StAB Jurisprudentietijdschrift 2002, 3
StAB Jurisprudentietijdschrift 2002, 3
StAB Jurisprudentietijdschrift 2002, 3
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
<strong>2002</strong><br />
Jurisprudentie<br />
op het gebied<br />
van de<br />
ruimtelijke ordening<br />
en het<br />
milieubeheer<br />
Boom Juridische uitgevers
Nieuwsbrief <strong>StAB</strong><br />
Jurisprudentie op het gebied van<br />
de ruimtelijke ordening en het milieubeheer<br />
Inhoud algemeen<br />
10 Milieu<br />
51 Milieu kort<br />
60 Ruimtelijke ordening<br />
79 Planschadevergoeding<br />
90 Doorlopend register<br />
Het doorlopend register vanaf dit nummer<br />
tevens met verwijzing naar Nieuwsbrief<br />
<strong>StAB</strong> 2000 en 2001.<br />
Nieuwsbrief <strong>StAB</strong><br />
Jurisprudentie op het gebied van de ruimtelijke<br />
ordening en het milieubeheer. Een uitgave van<br />
Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor<br />
Milieu en Ruimtelijke Ordening.<br />
In <strong>2002</strong> zal Nieuwsbrief <strong>StAB</strong> verschijnen in de<br />
maanden maart, juni, september en december.<br />
Samenstellers<br />
Milieuwetgeving:<br />
Mr. H.P. Nijhoff (070) 315 01 44<br />
Ruimtelijke Ordening en schadevergoeding:<br />
Mevrouw mr. drs. M. Braakensiek (070) 315 01 80<br />
Uitgever<br />
Boom Juridische uitgevers<br />
Koninginnegracht 135<br />
Postbus 85576<br />
2508 CG Den Haag<br />
tel. (070) 330 70 33<br />
fax (070) 330 70 30<br />
e-mail info@bju.nl<br />
website www.bju.nl<br />
Abonnementen<br />
Nieuwsbrief <strong>StAB</strong> verschijnt 4 keer per jaar en kost<br />
€ 72,15 per jaar (inclusief BTW en verzendkosten).<br />
Prijs per los exemplaar € 19,-.<br />
Abonnementen kunnen op elk gewenst tijdstip ingaan.<br />
Het abonnement kan alleen schriftelijk tot uiterlijk<br />
1 december van het lopende abonnementsjaar worden<br />
opgezegd. Bij niet-tijdige opzegging wordt het<br />
abonnement automatisch voor een jaar verlengd.<br />
Voor abonnementen wende men zich tot<br />
Boom distributiecentrum, Postbus 400, 7940 AK Meppel,<br />
tel. (0522) 23 75 55, fax (0522) 25 38 64,<br />
e-mail bdc@bdc.boom.nl.<br />
ISSN 1567-7605
Inhoud<br />
Milieu<br />
10 02-43<br />
Vz. ABRS 19 maart <strong>2002</strong>, nr. 200105843/2<br />
inzake art. 1 Wvo en art. 1 EG-richtlijn<br />
76/464 (zuiveringschap Limburg).<br />
Lozing van verontreinigde stoom van elektriciteitscentrale<br />
is niet aan een bepaalde persoon<br />
toe te schrijven; geen Wvo-vergunning vereist.<br />
11 02-44<br />
ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200000690/1<br />
en 200101670/1 inzake art. 12 Natuurbeschermingswet<br />
en art. 6 EG-richtlijn 62/43<br />
(Habitatrichtlijn) (Staatssecretaris LNV).<br />
Twijfels over correcte implementatie Habitatrichtlijn<br />
in de Nbw; prejudiciële vragen over<br />
art. 6, tweede en derde lid Habitatrichtlijn aan<br />
Hof van Justitie EG voorgelegd.<br />
17 02-45<br />
ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200003011/2<br />
en 200103587/1 inzake art. 21 Grondwet<br />
en art. 8 EVRM (Dordrecht).<br />
Besluit tot vergunningverlening niet strijdig met<br />
art. 21 Grondwet en art. 8 Europees Verdrag<br />
tot bescherming van de rechten van de mens.<br />
19 02-46<br />
ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nr. 200103923/1<br />
inzake art. 12 Natuurbeschermingswet,<br />
art. 4 EG-richtlijn 79/409 (Vogelrichtlijn)<br />
en art. 6 en 7 EG-richtlijn 92/43 (Habitatrichtlijn)<br />
(Staatssecretaris LNV).<br />
Verweerders hebben ten onrechte verzuimd om<br />
onderzoek te (laten) doen naar significante gevolgen<br />
van de voorgenomen activiteiten voor<br />
het gebied dat als speciale beschermingszone<br />
is aangewezen.<br />
21 02-47<br />
ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 200103822/1<br />
inzake art. 1.1 Wm en categorie 3, 4, 5 en<br />
13.1 Ivb (Weert).<br />
Stallen van een vrachtwagen ten behoeve van<br />
een transportbedrijf is wel een inrichting maar<br />
niet vergunningplichtig.<br />
22 02-48<br />
ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nr. 200002214/1<br />
inzake art. 1 en 2a Wvo, art. 7 EG-richtlijn<br />
76/464 en art. 2 en 14 Lozingenbesluit<br />
(Hoogheemraadschap Schieland).<br />
Gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen<br />
niet aan te merken als een ‘lozing’. De lozing<br />
van grijze lijst stoffen kan worden verbonden<br />
aan voorschriften die beantwoorden aan<br />
de best uitvoerbare technieken.<br />
26 02-49<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103482/1<br />
inzake art. 8.17 Wm (Ambt Montfort).<br />
Onder bijzondere omstandigheden kan in strijd<br />
met de afstandsgrafiek van de Richtlijn veehouderij<br />
en stankhinder een tijdelijke vergunning<br />
worden verleend voor een veehouderij.<br />
28 02-50<br />
ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nrs. 200000056/1 en<br />
200000057/1 inzake art. 15.25 Wm en<br />
art. 1 Wet Luvo (Minister van VROM).<br />
Geen schade-uitkering uit het Fonds Luvo nu<br />
de schade niet is ontstaan door menselijk handelen<br />
of nalaten maar door een natuurverschijnsel.<br />
30 02-51<br />
ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nr. 200004646/1<br />
inzake art. 1 Wvo, art. 4 Uitvoeringsbesluit<br />
Wvo en art. 7 EG-richtlijn 76/464 (Moordrecht).<br />
Ammoniakdepositie is niet aan te merken als<br />
een ‘lozing’.<br />
32 02-52<br />
ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105797/1<br />
inzake art. 1 Besluit akkerbouwbedrijven<br />
milieubeheer (Emmen).<br />
Akkerbouwbedrijf met 60 stuks jongvee valt<br />
niet onder het Besluit; sprake van vergunningsplicht.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
34 02-53<br />
ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105434/1<br />
inzake art. 8:75 en 8:73 Awb (Haarlem).<br />
Kosten van rechtsbijstand vormen onvoldoende<br />
procesbelang voor een inhoudelijke beoordeling<br />
van het geschil.<br />
36 02-54<br />
ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200100435/1<br />
inzake art. 15.20 Wm (Hulst).<br />
Schadeverzoek terecht afgewezen nu een causaal<br />
verband bestaat tussen het besluit en de<br />
opgetreden schade.<br />
38 02-55<br />
ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104666/1<br />
inzake art. 13 Wbb en art. 5:24 Awb<br />
(Zutphen).<br />
Het bouwen en in gebruik hebben van een<br />
schuur is geen handeling als bedoeld in art. 6<br />
Wbb zodat appellant niet kan worden gedwongen<br />
om de ten gevolge van brand verspreide<br />
asbestdeeltjes op te ruimen.<br />
39 02-56<br />
Vz. ABRS 11 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02149/4<br />
inzake art. 8.4 Wm en Awb (Menaldumadeel).<br />
Verweerders hebben geen revisievergunning<br />
kunnen verlangen. Aanvraag als bedoeld in art.<br />
8.4, tweede lid Wm niet aan termijn gebonden.<br />
Geen noodzaak voor het terinzage leggen<br />
van een nieuw ontwerp-besluit.<br />
41 02-57<br />
Vz. ABRS 18 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>01895/2<br />
inzake art. 8.1 en 8.19 Wm (GS Limburg).<br />
In het onderhavige geval kan niet met een melding<br />
worden volstaan.<br />
Inhoud<br />
43 02-58<br />
ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200003207/2<br />
inzake art. 8.9, 8.10 en 8.11 Wm (Uithoorn).<br />
Aanvraag om vergunning kon hangende de procedure<br />
worden gewijzigd. Onder omstandigheden<br />
is het mogelijk vergunning te verlenen voor<br />
voorzieningen die buiten de grenzen van de inrichting<br />
zijn gelegen. Gebruik van freon is rechtens<br />
toegestaan.<br />
46 02-59<br />
ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200105168/2<br />
inzake art. 1, 2 en 26 EVOA (Minister van<br />
VROM).<br />
Het overbrengen van het schip Sandrien naar<br />
India is aan te merken als het ‘zich ontdoen’<br />
van afvalstoffen.<br />
50 02-60<br />
ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104522/1<br />
inzake art. 20.3 Wm (Harderwijk).<br />
Intrekking vergunning onder opschortende<br />
voorwaarde is niet in strijd met het systeem<br />
van de Wm.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
3
4<br />
Milieu kort<br />
51 K25<br />
ABRS 6 maart <strong>2002</strong>, nr. 200103392/2<br />
inzake art. 8.23 Wm (Heythuysen).<br />
Door stellen van voorschrift dat strekt tot wijziging<br />
gehele ventilatiesysteem wordt de grondslag<br />
van de aanvraag verlaten.<br />
51 K26<br />
ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200001223/2<br />
inzake art. 8.11 Wm (GS Zeeland).<br />
Aan Wm-vergunning mogen slechts die voorschriften<br />
worden verbonden die in aanvulling<br />
op de bepalingen van die wet nodig zijn.<br />
51 K27<br />
ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200003471/2<br />
inzake art. 8.8, 8.10 en 8.11 Wm (Schouwen<br />
Duiveland).<br />
Op grond van een bestuurlijk afwegingsproces<br />
en door te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen<br />
hebben verweerders kunnen afwijken<br />
van de in de Handreiking genoemde richtwaarden<br />
voor geluid.<br />
52 K28<br />
ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200004030/1<br />
inzake art. 20.6 Wm (Tubbergen).<br />
Gronden m.b.t. IPPC-richtlijn zijn niet eerder<br />
als bedenkingen ingebracht waardoor het beroep<br />
in zoverre niet-ontvankelijk is.<br />
52 K29<br />
ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nr. 200104214/1<br />
inzake art. 12 Nbw en art. 1:3 Awb<br />
(Staatssecretaris LNV).<br />
Mededeling omtrent vergunningplicht is geen<br />
besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
Inhoud<br />
52 K30<br />
ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200100600/1<br />
inzake art. 1:3 Awb (GS Gelderland).<br />
Mededeling dat niet wordt gedoogd is geen besluit<br />
in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
53 K31<br />
ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200101634/1<br />
inzake art. 8.25 Wm (Sint Oedenrode).<br />
De Wet milieubeheer heeft geen betrekking op<br />
schade ten gevolge van het gebruik van producten<br />
buiten de inrichting.<br />
53 K32<br />
ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200102879/1<br />
inzake art. 8.10 en 8.11 Wm (Buren).<br />
Door het verlenen van de vergunning ontstaat<br />
een toename van de reeds bestaande (directe)<br />
ammoniakschade aan de boomgaard.<br />
53 K33<br />
Vz. ABRS 9 april <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>00255/1<br />
inzake art. 8.17 Wm (GS Zeeland).<br />
Geen tijdelijke vergunning verlenen voor een situatie<br />
waarin onvoldoende inzicht bestaat in de<br />
milieugevolgen.<br />
54 K34<br />
ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 199900917/1<br />
inzake art. 8.1 Wm en art. 5:32 Awb (GS<br />
Overijssel).<br />
Partieel handhaven alleen onder bijzondere<br />
omstandigheden toegestaan.<br />
54 K35<br />
Vz. ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nrs. <strong>2002</strong>00542/1<br />
en <strong>2002</strong>00542/2 inzake art. 8.18 Wm<br />
(Barneveld).<br />
Niet volledig gebouwde stal geen grond voor<br />
het van rechtswege vervallen van de vergunning.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
54 K36<br />
ABRS 24 april <strong>2002</strong>, nr. 200004089/2 inzake<br />
art. 8.40 Wm en art. 2 Besluit bouwen<br />
houtbedrijven milieubeheer (Loenen).<br />
Uitleg van art. 2 Besluit bouw- en houtbedrijven<br />
milieubeheer.<br />
55 K37<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101497/1 inzake<br />
art. 1.1 Wm en art. 1 EG-richtlijn<br />
75/442 (Sint Anthonis).<br />
Doordat sprake is van afvalstoffen waren verweerders<br />
niet bevoegd tot het verlenen van de<br />
vergunning.<br />
55 K38<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103676/1 inzake<br />
art. 8.10 en 8.11 Wm (Ruurlo).<br />
Opstallen aan te merken als kampeerboerderij<br />
en geen stankgevoelig object in de zin van de<br />
brochure en de Richtlijn.<br />
55 K39<br />
Vz. ABRS 3 mei <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>01847/1<br />
inzake art. 1 en 11 EG-richtlijn 75/442<br />
(GS Noord-Brabant).<br />
Afvalverwijdering in eigen beheer staat niet in<br />
de weg aan kwalificatie van stoffen als afvalstoffen.<br />
56 K40<br />
ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101619/1 inzake<br />
art. 8.10 en 8.11 Wm (Winterswijk).<br />
Geluidsvoorschriften ten aanzien van spoorwegemplacement<br />
bieden onvoldoende bescherming.<br />
56 K41<br />
ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105999/1<br />
inzake art. 72 Luchtvaartwet (Minister van<br />
Verkeer en Waterstaat).<br />
Afdeling acht zich onbevoegd om kennis te<br />
nemen van het geschil.<br />
Inhoud<br />
56 K42<br />
ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 199903060/1 inzake<br />
art. 8.12 Wm (GS Noord-Brabant).<br />
Controlemeting kan ook worden voorgeschreven<br />
bij inrichtingen wier activiteiten niet wezenlijk<br />
zijn veranderd.<br />
57 K43<br />
ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104358/2 inzake<br />
art. 1.1 en 10.2 Wm (GS Friesland).<br />
Opslag baggerspecie is geen inrichting in de<br />
zin van de Wet milieubeheer.<br />
57 K44<br />
Vz. ABRS 7 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02329/1<br />
inzake art. 5:21 Awb (Hoogheemraadschap<br />
Hollands Noorderkwartier).<br />
Stelselmatig gedogen is niet toegestaan.<br />
58 K45<br />
ABRS 12 juni <strong>2002</strong>, nr. 200103022/1<br />
inzake art. 5:32 Awb (GS Limburg).<br />
Een last onder dwangsom kan niet zijn gericht<br />
op het afdwingen van een vergunningaanvraag.<br />
58 K46<br />
Vz. ABRS 18 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02373/1<br />
inzake EG-richtlijn 83/189 (Rotterdam).<br />
Voorschrift is niet aan te merken als technisch<br />
voorschrift als bedoeld in de Richtlijn.<br />
58 K47<br />
ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104387/1 inzake<br />
art. 8.11 Wm (GS Limburg).<br />
Landschapsplan dient te zijn gerelateerd aan<br />
een goedkeuringsbesluit.<br />
59 K48<br />
ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104007 inzake<br />
art. 8.4, 8.10 en 8.11 Wm (Hengelo).<br />
In ontwerp-Vuurwerkbesluit zijn de meest recente<br />
milieutechnische inzichten neergelegd.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
5
6<br />
Ruimtelijke ordening<br />
60 02-61<br />
ABRS 3 oktober 2001, nr. 199900271/1<br />
Limburg/ Streekplanherziening Noord- en<br />
Midden- en Zuid-Limburg voor ontgrondingenlocaties<br />
Aanwijzingen van winplaatsen in streekplan<br />
zijn besluiten in de zin van artikel 4a, zevende<br />
lid, WRO, in samenhang met artikel 1:3 Awb.<br />
Het niet opnemen van de aanwijzing als winplaats<br />
van een door appellanten concreet aangeduide<br />
locatie is alsdan een weigering een besluit<br />
te nemen, welke voor de mogelijkheid tot<br />
het instellen van beroep met een besluit kan<br />
worden gelijkgesteld.<br />
60 02-62<br />
ABRS 13 februari <strong>2002</strong>, nr. E01.98.0147/1<br />
Boxmeer/‘Buitengebied 1997’<br />
Afrasteringen zijn geen werk of werkzaamheid<br />
in de zin van artikel 14WRO. Erf- of terreinafscheidingen<br />
zijn geregeld in de Woningwet.<br />
Het aanbrengen van afrasteringen kan niet via<br />
het bestemmingsplan worden tegengegaan.<br />
Het streekplan is en blijft toetsingskader van<br />
de beoordeling van gemeentelijke plannen.<br />
Aan onderdeel van de provinciale Handleiding<br />
bestemmingsplan buitengebied dat niet in<br />
overeenstemming is met het streekplan kan<br />
geen betekenis worden toegekend.<br />
62 02-63<br />
ABRS 22 februari <strong>2002</strong>, nr. 200001138/7<br />
Deurne/‘Boerenbond Deurne’<br />
Aan gecorrigeerd besluit omtrent goedkeuring<br />
dat na afloop van de wettelijke beslistermijn is<br />
bekendgemaakt, komt geen betekenis toe.<br />
62 02-64<br />
Rb. Utrecht 15 maart <strong>2002</strong>, nr. SBR<br />
01/112<br />
Leusden/last onder dwangsom<br />
Een bestemmingsplan wordt niet voor die gedeelten<br />
waartegen geen beroep is ingesteld of<br />
kon worden ingesteld, met het goedkeuringsbesluit<br />
onherroepelijk.<br />
Inhoud<br />
63 02-65<br />
ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200002296/1<br />
en 200002297/1<br />
Dongeradeel/‘Gaswinlocatie Moddergat’ en<br />
‘Gaswinlocatie Paesens’<br />
Door de weigering van de vergunning op grond<br />
van de Natuurbeschermingswet is de uitvoerbaarheid<br />
van het bestemmingsplan niet verzekerd.<br />
Voorzorgsbeginsel.<br />
65 02-66<br />
ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 199901372/1<br />
Bernheze/‘Buitengebied’<br />
Gedeputeerde staten mogen niet goedkeuring<br />
onthouden op andere gronden dan wegens<br />
strijd met het recht of strijd met de goede<br />
ruimtelijke ordening.<br />
65 02-67<br />
ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 200102756/1<br />
Wageningen/‘Landelijk Gebied Oost’<br />
Artikel 6:17 Awb is niet van toepassing op bestemmingsplanprocedure.<br />
66 02-68<br />
ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 200104307/1<br />
Leerdam/‘Bedrijfsstrook Schaikseweg II’<br />
Een intrekking van een zienswijze kan in beginsel<br />
niet worden herroepen.<br />
66 02-69<br />
ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nr. 200100411/1<br />
Vianen/‘Bedrijventerrein Gaasperwaard’<br />
Aangezien ten tijde van de bestreden beslissing<br />
de gemeente Vianen nog was ingedeeld bij de<br />
provincie Zuid-Holland, waren gedeputeerde<br />
staten van Zuid-Holland bevoegd te beslissen<br />
over de goedkeuring van het bestemmingsplan.<br />
Wel hadden zij, nu het bestemmingsplan in<br />
strijd is met regionaal structuurplan voor het<br />
gebied, het dagelijks bestuur van het Bestuur<br />
Regio Utrecht om advies moeten vragen.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
67 02-70<br />
ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nr. 200104085/1<br />
Bemmel/‘Camping De Waaij<br />
Nu de bestemmingen die aan verschillende<br />
onderdelen van een camping zijn toegekend<br />
duidelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden,<br />
hoeft de camping niet als één object<br />
in de zin van de brochure Veehouderij en Hinderwet<br />
1985 beschouwd te worden.<br />
69 02-71<br />
ABRS 24 april <strong>2002</strong>, nr. 200101025/1<br />
Nunspeet/‘Elspeet-Dorp 2000’<br />
Uit de in het streekplan aangegeven verstedelijkingscontour<br />
volgt niet dat de locatie zonder<br />
meer voor woonbebouwing in aanmerking<br />
dient te komen, maar het streekplan sluit bebouwing<br />
niet uit. Verweerders konden niet volstaan<br />
met te stellen dat het binnen de contour<br />
gelegen perceel feitelijk deel uitmaakt van het<br />
buitengebied.<br />
70 02-72<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101696<br />
Enschede/binnenplanse vrijstelling<br />
De omstandigheid dat vanwege de huidige<br />
telecommunicatiemogelijkheden en mobiliteit<br />
een dienstwoning niet meer noodzakelijk zou<br />
zijn, is een grond die tot weigering van ieder<br />
verzoek om vrijstelling zou moeten leiden, hetgeen<br />
betekent dat het planvoorschrift dat in<br />
vrijstelling voorziet feitelijk buiten werking zou<br />
worden gesteld.<br />
71 02-73<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200100123/1<br />
Dronten/vrijstelling ex artikel 19 WRO<br />
Een voorbereidingsbesluit moet gelden ten<br />
tijde van het nemen, niet noodzakelijkerwijze<br />
ten tijde van het bekendmaken, van de beslissing<br />
op bezwaar.<br />
Inhoud<br />
71 02-74<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103920/1<br />
Hardenberg/‘Wijzigingsplan ex artikel 11<br />
WRO bestemmingsplan Buitengebied, Boerendijk<br />
36b te Sibculo’<br />
In bestemmingsplan voorgeschreven adviesaanvraag<br />
bij toepassen wijzigingsbevoegdheid<br />
is niet meer mogelijk.<br />
72 02-75<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200004690/1<br />
Zevenhuizen-Moerkapelle/‘Uitbreiding Nijverheidscentrum<br />
Zevenhuizen’<br />
WRO biedt op zich geen grondslag voor een regeling<br />
die enkel een specifieke groep van bedrijven<br />
toelaat die zich in niets anders onderscheidt<br />
van soortgelijke, andere bedrijven dan<br />
in hun herkomst. Toch kan een goede ruimtelijke<br />
ordening met zich brengen, dat bij het inrichten<br />
van een bedrijventerrein de opvangfunctie<br />
van dat terrein gewaarborgd wordt ten<br />
einde een (planologisch) knelpunt elders op te<br />
lossen. De beschrijving in hoofdlijnen kan<br />
daarbij een rol spelen.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
7<br />
73 02-76<br />
ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 200104543/1<br />
Elburg/‘Thematische uitsluiting seksinrichtingen’<br />
Religieuze opvattingen zijn geen ruimtelijk relevante<br />
motieven voor een algeheel verbod op<br />
seksinrichtingen voor het gehele grondgebied<br />
van de gemeente.<br />
74 02-77<br />
ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104539/1<br />
Nootdorp/‘Ypenburg-Nootdorp’<br />
Goedkeuring kan niet onder voorwaarden worden<br />
verleend.<br />
Bijzonder geval van ontvankelijkheid.
8<br />
75 02-78<br />
ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104725<br />
Hillegom/‘Landelijk Gebied 1997, wijzigingsplan<br />
agrarisch bedrijventerrein’<br />
Wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van nieuwvestiging<br />
kan niet aangewend worden voor bedrijfsuitbreiding.<br />
76 02-79<br />
ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200004862/1<br />
Naaldwijk/‘Buitengebied’<br />
Het gelijkheidsbeginsel gaat niet zo ver dat het<br />
in strijd met het streekplan ten onrechte goedkeuren<br />
van bepaalde plandelen meebrengt dat<br />
ook andere plandelen die strijdig zijn met het<br />
streekplan moeten worden goedgekeurd.<br />
76 02-80<br />
ABRS 10 juli <strong>2002</strong>, nr. 200103684/1<br />
Brunssum/‘Woongebieden’<br />
Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt.<br />
Planschadevergoeding<br />
79 02-81<br />
ABRS 28 november 2001, nr. 200101548/1<br />
Vlagtwedde/verzoek om planschadevergoeding<br />
Bij vergelijking tussen hetgeen maximaal kon<br />
en kan worden gerealiseerd dient de onder het<br />
nieuwe regime geldende vrijstellingsmogelijkheid<br />
te worden betrokken. Na de planherziening<br />
is bebouwing, zij het na vrijstelling, evenzeer<br />
als voorheen (bij recht) mogelijk.<br />
Inhoud<br />
79 02-82<br />
Rb. Assen 18 december 2001, 99/763<br />
BELEI<br />
Zuidlaren (thans: Tynaarlo)/verzoek om<br />
planschadevergoeding<br />
Na wijziging planologisch regime overeengekomen<br />
voortzetting van een familiebedrijf door<br />
vennootschap die deels in handen is van vader<br />
en zoon, is niet te beschouwen als ononderbroken<br />
bedrijfsovergang zoals dat onder omstandigheden<br />
binnen de familiesfeer van vader op<br />
zoon denkbaar is. Planschade derhalve voorzienbaar<br />
voor vennootschap.<br />
81 02-83<br />
ABRS 6 februari <strong>2002</strong>, nr. 200102764/1<br />
Woerden/verzoek om planschadevergoeding<br />
Het is aan appellant om aannemelijk te maken<br />
dat en in welke omvang de omzetdaling van<br />
zijn bedrijf aan de planologische verslechtering<br />
moet worden toegerekend.<br />
82 02-84<br />
Rb. Utrecht 12 februari <strong>2002</strong>, SBR nr.<br />
2000/1064<br />
Amersfoort/verzoek om planschadevergoeding<br />
Schadevergoeding wordt ‘zelfstandig schadebesluit’<br />
nu het planologische regime dat de<br />
schadeveroorzakende maatregel mogelijk<br />
maakte, is vernietigd en het ervoor moet worden<br />
gehouden dat geen legalisering plaatsvindt.<br />
Schadevergoeding gesteld op het gemiddelde<br />
van door (partij)deskundigen getaxeerde bedragen.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
85 02-85<br />
ABRS 24 april <strong>2002</strong>, nr. 200004482/1<br />
Nieuwegein/verzoek om planschadevergoeding<br />
Artikel 6:20, lid 4, Awb betekent dat, ingeval<br />
een beroep bij de rechtbank aanhangig is tegen<br />
een fictieve weigering te beslissen op een bezwaar,<br />
dat beroep mede geacht wordt te zijn<br />
gericht tegen een hangende het beroep alsnog<br />
genomen reële beslissing op bezwaar. Indien<br />
echter hangende het beroep tegen een fictieve<br />
weigering te besluiten op bezwaar, alsnog een<br />
eerste reële beslissing op een aanvraag wordt<br />
genomen, kan het bij de rechtbank aanhangige<br />
beroep niet mede geacht worden te zijn gericht<br />
tegen die beslissing.<br />
86 02-86<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200100768/1<br />
Tubbergen/verzoek om planschadevergoeding<br />
Wijzigingsbevoegdheid in voormalige planologische<br />
regime was voldoende bepaalbaar,<br />
zodat schade (door wijzigingsplan) voorzienbaar<br />
was.<br />
Inhoud<br />
87 02-87<br />
ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 200102126/1<br />
Barneveld/verzoek om planschadevergoeding<br />
Voorzienbaarheid aangenomen nu appellanten<br />
gronden hebben aangekocht onder de voorwaarde<br />
dat zij geen bezwaar zouden maken<br />
tegen een toekomstige industriebestemming<br />
van de omliggende grond.<br />
87 02-88<br />
ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200103955/1<br />
Barendrecht/verzoek om planschadevergoeding<br />
Moment van onherroepelijk worden van (delen<br />
van het) besluit omtrent goedkeuring van een<br />
bestemmingsplan.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
9
10<br />
Milieu<br />
02-43<br />
Vz. ABRS 19 maart <strong>2002</strong>, nr. 200105843/2 (zuiveringschap<br />
Limburg)<br />
Casus<br />
Besluit tot afwijzing van het verzoek tot oplegging<br />
van een last onder dwangsom wegens het lozen<br />
van (gevaarlijke) afvalstoffen op oppervlaktewater<br />
zonder Wvo-vergunning. Het betreft de emissie<br />
van verontreinigende stoom van een elektriciteitscentrale<br />
die op het oppervlaktewater neerslaat.<br />
Verweerder acht zich onbevoegd om handhavingsmaatregelen<br />
te treffen.<br />
Rechtsvraag<br />
Is sprake van een ‘lozing’ die wordt veroorzaakt<br />
door een aan een persoon toe te schrijven handeling?<br />
Uitspraak<br />
Met verwijzing naar de uitspraak van het Hof van<br />
Justitie uit 1999 stelt de Voorzitter vast dat het<br />
begrip ‘lozing’ aldus moet worden uitgelegd dat de<br />
emissie van verontreinigende stoom die op oppervlaktewater<br />
neerslaat, daaronder valt. Niet in geding<br />
is dat de centrale zich in de omgeving van<br />
oppervlaktewater bevindt en krachtens haar vergunning<br />
enige verontreinigde stoom mag emitteren<br />
naar de lucht. In dit geval kan niet met voldoende<br />
zekerheid worden gesteld dat het volgens algemene<br />
ervaringsregels voorzienbaar moet worden geacht<br />
dat de geëmitteerde verontreinigde stoom het<br />
oppervlaktewater verontreinigt, zodanig dat deze<br />
verontreiniging aan de veroorzaker van de stoom<br />
kan worden toegeschreven. Mitsdien staat niet<br />
vast of sprake is van een verontreiniging die wordt<br />
veroorzaakt door een aan een persoon toe te schrijven<br />
handeling.<br />
Wet verontreiniging oppervlaktewateren artikel 1<br />
EG-richtlijn 76/464 artikel 1, tweede lid onder d<br />
Verzoekers hebben bij brief van 25 juni 2001 het dagelijks<br />
bestuur van het Zuiveringschap Limburg (verweerder)<br />
verzocht om het opleggen van lasten onder<br />
dwangsom aan de besloten vennootschap met beslo-<br />
Milieu<br />
ten aansprakelijkheid ‘Demkolec B.V.’ (thans: ‘NUON<br />
Power Buggenum B.V.’) wegens het zonder een daartoe<br />
krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
verleende vergunning lozen van (gevaarlijke) afvalstoffen<br />
op oppervlaktewateren.<br />
Overwegingen<br />
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet bevoegd<br />
is om handhavingsmaatregelen te treffen tegen<br />
de in het inleidende verzoek gestelde lozingen als gevolg<br />
van emissies van de door ‘NUON Power Buggenum<br />
B.V.’ geëxploiteerde elektriciteitscentrale, zodat in<br />
zoverre geen sprake kan zijn van een met een besluit<br />
gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit.<br />
Vooropgesteld wordt dat verweerder ten aanzien<br />
van het oppervlaktewater in de provincie Limburg, dat<br />
niet behoort tot de oppervlaktewateren die onder het<br />
beheer van het Rijk vallen, het bevoegd gezag is op<br />
grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.<br />
Ter beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht<br />
op het hierboven weergegeven standpunt heeft<br />
gesteld, dient derhalve te worden vastgesteld of in het<br />
onderhavige geval sprake is van lozing op oppervlaktewateren<br />
waarvan verweerder de beheerder is.<br />
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />
heeft in zijn arrest van 29 september 1999<br />
(zaak C-231/97, AB 2000/22) voor recht verklaard<br />
dat het begrip ‘lozing’ in artikel 1, tweede lid, onder d,<br />
van de Richtlijn 76/464/EEG van de Raad betreffende<br />
de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke<br />
stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap<br />
worden geloosd (hierna: de richtlijn) aldus<br />
dient te worden uitgelegd dat de emissie van verontreinigende<br />
stoom die op oppervlaktewater neerslaat,<br />
daaronder valt. De afstand tussen het oppervlaktewater<br />
en de plaats van uitstoot van de verontreinigde<br />
stoom is slechts relevant voor de vraag of het uitgesloten<br />
dient te worden geacht dat de verontreiniging van<br />
het water volgens algemene ervaringsregels als voorzienbaar<br />
kan worden beschouwd, hetgeen zou beletten<br />
dat deze verontreiniging wordt toegeschreven aan<br />
de veroorzaker van de stoom.<br />
Niet is in het geding dat zich in de omgeving van de<br />
centrale oppervlaktewater bevindt dat onder het beheer<br />
van verweerder valt. Evenmin is in het geding dat<br />
ingevolge de krachtens de Wet milieubeheer voor de<br />
inrichting verleende vergunning enige verontreinigde<br />
stoom mag worden geëmitteerd naar de lucht. Naar<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
het oordeel van de Voorzitter kan evenwel noch op<br />
grond van de stukken noch het verhandelde ter zitting<br />
met voldoende zekerheid worden gesteld dat het volgens<br />
algemene ervaringsregels voorzienbaar moet worden<br />
geacht dat de aldus geëmitteerde verontreinigde<br />
stoom het desbetreffende oppervlaktewater verontreinigt,<br />
zodanig dat deze verontreiniging aan de veroorzaker<br />
van de stoom kan worden toegeschreven. In zoverre<br />
staat derhalve niet vast of sprake is van een<br />
verontreiniging die wordt veroorzaakt door een aan een<br />
persoon toe te schrijven handeling, ter zake waarvan<br />
een vergunning kan worden verleend. Gelet hierop kan<br />
thans niet worden beoordeeld of verweerder in het<br />
onderhavige geval bevoegd is handhavingsmaatregelen<br />
te treffen en derhalve niet of sprake is van een met<br />
een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een<br />
besluit. De Voorzitter overweegt dat bij de beslissing<br />
op het als bezwaarschrift doorgezonden beroepschrift<br />
hieromtrent duidelijkheid zal moeten worden verschaft.<br />
Gelet op het vorenoverwogene en nu niet aannemelijk<br />
is dat moet worden gevreesd voor onomkeerbare<br />
nadelige gevolgen voor het milieu, ziet de Voorzitter<br />
geen aanleiding voor het oordeel dat er onder deze omstandigheden<br />
sprake is van onverwijlde spoed die, bij<br />
afweging van de betrokken belangen, noopt tot het<br />
treffen van een voorlopige voorziening.<br />
Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding<br />
het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening<br />
af te wijzen.<br />
02-44<br />
ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200000690/1 en<br />
200101670/1 (Staatssecretaris LNV)<br />
Casus<br />
Vergunningen krachtens de Natuurbeschermingswet<br />
voor het mechanisch vissen van kokkels in de<br />
Waddenzee. Appellanten voeren onder meer aan<br />
dat de besluiten in strijd zijn met de Habitatrichtlijn<br />
en de Vogelrichtlijn en dat deze richtlijnen niet<br />
op correcte wijze in de Natuurbeschermingswet<br />
(Nbw) zijn geïmplementeerd.<br />
Milieu<br />
11<br />
Rechtsvragen<br />
1. Is artikel 6 van de Habitatrichtlijn op correcte<br />
wijze in de Natuurbeschermingswet geïmplementeerd<br />
en zo nee, kunnen particulieren zich<br />
voor de nationale rechter rechtstreeks op deze<br />
richtlijn beroepen (rechtstreekse werking artikel<br />
6)?<br />
2. Welke vragen rijzen er met betrekking tot artikel<br />
6, tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn?<br />
Uitspraak<br />
ad 1. De Afdeling overweegt dat de uit artikel 6,<br />
tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn<br />
voortvloeiende verplichtingen in de<br />
plaats komen van de verplichtingen die<br />
voortvloeien uit artikel 4, vierde lid van de<br />
Vogelrichtlijn voor wat betreft de speciale beschermingszones<br />
die overeenkomstig de<br />
Vogelrichtlijn zijn aangewezen. Dat impliceert<br />
dat niet hoeft te worden getoetst aan<br />
de Vogelrichtlijn. Met verwijzing naar de<br />
rechtspraak van het Hof van Justitie EG moet<br />
onderscheid worden gemaakt tussen correcte<br />
en incorrecte implementatie van de Habitatrichtlijn.<br />
Bij correcte implementatie bereikt<br />
de werking van een richtlijn de particulieren<br />
via de door de betrokken Lid-Staat getroffen<br />
uitvoeringsmaatregelen. Slechts indien de<br />
richtlijn niet, niet tijdig of onjuist is geïmplementeerd<br />
kan een particulier een rechtstreeks<br />
beroep op de richtlijn doen en dan<br />
nog alleen op de bepalingen van de richtlijn<br />
die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig<br />
zijn bepaald. De vraag naar de rechtstreekse<br />
werking kan dus alleen rijzen in<br />
geval van incorrecte implementatie. Wat betreft<br />
artikel 6, tweede, derde en vierde lid<br />
van de Habitatrichtlijn constateert de Afdeling<br />
dat de Nbw geen regels bevat die uitdrukkelijk<br />
bedoeld zijn als implementatie van<br />
de in deze bepalingen opgenomen verplichtingen.<br />
Ook anderszins zijn op de Waddenzee<br />
geen algemeen verbindende voorschriften<br />
van toepassing die bedoeld zijn als implementatie<br />
van artikel 6, tweede, derde en<br />
vierde lid van de Habitatrichtlijn. De PKB<br />
Waddenzee kan niet als zodanig gelden aangezien<br />
deze geen algemeen verbindende<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
12<br />
voorschriften bevat. Uitsluitend ten aanzien<br />
van artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn<br />
is de Afdeling van oordeel dat, afgezien<br />
van de vraag of sprake is van een correcte implementatie,<br />
artikel 12 Nbw hier in zoverre<br />
richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd.<br />
ad 2. Vervolgens formuleert de Afdeling met betrekking<br />
tot artikel 6, tweede en derde lid<br />
van de Habitatrichtlijn een vijftal prejudiciële<br />
vragen die aan het Hof van Justitie EG worden<br />
voorgelegd. Deze vragen hebben betrekking<br />
op: 1. de begrippen ‘plan of project’ (artikel<br />
6 lid 3); Valt hieronder ook een jaarlijks<br />
terugkerende activiteit als de kokkelvisserij<br />
waarvoor in beginsel elk jaar een vergunning<br />
wordt verleend? Verweerder is van mening<br />
dat sprake is van bestaand gebruik dat onder<br />
artikel 6 lid 2 valt terwijl appellanten van<br />
mening zijn dat sprake is van uitbreiding van<br />
bestaande activiteiten die conform artikel 6<br />
lid 3 aan een ‘passende beoordeling’ dienen<br />
te worden onderworpen. 2. de verhouding<br />
tussen het tweede en derde lid van artikel 6<br />
Habitatrichtlijn; moet het derde lid worden<br />
gezien als een verbijzondering van het tweede<br />
lid zodat beide leden cumulatief van toepassing<br />
kunnen zijn zoals appellanten stellen<br />
of is het derde lid van artikel 6 een bepaling<br />
met een afzonderlijke, zelfstandige strekking<br />
in die zin dat het tweede lid betrekking heeft<br />
op bestaand gebruik en het derde lid op nieuwe<br />
plannen of projecten zoals verweerder<br />
stelt. 3. het begrip ‘significante gevolgen’<br />
(artikel 6 lid 3); hoeft pas een ‘passende beoordeling’<br />
te worden gemaakt indien voldoende<br />
aannemelijk is dat een plan of project<br />
significante gevolgen kan hebben (standpunt<br />
waar de Afdeling vooralsnog van uitgaat) of<br />
dient in alle gevallen dat er gevolgen kunnen<br />
zijn, onderzoek plaats te vinden of dit significante<br />
gevolgen zijn zoals appellanten menen.<br />
4. het begrip ‘passende maatregelen’en ‘passende<br />
beoordeling’ (art. 6 lid 2 en lid 3); aan<br />
de hand van welke criteria dient te worden<br />
beoordeeld of er sprake is van ‘passende<br />
maatregelen’ en een ‘passende beoordeling’?<br />
Vooralsnog is de Afdeling van mening dat artikel<br />
174, tweede lid EG-Verdrag bij het oordeel<br />
over deze begrippen dient te worden be-<br />
Milieu<br />
trokken en met name het voorzorgsbeginsel.<br />
Daarbij legt zij de volgende vraag aan het Hof<br />
voor. Houdt het voorzorgsbeginsel in dat een<br />
bepaalde activiteit, zoals de kokkelvisserij,<br />
alleen dan niet mag worden toegestaan als<br />
‘duidelijke twijfel’ bestaat over het achterwege<br />
blijven van negatieve gevolgen voor het<br />
ecosysteem (standpunt PKB Waddenzee) of<br />
is er al een grond om de vergunning te weigeren<br />
indien twijfel bestaat over de afwezigheid<br />
van genoemde negatieve gevolgen dan wel<br />
die afwezigheid niet met zekerheid kan worden<br />
vastgesteld (standpunt appellanten)?<br />
5. de rechtstreekse werking van artikel 6,<br />
tweede en derde lid Habitatrichtlijn; heeft artikel<br />
6, tweede lid rechtstreekse werking nu<br />
de Nederlandse wetgeving geen regels bevat<br />
die uitdrukkelijk zijn bedoeld als implementatie<br />
van de in deze bepaling opgenomen verplichtingen<br />
en richtlijnconforme interpretatie,<br />
zoals door de Afdeling in haar rechtspraak<br />
toegepast, niet kan worden beschouwd<br />
als correcte implementatie? Ook<br />
wat betreft artikel 6, derde lid rijst de vraag<br />
naar de rechtstreekse werking.<br />
Natuurbeschermingswet artikel 12<br />
EG-richtlijn 92/43(Habitatrichtlijn) artikel 6,<br />
tweede en derde lid<br />
Bij besluiten van 1 juli 1999 (zaak nr. 200000690/1)<br />
en 7 juli 2000 (zaak nr. 200101670/1) heeft de<br />
Staatssecretaris van LNV (verweerder) aan de Coöperatieve<br />
Producentenorganisatie van de Nederlandse<br />
Kokkelvisserij U.A. onder voorwaarden vergunningen<br />
verleend als bedoeld in artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />
voor het mechanisch vissen van kokkels<br />
in de Waddenzee. Bij besluiten van 23 december<br />
1999, respectievelijk 19 februari 2001, heeft verweerder<br />
de hiertegen door appellanten gemaakte bezwaren<br />
ongegrond verklaard.<br />
Appellanten hebben betoogd dat de bestreden besluiten<br />
in strijd zijn met de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn.<br />
Dienaangaande wordt het volgende overwogen.<br />
De Waddenzee, dat wil zeggen het gehele door de<br />
bestreden besluiten bestreken gebied, is bij besluit van<br />
8 november 1991 aangewezen als speciale beschermingszone<br />
als bedoeld in artikel 4 van de Vogelricht-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
lijn. Ingevolge artikel 7 van de Habitatrichtlijn komen<br />
de uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn<br />
voortvloeiende verplichtingen in de plaats<br />
van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4,<br />
vierde lid, eerste volzin, van de Vogelrichtlijn voor wat<br />
betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig<br />
artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen.<br />
Voorzover appellanten hebben betoogd dat aan de<br />
Vogelrichtlijn dient te worden getoetst, slaagt dit betoog<br />
in zoverre derhalve niet.<br />
Volgens appellanten zijn de bestreden besluiten om de<br />
volgende redenen in strijd met de Habitatrichtlijn. Zij<br />
stellen dat er alleen al op grond van de hoeveelheid<br />
kokkels die gevangen is, sprake is van uitbreiding van<br />
bestaande activiteiten. Aangezien er zich bij het vissen<br />
naar kokkels bovendien significante effecten kunnen<br />
voordoen, dient het volledige toetsingskader van artikel<br />
6, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn te worden<br />
doorlopen. Daarenboven moet volgens hen ook<br />
nog worden getoetst aan artikel 6, tweede lid, van de<br />
Habitatrichtlijn. Zij stellen dat aan de verplichting van<br />
artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn niet is voldaan,<br />
zodat de verwijzing door verweerder naar het beleid<br />
in de PKB-Waddenzee en de Structuurnota een<br />
onvoldoende onderbouwing van de bestreden besluiten<br />
vormt. Voorzover verweerder een beroep doet op<br />
artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn is volgens<br />
appellanten de vraag niet beantwoord of dwingende<br />
redenen van openbaar belang de uitbreiding van de<br />
mechanische kokkelvisserij rechtvaardigen en of er alternatieven<br />
zijn. Wat betreft de mogelijkheid van significante<br />
effecten wijzen appellanten erop dat door de<br />
mechanische kokkelvisserij de bodem direct wordt omgewoeld<br />
en voedsel voor vogels wordt weggehaald;<br />
daarnaast is volgens hen vastgesteld dat natuurlijke<br />
mosselbanken nauwelijks meer voorkomen in de Waddenzee.<br />
Ten slotte stellen zij dat artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />
niet kan worden aangemerkt als<br />
correcte implementatie.<br />
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat<br />
volgens rechtspraak van de Afdeling de Natuurbeschermingswet<br />
voldoende mogelijkheden biedt om<br />
aan de verplichtingen uit hoofde van de Vogelrichtlijn<br />
te voldoen. Hij is van mening dat het toetsingskader<br />
dat bij een toetsing aan de Natuurbeschermingswet<br />
wordt gehanteerd in overeenstemming is met de Vogel-<br />
Milieu<br />
13<br />
en de Habitatrichtlijn. Hij heeft voorts gesteld dat de<br />
bestreden vergunningen niet in strijd zijn met de Habitatrichtlijn.<br />
Aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn<br />
wordt volgens verweerder voldaan, omdat bij<br />
de kokkelvisserij juist in verband met de bescherming<br />
van natuurwaarden beperkingen worden opgelegd aan<br />
de bestaande activiteit van de sector. Van verslechtering<br />
van de desbetreffende habitat is derhalve geen<br />
sprake. Met de voedselbehoefte van vogels is ruim voldoende<br />
rekening gehouden. Volgens verweerder staat<br />
ook artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet<br />
aan de vergunningen in de weg. Ter zitting heeft verweerder<br />
voorts betoogd dat de mechanische kokkelvisserij<br />
in de Waddenzee reeds lang bestaat en er bovendien<br />
geen sprake is van intensivering van deze<br />
activiteit, zodat alleen aan het tweede lid van artikel 6<br />
van de Habitatrichtlijn behoeft te worden getoetst.<br />
In artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald<br />
dat de Lid-Staten passende maatregelen treffen<br />
om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke<br />
habitats van soorten in de speciale beschermingszones<br />
niet verslechtert en er geen storende factoren optreden<br />
voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen<br />
voorzover die factoren, gelet op de doelstellingen van<br />
deze richtlijn, een significant effect zouden kunnen<br />
hebben.<br />
Ingevolge artikel 6, derde lid, van deze richtlijn,<br />
voorzover hier van belang, wordt voor elk plan of project<br />
dat niet direct verband houdt met of nodig is voor<br />
het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in<br />
combinatie met andere plannen of projecten significante<br />
gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende<br />
beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het<br />
gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen<br />
van dat gebied. Gelet op de conclusies<br />
van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en<br />
onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de<br />
bevoegde nationale instanties slechts toestemming<br />
voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben<br />
verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het<br />
betrokken gebied niet zal aantasten.<br />
Ingevolge artikel 6, vierde lid, voorzover hier van<br />
belang, neemt de Lid-Staat, indien een plan of project,<br />
ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van<br />
de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve<br />
oplossingen, om dwingende redenen van groot<br />
openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale<br />
of economische aard, toch moet worden gereali-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
14<br />
seerd, alle nodige compenserende maatregelen om te<br />
waarborgen dat de algehele samenhang van Natura<br />
2000 bewaard blijft.<br />
Blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie moet<br />
ter bepaling van de werking van een richtlijn een<br />
onderscheid worden gemaakt tussen een correcte en<br />
een incorrecte implementatie van die richtlijn. In geval<br />
van correcte implementatie bereikt de werking van een<br />
richtlijn de particulieren via de door de betrokken Lid-<br />
Staat getroffen uitvoeringsmaatregelen. Slechts indien<br />
een richtlijn, na afloop van de implementatieperiode,<br />
niet, niet tijdig of onjuist is geïmplementeerd, kan een<br />
particulier een rechtstreeks beroep op die richtlijn<br />
doen en dan nog alleen op de bepalingen van de richtlijn<br />
die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig bepaald<br />
zijn (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />
19 januari 1982, Becker, 8/81, Jurisprudentie<br />
1982, p. 53).<br />
Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie<br />
dienen de rechterlijke instanties van de Lid-Staten<br />
de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen<br />
uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht<br />
voortvloeit (Hof van Justitie van de Europese<br />
Gemeenschappen 14 december 1995, Peterbroeck,<br />
C-312/93, Jurisprudentie 1995, p. I-4599).<br />
Zoals uit de voorafgaande overweging blijkt, kan de<br />
vraag naar de rechtstreekse werking alleen rijzen in<br />
geval van incorrecte implementatie. De Afdeling ziet<br />
zich derhalve allereerst voor de vraag gesteld of artikel<br />
6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn<br />
correct is geïmplementeerd dan wel richtlijnconforme<br />
interpretatie mogelijk is.<br />
De Natuurbeschermingswet bevat geen regels die uitdrukkelijk<br />
bedoeld zijn als implementatie van de in artikel<br />
6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn opgenomen<br />
verplichtingen. Niet gebleken is dat op de Waddenzee<br />
anderszins algemeen verbindende voorschriften van toepassing<br />
zijn die bedoeld zijn als implementatie van de<br />
verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid,<br />
van de Habitatrichtlijn. De Afdeling is echter van oordeel<br />
dat, afgezien van de vraag of in dit geval sprake is van<br />
correcte implementatie, artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />
hier in zoverre richtlijnconform kan worden<br />
geïnterpreteerd (Afdeling bestuursrechtspraak,<br />
31 maart 2000, nr. E01.97.0178, AB 2000, 302).<br />
Milieu<br />
Evenals met betrekking tot artikel 6, tweede lid, van de<br />
Habitatrichtlijn bevat ook wat betreft artikel 6, derde<br />
en vierde lid, de Natuurbeschermingswet geen implementatieregels.<br />
Ook anderszins zijn op de Waddenzee<br />
geen algemeen verbindende voorschriften van toepassing<br />
die bedoeld zijn als implementatie van het derde<br />
en vierde lid van de Habitatrichtlijn. De PKB-Waddenzee<br />
kan niet als zodanig gelden, aangezien deze geen<br />
algemeen verbindende voorschriften bevat (Voorzitter<br />
Afdeling bestuursrechtspraak, 27 mei 1998, nr.<br />
F01.98.0003, AB 1999, 358).<br />
De Afdeling ziet zich vervolgens geconfronteerd met de<br />
volgende vragen over de inhoud van de Habitatrichtlijn.<br />
De begrippen ‘plan of project’<br />
Hierboven is reeds het standpunt van appellanten<br />
weergegeven dat alleen al op grond van de hoeveelheid<br />
kokkels die gevangen is, sprake is van uitbreiding<br />
van bestaande activiteiten. Volgens hen is dan ook<br />
sprake van een ‘plan of project’ dat, omdat het significante<br />
gevolgen kan hebben, volgens artikel 6, derde<br />
lid, van de Habitatrichtlijn aan een ‘passende beoordeling’<br />
dient te worden onderworpen. Hiertegenover<br />
heeft verweerder betoogd dat slechts sprake is van bestaand<br />
gebruik dat onder artikel 6, tweede lid, van de<br />
Habitatrichtlijn valt, waardoor het derde lid buiten beschouwing<br />
kan blijven. De richtlijn zelf geeft hierover<br />
geen uitsluitsel. Het is met name niet duidelijk of<br />
onder ‘plan of project’ ook een in beginsel jaarlijks<br />
terugkerende activiteit valt als de onderhavige. Teneinde<br />
iedere onduidelijkheid op dit punt weg te nemen,<br />
acht de Afdeling zich gehouden om het Hof van Justitie<br />
van de Europese Gemeenschappen (hierna: het<br />
Hof) te verzoeken de volgende prejudiciële vragen te<br />
beantwoorden:<br />
1a. Dienen de begrippen ‘plan of project’ in artikel 6,<br />
derde lid, van de Habitatrichtlijn aldus te worden uitgelegd<br />
dat daaronder ook valt een activiteit die al vele<br />
jaren wordt uitgeoefend maar waarvoor in beginsel<br />
elk jaar voor een beperkte periode een vergunning<br />
wordt verleend, waarbij telkens opnieuw wordt beoordeeld<br />
of en zo ja, in welke gedeelten van het gebied<br />
de activiteit mag worden uitgeoefend?<br />
1b. Ingeval vraag 1a ontkennend wordt beantwoord:<br />
dient de desbetreffende activiteit wel als een ‘plan of<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
project’ te worden beschouwd, indien de intensiteit<br />
van die activiteit in de loop der jaren is toegenomen,<br />
respectievelijk een toename daarvan door de vergunningen<br />
mogelijk wordt gemaakt?<br />
De verhouding tussen het tweede en het derde<br />
lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn<br />
Gesteld dat uit het antwoord op vraag 1 voortvloeit dat<br />
er sprake is van een ‘plan of project’ in de zin van artikel<br />
6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, rijst vervolgens<br />
de vraag naar de verhouding tussen het tweede en<br />
derde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn.<br />
Volgens appellanten dient de activiteit waarvoor vergunningen<br />
zijn verleend, ook al moet deze in hun ogen<br />
als een ‘plan of project’ in de zin van het derde lid worden<br />
gekwalificeerd, desalniettemin aan het tweede lid<br />
van artikel 6 van de Habitatrichtlijn te worden getoetst.<br />
Dat wil zeggen dat de activiteit niet mag leiden<br />
tot een verslechtering van de kwaliteit van het gebied<br />
en geen storende factoren mogen optreden voor de<br />
soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover<br />
die een significant effect zouden kunnen hebben.<br />
Dit standpunt roept de vraag op of artikel 6, derde<br />
lid, moet worden gezien als een verbijzondering van de<br />
regels die zijn opgenomen in artikel 6, tweede lid, – en<br />
dus beide leden cumulatief van toepassing kunnen zijn –<br />
of als een bepaling met een afzonderlijke, zelfstandige<br />
strekking, in die zin dat het tweede lid betrekking heeft<br />
op bestaand gebruik en het derde op nieuwe plannen<br />
of projecten.<br />
Volgens de Afdeling zou het onderscheid tussen het<br />
tweede en derde lid ook daarin kunnen worden gezocht<br />
dat het tweede lid betrekking heeft op de noodzaak<br />
om beheersmaatregelen te treffen en het derde lid<br />
op plannen of projecten die ‘niet direct verband houden<br />
met of nodig zijn voor het beheer van het gebied’,<br />
maar significante gevolgen voor zo’n gebied kunnen<br />
hebben. Het onderscheid zou dan dus worden gezocht<br />
in het feit dat een bepaald besluit, zoals in dit geval de<br />
vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet,<br />
al dan niet het beheer van het gebied betreft. Ook is<br />
een benadering denkbaar waarin het derde lid betrekking<br />
heeft op plannen of projecten en het tweede lid op<br />
overige activiteiten.<br />
Gelet op het bovenstaande legt de Afdeling de volgende<br />
prejudiciële vragen aan het Hof voor:<br />
2a. In geval uit het antwoord op vraag 1 voortvloeit<br />
dat er sprake is van een ‘plan of project’ in de zin van<br />
Milieu<br />
15<br />
artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn: dient artikel<br />
6, derde lid, van de Habitatrichtlijn te worden<br />
gezien als een verbijzondering van de regels die zijn<br />
opgenomen in het tweede lid of als een bepaling met<br />
een afzonderlijke, zelfstandige strekking, zulks in die<br />
zin dat bijvoorbeeld:<br />
(i) het tweede lid betrekking heeft op bestaand gebruik<br />
en het derde op nieuwe plannen of projecten, of<br />
(ii) het tweede lid betrekking heeft op beheersmaatregelen<br />
en het derde op andere besluiten, of<br />
(iii) het derde lid betrekking heeft op plannen of projecten<br />
en het tweede op overige activiteiten?<br />
2b. Kunnen in het geval artikel 6, derde lid, van de<br />
Habitatrichtlijn als een verbijzondering van de regels<br />
die zijn opgenomen in het tweede lid moet worden<br />
gezien, beide leden cumulatief van toepassing zijn?<br />
Het begrip ‘significante gevolgen’?<br />
Binnen het kader van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn<br />
dient de Afdeling voorts vast te stellen of het<br />
plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere<br />
plannen of projecten significante gevolgen kan hebben<br />
voor het onderhavige gebied. Volgens appellanten<br />
is dat het geval omdat de bodem door de mechanische<br />
kokkelvisserij direct wordt omgewoeld en voedsel voor<br />
vogels wordt weggehaald; bovendien is volgens hen<br />
vastgesteld dat natuurlijke mosselbanken nauwelijks<br />
meer voorkomen of terugkomen in de Waddenzee. Verweerder<br />
stelt hiertegenover dat zulke gevolgen juist<br />
worden voorkomen doordat de bestaande activiteit van<br />
de sector wordt beperkt en ruim voldoende rekening<br />
wordt gehouden met de voedselbehoefte van de vogels.<br />
In het licht van deze tegenovergestelde standpunten<br />
van partijen vraagt de Afdeling zich af hoe artikel<br />
6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dient te worden<br />
uitgelegd. Voorshands gaat de Afdeling ervan uit dat<br />
pas een ‘passende beoordeling’ behoeft te worden gemaakt<br />
indien voldoende aannemelijk is dat een plan of<br />
project significante gevolgen kan hebben (zie bijvoorbeeld<br />
Afdeling bestuursrechtspraak, 10 februari 2000,<br />
nr. E01.98.0406, M en R 2000/12, nr. 122; en 22<br />
februari 2001, nr. 200001521/1, AB 2001, 280). De<br />
vraag blijft evenwel of inderdaad slechts onderzoek<br />
dient te worden gedaan naar de eventuele aantasting<br />
door het plan of project van de kenmerken van het betrokken<br />
gebied indien aannemelijk is dat een plan of<br />
project significante gevolgen kan hebben, of dat er in<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
16<br />
alle gevallen dat er gevolgen kunnen zijn, onderzoek<br />
dient plaats te vinden of dit significante gevolgen zijn.<br />
Vervolgens vraagt de Afdeling zich af aan de hand<br />
van welke criteria moet worden beoordeeld of een plan<br />
of project dat niet direct verband houdt met of nodig is<br />
voor het beheer van het gebied, afzonderlijk of in combinatie<br />
met andere plannen of projecten significante<br />
gevolgen kan hebben voor zo?n gebied.<br />
Gelet op het bovenstaande legt de Afdeling derhalve<br />
de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor:<br />
3a. Dient artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn<br />
aldus te worden uitgelegd dat er reeds sprake is van<br />
een ‘plan of project’ als een bepaalde activiteit gevolgen<br />
voor het desbetreffende gebied kan hebben (en<br />
daarna een ‘passende beoordeling’ moet worden gemaakt<br />
om te weten of die gevolgen ‘significant’ zijn)<br />
of betekent deze bepaling dat er pas een ‘passende<br />
beoordeling’ behoeft te worden gemaakt indien (voldoende)<br />
aannemelijk is dat een ‘plan of project’ significante<br />
gevolgen kan hebben?<br />
3b. Aan de hand van welke criteria moet worden beoordeeld<br />
of een plan of project in de zin van artikel 6,<br />
derde lid, van de Habitatrichtlijn dat niet direct verband<br />
houdt met of nodig is voor het beheer van het<br />
gebied, afzonderlijk of in combinatie met andere<br />
plannen of projecten significante gevolgen kan hebben<br />
voor zo’n gebied?<br />
Het begrip ‘passende maatregelen’ en ‘passende<br />
beoordeling’?<br />
Indien de vragen 1a en/of 1b ontkennend worden beantwoord,<br />
zodat de activiteit alleen valt onder het bereik<br />
van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn,<br />
zal de Afdeling moeten nagaan of de vergunningverlening<br />
in overeenstemming is met de plicht van de Staat<br />
om ‘passende maatregelen’ te nemen om ervoor te zorgen<br />
dat de kwaliteit van het gebied niet verslechtert en<br />
er geen storende factoren optreden voor de soorten<br />
waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover die factoren,<br />
gelet op de doelstellingen van de Habitatrichtlijn,<br />
een significant effect zouden kunnen hebben.<br />
Indien de vragen 1a en/of 1b bevestigend worden beantwoord,<br />
valt de activiteit onder artikel 6, derde lid,<br />
en eventueel – dat hangt af van het antwoord op vraag<br />
2 – ook onder het tweede lid, van de Habitatrichtlijn.<br />
Volgens artikel 6, derde lid, dient er voor een plan of<br />
Milieu<br />
project dat significante gevolgen kan hebben een ‘passende<br />
beoordeling’ te worden gemaakt.<br />
Het bovenstaande roept de vraag op aan de hand van<br />
welke criteria dient te worden beoordeeld of er sprake<br />
is van ‘passende maatregelen’, respectievelijk een<br />
‘passende beoordeling’, zulks mede gelet op de in het<br />
derde lid van artikel 6, van de Habitatrichtlijn opgenomen<br />
regel dat de bevoegde autoriteiten slechts toestemming<br />
voor het plan of project mogen geven nadat<br />
zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke<br />
kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.<br />
Naar voorlopig oordeel van de Afdeling zou bij<br />
de beantwoording van deze vraag mede een rol kunnen<br />
spelen hetgeen is neergelegd in artikel 174, tweede<br />
lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese<br />
Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag). Ingevolge dat artikellid,<br />
voorzover hier van belang, streeft de Gemeenschap<br />
in haar milieubeleid naar een hoog niveau van<br />
bescherming en berust haar beleid op het voorzorgsbeginsel<br />
en het beginsel van preventief handelen, het beginsel<br />
dat de milieuaantastingen bij voorrang aan de<br />
bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat<br />
de vervuiler betaalt. Volgens de PKB-Waddenzee zal,<br />
zoals hierboven reeds beschreven, alleen in geval van<br />
‘duidelijke twijfel’ over het achterwege blijven van mogelijk<br />
belangrijke negatieve gevolgen voor het ecosysteem<br />
een grond bestaan om vergunningen als de<br />
onderhavige te weigeren op grond van het voorzorgsbeginsel.<br />
Daarentegen is er volgens appellanten reeds<br />
sprake van een reden om een vergunning op grond van<br />
het voorzorgsbeginsel te weigeren indien twijfel bestaat<br />
over de afwezigheid van zulke gevolgen, respectievelijk<br />
die afwezigheid niet met zekerheid kan worden<br />
vastgesteld.<br />
Gelet op het bovenstaande legt de Afdeling de volgende<br />
prejudiciële vragen aan het Hof voor:<br />
4a. Aan de hand van welke criteria dient in het kader<br />
van de toepassing van artikel 6 van de Habitatrichtlijn<br />
te worden beoordeeld of sprake is van ‘passende<br />
maatregelen’ als bedoeld in het tweede lid van die<br />
bepaling, respectievelijk een ‘passende beoordeling’<br />
in samenhang met de vereiste zekerheid voor het<br />
geven van toestemming voor een plan of project als<br />
bedoeld in het derde lid?<br />
4b. Hebben de begrippen ‘passende maatregelen’,<br />
respectievelijk ‘passende beoordeling’ een zelfstandi-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
ge betekenis of dient bij het oordeel daarover ook rekening<br />
te worden gehouden met artikel 174, tweede<br />
lid, van het EG-Verdrag en met name het in dat artikellid<br />
genoemde voorzorgsbeginsel?<br />
4c. Ingeval rekening dient te worden gehouden met<br />
het in artikel 174, tweede lid, van het EG-Verdrag genoemde<br />
voorzorgsbeginsel: houdt dat in dat een bepaalde<br />
activiteit, zoals de onderhavige kokkelvisserij,<br />
mag worden toegestaan als over de afwezigheid van<br />
mogelijke significante gevolgen geen duidelijke twijfel<br />
bestaat of mag dat alleen als geen twijfel bestaat<br />
over de afwezigheid van zulke gevolgen, respectievelijk<br />
die afwezigheid met zekerheid kan worden vastgesteld?<br />
Rechtstreekse werking van artikel 6, tweede en<br />
derde lid, van de Habitatrichtlijn<br />
Zoals reeds is overwogen, bevat de Natuurbeschermingswet<br />
geen regels die uitdrukkelijk zijn bedoeld als<br />
implementatie van de in artikel 6, tweede lid, van de<br />
Habitatrichtlijn opgenomen verplichtingen. Het is<br />
evenmin gebleken dat op de Waddenzee anderszins algemeen<br />
verbindende voorschriften van toepassing zijn<br />
die bedoeld zijn als implementatie van de verplichtingen<br />
die voortvloeien uit dit artikellid. Richtlijnconforme<br />
interpretatie, zoals door de Afdeling toegepast in haar<br />
uitspraak van 31 maart 2000 (nr. E01.97.0178), kan<br />
niet worden beschouwd als correcte implementatie<br />
(Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />
10 mei 2001, Commissie/Nederland C-144/99, Jurisprudentie<br />
2001, p. I-3541). De Afdeling ziet zich dan<br />
ook voor de vraag gesteld of artikel 6, tweede lid – indien<br />
uit de antwoorden op de vragen (1) en (2) volgt<br />
dat de onderhavige vergunningverlening daaraan – uitsluitend<br />
of tezamen met het derde lid – moet worden<br />
getoetst – rechtstreeks werkt.<br />
Hierboven is reeds opgemerkt dat artikel 6, derde lid,<br />
van de Habitatrichtlijn niet in het nationale recht is geimplementeerd.<br />
Ook wat betreft het derde lid rijst derhalve<br />
de vraag naar de rechtstreekse werking.<br />
Gelet op het bovenstaande legt de Afdeling als laatste<br />
vraag aan het Hof voor:<br />
5. Werkt artikel 6, tweede, respectievelijk derde lid,<br />
van de Habitatrichtlijn rechtstreeks, in die zin dat<br />
particulieren zich daarop voor de nationale rechter<br />
kunnen beroepen en die rechter, zoals onder meer<br />
Milieu<br />
beslist in de zaak Peterbroeck (reeds aangehaald), de<br />
rechtsbescherming moet verlenen die voor de justitiabelen<br />
uit de rechtstreekse werking voortvloeit?<br />
Beslissing<br />
Verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />
bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak<br />
te doen op de hierboven geformuleerde vragen;<br />
schorst de behandeling en houdt iedere verdere beslissing<br />
aan.<br />
02-45<br />
ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nrs. 200003011/2 en<br />
200103587/1 (Dordrecht)<br />
Casus<br />
Oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer<br />
voor een handelsonderneming met ammoniakopslag.<br />
Appellanten voeren aan dat het besluit in<br />
strijd is met artikel 21 Grondwet omdat vloeibare<br />
ammoniakopslag gevaar voor de gezondheid oplevert.<br />
Voorts achten zij deze opslag in strijd met artikel<br />
8 van het Europees Verdrag tot bescherming<br />
van de rechten van de mens (EVRM).<br />
Rechtsvraag<br />
Is er strijd met deze bepalingen?<br />
17<br />
Uitspraak<br />
Ingevolge artikel 21 Grondwet is de zorg van de<br />
overheid gericht op de bescherming en verbetering<br />
van het leefmilieu. Gelet op de wetsgeschiedenis<br />
van deze bepaling dient sprake te zijn van een zeer<br />
uitzonderlijk geval, wil de rechter tot de slotsom<br />
komen dat een aan hem voorgelegd besluit in strijd<br />
is met één der bepalingen inzake sociale grondrechten.<br />
Ten aanzien van het in artikel 21 Grondwet<br />
neergelegde voorwerp van zorg bestaat een<br />
uitgebreide wetgeving waarvan de Wet milieubeheer<br />
deel uitmaakt. Er is niet gebleken van bijzondere<br />
omstandigheden die – in aanvulling op de<br />
toets van de Wm – moeten leiden tot rechtstreekse<br />
toetsing aan artikel 21 Grondwet. In artikel 8<br />
EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect<br />
voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsle-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
18<br />
ven en zijn woning. Inmenging in deze rechten<br />
door de overheid is slechts mogelijk voorzover<br />
daarin bij de wet is voorzien en (voorzover hier van<br />
belang) dit noodzakelijk is in het belang van de<br />
openbare veiligheid, gezondheid en de rechten en<br />
vrijheden van anderen. Voorzover het bestreden<br />
besluit kan worden beschouwd als een inmenging<br />
in deze rechten vindt dit haar grondslag in de Wm.<br />
De inmenging moet worden aangemerkt als noodzakelijk<br />
in het belang van de bescherming van de<br />
rechten en vrijheden van anderen, waarbij een eerlijke<br />
afweging heeft plaatsgevonden tussen de belangen<br />
van het individu enerzijds en die van de gemeenschap<br />
als geheel anderzijds. Besluiten<br />
krachtens de Wm genomen, kunnen alleen dan geacht<br />
worden in strijd te zijn met artikel 8 EVRM<br />
wanneer zich omstandigheden voordoen waardoor<br />
als gevolg van deze besluiten een zodanige mate<br />
van milieuhinder kan worden ondervonden, dat<br />
deze zou moeten worden beschouwd als een nietgerechtvaardigde<br />
of disproportionele inbreuk op de<br />
door artikel 8 EVRM beschermde rechten. In casu<br />
is daarvan geen sprake.<br />
Grondwet artikel 21<br />
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten<br />
van de mens (EVRM) artikel 8<br />
Bij besluit van 28 april 2000 hebben verweerders<br />
krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap<br />
met beperkte aansprakelijkheid ‘Firma Bosman<br />
B.V.’ te Dordrecht een vergunning verleend voor<br />
het oprichten en in werking hebben van een handelsonderneming<br />
ten behoeve van de opslag van (gedeeltelijk<br />
gekoelde) levensmiddelen.<br />
Overwegingen<br />
Appellanten beroepen zich erop dat het bestreden besluit<br />
in strijd is met artikel 21 van de Grondwet omdat<br />
vloeibare ammoniakopslag gevaar voor de gezondheid<br />
oplevert. Voorts achten zij deze in strijd met het in artikel<br />
8 van het in het Europees Verdrag tot bescherming<br />
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden<br />
(EVRM) neergelegde recht dat een ieder heeft<br />
op zijn woning.<br />
Ingevolge artikel 21 van de Grondwet is de zorg van de<br />
overheid gericht op de bewoonbaarheid van het land<br />
en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.<br />
Milieu<br />
Blijkens de wetsgeschiedenis is met deze bepaling beoogd<br />
tot uitdrukking te brengen dat de overheid de aldaar<br />
genoemde onderwerpen tot haar takenpakket<br />
moet rekenen. In de Memorie van Toelichting bij de<br />
Grondwetsherziening van 1983 is in dit verband het<br />
volgende gesteld: ‘In de redacties waarbij opdrachten<br />
worden gegeven aan de wetgever of de overheid is een<br />
ruime marge vervat voor de tot regeling of zorg geroepen<br />
organen. De ruime beleidsmarge die deze bepalingen<br />
inhouden voor de wetgevende en besturende organen<br />
maakt dat zij zich niet of nauwelijks tot toetsingscriterium<br />
lenen. Het moet wel een zeer uitzonderlijk<br />
geval zijn, wil de rechter tot de slotsom kunnen komen<br />
dat het hem voorgelegde besluit van een lager lichaam<br />
onverbindend is wegens strijd met een der bepalingen<br />
inzake sociale grondrechten.’<br />
Ten aanzien van het in artikel 21 van de Grondwet<br />
neergelegde voorwerp van zorg van de overheid bestaat<br />
een uitgebreide wetgeving. De Wet milieubeheer<br />
maakt hiervan deel uit. Niet is gebleken van bijzondere<br />
omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de bestreden<br />
besluiten – in aanvulling op de toetsing aan de<br />
Wet milieubeheer – voor rechtstreekse toetsing aan artikel<br />
21 van de Grondwet in aanmerking komen. De<br />
beroepen treffen in zoverre geen doel.<br />
In het eerste lid van artikel 8 van het EVRM is bepaald<br />
dat een ieder recht heeft op respect voor zijn<br />
privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en<br />
zijn correspondentie. In het tweede lid is bepaald dat<br />
geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan<br />
in de uitoefening van dit recht, dan voorzover bij de<br />
wet is voorzien en in een democratische samenleving<br />
noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid,<br />
de openbare veiligheid of het economisch welzijn<br />
van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en<br />
strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of<br />
de goede zeden of voor de bescherming van de rechten<br />
en vrijheden van anderen.<br />
Voorzover de bestreden besluiten beschouwd kunnen<br />
worden als een inmenging in de rechten, neergelegd<br />
in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, overweegt<br />
de Afdeling dat deze haar grondslag vindt in de Wet<br />
milieubeheer. De inmenging van de overheid is derhalve<br />
bij wet voorzien en moet worden aangemerkt als<br />
noodzakelijk in het belang van de bescherming van de<br />
openbare veiligheid, de gezondheid en de rechten en<br />
vrijheden van anderen, waarbij een eerlijke afweging<br />
heeft plaats gevonden tussen de belangen van het individu<br />
enerzijds, en die van de gemeenschap als geheel<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
anderzijds. Voorzover sprake is van een op verweerders<br />
rustende positieve verplichting om redelijke en gepaste<br />
maatregelen te nemen ter bescherming van de in<br />
artikel 8, eerste lid, van het EVRM neergelegde rechten,<br />
kan niet worden geoordeeld dat zij daarin te kort<br />
zijn geschoten. Overeenkomstig de Wet milieubeheer<br />
genomen besluiten kunnen alleen dan geacht worden<br />
in strijd te zijn met artikel 8 van het EVRM, wanneer<br />
zich omstandigheden voordoen waardoor als gevolg<br />
van deze besluiten een zodanige mate van milieuhinder<br />
kan worden ondervonden, dat deze zou moeten<br />
worden beschouwd als een niet-gerechtvaardigde of<br />
disproportionele inbreuk op de door artikel 8 van het<br />
EVRM beschermde rechten. Daarvan is echter in<br />
onderhavig geval geen sprake. De beroepen treffen in<br />
zoverre geen doel.<br />
02-46<br />
ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nr. 200103923/1 (Staatssecretaris<br />
LNV)<br />
Casus<br />
Vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet<br />
voor de aanleg en verbetering van een recreatieve<br />
fietsvoorziening in het natuurmonument de Deurnese<br />
Peel. Volgens appellante staat niet vast dat<br />
de aanleg en verbetering van de voorziening geen<br />
significante gevolgen zal hebben voor het ingevolge<br />
artikel 6 van de Habitatrichtlijn aangewezen gebied.<br />
Verweerder stelt zich op het standpunt dat<br />
de Deurnese Peel niet is aangewezen als speciale<br />
beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn.<br />
Rechtsvraag<br />
Hadden verweerders onderzoek moeten doen naar<br />
eventuele significante gevolgen van de voorgenomen<br />
activiteiten?<br />
Uitspraak<br />
De Afdeling stelt vast dat verweerder in 1992 het<br />
gebied heeft aangewezen als speciale beschermingszone<br />
in de zin van de Vogelrichtlijn zodat<br />
voor de in deze richtlijn genoemde vogelsoorten<br />
speciale beschermingsmaatregelen moeten worden<br />
getroffen. De in artikel 6 van de Habitatricht-<br />
Milieu<br />
19<br />
lijn opgenomen verplichtingen komen in de plaats<br />
van de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn<br />
voor wat betreft de speciale beschermingszones.<br />
Nu vaststaat dat de Deurnese Peel is<br />
aangemerkt als speciale beschermingszone rust op<br />
verweerder de taak te bezien in hoeverre ten aanzien<br />
van de aanleg en verbetering van de recreatieve<br />
fietsvoorziening aan de uit de Habitatrichtlijn<br />
voortvloeiende verplichtingen kan worden voldaan.<br />
Omdat aan het bestreden besluit geen onderzoek<br />
ten grondslag ligt is dit besluit op onzorgvuldige<br />
wijze voorbereid.<br />
Natuurbeschermingswet, artikel 12<br />
EG-richtlijn 79/409 (Vogelrichtlijn), artikel 4<br />
EG-richtlijn 92/43 (Habitatrichtlijn), artikelen 6<br />
en 7<br />
Bij besluit van 18 september 2000 heeft de Staatssecretaris<br />
van LNV (verweerder) aan het college van burgemeester<br />
en wethouders van de gemeente Deurne op<br />
grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />
vergunning onder voorwaarden verleend voor de aanleg<br />
en verbetering van een recreatieve fietsvoorziening<br />
in het natuurmonument de Deurnese Peel.<br />
Bij besluit van 27 juni 2001, op dezelfde dag verzonden,<br />
heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar<br />
ongegrond verklaard.<br />
Overwegingen<br />
Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet<br />
is het verboden zonder vergunning van de<br />
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, of in<br />
strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden,<br />
handelingen te verrichten, te doen verrichten<br />
of te gedogen die schadelijk zijn voor het natuurschoon<br />
of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een<br />
beschermd natuurmonument of die een beschermd<br />
natuurmonument ontsieren.<br />
Ingevolge artikel 12, tweede lid, worden in ieder<br />
geval als schadelijk voor het natuurschoon of voor de<br />
natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd<br />
natuurmonument aangemerkt handelingen,<br />
die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke<br />
kenmerken van een beschermd natuurmonument<br />
aantasten.<br />
Appellante betoogt dat verweerder door vergunning<br />
te verlenen voor de aanleg en verbetering van een recreatieve<br />
fietsvoorziening ten onrechte de belangen<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
20<br />
van de gemeente Deurne heeft laten prevaleren boven<br />
die van de natuur in ‘het Zinkske’, onderdeel van het<br />
beschermd natuurmonument de Deurnese Peel. Volgens<br />
appellante mocht deze vergunning slechts verleend<br />
worden indien zeker is dat de aanleg en verbetering<br />
geen significante gevolgen zullen hebben voor een<br />
ingevolge artikel 6 van de Habitatrichtlijn aangewezen<br />
gebied. Nu over de gevolgen geen zekerheid bestaat,<br />
kon volgens appellante slechts vergunning verleend<br />
worden als de aanleg en verbetering van de fietsvoorziening<br />
van groot openbaar belang is en dan alleen<br />
wanneer er geen alternatieven zijn. Appellante betwist<br />
het groot openbaar belang bij de uitvoering van deze<br />
werken en stelt voorts dat er een aanvaardbaar alternatief<br />
voorhanden is.<br />
In zijn verweerschrift heeft verweerder zich op het<br />
standpunt gesteld dat de Deurnese Peel niet is aangewezen<br />
op grond van de Vogelrichtlijn.<br />
De Afdeling overweegt dat verweerder bij besluit van<br />
12 mei 1992, Stcrt. 1992, 94, de Deurnese Peel<br />
heeft aangewezen als speciale beschermingszone in de<br />
zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn<br />
79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen<br />
van 2 april 1979 inzake het behoud van de<br />
vogelstand (Pb L 103; verder: Vogelrichtlijn). Hieruit<br />
volgt dat verweerders stelling onjuist is. Hoezeer verweerder<br />
terzake dwaalt, blijkt uit zijn stelling dat het<br />
gebied zich niet kwalificeert voor een aanwijzing op<br />
grond van de Vogelrichtlijn.<br />
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn<br />
dienen de Lidstaten voor de leefgebieden van de in Bijlage<br />
I van de richtlijn genoemde vogelsoorten speciale<br />
beschermingsmaatregelen te treffen, met name door<br />
het aanwijzen van de naar aantal en oppervlakte voor<br />
de instandhouding van deze soorten meest geschikte<br />
gebieden als speciale beschermingszone.<br />
Ingevolge artikel 4, tweede lid, dienen de Lidstaten<br />
soortgelijke maatregelen te nemen ten aanzien van de<br />
niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende<br />
trekvogels ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden<br />
en rustplaatsen in hun trekzones.<br />
Ingevolge artikel 7 van de richtlijn 92/43/ EEG van<br />
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21<br />
mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke<br />
habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; verder:<br />
Habitatrichtlijn) komen de uit artikel 6, tweede, derde<br />
en vierde lid, voortvloeiende verplichtingen in de<br />
plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel<br />
Milieu<br />
4, vierde lid, eerste zin, van de Vogelrichtlijn, voor wat<br />
betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig<br />
artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen<br />
of bij analogie overeenkomstig artikel 4,<br />
tweede lid, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de<br />
datum van toepassing van de onderhavige richtlijn,<br />
dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning<br />
door een Lidstaat overeenkomstig de Vogelrichtlijn,<br />
indien deze datum later valt.<br />
In artikel 6, tweede lid, is bepaald dat de Lidstaten<br />
passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat<br />
de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats<br />
van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert<br />
en er geen storende factoren optreden voor de<br />
soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover<br />
die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn,<br />
een significant effect zouden kunnen hebben.<br />
In artikel 6, derde lid, is bepaald dat voor plannen<br />
of projecten die significante gevolgen kunnen hebben<br />
voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling<br />
wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied,<br />
rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen<br />
van dat gebied. De bevoegde instanties<br />
mogen slechts toestemming voor het plan of project<br />
geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het<br />
de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.<br />
Nu vast staat dat de Deurnese Peel is aangemerkt<br />
als speciale beschermingszone, rust op verweerder de<br />
taak te bezien in hoeverre ten aanzien van de aanleg<br />
en verbetering van de recreatieve fietsvoorziening aan<br />
de uit de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen<br />
kan worden voldaan.<br />
Aan het bestreden besluit ligt geen onderzoek ten<br />
grondslag waarbij is nagegaan of de aanleg en verbetering<br />
van de recreatieve fietsvoorziening zich verdraagt<br />
met de genoemde aanwijzingsbeschikking en artikel 6<br />
van de Habitatrichtlijn. Gelet hierop heeft verweerder<br />
het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze voorbereid.<br />
Reeds hierom is het beroep gegrond en dient het<br />
bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd<br />
met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
02-47<br />
ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 200103822/1 (Weert)<br />
Casus<br />
Besluit tot afwijzing van het verzoek om handhavingsmaatregelen<br />
te treffen met betrekking tot het<br />
stallen van een vrachtwagen op een met puin verhard<br />
deel van het terrein. Appellant betoogt dat<br />
sprake is van een vergunningplichtige activiteit als<br />
bedoeld in de Wet milieubeheer omdat sprake is<br />
van het stallen van een beladen vrachtwagen met<br />
gevaarlijke of ontplofbare stoffen. Verweerders<br />
menen daarentegen dat de activiteiten buiten de<br />
reikwijdte van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit<br />
milieubeheer (Ivb) vallen.<br />
Rechtsvraag<br />
Is sprake van een vergunningplichtige inrichting?<br />
Uitspraak<br />
De Afdeling stelt vast dat op het desbetreffende<br />
perceel één vrachtwagen wordt geparkeerd ten behoeve<br />
van een transportbedrijf. Dit is een bedrijfsmatig<br />
ondernomen bedrijvigheid die binnen een<br />
zekere begrenzing pleegt te worden verricht, zodat<br />
gesproken moet worden van een inrichting in de<br />
zin van de Wet milieubeheer. Omdat in categorie<br />
13.1 van bijlage I van het Ivb het parkeren van<br />
drie of meer voor het vervoer van goederen langs<br />
de weg bestemde motorvoertuigen als activiteit is<br />
opgenomen, is op deze grond geen sprake van vergunningplicht.<br />
Daargelaten de vraag of de lading<br />
van de vrachtwagen gevaarlijk of ontplofbaar is,<br />
kan het parkeren van de vrachtwagen niet worden<br />
aangemerkt als ‘opslag’ in de zin van categorie 3,<br />
4 en 5 van het Ivb. Er is geen sprake van ‘opslag’<br />
omdat de duur van het verblijf van de vrachtwagen<br />
varieert, deze duur beperkt is tot ten hoogste de<br />
drie nachten in en rond het weekeinde waardoor<br />
ook de aanwezigheid van de stoffen van beperkte<br />
duur is, steeds wisselende stoffen in de vrachtwagen<br />
aanwezig zijn en aannemelijk is dat de vrachtwagen<br />
bij tijd en wijle leeg is. Ook op deze grond is<br />
geen sprake van vergunningplicht.<br />
Milieu<br />
21<br />
Wet milieubeheer, artikel 1.1, eerste lid<br />
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,<br />
bijlage I, categorie 13.1 en categorie 3, 4<br />
en 5<br />
Bij besluit van 13 oktober 2000 hebben burgemeester<br />
en wethouders van Weert (verweerders) afwijzend beslist<br />
op een verzoek van appellant om toepassing van<br />
bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot<br />
activiteiten, bestaande uit het stallen van een vrachtwagen<br />
op een met puin verhard deel van het terrein.<br />
Bij besluit van 29 januari 2001, verzonden op dezelfde<br />
datum, hebben verweerders het hiertegen gemaakte<br />
bezwaar ongegrond verklaard.<br />
Overwegingen<br />
Appellant betoogt dat verweerders ten onrechte de Wet<br />
milieubeheer niet van toepassing achten op het transportbedrijf<br />
van Peters. In zijn beroepschrift heeft appellant<br />
voorts het standpunt ingenomen dat het transportbedrijf<br />
niet vergunningplichtig is, maar ter zitting<br />
heeft hij verklaard dat hij heeft bedoeld te bestrijden<br />
dat de activiteiten niet vergunningplichtig zijn. In dit<br />
kader voert hij aan dat met het stallen van een beladen<br />
vrachtwagen opslag plaatsvindt van gevaarlijke of ontplofbare<br />
stoffen, in welk verband hij wijst op de categorieën<br />
3, 4 en 5 van bijlage I van het Inrichtingen- en<br />
vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb).<br />
Verweerders hebben als peildatum voor het toepasselijke<br />
recht de data tot uitgangspunt genomen waarop<br />
het puingranulaat is aangebracht. Zij stellen zich op<br />
het standpunt dat de activiteiten geen vergunningplichtige<br />
inrichting vormen. Volgens hen vallen deze<br />
buiten de reikwijdte van de categorieën die zijn genoemd<br />
in de bijlage I van het Ivb. In dit verband hebben<br />
verweerders en Peters ter zitting aangevoerd dat<br />
zich op het perceel (...) weliswaar met zekere regelmaat<br />
een vrachtwagen met lading bevindt, maar dat<br />
dat met name rond het weekeinde het geval is. Volgens<br />
hen wordt de vrachtwagen zelden door de week geparkeerd,<br />
is de aard van de te vervoeren stoffen steeds<br />
wisselend en komt het met name in het weekeinde bij<br />
tijd en wijle voor dat de vrachtwagen leeg is.<br />
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting<br />
stelt de Afdeling vast dat op het perceel (...) het parkeren<br />
van één vrachtwagen plaatsvindt ten behoeve van<br />
een transportbedrijf, en dat aldaar de bedrijfsadministratie<br />
wordt gehouden. Het parkeren van de vrachtwagen<br />
is een bedrijfsmatig ondernomen bedrijvigheid<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
22<br />
die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht,<br />
zodat gesproken moet worden van een inrichting<br />
in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.<br />
Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer<br />
worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën<br />
inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen<br />
voor het milieu veroorzaken. Het vierde lid van dit<br />
artikel bepaalt – voorzover hier van belang – dat in het<br />
vervolg van deze wet en de daarop berustende bepalingen<br />
onder inrichting wordt verstaan een inrichting,<br />
behorende tot een categorie die krachtens het derde lid<br />
is aangewezen. Aan het derde lid is uitvoering gegeven<br />
bij het Ivb.<br />
Ten aanzien van het parkeren van vrachtwagens<br />
– zowel beladen als onbeladen – is in bijlage I van het<br />
Ivb categorie 13.1, aanhef en onder b, opgenomen.<br />
Deze heeft betrekking op het parkeren van drie of meer<br />
voor het vervoer van goederen langs de weg bestemde<br />
motorvoertuigen, gelede motorvoertuigen, aanhangwagens<br />
of opleggers, waarvan de massa van het ledige<br />
voertuig, vermeerderd met het laadvermogen, meer<br />
bedraagt dan 3500 kg. Voor gevallen als het onderhavige,<br />
waarin het parkeren beperkt is tot één vrachtwagen,<br />
geldt ingevolge deze categorie dus geen vergunningplicht.<br />
Daargelaten of de lading van de vrachtwagen gevaarlijk<br />
of ontplofbaar is, overweegt de Afdeling voorts<br />
dat – in weerwil van het betoog van appellant – het<br />
parkeren van de vrachtwagen, gelet op de omstandigheden<br />
van het geval, niet kan worden aangemerkt als<br />
‘opslag’ in de zin van de categorieën 3, 4 en 5 van bijlage<br />
I van het Ivb. In dit verband acht de Afdeling relevant<br />
dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting<br />
de duur van het verblijf van de vrachtwagen<br />
varieert, dat deze duur beperkt is tot ten hoogste de<br />
drie nachten in en rond het weekeinde zodat ook de<br />
aanwezigheid van de stoffen van beperkte duur is, dat<br />
steeds wisselende soorten stoffen in de vrachtwagen<br />
aanwezig zijn en dat aannemelijk is dat de vrachtwagen<br />
bij tijd en wijle leeg is.<br />
Volgt ongegrond verklaring van het beroep.<br />
Milieu<br />
02-48<br />
ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nr. 200002214/1 (Hoogheemraadschap<br />
Schieland)<br />
Casus<br />
Afwijzing van verzoek om bestuursdwang toe te<br />
passen ten aanzien van lozingen van bestrijdingsmiddelen<br />
en meststoffen door akkerbouwbedrijven.<br />
Verweerders stellen dat de bedrijven onder de<br />
werking van het Lozingenbesluit vallen en aan de<br />
bepalingen van dit Besluit voldoen. Appellanten<br />
bestrijden dit niet maar vechten de verbindendheid<br />
van het Lozingenbesluit aan voorzover het betrekking<br />
heeft op emissies ten gevolge van het gebruik<br />
van bestrijdingsmiddelen en meststoffen.<br />
Omdat het Lozingenbesluit slechts ziet op een deel<br />
van de lozingen die samenhangen met deze activiteiten<br />
is het Lozingenbesluit in zoverre strijdig<br />
met EG-richtlijn 76/464 ter zake van de bescherming<br />
van het oppervlaktewater. Voorts zijn de wel<br />
in het Lozingenbesluit geregelde lozingen verbonden<br />
aan eisen die volgens appellanten niet in overeenstemming<br />
zijn met de stand der techniek.<br />
Rechtsvragen<br />
1. Kan ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen<br />
en meststoffen worden gesproken<br />
van een ‘lozing’ als bedoeld in de EG-richtlijn?<br />
2. Zijn de eisen in het Lozingenbesluit in overeenstemming<br />
met de stand der techniek?<br />
Uitspraak<br />
ad 1. Met verwijzing naar het criterium van het Hof<br />
van Justitie EG in haar arrest van 29 september<br />
1999 overweegt de Afdeling dat niet iedere<br />
activiteit waarbij een stof uiteindelijk in het<br />
water terecht komt als een ‘lozing’ in de zin<br />
van EG-richtlijn 76/464 dient te worden aangemerkt.<br />
Dit is onder meer het geval bij activiteiten<br />
waardoor indirecte verspreiding van<br />
toegepaste bestrijdingsmiddelen en meststoffen<br />
optreedt. Het Lozingenbesluit ziet op<br />
andere activiteiten namelijk activiteiten die<br />
een piekbelasting van het oppervlaktewater<br />
veroorzaken ten gevolge van onder andere het<br />
mee bemesten dan wel het mee spuiten van<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
sloten. Daarmee regelt het Lozingenbesluit<br />
die activiteiten die conform EG-richtlijn<br />
76/464 als lozingen dienen te worden beschouwd.<br />
Activiteiten die betrekking hebben<br />
op de toepassing van bestrijdingsmiddelen en<br />
meststoffen geven volgens de Afdeling slechts<br />
aanleiding tot vormen van verontreiniging die<br />
zich – bijvoorbeeld via het grondwater – diffuus<br />
in het milieu verspreiden en dus niet gericht<br />
in het oppervlaktewater terecht komen<br />
en daarmee niet kunnen worden beschouwd<br />
als ‘lozingen’ in de zin van EG-richtlijn. Nu<br />
geen sprake is van een ‘lozing’ in de zin van<br />
de richtlijn is geen vergunning ingevolge de<br />
Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
(Wvo) vereist zodat de door appellanten in<br />
dat kader verlangde aanvullende maatregelen<br />
niet kunnen worden opgelegd.<br />
ad 2. In het kader van het Lozingenbesluit kunnen<br />
maatregelen ter voorkoming van verontreiniging<br />
van het oppervlaktewater worden getroffen<br />
die zijn gebaseerd op zowel de best bestaande<br />
technieken als de best uitvoerbare<br />
technieken. Omdat het in dit geval gaat om<br />
lozingen van grijze lijst stoffen hebben verweerders<br />
met toepassing van de best uitvoerbare<br />
technieken gekozen voor een pakket<br />
maatregelen dat er rekening mee houdt dat<br />
de continuïteit van de bedrijven niet in gevaar<br />
komt. Nu het Lozingenbesluit voorziet in<br />
aanscherping van de voorschriften op een<br />
later tijdstip kunnen verweerders daartoe in<br />
de toekomst overgaan. De Afdeling is van<br />
oordeel dat bij de beoordeling van de noodzaak<br />
van bepaalde voorschriften betekenis<br />
toekomt aan de vraag of de desbetreffende<br />
maatregelen voor de gehele bedrijfstak als<br />
zodanig haalbaar zijn. In het licht van het vorenstaande<br />
hebben verweerders een pakket<br />
van maatregelen kunnen voorschrijven gebaseerd<br />
op de best uitvoerbare technieken.<br />
Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikelen<br />
1 en 2a<br />
EG-richtlijn 76/464, artikel 7 lid 4<br />
Lozingenbesluit, artikelen 2 en 14<br />
Bij besluit van 20 februari 1996 hebben verweerders<br />
afwijzend beslist op het verzoek om bestuursdwang<br />
Milieu<br />
23<br />
toe te passen ten aanzien van lozingen van bestrijdingsmiddelen<br />
en meststoffen in het oppervlaktewater.<br />
Bij besluit van 25 juni 1996 hebben verweerders<br />
het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />
Overwegingen<br />
Het bestreden besluit heeft betrekking op een achttal<br />
akkerbouwbedrijven. In deze bedrijven worden bestrijdingsmiddelen<br />
en meststoffen toegepast.<br />
Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Waterschapswet<br />
is het waterschapsbestuur bevoegd tot toepassing<br />
van bestuursdwang.<br />
Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht<br />
wordt onder bestuursdwang verstaan: het<br />
door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan<br />
optreden tegen hetgeen in strijd met bij of<br />
krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen<br />
is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.<br />
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging<br />
oppervlaktewateren is het verboden zonder vergunning<br />
met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende<br />
of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te<br />
brengen in oppervlaktewateren. Ingevolge het derde<br />
lid, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel<br />
van bestuur worden bepaald dat het zonder vergunning<br />
verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen<br />
op andere wijze dan met behulp van een werk in<br />
oppervlaktewateren te brengen. Bij algemene maatregel<br />
van bestuur kan mede worden bepaald dat ten<br />
aanzien van alle of bepaalde oppervlaktewateren het<br />
brengen op welke wijze ook van daarbij aan te geven<br />
soorten van stoffen als bedoeld in het eerste lid in oppervlaktewater<br />
is verboden.<br />
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit<br />
artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
(hierna: het Uitvoeringsbesluit) is het,<br />
onverminderd artikel 3, verboden zonder vergunning afvalstoffen,<br />
verontreinigende of schadelijke stoffen op<br />
andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater<br />
te brengen onder meer (a) door deze<br />
daarin te storten, (b) door deze onder het wateroppervlak<br />
uit te pompen, weg te pompen of te doen of te<br />
laten afvloeien, (c) door deze te storten, neder te leggen,<br />
te laten liggen, of te doen of te laten afvloeien op<br />
duinen, stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen,<br />
vlonders, aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed<br />
van enig oppervlaktewater, (d) bij het laden, lossen<br />
of overladen daarvan en (e) bij het uit- of inwendig reinigen<br />
van enig voertuig, vaartuig of luchtvaartuig.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
24<br />
Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit,<br />
voorzover hier van belang, is dit besluit niet van<br />
toepassing op gedragingen waaromtrent voorschriften<br />
zijn gesteld bij of krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet<br />
1962, met uitzondering van agrarische activiteiten<br />
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het<br />
Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (hierna: het<br />
Lozingenbesluit).<br />
Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het<br />
Lozingenbesluit moet onder agrarische activiteiten<br />
worden verstaan het geheel van activiteiten die betrekking<br />
hebben op landbouwgewassen en landbouwhuisdieren<br />
als bedoeld in bijlage I bij het besluit.<br />
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Lozingenbesluit<br />
is het besluit van toepassing op het lozen en het<br />
gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewateren<br />
ten gevolge van agrarische activiteiten dan<br />
wel activiteiten die daarmee verband houden met uitzondering<br />
van (a) tot en met (k).<br />
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Lozingenbesluit<br />
is lozen verboden.<br />
Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Lozingenbesluit<br />
is, voorzover hier van belang, in afwijking van het<br />
eerste lid lozen toegestaan, indien het betreft (i) overig<br />
op een andere wijze dan met behulp van een werk<br />
lozen, dat verband houdt met gewasbescherming en<br />
toediening van meststoffen, met inachtneming van de<br />
voorschriften genoemd in de artikelen 13, 14, 15 en<br />
16.<br />
Verweerders stellen dat de acht akkerbouwbedrijven<br />
vallen onder de werking van het Lozingenbesluit.<br />
Bij bedrijfsbezoeken is gebleken dat de bedrijven voldoen<br />
aan de bepalingen van het Lozingenbesluit, zodat<br />
verweerders zich niet bevoegd achtten bestuursdwang<br />
toe te passen.<br />
Appellanten bestrijden niet dat de acht akkerbouwbedrijven<br />
voldoen aan de bepalingen van het Lozingenbesluit,<br />
doch vechten de verbindendheid van het Lozingenbesluit<br />
aan voorzover het betrekking heeft op de<br />
regeling van de emissies die ontstaan door het gebruik<br />
van bestrijdingsmiddelen en meststoffen bij de teelt<br />
van gewassen op de betrokken percelen. Naar de mening<br />
van appellanten ziet het Lozingenbesluit slechts<br />
op een deel van de lozingen die samenhangen met de<br />
even bedoelde activiteiten. In dit verband wijzen appellanten<br />
op een notitie die is opgesteld in het kader<br />
van de inspraakprocedure, die is vooraf gegaan aan de<br />
totstandkoming van het Lozingenbesluit. Uit deze notitie<br />
blijkt, volgens appellanten, dat in geval van bestrij-<br />
Milieu<br />
dingsmiddelen het grootste deel van de belasting van<br />
het oppervlaktewater wordt veroorzaakt door ‘atmosferische<br />
depositie’ en ‘uitspoeling’, terwijl met betrekking<br />
tot meststoffen met name ‘uitspoeling’ en ‘afspoeling’<br />
de voornaamste vormen van verontreiniging zijn.<br />
Door het Lozingenbesluit te beperken tot een regeling<br />
van drift waar het gaat om bestrijdingsmiddelen en het<br />
voorkomen van het mee bemesten van oppervlaktewater<br />
waar het gaat om meststoffen, is huns inziens een<br />
aanzienlijk deel van de verspreiding van bestrijdingsmiddelen<br />
en meststoffen naar het oppervlaktewater<br />
ongeregeld gelaten.<br />
Verder ziet het Lozingenbesluit uitsluitend op de<br />
piekbelasting van het oppervlaktewater en niet op de<br />
continue belasting van het oppervlaktewater, waarmee<br />
voorbij wordt gegaan aan het feit dat de gemeten te<br />
hoge concentratie bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater<br />
een gevolg is van de continue belasting<br />
van het oppervlaktewater en dat chronische effecten<br />
bij veel lagere concentraties optreden dan acuut toxische<br />
effecten, aldus appellanten.<br />
Aangezien de overige vormen van verontreiniging<br />
van het oppervlaktewater door het gebruik van bestrijdingsmiddelen<br />
en meststoffen elders niet afdoende zijn<br />
geregeld, en de Bestrijdingsmiddelenwet bepaalt dat<br />
bestrijdingsmiddelen in principe slechts worden toegelaten<br />
indien gebruik niet leidt tot onaanvaardbare effecten<br />
op het milieu, voldoet het Lozingenbesluit niet<br />
aan de eisen die de richtlijn 76/464/EG ter zake van<br />
de bescherming van het oppervlaktewater stelt. Gelet<br />
hierop, is er naar de mening van appellanten, aanleiding<br />
om in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
de milieubelasting ten gevolge van het<br />
gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen te minimaliseren.<br />
Verder zijn volgens appellanten de eisen die ter<br />
zake van de in het Lozingenbesluit wel geregelde lozingen<br />
zijn opgenomen niet in overeenstemming met de<br />
‘stand der techniek’, zodat het Lozingenbesluit in zoverre<br />
in strijd is met artikel 2a van de Wet verontreiniging<br />
oppervlaktewateren juncto artikel 8.11, derde lid,<br />
en 8.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer en artikel<br />
7, vierde lid, van de richtlijn 76/464/EG. Als voorbeeld<br />
wijzen appellanten op de in het Lozingenbesluit<br />
opgenomen maatregelen met betrekking tot drift. Deze<br />
gaan naar de mening van appellanten niet ver genoeg.<br />
Het voorschrijven van bij voorbeeld een bredere teeltvrije<br />
zone zou naar hun mening economisch haalbaar<br />
zijn geweest.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
De Afdeling overweegt ter zake van de vraag of in het<br />
Lozingenbesluit de te verwachten lozingen afdoende<br />
zijn geregeld, dat de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
en het Lozingenbesluit de implementatie vormen<br />
van de richtlijn 76/464/EG. Het Hof van Justitie<br />
van de EG heeft in zijn arrest van 29 september 1999,<br />
nr. C-232/97, overwogen dat het begrip lozing aldus<br />
dient te worden opgevat dat het ziet op elke aan een<br />
persoon toe te schrijven handeling waarbij een van de<br />
in lijst I of Lijst II van de bijlage bij de richtlijn<br />
76/464/EG genoemde stoffen direct of indirect in de<br />
wateren waarop deze richtlijn van toepassing is wordt<br />
gebracht. Voorts heeft het Hof van Justitie van de EG<br />
in hetzelfde arrest overwogen dat het begrip lozing<br />
aldus dient te worden uitgelegd dat het niet de verontreiniging<br />
omvat die afkomstig is uit andere significante<br />
bronnen, met inbegrip van meervoudige en diffuse<br />
bronnen, als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn<br />
86/280/EG.<br />
Hieruit blijkt dat niet iedere activiteit waarbij een<br />
stof uiteindelijk in het water komt een lozing als bedoeld<br />
in de richtlijn 76/464/EG oplevert. Dit is naar<br />
het oordeel van de Afdeling onder meer het geval bij<br />
activiteiten waardoor indirecte verspreiding van toegepaste<br />
bestrijdingsmiddelen en meststoffen optreedt.<br />
Het Lozingenbesluit ziet naar het oordeel van de Afdeling<br />
op andere activiteiten, te weten, de activiteiten<br />
die een piekbelasting van het oppervlaktewater veroorzaken<br />
ten gevolge van het mee bemesten dan wel mee<br />
spuiten van sloten, de afspoeling van verhard en onverhard<br />
oppervlak, de verwaaiing van bestrijdingsmiddelen<br />
van de direct naast het oppervlaktewater gelegen<br />
landbouwgrond tijdens de bespuiting en laterale<br />
afspoeling van toegediende bestrijdingsmiddelen en<br />
meststoffen van de direct naast het oppervlaktewater<br />
gelegen landbouwgrond. Het Lozingenbesluit regelt<br />
daarmee die activiteiten die conform de richtlijn<br />
76/464/EG als lozingen dienen te worden beschouwd.<br />
De activiteiten met bestrijdingsmiddelen en meststoffen<br />
zullen overigens naar het oordeel van de Afdeling<br />
slechts aanleiding geven tot vormen van verontreiniging<br />
die zich – bijvoorbeeld via het grondwater –<br />
diffuus in het milieu verspreiden en die dus niet gericht<br />
in het oppervlaktewater terecht komen en kunnen<br />
daarmee niet worden beschouwd als lozingen in de zin<br />
van de richtlijn 76/464/EG.<br />
Wat betreft de stelling van appellanten dat het gebruik<br />
van bestrijdingsmiddelen en meststoffen zodanig<br />
gebrekkig is geregeld, dat verweerders verplicht zijn te<br />
Milieu<br />
25<br />
bezien of in voorkomende gevallen in aanvulling op het<br />
Lozingenbesluit in een vergunning krachtens de Wet<br />
verontreiniging oppervlaktewateren aanvullende maatregelen<br />
moeten worden opgelegd, overweegt de Afdeling<br />
als volgt.<br />
De Wet verontreiniging oppervlaktewateren en in<br />
het verlengde daarvan het Lozingenbesluit zien op lozingen<br />
in de zin van de even bedoelde richtlijn. Een<br />
handeling die valt onder de Bestrijdingsmiddelenwet<br />
en de Meststoffenwet maar die geen lozing oplevert in<br />
de zin van de richtlijn 76/464/EG valt dus niet onder<br />
de werking van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,<br />
zodat daarvoor geen vergunning krachtens deze<br />
wet is vereist.<br />
Deze beroepsgrond treft mitsdien geen doel.<br />
Wat betreft de in het Lozingenbesluit opgenomen<br />
maatregelen ter beteugeling van de emissie van bestrijdingsmiddelen<br />
en meststoffen naar het oppervlaktewater<br />
is namens verweerders gesteld, dat aangezien in<br />
de desbetreffende bedrijfstak met name sprake is van<br />
lozingen van zogenoemde grijze lijst stoffen, in het<br />
kader van de totstandkoming van het Lozingenbesluit<br />
niet alleen acht is geslagen op de ‘best bestaande<br />
technieken’ maar ook op de ‘best uitvoerbare technieken’<br />
om verontreiniging van het oppervlaktewater<br />
tegen te gaan. Bij de keuze van het pakket van maatregelen<br />
dat in het Lozingenbesluit is opgenomen, is er<br />
dan ook rekening mee gehouden dat de continuïteit<br />
van de bedrijven niet in gevaar mag komen door het<br />
opleggen van maatregelen waaraan hoge kosten zijn<br />
verbonden. In aanvulling daarop kent het Lozingenbesluit<br />
de mogelijkheid om nadere eisen te stellen ten<br />
einde tegemoet te komen aan specifieke situaties. Artikel<br />
14 van het Lozingenbesluit voorziet voorts in een<br />
nadere aanscherping van de voorschriften op een later<br />
tijdstip. Tevens zal ingevolge artikel 22 van het Lozingenbesluit<br />
eenmaal in de vier jaar worden bezien in<br />
hoeverre het Lozingenbesluit bijdraagt aan het behalen<br />
van de waterkwaliteitsdoelstellingen. Deze evaluatie,<br />
waarmee thans voor de eerste maal een aanvang is gemaakt,<br />
kan leiden tot het nader aanpassen van het Lozingenbesluit.<br />
In artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer<br />
– dat ingevolge artikel 2a van de Wet verontreiniging<br />
oppervlaktewateren van overeenkomstige toepassing<br />
is – is bepaald dat aan de vergunning de voorschriften<br />
worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van<br />
het milieu. Indien de nadelige gevolgen die de inrich-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
26<br />
ting voor het milieu kan veroorzaken niet kunnen worden<br />
voorkomen worden aan de vergunning de voorschriften<br />
verbonden die de grootst mogelijke bescherming<br />
bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs<br />
niet kan worden gevergd. Naar het oordeel<br />
van de Afdeling komt bij de beoordeling van de noodzaak<br />
van bepaalde voorschriften betekenis toe aan de<br />
vraag of de desbetreffende maatregelen voor de gehele<br />
bedrijfstak als zodanig haalbaar zijn. Gelet hierop, is<br />
de Afdeling in het licht van het vorenstaande van oordeel<br />
dat het voorschrijven in het Lozingenbesluit van<br />
een pakket van maatregelen gebaseerd op de ‘best uitvoerbare<br />
technieken’ en waarbij vanwege de daaraan<br />
verbonden kosten eerst in de toekomst strengere eisen<br />
zullen worden gesteld ten aanzien van het tegengaan<br />
van emissies van bestrijdingsmiddelen en meststoffen<br />
in de richting van het oppervlaktewater, onvoldoende<br />
grond oplevert voor de conclusie dat sprake is van<br />
strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer<br />
juncto artikel 2a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
en artikel 8.40, tweede lid, van de<br />
Wet milieubeheer. Uit het vorenstaande volgt dat ook<br />
het beroep dat appellanten doen op artikel 7, vierde<br />
lid, van de richtlijn 76/464/EG faalt. Deze beroepsgrond<br />
treft geen doel.<br />
Niet in geschil is dat geen overtreding van het Lozingenbesluit<br />
heeft plaatsgehad. Verweerders zijn<br />
mitsdien terecht tot de conclusie gekomen dat zij niet<br />
bevoegd zijn bestuursdwang toe te passen.<br />
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond<br />
is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen<br />
aanleiding.<br />
02-49<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103482/1 (Ambt Montfort)<br />
Casus<br />
Weigering oprichtingsvergunning krachtens de Wet<br />
milieubeheer voor een veehouderij. De vergunning<br />
is geweigerd omdat niet aan de afstandsgrafiek uit<br />
de Richtlijn veehouderij en stankhinder1996 kan<br />
worden voldaan. Appellant meent dat sprake is<br />
van bijzondere omstandigheden om van de Richt-<br />
Milieu<br />
lijn af te wijken. Omdat hij zijn bedrijf wil voortzetten<br />
totdat hij zijn pensioengerechtigde leeftijd<br />
heeft bereikt, heeft hij een vergunning aangevraagd<br />
voor de duur van 8 jaar.<br />
Rechtsvraag<br />
Kan onder bijzondere omstandigheden in strijd<br />
met de afstandsgrafiek van de Richtlijn een tijdelijke<br />
vergunning worden verleend?<br />
Uitspraak<br />
In hoofdstuk 5 van de Richtlijn wordt een drietal<br />
varianten voor ‘maatwerk’ uitgewerkt waarvan er<br />
één strekt tot vrijwillige bedrijfsbeëindiging op termijn.<br />
Uitgangspunt van deze variant is dat de bedrijfsvoering<br />
maximaal 5 jaar kan worden voortgezet<br />
door middel van een tijdelijke vergunning. Aan<br />
deze vergunning dienen voorschriften te worden<br />
verbonden gericht op het bereiken van een aanvaardbare<br />
milieusituatie, waarbij rekening wordt<br />
gehouden met de korte duur van de vergunning.<br />
Gebleken is dat verweerders vergunning hebben<br />
willen verlenen voor een periode van 2 jaar in<br />
plaats van de gevraagde 8 jaar. Uit het besluit<br />
blijkt niet of door het verlenen van een vergunning<br />
voor een langere periode dan 2 jaar een aanvaardbare<br />
milieusituatie zou kunnen worden bereikt.<br />
De Afdeling is van oordeel dat onder de zich<br />
hier voordoende omstandigheden vergunning voor<br />
een langere periode meer lijkt aangewezen. Nu milieuhygiënische<br />
redenen kennelijk geen beletsel<br />
zijn geweest om een vergunning voor 2 jaar te verlenen,<br />
is de Afdeling van oordeel dat niet deugdelijk<br />
is gemotiveerd waarom geen vergunning voor<br />
een langere periode zou kunnen worden verleend.<br />
Wet milieubeheer, artikelen 8.10, 8.11 en 8.17<br />
Bij besluit van 23 mei 2001 hebben verweerders geweigerd<br />
krachtens de Wet milieubeheer aan appellant<br />
een oprichtingsvergunning te verlenen als bedoeld in<br />
artikel 8.1, eerste lid, van deze wet voor een veehouderij<br />
waar vleesstieren worden gehouden, akkerbouwactiviteiten<br />
worden uitgeoefend en dieselolie wordt opgeslagen.<br />
Overwegingen<br />
Bij het bestreden besluit is de gevraagde vergunning voor<br />
onder andere het houden van 53 vleesstieren geweigerd.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
In artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder b, van de<br />
Wet milieubeheer is bepaald dat in een vergunning kan<br />
worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij<br />
vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar, indien:<br />
(...)<br />
b. uit de aanvraag blijkt dat de vergunning slechts voor<br />
een daarbij aangegeven termijn wordt gevraagd; (...).<br />
Verweerders hebben de gevraagde vergunning geweigerd<br />
uit het oogpunt van stankhinder. Bij de beoordeling<br />
van de stankhinder hebben zij de Richtlijn veehouderij<br />
en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot<br />
uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën<br />
hebben zij de brochure Veehouderij<br />
en Hinderwet 1985 toegepast.<br />
Niet in geschil is dat niet kan worden voldaan aan de<br />
normen van de afstandsgrafiek uit de Richtlijn. Appellant<br />
heeft evenwel betoogd dat sprake is van bijzondere<br />
omstandigheden om van de Richtlijn af te wijken. In<br />
dat verband heeft hij er op gewezen dat de inrichting<br />
reeds tientallen jaren bestaat en dat appellant zijn bedrijf<br />
wenst voort te zetten totdat hij zijn pensioengerechtigde<br />
leeftijd over enkele jaren bereikt. Derhalve<br />
heeft hij vergunning aangevraagd voor de duur van<br />
acht jaar. Verder is de omvang van het bedrijf niet zodanig<br />
dat onaanvaardbare stankhinder optreedt en zijn<br />
er nooit klachten over de inrichting geuit, aldus appellant.<br />
De Afdeling vat dit beroepsonderdeel van appellant<br />
aldus op dat verweerders toepassing hadden moeten<br />
geven aan hoofdstuk 5 van de Richtlijn en een<br />
tijdelijke vergunning hadden moeten verlenen.<br />
Hoofdstuk 5 van de Richtlijn heeft betrekking op de<br />
beoordeling van stankhinder veroorzaakt door bestaande<br />
bedrijven. Volgens dit hoofdstuk zijn voor bestaande<br />
bedrijven die nog geen dekkende milieuvergunning<br />
hebben en die bij toepassing van de Richtlijn niet<br />
rechtstreeks voor vergunningverlening in aanmerking<br />
komen, geen standaardoplossingen te geven, maar<br />
moet ‘maatwerk’ uitkomst bieden. Per individuele aanvraag<br />
moet worden afgewogen of en zo ja in hoeverre<br />
van de normen van de afstandsgrafiek kan worden afgeweken.<br />
In hoofdstuk 5 van de Richtlijn wordt een drietal<br />
varianten uitgewerkt. De tweede variant gaat uit van<br />
de situatie dat vergunninghouder zijn bedrijf op termijn<br />
vrijwillig beëindigt. Uitgangspunt van deze variant is<br />
dat de bedrijfsvoering ten hoogste vijf jaar kan worden<br />
voortgezet en dat daarvoor een tijdelijke vergunning<br />
wordt verleend. Daaraan worden voorschriften verbon-<br />
Milieu<br />
27<br />
den waaraan de drijver van de inrichting zich dient te<br />
houden tot dat hij zijn bedrijf beëindigt. Deze voorschriften<br />
moeten er op gericht zijn een aanvaardbare<br />
milieusituatie te bereiken, waarbij rekening dient te<br />
worden gehouden met de korte duur van de vergunning.<br />
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken<br />
dat verweerders in het kader van het vooroverleg<br />
met appellant om te komen tot een vergunning voor<br />
de onderhavige inrichting, hebben besproken hierbij<br />
de tweede variant van de maatwerkbenadering te willen<br />
toepassen. In dat verband hebben zij appellant geadviseerd<br />
vergunning voor een periode van twee jaar<br />
aan te vragen, zodat appellant in de gelegenheid is zijn<br />
ammoniakemissierechten te verkopen. In de omstandigheid<br />
dat appellant geen vergunning voor de duur<br />
van twee jaar maar voor de duur van acht jaar heeft<br />
aangevraagd, hebben verweerders aanleiding gezien<br />
de gevraagde vergunning te weigeren.<br />
Op grond van de tweede variant van de maatwerkbenadering<br />
kan een tijdelijke vergunning worden verleend<br />
voorzover gedurende de periode waarvoor vergunning<br />
wordt verleend een aanvaardbare milieusituatie<br />
kan worden bereikt. Verweerders hebben de gevraagde<br />
vergunning enkel geweigerd in verband met de<br />
periode waarvoor vergunning is aangevraagd en niet<br />
vanwege milieuhygiënische redenen. In hun weigering<br />
hebben zij niet betrokken of door het verlenen van een<br />
vergunning voor een langere periode en het verbinden<br />
van voorschriften daaraan, een aanvaardbare milieusituatie<br />
zou kunnen worden bereikt. Uit de stukken en<br />
het verhandelde ter zitting is gebleken dat voor appellant,<br />
gelet op zijn leeftijd en zijn plannen tot bedrijfsbeeindiging,<br />
een vergunning voor een langere periode<br />
dan thans is vergund meer lijkt aangewezen. Nu verweerders<br />
in milieuhygiënische redenen geen beletsel<br />
hebben gezien om vergunning voor de duur van twee<br />
jaar te verlenen is de Afdeling van oordeel dat verweerders<br />
niet deugdelijk hebben gemotiveerd waarom geen<br />
vergunning voor een langere periode zou kunnen worden<br />
verleend. Het bestreden besluit is derhalve in strijd<br />
met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
Het beroep is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
28<br />
02-50<br />
ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nrs. 200000056/1 en<br />
200000057/1 (Minister van VROM)<br />
Casus<br />
Afwijzing verzoek om schadevergoeding uit Fonds<br />
Luvo. De schade is ontstaan aan gewassen ten gevolge<br />
van opstuivend zand van naburige landbouwpercelen.<br />
Verweerder heeft het verzoek om<br />
schadevergoeding afgewezen omdat geen sprake<br />
zou zijn van een verontreinigende stof en mitsdien<br />
evenmin van luchtverontreiniging (luvo) in de zin<br />
van artikel 15.25 Wm. Daarnaast is het Fonds<br />
Luvo niet bestemd om schade te dekken ten gevolge<br />
van een gebeurtenis die is aan te merken als<br />
een natuurverschijnsel.<br />
Rechtsvragen<br />
1. Is sprake van een verontreinigende stof in de<br />
zin van artikel 1 Wet luvo?<br />
2. Komt de schade voor vergoeding uit het Fonds<br />
Luvo in aanmerking?<br />
Uitspraak<br />
ad 1. Ten tijde van de zandverstuivingen bevond<br />
zich een verhoogde concentratie zand in de<br />
lucht die hinder voor de mens kan opleveren<br />
en schade kan toebrengen aan goederen. De<br />
Afdeling is van oordeel dat het zand dan ook<br />
moet worden aangemerkt als verontreinigende<br />
stof in de zin van artikel 1 Wet Luvo,<br />
zodat in zoverre sprake is van luvo in de zin<br />
van artikel 15.25 Wm.<br />
ad 2. Gelet op de wetsgeschiedenis is met het instellen<br />
van het Fonds Luvo beoogd een voorziening<br />
te bieden betreffende schade ten gevolge<br />
van luvo die is veroorzaakt door<br />
menselijke activiteiten of nalaten en niet<br />
door natuurverschijnselen. Verweerder hanteert<br />
het uitgangspunt dat niet tot schadevergoeding<br />
kan worden overgegaan indien<br />
sprake is van luvo die wordt veroorzaakt<br />
door natuurverschijnselen, hetgeen binnen<br />
zijn beoordelingsvrijheid valt. De zandverstuivingen<br />
zijn veroorzaakt door een opstekende<br />
wind. De omstandigheid dat door het<br />
bewerken van land op het naburig perceel<br />
Milieu<br />
zand braak kwam te liggen, doet daar niet<br />
aan af.<br />
Wet milieubeheer, artikel 15.25<br />
Wet inzake de luchtverontreiniging, artikel 1<br />
Bij besluit van 18 januari 1999 heeft verweerder de<br />
verzoeken van appellant van 8 juni 1993 en 30 juni<br />
1997 om toekenning van een schadevergoeding uit<br />
het Fonds Luchtverontreiniging afgewezen.<br />
Bij besluit van 24 november 1999, verzonden op<br />
25 november 1999, heeft verweerder het hiertegen<br />
gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />
Overwegingen<br />
Ingevolge artikel 15.25, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />
kan uit het Fonds Luchtverontreiniging, als bedoeld<br />
in artikel 15.24, aan een ieder die ten gevolge<br />
van plotseling optredende luchtverontreiniging schade<br />
heeft geleden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te<br />
zijnen laste behoort te blijven, op zijn verzoek een vergoeding<br />
worden toegekend.<br />
Appellant, die een tuinbouwbedrijf met kassen exploiteert,<br />
heeft verweerder verzocht om vergoeding van<br />
de in 1993 en 1997 opgetreden schade aan zijn gewassen<br />
ten gevolge van opstuivend zand van naburige<br />
landbouwpercelen. Uit de stukken blijkt dat het gaat<br />
om twee kortstondige zandverstuivingen, veroorzaakt<br />
door een opstekende wind, waardoor zand op de kassen<br />
van appellant en op de gewassen zelf is neergeslagen.<br />
In één geval was volgens appellant daarbij sprake<br />
van verstuiving van zand dat door landbouwwerkzaamheden<br />
op het naburig perceel braak kwam te liggen.<br />
Verweerder heeft de verzoeken om schadevergoeding<br />
afgewezen en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard<br />
onder meer omdat – kort gezegd – naar zijn mening<br />
geen sprake is van een verontreinigende stof en<br />
derhalve evenmin van luchtverontreiniging in de zin<br />
van artikel 15.25. Daarnaast stelt verweerder zich op<br />
het standpunt dat, gelet op de wetsgeschiedenis, het<br />
Fonds Luchtverontreiniging bedoeld is om schade te<br />
dekken ten gevolge van luchtverontreiniging afkomstig<br />
van industrie, verkeer of ruimteverwarming, en niet ten<br />
gevolge van gebeurtenissen als deze, die zijn aan te<br />
merken als een natuurverschijnsel.<br />
Appellant bestrijdt de stelling van verweerders dat<br />
geen sprake is van luchtverontreiniging in de zin van<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
artikel 15.25. Volgens hem wordt aan alle voorwaarden<br />
van dat artikel voldaan, zodat recht op schadevergoeding<br />
bestaat. Daarnaast betoogt appellant dat<br />
indien verweerder zijn standpunt inzake de verzoeken<br />
om schadevergoeding eerder kenbaar zou hebben gemaakt,<br />
het voeren van een civiele procedure niet nodig<br />
was geweest.<br />
Ingevolge artikel 15.25, tweede lid, van de Wet milieubeheer<br />
wordt voor de toepassing van het eerste lid<br />
onder luchtverontreiniging verstaan hetgeen in de Wet<br />
inzake de luchtverontreiniging wordt verstaan onder dit<br />
begrip.<br />
Ingevolge artikel 1 van de Wet inzake de luchtverontreiniging<br />
wordt voor de toepassing van het bij of<br />
krachtens deze wet bepaalde verstaan onder luchtverontreiniging:<br />
de aanwezigheid in de buitenlucht van<br />
verontreinigende stoffen.<br />
Onder verontreinigende stoffen wordt ingevolge dit<br />
artikel verstaan: vaste, vloeibare of gasvormige stoffen,<br />
niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radio-actieve stoffen<br />
in de zin van de Kernenergiewet, die in de lucht, op<br />
zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere<br />
stoffen, hetzij nadeel voor de gezondheid van de mens<br />
of hinder voor de mens kunnen opleveren, hetzij schade<br />
kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen.<br />
Uit de stukken blijkt – hetgeen ook niet door verweerder<br />
is bestreden – dat ten tijde van de desbetreffende<br />
zandverstuivingen zich een verhoogde concentratie<br />
zand in de lucht bevond, die hinder voor de mens kan<br />
opleveren en schade kan toebrengen aan goederen.<br />
Het desbetreffende zand moet naar het oordeel van de<br />
Afdeling dan ook worden aangemerkt als verontreinigende<br />
stoffen in de zin van artikel 1 van de Wet inzake<br />
de luchtverontreiniging, zodat in zoverre sprake is van<br />
luchtverontreiniging in de zin van artikel 15.25 van de<br />
Wet milieubeheer. De Afdeling merkt hierbij op dat blijkens<br />
de toelichting op artikel 1 van de Wet inzake de<br />
luchtverontreiniging beoogd is aan het begrip luchtverontreiniging<br />
een ruime betekenis toe te kennen (TK<br />
1968-1969, 9816, nr. 3, p. 25).<br />
Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hanteert<br />
verweerder evenwel het uitgangspunt dat niet tot<br />
schadevergoeding ten laste van het Fonds luchtverontreiniging<br />
wordt overgegaan, indien sprake is van luchtverontreiniging<br />
die wordt veroorzaakt door natuurlijke<br />
verschijnselen als hier aan de orde. Eerst indien de<br />
Milieu<br />
29<br />
luchtverontreiniging is ontstaan door industriële of<br />
chemische processen, waaronder verbranding, of mobiliteit<br />
zou de gelaedeerde in aanmerking kunnen<br />
komen voor schadevergoeding.<br />
De Afdeling stelt voorop dat verweerder beleidsvrijheid<br />
toekomt bij het al dan niet toekennen van schadevergoeding<br />
indien aan de voorwaarden van artikel 15.25<br />
wordt voldaan.<br />
Verder blijkt uit de stukken dat de desbetreffende<br />
zandverstuivingen zijn veroorzaakt door een opstekende<br />
wind. De omstandigheid dat door het bewerken van<br />
land op het naburig perceel zand braak kwam te liggen,<br />
doet daar niet aan af.<br />
In de Memorie van Toelichting op de Wet inzake de<br />
luchtverontreiniging is gesteld dat het Fonds luchtverontreiniging<br />
is ingesteld als basis ‘voor een regeling<br />
van de vergoeding van schade door luchtverontreiniging<br />
welke niet op de veroorzakers kan worden verhaald<br />
en evenmin redelijkerwijs ten laste kan blijven<br />
van degene die de schade heeft geleden. De schade<br />
kan onverhaalbaar zijn omdat de veroorzaker in het geheel<br />
niet bekend is, of omdat de veroorzakers zulk een<br />
grote anonieme groep vormen dat zij zich voor verhaal<br />
niet lenen, hetzij omdat het leveren van het bewijs dat<br />
een bepaalde bron van verontreiniging schadeoorzaak<br />
was op grote moeilijkheden stuit’ (TK 1968-1969,<br />
9816, nr. 3, p. 24). Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis<br />
dat de schaderegeling is bedoeld als aanvulling op<br />
civielrechtelijke verhaalsmogelijkheden dan wel als<br />
vangnet voor schade die niet via het civiele recht kan<br />
worden verhaald. Daarbij gaat het om mogelijkheden<br />
tot schadevergoeding in relatie tot verontreinigende<br />
handelingen (TK 1986-1987, 19 752, nr. 3, p. 14).<br />
Het vorenstaande duidt er op dat beoogd is een<br />
voorziening te bieden betreffende schade ten gevolge<br />
van luchtverontreiniging die is veroorzaakt door menselijke<br />
activiteiten of nalaten en niet door natuurverschijnselen.<br />
In het licht hiervan bestaat geen grond voor het<br />
oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het uitgangspunt<br />
heeft kunnen komen, dat in gevallen als<br />
deze, waarbij de luchtverontreiniging is veroorzaakt<br />
door zandverstuivingen, niet tot schadevergoeding<br />
wordt overgegaan. Verder is niet gesteld noch gebleken<br />
dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond<br />
waarvan verweerder dit uitgangspunt niet had mogen<br />
hanteren. Wat betreft de indirecte schade (de kosten<br />
van de civiele procedure), overweegt de Afdeling dat<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
30<br />
deze schade eerst voor vergoeding in aanmerking kan<br />
komen wanneer een vergoeding van directe schade<br />
wordt toegekend.<br />
Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel<br />
dat verweerder de verzoeken om schadevergoeding<br />
terecht heeft afgewezen en deze afwijzing bij het<br />
bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd.<br />
Het beroep is ongegrond.<br />
02-51<br />
ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nr. 200004646/1 (Moordrecht)<br />
Casus<br />
Vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor<br />
een melkvee- en schapenhouderij. Appellanten<br />
stellen dat de aanvraag om vergunning ten onrechte<br />
in behandeling is genomen nu de door de inrichting<br />
veroorzaakte ammoniakdepositie op omliggende<br />
oppervlaktewateren dient te worden aangemerkt<br />
als een lozing waarvoor een vergunning ingevolge<br />
de Wvo is vereist. Een vergunningaanvraag<br />
ingevolge de Wm en de Wvo dienen gelijktijdig<br />
te worden ingediend. Voorts menen appellanten<br />
dat het niet vereist zijn van een Wvo-vergunning<br />
in strijd is met EG-richtlijn 76/464 inzake de<br />
bescherming van oppervlaktewater.<br />
Rechtsvraag<br />
Is de ammoniakdepositie aan te merken als een lozing?<br />
Uitspraak<br />
De Afdeling overweegt dat in artikel 4, tweede lid,<br />
aanhef en onder b van het Uitvoeringsbesluit Wvo<br />
wordt bepaald dat geen vergunning ingevolge de<br />
Wvo is vereist voor het brengen in enig oppervlaktewater<br />
van ammoniak door depositie daarvan die<br />
veroorzaakt kan worden door een veehouderij als<br />
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Interimwet<br />
ammoniak en veehouderij. Wat betreft de<br />
verwijzing naar het Europese recht oordeelt de Afdeling<br />
dat uit de uitspraak van het Hof van Justitie<br />
EG van 29 september 1999 blijkt dat niet iedere<br />
Milieu<br />
activiteit waarbij een stof in de lucht komt en de<br />
mogelijkheid bestaat dat deze stof via de lucht in<br />
het water komt een lozing als bedoeld in EG-richtlijn<br />
76/464 oplevert. In casu vindt een ongerichte<br />
uitstoot van ammoniak in de lucht plaats die, op<br />
gelijke wijze als elders, ook op het oppervlaktewater<br />
kan neerslaan. Indien al sprake is van verontreiniging<br />
van oppervlaktewater komt deze voort uit<br />
al dan niet diffuse bronnen, zoals veehouderijen,<br />
uitspoeling door bemesting van omliggende landerijen,<br />
mest van vee in de weide, de plaatselijke<br />
fauna enz. Het aandeel van de onderhavige veehouderij<br />
in de verontreiniging met ammoniak als<br />
geheel is hierin niet te onderscheiden. Van een lozing<br />
als bedoeld in de richtlijn is derhalve geen<br />
sprake.<br />
Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikel 1<br />
Uitvoeringsbesluit Wvo, artikel 4, tweede lid en<br />
onder b<br />
EG-richtlijn 76/464, artikel 7, tweede lid<br />
Bij besluit van 1 augustus 2000 hebben verweerders<br />
krachtens de Wet milieubeheer aan de firma Doornenbal<br />
een vergunning verleend voor het oprichten en in<br />
werking hebben van een melkvee- en schapenhouderij.<br />
Overwegingen<br />
Appellanten stellen dat verweerders ten onrechte de<br />
aanvraag om een vergunning in behandeling hebben<br />
genomen. In dit verband voeren zij aan dat de door de<br />
inrichting veroorzaakte ammoniakdepositie op omliggende<br />
oppervlaktewateren dient te worden aangemerkt<br />
als een lozing waarvoor een vergunning ingevolge<br />
de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is<br />
vereist. Nu geen aanvraag voor een vergunning op<br />
grond van deze wet is ingediend, moet de aanvraag<br />
buiten behandeling worden gelaten, aldus appellanten.<br />
Voorts betogen appellanten dat voorzover geen vergunning<br />
ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
is vereist, dit in strijd is met de richtlijn van de<br />
Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei<br />
1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door<br />
bepaalde stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap<br />
worden geloosd (76/464/EG), Pb. 1976 L<br />
129/23. Appellanten wijzen daarbij op het arrest van<br />
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />
(hierna: het Hof) van 29 september 1999, nr. C-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
232/97, waarin werd overwogen dat het begrip lozing<br />
aldus dient te worden opgevat dat het ziet op elke aan<br />
een persoon toe te schrijven handeling waarbij een van<br />
de in lijst I of lijst II van de bijlage bij de richtlijn<br />
76/464/EG genoemde stoffen direct of indirect in de<br />
wateren waarop deze richtlijn van toepassing is, worden<br />
gebracht.<br />
Ingevolge artikel 8.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />
wordt de aanvraag om een vergunning tegelijk ingediend<br />
met de aanvraag om verlening of wijziging van<br />
de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.<br />
De aanvraag wordt door de aanvrager<br />
tevens gezonden aan het bestuursorgaan dat tot verlening<br />
van de vergunning krachtens die wet bevoegd is.<br />
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien<br />
de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning<br />
krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
niet is ingediend binnen zes weken na het tijdstip<br />
waarop de aanvraag om een vergunning of wijziging<br />
van de vergunning krachtens deze wet is ingediend, de<br />
aanvraag buiten behandeling wordt gelaten.<br />
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging<br />
oppervlaktewateren is het verboden om zonder<br />
vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende<br />
of schadelijke stoffen, in welke vorm<br />
ook, te brengen in oppervlaktewateren.<br />
Ingevolge het derde lid van dit artikel kan bij algemene<br />
maatregel van bestuur worden bepaald dat het<br />
zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde<br />
stoffen op andere wijze dan met behulp van<br />
een werk in oppervlaktewateren te brengen. Daarnaast<br />
kan ingevolge dit artikellid bij algemene maatregel van<br />
bestuur worden bepaald dat ten aanzien van alle of<br />
van bepaalde oppervlaktewateren het brengen op<br />
welke wijze ook van daarbij aan te geven soorten van<br />
stoffen als bedoeld in het eerste lid in oppervlaktewateren<br />
is verboden. Hieraan is uitvoering gegeven in het<br />
Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging<br />
oppervlaktewateren (hierna: het Uitvoeringsbesluit).<br />
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit<br />
is het verboden een volgens het tweede lid aangewezen<br />
stof, die behoort tot de in de bijlage van dat<br />
Besluit opgenomen afvalstoffen, verontreinigende of<br />
schadelijke stoffen, op welke wijze ook, in enig oppervlaktewater<br />
te brengen. Ingevolge artikel 4, eerste lid,<br />
van het Uitvoeringsbesluit is het onverminderd artikel<br />
3, voornoemd, verboden zonder vergunning afvalstof-<br />
Milieu<br />
31<br />
fen, verontreinigende of schadelijke stoffen, op andere<br />
wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater<br />
te brengen onder meer:<br />
a. door deze daarin te storten;<br />
b. door deze onder het wateroppervlak uit te pompen,<br />
weg te pompen of te doen of te laten afvloeien;<br />
c. door deze te storten, neder te leggen, te laten liggen,<br />
of te doen of te laten afvloeien op duinen,<br />
stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen, vlonders,<br />
aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed<br />
van enig oppervlaktewater;<br />
d. bij het laden, lossen of overladen daarvan;<br />
e. bij het uit- of inwendig reinigen van enig voertuig,<br />
vaartuig of luchtvaartuig.<br />
Het tweede lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing<br />
is op het brengen in enig oppervlaktewater<br />
van:<br />
a. huishoudelijk afvalwater vanaf vaartuigen, tenzij<br />
die uit hoofde van hun feitelijke bestemming<br />
plaatsgebonden zijn;<br />
b. ammoniak door depositie daarvan die veroorzaakt<br />
kan worden door een veehouderij als bedoeld in artikel<br />
1, eerste lid, onder b, van de Interimwet ammoniak<br />
en veehouderij.<br />
De Afdeling overweegt dat, gelet op artikel 4, tweede<br />
lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit, voor<br />
de door de inrichting veroorzaakte ammoniakdepositie<br />
geen vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
is vereist.<br />
Wat de verwijzing van appellanten naar het Europese<br />
recht betreft, overweegt de Afdeling dat in artikel<br />
7, tweede lid, van de richtlijn 76/464/EG is bepaald<br />
dat voor iedere lozing die wordt verricht in de in artikel<br />
1 bedoelde wateren en die één van de onder lijst II vallende<br />
stoffen kan bevatten, een voorafgaande vergunning<br />
nodig is, die door de bevoegde autoriteit van de<br />
betrokken lidstaat wordt verleend en waarin de emissienormen<br />
voor de lozing worden vastgesteld. Deze<br />
worden berekend aan de hand van de kwaliteitsdoelstellingen<br />
voor het water, die worden opgesteld met inachtneming<br />
van de door de Raad van de Europese Gemeenschappen<br />
aangenomen richtlijnen wanneer<br />
laatstgenoemde bestaan.<br />
Het Hof heeft in zijn arrest van 29 september<br />
1999, nr. C-232/97, overwogen dat het begrip lozing<br />
aldus dient te worden opgevat dat het ziet op elke aan<br />
een persoon toe te schrijven handeling waarbij een van<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
32<br />
de in lijst I of lijst II van de bijlage bij de richtlijn<br />
76/464/EG genoemde stoffen direct of indirect in de<br />
wateren waarop deze richtlijn van toepassing is, worden<br />
gebracht. Voorts heeft het Hof in hetzelfde arrest<br />
overwogen dat het begrip lozing aldus dient te worden<br />
uitgelegd dat het niet de verontreiniging omvat die afkomstig<br />
is uit andere significante bronnen, met inbegrip<br />
van meervoudige en diffuse bronnen, als bedoeld<br />
in artikel 5, van de richtlijn 86/280/EG.<br />
Hieruit blijkt dat niet iedere activiteit waarbij een<br />
stof in de lucht komt en de mogelijkheid bestaat dat<br />
deze stof via de lucht in het water komt een lozing als<br />
bedoeld in de richtlijn 76/464/EG oplevert.<br />
In het onderhavige geval vindt een ongerichte uitstoot<br />
van ammoniak, een lijst II stof, in de lucht plaats<br />
die, op gelijke wijze als elders, ook op het oppervlaktewater<br />
kan neerslaan. Daarbij is de Afdeling van mening<br />
dat, indien er al sprake is van verontreiniging van<br />
de oppervlaktewateren met ammoniak, deze, gelet op<br />
de omgeving van de inrichting voortkomt uit meervoudige,<br />
al dan niet diffuse bronnen, zoals veehouderijen,<br />
uitspoeling door bemesting van omliggende landerijen,<br />
mest van vee in de weide, de plaatselijke fauna, enzovoort.<br />
Het aandeel van de onderhavige veehouderij in<br />
de verontreiniging met ammoniak als geheel is hierin<br />
niet te onderscheiden. Van een lozing als bedoeld in<br />
artikel 7, tweede lid, van de richtlijn 76/464/EG, met<br />
daarbij het vereiste van een voorafgaande vergunning<br />
is derhalve geen sprake.<br />
Het beroepsonderdeel faalt.<br />
02-52<br />
ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105797/1 (Emmen)<br />
Casus<br />
Afwijzing verzoek om handhavingsmiddelen toe te<br />
passen met betrekking tot een akkerbouwbedrijf<br />
waar jongvee wordt gehouden. Appellanten menen<br />
dat de inrichting gezien het aantal dieren dat<br />
wordt gehouden niet onder het Besluit akkerbouwbedrijven<br />
milieubeheer (het Besluit) valt. Verweerders<br />
stellen dat de aanwezigheid van ca 60 stuks<br />
jongvee jonger dan twee jaar niet aan de toepasselijkheid<br />
van het Besluit in de weg staat omdat dit<br />
Milieu<br />
jongvee niet als melkrundvee als bedoeld in artikel<br />
1 van het Besluit is aan te merken.<br />
Rechtsvraag<br />
Is het Besluit van toepassing dan wel is er sprake<br />
van vergunningplicht?<br />
Uitspraak<br />
In artikel 1 van het Besluit wordt het houden van<br />
meer dan 15 stuks melkrundvee van de toepassing<br />
van het Besluit uitgezonderd. Gelet op de Nota van<br />
Toelichting bij het Besluit beoogt dit te regelen dat<br />
die inrichtingen onder het Besluit vallen waar<br />
naast het akkerbouwbedrijf een veebestand van<br />
zeer beperkte omvang wordt gehouden en dat bedrijven<br />
met een meer dan geringe neventak ‘nietgrondgebonden<br />
veehouderij’ buiten de algemene<br />
maatregel van bestuur moeten blijven. Anders dan<br />
verweerders kennelijk menen, beoogt het Besluit<br />
niet het mogelijk te maken dat ongelimiteerd jongvee<br />
tot 2 jaar mag worden gehouden. Bij een veebestand<br />
met een omvang van 60 stuks jongvee kan<br />
niet worden geoordeeld dat de inrichting uitsluitend<br />
of in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen<br />
van akkerbouwproducten of tuinbouwproducten<br />
zoals omschreven in artikel 1 van het Besluit.<br />
Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, artikel<br />
1<br />
Bij besluit van 21 juni 2001 hebben verweerders afwijzend<br />
beslist op het verzoek van appellanten krachtens<br />
artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />
om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen<br />
met betrekking tot de inrichting bestemd voor de akkerbouw<br />
en het houden van jongvee.<br />
Overwegingen<br />
Appellanten betogen dat verweerders hun verzoek om<br />
het treffen van handhavingsmiddelen ten onrechte<br />
hebben afgewezen. Volgens hen valt de inrichting gezien<br />
het aantal dieren dat wordt gehouden niet onder<br />
de werking van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer<br />
(hierna te noemen: het Besluit) en is hiervoor<br />
een vergunning krachtens de Wet milieubeheer vereist.<br />
Het veehandelsbedrijf brengt bovendien een grotere<br />
belasting voor het milieu met zich dan het akkerbouwbedrijf,<br />
dat in de winterperiode vrijwel stilligt, aldus<br />
appellanten.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
Verweerders hebben het verzoek om handhaving<br />
afgewezen omdat de inrichting volgens hen onder de<br />
werking van het Besluit valt. Dat ongeveer 60 stuks<br />
jongvee jonger dan twee jaar in de inrichting worden<br />
gehouden, staat niet in de weg aan de toepasselijkheid<br />
van het Besluit, aangezien dit jongvee niet als melkrundvee<br />
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k,<br />
van het Besluit is aan te merken, aldus verweerders.<br />
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit, voorzover<br />
hier van belang, wordt in dit besluit en de daarop<br />
berustende bepalingen verstaan onder:<br />
a. een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open<br />
grondteelt: een inrichting die tot een krachtens artikel<br />
1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen<br />
categorie behoort en die deel uitmaakt van<br />
een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd<br />
voor het verbouwen van akkerbouwproducten<br />
of tuinbouwproducten op of in de open grond,<br />
voor zover:<br />
1 o . niet meer dan 15 stuks melkrundvee worden<br />
gehouden; (.....)<br />
k. melkrundvee:<br />
1 o . melkvee (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee)<br />
dat overwegend wordt gehouden voor de<br />
melkproductie met inbegrip van de dieren die in de<br />
mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie<br />
worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden<br />
afgemest;<br />
2 o . vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar (exclusief<br />
bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat op een met<br />
melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor<br />
de vleesproductie en het voortbrengen en zogen<br />
van kalveren (.....).<br />
De onderhavige inrichting bestaat uit twee onderdelen.<br />
Op de ene locatie vindt akkerbouw plaats en wordt<br />
rundvee gehouden. Op de andere locatie wordt een veehandelsbedrijf<br />
geëxploiteerd en wordt vee gehouden.<br />
Ten aanzien van de vraag of de onderhavige inrichting<br />
onder de werking van het Besluit valt overweegt<br />
de Afdeling als volgt. Uit de tekst van het Besluit kan<br />
niet met zekerheid worden afgeleid of het Besluit van<br />
toepassing is indien op het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf<br />
jongvee wordt gehouden. In de Nota van Toelichting<br />
op het Besluit (Staatsblad 1994, 107) staat dat<br />
naar aanleiding van reacties op het ontwerp van het<br />
Besluit (Staatscourant 1988, 165) de brede werkingssfeer<br />
hiervan is versmald door het maximaal te houden<br />
aantal stuks melkrundvee terug te brengen van 50<br />
Milieu<br />
33<br />
naar 15, waardoor het Besluit meer betrekking heeft<br />
op bedrijven met akkerbouw als hoofdberoep met<br />
eventueel een geringe neventak. Voorts staat in de<br />
Nota van Toelichting op artikel 1, eerste lid, onder a,<br />
van het Besluit onder meer: ‘De zinsnede “uitsluitend<br />
of in hoofdzaak” betekent dat in de inrichting in beperkte<br />
mate ook andere activiteiten mogen plaatsvinden,<br />
waarbij met name dient te worden gedacht aan<br />
het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen,<br />
verladen of wegen van dieren.’. Voorts staat in de toelichting<br />
op artikel 1, eerste lid, onder k, van het Besluit<br />
onder meer: ‘Op het bedrijf mogen maximaal 15 stuks<br />
melkvee aanwezig zijn wil het onder de amvb vallen.<br />
Dit is exclusief vrouwelijk jongvee dat bestemd is voor<br />
de fokkerij of de mesterij. Onder vrouwelijk jongvee,<br />
bestemd voor de fokkerij, vallen alle vrouwelijke dieren<br />
die nog niet gekalfd hebben en die worden aangehouden<br />
voor de vervanging van de melkveestapel in het<br />
bedrijf. In de regel zijn op het bedrijf ter vervanging 0,7<br />
stuks vrouwelijk jongvee per melkkoe aanwezig.’<br />
Naar het oordeel van de Afdeling beoogt het Besluit,<br />
gezien het bovenstaande, te regelen dat die inrichtingen<br />
onder de werking van het Besluit vallen<br />
waar naast het akkerbouwbedrijf een veebestand van<br />
zeer beperkte omvang wordt gehouden en dat bedrijven<br />
met een meer dan geringe neventak niet-grondgebonden<br />
veehouderij buiten de algemene maatregel van<br />
bestuur moeten blijven. Anders dan verweerders kennelijk<br />
menen, beoogt het Besluit met artikel 1, eerste<br />
lid, onder k, niet het mogelijk te maken dat binnen de<br />
werkingssfeer van het Besluit ongelimiteerd jongvee<br />
tot 2 jaar mag worden gehouden. Deze bepaling dient<br />
blijkens de Nota van Toelichting om het aantal stuks<br />
jongvee vast te stellen dat bij het in de inrichting gestalde<br />
melkvee mag worden gehouden.<br />
Vaststaat dat binnen de onderhavige inrichting ongeveer<br />
60 stuks jongvee worden gehouden en geen<br />
ander melkvee. Bij een veebestand van een dergelijke<br />
omvang kan, gelet op het bovenstaande, niet worden<br />
geoordeeld dat de onderhavige inrichting uitsluitend of<br />
in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouwproducten<br />
of tuinbouwproducten op of in de<br />
open grond, zodat de inrichting, anders dan verweerders<br />
stellen, niet onder de werking van het Besluit valt.<br />
Verweerders hebben derhalve in strijd met artikel<br />
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht<br />
niet deugdelijk gemotiveerd waarom zij afwijzend hebben<br />
beslist op het handhavingsverzoek van appellanten.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
34<br />
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te<br />
worden vernietigd.<br />
02-53<br />
ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105434/1 (Haarlem)<br />
Casus<br />
Last onder dwangsom wegens het niet voldoen aan<br />
de eisen van het Besluit opslaan in ondergrondse<br />
tanks 1998. Voordat op het bezwaar van appellanten<br />
tegen het dwangsombesluit was beslist, hebben<br />
verweerders dit besluit ingetrokken. Appellanten<br />
hebben verweerders verzocht om toch een<br />
beslissing op hun bezwaar tegen het dwangsombesluit<br />
te nemen, omdat zij van mening zijn dat dit<br />
besluit onrechtmatig was en zij aanspraak maken<br />
op vergoeding van hun schade.<br />
Rechtsvraag<br />
Is er nog afdoende procesbelang voor appellanten<br />
om de procedure voort te zetten?<br />
Uitspraak<br />
Het procesbelang van appellanten is alleen gelegen<br />
in een veroordeling van verweerders in de volledige<br />
kosten van rechtsbijstand die zij hebben gemaakt<br />
in verband met de oplegging van de last<br />
onder dwangsom. Dat impliceert dat het gestelde<br />
procesbelang is gelegen in zowel een proceskostenveroordeling<br />
op grond van artikel 8:75 Awb<br />
als de vergoeding van geleden schade op grond<br />
van artikel 8:73 Awb, bestaande uit de kosten van<br />
rechtsbijstand die de bedragen van het Besluit<br />
proceskosten bestuursrecht te boven gaan en de<br />
kosten van rechtsbijstand die appellanten hebben<br />
gemaakt in het kader van de bezwaarschriftenprocedure.<br />
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling<br />
vormt de vraag of een proceskostenveroordeling<br />
ex artikel 8:75 Awb kan worden uitgesproken<br />
onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke<br />
beoordeling van het beroep over te gaan. Wat betreft<br />
de kosten van rechtsbijstand die de bedragen<br />
van het Besluit proceskosten bestuursrecht te<br />
boven gaan, overweegt de Afdeling dat uit de<br />
plaats en strekking van artikel 8:75 Awb moet<br />
Milieu<br />
worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid<br />
aan de bestuursrechter wordt geboden om<br />
een partij te veroordelen in de kosten die een andere<br />
partij in verband met de behandeling van het<br />
beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor<br />
een vergoeding van deze kosten langs de weg van<br />
artikel 8:73 Awb is om die reden geen plaats. In<br />
een zodanige veroordeling kan derhalve geen procesbelang<br />
zijn gelegen. Wat betreft de kosten van<br />
rechtsbijstand die zijn gemaakt in het kader van de<br />
bezwaarschriftprocedure is de Afdeling van oordeel<br />
dat in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte<br />
kosten in beginsel voor rekening van de<br />
belanghebbende dienen te blijven en deze kosten<br />
slechts in bijzondere gevallen langs de weg van artikel<br />
8:73 Awb voor vergoeding in aanmerking<br />
komen.<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikelen 8:75 en<br />
8:73<br />
Bij besluit van 6 oktober 2000 hebben verweerders<br />
aan appellanten een last onder dwangsom als bedoeld<br />
in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht<br />
opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op<br />
226,89 euro per week dat ten aanzien van de op het<br />
(...) gelegen ondergrondse opslagtank niet wordt voldaan<br />
aan artikel 18, vierde lid, van het Besluit opslaan<br />
in ondergrondse tanks 1998 (hierna: het Besluit) en<br />
aan de hoofdstukken II, voorschriften 1 en 4, III en IV<br />
van bijlage VI, behorende bij het Besluit. Het maximum<br />
waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd<br />
is vastgesteld op 2.268,90 euro.<br />
Bij besluit van 11 september 2001 hebben verweerders<br />
het tegen het besluit van 6 oktober 2000 gemaakte<br />
bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit<br />
herroepen in die zin dat dit wordt gebaseerd op artikel<br />
13 van het Besluit.<br />
Overwegingen<br />
Voordat op het bezwaar van appellanten tegen het besluit<br />
van 6 oktober 2000 was beslist, hebben verweerders<br />
bij besluit van 24 januari 2001 dit besluit ingetrokken.<br />
De reden voor deze intrekking is blijkens de<br />
stukken gelegen in de omstandigheid dat appellanten<br />
binnen de in het besluit in primo opgenomen begunstigingstermijn<br />
hebben voldaan aan de in dat besluit omschreven<br />
last. Bij brief van 5 februari 2001 hebben<br />
appellanten verweerders verzocht toch een beslissing<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
op hun bezwaar tegen het besluit in primo te nemen,<br />
omdat zij van mening zijn dat dit besluit onrechtmatig<br />
was en zij aanspraak maken op vergoeding van hun<br />
schade.<br />
Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is<br />
het gestelde procesbelang van appellanten bij een oordeel<br />
van de Afdeling over de rechtmatigheid van het<br />
bestreden besluit van 11 september 2001 alleen gelegen<br />
in een veroordeling van verweerders in de volledige<br />
kosten van rechtsbijstand die zij hebben gemaakt in<br />
verband met de oplegging van de last onder dwangsom.<br />
De Afdeling verstaat dit aldus dat het gestelde<br />
procesbelang van appellanten in dit kader niet slechts<br />
is gelegen in een proceskostenveroordeling op grond<br />
van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht<br />
(hierna: de Awb), maar eveneens in een veroordeling<br />
tot de vergoeding van de volgens hen geleden schade<br />
op grond van artikel 8:73 van de Awb, bestaande uit<br />
de kosten van rechtsbijstand, voorzover deze de forfaitaire<br />
bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht<br />
te boven gaan en de kosten van rechtsbijstand<br />
die appellanten hebben gemaakt in het kader van de<br />
bezwaarschriftenprocedure.<br />
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling – bijvoorbeeld<br />
de uitspraak van 23 januari 1997,<br />
H01.96.0476 (JB 1997/46) – vormt de vraag of een<br />
proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75<br />
van de Awb moet worden uitgesproken onvoldoende<br />
aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van het<br />
beroep over te gaan. Artikel 8:75 van de Awb stelt niet<br />
de eis dat de partij die in de proceskosten wordt veroordeeld<br />
in het ongelijk is gesteld. Indien, afgezien van<br />
de vraag of aanleiding bestaat om tot een proceskostenveroordeling<br />
over te gaan, geen belang meer bestaat<br />
bij een beoordeling van het bestreden besluit<br />
dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.<br />
Met betrekking tot de vraag of een procesbelang is<br />
gelegen in een veroordeling in kosten van rechtsbijstand<br />
van het onderhavige beroep die de forfaitaire bedragen<br />
van het Besluit proceskosten bestuursrecht te<br />
boven gaan, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de<br />
Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 oktober<br />
2000, nr. 199900286/1 (JB 2000/234), moet uit<br />
de plaats en de strekking van artikel 8:75 van de Awb<br />
worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid<br />
aan de bestuursrechter wordt geboden om een<br />
partij te veroordelen in de kosten die een andere partij<br />
in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs<br />
heeft moeten maken. Voor een vergoeding van<br />
Milieu<br />
35<br />
deze kosten langs de weg van artikel 8:73 van de Awb<br />
is om die reden geen plaats. In een zodanige veroordeling<br />
kan derhalve geen belang bij een uitspraak over de<br />
rechtmatigheid van het bestreden besluit zijn gelegen.<br />
Ten aanzien van de vraag of een procesbelang is<br />
gelegen in een veroordeling in kosten van rechtsbijstand<br />
die zijn gemaakt in het kader van de bezwaarschriftenprocedure<br />
voorafgaand aan het bestreden besluit,<br />
overweegt de Afdeling het volgende. Zoals de<br />
Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 8 december<br />
1997, nr. E03.97.0568 (BR 1998, p. 519)<br />
en van 18 november 1999, nr. H01.99.0100 (JB<br />
2000/9), dienen, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis<br />
van de Wet van 16 december 1993, Stb. 650,<br />
de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten<br />
in beginsel voor rekening van de belanghebbende te<br />
blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen<br />
langs de weg van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding<br />
in aanmerking komen. De Afdeling heeft in haar<br />
uitspraak van 7 juni 1999, H01.97.0449 geoordeeld<br />
dat sprake is van een bijzonder geval, indien verweerders<br />
ernstig verwijtbaar zouden hebben gehandeld. Dit<br />
zou het geval zijn indien zij tegen beter weten in onrechtmatige<br />
besluiten zouden hebben genomen. Gezien<br />
de stukken is van een dergelijk geval geen sprake.<br />
Gelet hierop kan ook in een veroordeling in deze kosten<br />
geen belang bij een uitspraak over de rechtmatigheid<br />
van het bestreden besluit zijn gelegen.<br />
Nu ook overigens niet is gebleken dat appellanten<br />
nog enig procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling<br />
van het bestreden besluit, is het beroep nietontvankelijk.<br />
Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden<br />
van het geval, in het bijzonder in de reden<br />
voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen<br />
om over te gaan tot een proceskostenveroordeling.<br />
Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid<br />
dat het bestuursorgaan aan de indiener van het<br />
beroepschrift is tegemoetgekomen, in welk geval, ook<br />
indien het beroep is ingetrokken, met toepassing van<br />
artikel 8:75a van de Awb een proceskostenveroordeling<br />
mogelijk is.<br />
Van tegemoetkomen is in het onderhavige geval<br />
evenwel geen sprake. Evenmin is gebleken van bijzondere<br />
omstandigheden op grond waarvan het niet toekennen<br />
van een proceskostenveroordeling apert onbillijk<br />
zou zijn.<br />
De Afdeling verklaart het beroep niet-ontvankelijk.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
36<br />
02-54<br />
ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200100435/1 (Hulst)<br />
Casus<br />
Afwijzing verzoek om schadevergoeding. De schade<br />
zou zijn ontstaan als gevolg van het besluit van<br />
verweerders van 8 november 1994 dat strekt tot<br />
weigering van de vergunning krachtens de Wm<br />
voor een varkenshouderij. Bij besluit van 8 november<br />
1994 hebben verweerders geweigerd om appellant<br />
vergunning te verlenen voor 2688 mestvarkens.<br />
Bij uitspraak van 29 november 1995 heeft<br />
de Afdeling dit besluit vernietigd. Vervolgens hebben<br />
verweerders bij besluit van 19 februari 1996<br />
op dezelfde aanvraag vergunning verleend voor<br />
1339 mestvarkens. Bij uitspraak van 10 december<br />
1998 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd<br />
omdat de ammoniakdepositie verkeerd was berekend.<br />
Appellant stelt dat verweerders in 1994 vergunning<br />
hadden moeten verlenen voor 1181 mestvarkens<br />
en stelt verweerders aansprakelijk voor de<br />
schade nu deze dat hebben nagelaten. Hij meent<br />
dat met dit aantal de grondslag van de aanvraag<br />
niet wordt verlaten. Verweerders menen daarentegen<br />
dat noch uit de uitspraak van de Afdeling van<br />
29 november 1995 noch uit overige jurisprudentie<br />
kan worden afgeleid dat binnen de grondslag van<br />
de aanvraag vergunningverlening mogelijk was<br />
voor 1181 mestvarkens.<br />
Rechtsvraag<br />
Is er causaal verband tussen de schade en het besluit<br />
van 8 november 1994?<br />
Uitspraak<br />
De Afdeling overweegt dat noch uit de uitspraak<br />
van 29 november 1995 noch uit de uitspraak van<br />
10 december 1998 kan worden afgeleid dat naar<br />
het oordeel van de Afdeling vergunningverlening<br />
voor 1181 mestvarkens past binnen de grondslag<br />
van de aanvraag en verweerders in zoverre waren<br />
gehouden om voor dat aantal vergunning te verlenen.<br />
Of bij vergunningverlening voor een kleiner<br />
veebestand dan is aangevraagd de grondslag van<br />
de aanvraag al dan niet wordt verlaten, moet van<br />
geval tot geval worden beoordeeld. De verhouding<br />
tussen het aantal dieren waarvoor vergunning kan<br />
Milieu<br />
worden verleend en het aantal aangevraagde dieren<br />
kan weliswaar een belangrijke aanwijzing vormen<br />
voor dit oordeel maar daarnaast kunnen ook<br />
andere feiten en omstandigheden relevant zijn.<br />
Aangezien geen grond bestaat voor het oordeel dat<br />
verweerders waren gehouden vergunning te verlenen<br />
voor 1181 mestvarkens, kan de gestelde schade<br />
niet worden geacht te zijn veroorzaakt door het<br />
besluit van 8 november 1994.<br />
Wet milieubeheer, artikel 15.20<br />
Bij besluit van 2 augustus 2000 hebben verweerders<br />
het verzoek van appellant om vergoeding van de schade<br />
die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het<br />
besluit van verweerders van 8 november 1994, dat<br />
strekt tot weigering van een vergunning krachtens de<br />
Wet milieubeheer voor een varkenshouderij, afgewezen.<br />
Overwegingen<br />
Bij besluit van 8 november 1994 hebben verweerders<br />
geweigerd appellant vergunning te verlenen voor het<br />
oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij,<br />
waarin 2688 mestvarkens worden gehouden. Bij<br />
uitspraak van 29 november 1995, nr. E03.94.1844,<br />
heeft de Afdeling het beroep van appellant tegen dat<br />
besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.<br />
Vervolgens hebben verweerders bij besluit van 19 februari<br />
1996, opnieuw beslissende op de aanvraag, appellant<br />
vergunning verleend voor het houden van 1339<br />
mestvarkens en de vergunning voor het overige geweigerd.<br />
Bij uitspraak van 10 december 1998, nr.<br />
E03.96.0459, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd<br />
omdat – kort gezegd – verweerders de ammoniakdepositie<br />
onjuist hadden berekend.<br />
Bij brief van 29 mei 2000 heeft appellant verzocht<br />
om vergoeding van de schade, groot 93.785,03 euro,<br />
die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van het besluit<br />
van 8 november 1994. Appellant stelt daarbij dat<br />
verweerders toentertijd vergunning hadden moeten<br />
verlenen voor 1181 mestvarkens. Nu verweerders dit<br />
hebben nagelaten door de vergunning in zijn geheel te<br />
weigeren, zijn zij volgens appellant aansprakelijk voor<br />
de daaruit voortvloeiende schade.<br />
Verweerders hebben het verzoek om schadevergoeding<br />
afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar<br />
ongegrond verklaard omdat naar hun mening uit de<br />
uitspraak van de Afdeling van 29 november 1995,<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
noch uit overige jurisprudentie van de Afdeling, kan<br />
worden afgeleid dat binnen de grondslag van de aanvraag<br />
vergunningverlening voor 1181 mestvarkens<br />
mogelijk was en zij derhalve daartoe ook waren gehouden.<br />
Appellant betoogt daarentegen dat uit de hierboven<br />
genoemde uitspraken alsmede uit de uitspraak van 30<br />
maart 1999, nr. E03.95.0422, blijkt dat bij vergunningverlening<br />
voor 1181 mestvarkens geen sprake is<br />
van het verlaten van de grondslag van de aanvraag. In<br />
die laatste uitspraak is ten aanzien van een geval<br />
waarin ongeveer 40% van het aangevraagde aantal<br />
dieren werd vergund, geoordeeld dat geen sprake was<br />
van het vergunnen van een andere inrichting dan was<br />
aangevraagd.<br />
De vergunningaanvraag van 10 februari 1994 die<br />
heeft geleid tot de besluiten van verweerders van 8 november<br />
1994 en 19 februari 1996, heeft betrekking<br />
op het oprichten en in werking hebben van een nieuwe<br />
varkenshouderij, bestaande uit één varkensstal voor<br />
2866 mestvarkens. Verder is niet in geschil dat uit een<br />
oogpunt van ammoniakschade en stank in 1995 vergunning<br />
kon worden verleend voor het houden van ten<br />
hoogste 1181 mestvarkens.<br />
Bij uitspraak van 29 november 1995 heeft de Afdeling<br />
het besluit van 8 november 1994 vernietigd<br />
wegens een motiveringsgebrek ten aanzien van de<br />
indeling van de omgeving van de inrichting in omgevingscategorieën<br />
als bedoeld in de brochure veehouderij<br />
en Hinderwet. In die uitspraak is, voorzover<br />
hier van belang, tevens overwogen dat, ook bij een<br />
categorie II-situatie als bedoeld in die brochure, vergunningverlening<br />
op zich zelf mogelijk was voor een<br />
kleiner aantal mestvarkens dan is aangevraagd en<br />
dat verweerders het in het verweerschrift neergelegde<br />
standpunt dat bij gedeeltelijke weigering van de<br />
vergunning sprake zou zijn van het verlaten van de<br />
grondslag van de aanvraag niet nader hebben gemotiveerd.<br />
Uit die uitspraak kan echter niet worden afgeleid<br />
dat naar het oordeel van de Afdeling vergunningverlening<br />
voor 1181 mestvarkens past binnen<br />
de grondslag van de aanvraag en verweerders in zoverre<br />
waren gehouden voor dat aantal vergunning te<br />
verlenen.<br />
In de uitspraak van 10 december 1998 heeft de<br />
Afdeling, voorzover te dezen van belang, uitsluitend<br />
overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat<br />
hetgeen bij het bestreden besluit is vergund (1339<br />
Milieu<br />
mestvarkens) zozeer afwijkt van hetgeen vergunninghouder<br />
bij de aanvraag voor ogen stond, dat de grondslag<br />
van de aanvraag is verlaten en dat het besluit op<br />
dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Uit die uitspraak<br />
kan evenwel niet worden afgeleid dat dit naar het oordeel<br />
van de Afdeling ook nog geldt indien vergunning<br />
zou zijn verleend voor 1181 mestvarkens.<br />
Voorts kan aan de uitspraak van 10 december<br />
1998, die een ander geval betreft als het onderhavige,<br />
geen doorslaggevende betekenis worden toegekend<br />
voor de vraag of in het onderhavige geval vergunningverlening<br />
voor 1181 mestvarkens past binnen de<br />
grondslag van de aanvraag. Daartoe overweegt zij dat<br />
de vraag of bij vergunningverlening voor een kleiner<br />
veebestand dan is aangevraagd de grondslag van de<br />
aanvraag al dan niet is verlaten, van geval tot geval<br />
moet worden beantwoord aan de hand van de daarbij<br />
zich voordoende feiten en omstandigheden. De verhouding<br />
tussen het aantal dieren waarvoor vergunning<br />
kan worden verleend en het aantal aangevraagde dieren<br />
kan weliswaar een belangrijke aanwijzing vormen<br />
voor de beantwoording van die vraag, maar daarnaast<br />
kunnen ook andere feiten en omstandigheden relevant<br />
zijn.<br />
Verder bieden de stukken en het verhandelde ter<br />
zitting geen aanwijzing voor het standpunt van appellant<br />
dat verweerders waren gehouden op grondslag<br />
van de ingediende aanvraag vergunning te verlenen<br />
voor 1181 mestvarkens. Daarbij zij opgemerkt dat het<br />
in dit geval gaat om een stal die nog moest worden opgericht<br />
en slechts voor minder dan de helft (1181 van<br />
de 2688 gevraagde dieren) zou worden benut. Niet<br />
staat bijvoorbeeld vast dat in dat geval een zelfde vorm<br />
van huisvesting zou zijn aangewezen als die welke is<br />
aangevraagd.<br />
Aangezien, gelet op het vorenstaande, geen grond<br />
bestaat voor het oordeel dat verweerders bij de beslissing<br />
op de vergunningaanvraag van 10 februari 1994<br />
waren gehouden vergunning te verlenen voor 1181<br />
mestvarkens, kan de gestelde schade niet worden geacht<br />
te zijn veroorzaakt door het besluit van 8 november<br />
1994. Verweerders hebben het verzoek om schadevergoeding<br />
dan ook terecht afgewezen en het<br />
daartegen gemaakte bezwaar terecht ongegrond verklaard.<br />
Het beroep is ongegrond.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
37
38<br />
02-55<br />
ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104666/1 (Zutphen)<br />
Casus<br />
Besluit tot toepassing bestuursdwang bestaande<br />
uit het verwijderen van asbestdeeltjes die zijn ontstaan<br />
door een brand van een schuur. Verweerders<br />
baseren hun besluit op overtreding van artikel 13<br />
in samenhang met artikel 6 Wet bodembescherming<br />
(Wbb). Zij hebben daarbij overwogen dat appellant<br />
asbestplaten heeft verwerkt in zijn schuur<br />
in een tijd waarin de gevaren van asbest reeds algemeen<br />
bekend waren. Door de bouw en het gebruik<br />
van de schuur heeft appellant bewust het<br />
aanmerkelijk risico genomen dat er brand kan ontstaan<br />
en asbestdeeltjes in de omgeving kunnen<br />
worden verspreid.<br />
Rechtsvraag<br />
Is het bouwen en in gebruik hebben van een<br />
schuur een handeling als bedoeld in artikel 6<br />
Wbb?<br />
Uitspraak<br />
De Afdeling oordeelt dat het van algemene bekendheid<br />
kan worden verondersteld dat verspreiding<br />
van asbestdeeltjes in de bodem tot bodemverontreiniging<br />
leidt. De vraag of het bouwen en in<br />
gebruik hebben van een schuur met asbestbevattende<br />
bouwmaterialen een handeling is als bedoeld<br />
in de artikelen 6-11 Wbb die tot gevolg heeft<br />
dat de in artikel 13 Wbb vervatte zorgplicht niet<br />
wordt nageleefd, dient echter ontkennend te worden<br />
beantwoord. Het enkele oprichten en gebruiken<br />
van een dergelijk bouwwerk leidt dan ook niet<br />
tot overtreding van het bepaalde in de genoemde<br />
artikelen. In casu heeft eerst de brand in onder<br />
meer het schuurtje ertoe geleid dat asbestdeeltjes<br />
op de bodem zijn geraakt bij verspreiding waarvan<br />
verontreiniging of aantasting van de bodem kan<br />
optreden. Verweerders waren niet bevoegd om bestuursdwang<br />
toe te passen.<br />
Wet bodembescherming, artikel 13<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:24<br />
Milieu<br />
Bij besluit van 5 januari 2001 hebben verweerders appellant<br />
medegedeeld dat door hen krachtens artikel<br />
5:24 van de Algemene wet bestuursrecht bestuursdwang<br />
is toegepast op de percelen achter de Marsweg<br />
te Zutphen. De bestuursdwang bestaat uit het verwijderen<br />
van asbestdeeltjes. In hun besluit hebben verweerders<br />
aangezegd op appellant de kosten van die<br />
bestuursdwang voor een derde gedeelte te verhalen.<br />
Bij besluit van 8 augustus 2001 hebben verweerders<br />
het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />
Overwegingen<br />
In de nacht van zondag 3 december op maandag 4 december<br />
2000 heeft brand plaatsgevonden in de opstallen<br />
op de percelen 22 en 23 van het volkstuinencomplex<br />
de Mars te Zutphen. De grond is eigendom<br />
van de gemeente; appellant is huurder van perceel 23.<br />
Op dit perceel heeft appellant in het verleden een<br />
schuurtje gebouwd met golfplaten waarin asbest is<br />
verwerkt. Bij de brand is asbest vrijgekomen en deze<br />
heeft zich verspreid in de directe omgeving. Verweerders<br />
hebben enkele dagen na de brand een ter zake gespecialiseerd<br />
bedrijf opdracht gegeven het asbest op te<br />
ruimen.<br />
Appellant betwist dat hij door het bouwen van een<br />
schuurtje waarbij gebruik is gemaakt van asbesthoudend<br />
materiaal een handeling op of in de bodem heeft<br />
verricht als bedoeld in artikel 6 van de Wet bodembescherming<br />
(hierna: Wbb), terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs<br />
had moeten weten dat door die handeling de<br />
bodem kon worden verontreinigd of aangetast.<br />
Verweerders baseren hun besluit tot het toepassen van<br />
bestuursdwang op overtreding van artikel 13 in<br />
samenhang met artikel 6 van de Wbb. Zij hebben ter<br />
zake overwogen dat appellant asbestplaten heeft verwerkt<br />
in zijn schuur in een tijd waarin de gevaren van<br />
asbest reeds algemeen bekend waren. Appellant zou<br />
door de bouw en het gebruik van de schuur bewust het<br />
aanmerkelijke risico hebben genomen dat er brand kan<br />
ontstaan en asbestdeeltjes in de omgeving kunnen<br />
worden verspreid.<br />
Artikel 13 van de Wbb bepaalt dat een ieder die op<br />
of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de<br />
artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs<br />
had kunnen vermoeden dat door die handelingen de<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
odem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht<br />
is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs<br />
van hem kunnen worden gevergd, ten einde die verontreiniging<br />
of aantasting te voorkomen, dan wel indien<br />
die verontreiniging of aantasting zich voordoet de<br />
bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen<br />
daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan<br />
te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het<br />
gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen<br />
onverwijld genomen.<br />
Artikel 6, eerste lid, van de Wbb bepaalt dat bij algemene<br />
maatregel van bestuur in het belang van de<br />
bescherming van de bodem regels worden gesteld met<br />
betrekking tot het verrichten van handelingen waarbij<br />
stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten,<br />
op of in de bodem worden gebracht, ten einde<br />
deze aldaar te laten.<br />
Hiertoe kunnen, ingevolge het tweede lid, regels<br />
behoren met betrekking tot:<br />
a. het ter bewaring opslaan van bij die maatregel aan<br />
te geven stoffen op of in de bodem;<br />
b. het brengen van afvalstoffen op of in de bodem;<br />
c. het op of in de bodem doen uitstromen van verontreinigd<br />
water of slib;<br />
d. het begraven van stoffelijke resten;<br />
e. het op de bodem verspreiden van as, afkomstig van<br />
de verbranding van stoffelijke resten.<br />
De Afdeling merkt allereerst op dat de in artikel 6 van<br />
de Wbb bedoelde algemene maatregel van bestuur nog<br />
niet is gegeven. In dat verband verwijst zij naar haar<br />
uitspraak van 5 juli 1994, nr. G05.93.0562 (AB<br />
1994, 636) waarin zij op grond van de totstandkomingsgeschiedenis<br />
van de Wbb heeft overwogen dat<br />
moet worden aangenomen dat de wetgever met artikel<br />
14 (oud) van deze wet voor het bevoegd gezag de mogelijkheid<br />
heeft geschapen om reeds, in afwachting<br />
van de op de artikelen 8 tot en met 13 (oud) berustende<br />
algemene maatregelen van bestuur, met gebruikmaking<br />
van de hem toekomende administratiefrechtelijke<br />
handhavingsmaatregelen op te treden tegen<br />
bodemverontreinigende handelingen. De Afdeling<br />
merkt op dat artikel 14 thans is vernummerd tot artikel<br />
13 en dat de artikelen 8 tot en met 13 zijn vernummerd<br />
tot de artikelen 6 tot en met 11 van de Wbb.<br />
De Afdeling is van oordeel dat verweerders terecht<br />
hebben geoordeeld dat het van algemene bekendheid<br />
Milieu<br />
geacht moet worden dat asbest een gevaarlijke stof is.<br />
Voorts kan van algemene bekendheid worden verondersteld<br />
dat de verspreiding van asbestdeeltjes in de<br />
bodem tot bodemverontreiniging leidt. De vraag thans<br />
is evenwel of het bouwen en in gebruik hebben van<br />
een schuur met asbestbevattende bouwmaterialen een<br />
handeling is als bedoeld in de artikelen 6 tot en met<br />
11 die tot gevolg heeft dat de in artikel 13 van de Wbb<br />
vervatte zorgplicht niet wordt nageleefd. Naar het oordeel<br />
van de Afdeling is daarvan geen sprake. Het enkele<br />
oprichten en gebruiken van een dergelijk bouwwerk<br />
op de wijze als is geschied leidt niet tot overtreding van<br />
het in genoemde artikelen bepaalde. In het onderhavige<br />
geval heeft eerst de brand in onder meer het<br />
schuurtje ertoe geleid dat asbestdeeltjes op de bodem<br />
zijn geraakt en bij verspreiding daarvan verontreiniging<br />
of aantasting van de bodem kan optreden.<br />
Verweerders hebben daarmee aan hun besluit ten<br />
onrechte overtreding van de voornoemde wettelijke bepaling<br />
ten grondslag gelegd. Zij waren dan ook niet bevoegd<br />
ter zake met bestuursdwang op te treden. Verweerders<br />
hebben de door appellant ingediende<br />
bezwaren mitsdien ten onrechte ongegrond verklaard.<br />
2.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond<br />
en komt het besluit op bezwaar van 8 augustus 2001<br />
voor vernietiging in aanmerking.<br />
02-56<br />
39<br />
Vz. ABRS 11 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02149/4 (Menaldumadeel)<br />
Casus<br />
Niet-ontvankelijk verklaring (buiten behandeling<br />
laten) van aanvraag voor een veranderingsvergunning<br />
krachtens de Wm ten behoeve van een horeca-inrichting<br />
met lasergame. Verweerders menen<br />
dat het aanvragen van een revisievergunning de<br />
overzichtelijkheid van het vergunningenbestand<br />
ten goede komt.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
40<br />
Rechtsvragen<br />
1. Hebben verweerders een revisievergunning<br />
kunnen verlangen?<br />
2. Is het buiten behandeling laten van een aanvraag<br />
als bedoeld in artikel 8.4, tweede lid Wm<br />
aan een termijn gebonden?<br />
3. Dient bij afwijking van het besluit ten opzichte<br />
van het ontwerp-besluit een nieuw ontwerp-besluit<br />
ter inzage te worden gelegd?<br />
Uitspraak<br />
ad 1. Alhoewel verweerders beleidsvrijheid toekomt<br />
bij het al dan niet verlangen van een<br />
revisievergunning is bij de aangevraagde<br />
(veranderings)vergunning een deugdelijke<br />
beoordeling van de milieugevolgen kennelijk<br />
mogelijk, zodat niet hoeft te worden gevreesd<br />
voor een zodanig onoverzichtelijk vergunningenbestand<br />
dat verweerders in redelijkheid<br />
hebben kunnen besluiten de vergunningaanvraag<br />
niet te behandelen.<br />
ad 2. Anders dan verzoekster meent, is het buiten<br />
behandeling laten van een aanvraag als bedoeld<br />
in artikel 8.4, tweede lid van de Wet<br />
milieubeheer niet aan een termijn gebonden.<br />
ad 3. Verweerders hebben in eerste instantie de<br />
aanvraag in behandeling genomen en een<br />
ontwerp-besluit opgesteld strekkende tot<br />
verlening van de gevraagde veranderingsvergunning.<br />
Naar aanleiding van bedenkingen<br />
van omwonenden is alsnog besloten de aanvraag<br />
niet inhoudelijk te behandelen. In (het<br />
systeem van) de Wet milieubeheer noch de<br />
Algemene wet bestuursrecht zijn verder aanknopingspunten<br />
te vinden voor het oordeel<br />
dat een gewijzigd ontwerp-besluit ter inzage<br />
had moeten worden gelegd.<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.4, eerste en tweede<br />
lid<br />
Algemene wet bestuursrecht<br />
Bij besluit van 26 februari <strong>2002</strong> hebben verweerders<br />
de aanvraag van verzoekster om een vergunning als<br />
bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b,<br />
voor het uitbreiden van haar inrichting met een lasergame<br />
en ruimere openingstijden voor het horecagedeelte<br />
alsmede verandering van de keukenactiviteiten<br />
en parkeerplaatsen, niet-ontvankelijk verklaard.<br />
Milieu<br />
Overwegingen<br />
Verzoekster acht het niet juist dat verweerders in dit<br />
stadium van de procedure de aanvraag niet-ontvankelijk<br />
hebben verklaard. Zij wijst erop dat in overleg met<br />
verweerders een uitbreidingsaanvraag is ingediend.<br />
Verder kunnen verweerders naar haar mening,<br />
gelet op het bepaalde in artikel 4:5 van de Algemene<br />
wet bestuursrecht, zonder een verzoek te hebben gedaan<br />
om aanvulling van de aanvraag deze niet buiten<br />
behandeling laten. Zij voert aan dat in het besluit ten<br />
onrechte niet is vermeld aan welk wettelijk voorschrift<br />
niet wordt voldaan dan wel welke informatie ontbreekt.<br />
Nu het besluit een andere strekking heeft dan het<br />
ontwerp van het besluit, meent verzoekster dat door<br />
verweerders een nieuw ontwerp-besluit had moeten<br />
worden opgesteld, waartegen bedenkingen konden<br />
worden ingebracht.<br />
Ten aanzien van de inhoud van de beslissing heeft<br />
zij aangevoerd dat het akoestisch rapport dat onderdeel<br />
uitmaakt van de aanvraag wat betreft alle activiteiten<br />
binnen de inrichting voldoende inzicht biedt in<br />
de verkeersstromen van en naar de inrichting.<br />
Verweerders hebben in hun besluit overwogen dat<br />
in 1996 een oprichtingsvergunning en in 1998 een<br />
veranderingsvergunning is verleend. De verkeersintensiteiten<br />
hangen samen met de activiteiten van de totale<br />
inrichting en niet slechts met de uitbreiding. Ofschoon<br />
de verandering – welke met name betrekking<br />
heeft op de verkeersintensiteiten en past binnen de geluidvoorschriften<br />
van de geldende milieuvergunning –<br />
zijn verweerders, mede gelet op de gehele voorgeschiedenis,<br />
het eens met omwonenden dat een revisievergunning<br />
hier op zijn plaats is. Al met al zou het hier<br />
een stuk overzichtelijker van worden, aldus verweerders.<br />
Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />
kan het bevoegd gezag, indien een vergunning<br />
wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste<br />
lid, onder b, voor het veranderen van een inrichting of<br />
van de werking daarvan en voor die inrichting al een of<br />
meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend,<br />
uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning<br />
moet worden aangevraagd voor die verandering<br />
en voor het in werking hebben na die verandering<br />
van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee<br />
die verandering samenhangt.<br />
Ter zitting hebben verweerders gesteld dat met het<br />
bestreden besluit is bedoeld de vergunningaanvraag<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
alsnog buiten behandeling te laten. Verweerders hebben<br />
in eerste instantie de aanvraag om vergunning in<br />
behandeling genomen en een ontwerp van het besluit<br />
opgesteld, strekkende tot verlening van de aangevraagde<br />
veranderingsvergunning. Naar aanleiding van bedenkingen<br />
van omwonenden hebben verweerders besloten<br />
de aanvraag alsnog niet-inhoudelijk te<br />
behandelen.<br />
Anders dan verzoekster kennelijk meent, is het buiten<br />
behandeling laten van een aanvraag als bedoeld in<br />
artikel 8.4, tweede lid, van de Wet milieubeheer niet<br />
aan een termijn gebonden. De omstandigheden dat de<br />
veranderingsaanvraag in overleg met verweerders is ingediend<br />
en dat een ontwerp-besluit is opgesteld strekkende<br />
tot verlening van de aangevraagde vergunning,<br />
hebben niet tot gevolg dat zij niet alsnog naar aanleiding<br />
van bedenkingen van omwonenden in redelijkheid<br />
hebben kunnen besluiten tot het niet inhoudelijk<br />
behandelen van de aanvraag. In (het systeem van) de<br />
Wet milieubeheer noch de Algemene wet bestuursrecht<br />
zijn verder aanknopingspunten te vinden voor het<br />
oordeel dat een gewijzigd ontwerp-besluit ter inzage<br />
had moeten worden gelegd.<br />
Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is<br />
niet aan orde nu verweerders de aanvraag niet wegens<br />
strijd met een wettelijk voorschrift dan wel wegens onvoldoende<br />
informatie niet-ontvankelijk hebben verklaard.<br />
Van een onjuiste toepassing van dit artikel is<br />
dan ook geen sprake.<br />
Gelet hierop bestaat in de bezwaren van appellanten<br />
van formele aard geen aanleiding voor het oordeel<br />
dat verweerders niet hebben mogen besluiten tot het<br />
niet-inhoudelijk behandelen van de aanvraag om een<br />
veranderingsvergunning.<br />
De Voorzitter stelt voorop dat, gelet op artikel 8.4,<br />
eerste lid, van de Wet milieubeheer, verweerders beleidsvrijheid<br />
toekomt bij het al dan niet verlangen van<br />
een revisievergunning indien een veranderingsvergunning<br />
is aangevraagd. Hierbij dient het belang van een<br />
overzichtelijk vergunningenbestand in relatie tot een<br />
toereikende normering afgewogen te worden tegen andere<br />
belangen, waaronder die van verzoekster.<br />
De Voorzitter stelt vast dat verweerders blijkens het<br />
bestreden besluit van mening zijn dat de verkeersaantrekkende<br />
werking van de aangevraagde uitbreiding<br />
zodanig is dat alle verkeersbewegingen van en naar de<br />
inrichting aan de ter zake in de oprichtingsvergunning<br />
gestelde geluidgrenswaarden voldoen. Bij de aangevraagde<br />
vergunning is een deugdelijke beoordeling van<br />
Milieu<br />
de milieugevolgen kennelijk mogelijk. Verweerders<br />
hebben de beslissing de aanvraag niet te behandelen<br />
uitsluitend gemotiveerd met de verwijzing naar de<br />
voorgeschiedenis, waarmee kennelijk wordt bedoeld<br />
de verleende oprichtings- en uitbreidingsvergunning,<br />
en de overweging dat met het aanvragen van een revisievergunning<br />
de vergunningsituatie overzichtelijker<br />
wordt. Dit laatste betekent evenwel nog niet dat bij<br />
verlening van de uitbreidingsvergunning een zodanig<br />
onoverzichtelijk vergunningbestand ontstaat dat verweerders<br />
in redelijkheid hebben kunnen besluiten de<br />
vergunningaanvraag niet te behandelen. De Voorzitter<br />
gaat er derhalve van uit dat de Afdeling in het bodemgeding<br />
zal oordelen dat verweerders hun besluit in dit<br />
opzicht onvoldoende hebben gemotiveerd.<br />
02-57<br />
41<br />
Vz. ABRS 18 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>01895/2 (GS<br />
Limburg)<br />
Casus<br />
Besluit waarbij de melding voor de wijziging van<br />
de werking van de inrichting niet is geaccepteerd.<br />
Het betreft een inrichting voor het produceren van<br />
bakstenen. De melding heeft betrekking op het gelijktijdig<br />
in werking hebben van de voorverwarmingsovens<br />
1 en 2 voor de productie van één type<br />
steen, bij benutting van minder dan 60% van de<br />
totaal vergunde productiecapaciteit van 40 miljoen<br />
stenen per jaar. Verzoekster stelt allereerst<br />
dat de voorgenomen wijziging in overeenstemming<br />
is met de aan haar verleende milieuvergunning<br />
zodat daarvoor een vergunning noch een melding<br />
is vereist. Verder betoogt zij dat ten gevolge van de<br />
wijziging de stankbelasting niet zal toenemen.<br />
Rechtsvragen<br />
1. Is de gemelde verandering van de productiemethode<br />
in overeenstemming met de verleende<br />
vergunning?<br />
2. Kan met een melding worden volstaan?<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
42<br />
Uitspraak<br />
ad 1. De Voorzitter overweegt dat de voorgenomen<br />
wijziging niet in overeenstemming is met de<br />
in de aanvraag behorende bij de vergunning<br />
van 13 mei 1997 omschreven productiemethoden<br />
zodat artikel 8.1, derde lid niet van<br />
toepassing is.<br />
ad 2. Bij de productie van bakstenen worden stoffen<br />
geëmitteerd die in de omgeving stankhinder<br />
kunnen veroorzaken. In de geldende<br />
vergunning van 1997 zijn geen grenswaarden<br />
gesteld aan de geuremissie zodat<br />
voor de omvang van de geurbelasting die de<br />
inrichting op grond van die vergunning mag<br />
veroorzaken de vergunde situatie bepalend<br />
is. Nu met de beoogde verandering van de<br />
productiemethode die vergunde situatie<br />
wordt gewijzigd, wordt daarmee eveneens<br />
de op grond van de vergunning toegestane<br />
geurbelasting gewijzigd. Daarom kan, mede<br />
gelet op de Memorie van Toelichting bij de<br />
wijziging van het meldingenstelsel, in een<br />
geval als dit niet met een melding worden<br />
volstaan en is voor de beoogde verandering<br />
van de werking van de inrichting een wijziging<br />
van de vergunning vereist.<br />
Wet milieubeheer, artikelen 8.1, derde lid en<br />
8.19, tweede lid<br />
Bij besluit van 2 oktober 2001 hebben verweerders de<br />
melding van verzoekster, als bedoeld in artikel 8.19,<br />
tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor een wijziging<br />
van de werking van haar inrichting niet geaccepteerd.<br />
Bij besluit van 26 februari <strong>2002</strong> hebben verweerders<br />
het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />
Overwegingen<br />
In de inrichting van verzoekster worden onder meer<br />
bakstenen geproduceerd. De melding betreft het gelijktijdig<br />
in werking hebben van prechauffeurs (voorverwarmingsovens)<br />
1 en 2 voor de productie van één type<br />
steen, bij benutting van minder dan 60% van de totaal<br />
vergunde productiecapaciteit van 40 miljoen stenen<br />
per jaar.<br />
Verweerders hebben de melding niet geaccepteerd<br />
en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond ver-<br />
Milieu<br />
klaard omdat – kort gezegd – zij van mening zijn dat bij<br />
de melding geen gegevens zijn overgelegd waaruit<br />
blijkt dat de beoogde verandering in ieder geval voor<br />
het aspect geur geen andere of grotere gevolgen voor<br />
het milieu heeft dan die de inrichting op grond van de<br />
geldende milieuvergunning mag veroorzaken. Daarbij<br />
hebben verweerders ter zitting gesteld dat naar verwachting<br />
de geurbelasting door de beoogde verandering<br />
juist zal toenemen.<br />
Verzoekster stelt allereerst dat de voorgenomen wijziging<br />
in overeenstemming is met de aan haar verleende<br />
milieuvergunning, zodat, gelet op artikel 8.1, derde<br />
lid, van de Wet milieubeheer, daarvoor geen vergunning<br />
en derhalve ook geen melding is vereist.<br />
Verder betoogt verzoekster dat de stankbelasting<br />
hoe dan ook niet zal toenemen door de beoogde verandering<br />
omdat het gelijktijdig gebruik van beide prechauffeurs<br />
voor de productie van één type steen haar<br />
op grond van de geldende milieuvergunning al is toegestaan<br />
indien meer dan 60% van de totale productiecapaciteit<br />
wordt aangewend. De geurbelasting in die<br />
laatste bedrijfssituatie is volgens verzoekster hoe dan<br />
ook groter dan in geval minder dan 60% van de productiecapaciteit<br />
wordt benut.<br />
Ingevolge artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is het<br />
verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:<br />
a. op te richten;<br />
b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;<br />
c. in werking te hebben.<br />
Ingevolge het derde lid van dit artikel geldt het verbod<br />
bedoeld in het eerste lid, onder b, niet met betrekking<br />
tot veranderingen van de inrichting of van de werking<br />
daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de<br />
inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden<br />
beperkingen en voorschriften.<br />
Bij besluit van 13 mei 1997 hebben verweerders aan<br />
verzoekster krachtens de Wet milieubeheer vergunning<br />
verleend voor het oprichten en in werking hebben van<br />
haar inrichting. In deze vergunning en de daarbij behorende<br />
aanvraag is de productiemethode van bakstenen<br />
vastgelegd. Die productiemethode houdt in dat bij een<br />
benutting van meer dan 60% van de totale productiecapaciteit<br />
alle baksteenproducten in de prechauffeurs<br />
worden voorverwarmd en in de tunneloven worden af-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
gebakken. Bij een aanwending van minder dan 60%<br />
van de totale productiecapaciteit blijft de tunneloven<br />
buiten gebruik en worden de stenen in de prechauffeurs<br />
gebakken. Gelet op de in de aanvraag omschreven<br />
productiemethoden is het op grond van de vergunning<br />
evenwel niet toegestaan dat bij benutting van<br />
minder dan 60% van de totale productiecapaciteit<br />
beide prechauffeurs tegelijkertijd worden gebruikt voor<br />
de productie van één type baksteen. De gemelde verandering<br />
van de productiemethode is dan ook niet in<br />
overeenstemming met de verleende vergunning, zodat<br />
artikel 8.1, derde lid, van de Wet milieubeheer niet<br />
van toepassing is.<br />
Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer<br />
geldt een voor een inrichting verleende vergunning<br />
tevens voor veranderingen van de inrichting of van<br />
de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn<br />
met de voor de inrichting verleende vergunning of de<br />
daaraan verbonden beperkingen en voorschriften,<br />
maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen<br />
voor het milieu dan die de inrichting ingevolge<br />
de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen<br />
en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde<br />
dat:<br />
a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting<br />
dan waarvoor vergunning is verleend;<br />
b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering<br />
door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig<br />
de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels<br />
aan het bevoegd gezag is gemeld; en<br />
c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk<br />
heeft verklaard dat de voorgenomen verandering<br />
voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering<br />
naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing<br />
van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.<br />
Uit de stukken blijkt dat bij de productie van bakstenen<br />
stoffen worden geëmitteerd die in de omgeving<br />
van de inrichting stankhinder kunnen veroorzaken. In<br />
de geldende vergunning van 1997 zijn geen grenswaarden<br />
gesteld aan geuremissie. Dit betekent dat<br />
voor de omvang van de geurbelasting die de inrichting<br />
op grond van die vergunning mag veroorzaken, de vergunde<br />
situatie bepalend is (Memorie van Toelichting<br />
op wijziging van de Wet milieubeheer (meldingenstelsel,<br />
TK 1998-1999, 26 552, nr. 3, p. 23). Nu voorts<br />
met de beoogde verandering van de productiemethode<br />
die vergunde situatie wordt gewijzigd, wordt daarmee<br />
Milieu<br />
eveneens de op grond van de vergunning toegestane<br />
geurbelasting gewijzigd. Daarom kan, mede gelet op<br />
de Memorie van Toelichting, in een geval als dit niet<br />
met een melding worden volstaan en is voor de beoogde<br />
verandering van de werking van de inrichting een<br />
wijziging van de vergunning vereist. In het kader van<br />
die vergunningprocedure moet dan worden beoordeeld<br />
of de gevraagde verandering uit milieuhygiënisch oogpunt<br />
aanvaardbaar is.<br />
Gelet op het vorenstaande hebben verweerders, zij het<br />
op andere gronden, de melding terecht niet geaccepteerd<br />
en het daartegen gemaakte bezwaar terecht ongegrond<br />
verklaard.<br />
Het verzoek om voorlopige voorziening moet worden<br />
afgewezen.<br />
02-58<br />
43<br />
ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200003207/2 (Uithoorn)<br />
Casus<br />
Oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer<br />
voor een uitvaartcentrum met crematorium.<br />
Door appellanten wordt onder meer aangevoerd<br />
dat hangende de procedure de vergunningaanvraag<br />
is gewijzigd waardoor hun processuele belangen<br />
zijn geschaad. Voorts is een aantal voorzieningen<br />
die essentieel zijn voor het in werking zijn<br />
van de inrichting buiten de grenzen van de inrichting<br />
gelegen, op grond die eigendom is van de gemeente.<br />
Daardoor ontbeert vergunninghouder zeggenschap<br />
over deze voorzieningen om te<br />
waarborgen dat deze in stand worden gehouden.<br />
Ten slotte stellen appellanten dat in de in de inrichting<br />
aanwezige koelcel freon als koudemiddel<br />
wordt gebruikt en dat dit een chloorfluorkoolwaterstof<br />
is die de ozonlaag aantast.<br />
Rechtsvragen<br />
1. In hoeverre kan de aanvraag hangende de procedure<br />
worden gewijzigd?<br />
2. Is het mogelijk om vergunning te verlenen voor<br />
voorzieningen die buiten de grenzen van de inrichting<br />
zijn gelegen?<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
44<br />
3. Is het gebruik van freon als koudemiddel in<br />
strijd met het Besluit inzake stoffen die de<br />
ozonlaag aantasten 1995 (hierna: het Besluit)<br />
en de Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna:<br />
Wms)?<br />
Uitspraak<br />
ad 1. De aanvraag is gewijzigd ná het verstrijken van<br />
de termijn voor het inbrengen van bedenkingen.<br />
De wijziging heeft betrekking op de exacte<br />
maatvoering van de crematieoven alsmede op<br />
de plaats en de afscherming van de uitmondingen<br />
van de afvoerkanalen van deze oven. Alhoewel<br />
het in beginsel niet geoorloofd is om<br />
wijzigingen van de aanvraag, die dateren van<br />
ná de terinzagelegging, bij de beslissing op de<br />
oorspronkelijke aanvraag te betrekken, kan in<br />
dit geval een uitzondering worden aanvaard<br />
omdat door de wijziging, gezien in relatie tot de<br />
oorspronkelijke aanvraag, appellanten of anderen<br />
niet in hun processuele belangen zijn geschaad.<br />
ad 2. Met deze voorzieningen wordt gedoeld op<br />
onder andere een gedeelte van de inrit die de<br />
toegang vormt tot de inrichting alsmede op een<br />
groot aantal parkeerplaatsen op grond die eigendom<br />
is van de gemeente. De Afdeling stelt<br />
voorop dat de vraag naar de eigendomsverhoudingen<br />
m.b.t. de inrichting buiten het toetsingskader<br />
van de Wm valt. Verder is het niet<br />
noodzakelijk dat alle voorzieningen tot de inrichting<br />
behoren. Voorzover die voorzieningen<br />
relevant zijn, is slechts van belang of het<br />
(mede)gebruik van de voorzieningen ten behoeve<br />
van de inrichting voldoende mogelijk is.<br />
ad 3. Ingevolge artikel 8.9 Wm mag een besluit niet<br />
in strijd zijn met de regels van (voorzover hier<br />
van belang) de Wms. Het Besluit is een algemene<br />
maatregel van bestuur die zijn grondslag<br />
vindt in artikel 24 Wms. Het Besluit laat toe<br />
dat freon wordt toegepast als koudemiddel in<br />
een koelinstallatie. Alhoewel verweerders hebben<br />
verzuimd te onderzoeken of wordt voldaan<br />
aan de regels die m.b.t. de onderhavige inrichting<br />
gelden krachtens het Besluit, ziet de Afdeling<br />
geen reden om het bestreden besluit om<br />
deze reden te vernietigen, nu zij zelf kan vaststellen<br />
dat het gebruik van freon als koudemiddel<br />
rechtens is toegestaan.<br />
Milieu<br />
Wet milieubeheer, artikelen 8.9, 8.10 en 8.11<br />
Algemene wet bestuursrecht<br />
Bij besluit van 16 mei 2000 hebben verweerders,<br />
voorzover hier van belang, krachtens de Wet milieubeheer<br />
aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid<br />
‘Bouwens Beheer Amstelveen B.V.’ vergunning<br />
verleend voor het oprichten en in werking<br />
hebben van een uitvaartcentrum met een kleinschalig<br />
crematorium.<br />
Appellanten sub 1 en 2 hebben aangevoerd dat vergunninghoudster<br />
de aanvraag hangende de procedure<br />
heeft gewijzigd en dat verweerders deze wijziging bij<br />
hun beslissing op de oorspronkelijke aanvraag hebben<br />
betrokken. Appellanten sub 1 en 2 achten zich door<br />
deze gang van zaken in hun processuele belangen geschaad,<br />
omdat ten tijde van de wijziging van de aanvraag<br />
de termijn voor het inbrengen van bedenkingen<br />
reeds was verstreken.<br />
Vaststaat dat vergunninghoudster de aanvraag heeft<br />
gewijzigd na het verstrijken van de termijn voor het inbrengen<br />
van bedenkingen. Deze wijziging heeft betrekking<br />
op de exacte maatvoering van de crematieoven<br />
alsmede op de plaats en de afscherming van de uitmondingen<br />
van de afvoerkanalen van deze oven, zoals<br />
deze zijn ingetekend op de bij de aanvraag behorende<br />
tekening 9817-01. Verweerders hebben bij het bestreden<br />
besluit op de gewijzigde aanvraag beslist.<br />
Vooropgesteld moet worden dat uit het systeem<br />
van vergunningverlening, zoals neergelegd in de Wet<br />
milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht, volgt<br />
dat in beginsel op de aanvraag moet worden beslist<br />
zoals die met het ontwerp van het besluit ter inzage is<br />
gelegd. Dit betekent dat het in beginsel niet geoorloofd<br />
is om wijzigingen van de aanvraag, die dateren van na<br />
de terinzagelegging, bij de beslissing op de oorspronkelijke<br />
aanvraag te betrekken. In dit geval kan een uitzondering<br />
worden aanvaard, omdat de wijziging, gezien<br />
in relatie tot de oorspronkelijke aanvraag, naar het<br />
oordeel van de Afdeling van dien aard is, dat appellanten<br />
sub 1 en 2 of anderen niet in hun processuele belangen<br />
zijn geschaad doordat zij niet in de gelegenheid<br />
zijn geweest door middel van het inbrengen van bedenkingen<br />
op de wijziging te reageren.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
Appellanten sub 2 hebben aangevoerd dat een aantal<br />
voorzieningen die essentieel zijn voor het in werking<br />
zijn van de inrichting – een gedeelte van de inrit die de<br />
toegang vormt tot de inrichting, een groot aantal parkeerplaatsen,<br />
de groene scheidingswand die dient ter<br />
afscherming van de inrichting alsmede de kelder voor<br />
de verstrooiing van de as, buiten de grenzen van de inrichting<br />
is gelegen, op grond die eigendom is van de<br />
gemeente. Daarom ontbeert vergunninghoudster naar<br />
de mening van appellanten sub 2 de benodigde zeggenschap<br />
over deze voorzieningen om te waarborgen<br />
dat deze in stand worden gehouden. Hetzelfde probleem<br />
doet zich volgens hen voor ten aanzien van het<br />
gedeelte van de inrit dat binnen de grenzen van de inrichting<br />
is gelegen, nu de inrit ook voor dat gedeelte eigendom<br />
is van de gemeente.<br />
Bij de beoordeling van deze beroepsgrond stelt de Afdeling<br />
voorop dat de vraag naar de eigendomsverhoudingen<br />
met betrekking tot (onderdelen van) de inrichting<br />
buiten het toetsingskader valt van de artikelen<br />
8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. Er is daarom<br />
geen grond voor het oordeel dat verweerders de vergunning<br />
hadden moeten weigeren vanwege de omstandigheid<br />
dat het gedeelte van de inrit dat zich<br />
binnen de grenzen van de inrichting bevindt eigendom<br />
is van de gemeente.<br />
De Afdeling overweegt verder dat het niet noodzakelijk<br />
is dat alle voorzieningen die nodig zijn voor het in<br />
werking kunnen hebben van een inrichting tot de inrichting<br />
behoren. Voorzover die voorzieningen relevant<br />
zijn voor de omvang van de nadelige gevolgen voor het<br />
milieu die de inrichting kan veroorzaken, is in het<br />
kader van de toetsing aan de artikelen 8.10 en 8.11<br />
van de Wet milieubeheer slechts van belang of het<br />
(mede)gebruik van die voorzieningen ten behoeve van<br />
de inrichting voldoende mogelijk is. Op basis van de<br />
stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling<br />
het aannemelijk dat dit met betrekking tot de door appellanten<br />
sub 2 genoemde voorzieningen buiten de inrichting<br />
het geval is. Overigens merkt de Afdeling op<br />
dat wanneer in de toekomst verandering optreedt in de<br />
gebruiksmogelijkheden van deze voorzieningen en de<br />
nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan<br />
veroorzaken hierdoor zullen toenemen, verweerders,<br />
afhankelijk van de omvang van die toename, de vergunning<br />
met toepassing van artikel 8.23 van de Wet<br />
milieubeheer kunnen wijzigen dan wel met toepassing<br />
van artikel 8.25 van die wet kunnen intrekken.<br />
Milieu<br />
45<br />
Appellanten sub 1 en 2 hebben erop gewezen dat in<br />
de in de inrichting aanwezige koelcel freon als koudemiddel<br />
wordt gebruikt en dat dit een chloorfluorkoolwaterstof<br />
is die de ozonlaag aantast. Naar hun mening<br />
hebben verweerders aan dit milieuaspect bij het bestreden<br />
besluit ten onrechte geen aandacht besteed.<br />
Verweerders hebben zich bij het bestreden besluit<br />
op het standpunt gesteld dat het gebruik van freon<br />
wordt gereguleerd door het Besluit inzake stoffen die<br />
de ozonlaag aantasten 1995 en dat niet zij het terzake<br />
bevoegd gezag zijn, maar de Inspectie milieuhygiëne.<br />
Bij de beslissing op de aanvraag hebben zij daarom<br />
een beoordeling van de milieuhygiënische aanvaardbaarheid<br />
van het gebruik van freon in de inrichting<br />
achterwege gelaten.<br />
Ingevolge artikel 8.9 van de Wet milieubeheer draagt<br />
het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvraag<br />
zorg voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met<br />
betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of<br />
krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel<br />
13.1, tweede lid, genoemde wetten.<br />
Ingevolge artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer,<br />
voorzover hier van belang, wordt de vergunning<br />
in ieder geval geweigerd indien door verlening<br />
daarvan strijd zou ontstaan met regels als bedoeld in<br />
artikel 8.9.<br />
Het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten<br />
1995 (hierna: het Besluit) is een algemene<br />
maatregel van bestuur die zijn grondslag vindt in artikel<br />
24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Ingevolge<br />
artikel 12, eerste en tweede lid, van het Besluit, in<br />
onderlinge samenhang bezien, is het toegestaan een<br />
onvolledig gehalogeneerde chloorfluorkoolwaterstof,<br />
zoals freon, toe te passen als koudemiddel in een koelinstallatie,<br />
koelkast of diepvriezer, tenzij één van de in<br />
de leden drie, vier en vijf van dit artikel genoemde uitzonderingssituaties<br />
zich voordoet.<br />
De Afdeling stelt vast dat de Wet milieugevaarlijke<br />
stoffen in artikel 13.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer<br />
wordt genoemd. Gelet op de artikelen 8.9 en<br />
8.10, tweede lid, van deze wet brengt dat met zich dat<br />
verweerders bij de beslissing op de aanvraag hadden<br />
moeten onderzoeken of wordt voldaan aan de regels<br />
die met betrekking tot de onderhavige inrichting gelden<br />
krachtens het Besluit. Zoals hiervoor is gebleken,<br />
hebben zij dat niet gedaan. De Afdeling ziet hierin echter<br />
geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen,<br />
nu zij op basis van de stukken zelf kan vaststel-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
46<br />
len dat, gelet op de datum waarop de koelcel in de inrichting<br />
blijkens het op dit punt niet weersproken deskundigenbericht<br />
van 28 juni 2001 in gebruik is genomen,<br />
geen van de in artikel 12, derde, vierde en vijfde<br />
lid, van het Besluit genoemde uitzonderingssituaties<br />
zich voordoet. Het gebruik van freon als koudemiddel<br />
in de inrichting is derhalve rechtens toegestaan.<br />
02-59<br />
ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200105168/2 (Minister<br />
van VROM)<br />
Casus<br />
Aanzegging tot bestuursdwang om te beletten dat<br />
het vaartuig Sandrien zonder kennisgeving zoals<br />
vereist in EG-verordening 259/93 (EVOA) uitvaart<br />
vanuit Nederland naar India. Verweerder en appellante<br />
verschillen van mening over de vraag of de<br />
overbrenging van het schip is aan te merken als<br />
het ‘zich ontdoen’ van afvalstoffen. Volgens appellante<br />
is de EG-verordening 259/93 betreffende<br />
toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen<br />
binnen, naar en uit de EG (hierna: EVOA)<br />
niet van toepassing. Voorzover de EVOA wel van<br />
toepassing is, dient het schip volgens appellante te<br />
worden beschouwd als een zogeheten ‘groene lijststof’<br />
(rubriek GC 030) in de zin van de EVOA.<br />
Daartoe voert zij aan dat het schip geen ladingrestanten<br />
bevat die als (gevaarlijk) afval aangemerkt<br />
kunnen worden. Voorts stelt appellante dat<br />
het uitvaren van het schip niet kan worden beschouwd<br />
als het ‘zich ontdoen’ van afvalstoffen en<br />
dat met het bestreden besluit een handeling wordt<br />
tegengegaan die eerst later zou kunnen uitmonden<br />
in het zich ontdoen van het schip. Door het optreden<br />
is derhalve sprake van preventieve bestuursdwang.<br />
Ten slotte stelt zij dat het bestreden besluit<br />
in strijd is met de United Nations Convention on<br />
the Law of the Sea (UNCLOS).<br />
Rechtsvraag<br />
Is het overbrengen van het schip naar India aan te<br />
merken als het ‘zich ontdoen’ van afvalstoffen?<br />
Milieu<br />
Uitspraak<br />
Niet in geschil is dat appellante op 1 november<br />
2000 met een bedrijf in India een overeenkomst is<br />
aangegaan tot verkoop van het schip ten behoeve<br />
van sloop. Op grond daarvan concludeert de Afdeling<br />
dat appellante destijds voornemens was zich<br />
van het schip te ontdoen in de zin van artikel 1,<br />
aanhef en onder a van de EVOA. Daarmee heeft<br />
het schip het karakter van een afvalstof gekregen.<br />
Appellante heeft aangevoerd niet (langer) het voornemen<br />
te hebben zich van het schip te ontdoen,<br />
maar dit in te zetten als vrachtschip. Deze stelling<br />
is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt.<br />
Onder de rubriek GC 030 waarnaar appellante verwijst,<br />
staat vermeld: ‘Schepen en ander drijvend<br />
materiaal bestemd voor de sloop, waaruit eventuele<br />
lading en andere bij het gebruik van het schip<br />
vrijkomende materialen, die als gevaarlijke stof of<br />
afvalstof geclassificeerd zijn, naar behoren zijn<br />
verwijderd’. Niet in geschil is dat zich in de constructie<br />
van het schip aanzienlijke hoeveelheden<br />
asbest bevinden. Gelet op deze verontreiniging<br />
met asbest nemen de aan de afvalstof verbonden<br />
risico’s zodanig toe dat dit voor opname op de rode<br />
lijst in aanmerking komt. Wat betreft het uitvaren<br />
van het schip oordeelt de Afdeling dat dit uitvaren,<br />
nu het een afvalstof betreft die niet onder de groene<br />
lijst valt, moet worden aangemerkt als een<br />
begin van sluikhandel als bedoeld in artikel 26<br />
EVOA. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a<br />
van deze bepaling heeft verweerder de bevoegdheid<br />
ervoor zorg te dragen dat bij sluikhandel het<br />
schip wordt teruggebracht. De UNCLOS bevat<br />
evenals de EVOA regelgeving ter bescherming van<br />
het mariene milieu respectievelijk de volksgezondheid<br />
en het milieu bij overbrenging van afvalstoffen.<br />
Daargelaten de vraag of de UNCLOS rechtstreeks<br />
werkt, staat deze regeling er niet aan in de<br />
weg dat ingevolge de EVOA, alvorens tot overbrenging<br />
van afvalstoffen wordt overgegaan, een voorafgaande<br />
kennisgeving vereist wordt.<br />
EG-verordening 259/93 (EVOA), artikelen 1, 2<br />
en 26<br />
United Nations Convention on the Law of the<br />
Sea (UNCLOS), artikel 211<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
Bij besluit van 23 maart 2001 heeft verweerder appellant<br />
onder aanzegging van bestuursdwang belet het<br />
vaartuig Sandrien uit te laten varen vanuit Nederland<br />
naar India.Bij besluit van 7 september 2001heeft verweerder<br />
het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond<br />
verklaard.<br />
Overwegingen<br />
Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit<br />
van 23 maart 2001 gehandhaafd. Verweerder heeft<br />
aan de aangezegde bestuursdwang ten grondslag gelegd<br />
dat appellante zonder dat daartoe een kennisgeving<br />
was gedaan zoals vereist in de EG-verordening<br />
259/93, betreffende toezicht en controle op de overbrenging<br />
van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese<br />
Gemeenschap (hierna: de EVOA), doende was<br />
met het begin van overbrenging van het schip Sandrien<br />
(hierna: het schip) vanuit Nederland naar India. Nu<br />
het hierbij volgens verweerder gaat om afvalstoffen<br />
heeft appellante in strijd gehandeld met artikel 26,<br />
eerste lid, van de EVOA, hetgeen verboden is op grond<br />
van artikel 10.44e van de Wet milieubeheer. Verweerder<br />
heeft door toepassing van bestuursdwang appellante<br />
belet het schip uit te laten varen naar India.<br />
Volgens appellante beschouwt verweerder het<br />
schip ten onrechte als afval en is de EVOA niet van toepassing.<br />
Voorzover de EVOA wel van toepassing is, behoeft<br />
volgens appellante voor de overbrenging van het<br />
schip naar India geen kennisgeving te worden gedaan<br />
omdat het schip moet worden beschouwd als een zogeheten<br />
groene lijst-stof in de zin van de EVOA. Daartoe<br />
voert zij aan dat het schip geen ladingrestanten<br />
bevat die als (gevaarlijk) afval aangemerkt kunnen<br />
worden. Zij is van mening dat het schip valt onder rubriek<br />
GC 030 van de groene lijst. Volgens appellante<br />
valt het in de constructie van het schip verwerkt asbest<br />
niet onder de in deze rubriek opgenomen zinsnede ‘andere<br />
bij het gebruik van het schip vrijkomende materialen’.<br />
Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de EVOA<br />
wordt onder afvalstoffen verstaan de afvalstoffen die<br />
als zodanig in de Richtlijn 75/442/EEG, artikel 1,<br />
onder a (hierna te noemen: de Richtlijn), zoals gewijzigd<br />
bij Richtlijn 91/156/EEG.<br />
In artikel 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn<br />
wordt onder afvalstof verstaan: elke stof of elk voorwerp<br />
behorende tot de in bijlage I genoemde categorieen<br />
waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is<br />
Milieu<br />
47<br />
zich te ontdoen of zich moet ontdoen.<br />
Ingevolge artikel 1, onder c, van de Richtlijn wordt<br />
de houder omschreven als de producent van de afvalstoffen<br />
of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen<br />
in bezit heeft.<br />
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen<br />
heeft in zijn arrest van 15 juni 2000, gevoegde<br />
zaken nrs. C-418/97 en C-419/97 (AB 2000,<br />
311) voor recht verklaard, dat de vraag of sprake is<br />
van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming<br />
van alle omstandigheden, waarbij rekening<br />
moet worden gehouden met de doelstelling van die<br />
Richtlijn en er voor moet worden gewaakt dat geen afbreuk<br />
wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.<br />
Verweerder heeft voor zijn standpunt dat het schip<br />
als afvalstof moet worden aangemerkt doorslaggevend<br />
geacht dat uit onderzoek is gebleken dat het schip<br />
naast ladingrestanten en overige (vermoedelijk gevaarlijke)<br />
afvalstoffen een substantiële hoeveelheid asbest<br />
bevat. Uit verschillende verklaringen, verhoren en documenten<br />
is verweerder voorts gebleken dat het schip<br />
bestemd is voor de sloop in India en dat het schip van<br />
de Scheepvaartinspectie slechts toestemming heeft<br />
voor vertrek met het oog op die bestemming. Ten tijde<br />
van de eigendomsoverdracht van het schip op 14 september<br />
2000 en ook ten tijde van het nemen van het<br />
besluit in primo en het bestreden besluit verkeerde het<br />
schip volgens de minister in slechte staat, zodanig dat<br />
het gebruik overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming<br />
(motortankschip) dan wel als vrachtschip<br />
niet mogelijk was en is zonder ingrijpende en kostbare<br />
reparaties. Gelet hierop heeft verweerder aangenomen<br />
dat de oorspronkelijke eigenaar zich op 14 september<br />
2000 heeft ontdaan van een afvalstof. Aan de omstandigheid<br />
dat een aantal eerder gedane verklaringen omtrent<br />
de aard en bestemming van het schip later is ingetrokken<br />
heeft verweerder geen doorslaggevende<br />
betekenis toegekend.<br />
Appellante heeft het schip op 14 september 2000<br />
in eigendom verkregen. Niet in geschil is dat appellante<br />
op 1 november 2000 met Hatimi Steels te Alang<br />
(India) een overeenkomst is aangegaan tot verkoop van<br />
het schip aan laatstgenoemde partij ten behoeve van<br />
sloop. Hieruit maakt de Afdeling op dat appellante<br />
destijds voornemens was zich van het schip te ontdoen<br />
in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de<br />
Richtlijn. Het schip heeft hiermede het karakter van<br />
een afvalstof verkregen.<br />
Appellante heeft aangevoerd niet (langer) het voor-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
48<br />
nemen te hebben zich van het schip te ontdoen, maar<br />
dit in te zetten als vrachtschip. In dit verband wijst zij<br />
erop dat zij het contract met Hatimi Steels bewust<br />
heeft laten verlopen door het schip niet te leveren en<br />
dat op 8 november 2000 een contract is gesloten met<br />
Shiva marketing Ltd. om in de eerste week van maart<br />
2001, later verlengd tot uiterlijk de eerste week van<br />
april 2001, het schip aan de westkust van India in te<br />
zetten als ‘floating vessel’. Zij wijst ook op de mails uit<br />
januari/februari 2001 van de door Upperton ingeschakelde<br />
‘ladingbroker’ Andrew Southwood betreffende de<br />
verhuur van het schip om dit met lading uiteindelijk<br />
richting India te laten varen en op de samenstelling<br />
van de bemanning die uitdrukkelijk niet zag op een<br />
‘demolition crew’. Voorts voert appellante aan dat zij<br />
kort na de aankoop van het schip heeft besloten reparaties<br />
te laten verrichten en het geschikt te maken voor<br />
de inzet als vrachtschip en dat inmiddels een begin is<br />
gemaakt met de noodzakelijke reparaties.<br />
Appellante heeft echter naar het oordeel van de Afdeling<br />
haar stelling dat ten tijde van het bestreden besluit<br />
reeds een aanvang was gemaakt met de in dit verband<br />
noodzakelijke reparaties, noch haar stelling dat<br />
het schip elders zal worden gerepareerd, zodat het<br />
weer kan worden ingezet als vrachtschip, voldoende<br />
aannemelijk gemaakt. Gelet op het vorenstaande heeft<br />
verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat<br />
het schip ten tijde van het nemen van het bestreden<br />
besluit diende te worden aangemerkt als afvalstof.<br />
Artikel 1, derde lid, van de EVOA bepaalt onder andere<br />
dat het overbrengen van afvalstoffen, die alleen<br />
bestemd zijn voor nuttige toepassing en in bijlage II<br />
van de EVOA, gewijzigd bij beschikking 1999/816/EG<br />
van de Commissie van 24 november 1999, worden<br />
genoemd niet onder de bepalingen van de EVOA vallen.<br />
Bijlage II is de zogeheten groene lijst van afvalstoffen.<br />
In deze bijlage staat onder rubriek GC 030 vermeld:<br />
‘Schepen en ander drijvend materieel bestemd<br />
voor de sloop, waaruit eventuele lading en andere bij<br />
het gebruik van het schip vrijkomende materialen, die<br />
als gevaarlijke stof of afvalstof geclassificeerd zijn, naar<br />
behoren zijn verwijderd’. In het chapeau bij de groene<br />
lijst staat vermeld: ‘Of afvalstoffen nu op deze lijst zijn<br />
opgenomen of niet, zij mogen niet als afvalstoffen van<br />
de groene lijst worden vervoerd indien zij dermate met<br />
andere stoffen verontreinigd zijn dat a) de aan de afvalstoffen<br />
verbonden risico’s zodanig toenemen dat ze<br />
voor opname op de oranje of rode lijst in aanmerking<br />
komen, of b) terugwinning van de afvalstoffen op mi-<br />
Milieu<br />
lieuverantwoorde wijze onmogelijk wordt’.<br />
Niet in geschil is dat zich in de constructie van het<br />
schip aanzienlijke hoeveelheden asbest bevinden.<br />
Gelet op deze verontreiniging met asbest nemen de<br />
aan de afvalstof verbonden risico’s zodanig toe dat dit<br />
voor opname op de rode lijst in aanmerking komt. Derhalve<br />
mag het schip, gelet op het chapeau bij de groene<br />
lijst, niet worden vervoerd als een afvalstof als bedoeld<br />
in rubriek GC 030 van die lijst. Het<br />
beroepsonderdeel treft geen doel.<br />
Appellante voert aan dat, voorzover de Sandrien<br />
moet worden aangemerkt als afvalstof, niet zijnde een<br />
groene lijst-stof, verweerder niet bevoegd is tot toepassing<br />
van bestuursdwang door te beletten het schip uit<br />
te laten varen. Appellante is van mening dat het uitvaren<br />
van het schip niet kan worden beschouwd als een<br />
zich ontdoen van en dat met het bestreden besluit een<br />
handeling wordt tegengegaan die eerst later zou kunnen<br />
uitmonden in het zich ontdoen van het schip. Volgens<br />
appellante is sprake van preventieve bestuursdwang,<br />
hetgeen volgens haar niet is toegestaan omdat<br />
geen sprake is van een gevaar van een op zeer korte<br />
termijn te verwachten overtreding waardoor ernstige<br />
schade zou ontstaan. Appellante meent dat artikel 26,<br />
tweede lid, van de EVOA een exclusieve regeling biedt<br />
ten aanzien van de wijze waarop tegen sluikhandel<br />
moet worden opgetreden zodat het verweerder niet vrij<br />
stond een andere vorm van handhaving te kiezen.<br />
Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de EVOA, voorzover<br />
hier van belang, wordt als sluikhandel beschouwd<br />
elke overbrenging van afvalstoffen die:<br />
a. geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken<br />
bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening,<br />
of<br />
b. geschiedt zonder toestemming van de betrokken<br />
bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening.<br />
Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de EVOA zorgt de<br />
bevoegde autoriteit van verzending, indien een dergelijke<br />
sluikhandel de verantwoordelijkheid is van de<br />
kennisgever, ervoor dat de betrokken afvalstoffen:<br />
a. door de kennisgever of, zo nodig, door de bevoegde<br />
autoriteit zelf worden teruggebracht naar de Staat<br />
van verzending, of, indien dit niet mogelijk is,<br />
b. op een andere milieuhygiënisch verantwoorde<br />
wijze worden verwijderd of nuttig toegepast,<br />
binnen 30 dagen te rekenen vanaf het tijdstip<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
waarop de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld<br />
van de sluikhandel of binnen een andere, door de<br />
betrokken bevoegde autoriteiten overeen te komen<br />
termijn.<br />
In dat geval dient een nieuwe kennisgeving te geschieden.<br />
De Lid-Staat van verzending of de Lid-Staat van<br />
doorvoer verzet zich niet tegen terugzending van deze<br />
afvalstoffen op een naar behoren gemotiveerd verzoek<br />
van de bevoegde autoriteit van bestemming waarin de<br />
redenen worden uiteengezet.<br />
Het uitvaren van het schip moet, nu het een afvalstof<br />
betreft die niet onder de groene lijst valt, worden<br />
aangemerkt als een begin van sluikhandel. Hieraan<br />
kan niet afdoen de stelling van appellante dat met het<br />
uitvaren nog geen begin is gemaakt met het zich daadwerkelijk<br />
ontdoen van het schip. Uit de in artikel 26,<br />
tweede lid, aanhef en onder a, aan verweerder toegekende<br />
bevoegdheid ervoor zorg te dragen dat bij sluikhandel<br />
het schip wordt teruggebracht, vloeit naar het<br />
oordeel van de Afdeling voort dat verweerder tevens<br />
bevoegd is overbrenging van het schip – en daarmede<br />
het uitvaren als begin van overbrenging – door toepassing<br />
te geven aan de hem krachtens de Algemene wet<br />
bestuursrecht en de Wet milieubeheer toegekende bevoegdheid<br />
om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te<br />
treffen, te beletten.<br />
Appellante betoogt dat het bestreden besluit in<br />
strijd is met de United Nations Convention on the Law<br />
of the Sea (hierna: UNCLOS). Appellante wijst daarbij<br />
op artikel 211, derde lid, van de UNCLOS. Volgens appellante<br />
heeft dit artikel ook betrekking op bijzondere<br />
eisen die aan schepen worden gesteld ingevolge de<br />
EVOA.<br />
Ingevolge artikel 211, derde lid, van de UNCLOS,<br />
voorzover hier van belang, dienen de Staten die bijzondere<br />
eisen vaststellen voor de voorkoming, vermindering<br />
en bestrijding van verontreiniging van het mariene<br />
milieu als voorwaarde voor de binnenkomst van<br />
vreemde schepen in hun havens of binnenwateren of<br />
voor het aanlopen van hun laad- of losplaatsen buitengaats,<br />
naar behoren bekendheid te geven aan deze<br />
vereisten en deze mede te delen aan de bevoegde<br />
internationale organisatie.<br />
Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder 4, van de UN-<br />
CLOS wordt onder verontreiniging van het mariene milieu<br />
verstaan: de rechtstreekse of niet-rechtstreekse inbrenging<br />
door de mens van stoffen of energie in het<br />
mariene milieu, met inbegrip van de riviermonden, die<br />
Milieu<br />
49<br />
schadelijke gevolgen heeft of naar alle waarschijnlijkheid<br />
zal hebben, zoals schade aan de levende rijkdommen<br />
en de mariene flora en fauna, gevaar voor de gezondheid<br />
van de mens, belemmering van de<br />
activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere<br />
rechtmatige soorten gebruik van de zee, aantasting<br />
van de kwaliteit van het zeewater in verband<br />
met het gebruik ervan en vermindering van de recreatieve<br />
waarde van dit milieu.<br />
Verweerder heeft zijn besluit het schip te beletten<br />
uit te varen erop gebaseerd dat het in strijd is met de<br />
EVOA het vaartuig uit Nederland uit te voeren. Daartoe<br />
heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een belangrijk<br />
uitgangspunt van de EVOA is, dat voor de overbrenging<br />
van afvalstoffen voorafgaande kennisgeving<br />
aan de bevoegde autoriteiten is voorgeschreven, zodat<br />
deze naar behoren op de hoogte zijn van in het bijzonder<br />
de soort, de overbrenging en de verwijdering of<br />
nuttige toepassing van de afvalstoffen en aldus alle<br />
maatregelen kunnen treffen die nodig zijn voor de bescherming<br />
van de volksgezondheid en het milieu,<br />
waaronder de mogelijkheid gemotiveerde bezwaren<br />
tegen overbrenging te maken en toezicht te houden op<br />
de overbrenging waarvoor toestemming is verleend.<br />
De UNCLOS, voorzover hier van belang, en de<br />
EVOA bevatten regelgeving ter bescherming van het<br />
mariene milieu respectievelijk de volksgezondheid en<br />
het milieu bij de overbrenging van afvalstoffen. In verband<br />
hiermede overweegt de Afdeling dat de UNCLOS,<br />
daargelaten of zij rechtstreeks werkt, er dan ook niet<br />
aan in de weg staat dat ingevolge de EVOA, alvorens<br />
tot overbrenging van afvalstoffen wordt overgegaan<br />
een voorafgaande kennisgeving vereist wordt. Hierbij<br />
gaat het niet om bijzondere eisen ter voorkoming, vermindering<br />
en bestrijding van verontreiniging van het<br />
mariene milieu als voorwaarde voor binnenkomst of<br />
aanlopen als bedoeld in artikel 211, derde lid, van de<br />
UNCLOS.<br />
Voorzover appellante een beroep heeft gedaan op<br />
het gelijkheidsbeginsel oordeelt de Afdeling dat dit beroep<br />
faalt, aangezien appellante niet aannemelijk heeft<br />
gemaakt dat verweerder in gelijke gevallen heeft afgezien<br />
van het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen.<br />
Het beroep is ongegrond.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
50<br />
02-60<br />
ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104522/1 (Harderwijk)<br />
Casus<br />
Gedeeltelijke intrekking vergunningen voor een<br />
veehouderij. De vergunningen zijn ingetrokken in<br />
verband met toepassing van de saldomethode als<br />
geregeld in de Interimwet ammoniak en veehouderij.<br />
Volgens appellante is in strijd met de Wm in<br />
het dictum van het bestreden besluit bepaald dat<br />
de intrekking in werking treedt op het moment dat<br />
de aanvraag voor de begunstigde inrichting onherroepelijk<br />
is geworden.<br />
Rechtsvraag<br />
Is een dergelijke constructie in strijd met artikel<br />
20.3 Wet milieubeheer?<br />
Uitspraak<br />
De vergunningen worden ingetrokken onder de opschortende<br />
voorwaarde dat de vergunning voor de<br />
begunstigde inrichting onherroepelijk is geworden.<br />
Het systeem van de Wm noopt er niet toe dat het<br />
moment waarop het besluit in werking treedt en<br />
het moment waarop de materiële gevolgen hiervan<br />
optreden, samenvallen. De in artikel 20.3, eerste<br />
lid opgenomen regeling m.b.t. de inwerkingtreding<br />
van het besluit staat er dan ook niet aan in de weg<br />
dat de intrekking van de vergunning onder opschortende<br />
voorwaarde plaatsvindt.<br />
Wet milieubeheer, artikelen 8.26 en 20.3<br />
Bij besluit van 24 juli 2001 hebben verweerders met<br />
toepassing van artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer,<br />
gedeeltelijk ingetrokken de krachtens de<br />
Hinderwet verleende oprichtingsvergunning, veranderings-<br />
en uitbreidingsvergunningen voor een veehouderij.<br />
Overwegingen<br />
Het bij het bestreden besluit ingetrokken veebestand<br />
betreft 173 vleesvarkens en 4.400 legkippen. Intrekking<br />
van de vergunning voor het genoemde veebestand<br />
vindt plaats in verband met toepassing van de saldomethode<br />
als geregeld in artikel 8, vierde lid, van de In-<br />
Milieu<br />
terimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet),<br />
ten behoeve van vergunningverlening voor de<br />
inrichting aan ‘(...) te Hulshorst (hierna: de begunstigde<br />
inrichting).<br />
Appellante voert aan dat in strijd met artikel 20.3<br />
van de Wet milieubeheer in het dictum van het bestreden<br />
besluit is bepaald dat de intrekking in werking<br />
treedt op het moment dat de aanvraag voor de begunstigde<br />
inrichting onherroepelijk is geworden.<br />
Ingevolge artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer<br />
treedt een besluit als bedoeld in artikel 20.1, eerste<br />
lid, in werking na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn<br />
van zes weken. Indien binnen die termijn<br />
een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend,<br />
treedt het besluit in werking nadat op het verzoek is<br />
beslist.<br />
In het dictum van het bestreden besluit is bepaald<br />
dat de beschikking pas geëffectueerd wordt op het moment<br />
dat de vergunning voor de begunstigde inrichting<br />
onherroepelijk is geworden.<br />
De Afdeling verstaat het bepaalde in het dictum aldus<br />
dat bij het besluit de vergunning wordt ingetrokken<br />
onder de opschortende voorwaarde dat de vergunning<br />
voor de begunstigde inrichting onherroepelijk is geworden.<br />
Het systeem van de Wet milieubeheer noopt er<br />
niet toe dat het moment waarop het besluit in werking<br />
treedt en het moment waarop de materiële gevolgen<br />
hiervan optreden samenvallen. De in artikel 20.3, eerste<br />
lid, opgenomen regeling met betrekking tot de inwerkingtreding<br />
van een besluit staat er dan ook niet<br />
aan in de weg dat de intrekking van de vergunning<br />
onder opschortende voorwaarde plaatsvindt. Ook in<br />
hetgeen appellante voor het overige in dit verband<br />
heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor<br />
vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep treft<br />
in zoverre geen doel.<br />
Het beroep is ongegrond.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
51<br />
51 Korte samenvatting van Milieu overige kortMilieu Milieu kort uitspraken<br />
K25<br />
ABRS 6 maart <strong>2002</strong>, nr. 200103392/2 (Heythuysen)<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.23<br />
Door stellen voorschift dat strekt tot wijziging gehele<br />
ventilatiesysteem wordt de grondslag van de<br />
aanvraag verlaten.<br />
Besluit waarbij ambtshalve voorschriften aan de vergunning<br />
worden verbonden. De voorschriften strekken<br />
er toe dat het gehele ventilatiesysteem in de stallen 2<br />
tot en met 5 moet worden gewijzigd. De vergunning uit<br />
1996 heeft geen betrekking op het bij het bestreden<br />
besluit voorgeschreven ventilatiesysteem dat van wezenlijk<br />
andere aard is. De voorgeschreven maatregelen<br />
zijn dermate ingrijpend, mede gelet op de hiermee gemoeide<br />
financiële investeringen, dat deze hier niet<br />
kunnen worden voorgeschreven zonder dat de grondslag<br />
van de aanvraag van de vergunning van 1996<br />
wordt verlaten. Toepassing van artikel 8.23 Wm kan er<br />
niet toe leiden dat, zoals in het onderhavige geval, een<br />
andere inrichting ontstaat dan waarvoor vergunning is<br />
verleend.<br />
K26<br />
ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200001223/2 (GS Zeeland)<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.11<br />
Aan vergunning Wm mogen slechts die voorschriften<br />
worden verbonden die in aanvulling op de bepalingen<br />
van die wet nodig zijn.<br />
Oprichtingsvergunning voor een havenontvangstinstallatie.<br />
Bij voorschrift is bepaald dat ten aanzien van het<br />
registreren en de procedure voor het melden van de<br />
ontvangst en afgifte van gevaarlijke afvalstoffen dient<br />
te worden gehandeld conform het bepaalde in paragraaf<br />
4.3.4 van de Provinciale Milieuverordening<br />
(PMV) en paragraaf 10.5.2 van de Wm. De Afdeling<br />
overweegt dat een juiste uitleg van het stelsel van de<br />
Wm met zich brengt dat ervan wordt uitgegaan dat<br />
aan een vergunning ingevolge die wet slechts die voor-<br />
schriften worden verbonden die in aanvulling op de bepalingen<br />
van die wet nodig zijn. Daaruit volgt dat voorschriften<br />
die letterlijk of inhoudelijk overeenstemmen<br />
met de regeling die m.b.t. hetzelfde onderwerp in bepalingen<br />
van of krachtens die wet is opgenomen of<br />
waarin wordt verwezen naar deze bepalingen niet aan<br />
een vergunning kunnen worden verbonden.<br />
K27<br />
ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200003471/2 (Schouwen<br />
Duiveland)<br />
Wet milieubeheer, artikelen 8.8, eerste lid, aanhef<br />
en onder c, 8.10 en 8.11<br />
Op grond van een bestuurlijk afwegingsproces en<br />
door te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen<br />
hebben verweerders kunnen afwijken van de in de<br />
Handreiking genoemde richtwaarden voor geluid.<br />
Oprichtingsvergunning voor het laden, lossen en overslaan<br />
van goederen. De in de vergunning opgenomen<br />
geluidsgrenswaarden zijn ca 10 dB hoger dan de richtwaarden<br />
uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening<br />
die behoren bij een buitengebied. De Afdeling<br />
is van oordeel dat verweerders in redelijkheid<br />
hebben kunnen aannemen dat de geluidsgrenswaarden<br />
een toereikend beschermingsniveau bieden<br />
nu zij dit toelaatbaar achten op grond van een bestuurlijke<br />
afweging als bedoeld in de Handreiking. Zij hebben<br />
daarbij in aanmerking genomen dat het desbetreffende<br />
gebied planologisch in ontwikkeling is als<br />
bedrijventerrein. Het daartoe strekkende bestemmingsplan<br />
is vlak voor het bestreden besluit goedgekeurd<br />
door gedeputeerde staten van Zeeland. De realisering<br />
van het bedrijventerrein is een zodanig gewisse<br />
toekomstige ontwikkeling dat zij bij de besluitvorming<br />
moest worden betrokken. Door deze ontwikkeling zal<br />
het referentieniveau van het omgevingsgeluid omhoog<br />
gaan en is het redelijk daarop te anticiperen.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
51
52<br />
K28<br />
ABRS 20 maart <strong>2002</strong>, nr. 200004030/1 (Tubbergen)<br />
Wet milieubeheer, artikel 20.6<br />
Interimwet ammoniak en veehouderij<br />
Gronden m.b.t. de IPPC-richtlijn niet eerder als<br />
bedenking ingebracht waardoor het beroep in zoverre<br />
niet-ontvankelijk is.<br />
Revisievergunning krachtens de Wm voor een pluimveehouderij.<br />
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van<br />
het beroep overweegt de Afdeling dat de gronden met<br />
betrekking tot (onder meer) de IPPC-richtlijn (EGrichtlijn<br />
96/61) niet als bedenkingen tegen het ontwerp<br />
van het besluit zijn ingebracht. Nu niet is gebleken<br />
van omstandigheden op grond waarvan<br />
appellanten dit redelijkerwijs niet kan worden verweten,<br />
is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.<br />
NB: Het standpunt van de Afdeling is in de literatuur<br />
op nogal wat kritiek gestuit (zie o.a AB <strong>2002</strong>, afl. 16,<br />
nr. 122). De Interimwet ammoniak en veehouderij<br />
wordt geacht in strijd te zijn met de IPPC-richtlijn, hetgeen<br />
betekent dat de bepalingen van de richtlijn rechtstreekse<br />
werking kunnen krijgen. Het standpunt van de<br />
Afdeling zou in strijd zijn met het Kraaijeveld-arrest<br />
van het Hof van Justitie EG (arrest van 24 oktober<br />
1996, AB 1997, 133). Op grond van dit arrest wordt<br />
namelijk aangenomen dat de nationale rechter verplicht<br />
is ambtshalve te toetsen of het bevoegd gezag<br />
niet in strijd met het EG-recht heeft gehandeld door<br />
nationale wetgeving toe te passen die in strijd is met<br />
(rechtstreeks werkend) EG-recht.<br />
K29<br />
ABRS 27 maart <strong>2002</strong>, nr. 200104214/1 (Staatssecretaris<br />
LNV)<br />
Natuurbeschermingswet, artikel 12<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3<br />
Milieu kort<br />
Mededeling omtrent vergunningplicht geen besluit<br />
in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
Schriftelijke mededeling dat voor de oprichting van een<br />
windmolenpark een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet<br />
(Nbw) is vereist. De Afdeling is van<br />
oordeel dat deze mededeling niet is aan te merken als<br />
een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
De vraag of een bepaalde activiteit niet zonder<br />
vergunning mag worden verricht, dient te worden<br />
beantwoord bij het besluit op een aanvraag voor een<br />
dergelijke vergunning. Een uitzondering hierop kan<br />
worden gemaakt indien de weg van de vergunningaanvraag<br />
onevenredig bezwarend is en voor het geval het<br />
verkrijgen van duidelijkheid over de vergunningplicht<br />
in het kader van de Nbw tot een zodanige vertraging<br />
leidt dat daardoor nadelige gevolgen voor de natuur<br />
dreigen te ontstaan.<br />
K30<br />
ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200100600/1 (GS Gelderland)<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3<br />
Mededeling dat niet wordt gedoogd geen besluit in<br />
de zin van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
De schriftelijke mededeling dat niet wordt gedoogd<br />
heeft betrekking op de aanwending van een discretionaire<br />
bevoegdheid. Indien deze bevoegdheid ook<br />
daadwerkelijk wordt aangewend, zal een besluit tot<br />
handhaving worden genomen, waartegen bezwaar en<br />
beroep openstaat. Gelet hierop kan aan de weigering<br />
te gedogen geen zelfstandige betekenis worden toegekend.<br />
Een dergelijke mededeling kan in de regel niet<br />
als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene<br />
wet bestuursrecht worden gekwalificeerd. Op dit<br />
uitgangspunt kan slechts in zeer bijzondere gevallen<br />
een uitzondering worden gemaakt. Zo’n geval doet zich<br />
hier niet voor.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
K31<br />
ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200101634/1 (Sint Oedenrode)<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.25, eerste lid, aanhef<br />
en onder a<br />
De Wet milieubeheer heeft geen betrekking op<br />
schade ten gevolge van het gebruik van producten<br />
buiten de inrichting.<br />
Afwijzing verzoek om intrekking van de vergunning<br />
voor een houtzagerij en houthandel. Ten aanzien van<br />
de stelling van appellante dat het gebruik van met<br />
Superwolmanzout-CO geïmpregneerd hout in producten<br />
die zijn bestemd voor toepassingen buiten dusdanig<br />
schadelijk is voor het milieu en de volksgezondheid,<br />
dat deze producten niet op de markt mogen<br />
worden gebracht, overweegt de Afdeling dat dit betoog<br />
geen betrekking heeft op de nadelige gevolgen die door<br />
de inrichting worden veroorzaakt en waarop de krachtens<br />
de Wm verleende vergunning ziet.<br />
K32<br />
ABRS 3 april <strong>2002</strong>, nr. 200102879/1 (Buren)<br />
Wet milieubeheer, artikelen 8.10 en 8.11<br />
Door het verlenen van de vergunning ontstaat een<br />
toename van de reeds bestaande (directe) ammoniakschade<br />
aan de boomgaard.<br />
Revisievergunning krachtens de Wm voor een veehouderij.<br />
Appellante vreest voor schade door de uitstoot<br />
van ammoniak aan de in de nabijheid van de inrichting<br />
gelegen boomgaard nu de afstand van de stallen tot de<br />
boomgaard slechts 10 meter bedraagt in plaats van de<br />
minimaal in acht te nemen afstand van 25 meter. Door<br />
de vergunning wordt een aanzienlijke toename van de<br />
ammoniakemissie toegestaan ten opzichte van de<br />
onderliggende vergunning. Uit het rapport ‘Stallucht en<br />
Planten’ uit 1981 blijkt dat schade door de uitstoot<br />
van ammoniak zich in de praktijk kan voordoen bij intensieve<br />
kippen- en varkenshouderijen. Ter voorkoming<br />
van dergelijke schade dient een afstand van minimaal<br />
50 m. tussen stallen en meer gevoelige planten en<br />
Milieu kort<br />
bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal<br />
25 m. tot minder gevoelige planten en bomen te worden<br />
aangehouden. Nu in de onderhavige situatie daar<br />
niet aan wordt voldaan, kan een toename van de ammoniakemissie<br />
ten opzichte van de eerder vergunde situatie<br />
niet zonder meer worden aanvaard. Verweerders<br />
hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat uitgesloten<br />
moet worden geacht dat het verlenen van de<br />
vergunning een toename van de reeds bestaande directe<br />
schadelijkheid voor de desbetreffende boomgaard<br />
met zich zal brengen.<br />
K33<br />
Vz. ABRS 9 april <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>00255/1 (GS<br />
Zeeland)<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.17<br />
53<br />
Geen tijdelijke vergunning in geval van onvoldoende<br />
inzicht in milieugevolgen.<br />
Tijdelijke vergunning voor de productie van een nieuwe<br />
vlamvertrager FR-720. Door verweerders is overwogen<br />
dat onvoldoende gegevens van de stof FR-720 bekend<br />
zijn en om die reden het bedrijf nader onderzoek moet<br />
doen, waarvoor in de vergunning een rapportageverplichting<br />
is opgenomen. Met het oog op het verkrijgen<br />
van inzicht in de gevolgen van het milieu is de vergunning<br />
tijdelijk verleend. De Voorzitter overweegt dat de<br />
Wm de mogelijkheid biedt om een tijdelijke vergunning<br />
te verlenen indien dat nodig is in verband met het ontwikkelen<br />
van een beter inzicht in de gevolgen voor het<br />
milieu. Dat betekent niet dat in geval van onvoldoende<br />
inzicht in deze gevolgen in beginsel vergunning kan<br />
worden verleend. Verweerders hebben erkend dat de<br />
exacte eigenschappen van de stof FR-720 en de risico’s<br />
en de gevolgen voor het milieu onduidelijk zijn. De aan<br />
de vergunning verbonden rapportage- en onderzoeksverplichtingen<br />
zijn in onvoldoende mate gericht op het<br />
verkrijgen van duidelijkheid op deze punten. Volgt<br />
schorsing van het bestreden besluit.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
54<br />
K34<br />
ABRS 10 april <strong>2002</strong>, nr. 199900917/1 (GS Overijssel)<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.1<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:32<br />
Partieel handhaven alleen onder bijzondere omstandigheden<br />
toegestaan.<br />
Afwijzing van verzoek om bestuurlijke handhavingsmaatregelen<br />
te treffen vanwege het uitoefenen van activiteiten<br />
zonder vergunning. In een situatie dat een inrichting<br />
zonder toereikende vergunning in werking is,<br />
geldt als uitgangspunt dat een handhavingsbesluit is<br />
gericht op het volledig opheffen van de overtreding.<br />
Slechts onder bijzondere omstandigheden kan er aanleiding<br />
zijn bij afweging van de betrokken belangen af<br />
te wijken van dit uitgangspunt door middel van een<br />
handhavingsbesluit dat betrekking heeft op het gedeeltelijk<br />
ongedaan maken van de overtreding. Van dergelijke<br />
omstandigheden is niet gebleken. De stelling dat<br />
een deel van de bedrijfsvoering kan worden gelegaliseerd,<br />
is in dit verband onvoldoende.<br />
K35<br />
Vz. ABRS 17 april <strong>2002</strong>, nrs. <strong>2002</strong>00542/1 en<br />
<strong>2002</strong>00542/2 (Barneveld)<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.18<br />
Niet volledig gebouwde stal geen grond voor van<br />
rechtswege vervallen vergunning.<br />
Gedeeltelijke weigering revisievergunning krachtens de<br />
Wm voor een veehouderij. Verweerders stellen dat de<br />
onderliggende vergunning voor wat betreft de stal voor<br />
vleesvarkens is vervallen zodat daarvoor geen oude<br />
rechten aanwezig zijn. Daartoe overwegen zij dat de<br />
Groen Label-stal niet is gerealiseerd omdat het koeldeksysteem<br />
niet is aangebracht. Gebleken is dat buiten<br />
het koeldeksysteem de stal verder wel is opgericht<br />
en dat er vleesvarkens in zijn gehuisvest. Zoals de Afdeling<br />
eerder in haar uitspraak van 16 april 1996 nr.<br />
E03.95.0700 heeft geoordeeld, biedt artikel 8.18,<br />
eerste lid, aanhef en onder a geen grondslag voor het<br />
Milieu kort<br />
van rechtswege vervallen van de vergunning indien<br />
een aantal voorzieningen niet of niet tijdig is gerealiseerd.<br />
Volgt vernietiging van het besluit voor zover de vergunning<br />
gedeeltelijk is geweigerd.<br />
NB: Evenzo ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105304/1<br />
waar de Groen Label-stallen waren gerealiseerd met<br />
uitzondering van het biologisch luchtwassysteem (BB<br />
96.10.045).<br />
K36<br />
ABRS 24 april <strong>2002</strong>, nr. 200004089/2 (Loenen)<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.40<br />
Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer,<br />
artikel 2<br />
Uitleg artikel 2 Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer.<br />
Vergunning krachtens de Wm voor een ijzerwinkel met<br />
machinale houtbewerking, opslag en kantoor. De inrichting<br />
betreft een aannemingsbedrijf en bestaat uit<br />
een werkplaats, een zaagafdeling, een opslaggebouw<br />
en een ijzerwarenwinkel. Het aannemerswerk betreft<br />
ongeveer 80% van de activiteiten en het ijzerwarenwinkel-gedeelte<br />
20% van de activiteiten. Het aannemerswerk<br />
valt wel en het ijzerwarenwinkeldeel valt<br />
niet aan te merken als activiteiten die onder het Besluit<br />
bouw- en houtbedrijven milieubeheer (het Besluit) vallen.<br />
De Afdeling is van oordeel dat het Besluit niet van<br />
toepassing is. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de<br />
ijzerwarenwinkel een zodanige omvang heeft dat deze,<br />
als afzonderlijke activiteit beschouwd, vergunningplichtig<br />
zou zijn ingevolge de Wm, nu is gebleken dat<br />
in de ijzerwarenwinkel onder meer een platenzaagmachine<br />
met 5,5 kW en een afkortzaag met 2,2 kW staan<br />
opgesteld. Vanwege dit vermogen aan elektromotoren<br />
mag de activiteit niet zonder vergunning worden ontplooid.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
K37<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101497/1 (Sint Anthonis)<br />
Wet milieubeheer, artikel 1.1, eerste lid<br />
EG-richtlijn 75/442, artikel 1, aanhef en onder a<br />
Doordat sprake is van afvalstoffen waren verweerders<br />
niet bevoegd tot het verlenen van de vergunning.<br />
Oprichtingsvergunning krachtens de Wm voor een inrichting<br />
voor het spoelen van flessen, breken van glas en<br />
persen van blik. Appellanten voeren aan dat in de inrichting<br />
sprake is van bewerking van afval ten behoeve van<br />
de voedselindustrie. De Afdeling overweegt dat in de inrichting<br />
producten bestaande uit bier, frisdrank, appelmoes<br />
en alcoholische dranken worden verwerkt. Vergunninghoudster<br />
heeft geen beheersing over de<br />
hoeveelheid en samenstelling van de producten die haar<br />
geleverd worden, maar is afhankelijk van het aanbod<br />
van haar leveranciers. Deze producten waren bestemd<br />
voor menselijke consumptie, maar zijn om diverse redenen<br />
niet meer geschikt daarvoor bevonden en worden in<br />
plaats daarvan bewerkt tot diervoeders. Het betreft derhalve<br />
restproducten die niet meer geschikt of beoogd<br />
zijn voor de oorspronkelijke bestemming. Onder deze<br />
omstandigheden is sprake van het ‘zich ontdoen’ in de<br />
zin van artikel 1 van de EG-richtlijn 75/442 en daardoor<br />
hebben deze producten het karakter gekregen van afvalstoffen.<br />
Dit betekent dat gedeputeerde staten het bevoegd<br />
gezag zijn en verweerders niet bevoegd waren tot<br />
het nemen van het bestreden besluit.<br />
K38<br />
ABRS 1 mei <strong>2002</strong>, nr. 200103676/1 (Ruurlo)<br />
Wet milieubeheer, artikelen 8.10 en 8.11<br />
Opstallen aan te merken als kampeerboerderij en<br />
geen stankgevoelig object in de zin van de brochure<br />
en de Richtlijn.<br />
Revisievergunning krachtens de Wm voor een veehouderij.<br />
Appellant stelt dat sprake is van teveel stankhinder<br />
nu verweerders een verkeerde categorie-indeling<br />
Milieu kort<br />
als bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet<br />
en de Richtlijn veehouderij en stankhinder hebben gehanteerd.<br />
De Afdeling is van oordeel dat de bedrijfswoning<br />
bij de kaasboerderij die in de nabijheid van de inrichting<br />
ligt, uitgaande van de categorie-indeling van<br />
de brochure, als een categorie IV-object moet worden<br />
aangemerkt. De SVR-camping en de twee appartementen<br />
op het desbetreffende perceel, die door appellant<br />
worden geëxploiteerd en waarvan is gebleken dat<br />
ze bestemd zijn voor recreatief gebruik, kunnen worden<br />
begrepen onder de beschrijving kampeerboerderij<br />
en kleinschalig kamperen die in de brochure en de<br />
Richtlijn als vorm van verblijfsrecreatie niet zijn aangemerkt<br />
als stankgevoelige objecten.<br />
K39<br />
55<br />
Vz. ABRS 3 mei <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>01847/1 (GS<br />
Noord-Brabant)<br />
EG-richtlijn 75/442, artikel 1, aanhef en onder<br />
a en artikel 11, eerste lid onder a en b<br />
Afvalverwijdering in eigen beheer staat niet in de<br />
weg aan kwalificatie van stoffen als afvalstoffen.<br />
Last onder dwangsom om ca 4800 m3 groenafval, bestaande<br />
uit boomstronken en stammen, te verwijderen<br />
en af te voeren naar een inrichtinghouder die gerechtigd<br />
is het afval op te slaan. Verzoekster om schorsing<br />
is onder meer van mening dat het groenmateriaal niet<br />
als afvalstof is aan te merken en zo dit wel het geval is,<br />
er geen sprake van is dat zij zich daarvan heeft ontdaan.<br />
Verweerders betogen daarentegen dat het afvalstoffen<br />
betreft nu het groenmateriaal van zijn oorspronkelijke<br />
plaats is verwijderd. De Voorzitter overweegt<br />
dat het groenmateriaal dat op de bodem van het perceel<br />
van verzoekster ligt afkomstig is van de kap van<br />
percelen bosland. Gebleken is dat de stoffen op de locatie<br />
waar zij zijn ontstaan, moesten worden verwijderd<br />
en daar derhalve onbruikbaar waren geworden.<br />
Verder is niet gebleken dat beoogd is deze stoffen te<br />
produceren met het oog op gebruik elders. In het licht<br />
van het arrest van het Hof van Justitie EG van 15 juni<br />
2000 moet worden geconcludeerd dat deze omstandigheden<br />
een aanwijzing vormen dat de eigenaar van<br />
de groenvoorzieningen, als producent van de onderhavige<br />
stoffen, zich daarvan ontdoet in de zin van EG-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
56<br />
richtlijn 75/442 en dat deze stoffen het karakter hebben<br />
van afvalstoffen. Dat in dit geval de eigenaar van<br />
de percelen bosland tevens eigenaar is van het perceel<br />
waarop de stoffen op de bodem zijn gebracht, doet<br />
hieraan niet af. Gelet op het bepaalde in artikel 11,<br />
eerste lid, onder a en b van de EG-richtlijn kan worden<br />
geconcludeerd dat de omstandigheid dat een onderneming<br />
de afvalstoffen die zij zelf heeft geproduceerd in<br />
eigen beheer verwijdert dan wel nuttig toepast, niet<br />
aan de kwalificatie van die stoffen als afvalstoffen in de<br />
weg staat.<br />
K40<br />
ABRS 8 mei <strong>2002</strong>, nr. 200101619/1 (Winterswijk)<br />
Wet milieubeheer, artikelen 8.10 en 8.11<br />
Geluidsvoorschriften ten aanzien van spoorwegemplacement<br />
bieden onvoldoende bescherming.<br />
Oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer<br />
voor een spoorwegemplacement. Appellanten stellen<br />
geluidhinder te ondervinden met name gedurende de<br />
nachtperiode. In de vergunning is bepaald dat binnen 6<br />
jaar na het van kracht worden van de vergunning het<br />
equivalente geluidsniveau bij woningen niet meer mag<br />
bedragen dan 50, 45 en 45 dB(A) voor respectievelijk<br />
de dag-, avond- en nachtperiode. De Afdeling overweegt<br />
dat sprake is van een feitelijk al heel lang bestaande situatie.<br />
Gebleken is dat met het treffen van geluidsreducerende<br />
maatregelen en/of voorzieningen de geluidsbelasting<br />
gedurende de nachtperiode mogelijk verder kan<br />
worden teruggebracht dan het equivalente geluidsniveau<br />
van 45 dB(A). De grenswaarde voor de nachtperiode<br />
is hoger gesteld dan de volgens de Handreiking aanbevolen<br />
richtwaarde. Uit het bestreden besluit blijkt<br />
onvoldoende dat onderzoek naar de haalbaarheid van<br />
de in de Handreiking genoemde richtwaarde voor de<br />
nachtperiode heeft plaatsgevonden. Voorts oordeelt de<br />
Afdeling dat verweerders de (te) ruime termijnen niet in<br />
redelijkheid aan de vergunning hebben kunnen verbinden.<br />
Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de in<br />
het bestreden besluit toegestane overschrijding van de<br />
geluidsgrenswaarde voor de nachtperiode gedurende<br />
een periode van 6 jaar aanzienlijk is. Volgt vernietiging<br />
van het bestreden besluit.<br />
Milieu kort<br />
K41<br />
ABRS 15 mei <strong>2002</strong>, nr. 200105999/1 (Minister<br />
van Verkeer en Waterstaat)<br />
Luchtvaartwet, artikel 72<br />
Afdeling acht zich onbevoegd om kennis te nemen<br />
van het geschil.<br />
Afwijzing van verzoek tot toepassing van bestuursdwang<br />
inzake militair medegebruik van luchtvaartterrein<br />
Seppe. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel<br />
72 van de Luchtvaartwet (Lvw). De Lvw noch<br />
enige andere wet kent een uitdrukkelijke wetsbepaling<br />
waarin is opgenomen dat de Afdeling bevoegd is in<br />
eerste en enige aanleg te oordelen over een dergelijk<br />
besluit. In de wetsgeschiedenis noch anderszins zijn<br />
voorts aanknopingspunten te vinden dat de wetgever<br />
de bedoeling heeft gehad voor bestuursdwangbesluiten<br />
als bedoeld in artikel 72 Lvw de Afdeling in eerste<br />
en enige aanleg bevoegd te achten. Tevens vordert de<br />
rechtseenheid een dergelijke bevoegdheidsverdeling in<br />
dit geval niet. Het beroepschrift zal worden teruggezonden<br />
naar de Rechtbank ter verdere afdoening.<br />
K42<br />
ABRS 22 mei <strong>2002</strong>, nr. 199903060/1 (GS Noord-<br />
Brabant)<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.12<br />
Controlemeting ook bij inrichtingen wier activiteiten<br />
niet wezenlijk zijn veranderd.<br />
Revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer voor<br />
een afvalverwijderingsbedrijf. Bij voorschrift is bepaald<br />
dat door middel van een rapport moet worden aangetoond<br />
dat aan de geluidsnormen van de vergunning<br />
wordt voldaan. De Afdeling overweegt dat het voorschrift<br />
appellante niet verplicht om bij herhaling<br />
akoestische onderzoeken te verrichten. Het voorschrift<br />
strekt er slechts toe dat appellante eenmalig een<br />
akoestisch onderzoek dient uit te laten voeren wanneer<br />
verweerders daarom vragen. Voor het oordeel dat verweerders<br />
dit voorschrift niet aan de vergunning hadden<br />
mogen verbinden, bestaat geen grond. Dat verweer-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
ders een revisievergunning hebben verleend voor een<br />
bestaande inrichting en, naar appellante stelt, de activiteiten<br />
in deze inrichting niet wezenlijk zijn gewijzigd,<br />
doet hieraan niet af, nu in artikel 12, derde lid van de<br />
Wm geen onderscheid wordt gemaakt tussen een oprichtingsvergunning<br />
en een revisievergunning.<br />
K43<br />
ABRS 5 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104358/2 (GS Friesland)<br />
Wet milieubeheer, artikel 1.1, eerste lid en artikel<br />
10.2, eerste lid<br />
Opslag baggerspecie is geen inrichting in de zin<br />
van de Wet milieubeheer.<br />
Niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om<br />
bestuursdwang toe te passen met betrekking tot het illegaal<br />
verspreiden van baggerspecie. Appellant stelt<br />
dat voor de verspreiding van de baggerspecie een vergunning<br />
ingevolge de Wm nodig is. Gelet op de periode<br />
dat de baggerspecie ter plaatse op zijn percelen ligt opgeslagen,<br />
de hoeveelheid baggerspecie en de aanwezigheid<br />
van een zogeheten keerkade is zijns inziens<br />
sprake van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.<br />
De Afdeling overweegt dat het oogmerk bestond<br />
om de baggerspecie slechts kortstondig op de<br />
percelen van appellant op te slaan in afwachting van<br />
verdere verspreiding over deze percelen. Deze verspreiding<br />
zou voorts in een beperkte periode zijn uitgevoerd.<br />
Gelet hierop zijn de activiteiten eenmalig en<br />
kunnen deze in een relatief korte tijd worden afgerond,<br />
zodat geen sprake is van een ‘bedrijvigheid die binnen<br />
een zekere begrenzing pleegt te worden verricht’ en<br />
derhalve evenmin van een inrichting als bedoeld in artikel<br />
1, eerste lid van de Wet milieubeheer. Met verwijzing<br />
naar haar uitspraak van 11 juli 2000 nr.<br />
E03.97.0189 (AB 2000, 333) oordeelt de Afdeling<br />
dat bij de beantwoording van de vraag of bij het op of<br />
in de bodem brengen van afvalstoffen sprake is van<br />
een ‘bedrijvigheid die pleegt te worden verricht’ het<br />
enkel laten liggen van de op of in de bodem gebrachte<br />
afvalstoffen niet dient te worden betrokken. Niet in geschil<br />
is dat in casu wel sprake is van een overtreding<br />
van artikel 10.2, eerste lid van de Wm (verbod om<br />
zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een<br />
Milieu kort<br />
inrichting op of in de bodem te brengen). Er is immers<br />
niet voldaan aan de voorwaarde in artikel 3, eerste lid,<br />
onder d van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten<br />
inrichtingen om vrijstelling van het verbod in artikel<br />
10.2, eerste lid, van de Wm te verlenen. Verweerders<br />
waren mitsdien bevoegd om bestuursdwang toe te<br />
passen. Vervolgens begeeft de Afdeling zich in de<br />
vraag of verweerders zich bij afweging van de betrokken<br />
belangen in redelijkheid op het standpunt hebben<br />
kunnen stellen dat niet handhavend behoefde te worden<br />
opgetreden tegen het illegaal verspreiden van baggerspecie<br />
en komt tot de conclusie dat het besluit op<br />
dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd. Volgt vernietiging<br />
van het bestreden besluit.<br />
K44<br />
Vz. ABRS 7 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02329/1 (Hoogheemraadschap<br />
Hollands Noorderkwartier)<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:21 e.v.<br />
57<br />
Stelselmatig gedogen is niet toegestaan.<br />
Besluit om het zonder Wvo-vergunning lozen van verzilt<br />
water op oppervlaktewater te gedogen. Het besluit<br />
is gebaseerd op een beleidsstuk van verweerders met<br />
betrekking tot het gebruik van verzilt zand. De Voorzitter<br />
is van oordeel dat het beleidsstuk als een gedoognota<br />
dient te worden aangemerkt, waarin stelselmatig<br />
een beoordelingskader wordt gegeven voor activiteiten<br />
die in strijd zijn met de Wvo. Aldus worden lozingen in<br />
feite buiten het stelsel van de Wvo om gereguleerd.<br />
Gelet op de jurisprudentie kan gedogen alleen worden<br />
aanvaard indien in een concreet geval na zorgvuldige<br />
afweging de belangen van de gedoogde meer zwaarwegend<br />
zijn dan het belang dat met handhaving van<br />
de Wvo, en daarmee derdenbelangen, is gemoeid. Dit<br />
zal slechts bij uitzondering het geval zijn. Volgt schorsing<br />
van het bestreden besluit.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
58<br />
K45<br />
ABRS 12 juni <strong>2002</strong>, nr. 200103022/1 (GS Limburg)<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:32<br />
Een last onder dwangsom kan niet zijn gericht op<br />
het afdwingen van een vergunningaanvraag.<br />
Afwijzing van verzoek om handhavingsmaatregelen te<br />
treffen met betrekking tot een mobiele grondreinigingsinstallatie.<br />
Appellante meent dat verweerders door toepassing<br />
van bestuurlijke handhavingsmaatregelen het<br />
indienen van een vergunningaanvraag moeten afdwingen.<br />
Met verwijzing naar haar uitspraak van 21 maart<br />
1997 nr. E03.95.1972 (JB 1997, 100) overweegt de<br />
Afdeling dat het in beginsel mogelijk is om, indien het<br />
belang van de bescherming van het milieu zich daartegen<br />
niet verzet, een dwangsom op te leggen in een situatie<br />
waarin zonder vereiste vergunning wordt gehandeld.<br />
Het systeem van de wet laat echter niet toe dat<br />
een dwangsom kan worden opgelegd teneinde het indienen<br />
van een toereikende vergunningaanvraag af te<br />
dwingen. De gestelde overtreding bestaat uit het in<br />
werking hebben van de inrichting zonder een daartoe<br />
verleende vergunning. Het enkel aanvragen van een<br />
vergunning kan deze overtreding niet opheffen.<br />
NB: Wat hoogstwaarschijnlijk juridisch wel kan, is het<br />
opleggen van een dwangsom wegens het zonder vergunning<br />
in werking houden van de inrichting en tevens<br />
in dat besluit bepalen dat niet tot effectuering (inning)<br />
van de dwangsom wordt overgegaan zodra een ontvankelijke<br />
vergunningaanvraag is ingediend. Daarmee<br />
bereikt het bevoegd gezag per saldo hetzelfde.<br />
Milieu kort<br />
K46<br />
Vz. ABRS 18 juni <strong>2002</strong>, nr. <strong>2002</strong>02373/1 (Rotterdam)<br />
EG-richtlijn 83/189<br />
Voorschrift is niet aan te merken als technisch<br />
voorschrift als bedoeld in de Richtlijn.<br />
Last onder dwangsom wegens het overtreden van<br />
voorschrift 1.6.13 van het Besluit bouw- en houtbedrijven<br />
milieubeheer (het Besluit). Verzoekster betoogt<br />
dat dit voorschrift ten onrechte niet is gemeld aan de<br />
Europese Commissie, zoals voorgeschreven in Richtlijn<br />
83/189 (de Richtlijn) en om die reden onverbindend<br />
is, gelet op het Securitel-arrest van 30 april 1996 (AB<br />
1998, 47) van het Hof van Justitie EG. De Voorzitter is<br />
voorshands van oordeel dat het desbetreffende voorschrift<br />
niet onder de werkingssfeer van de Richtlijn<br />
valt. Het voorschrift is niet aan te merken als een technisch<br />
voorschrift als bedoeld in de Richtlijn, nu het<br />
niet ziet op een technische specificatie van een product<br />
of een hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepaling.<br />
NB: Evenzo Vz. ABRS 26 april <strong>2002</strong>, nr.<br />
<strong>2002</strong>01814/1 m.b.t. voorschrift 2.3.1 van het Besluit<br />
bouw- en houtbedrijven milieubeheer.<br />
K47<br />
ABRS 19 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104387/1 (GS Limburg)<br />
Wet milieubeheer, artikel 8.11, derde lid<br />
Landschapsplan dient te zijn gerelateerd aan een<br />
goedkeuringsbesluit.<br />
Revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer voor<br />
een stortplaats. Bij vergunningvoorschrift is bepaald<br />
dat een landschapsplan moet worden ingediend en dat<br />
het aanbrengen van afval in verband met de vormgeving<br />
van de inrichting overeenkomstig dit plan moet<br />
geschieden. De Afdeling overweegt dat het desbetreffende<br />
voorschrift niet voorziet in de mogelijkheid om<br />
hierop (bijvoorbeeld) via goedkeuring van het land-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
schapsplan invloed uit te oefenen. Volgt in zoverre vernietiging<br />
van het bestreden besluit.<br />
K48<br />
ABRS 26 juni <strong>2002</strong>, nr. 200104007 (Hengelo)<br />
Wet milieubeheer, artikelen 8.4, derde lid, 8.10<br />
en 8.11<br />
In ontwerp-Vuurwerkbesluit zijn de meest recente<br />
milieutechnische inzichten neergelegd.<br />
Gedeeltelijke weigering van vergunning voor de opslag<br />
en verkoop van consumentenvuurwerk. Voor zover de<br />
vergunning is verleend is een sprinklerinstallatie voorgeschreven.<br />
Verweerders hebben hun besluit gebaseerd<br />
op het ontwerp-Vuurwerkbesluit dat volgens hen<br />
is gebaseerd op de meest recente milieutechnische inzichten.<br />
De Afdeling overweegt dat de vergunning terecht<br />
gedeeltelijk is geweigerd omdat niet wordt voldaan<br />
aan de veiligheidsafstand van 20 m die op grond<br />
van het ontwerp-Vuurwerkbesluit moet worden aangehouden<br />
tot kwetsbare objecten van derden. In tegenstelling<br />
tot appellante is de Afdeling van oordeel dat artikel<br />
8.4, derde lid van de Wm er niet aan in de weg<br />
staat dat voor bestaande situaties een sprinklerinstallatie<br />
wordt voorgeschreven. Op grond van het ontwerp-<br />
Vuurwerkbesluit dienen bewaarplaatsen waarin meer<br />
dan 200 kg verpakt consumentenvuurwerk aanwezig<br />
mag zijn, te zijn voorzien van een sprinklerinstallatie.<br />
Milieu kort<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
59
60<br />
Ruimtelijke ordening Ruimtelijke Ruimtelijke ordening ordening<br />
60<br />
02-61<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 3 oktober 2001, nr.<br />
199900271/1, inzake de Streekplanherziening<br />
streekplannen Noord- en Midden- en Zuid-Limburg<br />
voor ontgrondingenlocaties.<br />
Aanwijzingen van winplaatsen in streekplan<br />
zijn besluiten in de zin van artikel 4a, zevende lid,<br />
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang<br />
met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
Het niet opnemen van de aanwijzing<br />
als winplaats van een door appellanten concreet<br />
aangeduide locatie is alsdan een weigering een besluit<br />
te nemen, welke voor de mogelijkheid tot het<br />
instellen van beroep met een besluit kan worden<br />
gelijkgesteld.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 4a, lid 7<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3<br />
Winplaatsen<br />
2.5. In het Streekplan is op pagina 3 aangegeven dat<br />
de aanwijzing van winplaatsen als besluit in de zin van<br />
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)<br />
dient te worden beschouwd. Hierdoor wordt de functie<br />
van het gebied bepaald en wordt de maximale begrenzing<br />
van een te verlenen vergunning op voorhand vastgelegd.<br />
De aanwijzing van winzones wordt door verweerders<br />
niet aangemerkt als besluit. In tegenstelling<br />
tot een winplaats is de begrenzing van een winzone<br />
ruimer. Winzones moeten beschouwd worden als<br />
zoekruimte. Niet de volledige winzone behoeft in aanmerking<br />
te komen voor ontgronding, aldus verweerders.<br />
Op pagina 5 worden vervolgens de aangewezen<br />
winplaatsen beschreven welke volgens verweerders als<br />
besluit kunnen worden beschouwd.<br />
2.6. De Afdeling is van oordeel dat de aanwijzing van<br />
de op pagina 5 van het Streekplan beschreven winplaatsen<br />
afgewogen, finale, beslissingen over die winplaatsen<br />
zijn en dat de aanwijzingen ook overigens aan<br />
de conreetheidseisen voldoen. Deze aanwijzingen zijn<br />
derhalve besluiten in de zin van artikel 4a, zevende lid,<br />
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang<br />
met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
2.7. Verschillende appellanten voeren in beroep aan<br />
dat verweerders ten onrechte bepaalde locaties niet als<br />
winplaatsen hebben aangewezen.<br />
2.8. Verweerders hebben in hun verweerschrift gesteld<br />
dat in het Streekplan noch in het voorstel tot vaststelling<br />
van dit plan van gedeputeerde staten aan verweerders,<br />
overwegingen zijn opgenomen omtrent de door<br />
appellanten gewenste aanwijzingen. Er kan derhalve<br />
per definitie niet voldaan worden aan de concreetheidseisen<br />
zodat geen sprake is van een besluit.<br />
2.9. De Afdeling volgt verweerders in dit verweer niet.<br />
De Afdeling is van oordeel dat indien door appellanten<br />
voorafgaand aan de vaststelling van het Streekplan om<br />
aanwijzing van een bepaalde locatie als winplaats hebben<br />
verzocht, deze locatie daarbij concreet en nauwkeurig<br />
hebben omschreven en het verzoek een periode<br />
betreft waarvoor verweerders een afgewogen, finale,<br />
beslissing hebben willen nemen en zij dit verzoek hebben<br />
afgewezen, verweerders een afgewogen, finale,<br />
beslissing over deze winplaatsen hebben genomen.<br />
Het niet opnemen van de aanwijzing als winplaats is<br />
alsdan een weigering een besluit te nemen, welke voor<br />
de mogelijkheid tot het instellen van beroep met een<br />
besluit kan worden gelijkgesteld.<br />
02-62<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 13 februari <strong>2002</strong>, nr.<br />
E01.98.0147/1, inzake het bestemmingsplan<br />
‘Buitengebied 1997’ van de gemeente Boxmeer.<br />
Afrasteringen zijn geen werk of werkzaamheid<br />
in de zin van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke<br />
Ordening. Erf- of terreinafscheidingen zijn geregeld<br />
in de Woningwet. Het aanbrengen van afrasteringen<br />
kan niet via het bestemmingsplan<br />
worden tegengegaan.<br />
Het streekplan is en blijft toetsingskader van de<br />
beoordeling van gemeentelijke plannen.<br />
Gezien het karakter van de provinciale Handleiding<br />
bestemmingsplan buitengebied kan aan het<br />
onderdeel van de Handleiding dat niet in overeen-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
60
stemming is met het streekplan geen betekenis<br />
worden toegekend.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 14<br />
Woningwet, artikel 43, lid 1, onder k<br />
2.16. De Milieuvereniging voert beroepsgronden aan<br />
tegen artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften.<br />
Zij voert aan dat het plan ten onrechte geen regels<br />
bevat om het toenemende gebruik van afrasteringen bij<br />
met name de boomteelt tegen te gaan. Het aanbrengen<br />
van afrasteringen kan belemmeringen opleveren<br />
voor dassen, ganzen en zwanen.<br />
2.16.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften,<br />
voorzover hier van belang, mag op gronden<br />
met de bestemming ‘Landschapselement’ niet<br />
worden gebouwd, behoudens terreinafscheidingen met<br />
een maximale hoogte van 2 m. Volgens de plantoelichting<br />
omvat deze bestemming de bosjes, houtwallen<br />
en houtsingels die een wezenlijk onderdeel vormen van<br />
de landschapsstructuur. Niet in geding is dat het aanbrengen<br />
van afrasteringen belemmeringen kan opleveren<br />
voor dassen, ganzen en zwanen.<br />
2.16.2. Ingevolge artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke<br />
Ordening kan bij een bestemmingsplan worden<br />
bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan<br />
aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken<br />
zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of<br />
in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester<br />
en wethouders (aanlegvergunning), voorzover<br />
zulks noodzakelijk is:<br />
a. om te voorkomen dat een terrein minder geschikt<br />
wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij<br />
het plan gegeven bestemming;<br />
b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte<br />
bestemming als bedoeld onder a.<br />
Naar het oordeel van de Afdeling is het aanbrengen<br />
van afrasteringen geen werk of werkzaamheid in de zin<br />
van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening,<br />
zodat hiervoor geen aanlegvergunningvereiste<br />
kan worden opgenomen in een bestemmingsplan.<br />
2.16.3. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en<br />
onder k, van de Woningwet is geen bouwvergunning<br />
vereist voor het plaatsen van een erf- of terreinafscheiding,<br />
waarvan de hoogte, van de voet af gemeten, niet<br />
Ruimtelijke ordening<br />
61<br />
meer is dan 1 m. Indien de afscheiding wordt geplaatst<br />
op of rondom een erf of terrein waarop een gebouw<br />
staat, dan mag de afscheiding die achter de<br />
voorgevelrooilijn staat, ten hoogste 2 m zijn, mits<br />
wordt gebouwd overeenkomstig de bij of krachtens de<br />
in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur<br />
gegeven voorschriften.<br />
Uit het vorenstaande volgt dat voor het aanbrengen<br />
van afrasteringen tot een maximale hoogte van 1 respectievelijk<br />
2 m geen bouwvergunning is vereist. Dit<br />
betekent dat het aanbrengen van afrasteringen niet via<br />
het bestemmingsplan kan worden tegengegaan.<br />
Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen<br />
aanleiding om te oordelen dat verweerders niet in redelijkheid<br />
goedkeuring hebben kunnen verlenen aan<br />
dit planvoorschrift. In hetgeen appellante heeft aangevoerd,<br />
ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het<br />
oordeel dat dit onderdeel van het bestreden besluit anderszins<br />
is voorbereid of genomen in strijd met het<br />
recht. Deze beroepsgronden van de Milieuvereniging<br />
zijn ongegrond.<br />
2.18.2. Volgens het streekplan moet het gebruik van<br />
afdekmaterialen door de vollegrondstuinbouwbedrijven<br />
buiten de ontwikkelingsgebieden voor de vollegrondstuinbouw<br />
afhankelijk gesteld worden van de bescherming<br />
van de in die gebieden aanwezige<br />
landschappelijke-, natuur- en milieuwaarden. De toepassing<br />
van de menstoegankelijke demontabele tunnels<br />
dient binnen het vooraf in het bestemmingsplan<br />
vast te leggen bouwblok te gebeuren en teeltgebonden,<br />
dus tijdelijk van aard te zijn. Volgens de provinciale<br />
Handleiding bestemmingsplan buitengebied van maart<br />
1996 (hierna te noemen: de Handleiding) kunnen<br />
ondersteunende kassen en/of hoge tunnels zowel<br />
binnen als buiten het bouwblok worden opgericht.<br />
Ter zitting hebben verweerders aangegeven dat de<br />
Handleiding in zoverre niet in overeenstemming is met<br />
het streekplan.<br />
Volgens de inleiding bij de Handleiding wordt in de<br />
Handleiding een nadere uitleg gegeven van een aantal<br />
beleidsthema’s die in het streekplan globaal zijn geformuleerd.<br />
De Handleiding is bedoeld om als referentiekader<br />
te dienen voor het opstellen van het bestemmingsplan<br />
buitengebied. Het treedt niet buiten het<br />
beleidskader zoals dat in het streekplan is vastgelegd.<br />
Het streekplan is en blijft toetsingskader van de beoordeling<br />
van gemeentelijke plannen.<br />
Gezien het karakter van de Handleiding kan aan dit<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
62<br />
onderdeel van de Handleiding geen betekenis worden<br />
toegekend, nu dit onderdeel niet in overeenstemming<br />
is met het streekplan.<br />
02-63<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 22 februari <strong>2002</strong>, nr.<br />
200001138/7, inzake het bestemmingsplan ‘Boerenbond<br />
Deurne’ van de gemeente Deurne.<br />
Aan gecorrigeerd besluit omtrent goedkeuring<br />
dat na afloop van de wettelijke beslistermijn is bekendgemaakt,<br />
komt geen betekenis toe.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28, lid<br />
2 en 3<br />
2.1. Bij besluit van 16 november 1999 hebben verweerders<br />
goedkeuring verleend aan het plan, met uitzondering<br />
van artikel 4 van de planvoorschriften, en dit<br />
besluit op 18 november 1999 verzonden aan het gemeentebestuur.<br />
Artikel 4 van de planvoorschriften<br />
bevat een doeleindenomschrijving voor de bestemming<br />
‘Detailhandel -D-’ alsook bebouwings- en gebruiksvoorschriften<br />
voor de gronden die op de plankaart deze<br />
bestemming hebben gekregen.<br />
Vervolgens is vanwege verweerders op 15 december<br />
1999 een eveneens op 16 november 1999 gedateerd<br />
‘gecorrigeerd exemplaar’ verzonden van het op<br />
18 november 1999 bekendgemaakte besluit.<br />
Bij het op 15 december 1999 bekendgemaakte<br />
besluit hebben verweerders het plan goedgekeurd, behoudens<br />
de op de plankaart met blauw omlijnde plandelen.<br />
Deze plandelen zijn op de plankaart aangewezen<br />
voor ‘Detailhandel -D-’.<br />
2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de<br />
Ruimtelijke Ordening, zoals deze wet ten tijde van de<br />
tervisielegging van het plan luidde, dienen gedeputeerde<br />
staten, indien tegen het plan bedenkingen zijn ingebracht,<br />
te beslissen binnen zes maanden na afloop van<br />
de termijn van de terinzageligging als bedoeld in artikel<br />
26 van deze wet. Ingevolge artikel 28, derde lid, van<br />
de wet wordt het plan, indien dit tijdig aan gedeputeerde<br />
staten is toegezonden, geacht te zijn goedgekeurd<br />
indien gedeputeerde staten binnen de in het tweede lid<br />
Ruimtelijke ordening<br />
gestelde termijn geen beslissing aan de gemeenteraad<br />
hebben bekend gemaakt.<br />
Ingevolge artikel 26 wordt het vastgestelde bestemmingsplan<br />
gedurende vier weken voor een ieder<br />
ter inzage gelegd.<br />
Blijkens de stukken heeft het vastgestelde plan ter<br />
voldoening aan artikel 26 met ingang van 23 april<br />
1999 gedurende vier weken (tot en met 20 mei 1999)<br />
ter inzage gelegen. De termijn van verweerders om te<br />
beslissen omtrent de goedkeuring is ingegaan op 21<br />
mei 1999. Het besluit omtrent goedkeuring diende<br />
dan ook uiterlijk op 20 november 1999 aan het gemeentebestuur<br />
te worden bekend gemaakt.<br />
Het besluit van verweerders van 16 november<br />
1999 omtrent de goedkeuring van het plan is gelet op<br />
het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 28<br />
van de wet, tijdig genomen en tijdig aan de gemeenteraad<br />
bekend gemaakt.<br />
De Afdeling is van oordeel dat, gelet op de aard van<br />
de wijziging, het op 15 december 1999 bekendgemaakte<br />
‘gecorrigeerd exemplaar’ moet worden aangemerkt<br />
als een nieuw besluit omtrent de goedkeuring<br />
van het plan.<br />
Dit nieuwe besluit is aan de gemeenteraad bekendgemaakt<br />
na afloop van de termijn die voortvloeit uit artikel<br />
28, tweede en derde lid, van de wet, waarbinnen<br />
verweerders hun besluit omtrent goedkeuring van het<br />
plan aan de gemeenteraad moesten bekendmaken. In<br />
verband hiermee heeft dit nieuwe besluit geen betekenis.<br />
02-64<br />
Uitspraak van de arrondissementsrechtbank<br />
Utrecht van 15 maart <strong>2002</strong>, nr. SBR 01/112, inzake<br />
een last onder dwangsom (gemeente Leusden).<br />
Een bestemmingsplan wordt niet voor die gedeelten<br />
waartegen geen beroep is ingesteld of kon<br />
worden ingesteld, met het goedkeuringsbesluit onherroepelijk.<br />
Dit volgt niet uit artikel 28 van de<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening en zou bovendien<br />
impliceren dat gedeelten van één bestemmingsplan<br />
op verschillende momenten onherroepelijk<br />
worden.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28, lid<br />
8<br />
Beoordeling van het geschil<br />
(...)<br />
Eiser heeft een beroep gedaan op de toepasselijkheid<br />
van het overgangsrecht. Ingevolge artikel 32 van de<br />
planvoorschriften geldt voor het overgangsrecht met<br />
betrekking tot gebruik de datum waarop het bestemmingsplan<br />
onherroepelijk is geworden. De rechtbank<br />
merkt in dit verband allereerst op dat het bestemmingsplan<br />
‘Buitengebied 1996’ door gedeputeerde<br />
staten op 21 januari 1997 is goedgekeurd en dat het<br />
bestemmingsplan ingevolge artikel 28, zevende lid,<br />
ten tijde hier in geding achtste lid, van de WRO in werking<br />
is getreden daags na afloop van de beroepstermijn.<br />
Niet gebleken is dat binnen de beroepstermijn bij<br />
de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een<br />
verzoek om voorlopige voorziening is ingediend. Er is<br />
tegen het goedkeuringsbesluit echter wel beroep ingesteld.<br />
Uit het stelsel van de WRO volgt dat het bestemmingsplan<br />
derhalve wel in werking is getreden na het<br />
verstrijken van de beroepstermijn, maar toen nog niet<br />
onherroepelijk is geworden. Het bestemmingsplan is<br />
eerst met het Koninklijk Besluit van 5 maart 1999<br />
(red.: kennelijk wordt bedoeld de uitspraak van de Afdeling<br />
bestuursrechtspraak van de Raad van State),<br />
waarbij is beslist op de tegen het goedkeuringsbesluit<br />
ingestelde beroepen, onherroepelijk geworden.<br />
Nu de planwetgever in artikel 32, eerste lid, van de<br />
planvoorschriften het onherroepelijk worden – en dus<br />
niet de inwerkingtreding – van het plan – en dus niet<br />
van gedeelten van het plan – als peildatum heeft aangewezen<br />
voor het overgangsrecht met betrekking tot<br />
gebruik, is de datum van het Koninklijk Besluit van 5<br />
maart 1999 de in deze zaak relevante datum. De<br />
rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat het<br />
bestemmingsplan voor die gedeelten waartegen geen<br />
beroep is ingesteld of kon worden ingesteld, met het<br />
goedkeuringsbesluit onherroepelijk is geworden. Dit<br />
volgt niet uit artikel 28 van de WRO en zou bovendien<br />
impliceren dat gedeelten van één bestemmingsplan op<br />
verschillende momenten onherroepelijk worden. De<br />
rechtbank is van oordeel dat dit in strijd is met het stelsel<br />
van de WRO en met de rechtszekerheid die burgers<br />
aan de planvoorschriften mogen ontlenen.<br />
Noot: zie ook 02-88<br />
Ruimtelijke ordening<br />
02-65<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 20 maart <strong>2002</strong>, nrs.<br />
200002296/1 en 200002297/1, inzake de bestemmingsplannen<br />
‘Gaswinlocatie Moddergat’ en<br />
‘Gaswinlocatie Paesens’ van de gemeente Dongeradeel.<br />
Door de weigering van de vergunning op grond<br />
van de Natuurbeschermingswet is de uitvoerbaarheid<br />
van het bestemmingsplan niet verzekerd.<br />
Voorzorgsbeginsel.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 33<br />
Natuurbeschermingswet, artikel 12<br />
63<br />
2.3. Het bestemmingsplan ‘Gaswinlocatie Moddergat’<br />
heeft betrekking op een nieuwe gaswinlocatie aan de<br />
Mokselbankwei te Moddergat. Het bestemmingsplan<br />
‘Gaswinlocatie Paesens’ heeft betrekking op een nieuwe<br />
gaswinlocatie nabij de Boltawei te Lioessens. Met<br />
beide plannen wordt beoogd de bouw van een installatie<br />
voor het winnen van gas van onder de Waddenzee<br />
mogelijk te maken. Aan de plangebieden is de bestemming<br />
‘Doeleinden van delfstoffenwinning’ toegekend.<br />
2.4. Verweerders hebben bij de bestreden besluiten<br />
goedkeuring onthouden aan de bestemmingsplannen.<br />
Verweerders verwijzen onder meer naar de brieven<br />
van het kabinet aan de Voorzitter van de Tweede Kamer<br />
van 5 november 1999 en 7 december 1999 en naar het<br />
besluit van 21 februari 2000, kenmerk DNO 2000/697<br />
van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en<br />
Visserij, waarbij de vergunning op grond van artikel 12<br />
van de Natuurbeschermingswet voor de gasboring op de<br />
locaties Paesens en Moddergat werd geweigerd. Verweerders<br />
stellen dat zij met de Staatssecretaris van mening<br />
zijn dat het voorzorgbeginsel in de weg staat aan het<br />
verlenen van medewerking aan gasboringen in de Waddenzee,<br />
nu onvoldoende is komen vast te staan dat geen<br />
blijvende aantasting van de Waddenzee optreedt ten gevolge<br />
van de te verwachten bodemdaling naar aanleiding<br />
van de gaswinning. Door de weigering van de vergunning<br />
op grond van de Natuurbeschermingswet is de uitvoerbaarheid<br />
van het bestemmingsplan niet verzekerd.<br />
Bij afweging van de belangen van de gaswinning<br />
tegen het natuurbelang, hebben zij aan laatstgenoemd<br />
belang doorslaggevende betekenis toegekend.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
64<br />
2.5. Appellanten sub 1 betogen dat zij, gezien de uitkomst<br />
van het vooroverleg op grond van artikel 10 van<br />
het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, ervan uit<br />
mochten gaan dat de plannen zouden worden goedgekeurd.<br />
Bovendien hadden verweerders de wijziging<br />
van het kabinetsbeleid over gasboringen in de Waddenzee,<br />
welke wijziging plaatsvond na de vaststelling<br />
van de plannen, niet bij hun besluiten omtrent goedkeuring<br />
mogen betrekken. Voorts zijn appellanten sub<br />
1 en 2 van mening dat verweerders een brief van de<br />
Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening van 16 februari<br />
2000 niet bij hun besluitvorming mochten betrekken.<br />
Appellant sub 2 wijst erop dat het eventuele effect<br />
van bodemdaling op de waarde van de Waddenzee als<br />
gevolg van gaswinning in het kader van de vergunningverlening<br />
op grond van de Natuurbeschermingswet<br />
wordt beoordeeld.<br />
Appellanten sub 2 en 3 zijn voorts van mening dat<br />
verweerders een verkeerde uitleg geven aan het rijksbeleid<br />
zoals neergelegd in de brief van 7 december<br />
1999. Het kabinet houdt de mogelijkheid open dat de<br />
gaswinning de komende jaren alsnog wordt toegestaan.<br />
Appellanten sub 2 en 3 menen dan ook dat de<br />
uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet onzeker<br />
is.<br />
2.5.1. De Afdeling overweegt dat het karakter van de<br />
toetsing van een bestemmingsplan door verweerders<br />
met zich brengt dat alle feiten en omstandigheden die<br />
zich tot aan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring<br />
hebben voorgedaan in aanmerking moeten<br />
worden genomen. Verweerders mochten de brieven<br />
van het kabinet van 5 november 1999 en 7 december<br />
1999 derhalve bij hun besluitvorming betrekken. Dat<br />
geldt evenzeer voor de brief van de Inspecteur voor de<br />
Ruimtelijke Ordening van 16 februari 2000, waarin<br />
deze zijn standpunt dat hij als lid in de subcommissie<br />
gemeentelijke plannen had ingenomen, nader heeft<br />
toegelicht.<br />
De inhoud van de kabinetsbrieven was voor verweerders<br />
onder meer aanleiding om in de goedkeuringsprocedure<br />
een ander standpunt in te nemen dan<br />
de provinciale planologische commissie in het kader<br />
van het vooroverleg op grond van artikel 10 van het<br />
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De Afdeling<br />
overweegt dat verweerders los van eerder naar voren<br />
gebrachte standpunten van de provinciale planologische<br />
commissie of een provinciale dienst de bevoegd-<br />
Ruimtelijke ordening<br />
heid behouden alsnog goedkeuring te onthouden of te<br />
verlenen aan een plan of een plandeel, indien zij daartoe<br />
– op gronden in het besluit vermeld – termen aanwezig<br />
achten.<br />
2.5.2. Voor de gaswinning vanaf de locaties Paesens<br />
en Moddergat is op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet<br />
een vergunning vereist. Bij besluit<br />
van 21 februari 2000, kenmerk DNO 2000/697<br />
heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer<br />
en Visserij de aanvraag van appellante sub 3 afgewezen.<br />
De Staatssecretaris stelde zich op het standpunt<br />
dat er vooralsnog duidelijke twijfel bestaat dat als gevolg<br />
van de gaswinning te Paesens, Moddergat en Lauwersoog<br />
geen bodemdaling optreedt die het unieke karakter<br />
van het Waddengebied als wetland blijvend<br />
aantast. Er is dan ook naar zijn mening aanleiding voor<br />
toepassing van het voorzorgbeginsel.<br />
Bij besluit van 22 september 2000, kenmerk<br />
TRCJZ/2000/11742, heeft de Staatssecretaris de bezwaren<br />
van appellante sub 3 tegen het primaire besluit<br />
ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 maart <strong>2002</strong><br />
heeft de Afdeling het beroep van appellante sub 3<br />
tegen dit besluit ongegrond verklaard (zaaknummer:<br />
200003711/1).<br />
2.5.3. Het kabinet heeft in zijn brieven aan de Voorzitter<br />
van de Tweede Kamer van 5 november 1999 en 7<br />
december 1999 gesteld dat het kabinet vooralsnog<br />
niet wil overgaan tot het verlenen van vergunningen<br />
voor gaswinning in de Waddenzee, omdat niet alle onzekerheden<br />
en twijfel over mogelijke blijvende aantasting<br />
van de Waddenzee in voldoende mate zijn weggenomen.<br />
In de brief van 7 december 1999 is voorts<br />
vermeld dat de komende jaren zullen worden benut<br />
om voortschrijdend inzicht te krijgen in de vraag of de<br />
resterende onzekerheden over de mogelijkheid tot het<br />
vervullen van sluitende voorwaarden waaronder gaswinning<br />
kan plaatsvinden kunnen worden weggenomen.<br />
2.5.4. Ingevolge artikel 33 van de Wet op de Ruimtelijke<br />
Ordening dient een bestemmingsplan, voorzover<br />
hier van belang, ten minste eenmaal in de tien jaren te<br />
worden herzien. Uit deze bepaling blijkt dat de wetgever<br />
een planperiode van tien jaar voor ogen staat.<br />
De Afdeling acht het in beginsel niet in overeenstemming<br />
met een goede ruimtelijke ordening dat in<br />
een plan bestemmingen worden aangewezen waarvan<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
edelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze<br />
binnen de tienjarige planperiode niet zullen worden<br />
verwezenlijkt.<br />
Op grond van de bovengenoemde stukken hebben<br />
verweerders naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid<br />
het standpunt kunnen innemen dat moet worden<br />
aangenomen dat de in het plan aangewezen bestemming<br />
niet binnen de planperiode zal worden<br />
verwezenlijkt. Uit de brief van het kabinet van 7 december<br />
1999 blijkt weliswaar dat gaswinning in de<br />
Waddenzee in de toekomst niet wordt uitgesloten,<br />
maar op het moment waarop verweerders over de<br />
goedkeuring van de bestemmingsplannen dienden te<br />
beslissen, bestond er geen inzicht in het antwoord op<br />
de vraag of, in hoeverre en op welke termijn er voorwaarden<br />
zouden kunnen worden ontwikkeld op grond<br />
waarvan gaswinning in de Waddenzee alsnog zal kunnen<br />
worden toegestaan.<br />
02-66<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 3 april <strong>2002</strong>, nr.<br />
199901372/1, inzake het bestemmingsplan ‘Buitengebied’<br />
van de gemeente Bernheze.<br />
Gedeputeerde staten mogen niet goedkeuring<br />
onthouden op andere gronden dan wegens strijd<br />
met het recht of strijd met de goede ruimtelijke ordening.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28, lid 2<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 10:27<br />
2.15. Bij het bestreden besluit hebben verweerders<br />
goedkeuring onthouden aan het plan, voorzover daarbij<br />
de bestemming ‘Bosgebied’ is toegekend aan het<br />
voormalig mobilisatieterrein te Nistelrode. Zij hebben<br />
zich op het standpunt gesteld dat nog geen afgewogen<br />
oordeel mogelijk is over de bestemming van die gronden,<br />
omdat het onderzoek naar de hergebruiksmogelijkheden<br />
van het terrein nog niet is afgerond.<br />
(...) kunnen zich niet met deze onthouding van<br />
goedkeuring verenigen. Zij voeren aan dat de bestemming<br />
‘Bosgebied’ het meest passend is voor deze gronden<br />
en dat ten onrechte een groter gewicht wordt toegekend<br />
aan het financieel-economische belang van de<br />
Ruimtelijke ordening<br />
Staatssecretaris van Defensie.<br />
2.15.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet<br />
op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel<br />
10:27 van de Algemene wet bestuursrecht kan<br />
slechts goedkeuring worden onthouden wegens strijd<br />
met het recht of strijd met de goede ruimtelijke ordening.<br />
Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan<br />
de bestemming ‘Bosgebied’ omdat zij van mening zijn<br />
dat deze bestemming de besprekingen over de hergebruiksmogelijkheden<br />
van het mobilisatiecomplex zou<br />
kunnen belemmeren. Uit het bestreden besluit blijkt<br />
dat de onthouding van goedkeuring niet zo mag worden<br />
geïnterpreteerd dat verweerders de bestemming<br />
‘Bosgebied’ op termijn niet aanvaardbaar achten.<br />
De Afdeling is van oordeel dat verweerders daarmee<br />
op andere gronden goedkeuring hebben onthouden<br />
dan wegens strijd met het recht of strijd met de<br />
goede ruimtelijke ordening. Verweerders hebben derhalve<br />
gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid,<br />
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang<br />
met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.<br />
Dit onderdeel van de beroepen van (...) is gegrond. Het<br />
bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd,<br />
voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan het<br />
plandeel met de bestemming ‘Bosgebied’ (...).<br />
02-67<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 10 april <strong>2002</strong>, nr.<br />
200102756/1, inzake het bestemmingsplan ‘Landelijk<br />
Gebied Oost’ van de gemeente Wageningen.<br />
Artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht<br />
is niet van toepassing op bestemmingsplanprocedure.<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:17<br />
65<br />
2.7.1. Voorzover appellanten stellen dat verweerders<br />
in strijd hebben gehandeld met artikel 6:17 van de Algemene<br />
wet bestuursrecht door het bestreden besluit<br />
aan hen en niet aan hun gemachtigde te zenden, stelt<br />
de Afdeling voorop dat voornoemd artikel niet van toepassing<br />
is op de procedure die is voorgeschreven voor<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
66<br />
de totstandkoming en goedkeuring van een bestemmingsplan.<br />
De vraag of het zorgvuldigheidsbeginsel<br />
met zich brengt dat het bestreden besluit aan de gemachtigde<br />
van appellanten had moeten worden gezonden,<br />
kan hier in het midden worden gelaten. Het bestreden<br />
besluit is immers aan appellanten zelf<br />
toegezonden en het niet toezenden van het bestreden<br />
besluit aan de gemachtigde van appellanten heeft er<br />
niet aan in de weg gestaan dat appellanten hiertegen<br />
het thans voorliggende beroep hebben ingesteld. Appellanten<br />
zijn daarom door deze gang van zaken niet in<br />
hun belangen geschaad.<br />
02-68<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 10 april <strong>2002</strong>, nr.<br />
200104307/1, inzake het bestemmingsplan ‘Bedrijfsstrook<br />
Schaikseweg II’ van de gemeente Leerdam.<br />
Een intrekking van een zienswijze kan in beginsel<br />
niet worden herroepen.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 23, lid 1<br />
2.2. De Afdeling stelt vast dat het ontwerp-plan overeenkomstig<br />
artikel 23, eerste lid, sub b, van de Wet op<br />
de Ruimtelijke Ordening met ingang van 29 juni 2000<br />
vier weken ter inzage heeft gelegen. Een ieder kon<br />
overeenkomstig artikel 23, eerste lid, sub c, van de<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening gedurende deze termijn<br />
van terinzagelegging schriftelijk zijn zienswijze<br />
omtrent het ontwerp-plan kenbaar maken. Appellanten<br />
hebben hun zienswijze op 25 juli 2000 bij de gemeenteraad<br />
ingebracht. Bij brief van 7 september 2000<br />
hebben appellanten hun zienswijze ingetrokken. Bij<br />
brief van 8 september 2000 hebben appellanten aangegeven<br />
hun zienswijze toch te willen handhaven.<br />
2.3. De Afdeling overweegt dat als gevolg van de brief<br />
van 7 september 2000 de zienswijze zoals ingediend<br />
op 25 juli 2000 is vervallen.<br />
Wat betreft de brief van 8 september 2000, overweegt<br />
zij dat een intrekking van een bij de gemeenteraad<br />
ingebrachte zienswijze in beginsel niet kan wor-<br />
Ruimtelijke ordening<br />
den herroepen. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden<br />
die tot een uitzondering op deze regel zouden<br />
moeten leiden. (...)<br />
02-69<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 17 april <strong>2002</strong>, nr.<br />
200100411/1, inzake het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein<br />
Gaasperwaard’ van de gemeente Vianen.<br />
Aangezien ten tijde van de bestreden beslissing<br />
de gemeente Vianen nog was ingedeeld bij de provincie<br />
Zuid-Holland, waren gedeputeerde staten<br />
van Zuid-Holland bevoegd te beslissen over de<br />
goedkeuring van het onderhavige bestemmingsplan.<br />
Wel hadden zij, nu het bestemmingsplan in<br />
strijd is met regionaal structuurplan voor het gebied,<br />
het dagelijks bestuur van het Bestuur Regio<br />
Utrecht om advies moeten vragen.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikelen 36l,<br />
36m, 36n, 37<br />
2.1.1. Bij Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van<br />
de provinciale indeling van de gemeente Vianen (Stb.<br />
521) is de gemeente Vianen met ingang van 1 januari<br />
<strong>2002</strong> ingedeeld bij de provincie Utrecht. Gelet op hetgeen<br />
in de Wet algemene regels herindeling is bepaald,<br />
dienen vanaf laatstvermelde datum gedeputeerde staten<br />
van Utrecht als verweerders te worden aangemerkt.<br />
2.4. Appellant sub 1 voert allereerst aan dat gedeputeerde<br />
staten van Zuid-Holland niet bevoegd waren te<br />
beslissen over de goedkeuring van het bestemmingsplan.<br />
Hij wijst daartoe op de strekking en ratio van de<br />
Kaderwet bestuur in verandering in samenhang met de<br />
Wet gemeenschappelijke regelingen en van de Wet op<br />
de Ruimtelijke Ordening, meer in het bijzonder de artikelen<br />
36l tot en met 36n en 37 en de Koninklijke besluiten<br />
van 7 juni 1995 en 28 september 1995 inzake<br />
de gemeenschappelijke regeling Bestuur Regio<br />
Utrecht.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
2.4.1. De Afdeling overweegt dat uit de door appellant<br />
genoemde artikelen, wettelijke regelingen en Koninklijke<br />
besluiten niet valt af te leiden dat daarmee wordt<br />
afgeweken van het in de Wet op de Ruimtelijke Ordening<br />
neergelegde stelsel dat het college van gedeputeerde<br />
staten van de provincie waarbij de gemeente is<br />
ingedeeld, beslist over de goedkeuring van door de<br />
raad van die gemeente vastgestelde bestemmingsplannen.<br />
Nu ten tijde van de bestreden beslissing de gemeente<br />
Vianen nog was ingedeeld bij de provincie<br />
Zuid-Holland, waren gedeputeerde staten van Zuid-<br />
Holland bevoegd te beslissen over de goedkeuring van<br />
het onderhavige bestemmingsplan.<br />
2.5. Appellant sub 1 voert, evenals appellant sub 4,<br />
verder aan dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland<br />
geen rekening hebben gehouden met het op 25 juni<br />
1997 vastgestelde en door gedeputeerde staten van<br />
Utrecht op 18 mei 1999 goedgekeurde Regionaal<br />
Structuurplan ‘een RSP voor de tien’.<br />
2.5.1. De Afdeling overweegt hieromtrent het volgende.<br />
Op grond van artikel 36l, eerste lid, van de Wet op<br />
de Ruimtelijke Ordening dienen gedeputeerde staten,<br />
indien voor het gebied begrepen in een regionaal structuurplan<br />
een bestemmingsplan is vastgesteld en dit<br />
aan de goedkeuring van gedeputeerde staten wordt<br />
onderworpen, bij hun besluit omtrent de goedkeuring<br />
van dat bestemmingsplan rekening te houden met het<br />
regionaal structuurplan.<br />
Op grond van artikel 36l, tweede lid, van de Wet op<br />
de Ruimtelijke Ordening vragen gedeputeerde staten<br />
voorzover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste<br />
lid, in strijd is met het regionaal structuurplan, het dagelijks<br />
bestuur van het regionaal openbaar lichaam om<br />
advies.<br />
Het beleid ten aanzien van het gebied waarin het<br />
plangebied is gelegen, is onder meer neergelegd in het<br />
hiervoor genoemde regionaal structuurplan.<br />
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken<br />
dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland dit<br />
regionaal structuurplan niet bij hun besluitvorming<br />
hebben betrokken. Voorts is gebleken dat het bestemmingsplan,<br />
nu dit betrekking heeft op gronden die ingevolge<br />
het structuurplan nog niet voor ontwikkeling<br />
als bedrijventerrein in aanmerking komen, in strijd is<br />
met het regionaal structuurplan. Dit brengt mee dat<br />
gedeputeerde staten van Zuid-Holland het dagelijks<br />
Ruimtelijke ordening<br />
bestuur van het Bestuur Regio Utrecht om advies hadden<br />
moeten vragen, hetgeen niet is geschied. Dat de<br />
gemeente Vianen ten tijde van de besluitvorming bij de<br />
provincie Zuid-Holland was ingedeeld, maakt dit niet<br />
anders.<br />
Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd<br />
met artikel 36l, eerste en tweede lid, van de Wet op de<br />
Ruimtelijke Ordening. De beroepen zijn gelet hierop<br />
gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd<br />
met de genoemde bepalingen te worden vernietigd.<br />
02-70<br />
67<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 17 april <strong>2002</strong>, nr.<br />
200104085/1, inzake het bestemmingsplan<br />
‘Camping De Waaij’ van de gemeente Bemmel.<br />
Nu de bestemmingen die aan verschillende<br />
onderdelen van een camping zijn toegekend duidelijk<br />
van elkaar kunnen worden onderscheiden,<br />
hoeft de camping niet als één object in de zin van<br />
de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 beschouwd<br />
te worden.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28, lid 2<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 10:27<br />
2.3. Appellanten betogen dat verweerders ten onrechte<br />
goedkeuring hebben onthouden aan het bestemmingsplan,<br />
voorzover de stankcirkel van de varkenshouderij<br />
aan de (...) (hierna: de varkenshouderij) is<br />
gelegen, over de beoogde uitbreiding van de camping.<br />
Appellanten wijzen erop dat het plan in een ruimtelijke<br />
zonering van de camping voorziet met een duidelijk<br />
herkenbare scheiding tussen verblijfs- en dagrecreatie.<br />
Deze zonering voldoet naar hun mening aan de brochure<br />
Veehouderij en Hinderwet 1985 (hierna: de brochure).<br />
Het gedeelte van de camping dat bedoeld is<br />
voor dagrecreatie valt naar hun mening onder categorie<br />
II, nu in dat gedeelte niet zal worden overnacht.<br />
2.4. De gemeenteraad heeft aan de bestaande camping<br />
de bestemming ‘Recreatieve doeleinden’, bestemmingsvlakken<br />
I en II toegekend en aan de uitbreiding,<br />
die in totaal 7 hectare beslaat, de bestemming ‘Recreatieve<br />
doeleinden’, bestemmingsvlakken III en IV. Inge-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
68<br />
volge artikel 3.2.2. van de planvoorschriften, voorzover<br />
hier van belang, zijn de gronden binnen de op de<br />
kaart aangegeven bestemmingsvlakken II en III uitsluitend<br />
bestemd voor:<br />
1. het plaatsen en/of oprichten van en verblijven in<br />
kampeermiddelen;<br />
2. het oprichten en verblijven in trekkershutten.<br />
Ingevolge artikel 3.2.3. van de planvoorschriften, voorzover<br />
hier van belang, zijn de gronden binnen het op<br />
de kaart aangegeven bestemmingsvlak IV uitsluitend<br />
bestemd voor:<br />
1. het behoud en de ontwikkeling van aanwezige natuurwaarden;<br />
2. recreatief medegebruik, met bijbehorende recreatieve<br />
voorzieningen, zulks uitsluitend voorzover het<br />
betreft de gronden die op de kaart zijn aangeduid<br />
als uitloopgebied.<br />
Ingevolge artikel 3.3. van de planvoorschriften is het<br />
plaatsen van en verblijven in kampeermiddelen uitsluitend<br />
toegestaan in de bestemmingsvlakken II en III,<br />
met dien verstande dat uitsluitend in bestemmingsvlak<br />
II vaste standplaatsen aanwezig mogen zijn.<br />
2.5. Verweerders hebben bij het bestreden besluit<br />
goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan,<br />
voorzover de stankcirkel van de varkenshouderij de op<br />
de plankaart aangegeven bestemmingsvlakken III en<br />
IV bestrijkt, omdat de camping met inbegrip van de<br />
uitbreiding één geheel is en dus in totaliteit als een categorie<br />
I-object moet worden beschouwd.<br />
2.6. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat<br />
verweerders bij het nemen van het bestreden besluit<br />
wat betreft de categorie-indeling niet in redelijkheid de<br />
brochure als uitgangspunt hebben kunnen nemen.<br />
2.6.1. De brochure bevat een categorie-indeling van<br />
stankgevoelige objecten. Bij categorie I onder c staat<br />
vermeld ‘objecten voor verblijfsrecreatie (bungalowpark,<br />
camping, etc.)’ en bij categorie II onder c ‘objecten<br />
voor dagrecreatie (zwembaden, speeltuinen, etc.)’.<br />
2.6.2. Nu het plan wat betreft bestemmingsvlak III<br />
voorziet in verblijfsrecreatie, ziet de Afdeling geen<br />
grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid<br />
op het standpunt hebben kunnen stellen dat<br />
in dat bestemmingsvlak, voorzover gelegen binnen de<br />
Ruimtelijke ordening<br />
stankcirkel van de varkenshouderij, een goed verblijfsklimaat<br />
niet is te garanderen.<br />
2.6.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders<br />
zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen<br />
dat het plan wat betreft bestemmingsvlak III, voorzover<br />
gelegen binnen de stankcirkel van de varkenshouderij<br />
– gemeten vanaf de grens van het desbetreffende<br />
bouwperceel – in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.<br />
Zij hebben daarom in zoverre terecht goedkeuring<br />
onthouden aan het plan. De beroepen zijn, voorzover<br />
gericht tegen dit plandeel, ongegrond.<br />
2.6.4. Wat betreft bestemmingsvlak IV is recreatief<br />
medegebruik toegestaan, maar ingevolge artikel 3.3.<br />
van de planvoorschriften is het plaatsen van en verblijven<br />
in kampeermiddelen verboden.<br />
Nu bestemmingsvlak IV, gelet op de op de plankaart<br />
aangegeven zonering en gelet op de aard van de<br />
bebouwingsmogelijkheden en het toegestane gebruik,<br />
duidelijk kan worden onderscheiden van de andere bestemmingsvlakken,<br />
valt niet in te zien dat de gemeenteraad<br />
dit bestemmingsvlak niet in redelijkheid heeft<br />
kunnen aanmerken als een object voor dagrecreatie als<br />
bedoeld in categorie II onder c van de brochure. Het<br />
enkele feit dat zowel op het bestaande als op het nieuwe<br />
gedeelte van de camping, inclusief het gedeelte dat<br />
uitsluitend voor dagrecreatie bedoeld is, het Besluit<br />
horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer<br />
van toepassing is, kan daaraan niet afdoen. Daarbij is<br />
in aanmerking genomen dat het Besluit geen regels<br />
bevat omtrent de in acht te nemen afstand tot een varkenshouderij.<br />
Uit het voorgaande volgt dat verweerders<br />
zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben<br />
kunnen stellen dat de camping als geheel, dus inclusief<br />
bestemmingsvlak IV, als een object voor verblijfsrecreatie<br />
als bedoeld in categorie I onder c van de brochure<br />
moet worden aangemerkt.<br />
2.6.5. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders<br />
zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen<br />
dat het plan voorzover het betreft bestemmingsvlak<br />
IV en voorzover dit vlak gelegen is binnen de stankcirkel<br />
van de varkenshouderij – gemeten vanaf de grens<br />
van het desbetreffende bouwperceel – in strijd is met<br />
een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin om<br />
deze reden goedkeuring te onthouden aan het plan<br />
hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28,<br />
tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet<br />
bestuursrecht. De beroepen zijn in zoverre gegrond,<br />
zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te<br />
worden vernietigd.<br />
02-71<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 24 april <strong>2002</strong>, nr.<br />
200101025/1, inzake het bestemmingsplan<br />
‘Elspeet-Dorp 2000’ van de gemeente Nunspeet.<br />
Uit de in het streekplan aangegeven verstedelijkingscontour<br />
volgt niet dat de locatie zonder meer<br />
voor woonbebouwing in aanmerking dient te<br />
komen, maar het streekplan sluit bebouwing niet<br />
uit. Verweerders konden niet volstaan met te stellen<br />
dat het binnen de contour gelegen perceel feitelijk<br />
deel uitmaakt van het buitengebied.<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 3:46<br />
2.4.1. (...) en burgemeester en wethouders van Nunspeet<br />
stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring<br />
hebben onthouden aan het plandeel met de bestemming<br />
‘Wonen’ en de aanduiding ‘woningvlak’ voor<br />
het perceel direct ten oosten van de (...).<br />
(...)<br />
Burgemeester en wethouders wijzen erop dat de locatie<br />
binnen de door de provincie vastgestelde verstedelijkingscontour<br />
voor Elspeet ligt. Het betoog van verweerders<br />
dat de locatie in het buitengebied ligt en de<br />
bouw van een burgerwoning daarom niet gewenst is, is<br />
volgens hen niet juist.<br />
2.4.2. Verweerders hebben het plan in zoverre in strijd<br />
geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij zijn van<br />
mening dat de locatie aan de (...) tot het buitengebied<br />
gerekend moet worden. Voor het antwoord op de vraag<br />
of het gebied al dan niet tot het buitengebied gerekend<br />
moet worden is de aard van het gebied zelf en niet de<br />
grens van de verstedelijkingscontour beslissend. De<br />
nieuwbouw van woningen in het buitengebied is in<br />
strijd met het beleid zoals verwoord in het Streekplan<br />
Gelderland 1996, aldus verweerders.<br />
Ruimtelijke ordening<br />
69<br />
2.4.4. Op de streekplankaart bij het Streekplan Gelderland<br />
1996 is de kern Elspeet aangeduid als ‘woonfunctie’<br />
(stedelijk gebied). De gronden die liggen rond<br />
het als ‘woonfunctie’ aangeduide gebied zijn aangeduid<br />
als ‘landelijk gebied B’. Elspeet ligt in het deelgebied<br />
Centraal Veluws Natuurgebied (CVN).<br />
In het streekplan, zoals dat luidt na de partiële herziening<br />
die provinciale staten hebben vastgesteld op<br />
21 juni 2000, is voor de gebieden die als landelijk gebied<br />
zijn aangeduid als beleidsuitgangspunt opgenomen<br />
dat dit gebied zoveel mogelijk gevrijwaard blijft<br />
van functies die daar niet thuishoren.<br />
In het streekplan is voorts in de paragraaf verstedelijking<br />
aangegeven dat de definitieve begrenzing van de<br />
kernen grenzend aan of gelegen binnen het CVN door<br />
middel van contouren is vastgelegd.<br />
Deze contouren zijn bij besluit van 16 november<br />
1999 door verweerders vastgelegd in de streekplanuitwerking<br />
‘Verstedelijkingscontouren CVN’. De Afdeling<br />
heeft in haar uitspraak van 20 maart <strong>2002</strong>, inzake<br />
200003810/1, geoordeeld dat provinciale staten,<br />
gelet op het vermelde ter zake in de partiële streekplanherziening,<br />
de contouren voor hun rekening hebben<br />
genomen, zodat de contouren onderdeel zijn geworden<br />
van het streekplan.<br />
Uit de toelichting bij de ‘Verstedelijkingscontouren<br />
CVN’ blijkt dat de maximale bebouwingscontouren<br />
moeten worden gezien als absolute bebouwingsgrenzen.<br />
Het is de bedoeling dat gemeenten, nadat de contouren<br />
rond hun kernen zijn vastgesteld, binnen die<br />
contouren zelf een goede ruimtelijke invulling geven.<br />
De ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied dient<br />
op z’n minst te worden gehandhaafd en waar/indien<br />
mogelijk te worden verbeterd. Voorts wordt in toelichting<br />
bij de ‘Verstedelijkingscontouren CVN’ verwezen<br />
naar het streekplanbeleid zoals dat is verwoord bij de<br />
algemene uitgangspunten van beleid voor verstedelijking.<br />
2.4.5. De verstedelijkingscontour rond Elspeet geeft<br />
naar het oordeel van de Afdeling de nadere begrenzing<br />
aan tussen het op de streekplankaart als ‘woonfunctie’<br />
en als ‘landelijk gebied B’ aangeduide gebied. Het perceel<br />
van (...) aan de (...) ligt binnen de verstedelijkingscontour.<br />
Het streekplanbeleid over verstedelijking<br />
is hier dan ook van toepassing. Uit dat beleid volgt niet<br />
dat de locatie zonder meer voor woonbebouwing in<br />
aanmerking dient te komen, maar het streekplan sluit<br />
bebouwing niet uit. Nu verweerders het besluit tot ont-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
70<br />
houding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming<br />
‘Wonen’ en de aanduiding ‘woningvlak’ ten<br />
oosten van (..) hebben gebaseerd op het streekplanbeleid<br />
voor het landelijk gebied is de Afdeling van oordeel<br />
dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering.<br />
Het beroep van burgemeester en wethouders is gegrond,<br />
zodat het bestreden besluit wegens strijd met<br />
artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient<br />
te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is<br />
onthouden aan het plandeel met de bestemming<br />
‘Wonen’ en de aanduiding ‘woningvlak’ voor het perceel<br />
ten oosten van (...). Nu het besluit op grondslag<br />
van het beroep van burgemeester en wethouders ten<br />
dele wordt vernietigd, is het beroep van (...) dat zich<br />
keert tegen hetzelfde onderdeel van het besluit eveneens<br />
gegrond.<br />
02-72<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />
200101696, inzake een verzoek om binnenplanse<br />
vrijstelling, gemeente Enschede.<br />
De omstandigheid dat vanwege de huidige telecommunicatiemogelijkheden<br />
en mobiliteit een<br />
dienstwoning niet meer noodzakelijk zou zijn, is<br />
een grond die tot weigering van ieder verzoek om<br />
vrijstelling zou moeten leiden, hetgeen betekent<br />
dat het planvoorschrift dat in vrijstelling voorziet<br />
feitelijk buiten werking zou worden gesteld.<br />
2.2. Het perceel is ingevolge het plan aangewezen<br />
voor de bestemming ‘Industrie’.<br />
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften<br />
wordt daaronder verstaan gebouwen, opgericht<br />
ten dienste van groothandel en industrie.<br />
Ingevolge artikel 7, tweede lid, zijn burgemeester<br />
en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het<br />
bepaalde in het eerste lid van dat artikel ten behoeve<br />
van maximaal vier dienstwoningen (lees: per bedrijf).<br />
2.6.1. Burgemeester en wethouders hebben in de beslissing<br />
op bezwaar de weigering om vrijstelling te verlenen<br />
gebaseerd op twee gronden:<br />
Ruimtelijke ordening<br />
a. de dienstwoning levert milieubelemmeringen op<br />
voor bestaande en toekomstige bedrijven;<br />
b. vanwege de telecommunicatiemogelijkheden en<br />
mobiliteit is het in de huidige tijd niet meer noodzakelijk<br />
om bij het bedrijf te wonen.<br />
2.6.2. Burgemeester en wethouders hebben de milieubezwaren<br />
ontleend aan een rapport van de Milieudienst<br />
van de gemeente Enschede van 8 november<br />
1995. In dit rapport wordt gesteld dat de dienstwoning<br />
een belemmering zal vormen voor toekomstige<br />
activiteiten in het vroegere pand van (...). Ter zitting is<br />
evenwel gebleken dat dit pand is afgebrand en er nog<br />
steeds geen nieuw bedrijf is gevestigd. Voorts is gebleken<br />
dat in het Havengebied, dat in zijn geheel is bestemd<br />
voor industrie, reeds een zeer groot aantal<br />
dienstwoningen aanwezig is, alsmede dat in de directe<br />
nabijheid van de beoogde dienstwoning van appellant,<br />
aan de overzijde van de straat, woonboten zijn gelegen.<br />
Gelet op het grote aantal dienstwoningen in het<br />
gebied en de aanwezigheid van woonboten in de directe<br />
nabijheid van het perceel en in aanmerking genomen<br />
dat niet is gebleken van bedrijven die belemmerd<br />
worden door de aanwezigheid van een dienstwoning<br />
van appellant is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk<br />
is gemaakt dat belemmeringen van milieutechnische<br />
aard voor omringende bedrijven zich verzetten<br />
tegen verlening van de gevraagde vrijstelling.<br />
Voorts overweegt de Afdeling dat de omstandigheid<br />
dat vanwege de huidige telecommunicatiemogelijkheden<br />
en mobiliteit een dienstwoning niet meer noodzakelijk<br />
is een grond is die tot weigering van ieder verzoek<br />
om vrijstelling zou moeten leiden, waardoor<br />
artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften feitelijk<br />
buiten werking zou worden gesteld. Naar appellant bovendien<br />
onweersproken heeft gesteld is in 1999 nog<br />
vrijstelling verleend voor een dienstwoning bij het in<br />
het Havengebied gelegen pand (...). Naar het oordeel<br />
van de Afdeling kan deze grond de weigering om vrijstelling<br />
te verlenen dan ook evenmin dragen. Gelet op<br />
de toelichting ter zitting moet bovendien aannemelijk<br />
worden geacht dat, in verband met de bedrijfsvoering,<br />
de telecommunicatiemogelijkheden en mobiliteit niet<br />
afdoen aan de door appellant gestelde noodzaak bij<br />
het bedrijf te wonen.<br />
2.6.3. Anders dan de rechtbank is de Afdeling derhalve<br />
van oordeel dat de door burgemeester en wethouders<br />
in de beslissing op bezwaar gebezigde gronden de<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
weigering om vrijstelling te verlenen niet kunnen rechtvaardigen.<br />
02-73<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />
200100123/1 inzake een vrijstelling ex artikel 19<br />
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gemeente<br />
Dronten.<br />
Een voorbereidingsbesluit moet gelden ten tijde<br />
van het nemen, niet noodzakelijkerwijze ten tijde<br />
van het bekendmaken, van de beslissing op bezwaar.<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikelen 3:40 en<br />
3:41<br />
2.1. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte<br />
heeft geoordeeld dat ten tijde van de beslissing<br />
op bezwaar geen voorbereidingsbesluit meer gold<br />
zodat toen niet was voldaan aan de formele vereisten<br />
voor toepassing van de anticipatieprocedure.<br />
2.2. Dit betoog slaagt. Een voorbereidingsbesluit moet<br />
gelden ten tijde van het nemen van de beslissing op<br />
bezwaar. Vast staat dat de beslissing op bezwaar is genomen<br />
op 29 juni 1999 alsmede dat toen een voorbereidingsbesluit<br />
bestond, dat geldig was tot 1 juli<br />
1999. Dat de beslissing op bezwaar toen niet op de<br />
voet van artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet<br />
bestuursrecht is bekendgemaakt en in werking getreden,<br />
doet daaraan niet af. Er is geen grond om te oordelen<br />
dat het voorbereidingsbesluit ook op het moment<br />
van de bekendmaking van de beslissing op<br />
bezwaar moet gelden, om de anticipatieprocedure te<br />
kunnen toepassen. De rechtbank heeft de beslissing<br />
op bezwaar derhalve ten onrechte op de aangegeven<br />
grond vernietigd.<br />
Ruimtelijke ordening<br />
02-74<br />
71<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />
200103920/1, inzake het wijzigingsplan ‘Wijzigingsplan<br />
ex artikel 11 WRO bestemmingsplan<br />
Buitengebied, Boerendijk 36b te Sibculo’ van de<br />
gemeente Hardenberg.<br />
In bestemmingsplan voorgeschreven adviesaanvraag<br />
bij toepassen wijzigingsbevoegdheid is<br />
niet meer mogelijk.<br />
2.2. Appellanten hebben als bezwaar van formele aard<br />
aangevoerd dat over het wijzigingsplan geen advies is<br />
uitgebracht door de directeur Landbouw, Natuur en<br />
Openluchtrecreatie van het ministerie van Landbouw,<br />
Natuurbeheer en Visserij.<br />
2.2.1. In het op 26 april 1989 vastgestelde bestemmingsplan<br />
‘Buitengebied’ is het in geding zijnde perceel<br />
bestemd tot ‘Agrarische doeleinden, Agrarisch gebied’.<br />
Ingevolge artikel 4, vierde, onder A, van de<br />
voorschriften van dat plan zijn burgemeester en wethouders<br />
bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve<br />
van de vestiging van een agrarisch bedrijf, met<br />
inachtneming van een aantal nader genoemde voorwaarden.<br />
Een van deze voorwaarden is dat advies wordt ingewonnen<br />
van de directeur Landbouw, Natuur en<br />
Openluchtrecreatie van het ministerie van Landbouw,<br />
Natuurbeheer en Visserij. Deze heeft evenwel, als gevolg<br />
van een wijziging van het regeringsbeleid ter zake,<br />
de microplanologische advisering beëindigd.<br />
Naar het oordeel van de Afdeling kon onder deze<br />
omstandigheden van het gemeentebestuur niet worden<br />
verwacht dat het wijzigingsplan werd voorgelegd<br />
aan de voornoemde directeur.<br />
Voorts overweegt de Afdeling dat in de planvoorschriften<br />
geen verplichting is opgenomen voor het gemeentebestuur<br />
om het plan in een situatie als deze<br />
aan andere adviseurs voor te leggen. Ook in de Wet op<br />
de Ruimtelijke Ordening of het Besluit op de ruimtelijke<br />
ordening 1985 is voor een situatie als hier in geding<br />
geen verplichting opgenomen tot het inwinnen<br />
van advies alvorens tot vaststelling van een wijzigingsplan<br />
wordt overgegaan.<br />
De Afdeling is onder vorengenoemde omstandigheden<br />
van oordeel dat in het niet-naleven van evenge-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
72<br />
noemde verplichting geen aanleiding kan worden gezien<br />
het bestreden besluit te vernietigen.<br />
02-75<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />
200004690/1, inzake het bestemmingsplan ‘Uitbreiding<br />
Nijverheidscentrum Zevenhuizen’ van de<br />
gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening biedt op zich<br />
geen grondslag voor een regeling die enkel een<br />
specifieke groep van bedrijven toelaat die zich in<br />
niets anders onderscheidt van soortgelijke, andere<br />
bedrijven dan in hun herkomst. De herkomst van<br />
bedrijven is als zodanig bij het reguleren van gebruik<br />
van gronden voor bedrijfsdoeleinden niet relevant.<br />
Toch kan een goede ruimtelijke ordening<br />
met zich brengen, dat bij het inrichten van een bedrijventerrein<br />
de opvangfunctie van dat terrein gewaarborgd<br />
wordt ten einde een (planologisch)<br />
knelpunt elders op te lossen. De beschrijving in<br />
hoofdlijnen kan daarbij een rol spelen.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 10<br />
2.5. Appellanten voeren aan dat verweerders ten onrechte<br />
goedkeuring hebben onthouden aan het plan.<br />
Zij zijn van mening dat verweerders in strijd met de<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening handelen door als<br />
voorwaarde voor goedkeuring te stellen dat alleen bedrijven<br />
afkomstig van Nesselande op het bedrijventerrein<br />
mogen worden gevestigd. Een dergelijke eis is niet<br />
ruimtelijk relevant. (...)<br />
2.6.1. Los van de vraag of verweerders hun standpunt<br />
in al hun beleidsstukken eenduidig hebben verwoord,<br />
blijkt uit het vorenstaande dat aan het bedrijventerrein<br />
ingevolge provinciaal beleid in ieder geval primair een<br />
opvangfunctie toekomt voor bedrijven afkomstig uit<br />
Nesselande. De Afdeling overweegt verder dat het bestemmingsplan<br />
de vestiging van (alleen) andere bedrijven<br />
dan afkomstig uit Nesselande mogelijk maakt.<br />
Aldus zou een met de uitgangspunten van het streekplan<br />
strijdige situatie kunnen ontstaan.<br />
De Afdeling overweegt dat de Wet op de Ruimte-<br />
Ruimtelijke ordening<br />
lijke Ordening op zich geen grondslag biedt voor een<br />
regeling in de planvoorschriften, die enkel een specifieke<br />
groep van bedrijven toelaat die zich in niets anders<br />
onderscheidt van soortgelijke, andere bedrijven dan in<br />
hun herkomst. De herkomst van bedrijven is als zodanig<br />
bij het reguleren van gebruik van gronden voor bedrijfsdoeleinden<br />
niet relevant.<br />
Dit laat onverlet dat een goede ruimtelijke ordening<br />
met zich kan brengen, dat bij het inrichten van een bedrijventerrein<br />
de opvangfunctie van dat terrein gewaarborgd<br />
wordt ten einde een (planologisch) knelpunt elders<br />
op te lossen. Het waarborgen van een zodanige<br />
functie kan op verschillende wijzen plaatsvinden,<br />
waarbij bij de keuze van de wijze onder meer betekenis<br />
toekomt aan het feit of de gemeente eigenares is van<br />
de uit te geven gronden en ten aanzien van de uitgifte<br />
van die gronden regelingen zijn getroffen die een opvangfunctie<br />
waarborgen.<br />
Ter zitting hebben verweerders ter aanvulling van<br />
hun standpunt onder meer aangevoerd dat in de beschrijving<br />
in hoofdlijnen van het bestemmingsplan kan<br />
worden opgenomen dat de gronden bedoeld zijn voor<br />
uitplaatsing van bedrijven gevestigd op de onderhavige<br />
VINEX-locatie.<br />
In aansluiting hierop acht de Afdeling niet onaanvaardbaar<br />
indien in de beschrijving in hoofdlijnen<br />
wordt opgenomen dat het streven erop is gericht de<br />
eerste uitgifte van gronden binnen het plangebied uitsluitend<br />
te doen geschieden ten behoeve van bedrijven<br />
afkomstig van Nesselande. Daarbij betrekt zij de omstandigheid<br />
dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle<br />
eigenares is van het onderhavige terrein.<br />
De Afdeling overweegt verder dat in het plan een<br />
dergelijke bepaling in een beschrijving in hoofdlijnen<br />
niet is opgenomen. Evenmin is op een nadere wijze<br />
veilig gesteld dat het bedrijventerrein alleen tot ontwikkeling<br />
zal worden gebracht indien de uit te geven terreinen<br />
benodigd zijn voor de verplaatsing van bedrijven<br />
die thans nog gevestigd zijn in Nesselande. De gemeenteraad<br />
heeft daarmee miskend dat een bedrijventerrein<br />
bij Zevenhuizen ingevolge provinciaal beleid alleen<br />
tot ontwikkeling mag worden gebracht in het<br />
kader van de uitplaatsing van bedrijven uit Nesselande.<br />
Volgens dit beleid is het niet de bedoeling de ontwikkeling<br />
van een regulier bedrijventerrein toe te<br />
staan. Verweerders hebben zich derhalve niet ten onrechte<br />
op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan<br />
strijdig is met het provinciaal beleid. Een tekort<br />
aan bedrijventerrein in de gemeente kan naar het oor-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
deel van de Afdeling aan bedoelde strijdigheid niet afdoen.<br />
02-76<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 22 mei <strong>2002</strong>, nr.<br />
200104543/1, inzake het bestemmingsplan ‘Thematische<br />
uitsluiting seksinrichtingen’ van de gemeente<br />
Elburg.<br />
Religieuze opvattingen zijn geen ruimtelijk relevante<br />
motieven voor een algeheel verbod op seksinrichtingen<br />
voor het gehele grondgebied van de<br />
gemeente.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 10<br />
2.2. Met het plan wordt beoogd de vestiging van seksinrichtingen<br />
in de gehele gemeente Elburg uit te sluiten.<br />
Hiertoe voorziet het plan in een wijziging van de<br />
algemene bepalingen van alle geldende bestemmingsplannen<br />
waardoor seksinrichtingen niet tot de toegestane<br />
doeleinden dan wel functies binnen in die plannen<br />
geregelde bestemmingen behoren.<br />
Bij het bestreden besluit hebben verweerders aan het<br />
plan goedkeuring onthouden.<br />
2.6.1. Ingevolge artikel 1, onder b, van het plan wordt<br />
onder seksinrichting verstaan de voor het publiek toegankelijke,<br />
besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in<br />
een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen<br />
worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische<br />
aard plaatsvinden. Onder seksinrichting<br />
wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf,<br />
waaronder begrepen een erotische massagesalon, een<br />
seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub,<br />
al dan niet in combinatie met elkaar.<br />
Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a,<br />
van het plan wordt aan de algemene bepalingen van<br />
de bestemmingsplannen waarop het plan betrekking<br />
heeft, toegevoegd dat binnen de bestemmingen van<br />
die plannen een seksinrichting niet tot de toegestane<br />
doeleinden dan wel functies behoort.<br />
2.6.2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, eerste volzin,<br />
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening stelt de ge-<br />
Ruimtelijke ordening<br />
73<br />
meenteraad voor het gebied van de gemeente dat niet<br />
tot de bebouwde kom behoort een bestemmingsplan<br />
vast, waarbij, voorzover dit ten behoeve van de ruimtelijke<br />
ordening nodig is, de bestemming van de in het<br />
plan begrepen grond wordt aangewezen en zo nodig,<br />
in verband met de bestemming, voorschriften worden<br />
gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen<br />
grond en de zich daarop bevindende opstallen.<br />
Deze voorschriften mogen slechts om dringende redenen<br />
een beperking van het meest doelmatige gebruik<br />
inhouden.<br />
Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt<br />
de raad de verordeningen die hij in het belang van de<br />
gemeente nodig oordeelt.<br />
Ingevolge artikel 151a, eerste lid, van de Gemeentewet<br />
kan de gemeenteraad een verordening vaststellen<br />
waarin voorschriften worden gesteld met betrekking<br />
tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot<br />
het verrichten van seksuele handelingen met een<br />
derde tegen betaling.<br />
2.6.3. De Afdeling overweegt dat aan de gemeenteraad<br />
in beginsel de bevoegdheid toekomt in een bestemmingsplan<br />
de toelaatbaarheid van seksinrichtingen<br />
als doeleinde dan wel functie binnen de in dat plan<br />
geregelde bestemmingen te reguleren. Deze bevoegdheid<br />
dient te worden uitgeoefend ter behartiging van<br />
het belang van een goede ruimtelijke ordening en dient<br />
derhalve gestoeld te zijn op ruimtelijk relevante overwegingen<br />
en criteria. Daarnaast geldt als uitgangspunt<br />
dat, wanneer een gemeenteraad het nodig oordeelt in<br />
een plan een regeling te treffen ten aanzien van een<br />
met name genoemde – legale – beroeps- of bedrijfsactiviteit,<br />
hij motiveert waarom die activiteit zich naar<br />
zijn mening uit een oogpunt van een goede ruimtelijke<br />
ordening onderscheidt van andere mogelijke vormen<br />
van gebruik van grond en opstallen.<br />
2.6.4. Zoals blijkt uit de onder 2.5 genoemde wetswijziging<br />
(betreffende opheffing algemeen bordeelverbod,<br />
redactie) heeft de wetgever in formele zin vanaf 1 oktober<br />
2000 de vestiging en exploitatie van seksinrichtingen<br />
gelegaliseerd. Aldus heeft de wetgever te kennen<br />
gegeven dat de bescherming van de zeden een verbod,<br />
zoals dat voorheen in het Wetboek van Strafrecht was<br />
opgenomen, niet meer rechtvaardigt. De wetgever<br />
heeft het kennelijk voldoende geacht dat, in plaats van<br />
dat voorheen bestaande verbod, gemeenten thans een<br />
regulerend beleid voeren, dat wil zeggen, nadere regels<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
74<br />
stellen voor de uitoefening van dit soort bedrijven,<br />
doch die uitoefening niet als zodanig bij voorbaat geheel<br />
verbieden.<br />
2.6.5. Blijkens de toelichting op het plan en het verhandelde<br />
ter zitting heeft de gemeenteraad beoogd de<br />
vestiging en exploitatie van seksinrichtingen onmogelijk<br />
te maken vanwege de negatieve invloed van seksinrichtingen<br />
op de kwaliteit van de leef-, woon- en<br />
werkomgeving. Hierbij heeft de gemeenteraad doorslaggevend<br />
geacht de sterke religieuze overtuiging en<br />
de behoudende opvattingen van de bevolking van de<br />
gemeente Elburg. Aldus heeft de gemeenteraad naar<br />
het oordeel van de Afdeling aan het plan een motief<br />
ten grondslag gelegd dat strekt tot bescherming van de<br />
openbare zeden, dat wil zeggen een motief dat, zoals<br />
hiervoor is overwogen, reeds door de wetgever in formele<br />
zin volledig is afgewogen.<br />
Gelet op het vorenoverwogene is de Afdeling van<br />
oordeel dat de gemeenteraad bij de vaststelling van<br />
het plan zich niet alleen, zoals onder 2.6.5 is overwogen,<br />
heeft gebaseerd op een onjuist motief, maar ook<br />
de grenzen van zijn bij artikel 10 van de Wet op de<br />
Ruimtelijke Ordening verleende bevoegdheid heeft<br />
overschreden door zich bij die vaststelling niet uitsluitend<br />
te richten op de behartiging van het belang van<br />
een goede ruimtelijke ordening.<br />
02-77<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 26 juni <strong>2002</strong>, nr.<br />
200104539/1, inzake het bestemmingsplan<br />
‘Ypenburg-Nootdorp’ van de gemeente Nootdorp.<br />
Goedkeuring kan niet onder voorwaarden worden<br />
verleend.<br />
Bijzonder geval van ontvankelijkheid.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 28<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 10:29, lid 2<br />
2.7. Goedkeuring plandeel met woonbestemming.<br />
2.7.1. Ten aanzien van het in overweging 2.3, onder<br />
b, genoemde plandeel hebben verweerders besloten:<br />
‘1. de bedenkingen van reclamanten, genoemd in<br />
Ruimtelijke ordening<br />
hoofdstuk II, onder 1 (A) en 2 (B), gegrond te verklaren;<br />
2. de bestemming ‘Woongebied’ (WG) waaraan door<br />
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van<br />
State goedkeuring was onthouden, goed te keuren,<br />
onder de voorwaarden en condities zoals omschreven<br />
in hoofdstuk IX, Overwegingen Gedeputeerde Staten<br />
(2001), onder 1, Externe veiligheid (munitieopslag en<br />
bijzondere laboratoria) en onder 2, Luchtkwaliteit;’.<br />
TNO stelt in beroep dat verweerders ten onrechte voorwaarden<br />
en condities aan de goedkeuring hebben verbonden,<br />
omdat deze voor haar een rechtsonzekere situatie<br />
creëren. (A) stelt in beroep dat verweerders ten<br />
onrechte het desbetreffende plandeel hebben goedgekeurd,<br />
omdat op deze gronden geen goed woon- en<br />
leefklimaat kan worden gegarandeerd als gevolg van<br />
de naastgelegen snelweg en de naastgelegen munitielaboratoria<br />
van TNO. Het plandeel naast de snelweg<br />
betreft de zogenoemde Boswijk. (B) stelt in beroep dat<br />
verweerders ten onrechte het desbetreffende plandeel<br />
hebben goedgekeurd, omdat tegelijkertijd de bedenkingen<br />
van appellant gegrond worden verklaard. Voorts<br />
schaart hij zich achter de bezwaren van (A).<br />
Verweerders zijn van mening dat het beroep van<br />
TNO op dit punt niet-ontvankelijk is, omdat appellante<br />
geen zienswijze heeft ingebracht bij de gemeenteraad,<br />
noch bedenkingen heeft ingebracht bij verweerders.<br />
Voorts hebben zij zich op het standpunt gesteld dat<br />
de voorwaarden en condities niet als harde voorwaarden<br />
moeten worden gezien, maar als een nadere<br />
onderbouwing en motivering van hun beslissing.<br />
Omdat de veiligheid en leefbaarheid in de nieuwe<br />
woonwijk niet in gevaar komen, hebben zij opnieuw<br />
goedkeuring verleend aan de betreffende plandelen.<br />
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van TNO overweegt<br />
de Afdeling dat het dictum van het tweede goedkeuringsbesluit<br />
de goedkeuring van het plandeel met<br />
de bestemming ‘Woongebied (WG)’ uitdrukkelijk verbindt<br />
aan voorwaarden en condities als in de overwegingen<br />
van het besluit weergegeven. Gelet hierop, alsmede<br />
op het feit dat appellante uitdrukkelijk opkomt<br />
tegen deze voorwaarden en niet tegen de goedkeuring<br />
van evengenoemd plandeel, is de Afdeling van oordeel<br />
dat in dit geval TNO redelijkerwijs niet in staat is geweest<br />
tijdig zienswijzen en bedenkingen met betrekking<br />
tot dit punt in te brengen. De bezwaren van appellante<br />
worden derhalve in behandeling genomen.<br />
Voorts overweegt de Afdeling dat de voorwaarden en<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
condities die aan de goedkeuring zijn verbonden niet<br />
gezien kunnen worden als een nadere motivering van<br />
de beslissing van verweerders. Uit de overwegingen<br />
komt naar voren dat verweerders goedkeuring hebben<br />
verleend vanwege het grote belang van de woningbouw,<br />
vanwege de voornemens om tot uitplaatsing en<br />
hervestiging van de opslagbunkers en laboratoria van<br />
TNO over te gaan en vanwege de voornemens om bij<br />
de Minister van VROM aan te dringen op aanvullend<br />
bronbeleid ter verbetering van de luchtkwaliteit. Hieruit<br />
volgt dat verweerders andere maatregelen dan wel<br />
besluiten noodzakelijk achten. Gelet op de voornemens<br />
daartoe hebben zij besloten goedkeuring te verlenen<br />
en de bedenkingen van (A) en (B) gegrond te verklaren.<br />
Indien echter verweerders op voorhand van mening<br />
zijn dat aanvullende maatregelen nodig zijn, kunnen zij<br />
dit niet in hun besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan<br />
tot uitdrukking brengen door aan hun goedkeuring<br />
voorwaarden te verbinden. Artikel 10:29,<br />
tweede lid, van de Awb bepaalt immers, voorzover<br />
thans van belang, dat de goedkeuring niet onder voorwaarden<br />
kan worden verleend. Voorts brengt artikel 28<br />
van de WRO mee dat, behoudens de zich in dit geval<br />
niet voordoende mogelijkheid een aanlegvergunningstelsel<br />
in het leven te roepen, gedeputeerde staten<br />
een bestemmingsplan slechts (al dan niet gedeeltelijk)<br />
kunnen goedkeuren of niet goedkeuren. Voor het stellen<br />
van aanvullende voorwaarden als verweerders hebben<br />
gedaan, biedt de wet derhalve geen grondslag. Nu<br />
bovendien de voorwaarden en condities zijn weergegeven<br />
als voornemens tot het nemen van maatregelen en<br />
afhankelijk zijn van toekomstige, onzekere gebeurtenissen,<br />
zou met het besluit een rechtsonzekere situatie<br />
worden gecreëerd.<br />
Overigens is in het besluit overwogen dat de bedenkingen<br />
van (A) en (B), gelet op de voorgenomen maatregelen,<br />
gegrond zijn, maar wordt er desondanks geen<br />
goedkeuring aan de bestreden plandelen onthouden.<br />
Gelet op al het voorgaande is het besluit in zoverre<br />
in strijd met artikel 10:29, tweede lid, van de Awb en<br />
artikel 28 van de WRO. De beroepen zijn in zoverre gegrond,<br />
zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.<br />
Ruimtelijke ordening<br />
02-78<br />
75<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 26 juni <strong>2002</strong>, nr.<br />
200104725, inzake het wijzigingsplan ‘Landelijk<br />
Gebied 1997, wijzigingsplan agrarisch bedrijventerrein’<br />
van de gemeente Hillegom.<br />
Wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van nieuwvestiging<br />
kan niet aangewend worden voor bedrijfsuitbreiding.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 11, lid 1<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 10:27<br />
2.1. Het wijzigingsplan voorziet in uitbreidingsmogelijkheden<br />
voor een bloembollenbedrijf aan de (...). (...)<br />
2.5. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de<br />
Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO) kan, voorzover<br />
hier van belang, bij een bestemmingsplan worden bepaald<br />
dat burgemeester en wethouders het plan kunnen<br />
wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen.<br />
Burgemeester en wethouders kunnen ingevolge artikel<br />
8, tweede lid, van de planvoorschriften van het<br />
bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1997’ met inachtneming<br />
van de beschrijving in hoofdlijnen de bestemming<br />
van de gronden op de bestemmingsplankaart<br />
voorzien van de aanduiding ‘wijzigingsbevoegdheid ex<br />
artikel 11 WRO I’ (deelgebied Noorderlaan Pastoorslaan)<br />
wijzigen in de bestemming ‘Agrarische handelsen<br />
exportbedrijven (AHE)’ of de bestemming ‘Agrarische<br />
hulp- en nevenbedrijven (AHN)’ dan wel uitbreiding<br />
van bestaande bouwpercelen met de bestemming<br />
‘AHE’ of ‘AHN’ mogelijk maken, teneinde een nieuw<br />
bouwperceel voor een nieuw bedrijf te creëren.<br />
Niet in geding is dat het wijzigingsplan de uitbreiding<br />
van een bestaand bedrijf betreft. Met het plan<br />
wordt derhalve geen nieuw bouwperceel voor een<br />
nieuw bedrijf gecreëerd, zoals vermeld in artikel 8,<br />
tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan,<br />
zodat burgemeester en wethouders ten onrechte<br />
gebruik hebben gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.<br />
Gelet op het vorenstaande is het plan in strijd met<br />
artikel 11, eerste lid, van de WRO. Door het plan niettemin<br />
goed te keuren, hebben verweerders gehandeld<br />
in strijd met dit artikel in samenhang met artikel<br />
10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het be-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
76<br />
roep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te<br />
worden vernietigd. De overige bezwaren van appellanten<br />
behoeven om die reden geen bespreking meer.<br />
02-79<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 26 juni <strong>2002</strong>, nr.<br />
200004862/1, inzake het bestemmingsplan ‘Buitengebied’<br />
van de gemeente Naaldwijk.<br />
Het gelijkheidsbeginsel gaat niet zo ver dat het<br />
in strijd met het streekplan ten onrechte goedkeuren<br />
van bepaalde plandelen meebrengt dat ook andere<br />
plandelen die strijdig zijn met het streekplan<br />
moeten worden goedgekeurd.<br />
2.4.11. Ingevolge het streekplan en de nota planbeoordeling<br />
is het provinciaal beleid er in beginsel op gericht<br />
geen burgerwoningen toe te voegen aan het buitengebied.<br />
Niet-agrarische nieuwbouw dient uit het<br />
buitengebied te worden geweerd. Het omzetten van<br />
agrarische bedrijfswoningen in burgerwoningen is<br />
slechts onder bepaalde voorwaarden toegestaan. De<br />
Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.<br />
De Afdeling stelt vast dat de woningen aan het (...)<br />
en (...) in het vorige plan bestemd waren als agrarische<br />
bedrijfswoningen. Het feitelijke gebruik als burgerwoning<br />
was derhalve in strijd met het vorige plan.<br />
Het gemeentebestuur heeft dit strijdige gebruik gedurende<br />
een lange periode toegestaan en met het voorliggende<br />
plan beoogd een bestemming conform het<br />
huidige gebruik mogelijk te maken.<br />
Gelet op het voorgaande is het standpunt van verweerders<br />
dat het omzetten van de twee voormalige<br />
agrarische bedrijfswoningen in burgerwoningen aan<br />
het (...) en (...) niet in overeenstemming is met het<br />
provinciaal beleid, niet onjuist. In de door appellanten<br />
sub 1 aangevoerde omstandigheid dat de woningen<br />
reeds sinds jaren gebruikt worden als burgerwoning en<br />
zij slechts met dit plan beoogd hebben een einde te<br />
maken aan een illegale situatie, ziet de Afdeling geen<br />
aanleiding voor het oordeel dat een uitzondering op het<br />
hiervoor genoemde beleid gerechtvaardigd is.<br />
Voorzover appellanten sub 1 stellen dat naar aanleiding<br />
van het ontwerp-plan ten aanzien van de omzetting<br />
van de genoemde woningen een positief advies<br />
Ruimtelijke ordening<br />
is afgegeven door de PPC, is de Afdeling van oordeel<br />
dat, wat hier ook van zij, de PPC slechts een adviserende<br />
taak heeft en aan gedeputeerde staten de bevoegdheid<br />
toekomt te beslissen omtrent de goedkeuring<br />
van een plan.<br />
Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel<br />
merkt de Afdeling op dat ter zitting is gebleken<br />
dat verweerders zonder nadere motivering hebben ingestemd<br />
met het omzetten van ruim 500 agrarische<br />
bedrijfswoningen in burgerwoningen. Slechts aan de<br />
twee hier in geding zijnde percelen hebben verweerders<br />
goedkeuring onthouden naar aanleiding van de ingediende<br />
bedenkingen. Het gelijkheidsbeginsel gaat<br />
echter niet zo ver dat het in strijd met het streekplan<br />
ten onrechte goedkeuren van bepaalde plandelen meebrengt<br />
dat ook andere plandelen die strijdig zijn met<br />
het streekplan moeten worden goedgekeurd.<br />
02-80<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 10 juli <strong>2002</strong>, nr.<br />
200103684/1, inzake het bestemmingsplan<br />
‘Woongebieden’ van de gemeente Brunssum.<br />
Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt.<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikel 3:2<br />
2.4. Appellanten sub 2 wensen voor hun perceel (...)<br />
de bestemming ‘Woondoeleinden II (nieuwbouw)’, bij<br />
voorkeur met de nadere aanduiding dat hierop garageboxen<br />
zijn toegestaan. Zij stellen zich op het standpunt<br />
dat het gemeentebestuur bij hen het vertrouwen heeft<br />
gewekt dat aan het perceel een zodanige bestemming<br />
zou worden gegeven, dat daarop garageboxen zouden<br />
kunnen worden gebouwd.<br />
2.4.1. De gemeenteraad heeft er op gewezen dat in het<br />
verleden weliswaar aan appellanten sub 2 een bouwvergunning<br />
is verleend voor de bouw van 18 garageboxen,<br />
maar dat deze vergunning na vernietiging door de rechter<br />
bij besluit van burgemeester en wethouders van 15 september<br />
1998 alsnog is geweigerd. Burgemeester en wethouders<br />
hebben vervolgens geoordeeld dat een bestemming<br />
‘Groenvoorzieningen’ hier het meest wenselijk is.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
2.4.2. Verweerders stellen dat zij van de gemeenteraad<br />
hebben vernomen dat op de plankaart bij het perceel<br />
van appellanten sub 2 abusievelijk de bestemming<br />
‘Woondoeleinden I (bestaand woongebied)’ staat<br />
vermeld. Omdat deze bestemming volgens verweerders<br />
niet overeenkomt met de bedoelde bestemming<br />
‘Groenvoorzieningen’, die uit het raadsbesluit kan worden<br />
afgeleid, hebben zij uit oogpunt van rechtszekerheid<br />
aan dit perceel goedkeuring onthouden.<br />
Voor het overige laat volgens verweerders het feit<br />
dat burgemeester en wethouders in het verleden een<br />
bouwvergunning hebben verleend onverlet dat de gemeenteraad<br />
bevoegd blijft om, alle belangen afwegend,<br />
vast te houden aan de bestemming ‘Groenvoorzieningen’<br />
en het ter zake gevoerde beleid.<br />
2.4.3. De Afdeling overweegt als volgt.<br />
Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel<br />
waartegen de inhoudelijke bezwaren van<br />
appellanten sub 2 zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren<br />
van appellanten sub 2 tegemoet gekomen. In<br />
verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge<br />
artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming<br />
van het besluit tot onthouding van goedkeuring<br />
een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet<br />
slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar<br />
ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in<br />
deze procedure ter beoordeling staan.<br />
De Afdeling vat het beroep van appellanten sub 2<br />
daarom aldus op dat zij zich er tegen verzetten dat aan<br />
de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het<br />
bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag<br />
zijn gelegd.<br />
2.4.3.1. Blijkens de stukken en het verhandelde ter<br />
zitting is in het ontwerpbestemmingsplan aan het perceel<br />
van appellanten sub 2 de bestemming ‘Groenvoorzieningen’<br />
toegekend. Volgens de gemeenteraad<br />
was daarmee beoogd de bestemming ‘Openbaar groen’<br />
onder het vorige plan, ‘Op de Vos’, ongewijzigd te<br />
laten. Op de plankaart van het vastgestelde plan heeft<br />
het perceel echter de bestemming ‘Woondoeleinden I<br />
(bestaand woongebied)’ gekregen.<br />
De gemeenteraad heeft de zienswijze van appellanten<br />
sub 2 met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan<br />
ongegrond verklaard. Evenmin blijkt uit het<br />
vaststellingsbesluit dat de gemeenteraad op dit punt<br />
ambtshalve een wijziging heeft willen aanbrengen ten<br />
opzichte van het ontwerp. De Afdeling acht het stand-<br />
Ruimtelijke ordening<br />
77<br />
punt van de gemeenteraad, dat de bestemming ‘Woondoeleinden<br />
I (bestaand woongebied)’ in het vastgestelde<br />
plan een kennelijke fout betreft, derhalve aannemelijk.<br />
Gelet daarop is het plan in zoverre onzorgvuldig<br />
voorbereid, zodat verweerders terecht in zoverre goedkeuring<br />
aan het plan hebben onthouden.<br />
2.4.3.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting<br />
blijkt voorts het volgende. De gemeenteraad heeft bij<br />
besluit van 21 mei 1996 de in geding zijnde gronden<br />
aan appellanten sub 2 verkocht ten behoeve van de<br />
bouw van een aantal garageboxen. Op 18 juni 1996<br />
heeft (...) een bouwaanvraag ingediend voor het oprichten<br />
van 20 garages op het perceel. Het bouwplan<br />
was in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan<br />
‘Op de Vos’, waarin, zoals gezegd, op het perceel<br />
de bestemming ‘Openbaar groen’ rustte. Met het oog<br />
op het bouwplan heeft de gemeenteraad op 21 mei<br />
1996 een voorbereidingsbesluit genomen als bedoeld<br />
in artikel 21 van de WRO. Nadat verweerders op 17<br />
december 1996 de vereiste verklaringen van geen bezwaar<br />
hadden verleend en door de gemeenteraad bij<br />
besluit van 20 mei 1997 vrijstelling op grond van artikel<br />
19, eerste lid, van de WRO was verleend, hebben<br />
burgemeester en wethouders van Brunssum op 22 mei<br />
1997 besloten tot het verlenen van de gevraagde<br />
bouwvergunning.<br />
Naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift<br />
tegen de verlening van de bouwvergunning heeft de<br />
gemeenteraad op 21 januari 1998 een nieuw voorbereidingsbesluit<br />
genomen voor het gebied, waarna burgemeester<br />
en wethouders genoemd bezwaarschrift ongegrond<br />
hebben verklaard.<br />
De bouwvergunning is door de President van de arrondissementsrechtbank<br />
te Maastricht bij uitspraak<br />
van 8 juni 1998 herroepen. Blijkens die uitspraak<br />
heeft de President daarbij onder meer overwogen dat<br />
geen gedegen juridische grondslag voorhanden was<br />
waarop burgemeester en wethouders met recht en<br />
rede mochten anticiperen. Volgens de President had<br />
de bouw van een dergelijk aantal garages binnen een<br />
bestemming openbaar groen en gelegen naast een (potentieel)<br />
speelgebied grote invloed op het planologisch<br />
stedenbouwkundig beeld van de omgeving, zodat ter<br />
zake een bestemmingsplanprocedure diende te worden<br />
gevolgd.<br />
2.4.3.3. Uit het voorgaande blijkt dat de gemeenteraad<br />
gedurende lange tijd de intentie heeft gehad om<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
78<br />
aan het bouwplan van appellanten sub 2 medewerking<br />
te verlenen. Met de verschillende besluiten (grondverkoop,<br />
voorbereidingsbesluiten, vrijstelling) die de gemeenteraad<br />
ter zake heeft genomen, heeft hij naar het<br />
oordeel van de Afdeling bij appellanten sub 2 de gerechtvaardigde<br />
verwachting gewekt dat aan hun wensen<br />
met betrekking tot het perceel in een nieuw bestemmingsplan<br />
tegemoet zou worden gekomen. Gelet<br />
op het voorgaande is de Afdeling voorts van oordeel<br />
dat appellanten sub 2 niet kan worden tegengeworpen<br />
dat zij tegen de uitspraak van de President van 8 juni<br />
1998 geen hoger beroep hebben ingesteld maar hebben<br />
verkozen te wachten tot het nieuwe bestemmingsplan<br />
in procedure werd gebracht.<br />
Hoewel de gemeenteraad in beginsel de vrijheid<br />
toekomt om zijn beleid ten aanzien van te geven bestemmingen<br />
te wijzigen, dient hij bij het geven van een<br />
bestemming wel een door hem gewekte gerechtvaardigde<br />
verwachting als een zwaarwegend belang af<br />
te wegen tegen de andere belangen, zoals het algemeen<br />
belang en/of belangen van derden. Verweerders<br />
hebben miskend dat de gemeenteraad deze afweging<br />
niet heeft gemaakt.<br />
2.4.3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden<br />
besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het<br />
voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.<br />
Het beroep van appellanten sub 2 is gegrond,<br />
zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel<br />
3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden<br />
vernietigd voorzover het betreft de onthouding van<br />
goedkeuring aan het perceel (...)<br />
Ruimtelijke ordening<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
Planschadevergoeding Planschadevergoeding<br />
79<br />
79<br />
02-81<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 28 november 2001,<br />
nr. 200101548/1, inzake een verzoek om<br />
planschadevergoeding (gemeente Vlagtwedde).<br />
Bij vergelijking tussen hetgeen maximaal kon<br />
en kan worden gerealiseerd dient de onder het<br />
nieuwe regime geldende vrijstellingsmogelijkheid<br />
te worden betrokken. Na de planherziening is<br />
bebouwing, zij het na vrijstelling, evenzeer als<br />
voorheen (bij recht) mogelijk.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />
2.3. Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade<br />
in de vorm van gederfde inkomsten en beperking<br />
van de gewenste bedrijfsvoering, nu als gevolg van de<br />
herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan<br />
– wegens het ontbreken van een verklaring van<br />
geen bezwaar van gedeputeerde staten – bouwvergunning<br />
voor twee pluimveestallen is geweigerd.<br />
2.4. Op het betrokken perceel rustte op grond van het<br />
bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Vlagtwedde 1967-<br />
I’ de bestemming ‘agrarische doeleinden, categorie C’.<br />
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften<br />
zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd<br />
voor akkerbouw, tuinbouw, veehouderij, veeteelt<br />
of enige andere tak van bodemcultuur. Bij Koninklijk<br />
besluit van 4 december 1974 is aan de overige<br />
leden van artikel 8 goedkeuring onthouden, onder<br />
meer omdat de ten behoeve van bestaande agrarische<br />
veredelingsbedrijven geopende vrijstellingsmogelijkheid<br />
inzake de bouw van bijzondere agrarische gebouwen<br />
in redelijkheid ook ten behoeve van de bestaande<br />
grondgebonden agrarische bedrijven zou behoren te<br />
worden geboden.<br />
Bij de herziening van het bestemmingsplan in<br />
1979 is de bestemming van het betrokken perceel niet<br />
gewijzigd.<br />
Wel is aan artikel 8 een vijfde lid toegevoegd, waarin<br />
onder meer is bepaald dat bij op 10 april 1969 bestaande<br />
bijzondere agrarische gebouwen en bestaande<br />
bedrijfswoningen nieuwe bijzondere agrarische gebouwen<br />
mogen worden gebouwd, mits burgemeester en<br />
wethouders daarvoor vrijstelling hebben verleend.<br />
Voorts is in het zevende lid van artikel 8 bepaald dat<br />
burgemeester en wethouders van genoemde vrijstellingsbevoegdheid<br />
eerst gebruik kunnen maken, nadat<br />
van gedeputeerde staten een schriftelijke verklaring is<br />
ontvangen dat zij daartegen geen bezwaar hebben.<br />
Daarbij is tevens bepaald dat de vrijstelling slechts<br />
wordt geweigerd, indien door uitvoering van het bouwwerk<br />
blijvend onevenredige afbreuk zal worden gedaan<br />
aan natuur-, landschaps-, of dorpsschoon of indien er<br />
gevaar bestaat voor een uitzonderlijke ontwikkeling<br />
van een bedrijf dat wordt uitgeoefend in één of meer<br />
bijzondere agrarische gebouwen.<br />
Volgens de planvoorschriften – vóór evenals na de<br />
herziening – zijn pluimveestallen als bijzondere agrarische<br />
gebouwen te beschouwen.<br />
2.6. Met recht heeft de raad zich, in navolging<br />
van een advies van de SAOZ, op het standpunt gesteld<br />
dat appellant als gevolg van de planherziening niet in<br />
een nadeliger planologische positie is gekomen. Bij<br />
vergelijking tussen hetgeen maximaal kon en kan worden<br />
gerealiseerd dient de vrijstellingsmogelijkheid te<br />
worden betrokken. Na de planherziening was maximaal<br />
realisering van de pluimveestallen, zij het na vrijstelling,<br />
evenzeer als voorheen mogelijk. Dat de gevraagde<br />
bouwvergunning om formele redenen is geweigerd,<br />
doet daaraan niet af. Niet kan derhalve worden<br />
staande gehouden dat van een planologische verslechtering<br />
sprake is. De rechtbank heeft dit miskend.<br />
02-82<br />
Uitspraak van de arrondissementsrechtbank Assen<br />
van 18 december 2001, 99/763 BELEI, inzake<br />
een verzoek om planschadevergoeding (gemeente<br />
Zuidlaren, thans: Tynaarlo).<br />
Na wijziging planologisch regime<br />
overeengekomen voortzetting van een<br />
familiebedrijf door vennootschap die deels in<br />
handen is van vader en zoon, is niet te<br />
beschouwen als ononderbroken bedrijfsovergang<br />
zoals dat onder omstandigheden binnen de<br />
familiesfeer van vader op zoon denkbaar is.<br />
Planschade derhalve voorzienbaar voor<br />
vennootschap.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
80<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />
Feiten en omstandigheden<br />
In de afgelopen jaren is in Vries een aantal planologische<br />
veranderingen van verkeerstechnische aard doorgevoerd.<br />
De autosnelweg A-28 heeft ter hoogte van Tynaarlo<br />
op- en afritten gekregen, de traverse die door<br />
Vries loopt, is opnieuw ingericht en een noordelijke<br />
rondweg is aangelegd. Eiseres is eigenaresse van het<br />
inmiddels naar Tynaarlo verplaatste autobedrijf Geba-<br />
Auto BV, thans Kampsteeg Glimmen BV, dat tot begin<br />
van het jaar 2000 gevestigd was aan de (...). De (...) is<br />
een onderdeel van de traverse. Het bijbehorende benzinepompstation<br />
is thans nog wel aan de (...) gevestigd<br />
en wordt thans door derden geëxploiteerd.<br />
Eiseres zegt door de getroffen verkeersmaatregelen<br />
schade te hebben geleden zowel wat betreft de garage<br />
als het pompstation en heeft verweerder verzocht de<br />
schade conform artikel 49 WRO als planschade te vergoeden.<br />
Verweerder heeft de schadeclaim laten onderzoeken<br />
door de SAOZ te Rotterdam. De SAOZ heeft vastgesteld<br />
dat onderhavige verkeerswijzigingen te Vries op<br />
een viertal planologische besluiten berusten. Het bestemmingsplan<br />
‘Wegaansluiting Tynaarlo en uitbreiding<br />
Industrieterrein’, dat d.d. 23 december 1991 onherroepelijk<br />
is geworden, het bestemmingsplan ‘Vries<br />
Noordelijke Rondweg’ dat sedert 6 april 1994 (gedeeltelijk)<br />
onherroepelijk is, het vrijstellingsbesluit ex art.<br />
19 WRO d.d. 10 september 1991 omtrent de herinrichting<br />
van de traverse door Vries, dit besluit is sedert<br />
31 mei 1994 onherroepelijk en tenslotte het vrijstellingsbesluit<br />
ex art 19 WRO d.d. 11 januari 1994 betreffende<br />
de rotonde en de carpoolplaats bij Rhee dat<br />
sedert 13 juni 1994 onherroepelijk is geworden. Alle<br />
vier besluiten mogen worden opgevat als een concretisering<br />
van plannen zoals die in het ‘Structuurplan<br />
1985’ van 1 februari 1972 zijn aangekondigd teneinde<br />
het aantal voertuigen dat het centrum van Vries<br />
passeert, terug te dringen.<br />
De SAOZ acht in beginsel weliswaar aangetoond<br />
dat wat betreft de brandstofverkoop Geba-Auto schade<br />
van voornoemde planologische besluiten heeft geleden,<br />
maar concludeert voorts dat deze schade redelijkerwijs<br />
voor eiseres dient te blijven nu zij ten tijde van<br />
haar vestiging d.d. 1 januari 1974, kennis had kunnen<br />
nemen van het op 28 maart 1972 vastgestelde ‘Structuurplan<br />
1985’ en het bestemmingsplan ‘Vries’ dat<br />
Planschadevergoeding<br />
eerder in 1971 werd vastgesteld en in welke besluiten<br />
gepreludeerd wordt op maatregelen die de verkeersdruk<br />
in de kom van Vries moeten verminderen. De<br />
SAOZ adviseert derhalve de gemeenteraad om het verzoek<br />
van eiseres tot vergoeding van de planschade af<br />
te wijzen. Verweerder heeft conform het advies het<br />
thans bestreden besluit genomen.<br />
Standpunten partijen<br />
Eiseres stelt dat als gevolg van de verkeerswijzigingen<br />
in en rond Vries haar bedrijf schade heeft geleden.<br />
Deze schade is volgens eiseres niet voorzienbaar geweest.<br />
Eiseres meent dat Geba-Auto BV niet pas sedert<br />
1974 aan de (...) is gevestigd, maar moet worden<br />
opgevat als een directe ononderbroken voortzetting<br />
van vader op zoon van het familiebedrijf (A) van vader<br />
(A.A.) en zijn zoon (B.A.), de huidige directeur/grootaandeelhouder<br />
van eiseres, dat reeds in 1964, en dus<br />
ver voor een eerste aankondiging van de verkeersplannen<br />
aangaande het centrum van Vries, aan de (...) is<br />
gevestigd.<br />
(...)<br />
Beoordeling<br />
De rechtbank overweegt dat primair de vraag beantwoord<br />
dient te worden of eiseres beschouwd kan worden<br />
als een rechtstreekse voortzetting van het voormalige<br />
familiebedrijf van (A.A.) en (B.A.). Wordt deze<br />
vraag niet bevestigend beantwoord dan behoeft de inhoudelijke<br />
vraag omtrent planschadevergoeding niet<br />
meer te worden beantwoord, omdat alsdan de zogenaamde<br />
voorzienbare schade conform de uitlegging<br />
van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van<br />
State (AB 1996/309) in redelijkheid voor rekening van<br />
eiseres dient te blijven.<br />
De rechtbank onderschrijft in zoverre de conclusie<br />
van de <strong>StAB</strong> in haar deskundigenrapport.<br />
Met betrekking tot de vraag of er in casu sprake is<br />
van voorzienbare schade overweegt de rechtbank het<br />
volgende. Het ‘Structuurplan 1985’ van 1 februari<br />
1972 alsmede het bestemmingsplan ‘Vries’ uit 1971<br />
zijn voldoende duidelijk zijn geweest omtrent het streven<br />
naar een vermindering van de verkeersdrukte in de<br />
kern van Vries. Op grond van een vergelijking van de<br />
op 1 januari 1974 vigerende planologische regimes,<br />
waaronder als belangrijkste het ‘Structuurplan 1985’<br />
uit 1972, en de thans gerealiseerde maatregelen op<br />
grond van de vier reeds eerder aangehaalde planologische<br />
besluiten uit 1991 en 1994, oordeelt de recht-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
ank dat ongeacht of het aannemelijk is dat er in beginsel<br />
planschade geleden kan zijn, zoals de SAOZ het<br />
stelt, het juist is wanneer de STAB in haar deskundigenrapport<br />
voorop stelt dat de beantwoording van de<br />
vraag naar planschade en eventuele omvang ervan,<br />
pas relevant wordt wanneer vaststaat dat eiseres een<br />
en dezelfde onderneming is als het familiebedrijf (A)<br />
van voor 1 januari 1974. Dit betekent in onderhavige<br />
zaak dat er sprake is van voorzienbare schade indien<br />
na 1 februari 1972 met een nieuw bedrijf is gestart of<br />
het bestaand bedrijf is overgenomen.<br />
Blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel<br />
is op 1 februari 1972 opgericht de besloten vennootschap<br />
Geba-Auto BV. Aandeelhouders waren<br />
destijds de heer (B) (50%), vader (A.A.) en de huidige<br />
directeur/grootaandeelhouder van eiseres (B.A.)<br />
(samen eveneens 50%). De vennootschap werd gevestigd<br />
in Groningen aan de (...). Eveneens uit de gegevens<br />
van de Kamer van Koophandel blijkt dat per 1<br />
januari 1974 het familiebedrijf aan de (...) door voornoemde<br />
vennootschap wordt voortgezet als een filiaal<br />
van Geba-Auto BV te Groningen. De rechtbank overweegt<br />
dat deze overgang niet beschouwd kan en mag<br />
worden als een ononderbroken bedrijfsovergang zoals<br />
dat onder omstandigheden binnen de familiesfeer van<br />
vader op zoon denkbaar is. Het familiebedrijf wordt per<br />
1 februari 1972 niet voortgezet of louter ondergebracht<br />
in een op dat moment opgerichte vennootschap<br />
met als enige aandeelhouders de deelnemers van het<br />
familiebedrijf, maar het bedrijf wordt ingebracht, overgedaan,<br />
aan een reeds gevestigde en elders het bedrijf<br />
uitoefenende onderneming, te weten Geba-Auto BV te<br />
Groningen. Het enkele feit dat vader en zoon (A) medeaandeelhouders<br />
zijn in Geba-Auto BV, doet hier niet<br />
aan af. De rechtbank is van oordeel dat eiseres bij<br />
voortzetting van het familiebedrijf (A) te Vries als filiaal<br />
van het bedrijf Auto-Geba BV te Groningen had behoren<br />
te onderzoeken of het per 1 januari 1974 vigerende<br />
planologische regime wellicht in de toekomst nadelige<br />
gevolgen voor het filiaal kon inhouden. De eventuele<br />
schade was derhalve voorzienbaar.<br />
Planschadevergoeding<br />
02-83<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 6 februari <strong>2002</strong>,<br />
nr. 200102764/1, inzake een verzoek om<br />
planschadevergoeding (gemeente Woerden).<br />
Het is aan appellant om aannemelijk te maken<br />
dat en in welke omvang de omzetdaling van zijn<br />
bedrijf aan de planologische verslechtering moet<br />
worden toegerekend.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />
81<br />
2.3. Appellant exploiteert sinds 1980 in een pand aan<br />
de (A)weg te Woerden een garagebedrijf. De (A)weg is<br />
alleen bereikbaar via de (B)laan. Vooruitlopend op de<br />
vaststelling van het bestemmingsplan ‘Spoorbaanverbreding’<br />
hebben burgemeester en wethouders van<br />
Woerden in 1993 en 1994 drie vrijstellingsbesluiten<br />
op grond van artikel 19 van de WRO alsmede daarmee<br />
verband houdende verkeersbesluiten genomen. Tengevolge<br />
van de aldus gewijzigde verkeerssituatie maakt<br />
de (B)laan geen deel meer uit van de doorgaande route<br />
voor het snelverkeer. Een verbinding tussen de (B)laan<br />
en de nieuwbouwwijk ‘Snel en Polanen’ biedt thans<br />
nog doorgang aan het gemotoriseerd verkeer. In verband<br />
hiermee heeft appellant onder meer verzocht om<br />
vergoeding van planschade.<br />
2.4. De raad heeft zich, op basis van adviezen van de<br />
als deskundige ingeschakelde Stichting Adviesbureau<br />
Onroerende Zaken (SAOZ), op het standpunt gesteld<br />
dat enig causaal verband tussen de planologische wijziging<br />
en de gestelde schade in de vorm van omzetverlies<br />
en winstderving ontbreekt.<br />
2.5. De rechtbank is gelet op de stukken en het verhandelde<br />
ter zitting niet tot de overtuiging gekomen<br />
dat, hoewel door de planologische wijzigingen onmiskenbaar<br />
een zekere verslechtering van de mogelijkheden<br />
voor automobilisten is opgetreden om met name<br />
vanuit het centrum van Woerden het garagebedrijf van<br />
appellant te bereiken, de raad ten onrechte heeft besloten<br />
dat daardoor voor diens bedrijf omzet- en winstschade<br />
is ontstaan, die voor vergoeding op voet van artikel<br />
49 van de WRO in aanmerking komt. Zij heeft<br />
daartoe samengevat overwogen, dat reeds voor de wijziging<br />
van de verkeersstructuur van een dalende ten-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
82<br />
dens sprake was en niet is gebleken dat deze door de<br />
wijziging is versterkt danwel bij het uitblijven daarvan<br />
in positieve zin zou zijn omgebogen.<br />
2.6. Appellant heeft in hoger beroep onder meer betoogd<br />
dat alleen de verslechterde bereikbaarheid en de<br />
verminderde resultaten van zijn bedrijf ná de wijziging<br />
van de verkeerssituatie relevant zijn voor de beoordeling<br />
van de vraag naar de geleden planschade. De situatie<br />
voorafgaand aan de planologische wijzigingen had<br />
buiten beschouwing moeten worden gelaten.<br />
Appellant heeft verder betoogd dat de rechtbank<br />
ten onrechte zonder meer de adviezen van de SAOZ<br />
heeft gevolgd, onder voorbijgaan van het door hem<br />
overgelegde rapport van het als deskundige ingeschakelde<br />
Adviesbureau Van Montfoort, waarin is vermeld<br />
dat er wel een causaal verband aanwezig is tussen de<br />
planologische wijzigingen en de schade. Appellant<br />
heeft voorts nog aangevoerd dat de raad ongemotiveerd<br />
is afgeweken van het advies van de gemeentelijke<br />
bezwaarschriftencommissie die, op basis van de<br />
constatering van de SAOZ dat niet kan worden uitgesloten<br />
dat de gewijzigde verkeerssituatie de neergaande<br />
ontwikkeling van het bedrijf van appellant enigszins<br />
heeft versneld, ook het bestaan van (enig) causaal verband<br />
heeft aangenomen.<br />
2.7. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of de<br />
wijziging van het planologisch regime heeft geleid tot<br />
omzetverlies voor het bedrijf van appellant dat op de<br />
voet van artikel 49 WRO voor vergoeding in aanmerking<br />
komt. De rechtbank heeft deze vraag, in navolging<br />
van de raad, naar het oordeel van de Afdeling op goede<br />
gronden ontkennend beantwoord. De door het Adviesbureau<br />
van Montfoort uitgevoerde contra-expertise<br />
biedt geen aanknopingspunten die een ander oordeel<br />
rechtvaardigen. De stellingname in dit rapport dat de<br />
omstandigheid dat de omzetdaling mogelijkerwijs het<br />
gevolg zou kunnen zijn van andere factoren dan de planologische<br />
mutaties, het causaal verband tussen de<br />
planologische maatregelen en de bestaande nadelige<br />
situatie van het bedrijf geenszins in zijn totaliteit opheft,<br />
is als zodanig onvoldoende om tot een ander oordeel<br />
te komen. Het is aan appellant om aannemelijk te<br />
maken dat en in welke omvang de omzetdaling van appellant<br />
aan de planologische verslechtering moet worden<br />
toegerekend. Terecht is de rechtbank tot het oordeel<br />
gekomen dat appellant hierin niet is geslaagd.<br />
Hetgeen appellant heeft betoogd, leidt derhalve<br />
Planschadevergoeding<br />
niet tot het oordeel dat de rechtbank de beslissing op<br />
bezwaar ten onrechte in stand heeft gelaten.<br />
02-84<br />
Uitspraak van de arrondissementsrechtbank<br />
Utrecht van 12 februari <strong>2002</strong>, SBR nr.<br />
2000/1064, inzake een verzoek om planschadevergoeding<br />
(gemeente Amersfoort).<br />
Schadevergoeding wordt ‘zelfstandig schadebesluit’<br />
nu het planologische regime dat de<br />
schadeveroorzakende maatregel mogelijk maakte,<br />
is vernietigd en het ervoor moet worden gehouden<br />
dat geen legalisering plaatsvindt.<br />
Schadevergoeding gesteld op het gemiddelde<br />
van door (partij)deskundigen getaxeerde<br />
bedragen.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />
2. Overwegingen<br />
Bij besluit van 9 september 1994 heeft verweerder<br />
ongegrond verklaard de bezwaren van eisers, gericht<br />
tegen het besluit van 22 februari 1994, waarbij verweerder<br />
aan Bouwbedrijf Hoffmann B.V. te Amersfoort<br />
een bouwvergunning, met vrijstelling op grond van artikel<br />
19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening<br />
(WRO), heeft verleend ten behoeve van de bouw van<br />
een woongebouw met 23 woningen en een aantal garageboxen<br />
op het perceel (...).<br />
Het door eisers tegen dat besluit ingestelde beroep,<br />
geregistreerd onder nummer 94/3991 WRO19, is<br />
door de rechtbank bij uitspraak van 9 december 1996<br />
gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger<br />
beroep ingesteld, zodat die uitspraak inmiddels in<br />
rechte onaantastbaar is geworden. Er is door verweerder<br />
geen nieuw besluit op bezwaar genomen.<br />
Naar aanleiding van deze uitspraak van de rechtbank<br />
heeft de raadsman van eisers zich op 29 augustus<br />
1997 tot verweerder gewend met het verzoek eisers<br />
een vergoeding voor geleden schade toe te kennen,<br />
welk verzoek door eisers was gegrond op artikel 49<br />
van de WRO. Daarbij is door eisers aangevoerd dat<br />
hun woonhuizen ten gevolge van de met vrijstelling ex<br />
artikel 19 van de WRO verleende bouwvergunning in<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
waarde zijn gedaald. Door eisers is daarbij onder meer<br />
gewezen op de toegenomen verkeersdrukte cq -hinder,<br />
het toegenomen parkeertekort, de toegenomen geluidshinder<br />
en de verstoring van de privacy.<br />
Het verzoek om schadevergoeding hebben eisers<br />
onderbouwd met een viertal taxatierapporten van (F),<br />
makelaar in en taxateur van onroerende goederen te<br />
Amersfoort, waarin voor elk van de woningen een<br />
waardedaling is aangegeven als gevolg van de bouw<br />
van complex (...).<br />
Mede op grond van die rapporten hebben eisers<br />
aan verweerder verzocht hen de volgende bedragen,<br />
exclusief wettelijke rente, als schadevergoeding toe te<br />
kennen:<br />
– eiser (A): ƒ 28,320,55;<br />
– eiser (B): ƒ 18.468,60;<br />
– eiser (C): ƒ 38.447,45 en<br />
– eiseres (D): ƒ 23.235,95.<br />
Bij schrijven van 18 november 1998 is door eisers<br />
onder meer aan verweerder medegedeeld dat het verzoek<br />
om schadevergoeding tevens moet worden opgevat<br />
als een verzoek om afgifte van een zelfstandig<br />
schadebesluit.<br />
Bij brief van 11 maart 1999 is door eisers aan verweerder<br />
medegedeeld dat het op artikel 49 van de<br />
WRO gebaseerde verzoek om (plan)schadevergoeding<br />
niet langer wordt gehandhaafd.<br />
Op verzoek van verweerder zijn door de SAOZ in oktober<br />
1998 een viertal rapporten uitgebracht betreffende<br />
de vraag of eisers schade hebben geleden door de oprichting<br />
van het complex (...).<br />
Op 14 januari 1999 is van de zijde van de SAOZ<br />
gereageerd op de namens eisers ingediende bezwaren<br />
tegen de door de SAOZ in oktober 1998 uitgebrachte<br />
rapporten.<br />
Vervolgens heeft verweerder het besluit van 1 juli<br />
1999 genomen, waarbij naar aanleiding van het ingediende<br />
verzoek om schadevergoeding het volgende<br />
standpunt is ingenomen:<br />
– eiser (A): vergoeding van ƒ 10.000,–, te vermeerderen<br />
met de wettelijke rente vanaf 9 september<br />
1994 tot en met de dag van uitbetaling en vergoeding<br />
van gemaakte kosten van rechtsbijstand en<br />
deskundigen ten bedrage van ƒ 3.320,55;<br />
– eiser (C): vergoeding van ƒ 5.000,–, te vermeer-<br />
Planschadevergoeding<br />
83<br />
deren met de wettelijke rente vanaf 9 september<br />
1994 tot en met de dag van uitbetaling en vergoeding<br />
van gemaakte kosten van rechtsbijstand en<br />
deskundigen ten bedrage van ƒ 3.447,45;<br />
– eiser (B): geen vergoeding van schade; en<br />
– eiseres (D): geen vergoeding van schade.<br />
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de door eisers<br />
ingediende bezwaren tegen het besluit van 1 juli<br />
1999 ongegrond verklaard.<br />
Het bestreden besluit van 26 april 2000 behelst een<br />
zogenoemd zelfstandig schadebesluit. Rechtstreekse<br />
toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht<br />
(Awb), op grond van welke bepaling de<br />
rechtbank schadevergoeding ten laste van een bestuursorgaan<br />
kan toekennen in een lopende procedure,<br />
is derhalve niet aan de orde.<br />
Gelet op de ter zake geldende jurisprudentie zal de<br />
rechtbank aansluiting zoeken bij hetgeen in het kader<br />
van de toepassing van die bepaling ten aanzien van gevallen<br />
als het onderhavige is overwogen.<br />
De rechtbank zal bij de beoordeling van het door eisers<br />
gedane verzoek om schadevergoeding voorts aansluiting<br />
zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht,<br />
waarbij wordt verwezen naar een tweetal<br />
uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 16<br />
april 1996 (JB 1996/117) en 4 juli 1996 (TAR<br />
1996/140).<br />
In dit geding staat ter beoordeling het door eisers gedane<br />
verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding,<br />
bestaande in de waardevermindering van<br />
hun woningen, de taxatiekosten, kosten van rechtsbijstand<br />
en wettelijke rente. Het verzoek om vergoeding<br />
wegens geleden immateriële schade is ter zitting door<br />
eisers ingetrokken.<br />
A. Waardevermindering van eisers woningen<br />
Ter ondersteuning van hun verzoek om schadevergoeding<br />
hebben eisers gesteld dat de ten onrechte verleende<br />
bouwvergunning ten behoeve van de bouw van<br />
een woongebouw en een aantal garageboxen op het<br />
perceel (...), tot gevolg heeft dat hun woning in waarde<br />
is gedaald. Op basis van, in hun opdracht, opgestelde<br />
taxatierapporten hebben zij de door hen geleden schade,<br />
voorzover het betreft de waardevermindering van<br />
hun woningen, vastgesteld op een bedrag variërend<br />
van ƒ 15.000,– tot ƒ 35.000,–.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
84<br />
Gebleken is dat verweerder het voornemen heeft de illegale<br />
bouw bij een herziening van het bestemmingsplan<br />
te legaliseren. Gelet op hetgeen van de zijde van<br />
verweerder ter zitting is aangevoerd, moet het evenwel<br />
niet aannemelijk worden geacht dat de legalisering<br />
binnen afzienbare tijd haar beslag zal krijgen. Bij het<br />
beoordelen van het verzoek om schadevergoeding<br />
moet het er dan ook voor worden gehouden dat geen<br />
legalisering plaatsvindt.<br />
Ten aanzien van de woningen van eisers (A) en (C).<br />
Verweerder heeft de waardevermindering van de woning<br />
van eiser (A) vastgesteld op ƒ 10.000,– en die<br />
van eiser (C) op ƒ 5.000,–. Aan dit standpunt heeft<br />
verweerder ten grondslag gelegd de rapportage van de<br />
SAOZ, welke rapportage mede is gebaseerd op de<br />
zienswijze van de door de SAOZ geraadpleegde deskundige<br />
(E), makelaar en taxateur in onroerende zaken<br />
te Utrecht.<br />
Vastgesteld kan dan ook worden dat tussen partijen<br />
niet in geschil is dat de woningen van eisers (A) en (C)<br />
als gevolg van de illegale bouw in waarde zijn gedaald.<br />
Partijen verschillen echter wel van mening omtrent de<br />
hoogte van de waardevermindering van eisers woningen.<br />
De rechtbank zal zich dan ook tot dit punt van geschil<br />
beperken.<br />
Zowel eisers als verweerder hebben zich bij de vaststelling<br />
van de waardevermindering van de woningen<br />
laten adviseren door een makelaar en taxateur in onroerende<br />
zaken, die de waarde van de woningen van<br />
eisers vóór en na de realisering van de illegale bouw<br />
hebben getaxeerd.<br />
De door eisers (A) en (C) geraadpleegde makelaar<br />
(F), wiens deskundigheid in deze door verweerder<br />
overigens niet wordt betwist, taxeert blijkens zijn rapport<br />
de waarde van de woningen van eisers (A) en (C)<br />
vóór de realisering van de illegale bouw op een bedrag<br />
van ƒ 480.000,– respectievelijk ƒ 550.000,–.<br />
Blijkens het rapport van de SAOZ van oktober<br />
1998 taxeert de door deze stichting ingeschakelde<br />
makelaar (E) de woning van eiser (A) eveneens op een<br />
bedrag van ƒ 480.000,– en de woning van eiser (C)<br />
op een bedrag van ƒ 570.000,–.<br />
Gelet op deze taxaties stelt de rechtbank vast dat<br />
beide makelaars niet dan wel nauwelijks van mening<br />
verschillen omtrent de waarde van de woningen van<br />
Planschadevergoeding<br />
eisers vóór de realisering van de illegale bouw. De<br />
rechtbank is zich daarbij bewust van het feit dat beide<br />
taxateurs bij hun taxaties zijn uitgegaan van een verschillende<br />
peildatum, te weten 1 april 1997 respectievelijk<br />
december 1996.<br />
Mede gelet op het feit dat door de getuige-deskundige<br />
ter zitting is verklaard dat de marktwaarde van de<br />
woningen in die periode niet of nauwelijks is gewijzigd,<br />
bieden de betreffende taxaties naar het oordeel van de<br />
rechtbank een voldoende basis om als uitgangspunt te<br />
dienen voor de beoordeling van de vraag of sprake is<br />
van een waardevermindering van de betreffende woningen.<br />
De waarde van de woningen van eisers (A) en (C)<br />
wordt door makelaar (F) ná de realisering van de illegale<br />
bouw getaxeerd op ƒ 455.000,– respectievelijk<br />
ƒ 535.000,–, waarmee de waardedrukkende werking<br />
die van de illegale bouw uitgaat door deze makelaar<br />
wordt bepaald op ƒ 25.000,– respectievelijk<br />
ƒ 35.000,–.<br />
De door de SAOZ geraadpleegde makelaar (E)<br />
taxeert de betreffende woningen op dat tijdstip op<br />
ƒ 470.000,– respectievelijk ƒ 545.000,–, hetgeen<br />
neerkomt op een waardedaling van ƒ 10.000,– respectievelijk<br />
ƒ 5.000,–. Aldus resteert een verschil van<br />
ƒ 15.000,– respectievelijk ƒ 30.000,– met de door<br />
eisers (cq makelaar (F)) geschatte waardevermindering.<br />
Door de getuige-deskundige (F) is ter zitting met<br />
betrekking tot deze vastgestelde waardedalingen onder<br />
meer opgemerkt dat dergelijke verschillen bij taxaties<br />
veelal zullen optreden, aangezien taxaties worden beinvloed<br />
door de persoonlijke inschatting van de betreffende<br />
makelaar/taxateur.<br />
Ondanks deze niet met elkaar overeenstemmende<br />
vaststelling van de waardedalingen ziet de rechtbank<br />
geen aanleiding om zelf één of meer deskundigen te<br />
benoemen voor het instellen van een onafhankelijk<br />
onderzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking<br />
genomen dat de geconstateerde verschillen in waardevaststelling<br />
relatief bezien niet zo groot zijn, dat dit een<br />
nader onderzoek rechtvaardigt.<br />
De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden<br />
aangewezen de door eisers geleden schade ex<br />
aequo et bono te bepalen op het gemiddelde van de<br />
door betreffende makelaars/taxateurs vastgestelde<br />
waardedalingen, hetgeen in het geval van eiser<br />
(A) neerkomt op een bedrag van ƒ 17.500,–<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
(€ 7.941,19), zijnde het gemiddelde van ƒ 10.000,–<br />
en ƒ 25.000,–, en in het geval van (C) op een bedrag<br />
van ƒ 20.000,– (€ 9.075,65), zijnde het gemiddelde<br />
van ƒ 5.000,– en ƒ 35.000,–.<br />
De rechtbank merkt daarbij, in navolging van de Afdeling<br />
bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie<br />
onder meer BR 1999/43) nog op, dat aan de taxatie<br />
van de waarde van woningen in het kader van de vaststelling<br />
van de onroerend-zaakbelasting in het kader<br />
van het onderhavige verzoek om schadevergoeding<br />
geen waarde kan worden gehecht.<br />
02-85<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 24 april <strong>2002</strong>,<br />
nr. 200004482/1, inzake een verzoek om<br />
planschadevergoeding (gemeente Nieuwegein).<br />
Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb dient naar<br />
het oordeel van de Afdeling aldus te worden<br />
uitgelegd, dat, ingeval een beroep bij de<br />
rechtbank aanhangig is tegen een fictieve<br />
weigering te beslissen op een bezwaar, dat beroep<br />
mede geacht wordt te zijn gericht tegen een<br />
hangende het beroep alsnog genomen reële<br />
beslissing op bezwaar. Indien echter hangende het<br />
beroep tegen een fictieve weigering te besluiten<br />
op bezwaar, alsnog een eerste reële beslissing op<br />
een aanvraag wordt genomen, kan het bij de<br />
rechtbank aanhangige beroep niet mede geacht<br />
worden te zijn gericht tegen die beslissing.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />
Algemene wet bestuursrecht, artikelen 6:20 en<br />
7:1<br />
1. Procesverloop<br />
Bij brief van 26 maart 1997 heeft (A.A.) een verzoek<br />
om planschadevergoeding ex artikel 49 van de Wet op<br />
de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ingediend.<br />
Op 26 mei 1998 heeft (A.A.) bezwaar gemaakt tegen<br />
het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek.<br />
Bij brief van 11 maart 1999 heeft (A.A.) beroep ingesteld<br />
bij de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hier-<br />
Planschadevergoeding<br />
na: de rechtbank) tegen het niet, althans niet tijdig<br />
nemen van een beslissing op zijn bezwaar tegen het<br />
niet, althans niet tijdig nemen van een beslissing op<br />
het verzoek.<br />
Bij besluit van 9 september 1999 heeft de raad van de<br />
gemeente Nieuwegein (hierna: de raad) medegedeeld<br />
dat het verzoek om planschadevergoeding is afgewezen<br />
en dat tegen deze beslissing een bezwaarschrift bij<br />
de raad kan worden ingediend.<br />
Dit besluit is aangehecht (hier niet opgenomen,<br />
red.).<br />
Bij brief van 5 oktober 1999 heeft (A.A.) een bezwaarschrift<br />
ingediend tegen het besluit van 9 september<br />
1999. Tevens – namelijk ingeval het besluit van 9 september<br />
1999 zou moeten worden geduid als beslissing<br />
op bezwaar – heeft hij de brief van 5 oktober 1999 als<br />
beroepschrift bij de rechtbank ingediend.<br />
Bij uitspraak van 15 augustus 2000, verzonden op<br />
dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te<br />
Utrecht (hierna: de rechtbank) het beroep, voorzover<br />
gericht tegen het niet nemen van een besluit op het verzoek<br />
om planschadevergoeding niet-ontvankelijk, en<br />
voor het overige ongegrond verklaard. Daarbij heeft de<br />
rechtbank, onder toepassing van artikel 6:20, vierde<br />
lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van<br />
11 maart 1999 mede gericht geacht tegen het besluit<br />
van 9 september 1999. Deze uitspraak is aangehecht<br />
(hier niet opgenomen, red.).<br />
Tegen deze uitspraak heeft (A.A.) bij brief van 19 september<br />
2000, bij de Raad van State ingekomen op<br />
21 september 2000, hoger beroep ingesteld. Deze<br />
brief is aangehecht (hier niet opgenomen, red.).<br />
(A.A.) is op 24 december 2000 overleden. De procedure<br />
is voortgezet door zijn echtgenote, (B.A.).<br />
(...)<br />
85<br />
Overwegingen<br />
2.1. De Afdeling is er in het navolgende van uitgegaan<br />
dat appellante, als rechtsopvolgster onder algemene<br />
titel van wijlen (A.A.), als belanghebbende in de zin<br />
van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht<br />
(Awb) moet worden beschouwd.<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
86<br />
2.2.0. De gronden van het hoger beroep beperken zich<br />
tot het oordeel en het dictum van de rechtbank waarbij<br />
het beroep ongegrond is verklaard.<br />
2.2.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord<br />
of het besluit van 9 september 1999 (uitsluitend) als<br />
een beslissing op het verzoek van 26 maart 1997, dan<br />
wel (tevens) als een beslissing op het bezwaarschrift<br />
van 26 mei 1998 moet worden geduid.<br />
2.2.2. Daarbij stelt de Afdeling vast dat, noch uit de<br />
wijze van totstandkoming, noch uit de inhoud van het<br />
besluit kan worden opgemaakt dat is beoogd een beslissing<br />
op het bezwaarschrift te geven. In dat verband<br />
kan onder meer worden gewezen op de rechtsmiddelenclausule<br />
onder het besluit, waarin betrokkene wordt<br />
gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift<br />
tegen dit besluit in te dienen bij de raad.<br />
2.2.3. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel<br />
dat het besluit van 9 september 1999 niet kan<br />
worden aangemerkt als een beslissing op bezwaar,<br />
doch als een primaire beslissing op het verzoek om<br />
planschadevergoeding.<br />
2.3.1. Appellante heeft ter zitting de bevoegdheid van<br />
de rechtbank om op het beroep, c.q. op het als beroepschrift<br />
doorgezonden bezwaarschrift te beslissen, bestreden.<br />
2.3.2. Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb dient naar<br />
het oordeel van de Afdeling aldus te worden uitgelegd,<br />
dat, ingeval een beroep bij de rechtbank aanhangig is<br />
tegen een fictieve weigering te beslissen op een bezwaar,<br />
dat beroep mede geacht wordt te zijn gericht<br />
tegen een hangende het beroep alsnog genomen reële<br />
beslissing op bezwaar. Indien echter hangende het beroep<br />
tegen een fictieve weigering te besluiten op bezwaar,<br />
alsnog een eerste reële beslissing op een aanvraag<br />
wordt genomen, kan het bij de rechtbank aanhangige<br />
beroep niet mede geacht worden te zijn gericht<br />
tegen die beslissing. Ingevolge artikel 7:1, eerste<br />
lid, van de Awb, dient tegen die beslissing eerst een<br />
bezwaarschrift te worden ingediend. Een andersluidende<br />
opvatting zou tekort doen aan het uitgangspunt<br />
van de Awb dat, alvorens de rechter om een oordeel<br />
gevraagd kan worden, eerst in de bezwaarschriftprocedure<br />
een heroverweging dient plaats te vinden.<br />
Dit betekent dat tegen het besluit van 9 september<br />
Planschadevergoeding<br />
1999 geen rechtstreeks beroep kon worden ingesteld.<br />
Ter zake diende eerst een beslissing te worden genomen<br />
op het bezwaarschrift van 5 oktober 1999 tegen<br />
het besluit van 9 september 1999.<br />
2.4. De rechtbank heeft een en ander miskend. Het<br />
hoger beroep is dan ook gegrond. De aangevallen uitspraak<br />
dient derhalve te worden vernietigd wat betreft<br />
de ongegrondverklaring van het beroep. De Afdeling<br />
ziet aanleiding om, doende wat de rechtbank zou behoren<br />
te doen, het tegen het besluit van 9 september<br />
1999 ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk te<br />
verklaren en het bezwaarschrift door te sturen naar de<br />
gemeenteraad.<br />
Noot: zie ook Nieuwsbrief <strong>StAB</strong> <strong>2002</strong>-1, 1-140<br />
(200101280)<br />
02-86<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 1 mei <strong>2002</strong>,<br />
nr. 200100768/1, inzake een verzoek om<br />
planschadevergoeding (gemeente Tubbergen).<br />
Wijzigingsbevoegdheid in voormalige<br />
planologische regime was voldoende bepaalbaar,<br />
zodat schade (door wijzigingsplan) voorzienbaar<br />
was.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikelen 11 en<br />
49<br />
2.1.1. Ingevolge artikel 11, eerste en zesde lid, van de<br />
WRO, voorzover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan<br />
worden bepaald dat burgemeester en wethouders<br />
binnen bij het plan te bepalen grenzen het<br />
plan kunnen wijzigen en worden wijzigingen als in dit<br />
artikel bedoeld geacht van het plan deel uit te maken.<br />
2.2. (...) bezit een huis aan de (...). Hij heeft op 23<br />
september 1998 bij appellant een verzoek ingediend<br />
om vergoeding van schade, die het gesteld gevolg is<br />
van een besluit van burgemeester en wethouders van<br />
Tubbergen van 22 juli 1997, waarbij deze toepassing<br />
hebben gegeven aan de hun op grond van artikel 5, lid<br />
F, onder 2, van de voorschriften van het bestemmings-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
plan ‘Buitengebied’, in samenhang met artikel 11 van<br />
de WRO, toekomende wijzigingsbevoegdheid. Als gevolg<br />
van dit besluit is de bestemming van de grond gelegen<br />
ten zuidoosten van de woning van (...) van ‘agrarisch<br />
gebied met landschappelijke waarden’ gewijzigd<br />
in de bestemming ‘agrarisch bouwblok’. Het bestemmingsplan<br />
‘Buitengebied’ is door appellant op 11 januari<br />
1982 vastgesteld en is op 28 december 1985 onherroepelijk<br />
geworden.<br />
2.3. Appellant heeft het planschadeverzoek van (...)<br />
afgewezen en deze afwijzing bij de beslissing op bezwaar<br />
gehandhaafd. Daarbij is appellant niet afgeweken<br />
van zijn eerder – in afwijking van het advies van de planschadebeoordelingscommissie<br />
– ingenomen standpunt<br />
dat gebruik is gemaakt van een voldoende bepaalbare<br />
wijzigingsbevoegdheid en – voorzover moet worden geoordeeld<br />
dat sprake is van een verslechtering van het<br />
planologisch regime – de wijziging in de lijn der verwachtingen<br />
lag, dan wel voorzienbaar was.<br />
2.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van<br />
een wijziging van het planologisch regime, waardoor<br />
(...) in een positie is komen te verkeren tengevolge<br />
waarvan hij schade lijdt of zal lijden. De rechtbank<br />
heeft daarbij overwogen dat de in artikel 5, lid F, onder<br />
2, van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid,<br />
die voor nagenoeg het gehele buitengebied<br />
van de gemeente Tubbergen geldt, van zó algemene<br />
aard is, dat het op basis daarvan niet voorzienbaar<br />
was dat juist op het perceel naast dat van (...) een<br />
agrarisch bouwblok zou worden gesitueerd, laat staan<br />
dat hierop een varkenshouderij van zo grote omvang<br />
als thans mogelijk is zou worden gevestigd. Volgens de<br />
rechtbank zal als gevolg van de wijziging het uitzicht<br />
verslechteren en is het aannemelijk dat de waarde van<br />
de onroerende zaken van (...) zal dalen en dient die<br />
schade, vanwege de onvoorzienbaarheid van de wijziging,<br />
niet geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening te<br />
blijven. In verband hiermee heeft de rechtbank de beslissing<br />
op bezwaar vernietigd.<br />
2.5. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de<br />
rechtbank dat voor (...) door het wijzigingsbesluit van<br />
burgemeester en wethouders van 22 juli 1997 een<br />
verslechterde planologische situatie is ontstaan ten opzichte<br />
van het voorheen geldende regime. Vervolgens<br />
heeft de rechtbank echter miskend dat de mogelijkheden<br />
waarin de gerealiseerde bestemmingswijziging<br />
Planschadevergoeding<br />
voorziet voor hem voorzienbaar zijn geweest. Anders<br />
dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid,<br />
die besloten lag in het op 28 december<br />
1985 onherroepelijk geworden bestemmingsplan,<br />
voldoende bepaalbaar was, aangezien deze beperkt<br />
was tot de bestemmingen ‘agrarisch gebied’ en<br />
‘agrarisch gebied met landschappelijke waarden’. In<br />
dit geval diende (...), die binnen laatstgenoemde bestemming<br />
woonde, rekening te houden met de mogelijkheid<br />
dat in de omgeving van zijn woning een agrarisch<br />
bouwblok kon worden gerealiseerd. Gesteld noch<br />
gebleken is voorts dat de in het bestemmingsplan opgenomen<br />
wijzigingsbevoegdheid beperkingen stelt aan<br />
afmetingen of omvang van een te realiseren bouwblok,<br />
die bij het wijzigingsbesluit niet zouden zijn inachtgenomen.<br />
Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van<br />
oordeel dat de door (...) gestelde schade redelijkerwijs<br />
voor zijn rekening moet blijven. Derhalve heeft appellant<br />
terecht beslist dat deze niet op de voet van artikel<br />
49 van de WRO voor vergoeding in aanmerking komt.<br />
02-87<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 22 mei <strong>2002</strong>,<br />
nr. 200102126/1, inzake een verzoek om<br />
planschadevergoeding (gemeente Barneveld).<br />
Voorzienbaarheid aangenomen nu appellanten<br />
gronden hebben aangekocht onder de voorwaarde<br />
dat zij geen bezwaar zouden maken tegen een<br />
toekomstige industriebestemming van de<br />
omliggende grond.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 49<br />
87<br />
2.1. Appellanten sub 2 zijn sedert 1989 eigenaar van<br />
het perceel (..).<br />
2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft appellant<br />
sub 1 het verzoek van appellanten sub 2, om<br />
vergoeding van de schade die zij stellen te lijden ten<br />
gevolge van het op 7 november 1997 in rechte onaantastbaar<br />
geworden bestemmingsplan ‘Harselaarseweg/Nijkerkerweg’,<br />
afgewezen. Ingevolge dat bestemmingsplan<br />
hebben de gronden van en rondom het perceel,<br />
waarop voorheen een agrarische bestemming<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
88<br />
rustte, de bestemming ‘Bedrijven’ en ‘Erf bij bedrijven’.<br />
2.3. Partijen verschillen van mening over het antwoord<br />
op de vragen of appellanten sub 2 door de bestemmingswijziging<br />
in een planologisch nadeliger situatie<br />
zijn komen te verkeren, waardoor zij schade lijden, en,<br />
zo ja, of de schade redelijkerwijs ten laste van appellanten<br />
sub 2 behoort te blijven.<br />
2.4. Het antwoord op eerstgenoemde vragen zal de Afdeling<br />
in het midden laten. Appellanten sub 2 hebben<br />
het perceel in 1989 gekocht op de voorwaarde dat zij<br />
geen bezwaar zouden maken tegen een industriebestemming<br />
van de omliggende grond. In een brief van 8<br />
september 1992 hebben appellanten sub 2 voorts verzocht<br />
om medewerking van gemeentewege voor de<br />
bouw van een bedrijfspand op hun perceel. Appellanten<br />
sub 2 hebben in die brief te kennen gegeven dat zij<br />
het perceel hebben gekocht in de verwachting dat de<br />
hoek Harselaarseweg/Nijkerkerweg in de toekomst industrieterrein<br />
wordt, zoals ook in de Structuurschets<br />
1991 was aangegeven. Zoals in het advies van de<br />
commissie bezwaar- en beroepschriften, dat de motivering<br />
van het besluit op bezwaar bevat, ook is aangeven<br />
hebben appellanten sub 2 ten tijde van de aankoop<br />
van het perceel derhalve rekening gehouden, althans,<br />
kunnen houden met de kans dat op de gronden<br />
van en rondom het perceel een bedrijfsbestemming<br />
zou komen te rusten. De beweerdelijk geleden schade<br />
was voor appellanten sub 2 derhalve voorzienbaar.<br />
Reeds om die reden heeft appellant sub 1 de gestelde<br />
schade ten laste van appellanten sub 2 kunnen laten.<br />
De rechtbank heeft dit miskend.<br />
02-88<br />
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State van 19 juni <strong>2002</strong>,<br />
nr. 200103955/1, inzake een verzoek om<br />
planschadevergoeding (gemeente Barendrecht).<br />
Moment van onherroepelijk worden van (delen<br />
van het) besluit omtrent goedkeuring van een<br />
bestemmingsplan.<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikelen 29,<br />
lid 1 (oud) en 49<br />
Planschadevergoeding<br />
2.2. De raad heeft het verzoek van appellant om vergoeding<br />
van schade ten gevolge van de bepalingen van<br />
het bestemmingsplan ‘Nieuweland’, dat door de raad<br />
in zijn vergadering van 28 juni 1993 is vastgesteld en<br />
door gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij besluit<br />
van 8 februari 1994 gedeeltelijk is goedgekeurd, afgewezen<br />
er van uitgaande dat dit bestemmingsplan eerst<br />
na de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 1997,<br />
onherroepelijke rechtskracht heeft verkregen. De<br />
rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.<br />
2.3. De Afdeling stelt voorop dat, naar uit de overgangsbepalingen<br />
behorende bij de op 1 januari 1994<br />
in werking getreden Wet voltooiing eerste fase herziening<br />
rechterlijke organisatie volgt, wat betreft de inwerkingtreding<br />
en het onherroepelijk worden van het<br />
bestemmingsplan ‘Nieuweland’ het recht dient te worden<br />
toegepast zoals dat gold vóór 1 januari 1994.<br />
Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de WRO, als hier<br />
van toepassing, is het besluit van gedeputeerde staten<br />
tot goedkeuring onherroepelijk ten aanzien van die gedeelten<br />
van een bestemmingsplan, waartegen bij hen<br />
geen bezwaren zijn ingediend en waarop bij hen ingediende<br />
bezwaren niet mede betrekking hebben.<br />
2.4. Het beroep, waarop de Afdeling op 6 januari<br />
1997 de vermelde uitspraak heeft gedaan, was gericht<br />
tegen voornoemd besluit van gedeputeerde staten in<br />
zoverre daarbij goedkeuring was onthouden aan een<br />
gedeelte van het bestemmingsplan. Het enige beroep<br />
dat bij de Afdeling was ingesteld tegen dat besluit<br />
voorzover het bestemmingsplan daarbij was goedgekeurd<br />
had betrekking op gronden in een ander deel van<br />
het plangebied; dat beroep, dat later is ingetrokken, en<br />
het daaraan voorafgaande bezwaar hadden niet mede<br />
betrekking op het gedeelte van het plan waar het hier<br />
over gaat. Nu het bezwaar dat aanvankelijk door appellant<br />
met vijf anderen bij gedeputeerde staten tegen<br />
goedkeuring van het bestemmingsplan van dit planonderdeel<br />
was ingediend door hen is ingetrokken voordat<br />
gedeputeerde staten omtrent de goedkeuring beslisten,<br />
moet worden geoordeeld dat het bestemmingsplan<br />
voor wat betreft het hier aan de orde zijnde gedeelte<br />
in 1994 onherroepelijk is geworden. De beslissing<br />
op bezwaar en de aangevallen uitspraak geven inzoverre<br />
blijk van een onjuiste rechtsopvatting.<br />
Noot: zie ook 02-64. Artikel 29, lid 1, als hier van toe-<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
passing luidde: ‘Het besluit van gedeputeerde staten<br />
tot goedkeuring is onherroepelijk ten aanzien van die<br />
gedeelten van een bestemmingsplan, waartegen bij<br />
hen geen bezwaren zijn ingediend en waarop bij hen<br />
ingediende bezwaren niet mede betrekking hebben.<br />
Gedeputeerde staten omschrijven deze gedeelten in<br />
dat besluit en geven deze gedeelten op de tot het plan<br />
behorende kaart en in de daarbij behorende voorschriften<br />
aan.’<br />
Planschadevergoeding<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
89
90 90<br />
Doorlopend trefwoordenregister Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
aanduiding 01-82<br />
aanhoudingsplicht 00-57<br />
aanlegvergunning 00-24, 25, 62, 97, 105, 01-88,<br />
92, 124<br />
aanplakking K37(3/2001)<br />
aanscherping<br />
aanvraag 00-07, 01-04, K4(2/2001), K29,<br />
K57(3/2001), 01-110, 02-54, 58<br />
aanvraag herleven K29(2/2001)<br />
aanvulling aanvraag 01-04, K57(3/2001), 01-110,<br />
02-58<br />
aanwijzing 01-37, 83, 02-35<br />
aard van de bebouwing<br />
advies 02-74<br />
advies, afwijken van 01-144<br />
adviesbureau 00-48<br />
adviescommissie 00-110<br />
afbakening wetgeving K33(2/2001), 00-117,<br />
K99(1/2001)<br />
afstandsgrafiek 02-49<br />
afstandsmeting K25(2/2001<br />
afstandsnorm K43(3/2000), 00-100, 01-14,<br />
K42(3/2000), 02-16, K32(3/<strong>2002</strong>)<br />
aftrek 01-75<br />
afvalpreventie<br />
afvalstof K49(4/2000), K56(4/2000), 00-116,<br />
01-08, 09, 11, 30, 31, 32, K38(3/2001),<br />
K92(1/<strong>2002</strong>), 02-59, K37(3/<strong>2002</strong>), K39(3/<strong>2002</strong>)<br />
afvalverwijdering K56(4/2000), K70(4/2000),<br />
00-116, 01-08, 09, 11, K39(3/<strong>2002</strong>)<br />
afvalwater 01-10<br />
afweging 00-01, 18, K7(2/2000)<br />
afwegingskader 01-17, 82<br />
afwijken van rijksbeleid<br />
afwijken van streekplanbeleid 01-46, 61<br />
afwijken van structuurplan 01-118<br />
afwijkingsbevoegdheid 00-23, 100, 108<br />
agrarisch bedrijf 01-15<br />
agrarisch hulp- en nevenbedrijf 01-61<br />
akoestisch onderzoek K34(3/2000), 00-60, 127,<br />
K46(3/2001), 01-98<br />
akoestisch rapport K34(3/2000), 01-04,<br />
K46(3/2001)<br />
alara K40(3/2000), 00-86, 117, K34(2/2001),<br />
01-72<br />
algemeen belang<br />
algemene maatregel van bestuur<br />
algemene titel, verkrijging onder 01-138<br />
alternatief K19(2/2001), 01-18<br />
alternatieve veebezetting<br />
ambtshalve (beoordeling) 00-07, K41(3/2001),<br />
K28(3/<strong>2002</strong>)<br />
ammoniakdepositie K8(2/2000), K39(3/2000),<br />
K41, K2(2/2001), 01-76, 79, 02-10, 51<br />
ammoniakemissie K8(2/2000), K41(3/2000),<br />
K52(4/2000), K92(1/2001), K2(2/2001), 02-02<br />
ammoniak en planten K92(1/2001), K8(2/2001)<br />
ammoniakrechten K21(2/2000), 00-46,<br />
K50(4/2000), K52<br />
ammoniakreductie K39(3/2000), 02-02, 01-86<br />
ammoniakreductieplan K39(3/2000), K14(2/2001)<br />
ammoniakschade K8(2/2001), K32(3/<strong>2002</strong>)<br />
anderszins verzekerd 00-39<br />
antenne 01-50<br />
anticipatie 02-16<br />
assimilatieverlichting 02-29<br />
autowasserette<br />
autowrakken<br />
bagatelschade<br />
bebouwde kom<br />
bebouwingscontour 00-100, 02-71<br />
bebouwingsgrens<br />
bebouwingsplan 01-64<br />
bedenkingen K28(2/2000), 01-33, K51(3/2001)<br />
bedrijfsduurcorrectie 00-52<br />
bedrijfseconomisch belang 00-55, 01-01<br />
bedrijfsinterne milieuzorg 00-86, 01-06, 104<br />
bedrijfsmatig 00-04, 05, 42, 83, K79(4/2001),<br />
01-101, 02-08, K1(2/<strong>2002</strong>)<br />
bedrijfsmilieuplan 00-86, 01-01<br />
bedrijfspand K43(3/2001)<br />
bedrijfstakstudie 01-39<br />
bedrijfsverzamelgebouw 01-77<br />
bedrijfsvoortzetting 02-82<br />
bedrijfswoning 01-47<br />
bedrijventerrein 00-103, 01-87<br />
bedrijvigheid 00-79<br />
BEES K27(2/2000)<br />
begrenzing<br />
begrenzing buitengebied<br />
begrenzing inrichting K47(3/2000)<br />
begrip inrichting 00-16, 42, 43, 51, K47(3/2000),<br />
00-79, 81, 83, 89, K74(4/2000), K84(1/2001),<br />
K93, K96, K28(2/2001), K42(3/2001), 01-77,<br />
K60(4/2001), K77, K85(1/<strong>2002</strong>), K86, K93,<br />
02-01, 08, K1(2/<strong>2002</strong>), K17, K21, 02-47<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
egunstigingstermijn K2(2/2000), K13(2/2001),<br />
K43(3/<strong>2002</strong>)<br />
bekendmaking 00-11, 15, K60(4/2000),<br />
K21(2/2001), 01-41, K37(3/2001),<br />
K80(4/2001), 02-63, 67, 73<br />
bekrachtiging 00-95<br />
belang K83(1/2001), K97, K75(4/2001), 02-05<br />
belangenafweging 00-18, K7(2/2000), 00-55,<br />
01-12, 72, 02-31<br />
belangen schaden<br />
belangenverstrengeling<br />
belanghebbende 00-54, 70, 71, 85, 01-29,<br />
K61(4/2001), K66, 02-05, 12<br />
belangrijke wijziging 02-02, 11<br />
beleid 00-14, K37(3/2000), 00-99, K22(2/2001)<br />
Beleidslijn ruimte voor de rivier 00-66<br />
beleidsvrijheid K22(2/2001), 02-50, 56<br />
beoordelingshoogte K87(1/2001)<br />
beoordelingsmethode<br />
beoordelingsvrijheid 00-04, 17, 55, K22(2/2001),<br />
02-16, K15(2/<strong>2002</strong>), 02-50, 56<br />
bepaalbaarheid 02-86<br />
beregeningsinstallatie K28(2/2001)<br />
berekening ammoniakdepositie<br />
beroep in eerste en enige aanleg 01-118<br />
beroepstermijn<br />
beschermingsobject 00-54, 55, K42(3/2000)<br />
beschermingszone 01-73, K70(4/2001), K78,<br />
01-114, 02-05, 07<br />
beschrijving in hoofdlijnen 02-32<br />
beslistermijn 00-67, K29(2/2001), 01-46, 02-63<br />
besluit 00-07, 22, 27, 29, 30, 33, K32(3/2000),<br />
00-77, K89(1/2001), K26(2/2001), 01-67,<br />
K88(1/<strong>2002</strong>), K6(2/<strong>2002</strong>), 02-35, K29(3/<strong>2002</strong>),<br />
K30, 02-61, 63<br />
besmettingsgevaar K68(4/2000), K20(2/2001),<br />
K13(2/<strong>2002</strong>)<br />
bestaande rechten 00-06, K8(2/2000), K21,<br />
K46(3/2000), 00-120, K34(2/2001), 01-42,<br />
01-108, K19(2/<strong>2002</strong>), K20<br />
bestaand gebruik 01-95, 99<br />
bestaande toestand milieu K55(4/2000)<br />
best beschikbare technieken 01-101, 02-02, 11, 14<br />
best bestaande technieken K19(2/2000), 00-77,<br />
117<br />
bestemming, te beschermen 01-124<br />
bestemmingsplan 00-57, K58(4/2000), K78,<br />
K82(1/2001), K52(3/2001), K53<br />
bestemmingsregeling<br />
Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
91<br />
bestemmingswijziging 00-57<br />
bestrijdingsmiddelen 02-30, 48<br />
bestrijdingsmiddelenwet 00-117<br />
best uitvoerbare technieken 02-48<br />
bestuurlijke afweging K54(3/2001), K27(3/<strong>2002</strong>)<br />
bestuurscommissie<br />
bestuursdwang 00-18, K7(2/2000), 00-116,<br />
01-08, K4(2/2001), K10, K32,0 2-48, 55, 59<br />
bestuursorgaan 00-84, K29(2/2001)<br />
bestuurspraktijk 00-114, K76(4/2000)<br />
betrokken minister K29(2/2001)<br />
betrouwbaarheid 00-118, K68(4/2001)<br />
bevoegd K86(1/2001), 01-07, 30, 31, 32,<br />
K41(3/2001), K37(3/<strong>2002</strong>)<br />
bevoegd gezag K15(2/2000), 00-56, K29(3/2000),<br />
K30, K51(4/2000), 01- 07, K29(2/2001), 01-30,<br />
31, 32, K41(3/2001), 01-105, 106,<br />
K37(3/<strong>2002</strong>)<br />
bevoegdheid rechter K86(1/2001), 01-36<br />
bewerken 00-81<br />
bewijs(last)<br />
bezwaar K83(1/2001), 01-33, 116, K94(1/<strong>2002</strong>),<br />
K97, K16(2/<strong>2002</strong>)<br />
bezwaarschrift 01-04, K12(2/2001), 01-116,<br />
K16(2/<strong>2002</strong>)<br />
biggen<br />
bijzonder beschermingsniveau 01-10, K62(4/2001),<br />
02-09<br />
bijzondere bedrijfsomstandigheden K44(3/2000),<br />
K2(2/2001), K44(3/2001), K62(4/2001)<br />
bijzondere gevoeligheid 00-10, K68(4/2000),<br />
K20(2/2001), K72<br />
bijzondere omstandigheid K72(4/2000),<br />
K2(2/2001), K44(3/2001), 01-72, K62(4/2001),<br />
02-09, 49, K34(3/<strong>2002</strong>)<br />
bioscoop 01-48<br />
bodemgesteldheid 00-31, K65(4/2000), 02-15<br />
bodemonderzoek 00-31, 53, K66(4/2000), 02-17<br />
bodemsanering 00-02, 53, K65(4/2000), 01-05,<br />
K26(2/2001), 01-67, K82(4/2001), K11(2/<strong>2002</strong>)<br />
bodemverontreiniging 00-31, 53, K38(2/2000),<br />
K65(4/2000), 01-05, K26(2/2001, K82(4/2001),<br />
01-67, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />
booggeluid<br />
bouwhoogte 01-53<br />
bouwmogelijkheden 00-35, 01-66, 129<br />
bouwperceel 01-66, 129, 02-17, 18, 21<br />
bouwstoffenbesluit K15<br />
bouwvergunning 01-121<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
92<br />
bouwvergunningplichtig 01-50, 68<br />
bouwverordening 00-75, 111, 01-43<br />
bouwvlak 01-49<br />
bouwwerkzaamheden K4(2/2000)<br />
branchebepalingen 00-126, 01-60<br />
brandstoffenverkooppunt 00-126<br />
brochure Veehouderij en Hinderwet 00-10,<br />
K25(2/2000), K42(3/2000), 00-129, 01-90,<br />
K38(3/<strong>2002</strong>), 02-70<br />
bufferbeleid 01-86, 02-17<br />
bufferzone 01-94, 124, 02-30<br />
buitenland 00-77, K7(2/<strong>2002</strong>)<br />
bundelingsbesluit<br />
burgerwoning 00-91, 01-47<br />
capaciteit 00-78, K35(2/2001)<br />
carillon 02-01<br />
causaliteit 00-38, 72, K10(2/2001), 01-113, 141,<br />
02-54, 83<br />
certificering<br />
circulaire indirecte geluidshinder K18(2/2001)<br />
circulaire industrielawaai K44(3/2000)<br />
circulaire Natte Grindwinningen K54(3/2001)<br />
circulaire schadevergoeding 01-03<br />
circulaire schietlawaai 00-17<br />
compensatie 00-39, K43(3/2000), 01-25<br />
concentratiebeleid<br />
concrete beleidsbeslissing 00-27, 01-51<br />
concurrentie<br />
considerans K17(2/2000)<br />
containers 00-81<br />
continuïteit 00-78, K68(4/2001)<br />
continuïteitsbeginsel 00-92<br />
controle K46(3/2001), K84(1/<strong>2002</strong>), K94,<br />
K42(3/<strong>2002</strong>)<br />
convenant 00-25, 118, K81(1/2001)<br />
converteren 01-33<br />
coördinatie K69(4/2000)<br />
coördinatie Wvo K69(4/2000)<br />
cpr-richtlijn 00-13<br />
cumulatie (geluid)<br />
cumulatie (schade) 01-28<br />
cumulatie(stank) K26(2/2000), K25(2/2001)<br />
definities K87(1/<strong>2002</strong>), 01-105, 106<br />
delegeren 00-56, K51(4/2000)<br />
delfstoffenwinning 00-123<br />
derden 00-86, K61(4/2000)<br />
deskundigenbijstand 01-02, K24(2/2001)<br />
Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
deskundigenverslag 00-28, 41, 98, 137, 01-134<br />
detailhandel 00-126<br />
dictum K17(2/2000)<br />
dienstregeling K9(2/<strong>2002</strong>)<br />
dienstwoning 00-131<br />
diersoort 01-59<br />
dijkversterkingsplan<br />
directe werking 01-123<br />
distributie-planologisch onderzoek<br />
doelmatigheid 00-78, K100(1/2001),<br />
K33(2/2001), K68(4/2001), 01-105,<br />
K15(2/<strong>2002</strong>)<br />
doelvoorschriften<br />
doorkruising rijksbeleid 00-123, 01-39<br />
doorwerking 00-20, 21, 108, 124<br />
dosis-effectrelatie 01-39<br />
dwangsom 00-03, 08, K1(2/2000), K2, 00-42,<br />
51, K82(1/2001), K98, 00-137, 01-10,<br />
K4(2/2001), K13, K30, 01-105, 106, 02-03, 04,<br />
K16(2/<strong>2002</strong>), K18, 02-43, 53, K45(3/<strong>2002</strong>)<br />
dwangsom aan bevoegd gezag K98(1/2001)<br />
dwarsprofiel 00-101<br />
ecologische waarden 01-40, K70(4/2001), K78,<br />
01-114, 02-09<br />
economische draagkracht K95(1/2001)<br />
eerste ruimtelijk plan 02-35<br />
eigendomsrecht 00-116<br />
eindonderzoek K66(4/2000)<br />
emissie-arm<br />
emissiefactor K2(2/2001)<br />
emissiepunt 00-21, K58(4/2001)<br />
emissierechten K8(2/2000), K46(3/2000)<br />
emissiewaarden 00-118<br />
energiebesparingsmaatregelen K90(1/<strong>2002</strong>)<br />
energiebesparingsplan<br />
energieregistratie K11(2/2000)<br />
energieverbruik K11(2/2000), K90(1/<strong>2002</strong>)<br />
erfafscheiding 02-62<br />
erfdienstbaarheid<br />
etmaalindeling K64(4/2000)<br />
europese richtlijnen 01-123<br />
evenement 01-72, K17(2/<strong>2002</strong>)<br />
ex nunc-toetsing 00-99, K52(3/2001), 01-86, 91<br />
externe veiligheid K53(4/2000), 01-37<br />
externe werking 00-76, 02-05, 15<br />
fair play-beginsel<br />
fasering 01-131<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
fictieve weigering 02-85<br />
financiële omstandigheden K95(1/2001), 01-01<br />
folklore 00-17<br />
fonds luvo 02-50<br />
formeel gebrek K29(3/2000), K33(3/2000), K48,<br />
K21(2/2001), K23, K31, 01-41, K80(4/2001),<br />
K2(2/<strong>2002</strong>)<br />
fruitbomen K28(2/2001)<br />
functieverandering K57(4/2000), K63(4/2001)<br />
gaswinning 02-65<br />
gebruiksmogelijkheden 01-23, 119, 137, 02-42<br />
gedachtewisseling<br />
gedogen 00-03, K17(2/2000), 01-21,<br />
K30(3/<strong>2002</strong>), K44(3/<strong>2002</strong>)<br />
gegronde vrees 00-118, K68(4/2001)<br />
geheimhouding K48(3/2001)<br />
geluidgrenswaarden K10(2/2000), K13, 00-47,<br />
K44(3/2000), 00-103, 104, K34(2/2001),<br />
01-70, 72, K14(2/<strong>2002</strong>), 02-25<br />
geluidsbegrenzer 01-71<br />
geluidscontour 01-83<br />
geluidsnormen Rijksweg K82(1/2001)<br />
geluidsoverlast K44(3/2000), 01-07, K9(2/2001)<br />
geluidsrapport 00-47<br />
geluidsruimte K34(2/2001), 01-70<br />
geluidsscherm<br />
geluidswal 00-01<br />
geluidszone 00-114, K52(3/2001), 01-83, 02-06<br />
gemachtigde<br />
gemeentelijke herindeling 02-69<br />
genetisch K3(2/2000), 00-82<br />
gerechtvaardigde verwachting 02-80<br />
geurarme stallen K46(3/2000)<br />
geurbeleid K37(3/2000), 01-39<br />
geurbelevingsonderzoek 00-04, 01-39<br />
geureenheid K76(3/2001)<br />
geuremissie K62(4/2000)<br />
geurgevoelig object 01-90, K38(3/<strong>2002</strong>)<br />
geurnormen K37(2/2000), K101(1/2001), 01-39,<br />
K65(4/2001), K69<br />
geuronderzoek K37(2/2000), K62(4/2000), 01-39,<br />
K65(4/2001), K69<br />
geval van bodemverontreiniging 01-67,<br />
K82(4/2001)<br />
gevalsgrenzen 00-02, 01-67<br />
gevelisolatie<br />
gevelreflectie 00-52, K71(4/2000), K7(2/2001)<br />
goedkeuring(sbesluit) 00-77, 93, K26(2/2001),<br />
Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
01-104, K47(3/<strong>2002</strong>), 02-63, 64, 66, 67<br />
goedkeuring van rechtswege 01-120<br />
golfbaan 00-66<br />
grensoverschrijdend K23(2/2001), K7(2/<strong>2002</strong>)<br />
grijze lijst stoffen 02-48<br />
groene hoofdstructuur<br />
groen label-stal 02-02, 11, 14<br />
grondgebonden 01-59<br />
grondslag aanvraag 00-12, K6(2/2000), K18,<br />
00-86, 88, K6(2/2001), 01-33, K12(2/<strong>2002</strong>),<br />
02-54, K25(3/<strong>2002</strong>)<br />
grondstof K11(2/2000), 00-88, K49(4/2000),<br />
01-08, 09, 11<br />
grondwateronttrekking K44(3/2001)<br />
grondwet 02-45<br />
GS-besluit<br />
habitatrichtlijn 00-62, 01-73, K78(4/2001),<br />
01-114, 02-07, 09, 44, 46<br />
hamster 01-17<br />
handhaafbaar 00-86, 01-01, K68(4/2001)<br />
handhaving 00-18, K7(2/2000), 00-82,<br />
K17(2/2001), 01-21, 71, 84, 94, 02-01, K3,<br />
02-47, K34(3/<strong>2002</strong>)<br />
handhavingsverleden 00-18, K68(4/2001)<br />
Handleiding meten en rekenen industrielawaai<br />
K87(1/2001), K88<br />
handreiking industrielawaai K7(2/2001), 01-115,<br />
K27(3/<strong>2002</strong>)<br />
heersend verkeersbeeld<br />
helikopterplatform 01-07<br />
hergebruik K70(4/2000), 01-08, 09<br />
herhaald en ingelast 01-33, K51(3/2001)<br />
herhuisvesting<br />
hernieuwd schorsingsverzoek<br />
heroverweging besluit 01-04, K12(2/2001),<br />
01-140, K16(2/<strong>2002</strong>)<br />
herstel gebrek K33(3/2000), 00-125, 01-04<br />
herstel verzuimen 02-28<br />
hersteltermijn 01-04<br />
herstelvariant 00-122, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />
herziene nota stankbeleid<br />
herzieningsplicht 00-69, 91, 105<br />
historische verontreiniging K65(4/2000)<br />
hogere grenswaarden 00-60, 85, K51(4/2000),<br />
00-103, 127, 01-18, 75, 02-06<br />
hoogbouweffectrapportage 01-16<br />
hoorzitting 00-132, 01-65<br />
horen 00-19, 25, 28, 01-65<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
93
94<br />
huisbrandolie 00-42, 89<br />
huishoudelijk afval(water) 00-81, 01-10<br />
IBC-variant 00-122, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />
indirecte hinder K31(3/2000), K53(4/2000),<br />
K18(2/2001), K45(3/2001), K73<br />
industrieterrein (gezoneerd) 00-57, 02-06<br />
inkomensschade 00-36, 135<br />
inpassing 01-132<br />
inrichting 00-16, 42, 43, 51, K47(3/2000),<br />
00-79, 83, 89, K74(4/2000), 00-116,<br />
K84(1/2001), K28(2/2001), K42(3/2001),<br />
01-77, K60(4/2001), K77, K85(1/<strong>2002</strong>), K86,<br />
K93, 02-01, 04, 08, K1(2/<strong>2002</strong>), K17, K21,<br />
K22, K24, 02-47, K43(3/<strong>2002</strong>)<br />
inspanningsverplichting 00-45, 50, 01-01<br />
inspraak 00-19, 28, 32, 01-52, 93<br />
instructieregeling<br />
intensieve veehouderij 01-59<br />
intentieverklaring 01-01<br />
interimbeleid 01-122<br />
interpretatiebevoegdheid 00-109<br />
intrekking vergunning 00-18, K46(3/2000), K48,<br />
K52(4/2000), K73(4/2001), 01-107, 109, K75,<br />
02-60<br />
intrekking voorschrift<br />
intrekking zienswijze 02-68<br />
inwerkingtreding 01-68, K10(2/<strong>2002</strong>), 02-60<br />
IPPC-richtlijn 01-79, 02-02, 11, 14, K28(3/<strong>2002</strong>)<br />
Jaarvrachten 00-86<br />
justification<br />
Kaderrichtlijn water 00-117<br />
kampeerterrein<br />
kantoren K8(2/2000), K43(3/2001)<br />
kapitalisatiefactor 00-36<br />
kassen 00-59, 02-29<br />
kennelijk ongegrond 00-34<br />
kennelijk onredelijk K1(2/2000)<br />
kennisgeving 00-11, 77, K60(4/2000),<br />
K21(2/2001), K31, 01-41, 02-12, K2(2/<strong>2002</strong>),<br />
02-33, 59<br />
kerk K42(3/2000), 02-01<br />
keur 00-105<br />
keurstroken<br />
klacht 01-93<br />
klooster 01-58<br />
koeldeksysteem 00-121<br />
Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
kokkels 00-87<br />
koop/ruilovereenkomst 00-39<br />
kosten deskundige bijstand 00-37, 115, 135,<br />
K24(2/2001)<br />
kosten taxatierapport<br />
kostenverhaal 00-51, 115, 01-36<br />
kostenverschil 00-122<br />
koude sanering<br />
kwekerijen<br />
kwiklozing 00-118<br />
laden en lossen K95(1/<strong>2002</strong>)<br />
lage tonen<br />
landschappelijke waarden 01-80<br />
legalisatiebeleid 00-14<br />
legalisering 00-14, 111, K17(2/2001), 02-84<br />
lichtuitstraling 02-29<br />
limburgs schieten 00-17<br />
lozing K19(2/2000), 00-86, 117, 118, 121,<br />
01-10, K19(2/2001), K36(3/2001), 01-76,<br />
K96(1/<strong>2002</strong>), 02-43, 48, 51<br />
lozingsalternatief K19(2/2001)<br />
lozingsvoorschriften K33(2/2001)<br />
luchtvaarthinder K83(1/<strong>2002</strong>)<br />
luchtvaartterrein 01-07, 37, K36(3/2001), K55,<br />
01-83, K83(1/<strong>2002</strong>)<br />
maatregelen in bijzondere omstandigheden 01-36<br />
maatschappelijke opvattingen K49(4/2000), 01-11<br />
maatschappelijk risico<br />
machtigingsgebrek<br />
machtspositie 01-111<br />
mainport-doelstelling 01-37<br />
mandatering 00-67, K12(2/2001)<br />
Mantovanelli-arrest 00-28<br />
Marktmechanisme 00-78<br />
Materiaalkeuze 00-108<br />
maximale invulling 00-35<br />
medewerking derden 00-82<br />
meerjarenplan gevaarlijke afvalstoffen K33(2/2001)<br />
meethoogte K87(1/2001)<br />
meetverplichting K46(3/2001), K84(4/2001),<br />
K42(3/<strong>2002</strong>)<br />
meitellingen K50(4/2000)<br />
melding 00-44, K38(3/2000), K32(2/2001),<br />
01-74, 78, K67(4/2001), K43, 02-03, 12,<br />
K4(2/<strong>2002</strong>), K5, K18, K23, 02-57<br />
meldingsplicht K38(3/2000), K32(2/2001), 02-03<br />
menselijk stemgeluid 01-38<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
mestbassins<br />
mestdrooginstallatie<br />
mestopslag 00-24<br />
mestvarkeneenheid K76(4/2001)<br />
milieu-audit<br />
milieu-beleidsplan 00-30<br />
milieubeschermingsgebied 00-47, 01-10<br />
milieu-effectrapportage K9(2/2000), K47(3/2000),<br />
K61(4/2000), 00-120, 133, 134, 01-35, 48, 57,<br />
K93(1/<strong>2002</strong>), 02-09, 20, 35<br />
milieu-effectbeoordeling 00-120, 01-81, 97, 02-09<br />
milieugevolgen 01-37<br />
milieujaarprogramma 00-86, 01-104<br />
milieujaarrapport 01-106<br />
milieuprestatieniveau 01-104<br />
milieutechnische inzichten K91(1/<strong>2002</strong>),<br />
02-16(2/<strong>2002</strong>), K48(3/<strong>2002</strong>)<br />
milieuvergunning 01-130, 132<br />
milieuverslaglegging 01-106<br />
milieuzonering<br />
milieuzorgprogramma 00-119, 01-06, 104<br />
milieuzorgsysteem 00-86, 119, 01-104<br />
militair oefenterrein 00-113, K85(1/<strong>2002</strong>)<br />
mobiliteit K31(3/2000), K73(4/2000)<br />
molenbiotoop 02-27<br />
monopoliepositie 01-111<br />
mondelinge gedachtewisseling<br />
motivering 02-66<br />
motivering, nadere 02-77<br />
motiveringsbeginsel 00-137, 01-22<br />
nabijheid K47(3/2000), K93(1/2001),<br />
K42(3/2001), K21(2/<strong>2002</strong>)<br />
nadeelcompensatie 00-138<br />
nadere eis 00-86, 01-38, K40(3/2001), 01-71, 82<br />
naleving voorschriften 00-82, K84(1/<strong>2002</strong>), K94<br />
natuurbeschermingswet 01-17, K47(3/2001),<br />
01-85, 02-05, 10, 15, 44, 46<br />
natuurmonument 01-85, 02-05, 15<br />
natuurverschijnsel 02-50<br />
natuurwetenschappelijke waarden 00-76, 01-40,<br />
K70(4/2001), 01-114, 02-05, 09, 10, 15<br />
ne bis in idem 00-08<br />
Nederlandse grootte eenheid 01-15<br />
negatieve lijst 01-84<br />
NeR K37(3/2000), 01-39, K49(3/2001)<br />
Nertsen K14(2/2000)<br />
neventak glastuinbouw<br />
neventak intensieve veehouderij<br />
Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
niet-ontvankelijkverklaring K28(2/2000), 01-04,<br />
K48(3/2001), 01-44, 45, 02-12, 56,<br />
K28(3/<strong>2002</strong>)<br />
nieuw besluit 02-63<br />
nieuwvestiging 01-86<br />
norm K19(2/<strong>2002</strong>)<br />
notificatieplicht 00-116<br />
nulsituatie-onderzoek<br />
nuttige toepassing K49(4/2000), K70, 01-08, 09<br />
95<br />
oeverschade K67(4/2000), K79(1/2001)<br />
omgevingsplan 00-30<br />
omrekeningsfactor K23(2/2000), K2(2/2001),<br />
K64(4/2001)<br />
omwonenden<br />
omzetten vergunning 01-33<br />
onbevoegd K5(2/2000), 00-56, K29(3/2000),<br />
01-30, K41(3/<strong>2002</strong>)<br />
ondergeschikte kantoorfunctie<br />
ondertekening, afwisselende 01-45<br />
onderzoeksplicht K24(2/2000), 00-31,<br />
K46(3/2000), K62(4/2000), 01-19,<br />
K44(3/2001), 01-69, K65(4/2001), 02-41<br />
ongewoon voorval 00-80, 02-03<br />
onherroepelijk 01-68, 02-64, 88<br />
onmiddellijke nabijheid K93(1/2001), K42(3/2001,<br />
K86(1/<strong>2002</strong>), K21(2/<strong>2002</strong>)<br />
onrechtmatig 01-02<br />
onrendabele exploitatie<br />
ontgronding K63(4/2000), 02-61<br />
ontgrondingenwet K58(4/2000), 01-34, 35, K63<br />
ontheffing 00-121, 01-72, 91<br />
onthouding van goedkeuring 02-66<br />
ontoelaatbare hinder K46(3/2000), K74(4/2000),<br />
01-42, 107<br />
ontsluiting<br />
onttrekkingsproef 00-02<br />
ontvankelijk bezwaar K94(1/2001)<br />
ontvankelijkheid 00-11, 15, K28(2/2000), 00-24,<br />
26, K33(3/2000), 00-63, 67, 69, 95, 107, 112,<br />
01-104, K68(4/2001), 02-51, 56<br />
ontwerp-besluit K48(3/2000), K80(1/2001),<br />
K57(3/2001), K81(4/2001), K2(2/<strong>2002</strong>), 02-56<br />
onverbindend K100(1/2001), 01-10<br />
onzorgvuldige besluitvorming<br />
openbare weg K18(2/2001)<br />
oppervlaktewater K15(2/2001), K19, 01-76,<br />
01-113, K36(3/2000)<br />
oprichten K4(2/2000), K3(2/2001), K56(3/2001)<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
96<br />
oprichtingsvergunning K3(2/2001), K56(3/2001),<br />
K22(2/<strong>2002</strong>)<br />
opschortende voorwaarde 02-60<br />
opslag 02-47<br />
opslagtanks K77(4/2001)<br />
overcapaciteit 00-78, 01-111<br />
overdragen bevoegdheden 00-56, 103<br />
overgangsrecht 01-21, 25<br />
overleg 00-94, 128<br />
overwegingen (besluit) K85(1/2001)<br />
paardenfokkerij 01-15<br />
paardenhouderij 01-15<br />
papegaaien K34(3/2000)<br />
parapluvergunning<br />
Parcom afspraken 00-118<br />
parkeergarage K27(2/2001)<br />
parkeernorm 01-16<br />
parkeeroverlast K27(2/2001), K4(2/<strong>2002</strong>)<br />
partijdigheid 00-48, 136, 138<br />
peildatum overgangsrecht 01-135<br />
permanente bewoning recreatiewoningen 01-21,<br />
135<br />
persoonsgebonden<br />
persoonsgebonden overgangsrecht<br />
piekgeluidgrenswaarden K44(3/2000),<br />
K84(1/2001), K14(2/<strong>2002</strong>)<br />
plankaart 00-130<br />
planologische kernbeslissing 00-87, 01-35, 37, 94,<br />
02-15<br />
planologische medewerking 01-18<br />
planologische status 00-55<br />
planologische verslechtering 02-37<br />
planperiode 01-89, 02-22, 36<br />
planschadebasis 00-38, 111, 01-28<br />
plantoelichting 02-19<br />
planvergelijking 00-75, 111, 01-142, 02-40<br />
planvoorschriften 00-106, 108, 01-23,<br />
K53(3/2001), 01-100<br />
positieve bestemming 01-21<br />
postzegelplan 01-121<br />
prejudiciële vraag K49(4/2000), 01-09, K70,<br />
02-44<br />
preventie<br />
preventieve bestuursdwang 00-18<br />
primaat<br />
primaire beslissing 02-85<br />
privaatrechtelijke afspraken K91(1/2001), 01-54<br />
privé- en familieleven K83(4/2001)<br />
Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
procedure K48(3/2000), K80(1/2001), 01-37, 46,<br />
K81(4/2001)<br />
procesbelang K5(2/2000), K85(1/2001), 02-53<br />
proceskostenvergoeding 00-47, K45(3/2000),<br />
00-85, 115, 01-02, 02-53<br />
processueel belang 01-20, 27, 02-53<br />
producten 00-88, K31(3/<strong>2002</strong>)<br />
productieprocessen 00-88<br />
proefboringen 00-76, K47(3/2001), 02-05, 15<br />
pro forma bedenkingen<br />
pro forma beroep<br />
pro forma zienswijze 01-44<br />
propaanopslag 00-16<br />
protocol 00-82<br />
provinciaal beleid 01-86, 02-75<br />
provinciale milieuverordening 00-47, 01-10<br />
publicatie-eisen 00-26, 69, 70, 77, 107, 125,<br />
01-13, K80(4/2001), 02-12, K2(2/<strong>2002</strong>), 02-33<br />
raadsbesluit 01-125<br />
raamvergunning 00-45<br />
raffinaderij K27(2/2000)<br />
rangeersporen<br />
rechtsbijstand 02-53<br />
rechtsgevolgen K25(2/2000), 00-46,<br />
K29(3/2000), K43, K89(1/2001)<br />
rechtsmiddel K83(1/<strong>2002</strong>)<br />
rechtsoordeel 02-34<br />
rechtstreekse bouwmogelijkheid 00-110<br />
rechtstreekse werking 00-90, K74(4/2001), K78,<br />
01-125, 02-07, 44<br />
rechtszekerheidsbeginsel K22(2/2000),00-45, 86,<br />
130, K50(3/2001), K71(4/2001), 02-32<br />
reconstructie 00-60<br />
recreatie 02-70<br />
recreatieterrein 00-16<br />
recreatiewoning 00-104, 01-101, 135<br />
rectificatie K88(1/<strong>2002</strong>)<br />
recycling K70(4/2000), 01-08, 09<br />
redelijk denkend en handelend koper<br />
referentiemeting<br />
referentieniveau K10(2/2000), K34(2/2001),<br />
K40(3/2001), 01-70, K13<br />
reformatio in peius K5(2/2001), 01-116<br />
regeringsbeleid<br />
regionaal openbaar lichaan 02-69<br />
regionaal structuurplan 00-27, 01-56, 02-69<br />
rente 00-71, 135, 01-143<br />
restrictief beleid<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
evisievergunning K22(2/2001), K39(3/2001),<br />
K56, K22(2/<strong>2002</strong>)<br />
richtlijn 00-113, K37(3/2000), 00-134<br />
richtlijn Veehouderij en stankhinder 00-14,<br />
K14(2/2000) K25, K63(4/2001), K64,<br />
K91(1/<strong>2002</strong>), 02-49, K38(3/<strong>2002</strong>)<br />
riolering K6(2/<strong>2002</strong>)<br />
risico-aanvaarding 01-24, 25, 02-39<br />
ruimtelijk relevant 00-24, 01-101, 02-29, 75, 76<br />
salderingsplicht 00-46<br />
saldomethode K43(3/2000), K14(2/2001), 01-79,<br />
02-60<br />
saneringsplan 00-02, 53, 122, 01-05,<br />
K26(2/2001), 01-67, 02-06, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />
saneringsplicht<br />
saneringsurgentie 01-05, 67, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />
schadebasis 01-141<br />
schadebeoordelingscommissie 00-34, 136, 137,<br />
138, 01-27<br />
schadebesluit 00-115, 01-02, 03, K10(2/2001),<br />
01-112, 113<br />
schadevergoeding 00-46, 47, K45(3/2000),<br />
00-62, 112, 115, 01-02, 03, K10(2/2001), K27,<br />
K29, 01-112, 113, 02-38, 50, 53, 54<br />
schaduwschade 00-138<br />
schending WRO<br />
schepen 02-59<br />
schijn van partijdigheid 00-48, 136, 138<br />
Schiphol 01-37<br />
schorsende werking 00-87<br />
schorsing opheffen 00-87<br />
significante gevolgen 01-73, 79, 81, K59(4/2001),<br />
K78, 01-114, 02- 02, 05, 07, 11, 14, 44, 02-46<br />
sirenegeluid K9(2/2001)<br />
soepele beoordeling K62(4/2001)<br />
speciale beschermingszone 01-85, 114, 02-05, 07<br />
splitsing inrichting<br />
spoorweglawaai K9(2/<strong>2002</strong>), K40(3/<strong>2002</strong>)<br />
spreiding 00-78<br />
Staat van bedrijfsactiviteiten<br />
stacaravan<br />
stand der techniek 01-69, 75, 02-48<br />
standstill-beginsel 00-77, K44(3/2001)<br />
stankcirkel 00-129, 01-49, 02-70<br />
stankgevoelige bebouwing 00-129, K43(3/2001)<br />
stankhinder K46(3/2000), 00-74, K101(1/2001),<br />
00-129, 01-42, K45(3/2001), 01-69<br />
stedenbouwkundig concept<br />
Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
steenfabrieken (voormalige)<br />
stiltegebied 00-47<br />
stofverspreiding K49, 02-50<br />
straffactor 00-114<br />
strafrechtelijke handhaving<br />
streefnorm 00-50<br />
streekplan 00-22, 23, 29, 30, 33, 92, 95, 100,<br />
109, 123, 124, 131, 01-46, 89, 122, 02-62, 79<br />
streekplanherziening 01-122, 131, 136, 02-20<br />
streekplanuitwerking 00-33, 96<br />
strijdig gebruik 01-137<br />
structuurplan 00-26, 01-118, 02-69<br />
structuurschema groene ruimte<br />
Structuurschema Verkeer en Vervoer<br />
Struisvogels 00-10<br />
taxatie (methode) 00-73, 74<br />
teeltondersteuning 00-105<br />
ter inzage leggen K48(3/2000), 01-120, 128<br />
terinzagelegging plan 00-107, 01-120<br />
termijn 00-40, 01-04, 55, 02-56<br />
termijnoverschrijding 00-107, 01-04, 46, 55,<br />
02-56<br />
terpostbezorging<br />
terreinafscheiding 02-62<br />
terstond van kracht<br />
terugverdientijd<br />
terugwerkende kracht 01-117<br />
tienjarenprogramma afvalstoffen<br />
tijdelijk 00-43, 01-63, 95, K65(4/2001), 02-49<br />
tijdelijke vergunning K65(4/2001), 02-49,<br />
K33(3/<strong>2002</strong>)<br />
tippelzone 00-43, K96(1/2001)<br />
toekomstige ontwikkelingen K16(2/2000),<br />
K78(4/2000), K90(1/2001), 02-06, K27(3/<strong>2002</strong>)<br />
toetsing 00-93, 105, 01-12<br />
toetsingskader 01-88, 121, 02-62<br />
toezegging 00-99<br />
toezending raadsbesluit<br />
tonaal geluid 00-114<br />
tracébesluit 00-20, 21, 108, 01-18, 128<br />
tracékeuze weg 01-18, 02-31<br />
transportmiddel K74(4/2000)<br />
trillinghinder 01-115<br />
tuin K11(2/2001)<br />
tweede woning 01-21<br />
uitbreiden verzoek 00-111<br />
uitbreidingsmogelijkheid<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
97
98<br />
uitrijden mest K45(3/2001)<br />
uitstel 01-65<br />
uitvoerbaarheid 00-31, 02-17, 22, 02-65<br />
uitvoerverbod afvalstoffen<br />
uitwerkingsplan 00-32, 61, 64, 102, 01-12, 22,<br />
64, 96, 97, 117, 120, 126, 141<br />
uitwerkingsregels 01-12<br />
uitzicht 00-01<br />
una via-beginsel 00-08<br />
vakantiewoning 00-54<br />
van wezenlijk belang zijnde beslissing/beleidsuitspraak<br />
varkensbesluit K20(2/2000)<br />
veebestand<br />
veerpont K74(4/2000)<br />
veevoerleverancier K50(4/2000)<br />
veiligheid 02-77<br />
veiligheidsrisico 01-14<br />
veranderingen K39(3/2001)<br />
veranderingsvergunning K16(2/2001), K39(3/2001)<br />
verbindendheid 02-48<br />
verbrandingsmotor 00-43<br />
verdrag K74(4/2001)<br />
vergaring informatie door gemeente/GS<br />
vergunning aan meerdere personen<br />
vergunning op hoofdlijnen 00-86, 119, 01-104<br />
vergunningsaanvraag K4(2/2001), K29<br />
vergunningplicht 00-113, 116, K102(1/2001),<br />
01-79, 02-15, 47, 52, K36(3/<strong>2002</strong>)<br />
verkapte weigering K6(2/2000), K20(2/<strong>2002</strong>)<br />
verkeersbeeld K64(4/2000)<br />
verkeersbewegingen K18(2/2001)<br />
verkeersopstoppingen<br />
verkeersveiligheid K55(3/2001)<br />
verkennend bodemonderzoek<br />
verklaring geen bezwaar GS<br />
verklaring van geen bedenkingen 01-105<br />
verlening vrijstelling<br />
vermogensschade 00-135<br />
verrekening 02-37<br />
verruimde reikwijdte 00-88<br />
verschoonbaar 00-15<br />
verstedelijkingscontour 02-71<br />
vertrouwelijke behandeling stukken<br />
vertrouwensbeginsel 02-04, 80<br />
vervaltermijn K59(4/2000), 02-13<br />
vervallen bouwmogelijkheden 01-124<br />
vervallen van rechten K35(3/2000), K59(4/2000),<br />
Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
01-68, K60(4/2001), 01-108, 109,<br />
K89(1/<strong>2002</strong>), 02-13<br />
vervallen vergunning K21(2/2000), K35(3/2000),<br />
K59(4/2000), 01-68, K60(4/2001), 01-108,<br />
K89(1/<strong>2002</strong>), 02-13, K35(3/<strong>2002</strong>)<br />
vervangingsbesluit 01-94<br />
vervoer gevaarlijke stoffen K53(4/2000)<br />
verweerschrift K4(2/2000)<br />
verwoesten 01-109, K8(2/<strong>2002</strong>)<br />
verwijderen van afvalstoffen K56(4/2000), 01-108,<br />
09, 11, K70<br />
verwijderingsstructuur 00-78<br />
verzorgingsstructuur<br />
verzuimen, herstel van 02-28<br />
visuele hinder 00-01, 74, 01-16, 02-15<br />
vloeistofdicht K94(1/<strong>2002</strong>)<br />
VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering 01-130<br />
vogelgebied K55(4/2000), 01-40, 73, 81, 114,<br />
02-05, 07, 46<br />
vogelrichtlijn 00-62, 01-40, 73, 81, K59(4/2001),<br />
K70, K78, 01-114, 02-07, 44, 46<br />
vogels houden<br />
volwaardig agr. Bedrijf 01-15<br />
voorbereidingsbesluit 00-24, 97, 01-84, 02-73<br />
voorbereidingsprocedure 02-36<br />
voordeelsverrekening<br />
voorkeursvolgorde<br />
voorlopige voorziening 00-97<br />
vooroverleg 00-68<br />
voorschriften 00-13, K22(2/2000), K16(2/2001),<br />
K39(3/2001), K50, K71(4/2001), K75,<br />
K26(3/<strong>2002</strong>), K46<br />
voorschriften veranderingsvergunning K16(2/2001),<br />
K39(3/2001)<br />
voorschriften wijzigen K39(3/2001), 01-69<br />
voor verzuring gevoelig gebied K54(4/2000)<br />
voorzienbaarheid 00-120, 135, 01-26, 138, 02-<br />
39, 82, 86<br />
voorzienbare ontwikkelingen 00-120<br />
voorzieningen K32(3/2000)<br />
voorzorgsbeginsel 00-49, 50, 77, 87,<br />
K49(4/2000), 00-118, 01-34, 35, 02-15, 02-65<br />
vormverzuim 00-32, K29(3/2000), K21(2/2001),<br />
K23, K31, K41(3/2001), K80(4/2001),<br />
K2(2/<strong>2002</strong>)<br />
vreemde taal 00-09<br />
vrij beroep aan huis<br />
vrijstelling 00-65, 106, 110, 01-57, 62, 142, 02-81<br />
vuurwapens 00-113<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
vuurwerk K77(4/2000), K72(4/2001), 02-16,<br />
K48(3/<strong>2002</strong>)<br />
waardebepalingsmethode 02-38<br />
waardevermindering 01-25, 02-38<br />
waddenzee 00-76, 77, 87, 01-34, 35,<br />
K47(3/2001), 02-07, 15, 65<br />
warmdraaien K36(3/2001)<br />
waterbodem<br />
waterschap 02-27<br />
waterverbruik K11(2/2000)<br />
Wederopbouwwet 00-111<br />
wegverkeerslawaai K53(3/2001)<br />
weigering K25(2/2000), 01-02, 03, 02-60, 85<br />
weiland K84(1/2001), K60(4/2001)<br />
werktijden 00-06<br />
wet milieugevaarlijke stoffen 00-117<br />
wetsafbakening 00-117, K99(1/2001),<br />
K33(2/2001)<br />
wettelijke voorschriften 01-120<br />
wijze van meten 00-65<br />
wijziging aanvraag K57(3/2001), 01-110, 02-58<br />
wijzigingsbevoegdheid 00-58, 64, 106, 110,<br />
02-78, 86<br />
wijzigingsplan 00-68, 01-93, 97, 133<br />
windhinder<br />
windmolen 00-62, K102(1/2001), 02-04<br />
winplaats 02-61<br />
Doorlopend trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
woningbouwcijfers 00-99<br />
woonboot K12(2/2000), 00-55, K97(1/2001)<br />
woon- en leefklimaat 00-59, 100, 104, 01-90,<br />
02-77<br />
woonwagenstandplaatsen<br />
wraking K1(2/2001)<br />
99<br />
zakelijke inhoud 00-26, 02-33<br />
zeggenschap K91(1/2001), 01-77, 02-58<br />
zelfstandig schadebesluit 02-84<br />
zelfverzorging/zelfvoorziening K70(4/2000)<br />
zendinstallatie 01-50, 80<br />
zettingsschade K63(4/2000)<br />
zich ontdoen van K49(4/2000), 01-08, 09, 11, 30,<br />
31, K92(1/<strong>2002</strong>), 02-59<br />
zienswijze 02-23<br />
zienswijze, intrekking 02-68<br />
zonebesluit 00-38<br />
zonegrenswaarde<br />
zonering 00-57, 103, 114, 01-83<br />
zorgplichtbepaling 00-90, K94(1/<strong>2002</strong>)<br />
zorgvuldige voorbereiding 01-05, K6(2/2001)<br />
zuiver schadebesluit<br />
zwaarwegend maatschappelijk belang<br />
zwarte-lijststof 00-49, 77, 118<br />
zwavelgehalte 01-01<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
100 100<br />
Doorlopend artikelgewijs Doorlopend register trefwoordenregister 2000-<strong>2002</strong><br />
Afvalstoffenverordening Den Bosch<br />
artikelen 2 en 29 K100(1/2001)<br />
Algemene wet bestuursrecht<br />
artikel 1:1 00-84<br />
artikel 1:2 00-54, 85, K61(4/2001), K66, 02-05<br />
artikel 1:3 00-22, 27, 33, K32 (2/2000), 00-77,<br />
84, 96, K89 (1/2001), 00-124, K26(2/2001),<br />
01-51, 67, K88(1/<strong>2002</strong>), K6(2/<strong>2002</strong>), 02-31,<br />
34, 35, K29(3/<strong>2002</strong>), K30, 02-61<br />
artikel 1:3, lid 4 00-07<br />
artikel 1:5 02-34<br />
artikel 2:1<br />
artikel 2:4<br />
artikel 3:2 00-48, 86, 118, 119, 137, 01-05,<br />
K6(2/2001), 01-40, 01-49, 95, 113, 02-05, 22,<br />
31, 02-80<br />
artikel 3:4 00-03, K7(2/2000)<br />
artikel 3:11<br />
artikel 3:12 00-26, 01-13, 02-33<br />
artikel 3:14 K80(1/2001)<br />
artikel 3:18 01-04<br />
artikel 3:19 00-11, K48(3/2000), 00-77,<br />
K21(2/2001), 01-41, K81(4/2001), K2(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 3:21 K81(4/2001)<br />
artikel 3:24<br />
artikel 3:25<br />
artikel 3:27<br />
artikel 3:28 K29(2/2001)<br />
artikel 3:40 02-73<br />
artikel 3:41 02-12, 73<br />
artikel 3:42 K80(4/2001), 01-28<br />
artikel 3:45 K60(4/2000)<br />
artikel 3:46 K44(3/2000), 00-120, 01-01, 54, 63,<br />
87, 90, 113, 115, 02-09, 17, 71<br />
artikel 3:47 01-87<br />
artikel 3:50 01-144<br />
artikel 4:5 00-09, 01-04, K57(3/2001)<br />
artikel 4:16 00-118<br />
artikel 5:21 00-18, K7(2/2000), 00-51, 01-36<br />
artikel 5:24 K13(2/2001), K17, 01-36, 02-55<br />
artikel 5:25 01-36<br />
artikel 5:32 00-03, 08, K1(2/2000), K2, 00-113,<br />
K82(1/2001), 01-10, K4(2/2001), K17, K30,<br />
K53(3/2001), 01-105, 116, K94(1/<strong>2002</strong>),<br />
02-04, K18 (2/<strong>2002</strong>), K34(3/<strong>2002</strong>), K45<br />
artikel 5:34 K2(2/2000)<br />
artikel 6:2 00-67, 01-46, 140<br />
artikel 6:3 K61(4/2000)<br />
artikel 6:5 K48(3/2001)<br />
artikel 6:6 K33(3/2000), K48(3/2001), 02-28<br />
artikel 6:7<br />
artikel 6:11<br />
artikel 6:13<br />
artikel 6:15 00-22, 02-34<br />
artikel 6:17 02-67<br />
artikel 6:18 02-41<br />
artikel 6:19 02-41<br />
artikel 6:20 01-140, 02-85<br />
artikel 6:22 00-32, K29(3/2000), K21(2/2001),<br />
K31<br />
artikel 7:1 02-34, 85<br />
artikel 7:2 01-65<br />
artikel 7:9<br />
artikel 7:11 00-137, 01-04, K12(2/2001),<br />
01-116, K16(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 7:12 00-137, 01-58<br />
artikel 7:13<br />
artikel 8:5 01-84<br />
artikel 8:15 K1(2/2001)<br />
artikel 8:26 00-115<br />
artikel 8:32<br />
artikel 8:42 K5(2/2000)<br />
artikel 8:47 00-28, 41, 98, 137, 01-134<br />
artikel 8:54<br />
artikel 8:55<br />
artikel 8:69<br />
artikel 8:72 00-67, 137, 01-121<br />
artikel 8:72, lid 3 K25(2/2000), K29(3/2000),<br />
K43, K62(4/2000)<br />
artikel 8:72, lid 4 K29(2/2001), 01-33, 02-24<br />
artikel 8:72 lid 5 01-46, 02-36<br />
artikel 8:72 lid 7 K98(1/2001)<br />
artikel 8:73 00-46, K45(3/2000), 01-02,<br />
K10(2/2001), 02-53<br />
artikel 8:75 00-47, 115, K24(2/2001), 02-53<br />
artikel 8:81<br />
artikel 8:86 01-37<br />
artikel 8:88 01-44, 02-28<br />
artikel 10:15 01-105<br />
artikel 10:27 00-93, 01-62, 99, 117, 119, 122,<br />
124, 02-19, 23, 26, 27, 32, 66, 77, 78<br />
artikel 10:29 02-77<br />
artikel 10:30 00-94, 128<br />
artikel 10:31 00-67, 01-20<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer<br />
artikel 1 02-52<br />
Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer<br />
artikel 2 K36(3/<strong>2002</strong>)<br />
Besluit detailhandel ambachtsbedrijven<br />
bijlage K95(1/<strong>2002</strong>)<br />
Besluit geluidhinder spoorwegen<br />
artikel 1 K9(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 21<br />
Besluit genetisch gemod. organismen Wms<br />
artikel 1 K3(2/2000)<br />
artikel 23 K3(2/2000), 00-82<br />
Besluit herstelinrichtingen motorvoertuigen<br />
artikel 2<br />
Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen<br />
artikel 5 01-38, K40(3/2001), 01-71<br />
artikel 6 K18(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 7<br />
Besluit milieu-effectrapportage 1994<br />
Onderdeel A, bijlage 00-123<br />
Onderdeel c, bijlage K93(1/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 2 00-133, 01-48, 02-35<br />
artikel 9 00-133<br />
Besluit opslag - en transportbedrijven milieubeheer<br />
artikel 2 K27(2/2001)<br />
artikel 3 K27(2/2001)<br />
Besluit opslaan in ondergrondse tanks<br />
artikel 1 00-42, 89<br />
artikel 13, lid 4 00-42, 89<br />
artikelen 18 en 19<br />
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985<br />
artikel 2<br />
artikel 9 00-31, 01-19, 02-17<br />
artikel 12<br />
artikel 13 00-61<br />
artikel 15 00-101<br />
Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />
Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer<br />
artikel 1 K21(2/2000), 01-49<br />
Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt<br />
milieubeheer<br />
algemeen 00-59<br />
Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen<br />
artikel 4<br />
Burgerlijk Wetboek<br />
artikel 6:162<br />
EG-richtlijn 75/442<br />
artikel 1 K49(4/2000), K70, 01-08, 09, 11, 30,<br />
31, 32, K38(3/2001), K41, K92(1/<strong>2002</strong>),<br />
K37(3/<strong>2002</strong>), K39<br />
artikel 3 K70(4/2000)<br />
artikel 5 01-09<br />
artikel 7 01-09<br />
artikel 11 K39<br />
EG-richtlijn 76/464<br />
artikel 1 lid 2 00-43<br />
artikel 2 00-77, 118<br />
artikel 7 01-76, 02-48, 51<br />
EG-richtlijn 79/409<br />
artikel 4 01-73, 85, K59(4/2001), K70, K78,<br />
01-114, 02-05, 07, 46<br />
EG-richtlijn 80/836<br />
artikel 6<br />
EG-richtlijn 83/189<br />
artikel 1 lid 9 00-116, K46(3/<strong>2002</strong>)<br />
EG-richtlijn 85/337<br />
artikel 2 en 4 01-81<br />
artikel 5 00-134<br />
EG-richtlijn 92/43<br />
artikelen 2, 3-16 01-17, 73, 85, K74(4/2001),<br />
K78<br />
artikelen 6 en 7 01-114, 02-07, 44, 46<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
101
102<br />
EG-richtlijn 96/61<br />
artikel 1 01-79, 02-02, 14<br />
artikelen 2, 3, 9 en 12 02-02, 11, 14<br />
EG-Verdrag<br />
artikel 10 01-73<br />
artikelen 29 en 30 K70(4/2000)<br />
artikelen 34 en 36<br />
artikelen 82 en 86 01-111<br />
artikel 90<br />
artikel 189<br />
artikel 130T<br />
EG-Verordening 259/93 (Evoa)<br />
artikel 1 01-32, 02-59<br />
artikel 2 01-08, 32, 02-59<br />
artikel 4 K70(4/2000), 01-09<br />
artikel 7 01-09, 32<br />
artikel 26 01-08, 02-59<br />
Europees Handvest inzake lokale Autonomie<br />
artikel 4 01-125<br />
Europees Verdrag Rechten v/d Mens<br />
artikel 1 00-116, 01-135<br />
artikel 8 00-90, K83(1/<strong>2002</strong>), 02-45<br />
artikel 13 K83(1/<strong>2002</strong>)<br />
Gemeentewet<br />
artikel 125 K82(1/2001), K53(3/2001)<br />
artikel 164 00-95<br />
Grondwaterwet<br />
artikel 14 K44(3/2001)<br />
Grondwet<br />
artikel 21 00-90, 02-45<br />
Hinderwet<br />
artikel 27<br />
Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wm<br />
artikel 5.1 K34(3/2000), 01-04<br />
artikel 5.6<br />
artikel 5.10 01-04<br />
artikelen 5.16 en 5.18<br />
artikel 7.1 K23(2/2001)<br />
bijlage I, categorie 1.1 onder b 00-43, K96(1/2001)<br />
bijlage I, categorie 1.2 onder a 00-43<br />
Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />
bijlage I, categorie 3-5 02-47<br />
bijlage I, categorie 5.1<br />
bijlage I, categorie 11.1<br />
bijlage I, categorie 11.3 K35(2/2001)<br />
bijlage I, categorie 13.1 02-47<br />
bijlage I, categorie 14.1 en 14.2<br />
bijlage I, categorie 17 00-113<br />
bijlage I, categorie 18 K17(2/<strong>2002</strong>)<br />
bijlage I, categorie 19 02-01<br />
bijlage I, categorie 28.1 00-81<br />
bijlage I, categorie 28.3 onder c 00-116<br />
bijlage I, categorie 28.4 01-11, 30, K41(3/2001)<br />
Instructieregeling lozingsvoorschriften<br />
artikel 2<br />
Interimwet ammoniak en veehouderij<br />
artikel 1 K40(3/2000), K2(2/2001)<br />
artikel 2 K8(2/2000)<br />
artikel 3<br />
artikel 5 K8(2/2000), K41(3/2000)<br />
artikel 7 K39(3/2000)<br />
artikel 8 lid 4 K14(2/2001)<br />
Internationaal verdrag inzake economische,<br />
sociale en culturele rechten<br />
artikel 11 01-135<br />
Kernergiewet<br />
artikelen 15 en 15a K29(2/2001)<br />
artikel 29 K29(2/2001)<br />
artikel 30 K29(2/2001)<br />
Lozingenbesluit Wbb<br />
artikel 11 01-10<br />
artikel 24a 00-121<br />
Lozingenbesluit Wvo<br />
artikel 2 02-48<br />
artikel 3<br />
artikel 14 02-48<br />
Luchtvaartbesluit<br />
artikel 6, 7 en 8 01-07<br />
Luchtvaartwet<br />
artikel 14 01-07<br />
artikel 24 00-138<br />
artikel 25 01-83<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
artikel 25a<br />
artikel 26<br />
artikel 27 00-138, 01-37<br />
artikel 30<br />
artikel 72 K41(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 76 01-07<br />
Natuurbeschermingswet<br />
artikel 12 00-76, 87, K47(3/2001), 01-133,<br />
02-05, 10, 15, 21, 02-44, 46, K29(3/<strong>2002</strong>),<br />
02-65<br />
artikel 21 00-87<br />
artikel 24 01-17<br />
artikel 25 01-17, 91<br />
Ontgrondingenwet<br />
artikel 3 01-34, 35<br />
artikel 10 K58(4/2000), K63<br />
Provinciale Milieuverordening Noord Brabant<br />
artikel 4.3.1.1 K100(4/2000)<br />
Provinciewet<br />
artikel 74<br />
artikel 102<br />
artikel 107 00-56, K51(4/2000), 01-105<br />
artikel 118 01-10<br />
artikel 122 00-18<br />
artikel 127<br />
artikel 166<br />
Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat<br />
artikel 10 00-138<br />
artikel 23 00-138<br />
Telecommunicatiewet<br />
artikel 3.6 lid 2 K99(1/2001)<br />
Tracéwet<br />
artikel 7 01-128<br />
artikel 13 01-18<br />
artikel 15 01-18<br />
artikel 16 01-128<br />
artikel 17 01-18<br />
artikel 19 00-20, 21, 108<br />
artikel 24<br />
artikel 25 00-20, 21<br />
Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />
Uitvoeringsbesluit Reken- en Meetvoorschrift<br />
Verkeerslawaai<br />
artikel 8 00-127, 01-98<br />
Uitvoeringsbesluit Wvo<br />
artikel 2 lid 2 00-117<br />
artikel 4 01-36<br />
Uitvoeringsregeling Uav<br />
artikel 2 K54(4/2000)<br />
artikel 3 K81(1/2001)<br />
artikel 4<br />
bijlage 4<br />
Universele verklaring van de Rechten v/d Mens<br />
artikel 25 01-135<br />
Waterschapswet<br />
artikel l61 01-36<br />
Wet afvalwater<br />
artikel IV lid 2 K86(1/2001)<br />
Wet bodembescherming<br />
artikel 1 01-67, K82(4/2001)<br />
artikel 13 K94(1/<strong>2002</strong>), 02-55<br />
artikel 28 01-05<br />
artikel 29 K38(3/2000), 01-05<br />
artikel 37 K38(3/2000), 01-05<br />
artikel 38 00-53, 122 , K11(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 39 00-02, 53, 122, K11(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 40 01-05<br />
artikel 53<br />
Wet gemeenschappelijke regelingen<br />
artikelen 8 en 10 01-106<br />
Wet geluidhinder<br />
artikel 1 00-54<br />
artikel 41, 42 00-57<br />
artikel 47 00-103<br />
artikel 53 00-57, 114<br />
artikelen 71 en 72 02-06<br />
artikel 72 lid 2<br />
artikel 72 lid 2<br />
artikel 74 00-104, 01-98<br />
artikel 76 00-60, 02-25<br />
artikel 77 00-60, K53(3/2001)<br />
artikel 82 00-104<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
103
104<br />
artikel 90 00-85<br />
artikel 99 00-60<br />
artikel 100 00-127<br />
artikel 100a 00-60, 127, 01-75<br />
artikel 103 01-75<br />
artikel 111 00-127<br />
artikel 157<br />
Wet milieubeheer<br />
artikel 1.1 lid 1 00-04, 05, 42, 43, 51, 78, 79,<br />
81, 83, 89, K74(4/2000), 00-116, K84(1/2001),<br />
K91, K93, K96, K102, K45(3/2001), 01-77,<br />
K68(4/2001), K77, K79, K85(1/<strong>2002</strong>), K86,<br />
K87, K92, 02-01, 08, K1(2/<strong>2002</strong>), K21, K24,<br />
02-47, K43(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 1.1 lid 2 K11(2/2000), K31(3/2000),<br />
00-88, K28(2/2001)<br />
artikel 1.1 lid 3 en 4 00-05, 16, 42, 43, 51,<br />
K47(3/2000), 00-81, 89, 116, K42(3/2001),<br />
01-77, K60(4/2001), K77, K93(1/<strong>2002</strong>), 02-01,<br />
08, K24(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 1.1 lid 5<br />
artikel 1.1a<br />
artikel 1.2 00-47, 01-10<br />
artikel 4.22 K6<br />
artikel 7.1 00-134<br />
artikel 7.2 01-57, 97, 01-48, 02-35<br />
artikel 7.4, 7.8b e.v. K61(4/2000), 01-97<br />
artikel 7.5 02-20, 35<br />
artikel 7.6<br />
artikel 7.8b 02-09<br />
artikel 7.10 K9(2/2000)<br />
artikelen 7.12-7.16 02-20<br />
artikel 7.27 01-97<br />
artikel 7.28<br />
artikel 8.1 00-16, K4(2/2000), 00-79,<br />
K3(2/2001), K16, 01-33, K39(3/2001), K56,<br />
02-04, 14, K3(2/<strong>2002</strong>), K7, K12, K17, K22,<br />
K34(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.1 lid 3 02-57<br />
artikel 8.2 K15(2/2000), 00-56, K30(3/2000),<br />
K35(2/2001), K41(3/2001)<br />
artikel 8.3<br />
artikel 8.4 00-06, 120, K3(2/2001), K16, K22,<br />
01-33, 42, K39(3/2001), K56, K64(4/2001),<br />
K19(2/<strong>2002</strong>), K22, 02-56, K48(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.5<br />
artikel 8:6 K80(1/2001)<br />
artikel 8.7 K23(2/2001)<br />
Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />
artikel 8.8 K16(2/2000), K55(4/2000), K76, K78,<br />
00-119, K90(1/2001), K52(3/2001),<br />
K90(1/<strong>2002</strong>), K27(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.9 K20(2/2000), 02-58<br />
artikelen 8.10 en 8.11<br />
artikel 8.11 lid 3 00-13, 17, K10(2/2000), K13,<br />
K18, K19, K22, K24, K40(3/2000), 00-86, 117,<br />
K83(1/2001), K87, K95, K101, 01-70,<br />
K69(4/2001), K75, K15(2/<strong>2002</strong>), K19,<br />
K26(3/<strong>2002</strong>), K47(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.11 lid 4<br />
artikel 8.12 00-50, K46(3/2001), K42(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.13 K31(3/2000), 01-06, K84(1/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.16 K66(4/2000)<br />
artikel 8.17 K65(4/2001), 02-49, K33(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.18 K35(3/2000), K59(4/2000), 01-68,<br />
K60(4/2001), 01-108, 02-13, K35(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.19 00-44, K43(3/2000), K32(2/2001),<br />
01-74, 78, K67(4/2001), 02-12, K4(2/<strong>2002</strong>),<br />
K5, K23, 02-57<br />
artikel 8.20<br />
artikel 8.22, 8.23 K46(3/2000), 01-07,<br />
K36(3/2001), 01-69, K25(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.24 K12(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.25 00-06, K46(3/2000), K52(4/2000),<br />
01-42, 107, 109, K31(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.26 K21(2/2000), K10(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 8.28 00-10<br />
artikel 8.30<br />
artikel 8.36 K56(4/2000), K33(2/2001)<br />
artikel 8.40 01-71<br />
artikel 8.41<br />
artikel 8.73<br />
artikel 10.1<br />
artikel 10.2 01-31, K38(3/2001), K43(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 10.10<br />
artikel 10.26<br />
artikel 10.30 K1(2/2000)<br />
artikel 12.1 01-06<br />
artikel 12.4 01-06<br />
artikel 13.1 K37(3/2001)<br />
artikel 13.4 00-11, K31(2/2001), 01-41,<br />
K37(3/2001), K1(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 13.5<br />
artikel 13.7 00-57<br />
artikel 13.10<br />
artikel 15.20 00-112, 01-03, 02-54<br />
artikel 15.25 02-50<br />
artikel 17.1 en 17.2 00-80, 02-03<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong>
artikel 18.2 00-08, K3(2/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 18.8 00-51<br />
artikel 18.9 00-03, 08<br />
artikel 18:12 00-18<br />
artikel 18.14 01-112<br />
artikel 19.3<br />
artikel 20.1 00-77, K86(1/2001)<br />
artikel 20.3 K10(2/<strong>2002</strong>), 02-60<br />
artikel 20.6 00-15, K28(2/2000), K94(1/2001),<br />
K51(3/2001), K28(3/<strong>2002</strong>)<br />
artikel 20.8 K17(2/2000), 01-68<br />
artikel 20.13 00-77<br />
artikel 22.1 00-50, 01-07, K33<br />
Wet op de Ruimtelijke Ordening<br />
artikel 2<br />
artikel 2b 01-37<br />
artikel 4<br />
artikel 4a 00-22, 23, 29, 30, 33, 96, 109, 123,<br />
124, 01-46, 61, 86, 102, 02-61<br />
artikel 5 01-89<br />
artikel 6 01-136<br />
artikel 6a 00-19, 28, 32<br />
artikel 7 00-26, 01-118<br />
artikel 9<br />
artikel 10 00-62, 108, 110, 126, 129, 131,<br />
01-14, 15, 16, 21, 23, 60, 101, 131, 132,<br />
02-25, 29, 30, 75, 76<br />
artikel 11 00-32, 58, 61, 62, 64, 68, 92, 102,<br />
128, 01-12, 22, 62, 82, 93, 96, 101, 117, 120,<br />
126, 02-78, 86<br />
artikel 13<br />
artikel 14 00-24, 25, 105, 01-92, 124, 02-62<br />
artikel 15 00-62, 64, 65, 106, 01- 82<br />
artikel 17<br />
artikel 19 01-84<br />
artikel 21 00-24, 97, 01-84<br />
artikel 23 00-28, 107, 01-45, 02-23, 33, 36,<br />
02-68<br />
artikel 24 00-96, 124<br />
artikel 25 00-100, K73(4/2001)<br />
artikel 26 00-125, 02-33<br />
artikel 27 00-25, 59, 69, 132, 01-13, 45<br />
artikel 28 00-24, 26, 59, 62, 63, 67, 93, 97, 99,<br />
130, 01-20, 45, 46, 55, 62, 99, 119, 121, 122,<br />
124, 130, 132, 02-18, 19, 23, 27, 63, 64, 66,<br />
70, 77<br />
artikel 29 01-94<br />
artikel 30 00-91, 105<br />
Doorlopend artikelgewijs register 2000-<strong>2002</strong><br />
artikel 33 01-131, 02-22, 36, 02-65<br />
artikel 36c 01-51<br />
artikel 36e 00-27, 02-35<br />
artikel 36l 01-56, 02-69<br />
artikel 36m 02-69<br />
artikel 36n 02-69<br />
artikel 37 00-35, 01-18, 83, 02-69<br />
artikel 38<br />
artikel 40b<br />
artikel 44 01-88<br />
artikel 49 01-64, 66, 102, 103, 138, 139, 140,<br />
141, 142, 143, 144, 02-37, 38, 39, 40, 41, 42,<br />
81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88<br />
artikel 56 02-36<br />
Wet op de waterkering<br />
artikel 18<br />
artikel 22<br />
Wet verontreiniging oppervlaktewateren<br />
artikel 1 00-49, K36(3/2000), 00-118,<br />
K15(2/2001), K19, 01-36, 76, K96(1/<strong>2002</strong>),<br />
02-43, 48, 51<br />
artikel 1 lid 3 00-117<br />
artikel 1 lid 5<br />
artikel 2a 02-48<br />
artikel 7 00-118, K19(2/2001)<br />
artikel 16 K69(4/2000)<br />
artikel 25 K96(1/<strong>2002</strong>)<br />
Wet 5p<br />
Woningwet<br />
artikel 8 01-43<br />
artikel 9 01-43<br />
artikel 40<br />
artikel 43 01-50,02-61<br />
artikel 44 01-121, 123, 02-24<br />
artikel 50<br />
artikel 52<br />
NIEUWSBRIEF <strong>StAB</strong> 3 / <strong>2002</strong><br />
105
Kleur in het<br />
omgevingsrecht<br />
Prijs € 20,–<br />
inclusief BTW,<br />
exclusief verzendkosten<br />
ook verkrijgbaar via de boekhandel<br />
ISBN 90-5454-102-4<br />
032-s<br />
Bestel nu!<br />
Het omgevingsrecht gepositioneerd!<br />
Auteur<br />
prof. mr. drs. F.C.M.A. Michiels<br />
Deze oratie bevat een beschrijving c.q.<br />
plaatsbepaling van het omgevingsrecht<br />
ten opzichte van andere, elkaar deels<br />
overlappende rechtsgebieden als het<br />
milieurecht, het ruimtelijke-ordeningsrecht<br />
en het natuurbeschermingsrecht.<br />
De auteur behandelt in het bijzonder de<br />
spanningsvolle relatie tussen milieuhygiënerecht<br />
en ruimtelijke-ordeningsrecht,<br />
alsmede een aantal actuele<br />
vraagstukken op omgevingsrechtelijk<br />
gebied, met name externe veiligheid<br />
(o.a. het ontwerp-Vuurwerkbesluit) en<br />
geluid (concept-wetsvoorstel MIG).<br />
Het boek is bestemd voor eenieder die<br />
vanuit de praktijk of uit wetenschappelijk<br />
oogpunt is geïnteresseerd in het<br />
omgevingsrecht en de relatie tussen de<br />
samenstellende delen van dit rechtsgebied.<br />
Bel onze klantenservice (0522) 23 75 55 of mail naar info@bju.nl<br />
Boom Juridische uitgevers<br />
Postbus 85576 2508 CG Den Haag tel. (070) 330 70 33 fax (070) 330 70 30<br />
e-mail info@bju.nl website: www.bju.nl
Redactie<br />
Prijs € 39,–<br />
inclusief BTW,<br />
exclusief verzendkosten<br />
ook verkrijgbaar via de boekhandel<br />
ISBN 90-5454-059-1<br />
024-s<br />
Volg de ontwikkelingen inzake de handhaving van milieurecht<br />
Handhaving van<br />
Europees milieurecht<br />
Bestel nu!<br />
dr. I.M. Koopmans en prof. mr. J.M. Verschuuren<br />
Centraal in deze uitgave staat de<br />
bestuurs- en strafrechtelijke handhaving<br />
van het Europese milieurecht in<br />
Nederland.<br />
De bundel bevat bijdragen die betrekking<br />
hebben op de problemen rond de<br />
handhaving inzake een aantal deelterreinen,<br />
waaronder de IPPC-richtlijn, de<br />
EG-regelgeving inzake afvalstoffen, de<br />
natuurbeschermingsregelgeving en de<br />
verpakkingsrichtlijn.<br />
Het betreft een uitgave van het<br />
Schoordijk Instituut, Centrum voor<br />
wetgevingsvraagstukken.<br />
Bel onze klantenservice (0522) 23 75 55 of mail naar info@bju.nl<br />
Boom Juridische uitgevers<br />
Postbus 85576 2508 CG Den Haag tel. (070) 330 70 33 fax (070) 330 70 30<br />
e-mail info@bju.nl website: www.bju.nl
Onverschuldigde betaling<br />
door de overheid<br />
Prijs € 45,– inclusief BTW, verzendinclusief<br />
BTW,<br />
exclusief verzend- en<br />
administratiekosten<br />
ook verkrijgbaar via de boekhandel<br />
ISBN 90-5454-206-3<br />
056-s<br />
Bestel nu!<br />
Overheid en privaatrecht<br />
Auteur<br />
C.J.M. Bollen<br />
Centraal in dit onderzoek staat de vraag<br />
wanneer de overheid onverschuldigd gedane<br />
betalingen mag terugvorderen.<br />
Verschillende publiekrechtelijke regelingen<br />
bevatten bepalingen met betrekking tot de<br />
terugvordering. Deze bepalingen worden<br />
kritisch bekeken.<br />
Daarnaast gaat de auteur in op de vraag of<br />
de overheid bij de terugvordering ook de<br />
weg van het privaatrecht kan gebruiken.<br />
Met het beantwoorden van deze laatste<br />
vraag levert de auteur een interessante<br />
bijdrage aan de discussie over het gebruik<br />
van privaatrecht door de overheid in het<br />
algemeen.<br />
Het boek maakt deel uit van de reeks<br />
Boom Juridische dissertaties.<br />
Bel onze klantenservice (0522) 23 75 55 of mail naar info@bju.nl<br />
Boom Juridische uitgevers<br />
Postbus 85576 2508 CG Den Haag tel. (070) 330 70 33 fax (070) 330 70 30<br />
e-mail info@bju.nl website: www.bju.nl