06.08.2013 Views

StAB Jurisprudentietijdschrift 2002, 3

StAB Jurisprudentietijdschrift 2002, 3

StAB Jurisprudentietijdschrift 2002, 3

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

<strong>2002</strong><br />

Jurisprudentie<br />

op het gebied<br />

van de<br />

ruimtelijke ordening<br />

en het<br />

milieubeheer<br />

Boom Juridische uitgevers


Nieuwsbrief <strong>StAB</strong><br />

Jurisprudentie op het gebied van<br />

de ruimtelijke ordening en het milieubeheer<br />

Inhoud algemeen<br />

10 Milieu<br />

51 Milieu kort<br />

60 Ruimtelijke ordening<br />

79 Planschadevergoeding<br />

90 Doorlopend register<br />

Het doorlopend register vanaf dit nummer<br />

tevens met verwijzing naar Nieuwsbrief<br />

<strong>StAB</strong> 2000 en 2001.<br />

Nieuwsbrief <strong>StAB</strong><br />

Jurisprudentie op het gebied van de ruimtelijke<br />

ordening en het milieubeheer. Een uitgave van<br />

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor<br />

Milieu en Ruimtelijke Ordening.<br />

In <strong>2002</strong> zal Nieuwsbrief <strong>StAB</strong> verschijnen in de<br />

maanden maart, juni, september en december.<br />

Samenstellers<br />

Milieuwetgeving:<br />

Mr. H.P. Nijhoff (070) 315 01 44<br />

Ruimtelijke Ordening en schadevergoeding:<br />

Mevrouw mr. drs. M. Braakensiek (070) 315 01 80<br />

Uitgever<br />

Boom Juridische uitgevers<br />

Koninginnegracht 135<br />

Postbus 85576<br />

2508 CG Den Haag<br />

tel. (070) 330 70 33<br />

fax (070) 330 70 30<br />

e-mail info@bju.nl<br />

website www.bju.nl<br />

Abonnementen<br />

Nieuwsbrief <strong>StAB</strong> verschijnt 4 keer per jaar en kost<br />

€ 72,15 per jaar (inclusief BTW en verzendkosten).<br />

Prijs per los exemplaar € 19,-.<br />

Abonnementen kunnen op elk gewenst tijdstip ingaan.<br />

Het abonnement kan alleen schriftelijk tot uiterlijk<br />

1 december van het lopende abonnementsjaar worden<br />

opgezegd. Bij niet-tijdige opzegging wordt het<br />

abonnement automatisch voor een jaar verlengd.<br />

Voor abonnementen wende men zich tot<br />

Boom distributiecentrum, Postbus 400, 7940 AK Meppel,<br />

tel. (0522) 23 75 55, fax (0522) 25 38 64,<br />

e-mail bdc@bdc.boom.nl.<br />

ISSN 1567-7605


Inhoud<br />

Milieu<br />

10 02-43<br />

Vz. ABRS 19 maart <strong>2002</strong>, nr. 200105843/2<br />

inzake art. 1 Wvo en art. 1 EG-richtlijn<br />

76/464 (zuiveringschap Limburg).<br />

Lozing van verontreinigde stoom van elektriciteitscentrale<br />

is niet aan een bepaalde persoon<br />

toe te schrijven; geen Wvo-vergunning vereist.<br />

11 02-44<br />

ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200000690/1<br />

en 200101670/1 inzake art. 12 Natuurbeschermingswet<br />

en art. 6 EG-richtlijn 62/43<br />

(Habitatrichtlijn) (Staatssecretaris LNV).<br />

Twijfels over correcte implementatie Habitatrichtlijn<br />

in de Nbw; prejudiciële vragen over<br />

art. 6, tweede en derde lid Habitatrichtlijn aan<br />

Hof van Justitie EG voorgelegd.<br />

17 02-45<br />

ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200003011/2<br />

en 200103587/1 inzake art. 21 Grondwet<br />

en art. 8 EVRM (Dordrecht).<br />

Besluit tot vergunningverlening niet strijdig met<br />

art. 21 Grondwet en art. 8 Europees Verdrag<br />

tot bescherming van de rechten van de mens.<br />

19 02-46<br />

ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nr. 200103923/1<br />

inzake art. 12 Natuurbeschermingswet,<br />

art. 4 EG-richtlijn 79/409 (Vogelrichtlijn)<br />

en art. 6 en 7 EG-richtlijn 92/43 (Habitatrichtlijn)<br />

(Staatssecretaris LNV).<br />

Verweerders hebben ten onrechte verzuimd om<br />

onderzoek te (laten) doen naar significante gevolgen<br />

van de voorgenomen activiteiten voor<br />

het gebied dat als speciale beschermingszone<br />

is aangewezen.<br />

21 02-47<br />

ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 200103822/1<br />

inzake art. 1.1 Wm en categorie 3, 4, 5 en<br />

13.1 Ivb (Weert).<br />

Stallen van een vrachtwagen ten behoeve van<br />

een transportbedrijf is wel een inrichting maar<br />

niet vergunningplichtig.<br />

22 02-48<br />

ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nr. 200002214/1<br />

inzake art. 1 en 2a Wvo, art. 7 EG-richtlijn<br />

76/464 en art. 2 en 14 Lozingenbesluit<br />

(Hoogheemraadschap Schieland).<br />

Gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen<br />

niet aan te merken als een ‘lozing’. De lozing<br />

van grijze lijst stoffen kan worden verbonden<br />

aan voorschriften die beantwoorden aan<br />

de best uitvoerbare technieken.<br />

26 02-49<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103482/1<br />

inzake art. 8.17 Wm (Ambt Montfort).<br />

Onder bijzondere omstandigheden kan in strijd<br />

met de afstandsgrafiek van de Richtlijn veehouderij<br />

en stankhinder een tijdelijke vergunning<br />

worden verleend voor een veehouderij.<br />

28 02-50<br />

ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nrs. 200000056/1 en<br />

200000057/1 inzake art. 15.25 Wm en<br />

art. 1 Wet Luvo (Minister van VROM).<br />

Geen schade-uitkering uit het Fonds Luvo nu<br />

de schade niet is ontstaan door menselijk handelen<br />

of nalaten maar door een natuurverschijnsel.<br />

30 02-51<br />

ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nr. 200004646/1<br />

inzake art. 1 Wvo, art. 4 Uitvoeringsbesluit<br />

Wvo en art. 7 EG-richtlijn 76/464 (Moordrecht).<br />

Ammoniakdepositie is niet aan te merken als<br />

een ‘lozing’.<br />

32 02-52<br />

ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105797/1<br />

inzake art. 1 Besluit akkerbouwbedrijven<br />

milieubeheer (Emmen).<br />

Akkerbouwbedrijf met 60 stuks jongvee valt<br />

niet onder het Besluit; sprake van vergunningsplicht.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


34 02-53<br />

ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105434/1<br />

inzake art. 8:75 en 8:73 Awb (Haarlem).<br />

Kosten van rechtsbijstand vormen onvoldoende<br />

procesbelang voor een inhoudelijke beoordeling<br />

van het geschil.<br />

36 02-54<br />

ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200100435/1<br />

inzake art. 15.20 Wm (Hulst).<br />

Schadeverzoek terecht afgewezen nu een causaal<br />

verband bestaat tussen het besluit en de<br />

opgetreden schade.<br />

38 02-55<br />

ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104666/1<br />

inzake art. 13 Wbb en art. 5:24 Awb<br />

(Zutphen).<br />

Het bouwen en in gebruik hebben van een<br />

schuur is geen handeling als bedoeld in art. 6<br />

Wbb zodat appellant niet kan worden gedwongen<br />

om de ten gevolge van brand verspreide<br />

asbestdeeltjes op te ruimen.<br />

39 02-56<br />

Vz. ABRS 11 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02149/4<br />

inzake art. 8.4 Wm en Awb (Menaldumadeel).<br />

Verweerders hebben geen revisievergunning<br />

kunnen verlangen. Aanvraag als bedoeld in art.<br />

8.4, tweede lid Wm niet aan termijn gebonden.<br />

Geen noodzaak voor het terinzage leggen<br />

van een nieuw ontwerp-besluit.<br />

41 02-57<br />

Vz. ABRS 18 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>01895/2<br />

inzake art. 8.1 en 8.19 Wm (GS Limburg).<br />

In het onderhavige geval kan niet met een melding<br />

worden volstaan.<br />

Inhoud<br />

43 02-58<br />

ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200003207/2<br />

inzake art. 8.9, 8.10 en 8.11 Wm (Uithoorn).<br />

Aanvraag om vergunning kon hangende de procedure<br />

worden gewijzigd. Onder omstandigheden<br />

is het mogelijk vergunning te verlenen voor<br />

voorzieningen die buiten de grenzen van de inrichting<br />

zijn gelegen. Gebruik van freon is rechtens<br />

toegestaan.<br />

46 02-59<br />

ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200105168/2<br />

inzake art. 1, 2 en 26 EVOA (Minister van<br />

VROM).<br />

Het overbrengen van het schip Sandrien naar<br />

India is aan te merken als het ‘zich ontdoen’<br />

van afvalstoffen.<br />

50 02-60<br />

ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104522/1<br />

inzake art. 20.3 Wm (Harderwijk).<br />

Intrekking vergunning onder opschortende<br />

voorwaarde is niet in strijd met het systeem<br />

van de Wm.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

3


4<br />

Milieu kort<br />

51 K25<br />

ABRS 6 maart <strong>2002</strong>, nr. 200103392/2<br />

inzake art. 8.23 Wm (Heythuysen).<br />

Door stellen van voorschrift dat strekt tot wijziging<br />

gehele ventilatiesysteem wordt de grondslag<br />

van de aanvraag verlaten.<br />

51 K26<br />

ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200001223/2<br />

inzake art. 8.11 Wm (GS Zeeland).<br />

Aan Wm-vergunning mogen slechts die voorschriften<br />

worden verbonden die in aanvulling<br />

op de bepalingen van die wet nodig zijn.<br />

51 K27<br />

ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200003471/2<br />

inzake art. 8.8, 8.10 en 8.11 Wm (Schouwen<br />

Duiveland).<br />

Op grond van een bestuurlijk afwegingsproces<br />

en door te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen<br />

hebben verweerders kunnen afwijken<br />

van de in de Handreiking genoemde richtwaarden<br />

voor geluid.<br />

52 K28<br />

ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200004030/1<br />

inzake art. 20.6 Wm (Tubbergen).<br />

Gronden m.b.t. IPPC-richtlijn zijn niet eerder<br />

als bedenkingen ingebracht waardoor het beroep<br />

in zoverre niet-ontvankelijk is.<br />

52 K29<br />

ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nr. 200104214/1<br />

inzake art. 12 Nbw en art. 1:3 Awb<br />

(Staatssecretaris LNV).<br />

Mededeling omtrent vergunningplicht is geen<br />

besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

Inhoud<br />

52 K30<br />

ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200100600/1<br />

inzake art. 1:3 Awb (GS Gelderland).<br />

Mededeling dat niet wordt gedoogd is geen besluit<br />

in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

53 K31<br />

ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200101634/1<br />

inzake art. 8.25 Wm (Sint Oedenrode).<br />

De Wet milieubeheer heeft geen betrekking op<br />

schade ten gevolge van het gebruik van producten<br />

buiten de inrichting.<br />

53 K32<br />

ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200102879/1<br />

inzake art. 8.10 en 8.11 Wm (Buren).<br />

Door het verlenen van de vergunning ontstaat<br />

een toename van de reeds bestaande (directe)<br />

ammoniakschade aan de boomgaard.<br />

53 K33<br />

Vz. ABRS 9 april <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>00255/1<br />

inzake art. 8.17 Wm (GS Zeeland).<br />

Geen tijdelijke vergunning verlenen voor een situatie<br />

waarin onvoldoende inzicht bestaat in de<br />

milieugevolgen.<br />

54 K34<br />

ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 199900917/1<br />

inzake art. 8.1 Wm en art. 5:32 Awb (GS<br />

Overijssel).<br />

Partieel handhaven alleen onder bijzondere<br />

omstandigheden toegestaan.<br />

54 K35<br />

Vz. ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nrs. <strong>2002</strong>00542/1<br />

en <strong>2002</strong>00542/2 inzake art. 8.18 Wm<br />

(Barneveld).<br />

Niet volledig gebouwde stal geen grond voor<br />

het van rechtswege vervallen van de vergunning.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


54 K36<br />

ABRS 24 april <strong>2002</strong>, nr. 200004089/2 inzake<br />

art. 8.40 Wm en art. 2 Besluit bouwen<br />

houtbedrijven milieubeheer (Loenen).<br />

Uitleg van art. 2 Besluit bouw- en houtbedrijven<br />

milieubeheer.<br />

55 K37<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101497/1 inzake<br />

art. 1.1 Wm en art. 1 EG-richtlijn<br />

75/442 (Sint Anthonis).<br />

Doordat sprake is van afvalstoffen waren verweerders<br />

niet bevoegd tot het verlenen van de<br />

vergunning.<br />

55 K38<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103676/1 inzake<br />

art. 8.10 en 8.11 Wm (Ruurlo).<br />

Opstallen aan te merken als kampeerboerderij<br />

en geen stankgevoelig object in de zin van de<br />

brochure en de Richtlijn.<br />

55 K39<br />

Vz. ABRS 3 mei <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>01847/1<br />

inzake art. 1 en 11 EG-richtlijn 75/442<br />

(GS Noord-Brabant).<br />

Afvalverwijdering in eigen beheer staat niet in<br />

de weg aan kwalificatie van stoffen als afvalstoffen.<br />

56 K40<br />

ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101619/1 inzake<br />

art. 8.10 en 8.11 Wm (Winterswijk).<br />

Geluidsvoorschriften ten aanzien van spoorwegemplacement<br />

bieden onvoldoende bescherming.<br />

56 K41<br />

ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105999/1<br />

inzake art. 72 Luchtvaartwet (Minister van<br />

Verkeer en Waterstaat).<br />

Afdeling acht zich onbevoegd om kennis te<br />

nemen van het geschil.<br />

Inhoud<br />

56 K42<br />

ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 199903060/1 inzake<br />

art. 8.12 Wm (GS Noord-Brabant).<br />

Controlemeting kan ook worden voorgeschreven<br />

bij inrichtingen wier activiteiten niet wezenlijk<br />

zijn veranderd.<br />

57 K43<br />

ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104358/2 inzake<br />

art. 1.1 en 10.2 Wm (GS Friesland).<br />

Opslag baggerspecie is geen inrichting in de<br />

zin van de Wet milieubeheer.<br />

57 K44<br />

Vz. ABRS 7 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02329/1<br />

inzake art. 5:21 Awb (Hoogheemraadschap<br />

Hollands Noorderkwartier).<br />

Stelselmatig gedogen is niet toegestaan.<br />

58 K45<br />

ABRS 12 juni <strong>2002</strong>, nr. 200103022/1<br />

inzake art. 5:32 Awb (GS Limburg).<br />

Een last onder dwangsom kan niet zijn gericht<br />

op het afdwingen van een vergunningaanvraag.<br />

58 K46<br />

Vz. ABRS 18 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02373/1<br />

inzake EG-richtlijn 83/189 (Rotterdam).<br />

Voorschrift is niet aan te merken als technisch<br />

voorschrift als bedoeld in de Richtlijn.<br />

58 K47<br />

ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104387/1 inzake<br />

art. 8.11 Wm (GS Limburg).<br />

Landschapsplan dient te zijn gerelateerd aan<br />

een goedkeuringsbesluit.<br />

59 K48<br />

ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104007 inzake<br />

art. 8.4, 8.10 en 8.11 Wm (Hengelo).<br />

In ontwerp-Vuurwerkbesluit zijn de meest recente<br />

milieutechnische inzichten neergelegd.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

5


6<br />

Ruimtelijke ordening<br />

60 02-61<br />

ABRS 3 oktober 2001, nr. 199900271/1<br />

Limburg/ Streekplanherziening Noord- en<br />

Midden- en Zuid-Limburg voor ontgrondingenlocaties<br />

Aanwijzingen van winplaatsen in streekplan<br />

zijn besluiten in de zin van artikel 4a, zevende<br />

lid, WRO, in samenhang met artikel 1:3 Awb.<br />

Het niet opnemen van de aanwijzing als winplaats<br />

van een door appellanten concreet aangeduide<br />

locatie is alsdan een weigering een besluit<br />

te nemen, welke voor de mogelijkheid tot<br />

het instellen van beroep met een besluit kan<br />

worden gelijkgesteld.<br />

60 02-62<br />

ABRS 13 februari <strong>2002</strong>, nr. E01.98.0147/1<br />

Boxmeer/‘Buitengebied 1997’<br />

Afrasteringen zijn geen werk of werkzaamheid<br />

in de zin van artikel 14WRO. Erf- of terreinafscheidingen<br />

zijn geregeld in de Woningwet.<br />

Het aanbrengen van afrasteringen kan niet via<br />

het bestemmingsplan worden tegengegaan.<br />

Het streekplan is en blijft toetsingskader van<br />

de beoordeling van gemeentelijke plannen.<br />

Aan onderdeel van de provinciale Handleiding<br />

bestemmingsplan buitengebied dat niet in<br />

overeenstemming is met het streekplan kan<br />

geen betekenis worden toegekend.<br />

62 02-63<br />

ABRS 22 februari <strong>2002</strong>, nr. 200001138/7<br />

Deurne/‘Boerenbond Deurne’<br />

Aan gecorrigeerd besluit omtrent goedkeuring<br />

dat na afloop van de wettelijke beslistermijn is<br />

bekendgemaakt, komt geen betekenis toe.<br />

62 02-64<br />

Rb. Utrecht 15 maart <strong>2002</strong>, nr. SBR<br />

01/112<br />

Leusden/last onder dwangsom<br />

Een bestemmingsplan wordt niet voor die gedeelten<br />

waartegen geen beroep is ingesteld of<br />

kon worden ingesteld, met het goedkeuringsbesluit<br />

onherroepelijk.<br />

Inhoud<br />

63 02-65<br />

ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200002296/1<br />

en 200002297/1<br />

Dongeradeel/‘Gaswinlocatie Moddergat’ en<br />

‘Gaswinlocatie Paesens’<br />

Door de weigering van de vergunning op grond<br />

van de Natuurbeschermingswet is de uitvoerbaarheid<br />

van het bestemmingsplan niet verzekerd.<br />

Voorzorgsbeginsel.<br />

65 02-66<br />

ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 199901372/1<br />

Bernheze/‘Buitengebied’<br />

Gedeputeerde staten mogen niet goedkeuring<br />

onthouden op andere gronden dan wegens<br />

strijd met het recht of strijd met de goede<br />

ruimtelijke ordening.<br />

65 02-67<br />

ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 200102756/1<br />

Wageningen/‘Landelijk Gebied Oost’<br />

Artikel 6:17 Awb is niet van toepassing op bestemmingsplanprocedure.<br />

66 02-68<br />

ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 200104307/1<br />

Leerdam/‘Bedrijfsstrook Schaikseweg II’<br />

Een intrekking van een zienswijze kan in beginsel<br />

niet worden herroepen.<br />

66 02-69<br />

ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nr. 200100411/1<br />

Vianen/‘Bedrijventerrein Gaasperwaard’<br />

Aangezien ten tijde van de bestreden beslissing<br />

de gemeente Vianen nog was ingedeeld bij de<br />

provincie Zuid-Holland, waren gedeputeerde<br />

staten van Zuid-Holland bevoegd te beslissen<br />

over de goedkeuring van het bestemmingsplan.<br />

Wel hadden zij, nu het bestemmingsplan in<br />

strijd is met regionaal structuurplan voor het<br />

gebied, het dagelijks bestuur van het Bestuur<br />

Regio Utrecht om advies moeten vragen.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


67 02-70<br />

ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nr. 200104085/1<br />

Bemmel/‘Camping De Waaij<br />

Nu de bestemmingen die aan verschillende<br />

onderdelen van een camping zijn toegekend<br />

duidelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden,<br />

hoeft de camping niet als één object<br />

in de zin van de brochure Veehouderij en Hinderwet<br />

1985 beschouwd te worden.<br />

69 02-71<br />

ABRS 24 april <strong>2002</strong>, nr. 200101025/1<br />

Nunspeet/‘Elspeet-Dorp 2000’<br />

Uit de in het streekplan aangegeven verstedelijkingscontour<br />

volgt niet dat de locatie zonder<br />

meer voor woonbebouwing in aanmerking<br />

dient te komen, maar het streekplan sluit bebouwing<br />

niet uit. Verweerders konden niet volstaan<br />

met te stellen dat het binnen de contour<br />

gelegen perceel feitelijk deel uitmaakt van het<br />

buitengebied.<br />

70 02-72<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101696<br />

Enschede/binnenplanse vrijstelling<br />

De omstandigheid dat vanwege de huidige<br />

telecommunicatiemogelijkheden en mobiliteit<br />

een dienstwoning niet meer noodzakelijk zou<br />

zijn, is een grond die tot weigering van ieder<br />

verzoek om vrijstelling zou moeten leiden, hetgeen<br />

betekent dat het planvoorschrift dat in<br />

vrijstelling voorziet feitelijk buiten werking zou<br />

worden gesteld.<br />

71 02-73<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200100123/1<br />

Dronten/vrijstelling ex artikel 19 WRO<br />

Een voorbereidingsbesluit moet gelden ten<br />

tijde van het nemen, niet noodzakelijkerwijze<br />

ten tijde van het bekendmaken, van de beslissing<br />

op bezwaar.<br />

Inhoud<br />

71 02-74<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103920/1<br />

Hardenberg/‘Wijzigingsplan ex artikel 11<br />

WRO bestemmingsplan Buitengebied, Boerendijk<br />

36b te Sibculo’<br />

In bestemmingsplan voorgeschreven adviesaanvraag<br />

bij toepassen wijzigingsbevoegdheid<br />

is niet meer mogelijk.<br />

72 02-75<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200004690/1<br />

Zevenhuizen-Moerkapelle/‘Uitbreiding Nijverheidscentrum<br />

Zevenhuizen’<br />

WRO biedt op zich geen grondslag voor een regeling<br />

die enkel een specifieke groep van bedrijven<br />

toelaat die zich in niets anders onderscheidt<br />

van soortgelijke, andere bedrijven dan<br />

in hun herkomst. Toch kan een goede ruimtelijke<br />

ordening met zich brengen, dat bij het inrichten<br />

van een bedrijventerrein de opvangfunctie<br />

van dat terrein gewaarborgd wordt ten<br />

einde een (planologisch) knelpunt elders op te<br />

lossen. De beschrijving in hoofdlijnen kan<br />

daarbij een rol spelen.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

7<br />

73 02-76<br />

ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 200104543/1<br />

Elburg/‘Thematische uitsluiting seksinrichtingen’<br />

Religieuze opvattingen zijn geen ruimtelijk relevante<br />

motieven voor een algeheel verbod op<br />

seksinrichtingen voor het gehele grondgebied<br />

van de gemeente.<br />

74 02-77<br />

ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104539/1<br />

Nootdorp/‘Ypenburg-Nootdorp’<br />

Goedkeuring kan niet onder voorwaarden worden<br />

verleend.<br />

Bijzonder geval van ontvankelijkheid.


8<br />

75 02-78<br />

ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104725<br />

Hillegom/‘Landelijk Gebied 1997, wijzigingsplan<br />

agrarisch bedrijventerrein’<br />

Wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van nieuwvestiging<br />

kan niet aangewend worden voor bedrijfsuitbreiding.<br />

76 02-79<br />

ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200004862/1<br />

Naaldwijk/‘Buitengebied’<br />

Het gelijkheidsbeginsel gaat niet zo ver dat het<br />

in strijd met het streekplan ten onrechte goedkeuren<br />

van bepaalde plandelen meebrengt dat<br />

ook andere plandelen die strijdig zijn met het<br />

streekplan moeten worden goedgekeurd.<br />

76 02-80<br />

ABRS 10 juli <strong>2002</strong>, nr. 200103684/1<br />

Brunssum/‘Woongebieden’<br />

Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt.<br />

Planschadevergoeding<br />

79 02-81<br />

ABRS 28 november 2001, nr. 200101548/1<br />

Vlagtwedde/verzoek om planschadevergoeding<br />

Bij vergelijking tussen hetgeen maximaal kon<br />

en kan worden gerealiseerd dient de onder het<br />

nieuwe regime geldende vrijstellingsmogelijkheid<br />

te worden betrokken. Na de planherziening<br />

is bebouwing, zij het na vrijstelling, evenzeer<br />

als voorheen (bij recht) mogelijk.<br />

Inhoud<br />

79 02-82<br />

Rb. Assen 18 december 2001, 99/763<br />

BELEI<br />

Zuidlaren (thans: Tynaarlo)/verzoek om<br />

planschadevergoeding<br />

Na wijziging planologisch regime overeengekomen<br />

voortzetting van een familiebedrijf door<br />

vennootschap die deels in handen is van vader<br />

en zoon, is niet te beschouwen als ononderbroken<br />

bedrijfsovergang zoals dat onder omstandigheden<br />

binnen de familiesfeer van vader op<br />

zoon denkbaar is. Planschade derhalve voorzienbaar<br />

voor vennootschap.<br />

81 02-83<br />

ABRS 6 februari <strong>2002</strong>, nr. 200102764/1<br />

Woerden/verzoek om planschadevergoeding<br />

Het is aan appellant om aannemelijk te maken<br />

dat en in welke omvang de omzetdaling van<br />

zijn bedrijf aan de planologische verslechtering<br />

moet worden toegerekend.<br />

82 02-84<br />

Rb. Utrecht 12 februari <strong>2002</strong>, SBR nr.<br />

2000/1064<br />

Amersfoort/verzoek om planschadevergoeding<br />

Schadevergoeding wordt ‘zelfstandig schadebesluit’<br />

nu het planologische regime dat de<br />

schadeveroorzakende maatregel mogelijk<br />

maakte, is vernietigd en het ervoor moet worden<br />

gehouden dat geen legalisering plaatsvindt.<br />

Schadevergoeding gesteld op het gemiddelde<br />

van door (partij)deskundigen getaxeerde bedragen.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


85 02-85<br />

ABRS 24 april <strong>2002</strong>, nr. 200004482/1<br />

Nieuwegein/verzoek om planschadevergoeding<br />

Artikel 6:20, lid 4, Awb betekent dat, ingeval<br />

een beroep bij de rechtbank aanhangig is tegen<br />

een fictieve weigering te beslissen op een bezwaar,<br />

dat beroep mede geacht wordt te zijn<br />

gericht tegen een hangende het beroep alsnog<br />

genomen reële beslissing op bezwaar. Indien<br />

echter hangende het beroep tegen een fictieve<br />

weigering te besluiten op bezwaar, alsnog een<br />

eerste reële beslissing op een aanvraag wordt<br />

genomen, kan het bij de rechtbank aanhangige<br />

beroep niet mede geacht worden te zijn gericht<br />

tegen die beslissing.<br />

86 02-86<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200100768/1<br />

Tubbergen/verzoek om planschadevergoeding<br />

Wijzigingsbevoegdheid in voormalige planologische<br />

regime was voldoende bepaalbaar,<br />

zodat schade (door wijzigingsplan) voorzienbaar<br />

was.<br />

Inhoud<br />

87 02-87<br />

ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 200102126/1<br />

Barneveld/verzoek om planschadevergoeding<br />

Voorzienbaarheid aangenomen nu appellanten<br />

gronden hebben aangekocht onder de voorwaarde<br />

dat zij geen bezwaar zouden maken<br />

tegen een toekomstige industriebestemming<br />

van de omliggende grond.<br />

87 02-88<br />

ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200103955/1<br />

Barendrecht/verzoek om planschadevergoeding<br />

Moment van onherroepelijk worden van (delen<br />

van het) besluit omtrent goedkeuring van een<br />

bestemmingsplan.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

9


10<br />

Milieu<br />

02-43<br />

Vz. ABRS 19 maart <strong>2002</strong>, nr. 200105843/2 (zuiveringschap<br />

Limburg)<br />

Casus<br />

Besluit tot afwijzing van het verzoek tot oplegging<br />

van een last onder dwangsom wegens het lozen<br />

van (gevaarlijke) afvalstoffen op oppervlaktewater<br />

zonder Wvo-vergunning. Het betreft de emissie<br />

van verontreinigende stoom van een elektriciteitscentrale<br />

die op het oppervlaktewater neerslaat.<br />

Verweerder acht zich onbevoegd om handhavingsmaatregelen<br />

te treffen.<br />

Rechtsvraag<br />

Is sprake van een ‘lozing’ die wordt veroorzaakt<br />

door een aan een persoon toe te schrijven handeling?<br />

Uitspraak<br />

Met verwijzing naar de uitspraak van het Hof van<br />

Justitie uit 1999 stelt de Voorzitter vast dat het<br />

begrip ‘lozing’ aldus moet worden uitgelegd dat de<br />

emissie van verontreinigende stoom die op oppervlaktewater<br />

neerslaat, daaronder valt. Niet in geding<br />

is dat de centrale zich in de omgeving van<br />

oppervlaktewater bevindt en krachtens haar vergunning<br />

enige verontreinigde stoom mag emitteren<br />

naar de lucht. In dit geval kan niet met voldoende<br />

zekerheid worden gesteld dat het volgens algemene<br />

ervaringsregels voorzienbaar moet worden geacht<br />

dat de geëmitteerde verontreinigde stoom het<br />

oppervlaktewater verontreinigt, zodanig dat deze<br />

verontreiniging aan de veroorzaker van de stoom<br />

kan worden toegeschreven. Mitsdien staat niet<br />

vast of sprake is van een verontreiniging die wordt<br />

veroorzaakt door een aan een persoon toe te schrijven<br />

handeling.<br />

Wet verontreiniging oppervlaktewateren artikel 1<br />

EG-richtlijn 76/464 artikel 1, tweede lid onder d<br />

Verzoekers hebben bij brief van 25 juni 2001 het dagelijks<br />

bestuur van het Zuiveringschap Limburg (verweerder)<br />

verzocht om het opleggen van lasten onder<br />

dwangsom aan de besloten vennootschap met beslo-<br />

Milieu<br />

ten aansprakelijkheid ‘Demkolec B.V.’ (thans: ‘NUON<br />

Power Buggenum B.V.’) wegens het zonder een daartoe<br />

krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

verleende vergunning lozen van (gevaarlijke) afvalstoffen<br />

op oppervlaktewateren.<br />

Overwegingen<br />

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet bevoegd<br />

is om handhavingsmaatregelen te treffen tegen<br />

de in het inleidende verzoek gestelde lozingen als gevolg<br />

van emissies van de door ‘NUON Power Buggenum<br />

B.V.’ geëxploiteerde elektriciteitscentrale, zodat in<br />

zoverre geen sprake kan zijn van een met een besluit<br />

gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit.<br />

Vooropgesteld wordt dat verweerder ten aanzien<br />

van het oppervlaktewater in de provincie Limburg, dat<br />

niet behoort tot de oppervlaktewateren die onder het<br />

beheer van het Rijk vallen, het bevoegd gezag is op<br />

grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.<br />

Ter beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht<br />

op het hierboven weergegeven standpunt heeft<br />

gesteld, dient derhalve te worden vastgesteld of in het<br />

onderhavige geval sprake is van lozing op oppervlaktewateren<br />

waarvan verweerder de beheerder is.<br />

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />

heeft in zijn arrest van 29 september 1999<br />

(zaak C-231/97, AB 2000/22) voor recht verklaard<br />

dat het begrip ‘lozing’ in artikel 1, tweede lid, onder d,<br />

van de Richtlijn 76/464/EEG van de Raad betreffende<br />

de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke<br />

stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap<br />

worden geloosd (hierna: de richtlijn) aldus<br />

dient te worden uitgelegd dat de emissie van verontreinigende<br />

stoom die op oppervlaktewater neerslaat,<br />

daaronder valt. De afstand tussen het oppervlaktewater<br />

en de plaats van uitstoot van de verontreinigde<br />

stoom is slechts relevant voor de vraag of het uitgesloten<br />

dient te worden geacht dat de verontreiniging van<br />

het water volgens algemene ervaringsregels als voorzienbaar<br />

kan worden beschouwd, hetgeen zou beletten<br />

dat deze verontreiniging wordt toegeschreven aan<br />

de veroorzaker van de stoom.<br />

Niet is in het geding dat zich in de omgeving van de<br />

centrale oppervlaktewater bevindt dat onder het beheer<br />

van verweerder valt. Evenmin is in het geding dat<br />

ingevolge de krachtens de Wet milieubeheer voor de<br />

inrichting verleende vergunning enige verontreinigde<br />

stoom mag worden geëmitteerd naar de lucht. Naar<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


het oordeel van de Voorzitter kan evenwel noch op<br />

grond van de stukken noch het verhandelde ter zitting<br />

met voldoende zekerheid worden gesteld dat het volgens<br />

algemene ervaringsregels voorzienbaar moet worden<br />

geacht dat de aldus geëmitteerde verontreinigde<br />

stoom het desbetreffende oppervlaktewater verontreinigt,<br />

zodanig dat deze verontreiniging aan de veroorzaker<br />

van de stoom kan worden toegeschreven. In zoverre<br />

staat derhalve niet vast of sprake is van een<br />

verontreiniging die wordt veroorzaakt door een aan een<br />

persoon toe te schrijven handeling, ter zake waarvan<br />

een vergunning kan worden verleend. Gelet hierop kan<br />

thans niet worden beoordeeld of verweerder in het<br />

onderhavige geval bevoegd is handhavingsmaatregelen<br />

te treffen en derhalve niet of sprake is van een met<br />

een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een<br />

besluit. De Voorzitter overweegt dat bij de beslissing<br />

op het als bezwaarschrift doorgezonden beroepschrift<br />

hieromtrent duidelijkheid zal moeten worden verschaft.<br />

Gelet op het vorenoverwogene en nu niet aannemelijk<br />

is dat moet worden gevreesd voor onomkeerbare<br />

nadelige gevolgen voor het milieu, ziet de Voorzitter<br />

geen aanleiding voor het oordeel dat er onder deze omstandigheden<br />

sprake is van onverwijlde spoed die, bij<br />

afweging van de betrokken belangen, noopt tot het<br />

treffen van een voorlopige voorziening.<br />

Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding<br />

het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening<br />

af te wijzen.<br />

02-44<br />

ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200000690/1 en<br />

200101670/1 (Staatssecretaris LNV)<br />

Casus<br />

Vergunningen krachtens de Natuurbeschermingswet<br />

voor het mechanisch vissen van kokkels in de<br />

Waddenzee. Appellanten voeren onder meer aan<br />

dat de besluiten in strijd zijn met de Habitatrichtlijn<br />

en de Vogelrichtlijn en dat deze richtlijnen niet<br />

op correcte wijze in de Natuurbeschermingswet<br />

(Nbw) zijn geïmplementeerd.<br />

Milieu<br />

11<br />

Rechtsvragen<br />

1. Is artikel 6 van de Habitatrichtlijn op correcte<br />

wijze in de Natuurbeschermingswet geïmplementeerd<br />

en zo nee, kunnen particulieren zich<br />

voor de nationale rechter rechtstreeks op deze<br />

richtlijn beroepen (rechtstreekse werking artikel<br />

6)?<br />

2. Welke vragen rijzen er met betrekking tot artikel<br />

6, tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn?<br />

Uitspraak<br />

ad 1. De Afdeling overweegt dat de uit artikel 6,<br />

tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn<br />

voortvloeiende verplichtingen in de<br />

plaats komen van de verplichtingen die<br />

voortvloeien uit artikel 4, vierde lid van de<br />

Vogelrichtlijn voor wat betreft de speciale beschermingszones<br />

die overeenkomstig de<br />

Vogelrichtlijn zijn aangewezen. Dat impliceert<br />

dat niet hoeft te worden getoetst aan<br />

de Vogelrichtlijn. Met verwijzing naar de<br />

rechtspraak van het Hof van Justitie EG moet<br />

onderscheid worden gemaakt tussen correcte<br />

en incorrecte implementatie van de Habitatrichtlijn.<br />

Bij correcte implementatie bereikt<br />

de werking van een richtlijn de particulieren<br />

via de door de betrokken Lid-Staat getroffen<br />

uitvoeringsmaatregelen. Slechts indien de<br />

richtlijn niet, niet tijdig of onjuist is geïmplementeerd<br />

kan een particulier een rechtstreeks<br />

beroep op de richtlijn doen en dan<br />

nog alleen op de bepalingen van de richtlijn<br />

die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig<br />

zijn bepaald. De vraag naar de rechtstreekse<br />

werking kan dus alleen rijzen in<br />

geval van incorrecte implementatie. Wat betreft<br />

artikel 6, tweede, derde en vierde lid<br />

van de Habitatrichtlijn constateert de Afdeling<br />

dat de Nbw geen regels bevat die uitdrukkelijk<br />

bedoeld zijn als implementatie van<br />

de in deze bepalingen opgenomen verplichtingen.<br />

Ook anderszins zijn op de Waddenzee<br />

geen algemeen verbindende voorschriften<br />

van toepassing die bedoeld zijn als implementatie<br />

van artikel 6, tweede, derde en<br />

vierde lid van de Habitatrichtlijn. De PKB<br />

Waddenzee kan niet als zodanig gelden aangezien<br />

deze geen algemeen verbindende<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


12<br />

voorschriften bevat. Uitsluitend ten aanzien<br />

van artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn<br />

is de Afdeling van oordeel dat, afgezien<br />

van de vraag of sprake is van een correcte implementatie,<br />

artikel 12 Nbw hier in zoverre<br />

richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd.<br />

ad 2. Vervolgens formuleert de Afdeling met betrekking<br />

tot artikel 6, tweede en derde lid<br />

van de Habitatrichtlijn een vijftal prejudiciële<br />

vragen die aan het Hof van Justitie EG worden<br />

voorgelegd. Deze vragen hebben betrekking<br />

op: 1. de begrippen ‘plan of project’ (artikel<br />

6 lid 3); Valt hieronder ook een jaarlijks<br />

terugkerende activiteit als de kokkelvisserij<br />

waarvoor in beginsel elk jaar een vergunning<br />

wordt verleend? Verweerder is van mening<br />

dat sprake is van bestaand gebruik dat onder<br />

artikel 6 lid 2 valt terwijl appellanten van<br />

mening zijn dat sprake is van uitbreiding van<br />

bestaande activiteiten die conform artikel 6<br />

lid 3 aan een ‘passende beoordeling’ dienen<br />

te worden onderworpen. 2. de verhouding<br />

tussen het tweede en derde lid van artikel 6<br />

Habitatrichtlijn; moet het derde lid worden<br />

gezien als een verbijzondering van het tweede<br />

lid zodat beide leden cumulatief van toepassing<br />

kunnen zijn zoals appellanten stellen<br />

of is het derde lid van artikel 6 een bepaling<br />

met een afzonderlijke, zelfstandige strekking<br />

in die zin dat het tweede lid betrekking heeft<br />

op bestaand gebruik en het derde lid op nieuwe<br />

plannen of projecten zoals verweerder<br />

stelt. 3. het begrip ‘significante gevolgen’<br />

(artikel 6 lid 3); hoeft pas een ‘passende beoordeling’<br />

te worden gemaakt indien voldoende<br />

aannemelijk is dat een plan of project<br />

significante gevolgen kan hebben (standpunt<br />

waar de Afdeling vooralsnog van uitgaat) of<br />

dient in alle gevallen dat er gevolgen kunnen<br />

zijn, onderzoek plaats te vinden of dit significante<br />

gevolgen zijn zoals appellanten menen.<br />

4. het begrip ‘passende maatregelen’en ‘passende<br />

beoordeling’ (art. 6 lid 2 en lid 3); aan<br />

de hand van welke criteria dient te worden<br />

beoordeeld of er sprake is van ‘passende<br />

maatregelen’ en een ‘passende beoordeling’?<br />

Vooralsnog is de Afdeling van mening dat artikel<br />

174, tweede lid EG-Verdrag bij het oordeel<br />

over deze begrippen dient te worden be-<br />

Milieu<br />

trokken en met name het voorzorgsbeginsel.<br />

Daarbij legt zij de volgende vraag aan het Hof<br />

voor. Houdt het voorzorgsbeginsel in dat een<br />

bepaalde activiteit, zoals de kokkelvisserij,<br />

alleen dan niet mag worden toegestaan als<br />

‘duidelijke twijfel’ bestaat over het achterwege<br />

blijven van negatieve gevolgen voor het<br />

ecosysteem (standpunt PKB Waddenzee) of<br />

is er al een grond om de vergunning te weigeren<br />

indien twijfel bestaat over de afwezigheid<br />

van genoemde negatieve gevolgen dan wel<br />

die afwezigheid niet met zekerheid kan worden<br />

vastgesteld (standpunt appellanten)?<br />

5. de rechtstreekse werking van artikel 6,<br />

tweede en derde lid Habitatrichtlijn; heeft artikel<br />

6, tweede lid rechtstreekse werking nu<br />

de Nederlandse wetgeving geen regels bevat<br />

die uitdrukkelijk zijn bedoeld als implementatie<br />

van de in deze bepaling opgenomen verplichtingen<br />

en richtlijnconforme interpretatie,<br />

zoals door de Afdeling in haar rechtspraak<br />

toegepast, niet kan worden beschouwd<br />

als correcte implementatie? Ook<br />

wat betreft artikel 6, derde lid rijst de vraag<br />

naar de rechtstreekse werking.<br />

Natuurbeschermingswet artikel 12<br />

EG-richtlijn 92/43(Habitatrichtlijn) artikel 6,<br />

tweede en derde lid<br />

Bij besluiten van 1 juli 1999 (zaak nr. 200000690/1)<br />

en 7 juli 2000 (zaak nr. 200101670/1) heeft de<br />

Staatssecretaris van LNV (verweerder) aan de Coöperatieve<br />

Producentenorganisatie van de Nederlandse<br />

Kokkelvisserij U.A. onder voorwaarden vergunningen<br />

verleend als bedoeld in artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />

voor het mechanisch vissen van kokkels<br />

in de Waddenzee. Bij besluiten van 23 december<br />

1999, respectievelijk 19 februari 2001, heeft verweerder<br />

de hiertegen door appellanten gemaakte bezwaren<br />

ongegrond verklaard.<br />

Appellanten hebben betoogd dat de bestreden besluiten<br />

in strijd zijn met de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn.<br />

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.<br />

De Waddenzee, dat wil zeggen het gehele door de<br />

bestreden besluiten bestreken gebied, is bij besluit van<br />

8 november 1991 aangewezen als speciale beschermingszone<br />

als bedoeld in artikel 4 van de Vogelricht-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


lijn. Ingevolge artikel 7 van de Habitatrichtlijn komen<br />

de uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn<br />

voortvloeiende verplichtingen in de plaats<br />

van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4,<br />

vierde lid, eerste volzin, van de Vogelrichtlijn voor wat<br />

betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig<br />

artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen.<br />

Voorzover appellanten hebben betoogd dat aan de<br />

Vogelrichtlijn dient te worden getoetst, slaagt dit betoog<br />

in zoverre derhalve niet.<br />

Volgens appellanten zijn de bestreden besluiten om de<br />

volgende redenen in strijd met de Habitatrichtlijn. Zij<br />

stellen dat er alleen al op grond van de hoeveelheid<br />

kokkels die gevangen is, sprake is van uitbreiding van<br />

bestaande activiteiten. Aangezien er zich bij het vissen<br />

naar kokkels bovendien significante effecten kunnen<br />

voordoen, dient het volledige toetsingskader van artikel<br />

6, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn te worden<br />

doorlopen. Daarenboven moet volgens hen ook<br />

nog worden getoetst aan artikel 6, tweede lid, van de<br />

Habitatrichtlijn. Zij stellen dat aan de verplichting van<br />

artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn niet is voldaan,<br />

zodat de verwijzing door verweerder naar het beleid<br />

in de PKB-Waddenzee en de Structuurnota een<br />

onvoldoende onderbouwing van de bestreden besluiten<br />

vormt. Voorzover verweerder een beroep doet op<br />

artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn is volgens<br />

appellanten de vraag niet beantwoord of dwingende<br />

redenen van openbaar belang de uitbreiding van de<br />

mechanische kokkelvisserij rechtvaardigen en of er alternatieven<br />

zijn. Wat betreft de mogelijkheid van significante<br />

effecten wijzen appellanten erop dat door de<br />

mechanische kokkelvisserij de bodem direct wordt omgewoeld<br />

en voedsel voor vogels wordt weggehaald;<br />

daarnaast is volgens hen vastgesteld dat natuurlijke<br />

mosselbanken nauwelijks meer voorkomen in de Waddenzee.<br />

Ten slotte stellen zij dat artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />

niet kan worden aangemerkt als<br />

correcte implementatie.<br />

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat<br />

volgens rechtspraak van de Afdeling de Natuurbeschermingswet<br />

voldoende mogelijkheden biedt om<br />

aan de verplichtingen uit hoofde van de Vogelrichtlijn<br />

te voldoen. Hij is van mening dat het toetsingskader<br />

dat bij een toetsing aan de Natuurbeschermingswet<br />

wordt gehanteerd in overeenstemming is met de Vogel-<br />

Milieu<br />

13<br />

en de Habitatrichtlijn. Hij heeft voorts gesteld dat de<br />

bestreden vergunningen niet in strijd zijn met de Habitatrichtlijn.<br />

Aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn<br />

wordt volgens verweerder voldaan, omdat bij<br />

de kokkelvisserij juist in verband met de bescherming<br />

van natuurwaarden beperkingen worden opgelegd aan<br />

de bestaande activiteit van de sector. Van verslechtering<br />

van de desbetreffende habitat is derhalve geen<br />

sprake. Met de voedselbehoefte van vogels is ruim voldoende<br />

rekening gehouden. Volgens verweerder staat<br />

ook artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet<br />

aan de vergunningen in de weg. Ter zitting heeft verweerder<br />

voorts betoogd dat de mechanische kokkelvisserij<br />

in de Waddenzee reeds lang bestaat en er bovendien<br />

geen sprake is van intensivering van deze<br />

activiteit, zodat alleen aan het tweede lid van artikel 6<br />

van de Habitatrichtlijn behoeft te worden getoetst.<br />

In artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald<br />

dat de Lid-Staten passende maatregelen treffen<br />

om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke<br />

habitats van soorten in de speciale beschermingszones<br />

niet verslechtert en er geen storende factoren optreden<br />

voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen<br />

voorzover die factoren, gelet op de doelstellingen van<br />

deze richtlijn, een significant effect zouden kunnen<br />

hebben.<br />

Ingevolge artikel 6, derde lid, van deze richtlijn,<br />

voorzover hier van belang, wordt voor elk plan of project<br />

dat niet direct verband houdt met of nodig is voor<br />

het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in<br />

combinatie met andere plannen of projecten significante<br />

gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende<br />

beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het<br />

gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen<br />

van dat gebied. Gelet op de conclusies<br />

van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en<br />

onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de<br />

bevoegde nationale instanties slechts toestemming<br />

voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben<br />

verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het<br />

betrokken gebied niet zal aantasten.<br />

Ingevolge artikel 6, vierde lid, voorzover hier van<br />

belang, neemt de Lid-Staat, indien een plan of project,<br />

ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van<br />

de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve<br />

oplossingen, om dwingende redenen van groot<br />

openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale<br />

of economische aard, toch moet worden gereali-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


14<br />

seerd, alle nodige compenserende maatregelen om te<br />

waarborgen dat de algehele samenhang van Natura<br />

2000 bewaard blijft.<br />

Blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie moet<br />

ter bepaling van de werking van een richtlijn een<br />

onderscheid worden gemaakt tussen een correcte en<br />

een incorrecte implementatie van die richtlijn. In geval<br />

van correcte implementatie bereikt de werking van een<br />

richtlijn de particulieren via de door de betrokken Lid-<br />

Staat getroffen uitvoeringsmaatregelen. Slechts indien<br />

een richtlijn, na afloop van de implementatieperiode,<br />

niet, niet tijdig of onjuist is geïmplementeerd, kan een<br />

particulier een rechtstreeks beroep op die richtlijn<br />

doen en dan nog alleen op de bepalingen van de richtlijn<br />

die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig bepaald<br />

zijn (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />

19 januari 1982, Becker, 8/81, Jurisprudentie<br />

1982, p. 53).<br />

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie<br />

dienen de rechterlijke instanties van de Lid-Staten<br />

de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen<br />

uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht<br />

voortvloeit (Hof van Justitie van de Europese<br />

Gemeenschappen 14 december 1995, Peterbroeck,<br />

C-312/93, Jurisprudentie 1995, p. I-4599).<br />

Zoals uit de voorafgaande overweging blijkt, kan de<br />

vraag naar de rechtstreekse werking alleen rijzen in<br />

geval van incorrecte implementatie. De Afdeling ziet<br />

zich derhalve allereerst voor de vraag gesteld of artikel<br />

6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn<br />

correct is geïmplementeerd dan wel richtlijnconforme<br />

interpretatie mogelijk is.<br />

De Natuurbeschermingswet bevat geen regels die uitdrukkelijk<br />

bedoeld zijn als implementatie van de in artikel<br />

6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn opgenomen<br />

verplichtingen. Niet gebleken is dat op de Waddenzee<br />

anderszins algemeen verbindende voorschriften van toepassing<br />

zijn die bedoeld zijn als implementatie van de<br />

verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid,<br />

van de Habitatrichtlijn. De Afdeling is echter van oordeel<br />

dat, afgezien van de vraag of in dit geval sprake is van<br />

correcte implementatie, artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />

hier in zoverre richtlijnconform kan worden<br />

geïnterpreteerd (Afdeling bestuursrechtspraak,<br />

31 maart 2000, nr. E01.97.0178, AB 2000, 302).<br />

Milieu<br />

Evenals met betrekking tot artikel 6, tweede lid, van de<br />

Habitatrichtlijn bevat ook wat betreft artikel 6, derde<br />

en vierde lid, de Natuurbeschermingswet geen implementatieregels.<br />

Ook anderszins zijn op de Waddenzee<br />

geen algemeen verbindende voorschriften van toepassing<br />

die bedoeld zijn als implementatie van het derde<br />

en vierde lid van de Habitatrichtlijn. De PKB-Waddenzee<br />

kan niet als zodanig gelden, aangezien deze geen<br />

algemeen verbindende voorschriften bevat (Voorzitter<br />

Afdeling bestuursrechtspraak, 27 mei 1998, nr.<br />

F01.98.0003, AB 1999, 358).<br />

De Afdeling ziet zich vervolgens geconfronteerd met de<br />

volgende vragen over de inhoud van de Habitatrichtlijn.<br />

De begrippen ‘plan of project’<br />

Hierboven is reeds het standpunt van appellanten<br />

weergegeven dat alleen al op grond van de hoeveelheid<br />

kokkels die gevangen is, sprake is van uitbreiding<br />

van bestaande activiteiten. Volgens hen is dan ook<br />

sprake van een ‘plan of project’ dat, omdat het significante<br />

gevolgen kan hebben, volgens artikel 6, derde<br />

lid, van de Habitatrichtlijn aan een ‘passende beoordeling’<br />

dient te worden onderworpen. Hiertegenover<br />

heeft verweerder betoogd dat slechts sprake is van bestaand<br />

gebruik dat onder artikel 6, tweede lid, van de<br />

Habitatrichtlijn valt, waardoor het derde lid buiten beschouwing<br />

kan blijven. De richtlijn zelf geeft hierover<br />

geen uitsluitsel. Het is met name niet duidelijk of<br />

onder ‘plan of project’ ook een in beginsel jaarlijks<br />

terugkerende activiteit valt als de onderhavige. Teneinde<br />

iedere onduidelijkheid op dit punt weg te nemen,<br />

acht de Afdeling zich gehouden om het Hof van Justitie<br />

van de Europese Gemeenschappen (hierna: het<br />

Hof) te verzoeken de volgende prejudiciële vragen te<br />

beantwoorden:<br />

1a. Dienen de begrippen ‘plan of project’ in artikel 6,<br />

derde lid, van de Habitatrichtlijn aldus te worden uitgelegd<br />

dat daaronder ook valt een activiteit die al vele<br />

jaren wordt uitgeoefend maar waarvoor in beginsel<br />

elk jaar voor een beperkte periode een vergunning<br />

wordt verleend, waarbij telkens opnieuw wordt beoordeeld<br />

of en zo ja, in welke gedeelten van het gebied<br />

de activiteit mag worden uitgeoefend?<br />

1b. Ingeval vraag 1a ontkennend wordt beantwoord:<br />

dient de desbetreffende activiteit wel als een ‘plan of<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


project’ te worden beschouwd, indien de intensiteit<br />

van die activiteit in de loop der jaren is toegenomen,<br />

respectievelijk een toename daarvan door de vergunningen<br />

mogelijk wordt gemaakt?<br />

De verhouding tussen het tweede en het derde<br />

lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn<br />

Gesteld dat uit het antwoord op vraag 1 voortvloeit dat<br />

er sprake is van een ‘plan of project’ in de zin van artikel<br />

6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, rijst vervolgens<br />

de vraag naar de verhouding tussen het tweede en<br />

derde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn.<br />

Volgens appellanten dient de activiteit waarvoor vergunningen<br />

zijn verleend, ook al moet deze in hun ogen<br />

als een ‘plan of project’ in de zin van het derde lid worden<br />

gekwalificeerd, desalniettemin aan het tweede lid<br />

van artikel 6 van de Habitatrichtlijn te worden getoetst.<br />

Dat wil zeggen dat de activiteit niet mag leiden<br />

tot een verslechtering van de kwaliteit van het gebied<br />

en geen storende factoren mogen optreden voor de<br />

soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover<br />

die een significant effect zouden kunnen hebben.<br />

Dit standpunt roept de vraag op of artikel 6, derde<br />

lid, moet worden gezien als een verbijzondering van de<br />

regels die zijn opgenomen in artikel 6, tweede lid, – en<br />

dus beide leden cumulatief van toepassing kunnen zijn –<br />

of als een bepaling met een afzonderlijke, zelfstandige<br />

strekking, in die zin dat het tweede lid betrekking heeft<br />

op bestaand gebruik en het derde op nieuwe plannen<br />

of projecten.<br />

Volgens de Afdeling zou het onderscheid tussen het<br />

tweede en derde lid ook daarin kunnen worden gezocht<br />

dat het tweede lid betrekking heeft op de noodzaak<br />

om beheersmaatregelen te treffen en het derde lid<br />

op plannen of projecten die ‘niet direct verband houden<br />

met of nodig zijn voor het beheer van het gebied’,<br />

maar significante gevolgen voor zo’n gebied kunnen<br />

hebben. Het onderscheid zou dan dus worden gezocht<br />

in het feit dat een bepaald besluit, zoals in dit geval de<br />

vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet,<br />

al dan niet het beheer van het gebied betreft. Ook is<br />

een benadering denkbaar waarin het derde lid betrekking<br />

heeft op plannen of projecten en het tweede lid op<br />

overige activiteiten.<br />

Gelet op het bovenstaande legt de Afdeling de volgende<br />

prejudiciële vragen aan het Hof voor:<br />

2a. In geval uit het antwoord op vraag 1 voortvloeit<br />

dat er sprake is van een ‘plan of project’ in de zin van<br />

Milieu<br />

15<br />

artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn: dient artikel<br />

6, derde lid, van de Habitatrichtlijn te worden<br />

gezien als een verbijzondering van de regels die zijn<br />

opgenomen in het tweede lid of als een bepaling met<br />

een afzonderlijke, zelfstandige strekking, zulks in die<br />

zin dat bijvoorbeeld:<br />

(i) het tweede lid betrekking heeft op bestaand gebruik<br />

en het derde op nieuwe plannen of projecten, of<br />

(ii) het tweede lid betrekking heeft op beheersmaatregelen<br />

en het derde op andere besluiten, of<br />

(iii) het derde lid betrekking heeft op plannen of projecten<br />

en het tweede op overige activiteiten?<br />

2b. Kunnen in het geval artikel 6, derde lid, van de<br />

Habitatrichtlijn als een verbijzondering van de regels<br />

die zijn opgenomen in het tweede lid moet worden<br />

gezien, beide leden cumulatief van toepassing zijn?<br />

Het begrip ‘significante gevolgen’?<br />

Binnen het kader van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn<br />

dient de Afdeling voorts vast te stellen of het<br />

plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere<br />

plannen of projecten significante gevolgen kan hebben<br />

voor het onderhavige gebied. Volgens appellanten<br />

is dat het geval omdat de bodem door de mechanische<br />

kokkelvisserij direct wordt omgewoeld en voedsel voor<br />

vogels wordt weggehaald; bovendien is volgens hen<br />

vastgesteld dat natuurlijke mosselbanken nauwelijks<br />

meer voorkomen of terugkomen in de Waddenzee. Verweerder<br />

stelt hiertegenover dat zulke gevolgen juist<br />

worden voorkomen doordat de bestaande activiteit van<br />

de sector wordt beperkt en ruim voldoende rekening<br />

wordt gehouden met de voedselbehoefte van de vogels.<br />

In het licht van deze tegenovergestelde standpunten<br />

van partijen vraagt de Afdeling zich af hoe artikel<br />

6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dient te worden<br />

uitgelegd. Voorshands gaat de Afdeling ervan uit dat<br />

pas een ‘passende beoordeling’ behoeft te worden gemaakt<br />

indien voldoende aannemelijk is dat een plan of<br />

project significante gevolgen kan hebben (zie bijvoorbeeld<br />

Afdeling bestuursrechtspraak, 10 februari 2000,<br />

nr. E01.98.0406, M en R 2000/12, nr. 122; en 22<br />

februari 2001, nr. 200001521/1, AB 2001, 280). De<br />

vraag blijft evenwel of inderdaad slechts onderzoek<br />

dient te worden gedaan naar de eventuele aantasting<br />

door het plan of project van de kenmerken van het betrokken<br />

gebied indien aannemelijk is dat een plan of<br />

project significante gevolgen kan hebben, of dat er in<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


16<br />

alle gevallen dat er gevolgen kunnen zijn, onderzoek<br />

dient plaats te vinden of dit significante gevolgen zijn.<br />

Vervolgens vraagt de Afdeling zich af aan de hand<br />

van welke criteria moet worden beoordeeld of een plan<br />

of project dat niet direct verband houdt met of nodig is<br />

voor het beheer van het gebied, afzonderlijk of in combinatie<br />

met andere plannen of projecten significante<br />

gevolgen kan hebben voor zo?n gebied.<br />

Gelet op het bovenstaande legt de Afdeling derhalve<br />

de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor:<br />

3a. Dient artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn<br />

aldus te worden uitgelegd dat er reeds sprake is van<br />

een ‘plan of project’ als een bepaalde activiteit gevolgen<br />

voor het desbetreffende gebied kan hebben (en<br />

daarna een ‘passende beoordeling’ moet worden gemaakt<br />

om te weten of die gevolgen ‘significant’ zijn)<br />

of betekent deze bepaling dat er pas een ‘passende<br />

beoordeling’ behoeft te worden gemaakt indien (voldoende)<br />

aannemelijk is dat een ‘plan of project’ significante<br />

gevolgen kan hebben?<br />

3b. Aan de hand van welke criteria moet worden beoordeeld<br />

of een plan of project in de zin van artikel 6,<br />

derde lid, van de Habitatrichtlijn dat niet direct verband<br />

houdt met of nodig is voor het beheer van het<br />

gebied, afzonderlijk of in combinatie met andere<br />

plannen of projecten significante gevolgen kan hebben<br />

voor zo’n gebied?<br />

Het begrip ‘passende maatregelen’ en ‘passende<br />

beoordeling’?<br />

Indien de vragen 1a en/of 1b ontkennend worden beantwoord,<br />

zodat de activiteit alleen valt onder het bereik<br />

van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn,<br />

zal de Afdeling moeten nagaan of de vergunningverlening<br />

in overeenstemming is met de plicht van de Staat<br />

om ‘passende maatregelen’ te nemen om ervoor te zorgen<br />

dat de kwaliteit van het gebied niet verslechtert en<br />

er geen storende factoren optreden voor de soorten<br />

waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover die factoren,<br />

gelet op de doelstellingen van de Habitatrichtlijn,<br />

een significant effect zouden kunnen hebben.<br />

Indien de vragen 1a en/of 1b bevestigend worden beantwoord,<br />

valt de activiteit onder artikel 6, derde lid,<br />

en eventueel – dat hangt af van het antwoord op vraag<br />

2 – ook onder het tweede lid, van de Habitatrichtlijn.<br />

Volgens artikel 6, derde lid, dient er voor een plan of<br />

Milieu<br />

project dat significante gevolgen kan hebben een ‘passende<br />

beoordeling’ te worden gemaakt.<br />

Het bovenstaande roept de vraag op aan de hand van<br />

welke criteria dient te worden beoordeeld of er sprake<br />

is van ‘passende maatregelen’, respectievelijk een<br />

‘passende beoordeling’, zulks mede gelet op de in het<br />

derde lid van artikel 6, van de Habitatrichtlijn opgenomen<br />

regel dat de bevoegde autoriteiten slechts toestemming<br />

voor het plan of project mogen geven nadat<br />

zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke<br />

kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.<br />

Naar voorlopig oordeel van de Afdeling zou bij<br />

de beantwoording van deze vraag mede een rol kunnen<br />

spelen hetgeen is neergelegd in artikel 174, tweede<br />

lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese<br />

Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag). Ingevolge dat artikellid,<br />

voorzover hier van belang, streeft de Gemeenschap<br />

in haar milieubeleid naar een hoog niveau van<br />

bescherming en berust haar beleid op het voorzorgsbeginsel<br />

en het beginsel van preventief handelen, het beginsel<br />

dat de milieuaantastingen bij voorrang aan de<br />

bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat<br />

de vervuiler betaalt. Volgens de PKB-Waddenzee zal,<br />

zoals hierboven reeds beschreven, alleen in geval van<br />

‘duidelijke twijfel’ over het achterwege blijven van mogelijk<br />

belangrijke negatieve gevolgen voor het ecosysteem<br />

een grond bestaan om vergunningen als de<br />

onderhavige te weigeren op grond van het voorzorgsbeginsel.<br />

Daarentegen is er volgens appellanten reeds<br />

sprake van een reden om een vergunning op grond van<br />

het voorzorgsbeginsel te weigeren indien twijfel bestaat<br />

over de afwezigheid van zulke gevolgen, respectievelijk<br />

die afwezigheid niet met zekerheid kan worden<br />

vastgesteld.<br />

Gelet op het bovenstaande legt de Afdeling de volgende<br />

prejudiciële vragen aan het Hof voor:<br />

4a. Aan de hand van welke criteria dient in het kader<br />

van de toepassing van artikel 6 van de Habitatrichtlijn<br />

te worden beoordeeld of sprake is van ‘passende<br />

maatregelen’ als bedoeld in het tweede lid van die<br />

bepaling, respectievelijk een ‘passende beoordeling’<br />

in samenhang met de vereiste zekerheid voor het<br />

geven van toestemming voor een plan of project als<br />

bedoeld in het derde lid?<br />

4b. Hebben de begrippen ‘passende maatregelen’,<br />

respectievelijk ‘passende beoordeling’ een zelfstandi-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


ge betekenis of dient bij het oordeel daarover ook rekening<br />

te worden gehouden met artikel 174, tweede<br />

lid, van het EG-Verdrag en met name het in dat artikellid<br />

genoemde voorzorgsbeginsel?<br />

4c. Ingeval rekening dient te worden gehouden met<br />

het in artikel 174, tweede lid, van het EG-Verdrag genoemde<br />

voorzorgsbeginsel: houdt dat in dat een bepaalde<br />

activiteit, zoals de onderhavige kokkelvisserij,<br />

mag worden toegestaan als over de afwezigheid van<br />

mogelijke significante gevolgen geen duidelijke twijfel<br />

bestaat of mag dat alleen als geen twijfel bestaat<br />

over de afwezigheid van zulke gevolgen, respectievelijk<br />

die afwezigheid met zekerheid kan worden vastgesteld?<br />

Rechtstreekse werking van artikel 6, tweede en<br />

derde lid, van de Habitatrichtlijn<br />

Zoals reeds is overwogen, bevat de Natuurbeschermingswet<br />

geen regels die uitdrukkelijk zijn bedoeld als<br />

implementatie van de in artikel 6, tweede lid, van de<br />

Habitatrichtlijn opgenomen verplichtingen. Het is<br />

evenmin gebleken dat op de Waddenzee anderszins algemeen<br />

verbindende voorschriften van toepassing zijn<br />

die bedoeld zijn als implementatie van de verplichtingen<br />

die voortvloeien uit dit artikellid. Richtlijnconforme<br />

interpretatie, zoals door de Afdeling toegepast in haar<br />

uitspraak van 31 maart 2000 (nr. E01.97.0178), kan<br />

niet worden beschouwd als correcte implementatie<br />

(Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />

10 mei 2001, Commissie/Nederland C-144/99, Jurisprudentie<br />

2001, p. I-3541). De Afdeling ziet zich dan<br />

ook voor de vraag gesteld of artikel 6, tweede lid – indien<br />

uit de antwoorden op de vragen (1) en (2) volgt<br />

dat de onderhavige vergunningverlening daaraan – uitsluitend<br />

of tezamen met het derde lid – moet worden<br />

getoetst – rechtstreeks werkt.<br />

Hierboven is reeds opgemerkt dat artikel 6, derde lid,<br />

van de Habitatrichtlijn niet in het nationale recht is geimplementeerd.<br />

Ook wat betreft het derde lid rijst derhalve<br />

de vraag naar de rechtstreekse werking.<br />

Gelet op het bovenstaande legt de Afdeling als laatste<br />

vraag aan het Hof voor:<br />

5. Werkt artikel 6, tweede, respectievelijk derde lid,<br />

van de Habitatrichtlijn rechtstreeks, in die zin dat<br />

particulieren zich daarop voor de nationale rechter<br />

kunnen beroepen en die rechter, zoals onder meer<br />

Milieu<br />

beslist in de zaak Peterbroeck (reeds aangehaald), de<br />

rechtsbescherming moet verlenen die voor de justitiabelen<br />

uit de rechtstreekse werking voortvloeit?<br />

Beslissing<br />

Verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />

bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak<br />

te doen op de hierboven geformuleerde vragen;<br />

schorst de behandeling en houdt iedere verdere beslissing<br />

aan.<br />

02-45<br />

ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200003011/2 en<br />

200103587/1 (Dordrecht)<br />

Casus<br />

Oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer<br />

voor een handelsonderneming met ammoniakopslag.<br />

Appellanten voeren aan dat het besluit in<br />

strijd is met artikel 21 Grondwet omdat vloeibare<br />

ammoniakopslag gevaar voor de gezondheid oplevert.<br />

Voorts achten zij deze opslag in strijd met artikel<br />

8 van het Europees Verdrag tot bescherming<br />

van de rechten van de mens (EVRM).<br />

Rechtsvraag<br />

Is er strijd met deze bepalingen?<br />

17<br />

Uitspraak<br />

Ingevolge artikel 21 Grondwet is de zorg van de<br />

overheid gericht op de bescherming en verbetering<br />

van het leefmilieu. Gelet op de wetsgeschiedenis<br />

van deze bepaling dient sprake te zijn van een zeer<br />

uitzonderlijk geval, wil de rechter tot de slotsom<br />

komen dat een aan hem voorgelegd besluit in strijd<br />

is met één der bepalingen inzake sociale grondrechten.<br />

Ten aanzien van het in artikel 21 Grondwet<br />

neergelegde voorwerp van zorg bestaat een<br />

uitgebreide wetgeving waarvan de Wet milieubeheer<br />

deel uitmaakt. Er is niet gebleken van bijzondere<br />

omstandigheden die – in aanvulling op de<br />

toets van de Wm – moeten leiden tot rechtstreekse<br />

toetsing aan artikel 21 Grondwet. In artikel 8<br />

EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect<br />

voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsle-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


18<br />

ven en zijn woning. Inmenging in deze rechten<br />

door de overheid is slechts mogelijk voorzover<br />

daarin bij de wet is voorzien en (voorzover hier van<br />

belang) dit noodzakelijk is in het belang van de<br />

openbare veiligheid, gezondheid en de rechten en<br />

vrijheden van anderen. Voorzover het bestreden<br />

besluit kan worden beschouwd als een inmenging<br />

in deze rechten vindt dit haar grondslag in de Wm.<br />

De inmenging moet worden aangemerkt als noodzakelijk<br />

in het belang van de bescherming van de<br />

rechten en vrijheden van anderen, waarbij een eerlijke<br />

afweging heeft plaatsgevonden tussen de belangen<br />

van het individu enerzijds en die van de gemeenschap<br />

als geheel anderzijds. Besluiten<br />

krachtens de Wm genomen, kunnen alleen dan geacht<br />

worden in strijd te zijn met artikel 8 EVRM<br />

wanneer zich omstandigheden voordoen waardoor<br />

als gevolg van deze besluiten een zodanige mate<br />

van milieuhinder kan worden ondervonden, dat<br />

deze zou moeten worden beschouwd als een nietgerechtvaardigde<br />

of disproportionele inbreuk op de<br />

door artikel 8 EVRM beschermde rechten. In casu<br />

is daarvan geen sprake.<br />

Grondwet artikel 21<br />

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten<br />

van de mens (EVRM) artikel 8<br />

Bij besluit van 28 april 2000 hebben verweerders<br />

krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap<br />

met beperkte aansprakelijkheid ‘Firma Bosman<br />

B.V.’ te Dordrecht een vergunning verleend voor<br />

het oprichten en in werking hebben van een handelsonderneming<br />

ten behoeve van de opslag van (gedeeltelijk<br />

gekoelde) levensmiddelen.<br />

Overwegingen<br />

Appellanten beroepen zich erop dat het bestreden besluit<br />

in strijd is met artikel 21 van de Grondwet omdat<br />

vloeibare ammoniakopslag gevaar voor de gezondheid<br />

oplevert. Voorts achten zij deze in strijd met het in artikel<br />

8 van het in het Europees Verdrag tot bescherming<br />

van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden<br />

(EVRM) neergelegde recht dat een ieder heeft<br />

op zijn woning.<br />

Ingevolge artikel 21 van de Grondwet is de zorg van de<br />

overheid gericht op de bewoonbaarheid van het land<br />

en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.<br />

Milieu<br />

Blijkens de wetsgeschiedenis is met deze bepaling beoogd<br />

tot uitdrukking te brengen dat de overheid de aldaar<br />

genoemde onderwerpen tot haar takenpakket<br />

moet rekenen. In de Memorie van Toelichting bij de<br />

Grondwetsherziening van 1983 is in dit verband het<br />

volgende gesteld: ‘In de redacties waarbij opdrachten<br />

worden gegeven aan de wetgever of de overheid is een<br />

ruime marge vervat voor de tot regeling of zorg geroepen<br />

organen. De ruime beleidsmarge die deze bepalingen<br />

inhouden voor de wetgevende en besturende organen<br />

maakt dat zij zich niet of nauwelijks tot toetsingscriterium<br />

lenen. Het moet wel een zeer uitzonderlijk<br />

geval zijn, wil de rechter tot de slotsom kunnen komen<br />

dat het hem voorgelegde besluit van een lager lichaam<br />

onverbindend is wegens strijd met een der bepalingen<br />

inzake sociale grondrechten.’<br />

Ten aanzien van het in artikel 21 van de Grondwet<br />

neergelegde voorwerp van zorg van de overheid bestaat<br />

een uitgebreide wetgeving. De Wet milieubeheer<br />

maakt hiervan deel uit. Niet is gebleken van bijzondere<br />

omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de bestreden<br />

besluiten – in aanvulling op de toetsing aan de<br />

Wet milieubeheer – voor rechtstreekse toetsing aan artikel<br />

21 van de Grondwet in aanmerking komen. De<br />

beroepen treffen in zoverre geen doel.<br />

In het eerste lid van artikel 8 van het EVRM is bepaald<br />

dat een ieder recht heeft op respect voor zijn<br />

privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en<br />

zijn correspondentie. In het tweede lid is bepaald dat<br />

geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan<br />

in de uitoefening van dit recht, dan voorzover bij de<br />

wet is voorzien en in een democratische samenleving<br />

noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid,<br />

de openbare veiligheid of het economisch welzijn<br />

van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en<br />

strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of<br />

de goede zeden of voor de bescherming van de rechten<br />

en vrijheden van anderen.<br />

Voorzover de bestreden besluiten beschouwd kunnen<br />

worden als een inmenging in de rechten, neergelegd<br />

in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, overweegt<br />

de Afdeling dat deze haar grondslag vindt in de Wet<br />

milieubeheer. De inmenging van de overheid is derhalve<br />

bij wet voorzien en moet worden aangemerkt als<br />

noodzakelijk in het belang van de bescherming van de<br />

openbare veiligheid, de gezondheid en de rechten en<br />

vrijheden van anderen, waarbij een eerlijke afweging<br />

heeft plaats gevonden tussen de belangen van het individu<br />

enerzijds, en die van de gemeenschap als geheel<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


anderzijds. Voorzover sprake is van een op verweerders<br />

rustende positieve verplichting om redelijke en gepaste<br />

maatregelen te nemen ter bescherming van de in<br />

artikel 8, eerste lid, van het EVRM neergelegde rechten,<br />

kan niet worden geoordeeld dat zij daarin te kort<br />

zijn geschoten. Overeenkomstig de Wet milieubeheer<br />

genomen besluiten kunnen alleen dan geacht worden<br />

in strijd te zijn met artikel 8 van het EVRM, wanneer<br />

zich omstandigheden voordoen waardoor als gevolg<br />

van deze besluiten een zodanige mate van milieuhinder<br />

kan worden ondervonden, dat deze zou moeten<br />

worden beschouwd als een niet-gerechtvaardigde of<br />

disproportionele inbreuk op de door artikel 8 van het<br />

EVRM beschermde rechten. Daarvan is echter in<br />

onderhavig geval geen sprake. De beroepen treffen in<br />

zoverre geen doel.<br />

02-46<br />

ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nr. 200103923/1 (Staatssecretaris<br />

LNV)<br />

Casus<br />

Vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet<br />

voor de aanleg en verbetering van een recreatieve<br />

fietsvoorziening in het natuurmonument de Deurnese<br />

Peel. Volgens appellante staat niet vast dat<br />

de aanleg en verbetering van de voorziening geen<br />

significante gevolgen zal hebben voor het ingevolge<br />

artikel 6 van de Habitatrichtlijn aangewezen gebied.<br />

Verweerder stelt zich op het standpunt dat<br />

de Deurnese Peel niet is aangewezen als speciale<br />

beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn.<br />

Rechtsvraag<br />

Hadden verweerders onderzoek moeten doen naar<br />

eventuele significante gevolgen van de voorgenomen<br />

activiteiten?<br />

Uitspraak<br />

De Afdeling stelt vast dat verweerder in 1992 het<br />

gebied heeft aangewezen als speciale beschermingszone<br />

in de zin van de Vogelrichtlijn zodat<br />

voor de in deze richtlijn genoemde vogelsoorten<br />

speciale beschermingsmaatregelen moeten worden<br />

getroffen. De in artikel 6 van de Habitatricht-<br />

Milieu<br />

19<br />

lijn opgenomen verplichtingen komen in de plaats<br />

van de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn<br />

voor wat betreft de speciale beschermingszones.<br />

Nu vaststaat dat de Deurnese Peel is<br />

aangemerkt als speciale beschermingszone rust op<br />

verweerder de taak te bezien in hoeverre ten aanzien<br />

van de aanleg en verbetering van de recreatieve<br />

fietsvoorziening aan de uit de Habitatrichtlijn<br />

voortvloeiende verplichtingen kan worden voldaan.<br />

Omdat aan het bestreden besluit geen onderzoek<br />

ten grondslag ligt is dit besluit op onzorgvuldige<br />

wijze voorbereid.<br />

Natuurbeschermingswet, artikel 12<br />

EG-richtlijn 79/409 (Vogelrichtlijn), artikel 4<br />

EG-richtlijn 92/43 (Habitatrichtlijn), artikelen 6<br />

en 7<br />

Bij besluit van 18 september 2000 heeft de Staatssecretaris<br />

van LNV (verweerder) aan het college van burgemeester<br />

en wethouders van de gemeente Deurne op<br />

grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />

vergunning onder voorwaarden verleend voor de aanleg<br />

en verbetering van een recreatieve fietsvoorziening<br />

in het natuurmonument de Deurnese Peel.<br />

Bij besluit van 27 juni 2001, op dezelfde dag verzonden,<br />

heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar<br />

ongegrond verklaard.<br />

Overwegingen<br />

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet<br />

is het verboden zonder vergunning van de<br />

Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, of in<br />

strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden,<br />

handelingen te verrichten, te doen verrichten<br />

of te gedogen die schadelijk zijn voor het natuurschoon<br />

of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een<br />

beschermd natuurmonument of die een beschermd<br />

natuurmonument ontsieren.<br />

Ingevolge artikel 12, tweede lid, worden in ieder<br />

geval als schadelijk voor het natuurschoon of voor de<br />

natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd<br />

natuurmonument aangemerkt handelingen,<br />

die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke<br />

kenmerken van een beschermd natuurmonument<br />

aantasten.<br />

Appellante betoogt dat verweerder door vergunning<br />

te verlenen voor de aanleg en verbetering van een recreatieve<br />

fietsvoorziening ten onrechte de belangen<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


20<br />

van de gemeente Deurne heeft laten prevaleren boven<br />

die van de natuur in ‘het Zinkske’, onderdeel van het<br />

beschermd natuurmonument de Deurnese Peel. Volgens<br />

appellante mocht deze vergunning slechts verleend<br />

worden indien zeker is dat de aanleg en verbetering<br />

geen significante gevolgen zullen hebben voor een<br />

ingevolge artikel 6 van de Habitatrichtlijn aangewezen<br />

gebied. Nu over de gevolgen geen zekerheid bestaat,<br />

kon volgens appellante slechts vergunning verleend<br />

worden als de aanleg en verbetering van de fietsvoorziening<br />

van groot openbaar belang is en dan alleen<br />

wanneer er geen alternatieven zijn. Appellante betwist<br />

het groot openbaar belang bij de uitvoering van deze<br />

werken en stelt voorts dat er een aanvaardbaar alternatief<br />

voorhanden is.<br />

In zijn verweerschrift heeft verweerder zich op het<br />

standpunt gesteld dat de Deurnese Peel niet is aangewezen<br />

op grond van de Vogelrichtlijn.<br />

De Afdeling overweegt dat verweerder bij besluit van<br />

12 mei 1992, Stcrt. 1992, 94, de Deurnese Peel<br />

heeft aangewezen als speciale beschermingszone in de<br />

zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn<br />

79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen<br />

van 2 april 1979 inzake het behoud van de<br />

vogelstand (Pb L 103; verder: Vogelrichtlijn). Hieruit<br />

volgt dat verweerders stelling onjuist is. Hoezeer verweerder<br />

terzake dwaalt, blijkt uit zijn stelling dat het<br />

gebied zich niet kwalificeert voor een aanwijzing op<br />

grond van de Vogelrichtlijn.<br />

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn<br />

dienen de Lidstaten voor de leefgebieden van de in Bijlage<br />

I van de richtlijn genoemde vogelsoorten speciale<br />

beschermingsmaatregelen te treffen, met name door<br />

het aanwijzen van de naar aantal en oppervlakte voor<br />

de instandhouding van deze soorten meest geschikte<br />

gebieden als speciale beschermingszone.<br />

Ingevolge artikel 4, tweede lid, dienen de Lidstaten<br />

soortgelijke maatregelen te nemen ten aanzien van de<br />

niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende<br />

trekvogels ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden<br />

en rustplaatsen in hun trekzones.<br />

Ingevolge artikel 7 van de richtlijn 92/43/ EEG van<br />

de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21<br />

mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke<br />

habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; verder:<br />

Habitatrichtlijn) komen de uit artikel 6, tweede, derde<br />

en vierde lid, voortvloeiende verplichtingen in de<br />

plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel<br />

Milieu<br />

4, vierde lid, eerste zin, van de Vogelrichtlijn, voor wat<br />

betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig<br />

artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen<br />

of bij analogie overeenkomstig artikel 4,<br />

tweede lid, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de<br />

datum van toepassing van de onderhavige richtlijn,<br />

dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning<br />

door een Lidstaat overeenkomstig de Vogelrichtlijn,<br />

indien deze datum later valt.<br />

In artikel 6, tweede lid, is bepaald dat de Lidstaten<br />

passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat<br />

de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats<br />

van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert<br />

en er geen storende factoren optreden voor de<br />

soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover<br />

die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn,<br />

een significant effect zouden kunnen hebben.<br />

In artikel 6, derde lid, is bepaald dat voor plannen<br />

of projecten die significante gevolgen kunnen hebben<br />

voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling<br />

wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied,<br />

rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen<br />

van dat gebied. De bevoegde instanties<br />

mogen slechts toestemming voor het plan of project<br />

geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het<br />

de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.<br />

Nu vast staat dat de Deurnese Peel is aangemerkt<br />

als speciale beschermingszone, rust op verweerder de<br />

taak te bezien in hoeverre ten aanzien van de aanleg<br />

en verbetering van de recreatieve fietsvoorziening aan<br />

de uit de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen<br />

kan worden voldaan.<br />

Aan het bestreden besluit ligt geen onderzoek ten<br />

grondslag waarbij is nagegaan of de aanleg en verbetering<br />

van de recreatieve fietsvoorziening zich verdraagt<br />

met de genoemde aanwijzingsbeschikking en artikel 6<br />

van de Habitatrichtlijn. Gelet hierop heeft verweerder<br />

het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze voorbereid.<br />

Reeds hierom is het beroep gegrond en dient het<br />

bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd<br />

met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


02-47<br />

ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 200103822/1 (Weert)<br />

Casus<br />

Besluit tot afwijzing van het verzoek om handhavingsmaatregelen<br />

te treffen met betrekking tot het<br />

stallen van een vrachtwagen op een met puin verhard<br />

deel van het terrein. Appellant betoogt dat<br />

sprake is van een vergunningplichtige activiteit als<br />

bedoeld in de Wet milieubeheer omdat sprake is<br />

van het stallen van een beladen vrachtwagen met<br />

gevaarlijke of ontplofbare stoffen. Verweerders<br />

menen daarentegen dat de activiteiten buiten de<br />

reikwijdte van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit<br />

milieubeheer (Ivb) vallen.<br />

Rechtsvraag<br />

Is sprake van een vergunningplichtige inrichting?<br />

Uitspraak<br />

De Afdeling stelt vast dat op het desbetreffende<br />

perceel één vrachtwagen wordt geparkeerd ten behoeve<br />

van een transportbedrijf. Dit is een bedrijfsmatig<br />

ondernomen bedrijvigheid die binnen een<br />

zekere begrenzing pleegt te worden verricht, zodat<br />

gesproken moet worden van een inrichting in de<br />

zin van de Wet milieubeheer. Omdat in categorie<br />

13.1 van bijlage I van het Ivb het parkeren van<br />

drie of meer voor het vervoer van goederen langs<br />

de weg bestemde motorvoertuigen als activiteit is<br />

opgenomen, is op deze grond geen sprake van vergunningplicht.<br />

Daargelaten de vraag of de lading<br />

van de vrachtwagen gevaarlijk of ontplofbaar is,<br />

kan het parkeren van de vrachtwagen niet worden<br />

aangemerkt als ‘opslag’ in de zin van categorie 3,<br />

4 en 5 van het Ivb. Er is geen sprake van ‘opslag’<br />

omdat de duur van het verblijf van de vrachtwagen<br />

varieert, deze duur beperkt is tot ten hoogste de<br />

drie nachten in en rond het weekeinde waardoor<br />

ook de aanwezigheid van de stoffen van beperkte<br />

duur is, steeds wisselende stoffen in de vrachtwagen<br />

aanwezig zijn en aannemelijk is dat de vrachtwagen<br />

bij tijd en wijle leeg is. Ook op deze grond is<br />

geen sprake van vergunningplicht.<br />

Milieu<br />

21<br />

Wet milieubeheer, artikel 1.1, eerste lid<br />

Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,<br />

bijlage I, categorie 13.1 en categorie 3, 4<br />

en 5<br />

Bij besluit van 13 oktober 2000 hebben burgemeester<br />

en wethouders van Weert (verweerders) afwijzend beslist<br />

op een verzoek van appellant om toepassing van<br />

bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot<br />

activiteiten, bestaande uit het stallen van een vrachtwagen<br />

op een met puin verhard deel van het terrein.<br />

Bij besluit van 29 januari 2001, verzonden op dezelfde<br />

datum, hebben verweerders het hiertegen gemaakte<br />

bezwaar ongegrond verklaard.<br />

Overwegingen<br />

Appellant betoogt dat verweerders ten onrechte de Wet<br />

milieubeheer niet van toepassing achten op het transportbedrijf<br />

van Peters. In zijn beroepschrift heeft appellant<br />

voorts het standpunt ingenomen dat het transportbedrijf<br />

niet vergunningplichtig is, maar ter zitting<br />

heeft hij verklaard dat hij heeft bedoeld te bestrijden<br />

dat de activiteiten niet vergunningplichtig zijn. In dit<br />

kader voert hij aan dat met het stallen van een beladen<br />

vrachtwagen opslag plaatsvindt van gevaarlijke of ontplofbare<br />

stoffen, in welk verband hij wijst op de categorieën<br />

3, 4 en 5 van bijlage I van het Inrichtingen- en<br />

vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb).<br />

Verweerders hebben als peildatum voor het toepasselijke<br />

recht de data tot uitgangspunt genomen waarop<br />

het puingranulaat is aangebracht. Zij stellen zich op<br />

het standpunt dat de activiteiten geen vergunningplichtige<br />

inrichting vormen. Volgens hen vallen deze<br />

buiten de reikwijdte van de categorieën die zijn genoemd<br />

in de bijlage I van het Ivb. In dit verband hebben<br />

verweerders en Peters ter zitting aangevoerd dat<br />

zich op het perceel (...) weliswaar met zekere regelmaat<br />

een vrachtwagen met lading bevindt, maar dat<br />

dat met name rond het weekeinde het geval is. Volgens<br />

hen wordt de vrachtwagen zelden door de week geparkeerd,<br />

is de aard van de te vervoeren stoffen steeds<br />

wisselend en komt het met name in het weekeinde bij<br />

tijd en wijle voor dat de vrachtwagen leeg is.<br />

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting<br />

stelt de Afdeling vast dat op het perceel (...) het parkeren<br />

van één vrachtwagen plaatsvindt ten behoeve van<br />

een transportbedrijf, en dat aldaar de bedrijfsadministratie<br />

wordt gehouden. Het parkeren van de vrachtwagen<br />

is een bedrijfsmatig ondernomen bedrijvigheid<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


22<br />

die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht,<br />

zodat gesproken moet worden van een inrichting<br />

in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.<br />

Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer<br />

worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën<br />

inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen<br />

voor het milieu veroorzaken. Het vierde lid van dit<br />

artikel bepaalt – voorzover hier van belang – dat in het<br />

vervolg van deze wet en de daarop berustende bepalingen<br />

onder inrichting wordt verstaan een inrichting,<br />

behorende tot een categorie die krachtens het derde lid<br />

is aangewezen. Aan het derde lid is uitvoering gegeven<br />

bij het Ivb.<br />

Ten aanzien van het parkeren van vrachtwagens<br />

– zowel beladen als onbeladen – is in bijlage I van het<br />

Ivb categorie 13.1, aanhef en onder b, opgenomen.<br />

Deze heeft betrekking op het parkeren van drie of meer<br />

voor het vervoer van goederen langs de weg bestemde<br />

motorvoertuigen, gelede motorvoertuigen, aanhangwagens<br />

of opleggers, waarvan de massa van het ledige<br />

voertuig, vermeerderd met het laadvermogen, meer<br />

bedraagt dan 3500 kg. Voor gevallen als het onderhavige,<br />

waarin het parkeren beperkt is tot één vrachtwagen,<br />

geldt ingevolge deze categorie dus geen vergunningplicht.<br />

Daargelaten of de lading van de vrachtwagen gevaarlijk<br />

of ontplofbaar is, overweegt de Afdeling voorts<br />

dat – in weerwil van het betoog van appellant – het<br />

parkeren van de vrachtwagen, gelet op de omstandigheden<br />

van het geval, niet kan worden aangemerkt als<br />

‘opslag’ in de zin van de categorieën 3, 4 en 5 van bijlage<br />

I van het Ivb. In dit verband acht de Afdeling relevant<br />

dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting<br />

de duur van het verblijf van de vrachtwagen<br />

varieert, dat deze duur beperkt is tot ten hoogste de<br />

drie nachten in en rond het weekeinde zodat ook de<br />

aanwezigheid van de stoffen van beperkte duur is, dat<br />

steeds wisselende soorten stoffen in de vrachtwagen<br />

aanwezig zijn en dat aannemelijk is dat de vrachtwagen<br />

bij tijd en wijle leeg is.<br />

Volgt ongegrond verklaring van het beroep.<br />

Milieu<br />

02-48<br />

ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nr. 200002214/1 (Hoogheemraadschap<br />

Schieland)<br />

Casus<br />

Afwijzing van verzoek om bestuursdwang toe te<br />

passen ten aanzien van lozingen van bestrijdingsmiddelen<br />

en meststoffen door akkerbouwbedrijven.<br />

Verweerders stellen dat de bedrijven onder de<br />

werking van het Lozingenbesluit vallen en aan de<br />

bepalingen van dit Besluit voldoen. Appellanten<br />

bestrijden dit niet maar vechten de verbindendheid<br />

van het Lozingenbesluit aan voorzover het betrekking<br />

heeft op emissies ten gevolge van het gebruik<br />

van bestrijdingsmiddelen en meststoffen.<br />

Omdat het Lozingenbesluit slechts ziet op een deel<br />

van de lozingen die samenhangen met deze activiteiten<br />

is het Lozingenbesluit in zoverre strijdig<br />

met EG-richtlijn 76/464 ter zake van de bescherming<br />

van het oppervlaktewater. Voorts zijn de wel<br />

in het Lozingenbesluit geregelde lozingen verbonden<br />

aan eisen die volgens appellanten niet in overeenstemming<br />

zijn met de stand der techniek.<br />

Rechtsvragen<br />

1. Kan ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen<br />

en meststoffen worden gesproken<br />

van een ‘lozing’ als bedoeld in de EG-richtlijn?<br />

2. Zijn de eisen in het Lozingenbesluit in overeenstemming<br />

met de stand der techniek?<br />

Uitspraak<br />

ad 1. Met verwijzing naar het criterium van het Hof<br />

van Justitie EG in haar arrest van 29 september<br />

1999 overweegt de Afdeling dat niet iedere<br />

activiteit waarbij een stof uiteindelijk in het<br />

water terecht komt als een ‘lozing’ in de zin<br />

van EG-richtlijn 76/464 dient te worden aangemerkt.<br />

Dit is onder meer het geval bij activiteiten<br />

waardoor indirecte verspreiding van<br />

toegepaste bestrijdingsmiddelen en meststoffen<br />

optreedt. Het Lozingenbesluit ziet op<br />

andere activiteiten namelijk activiteiten die<br />

een piekbelasting van het oppervlaktewater<br />

veroorzaken ten gevolge van onder andere het<br />

mee bemesten dan wel het mee spuiten van<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


sloten. Daarmee regelt het Lozingenbesluit<br />

die activiteiten die conform EG-richtlijn<br />

76/464 als lozingen dienen te worden beschouwd.<br />

Activiteiten die betrekking hebben<br />

op de toepassing van bestrijdingsmiddelen en<br />

meststoffen geven volgens de Afdeling slechts<br />

aanleiding tot vormen van verontreiniging die<br />

zich – bijvoorbeeld via het grondwater – diffuus<br />

in het milieu verspreiden en dus niet gericht<br />

in het oppervlaktewater terecht komen<br />

en daarmee niet kunnen worden beschouwd<br />

als ‘lozingen’ in de zin van EG-richtlijn. Nu<br />

geen sprake is van een ‘lozing’ in de zin van<br />

de richtlijn is geen vergunning ingevolge de<br />

Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

(Wvo) vereist zodat de door appellanten in<br />

dat kader verlangde aanvullende maatregelen<br />

niet kunnen worden opgelegd.<br />

ad 2. In het kader van het Lozingenbesluit kunnen<br />

maatregelen ter voorkoming van verontreiniging<br />

van het oppervlaktewater worden getroffen<br />

die zijn gebaseerd op zowel de best bestaande<br />

technieken als de best uitvoerbare<br />

technieken. Omdat het in dit geval gaat om<br />

lozingen van grijze lijst stoffen hebben verweerders<br />

met toepassing van de best uitvoerbare<br />

technieken gekozen voor een pakket<br />

maatregelen dat er rekening mee houdt dat<br />

de continuïteit van de bedrijven niet in gevaar<br />

komt. Nu het Lozingenbesluit voorziet in<br />

aanscherping van de voorschriften op een<br />

later tijdstip kunnen verweerders daartoe in<br />

de toekomst overgaan. De Afdeling is van<br />

oordeel dat bij de beoordeling van de noodzaak<br />

van bepaalde voorschriften betekenis<br />

toekomt aan de vraag of de desbetreffende<br />

maatregelen voor de gehele bedrijfstak als<br />

zodanig haalbaar zijn. In het licht van het vorenstaande<br />

hebben verweerders een pakket<br />

van maatregelen kunnen voorschrijven gebaseerd<br />

op de best uitvoerbare technieken.<br />

Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikelen<br />

1 en 2a<br />

EG-richtlijn 76/464, artikel 7 lid 4<br />

Lozingenbesluit, artikelen 2 en 14<br />

Bij besluit van 20 februari 1996 hebben verweerders<br />

afwijzend beslist op het verzoek om bestuursdwang<br />

Milieu<br />

23<br />

toe te passen ten aanzien van lozingen van bestrijdingsmiddelen<br />

en meststoffen in het oppervlaktewater.<br />

Bij besluit van 25 juni 1996 hebben verweerders<br />

het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />

Overwegingen<br />

Het bestreden besluit heeft betrekking op een achttal<br />

akkerbouwbedrijven. In deze bedrijven worden bestrijdingsmiddelen<br />

en meststoffen toegepast.<br />

Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Waterschapswet<br />

is het waterschapsbestuur bevoegd tot toepassing<br />

van bestuursdwang.<br />

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht<br />

wordt onder bestuursdwang verstaan: het<br />

door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan<br />

optreden tegen hetgeen in strijd met bij of<br />

krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen<br />

is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.<br />

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging<br />

oppervlaktewateren is het verboden zonder vergunning<br />

met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende<br />

of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te<br />

brengen in oppervlaktewateren. Ingevolge het derde<br />

lid, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel<br />

van bestuur worden bepaald dat het zonder vergunning<br />

verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen<br />

op andere wijze dan met behulp van een werk in<br />

oppervlaktewateren te brengen. Bij algemene maatregel<br />

van bestuur kan mede worden bepaald dat ten<br />

aanzien van alle of bepaalde oppervlaktewateren het<br />

brengen op welke wijze ook van daarbij aan te geven<br />

soorten van stoffen als bedoeld in het eerste lid in oppervlaktewater<br />

is verboden.<br />

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit<br />

artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

(hierna: het Uitvoeringsbesluit) is het,<br />

onverminderd artikel 3, verboden zonder vergunning afvalstoffen,<br />

verontreinigende of schadelijke stoffen op<br />

andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater<br />

te brengen onder meer (a) door deze<br />

daarin te storten, (b) door deze onder het wateroppervlak<br />

uit te pompen, weg te pompen of te doen of te<br />

laten afvloeien, (c) door deze te storten, neder te leggen,<br />

te laten liggen, of te doen of te laten afvloeien op<br />

duinen, stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen,<br />

vlonders, aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed<br />

van enig oppervlaktewater, (d) bij het laden, lossen<br />

of overladen daarvan en (e) bij het uit- of inwendig reinigen<br />

van enig voertuig, vaartuig of luchtvaartuig.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


24<br />

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit,<br />

voorzover hier van belang, is dit besluit niet van<br />

toepassing op gedragingen waaromtrent voorschriften<br />

zijn gesteld bij of krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet<br />

1962, met uitzondering van agrarische activiteiten<br />

als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het<br />

Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (hierna: het<br />

Lozingenbesluit).<br />

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het<br />

Lozingenbesluit moet onder agrarische activiteiten<br />

worden verstaan het geheel van activiteiten die betrekking<br />

hebben op landbouwgewassen en landbouwhuisdieren<br />

als bedoeld in bijlage I bij het besluit.<br />

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Lozingenbesluit<br />

is het besluit van toepassing op het lozen en het<br />

gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewateren<br />

ten gevolge van agrarische activiteiten dan<br />

wel activiteiten die daarmee verband houden met uitzondering<br />

van (a) tot en met (k).<br />

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Lozingenbesluit<br />

is lozen verboden.<br />

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Lozingenbesluit<br />

is, voorzover hier van belang, in afwijking van het<br />

eerste lid lozen toegestaan, indien het betreft (i) overig<br />

op een andere wijze dan met behulp van een werk<br />

lozen, dat verband houdt met gewasbescherming en<br />

toediening van meststoffen, met inachtneming van de<br />

voorschriften genoemd in de artikelen 13, 14, 15 en<br />

16.<br />

Verweerders stellen dat de acht akkerbouwbedrijven<br />

vallen onder de werking van het Lozingenbesluit.<br />

Bij bedrijfsbezoeken is gebleken dat de bedrijven voldoen<br />

aan de bepalingen van het Lozingenbesluit, zodat<br />

verweerders zich niet bevoegd achtten bestuursdwang<br />

toe te passen.<br />

Appellanten bestrijden niet dat de acht akkerbouwbedrijven<br />

voldoen aan de bepalingen van het Lozingenbesluit,<br />

doch vechten de verbindendheid van het Lozingenbesluit<br />

aan voorzover het betrekking heeft op de<br />

regeling van de emissies die ontstaan door het gebruik<br />

van bestrijdingsmiddelen en meststoffen bij de teelt<br />

van gewassen op de betrokken percelen. Naar de mening<br />

van appellanten ziet het Lozingenbesluit slechts<br />

op een deel van de lozingen die samenhangen met de<br />

even bedoelde activiteiten. In dit verband wijzen appellanten<br />

op een notitie die is opgesteld in het kader<br />

van de inspraakprocedure, die is vooraf gegaan aan de<br />

totstandkoming van het Lozingenbesluit. Uit deze notitie<br />

blijkt, volgens appellanten, dat in geval van bestrij-<br />

Milieu<br />

dingsmiddelen het grootste deel van de belasting van<br />

het oppervlaktewater wordt veroorzaakt door ‘atmosferische<br />

depositie’ en ‘uitspoeling’, terwijl met betrekking<br />

tot meststoffen met name ‘uitspoeling’ en ‘afspoeling’<br />

de voornaamste vormen van verontreiniging zijn.<br />

Door het Lozingenbesluit te beperken tot een regeling<br />

van drift waar het gaat om bestrijdingsmiddelen en het<br />

voorkomen van het mee bemesten van oppervlaktewater<br />

waar het gaat om meststoffen, is huns inziens een<br />

aanzienlijk deel van de verspreiding van bestrijdingsmiddelen<br />

en meststoffen naar het oppervlaktewater<br />

ongeregeld gelaten.<br />

Verder ziet het Lozingenbesluit uitsluitend op de<br />

piekbelasting van het oppervlaktewater en niet op de<br />

continue belasting van het oppervlaktewater, waarmee<br />

voorbij wordt gegaan aan het feit dat de gemeten te<br />

hoge concentratie bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater<br />

een gevolg is van de continue belasting<br />

van het oppervlaktewater en dat chronische effecten<br />

bij veel lagere concentraties optreden dan acuut toxische<br />

effecten, aldus appellanten.<br />

Aangezien de overige vormen van verontreiniging<br />

van het oppervlaktewater door het gebruik van bestrijdingsmiddelen<br />

en meststoffen elders niet afdoende zijn<br />

geregeld, en de Bestrijdingsmiddelenwet bepaalt dat<br />

bestrijdingsmiddelen in principe slechts worden toegelaten<br />

indien gebruik niet leidt tot onaanvaardbare effecten<br />

op het milieu, voldoet het Lozingenbesluit niet<br />

aan de eisen die de richtlijn 76/464/EG ter zake van<br />

de bescherming van het oppervlaktewater stelt. Gelet<br />

hierop, is er naar de mening van appellanten, aanleiding<br />

om in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

de milieubelasting ten gevolge van het<br />

gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen te minimaliseren.<br />

Verder zijn volgens appellanten de eisen die ter<br />

zake van de in het Lozingenbesluit wel geregelde lozingen<br />

zijn opgenomen niet in overeenstemming met de<br />

‘stand der techniek’, zodat het Lozingenbesluit in zoverre<br />

in strijd is met artikel 2a van de Wet verontreiniging<br />

oppervlaktewateren juncto artikel 8.11, derde lid,<br />

en 8.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer en artikel<br />

7, vierde lid, van de richtlijn 76/464/EG. Als voorbeeld<br />

wijzen appellanten op de in het Lozingenbesluit<br />

opgenomen maatregelen met betrekking tot drift. Deze<br />

gaan naar de mening van appellanten niet ver genoeg.<br />

Het voorschrijven van bij voorbeeld een bredere teeltvrije<br />

zone zou naar hun mening economisch haalbaar<br />

zijn geweest.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


De Afdeling overweegt ter zake van de vraag of in het<br />

Lozingenbesluit de te verwachten lozingen afdoende<br />

zijn geregeld, dat de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

en het Lozingenbesluit de implementatie vormen<br />

van de richtlijn 76/464/EG. Het Hof van Justitie<br />

van de EG heeft in zijn arrest van 29 september 1999,<br />

nr. C-232/97, overwogen dat het begrip lozing aldus<br />

dient te worden opgevat dat het ziet op elke aan een<br />

persoon toe te schrijven handeling waarbij een van de<br />

in lijst I of Lijst II van de bijlage bij de richtlijn<br />

76/464/EG genoemde stoffen direct of indirect in de<br />

wateren waarop deze richtlijn van toepassing is wordt<br />

gebracht. Voorts heeft het Hof van Justitie van de EG<br />

in hetzelfde arrest overwogen dat het begrip lozing<br />

aldus dient te worden uitgelegd dat het niet de verontreiniging<br />

omvat die afkomstig is uit andere significante<br />

bronnen, met inbegrip van meervoudige en diffuse<br />

bronnen, als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn<br />

86/280/EG.<br />

Hieruit blijkt dat niet iedere activiteit waarbij een<br />

stof uiteindelijk in het water komt een lozing als bedoeld<br />

in de richtlijn 76/464/EG oplevert. Dit is naar<br />

het oordeel van de Afdeling onder meer het geval bij<br />

activiteiten waardoor indirecte verspreiding van toegepaste<br />

bestrijdingsmiddelen en meststoffen optreedt.<br />

Het Lozingenbesluit ziet naar het oordeel van de Afdeling<br />

op andere activiteiten, te weten, de activiteiten<br />

die een piekbelasting van het oppervlaktewater veroorzaken<br />

ten gevolge van het mee bemesten dan wel mee<br />

spuiten van sloten, de afspoeling van verhard en onverhard<br />

oppervlak, de verwaaiing van bestrijdingsmiddelen<br />

van de direct naast het oppervlaktewater gelegen<br />

landbouwgrond tijdens de bespuiting en laterale<br />

afspoeling van toegediende bestrijdingsmiddelen en<br />

meststoffen van de direct naast het oppervlaktewater<br />

gelegen landbouwgrond. Het Lozingenbesluit regelt<br />

daarmee die activiteiten die conform de richtlijn<br />

76/464/EG als lozingen dienen te worden beschouwd.<br />

De activiteiten met bestrijdingsmiddelen en meststoffen<br />

zullen overigens naar het oordeel van de Afdeling<br />

slechts aanleiding geven tot vormen van verontreiniging<br />

die zich – bijvoorbeeld via het grondwater –<br />

diffuus in het milieu verspreiden en die dus niet gericht<br />

in het oppervlaktewater terecht komen en kunnen<br />

daarmee niet worden beschouwd als lozingen in de zin<br />

van de richtlijn 76/464/EG.<br />

Wat betreft de stelling van appellanten dat het gebruik<br />

van bestrijdingsmiddelen en meststoffen zodanig<br />

gebrekkig is geregeld, dat verweerders verplicht zijn te<br />

Milieu<br />

25<br />

bezien of in voorkomende gevallen in aanvulling op het<br />

Lozingenbesluit in een vergunning krachtens de Wet<br />

verontreiniging oppervlaktewateren aanvullende maatregelen<br />

moeten worden opgelegd, overweegt de Afdeling<br />

als volgt.<br />

De Wet verontreiniging oppervlaktewateren en in<br />

het verlengde daarvan het Lozingenbesluit zien op lozingen<br />

in de zin van de even bedoelde richtlijn. Een<br />

handeling die valt onder de Bestrijdingsmiddelenwet<br />

en de Meststoffenwet maar die geen lozing oplevert in<br />

de zin van de richtlijn 76/464/EG valt dus niet onder<br />

de werking van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,<br />

zodat daarvoor geen vergunning krachtens deze<br />

wet is vereist.<br />

Deze beroepsgrond treft mitsdien geen doel.<br />

Wat betreft de in het Lozingenbesluit opgenomen<br />

maatregelen ter beteugeling van de emissie van bestrijdingsmiddelen<br />

en meststoffen naar het oppervlaktewater<br />

is namens verweerders gesteld, dat aangezien in<br />

de desbetreffende bedrijfstak met name sprake is van<br />

lozingen van zogenoemde grijze lijst stoffen, in het<br />

kader van de totstandkoming van het Lozingenbesluit<br />

niet alleen acht is geslagen op de ‘best bestaande<br />

technieken’ maar ook op de ‘best uitvoerbare technieken’<br />

om verontreiniging van het oppervlaktewater<br />

tegen te gaan. Bij de keuze van het pakket van maatregelen<br />

dat in het Lozingenbesluit is opgenomen, is er<br />

dan ook rekening mee gehouden dat de continuïteit<br />

van de bedrijven niet in gevaar mag komen door het<br />

opleggen van maatregelen waaraan hoge kosten zijn<br />

verbonden. In aanvulling daarop kent het Lozingenbesluit<br />

de mogelijkheid om nadere eisen te stellen ten<br />

einde tegemoet te komen aan specifieke situaties. Artikel<br />

14 van het Lozingenbesluit voorziet voorts in een<br />

nadere aanscherping van de voorschriften op een later<br />

tijdstip. Tevens zal ingevolge artikel 22 van het Lozingenbesluit<br />

eenmaal in de vier jaar worden bezien in<br />

hoeverre het Lozingenbesluit bijdraagt aan het behalen<br />

van de waterkwaliteitsdoelstellingen. Deze evaluatie,<br />

waarmee thans voor de eerste maal een aanvang is gemaakt,<br />

kan leiden tot het nader aanpassen van het Lozingenbesluit.<br />

In artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer<br />

– dat ingevolge artikel 2a van de Wet verontreiniging<br />

oppervlaktewateren van overeenkomstige toepassing<br />

is – is bepaald dat aan de vergunning de voorschriften<br />

worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van<br />

het milieu. Indien de nadelige gevolgen die de inrich-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


26<br />

ting voor het milieu kan veroorzaken niet kunnen worden<br />

voorkomen worden aan de vergunning de voorschriften<br />

verbonden die de grootst mogelijke bescherming<br />

bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs<br />

niet kan worden gevergd. Naar het oordeel<br />

van de Afdeling komt bij de beoordeling van de noodzaak<br />

van bepaalde voorschriften betekenis toe aan de<br />

vraag of de desbetreffende maatregelen voor de gehele<br />

bedrijfstak als zodanig haalbaar zijn. Gelet hierop, is<br />

de Afdeling in het licht van het vorenstaande van oordeel<br />

dat het voorschrijven in het Lozingenbesluit van<br />

een pakket van maatregelen gebaseerd op de ‘best uitvoerbare<br />

technieken’ en waarbij vanwege de daaraan<br />

verbonden kosten eerst in de toekomst strengere eisen<br />

zullen worden gesteld ten aanzien van het tegengaan<br />

van emissies van bestrijdingsmiddelen en meststoffen<br />

in de richting van het oppervlaktewater, onvoldoende<br />

grond oplevert voor de conclusie dat sprake is van<br />

strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer<br />

juncto artikel 2a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

en artikel 8.40, tweede lid, van de<br />

Wet milieubeheer. Uit het vorenstaande volgt dat ook<br />

het beroep dat appellanten doen op artikel 7, vierde<br />

lid, van de richtlijn 76/464/EG faalt. Deze beroepsgrond<br />

treft geen doel.<br />

Niet in geschil is dat geen overtreding van het Lozingenbesluit<br />

heeft plaatsgehad. Verweerders zijn<br />

mitsdien terecht tot de conclusie gekomen dat zij niet<br />

bevoegd zijn bestuursdwang toe te passen.<br />

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond<br />

is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen<br />

aanleiding.<br />

02-49<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103482/1 (Ambt Montfort)<br />

Casus<br />

Weigering oprichtingsvergunning krachtens de Wet<br />

milieubeheer voor een veehouderij. De vergunning<br />

is geweigerd omdat niet aan de afstandsgrafiek uit<br />

de Richtlijn veehouderij en stankhinder1996 kan<br />

worden voldaan. Appellant meent dat sprake is<br />

van bijzondere omstandigheden om van de Richt-<br />

Milieu<br />

lijn af te wijken. Omdat hij zijn bedrijf wil voortzetten<br />

totdat hij zijn pensioengerechtigde leeftijd<br />

heeft bereikt, heeft hij een vergunning aangevraagd<br />

voor de duur van 8 jaar.<br />

Rechtsvraag<br />

Kan onder bijzondere omstandigheden in strijd<br />

met de afstandsgrafiek van de Richtlijn een tijdelijke<br />

vergunning worden verleend?<br />

Uitspraak<br />

In hoofdstuk 5 van de Richtlijn wordt een drietal<br />

varianten voor ‘maatwerk’ uitgewerkt waarvan er<br />

één strekt tot vrijwillige bedrijfsbeëindiging op termijn.<br />

Uitgangspunt van deze variant is dat de bedrijfsvoering<br />

maximaal 5 jaar kan worden voortgezet<br />

door middel van een tijdelijke vergunning. Aan<br />

deze vergunning dienen voorschriften te worden<br />

verbonden gericht op het bereiken van een aanvaardbare<br />

milieusituatie, waarbij rekening wordt<br />

gehouden met de korte duur van de vergunning.<br />

Gebleken is dat verweerders vergunning hebben<br />

willen verlenen voor een periode van 2 jaar in<br />

plaats van de gevraagde 8 jaar. Uit het besluit<br />

blijkt niet of door het verlenen van een vergunning<br />

voor een langere periode dan 2 jaar een aanvaardbare<br />

milieusituatie zou kunnen worden bereikt.<br />

De Afdeling is van oordeel dat onder de zich<br />

hier voordoende omstandigheden vergunning voor<br />

een langere periode meer lijkt aangewezen. Nu milieuhygiënische<br />

redenen kennelijk geen beletsel<br />

zijn geweest om een vergunning voor 2 jaar te verlenen,<br />

is de Afdeling van oordeel dat niet deugdelijk<br />

is gemotiveerd waarom geen vergunning voor<br />

een langere periode zou kunnen worden verleend.<br />

Wet milieubeheer, artikelen 8.10, 8.11 en 8.17<br />

Bij besluit van 23 mei 2001 hebben verweerders geweigerd<br />

krachtens de Wet milieubeheer aan appellant<br />

een oprichtingsvergunning te verlenen als bedoeld in<br />

artikel 8.1, eerste lid, van deze wet voor een veehouderij<br />

waar vleesstieren worden gehouden, akkerbouwactiviteiten<br />

worden uitgeoefend en dieselolie wordt opgeslagen.<br />

Overwegingen<br />

Bij het bestreden besluit is de gevraagde vergunning voor<br />

onder andere het houden van 53 vleesstieren geweigerd.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


In artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder b, van de<br />

Wet milieubeheer is bepaald dat in een vergunning kan<br />

worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij<br />

vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar, indien:<br />

(...)<br />

b. uit de aanvraag blijkt dat de vergunning slechts voor<br />

een daarbij aangegeven termijn wordt gevraagd; (...).<br />

Verweerders hebben de gevraagde vergunning geweigerd<br />

uit het oogpunt van stankhinder. Bij de beoordeling<br />

van de stankhinder hebben zij de Richtlijn veehouderij<br />

en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot<br />

uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën<br />

hebben zij de brochure Veehouderij<br />

en Hinderwet 1985 toegepast.<br />

Niet in geschil is dat niet kan worden voldaan aan de<br />

normen van de afstandsgrafiek uit de Richtlijn. Appellant<br />

heeft evenwel betoogd dat sprake is van bijzondere<br />

omstandigheden om van de Richtlijn af te wijken. In<br />

dat verband heeft hij er op gewezen dat de inrichting<br />

reeds tientallen jaren bestaat en dat appellant zijn bedrijf<br />

wenst voort te zetten totdat hij zijn pensioengerechtigde<br />

leeftijd over enkele jaren bereikt. Derhalve<br />

heeft hij vergunning aangevraagd voor de duur van<br />

acht jaar. Verder is de omvang van het bedrijf niet zodanig<br />

dat onaanvaardbare stankhinder optreedt en zijn<br />

er nooit klachten over de inrichting geuit, aldus appellant.<br />

De Afdeling vat dit beroepsonderdeel van appellant<br />

aldus op dat verweerders toepassing hadden moeten<br />

geven aan hoofdstuk 5 van de Richtlijn en een<br />

tijdelijke vergunning hadden moeten verlenen.<br />

Hoofdstuk 5 van de Richtlijn heeft betrekking op de<br />

beoordeling van stankhinder veroorzaakt door bestaande<br />

bedrijven. Volgens dit hoofdstuk zijn voor bestaande<br />

bedrijven die nog geen dekkende milieuvergunning<br />

hebben en die bij toepassing van de Richtlijn niet<br />

rechtstreeks voor vergunningverlening in aanmerking<br />

komen, geen standaardoplossingen te geven, maar<br />

moet ‘maatwerk’ uitkomst bieden. Per individuele aanvraag<br />

moet worden afgewogen of en zo ja in hoeverre<br />

van de normen van de afstandsgrafiek kan worden afgeweken.<br />

In hoofdstuk 5 van de Richtlijn wordt een drietal<br />

varianten uitgewerkt. De tweede variant gaat uit van<br />

de situatie dat vergunninghouder zijn bedrijf op termijn<br />

vrijwillig beëindigt. Uitgangspunt van deze variant is<br />

dat de bedrijfsvoering ten hoogste vijf jaar kan worden<br />

voortgezet en dat daarvoor een tijdelijke vergunning<br />

wordt verleend. Daaraan worden voorschriften verbon-<br />

Milieu<br />

27<br />

den waaraan de drijver van de inrichting zich dient te<br />

houden tot dat hij zijn bedrijf beëindigt. Deze voorschriften<br />

moeten er op gericht zijn een aanvaardbare<br />

milieusituatie te bereiken, waarbij rekening dient te<br />

worden gehouden met de korte duur van de vergunning.<br />

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken<br />

dat verweerders in het kader van het vooroverleg<br />

met appellant om te komen tot een vergunning voor<br />

de onderhavige inrichting, hebben besproken hierbij<br />

de tweede variant van de maatwerkbenadering te willen<br />

toepassen. In dat verband hebben zij appellant geadviseerd<br />

vergunning voor een periode van twee jaar<br />

aan te vragen, zodat appellant in de gelegenheid is zijn<br />

ammoniakemissierechten te verkopen. In de omstandigheid<br />

dat appellant geen vergunning voor de duur<br />

van twee jaar maar voor de duur van acht jaar heeft<br />

aangevraagd, hebben verweerders aanleiding gezien<br />

de gevraagde vergunning te weigeren.<br />

Op grond van de tweede variant van de maatwerkbenadering<br />

kan een tijdelijke vergunning worden verleend<br />

voorzover gedurende de periode waarvoor vergunning<br />

wordt verleend een aanvaardbare milieusituatie<br />

kan worden bereikt. Verweerders hebben de gevraagde<br />

vergunning enkel geweigerd in verband met de<br />

periode waarvoor vergunning is aangevraagd en niet<br />

vanwege milieuhygiënische redenen. In hun weigering<br />

hebben zij niet betrokken of door het verlenen van een<br />

vergunning voor een langere periode en het verbinden<br />

van voorschriften daaraan, een aanvaardbare milieusituatie<br />

zou kunnen worden bereikt. Uit de stukken en<br />

het verhandelde ter zitting is gebleken dat voor appellant,<br />

gelet op zijn leeftijd en zijn plannen tot bedrijfsbeeindiging,<br />

een vergunning voor een langere periode<br />

dan thans is vergund meer lijkt aangewezen. Nu verweerders<br />

in milieuhygiënische redenen geen beletsel<br />

hebben gezien om vergunning voor de duur van twee<br />

jaar te verlenen is de Afdeling van oordeel dat verweerders<br />

niet deugdelijk hebben gemotiveerd waarom geen<br />

vergunning voor een langere periode zou kunnen worden<br />

verleend. Het bestreden besluit is derhalve in strijd<br />

met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

Het beroep is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


28<br />

02-50<br />

ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nrs. 200000056/1 en<br />

200000057/1 (Minister van VROM)<br />

Casus<br />

Afwijzing verzoek om schadevergoeding uit Fonds<br />

Luvo. De schade is ontstaan aan gewassen ten gevolge<br />

van opstuivend zand van naburige landbouwpercelen.<br />

Verweerder heeft het verzoek om<br />

schadevergoeding afgewezen omdat geen sprake<br />

zou zijn van een verontreinigende stof en mitsdien<br />

evenmin van luchtverontreiniging (luvo) in de zin<br />

van artikel 15.25 Wm. Daarnaast is het Fonds<br />

Luvo niet bestemd om schade te dekken ten gevolge<br />

van een gebeurtenis die is aan te merken als<br />

een natuurverschijnsel.<br />

Rechtsvragen<br />

1. Is sprake van een verontreinigende stof in de<br />

zin van artikel 1 Wet luvo?<br />

2. Komt de schade voor vergoeding uit het Fonds<br />

Luvo in aanmerking?<br />

Uitspraak<br />

ad 1. Ten tijde van de zandverstuivingen bevond<br />

zich een verhoogde concentratie zand in de<br />

lucht die hinder voor de mens kan opleveren<br />

en schade kan toebrengen aan goederen. De<br />

Afdeling is van oordeel dat het zand dan ook<br />

moet worden aangemerkt als verontreinigende<br />

stof in de zin van artikel 1 Wet Luvo,<br />

zodat in zoverre sprake is van luvo in de zin<br />

van artikel 15.25 Wm.<br />

ad 2. Gelet op de wetsgeschiedenis is met het instellen<br />

van het Fonds Luvo beoogd een voorziening<br />

te bieden betreffende schade ten gevolge<br />

van luvo die is veroorzaakt door<br />

menselijke activiteiten of nalaten en niet<br />

door natuurverschijnselen. Verweerder hanteert<br />

het uitgangspunt dat niet tot schadevergoeding<br />

kan worden overgegaan indien<br />

sprake is van luvo die wordt veroorzaakt<br />

door natuurverschijnselen, hetgeen binnen<br />

zijn beoordelingsvrijheid valt. De zandverstuivingen<br />

zijn veroorzaakt door een opstekende<br />

wind. De omstandigheid dat door het<br />

bewerken van land op het naburig perceel<br />

Milieu<br />

zand braak kwam te liggen, doet daar niet<br />

aan af.<br />

Wet milieubeheer, artikel 15.25<br />

Wet inzake de luchtverontreiniging, artikel 1<br />

Bij besluit van 18 januari 1999 heeft verweerder de<br />

verzoeken van appellant van 8 juni 1993 en 30 juni<br />

1997 om toekenning van een schadevergoeding uit<br />

het Fonds Luchtverontreiniging afgewezen.<br />

Bij besluit van 24 november 1999, verzonden op<br />

25 november 1999, heeft verweerder het hiertegen<br />

gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />

Overwegingen<br />

Ingevolge artikel 15.25, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />

kan uit het Fonds Luchtverontreiniging, als bedoeld<br />

in artikel 15.24, aan een ieder die ten gevolge<br />

van plotseling optredende luchtverontreiniging schade<br />

heeft geleden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te<br />

zijnen laste behoort te blijven, op zijn verzoek een vergoeding<br />

worden toegekend.<br />

Appellant, die een tuinbouwbedrijf met kassen exploiteert,<br />

heeft verweerder verzocht om vergoeding van<br />

de in 1993 en 1997 opgetreden schade aan zijn gewassen<br />

ten gevolge van opstuivend zand van naburige<br />

landbouwpercelen. Uit de stukken blijkt dat het gaat<br />

om twee kortstondige zandverstuivingen, veroorzaakt<br />

door een opstekende wind, waardoor zand op de kassen<br />

van appellant en op de gewassen zelf is neergeslagen.<br />

In één geval was volgens appellant daarbij sprake<br />

van verstuiving van zand dat door landbouwwerkzaamheden<br />

op het naburig perceel braak kwam te liggen.<br />

Verweerder heeft de verzoeken om schadevergoeding<br />

afgewezen en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard<br />

onder meer omdat – kort gezegd – naar zijn mening<br />

geen sprake is van een verontreinigende stof en<br />

derhalve evenmin van luchtverontreiniging in de zin<br />

van artikel 15.25. Daarnaast stelt verweerder zich op<br />

het standpunt dat, gelet op de wetsgeschiedenis, het<br />

Fonds Luchtverontreiniging bedoeld is om schade te<br />

dekken ten gevolge van luchtverontreiniging afkomstig<br />

van industrie, verkeer of ruimteverwarming, en niet ten<br />

gevolge van gebeurtenissen als deze, die zijn aan te<br />

merken als een natuurverschijnsel.<br />

Appellant bestrijdt de stelling van verweerders dat<br />

geen sprake is van luchtverontreiniging in de zin van<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


artikel 15.25. Volgens hem wordt aan alle voorwaarden<br />

van dat artikel voldaan, zodat recht op schadevergoeding<br />

bestaat. Daarnaast betoogt appellant dat<br />

indien verweerder zijn standpunt inzake de verzoeken<br />

om schadevergoeding eerder kenbaar zou hebben gemaakt,<br />

het voeren van een civiele procedure niet nodig<br />

was geweest.<br />

Ingevolge artikel 15.25, tweede lid, van de Wet milieubeheer<br />

wordt voor de toepassing van het eerste lid<br />

onder luchtverontreiniging verstaan hetgeen in de Wet<br />

inzake de luchtverontreiniging wordt verstaan onder dit<br />

begrip.<br />

Ingevolge artikel 1 van de Wet inzake de luchtverontreiniging<br />

wordt voor de toepassing van het bij of<br />

krachtens deze wet bepaalde verstaan onder luchtverontreiniging:<br />

de aanwezigheid in de buitenlucht van<br />

verontreinigende stoffen.<br />

Onder verontreinigende stoffen wordt ingevolge dit<br />

artikel verstaan: vaste, vloeibare of gasvormige stoffen,<br />

niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radio-actieve stoffen<br />

in de zin van de Kernenergiewet, die in de lucht, op<br />

zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere<br />

stoffen, hetzij nadeel voor de gezondheid van de mens<br />

of hinder voor de mens kunnen opleveren, hetzij schade<br />

kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen.<br />

Uit de stukken blijkt – hetgeen ook niet door verweerder<br />

is bestreden – dat ten tijde van de desbetreffende<br />

zandverstuivingen zich een verhoogde concentratie<br />

zand in de lucht bevond, die hinder voor de mens kan<br />

opleveren en schade kan toebrengen aan goederen.<br />

Het desbetreffende zand moet naar het oordeel van de<br />

Afdeling dan ook worden aangemerkt als verontreinigende<br />

stoffen in de zin van artikel 1 van de Wet inzake<br />

de luchtverontreiniging, zodat in zoverre sprake is van<br />

luchtverontreiniging in de zin van artikel 15.25 van de<br />

Wet milieubeheer. De Afdeling merkt hierbij op dat blijkens<br />

de toelichting op artikel 1 van de Wet inzake de<br />

luchtverontreiniging beoogd is aan het begrip luchtverontreiniging<br />

een ruime betekenis toe te kennen (TK<br />

1968-1969, 9816, nr. 3, p. 25).<br />

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hanteert<br />

verweerder evenwel het uitgangspunt dat niet tot<br />

schadevergoeding ten laste van het Fonds luchtverontreiniging<br />

wordt overgegaan, indien sprake is van luchtverontreiniging<br />

die wordt veroorzaakt door natuurlijke<br />

verschijnselen als hier aan de orde. Eerst indien de<br />

Milieu<br />

29<br />

luchtverontreiniging is ontstaan door industriële of<br />

chemische processen, waaronder verbranding, of mobiliteit<br />

zou de gelaedeerde in aanmerking kunnen<br />

komen voor schadevergoeding.<br />

De Afdeling stelt voorop dat verweerder beleidsvrijheid<br />

toekomt bij het al dan niet toekennen van schadevergoeding<br />

indien aan de voorwaarden van artikel 15.25<br />

wordt voldaan.<br />

Verder blijkt uit de stukken dat de desbetreffende<br />

zandverstuivingen zijn veroorzaakt door een opstekende<br />

wind. De omstandigheid dat door het bewerken van<br />

land op het naburig perceel zand braak kwam te liggen,<br />

doet daar niet aan af.<br />

In de Memorie van Toelichting op de Wet inzake de<br />

luchtverontreiniging is gesteld dat het Fonds luchtverontreiniging<br />

is ingesteld als basis ‘voor een regeling<br />

van de vergoeding van schade door luchtverontreiniging<br />

welke niet op de veroorzakers kan worden verhaald<br />

en evenmin redelijkerwijs ten laste kan blijven<br />

van degene die de schade heeft geleden. De schade<br />

kan onverhaalbaar zijn omdat de veroorzaker in het geheel<br />

niet bekend is, of omdat de veroorzakers zulk een<br />

grote anonieme groep vormen dat zij zich voor verhaal<br />

niet lenen, hetzij omdat het leveren van het bewijs dat<br />

een bepaalde bron van verontreiniging schadeoorzaak<br />

was op grote moeilijkheden stuit’ (TK 1968-1969,<br />

9816, nr. 3, p. 24). Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis<br />

dat de schaderegeling is bedoeld als aanvulling op<br />

civielrechtelijke verhaalsmogelijkheden dan wel als<br />

vangnet voor schade die niet via het civiele recht kan<br />

worden verhaald. Daarbij gaat het om mogelijkheden<br />

tot schadevergoeding in relatie tot verontreinigende<br />

handelingen (TK 1986-1987, 19 752, nr. 3, p. 14).<br />

Het vorenstaande duidt er op dat beoogd is een<br />

voorziening te bieden betreffende schade ten gevolge<br />

van luchtverontreiniging die is veroorzaakt door menselijke<br />

activiteiten of nalaten en niet door natuurverschijnselen.<br />

In het licht hiervan bestaat geen grond voor het<br />

oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het uitgangspunt<br />

heeft kunnen komen, dat in gevallen als<br />

deze, waarbij de luchtverontreiniging is veroorzaakt<br />

door zandverstuivingen, niet tot schadevergoeding<br />

wordt overgegaan. Verder is niet gesteld noch gebleken<br />

dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond<br />

waarvan verweerder dit uitgangspunt niet had mogen<br />

hanteren. Wat betreft de indirecte schade (de kosten<br />

van de civiele procedure), overweegt de Afdeling dat<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


30<br />

deze schade eerst voor vergoeding in aanmerking kan<br />

komen wanneer een vergoeding van directe schade<br />

wordt toegekend.<br />

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel<br />

dat verweerder de verzoeken om schadevergoeding<br />

terecht heeft afgewezen en deze afwijzing bij het<br />

bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd.<br />

Het beroep is ongegrond.<br />

02-51<br />

ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nr. 200004646/1 (Moordrecht)<br />

Casus<br />

Vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor<br />

een melkvee- en schapenhouderij. Appellanten<br />

stellen dat de aanvraag om vergunning ten onrechte<br />

in behandeling is genomen nu de door de inrichting<br />

veroorzaakte ammoniakdepositie op omliggende<br />

oppervlaktewateren dient te worden aangemerkt<br />

als een lozing waarvoor een vergunning ingevolge<br />

de Wvo is vereist. Een vergunningaanvraag<br />

ingevolge de Wm en de Wvo dienen gelijktijdig<br />

te worden ingediend. Voorts menen appellanten<br />

dat het niet vereist zijn van een Wvo-vergunning<br />

in strijd is met EG-richtlijn 76/464 inzake de<br />

bescherming van oppervlaktewater.<br />

Rechtsvraag<br />

Is de ammoniakdepositie aan te merken als een lozing?<br />

Uitspraak<br />

De Afdeling overweegt dat in artikel 4, tweede lid,<br />

aanhef en onder b van het Uitvoeringsbesluit Wvo<br />

wordt bepaald dat geen vergunning ingevolge de<br />

Wvo is vereist voor het brengen in enig oppervlaktewater<br />

van ammoniak door depositie daarvan die<br />

veroorzaakt kan worden door een veehouderij als<br />

bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Interimwet<br />

ammoniak en veehouderij. Wat betreft de<br />

verwijzing naar het Europese recht oordeelt de Afdeling<br />

dat uit de uitspraak van het Hof van Justitie<br />

EG van 29 september 1999 blijkt dat niet iedere<br />

Milieu<br />

activiteit waarbij een stof in de lucht komt en de<br />

mogelijkheid bestaat dat deze stof via de lucht in<br />

het water komt een lozing als bedoeld in EG-richtlijn<br />

76/464 oplevert. In casu vindt een ongerichte<br />

uitstoot van ammoniak in de lucht plaats die, op<br />

gelijke wijze als elders, ook op het oppervlaktewater<br />

kan neerslaan. Indien al sprake is van verontreiniging<br />

van oppervlaktewater komt deze voort uit<br />

al dan niet diffuse bronnen, zoals veehouderijen,<br />

uitspoeling door bemesting van omliggende landerijen,<br />

mest van vee in de weide, de plaatselijke<br />

fauna enz. Het aandeel van de onderhavige veehouderij<br />

in de verontreiniging met ammoniak als<br />

geheel is hierin niet te onderscheiden. Van een lozing<br />

als bedoeld in de richtlijn is derhalve geen<br />

sprake.<br />

Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikel 1<br />

Uitvoeringsbesluit Wvo, artikel 4, tweede lid en<br />

onder b<br />

EG-richtlijn 76/464, artikel 7, tweede lid<br />

Bij besluit van 1 augustus 2000 hebben verweerders<br />

krachtens de Wet milieubeheer aan de firma Doornenbal<br />

een vergunning verleend voor het oprichten en in<br />

werking hebben van een melkvee- en schapenhouderij.<br />

Overwegingen<br />

Appellanten stellen dat verweerders ten onrechte de<br />

aanvraag om een vergunning in behandeling hebben<br />

genomen. In dit verband voeren zij aan dat de door de<br />

inrichting veroorzaakte ammoniakdepositie op omliggende<br />

oppervlaktewateren dient te worden aangemerkt<br />

als een lozing waarvoor een vergunning ingevolge<br />

de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is<br />

vereist. Nu geen aanvraag voor een vergunning op<br />

grond van deze wet is ingediend, moet de aanvraag<br />

buiten behandeling worden gelaten, aldus appellanten.<br />

Voorts betogen appellanten dat voorzover geen vergunning<br />

ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

is vereist, dit in strijd is met de richtlijn van de<br />

Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei<br />

1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door<br />

bepaalde stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap<br />

worden geloosd (76/464/EG), Pb. 1976 L<br />

129/23. Appellanten wijzen daarbij op het arrest van<br />

het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />

(hierna: het Hof) van 29 september 1999, nr. C-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


232/97, waarin werd overwogen dat het begrip lozing<br />

aldus dient te worden opgevat dat het ziet op elke aan<br />

een persoon toe te schrijven handeling waarbij een van<br />

de in lijst I of lijst II van de bijlage bij de richtlijn<br />

76/464/EG genoemde stoffen direct of indirect in de<br />

wateren waarop deze richtlijn van toepassing is, worden<br />

gebracht.<br />

Ingevolge artikel 8.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />

wordt de aanvraag om een vergunning tegelijk ingediend<br />

met de aanvraag om verlening of wijziging van<br />

de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.<br />

De aanvraag wordt door de aanvrager<br />

tevens gezonden aan het bestuursorgaan dat tot verlening<br />

van de vergunning krachtens die wet bevoegd is.<br />

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien<br />

de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning<br />

krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

niet is ingediend binnen zes weken na het tijdstip<br />

waarop de aanvraag om een vergunning of wijziging<br />

van de vergunning krachtens deze wet is ingediend, de<br />

aanvraag buiten behandeling wordt gelaten.<br />

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging<br />

oppervlaktewateren is het verboden om zonder<br />

vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende<br />

of schadelijke stoffen, in welke vorm<br />

ook, te brengen in oppervlaktewateren.<br />

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan bij algemene<br />

maatregel van bestuur worden bepaald dat het<br />

zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde<br />

stoffen op andere wijze dan met behulp van<br />

een werk in oppervlaktewateren te brengen. Daarnaast<br />

kan ingevolge dit artikellid bij algemene maatregel van<br />

bestuur worden bepaald dat ten aanzien van alle of<br />

van bepaalde oppervlaktewateren het brengen op<br />

welke wijze ook van daarbij aan te geven soorten van<br />

stoffen als bedoeld in het eerste lid in oppervlaktewateren<br />

is verboden. Hieraan is uitvoering gegeven in het<br />

Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging<br />

oppervlaktewateren (hierna: het Uitvoeringsbesluit).<br />

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit<br />

is het verboden een volgens het tweede lid aangewezen<br />

stof, die behoort tot de in de bijlage van dat<br />

Besluit opgenomen afvalstoffen, verontreinigende of<br />

schadelijke stoffen, op welke wijze ook, in enig oppervlaktewater<br />

te brengen. Ingevolge artikel 4, eerste lid,<br />

van het Uitvoeringsbesluit is het onverminderd artikel<br />

3, voornoemd, verboden zonder vergunning afvalstof-<br />

Milieu<br />

31<br />

fen, verontreinigende of schadelijke stoffen, op andere<br />

wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater<br />

te brengen onder meer:<br />

a. door deze daarin te storten;<br />

b. door deze onder het wateroppervlak uit te pompen,<br />

weg te pompen of te doen of te laten afvloeien;<br />

c. door deze te storten, neder te leggen, te laten liggen,<br />

of te doen of te laten afvloeien op duinen,<br />

stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen, vlonders,<br />

aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed<br />

van enig oppervlaktewater;<br />

d. bij het laden, lossen of overladen daarvan;<br />

e. bij het uit- of inwendig reinigen van enig voertuig,<br />

vaartuig of luchtvaartuig.<br />

Het tweede lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing<br />

is op het brengen in enig oppervlaktewater<br />

van:<br />

a. huishoudelijk afvalwater vanaf vaartuigen, tenzij<br />

die uit hoofde van hun feitelijke bestemming<br />

plaatsgebonden zijn;<br />

b. ammoniak door depositie daarvan die veroorzaakt<br />

kan worden door een veehouderij als bedoeld in artikel<br />

1, eerste lid, onder b, van de Interimwet ammoniak<br />

en veehouderij.<br />

De Afdeling overweegt dat, gelet op artikel 4, tweede<br />

lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit, voor<br />

de door de inrichting veroorzaakte ammoniakdepositie<br />

geen vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

is vereist.<br />

Wat de verwijzing van appellanten naar het Europese<br />

recht betreft, overweegt de Afdeling dat in artikel<br />

7, tweede lid, van de richtlijn 76/464/EG is bepaald<br />

dat voor iedere lozing die wordt verricht in de in artikel<br />

1 bedoelde wateren en die één van de onder lijst II vallende<br />

stoffen kan bevatten, een voorafgaande vergunning<br />

nodig is, die door de bevoegde autoriteit van de<br />

betrokken lidstaat wordt verleend en waarin de emissienormen<br />

voor de lozing worden vastgesteld. Deze<br />

worden berekend aan de hand van de kwaliteitsdoelstellingen<br />

voor het water, die worden opgesteld met inachtneming<br />

van de door de Raad van de Europese Gemeenschappen<br />

aangenomen richtlijnen wanneer<br />

laatstgenoemde bestaan.<br />

Het Hof heeft in zijn arrest van 29 september<br />

1999, nr. C-232/97, overwogen dat het begrip lozing<br />

aldus dient te worden opgevat dat het ziet op elke aan<br />

een persoon toe te schrijven handeling waarbij een van<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


32<br />

de in lijst I of lijst II van de bijlage bij de richtlijn<br />

76/464/EG genoemde stoffen direct of indirect in de<br />

wateren waarop deze richtlijn van toepassing is, worden<br />

gebracht. Voorts heeft het Hof in hetzelfde arrest<br />

overwogen dat het begrip lozing aldus dient te worden<br />

uitgelegd dat het niet de verontreiniging omvat die afkomstig<br />

is uit andere significante bronnen, met inbegrip<br />

van meervoudige en diffuse bronnen, als bedoeld<br />

in artikel 5, van de richtlijn 86/280/EG.<br />

Hieruit blijkt dat niet iedere activiteit waarbij een<br />

stof in de lucht komt en de mogelijkheid bestaat dat<br />

deze stof via de lucht in het water komt een lozing als<br />

bedoeld in de richtlijn 76/464/EG oplevert.<br />

In het onderhavige geval vindt een ongerichte uitstoot<br />

van ammoniak, een lijst II stof, in de lucht plaats<br />

die, op gelijke wijze als elders, ook op het oppervlaktewater<br />

kan neerslaan. Daarbij is de Afdeling van mening<br />

dat, indien er al sprake is van verontreiniging van<br />

de oppervlaktewateren met ammoniak, deze, gelet op<br />

de omgeving van de inrichting voortkomt uit meervoudige,<br />

al dan niet diffuse bronnen, zoals veehouderijen,<br />

uitspoeling door bemesting van omliggende landerijen,<br />

mest van vee in de weide, de plaatselijke fauna, enzovoort.<br />

Het aandeel van de onderhavige veehouderij in<br />

de verontreiniging met ammoniak als geheel is hierin<br />

niet te onderscheiden. Van een lozing als bedoeld in<br />

artikel 7, tweede lid, van de richtlijn 76/464/EG, met<br />

daarbij het vereiste van een voorafgaande vergunning<br />

is derhalve geen sprake.<br />

Het beroepsonderdeel faalt.<br />

02-52<br />

ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105797/1 (Emmen)<br />

Casus<br />

Afwijzing verzoek om handhavingsmiddelen toe te<br />

passen met betrekking tot een akkerbouwbedrijf<br />

waar jongvee wordt gehouden. Appellanten menen<br />

dat de inrichting gezien het aantal dieren dat<br />

wordt gehouden niet onder het Besluit akkerbouwbedrijven<br />

milieubeheer (het Besluit) valt. Verweerders<br />

stellen dat de aanwezigheid van ca 60 stuks<br />

jongvee jonger dan twee jaar niet aan de toepasselijkheid<br />

van het Besluit in de weg staat omdat dit<br />

Milieu<br />

jongvee niet als melkrundvee als bedoeld in artikel<br />

1 van het Besluit is aan te merken.<br />

Rechtsvraag<br />

Is het Besluit van toepassing dan wel is er sprake<br />

van vergunningplicht?<br />

Uitspraak<br />

In artikel 1 van het Besluit wordt het houden van<br />

meer dan 15 stuks melkrundvee van de toepassing<br />

van het Besluit uitgezonderd. Gelet op de Nota van<br />

Toelichting bij het Besluit beoogt dit te regelen dat<br />

die inrichtingen onder het Besluit vallen waar<br />

naast het akkerbouwbedrijf een veebestand van<br />

zeer beperkte omvang wordt gehouden en dat bedrijven<br />

met een meer dan geringe neventak ‘nietgrondgebonden<br />

veehouderij’ buiten de algemene<br />

maatregel van bestuur moeten blijven. Anders dan<br />

verweerders kennelijk menen, beoogt het Besluit<br />

niet het mogelijk te maken dat ongelimiteerd jongvee<br />

tot 2 jaar mag worden gehouden. Bij een veebestand<br />

met een omvang van 60 stuks jongvee kan<br />

niet worden geoordeeld dat de inrichting uitsluitend<br />

of in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen<br />

van akkerbouwproducten of tuinbouwproducten<br />

zoals omschreven in artikel 1 van het Besluit.<br />

Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, artikel<br />

1<br />

Bij besluit van 21 juni 2001 hebben verweerders afwijzend<br />

beslist op het verzoek van appellanten krachtens<br />

artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />

om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen<br />

met betrekking tot de inrichting bestemd voor de akkerbouw<br />

en het houden van jongvee.<br />

Overwegingen<br />

Appellanten betogen dat verweerders hun verzoek om<br />

het treffen van handhavingsmiddelen ten onrechte<br />

hebben afgewezen. Volgens hen valt de inrichting gezien<br />

het aantal dieren dat wordt gehouden niet onder<br />

de werking van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer<br />

(hierna te noemen: het Besluit) en is hiervoor<br />

een vergunning krachtens de Wet milieubeheer vereist.<br />

Het veehandelsbedrijf brengt bovendien een grotere<br />

belasting voor het milieu met zich dan het akkerbouwbedrijf,<br />

dat in de winterperiode vrijwel stilligt, aldus<br />

appellanten.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


Verweerders hebben het verzoek om handhaving<br />

afgewezen omdat de inrichting volgens hen onder de<br />

werking van het Besluit valt. Dat ongeveer 60 stuks<br />

jongvee jonger dan twee jaar in de inrichting worden<br />

gehouden, staat niet in de weg aan de toepasselijkheid<br />

van het Besluit, aangezien dit jongvee niet als melkrundvee<br />

als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k,<br />

van het Besluit is aan te merken, aldus verweerders.<br />

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit, voorzover<br />

hier van belang, wordt in dit besluit en de daarop<br />

berustende bepalingen verstaan onder:<br />

a. een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open<br />

grondteelt: een inrichting die tot een krachtens artikel<br />

1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen<br />

categorie behoort en die deel uitmaakt van<br />

een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd<br />

voor het verbouwen van akkerbouwproducten<br />

of tuinbouwproducten op of in de open grond,<br />

voor zover:<br />

1 o . niet meer dan 15 stuks melkrundvee worden<br />

gehouden; (.....)<br />

k. melkrundvee:<br />

1 o . melkvee (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee)<br />

dat overwegend wordt gehouden voor de<br />

melkproductie met inbegrip van de dieren die in de<br />

mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie<br />

worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden<br />

afgemest;<br />

2 o . vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar (exclusief<br />

bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat op een met<br />

melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor<br />

de vleesproductie en het voortbrengen en zogen<br />

van kalveren (.....).<br />

De onderhavige inrichting bestaat uit twee onderdelen.<br />

Op de ene locatie vindt akkerbouw plaats en wordt<br />

rundvee gehouden. Op de andere locatie wordt een veehandelsbedrijf<br />

geëxploiteerd en wordt vee gehouden.<br />

Ten aanzien van de vraag of de onderhavige inrichting<br />

onder de werking van het Besluit valt overweegt<br />

de Afdeling als volgt. Uit de tekst van het Besluit kan<br />

niet met zekerheid worden afgeleid of het Besluit van<br />

toepassing is indien op het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf<br />

jongvee wordt gehouden. In de Nota van Toelichting<br />

op het Besluit (Staatsblad 1994, 107) staat dat<br />

naar aanleiding van reacties op het ontwerp van het<br />

Besluit (Staatscourant 1988, 165) de brede werkingssfeer<br />

hiervan is versmald door het maximaal te houden<br />

aantal stuks melkrundvee terug te brengen van 50<br />

Milieu<br />

33<br />

naar 15, waardoor het Besluit meer betrekking heeft<br />

op bedrijven met akkerbouw als hoofdberoep met<br />

eventueel een geringe neventak. Voorts staat in de<br />

Nota van Toelichting op artikel 1, eerste lid, onder a,<br />

van het Besluit onder meer: ‘De zinsnede “uitsluitend<br />

of in hoofdzaak” betekent dat in de inrichting in beperkte<br />

mate ook andere activiteiten mogen plaatsvinden,<br />

waarbij met name dient te worden gedacht aan<br />

het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen,<br />

verladen of wegen van dieren.’. Voorts staat in de toelichting<br />

op artikel 1, eerste lid, onder k, van het Besluit<br />

onder meer: ‘Op het bedrijf mogen maximaal 15 stuks<br />

melkvee aanwezig zijn wil het onder de amvb vallen.<br />

Dit is exclusief vrouwelijk jongvee dat bestemd is voor<br />

de fokkerij of de mesterij. Onder vrouwelijk jongvee,<br />

bestemd voor de fokkerij, vallen alle vrouwelijke dieren<br />

die nog niet gekalfd hebben en die worden aangehouden<br />

voor de vervanging van de melkveestapel in het<br />

bedrijf. In de regel zijn op het bedrijf ter vervanging 0,7<br />

stuks vrouwelijk jongvee per melkkoe aanwezig.’<br />

Naar het oordeel van de Afdeling beoogt het Besluit,<br />

gezien het bovenstaande, te regelen dat die inrichtingen<br />

onder de werking van het Besluit vallen<br />

waar naast het akkerbouwbedrijf een veebestand van<br />

zeer beperkte omvang wordt gehouden en dat bedrijven<br />

met een meer dan geringe neventak niet-grondgebonden<br />

veehouderij buiten de algemene maatregel van<br />

bestuur moeten blijven. Anders dan verweerders kennelijk<br />

menen, beoogt het Besluit met artikel 1, eerste<br />

lid, onder k, niet het mogelijk te maken dat binnen de<br />

werkingssfeer van het Besluit ongelimiteerd jongvee<br />

tot 2 jaar mag worden gehouden. Deze bepaling dient<br />

blijkens de Nota van Toelichting om het aantal stuks<br />

jongvee vast te stellen dat bij het in de inrichting gestalde<br />

melkvee mag worden gehouden.<br />

Vaststaat dat binnen de onderhavige inrichting ongeveer<br />

60 stuks jongvee worden gehouden en geen<br />

ander melkvee. Bij een veebestand van een dergelijke<br />

omvang kan, gelet op het bovenstaande, niet worden<br />

geoordeeld dat de onderhavige inrichting uitsluitend of<br />

in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouwproducten<br />

of tuinbouwproducten op of in de<br />

open grond, zodat de inrichting, anders dan verweerders<br />

stellen, niet onder de werking van het Besluit valt.<br />

Verweerders hebben derhalve in strijd met artikel<br />

7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht<br />

niet deugdelijk gemotiveerd waarom zij afwijzend hebben<br />

beslist op het handhavingsverzoek van appellanten.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


34<br />

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te<br />

worden vernietigd.<br />

02-53<br />

ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105434/1 (Haarlem)<br />

Casus<br />

Last onder dwangsom wegens het niet voldoen aan<br />

de eisen van het Besluit opslaan in ondergrondse<br />

tanks 1998. Voordat op het bezwaar van appellanten<br />

tegen het dwangsombesluit was beslist, hebben<br />

verweerders dit besluit ingetrokken. Appellanten<br />

hebben verweerders verzocht om toch een<br />

beslissing op hun bezwaar tegen het dwangsombesluit<br />

te nemen, omdat zij van mening zijn dat dit<br />

besluit onrechtmatig was en zij aanspraak maken<br />

op vergoeding van hun schade.<br />

Rechtsvraag<br />

Is er nog afdoende procesbelang voor appellanten<br />

om de procedure voort te zetten?<br />

Uitspraak<br />

Het procesbelang van appellanten is alleen gelegen<br />

in een veroordeling van verweerders in de volledige<br />

kosten van rechtsbijstand die zij hebben gemaakt<br />

in verband met de oplegging van de last<br />

onder dwangsom. Dat impliceert dat het gestelde<br />

procesbelang is gelegen in zowel een proceskostenveroordeling<br />

op grond van artikel 8:75 Awb<br />

als de vergoeding van geleden schade op grond<br />

van artikel 8:73 Awb, bestaande uit de kosten van<br />

rechtsbijstand die de bedragen van het Besluit<br />

proceskosten bestuursrecht te boven gaan en de<br />

kosten van rechtsbijstand die appellanten hebben<br />

gemaakt in het kader van de bezwaarschriftenprocedure.<br />

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling<br />

vormt de vraag of een proceskostenveroordeling<br />

ex artikel 8:75 Awb kan worden uitgesproken<br />

onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke<br />

beoordeling van het beroep over te gaan. Wat betreft<br />

de kosten van rechtsbijstand die de bedragen<br />

van het Besluit proceskosten bestuursrecht te<br />

boven gaan, overweegt de Afdeling dat uit de<br />

plaats en strekking van artikel 8:75 Awb moet<br />

Milieu<br />

worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid<br />

aan de bestuursrechter wordt geboden om<br />

een partij te veroordelen in de kosten die een andere<br />

partij in verband met de behandeling van het<br />

beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor<br />

een vergoeding van deze kosten langs de weg van<br />

artikel 8:73 Awb is om die reden geen plaats. In<br />

een zodanige veroordeling kan derhalve geen procesbelang<br />

zijn gelegen. Wat betreft de kosten van<br />

rechtsbijstand die zijn gemaakt in het kader van de<br />

bezwaarschriftprocedure is de Afdeling van oordeel<br />

dat in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte<br />

kosten in beginsel voor rekening van de<br />

belanghebbende dienen te blijven en deze kosten<br />

slechts in bijzondere gevallen langs de weg van artikel<br />

8:73 Awb voor vergoeding in aanmerking<br />

komen.<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikelen 8:75 en<br />

8:73<br />

Bij besluit van 6 oktober 2000 hebben verweerders<br />

aan appellanten een last onder dwangsom als bedoeld<br />

in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht<br />

opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op<br />

226,89 euro per week dat ten aanzien van de op het<br />

(...) gelegen ondergrondse opslagtank niet wordt voldaan<br />

aan artikel 18, vierde lid, van het Besluit opslaan<br />

in ondergrondse tanks 1998 (hierna: het Besluit) en<br />

aan de hoofdstukken II, voorschriften 1 en 4, III en IV<br />

van bijlage VI, behorende bij het Besluit. Het maximum<br />

waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd<br />

is vastgesteld op 2.268,90 euro.<br />

Bij besluit van 11 september 2001 hebben verweerders<br />

het tegen het besluit van 6 oktober 2000 gemaakte<br />

bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit<br />

herroepen in die zin dat dit wordt gebaseerd op artikel<br />

13 van het Besluit.<br />

Overwegingen<br />

Voordat op het bezwaar van appellanten tegen het besluit<br />

van 6 oktober 2000 was beslist, hebben verweerders<br />

bij besluit van 24 januari 2001 dit besluit ingetrokken.<br />

De reden voor deze intrekking is blijkens de<br />

stukken gelegen in de omstandigheid dat appellanten<br />

binnen de in het besluit in primo opgenomen begunstigingstermijn<br />

hebben voldaan aan de in dat besluit omschreven<br />

last. Bij brief van 5 februari 2001 hebben<br />

appellanten verweerders verzocht toch een beslissing<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


op hun bezwaar tegen het besluit in primo te nemen,<br />

omdat zij van mening zijn dat dit besluit onrechtmatig<br />

was en zij aanspraak maken op vergoeding van hun<br />

schade.<br />

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is<br />

het gestelde procesbelang van appellanten bij een oordeel<br />

van de Afdeling over de rechtmatigheid van het<br />

bestreden besluit van 11 september 2001 alleen gelegen<br />

in een veroordeling van verweerders in de volledige<br />

kosten van rechtsbijstand die zij hebben gemaakt in<br />

verband met de oplegging van de last onder dwangsom.<br />

De Afdeling verstaat dit aldus dat het gestelde<br />

procesbelang van appellanten in dit kader niet slechts<br />

is gelegen in een proceskostenveroordeling op grond<br />

van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht<br />

(hierna: de Awb), maar eveneens in een veroordeling<br />

tot de vergoeding van de volgens hen geleden schade<br />

op grond van artikel 8:73 van de Awb, bestaande uit<br />

de kosten van rechtsbijstand, voorzover deze de forfaitaire<br />

bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht<br />

te boven gaan en de kosten van rechtsbijstand<br />

die appellanten hebben gemaakt in het kader van de<br />

bezwaarschriftenprocedure.<br />

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling – bijvoorbeeld<br />

de uitspraak van 23 januari 1997,<br />

H01.96.0476 (JB 1997/46) – vormt de vraag of een<br />

proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75<br />

van de Awb moet worden uitgesproken onvoldoende<br />

aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van het<br />

beroep over te gaan. Artikel 8:75 van de Awb stelt niet<br />

de eis dat de partij die in de proceskosten wordt veroordeeld<br />

in het ongelijk is gesteld. Indien, afgezien van<br />

de vraag of aanleiding bestaat om tot een proceskostenveroordeling<br />

over te gaan, geen belang meer bestaat<br />

bij een beoordeling van het bestreden besluit<br />

dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.<br />

Met betrekking tot de vraag of een procesbelang is<br />

gelegen in een veroordeling in kosten van rechtsbijstand<br />

van het onderhavige beroep die de forfaitaire bedragen<br />

van het Besluit proceskosten bestuursrecht te<br />

boven gaan, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de<br />

Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 oktober<br />

2000, nr. 199900286/1 (JB 2000/234), moet uit<br />

de plaats en de strekking van artikel 8:75 van de Awb<br />

worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid<br />

aan de bestuursrechter wordt geboden om een<br />

partij te veroordelen in de kosten die een andere partij<br />

in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs<br />

heeft moeten maken. Voor een vergoeding van<br />

Milieu<br />

35<br />

deze kosten langs de weg van artikel 8:73 van de Awb<br />

is om die reden geen plaats. In een zodanige veroordeling<br />

kan derhalve geen belang bij een uitspraak over de<br />

rechtmatigheid van het bestreden besluit zijn gelegen.<br />

Ten aanzien van de vraag of een procesbelang is<br />

gelegen in een veroordeling in kosten van rechtsbijstand<br />

die zijn gemaakt in het kader van de bezwaarschriftenprocedure<br />

voorafgaand aan het bestreden besluit,<br />

overweegt de Afdeling het volgende. Zoals de<br />

Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 8 december<br />

1997, nr. E03.97.0568 (BR 1998, p. 519)<br />

en van 18 november 1999, nr. H01.99.0100 (JB<br />

2000/9), dienen, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis<br />

van de Wet van 16 december 1993, Stb. 650,<br />

de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten<br />

in beginsel voor rekening van de belanghebbende te<br />

blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen<br />

langs de weg van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding<br />

in aanmerking komen. De Afdeling heeft in haar<br />

uitspraak van 7 juni 1999, H01.97.0449 geoordeeld<br />

dat sprake is van een bijzonder geval, indien verweerders<br />

ernstig verwijtbaar zouden hebben gehandeld. Dit<br />

zou het geval zijn indien zij tegen beter weten in onrechtmatige<br />

besluiten zouden hebben genomen. Gezien<br />

de stukken is van een dergelijk geval geen sprake.<br />

Gelet hierop kan ook in een veroordeling in deze kosten<br />

geen belang bij een uitspraak over de rechtmatigheid<br />

van het bestreden besluit zijn gelegen.<br />

Nu ook overigens niet is gebleken dat appellanten<br />

nog enig procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling<br />

van het bestreden besluit, is het beroep nietontvankelijk.<br />

Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden<br />

van het geval, in het bijzonder in de reden<br />

voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen<br />

om over te gaan tot een proceskostenveroordeling.<br />

Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid<br />

dat het bestuursorgaan aan de indiener van het<br />

beroepschrift is tegemoetgekomen, in welk geval, ook<br />

indien het beroep is ingetrokken, met toepassing van<br />

artikel 8:75a van de Awb een proceskostenveroordeling<br />

mogelijk is.<br />

Van tegemoetkomen is in het onderhavige geval<br />

evenwel geen sprake. Evenmin is gebleken van bijzondere<br />

omstandigheden op grond waarvan het niet toekennen<br />

van een proceskostenveroordeling apert onbillijk<br />

zou zijn.<br />

De Afdeling verklaart het beroep niet-ontvankelijk.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


36<br />

02-54<br />

ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200100435/1 (Hulst)<br />

Casus<br />

Afwijzing verzoek om schadevergoeding. De schade<br />

zou zijn ontstaan als gevolg van het besluit van<br />

verweerders van 8 november 1994 dat strekt tot<br />

weigering van de vergunning krachtens de Wm<br />

voor een varkenshouderij. Bij besluit van 8 november<br />

1994 hebben verweerders geweigerd om appellant<br />

vergunning te verlenen voor 2688 mestvarkens.<br />

Bij uitspraak van 29 november 1995 heeft<br />

de Afdeling dit besluit vernietigd. Vervolgens hebben<br />

verweerders bij besluit van 19 februari 1996<br />

op dezelfde aanvraag vergunning verleend voor<br />

1339 mestvarkens. Bij uitspraak van 10 december<br />

1998 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd<br />

omdat de ammoniakdepositie verkeerd was berekend.<br />

Appellant stelt dat verweerders in 1994 vergunning<br />

hadden moeten verlenen voor 1181 mestvarkens<br />

en stelt verweerders aansprakelijk voor de<br />

schade nu deze dat hebben nagelaten. Hij meent<br />

dat met dit aantal de grondslag van de aanvraag<br />

niet wordt verlaten. Verweerders menen daarentegen<br />

dat noch uit de uitspraak van de Afdeling van<br />

29 november 1995 noch uit overige jurisprudentie<br />

kan worden afgeleid dat binnen de grondslag van<br />

de aanvraag vergunningverlening mogelijk was<br />

voor 1181 mestvarkens.<br />

Rechtsvraag<br />

Is er causaal verband tussen de schade en het besluit<br />

van 8 november 1994?<br />

Uitspraak<br />

De Afdeling overweegt dat noch uit de uitspraak<br />

van 29 november 1995 noch uit de uitspraak van<br />

10 december 1998 kan worden afgeleid dat naar<br />

het oordeel van de Afdeling vergunningverlening<br />

voor 1181 mestvarkens past binnen de grondslag<br />

van de aanvraag en verweerders in zoverre waren<br />

gehouden om voor dat aantal vergunning te verlenen.<br />

Of bij vergunningverlening voor een kleiner<br />

veebestand dan is aangevraagd de grondslag van<br />

de aanvraag al dan niet wordt verlaten, moet van<br />

geval tot geval worden beoordeeld. De verhouding<br />

tussen het aantal dieren waarvoor vergunning kan<br />

Milieu<br />

worden verleend en het aantal aangevraagde dieren<br />

kan weliswaar een belangrijke aanwijzing vormen<br />

voor dit oordeel maar daarnaast kunnen ook<br />

andere feiten en omstandigheden relevant zijn.<br />

Aangezien geen grond bestaat voor het oordeel dat<br />

verweerders waren gehouden vergunning te verlenen<br />

voor 1181 mestvarkens, kan de gestelde schade<br />

niet worden geacht te zijn veroorzaakt door het<br />

besluit van 8 november 1994.<br />

Wet milieubeheer, artikel 15.20<br />

Bij besluit van 2 augustus 2000 hebben verweerders<br />

het verzoek van appellant om vergoeding van de schade<br />

die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het<br />

besluit van verweerders van 8 november 1994, dat<br />

strekt tot weigering van een vergunning krachtens de<br />

Wet milieubeheer voor een varkenshouderij, afgewezen.<br />

Overwegingen<br />

Bij besluit van 8 november 1994 hebben verweerders<br />

geweigerd appellant vergunning te verlenen voor het<br />

oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij,<br />

waarin 2688 mestvarkens worden gehouden. Bij<br />

uitspraak van 29 november 1995, nr. E03.94.1844,<br />

heeft de Afdeling het beroep van appellant tegen dat<br />

besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.<br />

Vervolgens hebben verweerders bij besluit van 19 februari<br />

1996, opnieuw beslissende op de aanvraag, appellant<br />

vergunning verleend voor het houden van 1339<br />

mestvarkens en de vergunning voor het overige geweigerd.<br />

Bij uitspraak van 10 december 1998, nr.<br />

E03.96.0459, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd<br />

omdat – kort gezegd – verweerders de ammoniakdepositie<br />

onjuist hadden berekend.<br />

Bij brief van 29 mei 2000 heeft appellant verzocht<br />

om vergoeding van de schade, groot 93.785,03 euro,<br />

die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van het besluit<br />

van 8 november 1994. Appellant stelt daarbij dat<br />

verweerders toentertijd vergunning hadden moeten<br />

verlenen voor 1181 mestvarkens. Nu verweerders dit<br />

hebben nagelaten door de vergunning in zijn geheel te<br />

weigeren, zijn zij volgens appellant aansprakelijk voor<br />

de daaruit voortvloeiende schade.<br />

Verweerders hebben het verzoek om schadevergoeding<br />

afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar<br />

ongegrond verklaard omdat naar hun mening uit de<br />

uitspraak van de Afdeling van 29 november 1995,<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


noch uit overige jurisprudentie van de Afdeling, kan<br />

worden afgeleid dat binnen de grondslag van de aanvraag<br />

vergunningverlening voor 1181 mestvarkens<br />

mogelijk was en zij derhalve daartoe ook waren gehouden.<br />

Appellant betoogt daarentegen dat uit de hierboven<br />

genoemde uitspraken alsmede uit de uitspraak van 30<br />

maart 1999, nr. E03.95.0422, blijkt dat bij vergunningverlening<br />

voor 1181 mestvarkens geen sprake is<br />

van het verlaten van de grondslag van de aanvraag. In<br />

die laatste uitspraak is ten aanzien van een geval<br />

waarin ongeveer 40% van het aangevraagde aantal<br />

dieren werd vergund, geoordeeld dat geen sprake was<br />

van het vergunnen van een andere inrichting dan was<br />

aangevraagd.<br />

De vergunningaanvraag van 10 februari 1994 die<br />

heeft geleid tot de besluiten van verweerders van 8 november<br />

1994 en 19 februari 1996, heeft betrekking<br />

op het oprichten en in werking hebben van een nieuwe<br />

varkenshouderij, bestaande uit één varkensstal voor<br />

2866 mestvarkens. Verder is niet in geschil dat uit een<br />

oogpunt van ammoniakschade en stank in 1995 vergunning<br />

kon worden verleend voor het houden van ten<br />

hoogste 1181 mestvarkens.<br />

Bij uitspraak van 29 november 1995 heeft de Afdeling<br />

het besluit van 8 november 1994 vernietigd<br />

wegens een motiveringsgebrek ten aanzien van de<br />

indeling van de omgeving van de inrichting in omgevingscategorieën<br />

als bedoeld in de brochure veehouderij<br />

en Hinderwet. In die uitspraak is, voorzover<br />

hier van belang, tevens overwogen dat, ook bij een<br />

categorie II-situatie als bedoeld in die brochure, vergunningverlening<br />

op zich zelf mogelijk was voor een<br />

kleiner aantal mestvarkens dan is aangevraagd en<br />

dat verweerders het in het verweerschrift neergelegde<br />

standpunt dat bij gedeeltelijke weigering van de<br />

vergunning sprake zou zijn van het verlaten van de<br />

grondslag van de aanvraag niet nader hebben gemotiveerd.<br />

Uit die uitspraak kan echter niet worden afgeleid<br />

dat naar het oordeel van de Afdeling vergunningverlening<br />

voor 1181 mestvarkens past binnen<br />

de grondslag van de aanvraag en verweerders in zoverre<br />

waren gehouden voor dat aantal vergunning te<br />

verlenen.<br />

In de uitspraak van 10 december 1998 heeft de<br />

Afdeling, voorzover te dezen van belang, uitsluitend<br />

overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat<br />

hetgeen bij het bestreden besluit is vergund (1339<br />

Milieu<br />

mestvarkens) zozeer afwijkt van hetgeen vergunninghouder<br />

bij de aanvraag voor ogen stond, dat de grondslag<br />

van de aanvraag is verlaten en dat het besluit op<br />

dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Uit die uitspraak<br />

kan evenwel niet worden afgeleid dat dit naar het oordeel<br />

van de Afdeling ook nog geldt indien vergunning<br />

zou zijn verleend voor 1181 mestvarkens.<br />

Voorts kan aan de uitspraak van 10 december<br />

1998, die een ander geval betreft als het onderhavige,<br />

geen doorslaggevende betekenis worden toegekend<br />

voor de vraag of in het onderhavige geval vergunningverlening<br />

voor 1181 mestvarkens past binnen de<br />

grondslag van de aanvraag. Daartoe overweegt zij dat<br />

de vraag of bij vergunningverlening voor een kleiner<br />

veebestand dan is aangevraagd de grondslag van de<br />

aanvraag al dan niet is verlaten, van geval tot geval<br />

moet worden beantwoord aan de hand van de daarbij<br />

zich voordoende feiten en omstandigheden. De verhouding<br />

tussen het aantal dieren waarvoor vergunning<br />

kan worden verleend en het aantal aangevraagde dieren<br />

kan weliswaar een belangrijke aanwijzing vormen<br />

voor de beantwoording van die vraag, maar daarnaast<br />

kunnen ook andere feiten en omstandigheden relevant<br />

zijn.<br />

Verder bieden de stukken en het verhandelde ter<br />

zitting geen aanwijzing voor het standpunt van appellant<br />

dat verweerders waren gehouden op grondslag<br />

van de ingediende aanvraag vergunning te verlenen<br />

voor 1181 mestvarkens. Daarbij zij opgemerkt dat het<br />

in dit geval gaat om een stal die nog moest worden opgericht<br />

en slechts voor minder dan de helft (1181 van<br />

de 2688 gevraagde dieren) zou worden benut. Niet<br />

staat bijvoorbeeld vast dat in dat geval een zelfde vorm<br />

van huisvesting zou zijn aangewezen als die welke is<br />

aangevraagd.<br />

Aangezien, gelet op het vorenstaande, geen grond<br />

bestaat voor het oordeel dat verweerders bij de beslissing<br />

op de vergunningaanvraag van 10 februari 1994<br />

waren gehouden vergunning te verlenen voor 1181<br />

mestvarkens, kan de gestelde schade niet worden geacht<br />

te zijn veroorzaakt door het besluit van 8 november<br />

1994. Verweerders hebben het verzoek om schadevergoeding<br />

dan ook terecht afgewezen en het<br />

daartegen gemaakte bezwaar terecht ongegrond verklaard.<br />

Het beroep is ongegrond.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

37


38<br />

02-55<br />

ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104666/1 (Zutphen)<br />

Casus<br />

Besluit tot toepassing bestuursdwang bestaande<br />

uit het verwijderen van asbestdeeltjes die zijn ontstaan<br />

door een brand van een schuur. Verweerders<br />

baseren hun besluit op overtreding van artikel 13<br />

in samenhang met artikel 6 Wet bodembescherming<br />

(Wbb). Zij hebben daarbij overwogen dat appellant<br />

asbestplaten heeft verwerkt in zijn schuur<br />

in een tijd waarin de gevaren van asbest reeds algemeen<br />

bekend waren. Door de bouw en het gebruik<br />

van de schuur heeft appellant bewust het<br />

aanmerkelijk risico genomen dat er brand kan ontstaan<br />

en asbestdeeltjes in de omgeving kunnen<br />

worden verspreid.<br />

Rechtsvraag<br />

Is het bouwen en in gebruik hebben van een<br />

schuur een handeling als bedoeld in artikel 6<br />

Wbb?<br />

Uitspraak<br />

De Afdeling oordeelt dat het van algemene bekendheid<br />

kan worden verondersteld dat verspreiding<br />

van asbestdeeltjes in de bodem tot bodemverontreiniging<br />

leidt. De vraag of het bouwen en in<br />

gebruik hebben van een schuur met asbestbevattende<br />

bouwmaterialen een handeling is als bedoeld<br />

in de artikelen 6-11 Wbb die tot gevolg heeft<br />

dat de in artikel 13 Wbb vervatte zorgplicht niet<br />

wordt nageleefd, dient echter ontkennend te worden<br />

beantwoord. Het enkele oprichten en gebruiken<br />

van een dergelijk bouwwerk leidt dan ook niet<br />

tot overtreding van het bepaalde in de genoemde<br />

artikelen. In casu heeft eerst de brand in onder<br />

meer het schuurtje ertoe geleid dat asbestdeeltjes<br />

op de bodem zijn geraakt bij verspreiding waarvan<br />

verontreiniging of aantasting van de bodem kan<br />

optreden. Verweerders waren niet bevoegd om bestuursdwang<br />

toe te passen.<br />

Wet bodembescherming, artikel 13<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:24<br />

Milieu<br />

Bij besluit van 5 januari 2001 hebben verweerders appellant<br />

medegedeeld dat door hen krachtens artikel<br />

5:24 van de Algemene wet bestuursrecht bestuursdwang<br />

is toegepast op de percelen achter de Marsweg<br />

te Zutphen. De bestuursdwang bestaat uit het verwijderen<br />

van asbestdeeltjes. In hun besluit hebben verweerders<br />

aangezegd op appellant de kosten van die<br />

bestuursdwang voor een derde gedeelte te verhalen.<br />

Bij besluit van 8 augustus 2001 hebben verweerders<br />

het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />

Overwegingen<br />

In de nacht van zondag 3 december op maandag 4 december<br />

2000 heeft brand plaatsgevonden in de opstallen<br />

op de percelen 22 en 23 van het volkstuinencomplex<br />

de Mars te Zutphen. De grond is eigendom<br />

van de gemeente; appellant is huurder van perceel 23.<br />

Op dit perceel heeft appellant in het verleden een<br />

schuurtje gebouwd met golfplaten waarin asbest is<br />

verwerkt. Bij de brand is asbest vrijgekomen en deze<br />

heeft zich verspreid in de directe omgeving. Verweerders<br />

hebben enkele dagen na de brand een ter zake gespecialiseerd<br />

bedrijf opdracht gegeven het asbest op te<br />

ruimen.<br />

Appellant betwist dat hij door het bouwen van een<br />

schuurtje waarbij gebruik is gemaakt van asbesthoudend<br />

materiaal een handeling op of in de bodem heeft<br />

verricht als bedoeld in artikel 6 van de Wet bodembescherming<br />

(hierna: Wbb), terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs<br />

had moeten weten dat door die handeling de<br />

bodem kon worden verontreinigd of aangetast.<br />

Verweerders baseren hun besluit tot het toepassen van<br />

bestuursdwang op overtreding van artikel 13 in<br />

samenhang met artikel 6 van de Wbb. Zij hebben ter<br />

zake overwogen dat appellant asbestplaten heeft verwerkt<br />

in zijn schuur in een tijd waarin de gevaren van<br />

asbest reeds algemeen bekend waren. Appellant zou<br />

door de bouw en het gebruik van de schuur bewust het<br />

aanmerkelijke risico hebben genomen dat er brand kan<br />

ontstaan en asbestdeeltjes in de omgeving kunnen<br />

worden verspreid.<br />

Artikel 13 van de Wbb bepaalt dat een ieder die op<br />

of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de<br />

artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs<br />

had kunnen vermoeden dat door die handelingen de<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


odem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht<br />

is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs<br />

van hem kunnen worden gevergd, ten einde die verontreiniging<br />

of aantasting te voorkomen, dan wel indien<br />

die verontreiniging of aantasting zich voordoet de<br />

bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen<br />

daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan<br />

te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het<br />

gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen<br />

onverwijld genomen.<br />

Artikel 6, eerste lid, van de Wbb bepaalt dat bij algemene<br />

maatregel van bestuur in het belang van de<br />

bescherming van de bodem regels worden gesteld met<br />

betrekking tot het verrichten van handelingen waarbij<br />

stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten,<br />

op of in de bodem worden gebracht, ten einde<br />

deze aldaar te laten.<br />

Hiertoe kunnen, ingevolge het tweede lid, regels<br />

behoren met betrekking tot:<br />

a. het ter bewaring opslaan van bij die maatregel aan<br />

te geven stoffen op of in de bodem;<br />

b. het brengen van afvalstoffen op of in de bodem;<br />

c. het op of in de bodem doen uitstromen van verontreinigd<br />

water of slib;<br />

d. het begraven van stoffelijke resten;<br />

e. het op de bodem verspreiden van as, afkomstig van<br />

de verbranding van stoffelijke resten.<br />

De Afdeling merkt allereerst op dat de in artikel 6 van<br />

de Wbb bedoelde algemene maatregel van bestuur nog<br />

niet is gegeven. In dat verband verwijst zij naar haar<br />

uitspraak van 5 juli 1994, nr. G05.93.0562 (AB<br />

1994, 636) waarin zij op grond van de totstandkomingsgeschiedenis<br />

van de Wbb heeft overwogen dat<br />

moet worden aangenomen dat de wetgever met artikel<br />

14 (oud) van deze wet voor het bevoegd gezag de mogelijkheid<br />

heeft geschapen om reeds, in afwachting<br />

van de op de artikelen 8 tot en met 13 (oud) berustende<br />

algemene maatregelen van bestuur, met gebruikmaking<br />

van de hem toekomende administratiefrechtelijke<br />

handhavingsmaatregelen op te treden tegen<br />

bodemverontreinigende handelingen. De Afdeling<br />

merkt op dat artikel 14 thans is vernummerd tot artikel<br />

13 en dat de artikelen 8 tot en met 13 zijn vernummerd<br />

tot de artikelen 6 tot en met 11 van de Wbb.<br />

De Afdeling is van oordeel dat verweerders terecht<br />

hebben geoordeeld dat het van algemene bekendheid<br />

Milieu<br />

geacht moet worden dat asbest een gevaarlijke stof is.<br />

Voorts kan van algemene bekendheid worden verondersteld<br />

dat de verspreiding van asbestdeeltjes in de<br />

bodem tot bodemverontreiniging leidt. De vraag thans<br />

is evenwel of het bouwen en in gebruik hebben van<br />

een schuur met asbestbevattende bouwmaterialen een<br />

handeling is als bedoeld in de artikelen 6 tot en met<br />

11 die tot gevolg heeft dat de in artikel 13 van de Wbb<br />

vervatte zorgplicht niet wordt nageleefd. Naar het oordeel<br />

van de Afdeling is daarvan geen sprake. Het enkele<br />

oprichten en gebruiken van een dergelijk bouwwerk<br />

op de wijze als is geschied leidt niet tot overtreding van<br />

het in genoemde artikelen bepaalde. In het onderhavige<br />

geval heeft eerst de brand in onder meer het<br />

schuurtje ertoe geleid dat asbestdeeltjes op de bodem<br />

zijn geraakt en bij verspreiding daarvan verontreiniging<br />

of aantasting van de bodem kan optreden.<br />

Verweerders hebben daarmee aan hun besluit ten<br />

onrechte overtreding van de voornoemde wettelijke bepaling<br />

ten grondslag gelegd. Zij waren dan ook niet bevoegd<br />

ter zake met bestuursdwang op te treden. Verweerders<br />

hebben de door appellant ingediende<br />

bezwaren mitsdien ten onrechte ongegrond verklaard.<br />

2.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond<br />

en komt het besluit op bezwaar van 8 augustus 2001<br />

voor vernietiging in aanmerking.<br />

02-56<br />

39<br />

Vz. ABRS 11 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02149/4 (Menaldumadeel)<br />

Casus<br />

Niet-ontvankelijk verklaring (buiten behandeling<br />

laten) van aanvraag voor een veranderingsvergunning<br />

krachtens de Wm ten behoeve van een horeca-inrichting<br />

met lasergame. Verweerders menen<br />

dat het aanvragen van een revisievergunning de<br />

overzichtelijkheid van het vergunningenbestand<br />

ten goede komt.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


40<br />

Rechtsvragen<br />

1. Hebben verweerders een revisievergunning<br />

kunnen verlangen?<br />

2. Is het buiten behandeling laten van een aanvraag<br />

als bedoeld in artikel 8.4, tweede lid Wm<br />

aan een termijn gebonden?<br />

3. Dient bij afwijking van het besluit ten opzichte<br />

van het ontwerp-besluit een nieuw ontwerp-besluit<br />

ter inzage te worden gelegd?<br />

Uitspraak<br />

ad 1. Alhoewel verweerders beleidsvrijheid toekomt<br />

bij het al dan niet verlangen van een<br />

revisievergunning is bij de aangevraagde<br />

(veranderings)vergunning een deugdelijke<br />

beoordeling van de milieugevolgen kennelijk<br />

mogelijk, zodat niet hoeft te worden gevreesd<br />

voor een zodanig onoverzichtelijk vergunningenbestand<br />

dat verweerders in redelijkheid<br />

hebben kunnen besluiten de vergunningaanvraag<br />

niet te behandelen.<br />

ad 2. Anders dan verzoekster meent, is het buiten<br />

behandeling laten van een aanvraag als bedoeld<br />

in artikel 8.4, tweede lid van de Wet<br />

milieubeheer niet aan een termijn gebonden.<br />

ad 3. Verweerders hebben in eerste instantie de<br />

aanvraag in behandeling genomen en een<br />

ontwerp-besluit opgesteld strekkende tot<br />

verlening van de gevraagde veranderingsvergunning.<br />

Naar aanleiding van bedenkingen<br />

van omwonenden is alsnog besloten de aanvraag<br />

niet inhoudelijk te behandelen. In (het<br />

systeem van) de Wet milieubeheer noch de<br />

Algemene wet bestuursrecht zijn verder aanknopingspunten<br />

te vinden voor het oordeel<br />

dat een gewijzigd ontwerp-besluit ter inzage<br />

had moeten worden gelegd.<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.4, eerste en tweede<br />

lid<br />

Algemene wet bestuursrecht<br />

Bij besluit van 26 februari <strong>2002</strong> hebben verweerders<br />

de aanvraag van verzoekster om een vergunning als<br />

bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b,<br />

voor het uitbreiden van haar inrichting met een lasergame<br />

en ruimere openingstijden voor het horecagedeelte<br />

alsmede verandering van de keukenactiviteiten<br />

en parkeerplaatsen, niet-ontvankelijk verklaard.<br />

Milieu<br />

Overwegingen<br />

Verzoekster acht het niet juist dat verweerders in dit<br />

stadium van de procedure de aanvraag niet-ontvankelijk<br />

hebben verklaard. Zij wijst erop dat in overleg met<br />

verweerders een uitbreidingsaanvraag is ingediend.<br />

Verder kunnen verweerders naar haar mening,<br />

gelet op het bepaalde in artikel 4:5 van de Algemene<br />

wet bestuursrecht, zonder een verzoek te hebben gedaan<br />

om aanvulling van de aanvraag deze niet buiten<br />

behandeling laten. Zij voert aan dat in het besluit ten<br />

onrechte niet is vermeld aan welk wettelijk voorschrift<br />

niet wordt voldaan dan wel welke informatie ontbreekt.<br />

Nu het besluit een andere strekking heeft dan het<br />

ontwerp van het besluit, meent verzoekster dat door<br />

verweerders een nieuw ontwerp-besluit had moeten<br />

worden opgesteld, waartegen bedenkingen konden<br />

worden ingebracht.<br />

Ten aanzien van de inhoud van de beslissing heeft<br />

zij aangevoerd dat het akoestisch rapport dat onderdeel<br />

uitmaakt van de aanvraag wat betreft alle activiteiten<br />

binnen de inrichting voldoende inzicht biedt in<br />

de verkeersstromen van en naar de inrichting.<br />

Verweerders hebben in hun besluit overwogen dat<br />

in 1996 een oprichtingsvergunning en in 1998 een<br />

veranderingsvergunning is verleend. De verkeersintensiteiten<br />

hangen samen met de activiteiten van de totale<br />

inrichting en niet slechts met de uitbreiding. Ofschoon<br />

de verandering – welke met name betrekking<br />

heeft op de verkeersintensiteiten en past binnen de geluidvoorschriften<br />

van de geldende milieuvergunning –<br />

zijn verweerders, mede gelet op de gehele voorgeschiedenis,<br />

het eens met omwonenden dat een revisievergunning<br />

hier op zijn plaats is. Al met al zou het hier<br />

een stuk overzichtelijker van worden, aldus verweerders.<br />

Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />

kan het bevoegd gezag, indien een vergunning<br />

wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste<br />

lid, onder b, voor het veranderen van een inrichting of<br />

van de werking daarvan en voor die inrichting al een of<br />

meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend,<br />

uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning<br />

moet worden aangevraagd voor die verandering<br />

en voor het in werking hebben na die verandering<br />

van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee<br />

die verandering samenhangt.<br />

Ter zitting hebben verweerders gesteld dat met het<br />

bestreden besluit is bedoeld de vergunningaanvraag<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


alsnog buiten behandeling te laten. Verweerders hebben<br />

in eerste instantie de aanvraag om vergunning in<br />

behandeling genomen en een ontwerp van het besluit<br />

opgesteld, strekkende tot verlening van de aangevraagde<br />

veranderingsvergunning. Naar aanleiding van bedenkingen<br />

van omwonenden hebben verweerders besloten<br />

de aanvraag alsnog niet-inhoudelijk te<br />

behandelen.<br />

Anders dan verzoekster kennelijk meent, is het buiten<br />

behandeling laten van een aanvraag als bedoeld in<br />

artikel 8.4, tweede lid, van de Wet milieubeheer niet<br />

aan een termijn gebonden. De omstandigheden dat de<br />

veranderingsaanvraag in overleg met verweerders is ingediend<br />

en dat een ontwerp-besluit is opgesteld strekkende<br />

tot verlening van de aangevraagde vergunning,<br />

hebben niet tot gevolg dat zij niet alsnog naar aanleiding<br />

van bedenkingen van omwonenden in redelijkheid<br />

hebben kunnen besluiten tot het niet inhoudelijk<br />

behandelen van de aanvraag. In (het systeem van) de<br />

Wet milieubeheer noch de Algemene wet bestuursrecht<br />

zijn verder aanknopingspunten te vinden voor het<br />

oordeel dat een gewijzigd ontwerp-besluit ter inzage<br />

had moeten worden gelegd.<br />

Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is<br />

niet aan orde nu verweerders de aanvraag niet wegens<br />

strijd met een wettelijk voorschrift dan wel wegens onvoldoende<br />

informatie niet-ontvankelijk hebben verklaard.<br />

Van een onjuiste toepassing van dit artikel is<br />

dan ook geen sprake.<br />

Gelet hierop bestaat in de bezwaren van appellanten<br />

van formele aard geen aanleiding voor het oordeel<br />

dat verweerders niet hebben mogen besluiten tot het<br />

niet-inhoudelijk behandelen van de aanvraag om een<br />

veranderingsvergunning.<br />

De Voorzitter stelt voorop dat, gelet op artikel 8.4,<br />

eerste lid, van de Wet milieubeheer, verweerders beleidsvrijheid<br />

toekomt bij het al dan niet verlangen van<br />

een revisievergunning indien een veranderingsvergunning<br />

is aangevraagd. Hierbij dient het belang van een<br />

overzichtelijk vergunningenbestand in relatie tot een<br />

toereikende normering afgewogen te worden tegen andere<br />

belangen, waaronder die van verzoekster.<br />

De Voorzitter stelt vast dat verweerders blijkens het<br />

bestreden besluit van mening zijn dat de verkeersaantrekkende<br />

werking van de aangevraagde uitbreiding<br />

zodanig is dat alle verkeersbewegingen van en naar de<br />

inrichting aan de ter zake in de oprichtingsvergunning<br />

gestelde geluidgrenswaarden voldoen. Bij de aangevraagde<br />

vergunning is een deugdelijke beoordeling van<br />

Milieu<br />

de milieugevolgen kennelijk mogelijk. Verweerders<br />

hebben de beslissing de aanvraag niet te behandelen<br />

uitsluitend gemotiveerd met de verwijzing naar de<br />

voorgeschiedenis, waarmee kennelijk wordt bedoeld<br />

de verleende oprichtings- en uitbreidingsvergunning,<br />

en de overweging dat met het aanvragen van een revisievergunning<br />

de vergunningsituatie overzichtelijker<br />

wordt. Dit laatste betekent evenwel nog niet dat bij<br />

verlening van de uitbreidingsvergunning een zodanig<br />

onoverzichtelijk vergunningbestand ontstaat dat verweerders<br />

in redelijkheid hebben kunnen besluiten de<br />

vergunningaanvraag niet te behandelen. De Voorzitter<br />

gaat er derhalve van uit dat de Afdeling in het bodemgeding<br />

zal oordelen dat verweerders hun besluit in dit<br />

opzicht onvoldoende hebben gemotiveerd.<br />

02-57<br />

41<br />

Vz. ABRS 18 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>01895/2 (GS<br />

Limburg)<br />

Casus<br />

Besluit waarbij de melding voor de wijziging van<br />

de werking van de inrichting niet is geaccepteerd.<br />

Het betreft een inrichting voor het produceren van<br />

bakstenen. De melding heeft betrekking op het gelijktijdig<br />

in werking hebben van de voorverwarmingsovens<br />

1 en 2 voor de productie van één type<br />

steen, bij benutting van minder dan 60% van de<br />

totaal vergunde productiecapaciteit van 40 miljoen<br />

stenen per jaar. Verzoekster stelt allereerst<br />

dat de voorgenomen wijziging in overeenstemming<br />

is met de aan haar verleende milieuvergunning<br />

zodat daarvoor een vergunning noch een melding<br />

is vereist. Verder betoogt zij dat ten gevolge van de<br />

wijziging de stankbelasting niet zal toenemen.<br />

Rechtsvragen<br />

1. Is de gemelde verandering van de productiemethode<br />

in overeenstemming met de verleende<br />

vergunning?<br />

2. Kan met een melding worden volstaan?<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


42<br />

Uitspraak<br />

ad 1. De Voorzitter overweegt dat de voorgenomen<br />

wijziging niet in overeenstemming is met de<br />

in de aanvraag behorende bij de vergunning<br />

van 13 mei 1997 omschreven productiemethoden<br />

zodat artikel 8.1, derde lid niet van<br />

toepassing is.<br />

ad 2. Bij de productie van bakstenen worden stoffen<br />

geëmitteerd die in de omgeving stankhinder<br />

kunnen veroorzaken. In de geldende<br />

vergunning van 1997 zijn geen grenswaarden<br />

gesteld aan de geuremissie zodat<br />

voor de omvang van de geurbelasting die de<br />

inrichting op grond van die vergunning mag<br />

veroorzaken de vergunde situatie bepalend<br />

is. Nu met de beoogde verandering van de<br />

productiemethode die vergunde situatie<br />

wordt gewijzigd, wordt daarmee eveneens<br />

de op grond van de vergunning toegestane<br />

geurbelasting gewijzigd. Daarom kan, mede<br />

gelet op de Memorie van Toelichting bij de<br />

wijziging van het meldingenstelsel, in een<br />

geval als dit niet met een melding worden<br />

volstaan en is voor de beoogde verandering<br />

van de werking van de inrichting een wijziging<br />

van de vergunning vereist.<br />

Wet milieubeheer, artikelen 8.1, derde lid en<br />

8.19, tweede lid<br />

Bij besluit van 2 oktober 2001 hebben verweerders de<br />

melding van verzoekster, als bedoeld in artikel 8.19,<br />

tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor een wijziging<br />

van de werking van haar inrichting niet geaccepteerd.<br />

Bij besluit van 26 februari <strong>2002</strong> hebben verweerders<br />

het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />

Overwegingen<br />

In de inrichting van verzoekster worden onder meer<br />

bakstenen geproduceerd. De melding betreft het gelijktijdig<br />

in werking hebben van prechauffeurs (voorverwarmingsovens)<br />

1 en 2 voor de productie van één type<br />

steen, bij benutting van minder dan 60% van de totaal<br />

vergunde productiecapaciteit van 40 miljoen stenen<br />

per jaar.<br />

Verweerders hebben de melding niet geaccepteerd<br />

en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond ver-<br />

Milieu<br />

klaard omdat – kort gezegd – zij van mening zijn dat bij<br />

de melding geen gegevens zijn overgelegd waaruit<br />

blijkt dat de beoogde verandering in ieder geval voor<br />

het aspect geur geen andere of grotere gevolgen voor<br />

het milieu heeft dan die de inrichting op grond van de<br />

geldende milieuvergunning mag veroorzaken. Daarbij<br />

hebben verweerders ter zitting gesteld dat naar verwachting<br />

de geurbelasting door de beoogde verandering<br />

juist zal toenemen.<br />

Verzoekster stelt allereerst dat de voorgenomen wijziging<br />

in overeenstemming is met de aan haar verleende<br />

milieuvergunning, zodat, gelet op artikel 8.1, derde<br />

lid, van de Wet milieubeheer, daarvoor geen vergunning<br />

en derhalve ook geen melding is vereist.<br />

Verder betoogt verzoekster dat de stankbelasting<br />

hoe dan ook niet zal toenemen door de beoogde verandering<br />

omdat het gelijktijdig gebruik van beide prechauffeurs<br />

voor de productie van één type steen haar<br />

op grond van de geldende milieuvergunning al is toegestaan<br />

indien meer dan 60% van de totale productiecapaciteit<br />

wordt aangewend. De geurbelasting in die<br />

laatste bedrijfssituatie is volgens verzoekster hoe dan<br />

ook groter dan in geval minder dan 60% van de productiecapaciteit<br />

wordt benut.<br />

Ingevolge artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is het<br />

verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:<br />

a. op te richten;<br />

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;<br />

c. in werking te hebben.<br />

Ingevolge het derde lid van dit artikel geldt het verbod<br />

bedoeld in het eerste lid, onder b, niet met betrekking<br />

tot veranderingen van de inrichting of van de werking<br />

daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de<br />

inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden<br />

beperkingen en voorschriften.<br />

Bij besluit van 13 mei 1997 hebben verweerders aan<br />

verzoekster krachtens de Wet milieubeheer vergunning<br />

verleend voor het oprichten en in werking hebben van<br />

haar inrichting. In deze vergunning en de daarbij behorende<br />

aanvraag is de productiemethode van bakstenen<br />

vastgelegd. Die productiemethode houdt in dat bij een<br />

benutting van meer dan 60% van de totale productiecapaciteit<br />

alle baksteenproducten in de prechauffeurs<br />

worden voorverwarmd en in de tunneloven worden af-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


gebakken. Bij een aanwending van minder dan 60%<br />

van de totale productiecapaciteit blijft de tunneloven<br />

buiten gebruik en worden de stenen in de prechauffeurs<br />

gebakken. Gelet op de in de aanvraag omschreven<br />

productiemethoden is het op grond van de vergunning<br />

evenwel niet toegestaan dat bij benutting van<br />

minder dan 60% van de totale productiecapaciteit<br />

beide prechauffeurs tegelijkertijd worden gebruikt voor<br />

de productie van één type baksteen. De gemelde verandering<br />

van de productiemethode is dan ook niet in<br />

overeenstemming met de verleende vergunning, zodat<br />

artikel 8.1, derde lid, van de Wet milieubeheer niet<br />

van toepassing is.<br />

Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer<br />

geldt een voor een inrichting verleende vergunning<br />

tevens voor veranderingen van de inrichting of van<br />

de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn<br />

met de voor de inrichting verleende vergunning of de<br />

daaraan verbonden beperkingen en voorschriften,<br />

maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen<br />

voor het milieu dan die de inrichting ingevolge<br />

de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen<br />

en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde<br />

dat:<br />

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting<br />

dan waarvoor vergunning is verleend;<br />

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering<br />

door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig<br />

de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels<br />

aan het bevoegd gezag is gemeld; en<br />

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk<br />

heeft verklaard dat de voorgenomen verandering<br />

voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering<br />

naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing<br />

van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.<br />

Uit de stukken blijkt dat bij de productie van bakstenen<br />

stoffen worden geëmitteerd die in de omgeving<br />

van de inrichting stankhinder kunnen veroorzaken. In<br />

de geldende vergunning van 1997 zijn geen grenswaarden<br />

gesteld aan geuremissie. Dit betekent dat<br />

voor de omvang van de geurbelasting die de inrichting<br />

op grond van die vergunning mag veroorzaken, de vergunde<br />

situatie bepalend is (Memorie van Toelichting<br />

op wijziging van de Wet milieubeheer (meldingenstelsel,<br />

TK 1998-1999, 26 552, nr. 3, p. 23). Nu voorts<br />

met de beoogde verandering van de productiemethode<br />

die vergunde situatie wordt gewijzigd, wordt daarmee<br />

Milieu<br />

eveneens de op grond van de vergunning toegestane<br />

geurbelasting gewijzigd. Daarom kan, mede gelet op<br />

de Memorie van Toelichting, in een geval als dit niet<br />

met een melding worden volstaan en is voor de beoogde<br />

verandering van de werking van de inrichting een<br />

wijziging van de vergunning vereist. In het kader van<br />

die vergunningprocedure moet dan worden beoordeeld<br />

of de gevraagde verandering uit milieuhygiënisch oogpunt<br />

aanvaardbaar is.<br />

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders, zij het<br />

op andere gronden, de melding terecht niet geaccepteerd<br />

en het daartegen gemaakte bezwaar terecht ongegrond<br />

verklaard.<br />

Het verzoek om voorlopige voorziening moet worden<br />

afgewezen.<br />

02-58<br />

43<br />

ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200003207/2 (Uithoorn)<br />

Casus<br />

Oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer<br />

voor een uitvaartcentrum met crematorium.<br />

Door appellanten wordt onder meer aangevoerd<br />

dat hangende de procedure de vergunningaanvraag<br />

is gewijzigd waardoor hun processuele belangen<br />

zijn geschaad. Voorts is een aantal voorzieningen<br />

die essentieel zijn voor het in werking zijn<br />

van de inrichting buiten de grenzen van de inrichting<br />

gelegen, op grond die eigendom is van de gemeente.<br />

Daardoor ontbeert vergunninghouder zeggenschap<br />

over deze voorzieningen om te<br />

waarborgen dat deze in stand worden gehouden.<br />

Ten slotte stellen appellanten dat in de in de inrichting<br />

aanwezige koelcel freon als koudemiddel<br />

wordt gebruikt en dat dit een chloorfluorkoolwaterstof<br />

is die de ozonlaag aantast.<br />

Rechtsvragen<br />

1. In hoeverre kan de aanvraag hangende de procedure<br />

worden gewijzigd?<br />

2. Is het mogelijk om vergunning te verlenen voor<br />

voorzieningen die buiten de grenzen van de inrichting<br />

zijn gelegen?<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


44<br />

3. Is het gebruik van freon als koudemiddel in<br />

strijd met het Besluit inzake stoffen die de<br />

ozonlaag aantasten 1995 (hierna: het Besluit)<br />

en de Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna:<br />

Wms)?<br />

Uitspraak<br />

ad 1. De aanvraag is gewijzigd ná het verstrijken van<br />

de termijn voor het inbrengen van bedenkingen.<br />

De wijziging heeft betrekking op de exacte<br />

maatvoering van de crematieoven alsmede op<br />

de plaats en de afscherming van de uitmondingen<br />

van de afvoerkanalen van deze oven. Alhoewel<br />

het in beginsel niet geoorloofd is om<br />

wijzigingen van de aanvraag, die dateren van<br />

ná de terinzagelegging, bij de beslissing op de<br />

oorspronkelijke aanvraag te betrekken, kan in<br />

dit geval een uitzondering worden aanvaard<br />

omdat door de wijziging, gezien in relatie tot de<br />

oorspronkelijke aanvraag, appellanten of anderen<br />

niet in hun processuele belangen zijn geschaad.<br />

ad 2. Met deze voorzieningen wordt gedoeld op<br />

onder andere een gedeelte van de inrit die de<br />

toegang vormt tot de inrichting alsmede op een<br />

groot aantal parkeerplaatsen op grond die eigendom<br />

is van de gemeente. De Afdeling stelt<br />

voorop dat de vraag naar de eigendomsverhoudingen<br />

m.b.t. de inrichting buiten het toetsingskader<br />

van de Wm valt. Verder is het niet<br />

noodzakelijk dat alle voorzieningen tot de inrichting<br />

behoren. Voorzover die voorzieningen<br />

relevant zijn, is slechts van belang of het<br />

(mede)gebruik van de voorzieningen ten behoeve<br />

van de inrichting voldoende mogelijk is.<br />

ad 3. Ingevolge artikel 8.9 Wm mag een besluit niet<br />

in strijd zijn met de regels van (voorzover hier<br />

van belang) de Wms. Het Besluit is een algemene<br />

maatregel van bestuur die zijn grondslag<br />

vindt in artikel 24 Wms. Het Besluit laat toe<br />

dat freon wordt toegepast als koudemiddel in<br />

een koelinstallatie. Alhoewel verweerders hebben<br />

verzuimd te onderzoeken of wordt voldaan<br />

aan de regels die m.b.t. de onderhavige inrichting<br />

gelden krachtens het Besluit, ziet de Afdeling<br />

geen reden om het bestreden besluit om<br />

deze reden te vernietigen, nu zij zelf kan vaststellen<br />

dat het gebruik van freon als koudemiddel<br />

rechtens is toegestaan.<br />

Milieu<br />

Wet milieubeheer, artikelen 8.9, 8.10 en 8.11<br />

Algemene wet bestuursrecht<br />

Bij besluit van 16 mei 2000 hebben verweerders,<br />

voorzover hier van belang, krachtens de Wet milieubeheer<br />

aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid<br />

‘Bouwens Beheer Amstelveen B.V.’ vergunning<br />

verleend voor het oprichten en in werking<br />

hebben van een uitvaartcentrum met een kleinschalig<br />

crematorium.<br />

Appellanten sub 1 en 2 hebben aangevoerd dat vergunninghoudster<br />

de aanvraag hangende de procedure<br />

heeft gewijzigd en dat verweerders deze wijziging bij<br />

hun beslissing op de oorspronkelijke aanvraag hebben<br />

betrokken. Appellanten sub 1 en 2 achten zich door<br />

deze gang van zaken in hun processuele belangen geschaad,<br />

omdat ten tijde van de wijziging van de aanvraag<br />

de termijn voor het inbrengen van bedenkingen<br />

reeds was verstreken.<br />

Vaststaat dat vergunninghoudster de aanvraag heeft<br />

gewijzigd na het verstrijken van de termijn voor het inbrengen<br />

van bedenkingen. Deze wijziging heeft betrekking<br />

op de exacte maatvoering van de crematieoven<br />

alsmede op de plaats en de afscherming van de uitmondingen<br />

van de afvoerkanalen van deze oven, zoals<br />

deze zijn ingetekend op de bij de aanvraag behorende<br />

tekening 9817-01. Verweerders hebben bij het bestreden<br />

besluit op de gewijzigde aanvraag beslist.<br />

Vooropgesteld moet worden dat uit het systeem<br />

van vergunningverlening, zoals neergelegd in de Wet<br />

milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht, volgt<br />

dat in beginsel op de aanvraag moet worden beslist<br />

zoals die met het ontwerp van het besluit ter inzage is<br />

gelegd. Dit betekent dat het in beginsel niet geoorloofd<br />

is om wijzigingen van de aanvraag, die dateren van na<br />

de terinzagelegging, bij de beslissing op de oorspronkelijke<br />

aanvraag te betrekken. In dit geval kan een uitzondering<br />

worden aanvaard, omdat de wijziging, gezien<br />

in relatie tot de oorspronkelijke aanvraag, naar het<br />

oordeel van de Afdeling van dien aard is, dat appellanten<br />

sub 1 en 2 of anderen niet in hun processuele belangen<br />

zijn geschaad doordat zij niet in de gelegenheid<br />

zijn geweest door middel van het inbrengen van bedenkingen<br />

op de wijziging te reageren.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


Appellanten sub 2 hebben aangevoerd dat een aantal<br />

voorzieningen die essentieel zijn voor het in werking<br />

zijn van de inrichting – een gedeelte van de inrit die de<br />

toegang vormt tot de inrichting, een groot aantal parkeerplaatsen,<br />

de groene scheidingswand die dient ter<br />

afscherming van de inrichting alsmede de kelder voor<br />

de verstrooiing van de as, buiten de grenzen van de inrichting<br />

is gelegen, op grond die eigendom is van de<br />

gemeente. Daarom ontbeert vergunninghoudster naar<br />

de mening van appellanten sub 2 de benodigde zeggenschap<br />

over deze voorzieningen om te waarborgen<br />

dat deze in stand worden gehouden. Hetzelfde probleem<br />

doet zich volgens hen voor ten aanzien van het<br />

gedeelte van de inrit dat binnen de grenzen van de inrichting<br />

is gelegen, nu de inrit ook voor dat gedeelte eigendom<br />

is van de gemeente.<br />

Bij de beoordeling van deze beroepsgrond stelt de Afdeling<br />

voorop dat de vraag naar de eigendomsverhoudingen<br />

met betrekking tot (onderdelen van) de inrichting<br />

buiten het toetsingskader valt van de artikelen<br />

8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. Er is daarom<br />

geen grond voor het oordeel dat verweerders de vergunning<br />

hadden moeten weigeren vanwege de omstandigheid<br />

dat het gedeelte van de inrit dat zich<br />

binnen de grenzen van de inrichting bevindt eigendom<br />

is van de gemeente.<br />

De Afdeling overweegt verder dat het niet noodzakelijk<br />

is dat alle voorzieningen die nodig zijn voor het in<br />

werking kunnen hebben van een inrichting tot de inrichting<br />

behoren. Voorzover die voorzieningen relevant<br />

zijn voor de omvang van de nadelige gevolgen voor het<br />

milieu die de inrichting kan veroorzaken, is in het<br />

kader van de toetsing aan de artikelen 8.10 en 8.11<br />

van de Wet milieubeheer slechts van belang of het<br />

(mede)gebruik van die voorzieningen ten behoeve van<br />

de inrichting voldoende mogelijk is. Op basis van de<br />

stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling<br />

het aannemelijk dat dit met betrekking tot de door appellanten<br />

sub 2 genoemde voorzieningen buiten de inrichting<br />

het geval is. Overigens merkt de Afdeling op<br />

dat wanneer in de toekomst verandering optreedt in de<br />

gebruiksmogelijkheden van deze voorzieningen en de<br />

nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan<br />

veroorzaken hierdoor zullen toenemen, verweerders,<br />

afhankelijk van de omvang van die toename, de vergunning<br />

met toepassing van artikel 8.23 van de Wet<br />

milieubeheer kunnen wijzigen dan wel met toepassing<br />

van artikel 8.25 van die wet kunnen intrekken.<br />

Milieu<br />

45<br />

Appellanten sub 1 en 2 hebben erop gewezen dat in<br />

de in de inrichting aanwezige koelcel freon als koudemiddel<br />

wordt gebruikt en dat dit een chloorfluorkoolwaterstof<br />

is die de ozonlaag aantast. Naar hun mening<br />

hebben verweerders aan dit milieuaspect bij het bestreden<br />

besluit ten onrechte geen aandacht besteed.<br />

Verweerders hebben zich bij het bestreden besluit<br />

op het standpunt gesteld dat het gebruik van freon<br />

wordt gereguleerd door het Besluit inzake stoffen die<br />

de ozonlaag aantasten 1995 en dat niet zij het terzake<br />

bevoegd gezag zijn, maar de Inspectie milieuhygiëne.<br />

Bij de beslissing op de aanvraag hebben zij daarom<br />

een beoordeling van de milieuhygiënische aanvaardbaarheid<br />

van het gebruik van freon in de inrichting<br />

achterwege gelaten.<br />

Ingevolge artikel 8.9 van de Wet milieubeheer draagt<br />

het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvraag<br />

zorg voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met<br />

betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of<br />

krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel<br />

13.1, tweede lid, genoemde wetten.<br />

Ingevolge artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer,<br />

voorzover hier van belang, wordt de vergunning<br />

in ieder geval geweigerd indien door verlening<br />

daarvan strijd zou ontstaan met regels als bedoeld in<br />

artikel 8.9.<br />

Het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten<br />

1995 (hierna: het Besluit) is een algemene<br />

maatregel van bestuur die zijn grondslag vindt in artikel<br />

24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Ingevolge<br />

artikel 12, eerste en tweede lid, van het Besluit, in<br />

onderlinge samenhang bezien, is het toegestaan een<br />

onvolledig gehalogeneerde chloorfluorkoolwaterstof,<br />

zoals freon, toe te passen als koudemiddel in een koelinstallatie,<br />

koelkast of diepvriezer, tenzij één van de in<br />

de leden drie, vier en vijf van dit artikel genoemde uitzonderingssituaties<br />

zich voordoet.<br />

De Afdeling stelt vast dat de Wet milieugevaarlijke<br />

stoffen in artikel 13.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer<br />

wordt genoemd. Gelet op de artikelen 8.9 en<br />

8.10, tweede lid, van deze wet brengt dat met zich dat<br />

verweerders bij de beslissing op de aanvraag hadden<br />

moeten onderzoeken of wordt voldaan aan de regels<br />

die met betrekking tot de onderhavige inrichting gelden<br />

krachtens het Besluit. Zoals hiervoor is gebleken,<br />

hebben zij dat niet gedaan. De Afdeling ziet hierin echter<br />

geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen,<br />

nu zij op basis van de stukken zelf kan vaststel-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


46<br />

len dat, gelet op de datum waarop de koelcel in de inrichting<br />

blijkens het op dit punt niet weersproken deskundigenbericht<br />

van 28 juni 2001 in gebruik is genomen,<br />

geen van de in artikel 12, derde, vierde en vijfde<br />

lid, van het Besluit genoemde uitzonderingssituaties<br />

zich voordoet. Het gebruik van freon als koudemiddel<br />

in de inrichting is derhalve rechtens toegestaan.<br />

02-59<br />

ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200105168/2 (Minister<br />

van VROM)<br />

Casus<br />

Aanzegging tot bestuursdwang om te beletten dat<br />

het vaartuig Sandrien zonder kennisgeving zoals<br />

vereist in EG-verordening 259/93 (EVOA) uitvaart<br />

vanuit Nederland naar India. Verweerder en appellante<br />

verschillen van mening over de vraag of de<br />

overbrenging van het schip is aan te merken als<br />

het ‘zich ontdoen’ van afvalstoffen. Volgens appellante<br />

is de EG-verordening 259/93 betreffende<br />

toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen<br />

binnen, naar en uit de EG (hierna: EVOA)<br />

niet van toepassing. Voorzover de EVOA wel van<br />

toepassing is, dient het schip volgens appellante te<br />

worden beschouwd als een zogeheten ‘groene lijststof’<br />

(rubriek GC 030) in de zin van de EVOA.<br />

Daartoe voert zij aan dat het schip geen ladingrestanten<br />

bevat die als (gevaarlijk) afval aangemerkt<br />

kunnen worden. Voorts stelt appellante dat<br />

het uitvaren van het schip niet kan worden beschouwd<br />

als het ‘zich ontdoen’ van afvalstoffen en<br />

dat met het bestreden besluit een handeling wordt<br />

tegengegaan die eerst later zou kunnen uitmonden<br />

in het zich ontdoen van het schip. Door het optreden<br />

is derhalve sprake van preventieve bestuursdwang.<br />

Ten slotte stelt zij dat het bestreden besluit<br />

in strijd is met de United Nations Convention on<br />

the Law of the Sea (UNCLOS).<br />

Rechtsvraag<br />

Is het overbrengen van het schip naar India aan te<br />

merken als het ‘zich ontdoen’ van afvalstoffen?<br />

Milieu<br />

Uitspraak<br />

Niet in geschil is dat appellante op 1 november<br />

2000 met een bedrijf in India een overeenkomst is<br />

aangegaan tot verkoop van het schip ten behoeve<br />

van sloop. Op grond daarvan concludeert de Afdeling<br />

dat appellante destijds voornemens was zich<br />

van het schip te ontdoen in de zin van artikel 1,<br />

aanhef en onder a van de EVOA. Daarmee heeft<br />

het schip het karakter van een afvalstof gekregen.<br />

Appellante heeft aangevoerd niet (langer) het voornemen<br />

te hebben zich van het schip te ontdoen,<br />

maar dit in te zetten als vrachtschip. Deze stelling<br />

is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt.<br />

Onder de rubriek GC 030 waarnaar appellante verwijst,<br />

staat vermeld: ‘Schepen en ander drijvend<br />

materiaal bestemd voor de sloop, waaruit eventuele<br />

lading en andere bij het gebruik van het schip<br />

vrijkomende materialen, die als gevaarlijke stof of<br />

afvalstof geclassificeerd zijn, naar behoren zijn<br />

verwijderd’. Niet in geschil is dat zich in de constructie<br />

van het schip aanzienlijke hoeveelheden<br />

asbest bevinden. Gelet op deze verontreiniging<br />

met asbest nemen de aan de afvalstof verbonden<br />

risico’s zodanig toe dat dit voor opname op de rode<br />

lijst in aanmerking komt. Wat betreft het uitvaren<br />

van het schip oordeelt de Afdeling dat dit uitvaren,<br />

nu het een afvalstof betreft die niet onder de groene<br />

lijst valt, moet worden aangemerkt als een<br />

begin van sluikhandel als bedoeld in artikel 26<br />

EVOA. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a<br />

van deze bepaling heeft verweerder de bevoegdheid<br />

ervoor zorg te dragen dat bij sluikhandel het<br />

schip wordt teruggebracht. De UNCLOS bevat<br />

evenals de EVOA regelgeving ter bescherming van<br />

het mariene milieu respectievelijk de volksgezondheid<br />

en het milieu bij overbrenging van afvalstoffen.<br />

Daargelaten de vraag of de UNCLOS rechtstreeks<br />

werkt, staat deze regeling er niet aan in de<br />

weg dat ingevolge de EVOA, alvorens tot overbrenging<br />

van afvalstoffen wordt overgegaan, een voorafgaande<br />

kennisgeving vereist wordt.<br />

EG-verordening 259/93 (EVOA), artikelen 1, 2<br />

en 26<br />

United Nations Convention on the Law of the<br />

Sea (UNCLOS), artikel 211<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


Bij besluit van 23 maart 2001 heeft verweerder appellant<br />

onder aanzegging van bestuursdwang belet het<br />

vaartuig Sandrien uit te laten varen vanuit Nederland<br />

naar India.Bij besluit van 7 september 2001heeft verweerder<br />

het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond<br />

verklaard.<br />

Overwegingen<br />

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit<br />

van 23 maart 2001 gehandhaafd. Verweerder heeft<br />

aan de aangezegde bestuursdwang ten grondslag gelegd<br />

dat appellante zonder dat daartoe een kennisgeving<br />

was gedaan zoals vereist in de EG-verordening<br />

259/93, betreffende toezicht en controle op de overbrenging<br />

van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese<br />

Gemeenschap (hierna: de EVOA), doende was<br />

met het begin van overbrenging van het schip Sandrien<br />

(hierna: het schip) vanuit Nederland naar India. Nu<br />

het hierbij volgens verweerder gaat om afvalstoffen<br />

heeft appellante in strijd gehandeld met artikel 26,<br />

eerste lid, van de EVOA, hetgeen verboden is op grond<br />

van artikel 10.44e van de Wet milieubeheer. Verweerder<br />

heeft door toepassing van bestuursdwang appellante<br />

belet het schip uit te laten varen naar India.<br />

Volgens appellante beschouwt verweerder het<br />

schip ten onrechte als afval en is de EVOA niet van toepassing.<br />

Voorzover de EVOA wel van toepassing is, behoeft<br />

volgens appellante voor de overbrenging van het<br />

schip naar India geen kennisgeving te worden gedaan<br />

omdat het schip moet worden beschouwd als een zogeheten<br />

groene lijst-stof in de zin van de EVOA. Daartoe<br />

voert zij aan dat het schip geen ladingrestanten<br />

bevat die als (gevaarlijk) afval aangemerkt kunnen<br />

worden. Zij is van mening dat het schip valt onder rubriek<br />

GC 030 van de groene lijst. Volgens appellante<br />

valt het in de constructie van het schip verwerkt asbest<br />

niet onder de in deze rubriek opgenomen zinsnede ‘andere<br />

bij het gebruik van het schip vrijkomende materialen’.<br />

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de EVOA<br />

wordt onder afvalstoffen verstaan de afvalstoffen die<br />

als zodanig in de Richtlijn 75/442/EEG, artikel 1,<br />

onder a (hierna te noemen: de Richtlijn), zoals gewijzigd<br />

bij Richtlijn 91/156/EEG.<br />

In artikel 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn<br />

wordt onder afvalstof verstaan: elke stof of elk voorwerp<br />

behorende tot de in bijlage I genoemde categorieen<br />

waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is<br />

Milieu<br />

47<br />

zich te ontdoen of zich moet ontdoen.<br />

Ingevolge artikel 1, onder c, van de Richtlijn wordt<br />

de houder omschreven als de producent van de afvalstoffen<br />

of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen<br />

in bezit heeft.<br />

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />

heeft in zijn arrest van 15 juni 2000, gevoegde<br />

zaken nrs. C-418/97 en C-419/97 (AB 2000,<br />

311) voor recht verklaard, dat de vraag of sprake is<br />

van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming<br />

van alle omstandigheden, waarbij rekening<br />

moet worden gehouden met de doelstelling van die<br />

Richtlijn en er voor moet worden gewaakt dat geen afbreuk<br />

wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.<br />

Verweerder heeft voor zijn standpunt dat het schip<br />

als afvalstof moet worden aangemerkt doorslaggevend<br />

geacht dat uit onderzoek is gebleken dat het schip<br />

naast ladingrestanten en overige (vermoedelijk gevaarlijke)<br />

afvalstoffen een substantiële hoeveelheid asbest<br />

bevat. Uit verschillende verklaringen, verhoren en documenten<br />

is verweerder voorts gebleken dat het schip<br />

bestemd is voor de sloop in India en dat het schip van<br />

de Scheepvaartinspectie slechts toestemming heeft<br />

voor vertrek met het oog op die bestemming. Ten tijde<br />

van de eigendomsoverdracht van het schip op 14 september<br />

2000 en ook ten tijde van het nemen van het<br />

besluit in primo en het bestreden besluit verkeerde het<br />

schip volgens de minister in slechte staat, zodanig dat<br />

het gebruik overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming<br />

(motortankschip) dan wel als vrachtschip<br />

niet mogelijk was en is zonder ingrijpende en kostbare<br />

reparaties. Gelet hierop heeft verweerder aangenomen<br />

dat de oorspronkelijke eigenaar zich op 14 september<br />

2000 heeft ontdaan van een afvalstof. Aan de omstandigheid<br />

dat een aantal eerder gedane verklaringen omtrent<br />

de aard en bestemming van het schip later is ingetrokken<br />

heeft verweerder geen doorslaggevende<br />

betekenis toegekend.<br />

Appellante heeft het schip op 14 september 2000<br />

in eigendom verkregen. Niet in geschil is dat appellante<br />

op 1 november 2000 met Hatimi Steels te Alang<br />

(India) een overeenkomst is aangegaan tot verkoop van<br />

het schip aan laatstgenoemde partij ten behoeve van<br />

sloop. Hieruit maakt de Afdeling op dat appellante<br />

destijds voornemens was zich van het schip te ontdoen<br />

in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de<br />

Richtlijn. Het schip heeft hiermede het karakter van<br />

een afvalstof verkregen.<br />

Appellante heeft aangevoerd niet (langer) het voor-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


48<br />

nemen te hebben zich van het schip te ontdoen, maar<br />

dit in te zetten als vrachtschip. In dit verband wijst zij<br />

erop dat zij het contract met Hatimi Steels bewust<br />

heeft laten verlopen door het schip niet te leveren en<br />

dat op 8 november 2000 een contract is gesloten met<br />

Shiva marketing Ltd. om in de eerste week van maart<br />

2001, later verlengd tot uiterlijk de eerste week van<br />

april 2001, het schip aan de westkust van India in te<br />

zetten als ‘floating vessel’. Zij wijst ook op de mails uit<br />

januari/februari 2001 van de door Upperton ingeschakelde<br />

‘ladingbroker’ Andrew Southwood betreffende de<br />

verhuur van het schip om dit met lading uiteindelijk<br />

richting India te laten varen en op de samenstelling<br />

van de bemanning die uitdrukkelijk niet zag op een<br />

‘demolition crew’. Voorts voert appellante aan dat zij<br />

kort na de aankoop van het schip heeft besloten reparaties<br />

te laten verrichten en het geschikt te maken voor<br />

de inzet als vrachtschip en dat inmiddels een begin is<br />

gemaakt met de noodzakelijke reparaties.<br />

Appellante heeft echter naar het oordeel van de Afdeling<br />

haar stelling dat ten tijde van het bestreden besluit<br />

reeds een aanvang was gemaakt met de in dit verband<br />

noodzakelijke reparaties, noch haar stelling dat<br />

het schip elders zal worden gerepareerd, zodat het<br />

weer kan worden ingezet als vrachtschip, voldoende<br />

aannemelijk gemaakt. Gelet op het vorenstaande heeft<br />

verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat<br />

het schip ten tijde van het nemen van het bestreden<br />

besluit diende te worden aangemerkt als afvalstof.<br />

Artikel 1, derde lid, van de EVOA bepaalt onder andere<br />

dat het overbrengen van afvalstoffen, die alleen<br />

bestemd zijn voor nuttige toepassing en in bijlage II<br />

van de EVOA, gewijzigd bij beschikking 1999/816/EG<br />

van de Commissie van 24 november 1999, worden<br />

genoemd niet onder de bepalingen van de EVOA vallen.<br />

Bijlage II is de zogeheten groene lijst van afvalstoffen.<br />

In deze bijlage staat onder rubriek GC 030 vermeld:<br />

‘Schepen en ander drijvend materieel bestemd<br />

voor de sloop, waaruit eventuele lading en andere bij<br />

het gebruik van het schip vrijkomende materialen, die<br />

als gevaarlijke stof of afvalstof geclassificeerd zijn, naar<br />

behoren zijn verwijderd’. In het chapeau bij de groene<br />

lijst staat vermeld: ‘Of afvalstoffen nu op deze lijst zijn<br />

opgenomen of niet, zij mogen niet als afvalstoffen van<br />

de groene lijst worden vervoerd indien zij dermate met<br />

andere stoffen verontreinigd zijn dat a) de aan de afvalstoffen<br />

verbonden risico’s zodanig toenemen dat ze<br />

voor opname op de oranje of rode lijst in aanmerking<br />

komen, of b) terugwinning van de afvalstoffen op mi-<br />

Milieu<br />

lieuverantwoorde wijze onmogelijk wordt’.<br />

Niet in geschil is dat zich in de constructie van het<br />

schip aanzienlijke hoeveelheden asbest bevinden.<br />

Gelet op deze verontreiniging met asbest nemen de<br />

aan de afvalstof verbonden risico’s zodanig toe dat dit<br />

voor opname op de rode lijst in aanmerking komt. Derhalve<br />

mag het schip, gelet op het chapeau bij de groene<br />

lijst, niet worden vervoerd als een afvalstof als bedoeld<br />

in rubriek GC 030 van die lijst. Het<br />

beroepsonderdeel treft geen doel.<br />

Appellante voert aan dat, voorzover de Sandrien<br />

moet worden aangemerkt als afvalstof, niet zijnde een<br />

groene lijst-stof, verweerder niet bevoegd is tot toepassing<br />

van bestuursdwang door te beletten het schip uit<br />

te laten varen. Appellante is van mening dat het uitvaren<br />

van het schip niet kan worden beschouwd als een<br />

zich ontdoen van en dat met het bestreden besluit een<br />

handeling wordt tegengegaan die eerst later zou kunnen<br />

uitmonden in het zich ontdoen van het schip. Volgens<br />

appellante is sprake van preventieve bestuursdwang,<br />

hetgeen volgens haar niet is toegestaan omdat<br />

geen sprake is van een gevaar van een op zeer korte<br />

termijn te verwachten overtreding waardoor ernstige<br />

schade zou ontstaan. Appellante meent dat artikel 26,<br />

tweede lid, van de EVOA een exclusieve regeling biedt<br />

ten aanzien van de wijze waarop tegen sluikhandel<br />

moet worden opgetreden zodat het verweerder niet vrij<br />

stond een andere vorm van handhaving te kiezen.<br />

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de EVOA, voorzover<br />

hier van belang, wordt als sluikhandel beschouwd<br />

elke overbrenging van afvalstoffen die:<br />

a. geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken<br />

bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening,<br />

of<br />

b. geschiedt zonder toestemming van de betrokken<br />

bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening.<br />

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de EVOA zorgt de<br />

bevoegde autoriteit van verzending, indien een dergelijke<br />

sluikhandel de verantwoordelijkheid is van de<br />

kennisgever, ervoor dat de betrokken afvalstoffen:<br />

a. door de kennisgever of, zo nodig, door de bevoegde<br />

autoriteit zelf worden teruggebracht naar de Staat<br />

van verzending, of, indien dit niet mogelijk is,<br />

b. op een andere milieuhygiënisch verantwoorde<br />

wijze worden verwijderd of nuttig toegepast,<br />

binnen 30 dagen te rekenen vanaf het tijdstip<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


waarop de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld<br />

van de sluikhandel of binnen een andere, door de<br />

betrokken bevoegde autoriteiten overeen te komen<br />

termijn.<br />

In dat geval dient een nieuwe kennisgeving te geschieden.<br />

De Lid-Staat van verzending of de Lid-Staat van<br />

doorvoer verzet zich niet tegen terugzending van deze<br />

afvalstoffen op een naar behoren gemotiveerd verzoek<br />

van de bevoegde autoriteit van bestemming waarin de<br />

redenen worden uiteengezet.<br />

Het uitvaren van het schip moet, nu het een afvalstof<br />

betreft die niet onder de groene lijst valt, worden<br />

aangemerkt als een begin van sluikhandel. Hieraan<br />

kan niet afdoen de stelling van appellante dat met het<br />

uitvaren nog geen begin is gemaakt met het zich daadwerkelijk<br />

ontdoen van het schip. Uit de in artikel 26,<br />

tweede lid, aanhef en onder a, aan verweerder toegekende<br />

bevoegdheid ervoor zorg te dragen dat bij sluikhandel<br />

het schip wordt teruggebracht, vloeit naar het<br />

oordeel van de Afdeling voort dat verweerder tevens<br />

bevoegd is overbrenging van het schip – en daarmede<br />

het uitvaren als begin van overbrenging – door toepassing<br />

te geven aan de hem krachtens de Algemene wet<br />

bestuursrecht en de Wet milieubeheer toegekende bevoegdheid<br />

om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te<br />

treffen, te beletten.<br />

Appellante betoogt dat het bestreden besluit in<br />

strijd is met de United Nations Convention on the Law<br />

of the Sea (hierna: UNCLOS). Appellante wijst daarbij<br />

op artikel 211, derde lid, van de UNCLOS. Volgens appellante<br />

heeft dit artikel ook betrekking op bijzondere<br />

eisen die aan schepen worden gesteld ingevolge de<br />

EVOA.<br />

Ingevolge artikel 211, derde lid, van de UNCLOS,<br />

voorzover hier van belang, dienen de Staten die bijzondere<br />

eisen vaststellen voor de voorkoming, vermindering<br />

en bestrijding van verontreiniging van het mariene<br />

milieu als voorwaarde voor de binnenkomst van<br />

vreemde schepen in hun havens of binnenwateren of<br />

voor het aanlopen van hun laad- of losplaatsen buitengaats,<br />

naar behoren bekendheid te geven aan deze<br />

vereisten en deze mede te delen aan de bevoegde<br />

internationale organisatie.<br />

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder 4, van de UN-<br />

CLOS wordt onder verontreiniging van het mariene milieu<br />

verstaan: de rechtstreekse of niet-rechtstreekse inbrenging<br />

door de mens van stoffen of energie in het<br />

mariene milieu, met inbegrip van de riviermonden, die<br />

Milieu<br />

49<br />

schadelijke gevolgen heeft of naar alle waarschijnlijkheid<br />

zal hebben, zoals schade aan de levende rijkdommen<br />

en de mariene flora en fauna, gevaar voor de gezondheid<br />

van de mens, belemmering van de<br />

activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere<br />

rechtmatige soorten gebruik van de zee, aantasting<br />

van de kwaliteit van het zeewater in verband<br />

met het gebruik ervan en vermindering van de recreatieve<br />

waarde van dit milieu.<br />

Verweerder heeft zijn besluit het schip te beletten<br />

uit te varen erop gebaseerd dat het in strijd is met de<br />

EVOA het vaartuig uit Nederland uit te voeren. Daartoe<br />

heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een belangrijk<br />

uitgangspunt van de EVOA is, dat voor de overbrenging<br />

van afvalstoffen voorafgaande kennisgeving<br />

aan de bevoegde autoriteiten is voorgeschreven, zodat<br />

deze naar behoren op de hoogte zijn van in het bijzonder<br />

de soort, de overbrenging en de verwijdering of<br />

nuttige toepassing van de afvalstoffen en aldus alle<br />

maatregelen kunnen treffen die nodig zijn voor de bescherming<br />

van de volksgezondheid en het milieu,<br />

waaronder de mogelijkheid gemotiveerde bezwaren<br />

tegen overbrenging te maken en toezicht te houden op<br />

de overbrenging waarvoor toestemming is verleend.<br />

De UNCLOS, voorzover hier van belang, en de<br />

EVOA bevatten regelgeving ter bescherming van het<br />

mariene milieu respectievelijk de volksgezondheid en<br />

het milieu bij de overbrenging van afvalstoffen. In verband<br />

hiermede overweegt de Afdeling dat de UNCLOS,<br />

daargelaten of zij rechtstreeks werkt, er dan ook niet<br />

aan in de weg staat dat ingevolge de EVOA, alvorens<br />

tot overbrenging van afvalstoffen wordt overgegaan<br />

een voorafgaande kennisgeving vereist wordt. Hierbij<br />

gaat het niet om bijzondere eisen ter voorkoming, vermindering<br />

en bestrijding van verontreiniging van het<br />

mariene milieu als voorwaarde voor binnenkomst of<br />

aanlopen als bedoeld in artikel 211, derde lid, van de<br />

UNCLOS.<br />

Voorzover appellante een beroep heeft gedaan op<br />

het gelijkheidsbeginsel oordeelt de Afdeling dat dit beroep<br />

faalt, aangezien appellante niet aannemelijk heeft<br />

gemaakt dat verweerder in gelijke gevallen heeft afgezien<br />

van het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen.<br />

Het beroep is ongegrond.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


50<br />

02-60<br />

ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104522/1 (Harderwijk)<br />

Casus<br />

Gedeeltelijke intrekking vergunningen voor een<br />

veehouderij. De vergunningen zijn ingetrokken in<br />

verband met toepassing van de saldomethode als<br />

geregeld in de Interimwet ammoniak en veehouderij.<br />

Volgens appellante is in strijd met de Wm in<br />

het dictum van het bestreden besluit bepaald dat<br />

de intrekking in werking treedt op het moment dat<br />

de aanvraag voor de begunstigde inrichting onherroepelijk<br />

is geworden.<br />

Rechtsvraag<br />

Is een dergelijke constructie in strijd met artikel<br />

20.3 Wet milieubeheer?<br />

Uitspraak<br />

De vergunningen worden ingetrokken onder de opschortende<br />

voorwaarde dat de vergunning voor de<br />

begunstigde inrichting onherroepelijk is geworden.<br />

Het systeem van de Wm noopt er niet toe dat het<br />

moment waarop het besluit in werking treedt en<br />

het moment waarop de materiële gevolgen hiervan<br />

optreden, samenvallen. De in artikel 20.3, eerste<br />

lid opgenomen regeling m.b.t. de inwerkingtreding<br />

van het besluit staat er dan ook niet aan in de weg<br />

dat de intrekking van de vergunning onder opschortende<br />

voorwaarde plaatsvindt.<br />

Wet milieubeheer, artikelen 8.26 en 20.3<br />

Bij besluit van 24 juli 2001 hebben verweerders met<br />

toepassing van artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer,<br />

gedeeltelijk ingetrokken de krachtens de<br />

Hinderwet verleende oprichtingsvergunning, veranderings-<br />

en uitbreidingsvergunningen voor een veehouderij.<br />

Overwegingen<br />

Het bij het bestreden besluit ingetrokken veebestand<br />

betreft 173 vleesvarkens en 4.400 legkippen. Intrekking<br />

van de vergunning voor het genoemde veebestand<br />

vindt plaats in verband met toepassing van de saldomethode<br />

als geregeld in artikel 8, vierde lid, van de In-<br />

Milieu<br />

terimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet),<br />

ten behoeve van vergunningverlening voor de<br />

inrichting aan ‘(...) te Hulshorst (hierna: de begunstigde<br />

inrichting).<br />

Appellante voert aan dat in strijd met artikel 20.3<br />

van de Wet milieubeheer in het dictum van het bestreden<br />

besluit is bepaald dat de intrekking in werking<br />

treedt op het moment dat de aanvraag voor de begunstigde<br />

inrichting onherroepelijk is geworden.<br />

Ingevolge artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />

treedt een besluit als bedoeld in artikel 20.1, eerste<br />

lid, in werking na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn<br />

van zes weken. Indien binnen die termijn<br />

een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend,<br />

treedt het besluit in werking nadat op het verzoek is<br />

beslist.<br />

In het dictum van het bestreden besluit is bepaald<br />

dat de beschikking pas geëffectueerd wordt op het moment<br />

dat de vergunning voor de begunstigde inrichting<br />

onherroepelijk is geworden.<br />

De Afdeling verstaat het bepaalde in het dictum aldus<br />

dat bij het besluit de vergunning wordt ingetrokken<br />

onder de opschortende voorwaarde dat de vergunning<br />

voor de begunstigde inrichting onherroepelijk is geworden.<br />

Het systeem van de Wet milieubeheer noopt er<br />

niet toe dat het moment waarop het besluit in werking<br />

treedt en het moment waarop de materiële gevolgen<br />

hiervan optreden samenvallen. De in artikel 20.3, eerste<br />

lid, opgenomen regeling met betrekking tot de inwerkingtreding<br />

van een besluit staat er dan ook niet<br />

aan in de weg dat de intrekking van de vergunning<br />

onder opschortende voorwaarde plaatsvindt. Ook in<br />

hetgeen appellante voor het overige in dit verband<br />

heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor<br />

vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep treft<br />

in zoverre geen doel.<br />

Het beroep is ongegrond.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


51<br />

51 Korte samenvatting van Milieu overige kortMilieu Milieu kort uitspraken<br />

K25<br />

ABRS 6 maart <strong>2002</strong>, nr. 200103392/2 (Heythuysen)<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.23<br />

Door stellen voorschift dat strekt tot wijziging gehele<br />

ventilatiesysteem wordt de grondslag van de<br />

aanvraag verlaten.<br />

Besluit waarbij ambtshalve voorschriften aan de vergunning<br />

worden verbonden. De voorschriften strekken<br />

er toe dat het gehele ventilatiesysteem in de stallen 2<br />

tot en met 5 moet worden gewijzigd. De vergunning uit<br />

1996 heeft geen betrekking op het bij het bestreden<br />

besluit voorgeschreven ventilatiesysteem dat van wezenlijk<br />

andere aard is. De voorgeschreven maatregelen<br />

zijn dermate ingrijpend, mede gelet op de hiermee gemoeide<br />

financiële investeringen, dat deze hier niet<br />

kunnen worden voorgeschreven zonder dat de grondslag<br />

van de aanvraag van de vergunning van 1996<br />

wordt verlaten. Toepassing van artikel 8.23 Wm kan er<br />

niet toe leiden dat, zoals in het onderhavige geval, een<br />

andere inrichting ontstaat dan waarvoor vergunning is<br />

verleend.<br />

K26<br />

ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200001223/2 (GS Zeeland)<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.11<br />

Aan vergunning Wm mogen slechts die voorschriften<br />

worden verbonden die in aanvulling op de bepalingen<br />

van die wet nodig zijn.<br />

Oprichtingsvergunning voor een havenontvangstinstallatie.<br />

Bij voorschrift is bepaald dat ten aanzien van het<br />

registreren en de procedure voor het melden van de<br />

ontvangst en afgifte van gevaarlijke afvalstoffen dient<br />

te worden gehandeld conform het bepaalde in paragraaf<br />

4.3.4 van de Provinciale Milieuverordening<br />

(PMV) en paragraaf 10.5.2 van de Wm. De Afdeling<br />

overweegt dat een juiste uitleg van het stelsel van de<br />

Wm met zich brengt dat ervan wordt uitgegaan dat<br />

aan een vergunning ingevolge die wet slechts die voor-<br />

schriften worden verbonden die in aanvulling op de bepalingen<br />

van die wet nodig zijn. Daaruit volgt dat voorschriften<br />

die letterlijk of inhoudelijk overeenstemmen<br />

met de regeling die m.b.t. hetzelfde onderwerp in bepalingen<br />

van of krachtens die wet is opgenomen of<br />

waarin wordt verwezen naar deze bepalingen niet aan<br />

een vergunning kunnen worden verbonden.<br />

K27<br />

ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200003471/2 (Schouwen<br />

Duiveland)<br />

Wet milieubeheer, artikelen 8.8, eerste lid, aanhef<br />

en onder c, 8.10 en 8.11<br />

Op grond van een bestuurlijk afwegingsproces en<br />

door te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen<br />

hebben verweerders kunnen afwijken van de in de<br />

Handreiking genoemde richtwaarden voor geluid.<br />

Oprichtingsvergunning voor het laden, lossen en overslaan<br />

van goederen. De in de vergunning opgenomen<br />

geluidsgrenswaarden zijn ca 10 dB hoger dan de richtwaarden<br />

uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening<br />

die behoren bij een buitengebied. De Afdeling<br />

is van oordeel dat verweerders in redelijkheid<br />

hebben kunnen aannemen dat de geluidsgrenswaarden<br />

een toereikend beschermingsniveau bieden<br />

nu zij dit toelaatbaar achten op grond van een bestuurlijke<br />

afweging als bedoeld in de Handreiking. Zij hebben<br />

daarbij in aanmerking genomen dat het desbetreffende<br />

gebied planologisch in ontwikkeling is als<br />

bedrijventerrein. Het daartoe strekkende bestemmingsplan<br />

is vlak voor het bestreden besluit goedgekeurd<br />

door gedeputeerde staten van Zeeland. De realisering<br />

van het bedrijventerrein is een zodanig gewisse<br />

toekomstige ontwikkeling dat zij bij de besluitvorming<br />

moest worden betrokken. Door deze ontwikkeling zal<br />

het referentieniveau van het omgevingsgeluid omhoog<br />

gaan en is het redelijk daarop te anticiperen.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

51


52<br />

K28<br />

ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200004030/1 (Tubbergen)<br />

Wet milieubeheer, artikel 20.6<br />

Interimwet ammoniak en veehouderij<br />

Gronden m.b.t. de IPPC-richtlijn niet eerder als<br />

bedenking ingebracht waardoor het beroep in zoverre<br />

niet-ontvankelijk is.<br />

Revisievergunning krachtens de Wm voor een pluimveehouderij.<br />

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van<br />

het beroep overweegt de Afdeling dat de gronden met<br />

betrekking tot (onder meer) de IPPC-richtlijn (EGrichtlijn<br />

96/61) niet als bedenkingen tegen het ontwerp<br />

van het besluit zijn ingebracht. Nu niet is gebleken<br />

van omstandigheden op grond waarvan<br />

appellanten dit redelijkerwijs niet kan worden verweten,<br />

is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.<br />

NB: Het standpunt van de Afdeling is in de literatuur<br />

op nogal wat kritiek gestuit (zie o.a AB <strong>2002</strong>, afl. 16,<br />

nr. 122). De Interimwet ammoniak en veehouderij<br />

wordt geacht in strijd te zijn met de IPPC-richtlijn, hetgeen<br />

betekent dat de bepalingen van de richtlijn rechtstreekse<br />

werking kunnen krijgen. Het standpunt van de<br />

Afdeling zou in strijd zijn met het Kraaijeveld-arrest<br />

van het Hof van Justitie EG (arrest van 24 oktober<br />

1996, AB 1997, 133). Op grond van dit arrest wordt<br />

namelijk aangenomen dat de nationale rechter verplicht<br />

is ambtshalve te toetsen of het bevoegd gezag<br />

niet in strijd met het EG-recht heeft gehandeld door<br />

nationale wetgeving toe te passen die in strijd is met<br />

(rechtstreeks werkend) EG-recht.<br />

K29<br />

ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nr. 200104214/1 (Staatssecretaris<br />

LNV)<br />

Natuurbeschermingswet, artikel 12<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3<br />

Milieu kort<br />

Mededeling omtrent vergunningplicht geen besluit<br />

in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

Schriftelijke mededeling dat voor de oprichting van een<br />

windmolenpark een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet<br />

(Nbw) is vereist. De Afdeling is van<br />

oordeel dat deze mededeling niet is aan te merken als<br />

een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

De vraag of een bepaalde activiteit niet zonder<br />

vergunning mag worden verricht, dient te worden<br />

beantwoord bij het besluit op een aanvraag voor een<br />

dergelijke vergunning. Een uitzondering hierop kan<br />

worden gemaakt indien de weg van de vergunningaanvraag<br />

onevenredig bezwarend is en voor het geval het<br />

verkrijgen van duidelijkheid over de vergunningplicht<br />

in het kader van de Nbw tot een zodanige vertraging<br />

leidt dat daardoor nadelige gevolgen voor de natuur<br />

dreigen te ontstaan.<br />

K30<br />

ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200100600/1 (GS Gelderland)<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3<br />

Mededeling dat niet wordt gedoogd geen besluit in<br />

de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

De schriftelijke mededeling dat niet wordt gedoogd<br />

heeft betrekking op de aanwending van een discretionaire<br />

bevoegdheid. Indien deze bevoegdheid ook<br />

daadwerkelijk wordt aangewend, zal een besluit tot<br />

handhaving worden genomen, waartegen bezwaar en<br />

beroep openstaat. Gelet hierop kan aan de weigering<br />

te gedogen geen zelfstandige betekenis worden toegekend.<br />

Een dergelijke mededeling kan in de regel niet<br />

als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene<br />

wet bestuursrecht worden gekwalificeerd. Op dit<br />

uitgangspunt kan slechts in zeer bijzondere gevallen<br />

een uitzondering worden gemaakt. Zo’n geval doet zich<br />

hier niet voor.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


K31<br />

ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200101634/1 (Sint Oedenrode)<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.25, eerste lid, aanhef<br />

en onder a<br />

De Wet milieubeheer heeft geen betrekking op<br />

schade ten gevolge van het gebruik van producten<br />

buiten de inrichting.<br />

Afwijzing verzoek om intrekking van de vergunning<br />

voor een houtzagerij en houthandel. Ten aanzien van<br />

de stelling van appellante dat het gebruik van met<br />

Superwolmanzout-CO geïmpregneerd hout in producten<br />

die zijn bestemd voor toepassingen buiten dusdanig<br />

schadelijk is voor het milieu en de volksgezondheid,<br />

dat deze producten niet op de markt mogen<br />

worden gebracht, overweegt de Afdeling dat dit betoog<br />

geen betrekking heeft op de nadelige gevolgen die door<br />

de inrichting worden veroorzaakt en waarop de krachtens<br />

de Wm verleende vergunning ziet.<br />

K32<br />

ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200102879/1 (Buren)<br />

Wet milieubeheer, artikelen 8.10 en 8.11<br />

Door het verlenen van de vergunning ontstaat een<br />

toename van de reeds bestaande (directe) ammoniakschade<br />

aan de boomgaard.<br />

Revisievergunning krachtens de Wm voor een veehouderij.<br />

Appellante vreest voor schade door de uitstoot<br />

van ammoniak aan de in de nabijheid van de inrichting<br />

gelegen boomgaard nu de afstand van de stallen tot de<br />

boomgaard slechts 10 meter bedraagt in plaats van de<br />

minimaal in acht te nemen afstand van 25 meter. Door<br />

de vergunning wordt een aanzienlijke toename van de<br />

ammoniakemissie toegestaan ten opzichte van de<br />

onderliggende vergunning. Uit het rapport ‘Stallucht en<br />

Planten’ uit 1981 blijkt dat schade door de uitstoot<br />

van ammoniak zich in de praktijk kan voordoen bij intensieve<br />

kippen- en varkenshouderijen. Ter voorkoming<br />

van dergelijke schade dient een afstand van minimaal<br />

50 m. tussen stallen en meer gevoelige planten en<br />

Milieu kort<br />

bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal<br />

25 m. tot minder gevoelige planten en bomen te worden<br />

aangehouden. Nu in de onderhavige situatie daar<br />

niet aan wordt voldaan, kan een toename van de ammoniakemissie<br />

ten opzichte van de eerder vergunde situatie<br />

niet zonder meer worden aanvaard. Verweerders<br />

hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat uitgesloten<br />

moet worden geacht dat het verlenen van de<br />

vergunning een toename van de reeds bestaande directe<br />

schadelijkheid voor de desbetreffende boomgaard<br />

met zich zal brengen.<br />

K33<br />

Vz. ABRS 9 april <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>00255/1 (GS<br />

Zeeland)<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.17<br />

53<br />

Geen tijdelijke vergunning in geval van onvoldoende<br />

inzicht in milieugevolgen.<br />

Tijdelijke vergunning voor de productie van een nieuwe<br />

vlamvertrager FR-720. Door verweerders is overwogen<br />

dat onvoldoende gegevens van de stof FR-720 bekend<br />

zijn en om die reden het bedrijf nader onderzoek moet<br />

doen, waarvoor in de vergunning een rapportageverplichting<br />

is opgenomen. Met het oog op het verkrijgen<br />

van inzicht in de gevolgen van het milieu is de vergunning<br />

tijdelijk verleend. De Voorzitter overweegt dat de<br />

Wm de mogelijkheid biedt om een tijdelijke vergunning<br />

te verlenen indien dat nodig is in verband met het ontwikkelen<br />

van een beter inzicht in de gevolgen voor het<br />

milieu. Dat betekent niet dat in geval van onvoldoende<br />

inzicht in deze gevolgen in beginsel vergunning kan<br />

worden verleend. Verweerders hebben erkend dat de<br />

exacte eigenschappen van de stof FR-720 en de risico’s<br />

en de gevolgen voor het milieu onduidelijk zijn. De aan<br />

de vergunning verbonden rapportage- en onderzoeksverplichtingen<br />

zijn in onvoldoende mate gericht op het<br />

verkrijgen van duidelijkheid op deze punten. Volgt<br />

schorsing van het bestreden besluit.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


54<br />

K34<br />

ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 199900917/1 (GS Overijssel)<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.1<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:32<br />

Partieel handhaven alleen onder bijzondere omstandigheden<br />

toegestaan.<br />

Afwijzing van verzoek om bestuurlijke handhavingsmaatregelen<br />

te treffen vanwege het uitoefenen van activiteiten<br />

zonder vergunning. In een situatie dat een inrichting<br />

zonder toereikende vergunning in werking is,<br />

geldt als uitgangspunt dat een handhavingsbesluit is<br />

gericht op het volledig opheffen van de overtreding.<br />

Slechts onder bijzondere omstandigheden kan er aanleiding<br />

zijn bij afweging van de betrokken belangen af<br />

te wijken van dit uitgangspunt door middel van een<br />

handhavingsbesluit dat betrekking heeft op het gedeeltelijk<br />

ongedaan maken van de overtreding. Van dergelijke<br />

omstandigheden is niet gebleken. De stelling dat<br />

een deel van de bedrijfsvoering kan worden gelegaliseerd,<br />

is in dit verband onvoldoende.<br />

K35<br />

Vz. ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nrs. <strong>2002</strong>00542/1 en<br />

<strong>2002</strong>00542/2 (Barneveld)<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.18<br />

Niet volledig gebouwde stal geen grond voor van<br />

rechtswege vervallen vergunning.<br />

Gedeeltelijke weigering revisievergunning krachtens de<br />

Wm voor een veehouderij. Verweerders stellen dat de<br />

onderliggende vergunning voor wat betreft de stal voor<br />

vleesvarkens is vervallen zodat daarvoor geen oude<br />

rechten aanwezig zijn. Daartoe overwegen zij dat de<br />

Groen Label-stal niet is gerealiseerd omdat het koeldeksysteem<br />

niet is aangebracht. Gebleken is dat buiten<br />

het koeldeksysteem de stal verder wel is opgericht<br />

en dat er vleesvarkens in zijn gehuisvest. Zoals de Afdeling<br />

eerder in haar uitspraak van 16 april 1996 nr.<br />

E03.95.0700 heeft geoordeeld, biedt artikel 8.18,<br />

eerste lid, aanhef en onder a geen grondslag voor het<br />

Milieu kort<br />

van rechtswege vervallen van de vergunning indien<br />

een aantal voorzieningen niet of niet tijdig is gerealiseerd.<br />

Volgt vernietiging van het besluit voor zover de vergunning<br />

gedeeltelijk is geweigerd.<br />

NB: Evenzo ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105304/1<br />

waar de Groen Label-stallen waren gerealiseerd met<br />

uitzondering van het biologisch luchtwassysteem (BB<br />

96.10.045).<br />

K36<br />

ABRS 24 april <strong>2002</strong>, nr. 200004089/2 (Loenen)<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.40<br />

Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer,<br />

artikel 2<br />

Uitleg artikel 2 Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer.<br />

Vergunning krachtens de Wm voor een ijzerwinkel met<br />

machinale houtbewerking, opslag en kantoor. De inrichting<br />

betreft een aannemingsbedrijf en bestaat uit<br />

een werkplaats, een zaagafdeling, een opslaggebouw<br />

en een ijzerwarenwinkel. Het aannemerswerk betreft<br />

ongeveer 80% van de activiteiten en het ijzerwarenwinkel-gedeelte<br />

20% van de activiteiten. Het aannemerswerk<br />

valt wel en het ijzerwarenwinkeldeel valt<br />

niet aan te merken als activiteiten die onder het Besluit<br />

bouw- en houtbedrijven milieubeheer (het Besluit) vallen.<br />

De Afdeling is van oordeel dat het Besluit niet van<br />

toepassing is. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de<br />

ijzerwarenwinkel een zodanige omvang heeft dat deze,<br />

als afzonderlijke activiteit beschouwd, vergunningplichtig<br />

zou zijn ingevolge de Wm, nu is gebleken dat<br />

in de ijzerwarenwinkel onder meer een platenzaagmachine<br />

met 5,5 kW en een afkortzaag met 2,2 kW staan<br />

opgesteld. Vanwege dit vermogen aan elektromotoren<br />

mag de activiteit niet zonder vergunning worden ontplooid.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


K37<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101497/1 (Sint Anthonis)<br />

Wet milieubeheer, artikel 1.1, eerste lid<br />

EG-richtlijn 75/442, artikel 1, aanhef en onder a<br />

Doordat sprake is van afvalstoffen waren verweerders<br />

niet bevoegd tot het verlenen van de vergunning.<br />

Oprichtingsvergunning krachtens de Wm voor een inrichting<br />

voor het spoelen van flessen, breken van glas en<br />

persen van blik. Appellanten voeren aan dat in de inrichting<br />

sprake is van bewerking van afval ten behoeve van<br />

de voedselindustrie. De Afdeling overweegt dat in de inrichting<br />

producten bestaande uit bier, frisdrank, appelmoes<br />

en alcoholische dranken worden verwerkt. Vergunninghoudster<br />

heeft geen beheersing over de<br />

hoeveelheid en samenstelling van de producten die haar<br />

geleverd worden, maar is afhankelijk van het aanbod<br />

van haar leveranciers. Deze producten waren bestemd<br />

voor menselijke consumptie, maar zijn om diverse redenen<br />

niet meer geschikt daarvoor bevonden en worden in<br />

plaats daarvan bewerkt tot diervoeders. Het betreft derhalve<br />

restproducten die niet meer geschikt of beoogd<br />

zijn voor de oorspronkelijke bestemming. Onder deze<br />

omstandigheden is sprake van het ‘zich ontdoen’ in de<br />

zin van artikel 1 van de EG-richtlijn 75/442 en daardoor<br />

hebben deze producten het karakter gekregen van afvalstoffen.<br />

Dit betekent dat gedeputeerde staten het bevoegd<br />

gezag zijn en verweerders niet bevoegd waren tot<br />

het nemen van het bestreden besluit.<br />

K38<br />

ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103676/1 (Ruurlo)<br />

Wet milieubeheer, artikelen 8.10 en 8.11<br />

Opstallen aan te merken als kampeerboerderij en<br />

geen stankgevoelig object in de zin van de brochure<br />

en de Richtlijn.<br />

Revisievergunning krachtens de Wm voor een veehouderij.<br />

Appellant stelt dat sprake is van teveel stankhinder<br />

nu verweerders een verkeerde categorie-indeling<br />

Milieu kort<br />

als bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet<br />

en de Richtlijn veehouderij en stankhinder hebben gehanteerd.<br />

De Afdeling is van oordeel dat de bedrijfswoning<br />

bij de kaasboerderij die in de nabijheid van de inrichting<br />

ligt, uitgaande van de categorie-indeling van<br />

de brochure, als een categorie IV-object moet worden<br />

aangemerkt. De SVR-camping en de twee appartementen<br />

op het desbetreffende perceel, die door appellant<br />

worden geëxploiteerd en waarvan is gebleken dat<br />

ze bestemd zijn voor recreatief gebruik, kunnen worden<br />

begrepen onder de beschrijving kampeerboerderij<br />

en kleinschalig kamperen die in de brochure en de<br />

Richtlijn als vorm van verblijfsrecreatie niet zijn aangemerkt<br />

als stankgevoelige objecten.<br />

K39<br />

55<br />

Vz. ABRS 3 mei <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>01847/1 (GS<br />

Noord-Brabant)<br />

EG-richtlijn 75/442, artikel 1, aanhef en onder<br />

a en artikel 11, eerste lid onder a en b<br />

Afvalverwijdering in eigen beheer staat niet in de<br />

weg aan kwalificatie van stoffen als afvalstoffen.<br />

Last onder dwangsom om ca 4800 m3 groenafval, bestaande<br />

uit boomstronken en stammen, te verwijderen<br />

en af te voeren naar een inrichtinghouder die gerechtigd<br />

is het afval op te slaan. Verzoekster om schorsing<br />

is onder meer van mening dat het groenmateriaal niet<br />

als afvalstof is aan te merken en zo dit wel het geval is,<br />

er geen sprake van is dat zij zich daarvan heeft ontdaan.<br />

Verweerders betogen daarentegen dat het afvalstoffen<br />

betreft nu het groenmateriaal van zijn oorspronkelijke<br />

plaats is verwijderd. De Voorzitter overweegt<br />

dat het groenmateriaal dat op de bodem van het perceel<br />

van verzoekster ligt afkomstig is van de kap van<br />

percelen bosland. Gebleken is dat de stoffen op de locatie<br />

waar zij zijn ontstaan, moesten worden verwijderd<br />

en daar derhalve onbruikbaar waren geworden.<br />

Verder is niet gebleken dat beoogd is deze stoffen te<br />

produceren met het oog op gebruik elders. In het licht<br />

van het arrest van het Hof van Justitie EG van 15 juni<br />

2000 moet worden geconcludeerd dat deze omstandigheden<br />

een aanwijzing vormen dat de eigenaar van<br />

de groenvoorzieningen, als producent van de onderhavige<br />

stoffen, zich daarvan ontdoet in de zin van EG-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


56<br />

richtlijn 75/442 en dat deze stoffen het karakter hebben<br />

van afvalstoffen. Dat in dit geval de eigenaar van<br />

de percelen bosland tevens eigenaar is van het perceel<br />

waarop de stoffen op de bodem zijn gebracht, doet<br />

hieraan niet af. Gelet op het bepaalde in artikel 11,<br />

eerste lid, onder a en b van de EG-richtlijn kan worden<br />

geconcludeerd dat de omstandigheid dat een onderneming<br />

de afvalstoffen die zij zelf heeft geproduceerd in<br />

eigen beheer verwijdert dan wel nuttig toepast, niet<br />

aan de kwalificatie van die stoffen als afvalstoffen in de<br />

weg staat.<br />

K40<br />

ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101619/1 (Winterswijk)<br />

Wet milieubeheer, artikelen 8.10 en 8.11<br />

Geluidsvoorschriften ten aanzien van spoorwegemplacement<br />

bieden onvoldoende bescherming.<br />

Oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer<br />

voor een spoorwegemplacement. Appellanten stellen<br />

geluidhinder te ondervinden met name gedurende de<br />

nachtperiode. In de vergunning is bepaald dat binnen 6<br />

jaar na het van kracht worden van de vergunning het<br />

equivalente geluidsniveau bij woningen niet meer mag<br />

bedragen dan 50, 45 en 45 dB(A) voor respectievelijk<br />

de dag-, avond- en nachtperiode. De Afdeling overweegt<br />

dat sprake is van een feitelijk al heel lang bestaande situatie.<br />

Gebleken is dat met het treffen van geluidsreducerende<br />

maatregelen en/of voorzieningen de geluidsbelasting<br />

gedurende de nachtperiode mogelijk verder kan<br />

worden teruggebracht dan het equivalente geluidsniveau<br />

van 45 dB(A). De grenswaarde voor de nachtperiode<br />

is hoger gesteld dan de volgens de Handreiking aanbevolen<br />

richtwaarde. Uit het bestreden besluit blijkt<br />

onvoldoende dat onderzoek naar de haalbaarheid van<br />

de in de Handreiking genoemde richtwaarde voor de<br />

nachtperiode heeft plaatsgevonden. Voorts oordeelt de<br />

Afdeling dat verweerders de (te) ruime termijnen niet in<br />

redelijkheid aan de vergunning hebben kunnen verbinden.<br />

Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de in<br />

het bestreden besluit toegestane overschrijding van de<br />

geluidsgrenswaarde voor de nachtperiode gedurende<br />

een periode van 6 jaar aanzienlijk is. Volgt vernietiging<br />

van het bestreden besluit.<br />

Milieu kort<br />

K41<br />

ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105999/1 (Minister<br />

van Verkeer en Waterstaat)<br />

Luchtvaartwet, artikel 72<br />

Afdeling acht zich onbevoegd om kennis te nemen<br />

van het geschil.<br />

Afwijzing van verzoek tot toepassing van bestuursdwang<br />

inzake militair medegebruik van luchtvaartterrein<br />

Seppe. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel<br />

72 van de Luchtvaartwet (Lvw). De Lvw noch<br />

enige andere wet kent een uitdrukkelijke wetsbepaling<br />

waarin is opgenomen dat de Afdeling bevoegd is in<br />

eerste en enige aanleg te oordelen over een dergelijk<br />

besluit. In de wetsgeschiedenis noch anderszins zijn<br />

voorts aanknopingspunten te vinden dat de wetgever<br />

de bedoeling heeft gehad voor bestuursdwangbesluiten<br />

als bedoeld in artikel 72 Lvw de Afdeling in eerste<br />

en enige aanleg bevoegd te achten. Tevens vordert de<br />

rechtseenheid een dergelijke bevoegdheidsverdeling in<br />

dit geval niet. Het beroepschrift zal worden teruggezonden<br />

naar de Rechtbank ter verdere afdoening.<br />

K42<br />

ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 199903060/1 (GS Noord-<br />

Brabant)<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.12<br />

Controlemeting ook bij inrichtingen wier activiteiten<br />

niet wezenlijk zijn veranderd.<br />

Revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer voor<br />

een afvalverwijderingsbedrijf. Bij voorschrift is bepaald<br />

dat door middel van een rapport moet worden aangetoond<br />

dat aan de geluidsnormen van de vergunning<br />

wordt voldaan. De Afdeling overweegt dat het voorschrift<br />

appellante niet verplicht om bij herhaling<br />

akoestische onderzoeken te verrichten. Het voorschrift<br />

strekt er slechts toe dat appellante eenmalig een<br />

akoestisch onderzoek dient uit te laten voeren wanneer<br />

verweerders daarom vragen. Voor het oordeel dat verweerders<br />

dit voorschrift niet aan de vergunning hadden<br />

mogen verbinden, bestaat geen grond. Dat verweer-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


ders een revisievergunning hebben verleend voor een<br />

bestaande inrichting en, naar appellante stelt, de activiteiten<br />

in deze inrichting niet wezenlijk zijn gewijzigd,<br />

doet hieraan niet af, nu in artikel 12, derde lid van de<br />

Wm geen onderscheid wordt gemaakt tussen een oprichtingsvergunning<br />

en een revisievergunning.<br />

K43<br />

ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104358/2 (GS Friesland)<br />

Wet milieubeheer, artikel 1.1, eerste lid en artikel<br />

10.2, eerste lid<br />

Opslag baggerspecie is geen inrichting in de zin<br />

van de Wet milieubeheer.<br />

Niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om<br />

bestuursdwang toe te passen met betrekking tot het illegaal<br />

verspreiden van baggerspecie. Appellant stelt<br />

dat voor de verspreiding van de baggerspecie een vergunning<br />

ingevolge de Wm nodig is. Gelet op de periode<br />

dat de baggerspecie ter plaatse op zijn percelen ligt opgeslagen,<br />

de hoeveelheid baggerspecie en de aanwezigheid<br />

van een zogeheten keerkade is zijns inziens<br />

sprake van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.<br />

De Afdeling overweegt dat het oogmerk bestond<br />

om de baggerspecie slechts kortstondig op de<br />

percelen van appellant op te slaan in afwachting van<br />

verdere verspreiding over deze percelen. Deze verspreiding<br />

zou voorts in een beperkte periode zijn uitgevoerd.<br />

Gelet hierop zijn de activiteiten eenmalig en<br />

kunnen deze in een relatief korte tijd worden afgerond,<br />

zodat geen sprake is van een ‘bedrijvigheid die binnen<br />

een zekere begrenzing pleegt te worden verricht’ en<br />

derhalve evenmin van een inrichting als bedoeld in artikel<br />

1, eerste lid van de Wet milieubeheer. Met verwijzing<br />

naar haar uitspraak van 11 juli 2000 nr.<br />

E03.97.0189 (AB 2000, 333) oordeelt de Afdeling<br />

dat bij de beantwoording van de vraag of bij het op of<br />

in de bodem brengen van afvalstoffen sprake is van<br />

een ‘bedrijvigheid die pleegt te worden verricht’ het<br />

enkel laten liggen van de op of in de bodem gebrachte<br />

afvalstoffen niet dient te worden betrokken. Niet in geschil<br />

is dat in casu wel sprake is van een overtreding<br />

van artikel 10.2, eerste lid van de Wm (verbod om<br />

zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een<br />

Milieu kort<br />

inrichting op of in de bodem te brengen). Er is immers<br />

niet voldaan aan de voorwaarde in artikel 3, eerste lid,<br />

onder d van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten<br />

inrichtingen om vrijstelling van het verbod in artikel<br />

10.2, eerste lid, van de Wm te verlenen. Verweerders<br />

waren mitsdien bevoegd om bestuursdwang toe te<br />

passen. Vervolgens begeeft de Afdeling zich in de<br />

vraag of verweerders zich bij afweging van de betrokken<br />

belangen in redelijkheid op het standpunt hebben<br />

kunnen stellen dat niet handhavend behoefde te worden<br />

opgetreden tegen het illegaal verspreiden van baggerspecie<br />

en komt tot de conclusie dat het besluit op<br />

dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd. Volgt vernietiging<br />

van het bestreden besluit.<br />

K44<br />

Vz. ABRS 7 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02329/1 (Hoogheemraadschap<br />

Hollands Noorderkwartier)<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:21 e.v.<br />

57<br />

Stelselmatig gedogen is niet toegestaan.<br />

Besluit om het zonder Wvo-vergunning lozen van verzilt<br />

water op oppervlaktewater te gedogen. Het besluit<br />

is gebaseerd op een beleidsstuk van verweerders met<br />

betrekking tot het gebruik van verzilt zand. De Voorzitter<br />

is van oordeel dat het beleidsstuk als een gedoognota<br />

dient te worden aangemerkt, waarin stelselmatig<br />

een beoordelingskader wordt gegeven voor activiteiten<br />

die in strijd zijn met de Wvo. Aldus worden lozingen in<br />

feite buiten het stelsel van de Wvo om gereguleerd.<br />

Gelet op de jurisprudentie kan gedogen alleen worden<br />

aanvaard indien in een concreet geval na zorgvuldige<br />

afweging de belangen van de gedoogde meer zwaarwegend<br />

zijn dan het belang dat met handhaving van<br />

de Wvo, en daarmee derdenbelangen, is gemoeid. Dit<br />

zal slechts bij uitzondering het geval zijn. Volgt schorsing<br />

van het bestreden besluit.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


58<br />

K45<br />

ABRS 12 juni <strong>2002</strong>, nr. 200103022/1 (GS Limburg)<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:32<br />

Een last onder dwangsom kan niet zijn gericht op<br />

het afdwingen van een vergunningaanvraag.<br />

Afwijzing van verzoek om handhavingsmaatregelen te<br />

treffen met betrekking tot een mobiele grondreinigingsinstallatie.<br />

Appellante meent dat verweerders door toepassing<br />

van bestuurlijke handhavingsmaatregelen het<br />

indienen van een vergunningaanvraag moeten afdwingen.<br />

Met verwijzing naar haar uitspraak van 21 maart<br />

1997 nr. E03.95.1972 (JB 1997, 100) overweegt de<br />

Afdeling dat het in beginsel mogelijk is om, indien het<br />

belang van de bescherming van het milieu zich daartegen<br />

niet verzet, een dwangsom op te leggen in een situatie<br />

waarin zonder vereiste vergunning wordt gehandeld.<br />

Het systeem van de wet laat echter niet toe dat<br />

een dwangsom kan worden opgelegd teneinde het indienen<br />

van een toereikende vergunningaanvraag af te<br />

dwingen. De gestelde overtreding bestaat uit het in<br />

werking hebben van de inrichting zonder een daartoe<br />

verleende vergunning. Het enkel aanvragen van een<br />

vergunning kan deze overtreding niet opheffen.<br />

NB: Wat hoogstwaarschijnlijk juridisch wel kan, is het<br />

opleggen van een dwangsom wegens het zonder vergunning<br />

in werking houden van de inrichting en tevens<br />

in dat besluit bepalen dat niet tot effectuering (inning)<br />

van de dwangsom wordt overgegaan zodra een ontvankelijke<br />

vergunningaanvraag is ingediend. Daarmee<br />

bereikt het bevoegd gezag per saldo hetzelfde.<br />

Milieu kort<br />

K46<br />

Vz. ABRS 18 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02373/1 (Rotterdam)<br />

EG-richtlijn 83/189<br />

Voorschrift is niet aan te merken als technisch<br />

voorschrift als bedoeld in de Richtlijn.<br />

Last onder dwangsom wegens het overtreden van<br />

voorschrift 1.6.13 van het Besluit bouw- en houtbedrijven<br />

milieubeheer (het Besluit). Verzoekster betoogt<br />

dat dit voorschrift ten onrechte niet is gemeld aan de<br />

Europese Commissie, zoals voorgeschreven in Richtlijn<br />

83/189 (de Richtlijn) en om die reden onverbindend<br />

is, gelet op het Securitel-arrest van 30 april 1996 (AB<br />

1998, 47) van het Hof van Justitie EG. De Voorzitter is<br />

voorshands van oordeel dat het desbetreffende voorschrift<br />

niet onder de werkingssfeer van de Richtlijn<br />

valt. Het voorschrift is niet aan te merken als een technisch<br />

voorschrift als bedoeld in de Richtlijn, nu het<br />

niet ziet op een technische specificatie van een product<br />

of een hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepaling.<br />

NB: Evenzo Vz. ABRS 26 april <strong>2002</strong>, nr.<br />

<strong>2002</strong>01814/1 m.b.t. voorschrift 2.3.1 van het Besluit<br />

bouw- en houtbedrijven milieubeheer.<br />

K47<br />

ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104387/1 (GS Limburg)<br />

Wet milieubeheer, artikel 8.11, derde lid<br />

Landschapsplan dient te zijn gerelateerd aan een<br />

goedkeuringsbesluit.<br />

Revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer voor<br />

een stortplaats. Bij vergunningvoorschrift is bepaald<br />

dat een landschapsplan moet worden ingediend en dat<br />

het aanbrengen van afval in verband met de vormgeving<br />

van de inrichting overeenkomstig dit plan moet<br />

geschieden. De Afdeling overweegt dat het desbetreffende<br />

voorschrift niet voorziet in de mogelijkheid om<br />

hierop (bijvoorbeeld) via goedkeuring van het land-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


schapsplan invloed uit te oefenen. Volgt in zoverre vernietiging<br />

van het bestreden besluit.<br />

K48<br />

ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104007 (Hengelo)<br />

Wet milieubeheer, artikelen 8.4, derde lid, 8.10<br />

en 8.11<br />

In ontwerp-Vuurwerkbesluit zijn de meest recente<br />

milieutechnische inzichten neergelegd.<br />

Gedeeltelijke weigering van vergunning voor de opslag<br />

en verkoop van consumentenvuurwerk. Voor zover de<br />

vergunning is verleend is een sprinklerinstallatie voorgeschreven.<br />

Verweerders hebben hun besluit gebaseerd<br />

op het ontwerp-Vuurwerkbesluit dat volgens hen<br />

is gebaseerd op de meest recente milieutechnische inzichten.<br />

De Afdeling overweegt dat de vergunning terecht<br />

gedeeltelijk is geweigerd omdat niet wordt voldaan<br />

aan de veiligheidsafstand van 20 m die op grond<br />

van het ontwerp-Vuurwerkbesluit moet worden aangehouden<br />

tot kwetsbare objecten van derden. In tegenstelling<br />

tot appellante is de Afdeling van oordeel dat artikel<br />

8.4, derde lid van de Wm er niet aan in de weg<br />

staat dat voor bestaande situaties een sprinklerinstallatie<br />

wordt voorgeschreven. Op grond van het ontwerp-<br />

Vuurwerkbesluit dienen bewaarplaatsen waarin meer<br />

dan 200 kg verpakt consumentenvuurwerk aanwezig<br />

mag zijn, te zijn voorzien van een sprinklerinstallatie.<br />

Milieu kort<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

59


60<br />

Ruimtelijke ordening Ruimtelijke Ruimtelijke ordening ordening<br />

60<br />

02-61<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 3 oktober 2001, nr.<br />

199900271/1, inzake de Streekplanherziening<br />

streekplannen Noord- en Midden- en Zuid-Limburg<br />

voor ontgrondingenlocaties.<br />

Aanwijzingen van winplaatsen in streekplan<br />

zijn besluiten in de zin van artikel 4a, zevende lid,<br />

van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang<br />

met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

Het niet opnemen van de aanwijzing<br />

als winplaats van een door appellanten concreet<br />

aangeduide locatie is alsdan een weigering een besluit<br />

te nemen, welke voor de mogelijkheid tot het<br />

instellen van beroep met een besluit kan worden<br />

gelijkgesteld.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 4a, lid 7<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3<br />

Winplaatsen<br />

2.5. In het Streekplan is op pagina 3 aangegeven dat<br />

de aanwijzing van winplaatsen als besluit in de zin van<br />

artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)<br />

dient te worden beschouwd. Hierdoor wordt de functie<br />

van het gebied bepaald en wordt de maximale begrenzing<br />

van een te verlenen vergunning op voorhand vastgelegd.<br />

De aanwijzing van winzones wordt door verweerders<br />

niet aangemerkt als besluit. In tegenstelling<br />

tot een winplaats is de begrenzing van een winzone<br />

ruimer. Winzones moeten beschouwd worden als<br />

zoekruimte. Niet de volledige winzone behoeft in aanmerking<br />

te komen voor ontgronding, aldus verweerders.<br />

Op pagina 5 worden vervolgens de aangewezen<br />

winplaatsen beschreven welke volgens verweerders als<br />

besluit kunnen worden beschouwd.<br />

2.6. De Afdeling is van oordeel dat de aanwijzing van<br />

de op pagina 5 van het Streekplan beschreven winplaatsen<br />

afgewogen, finale, beslissingen over die winplaatsen<br />

zijn en dat de aanwijzingen ook overigens aan<br />

de conreetheidseisen voldoen. Deze aanwijzingen zijn<br />

derhalve besluiten in de zin van artikel 4a, zevende lid,<br />

van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang<br />

met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

2.7. Verschillende appellanten voeren in beroep aan<br />

dat verweerders ten onrechte bepaalde locaties niet als<br />

winplaatsen hebben aangewezen.<br />

2.8. Verweerders hebben in hun verweerschrift gesteld<br />

dat in het Streekplan noch in het voorstel tot vaststelling<br />

van dit plan van gedeputeerde staten aan verweerders,<br />

overwegingen zijn opgenomen omtrent de door<br />

appellanten gewenste aanwijzingen. Er kan derhalve<br />

per definitie niet voldaan worden aan de concreetheidseisen<br />

zodat geen sprake is van een besluit.<br />

2.9. De Afdeling volgt verweerders in dit verweer niet.<br />

De Afdeling is van oordeel dat indien door appellanten<br />

voorafgaand aan de vaststelling van het Streekplan om<br />

aanwijzing van een bepaalde locatie als winplaats hebben<br />

verzocht, deze locatie daarbij concreet en nauwkeurig<br />

hebben omschreven en het verzoek een periode<br />

betreft waarvoor verweerders een afgewogen, finale,<br />

beslissing hebben willen nemen en zij dit verzoek hebben<br />

afgewezen, verweerders een afgewogen, finale,<br />

beslissing over deze winplaatsen hebben genomen.<br />

Het niet opnemen van de aanwijzing als winplaats is<br />

alsdan een weigering een besluit te nemen, welke voor<br />

de mogelijkheid tot het instellen van beroep met een<br />

besluit kan worden gelijkgesteld.<br />

02-62<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 13 februari <strong>2002</strong>, nr.<br />

E01.98.0147/1, inzake het bestemmingsplan<br />

‘Buitengebied 1997’ van de gemeente Boxmeer.<br />

Afrasteringen zijn geen werk of werkzaamheid<br />

in de zin van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke<br />

Ordening. Erf- of terreinafscheidingen zijn geregeld<br />

in de Woningwet. Het aanbrengen van afrasteringen<br />

kan niet via het bestemmingsplan<br />

worden tegengegaan.<br />

Het streekplan is en blijft toetsingskader van de<br />

beoordeling van gemeentelijke plannen.<br />

Gezien het karakter van de provinciale Handleiding<br />

bestemmingsplan buitengebied kan aan het<br />

onderdeel van de Handleiding dat niet in overeen-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

60


stemming is met het streekplan geen betekenis<br />

worden toegekend.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 14<br />

Woningwet, artikel 43, lid 1, onder k<br />

2.16. De Milieuvereniging voert beroepsgronden aan<br />

tegen artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften.<br />

Zij voert aan dat het plan ten onrechte geen regels<br />

bevat om het toenemende gebruik van afrasteringen bij<br />

met name de boomteelt tegen te gaan. Het aanbrengen<br />

van afrasteringen kan belemmeringen opleveren<br />

voor dassen, ganzen en zwanen.<br />

2.16.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften,<br />

voorzover hier van belang, mag op gronden<br />

met de bestemming ‘Landschapselement’ niet<br />

worden gebouwd, behoudens terreinafscheidingen met<br />

een maximale hoogte van 2 m. Volgens de plantoelichting<br />

omvat deze bestemming de bosjes, houtwallen<br />

en houtsingels die een wezenlijk onderdeel vormen van<br />

de landschapsstructuur. Niet in geding is dat het aanbrengen<br />

van afrasteringen belemmeringen kan opleveren<br />

voor dassen, ganzen en zwanen.<br />

2.16.2. Ingevolge artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke<br />

Ordening kan bij een bestemmingsplan worden<br />

bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan<br />

aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken<br />

zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of<br />

in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester<br />

en wethouders (aanlegvergunning), voorzover<br />

zulks noodzakelijk is:<br />

a. om te voorkomen dat een terrein minder geschikt<br />

wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij<br />

het plan gegeven bestemming;<br />

b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte<br />

bestemming als bedoeld onder a.<br />

Naar het oordeel van de Afdeling is het aanbrengen<br />

van afrasteringen geen werk of werkzaamheid in de zin<br />

van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening,<br />

zodat hiervoor geen aanlegvergunningvereiste<br />

kan worden opgenomen in een bestemmingsplan.<br />

2.16.3. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en<br />

onder k, van de Woningwet is geen bouwvergunning<br />

vereist voor het plaatsen van een erf- of terreinafscheiding,<br />

waarvan de hoogte, van de voet af gemeten, niet<br />

Ruimtelijke ordening<br />

61<br />

meer is dan 1 m. Indien de afscheiding wordt geplaatst<br />

op of rondom een erf of terrein waarop een gebouw<br />

staat, dan mag de afscheiding die achter de<br />

voorgevelrooilijn staat, ten hoogste 2 m zijn, mits<br />

wordt gebouwd overeenkomstig de bij of krachtens de<br />

in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur<br />

gegeven voorschriften.<br />

Uit het vorenstaande volgt dat voor het aanbrengen<br />

van afrasteringen tot een maximale hoogte van 1 respectievelijk<br />

2 m geen bouwvergunning is vereist. Dit<br />

betekent dat het aanbrengen van afrasteringen niet via<br />

het bestemmingsplan kan worden tegengegaan.<br />

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen<br />

aanleiding om te oordelen dat verweerders niet in redelijkheid<br />

goedkeuring hebben kunnen verlenen aan<br />

dit planvoorschrift. In hetgeen appellante heeft aangevoerd,<br />

ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het<br />

oordeel dat dit onderdeel van het bestreden besluit anderszins<br />

is voorbereid of genomen in strijd met het<br />

recht. Deze beroepsgronden van de Milieuvereniging<br />

zijn ongegrond.<br />

2.18.2. Volgens het streekplan moet het gebruik van<br />

afdekmaterialen door de vollegrondstuinbouwbedrijven<br />

buiten de ontwikkelingsgebieden voor de vollegrondstuinbouw<br />

afhankelijk gesteld worden van de bescherming<br />

van de in die gebieden aanwezige<br />

landschappelijke-, natuur- en milieuwaarden. De toepassing<br />

van de menstoegankelijke demontabele tunnels<br />

dient binnen het vooraf in het bestemmingsplan<br />

vast te leggen bouwblok te gebeuren en teeltgebonden,<br />

dus tijdelijk van aard te zijn. Volgens de provinciale<br />

Handleiding bestemmingsplan buitengebied van maart<br />

1996 (hierna te noemen: de Handleiding) kunnen<br />

ondersteunende kassen en/of hoge tunnels zowel<br />

binnen als buiten het bouwblok worden opgericht.<br />

Ter zitting hebben verweerders aangegeven dat de<br />

Handleiding in zoverre niet in overeenstemming is met<br />

het streekplan.<br />

Volgens de inleiding bij de Handleiding wordt in de<br />

Handleiding een nadere uitleg gegeven van een aantal<br />

beleidsthema’s die in het streekplan globaal zijn geformuleerd.<br />

De Handleiding is bedoeld om als referentiekader<br />

te dienen voor het opstellen van het bestemmingsplan<br />

buitengebied. Het treedt niet buiten het<br />

beleidskader zoals dat in het streekplan is vastgelegd.<br />

Het streekplan is en blijft toetsingskader van de beoordeling<br />

van gemeentelijke plannen.<br />

Gezien het karakter van de Handleiding kan aan dit<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


62<br />

onderdeel van de Handleiding geen betekenis worden<br />

toegekend, nu dit onderdeel niet in overeenstemming<br />

is met het streekplan.<br />

02-63<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 22 februari <strong>2002</strong>, nr.<br />

200001138/7, inzake het bestemmingsplan ‘Boerenbond<br />

Deurne’ van de gemeente Deurne.<br />

Aan gecorrigeerd besluit omtrent goedkeuring<br />

dat na afloop van de wettelijke beslistermijn is bekendgemaakt,<br />

komt geen betekenis toe.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28, lid<br />

2 en 3<br />

2.1. Bij besluit van 16 november 1999 hebben verweerders<br />

goedkeuring verleend aan het plan, met uitzondering<br />

van artikel 4 van de planvoorschriften, en dit<br />

besluit op 18 november 1999 verzonden aan het gemeentebestuur.<br />

Artikel 4 van de planvoorschriften<br />

bevat een doeleindenomschrijving voor de bestemming<br />

‘Detailhandel -D-’ alsook bebouwings- en gebruiksvoorschriften<br />

voor de gronden die op de plankaart deze<br />

bestemming hebben gekregen.<br />

Vervolgens is vanwege verweerders op 15 december<br />

1999 een eveneens op 16 november 1999 gedateerd<br />

‘gecorrigeerd exemplaar’ verzonden van het op<br />

18 november 1999 bekendgemaakte besluit.<br />

Bij het op 15 december 1999 bekendgemaakte<br />

besluit hebben verweerders het plan goedgekeurd, behoudens<br />

de op de plankaart met blauw omlijnde plandelen.<br />

Deze plandelen zijn op de plankaart aangewezen<br />

voor ‘Detailhandel -D-’.<br />

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de<br />

Ruimtelijke Ordening, zoals deze wet ten tijde van de<br />

tervisielegging van het plan luidde, dienen gedeputeerde<br />

staten, indien tegen het plan bedenkingen zijn ingebracht,<br />

te beslissen binnen zes maanden na afloop van<br />

de termijn van de terinzageligging als bedoeld in artikel<br />

26 van deze wet. Ingevolge artikel 28, derde lid, van<br />

de wet wordt het plan, indien dit tijdig aan gedeputeerde<br />

staten is toegezonden, geacht te zijn goedgekeurd<br />

indien gedeputeerde staten binnen de in het tweede lid<br />

Ruimtelijke ordening<br />

gestelde termijn geen beslissing aan de gemeenteraad<br />

hebben bekend gemaakt.<br />

Ingevolge artikel 26 wordt het vastgestelde bestemmingsplan<br />

gedurende vier weken voor een ieder<br />

ter inzage gelegd.<br />

Blijkens de stukken heeft het vastgestelde plan ter<br />

voldoening aan artikel 26 met ingang van 23 april<br />

1999 gedurende vier weken (tot en met 20 mei 1999)<br />

ter inzage gelegen. De termijn van verweerders om te<br />

beslissen omtrent de goedkeuring is ingegaan op 21<br />

mei 1999. Het besluit omtrent goedkeuring diende<br />

dan ook uiterlijk op 20 november 1999 aan het gemeentebestuur<br />

te worden bekend gemaakt.<br />

Het besluit van verweerders van 16 november<br />

1999 omtrent de goedkeuring van het plan is gelet op<br />

het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 28<br />

van de wet, tijdig genomen en tijdig aan de gemeenteraad<br />

bekend gemaakt.<br />

De Afdeling is van oordeel dat, gelet op de aard van<br />

de wijziging, het op 15 december 1999 bekendgemaakte<br />

‘gecorrigeerd exemplaar’ moet worden aangemerkt<br />

als een nieuw besluit omtrent de goedkeuring<br />

van het plan.<br />

Dit nieuwe besluit is aan de gemeenteraad bekendgemaakt<br />

na afloop van de termijn die voortvloeit uit artikel<br />

28, tweede en derde lid, van de wet, waarbinnen<br />

verweerders hun besluit omtrent goedkeuring van het<br />

plan aan de gemeenteraad moesten bekendmaken. In<br />

verband hiermee heeft dit nieuwe besluit geen betekenis.<br />

02-64<br />

Uitspraak van de arrondissementsrechtbank<br />

Utrecht van 15 maart <strong>2002</strong>, nr. SBR 01/112, inzake<br />

een last onder dwangsom (gemeente Leusden).<br />

Een bestemmingsplan wordt niet voor die gedeelten<br />

waartegen geen beroep is ingesteld of kon<br />

worden ingesteld, met het goedkeuringsbesluit onherroepelijk.<br />

Dit volgt niet uit artikel 28 van de<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening en zou bovendien<br />

impliceren dat gedeelten van één bestemmingsplan<br />

op verschillende momenten onherroepelijk<br />

worden.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28, lid<br />

8<br />

Beoordeling van het geschil<br />

(...)<br />

Eiser heeft een beroep gedaan op de toepasselijkheid<br />

van het overgangsrecht. Ingevolge artikel 32 van de<br />

planvoorschriften geldt voor het overgangsrecht met<br />

betrekking tot gebruik de datum waarop het bestemmingsplan<br />

onherroepelijk is geworden. De rechtbank<br />

merkt in dit verband allereerst op dat het bestemmingsplan<br />

‘Buitengebied 1996’ door gedeputeerde<br />

staten op 21 januari 1997 is goedgekeurd en dat het<br />

bestemmingsplan ingevolge artikel 28, zevende lid,<br />

ten tijde hier in geding achtste lid, van de WRO in werking<br />

is getreden daags na afloop van de beroepstermijn.<br />

Niet gebleken is dat binnen de beroepstermijn bij<br />

de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een<br />

verzoek om voorlopige voorziening is ingediend. Er is<br />

tegen het goedkeuringsbesluit echter wel beroep ingesteld.<br />

Uit het stelsel van de WRO volgt dat het bestemmingsplan<br />

derhalve wel in werking is getreden na het<br />

verstrijken van de beroepstermijn, maar toen nog niet<br />

onherroepelijk is geworden. Het bestemmingsplan is<br />

eerst met het Koninklijk Besluit van 5 maart 1999<br />

(red.: kennelijk wordt bedoeld de uitspraak van de Afdeling<br />

bestuursrechtspraak van de Raad van State),<br />

waarbij is beslist op de tegen het goedkeuringsbesluit<br />

ingestelde beroepen, onherroepelijk geworden.<br />

Nu de planwetgever in artikel 32, eerste lid, van de<br />

planvoorschriften het onherroepelijk worden – en dus<br />

niet de inwerkingtreding – van het plan – en dus niet<br />

van gedeelten van het plan – als peildatum heeft aangewezen<br />

voor het overgangsrecht met betrekking tot<br />

gebruik, is de datum van het Koninklijk Besluit van 5<br />

maart 1999 de in deze zaak relevante datum. De<br />

rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat het<br />

bestemmingsplan voor die gedeelten waartegen geen<br />

beroep is ingesteld of kon worden ingesteld, met het<br />

goedkeuringsbesluit onherroepelijk is geworden. Dit<br />

volgt niet uit artikel 28 van de WRO en zou bovendien<br />

impliceren dat gedeelten van één bestemmingsplan op<br />

verschillende momenten onherroepelijk worden. De<br />

rechtbank is van oordeel dat dit in strijd is met het stelsel<br />

van de WRO en met de rechtszekerheid die burgers<br />

aan de planvoorschriften mogen ontlenen.<br />

Noot: zie ook 02-88<br />

Ruimtelijke ordening<br />

02-65<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 20 maart <strong>2002</strong>, nrs.<br />

200002296/1 en 200002297/1, inzake de bestemmingsplannen<br />

‘Gaswinlocatie Moddergat’ en<br />

‘Gaswinlocatie Paesens’ van de gemeente Dongeradeel.<br />

Door de weigering van de vergunning op grond<br />

van de Natuurbeschermingswet is de uitvoerbaarheid<br />

van het bestemmingsplan niet verzekerd.<br />

Voorzorgsbeginsel.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 33<br />

Natuurbeschermingswet, artikel 12<br />

63<br />

2.3. Het bestemmingsplan ‘Gaswinlocatie Moddergat’<br />

heeft betrekking op een nieuwe gaswinlocatie aan de<br />

Mokselbankwei te Moddergat. Het bestemmingsplan<br />

‘Gaswinlocatie Paesens’ heeft betrekking op een nieuwe<br />

gaswinlocatie nabij de Boltawei te Lioessens. Met<br />

beide plannen wordt beoogd de bouw van een installatie<br />

voor het winnen van gas van onder de Waddenzee<br />

mogelijk te maken. Aan de plangebieden is de bestemming<br />

‘Doeleinden van delfstoffenwinning’ toegekend.<br />

2.4. Verweerders hebben bij de bestreden besluiten<br />

goedkeuring onthouden aan de bestemmingsplannen.<br />

Verweerders verwijzen onder meer naar de brieven<br />

van het kabinet aan de Voorzitter van de Tweede Kamer<br />

van 5 november 1999 en 7 december 1999 en naar het<br />

besluit van 21 februari 2000, kenmerk DNO 2000/697<br />

van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en<br />

Visserij, waarbij de vergunning op grond van artikel 12<br />

van de Natuurbeschermingswet voor de gasboring op de<br />

locaties Paesens en Moddergat werd geweigerd. Verweerders<br />

stellen dat zij met de Staatssecretaris van mening<br />

zijn dat het voorzorgbeginsel in de weg staat aan het<br />

verlenen van medewerking aan gasboringen in de Waddenzee,<br />

nu onvoldoende is komen vast te staan dat geen<br />

blijvende aantasting van de Waddenzee optreedt ten gevolge<br />

van de te verwachten bodemdaling naar aanleiding<br />

van de gaswinning. Door de weigering van de vergunning<br />

op grond van de Natuurbeschermingswet is de uitvoerbaarheid<br />

van het bestemmingsplan niet verzekerd.<br />

Bij afweging van de belangen van de gaswinning<br />

tegen het natuurbelang, hebben zij aan laatstgenoemd<br />

belang doorslaggevende betekenis toegekend.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


64<br />

2.5. Appellanten sub 1 betogen dat zij, gezien de uitkomst<br />

van het vooroverleg op grond van artikel 10 van<br />

het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, ervan uit<br />

mochten gaan dat de plannen zouden worden goedgekeurd.<br />

Bovendien hadden verweerders de wijziging<br />

van het kabinetsbeleid over gasboringen in de Waddenzee,<br />

welke wijziging plaatsvond na de vaststelling<br />

van de plannen, niet bij hun besluiten omtrent goedkeuring<br />

mogen betrekken. Voorts zijn appellanten sub<br />

1 en 2 van mening dat verweerders een brief van de<br />

Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening van 16 februari<br />

2000 niet bij hun besluitvorming mochten betrekken.<br />

Appellant sub 2 wijst erop dat het eventuele effect<br />

van bodemdaling op de waarde van de Waddenzee als<br />

gevolg van gaswinning in het kader van de vergunningverlening<br />

op grond van de Natuurbeschermingswet<br />

wordt beoordeeld.<br />

Appellanten sub 2 en 3 zijn voorts van mening dat<br />

verweerders een verkeerde uitleg geven aan het rijksbeleid<br />

zoals neergelegd in de brief van 7 december<br />

1999. Het kabinet houdt de mogelijkheid open dat de<br />

gaswinning de komende jaren alsnog wordt toegestaan.<br />

Appellanten sub 2 en 3 menen dan ook dat de<br />

uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet onzeker<br />

is.<br />

2.5.1. De Afdeling overweegt dat het karakter van de<br />

toetsing van een bestemmingsplan door verweerders<br />

met zich brengt dat alle feiten en omstandigheden die<br />

zich tot aan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring<br />

hebben voorgedaan in aanmerking moeten<br />

worden genomen. Verweerders mochten de brieven<br />

van het kabinet van 5 november 1999 en 7 december<br />

1999 derhalve bij hun besluitvorming betrekken. Dat<br />

geldt evenzeer voor de brief van de Inspecteur voor de<br />

Ruimtelijke Ordening van 16 februari 2000, waarin<br />

deze zijn standpunt dat hij als lid in de subcommissie<br />

gemeentelijke plannen had ingenomen, nader heeft<br />

toegelicht.<br />

De inhoud van de kabinetsbrieven was voor verweerders<br />

onder meer aanleiding om in de goedkeuringsprocedure<br />

een ander standpunt in te nemen dan<br />

de provinciale planologische commissie in het kader<br />

van het vooroverleg op grond van artikel 10 van het<br />

Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De Afdeling<br />

overweegt dat verweerders los van eerder naar voren<br />

gebrachte standpunten van de provinciale planologische<br />

commissie of een provinciale dienst de bevoegd-<br />

Ruimtelijke ordening<br />

heid behouden alsnog goedkeuring te onthouden of te<br />

verlenen aan een plan of een plandeel, indien zij daartoe<br />

– op gronden in het besluit vermeld – termen aanwezig<br />

achten.<br />

2.5.2. Voor de gaswinning vanaf de locaties Paesens<br />

en Moddergat is op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />

een vergunning vereist. Bij besluit<br />

van 21 februari 2000, kenmerk DNO 2000/697<br />

heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer<br />

en Visserij de aanvraag van appellante sub 3 afgewezen.<br />

De Staatssecretaris stelde zich op het standpunt<br />

dat er vooralsnog duidelijke twijfel bestaat dat als gevolg<br />

van de gaswinning te Paesens, Moddergat en Lauwersoog<br />

geen bodemdaling optreedt die het unieke karakter<br />

van het Waddengebied als wetland blijvend<br />

aantast. Er is dan ook naar zijn mening aanleiding voor<br />

toepassing van het voorzorgbeginsel.<br />

Bij besluit van 22 september 2000, kenmerk<br />

TRCJZ/2000/11742, heeft de Staatssecretaris de bezwaren<br />

van appellante sub 3 tegen het primaire besluit<br />

ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 maart <strong>2002</strong><br />

heeft de Afdeling het beroep van appellante sub 3<br />

tegen dit besluit ongegrond verklaard (zaaknummer:<br />

200003711/1).<br />

2.5.3. Het kabinet heeft in zijn brieven aan de Voorzitter<br />

van de Tweede Kamer van 5 november 1999 en 7<br />

december 1999 gesteld dat het kabinet vooralsnog<br />

niet wil overgaan tot het verlenen van vergunningen<br />

voor gaswinning in de Waddenzee, omdat niet alle onzekerheden<br />

en twijfel over mogelijke blijvende aantasting<br />

van de Waddenzee in voldoende mate zijn weggenomen.<br />

In de brief van 7 december 1999 is voorts<br />

vermeld dat de komende jaren zullen worden benut<br />

om voortschrijdend inzicht te krijgen in de vraag of de<br />

resterende onzekerheden over de mogelijkheid tot het<br />

vervullen van sluitende voorwaarden waaronder gaswinning<br />

kan plaatsvinden kunnen worden weggenomen.<br />

2.5.4. Ingevolge artikel 33 van de Wet op de Ruimtelijke<br />

Ordening dient een bestemmingsplan, voorzover<br />

hier van belang, ten minste eenmaal in de tien jaren te<br />

worden herzien. Uit deze bepaling blijkt dat de wetgever<br />

een planperiode van tien jaar voor ogen staat.<br />

De Afdeling acht het in beginsel niet in overeenstemming<br />

met een goede ruimtelijke ordening dat in<br />

een plan bestemmingen worden aangewezen waarvan<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


edelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze<br />

binnen de tienjarige planperiode niet zullen worden<br />

verwezenlijkt.<br />

Op grond van de bovengenoemde stukken hebben<br />

verweerders naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid<br />

het standpunt kunnen innemen dat moet worden<br />

aangenomen dat de in het plan aangewezen bestemming<br />

niet binnen de planperiode zal worden<br />

verwezenlijkt. Uit de brief van het kabinet van 7 december<br />

1999 blijkt weliswaar dat gaswinning in de<br />

Waddenzee in de toekomst niet wordt uitgesloten,<br />

maar op het moment waarop verweerders over de<br />

goedkeuring van de bestemmingsplannen dienden te<br />

beslissen, bestond er geen inzicht in het antwoord op<br />

de vraag of, in hoeverre en op welke termijn er voorwaarden<br />

zouden kunnen worden ontwikkeld op grond<br />

waarvan gaswinning in de Waddenzee alsnog zal kunnen<br />

worden toegestaan.<br />

02-66<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 3 april <strong>2002</strong>, nr.<br />

199901372/1, inzake het bestemmingsplan ‘Buitengebied’<br />

van de gemeente Bernheze.<br />

Gedeputeerde staten mogen niet goedkeuring<br />

onthouden op andere gronden dan wegens strijd<br />

met het recht of strijd met de goede ruimtelijke ordening.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28, lid 2<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 10:27<br />

2.15. Bij het bestreden besluit hebben verweerders<br />

goedkeuring onthouden aan het plan, voorzover daarbij<br />

de bestemming ‘Bosgebied’ is toegekend aan het<br />

voormalig mobilisatieterrein te Nistelrode. Zij hebben<br />

zich op het standpunt gesteld dat nog geen afgewogen<br />

oordeel mogelijk is over de bestemming van die gronden,<br />

omdat het onderzoek naar de hergebruiksmogelijkheden<br />

van het terrein nog niet is afgerond.<br />

(...) kunnen zich niet met deze onthouding van<br />

goedkeuring verenigen. Zij voeren aan dat de bestemming<br />

‘Bosgebied’ het meest passend is voor deze gronden<br />

en dat ten onrechte een groter gewicht wordt toegekend<br />

aan het financieel-economische belang van de<br />

Ruimtelijke ordening<br />

Staatssecretaris van Defensie.<br />

2.15.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet<br />

op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel<br />

10:27 van de Algemene wet bestuursrecht kan<br />

slechts goedkeuring worden onthouden wegens strijd<br />

met het recht of strijd met de goede ruimtelijke ordening.<br />

Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan<br />

de bestemming ‘Bosgebied’ omdat zij van mening zijn<br />

dat deze bestemming de besprekingen over de hergebruiksmogelijkheden<br />

van het mobilisatiecomplex zou<br />

kunnen belemmeren. Uit het bestreden besluit blijkt<br />

dat de onthouding van goedkeuring niet zo mag worden<br />

geïnterpreteerd dat verweerders de bestemming<br />

‘Bosgebied’ op termijn niet aanvaardbaar achten.<br />

De Afdeling is van oordeel dat verweerders daarmee<br />

op andere gronden goedkeuring hebben onthouden<br />

dan wegens strijd met het recht of strijd met de<br />

goede ruimtelijke ordening. Verweerders hebben derhalve<br />

gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid,<br />

van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang<br />

met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />

Dit onderdeel van de beroepen van (...) is gegrond. Het<br />

bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd,<br />

voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan het<br />

plandeel met de bestemming ‘Bosgebied’ (...).<br />

02-67<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 10 april <strong>2002</strong>, nr.<br />

200102756/1, inzake het bestemmingsplan ‘Landelijk<br />

Gebied Oost’ van de gemeente Wageningen.<br />

Artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht<br />

is niet van toepassing op bestemmingsplanprocedure.<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:17<br />

65<br />

2.7.1. Voorzover appellanten stellen dat verweerders<br />

in strijd hebben gehandeld met artikel 6:17 van de Algemene<br />

wet bestuursrecht door het bestreden besluit<br />

aan hen en niet aan hun gemachtigde te zenden, stelt<br />

de Afdeling voorop dat voornoemd artikel niet van toepassing<br />

is op de procedure die is voorgeschreven voor<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


66<br />

de totstandkoming en goedkeuring van een bestemmingsplan.<br />

De vraag of het zorgvuldigheidsbeginsel<br />

met zich brengt dat het bestreden besluit aan de gemachtigde<br />

van appellanten had moeten worden gezonden,<br />

kan hier in het midden worden gelaten. Het bestreden<br />

besluit is immers aan appellanten zelf<br />

toegezonden en het niet toezenden van het bestreden<br />

besluit aan de gemachtigde van appellanten heeft er<br />

niet aan in de weg gestaan dat appellanten hiertegen<br />

het thans voorliggende beroep hebben ingesteld. Appellanten<br />

zijn daarom door deze gang van zaken niet in<br />

hun belangen geschaad.<br />

02-68<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 10 april <strong>2002</strong>, nr.<br />

200104307/1, inzake het bestemmingsplan ‘Bedrijfsstrook<br />

Schaikseweg II’ van de gemeente Leerdam.<br />

Een intrekking van een zienswijze kan in beginsel<br />

niet worden herroepen.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 23, lid 1<br />

2.2. De Afdeling stelt vast dat het ontwerp-plan overeenkomstig<br />

artikel 23, eerste lid, sub b, van de Wet op<br />

de Ruimtelijke Ordening met ingang van 29 juni 2000<br />

vier weken ter inzage heeft gelegen. Een ieder kon<br />

overeenkomstig artikel 23, eerste lid, sub c, van de<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening gedurende deze termijn<br />

van terinzagelegging schriftelijk zijn zienswijze<br />

omtrent het ontwerp-plan kenbaar maken. Appellanten<br />

hebben hun zienswijze op 25 juli 2000 bij de gemeenteraad<br />

ingebracht. Bij brief van 7 september 2000<br />

hebben appellanten hun zienswijze ingetrokken. Bij<br />

brief van 8 september 2000 hebben appellanten aangegeven<br />

hun zienswijze toch te willen handhaven.<br />

2.3. De Afdeling overweegt dat als gevolg van de brief<br />

van 7 september 2000 de zienswijze zoals ingediend<br />

op 25 juli 2000 is vervallen.<br />

Wat betreft de brief van 8 september 2000, overweegt<br />

zij dat een intrekking van een bij de gemeenteraad<br />

ingebrachte zienswijze in beginsel niet kan wor-<br />

Ruimtelijke ordening<br />

den herroepen. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden<br />

die tot een uitzondering op deze regel zouden<br />

moeten leiden. (...)<br />

02-69<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 17 april <strong>2002</strong>, nr.<br />

200100411/1, inzake het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein<br />

Gaasperwaard’ van de gemeente Vianen.<br />

Aangezien ten tijde van de bestreden beslissing<br />

de gemeente Vianen nog was ingedeeld bij de provincie<br />

Zuid-Holland, waren gedeputeerde staten<br />

van Zuid-Holland bevoegd te beslissen over de<br />

goedkeuring van het onderhavige bestemmingsplan.<br />

Wel hadden zij, nu het bestemmingsplan in<br />

strijd is met regionaal structuurplan voor het gebied,<br />

het dagelijks bestuur van het Bestuur Regio<br />

Utrecht om advies moeten vragen.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikelen 36l,<br />

36m, 36n, 37<br />

2.1.1. Bij Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van<br />

de provinciale indeling van de gemeente Vianen (Stb.<br />

521) is de gemeente Vianen met ingang van 1 januari<br />

<strong>2002</strong> ingedeeld bij de provincie Utrecht. Gelet op hetgeen<br />

in de Wet algemene regels herindeling is bepaald,<br />

dienen vanaf laatstvermelde datum gedeputeerde staten<br />

van Utrecht als verweerders te worden aangemerkt.<br />

2.4. Appellant sub 1 voert allereerst aan dat gedeputeerde<br />

staten van Zuid-Holland niet bevoegd waren te<br />

beslissen over de goedkeuring van het bestemmingsplan.<br />

Hij wijst daartoe op de strekking en ratio van de<br />

Kaderwet bestuur in verandering in samenhang met de<br />

Wet gemeenschappelijke regelingen en van de Wet op<br />

de Ruimtelijke Ordening, meer in het bijzonder de artikelen<br />

36l tot en met 36n en 37 en de Koninklijke besluiten<br />

van 7 juni 1995 en 28 september 1995 inzake<br />

de gemeenschappelijke regeling Bestuur Regio<br />

Utrecht.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


2.4.1. De Afdeling overweegt dat uit de door appellant<br />

genoemde artikelen, wettelijke regelingen en Koninklijke<br />

besluiten niet valt af te leiden dat daarmee wordt<br />

afgeweken van het in de Wet op de Ruimtelijke Ordening<br />

neergelegde stelsel dat het college van gedeputeerde<br />

staten van de provincie waarbij de gemeente is<br />

ingedeeld, beslist over de goedkeuring van door de<br />

raad van die gemeente vastgestelde bestemmingsplannen.<br />

Nu ten tijde van de bestreden beslissing de gemeente<br />

Vianen nog was ingedeeld bij de provincie<br />

Zuid-Holland, waren gedeputeerde staten van Zuid-<br />

Holland bevoegd te beslissen over de goedkeuring van<br />

het onderhavige bestemmingsplan.<br />

2.5. Appellant sub 1 voert, evenals appellant sub 4,<br />

verder aan dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland<br />

geen rekening hebben gehouden met het op 25 juni<br />

1997 vastgestelde en door gedeputeerde staten van<br />

Utrecht op 18 mei 1999 goedgekeurde Regionaal<br />

Structuurplan ‘een RSP voor de tien’.<br />

2.5.1. De Afdeling overweegt hieromtrent het volgende.<br />

Op grond van artikel 36l, eerste lid, van de Wet op<br />

de Ruimtelijke Ordening dienen gedeputeerde staten,<br />

indien voor het gebied begrepen in een regionaal structuurplan<br />

een bestemmingsplan is vastgesteld en dit<br />

aan de goedkeuring van gedeputeerde staten wordt<br />

onderworpen, bij hun besluit omtrent de goedkeuring<br />

van dat bestemmingsplan rekening te houden met het<br />

regionaal structuurplan.<br />

Op grond van artikel 36l, tweede lid, van de Wet op<br />

de Ruimtelijke Ordening vragen gedeputeerde staten<br />

voorzover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste<br />

lid, in strijd is met het regionaal structuurplan, het dagelijks<br />

bestuur van het regionaal openbaar lichaam om<br />

advies.<br />

Het beleid ten aanzien van het gebied waarin het<br />

plangebied is gelegen, is onder meer neergelegd in het<br />

hiervoor genoemde regionaal structuurplan.<br />

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken<br />

dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland dit<br />

regionaal structuurplan niet bij hun besluitvorming<br />

hebben betrokken. Voorts is gebleken dat het bestemmingsplan,<br />

nu dit betrekking heeft op gronden die ingevolge<br />

het structuurplan nog niet voor ontwikkeling<br />

als bedrijventerrein in aanmerking komen, in strijd is<br />

met het regionaal structuurplan. Dit brengt mee dat<br />

gedeputeerde staten van Zuid-Holland het dagelijks<br />

Ruimtelijke ordening<br />

bestuur van het Bestuur Regio Utrecht om advies hadden<br />

moeten vragen, hetgeen niet is geschied. Dat de<br />

gemeente Vianen ten tijde van de besluitvorming bij de<br />

provincie Zuid-Holland was ingedeeld, maakt dit niet<br />

anders.<br />

Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd<br />

met artikel 36l, eerste en tweede lid, van de Wet op de<br />

Ruimtelijke Ordening. De beroepen zijn gelet hierop<br />

gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd<br />

met de genoemde bepalingen te worden vernietigd.<br />

02-70<br />

67<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 17 april <strong>2002</strong>, nr.<br />

200104085/1, inzake het bestemmingsplan<br />

‘Camping De Waaij’ van de gemeente Bemmel.<br />

Nu de bestemmingen die aan verschillende<br />

onderdelen van een camping zijn toegekend duidelijk<br />

van elkaar kunnen worden onderscheiden,<br />

hoeft de camping niet als één object in de zin van<br />

de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 beschouwd<br />

te worden.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28, lid 2<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 10:27<br />

2.3. Appellanten betogen dat verweerders ten onrechte<br />

goedkeuring hebben onthouden aan het bestemmingsplan,<br />

voorzover de stankcirkel van de varkenshouderij<br />

aan de (...) (hierna: de varkenshouderij) is<br />

gelegen, over de beoogde uitbreiding van de camping.<br />

Appellanten wijzen erop dat het plan in een ruimtelijke<br />

zonering van de camping voorziet met een duidelijk<br />

herkenbare scheiding tussen verblijfs- en dagrecreatie.<br />

Deze zonering voldoet naar hun mening aan de brochure<br />

Veehouderij en Hinderwet 1985 (hierna: de brochure).<br />

Het gedeelte van de camping dat bedoeld is<br />

voor dagrecreatie valt naar hun mening onder categorie<br />

II, nu in dat gedeelte niet zal worden overnacht.<br />

2.4. De gemeenteraad heeft aan de bestaande camping<br />

de bestemming ‘Recreatieve doeleinden’, bestemmingsvlakken<br />

I en II toegekend en aan de uitbreiding,<br />

die in totaal 7 hectare beslaat, de bestemming ‘Recreatieve<br />

doeleinden’, bestemmingsvlakken III en IV. Inge-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


68<br />

volge artikel 3.2.2. van de planvoorschriften, voorzover<br />

hier van belang, zijn de gronden binnen de op de<br />

kaart aangegeven bestemmingsvlakken II en III uitsluitend<br />

bestemd voor:<br />

1. het plaatsen en/of oprichten van en verblijven in<br />

kampeermiddelen;<br />

2. het oprichten en verblijven in trekkershutten.<br />

Ingevolge artikel 3.2.3. van de planvoorschriften, voorzover<br />

hier van belang, zijn de gronden binnen het op<br />

de kaart aangegeven bestemmingsvlak IV uitsluitend<br />

bestemd voor:<br />

1. het behoud en de ontwikkeling van aanwezige natuurwaarden;<br />

2. recreatief medegebruik, met bijbehorende recreatieve<br />

voorzieningen, zulks uitsluitend voorzover het<br />

betreft de gronden die op de kaart zijn aangeduid<br />

als uitloopgebied.<br />

Ingevolge artikel 3.3. van de planvoorschriften is het<br />

plaatsen van en verblijven in kampeermiddelen uitsluitend<br />

toegestaan in de bestemmingsvlakken II en III,<br />

met dien verstande dat uitsluitend in bestemmingsvlak<br />

II vaste standplaatsen aanwezig mogen zijn.<br />

2.5. Verweerders hebben bij het bestreden besluit<br />

goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan,<br />

voorzover de stankcirkel van de varkenshouderij de op<br />

de plankaart aangegeven bestemmingsvlakken III en<br />

IV bestrijkt, omdat de camping met inbegrip van de<br />

uitbreiding één geheel is en dus in totaliteit als een categorie<br />

I-object moet worden beschouwd.<br />

2.6. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat<br />

verweerders bij het nemen van het bestreden besluit<br />

wat betreft de categorie-indeling niet in redelijkheid de<br />

brochure als uitgangspunt hebben kunnen nemen.<br />

2.6.1. De brochure bevat een categorie-indeling van<br />

stankgevoelige objecten. Bij categorie I onder c staat<br />

vermeld ‘objecten voor verblijfsrecreatie (bungalowpark,<br />

camping, etc.)’ en bij categorie II onder c ‘objecten<br />

voor dagrecreatie (zwembaden, speeltuinen, etc.)’.<br />

2.6.2. Nu het plan wat betreft bestemmingsvlak III<br />

voorziet in verblijfsrecreatie, ziet de Afdeling geen<br />

grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid<br />

op het standpunt hebben kunnen stellen dat<br />

in dat bestemmingsvlak, voorzover gelegen binnen de<br />

Ruimtelijke ordening<br />

stankcirkel van de varkenshouderij, een goed verblijfsklimaat<br />

niet is te garanderen.<br />

2.6.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders<br />

zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen<br />

dat het plan wat betreft bestemmingsvlak III, voorzover<br />

gelegen binnen de stankcirkel van de varkenshouderij<br />

– gemeten vanaf de grens van het desbetreffende<br />

bouwperceel – in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.<br />

Zij hebben daarom in zoverre terecht goedkeuring<br />

onthouden aan het plan. De beroepen zijn, voorzover<br />

gericht tegen dit plandeel, ongegrond.<br />

2.6.4. Wat betreft bestemmingsvlak IV is recreatief<br />

medegebruik toegestaan, maar ingevolge artikel 3.3.<br />

van de planvoorschriften is het plaatsen van en verblijven<br />

in kampeermiddelen verboden.<br />

Nu bestemmingsvlak IV, gelet op de op de plankaart<br />

aangegeven zonering en gelet op de aard van de<br />

bebouwingsmogelijkheden en het toegestane gebruik,<br />

duidelijk kan worden onderscheiden van de andere bestemmingsvlakken,<br />

valt niet in te zien dat de gemeenteraad<br />

dit bestemmingsvlak niet in redelijkheid heeft<br />

kunnen aanmerken als een object voor dagrecreatie als<br />

bedoeld in categorie II onder c van de brochure. Het<br />

enkele feit dat zowel op het bestaande als op het nieuwe<br />

gedeelte van de camping, inclusief het gedeelte dat<br />

uitsluitend voor dagrecreatie bedoeld is, het Besluit<br />

horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer<br />

van toepassing is, kan daaraan niet afdoen. Daarbij is<br />

in aanmerking genomen dat het Besluit geen regels<br />

bevat omtrent de in acht te nemen afstand tot een varkenshouderij.<br />

Uit het voorgaande volgt dat verweerders<br />

zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben<br />

kunnen stellen dat de camping als geheel, dus inclusief<br />

bestemmingsvlak IV, als een object voor verblijfsrecreatie<br />

als bedoeld in categorie I onder c van de brochure<br />

moet worden aangemerkt.<br />

2.6.5. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders<br />

zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen<br />

dat het plan voorzover het betreft bestemmingsvlak<br />

IV en voorzover dit vlak gelegen is binnen de stankcirkel<br />

van de varkenshouderij – gemeten vanaf de grens<br />

van het desbetreffende bouwperceel – in strijd is met<br />

een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin om<br />

deze reden goedkeuring te onthouden aan het plan<br />

hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28,<br />

tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet<br />

bestuursrecht. De beroepen zijn in zoverre gegrond,<br />

zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te<br />

worden vernietigd.<br />

02-71<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 24 april <strong>2002</strong>, nr.<br />

200101025/1, inzake het bestemmingsplan<br />

‘Elspeet-Dorp 2000’ van de gemeente Nunspeet.<br />

Uit de in het streekplan aangegeven verstedelijkingscontour<br />

volgt niet dat de locatie zonder meer<br />

voor woonbebouwing in aanmerking dient te<br />

komen, maar het streekplan sluit bebouwing niet<br />

uit. Verweerders konden niet volstaan met te stellen<br />

dat het binnen de contour gelegen perceel feitelijk<br />

deel uitmaakt van het buitengebied.<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 3:46<br />

2.4.1. (...) en burgemeester en wethouders van Nunspeet<br />

stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring<br />

hebben onthouden aan het plandeel met de bestemming<br />

‘Wonen’ en de aanduiding ‘woningvlak’ voor<br />

het perceel direct ten oosten van de (...).<br />

(...)<br />

Burgemeester en wethouders wijzen erop dat de locatie<br />

binnen de door de provincie vastgestelde verstedelijkingscontour<br />

voor Elspeet ligt. Het betoog van verweerders<br />

dat de locatie in het buitengebied ligt en de<br />

bouw van een burgerwoning daarom niet gewenst is, is<br />

volgens hen niet juist.<br />

2.4.2. Verweerders hebben het plan in zoverre in strijd<br />

geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij zijn van<br />

mening dat de locatie aan de (...) tot het buitengebied<br />

gerekend moet worden. Voor het antwoord op de vraag<br />

of het gebied al dan niet tot het buitengebied gerekend<br />

moet worden is de aard van het gebied zelf en niet de<br />

grens van de verstedelijkingscontour beslissend. De<br />

nieuwbouw van woningen in het buitengebied is in<br />

strijd met het beleid zoals verwoord in het Streekplan<br />

Gelderland 1996, aldus verweerders.<br />

Ruimtelijke ordening<br />

69<br />

2.4.4. Op de streekplankaart bij het Streekplan Gelderland<br />

1996 is de kern Elspeet aangeduid als ‘woonfunctie’<br />

(stedelijk gebied). De gronden die liggen rond<br />

het als ‘woonfunctie’ aangeduide gebied zijn aangeduid<br />

als ‘landelijk gebied B’. Elspeet ligt in het deelgebied<br />

Centraal Veluws Natuurgebied (CVN).<br />

In het streekplan, zoals dat luidt na de partiële herziening<br />

die provinciale staten hebben vastgesteld op<br />

21 juni 2000, is voor de gebieden die als landelijk gebied<br />

zijn aangeduid als beleidsuitgangspunt opgenomen<br />

dat dit gebied zoveel mogelijk gevrijwaard blijft<br />

van functies die daar niet thuishoren.<br />

In het streekplan is voorts in de paragraaf verstedelijking<br />

aangegeven dat de definitieve begrenzing van de<br />

kernen grenzend aan of gelegen binnen het CVN door<br />

middel van contouren is vastgelegd.<br />

Deze contouren zijn bij besluit van 16 november<br />

1999 door verweerders vastgelegd in de streekplanuitwerking<br />

‘Verstedelijkingscontouren CVN’. De Afdeling<br />

heeft in haar uitspraak van 20 maart <strong>2002</strong>, inzake<br />

200003810/1, geoordeeld dat provinciale staten,<br />

gelet op het vermelde ter zake in de partiële streekplanherziening,<br />

de contouren voor hun rekening hebben<br />

genomen, zodat de contouren onderdeel zijn geworden<br />

van het streekplan.<br />

Uit de toelichting bij de ‘Verstedelijkingscontouren<br />

CVN’ blijkt dat de maximale bebouwingscontouren<br />

moeten worden gezien als absolute bebouwingsgrenzen.<br />

Het is de bedoeling dat gemeenten, nadat de contouren<br />

rond hun kernen zijn vastgesteld, binnen die<br />

contouren zelf een goede ruimtelijke invulling geven.<br />

De ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied dient<br />

op z’n minst te worden gehandhaafd en waar/indien<br />

mogelijk te worden verbeterd. Voorts wordt in toelichting<br />

bij de ‘Verstedelijkingscontouren CVN’ verwezen<br />

naar het streekplanbeleid zoals dat is verwoord bij de<br />

algemene uitgangspunten van beleid voor verstedelijking.<br />

2.4.5. De verstedelijkingscontour rond Elspeet geeft<br />

naar het oordeel van de Afdeling de nadere begrenzing<br />

aan tussen het op de streekplankaart als ‘woonfunctie’<br />

en als ‘landelijk gebied B’ aangeduide gebied. Het perceel<br />

van (...) aan de (...) ligt binnen de verstedelijkingscontour.<br />

Het streekplanbeleid over verstedelijking<br />

is hier dan ook van toepassing. Uit dat beleid volgt niet<br />

dat de locatie zonder meer voor woonbebouwing in<br />

aanmerking dient te komen, maar het streekplan sluit<br />

bebouwing niet uit. Nu verweerders het besluit tot ont-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


70<br />

houding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming<br />

‘Wonen’ en de aanduiding ‘woningvlak’ ten<br />

oosten van (..) hebben gebaseerd op het streekplanbeleid<br />

voor het landelijk gebied is de Afdeling van oordeel<br />

dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering.<br />

Het beroep van burgemeester en wethouders is gegrond,<br />

zodat het bestreden besluit wegens strijd met<br />

artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient<br />

te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is<br />

onthouden aan het plandeel met de bestemming<br />

‘Wonen’ en de aanduiding ‘woningvlak’ voor het perceel<br />

ten oosten van (...). Nu het besluit op grondslag<br />

van het beroep van burgemeester en wethouders ten<br />

dele wordt vernietigd, is het beroep van (...) dat zich<br />

keert tegen hetzelfde onderdeel van het besluit eveneens<br />

gegrond.<br />

02-72<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />

200101696, inzake een verzoek om binnenplanse<br />

vrijstelling, gemeente Enschede.<br />

De omstandigheid dat vanwege de huidige telecommunicatiemogelijkheden<br />

en mobiliteit een<br />

dienstwoning niet meer noodzakelijk zou zijn, is<br />

een grond die tot weigering van ieder verzoek om<br />

vrijstelling zou moeten leiden, hetgeen betekent<br />

dat het planvoorschrift dat in vrijstelling voorziet<br />

feitelijk buiten werking zou worden gesteld.<br />

2.2. Het perceel is ingevolge het plan aangewezen<br />

voor de bestemming ‘Industrie’.<br />

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften<br />

wordt daaronder verstaan gebouwen, opgericht<br />

ten dienste van groothandel en industrie.<br />

Ingevolge artikel 7, tweede lid, zijn burgemeester<br />

en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het<br />

bepaalde in het eerste lid van dat artikel ten behoeve<br />

van maximaal vier dienstwoningen (lees: per bedrijf).<br />

2.6.1. Burgemeester en wethouders hebben in de beslissing<br />

op bezwaar de weigering om vrijstelling te verlenen<br />

gebaseerd op twee gronden:<br />

Ruimtelijke ordening<br />

a. de dienstwoning levert milieubelemmeringen op<br />

voor bestaande en toekomstige bedrijven;<br />

b. vanwege de telecommunicatiemogelijkheden en<br />

mobiliteit is het in de huidige tijd niet meer noodzakelijk<br />

om bij het bedrijf te wonen.<br />

2.6.2. Burgemeester en wethouders hebben de milieubezwaren<br />

ontleend aan een rapport van de Milieudienst<br />

van de gemeente Enschede van 8 november<br />

1995. In dit rapport wordt gesteld dat de dienstwoning<br />

een belemmering zal vormen voor toekomstige<br />

activiteiten in het vroegere pand van (...). Ter zitting is<br />

evenwel gebleken dat dit pand is afgebrand en er nog<br />

steeds geen nieuw bedrijf is gevestigd. Voorts is gebleken<br />

dat in het Havengebied, dat in zijn geheel is bestemd<br />

voor industrie, reeds een zeer groot aantal<br />

dienstwoningen aanwezig is, alsmede dat in de directe<br />

nabijheid van de beoogde dienstwoning van appellant,<br />

aan de overzijde van de straat, woonboten zijn gelegen.<br />

Gelet op het grote aantal dienstwoningen in het<br />

gebied en de aanwezigheid van woonboten in de directe<br />

nabijheid van het perceel en in aanmerking genomen<br />

dat niet is gebleken van bedrijven die belemmerd<br />

worden door de aanwezigheid van een dienstwoning<br />

van appellant is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk<br />

is gemaakt dat belemmeringen van milieutechnische<br />

aard voor omringende bedrijven zich verzetten<br />

tegen verlening van de gevraagde vrijstelling.<br />

Voorts overweegt de Afdeling dat de omstandigheid<br />

dat vanwege de huidige telecommunicatiemogelijkheden<br />

en mobiliteit een dienstwoning niet meer noodzakelijk<br />

is een grond is die tot weigering van ieder verzoek<br />

om vrijstelling zou moeten leiden, waardoor<br />

artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften feitelijk<br />

buiten werking zou worden gesteld. Naar appellant bovendien<br />

onweersproken heeft gesteld is in 1999 nog<br />

vrijstelling verleend voor een dienstwoning bij het in<br />

het Havengebied gelegen pand (...). Naar het oordeel<br />

van de Afdeling kan deze grond de weigering om vrijstelling<br />

te verlenen dan ook evenmin dragen. Gelet op<br />

de toelichting ter zitting moet bovendien aannemelijk<br />

worden geacht dat, in verband met de bedrijfsvoering,<br />

de telecommunicatiemogelijkheden en mobiliteit niet<br />

afdoen aan de door appellant gestelde noodzaak bij<br />

het bedrijf te wonen.<br />

2.6.3. Anders dan de rechtbank is de Afdeling derhalve<br />

van oordeel dat de door burgemeester en wethouders<br />

in de beslissing op bezwaar gebezigde gronden de<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


weigering om vrijstelling te verlenen niet kunnen rechtvaardigen.<br />

02-73<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />

200100123/1 inzake een vrijstelling ex artikel 19<br />

van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gemeente<br />

Dronten.<br />

Een voorbereidingsbesluit moet gelden ten tijde<br />

van het nemen, niet noodzakelijkerwijze ten tijde<br />

van het bekendmaken, van de beslissing op bezwaar.<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikelen 3:40 en<br />

3:41<br />

2.1. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte<br />

heeft geoordeeld dat ten tijde van de beslissing<br />

op bezwaar geen voorbereidingsbesluit meer gold<br />

zodat toen niet was voldaan aan de formele vereisten<br />

voor toepassing van de anticipatieprocedure.<br />

2.2. Dit betoog slaagt. Een voorbereidingsbesluit moet<br />

gelden ten tijde van het nemen van de beslissing op<br />

bezwaar. Vast staat dat de beslissing op bezwaar is genomen<br />

op 29 juni 1999 alsmede dat toen een voorbereidingsbesluit<br />

bestond, dat geldig was tot 1 juli<br />

1999. Dat de beslissing op bezwaar toen niet op de<br />

voet van artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet<br />

bestuursrecht is bekendgemaakt en in werking getreden,<br />

doet daaraan niet af. Er is geen grond om te oordelen<br />

dat het voorbereidingsbesluit ook op het moment<br />

van de bekendmaking van de beslissing op<br />

bezwaar moet gelden, om de anticipatieprocedure te<br />

kunnen toepassen. De rechtbank heeft de beslissing<br />

op bezwaar derhalve ten onrechte op de aangegeven<br />

grond vernietigd.<br />

Ruimtelijke ordening<br />

02-74<br />

71<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />

200103920/1, inzake het wijzigingsplan ‘Wijzigingsplan<br />

ex artikel 11 WRO bestemmingsplan<br />

Buitengebied, Boerendijk 36b te Sibculo’ van de<br />

gemeente Hardenberg.<br />

In bestemmingsplan voorgeschreven adviesaanvraag<br />

bij toepassen wijzigingsbevoegdheid is<br />

niet meer mogelijk.<br />

2.2. Appellanten hebben als bezwaar van formele aard<br />

aangevoerd dat over het wijzigingsplan geen advies is<br />

uitgebracht door de directeur Landbouw, Natuur en<br />

Openluchtrecreatie van het ministerie van Landbouw,<br />

Natuurbeheer en Visserij.<br />

2.2.1. In het op 26 april 1989 vastgestelde bestemmingsplan<br />

‘Buitengebied’ is het in geding zijnde perceel<br />

bestemd tot ‘Agrarische doeleinden, Agrarisch gebied’.<br />

Ingevolge artikel 4, vierde, onder A, van de<br />

voorschriften van dat plan zijn burgemeester en wethouders<br />

bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve<br />

van de vestiging van een agrarisch bedrijf, met<br />

inachtneming van een aantal nader genoemde voorwaarden.<br />

Een van deze voorwaarden is dat advies wordt ingewonnen<br />

van de directeur Landbouw, Natuur en<br />

Openluchtrecreatie van het ministerie van Landbouw,<br />

Natuurbeheer en Visserij. Deze heeft evenwel, als gevolg<br />

van een wijziging van het regeringsbeleid ter zake,<br />

de microplanologische advisering beëindigd.<br />

Naar het oordeel van de Afdeling kon onder deze<br />

omstandigheden van het gemeentebestuur niet worden<br />

verwacht dat het wijzigingsplan werd voorgelegd<br />

aan de voornoemde directeur.<br />

Voorts overweegt de Afdeling dat in de planvoorschriften<br />

geen verplichting is opgenomen voor het gemeentebestuur<br />

om het plan in een situatie als deze<br />

aan andere adviseurs voor te leggen. Ook in de Wet op<br />

de Ruimtelijke Ordening of het Besluit op de ruimtelijke<br />

ordening 1985 is voor een situatie als hier in geding<br />

geen verplichting opgenomen tot het inwinnen<br />

van advies alvorens tot vaststelling van een wijzigingsplan<br />

wordt overgegaan.<br />

De Afdeling is onder vorengenoemde omstandigheden<br />

van oordeel dat in het niet-naleven van evenge-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


72<br />

noemde verplichting geen aanleiding kan worden gezien<br />

het bestreden besluit te vernietigen.<br />

02-75<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />

200004690/1, inzake het bestemmingsplan ‘Uitbreiding<br />

Nijverheidscentrum Zevenhuizen’ van de<br />

gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening biedt op zich<br />

geen grondslag voor een regeling die enkel een<br />

specifieke groep van bedrijven toelaat die zich in<br />

niets anders onderscheidt van soortgelijke, andere<br />

bedrijven dan in hun herkomst. De herkomst van<br />

bedrijven is als zodanig bij het reguleren van gebruik<br />

van gronden voor bedrijfsdoeleinden niet relevant.<br />

Toch kan een goede ruimtelijke ordening<br />

met zich brengen, dat bij het inrichten van een bedrijventerrein<br />

de opvangfunctie van dat terrein gewaarborgd<br />

wordt ten einde een (planologisch)<br />

knelpunt elders op te lossen. De beschrijving in<br />

hoofdlijnen kan daarbij een rol spelen.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 10<br />

2.5. Appellanten voeren aan dat verweerders ten onrechte<br />

goedkeuring hebben onthouden aan het plan.<br />

Zij zijn van mening dat verweerders in strijd met de<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening handelen door als<br />

voorwaarde voor goedkeuring te stellen dat alleen bedrijven<br />

afkomstig van Nesselande op het bedrijventerrein<br />

mogen worden gevestigd. Een dergelijke eis is niet<br />

ruimtelijk relevant. (...)<br />

2.6.1. Los van de vraag of verweerders hun standpunt<br />

in al hun beleidsstukken eenduidig hebben verwoord,<br />

blijkt uit het vorenstaande dat aan het bedrijventerrein<br />

ingevolge provinciaal beleid in ieder geval primair een<br />

opvangfunctie toekomt voor bedrijven afkomstig uit<br />

Nesselande. De Afdeling overweegt verder dat het bestemmingsplan<br />

de vestiging van (alleen) andere bedrijven<br />

dan afkomstig uit Nesselande mogelijk maakt.<br />

Aldus zou een met de uitgangspunten van het streekplan<br />

strijdige situatie kunnen ontstaan.<br />

De Afdeling overweegt dat de Wet op de Ruimte-<br />

Ruimtelijke ordening<br />

lijke Ordening op zich geen grondslag biedt voor een<br />

regeling in de planvoorschriften, die enkel een specifieke<br />

groep van bedrijven toelaat die zich in niets anders<br />

onderscheidt van soortgelijke, andere bedrijven dan in<br />

hun herkomst. De herkomst van bedrijven is als zodanig<br />

bij het reguleren van gebruik van gronden voor bedrijfsdoeleinden<br />

niet relevant.<br />

Dit laat onverlet dat een goede ruimtelijke ordening<br />

met zich kan brengen, dat bij het inrichten van een bedrijventerrein<br />

de opvangfunctie van dat terrein gewaarborgd<br />

wordt ten einde een (planologisch) knelpunt elders<br />

op te lossen. Het waarborgen van een zodanige<br />

functie kan op verschillende wijzen plaatsvinden,<br />

waarbij bij de keuze van de wijze onder meer betekenis<br />

toekomt aan het feit of de gemeente eigenares is van<br />

de uit te geven gronden en ten aanzien van de uitgifte<br />

van die gronden regelingen zijn getroffen die een opvangfunctie<br />

waarborgen.<br />

Ter zitting hebben verweerders ter aanvulling van<br />

hun standpunt onder meer aangevoerd dat in de beschrijving<br />

in hoofdlijnen van het bestemmingsplan kan<br />

worden opgenomen dat de gronden bedoeld zijn voor<br />

uitplaatsing van bedrijven gevestigd op de onderhavige<br />

VINEX-locatie.<br />

In aansluiting hierop acht de Afdeling niet onaanvaardbaar<br />

indien in de beschrijving in hoofdlijnen<br />

wordt opgenomen dat het streven erop is gericht de<br />

eerste uitgifte van gronden binnen het plangebied uitsluitend<br />

te doen geschieden ten behoeve van bedrijven<br />

afkomstig van Nesselande. Daarbij betrekt zij de omstandigheid<br />

dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle<br />

eigenares is van het onderhavige terrein.<br />

De Afdeling overweegt verder dat in het plan een<br />

dergelijke bepaling in een beschrijving in hoofdlijnen<br />

niet is opgenomen. Evenmin is op een nadere wijze<br />

veilig gesteld dat het bedrijventerrein alleen tot ontwikkeling<br />

zal worden gebracht indien de uit te geven terreinen<br />

benodigd zijn voor de verplaatsing van bedrijven<br />

die thans nog gevestigd zijn in Nesselande. De gemeenteraad<br />

heeft daarmee miskend dat een bedrijventerrein<br />

bij Zevenhuizen ingevolge provinciaal beleid alleen<br />

tot ontwikkeling mag worden gebracht in het<br />

kader van de uitplaatsing van bedrijven uit Nesselande.<br />

Volgens dit beleid is het niet de bedoeling de ontwikkeling<br />

van een regulier bedrijventerrein toe te<br />

staan. Verweerders hebben zich derhalve niet ten onrechte<br />

op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan<br />

strijdig is met het provinciaal beleid. Een tekort<br />

aan bedrijventerrein in de gemeente kan naar het oor-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


deel van de Afdeling aan bedoelde strijdigheid niet afdoen.<br />

02-76<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 22 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />

200104543/1, inzake het bestemmingsplan ‘Thematische<br />

uitsluiting seksinrichtingen’ van de gemeente<br />

Elburg.<br />

Religieuze opvattingen zijn geen ruimtelijk relevante<br />

motieven voor een algeheel verbod op seksinrichtingen<br />

voor het gehele grondgebied van de<br />

gemeente.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 10<br />

2.2. Met het plan wordt beoogd de vestiging van seksinrichtingen<br />

in de gehele gemeente Elburg uit te sluiten.<br />

Hiertoe voorziet het plan in een wijziging van de<br />

algemene bepalingen van alle geldende bestemmingsplannen<br />

waardoor seksinrichtingen niet tot de toegestane<br />

doeleinden dan wel functies binnen in die plannen<br />

geregelde bestemmingen behoren.<br />

Bij het bestreden besluit hebben verweerders aan het<br />

plan goedkeuring onthouden.<br />

2.6.1. Ingevolge artikel 1, onder b, van het plan wordt<br />

onder seksinrichting verstaan de voor het publiek toegankelijke,<br />

besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in<br />

een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen<br />

worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische<br />

aard plaatsvinden. Onder seksinrichting<br />

wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf,<br />

waaronder begrepen een erotische massagesalon, een<br />

seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub,<br />

al dan niet in combinatie met elkaar.<br />

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a,<br />

van het plan wordt aan de algemene bepalingen van<br />

de bestemmingsplannen waarop het plan betrekking<br />

heeft, toegevoegd dat binnen de bestemmingen van<br />

die plannen een seksinrichting niet tot de toegestane<br />

doeleinden dan wel functies behoort.<br />

2.6.2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, eerste volzin,<br />

van de Wet op de Ruimtelijke Ordening stelt de ge-<br />

Ruimtelijke ordening<br />

73<br />

meenteraad voor het gebied van de gemeente dat niet<br />

tot de bebouwde kom behoort een bestemmingsplan<br />

vast, waarbij, voorzover dit ten behoeve van de ruimtelijke<br />

ordening nodig is, de bestemming van de in het<br />

plan begrepen grond wordt aangewezen en zo nodig,<br />

in verband met de bestemming, voorschriften worden<br />

gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen<br />

grond en de zich daarop bevindende opstallen.<br />

Deze voorschriften mogen slechts om dringende redenen<br />

een beperking van het meest doelmatige gebruik<br />

inhouden.<br />

Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt<br />

de raad de verordeningen die hij in het belang van de<br />

gemeente nodig oordeelt.<br />

Ingevolge artikel 151a, eerste lid, van de Gemeentewet<br />

kan de gemeenteraad een verordening vaststellen<br />

waarin voorschriften worden gesteld met betrekking<br />

tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot<br />

het verrichten van seksuele handelingen met een<br />

derde tegen betaling.<br />

2.6.3. De Afdeling overweegt dat aan de gemeenteraad<br />

in beginsel de bevoegdheid toekomt in een bestemmingsplan<br />

de toelaatbaarheid van seksinrichtingen<br />

als doeleinde dan wel functie binnen de in dat plan<br />

geregelde bestemmingen te reguleren. Deze bevoegdheid<br />

dient te worden uitgeoefend ter behartiging van<br />

het belang van een goede ruimtelijke ordening en dient<br />

derhalve gestoeld te zijn op ruimtelijk relevante overwegingen<br />

en criteria. Daarnaast geldt als uitgangspunt<br />

dat, wanneer een gemeenteraad het nodig oordeelt in<br />

een plan een regeling te treffen ten aanzien van een<br />

met name genoemde – legale – beroeps- of bedrijfsactiviteit,<br />

hij motiveert waarom die activiteit zich naar<br />

zijn mening uit een oogpunt van een goede ruimtelijke<br />

ordening onderscheidt van andere mogelijke vormen<br />

van gebruik van grond en opstallen.<br />

2.6.4. Zoals blijkt uit de onder 2.5 genoemde wetswijziging<br />

(betreffende opheffing algemeen bordeelverbod,<br />

redactie) heeft de wetgever in formele zin vanaf 1 oktober<br />

2000 de vestiging en exploitatie van seksinrichtingen<br />

gelegaliseerd. Aldus heeft de wetgever te kennen<br />

gegeven dat de bescherming van de zeden een verbod,<br />

zoals dat voorheen in het Wetboek van Strafrecht was<br />

opgenomen, niet meer rechtvaardigt. De wetgever<br />

heeft het kennelijk voldoende geacht dat, in plaats van<br />

dat voorheen bestaande verbod, gemeenten thans een<br />

regulerend beleid voeren, dat wil zeggen, nadere regels<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


74<br />

stellen voor de uitoefening van dit soort bedrijven,<br />

doch die uitoefening niet als zodanig bij voorbaat geheel<br />

verbieden.<br />

2.6.5. Blijkens de toelichting op het plan en het verhandelde<br />

ter zitting heeft de gemeenteraad beoogd de<br />

vestiging en exploitatie van seksinrichtingen onmogelijk<br />

te maken vanwege de negatieve invloed van seksinrichtingen<br />

op de kwaliteit van de leef-, woon- en<br />

werkomgeving. Hierbij heeft de gemeenteraad doorslaggevend<br />

geacht de sterke religieuze overtuiging en<br />

de behoudende opvattingen van de bevolking van de<br />

gemeente Elburg. Aldus heeft de gemeenteraad naar<br />

het oordeel van de Afdeling aan het plan een motief<br />

ten grondslag gelegd dat strekt tot bescherming van de<br />

openbare zeden, dat wil zeggen een motief dat, zoals<br />

hiervoor is overwogen, reeds door de wetgever in formele<br />

zin volledig is afgewogen.<br />

Gelet op het vorenoverwogene is de Afdeling van<br />

oordeel dat de gemeenteraad bij de vaststelling van<br />

het plan zich niet alleen, zoals onder 2.6.5 is overwogen,<br />

heeft gebaseerd op een onjuist motief, maar ook<br />

de grenzen van zijn bij artikel 10 van de Wet op de<br />

Ruimtelijke Ordening verleende bevoegdheid heeft<br />

overschreden door zich bij die vaststelling niet uitsluitend<br />

te richten op de behartiging van het belang van<br />

een goede ruimtelijke ordening.<br />

02-77<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 26 juni <strong>2002</strong>, nr.<br />

200104539/1, inzake het bestemmingsplan<br />

‘Ypenburg-Nootdorp’ van de gemeente Nootdorp.<br />

Goedkeuring kan niet onder voorwaarden worden<br />

verleend.<br />

Bijzonder geval van ontvankelijkheid.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 10:29, lid 2<br />

2.7. Goedkeuring plandeel met woonbestemming.<br />

2.7.1. Ten aanzien van het in overweging 2.3, onder<br />

b, genoemde plandeel hebben verweerders besloten:<br />

‘1. de bedenkingen van reclamanten, genoemd in<br />

Ruimtelijke ordening<br />

hoofdstuk II, onder 1 (A) en 2 (B), gegrond te verklaren;<br />

2. de bestemming ‘Woongebied’ (WG) waaraan door<br />

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van<br />

State goedkeuring was onthouden, goed te keuren,<br />

onder de voorwaarden en condities zoals omschreven<br />

in hoofdstuk IX, Overwegingen Gedeputeerde Staten<br />

(2001), onder 1, Externe veiligheid (munitieopslag en<br />

bijzondere laboratoria) en onder 2, Luchtkwaliteit;’.<br />

TNO stelt in beroep dat verweerders ten onrechte voorwaarden<br />

en condities aan de goedkeuring hebben verbonden,<br />

omdat deze voor haar een rechtsonzekere situatie<br />

creëren. (A) stelt in beroep dat verweerders ten<br />

onrechte het desbetreffende plandeel hebben goedgekeurd,<br />

omdat op deze gronden geen goed woon- en<br />

leefklimaat kan worden gegarandeerd als gevolg van<br />

de naastgelegen snelweg en de naastgelegen munitielaboratoria<br />

van TNO. Het plandeel naast de snelweg<br />

betreft de zogenoemde Boswijk. (B) stelt in beroep dat<br />

verweerders ten onrechte het desbetreffende plandeel<br />

hebben goedgekeurd, omdat tegelijkertijd de bedenkingen<br />

van appellant gegrond worden verklaard. Voorts<br />

schaart hij zich achter de bezwaren van (A).<br />

Verweerders zijn van mening dat het beroep van<br />

TNO op dit punt niet-ontvankelijk is, omdat appellante<br />

geen zienswijze heeft ingebracht bij de gemeenteraad,<br />

noch bedenkingen heeft ingebracht bij verweerders.<br />

Voorts hebben zij zich op het standpunt gesteld dat<br />

de voorwaarden en condities niet als harde voorwaarden<br />

moeten worden gezien, maar als een nadere<br />

onderbouwing en motivering van hun beslissing.<br />

Omdat de veiligheid en leefbaarheid in de nieuwe<br />

woonwijk niet in gevaar komen, hebben zij opnieuw<br />

goedkeuring verleend aan de betreffende plandelen.<br />

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van TNO overweegt<br />

de Afdeling dat het dictum van het tweede goedkeuringsbesluit<br />

de goedkeuring van het plandeel met<br />

de bestemming ‘Woongebied (WG)’ uitdrukkelijk verbindt<br />

aan voorwaarden en condities als in de overwegingen<br />

van het besluit weergegeven. Gelet hierop, alsmede<br />

op het feit dat appellante uitdrukkelijk opkomt<br />

tegen deze voorwaarden en niet tegen de goedkeuring<br />

van evengenoemd plandeel, is de Afdeling van oordeel<br />

dat in dit geval TNO redelijkerwijs niet in staat is geweest<br />

tijdig zienswijzen en bedenkingen met betrekking<br />

tot dit punt in te brengen. De bezwaren van appellante<br />

worden derhalve in behandeling genomen.<br />

Voorts overweegt de Afdeling dat de voorwaarden en<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


condities die aan de goedkeuring zijn verbonden niet<br />

gezien kunnen worden als een nadere motivering van<br />

de beslissing van verweerders. Uit de overwegingen<br />

komt naar voren dat verweerders goedkeuring hebben<br />

verleend vanwege het grote belang van de woningbouw,<br />

vanwege de voornemens om tot uitplaatsing en<br />

hervestiging van de opslagbunkers en laboratoria van<br />

TNO over te gaan en vanwege de voornemens om bij<br />

de Minister van VROM aan te dringen op aanvullend<br />

bronbeleid ter verbetering van de luchtkwaliteit. Hieruit<br />

volgt dat verweerders andere maatregelen dan wel<br />

besluiten noodzakelijk achten. Gelet op de voornemens<br />

daartoe hebben zij besloten goedkeuring te verlenen<br />

en de bedenkingen van (A) en (B) gegrond te verklaren.<br />

Indien echter verweerders op voorhand van mening<br />

zijn dat aanvullende maatregelen nodig zijn, kunnen zij<br />

dit niet in hun besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan<br />

tot uitdrukking brengen door aan hun goedkeuring<br />

voorwaarden te verbinden. Artikel 10:29,<br />

tweede lid, van de Awb bepaalt immers, voorzover<br />

thans van belang, dat de goedkeuring niet onder voorwaarden<br />

kan worden verleend. Voorts brengt artikel 28<br />

van de WRO mee dat, behoudens de zich in dit geval<br />

niet voordoende mogelijkheid een aanlegvergunningstelsel<br />

in het leven te roepen, gedeputeerde staten<br />

een bestemmingsplan slechts (al dan niet gedeeltelijk)<br />

kunnen goedkeuren of niet goedkeuren. Voor het stellen<br />

van aanvullende voorwaarden als verweerders hebben<br />

gedaan, biedt de wet derhalve geen grondslag. Nu<br />

bovendien de voorwaarden en condities zijn weergegeven<br />

als voornemens tot het nemen van maatregelen en<br />

afhankelijk zijn van toekomstige, onzekere gebeurtenissen,<br />

zou met het besluit een rechtsonzekere situatie<br />

worden gecreëerd.<br />

Overigens is in het besluit overwogen dat de bedenkingen<br />

van (A) en (B), gelet op de voorgenomen maatregelen,<br />

gegrond zijn, maar wordt er desondanks geen<br />

goedkeuring aan de bestreden plandelen onthouden.<br />

Gelet op al het voorgaande is het besluit in zoverre<br />

in strijd met artikel 10:29, tweede lid, van de Awb en<br />

artikel 28 van de WRO. De beroepen zijn in zoverre gegrond,<br />

zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.<br />

Ruimtelijke ordening<br />

02-78<br />

75<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 26 juni <strong>2002</strong>, nr.<br />

200104725, inzake het wijzigingsplan ‘Landelijk<br />

Gebied 1997, wijzigingsplan agrarisch bedrijventerrein’<br />

van de gemeente Hillegom.<br />

Wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van nieuwvestiging<br />

kan niet aangewend worden voor bedrijfsuitbreiding.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 11, lid 1<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 10:27<br />

2.1. Het wijzigingsplan voorziet in uitbreidingsmogelijkheden<br />

voor een bloembollenbedrijf aan de (...). (...)<br />

2.5. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de<br />

Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO) kan, voorzover<br />

hier van belang, bij een bestemmingsplan worden bepaald<br />

dat burgemeester en wethouders het plan kunnen<br />

wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen.<br />

Burgemeester en wethouders kunnen ingevolge artikel<br />

8, tweede lid, van de planvoorschriften van het<br />

bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1997’ met inachtneming<br />

van de beschrijving in hoofdlijnen de bestemming<br />

van de gronden op de bestemmingsplankaart<br />

voorzien van de aanduiding ‘wijzigingsbevoegdheid ex<br />

artikel 11 WRO I’ (deelgebied Noorderlaan Pastoorslaan)<br />

wijzigen in de bestemming ‘Agrarische handelsen<br />

exportbedrijven (AHE)’ of de bestemming ‘Agrarische<br />

hulp- en nevenbedrijven (AHN)’ dan wel uitbreiding<br />

van bestaande bouwpercelen met de bestemming<br />

‘AHE’ of ‘AHN’ mogelijk maken, teneinde een nieuw<br />

bouwperceel voor een nieuw bedrijf te creëren.<br />

Niet in geding is dat het wijzigingsplan de uitbreiding<br />

van een bestaand bedrijf betreft. Met het plan<br />

wordt derhalve geen nieuw bouwperceel voor een<br />

nieuw bedrijf gecreëerd, zoals vermeld in artikel 8,<br />

tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan,<br />

zodat burgemeester en wethouders ten onrechte<br />

gebruik hebben gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.<br />

Gelet op het vorenstaande is het plan in strijd met<br />

artikel 11, eerste lid, van de WRO. Door het plan niettemin<br />

goed te keuren, hebben verweerders gehandeld<br />

in strijd met dit artikel in samenhang met artikel<br />

10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het be-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


76<br />

roep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te<br />

worden vernietigd. De overige bezwaren van appellanten<br />

behoeven om die reden geen bespreking meer.<br />

02-79<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 26 juni <strong>2002</strong>, nr.<br />

200004862/1, inzake het bestemmingsplan ‘Buitengebied’<br />

van de gemeente Naaldwijk.<br />

Het gelijkheidsbeginsel gaat niet zo ver dat het<br />

in strijd met het streekplan ten onrechte goedkeuren<br />

van bepaalde plandelen meebrengt dat ook andere<br />

plandelen die strijdig zijn met het streekplan<br />

moeten worden goedgekeurd.<br />

2.4.11. Ingevolge het streekplan en de nota planbeoordeling<br />

is het provinciaal beleid er in beginsel op gericht<br />

geen burgerwoningen toe te voegen aan het buitengebied.<br />

Niet-agrarische nieuwbouw dient uit het<br />

buitengebied te worden geweerd. Het omzetten van<br />

agrarische bedrijfswoningen in burgerwoningen is<br />

slechts onder bepaalde voorwaarden toegestaan. De<br />

Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.<br />

De Afdeling stelt vast dat de woningen aan het (...)<br />

en (...) in het vorige plan bestemd waren als agrarische<br />

bedrijfswoningen. Het feitelijke gebruik als burgerwoning<br />

was derhalve in strijd met het vorige plan.<br />

Het gemeentebestuur heeft dit strijdige gebruik gedurende<br />

een lange periode toegestaan en met het voorliggende<br />

plan beoogd een bestemming conform het<br />

huidige gebruik mogelijk te maken.<br />

Gelet op het voorgaande is het standpunt van verweerders<br />

dat het omzetten van de twee voormalige<br />

agrarische bedrijfswoningen in burgerwoningen aan<br />

het (...) en (...) niet in overeenstemming is met het<br />

provinciaal beleid, niet onjuist. In de door appellanten<br />

sub 1 aangevoerde omstandigheid dat de woningen<br />

reeds sinds jaren gebruikt worden als burgerwoning en<br />

zij slechts met dit plan beoogd hebben een einde te<br />

maken aan een illegale situatie, ziet de Afdeling geen<br />

aanleiding voor het oordeel dat een uitzondering op het<br />

hiervoor genoemde beleid gerechtvaardigd is.<br />

Voorzover appellanten sub 1 stellen dat naar aanleiding<br />

van het ontwerp-plan ten aanzien van de omzetting<br />

van de genoemde woningen een positief advies<br />

Ruimtelijke ordening<br />

is afgegeven door de PPC, is de Afdeling van oordeel<br />

dat, wat hier ook van zij, de PPC slechts een adviserende<br />

taak heeft en aan gedeputeerde staten de bevoegdheid<br />

toekomt te beslissen omtrent de goedkeuring<br />

van een plan.<br />

Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel<br />

merkt de Afdeling op dat ter zitting is gebleken<br />

dat verweerders zonder nadere motivering hebben ingestemd<br />

met het omzetten van ruim 500 agrarische<br />

bedrijfswoningen in burgerwoningen. Slechts aan de<br />

twee hier in geding zijnde percelen hebben verweerders<br />

goedkeuring onthouden naar aanleiding van de ingediende<br />

bedenkingen. Het gelijkheidsbeginsel gaat<br />

echter niet zo ver dat het in strijd met het streekplan<br />

ten onrechte goedkeuren van bepaalde plandelen meebrengt<br />

dat ook andere plandelen die strijdig zijn met<br />

het streekplan moeten worden goedgekeurd.<br />

02-80<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 10 juli <strong>2002</strong>, nr.<br />

200103684/1, inzake het bestemmingsplan<br />

‘Woongebieden’ van de gemeente Brunssum.<br />

Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt.<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikel 3:2<br />

2.4. Appellanten sub 2 wensen voor hun perceel (...)<br />

de bestemming ‘Woondoeleinden II (nieuwbouw)’, bij<br />

voorkeur met de nadere aanduiding dat hierop garageboxen<br />

zijn toegestaan. Zij stellen zich op het standpunt<br />

dat het gemeentebestuur bij hen het vertrouwen heeft<br />

gewekt dat aan het perceel een zodanige bestemming<br />

zou worden gegeven, dat daarop garageboxen zouden<br />

kunnen worden gebouwd.<br />

2.4.1. De gemeenteraad heeft er op gewezen dat in het<br />

verleden weliswaar aan appellanten sub 2 een bouwvergunning<br />

is verleend voor de bouw van 18 garageboxen,<br />

maar dat deze vergunning na vernietiging door de rechter<br />

bij besluit van burgemeester en wethouders van 15 september<br />

1998 alsnog is geweigerd. Burgemeester en wethouders<br />

hebben vervolgens geoordeeld dat een bestemming<br />

‘Groenvoorzieningen’ hier het meest wenselijk is.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


2.4.2. Verweerders stellen dat zij van de gemeenteraad<br />

hebben vernomen dat op de plankaart bij het perceel<br />

van appellanten sub 2 abusievelijk de bestemming<br />

‘Woondoeleinden I (bestaand woongebied)’ staat<br />

vermeld. Omdat deze bestemming volgens verweerders<br />

niet overeenkomt met de bedoelde bestemming<br />

‘Groenvoorzieningen’, die uit het raadsbesluit kan worden<br />

afgeleid, hebben zij uit oogpunt van rechtszekerheid<br />

aan dit perceel goedkeuring onthouden.<br />

Voor het overige laat volgens verweerders het feit<br />

dat burgemeester en wethouders in het verleden een<br />

bouwvergunning hebben verleend onverlet dat de gemeenteraad<br />

bevoegd blijft om, alle belangen afwegend,<br />

vast te houden aan de bestemming ‘Groenvoorzieningen’<br />

en het ter zake gevoerde beleid.<br />

2.4.3. De Afdeling overweegt als volgt.<br />

Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel<br />

waartegen de inhoudelijke bezwaren van<br />

appellanten sub 2 zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren<br />

van appellanten sub 2 tegemoet gekomen. In<br />

verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge<br />

artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming<br />

van het besluit tot onthouding van goedkeuring<br />

een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet<br />

slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar<br />

ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in<br />

deze procedure ter beoordeling staan.<br />

De Afdeling vat het beroep van appellanten sub 2<br />

daarom aldus op dat zij zich er tegen verzetten dat aan<br />

de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het<br />

bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag<br />

zijn gelegd.<br />

2.4.3.1. Blijkens de stukken en het verhandelde ter<br />

zitting is in het ontwerpbestemmingsplan aan het perceel<br />

van appellanten sub 2 de bestemming ‘Groenvoorzieningen’<br />

toegekend. Volgens de gemeenteraad<br />

was daarmee beoogd de bestemming ‘Openbaar groen’<br />

onder het vorige plan, ‘Op de Vos’, ongewijzigd te<br />

laten. Op de plankaart van het vastgestelde plan heeft<br />

het perceel echter de bestemming ‘Woondoeleinden I<br />

(bestaand woongebied)’ gekregen.<br />

De gemeenteraad heeft de zienswijze van appellanten<br />

sub 2 met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan<br />

ongegrond verklaard. Evenmin blijkt uit het<br />

vaststellingsbesluit dat de gemeenteraad op dit punt<br />

ambtshalve een wijziging heeft willen aanbrengen ten<br />

opzichte van het ontwerp. De Afdeling acht het stand-<br />

Ruimtelijke ordening<br />

77<br />

punt van de gemeenteraad, dat de bestemming ‘Woondoeleinden<br />

I (bestaand woongebied)’ in het vastgestelde<br />

plan een kennelijke fout betreft, derhalve aannemelijk.<br />

Gelet daarop is het plan in zoverre onzorgvuldig<br />

voorbereid, zodat verweerders terecht in zoverre goedkeuring<br />

aan het plan hebben onthouden.<br />

2.4.3.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting<br />

blijkt voorts het volgende. De gemeenteraad heeft bij<br />

besluit van 21 mei 1996 de in geding zijnde gronden<br />

aan appellanten sub 2 verkocht ten behoeve van de<br />

bouw van een aantal garageboxen. Op 18 juni 1996<br />

heeft (...) een bouwaanvraag ingediend voor het oprichten<br />

van 20 garages op het perceel. Het bouwplan<br />

was in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan<br />

‘Op de Vos’, waarin, zoals gezegd, op het perceel<br />

de bestemming ‘Openbaar groen’ rustte. Met het oog<br />

op het bouwplan heeft de gemeenteraad op 21 mei<br />

1996 een voorbereidingsbesluit genomen als bedoeld<br />

in artikel 21 van de WRO. Nadat verweerders op 17<br />

december 1996 de vereiste verklaringen van geen bezwaar<br />

hadden verleend en door de gemeenteraad bij<br />

besluit van 20 mei 1997 vrijstelling op grond van artikel<br />

19, eerste lid, van de WRO was verleend, hebben<br />

burgemeester en wethouders van Brunssum op 22 mei<br />

1997 besloten tot het verlenen van de gevraagde<br />

bouwvergunning.<br />

Naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift<br />

tegen de verlening van de bouwvergunning heeft de<br />

gemeenteraad op 21 januari 1998 een nieuw voorbereidingsbesluit<br />

genomen voor het gebied, waarna burgemeester<br />

en wethouders genoemd bezwaarschrift ongegrond<br />

hebben verklaard.<br />

De bouwvergunning is door de President van de arrondissementsrechtbank<br />

te Maastricht bij uitspraak<br />

van 8 juni 1998 herroepen. Blijkens die uitspraak<br />

heeft de President daarbij onder meer overwogen dat<br />

geen gedegen juridische grondslag voorhanden was<br />

waarop burgemeester en wethouders met recht en<br />

rede mochten anticiperen. Volgens de President had<br />

de bouw van een dergelijk aantal garages binnen een<br />

bestemming openbaar groen en gelegen naast een (potentieel)<br />

speelgebied grote invloed op het planologisch<br />

stedenbouwkundig beeld van de omgeving, zodat ter<br />

zake een bestemmingsplanprocedure diende te worden<br />

gevolgd.<br />

2.4.3.3. Uit het voorgaande blijkt dat de gemeenteraad<br />

gedurende lange tijd de intentie heeft gehad om<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


78<br />

aan het bouwplan van appellanten sub 2 medewerking<br />

te verlenen. Met de verschillende besluiten (grondverkoop,<br />

voorbereidingsbesluiten, vrijstelling) die de gemeenteraad<br />

ter zake heeft genomen, heeft hij naar het<br />

oordeel van de Afdeling bij appellanten sub 2 de gerechtvaardigde<br />

verwachting gewekt dat aan hun wensen<br />

met betrekking tot het perceel in een nieuw bestemmingsplan<br />

tegemoet zou worden gekomen. Gelet<br />

op het voorgaande is de Afdeling voorts van oordeel<br />

dat appellanten sub 2 niet kan worden tegengeworpen<br />

dat zij tegen de uitspraak van de President van 8 juni<br />

1998 geen hoger beroep hebben ingesteld maar hebben<br />

verkozen te wachten tot het nieuwe bestemmingsplan<br />

in procedure werd gebracht.<br />

Hoewel de gemeenteraad in beginsel de vrijheid<br />

toekomt om zijn beleid ten aanzien van te geven bestemmingen<br />

te wijzigen, dient hij bij het geven van een<br />

bestemming wel een door hem gewekte gerechtvaardigde<br />

verwachting als een zwaarwegend belang af<br />

te wegen tegen de andere belangen, zoals het algemeen<br />

belang en/of belangen van derden. Verweerders<br />

hebben miskend dat de gemeenteraad deze afweging<br />

niet heeft gemaakt.<br />

2.4.3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden<br />

besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het<br />

voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.<br />

Het beroep van appellanten sub 2 is gegrond,<br />

zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel<br />

3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden<br />

vernietigd voorzover het betreft de onthouding van<br />

goedkeuring aan het perceel (...)<br />

Ruimtelijke ordening<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


Planschadevergoeding Planschadevergoeding<br />

79<br />

79<br />

02-81<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 28 november 2001,<br />

nr. 200101548/1, inzake een verzoek om<br />

planschadevergoeding (gemeente Vlagtwedde).<br />

Bij vergelijking tussen hetgeen maximaal kon<br />

en kan worden gerealiseerd dient de onder het<br />

nieuwe regime geldende vrijstellingsmogelijkheid<br />

te worden betrokken. Na de planherziening is<br />

bebouwing, zij het na vrijstelling, evenzeer als<br />

voorheen (bij recht) mogelijk.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />

2.3. Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade<br />

in de vorm van gederfde inkomsten en beperking<br />

van de gewenste bedrijfsvoering, nu als gevolg van de<br />

herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan<br />

– wegens het ontbreken van een verklaring van<br />

geen bezwaar van gedeputeerde staten – bouwvergunning<br />

voor twee pluimveestallen is geweigerd.<br />

2.4. Op het betrokken perceel rustte op grond van het<br />

bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Vlagtwedde 1967-<br />

I’ de bestemming ‘agrarische doeleinden, categorie C’.<br />

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften<br />

zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd<br />

voor akkerbouw, tuinbouw, veehouderij, veeteelt<br />

of enige andere tak van bodemcultuur. Bij Koninklijk<br />

besluit van 4 december 1974 is aan de overige<br />

leden van artikel 8 goedkeuring onthouden, onder<br />

meer omdat de ten behoeve van bestaande agrarische<br />

veredelingsbedrijven geopende vrijstellingsmogelijkheid<br />

inzake de bouw van bijzondere agrarische gebouwen<br />

in redelijkheid ook ten behoeve van de bestaande<br />

grondgebonden agrarische bedrijven zou behoren te<br />

worden geboden.<br />

Bij de herziening van het bestemmingsplan in<br />

1979 is de bestemming van het betrokken perceel niet<br />

gewijzigd.<br />

Wel is aan artikel 8 een vijfde lid toegevoegd, waarin<br />

onder meer is bepaald dat bij op 10 april 1969 bestaande<br />

bijzondere agrarische gebouwen en bestaande<br />

bedrijfswoningen nieuwe bijzondere agrarische gebouwen<br />

mogen worden gebouwd, mits burgemeester en<br />

wethouders daarvoor vrijstelling hebben verleend.<br />

Voorts is in het zevende lid van artikel 8 bepaald dat<br />

burgemeester en wethouders van genoemde vrijstellingsbevoegdheid<br />

eerst gebruik kunnen maken, nadat<br />

van gedeputeerde staten een schriftelijke verklaring is<br />

ontvangen dat zij daartegen geen bezwaar hebben.<br />

Daarbij is tevens bepaald dat de vrijstelling slechts<br />

wordt geweigerd, indien door uitvoering van het bouwwerk<br />

blijvend onevenredige afbreuk zal worden gedaan<br />

aan natuur-, landschaps-, of dorpsschoon of indien er<br />

gevaar bestaat voor een uitzonderlijke ontwikkeling<br />

van een bedrijf dat wordt uitgeoefend in één of meer<br />

bijzondere agrarische gebouwen.<br />

Volgens de planvoorschriften – vóór evenals na de<br />

herziening – zijn pluimveestallen als bijzondere agrarische<br />

gebouwen te beschouwen.<br />

2.6. Met recht heeft de raad zich, in navolging<br />

van een advies van de SAOZ, op het standpunt gesteld<br />

dat appellant als gevolg van de planherziening niet in<br />

een nadeliger planologische positie is gekomen. Bij<br />

vergelijking tussen hetgeen maximaal kon en kan worden<br />

gerealiseerd dient de vrijstellingsmogelijkheid te<br />

worden betrokken. Na de planherziening was maximaal<br />

realisering van de pluimveestallen, zij het na vrijstelling,<br />

evenzeer als voorheen mogelijk. Dat de gevraagde<br />

bouwvergunning om formele redenen is geweigerd,<br />

doet daaraan niet af. Niet kan derhalve worden<br />

staande gehouden dat van een planologische verslechtering<br />

sprake is. De rechtbank heeft dit miskend.<br />

02-82<br />

Uitspraak van de arrondissementsrechtbank Assen<br />

van 18 december 2001, 99/763 BELEI, inzake<br />

een verzoek om planschadevergoeding (gemeente<br />

Zuidlaren, thans: Tynaarlo).<br />

Na wijziging planologisch regime<br />

overeengekomen voortzetting van een<br />

familiebedrijf door vennootschap die deels in<br />

handen is van vader en zoon, is niet te<br />

beschouwen als ononderbroken bedrijfsovergang<br />

zoals dat onder omstandigheden binnen de<br />

familiesfeer van vader op zoon denkbaar is.<br />

Planschade derhalve voorzienbaar voor<br />

vennootschap.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


80<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />

Feiten en omstandigheden<br />

In de afgelopen jaren is in Vries een aantal planologische<br />

veranderingen van verkeerstechnische aard doorgevoerd.<br />

De autosnelweg A-28 heeft ter hoogte van Tynaarlo<br />

op- en afritten gekregen, de traverse die door<br />

Vries loopt, is opnieuw ingericht en een noordelijke<br />

rondweg is aangelegd. Eiseres is eigenaresse van het<br />

inmiddels naar Tynaarlo verplaatste autobedrijf Geba-<br />

Auto BV, thans Kampsteeg Glimmen BV, dat tot begin<br />

van het jaar 2000 gevestigd was aan de (...). De (...) is<br />

een onderdeel van de traverse. Het bijbehorende benzinepompstation<br />

is thans nog wel aan de (...) gevestigd<br />

en wordt thans door derden geëxploiteerd.<br />

Eiseres zegt door de getroffen verkeersmaatregelen<br />

schade te hebben geleden zowel wat betreft de garage<br />

als het pompstation en heeft verweerder verzocht de<br />

schade conform artikel 49 WRO als planschade te vergoeden.<br />

Verweerder heeft de schadeclaim laten onderzoeken<br />

door de SAOZ te Rotterdam. De SAOZ heeft vastgesteld<br />

dat onderhavige verkeerswijzigingen te Vries op<br />

een viertal planologische besluiten berusten. Het bestemmingsplan<br />

‘Wegaansluiting Tynaarlo en uitbreiding<br />

Industrieterrein’, dat d.d. 23 december 1991 onherroepelijk<br />

is geworden, het bestemmingsplan ‘Vries<br />

Noordelijke Rondweg’ dat sedert 6 april 1994 (gedeeltelijk)<br />

onherroepelijk is, het vrijstellingsbesluit ex art.<br />

19 WRO d.d. 10 september 1991 omtrent de herinrichting<br />

van de traverse door Vries, dit besluit is sedert<br />

31 mei 1994 onherroepelijk en tenslotte het vrijstellingsbesluit<br />

ex art 19 WRO d.d. 11 januari 1994 betreffende<br />

de rotonde en de carpoolplaats bij Rhee dat<br />

sedert 13 juni 1994 onherroepelijk is geworden. Alle<br />

vier besluiten mogen worden opgevat als een concretisering<br />

van plannen zoals die in het ‘Structuurplan<br />

1985’ van 1 februari 1972 zijn aangekondigd teneinde<br />

het aantal voertuigen dat het centrum van Vries<br />

passeert, terug te dringen.<br />

De SAOZ acht in beginsel weliswaar aangetoond<br />

dat wat betreft de brandstofverkoop Geba-Auto schade<br />

van voornoemde planologische besluiten heeft geleden,<br />

maar concludeert voorts dat deze schade redelijkerwijs<br />

voor eiseres dient te blijven nu zij ten tijde van<br />

haar vestiging d.d. 1 januari 1974, kennis had kunnen<br />

nemen van het op 28 maart 1972 vastgestelde ‘Structuurplan<br />

1985’ en het bestemmingsplan ‘Vries’ dat<br />

Planschadevergoeding<br />

eerder in 1971 werd vastgesteld en in welke besluiten<br />

gepreludeerd wordt op maatregelen die de verkeersdruk<br />

in de kom van Vries moeten verminderen. De<br />

SAOZ adviseert derhalve de gemeenteraad om het verzoek<br />

van eiseres tot vergoeding van de planschade af<br />

te wijzen. Verweerder heeft conform het advies het<br />

thans bestreden besluit genomen.<br />

Standpunten partijen<br />

Eiseres stelt dat als gevolg van de verkeerswijzigingen<br />

in en rond Vries haar bedrijf schade heeft geleden.<br />

Deze schade is volgens eiseres niet voorzienbaar geweest.<br />

Eiseres meent dat Geba-Auto BV niet pas sedert<br />

1974 aan de (...) is gevestigd, maar moet worden<br />

opgevat als een directe ononderbroken voortzetting<br />

van vader op zoon van het familiebedrijf (A) van vader<br />

(A.A.) en zijn zoon (B.A.), de huidige directeur/grootaandeelhouder<br />

van eiseres, dat reeds in 1964, en dus<br />

ver voor een eerste aankondiging van de verkeersplannen<br />

aangaande het centrum van Vries, aan de (...) is<br />

gevestigd.<br />

(...)<br />

Beoordeling<br />

De rechtbank overweegt dat primair de vraag beantwoord<br />

dient te worden of eiseres beschouwd kan worden<br />

als een rechtstreekse voortzetting van het voormalige<br />

familiebedrijf van (A.A.) en (B.A.). Wordt deze<br />

vraag niet bevestigend beantwoord dan behoeft de inhoudelijke<br />

vraag omtrent planschadevergoeding niet<br />

meer te worden beantwoord, omdat alsdan de zogenaamde<br />

voorzienbare schade conform de uitlegging<br />

van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van<br />

State (AB 1996/309) in redelijkheid voor rekening van<br />

eiseres dient te blijven.<br />

De rechtbank onderschrijft in zoverre de conclusie<br />

van de <strong>StAB</strong> in haar deskundigenrapport.<br />

Met betrekking tot de vraag of er in casu sprake is<br />

van voorzienbare schade overweegt de rechtbank het<br />

volgende. Het ‘Structuurplan 1985’ van 1 februari<br />

1972 alsmede het bestemmingsplan ‘Vries’ uit 1971<br />

zijn voldoende duidelijk zijn geweest omtrent het streven<br />

naar een vermindering van de verkeersdrukte in de<br />

kern van Vries. Op grond van een vergelijking van de<br />

op 1 januari 1974 vigerende planologische regimes,<br />

waaronder als belangrijkste het ‘Structuurplan 1985’<br />

uit 1972, en de thans gerealiseerde maatregelen op<br />

grond van de vier reeds eerder aangehaalde planologische<br />

besluiten uit 1991 en 1994, oordeelt de recht-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


ank dat ongeacht of het aannemelijk is dat er in beginsel<br />

planschade geleden kan zijn, zoals de SAOZ het<br />

stelt, het juist is wanneer de STAB in haar deskundigenrapport<br />

voorop stelt dat de beantwoording van de<br />

vraag naar planschade en eventuele omvang ervan,<br />

pas relevant wordt wanneer vaststaat dat eiseres een<br />

en dezelfde onderneming is als het familiebedrijf (A)<br />

van voor 1 januari 1974. Dit betekent in onderhavige<br />

zaak dat er sprake is van voorzienbare schade indien<br />

na 1 februari 1972 met een nieuw bedrijf is gestart of<br />

het bestaand bedrijf is overgenomen.<br />

Blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel<br />

is op 1 februari 1972 opgericht de besloten vennootschap<br />

Geba-Auto BV. Aandeelhouders waren<br />

destijds de heer (B) (50%), vader (A.A.) en de huidige<br />

directeur/grootaandeelhouder van eiseres (B.A.)<br />

(samen eveneens 50%). De vennootschap werd gevestigd<br />

in Groningen aan de (...). Eveneens uit de gegevens<br />

van de Kamer van Koophandel blijkt dat per 1<br />

januari 1974 het familiebedrijf aan de (...) door voornoemde<br />

vennootschap wordt voortgezet als een filiaal<br />

van Geba-Auto BV te Groningen. De rechtbank overweegt<br />

dat deze overgang niet beschouwd kan en mag<br />

worden als een ononderbroken bedrijfsovergang zoals<br />

dat onder omstandigheden binnen de familiesfeer van<br />

vader op zoon denkbaar is. Het familiebedrijf wordt per<br />

1 februari 1972 niet voortgezet of louter ondergebracht<br />

in een op dat moment opgerichte vennootschap<br />

met als enige aandeelhouders de deelnemers van het<br />

familiebedrijf, maar het bedrijf wordt ingebracht, overgedaan,<br />

aan een reeds gevestigde en elders het bedrijf<br />

uitoefenende onderneming, te weten Geba-Auto BV te<br />

Groningen. Het enkele feit dat vader en zoon (A) medeaandeelhouders<br />

zijn in Geba-Auto BV, doet hier niet<br />

aan af. De rechtbank is van oordeel dat eiseres bij<br />

voortzetting van het familiebedrijf (A) te Vries als filiaal<br />

van het bedrijf Auto-Geba BV te Groningen had behoren<br />

te onderzoeken of het per 1 januari 1974 vigerende<br />

planologische regime wellicht in de toekomst nadelige<br />

gevolgen voor het filiaal kon inhouden. De eventuele<br />

schade was derhalve voorzienbaar.<br />

Planschadevergoeding<br />

02-83<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 6 februari <strong>2002</strong>,<br />

nr. 200102764/1, inzake een verzoek om<br />

planschadevergoeding (gemeente Woerden).<br />

Het is aan appellant om aannemelijk te maken<br />

dat en in welke omvang de omzetdaling van zijn<br />

bedrijf aan de planologische verslechtering moet<br />

worden toegerekend.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />

81<br />

2.3. Appellant exploiteert sinds 1980 in een pand aan<br />

de (A)weg te Woerden een garagebedrijf. De (A)weg is<br />

alleen bereikbaar via de (B)laan. Vooruitlopend op de<br />

vaststelling van het bestemmingsplan ‘Spoorbaanverbreding’<br />

hebben burgemeester en wethouders van<br />

Woerden in 1993 en 1994 drie vrijstellingsbesluiten<br />

op grond van artikel 19 van de WRO alsmede daarmee<br />

verband houdende verkeersbesluiten genomen. Tengevolge<br />

van de aldus gewijzigde verkeerssituatie maakt<br />

de (B)laan geen deel meer uit van de doorgaande route<br />

voor het snelverkeer. Een verbinding tussen de (B)laan<br />

en de nieuwbouwwijk ‘Snel en Polanen’ biedt thans<br />

nog doorgang aan het gemotoriseerd verkeer. In verband<br />

hiermee heeft appellant onder meer verzocht om<br />

vergoeding van planschade.<br />

2.4. De raad heeft zich, op basis van adviezen van de<br />

als deskundige ingeschakelde Stichting Adviesbureau<br />

Onroerende Zaken (SAOZ), op het standpunt gesteld<br />

dat enig causaal verband tussen de planologische wijziging<br />

en de gestelde schade in de vorm van omzetverlies<br />

en winstderving ontbreekt.<br />

2.5. De rechtbank is gelet op de stukken en het verhandelde<br />

ter zitting niet tot de overtuiging gekomen<br />

dat, hoewel door de planologische wijzigingen onmiskenbaar<br />

een zekere verslechtering van de mogelijkheden<br />

voor automobilisten is opgetreden om met name<br />

vanuit het centrum van Woerden het garagebedrijf van<br />

appellant te bereiken, de raad ten onrechte heeft besloten<br />

dat daardoor voor diens bedrijf omzet- en winstschade<br />

is ontstaan, die voor vergoeding op voet van artikel<br />

49 van de WRO in aanmerking komt. Zij heeft<br />

daartoe samengevat overwogen, dat reeds voor de wijziging<br />

van de verkeersstructuur van een dalende ten-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


82<br />

dens sprake was en niet is gebleken dat deze door de<br />

wijziging is versterkt danwel bij het uitblijven daarvan<br />

in positieve zin zou zijn omgebogen.<br />

2.6. Appellant heeft in hoger beroep onder meer betoogd<br />

dat alleen de verslechterde bereikbaarheid en de<br />

verminderde resultaten van zijn bedrijf ná de wijziging<br />

van de verkeerssituatie relevant zijn voor de beoordeling<br />

van de vraag naar de geleden planschade. De situatie<br />

voorafgaand aan de planologische wijzigingen had<br />

buiten beschouwing moeten worden gelaten.<br />

Appellant heeft verder betoogd dat de rechtbank<br />

ten onrechte zonder meer de adviezen van de SAOZ<br />

heeft gevolgd, onder voorbijgaan van het door hem<br />

overgelegde rapport van het als deskundige ingeschakelde<br />

Adviesbureau Van Montfoort, waarin is vermeld<br />

dat er wel een causaal verband aanwezig is tussen de<br />

planologische wijzigingen en de schade. Appellant<br />

heeft voorts nog aangevoerd dat de raad ongemotiveerd<br />

is afgeweken van het advies van de gemeentelijke<br />

bezwaarschriftencommissie die, op basis van de<br />

constatering van de SAOZ dat niet kan worden uitgesloten<br />

dat de gewijzigde verkeerssituatie de neergaande<br />

ontwikkeling van het bedrijf van appellant enigszins<br />

heeft versneld, ook het bestaan van (enig) causaal verband<br />

heeft aangenomen.<br />

2.7. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of de<br />

wijziging van het planologisch regime heeft geleid tot<br />

omzetverlies voor het bedrijf van appellant dat op de<br />

voet van artikel 49 WRO voor vergoeding in aanmerking<br />

komt. De rechtbank heeft deze vraag, in navolging<br />

van de raad, naar het oordeel van de Afdeling op goede<br />

gronden ontkennend beantwoord. De door het Adviesbureau<br />

van Montfoort uitgevoerde contra-expertise<br />

biedt geen aanknopingspunten die een ander oordeel<br />

rechtvaardigen. De stellingname in dit rapport dat de<br />

omstandigheid dat de omzetdaling mogelijkerwijs het<br />

gevolg zou kunnen zijn van andere factoren dan de planologische<br />

mutaties, het causaal verband tussen de<br />

planologische maatregelen en de bestaande nadelige<br />

situatie van het bedrijf geenszins in zijn totaliteit opheft,<br />

is als zodanig onvoldoende om tot een ander oordeel<br />

te komen. Het is aan appellant om aannemelijk te<br />

maken dat en in welke omvang de omzetdaling van appellant<br />

aan de planologische verslechtering moet worden<br />

toegerekend. Terecht is de rechtbank tot het oordeel<br />

gekomen dat appellant hierin niet is geslaagd.<br />

Hetgeen appellant heeft betoogd, leidt derhalve<br />

Planschadevergoeding<br />

niet tot het oordeel dat de rechtbank de beslissing op<br />

bezwaar ten onrechte in stand heeft gelaten.<br />

02-84<br />

Uitspraak van de arrondissementsrechtbank<br />

Utrecht van 12 februari <strong>2002</strong>, SBR nr.<br />

2000/1064, inzake een verzoek om planschadevergoeding<br />

(gemeente Amersfoort).<br />

Schadevergoeding wordt ‘zelfstandig schadebesluit’<br />

nu het planologische regime dat de<br />

schadeveroorzakende maatregel mogelijk maakte,<br />

is vernietigd en het ervoor moet worden gehouden<br />

dat geen legalisering plaatsvindt.<br />

Schadevergoeding gesteld op het gemiddelde<br />

van door (partij)deskundigen getaxeerde<br />

bedragen.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />

2. Overwegingen<br />

Bij besluit van 9 september 1994 heeft verweerder<br />

ongegrond verklaard de bezwaren van eisers, gericht<br />

tegen het besluit van 22 februari 1994, waarbij verweerder<br />

aan Bouwbedrijf Hoffmann B.V. te Amersfoort<br />

een bouwvergunning, met vrijstelling op grond van artikel<br />

19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening<br />

(WRO), heeft verleend ten behoeve van de bouw van<br />

een woongebouw met 23 woningen en een aantal garageboxen<br />

op het perceel (...).<br />

Het door eisers tegen dat besluit ingestelde beroep,<br />

geregistreerd onder nummer 94/3991 WRO19, is<br />

door de rechtbank bij uitspraak van 9 december 1996<br />

gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger<br />

beroep ingesteld, zodat die uitspraak inmiddels in<br />

rechte onaantastbaar is geworden. Er is door verweerder<br />

geen nieuw besluit op bezwaar genomen.<br />

Naar aanleiding van deze uitspraak van de rechtbank<br />

heeft de raadsman van eisers zich op 29 augustus<br />

1997 tot verweerder gewend met het verzoek eisers<br />

een vergoeding voor geleden schade toe te kennen,<br />

welk verzoek door eisers was gegrond op artikel 49<br />

van de WRO. Daarbij is door eisers aangevoerd dat<br />

hun woonhuizen ten gevolge van de met vrijstelling ex<br />

artikel 19 van de WRO verleende bouwvergunning in<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


waarde zijn gedaald. Door eisers is daarbij onder meer<br />

gewezen op de toegenomen verkeersdrukte cq -hinder,<br />

het toegenomen parkeertekort, de toegenomen geluidshinder<br />

en de verstoring van de privacy.<br />

Het verzoek om schadevergoeding hebben eisers<br />

onderbouwd met een viertal taxatierapporten van (F),<br />

makelaar in en taxateur van onroerende goederen te<br />

Amersfoort, waarin voor elk van de woningen een<br />

waardedaling is aangegeven als gevolg van de bouw<br />

van complex (...).<br />

Mede op grond van die rapporten hebben eisers<br />

aan verweerder verzocht hen de volgende bedragen,<br />

exclusief wettelijke rente, als schadevergoeding toe te<br />

kennen:<br />

– eiser (A): ƒ 28,320,55;<br />

– eiser (B): ƒ 18.468,60;<br />

– eiser (C): ƒ 38.447,45 en<br />

– eiseres (D): ƒ 23.235,95.<br />

Bij schrijven van 18 november 1998 is door eisers<br />

onder meer aan verweerder medegedeeld dat het verzoek<br />

om schadevergoeding tevens moet worden opgevat<br />

als een verzoek om afgifte van een zelfstandig<br />

schadebesluit.<br />

Bij brief van 11 maart 1999 is door eisers aan verweerder<br />

medegedeeld dat het op artikel 49 van de<br />

WRO gebaseerde verzoek om (plan)schadevergoeding<br />

niet langer wordt gehandhaafd.<br />

Op verzoek van verweerder zijn door de SAOZ in oktober<br />

1998 een viertal rapporten uitgebracht betreffende<br />

de vraag of eisers schade hebben geleden door de oprichting<br />

van het complex (...).<br />

Op 14 januari 1999 is van de zijde van de SAOZ<br />

gereageerd op de namens eisers ingediende bezwaren<br />

tegen de door de SAOZ in oktober 1998 uitgebrachte<br />

rapporten.<br />

Vervolgens heeft verweerder het besluit van 1 juli<br />

1999 genomen, waarbij naar aanleiding van het ingediende<br />

verzoek om schadevergoeding het volgende<br />

standpunt is ingenomen:<br />

– eiser (A): vergoeding van ƒ 10.000,–, te vermeerderen<br />

met de wettelijke rente vanaf 9 september<br />

1994 tot en met de dag van uitbetaling en vergoeding<br />

van gemaakte kosten van rechtsbijstand en<br />

deskundigen ten bedrage van ƒ 3.320,55;<br />

– eiser (C): vergoeding van ƒ 5.000,–, te vermeer-<br />

Planschadevergoeding<br />

83<br />

deren met de wettelijke rente vanaf 9 september<br />

1994 tot en met de dag van uitbetaling en vergoeding<br />

van gemaakte kosten van rechtsbijstand en<br />

deskundigen ten bedrage van ƒ 3.447,45;<br />

– eiser (B): geen vergoeding van schade; en<br />

– eiseres (D): geen vergoeding van schade.<br />

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de door eisers<br />

ingediende bezwaren tegen het besluit van 1 juli<br />

1999 ongegrond verklaard.<br />

Het bestreden besluit van 26 april 2000 behelst een<br />

zogenoemd zelfstandig schadebesluit. Rechtstreekse<br />

toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht<br />

(Awb), op grond van welke bepaling de<br />

rechtbank schadevergoeding ten laste van een bestuursorgaan<br />

kan toekennen in een lopende procedure,<br />

is derhalve niet aan de orde.<br />

Gelet op de ter zake geldende jurisprudentie zal de<br />

rechtbank aansluiting zoeken bij hetgeen in het kader<br />

van de toepassing van die bepaling ten aanzien van gevallen<br />

als het onderhavige is overwogen.<br />

De rechtbank zal bij de beoordeling van het door eisers<br />

gedane verzoek om schadevergoeding voorts aansluiting<br />

zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht,<br />

waarbij wordt verwezen naar een tweetal<br />

uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 16<br />

april 1996 (JB 1996/117) en 4 juli 1996 (TAR<br />

1996/140).<br />

In dit geding staat ter beoordeling het door eisers gedane<br />

verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding,<br />

bestaande in de waardevermindering van<br />

hun woningen, de taxatiekosten, kosten van rechtsbijstand<br />

en wettelijke rente. Het verzoek om vergoeding<br />

wegens geleden immateriële schade is ter zitting door<br />

eisers ingetrokken.<br />

A. Waardevermindering van eisers woningen<br />

Ter ondersteuning van hun verzoek om schadevergoeding<br />

hebben eisers gesteld dat de ten onrechte verleende<br />

bouwvergunning ten behoeve van de bouw van<br />

een woongebouw en een aantal garageboxen op het<br />

perceel (...), tot gevolg heeft dat hun woning in waarde<br />

is gedaald. Op basis van, in hun opdracht, opgestelde<br />

taxatierapporten hebben zij de door hen geleden schade,<br />

voorzover het betreft de waardevermindering van<br />

hun woningen, vastgesteld op een bedrag variërend<br />

van ƒ 15.000,– tot ƒ 35.000,–.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


84<br />

Gebleken is dat verweerder het voornemen heeft de illegale<br />

bouw bij een herziening van het bestemmingsplan<br />

te legaliseren. Gelet op hetgeen van de zijde van<br />

verweerder ter zitting is aangevoerd, moet het evenwel<br />

niet aannemelijk worden geacht dat de legalisering<br />

binnen afzienbare tijd haar beslag zal krijgen. Bij het<br />

beoordelen van het verzoek om schadevergoeding<br />

moet het er dan ook voor worden gehouden dat geen<br />

legalisering plaatsvindt.<br />

Ten aanzien van de woningen van eisers (A) en (C).<br />

Verweerder heeft de waardevermindering van de woning<br />

van eiser (A) vastgesteld op ƒ 10.000,– en die<br />

van eiser (C) op ƒ 5.000,–. Aan dit standpunt heeft<br />

verweerder ten grondslag gelegd de rapportage van de<br />

SAOZ, welke rapportage mede is gebaseerd op de<br />

zienswijze van de door de SAOZ geraadpleegde deskundige<br />

(E), makelaar en taxateur in onroerende zaken<br />

te Utrecht.<br />

Vastgesteld kan dan ook worden dat tussen partijen<br />

niet in geschil is dat de woningen van eisers (A) en (C)<br />

als gevolg van de illegale bouw in waarde zijn gedaald.<br />

Partijen verschillen echter wel van mening omtrent de<br />

hoogte van de waardevermindering van eisers woningen.<br />

De rechtbank zal zich dan ook tot dit punt van geschil<br />

beperken.<br />

Zowel eisers als verweerder hebben zich bij de vaststelling<br />

van de waardevermindering van de woningen<br />

laten adviseren door een makelaar en taxateur in onroerende<br />

zaken, die de waarde van de woningen van<br />

eisers vóór en na de realisering van de illegale bouw<br />

hebben getaxeerd.<br />

De door eisers (A) en (C) geraadpleegde makelaar<br />

(F), wiens deskundigheid in deze door verweerder<br />

overigens niet wordt betwist, taxeert blijkens zijn rapport<br />

de waarde van de woningen van eisers (A) en (C)<br />

vóór de realisering van de illegale bouw op een bedrag<br />

van ƒ 480.000,– respectievelijk ƒ 550.000,–.<br />

Blijkens het rapport van de SAOZ van oktober<br />

1998 taxeert de door deze stichting ingeschakelde<br />

makelaar (E) de woning van eiser (A) eveneens op een<br />

bedrag van ƒ 480.000,– en de woning van eiser (C)<br />

op een bedrag van ƒ 570.000,–.<br />

Gelet op deze taxaties stelt de rechtbank vast dat<br />

beide makelaars niet dan wel nauwelijks van mening<br />

verschillen omtrent de waarde van de woningen van<br />

Planschadevergoeding<br />

eisers vóór de realisering van de illegale bouw. De<br />

rechtbank is zich daarbij bewust van het feit dat beide<br />

taxateurs bij hun taxaties zijn uitgegaan van een verschillende<br />

peildatum, te weten 1 april 1997 respectievelijk<br />

december 1996.<br />

Mede gelet op het feit dat door de getuige-deskundige<br />

ter zitting is verklaard dat de marktwaarde van de<br />

woningen in die periode niet of nauwelijks is gewijzigd,<br />

bieden de betreffende taxaties naar het oordeel van de<br />

rechtbank een voldoende basis om als uitgangspunt te<br />

dienen voor de beoordeling van de vraag of sprake is<br />

van een waardevermindering van de betreffende woningen.<br />

De waarde van de woningen van eisers (A) en (C)<br />

wordt door makelaar (F) ná de realisering van de illegale<br />

bouw getaxeerd op ƒ 455.000,– respectievelijk<br />

ƒ 535.000,–, waarmee de waardedrukkende werking<br />

die van de illegale bouw uitgaat door deze makelaar<br />

wordt bepaald op ƒ 25.000,– respectievelijk<br />

ƒ 35.000,–.<br />

De door de SAOZ geraadpleegde makelaar (E)<br />

taxeert de betreffende woningen op dat tijdstip op<br />

ƒ 470.000,– respectievelijk ƒ 545.000,–, hetgeen<br />

neerkomt op een waardedaling van ƒ 10.000,– respectievelijk<br />

ƒ 5.000,–. Aldus resteert een verschil van<br />

ƒ 15.000,– respectievelijk ƒ 30.000,– met de door<br />

eisers (cq makelaar (F)) geschatte waardevermindering.<br />

Door de getuige-deskundige (F) is ter zitting met<br />

betrekking tot deze vastgestelde waardedalingen onder<br />

meer opgemerkt dat dergelijke verschillen bij taxaties<br />

veelal zullen optreden, aangezien taxaties worden beinvloed<br />

door de persoonlijke inschatting van de betreffende<br />

makelaar/taxateur.<br />

Ondanks deze niet met elkaar overeenstemmende<br />

vaststelling van de waardedalingen ziet de rechtbank<br />

geen aanleiding om zelf één of meer deskundigen te<br />

benoemen voor het instellen van een onafhankelijk<br />

onderzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking<br />

genomen dat de geconstateerde verschillen in waardevaststelling<br />

relatief bezien niet zo groot zijn, dat dit een<br />

nader onderzoek rechtvaardigt.<br />

De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden<br />

aangewezen de door eisers geleden schade ex<br />

aequo et bono te bepalen op het gemiddelde van de<br />

door betreffende makelaars/taxateurs vastgestelde<br />

waardedalingen, hetgeen in het geval van eiser<br />

(A) neerkomt op een bedrag van ƒ 17.500,–<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


(€ 7.941,19), zijnde het gemiddelde van ƒ 10.000,–<br />

en ƒ 25.000,–, en in het geval van (C) op een bedrag<br />

van ƒ 20.000,– (€ 9.075,65), zijnde het gemiddelde<br />

van ƒ 5.000,– en ƒ 35.000,–.<br />

De rechtbank merkt daarbij, in navolging van de Afdeling<br />

bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie<br />

onder meer BR 1999/43) nog op, dat aan de taxatie<br />

van de waarde van woningen in het kader van de vaststelling<br />

van de onroerend-zaakbelasting in het kader<br />

van het onderhavige verzoek om schadevergoeding<br />

geen waarde kan worden gehecht.<br />

02-85<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 24 april <strong>2002</strong>,<br />

nr. 200004482/1, inzake een verzoek om<br />

planschadevergoeding (gemeente Nieuwegein).<br />

Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb dient naar<br />

het oordeel van de Afdeling aldus te worden<br />

uitgelegd, dat, ingeval een beroep bij de<br />

rechtbank aanhangig is tegen een fictieve<br />

weigering te beslissen op een bezwaar, dat beroep<br />

mede geacht wordt te zijn gericht tegen een<br />

hangende het beroep alsnog genomen reële<br />

beslissing op bezwaar. Indien echter hangende het<br />

beroep tegen een fictieve weigering te besluiten<br />

op bezwaar, alsnog een eerste reële beslissing op<br />

een aanvraag wordt genomen, kan het bij de<br />

rechtbank aanhangige beroep niet mede geacht<br />

worden te zijn gericht tegen die beslissing.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />

Algemene wet bestuursrecht, artikelen 6:20 en<br />

7:1<br />

1. Procesverloop<br />

Bij brief van 26 maart 1997 heeft (A.A.) een verzoek<br />

om planschadevergoeding ex artikel 49 van de Wet op<br />

de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ingediend.<br />

Op 26 mei 1998 heeft (A.A.) bezwaar gemaakt tegen<br />

het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek.<br />

Bij brief van 11 maart 1999 heeft (A.A.) beroep ingesteld<br />

bij de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hier-<br />

Planschadevergoeding<br />

na: de rechtbank) tegen het niet, althans niet tijdig<br />

nemen van een beslissing op zijn bezwaar tegen het<br />

niet, althans niet tijdig nemen van een beslissing op<br />

het verzoek.<br />

Bij besluit van 9 september 1999 heeft de raad van de<br />

gemeente Nieuwegein (hierna: de raad) medegedeeld<br />

dat het verzoek om planschadevergoeding is afgewezen<br />

en dat tegen deze beslissing een bezwaarschrift bij<br />

de raad kan worden ingediend.<br />

Dit besluit is aangehecht (hier niet opgenomen,<br />

red.).<br />

Bij brief van 5 oktober 1999 heeft (A.A.) een bezwaarschrift<br />

ingediend tegen het besluit van 9 september<br />

1999. Tevens – namelijk ingeval het besluit van 9 september<br />

1999 zou moeten worden geduid als beslissing<br />

op bezwaar – heeft hij de brief van 5 oktober 1999 als<br />

beroepschrift bij de rechtbank ingediend.<br />

Bij uitspraak van 15 augustus 2000, verzonden op<br />

dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te<br />

Utrecht (hierna: de rechtbank) het beroep, voorzover<br />

gericht tegen het niet nemen van een besluit op het verzoek<br />

om planschadevergoeding niet-ontvankelijk, en<br />

voor het overige ongegrond verklaard. Daarbij heeft de<br />

rechtbank, onder toepassing van artikel 6:20, vierde<br />

lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van<br />

11 maart 1999 mede gericht geacht tegen het besluit<br />

van 9 september 1999. Deze uitspraak is aangehecht<br />

(hier niet opgenomen, red.).<br />

Tegen deze uitspraak heeft (A.A.) bij brief van 19 september<br />

2000, bij de Raad van State ingekomen op<br />

21 september 2000, hoger beroep ingesteld. Deze<br />

brief is aangehecht (hier niet opgenomen, red.).<br />

(A.A.) is op 24 december 2000 overleden. De procedure<br />

is voortgezet door zijn echtgenote, (B.A.).<br />

(...)<br />

85<br />

Overwegingen<br />

2.1. De Afdeling is er in het navolgende van uitgegaan<br />

dat appellante, als rechtsopvolgster onder algemene<br />

titel van wijlen (A.A.), als belanghebbende in de zin<br />

van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht<br />

(Awb) moet worden beschouwd.<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


86<br />

2.2.0. De gronden van het hoger beroep beperken zich<br />

tot het oordeel en het dictum van de rechtbank waarbij<br />

het beroep ongegrond is verklaard.<br />

2.2.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord<br />

of het besluit van 9 september 1999 (uitsluitend) als<br />

een beslissing op het verzoek van 26 maart 1997, dan<br />

wel (tevens) als een beslissing op het bezwaarschrift<br />

van 26 mei 1998 moet worden geduid.<br />

2.2.2. Daarbij stelt de Afdeling vast dat, noch uit de<br />

wijze van totstandkoming, noch uit de inhoud van het<br />

besluit kan worden opgemaakt dat is beoogd een beslissing<br />

op het bezwaarschrift te geven. In dat verband<br />

kan onder meer worden gewezen op de rechtsmiddelenclausule<br />

onder het besluit, waarin betrokkene wordt<br />

gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift<br />

tegen dit besluit in te dienen bij de raad.<br />

2.2.3. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel<br />

dat het besluit van 9 september 1999 niet kan<br />

worden aangemerkt als een beslissing op bezwaar,<br />

doch als een primaire beslissing op het verzoek om<br />

planschadevergoeding.<br />

2.3.1. Appellante heeft ter zitting de bevoegdheid van<br />

de rechtbank om op het beroep, c.q. op het als beroepschrift<br />

doorgezonden bezwaarschrift te beslissen, bestreden.<br />

2.3.2. Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb dient naar<br />

het oordeel van de Afdeling aldus te worden uitgelegd,<br />

dat, ingeval een beroep bij de rechtbank aanhangig is<br />

tegen een fictieve weigering te beslissen op een bezwaar,<br />

dat beroep mede geacht wordt te zijn gericht<br />

tegen een hangende het beroep alsnog genomen reële<br />

beslissing op bezwaar. Indien echter hangende het beroep<br />

tegen een fictieve weigering te besluiten op bezwaar,<br />

alsnog een eerste reële beslissing op een aanvraag<br />

wordt genomen, kan het bij de rechtbank aanhangige<br />

beroep niet mede geacht worden te zijn gericht<br />

tegen die beslissing. Ingevolge artikel 7:1, eerste<br />

lid, van de Awb, dient tegen die beslissing eerst een<br />

bezwaarschrift te worden ingediend. Een andersluidende<br />

opvatting zou tekort doen aan het uitgangspunt<br />

van de Awb dat, alvorens de rechter om een oordeel<br />

gevraagd kan worden, eerst in de bezwaarschriftprocedure<br />

een heroverweging dient plaats te vinden.<br />

Dit betekent dat tegen het besluit van 9 september<br />

Planschadevergoeding<br />

1999 geen rechtstreeks beroep kon worden ingesteld.<br />

Ter zake diende eerst een beslissing te worden genomen<br />

op het bezwaarschrift van 5 oktober 1999 tegen<br />

het besluit van 9 september 1999.<br />

2.4. De rechtbank heeft een en ander miskend. Het<br />

hoger beroep is dan ook gegrond. De aangevallen uitspraak<br />

dient derhalve te worden vernietigd wat betreft<br />

de ongegrondverklaring van het beroep. De Afdeling<br />

ziet aanleiding om, doende wat de rechtbank zou behoren<br />

te doen, het tegen het besluit van 9 september<br />

1999 ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk te<br />

verklaren en het bezwaarschrift door te sturen naar de<br />

gemeenteraad.<br />

Noot: zie ook Nieuwsbrief <strong>StAB</strong> <strong>2002</strong>-1, 1-140<br />

(200101280)<br />

02-86<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>,<br />

nr. 200100768/1, inzake een verzoek om<br />

planschadevergoeding (gemeente Tubbergen).<br />

Wijzigingsbevoegdheid in voormalige<br />

planologische regime was voldoende bepaalbaar,<br />

zodat schade (door wijzigingsplan) voorzienbaar<br />

was.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikelen 11 en<br />

49<br />

2.1.1. Ingevolge artikel 11, eerste en zesde lid, van de<br />

WRO, voorzover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan<br />

worden bepaald dat burgemeester en wethouders<br />

binnen bij het plan te bepalen grenzen het<br />

plan kunnen wijzigen en worden wijzigingen als in dit<br />

artikel bedoeld geacht van het plan deel uit te maken.<br />

2.2. (...) bezit een huis aan de (...). Hij heeft op 23<br />

september 1998 bij appellant een verzoek ingediend<br />

om vergoeding van schade, die het gesteld gevolg is<br />

van een besluit van burgemeester en wethouders van<br />

Tubbergen van 22 juli 1997, waarbij deze toepassing<br />

hebben gegeven aan de hun op grond van artikel 5, lid<br />

F, onder 2, van de voorschriften van het bestemmings-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


plan ‘Buitengebied’, in samenhang met artikel 11 van<br />

de WRO, toekomende wijzigingsbevoegdheid. Als gevolg<br />

van dit besluit is de bestemming van de grond gelegen<br />

ten zuidoosten van de woning van (...) van ‘agrarisch<br />

gebied met landschappelijke waarden’ gewijzigd<br />

in de bestemming ‘agrarisch bouwblok’. Het bestemmingsplan<br />

‘Buitengebied’ is door appellant op 11 januari<br />

1982 vastgesteld en is op 28 december 1985 onherroepelijk<br />

geworden.<br />

2.3. Appellant heeft het planschadeverzoek van (...)<br />

afgewezen en deze afwijzing bij de beslissing op bezwaar<br />

gehandhaafd. Daarbij is appellant niet afgeweken<br />

van zijn eerder – in afwijking van het advies van de planschadebeoordelingscommissie<br />

– ingenomen standpunt<br />

dat gebruik is gemaakt van een voldoende bepaalbare<br />

wijzigingsbevoegdheid en – voorzover moet worden geoordeeld<br />

dat sprake is van een verslechtering van het<br />

planologisch regime – de wijziging in de lijn der verwachtingen<br />

lag, dan wel voorzienbaar was.<br />

2.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van<br />

een wijziging van het planologisch regime, waardoor<br />

(...) in een positie is komen te verkeren tengevolge<br />

waarvan hij schade lijdt of zal lijden. De rechtbank<br />

heeft daarbij overwogen dat de in artikel 5, lid F, onder<br />

2, van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid,<br />

die voor nagenoeg het gehele buitengebied<br />

van de gemeente Tubbergen geldt, van zó algemene<br />

aard is, dat het op basis daarvan niet voorzienbaar<br />

was dat juist op het perceel naast dat van (...) een<br />

agrarisch bouwblok zou worden gesitueerd, laat staan<br />

dat hierop een varkenshouderij van zo grote omvang<br />

als thans mogelijk is zou worden gevestigd. Volgens de<br />

rechtbank zal als gevolg van de wijziging het uitzicht<br />

verslechteren en is het aannemelijk dat de waarde van<br />

de onroerende zaken van (...) zal dalen en dient die<br />

schade, vanwege de onvoorzienbaarheid van de wijziging,<br />

niet geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening te<br />

blijven. In verband hiermee heeft de rechtbank de beslissing<br />

op bezwaar vernietigd.<br />

2.5. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de<br />

rechtbank dat voor (...) door het wijzigingsbesluit van<br />

burgemeester en wethouders van 22 juli 1997 een<br />

verslechterde planologische situatie is ontstaan ten opzichte<br />

van het voorheen geldende regime. Vervolgens<br />

heeft de rechtbank echter miskend dat de mogelijkheden<br />

waarin de gerealiseerde bestemmingswijziging<br />

Planschadevergoeding<br />

voorziet voor hem voorzienbaar zijn geweest. Anders<br />

dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid,<br />

die besloten lag in het op 28 december<br />

1985 onherroepelijk geworden bestemmingsplan,<br />

voldoende bepaalbaar was, aangezien deze beperkt<br />

was tot de bestemmingen ‘agrarisch gebied’ en<br />

‘agrarisch gebied met landschappelijke waarden’. In<br />

dit geval diende (...), die binnen laatstgenoemde bestemming<br />

woonde, rekening te houden met de mogelijkheid<br />

dat in de omgeving van zijn woning een agrarisch<br />

bouwblok kon worden gerealiseerd. Gesteld noch<br />

gebleken is voorts dat de in het bestemmingsplan opgenomen<br />

wijzigingsbevoegdheid beperkingen stelt aan<br />

afmetingen of omvang van een te realiseren bouwblok,<br />

die bij het wijzigingsbesluit niet zouden zijn inachtgenomen.<br />

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van<br />

oordeel dat de door (...) gestelde schade redelijkerwijs<br />

voor zijn rekening moet blijven. Derhalve heeft appellant<br />

terecht beslist dat deze niet op de voet van artikel<br />

49 van de WRO voor vergoeding in aanmerking komt.<br />

02-87<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 22 mei <strong>2002</strong>,<br />

nr. 200102126/1, inzake een verzoek om<br />

planschadevergoeding (gemeente Barneveld).<br />

Voorzienbaarheid aangenomen nu appellanten<br />

gronden hebben aangekocht onder de voorwaarde<br />

dat zij geen bezwaar zouden maken tegen een<br />

toekomstige industriebestemming van de<br />

omliggende grond.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />

87<br />

2.1. Appellanten sub 2 zijn sedert 1989 eigenaar van<br />

het perceel (..).<br />

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft appellant<br />

sub 1 het verzoek van appellanten sub 2, om<br />

vergoeding van de schade die zij stellen te lijden ten<br />

gevolge van het op 7 november 1997 in rechte onaantastbaar<br />

geworden bestemmingsplan ‘Harselaarseweg/Nijkerkerweg’,<br />

afgewezen. Ingevolge dat bestemmingsplan<br />

hebben de gronden van en rondom het perceel,<br />

waarop voorheen een agrarische bestemming<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


88<br />

rustte, de bestemming ‘Bedrijven’ en ‘Erf bij bedrijven’.<br />

2.3. Partijen verschillen van mening over het antwoord<br />

op de vragen of appellanten sub 2 door de bestemmingswijziging<br />

in een planologisch nadeliger situatie<br />

zijn komen te verkeren, waardoor zij schade lijden, en,<br />

zo ja, of de schade redelijkerwijs ten laste van appellanten<br />

sub 2 behoort te blijven.<br />

2.4. Het antwoord op eerstgenoemde vragen zal de Afdeling<br />

in het midden laten. Appellanten sub 2 hebben<br />

het perceel in 1989 gekocht op de voorwaarde dat zij<br />

geen bezwaar zouden maken tegen een industriebestemming<br />

van de omliggende grond. In een brief van 8<br />

september 1992 hebben appellanten sub 2 voorts verzocht<br />

om medewerking van gemeentewege voor de<br />

bouw van een bedrijfspand op hun perceel. Appellanten<br />

sub 2 hebben in die brief te kennen gegeven dat zij<br />

het perceel hebben gekocht in de verwachting dat de<br />

hoek Harselaarseweg/Nijkerkerweg in de toekomst industrieterrein<br />

wordt, zoals ook in de Structuurschets<br />

1991 was aangegeven. Zoals in het advies van de<br />

commissie bezwaar- en beroepschriften, dat de motivering<br />

van het besluit op bezwaar bevat, ook is aangeven<br />

hebben appellanten sub 2 ten tijde van de aankoop<br />

van het perceel derhalve rekening gehouden, althans,<br />

kunnen houden met de kans dat op de gronden<br />

van en rondom het perceel een bedrijfsbestemming<br />

zou komen te rusten. De beweerdelijk geleden schade<br />

was voor appellanten sub 2 derhalve voorzienbaar.<br />

Reeds om die reden heeft appellant sub 1 de gestelde<br />

schade ten laste van appellanten sub 2 kunnen laten.<br />

De rechtbank heeft dit miskend.<br />

02-88<br />

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State van 19 juni <strong>2002</strong>,<br />

nr. 200103955/1, inzake een verzoek om<br />

planschadevergoeding (gemeente Barendrecht).<br />

Moment van onherroepelijk worden van (delen<br />

van het) besluit omtrent goedkeuring van een<br />

bestemmingsplan.<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikelen 29,<br />

lid 1 (oud) en 49<br />

Planschadevergoeding<br />

2.2. De raad heeft het verzoek van appellant om vergoeding<br />

van schade ten gevolge van de bepalingen van<br />

het bestemmingsplan ‘Nieuweland’, dat door de raad<br />

in zijn vergadering van 28 juni 1993 is vastgesteld en<br />

door gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij besluit<br />

van 8 februari 1994 gedeeltelijk is goedgekeurd, afgewezen<br />

er van uitgaande dat dit bestemmingsplan eerst<br />

na de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 1997,<br />

onherroepelijke rechtskracht heeft verkregen. De<br />

rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.<br />

2.3. De Afdeling stelt voorop dat, naar uit de overgangsbepalingen<br />

behorende bij de op 1 januari 1994<br />

in werking getreden Wet voltooiing eerste fase herziening<br />

rechterlijke organisatie volgt, wat betreft de inwerkingtreding<br />

en het onherroepelijk worden van het<br />

bestemmingsplan ‘Nieuweland’ het recht dient te worden<br />

toegepast zoals dat gold vóór 1 januari 1994.<br />

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de WRO, als hier<br />

van toepassing, is het besluit van gedeputeerde staten<br />

tot goedkeuring onherroepelijk ten aanzien van die gedeelten<br />

van een bestemmingsplan, waartegen bij hen<br />

geen bezwaren zijn ingediend en waarop bij hen ingediende<br />

bezwaren niet mede betrekking hebben.<br />

2.4. Het beroep, waarop de Afdeling op 6 januari<br />

1997 de vermelde uitspraak heeft gedaan, was gericht<br />

tegen voornoemd besluit van gedeputeerde staten in<br />

zoverre daarbij goedkeuring was onthouden aan een<br />

gedeelte van het bestemmingsplan. Het enige beroep<br />

dat bij de Afdeling was ingesteld tegen dat besluit<br />

voorzover het bestemmingsplan daarbij was goedgekeurd<br />

had betrekking op gronden in een ander deel van<br />

het plangebied; dat beroep, dat later is ingetrokken, en<br />

het daaraan voorafgaande bezwaar hadden niet mede<br />

betrekking op het gedeelte van het plan waar het hier<br />

over gaat. Nu het bezwaar dat aanvankelijk door appellant<br />

met vijf anderen bij gedeputeerde staten tegen<br />

goedkeuring van het bestemmingsplan van dit planonderdeel<br />

was ingediend door hen is ingetrokken voordat<br />

gedeputeerde staten omtrent de goedkeuring beslisten,<br />

moet worden geoordeeld dat het bestemmingsplan<br />

voor wat betreft het hier aan de orde zijnde gedeelte<br />

in 1994 onherroepelijk is geworden. De beslissing<br />

op bezwaar en de aangevallen uitspraak geven inzoverre<br />

blijk van een onjuiste rechtsopvatting.<br />

Noot: zie ook 02-64. Artikel 29, lid 1, als hier van toe-<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


passing luidde: ‘Het besluit van gedeputeerde staten<br />

tot goedkeuring is onherroepelijk ten aanzien van die<br />

gedeelten van een bestemmingsplan, waartegen bij<br />

hen geen bezwaren zijn ingediend en waarop bij hen<br />

ingediende bezwaren niet mede betrekking hebben.<br />

Gedeputeerde staten omschrijven deze gedeelten in<br />

dat besluit en geven deze gedeelten op de tot het plan<br />

behorende kaart en in de daarbij behorende voorschriften<br />

aan.’<br />

Planschadevergoeding<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

89


90 90<br />

Doorlopend trefwoordenregister Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

aanduiding 01-82<br />

aanhoudingsplicht 00-57<br />

aanlegvergunning 00-24, 25, 62, 97, 105, 01-88,<br />

92, 124<br />

aanplakking K37(3/2001)<br />

aanscherping<br />

aanvraag 00-07, 01-04, K4(2/2001), K29,<br />

K57(3/2001), 01-110, 02-54, 58<br />

aanvraag herleven K29(2/2001)<br />

aanvulling aanvraag 01-04, K57(3/2001), 01-110,<br />

02-58<br />

aanwijzing 01-37, 83, 02-35<br />

aard van de bebouwing<br />

advies 02-74<br />

advies, afwijken van 01-144<br />

adviesbureau 00-48<br />

adviescommissie 00-110<br />

afbakening wetgeving K33(2/2001), 00-117,<br />

K99(1/2001)<br />

afstandsgrafiek 02-49<br />

afstandsmeting K25(2/2001<br />

afstandsnorm K43(3/2000), 00-100, 01-14,<br />

K42(3/2000), 02-16, K32(3/<strong>2002</strong>)<br />

aftrek 01-75<br />

afvalpreventie<br />

afvalstof K49(4/2000), K56(4/2000), 00-116,<br />

01-08, 09, 11, 30, 31, 32, K38(3/2001),<br />

K92(1/<strong>2002</strong>), 02-59, K37(3/<strong>2002</strong>), K39(3/<strong>2002</strong>)<br />

afvalverwijdering K56(4/2000), K70(4/2000),<br />

00-116, 01-08, 09, 11, K39(3/<strong>2002</strong>)<br />

afvalwater 01-10<br />

afweging 00-01, 18, K7(2/2000)<br />

afwegingskader 01-17, 82<br />

afwijken van rijksbeleid<br />

afwijken van streekplanbeleid 01-46, 61<br />

afwijken van structuurplan 01-118<br />

afwijkingsbevoegdheid 00-23, 100, 108<br />

agrarisch bedrijf 01-15<br />

agrarisch hulp- en nevenbedrijf 01-61<br />

akoestisch onderzoek K34(3/2000), 00-60, 127,<br />

K46(3/2001), 01-98<br />

akoestisch rapport K34(3/2000), 01-04,<br />

K46(3/2001)<br />

alara K40(3/2000), 00-86, 117, K34(2/2001),<br />

01-72<br />

algemeen belang<br />

algemene maatregel van bestuur<br />

algemene titel, verkrijging onder 01-138<br />

alternatief K19(2/2001), 01-18<br />

alternatieve veebezetting<br />

ambtshalve (beoordeling) 00-07, K41(3/2001),<br />

K28(3/<strong>2002</strong>)<br />

ammoniakdepositie K8(2/2000), K39(3/2000),<br />

K41, K2(2/2001), 01-76, 79, 02-10, 51<br />

ammoniakemissie K8(2/2000), K41(3/2000),<br />

K52(4/2000), K92(1/2001), K2(2/2001), 02-02<br />

ammoniak en planten K92(1/2001), K8(2/2001)<br />

ammoniakrechten K21(2/2000), 00-46,<br />

K50(4/2000), K52<br />

ammoniakreductie K39(3/2000), 02-02, 01-86<br />

ammoniakreductieplan K39(3/2000), K14(2/2001)<br />

ammoniakschade K8(2/2001), K32(3/<strong>2002</strong>)<br />

anderszins verzekerd 00-39<br />

antenne 01-50<br />

anticipatie 02-16<br />

assimilatieverlichting 02-29<br />

autowasserette<br />

autowrakken<br />

bagatelschade<br />

bebouwde kom<br />

bebouwingscontour 00-100, 02-71<br />

bebouwingsgrens<br />

bebouwingsplan 01-64<br />

bedenkingen K28(2/2000), 01-33, K51(3/2001)<br />

bedrijfsduurcorrectie 00-52<br />

bedrijfseconomisch belang 00-55, 01-01<br />

bedrijfsinterne milieuzorg 00-86, 01-06, 104<br />

bedrijfsmatig 00-04, 05, 42, 83, K79(4/2001),<br />

01-101, 02-08, K1(2/<strong>2002</strong>)<br />

bedrijfsmilieuplan 00-86, 01-01<br />

bedrijfspand K43(3/2001)<br />

bedrijfstakstudie 01-39<br />

bedrijfsverzamelgebouw 01-77<br />

bedrijfsvoortzetting 02-82<br />

bedrijfswoning 01-47<br />

bedrijventerrein 00-103, 01-87<br />

bedrijvigheid 00-79<br />

BEES K27(2/2000)<br />

begrenzing<br />

begrenzing buitengebied<br />

begrenzing inrichting K47(3/2000)<br />

begrip inrichting 00-16, 42, 43, 51, K47(3/2000),<br />

00-79, 81, 83, 89, K74(4/2000), K84(1/2001),<br />

K93, K96, K28(2/2001), K42(3/2001), 01-77,<br />

K60(4/2001), K77, K85(1/<strong>2002</strong>), K86, K93,<br />

02-01, 08, K1(2/<strong>2002</strong>), K17, K21, 02-47<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


egunstigingstermijn K2(2/2000), K13(2/2001),<br />

K43(3/<strong>2002</strong>)<br />

bekendmaking 00-11, 15, K60(4/2000),<br />

K21(2/2001), 01-41, K37(3/2001),<br />

K80(4/2001), 02-63, 67, 73<br />

bekrachtiging 00-95<br />

belang K83(1/2001), K97, K75(4/2001), 02-05<br />

belangenafweging 00-18, K7(2/2000), 00-55,<br />

01-12, 72, 02-31<br />

belangen schaden<br />

belangenverstrengeling<br />

belanghebbende 00-54, 70, 71, 85, 01-29,<br />

K61(4/2001), K66, 02-05, 12<br />

belangrijke wijziging 02-02, 11<br />

beleid 00-14, K37(3/2000), 00-99, K22(2/2001)<br />

Beleidslijn ruimte voor de rivier 00-66<br />

beleidsvrijheid K22(2/2001), 02-50, 56<br />

beoordelingshoogte K87(1/2001)<br />

beoordelingsmethode<br />

beoordelingsvrijheid 00-04, 17, 55, K22(2/2001),<br />

02-16, K15(2/<strong>2002</strong>), 02-50, 56<br />

bepaalbaarheid 02-86<br />

beregeningsinstallatie K28(2/2001)<br />

berekening ammoniakdepositie<br />

beroep in eerste en enige aanleg 01-118<br />

beroepstermijn<br />

beschermingsobject 00-54, 55, K42(3/2000)<br />

beschermingszone 01-73, K70(4/2001), K78,<br />

01-114, 02-05, 07<br />

beschrijving in hoofdlijnen 02-32<br />

beslistermijn 00-67, K29(2/2001), 01-46, 02-63<br />

besluit 00-07, 22, 27, 29, 30, 33, K32(3/2000),<br />

00-77, K89(1/2001), K26(2/2001), 01-67,<br />

K88(1/<strong>2002</strong>), K6(2/<strong>2002</strong>), 02-35, K29(3/<strong>2002</strong>),<br />

K30, 02-61, 63<br />

besmettingsgevaar K68(4/2000), K20(2/2001),<br />

K13(2/<strong>2002</strong>)<br />

bestaande rechten 00-06, K8(2/2000), K21,<br />

K46(3/2000), 00-120, K34(2/2001), 01-42,<br />

01-108, K19(2/<strong>2002</strong>), K20<br />

bestaand gebruik 01-95, 99<br />

bestaande toestand milieu K55(4/2000)<br />

best beschikbare technieken 01-101, 02-02, 11, 14<br />

best bestaande technieken K19(2/2000), 00-77,<br />

117<br />

bestemming, te beschermen 01-124<br />

bestemmingsplan 00-57, K58(4/2000), K78,<br />

K82(1/2001), K52(3/2001), K53<br />

bestemmingsregeling<br />

Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

91<br />

bestemmingswijziging 00-57<br />

bestrijdingsmiddelen 02-30, 48<br />

bestrijdingsmiddelenwet 00-117<br />

best uitvoerbare technieken 02-48<br />

bestuurlijke afweging K54(3/2001), K27(3/<strong>2002</strong>)<br />

bestuurscommissie<br />

bestuursdwang 00-18, K7(2/2000), 00-116,<br />

01-08, K4(2/2001), K10, K32,0 2-48, 55, 59<br />

bestuursorgaan 00-84, K29(2/2001)<br />

bestuurspraktijk 00-114, K76(4/2000)<br />

betrokken minister K29(2/2001)<br />

betrouwbaarheid 00-118, K68(4/2001)<br />

bevoegd K86(1/2001), 01-07, 30, 31, 32,<br />

K41(3/2001), K37(3/<strong>2002</strong>)<br />

bevoegd gezag K15(2/2000), 00-56, K29(3/2000),<br />

K30, K51(4/2000), 01- 07, K29(2/2001), 01-30,<br />

31, 32, K41(3/2001), 01-105, 106,<br />

K37(3/<strong>2002</strong>)<br />

bevoegdheid rechter K86(1/2001), 01-36<br />

bewerken 00-81<br />

bewijs(last)<br />

bezwaar K83(1/2001), 01-33, 116, K94(1/<strong>2002</strong>),<br />

K97, K16(2/<strong>2002</strong>)<br />

bezwaarschrift 01-04, K12(2/2001), 01-116,<br />

K16(2/<strong>2002</strong>)<br />

biggen<br />

bijzonder beschermingsniveau 01-10, K62(4/2001),<br />

02-09<br />

bijzondere bedrijfsomstandigheden K44(3/2000),<br />

K2(2/2001), K44(3/2001), K62(4/2001)<br />

bijzondere gevoeligheid 00-10, K68(4/2000),<br />

K20(2/2001), K72<br />

bijzondere omstandigheid K72(4/2000),<br />

K2(2/2001), K44(3/2001), 01-72, K62(4/2001),<br />

02-09, 49, K34(3/<strong>2002</strong>)<br />

bioscoop 01-48<br />

bodemgesteldheid 00-31, K65(4/2000), 02-15<br />

bodemonderzoek 00-31, 53, K66(4/2000), 02-17<br />

bodemsanering 00-02, 53, K65(4/2000), 01-05,<br />

K26(2/2001), 01-67, K82(4/2001), K11(2/<strong>2002</strong>)<br />

bodemverontreiniging 00-31, 53, K38(2/2000),<br />

K65(4/2000), 01-05, K26(2/2001, K82(4/2001),<br />

01-67, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />

booggeluid<br />

bouwhoogte 01-53<br />

bouwmogelijkheden 00-35, 01-66, 129<br />

bouwperceel 01-66, 129, 02-17, 18, 21<br />

bouwstoffenbesluit K15<br />

bouwvergunning 01-121<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


92<br />

bouwvergunningplichtig 01-50, 68<br />

bouwverordening 00-75, 111, 01-43<br />

bouwvlak 01-49<br />

bouwwerkzaamheden K4(2/2000)<br />

branchebepalingen 00-126, 01-60<br />

brandstoffenverkooppunt 00-126<br />

brochure Veehouderij en Hinderwet 00-10,<br />

K25(2/2000), K42(3/2000), 00-129, 01-90,<br />

K38(3/<strong>2002</strong>), 02-70<br />

bufferbeleid 01-86, 02-17<br />

bufferzone 01-94, 124, 02-30<br />

buitenland 00-77, K7(2/<strong>2002</strong>)<br />

bundelingsbesluit<br />

burgerwoning 00-91, 01-47<br />

capaciteit 00-78, K35(2/2001)<br />

carillon 02-01<br />

causaliteit 00-38, 72, K10(2/2001), 01-113, 141,<br />

02-54, 83<br />

certificering<br />

circulaire indirecte geluidshinder K18(2/2001)<br />

circulaire industrielawaai K44(3/2000)<br />

circulaire Natte Grindwinningen K54(3/2001)<br />

circulaire schadevergoeding 01-03<br />

circulaire schietlawaai 00-17<br />

compensatie 00-39, K43(3/2000), 01-25<br />

concentratiebeleid<br />

concrete beleidsbeslissing 00-27, 01-51<br />

concurrentie<br />

considerans K17(2/2000)<br />

containers 00-81<br />

continuïteit 00-78, K68(4/2001)<br />

continuïteitsbeginsel 00-92<br />

controle K46(3/2001), K84(1/<strong>2002</strong>), K94,<br />

K42(3/<strong>2002</strong>)<br />

convenant 00-25, 118, K81(1/2001)<br />

converteren 01-33<br />

coördinatie K69(4/2000)<br />

coördinatie Wvo K69(4/2000)<br />

cpr-richtlijn 00-13<br />

cumulatie (geluid)<br />

cumulatie (schade) 01-28<br />

cumulatie(stank) K26(2/2000), K25(2/2001)<br />

definities K87(1/<strong>2002</strong>), 01-105, 106<br />

delegeren 00-56, K51(4/2000)<br />

delfstoffenwinning 00-123<br />

derden 00-86, K61(4/2000)<br />

deskundigenbijstand 01-02, K24(2/2001)<br />

Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

deskundigenverslag 00-28, 41, 98, 137, 01-134<br />

detailhandel 00-126<br />

dictum K17(2/2000)<br />

dienstregeling K9(2/<strong>2002</strong>)<br />

dienstwoning 00-131<br />

diersoort 01-59<br />

dijkversterkingsplan<br />

directe werking 01-123<br />

distributie-planologisch onderzoek<br />

doelmatigheid 00-78, K100(1/2001),<br />

K33(2/2001), K68(4/2001), 01-105,<br />

K15(2/<strong>2002</strong>)<br />

doelvoorschriften<br />

doorkruising rijksbeleid 00-123, 01-39<br />

doorwerking 00-20, 21, 108, 124<br />

dosis-effectrelatie 01-39<br />

dwangsom 00-03, 08, K1(2/2000), K2, 00-42,<br />

51, K82(1/2001), K98, 00-137, 01-10,<br />

K4(2/2001), K13, K30, 01-105, 106, 02-03, 04,<br />

K16(2/<strong>2002</strong>), K18, 02-43, 53, K45(3/<strong>2002</strong>)<br />

dwangsom aan bevoegd gezag K98(1/2001)<br />

dwarsprofiel 00-101<br />

ecologische waarden 01-40, K70(4/2001), K78,<br />

01-114, 02-09<br />

economische draagkracht K95(1/2001)<br />

eerste ruimtelijk plan 02-35<br />

eigendomsrecht 00-116<br />

eindonderzoek K66(4/2000)<br />

emissie-arm<br />

emissiefactor K2(2/2001)<br />

emissiepunt 00-21, K58(4/2001)<br />

emissierechten K8(2/2000), K46(3/2000)<br />

emissiewaarden 00-118<br />

energiebesparingsmaatregelen K90(1/<strong>2002</strong>)<br />

energiebesparingsplan<br />

energieregistratie K11(2/2000)<br />

energieverbruik K11(2/2000), K90(1/<strong>2002</strong>)<br />

erfafscheiding 02-62<br />

erfdienstbaarheid<br />

etmaalindeling K64(4/2000)<br />

europese richtlijnen 01-123<br />

evenement 01-72, K17(2/<strong>2002</strong>)<br />

ex nunc-toetsing 00-99, K52(3/2001), 01-86, 91<br />

externe veiligheid K53(4/2000), 01-37<br />

externe werking 00-76, 02-05, 15<br />

fair play-beginsel<br />

fasering 01-131<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


fictieve weigering 02-85<br />

financiële omstandigheden K95(1/2001), 01-01<br />

folklore 00-17<br />

fonds luvo 02-50<br />

formeel gebrek K29(3/2000), K33(3/2000), K48,<br />

K21(2/2001), K23, K31, 01-41, K80(4/2001),<br />

K2(2/<strong>2002</strong>)<br />

fruitbomen K28(2/2001)<br />

functieverandering K57(4/2000), K63(4/2001)<br />

gaswinning 02-65<br />

gebruiksmogelijkheden 01-23, 119, 137, 02-42<br />

gedachtewisseling<br />

gedogen 00-03, K17(2/2000), 01-21,<br />

K30(3/<strong>2002</strong>), K44(3/<strong>2002</strong>)<br />

gegronde vrees 00-118, K68(4/2001)<br />

geheimhouding K48(3/2001)<br />

geluidgrenswaarden K10(2/2000), K13, 00-47,<br />

K44(3/2000), 00-103, 104, K34(2/2001),<br />

01-70, 72, K14(2/<strong>2002</strong>), 02-25<br />

geluidsbegrenzer 01-71<br />

geluidscontour 01-83<br />

geluidsnormen Rijksweg K82(1/2001)<br />

geluidsoverlast K44(3/2000), 01-07, K9(2/2001)<br />

geluidsrapport 00-47<br />

geluidsruimte K34(2/2001), 01-70<br />

geluidsscherm<br />

geluidswal 00-01<br />

geluidszone 00-114, K52(3/2001), 01-83, 02-06<br />

gemachtigde<br />

gemeentelijke herindeling 02-69<br />

genetisch K3(2/2000), 00-82<br />

gerechtvaardigde verwachting 02-80<br />

geurarme stallen K46(3/2000)<br />

geurbeleid K37(3/2000), 01-39<br />

geurbelevingsonderzoek 00-04, 01-39<br />

geureenheid K76(3/2001)<br />

geuremissie K62(4/2000)<br />

geurgevoelig object 01-90, K38(3/<strong>2002</strong>)<br />

geurnormen K37(2/2000), K101(1/2001), 01-39,<br />

K65(4/2001), K69<br />

geuronderzoek K37(2/2000), K62(4/2000), 01-39,<br />

K65(4/2001), K69<br />

geval van bodemverontreiniging 01-67,<br />

K82(4/2001)<br />

gevalsgrenzen 00-02, 01-67<br />

gevelisolatie<br />

gevelreflectie 00-52, K71(4/2000), K7(2/2001)<br />

goedkeuring(sbesluit) 00-77, 93, K26(2/2001),<br />

Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

01-104, K47(3/<strong>2002</strong>), 02-63, 64, 66, 67<br />

goedkeuring van rechtswege 01-120<br />

golfbaan 00-66<br />

grensoverschrijdend K23(2/2001), K7(2/<strong>2002</strong>)<br />

grijze lijst stoffen 02-48<br />

groene hoofdstructuur<br />

groen label-stal 02-02, 11, 14<br />

grondgebonden 01-59<br />

grondslag aanvraag 00-12, K6(2/2000), K18,<br />

00-86, 88, K6(2/2001), 01-33, K12(2/<strong>2002</strong>),<br />

02-54, K25(3/<strong>2002</strong>)<br />

grondstof K11(2/2000), 00-88, K49(4/2000),<br />

01-08, 09, 11<br />

grondwateronttrekking K44(3/2001)<br />

grondwet 02-45<br />

GS-besluit<br />

habitatrichtlijn 00-62, 01-73, K78(4/2001),<br />

01-114, 02-07, 09, 44, 46<br />

hamster 01-17<br />

handhaafbaar 00-86, 01-01, K68(4/2001)<br />

handhaving 00-18, K7(2/2000), 00-82,<br />

K17(2/2001), 01-21, 71, 84, 94, 02-01, K3,<br />

02-47, K34(3/<strong>2002</strong>)<br />

handhavingsverleden 00-18, K68(4/2001)<br />

Handleiding meten en rekenen industrielawaai<br />

K87(1/2001), K88<br />

handreiking industrielawaai K7(2/2001), 01-115,<br />

K27(3/<strong>2002</strong>)<br />

heersend verkeersbeeld<br />

helikopterplatform 01-07<br />

hergebruik K70(4/2000), 01-08, 09<br />

herhaald en ingelast 01-33, K51(3/2001)<br />

herhuisvesting<br />

hernieuwd schorsingsverzoek<br />

heroverweging besluit 01-04, K12(2/2001),<br />

01-140, K16(2/<strong>2002</strong>)<br />

herstel gebrek K33(3/2000), 00-125, 01-04<br />

herstel verzuimen 02-28<br />

hersteltermijn 01-04<br />

herstelvariant 00-122, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />

herziene nota stankbeleid<br />

herzieningsplicht 00-69, 91, 105<br />

historische verontreiniging K65(4/2000)<br />

hogere grenswaarden 00-60, 85, K51(4/2000),<br />

00-103, 127, 01-18, 75, 02-06<br />

hoogbouweffectrapportage 01-16<br />

hoorzitting 00-132, 01-65<br />

horen 00-19, 25, 28, 01-65<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

93


94<br />

huisbrandolie 00-42, 89<br />

huishoudelijk afval(water) 00-81, 01-10<br />

IBC-variant 00-122, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />

indirecte hinder K31(3/2000), K53(4/2000),<br />

K18(2/2001), K45(3/2001), K73<br />

industrieterrein (gezoneerd) 00-57, 02-06<br />

inkomensschade 00-36, 135<br />

inpassing 01-132<br />

inrichting 00-16, 42, 43, 51, K47(3/2000),<br />

00-79, 83, 89, K74(4/2000), 00-116,<br />

K84(1/2001), K28(2/2001), K42(3/2001),<br />

01-77, K60(4/2001), K77, K85(1/<strong>2002</strong>), K86,<br />

K93, 02-01, 04, 08, K1(2/<strong>2002</strong>), K17, K21,<br />

K22, K24, 02-47, K43(3/<strong>2002</strong>)<br />

inspanningsverplichting 00-45, 50, 01-01<br />

inspraak 00-19, 28, 32, 01-52, 93<br />

instructieregeling<br />

intensieve veehouderij 01-59<br />

intentieverklaring 01-01<br />

interimbeleid 01-122<br />

interpretatiebevoegdheid 00-109<br />

intrekking vergunning 00-18, K46(3/2000), K48,<br />

K52(4/2000), K73(4/2001), 01-107, 109, K75,<br />

02-60<br />

intrekking voorschrift<br />

intrekking zienswijze 02-68<br />

inwerkingtreding 01-68, K10(2/<strong>2002</strong>), 02-60<br />

IPPC-richtlijn 01-79, 02-02, 11, 14, K28(3/<strong>2002</strong>)<br />

Jaarvrachten 00-86<br />

justification<br />

Kaderrichtlijn water 00-117<br />

kampeerterrein<br />

kantoren K8(2/2000), K43(3/2001)<br />

kapitalisatiefactor 00-36<br />

kassen 00-59, 02-29<br />

kennelijk ongegrond 00-34<br />

kennelijk onredelijk K1(2/2000)<br />

kennisgeving 00-11, 77, K60(4/2000),<br />

K21(2/2001), K31, 01-41, 02-12, K2(2/<strong>2002</strong>),<br />

02-33, 59<br />

kerk K42(3/2000), 02-01<br />

keur 00-105<br />

keurstroken<br />

klacht 01-93<br />

klooster 01-58<br />

koeldeksysteem 00-121<br />

Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

kokkels 00-87<br />

koop/ruilovereenkomst 00-39<br />

kosten deskundige bijstand 00-37, 115, 135,<br />

K24(2/2001)<br />

kosten taxatierapport<br />

kostenverhaal 00-51, 115, 01-36<br />

kostenverschil 00-122<br />

koude sanering<br />

kwekerijen<br />

kwiklozing 00-118<br />

laden en lossen K95(1/<strong>2002</strong>)<br />

lage tonen<br />

landschappelijke waarden 01-80<br />

legalisatiebeleid 00-14<br />

legalisering 00-14, 111, K17(2/2001), 02-84<br />

lichtuitstraling 02-29<br />

limburgs schieten 00-17<br />

lozing K19(2/2000), 00-86, 117, 118, 121,<br />

01-10, K19(2/2001), K36(3/2001), 01-76,<br />

K96(1/<strong>2002</strong>), 02-43, 48, 51<br />

lozingsalternatief K19(2/2001)<br />

lozingsvoorschriften K33(2/2001)<br />

luchtvaarthinder K83(1/<strong>2002</strong>)<br />

luchtvaartterrein 01-07, 37, K36(3/2001), K55,<br />

01-83, K83(1/<strong>2002</strong>)<br />

maatregelen in bijzondere omstandigheden 01-36<br />

maatschappelijke opvattingen K49(4/2000), 01-11<br />

maatschappelijk risico<br />

machtigingsgebrek<br />

machtspositie 01-111<br />

mainport-doelstelling 01-37<br />

mandatering 00-67, K12(2/2001)<br />

Mantovanelli-arrest 00-28<br />

Marktmechanisme 00-78<br />

Materiaalkeuze 00-108<br />

maximale invulling 00-35<br />

medewerking derden 00-82<br />

meerjarenplan gevaarlijke afvalstoffen K33(2/2001)<br />

meethoogte K87(1/2001)<br />

meetverplichting K46(3/2001), K84(4/2001),<br />

K42(3/<strong>2002</strong>)<br />

meitellingen K50(4/2000)<br />

melding 00-44, K38(3/2000), K32(2/2001),<br />

01-74, 78, K67(4/2001), K43, 02-03, 12,<br />

K4(2/<strong>2002</strong>), K5, K18, K23, 02-57<br />

meldingsplicht K38(3/2000), K32(2/2001), 02-03<br />

menselijk stemgeluid 01-38<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


mestbassins<br />

mestdrooginstallatie<br />

mestopslag 00-24<br />

mestvarkeneenheid K76(4/2001)<br />

milieu-audit<br />

milieu-beleidsplan 00-30<br />

milieubeschermingsgebied 00-47, 01-10<br />

milieu-effectrapportage K9(2/2000), K47(3/2000),<br />

K61(4/2000), 00-120, 133, 134, 01-35, 48, 57,<br />

K93(1/<strong>2002</strong>), 02-09, 20, 35<br />

milieu-effectbeoordeling 00-120, 01-81, 97, 02-09<br />

milieugevolgen 01-37<br />

milieujaarprogramma 00-86, 01-104<br />

milieujaarrapport 01-106<br />

milieuprestatieniveau 01-104<br />

milieutechnische inzichten K91(1/<strong>2002</strong>),<br />

02-16(2/<strong>2002</strong>), K48(3/<strong>2002</strong>)<br />

milieuvergunning 01-130, 132<br />

milieuverslaglegging 01-106<br />

milieuzonering<br />

milieuzorgprogramma 00-119, 01-06, 104<br />

milieuzorgsysteem 00-86, 119, 01-104<br />

militair oefenterrein 00-113, K85(1/<strong>2002</strong>)<br />

mobiliteit K31(3/2000), K73(4/2000)<br />

molenbiotoop 02-27<br />

monopoliepositie 01-111<br />

mondelinge gedachtewisseling<br />

motivering 02-66<br />

motivering, nadere 02-77<br />

motiveringsbeginsel 00-137, 01-22<br />

nabijheid K47(3/2000), K93(1/2001),<br />

K42(3/2001), K21(2/<strong>2002</strong>)<br />

nadeelcompensatie 00-138<br />

nadere eis 00-86, 01-38, K40(3/2001), 01-71, 82<br />

naleving voorschriften 00-82, K84(1/<strong>2002</strong>), K94<br />

natuurbeschermingswet 01-17, K47(3/2001),<br />

01-85, 02-05, 10, 15, 44, 46<br />

natuurmonument 01-85, 02-05, 15<br />

natuurverschijnsel 02-50<br />

natuurwetenschappelijke waarden 00-76, 01-40,<br />

K70(4/2001), 01-114, 02-05, 09, 10, 15<br />

ne bis in idem 00-08<br />

Nederlandse grootte eenheid 01-15<br />

negatieve lijst 01-84<br />

NeR K37(3/2000), 01-39, K49(3/2001)<br />

Nertsen K14(2/2000)<br />

neventak glastuinbouw<br />

neventak intensieve veehouderij<br />

Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

niet-ontvankelijkverklaring K28(2/2000), 01-04,<br />

K48(3/2001), 01-44, 45, 02-12, 56,<br />

K28(3/<strong>2002</strong>)<br />

nieuw besluit 02-63<br />

nieuwvestiging 01-86<br />

norm K19(2/<strong>2002</strong>)<br />

notificatieplicht 00-116<br />

nulsituatie-onderzoek<br />

nuttige toepassing K49(4/2000), K70, 01-08, 09<br />

95<br />

oeverschade K67(4/2000), K79(1/2001)<br />

omgevingsplan 00-30<br />

omrekeningsfactor K23(2/2000), K2(2/2001),<br />

K64(4/2001)<br />

omwonenden<br />

omzetten vergunning 01-33<br />

onbevoegd K5(2/2000), 00-56, K29(3/2000),<br />

01-30, K41(3/<strong>2002</strong>)<br />

ondergeschikte kantoorfunctie<br />

ondertekening, afwisselende 01-45<br />

onderzoeksplicht K24(2/2000), 00-31,<br />

K46(3/2000), K62(4/2000), 01-19,<br />

K44(3/2001), 01-69, K65(4/2001), 02-41<br />

ongewoon voorval 00-80, 02-03<br />

onherroepelijk 01-68, 02-64, 88<br />

onmiddellijke nabijheid K93(1/2001), K42(3/2001,<br />

K86(1/<strong>2002</strong>), K21(2/<strong>2002</strong>)<br />

onrechtmatig 01-02<br />

onrendabele exploitatie<br />

ontgronding K63(4/2000), 02-61<br />

ontgrondingenwet K58(4/2000), 01-34, 35, K63<br />

ontheffing 00-121, 01-72, 91<br />

onthouding van goedkeuring 02-66<br />

ontoelaatbare hinder K46(3/2000), K74(4/2000),<br />

01-42, 107<br />

ontsluiting<br />

onttrekkingsproef 00-02<br />

ontvankelijk bezwaar K94(1/2001)<br />

ontvankelijkheid 00-11, 15, K28(2/2000), 00-24,<br />

26, K33(3/2000), 00-63, 67, 69, 95, 107, 112,<br />

01-104, K68(4/2001), 02-51, 56<br />

ontwerp-besluit K48(3/2000), K80(1/2001),<br />

K57(3/2001), K81(4/2001), K2(2/<strong>2002</strong>), 02-56<br />

onverbindend K100(1/2001), 01-10<br />

onzorgvuldige besluitvorming<br />

openbare weg K18(2/2001)<br />

oppervlaktewater K15(2/2001), K19, 01-76,<br />

01-113, K36(3/2000)<br />

oprichten K4(2/2000), K3(2/2001), K56(3/2001)<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


96<br />

oprichtingsvergunning K3(2/2001), K56(3/2001),<br />

K22(2/<strong>2002</strong>)<br />

opschortende voorwaarde 02-60<br />

opslag 02-47<br />

opslagtanks K77(4/2001)<br />

overcapaciteit 00-78, 01-111<br />

overdragen bevoegdheden 00-56, 103<br />

overgangsrecht 01-21, 25<br />

overleg 00-94, 128<br />

overwegingen (besluit) K85(1/2001)<br />

paardenfokkerij 01-15<br />

paardenhouderij 01-15<br />

papegaaien K34(3/2000)<br />

parapluvergunning<br />

Parcom afspraken 00-118<br />

parkeergarage K27(2/2001)<br />

parkeernorm 01-16<br />

parkeeroverlast K27(2/2001), K4(2/<strong>2002</strong>)<br />

partijdigheid 00-48, 136, 138<br />

peildatum overgangsrecht 01-135<br />

permanente bewoning recreatiewoningen 01-21,<br />

135<br />

persoonsgebonden<br />

persoonsgebonden overgangsrecht<br />

piekgeluidgrenswaarden K44(3/2000),<br />

K84(1/2001), K14(2/<strong>2002</strong>)<br />

plankaart 00-130<br />

planologische kernbeslissing 00-87, 01-35, 37, 94,<br />

02-15<br />

planologische medewerking 01-18<br />

planologische status 00-55<br />

planologische verslechtering 02-37<br />

planperiode 01-89, 02-22, 36<br />

planschadebasis 00-38, 111, 01-28<br />

plantoelichting 02-19<br />

planvergelijking 00-75, 111, 01-142, 02-40<br />

planvoorschriften 00-106, 108, 01-23,<br />

K53(3/2001), 01-100<br />

positieve bestemming 01-21<br />

postzegelplan 01-121<br />

prejudiciële vraag K49(4/2000), 01-09, K70,<br />

02-44<br />

preventie<br />

preventieve bestuursdwang 00-18<br />

primaat<br />

primaire beslissing 02-85<br />

privaatrechtelijke afspraken K91(1/2001), 01-54<br />

privé- en familieleven K83(4/2001)<br />

Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

procedure K48(3/2000), K80(1/2001), 01-37, 46,<br />

K81(4/2001)<br />

procesbelang K5(2/2000), K85(1/2001), 02-53<br />

proceskostenvergoeding 00-47, K45(3/2000),<br />

00-85, 115, 01-02, 02-53<br />

processueel belang 01-20, 27, 02-53<br />

producten 00-88, K31(3/<strong>2002</strong>)<br />

productieprocessen 00-88<br />

proefboringen 00-76, K47(3/2001), 02-05, 15<br />

pro forma bedenkingen<br />

pro forma beroep<br />

pro forma zienswijze 01-44<br />

propaanopslag 00-16<br />

protocol 00-82<br />

provinciaal beleid 01-86, 02-75<br />

provinciale milieuverordening 00-47, 01-10<br />

publicatie-eisen 00-26, 69, 70, 77, 107, 125,<br />

01-13, K80(4/2001), 02-12, K2(2/<strong>2002</strong>), 02-33<br />

raadsbesluit 01-125<br />

raamvergunning 00-45<br />

raffinaderij K27(2/2000)<br />

rangeersporen<br />

rechtsbijstand 02-53<br />

rechtsgevolgen K25(2/2000), 00-46,<br />

K29(3/2000), K43, K89(1/2001)<br />

rechtsmiddel K83(1/<strong>2002</strong>)<br />

rechtsoordeel 02-34<br />

rechtstreekse bouwmogelijkheid 00-110<br />

rechtstreekse werking 00-90, K74(4/2001), K78,<br />

01-125, 02-07, 44<br />

rechtszekerheidsbeginsel K22(2/2000),00-45, 86,<br />

130, K50(3/2001), K71(4/2001), 02-32<br />

reconstructie 00-60<br />

recreatie 02-70<br />

recreatieterrein 00-16<br />

recreatiewoning 00-104, 01-101, 135<br />

rectificatie K88(1/<strong>2002</strong>)<br />

recycling K70(4/2000), 01-08, 09<br />

redelijk denkend en handelend koper<br />

referentiemeting<br />

referentieniveau K10(2/2000), K34(2/2001),<br />

K40(3/2001), 01-70, K13<br />

reformatio in peius K5(2/2001), 01-116<br />

regeringsbeleid<br />

regionaal openbaar lichaan 02-69<br />

regionaal structuurplan 00-27, 01-56, 02-69<br />

rente 00-71, 135, 01-143<br />

restrictief beleid<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


evisievergunning K22(2/2001), K39(3/2001),<br />

K56, K22(2/<strong>2002</strong>)<br />

richtlijn 00-113, K37(3/2000), 00-134<br />

richtlijn Veehouderij en stankhinder 00-14,<br />

K14(2/2000) K25, K63(4/2001), K64,<br />

K91(1/<strong>2002</strong>), 02-49, K38(3/<strong>2002</strong>)<br />

riolering K6(2/<strong>2002</strong>)<br />

risico-aanvaarding 01-24, 25, 02-39<br />

ruimtelijk relevant 00-24, 01-101, 02-29, 75, 76<br />

salderingsplicht 00-46<br />

saldomethode K43(3/2000), K14(2/2001), 01-79,<br />

02-60<br />

saneringsplan 00-02, 53, 122, 01-05,<br />

K26(2/2001), 01-67, 02-06, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />

saneringsplicht<br />

saneringsurgentie 01-05, 67, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />

schadebasis 01-141<br />

schadebeoordelingscommissie 00-34, 136, 137,<br />

138, 01-27<br />

schadebesluit 00-115, 01-02, 03, K10(2/2001),<br />

01-112, 113<br />

schadevergoeding 00-46, 47, K45(3/2000),<br />

00-62, 112, 115, 01-02, 03, K10(2/2001), K27,<br />

K29, 01-112, 113, 02-38, 50, 53, 54<br />

schaduwschade 00-138<br />

schending WRO<br />

schepen 02-59<br />

schijn van partijdigheid 00-48, 136, 138<br />

Schiphol 01-37<br />

schorsende werking 00-87<br />

schorsing opheffen 00-87<br />

significante gevolgen 01-73, 79, 81, K59(4/2001),<br />

K78, 01-114, 02- 02, 05, 07, 11, 14, 44, 02-46<br />

sirenegeluid K9(2/2001)<br />

soepele beoordeling K62(4/2001)<br />

speciale beschermingszone 01-85, 114, 02-05, 07<br />

splitsing inrichting<br />

spoorweglawaai K9(2/<strong>2002</strong>), K40(3/<strong>2002</strong>)<br />

spreiding 00-78<br />

Staat van bedrijfsactiviteiten<br />

stacaravan<br />

stand der techniek 01-69, 75, 02-48<br />

standstill-beginsel 00-77, K44(3/2001)<br />

stankcirkel 00-129, 01-49, 02-70<br />

stankgevoelige bebouwing 00-129, K43(3/2001)<br />

stankhinder K46(3/2000), 00-74, K101(1/2001),<br />

00-129, 01-42, K45(3/2001), 01-69<br />

stedenbouwkundig concept<br />

Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

steenfabrieken (voormalige)<br />

stiltegebied 00-47<br />

stofverspreiding K49, 02-50<br />

straffactor 00-114<br />

strafrechtelijke handhaving<br />

streefnorm 00-50<br />

streekplan 00-22, 23, 29, 30, 33, 92, 95, 100,<br />

109, 123, 124, 131, 01-46, 89, 122, 02-62, 79<br />

streekplanherziening 01-122, 131, 136, 02-20<br />

streekplanuitwerking 00-33, 96<br />

strijdig gebruik 01-137<br />

structuurplan 00-26, 01-118, 02-69<br />

structuurschema groene ruimte<br />

Structuurschema Verkeer en Vervoer<br />

Struisvogels 00-10<br />

taxatie (methode) 00-73, 74<br />

teeltondersteuning 00-105<br />

ter inzage leggen K48(3/2000), 01-120, 128<br />

terinzagelegging plan 00-107, 01-120<br />

termijn 00-40, 01-04, 55, 02-56<br />

termijnoverschrijding 00-107, 01-04, 46, 55,<br />

02-56<br />

terpostbezorging<br />

terreinafscheiding 02-62<br />

terstond van kracht<br />

terugverdientijd<br />

terugwerkende kracht 01-117<br />

tienjarenprogramma afvalstoffen<br />

tijdelijk 00-43, 01-63, 95, K65(4/2001), 02-49<br />

tijdelijke vergunning K65(4/2001), 02-49,<br />

K33(3/<strong>2002</strong>)<br />

tippelzone 00-43, K96(1/2001)<br />

toekomstige ontwikkelingen K16(2/2000),<br />

K78(4/2000), K90(1/2001), 02-06, K27(3/<strong>2002</strong>)<br />

toetsing 00-93, 105, 01-12<br />

toetsingskader 01-88, 121, 02-62<br />

toezegging 00-99<br />

toezending raadsbesluit<br />

tonaal geluid 00-114<br />

tracébesluit 00-20, 21, 108, 01-18, 128<br />

tracékeuze weg 01-18, 02-31<br />

transportmiddel K74(4/2000)<br />

trillinghinder 01-115<br />

tuin K11(2/2001)<br />

tweede woning 01-21<br />

uitbreiden verzoek 00-111<br />

uitbreidingsmogelijkheid<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

97


98<br />

uitrijden mest K45(3/2001)<br />

uitstel 01-65<br />

uitvoerbaarheid 00-31, 02-17, 22, 02-65<br />

uitvoerverbod afvalstoffen<br />

uitwerkingsplan 00-32, 61, 64, 102, 01-12, 22,<br />

64, 96, 97, 117, 120, 126, 141<br />

uitwerkingsregels 01-12<br />

uitzicht 00-01<br />

una via-beginsel 00-08<br />

vakantiewoning 00-54<br />

van wezenlijk belang zijnde beslissing/beleidsuitspraak<br />

varkensbesluit K20(2/2000)<br />

veebestand<br />

veerpont K74(4/2000)<br />

veevoerleverancier K50(4/2000)<br />

veiligheid 02-77<br />

veiligheidsrisico 01-14<br />

veranderingen K39(3/2001)<br />

veranderingsvergunning K16(2/2001), K39(3/2001)<br />

verbindendheid 02-48<br />

verbrandingsmotor 00-43<br />

verdrag K74(4/2001)<br />

vergaring informatie door gemeente/GS<br />

vergunning aan meerdere personen<br />

vergunning op hoofdlijnen 00-86, 119, 01-104<br />

vergunningsaanvraag K4(2/2001), K29<br />

vergunningplicht 00-113, 116, K102(1/2001),<br />

01-79, 02-15, 47, 52, K36(3/<strong>2002</strong>)<br />

verkapte weigering K6(2/2000), K20(2/<strong>2002</strong>)<br />

verkeersbeeld K64(4/2000)<br />

verkeersbewegingen K18(2/2001)<br />

verkeersopstoppingen<br />

verkeersveiligheid K55(3/2001)<br />

verkennend bodemonderzoek<br />

verklaring geen bezwaar GS<br />

verklaring van geen bedenkingen 01-105<br />

verlening vrijstelling<br />

vermogensschade 00-135<br />

verrekening 02-37<br />

verruimde reikwijdte 00-88<br />

verschoonbaar 00-15<br />

verstedelijkingscontour 02-71<br />

vertrouwelijke behandeling stukken<br />

vertrouwensbeginsel 02-04, 80<br />

vervaltermijn K59(4/2000), 02-13<br />

vervallen bouwmogelijkheden 01-124<br />

vervallen van rechten K35(3/2000), K59(4/2000),<br />

Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

01-68, K60(4/2001), 01-108, 109,<br />

K89(1/<strong>2002</strong>), 02-13<br />

vervallen vergunning K21(2/2000), K35(3/2000),<br />

K59(4/2000), 01-68, K60(4/2001), 01-108,<br />

K89(1/<strong>2002</strong>), 02-13, K35(3/<strong>2002</strong>)<br />

vervangingsbesluit 01-94<br />

vervoer gevaarlijke stoffen K53(4/2000)<br />

verweerschrift K4(2/2000)<br />

verwoesten 01-109, K8(2/<strong>2002</strong>)<br />

verwijderen van afvalstoffen K56(4/2000), 01-108,<br />

09, 11, K70<br />

verwijderingsstructuur 00-78<br />

verzorgingsstructuur<br />

verzuimen, herstel van 02-28<br />

visuele hinder 00-01, 74, 01-16, 02-15<br />

vloeistofdicht K94(1/<strong>2002</strong>)<br />

VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering 01-130<br />

vogelgebied K55(4/2000), 01-40, 73, 81, 114,<br />

02-05, 07, 46<br />

vogelrichtlijn 00-62, 01-40, 73, 81, K59(4/2001),<br />

K70, K78, 01-114, 02-07, 44, 46<br />

vogels houden<br />

volwaardig agr. Bedrijf 01-15<br />

voorbereidingsbesluit 00-24, 97, 01-84, 02-73<br />

voorbereidingsprocedure 02-36<br />

voordeelsverrekening<br />

voorkeursvolgorde<br />

voorlopige voorziening 00-97<br />

vooroverleg 00-68<br />

voorschriften 00-13, K22(2/2000), K16(2/2001),<br />

K39(3/2001), K50, K71(4/2001), K75,<br />

K26(3/<strong>2002</strong>), K46<br />

voorschriften veranderingsvergunning K16(2/2001),<br />

K39(3/2001)<br />

voorschriften wijzigen K39(3/2001), 01-69<br />

voor verzuring gevoelig gebied K54(4/2000)<br />

voorzienbaarheid 00-120, 135, 01-26, 138, 02-<br />

39, 82, 86<br />

voorzienbare ontwikkelingen 00-120<br />

voorzieningen K32(3/2000)<br />

voorzorgsbeginsel 00-49, 50, 77, 87,<br />

K49(4/2000), 00-118, 01-34, 35, 02-15, 02-65<br />

vormverzuim 00-32, K29(3/2000), K21(2/2001),<br />

K23, K31, K41(3/2001), K80(4/2001),<br />

K2(2/<strong>2002</strong>)<br />

vreemde taal 00-09<br />

vrij beroep aan huis<br />

vrijstelling 00-65, 106, 110, 01-57, 62, 142, 02-81<br />

vuurwapens 00-113<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


vuurwerk K77(4/2000), K72(4/2001), 02-16,<br />

K48(3/<strong>2002</strong>)<br />

waardebepalingsmethode 02-38<br />

waardevermindering 01-25, 02-38<br />

waddenzee 00-76, 77, 87, 01-34, 35,<br />

K47(3/2001), 02-07, 15, 65<br />

warmdraaien K36(3/2001)<br />

waterbodem<br />

waterschap 02-27<br />

waterverbruik K11(2/2000)<br />

Wederopbouwwet 00-111<br />

wegverkeerslawaai K53(3/2001)<br />

weigering K25(2/2000), 01-02, 03, 02-60, 85<br />

weiland K84(1/2001), K60(4/2001)<br />

werktijden 00-06<br />

wet milieugevaarlijke stoffen 00-117<br />

wetsafbakening 00-117, K99(1/2001),<br />

K33(2/2001)<br />

wettelijke voorschriften 01-120<br />

wijze van meten 00-65<br />

wijziging aanvraag K57(3/2001), 01-110, 02-58<br />

wijzigingsbevoegdheid 00-58, 64, 106, 110,<br />

02-78, 86<br />

wijzigingsplan 00-68, 01-93, 97, 133<br />

windhinder<br />

windmolen 00-62, K102(1/2001), 02-04<br />

winplaats 02-61<br />

Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

woningbouwcijfers 00-99<br />

woonboot K12(2/2000), 00-55, K97(1/2001)<br />

woon- en leefklimaat 00-59, 100, 104, 01-90,<br />

02-77<br />

woonwagenstandplaatsen<br />

wraking K1(2/2001)<br />

99<br />

zakelijke inhoud 00-26, 02-33<br />

zeggenschap K91(1/2001), 01-77, 02-58<br />

zelfstandig schadebesluit 02-84<br />

zelfverzorging/zelfvoorziening K70(4/2000)<br />

zendinstallatie 01-50, 80<br />

zettingsschade K63(4/2000)<br />

zich ontdoen van K49(4/2000), 01-08, 09, 11, 30,<br />

31, K92(1/<strong>2002</strong>), 02-59<br />

zienswijze 02-23<br />

zienswijze, intrekking 02-68<br />

zonebesluit 00-38<br />

zonegrenswaarde<br />

zonering 00-57, 103, 114, 01-83<br />

zorgplichtbepaling 00-90, K94(1/<strong>2002</strong>)<br />

zorgvuldige voorbereiding 01-05, K6(2/2001)<br />

zuiver schadebesluit<br />

zwaarwegend maatschappelijk belang<br />

zwarte-lijststof 00-49, 77, 118<br />

zwavelgehalte 01-01<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


100 100<br />

Doorlopend artikelgewijs Doorlopend register trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />

Afvalstoffenverordening Den Bosch<br />

artikelen 2 en 29 K100(1/2001)<br />

Algemene wet bestuursrecht<br />

artikel 1:1 00-84<br />

artikel 1:2 00-54, 85, K61(4/2001), K66, 02-05<br />

artikel 1:3 00-22, 27, 33, K32 (2/2000), 00-77,<br />

84, 96, K89 (1/2001), 00-124, K26(2/2001),<br />

01-51, 67, K88(1/<strong>2002</strong>), K6(2/<strong>2002</strong>), 02-31,<br />

34, 35, K29(3/<strong>2002</strong>), K30, 02-61<br />

artikel 1:3, lid 4 00-07<br />

artikel 1:5 02-34<br />

artikel 2:1<br />

artikel 2:4<br />

artikel 3:2 00-48, 86, 118, 119, 137, 01-05,<br />

K6(2/2001), 01-40, 01-49, 95, 113, 02-05, 22,<br />

31, 02-80<br />

artikel 3:4 00-03, K7(2/2000)<br />

artikel 3:11<br />

artikel 3:12 00-26, 01-13, 02-33<br />

artikel 3:14 K80(1/2001)<br />

artikel 3:18 01-04<br />

artikel 3:19 00-11, K48(3/2000), 00-77,<br />

K21(2/2001), 01-41, K81(4/2001), K2(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 3:21 K81(4/2001)<br />

artikel 3:24<br />

artikel 3:25<br />

artikel 3:27<br />

artikel 3:28 K29(2/2001)<br />

artikel 3:40 02-73<br />

artikel 3:41 02-12, 73<br />

artikel 3:42 K80(4/2001), 01-28<br />

artikel 3:45 K60(4/2000)<br />

artikel 3:46 K44(3/2000), 00-120, 01-01, 54, 63,<br />

87, 90, 113, 115, 02-09, 17, 71<br />

artikel 3:47 01-87<br />

artikel 3:50 01-144<br />

artikel 4:5 00-09, 01-04, K57(3/2001)<br />

artikel 4:16 00-118<br />

artikel 5:21 00-18, K7(2/2000), 00-51, 01-36<br />

artikel 5:24 K13(2/2001), K17, 01-36, 02-55<br />

artikel 5:25 01-36<br />

artikel 5:32 00-03, 08, K1(2/2000), K2, 00-113,<br />

K82(1/2001), 01-10, K4(2/2001), K17, K30,<br />

K53(3/2001), 01-105, 116, K94(1/<strong>2002</strong>),<br />

02-04, K18 (2/<strong>2002</strong>), K34(3/<strong>2002</strong>), K45<br />

artikel 5:34 K2(2/2000)<br />

artikel 6:2 00-67, 01-46, 140<br />

artikel 6:3 K61(4/2000)<br />

artikel 6:5 K48(3/2001)<br />

artikel 6:6 K33(3/2000), K48(3/2001), 02-28<br />

artikel 6:7<br />

artikel 6:11<br />

artikel 6:13<br />

artikel 6:15 00-22, 02-34<br />

artikel 6:17 02-67<br />

artikel 6:18 02-41<br />

artikel 6:19 02-41<br />

artikel 6:20 01-140, 02-85<br />

artikel 6:22 00-32, K29(3/2000), K21(2/2001),<br />

K31<br />

artikel 7:1 02-34, 85<br />

artikel 7:2 01-65<br />

artikel 7:9<br />

artikel 7:11 00-137, 01-04, K12(2/2001),<br />

01-116, K16(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 7:12 00-137, 01-58<br />

artikel 7:13<br />

artikel 8:5 01-84<br />

artikel 8:15 K1(2/2001)<br />

artikel 8:26 00-115<br />

artikel 8:32<br />

artikel 8:42 K5(2/2000)<br />

artikel 8:47 00-28, 41, 98, 137, 01-134<br />

artikel 8:54<br />

artikel 8:55<br />

artikel 8:69<br />

artikel 8:72 00-67, 137, 01-121<br />

artikel 8:72, lid 3 K25(2/2000), K29(3/2000),<br />

K43, K62(4/2000)<br />

artikel 8:72, lid 4 K29(2/2001), 01-33, 02-24<br />

artikel 8:72 lid 5 01-46, 02-36<br />

artikel 8:72 lid 7 K98(1/2001)<br />

artikel 8:73 00-46, K45(3/2000), 01-02,<br />

K10(2/2001), 02-53<br />

artikel 8:75 00-47, 115, K24(2/2001), 02-53<br />

artikel 8:81<br />

artikel 8:86 01-37<br />

artikel 8:88 01-44, 02-28<br />

artikel 10:15 01-105<br />

artikel 10:27 00-93, 01-62, 99, 117, 119, 122,<br />

124, 02-19, 23, 26, 27, 32, 66, 77, 78<br />

artikel 10:29 02-77<br />

artikel 10:30 00-94, 128<br />

artikel 10:31 00-67, 01-20<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer<br />

artikel 1 02-52<br />

Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer<br />

artikel 2 K36(3/<strong>2002</strong>)<br />

Besluit detailhandel ambachtsbedrijven<br />

bijlage K95(1/<strong>2002</strong>)<br />

Besluit geluidhinder spoorwegen<br />

artikel 1 K9(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 21<br />

Besluit genetisch gemod. organismen Wms<br />

artikel 1 K3(2/2000)<br />

artikel 23 K3(2/2000), 00-82<br />

Besluit herstelinrichtingen motorvoertuigen<br />

artikel 2<br />

Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen<br />

artikel 5 01-38, K40(3/2001), 01-71<br />

artikel 6 K18(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 7<br />

Besluit milieu-effectrapportage 1994<br />

Onderdeel A, bijlage 00-123<br />

Onderdeel c, bijlage K93(1/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 2 00-133, 01-48, 02-35<br />

artikel 9 00-133<br />

Besluit opslag - en transportbedrijven milieubeheer<br />

artikel 2 K27(2/2001)<br />

artikel 3 K27(2/2001)<br />

Besluit opslaan in ondergrondse tanks<br />

artikel 1 00-42, 89<br />

artikel 13, lid 4 00-42, 89<br />

artikelen 18 en 19<br />

Besluit op de ruimtelijke ordening 1985<br />

artikel 2<br />

artikel 9 00-31, 01-19, 02-17<br />

artikel 12<br />

artikel 13 00-61<br />

artikel 15 00-101<br />

Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />

Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer<br />

artikel 1 K21(2/2000), 01-49<br />

Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt<br />

milieubeheer<br />

algemeen 00-59<br />

Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen<br />

artikel 4<br />

Burgerlijk Wetboek<br />

artikel 6:162<br />

EG-richtlijn 75/442<br />

artikel 1 K49(4/2000), K70, 01-08, 09, 11, 30,<br />

31, 32, K38(3/2001), K41, K92(1/<strong>2002</strong>),<br />

K37(3/<strong>2002</strong>), K39<br />

artikel 3 K70(4/2000)<br />

artikel 5 01-09<br />

artikel 7 01-09<br />

artikel 11 K39<br />

EG-richtlijn 76/464<br />

artikel 1 lid 2 00-43<br />

artikel 2 00-77, 118<br />

artikel 7 01-76, 02-48, 51<br />

EG-richtlijn 79/409<br />

artikel 4 01-73, 85, K59(4/2001), K70, K78,<br />

01-114, 02-05, 07, 46<br />

EG-richtlijn 80/836<br />

artikel 6<br />

EG-richtlijn 83/189<br />

artikel 1 lid 9 00-116, K46(3/<strong>2002</strong>)<br />

EG-richtlijn 85/337<br />

artikel 2 en 4 01-81<br />

artikel 5 00-134<br />

EG-richtlijn 92/43<br />

artikelen 2, 3-16 01-17, 73, 85, K74(4/2001),<br />

K78<br />

artikelen 6 en 7 01-114, 02-07, 44, 46<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

101


102<br />

EG-richtlijn 96/61<br />

artikel 1 01-79, 02-02, 14<br />

artikelen 2, 3, 9 en 12 02-02, 11, 14<br />

EG-Verdrag<br />

artikel 10 01-73<br />

artikelen 29 en 30 K70(4/2000)<br />

artikelen 34 en 36<br />

artikelen 82 en 86 01-111<br />

artikel 90<br />

artikel 189<br />

artikel 130T<br />

EG-Verordening 259/93 (Evoa)<br />

artikel 1 01-32, 02-59<br />

artikel 2 01-08, 32, 02-59<br />

artikel 4 K70(4/2000), 01-09<br />

artikel 7 01-09, 32<br />

artikel 26 01-08, 02-59<br />

Europees Handvest inzake lokale Autonomie<br />

artikel 4 01-125<br />

Europees Verdrag Rechten v/d Mens<br />

artikel 1 00-116, 01-135<br />

artikel 8 00-90, K83(1/<strong>2002</strong>), 02-45<br />

artikel 13 K83(1/<strong>2002</strong>)<br />

Gemeentewet<br />

artikel 125 K82(1/2001), K53(3/2001)<br />

artikel 164 00-95<br />

Grondwaterwet<br />

artikel 14 K44(3/2001)<br />

Grondwet<br />

artikel 21 00-90, 02-45<br />

Hinderwet<br />

artikel 27<br />

Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wm<br />

artikel 5.1 K34(3/2000), 01-04<br />

artikel 5.6<br />

artikel 5.10 01-04<br />

artikelen 5.16 en 5.18<br />

artikel 7.1 K23(2/2001)<br />

bijlage I, categorie 1.1 onder b 00-43, K96(1/2001)<br />

bijlage I, categorie 1.2 onder a 00-43<br />

Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />

bijlage I, categorie 3-5 02-47<br />

bijlage I, categorie 5.1<br />

bijlage I, categorie 11.1<br />

bijlage I, categorie 11.3 K35(2/2001)<br />

bijlage I, categorie 13.1 02-47<br />

bijlage I, categorie 14.1 en 14.2<br />

bijlage I, categorie 17 00-113<br />

bijlage I, categorie 18 K17(2/<strong>2002</strong>)<br />

bijlage I, categorie 19 02-01<br />

bijlage I, categorie 28.1 00-81<br />

bijlage I, categorie 28.3 onder c 00-116<br />

bijlage I, categorie 28.4 01-11, 30, K41(3/2001)<br />

Instructieregeling lozingsvoorschriften<br />

artikel 2<br />

Interimwet ammoniak en veehouderij<br />

artikel 1 K40(3/2000), K2(2/2001)<br />

artikel 2 K8(2/2000)<br />

artikel 3<br />

artikel 5 K8(2/2000), K41(3/2000)<br />

artikel 7 K39(3/2000)<br />

artikel 8 lid 4 K14(2/2001)<br />

Internationaal verdrag inzake economische,<br />

sociale en culturele rechten<br />

artikel 11 01-135<br />

Kernergiewet<br />

artikelen 15 en 15a K29(2/2001)<br />

artikel 29 K29(2/2001)<br />

artikel 30 K29(2/2001)<br />

Lozingenbesluit Wbb<br />

artikel 11 01-10<br />

artikel 24a 00-121<br />

Lozingenbesluit Wvo<br />

artikel 2 02-48<br />

artikel 3<br />

artikel 14 02-48<br />

Luchtvaartbesluit<br />

artikel 6, 7 en 8 01-07<br />

Luchtvaartwet<br />

artikel 14 01-07<br />

artikel 24 00-138<br />

artikel 25 01-83<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


artikel 25a<br />

artikel 26<br />

artikel 27 00-138, 01-37<br />

artikel 30<br />

artikel 72 K41(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 76 01-07<br />

Natuurbeschermingswet<br />

artikel 12 00-76, 87, K47(3/2001), 01-133,<br />

02-05, 10, 15, 21, 02-44, 46, K29(3/<strong>2002</strong>),<br />

02-65<br />

artikel 21 00-87<br />

artikel 24 01-17<br />

artikel 25 01-17, 91<br />

Ontgrondingenwet<br />

artikel 3 01-34, 35<br />

artikel 10 K58(4/2000), K63<br />

Provinciale Milieuverordening Noord Brabant<br />

artikel 4.3.1.1 K100(4/2000)<br />

Provinciewet<br />

artikel 74<br />

artikel 102<br />

artikel 107 00-56, K51(4/2000), 01-105<br />

artikel 118 01-10<br />

artikel 122 00-18<br />

artikel 127<br />

artikel 166<br />

Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat<br />

artikel 10 00-138<br />

artikel 23 00-138<br />

Telecommunicatiewet<br />

artikel 3.6 lid 2 K99(1/2001)<br />

Tracéwet<br />

artikel 7 01-128<br />

artikel 13 01-18<br />

artikel 15 01-18<br />

artikel 16 01-128<br />

artikel 17 01-18<br />

artikel 19 00-20, 21, 108<br />

artikel 24<br />

artikel 25 00-20, 21<br />

Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />

Uitvoeringsbesluit Reken- en Meetvoorschrift<br />

Verkeerslawaai<br />

artikel 8 00-127, 01-98<br />

Uitvoeringsbesluit Wvo<br />

artikel 2 lid 2 00-117<br />

artikel 4 01-36<br />

Uitvoeringsregeling Uav<br />

artikel 2 K54(4/2000)<br />

artikel 3 K81(1/2001)<br />

artikel 4<br />

bijlage 4<br />

Universele verklaring van de Rechten v/d Mens<br />

artikel 25 01-135<br />

Waterschapswet<br />

artikel l61 01-36<br />

Wet afvalwater<br />

artikel IV lid 2 K86(1/2001)<br />

Wet bodembescherming<br />

artikel 1 01-67, K82(4/2001)<br />

artikel 13 K94(1/<strong>2002</strong>), 02-55<br />

artikel 28 01-05<br />

artikel 29 K38(3/2000), 01-05<br />

artikel 37 K38(3/2000), 01-05<br />

artikel 38 00-53, 122 , K11(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 39 00-02, 53, 122, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 40 01-05<br />

artikel 53<br />

Wet gemeenschappelijke regelingen<br />

artikelen 8 en 10 01-106<br />

Wet geluidhinder<br />

artikel 1 00-54<br />

artikel 41, 42 00-57<br />

artikel 47 00-103<br />

artikel 53 00-57, 114<br />

artikelen 71 en 72 02-06<br />

artikel 72 lid 2<br />

artikel 72 lid 2<br />

artikel 74 00-104, 01-98<br />

artikel 76 00-60, 02-25<br />

artikel 77 00-60, K53(3/2001)<br />

artikel 82 00-104<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

103


104<br />

artikel 90 00-85<br />

artikel 99 00-60<br />

artikel 100 00-127<br />

artikel 100a 00-60, 127, 01-75<br />

artikel 103 01-75<br />

artikel 111 00-127<br />

artikel 157<br />

Wet milieubeheer<br />

artikel 1.1 lid 1 00-04, 05, 42, 43, 51, 78, 79,<br />

81, 83, 89, K74(4/2000), 00-116, K84(1/2001),<br />

K91, K93, K96, K102, K45(3/2001), 01-77,<br />

K68(4/2001), K77, K79, K85(1/<strong>2002</strong>), K86,<br />

K87, K92, 02-01, 08, K1(2/<strong>2002</strong>), K21, K24,<br />

02-47, K43(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 1.1 lid 2 K11(2/2000), K31(3/2000),<br />

00-88, K28(2/2001)<br />

artikel 1.1 lid 3 en 4 00-05, 16, 42, 43, 51,<br />

K47(3/2000), 00-81, 89, 116, K42(3/2001),<br />

01-77, K60(4/2001), K77, K93(1/<strong>2002</strong>), 02-01,<br />

08, K24(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 1.1 lid 5<br />

artikel 1.1a<br />

artikel 1.2 00-47, 01-10<br />

artikel 4.22 K6<br />

artikel 7.1 00-134<br />

artikel 7.2 01-57, 97, 01-48, 02-35<br />

artikel 7.4, 7.8b e.v. K61(4/2000), 01-97<br />

artikel 7.5 02-20, 35<br />

artikel 7.6<br />

artikel 7.8b 02-09<br />

artikel 7.10 K9(2/2000)<br />

artikelen 7.12-7.16 02-20<br />

artikel 7.27 01-97<br />

artikel 7.28<br />

artikel 8.1 00-16, K4(2/2000), 00-79,<br />

K3(2/2001), K16, 01-33, K39(3/2001), K56,<br />

02-04, 14, K3(2/<strong>2002</strong>), K7, K12, K17, K22,<br />

K34(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.1 lid 3 02-57<br />

artikel 8.2 K15(2/2000), 00-56, K30(3/2000),<br />

K35(2/2001), K41(3/2001)<br />

artikel 8.3<br />

artikel 8.4 00-06, 120, K3(2/2001), K16, K22,<br />

01-33, 42, K39(3/2001), K56, K64(4/2001),<br />

K19(2/<strong>2002</strong>), K22, 02-56, K48(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.5<br />

artikel 8:6 K80(1/2001)<br />

artikel 8.7 K23(2/2001)<br />

Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />

artikel 8.8 K16(2/2000), K55(4/2000), K76, K78,<br />

00-119, K90(1/2001), K52(3/2001),<br />

K90(1/<strong>2002</strong>), K27(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.9 K20(2/2000), 02-58<br />

artikelen 8.10 en 8.11<br />

artikel 8.11 lid 3 00-13, 17, K10(2/2000), K13,<br />

K18, K19, K22, K24, K40(3/2000), 00-86, 117,<br />

K83(1/2001), K87, K95, K101, 01-70,<br />

K69(4/2001), K75, K15(2/<strong>2002</strong>), K19,<br />

K26(3/<strong>2002</strong>), K47(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.11 lid 4<br />

artikel 8.12 00-50, K46(3/2001), K42(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.13 K31(3/2000), 01-06, K84(1/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.16 K66(4/2000)<br />

artikel 8.17 K65(4/2001), 02-49, K33(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.18 K35(3/2000), K59(4/2000), 01-68,<br />

K60(4/2001), 01-108, 02-13, K35(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.19 00-44, K43(3/2000), K32(2/2001),<br />

01-74, 78, K67(4/2001), 02-12, K4(2/<strong>2002</strong>),<br />

K5, K23, 02-57<br />

artikel 8.20<br />

artikel 8.22, 8.23 K46(3/2000), 01-07,<br />

K36(3/2001), 01-69, K25(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.24 K12(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.25 00-06, K46(3/2000), K52(4/2000),<br />

01-42, 107, 109, K31(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.26 K21(2/2000), K10(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 8.28 00-10<br />

artikel 8.30<br />

artikel 8.36 K56(4/2000), K33(2/2001)<br />

artikel 8.40 01-71<br />

artikel 8.41<br />

artikel 8.73<br />

artikel 10.1<br />

artikel 10.2 01-31, K38(3/2001), K43(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 10.10<br />

artikel 10.26<br />

artikel 10.30 K1(2/2000)<br />

artikel 12.1 01-06<br />

artikel 12.4 01-06<br />

artikel 13.1 K37(3/2001)<br />

artikel 13.4 00-11, K31(2/2001), 01-41,<br />

K37(3/2001), K1(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 13.5<br />

artikel 13.7 00-57<br />

artikel 13.10<br />

artikel 15.20 00-112, 01-03, 02-54<br />

artikel 15.25 02-50<br />

artikel 17.1 en 17.2 00-80, 02-03<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>


artikel 18.2 00-08, K3(2/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 18.8 00-51<br />

artikel 18.9 00-03, 08<br />

artikel 18:12 00-18<br />

artikel 18.14 01-112<br />

artikel 19.3<br />

artikel 20.1 00-77, K86(1/2001)<br />

artikel 20.3 K10(2/<strong>2002</strong>), 02-60<br />

artikel 20.6 00-15, K28(2/2000), K94(1/2001),<br />

K51(3/2001), K28(3/<strong>2002</strong>)<br />

artikel 20.8 K17(2/2000), 01-68<br />

artikel 20.13 00-77<br />

artikel 22.1 00-50, 01-07, K33<br />

Wet op de Ruimtelijke Ordening<br />

artikel 2<br />

artikel 2b 01-37<br />

artikel 4<br />

artikel 4a 00-22, 23, 29, 30, 33, 96, 109, 123,<br />

124, 01-46, 61, 86, 102, 02-61<br />

artikel 5 01-89<br />

artikel 6 01-136<br />

artikel 6a 00-19, 28, 32<br />

artikel 7 00-26, 01-118<br />

artikel 9<br />

artikel 10 00-62, 108, 110, 126, 129, 131,<br />

01-14, 15, 16, 21, 23, 60, 101, 131, 132,<br />

02-25, 29, 30, 75, 76<br />

artikel 11 00-32, 58, 61, 62, 64, 68, 92, 102,<br />

128, 01-12, 22, 62, 82, 93, 96, 101, 117, 120,<br />

126, 02-78, 86<br />

artikel 13<br />

artikel 14 00-24, 25, 105, 01-92, 124, 02-62<br />

artikel 15 00-62, 64, 65, 106, 01- 82<br />

artikel 17<br />

artikel 19 01-84<br />

artikel 21 00-24, 97, 01-84<br />

artikel 23 00-28, 107, 01-45, 02-23, 33, 36,<br />

02-68<br />

artikel 24 00-96, 124<br />

artikel 25 00-100, K73(4/2001)<br />

artikel 26 00-125, 02-33<br />

artikel 27 00-25, 59, 69, 132, 01-13, 45<br />

artikel 28 00-24, 26, 59, 62, 63, 67, 93, 97, 99,<br />

130, 01-20, 45, 46, 55, 62, 99, 119, 121, 122,<br />

124, 130, 132, 02-18, 19, 23, 27, 63, 64, 66,<br />

70, 77<br />

artikel 29 01-94<br />

artikel 30 00-91, 105<br />

Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />

artikel 33 01-131, 02-22, 36, 02-65<br />

artikel 36c 01-51<br />

artikel 36e 00-27, 02-35<br />

artikel 36l 01-56, 02-69<br />

artikel 36m 02-69<br />

artikel 36n 02-69<br />

artikel 37 00-35, 01-18, 83, 02-69<br />

artikel 38<br />

artikel 40b<br />

artikel 44 01-88<br />

artikel 49 01-64, 66, 102, 103, 138, 139, 140,<br />

141, 142, 143, 144, 02-37, 38, 39, 40, 41, 42,<br />

81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88<br />

artikel 56 02-36<br />

Wet op de waterkering<br />

artikel 18<br />

artikel 22<br />

Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />

artikel 1 00-49, K36(3/2000), 00-118,<br />

K15(2/2001), K19, 01-36, 76, K96(1/<strong>2002</strong>),<br />

02-43, 48, 51<br />

artikel 1 lid 3 00-117<br />

artikel 1 lid 5<br />

artikel 2a 02-48<br />

artikel 7 00-118, K19(2/2001)<br />

artikel 16 K69(4/2000)<br />

artikel 25 K96(1/<strong>2002</strong>)<br />

Wet 5p<br />

Woningwet<br />

artikel 8 01-43<br />

artikel 9 01-43<br />

artikel 40<br />

artikel 43 01-50,02-61<br />

artikel 44 01-121, 123, 02-24<br />

artikel 50<br />

artikel 52<br />

NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />

105


Kleur in het<br />

omgevingsrecht<br />

Prijs € 20,–<br />

inclusief BTW,<br />

exclusief verzendkosten<br />

ook verkrijgbaar via de boekhandel<br />

ISBN 90-5454-102-4<br />

032-s<br />

Bestel nu!<br />

Het omgevingsrecht gepositioneerd!<br />

Auteur<br />

prof. mr. drs. F.C.M.A. Michiels<br />

Deze oratie bevat een beschrijving c.q.<br />

plaatsbepaling van het omgevingsrecht<br />

ten opzichte van andere, elkaar deels<br />

overlappende rechtsgebieden als het<br />

milieurecht, het ruimtelijke-ordeningsrecht<br />

en het natuurbeschermingsrecht.<br />

De auteur behandelt in het bijzonder de<br />

spanningsvolle relatie tussen milieuhygiënerecht<br />

en ruimtelijke-ordeningsrecht,<br />

alsmede een aantal actuele<br />

vraagstukken op omgevingsrechtelijk<br />

gebied, met name externe veiligheid<br />

(o.a. het ontwerp-Vuurwerkbesluit) en<br />

geluid (concept-wetsvoorstel MIG).<br />

Het boek is bestemd voor eenieder die<br />

vanuit de praktijk of uit wetenschappelijk<br />

oogpunt is geïnteresseerd in het<br />

omgevingsrecht en de relatie tussen de<br />

samenstellende delen van dit rechtsgebied.<br />

Bel onze klantenservice (0522) 23 75 55 of mail naar info@bju.nl<br />

Boom Juridische uitgevers<br />

Postbus 85576 2508 CG Den Haag tel. (070) 330 70 33 fax (070) 330 70 30<br />

e-mail info@bju.nl website: www.bju.nl


Redactie<br />

Prijs € 39,–<br />

inclusief BTW,<br />

exclusief verzendkosten<br />

ook verkrijgbaar via de boekhandel<br />

ISBN 90-5454-059-1<br />

024-s<br />

Volg de ontwikkelingen inzake de handhaving van milieurecht<br />

Handhaving van<br />

Europees milieurecht<br />

Bestel nu!<br />

dr. I.M. Koopmans en prof. mr. J.M. Verschuuren<br />

Centraal in deze uitgave staat de<br />

bestuurs- en strafrechtelijke handhaving<br />

van het Europese milieurecht in<br />

Nederland.<br />

De bundel bevat bijdragen die betrekking<br />

hebben op de problemen rond de<br />

handhaving inzake een aantal deelterreinen,<br />

waaronder de IPPC-richtlijn, de<br />

EG-regelgeving inzake afvalstoffen, de<br />

natuurbeschermingsregelgeving en de<br />

verpakkingsrichtlijn.<br />

Het betreft een uitgave van het<br />

Schoordijk Instituut, Centrum voor<br />

wetgevingsvraagstukken.<br />

Bel onze klantenservice (0522) 23 75 55 of mail naar info@bju.nl<br />

Boom Juridische uitgevers<br />

Postbus 85576 2508 CG Den Haag tel. (070) 330 70 33 fax (070) 330 70 30<br />

e-mail info@bju.nl website: www.bju.nl


Onverschuldigde betaling<br />

door de overheid<br />

Prijs € 45,– inclusief BTW, verzendinclusief<br />

BTW,<br />

exclusief verzend- en<br />

administratiekosten<br />

ook verkrijgbaar via de boekhandel<br />

ISBN 90-5454-206-3<br />

056-s<br />

Bestel nu!<br />

Overheid en privaatrecht<br />

Auteur<br />

C.J.M. Bollen<br />

Centraal in dit onderzoek staat de vraag<br />

wanneer de overheid onverschuldigd gedane<br />

betalingen mag terugvorderen.<br />

Verschillende publiekrechtelijke regelingen<br />

bevatten bepalingen met betrekking tot de<br />

terugvordering. Deze bepalingen worden<br />

kritisch bekeken.<br />

Daarnaast gaat de auteur in op de vraag of<br />

de overheid bij de terugvordering ook de<br />

weg van het privaatrecht kan gebruiken.<br />

Met het beantwoorden van deze laatste<br />

vraag levert de auteur een interessante<br />

bijdrage aan de discussie over het gebruik<br />

van privaatrecht door de overheid in het<br />

algemeen.<br />

Het boek maakt deel uit van de reeks<br />

Boom Juridische dissertaties.<br />

Bel onze klantenservice (0522) 23 75 55 of mail naar info@bju.nl<br />

Boom Juridische uitgevers<br />

Postbus 85576 2508 CG Den Haag tel. (070) 330 70 33 fax (070) 330 70 30<br />

e-mail info@bju.nl website: www.bju.nl

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!