Download - Marius Broos
Download - Marius Broos
Download - Marius Broos
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
VERKEER en VERVOER in ESSEN, KALMTHOUT en ROOSENDAAL<br />
Locomotief NS<br />
3768 staat gereed<br />
met trein<br />
2132 (Roosendaal<br />
- Antwerpen<br />
Centraal) te<br />
Essen, 24 oktober<br />
1950. Foto<br />
A.M.S. Russell.<br />
Verkeer en vervoer in<br />
Essen, Kalmthout en<br />
Roosendaal<br />
<strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong><br />
Een gure vrijdagochtend in het najaar van 1909<br />
om veertien minuten voor acht. De loketbeambte<br />
aan de halte Wildert heeft al meer dan 100 kaartjes<br />
verkocht. Binnen enige minuten zal de ietwat<br />
vertraagde stoptrein 306 naar Antwerpen arriveren<br />
en hier even halt houden. Op het perron<br />
staan korven vol boter en eieren, omgeven door<br />
boerinnen in brede rokken en voorzien van een<br />
zwarte sjaal. Boeren gehuld in een dikke jas en<br />
schuifelend in scheefgelopen schoenen overstemmen<br />
hier en daar het geheel. Weldra zal dat<br />
alles zich in de rijtuigen hijsen, waarin zich ook al<br />
de marktgangers van Essen bevinden. En wie<br />
weet hoeveel mensen er nog in Kalmthout, Kapellen<br />
en Ekeren zullen opstappen...<br />
Forensen per trein<br />
De trein gaf aan de boeren en boerinnen uit de<br />
verre regio rond Antwerpen de mogelijkheid om<br />
1<br />
hun schamele inkomen te vergroten. Daarnaast<br />
waagden zich steeds meer arbeiders aan de reis.<br />
Sinds 1887 konden zij tegen een goedkoop abonnementstarief<br />
de dagelijkse werkliedentrein naar<br />
de haven van Antwerpen nemen. Een dokwerker<br />
verdiende nagenoeg het dubbele van een dagloner<br />
op het platteland. En de aantrekkingskracht<br />
van de haven op de arbeidskrachten uit de dorpen<br />
werd steeds groter. In 1900 bedroeg het uurloon<br />
50 centimen, zodat zij in de zomermaanden<br />
dagelijks 6 frank en op een winterdag 4 à 5 frank<br />
mee naar huis brachten. 1<br />
Dat zij daarvoor heel vroeg moesten opstaan,<br />
werd op de koop toe genomen. Een twaalfurige<br />
werkdag betekende soms meer dan zestien uur<br />
van huis, vooral als men dan nog eens een heel<br />
eind moest lopen naar en van het station in Essen<br />
of Kalmthout. Veel werknemers zakten - zelfs<br />
op de houten banken in de rijtuigen 3 e klasse -
tijdens de bijna vijftig minuten durende reis naar<br />
Antwerpen Dam in een diepe slaap. Maar de<br />
‘chef-garde’ kende zijn plichten én zijn klanten en<br />
wekte hen keurig netjes op tijd. ‘s Avonds rond<br />
acht uur kwamen zij pas thuis en dommelden na<br />
het eten achter de kachel in, terwijl de vrouw hun<br />
sokken en kleren herstelde. De kinderen waren<br />
dan al lang naar bed...<br />
In de buurt van Kalmthout is een schaapsherder met zijn<br />
kudde onderweg langs een slijkerige zandweg met diepe karrensporen.<br />
Foto uit circa 1900, collectie Gemeentearchief<br />
Kalmthout.<br />
Zand- en modderpaden<br />
Nog maar vijftig jaar eerder was er amper sprake<br />
van enige infrastructuur in de Noorderkempen en<br />
in West-Brabant. In lage gedeelten waren de paden<br />
soms bedekt met modder. Op hoge bos- en<br />
heidegronden vormde het stof de grootste plaag<br />
in droge tijden. Rivieren, beken en moerassige<br />
laagten werden overgestoken op doorwaadbare<br />
plaatsen of langs primitieve houten bruggen. Zo<br />
was er vóór 1885 geen brug over de Molenbeek<br />
in de weg van Essen naar Horendonk. Een eindje<br />
stroomafwaarts lag een vlonder voor voetgangers.<br />
Karren, paarden en vee reden of waadden<br />
door de ondiepe bedding met zijn glooiende oevers.<br />
De eerste weg van Kalmthout naar Roosendaal<br />
liep bij Essen over de Hondsberg. Terecht<br />
werd dit later de ‘Oude Baan’ genoemd. De Nieuwstraat<br />
langs de Heuvel kreeg pas betekenis door<br />
de bouw van de kerk aan de grens.<br />
In 1836 telde de hele gemeente Essen 2122 inwoners,<br />
171 paarden, 56 trekossen, 90 paarden-<br />
en ossenkarren op twee wielen, 210 aardkarren<br />
en twee rijtuigen voor dubbele bespanning.<br />
Brieven- en wagenposterij<br />
In de zeventiende eeuw doorkruisten nog maar<br />
weinig reizigers en wagenvoerders de uitgestrek-<br />
2<br />
te heidevelden en bossen met vennen en poelen<br />
ten noorden van Antwerpen. Wel reden op vaste<br />
tijden ‘postiljons’ te paard met de brieven in een<br />
postzak achter het zadel. Al van verre kondigden<br />
zij zich aan met hun posthoorn. Rond 1750 werd<br />
de brievenposterij van Rotterdam naar Antwerpen<br />
uitgevoerd met tweewielige postkarren. Daarnaast<br />
ontstond omstreeks 1650 de wagenposterij.<br />
Deze particuliere wagendiensten voor het<br />
reizigersvervoer reden volgens een vaste<br />
dienstregeling, zoals het hedendaagse<br />
openbaar vervoer.<br />
De noord-zuid verbinding van de brieven-<br />
en wagenposterij liep rechtstreeks van<br />
Rotterdam via Zevenbergen, Rucphen en<br />
Achterbroek naar Antwerpen. De rivier de<br />
Mark werd overgestoken bij Zevenbergen<br />
met het Lamgatsveer (of Antwerpsveer).<br />
Twee wisselplaatsen, ‘De Posthoorn’ bij<br />
Rucphen en ‘In Amsterdamme’ bij Achterbroek,<br />
brachten onderweg de broodnodige<br />
rust voor mens en dier. Daar had men<br />
dan een ‘vers’ koppel paarden klaar staan<br />
en ging het oude span op stal. De stalhouder<br />
of postmeester bezat naast zijn<br />
‘afspanning’ ook een herberg met logement.<br />
Bij aankomst na zonsondergang<br />
bleven de reizigers een nachtje slapen.<br />
Vooral in het donker vormden zij anders<br />
op stille zandpaden een gemakkelijke<br />
prooi voor rondtrekkende roversbenden.<br />
Indien zulke misdadigers werden gepakt,<br />
dan werden zij bij voorkeur langs een<br />
postroute aan de galg gehangen. Een postroute<br />
had soms wel een breedte van dertig tot veertig<br />
meter. Was het oude spoor onberijdbaar geworden,<br />
dan kwam er een nieuw naast.<br />
Pas in 1967 werd het vroegere posthuis ‘In Amsterdamme’<br />
bij Achterbroek afgebroken. Foto uit<br />
1960, collectie Gemeentearchief Kalmthout.<br />
Behalve de twee wisselplaatsen vormde de herberg<br />
‘Den Ouden Uil’ op Horendonk nog een vaste halte.<br />
Rond 1775 werden nieuwe ‘afspanningen’ aan de<br />
Kruisstraat te Hoeven en bij de Zilverenhoek (‘In
VERKEER en VERVOER in ESSEN, KALMTHOUT en ROOSENDAAL<br />
den Witten Haemel’) ten noorden van Achterbroek<br />
als wisselplaats ingericht. Een deel<br />
van het verkeer ging al eerder vanaf Achterbroek<br />
rechtstreeks over Essen en Roosendaal<br />
naar Willemstad. De Zilverenhoek<br />
vormde een echt knooppunt met acht<br />
vrachtkarren en vier postkoetsen per week. 2<br />
Soms passeerden er in de zomermaanden<br />
meer dan honderd paarden per dag.<br />
Paardenposterij<br />
‘De Posthoorn’ te Rucphen bleef tot 1810<br />
halteplaats en kruispunt van twee postroutes.<br />
Het dorp lag immers ook precies<br />
halverwege de oost-west verbinding van<br />
Breda naar Bergen op Zoom. Vanaf hier<br />
reisde men over Bakkersberg naar Roosendaal.<br />
Op 1 mei 1810 trad echter op<br />
bevel van Koning Lodewijk Napoleon in<br />
Nederland de ‘Koninklijke Paardenposterij’<br />
in werking. Deze organisatie trachtte<br />
een einde te maken aan de eigenzinnigheid<br />
van sommige stalhouders. Lange<br />
wachttijden, zieke paarden en wisselende<br />
tarieven; dat alles was vaak een doorn in<br />
het oog van vele reizigers. De paardenposterij<br />
liet langs de rijkswegen stallen<br />
(‘relais’) bouwen met een postmeester in overheidsdienst.<br />
Voortaan werden zowel in de zomer<br />
als in de winter regelmatige verbindingen onderhouden.<br />
Het vervoer van de post vormde voor de<br />
paardenposterij een belangrijke bron van vaste<br />
inkomsten. Niet langer waren de wagendiensten<br />
alleen maar afhankelijk van de wisselende reislust<br />
van het publiek. Zoveel mogelijk maakte de<br />
paardenposterij gebruik van de nieuwe straatwegen,<br />
die in die tijd tot stand<br />
kwamen. Maar omdat alle routes<br />
tussen Rotterdam en Antwerpen<br />
voortaan over Breda<br />
werden geleid, raakten de verbindingen<br />
over Rucphen en<br />
Roosendaal verlaten. Sommige<br />
delen veranderden in stille<br />
zandwegen. Tot op de dag<br />
van vandaag zijn deze nog als<br />
zodanig herkenbaar in het<br />
veld, vooral tussen Horendonk,<br />
Rucphen en Hoeven.<br />
Interlokale steenwegen<br />
Een grote sprong voorwaarts<br />
werd gemaakt in 1812 met het<br />
bestraten van de hoofdverbindingen<br />
in Europa. De Fransen<br />
hechtten grote waarde aan<br />
een goed wegennet, waarlangs<br />
hun legeronderdelen<br />
zich snel konden verplaatsen.<br />
Helaas trad er al gauw stagna-<br />
Het ‘gerij’ was voor menigeen het dagelijkse vervoermiddel<br />
voor de kerkgang en de wekelijkse boodschappen, zoals op<br />
de Markt in Wouw bij bierbrouwerij ‘De Ster’. Foto uit Brabantsche<br />
Illustratie van 21 september 1927.<br />
3<br />
tie op in de uitvoering van de plannen door de val<br />
van het Franse bewind in 1813. Maar het begin<br />
was gemaakt. Nog in 1813 kwam de weg van<br />
Antwerpen naar Breda gereed. Na 1816 zette<br />
Koning Willem I zijn schouders onder een nieuw<br />
plan voor rijksstraatwegen. In 1821 ontstond de<br />
nieuwe straatweg Breda - Moerdijk. De oost-west<br />
verbinding Breda - Roosendaal - Bergen op Zoom<br />
kwam gereed in de jaren 1823-1838. De noord-zuid<br />
Een vrachtkar in vroeger tijd. Foto uit circa 1930, collectie <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.
Tabel 1.<br />
Overzicht interlokale wegen rond Essen en Kalmthout,<br />
aangelegd tot 1900.<br />
1846-1847 Maria ter Heide - Achterbroek - Essen, 16,6 km<br />
(keien 2,5 m breed)<br />
1847-1848 Kapellen - Kalmthout - Essen, 15,5 km<br />
(keien 2,5 m breed)<br />
1850-1851 Roosendaal - Nispen - Essen, 7,0 km<br />
(grint in 1851, keien in 1879, beton in 1930)<br />
1862-1864 Kalmthout (station) - Achterbroek - Wuustwezel, 8,8 km<br />
(keien 3,0 m breed)<br />
1866-1868 Kalmthout (station) - Putte, 7,7 km (keien)<br />
1872-1876 Wuustwezel - Brecht, 5,9 km (keien)<br />
1875-1876 Essen - Kalmthoutse Hoek - Huijbergen (klinkers)<br />
1875-1879 Essen - Nieuwmoer - Wuustwezel (klinkers)<br />
1884-1885 Essen - Horendonk, verlengd naar grens in 1906<br />
(keien 3,0 m breed in 1885, asfalt 6,0 m breed in 1938)<br />
1897-1898 Zilverenhoek - Wildert (2,0 km)<br />
verbinding Bergen op Zoom - Putte - Kapellen -<br />
Antwerpen volgde pas in 1846, tegelijk met twee<br />
‘steenwegen’ naar de gemeenten Essen en<br />
Kalmthout.<br />
Het bestraten van interlokale wegen werd aan<br />
beide zijden van de grens rond 1850 in een traag<br />
tempo voortgezet door de belanghebbende gemeenten<br />
met subsidies van de provincie. Tot de<br />
Eerste Wereldoorlog zou de aandacht meer worden<br />
gericht op het tot stand komen van spoor- en<br />
tramwegverbindingen. Over het algemeen was<br />
men in België wat eerder met het verharden door<br />
het goedkoper beschikbaar zijn van kasseien uit<br />
de eigen groeven. Tot 1900 kwamen in de streek<br />
rond Essen en Kalmthout tien wegverbindingen<br />
gereed (zie tabel 1). Ook verschillende dorpsstraten<br />
kwamen aan de beurt, al duurde het wel lang.<br />
In 1865 werd in Essen de weg van het dorp naar<br />
Bij het douanekantoor aan de Essenseweg te Nispen wordt<br />
de vrachtkar van P. van Agtmaal aan een douaneonderzoek<br />
onderworpen. Ook de inzittenden van een personenwagen<br />
gaan niet vrijuit. Foto uit circa 1910, collectie Gemeentearchief<br />
Roosendaal.<br />
4<br />
het station van een grintverharding voorzien.<br />
Het grint, dat tegen een voordelig<br />
tarief per trein was aangevoerd vanaf<br />
Moerdijk, bleek geen succes en werd tien<br />
jaar later al vervangen door klinkers. Pas<br />
in 1903 werd in Essen wegens het drukke<br />
verkeer naar en van de quarantainestallen<br />
de Grensstraat van een verharding<br />
voorzien.<br />
Tolgaarders en bareelwachters<br />
De aanleg en het jaarlijkse onderhoud<br />
van de rijks-, provinciale en gemeentelijke<br />
straatwegen moest door een leger van<br />
tolgaarders worden terugverdiend. Wie<br />
van Kalmthout (Kerkeneind) naar Essen<br />
reed, was bij de St.-Jacobskapel op het<br />
Dorp, kort voor Wildert en op het Spijker<br />
‘bareelrecht’ kwijt.<br />
Van Essen naar Roosendaal passeerde een reiziger<br />
maar liefst drie tolslagbomen: ter hoogte van<br />
de Klokbergsestraat te Nispen, bij ‘Het Huis ten<br />
Halve’ aan de Kruisstraat en bij de herberg ‘Het<br />
Groenewoud’. Het tarief varieerde van een halve<br />
cent tot zes cent, al naar gelang de weggebruiker<br />
met een varken, een koe, een paard, een kar of<br />
een rijtuig op twee of vier wielen wilde passeren.<br />
De tolheffing was uiterst impopulair, al lukte het<br />
wel eens om er onder uit te komen door op tijd<br />
een zijweg in te slaan.<br />
In de jaren 1865-1875 werden aan beide zijden<br />
van de grens vele tollen afgeschaft. Vaak waren<br />
de inkomsten ook behoorlijk verminderd door de<br />
opkomst van het vervoer per trein. Voor de grintweg<br />
tussen Essen en Roosendaal zakte het bedrag<br />
van 1040 gulden in 1855 naar 420 gulden in<br />
1870. Hoe belangrijk deze verbindingen ook waren,<br />
de zandwegen op het platteland veranderden<br />
‘s winters nog steeds in modderpoelen<br />
en ‘s zomers in ware zandwoestijnen.<br />
Tot de Eerste Wereldoorlog<br />
was het onderhoud van deze wegen beperkt<br />
tot het bij tijd en wijle dichten van de<br />
grootste gaten door de buurtbewoners.<br />
Pas na 1950 zou er een definitief einde<br />
komen aan de slechte bereikbaarheid van<br />
het platteland.<br />
Vrachtkar- en wagendiensten<br />
Met de aanleg van ‘steenwegen’ in het<br />
vooruitzicht kwamen in 1840 ook nieuwe<br />
ondernemers op de weg. Hubertus Brosus<br />
uit Essen kreeg in december 1839<br />
vergunning voor een wagendienst tussen<br />
Essen en Oudenbosch over Roosendaal.<br />
Hij overbrugde de afstand in drie en een<br />
halfuur en reed driemaal per week heen<br />
en weer. Een rit Essen - Roosendaal kostte<br />
60 cent en Roosendaal - Oudenbosch<br />
75 cent.
VERKEER en VERVOER in ESSEN, KALMTHOUT en ROOSENDAAL<br />
5
De familie Gihoul-Matthieu<br />
Louis Jean Baptist Julien Gihoul was van oorsprong afkomstig uit Lille en was gehuwd met Emerance Dominique<br />
Matthieu, een bankiersdochter uit Brussel. In 1841 had hij van de erven Dochez in Essen het landgoed<br />
Hemelrijk aangekocht. Vermoedelijk gebruikte Gihoul dit alleen als zomerverblijf. Zijn woonplaats was en bleef<br />
Brussel. In de loop der jaren verwierf hij nog heel wat meer woeste gronden in de gemeenten Essen, Kalmthout,<br />
Huijbergen, Wouw en Roosendaal en Nispen. Uiteraard had hij zakelijke belangen in Antwerpse handelskringen,<br />
maar voor veel invloed was wel geld nodig en dat had hij via zijn vrouw Emerance.<br />
De Raad van Commissarissen van de in november 1852 opgerichte ‘Société Anonyme des chemins de fer<br />
d’Anvers à Rotterdam’ (AR) telde elf namen, waaronder die van bankier J.P. Matthieu, dus de schoonvader van<br />
Louis Gihoul. Overigens kwam het geld (500.000 pond) en de kennis voor de aanleg van de spoorweg uit Engeland.<br />
Nadat Louis Gihoul in 1852 de concessie had verworven en overgedragen aan de AR (hij was immers<br />
alleen concessiejager), mocht hij 8000 pond in zijn zak steken.<br />
Al kwam het geografisch allemaal niet slecht uit, toch wist hij het daarheen te leiden dat de spoorweg vlak voor<br />
de poort van zijn landgoed Hemelrijk kwam te liggen, zodat hij niet alleen een station voor zijn deur had, maar<br />
ook de waarde van zijn onroerend goed in de omgeving zag stijgen. Het in 1854 tot stand gekomen tracé<br />
illustreert goed de bedoelingen van Gihoul. Bij Wildert buigt de lijn iets westwaarts om vervolgens bij Nispen<br />
weer wat oostwaarts te gaan, zodat het station Essen juist ten oosten van het landgoed van Gihoul kwam.<br />
Louis Gihoul kon de opening op 26 juni 1854 van het eerste stuk van ‘zijn’ spoorweg tussen Antwerpen en<br />
Roosendaal niet meer meemaken. Op 30 september 1854 overleed hij op 49-jarige leeftijd in Brussel aan leverkanker.<br />
Na zijn dood kwam het landgoed Hemelrijk op naam te staan van de weduwe Emerance Gihoul-<br />
Matthieu en de kinderen. Pas na haar overlijden werd in 1870 tot een scheiding en deling van de boedel overgegaan<br />
en ging het landgoed Hemelrijk over in handen van zoon George Gihoul. Weer later werden de families<br />
Carlier en Calmeyn eigenaar van het landgoed.<br />
Kaart 1 op bladzijde 5: Overzicht ligging spoor-, tram en straatwegen tussen Antwerpen en Roosendaal,<br />
1850-1900. Tekening <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />
Kaart 2 op bladzijde 7: Overzicht ligging station Essen in gemeente, 1950. Tekening <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />
In Essen gaf Brosus aansluiting op de dienst van<br />
de wagenvoerders Joris en Voet uit Antwerpen,<br />
die in november 1839 vergunning hadden gekregen<br />
en eveneens driemaal per week reden. Een<br />
rit tussen de beide plaatsen kostte 4,25 frank per<br />
persoon en duurde vijf uur.<br />
Tien jaar later startte Jean Francois de Vos, gehuwd<br />
met Rebecca Brosus en wonend aan de<br />
Nieuwstraat te Essen, een wagendienst met ‘service<br />
de messageries’ op Antwerpen. Tweemaal<br />
per week vertrok hij om vijf uur ‘s morgens uit<br />
Essen. Zijn tarief bedroeg slechts 3 frank per persoon<br />
en 2 frank per 100 kilogram goederen. Ook<br />
de tijdsduur van de reis was concurrerend: ‘s zomers<br />
deed De Vos er drie en een halfuur uur over<br />
en in de winter vier uur. Maar hij gebruikte wel<br />
twee paarden als trekkracht. In 1852 werd de<br />
dienst samen met Adrianus Smeijers vanuit Roosendaal<br />
verzorgd, maar deze was toch onvoldoende<br />
levensvatbaar.<br />
Weldra zouden echter alle diensten in het vervoer<br />
van reizigers worden gestaakt. De vrachtkarren<br />
en -wagens bleven nog tot na 1950 vanuit<br />
Essen en Kalmthout op Antwerpen rijden.<br />
Een vierwielige wagen, getrokken door twee<br />
paarden, had een nuttig laadvermogen van 3 à<br />
3,5 ton en was voorzien van een huif. Onderaan<br />
de wagen waren aan kettingen twee bakken<br />
opgehangen. Hierin werden stukgoederen,<br />
gereedschappen of het voer voor de paarden<br />
6<br />
(in een ‘kopzak’) opgeborgen. De Antwerpse<br />
Paardenmarkt was het centrale punt van samenkomst<br />
voor de voerlui. Hier lagen de goederen<br />
opgestapeld, klaar om door de voerman<br />
te worden geladen.<br />
Louis Gihoul en de spoorwegen<br />
Na veel geharrewar kwam in België in 1835 een<br />
spoorwegverbinding van Brussel naar Mechelen<br />
tot stand. In Nederland reed de eerste trein in<br />
1839 van Amsterdam naar Haarlem. Vrij snel ontstond<br />
er in België een samenhangend net van<br />
spoorwegen met uitlopers naar het buitenland. Zo<br />
kwam er op 1 mei 1855 een lijn van Antwerpen<br />
over Roosendaal naar Moerdijk met een zijtak<br />
van Roosendaal naar Breda gereed. Daarmee<br />
was Roosendaal het allereerste spoorwegknooppunt<br />
in Nederland.<br />
Het eerste stuk Antwerpen - Roosendaal werd<br />
al op 26 juni 1854 met veel feestvertoon geopend.<br />
In tegenstelling tot de discussies rond de<br />
latere ‘Hoge Snelheids Trein’ duurde de besluitvorming<br />
voor het tracé slechts twee jaar.<br />
Nog in 1851 had de Nederlandse regering haar<br />
voorkeur uitgesproken voor een lijn over Breda.<br />
Maar zij zwichtte echter voor de financiële zekerheid<br />
van Louis Gihoul uit Essen. In 1852<br />
droeg hij de concessie over aan de ‘Société<br />
Anonyme des chemins de fer d’Anvers à<br />
Rotterdam’ (AR).
VERKEER en VERVOER in ESSEN, KALMTHOUT en ROOSENDAAL<br />
Een heel eind ten westen van Essen<br />
Dat Gihoul tijdens de onderhandelingen met de<br />
Nederlandse regering zo verbeten vasthield aan<br />
het tracé over Roosendaal, valt te verklaren uit de<br />
verstrengeling van familiebelangen en belangen<br />
van handelskringen in de havenstad Antwerpen.<br />
Gihoul bezat namelijk het uitgestrekte landgoed<br />
Hemelrijk, ruim twee kilometer ten westen van het<br />
dorp Essen. Indien de spoorwegverbinding langs<br />
Essen en Roosendaal zou komen te lopen, dan<br />
kon enerzijds de aankoop van een deel van de<br />
heide- en zandgronden zonder al te veel problemen<br />
plaatsvinden en anderzijds kreeg de familie<br />
Gihoul een station voor de poort van het landgoed,<br />
zodat ook de waarde van haar gronden in<br />
de naaste omgeving zou stijgen.<br />
Indien de familiebelangen van Louis Gihoul geen<br />
rol van betekenis hadden gespeeld, dan was de<br />
keuze voor Oudenbosch als spoorwegknooppunt<br />
alleszins aanvaardbaar geweest. De verbinding<br />
van Antwerpen naar Moerdijk had immers oostelijk<br />
van Essen en Roosendaal naar Oudenbosch<br />
kunnen lopen. Bovendien was dan de afstand iets<br />
korter geweest, terwijl de zijtak van Oudenbosch<br />
naar Breda over Etten en Leur ook Hoeven een<br />
gunstiger gelegen halte had kunnen geven. Oudenbosch<br />
had evenals Roosendaal ook een goede<br />
waterwegverbinding met havenfaciliteiten.<br />
Roosendaal lag echter aan de straatweg in oostwest<br />
richting en was daarmee in het voordeel.<br />
7<br />
Niet alleen maar afhankelijk van Gihoul<br />
Het in 1854 tot stand gekomen spoorwegtracé<br />
illustreert goed de bedoelingen van Gihoul. Bij<br />
Wildert buigt de lijn iets westwaarts om vervolgens<br />
bij Nispen weer wat oostwaarts te gaan,<br />
zodat de familie Gihoul het station Essen gerealiseerd<br />
zag worden juist ten oosten van haar landgoed<br />
(zie kaart 1).<br />
Het is niet eenvoudig na te gaan in hoeverre de<br />
familie eigenaar was van de omliggende gronden,<br />
maar een feit is dat in latere jaren hiervoor een<br />
goede prijs is betaald om uitbreidingen van het<br />
emplacement en heel wat bouwkavels in de<br />
‘Statiewijk’ te realiseren. Nadat eenmaal het stationscomplex<br />
was gebouwd, groeide de wijk uit tot<br />
een nieuw dorp met sinds 1908 een eigen kerkgebouw.<br />
Nog maar enige decennia geleden lag<br />
de ‘Statiewijk’ als aparte kern volkomen los van<br />
het oude dorp Essen aan de Heuvel.<br />
Overigens speelde de geografische ligging van<br />
het Roosendaalse station, het dorp Nispen en de<br />
Molenbeek Gihoul wel degelijk in de kaart. Het<br />
was niet meer dan logisch, dat de spoorweg in<br />
het belang van de lokale handel tussen Groot en<br />
Klein Roosendaal iets ten oosten van de haven<br />
werd aangelegd, terwijl het emplacement aan de<br />
noordzijde van de toenmalige straatweg van Breda<br />
naar Bergen op Zoom (Markt/Kade) kwam te<br />
liggen. Daarmee lag de rest van het tracé uit zuidelijke<br />
richting zo goed als vast. Om hoge aan-
Het stationsgebouw van Kalmthout uit 1854 werd al in 1866<br />
uitgebreid met kleine wachtruimten. Aan de ene kant waren<br />
reizigers 1 e en 2 e klasse welkom en aan de andere kant reizigers<br />
3 e klasse of arbeiders. In 1894 maakte het schamele<br />
onderkomen plaats voor een nieuwbouw van een type dat tot<br />
aan de Eerste Wereldoorlog ook volop elders in het land<br />
werd gebouwd. Foto, collectie Gemeentearchief Kalmthout.<br />
legkosten te vermijden moest de spoorweg op<br />
een flinke afstand ten westen van het moerassige<br />
dal van de Molenbeek blijven. Vervolgens lag het<br />
voor de hand om gebruik te maken van de goedkope<br />
heidegronden ten westen van Nispen, zodat<br />
het tracé als vanzelf Essen moest passeren ten<br />
westen van de ‘Oude Baan’ tussen Nispen en<br />
Kalmthout. Bovendien hield men dan de hoge<br />
gronden aan tussen de stroomgebieden van de<br />
Kleine A en de Spillebeek.<br />
Dat dan het dorp Essen zelf verstoken bleef van<br />
een gunstig gelegen station, vormde in 1854 nog<br />
geen enkel probleem (zie kaart 2). De spoorweg<br />
De overweg op het Noordeind van Kalmthout was in vroegere<br />
jaren voorzien van rolschuifbomen. Links staat de wachtpost<br />
voor de dienstdoende overwegwachter (of aflosser) en<br />
rechts de wachterswoning voor de vaste man op deze plek.<br />
Recht passeert een trein uit Essen. Ansichtkaart uit circa<br />
1910, collectie Gemeentearchief Kalmthout.<br />
8<br />
diende immers vooral voor het internationale<br />
reizigers- en goederenvervoer. Pas<br />
na 1880 zouden meer lokale belangen om<br />
de hoek komen kijken.<br />
Een feestelijke openingsrit<br />
De aanleg van de spoorweg tussen Antwerpen<br />
en Roosendaal verliep zonder<br />
vertragingen. Vanuit Antwerpen werden<br />
de rails en dwarsliggers aangevoerd.<br />
Voor het ophogen van de lage gedeelten<br />
werd zand gehaald uit de heide bij Kalmthout.<br />
Al op 17 april 1854 kon er een<br />
proefrit tot Roosendaal plaatsvinden.<br />
Toen werd het ook mogelijk om vanuit de<br />
haven van Roosendaal bouwmaterialen<br />
aan te voeren. Uiteindelijk werd de officiële<br />
opening bepaald op 26 juni 1854. Zowel<br />
de betrokken gemeenten als de<br />
spoorwegmaatschappij hadden hun best<br />
gedaan om op alle stations langs de lijn<br />
versieringen aan te brengen.<br />
Op die dag vertrok rond half negen ‘s<br />
morgens vanaf het station Brussel Noord<br />
een speciale trein met vele hoge autoriteiten. Zij<br />
waren even tevoren verwelkomd door Louis Gihoul.<br />
Een uur later arriveerde de trein in Antwerpen,<br />
waar de directie van de spoorwegmaatschappij<br />
en vele plaatselijke gezagsdragers het<br />
gezelschap stonden op te wachten. Vervolgens<br />
stapten allen in de eigenlijke ‘inhuldigingstrein’,<br />
die vooraf werd gegaan door een ‘éclaireurlocomotief’<br />
(eclaireur = verkenner of padvinder).<br />
Een drietal ‘chars à banc’ (letterlijk: jan plezier)<br />
was gereserveerd voor het muziekgezelschap uit<br />
Merksem, dat de muzikale opluistering bij elk station<br />
zou verzorgen. Een artilleriesalvo vreugdeschoten<br />
weerklonk vanaf de stadswallen,<br />
waarna het vertreksein werd gegeven en<br />
de trein zich langzaam maar zeker in beweging<br />
zette. Een kwartier later kwam het<br />
station van Ekeren in zicht. Het was getooid<br />
met het gemeentelijke wapenschild<br />
en verschillende Franstalige opschriften.<br />
Na een kort maar vrolijk oponthoud, waarbij<br />
de plaatselijke veldwachter drie geweerschoten<br />
loste, werd de reis voortgezet<br />
naar Kapellen. Ook hier klonken<br />
vreugdeschoten na aankomst, waarbij het<br />
gezelschap begroet werd door de burgemeester<br />
onder luide toejuichingen van het<br />
publiek.<br />
Vervolgens werd opgestoomd door het<br />
heidelandschap naar het landelijke en<br />
zeer schilderachtig versierde station van<br />
Kalmthout. Hier liet een peloton van vier<br />
man eveneens vreugdeschoten weerklinken,<br />
waarna er een gejubel opsteeg uit<br />
‘een groep schoonste meisjes van het<br />
dorp, opgesteld in onberispelijke rijen en
VERKEER en VERVOER in ESSEN, KALMTHOUT en ROOSENDAAL<br />
op hun paasbest uitgedost’.<br />
Na een kort oponthoud in<br />
Essen werd de triomftocht<br />
voortgezet naar Roosendaal.<br />
De speciale trein, bestaande<br />
uit ‘twee locomotieven en<br />
zeventien nieuwe zeer elegant<br />
ingerigte deligences,<br />
chars à banc en wagons’<br />
werd hier uitgebreid met drie<br />
rijtuigen, waarin de twee<br />
Roosendaalse muziekgezelschappen<br />
zaten, die even<br />
tevoren nog het Belgische<br />
volkslied hadden gespeeld.<br />
Na een bezoek aan het voorlopige<br />
eindpunt bij Etten,<br />
waar nog enige Nederlandse<br />
genodigden werden opgenomen,<br />
reed de trein via Roosendaal<br />
weer naar Antwerpen.<br />
Hier nuttigde men een<br />
keurig feestmaal. Menige<br />
heildronk op het welslagen<br />
van de onderneming werd<br />
uitgesproken. Pas om acht<br />
uur ‘s avonds keerden de<br />
Nederlandse genodigden en<br />
de beide Roosendaalse muziekgezelschappen<br />
met een<br />
extra trein terug uit Antwerpen.<br />
Op 3 juli 1854 werd de spoorweg<br />
voor het publiek opengesteld,<br />
voorlopig slechts<br />
van Antwerpen tot Roosendaal,<br />
vanwaar er gelegenheid<br />
was om per diligence<br />
Bergen op Zoom, Breda en<br />
Moerdijk te bereiken.<br />
Op 1 mei 1855 kwamen de<br />
laatste gedeelten in dienst,<br />
zodat alle leed van overstappen<br />
op tijdelijke omnibusdiensten<br />
was geleden. De lijn<br />
was vooral bedoeld om de<br />
haven van Antwerpen een<br />
rechtstreekse verbinding met<br />
Rotterdam te geven. 3 In de<br />
arme streken rond Kalmthout, Essen en Roosendaal<br />
viel immers niet veel vervoer te verwachten.<br />
Naar een volwassen spoorwegnet<br />
Over het algemeen werden tot 1880 dagelijks vier<br />
treinen tussen Antwerpen en Roosendaal ingelegd.<br />
Zij stopten op alle stations en gaven goede<br />
aansluitingen op de treindienst van de ‘chemins<br />
de fer de l’Etat Belge’ (EB) te Antwerpen. Al vóór<br />
1860 stond het voor de Nederlandse regering<br />
vast, dat de AR Rotterdam nooit per trein zou<br />
Rond 1900 staken de spoorwegmaatschappijen elkaar naar de troon met<br />
fraaie stationsgebouwen. In die tijd hadden zij een sleutelpositie verworven<br />
met het absolute monopolie in het reizigersvervoer. Het stationsgebouw<br />
van Essen is nog steeds een getuige uit die tijd. Boven de hoofdingang<br />
prijkten (behalve ‘het gevleugeld wiel’) de opschriften ‘Staatsspoorweg’<br />
en ‘Chemins de fer de l’Etat’. De Franse naam moest later het veld<br />
ruimen krachtens taalwetgeving. Foto’s <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>, 7 september 1988<br />
(boven en onder).<br />
9<br />
bereiken. In 1860 werd in Nederland besloten tot<br />
de aanleg op staatskosten van de lijnen Roosendaal<br />
- Vlissingen en Breda - Rotterdam. Het stuk<br />
Roosendaal - Bergen op Zoom kwam op 23 december<br />
1863 gereed. Op nieuwjaarsdag 1872<br />
werd de spoorwegbrug bij Moerdijk met een lengte<br />
van 1470 meter in gebruik genomen. De doorgaande<br />
treindienst van de AR eindigde voortaan<br />
in Breda. Vanaf hier reed de ‘Maatschappij tot<br />
Exploitatie van Staatsspoorwegen’ (SS) naar Dordrecht<br />
(en in 1877 naar het hart van Rotterdam).
Tabel 2.<br />
Overzicht treindiensten Antwerpen - Essen, 1856-1995.<br />
A = aantal stop- + sneltreinen op werkdagen richting Essen<br />
B = aantal stop- + sneltreinen op werkdagen richting Antwerpen<br />
C = tijdstip van vertrek eerste trein uit Essen op werkdagen<br />
D = reisduur gemiddeld in minuten stoptreinen Essen - Antwerpen<br />
A B C D<br />
1856 4+ 1 4+ 1 06.10 45<br />
1868 4+ 0 4+ 0 08.20 40<br />
1882 7+ 2 6+ 3 07.50 52<br />
1893 8+ 4 8+ 4 04.57 52<br />
1909 13+ 8 14+11 04.33 56<br />
1935 24+10 24+10 04.24 58<br />
1946 10+ 2 9+ 2 03.45 63<br />
1960 20+15 22+13 04.23 43<br />
1978 27+23 26+23 04.18 38<br />
1995 23+40 22+39 04.44 38<br />
Noot: Niet alle stoptreinen hadden Essen als begin- of eindpunt. In<br />
spitsuren werden ook treinen ingelegd van en tot Kapellen of Kalmthout.<br />
Pas in 1876 kwam de ontbrekende schakel Lage<br />
Zwaluwe - Zevenbergen gereed, zodat de AR<br />
haar treindienst zag eindigen in Zevenbergen. De<br />
AR, die na 1863 meer bekendheid genoot onder<br />
de naam ‘Grand Central Belge’, moest in 1880<br />
afstand doen van haar lijnen vanuit Roosendaal.<br />
In West-Brabant zwaaide sindsdien de SS de<br />
scepter, terwijl op Belgisch grondgebied het gedeelte<br />
overging naar de EB.<br />
Uitbreidingen te Essen en Roosendaal<br />
Tot 1 juli 1880 werden het personeel en de tractiemiddelen<br />
ingezet vanuit Antwerpen, Roosendaal<br />
en Moerdijk. Het stationsemplacement van<br />
Essen uit 1854 had nog steeds een omvang van<br />
Tabel 3.<br />
Opening en sluiting stations en halten op Antwerpen - Roosendaal.<br />
Oost * 05-10-1930, NMBS 1930-1960, NMBS 1960<br />
Dam * 01-07-1868, EB/NMBS 1892<br />
Luchtbal * 03-06-1956<br />
Merksem * 01-02-1932, † 03-06-1956<br />
Noorderdokken * 26-05-1974<br />
Ekeren * 03-07-1854, AR/EB 1854-1890, EB/NMBS 1890 (1)<br />
St. Mariaburg * 15-05-1933<br />
Heikestraat * 15-05-1933, † 10-05-1940<br />
Kapellen * 03-07-1854, AR/EB/NMBS 1854, gewijzigd 1935 (1)<br />
Kapellenbos * 01-07-1911, † 28-05-1994 (2) (3)<br />
Heide * 03-01-1897, EB/NMBS 1911<br />
Kijkuit * 15-05-1933, † 10-05-1940, * 15-12-1940 (2)<br />
Kalmthout * 03-07-1854, AR/EB 1854-1894, EB/NMBS 1894 (1)<br />
Wildert * 13-11-1881, EB/NMBS 1891-1996<br />
Esschen * 03-07-1854, AR/EB 1854-1901, EB/NMBS 1901 (4)<br />
Roosendaal * 03-07-1854, gebouw AR/SS 1854-1907, SS/NS 1907<br />
(1) tot 15-08-1940 Merxem, Eeckeren, Cappellen en Calmpthout<br />
(2) wachterswoning als haltegebouw<br />
(3) tot 15-08-1940 Cappellenbosch, tot 20-05-1951 Kapellenbosch<br />
(4) tot 14-05-1950 Esschen<br />
10<br />
zo’n 2,5 hectare (425 x 60 meter). Toen<br />
Essen vrij plotseling het begin- en eindpunt<br />
werd van de binnenlandse treinen en<br />
tevens zou moeten dienen als station<br />
voor overgave en overname van internationale<br />
treinen, bleek het emplacement<br />
volkomen ongeschikt. Een ‘tijdelijke’ oplossing<br />
werd gevonden door het afhandelen<br />
van de internationale treindienst in<br />
Roosendaal. Dat dit nog tot 1903 zou duren,<br />
was toen niet te voorzien.<br />
Tot 15 oktober 1880 haalde en bracht de<br />
EB zelfs alle treinen tot in Roosendaal.<br />
Pas toen waren er enkele sporen bijgelegd,<br />
zodat de SS met sommige treinen in<br />
Essen kon komen. Toch bleef de uitbreiding<br />
beperkt tot het hoogstnoodzakelijke<br />
wegens de plannen voor een nieuw grensstation<br />
bij Nispen.<br />
Toen dat niet doorging, verrezen er in<br />
1882 alsnog tractie-inrichtingen en dienstgebouwen<br />
op een beperkte schaal. 4 Het<br />
nog steeds enkelsporige baanvak Antwerpen -<br />
Roosendaal werd voorzien van een tweede spoor.<br />
Dat kwam op 29 augustus 1881 in dienst.<br />
Jarenlang bleven de beide landen elkaar aftasten<br />
als het ging om een nieuw grensstation bij Nispen.<br />
Een adequate uitbreiding van zowel Essen<br />
als Roosendaal bleef daarom ook achterwege.<br />
Roosendaal groeide na 1880 uit van een knooppunt<br />
naar een knelpunt in de noord-zuid en de<br />
oost-west verbindingen. En al werd het emplacement<br />
in de jaren 1886-1888 flink uitgebreid, toch<br />
bleek het na enkele jaren al weer te klein. Pas<br />
toen de Nederlandse regering het besluit had genomen<br />
voor een nieuwbouw van het Roosendaalse<br />
stationscomplex, trok de EB in Essen haar<br />
eigen plan. Het was inmiddels<br />
23 november 1898, toen<br />
het definitieve ontwerp voor<br />
een gemeenschappelijk<br />
grensstation te Essen werd<br />
vastgesteld. In 1901 werd de<br />
stationsdienst overgebracht<br />
naar een al tien jaar eerder<br />
tot stand gekomen loods aan<br />
de noordzijde van het oude<br />
hoofdgebouw. 5 Het oude<br />
werd vervangen door een<br />
nieuw gebouw in eclectische<br />
stijl op dezelfde plaats.<br />
Op 27 juli 1901 werd in aanwezigheid<br />
van tal van spoorweg-<br />
en douaneambtenaren<br />
en dorpsnotabelen officieel<br />
met de bouw begonnen. Ter<br />
herinnering aan deze feestelijke<br />
gebeurtenis werd een tekst<br />
op perkament in een aarden<br />
kruik gestopt en ingemetseld
VERKEER en VERVOER in ESSEN, KALMTHOUT en ROOSENDAAL<br />
in een muur van het gebouw.<br />
In 1902 was het nieuwe hoofdgebouw<br />
gereed. Ook in dat<br />
jaar verrees een nieuwe ‘overladingsloods’<br />
met douanefaciliteiten<br />
voor de goederendienst.<br />
Het emplacement was inmiddels<br />
tot 19 hectare uitgegroeid<br />
en telde meer dan 30 sporen.<br />
In 1903 werd het gemeenschappelijk<br />
overgangsstation<br />
voor zowel EB als SS in gebruik<br />
genomen.<br />
De oude locomotievenloods<br />
aan de Moerkantsebaan<br />
maakte in 1904 plaats voor<br />
een nieuwe met zes sporen<br />
en een dienst- en overnachtingsgebouw<br />
voor het locomotief-<br />
en treinpersoneel,<br />
dat ‘s avonds laat was aangekomen<br />
en de andere ochtend<br />
weer met de eerste trein<br />
vanuit Essen moest vertrekken.<br />
Ook de watervoorziening voor de stoomlocomotieven<br />
was in 1901 sterk verbeterd na het boren<br />
van een put en het in dienst nemen van een<br />
zuigperspomp en een watertoren. Tot dat tijdstip<br />
was het water altijd per trein vanuit Antwerpen<br />
aangevoerd. Overigens was het Essense emplacement<br />
al in 1889 van elektrische verlichting voorzien.<br />
In 1907 werd de hele installatie vernieuwd. In 1912<br />
zorgde een geheel nieuwe centrale bediening van<br />
wissels en seinen, verdeeld over twee grote seinhuizen<br />
en een achttal kleine wachtposten, ervoor dat<br />
het emplacement aan alle eisen van die tijd voldeed.<br />
In Roosendaal kon wegens<br />
tegenwerking van het gemeentebestuur,<br />
de expeditiebedrijven<br />
en de inwoners pas<br />
in 1904 met de bouw van het<br />
nieuwe stationscomplex worden<br />
begonnen. 6 Toch was<br />
eind 1907 alles gereed. Nadien<br />
hebben zowel het Roosendaalse<br />
als het Essense<br />
emplacement geen noemenswaardige<br />
uitbreidingen<br />
meer ondergaan. Het vormt<br />
eens te meer een bewijs, dat<br />
de nieuwbouw van de beide<br />
stations op een verre toekomst<br />
was gericht.<br />
De treindiensten<br />
Rond 1910 was het aantal<br />
stop- en sneltreinen op het<br />
baanvak Antwerpen - Roosendaal<br />
opgelopen tot meer dan<br />
Locomotief NMBS 2219 passeert met trein D 284 het in 1891 gebouwde<br />
en in 1996 na enige jaren van leegstand afgebroken stationsgebouw van<br />
Wildert. Foto <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>, 14 oktober 1978.<br />
11<br />
twintig, dus vijfmaal zoveel als in 1880. Tussen<br />
1881 en 1914 vermeldden de dienstregelingen<br />
doorgaande rijtuigen vanaf Brussel en Roosendaal<br />
naar Amsterdam (zowel over ‘s-Hertogenbosch als<br />
over Rotterdam), Vlissingen en de Duitse steden<br />
Bremen en Hamburg. Het was het ‘belle epoque’<br />
van het vervoer per trein.<br />
Toch vertrok in 1909 op werkdagen de laatste<br />
trein uit Antwerpen naar Kalmthout en Essen nog<br />
altijd om 20.21 uur. En dat ondanks een verzoek<br />
van handelsreizigers uit Kalmthout om dit naar elf<br />
uur ‘s avonds te brengen. ‘Dit vroege uur valt hun<br />
De treinstellen NS 1203+1206 en NMBS 220902 passeren als Beneluxtrein<br />
125 het in 1894 gebouwde en in 2006 deels afgebroken stationsgebouw<br />
van Kalmthout. Foto <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>, 14 oktober 1978.
Straatzijde van het stationsgebouw te Roosendaal uit 1854. Het gebouw<br />
kende flinke vergrotingen in 1867 en 1888, maar verdween na de opening<br />
in november 1907 van het nieuwe stationscomplex, enkele honderden<br />
meters verderop in noordoostelijke richting. Foto uit circa 1900, collectie<br />
Oudheidkundige Kring De Ghulden Roos.<br />
dikwerf uiterst lastig, wijl zij alzoo menigmaal al<br />
hunne zaken op eenen dag niet kunnen afhandelen<br />
en verplicht zijn eene tweede maal weer te<br />
keeren ofwel in de stad te overnachten’, aldus de<br />
brief van 2 september 1907. Zij moesten echter<br />
nog enige jaren geduld hebben.<br />
Om het vervoer per trein aantrekkelijker te maken,<br />
werd vanaf 15 mei 1933 tussen Antwerpen<br />
en Kalmthout een aantal ‘tramtreinen’ ingelegd.<br />
Zij stopten aan alle stations en tevens werden<br />
nieuwe stopplaatsen bij Merksem, Heikestraat,<br />
St.-Mariaburg en Kijkuit geopend. De dienst werd<br />
deels uitgevoerd met nieuwe dieselmotorrijtuigen.<br />
In Kalmthout lag op een zijspoor het begin- of<br />
eindpunt. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog<br />
op 10 mei 1940 kwam de ‘tramtreindienst’<br />
te vervallen.<br />
In 1935 reden er zo’n 35 reizigerstreinen in elke<br />
richting. Essen en Roosendaal genoten bekendheid<br />
in het vervoer per trein tussen België en Nederland.<br />
Exprestreinen met klinkende namen,<br />
bijvoorbeeld Etoile du Nord, Lloyd Rapid of Edelweiss,<br />
en luxe ‘Pullmanrijtuigen’ tussen Amsterdam<br />
en Parijs waren hier dagelijkse kost.<br />
Na de Tweede Wereldoorlog was het echter afgelopen<br />
met het monopolie van ‘het spoor’. De<br />
‘voorportalen’ van Nederland en België verlegden<br />
zich langzaam maar zeker naar de luchthavens<br />
Schiphol en Zaventem.<br />
Het vervoer tussen de beide landen beperkte zich<br />
na 1957 steeds meer tot een rechtstreekse uurdienst<br />
tussen de hoofdsteden. Wel bleef Essen<br />
een vaste stopplaats. Pas in 1980 werd ook een<br />
treindienst tussen Roosendaal en Oostende ingelegd.<br />
Vanaf 23 mei 1982 stopte de ‘Benelux-trein’<br />
niet langer meer te Essen. De dienst werd voort-<br />
12<br />
aan overgenomen door de<br />
trein van en naar Oostende.<br />
In 1995 reden er op het<br />
baanvak maar liefst ruim 60<br />
treinen per dag in elke richting<br />
(zie tabel 2).<br />
De gemiddelde rijtijd van de<br />
stoptreinen liep vanaf 1873,<br />
na het in dienst komen van<br />
de ringspoorweg om Antwerpen,<br />
langzaam op tot 58 minuten<br />
in 1935. Dit hing uiteraard<br />
samen met het toenemend<br />
aantal halten onderweg.<br />
Na de elektrificatie van<br />
de lijn in 1957 daalde dit cijfer<br />
aanzienlijk. In 1978 was<br />
het aantal stoptreinen één<br />
van de hoogste in het bestaan<br />
van de lijn.<br />
Het werkliedenvervoer per<br />
trein weerspiegelde zich na<br />
1887 ook in het vroege tijdstip<br />
van vertrek van de eerste<br />
trein te Essen. Het aantal goederentreinen<br />
schommelde in de loop van de tijd nog al eens,<br />
maar is vrijwel nooit meer dan 15 à 20 per dag<br />
geweest. Het aantal stations en halten tussen<br />
Antwerpen en Roosendaal is nooit meer dan dertien<br />
tegelijk geweest (zie tabel 3).<br />
Quarantainestallen en veevervoer<br />
Na 1880 kwam er vanuit Holland steeds meer<br />
levend vee per trein over de grens. Het bleek ook<br />
noodzakelijk om in het station Essen het vee op<br />
besmettelijke ziekten te controleren. Daartoe werden<br />
de dieren gedurende tien dagen ondergebracht<br />
in ‘quarantainestallen’. De houten gebouwen<br />
werden in 1896 vervangen door stallen in<br />
steen. In 1909 onderging het complex een flinke<br />
uitbreiding. Na hun verblijf werd het vee per trein<br />
verder het binnenland in vervoerd of ter plaatse<br />
aan kooplui verkocht. Tegenover de ingangspoort<br />
was er een verhoogde los- en laadplaats aangelegd.<br />
Bij het afladen liepen de koeien voor ontsmetting<br />
tegen mond- en klauwzeer door een<br />
kalkput. Tijdens de Eerste Wereldoorlog konden<br />
de stallen onderdak bieden aan maximaal 2600<br />
paarden.<br />
Tot 1947 was er in het stallencomplex ook een<br />
varkensslachterij gevestigd. Het vlees was bestemd<br />
voor export naar Engeland. Het in quarantaine<br />
houden van vee hield op in 1957 na nieuwe<br />
bepalingen in EEG-verband. De stallen bleven<br />
nog tot in de jaren zeventig in gebruik, voornamelijk<br />
voor het keuren, wegen en merken van vele<br />
duizenden paarden, koeien en schapen onder het<br />
toezicht van de douane. 7 Nadien kwam het vee<br />
steeds meer per vrachtauto over de grens en<br />
werden de invoerrechten elders geheven.
VERKEER en VERVOER in ESSEN, KALMTHOUT en ROOSENDAAL<br />
‘La Ville d’Anvers’ en de<br />
‘Fonderies Anversoises’<br />
Rond 1900 werd vanuit Antwerpen<br />
per trein stadsbeer als<br />
meststof voor de landbouw<br />
aangevoerd. De speciaal aangelegde<br />
gierputten aan de<br />
Handelsstraat waren bereikbaar<br />
via een spooraansluiting.<br />
In de volksmond werd het<br />
complex aangeduid met ‘La<br />
Ville d’Anvers’ (De Stad Antwerpen).<br />
Na 1900 kende ook Essen<br />
enige industriële activiteiten.<br />
De ijzergieterij ‘Fonderies<br />
Anversoises’ zorgde voor<br />
werkliedenvervoer, grondstoffen<br />
(steenkolen en smeedijzer)<br />
en producten (riooldeksels en<br />
lantaarnpalen) per trein. Sommige<br />
arbeiders kwamen uit<br />
Bergen op Zoom, een bakermat<br />
van ijzerindustrie. De fabriek<br />
was gevestigd iets ten zuiden van het station<br />
(aan de Heikantstraat, later houtzagerij Loos), maar<br />
bestond slechts van 1907 tot 1917.<br />
Aanvullend railvervoer<br />
In 1868 was in West-Brabant het spoorwegnet<br />
voltooid. Ten noorden van Antwerpen kwam een<br />
verdere uitbreiding niet van de grond. De inwoners<br />
van dorpen zonder station bleven dus aangewezen<br />
op rijtuigen of wagendiensten.<br />
In Nederland werden in 1878 de voorwaarden<br />
voor de aanleg van spoorwegen versoepeld. De<br />
‘stoomtram’ veroorzaakte een grote ommekeer in<br />
het openbaar vervoer. Wanneer een stoomtram<br />
niet sneller reed dan 15 kilometer per uur, dan<br />
mocht zij zelfs van de bestaande wegen gebruik<br />
maken. Zo konden de aanlegkosten tot een minimum<br />
beperkt blijven. De locomotieven, rijtuigen<br />
en goederenwagens hadden een vrij lichte constructie.<br />
In België werd in 1884 de aanleg van buurtspoorwegen<br />
mogelijk. Het grote verschil was echter dat<br />
in Nederland de aanleg werd overgelaten aan<br />
particulier initiatief en dat in België het tot stand<br />
komen een zaak was van de ‘Nationale Maatschappij<br />
van Buurtspoorwegen’ (NMVB).<br />
Buurtspoorwegen ten noorden van Antwerpen<br />
In aansluiting op de stadstram Antwerpen (Klapdorp)<br />
- Merksem (Oude Bareel) die al sinds 20 juli<br />
1879 met paardentractie werd gexploiteerd, kwamen<br />
in 1887 stoomtramverbindingen met Brasschaat<br />
(Dorp) en Bergen op Zoom tot stand. De<br />
lijn naar de markiezenstad liep vanaf het emplacement<br />
Merksem IJskelder door de polders over<br />
Ekeren, Hoevenen, Stabroek en Zantvliet. Ruim<br />
Straatzijde van het monumentale stationsgebouw te Roosendaal uit 1907.<br />
Het gebouw werd flink vernield in september 1944 en enkele jaren later<br />
deels in een andere stijl opgebouwd. Sindsdien bleef het nagenoeg ongewijzigd.<br />
Inmiddels werd het op de Rijksmonumentenlijst geplaatst en kwamen<br />
restauraties in uitvoering. Foto uit 1939, collectie <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />
13<br />
een jaar later reed er ook een stoomtram van Ekeren<br />
over Oorderen naar Lillo Fort. Bij de buurtschap<br />
Blauwhoef vond contact plaats met de hoofdlijn<br />
over Stabroek. In 1890 werd ook Breda per tram<br />
bereikbaar vanuit Brasschaat (Dorp). Deze lijn<br />
volgde de oude rijksstraatweg over Maria ter Heide,<br />
Wuustwezel, Zundert en Rijsbergen. Het vervoer<br />
van reizigers, goederen en post kwam snel<br />
in handen van de stoomtram. Tot dan toe hadden<br />
de Posterijen vanuit Wuustwezel en omliggende<br />
dorpen de post op het Kalmthoutse spoorwegstation<br />
opgehaald. Voor de komst van de spoorwegen<br />
was Wuustwezel nog het centrale punt voor<br />
de Posterijen geweest.<br />
Met de stoomtramverbindingen tussen Merksem<br />
(Oude Bareel) - Schoten (1889), Lillo Fort - Lillo<br />
Haven (1892) en Maria ter Heide - Brecht (1896)<br />
was het buurtspoorwegnet ten noorden van Antwerpen<br />
voorlopig voltooid (zie kaart 1). Voor alle<br />
aankomende reizigers uit het noordwesten en het<br />
noordoosten was het emplacement Merksem IJskelder<br />
het overstappunt op de paardentram naar<br />
het centrum van Antwerpen. Het stadsbestuur<br />
duldde immers geen stoomtrams binnen haar<br />
vesting.<br />
Stoomtrams in West-Brabant<br />
De eerste stoomtram in West-Brabant reed op 15<br />
september 1882 van Bergen op Zoom naar het<br />
Tholenseveer. Het grootste tramwegnet in West-<br />
Brabant werd echter aangelegd door de ‘Zuid-<br />
Nederlandsche Stoomtramweg-Maatschappij’<br />
(ZNSM). Vanuit Breda ontstond in 1890 niet<br />
alleen een verbinding met Antwerpen, maar ook<br />
met Etten en Oudenbosch. Op oudejaarsdag<br />
1892 werd de lijn vanuit Oudenbosch verlengd tot
Steenbergen via Oud Gastel en Kruisland. Vanaf<br />
het Gastelsveer kwam er een zijtak naar Roosendaal.<br />
Na het tot stand komen van het sluitstuk<br />
Halsteren - Steenbergen in 1899 was er een driehoek<br />
Antwerpen - Breda - Bergen op Zoom voltooid.<br />
Alleen in 1906 ontstond nog de ‘bietenlijn’<br />
Oud Gastel - Willemstad. Aangezien alle lijnen in<br />
de provincies Antwerpen en Noord-Brabant met<br />
een spoorwijdte van 1,067 meter waren uitgevoerd,<br />
kon doorgaand reizigers- en goederenvervoer<br />
plaatsvinden.<br />
Op de Veemarkt te Roosendaal staat een tram van de ZNSM gereed voor<br />
vertrek naar Steenbergen (via Gastelsveer en Kruisland). Leden en supporters<br />
van een voetbalvereniging poseren nog even voor de fotograaf,<br />
alvorens zij instappen voor een uitwedstrijd elders. Foto uit circa 1925,<br />
collectie Gemeentearchief Roosendaal.<br />
Het gat al of niet opgevuld<br />
In 1909 ontstonden plannen om het nog maagdelijke<br />
gebied rondom Essen en Kalmthout op te<br />
vullen met een buurtspoorwegverbinding. Een lijn<br />
was geprojecteerd vanaf Brecht over Wuustwezel,<br />
Achterbroek, Kalmthout (langs de Statiestraat)<br />
en Putte naar Stabroek. De stoomtram<br />
zou bij het Kalmthoutse spoorwegstation reizigers<br />
en goederen kunnen overnemen.<br />
Vanaf Wuustwezel moest een zijtak over Nieuwmoer<br />
naar Essen en eventueel ook Roosendaal<br />
lopen. De zaak liep echter op niets uit. Omdat de<br />
vervoerstromen louter en alleen op Antwerpen<br />
waren gericht, kwamen geldschieters niet gauw<br />
over de brug. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog<br />
betekende het definitieve einde van<br />
het project.<br />
Elektrische trams<br />
Inmiddels was er in Antwerpen behoefte ontstaan<br />
aan elektrische trams, niet alleen in de stad maar<br />
ook tussen het centrum en de omringende plaatsen.<br />
In 1908 reden ‘Rode Trams’ vanuit Antwer-<br />
14<br />
pen (Klapdorp) via Merksem (Oude Bareel) naar<br />
Schoten (Schotenhof). Een jaar later was ook Brasschaat<br />
(Dorp) elektrisch bereikbaar en in 1912 Maria<br />
ter Heide. Vanuit Merksem (Kleine Bareel) werd<br />
in 1911 een nieuw baanvak aangelegd naar St. Mariaburg<br />
(Hoogboom) en geëlektrificeerd. Het vormde<br />
de afsluiting van een periode van vernieuwing en<br />
uitbreiding vóór de Eerste Wereldoorlog.<br />
De reizigers uit de polderdorpen behielden Merksem<br />
IJskelder als overstappunt, maar vanuit Breda<br />
kon men al in Maria ter Heide de elektrische<br />
tram nemen. Vanuit Kalmthout<br />
loonde het voor sommigen<br />
de moeite om - als alternatief<br />
voor de duurdere trein<br />
- naar het kruispunt Hoogboom<br />
te lopen en vandaar<br />
per tram verder te reizen.<br />
Ook tijdens de Eerste Wereldoorlog,<br />
toen veelal de<br />
treinen niet reden, was dit<br />
een uitkomst. Vanuit Achterbroek<br />
was men beter af met<br />
opstappen in Maria ter Heide<br />
(Brasschaat-Polygoon).<br />
Het spoor versmald<br />
Na de voor België zo funest<br />
verlopen oorlogsjaren werd<br />
de spoorwijdte van het gehele<br />
tramwegnet in de provincie<br />
Antwerpse aangepast aan de<br />
rest van het land. Dit betekende<br />
een spoorversmalling<br />
tot 1 meter. Bij stukjes en<br />
beetjes kwam de ombouw tot<br />
stand. In 1921 was het geheel<br />
voltooid. Voortaan betekende dit aan de<br />
grens overstappen en overladen. Door de opkomst<br />
van autobusdiensten in de jaren twintig<br />
ging het aan Nederlandse zijde met de stoomtrams<br />
snel bergafwaarts. Op 15 oktober 1934<br />
werd alle reizigersvervoer opgeheven. Het goederenvervoer<br />
was definitief gedaan op 11 januari<br />
1937.<br />
In België dacht men ondanks het moordend concurrerende<br />
autobusvervoer nog lang niet aan opheffen.<br />
Integendeel, het tramwegnet werd nagenoeg<br />
helemaal onder de draad gebracht in de<br />
jaren 1927-1934 en zelfs uitgebreid met een lijn<br />
van Kapellen naar het Belgische Putte. Met deze<br />
golf van vernieuwing trachtte de NMVB de concurrentie<br />
in de wielen te rijden. Ook wist zij in<br />
1937 verder binnen te dringen in de stad Antwerpen,<br />
zodat doorgaand reizigersvervoer naar en<br />
van het Centraal Station mogelijk werd.<br />
Het was slechts uitstel van executie. In 1968 reed<br />
de allerlaatste interlokale elektrische tram in de<br />
provincie Antwerpen voorgoed naar de remise.<br />
De eerlijkheid gebiedt ook te zeggen, dat de tram
VERKEER en VERVOER in ESSEN, KALMTHOUT en ROOSENDAAL<br />
in de jaren zestig deels moest<br />
verdwijnen voor de grootschalige<br />
uitbreidingen van de Antwerpse<br />
haven in de polders<br />
ten noorden van de stad.<br />
Een ‘gruisweg voor<br />
trapwielrijders’<br />
Na 1890 opende de fiets nieuwe<br />
mogelijkheden om zich te<br />
verplaatsen. Eerst was dat<br />
alleen in het toeristisch verkeer<br />
voor de welgestelden,<br />
later vooral als vervoermiddel<br />
voor de arbeiders. Wel werden<br />
de fietsers nog flink door elkaar<br />
geschud op de kasseien.<br />
Het duurde tot 1905 eer langs<br />
sommige hoofdwegen in<br />
West-Brabant koolaspaden<br />
werden aangelegd. In België<br />
reageerde de overheid wat<br />
sneller om het de berijders van<br />
een ‘velo’ wat gemakkelijker te<br />
maken.<br />
Al voordat de eerste ‘gruisweg voor trapwielrijders’<br />
kort na 1900 langs één kant van de<br />
‘staatsbaan’ van Brasschaat naar Essen tot stand<br />
kwam, werd door de Essense gemeenteraad op 6<br />
juli 1897 een reglement vastgesteld. De rijstrook<br />
diende uitsluitend voor de ‘trapwielrijders’. Voetgangers<br />
en kruiwagens mochten er wel op lopen<br />
of rijden, maar dienden opzij te gaan bij het naderen<br />
van een fietser. Anderzijds moest een fietser<br />
langzaam rijden of zelfs afstappen op een druk<br />
(kruis-)punt, een straathoek en in smalle straten<br />
bij het naderen van rijtuigen.<br />
Twee bepalingen spraken voor<br />
zich: ‘Na zonnenondergang<br />
moeten de trapwielrijders<br />
verlicht zijn door goed doorschijnende<br />
lantaarntjes langs<br />
voor geplaatst’, en: ‘Het is de<br />
trapwielrijders opgelegd altoos<br />
voorzien te zijn van een<br />
belwerk, hoorn of ander toestel<br />
om hunne nadering aan<br />
te kondigen’.<br />
Op zondag naar de heide<br />
De spoorwegen kregen vrij<br />
snel een monopoliepositie in<br />
het verkeer en vervoer. De<br />
trein wakkerde de reislust<br />
van de welgestelden en de<br />
middenstand aan. Al in 1856<br />
reden de eerste ‘pleiziertreinen’<br />
van Moerdijk en Breda<br />
naar Antwerpen. Rond 1890<br />
kwam de Kalmthoutse Heide<br />
Het elektrisch motorrijtuig 9662 van de NMVB doet op 19 april 1957 dienst<br />
op lijn 75 (Antwerpen - Lillo) en nadert de stelplaats in Hoevenen. Foto,<br />
collectie <strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>.<br />
15<br />
in de belangstelling te staan van de Antwerpse<br />
burgerij. Nadat in 1897 de halte Heide was opengesteld,<br />
kwamen op zomerse zondagen steeds<br />
meer dagjesmensen vanuit het Antwerpse naar<br />
de Kalmthoutse Heide. Er werd hier handig op<br />
ingespeeld door het bouwen van fraaie hotels en<br />
pensions. In 1900 werden ook kasseien gelegd<br />
vanaf de ‘staatsbaan’ Kapellen - Essen naar de<br />
spoorweghalte aan de Heidestatiestraat. Vooral<br />
na de bouw van een echt spoorwegstation in<br />
1911 werd Heide een toeristisch centrum.<br />
Gezicht vanaf de Molenberg op de haven van Roosendaal. In de verte<br />
rijdt juist een stoomtram van de ZNSM. Behalve per trein, tram en vrachtkar<br />
ging er ook heel veel vervoer per schip. Rond 1910 werd veel stijfsel,<br />
graan, suiker, kandij, pulp en melasse uitgevoerd. Naar Roosendaal kwamen<br />
schepen met suikerbieten, steenkolen en kunstmest. Foto uit 1929,<br />
A. Klitzsch, collectie Gemeentearchief Roosendaal.
De Antwerpse burgerij wist het natuurschoon en<br />
de rust van de heide te waarderen. Na het aangenaam<br />
verpozen kwam op zondagavond de terugtocht<br />
op gang. De spoorwegdienstregeling van<br />
1909 vermeldt tussen zeven en tien uur vier treinen<br />
naar de Sinjorenstad en in 1935 zelfs zes<br />
treinen. De helft hiervan was extra ingelegd.<br />
Het had overigens niet veel gescheeld of de Kalmthoutse<br />
Heide was helemaal afgegraven geweest.<br />
In de jaren 1860-1870 sneuvelden de ‘Boterbergen’<br />
en de ‘Nolse Duinen’ voor de stadsuitbreidingen<br />
van Antwerpen. In 1868 werden tot<br />
vier zandtreinen per dag naar Antwerpen ingelegd.<br />
In de jaren 1890-1900 was het de beurt aan<br />
de ‘Vossenbergen’. Vanaf hier ging er zand naar<br />
de werken voor de ‘Middenstatie’ in Antwerpen<br />
en de aansluitende ophogingen van de ringspoorweg<br />
met de goederenstations Zurenborg en Borgerhout.<br />
(In de buurt van de Kalmthoutse Heide is<br />
nog steeds de ligging van enkele aftakkingen uit<br />
de spoorweg Antwerpen - Roosendaal in het terrein<br />
waar te nemen.)<br />
Een smalspoorweg op de Kalmthoutse Heide<br />
Toch werd het tracé nog een keer gebruikt, maar<br />
nu met de bedoeling om toeristen tot ver op de<br />
heide te brengen. Het initiatief ging uit van Bernhard<br />
Bernsohn-Stern, een Antwerpse diamantkoopman,<br />
die sinds 1908 eigenaar was van het<br />
landgoed Mont-Noir. Zijn landgoed lag op een uur<br />
gaans van het station Heide en ontbeerde een<br />
verharde toegangsweg.<br />
Op 21 april 1910 werd een concessie gevraagd<br />
voor een smalspoorweg met paardentractie. De<br />
Naast het voermansbedrijf en het taxivervoer kwam in mei 1930 bij Van<br />
Hees een eerste autobus in dienst voor groepsvervoer en een dagelijkse<br />
dienst op marktdagen tussen Nispen en Roosendaal. Op het einde van de<br />
jaren dertig telde het bedrijf twee à drie taxi’s, vier à vijf autobussen en<br />
een gelijk aantal vrachtauto’s van allerlei slag en soort. Foto, collectie Familie<br />
Van Hees, Nispen.<br />
16<br />
enkelsporige lijn had een lengte van 5,585 kilometer<br />
en een spoorwijdte van 75 cm. Pas in 1912<br />
startten de werkzaamheden. Het toeristisch en<br />
economisch belang van het smalspoortje stond<br />
voor Bernsohn-Stern vast. Heide was immers een<br />
centrum van eendagstoerisme met een bijzonder<br />
bloeiend hotelwezen en talloze buitenverblijven.<br />
Honderden toeristen trof men er op vrije dagen<br />
aan, zodat een rechtstreekse verbinding van het<br />
station Heide met het centrum van de duinen ongetwijfeld<br />
een succesvolle en winstgevende exploitatie<br />
moest gaan opleveren.<br />
Dit alles werd echter wreed verstoord door het<br />
uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Bernsohn-<br />
Stern vluchtte in 1914 naar het buitenland en liet<br />
het landgoed Mont-Noir voorgoed in de steek.<br />
Het juist voltooide smalspoortje werd nimmer in<br />
gebruik genomen. Kort na de bevrijding in 1918<br />
werd het al weer opgebroken.<br />
Autobussen en vrachtauto’s<br />
Tussen Roosendaal en Kapellen waren vóór<br />
1925 alle inwoners van Essen en Kalmthout uitsluitend<br />
aangewezen op de trein. Het alternatief<br />
was lopen of fietsen. Alleen welgestelden beschikten<br />
over een eigen rijtuig. Pas in de jaren<br />
twintig verspreidden autobussen en vrachtauto’s<br />
zich als een olievlek over het platteland. Geen<br />
dorp of gehucht of het werd wel aangedaan door<br />
een autobus, waarmee de inwoners voor een appel<br />
en een ei konden reizen. Aan beide zijden<br />
van de grens stond het namelijk iedereen vrij om<br />
met wat voor vervoermiddel dan ook personen en<br />
goederen te vervoeren. Het werd zeer lucratief<br />
om met autobussen parallel<br />
aan trein of tram te rijden. De<br />
kosten waren zeer laag, terwijl<br />
geen sterveling de ondernemers<br />
kon dwingen om ook<br />
tijdens de stille uren de autobus<br />
op de weg te houden.<br />
Ondernemers zorgden voor<br />
een moordende concurrentiestrijd<br />
op de weg. Als gevolg<br />
daarvan werden de tarieven<br />
omlaag geschroefd,<br />
waardoor de rentabiliteit van<br />
de ondernemingen in gevaar<br />
kwam. Menigeen verdween<br />
dan ook weer snel van de weg<br />
of zette een eigen bedrijf met<br />
‘luxe-touringcars’ op.<br />
Een voorbeeld is Van Hees te<br />
Nispen. Scholen en verenigingen<br />
maakten maar wat graag<br />
gebruik van hun diensten voor<br />
de jaarlijkse uitstapjes. Voorheen<br />
was vader Peerke van<br />
Hees voerman met paard en<br />
kar op Roosendaal geweest.
VERKEER en VERVOER in ESSEN, KALMTHOUT en ROOSENDAAL<br />
Na 1920 begon ook de vrachtauto aan zijn<br />
opmars om het vervoer van goederen over<br />
te nemen.<br />
Nieuwe wegen rond Essen<br />
Na 1925 begon een inhaalslag op het gebied<br />
van de wegenbouw. De keiweg van<br />
3,5 meter breed tussen Roosendaal en<br />
Essen werd in 1930 vervangen door een<br />
weg in beton van 7,5 meter breed met<br />
aan weerszijden fietspaden.<br />
De in 1938 geopende ‘rondweg’ om Roosendaal<br />
was het eerste stuk nieuwe rijksstraatweg<br />
in West-Brabant sinds de tijd<br />
van Napoleon. Na de Tweede Wereldoorlog<br />
ontstond er een toenemende drukte<br />
van vrachtauto’s bij de douanekantoren<br />
aan de grens. Ondanks de Benelux-akkoorden<br />
uit 1946 duurde het nog tot 3<br />
september 1959, voordat er een gezamenlijk<br />
douanekantoor met een aparte<br />
loods voor de controle van stukgoederen<br />
werd geopend. Op dat ogenblik reden er<br />
per dag al zo’n 1800 vrachtauto’s door de<br />
Essense Nieuwstraat. Langs deze weg<br />
waren ook tal van expediteurs en douaneagentschappen<br />
actief met het verzorgen<br />
van de papieren rompslomp voor de<br />
transportbedrijven. Vanaf 1967 mochten<br />
sommige douanehandelingen ook op het<br />
terrein van de afzender geschieden, zodat de<br />
druk van het vrachtverkeer aan de grens werd<br />
verminderd. Kort daarna was het dan ook gedaan<br />
met de vele expeditiefirma’s.<br />
Een halve oplossing om het zware verkeer uit de<br />
dorpskommen van Nispen en Essen kwijt te raken,<br />
werd in 1981 geschapen door het in gebruik<br />
nemen van een nieuwe weg van Roosendaal tot<br />
voorbij Essen. Omdat krachtens de Benelux-verdragen<br />
er geen nieuwe douanekantoren meer<br />
mochten worden gevestigd, werd voorlopig volstaan<br />
met een post met beperkte bevoegdheden.<br />
Het oude kantoor aan de Nieuwstraat bleef in<br />
dienst, zodat het Nispense Kerkplein min of meer<br />
werd opgeofferd aan het doorgaand vrachtverkeer,<br />
dat het dorp hierlangs binnenreed. Het was<br />
pas echt afgelopen in 1989, toen de infrastructuur<br />
en de bevoegdheden van het kantoor aan de<br />
nieuwe weg werden uitgebreid. Omdat het meeste<br />
verkeer inmiddels al langs de E 19 over Breda<br />
ging, passeerden er nog maar zo’n 650<br />
vrachtauto’s per dag. In 1993 werd het hele douanegebeuren<br />
aan de grens zelfs volledig geschiedenis.<br />
Particulier vervoer<br />
Na 1950 werd ook de fiets gemotoriseerd, aanvankelijk<br />
in de vorm van een ‘Solex’-brommertje<br />
voor de ouderen, later als een ‘buikschuiver’ van<br />
het merk Berini, Kreidler of Zündapp voor de<br />
In 1952 wachtten chauffeurs met hun stadsbussen op het<br />
plein voor het Roosendaalse station geduldig op reizigers.<br />
De stadsdienst was in 1949 ingesteld en telde aanvankelijk<br />
twee lijnen. Foto, collectie Gemeentearchief Roosendaal.<br />
17<br />
jeugd. De gigantische uitbreiding van het wegennet<br />
in de jaren zestig en zeventig gaf volop ruimte<br />
aan een eigen auto. Het reizen werd van middel<br />
tot doel verheven en schiep een nieuwe levensbehoefte.<br />
De trein raakte op de achtergrond. Het<br />
toenemend gebruik van de auto leidde tot files op<br />
vele wegen en verstoppingen in steden en dorpen.<br />
De ‘heilige koe’ bleek toch niet alle oude<br />
vervoermiddelen te kunnen vervangen... ◄<br />
Bronnen<br />
• Notulen van de gemeenteraden en ingekomen<br />
stukken van de gemeentebesturen in Essen,<br />
Kalmthout en Roosendaal.<br />
Literatuur<br />
• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Geschiedenis der spoorwegen<br />
in en om Roosendaal, 1850-1880’ (Roosendaal<br />
1984).<br />
• E. Keutgens, ‘Een eeuw mobiel met tram en<br />
bus. Honderd jaar buurtspoorwegen in de provincie<br />
Antwerpen’ (Antwerpen 1985).<br />
• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Oorsprong en ontwikkeling van<br />
een West-Brabants spoorwegknooppunt,<br />
1840-1910’, in: Jaarboek Oudheidkundige<br />
Kring De Ghulden Roos, 51 (1991), blz. 144-<br />
181.
• J. Bastiaensen, ‘Geschiedenis van Kalmthout’<br />
(Kalmthout 1996).<br />
• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘700 jaar West-Brabant, de<br />
West-Brabanders en hun verkeer en vervoer’,<br />
in: Ach Lieve Tijd, deel 10 (Zwolle 1995), blz.<br />
221-244.<br />
• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Ontwikkelingen in het goederenvervoer<br />
in West-Brabant, 1851-1930’, in: Jaarboek<br />
Oudheidkundige Kring De Ghulden Roos,<br />
58 (1998), blz. 116-144.<br />
• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Een gemiste kans, Opkomst en<br />
neergang van Roosendaal als grensstation en<br />
internationaal spoorwegknooppunt, 1854-<br />
1996’, in: Jaarboek Oudheidkundige Kring De<br />
Ghulden Roos, 62 (2002), blz. 120-156.<br />
• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Roosendaal, een spoorwegknooppunt<br />
als 's lands voorportaal in het zuiden,<br />
1854-1996’ (Rosmalen 2004).<br />
• M.C.J. <strong>Broos</strong>, ‘Het station Essen als 's lands<br />
voorportaal in een internationale spoorwegverbinding,<br />
1854-2004’, in: Jaarboek Heemkundekring<br />
De Spijcker, Essen, 61 (2004), blz. 54-<br />
78.<br />
Noten<br />
1. Vanuit Kalmthout steeg het aantal treinforensen<br />
van 14 in 1896 naar 175 in 1906. In 1910 waren<br />
er al 258 pendelaars, te verdelen in 119 fabrieksarbeiders,<br />
123 dokwerkers en spoorwegmannen<br />
en 16 kooplieden en bankbedienden. Tachtig procent<br />
van hen reisden uitsluitend naar en van Antwerpen.<br />
2. Dit waren een vrachtkar van Steenbergen, drie<br />
van Roosendaal, twee van Oudenbosch, een van<br />
Zevenbergen en een van Essen.<br />
3. Tussen Moerdijk en Rotterdam onderhield de<br />
AR een eigen bootdienst. Aan de bouw van bruggen<br />
over het Hollandsch Diep, de Oude en de<br />
Nieuwe Maas viel toen nog niet te denken. Niet<br />
alleen was men bang voor de hoge kosten, maar<br />
ook voor de beschadiging van de pijlers door<br />
sterke stromingen en ijsgang in de winter.<br />
4. Dit waren een loods voor twee locomotieven,<br />
een voorziening voor steenkolen en water, een<br />
draaischijf en een gebouwtje voor het gereed maken<br />
van warmwaterstoven en lampen.<br />
5. Het uiterlijk van het oude stationsgebouw van<br />
Essen is niet bekend. Het was in een classicistische<br />
stijl gebouwd en bestond uit een hoog middendeel<br />
van 12 meter lengte met aan weerszijden<br />
een laag gedeelte van elk 15 meter lengte.<br />
Het gebouw had met pannen gedekte zadeldaken<br />
en was 12 meter breed.<br />
6. Anders dan in Roosendaal had het Essense<br />
gemeentebestuur geen enkele inbreng bij de uitbreidingen<br />
van het stationscomplex. Het Departement<br />
van Posterijen, Telegrafie en Spoorwegen<br />
had volledige vrijheid van handelen. Zij hoefde<br />
18<br />
alleen verantwoording af te leggen aan de Minister.<br />
Over het station en de spoorwegen is dan<br />
ook niets in de Essense raadsnotulen te vinden.<br />
De Essense gemeenteraad bestond veelal uit<br />
landbouwers en kleine zelfstandigen. Zelden<br />
duurde een vergadering langer dan een uur. Dikwijls<br />
telde de agenda maar drie punten. Alle besluiten<br />
werden ‘eenpariglijk’ genomen. Er was<br />
nauwelijks of geen discussie. Dit was wel in<br />
schrille tegenstelling met Roosendaal.<br />
7. Pas na de Eerste Wereldoorlog werden in België<br />
invoerrechten op allerlei goederen en ook op<br />
levend vee geheven. Onder toezicht van de douane<br />
werden in de quarantainestallen alle dieren<br />
gewogen en van een oormerk voorzien.<br />
Colofon<br />
Dit artikel is eerder gepubliceerd onder de gelijknamige<br />
titel ‘Verkeer en vervoer in Essen, Kalmthout<br />
en Roosendaal’ in de bundel ‘Grenzeloos<br />
Geheugen. Aspecten van de geschiedenis van<br />
Roosendaal, Essen en Kalmthout’ (Roosendaal<br />
2000), blz. 70-87. In deze versie zijn redactionele<br />
wijzigingen en geschiedkundige aanvullingen<br />
aangebracht.<br />
Uitgave, tekst en samenstelling, alsmede<br />
lay-out en opmaak:<br />
<strong>Marius</strong> <strong>Broos</strong>, Roosendaal, juni 2013,<br />
e-mail: info@mariusbroos.nl<br />
© Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd<br />
en/of openbaar gemaakt door middel<br />
van fotokopie, microfim, op digitale of op welke<br />
andere wijze dan ook, zonder voorafgaande<br />
schriftelijke toestemming van auteur en<br />
uitgever.