Download het augustusnummer 2012 - LOISWeb

loisweb.nl

Download het augustusnummer 2012 - LOISWeb

Jaargang 15 - nummer 4 - augustus 2012

Stichting

Landelijk

Ondersteuning en

Informatiecentrum

Seniorenbeleidsadvisering

In dit nummer

Welzijn Nieuwe Stijl

Zorg en ondersteuning

Woonservicegebieden

Vijf jaar WMO

Aangepast Vervoer

Basisvoorwaarden

Oudermishandeling

Wijkverpleegkundigen

LOIS

NIEUWSBRIEF


2 LOIS nieuwsbrief

Welzijnswerk had aanvankelijk

een paternalistische instelling

met als doel het volk

te verheffen. In de zestiger

jaren ontstond een democratiseringsideaal.

Het oude

verheffen werd vervangen

door groepsgewijze emanciperen.

Mensen moesten zich

niet langer aanpassen, maar

zich juist bewust worden van

hun eigenheid en bijzonderheid.

Het bijzondere moest

een gewone plek krijgen in

de samenleving. In de jaren

tachtig kwam de traditionele

verzorgingsstaat onder

toenemende politiek-ideologische

druk te staan. Welzijnswerk

zou mensen van

zich afhankelijk maken. Het

aanbod zou de vraag scheppen.

Welzijnswerk kwam in

diskrediet. Er kwam een grotere

nadruk op verantwoording

en registratiesystemen.

Het welzijnswerk kon niet

altijd voldoen aan de hoge

eisen van subsidiegevers en

burgers. Midden jaren tachtig

werd andragogiek, de

welzijnswetenschap bij uit-

WELZIJN

NIEUWE

STIJL

stek, uit het universitair curriculum

geschrapt. De problemen

bleven wel bestaan,

maar welzijnswerk speelde

daar nauwelijks meer een rol

bij. Aan het begin van deze

eeuw zette de welzijnssector

zich met het meerjarige

project Welzijn Versterkt in

om een krachtiger positie te

veroveren. Men wilde laten

zien dat een juiste inzet van

welzijn de samenleving versterkt

en besteedde bijzondere

aandacht aan kwaliteit.

In ‘Welzijn versterkt veiligheid’

werd in samenwerking

met de politie de aanpak

buurtbemiddeling ontwikkeld.

De Wet maatschappelijke ondersteuning

geeft nieuwe impuls

aan welzijnswerk onder

het begrip Welzijn Nieuwe Stijl.

Welzijn nieuwe stijl richt zich op

de doelstellingen van de Wmo:

zelfredzaamheid, participatie,

zorg voor elkaar, sociale

samenhang en bescherming.

Centraal staat daarbij de eigen

kracht van de burgers. In de

Wmo is de burger zelf nadrukkelijk

aan zet. De burger moet

weer bewust worden van zijn

eigen kracht om zelf de problemen

op te lossen. Welzijn

Nieuwe Stijl speelt hierop in

met drie hoofddoelstellingen:

1. Gemeenschappelijker. Gemeenten

hebben een visie op

de doelen die ze met de Wmo

willen bereiken,

op de inzet van

het welzijnswerk

daarbij en de te

bereiken maats

c h a p p e l i j k e

doelen. Deze

zijn vertaald in

een maatschappelijke

agenda,

die tot stand

komt door een

dialoog met maatschappelijke

instellingen en burgers.

2. Professioneler/effectiever.

Aanbieders hebben een welzijnsaanbod

dat is afgestemd

op de visie van de gemeente

en de vraag van de burgers.

Gemeenten sturen maatschappelijke

partners op re-

sultaten en waar mogelijk op

maatschappelijke effecten.

3. Efficiënter (op macro niveau):

In Welzijn Nieuwe Stijl

staan collectieve arrangementen,

vroegtijdig en preventief

ingrijpen en de eigen kracht

van burgers en gemeenschappen

voorop. Meer efficiëntie

ontstaat ook als de aanbieders

van maatschappelijke ondersteuning

en de aanbieders van

zorg meer samenwerken.

Om dit bereiken kenmerkt

Welzijn Nieuwe Stijl zich door

De nieuwsbrief is er voor U en van U.

Als u iets heeft meegemaakt, of een advies heeft uitgebracht,

dat ook voor andere donateurs van belang kan

zijn, dan is het wellicht mogelijk om dat op te nemen in

de Nieuwsbrief. Heeft U dergelijk copy, dan ontvangen

wij die graag van U op ons mailadres.

Stichting.lois@worldonline.nl

een andere aanpak van vraaganalyse,

organisatie, werkwijze

en inzet van de professional.

Vraaganalyse is gericht

op de vraag achter de vraag.

Nadruk ligt niet op het aanbod,

maar op het achterhalen

van de vraag achter de vraag.

Burgers hebben geleerd een

beroep te doen op overheid

LOIS nieuwsbrief

3


4 LOIS nieuwsbrief

en hulpverlenende instanties.

Welzijn Nieuwe Stijl gaat echter

uit van de eigen kracht van

de burger. Dit vraagt een kanteling

in de houding van de

burger, maar vooral ook in de

houding van de hulpverlener.

Welzijn Nieuwe Stijl tracht een

dergelijke organisatie op te

zetten, dat ernstige crisissituaties

worden gesignaleerd.

In kwetsbare wijken kunnen

signaleringsnetwerken worden

opgezet. Daar kunnen

wijkcoaches zinvol werken. Elders

kan worden gedacht aan

vormen van huisbezoek. Probleemsituaties

worden echter

niet gezien als opgave voor de

professional, maar als opgave

van de burgers en de wijk. De

kracht van de professional ligt

er juist in om samen met burgers

te bezien op welke wijze

de burgers zelf de problemen

of klachten kunnen oplossen.

Het gaat de professional om

faciliteren, ondersteunen, interveniëren

en beschermen.

Bekeken wordt, wat mensen

ondanks beperkingen nog wel

kunnen. Oplossingen worden

mede gezien in een doordachte

balans van collectief en individueel.

Met name wijkwerk

samen met de burgers krijgt

veel aandacht.

Problemen van burgers zijn

vaak complex en bewegen

zich op meer gebieden tegelijk.

Welzijn Nieuwe Stijl kenmerkt

zich dan ook door integraal te

werken. Samenwerken tussen

organisaties is dan een voorwaarde.

Nadrukkelijk is de regierol

van de gemeente aan

de orde. De gemeente is als

opdrachtgever en regisseur bij

uitstek geschikt om partijen bij

elkaar te brengen.

Maatwerk dat op de cliënt is

toegesneden vergt een integrale

benadering en verbindingen

tussen vormen van ondersteuning.

Een goede keten en

netwerkaanpak met afspraken

over de coördinatie vraagt van

de professionele ondersteuners

dat zij elkaars competenties

en kerntaken goed kennen

en erkennen.

De aanpak is niet vrijblijvend,

maar resultaatgericht. Er worden

concrete afspraken gemaakt

over de vraag op welke

ondersteuning van professionals

men kan rekenen, wat

daarbij de eigen inzet is en

naar welke resultaten wordt

toegewerkt. De doelen in een

ondersteuningstraject moeten

voor de burger duidelijk, concreet

en haalbaar zijn en zij

moeten niet alleen perspectief

bieden op de langere termijn,

BESTUUR

het bestuur van de stichting is als volgt

samengesteld

L. Springeling voorzitter / redactie

C.P.G. Tilanus secretaris / redactie

E.J. Bosman penningmeester

C. Morssink

bestuurslid / redactie - eindredacteur

B. van Hes 2e secretaris

G. v.d. Meer bestuurslid

I. Gehner- Ellenberger bestuurslid

B. Strookman bestuurslid

S. Limpens bestuurslid

G. Lichtenberg bestuurslid

maar zich ook richten op praktische,

snelle resultaten.

De professional heeft ruimte

nodig om zelfstandig te handelen

op basis van een ruime vrije

beslissingsruimte. Ruimte voor

de professional kan slechts

bestaan wanneer er vooraf

goede afspraken zijn gemaakt

over de te behalen resultaten

en daarover achteraf verantwoording

wordt afgelegd.

Een noodzakelijke voorwaarde

voor het welslagen van Welzijn

Nieuwe Stijl is de verbetering

van de relatie tussen gemeenten

en welzijnsorganisaties.

Daarbij gaat het in de kern om

de wijze waarop gemeenten

afspraken maken met de uitvoerende

instellingen over de

realisatie van beleidsdoelen.

De gemeente zal moeten aangeven,

welke maatschappelijke

problemen moeten worden

aangepakt en waar de prioriteiten

liggen. De gemeente moet

aangeven, welke resultaten zij

verwacht van de uitvoerders.

Het stimuleringsprogramma

Welzijn Nieuwe Stijl richt zich

op de kwaliteit/professionaliteit

van het welzijnswerk en de relatie

tussen de gemeenten en

het welzijnswerk. Het stimuleringsprogramma

richt zich op

de eerste plaats op gemeenten

en welzijnsorganisaties. Het

erkent echter ook dat andere

organisaties zoals zorgaanbieders,

woningbouwcorporaties,

cliëntenorganisaties, sportinstellingen

en verenigingen,

politie, e.d. een belangrijke rol

spelen.

Deze andere organisaties behoren

daarom tot de secundaire

groep van het stimuleringsprogramma.

Iedere gemeente

kan een beroep doen op dit

programma. Hierbij staat samenwerking

en regievoering

voorop.

Bron: Welzijn Nieuwe Stijl, Den Haag,

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn

en Sport, 2010.

LOIS nieuwsbrief

5


6 LOIS nieuwsbrief

ZORG EN

ONDERSTEUNING

IN DE BUURT

Op 14 oktober 2011 heeft de Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport onder bovenstaande

titel een brief gestuurd aan de Tweede Kamer. Volgens

haar moet de zorg en ondersteuning anders

worden ingericht: van curatie naar preventie, van

professionele naar zelf-/mantelzorg, van specialistische/intramurale

zorg naar eenvoudige/extramurale

zorg. Dit vereist een andere organisatie van de

zorg. Voorkomen moet worden, dat een onnodig

beroep op de zorg wordt gedaan.

Zij schetst daarbij een piramide.

De basis van deze piramide

(‘nuldelijn’) wordt gevormd

door laagtoegankelijke welzijns-

en gezondheidsvoorzieningen

in de wijk. Hier kunnen

gezondheidsproblemen vroeg

worden gesignaleerd en kan

worden voorkomen dat het

(zwaardere) zorgvragen worden.

Hulpverleners moeten

naar de mensen toe gaan. De

wijkverpleegkundige kan daar

een belangrijke rol in spelen.

Tussen basis en top van de

piramide zien we de niet-com-

plexe zorg en ondersteuning

‘eerstelijn’ die geleverd kan

worden door een scale aan

zorg- en hulpverleners. Integrale,

multidisciplinaire zorgverlening

is daarbij het uitgangspunt.

Zelfmanagement

– vooral bij chronische zieken

– is hierbij een belangrijk aspect.

De top van de piramide ‘tweede

en derdelijn’ wordt gevormd

door de complexere medisch

specialistische zorg en de gespecialiseerde

verzorging zo-

als in verpleeghuizen en centra

voor gedwongen opname

in de GGZ.

Inzet van vernieuwende initiatieven

zoals E-health – inzet

van ICT, internet en mobiele

technologie – kan de samenhang

tussen de verschillende

niveaus van zorg en ondersteuning

versterken.

Het is van belang dat de basis

wordt versterkt. Het gaat dan

ondermeer om een veilige en

gezonde leefomgeving. Mensen

beslissen zelf over hun

leefstijl en maken de hele dag

keuzes. Het kabinet wil niet

voorschrijven hoe mensen hun

leven moeten leiden, maar

vindt het wel van belang dat de

gezonde keuzes gemakkelijke

toegankelijk zijn. Ook een toegankelijk

en kwalitatief hoogstaand

zorgaanbod waar mensen

met vragen en problemen

terecht kunnen is essentieel.

De komende jaren zal het kabinet

meer investeren in sport-

en beweegmogelijkheden in

de buurt. Ook gaan we kijken

welke belemmeringen moeten

worden opgeheven om samenwerking

tussen sportclubs,

sportaccommodaties, scholen,

buitenschoolse opvang en de

zorg te bevorderen. Dit wordt

geconcretiseerd in het programma

Sport en bewegen in

de buurt.

Uitgangspunt is eigen verantwoordelijkheid

van mensen

om problemen zelf op te lossen.

Zij moeten daarin ondersteund

worden door de

gemeente. Gemeenten hebben

een belangrijke rol bij de

maatschappelijke participatie

en zelfredzaamheid van mensen

die daarbij problemen ondervinden.

Een goede gezondheid

draagt bij aan het kunnen

meedoen aan de samenleving,

maar medoen in de samenleving

bevordert ook de gezondheid.

Gemeenten moeten de

eigen kracht van mensen en

het betrekken vaan het sociale

netwerk stimuleren.

Zij moeten meer samenhang

kunnen aanbrengen tussen de

verschillende gemeentelijke

domeinen (wonen, werken,

sport, welzijn, thuiszorg en ondersteuning)

en zorgen voor

samenhang tussen zorg en

ondersteuning.

De regering wil bevorderen

dat gezondheidsrisico’s tijdig

worden gesignaleerd en effectieve

maatregelen worden

LOIS nieuwsbrief

7


LOIS nieuwsbrief

8

toegepast. Hier ligt een taak

voor voorzieningen op lokaal

niveau. Ook kan de huisarts

meder aandacht besteden aan

preventie en gezond gedrag.

Daarmee kunnen mensen hun

eigen afwegingen maken en

beter regie voeren over hun eigen

gezondheid. Herkenbare

en toegankelijke (zorg)voorzieningen

in de buurt kunnen

hieraan bijdragen.

In grootschalige nieuwbouwwijken

moeten centra voor diagnostiek

en eerstelijn aanwezig

zijn. In de aanloopfase stelt

de regering compensatie beschikbaar.

Via e-health zoals

zelfzorginformatie, zelftests

en zelfhulpmodules – kunnen

mensen meer regie voeren

over hun eigen gezondheid.

Zorg en preventie moeten

beter worden afgestemd. Gemeentes

kunnen zoeken naar

efficiënte combinaties en multifunctioneel

gebruik van voorzieningen.

Zij kunnen zorgverleners

betrekken bij de bouw

van wijkcentra, bibliotheken of

scholen. Gemeenten kunnen

in hun woonvisies rekening

houden met voorzieningen

voor zorg en ondersteuning en

met voorzieningen voor sport

en bewegen.

Mensen hebben zorg- en hulpverleners

nodig die elkaar kennen,

samenwerken en van elkaar

weten wat ze doen. Die

op hun beurt weer goed samenwerken

met gemeenten

en zorgverzekeraars. Zeker de

groep ouderen loopt het risico

op afhankelijkheid van meer

zorgaanbieders en professionals.

De samenwerking tussen

de eerstelijn, de thuiszorg,

specialisten ouderengeneeskunde

en gemeenten moet

veel beter. De eerstelijnszorg

bestaat nog grotendeels uit relatief

kleine zelfstandigen met

een te individuele oriëntatie.

Ook zijn gezondheidscentra

vaak niet meer dan puur en alleen

verzamelgebouwen.

Bij de samenwerking tussen

de verschillende zorg- en

hulpverleners in de eerstelijn

speelt de wijkverpleegkundige

een belangrijke rol en dat

moet blijven. De inzet van de

wijkverpleegkundige is zeer

veelzijdig. De wijkverpleegkundige

vormt de schakel

tussen de burger, zijn of haar

familie (mantelzorg) en de verschillende

professionals. De

wijkverpleegkundige zorgt op

eigen inzicht voor contact leggen,

signaleren en doorverwij-

zen naast preventie en directe

zorgverlening. Soms is de

wijkverpleegkundige bevoegd

zelf een indicatie te stellen.

Het realiseren van betere zorg

en ondersteuning in de buurt

is een taak van velen. Patiënten/cliënten

hebben een eigen

verantwoordelijkheid voor hun

Colofon

De nieuwsbrief is een uitgave van

de Stichting Landelijk Ondersteuning

en Informatiecentrum Seniorenbeleidsadvisering.

De donateurs mogen – mits met vermelding

– de Nieuwsbrief kopiëren voor hun leden en

anderen belangstellenden.

Aan deze Nieuwsbrief werkten mee: K. Tilanus,

C. Morssink, SEV advies Rotterdam mrt

2012, Brief v/d Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport aan de Voorzitter van

de Tweede Kamer d.d. 14 oktober 2010, CZ/

EKZ-3086843, Senioren Raad Arnhem, H.

van Borselen, Nieuwsbrief Landelijk Contact

Gemeentelijk Welzijnsbeleid 27 maart 2012,

Welzijn Nieuwe Stijl Den Haag, Ministerie van

Volksgezondheid, Welzijn en Sport in samenwerking

met de VNG. Movisie Utrecht.

Lay Out Piet Haring

Webmaster J.A. van Vliet

adres Seringenlaan 22, 3442 HK Woerden

telefoon 0348 - 415995

e-mail stichting.lois@worldonline.nl

website www.loisweb.nl

gezondheid en voor de zorg

en ondersteuning die ze daarbij

zoeken. Zorg- en hulpverleners

moeten onderling goed

afstemmen en samenwerken.

En krachtige organisatie van

de zorg en ondersteuning

in de buurt is cruciaal. Zorgverzekeraars

spelen een belangrijke

rol bij de organisatie

van de gezondheidszorg. Gemeenten

spelen een grote rol

bij de vormgeving van zorg in

de buurt. Gemeenten hebben

een regierol op het terrein van

wonen, welzijn en zorg.

Door meer voorzieningen onder

één dak te brengen en

faciliteiten te delen wordt de

samenwerking bevorderd. Gemeenten

zijn verantwoordelijk

voor het lokaal gezondheidsbeleid.

Zij dragen bij aan een

betere verbinding tussen de

publieke gezondheid en de

curatieve zorg. Zij hebben een

taak met betrekking tot preventieve

ouderenzorg. Het is

goed dit beleid af te stemmen

op het Wmo-beleid.

Bron:

Zorg en ondersteuning in de buurt, brief

van de Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport aan de voorzitter van

de Tweede Kamer d.d. 14 oktober 2010,

CZ/EKZ – 3086843.

LOIS nieuwsbrief

9


10 LOIS nieuwsbrief

WOONSERVICEGEBIEDEN

Wat is een wijkservicegebied?

De vergrijzing neemt toe en daarmee de behoefte aan zorg. Toch willen

mensen zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen met behoud

van regie over hun eigen leven en de kwaliteit daarvan. Tevens is het

beleid gericht op extramuralisering, d.w.z. zorg buiten verzorgings- of

verpleeghuis om. Dat vraagt een samenhangende organisatie van

wonen, zorg en welzijn. Het woonservicegebied lijkt veel kansen te

bieden om deze samenhang te realiseren. Een volwaardig woonservicegebied

omvat 10.000 – 15.000 inwoners. “In een woonservicegebied

zijn wonen, zorg en welzijn zo georganiseerd dat ouderen en

mensen met een beperking lang zelfstandig kunnen blijven wonen,

met een goede kwaliteit van leven, zonder in een isolement te raken.

Diverse partijen zorgen gezamenlijk voor een gebiedsgericht aanbod

van fysieke en sociale voorzieningen op het gebied van wonen, zorg

en welzijn” (SEV).

We kennen in Nederland drie

soorten woonservicegebieden:

1. Een zonaal gericht gebied,

d.w.z. een gebied van 200 – 300

meter rond een zorgcentrum,

waar vanuit het zorgcentrum diensten

en zorg worden geleverd;

2. Een woonservicegebied volgens

het STAGG-senario. Dit

wordt gekenmerkt door:

Een multifunctioneel wijkcentrum

waar men terecht kan voor informatie

en diensten, maar van

waaruit ook diensten worden geleverd

in een straal van 200 meter;

Een aanbod van voldoende levensloopbestendige

woningen en

beschermde en verzorgde woonvormen

rond het centrum;

Barrièrevrije looproutes naar het

multifunctionele centrum.

3. Een netwerkmodel. Hier ligt

minder de nadruk op de woningen

als op een samenhangend

aanbod van zorg- en welzijnsdiensten.

Veelal werkt hier een

coördinerende functionaris, die

inzicht verwerft in de wijk en met

de betreffende bewoners nagaat

waar men behoefte aan heeft.

De SEV (Stichting Experimenten

Volkshuisvesting) heeft een experimenteel

onderzoek gedaan

naar opzet, functioneren en effecten

van woonservicegebieden.

Een woonservicegebied wordt

volgens de SEV gekenmerkt door

een intensief samenspel van zowel

ruimtelijke als sociale omgeving.

Om het collectieve aanbod

aan voorzieningen, diensten en

vastgoed te waarborgen en samenspel

tussen zorg en welzijn

mogelijk te maken is een sterke

regie vanuit de gemeente vereist.

Dit is geen eenvoudige taak

en vraagt veel van de gemeente.

De gemeente overlegt met teammanagers,

bepaalt de kaders

voor de samenwerking en regelt

subsidiëring. Onder stimulering

van de gemeente moeten ook de

partners van zorg, wonen en welzijn

tot een goede samenwerking

komen.

Volgens de SEV kent een wijkservicegebied

de volgende bouwstenen:

1. Een passend woningaanbod.

Er dreigt in de toekomst een tekort

aan geschikte, aangepaste

woningen.

2. Een infrastructuur met een

woonzorgcentrum en bij voorkeur

kleinschalige ontmoetingscentra.

3. Inzet van cliëntenadviseurs

als schakel tussen professionele

zorg en mantelzorg.

4. Integrale wijkzorgteam. De leden

van dit team organiseren alle

zorg voor cliënten in een bepaald

gebied. Dit vraagt vergaande sa-

menwerking tussen de verschillende

partners.

5. Een wijkdienstenteam.

6. Samenspel met burgers en

burgerinitiatieven.

Het is niet zonder meer noodzakelijk,

dat al deze bouwstenen

direct beschikbaar zijn. In de

gebieden, waar de SEV het onderzoek

hield, zijn de volgende

voorzieningen overal aanwezig:

geschikte huurwoningen; aangepaste

woonzorgvormen; veilige

en leefbare woonomgeving;

wijkservicevoorziening; informatiepunt;

thuiszorg op afroep; activiteitenaanbod;

diensten aan

huis; vervoersdiensten; vrijwilligerscentrale

en ondersteuning

mantelzorg. De volgende voorzieningen

waren minder aanwezig:

geschiktheid koopwoningen;

gecoördineerd wijkzorgteam; integrale

samenwerking wijkzorg

en eerstelijnszorg, gezondheidsvoorziening

en professionele cliëntadviseur.

Passend

woningaanbod

De SEV heeft een model ontwikkeld

om na te gaan, wat voor soort

woningen in een wijk noodzakelijk

zijn. Dit model inventariseert

het aanwezige aantal mensen

met een lichte, matige of zware

mobiliteitsbeperking en doet een

prognose m.b.t. de toekomstige

LOIS nieuwsbrief

11


LOIS nieuwsbrief

12

ontwikkeling. Voor elk van deze

categorieën wordt nagegaan,

aan welke eisen een woning

moet voldoen. Tenslotte worden

de aanwezige woningen geanalyseerd.

Uit dit model kan dan een

plan voor de toekomst worden

ontwikkeld zowel voor aanpassingen

als voor nieuwbouw. Deze

methode is met name goed bruikbaar

m.b.t. huurwoningen.

Om langer zelfstandig wonen

in de eigen woning mogelijk te

maken, zijn ook woningaanpassingen

nodig in de particuliere

woningvoorraad. Daar blijkt het

model minder goed te werken.

Eigenaar-bewoners blijken over

het algemeen niet erg geneigd te

zijn gemiddeld een bedrag van

€ 20.000 te investeren in het levensloopbestendig

maken van

hun woning. Hiervoor is het wenselijk

een goede voorlichtingscampagne

te organiseren om senioren

bewust te maken van de

mogelijkheden en eigen verantwoordelijkheid

voor woningaanpassingen.

De gemeente kan ook

behulpzaam zijn met advies en

het beschikbaar stellen van een

subsidie of aantrekkelijke lening.

Multifunctioneel

dienstencentrum

Een multifunctioneel dienstencentrum

is een gebouw met meerdere

aanbieders en gebruikers uit de

sectoren welzijn, zorg en wonen.

Soms kan men daar ook terecht

voor sport of onderwijs. Door de

gemeenschappelijke huisvesting

drukt men de kosten. Tevens kan

men een beter en aantrekkelijker

aanbod tot stand brengen. Dit

aanbod omvat veelal informatie,

ontmoeting, ontspanning, educatie,

zorg, diensten en horeca. Het

vraagt een krachtig beheer en

een bewuste programmering.

Op een aantal plaatsen functioneert

een dergelijk centrum heel

goed. Op andere plaatsen blijft

het aantal gebruikers beneden

de verwachting. Vaak hebben ze

concurrentie van andere voorzieningen

in de buurt. Het is de

vraag of de nieuwe generatie

vitale ouderen voldoende wordt

bereikt. De SEV adviseert onder

meer:

Zoek aansluiting bij gangbare

commerciële instellingen in de

buurt, zoals supermarkt, pinautomaat

en gezondheidscentrum;

Ga na onder welke voorwaarden

het verenigingsleven gebruik

wenst te maken van de voorziening;

Maak gerichte programmering

voor uiteenlopende doelgroepen

en niet alleen voor zorgbehoevende

ouderen.

Bouw minder grootschalig en

voorkom overdimensie. Een strategie

met meerdere, kleinschalige

accommodaties lijkt minder

risico’s te geven.

Zoek een mix van commerciële

en niet-commerciële functies en

vraag een reële bijdrage van de

bezoekers.

Cliëntenadviseur

In een woonservicegebied is een

diversiteit aan organisaties en

personen betrokken bij wonen,

zorg en welzijn. Dit betreft professionals,

maar ook vrijwilligers,

mantelzorgers of buren. Hierdoor

kunnen zowel lacunes als overaanbod

ontstaan. Mantelzorgers

kunnen overbelast raken. Een

functie als adviseur is in een

woonservicegebied onmisbaar

om de zorgvraag goed in kaart te

brengen en te beantwoorden. De

LOIS nieuwsbrief

13


LOIS nieuwsbrief

14

adviseurs vangen door hun contacten

met zorgverleners en particulieren

signalen op en nemen

uit eigen beweging contact op.

Ze bemiddelen naar bij voorkeur

informele zorg, maar ook naar de

wijkverpleegkundige of andere

formele zorg. De SEV adviseert

de adviseur een rol te laten spelen

bij wmo-indicaties. Dit is goed

in te passen in het kantelingsproces.

Integrale

wijkzorgteams

Op het schaalniveau van een

woonservicegebied is het mogelijk

een zorgteam te organiseren,

dat beter en gerichter kan inspelen

op de vraag van de cliënt en

zijn netwerk. Integrale wijkzorg

omvat een volledig pakket van

alle extramurale zorgfuncties, die

dag en nacht geleverd worden.

Voor de nachtservice kan zo mogelijk

gebruik worden gemaakt

van een ICT-functie. Voor een

woonservicegebied zijn echter de

nachtzorg en de 24-uurszorg op

afroep de meest kwetsbare elementen.

Alle wijkbewoners met een zorg-

en dienstenvraag moeten bij het

team terecht kunnen en daadwerkelijk

worden geholpen. Het

team biedt een compleet pakket

wijkzorg aan en regelt bovenwijkse

zorg. In het team functioneert

een onafhankelijk cliëntenondersteuner/adviseur

die kan

schakelen met mantelzorg en

burenhulp. Voor cliënten met een

complexe zorgvraag zet het team

een netwerk op met gespecialiseerde

hulpverleners. Het team

mag geen monopolie hebben. De

klanten houden zoveel mogelijk

keuzevrijheid in te leveren zorgdiensten

en kunnen hun voorkeur

voor bepaalde hulpverleners,

eventueel van buiten het zorgteam,

gerealiseerd zien.

Wijkzorg zou voor zelfstandig wonende

inwoners in woonservicegebieden

dezelfde zorggaranties

moeten bieden als bij geclusterd

wonen in een woon-zorgcomplex.

Door coördinatie van zorg en welzijn

op wijkniveau krijgen zorgverleners

meer inzicht in de sociale

omgeving van bewoners. Zij

kunnen beter ondersteunen bij de

inzet van mantelzorg, burenhulp

en vrijwilligers. Zij zijn integraal

verantwoordelijk voor cliënten en

kunnen beter tegemoet komen

aan de behoefte van bewoners.

Het tot stand komen van wijkzorgteams

stuit vaak enerzijds

op de financiering en anderzijds

op het gebrek aan ervaring. In de

financiering spelen marktwerking

en concurrentie vaak een te grote

rol. Gemeenten zullen bij voorkeur

in hun taak m.b.t. de Wmo

moeten aansturen op wijkzorgteams

door bijvoorbeeld integrale

financiering en de regie op zich te

nemen. De gemeente kan sturen

door het maken van prestatieafspraken.

In deze samenhang

kan ook preventie een grotere rol

spelen, mede door inzet van de

genoemde cliëntenadviseur.

Diensten aan huis

Wijkdiensten bestaan uit persoonlijke

dienstverlening aan

huis, van tuinonderhoud en klusjes

tot begeleiding bij boodschappen

doen. Het dienstenaanbod

moet betaalbaar zijn voor minima

en een aanvulling vormen op het

commerciële aanbod. Men onderscheidt

vier organisatievormen:

1. Wijkdiensten met inzet van vrijwilligers.

2. Wijkdiensten als onderdeel van

wijkzorg. In enkele gemeenten

worden mensen vanuit de sociale

werkvoorziening in dienst genomen

van de wijkdiensten.

3. Wijkdiensten als sociale werkvoorziening.

Het gaat hier om een

eigen organisatie.

4. Wijkdiensten op commerciële

basis

Diensten aan huis zijn voor veel

ouderen en mensen met beperkingen

een belangrijk onderdeel

van de hulp die zij willen ontvangen.

De wijkdiensten worden

door klanten hoog gewaardeerd

en vullen de lacune op tussen

informele hulp en professionele

zorg. Veel mensen betalen graag

ook wat voor de diensten die zij

nodig hebben, zodat zij zich niet

bij een ander in het krijt voelen

staan. Het kunnen afnemen van

zulke diensten is een reden om

zelfstandig te blijven wonen.

Ook al geeft men graag een beperkte

bijdrage voor de dienst, in

het algemeen kunnen wijkdiensten

zichzelf niet bedruipen. Een

en ander hangt af van de wijze

waarop het wordt georganiseerd,

maar doorgaans heeft men mede

omwille van de overhead een

draagvlak nodig van 20.000 –

25.000 inwoners en overstijgt het

de omvang van een enkel woonservicegebied.

Effecten

Ouderen in woonservicegebieden

blijken langer zelfstandig te

blijven wonen. Zij verwachten

een bepaalde ‘zekerheid’ dat men

als het nodig is de noodzakelijke

hulp en zorg zal krijgen. Welzijn

en sociale contacten blijken van

essentieel belang. Men is beter

in staat de regie over eigen leven

te behouden. Men bedenkt ook

gemakkelijker oplossingen als

vanwege ouderdom beperkingen

zich opdringen. Men is ook graag

bereid iets bij te dragen als men

hulp of diensten inroept. Woonservicegebieden

leveren een bijdrage

aan het langer zelfstandig

wonen van ouderen.

Bron: Woonservicegebieden klaar voor

de volgende ronde; SEV-advies, Rotterdam,

maart 2012.

LOIS nieuwsbrief

15


LOIS nieuwsbrief

16

VIJF JAAR WET

MAATSCHAPPELIJKE

ONDERSTEUNING

De Wet maatschappelijke

ondersteuning bestaat

nu vijf jaar. Dit was reden

voor het Landelijk Contact

Gemeentelijk Welzijnsbeleid

om eens op een rijtje

te zetten, wat er volgens

hen in deze vijf jaar is veranderd.

De invoering van

de wet ging niet zonder

problemen. In eerste instantie

hebben gemeenten

de huishoudelijke hulp

aanbesteed. Dat ging niet

zonder problemen. Er waren

veel onduidelijkheden

over de inhoud, organisatie,

financiering en aanbesteding.

Gemeenten werden

vaak verweten dat

ze er primair op uit waren

om de hulp zo goedkoop

mogelijk te krijgen en de

kwaliteit van het werk niet

op de eerste plaats kwam.

In feite werd de hulp door-

gaans aanbesteed aan

grote regionale instellingen

voor thuiszorg. De

kosten voor organisatie,

staf en management zijn

hoog. Als tegenwicht ontstond

“Buurtzorg”, een instelling

die nadruk legt op

kleinschalig werken met

een minimum aan bureaucratie.

Veel verantwoordelijkheid

werd gegeven aan

de werkers zelf.

Kort na de start van de Wmo

werd “Welzijn nieuwe stijl” geïntroduceerd.

Hierbij staat niet

het aanbod, maar de vraag

centraal. Aandacht kwam

ook voor de “vraag achter de

vraag”. Juist bij het vraaggericht

werken is de actieve betrokkenheid

in de vorm van

participatie en medezeggenschap

van burgers en cliënten

van belang. Een en ander

vindt onder meer uitdrukking in

het begrip “kanteling”. Nadruk

wordt gelegd op het stimuleren

van zelfzorg, informele

zorg, mantelzorg en vrijwilligerswerk.

Gemeenten moeten

deze vormen van inzet van

burgers waarderen en ondersteunen,

maar tegelijk oog

hebben voor de grenzen van

de mogelijkheden en burgers

niet overbelasten.

Er wordt meer nadruk gelegd

op de leefbaarheid van dorpen

en wijken. Hulpverlenende en

ondersteunende organisaties

gaan meer met elkaar samenwerken

in de wijk. Samenwerking

ontstaat ook in breder

verbad, bijvoorbeeld met instanties

op het gebied van gezondheid

en woningbouw. Er

ontstaan zo vormen van wijkopbouw,

waarbij de burgers in

de wijk meer worden betrokken.

In dorpen krijgt dit vaan

vorm in een soort zelfbeheer.

Er worden visies ontwikkeld

Ter overdenking

over de toekomst van de gemeenschap.

Men krijgt van de

gemeente budgetten voor sociale

en culturele activiteiten. De

dorpsvisies zijn vaak de basis

voor een gemeenschappelijke

aanpak van de dorpen en de

gemeente voor de verbetering

van de woon- en leefsituatie

aldaar. Dit vraagt veel van de

regiefunctie van de gemeente.

Deze ontwikkeling houdt na

vijf jaar natuurlijk niet op. In de

volgende jaren komen steeds

meer taken bij de gemeente te

liggen. Het Landelijk Contact

Gemeentelijk Welzijnsbeleid

vraagt zich af, of de gemeenten

wel voldoende toegerust

zijn om deze taken op zich te

nemen en sturing te geven

aan dit proces.

Bron: H. van Borselen, De Wet maatschappelijke

ondersteuning komt na vijf

jaar op stoom, in: Nieuwsbrief Landelijk

Contact Gemeentelijk Welzijnsbeleid. 27

maart 2012.

Onafhankelijkheid.

Hoe is onze relatie met het College?

Zijn we echt onafhankelijk?

Volgen we het beleid positief kritisch?

Worden we tijdig ingeschakeld?

Geven we ook ongevraagde adviezen?

Worden onze adviezen integraal doorgestuurd naar de Gemeenteraad?

Wordt er echt iets mee gedaan?

Hebben we contacten met de fracties?

LOIS nieuwsbrief

17


18 LOIS nieuwsbrief

AANGEPAST VERVOER

Er ligt een wetsvoorstel om de functie van begeleiding over te

hevelen van de AWBZ naar de gemeenten. Deze wet is weliswaar

controversieel verklaard, maar de gemeenten moeten

er serieus rekening mee houden, dat – mogelijk wat later – de

wet, mogelijk in een iets gewijzigde vorm, toch van kracht

wordt. In ieder geval heeft de staatssecretaris besloten haar

handtekening onder de huidige wet te zetten.

Binnen de huidige wet kan een cliënt geïndiceerd worden voor

dagbesteding. Als betrokkene om medische redenen niet in

staat is zelf naar de zorgaanbieder te gaan, wordt ook een indicatie

gegeven voor vervoer. Dit geldt voor het overgrote deel

van de geïndiceerde ouderen. Vaak wordt het vervoer dan

geregeld via (rolstoel)taxibusjes. Het aantal kwetsbare ouderen

stijgt en daarmee ook de behoefte aan doelgroepenvervoer.

Gemeenten kunnen dit vervoer niet onverkort handhaven,

daar bij de overheveling van deze functie gemeenten worden

geconfronteerd met efficiëntiekorting. De landelijk gemiddelde

kosten voor ouderen zijn ongeveer € 16,-- per dag. Vaak vindt

er echter nog een nacalculatie plaats, die niet in dit bedrag is

begrepen.

Gemeenten hebben onder meer de volgende mogelijkheden

om op dit bedrag te bezuinigen:

De dagbesteding zo dicht mogelijk bij de woonplaats te organiseren;

In overleg met de cliënt een dagbesteding zoeken die dicht bij

het woonadres ligt;

Zo mogelijk uitgaan van groepsvervoer en vervoer koppelen

aan andere vormen van groepsvervoer;

Intergemeentelijke samenwerking.

Deze vormen van bezuinigen mogen natuurlijk niet ten koste

gaan van de behoeften en het welzijn van de cliënten.

Bron: Factsheet decentralisatie AWBZ-vervoer, Den Haag, Ministerie van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport in samenwerking met de VNG, 2012.

BASISVOORWAARDEN

De seniorenraad van Arnhem

heeft een aantal ‘basisvoorwaarden’

geformuleerd. Deze

zouden ook kunnen worden

gezien als uitgangspunten van

haar activiteiten. We laten ze

hier volgen:

1. Activiteien worden gestimuleerd

om ouderen zo lang

mogelijk gezond en fit te laten

zijn;

2. Ouderen worden in staat

gesteld om – zolang ze dat

kunnen – een actieve bijdrage

te leveren aan de samenleving

en daar volop aan deel te kunnen

nemen, in rechten maar

ook in plichten;

3. Arbeidsparticipatie van oudere

werknemers moet omhoog

en leeftijdsdiscriminatie

dient in alle opzichten te verdwijnen;

4. Vrijwilligerswerk en mantelzorg

zijn essentiële bijdragen

aan de samenleving. Participeren

is ook meepraten en nemen

van initiatieven;

5. Ouderen zijn financieel voldoende

toegerust om een zelfstandig

leven te kunnen blij-

ven leven, ook als arbeid geen

bron van inkomsten meer is;

6. Ouderen kunnen beschikken

over adequate woonvoorzieningen,

afgestemd op hun

individuele behoeften en ondersteund

door zorgvoorzieningen

op maat;

7. Ouderen kunnen zich ook in

fysieke zin vrijelijk en veilig en

zo lang mogelijk bewegen in de

leefomgeving waarvan zij deel

uitmaken. De toegankelijkheid

van vervoer moet de komende

jaren zoveel mogelijk worden

verbeterd;

8. Ouderen, die als gevolg

van gezondheidsproblemen

– bijvoorbeeld als gevolg van

psychogeriatrische aandoeningen

– kwetsbaar zijn, zijn

verzekerd van voldoende en

kwalitatieve zorg, ook als hun

aantal door vergrijzing sterk

toeneemt. Kwaliteitsontwikkeling

in de ouderenzorg verdient

specifieke aandacht;

9. Er moet voor ouderen ruimte

komen om waardig te sterven.

Bron: folder van seniorenraad Arnhem.

LOIS nieuwsbrief

19


LOIS nieuwsbrief

20

OUDERENMISHANDELING

Melding van ouderenmishandeling

geeft doorgaans maar een

topje van de ijsberg weer. Er

vindt veel meer ouderenmishandeling

plaats dan er wordt gemeld.

Er komt een wet met een

meldcode huiselijk geweld en

kindermishandeling. Misschien

draagt dat ertoe bij, dat meer

ouderenmishandeling

wordt ge-

meld. We moeten

echter nu reeds

constateren, dat

er de laatste jaren

steeds meer ouderenmishandeling

wordt gemeld.

In het jaar 2011

zijn 994 meldingen

geregistreerd

tegenover 855

in 2010 (stijging

van 16%). Niet

duidelijk is, of er

meer sprake is

van ouderenmishandeling

of van

meer meldingen

of – meest waarschijnlijk

– van

beide. Vrouwen

zijn vaker slachtoffer

van ouderenmishandeling

dan mannen. In de meeste

gevallen is de pleger een familielid,

vaak een (klein)kind of (ex)

partner. De meeste meldingen

komen van beroepskrachten.

In 16% deed het slachtoffer zelf

een melding en in 14% een fami-

lielid. De meeste slachtoffers zijn

tussen de 70 en 79 jaar. In bijna

de helft van de gevallen woont

het slachtoffer alleen. Meldingen

over psychische mishandeling

kwamen het vaakst voor, gevolgd

door lichamelijke mishandeling

en financiële uitbuiting.

Er komen ook combinaties voor,

bijvoorbeeld financiële uitbuiting

WIJKVERPLEEGKUNDIGEN

In 50 gemeenten met achterstands

problematiek zijn de laatste periode ruim

300 wijkverpleegkundigen aan de slag

gegaan. De wijkverpleegkundige blijkt

een belangrijke rol te spelen. Zij signaleert

dreigende gezondheidsproblemen

of overbelasting van mantelzorgers. Zij is

tevens een onmisbare schakel in buurten

en wijken. Alle betrokken partijen zijn dan

ook positief over de nieuwe manier van

werken van de wijkverpleegkundigen. Het

rijk heeft dan ook € 10 miljoen beschikbaar

gesteld voor wijkverpleegkundigen

in aandachtswijken. Ook in andere gemeenten

kan de wijkverpleegkundige een

hernieuwde functie vervullen.

en psychische en/of lichamelijke

mishandeling. Van de meldingen

gaat het voor tweederde om

moedwillige mishandeling en

voor een derde om ontspoorde

zorg. Ontspoorde zorg is een

gevolg van overbelasting van de

verzorger.

More magazines by this user
Similar magazines