

ongegrond is, wij elkander niet meer behooren

te zien. Vaar wel! denk hier over.

XVIII. B R I E F .

Aan JULIA.

Uwe gift heb ik aangenomen, ik ben vertrokken

zonder u te zien, en thands ben ik ver van u af.

Zijt gij nu voldaan over uwe geweldenarijen, en

heb ik u genoeg gehoorzaamd?

Van mijne reis kan ik u niets melden; ik weet

naauwlijks hoe ik die gedaan heb. Drie dagen heb

ik beileed om twintig mijlen wegs afteleggen ; elke

fchrede die mij van u verwijderde, fcheurde mijn

ligchaam van mijne ziel af, en gaf mij een voorgevoel

van den dood. Ik wilde u eene befchrijving

geven van het geen ik zien zoude. IJdel

voornemen! Ik heb niets gezien dan u, en kan u

geene tekening geven anders dan van JULIA. De

heftige gemoedsbewegingen welke mij flag over

flag


T W E E G E L T E V E N . 79

flag hebben aangetast, hebben mij geftort in eene

onophoudelijke verftrooijing van gedachten; ik

bevond mij altoos daar ik niet was; naauwlijks

had ik tegenwoordigheid van geest genoeg om

mijnen weg te houden en re vragen, en ik ben

te Sion gekomen zonder van Vevay vertrokken

te zijn.

Op deze wijze heb ik het geheim gevonden van

uwe gelirengheid te loor te ftellen, en u te zien

zonder u ongehoorzaam te wezen. Ja, wreede!

wat gij ook hebt konnen verrichten, gij hebt het

vermogen niet gehad om mij geheel en al van u

aftefcheiden. Ik heb flechts het geringde deel van

mij zelve naar mijne ballingfchap heen gefleept;

alles wat in mij leeft, blijft beftendig bij u. Het

zweeft ftrafloos op uweoogen, uwe lippen,uwen

boezem, en op alle uwe bekoorlijkheden; het

dringt overal door gelijk eene fijne damp; en ik

ben tegen uwen wil gelukkiger, dan ik immer

met uwe toeftemming was.

Ik moet hier eenige lieden ^preken, eenige zaaken

verrichten; en dit alleen verdriet mij. Ik

ben niet ongelukkig in mijne eenzaamheid, waarin

ik mij met u kan bezig houden en mij daar verplaatfen

waar gij u bevindt. De bezigheid alleen,

die mij weder geheel en al tot mij zelve doet komen,

is mij onverdraaglijk. Ik ga alles kort en

goed afdoen, om geheel en al vrij te zijn, en naar

mijne


?o B R I E V E N V A N

mijne verkiezing te konnen omzwerven iri dié

wöeste oorden, die in mijn oog de fchoonheden

van dit land uitmaken. Men moet zich aan alles

onttrekken, en alleen in de wereld leven ,• wanneer

men er niet,met u in leven kan.

XIX. BRIEF,

Aan JULI *.

]Miets houd mij meer hier dan uwe bevelen; de

vijf dagen welke ik hier heb doorgebracht, zijn'

over genoeg geweest voor mijne bezigheden; indien

men anders bezigheden noemen kan dat geen,

waaraan het hart geen deel heeft. Kortom, gij

hebt nu geen voorwendfel meer, en kunt mij niet

langer van u verwijderd houden dan om mij te

kwellen*

Ik begin mij zeer te ontrusten over het lot van

mijn eerden brief; dezelve is bij mijne aankomst

gefchreven en or> de post bezorgd; het opfchrïft

is getrouwelijk gevolgd naar dat 't geen gij mij

hebt toegezonden; ik heb u het mijne met dezelfde

nnauwkeurigheid gezonden, en indien gij

terdond geand woord hadt, moest dat and woord

mij reeds geworden zijn. Het komt echter niet;

L en er is geene treurige oorzaak van dit verwijl

moog»


T W E E G E L I E V E N .

töóögliik, of mijn ontroerde geest {telt zich dez'elve

voor. 6 Mijne JULIA! wat al onvoorziene

toevallen konnen in acht dagen tijds de zachtfte

banden der wereld voor altoos verbreken ! ik beef

op het denkbeeld , dat er voor mij Hechts één

enkel midJel is om gelukkig te zijn, en railliöe»

nen om rampzalig te worden, JULIA! zoudt gij

mij vergeten hebben? ach! dit is het ijslijkfte van

alles wat ik vreze! Tegen alle andere ongelukken

kan ik mij zelf vooraf harden, maar op het enkel

vermoeden van dezen ramp bezwijken alle de

krachten mijner ziele.

Ik zie hoe weinig gronds er zij voor mijne bekom*

mernis echter ben ik niet in ftaat dezelve te {tillen.

Van o verwijderd neemt het gevoel mijner

tampen onophoudelijk: toe, en, als of ik er geene

had genoegzaam om mij allen moed te doen ontzinken,

fmeed ik er nog twijfelachtige bij, ter ver*

bittering van alle de andere. In den beginne waren

mijne kwellingen minder gevoelig. De ver*

warring van een fpoedig vertrek, de beweging van

het reizen, gaf een verzet am mijne droefgeestigheid

; dan deze herleeft weder in mijne

ftille eenzaamheid. Helaas! ik worftcldc; een

doodlijk ftaal heeft mijnen boezem doorwond, en

de pijn heeft zich eerst lang na het bekomen dei*

wonde doen gevoelen.

Plondcrdmaalcn heb ik bij het lezen Van Romans

I. DEEL, F gfl«


8 2 B R I E V E N V A N

gelagchèn om de klachten der minnaars over de

afwezigheid van elkander. Ach! ik wist toen nog

niet, hoe ondraaglijk mij het afzijn van u eenmaal

vallen zoude! thands gevoel ik hoe weinig

eene bedaarde ziel berekend zij om over de hartstochten

te oordeelen., en hoe dwaas het is aandoeningen

te befpotten, die men nimmer heeft

ondervonden. Zal ik het u echter zeggen? ik weet

niet welk een vertroostend en aangenaam denkbeeld

de fmart van uwen verren afftand in mij

tempere, op de herinnering dat uw bevel er de

oorzaak van is. De wederwaardigheden die gij

mij bezorgt, zijn minder knellende , dan indien

zij mij door het noodlot worden toegezonden; zo

zij dienen om u genoegen te geven, zou ik niet

wenfehen er van ontheven te zijn; zij waarborgen

mij hare eigene vergoeding, en ik ken uwe ziel al

te wel, dan dat ik geloven kan, dat gij wreed zijt

zonder ecnig nuttig oogmerk.

Wilt gij mij op den toets zetten, ik zal er niets

meer tegen inbrengen; het is billijk, dat gij weet

of ik Hand vast ig, lijdzaam, onderworpen, in één

woord, of ik het geluk waardig ben, dat gij mij

toefchikt. Hemel! indien dit uw oogmerk ware,

ik zou mij beklagen dat ik niet genoeg leed. Ach ï

neen., wilt gij zulk een ftreelend vooruitzicht in

mijn hart voeden, denk dan , zo het mooglijk is,

kwellingen uit die meer geëvenredigd zijn aan hare

opvolgende beloning.

XX.


T W E E G E L I E V E N . £3

XX. B R I E F .

Van JULIA.

Gelijktijdig ontvang ik uwe twee brieven, en ik

zie uit de ongerustheid, welke gij in den tweeden

over het lot van den eerften doet blijken,dat, als

de verbeeldingskracht aan het holien geraakt, het

verftand zich niet altoos haast om haar bij te houden

, maar dezelve gewoonlijk haren gang laat

gaan. Meende gij dat bij uwe aankomst te Stort

een bode gereed ftond en op de bezorging wachte

van uwen brief om te vertrekken, dat deze

brief mij terftond bij zijne aankomst zou worden

ter hand gefield, en dat de gelegenheid om u té

andwoorden voor mij niet minder gunfHg zoude

zijn ? Het gaat zoo niet, mijn lieve Vriend!

beiden uwe brieven zijn mij te gelijk geworden ,

omdat de post, die flechts éénmaal in de week

doorrijd, eerst met de tweeden is afgegaan. Er

is eenige tijd nodig om de brieven te beftellen,

alsmede voor mijnen gelastigden, om mij den mij«

rieh in ftilte te bezorgen, en de Post rijd 'sanderen

dags na zijne aankomst niet terug. Alles dus

wel berekend, hebben wij acht dagen nodig, indien

de postdag wel gekozen is, om andwoord van

elkander te bekomen; ik doe u dezen uitleg om

eens voor al uwe ongeduldige drift te ftilleu. Terwijl

gij ,tegcn het noodlot en mijne zufmachtigheid

F » luide


«4 B R I E V E N VA H

luide klachten aanheft, ziet gij dat ik mij bchendiglijk

doe onderrichten van alles Wat onze briefwisfèltng

verzekeren, en uwe verlegenheid voorkomen

kan. Ik laat aan u over te beflisfen, wie

van ons beiden de tederfbe oplettendheden betoone.

Laat ons, mijn goede Vriend! van geene verdrietlijkheden

meer fpreken ; ach! ontzie liever,en

deel met mij, het vermaak dat ik geniet, om,

na eene afwezigheid van acht maanden, den besten

der Vaderen wedertezien! Donderdag avond

kwam hij t'huis, en zedert dat gelukkig oogenblik

heb ik niet anders dan aan hem gedacht (aj. ö

Gij, dien ik naast de oorzaken mijnes levens het

liefst in de wereld heb, waarom komen uwe brieven,

uwe twistredenen mijne ziel bedroeven en de

eerfte genoegens van een huisgezin dat weder voltallig

is geworden, Itooren! Gij zoudt wel willen,

dat mijn hart zonder tusfehenpozing zich met u

onledig hield; maar zeg mij eens, zou het uwe

een ontaart meisje beminnen konnen , welke de

liefdedrift de rechten van het bloed deed vergeten

, en die door de klachten eenes minnaars ongevoelig

werd voor de liefkozingen van eenen

Vader? Neen, mijn waardige Vriend! vergiftig

door onbillijke verwijtingen de onfchuldige vreugde

(


T W E E G E L I E V E N . S£

de niet, welke eene zoo ftreelende aandoening

mij verfchaft. Gij, die zulk eene tedere en gevoelige

ziel hebt, bezefr. gij niet, hoe verrukkend

het zij bij die zuivere en eerwaardige omhelzingen

den boezem eenes Vaders van vreugde tegen die

van zijne Dochter te voelen kloppen ? Ach! gelooft

gij dat het hart in zulk een tijdflip zich één

oogenblik verdeelen kan zonder aan de natuur

iets te ontrooven ?

Sol che Jon figlia io mi rammente adesfo.

Denk echter niet dat ik u vergeet. Vergat men

ooit het voorwerp, dat men eenmaal beminde?

Neen, de levendiger indrukken, waaraan men eenige

oogenblikken toegeeft, vernietigen daarom de

andere niet. Niet zonder droefheid zag ik u vertrekken

, met blijdfehap zou ik u zien wederkeeren.

Maar heb geduld gelijk ik, dewijl

het wezen moet, zonder meer hier naar te vragen.

Zijt verzekerd, dat ik u zal terug roepen

zoodra het moogiijk is, en denk dat dikwijls die

geene, die zich het heftigst over de afwezigheid

beklaagt, er niet het meeste door lijdt.

XXI.

(« ) Dat is: dat ik c» Dochter ben , is thands mijne

*£cnigjle berinnering.

F 3

Aant. des v z s. T.


$6 B R I E V E N V A N

XXI. B R I E F .

Aan JULIA.

Wat heb ik geleden bij het ontvangen van dien

brief, waarnaar ik zoo vuurig verlangde ! Ik

wachtte den bode op aan het Postcomptoir.

Naauwlijks was het valies geopend, of ik meld

mij aan, ik val de menfchen lastig; men zegt mij

dat er een brief voor mij is; ik beef; gedreven

van een doodlijk ongeduld, vraag ik denzelven ;

eindlijk ontvang ik hem. JULIA, ik herken de

trekken uwer aanbidlijke hand! en de mijne trilt

terwijl zij zich uitftrekt om dit dierbaar pand te

ontvangen. Duizendmaal wilde ik die eerwaardige

letters Irusfchen. ö Hoe voorzichtig is eene

fchroomvallige liefde' ik durfde den brief niet aan

mijne lippen brengen, noch dien in 't bijzijn van

zoo veelc menfchen openen. Ik maakte mij fpoedig

weg. Mijne knieën fchuddeden mij onder het

lijf; naauwlijks kon ik door mijne toenemende

ontroering 1

den weg vinden ; bij het inflaan van

den eerden rijdweg open ik den brief, ik doorloop

dien, ik doorlees hem gretigüjk, en naauwlijks

ben ik gevorderd tot aan die regels waarin gij zoo

fchoon de genoegens van uw hart fchildert bij dc

omhelzing van dien vereerenswaardigen Vader, of

ik fmelt jn traapen » men Yestigt het oog op mij,

ik


T W E E G E L I E V E N . 87

ik fluip weg in eene ban om niet gezien te worden;

daar, deel ik in uwe vertedering; .ik omhels

met vervoering dien gelukkigen Vader, weiken ik

naauwlijks ken, en , daar de ftetn der natuur mij

aan den mijnen herinnert, wijde ik riieawe traa»

nen aan zijne gezegende nagedachtenis.

Wat wilde gij, onvergelijkelijk meisje! door

mijne ijdele en ftroeve wetenfchap toch leeren?

ach! van u moet men al dat goede en braavc leeren

dat in eene menschlijke ziel vallen kan, en vooral

die uitmuntende zamenftemming van de deugd,

de liefde, en de natuur, welke nimmer beftond dan

in ui Neen, is er geen ééne rechtfehapene aandoening

die niet in uw hart gevestigd is, die zich

daarin niet voordeelig onderfcheid coor de u eigene

gevoeligheid; en ik zie wel, dat, om mijn

eigen hart te konnen beftuuren , ik ook mijne gevoelens

aan de uwe moet onderwerpen, gelijk ik

mijne daden aan uwe bevelen onderworpen heb.

Bedenk echter, bid ik u , welk een verfchil

tusfehen uwen toeftand en de mijnen! Ik fpreek

van geenen rang noch middelen, in dit ftuk moeten

de eer en de liefde alles vergoelijken. Dan ,

gij zijt omringd van lieden die gij hoog fchat en

welke u aanbidden; de liefdezorgen eeuer tcderhartigc

moeder, en van eenen vader wiens eenige

hoop gij zijt, de vriendfchap eener nicïft die niet

ichijnt te konnen ademen buiten u; een geheel

F 4 huis-,


85 B R I E V E N v A s

huisgezin waarvan gij bet ficraal uitmaakt, eene

gamfche ftad die er roem op draagt uwe geboorte»

plaats te zijn, alles wekt uwe gevoeligheid op en

deelt in dezelve; en de liefde behoud flechts een

gering overfchot van dat geene, welk haar ontroofd

word door de rechten van het bloed en

der vriendfchap. Ik integendeel, JULI A ! helaas!

zonder maagfehap en bijkans zonder Vaderland

omzwervende, heb ik niets dan u op aarde, en

de liefde alleen is voor mij alles. Verwonder

u dus niet, indien mijne ziel, offchoon de uwe

de gevoeligfte zij, het fterkst beminne, en indien

ik, in zoo vecle opzichten voor u zwichtende,

ten minfte van de liefde den prijs behaal.

Vrees echter niet dat ik u nogmaals met mijne

onbefeheidene klachten zal lastig vallen. Neen,

ik zal uwe genoegens ongeftoord laten, zoo ombare

reinheid in zichzelve, als om uwen wil die

ze geniet. Ik zal mij het aandoenlijk tooneel cr

van voor den geest haaien; op eenen verren afftand

zal ik cr deel aan nemen, en daar ik door

mijn eigen voorfpoed niet gelukkig kan zijn, zal

ik bet door den uwen wezen. Welke de redenen

ook zijn mogen, die mij van u verwijderd houden,

ik eerbiedig ze; cn wat zou het mij baaten

dezelve te weten, daar ik,fchoon ik ze mocht afkeuren,

niettemin mij zou moeten onderwerpen aan

de begeerte, die zij u inboezemen? Zal het ftilswijgen

mij moeilijker vallen, dan het mij ge*

vab»


T W E E G E L I E V E N .

vallen heeft u te verlaten ? Bedenk fteeds , ö

JULIA! dar uwe ziel twee ligchamen te beftuuren

heeft, en dat dat geene, 't welk zij door hare

keuze bezielt , haar altoos het getrouwfte zal

zijn.

nodo plu forte:

• Fabricato da nol, non dalla forte (


9° B R I E V E N V A M

XXII. B R I E F .

Van JULIA.

E iudelijk is dc eerde dap gedaan, er is o^acr u

gefproken. In weerwil van de onvoldaanheid die

gij omtrent mijne kundigheden doet blijken , is

mijn vader er door verrascht geworden; hij heefc

niettemin verwonderd gedaan over mijne vorderingen

in de Mufiek en Tekenkunde («), en

tot groote verbazing van mijne moeder, die vooringenomen

was door uwe valfche berichten (F),

is hij zeer voldaan geweest over alle mijne bekwaamheden,

behalven alleen in de Wapenkunde,

welke hem toefcheen veronachtzaamd te zijn.'

Dan deze kundigheden verkrijgt men niet zonder

meester; ik moest dus den mijnen noemen , en

ik deed dit met eene zwierige opibmming van

alle de wetenfehappen waarin hij de goedheid had

mij te onderwijzen, behalven ééne. Hij herinnerde

Zie daar, zoo liet mij voorkomt, eenen wij,

zen van twintig jaaren, die verbazend veel weer. het

is wa:r dat JULIA hem op zijn dertigfte geluk

wenscht van niet meer zoo geleerd te zijn.

(7>) Dit ziet op eenen brief aan de moeder op ee­

nen dubbclzincigen toon gefchreven , en welke is ach*

ter gehouden.


T W E E G E L I E V E N . 91

nerde zich, u bij zijne voorige t'huisreis meermalen

gezien te hebben, en het fcheeri, dat hij

geenen ongunliigen indruk van u behouden had.

Vervolgends heeft hij gevraagd naar uw vermogen;

ik heb hem gezegd dat dit middenmatig

was; toen naar uwe afkomst, ik andvvoordde dat

dezelve ordentlijk was. Dit woord (Jwnnête}

is in het oor van een edelman zeer dubbelzinnig,

en heeft vermoedens verwekt, welke bij eene

nadere opheldering bevestigd zijn geworden. Zoo

dra hij wist dat gij niet van adel waart, vraagde

bij, wat men u maandelijks betaalde. Mijne

moeder het woord nemende zeide, dat men u

zulk eene fchikking zelfs niet had durven voor-

Haan, en dat gij, integendeel, ftandvastig geweigerd'

hact zelfs de kieenfte gefchenken aantenemen,

welke zij u had willen doen van zulke

dingen, die men niet gewoon is te weigeren.

Dan deze trotsheid diende flechts om de zijne

optervekken , en hoe zou het denkbeeld bij moog-

Hjkheid te verdragen zijn, van verplichting te

hebben aan eenen man van burgerlijke afkomst!

Er is dus vastgèïleld dat men u eene bezolding

Zoude aanbieden, en bij weigering daarvan, ondanks

alle uwe erkende verdienden, u voor uw

onderwijs zoude bedanken. Zie daar, mijn vriend!

de korte herhaling van eene zamenfpraak, diëten

opzichte van mijnen zeer geëerden meester is

voorgevallen, en gedurende welke zijne gehoorzame

i


g* B R I E V E N V A N

zame leerlinge niet zeer genist was. Ik heb gemeend

mij niet genoeg te konnen haasten om er

u bericht van te geven, ten einde u den tijd te

laten van u daarover te beraaden. Verzuim niet,

zoo dra gij een beiluit zult genomen hebben, mij

dat te melden ; want dit ftuk ftaat aan u ter

beflisfing, en mijne rechten ftrekken zich tot

zoo verre niet uit.

Met ongerustheid verneem ik uwe omzwervingen

over de gebergten; niet dat gij daar, naar

mijne gedachten, geene aangename afleiding vindt,

en dat het verhaal van 't geen gij gezien zult

hebben mij zelve niet zeer aangenaam zoude zijn;

maar ik vrees ten mijnen opzichte voor die ver»

moeijende bewegingen , welke gij geheel nietkunt

wederftaan. Daarenboven is het Saifoen reeds

verre verlopen; daaglijks kan alles overdekt worden

van fnceuw, en ik voorzie dat gij nog meer

van de koude zult te lijden hebben dan van de

fterke beweging. Zoo gij in dat landfchap, waar

gij u thands bevindt, eens ziek werdt, zou ik

ontroostbaar zijn. Koom dan, mijn goede vriendJ

in mijne nabuurfchap terug. Het is wel de tijd

nog niet om weder in Fcvaij te komen, maar ik

begeer, dat gij uw verblijf houdt in eene landftreek

die minder bar is, en dat wij meer bij de

hand zijn om gcmaklijk tijdingen van elkander te

konnen bekomen. Ik iaat u meester om de plaats

van uw oponthoud zelf te kiezen. Draag alleenlijk


T W E E G E L I E V E N . 93

lijk zorg dat men hier niet we te waar gij zijt, en

wees omzichtig zonder u achterhoudend te gedragen.

Ik zeg u niets op dit ftuk; ik verlaat mij op

het belang dat gij hebt in behoedzaam te zijn, en

nog meer op het belang 't geen ik zelve daarbij

hebbe.

Vaarwel, mijn Vriend! Ik kan mij niet langer

met u bezig houden. Gij weet hoe veel behoedzaamheid

ik nodig heb om u te fchrijven. Dit is

het niet alles; mijn vader heeft een achtingswaardigen

vreemdeling met zich gebracht, een ouden

vriend van hem, en die voorheen in den oorlog

zijn leven gered heeft. Oordeel of wij ook ons

best gedaan hebben om hem wel te ontvangen!

Morgen vertrekt hij weder, en wij beijveren ons

om hem den laatften dag nog alle de vcrmaaklijk»

heden te doen genieten, welke gefchikt zijn om

onze vuurige erkentenis aan zulk eenen weldoener

uittedrukken ; men roept mij, ik moet eindigen.

Nogmaals vaarwel !

XXIII. B R I E F ,

Aan JULIA.

Naauwlijks acht dagen heb ik ^efteed om eenlandfchap

te doorloopen, welks opmerkzame befchouwiug

jaaren vereischen zou; maar behalven dat

de


B R I E V E N V A Ï Ï

de fneeuw mij verjaagt, heb ik willen terug zijd

vóór de post, die mij, hoop ik, eenen brief van

u zal medebrengen. Deszelfs aankomst inwachtende

begin ik u inmiddels dezen te fchrijven; "ik

zal er, indien het nodig is, een tweeden bijvoe.

gen , om den uwen te beandwoorden.

• Ik zal u hier geen verilag doen van mijne reis

en mijne opmerkingen ; ik heb er een verhaal van

opgefteld, het geen ik u zelve denk te brengen.

Wij moeten onze briefwisfeling bewaaren voor

zulke zaaken die ons beiden meer van nabij

betreffen. Thands zal ik mij vergenoegen met

u te onderhouden over de gefleldheid van mijn©

ziel; want het is betaamlijk u rekenlchap te geven

van het gebruik dat men van uw goed

maakt.

Bij mijn vertrek was ik treurig wegens mijne

eigene fmarten, en vertroost door uwe vrolijkheid;

hetgeen mij in een zekeren kwijnendentoeftand

hield, die niet onaangenaam is voor een

gevoelig hart. Langzaam en te voet klonterde ik

langs vrij ruwe paden op, onder het geleide van

een man dien ik voor mijnen gids had aangeno*

men, en in wien ik gedurende de geheele reis

veel meer een vriend dan eenen huurling heb

aangetroffen. Ik wilde mij in gepeinzen verdiepen

, en gedurig werd ik daarvan afgetrokken

door eenig verrasfehend tooneel. Nu eens hingen


T W E E G E L I E V E N . S5

gen ontzachlijke rotfen als bouwvallen boven mijtl

hoofd; ftraks overdekten mij hooge en kletterende

watervallen met haren dichten waternevel,

dan weder opende een eeuwigdurende ftortvloed

aan mijne zijde eenen afgrond, waarvan het oog

de diepte niet peilen durfde. Zomtijds verloor ik

mij in de duisternis van een dicht gegroeid bosch.

Op een ander tijd, uit eenen afgrond komende, werd

mijn gezicht eensflags geftreeld door aangename;

beemden. Eene wonderbare mengeling der woeste,

en der befchaafde natuur , vertoonde overal de

hand der menfchen , waar men nimmer gedacht

zou hebben dat zij waren doorgedrongen: naast

een berghol vond men huizen; men zag drooge

wijngaardranken, daar men enkel doorneftruiken

zoude gezocht hebben, wijngaarden in neergeftorte

landen, uitmuntende vruchten op rotfen,

en bebouwde velden in fteile diepten.

Het was niet de arbeid der menfchen alleen,

die in deze afgelegene oorden zulk eene vreemde

tegenflrijdigheid veroorzaakte ; de natuur zelve

fchcen tevens vermaak te fcheepen, om daar met

zich zelf in een tweeftrijd te treden, zoo onderfcheiden

vertoonde zij zich op ééne en dezelfde

jilaats uit verfchillende gezichtpunten bezien.

In het oosten de bloemen der lente, in

,het zuiden de vruchten van den herfst, ten noorden

de ijsvelden van den winter vormende, vereenigde

zij in het zelfde oogenblik alle de jaa»

getij-


po B R I E V E N V A N

getijden , alle de landftreeken onder denzelfden

hemel, tégehftrijdige gronden op denzclfden bodem,

en fchiep de nergends elders bekende zamen»

voeging van de voordbrengfelen der vlakten en

die der Alpen. Voeg bij dit alles de misleidingen

der gezichtkunde, de op verfchillende wijze

verlichte bergtoppen, het licht en duister der zon

en der fchaduvven, en alle de veranderingen van

licht, welke daar uit des morgens en 'savonds

ontflonden; en gij zult eenig denkbeeld hebben

van de afwisfelende vertoningen, die zonder ophouden

mijne verwondering tot zich trokken, en

die mij opeenwezenl'jk tooneel voorgefteld fcheenen;

want het loodlijnig verfchiet der bergen treft

op eens geheel en al het oog, in eene veel fterkere

mate dan dat der vlakten , waar herzelve

zich enkel zijdelings vertoont, in eene wijkende

houding , en zoo dat elk voorwerp een ander

voor u verbergt.

Aan het ftreelende van deze verfcheidenheid

fchreef ik gedurende den eerften dag de kalmte

toe, welke ik in mij voelde herleven. Ik verwonderde

mij over den invloed dien de ongevoeligfte

wezens op onze levendigitc driften hebben,

en ik verachtte de Wijfgeerte, omdat zij zelfs

zoo veel op de ziel niet vermocht als eene reeks

van onbezielde voorwerpen. Maar toen deze

bedaarde ziclsgefleldhcid des nachts voordduurde

en den volgenden dag toenam, begreep ik al ras

dat


'TWEE GELIEVEN.

'dat 'daarvoor nog eenige andere mij onbekende

reden was. Ik kwam dien dag op gebergten

die her minst verheven waren, en, vervolgends

hunne oneffene vlakten doorlopende, beklom

ik de hoogden, die onder mijn bereik

waren. Na in de wolken gewandeld te hebben,

bereikte ik een held'erer verblijfplaats, van waar

men , in het daartoe géfchikt jaargetijde , den

donder en het önweder beneden zich ziet uitbarsten;

eené al te doute afbeelding van de ziel

des wijzen , waarvan het voorbeeld nimmer beftond,

althands niet bedaat dan op die plaatfen

zelve, van waar men het zinnebeeld cr voor ontleend

hééft»

Daar ontdekte ik gevoelïglijk, in de zuiverheid

der luchtdreek waarin ik mij bevond , dé

vvaare oorzaak van de verandering mijner geestgédeldhcid,

en van de herdelling dier inwendige

rust welke ik zints zoo langen tijd verloren had.

Indedaad, het is een doorgaande .indruk dien allé

menfchen ondèrvindén zdnder allen daarop achttegeven,

dat men op de hooge bergen, waar de

lucht zuiver en fijn is, eene gemaklijker ademhaling

, meer vlugheid in het ligchaam, meer

helderheid in den geest gevoelt, de lusten zijn

fer minder hevig, de driften gematigder. Da

overdenkingen nemen daar ik weet niet welk een

kenmerk van grootheid en verhevenheid aan,

geëvenredigd aan de voorwerpen die ons treffen 3

li BEEié G g>]


9» B R I E V E N V A N

zij verwekken een zekere Rille wellust die niets"

prikkelends, niets zinlijks heefr. Hetfchijnt, alsof

men zich verheffende boven het gewoon verblijf

der menfchen, alle laage en aardfche gevoelens

daar terug laat, en dat, naar gelang men de

gewesten boven onzen dampkring nadert, de ziel

iets verkrijgt van derzelver eenparige zuiverheid.

Men is daar ernftig zonder zwaarmoedigheid, gerust

zonder onverfchilligheid, voldaan met aanwezig

te zijn, en te denken; alle de te hevige begeerten

worden verftompt, zij verliezen die prikkelende

fcherpte, waardoor zij fmarte verwekken,

Zij laten in het hart niets meer over , dan eene

geringe en zachte aandoening; en het is op deze

wijze dat éen gelukkig fuchtsgeftel de hartstochten

, welke anders den mensen folteren , aan zijn

geluk dienstbaar maakt. Ik twijfel, of wel eenige

hevige gemoedsbeweging, eenige opitijgingsziekte'

heiland zij tegen een langdurig verblijf van dezen

aart, en het verwondert mij dat het baden in de

gezonde en weldadige lucht der bergen niet een

van de grootfte hulpmiddelen der Genees- en

Zedekunde is.

O ui non palazzi, non teatro o loggia,

P/Pan lor vece un abete, un faggio, impina

Tra Verba verde


T W E E G E L I E V E N . 99

Stel u voor de vereenigde indrukken van alles

%vat iK u belchreven heb, en gij zult eenig denkbeeld

vormen konnen van de aangename gefteltenis

waarin ik mij bevond. Verbeeld u de verfcheidenheid

, het grootfche, het fchoone van duizend

verrukkende tooneelen, het vermaak van zich enkel

omringd te zien door geheel nieuwe voorwerpen,

van vreemde vogelen, van zeldzame én onbekende

planten; het vermaak van in zekeren zin

èene andere natuur te befchouwen, en zich overgebracht

te vinden in eene nieuwe wereld. Dit

alles verfchaft aan het oog eene mengeling die

niet is uittedrukken, Waarvan de bekoorlijkheid

nog vergroot word door de fijnheid der lucht,

welke de kleuren levendiger, de trekken duidlijker

maakt, en alle de vergezichten naderbij baalt;

de afftanden fchijnen minder groot dan in de vlakten

, waar de dikte der lucht een dekkleed over

de aarde fpreid; de gezichteinder bied het oog

meer voorwerpen aan, dan dezelve fchijnt te konnen

bevatten; kortom, het fchouwtooneel heeftiets

toverachtigs en bovennatuurlijks , her geen

den geest en de zinnen opgetogen houd; men

vergeet alles, men vergeet zich zelve, en weet

niet meer waar men is.

len , maar in de plaats daarvan de detweböom, de

beuk, de pijnboom, de groene velden , en fchoone gf

bergten onzen geest van de aarde ten hemel verheffen.

, \ Ga

Aant, des VËRf<

Ife


ïoe B R I E V E N VAI?

Ik zou al den tijd van mijne reis in het vermaak

dezer landbefchouwing alleen hebben doorge*

bracht, indien ik niet een nog ftreelender vermaak

in den omgang der bewooneren gevonden had.

Gij zult in mijne befchrijving eene oppervlakkige

tekening vinden van hunne zeden , hunne eenvoudigheid,

hunne eenparigheid van ziel, en van die

ftille gerustheid die hen gelukkig maakt meer door

bevrijding van ongeneugten, dan door het genot

der vermaken; dan het geen ik u niet heb konnen

fchilderen, en waarvan men niet in ftaat is zich

eenig denkbeeld te vormen, is hunne belangloze

vriendlijkheid, en hunne herbergzame zucht voor

alle die vreemdelingen, welke hen bij toeval of

uit nieuwsgierigheid bezoeken. Ik zelf, die aan

niemand kennis had en alleenlijk met een gids reisde

, had daarvan eene treffende ondervinding.

"Wanneer ik des avonds in een buurtfehap aankwam,

beijverde zich elk een zoo zeer om mij

zijn huis te komen aanbieden , dat ik over de

keuze verlegen was, en hij die de voorkeus kreeg

fcheen daar mede zoo voldaan, dat ik de eerfte

maal deze drift voor baatzucht hield. Maar ik

ftond zeer verbaast, toen mijn gastheer, nadat ik

bij hem nagenoeg gelijk in eene herberg geleefd

had, des anderen dags mijn geld weigerde, zich

zelfs eenigermate beledigd houdende over mijn

voorftel;- en dit is overal zoo geweest. Het was

dus louter de anders gewoonlijk vrij koele zucht

tot gastviijheid, welke ik uit hcof'de van derzel-

vear


T W E E G E L I E V E N . 101

ver vuurigheid voor winzucht had aangezien. Hun­

ne belangloosheid was zoo groot, dat ik op de

geheele reis geene gelegenheid gehad h


ïoa B R I E V E N VAN

zijn kooplieden, en andere luiden die zich alleenlijk

bemoeien met hunnen handel en hunne winsten.

Het is billijk dat dezen een gedeelte van hun

voordeel aan ons affhan, en wij behandelen hen

even gelijk zij anderen doen ; hier integendeel, waar

geenerlei bezigheid de vreemdelingen roept, zijn

wij verzekerd dat hunne reis belangloos is; en

zoodanig is. ook het goed onthaal dat men hun

aandoet. Dit zijn gasten, die ons komen zien,

om dat zij ons beminnen, en wij ontvangen hen

met vriendlijkheid.

Voor het overige, voegde hij er glimlagchende

bij, is deze herbergzaamheid niet kostbaar, en

weinige lieden zijn cr op bedacht om daar voordeel

van te trekken. O, dit geloof ik! andwoordde

ik hem. Wat zou men in dat geval doen bij

een volk dat leeft om te leven, en niet om te

winnen of vertoning te maken? Gelukkige en uw

geluk waardige menfchen, ik geloof gaarne, dat

men, om onder ulieden recht vergenoegd te zijn,

eenige gelijkenis met u hebben moet.

Het aangenaamfte bij hun onthaal fcheen mij te

ZÜn , dat men er geen het minfte voetfpoor in vond

van gedsvongenheid zoo min voor hun als voor.

mij. Zij leefden in hun huis als of ik er niet was,

en het hing alleenlijk van mij af, om daar zoo

re leven als of ik alleen ware. Zij kenden den

lastigen zwier niet van aan vreemdelingen beleefdhe-


T W E E G E L I E V E N . 103

heden te doen, als of men hun herinneren wilds

de tegenwoordigheid van eenen huisheer, van wien

men in dat duk ten minden afhanglijk is. Wanneer

ik niets zeide, onderdelden zij dat ik in hunnen

trant wilde leven; ik had Hechts één woord

te fpreken, om mijne eigene levenswijze te volgen,

zonder ooit van hunnen kant het minde blijk

van tegendribbeling of bevreemding te ondervinden.

De eenige verplichtende aanmerking die zij

mij maakten, toen zij wisten dat ik een Zwitfen

was, was dat zij mij zeiden, dat wij broeders waren

, en dat ik mij bij hun niet anders moest aanmerken

dan of ik onder mijne eigenen was. Voords

bekommerden zij zich niet meer over het geen ik

deed, dewijl zij zich zelfs niet verbeeldden dat ik

de minde bedenking konde hebben over de oprechtheid

hunner aanbiedingen, noch de geringde

befchroomdheid om er mij van te bedienen. Onder

elkander verkeeren zij met dezelfde eenvouwigheid;

de kinders zijn in de jaaren van verdand

op gelijken voet met hunne vaders; da bedienden

zitten met hunne meesters aan de tafel; in het

gemeenebest heerscht dezelfde vrijheid als in de

huizen, en het huisgezin is de beeldnis van den

daat.

Het eenige waaromtrent ik mijne vrijheid miste,

was de ongemeene langdurigheid der maaltijden.

Ik was wel meester >van niet aan de tafel te komen

, maar wanneer ik éénmaal daaraan was,

Q 4 moes?


ÏC4. B R I E V E N V A »

moest ik er een gedeelte van den dag aan blijven

en lustigop drinken. Kunt gij u verbeelden dat een

man, en wel een Zwitfer geen lust tot drinken

bad ? Ik erken wezenlijk dat een goede wijn mij

-«oorkomt iets voortreflijks te zijn, en dat ik niet

afkeerig ben van er mij mede te vervrolijken, mids

menermij niet toe d win ge. Ik heb altoos opgemerkt

dat valfche lieden fober zijn, en eene fterke onthouding

aan de tafel verraad niet zelden geveinsde,

zeden , en een dubbelzinnig gemoed. Een rond-,

horftig man vreest niet zoo zeer dat driftig gefnap,

en die gevoelige uitboezemingen welken de dronkenfchap

gewoonlijk voorafgaan ; maar men moet

zich weren te bedwingen en de uiterften vermij-,

den. En dit was mij niet rnooglijk te doen met

zulke ftöute drinkers als de JVallifers, met wijnen

zoo flerk als die van dat land, en aan tafels daar

men nooit water zier. Hoe zou ik hebben konnen

befluiten om zoo onvcrftandig den wijzen man te.

fpelen, en zulke goede lieden misnoegen te geven 3

ik dronk mij dus een roes uit erkentenis, en ver-,

binderd 'om mijne verteering in geld te betalen,

betaalde ik die met mijn verftand.

Een ander gebruik dat mij niet min hinderlijk

was, beftond hierin, dat ik, zelfs bij leden der

Regeering , de vrouw en de dochters van den

huize, achter mijne ftoel {laande als huisboden,de

tafel zag bedienen. De Eranfche wellevendheid

?pu 2ich des te meer vermoeid hebben om deze

qn«.


T W E E G E L I E V E N . iof

Onwelvoeglijkheid te herftellen, daar zelfs dienst­

meiden , er zoo wel uitziende als de Wallifer

vrouwen, iemand verlegen over hare appasfingen

zouden maken. Gij moogt vrij geloven dat zij

fraai zijn, dewijl ik ze fraai vond. Oogen, ge­

woon om u te zien, zijn keurig in het ftuk van

fchoonhcid.

Ik voor mij, die de gewoonten van het land

Wffarin ik verkeer nog meer dan die der wel­

levendheid eerbiedige, nam haren dienst itilzwij-

gend aan, met even zoo veel ftatigheid als Don

Qitichot bij de Hertogin. Ik maakte nu en dan

al meesmuilende eene tegenfteiling tusfehen de

zwaare haarden en lompe houding der dischgenoten

en de fchittcrende gelaatsverw dier jonge bedeesde

fchoonheden, welke men met een woord fprekens

deed blozen , en die daardoor des te bevalliger

werden. Dan ik was een weinig geërgerd over

de onmatige dikte van haren hals, die door zijne

uitnemende blankheid flechts één van de voortref-

lijkhcdcn bezit van dat voorbeeld het geen ik

er mede durfde vergelijken; dat eenig en ilnuw

bedekt voorbeeld, welks omtrekken, fteeiswijze

hefchouwd , mij die beroemde leest herinneren,

waaraan de fchoonfte boezem der wereld ten

vorm verflrekte.

Verwonder u niet dat gij mij zoo kundig vindt

in geheimenisfen, welke gij zoo zorgvuldig ver-

G, 5 bergt;.


io6 B R I E V E N v A M

bergt; ik ben zulks in fpijt van u; het eene zin^

tuig kan zomtijds her andere in dit ftuk voorlichten;

in weêrwil van de angstvailigfte voorzorg,

blijven bij de netfte kleding ongemerkt eenige

kleene gapingen over, door welke het gezicht de

werking van het gevoel uitoefent. Het gretig en

ftoutmoedig oog fluipt ftrafloos in onder de bloemen

van een ruiker; het zweeft onder het zijden

pluis en gaas, en het deelt aan de hand het

gevoel mede van dien terugftuitenden tegenftand,

welken dezelve niet durft beproeven.

Parte appar de/Ie mamme cicerbe e crude,

Parte altrui ne ricopre invida vefia;

Invida, ma s'agli occhi il var co chiude,

rjmorofo penfier gip non arrefia. (a)

Ik merkte ook een groot gebrek op in de kleedij

der Waïïifer vrouwen, hierin beftaande dat zij de

keurslijven van achter zoo hoog dragen, dat zij

er gebogcheld door fchijnen; dit doet eene zonderlinge

uitwerking bij hare kleene zwarte kapfels,

en het overige harer kleding, welke het buiten dit

noch aan eenvouwigheid noch aan keurigheid ontbreekt.

Ik zal u een volkomen kleed in den

Wak

(«) Dat is zaaldijk: Een half ongedekte boezem^

fchuon een nijdige /luier dien gedeeltelijk bedekke x

kan nagthends het verliefd ecg niet vjederhouden.

Aam. des VEIT.


T W E E G E L I E V E N . 107

Waïïifchen trant medebrengen, en ik hoop dat hec

u wel zal flaan; het is gemaakt op de fchoonfte

leest van het land.

En hoe maakte gij het, mijne JULIA! terwijl

ik met verrukking deze zoo weinig bekende en

echter zoo bewondcringswaardige landftreek doorreisde?

Werd gij van uwen vriend vergeten? JULIA

vergeten? Zou ik niet veel eer mij zelve vergeten,

en hoe zou ik een oogenblik alleen konnen

zijn, daar ik niets meer ben dan doom? Nooit

heb ik duidlijker bemerkt welk eene natuurlijke

neiging ik bezit, om ongevoelig u op verfchillende

plaatfcn te vermengen inde gefteklheid van mijne

ziel. Wanneer ik droefgeestig ben, neemt dezelve

tot de uwe haren toevlucht, en zoekt daar vertroosting

waar gij u bevindt; dit ontwaarde ik ,

toen ik van u afging. Geniet ik vermaak, ik kan

dat niet alleen genieten, ik roep uals dan tot mij,

om het met u te deelen. Zie daar het geen ik

ondervonden heb gedurende dezen gantfehen

tocht, waarop ik, door de verfcheidenheid ckr

voorwerpen geftadig in mij zelve terug geroepen,

u allerwege met mij voerde. Geen ftap zettede

ik, of wij deden dien te zamen. Niet één gezicht

bewonderde ik, of ik haastte mij om het u aante*

wijzen. Alle de boomen die ik aantrof verleenden

u hunne fchaduw, alle de grasheuvels verftrekten

u eene rustplaats. Nu eens naas: u zittende,

hielp ik u de voorwerpen me: een waarend

oog


Io8 B R I E V E N Y A N

oog doorlopen; dan weder voor u neêrgeknield,

begluurde ik er een, de befchouwing van een man

van gevoel nog waardiger. Ontmoette ik eene

plaats welker doortocht moeilijk was , ik zag u

daarover fpringen met de vlugheid van een rhee,

dat zijne moeder nahuppelt. Moesten wij een'

fixoom doorwaaden,ik had de ftoutbeid van eenen

zoo beminlijken last in mijne armen te drukken;

ik ging langzaam, met vermaak, door den fnellen

vloed. en zag mij zelf met fpijt den weg

naderen. Alles herinnerde mij in dat vredig oord

aan n; en de treffende fchoonhedcn der natuur,

en de beftendige zuiverheid der lucht , en de

eenvouwige zeden der landzaten, en hunne eenparigc

en vaste wijsheid , en de beminlijke zedigheid

der vrouwen, en hare onfchuldige vriendelijkheid

, en alles wat op eene aangenaame wijze

mijne oogen en mijn hart trof, vertegenwoordig le

aan dezelven dat voorwerp, hetwelk zij zoeken,

è Mijne JULIA ! zeide ik met vertedering ,

waarom kan ik in deze onbekende oorden mijne

dagen niet met u flijten, gelukkig in ons

zelf, en niet door de befchouwing der menfchen!

waarom kan ik hier ter plaatfe mijne gantfche ziel

niet in u aPeen verzamelen, en wederkeerig alles

voor u worden ! Aaubidlijke bevalligheden , dan

zoudt gij al de hulde genieten die u toekomt!

Geneugten der liefde, dan zouden onze harten

u beftendig volkomen finaken! Eene langdurigs

ea


T W E E G E L I E V E N . 109

en zoete bedwelming zou ons den loop der paren

doen vergeten; en wanneer eindelijk de ouderdom

onze eerfte driften geluld had, zou de

gewoonheid van zamen te denken en te gevoelen

, derzelver vervoeringen doen afwisfelen door

eene niet min tedere vriendfchap. Alle de brave

gevoelens in onze jeugd te gelijk met die der

liefde aangekweekt, zouden eenmaal het onmeetlijk

ruim derzelve vervullen; te midden van die

gelukkig volk, en naar deszelfs voorbeeld, zouden

wij de plichten der memchlijkheid beoefenen

: zonder ophouden zouden wij ons vereenigen

om goed te doen, en wij zouden niet flerven

zonder geleefd te hebben.

Daar is de Post, ik moet mijn brief eindigen

, en den uwen gaan afhalen. Hoe flaat

mij het hart nog op dit oogenblik ! Helaas!

ik was gelukkig in mijne harsfenfchimmen 5

met dezelve vlied mijn geluk ; en wat zal ik

wezenlijk zijn?

XXIV. BRIEF.

Aan JULIA.

Jk beandwoorde terftond dat gedeelte van uwen

brief, hetwelk de betaling betreft, en heb daarop.


iio B R I E V E N V A »

op, God lof! niets arm re merken. Zie hier,mijné

JULIA ! hoe ik omtrent dit ftuk denke.'

Met opzicht tot het geen men eer noemt,

maak ik onderfcheid tusfchen die welke uit het

algemeen gevoelen word afgeleid, en die, welke

voordvloeit uit de achting voor zich zelf. De

eerde bedaat in dwaze vóöroordeelen die nog

önbeftendiger zijn dan een hobbelende golf, de

tweede heeft haren grond in de eeuwige waar­

heden der Zedekunde. De achting der wereld

kan aan bet fortuin dienstbaar zijn , maar zij

dringt niet door tot in de ziel, cn heeft geen

den minsten invloed op het geluk. De waare

eer integendeel maakt het wezen daarvan uit,

omdat men daarin alleen dat beftendig gevoel van'

inwendige voldoening vind, waardoor een den­

kend wezen gelukkig kan zijn. Pasfen wij, mij­

ne JULIA! deze grondbeginfelen toe op uw voor­

del , en het zal gereedlijk opgelost zijn.

Laat ik mij voor meester in de Wijsgeerte uit­

geven, en, gelijk die zot in de fabel, mij doen

betalen voor het onderwijs in de wijsheid; dit

beroep zal in bet oog der wereld laag fchijnen,

en ik erken, dat .er iets belagchiijks in is; onder-

tusfehen, daar niemand voldrekt van zich zelve

kan bedaan, en er geen nader middel van beftaan

is dan door zijn eigen arbeid, zullen wij deze

minachting op de lijst der gevaarlijkite vooroor-

dee»


T W E E G E L I E V'E N. n£

deelen plaatfen ; wij zullen zoo dwaas niet zijn

van het geluk aan die verkeerd gevoelen opteofferen;

gij zul: mij daarom niet te minder achten,

en ik zal er niet te ongelukkiger door zijn, al

leef ik van de kundigheden die ik heb aangekweekt.

Dan, mijne JULIA! hier doen zich andere bedenkingen

voor ons op. Laten wij het algemeen

daar, en vestigen wij het oog op ons zei ven. Wat

zal ik bij uw vader zijn, wanneer ik van hem

een loon ontvang voor de lesfen die ik u geef,

en hem een gedeelte van mijnen tijd, dat is van

mijn perfoon , verkoop? In de daad, een huurling,

een man, die in zijne bezolding ftaat, een

foort van knecht , en hij zal wederkcerig ten

waarborg van zijn vertrouwen, en ter verzekering

zijner eigendommen, mijne ftilzwijgende

trouw hebben, gelijk die van den minften zijner

bedienden.

Maar welk eigendom kan een vader bezitten ,

dierbarer dan zijne eenige dochter, al ware zij

zelfs geene JULIA? Wat zal hij dan doen, die,

hem zijnen dienst verkoopt ? zal hij zijne genegenheid

voor haar doen zwijgen? ach! gij weet

of dit mooglijk is! of zal hij, onbefchroomd aan

de neiging van zijn hart opvolgende, in het gevoeligst

punt hem beledigen, wien hij getrouwheid

Ichuldig is ? Dan zie ik in zulk eenen meester»

niets


*» B R I E V E N V A N

niets anders meer dan eenen trouwlozen die dè

heiligfte rechten met den voet vertreed ("O:»

eenen verrader, eenen huislijken verleider, wien

de wetten zeer rechtvaardig ter dood verwijzen.

Ik hoop dat zij, tot welk ik fpreek, mij recht

verfta; ik vrees den dood niet, maar wel de

ichande van dien te verdienen, en de verachting

van mij zelve.

Gij weet, toen de brieven van HELOÏSE en

ABSLAKD u in handen kwamen, wat ik u van

dit boek, en van het gedrag des Godgeleerden

gezegd heb. Ik heb altoos HELOÏSE beklaagd;

zij had een hart voor da liefde geftemd: maar

ABEL AR D heeft mij altijd toegefchenen een

onwaardig voorwerp te zijn , dat zulk een lot

ver-

fa) Ongelukkig Jongman! daar iiij niet ziet, dat

hij, zich in dankbaarheid doende betalen hetgeen hij

Weigert in geld te ontvangen , nog heiliger rechten

fchend; in de plaats van te onderrichten verleid hij ;

hij vergiftigt daar hij voeden moest; hij doét zich

door eene misleide moeder bedanken van haar kind te

hebben ongelukkig gemaakt. Men bemerkt echter,

dat hij de deugd oprechtlijk bemint, maar zijne drift

verbijftert hem, en indien zijne tedere jeugd geene

Verfchoning voor hem maakte, zou hij met alle deze

fchoone redeneeringen een fchelm zijn. Beide de ge.

lieven zijn beklagenswaardig , de moeder alken is

ttnverfchoonbaar.


T W E E G E L I E V E N . tt$

Verdiende, en dar even weinig de liefde als de

deugd kende. Zal ik hem, na hem veroordeeld

te hebben, moeten navolgen? Wee hem, die

eene zedenleer predikt , welke hij weigert te

beoefenen! Hij, wien zijne drift zoo verre ver.

blind, word wel dra door dezelve er voor geflraft,

en verliest zelfs de fmaak dier gevoelens,

waaraan hij zijne eer heeft opgeofferd. De liefde

mist haar grootfte bekoorlijkheid, wanneer de

eerbaarheid haar verlaat; om de volkomen waardij

daar van te gevoelen, moet het hart zich naar

dezelve fchikken, en ons verheffen door de verheffing

van het voorwerp onzer liefde. Neem het

denkbeeld der volmaaktheid weg, en gij vernietigt

de geestdrift; verban de achting, en de liefde

heeft geen wezen meer. Hoe zou het voor eene

vrouw mooglijk zijn eenen man te eeren die zich

zelf onteert? Hoe zal hij zelf haar konnen aanbidden,

die niet gefchroomd heeft zich overtegeven

aan eenen laagep verleider ? weldra immers

zullen zij wederzijds elkander verachten; de liefde

zal voor hun niet meer zijn dan een ichandelijke

koophandel , zij zullen de eer verloren zonder

het geluk gevonden te hebben.

Gantsch anders, mijne JULIA! is het geval

tusfehen twee gelieven van gelijken ouderdom,

beiden bezield met hetzelfde vuur, door eene

wederzijdfche liefde vereenigd , niet belemmerd

door eenige afzonderlijke betrekking, die beiden

I. DEEL. H ia


H4 B R I E V E N V A N

in het bezit hunner eerde vrijheid zijn, en wier

onderlinge verbindtenis door geenerlei recht gewraakt

word. Dezen konnen de drengde wetten

geene andere boete opleggen dan de bekrooning

hunner liefde zelve; de eenige draf van elkander

bemind te hebben is de verplichting om zich voor

altoos te beminnen; en indien er eenige ongelukkige

landdreeken in de wereld zijn «waar de wreedaarrge

mensch deze onfchuldige banden verfcheurt,

hij word zonder twijfel daarvoor gedraft

door de misdaden welke deze dwang veroorzaakt.

Zie daar mijne redenen, verdandige en deugdzame

JULIA! zij zijn flechts eene koele uitbreiding.van

die geene, welke gij mij met zoo veel

kracht en fcherpzinnigheid in eene van uwe brieven

hebt voorgedragen ; maar genoeg, om u te

doen zien hoe zeer ik mij van dezelve doortrokken

vinde. Gij herinnert u dat ik toen niet daan

bleef op mijne weigering, en dat ik, ondanks

den wederzin dien ik door vooroordeel behield,

tiwe gift ftilzwijgend aannam, omdat toch de

waare eer geene duchtige reden opleverde om

ze te weigeren. Dan hier fpreekt plicht, verftand,

liefde zelfs; alles fpreekt op eenen toon,

dien ik niet miskennen kan. Indien ik tusfehen

de eer en u kiezen moet, dan is mijn hart gereed

om afftand van n te doen;het bemint u te zeer,

JULIA ! om u tot dezen prijs te behouden»

XXV.


Ï W E E G E L I E V E N , tij

xxv. A R I E F .

Van JULIA.

tiet verhaal van uwe reis is bekoorlijk ^ rriijri

goede Vriend! het zou mij den fchrijver doeri

beminnen , al kende ik herri niet. Echter moet

ik u berispen over eene plaatsj welke gij reeds

gïsfen zult; offchoon ik mij niet heb könneri wederhouden

van te lagchen over dé behendigheid

Waarmede gij ü achter Tasfo h als achter eenë

borstweering, verfcholen hebt. Hoe, bezefte gij

dan niet, dat het een groot verfchil maakt, of

men voor het algemeen of aan zijne minnares

fchrijve? Vordert de liefde $ die, zoo fchroomvallig,

zoo naauwgezet is, niet meer ontzag dari

de welvoeglijkheid ? Kondt gij onkundig zijn dat

deze fchrijfcrant niet in mijn fmaak valt, en hadtr

gij een toeleg om mij misnoegen te geven? Dan

misfchien heb ik reeds té veel gezegd over eert

onderwerp 5 het geen niet weder moest worden

opgehaald. Behalven dat, verfchaft uw tweede

brief mij te veel werks, om den eerden in bijzonderheden

te beandwoorden. Dat wij derhal ven t

ihijri Vriend! hét Walliferland daar laten wt eenë

tiadere gelegenheid, en ons thands bij onze eigene

zaaken bepalen; wij zullen er genoeg aan te doëri

hebben*

H * ft


nö B R I E V E N V A N

Ik wist reeds wat partij gij kiezen zoudt. Wij

kennen elkander al te wel, om ons bij die eerde

beginfelen te bepalen. Zo de deugd ons ooit

verlaat, geloof mij, het zal niet zijn in zulke

omftandigheden, die moed en opofferingen vorderen.

De eerde beweging , wanneer men heftig

aangevallen w®rd, is tegendand te bieden, en wij

zullen, hoop ik, overwinnen, zoo lang de vijand

zelf ons zal waarfchuwen om de wapenen optevatten.

Het is in den diepen flaap, in de . armen

cener zachte rust, dat men tegen verrasfchingen

op zijn hoede moet zijn-, maar het is, boven al,

de aanhoudendheid der rampfpoedcn, die der zei ver

last ondraaglijk doet worden, en de ziel kan veel

gemaklijkcr treffende fmarten wederdaan dan eene

langdurige droefheid. Zie daar, mijn Vriend, den

moeilijken drijd , welken wij van nu af aan zullen

re voeren hebben; onze plicht roept ons tot geene

heldhaftige bedrijven, maar tot het nog veel

heldhaftiger wederdaan van moeilijkheden zonder

vcrpoozing.

Maar al te wel had ik het voorzien; de tijd des

celuks is als een blikfemdraal vervlogen; die der

rampfpoeden begint,en ik kan nergenas uit berekenen,

wanneer dezelve zal eindigen. Alles ontdek

en ontmoedigt mij; eene doodlijke droefgeestigheid

overmeestert mijne ziel; zonder bepaalde

dof tot weenen, rollen onwillige traanen uit mij.

ne oogen ; de toekomst voorfpelt mij wel geene

oa«


T W E E G E L I E V E N . n?

onvermijdbare rampen; dan ik voedde de hoop,

en deze zie ik dagelijks verfienfen. Helaas! wat

baat het, de bladeren te bevochtigen, wanneer de

boom aan den voet is afgefnederi ?

Ik gevoel het, mijn Vriend! het gewicht der

fcheiding drukt mij terneder. Ik gevoel, dat ik

zonder u niet leven kan; en even dit baart mij

de meeste bekommernis. Honderdmalen op een

dag doorloop ik de pla&tfen waar wij te zamen

verkeerden, en ik vind er u nimmer. Ik verwacht

u op uw gewoon uur, het uur verloopt en gij

komt niet. Alle de voorwerpen die ik aantref

verwekken in mij eenig denkbeeld van uwe tegenwoordigheid,

om mij te herinneren dat ik u verloren

heb. Van deze wreede ftraf zijt gij bevrijd.

Uw hart alleen kan u zeggen dat gij mij mist.

Ach ! indien gij wist hoe veel naarer kwelling her,

zij op de plaats te blijven, wanneer men van elkander

fcheid, hoe zeer zoudt gij Uwen toeftand

boven den mijnen verkiezen!

Durfde ik nog maar weeklagen ! mocht

ik over 'mijne fmarten fpreken, ik zou nog

eenige verlichting voelen van rampen, waarover

ik klagen kon. Maar behalven eenige ftüle zuchten

, die ik in den boezem mijner Nicht ontlast,

moet ik al het overige opkroppen; ik moet mijne

traanen bedwingen; ik moet glimlagchen, terwijl

ik fterf.

H 3 Sen*


%%i B R I E V E N V A M

Sentirji, oh Dei! morir;

E non poter mai dir;

Morir n:i fento'.

Het ergfte is nog, dat alle deze rampen mijne

grootfte kwaal onophoudelijk vermeerderen, en

hoe meer het aandenken aan u mij ontroostbaar

maakt, hoe meer ik genegen ben om mij dat te

herinneren. Zeg mij, mijn Vriend, mijn lieve

Vriend! gevoelt gij ook hoe teder een kwijnend hart

is, en hoe zeer de droefheid de liefde aanvuurt?

Over duizend zaaken wilde ik u fprekcn, maar

behalven dat het beter is te wachten tot ik zeker

wete waar gij zijt, is het mij niet mooglijk in mijne

tegenwoordige gefteldheid dezen brief te vervolgen.

Vaarwel, mijn Vriend! ik leg mijne pen

neder, maar geloof dat ik geen affcheid van u neem.

BRIEF-

(?) Dat is: Zich te voelen flervtn, é Goin, en het

niet te jennen zeggen (

Ajnt. des vs&3>


T W E E G E L I E V E N , 119

B R I E F J E .

Door een Schipper dien ik niet ken, fchrijf ik

die briefjen aan het gewoon adres, om kennis

te geven, dat ik mijne fchuilplaats genomen heb

te Meilier ie aan de overzijde der rivier, om ten

minste het gezicht te hebben van de plaats, welke

ik niet naderen durf.

XXVI. B R I E F .

Aan JULIA.

Wat is mijn toeftand binnen weinige dagen veranderd!

hoe vecle bitterheden mengen zich in het

genoegen dat ik nader bij u ben! wat al treurige,

overdenkingen beltonnen mij! wat al tegenfpoeden

doet mijne vrees mij voorzien! ó JULIA!

welk een noodlottig gefchenk des Hemels is

eene gevoelige ziel! hij die'ze ontving, moet zich

voordellen niet anders dan ramp en droefheid op

de wereld te zullen hebben. Als een nietige fpeelbal

van lucht en faifoenen, zal de zonnefchijn of

een nevel, een betrokken of heldere lucht zijn lot

beltuuren, en hij zal wel te vreden of treurig zijn

Kaar dat de wind waait. Slachtoffer der vooroordeelen,

zal hij in ongerijmde grondregelen een

onoverwinlijk beletlél vinden voor de rechtmatige

wenfehen van zijn hart. De menfchen zullen hem

H 4 ftraf


120 B R I E V E N 'VAN

ftraffcn omdat hij rechtmatige denkbeelden over

elke zaak vormt, en er meer naar het wezenlijke

dan naar het algemeen gevoelen over oordeelt. Ja

hij alleen zou genoegzaam zijn om zijn eigen ongeluk

te bewerken, door zich onbedachtzaam over

te geven aan de heraelfche bekoorlijkheden van

het brave en het fchoone, terwijl intusfehen de

drukkende ketenen der armoedehem aan de verachting

boeijen. Hij zal het volmaakt geluk bejagen,

zonder te bedenken dat hij mensch is; zijn hart

cn zijn verftand zullen onophoudelijk in oorlog

zijn , en onbegrensde begeerten zullen hem eindeloze

verliezen berokkenen.

Zoodanig is de jammerlijke gefteldheid waarin ik

gedompeld ben door het lot dat mij nederdrukt ,

cn door de gevoelens die mij verheffen, en door

uwen vader die mij veracht, en door u die de

•wellust en de kwelling mijnes levens uitmaakt.

Zonder u, noodlottige fchoonheid! zou ik nimmer

die ondraaglijke têgenftrijdigheid van grootheid

in mijne ziel en laagheid in mijnen ftaat

bemerkt hebben; ik zou gerust hebben geleefd,

en vergenoegd geftorven zijn, zonder mij immer

te bekreunen, welk een' rang ik op aarde bekleed

had: maar u gezien te hebben en niet te

konnen bezitten , u te aanbidden cn flechts een

mensch te zijn! bemind te worden en niet gelukkig

te konnen wezen! denzelfden oord te bewoonea,

en niet zamen te konnen leven f ö JULIA!

van


T W E E G E L I E V E N . lat

van welke ik geen afftand kan doen! 6 noodlot

dat ik niet trotfeeren kan! welke verfchriklijke

worftelingen verwekt gij in mij, zonder dat ik

ooitin ftaat ben om of mijne begeerten of mijn onvermogen

te konnen overwinnen! ,

Welk eene vreemde en onbegrijplijke uitwerking!

zedert dat ik nader bij u gekomen ben, haal

ik mij niet anders dan akelige denkbeelden voor

den geest. Wellicht draagt de plaats van mijn

verblijf het zijne bij tot deze droefgeestigheid; zij

is treurig en akelig, maar daarom juist des te gefchikter

voor de gefteldheid van mijn hart, en ik

zou in een aangenamer oord met zoo veel gelatenheid

niet vertoeven konnen. Eene reeks van

barre rotfen ftrekt zich langs den oever uit, en

omringt mijne woonplaats, welke de winter nog

verfchriklijker maakt. Ach! ik gevoel het, mijne

JULIA! indien ik afftand van u doen moest, zou

er voor mij geen ander verblijf, geen ander jaargetijde

meer zijn.

Bij de geweldige gemoedsbewegingen die mij

beroeren is het mij niet mooglijk op ééne plaats

te blijven; ik loop, ik klim met drift, ik werp

mij op de rotfen; ik doorloop met groote ftappen

de geheele omliggende landftrcek, en overal ontmoet

ik in de voorwerpen diezelfde akeligheid,,

welk in mijn binnenfte heerscht. Men ziet geen

groen meer,het kruid is geel en verwelkt,de boo-

H 5 mea


122 B R I E V E N V A N

men zijn ontbladerd, de noord - oosten (Jechard)

en koude noordewind doen de fneeuw en het ijs

meer en meer aangroeien, en de geheele natuur is

dood in mijn oog, gelijk de hoop in mijn hart.

Te midden der rotfen van dezen oever, heb

ik op eene eenzame plaats eene kleene vlakte

gevonden , van welke men een volkomen uitzicht

heeft op de gelukkige plaats uwer woning. Denk

hoe gretig ik naar dit geliefkoosd verblijf mijne

oogen wendde. Den eerflen dag deed ik alle

moeite om uw huis te ontdekken; dan wegens

den verren afftand was dezelve vruchtloos, en ik

bemerkte, dat de verbeeldingskracht mijne vermoeide

oogen misleidde. Ik ging bij den Pastoor

eene Telescoop leenen , door welke ik uw huis

zag , althands meende te zien, en zedert dien

tijd breng ik in deze wijkplaats geheele dagen door

met het befchouwen der gelukkige muuren , die

de bron mijnes levens in zich bevatten. In weêrwil

van het jaargetijde begeef ik mij 's morgens

derwaard, en kom niet eer terug dan tegen den

nacht. Bladeren cn eenig droog hout, welke

ik in brand fteek, beveiligen mij, nevens mijne

bewegingen, tegen de overmatige koude. Ik heb

zulk een fmaak verkregen in dezen woesten oord,

dat ik daar zelfs papier en inkt medebreng, en

ik fchrijf er thands dezen brief op een ftuk dat

door de ijsfchotfen van de naastgelegen rots is

afgebroken.

Daar


T W E E G E L I E V E N . 123

Daar is het, mijne JULIA! dat uw ongelukkige

minnaar eindigt met de laatfte vermaken

te genieten, welke hij veellicht op deze aarde

fmaken zal. Het is van daar, dat hij, door

dampen en muuren heen, heimlijk tot in uwe

Kamer durft indringen. Uwe behoorlijke trekken

treffen hem wederom ; uwe tedere aanblikken

verlevendigen zijn ftervend hart; hij hoort het

geluid uwer lieftalige Hem ; andermaal durft hij

in uwe armen die bedwelming zoeken, welke

hij in het boschjen ondervond. IJdele harsfenfchim

eener ontftelde ziel, die zich verdwaalt

in hare begeerten! weldra genoodzaakt om in

mij zelf terug te keeren , befchouw ik u ten

minsten in de bezigheden van uw onfchuldig

leven; ik ga van verre de verfchillende verrichtingen

van uw dagwerk na, en ik vertegenwoordig

ze mij op die tijden en plaatièn, waar

ik er zomtijds de gelukkige ooggetuige van was.

Steeds zie ik u onledig in bemoeie'nisfen die u

achtenswaardiger maken, en mijn hart word op

eene ftreelende wijze vertederd door de onuitputbare

goedheid van het uwe. Thands, zeg ik

des morgens tot mij zelve, thands ontwaakt zij

uit een genisten flaap , hare kleur is frisch gelijk

die der roos, hare ziel geniet eene zoete

kalmte ; zij wijd aan hem van wien zij het

leven ontving eenen dag, die voor de deugd niet

verloren zal zijn. Nu bevind zij zich bij hare

moe-


124 B R I E V E N V A N

moeder ; de tedere aandoeningen van haar hart

ontboezemt zij bij de oorzaken hares levens,

zij fchraagt hen in de veelvuldige zorgen van

het huisgezin, zij is misfchien de voorfpraak van

een onberaden dienstbode, geefc die wellicht eene

falie vermaning, of vraagt mooglijk voor een

andere eene gunst. Op een anderen tijd, houd

zij zich met lust bezig in de handwerken harer

kunne, zij verrijkt haren geest met nutte kundigheden,

zij voegt bij haren kielchen fmaak de

bevalligheden der fchoone konsten , en paart die

van het danfen aan hare natuurlijke vaardigheid.

Straks zie ik een keurig en eenvouwig tooifel

die fchoonheden verfieren, welke het niet behoeven;

ik zie haar, hier een eerwaardigen herder

ondervragen over het onbekend lijden van een

behoeftig huisgezin, daar eene bedroefde weduw

of een verlatene wees hulp bieden of vertroosten.

Nu eens bekoort zij een befchaafd gezelfchap door

hare verftandige en zedige gefprekken; dan weder

brengt zij met hare gezellinnen lagchende,

eene dartele jeugd zoetvoeiig op den toon der

wijsheid en der goede zeden. Etlijke oogenblikken,

ach! vergeef het mij! durve ik u zelfs

befchouwen als u met mij bezig houdende; ik zie

uwe oogen vol vertedering een mijner brieven

doorloopcn ; ik lees in hare zachte kwijning ,

dat de regelen welke gij fchrijft aan uwen gelukkigen

minnaar gericht zijn , ik zie dat hij het is van

wien gij met eene zoo tedere aandoening fpreekt

te-


T W E E G E L I E V E N . 115

tegen uwe Nicht. En wij, è JULIA! 6 JU­

LIA! wij zouden niet vereenigd worden? onze

dagen zouden niet te zamen voordvloeijen? wij

zouden voor altoos gefcheiden konnen zijn ?

Neen, dat nimmer dit ijslijk denkbeeld in mijnen

geest oprijze ! oogenbliklijk verandert het mijne

geheele vertedering in woede; de razernij doet

mij van het eene hol in het andere loopen;

in weêrwil van mij zelf ontfnappen mij luide

weeklachten; ik brul als eene verbitterde leeuwin;

ik ben tot alles in ftaat, behalven om van u

aftezien , en er is niets, voiftrekt niets, het

geen ik niet zou doen, om u te bezitten of te

fterven.

Tot hier toe had ik mijn brief gefchreven,

en ik wachtte flechts op eene veilige gelegenheid,

om. u ujen te zenden, toen ik den laatften dien

gij mij te Sion gefchreven hebt van daar ontving.

Hoe zeer heeft de treurigheid welke ,

daarin heerscht, de mijne bekoord! welk een

treffend voorbeeld heb ik er in gezien van hetgeen

gij mij zeide omtrent de overeenftemming

onzer zielen, op verfchillende plaatfen ! Uwe

dioefheid, dit erken ik, is gelatener, terwijl de

mijne meer onfluimig is; maar het kan niet anders

of dezelfde aandoening moet eene verfchillende

gedaante aannemen naar de charaéhers waarin

zij valt, en het is zeer natuurlijk dat de

grootfte verliezen ook de grootfte fmarten veroor-


is6 B R I E V E N VA»

oorzaken. Wat zeg ik, verliezen ? ach! wié

zou dezelve konnen dragen? Neen, verfta het

toch, mijne JULIA! een eeuwig raadsbeiluir. des

hemels beftemde ons voor elkander ; dit is de

eerfte wet welke men gehoorzamen moet ;de voornaamfte

bemoeienis van het leven is, zich te vereenigen

met dac voorwerp dat ons hetzelve

moet veraangenamen» Ik zie het, en ik kerm

er over , dat gij u in uwe dwaze ontwerpen

verwart; gij wilt onoverkomelijke hinderpalen

verbrijzelen, en de eenigfte middelen waardoor

dit mooglijk is verwaarloost gij ; de geestver-

Voering voor het betaamlijke berooft u van het

verftand, en uwe deugd is niet meer dan eene

ijlhoofdigheid.

O! Indien gij altoos zoo jong ën fchoort blijven

konde als gij thands zijt, ik zoude van den

Hemel niets anders begeeren, dan te mogen weten

dat gij beftendig gelukkig waart, u ieder jaar'

mijnes levens éénmaal , ééne enkele maal * te

mogen zien; en het overige van mijne da^en te

mogen flijten in uwe fchuilplaats van verre te beichouwen,

in u te midden der rotfen te aanbidden.

Dan helaas! let op den fnellen vaart van die

ftar, dat nimmer ftil ftaat; zij vliegt, en de tijd

fnelt heen , de gelegenheid gaat voorbij, uwe

fchoonheid, uwe lchoonheid zelve, zal haren

eindpaal hebben, zij moet t' eenïger tijd afnemen

en verflenfen, gelijk eene bloem die afvalt'

Zonder geplukt te zijn; en ik intusfchen, ik

wee-


T W E E G E L I E V E N . 12/

Weeklage , ik lijde , mijne jeugd verteert zich

in traanen, en kwijnt weg in droefheid. Bedenk,

bedenk toch, JULIA! dat wij reeds jaaren

tellen die voor het genoegen verloren zijn. Bedenk

dat deze jaaren nimmer terug keeren ; en dat

het zelfde gebeuren zal met de nog overigen , indien

wij ook die laten verloopen. O verblinde

minnares! gij (treeft naar een ingebeeld geluk

tegen eenen tijd, waarin wij niet meer leven zullen;

gij ziet uit naar eene afgelegene toekomst,en

gij ziet niet, dat wij ons zelf geftadig verteeren

, en dat onze zielen , door liefde en

fmarten verzwakt, als water fmelten en wegvloeijen.

Keer terug, het is nog tijd, keer terug,

mijne JULIA! van deze ongelukkige dwaling.

Laat uwe ontwerpen vaaren , en zijt gelukkig.

Koom, ö mijn hart! in de armen van uwen vriend

de beide wederhelften van ons aanzijn vereenigen;

koom onder het oog des Hemels, als de leidsman

van onze ^vlucht en de getuige onzer eeden,

zweeren van met elkander te willen leven en fjterven.

Ik weet, gij hebt niet nodig, dat men u

harde tegen de vrees voor armoede. Laat ons gelukkig

en arm zijn, ach! welke fcha'ten zullen

wij hebben opgedaan! Maar doen wij der menschlijkheid

die vernedering niet aan, van te geloven,

dat er op de geheele aarde geene fchuilplaats voor

twee ongelukkige gelieven zal overig blijven. Ik

heb armen, ik ben fterk; het brood gewonnen

door


n8. B R I E V E N V A N

door mijnen arbeid zal u fmaaklijker voorkomen

dan de gericbten der gastmaalen. Kan eene maaltijd

door de liefde toebereid immer fmaakloos

zijn ? Ach! tedere en geliefde minnares! al moesten

wij maar voor eenen dag gelukkig zijn, wilt gij

evenwel uir die korte leven fcheiden zonder het

geluk gefmaakt te hebben_?

Ik heb u flechts nog één woord te zeggen, JU­

LIA! Gij weet wat gebruik men oulings maakte

van de rots van Leucate O), dien laatften toevlucht

van zoo veele ongelukkige, gelieven. Deze

plaats gelijkt in veele opzichten naar denzelven.

De rots is fteil, het water is diep, en ik ben wanhoopig.

XXVII. B R I E F .

Van CLAARTJE.

Door mijne droefheid heb ik naauwlijks het vermogen

om aan u te fchrijven. Uw ongeluk en het

mijne is voltooid: de teminlijke JULIA ligt op

haar

(


't w is G E L I E V E N . 129

haar uïterfte, en heeft misfchiett geene twee dagen

levens meer. De moeilijke poging welke zij

deed om u van zich te verwijderen, begon hare

gezondheid te ondermijnen. Het eerfte gefprek

dat zij met haar vader over u gehouden heeft,

bracht daaraan nieuwe fchokken toe; andere verdrietlijkhcden

hebben zedert dien tijd hare ongefieldheid

vermeerderd, en uw laatfte brief heeft

het overige gedaan. Zij was daardoor zoo hevig

ontroerd, dat zij, na den nacht in vcrfchriklijke

worftelingen met zich zelf te hebben doorgebracht,

gister door eene heete koorts werd aangetast, die

zedert geftadig toegenomen is, en haar eindelijkijlhoofdig

heeft gemaakt. In dezen toeftand noemt

zij u ieder oogenblik, en fpreekt van u met een.

vuur, het geen toont hoe zeer zij er mede vervuld

is. Men houd haar vader zoo lang mooglijk van

haar verwijderd, hetgeen genoegzaam bewijst^

dat mijne Tante vermoedens heeft opgevat; zelfs

heeft zij mij met angstvalligheid gevraagd of gij nog

niet weder terug gekomen waart, en ik bemerk *

dat, daar het gevaar van hare dochter voor eert

oogenblik alle andere overwegingen verdringt, zij

hiet ongaarne u hier zoude zien.

Koom derhal ven, Zonder uitftel. Ik heb deze

fchuit opzetlijk genomen óm u dezen brief té bren*

gen; zij is ten uwen dienste, maak er gebruik van

tot uwe terugkomst, en verzuim vooral geert

I. DEEL. I og«


i 3o B R I E V E N T A N

oogenblik, indien gij de tederfte minnares die ooit

beftond nog wilt wederzien.

XXVIII. B R I E F .

Van JULIA aan CLAARTJE.

ÏT oe bitter maakt uwe afwezigheid mij dat leven,

het geen gij mij wedergegeven hebt! welk eene

herftelling! Eer.e drift heviger dan de koorts, en

de vervoering mijner ziel (leept mij weg ten verderve.

Wreede ! gij verlaat mij wanneer ik u het

meest nodig heb; gij hebt mij zedert acht dagen

verlaten, misfehien ziet gij mij nooit weder. O!

indien gij wist wat die zinneloze mij durft voorflaan

! ... en op welk een toon ! ... de vlucht

te nemen! hem te volgen! mij te fchaaken!

die onwaardige! ..... Over wien beklaag ik mij?

mijn hart, mijn verachtlijk hart zegt er mij honderdmaal

meer van dan hij groote God!

war zou er van mij worden, zo hij alles wis"? ....

hij zou er woedend door worden, mij met geweld

wegvoeren, en ik zou moeten vertrekken .....

ik zidder

Wel, heeft mijn vader mij dan verkocht! hij

maakt van zijne dochter een koopmanlchap, eene

fla-


T W E S G E L I E V E N . 137

flavin; hij voldoet zijne fchuld ten mijnen koste}

hij betaalt zijn leven met het mijne ! . ... ik ge«

voel toch wel,dat ik het niet overleeven zal! ....

barbaarfche en ontaarte Vader! verdient hij . . . .

wat, verdienen? liet is de beste der vaderen; hij

wil zijne dochter met zijnen vriend paaren, eri

ziedaar zijne misdaad. Maar mijne -

moeder, mijne

tedere moeder ! wat kwaad heeft zij mij gedaan?

.... Ach! veel! zij heeft mij te zeer bemind

, zij heeft mij ongelukkig gemaakt;

Wat begin ik,CLAARTJE? wat zal er van niij

worden? HAÜS komt niet. Ik weet niet hoé ik ü

dczen brief zenden zal. Eer gij denzelven ontvangt

.... eer gij weder hier zijt ..... wié

weet... vluchtende, omzwervende, onteerd

het is gedaan, het is afgedaan, de beflisfing is daar,;

Een dag, een uur, een oogenblik mislenden .. 6.

wie is in ftaat zijn lot te ontgaan? ..... 6 waar

ik ook leven en fterven moge, in welk eene donkere

fchuiiplaats ik mijne fchaamte en wanhoop

met mij fleepe; CLAARTJE! gedenk aan uw©

vriendin! Helaas! de ellende en de fchande

veranderen de harten .... maar, indien iaimcf*

het mijne u vergeet, zal het wel zeer veranderd

tnoeten zijn}

j

i 3 %l%


IS2 B R I E V E N v A w

XXIX. B R I E F .

Van JULIA aan CLAARTJE.

Blijf, ach! blijf terug! keer nimmer weder; gij

zoudt te laat komen. Ik moet u niet meer zien ;

hoe zou ik uw gezicht konnen verdragen l

Waar waart gij, mijne lieve vriendin, mijne befchutfler,

mijn befcherm -engel? gij hebt mij begeven,

en ik ben verloren gegaan. Hoe, was dan

die noodlottige reis zoo noodzaaklijk, of zoo

gehaast ? kondet gij mij in het hagchlijkst oogenblik

mijnes levens aan mij zelve overlaten ? Hoe

veele kwellingen hebt gij door deze misdadige achteloosheid

u zelf bereid! zij zullen, zoo wel als

mijne traanen, eindeloos zijn. Uw verlies is niet

minder onherflelbaar dan het mijne , en eene andere

vriendin die uwer waardig is, is niet gemaklijker

wederom te verkrijgen dan mijne onfchuld.

Wat heb ik gezegd, ellendige als ik ben 1 Iic

kan noch fpreken, noch zwijgen. Wat baat het

flilzwijgen wanneer het naberouw zijn luide ftem

verheft? verwijt de geheele wereld mij niet mijne

misdaad? is mijne f'chande niet op al wat mij

omringt te lezen ? indien ik mijn hart niet in hes

awe ontlaste , zal ik moeten flikken. En gij-,

ves>


T W E E G E L I E V E N . 133

verwijtgij uzelveniets,toegeeflijkeen al te lichtvertrouwende

Nicht? ach ! waaroin verraadde gij mij

niet? Het is uwe getrouwheid, uwe verblinde

vriendfchap, het is uwe ongelukkige toegeeflijkheid

die mij bedorven heeft.

Welke booze geest gaf u in , dat gij dien wreeden,

die mij te fchande maakt, terug ontboodt?

moesten zijne trouwloze oppasfingen mij het leven

wedergeven, om het mij haatlijk te maken? dat

hij voor altoos wegvluehte, die barbaar ! dat een

overichot van medelijden hem bewege; dat hij

mijne kwellingen door zijne tegenwoordigheid niet

meer kome vergrooten; dat hij affta van het wreed

vermaak om getuige mijner traanen te zijn. —Wat

zeg ik, helaas? hij is niet fchuldig, ik alleen ben

zulks; alle mijne ongelukken zijn mijn eigen bedrijf,

en ik heb niemand iets te verwijten dan

mij zelf. Dan de ondeugd heeft reeds mijne

ziel verpest.; het cerfte uitwerkfel daarvan is,

dat zij ons anderen doet betichten van onze eigene

misdaden»

Neen voorwaar, nimmer was hij in ftaat om

zijne eeden te fchenden. Zijn deugdzaam hart

kent de verachtlijke konst niet om het voorwerp

zijner liefde te beledigen. O! zonder twijfel kent

hij de liefde beter dan ik, dewijl hij zich zelf

meer weet te bezitten. Honderdmaal waren

mijne oogen getuigen van zijne aanvechtingen en

I 3 van


134 B R I E V E N V A »

van zijn zegepraal; de zijnen vonkelden van het

vuur zijner lusten, hij viel op mij aan met al de

hevigheid eener blinde vervoering; eensflags bedwong

hij zich zelf; een onoverkomelijke hinder-;

paal fcheen mij te hebben omgeven, en nimmer

zou zijne vuurige maar eerbare liefde dezelve

overfchreden hebben. Dit gevaarlijk fchouwfpel

durfde ik al te veel befchouwen. Ik voelde mij

bewogen door zijne hartstochten, zijne zuchten

beklemden mijn hart, ik nam deel aan zijne kwellingen,

terwijl ik er enkel medelijden mede wilde

pefenen. Ik zag hem in ftuipachtige bewegingen,

op het punt om aan mijne voeten te bezwijken.

Misfchien zou de liefde alleen mij verfchoond

hebben; ö mijne Nicht! het medelijden heeft mij

bederven.

Mijne heilloze hartstocht fcheen zich, om mij

te misleiden, onder het voorwendfel van alle da

deugden te willen vermammen. Dezen dag zelf»

had hij mij met meerder drift aangezocht om hem

te volgen. Dan dit was zoo goed als de besten

der vaderen raadloos te maken, zoo goed als den

dolk in den boezem mijner moeder te drukken;

ik weigerde, ik verwierp dezen voorflag met afgrijzen.

De onmogelijkheid om ooit onze wenfc'rien

verv uldte zien , het geheim dat ik van die

onmogelijkheid voor hem maken moest, de fmart

van egn zoo onderworpen en tederen minnaar te

mjsleiclen na zijne hoop geyleid te hebben, alles

floeg


T W E E G E L I E V E N . 135

floeg mijnen moei neder, alles vermeerderde mijny

zwakheid, alles beroofde mij van mijn verüand.

Ik moest de oorzaken mijnes levens, mijnen minnaar,

of mij zelf den dood aandoen. Zonder te

bezeffen wat ik deed, koos ik mijn eigen ongeluk.

Ik vergat alles , en dacht aan niets dan aan de

liefde. Op deze wijze heeft een oogenblik van

dwah'ng mij voor altoos rampzalig gemaakt. Ik

ben geftort in dien afgrond van fchande waaruit

een meisje zich niet weder opheffen kan; en zo

ik nog leve is het om des te ongelukkiger te

zijn.

Al weeklagende zoek ik nog eenige geringe vertroosting

op de wereld. Ik vind er niemand dan

u , mijne beminlijke vriendin ! Ontzeg mij zulk

een bekoorlijke toevlucht niet, ik bezweer het u;

beroof mij niet van de liefkozingen uwer vriendfchap.

Ik heb het recht van daarop aanfpraak te

maken verloren, maar nimmer had ik ze dermate

nodiDat het medelijden de achting vergoede.

K>om, mijne waarde! uwe ziel ontfluiten voor

mijne klachten; koom de traanen van uwe vriendin

opzamelen ; befcherm mij, zo hen mooglijk

is, tegen de verachting van mij zelf, en doe mij

geloven dat ik niet alles verloren heb, verraids ik

nog in het bezit van uw hart ben,

1.4


S36 B R I E V E N VAN;

XXX. B R I E F .

Andwoord..

JR ampzalig meisje* Helaas! wat hebt gij gedaant

Mijn God' gij verdiende zoo zeer wijs te zijn!

wat zal ik u zeggen te midden van uwen akeliger*

toeftand, en der verüagenheid waarin u dezelve

dompelt? Zal ik uw arm hart volkomen te neder»

flaan , of zal ik u vertroostingen aanbieden, die

mijn eigen hart derft? Zai ik u de voorwerpen

vertoonen gelijk zij wezenlijk zijn, of zoo als het

voor u voegzaam is die te befchouwen? heilige

en reine vriendfchap! verwek in mijnen geest uwe

zoete beguichelingen, en misleid mij zelve in de

eerfte plaats, door het teder medelijden welk gij

mij inboezemt, omtrent rampen dje gij niet meer

herfLellcn kunt..

Gij weet, ik heb gevreesd voor het ongeluk dat

gij betreurt. Hoe dikwijls heb ik het u voorfpeld

zonder gehoor te verwerven! .... het is de

vrucht van een reukeloos vertrouwen .... ach!

het.'is.de t'jd niet meer om van dit alles te fpreken.

Zonder twijfel, zou ik uw geheim verraden

hebben, indien ik u door dat middel had konnen

behouden; maar ik las beter dan gij in uw al te

,|e vpelig hart, ik zag hoe het zich verteerde door een

ge.


T W I B G E L I E V E N . 137

geweldig vuur dat niets in ftaat was uitteblusfchen.

Ik ontdekte uit dat van liefde kloppend

hart, dat het gelukkig worden of fterven moest,

en toen de vrees van te bezwijken u uwen minnaar

met zoo veele traanen deed verbannen, begreep

ik wel dat gij uw leven fpoedig zoudt eindigen,

of dat hij wel dra zou worden terug ontboden.

Maar hoe groot was mijne ontzetting, toen

ik u warsch van het leven, en zoo nabij den dood

zag! Befchuldig noch uwen minnaar noch u zelve

van eenen misflag waaraan ik de meeste fchuld

heb, dewijl ik,fchoon dien voorziende, denzelven

niet heb voorgekomen.

Het is zeker dat ik tegen mijn zin vertrok; gij

hebt het gezien, ik moest gehoorzamen; had ik

gedacht, dat gij zoo nabij uwen ondergang waart,

men zou mij eer aan ftukken gehouwen, dan van

u afgetroond hebben. Ik bedroog mij ten opzichte

van het oogenblik des gevaars. Nog zwak

en kwijnende, fcheent gij mij toe beveiligd te zijn

tegen eene zoo kortftondige afwezigheid; ik voorzag

de gevaarlijke wisfelkeus niet, welke gij zoudt

hebben te doen, ik vergat, dat uwe eigene zwakheid

dat weerloos hart minder in ftaat ftelde om

zich te verdedigen tegen zichzelven. Ik' vraag

deswegen voor het mijne verfchoniug, het valt mij

bezwaarlijk berouw te gevoelen over eene dwaling

die u in het leven behield; ik bezit toch dien

wreeden moed niet, welk u op eenmaal van mij

I 5 deed


138 B R I E V E N VAM

deed afzien; ik zou u nier hebben konnen verliezen

z.onder do


T W E E G E L I E V E N . Ï39

dien de misflag nog niet begaan ware, en ik dan

de laagheid had van zoo tot u te fpreken, en gij

van mij aantehooren, wij zouden beide de gemeenfte

van alle wezens zijn. Nu, mijne waardel

moet ik zoo met u fpreken, en gij moet mij gehoor

geven, of gij zijt verloren: gij behoud: toch

nog duizend beminiijke hoedanigheden , welke de

•achting voor u zelve alleen bewaren kan, welke

dooreen overmaat van fchaamte, en de vernedering

die daaruit ontftaat, zeker zouden verwoest

worden, en gij zult zoo veel wezenlijke waarde behouden,als

gij uzelf nog verbeelden zult tehebben.

Wacht u dus van in eene gevaarlijke moedloosheid

te vervallen, die u meer dan uwe zwakheid

vernederen zoude. Is de waare liefde ge'fchikt

om de ziel te verlaa_en? Dat een misflag door de

liefde begaan u niet beroove van die edele geestdrift

voor het betaamlijke en fchoone, die u altoos

boven v. zelve verhefte. Bemerkt men een

vlekjcn in de zon? hoe veele deugden blijven u

overig tegen ééne die befmet is? zult gij daardoor

minder zicht , minder oprecht, minder zedig,

minder milddadig zijn? Met één woord, zult gij

er onze volkomene hoogachting minder om verdienen

? Zal de eer, de braafheid, de vriendfchap,

de zuivere liefde daarom minder dierbaar zijn voor

uw hart? Zult gij de deugden zelfs die gij niet

meer bezie deswegen minder hoogfehatten? Neen,

paaide en goede JULIA! uwe CLAARTJE aanbid

u ter-


Ï4


T W E E G E L I E V E N . 141

mooglijk is, door gezette deugd eenen misfbtp

uitwisfchen , die door geene traanen te hcrfbellen

is. Ach! mijne arme CIIAILLOT!

X X X I . B R I E F .

Aan JULIA.

"Welk een wonder van den Hemel zijt gij toch,

onbegrijplijke JULIA ! en door welke u alleen

bekende konstgreep weet gij in één hart zoo veele

met elkander onbeftaanbare gemoedsbewegingen

te vereenigen? Dronken van liefde en van wel»

lust, zwemt het mijne in droefheid; te midden

van de volmaaktfte gelukzaligheid lijde ik en

verkwijn van fmart, en ik verwijt mij zelf den

overvloed van mijn geluk als eene misdaad.

Welk eene verfchriklijke foltering is het, zich aan

geenerlei aandoening volkomen te durven overgeven

, zonder ophouden de eene door de andere te

beftrijden, en altoos het verdriet aan het vermaak

te paaren! Het ware honderdmaal beter niet aanwezig

dan ellendig te zijn. Wat baat het mij,

helaas! dat ik gelukkig ben ? Het zijn niet meer

mijne rampen ,maar de uwen, welke ik ondervinde,

en zij zijn mij daarom nog des te knellender.

Vergeefs wilt gij uwe fmarten voor mij verbergen,

ik lees die ondanks u zelve in de kwijning

en neêrflachtigheid uwer oogen, Konnen die inne-

mer»


Ï 42 B R I E V È N V A N

mende oogen eenig geheim voor de liefde verheet

ien? Ik zie, ik befpeur onder een opgeruimd voorkomen

het heimelijk verdriet dat u knelt, en uwe

droefheid met een bevallig glimlagchje bedekt,

is even daarom des te bitterer voor mijn hart.

Het is de tijd niet meer om voor mij iets te ontveinzen.

Gister bevond ik mij in het vertrek van

uwe Moeder; zij laat mij een oogenblik alleen;

ik hoor weeklachten die mij door de ziel fnijden ,

moest ik aan dit uitwerkfel niet herkennen van

wie zij kwamen? Ik nader de plaats, van waar

zij herkomftig fchijnen; ik treed in uwe kamer,

ik ga door tot in uw cabinetjen. Hoe was ik te

moede, toen ik, even de deur openende, haar die

op den throon der wereld moest geplaatst zijn,

gezeten zag op den grond, het hoofd leunende

tegen een armftocl, die dreef van haré traanen?

Ach ! ware het van mijn bloed geweest, ik zou

minder geleden hebben! Door welke wroegingen

werd ik oogenbliklijk verfcheurd ? Mijn geluk

werd mijne ftraf; ik gevoelde niets meer daiï

uwe Imarten , en ik zou uwe traanen en alle mijne,

genoegens met mijn leven willen afkopen. Ik

wilds mij aan uwe voeten nederftörten, ik wilde

deze dierbare traanen met mijne lippen afwisfchen,

die binnen in mijn boezem opzamelen, ze'

voor altoos doen opdroogen of fterven; dan ik

hoor uwe moeder weder komen; ijllings moet

ik naar mijn plaats terug keeren, inwendig vervuld


T W E E G E L I E V E N . 143

vuld van uwe droevenisfen, en van kwellingen

die niet dan met dezelve zullen eindigen.

Hoe zeer ben ik door uw berouw vernederd,

Verlaagd geworden ! Ik ben dan wel zeer verachtliik,

indien onze vereeniging u verachting voor u zelve

inboezemt , en indien de lust mr'nes levens

het verdriet van het uwe is? Zijt rechtvaardiger jegens

u zelve, mijne JULIA! belchouw met een

minder bevooroordeeld oog de geheiligde banden

welken uw hart gelegd heeft. Hebt gij niet de

reinste wetten der natuur opgevo'gd? Hebt gij

niet vrijwillig de heiligde der verbindterisfen aangegaan

? wat hebt gij gedaan, het geen de Godlijke

en menschlijke wetten niet konnen, niet

moeten wettigen ? wat ontbreekt er aan den knoop

die ons verdrengelt, dan de openbare afkondiging?

Bewillig om de nrjns te zijn, en gij zijt niet

misdadig meer. O mijne Echtgenote! ö mijne

waardige en kuifche gezellin ! ó roem én geluk

mijnes levens! neen, het geen uwe lie f

de gedaan

heeft kan geene misdaad zijn, maar wel het geen

gij haar zoudt willen ontrooven ; het is flechts

door u aan een ander man te verhinden dat gij de

eer kwetfen kunt. Blijf voor altoos toebehooren

aan den vriend van uw harr en gij zult onfchuldig

Zijn. De keten die ons zamenbind is wettig, de

ontrouw alken die ze verbreken mocht zou berisplijk

zijn, en het daat voordaan aan de liefde,

de waarborg te zijn van de deugd.

Maaï


144 B R I E V E N V A N

Maar bijaldien ook uwe droefheid op redenen

{leunen, bijaldien uwe kwellingen gegrond zijn

mochten, waarom berooft gij mij van het geen

mij toebehoort ? waarom Horten mijne oogen niet

de helft van uwe traanen? Gij hebt niet één ongenoegen

het geen ik niet gevoelen, niet ééne

aandoening waarin ik niet deelen moet, en mijn

billijk naarijverig hart verwijt u alle de traanen ,

welke gij niet in mijnen boezem ontlast. Zeg

mij, koele en achterhoudende minnares! is alles

wat uwe ziel niet aan de mijne mededeelt, niet

een diefftal welke gij aan de liefde begaat ? Moet

alles tusfchen ons niet gemeen zijn, herinnert gij

u niet meer dit zelf gezegd te hebben? Ach, indien

gij vatbaar waart om zoo.als ik te beminnen,

dan zou mijn geluk u vertroosten, gelijk uwe fmarte

mij bedroeft, en gij zoudt gevoel hebben van mijne

genoegens, even gelijk ik heb van uwe droe«

venis.

Dan ik zie het, gij veracht mij als eenen uitzuinigen

, omdat mijne rede verdoold is in den

fchoot der vermaken. Mijne hevige hartstochten

verfchrikken u, gij hebt medelijden met mijne

verbijstering, en gij bezeft niet, dat al het menschlijk

vermogen niet toereikend is voor eene onbegrensde

gelukzaligheid. Hoe, wilt gij dat eene

gevoelige ziel een oneindig goed met matigheid

fmake? Hoe, wilt gij dat zij zoo veelerleie fterke

gemoedsbewegingen te gelijk doorfia, zonder uit

haar


T W E E G E L I E V E N . 145

haar plooi te geraken? Weet gij niet dat er een

grenspaal is waar geene rede meer weörftand bied *

en dat er geen mensch op aarde is wiens gezond

verftand tegen alle beproevingen gehard zij?

Oefen dus medelijden met eene verwarring waarin

gij mij gefborr. hebt, veracht geene dwalingen die

uw eigenwerk zijn, Ik bezit mij zelve niet meer,

dit beken ik, mijne ziel, aan zich zelf ontvreemd,

beftaat geheel in u. Des te vatbarer ben ik om

uwe fmarten te gevoelen, en des te waardiger om

er in te deelen. O JULIA! ontroof u niet aati

u zelve! —

XXXII. B R I E F ,

Andwoord.

Ei- is een tijd geweest, mijn bemmlijke vriend!

wanneer onze brieven natuurlijk en bevallig Waren

; het gevoel datze ons ingaf, vloeide met eene

fierlijke eenvouwigheid voord; het behoefde noch

konst noch optooifel, en zijne zuiverheid was deszelfs

geheele üeraad. Die gelukkige tijd is voorbij:

helaas! hij is onherroepelijk; en het eerfle

uitwcrkfel dezer treurige verandering is, dat onze

harten reeds hebben opgehouden zich onderling

te verdaan.

Uwe eigen oogen hebben mijne droefheid gezien,,

L DEEL. K Gij


U6 B R I E V E N V A N

Gij meent de oorzaak derzelve ontdekt te hebben ;

gij zoekt mij te vertroosten door ijdele redeneeringen,

en terwijl gij mij denkt te bedriegen, bedriegt

gij in de daad u zelve, mijn vriend! Geloof mij, geloof

het teder hart uwer JULIA; ik treur veel

minder daarover dat ik al teveel aan de liefde heb

toegedaan, dan wel om dat ik dezelve van haar

grootfte fieraad beroofd heb. Die zoete bekooring

der deugd is als een droom _ verdwenen;

ons liefdevuur heeft dien hemelfchen gloed verloren,

welk hetzelve opwekte en tevens zuiverde;

wij hebben het vermaak nagejaagd, en het

geluk is verre van ons weggevloden. Herinner u

die aangenaame oogenblikken , waarin onze harten

stieh des te beter vereenigden naar mate wij

elkander meer ontzag toedroegen, waarin de di ift uit

hare eigene buitenfporigheid de krachten ontleende

om zich zelf te overwinnen, waarin de onfchuld

ons wegens het bedwang vertroostte , waarin de

betoonde onderwerpingen en de eer allen uitliepen

ten voordeele van de liefde. Vergelijk dezen bekoorlijken

toeftand met onze tegenwoordige gefteldheid':

welke bekommeringen! wat al fehrik!

wataldoodlijke ontroerenisftn! hoe veele overdre»

vene aandoeningen hebben hare eerde aangenaamheid

verloren ! wat is er geworden van die zucht

tot bedachtzaamheid en eerbaarheid waarmede de

liefde alle de handelingen onzes levens bezielde,

en die wederkeerig de liefde des te dreclender

jaaakte? Ons genot was bedaard en bedendig;

thands


T w Ë E G E L I E V E N . i£f

thands hebben wij niets meer dan hartstochtent

dit onzinnig geluk gelijkt meer naar aanvallen van

razernij, dan naar tedere liefkozingen. Eene reine

en heilige liefde deed onZe harten branden; eenmaal

overgegeven aan de dwalingen der zinnen,

zijn wij niet meer dan gewoone gelieven; gelukkig

zeker, indien eene ijverzuchtige liefde nog de eer-

He plaats wil blijven bekleden in vermaken, welke

de laagfle fterveling zonder haar genieten kan.

Zie daar, mijn Vriend ! dé verliezen welke wijbeiden

gemeen hebben, en die ik niet minder voor:

ü dan voor mij zelve beween. Ik voeg er niets bij

van de mijnen in het bijzonder, uw hart is in Haar,

die tcgevoelen.Befchouwmijne fehaamte,cn verhef

uwe k'aagftem indien gij waarlijk deliefde kent.

Mijn mïsfbap is onherfïelbaar, nimmer zullen mij-»

ne traanen opdroogen. O gij die dezelve vloeijen

doet, fchroom van eene zoo rechtmatige"

droefheid aanteranden ; SU* mijne hoop is dezelve

te vereeuwigen ; daarin getroost te Worden zou de

z waarde mijner rampen zijn, en het is de laagfle

trap der fchande, met de onfchuld ook dat gevoel

te verliezen welk ons dezelve doet beminnen.

Ik ken mijn lot, ik bezef er het IjsÜjkc tfali',

en niettemin blijft mij eene vertroosting iri

mijne wanhoop over, die eenig, maar tevensftreelend

is. Het is van ü, mijn béminlijkes

Vriend! dat ik dezelve verwacht. Zedert ik mijne

K % oogeti


yfl B R I E V E N VAN

oogen niet meer op mij zelf durve liaan, vestig ik

die met des te grooter vermaak op hem dien ik

bemin. Ik geef u wederom al wat gij mij van mijne

eigene achting ontneemt, en terwijl gij mij noodzaakt

mij zelve te haaten, wordt gij mij daardoor

zelfs te meer dierbaar. De liefde, die noodlottige

liefde ,welke mij bederft, zet u eene nieuwe

waarde bij; wanneer ik mij zelf vernedere, rijst

gij; uw hart fchij.nt voordeel te hebben getrokken

van al de verachtlijkheid van het mijne. Wees

gij dan van nu af aan mijne eenige hoop, het

ftaat aan u, zo mooglijk, mijnen misflag te rechtvaardigen

; bedek dien met de betaamlijkheid van

uwe gevoelens; dat uwe verdiênfte mijne fchande

uitwisfche ; maak door eene beftendige deugdzaamheid

het verlies van deugden, welke gij mij

kost, verfchoonbaar. Wees gij thands mijn alles,

nu ik zelve niets meer ben.. De eenige eer die

ik nog behoude, berust geheel in u, en in zoo

verre gij achting verdienen zult, zal ik niet geheel

en al vcrachtenswaardig zijn.

Hoe veel fpijt ik ook hebbe over de herftellin-g

mijner gezondheid , ik kan dezelve niet langer ontveinzen.

Mijn gelaat zou mijne woorden logenftraffen,

en mijne voorgewende langzame beterfchapkan

niemand meer bedriegen. Spoed u derhalven,

eer ik genoodzaakt ben mijne gewoonc bezigheden

te hervatten , om den ftap te doen dien wij hebben

afgelproken. Ik zie duidlijk dat mijne moedes


T W E E G E L I E V E N . 149

dér vermoedens beeft opgevat, en dat zij ons in

het oog houd, ik erken, mijn vader gaat nog zoo

ver niet , deze tfotfche edelman kan zich niet

eens verbeelden, dat een burgerlijk man verliefd

van zijne dochter zou konnen zijn; maar onderrasfchen,

gij weet zijne voornemens; hij zal u voorkomen

indien gij het hem niet doet, en door

denzelfden toegang tot ons huis voor u te hebben

willen behouden, zult gij n geheel en al daar uit

verbannen. Geloof mij, fpreek met mijne moeder

terwijl het nog tijd is. Wend zulke bezigheden

voor die u verhinderen mij langer onderwijs

te geven, en laat ons afftand doen van elkander

zoo dikwijls te zien, opdat wij ons ten minfte

nu en dan zien mogen; indien men toch voor u

de deur fluit, kunt gij u niet weder daaraan

laten melden ; maar fluit gij die voor u zelf,

dan zullen uwe bezoeken in zekeren zin aan

uw eigen goeddunken ftaan, en met een weinigje

beleid en infehikïijkheid, zult gij die in het vervolg

dikwijler konnen herhaalen, zonder dat men

er op lette of het kwalijk neme, Ik zal u dezen

avond zeggen door welke middelen ik mij verbeelde

meer gelegenheden te zullen vinden om

ens te zien, en gij zult overtuigd worden dat

de onaffchcidbarc nicht, die voorheen zoo veel

gemor veroorzaakte, nu niet .nutloos zal zijn

voor twee gelieven , welken zij nimmer had

moeten verlaten,

R 3 XXXJIÏ.


J50 B R I E V E N V A K

XXXIII. B R I E F .

Van JULIA.

j^\ch, mijn vriend! welk een flechte toevlucht

is eene AffaribUt voor twee gelieven ! Welk

eene kwelling elkander te zien,en zich te moeten

bedwingen! Honderdmaal beter ware het elkander

geheel niet te zien. Hoe kan men eene geruste

houding hebben bij zoo veel ontroereni's ? Hoe

zoo ongelijk aan zich zelf zijn? Hoe aan zoo

veele voorwerpen denken daar men flechts met

één enkel is ingenomen ? Hoe zijne gebaaren

en oogen in bedwang houden , wanneer het hart

vliegt? In mijne geheele leven voelde ik zulk

eene ontfteltcnis niet als ik gister ontwaar werd

toen menu aanmeldde bij Mevrouw D'HEBVA KT.

Jk hield de uitfpraak van uw naam voor een verwijt

dat men mij toevoegde ; ik verbeeldde mij

dat de geheele wereld mij te gelijk aanzag; ik

wist niet meer wat ik deed, en bij uwe inkomst

bloosde ik zoo geweldig , dat mijne nicht, die

het oog op mij hield, genoodzaakt was met haar

aangezicht en waaijer zich naar mij toe te wenden,

als wilde zij mij iets in het oor luisteren. Ik

beefde van vrees of dit zelfs geen verkeerde uitwerking

doen mocht, en men zomts uit dit gefluister

eenigen argwaan mocht opvatten. Met één

woord,


T W E E G E L I E V E N . 151

woord, alles gaf mij nieuwe flof tot ontroering,

en nooit gevoelde ik beter, hoe zeer een fchuldig

gewisfen tegen ons ooggetuigen wapent die er

zeiven niet eens aan denken.

CLAARTJE meende optemerken , dat gij geen

betere vertoning maakte; het fcheen haar toe dat

gij verlegen waart met uwe houding, en onzeker

wat gij doen moest , dat gij noch voor- noch

achterwaard? gaan, mij niet naderen noch u verwijderen

durfde, maar met uwe blikken rondom

waarde , om gelegenheid te hebben , zeide zij,

van die naar ons te wenden. Een weinig bekomen

van mijne onthutfing, verbeeldde ik mij zelve

de uwe te ontdekken, tot dat de jonge Mevrouw

EELON u aangefproken had, en gij niet

haar gingt zitten praten, en aan hare zijde bedaarde.

Ik gevoel, mijn vriend! dat deze levenswijze,

die zoo veel belemmering, en zoo weinig vermaaks

geeft, niet gefchikt is voor ons: wij beminnen

elkander al te zeer, om ons derwij;'e te

pijnigen. Zulke openbare bijcenkomflen fchikken

zich alleen voor lieden die zonder de liefde te

kennen, niettemin wel met elkander zijn, of die

daarvan geen geheim behoeven te maken : wat

mij betreft, mijne angstvalligheden zijn te groot,

gij van uwen kant loopt te veel gevaar var, eenige

onbedachtzaamheid, en ik kan niet altoos eene

K 4 Me.


352 B R I E V E N V A N

Mevrouw BELON raast mij houden, om, als

het nodig is^ eene afleiding te maken.

Hervatten, ja hervatten wij die afgezonderde en

geruste levenswijze, waaraan ik u zoo ontijdig

onttrokken heb. Zij is het, die onze Helde verwekt

en gevoed heeft; misfehien zou eene meer

verflrooide levensmanier dezelve doen verflaauwen.

Alle groote hartstochten ontftaan in de

eenzaamheid; men vind er geene van dien aart in

de wereld, waar geenerlei voorwerp den tijd heeft

om een diepen indruk te maken, en waar de verfcheidenheid

van genoegens de kracht der gewaarwordingen

ontzenuwt. Deze Hand is ook beter

berekend voor mijne droefgeestigheid, welke bij

hetzelfde voedfel leeft als mijne liefde; het is uwe

geliefde beeldnis die deze beiden levendig houd,

en ik verkies liever u in het binnenfte van mijn

hart teder en gevoelig te zien, dan in eene geüwongene

en verflrooide houding bij eene talrijke

zamenkomst.

Er kan, daarenboven, een tijd komen waarin ik

zou genoodzaakt zijn tot een veel grooter afzondering,

en mocht die gewenschte tijd reeds daar

zijn! De voorzichtigheid en mijne eigene neigipg

vorderen even zeer dat ik vooraf eene heblijkheid

verkrijge tot hetgeen de noodzaaklijkheid

zoude konnen vereifchen. Ach! konden mijne

misfiagen zeiven het middel doen geboren worden

om,


T W E E G E L I E V E N . 153

om die te hcrftellen ! De ftreelende hoop van

t'eeniger tijd te zijn dan ongevoelig zou

ik meer zeggen, dan ik zeggen wil van het ontwerp

waarmede ik mij bezig houde. Vergeef mij

deze achterhoudendheid, mijn eenige vriend! mijn

hart zal nimmer eenig geheim hebben hetgeen voor

u niet aangenaam zoude zijn te weten. Evenwel

moet gij van dit onkundig blijven, en al hergeen

ik er u thands van zeggen kan, is dat de liefde

die onze rampen veroorzaakte, ons het geneesmiddel

daartegen verfchaffen moet. Gij moogt bij

u zelf redeneeren en uitleggingen maken zoo veel

gij wilt, maar ik vcrbiede u mij hieromtrent nader

te ondervragen.

X X X I V . B R I E F .

Andvoord.

AT

~Lvd, non verdrete m a\

C aai bi ar gP affetti mi ei,

Bei lumi onde imparai

A fofpirar d'amor (*).

Hoe lief moet ik die goede Mevrouw BELON

hebben, wegens het vermaak dat zij mij bezorgd

heeft! Vergeef het mij, godlijke JULIA! ik

durf-

(*) Dat is: Neen ! die fchoone oogen, die mij

geleerd hebben van liefde te zuchten , zullen mij. nim»

pier onflandvaslig zien. Aant, de$ VERX.

E 5


154 B R I E V E N V A N

durfde mij één oogenblik bedienen van uwe tedere

ongerustheid, en dit oogenblik was een der aangenaamfte

van mijn leven. Hoe bekoorlijk waren

die angstvallige en nieuwsgierige blikken welke

deelswijze op ons gevestigd, en terftond weder

ncêrgeflagen werden, om de mijne te ontgaan!.

Hoe maakte het toen uw gelukkige minnaar?

Hield hij zich onledig met Mevrouw BELON?

Ach! mijne JULIA! kunt gij dit geloven? Neen

zeker, onvergelijklijk meisje! Hij had belangrijker

bezigheid. Met welk eene verrukking volgde

zijn hart de bewegingen van het uwe! met welk

een gretig ongeduld aasden zijne oogen op uwe

bevalligheden! Uwe liefde, uwe fchoonbeid vervulden

, bekoorden zijne ziel; zij was ter naauwer

nood beftaud voor zoo veele ïtreelende gewaarwordingen.

Het fpeet mij alleen dat ik ten

koste van haar die ik bemin vermaken genoot,

waarin zij geen deel had. Weet ik wat Mevrouw

BELON mij gedurende al dien tijd gezegd heeft?

weet ik wat ik haar heb geandwoord ? wist ik

dit op het oogenblik onzer rcdewiafeling ? Heeft

zij zelve het wel konnen weten, cn was het haar

mooglijk iets het minfte te begrijpen uit de gefbrek^

ken van een man die praatte zonder te denken,

en andwoordde zonder te luisteren?

Com huom, che par ch'afcolti, e nuïïa intendt (*)

Ook

(*) Dat is: Gelijk een man die fchijnt te luiste

ren, cn die niets vcrj'aat. Aant. de VERÏ.


T W E E G E L I E V E N . 155

Ook heeft zij eene volmaakte verachting tegen

mij opgevat. Zij heeft aan de geheele wereld

, misfehien ook aan u, gezegd, dat ik geen

natuurlijk begrip, ja het geen erger is, geen

het minfte verftand bezit, en dat ik zelf even zot

ben als mijne boeken. Wat deert het mij wat

zij er van zegge en denke ? Doet mijne JULIA

alleen geene uiifpraak over mijn beftaan en over

den rang dien ik begeer te hebben ? Laat het

overig gedeelte der wereld over mij denken zoo

als het wil, al mijne waarde beftaat in uwe achting.

Ach! geloof toch dat het noch aan Mevrouw

BELON ftaat, noch aan eenige fchoonheid die

de haare overtreft, om die afwending temaken,

waarvan gij fpreekt, of om één oogenblik mijn hart

en mijne oogen van u aftetrekken ! Zo gij aan

mijne oprechtheid konde twijfelen, zo gij voor

een oogenblik aan mijne liefde cn aan uwe eigene

bekoorlijkheden dit geweldig ongelijk kondet aandoen

; zeg mij dan, wie zou alles hebben konnen aantekenen

wat rondom u gebeurde ? Zag ik u niet

onder die jeugdige fchoonheden fchitteren gelijk

de zon onder de ftarren die zij verduistert? Zag

ik de jonge Heeren zich niet rondom uwe ftoel

verzamelen? Zag ik niet in fpijt uwer gezellinnen

de bewondering welke zij omtrent u betoonden?

Zag ik niet hunne vuurige eerbewijzen, de blijken

hunner hulde, cn hunne verliefde aartigheden

? Zag ik u die allen niet ontvangen met eene

hou-


156 B R I E V E N V A N

houding van zedigheid en onverfchilligheid die

meer uitwerking doet dan de trotschheid ? Zag

ik, toen gij wegens het Collation uwe handfchoen

uitdeedt , de uitwerking niet, welke die ontblootte

arm op de aanfchouwers maakte? Zag ik

dien jongen vreemdeling, die uwe handfchoen opraapte,

niet in den wil om de bekoorlijke hand,

welke dezelve aannam, te kusfchen? Zag ik niet

eenen die nog ftouter was en wiens brandend oog

mijn bloed en mijn leven opflurpte, u hl de verplichting

brengen om , toen gij het bemerkte,

eene fpelde aan Uwen halsdoek te fteken? Ik was

niet zoo verftrooid als gij wel meent; ik zag ditalles,

JULIA! en ik werd er niet jaloersch over;

want ikken uw hart. Ik weet, het behoort niet onderdie

harten, welke tweemaal konnen beminnen.

Zult gij het mijne befchuldigen van zoodanig te zijn?

Welaan, hernemen wij dat eenzaam leven,hetgeen

ik niet dan met wederzin verlaten heb. Neen,

het hart vind geen voedfel in het gewoel der wereld.

De fchijngeneugren maken de berooving der

waare genoegens maar des te bitterer voor het zelve;

en het verkiest zijn lijden boven nietige vergoedingen.

Dan , mijne JULIA ! er zijn, er konnen

meer wezenlijke genoegens zijn in dien ftaat van

bedwang w arin wij leven, en gij fchijnt dezelve

te vergeten ! Hoe, geheele veertien dagen zoo

nabij elkander doortebrengen zonder zich te zien,

zonder elkander een woord te zeggen ! Ach!

wa£


T W E E G E L I E V E N . 157

wat wilt gij dat een van liefde verteerd hart gedurende

zoo veele eeuwen doe? de afwezigheid

zelve zou minder wreed zijn, Wat baat eene

overmaat van voorzichtigheid die ons meer rampen

baart dan zij voorkomt? Wat baat het zijn

leven te rekken te gelijk met zijne ftraf? zou het

niet honderdmaal beter zijn elkander een enkel

oogenblik te zien en dan te fterven?

Ik ontveins het u niet, mijne lieve vriendin!

ik wenschte wel het beminlijk- geheim te doorgronden,

dat gij voor mij verbergt, nimmer was

er een belangrijker voor ons; dan ik heb daartoe

vergeeffche pogingen gedaan. Evenwel zal ik het

ftilzwijgen, welk gij mij oplegt, weten te bewaren,

en eene onbefcheidene nieuwsgierigheid

bedwingen ; maar waarom kan ik, een zoo lief

geheim onaangeroerd latende, de opheldering

daarvan ten minste niet verzekeren? wie weet,

wie weet nog of uwe ontwerpen niet op harsfenfchimmen

rusten? waarde ziel mijnes levens!

ach ! beginnen wij althands met dezelven wel

uittevoeren!

Nafchrift. Ik heb vergeten u te zeggen dat de Heer

ROGUIN mij eene Compagnie heeft aangeboden

in het Regiment dat hij opricht voor den

Koning van Sardinië. Ik ben gevoelig getroffen

geweest over de achting van dien braven

Officier; ik heb hem bedankt en gezegd, dat

ik


158 B R I E V E N V A N

ik al te bijziende was voor den dienst, en dat'

mijne fterke zucht voor de ftudien zich niet

wel voegde bij een zoo werkzaam leven. Wat

dit ftuk betreft, heb ik geene opoffering aan

de liefde gedaan. Ik oordeel dat ieder een

zijn leven en bloed aan het Vaderland verfchuldigd

is, maar dat het niet vrij ftaat zich

te begeven in den dienst van Vorsten, aan

wien men geeneiiei verplichting heeft, en

nog minder zich zelf te verkopen, en van

het edelst beroep der wereld dat eenes lagen

huurlings te maken. Dezen waren de grondregelen

van mijnen vader, en ik zou zeer ge.

lukkig zijn, zo ik hem in zijne liefde voor

zijne plichten en zijn geboorteland navolgde.

Nimmer heeft hij in den dienst van eenig

vreemd Vorst willen treden ; maar in den

oorlog van 1712 droeg hij met roem de wapenen

voor het Vaderland, hij woonde verfcheidene

gevechten bij, in een van welken hij

gekwetst werd; en in den flag van Filmerghen

had hij het geluk van een vaandel op den vijand

te veroveren onder het oog van den Generaal

de Sacconex.

XXXV.


T W E E G E L I E V E N . 159

X X X V . B R I E F .

Van JULIA.

I k kan niet vinden , mijn Vriend ! dat een paar

woorden die ik al boenende over Mevrouw BE­

LON geuit had , eene zoo ernftige uitlegging

verdienden. Zoo veel bezorgdheid om zich te

rechtvaardigen verwekt zomtijds een tegengefteld

vooroordeel: en het is de aandacht welke men

aan beuzelingen wijd alleen, die dezelve tot onderwerpen

van gewicht maakt. Dit zeker zal

tusfcben ons geen plaats hebben ; want harten

met edele aandoeningen vervuld zijn weinig twistziek,

en de kibbelingen der verliefden over nietsbeduidende

kleinigheden hebben bijkans altoos een

veel wezenlijker grond dan het fchijnt.

Evenwel fpijt het mij niet dat deze beuzeling

een gelegenheid verfchaft, om onder ons te handelen

over den minne-ijver; een onderwerp, dat

ongelukkiglijk voor mij maar al te gewichtig is.

Ik zie, mijn Vriend! uit de vorming onzer zielen

en uit de gemeenfchaplijke wending van onzen

fmaak,dat de liefde de hoofdzaak onzes levens zal uitmaken.

Wanneer deze eenmaal zulke diepe indrukken

heeft gemaakt als welke wij er van ontvangen

hebben , dan moet zij alle andere driften uitdooven

of


i6o B R I E V E N V A N

of verzwelgen; de geringde verkoeling zon weldra

voor ons de kwijning des doods zijn ; een

onverzettelijk misnoegen, een eeuwig verdriet,

zouden eene uitgebluschte liefde vervangen, en het

zou ons niet mooglijk zijn lang te leven nadat

wij hadden opgehouden te beminnen. Wat mi]

in het bijzonder betreft, gij gevoelt wel, dat het

alleen de bedwelming der hartstocht is welke de

ijslijkheid van mijnen tegenwoordigen toedand

voor mij verbergen kan, en dat ik met vervoering

beminnen, of van droefheid derven moet. Oordeel

derhalven of ik recht heb om erndig een

onderwerp te verhandelen, waarvan het geluk of

ongeluk mijnes levens moet afhangen !

Voor zoo veel ik over mij zelve kan oordeelen,

fchijnt het mij toe, dat ik, fchoon doorgaands

al te levendig van aangedaan, echter

weinig aan vervoering van driften onderhevig

ben. Langen tijd zouden mijne kwellingen in

mijn bmnende moeten 'gewoeld hebben, indien

ik de bron daarvan zou durven ontdekken aan hem

die er de oorzaak van was, en daar ik overtuigd

ben dat men geene belediging doen kan zonder

zulks te willen, zou ik mij veel liever honderd verongclijkingcn

getroosten dan ééne ontvouwing derzelve.

Een charadter van dezen aart moethetver bren^gen,

hoe weinig aanlegs tot minne-ijver men ook

hebbe, en ik ben zeer bevreesd, van die gevaarlijke

neiging in mij zelf gewaar te worden. Niet, dat ik

niet


T W E E G E L I E V E N . rót

niet wete , dat uw hart voor het mijne gefchikt

is, en voor geen ander: maar mm kan zich zelve

bedriegen, eeh voorbijgaande fmaak voor eene

hartstocht nemen, en door verbeelding zoo veel

doen als men misichien uit liefde zou gedaan

hebben. Dan, zo gij u zeiven als onftandvastig

kunt aanmerken zonder het te zijn , kan ik

met veel meer reden u ten onrechte van ontrouw

befchuldigen. Deze verlchriklijke twijfeling no-rthands

zou mijn leven vergiftigen; ik zou zuchten

zonder mij te beklagen, en ontroostbaar flerven

zonder te hebben Opgehouden van bemind te

worden.

Vermijden wij, ik bezweer het u, een Onheil

waarvan het bloote denkbeeld mij doet zidderené

Zweer mij dan, mijn lieve vriend! — niet bij

de liefde, deze eed word niet nagekomen, dan

wanneer dezelve overbodig is, maar bij dien heiligen

naam van de eer, welken gij zoo zeer eerbiedigt,

dat ik nimmer zal ophouden de vertrouwelinge

van uw hart te zijn , en dat daar in geene

verandering zal voorvallen waarvan ik niet het

eerst onderricht worde. Geef niet voor dat gij

mij nimmer iets zult te ontdekken hebben ; ik

geloof het, ik wil het hoopen; maar voorkom

mijne dwaze angstvalligheden , en geef mij door

uwe verbindtenis voor eene toekomst die nimmer

aanwezig moge zijn, de eeuwigdurende zekerheid

voor het tegenwoordige. Ik zou minder te be-

L DE EL, Ju i,]a*


ïÖ2 B R I E V E N V A N

klagen zijn zo ik mijn waarachtig ongeluk van

u zelve vernam , dan indien ik onophoudelijk

ingebeelde rampen te lijden heb , ik zou dan ten

minfte het genot hebben van uwe zelfsver wij tingen

; wanneer gij mijne liefde niet meer beandwoordde

, zoudt gij nog in mijn verdriet deelen,

cn de traanen zouden mij minder bitter

fmaken die ik op uwen boezem ftortede.

Het is hier, mijn vriend! dat ik mij zelf dubbel

geluk wensch met mijne keuze, en wegens de

zachte banden die ons verftrengelen, en wegens

de braafheid die dezelve verzekert:; zie daar het

nut van de voorfchriften der wijsheid in zaaken

van louter gevoel ; zie daar hoe eene geftrenge

deugd de zorgen eener tedere liefde weet te verbannen.

Zo ik eenen minnaar had zonder grondbeginfelen,

al beminde hij mij dan ook eeuwig,

waar zouden voor mij de waarborgen van die

ftandvastigheid zijn ? welke middelen zou ik hebben

om mij te bevrijden van mijne geftadige wantrouwcns,

en hoe zou ik mij zelf verzekeren dat

ik niet bedrogen werd zoo min door zijne veinzerij

als door mijne lichtgelovigheid? Maar gij,

mijn waarde en achtingswaardige vriend! gij die

noch tot bedriegerij noch tot veinzen in ftaat zijt,

gij, dit weet ik, zult die oprechtheid voor mij

behouden, welke gij mij zult beloofd hebben.

Nooit zal de fchaamte van eene trouwloosheid

te erkennen in uwe rechtfchap&ne ziel de overhand


f t ïi G E L I E V E N . ié§

hand krijgen boven de verplichting om uw woord

te houden .en indien gij Uwe JULIA niet meer

kondet beminnen, zoudt gij haar zeggen, . * » »

ja gij zoudt in ftaat zijn haar te zeggen, 6 JULI A!

ik heb u niet. . . Nimmer, mijn vriend! zal ik

dit woord fchrijvem

"Wat dunkt u van mijn hulpmiddel? Dit is

het eenige, des ben ik verzekerd, welk alle gevoel

van minne -ijver bij mij koude uitrooijen. Er

is ik weet niet welk eene kieschheid in, die mi>

bekoort, dat ik mij omtrent uwé liefde op uwé

goede trouw verlate , en mij zelf het vermogen

beneme van geloof te liaan aan eene trouwloosheid

, die gij zelve mij niet zoudt te kennen ge«

Ven* Zie daar, mijn waarde! het verzekerd gevolg

van de verplichting die ik u opleg; Want ik

zou konnen geloven dat gij een onftandvastig

minnaar, maar geenszins dat gij een bedrieglijke

Vriend waart, en zö ik zelfs twijfelde aan uw hart,

aan Uwe trouw kan ik nimmer twijfelen. Welk

ten genoegen fmaak ik in het nemen van onnodige

voorzorgen omtrent dit ftuk, in het voorkom

men van den minften zweem eener verandering

waarvan ik de onmooglijkheid zoo levendig bezef!

Welk een ftreelend vermaak met een Zoo ge-»

trouwen minnaar over de jaloefij te fpreken i

Ach! indien gij kondet ophouden zulks te zijrij

geloof niet dat ik daarover zoo met u zoude gefproken

hebben! Mijn arm hart zou in het géval zelVö

L s hief


164 B R I E V E N V A »

niet zoo vcrdnndig zijn , en het geringde wan-»

trouwen zou mij weldra den wil benemen om'

er mij voor te hoeden.

Zie daar, mijn 26er goede mee3tef! dof van

overweging voor dezen avond: want ik weet datuwe

twee gehoorzame leerlingen de eer zullen

hebben van het avondmaal met u te houden bij

den vader der onaffchetdbare. Uwe geleerde ophelderende

aanmerkingen over de Courant hebben

u zoodanig in zijne gunst gewikkeld , dat er niet

veel behendigheid nodig is geweest, om u te

doen nodigen. De dochter heeft haar clavier

doen demmen; de vader heeft Lamherti doorbladerd;

ik voor mij zal misfebien de les van het

boschje van Clarens herdenken: ö leeraar in alle

takken van kennis, gij bezit overal eenige wetenfchap

die gangbaar is. De Fleer D'ORBE, die,

gelijk gij denken kunt, niet vergeten is, heeft het

woord om eene geleerde redevoering te beginnen

over de aandaande huldiging van den Koning van

Napels, gedurende welke wij alle drie zullen gaan

in de kamer der nicht. Het is daar , mijn getrouwe

( * )! dat gij, geknield voor uw Vrouwe

en minnares, met uwe beide handen in de hare

en

(*) Een term, die Souvcrainc Vorsten gebruiken,

wanneer zij aan hunne bedienden fchrijven; al het

•volgende is onder dezelfde leenfpreuk voorgeftcld.

Arat. des v £ R.T.


T w r E G E L I E V E N . 165

en in de tegenwoordigheid van haren CaneeUcr,

haar trouw en hulde in alle gevallen zweeren zult,

dat is niet te zeggen, eeuwige liefde; eene verbind -

tenis we !ke men geen meester is van te houden noch

te verbreken; maar waarheid, oprechtheid, onfchendbare

rondborstigheid. Gij zult niet zweeren

altoos onderdanig te zullen zijn , maar nimmer

eenige daad van trouwloosheid te zullen pleegen ,

en althands, den oorlog te zullen verklaren eer

gij het jok affchudt. Dit doende zult gij de omhelzing

ontvangen, en erkend worden voor eenige

onderdaan en getrouwe Ridder,

Vaarwel , mijn goede vriend! het denkbeeld

der maaltijd van dezen avond boezemt mij vro-?

üjkheid in. Ach! hoe aangenaam zal mij dezel>

V£ zijn, wanneer ik u daarin zal zien deelen!

XXXVI. B R I E F ,

Van JULIA.

Kus dezen brief en fpring op van blijdlchap

wegens het nieuws dat ik u melden zal ; maar

denk , dat fchoon ik niet opfpring noch iets te

kusfen heb, ik echter niet minder gevoelig duarpver

ben dan gij. Mijn vader genoodzaakt zijnde

om wegens zijn pleitgeding naar Bern, en van

daar wegens zijnpen/toen naar Solothurn te g?,an ,

•L 3 beef;-


H6 B R I E V E N VAK

heeft aan mijne moeder voorgcflagen om met hem

te reizen, en zij beeft dit aangenomen, in hope

dat de verandering van lucht eenige heilzame uitwerking

op hare gezondheid hebben zal, Men

wilde mij de gunst bewijzen van mij insgelijks

mede te nemen, en ik vond het niet geraden te

zeggen, wat ik er over dacht: dan de moeilijkheid

der fchikkingen van het rijdtuig heeft dit ontwerp

doen vervallen, en men legt zich toe om mij te

vertroosten dat ik niet van de partij ben. Ik

moest wel droefheid voorwenden, en de valfche

rol die ik mij genoodzaakt zie te fpelen verfchaft

mij een zoo wezenlijk verdriet, dat het herouw

•mij hijna van de veinzerij ontflagen heeft.

Gedurende het afwezen mijner ouderen, zal

ik geene meesteres van het huis-blijven; maar men

vertrouwt mij bij den vader mijner nicht , zoo

dat ik wel degelijk gedurende dien tijd onfeheidbaar

van de anaffoheidbare zijn zal. Daarenboven

, heeft mijne moeder liever verkozen hare

kamenier te misfen en mij Babi als gouvernante te

laten: eene min gevaarlijke foort van Argus, welker

getrouwheid men noch omkoopen noch waarmede

men zich vertrouwelijk maken moet; doch

die men als het nodig is, gemaklijk kan verwijderen

, op den minden fchijn van vermaak of

\Ooxdeel welken men haar geeft,

gij begrijpt hoe gemaklijk het ons vallen zal

8P


T W E E G E L I E V E N . 16?

gedurende veertien dagen elkander te zien; dan

hier moet omzichtigheid de plaats van het bedwang

innemen, en wij moeten ons vrijwillig dezelfde

behoedzaamheid opleggen waartoe wij anders

genoodzaakt zijn. Gij moet niet alleen,

wanneer ik bij mijne nicht zal zijn , daar niet

meermalen komen dan voorheen, uit vrees van

haar in de waagfchaal te ftellen; maar ik hoop

zelfs dat ik u niet zal behoeven te fpreken van

de toegeeflijkheid welke hare kunne vordert, noch

van de geheiligde rechten der gastvrijheid, en

dat een braaf, wellevend man niet zal behoeven

onderricht te worden van het ontzag door de liefde

aan de vriendfchap verfchuldigd, welke haar

fchuilplaats geeft. Ik ken uwe levendigheid van

aart, maar ik ken ook derielver onfchendbare

grenspalen. Indien gij nimmer eene opoffering

aan het geen betaamlijk is gedaan hadt, gij zoude

er thands geene te doen hebben.

Van waar dat misnoegd voorkomen , en dat

treuri


ïég B R I E V E N V A N

(ie woonplaats, waarvan de Heer D'ORBE eiga»

naar is, zijn op genoegzamen afïtand eenige hutten

(*) veripreid, welke met hare rieten daken

de liefde en het vermaak , die vriendinnen der

boerfche eenvormigheid, bedekken konnen. De

frisfche en befcheidene.melkir.ers weten omtrent

een ander die geheimhouding te bewaren, welke

zij voor zich' zelve behoeven. De beeken die de

weilanden doorfnijden zijn omzoomd met boomge

wasch, en bekoorlijke boschjes. Zwaare bosfchen

bieden in het verfchiet meer woeste en fom«

bere fchuilplaatfen aan.

Al bel feggio ripoflo, ombrofo e fofcol

Ne m ai pa flor i appresfan, ne bifolci (a~),

Nergends yertoonen de konst noch de hand

der menfchen derzei ver angstvallige oplettendheid

; men ziet er aan allen kant enkel de tedere

zorgen der algemeene Moeder. Het is daar,

mijn vriend! dat men alleen onder hare befcherming

is, en dat men niets anders gehoorzamen

kan

(*) In het Fransch, Chalets, eene foort van hou­

ten huizen , waarin de kaazen en verfchillende foor-

t.en van zuivel in het gebergte gemaakt worden.

Ca*) Dat is: rustende óp een door geboomte beloin-

merdeii zetel, xvelken nimmer herders noch landlieden

padtrdun,

%

Aaflt. des YER.^.


T W E E G E L I E V E N . 169

kan dan hare wetten. Op de uitnodiging van den

Heer D'OKBEheeft CLAARTJE haren Vader reeds

bewogen om met eenige vrienden eene jacht van

twee of drie dagen in dat Cantm te gaan houden,

en de onaffcheidbaren derwaard mede te nemen.

Deze hebben weder andere pnaffcheidbaren, gelijk

gij zeer wel weet. De een, den meester van het

huis verbeeldende, zal natuurlijk deszelfs eer ophouden

; de ander zal , met minder praal, bij zijne

JULIA de plichten van een nederig Hulpje konnen

waarnemen , en deze door de liefde geheiligde Hulp

zal voor hun de Tempel van Cnidys zijn

Om dit bekoorlijk plan gelukkig en zeker uittevoeren,

zijn er Hechts eenige fchikkingen nodig welke

wij onder ons gemaklijk zullen konnen beraamen,

en die zelfs een gedeelte der genoegens welke zij

ons verfchaffen moeten, zullen uitmaken. Vaarwel

, mijn vriend \ ik neem plotsling affcheid van

u, uit vrees voor verrasfehing. Niettemin gevoel

jk, dat het hart uwer JULIA een weinig te vroeg

heenvliegt ter bewoning van de hut.

Nafchrift. Alles wel berekend, denk ik dat

wij ons, zonder onbefcheiden te zijn, bijna

alle dagen zullen konnen zien; den eenen dag

naamlijk bij mijne nicht, en den anderen onder

het wandelen.

(tf) Een beroemde Tempel van Vcnus, waarin haar

jjeeld , gebeiteld door Praxitelcs , geplaatst was.

Aant. des V E R T .

XXXVII.

L 5


X70 B R I E V E N V A N

XXXVII. B R I E F .

Van JULIA.

D ezen morgen zijn zij vertrokken , die tederharrige

vader en onvergelijklijke moeder , na eene

geliefde en hunner goedheden maar al te onwaardige

dochter met de tederfte liefkozingen overladen

te hebben. Ik voor mij, omhelsde hen

met weinig bedruktheid des harte, terwijl inwendig

dat ondankbaar en ontaart hart huppelde

van verfoeilijke blijdfchap. Helaas! waar is die

gelukkige tijd gebleven toen ik geftadig onder hun

oog een onfchuldig en bedachtzaam leven leide,

toen ik niet voldaan was dan aan hunnen boezem,

en mij geene fchrede van hen kon verwijderen

zonder onvergenoegd te zijn ? Thands, fchuldig

en vreesachtig, beef ik wanneer ik aan hen, en

bloos wen ik aan mij zelve denk; alle mijne goede

gevoelens verbasteren, en ik verteer mij zelf door

een ijdel en vruchtloos verdriet, het geen niet

eens bezield is van een waarachtig leedwezen.

Deze treurige overdenkingen hebben bij mij al die

droefheid opgewekt, welke hun affcheid mij in den

beginne niet veroorzaakt had. Eene heimelijke

benaauwdheid prangde mijne ziel nahet vertrek dier

waarde Ouderen. Terwijl BABI alles inpakte,

ben ik werktuiglijk in de kamer van mijne moeder

gegaan , en nog eenige {tukken van haar goed ver-

ftrooid


T W E E G E L I E V E N . 171

ftrooid ziende liggen, heb ik die allen het een

voor,het ander na, onder een vloed van traanen

gekust. Deze vertederde geftcltenis heeft mij een

weinig verlicht, en ik vond een zeker foort van

vertroosting in gewaar te worden , dat de zachte

aandoeningen der natuur nog niet ten éénemaal in

mijn hart zijn uitgedoofd. Ach! tiran! tevergeefs wilt

gij dit teder en al te zwak hart geheel en al aan u

onderwerpen; in weêrwil van u, in fpijt uwer

konftenarijen, behoud het ten minfte nog rechtschapene

gevoelens, het eerbiedigt en bemint nog

rechten die heiliger zijn dan de uwen.

Vergeef, d mijn lieve vriend! deze onwillige

gemoedsbewegingen; en maak u niet bevreesd,

dat ik deze bedenkingen zoo ver zal uitftrekken

als ik wel moest. Ik weet, dat oogenblik van

ons leven, waarin onze liefde misfehien de meeste

vrijheid geniet, is niet gefchikt om te treuren:

ik wil noch mijne kwellingen voor u verbergen,

noch u daardoor ter neder drukken; gij moet die

kennen ,niet omze te dragen, meer om dezelve te

verzachten. In wiens boezem zou ik dezelve ontlasten

, zo ikze niet in den uwen durfde uitftorten?

Zijt gij mijn gevoelige vertrooster niet? Zijt

gij het niet, die mijnen wankelenden moed onderfteunt?

Zijt gij het niet,die in mijne ziel den fmaak

voor de deugd aankweekt, zelfs nadat ik haar verloren

heb ? Hoe menigmaal zou ik, zonder u,

zonder die aanbidlijke vriendin wier medelijdige

hand


17* B R I E V E N VAN

hand zoo vaak mijne traanen afwischte ,reeds be*

zweken zijn onder de doodlijkfte moedloosheid?

Dan uwe tedere zorgen houden mij ftaande; ik

durf mij zelve nier verlaagen zoo lang gij mij nog

hoogacht, en met genoegen herinner ik mij zelf^

dat gij beiden mij niet zoo zeer beminnen zoudt,

indien ik niet dan verachting waardig ware. Ik

vlieg in de armen dier waarde nicht, of liever van

die liefderijke zuster, om eene lastige droefheid

in het binnenfte van haar hart op te fluiten. Koom

gij dezen avond aan het mijne die vrolijkheid ea

opgeruimdheid volkomen wedergeven, welke hfifj

verloren heefr.

XXXVIII. B R I E F .

Aan JULIA.

]Veen, JULIA! het is mij ondoenlijk u niet eiken

dag zoo te zien, gelijk ik u den voorigen dag

gezien heb : mijne liefde moet onophoudelijk toenemen

en aangroeien met uwe bekoorlijkheden,

en gij zijt voor mij eene onledigbare bron van

nieuwe aandoeningen, waarvan ik anders zelfs geen

denkbeeld zou gehad hebben, Welk een onbegrijplijke

avond ! welke onbekende geneugten

deedt gij mijn hart fmaken! O betoverende droefgeestigheid!

O kwijning van eene verrederde ziel!

hoe ver overtreft gij de woelige vermaken , de

dar*


T W E E G E L I E V E N . i 7

3

dartele vrolijkheid, de overdrevcnc vreugde, en

•alle de vervoeringen welke een onmatig vuur aan

de toomloze driften' der beminnenden verfchaft!

Kalme en reine genieting die in den wellust der

zinnen niets u gelijkends hebt, nimmer, nimmer

zal uw doordringend aandenken uit mijn hart worden

uitgewischt. Hemel! welk een bekoorlijk

fchouwtoneel of liever welk eene verrukking,

twee zoo treffende fchoonheden te zien elkander

met tederheid omhelzen, het aangezicht der eene

op den boezem der andere nederzijgen , heure

zachte traanen zich vermengen, en dien bevalligen

boezem bevochtigen, gelijk de daauw des

hemels eene versch ontlokcne lelie bevochtigt!

Ik was jaloersch van eene zoo tedere Vriendfchap?

ik vond daarin , ik weet niet welk eene meerdere

belangrijkheid dan in de liefde zelve, en ik ver-

Wenschte mij zelf in zekeren zin, dat ik u geene

even zoo waarde vertroostingen kon aanbieden,

zonder die te ftooren door de beroering mijner

hartstochten. Neen, niets , niets ter wereld is

in ftaat om zulk eene ftreelende vertedering te

verwekken als uwe wederzijdfche liefkozingen,

en de befchouwing van twee gelieven zou aan

mijn oog eene minder bekoorlijke gewaarwording

hebben veroorzaakt.

Ach ! hoe verliefd van die beminlijke nicht

zou ik op dat oogenblik geweest zijn , indien

JULIA niet beftaan had! Dan neen, het was

JULIA


i 74 B R I E V E N v A s

JULIA zelve die hare onovertrefbare bevalligheid

•erfpreidde over alles wat haar omringde. Uw

kleed, uw optooifel, uwe handfchoenen , uwe

waaier, uw werk : alles wat rondom mij mijne

oogen trof, bekoorde mijn hart, en gij alleen

maakte al die bekoorlijkheid uit. Laat af, ö

mijne lieve vriendin! door mijne bedwelming

fterker te doen toenemen, zoudt gij mij het

vermaak ontrooven van dezelve te gevoelen. Het

geen gij mij doet gewaar worden, zweemt naar

eene wezenlijke ijlhoofdigheid, en ik vrees dat

ik er eindelijk mijn verftand door verliezen zah

Laat mij ten miuften eene verbijstering leeren

kennen die mij gelukkig maakt, laat mij deze nieuwe

geestdrift fmaken, verhevener, levendiger dan alle

de denkbeelden die ik van de liefde had. Hoe, gij

kunt u vernederd achten ! wel, beneemt dan de

hartstocht u ook het verftand ? Ik, ik vinde u al

te volmaakt voor eene ftervelinge. Ik zou mij

verbeelden dat gij tot een reiner foort van fchepfelen

behoorde , indien dat hevig vuur welk mijn

geheele wezen doordringt, mij niet aan het uwe

verbond, en deed bezeffen dat zij dezelfde zijn»

Neen, niemand ter wereld kent u; gij kent u zelve

niet, mijn hart alleen kent u , gevoelt u , en

weet u in uwen rang te plaatfen. O, mijne JULIA!

welke betoningen van hulde zou men u ontroo»

ven, indien gij enkel aangebeden werdt! Ach!

zo gij niet meer dan een engel waart, hoe veel

zoudt gij van uwe waarde verliezen!

Zeg


T W E E G E L I E V E N . 175

Zeg mij , hoe is het mooglijk dat eene hartstocht

gelijk de mijne nog konne toenemen ? Ik

weet het niet, en evenwel ik ondervinde het.

Offchoon gij mij ten allen tijde voor den geest

zijt, zijn er nogthands zommige dagen, dat uw

beeld, ichooner dan ooit, mij vervolgt en kwelt

met eene levendigheid waar voor noch plaats

noch tijd mij beveiligt, en ik geloof dat gij mij

met hetzelve hebt doen achterblijven in die hut,

welke gij verliet bij het eindigen van uwen laatften

brief. Zedert de opkomst dezer landlijke

ontmoeting, ben ik driemaal buiten de ftad ge.

gaan, t'elkens hebben mijne voeten mij naar

dezelfde plaats heengevoerd, en t'elkens is mij

het verfchiet van een zoo gewenscht verblijf

meer bevallig voorgekomen.

Non vide il mondo fi leggiadri ramt,

Ne mosfe 7 vento mat fi vér Ai frondi Qa~), 1

Ik vind het land vrolijker, het groen frisfcheren

levendiger, de lucht zuiverer, den hemel helderer,

de zang der vogelen fchijnt meer teders en ftreelends

te hebben, het geruisch der wateren boezemt

eene verliefder kwijning in; de bloeiende wijngaard

wazemt op verren afftand aangenamer geuren

uit;

C


ijë B R I E V E N T A ii

uit; eene verborgene fchoonheid verfraait alle" de

voorwerpen of verrukt mijne zinnen; men zou

zeggen dat de aarde zieh optooide om uwen gelukkigen

minnaar een huuwlijksbed te bereiden,

waardig der fchoonheid welke hij aanbid, en der

liefde waarvan hij blaakt. O JULIA! Ö waarde

en dierbare wederhelft mijner ziele, fpoeden wij

ons om bij deze fchoonhcdeu der Lente de tegenwoordigheid

van twee getrouwe gelieven te voegen

: brengen wij het gevoel des vermaaks over in

eene plaats die daarvan flechts eene ijdele fchaduw

aanbied; laat ons de natuur gaan bezielen, zij is

dood zonder het vuur van de liefde. Wat! drie

dagen wachtens ? drie dagen nog? Dronken van

liefde, door hartstochten verfmacht, wacht ik

dat verwijlend oogenblik met een fmartlijk ongeduld.

Ach! hoe gelukkig zou men zijn, verwijderde

de Hemel van het leven alle die verdrietige

tijdvakken, welken er tusfchon Soortgelijke oogen»

blikken verloopcn!

XXXIX. B R I E F ,

Van JULIA.

W iet eene aandoening hebt gij, mijn goede vriend!

waarin mijn hart geeu deel heeft; maar Iprcek mij

van


T W E E G E L I E V E N . 177

van geen vermaak meer, zoo lang lieden die beter

zijn dan wij, lijden, zuchten, en dat ik mij hun

leed te verwijten heb. Lees den nevensgaanden

brief, en zijt gerust zo gij kunt. Ik voor mij,

die het beminlijk en goed meisje dat hem gefchreven

.heeft, kenne, heb dcnzelven niet konnen lezen

zonder traanen van zelfsverwijt en medelijden.

De fpijt over mijn misdadig verzuim heeft mij de

ziel doorgrief.!, en ik zie met eene bittere Verlegenheid

hoe verre het vergeten van mijnen hoofd*

plicht mij alle de andere heeft doen verwaarlozen.

Ik had beloofd voor dit arm fchepfel zorg te dragen;

ik was haar voorfpraak bij mijne moeder;

ik hield haar in zekeren zin onder mijn opzicht,

en nu mij zelve niet meer wetende te bewaren,

laat ik haar vaaren zonder mij harer te herinneren,

en ftel haar bloot aan grooter gevaaren dan

die waaronder ik bezweken ben, lk ziddcr op de

veibeeldingdathet twee dagen later met mijn pand

misfchien gedaan'geweest ware, en dat de behoefte

en de verleiding een zedig en verflaudig meisje bederven

zouden, welk t'eeniger tijd eene Voortreflijke

huismoeder kan zijn. O mijn vriend! hoekonnen er

menlchen in de wereld zijn, laag genoeg om van

de ellende eene belooning te kopen die het hart

alleen geven moet; en om van eene uit gehongerde

mond de kusfchen der liefde te ontvangen!

Zeg mij, zoudt gij zonder aandoening konnen

zijn over het kindei lijk medelijden van mijns

I. DEEL,. M &uH*


B R I E V E N VAN

Fanchon, over hare eerbare gevoelens, over haré

onfchuldige natuurlijkheid ? Zijt gij niet getroffen

door de zeldzame tederheid van dien minnaar die

zichzelf verkoopt om zijne minnares te onderfleunen

? Zult gij u niet hoogst gelukkig achten

van bij te dragen tot het voltrekken eencr verbindtenis

die zoo gelukkig gekozen is? Ach! indien

wij geen medelijden hadden met vereenigde harten

welken men verdeelt, van wien toch zouden

zij dit immer konnen verwachten ? Ik voor mij

heb brfloten omtrent deze twee mijnen misflag te

herftcllen, het koste wat het wil, en dus te maken,

dat die twee jonge lieden door hethuuwlijk

verecnigd worden. Ik hoop dat de Hemel deze

onderneming zal zegenen , 'en dat zij een goed

voorteken voor ons zal zijn. Ik ftel u voor en

bezweer u in den naam onzer vriendfchap, dat gij

nog heden ,zo gij kunt, of ten langfle morgen ochtend

vertrekt naar Neufchdtel. Ga bij den Heer

de MES VEILLEUX het ontflag van dezen braven

jongen bewerken , ontzie noch finekingen noch

geld: neem den brief mijner Fanehon met u, er

is geen gevoelig hart welk daardoor niet moet

bewogen worden. Kortom, hoe veel het ors

aan vermaak en geld ook koste , keer niet terug dan

met net volkomen ontflag van CLAUDIUS ANET,»

of zijt verzekerd dat de liefde mij in mijn gantfchc

leven geen oogenblik van zuiver genoegen

meer verfchaffen zal.

Ek


T W E E G E L I E V E N .

ïk gevoel reeds hoe veele tegenwerpingen uw

hart mij zal hebben temaken; twijfelt gij of het

mijne die niet reeds voor u gemaakt hebbe ? En

echter, ik blijf er bij; want één van beiden, of het

woord deugd moet flechts een ijdele klank zijn ^

of zij vorderen opofferingen. Mijn vriend , mijn

waardige vriend! eene mislukte ontmoeting kan duizendmaal

wederkomen , eenige aangenaame uuren

verdwijnen gelijk een blikfemftraal en zijn niet

meer; maar als het geluk van een eerlijk paar in

uwe hand ftaat, zo denk aan de toekomst welke

gij ü zelve door uw gedrag zult voorbereiden. Gé»

loof mij, de gelegenheid om gelukkige menfchen

te maken is zeldzamer dan men wel denkt; de

ftraf van die verwaarloosd te hebben is dat men

dezelve niet andermaal wedervind, en het gebruik

door ons gemaakt van de tegenwoordige gelegenheid

zal ons een altoosdurend gevoel nalaten, het'

zij van voldaanheid of van fpijt. Houd mijnen

ijver deze onnodige uitweiding ten goede; ik zeg

er te veel van aan een braaf man, en honderdmaal

te veel aan mijnen vriend. Ik weet hoe zeer gij

een vijand zijt van dat wreed vermaak welk ons

voor de rampen van een ander ongevoelig maakt.

Gij hebt het zelf duizendmaal gezegd, on gelukkig

hij, die niet in ftaat is om éénen dag van genoe'-«

gen op te offeren aan de plichten der mensenlijkheid!


l8o B R I E V E N YA M

XL. B R I E F .

Van FANCHON RE-GARD aan JULIA»

MEJU FFER!

Vergeef een arm wanhopig meisje, dat, geene

uitkomst meer wetende, nog toevlucht tot uwe

goedheid durft nemen; want gij wordt niet moede

van bedrukten te troosten, en ik ben zoo ongelukkig

dat er niemand is dan gij en de goede Hemel,

wien mijne klachten niet tot last zijn. Het

heeft mij veel verdriet gekost, dat leerfchool te

verlaten waarin gij mij geplaatst h-adt; maar het

ongeluk gehad hebbende van mijne moeder dezen

winter te verliezen, heb ik moeten terug kccren

bij mijnen armen vader, wiens verlamming hem

beftendig het bed doet houden.

Ik heb niet vergeten den raad dien gij aan mijne

Moeder gegeven hadt,dat men naamlijk mij moest

zien uittehuwlijken aan een ordentelijk man , die

voor het huisgezin zorgde, CLAUDIUS ANET,

wien Mijn Heer uw Vader van den dienst ontflagen

had, is een brave, gefchikte jongen, die

een goed ambacht verftaat, en mij gedegenheid

toedraagt. Na zoo veel milddadigheid a^ gij voor

ons gehad hebt, durfde ik u niet meer lastig vallen

, en hij is, het die ons gedurende den geheele»


T W E E G E L I E V E N . iSr

Iep winter onderhouden heeft. In dit voorjaar zou

hij mij trouwen; hij had zijn hart op dit huwlijk

geget. Dan men heeft mij zoodanig geplaagd om

drie jaaren huur te betalen die met P.ifchen venfchenen

zijn, dat de arme jongman niet wetende

van waar zoo veel gereed geld te bekomen, zich

wederom , zonder mij iets daarvan te zeggen , in

dienst begeven heeft, bij de Compagnie van den

Heer DE M E R V E I L ' L X Ü X , en mij zijn handgeld

gebracht. De Heer D E M E R V E I L L E U X blijft

niet langer dan zeven of acht dagen te Neufc'iatsl,

en binnen drie of vier dagen moet CLAÜDIÜS AJVEÏ

met de recruten vertrekken : dus hebben wij noch

den tijd noch het vermogen cm te trouwen, en

hij laat mij zonder eenig middel van beftaan. Indien

gij door uwen invloed of dien van Mijn Fleer

den Baron, ten minsten een uitftel van vijf of zes

weeken voor ons verwerven konde, zouaen wij

trachten in dien tusfchenujd eenige fehikkingen te

maken om te trouwen of dien armen jongen het

zijne wedcrtegeven ; maar ik ken hem te wel,

hij zal nimmer het geld willen terug nemen, dat

hij mij gegeven heeft.

Dezen morgen heeft een zeer rijk Heer mij veel

meer komen aanbieden ; maar God heeft mij hec

voorrecht vergund dat ik hem heb afgewezen. Hij

heeft gezegd dat hij morgen ochtend zou wederkomen

om mijn zeker befluit te vernemen. Ik

heb hem gezegd dat hij die moeite niet nemen

M3 zou,


ï8s B R I E V E N V A N

zou, en dat hij hetzelve reeds wist. God geleid

hem, hij zal morgen niet anders ontvangen worden

als heden. Ik zou ook wel toevlucht konnen

nemen tot de armenbeurs, maar dan is men zoo

in verachting dat het nog beter is te lijden: bovendien

, heeft CLAUDIUS ANET te veel eerzucht

om een meisje te begeeren dat onderfiand geniet.

Verfehoon de vrijheid die ik gebruik, mijn goede

juffer!ik vond niemand dan u alleen, aan wien

ik mijnen nood durfde openbaren, en mijn hart

is zoo beklemd dat ik dezen brief eindigen moet.

Uwe zeef gehoorzame en toegenegens

dienstvaardige Dienares,

ÏAHCHON REGAKD,

X L I. B R I E F .

Andwoord.

]rl et heeft mij aan geheugen en u aan vertrouwlijkheid

ontbroken , mijn waarde kind ! beiden

hebben wij groot ongelijk gehad, maar het mijne

is onvergeeflijk: ik zal trachten ten miriflen om

het te herftelien. BABI, die u dezen brief brengt,

heeftin last voer den dringendfben nood te zorgen.

Morgen ochtend zal zij wederkomen om u te

helpen dien lieer zijn alfcheid geven, zo hij nogmaals


T W E E G E L I E V E N . 183

maals vcrfchijnt, en na den middag zullen wij,

mijne nicht en ik, u komen zien; want ik weet,

dat gij niet van uwen armen vader af kunt, en

ik wil in eigen perfoon keunis nemen van den

ftaat uwer kleene huishouding,

"Wat CLAUDIUS ANET betreft, zijt daaromtrent

niet verlegen; mijn vader is van huis, doch

terwijl wij op zijne terugkomst wachten, zullen

wij doen wat wij konnen, en gij kunt er ftaat op

maken ,dat ik, noch u, noch dien braven jongen,

vergeten zal. Vaarwel , mijn kind ! dat u de

goede God vertrooste. Gij hebt wel gedaan dat

gij uwen toevlucht niet genomen hebt tot de armenkas;

dit moet gij nimmer doen zoo lang er nog

iets overig blijft in de beurs van goede lieden,

X L 11. B R I E F .

4m J U L I A .

Ik ontvang uwen brief, en vertrek oogenbliklijk:

zie daar mijn geheele andwoord. Ach, wreedej

hoe ver is mijn hart verwijderd van die haatlijke

deugd, welke gij in mij onderdek, en welke ik

verfoeije! Maar gij gebiedt, ik moet géhOorzamen.

Al moest ik er honderdmaal voor fterven , ik moet

ée achting van JULIA behouden,

M 4 X L H i


%H B R I E V E N V A »

X L III. B R I E F .

Aan JULI A.

G ister morgen kwam ik te Neufchatelik vernam

dat de Meer DEMSRVEILLEUX buiten was,

ik ging hem daar opzoeken; bij was op de Jacht,

en ik wachtte naar hem tot aan den avond. Toen

ik hem de reden van mijne reis opengelegd, en

hem verzocht had eene lom te eifchen voor hec

ontflag van CLAUDE ANET, opperde hij mij

veele zwarigheden. Ik meende die wegtenemen,

door uit mij zelf eene vrij aanmerklijke fom te

bieden, en die te verhoogen, naar mate hij weigerachtig

bleef; dan nie:s hebbende konnen verwerven,

was ik genoodzaakt te vertrekken, na

mij verzekerd te hebben dat ik hem dezen morgen

weder ontmoeten zoude , in het vaste voornemen

om niet eer van hem aftegaan, tot dat ik door

groot geld , langdurig aanhouden, of op welk

eene wijze ik maarkonde, zou verkregen hebben

het geen ik hem was kamen vragen. Ik was ten

dien einde zeer vroegtijdig opgeftaan, en ftoud

gereed om te paard te ftijgen, toen ik dooreen

expresfe dit briefje van den Heer DE MERVEIL-

LEUX, nevens het omllag van den jongman in

behoorlijke orde, ontving,

»» Z I e hier

-> Mi/'» Heer! het ontflag waarom gij

zij: komen verzoeken. Li heb'dat geweigerd op.


T W E E G E L I E V E N . 185

vwe aanbiedingen. Ik feherik het aan uwe mensch'

lievende oogmerken, en bid u te geloven, dat

ik eene goede daad geenszins voor geld verkoope."

'

Oordeel, naar de vreugde die u deze gelukkige

uitflag verfchaffen zal, over die welke ik gevoeld

heb, toen ik daarvan kennis kreeg. Waarom

mag dezelve niet zoo volmaakt zijn, als zij wezen

moest ? Ik kan niet voorbij van den Heer

»E MERVEILLEÜX te gaan bedanken en zijn verfchot

te voldoen, en zo dit bezoek, gelijk te

vrezen is, mijn vertrek eenen dag vertraagt, mag

ik dan niet met recht zeggen, dat hij zich ten

mijnen kaste edelmoedig betoond heeft? Dan,

dit zij zoo het wil, ik heb iets gedaan dat u aangenaam

is, en tot dien prijs kan ik alles lijden.

Hoe gelukkig is men wanneer men kan wel doen

door het vooiwcrp zijner liefde te dienen, en

aldus in eene en dezelfde plichtsbetrachting de genoegens

der liefde en der deugd verecnigen! Ik

erken, JULIA! dat ik vertrok met een hart vol

ongeduld en verdriet. Ik nam het u kwalijk dat

gij zoo gevoelig waart voor de fmarten van anderen

, en de mijne voor niets achtede, als of ik de

eenigfte der Stervelingen ware die niets bij u verdiend

had. Ik vond het barbaarsch, na mij door

eene zoo ftreelende hoop misleid te hebben, mij

zonder noodzaak te beroven van een geluk, waarmede

gij zelve mij gevleid hadt. Alle deze mor-

M 5 rin-


i86 B R I E V E N V A N

ringen zijn verdwenen ; ik voel in de plaats daarvan

een feil vergenoegen herleven inmijnbinnenfte;

reeds fmaak ik die vergoeding welke gij mij beloofd

hebt, gij die door de heblijkheid van weldoen zoo

zeer geoefend zijt in den fmaak welke men daarin

vind. Hoe verbazend is uw vermogen, dat gij de

berovingen even aangenaam kunt maken als de geneugten,

en aan hetgeen men voor u doet dezelfde

bevalligheid weet te geven als men zoude vinden

in het voldoen van zichzelve! Ach! ik heh

het honderdmaal gezegd , gij zijt een engel des

hemels, mijne JULIA! Zeker, bij zoo veel invloeds

op mijne ziel is de uwe meer godlijk dan

menschlijk. Waarom zou men niet eeuwig de

uwe zijn , daar uw gebied van een hemelfchen

aart is, en wat zou het baten zo ik ophield u te

beminnen, daar men u altoos moet aanbidden?

N. S. Volgends mijne rekening hebben wij nog ten

minste vijf of zes dagen, voor mama's terugkomst.

Zou het niet mooglijk zijn in dien

tusfchentijd eene bedevaart naar de hut te

doen?

X L I V. B R I E F .

Fan J U L I A .

Zijt niet zoo onvergenoegd, mijn Vriend ! over

die fpoedigë terugkomst; zij is meer in ons voordeel

,1


T w a s G E L I E V E N . 187

deel, dan het wel fchijnt, en al hadden wij opzetlijk

uit behendigheid gedaan -

, hetgeen wij nu verricht

hebben door weldadigheid, zouden wij niet

beter gedaagd zijn. Zie eens wat er zou gebeurd

wezen, indien wij enkel onze inbeelding hadden

opgevolgd. Ik zou naar buiten zijn gegaan juist

's daags voor de terugkomst van mijne moeder in do

Stad: ik zou een expresfe gehad hebben eer ik

onze ontmoeting had konnen bewerken; ik zou

op ftaanden voet hebben moeten vertrekken, misfchien

zonder u daarvan te konnen verwittigen,

u in doodlijkc ongerustheid hebben moeten laten,

cn onze fcheiding zou gebeurd zijn in een oogenblik,

welk dezelve allerfmartendst maakte. Nog meer,

men zou geweten hebben dat wij beiden buiten waren;

wellicht zoude men,in weêrwilvan onze voorzorgen

, hebben geweten dat wij er bij elkander

Wareti, ten minfte men zou het vermoed hebben,

en dit was genoeg. De onbedachtzame trek naar

het tegenwoordige zou ons beroofd hebben van

alle hulpmiddelen voor het toekomende, en het

zelfsverwiit van een goed werk te hebben verfmaad,

zou ons gefolterd hebben zoo lang wij leefden.

Vergelijk nu dezen toefhnd met onze tegenwoordige

omftandigheden. In de cerfte ^ plaats

heeft uw alzijn eene uitmuntende uitwerking gedaan.

Mijn Argus zal niet nagelaten hebben aan

mijne moeder te zeggen, dat men u bij mijne

fikht weinig gezien had; zij weet uwe reis en de

aan-


188 B R I E V E N V A N

aanleiding tot dezelve; die is eene reden te meer

om u te achten; en hoe kan men zich bij mooglijkheid

verbeelden dat lieden die het met elkander

eens zijn, genegen zouden zijn om zich van elkander

te verwijderen in het eer.igst oogenblik van

vrijheid dat zij hebben om elkander te zien? Welk

eene list hebben wij gebruikt om een maar al te

gegrond wantrouwen te verbannen ? De eenige,

mijnes oordeels, die geoorlofd is voor brave

lieden; dat is, van zulks te zijn, in eenen graad

die niet te geloven is, zoodanig dat men eene

fterke poging der deugd aanmerke als eene daad van

onverfchiiligheid. Mijn vriend! hoe ftreelend

moet eene aoor zulke middelen bedekte liefde

zijn voor harten die dezelve fmaken ! Voeg

hierbij het vermaak van ongelukkige gelieven te

paaren, en twee jonge lieden gelukkig te maken

die het zoo waardig zijn. Gij hebt nu mijne

FANCHON gezien; zeg, is zij niet bekoorlijk, en

verdient zij niet wel alles wat gij voor haar gedaan

hebt ? Is zij niet al te fraai en al te ongelukkig

om als maagd ongefchonden te blijven ? Zou CE.AU-

DIUS ANET van zijnen kant, wiens goede inborst

op eene wonderbare wijze zich gedurende drie

jaaren dienens heeft ftaande gehouden, het nog zoo

langen tijd hébben konnen uithouden zonder,

gelijk alle de anderen, een dcugdniet te worden? Nu

integendeel, beminnen zij eikander en zullen vereenigd

worden ; zij zijn arm cn zullen worden

voortgeholpen ; zij zijn eerlijke lieden en zullen

het


T W E E G E L I E V E N . 189

he: konnen blijven; want mijn vader heeft beloofd

zorg te zullen dragen dat zij een beftaan krijgen.

Hoe veel goeds hebt gij voor hun en voor ons

door uwe infcbiklijkheid bewerkt, zonder nog te

fpreken van de erkentenis die ik u deswegen fchul­

dig ben! Zoodanig , mijn vriend ! is het zeker

gevolg der opofferingen welke men doet aan de

deugd; zijn zij meestal moeilijk om te doen , het

is altoos ftreelend dezelve gedaan te hebben, en

men heeft nimmer iemand berouw zien hebben

van eene goede daad.

Ik twijfel zeer of gij mij ook niet, in navolging van

de onaffcheidbare, de zedemeesteres zult noemen,

cn het is waar dat ik hergeen ik zeg niet beter

betrachte dan de lieden van dat beroep. Indien

mijne leerredenen niet zoo goed als de hunne

zijn, heb ik ten minfte het genoegen van te zien

dat zij, niet gelijk die, in den wind geftrooid zijn.

Ik ontveins het niet, mijn beminlijke vriend!

ik wenschte wel bij uwe deugden er nog zoo veele

te voegen, als eene dwaze liefde er mij heeft

doen verliezen, en nu ik mij zelve niet meer ach­

ten kan , begeer ik mij nog in uw per foon hoog*

achting toetcdragen. Van uwen kant is er niets

anders nodig dan eene volmaakte liefde, en alles

zal als van zelve komen. Met welk een genoegen

moet gij onophoudelijk fchulden zien toenemen,

die' de liefde aanneemt te betalen!

Mijnfl


loo B R I E V E N V A N

Mijne nicht heeft kennis van de gefprekken welken

gij met haren vader ten opzichte van den Heer

D'ORBE gehad hebt; zij is deswegen zoo gevoelig

als of het mooglijk ware dat wij in de plichten

der vriendfchap niet altoos aan haar fchuldig bleven.

Hemel, mijn vriend! welk een gelukkig

meisje ben ik! hoe zeer ben ik bemind, en hoe

bekoorlijk is het voor mij zulks te zijn! vader,

moeder, vrienden, minnaar, ik moge vrij alles

wat mij omringt liefhebben, altoos vind ik mij

voorgekomen of overtroffen. Het fchijnt dat alle

de ftreelendfte aandoeningen der wereld zonder

ophouden mijne ziel komen aandoen, en ik heb

het verdriet van er niet meer dan eene te hebben

ter volkomen genietinge van mijn geluk.

Ik vergat u bericht te geven van een bezoek dat

gij morgen ochtend te wachten hebt. Het is van'

Mijlord BOMS TO N, die van Gcneve komt, alwaar

hij zeven of acht maanden heeft doorgebracht. Hij

zegt u te Sim gezien te hebben op zijne terugreis

uit Italië. Hij vond u zeer droefgeestig,en fpreekt

voor het overige omtrent u even zoo, als ik

over u denk. Hij prees u gister zoo zeer en zoO

recht ter fnede bij mijn vader,dat hij mij volkomen

heeft overgehaald om hem op mijne beurt te

prijzen. Indedaad, ik heb in zijne gefprekken verftand

, geestigheid, vuur gevonden. Bij het vermelden

van groote daden verheft zich zijne ftem

en word zijn oog levendiger, gelijk het geval is

I ' bij


T w E * G E L I E V E N . 191 !

bij menfchen die in ftaat zijn omze. te bedrijven.

Ook fpreekt hij met deelneming over onderwer­

pen van fmaak, onder anderen over de Italiaanfche

Mufiek welke hij hemelhoog verheft; ik verbeeld­

de mij mijnen armen broeder nog te hooren. Voor

het overige is hij in zijne gefprekken meer na-

druklijk dan bevallig, en zeifs vind ik dat hij een

weinig raauw van geest is f>). Vaarwel, mijn j

vriend!

X L V . B R I E F .

Aan JULIA.

Ik was nog Hechts met de tweede lezing van uwen

brief bezig , wanneer Mijlord EDWARD BOMSTOM

binnen trad. Hoe zou ik, u zoo veele andere

zaaken te zeggen hebbende, er aan hebber, konnen

denken, mijne JULIA! om U van hem te fpreken?

Wanneer men aan elkander genoeg heeft, kan men

dan aan eenen derden denken ? Ik ga u melden

hetgeen ik van hem weet, terwijl gij dit fchijnt

te verlangen.

Den

O) In het Fransen richc, een woord aan dat land

eigen, hetgeen hier oneigenlijk genomen word. Het

betekent eigenlijk eene oppervlakte die bij het aanra­

ken ruüw is, en welke eene onaangename huivering

veroorzaakt wanneer men er de hand over ftrijkt, ge.

lijk die van een harde borftel of van trijpt.


m B R I E V E N V A N

Den berg Sampione overgetrokken zijnde, was hij

te Sion gekomen om eene cbais intewachten welke

men hem van Genevemw Bregentz brengen moest,

en daar de werkloosheid de menfchen vrij gezellig

maakt, zocht hij mij op. Wij maakten eene zoo

naauwe kennis als een Engelschman, die uit zijnen

aart niet zeer innemend is, maken kan met een

zeer vooringenomen man , die de eenzaamheid

zoekt. Ondertusfchen gevoelden wij dat wij

overeendemming met elkander hadden; er is eene

zekere zamendemming der zielen die zich in het

eerde oogenblik doet bemerken , cn na verloop

van acht dagen waren wij gemeenzame vrienden ,

maar voor ons geheele leven, gelijk twee Franfchen

dit zouden geweest zijn na verloop van acht

uuren, voor zoo lang zij bij elkander bleven. Hij

onderhield mij over zijne reizen, en wetende dat

hij een Engelschman was, dacht ik dat hij mij zou

bezig houden met gebouwen en fchilderijen,

dan weldra zag ik met genoegen dat de fchilderdukken

en overblijffelen der oudheid hem de beocfniug

der zeden en der menfchen niet hadden doen

verwaarlozen. Intusfchen fprak hij mij met veel

oordeel over de fchoone konsten, fchoon zediglijk

en zonder verwaandheid. Mij dacht dat hij cr met

meer gevoel dan kunde over oordeelde, en meer

naar de uitwerkfelen dan naar de regels, hetgeen

mij in het denkbeeld bevestigde, dat hij eene gevoelige

ziel nad. Voor de ltaliaanfche Mufiek

fcheen hij mij toe even gelijk u, eene geestdrift

te


T w s K G E L I E V E N . 195

te hebben; hij lier ze mij zelfs hoeren; want hij

heeft eenen Virtum bij zich, zijn Kamerdienaar

fpeelt eene zeer goede Hooi, en hij zelfs middenmatig

de Violoncel. Hij kipte voor mij verfcheidene

(lukken , die gelijk hij beweerde , zeer op de

hartstochten werkten, uit; maar het zij dan dat

eene voor mij zoo nieuwe toonbuiging een meer

geoefend oor verei


394 B R I E V E N v A IT

zelve levendiger) zeer driftig is, maar te gelijk:

deugdzaam en vast. Hij geeft zich uit voor een

beminnaar van de Wijsgecrte, en van diezelfde

grondbeginfelen waar over wij wel eens gefproken

hebben. Dan in den grond, geloof ik dat hij is

door zijn temperament het geen hij meent volgends

de regelen van een leerftelfel te zijn, en het

Stoïsch vernis waarmede bij zijne daden belegt,

beftaat enkel in de partij, welke zijn hart hem heeft'

doen nemen, optefieren door fchoone redeneeringen.

Intusfchen heb ik met eeriig ongenoegen

vernomen dat hij in Italië eenige moeilijkheden

gehad en er meer dan één tweegevecht gehouden

heeft.

Ik weet niet wat gij ftroefs vindt in zijne manieren;

zekerlijk zijn dezelve niet innemende,

maar ik befpeur er toch niets terugftuitends in.

Offchoon zijn eerfte voorkomen niet zoo open

zij ais zijn charaéler, cn hij de kleene welvoeglijkheden

verachte , laat hij echter niet na, zoö

hét mij voorkomt, aangenaam in de verkeering

te zijn. Mist hij die naauwgezette en omzichtige

wellevendheid die zich enkel tot het uitwendige

beparnt, en welke onze jonge Officieren ons uit

Frankrijk medebrengen, hij bezit die der menschlijkheid,

welke zich minder laat voorftaan van op

den eerftcn blik van het oogde Handen en rangen

te ondcricheiden, maar die in het algemeen alle

menfshen hoogachting toedraagt. Zal ik het u

voor


. T W E E G E L I E V E N . ig§

voor de vuist zeggen ? Het gemis van bevalligheden

is een gebrek dat de vrouwen nimmer vergeven,

zelfs aan de verdiende niet, en Ikvwes dat

JULIA éénmaal in haar léven eene vrouw geweest

zij.

Naardemaal ik thands aan den gan


xg6 B R I E V E N V A N

tigde, niet in ftaat zijn voor ons in de Stad een»

hut te vormen ? Hoor eens; men ftaat het huuwlijk

van mijne FANCHON te voltrekken. Mijnvader,

die geen vijand is van vrolijkheden en van

toeftel, wil haar eene bruiloft geven welke

wij allen zullen bijwooneh: deze bruiloft kan

niet misfen vol van gewoel te zijn. Zomtijds

wist de geheimhouding te midden der woelige

vreugde en van het gedruisch der gastmalen haar

dekkleed te fpreiden. Gij verftaat mij, mijn

vriend! zou het niet aangenaam zijn in de vrucht

van onze zorgen die genoegens weder te vinden

welke zij ons gekost hebben?

Gij beijvert •, dunkt mij, meer dan nodig is

ter verdediging van Mijlord EDUARD, over wien

ik er ver af ben van kwalijk te denken. Trouwends

hoe zou ik eenen man beoordeelen dien ik

flechts ééneil namiddag gezien heb, en hoe zoude

gij zelve over hem oordeelen konnen uitecne kennis

van etlijke dagen? Ik fpreek over hem niet dan

gisfender wijze , en gij kunt weinig verder gevorderd

zijn ; want de voorflagen die hij u gedaan

heeft, zijn van die loslc aanbiedingen, waarmede

eene houding van gezag, en de gemaklijkheid omze

te ontduiken , de vreemdelingen zomtijds mild

doet zijn. Dan ik herken hieruit uwe gewoone

driftigheid, en hoe gij overhelt om bijkans op het

eerfte gezicht voor of tegen de menfchen ingenomen

te zijn. Ondertusfchen zullen wij op ons gemak


T W E E G E L I E V E N . 197

mak de fchikkingen onderzoeken die hij U heeft:

voorgeflagen. Begunftigt de liefde her ontwerp

waarmede ik bezig ben, dan zullen er zich misfchien

betere voor ons opdoen. O mijn goede

vriend! het geduld is bitter, maar de vrucht daarvan

is zoet!

Om wedertekeeren tot uwen Engelschman,

ik heb u gezegd dat hij mij fcheen eene groote en

flerke ziel te bezitten, en meer fchranderheid

dan bevalligheid van geest. Gij zegt nagenoeg

hetzelfde,en vervolgends verwijt gij mij, in dien

toon van manlijke meerderheid welken onze nederige

aanbidders nooit afleggen, dat ik; éénmaal in

mijn leven eene vrouw geweest ben , als of eene

vrouw immer behoorde optehouden zulks te zijn?

Herinnert gij u, dat wij nog eens, bij het lezen

van de Republiek van PLATO, geredentwist hebben

over dit onderwerp van het zedelijk verfchil

der beide kunnen ? Ik volharde bij mijn toenmalig

gevoelen, en kan mij nog geen gemeen toonbeeld

van volmaaktheid voorfb lleu voor twee zoo

verfchillende wezens. Het aanvallen en verdedigen

, de ftourheid der mannen, de zedigheid der

vrouwen, zijn geene onderlinge overeenkomften,

gelijk uwe Wijsgeeren meenen, maar natuurlijke

inftellingen waarvan men lichtlijk reden kan geven

, en waaruit alle de overige zedelijke onderfcheidingen

gemaklijk zijn afteleiden. Bovendien,

daar de beflemming der natuur niet dezelfde is,

N 3 moe-»


jp3 B R I E V E N VAN

moeten de neigingen, de wijzen van befchouwen

en gevoelen aan beide zijden naar hare oogmerken

geregeld zijn, men moet niet dezelfde verkiezingen

noch dezelfde ligchaamsgefteldheid hebben

om de aarde te bebouwen , en om kinderen te

zoogen. Eene hoogere geftalte, een fterker Hem,

en krachtiger trekken fchijnen in geenerlei noodzaakiijk

verband te Haan met het- geflacht; dan de

uitwendige wijzingen kondigen het oogmerk des

makers aan in de bepalingen van den geest. Eene

volmaakte vrouw en een volmaakt man moeten

elkander zoo min gelijken in ziel als in gelaat; die

ijdele uabootfingen van Kunne zijn ten uiterften

onredelijk; zij doen den wijzen lagchep, en de

lie r

de verdwijnen. Kortom, ik vind dat, indien

men niet vijf en een halven voet lengte, eene bas-

Item , en een baard aan de kin heeft, men zich

geene moeite geven moet om een man te willen

zijn.

Zie eens hoe onbehendig de nfnranrs zijn in

beledigingen! Gij le-'t mij eenen mi-Haf ten laste

dien ik niet begaan heb, of dien gij zoo wel begaat

als ik, en gij fchrijft denzelven toe aan een

gebrek welk ik mij tot eene eere r ken. Wilt

gij dat ik, oprechtheid met oprechtheid beandwoordende,

u ronc-uit zegge,, wat ik van de uwe

denk ? Ik yin 1 er niet anders in da> een fijner

fooi- \in vlei,rij, om door deze fchijubare


T w K E GELIEVEN. 199

dn gen te rechtvaardigen waarmede gij mij t'eiken

reize overlaadt. Mijne voorgewende volmaaktheden

verblinden u dermate, dat gij, om de verwijtingen

te miskennen , welke gij u zelf heimdjk

doet over uwe vooringenomenheid, het verftand

niet hebt om eene gegronde befchuldiging tegen

mij te vinden.

Zeker, vermoei u niet om mij de waarheid te

zeggen, dit zou u zeer kwalijk ter hand ftaanj

zijn de oogen der liefde, hoe doordringend ook,

jn ftaat gebreken te zien? Het is de reehtfehapene

vriendfchap aan welke die taak voegt, en in dit

ftuk is uwe leerling CLAARTTE honderdmaal geleerder

dan 0ij. Ja, mijn vriend! prijs mij,

bewonder mij, vind mij fchoon, bekoorlijk,

volmaakt. Uwe loftuitingen bevallen mij zonder

mij te misleiden, omdat ik zie dat zij de taal der

dwaling zijn en niet die der valschheid, cn dat

gij u zelve bedriegt, maar geen toeleg hebt om

mij te bedriegen. O hoe beminlijk zijn de beguigchelingen

der liefde! Hare vleierijen zijn in zekeren

zin waarheden: het oordeel zwijgt, maar

het hart fpreekt. De minnaar die volmaaktheden

in ons roemt welke wij niet bezitten, ziet dezelve

wezenlijk zoo als bij ze. afbeeld; hij liegt niet

offchoon hij onwaarheden zegt; hij vleit zonder

zich laag aanteftelien, en zonder geloof aan hem

te liaan , kan men hem ten minste hoogachten.

N4 Vk


ftCO B R I E V E N V A N

Ik heb, niet zonder eenige popeling van bet

bare, een voorfbel hooren doen om morgen avond

twee Wijsgeeren ter maaltijd te hebben. De een

is Mijlord EDUASD, de ander is een wijze wiens

deftige ernst nu en dan een weinig in verwarring

gebracht is aan de voeten een er jonge Scholier:

zoudt gij hem niet kennen? Raad hem, bid ik u,

dat hij morgen trachte het wijsgeerig decorum een

weinig beter te bewaren dan hij gewoon is. Ik

zal zorg dragen om het kleene fchepfel ook te

waarfchuwen dat zij de oogen voor zich houde,

en in de zijnen zoo weinig fraai zij als mooglijk»

X L VII. B R I E F .

Aan JULIA.

2 oo, ondeugd! Is dat nu die omzichtigheid die

gij mij beloofd hadt ? Is het op deze wijze dat

gij mijn hart fpaart en uwe bevalligheden verbergt?

Hoe veele overtredingen van uwe beloften f

Inde eerde plaats uw kapfel;want gij hadt er geen,

en gij weet wel dat gij nooit zoo gevaarlijk zijt als

dan. Inde tweede plaats, uwe zoo zachte, zoo

zedige houding, dermate gericht om alle uwe bevalligheden

langzamerhand te doen in het oog

vallen. Uw zeldzamer, meer overkgd, cn nog

geestiger fpreken dan gewoonlijk, hetgeen onzer

aller oplettendrieid vermeerderde, en het oor en

hart


T W E E G E L I E V E N . 201

hart ieder woord gretig deed opvangen. Dat lied

hetgeen gij met eene zachte item neuriede , om

nog meer aangenaamheid aan uw zingen te geven,

en hetwelk, offchoon Fransen, aan Mijlord

EDUARD zelve behaagde. Uw bedeesd gezicht,

en uwe neergeflagene oogen, wier onverwachte

blikken mij in eene onvermijdbare verwarring

Horteden. Met één woord, dat, ik weet zelf niet

wat ? onbefchrijflijke , betoverende, hetgeen gij

fcheentaan uwe geheele perfoon te hebben medegedeeld

om ieder een dol te maken, zonder zelfs

den fchijn te hebben dat gij er aan dacht. Ik

voor mij weet niet, hoe gij het aanvangt; maar

indien dit uwe manier is van zoo weinig mooglijk

fraai te zijn, moet ik u berichten dat men het op

deze wijze veel meer is dan men het wezen moet,

indien men wijze lieden bij zich wil hébben.

Ik vrees er zeer voor dat de arme Engelfche

Wijsgeer dien zelfden invloed een weinig gevoeld

hebbe. Wijl wij allen nog zeer levendig waren,

ftelde hij ons voor, na uwe nicht te hebben t'huisgebracht,

om bij hem Mufiek te gaan maken en

punch te drinken. Terwij! men zijne bedienden

deed bijeenkomen, hield hij niet op ons van u te

fpreken met een vuur dat mij onaangenaam was, en

ik hoorde uwen lof uit zijnen mond niet met zoo

veel genoegen als gij den mijnen gehoord hadt.

Over het geheel erken ik dat ik niet gaarne heb

dat iemand , behalven uwe nicht , mij van u

N 5 fpreekt;


io% B R I E V E N v A Ï*

fpreekt; mij dunkt dat ieder woord mij s T

oor eer}

gedeelte van mijn geheim of van mijne genoegens

ben ofr, pn wat men er ook van zeggen moge , men,

verraad daarbij een zoo vercacbr belang, of nen

is zoo ver af van het geen ik gevoel, dat ik op

dit Ituk niemand begeerte hooren dan mij zelve.

Niet dat ik eene overhelling heb tot minne-

ijver gelijk gij. Ik ken al te wel uwe ziel, ik

heb waarboigen die mij zelfs niet toelaten uwe

vcandering omtrent mij mooglijk te ftellen.

Na uwe gegevene verzekeringen, zeg ik u geen

woord meer over andere minnaars. Dan deze,

JULIA! ..... aauriecmlijke voorwaarden

de vooroordeeien van uwen vader ! Gij

weet dat er mijn leven aan hangt; heb dus de goed­

heid van mij daaromtrent een woord te zeggen.

Een woord van'JULIA, en ik ben gerust voor

altoos.

Ik heb den nacht doorgebracht met ïraliaanfche.

Mufiek re hooren en te fpelen, want er kwamen

dito's op de baan, cn ik heli het moeren wagen

mijne partij daarin mede te maken. Ik durf u nog

niet zeggen wat uitwerking zij op mij gedaan

heeft ; ik vrees, ik vrees dat de indruk van de

maaltijd van gister avond zich uirgeftrekt hebbe.

tot het geen ik hoorde, en dat ik het uirwerkfcl

van uwe misleidingen genomen heb voor de

bekooiing der Mufiek. Waarom zou dezelfde oor­

zaak a


T W E E G E L I E V E N . £03

zaak, dieze te Sion verveelend voor mij deed

ziju, mij hier in een omgekeerd geval dezelve niet

aangenaam konnen maken? Zijr gij nier de eerde

bronwel van alle de aandoeningen mijner ziel, en

ben ik befcand tegen de bedriegerijen van uwe

jtoyerkonst? Indien wezenlijk de Mufiek deze betovering

had veroorzaakt, zou zij gewerkt hebben

op allen die dezelve hoorden. Maar terwijl

deze Zangftukken mij opgetogen hielden, fliep de

Heer B'ORBE gerust in een armff.oel,en te midden

mijner vervoeringen vraagde hij, in de plaats van

eenige toejuigching te geven , alleenlijk of uwe

nicht het Italiaansch verftond.

Dit alles zal zich morgen wel nader ophelderen;

want heden avond hebben wij eene nieuwe bijeenkomst

voor de Mufiek. Mijlord wil een volkomen

Concert maken, en heeft van LAUS ANNE

een t ,r

eeden violist ontboden, die hij zegt dat vrij

bekwaam is. ik zil van mijnen kant Franfche

Tooneelftukkcnen Cantates medebrengen; en wij

zullen eens zien.

t'Huiskomende verviel ik in eene bedwelming,

veroorzaakt door mijne ongefchïktfaeid om

te weken , dan die onder het fchrijven aan. u

verdwenen is. Ik moet evenwel trachten eenige

uureri ;e flapen. Koom bij mij, mijne lieve vriendin

! verlaat mij niet gedurende mijnen flaap;

maar het zij uw beeld dien ontruste of' begun-

Itige,


ac-4 B R I E V E N V A N

ftige, het zij mij hetzelve de bruiloft van

F AN cii oN voorfhelle ot niet , één ftreelend

oogenblik dat mij niet ontgaan kan, en welk het

mij belooft, is het gevoel van mijn geluk bij de

ontwaking.

X L V 111. B R I E F .

Aan JULIA.

Ach! mijne JULIA! wat heb ik gehoord? welke

treffende tonen! welk eene Mufiek? welke

eene bekoorlijke bron van aandoeningen en genoegens?

verzuim geen oogenblik, verzamel zorgvuldig

uwe Operus, uwe Cantate's, al uwe Franfche

Mufiek; maak een groot frisch brandend

vuur, werp er al dit ontuig in, en blaas het

fterk aan, opdat zoo veel ijs daarin ten minden

éénmaal konne branden en warmte van zich geven.

Breng dit zoen-offer aan den God der fmaak, om

uwe en mijne misdaad te boeten , dewijl wij uwe

Item*tot dit ftomme psalmgezang misbruikt, en

zoo langen tijd een geraas dat enkel de ooren

verdooft, voor de taal van het hart genomen hebben.

O hoe zeer had uw waardige broeder gelijk!

In welk eene vreemde dwaling heb ik tot

hiertoe geleefd omtrent de voordbrengfelen dezer

innemende kon>t ? Ik gevoelde hare geringe uitwerking,

en fchreef die toe aan hare zwakheid.

Ik


T w K E G E L I E V E N . 205

Ik zeide, de Mufiek is flechts eene ijdele klank

die het oor kan ftreelen, maar die nier dan van

ter zijde en voor een oogenblik op de ziel werkt.

De indruk der accoorden is louter werktuiglijk en

natuurkundig; wat heeft dezelve met het gevoel

te maken, en waarom zou ik verwachten moeten

levendiger te zullen getroffen zijn door eene fchoone

zamenfcemming van klanken , dan door eene

fraaie fchakeering van kouleuren ? Ik bemerkte in

de tonen der welluidendheid, toegepast op die der

taal , niet dat machtig en bedekt verband der

hartstochten met de klanken: ik zag niet dat

de nabootüng der verschillende tonen, weike de

aandi leningen aan de fprekeride ftem mededeelen,

der zingende ftem wederkeerig het vermogen bijzet

om de harten re roeren , en dat het fterk

tafereel der gemoedsbewegingen van hem die zich

laat hooren , eigenlijk dat geen is wat hen die

toeluisteren bekoort.

Dit deed mij de Zanger van Mijlord opmerken,

die. offchoon hij een Mufikant is, riogtba da

te gelijk vrij wel over zijne konst fpreekt. De

zam 11 [temming {harmonie), zeide hij mij, is

niet meer dan een aftelegen bijvoegfel in de

nabootfende Mufiek; eigenlijk gezegd is er in da

fearmonie geenerlei beginfel van nabootfing. Zij

verzekert, wel is waar, de toonheffingen (/'«tonationf);

zij draagt getuigenis van derzei ver

juistheid, en zet, door de toonbuigingen (modw

lat toni ~)


ao


T W E E G E L I E V E N . 207

Êelve met geweld te willen achterhalen zijn zij

daaromtrent niet kiesch meer, zij öndericheiden

niet langer welke dingen uitwerking doen ,

zij doen niets meer dan de Muliek vol maken,

zij bederven hun gehoor, en zijn niet aandoenlijk

meer dan voor het geraas; IOÖ dat de lchoonfte

ftem bij hun die is wel'e het fterkfte zingt.

Ook hebben zij, bij gebrék van eene eigene manier,

nimmer iéts ander'! gedaan, dan or> eenen

loggen trant en van verre onze mees~erft 1 kfcftii

navolgen, cn zedert hunnen of liever on/. • 11 beroemden

LUI.LI, die de Opera's waarvan Italië

leeds v l was in zijnen tijd, flechts nabodtfte #>

heeft men hen altoos met eene verachtering

van dertig >f veertig jaaren zien overnemen,

onze oude meesters bederven, en omtrent zoo

met onze Mufiek handelen als andere volken

met hunne moues djen. Wanneer zij zich beroemen

op hunne lieujens, fp.eken zij hun eigen

vonnis uit ; zo zij ftukken van gevoel wisten

te zingen, zouden zij er geene zingen van vernuft;

maar wijl hunne Mufiek geene uitdrukking

heeft, is zij meer gefchikt voor liedjens nan «oor

Opera's, en naardien de onze enkel hartstochtlijk;

is. fchikt zij zich beter voor Opera's dan

voor liedjens.

Na dat hij vervolgends eenige Italiaanfche tooöeelen

zonder zang voor mij had opgefieden,

deed


aoS B R I E V E N V A K

deed hij mij gevoelen het verband der Mufiek

met de fpraak in het recitatif, met het gevoel

in de Aria's, en over het geheel de kracht welke

e ne naauwkeurige maat en de keus der

accoorden aan de uitdrukking geeft. Eindelijk,

na bij de kennis die ik van de taal heb, het

beste denkbeeld mij mooglijk verkregen te hebben

van den redeneerenden en hartstochtlijken

toon, dac is te zeggen van de konst om tot het

oor en tot het hart te fpreken in eene taal

zonder woorden te uiten , zette ik mij om die

betoverende Mufiek aantehooren, en weldra

bemerk'e ik uit de aandoeningen welke zij mij

veroorzaakte , dat deze konst een grooter vermogen

had dan ik mij had voorgefteld. Ik weet

niet welk eene {tredende gewaarwording mij

ongevoelig overmeesterde. Het was niet meer

eene ijdele opvolging van klanken, gelijk in onze

verhalende zangen ( recits). Bij elke uitdrukking

ontftond er eenig be


T W E E G E L I E V E N . 209

verlichting, dat ik niets gewaar werd, noch van

die lompe vallen (cadences), noch van die moeilijke

pogingen der item, noch van die belemmering welke

eene tegenftrijdigaeid van zang en maat bij ons den

toonkonster.aar veroorzaakt, die , nimmer konnende

zamenfl:emmen,den aanhoorer weinig minder

lastig vallen dan den geenen die de Mufiek uitvoert.

Dan toen men , na eene reeks van vermaaklijke

Jtia's, aan die groote aandoenlijke Hukken

kwam, die de verwarring der hevige hartstochten

weten te verwekken en voortefiellen, verloor ik

ieder oogenbik het denkbeeld van Mufiek , van

zang, van nabootfing; ik verbeeldde mij de flem

te hooren der fmarte, der woede, der wanhoop

zelve; ik waande moeders in traanen gedompeld ,

verradene gelieven, woedende tirannen te zien ,

en door de gemoedsbeweegingen welke ik ondervinden

moest, had ik moeite van op mijne plaats

te blijven. Ik ontdekte toen waarom die zelfde

Mufiek die mij tg vooren verveeld had, mij nu tot

vervoercns toe in beweging bracht: ik had naamlijk

begonnen dezelve te bevatten, en zoo dra zij op

mij werken kon , werkte zij met al haar vermogen.

Neen, JULIA! foortgelijke indrukken duld men

niet ten halve ; zij zijn of bij uitftek hevig of geheel

nicts,maar nooit zijn zij zwak of midden matig;

men moet ongevoelig blijven of zich overmatig

laten aandoen; de Mufiek is of het ijdel geraas

cener taal welke men niet verfhat, of het is eene

I. DEEL. O he«


CIO B R I E V E N TAN

hevige bruifchirrg van gevoel die u wegfleépt,'

en waar aan het niet mooglijk is tegenftand te

bieden.

Ik had flechts één ongenoegen, maar het geeri

mij beftendig bijbleef; het beftond daarin, dat een

ander dan gij geluiden vormde , waarvan ik dermate

getroffen was, en dat ik de tederfte uitdrukkingen

der liefde hoorde voordkomen uit den mond van

een gemeenen CaJIraat. O mijne JULIA! zijn

wij niet bevoegd om aanfpraak te maken op alles

wat betrekking heeft tot her gevoel ? Wie zal

beter dan wij gevoelen en uitdrukken, het geen

eene vertederde ziel zeggen en voelen moet? Wie

zal in ftaat zijn op een beweeglijker toon het cor

mid, her idolö amato (*) uittefpreken? O! hoe

veel nadruk zal het hart aan de konst bijzetten,

wanneer wij immer een dier twee bekoorlijke

Duètten zamen zingen, die zulke ftreelende traanen

doen vloeien! Ik bezweer u in de eerfte plaats

om eene proeve Van deze Mufiek te hooren, het

zij aan uw huis , of bij de onaffcheidbare. Mijlord

zal, indien gij wilt, al zijn volk medebrengen , en

ik ben verzekerd dat, bij een zoo gevoelig zintuiglijk

geftel als het uwe, en bij uwe meerdere kennis

van

C * ) Dat is : Mijn hartjen ! en geliefde Jfgod I lis*-

liaanfehc fpreekwijzen.

Aant, des VERT.


T W E E G E L I E V E N ai*

van de Italiaanfthe uitfpraak als ik had, ééne enkele

zitting genoegzaam zal zijn om u zoo verte

brengen als ik ben, en u te doen deelen in miine

verrukking. In de tweede plaats ftel ik u voo~ en

bid ik u, dat gij u van bet verblijf van den virtuoos

bedient, om les van hem te nemen, gelijk

ik zedert dezen iriorgeri begonnen heb te doen.

Zijne manier van onderwijzen is eenvouwig, duid.

lijk, en beftaat meer in oefening dan in gefprekken

; hij zegt niet wat men doen moet, hij doet

het voor, en ook in dit geval,' gelijk in veele anderen,

vermag het voorbeeld meer dan de les. Ik

befpeur reeds dat hét alleenlijk daarop aankomt,

Om zich aan de maat te gewennen, dezelve wel

te voelen , naauwkeurig in uitdrukking en verdeeling

te zijn, de geluiden niet te verheffen maar

gelijkmatig doortehouderi, éindelijk, om aan de

ftem de uitvallen en al den Franfchen opfchik té

benemen, indien men dezelve juist, uitdrukkend s

en buigzaam wil doen zijn; de uwe, die natuurlijk

zoo beweeglijk en zoo zacht is, zal dezen nieuwen

plooi gemaklijk aanneemen ; gij zult weldradoor

uwe' aandoenlijkheid de kracht en levendigheid

van dien toon treffen die de Italiaanfché

Mufiek bezielt,

KI cantar che neW anima fi fente

Laas

(5) Dat is: Uien zang dien men in de ziel geluaar

èierd.

O 2

Aant. des V E R ' J ,


-«s B R I E V E N VAN

Laat dan dien verveelenden en ellendigen

Franfchen zang vaaren, welke meer gelijkt naar

het gefchreeuw van iemand die coliekpijuen heeft,

dan naar de vervoering der hartstochten. Leer

die godlijke klanken vormen welke het gevoel ons

inftort, die uwer ftem , uw hart alleen waardig

zijn, en welke fteeds het vermogen met zich voeren

van aandoenlijke Characfers te bekooren ea

te ontvlammen.

X L I X. B R I E F .

Van JULIA»

O ij weet, mijn Vriend! dat ik niet aan u kan

Ichrijven dan deelswijze, en altoos met gevaar

van overlopen te worden. In de onmooglijkheid dus

van lange brieven te vervaardigen,bepaal ik mij tot

hetbeandwoorden van hetgeen meest wezenlijks ia

de uwen voorkomt, of om aantevullen hetgeen ik

u niet heb konnen zeggen in gefprekken, die niet

minder ter fteel zijn bij monde dan in gefchrift.

Dit zal ik thands vooral doen, daar een paar worden

betreklijk Mijlord ED UARD mij het overige

van uwen brief doen vergeten.

Mijn Vriend! gij vreest van mij te verliezen,

en gij fpreekt mij van liedjens! eene fchoone flof

tot krakeelen tusfehen gelieven die zich minder

wel


T W E E G E L I E V E N . 213

wel verftonden dan wij! Neen waarlijk, gij zijt

niet jaloersch, dit kan m.'ii wel zien; maar voor

ditmaal zal ik zelve niet jaloersch wezen, want ik

heb uwe ziel doorgrond, en ik befpeur niet dan

uw goed vertrouwen, waai anderen mcenen zon*

den uwe koelheid te bemerken. O hoe zoet en

bekoorlijk is die gerustheid welke ontflaat uit hen

gevoel eener volmaakte hartsvereeniging! Het is

daardoor, ik weet het, dat gij van uw eigen hart

een goed getuigenis voor het mijne ontleent; het

ic daardoor ook dat mijn hart u vrijfpreekt, en ik

zou denken dat gij veel minder verliefd waart indien

ik u meer in verlegenheid zag.

Ik weet niet en wil niet weten of Mijlord

EDUARD eenige meerdere oplettendheid voor mij

heeft, dan alle mannen hebben voor lieden van

mijne jaaren; wij fpreken thands niet over zijne

gevoelens, maar over die van mijnen vader en van

mijzelve; zij zijn even zoo eenflemmig ten zijnen"

opzichte als ten aanzien der gewaande minnaars,

waarvan gij zegt dat gij niets zeggen zult ( § ).

Indien zijne en hunne afwijzing voor uwe rust

voldoende zijn , wees dan gerust. Welk eene

eer ons ook het aanzoek van eenen man van zijnen

rang mocht hebben aangedaan, nimmer zal

JULIA D'ETANCE, noch met hare noch met hares

vaders toeftemming , LADIJ BOHSÏON word.en.

Hierop kunt gij zeker ftaat maken.

Ge-

(S) Zie XLVII. Brief, bi. «02.

O 3


aT4 B R I E V E N V A K

Geloof echter niet, dat er iets van dien aart

gaande geweest zij met Mijlord EDUARD; ik ben

verzekerd, dat gij de eenige zijt van ons vieren,

die zelfs vermoeden kunt, dat hij eenige genegenheid

voor mij zoude hebben. Hoe dit ook zij ?

ik weet ten dezen opzichte mijnes vaders wil,

zonder dat hij er tegen mij of iemand anders van

gefproken heeft, en ik kon er niet beter van onderricht

zijn al had hij mij dezelve Heilig te kennen

gegeven. Genoeg gezegd om uwe ongerustheid te

bedaaren , dat is te zeggen zoo veel gij er van

weten moet. Het overige zou van uwe zijde

een voorwerp van loutere nieuwsgierigheid zijn,

en gij weet dat ik befloten heb dezelve niet te

voldoen. Gij moogt mij vrij deze omzichtigheid

verwijten, en beweeren dat dezelve niet te

pas komt bij .de vereeniging onzer belangen. Had

ik dezelve altoos in acht genomen, zij zou thands

minder noodzaaklijk voor mij zijn. Indien ikuniet

pnvoorzichtigiijk opening gegeven had van een ge«

fprek mijnes vaders, gij zoudt u te Meilkrie niet

hebben wezen bedroeven; gij zcudt mij dien brief

niet gefchreven hebben die mij bedorven heeft;

ik zou thands onfchuldig leven cn nog dingen

konnen naar het geluk. Oordeel uit het geen ééne

enkele onvoorzichtigheid mij kost, van de vrees

die ik hebben moet om er meer te begaan! Gij

hebt te veel drifts; om voorzichtig te zijn ; eer

zoudt gij uwe hartstochten overwinnen konnen,

dan se ontveinzen. De minfte vrees zou u woedend


T W E E G E L I E V E N . 215

dend maken; en op den minden gundigen 1'chijn

zoudt gij aan niets meer twijfelen! Men zou alle

onze geheimen in uwe ziel lezen , en gij zoudt

door verregaanden ijver den goeden uitflag mijner

pogingen ten éénemaal verijdelen. Laat daarom

de zorgen der liefde voor mij, en behoud gij er

flechts de geneugten van. Is deze verdeeling u

zoo lastig, en bezeft gij niet oat gij tot ons geluk

niets vermoogt dan alleen, dat gij daar aan geene

hindernis toebrengt?

Helaas! wat zullen mij deze te laat genomene

voorzorgen in de toekomst baten ? Is bet tijd inde

diepte van den afgrond om zijne treden vasttezetten

, of om zich te hoeden voor rampen

wanneer men er zich werklijk van gedrukt voelt?

Ach! ellendig meisje! het voegt u wel van geluk

te fpreken! Kan dat immer huisvesten , waar de

fchaamte en het zelfsverwijt heerfchen? God!

•welk een wreede toedand, noch zijne misdaad te

konnen dulden, noch daarvan berouw te konnen

bebben; van duizend vrezen omringd, door duizend

ijdele verwachtingen misleid te zijn, en zelfs

de verfchriklijke kalmte der wanhoop niet te genieten

'. Ik hang voordaan enkel van de genade

van het noodlot af. De zaak daar het op aankomt,

is nu geene deugd meer, maar fortuin en

omzichtigheid, en het is niet te doen om eene

liefde it teblusfchen die zoo lang als mijn leven

duuren moet, maar om dezelve oniehuldig te doen

Q 4 ïfj


516 B R I E V E N VAN

zijn, of als eene misdadige te fterven. Bereken

deze gefteldheid, mijn vriend! en oordeel of gij

u verlaten kunt op mijnen vuurigen ijver ?

E. B R I E F .

Van JULIA.

Ik heb u gister, toen ik van u afging, de reden

niet willen zeggen van die droefheid welke gij mij

verweet, omdat gij niet gefchikt waart om mij

aantehooren. Ondanks mijne afkeerigheid van

alle uitleggingen , ben ik u deze Verfchiddigd dewijl

ik ze u beloofd heb, en ik ga mij daarvan

kwijten.

Ik weet niet of gij u herinnert de vreemde gefprekken

welke gij gister avond tegen mij gehouden

hebt, en de bewegingen waarmede gij die vergezelde;

wat mij betreft, nooit kan ik dezelven

fpoedig genoeg voor uwe eer en voor mijne eigene

rust vergeten , en ongelukkig ben ik er te zeer

van verontwaardigd om dit gemaklijk te konnen

doen. Soortgelijke uitdrukkingen hadden zomtijds

mijn oor gekwetst in het voorbijgaan der haven -

dan ik dacht niet, dat zij ooit konden vocrdkomen

uit den mond van een ordentlijk man; ik

hen ten minste wel verzekerd, dat zij nimmer

plaats vonden in het woordenboek der beminnen-

dciJï


T W E E G E L I E V E N . 217

den, en ik was zeer verre van te denken dat zij

tasfchen u en mij konden te pas komen. Hemel!

welk eene liefde is de uwe, indien zij zich op

deze wijzede genoegens vermeerdert! Gij kwaamt,

het is waar, van eene langdurige maaltijd af, en

ik begrijp wel dat men in dit land de buitenfporigheden

verfchoonen moet welke daarbij konnen plaats

hebben: het is ook om die reden dat ik er u van

fpreek. Zijt verzekerd dat zo gij mij in eene zamenkomst

tusfchen ons beiden in koelen moede

dus behandeld hadt,deze de laatfte van ons leven

zou geweest zijn.

Het geen mij ondertusfchen bekommert om uwen

wil, is dat het gedrag van een man door den

wijn verhit gewoonlijk het uitwerkfel is van 't

geen op andere tijden in zijn hart omgaat! Moet

ik geloven dat gij in eene omftandigbeid waarin

men niets ontveinst, u vertoond hebt zoodanig als

gij wezenlijk zijt? Wat zou er van .mij worden,

indien gij nuchteren zijnde dacht gelijk gij gister

avond fpraakt? Eer ik zulk eene minachting verdroeg,

zou ik liever wenfehen een zoo onbelchoft'

vuur uittedooven, en eenen minnaar te verliezen,

die zoo kwalijk wetende zijne minnares te eerbiedigen

, zoo weinig hare hoogachting verdienen

zou. Zeg mij, gij die de gevoelens der betaamlijkheid

bemindet,- zoudt gij in die heilloze dwaling

vervallen zijn dat eene gelukkige liefde de zedigheid

niet langer te ontzien heeft, en dat men

O S geen


»8 B R I E V E N V A N

geenen eerbied meerverfchuldigd is aan voorwerpen

wier ftrengheid men niet meer heeft te duchten ?

Ach ! indien gij altijd zoo gedacht hadt, zoudt gij

piinder te vrezen geweest, en ik niet zoo ongelukkig

zijn! Bedrieg u niet, mijn vriend! niets

is voor waarlijk beminnenden zoo gevaarlijk als de

vooroordeelen der wereld; veele lieden fpreken

van liefde, en zoo weinigen kennen dezelve,

dat het grootfte deel in de plaats van hare zuivere

en lieflijke wetten, de lage grondregelen eener

verachtlijke gemeenfchap omhelst, die weldra

door zich zelve verzadigd toevlucht neemt tot

de monfters der verbeelding, en zich bederft om

zich ftaande te houden,

Ik weet niet of ik mij bedriege; maar mij dunkt

dat de waare liefde de kuischste van alle verbindtenisien

is. Het is deze, het is haar godlijke gloed,

welke onze natuurlijke neigingen weet te zuiveren

, door dezelve tot een enkel voorwerp te bepalen;

zij is het die ons aan de verzoekingen ontrukt,

en die ten wege brengt, dat uitgenomen dit

éénig voorwerp , eene geheele Sexe niets meer

is voor de andere. Voor eene gewoone vrouw is

ieder man altijd een man ; maar voor haar wier

hart bemint, beftaat er geen man dan haar minnaar.

Wat zeg ik? Is een minnaar niet meer dan -een

man ? O ! hoe veel verhevener wezen is hij •

Er beftaat geen man voor de vrouw die bemint:

want haar -mimiaar is meer, alle de anderen zijn

©in-


s w E E G E L I E V E N . e.19

jainder; zij en hij zijn de eenigen in hunne foort,

Zij begeeren niet maar zij beminnen ; hun hart

volgt de zinnen nier, her beituurtze; het bedekt

jderzelver dwalingen met een bevallig dekkleed.

Neen, er is niets oneerbaars dan de losbandigheid

en hare onhebbelijke taal. De waare liefde, altoos

zedig, ontweldigt niet met (tamheid hare

gunsten ; zij rooft die met fchroomvalligheid,

De geheimhouding, de ftilzwijgendheid, de vreesachtige

fchaamte verfijnen en verbergen hare aan-r

genaame vervoeringen; de betaamlijkheid en eerbaarheid

vergezellen haar zelfs in den fchoot der

wellust, en zij alleen weet alles intewilligen aan

de begeerten, zonder iets aan de zedigheid te ontnemen.

Ach! zeg mij! gij die de waare vermaken

kendet, hoe zou toch eene lompe onbefchaamdheid

met dezelven konnen gepaard gaan?

Hoe zou deze niet al het bedwelmende, al het bekoorlijke

daarvan verbannen? Hoe niet dat beeld

yan volmaaktheid helmetten, onder hetwelk men

zich het geliefd voorwerp zoo gaarne ter befchouwing

voorfteit ? Geloof mij, mijn vriend ! de

losbandigheid en de liefde zouden bij geene

mooglijkheid konnen zamen woonen, zij konnen

zelfs elkanders plaats niet vervullen. Het hart alleen

vormt het waar geluk wanneer men elkander bemint,

en niets is in ftaat dat te vergoeden zoo dra men

ophoud zich te beminnen.

Maar indien gij al eens ongelukkig genoeg waart

om


ÏÏO B R I E V E N V A N

om fmaak tc vinden in deze onbetaamüjke taal,

hoe hebt gij toch konnen beiluiten u daarvan zoo

zeer ten onpas te bedienen, en bij haar die u dierbaar

is, eenen toon en manieren aantenernen ,

welke aan een man van eer zelfs onbekend moeten

zijn ? Zints wanneer is het een genoegen te bedroeven

de geene die men bemint; en welk een

barbaarfche wellust is het, die vermaak vind in het

genot der kwellingen van een ander? Ik heb niet

vergeten dat ik het recht verloren heb van ontzien

te worden; maar zo ik dit immer vergar, voegt

het u dan mij daaraan te herinneren? Voegt het

de oorzaak van mijnen misftap de fbraf er van te

verzwaren? Het zou hem eerder voegen mij daarover

te vertroosten. De geheele wereld heeft

recht om mij te verfmaden, behalven gij. Gij zijt

mij de vergoeding fchuldig van die vernedering

waartoe gij mij gebracht hebt, en zoo veele traanen

, over mijne zwakheid geftort , verdienden

dat gij mij dezelve minder hard deedt gevoelen.

ik ben noch wijsneuzig noch verwaand. Helaas!

hoe ver ben ik daarvan verwijderd, ik, die niet

eens wijs heb weten te zijn! Gij weet genoeg,

ondankbare! of dit teder hart in ftaat zij iets

aan de liefde te weigeren ? Maar hetgeen het

daaraan afftaat, wil het ten minfte niet afftaan dan

alleen aan haar, en gij hebt mij al te wel heure

taal geleerd,om er eene in derzelver plaats te konnen

ftellen, die zoo veel verfchilt, Vetongelijkingen,

flagen, zouden mij minder beledigen dan

foorr.-


T W K E G E L I E V E N . sa*

foortgelijke liefkozingen. Zie af van JULIA, of

weet hare achting te verdienen. Ik heb het u reeds

gezegd, ik ken geene liefde zonder zedigheid, en

zo het mij kostte de uwe te moeten derven, het

zou mij nog meer kosten dezelve tot dien prijs

te behouden.

Ik had nog veel over dit zelfde onderwerp te

zeggen; doch ik moet dezen brief eindigen en Hel

zulks uit tot eene andere gelegenheid. Merk intusfchen

op het gevolg uwer valfche grondregelen

omtrent het onmatig gebruik der wijn. Uw hart,

des ben ik wel verzekerd, is niet fchuldig. Niettemin

hebt gij het mijne gekwetst, en zonder te

weten wat gij deedt, bedroefde gij als met opzet

dat al te licht verontrust hart, voor het welk niets

onverfchülig is, dat hetzelve van uwent wege

ontmoet.

LI. B R I E F .

Andwoord.

E r is geen ééne regel in uwen brief die niet mijra

bloed doet ftollen , en na dien twintigmaal herlezen

te hebben, kan ik ter naauwer nood geloven

, dat dezelve aan mij gericht is. Wie, ik?

ik zou JULIA beledigd bebben ? ik zou hare be.

valligheden hebben ontheiligd? Zij, aan welke ik

iedez


aaa ÊRIEVËN V A Ü

ieder oogenblik mijnes levens aanbiddingen totwijde,

zou ten doel geftaan hebben aan mijne beledigingen?

Neen, duizendmaal zou ik mij zelf

het haft doorboord hebben eer zulk een wreed

opzet daarin opgekomen ware. Ach! hoe weinig kent

gij dat haft dat u aanbid! dat hart hetwelk zich voor'

elk uwer treden vliegends nederwerpt! dat hart

hetgeen wenfchen zou nieuwe eerbetoningen, aan

fbrvelingen onbekend, voor u uittevinden! Hoe

weinig kent gij dat hart JULIA! indien gij het

befchuldigt van voor u dat gewoon en algemeen 7

Ontzag niet te voeden', welkeen dagelijksch minnaar

zelfs voor zijn meisjen zoude hebben! Ik

verbeelde mij dat ik noch' onbefchaamd noch onbefchoft

ben ; ik haat ohbetaamlijke gefprekken, en

kwam nooit van mijn leven op plaatfen waar mera

die leert voeren. Maar, dat ik het na u herhale j

dat ik de waardij uwer billijke verontwaardiging

verhooge,- offchoon ik de gemeende der Vervelingen

ware, offchoon ik mijne vroegere jaaren in ds

ongebondenheid had doorgebracht, en fchoon de

trek naar fchandelijke vermaken plaats kon vinden

in een hart waarin gij heerscht, ei! zeg mij, JU­

LIA ! Engel des hemels! zeg mij hoe zou ik bij n

voor den dag durven komen met eene onbefchaamdheid,

welke men niet kan hebben dan bij dezulke

die ze beminnen?' Ach, neen! het is niet mooglijk

! Eén enkele blik uwer oogen zou mijnen mond

gefnoerd en mijn hart gezuiverd hebben. De liefde

zou mijne ongeregelde begeerten bedekt hebben


T W E E G E L I E V E N . ai§

met de bekoorlijkheden uwer zed ;

gheid j zij zou

deze hebben overwonnen zonder dezelve te beledigen.,

en onder de zachte zamenfmelting onzer

zielen, zou derzelver bedwelming alleen de zinnelijke

dwalingen veroorzaakt hebben. Ik beroep mij in

dazen op uw eigen getuigenis Zeg mij, of bij al de

woede eener onbegrensde drift, ik ooit heb opgehouden

het bekoorlijk voorwerp daarvan te eerbiedigen?

Indien ik den prijs ontving dien mijne vuurige liefde

verdiend had, zeg, of ik gebruik heb gemiakt

van mijn geluk, om uwe bevallige fchaamte te

kwetfen? Zo de brandende maar vreesachtige liefde

nu en dan eene befchroomde hand naar uwe bekoorlijkheden

uitftrekte, zeg of immer eene or.befchofte

ftoutmoedigheid die durfde ontheiligen?

Wanneer eene onbezonnene vervoering voor één

oogenblik het bekleedfel verwijdert, datze overdekt

, ftelt dan de beminlijke zedigheid niet aanftonds

het hare in de plaats? Zou dat heilig dekkleed

u één oogenblik verlaten wanneer gij erzeifs

geen ander hadt? Onbefmettelijk gelijk uwe brave

ziel is, hebben alle de gloeiende driften van de mijne

haar nog immer verbasterd ? Is die zoo aandoenlijke

, zoo tedere vereeniging niet genoegzaam tot

onze gelukzaligheid ? Maakt zij alleen niet al het

geluk onzes levens uit? Kennen-wij eenige genoegens

op de wereld buiten die welke de liefde verfchaft?

Zouden wij cr anderen wenfchen te kennen

? Kunt gij begrijpen hoe deze betovering zou

aebisen konnen op houden? Hoe ik in een oogenblik

zou


t*4 B R I E V E N VAN

zou hebben konnen vergeten de eerbaarheid, onze

liefde, mijne eer, en het onveranderlijk ontzag

dat ik altoos voor u zou hebben gehad, al had ik

u zelfs niet aangebeden? Neen, geloof dit niet;

het was niet mooglijk dat ik u beledigen kon. Ik

herinner mij daarvan niets; en zo ik een oogenblik

fchuldig geweest ware, zou het zelfsverwijt

immer bij mij ophouden? Neen, JULIA! een

kwade geest, naarijverig van een lot dat voor

eenen fterveling al te gelukkig is, heeft zich van

mijne gedaante bediend om hetzelve te flooren,

en heeft mij mijn hart laten behouden om mij nog

ellendiger te maken.

Ik verzaak, ik verfoei eene misdaad die ik begaan

heb, dewijl gij er mij van beticht, maar aan

welke mijn wil geen deel heeft. Welk een affchrik

zal ik voordaan hebben van die heilloze onmatigheid

welke mij gunftig fcheen ter ontlluiting van

het hart, en welke het mijne zoo verregaande kon

miskennen! Ik doe daaromtrent bij u de onherroeplijke

gelofte, dat ik van dezen dag af aan voor mijn

geheele leven afzie van den wijn als van het doodlijkst

gif; nimmer zal dit noodlottig vocht wederom

mijne zinnen in wanorde brengen; nooit zal het

mijne lippen befrnetten, noch zijne onbezonnene

bedwelming mij meer, buiten mijn eigen weten,

fchuldig doen worden. Indien ik deze plechtige

verbindtenis ooit fchende ; Liefde ! overfrort mij

dan met de ftraf die ik waardig zal zijn; mocht

op


T W É É G E L I E V E N . j.0,5

op dat zelfde oogenblikhet beeld mijner JULI A voor

altoos mijn hare ontvluchten , en hetzelve ten

prooie laten aan de onverfchilligheid en wanhoopï

Denk niet dat ik mijne misdaad verzoenen wil

door eene zoo lichte ftraf. Het is eene voorzorg

en geene ftrafoefening. Ik verwacht die welke ik

verdiend heb , van u. Ik verzoek er u om, ter

verzachting van mijne fmarten. Dat de beledigde

liefde zich wreke en bevredigd worde; ftraf mij

zonder mij te haten, en ik zal zonder tegenfpraak

lijden. Zijt rechtvaardig en ftreng; gij moet het

zijn, ik erken het; maar indien gij mij het leven

wilt laten behouden, ontneem mij dan alles, bs^

halven uw hart.

L I L B R I E F .

Van JULIA»

oe , mijn Vriend ! afftand te doen van deri

wijn ten gevalle van zijn meisje? Dit heet waar­

lijk eene opoffering! O, ik wilde wel eens zieri

dat men in de vier Cantons een verliefder man

dan u vond! Niet dat er onder onze jonge lieden'

geene Heerrjens naar den Franfchen fmaak zijn,

die water drinken om vertoning te maken, maar

gij zult de eerfte zijn , wien de liefde het heeft

doen drinken; dit is een voorbeeld waardig ora

I. 1 E n„ P in


Ü2Ö B R I E V E N V A N

in de verliefde jaarboeken van Zwitzerland te

worden aangetekend. Ik heb zelfs onderzoek

gedaan naar uwe gedragingen, en ik heb met de

uiterffce ftichting vernomen dat gij gister avond

bij den Heer DE VUEILLERANS etende, zes

vlesfchen na den maaltijd hebt laten rondgaan,

zonder iets daarvan te gebruiken, en dat gij

uw glas water even zoo vaardig uitdronkt als de

overige gasten die, welkemet den landswijn gevuld

waren. Ondertusfchen duurt deze boetedoening

reeds drie dagen zedert mijn brief gefchreven is,

en drie dagen maken ten minste zes maaltijden.

Maar bij zes maaltijden die uit getrouwheid nage­

komen zijn, kan men veilig zes anderen voegen

uit vrees, zes uit fchaamte , zes uit gewoonte,

en nog zes uit hoofdigheid. Hoe veele beweeg­

redenen konnen dienen om lastige opofferingen te

verlengen, waarvan de liefde alleen den roem

zoude hebben? Zoude üij zich de eer willen aan­

matigen van het geen haar in geenen deele toe­

behoort?

Zie daar reeds meer ondeugende boerterijen, dan

gij ondeugende taal tot mij gefproken hebt; het

is tijd om mij te bedwingen. Gij zijt ernflig in

uwen aart; ik heb bemerkt, dat een lang korts-

wijlen u verhit, even gelijk een zwaarlijvig man

verhit word door een lange wandeling; maar ik

neem dezelfde wraak van u als die HENRIKIV

nam van den Hertog van Mayenue, en uwe Op­

per»


T W E E G E L I E V E N . sa?

pergebicderes wil den besten der Koningen navolgen

in zachtmoedigheid. Ook mocht ik wel vrezen

of gij niet, door aanhoudend boete doen enverlchonin

g vragen,u eindelijk eene verdienfte zoudt maken

uit eenen zoo welverbeterden misflag, en ik wil mij

haasten om dien te vergeten, uit vrees dat, zo ik al

te lang daarmede wachtte , zulks niet meer eena

edelmoedigheid •> maar ondankbaarheid zoude zijn*

Wat betreft uw voornemen om voor altoos het

wijndrinken natelaten, dit baart in mijn oog niet

zoo veel opziens, als gij u zoudt konnen verbeelden

; de fterke hartstochten bekreunen zich weinig

aan die kleene opofferingen, en de liefde kan zich

met geene galanterie voeden. Bovendien is er

zomtijds meer behendigheid dan moed, in zijn

voordeel voor het tegenwoordig oogenbdk te doen

met eene wisfelvallige toekomst, en in zichzelf bij

voorraad te goede te doen op eene eeuwigdurende

onthouding, van welke men kan afzien wanneer

men wil. Wel mijn goede vriend ! is dan in alles

wat de zinnen ft; eelt, het misbruik onaffcheidbaar

van de genieting? Is dan de dronkenfehap noodzaaklijk

verbonden aan het drinken van wijn, en

zou de wijsgeerte zooijdel o r

zoo wreed zijn, dat

zij geen ander middel aan de hand gaf om die dingen

welke vermaak doen matiglijk te gebruiken,

dan er zich geheel en al van te berooven?

Indien gij uwe verbindtenis geftand doet, be«

P a roofc


sSsS S k l E V E H V A N

rooft gij u zelf van een onfchuldig genoegen, ètf

fielt door verandering van levenswijze uwe gezondheid

in de waagfchaal; indien gij ze verbreekt,

dan is de liefde dubbel beledigd, eri uwe eer zelve

lijd er bij. Jk maak dus bij deze gelegenheid gebruik

van mijne rechten, en ontfla u niet alleen'

•van eene gelofte, die nietig is, als gedaan zonder

mijne toeflemming, maar ik verbiede u zelfs die

langer natekomen dan het tijdperk dat ik u ftellen

zal. Dingsdag zullen wij hier de Mufiekpsrtij

hebben van Mijlord ÏDBARD. Aan het tusfchenmaal

(Collation) zal ik u eene kelk zenden half

vol met eenen zuiveren en heilzamen Nectar. Ik

begeer dat dezelve in mijne tegenwoordigheid en

volgends mijn oogmerk worde uitgedronken, na

met eenige druppelen eene zoen-plenging aan de

Bevalligheden gedaan te hebben Vervolgends

zal mijn boeteling bij zijne maaltijden zich wederom

begeven tot een matig gebruik van den wijn,

geremperd door het kristal der fonteinen, en gelijk

uw goede PLUTARCIIUS zegt, het hevig vuur

van Bacchus bedwingende door de gemecnfchap

der N'tjmphen (*).

Nog

(§) Zinfpcling op Heidenfche Godsdienstplechtigheden.

Aant. des VERT.

C*) ÉACCHUS was de Wijngod, de Ntjmphto»

waren Stroom, en Eoschgodcsfen.

Aant. des VEIÏI


T W E E G E L I E V E N . 429

Nog iets,bij gelegenheid dat ik van het Concert

van dingsdag ipreke; daar heeft die lompe RECIANINO

liet in zijn hoofd gekregen,dat ik in hetzelve reeds een

Italiaansch Air,en zelfs een Duet met hem zou konnen

zingen! Hij wilde dat ik het met u zong,om zijne twee

leerlingen zaamtevoegen; dan er zijn in dit Duet ze.

kere ben mta's (V),die gevaarlijk zijn omuittefprcksn

onder het oog van eene moeder, wanneer het hart

mede fpreekt; het is dus beter deze proefneeming

uittcftellen tot het eerde Concert dat men bij de

onaffcheidbare geven zal. De gemaklïjkheid waarmede

ik den fmaak dezer Mufiek verkregen heb,

fchrijf ik toe aan den fmaak dien mijn broeder mij

voorde ItaliaanfcheDichtkunde had ingeboezemd,

en welken ik met u zoo wel heb onderhouden,

dat ik de vpetmaat der verfen gereedlijk ontdek,

en naar het zeggen van REGIANINQ vrij wel den

toon er vin vatte. Ik begin elke les met eentge

dichtregelen van TASSO of eenig tooneel van

METASTASIO te lezen : vervolgends doet hij mij

een Recitatif opzeggen en accompagneer en , en ik

verbeelde mij dan nog met fpreken of lezen voordtegaati,

hetgeen mij voorzeker niet gebeurde in

het Fransch Recitatif. Hierna moet ik gelijkluidende

en zuivere toonen in de maat doorhouden ;

eene oefening welke mij door de uitvallen waaraan

ik gewend was, moeilijk genoeg valt. Eindelijk

gaan

(?) Dat is :mijn waardt! een u'jord van tederheid,.

Aar.t. des vaar»

? 3


&3 B R I E V E N V A N

gaan wij over tot de Aria's, en het blijkt dat

de juistheid en buigzaamheid der ftem, de hartstochtlijke

uitdrukking, de verheffing der klanken,

en alle de loopen (pasfages') een natuurlijk

uitwerkfel zijn van de zachtheid der zang en van

de naauwkeurigheid der maat, zoodat hetgeen mij

het moeilijkst fcheen om te leeren, mij zelfs niet

behoeft te worden onderricht. De eigen aart der

Melodie heeft zoo veel overeenkomst met den

toon der taal, en eene zoo groote zuiverheid van

toonbuiging, dat men niets meer nodig heeft dan

naar de bas te luisteren, en te konnen fpreken,

om den zang met gemak te verklaren. Alle de

.hartstochten worden daarin puntig en fterk uitgedrukt

; vlak tegenftrijdig met den langwijligen

en moeilijken toon van het Fransch gezang, is

de zijne altoos zacht en gemaklijk, maar tevens

vuurig en beweeglijk, en drukt veel uit met weinig

moeite. Kortom, ik bevind dat deze Mufiek

de ziel in beweging brengt, en de borst rust verfchaft,

en dit is juist hetgeen voor mijn hart en

mijne longen nodig is. Tot Dingsdag dan, mijn

beminlijke vriend, mijn meester, mijn boeteling,

mijn Apostel! helaas! wat zijt gij niet voor mij!

•waarom moet aan zoo veele rechten écu enkele

titel ontbreken?

Nafchrift. Weet gij wel dat er een fpeeltochtje

te water op handen is, gelijk hetgeen wij

twee jaaren geleden met de arme CHAIXLOT

g e

"


T W E E

G E L I E V E N . 031

gedaan hebben? Hoe befchroomd was mijn

listige leermeester toen! Hoe beefde hij

toen hij mij de hand gaf om uit da fchuit te

treden! O die veinsaart! . . . hij is zeer

veranderd.

LUI. B R I E F .

Van JULIA.

Zoo dwarsboomt dan alles onze ontwerpen, alles

misleid onze verwachting, alles {telt de vuurige

wenfchen te loor, welken de Hemel moest

bekroond hebben ! Nietige fpeelballen van een

blind geluk, droevige flachtoffers eener befpottende

hoop, zullen wij dan immer {troeven naar

een vermaak dat ons ontwijkt, zonder het ooit

te bereiken ? Die te vergeefs gewenschte bruiloft

moest te Clarens gehouden worden; het Hechte

weder valt ons tegen , en maakt dat men genoodzaakt

is dezelve in de Stad te houden. Wij moesten

ons bij die gelegenheid eene ftille ontmoeting

bezorgen; beiden omgeven van lastige bewakers,

konnen wij hun niet gelijktijdig ontfnappen, en

op het oogenblik dat een van beiden zich verwijdert,

is het den ander niet mooglijk zich bij hem

te voegen! Eindelijk, een gunstig tijdftip doet

zich op, de wreedfte der moeders komt ons ftooren,

en het verfchilt weinig of dit oogenblik be-

P 4 werkt


t$2 B R I E V E N VAK

werkt den ondergangvan twee ongclukkigen,welken

het gelukkig maken moest! Verre van mijnen

moed neer te liaan, hebben zoo veel beletfelen

denzei ven aangevuurd. Ik weet niet welk eene

nieuwe kracht mij bezielc, maar ik gevoel eene

ftoutmoedighcid die ik nimmer had; en indien gij

het zoo wel durft wagen als ik, dan kan deze

avond,deze zelfde avond mijne beloften vervullen

en alle de fchulden der liefde op éénmaal voldoen.

Bedenk u'wel, mijn vriend! en bereken in hoe

verre gij prijs op uw leven fielt; want het middel

dat ik u voordel, kan ons beiden den dood

berokkenen. Zo gij dien vreest, breng dan dezen

brief niet ten uitvoer, maar indien het punt

van eenen degen thands uw hart niet meer onthutst,

dan voorheen de dwarrelkolken van Meil-

Jerie het ontroerden (§), het mijne waagt even

veel , en heeft daarover niet in bedenking gedaan.

Luister eens:

BABI, die gewoonlijk in mijne kamer flaapt,

js zedert drie dagen ziek, en fchoon ik haar volflrekt

neb willen oppasfen, heeft men haar mijnes

ondanks naar elders overgebracht: maar dewijl zij

beter is , komt zij misfehien morgen wederom.

De

CS) Zie clen XXVI. Brief.

Aant. des VERT.


T W E E G E L I E V E N . '435

De plaats waar men eet, is ver van de trap die naar

mijne en mijner moeders kamer geleid: in het uur

van de avondmaaltijd is het geljeele huis ledig

behalven de keuken en de eetzaal. Eindelijk,

het is in dit jaargetijde op dat zelfde uur reeds

donkere nacht, deszelfs dekkleed kan den voorbijganger

op de flraat gemaklijk voor de aanfchouwers

verbergen, en gij kent volmaakt de leden

van het huisgezin.

Dit is genoeg om mij te doen verftaan. Koom

na den middag bij mijne FANCHON; ik zd u

mondeling het overige verklaren, en de nodige

onderrichtingen geven: doch indien ik dit niet kan

doen , zal ik dezelve in gefchrifte laten op de

oude bewaarplaats onzer brieven , alwaar gij, gelijk

ik u verwittigd heb, dezen reeds vinden zult:

want het onderwerp is al te gewichtig om hem

aan iemand anders te durven toevertrouwen.

O hoe zie ik thands uw hart zwoegen! Hoe lees

ik daarin uwe vervoeringen , en hoe deel ik in

dezelve! Neen, mijn lieve vriend ! neen , wij

zullen uit dit korte leven niet fcheiden zonder ee*

oogenblik het geluk gefmaakt te hebben. Maar

bedenk echter, dat dit zelfde oogenblik omgeven

is van de ijslijkheden des doods; dat de inkomst

aan duizend gevaren onderworpen, het verblijf

hagchlijk, en het vertrek ten uiterfte gevaarlijk

is; bedenk, dat wij verloren zijn zo wij Qtitdekc

P 5 wor-


«234 B R I E V E N v A M

worden, en dat alles ons begunftigen moet indien wij

dit ongeluk zullen konnen ontgaan. Misleiden wij

ons zeiven niet; ik ken mijnen vader te wel om

niet te geloven , dat ik u oogenbliklijk door zijne

eigene hand het hart zou zien doordeken, indien

hij zelfs niet met mij begon; want zeker zou ik

niet meer dan gij verfchoond worden, en gelooft

gij dat ik u aan dit gevaar zou biootfteilen, ten zij

ik verzekerd ware van er in te deelen?

. Bedenk daarenboven dat het niet te pas komt

om u op uwen moed te verlaten; gij moet daar

niet aan denken, en ik verbiede u zelfs wel zeer

uitdruklijk eenig wapen ter uwer verdediging

medetebrengen , zelfs niet eens uwen degen : trouwends,

dezelve zou u ook van geen nut ter wereld

zijn; want, indien wij verrascht worden, bén ik

voornemens mij in uwe armen te ftorten, u fierk

in de mijnen te knellen, en op dezo wijze den

doodlijken fteek te ontvangen, opdat ik mij niet

meer van u behoeve te fcheiden ; meer gelukkig

in mijnen dood, dan ik immer in mijn leven was.

Ik hoop dat een aangenamer lot ons befchoren

zij ; ik gevoel ten minste dat wij daarop recht

hebben , en de fortuin zal éénmaal moede worden

van onrechtvaardig te zijn. Koom dan, lieveling

van mijn hart, leven van mijn leven! koom u

met u zelve vereenigen. Koom onder het

geleide der tedere liefde den prijs ontvangen van

uwe


T W E E G E L I E V E N . 235

uwe gehoorzaamheid , van uwe opofferingen.

Koom erkennen, zelfs in den fchoot der vermaken,

dat het de vere&nigïng der lianen is, van

welke zij hare grootfte bevalligheid ontleenen.

L I V. B R I E F .

'Aan JULIA.

Jk verfchijne vol van eene ontroerenis die toeneemt

bij mijne intrede in deze fchiiilplaats JULIA!

zie daar mij in uw Cabinetjen , zie daar mij in

het heiligdom van de eenige die mijn hart aanbid.

De toorts der liefde beftuurde mijne treden ,

en ik ben binnengekomen zonder ontdekt te zijn.

Bekoorlijke , gelukkige plaats ! die wijiëer zoo

veele tedere aanblikken hebt Zien bedwingen ,

zoo veele gloeiende zuchten onderdrukken ; gij,

die mijn eerfte liefdevuur zaagt ontvonken en aangroeien,

gij zult hetzelve ten tweedenmale zien

bekroonen; getuige van mijne on veranderlijke

ftandvastigheid, wees gij het ook van mijn geluk ,

en bedek voor altoos de vermaken van den getrouwften

en gelukkigften der menfchen !

Hoe bekoorlijk is dit geheimvol verblijf! A 1

.les

is hier innemend, en kweekt den gloed aan die mij

verteert. 6 JULIA! het is met u vervuld, en de

vlam mijner verlangens verfpreid zich over alle

de


SSö B R I E V E N v A N

de voetfporen die ik van u vinde. Ja , alle mijne

zinnen zijn hier op éénmaal bedwelmd geworden.

Ik weet niet welk eene bijkans onmerkbare geur,

aangenamer dan dc Roos, en vlugger dan de Lkch.

bloem hier van allen kant ademe. l'kverbeelde mij er

het innemend geluid van uwe ftem te hooren. Alle

de verftrooid liggende deelen uwer kleding vertegenwoordigen

aan mijne brandende verbeelding die.

gedeelten van u zelve, welken zij verbergen. Dat

luchtig kapfel, verfierd door die blonde hairlokken

welke het fchijnt te willen bedekken; die gelukkige

halsdoek, over welke ik éénmaal ten minfte

geene reden zal hebben van mij te beklagen;

dat keurig en eenvouwig huisgewaad Qdeslmbilléj

het geen den fmaak van haar die het draagt zoo

wel uitdrukt ; die nette mutltjens waarin een

zachte voet zoo gemaklijk fluit; die zoo dunne

keurs, aanrakende en omvattende Welk

eene betoverende leest van vooren twee

luchtige omtrekken ..... 6 fchouwtooneei van

wellust het balein is gebogen naar de

kracht der indrukking bevallige indrukfelen,

ik kus u duizendmaal! HemelJ

Hemel! wat zal het zijn wanneer .... Ach!

ik verbeeld mij reeds dat teder hart tegen eene

gelukkige hand te voelen bonzen! JULIA! ik zie

u, ik gevoel u in alles, ik adem u in met de lucht

die gij hebt ingeademd ; gij doordringt mijn geheele

wezen; hoe pijnlijk en folterend is mij uw

wegblijven! Het is verfchriklijk voor mijn on-


T W E E G E L I E V E N . 237

geduld. O! koom , vlieg hervvaard, of ik ben

rampzalig.

Welk een geluk dat ik papier en inkt gevonden

heb! Ik druk uit het geen ik gevoel, om de

hevigheid er van te temperen; ik geef eene aflei->

ding aan mijne hartstochten door dezelve te be>

fchrijven.

Mij dunkt dat ik gerucht hoore. Zou dit uw

wreede vader zijn ? Ik meen dat ik niet lafhartig

ben maar hoe verfchriklijk zou in dit

oogenblik voor mij de dood zijn! Mijne wanhoop

zou geëvenredigd zijn aan den liefdegloed die mij

verteert. Hemel! nog dén uur levens fmeek ik

van u, en het overige van mijn aanwezen offer

ik aan uwe geftrengheid op. O verlangen ! ö vrees!

6 wreede kloppingen van het hart! ... de deur

gaat open! , . . . . men treed binnen! ... zij

is het! zij is het zelve! Ik verneem haar, ik heb

haar gezien , ik hoor de deur wederom fluiten.

Mijn hart, mijn zwak hart, gij bezwijkt onder

zoo veele aandoeningen. Ach ! poog nieuwe*

fierkte te hebben om het geluk te dragen waarvan

gij overftort word.

JLV.


•38 B R I E V E N V A N

LV. B R I E F .

Aan JULIA.

O! fterven wij, mijne lieve Vriendin ! fterven

wij, reder beminde van mijn hart! wat doen wij

voordaan met eene fmaakloze jeugd waarvan wij

alle de geneugten hebben uitgeput? Verklaar mij,

zo gij kunt, hetgeen ik in dezen onbegrijpüjken

nacht gevoeld heb; geef mij een denkbeeld van

een leven op deze wijze doorgebracht , of laat

mij een leven eindigen, dat niets meer bevat van

hetgeen ik bij u ondervonden heb. Ik had het

vermaak gefmaakt, en ik waande het geluk te

bezitten. Ach» ik had flechts een wuften droom

genoten, en ftelde mij niets anders voor dan het

geluk van een kind! Mijne zintuigen misleidden

mijne grove ziel; in dezelven zocht ik het hoogfte

goed, en ik heb bevonden dat hunne uitgeputte

vermaken flechts het begin der mijnen waren. O

enkelfoortig meesterftuk der natuur ! Godlijke

JULIA! bekoorlijk eigendom, voor het welk alle

de vervoeringen der brandendfte liefde naauwlijks

toereikend zijn! Neen, het zijn die verrukkingen

niet welker gemis ik het meest betreure : ach!

neen; neem, indien het zijn moet, die bedwelmende

gunsten terug waarvoor ik duizend levens

zoude opofferen; maar geef mij weder alles wat

tuiten dezelve was, en haar duizendmaal overtrof.

Geef


T W E E G E L I E V E N . 1^9

Geef mij weder die naauwe vereeniging van zie­

len, welke gij mij beloofd hadt, en die gij mij

zoo zeer hebt doen fmaken. Geef mij weder die

zachte bedwelming, volmaakt door de uitftorting

van onze harten; geef mij weder dien betoveren­

den flaap op uwen boezem genoten; geef mij

weder die nog aangenamer ontwaking, en die af-

gebrokene zuchten, en die zachte traanen, en

die kusfehen welken eene wellustige kwijning ons

langzaam deed genieten, en die tedere weeklach­

ten , gedurende welke gij dit hart, gefchapen om

zich met u te vereenigen, op het uwe drukte.

Zeg mij, JULIA! gij die uit uwe eigene gevoe­

ligheid die van een ander zoo wel weet te beoor*

deelen, gelooft gij dat hetgeen ik voorheen ge­

voeld heb, waarlijk liefde was? Mijne aandoe­

ningen, twijfel er niet aan, zijn zedert gister ver-

anderd van natuur; zij hebben iets,.ik weet niet

wat? minder ongeftuims, maar meer zachts, meer

teders, en meer bekoorlijks verkregen. Herinnert

gij u nog,dat geheel uur welk wij doorbrachten

met bedaardlijk te fpreken over onze liefde en

die duistere en geduchte toekomst, waardoor het

tegenwoordige nog aandoenlijker voor ons was;

dat helaas! al te kortftondig uur, welks gefprek­

ken een zachte indruk van droefheid zoo beweeg­

lijk maakte ? Ik was bedaard , en echter was ik

bij u; ik aanbad u en verlangde niets. Ik had

zelfs geen denkbeeld van eenig ander geluk,

dan


*40 B R I E V E N TAN

dan dat van uw aangezicht zoo nabij het mijnen

uwe ademhaling tegen mijne wang, en uwen arm

om mijnen hals te voelen. Welk eene kalmte in

alle mijne zinnen! Welk een zuivere, beftendige,

doorgaande wéllust! De verrukking van

het genot was in de ziel, zij verliet dezelve niet,

zij bleef altoos voordduuren. Welk een verfchil

tusfehen de omftuimigheden der liefde en deze bedaarde

gefteldheid! Dit is de eerfte maal van

mijn leven , dat ik dezelve bij u ondervonden

heb; en ondertusfehen, denk welk eene vreemde

verandering ik onderga, van alle de uuren mijnes

levens is dit mij het dierbaarst, en het eenige dit

ik eindeloos zou gewenscht hebben te verlengen

JULIA! zeg mij toch, of ik u voorheen

niet bemind heb, of dat ik u thands niet

meer bemin ?

Of ik u niet meer bemin? welk eene twijfeling!

heb ik dan opgehouden aanwezig te zijn, en

woont mijn leven niet meer in uw hart dan in het

mijne? Ik gevoel, ja ik gevoel dat gij mij duizendmaal

dierbarer zijt dan ooit, en in mijne bezwij-

C


T W E E G E L I E V E N . ut

zwijming heb ik nieuwe krachten verkregen om

u nog tederer lief te hebben. Het is waar, ik

heb bedaarder gevoelens voor u opgevat, maarte

gelijk tederer, en van meerderleien aart; zij zijn

vermenigvuldigd zonder verzwakt te zijn; de geneugten

der vriendfchap temperen de vervoeringen

der liefde, en ik kan mij naauwlijks eenige

foort van verkleefdheid voorftellen, die mij niet

aan u verbind. O mijn bekoorlijk meisje, ó mijne

echtgenote, mijne zuster, mijne lieve vriendin!

hoe weinig zou ik voor mijn gevoel hebben uitgedrukt,

indien ik alle de namen had opgeftapeld

die het dierbaarst zijn voor 't menschiijk hart!

Ik moet u belijdenis doen van een vermoedert

welk ik uit mijne eigene fchaamte en zelfsveruedering

heb opgevat, naamlijk dat gij beter de liefde

kent dan ik. Ja, mijne JULIA! gij maakt wel

mijn leven en mijn geheel aanwezen uit, ik aanbid

u wel met alle de vermogens van mijne ziel,

dan de uwe bemint fterker, zij is meer van

de liefde doordrongen : men ziet het, men

kan het bemerken ; het is de liefde die uwe bevalligheden

bezielt, die in uwe gefprekken heerscht,

die aan uwe oogen die innemende zachtheid, aan

uwe ftem die zoo beweeglijke toonen geeft; zij

is het, welke door uw bijzijn alleen aan andere

harten ongemerkt de tedere ontroering van hec

uwe mededeelt. Hoe ver ben ik af van dien bekoorlijken

toeftand, welke aan zich zelf genoeg

L DEEL. Q heeft!


S42 B R I E V E N T A w

heeft! ik wil genieten en gij wilt beminnen; ik

heb hevige driften en gij bezit hartstocht ; alle

mijne onftuimige vervoeringen konnen niet opwegen

tegen eene aangename kwijning, en het gevoel

waardoor uw hart gevoed word, is alleen het

volmaakt geluk. Het is niet dan zedert gister dat

ik dezen zoo reinen wellust gefmaakt heb. Gij

hebt mij iets overgelaten van die onbegrijplijke

bekoorlijkheid die gij bezit, en ik geloof dat gij

met uwen zachten adem mij eene nieuwe ziel hebt

ingeblazen. — Haast u, ik bezweer u dit, om

uw werk te voleindigen. Neem weg al wat mij

nog van mijne ziel overig blijft, en ftel de uwe

geheel en al daarvoor indeplaats. Neen, Engelachtige

fchoonheid , Hemelsch Scheplel! geene andere

gevoelens dan de uwen, zijn in ftaat om uwe

bevalligheden naar waarde te vereeren. Gij alleen

verdient eene volmaakte liefde inteboezemen, gij

alieen zijt berekend om die te gevoelen. Ach!

geef mij uw hart, mijne JULIA! opdat ik u beminne,

gelijk gij het waardig zijt!

\ L V I. B R I E F ,

Van CLAARTJE aan JULIA.

Ik heb u, mijne waarde Nicht! iets te melden ,

dat voor u van belang is. Gister avond heeft uw

vriend een verfchil gehad met Mijlord EDUAKD,

het-


T W E E G E L I E V E N . 243

hetgeen ernftig kan worden. Zie hier, war mij

de Heer D'ORBE er van gelegd heeft, die het ge­

val heeft bijgewoond, en, bezorgd zijnde voor

de gevolgen dezer zaak, mij heden morgen daar­

van verflag is komen doen.

Zij hadden beiden de avondmaaltijd bij MijlorcT

gehouden, en na een paar uuren Mufiek te heb­

ben gemaakt, gingen zij zitten praten cn punch.

drinken. Uw vriend dronk flechts één glas mee

water gemengd; de andere twee waren zoo fober

niet, en offchoon de Heer D'ORBÏ niet erkennea

wil dat hij dronken geweest zij, behcude ik aan mij

hem op een ander tijd mijn gevoelen daar over te zeg*

gen. Her gefprek viel natuurlijkerwijze 03 u; want

het is u niet onbekend dat Mijlord van niemand

gaarne als van u fpreekt. Uw vriend, wien deze

vertrouwlijkhcden misvallen, ontving-die met 200»

weinig genoegen,dat EDUARD eindelijk, van de punch

verhit, en geraakt door deze ftroefheid, zich over

uwe koelheid beklagende zeggen durfde , dat dezelve

niet zoo algemeen was als men wel zou mogen

denken, en dat zeker iemand die er zich niet over

uitliet, minder kwalijk behandeld werd dan hij.

Oogenbliklijk trok uw vriend, wiens driftigheid

gijkent,zich dit gefprek aan met eene hoonende )tt-

ftuimi, heid, welke oorzaak was dat de ander het hem

ronduit tegen fprak, en oogenbliklijk vlogen zij naar

hunne degens, BOMSTON , half dronken, kreeg in her

loopen eene verzwikking, die hem noodzaakte te

Q a gaan


HU B R I E V E N vxir

gaan zitten. Zijn been zwol terftond op, en die

bedaarde den twist beter dan al de moeite welke

zich de Heer D'ORBE gegeven had. Dan, daar

bij oplettend was op alles wat er gebeurde, zag

hij uwen vriend, bij het heengaan, het oor van

Mijlord EDUARD naderen, en hoorde dat hij

hem iniuisterde: zoo dra gij in ftaat zult zijn om

uittegaan, geef er mij dan bericht van, of ik zal

zorg dragen om er na te vernemen. Neem die moeite

niet, andwoordde hemEDUAKDmet een fpotachtig

meesmuilen,£•/ƒ zult het fpoedig genoeg weten.

Wij zullen het zien, hernam uw vriend koeltjens,

en vertrok. De Heer D'O R B E zal u bij het overgeven

van dezen brief alles meer omflandig

vertellen. Het ftaat aan uwe voorzichtigheid

om middelen nittedenken ter demping van dit

onaangenaam voorval, of om mij voortefchrijven

wat ik van mijnen kant doen moet om daartoe

mede te werken. Middelerwij! is de brenger dezes

ten uwen dienste; hij zal alles doen wat gij

hem bevelen zult, en gij kunt ftaat maken op geheimhouding,

Gij maakt u zelf ongelukkig, mijne waarde \

mijne vriendfchap moet het u zeggen. De verbindtenis

waarin gij u gewikkeld vindt, kan in

eene kleene Stad, gelijk deze, niet lang geheim

blijven, en het is een wonder van geluk dat

gij zedert meer dan twee jaaren, toen dezelve is

aangevangen, nog niet in oplpraak bij het algemeen

go


T T I I G E L I E V E N . 545

gekomen zijt. Dit ftaat echter te gebeuren, indien

gij er niet tegen op uwe hoede zijt; het zou reeds

gebeurd zijn, zo gij minder bemind waart; maar

men heeft zulk een heerfchenden afkeer om kwaad

van u te fpreken, dat dit een flecht middel is om

zich te vermaken , en integendeel zeer gefchikt

om zich gehaat te maken. Ondertusfchen, alles

heeft zijn eindpaal; ik beef ervoor, of die der

geheimhouding van uwe liefde niet gekomen zij ,

en er is groote waarfchijnlijkheid , dat Mijlord

EDUARD zijne vermoedens heeft ontleend uit zekere

nadeelige gefprekken, welken hij kan gehoord

hebben. Denk hierop ernftig , kindlief! De

Nachtwacht zegt, dat hij voor eenigen tijd ten

vijf uur in den morgenftond uwen vriend uit uw

huis heeft zien komen. Gelukkig was hij zelf één

van de eerften die dit praatjen gehoord hebben,

hij ging bij dezen man, en vond middel om hem

te doen zwijgen; maar wat is zulk een ftilzwijgen

anders, dan een middel om geruchten die heiralijk

verfpreid worden, meer geloof bijtezetten ?

Het wantrouwen uwer moeder neemt ook dage«

lijks toe; gij weet hoe dikwijls zij u dit heefc

doen begrijpen. Mij heeft zij er insgelijks over

onderhouden op eene vrij flerke manier, en indien

zij de onftuimigheid van uwen vader niet

vreesde, behoeft gij niet te twijfelen of zij zou

er hem zelf reeds over gefproken hebben; dan

zulks durft zij te minder doen, wijl hij haar

Q 3 altoos


i/\6 B R I E V E N V A N

altoos de grootfte fchuld zal geven van eene

kennismaking die gij aan haar te danken hebt.

Ik kan het u niet genoeg herhalen ; neem u

zelve toch in acht terwijl het nog t.jd is. Verwijder

uwen viend eer men er van fpreke; voorkoom

de opwellende vermoedens die door zijne afwezigheid

zeker vervallen zullen: want toch wat

kan men gisfen dat hij hier doet? Misfchien is

het over zes weeken, over eene maand reeds te

laat. Zo het geringlle praatjen uwen vader ter ooien

kwam , zjdder voor het geen de gevolgen

zouden zijn der verontwaardiging van een oud

krijgsman die het hoofd vol heeft van de eer van

zijn huis, en der reukloosheid van een heftig jongman

die niets kan verdragen Dan gij moet beginnen

met op de eene of andere wijze de zaak

van Mijlord EDUARD aftemaken: want gij zoudt

uwen vriend flechts verbitteren, en u eene billijke

weigering op den hals haaien, indien gij hem van

vertrekken ipraakt, eer dezelve aigelopen ware.

L V11. B R I E F .

Fan JULIA.

M ijn vriend! ik heb mij zorgvuldig doen onderrichten

van hetgeen er tusfehen u en Mijlord

EDUARD


T W E E G E L I E V E N . 147

EDUARD is voorgevallen. Het is op grond eener

volkomene wetenfchap van het gebeurde, dat uwe

vriendin met u wil overwegen hoe gij u in deze

omftandigheid te gedragen hebt, volgends de gevoelens

voor welke gij uitkomt, en waarvan ik

onderftel dat gij geene ijdele en valfche vertoning

zult willen maken.

Ik onderzoek niet of gij in de fchermkonst ervaren

zijr, noch ook, of gij u zeifin ftaatgevocit om

het hoofd te bieden aan eenen man, die in Europa

den naam heeft van voortreflijk met den kling

omtegaan , en die vijf of zesmaal in zijn leven

geduelleerd hebbende, zijne partij altoos gedood,

gekwetst, of ontwapend heeft. Ik begrijp dat

men in het geval waarin gij u bevindt, niet met

zijne bekwaamheid raadpleegt, maar met zijnen

moed, en dat de rechte manier van zich te wreken

aan een zwetfer die u beledigt, beftaat in te maken

dat hij u het leven beneme. Laat ons dezen

zoo verftandigen grondregel overftappen ; gij zult

mij zeggen dat uwe eer zoo wel als de mijne u

dierbarer dan het leven is. Zie daar dan hetgrondbeginfel

waarover wij redeneeren moeten.

Beginnen wij met hetgeen u betreft. Zoudt gij

in ftaat zijn mij immer te zeggen, in wat opzicht

gij pcrfoonlijk beledigd zijt door een gefprek

welk mij volftrekt alleen betrof? Of gij in dit

geval u de zaak voor mij moest aantrekken,

Q 4 zul-


248 B R I E V E N V A N

zullen wij terftond zien : ondertusfchen kunt gij

niet tegenfpreken, dat uwe bijzondere eer volmaakt

buiten het gcfchil is, ten zij gij het vermoeden

van door mij bemind te worden voor eene ontcering

mocht houden. Gij zijt gehoond geworden,

dit erken ik, maar nadat gij zelf met eene geweldige

belediging begonnen hadt; — en ik, wier

gedacht vol van Militairen is, en die zoo menigmaal

deze ijslijke twisten heb hooren bepleiten ,

weet zeer wel dat eene belediging, in andwoord

op eene andere , dezelve niet wegneemt, en datde

eerfte die gehoosd word de eenige beledigde

blijft:dit is hetzelfde geval als van een onvoorzien

gevecht, waarin de aanvaller alleen de misdadige,

en de geen die hem verdedigenderwijze kwetst

of doodt, niet fchuldig is aan manflag.

Laat ons nu tot mij komen; laat ons toeftemmen

dat ik door het gefprek van Mijlord EDUARD

beledigd ware, offchoon hij niet meer dan mij

recht deed. Weet gij wel wat gij doet, door mij

met zoo veel hevigheid en onvoorzichtigheid te

verdedigen ? Gij verzwaart zijne belediging; gij bewijst

dat hij gelijk had; gij offert mijne eer aan

eene valfche eerzucht op; gij maakt uwe minnares

te fchande , om op zijn best genomen den naam

te verwerven aat gij een goed opfuijder zijt.

Toon mij aan , zo het u gelieft , welke

overeenkomst er zij tusfehen uwe manier van mij

te verdedigen en mijne wezenlijke verdediging

zelve ?


T W E E G E L I E V E N . «49

zelve ? Meent gij dat mijne zaak met zoo veel

vuur optenemen een krachtig bewijs zij, dat er

tusfchen ons geenerlei verftandhouding plaats heeft,

en dat het genoegzaam zij een blijk van uwe

dapperheid te geven, om te toonen dat gij mijn

minnaar niet zijt ? Wees verzekerd dat al de

praatjensvan Mijlord EDUARD mij minder moeite

doen dan uw gedrag; gij zijt het alleen, die door

dit gedruis op u neemt om dezelve wereldkundig te

maken en te bevestigen. Wat hem betreft, hij

zal in het tweegevecht uwen degen wel ontwij*

ken konnen ; maar nimmer zal mijn goede naam

noch mijn leven, misfehien, den doodlijken fteek

ontduiken dien gij er aan toebrengt.

Zie daar redenen die al te duchtig'zijn, dan dat gij

iets van dezen aart zoudt konnen hebben om er

tegen te ftellen ; dan, ik voorzie het reeds, gij zult

de rede beftrijden met het gebruik,gij zult mij zeggen

, dat er ongelukken zijn, waarin wij ondanks

ons zelve worden medegefleept; dat 'eene logenftrafling,

in welk geval ook, nimmer te duiden

is; en dat, wanneer een verfchil zekeren keer

genomen heeft, men niet meer vermijden kan om

in een tweegevecht te komen of zich te ichande

te maken. Laat ons dit nog eens bezien.

Herinnert gij u nog eene onderfcheiding, welke

gij mij voorheen bij eene belangrijke gelegenheid

gemaakt hebt , tusfchen de waare en fenijnbare

eer? Onder welke van deze twee foorten zullen wij

Q 5 die,


a$o B R I E V E N VAN

die, waarvan wij nu fpreeken,rangfchikken? Wat

mij betreft, ik zie niet hoe dit zelfs in bedenking

kan komen. Wat gemeenfchap is er tusfchen

den roem van een mensch te dooden cn het getuigenis

van eene ïechtfchapene ziel. en welken vat

kan het dwaas gevoelen van anderen hebben op de

waare eer, waarvan de beginfels alleen in het hart

geworteld zijn? Hoe! gaan de deugden die men

wezenlijk bezit,verloren door de logentaal van eenen

lasteraar? Bewijzen de verongelijkingen vaneen

dronken mensch dat men ze verdient, en zou de

eer des voorzichtigen in de macht flaan van den

eerden onverlaat dien hij ontmoeten kan? Zult

gij mij zeggen , dat een tweegevecht een bewijs is

dat men moed heeft, en dat dit genoegzaam is om

de fcbande of het verwijt van alle andere misdaden

uittewisfchen ? Ik vraag u dan, welke de eer

zij, die zoodanig eene uitfpraak kan doen , en welk

eene rede dezelve billijken konne? Op deze wijze

behoeft een booswicht flechts te vechten , om niet

langer een booswicht te zijn; de praatjens van

eenen logenaar worden waarheden , zoo dra zij

door het-punt van den degen onderfteund worden,

en indien men u befchuldigde van iemand vermoord

te hebben, zoudt gij eenen tweeden gaan

vermoerden om te bewijzen dat dit niet waar is?

Zoo kan deugd, ondeugd, eer, fchande, waarheid,

logen, alies zijn beftaan ontieenen van den

uitflag eener tweeftrijd! eene wapenzaal is de zetel

van alle rechtfpraak; er is geen ander recht dan

de


T W E E G E L I E V E N . 251

de ilerkte, geene andere rede dan de mandag; de

geheele vergoeding aan hun die men beledigde

verfchuldigd, is hen te vermoorden, en alle hoon

word even goed uitgewischt door het bloed des

beledigers ais des beledigden? Zeg mij,indien de

wolven in ftaat waren te redekavelen, zouden zij

andere volgregelen hebben dan dezen? Oordeel gij

zelve uit het geval waarin gij u bevindt, of ik derzei

ver ongerijmdheid al te groot make. Wat is hier

de zaak ten aanzien van u? Eene tcgcnfpraak, in

een geval waarin gij wezenlijk loogt. Meent gij

dan de waarheid zelve te dooden met hem dien

gij ftraffen wilt, omdat hij ze gefproken heeft?Bedenkt

gij wel, dat gij u aan den kans van een

tweegevecht wagende, den Hemel tot getuige roept

van eene valfche zaak, en dat gij tegen den beflisfer

der gevechten durft zeggen : Koom eene

onrechtvaardige zaak ondprfleunen en doe de logen

zegepralen! Heeft deze Godslastering niets dat u

verfchrikt? Heeft deze ongerijmdheid niets terugftuitends

voor u? Hcu;el! welk eene ellendige

eer is het, die de misdaad niet vreest, maar wel de

fchande, en die u niet toelaat van een ander de

tegenfpraak te verdragen, welke gij reeds vooraf

geleden hebt van uw eigen hart ?

Gij, die wilt dat men voor zich zelf met zijne

kundigheden voordeel doe, bedien u toch van de

uwen, en onderzoek of men wel eene enkele uitdaging

zag op de aarde, toen zij met helden overdekt

was?


B R I E V E N V A N

was f Dachten de moedigde mannen der oudheid

er immer aan, om hunne perfoonlijke verongelijkingen

te wreeken door afzonderlijke gevechten ?

Zond CAESAR eenen uitdagingsbrief aan CATO,of

POMPEJUS aan CAESAR, wegens zoo veele wederzijdfche

beledigingen, en hield zich de grootfte

Krijgsbevelhebber van Griekenland onteerd omdat

hij zich met een ftok had laten dreigen ? Andere

tijden hebben andere zeden, dit weet ik; maar

zijn er geene dan enkel goede, en zou men niet

durven onderzoeken, of de zeden van eenen zekeren

tijd zoodanig zijn als de wezenlijke eer ze

vordert ? Neen , deze eer is niet veranderlijk, zij

hangt noch van tijden noch van plaatfen noch van

vooroordeelen af, zij kan niet verdwijnen noch

weder opkomen, zij heeft haren eeuwigen ooriprong

in het hart van den rechtvaardigen mensch

en in het onveranderlijk voorfchrift zijner plichten.

Indien de verlichtfte , de dapperfte, de

deugdzaamfte volken van den aardbodem nimmer

het du'él gekend hebben, dan zeg ik dat hetzelve

geene infteiling van de eer is, maar eene affchuwelijke

en barbaarfche mode, haren woesten oorfprong

waardig. Nu wilde ik flechts weten of,

wanneer het aankomt op zijn eigen of eens anders

leven, de brave man zich naar het gebruik fchikke,

en of het als dan geen grootcr moed zij dit te

trotleeren dan optevolgen? Wat zou naar uwe

gedachten de geen, die zich van het gebruik bedienen

wilde, doen in plaatfen waar eene tegen-


T W E E G E L I E V E N . 053

gefielde gewoonte heerscht? In Mesfina of te

Napels zou hijj zijne partij op den hoek van

eene ftraat gaan opwachten, en hem verraderlijk

doorfteken. Dit heet daar te lande braaf te

zijn ( §), en de eer beftaat er niet in zich

door zijnen vijand te doen ombrengen, maar in

hem zelve te vermoorden.

Wacht n derhal ven van den heiligen naam der

Eer te verwarren met dat woest vooroordeel,

hetgeen alle de deugden plaatst op de punt van

eenen degen, en enkel gefchikt is om moedige

fchelmen te maken. Dat deze handelwijze, zo

men wil , de plaats der braafheid vervullen

konne, is die aanvulling niet nutloos alom

waar de braafheid zelve heerscht, en wat denkbeeld

moet men vormen van iemand, die zich

aan den dood blootftelt , om zich te bevrijden

van een eerlijk man te zijn ? Ziet gij niet dat

die misdaden, welken de zedigheid en de eer niet

hebben konnen voorkomen , bedekt en vermenigvuldigd

worden door eene valfche fchaamte en

de vrees voor laster? Het is deze, die den mensch

tot eenen veinsaart en logenaar maakt ; het is

deze, die hem het bloed van eenen vriend doet

ftorten om een onbedachtzaam woord, welk hij

ver-

(§) Bravo is in Itaüe de bekende naam dei

moordenaars van beroep.

Aant» des VUT.'


»5* B R I E V E N V A N

vergeten moest, wegens een rechtmatig verwijt,

hetgeen hij niet verdragen kan. Zij is het

ook , die een bedrogen en vreesachtig meisjen

herfchept in eene helfche razernij. Zij is het,

Almachtig God! die de moederlijke hand kan

wapenen tegen de tedere vrucht ik

voel mijne ziel bezwijken op dit verfchriklijk

denkbeeld, en ik dank Hem die de harten beproeft,

dat hij uit het mijne ten minfte die

verfocilijkc eer verbannen heeft, die niets anders

dan gruweldaden inboezemt, en de natuur

doet zidderen.

Koom dan tot u zelve, en overweeg of het u

vrij fta met voorbedacht opzet het leven van een

mensch aanteranden en het uwe te waagen,

cm te voldoen aan eene barbaarfche en gevaarlijke

harsfenfchim die geenerlei redelijken

grond heeft, en of de droevige herinnering van

he; in zulk een geval geplengde bloed immer kan

ophouden van wraak te roepen in het binnenfte

van hem die het heeft doen vloeien ? Kent gij

ééne misdaad zoo groot als de moedwillige

menfehenmoo'-d, en indien de menschlijkheid de

grondflag van alle de deugden is, wa: zullen wij

dan derken van dien bloedgierigen en ontaarten

mensch. die dezelve in het leven van zijnen

natuurgenoot durft aanranden? Herinner u wat

gij zelf mij gezegd hebt tegen den vreemden

Krijgsdienst: hebt gij vergeten dat een burger

zijn


T W E E G E L I E V E N . 255

zijn leven verfchuldigd is aan zijn Vaderland,

en dat hij geen recht heeft om daarover te

befchikken zonder de toeftemming der wetten,

hoe veel te minder tegen haar verbod aan? O

mijn vriend! zo gij de deugd opreclulijk bemint,

leer haar dan gehoorzamen op hare wijze en niet

naar het gebruik der menfchen. Ik geef eens toe

dat er eenige onaangenaamheid uit kan ontftaan;

is dan het woord deugd voor u flechts eene ijdele

klank , en zult gij niet deugdzaam zijn dan

wanneer het u niets kosten zal zulks te wezen?

Maar welke zijn toch in den grond deze onaangename

gevolgen ? Het gemompel van lediggaande ,

van ondeugende lieden, die zich met de ongelukken

van een ander zoeken te vermaken,

cn die altoos wel eenig nieuw voorval te vertellen

wilden hebben. Eene groote beweegreden

waarlijk, om zich onderling te vermoorden!

indien de wijsgeer cn de man van verftand zich

in de gewiehtigfte gevallen van het leven fchikken

naar de onbezonnen praatjens van den

grooten hoop, waartoe dient dan al die toeftel van

geleerde kundigheden, daar men toch in herwezen

der zake niets meer dan een dagelijksch mensch

is? Gij durft dan de wraakzucht niet opofferen

aan uwen plicht, aan de achting, aan de vriendfchap,

uit vrees dat men u befchuldigen zal

van beangst te zijn voor den dood ? Overweeg

de zaaken, mijn goede vriend! en gij zult

veel


*5« B R I E V E N VAN

veel meer lafhartigheid vinden in de vrees voor

dit verwijt , dan in die voor den dood zelve.

De zwetfer, de lafhartige wil met alle geweld

doorgaan voor een man van moed:

Ma ver ace valor, ben che negletto,

E di fe ftesfo a fe freggio as/ai chiaro (*).

Hij die voorgeeft den dood zonder fchrik on»

der de oogen te zien, liegt. Elk mensch vreest

te fterven ; dit is de groote wet der gevoelige

fchepfelen, zonder welke alle foorten van fterflijke

wezens weldra vernietigd zouden zijn. Deze

vrees is eene eenvouwïge infpraak der natuur,

die niet alleen onverfchillig is, maar goed in

zichzelve en overeenkomftig de orde der dingen.

Alles wat haar fchandelijk en laakbaar

doet worden, is dat zij ons verhinderen kan

om wel te doen en onze plichten te vervullen.

Indien de moed niet aan andere deugden dienstbaar

was, zou de lafhartigheid ophouden eene

ondeugd te zijn. Ik fta toe, dat al wie meer

gehecht is aan zijn leven dan aan zijnen plicht,

in den grond niet deugdzaam kan wezen. Maar

verklaar mij eens, gij die u vermeet een verftandig

man te zijn, welk foort van verdienfte men

vln-

(*) Dat is{: Jlfaar de ivaare dapperheid, offchoon

miskend, heeft in zich zelve waardij genoeg, om daarlp

te fteunin.

Aant des VERT.


T W E E G E L I E V E N 25?

vinden kan in het trotfeeren van den dood om

eene misdaad te begaan ?

Wanneer het al eens waar was dat men zich

verachtlijk maakt wanneer men weigert met elkander

te vechten , welke verachting is dan het

meest te duchten, die van anderen als men wel,

of die van zichzelve als men kwalijk doet ?

Geloof mij , hij die waare .achting voor zich

zelve heeft, is weinig gevoelig voor de minachting

van anderen, en hij vreest enkel zich dezelve

waardig te maken : want het deugdzame en het

brave hangt niet af van het oordeel der menfchen

, maar van de natuur der dingen zelve,

en offchoon de geheele wereld de daad welke

gij gaat bedrijven goedkeurde , zij zou daarom

niet minder fchandelijk zijn. Dan het is valsch,

dat men door zich uit deugdzame beginfelen daar

van te onthouden, zich verachtlijk maken zoude.

De rechtfchapene man, wiens geheele leven onbefmet

is, en die nimmer eenig blijk van lafhartigheid

gaf, zal weigeren zijne hand met eene

moord te bezoedelen, en hij zal daarom flechts

des te meer geëerd worden. Altoos gereed om

het Vaderland te dienen , om den zwakken te

befchermen, om de gevaarlijkfte plichten te vervullen,

en om, in alle billijke en betaamlijke

omflandigheden , hetgeen hem dierbaar is, ren

koste van zijn bloed te verdedigen , doet hij

zijne flappen met die onbeweeglijke fhndvastig-

L DEEL. R heid,


£53 B R I E V E N V A N

heid, welke men niet bezit zonder waaren moed.

In de gerustheid van zijn geweten, wandelt hij met

opgerichtcn hoofde, hij ontvlucht zijnen vijand

zoo min als hij hem opzoekt. Men bemerkt

gereedlijk, dat hij minder vreest te fterven dan

kwaad te doen, en dat hij de misdaad fchroomt,

imar geenszins het gevaar. Indien de lage voorcordeelen

zich voor een oogenblik tegen hem

verheffen, alle de dagen van zijn lofwaardig

leven zijn zoo veele getuigen die dezelven wederleggen,

en in een zoo eenparig levensgedrag

beoordeelt men naar eene enkele daad alle de

overige.

Maar weet gij, wat deze gematigdheid voor

een dagelijksch mensch zoo lastig maakt ? Het is

de moeilijkheid om die op eene waardige wijze

doortehouden. Het is de noodzaaklijkheid omvervolgends

gcenerlei daad te plegen die laakbaar is:

want indien de vrees van verkeerd te handelen

hem in dit laatfte geval niet wederhoud, waarom

zou zij hem in liet andere hebben teruggehouden

, bij het welk men eene meer natuurlijke

beweegreden onderftc'.len kan ? Men ziet

dan klaar dat die weigering niet ontftaat uit

deugdzaamheid maar uit lafhartigheid, en men

drijft billijk den fpot met eene naauwgezetheid

die niet opkomt dan in het gevaar. Hebt gij

niet opgemerkt dat menfchen, die zoo achterdochtig,

en zoo gereed zijn om anderen uitte-

dagen,


T W E E G E L I E V E N . s&)

dagen, meestal lieden van een zeer Hecht gedrag

zijn, die , uit vrees dat men hun openlijk de

verachting mocht durven toonen, welke men

voor hen gevoelt, zich moeite geven om

door eenige affaires cVhonneur de fchande van

hun geheele leven te bedekken ? Voegt het

u zulke lieden natevolgen? Laat ons nog eenige

uitzondering maken ten aanzien van krijgslieden

van beroep, die hun bloed voor geld verkopen;

die, hunnen rang willende ophouden ; uit huii

belang berekenen wat zij aan hunne eer verfchuldigd

zijn, en die op eene kroon na weten

hoe veel hun leven geide. Maar, mijn vriend!

laat gij alle deze lieden vechten. Niets is minder

eerwaardig dan die eer waarvan zij zulk eenen

ophef maken; zij is niet anders dan eene onbezonnene

mode , eene valfche nabootfing der

deugd , welke zich met de grootfte misdaden

veriïert. De eer van een man gelijk gij, ftaat

niet in de macht van een ander, zij berust in

hem zelve, en niet in het gevoelen des volks;

hij verdedigt zich niet door degen of fchild,

maar door een braaf en önberisplijk gedrag, eri

deze ftrijd is ruim zoo groot als de andere, iri

het betoon van moed.

Het is uit deze grondbeginfelen , dat gij dé

lofredenen die ik ten allen tijde aan de waare

' dapperheid gegeven heb , moet overéénbrengen

ihet de verachting die ik fteeds heb gekoesterd 1

R z vc'Cr'


sCo B R I E V E N VA w .

Voor de valfche helden. Ik bemin lieden die

hart hebben en kan geene lafhartigen dulden--;

ik zou breken met eenen laffen minnaar die uit

vrees bet gevaar ontvluchtte, en ik denk met

alle vrouwen , dat het vuur van moed dat

der liefde aanblaast. Dan, ik begeer dat de

dapperheid zich ontdekke bij voegzame gelegenheden,

dat men niet zoo gereed zij om daarvan

ontijdig eene valfche vertoning te maken,

als of men vreesde dezelve niet te zullen

bezitten in geval van noodzaaklijkheid. De

waare moed heeft meer ftandvastigheid en minder

haastigheid; zij is altoos hetgeen zij moet

zijn; men behoeft baar noch aantevuuren noeh

te bedwingen ; de brave man voert dezelve

overal met zich, in den ftrijd tegen zijnen vijand,

in eenen kring van menfchen ten behoeve der

afwezigen en der waarheid, op zijne fponde tegen

de aanvallen der fmarte en des doods. De fterkse

van ziel die dezelve inboezemt, komt ten allen

tijde te ftade ; zij plaatst immer de deugd boven

het bereik van toevallige uitkomften, en beftaat

niet in zamen te vechten , maar in voor niets bevreesd

te zijn. Van zoodanigen aart,mijn vriend!

is die moed welken ik doorgaands geroemd heb,

en dien ik weiuch in u te vinden. Al het

overige is flechts onbezonnenheid, buitenfporigheid,

wreed aartigheid ; het is lafhartig zich

daaraan te onderwerpen, en ik veracht niet minder

hem die een noodloos gevaar opzoekt, dan

ie-


T W E E G E L I E V E N . 261

iemand die een gevaar ontvlucht hetgeen hij

t-rotfeeren moest.

Ik heb u doen' zien, zo ik mij niet bedriege,

dat uwe eer niet betrokken is in uw gefchil

met Mijlord EDUARD; dat gij, door toevlucht

te nemen tot het middel van den degen , de

mijne in de waagfchaal fielt; dat dit middel

noch billijk, noch redelijk, noch geoorlofd is;

dat het niet beftaan kan met de gevoelens

waarvan gij belydenis doet; dat het niet voegt

dan aan flechte lieden , die de dapperheid doen

flrckken ter vergoeding van deugden welke zij

niet bezitten , of aan Krijgslieden die niet uit

eerzucht maar uit belang vechten; dat er meer

waare moed is in dit middel te verachten dan

in het te gebruiken; dat de onaangenaamheden

waaraan men zich blootftelt wanneer men hetzelve

van de hand wijst, onaffcheidbaar zijn

van de beoefening zijner waare plichten , en

meer fchijnbaar dan wezenlijk ; eindelijk , dat

zij die het vaardigst zijn om daartoe hunnen

toevlucht te nemen , altoos dezulken zijn

wier braafheid het meest verdacht is. Uit welk

alles ik befluit, dat gij in dit geval geene uitdaging

kunt doen noch aannemen , zonder ten

zelfden tijde de rede , de deugd , de eer, en

mij te verzaken. Keer en wend mijne redeneeringen

zoo als gij wilt, ftapel van uwen

kant de eene drogreden op de andere; het zal

R- 3 al-


fSi B R I E V E N V A M

altoos blijken dat een man van moei geen lafhartige

is, en dat een braaf man geen man zonder

gevoel van eer kan zijn. En echter heb ik

u, dunkt mij, aangetoond, dat de man van moed

het duel veracht , en dat de brave man er een

affchrik van heeft.

Ik heb gemeend, mijn Vriend ! bij een zoo.

ernflig onderwerp het gezond verftand alleen

te moeten doen fpreken, en u de zaken voortedragen

volmaakt gelijk zij zijn. Indien ik ze

had willen afmaaien gelijk ik dezelve befchouwe,

en het gevoel en de menschlijkheid laten

fpreken , zou ik eene zeer verfchillende taal

gevoerd hebben. Gij weet dat mijn vader in

zijne jeugd het ongeluk heeft gehad van in duel

iemand ter neder te leggen; deze man was zijn

vriend; zij vochten tegen hunnen zin, het onbezonnen

punt van eer noodzaakte er hen toe.

De doodlijke fleek die den eenen van het leven

beroofde, benam den anderen voor altoos

zijne rust. De treurige wroeging heeft zints

dien tijd niet uit zijn hart verbannen konnen

worden ; dikwijls hoort men hem in zijne eenzaamheid

weenen en kermen; hij verbeeld zich

noghetftaal, door zijne wreede hand gefloten, te

voelen indringen in het hart van zijnen vriend;

bij ziet in de duisternis van den nacht deszelfs

verbleekt en bebloed ligchaam ; zidderend befchouwt

hij de doodlijke wonde;hij wil het gud-

' ' "' '* ' ' fend


T W E E G E L I E V E N . 263

fend bloed Helpen; de fchrik grijpt hem aan,

hij geeft eenen _gil, en ait ijslijk lijk houd niet op

hem te' vervolgen. Zedert vijf jaaren heeft hij

zijnen geliefden ftamhouder en de hoop van

zijn gefiacht verloren, hij verwijt zich dien dood

als eene rechtvaardige ftraf des Hemels, welke

aan zijnen eenigen zoon den ongelukkigcn vader

gewroken heeft, dien hij van den zijnen

beroofde.

Ik beken u, dat dit alles, gevoegd bij mijnen

natuurlijken afkeer van alle wreedheid, mij zulk

een fchrik voor de tweegevechten inboezemt,

dat ik die befchouwe als den laagften graad van

dierlijke woestheid , svaartoe de menfchen verval*

len konnen. Hij die met vrolijkne'd des harte

zich in een gevecht begeeft, is in mijne oogen

een wreed dier , dat alle krachten infpant pm

een ander te verfcheuren , en indien er het

minste natuurlijk: gevoel in hunne harten overblijft

, vind ik den geenen die fneuvelt minder

beklagenswaardig dan den overwinnaar. Bcfchouw

die aan bloedftorting gewoone menfchen eens:

zij trotfeeren het zelfsvtrwijt, niet anders dan

door de ftem der natuur te fmooren; zij worden

trapswijze wreedaartig, ongevoelig; zij fpclen

met het leven van anderen, en de ftraf van

éénmaal de menschlijkheid te hebben konnen afleggen

, is, dat men die eindelijk geheel en al verliest,

Wat zijn zij in dezen ftaat? zeg trrj, wilt gij

R 4 hun


a&f B R I E V E N v A w

hun gelijk worden? Neen, gij zijt niet be-

Itemd voor deze haatlijke verwildering ; fchroom

voor den eerden flap die u daartoe vervoeren

kan: nog is uwe zieï onfchuldig en gezond; ga

dezelve niet bederven met gevaar van uw leven

, door eene floute poging zonder deugd , eene

misdaad zonder vermaak, en een punt van eerzonder

gezond verftand.

Ik heb u niets gezegd van uwe JULIA zij

zal er ongetwijfeld bij winnen, dat zij uw eigen

hart laat' fpreken. Eén woord nog, één enkel

woord , en ik geeve u aan u zelve over. Gij

hebt mij etlijke maaien vereerd met den tederen

naam van Echtgenote: wellicht moet ik op

dit oogenblik dien van Moeder dragen. Wik

gij mij weduwe laten, eer een geheiligde band

ons vereenige?

Nafchrift. Ik bedien mij in dezen brief van

een gezag, waartegen nimmereenig man van

verftand zich heeft aangekant. Indien gij

weigert u daaraan te onderwerpen, dan

heb ik u niets meer te zeggen; maar bedenk

u vooraf wel. Neem acht dagen

van beraad , om over dit gewichtig onderwerp

te denken. Het is niet in den naam

der rede dat ik u om dit uitftel vraag,

het is in' den naam van mij zelve. Gedenk

dat ik in dit geval mij bediene van een

recht


T W E E G E L I E V E N . 265

recht welk gij zelf mij gegeven hebt, en

dat hetzelve zich tot zoo ver ten minften

uitftrekt.

LVIII. B R I E F .

Van JULIA aan Mijlord EDUARD.

Het is niet om mij over u te beklagen , Mijlord!

dat ik u fchrijve: dewijl gij mij beledigt,

moet ik u zeker verongelijkingen hebben aangedaan

die mij niet bekend zijn. Hoe is het

te begrijpen, dat een braaf man zonder reden

een achtingswaardig huisgezin zoude willen onteeren?

Voldoe derhalven uwe wraakzucht, indien

gij oordeelt dat dezelve rechtmatig is. Deze

brief verfchaft u een gereed middel om een ongelukkig

meisje te bederven, hetgeen nimmer

ophouden zal te betreuren dat zij u beledigd

heeft, en het welk de eer die gij haar benemen

wilt, waagt aan uwe onbefcheidenheid.

Ja, Mijlord! uwe aantijgingen waren gegrond,

ik heb eenen geliefden minnaar ; hij is meester

van mijn hart en van mijne perfoon; de dood

alleen zal dezen tederen band konnen verbreken.

Deze minnaar is dezelfde, wien gij met

uwe vriendfchap vereerde; hij is die waardig,

dewijl hij u bemint en deugdzaam is. Ondertusfchen

ftaat hij door uwe hand te fneeven; ik

R 5 weet


266 B R I E V E N VAN

weet dat de gekwctfte eer bloed vordert ; ik

weet dat zijne dapperheid zelve zijn ongeluk

bewerken zal; ik weet dat in een gevecht hetgeen

gij zoo weinig behoeft te duchten, zijn

onverlchrokken hart zich zonder vrees aan den

doodlijken fteek zal gaan bloot ftellen. Ik heb

deze onberadene drift willen bedwingen; ik heb

de rede deen fpreken. Helaas! terwijl ik mijnen

brief fchreef, gevoelde ik dat dezelve

vruchtloos was , en welke achting ik ook aan

zijne deugden toedrage, verwacht ik er van

hem geene, die verheven genoeg zijn om hem

aftebrengen van een valsch punt van eer. Geniet

bij voorraad het vermaak dat gij zult hebben

, van den boezem van uwen vriend te doorboören

; maar weet, wreedaartig man ! dat gij

althands het genoegen niet zult fmaken van u in

mijne traanen te verlustigen, en aanfehouwer te

zijn van mijne wanhoop. Neen, ik zweer het

u bij de liefde die in mijn binnenfte zucht; wees.

getuige van eenen eed die niet ijdel zal zijn; ik

zal hem, voor wien ik ademe, geenen dag overleven

, en gij zult den roem hebben van met éénen

fteek twee ongelukkige gelieven in het graf

te ftorten, die u niet moedwillig hebben verongelijkt

, en die vermaak fchepten in u eer te bewijzen.

Men zegt, Mijlord! dat gij eene fchoone ziel

en ten gevoelig hart hebt. Indien dezen ü toelaten


T W E E G E L I E V E N . e6>

ten ongeftoord eene wraak te genisten waarvan

ik geen denkbeeld heb, en het genoegen van ongelukkigen

te maken, mochten zij dan ten minfte,

wanneer ik niet meer zijn zal , u eenige zorg

doen hebben voor twee ontroostbare ouderen,

welken het verlies van een éenig kind., dat hun

overig bleef, in eeuwigen rouw ftaat te dompelen.

LIX. B R I E F .

Van den Heer D'ORBE aan, JULIA.

Ik haagte mij, MejufFer! om u, volgends uwe

bevelen , verflag te doen van de verrichting

waarmede gij mij belast hebt. Ik komc van

Mijlord EDUARD te rug, wien ik nog pijnlijk van

zijne verzwikking en buiten ftaa: gevonden heb om

door de kamer te gaan , dan met behulp van een

ftok. Ik heb hem uwen brief ter hand gefteld,

dien hij driftig opende ; onder het lezen van

denzelven fcheen hij mij ontroerd te zijn: na

eenigen tijd gepeinsd te hebben, herlas hij dien

jfrHerrhaal met eene nog merkbarer aandoening.

Zie hier, wat hij mij na deze tweede lezing gezegd

heeft: Gij weet, Mijn lieer! dat gefchtllen

van eer hunne wetten hebben, van welke men niet

kan afgaan: gij hebt gezien wat bij het onze is

voorgevallen; het is nodig dat hetzelve regelmatig

wor-


«68 B R I E V E N VAN

worde afgedaan. Neem twee vrienden, en geef u

de moeite van morgen ochtend met hen hier te komen

; gij zult dan mijn bef uit weten. Ik heb hem

voorgehouden, dar, daar de zaak onder ons was

voorgevallen , het beter zoude zijn dat zij op

dezelfde wijze eindigde. Ik weet, andwoordde

hij mij kort af, wat voeglijk is, en ik zal doen

wat er gedaan moet worden. Breng uwe twee vrienden

mede, of ik heb u niets meer te zeggen. Hierop

ben ik heen gegaan , onder een vruchtloos

gïsfen , welk toch zijn vreemd voorneemen zijn

moge; wat daarvan ook zij, ik zal de eer hebben

van u dezen avond te zien; en ik zal morgen

volbrengen hetgeen gij mij gebieden zult.

Indien gij geraden vindt dat ik mij met mijn

gevolg ter beftemder plaats begeve, zal ik hetzelve

doen beftaan uit zulke lieden, waarop ik

'w alle gevallen ftaat maken kan.

LX. B R I E F .

Aan JULIA.

J3edaar uwe ongerustheid, tedergeliefde JU­

LIA! en neem door een verflag van het gebeurde

kennis en deel aan de aandoeningen die

ik gevoele.

Ik was, toen ik uwen brief ontving, dermate

ver»


T W E E G E L I E V E N . 269

vervuld van verontwaardiging, dat ik denzelven

naauwlijks lezen kon met de aandacht welke hij verdiende.

Offchoon ik niet in ftaat was dien te wederleggen,

het mocht nietbaaten, eene blinde hevigheid

behield de overnand. Hetismooglijk dat gij

gelijk hebt, zeide ik bij mij zelve, maar fbreek

mij nimmer van u te laten vernederen. Al moest

ik u verliezen en fchuldig fterven, ik zal niet

dulden dat men te kort doe aan de achting die

men u verplicht is, en zoo lang mij ééne enkele

ademtocht zal overig blijven, zult gij geëerbiedigd

worden door alle die u naderen, gelijk mijn hait

ÏI zulks doet. Evenwel ftond ik niet in bedenking

omtrent de acht dagen welke gij van mij

begeerde; het ongemak van Mijlord EDTJARD

en mijne gelofte van gehoorzaamheid vereenigden

zich om dit uitftel noodzaaklijk te maken.

Befloten hebbende, om volgends uwe bevelen,

dien tusfchentijd te belleden ter overdenkinge

van den inhoud uwes briefs, hield ik mij bij

.aanhoudendheid bezig met denzelven te herlezen

en te bepeinzen, niet om van gevoelen te veranderen

, maar om het mijne te rechtvaardigen.

Dezen morgen had ik dien naar mijnen zin al

te verftandigen en te oordeelkundigen brief weder

in de hand genomen, en ik herlas denzelven

met verdriet, toen men aan mijne kamerdeur

klopte. Een oogenblik daarna zag ik Mijlord

ÏBUARD binnen treden zonder degen, leunende

op


&?o B R I E V E N TAN


ïJj.pLi:

tk zag-met al die verbazing\-w-elkegij uverbedden kunt,

«ïjlord Eduard voor mij geknield ._. . ffladz.^yo.


T W E E G E L I E V E N . 271

„ ik herken op dit oogenblik uwe groote en edel-

„ moedige ziel; en ik weet zeer wel in u te onderfcheiden

de redenen welke het hart ingeeft,

„ van die welke gij voert wanneer gij geen

„ meester van u zelve zijt; dat zij voor altoos

,, vergeten worden! " — Oogenbliklijk onderfteunde

ik hem terwijl hij zich oprichtte , en

wij omhelsden elkander. Hierop keerde zich

Mijlord naar de "omftanders, en zeide hui: Mij'

•ve Heeren ! ik bedank u voor uwè beleefdheid.

Brave lieden gelijk gij, voegde hij er met eene

fiere houding en verhevene ftem bij, gevoelen dat

iemand die op deze wijze zijne verongelijkingen

herfielt, er van niemand eenige verdragen kan.

Gij kunt openbaar maken het geen gij gezien hebt.

Vervolgends nodigde hij ons alle vier tegen

dezen avond ter maaltijd , en die Heeren vertrokken.

Naauwlijks waren wij alleen, of hij kwam mij

andermaal op eene tederer en vrïer.dfchaplijker wijze

omarmen; mij vervolgends bij de hand nemende

, en zich naast mij nederzettende, riep hij

uit: gelukkig fterveüng! fmaak het geluk dat gij

waardig zijt! Het hart van JULIA behoort u

toe; mocht gij beiden . . . Wat zegt gij, Mij-\

lord? viel ik hem in, verliest gij uwe zinnen?

Neen , hernam hij meesmuilende, maar er heeft:

weinig aan gehaperd of ik zou die verloren hebben,

en het ware misfchien met mij gedaan geweest

,


4?i B R I E V E N V A N

weest, indien zij, die mij van het verftand beroofde

, mij dat niet had wedergegeven. Toen

gaf hij mij eenen brief over , dien ik verwonderd

was gefchreven te zien door eene hand,

welke er nimmer eenen aan een ander man fchreef

dan aan mij. Welke aandoeningen ontwaarde ik onder

het lezen van denzelven! Ik zag eene gadeloze

minnares, die zich zelve ongelukkig wilde

maken om mij te behouden , en ik herkende

JULIA. Maar wanneer ik kwam aan die plaats,

waar zij zweert den gelukkigften der menfchen

niet te zullen overleven , ijsde ik van de gevaren

welken ik gelopen had , ik beklaagde mij

van al te fterk bemind te worden , en mijne

angften deden mij bezefFen dat gij niet meer dan

een fterflijk wezen zijt. Ach! geef mij de kloekmoedigheid

weder waarvan gij mij berooft; ik

had moeds genoeg om den dood te trotfeeren

die mij flechts alleen bedreigde , en ik heb er

geenen om geheel te fterven.

Terwijl mijne ziel zich overgaf aan deze treurige

gepeinzen, hield EDUARD gefprekken tegen

mij, op welken ik in den beginne weinig acht

floeg; ondertusfchen vestigde hij mijne aandacht

weder door mij bij aanhoudendheid van u te fpreken;

want hetgeen hij mij zeide, was genoeglijk

voor mijn hart, en wekte mijne jaloezij

niet meer op. Hij fcheen mij diep getroffen door

het berouw van onze liefde en uwe rust geftoord

ts


' tt ' G E H E V E N . 473

'té hebben; gij zijt het, aan wie liij de meeste

hoogachting op aarde toedraagt, en 'daar hij de

verfchoningen , die hij mij gemaakt heeft, niet

aan u zelf durfde voordragen, heeft hij mij gebeden

dezelve in uwen naam te ontvangen en u daar^

mede genoegen te doen nemen. Ik heb u aangemerkt,

zeide hij mij, als haren vertegenwoordiger,

en heb mij niet te diep konnen vernederen

voor het voorwerp dat zij bemint, daar ik

mij niet aan haar perfooh vervoegen noch Mar

noemen kon zelfs, zonder haar in de waa-lcbaal

re ftellen. Hij erkent gevoelens voor u te heb^

ben opgevat, van welke men zich niet Weêrhouden

kan als men u met te veel oplettendheid

ziet; echter was het meer eene tedere bewondering,

dan wel liefde. Nimmer hebben die

gevoelens hem noch aanfpraak noch hoop op

tivve perfoon ingeboezemd; hij heeft ze allen

Opgeofferd aan de onzen , zoo dra hij daarvan

kennis bekomen had, en het flecht gefprek dat

hem ontvallen is, was een uitvverkfel der punch ±

en niet van jaloersheid. Hij behandelt de liefde

als een Wijsgeer die zijne ziel bovei* dö

hartstochten verheven acht; wat mij betreft, ik

bedrieg mij zeer, zo hij er niet reeds eenige

beeft ondervonden , die het diep wortelen van

andere hartstochten bij hem verhindert. Hij

neemt de kwijning van het hart voor de kracht

der rede^ en ik ben wel verzekerd dat JULIA

:

I. BKKI« § tl


274 B R I E V E N VAN

te beminnen en van haar afcezien niet onder c]e

inenschlijke deugden behoort.

Hij heeft een uitgebreid verflag begeerd van"

de gefchiedenis onzer liefde , en van de oorzaken

die het geluk; van uwen vriend verhinderen ;

ik heb geoordeeld dat, na het fchrijven van uwen

brief, eene gedeeltelijke opening van zaaken gevaarlijk

en onvoegzaam was; ik heb dezelve volkomen

gemaakt, en hij heeft mij gehoord met eene

aandacht die mij van zijne oprechtheid verzekerde.

Meer dan eens heb ik zijne oogen vochtig

en zijne ziel vertederd gezien; boven al nam

ik waar den krachtigen indruk dien alle de overwinningen

der deugd op zijne ziel maakten, en

ik verbeelde mij voor CLAUDIUS ANET eenen

nieuwen bégunftiger gewonnen tc hebben , die

niet minder ijverig zijn zal dan uw vader. Er

zijn , zeide bij tegen mij, in het geen gij mij

verhaald hebt, noch tusfchen beiden komende

gebeurdtenisfen noch zonderlinge voorvallen, en

echter zouden de verrasfehende uitkomsten eener

Roman voor mij veel minder belangwekkende zijn;

zoo zeer vergoeden hier gevoelens het gemis van

merkwaardige omftandigheden, en brave gedragingen

de geruchtmakende bedrijven. Uwe twee zielen

zijn zoo buitengemeen, dat men er niet over oordeelen

kan volgends de gewoone regels; het geluk is

voor ulieden niet langs het zelfde fpoor te vinden

nocb


fwit GELIEVEN.

froch van denzelfden aart als bi] andere menfchen;

zij z.oe en n et anders dan her genot en de aanfchouwing

van elkander, gijlieden behoefc enkel

'het «der gevoel en den vrede. Met uwe liefde

heefc zich een naarijver van deugd gepaard die ulieden

verheft* en g :

j zoudt beiden minder waardij

hebben indien gij elkander niet beminde. Dié

liefde zal overgaan , durfde hij er bij voegen *

(vergeven wij hem deze Godslastering, in de onwetendheid

van zijn hart uitgefproken!) die liefdé

zal overgaan, maar de deugden zullen aanwezig

blijven-. Ach! mochten zij zoo lang als de eerdé

duuren, mijne JULIA! De Hemel zal niets meer

Van ons vorderem

Kortom, ik zie dat de wijsgeerige en Nationa*

le ongevoeligheid bij dezen braven Engelschman

de natuurlijke menfchénliefde niet verbastert, en

dat hij wezenlijk deel neemt in onze ongevallen;

Indien het aanzien en de rijkdommen ons van

nut kondert zijn, geloof ik dat wij reden zouden

hebben van ftaat op herti te maken. Maar,

helaas! wat baat vermogen en geld om de harten

gelukkig te doen zijn?

Dit onderhoud, gedurende het welk wij geene

'«uren telden hield cns bezig tot aan het mid«

dagmaal; ik deed een kuiken opbrengen, en na

het eten gingen wij vdord met pratém Hij

S a fprak


ST$ B R I E V E N VAN

fprak mij over zijnen flap van heden morgen/

en ik kon mij niet weêrhouden van eenige verwondering

te betuigen over een gedrag , dat

zoo voorbeeldig en zoo weinig berekend was:

dan, behalven de reden die hij er mij reeds van

gegeven had, voegde hij er bij, dat eene voldoening

ten halve eenen man van moed niet betaamde;

dat men dezelve volkomen of geheel niet

moest geven; ten einde zich niet te vernederen

zonder iets goed te maken, noch aan de vrees

te doen toelchrijven eenen flap, dien men tegen

zijnen zin en op eene onvoeglijke wijze gedaan

had. Daarenboven, vervolgde hij, mijn goede

naam is gevestigd ,• ik kan rechtvaardig zijn zonder

van lafhartigheid verdacht te worden; maar

gij, die jong zijt en eerst de wereld intreedt,

moet zoo zuiver van uwe eerfte moeilijkheid afkomen,

dat dezelve niemand in verzoeking brenge

van u eene tweede te berokkenen. Men vind

alom een aantal van die behendige lafaarts, die,

gelijk men zegt, hunnen man zoeken te polfen,

dat is, iemand te ontdekken die nog laffer is dan

zij, en ten koste van wien zij zich konnen doen

gelden. Ik wil aan een man van eer, gelijk gij,

de verplichting befparen van een of ander dezer

lieden zonder roem te fbraffen, en indien zij

eene les nodig hebben, wil ik liever dat zij dievan

mij ontvangen dan van u; want een verfchil

te meer fchaad niets aan hem die er reeds meer

ge*


T W E E GELIEVEN. *77

gehad heeft: maar er één gehad te hebben, is

altoos eene foort van vlek, en de minnaar van

JULIA moet daar van bevrijd blijven.

Zie daar eene korte fchets van mijne lange

zamenfpraak met Mijlord EDUARQ. Ik heb nodig

geoordeeld u daarvan verflag te doen, op

dat gij mij voorfchrijft hoe ik mij te gedragen ^

heb jegens hem.

Ondertusfchen, daar gij nu gerust gefield moet

zijn, verban, bezweer ik u , de akelige denkbeelden

waarmede gij zedert eenige dagen bezet zijt.

Denk aan de oplettendheden , die de onzekerheid

van uwen tegenwoordigen ftaat vordert. O !

indien het mooglijk ware dat gij eerlang mijn

aanwezen drievouwig maakte ! Indien eerlang

een geliefkoosd pand ... al te zeer bedrogene

hoop! zoudt gij mij nog komen misleiden? . . .

6 wenfchen! 6 vrees! ó verlegenheid ! Bekoorlijke

vriendin van mijn hart! laat ons leven om

elkander te beminnen, en dat de hemel zorge

voor het overige.

Nafchrift. ; Ik heb vergeten u te zeggen, dat

Mijlord mij uwen brief heeft ter hand geiteld,

en dar ik geene zwarigheid gemaakt heb dien

te ontvangen, dewijl ik oordeelde dat zulk

een fchat niet blijven moest in handen van

genen derden. Bij onze eerfte ontmoeting zal

S 3 ik


a?S B R I E V E N v A H

ik u denzelven terug geven ; want wat mij

betreft, ik heb hem niet meer nodig, Hij i s

al te wel in mijn hart geprent, dan dat ik

denzelven immer zou behoeven te herlezen.

LXÏ. BRIES".

Van JULIA.

Breng morgen Mijlord EDUARD met u, op

dat ik mij aan zijne voeten nederwerpe, gelijk

hij zich aan de uwe gedaan heeft. Welk eene

grootheid! wat edelmoedigheid! O! hoe kleen

zijn wij bij hem! Bewaar dezen onfehatbaren

vriend, gelijk den appel uwer oogen. Misfchiert

zou hij minder waardij hebben zo hij gematigder

was; had een man zonder gebreken ooi?

groote deugden ?

Duizend benaauwdheden van allerleien aart

hadden mij in diepe verslagenheid gedompeld,

dan uw brief is mijnen uitgedoofden moed kamen

opwekken. Door mijne angften te verdrijven,

heeft zij mijne zorgen draaglijker ge-,

maakt. Ik gevoel mij thands fterk genoeg om

te Ifden, Gij leeft, gij bemint mij; uw bloed,

het bloed van uwen vriend is niet geftort, en

uwe eer is behouden; ik. ben dan niet ten e'enesjnaal

rampzalig,

Veis


T W E E G E L I E V E N . 17*

Verzuim niet morgen re komen. Nimmer had

ik eene zoo groote behoefte om u te zien,

noch zoo weinig hoop van u lang te zien.

Vaarwel, nvjn waarde en eenige vriend i Gij

hebt, dunkt mij, niet juist gezegd: laat ons leven

om elkander te beminnen. Ach! gij moest

gezegd hebben: laat ons elkander beminnen om

te leven!

LXII. B R I E F .

Van CLAARTJE aan JULIA,

2 al ik dan altoos, bemïnlijke Nicht! de treurigfte

plichten der vriendfchap jegens u te vervullen

hebben? Zal ik dan fteeds uit den weedom

van mijn eigen hart het uwe moeten bedroeven

door fmartelijke berichten? Helaas! wij

deelen alle onze aandoeningen met elkander-,

dit weet gij, en ik kan u geene nieuwe fmarten

aankondigen, die ik niet reeds gevoeld heb.

Waarom kan ik uw ongeluk niet voor u verbergen

zonder het te vergrooten ? of waarom

bezit de tedere vriendfchap niet zoo veel bekoorlijks

als de liefde? Ach! hoe vaardig zou

ik al het verdriet uitwisfchen dat ik u veroorzaak!

Gister na het Concert, toen uwe moeder aan

den arm van uwen vriend, en gij aan dien van

S 4 den


*8® B R I E V E N VAN-

dan Heer B'ORBE daarvan terug keerde %

bleven onze beide Vaders met Mijlord overftaatkundige

zaken zitten fpreken; een onderwerp

waarvan ik-reeds zoo zeer walge, dat de

verveeling mij naar mijne kamer dreef. Ken

half uur daarna hoorde ik uwen vriend etlijke

malen op eenen vrij hevigen toon bij zijnen

naam aanfpreken; ik bemerkte dat het gefprek

eenen anderen keer genomen had, en luisterde

fcherp toe. Uit het vervolg der zamenfpraak

maakte ik op , dat EDUARD het gewaagd had;

een huuwlijk voorteflaan tusfchen u en uwen

vriend, wien hij ronduit zijnen vriend noemde,

en aanbood in die betrekking eenen gevoeglijken

Hand te bezorgen, Dezen voorflag had uw

vader met verachting van de hand gewezen, en

dit was de oorzaak dat de redevvisfeling heviger

begon te worden. Weet, zeide Mijlord

tegen hem, in weerwil van uwe vooro.ordeelen,

dat hij van alle menfchen het meest harer waar r

dig is, en misfehien h,et meest gefchikt om haar

gelukkig te maken. De Natuur heeft hem bedeeld

met alle die gaven, welke niet-onder het

bereik der menfchen ftaan, en hij heeft aile de

bekwaamheden, die van hem afhangen , daar T

mede gepaard. Hij is jong, groot, welgemaakt,

fterk, gemanierd; hij heeft opvoeding, verftand,

goede zeden, en moed; zijn verftand is befchaafd ,

zijn hart is zuiver: wat ontbreekt hem dus nog,

em. uwe toeftemming te verdienen ? Zijn het


T w K a G E L I E V E N . s&E

middelen? Hij zal die hebben. Het derde deel

van mijn vermogen is genoegzaam om hem

tot den rijkften ingezeten van Walliferidnd te

maken; indien het wezen moet, zal ik er de

helft van afftaan. Is het adeldom? Nietig voorrecht

in een land waar hetzelve meer fchadelijk

dan voordeelig is. Maar boven dien heeft hij

denzelven, zijt das verzekerd, niet met inkt

op oude pergamenten gefchreven , maar met

onuitwischbare trekken in het binnenfte van

zijn hart gegraveerd. Met één woord, indien

gij de rede boven het vooroordeel ftelt, en

uwe dochter meer bemint dan uwen geboorte,

rang, dan zult gij haar aan hem geven.

Hierover maakte zich uw vader geweldig

driftig. Hij behandelde het voorftel als ongerijmd

en befpotlijk, Hoe! Mijlord! zeide hij,

kan een man van eer, gelijk gij, zelfs het denkbeeld

bij zich laten opkomen , dat de laatfte

afftammeling van een luifterrijk gedacht zijnen

naam zoude gaan vernietigen of verlaagen in

dien van een knaap (*) , welke geen t'huiskomen

heeft, en die genoodzaakt is van het

ge.

(*) Quidam, een naam, waarmede men in Frank'

tijk litden van eene duistere afkomst, of die men

yerachten wil, pleeg te betijtelen.

Jant. des V»rt.

S 5


fi8a B R I E V E N T A H

gegevene te leven ? . . . Hou op! viel EDUARQ

hem in , gij fpreekt van mijnen vriend; denk

dat ik mij alle de beledigingen hem in mijne tegenwoordigheid

aangedaan, aantrekke, en dat

hoonende benamingen voor eenen man van eer dit

nog meer zijn voor hem, die ze uitfpreekt. Zulke

knapen zijn achtingswaardiger dan alle de

Hoogheden van Europa, en ik tart u om een

vereerender middel uittedenken ter verheling

van zijnen ftaat, dan de hulde der achting en

de gefchenken der vriendfchap. Indien de fchoonzoon,

dien ik u voorftelle, geene lange reeks

van immer twijfelachtige voorouderen telt, gelijk

gij, hij zal de grondflag en de eer van zijn

huis zijn, gelijk de eerfte uwer voorvaderen die

Van het uwe was. Zoudt gij u dan ook onteerd

gerekend hebben door een verbindtenis met den

itamvader van uw geflacht, en zou deze verachting

niet op u zelf terug vallen ? Hoe veele beroemde

gedachten zouden wederom in de vergetelheid

gedompeld worden, indien men alleenlijk

dezulken waardeerde , die van een achtingswaardig

man hunnen aanvang hebben genomen

V Laat ons uit het tegenwoordige oordeelen

over het verledene; regen twee of drie burgers,

die zich roem verworven door eerlijke middelen

, zijn er duizend fchurken die dag aan dag

hun gefiacht veradelen; en wat zal deze adeldom,

waarop hunne afftammelingen zoo trotsch

zullen zijn, anders bewijzen, dan de dieverijen

en


T W E E G E L I E V E N . aSf

en de eerloosheid van hunnen eerden voorzaat (*)?

Ik erken, men ontmoet ook onder de menfchen

van den burgerftand veele dechte lieden; maar men

kan altoos wel twintig tegen óén wedd-n, dat

een edelman van eenen dcugdniet affbmme. Laten

wij, zo het u gelieft, de afkomst aan hare

plaats, en fchatten wij alleen de verdienste, en

de gedane dienstbewijzen. Gij hebt bij een buireniandsch

vorst de wapenen gedragen, zijn vader

droeg dezelven om niet voor het vaderland. Hebt

gij wel gediend, gij zijt er wel voor betaald

geworden, en welken roem gij ook in den oorlog

verworven moogt hebben, honderd gemeene

lieden hebben dien nog grooter behaald dan gij.

Waarop verheft zich dan, vervolgde Mijlord

EDUARD, die adeldom op welke gij zoo trotsch

zijt? Wat doet zij tot de eer van het vaderland,

of het geluk des menschdoms? Doodlijke

vijandin der wetten en der vrijheid, wat heeft

zij in de meesre landen , waar zij fchitterde ,

poit anders uirgewerkt, dan de fteviging der

ti-

(*) De brieven van adeldom zijn in deze eeuw

zeldzaam , offchoon zij daarin éénmaal ten minfte

beroemd geweest zijn. Maar wat betrefc den adel-

dom welke voor geld verkregen word , en die men

door posten koopt, het meest vereerende dat ik daar

in vinde, is her voorrecht van niet te mpjen wor«

gen opgehangen.


5§4 B R I E V E N VAK

tirannij, en de onderdrukking der volken? Durft

gij in een Gemeenebest uwen roem dragen op

penen ftaat, die de verwoester is der deugden en

der menschlijkheid ? eenen ftaat, waarin men zich

beroemt in de flavernij, en zich fchaamt mensch te

zijn? Lees de jaarboeken van uw vaderland (*J;

in welk geval heeft uwe orde zich bij hetzelve wel

verdiend gemaakt? Welke edelen telt gij onder

deszelfs verlosfers ? Waren de FURSTEN, de

TELLS, de STAUFFACHERS edellieden? Welke

is dan die ijdele roem, waarvan gij zoo veel

cphefs maakt? Het is die van eenen mensch te

dienen, en ten laste van den Staat te zijn.

Verbeeld u, mijne waarde! hoe het mij trof

dezen braven man door zulk eene ongepaste

ftrengheid de belangen van eenen vriend te zien

benadeelen, wien hij dienst doen wilde. Inde.

daad , uw vader verbitterd door zoo veele fteke»

lige en hooncnde, fchoon algemeene, trekken,

begon dezelven terug te kaatfen door perfoonlijke

beledigingen. Hij zeide ronduit tegen Mijlord

EDUARD , dat nimmer een man van zijnen tang

zulke gefprekken had gevoerd als hem zqo even

Qnt-

(*) Hier is veel onnaauwkeurigs. Walliferlani.

heeft nooit een deel van Zwitferland uitgemaakt.

Het is een aangewonnen land van die van Bern,

en deszelfs ingezetenen zijn noch burgers , noc^

yrjje lieden, maar onderdanen.


T W B E GELIEVEN. m

ontvallen waren. Bepleit niet langer vruchtloos

de zaak van een ander, veegde hij er op eenen

bitfen toon bij; zoo groot een heerfchap gij

ook wezen moogt, twijfel ik of gij wel in ftaat

zoudt zijn om uwe eigene zaak te verdedigen

in het geval voorhanden. Gij vraagt mijne

dochter voor uwen gewaanden vriend, zonder

te weten of gij zelve goed voor baar zoudt

zijn, en ik ken den adel van Engeland genoeg-,

om uk uwe gefprekken een middenmatig denkbeeld

van den uwen te vormen.

Waarachtig! zeide Mijlord , wat gij ook

van mij deuken moogt, het zou mij fpijten zo

ik geen ander bewijs van mijne verdienste had,

dan die van eenen man welke zedert vijf honderd

jaaren dood is. Indien gij den Ev.gelfehen

adel kent, weet gij dat dezelve de verlichtfte,

de best ondervvezene, de verftandigfte en braaffte

van geheel Europa is: mee dac al behoef ik

niet te onderzoeken of zij de oudfte van allen

zij; want wanneer men fpreekt van het geen

zij is , komt het niet in aanmei king , wat zij

eens was. Het is waar, wij zijn geene Haven

van den vorst, maar zijne vrienden; geene

tirannen des volks, maar deszelfs hoofden. Waarborgen

der vrijheid , fteunlels van het vaderland,

en onderfchragers van den throon, vormen

wij een onverwrikbaar evenwicht tusfchen

het volk cn den Koning. Onze eerfte plicht

ü


it® B R I E V E N V A N

is jegens de Natie; de tweede betreft hem die

dezelve beftuurt; wij plegen raad, niet met zij­

nen wil, maar met zijn recht. Opperfte bedie­

naars der wetten in de kamer der Pairs C*)i

zomtijds zelfs wetgevers, doen wij gelijklijk recht

aan het Volk en aan den Koning, en gedoogen

niet dat iemand zegge: God en mijn degen (f) i

maar alleen, God en mijn recht-.

Zie daar, mijn Heer! vervolgde hij, wat er

zij van dien eerwaardigen adel, niet minder oud

dan eenige andere , maar veel meer fier op

zijne verdiensten dan cp zijne voorouderen ,

en waar over gij fpreekt, zonder dien te kennen;

Ik ben geenszins de laagfte in rang van dezë

aanzienlijke Orde, en meene, in weêrwil uwer

inbeelding, u in alle opzichten te konnen opwe*

gen. Ik heb eene huwbare zuster: zij is edel 5

jong, beminlijk, rijk, zij zwicht niet voor JU­

LIA dan in die hoedanigheden, welke gij voor

niets acht. Indien iemand, die de bekoorlijkhe­

den van uwe dochter heeft leeren kennen, zijne

oogen en zijn hart op een ander voorwerp vesti­

gen kon , welk eene eer zoude ik het mij rekenen

Voor mijnen fchoonbroeder zonder eenig ver-

(*) Of het Hoogerhuis.

(t) Een oud Ridderlijk Motto.

Aant. des Vert,

mc«


f « f t G E L I E V E N . zZT

Jfiögen hem te ontvangen, dien ik u ten fchoonzoon

aanbiede met de helft van mijn goed.

Ik bemerkte uit het andwoord van uwen vader

, dat deze redewisfeling niet anders deed

dan hem verbitteren , en fchoon doortrokken

van bewondering voor de edelmoedigheid van

Mijlord EDUARD , gevoelde ik dat een zoo weinig

innemend man, als hij, enkel gefchikt was,

om de onderhandeling welke hij begonnen had,

voor altoos te bederven. Ik haastte mij das ora

weer binnen te komen, eer de zaken hooger liepen.

Mijne terugkomst deed dit onderhoud afbieken,

en een oogenblik daarna fcheidde men vrij koeltjens.

Wat mijn vader betreft, ik vond dat hij

zich in dit verfchil zeer wel gedroeg. In den

beginne ondcrfleunde hij het voordel met deelneming;

dan ziende dat uw vader er niet naaf

luisteren wilde , en dat de twist heviger begon

te worden, voegde hij zich, en met reden , aan

de zijde van zijnen fchoonbroeder, en ten gepasten

tijde den eenen zoo wel als den anderen

door bedaarde redenen invallende, hield hij ze

'binnen die palen, welke zij waarfchijnlijk zouden

zijn te buiten gegaan, indien zij alleen bij

elkander gebleven waren. Na hun vertrek zeide

hij mij in vertrouwen, wat er voorgevallen

was , en daar ik voorzag waar hij op komen

wilde, voorkwam ik hem met te zeggen, dat,

daar de zaken nu in dezen ftaat waren, hec

niet


iSS B R I E V E N v A H

ïiiec langer voegde dat de perfoon in verfchU 3

hier zoo dikwijls zag, en dat het zelfs niet wel*

voeglijk zoude zijn dat hij er ooit weder kwam,

indien dit niet eene foort van belediging ware

voor den Heer D'ORBÏ waarvan hij de vriend

was; maar dat ik dezen zou verzoeken, hem

zeldzamer hier te brengen, zoo wel als Mijlord

EDUARD. Dit is het beste, mijne waarde! dat

ik heb konnen doen, om mijn huis niet geheel

voor hen te fluiten.

Er is nog meer. De bedenklijke toeftand )

waarin ik u befchouwe, noodzaakt mij terug te

komen op mijne voorige raadgeving. De zaak

tusfchen Mijlord EDUARD en uwen Vriend heeft

door de ftad al die oplpraak gemaakt, welke

men zich moest voorftellen. Offchoon de Heer

Ü'ORBE het geheim ten aanzien van den grond

des gefehils bewaard hebbe, zijn er al te veel

tekens, die hetzelve aan den dag brengen, dan

dat het onbekend zoude konnen blijven. Men

vermoed, men maakt gisfingen, men noemt u:

het verhaal der nachtwacht is niet zoo volkomen

gefmoord of men herinnert zich hetzelve,

en gij weet dat in het oog van 't algemeen eene

waarheid die men flechts vermoed, bijna eene zekerheid

is. Al wat ik u tot uwe vertroosting

zeggen kan, is dit, dat men over het algemeen

uwe keuze goedkeurt, en met genoegen de verbind

tenis van een zoo bevallig paar zien zoude;

hst


T W E E G E L I E V E N . 289

het geen mij verzekert, dat uw vriend zich hier

te lande wel gedragen heeft, en dat hij er niet

weiniger bemind is dan gij: maar wat doet de ftem

van het algemeen af bij uwen onbeweeglijker»

vader? Alle deze geruchten zijn hem ter oore

gekomen , of zij zullen het ten minfte doen , en ik

beef voor de gevolgen die dit hebben kan, indien

gij u niet haast om zijne gramfchap te voorkomen.

Gij moet u van dien kant eene moeilijkheid

vooiftellen, die verfchriklijk voor u, en misfchïen

verfchriklijker nog voor uwen vriend zal zijn:

niet, dat ik denke, dat hij op zijne jaaren zich

in tweegevecht zoude willen begeven met eenen

jongman, dien hij zijnen degen onwaardig keurt;

maar de invloed dien hij in de ftad heeft, kan

hem duizend middelen verfchaffen om hem, zo

hij wil, eenen kwaden trek te fpelen, en het is

te duchten, dat zijne woedende drift hem daartoe

zal doen neigen.

Op mijne knieën fmeek ïk u, mijne lieve

vriendin l hoed u voor de onheilen die u van rondom

bedreigen, en waarvan het gevaar ieder oogenblik

aangroeit. Een zeldzaam geluk heelt u tot

heden toe te midden van dat alles beveiligd;

druk, terwijl bet nog tijd is, het zegel der voorzichtigheid

op het geheim van uwen minnehandel,

en drijf het fortuin niet tot een uiterfte,

ten einde hetzelve hem niet in uwe ongelukken

wikkele, die ze veroorzaakt zal hebben.

I. DEEL. T Ge-


59° B R I E V E N V A M

Geloófjinij, rniin Engel! de toekomst is onzeker;

du'zend toevallige omftandigheden konr.en,

met den tijd, ongedachte redmiddelen aan de

hard geven; maar voor het tegenwoordige, ik

heb het u gezegd, en ik herhaal het met nog meer

rr.druk : verwijder uwen vriend, of gij zijt verloren.

LXIIL B R I E F .

Van JULIA c.an CLAARTJE.

Juist het geen gij voorzien hadt, is gebeurd,

rrijne waarde! Gister, een uur na orze t'huiskomst,

trad mijn vader in de kamer van mijne

moeder, met vlammende oogen, een opgezet gelast,

met één woord in eenen toelland, zoo als ik

hem nog nooit gezien had. Ik begreep terftond,

dat hij of op het oogenblik moeilijkheden had

gehad, of die bij ons kwam maken, en mijn ontroerd

geweten deed mij reeds bij voorraad beven.

In den beginne haalde hij heftig, fchoon in

het algemeen, zulke huismoeders door, welke

cnvoorzichtiglijk jonge lieden in haren dienst nemen,

zonder rang of aanzien, wier gemeenzame

omgang riet dan vernedering en fchande berokkent

aan haar, die hun gehoor geven. Vervolgends

ziende dat dit niet genoegzaam was om eenig

and-


T W E E G E L I E V E N . aol

Éndwoord te lokken uit den mond eener onthutste

vrouw, heriep hij zich, ten bewijze van zijtl

zeggen, onbewimpeld op het geen in ons huis

was voorgevallen, zedert men daarin toegang gegeven

had aan een zoo genaamd fraai vernuft,

eenen fchoonprater, die beter gefchikt was om

een deugdzaam meisje te verleiden, dan om ha*t

eenig nuttig onderwijs te geven. Mijne m< eder,

die wel zag, dat het zwijgen haar weinig baateri

zoude, vatte hem op dit woord vat verleiding,

en vraagde hem, wat hij toch vond in het gedrag

of in het gerucht van den braven man, door hem

bedoeld, het geen grond gaf tot foortgelijke vermoedens?

Ik had nooit gedacht , voegde zij er

bij , dat verftand en verdienste hoedanigheden

waren, om welke men iemand uit de zamenleving

verbannen moest. Wien zal men dan toch

de verkeering in uw huis toeflaan, indien bekwaamheden"

en goede zeden daarin geencn toegang

vinden? Aan fatfoenlijke lieden, Mevrouw!

hernam hij met drift, ede in ftaat zijn om de eer

van een meisje te herftelien , zo zij die gekwetst

hebben. Neen, zeide zij, maar aan brave liecen,

die dezelve niet fchenden. Weet, zeide hij, dat

men de eer van een huis aanrandt, wanneer men

eene verbindcenis met hetzelve durft voorflaan,

zonder eenige aanfpraak er op te hebben. Wel

verre, hernam mijne moeder, van daarin eene belediging

te vinden, zie ik er integendeel niets andera

in, dan een bewijs van achting. Boven dien is het

T 2 mij


soa B R I E V E N VA N

mij niet bekend dat de man , op wien gij verftoord

zijt, iets van dien aart ten uwen opzichte

gedaan hebbe. Hij heeft al, Mevrouw! en

hij zal het nog erger maken , zo ik het met

verhindere: maar geloof mij vrij, ik zal het oog

wel weten te houden op eenen plicht, dien gij

zoo Hecht vervult.

Toen ontftond er een netelige twist, waaruit

Ik be'peurde dat mijne ouders nog niets wisten

van die ftedelijke geruchten, waarvan gij meldt,

maar gedurende welken echter uwe onwaardige

nicht wel gewenscht had, honderd voeten onder

den grond te zijn. Verbeeld u de beste der moeders,

deerlijk misleid, eene lofrede te hooren

maken op hare fchuidige dochter, en dezelve te

hooren prijzen wegens deugden, helaas! die zij

allen verloren heeft; en dit, in de vereerendfte,

of om het beter uittedrukken, inde vernederendfte

bewoordingen. Verbeeld u eenen verbitterden

vader, die de ééne hoonende uitdrukking op

de andere ftapelt, en die in al zijne drift zich

niet één enkel woord ontvallen laat, welk het

minfte wr.ntrouwen verraad omtrent de bedachtzame

handelwijze van haar, die in zijne tegenwoordigheid

door het zelfsverwijt veifcheurd,

door fchaamte vernietigd werd. O! welk eene

ongelooflijke foltering van een bevlekt geweetcn

is het, zich misdaden te verwijten, waarop

zelfs de drift en de verontwaardiging gten vermoeden


T W E E G E L I E V E N . t*3

den konnen hebben! Welk een verpletterende en

ondraaglijke last is eene onverdiende loftuiting,

en eene achting welke het hart heimlijk afwijst!

Ik gevoelde mij daardoor zoo beklemd,

dat ik, om mij van die wreede kwelling te ontdaan

, gereed ftond om alles te bekennen , indien

mijn vader mij daartoe flechts den tijd verleend

had; maar de hevigheid zijner drift deed hem

dezelfde zaak honderdmaal herhalen , en ieder

oogenblik op iet anders vallen. Hij merkte mijne

laage, verflagene, en vernederde houding, het

teken mijner inwendige wroegingen. Zo hij er

al mijne fchuld niet uit opmaakte, befloot hij er

ten minften uit dat ik beminde, en om mij deswegen

te meer beichaamd te maken, monfterde

hij het voorwerp mijner liefde met zulke haatlijke

en verachtlijke verwen uit, dat ik, in weêrwil

van de fterkfte pogingen, niet in ftaat was

hem te laten voordgaan, zonder hem in de rede

te vallen.

Ik weet neg niet, mijne waarde! hoe ik zoo

ftoutmoedig kwam, en welk een verbijsterend

oogenblik mij plicht en zedigheid zoo verre deed

vergeten; maar, durfde ik voor een oogenblik een

eerbiedig ftilzwijgen afbreken, gij zult zien, dat ik

er ftreng genceg voor boette, in 's Hemels naam,

zeide ik tegen hem, bedaar toch! nooit zal eeu

man, die zoo veele verwijtingen verdient, gevaarlijk

voor mij zijn. Oogenbliklijk viel mijn

vade--, die in deze woorden een verwijt meende

T 3 «•


894 B R I E V E N VAN

te voelen, en wiens woede Hechts naar een gejfcbikt

voorwendfel wachtte, uwe arme vriendin

aan : voor de eerfte maal van mijn leven ontving

ik meer dan éénen flag in het aangezicht, en zijne

drift den teugel vierende met eene hevigheid

even groot ais de mijne, die ze had opgewekt,mishandelde

hij mij zonder eenige verlchoning,

niettegenftaande mijne moeder zich tusfchen beiden

wierp, mij met haar lijf bedekte, en etlijke

Hagen ontving die op mij gemunt waren. In het

terug deinzen om dezelven te ontwijken, trad ik

mis, en viel met mijn aangezicht tegen den voet

van eene tafel, zoo dat ik bloedde.

Hier eindigde de zegepraal der gramfchap, en

die der natuur begon. Mijn val, mijn bloeden,

mijne traanen, en die mijner moeder, vermurwden

hem. Hij richtte mij op in eene verlegene eu

zorgvolle houding, en mij op een ftoel geplaatst

hebbende, onderzochten zij beiden naauwkeurig,

Of ik ook gekwetst was. Ik had niet dan eene lichte

kneuzing aan her voorhoofd, en bloedde alleenlijk

uit dc neus. Ondertusfchen merkte ik uit de

verandering van mijnes vaders ftem en houding

wel, dat het geen hij gedaan had, hem berouwde.

Hij kwam mij juist niet liefkozen , zulk eene

plotslinge verandering dulde de vaderlijke Waardigheid

niet; maar hij haalde mijne moeder aan,

door liefderijk verfchoning te vragen, en uit zijne

oogen die hij fteelswijze naar mij wendde, zag

ik duidiijk, dat dit alles gedeeltelijk ook aan rrij

?e«


T w n K G E L I E V E N . *95

gericht was. Indedaad, mijne waarde! er is geene

verlegenheid zoo aandoenlijk als die van eenen

liefhebbenden vader, welke zich verbeeld onrecht

te hebben gedaan. Het vaderhart gevoelt, dat

het gemaakt is om te vergeven, en niet om ver­

giffenis te moeten vragen.

Het was tijd om het avondmaal te nemen;

men verwijlde dit, ten einde mij tijd te geven

om mij te herftellen, en daar mijn vader de dienst­

boden geene ooggetuigen wilde maken van mij-

ne omfteltenis, ging hij zelf een glas water voor

mij halen, terwijl mijne moeder mij het aangezicht

reinigde. Helaas! die arme moeder! reeds te

vooren kwijnende en zieklijk, mocht zij voor

zulk eene ontmoeting wel bewaard gebleven zijn,

en zij had ruim zoo zeer hulp nodig als ik.

Aan de tafel fprak hij niet tegen mij; maar dit

zwijgen ontftond uit fchaamte en niet uit veront­

waardiging ; hij geliet zich als of hij elke Ichotel,

waarvan hij at, lekker toebereid vond, ten einde

aan mijne moeder te zeggen, dat zij mij daarvan

zoude dienen, en het geen mij het gevoeligst trof,

was dat ik bemerkte, dat hij opzetlijk gelegenhe­

den zocht om mij zijne dochter te noemen, en

geenszins JUI.IA, zoo als gewoonlijk.

Na het avondeten was het weder zoo koud,

dat mijne moeder i» de kamer vuur deed aanleg

e a

T 4 & '


ao6* B R I E V E N V A N

gen. Zij ging in den éénen hoek van den haard

zitten,'en mijn vader in den anderen. Ik kreeg

eene flcel cm mij tusfchen beiden in te plaatfen,

wanneer hij, mij aan mijn kleed vasthoudende en

zonder een woord fprekens naar zich toe trekkende,

mij op zijne knieën zettede. Dit alles

ging zoo vaardig in zijn werk, en met eene zoo

werktuiglijke beweging, dat hij een oogenblik

daarna er in zekeren zin berouw over had. Ondcrtuslchen

zat ik op zijne knieën, hij kon niet meer

terug, en het geen in zijne gefteldheid het ergst

was, hij moest mij in deze moeilijke houding

blijven omarmen. Het een en ander gebeurde

ftilzwijgend; echter voelde ik van tijd tot tijd

zijne armen tegen mijne zijden drukken met eene

zucht, die hij moeite had te verbergen. Eene

zekere valfche fchaamte verhinderde die vaderlijke

armen zich volkomen zaamtefluiten; zekere

ernst die hij niet durfde afleggen, zekere verwarring

die hij niet overwinnen kon, veroorzaakten

tusfchen vader en dochter die bekoorlijke verlegenheid,

welke de zedigheid en de liefde tusfchen

beminnenden doet ontftaan; terwijl eene tederhartige

moeder, van vreugde verrukt, deze aandoenlijke

vertooning in ftilte begluurde. Ik zag,

ik gevoelde dit alles, mijn Engel, en kon de vertederende

aandoening, die mij overmeesterde,

niet langer wederftaan. Ik hield mij als of ik uitgleed;

om mij optehouden, floeg ik den arm om

den hals van mijnen vader; ik liet mijn aangezicht


T w i TE G E L I E V E N . *97

zicht op zijn eerwaardig gelaat nederzinken, en

oogenbliklijk was her van mijne kusfchen overdekt,

en met mijne traanen bevochtigd. Uit de

geenen die zijn oog ontrolden bemerkte ik, dat

hij zelf verlichtenis voelde van eene groote kwel,

ling ; mijne moeder nam deel in onze aandoeningen.

Lieve en vredige onfchuld! gij alleen mangeldet

aan mijn hart, om dit tooneel der natuur

tot het ftreelendst oogenblik mijnes levens te

maken!

Daar de vermoeienis en het gevoel van mijnen

val mij dezen morgen een weinig langer dan anders

het bed deden houden , kwam mijn Vader

in mijne kamer, eer ik nog opgellaan was; hij

plaatfte zich aan mijn bed, en vraagde met tederheid

hoe ik voer; hij nam mijne ééne hand in

beide de zijnen, en vernederde zich zoo verre,

dat hij meermalen dezelve kuste, terwijl hij mij

zijne lieve dochter noemde, en betuigde dat zijne

driftsvervoering hem fpeet. Ik zeide hem hierop,

en dit meen ik, dat ik zeer gelukkig zoude

zijn van tot dien prijs daaglijks (lagen te ontvangen,

en dat geene behandeling zoo ruuw

konde wezen, of eene enkele liefkozing van hem

ontvangen, was in ftaat om dezelve geheel en al

uit mijn hart te wislchen.

Hierop een ernstiger toon aannemende, bracht

hij mij op het gefprek van gister, en gaf mij

T 5 met


5p5 B R I E V E N V A »

met befcheidene maar korte woorden zijnen wil

te kennen. Gij weet, zeide hij mij , voor wien

ik u beftemd heb, dit heb ik u verklaard van het

oogenblik mijner t'huiskomst af, en nimmer zat

ik op dit ftuk van voornemen veranderen. Wac

aangaat den man, over wien Mijlord EDUARD

Blij gefproken heeft, fchoon ik hemde verdienste

niet betwiste, die de geheele wereld hem toefchrijft,

weet ik niet of hij de belagchlijke hoop

van zich met mijn gedacht te verbinden uit zich

zeiven heeft opgevat, dan of een ander hem de»

zelve heeft weten inteboezemen ; maar zijt verzekerd

dat, al had ik niemand in het oog, en al

bezat hij alle de Guinies van Engeland, ik nimmer

zulk eenen fchoonzoon erkennen zal. Ik

verbiede u hem ooit in uw leven weder te zien

en te fpreken, en dat zoo wel tot beveiliging

van het zijne, als om uwe eigene eer. Ik heh

altcos weinig genegenheid voor hem gevoeld,

maar thands haat ik hem, vooral wegens de buiteufporige

ftanpen die hij mij heeft doen begaan,

en ik zal h_m mijne harde behandeling eeuwig

verwijten.

Met deze woorden vertrok hij, zonder mijn

andwoord aftewachten, cn met een gelaat, bijkans

even geftreng, als hij zich een oogenblik te

vcoren verweten had. Ach ! mijne nicht! welke

helfche monsters zijn toch de 'vooroordeelen!

Zij bederven de beste harten, en fmooreu ieder

oogenblik de ftem der natuur,

Zie


T W E E G E L I E V E N . *99

Zie daar, CLAARTJE» den uitftag van die

moeilijkheid welke gij voorzien hadt, en waarvan

ik de oorzaak niet heb konnen begrijpen

dan nadat uw brief mij dezelve ontdekt heeft.

Ik kan u niet recht zeggen welke omwending

er bij mij hebbe plaats gehad, maar zedert

dien tijd voele ik mij geheel veranderd. M.J

dunkt dat ik met meer leedwezen terug zie op

dien gelukkigen tijd, toen ik gerust en wel te vreden

in den fchoot mijner bloedverwanten lee.de,

en d-t ik meer gevoel krijge van mijnen misflag,

naarmate ik meer de genoegens miste, die dezelve

mij deed verliezen. Zeg, wreede! zeg mij indien

gij dm ft, zou dan de tijd der liefde voorbijzijn

en moeten wij elkander niet meer zien?

Ach ' bezeft gij al het treurige , al het ijslijke

van dit noodlottig denkbeeld wel? Intusfchen,

het bevel van mijnen vader is ftrikt, en mijn mmnaar

loopt zeker gevaar! Weet gij, wat bij mij

het uitwerktel is van zoo veele tegenftrijdige en

elkander verdringende aandoeningen? Eene tbort

van verftomping, die mijne ziel bijna gantsch

ongevoelig maakt, en mij zoo min mijne driften

als"mijne rede laat behouden. Het oogenblik is beöenklijk',

gij hebt mij zulks gezegd en ik gevoel

het zelve ; ondertusfehen was ik nooit minder

in ftaat om mij zelf te beftuuren. Twintigmaal

heb ik beproefd om aan mijnen minnaar te fchrij-

•ven; maar bij eiken regel val ik bijkans in fliauv?te,

cn het is mij onmoogiijk er twee aan elkander

te hechten. Niets blijft mij dus overig, dan gij,

mij-


3co B R I E V E N VAN

mijne lieve vriendin ! heb gij de goedheid van voor

mij te denken, te fpreken, en te handelen; ik

flel mijn lot in uwe handen; welk beiluit gij

ook neemt, ik hang vooraf mijn zegel aan hst

geen gij doen zult; ik vertrouw aan uwe vriendfchap

dat noodlottig gezag toe, het geen de

liefde mij zoo duur heeft doen koopen. Scheid

mij voor altoos af van mij zelve, beneem mij

het leven zelfs, indien het nodig is dat ik fierve;

maar noodzaak mij niet, om met eigen hand

mij het hart te doorftooten!

O mijn Engel! mijne befchcrmfter! welk eene

verfchriklijke taak draag ik u op ! Zult gij

moeds genoeg hebben om dezelve uittevoeren?

zult gij er de wreedheid van weten te verzachten.

Helaas! het is niet mijn hart alleen, dat

gij moet van één rijten. CLAARTJE! gij weet,

ja gij weet, hoe ik bemind worde! Ik heb zelfs

die vertroosting niet, dat ik de ongelukkigfte van

ons beiden ben. Dat ik u bidden mag! doe mijn

hart door uwen mond fpreken; dat het teder mededogen

der liefde het uwe doortrekke; vertroost

eenen ongelukkigen! Zeg hem honderdmaal

Ach! zeg hem Gelooft gij niet, lieve vriendin

! in lpijt van alle voorooideelen , van alle beletfelen,

van alle tegenfpoeden, dat de Hemel ons

beiden voor elkander gefchapen heeft ? Ja, ja, ik

ben er van verzekerd; hij beftemde ons om eens

te zamen vereenigd te worden. Het is mij niet

mooglijk dit denkbeeld optegeven, zoo min ajs

de


T W E E G E L I E V E N . 301

de hoop, die daaruit bij mij geboren word. Zeg

hem toch, dat hij zich wachte voor moedloosheid

en wanhoop. Houd u niet op met in

mijnen naam liefde en getrouwheid van hem te

vorderen; en uog minder, met hem dezelven van

mijne zijde te beloven. Hebben wij niet de verzeke