DE JOURNALIST

webstore.iisg.nl

DE JOURNALIST

NS 317

7 April 1921

DE JOURNALIST

Orgaan van den Nederlandschen Journalisten-Kring

Eedacteur: w". N. VAN DEE HOUT, Den Haag C?


40 DE JOURNALIST

Zonder nu op het debat in te gaan, moet ik toch over

één punt een enkele opmerking maken. In het schema staat,

dat het Verbond zal bevorderen „de deelneming van het

intellect in de leiding" van staat, provincie en gemeente".

Van verscheidene kanten is hiertegen fel opgekomen, omdat

men er politiek in zag, het deelnemen van het Verbond aan

verkiezingen. Ik, die aan de samenstelling van het schema

een groot aandeel had, verklaar hierbij uitdrukkelijk dat

daaraan niet is gedacht. Hetgeen toch eigenlijk ten overvloede

blijkt uit de bepaling, dat het Verbond zich houdt

„buiten alle geschillen van politieken en kerkelijk-leerstelligen

aard". Met politiek, met den electoralen strijd laat het Verbond

zich in geen geval in. De commissie van voorbereiding

had eenvoudig het oog op het feit, dat — vooral tijdens de

crisis-jaren — in tal van belangrijke commissies en organen

personen en leiders werden benoemd, die intellectueel voor

hun taak niet berekend waren en dat in vertegenwoordigende

commissies de geestelijke, intellectueele beroepen totaal

werden voorbijgegaan. Men lette slechts op den Hoogen

Raad van Arbeid, waarin — hoewel verscheidene groepen

van intellectueelen onder de Arbeidswet vallen — geen enkele

vertegenwoordiger van hen zitting heeft. Hetgeen anderzijds

weer verband houdt met het ontbreken van een Centrale

van geestelijke arbeiders. In dezen zin „de deelneming van

het intellect" aan de leiding van het openbare leven te

bevorderen, is de bedoeling der bewuste clausule, die misschien

eenigzins anders geredigeerd had moeten worden. Het is

gewenscht dit uitdrukkelijk vast te stellen.

De conclusie?

Deze: dat de Kring de samenwerking van intellectueelen

in ons land heeft tot stand gebracht. Dat hij zelf niet permanent

toetreedt, bereid is tot incidenteele samenwerking, en

overigens belangstellend afwacht hoe het kind, zijn kind toch

feitelijk, zal opgroeien.

Het Verbond zal nu moeten toonen dat het kan dansen,

ook al danst het niet met de bruid.

D. H.

Economische actie.

Officiëele Mededeelingen.

Op Donderdag 24 Maart had te Amsterdam een conferentie

plaats tusschen de vertegenwoordigers van de directeurenvereeniging

(de heeren A. G. BOISSEVAIN, J. C. PEEREBOOM

en CH. A. VIEWEG), van den Nederlandschen Journalisten-

Kring (de heeren ,D. HANS, L. SCHOTTING en W. N. VAN

DER HOUT), van de Katholieke Journalisten-Vereeniging (de

heeren S. BRUYSTEN en J. H. A. SCHUURS) en van de Vereeniging

van Hoofdredacteuren (de heeren dr. C. EASTON

en J. W. HENNY.)

Het eerste punt der onderhandelingen betrof de salarissen van

de hoofdredacteuren. Na langdurig overleg werd het — dooiden

Kring en de Katholieke Vereeniging reeds in November

j.1. verdedigde stelsel — aanvaard, om punt II van de salarisovereenkomst

aldus aan te vullen, dat aan de hoofdredacteuren

boven de hoogste salaris-cijfers van de klasse waarin hun*blad

valt een minimum-toelage moet worden gegarandeerd. Die

toelage werd gesteld op 20 °/0, zoodat punt II aldus zal luiden :

„De hoofdredacteuren vallen buiten de getalsverhouding

en genieten een salaris, dat ten minste 20 °/0 hooger is

dan dat van klasse A der betrokken gemeente-klasse.

Aan bladen,. waar geen hoofdredacteur is aangesteld,

geniet de journalist die belast is met de regeling en indeeling

van den redactioneelen inhoud van het blad,

een salaris dat .ten minste f 500 hooger is dan dat van

klasse A. Hij telt wel mee in de getalsverhouding."

Deze wijziging zal aan de directeuren-vereeniging worden

voorgesteld. Wanneer zij wordt aanvaard, hebben wij dus

ook voor de hoofdredacteuren een aardig voordeel verkregen.

Vervolgens werd (nadat de vertegenwoordigers van de Ver.

van Hoofdredacteuren de vergadering hadden verlaten) onderhandeld

over de salarissen van vaste medewerkers. In principe

werd ook voor hen de wenschelijkheid van verhooging erkend.

De regeling zal nader worden ontworpen door den heer

A. G. BOISSEVAIN eenerzijds en D. HANS en W. N. VAN DER

HOUT anderzijds.

Daarna had een conferentie plaats tusschen een andere

directeuren-commissie (de heeren J. FUNKE, J. C. PEEREBOOM

en J. W. HENNY) en de bovengenoemde vertegenwoordigers

van Kring en Kath. Vereeniging over de pensioenen. Hieromtrent

kunnen nog geen verdere mededeelingen worden gedaan.

Uitstapje op Hemelvaartdag.

Naar Arnhem.

De Hemelvaartdag — 5 Mei — nadert weer. En daarmee

het jaarlijksche uitstapje van den Kring.

We gaan ditmaal naar Arnhem. En onze vrienden van

„De Arnhemsche Pers" hebben voor een goede voorberejding

gezorgd.

Den avond te voren — 4 Mei — zal de Vereeniging voor

Vreemdelingenverkeer ons ontvangen. Daarna volgt een

gezellig samenzijn.

Aangaande den Hemelvaartdag is het plan voorloopig als

volgt, 's Morgens eerst een bezoek aan het landgoed Rosendaal

bij Velp, daarna aan Oosterbeek, Wolfheze en huize

ter Aa. De tochtjes van Arnhem naar Velp, en van Velp naar

Oosterbeek geschieden per extra-tram, aangeboden door het

Gemeentebestuur. In Oosterbeek of op het huis ter Aa

(Doorwerth) wordt koffie gedronken (voor eigen rekening).

Dit laatste bereikt men na een half uur wandelen langs den

sehitterenden Italiaanschenweg. Thee-drinken op Westerbouwing.

Per boot terug naar Arnhem.

De burgemeester van Arnhem, Jhr. mr. D. J. DE GEER,

heeft den wensch te kennen gegeven den avond te voren

namens het Gemeentebestuur de deelnemers officieel op het

stadhuis te ontvangen.

Ziedaar het plan. ,

Natuurlijk zal het noodig zijn dat zij, die uit „het Westen"

komen, reeds den avond te voren in Arnhem arriveeren.

Maar wij hopen dat velen daaraan gevolg zullen geven. Nu

wij voor het eerst eens naar het Oosten des lands trekken,

zou het voor onze collega's daar een groote teleurstelling zijn,

indien er weinig deelnemers waren. Wij wekken daarom tot

een druk bezoek op.

In het volgend nummer worden nadere bijzonderheden

medegedeeld. Laten velen echter reeds thans op hun agenda

aanteekenen: 3 Mei naar Arnhem.

In verband met eenige te treffen maatregelen verzoeken

wij allen, die voornemens zijn naar Arnhem

te gaan, 1 daarvan vóór 15 April mededeeling te doen

aan den Kringsecretaris, met vermelding of men

reeds den avond te voren aanwezig denkt te zijn.

Orgaanfonds.

Ontvangen: G. F. te R. f 5.—

Ledenlijst.

Verhuisd;

B. J. M. HULSMAN naar Kerkstraat 9, Bussum.

H. W. C. DOUWES van Amsterdam naar Rijnhaven 74, Arnhem.

H. VAN LOON naar 37 Rue Caulaincourt, Parijs.

A. G. BOUTEN naar Beukelsdijk 62% Rotterdam.

Bedankt als gewoon lid:

Mej. W. G. E. JANSEN (wegens verlaten van de journalistiek).

Amsterdam.

Plaatselijke Vereenigingen.

De vereeniging „De Amsterdamsche Pers" hield haar jaarvergadering

Maandag 21 Maart in Krasnapolsky.

Secretaris en penningmeester brachten hun jaarverslag uit

(voor het jaarverslag van den secretaris zie elders in dit blad),

waarna bestuursverkiezing plaats had.

De aftredende bestuursleden, de heeren J. K. VAN LOON

en C. j. SCHOTEL Fzn. werden herkozen, in de plaats van

den heer J. H. BOAS, die zich niet herkiesbaar had gesteld

werd gekozen de heer H, ALKEMA.

Aangenomen werd o. m. een voorstel van het bestuur om

voor het jaar 1921 telkens vóór iedere Kringvergadering enkele

bestuursleden of leden door de vergadering der A. P. te doen

aanwijzen ter verdediging van eventueele voorstellen en wenschen

der A. P. en de reis- en verblijfkosten dezer leden te

doen dragen door de kas der vereeniging.

Hierna kwam in behandeling de agenda voor de Kringvergadering.

Vooral door den voorzitter en de heeren SCHOTTING, VAN

LOON en ALKEMA werd de aansluiting bij het Verbond van

intellectueelen fel bestreden.

Tenslotte werd de volgende motie aangenomen:

De vergadering enz.,

gezien de agenda der Kringvergadering uitgeschreven tegen


Vrijdag 25 Maart a.s. te Utrecht, en het daarop voorkomende

agendapunt inzake de samenwerking van intellectueelen;

gehoord de bespreking;

verklaart zich met klem tegen toetreding tot het Algemeen

Nederl. Intellectueelen-Verbond" vervat in het schema der

commissie van voorbereiding, opgenomen in De Journalist

no. 316;

en dringt er bij het Kringbestuur op aan, geen verdere

stappen te doen tot toetreding tot dit Verbond.

Door het bestuur werd de heer VAN LOON aangewezen

als gedelegeerde om op de Kringvergadering deze motie te

verdedigen.

Na afloop der ledenvergadering bleef het bestuur na ter

verdeeling der functies. Het bestuur is thans als volgt samengesteld:

D. KOUWENAAR, voorzitter, C. J. SCHOTEL Fzn.,

secretaris, J. H. ROGGE, penningmeester, J. K. VAN LOON.

vice-voorzitter, L. P. VAN DEN BROEK, L. A. P. M. VAN DEN

BROECKE, H. ALKEMA (2 e secretaris).

* *

*

VAN DEN BROEK.

Jaarverslag. Kon in het jaarverslag over 1919 van een aanzienlijke

toeneming van het ledental worden gewag gemaakt, over 1930 is dit

cijfer vrijwel stationair gebleven zoodat op 1 Januari 1921 het aantal

gewone leden 79 bedroeg (vorig jaar 78) en het aantal buitengewone

leden 7, evenals verleden jaar. Wil de A. P. waarlijk de

vertegenwoordigster der Amsterdamsche Journalistiek zijn, dan dienen

zooveel mogelijk alle Kringleden in de hoofdstad woonachtig of

werkzaam, binnen het verband der plaatselijke organisatie te worden

gebracht. Moge 1921 dit einddoel een flinken stap nader gebracht zien!

In het bestuur kwam in het afgeloopen jaar geen verandering.

Het jaar 1920 is voor het bestuur een bedrijvig jaar geweest; tal

van bestuursvergaderingen werden gehouden en daarnaast werd

herhaaldelijk met autoriteiten geconfereerd, werd gehandeld waaide

persbelangen dit eischten en werd regelend en bemiddelend

opgetreden.

De ledenvergadering werd vijfmaal bijeengeroepen. In een dier

vergaderingen werd besloten aan te dringen op restitutie der kosten

van den gedelegeerde bij het Kringbestuur subsidiair het doen houden

van de helft der bestuursvergaderingen te Amsterdam. Over 1920

werd door het Kringbestuur een regeling getroffen, waardoor althans

een deel der kosten gerestitueerd werd. Een andere vergadering had

betrekking op de pensioenactie van den Kring. Het bestuur had

tevoren over deze zaak advies ingewonnen van het Centraal Bureau

voor Sociale Adviezen.

Twee vergaderingen waren gewijd aan het journalistiek congres

en zijn voorbereiding, terwijl in een derde vergadering met name

de diner-quaestie van het congres aan de orde kwam. In de eerste

dezer vergaderingen werd een motie aangenomen, uitsprekende wel

is waar, dat ieder congres overbodig werd geacht, maar waarin

toch tevens werd aangegeven welke leemten er naar de meeniug

der A. P. in de voorbereiding van het congres waren geweest als

hoedanig met name werd genoemd het niet-hooren van de ledenvergadering.

De zeer onvoldoende wijze, waarop deze motie in het

Kringorgaan werd vérmeid, gaf aanleiding tot een bespreking in

een nieuwe ledenvergadering, waarin een motie tegen deze wijze

van behandeling werd aangenomen. De derde vergadering, waarin

over de diner-quaestie werd gesproken, leidde tot een motie, waarin

nadere mededeelingen nopens die quaestie werden gevraagd.

Laatstbedoelde vergadering was belegd in verband met de salarisactie

van den Kring. Besloten werd daar een nieuwe salarisschaal

op te stellen, ongeveer 50 % hooger dan de bestaande. Op de beide

dit jaar gehouden vergaderingen van den Kringraad (gewijd aan de

pensioen- en de salarisactie) was de A. P., behalve door haren

gedelegeerde door afgevaardigden vertegenwoordigd.

Het regelend en bemiddelend optreden nam wederom voor een aanzienlijk

deel de aandacht des bestuurs in beslag. Aangedrongen werd,

op verzoek van een der leden, op verbetering van het uittrekselpolitie-rapport

voor de dagbladen. Naar aanleiding van een verzoek,

door eenige collega's tot den hoofdcommissaris van politie gericht,

werd verkregen, dat tijdens de transportarbeidersstaking de bladen

gewaarschuwd werden wanneer zich ernstige incidenten hadden

voorgedaan. Uitdrukkelijk werd hierbij op den voorgrond gesteld,

dat het hier slechts een regeling betrof voor den duur van genoemde

staking.

„Rumor in casa" verwekte in het afgeloopen jaar het geval, dat

in de annalen der A. P. en met name van de Amsterdamsche verslaggeverswereld,

zal blijven geboekt als „het geval van den beroofden

chinees'". Tijdens de poststaking was den hoofdcommissaris de

wenschelijkheid gebleken van een nauwer contact met de pers in

dien zin, dat de H. C. zocht naar een centraal punt, van waaruit

hij alle bladen zonder onderscheid zou kunnen doen inlichten over

belangrijke politiezaken. Het dagelijksch bestuur der A. P. confereerde

over deze zaak en de afspraak werd gemaakt, dat de H. C.

den voorzitter subsidiair den penningmeester der A. P. zou doen

waarschuwen, wanneer er belangrijke mededeelingen voor de bladen

waren. Genoemde functionarissen zouden dan voor de distributie

van het nieuws zorgen. Tevens werd overeengekomen, dat, „mutatismutandis,"

de bedoelde A. P. bestuurderen ook hun bemiddeling

zouden verleenen tot het voorkomen van in het belang van het

politie-onderzoek ongewenschte publicaties. Als eerste en eenige

resultaat van deze afspraak werd den bladen verzocht geen melding

te maken van de berooving van een zoon van het Hemelsche Rijk

door enkele „chineezen van het Westen", welk publicatieverbod

reeds den volgenden dag kon worden opgeheven. Wat bleek evenwel

dra? Dat de politie-autoriteiten deze afspraak aldus uitlegden,

dat geenerlei mededeelingen aan de pers mochten worden gedaan

dan door bemiddeling van de A. P., zoodat een verslaggever, die

DE JOURNALIST 41

naar aanleiding van een hem geworden „tip" bij den een of anderen

C. P. of H. I. P. kwam informeeren, tot beseheid kreeg, dat eventueele

nadere mededeelingen, verband houdend met zijn „tip", aan

alle bladen zouden worden verstrekt. Het dagelijksch bestuur der A. P.

haastte zich tegen deze averechtsche opvatting bij den H. C. te

protesteeren, met het gevolg, dat de regeling even snel weer ongedaan

werd gemaakt als zij getroffen was.

Bij het Koninklijk bezoek van 10—12 Mei verleende de A. P.

wederom hare bemiddeling. Het minder heusche optreden tegenover

collega Herman Rutters, muziek-redacteur van het Handelsblad bij

een . boottocht tijdens de Mahlerfeesteu, door het gemeentebestuur

aangeboden, gaf ons bestuur aanleiding, zich tot den burgemeester

te wenden, welke bemoeiing tot een bevredigend resultaat leidde.

Onze voorzitter belastte zich als lid van liet eere-comité der Kinotentoonstelling

met de regeling der perszaken voor deze tentoonstelling,

daarin bijgestaan door de collega's Kloppers en Westerbaan.

Naar aaleiding van een zinsnede in het officieele gemeenteverslag

over den beweerden invloed der pers op de criminaliteit, wendde

het bestuur zich tot den gemeenteraad van Amsterdam; in de raadszitting

ontspon zich hierover een gedachtenwisseling in voorde pers

gunstigen zin.

De reprimande, door den burgemeester op gezag van een raadslid

in de laatste raadszitting des jaars tot de pers gericht, gaf voorzitter

en secretaris aanleiding, zich tot den burgemeester te wenden

om uiteen te zetten, dat naar hun meening voor die reprimande

allerminst aanleiding bestond. De burgemeester zegde toe, zich nader

met het betrokken raadslid te zullen verstaan.

Voorts zij vermeld, dat het bestuur naar aanleiding van een klacht

van een lid den gemeentesecretaris adviseerde tot een wijziging in

de regeling der persplaatsen in de raadzaal in dien zin, dat de verslaggevers

zooveel mogelijk op de eerste, de overzichtschrijvers op

de tweede rij zouden worden geplaatst.

Het instituut der persbeivijzen vroeg ook buiten de jaarlijksche

revisie herhaaldelijk de aandacht van het A. P.-bestuur. In de eerste

plaats werd een principieele beslissing genomen nopens den aard

van het advies, door het A. P.-bestuur uit te brengen over aanvragen

tot het verkrijgen van een persbewijs. In verband hiermede werd,

in overleg met de H- C, de tekst van het formulier aldus gewijzigd

dat het bestuur der A. P. thans verklaart dat de aanvrager, als

bona fide journalist bekend staande, in de uitoefening van zijn

beroep een bewijs van toelating binnen politie-afzettingen noodig

heeft en dat mitsdien diens aanvrage wordt ondersteund. Het criterium,

dat de aanvrager in de uitoefening van zijn beroep een bewijs

van toelating binnen politie-afzettingen noodig heeft, ontbrak tot

dusver in het formulier, al bracht de practijk mee, dat het bestuur

dit criterium aanlegde. Tot zijn leedwezen moest het bestuur in

meer dan een geval ervaren, dat van het advies der A. P. werd

afgeweken zonder dat (in strijd met een vroegere toezegging van

den hoofdcommissaris) het A. P.-bestuur hierover werd gehoord. In

één geval werd toch een persbewijs toegekend, in een ander een

zgn. groene kaart voor het geheele jaar, hoewel bij de ambtsaanvaarding

van den tegenwoordige H. C. uitdrukkelijk wederzijds

was vastgesteld, dat deze kaarten slechts gelden voor een beperkten

tijdsduur of een bepaalde gelegenheid, nimmer als surrogaat voor

een persbewijs mochten worden beschouwd, als hoedanig ze door

den voorganger vau den heer Marcusse meermalen waren gebezigd.

Het bestuur liet niet na, hierop de aandacht van den heer Marcusse

te vestigen.

Van deze gelegenheid werd tevens gebruik gemaakt om te doen

uitkomen, dat het persbewijs ten onrechte door de stedelijke belastingadministratie

wordt beschouwd als het legitimatiebewijs, voor een

persman, die uit hoofde van zijn beroep toegang verzoekt tot openbare

vermakelijkheden.

Naar aanleiding van een voorstel-Luikinga tot afschaffing van het

instituut der gedelegeerden, verzocht en verkreeg het A. P.-bestuur

van het Kringbestuur aanhouding van de behandeling van genoemd

voorstel in verband met bij het A. P.-bestuur aanhangige voorstellen

tot reorganisatie van den Kring. Aan het eind van liet verslagjaar

bevonden deze voorstellen zich in yergevorderden staat van voorbereiding.

Verwacht wordt, dat zij nog in de eerste helft van 1921

aan de orde zullen kunnen worden gesteld in de ledenvergadering

der A. P.

Voor de Weensche collega's werd onder de Amsterdamsche collega's

in het afgeloopen jaar een som van f 250.— bijeengebracht.

Wederom werd 'een subsidie van f 50.— verleend aan Het Nederlandsch

Persmuseum.

Onze oud-collega Pisuisse werd bij zijn jubilee als vertolker van

het levenslied door de A. P. bij monde van den voorzitter gehuldigd.

Volledigheidshalve zij hier ten slotte nog melding gemaakt van

de — mislukte — pogingen, om te komen tot stichting van een

Amsterdamsche journalistensocieteit. Het bestuur wees desgevraagd

een vertegenwoordiger aan in het comité, dat zich met dit loffelijke

doel gevormd had. Na een kortstondig bestaan blies de „Amjosoc"

den laatsten adem uit. Tegelijk met haar verdween in 1920, door

de sluiting van het „Palais Royal", het laatste overblijfsel van hetgeen

aan een perslokaal in de hoofdstad herinnerde.

De secretaris

SCHOTEL.

's-Gravenhage.

Financieel verslag van de H. J. V. over IQ20.

Het jaar ving aan 'met een batig saldo van f155.99, terwijl

aan den Kring nog f 100.— verschuldigd was.

Het jaar sluit met een batig saldo van f 266.05, terwijl

onze schuld aan den Kring, ontstaan in verband met de Perstentoonstelling

in 1918, geheel is afgedaan.

De ontvangsten beliepen in 1920: '

contributie van 92 leden en begunstigers f 407.50

1 achterstallige contributie over 1919 . „ 5.50

Te zamen . f 413.—


42 DE J O U R N A L I S T

De H. J. V. telde 3 begunstigers (te zamen f 10.•—), 29

leden van f 2.50, 11 van f 3.50. 15 van f4.50, 18 van f5.50

en 16 van f 7.50.

De uitgaven beliepen in 1920 f 302.94, waarvan f 100.—

restitutie aan den N. J. K., gedelegeerden-bijdrage f 30.—,

Maandbladfonds f 35.—, drukwerk f 43-75, zaalhuur f25.—,

kosten drie Kringraadafge vaardigden f 22.95, graf krans f 15.10,

inningskosten en onkosten penningmeester f 9.30, onkosten

societeitsavonden f 20.51 5 , en kosten secretariaat f 9.82 s ..

Het bestuur der H. J. V. stelt voor de contributie voor

1921 ongewijzigd te laten. Weliswaar is de stand der kas niet

ongunstig, maar daartegenover staat, dat het ledental verminderd

is en dat onvoorziene omstandigheden het, zoowel

in het belang der leden individueel als van het aanzien der

vereeniging, wenschelijk kunnen maken, dat de vereeniging

over een niet te geringe kas beschikke.

De Penningmeester,

G. POLAK DANIELS.

Groningen.

Wij lezen in het Gron. Dagblad van 3 Maart j.1.:

De Groningsche Journalisten-vereeniging hield gisterenavond

in de Harmonie haar jaarvergadering onder voorzitterschap

van den heer JOH. BOERSMA.

Het jaarverslag van den secretaris, den heer J. LEENINGA,

werd goedgekeurd. Er wordt o. a. met voldoening in geconstateerd,

dat de vereeniging steeds naar buiten is opgetreden.

Het verslag van den penningmeester, den heer J. N. SPOELSTRA,

werd eveneens onder dankbetuiging goedgekeurd. De rekening

der inkomsten en uitgaven wees over het afgeloopen vereenigingsjaar

een batig saldo aan van ruim ƒ 10.

De heer A. V. WIJNBERG werd herbenoemd tot gedelegeerde

der vereeniging, de heer SPOELSTRA herkozen als

penningmeester.

De besprekingen waren voor 't overige gewijd aan vakbelangen.

Economische belangen.

De nieuwe salarisregeling.

De nieuwe salarisregeling is ingevoerd bij het Utrechtsch

Dagblad, Dordtsche Courant, Leeuwarder Courant en Limburger

Koerier.

De volgende bladen hebben meegedeeld, dat zij de regeling

niet invoeren:

Middelburgsche Courant

Utrechtsch Nieuwsblad.

Van zeer vele bladen is ons nog niets bekend.

Dringend worden de collega's verzocht ons op de hoogte

te houden!

De valsche antithese.

Algemeene belangen.

De directeur-hoofdredacteur van de Nieuwe Courant poogt

uit onze beslissing inzake de toetreding tot het Intellectueelen-

Verbond munt te slaan ten gunste van zijn ouderwetsche en

on-sociale opvattingen inzake het vakvereenigings-wezen van

journalisten.

Ziehier zijn conclusie:

„Een schip op strand is een baken op zee, en zoo hopen wij,

dat deze geschiedenis, die zich in den Journalistenkring afspeelde,

een waarschuwing zal zijn voor andere intellectueele groepen om

het verschil niet uit het oog te verliezen tuSschen de positie van

hen, die zij het ook. verstandelijk mechanisch werk verrichten en

den intellectueelen werker, die door den aard van zijn prestatie

op individueele pogingen tot hooger waardeering ook in geld van

zijn werk is aangewezen."'

Dit is duidelijk. Het richt zich tegen de geheele economische

actie van den Kring. De schrijver merkt bovendien nog

vriendelijk op, dat de Kring tegenwoordig minder voelt „voor

de verheffing van het beroep" dan wel voor die „van zijn

dienaren", dat de Kring werkt voor „louter materieele voordeden".

Journalisten, en andere intellectueelen, mogen slechts

„individueele pogingen" doen om zich een betere sociale

positie te verschaffen. Het is de oude, gelukkig ver-ouderde,

antithese tusschen de vak-actie en de „waardigheid".

Maar die antithese is door-en-door valsch. Ieder die even

nadenkt weet, dat óok en vooral in de geestelijke, intellectueele

beroepen het aanzien van het beroep, van het vak,

van den stand, aanmerkelijk wordt geschaad door een laag

economisch peil van zijn beoefenaren. De man zelf moge in

zijn ziel noch zoo ideëel zijn, als hij in een sjofele buurt

woont, of bij openbare gelegenheden onvoldoend gekleed voor

den dag komt, en zich in alles moet bekrimpen, och dan

moet men eens hooren wat de menschen zeggen over zijn

beroep. Het publieke aanzien en de publieke waardigheid

en de publieke verheffing van het beroep hangen, natuurlijk

niet alleen, maar toch voor een groot deel van de economische

standing af. Afgezien nog van het feit, dat het wel heel

sterke naturen moeten zijn, die bij stage economische ontbering

in alles en altijd de verheffing van het beroep voor

oogen hebben. En daarom, mijnheer de directeur-hoofdredacteur

van de Nieuwe Courant, wordt de waardigheid van

het beroep bevorderd door hen die het economisch peil verhoogen

en alzoo ook in de oogen van het publiek de vakgenooten

probeeren te brengen op het niveau, waarop ze

economisch moeten staan. Natuurlijk begrijpen we heel goed,

dat dit niet het ééne noodige is én dat iedere ware journalist

ook in den aard van zijn werk, in zijn roeping, een deel

van zijn belooning moet vinden en dat hij, onaihankelijk

van zijn economische positie, aldus zijn beroep kan verheffen.

De journalisten hebben getoond dit te willen en te kunnen.

Maar verbetering van de materieele positie beteekent tevens

verheffing van het beroep. Hier is geen antithese.

Wij mogen slechts „individueele pogingen" doen om onzen

toestand te verbeteren. Ja-ja. Het liedje kennen we. Ich

kenne die Weise, ich kenne den Text. Het is een slaapdrankje

voor de intellectueelen om hen economisch er onder te

houden. Wat hebben ze tientallen van jaren lang bereikt

met hun „individueele pogingen"? Geen lor. Er was een handje

vol goed-gesitueerde journalisten in ons land, maar de groote

meerderheid verdiende minder dan een bruggewachters-loon.

Terwille van de „waardigheid". Het werd pas een beetje

beter toen de Kring begon op te treden. Precies hetzelfde

hebben de predikanten — de dragers van het meest geestelijke

beroep — ervaren. Zelfs wanneer het waar was dat de

economische actie het aanzien van het beroep schaadt, dan

nog zou de schuld daarvan niet liggen bij ons, maar bij hen

die ons tot die actie gedwongen hebben. Maar het is niet waar.

Het lijkt zoo mal dat we dit nog moeten zeggen. Het zijn

zulke nuchtere, eenvoudige waarheden. Maar uit het stukje

in de N. Crt. blijkt dat er toch nog enkelen zijn die zwaaien

met de valsche vlag van de antithese: economische actie

contra de verheffing van ons beroep. Wij stellen daartegenover,

dat zij die de levensomstandigheden der journalisten

weten te verbeteren, de voorwaarden scheppen waaronder

aanzien en waardigheid het best kunnen gedijen. Zooals een

plant beter bloeit in vette aarde dan in dorre.

En wat klinkt het bitter en wat is het, zij het onbedoeld,

toch eigenlijk cynisch, om tot de journalisten, die nooit

eenige economische verruiming hebben gekend, die voor de

vreugde en de voldoening van hun werk tal van jaren

economischen druk hebben verduurd, die een onvoldoend

salaris genoten met een onverzorgden ouden dag in het verschiet,

die altijd zonder succes „individueel" zijn opgetreden,

op een oogenblik dat zij met hun vak-actie iets hebben

bereikt, en nóg iets hopen te bereiken, te zeggen dat zij niet

genoeg gevoelen voor „de verheffing van het beroep". Het is

beter om er verder maar van te zwijgen. Want als men er goed

over nadenkt, lijkt het toch op een grievende béleediging,

om tot mannen die rusteloos en belangeloos dag in dag uit

hun kracht geven aan de economische verbetering van hun

stand, in het openbaar te zeggen dat zij de verheffing van

het beroep uit het oog verliezen. Men zou kunnen vragen,

wat de directies „individueel" hebben gedaan om de economische

positie van hun redacteuren te verbeteren. Als men

dit onder de loupe neemt, komt men al gauw tot de ontdekking,

dat het „individueel" optreden van journalisten er toe

geleid heeft, dat de directies, op enkele uitzonderingen na,

„individueel" niets deden. En dat zij pas — het zij met

erkentelijkheid geconstateerd — iets zijn gaan doen toen de

journalisten organisatorisch zijn gaan werken. Als nu een

directeur ons aanraadt, tot die „individueele pogingen" terug

te keeren, in naam van de verheffing van het beroep, dan

snappen wij wel waar de „materieele voordeden" van de

opvolging van dat advies zouden liggen.

Ons sterken zulke uitlatingen tot steeds krachtiger strijd

voor de economische, dat is ook voor de ideëele, verheffing

van de journalisten en van de journalistiek.

D. H.


Eigenaardige Persmanieren.

• Eenigszins eigenaardig verscheen in het vorig nummer van De

Journalist onder de rubriek Algemeene Belangen, een ietwat zuur

stukje van Mej. Emmy J. Belinfante, waarin ze zich o. a. beklaagt

over mij.

Ik mag haar dit niet kwalijk nemen. Immers het briefje, waarvan

zij een deel publiceert, geeft haar daartoe het recht.

Maar de redacteur, die toch niet geheel en al vreemdeling is in het

Jeruzalem in de Parkstraat en die, naar mij dunkt, bij het lezen van

juffrouw Belinfante's stukje vreemd moet hebben opgekeken over de

wel zéér ongewone gestie van een collega, zou wellicht goed gedaan

hebben, wanneer hij even eenige opheldering had gevraagd.

Dan zou hem zijn aangetoond wat met eenigen goeden wiL onmiddellijk

vermoed had kunnen worden, dat hier een misverstand in

het spel was. Het stukje van juffrouw Emmy J. B. ware ongeplaatst

gebleven en de rubriek Algemeene Belangen van het toch al zoo

kleine vakblad zou voor iets nuttigers gebruikt kunnen zijn.

Ik laat nu de bewuste dame aan het woord.

Nadat ik haar om inlichtingen had gevraagd, schreef ze mij:

„In mijn briefje heb ik niet duidelijk genoeg uitgelegd, dat

ik met twee heeren te doen had, de eene was voor de advertentie

en de andere voor het stukje, dat men aanbood te plaatsen

onder de rubriek „Huisgezin en Maatschappij", en niet U, doch

de heer, die mij over de advertentie inlichtte, wilde liever niet

dat het in beide kranten tegelijk kwam en nu gaf ik het

Vaderland de voorkeur, omdat ik die courant dagelijks lees.

Heden ochtend kreeg ik bezoek van iemand, die een stukje

er over in de Vrouwenkroniek wilde plaatsen. Het had dus heel

goed zonder boos worden van mej. B. kunnen gebeuren. Zij

verwijt mij in een briefje, dat ik verscheurd heb: een man een

man, .een woord en woord, ik dacht, dat dit spreekwoord ook

voor ons vrouwen gold. En dat alleen, omdat ik haar verzocht

niet op den afgesproken tijd, maar op een anderen te komen.

Men heeft aan het Vaderland volstrekt geen pressie op mij

uitgeoefend, omdat men bij een advertentie reclame zou maken,

zooals zij schrijft. Ik was toch immers vrij om te zeggen, zooals

ik het hebben wilde. Doch men had per telefoon vernomen, dat

U op weg naar mij toe was en ik wilde U toen niet voor niets

laten komen. Ik kon dan later een andere afspraak met mej. B.

maken. Ik wist als leek niet, dat zij de zaak zoo geheel anders

zou opnemen."

Ik behoef hieraan niets toe te voegen.

's-Gravenhage E. DE BURG.

Ik ben den heer E. de Burg dankbaar, dat hij een nader schrijven

van de dame in quaestie heeft, waardoor de juiste toedracht der

zaak voor ieder duidelijk en voor het Vaderland niet mooier wordt,

al is de heer E. de Burg niet schuldig aan het staaltje van slechte

persmanieren.

Ik begrijp alleen niet, dat hij daarom meent, dat de zaak niel zou

thuishooren in ons Kringorgaan. Het tegendeel is m. i. waar.

Het was mij geenszins te doen om een persoonlijken aanval op een

collega — ik wist zelfs niet wie de schrijver was van bedoelde

rubriek — maar wel om een algemeen persbelang.

De economische actie, die den laatsten tijd op den voorgrond trad,

mag ons nooit doen vergeten, dat het tot de ideeële taak van onzen

Kring en ons orgaan behoort de waardigheid der pers hoog te

houden, o. a. door te waken voor fatsoenlijke perszeden en de aandacht

te vestigen op alle misbruiken, die den goeden naam der pers

in gevaar kunnen brengen.

Ik heb reeds in mijn vorig stukje doen uitkomen wat mij verkeerd

leek in het optreden van het Vaderland. Dat het hier de heer

was, die de dame over de advertentiën inlichtte, die „liever niet

wilde, dat het in beide kranten tegelijk kwam"'verandert de handelwijze

zelf niet maar wijst bovendien op een ander misbruik, n.1. op

een ongeweuschte inmenging van directioneele zijde in redactioneele

aangelegenheden, welke nog in het bijzonder de aandacht van ons

orgaan eischt. Tenslotte toonen beide brieven der dame, — welke ik

verder buiten bespreking kan laten — hoe bitter weinig het publiek

begrijpt van persaangelegenheden. Dit moet juist een reden zijn om

onzerzijds alles na te laten wat nieuwe dwaalbegrippen kan doen

ontstaan. Praktijken, als toegepast door een lid der afdeeling, die

zich aan het Vaderland met de advertenties bemoeit maar zich dan

nu toch met den redactioneelen inhoud inliet, kunnen die dwaalbegrippen

slechts versterken en dienen ook daarom in ons orgaan

aan de kaak te worden gesteld.

Hier kan geen sprake zijn van ruimteverspilling in de Journalist,

en het verheugt mij, dat de redacteur van ons orgaan getoond heeft

dit te begrijpen.

EMMY J. BELINFANTE.

Buitengewone Algemeene Vergadering

op Vrijdag 25 Maart in Café Terminus te Utrecht.

Aanwezig zijn de gewone leden HANS, VAN DER HOUT,

ED. POLAK, RITTER, FULDAUER, EMMY BEUNFANTE, STOKVIS,

VAN GOUDOEVER, VAN DEN BERG, ALKEMA, J. K. VAN LOON,

ROGGE, HESSELING, HELENE VAN MEEKREN, VAN WIJK,

SCHOTTING, SAND, CRAYÉ, ROCHAT, RAATGEVER, REBEL,

SCHILP, VAN MEURS, MEIJERINK, EGGINK, WILDENBERG, en

de buitengewone leden VAN LESSEN en DE ZEEUW.

Berichten van verhindering zijn ingekomen van de leden

LAMBOOY, G. POLAK DANIELS, VOOGD, DE RIDDER, VAN

OOSTEN en HAAXMAN.

De Voorzitter, de heer D. Hans, opent de vergadering te

ruim elf uren.

DE J O U R N A L I S T

Notulen worden goedgekeurd gelijk zij in De Journalist

zijn opgenomen.

De Voorzitter doet eenige mededeelingen over de conferentie

van de Economische Commissie met de vertegenwoordigers

van '„De Nederlandsche Dagbladpers" en van de

Vereeniging van Hoofdredacteuren (voormalig „Hodiver").

De Intellectueelen.

De Voorzitter constateert, dat het bezoek op deze vergadering

in hooge mate onbevredigend is. Aangezien van het

resultaat der besprekingen op dit oogenblik nog niets vaststaat,

meent hij te mogen constateeren, dat zich hier misschien een

gelegenheid tot toepassing van het referendum voordoet.

Voorlezing wordt gedaan van de motie door „de Amsterdamsche

Pers" aangenomen inzake' aansluiting bij het Alg.

Ned. Intellectueelen-Verbond.

De heer Eduard Polak vindt de idee van toepassing van

het referendum niet gelukkig. Het referendum vindt hoe langer

hoe minder bewonderaars. Hoe moeten zij, die' het levende

woord niet hooren, straks hun oordeel uitbrengen?

De Kringleden hebben het volledig rapport der Commissie

van Onderzoek niet gezien; alleen een uittreksel. Het geval

dat spr. nummer één der inleiders is, maakt dat hij zal

moeten spreken over dingen, die men niet kent.

Over de gestie der Commissie van Onderzoek oordeelt spr.,

dat zij veel te ver is gegaan. Zij heeft zich niet bepaald tot

onderzoek, maar heeft diep ingrijpende maatregelen genomen.

Dat is geen verwijt. Maar spr. stelt dit voorop om te doen

uitkomen, dat de Kring volledig vrij staat. Het voorbereidend

werk heeft de C. v. O. vrijwillig gedaan.

Noch de C. v. O., noch het Bestuur hebben zich de moeite

gegeven een beginselverklaring voorop te geven. Als wij een'

nieuw Vakverbond gaan stichten, dan moeten wij noodzakelijk

het beginsel nagaan en vaststellen. Voor wie een zekere

levensbeschouwing hebben, is het noodig te weten, waar wij

met een nieuw Verbond heen willen, en welke plaats dat in

het maatschappelijke leven zal hebben. Wij moeten ons van

de consequenties bewust zijn. Wat wil de C. v. O. met het

nieuwe Verbond?

De nieuwe beweging ontstond na den oorlog, toen bij de

arbeiders een sterke zelfbewustheid was ontwaakt. De arbeidersklasse

wilde een nieuwe maatschappij oprichten; de vakverenigingen

traden sterker op den voorgrond, zij namen

een nieuwe positie in. Er waren intellectueelen, die zich

voelden achtergesteld en toen rees bij velen het gevoel: nu

wordt het tijd, voor de intellectueelen ook wat te doen. In

het U.' D. van Mei 1920 heeft mr. RITTER dat uiteengezet.

Hij wilde een maatschappelijke macht van de intellectueelen

maken om hun bescheiden eischen te verwezenlijken

en z. i. was het groote probleem van de toekomst niet dat

van den handarbeider, maar dat van het intellect, het proletariaat

van den geestelijken arbeid.

Zijn de intellectueelen thans, Maart 1921, nog zoo jaloersch

op de arbeiders? Het pauperisme doet onder hen zijn intrede,

de 8 uren dag staat niet meer zoo vast, er dreigt een wanhopige

strijd om handhaving van het loonpeil. De pogingen

om tot organisatie der intellectueelen te komen steunden

slechts op toevallige economische omstandigheden, niet op

economische grondwaarheden. Er bestaat geen wezenlijke groep

van intellectueelen. De C. v. O. heeft de moeilijkheden om

tot een bepaling van intellectueelen te komen duchtig gevoeld,

en in haar hoogen nood heeft de Commissie zich gewend tot

den chef der afd. Arbeidersstatistiek van het Centr. Bur. voor

de Statistiek.

Toen die geen uitkomst wist, heeft de Commissie den knoop

op Gordiaansche wijze doorgehakt. Blijkens het rapport:

De Commissie verkreeg, op grond van het advies der meest

deskundigen de overtuiging, dat men bij eene onderscheiding

tusschen intellectueel en niet-intellectueel beter de inductieve dan

de deductieve methode kan toepassen, en dat 'men dus eerder tot

bevredigende resultaten komt, indien men experimenteel onderzoekt,

wie onder de medewerkers der geestelijke beroepen tot de intellectueelen

kunnen worden gerekend, dan indien men de intellectualiteit

gaat toetsen aan een aprioristisch, theoretisch gesteld begrip.

Deze opvatting brengt mede, dat men, naar het inzien der

commissie, beter doet, indien men dan eenig kriterium wil aannemen,

niet naar den individu, maar naar het beroep, zich af te

vragen, wie tot de handarbeiders behooren, en ieder beroep, dat

niet bepaald handwerk te achten is, als intellectueel beroep te

qualificeeren, dan uit te gaan van de z.g. intellectueele beroepen.

Wat beteekent deze methode?

Dat men in Nederland een nieuw Vakverbond wil stichten

voor menschen, die zich te netjes en te fatsoenlijk achten om

in de vakbeweging een plaats te vinden. Wij hebben niet


44 DE J O U R N A L I S T

meer voor ons een voorstel om te stichten een Verbond van

intellectueelen, maar van allen, die niet-handarbeiders zijn.

Er is een soort intellectueele middenstand: ambtenaren en

politie-vakvereenigingen omvatten menschen in loondienst,

die hun vakstrijd voeren. Schilders, romanciers, die stumpers

in hun vak zijn, zijn met vakvereenigingsleven niet te helpen.

Er zijn doctoren en advocaten met groote practijk, die eerder

tot de kapitalisten dan tot de arbeiders hooren. Ambtenaren

zijn typische loondienaren. Alles zeer uiteenloopende groepen,

die niet gemeenschappelijk dezelfde belangen kunnen behartigen.

En wat zijn wij zelf?

Wij zijn loondienaren. Als wij onze positie willen verbeteren,

dan moeten wij optreden tegen de ondernemers en met of tegen

hun zin verbeteringen zien te verwerven. De journalisten

zijn geen geestelijke middenstand, die kan staan tusschen

kapitaal en arbeid.

Wij journalisten kunnen alleen bij elkaar blijven opgrond

van het maatschappelijk belang, dat wij te zamen tegen de

werkgevers te verdedigen hebben. Zoodra wij verder willen

gaan en alle intellectueelen of niet-handarbeiders gaan vereenigen,

dan brengen wij een nieuwen strijd in ons midden,

en maken wij het S. D. A. P.'ers, Anti-revolutionairen en

Roomsch-Katholieken onmogelijk in den Kring te blijven.

Wij voelen ons allen in den Kring thuis: verander dat niet;

toetreding tot het Intellectueelen-Verbond leidt tot versplintering

van den Kring zelven. Waarvoor hebben wij het noodig?

Welk practisch nut heeft het voor ons zelf?

Spreker houdt de vergadering de volgende vier overwegingen

voor.

Wij komen in onze organisatie voor verbetering van ons

salaris. Wij voelden ons klein van aanzien, achtergesteld bij

klimmende arbeidersloonen. Sinds de economische actie van

den Kring voelen we ons maatschappelijk heel anders: alsof

onze maatschappelijke waardigheid hersteld is.

Ten tweede onze rechtspositie. Als die door den N. J. K.

goed geregeld wordt, dan zijn wij er een heele boel beter

kan toe.

In de derde plaats: door ons persoonlijk kunnen wordt

onze positie veel beter.

En eindelijk wordt onze maatschappelijke waardigheid niet

weinig gediend door de courant voor welke wij werken.

Beter salaris en regeling rechtspositie kunnen wij bereiken

door den Kring.

En wij staan nog pas aan het begin. Onze kracht moet

komen van binnen uit, die kunnen wij van buiten uit niet

krijgen. We hebben veel te doen om onze Kringleden op te

voeden. Nog nóóit is onze solidariteit beproefd. Wie zich

den weg tot het einde toe indenkt, kan zich voorstellen, dat

die deugd beproefd moet worden of wij werkelijk zijn een

goede vakvereeniging. Dat zij eerst in orde, vóór wij gaan

samenwerken.

Spr. durft hier wel uitspreken dat aan onze opvoeding tot

goede vakvereenigingsleden nog heel wat gedaan moet worden.

Wel zou ons kracht kunnen geven samenwerking met die

handarbeiders met wie wij dagelijks in het bedrijf onze couranten

maken, meer dan met iooooo intellectueelen! Maar

spr. denkt er niet aan, dit voor te stellen. De tijd is er niet

naar. Bovendien, de liefde kan niet van één kant komen.

In de statuten van het Intellectueelen-Verbond wordt voorgesteld

een groot organisatorisch kaartenhuis. Hoe hebben

journalisten zoo iets kunnen optasten? Wat moet daarvan

terechtkomen? De gewone Vereinsmeijerei! Als er niet een

heeleboel geld is dan zakt zoo'n kaartenhuis gauw in elkaar.

Wat wil men toch bereiken? Hoe moeten wij elkanders doel

bevorderen. De ambtenaren stellen zich voor, dat zij veel aan

de samenwerking met de pers zullen hebben, om hun doeleinden

voor te staan. Wat moeten er voor vergaderingen

komen van de nieuwe organisatie! Dat worden bijeenkomsten

van drie heeren met een oude juffrouw. En dan die deelneming

van het intellect in de leiding van staat! HANS moet

zeker met een politiebrigadier in de Kamer! Alleen zelfstandig

deelnemen aan de verkiezingen zou helpen. Briefjes aan de

politieke organisaties zenden geeft niet.

Het zal ook een boel geld kosten. Wij kunnen nog niet

eens onze eigen kosten betalen! Wij hebben moeten leenen.

Uit welke kas?

Uit de Weerstandskas!

Bovendien zullen wij . niet worden meegesleept in allerlei

bewegingen? Wij zitten niet samen met half-zachte schrijvers,

maar met strijdorganisaties. Dan kunnen we, als de nood

aan den man komt, toch niet een straatje omloopen. Ik wil

mijn man wel staan. Maar is het goed voor den Kring?

Spr. is er een voorstander van, bv. bij een aanslag op het

vrije woord, dat intellectueelen samenwerken. Hij stelt voor:

De vergadering besluit niet over te gaan tot aansluiting bij het

A. N. 1. V., doch in gevallen waarin dat noodig of nuttig kan

zijn, samenwerking te zoeken met gelijkgezinde organisaties.

Mr. P. H. Ritter stelt op den voorgrond dat het geciteerde

artikel in het U. D. niet in één verband staat met

het voorstel der C. v. O. Het U. D. wijkt eenigzins af van

het standpunt dat 'de Commissie van Onderzoek ten slotte

innam.

Wij moeten het verschil niet zoeken tusschen intellectueel en

arbeiders daarin, dat de eerste zooveel netter en fatsoenlijker

zou zijn. De intellectualiteit kent zelftucht meer dan maatschappelijke

tucht. Intellectueel moet niet geplaatst worden

in tegenstelling tot arbeider.

Het intellect heeft zich in het nauw gedrongen gevoeld na

den oorlog. Dat moet ook bezien worden uit dit standpunt

dat eerst in de laatste jaren het intellectueel ambacht is aangevuld

uit het proletariaat. Het vraagstuk bestaat eerst sinds

de menschen zonder vermogen in de vrije kringen van het

intellect zijn gekomen. Daardoor heeft de intellectueele beweging

zich ontwikkeld na de arbeidersbeweging.

Men moet waken tegen misverstand, als men het begrip

intellectueel beschouwt in maatschappelijken zin. Tusschen

den intellectueel en den handenarbeider is hetzelfde verschil

als tusschen metaalbewerker en mijnwerker of tusschen metaalbewerker

en bouwvakarbeider: het verschil ligt in den aard

van het werk.

Alleen, de intellectueel is eerst later tot organisatie gekomen.

Daardoor hebben de int.-ambachtslieden zich moeten vergenoegen

met kringen van verschillende economische, politieke

en godsdienstige samenstelling.

Door haar gering aantal en door historische moeilijkheden

is het verschil van karakter met de organisaties der werklieden

te verklaren.

Maar het gaat om machtsontwikkeling, en daarom moeten

ze van hun politiek en sociaal-economisch standpunt wat laten

vallen. Zij die staan op het standpunt van de moderne en

de Christelijke vakactie, moeten eigenlijk niet in den Kring.

Het is alleen een concessie aan de omstandigheden, dat wij

hier bijeen zijn.

Spr. kan zich voorstellen, dat de ontwikkeling van de vakvereeniging

die splitsing meebrengt, Wij moeten daartegen

niet opzien, het kan gezonde ontwikkeling zijn. Maar wij

zijn op het oogenblik met de ontwikkeling der intellectueele

vakbeweging niet zoover, dat wij kunnen samengaan met

geestverwanten. De sociaal-democraten of de protestanten

hebben recht den Kring in hun richting te drijven.

De heer Ed. Polak. Zoo dom zijn we niet!

Mr. Ritter. De heer POLAK heeft gezegd: wij vechten voor.

een kaartenhuis en een hersenschim. Spr. stelt daartegenover

dat de C. v. O. van den eersten dag af stroomen van brieven

gekregen heeft van intellectueelen en intellectueelen-leiders:

„Wij zijn economisch gedeprecieerd en staan achter in de

vakbeweging".

Die verschillende intellectueele groepen hebben wel gemeenschappelijke

belangen. Het vrije woord bv., inbeslagneming

van boekwerken, van plastische kunst. Er zijn punten van

geestelijke en economische gemeenschap tusschen de intellectueele

ambachten: eenzelfde zwakheid ten opzichte van hun

werknemers; geen vertegenwoordiging in de regeeringslichamen.

Spr. zet uiteen, kat het op dit oogenblik nog niet gaat om

de uitwerking der plannen, maar om het principe: zullen wij

ons aansluiten bij een dergelijke beweging, ja of neen. Het

deelnemen van het intellectueel beroep in den Raad van

Arbeid b.v. is noodig. Er zijn vele van dergelijke punten

van gemeenschap. Die punten wil men nu ontwijken. „Bij

gelegenheid zal men wel eens samenwerken". Dat is een moord

op de intellectueele vakbeweging. Als wij tegen krenking

onzer rechten door werkgevers willen opkomen, dan moeten

wij elkaar zien en spreken, en niet wachten tot de differentieering

onder de intellectueele vakbeweging even groot is,

als onder de andere.

Beteekent nu de voorgestelde samenwerking een nieuw

Vakverbond? Spr. gelooft van niet. De ontwerp-statuten laten

kleur en karakter der aangesloten vereenigingen volkomen

vrij. Deze kunnen bij N. V. V. of Chr. Nat. V. V. aangesloten

zijn. Het nieuwe Verbond is een gemeenschappelijke

vindplaats voor intellectueelen.

De heer POLAK heeft gezegd: „Kladschilders hebben niets

aan een organisatie": maar die organisaties zijn er al, dat is

een maatschappelijk feit waarmee we rekening moeten houden,

't Is geen kaartenhuis. Er staan verschillende partijgenooten

van den heer POLAK onder de groote voorstanders. Die heeren

voelden: wij moeten toegeven aan de eischen van de praktijk.


In het Alg. Intellectueelen Verbond is geen strijd met het

principe van den N. J. K., het betreft slechts eene verdere

ontwikkeling van het eigen idee van den Kring: het samenstrijden

van heterogene elementen, totdat men misschien

later splitsen kan.

Spr. protesteert tegen het kostenargument. Indien de heer

POLAK had meevergaderd met de commissie, dan had hij

geweten, dat de offervaardigheid zich dadelijk heeft laten

kennen. Het gaat niet om de beperktheid of opulentie van

het bureau van het Intellectueelen-Verbond. Men wil de gestie

zoo economisch mogelijk houden. De C. v. O. heeft niet den

stand der handarbeiders willen deprecieeren, en evenmin

bedoeld een steen tegen de politieke of sociaal-economische

vakbeweging te werpen. De commissie heeft een groote stroom

van instemming gekregen uit het volle leven. Het gaat niet

aan, te zeggen: wij hebben aan den Kring genoeg. Wij moeten

solidariteit toonen met de intellectueelen.

De C. v. O. heeft voortdurend „vrijblijvend" gehandeld.

De vrijheid van den N. J. K. is niet in gedrang gekomen,

Spr. roept ten slotte de vergadering op, niet de samenwerking

der intellectueelen te verzwakken.

De Voorzitter herinnert er aan dat zijn voorzitterschap

in de Commissie van Onderzoek van het A. N. I. V. een

gevolg is van de gestie onzer commissie. Nu er eenmaal iets

is gebeurd, is de verantwoordelijkheid van den N. J. K. om

terug te keeren iets grooter, dan als er niets gebeurd ware.

Spr. wil niet ontkennen, de tendenz die in de zaak zit. In

ons land hebben de handarbeiders zich hoe langer hoe meer

georganiseerd. Wij hebben vijf groote vakcentralen. Wat hebben

de geestelijke werkers daartegenover gesteld? De heer POLAK

heeft gezegd: „wij hebben als N. J. K. nog zooveel te doen;

wij moeten in de eerste plaats zelfstandig werken." Maar dankt

de Nederlandsche vakbeweging haar beteekenis niet aan

centralisatie ?

Uit den aard van hun zwakheid hadden de geestelijke

werkers zich veel eerder moeten vereenigen dan de handarbeiders.

Economisch, politiek en staatsrechtelijk hebben de

anderen door fusie veel 'bereikt. In den Hoogen Raad van

Arbeid zitten alléén arbeiders. Dat danken zij niet alleen

aan de macht van hun vereenigingen, maar aan de fusie hunner

bonden.

De handarbeiders hebben zooveel bereikt, -dat er, naar de

heer POLAK herinnert, in de maatschappij een reactie aan het

opkomen is. En op dat oogenblik komen de propagandisten

van die groote macht en zeggen tot ons: jullie moeten dat

niet doen !

{Interrupties: De A. N. I. V. kan niet anders dan schijnmacht

geven, een hersenschim! Wij willen den. N. J. K.

daarvoor bewaren.)

De Voorzitter: Gij moest u verheugen dat het inzicht

is gerijpt, dat er onder de intellectueelen iets gebeuren moet.

De heer POLAK zegt: we hebben genoeg aan sectarisme. Maar

op dit gebied hadden we nog niets!

De heer Polak: En de ambtenaren ?

De Voorzitter: De bezwaren gaan tegen de ambtenaren,

maar wij hebben het nu over het principe. Zijn er geen

groote gemeenschappelijke belangen? Dat wij jaren onder

economischen druk hebben geleden is gevolg gebrek aan

inzicht onder het publiek over de waarde van algemeen

geestelijken arbeid.

Willen wij dat inzicht met vergaderingen en brochures bijbrengen,

vroeg de heer POLAK Dat is een quaestie van uitvoering.

Afgezien van de algemeen geestelijke belangen heeft

de heer POLAK gezegd: de solidariteit van den Nederlandschen

journalist is nog niet beproefd. Dat beteekent, dat wij nog

geen conflict gehad hebben. Ik heb er steeds naar gestreefd,

dat oogenblik te verwijderen. Maar' tegen dat het komt,

moeten wij gezorgd hebben, dat anderen in staat en bereid

zijn, ons te helpen. Dan zal het nut blijken, van wat hier

wordt voorgesteld. Spr. heeft verleden jaar geschreven: als

de directeuren niets doen, dan moeten wij de publieke opinie

oproepen. De directeuren hebben toen gelachen: alsof wij vrijen

toegang hadden tot onze courant! Maar wij zouden als de

A. N. I. V. er ware den grooten steun hebben van andere

groepen, duizenden geestelijke werkers.

De heer POLAK heeft geredeneerd, alsof er een organisatie

van intellectueelen moet komen. Neen, de vraag is, of wij

moeten meedoen. Spr, geeft toe, dat de komende organisatie

van meer beteekenis zal- zijn als wij meedoen. Op de eerste

vergadering zijn wij opgekomen tegen het verkeerde idee:

meedoen van den N. J. K. zou beteekenen, het steunen van

elke actie door het A. N. I. V. op te zetten . . .

De heer Stokvis: Dan breken wij dus de actie!

De Voorzitter: Neen, wij behouden onze zelfstandigheid.

DE J O U R N A L I S T 45

De heer Stokvis: Onmogelijk.

De Voorzitter: In onzen Kring zijn alle maatschappelijke

opvattingen vereenigd.

De heer Stokvis: Dat stelt u in gevaar.

De Voorzitter: Daardoor kunnen wij ons niet aansluiten

bij een bestaande centrale. Het karakter, het intellectueele,

het geestelijke van ons werk heeft ons gebracht tot de anderen.

Er zijn altijd in belangrijke oogenblikken van het Kringleven

leden geweest die zeiden: als dit of dat gebeurt gaan wij weg.

Moeten wij daarvoor wijken ? De objectiviteit en de zuiverheid

der beslissing wordt er niet door bevorderd.

De opvatting, in de vorige vergadering en thans weer

merkbaar geworden, heeft spr. niet zien en voelen aankomen.

Hij heeft niet gevoeld, dat wij het moeilijk maakten aan

sommige groepen om bij ons te blijven.

De heer POLAK ziet in deze beweging een reactie tegen

wat de arbeidersbeweging heeft bereikt. {Bevestiging en ontkenning.)

De gedachte daaraan is bij spr. nooit opgekomen

en hij ziet niet in, dat de ontwikkeling dezer maatschappij

niet zoo zou kunnen gaan, dat niet tegenstrijdig, maar parallel

de verbeteringen zouden loopen voor handenarbeiders en voor

intellectueelen. Is samenwerking, eventueel met arbeidersgroepen,

niet mogelijk? Spr. heeft hierin geen antithese gezien.

De motie-PoLAK is een gematigde uitwerking van wat wij

hebben bedoeld. (Nou, nou.) Immers, zij kant zich wel tegen

de aafisluiting, maar zij erkent dat samenwerking met anderen

noodig kan zijn. Daarmee wordt volgens mij het principe der

samenwerking toegegeven. Dat is voor mij van groot belang,

en daarom was de motie een verrassing voor mij. Alleen,

de voorsteller wil niet hebben de permanente organisaties er

voor. De motie zou meer beteekenis hebben, indien nog niets

bereikt was. Want indien wij nu deze motie aannemen —

het Verbond komt er immers — en wij zeggen als het ons

belang is, komen wij bij je, is dat dan niet dubbelslachtig ?

Het Kringbestuur heeft principieel uitgesproken, dat samenwerken

van intellectueelen noodig is.

De heer Polak vraagt overlegging van de lijst van organisaties,

die het A. N. I. V. zullen vormen. Hij gelooft, dat

zal blijken, dat het meerendeel der participanten uitnemend

onder te brengen zal zijn in bestaande organisaties, maar dat

de heeren daarmee zich niet willen encanailleeren.

Debat.

Na de pauze spreekt de heer J. K. van Loon. Hij is

dankbaar dat déze vergadering op Vrijdag gehouden wordt.

Daardoor is hij in de gelegenheid thans het woord te voeren,

mede namens de Amsterdamsche Pers. In de rede van den

Voorzitter ziet spr. een beïnvloeding van de vergadering, die

te sterk het pro heeft onderstreept. De voorbereiding van de

bespreking is niet zoo geweest, dat wij alles voor ons hebben

gekregen. Het rapport waaruit de heer POLAK citeerde hebben

de Kringleden niet gezien.

Zal de Kring zich laten opnemen in een Verbond, dat alle

intellectueele werkers omvat? Waarom staan de kantoorbedienden

er naast?

Het Kringbestuur heeft zich feitelijk met handen en voeten

gebonden. Wanneer wij ons tegen het Verbond verzetten,

dan is dat b.v. om art. 3. Het is een zaak van onmogelijkheid,

dat journalisten met schilders, romanciers enz. zich

opwerpen als leiders voor staat en gemeente.

De Voorzitter: Dat is niet de bedoeling.

De heer Van Loon: Dan heeft het intellect de bedoeling

heel onduidelijk voorgesteld. Hoe kunnen wij als met eenparigen

schouder optrekken om dezen of genen maatregel te

steunen, b.v. gevraagd door de politie, of door ambtenaren

voorgesteld? Steun is toch niet alleen geldelijke steun, maar

ook solidariteit. De eene actie zal bij Het Volk, de andere

bij De Standaard heul vinden.

Ook de middelen waardoor men het doel bereiken wil,

lachen spr. niet toe. Afgezien van den s.-d. tendenz in de

rede van den heer POLAK is spr. het met diens bezwaren

volkomen eens.

De Voorzitter heeft gezegd, dat de Kring vrij is. Ja, zooals

een papegaai in „Artis". Wat en wie wij in de toekomst

noodig nebben, dat weet niemand; vast staat, dat men ons

noodig heeft en wij moeten ons niet leenen als paard om

een wagen te trekken, die wij niet wenschen te trekken.

Wij moeten vrij blijven staan, om een ongerept oordeel te

kunnen geven. Bovendien als wij meedoen, dan is zeer wel

mogelijk, dat directies of hoofdredacties een anderen weg

uitwillen dan het A. N. I. V. En wat dan? Spr. beveelt de

motie-PoLAK aan.

De heer Stokvis begint met een critische opmerking aan

het Bestuur. Hij meent, dat de Kring absoluut vrij staat.


46 DE JOURNALIST

Mr. RITTER en de Voorzitter hebben hem niet overtuigd.

Een gescheiden collectiviteit van intellectueelen erkent hij

niet en is hem ook niet duidelijk gemaakt. Moeten de intellectueelen

alleen staan? Neen, juist omdat de weg ons gewezen

is door de handenarbeiders moeten wij ons orienteeren naar

die zijde. Niet speciaal politiek. Intellectueelen en arbeiders

vormen samen een groote kracht. De woorden van mr. RITTER

zijn in strijd met de strekking van de stukken, die ons zijn

overgelegd. Spr. citeert uit het schema voor het Statuut III,

Doel. Dat luidt:

Met alle wettige en geoorloofde middelen het bevorderen van:

a. het inzicht in de beteekenis van den geestelijken arbeid voor

het volksleven,

b. de deelneming van het intellect in de leiding van staat,

provincie en gemeente,

c. de geestelijke en stoffelijke belangen der intellectueelen, hun

maatschappelijk aanzien en rechtspositie.

Het Verbond houdt zich buiten alle geschillen van politieken

en kerkelijk-leerstelligen aard.

In die formuleering spreekt een antithese om zich te plaatsen

tegen de arbeiders.

Mr. Ritter: Leest u pag. 16 van het Rapport . . .

De heer Stokvis: Als ik het Rapport krijg. De mindere

belooning van de intellectueelen wordt beter. De onderwijzers

orienteeren zich al naar de arbeiders. Bij sommige couranten

wenschen de redacteuren ook orienteering naar die zijde.

De intellectueelen sturen aan op splitsing van de beide groepen,

die. maatschappelijk op elkaar zijn aangewezen. Spr. ziet

de practische onmogelijkheid om meer te doen. De N. J. K.

is samengesteld uit leden van politieke groepen, zóó scherp

tegenovergesteld als géén vakvereeniging kent. Elke stap naar

III b zou splitsing geven. En hoe is de laatste al. van III te

vereenigen met IIIbl {Tegenspraak) Spr. ontgaat de beteekenis

van deze tegenspraak. Spr. zal niet zeggen: ik ga uit

den Kring, maar het blijven wordt hem heel moeilijk gemaakt.

Wij vertegenwoordigen collectiviteiten van verschillende schakeeringen.

Wanneer wij zouden opkomen voor al de punten

die mr. RITTER heeft genoemd, dan gaat de Kring uit elkaar.

De heer Schutting ontkent, dat bij dezen Intellectueelenbond

sprake is. van centralisatie om meer kracht te krijgen.

Wij zouden ons met het I. V. sterk rekenen en in de praktijk

bedrogen uitkomen: een vakverbond van organisaties, die

zich te goed achten voor de andere Vak-Verbonden! Onder

de 28 organisaties zijn 13 ambtenarenbonden, die zich bij de

andere central en kunnen aansluiten, maar zich daarbij niet

thuis voelen. Onder Delftsche ingenieurs, Mü van Geneeskunde,

id. van Diergeneeskunde zitten veel ambtenaren

evenals onder accountants en pharmaceuten. Wij houden dan

over de tandartsen, de predikanten en het kunstenaarsverbond.

Waar zit nu de toeneming van kracht? Wat is een verbond

van allemaal zwakke krachten? Versplintering van de journalisten

in organisaties moeten wij sterk en zoo lang mogelijk

tegenstaan. Spr. heeft over afscheiding nog niet. gedacht.

Maar wanneer er een conflict komt en de hoofdredacteuren,

die meestal dichter bij de directeuren staan, kiezen tegen het

A. N. I. V

Mr. Ritter: Ik protesteer.

De heer Schotting: De uitzondering van het U. D. bevestigt

den regel.

Mr. Ritter: Neen, ik protesteer namens alle hoofdredacteuren

bij den N. J. K. aangesloten.

De heer Schotting: De andere bon delingen zullen in

zoo'n geval van de verraderlijke houding van de journalisten

surckcn.

De heer Van den Berg vraagt, of de onttrekking van

den N. J. K. aan samenwerking inderdaad, zooals mr. RITTER

zeide, „een moord op de intellectueelen-beweging" beteekent.

De heer Van Meurs constateert, dat als er velen zijn

die den Kring willen laten orienteeren op de arbeidersvereenigingen,

dat uiteindelijk niet tegen te houden is. Wij

zullen op den duur — de katholieken gaan al weg — ook

de sociaal-democraten en de protestantsch-christelijken zien

' verdwijnen. De confessioneele organisaties zullen volgens den

heer VAN OOSTEN niet voor permanente samenwerking te

vinden zijn, wel voor incidenteele. Om andere formatie van

de georganiseerde journalisten te voorkomen wil men voor

den N. J. K. niets.

De heer Polak is dankbaar voor den aangenamen toon

van het debat.

De heer Van der Hout: 't Is hier niet dé Amsterdamsche

raad. (Vreugde)

De heer Polak: De Voorzitter heeft getracht het principieele

element in dit debat te verdoezelen, door het practische

voorop te zetten. Voor spr. is de voornaamste vraag of het

voor den Journalisten-Kring noodlottig is. En daarop antwoordt

hij: ja.

Het is niet toevallig dat de heer VAN LOON en spreker

samengaan, die ten aanzien van staat en maatschappij een

beginsel belijden, dat niet dat is van den heer RITTER. Het

beginsel van het schema kan nooit het onze zijn.

Voor communisten is dit plan aanlokkelijk. Dat is geen

toeval. De ingenieurs zien zich zelf als de intellectueele

leiders der arbeiders. Die zullen wel aangeven, hoe de maatschappij

bestuurd moet worden. Die gedachtengang ligt ook

aan dit schema ten grondslag. De intellectueelen hebben niet

genoeg invloed in staat en maatschappij, dus: organiseert hen!

Dat gaat in tegen het sociaal-democratisch, maar ook tegen het

antirevolutionair en roomsch-katholiek beginsel, ten deele ook

tegen het democratische beginsel der liberalen. Spr. heeft

niet gezegd dat hij heengaat, maar „wij komen op den tweesprong".

De heer VAN MEURS heeft zich daarover gelaten

getoond.

De Voorzitter: „Dat heeft mij aan uw kant gebracht".

De heer Polak: De heeren RITTER en VAN MEURS luiden

de doodsklok over den Kring. Spr. staat aan de zijde van de

voorstanders van den Kring. Vandaag zal de eerste stap gezet

worden naar het verderf van den Kring als wij meegaan. En

wij hebben gezien wat de Kring voor ons kan zijn. (Applaus.)

Niemand kan in de toekomst zien, misschien is de scheiding

later niet tegen te houden, maar laat ons zoo lang mogelijk

bij elkaar blijven. Wat de centralisatie betreft: tegen centralisatie

van kracht is spr. niet. Maar men wil hier centraliseeren,

wat kracht mist.

De bespreking wordt voor een oogenblik geschorst.

Uitstapje naar Arnhem.

De Voorzitter doet mededeeling van de voorbereiding

door de Arnhemsche Pers voor de ontvangst van den Kring

op Hemelvaartsdag en beveelt deelneming aan dat uitstapje

ten zeerste aan.

Voortzetting replieken.

De heer Polak zet zijn repliek voort. Van de bestaande

ambtenarenorganisaties zijn reeds vele hoogere ambtenarenorganisaties

lid. Maar vele anderen willen er niet komen; zij

vinden dat ze tot een anderen stand behooren. Zij willen niet

een samenwerking van Intellectueelen. Zij willen een nieuw

Vakverbond. Ten bewijze citeert spr., uit het rapport dei-

Commissie van Voorbereiding, van de conclusies de volgende :

De samenwerking behoort eene samenwerking te zijn, op zoo

breed mogelijken voet; als algemeen kriterium geldt, dat alle niet

uitgesproken handwerkers-vakvereenigingen tot de samenwerking

worden uitgenoodigd. Indien er Centralen zijn, gelden deze en niet 1

de haar opbouwende vakvereenigingen als vertegenwoordigende

organisaties.

Daarmede breken wij bestaande kracht, 's Voorzitters beroep

op reeds bestaande vakvereenigingen van schilders en romanciers

gaat niet op. Die kunnen voor hun leden toch niets

doen. De ambtenarenorganisaties moeten zich aansluiten ook

voor de belangen der hooge ambtenaren. Evenals wij voor

onze hoofdredacteuren doen. Spr. ziet in deze heele zaak

slechts een zesde vakverbond: dat van de nette lieden. Spreker

besluit met een aanbeveling van zijn motie. De gelijkgezindheid

heeft betrekking op den aard van de zaak, waarvoor

men een actie op touw wil zetten, al geeft spr. toe dat-het

héél moeilijk is een geval uit te denken, dat de Kring in

zijn geheel meegaat met een actie.

Wie mij lief heeft, volgt mij ....

De heer Van Meurs: Waar naar toe?

De heer Polak: Naar de economische verbetering van de

positie der journalisten.

Mr. Ritter is teleurgesteld door het debat. Deze beweging

is niet voortgekomen uit een sentiment, dat gaat tegen een

bestaande vakbeweging. Spr. citeert het rapport der C. v. O.

op pag 11, waar staat:

De intellectueelen-beweging mag zich nimmer antithetisch

plaatsen ten opzichte van de bestaande vakbeweging.

Met voordacht heeft spr. dit principe altijd op den voorgrond

gesteld. „Het verwijt van het Vakverbond van nette

lieden" wijst spr. af als in strijd met feiten en principe. Het

I. V. stelt zich op ideëelen basis. De Bond van Ned. Onderwijzers,

die zich oriënteerent op de arbeiders, volgens den heer

STOKVIS, was een van de eerste op de voorbereidende vergadering

! Wat het concept betreft — dat kan men wijzigen.

Blijkens artikel 12 kan men zich afzijdig houden van elke

actie. Spr. ziet als een van de voordeden bij een conflict L>v-


dat bij staking, predikanten en onderwijzers zich niet zullen

laten onderschuiven. De journalisten hebben langen tijd geleden

onder depreciatie. Die kan worden opgeheven door samenwerking.

De standing (niet het klasse-, maar. het vakbegrip)

der journalisten wordt er door verbeterd.

Den heer VAN DEN BERG antwoordt spr. wat betreft zijn

uiting van „een moord plegen", dat hij heeft bedoeld: de

N. J. K. heeft het initiatief genomen. Het A. N. I. V. komt

er toch, maar het élan wordt gebroken als de initieerende

vereeniging zich terugtrekt. Heeft spreker tegen het belang

van den N. J. K. gesproken? Hij verzet zich tegen zulke

bewering ten hefstigste. 't Betreft hier alle, juist als de onze,

organisaties van diverse pluimage.

Om de eer en het welzijn van den N. J. K. stelt spr. de

samenwerking voor met bonden, die wat het vak betreft,

volkomen aan het onze verwant zijn. Scherp kant hij zich

tegen de voorstellen, alsof hij depreciatie van handwerkers

bedoeld en hij besluit met de verklaring van groot leedwezen

dat de tendenz van den arbeid der Commissie is miskend.

De Voorzitter zet nog eens uiteen dat er geen concreet

besluit van het Kringbestuur is geweest tot samenwerking.

Spr. begrijpt niet het heenwijzen naar de arbeiders, alsof wij

daar tegen ingaan. Het opkomen der intellectueelen loopt

daarmee evenwijdig. Het „oriënteeren naar de arbeiders" zal

straks evenzeer protest uitlokken.

Spr. heeft zich echter tijdens dit debat afgevraagd, wat hij

als voorzitter gedaan zou hebben, wanneer er eens nog niets

aan de practische voorbereiding was verricht. Welnu, dan

zou spr. — hoezeer ook niet overtuigd — gezegd hebben:

niet aansluiten. Want wanneer er bij groepen van leden zulke

ernstige principieele bezwaren bestaan, dat zij zelfs vreezen

voor de eenheid van den Kring, dan wil spr. dat risico niet

loopen, ter wille van het voordeel der permanente aansluiting.

De eenheid van den Kring is de hoofdzaak. Spr. staat lijnrecht

tegenover den heer VAN MEURS. In onzen tijd van sectarisme,

vindt spr. het een zegen dat de N. J. K. samengesteld is,

zooals hij is. {Algemeen applaus.)

Wat spr. met veel verzoent, dat is de motie-PoLAK, die de

incidenteele samenwerking mogelijk maakt. Spr. adviseert

„samenwerking met het Verbond of andere organisaties" te

lezen voor gelijkgezinden. Daarmee voorkomen wij bruusk

afsnijden van elke band met het Verbond. Wanneer de

heer POLAK die wijziging aanbrengt, zal spr. voor de motie

stemmen.

De heer Van Loon dient de motie in van de Amsterdamsche

Pers.

De heer Van Meurs komt op tegen de uitdrukking

„tegenstander van den N. J. K." Zulk een uitdrukking wijst

hij beslist af. Spr. wil ook geen overwicht geven aan de

intellectueelen, maar het evenwicht herstellen tusschen intellectueele

arbeiders.

Mr. Ritter wil de mogelijkheid om de voorbereiding van

de oprichting van het A. N. I. V. af te maken, vastkoppelen

aan de motie-PoLAK.

De heer Polak: Neen, uit is uit.

De Voorzitter: De voorbereiding is al af.

Mr. Ritter stelt voor, dat de N. J. K. zich aansluit bij

het A. N. I. V. Dit voorstel wordt met 17 tegen 8 stemmen

verworpen.

De heer Van Loon trekt de motie Amsterdamsche Pers in.

De motie-Po LAK, gewijzigd aldus luidende:

De vergadering besluit niet over te gaan tot aansluiting bij het

A. N. I. V., zonder in gevallen waarin dat noodig of nuttig kan

zijn samenwerking met dat Verbond uit te sluiten,

wordt aangenomen met 21 tegen 4 stemmen.

De Voorzitter sluit om 4 uur de' vergadering. *

Personalia en Berichten.

Jac. C. Meijerink Jr. f

MEIJERINK overleden. Het bericht heeft allen ontroerd;

hij was een hartelijk kameraad, een bekwaam journalist, een

geziene figuur in onzen Kring. Trouw bezocht hij als Haarlemsche

gedelegeerde onze bestuursvergaderingen.

Plotseling zijn overlijdensbericht, een week nadat wij hem

nog op onze Utrechtsche vergadering zagen. We wisten wel

dat hij fysiek niet sterk was, maar wie kon dat verwachten?

Wij herdenken met weemoed den collega, in den bloei van

zijn leven weggerukt. Hij zal in onze herinnering voortleven

als een vriend, een nobele figuur in ons vak.

DE J O U K N A L I S T 47

MEIJERINK was, zoo schrijft het Haarlems Dagblad waaraan

hij vele jaren verbonden was, eerst voor het onderwijs bestemd.

Nadat hij zijn opleiding bijna voltooid had, koos hij evenwel

de journalistiek. Aanvankelijk werkte hij aan onze redactie

ais volontair, later als verslaggever. Na eenige jaren ging hij

over bij de Haagsche Courant. Eenige jaren heeft hij daar

gewerkt, toen kwam hij weer onze redactie versterken. Van

dien tijd dateeren ook zijn artikelen „Van onzen Reizenden

Redacteur"

Vijf jaar — van 1915 tot 1920 — was hij onder den

directeur-hoofdredacteur met de dagelijksche leiding onzer

redactie belast. Met 1 November j.1. werd hij daarvan ontheven

om zich geheel te kunnen wijden aan zijn rubriek.

Zijn gezondheid, die nimmer heel sterk was, bracht toen

mee dat zijn taak vergemakkelijkt werd en dat hij meer

frissche lucht genoot, dan het bureauwerk veroorloofde. Hij

werd daarvan toen ontheven en trad uitsluitend op als

Reizend Redacteur; met deze verandering was hij bijzonder

ingenomen, omdat het werk van den Reizenden Redacteur

hem bijzonder aantrok. Verdienstelijk vervulde hij dan ook

die, uit journalistiek oogpunt, ideale taak.

MEIJERINK is een uitstekende kracht voor ons dagblad

geweest. Zijn artikelen, waren steeds goed verzorgd, waren

't bewijs, dat de schrijver zijn werk met liefde en opgewektheid

verrichtte.

Groot was zijn belangstelling voor zijn vak. Hij vond het

een mooi vak, hij hield er van, hij stelde het hoog. Helaas,

zijn lichaam stond niet toe, dat hij arbeidde zooals hij gewild

zou hebben, toch wilde hij van beklag nooit hooren. Nog

op zijn ziekbed moest zijn vrouw hem bizonderheden voorlezen,

ten dienste van een artikel, waaraan hij bezig was.

Hij heeft het niet kunnen afmaken. De dood heeft hem gewenkt

en hij is gegaan, zijn diep bedroefde vrouw en drie

jonge kinderen, die den vader nog zoo noodig hadden, achterlatende.

* *

*

De secretaris van den Haarlemschen Journalisten-kring

schrijft ons:

In den nacht van Donderdag 31 Maart op Vrijdag 1 April

is collega MEIJERINK op 39-jarigen leeftijd overleden, achterlatende

zijn bedroefde vrouw en drie jonge kinderen.

Geen van ons, die dit plotselinge verscheiden had kunnen

denken. We wisten het natuurlijk wel, dat zijn lichamelijke

gesteldheid meermalen reden tot bezorgdheid gaf en dat hij

vooral den laatsten tijd niet de oude was, maar aan een zoo

spoedigen dood dacht niemand. Een plotseling noodlottige

wending genomen hebbende longontsteking was de oorzaak

van zijn heengaan.

Wij verliezen in hem, die zoovele jaren de ziel van ons

vereenigingsleven was, een steun die haast niet kan worden

aangevuld. In elk nummer van De Journalist, wanneer dit

van een hoofdbestuursvergadering gewag maakte, kon men

zijn naam als de Haarlemsche gedelegeerde aantreffen. Altijd

was onze vurig strijdende collega op het appèl, menigmaal

zelfs tegen de waarschuwingen van den koortsthermometer

in. En vooral in de, ook te Haarlem, zooveel besproken

salarisactie konden wij hem steeds op de bres verwachten.

Wie beter dan de hoofdbestuursleden kon 't weten, hoe

enthousiast vriend MEIJERINK zijn onwederlegbare argumenten

inzake die bewuste i e klas ter tafel wist te brengen. In onze

laatste bestuursvergadering, slechts 14 dagen geleden, bleek

zijn optimisme nog en met opgewekten geest bouwde en

tooverde hij ons schoone toekomstbeelden voor oogen.

Aanvankelijk was MEIJERINK voor het onderwijs bestemd,

doch de schoolbanken bleken op den duur zijn liefde niet te

kunnen behouden. De journalistiek lachte hem meer toe.

Als volontair aan Haarlem's Dagblad, openbaarde hij

spoedig van het goede hout gesneden te zijn en bleef aan

deze courant eenige jaren verbonden als verslaggever. Toen

ging hij over naar de Haagsche Courant en na in de residentie

eenige jaren werkzaam te zijn geweest, werd hij opnieuw

aan de redactie van Haarlem's Dagblad verbonden.

Van dat oogenblik af verschenen zijn brieven „van onzen

reizenden redacteur".

In 1915 werd MEIJERINK opgenomen in de hoofdredactie

van Haarlem's Dagblad en met de dagelijksche leiding der

redactie belast. Met 1 Nov. j.1. werd hij hiervan ontheven

om zich, hoewel lid der hoofdredactie blijvende* geheel aan

zijn rubriek te kunnen geven.

Talloos zijn de uitnemende artikelen - uit MEIJERINK'S pen

gevloeid. Eenige jaren geleden schreef hij den roman Sombere

Schijningen, die een goede pers had. Bovendien was hij

correspondent van eenige dagbladen. MEIJERINK was een

doorkneed en trouw apostel van de groote journalistiek, in


48 DE JOURNALIST

alles even nauwgezet, onpartijdig en strikt eerlijk. Bij zijn

ondergeschikten was hij .zéér bemind wegens zijn rechtvaardigheid,

die zich nooit bij hem verloochende, en zijn benijdenswaardige

gelijkmatigheid van humeur.

Behoeft het nu nog gezegd te worden dat vriend MEIJERINK

ook bij zijn collega's, niemand uitgezonderd, in hoog aanzien

stond? Hij werd, zonder beding, als „de beste van allen"

erkend.

En nu deze geliefde makker de eeuwige rust is ingegaan,

zullen wij zijn nagedachtenis eeren, zoolang wij vermogen.

Wij allen, bestuurderen en leden van den Haarlemschen

Journalistenkring en ook de jongeren die nog niet toegetreden

zijn, doch het voorrecht hadden, hem te leeren kennen in

zijn veelomvattend werk, wij zullen hem nimmer vergeten.

* *

*

Bij de begrafenis op jl. Maandag waren zeer vele collega's

aanwezig. Van het Kringbestuur waren HANS, CRAYÉ,

SCHOTTING en VAN DER HOUT aanwezig, van de Amsterdamsche

Pers KOUWENAAR, van den Haarlemschen Kring

WETERINGS, AKKERMANS en VAN OOSTEN. De heer PEEREBOOM

herdacht den overledene namens 't Haarlems Dagblad; daarna

spraken onze Kringvoorzifter, de voorzitter van den Haarl. J. K.

WETERINGS, collega BF.EREMANS namens de collega's van het

Haarlems Dagblad.

Vele kransen en bloemstukken dekten de baar.

Aan de groeve bleek zoo duidelijk hoe talloos vele vrienden

MEIJERINK had en hoezeer hij èn onder zijn collega's èn in

vele kringen buiten hen geëerd en gezien was.

— Tot redacteur-verslaggever (te 's-Gravenhage) van het

Alg. Handelsblad is met ingang van i Mei benoemd de heer

H. H. J. VAN DE POL, thans verbonden aan het Ned. (Haagsch)

Correspondentiebureau.

Tot redactrice aan de Telegraaf is benoemd mej. ANNIE

BUINING, tot voor kort verbonden aan Het Volk.

Tot correspondent van de Maasbode te Madrid is benoemd

de heer A. BOAS.

Niet meer verbonden aan de redactie van De Telegraaf

zijn de dames A. HEEMSKERK VEECKENS en R. VAN OVEN.

Aanwinst voor het Filmarchief.

Het Nederlandsch Centraal Filmarchief is, volgens bericht

in de dagbladen, door aankoop in het bezit gekomen van

een film-negatief, opgenomen op de Perstentoonstelling in

1918 door de Haghe Filmfabriek.

Bedoeld is hier de film, door WILLY MULLENS gemaakt op

de Perstentoonstelling, welke ter gelegenheid van het 25-jarig

bestaan van de Haagsche Journalisten-Vereeniging op 8,-9 en

10 Juni 1918 in „Pulchri Studio" is gehouden. Op deze film

komen, behalve bestuursleden van den Kring en van de

H. J. V. en verschillende bekende journalisten, ook voor de

toenmalige burgemeester van 's-Gravenhage, jhr. mr. dr. H. A.

VAN KARNEBEEK, thans minister van buitenlandsche zaken,

wijlen dr. A. KUYPER, twee van diens dochters, wijlen mevr.

THÉRÈSE VAN DUYL-SCHWARTZE, mr. D. FOCK, toenmaals

voorzitter van de Tweede Kamer en nog verschillende andere

autoriteiten.

Bibliografie.

Januari. ' .

De Courant in den loop der eeuwen. Arnh. Crt. 6 en 11.

De Indische Post. Tel. 14 A, 18 A, 29 (dagboek).

Eerste Holl. couranten 300 jaar geleden. N. Crt. 11 en 12 A.

Journalistieke herinneringen, H. A. Lesturgeon N. Crt. 29 A.

Drukkers en uitgevers eerste Holl. couranten. N. Crt. 26 A.

De Hollandsche Revue (Aftr. Fr. Netscher) N. R. Crt. 29 O.

Berichtgeving in de Pers, dr. H. T. de Graaf, de Hervorming,

Vad. 31 A.

Februari.

De Holl. Revue (aftr. F. Netscher) N. R. Crt. 3 A, 11 A.,

14 A.. 16 A.

Berichtgeving in de Pers, dr. H. T. de Graaf, Vad. 28 A.

Maart.

'Holl. kranten in Amerika, Tel. 6 O.

Journalistieke beleediging, (Frankrijk) Mr. H. Louis Israels,

Tel. 6 O.

Kunstcritiek en het „recht van antwoord", Alex Cohen. Tel. 8 A.

Een Persraad, Vad. 2 A., 7 A., 12 O.

De Pers voor het Intern. Gerechtshof, Vad. 14 A.

Jos. Pulitzer (Slachtoffer van dollaritis) H. A. L. N. Crt. 14 A.

De dagbladpers en de vrouwen, W.W.F.D. (Mevr. Wijnandts

Francken-Dyserinck) de Loods 17.

Intellectueelen en arbeiders, W. C. van Meurs, de Loods 24.

Ons kent ons, Criticaster, Res.bode 26.

Intellectueelen organisatie (Beslissing N. J. K.)

Onbedoeld gevolg N. Ct. 29 A.

De groeistuip Utr. Dagblad 29.

Organisatie van het intellect N. v. d. D. 30.

Intellectueelen Verbond en Princiepen Res.bode 31.

Buitenland. (Boekbesprekingen.)

„Die geschichte der Kölnische Zeitung", Erster Teil 1814—

1831, dr. E. voh Nahmer -j\ Köln. Ztg. 20 Januari.

„Die Seele des Journalisten", A. H. Kober, Vossische Ztg.

23 Januari.

Canadeesche journalistiek.

Gedrukt bij A. de la Har Azu., Amsterdam

Een Australische journalist, REESE H. HAGUE, heeft anderhalf

jaar in Canada vertoeft en thans in het Australische

journalistenorgaan het een en ander verteld van zijn ervaringen.

Als een bijzonderheid vermeldt hij dat er nog geen journalisten-organisatie

in Canada bestaat. In 1904 is te Winnipeg,

en in 1913 te Vancouver geprobeerd er een op te richten,

maar beide malen overleed het instituut spoedig. De oorzaak?

Het klinkt wel heel ouderwetsch: vrees voor de geraaktheid

der eigenaren van de bladen. Dat dit niet fantasie is, blijkt

uit het volgende. Verleden jaar trachtten de journalisten

te Montreal weer eens om een vereeniging te stichten. Aanstonds

bedreigde de leider van The Montreal Star, hen met

ontslag, die zich bij deze vereeeniging mochten aansluiten.

Twee journalisten aan dit blad verbonden begingen deze

stoutigheid toch en. zij werden inderdaad op straat gezet.

Daarover verbolgen, staakten de journalisten aan dat blad.

De staking duurde eenige dagen en leidde er toe dat de beide

ontslagenen weer in dienst werden genomen . .. but the union

faded out of existence.

Te Toranto bestaat een Press Club, maar die houdt zich

alleen met politieke zaken bezig. Dan is er een Canadian

Woman News Writers' Press Club, die als voornaamste doel

heeft the entertainment of visiting celebrities!

De gevolgen van deze toestanden blijven niet uit. Als regel

zoo schrijft HAGUE, blijven de journalisten slechts kort bij

het vak: de meesten zoeken een anderen werkkring of trachten

naar de Ver. Staten te gaan.

De salarieering is ^in Canada bar-slecht, zoo vertelt deze

collega. De meeste bladen betalen niet meer dan 20—35

dollar per week. Natuurlijk zijn er enkele beter bezoldigde

functionarissen, maar in het algemeen is de betaling daar in

vergelijking van den levensstandaard zeer laag. Het gevolg is,

dat de beste onder hen naar de V. S. trekken.

Het voornaamste blad in Canada is The Winnipeg Free

Press, die onlangs op meer Amerikaansche leest is geschoeid.

Het blad heeft een oplaag van 86.000 exemplaren, gebruikt 23

tot 25 ton papier per dag en ontvangt per dag ongeveer 22000

woorden per telegraaf. Er zijn aan verbonden 14 reporters

en tal van specialiteiten : tooneel, bioscoop, muziek, financieel,

handel, landbouw, kerk-specialiteit. Voorts een teekenaar,

een schilder en nog allerlei artisten voor andere onderdeden.

Het blad verschijnt 's morgens en 's avonds. Voor beide

bladen bestaat een geheel afzonderlijke staf; slechts één man

(the liaison man) zorgt voor de continuiteit.

De werktijd der journalisten is 48 uur per week, waaraan

stipt de hand wordt gehouden.

Doux pays.

We lezen in den N. R. Ct.

Er is in Hongarije een steeds sterkere beweging tot

opheffing van de censuur op de pers. Er heeft een bijeenkomst

van politieke personen en ministers plaats gehad. Daar heeft

Teleki, de minister-president verklaard, dat de oorlogstoestand

in Hongarije nog niet zijn einde bereikt had, en dat de

omstandigheden niet zoo waren, dat de pers zonder censuur

verschijnen kan. Zoo kan die censuur, naar de meening der

regeering, nog niet opgeheven.

In dat verband mag er ter illustratie van de fraaie toestanden

in Hongarije nog op gewezen, dat dezer dagen van

rechtsche zijde in den gemeenteraad te Boedapest voorgesteld

werd, de stokslagenstraf ook toepasselijk te maken op journalisten

voor het verspreiden van berichten, die door de

autoriteiten onjuist of voor het land schadelijk zouden worden

geacht.

More magazines by this user
Similar magazines