Groeten uit Europa! - Topos
Groeten uit Europa! - Topos
Groeten uit Europa! - Topos
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
Jaargang 16<br />
Nummer 4<br />
2006<br />
7 euro<br />
TOPOS<br />
Periodiek van het Laboratorium voor Ruimtelijke Planvorming<br />
Schaal 1 : E uropa
I n h o u d<br />
2 TOPOS / 04 / 2006<br />
Artikelen<br />
08 <strong>Groeten</strong> <strong>uit</strong> <strong>Europa</strong>!<br />
Mark Hendriks en Dirk Sijmons<br />
12 De europese ‘ eenwording’<br />
Lodewijk Wiegersma<br />
16 EU Territorial Cohesion Policy: The Light at the End of the<br />
Tunnel?<br />
Andreas Faludi<br />
20 De ‘ verjonging’ van het erfgoed<br />
Ontwerpen met geschiedenis is een maatschappelijke opgave<br />
Jan Kolen<br />
24 <strong>Europa</strong> stoomt door (met of zonder Nederland)<br />
Davis Evers<br />
30 Grenzenloze plnningkennis in <strong>Europa</strong>:<br />
Internationale kennis<strong>uit</strong>wisseling aangaande ‘land development’ in FARLAND<br />
Terry van Dijk<br />
34 Plannen op de helling<br />
On-nederlandse stedebouwkundige projecten Buro Lubbers<br />
Eric Jonge en Marjan de Vries<br />
38 Wat willen planners met <strong>Europa</strong>?<br />
Raoul Beunen<br />
42 Waddenland<br />
Een nieuw concept in het denken over de bescherming van de internationale<br />
waddenzee<br />
Hans Revier<br />
46 Space for species: towards a cohesive Natura 2000 network<br />
Paul Opdam<br />
49 Europeaniseren vraagt om een actieve ruimtelijke ordening<br />
De provinciale ruimtelijke ordening in Europese context<br />
Arjen de Wit<br />
08<br />
12<br />
30<br />
34<br />
38
42<br />
46<br />
52<br />
55<br />
58<br />
Rubrieken<br />
04 Redactioneel<br />
Adam Hofland<br />
05 Caperton<br />
Renée de Waal<br />
14 Column<br />
Kristof van Assche<br />
28 Forum<br />
Joren Jacobs en Henk-Jan Kooij<br />
33 Dat vind ik nou mooi!<br />
Rianne Knoot<br />
Onderwijs<br />
41 Onderwijscolumn<br />
Lotte Bontje<br />
52 Het leven zoals het is: de herstructurering<br />
Hoe beleven de bewoners van malburgen de herstructurering van hun<br />
wijk?<br />
Nadja Mertens en Karlijn Soesman<br />
55 Kolonisten banen nieuw spoor<br />
Een studie naar regionale arrangementen in de Drentes Veenkoloniën<br />
Egbert Jaap Mooiweer<br />
58 Een zee van Ruimte<br />
Het watersysteem voor deelplan II Meerstad Groningen<br />
Dirk Oomen<br />
62 Boeken<br />
TOPOS / 04 / 2006 3
<strong>Europa</strong> – Europia – Eutopia - Utopia<br />
Terwijl miljoenen Nederlanders afgelopen zomer de<br />
auto of vliegtuig namen naar hun vakantiebestemming<br />
in het b<strong>uit</strong>enland, kwamen er duizenden Afrikanen<br />
om die poogde ook grenzen over te komen. Niet voor<br />
een vakantie of voor het plezier, maar <strong>uit</strong> wanhoop.<br />
Hun leven in landen als Mali en Niger was zo <strong>uit</strong>zichtloos<br />
dat ze geen andere <strong>uit</strong>weg zagen dan zich met<br />
lotgenoten in een te klein vissersbootje te proppen<br />
en de meedogenloze oceaan te trotseren. Anderen<br />
stortten zich met honderden tegelijk op 6 meter hoge<br />
hekken in de hoop dat zij één van die enkelingen zouden<br />
zijn die niet bleven haken in het prikkeldraad en<br />
wel de andere kant zouden bereiken.<br />
De drijfveer is geld. Geld waarvan in <strong>Europa</strong> genoeg<br />
is. Geld waarmee de familie thuis onderhouden kan<br />
worden.<br />
De ellende begint al in eigen land. Smokkelaars vragen<br />
astronomische bedragen om de mannen, het zijn<br />
altijd mannen, in de buurt van de Marokkaanse of<br />
Tunesische kust te brengen. Deze plekken dienen als<br />
springplank omdat hier de afstand tussen het Europese<br />
en Afrikaanse continent het kleinst is. Leg je als<br />
aankomend illegaal nog een paar duizend euro bij<br />
dan kan je via de zelfde smokkelaars nog een plekje<br />
op een visserboot kopen. Bezit je dat geld niet, dan<br />
zal je zelf moeten proberen de douane <strong>uit</strong> handen te<br />
blijven en de grens over te steken.<br />
Terugkeren naar het eigen dorp kan niet. De familie,<br />
soms zelfs het hele dorp, heeft al het geld bij elkaar<br />
gelegd om de smokkelaars te kunnen betalen voor<br />
jouw reis. Terugkeren met lege handen is een doodzonde.<br />
Dus riskeer je onderkoeling, verdrinking, ondervoeding<br />
en ander fysiek en psychisch letsel om<br />
het Europese fort te enteren en de vruchten van die<br />
welvaart te kunnen plukken.<br />
Afgelopen zomer probeerden 12.000 illegale immigranten<br />
de Italiaanse kust te bereiken en 27.000 de<br />
Spaanse enclaves Melilla en Ceuta. Zonder succes.<br />
6000 anderen waren nog ongelukkiger en gaven het<br />
leven.<br />
De Spaanse premier Jose Luis Rodriguez Zapatero<br />
stelde aan het eind van de zomer voor in Europees<br />
verband te gaan zorgen voor een verkleining van de<br />
welvaartskloof tussen Afrika en <strong>Europa</strong> om zo de toestroom<br />
van immigranten naar zijn land in te perken.<br />
Terwijl een groot deel van de EU-lidstaten op haar<br />
beurt weer vond dat Spanje de ellende zelf over zich<br />
4 TOPOS / 04 / 2006<br />
had afgeroepen door vorig jaar 700.000 illegalen een<br />
permanente verblijfsvergunning te geven en zo dus<br />
zelf de kat op het spek gebonden had. Een echte oplossing<br />
is niet zomaar gevonden; dat is deze nooit bij<br />
menselijke drama’s van deze omvang.<br />
Ondertussen werken wij hard aan een nog beter en<br />
nog mooier <strong>Europa</strong>. Als ik de inhoud van deze TOPOS<br />
zo bekijk, lukt dat nog aardig ook. Onszelf beseffen<br />
dat we dat enkel kunnen omdat wij in <strong>Europa</strong> bijna als<br />
vanzelf worden voorzien in onze basisbehoeften, zoals<br />
goed onderwijs en een zorgstelsel, is daarbij niet<br />
ongezond. Daardoor zijn we ook in staat ons bezig te<br />
houden met meer “secundaire” zaken als ecologische<br />
corridors en recreatielandschappen. Wij staan dan wel<br />
weer elke dag in de file of bevinden ons op een station<br />
zonder rijdende treinen. En het weer laat vaak ook<br />
te wensen over, maar och: er is altijd wel iets.<br />
Adam Hofland<br />
Eindredacteur Schaal 1:<strong>Europa</strong><br />
Redactioneel
Caperton<br />
In de rubriek Caperton doet de redactie van TOPOS<br />
verslag van nieuws in de categoriën ‘onderwijs’,<br />
‘onderzoek’, ‘praktijk’ en ‘aankondigingen’. Caperton is de<br />
naam van het land tussen twee afwateringskanalen van<br />
verschillende dorpen. Het is het land tussen verschillende<br />
werelden; de plek waar nieuws zich kan verzamelen.<br />
Leerstoelgroep Landgebruiksplanning<br />
wordt volledig lid<br />
van AESOP<br />
De leerstoelgroep Landgebruiksplanning is toegelaten<br />
als volledig lid van de Association of European Schools<br />
of Planning (AESOP). Dit betekent dat het onderwijsprogramma<br />
in Ruimtelijke Planning in Wageningen erkend<br />
is te voldoen aan de internationale standaard. AESOP is<br />
een netwerk van universiteiten en universiteitsafdelingen<br />
die onderwijs geven en onderzoek verrichten in het veld<br />
van stedelijke en regionale planning. Het lidmaatschap<br />
opent nieuwe mogelijkheden voor internationale samenwerking<br />
en <strong>uit</strong>wisseling van ervaring.<br />
Meer informatie: www.aesop-planning.com<br />
Stad noch land: ruimtelijke<br />
ontordening in Nederland<br />
Het rommelige land op de grens van waar stad en agrarisch<br />
gebied in elkaar overgaan, weet zich steeds weer<br />
te onttrekken aan de gangbare Nederlandse ideeën over<br />
ruimtelijke ordening. Deze grensgebieden, ook wel tussenland<br />
genoemd, zijn rommelig, soms vervreemdend,<br />
maar ook spannend en vol mogelijkheden. De tentoonstelling<br />
geeft aan de hand van kaarten, tekeningen en<br />
foto’s inzicht in de onvoorspelbare manieren waarop deze<br />
ruimtes zich ontwikkelen. De tentoonstelling is te zien t/m<br />
25 februari 2007 in het NAi in Rotterdam.<br />
Meer informatie: http://www.nai.nl/nl/pers/061005_stadnochland.html<br />
Promotie Wijnand Boonstra<br />
Wijnand Boonstra promoveerde op 30 oktober 2006 met<br />
het proefschrift “A Case Study of Value-Conflicts on Dutch<br />
Rural Land Use”. Conflicten over de inrichting van het landelijk<br />
gebied zijn vaak niet louter een belangenstrijd, maar<br />
vaak ook een waardenstrijd. In het proefschrift wordt<br />
onderzocht hoe waardenconflicten in de praktijk worden<br />
gearticuleerd en hoe erover wordt onderhandeld.<br />
3 Cum Laudes bij MSc<br />
afstudeerders Planning<br />
Bij de MSc diploma <strong>uit</strong>reikingen afgelopen september is<br />
een <strong>uit</strong>zonderlijk hoog aantal van 3 cum laudes gehaald<br />
bij de specialisatie Ruimtelijke Planning. Jeroen Laro,<br />
Roderick Simons en Arjen de Wit zijn cum laude afgestudeerd.<br />
De laatst genoemde is nu junior onderzoeker bij<br />
de leerstoelgroep Landgebruiksplanning.<br />
Promoties Maarten Jacobs<br />
en Martijn Duijneveld<br />
Twee medewerkers van de Leerstoelgroep Sociaal-ruimtelijke<br />
Analyse zijn onlangs gepromoveerd. Maarten Jacobs<br />
promoveerde op 10 november. Zijn proefschrift “The production<br />
of mindscapes. A comprehensive theory of landscape<br />
experience” gaat over verschillende manieren waarop de<br />
ervaring van het landschap wordt bestudeerd. Hij ontwikkelt<br />
een overkoepelende theorie, waarin de vraag centraal<br />
staat via welke processen ervaringen van landschappen tot<br />
stand komen.<br />
Martijn Duineveld promoveerde op vrijdag 22 december.<br />
Zijn proefschrift heet: “Van oude dingen, de mensen, die<br />
voorbij gaan; Over de voorwaarden meer recht te kunnen<br />
doen aan de door burgers gewaardeerde cultuurhistories.”<br />
Hij beargumenteert dat als de Nederlandse overheid haar<br />
cultuurhistorisch beleid wil democratiseren daarvoor meer<br />
openheid moet worden gecreëerd in het formele beleidsysteem.<br />
Hoewel zijn onderzoek zich heeft beperkt tot het archeologiebeleid,<br />
zijn de <strong>uit</strong>komsten zeer relevant voor andere<br />
beleidsvelden waarbinnen de ambitie bestaat de wensen van<br />
burgers meer bij het beleid te betrekken.<br />
TOPOS / 04 / 2006 5
6 TOPOS / 04 / 2006<br />
Erik de Jong nieuwe docent<br />
Landschapsarchitectuur<br />
Erik de Jong zal de leerstoelgroep Landschapsarchitectuur<br />
voor twee dagen per week komen versterken als<br />
universitair hoofdmedewerker. Hij heeft kunstgeschiedenis<br />
gestudeerd en zich gespecialiseerd in de geschiedenis<br />
van tuinen en landschappen. Vorig jaar heeft hij reeds<br />
zijn entree gemaakt aan Wageningen Universiteit met de<br />
collegereeks ‘600 jaar geschiedenis van de Nederlandse<br />
tuin- en landschapsarchitectuur’. Vanaf dit jaar vervangt<br />
hij het bestaande ‘History of Art, Architecture and Landscape<br />
Architecture’ van Klaas Kerkstra met een serie<br />
getiteld ‘A Cultural History of Garden and Landscape Architecture’.<br />
Daarin wil De Jong de culturele geschiedenis<br />
van de landschapsarchitectuur behandelen in relatie tot<br />
de andere ontwerpdisciplines, kunsten en wetenschappen.<br />
Het vak zal een theoretisch, kritisch, reflectief en ook<br />
praktisch karakter krijgen, dat niet alleen op de ontwikkeling<br />
van het westen is gericht, maar wereldwijd.<br />
De Jong is naast zijn aanstelling aan Wageningen Universiteit<br />
onder andere ook bijzonder hoogleraar in Leiden,<br />
adviseur van dierentuin Artis en ‘senior fellow history of<br />
Landscape Architecture’ bij Dumbarton Oaks Institute for<br />
Landscape Studies, een onderzoeksinstituut van Harvard<br />
University in Washington D.C.<br />
Meer informatie: erik.dejong@wur.nl<br />
Jörg Rekittke new assistant<br />
professor Landscape<br />
Architecture<br />
Jörg Rekittke will be the new assistant professor at the<br />
chair of Landscape Architecture from December 2006 onwards.<br />
Rekittke studied at the Technical University Berlin<br />
and Ecole Nationale Supérieure du Paysage Versailles.<br />
He was teaching assistant at RWTH Aachen University<br />
at Department of Landscape Design and at Department<br />
of Urban Design and Regional Planning. He also got his<br />
doctor’s degree in Aachen. Rekittke also worked at the<br />
University of Siegen and at Hochschule Anhalt.<br />
His primary focus in Wageningen will be on landscape<br />
architecture in relation to urbanism. Rekittke will organise<br />
the urban MSc Atelier during period 3 and 4 from January<br />
till April. Next to education he will do research work.<br />
He is interested in strengthening the connection between<br />
research and the creative act of design. He distinguishes<br />
between research in the classical sense and research applied<br />
in the field of Landscape Architecture, as he calls it<br />
‘limited science’. He will try to clarify the often misty-eyed<br />
interpreted design act by searching for a way to make it<br />
traceable for everyone.<br />
More information: rekittke@email.de Links Erik de Jong, rechts Jörg Rekittke
TOPOS / 04 / 2006<br />
7
<strong>Groeten</strong> <strong>uit</strong> <strong>Europa</strong>!<br />
Landschapsontwerpers en<br />
landschapsplanners moeten<br />
meer nadenken over de<br />
invloed van vrijetijds-<br />
besteding op het landschap.<br />
De Nederlandse rijks-<br />
adviseur voor het landschap<br />
organiseert daarom een<br />
internationaal project<br />
waarin opleidingen worden<br />
opgeroepen ontwerpend<br />
onderzoek te doen naar de<br />
veelkleurige relatie tussen<br />
leisure enerzijds en de<br />
Europese landschappen<br />
anderzijds.<br />
Mark Hendriks<br />
Journalist<br />
Dirk Sijmons<br />
Rijksadviseur voor het landschap<br />
tekstlandschap@gmail.com<br />
8 TOPOS / 04 / 2006<br />
In Oost-D<strong>uit</strong>sland wordt een voormalig<br />
mijnbouwgebied omgetoverd tot een recreatief<br />
merengebied, compleet met verblijfsaccommodaties,<br />
attracties en vaarroutes.<br />
Aan de Spaanse kust kampen voorheen<br />
populaire badplaatsen met leegstand, omdat<br />
de toeristen wegblijven. Toeristen die massaal<br />
naar Turkije trekken, waardoor de kusten bij<br />
Antalya, Alanya en Marmaris langzaamaan<br />
dichtslibben met hotels, restaurants en discotheken.<br />
Druk bezochte berggebieden in de Alpen<br />
lijden onder hevige erosie. Het intensieve<br />
gebruik door skiërs in de winter en wandelaars<br />
in de zomer eist zijn tol.<br />
In de Italiaanse Apenijnen, waar de landbouw<br />
verdwijnt, keren de beer en de wolf weer terug.<br />
Ecotoerisme en -recreatie kunnen wellicht de<br />
plek van de landbouw innemen en zo fungeren<br />
als nieuwe economische en ruimtelijke dragers<br />
van deze bergachtige streek.<br />
Tweede woningen spreiden zich als een<br />
hagelschot <strong>uit</strong> over het Europese continent.<br />
Nederlanders overwinteren op Kreta, D<strong>uit</strong>sers<br />
in Polen, Fransen in Portugal en Tsjechen in<br />
Kroatië. Echter zonder bij te dragen aan de<br />
zorg voor de landschappen van het gastland.<br />
Na de bouw van een woonwijk krijgt het nabij<br />
gelegen platteland in het weekend plotseling te<br />
maken met wandelende stedelingen, honden<strong>uit</strong>laters<br />
en fietsende gezinnen.<br />
Graanvelden in Picardië lijken, als gevolg van<br />
het Europese landbouw- en subsidiebeleid,<br />
steeds meer op die in Bohemen, Groningen<br />
en Roemenië. De identiteit van deze gebieden<br />
moet nodig geherdefinieerd worden, zodat<br />
mensen er verblijven in plaats van er alleen<br />
doorheen te reizen.<br />
Verbond<br />
Bovengenoemde voorbeelden maken<br />
duidelijk dat de relatie tussen landschap<br />
en recreatie en toerisme – vrijetijdsbesteding<br />
of, met een Engelse term,<br />
leisure –omvangrijk en divers is. Een<br />
niet te verwaarlozen verbond.<br />
In de ruimtelijke ordening, het landschapsontwerp<br />
en de planologie wordt<br />
leisure echter nog te vaak als een toevallig<br />
verschijnsel gezien, iets wat in het<br />
landschap ‘gebeurt’. Terwijl de invloed<br />
van leisure op landschappen soms om<br />
sturing vraagt, om ontwerpstrategieën.
De Europese Landschapsconventie<br />
(ELC) – die Nederland in 2005 ondertekende<br />
– roept landen op om zorg te<br />
dragen voor de kwaliteit en de karakteristieken<br />
van hun landschappen,<br />
zowel de mooie als de alledaagse. De<br />
ELC wil de variëteit op het Europese<br />
continent waarborgen.<br />
Van<strong>uit</strong> het ministerie van Landbouw,<br />
Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en<br />
het Atelier Rijksbouwmeester is het<br />
project Landscape and Leisure gestart.<br />
Studenten landschapsarchitectuur en -<br />
planning en toerismestudenten in heel<br />
<strong>Europa</strong> zijn gevraagd inrichtingsvoorstellen<br />
te maken voor ruimtelijke vraagstukken<br />
omtrent dit onderwerp in hun<br />
eigen land. De resultaten moeten in<br />
2008 leiden tot een advies aan de Nederlandse<br />
ministers van LNV en VROM<br />
en de Raad van <strong>Europa</strong>.<br />
Consumptielandschap<br />
Vrije tijd, recreatie en toerisme staan in<br />
de statistieken van de wereldeconomie<br />
sinds enige jaren op een stevige eerste<br />
plaats. Bovendien vertoont deze sector<br />
nog steeds jaarlijkse groeipercentages<br />
met dubbele cijfers. De mondiale <strong>uit</strong>gaven<br />
bedragen zo’n € 463 miljard.<br />
Voor toerisme neemt <strong>Europa</strong> met jaarlijkse<br />
bestedingen van € 252 meer dan<br />
de helft voor haar rekening.<br />
Bij de keuze van een bestemming voor<br />
de besteding van vrije tijd speelt de regio,<br />
de landstreek en het landschap een<br />
steeds belangrijker rol. Een <strong>uit</strong>gebalanceerd<br />
regionale mix aan recreatieve<br />
voorzieningen, passend in het landschap,<br />
wint aan aantrekkingskracht. De leisuresector<br />
maakt gebruik van de aantrek<br />
kingskracht van stad en landschap. In<br />
sommige ‘landelijke’ regio’s evenaart of<br />
overtroeft de sector leisure inmiddels<br />
de economische impact van de landbouw,<br />
de bosbouw en de mijnbouw, de<br />
productiesectoren die vanouds een<br />
stevig stempel op het aanzien en het<br />
beheer van het landschap drukten.<br />
Het gevarieerde Europese landschap<br />
vormt met cultuurschatten en steden de<br />
trekpleister voor intra-Europees en<br />
intercontinentaal toerisme. In West-<br />
<strong>Europa</strong> worden de toeristische <strong>uit</strong>gaven<br />
echter nog overtroffen door de recreatie.<br />
In Nederland bijvoorbeeld staan tegenover<br />
iedere toeristisch <strong>uit</strong>gegeven euro<br />
twee recreatieve. Vrije tijd in de openlucht<br />
tenslotte heeft niet zo’n duidelijk economisch<br />
profiel en begint al op het balkon<br />
of in de volkstuin.<br />
De indruk is dat overal in <strong>Europa</strong> zich<br />
processen afspelen die je zou kunnen<br />
typeren als de geleidelijke omschakeling<br />
van productielandschap naar consumptielandschap.<br />
Deze transformatie verloopt<br />
snel. De delfstoffenwinninggebieden<br />
in Spanje, Portugal en Roemenië zijn<br />
bekend vanwege het grootschalig omploegen<br />
van het landschap tot recreatieve<br />
en toeristische regio’s. Van<strong>uit</strong> het<br />
vliegtuig blijkt dat het Nederlandse bij<br />
recreanten populaire rivierengebied een<br />
gatenkaas is van klei, zand- en grindwinning.<br />
En ook al zijn de steenkolenmijnen<br />
in Nederland gesloten, er staan<br />
nog veel mijnhoutbossen en dennenakkers<br />
op de arme zandgronden, ooit<br />
bedoeld om rechte stammetjes te kunnen<br />
oogsten die de mijnschachten moesten<br />
ondersteunen. Nu komen deze dennenakkers<br />
meer en meer terecht in de sfeer<br />
van natuurbeleving en recreatie, ook al<br />
zijn die plantages daar nog niet geschikt<br />
voor. Traditionele agrarische functies<br />
maken geleidelijk plaats voor bezoekboerderijen,<br />
‘slapen bij de boer’, fietsverhuurbedrijven,<br />
horeca, speelparadijzen.<br />
Er zijn overeenkomsten, maar het is<br />
duidelijk dat deze processen zich per<br />
land net weer anders voltrekken.<br />
Landschappen vertonen een grote verscheidenheid<br />
dus verschillende potenties<br />
op de vrijetijdsmarkt. Die voormalige<br />
buinkoolwinningsgebieden in D<strong>uit</strong>sland<br />
staan er nu eenmaal anders voor dan<br />
arcadische landschappen als Toscane of<br />
de Provence. Cultuurlandschappen als<br />
het Groninger terpenlandschap trekken<br />
andere mensen dan natuurlandschappen<br />
als het Lake District in Groot-<br />
Brittannië.<br />
Landschapsvormende kracht<br />
Regio’s werken met verschillende strategieën.<br />
Soms om ontwikkelingen op<br />
gang te brengen, soms om ze te begeleiden<br />
maar soms ook om te voorkomen<br />
dat recreatie en toerisme hun eigen<br />
bestaansbasis ondergraven of zelfs<br />
vernietigen. Idealiter draagt leisure<br />
(financieel) bij aan de instandhouding<br />
en versterking van landschapskwaliteiten,<br />
maar te vaak speelt de paradox van het<br />
massatoerisme ons parten: de landbouw<br />
verdwijnt, dus er is geen boer meer<br />
voor het beheer van het landschapsdecor<br />
dat juist aanleiding vormde voor<br />
het toestromen van toeristen en touroperators.<br />
Met als gevaarlijk gevolg dat<br />
gebieden verschralen.<br />
Recreatie en toerisme zelf vertonen<br />
zich in verschillende gedaanten met een<br />
evenzo verscheiden invloed op het<br />
landschap. Er lopen gradaties van de<br />
nauwelijks merkbare zeer extensief<br />
explorerende vormen van vrijetijdsbesteding<br />
en landschapstoerisme, via<br />
actieve en sportieve vrijetijdsbesteding<br />
in de dagelijkse leefomgeving naar<br />
rond<strong>uit</strong> parasitaire vormen van toerisme<br />
die niets ‘teruggeven’ aan het landschap.<br />
Aan de toeristisch-recreatieve ontwikkelingen<br />
zijn kansen en bedreigingen<br />
voor het landschap verbonden.<br />
Toerisme en recreatie kunnen zich tot<br />
een formidabele of bedreigende landschapsvormende<br />
kracht ontwikkelen.<br />
Deze verschillen zijn interessant. Het is<br />
dan ook nuttig op Europees niveau<br />
ervaringen <strong>uit</strong> te wisselen. Het project<br />
Landscape and Leisure zoekt naar zoveel<br />
mogelijk antwoorden op essentiële<br />
vragen. Welke rol spelen de Europese<br />
landschappen in de vrijetijdsbesteding<br />
van hun bewoners en welke betekenis<br />
hebben deze landschappen voor het<br />
toeristische en recreatieve product?<br />
Kunnen we de omslag van productienaar<br />
consumptielandschap door toerisme<br />
en recreatie een positieve wending voor<br />
het landschap geven, dat wil zeggen het<br />
tegengaan van economische achter<strong>uit</strong>gang<br />
en/of vervlakking en kaalslag?<br />
Kan deze sector leiden tot meer<br />
TOPOS / 04 / 2006 9
verscheidenheid tussen regio’s en<br />
landschappen? En hoe zorgen we dat<br />
de effecten van vrijetijdsbesteding op<br />
het landschap niet schadelijk zijn maar<br />
juist bijdragen aan de versterking van<br />
kwaliteiten en karakteristieken?<br />
Kaalslag<br />
Het project zet zoals gezegd in op<br />
workshops voor ontwerpend onderzoek<br />
als onderdeel van het onderwijsprogramma<br />
op zoveel mogelijk Europese<br />
opleidingen voor landschapsplanners<br />
en landschapsarchitecten in 2007.<br />
Alleen dan kunnen je gebiedsgericht<br />
diagnoses en strategieën ontwikkeld<br />
worden.<br />
Volgens een vast format en een eenvoudige<br />
legenda wordt voor elk land<br />
een globale en landsdekkende kartering<br />
Alledaagse stadsrand in Porto, Portugal.<br />
10 TOPOS / 04 / 2006<br />
gemaakt van de ontwikkelingen.<br />
Vervolgens worden, voor een of twee<br />
gebieden, de <strong>uit</strong> de confrontatie tussen<br />
landschap en vrije tijd voortvloeiende<br />
planning- en ontwerpopgaven <strong>uit</strong>gewerkt.<br />
Parallel daaraan wordt door<br />
studenten vrijetijdswetenschappen met<br />
een essay of conceptuele analyses de<br />
nationale diagnose gesteld en worden<br />
strategieën geïnventariseerd om<br />
recreatie en toerisme van een duur<br />
zame en landschappelijke basis te<br />
verschaffen.<br />
Aan het eind van 2007 worden de<br />
resultaten verzameld en vertaald tot het<br />
advies voor de Raad van <strong>Europa</strong>,een<br />
Europese kaart en een publicatie. Het<br />
materiaal wordt gepresenteerd op het<br />
IFLA-wereldcongres dat tijdens de<br />
Triënnale in 2008 in Nederland wordt<br />
gehouden.<br />
<strong>Europa</strong> moet zich niet meer enkel bezig<br />
houden met vrede en voedsel, maar ook<br />
met het oplossen van de schaarste aan<br />
waardevolle landschappen, die voldoen<br />
aan de <strong>uit</strong>eenlopende wensen van de<br />
hedendaagse Europeaan. De ‘apocalyptische’<br />
kaalslag van <strong>Europa</strong>, die mede<br />
onder invloed van leisure staat, kan<br />
alleen door internationale samenwerking<br />
gest<strong>uit</strong> worden.<br />
Zie voor meer informatie<br />
www.landscapeandleisure.eu.<br />
Summary<br />
Leisure is booming.<br />
Outdoor recreation and tourism have<br />
an impact on the landscape. This impact<br />
may be hardly noticeable or it<br />
may be firm and become parasitic.
Thus tourism and outdoor recreation<br />
pose a paradox: they may provide<br />
opportunities, but they may also pose<br />
threats.<br />
That is the reason for a joint, inventorymaking<br />
project, initiated by the Dutch<br />
government advisor on the landscape.<br />
The project will consist of workshops<br />
to produce research and design programmes<br />
that will be incorporated into<br />
the curriculum of the landscape<br />
architecture and planning schools and<br />
the schools for tourism, recreation and<br />
leisure.<br />
In 2008 the information will be<br />
transposed to a map of European<br />
leisurescapes. The research and<br />
design results will be published in an<br />
eye catching book. The material will<br />
also be presented at IFLA’s Annual<br />
World Congress that will be held in<br />
The Netherlands in 2008. An advice<br />
will be send to the council of Europe.<br />
Fins liefhebberslandschap.<br />
Europese kaart van cultuurlandschappen (C.A. Mücher et al., 2003).<br />
TOPOS / 04 / 2006 11
De Europese ‘eenwording’<br />
Lodewijk Wiegersma is land-<br />
schapsarchitect in binnen-<br />
en b<strong>uit</strong>enland. Hij heeft zijn<br />
opleiding gevolgd op de<br />
Architectenschool in Kopen-<br />
hagen. Na zijn opleiding<br />
heeft hij gewerkt bij ver-<br />
schillende bureaus en de<br />
afdeling landschapsarchi-<br />
tectuur van Staatsbosbe-<br />
heer. Sinds 1978 werkt hij<br />
zelfstandig en is hij ook<br />
voor tien jaar part time<br />
docent geweest aan de<br />
Wageningen Universiteit.<br />
De laatste jaren is hij be-<br />
trokken bij het onderwijs<br />
en onderzoek van de land-<br />
bouwhogeschool in Kopen-<br />
hagen. Vanwege zijn ervaring<br />
in binnen en b<strong>uit</strong>enland,<br />
heeft hij een essay geschre-<br />
ven over landschapsarchi-<br />
tectuur in <strong>Europa</strong>.<br />
Lodewijk Wiegersma<br />
Landschapsarchitect<br />
lodewijkwiegersma@hotmail.com<br />
12 TOPOS / 04 / 2006<br />
Verscheidenheid<br />
Eens was er een grote verscheidenheid<br />
in de manier waarop tuinen en parken<br />
werden aangelegd en vormgegeven.<br />
Dat hing samen met de culturele belangstelling<br />
en de welvaart in een bepaald<br />
land - in een hoogconjunctuur wordt de<br />
ontwikkeling van de kunsten en architectuur<br />
vaak bevorderd - en met de aard van<br />
het landschap. Zo is te zien dat ten tijde<br />
van de Moorse overheersing van zuid<br />
Spanje de prachtigste binnentuinen zijn<br />
gemaakt en in het Frankrijk van Lodewijk<br />
XIV le Nostre de gelegenheid kreeg<br />
grote en kostbare parken aan te leggen.<br />
In dezelfde periode deden de prinsen<br />
van Oranje hun best om de tuinkunst<br />
in de Nederlanden tot bloei te brengen<br />
met Honselersdijk en het Loo (afbeelding<br />
1) als fraaie voorbeelden.<br />
Over hoe landschap en tuinkunst met<br />
elkaar in verband staan, heeft de Deense<br />
tuinarchitect C.Th. Sørensen een interessante<br />
hypothese opgebouwd toen hij<br />
bezig was met het schrijven over de geschiedenis<br />
van de Europese tuinkunst.<br />
Hij had al vele jaren daaraan vooraf<br />
gaand een groot aantal historische tuinen<br />
en parken in <strong>Europa</strong> bezocht, van Villa<br />
Lante in Italië tot Stowe in Engeland.<br />
Bij het overzien van al die prachtige tuinen<br />
kwam hij plotseling tot het inzicht<br />
dat het tuinontwerp direct verband hield<br />
met de genius loci. Met andere woorden:<br />
dat het tuinontwerp een vertaling was<br />
van de eigenschappen en kwaliteiten van<br />
de plek, een vertaling van de diverse (cultuur)landschappen.<br />
Hij gebruikt hiervoor<br />
het woord “ stileren”. Stileren is<br />
het geven van een vereenvoudigde, in<br />
de regel stijlvaste, vorm. Een tuinhistoricus<br />
zou niet op deze gedachte gekomen<br />
zijn, een landschapsarchitect dus wel.<br />
Deze ontdekking bracht hem ertoe de<br />
tuinkunstgeschiedenis niet te beschrijven<br />
volgens de gebruikelijke stijlperioden als<br />
renaissance en barok, maar de verschillende<br />
stijlen te noemen naar het land,<br />
waar ze zijn ontstaan en bloei hebben<br />
gekend.<br />
Hij komt zo tot vier gestileerde landschapsvormen,<br />
naast de eigenlijke, om-<br />
haagde tuin.<br />
Het gestileerde irrigatielandschap in<br />
Spanje, bijvoorbeeld Alhambra.<br />
Het gestileerde bergbeeklandschap in<br />
Italië met Villa Lante als voorbeeld; Het<br />
gestileerde rivierenlandschap in Frankrijk<br />
(en Nederland), met de parken van<br />
Le Nostre als voorbeeld en het gestileerde<br />
heuvellandschap van Engeland<br />
met de parken van Brown.<br />
Deze verschillende stijlvormen hebben<br />
elkaar in de tijd opgevolgd en hebben<br />
zich soms meer, soms minder over <strong>Europa</strong><br />
<strong>uit</strong>gebreid. Ze zijn geleidelijk in<br />
elkaar overgegaan of hebben elkaar verdrongen<br />
zoals de romantische tuin veel<br />
baroktuinen heeft <strong>uit</strong>gewist. Een ongelooflijk,<br />
bijna barbaarse ontwikkeling.<br />
Halverwege de vorige eeuw was er nog<br />
steeds sprake van verscheidenheid in de<br />
tuinarchitectuur in <strong>Europa</strong>. In Frankrijk<br />
was er sinds Le Nostre niets meer gebeurd<br />
op het terrein van de tuinkunst dat<br />
de moeite waard was. België was altijd<br />
al een land, waarover in Nederland alleen<br />
smalend gesproken kon worden en in<br />
D<strong>uit</strong>sland moest alles zeer ecologisch<br />
zijn. Alleen Denemarken had een goede<br />
naam in die tijd.<br />
Toen gebeurde er plotseling iets, dat verreikend<br />
en verrijkend effect zou hebben<br />
op het vak. In Parijs werd een internationale<br />
prijsvraag <strong>uit</strong>geschreven voor een<br />
park op een voormalig abattoir terrein<br />
in de stad. Meer dan 400 inzendingen<br />
kwamen binnen van<strong>uit</strong> alle kanten van<br />
de wereld. Pijnlijk voor het wat slaperige<br />
vakgebied van de tuinarchitect was, dat<br />
het architecten waren die de prijsvraag<br />
wonnen. Niet met kant en klaar plannen,<br />
maar met structuren, patronen en scenario’s.<br />
Sindsdien is er veel gebeurd. Het vakgebied<br />
bleek ineens rijk te zijn aan mogelijkheden<br />
en men had elkaar internationaal<br />
gevonden. Park de la Villette, zoals het<br />
park werd genoemd, bleek het startsein<br />
voor nieuwe ontwikkelingen, die vooral<br />
door de computer werden voortgedreven<br />
en door een vergroting van de internationale<br />
contacten werd verstevigd.
De computer<br />
De veelzijdige computer, die de meest<br />
ingewikkelde oplossingen kan tekenen<br />
en de meest prachtige presentaties kan<br />
produceren heeft een vaste plaats op de<br />
architectenbureaus veroverd. Het grafische<br />
beeld dat kan worden opgeroepen<br />
is zo verleidelijk; kijk eens al die blije<br />
mensen, kinderen met vliegers en<br />
skaters, jong geliefden en ouderen op<br />
een bank. Het is alles zo echt (afbeelding<br />
3). De b<strong>uit</strong>enkant (van het plan) is<br />
belangrijker geworden dan de eigenlijke<br />
inhoud, met een vervlakking van het<br />
vak als resultaat. Het gebruik, het onderhoud<br />
en de kosten krijgen minder aandacht.<br />
De afstand tot de gebruiker lijkt<br />
groter te zijn geworden door het gebruik<br />
van dit wonderlijke apparaat (ondanks<br />
alle inspraak waar architecten mee te<br />
maken hebben.)<br />
1. Paleis het Loo<br />
Men kan zich in alle ernst afvragen of de<br />
komst van de computer voor het zachte<br />
vak, dat de tuin-en landschapsarchitectuur<br />
nu eenmaal is, wel zo een zegen is.<br />
De programma’s, die dit alles mogelijk<br />
maken worden overal in <strong>Europa</strong> gebruikt;<br />
vandaar dat al deze ontwikkelingen overal<br />
in <strong>Europa</strong> plaatsvinden en blijkbaar<br />
zo sterk zijn, dat geografische en culturele<br />
verschillen er niet meer zo toe doen.<br />
Internationale contacten<br />
Een belangrijke vorm van internationaal<br />
contact vormen stages of studies met<br />
behulp van “Erasmus” in het b<strong>uit</strong>enland,<br />
maar ook congressen spelen een<br />
rol, misschien meer in sociale zin dan<br />
inhoudelijk, maar dat is ook belangrijk.<br />
Een andere vorm van <strong>uit</strong>wisseling van<br />
ideeën is de studiereis. Een groep<br />
studenten <strong>uit</strong> Wageningen heeft de<br />
afgelopen zomer Kopenhagen en het<br />
gebied van de Sont bezocht, een gebied<br />
waarvan politici en planologen grote<br />
verwachtingen heeft nu er een brug/<br />
tunnel verbinding tussen Zweden en<br />
Denmarken is aangelegd. Een groep<br />
studenten van de Architectenschool in<br />
Kopenhagen is bezig een excursie voor<br />
te bereiden naar de Randstad in de<br />
veronderstelling dat de Sont regio en de<br />
Randstad veel gemeen hebben en men<br />
dus van elkaar kan leren.<br />
Tijdschriften en architectuur(jaar)boeke<br />
n, liefst in het Engels, zijn voorlopig<br />
niet weg te denken als intermediair<br />
voor ideeën en opvattingen (en dragen<br />
bij aan de sterstatus van ontwerpers.)<br />
Zij zijn ook belangrijk als geheugen<br />
voor historici en andere geïnteresseerden.<br />
Men moet echter niet vergeten,<br />
dat dit materiaal is geselecteerd en slechts<br />
TOPOS / 04 / 2006 13
2. Architecten winnen prijsvraag Parijs met<br />
structuren en patronen<br />
een kleine <strong>uit</strong>snede laat zien van alles<br />
dat er wordt geproduceerd. Dit geeft de<br />
dames en heren redacteurs een aardige<br />
verantwoording.<br />
Men moet spreken van het voorlopige<br />
belang van de geschreven media, omdat<br />
weldra -helaas, helaas- de computer de<br />
dominante informatiebron zal zijn.<br />
Het onderwijs<br />
De enige kracht, die deze vervaging van<br />
verschillen in benadering, deze internationalisering,<br />
kan tegenwerken ligt in<br />
het onderwijs. Men mag verwachten dat<br />
het onderwijs wordt gegeven van<strong>uit</strong> de<br />
cultuur van het land (niet omdat deze<br />
beter zou zijn dan andere, maar gewoon<br />
anders), waarbij Sørensens “genius<br />
loci”, de karakteristieken van stad en<br />
landschap een belangrijke rol speelt.<br />
Nederland heeft jarenlang zich kunnen<br />
onderscheiden van de andere opleidingen<br />
in <strong>Europa</strong> door de grote nadruk op<br />
de inzichtelijke methodieken en het<br />
helder woordgebruik. Dit mede door<br />
de inzet van Meto Vroom en de zijnen.<br />
Ook de soort studieopdrachten was vrij<br />
uniek: terwijl op de meeste opleidingen<br />
14 TOPOS / 04 / 2006<br />
de stedelijke opgave de hoofdmoot <strong>uit</strong>maakte,<br />
werd in Wageningen het landelijk<br />
gebied veel aandacht gegeven.<br />
Hoe gaat het onderwijs, dat nu onder leiding<br />
staat van een niet Europeaan zich<br />
ontwikkelen? Zal er een Nederlandse<br />
benadering van het vak blijven bestaan<br />
of wordt het internationaler?<br />
In Denemarken heeft nog steeds de stedelijke<br />
opgave prioriteit en wordt veel<br />
meer dan in Wageningen aandacht gegeven<br />
aan de <strong>uit</strong>werking. Daarbij speelt de<br />
consequente en eenvoudige vormgeving<br />
een grote rol. De huidige hoogleraar<br />
landschapsarchitectuur aan de Architectenschool<br />
in Kopenhagen is op de eerste<br />
plaats een kunstenaar. Maar ook hier<br />
staat, gezien de jongste projecten, de<br />
traditionele “ Deense eenvoud” onder<br />
druk door invloeden van b<strong>uit</strong>enaf.<br />
Nieuwe ontwikkelingen?<br />
In de hierboven geschetste “nieuwe ontwikkelingen”<br />
liggen prachtige onderwijsopdrachten<br />
verscholen, want al de<br />
successen ten spijt is het van belang te<br />
3. Het is alles zo echt<br />
weten of de plannen, die vandaag de<br />
dag worden gemaakt wel zo nieuw en<br />
voortreffelijk zijn.<br />
Ga de plannen die gepubliceerd worden<br />
in jaaroverzichten en tijdschriften eens<br />
kritisch analyseren op vorm en gebruik,<br />
duurzaamheid en materiaalkeuze. Is het<br />
project wel te onderhouden tegen redelijke<br />
kosten? Wat is de plaats, die de beplanting<br />
heeft in het ontwerp?<br />
(Vroeger was beplanting het belangrijkste<br />
<strong>uit</strong>drukkingsmiddel van de tuin- en<br />
landschapsarchitect en in het gebruik<br />
van beplanting onderscheidde deze zich<br />
van de stede(n)bouwer en architect.) Wat<br />
is de relatie tussen landart en landschapsarchitectuur?<br />
Zijn we niet ver<br />
van de wortels van het vak verwijderd<br />
geraakt en wat zijn dan die wortels?<br />
Zo zijn er veel vragen te stellen die<br />
nodig beantwoord moeten worden in<br />
Wageningen, Velp en Amsterdam.<br />
Summary<br />
Lodewijk Wiegersma is a landscape<br />
architect who has worked in the Nether-
lands and Danmark. He descripes<br />
the history and position of landscape<br />
architecture in Europe. The garden<br />
architect C.Th. Sørensen discovered<br />
that a garden couldn’t be described by<br />
a trend, such as baroque, but by the<br />
country or place where it was designed<br />
and flourished: the genius loci.<br />
Something changed in the landscape<br />
architecture profession after the design<br />
contest of La Villette in Paris,<br />
where architects won in stead of landscape<br />
architects.<br />
The computer entered the world of<br />
landscape architecture which resulted<br />
in (Landscape)architects from all over<br />
the world using the same programs.<br />
The international exchange of information<br />
about our profession flourishes.<br />
The computer playes a big part in this.<br />
Cultural and geographical and methodical<br />
differences between countries<br />
are disappearing. Educational institutes<br />
like universities have the opportunity<br />
and (moral) obligation to battle<br />
this globalization of the profession.<br />
Fundamental questions like, have we<br />
traveled to far from our roots and what<br />
are these roots, are questions which<br />
need to be answered to clarify the<br />
position of landscape architecture in<br />
the world of designing.<br />
Column<br />
Planning en <strong>Europa</strong><br />
Zelf ben ik een groot voorstander van <strong>Europa</strong>, een eengemaakt <strong>Europa</strong>, een Verenigde<br />
Staten van <strong>Europa</strong>. Ik ben een groot voorstander van planning, van een collectief nadenken<br />
over een goede ruimtelijke inrichting. Maar ik ga er niet van<strong>uit</strong> dat iedereen het met me<br />
eens is. En ik ben geen voorstander van nutteloze bureaucratie.<br />
Een van de meest nutteloze nog niet bestaande bureaucratieen, een die het bestaan resoluut<br />
ontzegd dient te worden, is een Europese plannings- instantie naar Nederlands model.<br />
Stemmen gaan tegenwoordig op om net zoiets op poten te zetten. Er is een lobby aan de<br />
gang om planning op een Europese schaal van de grond te krijgen. Een niet erg succesvolle<br />
lobby tot nog toe, gelukkig.<br />
<strong>Europa</strong> kan haar pijlen beter op andere zaken richten, dingen die een eenmaking versnellen<br />
en een samenhangend, krachtig, onafhankelijk optreden naar b<strong>uit</strong>en toe mogelijk<br />
maken: een gezamenlijke defensiemacht, een <strong>uit</strong>voerende macht –president en ministers–,<br />
een b<strong>uit</strong>enlands beleid, een promotie van regionale machten ten nadele van de<br />
nationale, het aandikken van een Europese administratie bij het ontmantelen van nationale<br />
bureaucratie. Het aankweken met alle middelen –herschrijving van geschiedenisboeken,<br />
verplichte verplaatsing van studenten door <strong>uit</strong>dunning van universiteiten, verplaatsing van<br />
ambtenaren, verplichte invoering van Engels als officiele taal, herdefinitie van partijgrenzen....<br />
– van Europees patriottisme.<br />
Misschien moet China nog enkele keren zijn welvaart vermenigvuldigen, misschien moet<br />
Amerika nog wat meer militaire avonturen aangaan, misschien moeten de Europese landen<br />
nog wat ruwer wakker geschud worden als ze weer eens denken uniek, superieur en<br />
onafhankelijk te zijn. Misschien moeten de wakkere burgers <strong>uit</strong> hun droom ontwaken als ze<br />
denken dat meer <strong>Europa</strong> meer bureaucratie betekent. Misschien dat het er dan van komt.<br />
Tot het zover is, moeten we het doen met minder. Voorstanders van een eengemaakt <strong>Europa</strong><br />
kunnen alle wettelijke middelen gebruiken om rechtstreeks op de genoemde doelen<br />
af te stevenen- weinig kans op succes zonder catastrofes. Ze kunnen tegelijk trachten het<br />
Europese wetgevingsproces te ondersteunen, waarbij politieke eenmaking kan resulteren<br />
<strong>uit</strong> duizend kleine regeltjes, integratie van onderaf, recht dat politiek maakt. Ze kunnen ook<br />
kritiek leveren op nationale overheden die de eigen verantwoordelijkheden ontwijken door<br />
naar <strong>Europa</strong> te wijzen, die zo de eenmaking systematisch vertragen.<br />
Moest dit niet over ruimtelijke ordening gaan? Precies, over het geringe belang van ruimtelijke<br />
ordening bij de Europese eenmaking, over het enorme belang van de eenmaking.<br />
Over het geringe belang van een gezamenlijk ruimtelijk beleid, over het enorme belang van<br />
een gezamenlijk b<strong>uit</strong>enlands beleid. Het moet gaan over de fictie van objectiviteit die nog<br />
steeds leeft in het ruimtelijk beleid van sommige landen, en over de gevaren <strong>Europa</strong> daarmee<br />
te besmetten. Het zou ook moeten gaan over de volkomen onverkoopbaarheid van<br />
veel fossiele planningsmodernismen in veel Europese landen, over het wegsmelten van<br />
draagvlak voor de unie daardoor, over de onmogelijkheid tot een ruimtelijk plan op Europese<br />
schaal te komen dat nieuwe kwaliteiten kan scheppen, economische ontwikkelingen<br />
kan vertalen, meer kan zijn dan een optelsom van bestaande geografische kenmerken en<br />
lokale en regionale wensen.<br />
Net zomin als de Sovjetunie ooit maakbaar was met geweld, zal de Europese unie dat<br />
zijn. Het zal moeten groeien. En net zoals de ruimtelijke planning van die Sovjetunie nooit<br />
gewerkt heeft, omdat ze veel complexiteit en onvoorspelbaarheid over het hoofd zag, zal<br />
een Europese planning naar modernistisch model niet werken.<br />
[Uitzondering: grand projets, netwerken en plekken waar af en toe met zijn allen aan gewerkt<br />
kan worden –oude dingen, wegen, parken, pronkstukken. Maar alsjeblieft geen vernieuwende<br />
ruimtelijke concepten voor <strong>Europa</strong> gaan <strong>uit</strong>denken. En alsjeblieft die gedachten<br />
niet institutionaliseren en het dagelijkse leven laten bepalen in de Auvergne, in Friesland,<br />
in Helsinki.]<br />
Kristof van Assche<br />
TOPOS / / 04 01 / / 2006 2004 15
EU Territorial Cohesion Policy: The Light at<br />
the End of the Tunnel?<br />
On 24-25 May 2007 the<br />
planning ministers of the<br />
member states of the<br />
European Union will meet<br />
at Leipzig to discuss the<br />
‘Territorial Agenda for the<br />
EU 2007-2010: Towards a<br />
More Competitive Europe<br />
of Diverse Regions’. If the<br />
signs are correct, then this<br />
may reinvigorate EU<br />
territorial cohesion policy.<br />
The stakes are high. Being<br />
the second-largest item on<br />
the EU budget, cohesion<br />
policy is up for review in<br />
2008. Recognition of the<br />
need for territorial<br />
cohesion may be an<br />
argument in favour of<br />
sustaining this policy<br />
Andreas Faludi<br />
Professor of Spatial Policy Systems in<br />
Europe, Delft University of Technology<br />
A.K.F.Faludi@tudelft.nl<br />
16 TOPOS / 04 / 2006<br />
EU territorial cohesion policy builds on<br />
the ‘European Spatial Development<br />
Perspective’ (ESDP; CEC, 1999; Faludi<br />
& Waterhout, 2002), identifying polycentrism,<br />
urban-rural partnership, access to<br />
infrastructure and knowledge and the<br />
prudent management of the natural and<br />
cultural environment as the issues.<br />
However, there is no more talk of spatial<br />
development at European level.<br />
The concept of territorial cohesion has<br />
come in its place (Faludi, 2006).<br />
Including it alongside economic and<br />
social cohesion amongst the objectives<br />
of the Union and amongst the competences<br />
shared between the Union and<br />
the member states, the Treaty establish-<br />
ing a Constitution for Europe would<br />
have given territorial cohesion a legal<br />
base, something which spatial development<br />
lacks at the European level.<br />
French and Dutch voters have made<br />
this into a remote prospect. The Barroso<br />
Commission puts all its eggs into one<br />
basket: the reinvigoration of the Lisbon<br />
Strategy of turning Europe into the<br />
most competitive region of the world.<br />
The emphasis is on ‘Growth and Jobs’<br />
(CEC, 2005). Also, until not long ago,<br />
the Financial Perspectives for 2007-<br />
2013 loomed large. Six net-contributors<br />
to the budget, the United Kingdom,<br />
France, Germany, Austria, Sweden and,<br />
yes, The Netherlands demanded reforms.<br />
Of course, the aim was to reduce their<br />
contributions, but the proposals also<br />
posed a fundamental challenge to the<br />
role of the Commission in managing<br />
the second-largest item on the budget,<br />
the cohesion funds. EU territorial cohesion<br />
is part of cohesion policy, where<br />
the Polish Commissioner Danuta Hübner<br />
and the Directorate-General Regional<br />
Policy are responsible. The main<br />
instruments are the ‘structural funds’.<br />
Cohesion policy was the brainchild of<br />
Jacques Delors, Commission President<br />
in 1985-1995. There had been regional<br />
policy before, but it amounted to<br />
little more than assisting the member<br />
states with their regional policy. Under<br />
Delors regional policy was oriented<br />
towards the twin Community objective<br />
in the Single European Act of 1986 of<br />
economic and social cohesion. Within<br />
envelopes decided beforehand, regional<br />
and local authorities and also private<br />
stakeholders can apply for Community<br />
funding. This has resulted in a form of<br />
‘multi-level governance’ and has given<br />
the Commission access to stakeholders,<br />
and vice versa the stakeholders a way of<br />
talking to the Commission.<br />
The lion’s share of the funds goes to<br />
‘least favoured regions’, since EU enlargement<br />
to be found mainly in Central<br />
and Eastern Europe, but note that<br />
(ultra-)peripheral and mountain regions<br />
and islands are also eligible, even if<br />
they are not exactly in dire economic<br />
straits. In essence, though, this is<br />
distributive policy, compensating<br />
regions for disadvantages that they<br />
suffer in competing in the Single Market.<br />
This policy came under fire in the ‘Sapir<br />
Report’ (Sapir et al., 2004) on EU economic<br />
governance: cohesion policy was<br />
not about competitiveness, and it was<br />
bureaucratic. Accepting the principle<br />
of solidarity with new member states,<br />
some net-contributors, in particular the<br />
UK, wanted to give regional policy the<br />
axe and simply transfer to the new<br />
members their share to cofinance their<br />
growth strategies. This went at the<br />
jugular vein of Commission-led cohesion<br />
policy.<br />
The net-contributors did not get their<br />
way. The compromise arrived at in, as<br />
seems usual, the early hours of the<br />
morning, was for the overall financial<br />
framework to be reduced, but for cohesion<br />
policy (and also the even more<br />
controversial Common Agricultural<br />
Policy and the UK budget rebate) to<br />
continue. However, and here comes the<br />
countermove, all member states are<br />
committed to all these policies coming<br />
under review in 2008, the aim being to
arrive at a new budget setup in time for<br />
the next Financial Perspectives starting<br />
in 2014.<br />
The Commission heard the challenge<br />
to its cohesion policy loudly and clearly.<br />
Meanwhile, it has reoriented cohesion<br />
policy to support the ‘Growth and Jobs’<br />
agenda, and this is also true for territorial<br />
cohesion policy. In fact, being the<br />
second-largest item – after the Common<br />
Agricultural Policy – on the budget,<br />
cohesion policy is one of the few instruments<br />
that the Commission can use<br />
for this purpose. For the rest, the Lisbon<br />
Strategy depends on the willingness<br />
and ability of member states to<br />
work towards the targets set. They need<br />
to, amongst others, reform labour markets,<br />
increase female participation, invest<br />
in R&D, et cetera. However all that<br />
they have really committed themselves<br />
to is the formulation of ‘Lisbon Action<br />
Plans’ and to regular reporting on its<br />
implementation, using agreed indicators.<br />
The idea behind this is that, rather<br />
than finding themselves at the bottom<br />
of the league table, member states will<br />
voluntarily seek to better their ways.<br />
For cohesion policy, a similar policy<br />
cycle is in place. The Commission publishes<br />
so-called ‘Community Strategic<br />
Guidelines’, the first version of which<br />
has just been officially approved (Council<br />
of the European Union, 2006).<br />
Member states are required to publish<br />
‘National Strategic Reference Frameworks’<br />
each and subsequently so-called<br />
Operational Programmes. (At the end<br />
of September 2006, the Dutch government<br />
has just adopted its National Strategic<br />
Reference Framework.) These are<br />
discussed with the Commission for<br />
whether they conform to the Community<br />
Strategic Guidelines and to the<br />
relevant regulation (Official Journal<br />
of the European Union, 2006). For the<br />
purpose of their mandatory ex-ante<br />
evaluation, the Directorate-General<br />
Regional Policy has issued a guidance<br />
document (European Commission,<br />
The ‘pentagon’ London-Paris-Milan-Munich-Hamburg where on 20% of the (EU15) area 40% of<br />
the population produce 50% of the GDP(Schön, 2000)<br />
Directorate General Regional Policy,<br />
2006). Annex 4 is about how the specific<br />
needs and characteristics of the<br />
territories need to be taken into account<br />
according to the problems or opportunities<br />
resulting from their geographic<br />
situations. The appendix specifies this<br />
further. It proposes indicators to be<br />
used, including indicators based on work<br />
done by the European Spatial Planning<br />
Observation Network ESPON. This<br />
amounts to the mainstreaming of a<br />
form of spatial/territorial analysis.<br />
Indeed, the guidance document suggests<br />
that the National Frameworks as<br />
well as the Operational Programmes<br />
should each include a section on territorial<br />
cohesion.<br />
Meanwhile, the work done by hundreds<br />
of researchers throughout Europe in<br />
the framework of ESPON has born<br />
even more fr<strong>uit</strong>. Under the Dutch Presidency<br />
in 2004 the responsible member<br />
state ministers resumed their practice<br />
of holding informal meetings (Faludi &<br />
Waterhout, 2005). They decided to produce<br />
an ‘evidence-based’ document<br />
drawing on ESPON. At Luxembourg<br />
in 2005 they accepted a scoping document,<br />
‘Territorial State and Perspectives<br />
of the European Union: Towards a<br />
stronger European territorial cohesion<br />
in the light of the Lisbon and Gothenburg<br />
ambitions’ (Gothenburg referring<br />
to the EU strategy of sustainable development;<br />
CEC, 2001). It is this docu-<br />
TOPOS / 04 / 2006 17
ment that is now being elaborated with<br />
a view to the next meeting in May<br />
2007.<br />
The draft being circulated whilst these<br />
lines are being written has a cunning<br />
resemblance to the ESDP, both as<br />
regards the topics discussed, as well as<br />
its compromise character, with too many<br />
concerns being articulated and too little<br />
focus. Still, the priorities are to strengthen<br />
polycentrism and urban-rural partnership,<br />
promote clusters of competitive<br />
EROP (Europese Commissie, 1999)<br />
18 TOPOS / 04 / 2006<br />
and innovative activities, strengthen the<br />
trans-European networks, promote<br />
trans-European risk management and<br />
strengthen trans-European ecological<br />
structures and cultural resources. With<br />
the exception of risk management,<br />
which is a topic that has come up in the<br />
wake of floods and draughts over the<br />
past years, the themes have already<br />
been present in the ESDP. This is true<br />
even for competitiveness. In fact, one<br />
year before Lisbon, the ESDP has already<br />
related polycentrism on the scale<br />
of the EU, i.e. the need to develop more<br />
so-called Global Economic Integration<br />
Zones outside the ‘pentagon’ London-<br />
Paris-Milan-Munich-Hamburg, to the<br />
need for Europe to become more<br />
competitive. To prove their point, the<br />
makers of the ESDP have invoked the<br />
comparison with the United States,<br />
where there are at least four such zones:<br />
the East Coast, the West Coast, the<br />
Mid-West and the ‘Sun Belt’.<br />
The ministers will no doubt take notice<br />
of the ‘Territorial State and Perspectives’,<br />
but rather than on this background<br />
paper what they will focus on is the<br />
‘Territorial Agenda for the European<br />
Union’. If the signs are correct, then<br />
there will be a number of innovative<br />
elements in this, in particular a request<br />
for a Commission White Paper on<br />
territorial cohesion. Apparently, member<br />
states have come to accept that the EU<br />
needs to have a territorial cohesion<br />
policy irrespective of whether or not<br />
the Constitution in its present or<br />
amended form gets ratified. The draft<br />
currently in circulation suggests also<br />
that the Territorial Agenda will be discussed<br />
at the European Council during<br />
the Slovenian Presidency in 2008, which<br />
would be the first time that territorial<br />
issues would receive attention from this<br />
elevated body. Slovenia is not only the<br />
first of the new member states that<br />
have entered the EU in 2004 to hold the<br />
EU Presidency, but also happens to be<br />
a country with keen spatial planners, so<br />
this is an exciting prospect.<br />
So the impression is that member states<br />
want to do business with the Commission,<br />
which is new, and that the Commission<br />
has found ways of inserting<br />
considerations of territorial cohesion<br />
into the conditions attached to the<br />
structural funds. This is a good sign.<br />
During the ESDP process, there was<br />
much mutual suspicion. Optimism needs<br />
to be qualified, though: it is the spatial<br />
planners – still the primarily players,<br />
although the field is now being descri-
ed as territorial cohesion policy – who<br />
have come round to this view. There<br />
are two reasons for them to accept EU<br />
territorial cohesion policy:<br />
Reason one is ideational: over the years,<br />
the planners have been involved in intense<br />
mutual learning, forming a supranational<br />
expert community. This has<br />
been the effect of cooperating on the<br />
ESDP, of engaging in the many hundreds<br />
of projects under the Community<br />
initiative INTERREG and, as far as<br />
researchers are concerned, also in<br />
ESPON. Such learning is a part of what<br />
is called ‘Europeanisation’ that is not<br />
often appreciated.<br />
Reason two for planners to look to the<br />
European level – and to the Commission<br />
as the gatekeeper – is that they are<br />
in need of support. Planning with its<br />
pretensions of co-ordinating the sectors<br />
is not a strong position.<br />
Environmental policymakers can draw<br />
particular strength from European<br />
policies, and economic policy makers<br />
appear much closer to the ‘Growth and<br />
Jobs’ agenda. It would be decidedly attractive<br />
for planners if they, too, could<br />
get support from the European level.<br />
Will they succeed? Will the ‘Territorial<br />
Agenda 2007-2010’ to be adopted in<br />
Leipzig carry enough weight?<br />
Remember that the ministers there will<br />
be the ministers responsible for spatial<br />
development. They may be preaching<br />
to the converted, but will others listen?<br />
This is why the intention of putting the<br />
topic before the European Council is<br />
exciting, and the more so since it will<br />
be carried forward by Slovenia, the<br />
paragon amongst the new member<br />
states.<br />
So the story is one of experts engaging<br />
in bureau-politics, taking their ministers<br />
along to defend their case. With the exception<br />
perhaps of some French circles<br />
(Faludi, 2006), there is no overwhelming<br />
political concern for territorial<br />
cohesion. The task is plainly to make<br />
territorial cohesion into one, and this is<br />
what the Territorial Agenda needs to be<br />
doing. It needs to state how territorial<br />
cohesion policy can bolster cohesion<br />
policy as such. Beyond this it needs to<br />
show how one can knock sense, from a<br />
spatial or territorial point of view, not<br />
only into cohesion policy, but also other<br />
spatially relevant EU policies that all<br />
too often work at cross-purposes with<br />
each other. This is a tall order in a<br />
compact country like The Netherlands,<br />
and naturally even more so in the EU<br />
of soon 27 members. Some hard thinking<br />
is needed to tackle this problem,<br />
but fortunately, as EU jargon will have<br />
it, ‘coherence’ of policies is already<br />
rising as a topic on the political agenda,<br />
another reason for planning to see and<br />
grasp the opportunity of the day.<br />
In so doing, planners need to be savvy<br />
about what the EU is. They need to<br />
leave popular misconceptions behind<br />
and apprehend the nature of European<br />
integration as the exciting, open-ended<br />
learning process that it is.<br />
Literature<br />
- CEC - Commission of the European<br />
Communities (1999) European Spatial<br />
Development Perspective: Towards Balanced and<br />
Sustainable Development of the Territory of the<br />
EU. Luxembourg: Office for Official Publications<br />
of the European Communities.<br />
- CEC - Commission of the European<br />
Communities (2001) A Sustainable Europe for a<br />
Better World: A European Union Strategy for<br />
Sustainable Development. Luxembourg: Office<br />
for Official Publications of the European<br />
Communities.<br />
- CEC – Commission of the European<br />
Communities (2005) Working Together for<br />
Growth and Jobs: A New Start for the Lisbon<br />
Strategy (Communication to the Spring European<br />
Council), 2 February 2005. http://ec.europa.eu/<br />
growthandjobs/pdf/COM2005_024_en.pdf<br />
- Council of the European Union (2006)<br />
Community Strategic Guidelines on Cohesion,<br />
2006/0131 of 18 August 2006; approved by the<br />
European Parliament on 27 September 2006.<br />
http://register.consilium.europa.eu/pdf/en/06/<br />
st11/st11807.en06.pdf<br />
- European Commission - Directorate-General<br />
Regional Policy (2006) Working Paper No. 1 on<br />
Ex Ante Evaluation: The New Programming<br />
Period, 2007-2013 - Methodological Working<br />
Papers. Brussels. August 2006 http://ec.europa.<br />
eu/regional_policy/sources/docoffic/2007/<br />
working/wd1_exante_en.pdf<br />
- Faludi, A. (2006) From European spatial<br />
development to territorial cohesion policy.<br />
Regional Studies. Vol. 40, No. 6.<br />
- Faludi, A. and Waterhout, B. (2002) The Making<br />
of the European Spatial Development<br />
Perspective: No Masterplan (The RTPI Library<br />
Series). London: Routledge.<br />
- Faludi, A. and Waterhout, B. (2005) The usual<br />
suspects: The Rotterdam informal ministerial<br />
meeting on territorial cohesion. Tijdschrift voor<br />
Economische en Sociale Geografie. Vol. 96, No.<br />
3.<br />
- Luxembourg Presidency (2005) Scoping<br />
Document and Summary of Political Messages<br />
for an Assessment of the Territorial State and<br />
Perspectives of the European Union: Towards a<br />
stronger European territorial cohesion in the<br />
light of the Lisbon and Gothenburg ambitions.<br />
http://www.eu2005.lu/en/actualites/<br />
documents_travail/2005/05/20regio/Min_<br />
DOC_1_fin.pdf<br />
- Official Journal of the European Union (2006)<br />
Council Regulation (EC) No 1083/2006 of 11<br />
July 2006 laying down general provisions on the<br />
European Regional Development Fund, the<br />
European Social Fund and the Cohesion Fund<br />
and repealing Regulation (EC) No 1260/1999. 31<br />
July 2006. http://ec.europa.eu/regional_policy/<br />
sources/docoffic/official/regulation/pdf/2007/<br />
feder/ce_1080(2006)_en.pdf<br />
- Sapir, A., P. Aghion, G. Bertola, M. Hellwig, J.<br />
Pisany-Ferry, D. Rosita, J. Viñals & H. Wallace,<br />
with M. Butti, M. Nava, P.M. Smith (2004) An<br />
Agenda for a Growing Europe: The Sapir<br />
Report. Oxford: Oxford University Press.<br />
TOPOS / 04 / 2006 19
De ‘verjonging’ van het erfgoed<br />
Ontwerpen met geschiedenis is een maatschappelijke opgave<br />
Nederlandse ontwerpers<br />
zijn haast van nature ver-<br />
trouwd met het gegeven<br />
dat ontwerpen niet zomaar<br />
een transformatieopgave<br />
is, maar altijd ook een<br />
nuttige dialoog of lastige<br />
confrontatie met de ge-<br />
schiedenis van de plek, de<br />
stad of het landschap.<br />
Ontwerpen met geschie-<br />
denis is daarom méér dan<br />
een methodische ‘truc’ met<br />
historisch repertoire, en<br />
méér dan een eenduidige<br />
interpretatie van de be-<br />
staande topografie of his-<br />
torische vormentaal. Daar<br />
komt nog bij dat de maat-<br />
schappelijke rol en beteke-<br />
nis van het verleden, en<br />
daarmee onze omgang met<br />
het erfgoed in onze leef-<br />
omgeving, in een korte tijd<br />
ingrijpend is veranderd.<br />
Jan Kolen<br />
Bijzonder hoogleraar voor het Erfgoed<br />
van Stad en Land (Belvedere), Faculteit<br />
Letteren, Vrije Universiteit<br />
jca.kolen@let.vu.nl<br />
20 TOPOS / 04 / 2006<br />
Het oude paradigma zouden we kunnen<br />
betitelen als het ‘Grote Conserveringsproject’<br />
van de traditionele monumentenzorg.<br />
Vanaf ongeveer het midden<br />
van de negentiende eeuw, in sommige<br />
landen (zoals Zweden) zelfs wat eerder,<br />
in andere (zoals Nederland) juist wat<br />
later, hebben de Europese natiestaten<br />
een heel corpus aan wetten en regels, verdragen<br />
en formele instituties ontwikkeld<br />
voor de bescherming en overlevering<br />
van hun onvervreemdbare oudheden,<br />
archeologische monumenten,<br />
historische gebouwen, en nu en dan<br />
zelfs hele landschappen. Die inspanningen<br />
hebben succes gehad. Zelfs in een<br />
klein land als Nederland hebben we<br />
inmiddels meer dan 60.000 monumenten,<br />
merendeels gebouwen, met een<br />
wettelijk beschermde status. In veel opzichten<br />
bezat dat conserveringsproject<br />
echter een nogal gesloten karakter. Het<br />
object van de monumentenzorg was<br />
steeds scherp omlijnd: de nadruk lag op<br />
de overlevering van materiële objecten,<br />
en veel minder op het vermogen van<br />
erfgoed om <strong>uit</strong>eenlopende verhalen,<br />
betekenissen en ervaringen te genereren,<br />
hoewel de monumentenzorg zélf<br />
<strong>uit</strong>eraard voortkwam <strong>uit</strong> allerlei cultuurpolitieke<br />
en maatschappelijke idealen.<br />
Ook in sociaal opzicht was de monumentenzorg<br />
aanvankelijk een besloten,<br />
exclusieve aangelegenheid. Ze behoorde<br />
tot het interesseveld van politici,<br />
geleerde gezelschapen, connaisseurs en<br />
later van hoog opgeleide professionals,<br />
een elite die tegelijk schatbewaarder en<br />
publiek was. Tot op zekere hoogte werd<br />
het erfgoed beschouwd als een gesloten<br />
systeem. De waarde ervan was voorgegeven<br />
in het verleden zelf, zo was de<br />
heersende gedachte, ook al moesten er<br />
kenners aan te pas komen om die waarde<br />
aan het object te onttrekken en te<br />
definiëren. Artefacten, monumenten en<br />
gebouwen waren waardevol omdat ze<br />
bijzondere, intrinsieke eigenschappen<br />
bezaten, omdat ze bewezen hadden de<br />
relevante geschiedenis van de gemeenschap<br />
te kunnen absorberen en verlengen.<br />
Maatschappelijk verschijnsel<br />
Maar de tijden zijn veranderd, en hoewel<br />
conservering en wettelijke bescherming<br />
nog steeds belangrijke instrumenten<br />
zijn, of zouden moeten zijn, van de<br />
zorg voor het erfgoed, stelt de samenleving<br />
nieuwe vragen aan het verleden<br />
die ook weer andere omgangsvormen<br />
met het erfgoed met zich meebrengen.<br />
Vooral na 1990 heeft het ‘conserveringsparadigma’<br />
terrein moeten prijsgeven<br />
aan een nieuw ‘transformatieparadigma<br />
’. Het erfgoed heeft zijn statische en<br />
kwetsbare imago afgeschud. Het speelt<br />
een actieve rol in culturele en ruimtelijke<br />
transformaties van <strong>uit</strong>eenlopende<br />
aard, van pogingen tot hervorming van<br />
de multi-culturele samenleving tot<br />
allerlei economische ontwikkelingen<br />
(denk aan de ‘creatieve stad’) en de<br />
vorm-geving van landschappen en stedelijke<br />
regio’s. Het accent is verschoven<br />
van het lokale, fysieke object naar de<br />
omgeving in de breedste zin van het<br />
woord. Het begrip ‘erfgoed’ refereert in<br />
deze brede zin niet langer <strong>uit</strong>sl<strong>uit</strong>end<br />
aan gebouwen en museumstukken,<br />
maar aan hele landschappen en delen<br />
van de stedelijke omgeving, en vooral<br />
aan de deels immateriële wereld van<br />
herinneringen, verhalen, ervaringen en<br />
tradities. Erfgoed is daarmee tegelijk<br />
onderhevig aan een proces van democratisering.<br />
Het is voor een steeds grotere<br />
groep toegankelijk, en dat maakt<br />
dat het een geschikte substantie is voor<br />
het bouwen van netwerken voor culturele<br />
en politieke samenwerking, voor<br />
de constructie van nieuwe (gedeelde)<br />
identiteiten, en voor het genereren van<br />
allerlei vormen van publieke participatie.<br />
Van een min of meer gesloten<br />
systeem is het erfgoed een opeens een<br />
open domein geworden.<br />
Door deze verschuiving zijn ‘erfgoed’<br />
en ‘geschiedenis’ meer dan ooit maatschappelijke<br />
verschijnselen. En dat verklaart<br />
weer waarom het verleden van<br />
plekken, landschappen en steden in<br />
toenemende mate wordt omgeven met<br />
herinneringen en persoonlijke erva-
ingen. Niet alleen oeroude archeologische<br />
vindplaatsen, historisch-geografische<br />
structuren en vooroorlogse architectuur<br />
staan in de belangstelling,<br />
maar ook de erfenis van de Tweede Wereldoorlog,<br />
de architectuur en stedenbouw<br />
van de Wederopbouw en de<br />
landschappen en woonwijken van onze<br />
eigen jeugd. En geruisloos schuift de<br />
grens verder door naar het heden. In<br />
een bespreking van Pierre Nora’s<br />
Engelstalige editie van Lieux de Mémoire<br />
(Realms of Memory) voor The New York<br />
Review schrijft Tony Judt: ‘We live in<br />
growing fear that we shall forget the<br />
past, that it will somehow get misplaced<br />
among the bric-a-brac of the present.<br />
We commemorate a world we have lost,<br />
sometimes even before we have lost it’.<br />
De korte levensduur en hoge omloopsnelheid<br />
van de beeldbepalende historische<br />
thema’s wordt bekrachtigd door<br />
ontwikkelingen in de mediawereld en<br />
informatietechnologie. Archeologische<br />
ontdekkingen van ‘Time Team’ zijn een<br />
race tegen de klok, die we thuis kunnen<br />
volgen op internet of televisie. Dankzij<br />
satellieten en CNN bevroor de vangst<br />
van Saddam Hussein op 14 december<br />
2003 nog diezelfde dag tot tv-historie,<br />
en werd zijn bouwvallige schuilhut al<br />
binnen enkele ogenblikken getransformeerd<br />
tot historisch monument.<br />
Historische noties en herinneringen,<br />
zegt cultuurhistorica Alison Landsberg,<br />
zijn in hoge mate transporteerbaar geworden.<br />
Ontwikkelingen in de sfeer van<br />
de massamedia, informatietechnologie,<br />
en museale technieken leiden er toe dat<br />
historische verhalen en beelden die<br />
voorheen nog sterk gebonden waren<br />
aan plekken, steden en regio’s, nu snel<br />
en gemakkelijk kunnen circuleren binnen<br />
de samenleving. Door het gebruik<br />
van al of niet gemanipuleerde filmbeelden,<br />
animaties en levensechte ensceneringen<br />
van het verleden (re-enactments)<br />
wordt de historische ervaring ogenschijnlijk<br />
steeds ‘echter’ en krijgt deze<br />
bijna het karakter van een levensechte<br />
ervaring of zelfs een persoonlijke herinnering.<br />
Als voorbeeld noemt Landsberg<br />
de ‘Holocaust-experience’. Films als<br />
Schindler’s List en The Pianist, de nieuwe<br />
Holocaust musea (zoals het US Holocaust<br />
Memorial Museum en Yad Vashem),<br />
maar ook de nieuwe presentaties<br />
en reconstructies in de Europese concentratiekampen<br />
zelf (zoals Auschwitz<br />
en Vught), halen de toeschouwer binnen<br />
in een wereld van emoties en geweld,<br />
waar eerdere museale presentaties<br />
vaak nog een wat meer afstandelijke<br />
houding tot het verleden opriepen. Het<br />
erfgoed stelt individuen en groepen in<br />
staat nauwe relaties aan te knopen met<br />
geografisch verre en historisch diepe<br />
geschiedenissen, met een verleden waaraan<br />
ze nooit zelf hebben geparticipeerd.<br />
Dit alles heeft <strong>uit</strong>eraard grote<br />
consequenties voor de omgang met het<br />
erfgoed van stad en land. Doordat het<br />
verleden in onze leefruimte vrij oproepbaar<br />
is geworden, wordt de uniciteit en<br />
authenticiteit van erfgoed serieus op de<br />
proef gesteld. Dat zien we ook vaak<br />
terug in de op het verleden geïnspireerde<br />
vormgeving van nieuwe gebouwen<br />
en landschappen. Museale presentaties,<br />
de beeldcultuur van de publieke en<br />
virtuele ruimte en Lieux de Mémoire, zo<br />
stelt Landsberg, zijn kunstmatige verleng-stukken<br />
geworden van de persoonlijke<br />
ervaring en herinnering – een geheugenprothese<br />
(‘prosthetic memory’).<br />
Zoektocht van de stad<br />
De veranderende waardering voor de<br />
geschiedenis en het erfgoed van stad en<br />
land is echter niet alleen het resultaat<br />
van nieuwe mentaliteiten en culturele<br />
noties. Ook de dynamiek van onze<br />
fysieke leefomgeving resulteert in<br />
geheel nieuwe historische repertoires<br />
die zich in de tijd anders ‘gedragen’ dan<br />
het oude, duurzame erfgoed, en dat<br />
beïnvloedt <strong>uit</strong>eraard weer onze<br />
historische percepties en herinneringen.<br />
In de meeste Nederlandse regio’s<br />
hebben in korte tijd niet alleen de<br />
grondgebonden landbouw en de rurale<br />
cultuur terrein moeten prijsgeven, maar<br />
ook het traditionele bedrijf dat zo<br />
nadrukkelijk vorm gaf aan de stad.<br />
Philips, bijvoorbeeld, was niet zo maar<br />
een industrieel imperium, maar was in<br />
het Eindhoven van de vorige eeuw een<br />
bedrijf met een soort familiestructuur,<br />
dat zorg droeg voor werk en ontspanning,<br />
opleiding en sociale voorzieningen,<br />
en voor een werk – een woonplek.<br />
Na 1980 verloor het Philipsconcern<br />
geleidelijk zijn leidende positie in de<br />
internationale electrotechnische industrie.<br />
De connectie met de regio Eindhoven<br />
werd zwakker en het concern<br />
verhuisde zijn hoofdvestiging naar<br />
Amsterdam. Het is dus niet vreemd dat<br />
de regio op zoek is naar nieuwe mogelijkheden<br />
voor economische ontwikkeling,<br />
en eigenlijk naar een nieuwe<br />
sociale identiteit. Wie de website van de<br />
stad bezoekt leest dat Eindhoven zich<br />
profileert als een productieve en creatieve<br />
stad (net als alle andere Nederlandse<br />
steden overigens) die dat graag<br />
illustreert aan de hand van haar rijke<br />
industriële verleden. Bedrijfsgebouwen<br />
van Philips, woonwijken en directiewoningen,<br />
het Philipsstadion en de<br />
lichttoren, maar ook herinneringen en<br />
historische verhalen, worden daarom<br />
zorgvuldig ingezet voor marketingdoeleinden.<br />
Er wordt gezocht naar<br />
nieuwe bestemmingen voor oude bedrijfsgebouwen,<br />
en het industriële erfgoed<br />
vormt het <strong>uit</strong>gangspunt voor wandelroutes<br />
en nieuwe stedenbouwkundige<br />
concepten. In al deze gevallen worden<br />
onderdelen van de stedelijke omgeving<br />
benut als symbolisch kapitaal. Ze dragen<br />
de boodschap <strong>uit</strong> dat het zin heeft<br />
om in de regio te investeren, om je er<br />
als hoogopgeleide of ondernemer te<br />
vestigen, of er gewoonweg op bezoek<br />
te gaan om het verleden te aanschouwen.<br />
De presentatie van het erfgoed illustreert<br />
in dergelijke gevallen dat de stad op<br />
zoek is naar nieuwe ruimtegebruikers,<br />
nieuwe vormen van werkgelegenheid,<br />
en een nieuwe, ‘post-industriële’<br />
identiteit. De snelheid waarmee sociaaleconomische<br />
veranderingen zich in veel<br />
regio’s na de Tweede Wereldoorlog<br />
TOPOS / 04 / 2006 21
Ontwerpend omgaan met ons cultureel erfgoed: een schuinweglopende <strong>uit</strong>sparing in een flatgebouw in de Leidsche Rijn dat de loop van een<br />
Romeinse weg aangeeft (bron: gemeente Utrecht)<br />
hebben voltrokken, hebben niet alleen<br />
een snelle opeenvolging van ruimtelijke<br />
transformaties met zich mee gebracht,<br />
maar <strong>uit</strong>eraard ook een voortgaande<br />
‘verjonging’ van het erfgoed. Elke fundamentele<br />
transformatie produceerde<br />
weer een nieuwe voorraad gebouwen<br />
en ruimten (industriecomplexen, bedrijventerreinen,<br />
parken, infrastructuur),<br />
die vaak al na enkele decennia weer<br />
vroegen om herbestemming en nieuwe<br />
economische en stedenbouwkundige<br />
programma’s om het ontstaan van ‘urban<br />
wastelands’ te voorkomen. Haast<br />
‘parallel’ aan het stedelijk weefsel ontvouwt<br />
het erfgoed zich in onze tijd dus<br />
als een <strong>uit</strong>dijend web van gebouwen,<br />
sporen, lieux de mémoire, historische verhalen<br />
en symbolen, waarin telkens weer<br />
nieuwe objecten, plekken, herinneringen<br />
en betekenissen worden ingeweven.<br />
Soms leidt dit tot een regelrechte worsteling<br />
met erfenissen. West-Berlijn, zo<br />
stelt de D<strong>uit</strong>se historicus Rudolph, ‘weet<br />
nog steeds niet wat het is, behalve geschiedenis<br />
die voorbij is’. En hij vervolgt<br />
met de opmerking dat de stad moet<br />
zoeken naar een nieuwe status, als geen<br />
andere regio in <strong>Europa</strong>. Door de vele<br />
belangwekkende historische gebeurtenissen<br />
en cultuurverschuivingen die<br />
22 TOPOS / 04 / 2006<br />
zich in Berlijn hebben voorgedaan, is<br />
het verleden hier de meest voor de hand<br />
liggende bouwstof voor de verdere<br />
vormgeving van de regio. Maar voor<br />
welk verleden moet de regio nu eigenlijk<br />
blijvend een plaats inruimen? Is dat<br />
voor de bloeiperiode rond 1900, de tijd<br />
dat D<strong>uit</strong>sers en joden er nog vreedzaam<br />
samenleefden, de beladen rol van de<br />
stad in de Tweede Wereldoorlog, de tijd<br />
van wereldverbeteraars en avant-garde<br />
in de jaren ‘70 en `80, of de val van de<br />
muur en de Eenwording van D<strong>uit</strong>sland,<br />
of dat alles tegelijk?<br />
Ruimterevolutie<br />
De beperkte plaatsgebondenheid van<br />
historische ervaringen enerzijds en de<br />
snelle transformatie van historische<br />
lagen anderzijds passen bij <strong>uit</strong>eraard bij<br />
de ruimtelijke principes die ten grondslag<br />
liggen aan de mondialisering, hoewel<br />
het begrip ‘mondialisering’ hier met<br />
de nodige reserves moet worden gehanteerd<br />
en de ‘ruimtelijke principes’<br />
ervan om een nadere toelichting vragen.<br />
Zo’n toelichting vinden we Peter<br />
Sloterdijk’s Im Weltinnenraum des Kapitals<br />
(2004). Zowel voor- als tegenstanders<br />
van de mondialisering menen, aldus<br />
Sloterdijk, dat de mondialisering is<br />
gebaseerd op de zogenaamde ‘samenpersbaarheid’<br />
van de leefruimte. Dat<br />
begrip moeten we in eerste instantie<br />
niet al te letterlijk opvatten. Het gaat<br />
immers om iets relatiefs, niet om een<br />
absolute inkrimping van de ruimte,<br />
maar om een verkorting van de afstand<br />
en een vergroting van de onderlinge<br />
bereikbaarheid van plekken. Maar misschien<br />
is dat wel iets te veel geredeneerd<br />
van<strong>uit</strong> een ‘premoderne’ perceptie van<br />
de ruimte. In dat samenpersen van de<br />
ruimte zit haast iets programmatisch.<br />
Het brengt plekken nader tot elkaar en<br />
zorgt daarmee voor een snelle en omvangrijke<br />
verspreiding van dominante<br />
culturele en economische waarden -<br />
ook historische. Daardoor leidt het samenpersen<br />
van de ruimte ook onherroepelijk<br />
tot een symmetrische ruimte,<br />
waarin plekken weliswaar niet volstrekt<br />
identiek zijn, maar dan toch in sterke<br />
mate inwisselbaar en vergelijkbaar, en<br />
misschien niet volstrekt gelijkvormig,<br />
maar wel meetkundig gelijkwaardige<br />
punten. Voorstanders zien dat als een<br />
zegen, als een oplossing voor grote<br />
sociaal-economische en internationaalpolitieke<br />
vraagstukken van onze tijd,<br />
tegenstanders als een bedreiging voor
het mozaïek van lokale culturen en<br />
culturele verschillen. Dat proces is echter<br />
al vroeg in gang gezet. De grote wereldreizen<br />
tijdens de Renaissance baanden de<br />
weg voor een wereldmarkt én voor de<br />
wereldwijde verspreiding van westerse<br />
culturele waarden en religieuze overtuigingen.<br />
Want met de ontdekkingsreizigers<br />
en de eerste handelaren in hun<br />
kielzog verspreidden ook de christelijke<br />
ruimtebeleving en architectuur zich snel<br />
over het aardoppervlak. De principes<br />
van deze ruimte-revolutie zijn nog<br />
steeds werkzaam, niet in de laatste plaats<br />
in het stedelijke weefsel. Daarin zijn de<br />
ruimtelijke verplaatsing en beweging<br />
immers de leidende principes zijn, en<br />
niet de plaatsgebonden activiteit en het<br />
plaatsbesef.<br />
Het programmatische van deze ‘samenpersing’<br />
kan ook worden opgevat als<br />
een synchroniseringsproject, om de<br />
woorden van Sloterdijk te gebruiken.<br />
Plekken die voorheen van elkaar werden<br />
gescheiden door een haast onoverbrugbare<br />
wereld, worden niet alleen dichter<br />
bij elkaar gebracht, maar ook de tijdsafstand<br />
ertussen verdampt geleidelijk.<br />
De mondialisering behelst daarom niet<br />
alleen een inkrimping van de ruimte,<br />
maar ook van de beleefde tijd. En in<br />
zo’n samengeperste wereld zijn historische<br />
verdiepingen en zichtbare<br />
tijdslagen misschien wel veel minder<br />
vanzelfsprekend dan wij denken. Die<br />
synchronisering van plekken is in zekere<br />
ook afleesbaar aan de omgang met het<br />
lokale en regionale verleden. Dat verleden<br />
wordt namelijk steeds minder<br />
ruimte gegund om op eigen voorwaarden<br />
in het landschap te kunnen voortbestaan.<br />
Het verleden houdt op anders<br />
en oneigentijds te zijn, doordat het blijkbaar<br />
overal moet worden verpakt in<br />
eigentijdse vormen en ontwikkelingen,<br />
van re-enactments en reconstructies tot<br />
architectuur en kunst, om het zo een<br />
welgedefinieerde plaats te geven in de<br />
eigentijdse regio. Daardoor gaat van alle<br />
ruimtelijke, economische en culturele<br />
transformaties waarin op een krampachtige<br />
manier gebruik wordt gemaakt<br />
van het verleden, ook weer een vervlakkende<br />
werking <strong>uit</strong>. De regio als nieuwe<br />
symmetrische ruimte dus, ondanks of<br />
misschien wel dankzij de eigentijdse<br />
vormgeving van het verleden. Daarin<br />
schuilt misschien wel het grootste gevaar<br />
van het opnieuw vorm geven aan<br />
historische plekken en identiteiten.<br />
Deze laatste verliezen in dat proces<br />
namelijk veel van hun oorspronkelijke<br />
zeggingskracht doordat ze al te zeer<br />
worden vermengd met de vormentaal<br />
van onze eigen tijd, hoe belangrijk een<br />
op de historie geïnspireerde vormgeving<br />
ook kan zijn voor een duurzame<br />
omgang met de ruimte.<br />
Nieuwe opgave<br />
Wat betekent dat alles nu voor ontwerpen<br />
met geschiedenis, bijvoorbeeld in<br />
een land als Nederland waar dat tot een<br />
belangrijk beginsel van de ruimtelijke<br />
vormgeving is geworden? Allereerst dat<br />
het ruimtelijk ontwerp via een historische<br />
opgave direct ook een veel bredere<br />
maatschappelijke opgave is geworden.<br />
Dat vereist van de ontwerper dat hij of<br />
zij tegelijk vormgever, historicus én<br />
antropoloog is, zonder het hoofddoel<br />
van het ontwerp –het maken van een<br />
nieuwe en functionele ruimte- <strong>uit</strong> het<br />
oog te verliezen. Dat de opgave van de<br />
architect, landschapsarchitect of stedenbouwkundige<br />
tevens een brede maatschappelijke<br />
opdracht inhoudt, wil<br />
echter niet zeggen dat de taak van de<br />
ontwerper daarmee een dienende is geworden.<br />
In maatschappelijk perspectief<br />
kan of moet de ontwerper, zo leren we<br />
misschien wel van Sloterdijk, zowel constructief<br />
als kritisch aan de slag gaan<br />
met de historische dimensie van de<br />
eigentijdse leefruimte. Maar de maatschappelijke<br />
lading van de ontwerpopgave<br />
vraagt in zekere zin ook om een<br />
nieuw soort geschiedenis. Dat is geen<br />
geschiedenis van het voltooide verleden<br />
en historische essenties, noch een<br />
geschiedenis die het experiment is van<br />
de hedendaagse herinneringscultuur. Er<br />
is behoefte aan een geschiedenis van<br />
transformaties: een tak van de geschiedenis<br />
die zich zowel langs de theoretische<br />
als empirische weg verdiept in<br />
processen van culturele en ruimtelijke<br />
verandering, en die bereid is om van<br />
daar<strong>uit</strong> te participeren aan de ruimtelijke<br />
cultuur van de eenentwintigste<br />
eeuw.<br />
Literatuur<br />
- Sloterdijk, P. (2004), Im Weltinnenraum<br />
des Kapitals. Für eine philosophische Theorie<br />
der Globalisierung, Suhrkamp, Frankfurt<br />
am Main<br />
- Judt, T. (1998), review of Realms of<br />
Memory (by Pierre Nora), in: The New<br />
York Times Review, volume 45,<br />
number 19, December 3, 1998<br />
Summary<br />
Jan Kolen is professor “heritage of the<br />
urban and rural landscape” at the Vrije<br />
Universiteit in Amsterdam. In this essay<br />
he is discussing the design approach<br />
towards our cultural heritage and the<br />
role of the urban developer, architect<br />
and landscape architect in such a<br />
process. Our society changed rapidly<br />
the last decennia and so did the<br />
attitude towards the cultural heritage.<br />
That asks for a different approach<br />
from the professionals contributing to<br />
the development of our cities and<br />
landscape.<br />
He concludes with pleading for a<br />
‘history of transformations’. That is a<br />
form of history which deepens in the<br />
processes of cultural and spatial<br />
changes. A form adapted to the needs<br />
and speed of the 21 st century.<br />
TOPOS / 04 / 2006 23
<strong>Europa</strong> stoomt door (met of zonder<br />
Nederland)<br />
Een aantal problemen dat<br />
Nederland heeft met de<br />
‘Brusselse bemoeienis’<br />
komt voort <strong>uit</strong> een ongeluk-<br />
kige wisselwerking tussen<br />
sectorale regelgeving en de<br />
ruimtelijke ordening. Bij<br />
zowel de totstandkoming<br />
van richtlijnen als bij de<br />
vertaling naar nationale<br />
wetgeving wordt er onvol-<br />
doende aandacht besteed<br />
aan de mogelijke ruimtelijke<br />
effecten. Een bevoegdheid<br />
van de EU voor ‘territoriale<br />
cohesie’ zou dit probleem<br />
kunnen verhelpen door zo<br />
een afweging al op EU-<br />
niveau te laten plaatsvinden.<br />
Territoriale cohesie stond<br />
al in de door Nederland en<br />
Frankrijk afgewezen EU-<br />
grondwet en zal waarschijn-<br />
lijk in een nieuw verdrags-<br />
voorstel niet ontbreken.<br />
David Evers<br />
Onderzoeker, Ruimtelijk Planbureau<br />
evers@rpb.nl<br />
24 TOPOS / 04 / 2006<br />
<strong>Europa</strong> in Nederland<br />
Met de eenwording van <strong>Europa</strong> wordt<br />
het steeds onverstandiger om geen<br />
rekening met het b<strong>uit</strong>enland te houden,<br />
zelfs voor zo’n plaatsgebonden aangelegenheid<br />
als de ruimtelijke ordening.<br />
De EU heeft tot nu toe geen officiële<br />
bevoegdheid op dit terrein maar dit<br />
betekent zeker niet dat de EU geen<br />
invloed heeft op ruimtelijke ontwikkelingen.<br />
Het RPB-rapport Unseen Europe<br />
beschrijft de impact van allerlei sectorbeleidsvelden<br />
(milieu, landbouw, concurrentie,<br />
transport, etc.) van de EU in<br />
Nederland (Van Ravesteyn & Evers<br />
2004). Hier<strong>uit</strong> blijkt dat op sommige<br />
gebieden cruciale Europese maatregelen<br />
door Nederlandse planologen onopgemerkt<br />
blijven totdat het ‘te laat’ is –<br />
denk aan de invoering van het Natura<br />
2000-netwerk waardoor bouwvergunningen<br />
ongeldig zijn verklaard. Er zijn<br />
ook andere voorbeelden te noemen<br />
waar <strong>Europa</strong> ongezien is gebleven en<br />
waar dit heeft geleid tot lastige situaties<br />
in de planningpraktijk.<br />
Het meest besproken onderwerp op dit<br />
moment zijn de gevolgen van het Europese<br />
luchtkwaliteitsbeleid, omdat een<br />
groot aantal bouwplannen hierdoor is<br />
stilgelegd. Een onderzoek in opdracht<br />
van het Ministerie van VROM heeft een<br />
inventarisatie gemaakt van het aantal<br />
bouwplannen dat hinder van deze maatregel<br />
heeft ondervonden. Hier<strong>uit</strong> blijkt<br />
dat ongeveer de helft van alle nieuwbouwplannen<br />
ten tijde van de publicatie<br />
van het rapport hiermee te maken heeft.<br />
Dit betreft niet alleen de Randstad maar<br />
het hele land, met <strong>uit</strong>zondering van de<br />
twee noordelijke provincies (DHV et al.<br />
2005). Tegelijkertijd is het nationale<br />
beleid gericht op het inhalen van een<br />
beoogde bouwachterstand. Hoe is het<br />
mogelijk dat ‘Brussel’ zo ineens de helft<br />
van de ruimtelijke plannen in ons land<br />
in gevaar brengt?<br />
Het antwoord ligt in een ongelukkige<br />
wisselwerking tussen de Nederlandse<br />
ruimtelijke ordening en Europese<br />
sectorregelgeving. Het beleid over de<br />
luchtkwaliteit is niet nieuw. Het huidige<br />
luchtkwaliteitsbeleid van de EU is terug<br />
te vinden in de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit<br />
<strong>uit</strong> 1996. In dat jaar hebben de<br />
lidstaten afgesproken om de luchtverontreiniging<br />
in kaart te brengen en<br />
vervolgens actieplannen op te stellen<br />
voor zones waarin de gezondheidsnormen<br />
worden overschreden. Volgens<br />
de richtlijn dienen de studies en beleidsplannen<br />
te worden gerapporteerd aan<br />
de Europese Commissie en bekendgemaakt<br />
aan de bevolking. Deze richtlijn<br />
is nader <strong>uit</strong>gewerkt in drie subrichtlijnen<br />
(voor zwaveldioxide, stikstofoxiden,<br />
stikstofdioxide, fijn stof en lood),<br />
waarin termijnen zijn voorgeschreven<br />
waarbinnen het aandeel van deze<br />
stoffen tot bepaalde grenzen moet zijn<br />
gereduceerd. In 2005 was de deadline<br />
voor fijn stof (wat de huidige ‘crisis’ in<br />
de bouw heeft veroorzaakt). Bij de implementatie<br />
van deze richtlijn in het<br />
Besl<strong>uit</strong> luchtkwaliteit is ervoor gekozen<br />
om deze sectormaatregel te koppelen<br />
aan de ruimtelijke ordening: in gebieden<br />
waarin de normen worden overschreden<br />
mogen geen nieuwe ontwikkelingen<br />
plaatsvinden die deze zullen verergeren<br />
(andere lidstaten hebben dit overigens<br />
niet gedaan). Het probleem is dat het<br />
zeer moeilijk blijkt om aan de afgesproken<br />
normen te voldoen waardoor een<br />
belangrijk deel van het land ‘op slot’ is<br />
komen te staan (MNP 2005). Dat dit<br />
gedwongen huwelijk tussen het EUmilieubeleid<br />
en de Nederlandse ruimtelijke<br />
ordening ongelukkig is, blijkt <strong>uit</strong><br />
de vele pogingen om hier onder<strong>uit</strong> te<br />
komen. In de Nederlandse ruimtelijke<br />
ordening is het heel gebruikelijk om het<br />
niet over normen te hebben maar over<br />
‘doelstellingen’, of in het kader van een<br />
goede afweging te maken compromissen<br />
te sl<strong>uit</strong>en, vaak door middel van compensatie.<br />
Voorstellen om een ‘saldobenadering’<br />
te hanteren st<strong>uit</strong>te echter op<br />
onbegrip op Europees niveau. Dit<br />
voorbeeld laat zien dat Nederland<br />
onvoldoende rekening heeft gehouden<br />
met de ruimtelijke gevolgen van een<br />
sectormaatregel toen het nog kon,<br />
namelijk de totstandkoming van de
ichtlijn en de vertaling naar nationale<br />
wetgeving. Ook na de invoering blijkt<br />
er onvoldoende communicatie naar de<br />
lagere overheden te zijn geweest; anders<br />
waren er minder vergunningen verleend<br />
voor projecten die later in de problemen<br />
zouden komen.<br />
Een verwante maatregel is de Kaderrichtlijn<br />
Water (KRW) <strong>uit</strong> 2000, die wellicht<br />
ingrijpender gevolgen zal hebben voor<br />
de ruimtelijke ontwikkeling van ons land<br />
dan de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit.<br />
Dat de zorg over de KRW slechts langzamerhand<br />
toeneemt, komt doordat de<br />
eerste deadline ‘pas’ in 2015 is.<br />
Net als de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit<br />
komt de KRW niet onverwacht. Het is<br />
in eerste instantie een stroomlijning van<br />
eerdere richtlijnen op het gebied van<br />
waterkwaliteit, zoals de 1976 Zwemwater-<br />
Energieafhankelijkheid van <strong>Europa</strong> (Europese Commissie 2002)<br />
Hervormingen in de landbouw (Europese Commissie 2004)<br />
richtlijn en een verdrag <strong>uit</strong> 1992 over<br />
grensoverschrijdende waterlopen en<br />
meren. Nederland heeft ook hard gewerkt<br />
aan de totstandkoming van deze<br />
richtlijn. De KRW kent een met de<br />
Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit vergelijkbare<br />
werkwijze (onderzoek, opstellen<br />
van actieplannen en vaststellen van<br />
streefwaarden). De termijn waarbinnen<br />
de streefwaarden voor waterkwaliteit<br />
moeten zijn behaald, is vastgesteld voor<br />
het jaar 2027 met de eerste deadline in<br />
2015. Maar het is nu al duidelijk dat de<br />
afgesproken normen wel erg streng zijn<br />
voor Nederland, gezien de hoge mate<br />
van fosfor en nitraat in de bodem. Een<br />
studie van Alterra (Van der Bolt et al.<br />
2003) heeft berekend dat twee derde<br />
van de landbouw in Nederland moet<br />
verdwijnen om (misschien) aan de water-<br />
kwaliteitseisen te voldoen. Kennelijk is<br />
hier ook onvoldoende rekening gehouden<br />
met de ruimtelijke gevolgen toen<br />
Nederland koos om in te stemmen met<br />
de richtlijn. Of ons land hier onder<strong>uit</strong><br />
kan komen is zeer de vraag: ‘regels zijn<br />
regels’ in <strong>Europa</strong>, vooral voor kleinere<br />
landen.<br />
Nederland in <strong>Europa</strong><br />
Beide voorbeelden hebben laten zien<br />
dat na de totstandkoming van EUregelgeving<br />
een lange periode kan verstrijken<br />
met verschillende fasen van<br />
inspanning. In het begin lijkt het wat<br />
mistig en vrijblijvend maar aan het einde<br />
kunnen er harde normen aankomen die<br />
zijn af te dwingen door het Europese<br />
Hof. Voor<strong>uit</strong>kijken lijkt noodzakelijk<br />
om later niet in de knel te komen, maar<br />
hoe?<br />
Eén manier is om het Europese schaalniveau<br />
beter in de gaten te houden. Een<br />
relativering van de positie van Nederland<br />
binnen <strong>Europa</strong> geeft aan welke<br />
onderwerpen later aan de orde zouden<br />
komen, waarvan de effecten in Nederland<br />
anders <strong>uit</strong> zullen kunnen pakken<br />
dan het Europese gemiddelde.<br />
Een voorbeeld van een aankomend<br />
onderwerp is de vergrijzing. <strong>Europa</strong><br />
heeft samen met Japan de oudste<br />
bevolking van de wereld. Dit zal in de<br />
toekomst verder toenemen (VN 2004).<br />
Problemen worden verwacht met<br />
betrekking tot collectieve pensioenregelingen,<br />
doordat er onvoldoende<br />
werknemers zullen zijn om de kosten<br />
van de gepensioneerden te betalen.<br />
Ook zijn er gebieden die dreigen te ontvolken<br />
door de demografische veranderingen,<br />
waardoor het lastig wordt om<br />
voorzieningen en diensten op peil te<br />
houden. In Nederland, mede door de<br />
immigratie, is dit verschijnsel veel minder<br />
aan de orde dan in andere delen van<br />
<strong>Europa</strong> zoals Noord-Italië, Spanje en<br />
Oost-D<strong>uit</strong>sland. Toch is het denkbaar<br />
dat er maatregelen zouden kunnen<br />
komen op Europees niveau om dit te<br />
mitigeren, zoals het bevorderen van selectieve<br />
migratie. Het is verstandig om nu<br />
TOPOS / 04 / 2006 25
EU-milieubeleid in Nederland<br />
al te denken over wat voor ruimtelijke<br />
gevolgen een dergelijke beslissing zal<br />
hebben.<br />
Een ander thema van toenemende betekenis<br />
is de energievoorziening. Met de<br />
economische opbloei van landen zoals<br />
India en China en een beperkte voorraad<br />
fossiele brandstoffen is het denkbaar<br />
dat in de komende decennia de energieprijzen<br />
fors zullen stijgen. Het is denkbaar<br />
dat er initiatieven en maatregelen<br />
zullen komen om de energievoorziening<br />
op EU-niveau te garanderen en alternatieven<br />
te bevorderen. De afhankelijkheid<br />
van Nederland is boven het Europese<br />
gemiddelde, dus als er regels komen op<br />
EU-niveau zou dat in het voordeel van<br />
ons land kunnen werken, omdat andere<br />
landen verplicht eraan moeten meewerken.<br />
Ook hier moet er nagedacht worden<br />
over wat voor ruimtelijke gevolgen<br />
dergelijke beslissingen zullen hebben in<br />
Nederland; energiewinning <strong>uit</strong> wind en<br />
biomassa vergen veel ruimte (Gordijn<br />
et al. 2003).<br />
Ook de landbouw moet op de Europese<br />
schaal bekeken worden. Het EU-<br />
26 TOPOS / 04 / 2006<br />
Ontvolking in <strong>Europa</strong> (Bron: ESPON 1.1.4 2005)<br />
beleid heeft een zware stempel op deze<br />
sector en het grondgebruik gedrukt. Er<br />
is een enorme schaalvergroting opgetreden<br />
en bepaalde gewassen zoals suikerbieten<br />
worden door de prijsbescherming<br />
in <strong>Europa</strong> geproduceerd. Er zijn ingrijpende<br />
hervormingen in deze sector<br />
gaande, deels door intern ongenoegen<br />
met het beleid (conflicten met onder<br />
andere concurrentiebeleid, regiobeleid<br />
en milieubeleid) en extern door druk<br />
via organisaties zoals de WTO, die dit<br />
beleid als een soort protectionisme<br />
beschouwt. Voor sommige landen zal<br />
dit een pijnlijk proces zijn; voor andere<br />
landen is het een kans. In Nederland<br />
lijkt het saldo overwegend positief: veel<br />
Nederlandse landbouwproducten vallen<br />
niet onder de prijsbescherming en zijn<br />
al rendabel. Daarnaast profiteert Nederland<br />
van de verschuiving naar plattelandsontwikkelingen.<br />
Het veranderende<br />
EU-beleid kan aangegrepen worden<br />
om de ruimtelijke problemen in het<br />
landelijk gebied aan te pakken. Zo kan<br />
vervuilende landbouw een nieuwe<br />
functie krijgen, zoals natuur, wat ook<br />
bijdraagt aan de doelstellingen van de<br />
Kaderrichtlijn Water.<br />
Wat deze drie voorbeelden laten zien is<br />
dat er op EU-niveau verschillende<br />
onderwerpen zijn die een lange termijn<br />
kennen en waarin de Nederlandse situatie<br />
soms <strong>uit</strong>zonderlijk is. Het gevolg is<br />
dat generieke oplossingen op EUniveau<br />
in Nederland een andere werking<br />
kunnen hebben. Dit is niet per se<br />
ongunstig, zoals bij de lucht- en waterkwaliteitsnormen:<br />
het kan vriezen, het<br />
kan dooien. In ieder geval is het belangrijk<br />
om alert te blijven en gevoel te<br />
hebben voor de heersende problemen<br />
op EU-niveau en actief aan het debat<br />
mee te doen. Ook is het belangrijk om<br />
op de ruimtelijke <strong>uit</strong>werking te anticiperen.<br />
Territoriale cohesie<br />
Een effect van allerlei sectorale maatregelen<br />
die genomen worden op EUniveau<br />
is dat er soms conflicten tussen<br />
bestaan. De EU is zich bewust dat een<br />
gebrek aan afstemming niet alleen de<br />
geloofwaardigheid van haar beleid in<br />
gevaar brengt, maar ook geld kost
(Robert et al. 2001). Om deze reden<br />
wordt een ruimtelijke aanpak aanbevolen:<br />
zo kunnen de verschillende belangen<br />
worden afgewogen en waar mogelijk<br />
verzoend. Vroeger werd deze exercitie<br />
‘spatial planning’ genoemd, maar nu<br />
heet hij ‘territoriale cohesie’ (zie het<br />
artikel van Faludi elders in dit nummer).<br />
Een probleem tot nu toe is dat de EU<br />
hier weinig for-mele bevoegdheden<br />
voor heeft en: as long as there is no legal<br />
basis for territorial cohesion, there is no formal<br />
obligation or incentive to take the territorial<br />
impact into account in the EU policy process<br />
(TSPU 2006, p. 39).<br />
Toch wordt er informeel volop aan<br />
territoriale cohesie gewerkt. Belangrijke<br />
documenten zijn het Europees Ruimtelijk<br />
Ontwikkelingsperspectief (EROP) <strong>uit</strong> 1999<br />
en het Territorial State and Perspectives of<br />
the European Union (in wording). Zelfs<br />
zonder formele beleidsstatus heeft het<br />
EROP al een zekere invloed gehad op<br />
Europese besl<strong>uit</strong>vorming, zoals het<br />
toedelen van structuurfondsen. Nog<br />
belangrijker is het feit dat Territoriale<br />
Cohesie al opgenomen is in de ontwerp<br />
grondwet als een bevoegdheid van de<br />
EU. Op dit moment is het nog gissen<br />
hoe ‘echte’ ruimtelijke planning op EUniveau<br />
zal worden vormgegeven, maar<br />
dat die er op een gegeven moment aankomt,<br />
lijkt onvermijdelijk. Dit omdat<br />
territoriale cohesie hetzelfde modus<br />
operendus kent als andere beleidsvelden:<br />
eerst informele bijeenkomsten van<br />
deskundigen regelen, daarna vrijblijvende<br />
intentieverklaringen van ad hoc<br />
politieke commissies opstellen en<br />
<strong>uit</strong>eindelijk een richtlijn met toetsbare<br />
normen creëren.<br />
Als territoriale cohesie in de huidige<br />
vorm wordt aangenomen kan het veel<br />
van de bovengenoemde problemen<br />
verhelpen. Sectoren zullen worden gedwongen<br />
om de ruimtelijke effecten<br />
van voorgestelde maatregelen in kaart<br />
te brengen. Zo zullen er minder ‘verrassingen’<br />
komen met bouwvergunningen<br />
die eigenlijk niet afgegeven hadden<br />
moeten worden.<br />
Conclusie<br />
<strong>Europa</strong> kan opgevat worden als een soort<br />
voortstomende olietanker: een klein<br />
land kan dan hoog<strong>uit</strong> proberen hem<br />
ietsje meer naar bakboord of naar<br />
stuurboord te richten, maar echt keren<br />
of stoppen is onmogelijk. Uitstappen<br />
evenmin. De beste optie is om voor<strong>uit</strong><br />
te blijven kijken en voor te bereiden op<br />
wat achter de horizon ligt. Op dit moment<br />
lijkt het belangrijkste ruimtelijke<br />
vraagstuk territoriale cohesie te zijn.<br />
Momenteel probeert de Franse presidentskandidaat<br />
Sarkozy een afgeslankte<br />
versie van de door Nederland en Frankrijk<br />
afgewezen grondwet alsnog in te<br />
voeren. Hierin zal de term territoriale<br />
cohesie niet ontbreken. De Nederlandse<br />
regering kiest echter terughoudend te<br />
blijven ten opzichte van <strong>Europa</strong>. Zij<br />
ziet geen heil in een nieuw verdrag;<br />
<strong>Europa</strong> moet zich alleen bezighouden<br />
met concrete maatregelen zoals veiligheid,<br />
welvaart en energie (NRC.Next 20<br />
sept. 2006: 10). Gezien de werkwijze<br />
van <strong>Europa</strong> is het echter verstandiger<br />
om toch actief mee te doen dan <strong>uit</strong><br />
principiële redenen, hoe terecht dan<br />
ook, aan de kant te blijven zitten. Op<br />
die manier heb je inspraak in wat er<br />
<strong>uit</strong>eindelijk gaat gebeuren en beter<br />
inzicht in de werking daarvan. Gelukkig<br />
schijnt dit, ondanks de <strong>uit</strong>spraken van<br />
de regering, toch op ambtelijk niveau te<br />
gebeuren. Tot nu toe heeft Nederland<br />
een belangrijke bijdrage geleverd aan de<br />
wording van de Territorial State and<br />
Perspectives of the European Union en het<br />
<strong>uit</strong>werken van de term territoriale<br />
cohesie. Dit moet voort-gezet worden:<br />
Nederland stoom ook door!<br />
Literatuur<br />
- Bolt, F. van der, R. Van den Bosch, T. Brock, P.<br />
Hellegers, C. Kwakernaak, D. Leenders, O. Schuurmanns<br />
and P. Verdonschot (2003) Aquarein:<br />
Gevolgen van de Europese kaderrichtlijn Water<br />
voor landbouw, natuur, recreatie en visserij.<br />
Alterra-rapport 835. Wageningen: Alterra.<br />
- DHV, TNO en Rigo (2005) Lucht voor ruimtelijke<br />
plannen? Inventarisatie van de invloed van<br />
beleid en regelgeving voor luchtkwaliteit op knelpunten<br />
bij de realisatie van ruimtelijk plannen in<br />
Nederland. Eindrapportage in opdracht van<br />
Ministerie van VROM.<br />
- ESPON (2006) European Territorial Research<br />
in Progress: Conference Proceedings of the 1st<br />
ESPON Scientific Conference. 13-14 October 2005.<br />
- ESPON 1.1.4 (2005) The spatial Effects of<br />
Demographic Trends and Migration. Final<br />
report. European Spatial Planning Observation<br />
Network (ESPON).<br />
- Europese Commissie (2002) Energy: Let us<br />
overcome our dependence. Luxemburg.<br />
- Europese Commissie (2004) The Common<br />
Agricultural Policy Explained. Luxemburg.<br />
- Evers, D., A. van Hoorn, A. de Vries, J.<br />
Tennekes, A. Harbers, S. Klaver (2006) Gezien<br />
<strong>Europa</strong>. Rotterdam: NAi-Uitgevers/ Den Haag:<br />
Ruimtelijk Planbureau.<br />
- Gordijn, H., F. Verwest and A. van Hoorn (2003)<br />
Energie is ruimte, Rotterdam: Nai Uitgevers.<br />
- NRC.Next (2006) “Meer <strong>Europa</strong>? ‘Tut tut, ho<br />
ho’” 20 september 2006.<br />
- Ravesteyn, Nico van & David Evers (2004)<br />
Unseen Europe. Rotterdam: NAi-Uitgevers/ Den<br />
Haag: Ruimtelijk Planbureau.<br />
- Robert, J., M.A. Figueiredo, M. Hollanders, C.J.<br />
Reincke, T. Stumm and J.M. de Vet (2001) Spatial<br />
impacts of Community policies and costs of<br />
non-coordination. European Commission.<br />
ERDF contract 99.00.27.156.<br />
- Territorial State and Perspectives of the<br />
European Union (2006) Draft 18 September.<br />
http://www.vasab.org.pl/events/Warsaw/TSP-<br />
Draft-180906.pdf<br />
- Verenigde Naties (2004) World Population<br />
Prospects: The 2004 Revision. United Nations<br />
Population Division.<br />
Summary<br />
The Netherlands, a country in the<br />
heart of Europe well-known for its<br />
openness and business acumen,<br />
surprised many in 2005 by voting<br />
against the European Constitution.<br />
Despite this, it Europe continues to<br />
play an important part in the<br />
Netherlands. It is impossible to ignore<br />
EU-legislation once it has been<br />
established as a directive, and it is<br />
unwise to ignore European policy<br />
debates which may produce future<br />
legislation. The example of spatial<br />
planning is a case in point: here the<br />
EU already has a large de facto<br />
impact on spatial development via<br />
sectoral policies. The introduction of<br />
‘territorial cohesion’ as an official<br />
power of the EU will enhance this. It is<br />
in the best interest for the Dutch to<br />
take an active part in the debate and<br />
prepare themselves for some kind of<br />
European-level planning, otherwise<br />
this will be decided for and without<br />
them.<br />
TOPOS / 04 / 2006 27
FORUM<br />
Joren Jacobs & Henk-Jan Kooij<br />
In de rubriek ‘Forum’ peilt de TOPOS-redactie de opinies rondom een actueel onderwerp. Hiertoe<br />
worden vakgenoten, lezers en prominenten benaderd. In dit Forum staat het fenomeen ‘schaamgroen’<br />
centraal.<br />
Het is niet voor iedereen direct duidelijk wat wordt bedoeld met schaamgroen; het is weer typisch zo’n<br />
rare vakterm. De een denkt bij schaamgroen aan afschermende beplanting rond een bedrijventerrein,<br />
de ander denkt aan laaggemaaide rozenbottelstruiken of aan de bekende hondenpoepveldjes die bij<br />
iedereen om de hoek liggen. Hoe het ook zij, schaamgroen is groen zonder een andere functie dan het<br />
verhullen van iets. Geen kind kan er spelen, ecologisch heeft het vrijwel geen betekenis, maar onderhoudsvriendelijk<br />
is het wel. Het wordt gebruikt om landschappelijk ongewenste ontwikkelingen te<br />
verhullen of om aan voldoende oppervlak ‘groene ruimte’ in de stad te komen; het liefst zo goedkoop<br />
mogelijk.<br />
Zoals bij veel keuzes moet er bij de aanleg van groen een afweging gemaakt worden tussen de kwali-<br />
teit en kwantiteit van het groen en het geld dat er voor beschikbaar is; het is de eeuwenoude tweespalt<br />
tussen budget en kwaliteit. Moeten we, zodra de kwaliteit van het groen te laag is, maar gewoon<br />
géén groen aanleggen in plaats van schaamgroen? Of is er gewoon genoeg geld bij de ontwikkelaars<br />
en kunnen die makkelijk de wijk of het bedrijventerrein mooi en functioneel aanleggen? Valt er trouwens<br />
niet meer geld te verdienen als het project ook voor de langere termijn aantrekkelijk is?<br />
De redactie van TOPOS is benieuwd naar de meningen rond dit onderwerp; met name meer ideologische<br />
overwegingen hebben, naast het doorgaans dominante fi nanciële verhaal, onze interesse.<br />
Kan schaamgroen überhaupt een zinvolle functie vervullen of is het een zinloze tussencategorie?<br />
Paul Roncken<br />
Docent Landschapsarchitectuur, Wageningen<br />
Universiteit<br />
SCHAAM<br />
Schildpad en Haas maken een tocht over de snelweg<br />
door de lage landen. Haas neuriet en rijdt. Schildpad<br />
maakt een kruiswoordpuzzel. Het is overdag, net<br />
voorbij lunchtijd.<br />
Schildpad:<br />
Tjeeeetje! [maakt grommende geluiden]<br />
Nou ja zeg! [sissende geluiden]<br />
Haas:<br />
Kom je er niet <strong>uit</strong>, Paddo? Lees eens voor.<br />
Schildpad:<br />
11 letters; ‘Lelijk en verborgen’...<br />
Haas:<br />
[reageert meteen] Monsterlijk!<br />
Schildpad:<br />
Goh, dat zou goed kunnen. Even kijken... Nee. Er<br />
moeten minstens één ‘a’ in voorkomen. Maar voor de<br />
rest... petje af Haas.<br />
Haas:<br />
Eens even denken... [speurt de weg voor zich af alsof<br />
hij op zoek is naar aanwijzingen] Wat is nu eigenlijk<br />
28 TOPOS / 04 / 2006<br />
Foto Gertjan Jobse<br />
zo lelijk dat het verborgen moet worden?<br />
Schildpad:<br />
[antwoord droog] Mijn grote teen.<br />
Haas:<br />
Ja, inderdaad. Die zit goddank de hele dag goed<br />
opgeborgen in je schoeisel. Aan zo’n lelijke knoepert<br />
heeft niemand wat.<br />
Schildpad:<br />
Hoewel, mijn moeder zei me altijd dat ik pas een<br />
geschikte vrouw zou vinden als iemand die teen zou<br />
waarderen, als een schat, als een unicum. Als iets<br />
typisch van mij en daarom om-van-te-houden.<br />
Haas:<br />
Maar je hebt mij toch? Ik hou van vanalles aan je,<br />
maar niet van die grote teen.<br />
Schildpad:<br />
[beteuterd] Weet ik. Ik schaam me er ook voor.<br />
[...] Dankzij jou schaam ik me er eigenlijk voor. Terwijl<br />
het juist de sleutel zou moeten zijn voor mijn liefdesgeluk.<br />
Volgens mijn moeder dan.<br />
Haas:<br />
Hoor eens Patatje van me, we hebben allemaal wel<br />
iets waar we ons voor schamen. Neem nou bijvoorbeeld<br />
dit viaduct hier. Zo aartslelijk. Alleen maar<br />
techniek zonder enig aardig jasje aan. Het is maar<br />
goed dat er wat mooie bomen omheen staan. Dat
compenseert een beetje.<br />
Schildpad:<br />
En jij dan? Waar schaam jij je voor?<br />
Haas:<br />
Voor mijn haar.<br />
Schildpad:<br />
Je hebt niet eens haar. Op een paar snorharen na. Je<br />
hebt een vacht!<br />
Haas:<br />
[barst in gierend lachen <strong>uit</strong>] Ik schaam me voor mijn<br />
haar! Snap je um niet?<br />
Schildpad:<br />
Niet grappig Haas. We hebben het over gevoelige<br />
materie. Dat weet je best.<br />
Haas:<br />
Ach Poetepad. Nog lange tenen ook. [stilte] Nachtmerrie!<br />
Schrijf dat maar op. Is ook 11 letters én heeft<br />
een ‘a’. Toch blijf ik ‘monsterlijk’ een veel mooier<br />
woord vind. Klopt die ‘a’ wel?<br />
Schildpad:<br />
Tsss! [maakt een zuchtend geluid] Dat past!<br />
En die ‘a’ is van SCHAAM. Met als omschrijving: 6<br />
letters ‘verlegen <strong>uit</strong>drukking zonder rood’.<br />
Michiel Uitdehaag<br />
Planoloog Amer Adviseurs<br />
De term is misleidend. Hij suggereert namelijk dat de<br />
bedoelde groenstroken in geen geval als volwaardig<br />
gezien mogen en moeten worden. Dat is te kort door<br />
de bocht.<br />
In de eerste plaats maken deze groenstroken vaak<br />
deel <strong>uit</strong> van een ontwerp, bijvoorbeeld om bedrijventerreinen<br />
in te passen in landschappen. Deze<br />
inpassing kan inderdaad op verschillende manieren<br />
gebeuren, met verschillende kostenplaatjes. Eén van<br />
de denkbare opties is het werken met groen om een<br />
inpassing en/of overgang naar landschappen te creeren.<br />
Volgens mij is daar niets mis mee, zolang het<br />
groen maar niet achteraf als ‘afscherming’ is neergezet<br />
maar in het ontwerp wordt betrokken. Het groen<br />
moet dan deel <strong>uit</strong>maken van de groenstructuur van<br />
zowel het ontwerp als het landschap. Overigens hoeft<br />
een goed groen raamwerk niet per se duur te zijn.<br />
Daarnaast krijgt het groen steeds vaker wel degelijk<br />
andere functies dan louter de afschermende. Hele<br />
parken worden aangelegd aan randen van bedrijvenparken,<br />
ter ontwikkelingen van ecologische verbindingszones<br />
en/of wandelroutes voor tijdens de pauzes.<br />
Niet zelden maken deze groenstructuren weer<br />
deel <strong>uit</strong> van een grotere structuur.<br />
Waar het vooral op vastloopt, is de onduidelijkheid<br />
over wie het groen onderhoudt of het gebrek aan<br />
middelen daarvoor. Als dat niet is geregeld, verwordt<br />
ieder stukje groen tot iets vreselijks, hoe mooi bedacht<br />
ook. Waar ik voor zou pleiten is te komen tot<br />
heldere afspraken over wie het groen op welke wijze<br />
onderhoudt...dan pas zal de schaamte over het groen<br />
verdwijnen. De meerwaarde van aantrekkelijk groen<br />
zal dan vanzelf steeds vaker worden ingezien.<br />
Gertjan Jobse<br />
Landschapsarchitect Bosch Slabbers<br />
Schaamgroen is zinloos. Het ontstaat als visie ontbreekt<br />
en standaardisering prevaleert boven maatwerk.<br />
Schaamgroen is ook niet nodig, want even<br />
nadenken opent vaak nieuwe mogelijkheden.<br />
Het tegenovergestelde van schaamgroen is een rode<br />
Ferrari; een oplossing die iets toevoegt en waar iedereen<br />
trots op is. Dit vereist extra inspanning, maar<br />
het betaalt zich <strong>uit</strong>eindelijk altijd terug.<br />
Hoe doe je dat? Ik concentreer mij even op landschappelijke<br />
inpassing in ruimtelijk beleid. Soms is<br />
het landschap zelf de basis voor een plan; dit biedt<br />
de kans om op een goede plek, een gewenste functie<br />
op een mooie, betekenisvolle manier te realiseren!<br />
Klinkt logisch, maar wat als dit niet kan? De praktijk<br />
leert immers dat de vraag om inpassing vaak speelt<br />
als juridische procedures in beeld komen. Het bestemmingsplan<br />
is bijvoorbeeld aangevochten en gemeenten<br />
moeten aan de bezwaren tegemoet komen.<br />
Paniek! Er komt dan vaak verhullend schaamgroen,<br />
want het is al te laat om het hele plan overhoop te<br />
gooien.<br />
Je zou zelfs kunnen zeggen dat de kans op schaamgroen<br />
groter is, nu het ruimtelijk beleid een juridische<br />
basis krijgt met de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening.<br />
Gelukkig biedt deze wet ook mogelijkheden.<br />
Met de `soft power` van een overtuigend plan kun je<br />
veel bereiken!<br />
Een brede blik is dus gewenst. Redenerend van<strong>uit</strong> de<br />
karakteristiek van het landschap is inpassing meer<br />
dan een incident. Het is zaak voort te bouwen op de<br />
bestaande structuren en hier iets eigentijds aan toe te<br />
voegen.<br />
Inpassing heeft ook de plicht iets nieuws toe te voegen.<br />
Dat hoeft overigens niet altijd groen te zijn, liever<br />
niet: een grondsculptuur als identiteitsdrager, ruimtelijk<br />
kader en magnifiek <strong>uit</strong>zicht ineen... Laat het in<br />
ieder geval meer zijn dan een randje beplanting, want<br />
daar kijk je de helft van het jaar dwars door heen!<br />
29<br />
TOPOS / 04 / 2006 29
Grenzenloze planningkennis in <strong>Europa</strong>:<br />
Internationale kennis<strong>uit</strong>wisseling aangaande ‘land development’ in FARLAND<br />
Lange tijd zijn nationale<br />
planningsystemen en -<br />
culturen strikt van elkaar<br />
gescheiden gebleven. Het<br />
is nog steeds niet makkelijk<br />
om toegang tot b<strong>uit</strong>enland-<br />
se informatie te krijgen, laat<br />
staan werkelijk te begrijpen<br />
hoe men over de grens<br />
planning bedrijft. Toch doet<br />
de Europese Unie dappere<br />
pogingen om praktijk-<br />
mensen en onderzoekers<br />
die actief zijn op vergelijk-<br />
bare terreinen met elkaar in<br />
gesprek te brengen. Zoals<br />
in het FARLAND-project,<br />
waarin kennis over landin-<br />
richting wordt <strong>uit</strong>gewisseld.<br />
Wat is realistisch om te ver-<br />
wachten van zo’n project?<br />
En wat zijn de valkuilen?<br />
Terry van Dijk<br />
PostDoc onderzoeker Leerstoelgroep<br />
Landgebruiksplanning, Wageningen<br />
Universiteit<br />
terry.vandijk@wur.nl<br />
30 TOPOS / 04 / 2006<br />
Het FARLAND project<br />
In 2004 ging een (deels) door de EU<br />
gefinancierd project van start onder de<br />
vlag FARLAND, hetgeen staat voor<br />
Future Approaches in Land Development.<br />
In dit project wisselen tien organisaties<br />
<strong>uit</strong> zeven EU landen hun kennis<br />
over landinrichting <strong>uit</strong>. Het doel is om<br />
met de kennis van de één de innovatiebehoefte<br />
van de ander te vullen.<br />
Daartoe worden zogenaamde Study<br />
Tours georganiseerd, waarin alle partners<br />
bij één land op excursie gaat om alles<br />
over diens landinrichting te leren, en<br />
vooral de recente innovaties daarin.<br />
Daarnaast zijn er zogenaamde Technical<br />
Exchange Visits , waarin een bepaald<br />
thema wordt besproken en waaraan alleen<br />
die partners deelnemen die daarin<br />
interesse tonen.<br />
De tien partners zijn <strong>uit</strong>voeringsorganisaties<br />
(zoals DLG) en onderzoeksinstellingen<br />
<strong>uit</strong> Galicië (Spanje), Portugal, Nord-<br />
RheinWestfalen (D<strong>uit</strong>sland), Hongarije,<br />
Litouwen, Vlaanderen en Nederland. In<br />
totaal zal er meer dan een miljoen Euro<br />
aan Europees geld in dit project besteed<br />
worden, aangevuld met zeker zoveel<br />
nationaal geld. Reis- en verblijfskosten<br />
vormen een belangrijke kostenpost, die<br />
helaas onmisbaar is in een internationaal<br />
project waarin je elkaar veelvuldig<br />
FARLAND groep laat zich informeren over een grote<br />
haven<strong>uit</strong>breiding bij Antwerpen (foto: Terry van Dijk)<br />
wilt ontmoeten.<br />
Ikzelf ben aangetrokken door Alterra om<br />
de component ‘Review and Exchange’<br />
invulling te geven. Dat houdt in dat wij<br />
het proces van kennis<strong>uit</strong>wisseling faciliteren<br />
en begeleiden. Van<strong>uit</strong> die rol is het<br />
boeiend eens wat gedachten met u te delen<br />
over de realiteit van het <strong>uit</strong>wisselen<br />
van kennis.<br />
‘Future Approaches’, de andere component,<br />
is erop gericht om de leringen in<br />
het project actief en op een hapklare manier<br />
aan beleidsmakers door te geven.<br />
Zo moet voorkomen worden dat de<br />
resulterende kennis een dode letter wordt.<br />
Vraag en aanbod<br />
Stel je wilt dat de kennis van de een de<br />
lacunes in andermans kennis vult. Dan<br />
praat je dus over het bijeenbrengen van<br />
vraag en aanbod. Bij partij A bestaat een<br />
vraag naar kennis en partij B kan die kennis<br />
bieden. De overzichtelijkheid van<br />
dit model gaat op twee belangrijke punten<br />
mank, waardoor de <strong>uit</strong>wisseling van<br />
kennis niet zo systematisch kan verlopen<br />
als het lijkt.<br />
Ten eerste weet partner A niet altijd wat<br />
zijn innovatiebehoefte is. Want als je<br />
een vraag kunt formuleren weet je al<br />
wat je nodig hebt. Als je iemand vraagt<br />
hoe laat het is, spreek je daarmee de
EU-project Waterfront Breskens (Gemeente Sluis, 2006) Project mede mogelijk gemaakt door de EU (Gemeente Sluis, 2006)<br />
veronderstelling <strong>uit</strong> dat die persoon dat<br />
waarschijnlijk weet, maar je weet ook<br />
welk type informatie je gaat krijgen. Je<br />
weet wat je zoekt: een tijdstip. Het is<br />
daarentegen juist het onbewuste van<br />
innovatiebehoefte dat kennis<strong>uit</strong>wisseling<br />
zo boeiend maakt. Je ontmoet een<br />
aanpak die zo totaal nieuw is dat je het<br />
zelf niet had kunnen verzinnen. En je<br />
ziet opeens een kans om een tekortkoming<br />
van jouw systeem, waar je je eigenlijk<br />
al bij neer had gelegd, te verhelpen.<br />
Ten tweede is ‘de’ Nederlandse landinrichting<br />
onmogelijk te beschrijven. Het<br />
heeft te veel aspecten en het is permanent<br />
in ontwikkeling. Het zou best kunnen<br />
vóórkomen dat een (hetzij bewuste,<br />
hetzij onbewuste) innovatiebehoefte<br />
van A baat heeft bij een element <strong>uit</strong> de<br />
landinrichtingspraktijk van B vijftien<br />
jaar geleden. Omdat dat element inmiddels<br />
overboord is gezet, wordt dat op<br />
de Study Tour helaas niet vermeld. Het<br />
is natuurlijk ondoenlijk om alle aspecten<br />
door de decennia heen aan elkaar te<br />
presenteren.<br />
Toch blijft het jammer dat vraag en<br />
aanbod onmogelijk sl<strong>uit</strong>end bijeen te<br />
brengen zijn. De vraag is deels latent en<br />
het aanbod te veelomvattend om over<br />
te brengen. Maar door bij het aanbod<br />
vooral innovatieve praktijken te<br />
benadrukken, zoals in FARLAND het<br />
geval is, worden waarschijnlijk kansen<br />
gemist.<br />
Babylonische spraakverwarring<br />
De grootste <strong>uit</strong>daging van een project<br />
als deze is om elkaar echt te begrijpen.<br />
Niet dat discussies en informatieoverdracht<br />
problematisch verloopt. De vaardigheid<br />
in de Engelse taal van de meeste<br />
deelnemers is prima. Maar wat gaat<br />
er werkelijk schuil achter die woorden<br />
die men in de mond neemt? Verstaan<br />
ze elkaar echt? Elk woord is een mini-<br />
theorie, beladen met cultuurafhankelijke<br />
connotaties en instrumentele <strong>uit</strong>werkingen.<br />
Zo is het in Nederland al bijna onmogelijk<br />
om over ‘herverkaveling’ te<br />
praten als zijnde een neutraal mechanisch<br />
concept (het <strong>uit</strong>ruilen van eigendom)<br />
aangezien het meteen als één van<br />
de vier vormen van landinrichting begrepen<br />
wordt, met alle procedurele details<br />
van dien.<br />
We hebben dan ook hard gewerkt om<br />
een zo breed mogelijk gedragen lijst van<br />
definities te maken, waarop we altijd<br />
kunnen terugvallen in geval van bewuste<br />
verwarring en waar ieder zich zoveel<br />
mogelijk aan moet proberen te houden<br />
in zijn of haar bewoordingen.<br />
Maar gebleken is dat sommige termen<br />
zich gewoon niet laten vastleggen.<br />
Vooral geografische begrippen. Want wat<br />
is bijvoorbeeld een ruraal gebied? Wij<br />
vinden het Groene Hart of de Betuwe<br />
ruraal, maar de Spaanse deelnemers kijken<br />
dan of ze water zien branden. Zij<br />
vinden heel Nederland peri-urbaan. En<br />
inderdaad, eenmaal ver in de Galicische<br />
bergen te zijn geweest en daar de leegheid<br />
en de geïsoleerdheid van de boerderijen<br />
daar te hebben gezien is de vergelijking<br />
met de Betuwe ver te zoeken.<br />
Zelfs de betekenis van een woord als<br />
‘bos’ is voor iedereen anders. Op een<br />
Study Tour in Galicië bleek dat ze voor<br />
wat extra landbouwgrond voor het dorp<br />
gewoon een stuk bos opzij schoven.<br />
Van de D<strong>uit</strong>sers en Nederlanders vielen<br />
de monden open. Welke instantie<br />
keurde zoiets goed? Het nuchtere antwoord<br />
was dat in een regio met 70%<br />
bos daar niemand toestemming voor<br />
hoeft te geven.<br />
Kennis, zeker planningskennis, blijkt<br />
niet zo eenduidig verpakt te kunnen<br />
worden als we zouden willen. De taalbarrières<br />
blijven van toepassing.<br />
Technologische veronderstellingen<br />
En zelfs al konden we vraag en aanbod<br />
naadloos bij elkaar brengen en perfect<br />
informatie overdragen, wat is dan <strong>uit</strong>eindelijk<br />
het effect? Een betere landinrichting<br />
bij alle partners? De veronderstelling<br />
om te kunnen groeien naar een<br />
steeds betere planning lijkt in veel onderzoeks-<br />
en <strong>uit</strong>wisselingstrajecten een impliciete<br />
veronderstelling. Met het vullen<br />
van andermans innovatiebehoefte wordt<br />
het allemaal beter.<br />
Maar wat is ‘goede’ landinrichting. Is dat<br />
efficiënt, of met minimaal gemor, of<br />
met minimaal tijdsbeslag, of met maximaal<br />
resultaat? Misschien is het geen<br />
van allen. Misschien is het criterium dat<br />
een instrument past bij de heersende<br />
cultuur op dat moment. En wat voor<br />
het ene land goed werkt, kan in het andere<br />
land op veel irritatie rekenen.<br />
Zeker in landinrichting, waar de relaties<br />
tussen mensen en hun grond worden<br />
verschoven.<br />
Relaties tussen mensen en grond zijn<br />
juridisch en emotioneel b<strong>uit</strong>engewoon<br />
<strong>uit</strong>eenlopend. Het instrument kan daar<br />
onmogelijk aan voorbij gaan. Een instrument<br />
is geen neutraal construct,<br />
maar reflecteert de mening van waarop<br />
zij van toepassing is wat betreft wenselijke<br />
ingrepen in individuele rechten en<br />
belangen.<br />
Helemaal zelfvoldaan is de vaak gehoorde<br />
stelling dat de nieuwe lidstaten niet<br />
de ‘fouten’ moeten maken die onze landinrichting<br />
in de na-oorlogse decennia<br />
beging. Nee, laat ze meteen de nieuwste<br />
(lees: beste) inzichten toepassen: flexibel,<br />
multifunctioneel. Hebben wij in de<br />
jaren ’50 en ’60 het verkeerd gedaan?!<br />
Allerminst! Op dat moment was dat een<br />
algemeen gedragen doelstelling, waarin<br />
de landinrichting zeer succesvol geweest<br />
is. Onze denkbeelden en belangen voor<br />
het landelijk gebied zijn inmiddels ver-<br />
TOPOS / 04 / 2006 31
Kijken bij een landbouwgebied dat binnenkort van functie zal veranderen<br />
(foto: Terry van Dijk)<br />
anderd, maar niet beter geworden, is mijn<br />
overtuiging.<br />
Gelukkig is in het FARLAND-project<br />
deze stelling nog niet geponeerd, ook<br />
niet impliciet. Maar de vraag doet zich<br />
natuurlijk wel voor: waartoe dient deze<br />
kennis<strong>uit</strong>wisseling?<br />
Aanwijsbare <strong>uit</strong>komsten<br />
Zoals betoogd kan van overzichtelijke<br />
en lineaire kennis<strong>uit</strong>wisseling maar<br />
deels sprake zijn. En natuurlijk zullen<br />
er best voorbeelden zijn, ook binnen<br />
FARLAND, waar het zo gaat. De grote<br />
toegevoegde waarde van een project als<br />
dit is, mijns inziens, de creatieve en onvoorspelbare<br />
processen parallel aan het<br />
‘officiële’ traject.<br />
Zo heeft zich tijdens het project een<br />
aantal clusters van like minded people gevormd,<br />
verbonden door een visie, een<br />
concept of een fascinatie. Deze clusters<br />
zijn de totale groep nu gaan zien als een<br />
unieke bron van informatie waar ze zonder<br />
veel moeite <strong>uit</strong> kunnen putten.<br />
Door immers tijdens bijeenkomsten of<br />
via de e-mail vragen(lijstjes) <strong>uit</strong> te zetten<br />
kun je relatief eenvoudig die informatie<br />
verwerven die je voor het opbouwen<br />
van jouw mini-onderzoekje nodig hebt.<br />
Natuurcompensatie in aanleg (foto: Terry van Dijk)<br />
32 TOPOS / 04 / 2006<br />
Het Belgische dorpje Doel wordt binnenkort van de kaart geveegd door zware<br />
industrie (foto: Terry van Dijk)<br />
De clusters hebben nu elk een wetenschappelijk<br />
artikel in de steigers staan<br />
en dat begint al boeiende vormen aan<br />
te nemen. Zo wordt een vergelijkende<br />
en verklarende analyse gedaan naar de<br />
<strong>uit</strong>eenlopende procedurele vormen die<br />
in <strong>Europa</strong> voorkomen. Ook wordt bekeken<br />
of een instrument nu een technisch-rationele<br />
constructie is of eerder<br />
een spiegel van de regionale cultuur.<br />
Boeiende vragen waarvoor FARLAND<br />
een prima voedingsbodem is.<br />
Persoonlijke ‘kliks’<br />
Wat in dit alles het belangrijkste is, is dat<br />
de groep mensen in het project goed<br />
met elkaar overweg kunnen. En als er<br />
één project is dat is <strong>uit</strong>gegroeid tot een<br />
soort familiegebeuren, dan is het FAR-<br />
LAND wel. We stappen allemaal bijna<br />
maandelijks in het vliegtuig om elkaar<br />
te ontmoeten en elke keer is het net alsof<br />
je thuiskomt. Dat komt omdat de mensen<br />
elkaar goed liggen, maar ook omdat<br />
we samen bijzondere dingen meemaken.<br />
We liggen elkaar goed, ondanks culturele<br />
verschillen. Vooral de verschillen in<br />
hiërarchie zijn heel treffend. Zo spreken<br />
de drie D<strong>uit</strong>sers (van rond de 30<br />
jaar) de dame in hun midden consequent<br />
met ‘u’ en ‘mevrouw’ aan. Er<br />
wordt zelfs over ‘mevrouw’ gesproken<br />
als ze er zelf niet bij is. De dame blijkt<br />
een rang hoger in de organisatie te zitten<br />
en dan spreekt men dus in de beleefdheidsvorm.<br />
Maar behalve dat we elkaar goed liggen<br />
is elke reis een bijzondere geweest.<br />
Tijdens een week in Santiago de Compostela<br />
werden we op het adembenemende<br />
stadhuis (werelderfgoed)<br />
tegenover de kathedraal ontvangen. In<br />
Paderborn werden we in een lange boerenkar<br />
door de bossen gereden en op<br />
een open plek was er een grote barbecue<br />
georganiseerd. In Leuven reden we met<br />
de bus over een straatkat (nu gekscherend<br />
het FAR-lijk genoemd). In Belgisch<br />
Limburg werden er tandems geregeld<br />
om de geplande fietstocht ook<br />
voor de niet-fietsers doorgang te laten<br />
vinden. In Münster gingen we na de<br />
vergaderingen gezellig de kerstmarkt<br />
over. En wat gaan we in Litouwen en<br />
Portugal nog meemaken?<br />
Als je een gemeenschappelijke geschiedenis<br />
hebt kunnen er mooie dingen<br />
ontstaan. Vriendschappen voor het<br />
leven. Misschien is dát wel wat tot het<br />
verwijderen van grenzen in kennis leidt:<br />
dat we elkaars culturen en regionale<br />
eigenaardigheden leren kennen, waardoor<br />
de <strong>uit</strong>ersten van xenofobie en<br />
neo-kolonialisme vermeden worden.<br />
Meer weten? Farland (2006) http://<br />
www.farland-project.org<br />
Literatuur<br />
- Van Dijk, T. (2006) Transplanting<br />
instruments that work: four practical<br />
lessons on eliminating erronous<br />
assumptions. Planning Theory and Practice<br />
Jrg. 7, No. 4.<br />
- Van Dijk, T. (2002) Export of<br />
planning knowledge need comparative<br />
analysis: the case of applying Western<br />
land consolidation knowledge in<br />
Central Europe. European Planning<br />
Studies, Jrg. 10, No. 7.<br />
Summary<br />
Planning practices differ throughout<br />
Western Europe. The EU co-finances<br />
exchange of planning knowledge, for<br />
instance in the FARLAND project,<br />
being a seven nationality project with<br />
an intensive calendar of meetings and<br />
excursions. Innovations are the key<br />
word, for which supply and demand<br />
are to be linked. This essay explores<br />
the potential of knowledge exchange<br />
in this project; what can one expect<br />
from partners informing and being<br />
informed on land development?
Dat vind ik nou mooi!<br />
Landschap in beweging…<br />
Waar je ook bent, hoe je je ook<br />
voortbeweegt: het landschap om je heen<br />
is nooit hetzelfde. Wat wil je nog meer,<br />
het landschap dat elk moment van de dag<br />
een nieuw schilderij te voorschijn tovert!<br />
Kijk maar naar boven. De lucht die<br />
alsmaar voortbeweegt, de kleuren die<br />
daarbij veranderen, het landschap soms<br />
schilderachtig maken, maar soms ook<br />
triest.<br />
Ook het stadslandschap is continu in<br />
beweging. Als je je ogen een klein beetje<br />
toeknijpt, zie je alleen maar de felle<br />
kleuren van het voorbijrazende verkeer.<br />
Water en wind zijn zeer dynamische<br />
elementen die zorgen voor heel wat<br />
beweging in het landschap. Ga op een<br />
stormachtige dag naar zee en dan merk je<br />
in alle opzichten dat het landschap om je<br />
heen alles behalve stilstaat.<br />
Veel mensen stappen in hun auto en<br />
vergeten vaak dat ze tijdens hun tocht<br />
enorm veel van het voorbijtrekkende<br />
landschap kunnen genieten. Ze sl<strong>uit</strong>en<br />
zich op in hun comfortabele auto met<br />
allerlei soorten van digitaal vermaak en<br />
vergeten dat het landschap b<strong>uit</strong>en de auto<br />
zoveel meer kan bieden dan alleen een<br />
snelle route van A naar B. Neem eens de<br />
rust om tijdens het rijden, tijdens het<br />
stilstaan in de file, goed om je heen te<br />
kijken. Het zit hem soms in de kleine<br />
dingen in het landschap: een groep vogels<br />
in V-vorm voorbijtrekkend, de zon die net<br />
tussen twee bomen doorschijnt of een<br />
grote boot die zich in het avondrode water<br />
voortbeweegt.<br />
Het landschap is als een film, soms met<br />
veel actie, een andere keer meer rust.<br />
Soms prachtige beelden, soms angstig,<br />
maar nooit hetzelfde, altijd in beweging...<br />
Rianne Knoot<br />
TOPOS / 04 / 2006 33
Plannen op de helling<br />
On-Nederlandse stedebouwkundige projecten Buro Lubbers<br />
In de Nederlandse ontwerp-<br />
praktijk voor stedebouw en<br />
landschapsarchitectuur<br />
duiken voortdurend de<br />
beelden op van een aantal<br />
(Noord-) Europese projec-<br />
ten. Projecten die bijna<br />
unaniem door vakgenoten<br />
worden gewaardeerd om<br />
hun schoonheid. Menig<br />
ontwerpbureau voorziet<br />
haar plannen van referentie-<br />
beelden van deze projecten<br />
en ook in gemeentelijke<br />
beeldkwaliteitsplannen of<br />
nota’s van randvoorwaar-<br />
den wordt rijkelijk gebruik<br />
gemaakt van deze beelden.<br />
Maar wat maakt deze Euro-<br />
pese voorbeelden nu zo<br />
bijzonder en hoe staan ze<br />
in verhouding tot de<br />
Nederlandse praktijk?<br />
Eric Jongen<br />
Stedebouwkundige<br />
Marian de Vries<br />
Architect<br />
info@burolubbers.nl<br />
34 TOPOS / 04 / 2006<br />
1:<strong>Europa</strong><br />
Bij het maken van analyses en bij het<br />
ontwikkelen van ruimtelijke concepten<br />
wordt veelvuldig gebruik gemaakt van<br />
referentieprojecten en referentiebeelden<br />
<strong>uit</strong> Noord <strong>Europa</strong>. De projecten dienen<br />
als inspiratie en om los te komen van<br />
standaard oplossingen en tweedimensionale<br />
verkavelingsplannen. Op de schaal<br />
van <strong>Europa</strong> is een lijstje van interessante<br />
voorbeelden van woningbouw in een<br />
landschappelijke setting snel gemaakt.<br />
Menig landschapsarchitect of stedebouwkundige<br />
heeft via boeken, vakbladen of<br />
tijdens één van de excursies langs de<br />
Europese voorbeelden kennis gemaakt<br />
met de Siedlung Halen van Atelier 5 in<br />
Zwitserland, Fredensborghusene van<br />
Jørn Utzon in Denemarken, Dianas Have<br />
en Hestra Parkstad van het Deense architecten<br />
bureau Vandkunsten, het wooncomplex<br />
Hödlwald van de architectengroep<br />
Splitterwerk en het wooncomplex<br />
van Baumschlager & Eberle in Nüziders,<br />
beide in Oostenrijk.<br />
De gemeenschappelijke noemer in de<br />
hierboven opgesomde projecten is de<br />
relatie tussen bebouwing en landschap.<br />
Eerst is de landschappelijke onderlegger<br />
geanalyseerd en gedefinieerd en daarna<br />
worden bebouwde structuren met dit<br />
landschap geconfronteerd. De meerwaarde<br />
voor zowel architectuur als<br />
openbare ruimte zit in het feit dat de<br />
bebouwing daarbij interactie aan gaat<br />
met het landschap waardoor situaties<br />
en plekken ontstaan die nooit standaard<br />
kunnen worden opgelost en die alleen<br />
kunnen op deze bepaalde plek. Dit resulteert<br />
in unieke projecten met een juiste<br />
concentratie van bebouwing in het landschap,<br />
collectieve openbare ruimten,<br />
zorgvuldige overgangen privé-openbaar,<br />
relaties binnen-b<strong>uit</strong>en, (dubbele) oriëntatie<br />
van de woningen, meervoudig<br />
grondgebruik, collectieve voorzieningen,<br />
etc. Alle aspecten en facetten die de<br />
hedendaagse stedebouw de benodigde<br />
sprankeling kunnen geven. Natuurlijk is<br />
de situatie in het b<strong>uit</strong>enland vaak grilliger<br />
en robuuster dan wij in Nederland<br />
kennen en er is daar geen andere keus<br />
dan te reageren op het landschap. In landen<br />
als Oostenrijk, Zwitserland, Zweden<br />
of Denemarken is men gewend aan het<br />
omgaan met hoogteverschillen en het<br />
bouwen in ruigere of bosrijke landschappen.<br />
1:NL<br />
Toch zijn er ook in de Nederlandse praktijk<br />
voldoende kansen en mogelijkheden<br />
om projecten te realiseren die <strong>uit</strong>blinken<br />
op hierboven genoemde aspecten.<br />
Hierbij moet verder worden gegaan dan<br />
het (op)waarderen van een aantal landschappelijke<br />
elementen als dragerstructuur<br />
voor het stedebouwkundig plan.<br />
Landschap en bebouwing moeten op<br />
elkaar reageren en met elkaar worden<br />
verweven. De crux zit hierbij in de benadering<br />
van<strong>uit</strong> het landschap. Door<br />
eerst het bestaande landschap te analyseren<br />
en te definiëren, of door eerst een<br />
nieuw landschap te ontwerpen en pas<br />
daarna de gebouwen hierin te situeren.<br />
Hierbij moeten gebouwen zich relateren<br />
aan het landschap en worden confrontaties<br />
met hoogteverschillen, landschappelijke<br />
elementen (zoals bomen) in de<br />
architectuur opgelost. Op het raakvlak<br />
van architectuur en landschap zitten<br />
daarbij de kansen voor het vormgeven<br />
van bijzondere: semi-openbare ruimtes,<br />
overgangen van privé naar openbaar,<br />
(architectonische) privé b<strong>uit</strong>enruimtes,<br />
parkeeroplossingen, e.d.<br />
1:BL<br />
Met behulp van een tweetal projecten<br />
van Buro Lubbers zal kort worden beschreven<br />
hoe deze benadering kan worden<br />
toegepast en wat dit aan bijzondere<br />
situaties en plekken op kan leveren. De<br />
twee projecten zijn: de ontwikkeling van<br />
woningbouw op het terrein van een voormalig<br />
retraitehuis Manresa in Venlo en<br />
het ontwerp voor woningbouw in en<br />
rond het voormalige kazernecomplex<br />
Saksen Weimar in Arnhem.<br />
Manresa<br />
Het gebied Manresa is gelegen aan de<br />
oostkant van Venlo op een bosrijke stijl-
and van de Maas. Zeer oude bomen en<br />
sterke hoogteverschillen karakteriseren<br />
het gebied.<br />
In opdracht van Johan Matser Stedelijke<br />
herstructurering werkt Buro Lubbers<br />
sinds 2003 aan de inrichting van Manresa.<br />
In het gebied worden maximaal 60 koopwoningen<br />
gerealiseerd in het hogere<br />
prijssegment.<br />
De werkzaamheden omvatten achtereenvolgens<br />
een structuurvisie, beeldkwaliteitsplan,<br />
supervisie over de architectuur<br />
en de <strong>uit</strong>werking van de openbare<br />
ruimte. Door deze continue betrokkenheid<br />
is een plan ontstaan met maximale<br />
samenhang tussen landschap en architectuur.<br />
Op het plateau zijn drie open plekken<br />
aanwezig. De open plekken geven licht<br />
en ruimte in het bos en bieden bovendien<br />
een prachtig zicht op de bosrand<br />
met verschillende soorten bomen. Het<br />
bebouwingsconcept gaat daarom <strong>uit</strong> van<br />
bebouwing op de rand van de open plekken,<br />
in plaats van de open plekken te<br />
benutten.<br />
Er zijn drie bouwvlekken aangewezen,<br />
elk met een eigen karakter. Uitgangspunt<br />
voor de bebouwing is het behoud van<br />
zoveel mogelijk bomen. Daartoe zijn alle<br />
bomen, ongeveer 1200 stuks, ingemeten<br />
door boomspecialist Pius Floris. Met die<br />
informatie is een werkmaquette gemaakt.<br />
In het westen, op de grens van de stijlrand<br />
en grote open plek, is een appartementenblok<br />
gesitueerd dat qua grootte<br />
vergelijkbaar is met het voormalige retraîtehuis.<br />
Het appartementencomplex<br />
bestaat <strong>uit</strong> twee volumes met een dubbele<br />
oriëntatie naar zowel de open plek<br />
als de Maas en het centrum van Venlo.<br />
Op de zuidelijke helling komen woningen<br />
die gebruik maken van het hoogteverschil<br />
van ongeveer zes meter.<br />
Entrees op diverse niveaus, dakterrassen<br />
en loopbruggen bepalen het beeld. De<br />
woningen zijn lang en smal, waardoor<br />
ze zich precies tussen de boomstammen<br />
bewegen. De bomen staan soms op<br />
slechts 30 cm van de gevel. Dankzij het<br />
hoogteverschil is optimale privacy mogelijk<br />
en een keur aan woningtypen met<br />
Manresa: Plankaart<br />
Manresa: Maquette plan met ingemeten bomen naar soort<br />
even zovele b<strong>uit</strong>enruimtes.<br />
In het oosten is een woningcluster van<br />
patiowoningen ontworpen. De woningen<br />
voegen zich als een olievlek tussen en<br />
rond de bomen en blijven alle onder de<br />
boomkronen. Op sommige plaatsen<br />
zijn bestaande bomen opgenomen in<br />
patio’s.<br />
Normaalgesproken kan er niet onder<br />
bomen gebouwd worden, vanwege het<br />
wortelgestel dat zich precies onder de<br />
kroonspiegel bevindt. Door toepassing<br />
een speciale fundering is dit wel mogelijk.<br />
De inrichting van de openbare ruimte<br />
reageert eveneens op de gegevenheden<br />
van de plek.<br />
Het gebied wordt op een natuurlijke manier<br />
in tweeën gedeeld: een b<strong>uit</strong>enschil<br />
en een binnengebied. De verschillen zijn<br />
het gevolg van natuurlijke tegenstellingen<br />
zoals helling versus plateau, bosgebied<br />
versus beschutte open plek, natuurlijk<br />
versus ingericht. De natuurlijke verdeling<br />
in b<strong>uit</strong>enschil en middengebied<br />
wordt in het plan versterkt, waardoor er<br />
een logische overgang van semi-openbaarheid<br />
naar privé ontstaat.<br />
Voor de wegen geldt hetzelfde als de<br />
bebouwing. Er wordt zoveel mogelijk<br />
gebruik gemaakt van bestaande wegen,<br />
TOPOS / 04 / 2006 35
om de bomen te sparen. Op sommige<br />
plaatsen wordt de weg als brugconstructie<br />
<strong>uit</strong>gevoerd, zodat de boomwortels<br />
ontzien worden en voldoende lucht en<br />
water krijgen en niet afsterven door de<br />
druk van grond en verkeer. De paden<br />
worden allemaal zwevend <strong>uit</strong>gevoerd.<br />
Ter plaatse van bomen wordt een ruimte<br />
in het pad <strong>uit</strong>gespaard. Momenteel is<br />
een team van ontwerpers en adviseurs<br />
bezig met de <strong>uit</strong>werking van het plan.<br />
Buro Lubbers voert in dit traject de regie<br />
en is verantwoordelijk voor het ontwerp<br />
van de openbare ruimte. Voor de woningen<br />
zijn Diederendirrix architecten,<br />
Korteknie Stuhlmacher Architecten en<br />
ir. Bart Duvekot Architect actief.<br />
Saksen Weimar<br />
In januari van dit jaar schreef de gemeente<br />
Arnhem een prijsvraag <strong>uit</strong> voor de<br />
ontwikkeling van het gebied rond het<br />
voormalige kazernecomplex Saksen Weimar.<br />
Buro Lubbers heeft in opdracht<br />
van en in samenwerking met Westerbeek<br />
Vastgoed, Giesbersgroep, Vivare,<br />
Grontmij en Braaksma & Roos Architecten<br />
hiervoor de inzending Groene<br />
Treden gemaakt. Op 27 juni jl. selecteerde<br />
de jury Groene Treden als winnend<br />
ontwerp.<br />
De landschappelijke ligging van de locatie<br />
Saksen Weimar aan de heuvelrijke<br />
bosachtige noordrand van Arnhem is<br />
zeer bepalend voor het landschappelijk<br />
en stedenbouwkundig ontwerp. De ligging<br />
op de overgang van de stad naar<br />
de Veluwe, op een noordhelling met<br />
zicht op het dal van Valkenhuizen, geeft<br />
de locatie karakteristieken die in Nederland<br />
maar weinig voorkomen. De grote<br />
niveauverschillen in het gebied en het<br />
feit dat de locatie wordt omringd door<br />
landschappelijk waardevolle eenheden<br />
zijn de belangrijkste <strong>uit</strong>gangspunten<br />
Saksen Weimar: Profiel noord-zuid<br />
36 TOPOS / 04 / 2006<br />
voor het ontwerp van Groene Treden.<br />
Groene Treden bestaat <strong>uit</strong> geaccidenteerd<br />
bosachtig landschap karakteristiek voor<br />
deze omgeving, met daarin opgenomen<br />
verschillende woonmodules en het<br />
kazernecomplex Saksen Weimar. Het<br />
kazernecomplex is het nieuwe icoon<br />
van de locatie. Het exercitieterrein blijft<br />
gehandhaafd en wordt, omarmd met<br />
nieuwe en bestaande bebouwing, een<br />
aantrekkelijk pleinruimte. Hier wordt<br />
met een mix van wonen, kunst, cultuur,<br />
startende ondernemers en kleinschalige<br />
horeca een betekenisvolle plek voor<br />
Arnhem gecreëerd.<br />
De belangrijkste ingrepen in de landschappelijke<br />
onderlegger zijn het plooien<br />
van het terrein en het aansl<strong>uit</strong>en op<br />
landschappelijke eenheden en routes in<br />
de omgeving. De opbouw van het gebied<br />
bestaat in de huidige situatie <strong>uit</strong> ca. zeven<br />
terrassen die aflopen naar het noorden.<br />
De terrassen worden aan de noordzijde<br />
opgehoogd en aan de zuidzijde afgegraven<br />
waardoor een opeenvolging van zuidhellingen<br />
ontstaat. De “steile” zuidhellingen<br />
bieden unieke mogelijkheden<br />
voor de realisatie van bijzondere woningtypologieën<br />
en zorgen tevens voor veel<br />
variatie in het boslandschap doordat het<br />
hemelwater in de laagtes langer wordt<br />
vastgehouden. Hier worden met behulp<br />
van een kunstmatige leemlaag kleine<br />
poelen gemaakt.<br />
Voor het woongebied zijn flexibele<br />
woonmodules ontworpen die reageren<br />
op het nieuw gecreëerde reliëf. De woonmodules<br />
zijn geïnspireerd op de Halen<br />
siedlung (van Atelier 5 in Zwitserland)<br />
en Fredensborghusene (van Jørn Utzon<br />
in Denemarken) en profiteren optimaal<br />
van de niveauverschillen. Op de steile hellingen<br />
komen on-Nederlandse woningtypologieën<br />
die wat betreft Zuid oriëntatie,<br />
overgang privé-openbaar en par-<br />
keeroplossingen optimaal profiteren van<br />
de niveauverschillen. De modules zijn<br />
opgebouwd <strong>uit</strong> grondgebonden woningen<br />
met een achtertuin of een architectonische<br />
b<strong>uit</strong>enruimte op het zuiden.<br />
Ze worden aan de binnenzijde ontsloten<br />
door een woonerf en liggen aan de b<strong>uit</strong>enzijde<br />
vrij in het beboste landschap.<br />
De opbouw van de woonmodules kent<br />
veel overeenkomsten met de siedlung<br />
Halen in Bern <strong>uit</strong> 1961. In dit beroemde<br />
project van Atelier 5 is voor het vormgeven<br />
van openbaar-semi-openbaarprivé<br />
en het oplossen van het parkeerprobleem<br />
optimaal gebruik gemaakt van<br />
de ligging op een steile helling. Daarbij<br />
zijn de scheiding van voetgangersgebied<br />
(beboste zones tussen de woonmodules)<br />
en straten voor autoverkeer (woonerven<br />
binnenzijde woonmodules) thema’s<br />
die ook aan het einde van de jaren ’60<br />
erg actueel waren. Op de schaal van de<br />
hele wijk en de manier waarop de woonmodules<br />
zich voegen in het geplooide<br />
landschap is het plan Groene Treden schatplichtig<br />
aan het plan van Jørn Utzon in<br />
Denemarken. De grote winst hierbij is<br />
dat iedereen ongeacht het marktsegment<br />
van zijn of haar woning, op een helling<br />
in het bosachtige landschap kan wonen.<br />
1:1<br />
Een integrale ontwerpbenadering waarbij<br />
zowel de rol van de landschapsarchitect<br />
als die van de architect op elkaar<br />
moeten worden afgestemd is erg belangrijk.<br />
Landschappelijke stedebouw impliceert<br />
dat met het ontwerp van de landschappelijke<br />
onderlegger randvoorwaarden<br />
worden gegeven en condities worden<br />
geschapen waarop de architectuur moet<br />
reageren. Tijdens het hierop volgende<br />
ontwerpproces vindt een kruisbestuiving<br />
tussen architect en landschapsarchitect<br />
plaats, waardoor plannen onver-
wachte en specifieke kwaliteiten krijgen<br />
en zich daarmee onderscheiden van doorsnee<br />
projecten. In deze fase treedt de<br />
landschapsarchitect op als supervisor.<br />
1:1 leidt tot architectuur die respectvol<br />
is naar de omgeving en tot een omgeving<br />
die meerwaarde levert aan de architectuur.<br />
Met ontwerpen als voor Manresa en<br />
Groene Treden wordt gepoogd om projecten<br />
“on-Nederlandse” karakteristieken<br />
en kwaliteiten te geven. Door eerst het<br />
landschap te definiëren en te ontwerpen<br />
en daarna bebouwing en architectuur<br />
hierop te laten reageren, kunnen bijzondere<br />
projecten worden gerealiseerd die<br />
uniek zijn voor een bepaalde plek. Het<br />
bijzondere karakter van de genoemde<br />
Noord Europese voorbeelden kan hierdoor<br />
ook in Nederlandse projecten<br />
worden teruggevonden.<br />
Noot<br />
Buro Lubbers ontwerpt stedenbouwkundige<br />
plannen van<strong>uit</strong> het landschap en<br />
van<strong>uit</strong> de openbare ruimte. Bij de aanpak<br />
van dergelijke opgaven wordt <strong>uit</strong>gegaan van<br />
het landschap en de daarin gegroeide<br />
structuren. Het idee hierbij is om<br />
historische structuren en de ontwikkeling<br />
van deze structuren in het onderliggende<br />
landschap te begrij-pen en te gebruiken als<br />
aanleiding voor de ontwikkeling van nieuwe<br />
bouwste-nen. Doel daarbij is om woon-,<br />
werk- en verblijfsmilieus te ontwikkelen die<br />
specifiek aansl<strong>uit</strong>en op de karakteris-tieken<br />
en kwaliteiten van de plek.<br />
Saksen Weimar: Profiel ingreep afgraven zuidhellingen<br />
Saksen Weimar: Principeprofiel woonmodules<br />
Summary<br />
In the Netherlands there are different<br />
kinds of landscapes which have possibilities<br />
and opportunities to relate to<br />
landscape approached designs in<br />
other countries of Europe. Projects of<br />
other countries can be used as<br />
references. By analysing these<br />
projects the advantages which they<br />
have become clear and after<br />
translating can be used in projects in<br />
the Netherlands. Manresa (near<br />
Venlo) and Saksen Weimar (Arnhem)<br />
are examples where the landscape<br />
architecture com-pany Buro Lubbers<br />
made use of refe-rences of projects<br />
abroad. They made use of Halen<br />
siedlung (of Atelier 5 in Switzerland)<br />
and Fredensborghusene (van Jørn<br />
Utzon in Denmark). These projects<br />
incorporated landscape features which<br />
are also situated in the Dutch<br />
landscape near Arnhem. Utilizing the<br />
unique landscape qualities and<br />
incorpo-rating interesting program and<br />
architec-ture will distinguish these<br />
projects from average projects. To get<br />
these results it is important to take the<br />
existing land-scape into account and<br />
to make the design a multidisciplinary<br />
endeavour. This means in general that<br />
it is impor-tant to define the landscape<br />
first. The second step is the reaction<br />
of the archi-tecture to this landscape.<br />
TOPOS / 04 / 2006 37
Wat willen planners met <strong>Europa</strong>?<br />
Planning en besl<strong>uit</strong>vorming<br />
op allerlei bestuurlijke ni-<br />
veaus ondervindt steeds<br />
meer invloed van<strong>uit</strong> Euro-<br />
pa. Het is dan ook verba-<br />
zingwekkend dat er relatief<br />
weinig inzicht is in de wijze<br />
waarop Europees beleid en<br />
regelgeving doorwerkt en<br />
wat de rol van verschil-<br />
lende actoren daarbij is. Dit<br />
inzicht is noodzakelijk om<br />
discussies over de rol van<br />
<strong>Europa</strong>, bijvoorbeeld ten<br />
aanzien van ruimtelijke<br />
ordening, op een zinnige<br />
manier te voeren. Een gat<br />
in de markt dus voor on-<br />
derzoekers op het gebied<br />
van planning en besl<strong>uit</strong>-<br />
vorming.<br />
Raoul Beunen<br />
Onderzoeker Leerstoelgroep<br />
Landgebruiksplanning Wageningen<br />
Universiteit<br />
raoul.beunen@wur.nl<br />
38 TOPOS / 04 / 2006<br />
Europees beleid en regelgeving spelen<br />
in toenemende mate een rol in de ruimtelijke<br />
ordening. Europees beleid en<br />
regelgeving worden bijvoorbeeld vaak<br />
genoemd als reden waarom plannen en<br />
projecten niet mogen worden toegestaan.<br />
Maar is het wel zo dat <strong>Europa</strong><br />
bepaalt wat wij in ons land wel en niet<br />
mogen doen? Uiteraard heeft <strong>Europa</strong><br />
invloed, maar de <strong>uit</strong>eindelijke beslissingen<br />
maken we toch zeker zelf?!<br />
Voordat we een antwoord kunnen geven<br />
op deze vraag is het nodig om inzicht<br />
te hebben in de invloed van <strong>Europa</strong> op<br />
de besl<strong>uit</strong>vorming in ons land. En dat<br />
ontbreekt helaas nog al eens. Ondanks<br />
het toenemende besef van de Europese<br />
invloed is er nog maar weinig inzicht in<br />
de wijze waarop Europees beleid en regelgeving<br />
doorwerken naar het nationale,<br />
regionale en lokale bestuursniveau.<br />
Het boek Making European Space<br />
(Jensen & Richardson, 2004) is een van<br />
de weinige studies naar de relatie tussen<br />
Europees beleid en de inrichting van de<br />
ruimte. Het is een aanrader voor alle<br />
planners die geïnteresseerd zijn in <strong>Europa</strong><br />
maar ook voor diegene die meer<br />
willen weten over de wijze waarop gedachten<br />
en ideeën de inrichting van de<br />
ruimte bepalen. De onderzoekers laten<br />
in dit boek zien hoe via Europees beleid<br />
een eenzijdig beeld over de inrichting<br />
van <strong>Europa</strong> is ontstaan. Dit beeld is de<br />
discussies over de inrichting van de<br />
ruimte gaan domineren. In dit beeld<br />
staan economische groei en de daarvoor<br />
noodzakelijke mobiliteit centraal<br />
en worden andere belangen, ideeën en<br />
alternatieven b<strong>uit</strong>engesloten. Ze spreken<br />
dan ook van een monotopia. De schrijvers<br />
plaatsen de nodige vraagtekens bij<br />
de democratische legitimiteit hiervan<br />
en roepen op tot een kritische analyse.<br />
“They (actors within transnational policy processes)<br />
need to understand how a monotopia<br />
can be reproduced across policy spaces, and<br />
how minds and actions are subtly shaped so<br />
that once highly controversial ideas become<br />
natural, and alternatives become unthinkable.<br />
This means understanding the relations between<br />
discourse and the ways they are institutional-<br />
ised: how policy ideas get formed and reproduced”<br />
(Jensen & Richardson, 2004).<br />
Implementatie onderzoek<br />
Inzicht in de invloed van Europees beleid<br />
en regelgeving op de besl<strong>uit</strong>vorming<br />
in Nederland kan worden verkregen<br />
door het implementatie proces te<br />
onderzoeken. De suggestie wordt nogal<br />
eens gewekt dat implementatie simpelweg<br />
het <strong>uit</strong>voeren van beleid is. <strong>Europa</strong><br />
stelt beleid en regelgeving op en de lidstaten<br />
voeren het <strong>uit</strong>. Dit beeld is echter<br />
veel te simplistisch. Implementatie wordt<br />
in de literatuur dan ook beschreven als<br />
een complex en langdurig politiek proces<br />
waarin een groot aantal partijen gezamenlijk<br />
een beleids<strong>uit</strong>komst moeten<br />
bepalen (Pressman & Wildavsky, 1973;<br />
Barrett, 2004; Schofield, 2001;<br />
Mazmanian & Sabatier, 1983). Dat betekent<br />
dat bij elke keuzesituatie waarin<br />
het betreffende beleid een rol speelt,<br />
telkens opnieuw de betekenis van dit<br />
beleid “bevochten” wordt.<br />
Implementatie literatuur benadrukt ook<br />
de interpretatieruimte van beleid en regelgeving.<br />
Het boek “ruimte rond regels”<br />
beschrijft <strong>uit</strong>voerig dat regelgeving per<br />
definitie niet uniform kan worden toegepast<br />
(Bakker & Van Waarden, 1999).<br />
Er is altijd sprake van zogenaamde discretionaire<br />
ruimte: ruimte om beleid en<br />
regelgeving op eigen wijze te interpreteren<br />
en ruimte om deze op eigen wijze<br />
toe te passen. Aan de ene kant biedt deze<br />
ruimte de mogelijkheid om regelgeving<br />
flexibel toe te passen in specifieke<br />
situaties. Aan de andere kant ontstaan<br />
hierdoor verschillen in toepassing. De<br />
hoeveelheid ruimte die een bepaalde<br />
wet of beleid toelaat, wisselt <strong>uit</strong>eraard<br />
en bovendien wordt dit beïnvloed door<br />
institutionele kaders.<br />
Ook Europese regelgeving kent een<br />
“ruimte rond regels”. Dat betekent dat<br />
lidstaten altijd een zekere mate van<br />
vrijheid hebben om deze regelgeving<br />
naar eigen inzichten toe te passen. Het<br />
besef van discretionaire ruimte rondom<br />
Europese regelgeving wordt nog versterkt<br />
als we eens kritischer kijken naar
de wijze waarop Europese regelgeving<br />
is geformuleerd. Europese regelgeving<br />
is vaak het resultaat van een langdurig<br />
overleg- en onderhandelingsproces.<br />
Deelnemers aan dit proces, de verschillende<br />
lidstaten, hebben vaak heel andere<br />
belangen en ideeën over regelgeving.<br />
Het <strong>uit</strong>eindelijk voorstel is er één waar<br />
ze allen mee moeten instemmen. Deze<br />
complexe besl<strong>uit</strong>vormingssituatie leidt<br />
er vaak toe dat Europese regelgeving<br />
vaag wordt geformuleerd (Fairbrass,<br />
2000; Dimitrakopoulos & Richardson,<br />
2001). Deze vaagheid geeft betrokken<br />
immers veel meer mogelijkheden om er<br />
hun eigen invulling aan te geven.<br />
Scharpf (1988) noemt deze besl<strong>uit</strong>vormingssituatie<br />
de “joint decision trap”<br />
waarmee hij wil aangeven dat beleid en<br />
regelgeving dat op een dergelijke manier<br />
tot stand komt altijd gebreken zal vertonen.<br />
Meer dan andere regelgeving<br />
laat Europese regelgeving dus ruimte<br />
voor interpretatie en ruimte voor zeer<br />
gedifferentieerde toepassing.<br />
Implementatie van Europees beleid is<br />
dus geen kwestie van simpelweg regels<br />
overnemen. Het is dan ook van belang<br />
om inzicht te krijgen in de keuzes die<br />
gemaakt worden door verschillende betrokkenen<br />
en de wijze waarop regels<br />
worden geïnterpreteerd en toegepast.<br />
Dit bepaalt immers voor een groot deel<br />
de gevolgen die Europees beleid en<br />
regelgeving hebben op planning en<br />
besl<strong>uit</strong>vorming in de lidstaten.<br />
Een voorbeeld: implementatie van<br />
de vogel- en habitatrichtlijn<br />
Het feit dat Europese regelgeving vaag<br />
of breed is geformuleerd, zorgt voor<br />
vele onduidelijkheden bij de <strong>uit</strong>voerders<br />
ervan. Zij moeten immers aan deze<br />
regelgeving voldoen maar weten vaak<br />
niet op welke wijze. Een goed voorbeeld<br />
hiervan zijn de vele onduidelijkheden,<br />
problemen en conflictsituaties die zijn<br />
ontstaan rondom de vogel- en habitatrichtlijn.<br />
Een analyse van de problematiek<br />
rondom deze Europese richtlijnen laat<br />
zien dat de onduidelijkheden rondom<br />
de regels oorzaak is geweest voor vele<br />
Uit de kranten (foto Raoul Beunen)<br />
conflicten (Beunen, 2006). Zo was er<br />
bijvoorbeeld geen duidelijkheid over<br />
welke regels toegepast moesten worden,<br />
wat deze regels precies inhielden en was<br />
er geen of onvoldoende informatie<br />
over het voorkomen van beschermde<br />
soorten. In veel gevallen wisten besl<strong>uit</strong>vormers<br />
dus niet of niet goed hoe ze<br />
met de Europese regelgeving moesten<br />
omgaan. Het is dan ook niet verwonderlijk<br />
dat veel besl<strong>uit</strong>en niet aan de eisen<br />
van de Habitatrichtlijn voldeden en via<br />
rechtzaken zijn gefrustreerd.<br />
Deze situatie heeft laten zien dat de rijksoverheid<br />
een grote verantwoordelijkheid<br />
heeft bij de implementatie van Europese<br />
regelgeving. Ten eerste is de rijksoverheid<br />
verantwoordelijk voor het informeren<br />
van alle relevante betrokkenen. Vooral<br />
provincies en gemeenten die in hun<br />
besl<strong>uit</strong>vorming rekening moeten<br />
houden met deze nieuwe Europese<br />
eisen, moeten op de hoogte zijn van<br />
deze regelgeving om ook daadwerkelijk<br />
te kunnen voldoen aan de gestelde<br />
eisen. In het geval van de vogel- en<br />
habitatrichtlijn is daarnaast informatie<br />
over beschermde gebieden en het<br />
voorkomen van beschermde soorten<br />
essentieel.<br />
Maar informeren alleen is niet voldoende.<br />
We hebben immers laten zien dat<br />
regelgeving (en zeker Europese regelgeving)<br />
altijd ruimte geeft om op verschillende<br />
wijze te worden geïnterpreteerd<br />
en toegepast. Deze ruimte betekent dat<br />
er ook duidelijkheid moet worden gegeven<br />
over de invulling ervan. De rijks-<br />
overheid is in die zin verantwoordelijk<br />
voor een vertaalslag van het Europese<br />
niveau naar het Nederlandse niveau.<br />
Dit betekent dat er keuzes gemaakt<br />
moeten worden en dat lagere overheden<br />
en andere betrokken actoren moeten<br />
worden ingelicht over deze keuzes.<br />
Gebeurt dat niet dan worden deze gedwongen<br />
om zelf op zoek te gaan naar<br />
een geschikte werkwijze. Dit zal vaak<br />
een trial-and-error proces zijn, vooral<br />
ook omdat deze actoren onvoldoende<br />
op de hoogte zijn van de Europese<br />
regelgeving en vaak de inhoudelijke<br />
kennis ontberen om de regelgeving op<br />
geschikte wijze in te vullen. Door alle<br />
onduidelijkheden en tegenstrijdige visies<br />
en belangen is besl<strong>uit</strong>vorming vaker via<br />
rechtzaken verlopen. Ten aanzien van<br />
de vogel- en habitatrichtlijn is te zien<br />
dat daardoor de nadruk op procedurele<br />
eisen van de richtlijnen is komen te<br />
liggen. Dit zijn namelijk aspecten waar<br />
rechters op toetsen. De inhoud en het<br />
oorspronkelijk doel van de richtlijn<br />
verdwijnt daarmee naar de achtergrond<br />
(Beunen, 2006).<br />
Na een periode waarin vele plannen en<br />
projecten tot rechtzaken hebben geleid,<br />
ontstond het idee dat deze Europese<br />
regelgeving ervoor zou zorgen dat geen<br />
enkel plan of project meer zou kunnen<br />
doorgaan. Het interdepartementaal beleidsonderzoek<br />
naar de Europese en<br />
Nederlandse natuurbeschermingsregelg<br />
eving met als titel “Nederland op slot?”<br />
en krantentitels als “verlamd door het<br />
beest”, “gemeenten in de tang van Eu-<br />
TOPOS / 04 / 2006 39
opese regels” of “bedreigde dieren<br />
schrik van bestuurders” zijn hiervan een<br />
illustratie. Inmiddels lijkt het allemaal<br />
wel mee te vallen met de starheid van<br />
de regelgeving. De meeste projecten<br />
zijn, zij het met vertraging, alsnog doorgegaan.<br />
Actoren hebben geleerd van de<br />
problemen en hebben dan ook meer<br />
aandacht voor de (procedurele) eisen<br />
die de vogel- en habitatrichtlijn stelt. In<br />
praktijk betekent dit dat de vereiste onderzoeksrapporten<br />
braaf worden opgesteld.<br />
Deze dienen echter alleen om<br />
genomen besl<strong>uit</strong>en te legitimeren en<br />
niet als basis voor het te nemen besl<strong>uit</strong>.<br />
Het is belangrijker dat er een rapport<br />
ligt, dan dat dit inhoudelijk een rol<br />
speelt. De vraag is echter of dit is wat<br />
ooit met de richtlijnen is beoogd. Het<br />
doel van de richtlijnen is immers niet dat<br />
er meer onderzoeksrapporten worden<br />
opgesteld maar dat Europees bedreigde<br />
soorten en gebieden meer bescherming<br />
genieten.<br />
In het geval van de vogel- en habitatrichtlijn<br />
heeft de Nederlandse rijksoverheid<br />
een afwachtende houding aangenomen.<br />
Ze zijn zelfs een aantal maal door het<br />
Europese hof van Justitie op de vingers<br />
getikt. Zo heeft bijvoorbeeld het<br />
aanwijzen van beschermde gebieden erg<br />
lang geduurd. Ook het aanpassen van<br />
de nationale natuurbeschermingsregelgeving<br />
is pas recentelijk afgerond. Maar<br />
ook de informatievoorziening is erg<br />
moeizaam verlopen. Vaak werd de<br />
noodzakelijke informatie pas verspreid<br />
nadat de nodige problemen waren opgetreden.<br />
Het is duidelijk dat regelgeving zichzelf<br />
niet implementeert; dit doen de betrokken<br />
<strong>uit</strong>voerders. Juist in het geval van<br />
Europese regelgeving is het van belang<br />
dat de nationale overheid haar verantwoordelijkheid<br />
neemt en zorgt voor een<br />
inhoudelijke vertaling. Ze moet actief<br />
duidelijkheid geven over de regelgeving<br />
en de gewenste omgang ermee. Alleen<br />
dan kan voorkomen worden dat Europese<br />
regelgeving alleen maar leidt tot<br />
meer regeldruk, hogere proceskosten<br />
en frustraties.<br />
40 TOPOS / 04 / 2006<br />
Wat willen planners met <strong>Europa</strong>?<br />
Met de bovenstaande inzichten willen we<br />
pleiten voor meer aandacht voor onderzoek<br />
naar de implementatie van Europees<br />
beleid en voor meer besef van de<br />
rol die nationale actoren hebben bij de<br />
<strong>uit</strong>voering van Europees beleid. Er is<br />
meer inzicht nodig in de wijze waarop<br />
Europese regels doorwerken en hoe er<br />
invulling aan wordt gegeven. Dit kan<br />
vervolgens gebruikt worden voor het<br />
evalueren van dit Europees beleid.<br />
Leidt het Europees beleid <strong>uit</strong>eindelijk<br />
tot gewenste resultaten? Welke rol speelt<br />
Europese beleid in de strijd om de<br />
ruimte? Hoe gebruiken actoren het Europees<br />
beleid om hun eigen belangen te<br />
behartigen? In hoeverre botst Europees<br />
beleid met nationale ideeën en belangen?<br />
En tot op welke hoogte is het wenselijk<br />
dat <strong>Europa</strong> zich met de ruimtelijke<br />
ordening van de lidstaten bemoeit? Een<br />
discussie over de rol van <strong>Europa</strong> is voor<br />
planners <strong>uit</strong>ermate relevant omdat er<br />
allerlei Europese initiatieven lopen op<br />
het gebied van de ruimtelijke ordening.<br />
Voorbeelden daarvan zijn het European<br />
Spatial Development Perspective (ESD<br />
P), het concept “territoriale cohesie” en<br />
Guiding Principles for Sustainable Spatial<br />
Development of the European<br />
Continent (GPSSDEC-CEMAT) (zie<br />
bijvoorbeeld Faludi, 2000 of Faludi en<br />
Waterhout, 2002).<br />
Vogelrichtlijn (foto Raoul Beunen)<br />
De vraag is of er überhaupt wel behoefte<br />
is aan een samenhangende Europese<br />
visie op de ruimtelijke ordening. Wie<br />
moet deze visie opstellen en op basis<br />
waarvan? En wiens belangen worden<br />
daarmee behartigd? Jensen & Richardson<br />
(2004) plaatsen in hun boek grote vraagtekens<br />
bij de legitimiteit van dit soort<br />
initiatieven en laten zien dat het allerlei<br />
ongewenste effecten kan hebben voor<br />
plannings- en besl<strong>uit</strong>vormingpraktijken<br />
in de lidstaten. Juist daarom is onderzoek<br />
naar de relatie tussen <strong>Europa</strong> en de<br />
ruimtelijke ordening van groot belang.<br />
Hiermee komen we ook weer terug bij<br />
de vraag “wat willen planners met <strong>Europa</strong>”.<br />
Voor diegene die “iets” willen met<br />
<strong>Europa</strong> zijn er in ieder geval voldoende<br />
mogelijkheden. Zij kunnen namelijk het<br />
gewenste onderzoek <strong>uit</strong>voeren.<br />
Hiermee kunnen planners een waardevolle<br />
bijdrage leveren aan de discussies<br />
over de rol die <strong>Europa</strong> speelt en kan<br />
spelen bij de inrichting van de ruimte.<br />
Want <strong>uit</strong>eindelijk is <strong>Europa</strong> toch best<br />
belangrijk.<br />
Literatuur<br />
- Bakker, W. & F. van Waarden (ed.) (1999) Ruimte<br />
rond regels. Stijlen van regulering en beleids<strong>uit</strong>voering<br />
vergeleken. Amsterdam: Uitgeverij Boom.
- Bardach, E. & E. Kagan (1982) Going by the<br />
book. The problem of regulatory unreasonableness.<br />
Philidelphia: Temple University Press.<br />
- Barrett, S.M. (2004) Implementation studies:<br />
time for a revival? Personal reflections on 20<br />
years of implementation studies. Public<br />
Administration. Jrg. 82, No. 2.<br />
- Beunen, R. (2006) European Nature<br />
conservation legislation & spatial planning: for<br />
better or for worse? Journal of Environmental<br />
Planning and Management. Jrg. 49, No. 4.<br />
- Dimitrakopoulos, D. & J. Richardson (2001)<br />
Implementing EU public policy. In: Richardson,<br />
J. (2001) European Union: Power and Policy-Making.<br />
London: Routlegde.<br />
- Fairbrass, J. (2000) EU and British biodiversity<br />
policy: ambig<strong>uit</strong>y and errors of judgement. CSERGE<br />
Working Paper, GEC 2000-04.<br />
- Faludi, A. (2000) The European Spatial<br />
Development Perspective – What Next?’,<br />
European Planning Studies Jrg. 8, No 2.<br />
- Faludi, A. & B. Waterhout (2002) The Making of<br />
the European Spatial Development Perspective, No<br />
Masterplan. London: Routledge.<br />
- Jensen, O.B., & T. Richardson (2004) Making<br />
European Space. Mobility, power and territorial identity.<br />
New York: Routledge.<br />
- Mazmanian, D.A. & P.A. Sabatier (1983)<br />
Implementation and Public Policy. Glenview, IL:<br />
Scortt, Foresman and Co.<br />
- Pressman J. & A. Wildavsky (1973)<br />
Implementation. How Great Expectations in Washington<br />
are dashed in Oakland. Berkeley: University of<br />
California Press.<br />
- Scharpf, F.W. (1988) The joint decision trap:<br />
lessons from German federalism and European<br />
integration’, Public Administration. Jrg. 66, No. 3.<br />
- Schofield, J. (2001) Time for a revival? Public<br />
policy implementation: a review of the literature<br />
and an agenda for future research. International<br />
Journal of Management Reviews Jrg. 3, No. 3.<br />
Summary<br />
The influence of European policies on<br />
spatial planning in the member states<br />
is growing. It is surprising, however,<br />
that little is know about the relationships<br />
between European policies and planning<br />
and decision making practices. In<br />
which way do the activities of the EU<br />
affect physical spaces? More insight is<br />
required before we can discuss the<br />
desirability and possibilities of a<br />
European spatial planning system.<br />
Studying the implementation of European<br />
policies is one of the possibilities<br />
to get more insights. It emphasises the<br />
roles of actors and their interpretation<br />
and application of policies. A study of<br />
the implementation of the Birds and<br />
Habitats directives in the Netherlands<br />
is given as an example. Lotte Bontje<br />
Onderwijscolumn<br />
De Masterfase: over verwetenschappelijking<br />
en initiatieven<br />
In de vorige Onderwijscolumn (<strong>Topos</strong> 2) dreef ik een beetje spot<br />
met het fijne en beschermde wereldje van de Hucht. Natuurlijk is<br />
een column niet een plek om woorden terug te nemen of te nuanceren.<br />
Toch wil ik nog even terug komen op dat onderwerp.<br />
Het is, <strong>uit</strong>eraard, niet helemaal waar dat je bij ons constant aan het<br />
handje wordt meegenomen. In de Bachelor is dat wel zo, en dan<br />
is het vaak nuttig, zoals de ‘papa’ van het eerste jaar, Gerrit Kleinrensink.<br />
In de Masterfase gaan er toch momenten komen dat je zelf<br />
met initiatieven moet komen. Taak van de docenten dan om niet<br />
alleen de lieve papa <strong>uit</strong> te hangen. Begeleiders van je afstudeervakken<br />
moeten je kunnen prikkelen en daar horen ook ongezouten kritieken<br />
bij. Niet echt papa-achtig te noemen. Hoewel, het is wellicht<br />
te vergelijken met een kritische papa die hun ouder wordende zoon<br />
of dochter wil <strong>uit</strong>dagen om het beste in hem of haar naar boven te<br />
halen. Zucht, zo’n vader lijkt me trouwens erg vermoeiend.<br />
Maar een logisch vervolg en aanvulling op de Bachelor is dat in de<br />
Master wetenschappelijke diepgang wordt toegevoegd. Althans, dat<br />
wordt geprobeerd. Hiervoor is een stukje specialisatie nodig. Dit is<br />
voor velen niet makkelijk, want onze studie wordt vaak vanwege<br />
brede vakgebied gekozen. Helaas, helaas, enige focus is nodig om<br />
diepgang te krijgen. Of tenminste 10 jaren extra studiebeurs, maar<br />
dat zit er voorlopig niet in. Naast het maken van keuzen wordt je<br />
in de Master-fase gedwongen om zelfstandig en met initiatief te<br />
werken. Dit wordt natuurlijk in de Bachelor ook erg gewaardeerd,<br />
maar is nu noodzakelijk. Zonder initiatief geen afstudeervak en<br />
stage, twee essentiële onderdelen van dit studiedeel. Daarnaast<br />
zijn er nog een handjevol vakken waarin je wordt voorbereid op de<br />
gewenste ‘verwetenschappelijking’. Zelf ben ik geen wetenschapper,<br />
ontdekte ik. Ik denk veel te snel; wat heeft wetenschap nu voor<br />
zin? Conflicten en problemen in ruimtegebruik moeten we toch<br />
gewoon met elkaar oplossen? Wat kan een stoffige wetenschapper<br />
daar nu aan toe voegen? Want voor echte wetenschap moet je<br />
toch bij andere vakgebieden zijn? Ho, ik was van plan vandaag niet<br />
te gaan zeuren. Misschien moet ik die wetenschap niet zo serieus<br />
nemen. Want wat is er nu leuker om al filosoferend oplossingen te<br />
bedenken? En dan ook nog eens eindelijk diepgang, discussie en<br />
koppeling met praktijk! Eerlijk is eerlijk; de Master is tot nu toe zeer<br />
leerzaam. Mits je die zelfstandigheid en initiatieven hebt, natuurlijk.<br />
Hierbij hoop ik dat ik mijn toch enigszins cynische slotstuk van de<br />
vorige onderwijscolumn, waarin ik me afvroeg of we na onze opleiding<br />
wel klaar zouden zijn voor de grote-mensen-wereld, iets heb<br />
kunnen nuanceren. Als ik zie hoe vaak pas afgestudeerde ‘vrienden<br />
van het Zusterhuis’ snel hun plekje kunnen vinden, dan is het<br />
rechtvaardig om te zeggen dat afgestudeerde Landschapplanners<br />
en –ontwerpers zeker wel klaar zijn voor een passende baan in het<br />
werkveld. En bij deze zou ik alle net-afgestudeerden hierbij veel<br />
succes en plezier willen toe wensen!<br />
Goh, wel een veel te lief einde hè?! Tsja, grote kans dat ik mijn medestudiegenoten<br />
in het vakgebied nog een keer tegen kom. En als<br />
planner wil ik natuurlijk iedereen te vriend houden!<br />
TOPOS / / 04 01 / / 2006 2004 41
Waddenland<br />
Een nieuw concept in het denken over de bescherming van de<br />
internationale waddenzee<br />
Aan het begin van onze jaar-<br />
telling keek een Romeinse<br />
legerofficier verbijsterd<br />
naar de mensen die leefden<br />
in een gebied waarvan hij<br />
niet wist of het bij de zee of<br />
bij het land hoorde. Twintig<br />
eeuwen later genieten er<br />
elk jaar ruim tien miljoen<br />
bezoekers van de prachtige<br />
natuur en de bijzondere<br />
cultuurhistorie.<br />
Internationale verdragen,<br />
Europese richtlijnen en<br />
nationale wetgeving pogen<br />
het landschap en de natuur-<br />
lijke waarden van dit unieke<br />
en <strong>uit</strong>gestrekte kustgebied<br />
te beschermen.<br />
Hans Revier<br />
Hoofdredacteur van het Wadden-Magazine,<br />
oud-directeur Waddenvereniging<br />
revier@waddenvereniging.nl<br />
42 TOPOS / 04 / 2006<br />
Maar de huidige bewoners, die generaties<br />
lang vorm gaven aan het gebied dat<br />
anno 2006 in vele toonaarden in talloze<br />
publicaties bejubeld wordt, zetten zich<br />
meer en meer af tegen deze in hun ogen<br />
betuttelende regelgeving. Toch moet de<br />
toekomst van zowel de natuurlijke als<br />
de sociaal-economische ontwikkeling<br />
van dit waddenland gezocht worden in<br />
de bescherming en het behoud van de<br />
rust, ruimte en rijkdom van het gebied,<br />
zo betoogt Hans Revier, oud-directeur<br />
van de Waddenvereniging, onlangs benoemd<br />
tot lector Mariene Wetlands<br />
Studies aan de CHN te Leeuwarden en<br />
de Hanzehogeschool in Groningen.<br />
Dat recentelijk de verschillende stakeholders<br />
elkaar daarin zowel nationaal<br />
als internationaal gevonden hebben is<br />
een eerste, noodzakelijke stap op weg<br />
naar een duurzame toekomst van het<br />
Waddenland.<br />
De scène had niet misstaan in één van<br />
de vele TV-series over de geschiedenis<br />
van het Romeinse rijk. Een vertegenwoordiger<br />
van het Romeinse establishment<br />
kijkt aan de noordelijke rand van<br />
zijn rijk verbijsterd toe hoe een volk<br />
zich handhaaft in een gebied waar twee<br />
keer per dag de zee zich met donderend<br />
geweld instort. Een dergelijke scène is<br />
niet ontsproten aan de fantasie van een<br />
televisiemaker, maar is terug te lezen in<br />
de boeken van legerofficier Plinius de<br />
oudere. Rond het jaar 79 bezocht hij een<br />
gebied dat waarschijnlijk in de buurt van<br />
het huidige Delfzijl gelegen was. “Daar<br />
bewoont dit miserabele ras opgehoogde stukken<br />
grond of platforms, die ze met de hand hebben<br />
aangelegd boven het niveau van het hoogst bekende<br />
getij. Levend in hutten gebouwd op de<br />
gekozen plekken, lijken zij op zeelieden in<br />
schepen als het water het omringende land bedekt,<br />
maar op schipbreukelingen als het getij<br />
zich heeft teruggetrokken.” Zo beschrijft<br />
hij in Naturalis Historia het volk der<br />
Gaucen. Het waddengebied bestond in<br />
die tijd <strong>uit</strong> <strong>uit</strong>gestrekte veenmoerassen,<br />
gelegen achter een aaneengesloten strandwal.<br />
Waar rivieren <strong>uit</strong>mondden, zoals<br />
ter hoogte van de monding van de huidige<br />
Eems, kon de zee kilometers ver<br />
landinwaarts stromen. Door grote dynamiek<br />
tussen land en water, zoet en zout<br />
in dit gebied was er sprake van een grote<br />
natuurlijke productie. De overvloed aan<br />
vissen en schelpdieren maakte het geschikt<br />
voor menselijke bewoning. En<br />
het duurde dan ook niet lang voordat<br />
de bewoners de natuurlijke omstandigheden<br />
naar hun hand probeerden te<br />
zetten.<br />
Strijd tegen het water<br />
De strijd tegen het water heeft altijd centraal<br />
gestaan bij de verdere ontwikkeling<br />
van het waddengebied. Terpen en wierden<br />
werden opgeworpen en al voor de<br />
Middeleeuwen startte men met het aanleggen<br />
van lage dijken. Zo af en toe wist<br />
de natuur het te winnen van de mens.<br />
Stormvloeden sloegen delen van de<br />
strandwal weg en de binnendonderende<br />
zee vaagde grote delen van het veenmoeras<br />
weg. Zo kreeg de Waddenzee<br />
haar <strong>uit</strong>eindelijke vorm. In de waddeneilanden<br />
herkennen we nog de restanten<br />
van de oude strandwal. Nog steeds<br />
spoelen brokken oud veen aan, souvenirs<br />
van het <strong>uit</strong>gestrekte veenmoeras. De<br />
bewoners van de kuststreek probeerden<br />
vanaf de vroege Middeleeuwen het door<br />
kleiafzet vruchtbare land met dijken<br />
tegen de invloed van de zee te beschermen.<br />
Aan het eind van deze tijd was er<br />
al sprake van een ondoorbroken dijklijn<br />
langs de gehele internationale Waddenzeekust.<br />
Tot in de zestiger jaren van de<br />
vorige eeuw wist men de bedijkte kleigebieden<br />
steeds verder <strong>uit</strong> te breiden<br />
door een ingenieus systeem van landaanwinning.<br />
Met behulp van rijshouten<br />
dammetjes werd de aanslibbing aan de<br />
kustlijn gestimuleerd. Na voldoende<br />
opslibbing van de kwelders werd het<br />
nieuwe land ingedijkt en bij de bestaande<br />
landbouwgrond gevoegd. Maar soms<br />
ging het toch weer mis. Door ontwatering<br />
ten behoeve van de landbouw klonk<br />
het ingedijkte gebied in en kwam onder<br />
de zeespiegel te liggen. Een dijkdoorbraak<br />
bij een stormvloed had tot gevolg<br />
dat de zee weer terrein terugwon. Zo<br />
ontstonden de Zuiderzee, de Lauwers
zee en de Dollard. In de 20 ste eeuw werden<br />
die weer afgedamd, gedeeltelijk<br />
ingedijkt en ingepolderd. De huidige<br />
deltadijken markeren de scherpe grens<br />
tussen de <strong>uit</strong>gestrekte natuur van de<br />
Waddenzee en het door de strijd tegen<br />
het water gekenmerkte cultuurgebied<br />
achter de dijk. Niet alleen in het landschap,<br />
met zijn terpen en waterlopen,<br />
weerspiegelt zich de haat-liefde-verhouding<br />
met de zee. Ook de sociaal-economische<br />
en cultuurgeografische geschiedenis<br />
van het gebied wordt hierdoor<br />
sterk bepaald. Door de ligging aan zee<br />
heeft de bevolking al vroeg een levendige<br />
<strong>uit</strong>wisseling met heel <strong>Europa</strong>. Maar tegelijkertijd<br />
voltrekt de ontwikkeling van<br />
het waddengebied zich ver weg van de<br />
politieke en culturele centra van <strong>Europa</strong>.<br />
Ondanks de relatieve rijkdom die de<br />
zeevaart en de landbouw op vruchtbare<br />
grond met zich meebrengt, blijven de<br />
waddenbewoners in de ogen van de<br />
politieke en culturele elite ‘provincialen’.<br />
In de lange kuststrook van Nederland,<br />
D<strong>uit</strong>sland en Denemarken, aan de periferie<br />
van noordwest <strong>Europa</strong>, is sprake<br />
van een overeenkomstige ontwikkeling<br />
van de politieke en culturele structuur.<br />
De wijze van dijkenbouw en afwatering,<br />
de sociale organisatiestructuur en een<br />
levendige taaltraditie (het Fries) zijn<br />
daar exponenten van. Maar de waddenregio<br />
ontwikkelt zich niet tot een politieke<br />
eenheid. Verschillende overheersers,<br />
overheden en landen zwaaien er de<br />
scepter. Maar toch ontstaat door de<br />
gemeenschappelijke vijand, het water,<br />
een unieke sociale organisatie. Een van<br />
bovenregionale instanties onafhankelijk<br />
bestuur waakt over de dijkenbouw en<br />
de afwatering. Deze vormen van zelfstandige<br />
samenwerking, die al in de vroege<br />
elfde eeuw ontstonden, kennen we nu<br />
nog als de waterschappen in Nederland<br />
of het Deich- und Sielverband in D<strong>uit</strong>sland.<br />
Natuurbescherming<br />
Van bescherming van de waddennatuur<br />
is pas in de twintigste eeuw sprake. In<br />
de jaren twintig worden de eerste natuur-<br />
reservaten ingesteld. Het vogeleilandje<br />
Griend in Nederland, en de D<strong>uit</strong>se eilandjes<br />
Jordsand, Norderoog, Memmert<br />
en Mellum zijn daar voorbeelden van.<br />
Toch duurt het tot het begin van de<br />
jaren tachtig voor er sprake is van een<br />
integraal beschermingsregime voor de<br />
internationale Waddenzee. Twintig jaar<br />
eerder onderkent men de unieke natuurwaarden<br />
van de Waddenzee en groeit<br />
het besef dat deze door de plannen voor<br />
indijking en inpoldering, de waterverontreiniging<br />
en de toenemende recreatiedruk,<br />
ernstig gevaar lopen. Nederland<br />
kiest voor een integrale aanpak middels<br />
het instellen van de Planologische Kernbeslissing<br />
Waddenzee (PKB).<br />
Gekoppeld aan de provinciale en gemeentelijke<br />
indeling van de Waddenzee<br />
vormt de PKB de grondslag voor het<br />
beleid en het beheer van de Waddenzee<br />
ten behoeve van het rijk, de provinciale<br />
en de gemeentelijke overheid.<br />
Hoofddoelstelling van de PKB is de bescherming<br />
en duurzame ontwikkeling<br />
van de Waddenzee als natuurgebied.<br />
Menselijke activiteiten en economische<br />
belangen worden via het in de PKB omschreven<br />
afwegingskader getoetst aan<br />
deze hoofddoelstelling. De PKB wordt<br />
vastgesteld door het Nederlandse<br />
parlement – op dit moment is de derde<br />
PKB in procedure -, maar kent op zich<br />
niet de kracht van wet. Daarom is aan<br />
de PKB-Waddenzee de Natuurbeschermingswet<br />
gekoppeld. Begin tachtiger<br />
jaren is een groot deel van de Nederlandse<br />
Waddenzee aangemerkt als natuurreservaat.<br />
Na aanvullende besl<strong>uit</strong>en is<br />
95% van het gebied beschermd natuurgebied.<br />
De hoofdvaargeulen, naar bijvoorbeeld<br />
Delfzijl, Harlingen en Den<br />
Helder zijn hiervan <strong>uit</strong>gezonderd.<br />
Evenals de strook Waddenzee onder de<br />
eilanden. Dit gebeurt op <strong>uit</strong>drukkelijk<br />
verzoek van de eilander bevolking. Men<br />
vreest namelijk dat een dergelijke aanwijzing<br />
het cultuurhistorisch bepaalde<br />
medegebruik van de Waddenzee door<br />
de eilanders sterk beperkt. De delen<br />
Waddenzee onder de eilanden tot aan<br />
de eerste geul worden nu middels ge-<br />
meentelijke verordeningen beschermd.<br />
De natuurbeschermingswet stelt dat het<br />
verboden is zonder toestemming activiteiten<br />
te ondernemen die het beschermde<br />
gebied verstoren, schade toebrengen<br />
of ten gronde richten, met inbegrip van<br />
de flora en fauna en het belang van het<br />
gebied voor de wetenschap. Voor de<br />
verschillende vormen van menselijke<br />
activiteiten in de Nederlandse Waddenzee<br />
moet derhalve een vergunning<br />
worden afgegeven. Waar Nederland<br />
<strong>uit</strong>gaat van een complex beleidsinstrumentarium<br />
dat activiteiten zoneert, stelt<br />
D<strong>uit</strong>sland nationale parken in. De deelstaten<br />
Sleeswijk-Holstein, Nedersaksen<br />
en Hamburg reguleren middels de Wetten<br />
op de Nationale Parken de toegankelijkheid<br />
van delen van de Waddenzee. De<br />
kernzones (zero use zones of zones 1)<br />
zijn niet voor het publiek toegankelijk en<br />
slechts bij <strong>uit</strong>zondering zijn commerciële<br />
activiteiten toegestaan. Dit gebied<br />
beslaat ruwweg 50% van de D<strong>uit</strong>se<br />
Waddenzee. De Deense Waddenzee is<br />
bij wet aangemerkt als Fauna en Natuurreservaat.<br />
Een kleine kernzone (10%) is<br />
voor publiek gesloten. Pleziervaart<br />
wordt toegestaan in 60% van het Fauna<br />
en Natuurreservaat. De resterende 30%,<br />
waarin de voornaamste vaargeulen<br />
vallen, kent nauwelijks beperkingen.<br />
Deze verschillen in benadering van de<br />
bescherming van de Waddenzee hebben<br />
geruime tijd het debat over de meest<br />
wenselijke internationale bescherming<br />
van de Waddenzee overheerst. De<br />
implementatie van de EU Vogelrichtlijn<br />
en de EU Habitatrichtlijn gaf echter<br />
een nieuwe impuls aan het denken over<br />
de internationale Waddenzeebescherming.<br />
Op grond van de EU Vogelrichtlijn en<br />
de Habitatrichtlijn is de internationale<br />
Waddenzee aangewezen als speciale<br />
beschermingszone. Deze aanwijzingen<br />
geschieden op grond van nationale<br />
wetgeving. Zo wordt in Nederland de<br />
vogel- en habitatrichtlijn via de natuurbeschermingswet<br />
geïmplementeerd.<br />
Trilateraal beleid<br />
In 1978 besl<strong>uit</strong>en Nederland, D<strong>uit</strong>sland<br />
TOPOS / 04 / 2006 43
Deltadijken markeren de scheiding tussen cultuur- en natuurlandschap,<br />
© Waddenvereniging/Roy Vrouwenvelder<br />
In de Middeleeuwen ontwikkelde men het systeem van afwatering<br />
© Waddenvereniging/Roy Vrouwenvelder<br />
44 TOPOS / 04 / 2006<br />
Achter<strong>uit</strong>gang van de bevolking en voorzieningen<br />
© Waddenvereniging/Roy Vrouwenvelder<br />
en Denemarken samen te werken rond<br />
de bescherming van de Waddenzee. In de<br />
Gemeenschappelijke Verklaring betreffende<br />
de bescherming van de Waddenzee<br />
(Kopenhagen 1982) spreken de drie<br />
landen de intentie <strong>uit</strong> om overleg met<br />
elkaar te plegen en maatregelen te coördineren<br />
teneinde een aantal internationale<br />
overeenkomsten <strong>uit</strong> te voeren. Dit<br />
betreft met name de Conventie van<br />
Ramsar (Overeenkomst inzake de bescherming<br />
van waterrijke gebieden, in<br />
het bijzonder als verblijfplaats voor<br />
watervogels, Ramsar 1971), de Conventie<br />
van Bonn (Verdrag inzake de Bescherming<br />
van Trekkende Wilde Diersoorten),<br />
de Conventie van Bern (Verdrag inzake<br />
het behoud van wilde dieren en planten<br />
en hun leefmilieu in <strong>Europa</strong>) en de EU<br />
Vogelrichtlijn en –Habitatrichtlijn.<br />
Afgesproken wordt om regelmatig ministeriele<br />
conferenties te organiseren.<br />
Van belang is dat de drie landen bepalen<br />
dat de Gemeenschappelijke Verklaring<br />
en andere afspraken in het raamwerk<br />
van deze samenwerking niet bindend<br />
zijn naar internationaal recht. Alleen de<br />
in 1990 gesloten Overeenkomst over de<br />
bescherming van zeehonden in de<br />
Waddenzee is bindend, aangezien deze<br />
valt onder de Conventie van Bonn. Dit<br />
levert af en toe merkwaardige ontwikkelingen<br />
op. In 1993 spreken de drie landen<br />
af de schelpdiervisserij (de visserij op<br />
mosselen en kokkels) in te perken, vanwege<br />
de effecten op de natuurwaarden.<br />
Nederland implementeert deze afspraak<br />
door delen van de Waddenzee voor de<br />
visserij te sl<strong>uit</strong>en. Onder andere twee<br />
platen in de monding van de Eems, de<br />
Hond en de Paap. Deze wadplaten liggen<br />
in betwist gebied. Hier is de grens met<br />
onze oosterburen nog niet vastgesteld.<br />
Volgens D<strong>uit</strong>se opvattingen behoren<br />
“der Hund und das Paapsand” tot het<br />
grondgebied van Nedersaksen. Vandaar<br />
dat men in 2000 aan een D<strong>uit</strong>se mosselvisser<br />
vergunning geeft voor het vissen<br />
op mosselzaad op deze platen.<br />
Protesten van Nederlandse zijde halen<br />
weinig <strong>uit</strong>. De D<strong>uit</strong>se overheid wijst op<br />
haar eigen beleid, dat een beperkte visserij
op mosselzaad toestaat, en op haar eigen<br />
interpretatie van de grens tussen het Nederlandse<br />
en het D<strong>uit</strong>se wad. De met<br />
een onvervalst Zeeuws accent sprekende<br />
D<strong>uit</strong>se mosselvisser is daarbij de lachende<br />
derde.<br />
Waddenland<br />
Na eeuwenlang vechten tegen het water<br />
en het opbouwen van een bestaan als<br />
zelfstandige visser, schipper of boer is<br />
de laatste decennia de bevolking in de<br />
waddenregio geconfronteerd met dramatische<br />
veranderingen. Herstructurering<br />
van de landbouw, de drastische achter<strong>uit</strong>gang<br />
van de visserij en de kleine regionale<br />
scheepvaart hadden economische<br />
stilstand en soms achter<strong>uit</strong>gang tot<br />
gevolg. De bevolking verminderde en<br />
daarmee ook de openbare en particuliere<br />
dienstverlening. Tegelijkertijd nam het<br />
toerisme in de waddenregio een grote<br />
vlucht. Op jaarbasis bezoeken nu ruim<br />
tien miljoen vakantiegangers en dagjesmensen<br />
het internationale waddengebied.<br />
Veelal ziet men het vreemde vakantie-<br />
publiek als indringers, die het authentieke<br />
culturele erfgoed van de waddenregio<br />
als openluchtmuseum beschouwen.<br />
Daarenboven wordt de zee niet langer<br />
als vijand en de Waddenzee niet meer<br />
als waterstaatkundig probleem gezien.<br />
Het vrees aanjagende wad noemt men<br />
nu liefkozend ‘laatste wildernis’ en publicaties<br />
van de eilander VVV’s bezingen<br />
de overweldigende natuur. Europese<br />
regels en Haagse wetten bepalen tot in<br />
detail wat wel en niet mag op het wad.<br />
Bewoners die veertig jaar geleden nog<br />
zij aan zij met de jonge Waddenvereniging<br />
streden tegen de inpoldering van<br />
de Waddenzee, keren de natuurbescherming<br />
nu de rug toe. Ondanks de vele<br />
consultatierondes in het gebied bestaat<br />
grote scepsis ten opzichte van de<br />
ministersconferenties over de Waddenzee.<br />
De aanmelding van de internationale<br />
Waddenzee als werelderfgoed kan slechts<br />
mondjesmaat op steun rekenen, ondanks<br />
schriftelijke beloftes van de rijksoverheid<br />
dat deze aanmelding geen extra beperkende<br />
regels met zich mee zal brengen.<br />
Er dreigt dus een patstelling. Enerzijds<br />
de drie waddenoverheden die, gedreven<br />
door nationale belangen, er niet in<br />
slagen gezamenlijke bindende afspraken<br />
te maken, anderzijds de lokale bevolking<br />
die, geconfronteerd met de al in gang<br />
gezette fundamentele veranderingen in<br />
de leefomgeving, geen behoefte heeft aan<br />
nieuw beleid en nieuwe regels. De<br />
Waddenvereniging maakt zich zorgen<br />
over deze ontwikkelingen. Het beleid, dat<br />
zowel de belangen van natuur en<br />
milieu als de noodzakelijke sociaaleconomische<br />
ontwikkeling integreert,<br />
staat onder druk. De economische<br />
achter<strong>uit</strong>gang in de kustregio wil men<br />
keren door industrialisatie, vergroting<br />
van de waddenhavens en het opheffen<br />
van beperkingen voor schadelijke,<br />
toeristische activiteiten. Bescherming<br />
van natuur, milieu en landschap van de<br />
waddenregio wordt als blok aan het been<br />
ervaren. Vandaar dat de Waddenvereniging<br />
op de 10 e trilaterale ministerconferentie<br />
over de Waddenzee<br />
(Schiermonnikoog 2005) het concept<br />
‘Waddenland’ presenteert. In Waddenland<br />
werken mensen samen aan een duurzame<br />
toekomst van de waddenregio.<br />
Van<strong>uit</strong> het besef dat de waddenregio<br />
ontstaan is van<strong>uit</strong> een uniek samenspel<br />
tussen natuurlijke processen en menselijke<br />
activiteiten, weten de verschillende<br />
belangengroeperingen elkaar te vinden.<br />
Landbouw, visserij en havengebonden<br />
activiteiten zijn gebaseerd op de natuurlijke<br />
mogelijkheden van de Waddenzee.<br />
Het toerisme laat mensen kennis maken<br />
met de unieke natuur en cultuurhistorie<br />
en vormt een afzetmarkt voor de duurzaam<br />
geproduceerde waddenproducten.<br />
Dat deze ambitie werkelijkheid kan<br />
worden blijkt <strong>uit</strong> de ontwikkelingen van<br />
het afgelopen jaar. Geconfronteerd met<br />
de ambtelijke en vaak bureaucratische<br />
discussies over de verdeling van het<br />
Waddenfonds 1 lukte het de vereniging<br />
zeer <strong>uit</strong>eenlopende belangengroeperingen<br />
om de tafel te krijgen en gezamenlijk<br />
een plan voor noodzakelijke<br />
investeringen in de waddenregio te<br />
maken. Wellicht zal binnenkort een<br />
Italiaanse toerist zich verbazen hoe aan<br />
de rand van <strong>Europa</strong> in harmonie met<br />
de natuur gewerkt wordt aan een duurzame<br />
toekomst.<br />
Noten en Literatuur<br />
1 Het kabinet Balkenende 2 besloot een<br />
Waddenfonds in het leven te roepen om te<br />
investeren in natuurherstel en de duurzame<br />
sociaal economische ontwikkeling van het<br />
Nederlandse waddengebied. De instelling<br />
van dit fonds is gekoppeld aan het besl<strong>uit</strong><br />
om over te gaan tot gaswinning onder de<br />
Waddenzee.<br />
− Abrahamse, J., W. Joenje & N. van Leeuwen-<br />
Stelt, 1976. Waddenzee, natuurgebied van Nederland,<br />
D<strong>uit</strong>sland en Denemarken. 368 pp.<br />
Waddenvereniging en Natuurmonumenten.<br />
− Abrahamse, J., M. Bemelman & M.<br />
Hillenga, 2005. Wadden, verhalend<br />
landschap. 350 pp. Tirion Natuur en<br />
Common Wadden Sea Secretariat<br />
− Fey, T., 2002. Wadden, gids voor liefhebbers.<br />
192 pp. Uitgeverij Uniepers en Waddenvereniging<br />
− Lambers, K. et all., 2003. Trilateral or<br />
European Protection of the Wadden Sea?<br />
283 pp. SDU en Waddenvereniging<br />
− D. Mulder, 2005. Wie wint het word of<br />
het wad, 10e trilaterale Waddenzeeconferentie.<br />
WADDENmagazine 2005-5, 24-25<br />
− Revier, H. 2006. Derde Nota Waddenzee,<br />
3 X = Scheepsrecht? WADDENmagazine,<br />
2006-1, 11-14.<br />
Summary<br />
The Wadden Region with her sea and<br />
coasts is a valuable and unique nature<br />
area with a rich social history. Dynamics<br />
of nature have formed the area where<br />
a lot of people enjoy the peace, space<br />
and riches. Since the 20 th century there<br />
is a wide range of nature protection<br />
guidelines and laws. The inhabitants,<br />
for a great deal also responsible for forming<br />
this unique landscape, do not<br />
always agree with all these regulations.<br />
However, it is important to protect this<br />
European nature and culture area, argues<br />
Hans Revier, lector Mariene Wetlands<br />
in Leeuwarden and Groningen.<br />
The former director of the Wadden Sea<br />
Society pleads for an international concept<br />
‘Waddenland’ where all involved<br />
parties work together on a collective<br />
program to protect and develop the<br />
Waddensea region.<br />
TOPOS / 04 / 2006<br />
45
Space for species: towards a cohesive Natura<br />
2000 network<br />
Biodiversity is considered<br />
as one of the most impor-<br />
tant natural resources,<br />
providing foods, medicines<br />
and fibers to people, as<br />
well as spiritual values and<br />
enjoyment. Biodiversity<br />
also controls and prevents<br />
outbreaks of pests in crops<br />
and timber plantations. By<br />
that, biodiversity repre-<br />
sents an important, but<br />
difficult to quantify eco-<br />
nomic value. Last but not<br />
least, biodiversity is an<br />
important component of<br />
ecological resilience, the<br />
potential of ecological<br />
systems to recover from<br />
disturbance. Biodiversity is<br />
the machinery of ecosys-<br />
tem functioning.<br />
Prof. dr. Paul Opdam<br />
Extraordinary professor Landscape Ecology<br />
paul.opdam@wur.nl<br />
46 TOPOS / 04 / 2006<br />
In this light, the world wide concern about<br />
the decline of biodiversity is understandable.<br />
This decrease is mainly caused<br />
by the loss, fragmentation and deterioration<br />
of natural and semi-natural habitats<br />
due to human activities all around the<br />
world. The urgency of this process was<br />
recognized at the United Nations world<br />
conference in Rio de Janeiro in 1992,<br />
and implemented in the Convention of<br />
Biodiversity (CBD). The EU Head of<br />
States committed themselves to stop the<br />
decline of biodiversity by 2010. The<br />
main current EU-policy is the Natura<br />
2000 network of protected areas, as<br />
part of the Habitat and Bird directives.<br />
Member states are currently involved in<br />
the designation of protected areas, based<br />
on the current distribution and occurrence<br />
of target species and habitat types.<br />
This portfolio of protected areas is an<br />
important first step towards a Europewide<br />
conservation network.<br />
It is scientifically recognized that ecological<br />
networks can be an effective spatial<br />
strategy for conservation of biodiversity,<br />
in particular in a world which is predominantly<br />
used by humans, either for<br />
food or timber production, or for<br />
housing, drinking water production,<br />
infrastructure and industries. The network<br />
concept is supported by the meta-<br />
Bittern (roerdomp)<br />
population theory, which is a spin off of<br />
the island biogeography theory of Mac-<br />
Arthur and Wilson. It is very appropriate<br />
to describe what happens in fragmented<br />
populations, which are restricted to and<br />
dependent on the small patches of<br />
(semi)-natural ecosystems, embedded in<br />
human used land. The theory predicts<br />
that the small local populations which<br />
are not viable by themselves can persist<br />
in a network of small populations. In<br />
such a network, called a metapopulation,<br />
the local populations support each other<br />
by exchange of individuals or seeds. As<br />
a result, local loss of populations can be<br />
replenished by immigrants who colonize<br />
deserted patches and settle new populations.<br />
If the rates of these two processes,<br />
local extinction and recolonization, are<br />
in balance, the species can be sustainable<br />
at the regional scale. The other condition<br />
for sustainability is that the network is<br />
large enough to prevent stochastic extinction<br />
of all local populations in one<br />
year. Hence, in ecological networks, the<br />
local risk of extinction is spread over<br />
the regional level: while the individual<br />
ecosystem patches can’t offer sustainable<br />
conditions, the whole network<br />
might.<br />
So far the theory, but what about the<br />
real world? In the Netherlands and in
The Natura 2000 protected sites showing no or little coherency Nature Policy Plan 2000 shows an ecological network which consist of<br />
the large ecological patches connected by robust ecological corridors<br />
other regions where human land use is<br />
a dominant driver of spatial development,<br />
many populations of species can<br />
be found which show the characteristics<br />
of metapopulations. For example, the<br />
bittern, a large marsh heron, uses the<br />
fresh water marshes across the whole<br />
River Rhine delta as one single network.<br />
This means that all marshes in the<br />
Netherlands are interdependent as far<br />
as the future of this species is concerned.<br />
The heron occurs in pretty large<br />
local populations in the Oostvaardersplassen<br />
and in the large marshland complexes<br />
in the northwest of the Province<br />
of Overijssel and adjacent parts of<br />
Friesland. Such major cornerstones of<br />
the Dutch Delta landscape are always<br />
inhabited by bitterns. On the contrary,<br />
smaller and more remote marsh areas,<br />
for example in Brabant and Gelderland,<br />
are often unoccupied for a couple of<br />
years, and then might show new establishing<br />
local populations. For the much<br />
smaller sedge warbler, a song bird species<br />
of the same marsh habitat, similar processes<br />
were observed on a regional scale.<br />
The densities of the populations of this<br />
species vary a lot due to dry periods in<br />
the African wintering areas. During<br />
such dry weather spells, the number of<br />
breeding pairs of this species in the<br />
Dutch delta decreases considerably, even<br />
more so in regions with a high degree<br />
of habitat fragmentation. This shows<br />
that fragmentation causes populations to<br />
be more vulnerable to large scale variations<br />
in weather conditions, which is the<br />
case under the climate change weather<br />
regime. Similar patterns were observed<br />
all over the world at a variety of spatial<br />
scales for example for mammals, reptiles,<br />
amphibians, butterflies, locusts, and<br />
plants. These obser-vations, which are<br />
supported by experimental studies with<br />
simulated models of metapopulation<br />
systems, learn that biodiversity conservation<br />
on the long term requires a careful<br />
consideration of the spatial distribution<br />
of ecosystems across regions. The<br />
effectiveness of conservation networks<br />
therefore depends on the amount and<br />
spatial configuration of habitats. This<br />
brings ecology into the domains of<br />
spatial planning and design.<br />
The European conservation strategy will<br />
only be effective if the portfolio of<br />
Natura 2000 protected sites will be an<br />
ecologically cohesive network. It will<br />
only be ecologically sustainable if the<br />
exchange of individuals between sites<br />
takes place at a high enough rate, compared<br />
to the rate of local extinctions.<br />
There are two arguments for this statement.<br />
First, many Natura 2000 areas<br />
are too small to ensure sustainability<br />
for all target species on their own.<br />
Secondly, even for species which find<br />
large enough areas in many Natura 2000<br />
sites, a cohesive network is still of value.<br />
Climate change is predicted to shift<br />
s<strong>uit</strong>able climate zones across geographic<br />
scales, and species will have to respond<br />
by expanding northward, while vanishing<br />
in the southern parts of their range.<br />
This can only happen if individuals are<br />
able to “jump” from site to site, and<br />
establish new populations in sites that<br />
became s<strong>uit</strong>able due to warmer winters<br />
or hotter summers. Hence, appropriate<br />
connectivity is an essential feature of<br />
landscapes to allow populations to adapt<br />
to shifting climate zones. What is appropriate<br />
depends on the density of networks<br />
units, their size and quality, and it<br />
also depends on the rate of climate<br />
change. The faster the rise of temperature,<br />
the faster the response of species<br />
must be, and the better the cohesion of<br />
the network ecosystems.<br />
Is this awareness commonly found<br />
among European policy makers? Not at<br />
all. The implementation of the Natura<br />
2000 network so far is only focused at<br />
the designation of protected areas.<br />
There is no analysis, and hence no insight,<br />
as to whether the network will be<br />
able to function as a cohesive ecosystem<br />
network. Many countries still are unaware<br />
of this principle, and are even reluctant<br />
to take further steps into the implementation<br />
of the European nature network.<br />
Article 10 of the Habitat directive urges<br />
TOPOS / 04 / 2006<br />
47
countries to ensure sufficient cohesion<br />
by developing the landscape between<br />
the protected sites and making it sufficient<br />
permeable, by removing barriers,<br />
stimulating corridors zones and green<br />
veining of the agricultural landscape.<br />
This article is only recently brought into<br />
discussion at the EU-level.<br />
How could the Natura 2000 portfolio<br />
become an ecologically coherent network?<br />
On the way to ecological sustainability,<br />
three crucial steps have to be<br />
taken:<br />
- Define the problem: find out where in<br />
the European landscape the spatial cohesion<br />
needs to be improved, and explain<br />
why (defining the location of bottlenecks<br />
and their causes).<br />
- Define the set of possible solutions.<br />
Solutions must be implemented in the<br />
regional context, which may be widely<br />
different among regions across Europe.<br />
There are many ways to improve the<br />
Sedge warbler (rietzanger)<br />
48 TOPOS / 04 / 2006<br />
cohesion of the landscape (other than<br />
legal protection). So it is important to<br />
link the ecological effectiveness of potential<br />
solutions to the type of bottleneck.<br />
This leads to a set of potential strategies<br />
to develop spatial cohesion in the European<br />
Ecological Network.<br />
- Implement spatial cohesion strategies<br />
into the spatial planning policy at the<br />
regional and local level. Design solutions<br />
that fit into the regional socio-economic<br />
context. Planning and design rules for<br />
ecological networks should be available<br />
for regional planning authorities and<br />
stakeholder groups.<br />
Planning ecological networks is a learning<br />
process with many actors at different<br />
levels of spatial scale. Fifteen years<br />
of scientific research in The Netherlands,<br />
with applications elsewhere in<br />
Europe, provided a broad expertise<br />
which can be of use to other countries<br />
(see literature list). For example, there is<br />
software to evaluate the sustainability<br />
of ecological networks for target species,<br />
which has been applied to screen the<br />
Dutch part of the Natura 2000 network.<br />
The input of these models varies for<br />
different parts of Europe, but the assessment<br />
software is applicable everywhere.<br />
Dutch design handbooks for ecological<br />
corridors and ecological networks can<br />
be adapted for application elsewhere in<br />
Europe. However, scientific knowledge<br />
developed in one country is not always<br />
simply transferable to other geographic<br />
regions: adaptations for different ecological<br />
conditions are necessary. Also, the<br />
application methods need to be improved<br />
in dialogue with the ever varying<br />
regional political and spatial context.<br />
Making the Natura 2000 network ecologically<br />
cohesive requires the mobilization<br />
of all available knowledge on<br />
landscape ecology, spatial planning and<br />
organizing public support. It also requires<br />
that at the EU level the regional planning<br />
and design activities are coordinated.<br />
And it is urgent. The first impacts of<br />
climate change are already measurable<br />
in a changing distribution of species.<br />
Prof. dr. Paul Opdam is working for the<br />
departments of Nature Conservation<br />
and Plant ecology and is extraordinary<br />
professor Landscape Ecology within<br />
the chair group Land Use Planning.<br />
Furthermore he’s a researcher at the research<br />
institute Alterra. Within his field<br />
of work he has special attention for the<br />
spatial approach within landscape ecology<br />
and bridging ecology and spatial<br />
planning and design. Within this context<br />
Paul Opdam has written an essay<br />
about the European ecological network.<br />
Literature<br />
- Briers, R.A., 2002. Incorporating connectivity<br />
into reserve selection procedures. Biological<br />
Conservation 103, 77-83.<br />
- Groot Bruinderink, G., Sluis, Th. V.d., Lammertsma,<br />
D., and Opdam. P. 2003. Designing a coherent ecological<br />
network for large mammals in Northwestern<br />
Europe. Conservation Biology 17: 549-557.<br />
- Jongman,R.H.G., Külvik M., Kristiansen, I., 2004.<br />
European ecological networks and greenways.<br />
Landscape and Urban Planning 68, 305–319<br />
- Margules, C.R., Pressey, R.L., 2000. Systematic<br />
conservation planning. Nature 405, 243-253.<br />
Opdam, P., Verboom, J., Pouwels R., 2003.<br />
Landscape cohesion: an index for the<br />
conservation potential of landscapes for<br />
biodiversity. Landscape ecology 18: 113-126.<br />
- Opdam, P. and Wascher, D. 2004. Climate change<br />
meets habitat fragmentation: linking landscape and<br />
biogeographical scale level in research and conservation.<br />
Biological Conservation 117: 285-297.<br />
- Opdam, P., Steingrover, E., Van Rooij, S., 2006.<br />
Ecological networks: a spatial concept for multiactor<br />
planning of sustainable landscapes.<br />
Landscape and Urban Planning 75_ 322-332.<br />
- Scott, J. M., Davis, F. W., McGhie, R. G., Wright,<br />
R. G., Groves, C., Estes, J., 2001. Nature reserves:<br />
Do they capture the full range of America’s biological<br />
diversity? Ecological Applications 11, 999-1007.<br />
- Van Rooij, S.A.M., Steingrover, E.G., Opdam,<br />
P.F.M. 2003. Corridors for life. Scenario<br />
development of an ecological network in<br />
Cheshire County. Alterra report 699, Wageningen.<br />
- Verboom, J., R. Foppen, P. Chardon, P. Opdam,<br />
& P. Luttikhuizen. 2001. Introducing the key<br />
patch approach for habitat networks with<br />
persistent populations: an example for marshland<br />
bird. Biological Conservation 100: 89-101.<br />
- Vos, C., Opdam, P., Steingrover, E., Reijnen, R.,<br />
2006. Transferring ecological knowledge into a<br />
multi-actor planning process: planning and<br />
designing ecological corridors. In: WU, J. and<br />
Hobbs, R. (eds). Key topics and perspectives in<br />
landscape ecology. Landscape ecology series,<br />
Cambridge University Press, New York (in press).
Europeaniseren vraagt om een actieve ruimtelijke ordening<br />
De provinciale ruimtelijke ordening in Europese context<br />
In het ‘<strong>Europa</strong> van de re-<br />
gio’s’ spelen regionale<br />
overheden volgens som-<br />
migen een grotere rol<br />
dan nationale overheden.<br />
De effecten van Europees<br />
beleid, dat in de regel<br />
tamelijk abstract gefor-<br />
muleerd is, worden vaak<br />
pas zichtbaar en voelbaar<br />
op het regionale niveau.<br />
Ook in de ruimtelijke<br />
ontwikkelingen. Daarom<br />
worden subnationale<br />
overheden geacht hun<br />
ruimtelijk beleid te ‘euro-<br />
peaniseren’. Maar wat is<br />
eigenlijk europeaniseren?<br />
Hoe doe je dat? En hoe<br />
succesvol zijn de Neder-<br />
landse provincies daarin?<br />
Deze vragen worden in<br />
dit artikel beantwoord<br />
aan de hand van de bevin-<br />
dingen <strong>uit</strong> een onderzoek<br />
naar de invloed van de<br />
Europese Unie op de<br />
provinciale ruimtelijke<br />
ordening.<br />
Arjen de Wit<br />
Junior wetenschappelijk medewerker,<br />
leerstoelgroep Landgebruiksplanning,<br />
Wageningen Universiteit<br />
arjen.dewit@wur.nl<br />
Voorop gesteld: de Europese Unie doet<br />
niet aan ruimtelijke ordening. Eén van<br />
de belangrijkste principes van de EU is<br />
subsidiariteit, wat betekent dat de EU<br />
zich alleen dán met een onderwerp<br />
bezighoudt, als haar optreden doeltreffender<br />
is dan een optreden op een lager<br />
schaalniveau. Gelet op dat <strong>uit</strong>gangspunt<br />
zijn de lidstaten het erover eens dat de<br />
Europese Unie geen bevoegdheid voor<br />
ruimtelijke ordening hoeft te hebben.<br />
Daar komt nog bij, dat een gemeenschappelijk<br />
ruimtelijk beleid gevoelig kan<br />
liggen. Ruimtelijke ordening heeft tenslotte<br />
betrekking op ‘het territorium’,<br />
en sommige landen zien het als een<br />
aantasting van hun soevereiniteit, als de<br />
EU zich daarmee gaat bemoeien.<br />
Toch wringt er iets. Want heel veel Europees<br />
beleid heeft wel degelijk invloed<br />
op de ruimtelijke ontwikkelingen in de<br />
lidstaten. Denk bijvoorbeeld aan de<br />
Kaderrichtlijn Water, de Habitatrichtlijn<br />
en het <strong>uit</strong>gebreide stelsel van landbouwsubsidies.<br />
Bovendien: als er iets grensoverschrijdend<br />
is, dan is het wel ‘de<br />
ruimte’. De gedachte om enige samenhang<br />
in de ruimtelijke ontwikkelingen<br />
binnen <strong>Europa</strong> te brengen, ligt dus<br />
voor de hand. Uit die gedachte ontstond<br />
in 1999 het Europees Ruimtelijk<br />
Ontwikkelingsperspectief (EROP), een<br />
niet-bindend document, waar de (toen<br />
nog) vijftien Europese ministers voor<br />
ruimtelijke ordening tijdens een ‘informele’<br />
bijeenkomst voor tekenden.<br />
Daarmee spraken zij af, te streven naar<br />
een evenwichtige en duurzame ontwikkeling<br />
van het grondgebied van de<br />
Europese Unie. Omdat de ministers<br />
zich bewust waren van de noodzaak<br />
om subnationale overheden hierbij te<br />
betrekken, stelden zij in het EROP “dat<br />
lokale en regionale bestuurlijke en administratieve<br />
instanties bij hun planning<br />
met betrekking tot de ruimte de geïsoleerde<br />
kijk op hun grondgebied zouden<br />
moeten laten varen en van meet af aan<br />
rekening zouden moeten houden met<br />
Europese verbanden en vervlechtingen.”<br />
(Europese Commissie, 1999). Met<br />
andere woorden: regionale overheden<br />
moeten europeaniseren.<br />
Europeanisering<br />
De Europese Unie heeft zich ontwikkeld<br />
tot een institutie van grote betekenis,<br />
waar lagere overheden niet meer omheen<br />
kunnen. Om binnen de EU goed<br />
te kunnen functioneren, wordt van ze<br />
verwacht dat ze zich aanpassen aan de<br />
regels, gebruiken, procedures en het<br />
beleid van de EU. Dat aanpassingsproces<br />
heet europeanisering. Börzel en<br />
Risse (2000) onderscheiden drie<br />
dimensies van europeanisering: policy,<br />
politics en polity.<br />
Policy<br />
De Policy-dimensie heeft betrekking op<br />
de concrete beleidsinvloed van de<br />
Europese Unie. Naar schatting wordt<br />
TOPOS / 04 / 2006 49
75% van de Europese wet- en regelgeving<br />
<strong>uit</strong>gevoerd door decentrale overheden.<br />
Dat betekent dat het beleid en de beleidsinstrumenten<br />
van die overheden sterk<br />
wordt beïnvloed door <strong>Europa</strong>. Voor<br />
sectoren als water en milieu, die rechtstreeks<br />
met Europees beleid te maken<br />
hebben, is die invloed makkelijker te<br />
bepalen dan voor ruimtelijke ordening.<br />
Immers: er is geen Europees ruimtelijk<br />
beleid, en de invloed zal dus bestaan<br />
<strong>uit</strong> indirecte effecten van<strong>uit</strong> verschillende<br />
sectoren. Het Ruimtelijk Planbureau<br />
onderzocht de invloed van zes ruimtelijk<br />
relevante Europese beleidsvelden op<br />
ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland<br />
en noemde die studie niet voor niets<br />
“Unseen Europe” (Van Ravesteyn en<br />
Evers, 2004). De schrijvers geven daarmee<br />
aan dat het zeer moeilijk is om een<br />
volledig beeld te krijgen en dat de<br />
effecten vaak niet worden gezien of<br />
onderschat. De vraag is dan ook, in<br />
hoeverre provinci-ale afdelingen ruimtelijke<br />
ordening zich bewust zijn van de<br />
invloed die de Europese Unie heeft op<br />
hun beleid.<br />
Bij het onderzoek, dat werd <strong>uit</strong>gevoerd<br />
in zes provincies, werd door de afdelingen<br />
ruimtelijke ordening in de eerste<br />
plaats gewezen op de problemen die de<br />
afgelopen jaren zijn opgetreden met<br />
luchtkwaliteitsnormen, de Habitatrichtlijn<br />
en de Kaderrichtlijn Water. Een<br />
enkeling gaf aan dat bepaalde instrumenten<br />
van het provinciale grondbeleid<br />
en de ontwikkeling van bedrijvigheid<br />
opgevat kunnen worden als staatssteun,<br />
en daarom aan beperkingen gebonden<br />
zijn.<br />
De afdelingen ruimtelijke ordening<br />
leggen dus de nadruk op de sticks, het<br />
beleid dat regulerend of restrictief werkt.<br />
Van de carrots, stimulerend beleid door<br />
middel van subsidies, zijn ze zich veel<br />
minder bewust. De betrokkenheid van<br />
ruimtelijke ordening bij het Europees<br />
regionaal beleid blijkt relatief klein te<br />
zijn. Provincies geven aan veel baat te<br />
hebben bij structuurfondsgelden, waarmee<br />
men bijvoorbeeld bedrijventerreinen<br />
bouwt en infrastructuur verbetert. Maar<br />
50 TOPOS / 04 / 2006<br />
ondanks het duidelijk ruimtelijke karakter<br />
van dit soort projecten is ruimtelijke<br />
ordening slechts zijdelings betrokken<br />
bij de planontwikkeling. De regie ligt<br />
meestal bij de afdeling economische<br />
zaken of verkeer en vervoer. Opvallend<br />
is verder dat het Europese landbouwbeleid<br />
bij geen enkele afdeling ruimtelijke<br />
ordening ter sprake komt, terwijl <strong>uit</strong><br />
“Unseen Europe” blijkt, dat dit beleid<br />
wel degelijk invloed heeft op ruimtelijke<br />
ontwikkelingen. Zo wordt de concentratie<br />
van melkveehouderij in Noord<br />
Nederland versterkt en stimuleert het<br />
EU-beleid multifunctionele landbouw.<br />
Politics<br />
De Politics-dimensie heeft betrekking op<br />
de mate waarin lagere overheden deelnemen<br />
aan Europese besl<strong>uit</strong>vorming.<br />
De relatie tussen verschillende bestuursniveaus<br />
wordt steeds meer gekenmerkt<br />
door onderlinge afhankelijkheid en<br />
steeds minder door hiërarchie. Doordat<br />
nationale overheden enerzijds bevoegdheden<br />
afstaan aan supranationale organisaties<br />
als de Verenigde Naties en de<br />
Europese Unie, en anderzijds aan decentrale<br />
overheden, is een situatie ontstaan<br />
waarin verschillende overheidsniveaus<br />
van elkaar afhankelijk zijn om hun eigen<br />
doelen te bereiken. Bijvoorbeeld: een<br />
provincie heeft Europees structuurfondsgeld<br />
nodig om een weg aan te<br />
leggen; de Europese Commissie heeft<br />
de expertise en organisatiecapaciteit van<br />
provincies nodig om in Nederland haar<br />
regionaal beleid te realiseren. Er ontstaat<br />
een systeem van ‘multi-level governance’:<br />
overheden vormen een beleidsnetwerk,<br />
onderhan-delen met elkaar en proberen<br />
elkaar te beïnvloeden. De politicsdimensie<br />
roept dus de vraag op: in hoeverre is<br />
de provincie onderdeel van dit beleidsnetwerk?<br />
Praat men mee in <strong>Europa</strong>?<br />
Het blijkt dat de interesse binnen provincies<br />
voor deelname aan Europese<br />
beleidsvorming toeneemt. Provincies<br />
beginnen zich te realiseren, dat <strong>Europa</strong><br />
weliswaar ver weg lijkt, maar dat de<br />
Brusselse beslissingen vroeg of laat bij<br />
hén terechtkomen. Daarom kan het<br />
lonen om in een vroeg stadium betrokken<br />
te raken bij Europese beleidsvormingsp<br />
rocessen. Andersom staan de Europese<br />
Commissie en het Europees Parlement<br />
steeds meer open voor regionale betrokkenheid,<br />
omdat ze zich realiseren dat<br />
regio’s in de <strong>uit</strong>voeringsfase onmisbaar<br />
zijn.<br />
Toch blijkt het voor provincies een lastige<br />
opgave om hun stem in <strong>Europa</strong> te<br />
laten horen. Provincies kunnen drie wegen<br />
naar Brussel bewandelen, elk met<br />
hun eigen obstakels. De eerste weg voert<br />
langs het Comité van de Regio’s, een<br />
raadgevend orgaan bestaande <strong>uit</strong> regionale<br />
en lokale bestuurders. De provincies<br />
twijfelen aan de effectiviteit van het<br />
Comité omdat dit orgaan te laat bij<br />
beleidsvormingsprocessen zou worden<br />
betrokken. De kernbeslissingen zijn dan<br />
al genomen. Daar komt nog bij, dat de<br />
adviezen door verdeeldheid binnen het<br />
Comité vaak niet concreet genoeg zijn.<br />
De tweede weg loopt via de Haagse<br />
ministeries. Zij zijn in de Raad van de<br />
Europese Unie vertegenwoordigd en<br />
kunnen deskundigen afvaardigen naar<br />
expertgroepen die de Commissie ondersteunen<br />
bij de beleidsvoorbereiding.<br />
Volgens provincies hechten de ministeries<br />
<strong>uit</strong> angst voor machtsverlies echter<br />
nog sterk aan hiër-archische verhoudingen<br />
en betrekken zij subnationale<br />
overheden te weinig bij hun Europees<br />
handelen, enkele gunstige <strong>uit</strong>zonderingen<br />
daargelaten.<br />
De obstakels op de eerste twee wegen<br />
zetten provincies ertoe aan om de<br />
derde weg te kiezen, die van de directe<br />
lobby. De provincies hebben vertegenwoordigers<br />
in Brussel, die coalities<br />
proberen te vormen met andere regio’s<br />
in <strong>Europa</strong>. Via deze weg komen provincies<br />
langzamerhand steeds meer rechtstreeks<br />
in contact met de Europese<br />
Unie. Maar door het informele karakter<br />
en de grote concurrentie van andere<br />
lobbyende regio’s, belangenorganisaties<br />
en private partijen vormt ook deze weg<br />
geen stabiele basis om mee te praten in<br />
<strong>Europa</strong>.<br />
Door het ontbreken van een Europese
evoegdheid voor ruimtelijk beleid is<br />
het extra lastig om ruimtelijke ordening<br />
een plaats te geven in de lobby. Er is<br />
geen direct aanspreekpunt in Brussel.<br />
De interesse voor deelname aan Europese<br />
beleidsvorming is bij afdelingen<br />
ruimtelijke ordening dan ook duidelijk<br />
kleiner dan bij bijvoorbeeld milieu,<br />
natuur of landbouw.<br />
Polity<br />
De polity-dimensie tot slot beschrijft<br />
veranderingen in de ‘mentaliteit’ van een<br />
overheid, de bestuurscultuur en de<br />
manier van werken. Dit hangt nauw<br />
samen met de structuur van een overheid:<br />
een culturele verandering kan aanleiding<br />
zijn voor een organisatorische verandering.<br />
Bijvoorbeeld door het oprichten<br />
of opheffen van afdelingen en het<br />
verschuiven van verantwoordelijkheden.<br />
Het polity-aspect van Europeanisering<br />
gaat in dit geval dus over cultuurveranderingen<br />
bij de provincies en over de<br />
organisatorische ontwikkelingen die<br />
daarmee samenhangen.<br />
Deze institutionele verandering wordt<br />
in veel provincies aangeduid als het<br />
‘<strong>Europa</strong>proof ’ maken van de organisatie.<br />
Provincies beschikken daarvoor<br />
over een afdeling Europese Zaken, die<br />
de taak heeft de bewustwording van<br />
<strong>Europa</strong> bij de medewerkers te vergroten.<br />
‘<strong>Europa</strong>’ moet een vanzelfsprekend<br />
onderdeel van hun denken en handelen<br />
worden. Dat betekent dat medewerkers<br />
zelf de voor hun werk relevante ontwikkelingen<br />
gaan volgen en kunnen<br />
beredeneren hoe ze die zouden kunnen<br />
benutten, of hoe ze er rekening mee<br />
kunnen houden. Dit lukt steeds beter.<br />
Vooral afdelingen als milieu en water,<br />
die de afgelopen jaren tamelijk onverwacht<br />
getroffen werden door grote<br />
problemen met bijvoorbeeld luchtkwaliteitsnormen<br />
en de Kaderrichtlijn<br />
Water worden door schade en schande<br />
wijs en tonen zich steeds pro-actiever.<br />
Bij afdelingen ruimtelijke ordening is<br />
het bewustzijn nog niet zo ver ontwikkeld.<br />
De implementatie van het EUbeleid<br />
wordt in eerste instantie gezien<br />
als een sectorale aangelegenheid.<br />
Daardoor blijkt vaak pas achteraf welke<br />
invloed een bepaalde beleidsaanpassing<br />
heeft op ruimtelijke ontwikkelingen.<br />
Ruimtelijke ordening loopt op die manier<br />
telkens achter de feiten aan.<br />
Ruimtelijke blik<br />
Europees beleid wordt door provinciale<br />
afdelingen ruimtelijke ordening dus<br />
vooral ervaren als een obstakel, dat<br />
nauwelijks te beïnvloeden of te ontwijken<br />
is. Het interessante is, dat de oorzaak<br />
van dat negatieve beeld waarschijnlijk<br />
juist gezocht moet worden in een gebrek<br />
aan een ruimtelijke blik op het Europese<br />
beleid. De problemen die de afgelopen<br />
jaren zo in het nieuws geweest zijn,<br />
hadden niet zozeer betrekking op het<br />
beleid zelf, als wel op de <strong>uit</strong>werking die<br />
het had op allerlei vormen van<br />
ruimtegebruik. Niet de luchtkwaliteitsnorm<br />
is het probleem, maar het feit dat<br />
daar bij de aanleg van een woonwijk<br />
onvoldoende rekening mee wordt<br />
gehouden. Dit besef dringt langzaam<br />
door. Bij één van de provincies gaf een<br />
medewerker aan, dat de implementatie<br />
van de Vogel- en Habitatrichtlijnen<br />
inmiddels vooral als ruimtelijk vraagstuk<br />
wordt beschouwd. Daardoor is men<br />
beter in staat om compenserende maatregelen<br />
te treffen.<br />
Bovendien komen er in de ervaring van<br />
provincies regelmatig tegenstrijdigheden<br />
voor tussen verschillende Europese<br />
beleidslijnen. Een concreet voorbeeld<br />
in één van de provincies is de tracékeuze<br />
van een rondweg, die vanwege<br />
luchtkwaliteitsnormen verder b<strong>uit</strong>en de<br />
stad moest worden gelegd, terwijl toetsing<br />
aan de Habitatrichtlijn de weg juist<br />
richting de stad duwde.<br />
Juist vanwege het sectorale karakter van<br />
Europees beleid is het belangrijk dat de<br />
provinciale ruimtelijke ordening vroeg<br />
bij beleidsvorming en -<strong>uit</strong>voering<br />
betrokken wordt en bijdraagt aan een<br />
goede afstemming met ander beleid en<br />
provin-ciale doelstellingen.<br />
Als provincies daarin slagen, betekent<br />
europeaniseren voor de ruimtelijke or-<br />
dening misschien wel helemaal niet zo’n<br />
grote aanpassing als voor veel sectorafdelingen.<br />
Immers, in het ruimtelijk afstemmen<br />
van verschillende beleidsvelden<br />
aan de hand van een integrale visie<br />
heeft de provinciale ruimtelijke ordening<br />
al jaren ervaring.<br />
Noot en Literatuur<br />
Dit artikel is gebaseerd op de afstudeerscriptie<br />
Europees denken en handelen, de invloed van de<br />
Europese Unie op de provinciale ruimtelijke<br />
ordening, die Arjen de Wit in 2005 schreef in het<br />
kader van zijn MSc-opleiding Ruimtelijke<br />
planning aan Wageningen Universiteit. Het<br />
onderzoek bestond <strong>uit</strong> een literatuurstudie en<br />
interviews met medewerkers van zes provincies,<br />
het Interprovinciaal Overleg en het ministerie van<br />
VROM.<br />
- Börzel, T.A. en T. Risse (2000) When Europe<br />
Hits Home: Europeanization and Domestic<br />
Change. European Integration online Papers.<br />
Volume 4, No. 15. http://eiop.or.at/eiop/<br />
texte/2000-015a.htm<br />
- Europese Commissie, Comité voor Ruimtelijke<br />
Ontwikkeling (1999) EROP, Europees Ruimtelijk<br />
Ontwikkelingsperspectief. Op weg naar een<br />
evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het<br />
grondgebied van de EU, Luxemburg: Bureau<br />
voor officiële publicaties der Europese<br />
Gemeenschappen.<br />
Europese Commissie (2006), http://ec.europa.<br />
eu/avservices/photo/photo_thematic_en.cfm?id<br />
=&mark=PRO,SYMB.<br />
- Ravesteyn, N. van en D. Evers / Ruimtelijk<br />
Planbureau (2004) Unseen Europe, A survey of<br />
EU Politics and its impact on spatial development<br />
in the Netherlands, Rotterdam: NAi.<br />
Summary<br />
Many European policy fields influence<br />
spatial developments in Europe. Subnational<br />
governments like the Dutch<br />
provinces are therefore supposed to<br />
‘europeanise’ their spatial planning.<br />
This means they adapt their way of<br />
working and their policy to EU rules<br />
and regulations. In general, spatial<br />
consequences of EU policy are often<br />
underestimated. The provincial spatial<br />
planning departments are more aware<br />
of the negative effects of EU policy<br />
than of the possibilities it offers.<br />
Though provinces are increasingly active<br />
in European policy making, spatial<br />
planning is hardly involved.<br />
Provinces are dealing with EU policy<br />
too much along the sectoral track.<br />
More involvement of the spatial planning<br />
departments could help implementing<br />
EU policies more efficiently.<br />
TOPOS / 04 / 2006 51
Het leven zoals het is: de herstructurering<br />
Hoe beleven de bewoners van Malburgen de herstructurering van<br />
hun wijk?<br />
Op dit ogenblik worden veel<br />
naoorlogse wijken in Neder-<br />
land geherstructureerd met<br />
als belangrijkste doel het<br />
doorbreken van de eenzij-<br />
dige bevolkingsopbouw in<br />
deze wijken. De herstructu-<br />
reringswerkzaamheden zijn<br />
gericht op vernieuwing van<br />
de woningvoorraad: oude<br />
woningen worden gesloopt,<br />
nieuwe huizen worden bijge-<br />
bouwd en veel woningen<br />
worden opgeknapt. Dit<br />
brengt een sterke verhuis-<br />
dynamiek met zich mee.<br />
Sommige mensen zullen <strong>uit</strong><br />
de wijk weg moeten en<br />
mensen van elders komen<br />
in de wijk wonen. Iedere<br />
bewoner moet wennen aan<br />
de nieuwe plek en aan de<br />
veranderingen in de buurt.<br />
In dit afstudeervak is<br />
onderzocht hoe bewoners<br />
deze periode beleven.<br />
Nadja Mertens<br />
Student Sociaal-ruimtelijke analyse<br />
nadja.mertens@wur.nl<br />
Karlijn Soesman<br />
Student Sociaal-ruimtelijke analyse<br />
karlijn.soesman@wur.nl<br />
52 TOPOS / 04 / 2006<br />
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn<br />
veel huizen in Nederland beschadigd of<br />
vernield. Hierdoor, en wegens de geboortegolf<br />
net na de oorlog, ontstond een<br />
grote behoefte aan woningen. De woningnood<br />
moest zo snel mogelijk worden<br />
opgelost. Het tempo van de bouwproductie<br />
werd opgevoerd en snel werden<br />
in groten getale <strong>uit</strong>breidingswijken<br />
gebouwd. Massale hoge flats en repeterende<br />
rijtjeshuizen bepaalden vanaf dat<br />
ogenblik het beeld. Ook in Malburgen,<br />
de eerste <strong>uit</strong>breidingswijk van Arnhem<br />
aan de zuidkant van de Rijn, zijn in een<br />
hoog tempo 7 000 woningen <strong>uit</strong> de grond<br />
gestampt. Deze wijken voldoen echter<br />
niet meer aan de huidige woningbehoeften.<br />
Hogere inkomens hebben deze<br />
wijken de rug toegekeerd, waardoor er<br />
een concentratie van voornamelijk lage<br />
inkomens en etnische minderheden is<br />
ontstaan. In veel van deze wijken gaat<br />
de leefbaarheid hard achter<strong>uit</strong>; zo ook<br />
in Malburgen. De bewoners van Malburgen<br />
klagen bijvoorbeeld over rommel<br />
op straat, criminaliteit, en drugsoverlast.<br />
Als oplossing heeft de gemeente, in overeenstemming<br />
met het landelijke beleid,<br />
gekozen om een meer gedifferentieerde<br />
bevolkingssamenstelling binnen deze<br />
wijken te creëren. In Malburgen zullen<br />
in een periode van tien jaar verschillende<br />
woningen gesloopt of opgeknapt worden.<br />
Daarnaast worden een groot aantal<br />
nieuwe, vooral duurdere, woningen<br />
gebouwd. Deze werkzaamheden leggen<br />
een grote druk op de wijk. Het is een<br />
langdurig proces waarin de fysieke omgeving<br />
rommelig is. De sloop en nieuwbouw<br />
van huizen maakt van de woonomgeving<br />
een bouwput. Om zo een<br />
groot plan te laten slagen, is draagvlak<br />
bij de bewoners van groot belang.<br />
Beleving van de herstructurering<br />
Uit diepte-interviews en enquêtes bleek<br />
dat de bewoners van Malburgen tijdens<br />
de herstructurering overlast hebben van<br />
rommel op straat, stof, bouwverkeer,<br />
trillingen van de sloop en geluidsoverlast.<br />
Niet alleen de fysieke veranderingen<br />
hebben gevolgen voor de bewoners,<br />
maar ook de sociale veranderingen.<br />
Sommige huishoudens worden ergens<br />
anders gehuisvest en er komen nieuwe<br />
mensen in de wijk wonen. Dit brengt<br />
een sterke verhuisdynamiek op gang.<br />
De verhuisbewegingen hebben consequenties<br />
voor het functioneren van de<br />
wijk. Er ontstaat een ingewikkelde bevolkingsdynamiek<br />
(Kleinhans, 2005).<br />
De komst van hogere inkomens kan zelfs<br />
leiden tot conflicten. Sommige oorspronkelijke<br />
bewoners moeten wijken voor<br />
de nieuwkomers, waardoor bestaande<br />
sociale verbanden worden aangetast<br />
(Kleinhans volgens Beckhoven en Van<br />
Kempen, 2002). De verhuizingen die in<br />
Malburgen plaatsvinden hebben niet<br />
alleen invloed op de mensen die daadwerkelijk<br />
verhuizen, maar ook op de<br />
‘blijvers’. Veel mensen merken het verloop<br />
in hun wijk en voor hun gevoel komen<br />
er veel nieuwe mensen in Malburgen<br />
wonen.<br />
Over het algemeen hebben mensen een<br />
voorkeur om bij mensen te wonen waar<br />
zij zich mee kunnen identificeren en waar<br />
zij zich op hun plek voelen . De keuze<br />
voor een huis wordt niet alleen geleid<br />
door de financiële mogelijkheden, maar<br />
ook door de keuze voor een gemeenschap<br />
waar het huishouden zich mee wil<br />
en kan identificeren. Een logisch gevolg<br />
is dat dezelfde ‘soort’ mensen geneigd<br />
zijn bij elkaar te gaan wonen. Hierdoor<br />
ontstaat segregatie. Segregatie is eigenlijk<br />
een neutrale term, maar voor veel mensen<br />
heeft het een negatieve bijklank;<br />
segregatie wordt pas als een probleem<br />
ervaren als de bevolkingsgroep op cultureel,<br />
etnisch of sociaaleconomisch<br />
vlak sterk verschilt met de Nederlandse<br />
samenleving (Drewe e.a., 1972).<br />
Wanneer een wijk geherstructureerd<br />
wordt, bestaat de kans dat het er zo<br />
verandert dat bewoners de wijk niet<br />
langer als ‘hun’ wijk ervaren. Een aantal<br />
specialisten, zoals Musterd en Ostendorf,<br />
vrezen dan ook dat er door herstructurering<br />
nieuwe, onverwachte sociale<br />
processen gaan ontstaan, die negatief<br />
kunnen worden ervaren door verschillende<br />
bewonersgroepen.
Enerzijds ervaren de bewoners van Malburgen<br />
hun wijk niet als gesegregeerd.<br />
Ze benadrukken dat de aanwezigheid<br />
van veel verschillende nationaliteiten de<br />
wijk juist heel gevarieerd maakt. Soms<br />
ervaren mensen dit als een verrijking en<br />
soms als een cultuurverschil. Veel mensen<br />
vinden het leuk om met de verschillende<br />
culturen in aanraking te komen en<br />
hier van te leren. Echter zodra mensen<br />
het gevoel krijgen dat ze b<strong>uit</strong>en een groep<br />
staan, voelen zij zich eerder bedreigd en<br />
ontstaat er een ‘wij-zij-gevoel’.<br />
Anderzijds zijn de bewoners zich ervan<br />
bewust dat hun wijk wel gesegregeerd<br />
is, omdat het vooral bestaat <strong>uit</strong> goedkopere<br />
huizen. Ze voelen de achterstand<br />
en worden geconfronteerd met rommel,<br />
verval, criminaliteit en werkeloosheid.<br />
De meeste mensen in Malburgen geloven<br />
dat het creëren van menging door<br />
herstructurering een goede strategie is.<br />
Anderen daarentegen zetten hun vraagtekens<br />
bij de aanpak van de gemeente.<br />
Ze vragen zich af of het niet een verplaatsing<br />
van het probleem is. Er is ook<br />
een groep die zich afvraagt of er daadwerkelijk<br />
menging ontstaat en of Malburgen<br />
niet slechts een ‘gouden randje’<br />
van duurdere woningen krijgt.<br />
In het segregatieproces zijn drie opeenvolgende<br />
fasen te onderscheiden, die<br />
zich voortdurend herhalen: infiltratie,<br />
invasie en successie. Infiltratie is een<br />
periode van langzame penetratie, waarin<br />
slechts een aantal mensen zich vestigen<br />
tussen de oorspronkelijke bevolking.<br />
Daarna volgt er een periode van invasie.<br />
De nieuwe bevolkingsgroepering vestigt<br />
zich tussen de originele bewoners. Deze<br />
fase kan doorgaan totdat de nieuwe<br />
bevolkingsgroepering de enige is die<br />
overblijft in het gebied en de oorspronkelijke<br />
bevolkingsgroep vertrokken is:<br />
successie (Mik, 1987).<br />
Door wijken te herstructureren veroorzaakt<br />
de overheid infiltratie. De overheid<br />
wil door het bouwen van duurdere<br />
woningen meer kansrijke mensen naar<br />
de wijk trekken. Langzaamaan komt<br />
steeds meer een ‘ander soort’ mensen<br />
in de wijk wonen. De huidige bewoners<br />
Bouwstenen studie Malburgen 2015<br />
kunnen de komst van de nieuwkomers<br />
als bedreigend ervaren. Een nieuwe,<br />
onbekende groep komt in hun ‘territorium’.<br />
Als deze groep te groot is, kunnen<br />
bewoners het gevoel krijgen dat hun<br />
wijk wordt overgenomen. Dit is natuurlijk<br />
niet de bedoeling van herstructurering.<br />
Het doel is juist een gevarieerde woonwijk<br />
te creëren en niet om het hele<br />
proces tot successie, zoals Mik beschrijft,<br />
te doorlopen. Dan zou immers opnieuw<br />
segregatie ontstaan, maar dan van de<br />
nieuwkomers.<br />
Op dit moment ervaren de bewoners<br />
van Malburgen de komst van de nieuwkomers<br />
niet als infiltratie. Uit de interviews<br />
blijkt dat mensen de komst van<br />
de allochtonen een aantal jaren geleden<br />
wel als infiltratie ervaarden. Een verklaring<br />
hiervoor is dat de bewoners nu<br />
heel goed weten dat nieuwkomers nodig<br />
zijn voor de wijk. Daardoor is het<br />
moge-lijk dat ze positiever tegenover de<br />
komst van deze nieuwe mensen staan.<br />
Het gevoel van infiltratie kan echter<br />
nog wel komen.<br />
Het proces van vernieuwing in de wijk<br />
heeft veel weg van gentrificatie.<br />
Gentrificatie is het proces van stedelijke<br />
vernieuwing waarbij vervallen huizen<br />
worden opgeknapt door bemiddelde<br />
mensen die naar het gebied verhuizen<br />
(Giddens, 2001). Echter tijdens een<br />
herstructurering is meer sprake van een<br />
artificiële vorm van gentrificatie, omdat<br />
de overheid hier met zijn beleid op aanstuurt.<br />
Min of meer dezelfde gevolgen<br />
zijn zichtbaar, zoals een verandering<br />
van de bevolkingssamenstelling, meer<br />
draagvlak voor voorzieningen en een<br />
algemene verbetering van de wijk. Een<br />
negatief gevolg is dat de prijzen in de<br />
wijk stijgen. Niet alleen de huizen worden<br />
duurder, maar ook het alledaagse leven.<br />
De sporen van gentrificatie in Malburgen<br />
zijn zichtbaar in meerdere aspecten.<br />
Ten eerste verandert de verhouding<br />
tussen huur- en koopwoningen. In het<br />
oorspronkelijke plan zou de verhouding<br />
80 % huur- en 20 % koopwoningen<br />
zijn. Door het verkoopsucces van de<br />
eerste woningen is er meer vertrouwen<br />
en durven nu nog meer mensen de stap<br />
te zetten. Dit kan vergeleken worden<br />
met de tweede fase van het gentrificatieproces<br />
(Senécal e.a., 1990). De pioniers<br />
hebben zich gevestigd en hebben het<br />
pad geëffend voor de volgende nieuwkomers.<br />
De projectontwikkelaar speelt<br />
hier op in door een verhouding van<br />
50% huur- en 50% koopwoningen na<br />
te streven. Bewoners merken dat de<br />
huurprijzen hierdoor omhoog gaan en<br />
dat er minder sociale huurwoningen<br />
worden gebouwd. Met als gevolg dat<br />
minder nieuwe, arme mensen in de wijk<br />
kunnen komen wonen. In de dagelijkse<br />
<strong>uit</strong>gaven merken mensen echter nog<br />
geen prijsstijging.<br />
Conclusie<br />
De bewoners van Malburgen zijn over<br />
het algemeen positief over de herstructurering.<br />
Hoewel er <strong>uit</strong> de interviews<br />
een aantal negatieve punten naar boven<br />
zijn gekomen, hebben mensen toch een<br />
groot vertrouwen in de verbetering van<br />
de wijk. Door het rotsvaste geloof in<br />
TOPOS / 04 / 2006 53
Sloopoverlast Interview met groep Turkse vrouwen <strong>uit</strong> Malburgen<br />
de herstructurering en in de positieve<br />
toekomst van de wijk worden de negatieve<br />
aspecten voor de bewoners aanvaardbaar.<br />
Een belangrijke oorzaak voor het sterke<br />
geloof is dat een groep bewoners zelf<br />
op maatregelen hebben aangedrongen<br />
en meegeholpen hebben aan het<br />
ontwikkelen van het herstructureringsplan.<br />
Ze willen zo graag dat hun wijk<br />
weer aangenaam en leefbaar wordt, dat<br />
ze er bijna alles aan willen doen om dit<br />
te bereiken. Juist om deze reden zijn ze<br />
ook geneigd eerder de positieve dan de<br />
negatieve kanten te zien. Dit heeft te<br />
maken met de cognitieve dissonantietheorie<br />
(Van Woerkum en Van<br />
Meegeren, 2003). Wanneer mensen eenmaal<br />
een keuze hebben gemaakt, willen<br />
zij voortdurend deze keuze bevestigd<br />
zien. De bewoners van Malburgen staan<br />
achter de herstructurering en geloven<br />
dat dit de juiste strategie is om de leefbaarheid<br />
van de wijk te verbeteren. Dit<br />
zou bijvoorbeeld kunnen verklaren dat<br />
de blijvers de komst van de nieuwkomers<br />
niet als infiltratie ervaren. Een ander<br />
voorbeeld is de fysieke overlast. Mensen<br />
ervaren wel overlast maar een hoop<br />
mensen begrijpen dat deze overlast<br />
noodzakelijk is om een betere wijk te<br />
krijgen.<br />
Een tweede oorzaak voor het sterke<br />
geloof in de plannen zijn de mogelijkheden<br />
voor bewoners tot planparticipatie.<br />
De Malburgers krijgen veel inspraakmogelijkheden<br />
en informatie over de<br />
herstructureringsplannen. Dit geeft mensen<br />
het gevoel dat ze serieus genomen<br />
worden en hun mening mogen geven.<br />
Op deze manier wordt er volgens<br />
54 TOPOS / 04 / 2006<br />
Kleinhans en Kruijthoff (2002) een<br />
groter draagvlak gecreëerd. In Malburgen<br />
is een goed werkbare vorm ontwikkeld<br />
om bewoners in het planproces te<br />
betrekken. Ze worden inmiddels als een<br />
volwaardige derde partij beschouwd.<br />
Hierdoor is een groep bewoners ontstaan<br />
die heel intensief bij de herstructurering<br />
betrokken is. Deze sterk betrokken<br />
mensen zijn niet alleen belangrijk omdat<br />
ze zich heel erg inzetten voor de herstructurering,<br />
maar ook omdat ze hun<br />
enthousiasme overbrengen op andere<br />
bewoners die minder betrokken zijn.<br />
Ook het enthousiasme en de betrokkenheid<br />
van de instanties zorgen ervoor<br />
dat de overige mensen overtuigd raken<br />
dat de herstructurering de wijk zal<br />
verbeteren.<br />
De derde reden voor het geloof in de<br />
plannen is de grote aandacht voor de<br />
sociale aspecten van herstructurering.<br />
Er worden projecten opgezet om<br />
mensen met elkaar in contact te brengen.<br />
Om het doel van herstructurering te<br />
kunnen bereiken is het niet alleen belangrijk<br />
dat mensen gemengd wonen, maar<br />
dat zij ook gemengd contact hebben.<br />
Deze positieve beleving van de bewoners<br />
van Malburgen zorgt voor een opwaartse<br />
spiraal. Een positieve beleving zorgt<br />
voor een groot draagvlak en een groot<br />
draagvlak versterkt weer de positieve<br />
beleving. De bewoners van Malburgen<br />
beleven de herstructurering positief en<br />
hebben een groot vertrouwen in de<br />
toekomst van de wijk.<br />
Literatuur<br />
- Beckhoven, E. en Van Kempen, R. (2002) Het<br />
belang van de buurt, De invloed van herstructurering op<br />
activiteiten van blijvers en nieuwkomers in een Amsterdamse<br />
en Utrechtse buurt, DGW /NETHUR partnership<br />
nr 20, Utrecht.<br />
- Giddens, A. (2001) Sociology 4th edition, Polity<br />
Press & Blackwell Publishing Ltd, Cambridge and<br />
Oxford.<br />
- Kleinhans, R. (2005) Sociale implicaties van herstructurering<br />
en herhuisvesting, Delft University Press en<br />
OTB technische universiteit Delft, Delft.<br />
- Kleinhans, R. en kruythoff, H. (2002)<br />
Herstructurering: in het spoor van vertrekkers, Een<br />
exploratief-onderzoek naar de ervaringen van herstructure<br />
ringsurgenten <strong>uit</strong> Hoograven (Utrecht) en Morgenstond<br />
(Den Haag), DGVH/NETHUR partnership nr<br />
18, Utrecht.<br />
- Mik, G. (1987) Segregatie in het grootstedelijk milieu,<br />
Theorie en Rotterdamse werkelijkheid, Economischegeorgrafisch<br />
instituut, Erasmus universiteit<br />
Rotterdam, Rotterdam.<br />
- Senécal, P., Tremblay,C. en Teufel, D. (1990)<br />
Gentrification or urban sprawl ?, Central Montréal and<br />
surrounding area, La socieété d’habitation de<br />
Québec, Montréal.<br />
- Van Woerkum, C. en Van Meegeren, P. (2003 )<br />
Basisboek communicatie en verandering, Uitgeverij<br />
Boom, Amsterdam.<br />
Summary<br />
At this moment a lot of post-war<br />
housing areas in the Netherlands are<br />
being renovated and restructured. A<br />
main goal of these large scale projects<br />
is to transform the limited population,<br />
of mainly unprivileged people, into a<br />
more mixed population. That is why<br />
the main activities are focussed on<br />
renewing the housing stock: old<br />
residents are torn down, new houses<br />
are built and a lot of homes are<br />
renovated. These activities cause a<br />
large moving momentum in the area.<br />
Some people have to move out and a<br />
lot of new people move into the area.<br />
Every resident has to get acclimatized<br />
to their new (and changed) place and<br />
neighbourhood. An important question<br />
is how people experience en feel<br />
about this period in their lives.
Kolonisten banen nieuw spoor<br />
Een studie naar regionale arrangementen in de Drentse<br />
Veenkoloniën<br />
Binnen de plattelandsver-<br />
nieuwing zijn verschillende<br />
bestaande beleidssporen<br />
onvoldoende op elkaar<br />
afgestemd. De incidentele<br />
experimentele en weinig<br />
integrale aanpak bij plat-<br />
telandsvernieuwing wordt<br />
steeds vaker ervaren als<br />
een probleem, waardoor<br />
gezocht wordt naar een<br />
meer structurele aanpak.<br />
Het bestaande beleid biedt<br />
ruimte voor experimenten,<br />
waar dan ook volop ge-<br />
bruik van wordt gemaakt.<br />
Er valt echter weinig<br />
samenhang én richting te<br />
onderscheiden. Vaak<br />
omdat een overkoepelen-<br />
de visie ‘waar men naar<br />
toe wil’ ontbreekt. Een tijdje<br />
is gedacht dat wanneer<br />
genoeg experimenten<br />
plaatsvinden, opstuwing<br />
vanzelf gaat. Eerst werd er<br />
top-down gedacht, vervol-<br />
gens bottom-up óf zelfs<br />
stimulatie van<strong>uit</strong> de markt.<br />
Egbert Jaap Mooiweer<br />
Student Landgebruiksplanning<br />
ejmooiweer@nederlandscultuurlandschap.nl<br />
‘Plattelandsvernieuwing’ speelt zich af<br />
binnen bestaande beleidskaders, wat<br />
zijn reflectie heeft op de <strong>uit</strong>voering van<br />
experimenten. Wat ontbreekt, is de<br />
koppeling tussen een ‘inhoudelijke<br />
systeemanalyse’ en de procesopzet in<br />
een gebied. Dit geldt voor zowel de<br />
mensen die daarbij betrokken zijn, als<br />
de experimenten die daar<strong>uit</strong> voortvloeien.<br />
Gewenst is een zorgvuldige<br />
afweging van projecten die kansrijk zijn<br />
en dus daadwerkelijk bijdragen aan de<br />
inhoudelijke problematiek ter plekke.<br />
Op deze manier is meer samenhang in<br />
de verscheidenheid aan projecten aan te<br />
brengen. Hiervoor wordt het begrip<br />
‘arrangementen’ geïntroduceerd. Deze<br />
vormen een onderdeel van het interactieve<br />
beleidsproces van plattelandsvernieuwing.<br />
Het omvat afspraken over<br />
inhoud, participatie en spelregels in de<br />
context van een bepaald project<br />
(Edelenbos en Klein, 2005). ‘Regionale<br />
arrangementen’ kunnen -mijns inziens-<br />
dienen als concept om een structurele<br />
aanpak voor ‘plattelandsvernieuwing’ te<br />
bewerkstelligen.<br />
Doelstelling<br />
Het onderzoek geeft inzicht in mogelijke<br />
bouwstenen voor regionale arrangementen.<br />
Dit inzicht wordt verkregen door<br />
kennis te verzamelen over innovatieve<br />
plattelandsontwikkelingsprojecten en<br />
het analyseren van deze bouwstenen op<br />
samenhang d.m.v. empirisch onderzoek.<br />
Theoretisch kader<br />
De theoretische verkenning wijst op<br />
een verscheidenheid aan arrangementen,<br />
waarbij de rol van de overheid meer of<br />
minder sterk is. Bij een terugtredende<br />
overheid blijkt een bepaald idee over de<br />
kwaliteit van de leefomgeving onderhandelbaar.<br />
Er kan onderscheid gemaakt<br />
worden in ‘etatistische’ en ‘pluralistische’<br />
arrangementen. Bij etatistische arrangementen<br />
bepaalt het Rijk in belangrijke<br />
mate de regels van het spel, bij<br />
pluralistische arrangementen is sprake<br />
van onderhandeling van de overheid<br />
met private partijen over spelregels en<br />
de inzet van machtmiddelen.<br />
Interessant is de al dan niet betrokkenheid<br />
van overheden en het feit dat<br />
omgevingskwaliteit een constante<br />
variabele wordt bij regionale arrangementen;<br />
kennelijk is een bepaald idee<br />
over de kwaliteit van de leefomgeving<br />
onderhandelbaar. Partijen, waaronder<br />
de overheid, maken samen afspraken<br />
over de definitie van ruimtelijke<br />
kwaliteit in een gebied, hoe daar aan<br />
bijgedragen kan worden en wat voor<br />
speelruimte het kent. Dit biedt kansen<br />
voor in het bijzonder die regio’s waar<br />
de overheid zich, op het gebied van<br />
omgevingskwaliteit, minder verantwoordelijk<br />
ziet. De rol van overheden<br />
hierin is variabel: toetser, ondersteuner,<br />
partner, proces-manager, ondernemer.<br />
Gezocht wordt wanneer welke rol<br />
gewenst is.<br />
Regionale arrangementen vormen een<br />
strategisch concept om het proces van<br />
idee tot implementatie te faciliteren.<br />
Lange termijn denken, duurzaam beheer<br />
van projecten en het leggen van relaties<br />
tussen afzonderlijke nieuwe ideeën en<br />
integrale gebiedsontwikkeling staan<br />
centraal, in plaats van gelegitimeerde<br />
politiek-bestuurlijke en beleidsmatige<br />
verankering van projecten. Bij regionale<br />
arrangementen draait het om de ‘geest<br />
achter de letter’ in plaats van de letter<br />
zelf. Criterium is dat er ‘iets mee gedaan’<br />
wordt en het ‘iets’ <strong>uit</strong>mond in concrete<br />
beleidsmaatregelen. Men stuurt aan op<br />
een ‘verandering van koers’. Driessen<br />
biedt theoretische bouwstenen om het<br />
begrip regionale arrangementen in te<br />
vullen: integrale benadering, verbreding<br />
beleidsverantwoordelijkheid, verruiming<br />
perspectief, verbreding instrumentarium<br />
en differentiatie van beleid. Deze<br />
abstracte begrippen hebben concreet<br />
inhoud gekregen door overlappende<br />
ervaringen met innovatieve gebiedsontwikkeling<br />
te clusteren en zijn vervolgens<br />
geoperationaliseerd in een vijftiental<br />
empirische bouwstenen.<br />
Drentse Veenkoloniën<br />
De stap van theorie naar empirie heeft<br />
TOPOS / 04 / 2006 55
plaatsgevonden in de Drentse Veenkoloniën.<br />
De onderzochte case studies<br />
werken niet van<strong>uit</strong> een arrangementen<br />
benadering, maar hebben wel geholpen<br />
bij het operationaliseren van de theoretische<br />
bouwstenen voor regionale<br />
arrangementen. Sociale achterstand,<br />
teruglopende werkgelegenheid en een<br />
agrarische sector die aan de vooravond<br />
van grote veranderingen staat, zorgen<br />
voor een vernieuwingsopgave voor het<br />
héle gebied. Er is niet één centrale<br />
actor die stuurt, maar er zijn meer<br />
sturende partijen die de koers bepalen.<br />
Getracht wordt beleid te maken dat<br />
minder sectoraal is en beter is toegesneden<br />
op de praktijk. De inrichting en<br />
kwaliteit van de Veenkoloniën is in<br />
toenemende mate een lokale en regionale<br />
aangelegenheid geworden.<br />
Vanaf 2002 vormen de maatregelen <strong>uit</strong><br />
de Agenda voor de Veenkoloniën de<br />
gemeenschappelijke basis, waar<strong>uit</strong> projecten<br />
worden ontwikkeld en <strong>uit</strong>gevoerd.<br />
Deze suggereert de instandhouding van<br />
de huidige landschappelijke invulling als<br />
een harde randvoorwaarde. Dit gaat ten<br />
koste van pogingen om de eenzijdigheid<br />
te doorbreken en het vestigingsklimaat<br />
te versterken. Er bestaan echter nog<br />
andere beleidsvisies en <strong>uit</strong>voeringsprogramma’s<br />
welke zijn afgestemd op<br />
de Agenda. De ideeën van Bureau Riek<br />
Bakker zijn meer vernieuwend; openheid<br />
wordt, zij het beperkt, opgeofferd<br />
voor het creëren van nieuwe locaties<br />
voor agrarische bedrijven en nieuwe<br />
woonmilieus.<br />
Basiskwaliteiten van het gebied, een<br />
integrale benadering en burgerparticipatie<br />
zijn belangrijke ingrediënten voor<br />
56 TOPOS / 04 / 2006<br />
gebiedsontwikkeling in de Drentse Veenkoloniën.<br />
Al met al is sprake van een<br />
helder beeld- en inrichtingsplan voor<br />
het gebied, welke duidelijk de gebiedsopgave<br />
en de verschillende ontwikkelingsrichtingen<br />
aangeven. Er is veel draagvlak<br />
voor de plannen onder de bevolking.<br />
Dit blijkt onder andere <strong>uit</strong> de hoeveelheid<br />
gerealiseerde deelprojecten in het<br />
kader van het zogenaamde Hunzeproject.<br />
Een bepalende factor is de rol van milieuwetgeving<br />
en ruimtelijke ordening. In<br />
de perceptie van veelal private partijen<br />
is zelfs sprake van een ondermijnende<br />
factor. Daarnaast bestaat er onrust bij<br />
akkerbouwers, vanwege de dalende<br />
prijzen en de afnemende financiële steun<br />
<strong>uit</strong> Brussel voor in het bijzonder suiker<br />
en zetmeelaardappelen. Het ontbreekt<br />
aan <strong>uit</strong>gewerkte alternatieven en daardoor<br />
aan duidelijkheid over de mogelijke<br />
rol van deze betrokkenen in de<br />
opgave om het gebied <strong>uit</strong> het slop te<br />
trekken.<br />
Kolonisten banen nieuw spoor<br />
Aan de hand van een drietal case studies<br />
worden de geformuleerde bouwstenen<br />
voor regionale arrangementen getoetst<br />
op herkenbaarheid en samenhang. De<br />
projecten geven verschillende ontwikkelingssporen<br />
aan: 1)versterking van de<br />
concurrentiekracht van de landbouw,<br />
2)inspelen op natuur- en milieumaatregelen<br />
en 3)economische diversificatie.<br />
‘Precisielandbouw Oost-Drenthe’ draait<br />
om het ontwikkelen en <strong>uit</strong>voeren van<br />
praktische precisielandbouw toepassingen<br />
die gericht zijn op het verbeteren van<br />
de teelt van aardappelen en suiker-<br />
bieten. ‘Boeren met <strong>uit</strong>zicht’ werkt aan<br />
natuurontwikkeling in het grootschalige<br />
landbouwgebied én het onder de aandacht<br />
brengen van bijzondere landschapswaarden<br />
bij een groter publiek. Project<br />
Nieuw-Buinen streeft naar het<br />
verplaatsen van agrarische bedrijven <strong>uit</strong><br />
het dorpslint in combinatie met de<br />
exploitatie van duurzame energie. Niet<br />
alle bouwstenen spelen een belangrijke<br />
rol in de projecten en de samenhang<br />
tussen de bouwstenen is vaak niet<br />
duidelijk. Er valt wel iets te zeggen over<br />
de mate van herkenbaarheid van een<br />
bouwsteen in een project, ongeacht de<br />
<strong>uit</strong>voering. In dit onderzoek worden de<br />
belangrijkste empirische bouwstenen<br />
gevormd door ‘gebiedsgebonden aanpak’,<br />
‘inventieve aanpak’ en ‘kennisbenutting’.<br />
Verder spelen een ‘aanpak<br />
van onderop’, ‘ambities vormen en<br />
koesteren’, ‘losmaken van mensen en<br />
middelen’ en een ‘partnerschapsaanpak’<br />
een beduidende rol. Bouwstenen als<br />
een ‘multi-sectorale aanpak’, het ‘nemen<br />
van risico’s bij toekennen van middelen’,<br />
‘communiceren over voortgang’ zijn<br />
aanwezig, maar vallen te verbeteren.<br />
Een ‘regionale aanpak’, ‘kennisontwikkeling’,<br />
‘verbreding van instrumentarium’<br />
en het ‘opstellen van randvoorwaarden’<br />
spelen nauwelijks een rol. De case<br />
studies leveren <strong>uit</strong>eindelijk een schema<br />
op waarin de kenmerken van de <strong>uit</strong>gewerkte<br />
bouwstenen worden beschreven.<br />
Conceptueel ontwerp:<br />
piramidemodel<br />
Bij plattelandsvernieuwing is het belangrijk<br />
onderscheid te maken in verschillende<br />
fasen. Niets gebeurt lineair. Er is
sprake van een dynamisch (gebieds-)<br />
proces dat deels te sturen is en waarbij<br />
continue afweging van verschillende<br />
belangen plaatsvindt. Een conceptueel<br />
ontwerp voor regionale arrangementen<br />
kan hierbij als brugfunctie fungeren.<br />
Het omvat “afspraken over inhoud,<br />
participatie en spelregels die tijdens het<br />
interactieve beleidsproces gelden”<br />
(Edelenbos en Klein; 2005). Er wordt<br />
een modelmatige aanpak geschetst om<br />
te komen tot een regionaal arrangement:<br />
het piramidemodel. Deze benadrukt<br />
participatie en het belang van een lokale<br />
context.<br />
Reflectie<br />
Interessant is de al dan niet betrokkenheid<br />
van overheden en het feit dat omgevingskwaliteit<br />
een constante variabele<br />
wordt bij regionale arrangementen;<br />
kennelijk is een bepaald idee over de<br />
kwaliteit van de leefomgeving onderhandelbaar.<br />
De projecten laten dit op<br />
verschillende manieren zien. De afhankelijkheid<br />
van het gebied van de<br />
productie van aardappelen en suiker<br />
moet doorbroken worden, maar wordt<br />
tegelijkertijd versterkt doordat het<br />
grootschalige agrarische karakter en de<br />
daarmee gepaard gaande open ruimte<br />
wordt gekoesterd; wat leidt tot het ondersteunen<br />
van het project ‘Precisielandbouw’.<br />
Bij ‘Project Nieuw-Buinen’<br />
stimuleert de overheid beleid om<br />
agrarische bedrijven vanwege overlast<br />
(stank, verkeer en geluid) te verplaatsen<br />
<strong>uit</strong> de linten. Dit, terwijl tegelijkertijd<br />
bouwvergunningen worden afgegeven<br />
om bestaande bedrijven verder te<br />
ontwikkelen en melkveebedrijven van<br />
b<strong>uit</strong>enaf in de linten geplaatst worden<br />
op voormalige akkerbouwbedrijven.<br />
Verder is hier het conserveren van het<br />
ontginningslandschap en het karakter<br />
van de linten heilig en kan er geen besl<strong>uit</strong><br />
worden genomen over het al dan niet<br />
ontwikkelen van tweede linten, terwijl<br />
<strong>uit</strong>breiding van een woningbouwlocatie<br />
met <strong>uit</strong>zicht op het te ontwikkelen lint<br />
niet op noemenswaardige problemen<br />
st<strong>uit</strong>. Tot slot het project “Boeren met<br />
<strong>uit</strong>zicht”. In beleidsstukken wordt het<br />
realiseren van natuurlijke waarden in<br />
het grootschalige landbouwgebied niet<br />
genoemd, toch wordt het initiatief van<br />
de akkerbouwers beloond met een<br />
stimuleringsprijs van de provincie en<br />
haalt het project de landelijke televisie<br />
met een sympathieke documentaire<br />
over de Veenkoloniën. Dit kan <strong>uit</strong>gelegd<br />
worden als willekeur.<br />
Tot slot<br />
Mijn standpunt is dat Nederland als<br />
vruchtbare delta de morele plicht heeft<br />
een aanzienlijk deel van haar voedselproductie<br />
op eigen grondgebied te<br />
produceren en haar ecologische footprint<br />
te beperken. Helemaal in een<br />
gebied als de Drentse Veenkoloniën.<br />
De grote <strong>uit</strong>vaart der boeren laten wij<br />
zelf gebeuren door een gebrek aan<br />
marktconforme betaling, duurzame<br />
betaling en continue verandering van<br />
Brusselse en Haagse regelgeving.<br />
Ruimtelijke ordening speelt hier ook<br />
een belangrijk rol waar het gaat om ont<br />
wikkelingsmogelijkheden in het b<strong>uit</strong>engebied.<br />
Het is tekenend dat in een agrarisch<br />
productielandschap als de Drentse<br />
Veenkoloniën het grondgebruik onder<br />
druk staat terwijl er volop initiatieven<br />
zijn om agrarische productie te vervlechten<br />
met andere functies zoals cultuurhistorie,<br />
landschapsschoon, recreatie en<br />
biodiversiteit.<br />
Bovenstaande heb ik mee kunnen nemen<br />
als strategisch beleidsmedewerker bij de<br />
Vereniging Nederlands Cultuurlandschap.<br />
Met haar ‘Deltaplan voor het landschap’<br />
staat een authentieke visie op het<br />
landschap als geheel. Deze landschapsvisie<br />
is ambitieus doordat het gericht is<br />
op alle kavelgrenzen in de gangbare<br />
landbouw in heel Nederland, b<strong>uit</strong>en de<br />
natuurgebieden en b<strong>uit</strong>en het stedelijk<br />
gebied. Dit betreft 69% van het landoppervlak.<br />
De Vereniging beoogt een grootscheeps<br />
herstel van de traditionele kavelgrenzen<br />
en de aanleg en het ontwerp van geheel<br />
nieuwe elementen in heel Nederland<br />
b<strong>uit</strong>en de aangekochte natuurgebieden<br />
en steden. Dit netwerk van landschapselementen<br />
zoals akkerranden, bloemrijke<br />
bermen en slootkanten, heggen en<br />
houtwallen, graften en lanen, wordt in<br />
het plan gekoppeld aan fiets-, r<strong>uit</strong>er- en<br />
voetpaden en kanoroutes. Het gaat<br />
hierbij om 200.000 km kavelgrenzen en<br />
50.000 kilometer recreatieve routes.<br />
Het ontwerp richt zich op (nieuwe)<br />
cultuurhistorie, biodiversiteit, genietbaarheid,<br />
streekeigenheid, schoonheid<br />
en inpasbaarheid. Het plan vraagt om<br />
een financiering <strong>uit</strong> een vermogensfonds<br />
in particuliere hand, dat <strong>uit</strong> rente<br />
een marktconforme duurzame financiering<br />
<strong>uit</strong>keert aan grondeigenaren die<br />
het landschap beheren. Lokale commissies<br />
maken in eigen streek de ontwerpen.<br />
In deze commissies hebben vertegenwoordigers<br />
zitting van de boeren, burgers<br />
en lokale bestuurders, heemkunde,<br />
cultuurhistorie, natuurbescherming en<br />
ecologie, toerisme en landschaparchitectuur.<br />
[summary]<br />
The aim of this study is to gain more<br />
insight in the possibilities of the use of<br />
regional agreements concerning rural<br />
innovation. In order to understand this<br />
concept theoretical building blocks<br />
have been developed, which have<br />
been brought about empirically. These<br />
have been analysed in coherence by<br />
empirical research in the area of the<br />
‘Drentse Veenkoloniën’. A spatial<br />
component from the sociological angle<br />
of incidence have been chosen:<br />
enhancing quality of living space. This<br />
angle points out the importance of<br />
participation and local context in a<br />
complex social environment.<br />
The reflection aims to improve the<br />
quality of unique Dutch culture<br />
landscapes and offers a perspective<br />
for (agricultural) entrepreneurs in the<br />
rural area. A creative policy is likeable,<br />
in which leading policy have to support<br />
the executing innovation track much<br />
more.<br />
TOPOS / 04 / 2006 57
Een zee van ruimte<br />
Het watersysteem voor deelplan II Meerstad Groningen<br />
De stad Groningen wordt<br />
<strong>uit</strong>gebreid in oostelijke<br />
richting. Het masterplan voor<br />
deze <strong>uit</strong>breiding, Meerstad<br />
Groningen, is inmiddels<br />
gereed en momenteel wordt<br />
gewerkt aan de <strong>uit</strong>werking<br />
van fase 1.<br />
De gemeente Groningen<br />
bood mij de gelegenheid om<br />
binnen het kader van het<br />
masterplan de tweede fase,<br />
deelplan II, te ontwerpen.<br />
Het ontwerp dat verder<br />
wordt besproken was tevens<br />
mijn afstudeerproject voor<br />
de leerstoelgroep Land-<br />
schapsarchitectuur in<br />
Wageningen. Het eindresul-<br />
taat is een integraal ontwerp<br />
voor wonen, water en natuur.<br />
In dit artikel beperk ik me<br />
tot een toelichting op het<br />
ontwerp van het<br />
watersysteem.<br />
Dirk oomen<br />
Student Landschapsarchitectuur<br />
dirk.oomen@wur.nl<br />
58 TOPOS / 04 / 2006<br />
Meerstad wordt gecreëerd in een gebied<br />
op de overgang van de pleistocene zandgronden<br />
naar de holocene kleiafzettingen,<br />
waar een dik pakket veen is gevormd.<br />
Het merendeel van het veengebied is<br />
vanaf de 12e Historie plan Meerstad Groningen<br />
eeuw in gebruik voor<br />
landbouw. Door winning en inklinking<br />
van veen, en sinds kort ook door de<br />
winning van gas in de diepe ondergrond,<br />
is het gebied het laagst gelegen gebied<br />
van Groningen geworden. Het ligt<br />
inmiddels 2 meter onder N.A.P en zal<br />
de komende 50 jaar nog ongeveer 35<br />
tot 45cm zakken. Door de lage ligging<br />
trekt het grondwater naar het gebied en<br />
er moet sterk bemaald worden om te<br />
kunnen blijven gebruiken voor grootschalige<br />
akkerbouw. De ongunstige<br />
economische omstandigheden voor de<br />
landbouw leidden tot vele onsamenhangende<br />
ontwikkelingen in het gebied<br />
zoals zandwinning, aanleg van productiebos<br />
en recreatieterreinen, bouw van<br />
windmolens en natuurontwikkeling.<br />
Tegelijkertijd is er in Nederland een<br />
grote vraag ontstaan naar landelijk c.q.<br />
ruim wonen. Als gevolg daarvan zijn<br />
dorpen in de omgeving van de stad<br />
Groningen sterk gaan groeien.<br />
Hierdoor wordt het landelijke karakter<br />
van de ommelanden aangetast. Provinciale<br />
en gemeentelijke overheden wilden<br />
deze ongewenste ontwikkelingen op een<br />
samenhangende manier aanpakken. Er<br />
werd een strategie bedacht om het<br />
gebied nieuwe economische impulsen<br />
te geven gegeven en tegelijkertijd de<br />
ontstane water- en woonproblematiek<br />
in de regio op te lossen. Met de bouw<br />
van Meerstad Groningen wordt het<br />
gebied opnieuw op de kaart gezet.<br />
Masterplan Meerstad Groningen<br />
Het masterplan geeft de grote lijnen<br />
aan waarlangs het overwegend agrarische<br />
landschap omgevormd gaat worden tot<br />
een multifunctioneel woon-, werk-,<br />
recreatie- en natuurgebied. De totale<br />
ontwikkeling is voorzien voor de<br />
periode 2006-2026. Er gaan 10000<br />
woningen gebouwd worden in dicht-<br />
heden van respectievelijk 6, 9, 15 en 27<br />
woningen per hectare. Er wordt een<br />
groot meer (600 ha) aangelegd om 3<br />
miljoen kubieke meter water te kunnen<br />
bergen tijdens natte perioden. Het meer<br />
moet ook een recreatieve trekker worden<br />
en rond het meer wordt de ecologische<br />
hoofdstructuur van de stad en de regio<br />
versterkt. De masterplankaart legt de<br />
ontwikkelingen voor Meerstad in hoofdlijnen<br />
vast, maar bij de nadere invulling<br />
en <strong>uit</strong>werking kon ik hiervan afwijken,<br />
wanneer ik daar reden toe zag. Deelplan<br />
II omvat de aanleg van het meer, de<br />
aanleg van een groen- en waterstructuur<br />
en de bouw van 1350 woningen in een<br />
lage dichtheid. Verder wordt het meer<br />
opgenomen in de ecologische hoofdstructuur.<br />
Een schoon meer voor Meerstad<br />
Groningen<br />
Het is belangrijk dat het water in het<br />
meer helder en voedselarm is. Alleen<br />
dan is het meer aantrekkelijk voor<br />
recreanten en toekomstige bewoners en<br />
alleen dan kan zich in en om het water<br />
een rijk geschakeerde natuur ontwikkelen.<br />
Het water is momenteel eutroof en niet<br />
echt helder omdat door het lage peil<br />
(3.00 tot –3.70 -NAP) voedselrijk water<br />
<strong>uit</strong> de omgeving via de ondergrond naar<br />
het gebied stroomt. Het meer moet<br />
daarom een hoger peil krijgen dan de<br />
directe omgeving om het zo waterhuishoudkundig<br />
te isoleren en de instroom<br />
van nutriënten te minimaliseren. Verder<br />
moet de door landbouw verrijkte<br />
bovengrond (0.4m dik) verwijderd<br />
worden. Klei- en veenbodems worden<br />
zelfs dieper <strong>uit</strong>gegraven en vervangen<br />
door zand. Zo wordt voorkomen dat<br />
vissen en windgolven het water troebel<br />
maken door klei en veen op te woelen.<br />
De groei van helofyten en daarmee de<br />
natuurlijke zuivering van het water wordt<br />
gestimuleerd door het water langs de<br />
randen ondiep te houden. Verder in<br />
het meer zullen de diepten die ontstaan<br />
bij de winning van zand, een buffer<br />
vormen tegen de opwarming van het<br />
water in de zomer. Deze diepten gaan
Dwarsprofiel Waddenzee<br />
tevens functioneren als bezinkingsbassins<br />
voor het met fosfaat verrijkte slib, dat<br />
nog ontstaat. Het waterpeil van het meer<br />
is inmiddels vastgesteld op –2.30 NAP.<br />
Bij dit peil en de voorgenomen waterdieptes<br />
moet het meer vergraven worden<br />
waarbij 22 miljoen m 3 grondverzet gaat<br />
worden. Het meer wordt een half verzonken<br />
badkuip in het laagste deel van<br />
provincie Groningen.<br />
Twee open werelden met twee<br />
vormtalen<br />
Het huidige landschap is, afgezien van<br />
de verstoringen, vooral open en weids.<br />
Het geeft een gevoel van vrijheid en<br />
ongebondenheid. Ik wilde deze openheid<br />
en ruimte beleefbaar houden voor de<br />
toekomstige bewoners. Bij de analyse<br />
van het plangebied kwamen verder twee<br />
belangrijke en ruimtelijk gescheiden<br />
kenmerken naar voren. In het westelijk<br />
deel is een 12 e eeuwse radiale verkavelingstructuur<br />
nog steeds zichtbaar en in<br />
het oostelijk deel ligt een natuurlijk<br />
gevormde dekzandrug. Dit contrast<br />
vormde het vertrekpunt voor mijn<br />
verdere ontwerp. In het westelijke deel<br />
wordt die radiale structuur het ordeningsprincipe<br />
voor de water-, wegen-<br />
en groenstructuur. Hier ligt de nadruk<br />
op wonen in lage dichtheid, 9 tot 18<br />
woningen per hectare. Via ruime assen<br />
die naar het meer lopen, blijft de ruimte<br />
beleefbaar voor de toekomstige bewoners.<br />
De lineaire structuur voorkomt dat<br />
de wijken naar binnen gekeerde doolhoven<br />
worden. Het plangebied wordt zo<br />
bovendien verankerd in de omgeving<br />
en het sl<strong>uit</strong> zo aan op deelplan I waar<br />
de radiale structuur eveneens zichtbaar<br />
gebleven is. In het oostelijk deel gaan<br />
het natuurlijke reliëf en het waterpeil<br />
de vorm van het gebied bepalen. De<br />
oever krijgt een natuurlijk en gebogen<br />
tracé en de patronen in de vegetatie<br />
zullen voor een belangrijk deel het gevolg<br />
zijn van de plaatselijke grondwaterstand<br />
en hoogteligging. In dit oostelijk deel<br />
komt de nadruk te liggen op natuurontwikkeling<br />
en de verbinding met de ecologische<br />
hoofdstructuur in de provincie.<br />
Door deze tweedeling ontstaan er twee<br />
werelden, elk met een eigen vormtaal<br />
(lineair naast organisch) en een overwegende<br />
functie.<br />
Waterkwaliteit<br />
In waterrijke woonwijken ontstaan<br />
gemakkelijk problemen door algenbloei,<br />
ophoping van drijfvuil, overtollige kroosvorming,<br />
insectenoverlast en geurvorming.<br />
Dit kan voorkomen worden door<br />
het water in de wijken voldoende in<br />
beweging te houden en te verversen. In<br />
een meer beweegt water nauwelijks,<br />
alleen afkoeling, wind en pleziervaart<br />
brengen water in beweging. De waterstructuur<br />
is zo een vorm gegeven dat<br />
deze ertoe bijdraagt dat het water in<br />
beweging komt. De woonwijken worden<br />
via watergangen verbonden met het<br />
meer. Deze vormen een aaneengesloten<br />
netwerk zonder doodlopende watergangen<br />
en de hoofdwatergangen monden<br />
<strong>uit</strong> in het meer. De hoofdwatergangen<br />
Masterplan Meerstad Groningen<br />
komen voort <strong>uit</strong> de 12 e eeuwse radiale<br />
structuur en hebben een tapse vorm.<br />
De beschoeide gebogen contourvorm<br />
van de monding functioneert als golvenvanger.<br />
De vernauwende vorm in de<br />
hoofdwatergangen zorgt ervoor dat de<br />
golven geknepen worden, waardoor het<br />
waterpeil stijgt. Hierdoor komt er een<br />
stroom op gang richting de achtergelegen<br />
woongebieden. Door de ruime maten<br />
van de hoofdwatergangen (minimaal 30<br />
meter breed) zal het water gemakkelijker<br />
doorstromen. Er worden waterdiepten<br />
tot 2 meter aangehouden. De grote volumina<br />
voorkomen een snelle eutrofiëring<br />
en een te verregaande opwarming van<br />
het water. In periodes van afkoeling zal<br />
er een grotere verticale stroming op gang<br />
komen. Dit alles heeft een positieve invloed<br />
op de ontwikkeling van waterflora<br />
en fauna. Bij een hoog vissenbestand<br />
worden insectenpopulaties op een natuurlijke<br />
wijze in toom gehouden.<br />
Helofyten langs de oevers helpen het<br />
water te zuiveren. Verder wordt het<br />
schone regenwater van de woningen<br />
direct afgevoerd op het oppervlaktewater.<br />
De toestroom van dit water bevor-<br />
TOPOS / 04 / 2006 59
dert ook de doorstroming. In het oostelijk<br />
deel komt vooral groot open water<br />
voor en ondiep water met een zuiverende<br />
oeverbeplanting met riet, zegge en<br />
moerasbos; hier worden geen problemen<br />
verwacht met de waterkwaliteit.<br />
Beleving van het water<br />
Water staat voor weids, wind en openheid.<br />
In het huidige masterplan wordt<br />
afbreuk gedaan aan de openheid van<br />
het meer door centraal in het meer een<br />
Ontwerp deelplan II<br />
Vogelvlucht ontwerp deelplan II<br />
60 TOPOS / 04 / 2006<br />
cirkelvormig eiland en weg te situeren.<br />
In mijn ontwerp verdwijnen deze, waardoor<br />
de openheid van het meer sterk<br />
toeneemt. Mensen wonen graag aan het<br />
water en dat werd mogelijk door vele<br />
eilanden te maken, zodat 45 % van de<br />
woningen direct aan het water grenst.<br />
De breedte van de watergangen maakt<br />
dat de bewoners zich niet gaan afschermen<br />
tegen de blik van buren en passanten.<br />
In het westelijk deel zijn zichtlijnen<br />
tussen de eilanden van<strong>uit</strong> achtergelegen<br />
woonbuurten naar het meer gecreëerd.<br />
Door de tapse vorm van de watergangen<br />
ontstaat een perspectivische verkorting<br />
waardoor het meer dichterbij lijkt te liggen.<br />
De zichtlijnen liggen in het verlengde<br />
van bomenlanen die de ontsl<strong>uit</strong>ing<br />
vormen van de zuidelijk gelegen woonbuurt<br />
in het westelijk deel. Deze zichtlijnen<br />
helpen bewoner en bezoeker zich<br />
te oriënteren. Door te kiezen voor overwegend<br />
groene en zachte randen langs<br />
het meer ontstaat er een aantrekkelijk<br />
beeld voor de waterrecreant. In contrast<br />
hiermee wordt een nieuw dorp op de<br />
kop van de dekzandrug gebouwd. Dit<br />
vormt een stedelijk accent binnen de<br />
zachte groene randen. Een haven en<br />
een strand maken het tot een aantrekkelijke<br />
plek voor recreanten. Op de b<strong>uit</strong>enste<br />
eilanden van het westelijk deel<br />
staan de woningen in aarden wallen<br />
waardoor ze grotendeels <strong>uit</strong> het zicht<br />
blijven van de waterrecreant. Hierdoor<br />
leggen de woningen geen claim op het<br />
water. De gebogen wallen met woningen<br />
maken de rand van het meer herkenbaar<br />
en zorgen tegelijk voor een bijzonder<br />
einde van de radiale structuur. De<br />
huizen zelf hebben een mooie<br />
besloten tuin op het zuiden en bieden<br />
een prachtig <strong>uit</strong>zicht over het meer<br />
vanaf de bovenste verdieping en een<br />
terras. Langs het meer loopt een<br />
recreatieve fiets- en wandelroute die de<br />
verschillende openbare plekken aan het<br />
water met elkaar verbindt.<br />
Tot slot<br />
In mijn ontwerp bepaalt het watersysteem<br />
in grote mate de vorm en de<br />
identiteit van deelplan II. Het aanwezige<br />
reliëf en de historische verkavelingstructuur<br />
zijn terug te vinden en de<br />
gekozen vorm van het watersysteem<br />
bevordert zowel de zuivering als de<br />
beleving van de ruimte van het water.<br />
Er is ervoor gekozen de ruimte te delen<br />
en die niet te laten claimen. Mensen<br />
kunnen er wonen in de beslotenheid<br />
van hun huis en tegelijk in de open<br />
ruimte van Groningen.
Summary<br />
The extension of the city of Groningen<br />
(Meerstad) will be combined with the construction<br />
of a large artificial lake to store<br />
excessive rain water and with the development<br />
of a natural area. The integration of<br />
these functions is discussed in this paper,<br />
with an emphasis on the design of the<br />
water system.<br />
The water in the lake and connected waterways<br />
should be clear and clean. Therefore,<br />
the current fertile topsoil will be removed,<br />
the inflow of water rich in nutrients will be<br />
avoided by transforming the lake area from<br />
a sink into a source and natural purification<br />
will be supported by the design of waterways<br />
and vegetation along banks and shore.<br />
The openness of the Groningen landscape<br />
can be experienced in the residential quarters<br />
and two local characteristic and contrasting<br />
patterns (a radial artificial water<br />
structure from 12 th age in the western part<br />
and a natural organic structure made by<br />
wind in the eastern part) are still visible.<br />
Foto: Dirk Oomen<br />
TOPOS / 04 / 2006 61
BOEKEN<br />
Fieldwork<br />
Landschapsarchitectuur in <strong>Europa</strong><br />
Lisa Diedrich, Robert Holden en Eric<br />
L<strong>uit</strong>en<br />
Uitgeverij THOTH, Bussum (www.<br />
thoth.nl), Stichting LAE, 2006<br />
ISBN 90-6868-423-x<br />
Prijs: € 55,00<br />
(24 x 30 cm / 253 pagina’s met 500 ill.<br />
Waarvan 300 in kleur)<br />
Dit boek is de eerste van een driejaarlijkse<br />
publicatie. In het boek Fielwork<br />
wordt allereerst in zeven essays een<br />
aantal onderwerpen besproken. In het<br />
eerste essay wordt verduidelijkt hoe<br />
het boek is ontstaan en met welke<br />
problemen de jury te kampen had.<br />
Daarna worden andere onderwerpen<br />
<strong>uit</strong>gediept, zoals het agrarisch landschap<br />
(waarin al kort wordt verwezen<br />
naar de projecten), parken, tuinen en<br />
verschillende trends. Ook wordt de<br />
toekomst van de landschapsarchitectuur<br />
in Midden <strong>Europa</strong> vergeleken met<br />
de landschapsarchitectuur in de rest<br />
van <strong>Europa</strong>, met wellicht iets te vergaande<br />
informatie. In de verschillende<br />
essays komt de rol van de landschapsarchitect<br />
naar voren op een herkenbare<br />
manier.<br />
Kort gezegd komen er in de essays<br />
verschillende landschappelijke (architectuur)<br />
ontwikkelingen van binnen<br />
<strong>Europa</strong> aan bod. Alhoewel het zeer<br />
interessant is wordt er helaas niet veel<br />
nieuws <strong>uit</strong>gelicht.<br />
Vervolgens worden er 43 ontwerpen<br />
62 TOPOS / 04 / 2006<br />
gepresenteerd die verzameld zijn door<br />
landschapsarchitecten <strong>uit</strong> verschillende<br />
Europese landen. Zowel stedelijke<br />
als landelijke gebieden worden belicht.<br />
De projecten dateren <strong>uit</strong> de periode<br />
2001 tot 2004. Ieder project wordt<br />
verduidelijkt door tekst, plattegronden<br />
en verschillende illustraties en<br />
foto’s in kleur. Bij de projecten wordt<br />
de nodige informatie gegeven, zoals<br />
het programma, de opdrachtgever en<br />
oppervlakte. Naast deze gegevens<br />
wordt door middel van tekst het ontwerp<br />
<strong>uit</strong>gelegd. Een duidelijke opbouw<br />
van het boek maakt het zeer leesbaar<br />
en aantrekkelijk. Alhoewel ik me bij<br />
sommige projecten afvroeg of het nu<br />
over landschapsarchitectuur ging, of<br />
over kunst.<br />
Monique Sperling<br />
Indelen en afbakenen<br />
Ruimtelijke typologieën in het<br />
beleid<br />
A. de Vries, H. van Amsterdam en H.<br />
Thorborg<br />
NAi Uitgevers (Rotterdam) en Ruimtelijk<br />
Planbureau (Den Haag) 2006<br />
ISBN: 90-5662-547-0<br />
Prijs: 22,50 euro<br />
Pagina’s: 120<br />
Het Ruimtelijk Planbureau verstaat onder<br />
een ruimtelijke typologie een “indeling<br />
van de ruimte die is gemaakt aan de<br />
hand van vooraf opgestelde criteria”. Een<br />
typologie geeft <strong>uit</strong>drukking aan heersende<br />
beleidsopvattingen over ruimte.<br />
Net als een concept kan een typologie<br />
een analyserende of sturende functie<br />
hebben. Analytische typologieën zijn<br />
geschikt voor het herkennen van ruimtelijke<br />
patronen. Sturende typologieën<br />
echter zijn het gevolg van een beleidsbeslissing.<br />
Een typologie kan ingezet<br />
worden in verschillende fasen van de<br />
beleidscyclus en op diverse schaalniveaus.<br />
Het verschil met een concept is<br />
dat een typologie instrumenteel en concreet<br />
is, terwijl een concept vaak een<br />
visie of referentiebeeld is. Typologieën<br />
zijn geschikt als communicatiemiddel.<br />
Of beleid er ook succesvol van wordt,<br />
kan niet direct worden gesteld.<br />
Door decentralisatie wordt het sturen<br />
met nationale typologieën moeilijker.<br />
Nationale typologieën krijgen het karakter<br />
van een referentiebeeld, worden<br />
minder concreet en gaan meer lijken<br />
op een ruimtelijk concept. Deze nationale<br />
typologieën zullen concurrentie<br />
krijgen met typologieën die wel aansl<strong>uit</strong>en<br />
bij de lokale planningpraktijk.<br />
Er ontstaat een dilemma: hoe houdt het<br />
Rijk zicht en invloed op lokale ontwikkelingen<br />
zonder lokale overheden een<br />
typologie op te dringen? Helaas geeft<br />
het RPB geen oplossing voor deze<br />
kwestie. Een ander gevaar wat schuilt<br />
in het gebruik van typologieën is dat<br />
overheden zich vastbijten in een bepaalde<br />
typologie en daardoor verstarren.<br />
De typologieën ‘woonmilieu’, ‘bebouwd<br />
gebied’, ‘detailhandellocatie’ en ‘achterstandswijk’<br />
zijn nader bekeken. De<br />
term ‘bebouwd gebied’ is bijvoorbeeld<br />
een goede benadering voor het aangeven<br />
van de beleefde grens tussen<br />
stad en land. De term is minder geschikt<br />
om de toename van verspreide<br />
bebouwing te onderzoeken.<br />
Deze interessante publicatie maakt de<br />
lezer bewust van de gevolgen van ‘labels<br />
plakken’ en zou daarom voor elke<br />
‘label plakker’ tot de verplichte literatuur<br />
moeten behoren. Door het gebruik van<br />
vier stedelijke voorbeeldtypologieën is<br />
de groene kant helaas blijven liggen.<br />
Jolanda in ’t Veld
De architectuur van het geluk<br />
Alain de Botton (2006)<br />
Uitgeverij Atlas, Amsterdam<br />
ISBN 90-450-1276-6<br />
Prijs: Euro 19,90<br />
De vormgeving, compositie en kleurgebruik<br />
toegepast op bouwwerken, in<br />
kamers, op meubels en in schilderijen<br />
kunnen de mens een gevoel van geluk<br />
geven. Tenminste, als deze drie op<br />
een juiste manier worden toegepast.<br />
Die ‘juiste’ manier is grotendeels<br />
afhankelijk van de aanschouwer want<br />
jawel, smaken verschillen. In ‘De architectuur<br />
van het geluk’ legt Alain de<br />
Botton <strong>uit</strong> waarom sommige mensen<br />
een positieve ervaring hebben bij een<br />
ontwerp terwijl anderen het verafschuwen.<br />
En hoe algemeen gewaardeerde<br />
stijlen in de samenleving veranderen<br />
met de tijd, zoals de overgang van de<br />
renaissance tuinen naar de Engelse<br />
landschapsstijl.<br />
Eén van de theorieën van AdB is dat<br />
wanneer gebouwen als mooi bestempel<br />
worden deze de persoonlijkheid<br />
van de aanschouwer aanvullen. Zo<br />
zou een chaotisch persoon houden<br />
van heldere, overzichtelijke architectuur.<br />
Een mens zoekt compensatie<br />
van zichzelf in de eigen omgeving;<br />
in de architectuur van hun huis, in<br />
de vormgeving van de meubels en in<br />
kunst bijvoorbeeld.<br />
Dit geldt niet enkel voor individuen<br />
maar ook op maatschappelijk niveau.<br />
Kunststijlen zullen altijd opkomsten<br />
en ondergangen kennen in een samenleving<br />
doordat de behoeften in<br />
deze maatschappij ook veranderen.<br />
Bijvoorbeeld door een veranderend<br />
politiek beleid of door technologische<br />
ontwikkelingen. Kunst zal daarin altijd<br />
de compensatie vormen. Die stijl die<br />
belichaamt wat op dat moment mist<br />
in de samenleving zal de boventoon<br />
voeren, aldus de Botton.<br />
Voor vormgevers in ontwikkeling, zij<br />
die hun mening nog moeten vormen<br />
over hen persoonlijke ‘mooi en lelijk’<br />
is dit boek een goed hulpmiddel. Met<br />
allerlei voorbeelden en foto’s <strong>uit</strong> de<br />
kunstgeschiedenis worden de theorieën<br />
van de Botton toegelicht zodat<br />
terloops ook deze kennis wordt vergroot.<br />
Aan de hand van dit boek heb ik<br />
begrepen waarom ik bepaalde esthetische<br />
voorkeuren heb. Mocht jij je<br />
voorkeuren al duidelijk hebben, dan<br />
is de theorie ook omgedraaid toepasbaar:<br />
het is een manier jezelf beter te<br />
leren kennen. Allebei een belangrijke<br />
les.<br />
Adam Hofland<br />
Atelier IJmeer 2030+<br />
Teun Koolhaas, Ellen Marcusse<br />
Uitgeverij 010, Rotterdam, 2006<br />
ISBN 90-6450-604-3<br />
Prijs: € 39,50 (283 bladzijden)<br />
De verbinding Almere met de Randstad,<br />
specifieker met Amsterdam, was<br />
in oktober nog in het nieuws door het<br />
kamerbesl<strong>uit</strong> over het doortrekken van<br />
de A6 naar de A9, middels ondertunneling<br />
van het Naardermeer, die niet<br />
doorgaat. Dit besl<strong>uit</strong> spaart de unieke<br />
natuur rondom het Naardermeer, maar<br />
stelt een verbetering van de bereikbaarheid<br />
van Almere <strong>uit</strong> tot er andere<br />
oplossingen gevonden zijn. Kamerlid<br />
Hofstra kwam prompt met het plan<br />
een brug aan te leggen, over het<br />
IJmeer, tussen Almere en Amsterdam<br />
IJburg.<br />
Nieuw was dat idee echter niet, laat<br />
staan van hemzelf. Twee stedenbouwkundigen,<br />
Teun Koolhaas en<br />
Ellen Marcusse, zijn in 2003 van<br />
start gegaan met het Atelier IJmeer,<br />
in opdracht van de wethouder ruimtelijke<br />
ordening van Almere. In het<br />
atelier kregen de twee de vrijheid<br />
om aan een visie te werken voor het<br />
ontwikkelen van Almere Pampus, het<br />
nieuwste stadsdeel waar de komende<br />
tijd 60.000 woningen gerealiseerd<br />
moeten worden. Dit moet in hun<br />
visie een stads<strong>uit</strong>breiding worden die<br />
landschappelijk en civiel verankerd<br />
is binnen de gehele noordelijke randstad.<br />
Woonmilieus in Almere moeten<br />
gedifferentieerder worden en zich niet<br />
alleen richten op woonvormen in het<br />
bos, die alom tegenwoordig zijn, maar<br />
daarnaast het water in westelijke richting<br />
opzoeken. Almere Pampus wordt<br />
voorgesteld als een stadsdeel dat<br />
deels b<strong>uit</strong>endijks en deels in de luwte<br />
binnendijks aangelegd wordt. Op zeer<br />
diverse manieren worden stedelijke<br />
maritieme woonmilieus vormgegeven,<br />
waar bebouwing met het natuurlijke<br />
milieu wordt verweven. De <strong>uit</strong>breiding<br />
verwijst meerdere malen naar succesvolle<br />
Amsterdamse projecten aan<br />
het water. In het stedenbouwkundige<br />
plan wordt, waar mogelijk, de visuele<br />
nabijheid van de hoofdstad benadrukt.<br />
Om Almere in de toekomst goed te<br />
ontsl<strong>uit</strong>en is een brug bedacht vanaf<br />
Almere naar Amsterdam, die aanlandt<br />
in IJburg.<br />
Het boek Atelier IJmeer 2030+ verslaat<br />
het werk van de afgelopen 3 jaar.<br />
De regionale visie die tot stand is gekomen,<br />
is bedoeld als een frame om<br />
richting te geven aan woningbouw en<br />
ontwikkeling van infrastructuur, gedurende<br />
de komende 25 jaar. Het frame<br />
moet verschuivingen in prioriteiten en<br />
nieuwe inzichten kunnen opvangen.<br />
Het boek illustreert de werkwijze van<br />
het project en de tot stand gekomen<br />
visie <strong>uit</strong>bundig met veel gekleurd<br />
kaart- en referentiemateriaal, waardoor<br />
het zeer toegankelijk en goed<br />
leesbaar is.<br />
Renée de Waal<br />
TOPOS / 04 / 2006 63
Planning als Gesprek<br />
Grondslagen voor ruimtelijke planning<br />
en beleid in de eenentwintigste<br />
eeuw<br />
Wim de Haas<br />
Uitgeverij de Graaff, Utrecht, 2006<br />
ISBN 90-77024-19-0<br />
Prijs: € 24,50 (231 bladzijden)<br />
Wim de Haas benadert in ‘Planning<br />
als Gesprek’ de ruimtelijke planning<br />
als een vorm van taalhandelen, met<br />
een eigen woordenschat, zinsbouw<br />
en grammatica. De Haas herkent<br />
verschillende communicatiegenres:<br />
ontwerpen, onderzoeken, beslissen<br />
en ingrijpen. In het vinden van goede<br />
overgangen tussen de genres, ziet<br />
hij het wezen van de ruimtelijke planning.<br />
In deze passages is ruimte voor<br />
reflectie die planologie een wetenschappelijk<br />
karakter geeft. De noodzaak<br />
voor een dergelijke benadering<br />
komt voort <strong>uit</strong> een heersend onbehagen<br />
binnen de planning. De idee<br />
van publieke, strategische ruimtelijke<br />
planning en de ontwikkelingen in de<br />
post-moderne tijd, die zich meer en<br />
meer richten op ad hoc en gebiedsgericht<br />
ingrijpen zonder integrale achterliggende<br />
visie, zijn bepaald niet vloeiend<br />
in elkaar overgegaan. Kritische<br />
reflectie op dit soort vraagstukken<br />
ontbreekt, een gemis dat ‘Planning als<br />
Gesprek’ probeert in te vullen, waarbij<br />
veelvuldig wordt teruggegrepen op<br />
filosofen als Kant en Lyotard.<br />
De benadering van planning als taalhandelen,<br />
die <strong>uit</strong>voerig wordt <strong>uit</strong>gelegd,<br />
is wel tamelijk abstract. In latere<br />
hoofdstukken wordt De Haas echter<br />
concreter wat betreft de toepassing<br />
van deze planningsbenadering en<br />
64 TOPOS / 04 / 2006<br />
slaat hij een brug tussen zijn theoretische<br />
benadering en de planningspraktijk.<br />
Het boek is in mijn ogen vooral een<br />
hedendaagse manier van definiëren<br />
wat planning is en hoe we er mee<br />
om kunnen gaan in dit post-moderne<br />
tijdperk. Als student landschapsarchitectuur<br />
kreeg ik een beeld van wat het<br />
ontwerpen in het proces van ruimtelijke<br />
ordening kan zijn. Voor studenten<br />
die op zoek zijn naar theoretische<br />
verdieping is het boek een aanrader.<br />
Renée de Waal<br />
Een plan dat werkt. Ontwerp en politiek<br />
in de regionale planvorming.<br />
Maarten Hajer, Dirk Sijmons, Fred<br />
Feddes e.a.<br />
NAi <strong>uit</strong>gevers, Rotterdam, 2006<br />
ISBN: 90-5662-472-5<br />
“Een plan dat werkt” is het verslag<br />
van een onderzoek dat medewerkers<br />
van de Universiteit van Amsterdam in<br />
samenwerking met landschapsarchitecten<br />
van H+N+S <strong>uit</strong>voerden naar de<br />
kansen van ontwerpend onderzoek op<br />
het regionale schaalniveau. Dit naar<br />
aanleiding van tegenvallende ontwerpkwaliteit<br />
en democratische legitimiteit<br />
op dat schaalniveau.<br />
Na de inleiding gaan de schrijvers in<br />
op de ruimtelijke vraagstukken op de<br />
regionale schaal, en vooral de kansen<br />
die regionaal ontwerp biedt. Regionaal<br />
ontwerp zou in de ogen van de schrijvers<br />
niet allesomvattend, maar selectief<br />
moeten zijn. Als belangrijkste taak<br />
wordt “het bezielen van domme planologische<br />
processen” gezien. Daar-<br />
naast kan het ontwerpend onderzoek<br />
ook een institutionele functie krijgen.<br />
Het daarop volgende hoofdstuk behandelt<br />
de legitimiteit van het regionaal<br />
ontwerp. Planprocessen vinden<br />
volgens het boek tegenwoordig plaats<br />
in netwerken. De legitimeit zoals die in<br />
de representatieve democratie geldt,<br />
komt daarmee in gevaar. Volgens de<br />
schrijvers moet het begrip van legitimiteit<br />
daarom worden aangevuld met<br />
discursieve en performatieve legitimiteit.<br />
Discursiviteit wil zeggen dat politieke<br />
besl<strong>uit</strong>en het resultaat zijn van<br />
een inhoudelijk argumentatieproces<br />
door actoren. Performatieve legitimiteit<br />
betekent dat het proces voor actoren<br />
acceptabel en overtuigend is.<br />
In het hart van het boek doen de<br />
onderzoekers verslag van drie ontwerpprocessen:<br />
de Stelling van Amsterdam,<br />
het Groene Hart en de RZG<br />
driehoek (Rotterdam, Zoetermeer,<br />
Gouda). In alle drie casussen werd<br />
een poging gedaan om via ontwerpend<br />
onderzoek tot oplossingen voor<br />
ruimtelijke problemen op het regionale<br />
niveau te komen. Het proces en<br />
de context verschilden, evenals de<br />
<strong>uit</strong>gangssituatie en het resultaat. In<br />
intermezzo’s tussen de casussen worden<br />
de resultaten van twee workshops<br />
over de politiek-bestuurlijke rol van de<br />
ontwerper en de bestuurlijk-juridische<br />
landing van plannen besproken.<br />
De schrijvers besl<strong>uit</strong>en het boek met<br />
een betoog waarin zij ‘deltaplanologie’<br />
aandragen als oplossing voor de problemen<br />
in de regio. Met deltaplanologie<br />
willen de auteurs weer een leidend<br />
verhaal in de Nederlandse planning<br />
brengen en tevens de planning effectiever<br />
maken door het probleem<br />
centraal te stellen, duidelijkheid te<br />
scheppen en bestuurders voldoende<br />
armslag te geven.<br />
“Een plan dat werkt” is een inhoudelijk<br />
rijk boek met een intrigerende boodschap.<br />
Het boek kan een stimulans<br />
zijn voor diegenen die planning en<br />
ontwerp met elkaar proberen te verbinden.<br />
De hoofdstukken missen veelal<br />
een goede opbouw en een bondige<br />
formulering; het lijkt vooral een geschreven<br />
ontwerpend onderzoek. Het boek<br />
is de worsteling echter meer dan waard.<br />
Stijn Heukels
TOPOS Perodiek van het Laboratorium voor Ruimtelijke Planvorming<br />
Abonnement<br />
Ja, ik wil een abonnement op TOPOS. Dit abonnement heeft een looptijd van een jaar. Na het<br />
voldoen van de abonnementsgeld ontvang ik ook de eerdere nummers die TOPOS dat jaar <strong>uit</strong><br />
heeft gebracht. Het abonnementsgeld van 15 euro maak ik onder vermelding van mijn naam<br />
en adres over op rekeningnummer 397090846 t.n.v. Genius Loci, inzage TOPOS te Wageningen.<br />
Naam (Bureau)<br />
Straat<br />
Postcode<br />
Telefoonnummer<br />
Woonplaats<br />
E-mail<br />
Plaats Datum Handtekening<br />
Abonnement<br />
Ja, ik wil een abonnement op TOPOS. Dit abonnement heeft een looptijd van een jaar. Na het<br />
voldoen van de abonnementsgeld ontvang ik ook de eerdere nummers die TOPOS dat jaar <strong>uit</strong><br />
heeft gebracht. Het abonnementsgeld van 15 euro maak ik onder vermelding van mijn naam<br />
en adres over op rekeningnummer 397090846 t.n.v. Genius Loci, inzage TOPOS te Wageningen.<br />
Naam (Bureau)<br />
Straat<br />
Postcode<br />
Telefoonnummer<br />
Woonplaats<br />
E-mail<br />
Plaats Datum Handtekening<br />
Abonnement<br />
Ja, ik wil een abonnement op TOPOS. Dit abonnement heeft een looptijd van een jaar. Na het<br />
voldoen van de abonnementsgeld ontvang ik ook de eerdere nummers die TOPOS dat jaar <strong>uit</strong><br />
heeft gebracht. Het abonnementsgeld van 15 euro maak ik onder vermelding van mijn naam<br />
en adres over op rekeningnummer 397090846 t.n.v. Genius Loci, inzage TOPOS te Wageningen.<br />
Naam (Bureau)<br />
Straat<br />
Postcode<br />
Telefoonnummer<br />
Woonplaats<br />
E-mail<br />
Plaats Datum Handtekening
Stuur de ingevulde kaart in een voldoende gefrankeerde envelop naar:<br />
TOPOS<br />
Generaal Foulkesweg 13<br />
6703 BJ Wageningen<br />
Stuur de ingevulde kaart in een voldoende gefrankeerde envelop naar:<br />
TOPOS<br />
Generaal Foulkesweg 13<br />
6703 BJ Wageningen<br />
Stuur de ingevulde kaart in een voldoende gefrankeerde envelop naar:<br />
TOPOS<br />
Generaal Foulkesweg 13<br />
6703 BJ Wageningen
Samantha Verheij<br />
Vormgeving<br />
Adam Hofl and<br />
Eindredactie<br />
Jos van Mierlo<br />
Redactie<br />
Tom Kraak<br />
Redactie<br />
Renée de Waal<br />
Redactie<br />
Eric Bovekerk<br />
Redactie<br />
Monique Sperling<br />
Redactie<br />
COLOFON<br />
TOPOS is de periodiek van de studierichting<br />
Landschapsarchitectuur en<br />
ruimtelijke planning en het Laboratorium<br />
voor Ruimtelijke Planvorming van Wageningen<br />
Universiteit. Het blad wordt<br />
gemaakt door studenten en verschijnt<br />
driemaal per jaar.<br />
Abonnementen<br />
Een abonnement op het tijdschrift TOPOS<br />
kost 15 Euro per jaar. Bij overmaking<br />
van dit bedrag op rek.nr. 397090846 ten<br />
name van TOPOS in Wageningen, krijgt<br />
u de reeds verschenen nummers van<br />
het betreffende jaar en de nieuwe nummers<br />
toegestuurd. Een abonnement op<br />
TOPOS loopt van januari tot december.<br />
Opzeggingen dienen voor 1 december<br />
te geschieden. Leden van de studievereniging<br />
Genius Loci en medewerkers<br />
van het Laboratorium voor Ruimtelijke<br />
Planvorming ontvangen TOPOS gratis.<br />
Voor inlichtingen kunt u mailen naar:<br />
st.topos@wur.nl<br />
Redactie<br />
Eric Bovekerk, Tom Kraak, Jos van Mierlo,<br />
Monique Sperling, Renée de Waal<br />
Eindredactie<br />
Adam Hofl and<br />
Vormgeving<br />
Samantha Verheij<br />
Met medewerking van<br />
Kristof van Assche, Lotte Bontje, Joren<br />
Jacobs, Henk-Jan Kooij, Rianne Knoot.<br />
Jolanda in ‘t Veld<br />
Bestuur<br />
Renée de Waal (voorzitter), Monique<br />
Sperling (secretaris), Stijn Heukels (penningmeester)<br />
Redactieadres<br />
Redactiekamer TOPOS<br />
Generaal Foulkesweg 13<br />
6703 BJ Wageningen<br />
tel. 0317-484245<br />
st.topos@wur.nl<br />
www.topos-magazine.tk<br />
Druk<br />
Ponsen & Looijen, Wageningen<br />
Oplage<br />
550 exemplaren<br />
Registratie<br />
ISSN 1572-302X<br />
TOPOS / 02 / 2003
TOP<br />
L A N D S C H A P<br />
In de serie Toplandschap belicht TOPOS bijzondere plekken in de stedelijke b<strong>uit</strong>enruimte en het rurale<br />
landschap. Heeft u ook een suggestie voor Toplandschap, mail: st.topos@wur.nl