02.08.2013 Views

Groeten uit Europa! - Topos

Groeten uit Europa! - Topos

Groeten uit Europa! - Topos

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

Jaargang 16<br />

Nummer 4<br />

2006<br />

7 euro<br />

TOPOS<br />

Periodiek van het Laboratorium voor Ruimtelijke Planvorming<br />

Schaal 1 : E uropa


I n h o u d<br />

2 TOPOS / 04 / 2006<br />

Artikelen<br />

08 <strong>Groeten</strong> <strong>uit</strong> <strong>Europa</strong>!<br />

Mark Hendriks en Dirk Sijmons<br />

12 De europese ‘ eenwording’<br />

Lodewijk Wiegersma<br />

16 EU Territorial Cohesion Policy: The Light at the End of the<br />

Tunnel?<br />

Andreas Faludi<br />

20 De ‘ verjonging’ van het erfgoed<br />

Ontwerpen met geschiedenis is een maatschappelijke opgave<br />

Jan Kolen<br />

24 <strong>Europa</strong> stoomt door (met of zonder Nederland)<br />

Davis Evers<br />

30 Grenzenloze plnningkennis in <strong>Europa</strong>:<br />

Internationale kennis<strong>uit</strong>wisseling aangaande ‘land development’ in FARLAND<br />

Terry van Dijk<br />

34 Plannen op de helling<br />

On-nederlandse stedebouwkundige projecten Buro Lubbers<br />

Eric Jonge en Marjan de Vries<br />

38 Wat willen planners met <strong>Europa</strong>?<br />

Raoul Beunen<br />

42 Waddenland<br />

Een nieuw concept in het denken over de bescherming van de internationale<br />

waddenzee<br />

Hans Revier<br />

46 Space for species: towards a cohesive Natura 2000 network<br />

Paul Opdam<br />

49 Europeaniseren vraagt om een actieve ruimtelijke ordening<br />

De provinciale ruimtelijke ordening in Europese context<br />

Arjen de Wit<br />

08<br />

12<br />

30<br />

34<br />

38


42<br />

46<br />

52<br />

55<br />

58<br />

Rubrieken<br />

04 Redactioneel<br />

Adam Hofland<br />

05 Caperton<br />

Renée de Waal<br />

14 Column<br />

Kristof van Assche<br />

28 Forum<br />

Joren Jacobs en Henk-Jan Kooij<br />

33 Dat vind ik nou mooi!<br />

Rianne Knoot<br />

Onderwijs<br />

41 Onderwijscolumn<br />

Lotte Bontje<br />

52 Het leven zoals het is: de herstructurering<br />

Hoe beleven de bewoners van malburgen de herstructurering van hun<br />

wijk?<br />

Nadja Mertens en Karlijn Soesman<br />

55 Kolonisten banen nieuw spoor<br />

Een studie naar regionale arrangementen in de Drentes Veenkoloniën<br />

Egbert Jaap Mooiweer<br />

58 Een zee van Ruimte<br />

Het watersysteem voor deelplan II Meerstad Groningen<br />

Dirk Oomen<br />

62 Boeken<br />

TOPOS / 04 / 2006 3


<strong>Europa</strong> – Europia – Eutopia - Utopia<br />

Terwijl miljoenen Nederlanders afgelopen zomer de<br />

auto of vliegtuig namen naar hun vakantiebestemming<br />

in het b<strong>uit</strong>enland, kwamen er duizenden Afrikanen<br />

om die poogde ook grenzen over te komen. Niet voor<br />

een vakantie of voor het plezier, maar <strong>uit</strong> wanhoop.<br />

Hun leven in landen als Mali en Niger was zo <strong>uit</strong>zichtloos<br />

dat ze geen andere <strong>uit</strong>weg zagen dan zich met<br />

lotgenoten in een te klein vissersbootje te proppen<br />

en de meedogenloze oceaan te trotseren. Anderen<br />

stortten zich met honderden tegelijk op 6 meter hoge<br />

hekken in de hoop dat zij één van die enkelingen zouden<br />

zijn die niet bleven haken in het prikkeldraad en<br />

wel de andere kant zouden bereiken.<br />

De drijfveer is geld. Geld waarvan in <strong>Europa</strong> genoeg<br />

is. Geld waarmee de familie thuis onderhouden kan<br />

worden.<br />

De ellende begint al in eigen land. Smokkelaars vragen<br />

astronomische bedragen om de mannen, het zijn<br />

altijd mannen, in de buurt van de Marokkaanse of<br />

Tunesische kust te brengen. Deze plekken dienen als<br />

springplank omdat hier de afstand tussen het Europese<br />

en Afrikaanse continent het kleinst is. Leg je als<br />

aankomend illegaal nog een paar duizend euro bij<br />

dan kan je via de zelfde smokkelaars nog een plekje<br />

op een visserboot kopen. Bezit je dat geld niet, dan<br />

zal je zelf moeten proberen de douane <strong>uit</strong> handen te<br />

blijven en de grens over te steken.<br />

Terugkeren naar het eigen dorp kan niet. De familie,<br />

soms zelfs het hele dorp, heeft al het geld bij elkaar<br />

gelegd om de smokkelaars te kunnen betalen voor<br />

jouw reis. Terugkeren met lege handen is een doodzonde.<br />

Dus riskeer je onderkoeling, verdrinking, ondervoeding<br />

en ander fysiek en psychisch letsel om<br />

het Europese fort te enteren en de vruchten van die<br />

welvaart te kunnen plukken.<br />

Afgelopen zomer probeerden 12.000 illegale immigranten<br />

de Italiaanse kust te bereiken en 27.000 de<br />

Spaanse enclaves Melilla en Ceuta. Zonder succes.<br />

6000 anderen waren nog ongelukkiger en gaven het<br />

leven.<br />

De Spaanse premier Jose Luis Rodriguez Zapatero<br />

stelde aan het eind van de zomer voor in Europees<br />

verband te gaan zorgen voor een verkleining van de<br />

welvaartskloof tussen Afrika en <strong>Europa</strong> om zo de toestroom<br />

van immigranten naar zijn land in te perken.<br />

Terwijl een groot deel van de EU-lidstaten op haar<br />

beurt weer vond dat Spanje de ellende zelf over zich<br />

4 TOPOS / 04 / 2006<br />

had afgeroepen door vorig jaar 700.000 illegalen een<br />

permanente verblijfsvergunning te geven en zo dus<br />

zelf de kat op het spek gebonden had. Een echte oplossing<br />

is niet zomaar gevonden; dat is deze nooit bij<br />

menselijke drama’s van deze omvang.<br />

Ondertussen werken wij hard aan een nog beter en<br />

nog mooier <strong>Europa</strong>. Als ik de inhoud van deze TOPOS<br />

zo bekijk, lukt dat nog aardig ook. Onszelf beseffen<br />

dat we dat enkel kunnen omdat wij in <strong>Europa</strong> bijna als<br />

vanzelf worden voorzien in onze basisbehoeften, zoals<br />

goed onderwijs en een zorgstelsel, is daarbij niet<br />

ongezond. Daardoor zijn we ook in staat ons bezig te<br />

houden met meer “secundaire” zaken als ecologische<br />

corridors en recreatielandschappen. Wij staan dan wel<br />

weer elke dag in de file of bevinden ons op een station<br />

zonder rijdende treinen. En het weer laat vaak ook<br />

te wensen over, maar och: er is altijd wel iets.<br />

Adam Hofland<br />

Eindredacteur Schaal 1:<strong>Europa</strong><br />

Redactioneel


Caperton<br />

In de rubriek Caperton doet de redactie van TOPOS<br />

verslag van nieuws in de categoriën ‘onderwijs’,<br />

‘onderzoek’, ‘praktijk’ en ‘aankondigingen’. Caperton is de<br />

naam van het land tussen twee afwateringskanalen van<br />

verschillende dorpen. Het is het land tussen verschillende<br />

werelden; de plek waar nieuws zich kan verzamelen.<br />

Leerstoelgroep Landgebruiksplanning<br />

wordt volledig lid<br />

van AESOP<br />

De leerstoelgroep Landgebruiksplanning is toegelaten<br />

als volledig lid van de Association of European Schools<br />

of Planning (AESOP). Dit betekent dat het onderwijsprogramma<br />

in Ruimtelijke Planning in Wageningen erkend<br />

is te voldoen aan de internationale standaard. AESOP is<br />

een netwerk van universiteiten en universiteitsafdelingen<br />

die onderwijs geven en onderzoek verrichten in het veld<br />

van stedelijke en regionale planning. Het lidmaatschap<br />

opent nieuwe mogelijkheden voor internationale samenwerking<br />

en <strong>uit</strong>wisseling van ervaring.<br />

Meer informatie: www.aesop-planning.com<br />

Stad noch land: ruimtelijke<br />

ontordening in Nederland<br />

Het rommelige land op de grens van waar stad en agrarisch<br />

gebied in elkaar overgaan, weet zich steeds weer<br />

te onttrekken aan de gangbare Nederlandse ideeën over<br />

ruimtelijke ordening. Deze grensgebieden, ook wel tussenland<br />

genoemd, zijn rommelig, soms vervreemdend,<br />

maar ook spannend en vol mogelijkheden. De tentoonstelling<br />

geeft aan de hand van kaarten, tekeningen en<br />

foto’s inzicht in de onvoorspelbare manieren waarop deze<br />

ruimtes zich ontwikkelen. De tentoonstelling is te zien t/m<br />

25 februari 2007 in het NAi in Rotterdam.<br />

Meer informatie: http://www.nai.nl/nl/pers/061005_stadnochland.html<br />

Promotie Wijnand Boonstra<br />

Wijnand Boonstra promoveerde op 30 oktober 2006 met<br />

het proefschrift “A Case Study of Value-Conflicts on Dutch<br />

Rural Land Use”. Conflicten over de inrichting van het landelijk<br />

gebied zijn vaak niet louter een belangenstrijd, maar<br />

vaak ook een waardenstrijd. In het proefschrift wordt<br />

onderzocht hoe waardenconflicten in de praktijk worden<br />

gearticuleerd en hoe erover wordt onderhandeld.<br />

3 Cum Laudes bij MSc<br />

afstudeerders Planning<br />

Bij de MSc diploma <strong>uit</strong>reikingen afgelopen september is<br />

een <strong>uit</strong>zonderlijk hoog aantal van 3 cum laudes gehaald<br />

bij de specialisatie Ruimtelijke Planning. Jeroen Laro,<br />

Roderick Simons en Arjen de Wit zijn cum laude afgestudeerd.<br />

De laatst genoemde is nu junior onderzoeker bij<br />

de leerstoelgroep Landgebruiksplanning.<br />

Promoties Maarten Jacobs<br />

en Martijn Duijneveld<br />

Twee medewerkers van de Leerstoelgroep Sociaal-ruimtelijke<br />

Analyse zijn onlangs gepromoveerd. Maarten Jacobs<br />

promoveerde op 10 november. Zijn proefschrift “The production<br />

of mindscapes. A comprehensive theory of landscape<br />

experience” gaat over verschillende manieren waarop de<br />

ervaring van het landschap wordt bestudeerd. Hij ontwikkelt<br />

een overkoepelende theorie, waarin de vraag centraal<br />

staat via welke processen ervaringen van landschappen tot<br />

stand komen.<br />

Martijn Duineveld promoveerde op vrijdag 22 december.<br />

Zijn proefschrift heet: “Van oude dingen, de mensen, die<br />

voorbij gaan; Over de voorwaarden meer recht te kunnen<br />

doen aan de door burgers gewaardeerde cultuurhistories.”<br />

Hij beargumenteert dat als de Nederlandse overheid haar<br />

cultuurhistorisch beleid wil democratiseren daarvoor meer<br />

openheid moet worden gecreëerd in het formele beleidsysteem.<br />

Hoewel zijn onderzoek zich heeft beperkt tot het archeologiebeleid,<br />

zijn de <strong>uit</strong>komsten zeer relevant voor andere<br />

beleidsvelden waarbinnen de ambitie bestaat de wensen van<br />

burgers meer bij het beleid te betrekken.<br />

TOPOS / 04 / 2006 5


6 TOPOS / 04 / 2006<br />

Erik de Jong nieuwe docent<br />

Landschapsarchitectuur<br />

Erik de Jong zal de leerstoelgroep Landschapsarchitectuur<br />

voor twee dagen per week komen versterken als<br />

universitair hoofdmedewerker. Hij heeft kunstgeschiedenis<br />

gestudeerd en zich gespecialiseerd in de geschiedenis<br />

van tuinen en landschappen. Vorig jaar heeft hij reeds<br />

zijn entree gemaakt aan Wageningen Universiteit met de<br />

collegereeks ‘600 jaar geschiedenis van de Nederlandse<br />

tuin- en landschapsarchitectuur’. Vanaf dit jaar vervangt<br />

hij het bestaande ‘History of Art, Architecture and Landscape<br />

Architecture’ van Klaas Kerkstra met een serie<br />

getiteld ‘A Cultural History of Garden and Landscape Architecture’.<br />

Daarin wil De Jong de culturele geschiedenis<br />

van de landschapsarchitectuur behandelen in relatie tot<br />

de andere ontwerpdisciplines, kunsten en wetenschappen.<br />

Het vak zal een theoretisch, kritisch, reflectief en ook<br />

praktisch karakter krijgen, dat niet alleen op de ontwikkeling<br />

van het westen is gericht, maar wereldwijd.<br />

De Jong is naast zijn aanstelling aan Wageningen Universiteit<br />

onder andere ook bijzonder hoogleraar in Leiden,<br />

adviseur van dierentuin Artis en ‘senior fellow history of<br />

Landscape Architecture’ bij Dumbarton Oaks Institute for<br />

Landscape Studies, een onderzoeksinstituut van Harvard<br />

University in Washington D.C.<br />

Meer informatie: erik.dejong@wur.nl<br />

Jörg Rekittke new assistant<br />

professor Landscape<br />

Architecture<br />

Jörg Rekittke will be the new assistant professor at the<br />

chair of Landscape Architecture from December 2006 onwards.<br />

Rekittke studied at the Technical University Berlin<br />

and Ecole Nationale Supérieure du Paysage Versailles.<br />

He was teaching assistant at RWTH Aachen University<br />

at Department of Landscape Design and at Department<br />

of Urban Design and Regional Planning. He also got his<br />

doctor’s degree in Aachen. Rekittke also worked at the<br />

University of Siegen and at Hochschule Anhalt.<br />

His primary focus in Wageningen will be on landscape<br />

architecture in relation to urbanism. Rekittke will organise<br />

the urban MSc Atelier during period 3 and 4 from January<br />

till April. Next to education he will do research work.<br />

He is interested in strengthening the connection between<br />

research and the creative act of design. He distinguishes<br />

between research in the classical sense and research applied<br />

in the field of Landscape Architecture, as he calls it<br />

‘limited science’. He will try to clarify the often misty-eyed<br />

interpreted design act by searching for a way to make it<br />

traceable for everyone.<br />

More information: rekittke@email.de Links Erik de Jong, rechts Jörg Rekittke


TOPOS / 04 / 2006<br />

7


<strong>Groeten</strong> <strong>uit</strong> <strong>Europa</strong>!<br />

Landschapsontwerpers en<br />

landschapsplanners moeten<br />

meer nadenken over de<br />

invloed van vrijetijds-<br />

besteding op het landschap.<br />

De Nederlandse rijks-<br />

adviseur voor het landschap<br />

organiseert daarom een<br />

internationaal project<br />

waarin opleidingen worden<br />

opgeroepen ontwerpend<br />

onderzoek te doen naar de<br />

veelkleurige relatie tussen<br />

leisure enerzijds en de<br />

Europese landschappen<br />

anderzijds.<br />

Mark Hendriks<br />

Journalist<br />

Dirk Sijmons<br />

Rijksadviseur voor het landschap<br />

tekstlandschap@gmail.com<br />

8 TOPOS / 04 / 2006<br />

In Oost-D<strong>uit</strong>sland wordt een voormalig<br />

mijnbouwgebied omgetoverd tot een recreatief<br />

merengebied, compleet met verblijfsaccommodaties,<br />

attracties en vaarroutes.<br />

Aan de Spaanse kust kampen voorheen<br />

populaire badplaatsen met leegstand, omdat<br />

de toeristen wegblijven. Toeristen die massaal<br />

naar Turkije trekken, waardoor de kusten bij<br />

Antalya, Alanya en Marmaris langzaamaan<br />

dichtslibben met hotels, restaurants en discotheken.<br />

Druk bezochte berggebieden in de Alpen<br />

lijden onder hevige erosie. Het intensieve<br />

gebruik door skiërs in de winter en wandelaars<br />

in de zomer eist zijn tol.<br />

In de Italiaanse Apenijnen, waar de landbouw<br />

verdwijnt, keren de beer en de wolf weer terug.<br />

Ecotoerisme en -recreatie kunnen wellicht de<br />

plek van de landbouw innemen en zo fungeren<br />

als nieuwe economische en ruimtelijke dragers<br />

van deze bergachtige streek.<br />

Tweede woningen spreiden zich als een<br />

hagelschot <strong>uit</strong> over het Europese continent.<br />

Nederlanders overwinteren op Kreta, D<strong>uit</strong>sers<br />

in Polen, Fransen in Portugal en Tsjechen in<br />

Kroatië. Echter zonder bij te dragen aan de<br />

zorg voor de landschappen van het gastland.<br />

Na de bouw van een woonwijk krijgt het nabij<br />

gelegen platteland in het weekend plotseling te<br />

maken met wandelende stedelingen, honden<strong>uit</strong>laters<br />

en fietsende gezinnen.<br />

Graanvelden in Picardië lijken, als gevolg van<br />

het Europese landbouw- en subsidiebeleid,<br />

steeds meer op die in Bohemen, Groningen<br />

en Roemenië. De identiteit van deze gebieden<br />

moet nodig geherdefinieerd worden, zodat<br />

mensen er verblijven in plaats van er alleen<br />

doorheen te reizen.<br />

Verbond<br />

Bovengenoemde voorbeelden maken<br />

duidelijk dat de relatie tussen landschap<br />

en recreatie en toerisme – vrijetijdsbesteding<br />

of, met een Engelse term,<br />

leisure –omvangrijk en divers is. Een<br />

niet te verwaarlozen verbond.<br />

In de ruimtelijke ordening, het landschapsontwerp<br />

en de planologie wordt<br />

leisure echter nog te vaak als een toevallig<br />

verschijnsel gezien, iets wat in het<br />

landschap ‘gebeurt’. Terwijl de invloed<br />

van leisure op landschappen soms om<br />

sturing vraagt, om ontwerpstrategieën.


De Europese Landschapsconventie<br />

(ELC) – die Nederland in 2005 ondertekende<br />

– roept landen op om zorg te<br />

dragen voor de kwaliteit en de karakteristieken<br />

van hun landschappen,<br />

zowel de mooie als de alledaagse. De<br />

ELC wil de variëteit op het Europese<br />

continent waarborgen.<br />

Van<strong>uit</strong> het ministerie van Landbouw,<br />

Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en<br />

het Atelier Rijksbouwmeester is het<br />

project Landscape and Leisure gestart.<br />

Studenten landschapsarchitectuur en -<br />

planning en toerismestudenten in heel<br />

<strong>Europa</strong> zijn gevraagd inrichtingsvoorstellen<br />

te maken voor ruimtelijke vraagstukken<br />

omtrent dit onderwerp in hun<br />

eigen land. De resultaten moeten in<br />

2008 leiden tot een advies aan de Nederlandse<br />

ministers van LNV en VROM<br />

en de Raad van <strong>Europa</strong>.<br />

Consumptielandschap<br />

Vrije tijd, recreatie en toerisme staan in<br />

de statistieken van de wereldeconomie<br />

sinds enige jaren op een stevige eerste<br />

plaats. Bovendien vertoont deze sector<br />

nog steeds jaarlijkse groeipercentages<br />

met dubbele cijfers. De mondiale <strong>uit</strong>gaven<br />

bedragen zo’n € 463 miljard.<br />

Voor toerisme neemt <strong>Europa</strong> met jaarlijkse<br />

bestedingen van € 252 meer dan<br />

de helft voor haar rekening.<br />

Bij de keuze van een bestemming voor<br />

de besteding van vrije tijd speelt de regio,<br />

de landstreek en het landschap een<br />

steeds belangrijker rol. Een <strong>uit</strong>gebalanceerd<br />

regionale mix aan recreatieve<br />

voorzieningen, passend in het landschap,<br />

wint aan aantrekkingskracht. De leisuresector<br />

maakt gebruik van de aantrek<br />

kingskracht van stad en landschap. In<br />

sommige ‘landelijke’ regio’s evenaart of<br />

overtroeft de sector leisure inmiddels<br />

de economische impact van de landbouw,<br />

de bosbouw en de mijnbouw, de<br />

productiesectoren die vanouds een<br />

stevig stempel op het aanzien en het<br />

beheer van het landschap drukten.<br />

Het gevarieerde Europese landschap<br />

vormt met cultuurschatten en steden de<br />

trekpleister voor intra-Europees en<br />

intercontinentaal toerisme. In West-<br />

<strong>Europa</strong> worden de toeristische <strong>uit</strong>gaven<br />

echter nog overtroffen door de recreatie.<br />

In Nederland bijvoorbeeld staan tegenover<br />

iedere toeristisch <strong>uit</strong>gegeven euro<br />

twee recreatieve. Vrije tijd in de openlucht<br />

tenslotte heeft niet zo’n duidelijk economisch<br />

profiel en begint al op het balkon<br />

of in de volkstuin.<br />

De indruk is dat overal in <strong>Europa</strong> zich<br />

processen afspelen die je zou kunnen<br />

typeren als de geleidelijke omschakeling<br />

van productielandschap naar consumptielandschap.<br />

Deze transformatie verloopt<br />

snel. De delfstoffenwinninggebieden<br />

in Spanje, Portugal en Roemenië zijn<br />

bekend vanwege het grootschalig omploegen<br />

van het landschap tot recreatieve<br />

en toeristische regio’s. Van<strong>uit</strong> het<br />

vliegtuig blijkt dat het Nederlandse bij<br />

recreanten populaire rivierengebied een<br />

gatenkaas is van klei, zand- en grindwinning.<br />

En ook al zijn de steenkolenmijnen<br />

in Nederland gesloten, er staan<br />

nog veel mijnhoutbossen en dennenakkers<br />

op de arme zandgronden, ooit<br />

bedoeld om rechte stammetjes te kunnen<br />

oogsten die de mijnschachten moesten<br />

ondersteunen. Nu komen deze dennenakkers<br />

meer en meer terecht in de sfeer<br />

van natuurbeleving en recreatie, ook al<br />

zijn die plantages daar nog niet geschikt<br />

voor. Traditionele agrarische functies<br />

maken geleidelijk plaats voor bezoekboerderijen,<br />

‘slapen bij de boer’, fietsverhuurbedrijven,<br />

horeca, speelparadijzen.<br />

Er zijn overeenkomsten, maar het is<br />

duidelijk dat deze processen zich per<br />

land net weer anders voltrekken.<br />

Landschappen vertonen een grote verscheidenheid<br />

dus verschillende potenties<br />

op de vrijetijdsmarkt. Die voormalige<br />

buinkoolwinningsgebieden in D<strong>uit</strong>sland<br />

staan er nu eenmaal anders voor dan<br />

arcadische landschappen als Toscane of<br />

de Provence. Cultuurlandschappen als<br />

het Groninger terpenlandschap trekken<br />

andere mensen dan natuurlandschappen<br />

als het Lake District in Groot-<br />

Brittannië.<br />

Landschapsvormende kracht<br />

Regio’s werken met verschillende strategieën.<br />

Soms om ontwikkelingen op<br />

gang te brengen, soms om ze te begeleiden<br />

maar soms ook om te voorkomen<br />

dat recreatie en toerisme hun eigen<br />

bestaansbasis ondergraven of zelfs<br />

vernietigen. Idealiter draagt leisure<br />

(financieel) bij aan de instandhouding<br />

en versterking van landschapskwaliteiten,<br />

maar te vaak speelt de paradox van het<br />

massatoerisme ons parten: de landbouw<br />

verdwijnt, dus er is geen boer meer<br />

voor het beheer van het landschapsdecor<br />

dat juist aanleiding vormde voor<br />

het toestromen van toeristen en touroperators.<br />

Met als gevaarlijk gevolg dat<br />

gebieden verschralen.<br />

Recreatie en toerisme zelf vertonen<br />

zich in verschillende gedaanten met een<br />

evenzo verscheiden invloed op het<br />

landschap. Er lopen gradaties van de<br />

nauwelijks merkbare zeer extensief<br />

explorerende vormen van vrijetijdsbesteding<br />

en landschapstoerisme, via<br />

actieve en sportieve vrijetijdsbesteding<br />

in de dagelijkse leefomgeving naar<br />

rond<strong>uit</strong> parasitaire vormen van toerisme<br />

die niets ‘teruggeven’ aan het landschap.<br />

Aan de toeristisch-recreatieve ontwikkelingen<br />

zijn kansen en bedreigingen<br />

voor het landschap verbonden.<br />

Toerisme en recreatie kunnen zich tot<br />

een formidabele of bedreigende landschapsvormende<br />

kracht ontwikkelen.<br />

Deze verschillen zijn interessant. Het is<br />

dan ook nuttig op Europees niveau<br />

ervaringen <strong>uit</strong> te wisselen. Het project<br />

Landscape and Leisure zoekt naar zoveel<br />

mogelijk antwoorden op essentiële<br />

vragen. Welke rol spelen de Europese<br />

landschappen in de vrijetijdsbesteding<br />

van hun bewoners en welke betekenis<br />

hebben deze landschappen voor het<br />

toeristische en recreatieve product?<br />

Kunnen we de omslag van productienaar<br />

consumptielandschap door toerisme<br />

en recreatie een positieve wending voor<br />

het landschap geven, dat wil zeggen het<br />

tegengaan van economische achter<strong>uit</strong>gang<br />

en/of vervlakking en kaalslag?<br />

Kan deze sector leiden tot meer<br />

TOPOS / 04 / 2006 9


verscheidenheid tussen regio’s en<br />

landschappen? En hoe zorgen we dat<br />

de effecten van vrijetijdsbesteding op<br />

het landschap niet schadelijk zijn maar<br />

juist bijdragen aan de versterking van<br />

kwaliteiten en karakteristieken?<br />

Kaalslag<br />

Het project zet zoals gezegd in op<br />

workshops voor ontwerpend onderzoek<br />

als onderdeel van het onderwijsprogramma<br />

op zoveel mogelijk Europese<br />

opleidingen voor landschapsplanners<br />

en landschapsarchitecten in 2007.<br />

Alleen dan kunnen je gebiedsgericht<br />

diagnoses en strategieën ontwikkeld<br />

worden.<br />

Volgens een vast format en een eenvoudige<br />

legenda wordt voor elk land<br />

een globale en landsdekkende kartering<br />

Alledaagse stadsrand in Porto, Portugal.<br />

10 TOPOS / 04 / 2006<br />

gemaakt van de ontwikkelingen.<br />

Vervolgens worden, voor een of twee<br />

gebieden, de <strong>uit</strong> de confrontatie tussen<br />

landschap en vrije tijd voortvloeiende<br />

planning- en ontwerpopgaven <strong>uit</strong>gewerkt.<br />

Parallel daaraan wordt door<br />

studenten vrijetijdswetenschappen met<br />

een essay of conceptuele analyses de<br />

nationale diagnose gesteld en worden<br />

strategieën geïnventariseerd om<br />

recreatie en toerisme van een duur<br />

zame en landschappelijke basis te<br />

verschaffen.<br />

Aan het eind van 2007 worden de<br />

resultaten verzameld en vertaald tot het<br />

advies voor de Raad van <strong>Europa</strong>,een<br />

Europese kaart en een publicatie. Het<br />

materiaal wordt gepresenteerd op het<br />

IFLA-wereldcongres dat tijdens de<br />

Triënnale in 2008 in Nederland wordt<br />

gehouden.<br />

<strong>Europa</strong> moet zich niet meer enkel bezig<br />

houden met vrede en voedsel, maar ook<br />

met het oplossen van de schaarste aan<br />

waardevolle landschappen, die voldoen<br />

aan de <strong>uit</strong>eenlopende wensen van de<br />

hedendaagse Europeaan. De ‘apocalyptische’<br />

kaalslag van <strong>Europa</strong>, die mede<br />

onder invloed van leisure staat, kan<br />

alleen door internationale samenwerking<br />

gest<strong>uit</strong> worden.<br />

Zie voor meer informatie<br />

www.landscapeandleisure.eu.<br />

Summary<br />

Leisure is booming.<br />

Outdoor recreation and tourism have<br />

an impact on the landscape. This impact<br />

may be hardly noticeable or it<br />

may be firm and become parasitic.


Thus tourism and outdoor recreation<br />

pose a paradox: they may provide<br />

opportunities, but they may also pose<br />

threats.<br />

That is the reason for a joint, inventorymaking<br />

project, initiated by the Dutch<br />

government advisor on the landscape.<br />

The project will consist of workshops<br />

to produce research and design programmes<br />

that will be incorporated into<br />

the curriculum of the landscape<br />

architecture and planning schools and<br />

the schools for tourism, recreation and<br />

leisure.<br />

In 2008 the information will be<br />

transposed to a map of European<br />

leisurescapes. The research and<br />

design results will be published in an<br />

eye catching book. The material will<br />

also be presented at IFLA’s Annual<br />

World Congress that will be held in<br />

The Netherlands in 2008. An advice<br />

will be send to the council of Europe.<br />

Fins liefhebberslandschap.<br />

Europese kaart van cultuurlandschappen (C.A. Mücher et al., 2003).<br />

TOPOS / 04 / 2006 11


De Europese ‘eenwording’<br />

Lodewijk Wiegersma is land-<br />

schapsarchitect in binnen-<br />

en b<strong>uit</strong>enland. Hij heeft zijn<br />

opleiding gevolgd op de<br />

Architectenschool in Kopen-<br />

hagen. Na zijn opleiding<br />

heeft hij gewerkt bij ver-<br />

schillende bureaus en de<br />

afdeling landschapsarchi-<br />

tectuur van Staatsbosbe-<br />

heer. Sinds 1978 werkt hij<br />

zelfstandig en is hij ook<br />

voor tien jaar part time<br />

docent geweest aan de<br />

Wageningen Universiteit.<br />

De laatste jaren is hij be-<br />

trokken bij het onderwijs<br />

en onderzoek van de land-<br />

bouwhogeschool in Kopen-<br />

hagen. Vanwege zijn ervaring<br />

in binnen en b<strong>uit</strong>enland,<br />

heeft hij een essay geschre-<br />

ven over landschapsarchi-<br />

tectuur in <strong>Europa</strong>.<br />

Lodewijk Wiegersma<br />

Landschapsarchitect<br />

lodewijkwiegersma@hotmail.com<br />

12 TOPOS / 04 / 2006<br />

Verscheidenheid<br />

Eens was er een grote verscheidenheid<br />

in de manier waarop tuinen en parken<br />

werden aangelegd en vormgegeven.<br />

Dat hing samen met de culturele belangstelling<br />

en de welvaart in een bepaald<br />

land - in een hoogconjunctuur wordt de<br />

ontwikkeling van de kunsten en architectuur<br />

vaak bevorderd - en met de aard van<br />

het landschap. Zo is te zien dat ten tijde<br />

van de Moorse overheersing van zuid<br />

Spanje de prachtigste binnentuinen zijn<br />

gemaakt en in het Frankrijk van Lodewijk<br />

XIV le Nostre de gelegenheid kreeg<br />

grote en kostbare parken aan te leggen.<br />

In dezelfde periode deden de prinsen<br />

van Oranje hun best om de tuinkunst<br />

in de Nederlanden tot bloei te brengen<br />

met Honselersdijk en het Loo (afbeelding<br />

1) als fraaie voorbeelden.<br />

Over hoe landschap en tuinkunst met<br />

elkaar in verband staan, heeft de Deense<br />

tuinarchitect C.Th. Sørensen een interessante<br />

hypothese opgebouwd toen hij<br />

bezig was met het schrijven over de geschiedenis<br />

van de Europese tuinkunst.<br />

Hij had al vele jaren daaraan vooraf<br />

gaand een groot aantal historische tuinen<br />

en parken in <strong>Europa</strong> bezocht, van Villa<br />

Lante in Italië tot Stowe in Engeland.<br />

Bij het overzien van al die prachtige tuinen<br />

kwam hij plotseling tot het inzicht<br />

dat het tuinontwerp direct verband hield<br />

met de genius loci. Met andere woorden:<br />

dat het tuinontwerp een vertaling was<br />

van de eigenschappen en kwaliteiten van<br />

de plek, een vertaling van de diverse (cultuur)landschappen.<br />

Hij gebruikt hiervoor<br />

het woord “ stileren”. Stileren is<br />

het geven van een vereenvoudigde, in<br />

de regel stijlvaste, vorm. Een tuinhistoricus<br />

zou niet op deze gedachte gekomen<br />

zijn, een landschapsarchitect dus wel.<br />

Deze ontdekking bracht hem ertoe de<br />

tuinkunstgeschiedenis niet te beschrijven<br />

volgens de gebruikelijke stijlperioden als<br />

renaissance en barok, maar de verschillende<br />

stijlen te noemen naar het land,<br />

waar ze zijn ontstaan en bloei hebben<br />

gekend.<br />

Hij komt zo tot vier gestileerde landschapsvormen,<br />

naast de eigenlijke, om-<br />

haagde tuin.<br />

Het gestileerde irrigatielandschap in<br />

Spanje, bijvoorbeeld Alhambra.<br />

Het gestileerde bergbeeklandschap in<br />

Italië met Villa Lante als voorbeeld; Het<br />

gestileerde rivierenlandschap in Frankrijk<br />

(en Nederland), met de parken van<br />

Le Nostre als voorbeeld en het gestileerde<br />

heuvellandschap van Engeland<br />

met de parken van Brown.<br />

Deze verschillende stijlvormen hebben<br />

elkaar in de tijd opgevolgd en hebben<br />

zich soms meer, soms minder over <strong>Europa</strong><br />

<strong>uit</strong>gebreid. Ze zijn geleidelijk in<br />

elkaar overgegaan of hebben elkaar verdrongen<br />

zoals de romantische tuin veel<br />

baroktuinen heeft <strong>uit</strong>gewist. Een ongelooflijk,<br />

bijna barbaarse ontwikkeling.<br />

Halverwege de vorige eeuw was er nog<br />

steeds sprake van verscheidenheid in de<br />

tuinarchitectuur in <strong>Europa</strong>. In Frankrijk<br />

was er sinds Le Nostre niets meer gebeurd<br />

op het terrein van de tuinkunst dat<br />

de moeite waard was. België was altijd<br />

al een land, waarover in Nederland alleen<br />

smalend gesproken kon worden en in<br />

D<strong>uit</strong>sland moest alles zeer ecologisch<br />

zijn. Alleen Denemarken had een goede<br />

naam in die tijd.<br />

Toen gebeurde er plotseling iets, dat verreikend<br />

en verrijkend effect zou hebben<br />

op het vak. In Parijs werd een internationale<br />

prijsvraag <strong>uit</strong>geschreven voor een<br />

park op een voormalig abattoir terrein<br />

in de stad. Meer dan 400 inzendingen<br />

kwamen binnen van<strong>uit</strong> alle kanten van<br />

de wereld. Pijnlijk voor het wat slaperige<br />

vakgebied van de tuinarchitect was, dat<br />

het architecten waren die de prijsvraag<br />

wonnen. Niet met kant en klaar plannen,<br />

maar met structuren, patronen en scenario’s.<br />

Sindsdien is er veel gebeurd. Het vakgebied<br />

bleek ineens rijk te zijn aan mogelijkheden<br />

en men had elkaar internationaal<br />

gevonden. Park de la Villette, zoals het<br />

park werd genoemd, bleek het startsein<br />

voor nieuwe ontwikkelingen, die vooral<br />

door de computer werden voortgedreven<br />

en door een vergroting van de internationale<br />

contacten werd verstevigd.


De computer<br />

De veelzijdige computer, die de meest<br />

ingewikkelde oplossingen kan tekenen<br />

en de meest prachtige presentaties kan<br />

produceren heeft een vaste plaats op de<br />

architectenbureaus veroverd. Het grafische<br />

beeld dat kan worden opgeroepen<br />

is zo verleidelijk; kijk eens al die blije<br />

mensen, kinderen met vliegers en<br />

skaters, jong geliefden en ouderen op<br />

een bank. Het is alles zo echt (afbeelding<br />

3). De b<strong>uit</strong>enkant (van het plan) is<br />

belangrijker geworden dan de eigenlijke<br />

inhoud, met een vervlakking van het<br />

vak als resultaat. Het gebruik, het onderhoud<br />

en de kosten krijgen minder aandacht.<br />

De afstand tot de gebruiker lijkt<br />

groter te zijn geworden door het gebruik<br />

van dit wonderlijke apparaat (ondanks<br />

alle inspraak waar architecten mee te<br />

maken hebben.)<br />

1. Paleis het Loo<br />

Men kan zich in alle ernst afvragen of de<br />

komst van de computer voor het zachte<br />

vak, dat de tuin-en landschapsarchitectuur<br />

nu eenmaal is, wel zo een zegen is.<br />

De programma’s, die dit alles mogelijk<br />

maken worden overal in <strong>Europa</strong> gebruikt;<br />

vandaar dat al deze ontwikkelingen overal<br />

in <strong>Europa</strong> plaatsvinden en blijkbaar<br />

zo sterk zijn, dat geografische en culturele<br />

verschillen er niet meer zo toe doen.<br />

Internationale contacten<br />

Een belangrijke vorm van internationaal<br />

contact vormen stages of studies met<br />

behulp van “Erasmus” in het b<strong>uit</strong>enland,<br />

maar ook congressen spelen een<br />

rol, misschien meer in sociale zin dan<br />

inhoudelijk, maar dat is ook belangrijk.<br />

Een andere vorm van <strong>uit</strong>wisseling van<br />

ideeën is de studiereis. Een groep<br />

studenten <strong>uit</strong> Wageningen heeft de<br />

afgelopen zomer Kopenhagen en het<br />

gebied van de Sont bezocht, een gebied<br />

waarvan politici en planologen grote<br />

verwachtingen heeft nu er een brug/<br />

tunnel verbinding tussen Zweden en<br />

Denmarken is aangelegd. Een groep<br />

studenten van de Architectenschool in<br />

Kopenhagen is bezig een excursie voor<br />

te bereiden naar de Randstad in de<br />

veronderstelling dat de Sont regio en de<br />

Randstad veel gemeen hebben en men<br />

dus van elkaar kan leren.<br />

Tijdschriften en architectuur(jaar)boeke<br />

n, liefst in het Engels, zijn voorlopig<br />

niet weg te denken als intermediair<br />

voor ideeën en opvattingen (en dragen<br />

bij aan de sterstatus van ontwerpers.)<br />

Zij zijn ook belangrijk als geheugen<br />

voor historici en andere geïnteresseerden.<br />

Men moet echter niet vergeten,<br />

dat dit materiaal is geselecteerd en slechts<br />

TOPOS / 04 / 2006 13


2. Architecten winnen prijsvraag Parijs met<br />

structuren en patronen<br />

een kleine <strong>uit</strong>snede laat zien van alles<br />

dat er wordt geproduceerd. Dit geeft de<br />

dames en heren redacteurs een aardige<br />

verantwoording.<br />

Men moet spreken van het voorlopige<br />

belang van de geschreven media, omdat<br />

weldra -helaas, helaas- de computer de<br />

dominante informatiebron zal zijn.<br />

Het onderwijs<br />

De enige kracht, die deze vervaging van<br />

verschillen in benadering, deze internationalisering,<br />

kan tegenwerken ligt in<br />

het onderwijs. Men mag verwachten dat<br />

het onderwijs wordt gegeven van<strong>uit</strong> de<br />

cultuur van het land (niet omdat deze<br />

beter zou zijn dan andere, maar gewoon<br />

anders), waarbij Sørensens “genius<br />

loci”, de karakteristieken van stad en<br />

landschap een belangrijke rol speelt.<br />

Nederland heeft jarenlang zich kunnen<br />

onderscheiden van de andere opleidingen<br />

in <strong>Europa</strong> door de grote nadruk op<br />

de inzichtelijke methodieken en het<br />

helder woordgebruik. Dit mede door<br />

de inzet van Meto Vroom en de zijnen.<br />

Ook de soort studieopdrachten was vrij<br />

uniek: terwijl op de meeste opleidingen<br />

14 TOPOS / 04 / 2006<br />

de stedelijke opgave de hoofdmoot <strong>uit</strong>maakte,<br />

werd in Wageningen het landelijk<br />

gebied veel aandacht gegeven.<br />

Hoe gaat het onderwijs, dat nu onder leiding<br />

staat van een niet Europeaan zich<br />

ontwikkelen? Zal er een Nederlandse<br />

benadering van het vak blijven bestaan<br />

of wordt het internationaler?<br />

In Denemarken heeft nog steeds de stedelijke<br />

opgave prioriteit en wordt veel<br />

meer dan in Wageningen aandacht gegeven<br />

aan de <strong>uit</strong>werking. Daarbij speelt de<br />

consequente en eenvoudige vormgeving<br />

een grote rol. De huidige hoogleraar<br />

landschapsarchitectuur aan de Architectenschool<br />

in Kopenhagen is op de eerste<br />

plaats een kunstenaar. Maar ook hier<br />

staat, gezien de jongste projecten, de<br />

traditionele “ Deense eenvoud” onder<br />

druk door invloeden van b<strong>uit</strong>enaf.<br />

Nieuwe ontwikkelingen?<br />

In de hierboven geschetste “nieuwe ontwikkelingen”<br />

liggen prachtige onderwijsopdrachten<br />

verscholen, want al de<br />

successen ten spijt is het van belang te<br />

3. Het is alles zo echt<br />

weten of de plannen, die vandaag de<br />

dag worden gemaakt wel zo nieuw en<br />

voortreffelijk zijn.<br />

Ga de plannen die gepubliceerd worden<br />

in jaaroverzichten en tijdschriften eens<br />

kritisch analyseren op vorm en gebruik,<br />

duurzaamheid en materiaalkeuze. Is het<br />

project wel te onderhouden tegen redelijke<br />

kosten? Wat is de plaats, die de beplanting<br />

heeft in het ontwerp?<br />

(Vroeger was beplanting het belangrijkste<br />

<strong>uit</strong>drukkingsmiddel van de tuin- en<br />

landschapsarchitect en in het gebruik<br />

van beplanting onderscheidde deze zich<br />

van de stede(n)bouwer en architect.) Wat<br />

is de relatie tussen landart en landschapsarchitectuur?<br />

Zijn we niet ver<br />

van de wortels van het vak verwijderd<br />

geraakt en wat zijn dan die wortels?<br />

Zo zijn er veel vragen te stellen die<br />

nodig beantwoord moeten worden in<br />

Wageningen, Velp en Amsterdam.<br />

Summary<br />

Lodewijk Wiegersma is a landscape<br />

architect who has worked in the Nether-


lands and Danmark. He descripes<br />

the history and position of landscape<br />

architecture in Europe. The garden<br />

architect C.Th. Sørensen discovered<br />

that a garden couldn’t be described by<br />

a trend, such as baroque, but by the<br />

country or place where it was designed<br />

and flourished: the genius loci.<br />

Something changed in the landscape<br />

architecture profession after the design<br />

contest of La Villette in Paris,<br />

where architects won in stead of landscape<br />

architects.<br />

The computer entered the world of<br />

landscape architecture which resulted<br />

in (Landscape)architects from all over<br />

the world using the same programs.<br />

The international exchange of information<br />

about our profession flourishes.<br />

The computer playes a big part in this.<br />

Cultural and geographical and methodical<br />

differences between countries<br />

are disappearing. Educational institutes<br />

like universities have the opportunity<br />

and (moral) obligation to battle<br />

this globalization of the profession.<br />

Fundamental questions like, have we<br />

traveled to far from our roots and what<br />

are these roots, are questions which<br />

need to be answered to clarify the<br />

position of landscape architecture in<br />

the world of designing.<br />

Column<br />

Planning en <strong>Europa</strong><br />

Zelf ben ik een groot voorstander van <strong>Europa</strong>, een eengemaakt <strong>Europa</strong>, een Verenigde<br />

Staten van <strong>Europa</strong>. Ik ben een groot voorstander van planning, van een collectief nadenken<br />

over een goede ruimtelijke inrichting. Maar ik ga er niet van<strong>uit</strong> dat iedereen het met me<br />

eens is. En ik ben geen voorstander van nutteloze bureaucratie.<br />

Een van de meest nutteloze nog niet bestaande bureaucratieen, een die het bestaan resoluut<br />

ontzegd dient te worden, is een Europese plannings- instantie naar Nederlands model.<br />

Stemmen gaan tegenwoordig op om net zoiets op poten te zetten. Er is een lobby aan de<br />

gang om planning op een Europese schaal van de grond te krijgen. Een niet erg succesvolle<br />

lobby tot nog toe, gelukkig.<br />

<strong>Europa</strong> kan haar pijlen beter op andere zaken richten, dingen die een eenmaking versnellen<br />

en een samenhangend, krachtig, onafhankelijk optreden naar b<strong>uit</strong>en toe mogelijk<br />

maken: een gezamenlijke defensiemacht, een <strong>uit</strong>voerende macht –president en ministers–,<br />

een b<strong>uit</strong>enlands beleid, een promotie van regionale machten ten nadele van de<br />

nationale, het aandikken van een Europese administratie bij het ontmantelen van nationale<br />

bureaucratie. Het aankweken met alle middelen –herschrijving van geschiedenisboeken,<br />

verplichte verplaatsing van studenten door <strong>uit</strong>dunning van universiteiten, verplaatsing van<br />

ambtenaren, verplichte invoering van Engels als officiele taal, herdefinitie van partijgrenzen....<br />

– van Europees patriottisme.<br />

Misschien moet China nog enkele keren zijn welvaart vermenigvuldigen, misschien moet<br />

Amerika nog wat meer militaire avonturen aangaan, misschien moeten de Europese landen<br />

nog wat ruwer wakker geschud worden als ze weer eens denken uniek, superieur en<br />

onafhankelijk te zijn. Misschien moeten de wakkere burgers <strong>uit</strong> hun droom ontwaken als ze<br />

denken dat meer <strong>Europa</strong> meer bureaucratie betekent. Misschien dat het er dan van komt.<br />

Tot het zover is, moeten we het doen met minder. Voorstanders van een eengemaakt <strong>Europa</strong><br />

kunnen alle wettelijke middelen gebruiken om rechtstreeks op de genoemde doelen<br />

af te stevenen- weinig kans op succes zonder catastrofes. Ze kunnen tegelijk trachten het<br />

Europese wetgevingsproces te ondersteunen, waarbij politieke eenmaking kan resulteren<br />

<strong>uit</strong> duizend kleine regeltjes, integratie van onderaf, recht dat politiek maakt. Ze kunnen ook<br />

kritiek leveren op nationale overheden die de eigen verantwoordelijkheden ontwijken door<br />

naar <strong>Europa</strong> te wijzen, die zo de eenmaking systematisch vertragen.<br />

Moest dit niet over ruimtelijke ordening gaan? Precies, over het geringe belang van ruimtelijke<br />

ordening bij de Europese eenmaking, over het enorme belang van de eenmaking.<br />

Over het geringe belang van een gezamenlijk ruimtelijk beleid, over het enorme belang van<br />

een gezamenlijk b<strong>uit</strong>enlands beleid. Het moet gaan over de fictie van objectiviteit die nog<br />

steeds leeft in het ruimtelijk beleid van sommige landen, en over de gevaren <strong>Europa</strong> daarmee<br />

te besmetten. Het zou ook moeten gaan over de volkomen onverkoopbaarheid van<br />

veel fossiele planningsmodernismen in veel Europese landen, over het wegsmelten van<br />

draagvlak voor de unie daardoor, over de onmogelijkheid tot een ruimtelijk plan op Europese<br />

schaal te komen dat nieuwe kwaliteiten kan scheppen, economische ontwikkelingen<br />

kan vertalen, meer kan zijn dan een optelsom van bestaande geografische kenmerken en<br />

lokale en regionale wensen.<br />

Net zomin als de Sovjetunie ooit maakbaar was met geweld, zal de Europese unie dat<br />

zijn. Het zal moeten groeien. En net zoals de ruimtelijke planning van die Sovjetunie nooit<br />

gewerkt heeft, omdat ze veel complexiteit en onvoorspelbaarheid over het hoofd zag, zal<br />

een Europese planning naar modernistisch model niet werken.<br />

[Uitzondering: grand projets, netwerken en plekken waar af en toe met zijn allen aan gewerkt<br />

kan worden –oude dingen, wegen, parken, pronkstukken. Maar alsjeblieft geen vernieuwende<br />

ruimtelijke concepten voor <strong>Europa</strong> gaan <strong>uit</strong>denken. En alsjeblieft die gedachten<br />

niet institutionaliseren en het dagelijkse leven laten bepalen in de Auvergne, in Friesland,<br />

in Helsinki.]<br />

Kristof van Assche<br />

TOPOS / / 04 01 / / 2006 2004 15


EU Territorial Cohesion Policy: The Light at<br />

the End of the Tunnel?<br />

On 24-25 May 2007 the<br />

planning ministers of the<br />

member states of the<br />

European Union will meet<br />

at Leipzig to discuss the<br />

‘Territorial Agenda for the<br />

EU 2007-2010: Towards a<br />

More Competitive Europe<br />

of Diverse Regions’. If the<br />

signs are correct, then this<br />

may reinvigorate EU<br />

territorial cohesion policy.<br />

The stakes are high. Being<br />

the second-largest item on<br />

the EU budget, cohesion<br />

policy is up for review in<br />

2008. Recognition of the<br />

need for territorial<br />

cohesion may be an<br />

argument in favour of<br />

sustaining this policy<br />

Andreas Faludi<br />

Professor of Spatial Policy Systems in<br />

Europe, Delft University of Technology<br />

A.K.F.Faludi@tudelft.nl<br />

16 TOPOS / 04 / 2006<br />

EU territorial cohesion policy builds on<br />

the ‘European Spatial Development<br />

Perspective’ (ESDP; CEC, 1999; Faludi<br />

& Waterhout, 2002), identifying polycentrism,<br />

urban-rural partnership, access to<br />

infrastructure and knowledge and the<br />

prudent management of the natural and<br />

cultural environment as the issues.<br />

However, there is no more talk of spatial<br />

development at European level.<br />

The concept of territorial cohesion has<br />

come in its place (Faludi, 2006).<br />

Including it alongside economic and<br />

social cohesion amongst the objectives<br />

of the Union and amongst the competences<br />

shared between the Union and<br />

the member states, the Treaty establish-<br />

ing a Constitution for Europe would<br />

have given territorial cohesion a legal<br />

base, something which spatial development<br />

lacks at the European level.<br />

French and Dutch voters have made<br />

this into a remote prospect. The Barroso<br />

Commission puts all its eggs into one<br />

basket: the reinvigoration of the Lisbon<br />

Strategy of turning Europe into the<br />

most competitive region of the world.<br />

The emphasis is on ‘Growth and Jobs’<br />

(CEC, 2005). Also, until not long ago,<br />

the Financial Perspectives for 2007-<br />

2013 loomed large. Six net-contributors<br />

to the budget, the United Kingdom,<br />

France, Germany, Austria, Sweden and,<br />

yes, The Netherlands demanded reforms.<br />

Of course, the aim was to reduce their<br />

contributions, but the proposals also<br />

posed a fundamental challenge to the<br />

role of the Commission in managing<br />

the second-largest item on the budget,<br />

the cohesion funds. EU territorial cohesion<br />

is part of cohesion policy, where<br />

the Polish Commissioner Danuta Hübner<br />

and the Directorate-General Regional<br />

Policy are responsible. The main<br />

instruments are the ‘structural funds’.<br />

Cohesion policy was the brainchild of<br />

Jacques Delors, Commission President<br />

in 1985-1995. There had been regional<br />

policy before, but it amounted to<br />

little more than assisting the member<br />

states with their regional policy. Under<br />

Delors regional policy was oriented<br />

towards the twin Community objective<br />

in the Single European Act of 1986 of<br />

economic and social cohesion. Within<br />

envelopes decided beforehand, regional<br />

and local authorities and also private<br />

stakeholders can apply for Community<br />

funding. This has resulted in a form of<br />

‘multi-level governance’ and has given<br />

the Commission access to stakeholders,<br />

and vice versa the stakeholders a way of<br />

talking to the Commission.<br />

The lion’s share of the funds goes to<br />

‘least favoured regions’, since EU enlargement<br />

to be found mainly in Central<br />

and Eastern Europe, but note that<br />

(ultra-)peripheral and mountain regions<br />

and islands are also eligible, even if<br />

they are not exactly in dire economic<br />

straits. In essence, though, this is<br />

distributive policy, compensating<br />

regions for disadvantages that they<br />

suffer in competing in the Single Market.<br />

This policy came under fire in the ‘Sapir<br />

Report’ (Sapir et al., 2004) on EU economic<br />

governance: cohesion policy was<br />

not about competitiveness, and it was<br />

bureaucratic. Accepting the principle<br />

of solidarity with new member states,<br />

some net-contributors, in particular the<br />

UK, wanted to give regional policy the<br />

axe and simply transfer to the new<br />

members their share to cofinance their<br />

growth strategies. This went at the<br />

jugular vein of Commission-led cohesion<br />

policy.<br />

The net-contributors did not get their<br />

way. The compromise arrived at in, as<br />

seems usual, the early hours of the<br />

morning, was for the overall financial<br />

framework to be reduced, but for cohesion<br />

policy (and also the even more<br />

controversial Common Agricultural<br />

Policy and the UK budget rebate) to<br />

continue. However, and here comes the<br />

countermove, all member states are<br />

committed to all these policies coming<br />

under review in 2008, the aim being to


arrive at a new budget setup in time for<br />

the next Financial Perspectives starting<br />

in 2014.<br />

The Commission heard the challenge<br />

to its cohesion policy loudly and clearly.<br />

Meanwhile, it has reoriented cohesion<br />

policy to support the ‘Growth and Jobs’<br />

agenda, and this is also true for territorial<br />

cohesion policy. In fact, being the<br />

second-largest item – after the Common<br />

Agricultural Policy – on the budget,<br />

cohesion policy is one of the few instruments<br />

that the Commission can use<br />

for this purpose. For the rest, the Lisbon<br />

Strategy depends on the willingness<br />

and ability of member states to<br />

work towards the targets set. They need<br />

to, amongst others, reform labour markets,<br />

increase female participation, invest<br />

in R&D, et cetera. However all that<br />

they have really committed themselves<br />

to is the formulation of ‘Lisbon Action<br />

Plans’ and to regular reporting on its<br />

implementation, using agreed indicators.<br />

The idea behind this is that, rather<br />

than finding themselves at the bottom<br />

of the league table, member states will<br />

voluntarily seek to better their ways.<br />

For cohesion policy, a similar policy<br />

cycle is in place. The Commission publishes<br />

so-called ‘Community Strategic<br />

Guidelines’, the first version of which<br />

has just been officially approved (Council<br />

of the European Union, 2006).<br />

Member states are required to publish<br />

‘National Strategic Reference Frameworks’<br />

each and subsequently so-called<br />

Operational Programmes. (At the end<br />

of September 2006, the Dutch government<br />

has just adopted its National Strategic<br />

Reference Framework.) These are<br />

discussed with the Commission for<br />

whether they conform to the Community<br />

Strategic Guidelines and to the<br />

relevant regulation (Official Journal<br />

of the European Union, 2006). For the<br />

purpose of their mandatory ex-ante<br />

evaluation, the Directorate-General<br />

Regional Policy has issued a guidance<br />

document (European Commission,<br />

The ‘pentagon’ London-Paris-Milan-Munich-Hamburg where on 20% of the (EU15) area 40% of<br />

the population produce 50% of the GDP(Schön, 2000)<br />

Directorate General Regional Policy,<br />

2006). Annex 4 is about how the specific<br />

needs and characteristics of the<br />

territories need to be taken into account<br />

according to the problems or opportunities<br />

resulting from their geographic<br />

situations. The appendix specifies this<br />

further. It proposes indicators to be<br />

used, including indicators based on work<br />

done by the European Spatial Planning<br />

Observation Network ESPON. This<br />

amounts to the mainstreaming of a<br />

form of spatial/territorial analysis.<br />

Indeed, the guidance document suggests<br />

that the National Frameworks as<br />

well as the Operational Programmes<br />

should each include a section on territorial<br />

cohesion.<br />

Meanwhile, the work done by hundreds<br />

of researchers throughout Europe in<br />

the framework of ESPON has born<br />

even more fr<strong>uit</strong>. Under the Dutch Presidency<br />

in 2004 the responsible member<br />

state ministers resumed their practice<br />

of holding informal meetings (Faludi &<br />

Waterhout, 2005). They decided to produce<br />

an ‘evidence-based’ document<br />

drawing on ESPON. At Luxembourg<br />

in 2005 they accepted a scoping document,<br />

‘Territorial State and Perspectives<br />

of the European Union: Towards a<br />

stronger European territorial cohesion<br />

in the light of the Lisbon and Gothenburg<br />

ambitions’ (Gothenburg referring<br />

to the EU strategy of sustainable development;<br />

CEC, 2001). It is this docu-<br />

TOPOS / 04 / 2006 17


ment that is now being elaborated with<br />

a view to the next meeting in May<br />

2007.<br />

The draft being circulated whilst these<br />

lines are being written has a cunning<br />

resemblance to the ESDP, both as<br />

regards the topics discussed, as well as<br />

its compromise character, with too many<br />

concerns being articulated and too little<br />

focus. Still, the priorities are to strengthen<br />

polycentrism and urban-rural partnership,<br />

promote clusters of competitive<br />

EROP (Europese Commissie, 1999)<br />

18 TOPOS / 04 / 2006<br />

and innovative activities, strengthen the<br />

trans-European networks, promote<br />

trans-European risk management and<br />

strengthen trans-European ecological<br />

structures and cultural resources. With<br />

the exception of risk management,<br />

which is a topic that has come up in the<br />

wake of floods and draughts over the<br />

past years, the themes have already<br />

been present in the ESDP. This is true<br />

even for competitiveness. In fact, one<br />

year before Lisbon, the ESDP has already<br />

related polycentrism on the scale<br />

of the EU, i.e. the need to develop more<br />

so-called Global Economic Integration<br />

Zones outside the ‘pentagon’ London-<br />

Paris-Milan-Munich-Hamburg, to the<br />

need for Europe to become more<br />

competitive. To prove their point, the<br />

makers of the ESDP have invoked the<br />

comparison with the United States,<br />

where there are at least four such zones:<br />

the East Coast, the West Coast, the<br />

Mid-West and the ‘Sun Belt’.<br />

The ministers will no doubt take notice<br />

of the ‘Territorial State and Perspectives’,<br />

but rather than on this background<br />

paper what they will focus on is the<br />

‘Territorial Agenda for the European<br />

Union’. If the signs are correct, then<br />

there will be a number of innovative<br />

elements in this, in particular a request<br />

for a Commission White Paper on<br />

territorial cohesion. Apparently, member<br />

states have come to accept that the EU<br />

needs to have a territorial cohesion<br />

policy irrespective of whether or not<br />

the Constitution in its present or<br />

amended form gets ratified. The draft<br />

currently in circulation suggests also<br />

that the Territorial Agenda will be discussed<br />

at the European Council during<br />

the Slovenian Presidency in 2008, which<br />

would be the first time that territorial<br />

issues would receive attention from this<br />

elevated body. Slovenia is not only the<br />

first of the new member states that<br />

have entered the EU in 2004 to hold the<br />

EU Presidency, but also happens to be<br />

a country with keen spatial planners, so<br />

this is an exciting prospect.<br />

So the impression is that member states<br />

want to do business with the Commission,<br />

which is new, and that the Commission<br />

has found ways of inserting<br />

considerations of territorial cohesion<br />

into the conditions attached to the<br />

structural funds. This is a good sign.<br />

During the ESDP process, there was<br />

much mutual suspicion. Optimism needs<br />

to be qualified, though: it is the spatial<br />

planners – still the primarily players,<br />

although the field is now being descri-


ed as territorial cohesion policy – who<br />

have come round to this view. There<br />

are two reasons for them to accept EU<br />

territorial cohesion policy:<br />

Reason one is ideational: over the years,<br />

the planners have been involved in intense<br />

mutual learning, forming a supranational<br />

expert community. This has<br />

been the effect of cooperating on the<br />

ESDP, of engaging in the many hundreds<br />

of projects under the Community<br />

initiative INTERREG and, as far as<br />

researchers are concerned, also in<br />

ESPON. Such learning is a part of what<br />

is called ‘Europeanisation’ that is not<br />

often appreciated.<br />

Reason two for planners to look to the<br />

European level – and to the Commission<br />

as the gatekeeper – is that they are<br />

in need of support. Planning with its<br />

pretensions of co-ordinating the sectors<br />

is not a strong position.<br />

Environmental policymakers can draw<br />

particular strength from European<br />

policies, and economic policy makers<br />

appear much closer to the ‘Growth and<br />

Jobs’ agenda. It would be decidedly attractive<br />

for planners if they, too, could<br />

get support from the European level.<br />

Will they succeed? Will the ‘Territorial<br />

Agenda 2007-2010’ to be adopted in<br />

Leipzig carry enough weight?<br />

Remember that the ministers there will<br />

be the ministers responsible for spatial<br />

development. They may be preaching<br />

to the converted, but will others listen?<br />

This is why the intention of putting the<br />

topic before the European Council is<br />

exciting, and the more so since it will<br />

be carried forward by Slovenia, the<br />

paragon amongst the new member<br />

states.<br />

So the story is one of experts engaging<br />

in bureau-politics, taking their ministers<br />

along to defend their case. With the exception<br />

perhaps of some French circles<br />

(Faludi, 2006), there is no overwhelming<br />

political concern for territorial<br />

cohesion. The task is plainly to make<br />

territorial cohesion into one, and this is<br />

what the Territorial Agenda needs to be<br />

doing. It needs to state how territorial<br />

cohesion policy can bolster cohesion<br />

policy as such. Beyond this it needs to<br />

show how one can knock sense, from a<br />

spatial or territorial point of view, not<br />

only into cohesion policy, but also other<br />

spatially relevant EU policies that all<br />

too often work at cross-purposes with<br />

each other. This is a tall order in a<br />

compact country like The Netherlands,<br />

and naturally even more so in the EU<br />

of soon 27 members. Some hard thinking<br />

is needed to tackle this problem,<br />

but fortunately, as EU jargon will have<br />

it, ‘coherence’ of policies is already<br />

rising as a topic on the political agenda,<br />

another reason for planning to see and<br />

grasp the opportunity of the day.<br />

In so doing, planners need to be savvy<br />

about what the EU is. They need to<br />

leave popular misconceptions behind<br />

and apprehend the nature of European<br />

integration as the exciting, open-ended<br />

learning process that it is.<br />

Literature<br />

- CEC - Commission of the European<br />

Communities (1999) European Spatial<br />

Development Perspective: Towards Balanced and<br />

Sustainable Development of the Territory of the<br />

EU. Luxembourg: Office for Official Publications<br />

of the European Communities.<br />

- CEC - Commission of the European<br />

Communities (2001) A Sustainable Europe for a<br />

Better World: A European Union Strategy for<br />

Sustainable Development. Luxembourg: Office<br />

for Official Publications of the European<br />

Communities.<br />

- CEC – Commission of the European<br />

Communities (2005) Working Together for<br />

Growth and Jobs: A New Start for the Lisbon<br />

Strategy (Communication to the Spring European<br />

Council), 2 February 2005. http://ec.europa.eu/<br />

growthandjobs/pdf/COM2005_024_en.pdf<br />

- Council of the European Union (2006)<br />

Community Strategic Guidelines on Cohesion,<br />

2006/0131 of 18 August 2006; approved by the<br />

European Parliament on 27 September 2006.<br />

http://register.consilium.europa.eu/pdf/en/06/<br />

st11/st11807.en06.pdf<br />

- European Commission - Directorate-General<br />

Regional Policy (2006) Working Paper No. 1 on<br />

Ex Ante Evaluation: The New Programming<br />

Period, 2007-2013 - Methodological Working<br />

Papers. Brussels. August 2006 http://ec.europa.<br />

eu/regional_policy/sources/docoffic/2007/<br />

working/wd1_exante_en.pdf<br />

- Faludi, A. (2006) From European spatial<br />

development to territorial cohesion policy.<br />

Regional Studies. Vol. 40, No. 6.<br />

- Faludi, A. and Waterhout, B. (2002) The Making<br />

of the European Spatial Development<br />

Perspective: No Masterplan (The RTPI Library<br />

Series). London: Routledge.<br />

- Faludi, A. and Waterhout, B. (2005) The usual<br />

suspects: The Rotterdam informal ministerial<br />

meeting on territorial cohesion. Tijdschrift voor<br />

Economische en Sociale Geografie. Vol. 96, No.<br />

3.<br />

- Luxembourg Presidency (2005) Scoping<br />

Document and Summary of Political Messages<br />

for an Assessment of the Territorial State and<br />

Perspectives of the European Union: Towards a<br />

stronger European territorial cohesion in the<br />

light of the Lisbon and Gothenburg ambitions.<br />

http://www.eu2005.lu/en/actualites/<br />

documents_travail/2005/05/20regio/Min_<br />

DOC_1_fin.pdf<br />

- Official Journal of the European Union (2006)<br />

Council Regulation (EC) No 1083/2006 of 11<br />

July 2006 laying down general provisions on the<br />

European Regional Development Fund, the<br />

European Social Fund and the Cohesion Fund<br />

and repealing Regulation (EC) No 1260/1999. 31<br />

July 2006. http://ec.europa.eu/regional_policy/<br />

sources/docoffic/official/regulation/pdf/2007/<br />

feder/ce_1080(2006)_en.pdf<br />

- Sapir, A., P. Aghion, G. Bertola, M. Hellwig, J.<br />

Pisany-Ferry, D. Rosita, J. Viñals & H. Wallace,<br />

with M. Butti, M. Nava, P.M. Smith (2004) An<br />

Agenda for a Growing Europe: The Sapir<br />

Report. Oxford: Oxford University Press.<br />

TOPOS / 04 / 2006 19


De ‘verjonging’ van het erfgoed<br />

Ontwerpen met geschiedenis is een maatschappelijke opgave<br />

Nederlandse ontwerpers<br />

zijn haast van nature ver-<br />

trouwd met het gegeven<br />

dat ontwerpen niet zomaar<br />

een transformatieopgave<br />

is, maar altijd ook een<br />

nuttige dialoog of lastige<br />

confrontatie met de ge-<br />

schiedenis van de plek, de<br />

stad of het landschap.<br />

Ontwerpen met geschie-<br />

denis is daarom méér dan<br />

een methodische ‘truc’ met<br />

historisch repertoire, en<br />

méér dan een eenduidige<br />

interpretatie van de be-<br />

staande topografie of his-<br />

torische vormentaal. Daar<br />

komt nog bij dat de maat-<br />

schappelijke rol en beteke-<br />

nis van het verleden, en<br />

daarmee onze omgang met<br />

het erfgoed in onze leef-<br />

omgeving, in een korte tijd<br />

ingrijpend is veranderd.<br />

Jan Kolen<br />

Bijzonder hoogleraar voor het Erfgoed<br />

van Stad en Land (Belvedere), Faculteit<br />

Letteren, Vrije Universiteit<br />

jca.kolen@let.vu.nl<br />

20 TOPOS / 04 / 2006<br />

Het oude paradigma zouden we kunnen<br />

betitelen als het ‘Grote Conserveringsproject’<br />

van de traditionele monumentenzorg.<br />

Vanaf ongeveer het midden<br />

van de negentiende eeuw, in sommige<br />

landen (zoals Zweden) zelfs wat eerder,<br />

in andere (zoals Nederland) juist wat<br />

later, hebben de Europese natiestaten<br />

een heel corpus aan wetten en regels, verdragen<br />

en formele instituties ontwikkeld<br />

voor de bescherming en overlevering<br />

van hun onvervreemdbare oudheden,<br />

archeologische monumenten,<br />

historische gebouwen, en nu en dan<br />

zelfs hele landschappen. Die inspanningen<br />

hebben succes gehad. Zelfs in een<br />

klein land als Nederland hebben we<br />

inmiddels meer dan 60.000 monumenten,<br />

merendeels gebouwen, met een<br />

wettelijk beschermde status. In veel opzichten<br />

bezat dat conserveringsproject<br />

echter een nogal gesloten karakter. Het<br />

object van de monumentenzorg was<br />

steeds scherp omlijnd: de nadruk lag op<br />

de overlevering van materiële objecten,<br />

en veel minder op het vermogen van<br />

erfgoed om <strong>uit</strong>eenlopende verhalen,<br />

betekenissen en ervaringen te genereren,<br />

hoewel de monumentenzorg zélf<br />

<strong>uit</strong>eraard voortkwam <strong>uit</strong> allerlei cultuurpolitieke<br />

en maatschappelijke idealen.<br />

Ook in sociaal opzicht was de monumentenzorg<br />

aanvankelijk een besloten,<br />

exclusieve aangelegenheid. Ze behoorde<br />

tot het interesseveld van politici,<br />

geleerde gezelschapen, connaisseurs en<br />

later van hoog opgeleide professionals,<br />

een elite die tegelijk schatbewaarder en<br />

publiek was. Tot op zekere hoogte werd<br />

het erfgoed beschouwd als een gesloten<br />

systeem. De waarde ervan was voorgegeven<br />

in het verleden zelf, zo was de<br />

heersende gedachte, ook al moesten er<br />

kenners aan te pas komen om die waarde<br />

aan het object te onttrekken en te<br />

definiëren. Artefacten, monumenten en<br />

gebouwen waren waardevol omdat ze<br />

bijzondere, intrinsieke eigenschappen<br />

bezaten, omdat ze bewezen hadden de<br />

relevante geschiedenis van de gemeenschap<br />

te kunnen absorberen en verlengen.<br />

Maatschappelijk verschijnsel<br />

Maar de tijden zijn veranderd, en hoewel<br />

conservering en wettelijke bescherming<br />

nog steeds belangrijke instrumenten<br />

zijn, of zouden moeten zijn, van de<br />

zorg voor het erfgoed, stelt de samenleving<br />

nieuwe vragen aan het verleden<br />

die ook weer andere omgangsvormen<br />

met het erfgoed met zich meebrengen.<br />

Vooral na 1990 heeft het ‘conserveringsparadigma’<br />

terrein moeten prijsgeven<br />

aan een nieuw ‘transformatieparadigma<br />

’. Het erfgoed heeft zijn statische en<br />

kwetsbare imago afgeschud. Het speelt<br />

een actieve rol in culturele en ruimtelijke<br />

transformaties van <strong>uit</strong>eenlopende<br />

aard, van pogingen tot hervorming van<br />

de multi-culturele samenleving tot<br />

allerlei economische ontwikkelingen<br />

(denk aan de ‘creatieve stad’) en de<br />

vorm-geving van landschappen en stedelijke<br />

regio’s. Het accent is verschoven<br />

van het lokale, fysieke object naar de<br />

omgeving in de breedste zin van het<br />

woord. Het begrip ‘erfgoed’ refereert in<br />

deze brede zin niet langer <strong>uit</strong>sl<strong>uit</strong>end<br />

aan gebouwen en museumstukken,<br />

maar aan hele landschappen en delen<br />

van de stedelijke omgeving, en vooral<br />

aan de deels immateriële wereld van<br />

herinneringen, verhalen, ervaringen en<br />

tradities. Erfgoed is daarmee tegelijk<br />

onderhevig aan een proces van democratisering.<br />

Het is voor een steeds grotere<br />

groep toegankelijk, en dat maakt<br />

dat het een geschikte substantie is voor<br />

het bouwen van netwerken voor culturele<br />

en politieke samenwerking, voor<br />

de constructie van nieuwe (gedeelde)<br />

identiteiten, en voor het genereren van<br />

allerlei vormen van publieke participatie.<br />

Van een min of meer gesloten<br />

systeem is het erfgoed een opeens een<br />

open domein geworden.<br />

Door deze verschuiving zijn ‘erfgoed’<br />

en ‘geschiedenis’ meer dan ooit maatschappelijke<br />

verschijnselen. En dat verklaart<br />

weer waarom het verleden van<br />

plekken, landschappen en steden in<br />

toenemende mate wordt omgeven met<br />

herinneringen en persoonlijke erva-


ingen. Niet alleen oeroude archeologische<br />

vindplaatsen, historisch-geografische<br />

structuren en vooroorlogse architectuur<br />

staan in de belangstelling,<br />

maar ook de erfenis van de Tweede Wereldoorlog,<br />

de architectuur en stedenbouw<br />

van de Wederopbouw en de<br />

landschappen en woonwijken van onze<br />

eigen jeugd. En geruisloos schuift de<br />

grens verder door naar het heden. In<br />

een bespreking van Pierre Nora’s<br />

Engelstalige editie van Lieux de Mémoire<br />

(Realms of Memory) voor The New York<br />

Review schrijft Tony Judt: ‘We live in<br />

growing fear that we shall forget the<br />

past, that it will somehow get misplaced<br />

among the bric-a-brac of the present.<br />

We commemorate a world we have lost,<br />

sometimes even before we have lost it’.<br />

De korte levensduur en hoge omloopsnelheid<br />

van de beeldbepalende historische<br />

thema’s wordt bekrachtigd door<br />

ontwikkelingen in de mediawereld en<br />

informatietechnologie. Archeologische<br />

ontdekkingen van ‘Time Team’ zijn een<br />

race tegen de klok, die we thuis kunnen<br />

volgen op internet of televisie. Dankzij<br />

satellieten en CNN bevroor de vangst<br />

van Saddam Hussein op 14 december<br />

2003 nog diezelfde dag tot tv-historie,<br />

en werd zijn bouwvallige schuilhut al<br />

binnen enkele ogenblikken getransformeerd<br />

tot historisch monument.<br />

Historische noties en herinneringen,<br />

zegt cultuurhistorica Alison Landsberg,<br />

zijn in hoge mate transporteerbaar geworden.<br />

Ontwikkelingen in de sfeer van<br />

de massamedia, informatietechnologie,<br />

en museale technieken leiden er toe dat<br />

historische verhalen en beelden die<br />

voorheen nog sterk gebonden waren<br />

aan plekken, steden en regio’s, nu snel<br />

en gemakkelijk kunnen circuleren binnen<br />

de samenleving. Door het gebruik<br />

van al of niet gemanipuleerde filmbeelden,<br />

animaties en levensechte ensceneringen<br />

van het verleden (re-enactments)<br />

wordt de historische ervaring ogenschijnlijk<br />

steeds ‘echter’ en krijgt deze<br />

bijna het karakter van een levensechte<br />

ervaring of zelfs een persoonlijke herinnering.<br />

Als voorbeeld noemt Landsberg<br />

de ‘Holocaust-experience’. Films als<br />

Schindler’s List en The Pianist, de nieuwe<br />

Holocaust musea (zoals het US Holocaust<br />

Memorial Museum en Yad Vashem),<br />

maar ook de nieuwe presentaties<br />

en reconstructies in de Europese concentratiekampen<br />

zelf (zoals Auschwitz<br />

en Vught), halen de toeschouwer binnen<br />

in een wereld van emoties en geweld,<br />

waar eerdere museale presentaties<br />

vaak nog een wat meer afstandelijke<br />

houding tot het verleden opriepen. Het<br />

erfgoed stelt individuen en groepen in<br />

staat nauwe relaties aan te knopen met<br />

geografisch verre en historisch diepe<br />

geschiedenissen, met een verleden waaraan<br />

ze nooit zelf hebben geparticipeerd.<br />

Dit alles heeft <strong>uit</strong>eraard grote<br />

consequenties voor de omgang met het<br />

erfgoed van stad en land. Doordat het<br />

verleden in onze leefruimte vrij oproepbaar<br />

is geworden, wordt de uniciteit en<br />

authenticiteit van erfgoed serieus op de<br />

proef gesteld. Dat zien we ook vaak<br />

terug in de op het verleden geïnspireerde<br />

vormgeving van nieuwe gebouwen<br />

en landschappen. Museale presentaties,<br />

de beeldcultuur van de publieke en<br />

virtuele ruimte en Lieux de Mémoire, zo<br />

stelt Landsberg, zijn kunstmatige verleng-stukken<br />

geworden van de persoonlijke<br />

ervaring en herinnering – een geheugenprothese<br />

(‘prosthetic memory’).<br />

Zoektocht van de stad<br />

De veranderende waardering voor de<br />

geschiedenis en het erfgoed van stad en<br />

land is echter niet alleen het resultaat<br />

van nieuwe mentaliteiten en culturele<br />

noties. Ook de dynamiek van onze<br />

fysieke leefomgeving resulteert in<br />

geheel nieuwe historische repertoires<br />

die zich in de tijd anders ‘gedragen’ dan<br />

het oude, duurzame erfgoed, en dat<br />

beïnvloedt <strong>uit</strong>eraard weer onze<br />

historische percepties en herinneringen.<br />

In de meeste Nederlandse regio’s<br />

hebben in korte tijd niet alleen de<br />

grondgebonden landbouw en de rurale<br />

cultuur terrein moeten prijsgeven, maar<br />

ook het traditionele bedrijf dat zo<br />

nadrukkelijk vorm gaf aan de stad.<br />

Philips, bijvoorbeeld, was niet zo maar<br />

een industrieel imperium, maar was in<br />

het Eindhoven van de vorige eeuw een<br />

bedrijf met een soort familiestructuur,<br />

dat zorg droeg voor werk en ontspanning,<br />

opleiding en sociale voorzieningen,<br />

en voor een werk – een woonplek.<br />

Na 1980 verloor het Philipsconcern<br />

geleidelijk zijn leidende positie in de<br />

internationale electrotechnische industrie.<br />

De connectie met de regio Eindhoven<br />

werd zwakker en het concern<br />

verhuisde zijn hoofdvestiging naar<br />

Amsterdam. Het is dus niet vreemd dat<br />

de regio op zoek is naar nieuwe mogelijkheden<br />

voor economische ontwikkeling,<br />

en eigenlijk naar een nieuwe<br />

sociale identiteit. Wie de website van de<br />

stad bezoekt leest dat Eindhoven zich<br />

profileert als een productieve en creatieve<br />

stad (net als alle andere Nederlandse<br />

steden overigens) die dat graag<br />

illustreert aan de hand van haar rijke<br />

industriële verleden. Bedrijfsgebouwen<br />

van Philips, woonwijken en directiewoningen,<br />

het Philipsstadion en de<br />

lichttoren, maar ook herinneringen en<br />

historische verhalen, worden daarom<br />

zorgvuldig ingezet voor marketingdoeleinden.<br />

Er wordt gezocht naar<br />

nieuwe bestemmingen voor oude bedrijfsgebouwen,<br />

en het industriële erfgoed<br />

vormt het <strong>uit</strong>gangspunt voor wandelroutes<br />

en nieuwe stedenbouwkundige<br />

concepten. In al deze gevallen worden<br />

onderdelen van de stedelijke omgeving<br />

benut als symbolisch kapitaal. Ze dragen<br />

de boodschap <strong>uit</strong> dat het zin heeft<br />

om in de regio te investeren, om je er<br />

als hoogopgeleide of ondernemer te<br />

vestigen, of er gewoonweg op bezoek<br />

te gaan om het verleden te aanschouwen.<br />

De presentatie van het erfgoed illustreert<br />

in dergelijke gevallen dat de stad op<br />

zoek is naar nieuwe ruimtegebruikers,<br />

nieuwe vormen van werkgelegenheid,<br />

en een nieuwe, ‘post-industriële’<br />

identiteit. De snelheid waarmee sociaaleconomische<br />

veranderingen zich in veel<br />

regio’s na de Tweede Wereldoorlog<br />

TOPOS / 04 / 2006 21


Ontwerpend omgaan met ons cultureel erfgoed: een schuinweglopende <strong>uit</strong>sparing in een flatgebouw in de Leidsche Rijn dat de loop van een<br />

Romeinse weg aangeeft (bron: gemeente Utrecht)<br />

hebben voltrokken, hebben niet alleen<br />

een snelle opeenvolging van ruimtelijke<br />

transformaties met zich mee gebracht,<br />

maar <strong>uit</strong>eraard ook een voortgaande<br />

‘verjonging’ van het erfgoed. Elke fundamentele<br />

transformatie produceerde<br />

weer een nieuwe voorraad gebouwen<br />

en ruimten (industriecomplexen, bedrijventerreinen,<br />

parken, infrastructuur),<br />

die vaak al na enkele decennia weer<br />

vroegen om herbestemming en nieuwe<br />

economische en stedenbouwkundige<br />

programma’s om het ontstaan van ‘urban<br />

wastelands’ te voorkomen. Haast<br />

‘parallel’ aan het stedelijk weefsel ontvouwt<br />

het erfgoed zich in onze tijd dus<br />

als een <strong>uit</strong>dijend web van gebouwen,<br />

sporen, lieux de mémoire, historische verhalen<br />

en symbolen, waarin telkens weer<br />

nieuwe objecten, plekken, herinneringen<br />

en betekenissen worden ingeweven.<br />

Soms leidt dit tot een regelrechte worsteling<br />

met erfenissen. West-Berlijn, zo<br />

stelt de D<strong>uit</strong>se historicus Rudolph, ‘weet<br />

nog steeds niet wat het is, behalve geschiedenis<br />

die voorbij is’. En hij vervolgt<br />

met de opmerking dat de stad moet<br />

zoeken naar een nieuwe status, als geen<br />

andere regio in <strong>Europa</strong>. Door de vele<br />

belangwekkende historische gebeurtenissen<br />

en cultuurverschuivingen die<br />

22 TOPOS / 04 / 2006<br />

zich in Berlijn hebben voorgedaan, is<br />

het verleden hier de meest voor de hand<br />

liggende bouwstof voor de verdere<br />

vormgeving van de regio. Maar voor<br />

welk verleden moet de regio nu eigenlijk<br />

blijvend een plaats inruimen? Is dat<br />

voor de bloeiperiode rond 1900, de tijd<br />

dat D<strong>uit</strong>sers en joden er nog vreedzaam<br />

samenleefden, de beladen rol van de<br />

stad in de Tweede Wereldoorlog, de tijd<br />

van wereldverbeteraars en avant-garde<br />

in de jaren ‘70 en `80, of de val van de<br />

muur en de Eenwording van D<strong>uit</strong>sland,<br />

of dat alles tegelijk?<br />

Ruimterevolutie<br />

De beperkte plaatsgebondenheid van<br />

historische ervaringen enerzijds en de<br />

snelle transformatie van historische<br />

lagen anderzijds passen bij <strong>uit</strong>eraard bij<br />

de ruimtelijke principes die ten grondslag<br />

liggen aan de mondialisering, hoewel<br />

het begrip ‘mondialisering’ hier met<br />

de nodige reserves moet worden gehanteerd<br />

en de ‘ruimtelijke principes’<br />

ervan om een nadere toelichting vragen.<br />

Zo’n toelichting vinden we Peter<br />

Sloterdijk’s Im Weltinnenraum des Kapitals<br />

(2004). Zowel voor- als tegenstanders<br />

van de mondialisering menen, aldus<br />

Sloterdijk, dat de mondialisering is<br />

gebaseerd op de zogenaamde ‘samenpersbaarheid’<br />

van de leefruimte. Dat<br />

begrip moeten we in eerste instantie<br />

niet al te letterlijk opvatten. Het gaat<br />

immers om iets relatiefs, niet om een<br />

absolute inkrimping van de ruimte,<br />

maar om een verkorting van de afstand<br />

en een vergroting van de onderlinge<br />

bereikbaarheid van plekken. Maar misschien<br />

is dat wel iets te veel geredeneerd<br />

van<strong>uit</strong> een ‘premoderne’ perceptie van<br />

de ruimte. In dat samenpersen van de<br />

ruimte zit haast iets programmatisch.<br />

Het brengt plekken nader tot elkaar en<br />

zorgt daarmee voor een snelle en omvangrijke<br />

verspreiding van dominante<br />

culturele en economische waarden -<br />

ook historische. Daardoor leidt het samenpersen<br />

van de ruimte ook onherroepelijk<br />

tot een symmetrische ruimte,<br />

waarin plekken weliswaar niet volstrekt<br />

identiek zijn, maar dan toch in sterke<br />

mate inwisselbaar en vergelijkbaar, en<br />

misschien niet volstrekt gelijkvormig,<br />

maar wel meetkundig gelijkwaardige<br />

punten. Voorstanders zien dat als een<br />

zegen, als een oplossing voor grote<br />

sociaal-economische en internationaalpolitieke<br />

vraagstukken van onze tijd,<br />

tegenstanders als een bedreiging voor


het mozaïek van lokale culturen en<br />

culturele verschillen. Dat proces is echter<br />

al vroeg in gang gezet. De grote wereldreizen<br />

tijdens de Renaissance baanden de<br />

weg voor een wereldmarkt én voor de<br />

wereldwijde verspreiding van westerse<br />

culturele waarden en religieuze overtuigingen.<br />

Want met de ontdekkingsreizigers<br />

en de eerste handelaren in hun<br />

kielzog verspreidden ook de christelijke<br />

ruimtebeleving en architectuur zich snel<br />

over het aardoppervlak. De principes<br />

van deze ruimte-revolutie zijn nog<br />

steeds werkzaam, niet in de laatste plaats<br />

in het stedelijke weefsel. Daarin zijn de<br />

ruimtelijke verplaatsing en beweging<br />

immers de leidende principes zijn, en<br />

niet de plaatsgebonden activiteit en het<br />

plaatsbesef.<br />

Het programmatische van deze ‘samenpersing’<br />

kan ook worden opgevat als<br />

een synchroniseringsproject, om de<br />

woorden van Sloterdijk te gebruiken.<br />

Plekken die voorheen van elkaar werden<br />

gescheiden door een haast onoverbrugbare<br />

wereld, worden niet alleen dichter<br />

bij elkaar gebracht, maar ook de tijdsafstand<br />

ertussen verdampt geleidelijk.<br />

De mondialisering behelst daarom niet<br />

alleen een inkrimping van de ruimte,<br />

maar ook van de beleefde tijd. En in<br />

zo’n samengeperste wereld zijn historische<br />

verdiepingen en zichtbare<br />

tijdslagen misschien wel veel minder<br />

vanzelfsprekend dan wij denken. Die<br />

synchronisering van plekken is in zekere<br />

ook afleesbaar aan de omgang met het<br />

lokale en regionale verleden. Dat verleden<br />

wordt namelijk steeds minder<br />

ruimte gegund om op eigen voorwaarden<br />

in het landschap te kunnen voortbestaan.<br />

Het verleden houdt op anders<br />

en oneigentijds te zijn, doordat het blijkbaar<br />

overal moet worden verpakt in<br />

eigentijdse vormen en ontwikkelingen,<br />

van re-enactments en reconstructies tot<br />

architectuur en kunst, om het zo een<br />

welgedefinieerde plaats te geven in de<br />

eigentijdse regio. Daardoor gaat van alle<br />

ruimtelijke, economische en culturele<br />

transformaties waarin op een krampachtige<br />

manier gebruik wordt gemaakt<br />

van het verleden, ook weer een vervlakkende<br />

werking <strong>uit</strong>. De regio als nieuwe<br />

symmetrische ruimte dus, ondanks of<br />

misschien wel dankzij de eigentijdse<br />

vormgeving van het verleden. Daarin<br />

schuilt misschien wel het grootste gevaar<br />

van het opnieuw vorm geven aan<br />

historische plekken en identiteiten.<br />

Deze laatste verliezen in dat proces<br />

namelijk veel van hun oorspronkelijke<br />

zeggingskracht doordat ze al te zeer<br />

worden vermengd met de vormentaal<br />

van onze eigen tijd, hoe belangrijk een<br />

op de historie geïnspireerde vormgeving<br />

ook kan zijn voor een duurzame<br />

omgang met de ruimte.<br />

Nieuwe opgave<br />

Wat betekent dat alles nu voor ontwerpen<br />

met geschiedenis, bijvoorbeeld in<br />

een land als Nederland waar dat tot een<br />

belangrijk beginsel van de ruimtelijke<br />

vormgeving is geworden? Allereerst dat<br />

het ruimtelijk ontwerp via een historische<br />

opgave direct ook een veel bredere<br />

maatschappelijke opgave is geworden.<br />

Dat vereist van de ontwerper dat hij of<br />

zij tegelijk vormgever, historicus én<br />

antropoloog is, zonder het hoofddoel<br />

van het ontwerp –het maken van een<br />

nieuwe en functionele ruimte- <strong>uit</strong> het<br />

oog te verliezen. Dat de opgave van de<br />

architect, landschapsarchitect of stedenbouwkundige<br />

tevens een brede maatschappelijke<br />

opdracht inhoudt, wil<br />

echter niet zeggen dat de taak van de<br />

ontwerper daarmee een dienende is geworden.<br />

In maatschappelijk perspectief<br />

kan of moet de ontwerper, zo leren we<br />

misschien wel van Sloterdijk, zowel constructief<br />

als kritisch aan de slag gaan<br />

met de historische dimensie van de<br />

eigentijdse leefruimte. Maar de maatschappelijke<br />

lading van de ontwerpopgave<br />

vraagt in zekere zin ook om een<br />

nieuw soort geschiedenis. Dat is geen<br />

geschiedenis van het voltooide verleden<br />

en historische essenties, noch een<br />

geschiedenis die het experiment is van<br />

de hedendaagse herinneringscultuur. Er<br />

is behoefte aan een geschiedenis van<br />

transformaties: een tak van de geschiedenis<br />

die zich zowel langs de theoretische<br />

als empirische weg verdiept in<br />

processen van culturele en ruimtelijke<br />

verandering, en die bereid is om van<br />

daar<strong>uit</strong> te participeren aan de ruimtelijke<br />

cultuur van de eenentwintigste<br />

eeuw.<br />

Literatuur<br />

- Sloterdijk, P. (2004), Im Weltinnenraum<br />

des Kapitals. Für eine philosophische Theorie<br />

der Globalisierung, Suhrkamp, Frankfurt<br />

am Main<br />

- Judt, T. (1998), review of Realms of<br />

Memory (by Pierre Nora), in: The New<br />

York Times Review, volume 45,<br />

number 19, December 3, 1998<br />

Summary<br />

Jan Kolen is professor “heritage of the<br />

urban and rural landscape” at the Vrije<br />

Universiteit in Amsterdam. In this essay<br />

he is discussing the design approach<br />

towards our cultural heritage and the<br />

role of the urban developer, architect<br />

and landscape architect in such a<br />

process. Our society changed rapidly<br />

the last decennia and so did the<br />

attitude towards the cultural heritage.<br />

That asks for a different approach<br />

from the professionals contributing to<br />

the development of our cities and<br />

landscape.<br />

He concludes with pleading for a<br />

‘history of transformations’. That is a<br />

form of history which deepens in the<br />

processes of cultural and spatial<br />

changes. A form adapted to the needs<br />

and speed of the 21 st century.<br />

TOPOS / 04 / 2006 23


<strong>Europa</strong> stoomt door (met of zonder<br />

Nederland)<br />

Een aantal problemen dat<br />

Nederland heeft met de<br />

‘Brusselse bemoeienis’<br />

komt voort <strong>uit</strong> een ongeluk-<br />

kige wisselwerking tussen<br />

sectorale regelgeving en de<br />

ruimtelijke ordening. Bij<br />

zowel de totstandkoming<br />

van richtlijnen als bij de<br />

vertaling naar nationale<br />

wetgeving wordt er onvol-<br />

doende aandacht besteed<br />

aan de mogelijke ruimtelijke<br />

effecten. Een bevoegdheid<br />

van de EU voor ‘territoriale<br />

cohesie’ zou dit probleem<br />

kunnen verhelpen door zo<br />

een afweging al op EU-<br />

niveau te laten plaatsvinden.<br />

Territoriale cohesie stond<br />

al in de door Nederland en<br />

Frankrijk afgewezen EU-<br />

grondwet en zal waarschijn-<br />

lijk in een nieuw verdrags-<br />

voorstel niet ontbreken.<br />

David Evers<br />

Onderzoeker, Ruimtelijk Planbureau<br />

evers@rpb.nl<br />

24 TOPOS / 04 / 2006<br />

<strong>Europa</strong> in Nederland<br />

Met de eenwording van <strong>Europa</strong> wordt<br />

het steeds onverstandiger om geen<br />

rekening met het b<strong>uit</strong>enland te houden,<br />

zelfs voor zo’n plaatsgebonden aangelegenheid<br />

als de ruimtelijke ordening.<br />

De EU heeft tot nu toe geen officiële<br />

bevoegdheid op dit terrein maar dit<br />

betekent zeker niet dat de EU geen<br />

invloed heeft op ruimtelijke ontwikkelingen.<br />

Het RPB-rapport Unseen Europe<br />

beschrijft de impact van allerlei sectorbeleidsvelden<br />

(milieu, landbouw, concurrentie,<br />

transport, etc.) van de EU in<br />

Nederland (Van Ravesteyn & Evers<br />

2004). Hier<strong>uit</strong> blijkt dat op sommige<br />

gebieden cruciale Europese maatregelen<br />

door Nederlandse planologen onopgemerkt<br />

blijven totdat het ‘te laat’ is –<br />

denk aan de invoering van het Natura<br />

2000-netwerk waardoor bouwvergunningen<br />

ongeldig zijn verklaard. Er zijn<br />

ook andere voorbeelden te noemen<br />

waar <strong>Europa</strong> ongezien is gebleven en<br />

waar dit heeft geleid tot lastige situaties<br />

in de planningpraktijk.<br />

Het meest besproken onderwerp op dit<br />

moment zijn de gevolgen van het Europese<br />

luchtkwaliteitsbeleid, omdat een<br />

groot aantal bouwplannen hierdoor is<br />

stilgelegd. Een onderzoek in opdracht<br />

van het Ministerie van VROM heeft een<br />

inventarisatie gemaakt van het aantal<br />

bouwplannen dat hinder van deze maatregel<br />

heeft ondervonden. Hier<strong>uit</strong> blijkt<br />

dat ongeveer de helft van alle nieuwbouwplannen<br />

ten tijde van de publicatie<br />

van het rapport hiermee te maken heeft.<br />

Dit betreft niet alleen de Randstad maar<br />

het hele land, met <strong>uit</strong>zondering van de<br />

twee noordelijke provincies (DHV et al.<br />

2005). Tegelijkertijd is het nationale<br />

beleid gericht op het inhalen van een<br />

beoogde bouwachterstand. Hoe is het<br />

mogelijk dat ‘Brussel’ zo ineens de helft<br />

van de ruimtelijke plannen in ons land<br />

in gevaar brengt?<br />

Het antwoord ligt in een ongelukkige<br />

wisselwerking tussen de Nederlandse<br />

ruimtelijke ordening en Europese<br />

sectorregelgeving. Het beleid over de<br />

luchtkwaliteit is niet nieuw. Het huidige<br />

luchtkwaliteitsbeleid van de EU is terug<br />

te vinden in de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit<br />

<strong>uit</strong> 1996. In dat jaar hebben de<br />

lidstaten afgesproken om de luchtverontreiniging<br />

in kaart te brengen en<br />

vervolgens actieplannen op te stellen<br />

voor zones waarin de gezondheidsnormen<br />

worden overschreden. Volgens<br />

de richtlijn dienen de studies en beleidsplannen<br />

te worden gerapporteerd aan<br />

de Europese Commissie en bekendgemaakt<br />

aan de bevolking. Deze richtlijn<br />

is nader <strong>uit</strong>gewerkt in drie subrichtlijnen<br />

(voor zwaveldioxide, stikstofoxiden,<br />

stikstofdioxide, fijn stof en lood),<br />

waarin termijnen zijn voorgeschreven<br />

waarbinnen het aandeel van deze<br />

stoffen tot bepaalde grenzen moet zijn<br />

gereduceerd. In 2005 was de deadline<br />

voor fijn stof (wat de huidige ‘crisis’ in<br />

de bouw heeft veroorzaakt). Bij de implementatie<br />

van deze richtlijn in het<br />

Besl<strong>uit</strong> luchtkwaliteit is ervoor gekozen<br />

om deze sectormaatregel te koppelen<br />

aan de ruimtelijke ordening: in gebieden<br />

waarin de normen worden overschreden<br />

mogen geen nieuwe ontwikkelingen<br />

plaatsvinden die deze zullen verergeren<br />

(andere lidstaten hebben dit overigens<br />

niet gedaan). Het probleem is dat het<br />

zeer moeilijk blijkt om aan de afgesproken<br />

normen te voldoen waardoor een<br />

belangrijk deel van het land ‘op slot’ is<br />

komen te staan (MNP 2005). Dat dit<br />

gedwongen huwelijk tussen het EUmilieubeleid<br />

en de Nederlandse ruimtelijke<br />

ordening ongelukkig is, blijkt <strong>uit</strong><br />

de vele pogingen om hier onder<strong>uit</strong> te<br />

komen. In de Nederlandse ruimtelijke<br />

ordening is het heel gebruikelijk om het<br />

niet over normen te hebben maar over<br />

‘doelstellingen’, of in het kader van een<br />

goede afweging te maken compromissen<br />

te sl<strong>uit</strong>en, vaak door middel van compensatie.<br />

Voorstellen om een ‘saldobenadering’<br />

te hanteren st<strong>uit</strong>te echter op<br />

onbegrip op Europees niveau. Dit<br />

voorbeeld laat zien dat Nederland<br />

onvoldoende rekening heeft gehouden<br />

met de ruimtelijke gevolgen van een<br />

sectormaatregel toen het nog kon,<br />

namelijk de totstandkoming van de


ichtlijn en de vertaling naar nationale<br />

wetgeving. Ook na de invoering blijkt<br />

er onvoldoende communicatie naar de<br />

lagere overheden te zijn geweest; anders<br />

waren er minder vergunningen verleend<br />

voor projecten die later in de problemen<br />

zouden komen.<br />

Een verwante maatregel is de Kaderrichtlijn<br />

Water (KRW) <strong>uit</strong> 2000, die wellicht<br />

ingrijpender gevolgen zal hebben voor<br />

de ruimtelijke ontwikkeling van ons land<br />

dan de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit.<br />

Dat de zorg over de KRW slechts langzamerhand<br />

toeneemt, komt doordat de<br />

eerste deadline ‘pas’ in 2015 is.<br />

Net als de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit<br />

komt de KRW niet onverwacht. Het is<br />

in eerste instantie een stroomlijning van<br />

eerdere richtlijnen op het gebied van<br />

waterkwaliteit, zoals de 1976 Zwemwater-<br />

Energieafhankelijkheid van <strong>Europa</strong> (Europese Commissie 2002)<br />

Hervormingen in de landbouw (Europese Commissie 2004)<br />

richtlijn en een verdrag <strong>uit</strong> 1992 over<br />

grensoverschrijdende waterlopen en<br />

meren. Nederland heeft ook hard gewerkt<br />

aan de totstandkoming van deze<br />

richtlijn. De KRW kent een met de<br />

Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit vergelijkbare<br />

werkwijze (onderzoek, opstellen<br />

van actieplannen en vaststellen van<br />

streefwaarden). De termijn waarbinnen<br />

de streefwaarden voor waterkwaliteit<br />

moeten zijn behaald, is vastgesteld voor<br />

het jaar 2027 met de eerste deadline in<br />

2015. Maar het is nu al duidelijk dat de<br />

afgesproken normen wel erg streng zijn<br />

voor Nederland, gezien de hoge mate<br />

van fosfor en nitraat in de bodem. Een<br />

studie van Alterra (Van der Bolt et al.<br />

2003) heeft berekend dat twee derde<br />

van de landbouw in Nederland moet<br />

verdwijnen om (misschien) aan de water-<br />

kwaliteitseisen te voldoen. Kennelijk is<br />

hier ook onvoldoende rekening gehouden<br />

met de ruimtelijke gevolgen toen<br />

Nederland koos om in te stemmen met<br />

de richtlijn. Of ons land hier onder<strong>uit</strong><br />

kan komen is zeer de vraag: ‘regels zijn<br />

regels’ in <strong>Europa</strong>, vooral voor kleinere<br />

landen.<br />

Nederland in <strong>Europa</strong><br />

Beide voorbeelden hebben laten zien<br />

dat na de totstandkoming van EUregelgeving<br />

een lange periode kan verstrijken<br />

met verschillende fasen van<br />

inspanning. In het begin lijkt het wat<br />

mistig en vrijblijvend maar aan het einde<br />

kunnen er harde normen aankomen die<br />

zijn af te dwingen door het Europese<br />

Hof. Voor<strong>uit</strong>kijken lijkt noodzakelijk<br />

om later niet in de knel te komen, maar<br />

hoe?<br />

Eén manier is om het Europese schaalniveau<br />

beter in de gaten te houden. Een<br />

relativering van de positie van Nederland<br />

binnen <strong>Europa</strong> geeft aan welke<br />

onderwerpen later aan de orde zouden<br />

komen, waarvan de effecten in Nederland<br />

anders <strong>uit</strong> zullen kunnen pakken<br />

dan het Europese gemiddelde.<br />

Een voorbeeld van een aankomend<br />

onderwerp is de vergrijzing. <strong>Europa</strong><br />

heeft samen met Japan de oudste<br />

bevolking van de wereld. Dit zal in de<br />

toekomst verder toenemen (VN 2004).<br />

Problemen worden verwacht met<br />

betrekking tot collectieve pensioenregelingen,<br />

doordat er onvoldoende<br />

werknemers zullen zijn om de kosten<br />

van de gepensioneerden te betalen.<br />

Ook zijn er gebieden die dreigen te ontvolken<br />

door de demografische veranderingen,<br />

waardoor het lastig wordt om<br />

voorzieningen en diensten op peil te<br />

houden. In Nederland, mede door de<br />

immigratie, is dit verschijnsel veel minder<br />

aan de orde dan in andere delen van<br />

<strong>Europa</strong> zoals Noord-Italië, Spanje en<br />

Oost-D<strong>uit</strong>sland. Toch is het denkbaar<br />

dat er maatregelen zouden kunnen<br />

komen op Europees niveau om dit te<br />

mitigeren, zoals het bevorderen van selectieve<br />

migratie. Het is verstandig om nu<br />

TOPOS / 04 / 2006 25


EU-milieubeleid in Nederland<br />

al te denken over wat voor ruimtelijke<br />

gevolgen een dergelijke beslissing zal<br />

hebben.<br />

Een ander thema van toenemende betekenis<br />

is de energievoorziening. Met de<br />

economische opbloei van landen zoals<br />

India en China en een beperkte voorraad<br />

fossiele brandstoffen is het denkbaar<br />

dat in de komende decennia de energieprijzen<br />

fors zullen stijgen. Het is denkbaar<br />

dat er initiatieven en maatregelen<br />

zullen komen om de energievoorziening<br />

op EU-niveau te garanderen en alternatieven<br />

te bevorderen. De afhankelijkheid<br />

van Nederland is boven het Europese<br />

gemiddelde, dus als er regels komen op<br />

EU-niveau zou dat in het voordeel van<br />

ons land kunnen werken, omdat andere<br />

landen verplicht eraan moeten meewerken.<br />

Ook hier moet er nagedacht worden<br />

over wat voor ruimtelijke gevolgen<br />

dergelijke beslissingen zullen hebben in<br />

Nederland; energiewinning <strong>uit</strong> wind en<br />

biomassa vergen veel ruimte (Gordijn<br />

et al. 2003).<br />

Ook de landbouw moet op de Europese<br />

schaal bekeken worden. Het EU-<br />

26 TOPOS / 04 / 2006<br />

Ontvolking in <strong>Europa</strong> (Bron: ESPON 1.1.4 2005)<br />

beleid heeft een zware stempel op deze<br />

sector en het grondgebruik gedrukt. Er<br />

is een enorme schaalvergroting opgetreden<br />

en bepaalde gewassen zoals suikerbieten<br />

worden door de prijsbescherming<br />

in <strong>Europa</strong> geproduceerd. Er zijn ingrijpende<br />

hervormingen in deze sector<br />

gaande, deels door intern ongenoegen<br />

met het beleid (conflicten met onder<br />

andere concurrentiebeleid, regiobeleid<br />

en milieubeleid) en extern door druk<br />

via organisaties zoals de WTO, die dit<br />

beleid als een soort protectionisme<br />

beschouwt. Voor sommige landen zal<br />

dit een pijnlijk proces zijn; voor andere<br />

landen is het een kans. In Nederland<br />

lijkt het saldo overwegend positief: veel<br />

Nederlandse landbouwproducten vallen<br />

niet onder de prijsbescherming en zijn<br />

al rendabel. Daarnaast profiteert Nederland<br />

van de verschuiving naar plattelandsontwikkelingen.<br />

Het veranderende<br />

EU-beleid kan aangegrepen worden<br />

om de ruimtelijke problemen in het<br />

landelijk gebied aan te pakken. Zo kan<br />

vervuilende landbouw een nieuwe<br />

functie krijgen, zoals natuur, wat ook<br />

bijdraagt aan de doelstellingen van de<br />

Kaderrichtlijn Water.<br />

Wat deze drie voorbeelden laten zien is<br />

dat er op EU-niveau verschillende<br />

onderwerpen zijn die een lange termijn<br />

kennen en waarin de Nederlandse situatie<br />

soms <strong>uit</strong>zonderlijk is. Het gevolg is<br />

dat generieke oplossingen op EUniveau<br />

in Nederland een andere werking<br />

kunnen hebben. Dit is niet per se<br />

ongunstig, zoals bij de lucht- en waterkwaliteitsnormen:<br />

het kan vriezen, het<br />

kan dooien. In ieder geval is het belangrijk<br />

om alert te blijven en gevoel te<br />

hebben voor de heersende problemen<br />

op EU-niveau en actief aan het debat<br />

mee te doen. Ook is het belangrijk om<br />

op de ruimtelijke <strong>uit</strong>werking te anticiperen.<br />

Territoriale cohesie<br />

Een effect van allerlei sectorale maatregelen<br />

die genomen worden op EUniveau<br />

is dat er soms conflicten tussen<br />

bestaan. De EU is zich bewust dat een<br />

gebrek aan afstemming niet alleen de<br />

geloofwaardigheid van haar beleid in<br />

gevaar brengt, maar ook geld kost


(Robert et al. 2001). Om deze reden<br />

wordt een ruimtelijke aanpak aanbevolen:<br />

zo kunnen de verschillende belangen<br />

worden afgewogen en waar mogelijk<br />

verzoend. Vroeger werd deze exercitie<br />

‘spatial planning’ genoemd, maar nu<br />

heet hij ‘territoriale cohesie’ (zie het<br />

artikel van Faludi elders in dit nummer).<br />

Een probleem tot nu toe is dat de EU<br />

hier weinig for-mele bevoegdheden<br />

voor heeft en: as long as there is no legal<br />

basis for territorial cohesion, there is no formal<br />

obligation or incentive to take the territorial<br />

impact into account in the EU policy process<br />

(TSPU 2006, p. 39).<br />

Toch wordt er informeel volop aan<br />

territoriale cohesie gewerkt. Belangrijke<br />

documenten zijn het Europees Ruimtelijk<br />

Ontwikkelingsperspectief (EROP) <strong>uit</strong> 1999<br />

en het Territorial State and Perspectives of<br />

the European Union (in wording). Zelfs<br />

zonder formele beleidsstatus heeft het<br />

EROP al een zekere invloed gehad op<br />

Europese besl<strong>uit</strong>vorming, zoals het<br />

toedelen van structuurfondsen. Nog<br />

belangrijker is het feit dat Territoriale<br />

Cohesie al opgenomen is in de ontwerp<br />

grondwet als een bevoegdheid van de<br />

EU. Op dit moment is het nog gissen<br />

hoe ‘echte’ ruimtelijke planning op EUniveau<br />

zal worden vormgegeven, maar<br />

dat die er op een gegeven moment aankomt,<br />

lijkt onvermijdelijk. Dit omdat<br />

territoriale cohesie hetzelfde modus<br />

operendus kent als andere beleidsvelden:<br />

eerst informele bijeenkomsten van<br />

deskundigen regelen, daarna vrijblijvende<br />

intentieverklaringen van ad hoc<br />

politieke commissies opstellen en<br />

<strong>uit</strong>eindelijk een richtlijn met toetsbare<br />

normen creëren.<br />

Als territoriale cohesie in de huidige<br />

vorm wordt aangenomen kan het veel<br />

van de bovengenoemde problemen<br />

verhelpen. Sectoren zullen worden gedwongen<br />

om de ruimtelijke effecten<br />

van voorgestelde maatregelen in kaart<br />

te brengen. Zo zullen er minder ‘verrassingen’<br />

komen met bouwvergunningen<br />

die eigenlijk niet afgegeven hadden<br />

moeten worden.<br />

Conclusie<br />

<strong>Europa</strong> kan opgevat worden als een soort<br />

voortstomende olietanker: een klein<br />

land kan dan hoog<strong>uit</strong> proberen hem<br />

ietsje meer naar bakboord of naar<br />

stuurboord te richten, maar echt keren<br />

of stoppen is onmogelijk. Uitstappen<br />

evenmin. De beste optie is om voor<strong>uit</strong><br />

te blijven kijken en voor te bereiden op<br />

wat achter de horizon ligt. Op dit moment<br />

lijkt het belangrijkste ruimtelijke<br />

vraagstuk territoriale cohesie te zijn.<br />

Momenteel probeert de Franse presidentskandidaat<br />

Sarkozy een afgeslankte<br />

versie van de door Nederland en Frankrijk<br />

afgewezen grondwet alsnog in te<br />

voeren. Hierin zal de term territoriale<br />

cohesie niet ontbreken. De Nederlandse<br />

regering kiest echter terughoudend te<br />

blijven ten opzichte van <strong>Europa</strong>. Zij<br />

ziet geen heil in een nieuw verdrag;<br />

<strong>Europa</strong> moet zich alleen bezighouden<br />

met concrete maatregelen zoals veiligheid,<br />

welvaart en energie (NRC.Next 20<br />

sept. 2006: 10). Gezien de werkwijze<br />

van <strong>Europa</strong> is het echter verstandiger<br />

om toch actief mee te doen dan <strong>uit</strong><br />

principiële redenen, hoe terecht dan<br />

ook, aan de kant te blijven zitten. Op<br />

die manier heb je inspraak in wat er<br />

<strong>uit</strong>eindelijk gaat gebeuren en beter<br />

inzicht in de werking daarvan. Gelukkig<br />

schijnt dit, ondanks de <strong>uit</strong>spraken van<br />

de regering, toch op ambtelijk niveau te<br />

gebeuren. Tot nu toe heeft Nederland<br />

een belangrijke bijdrage geleverd aan de<br />

wording van de Territorial State and<br />

Perspectives of the European Union en het<br />

<strong>uit</strong>werken van de term territoriale<br />

cohesie. Dit moet voort-gezet worden:<br />

Nederland stoom ook door!<br />

Literatuur<br />

- Bolt, F. van der, R. Van den Bosch, T. Brock, P.<br />

Hellegers, C. Kwakernaak, D. Leenders, O. Schuurmanns<br />

and P. Verdonschot (2003) Aquarein:<br />

Gevolgen van de Europese kaderrichtlijn Water<br />

voor landbouw, natuur, recreatie en visserij.<br />

Alterra-rapport 835. Wageningen: Alterra.<br />

- DHV, TNO en Rigo (2005) Lucht voor ruimtelijke<br />

plannen? Inventarisatie van de invloed van<br />

beleid en regelgeving voor luchtkwaliteit op knelpunten<br />

bij de realisatie van ruimtelijk plannen in<br />

Nederland. Eindrapportage in opdracht van<br />

Ministerie van VROM.<br />

- ESPON (2006) European Territorial Research<br />

in Progress: Conference Proceedings of the 1st<br />

ESPON Scientific Conference. 13-14 October 2005.<br />

- ESPON 1.1.4 (2005) The spatial Effects of<br />

Demographic Trends and Migration. Final<br />

report. European Spatial Planning Observation<br />

Network (ESPON).<br />

- Europese Commissie (2002) Energy: Let us<br />

overcome our dependence. Luxemburg.<br />

- Europese Commissie (2004) The Common<br />

Agricultural Policy Explained. Luxemburg.<br />

- Evers, D., A. van Hoorn, A. de Vries, J.<br />

Tennekes, A. Harbers, S. Klaver (2006) Gezien<br />

<strong>Europa</strong>. Rotterdam: NAi-Uitgevers/ Den Haag:<br />

Ruimtelijk Planbureau.<br />

- Gordijn, H., F. Verwest and A. van Hoorn (2003)<br />

Energie is ruimte, Rotterdam: Nai Uitgevers.<br />

- NRC.Next (2006) “Meer <strong>Europa</strong>? ‘Tut tut, ho<br />

ho’” 20 september 2006.<br />

- Ravesteyn, Nico van & David Evers (2004)<br />

Unseen Europe. Rotterdam: NAi-Uitgevers/ Den<br />

Haag: Ruimtelijk Planbureau.<br />

- Robert, J., M.A. Figueiredo, M. Hollanders, C.J.<br />

Reincke, T. Stumm and J.M. de Vet (2001) Spatial<br />

impacts of Community policies and costs of<br />

non-coordination. European Commission.<br />

ERDF contract 99.00.27.156.<br />

- Territorial State and Perspectives of the<br />

European Union (2006) Draft 18 September.<br />

http://www.vasab.org.pl/events/Warsaw/TSP-<br />

Draft-180906.pdf<br />

- Verenigde Naties (2004) World Population<br />

Prospects: The 2004 Revision. United Nations<br />

Population Division.<br />

Summary<br />

The Netherlands, a country in the<br />

heart of Europe well-known for its<br />

openness and business acumen,<br />

surprised many in 2005 by voting<br />

against the European Constitution.<br />

Despite this, it Europe continues to<br />

play an important part in the<br />

Netherlands. It is impossible to ignore<br />

EU-legislation once it has been<br />

established as a directive, and it is<br />

unwise to ignore European policy<br />

debates which may produce future<br />

legislation. The example of spatial<br />

planning is a case in point: here the<br />

EU already has a large de facto<br />

impact on spatial development via<br />

sectoral policies. The introduction of<br />

‘territorial cohesion’ as an official<br />

power of the EU will enhance this. It is<br />

in the best interest for the Dutch to<br />

take an active part in the debate and<br />

prepare themselves for some kind of<br />

European-level planning, otherwise<br />

this will be decided for and without<br />

them.<br />

TOPOS / 04 / 2006 27


FORUM<br />

Joren Jacobs & Henk-Jan Kooij<br />

In de rubriek ‘Forum’ peilt de TOPOS-redactie de opinies rondom een actueel onderwerp. Hiertoe<br />

worden vakgenoten, lezers en prominenten benaderd. In dit Forum staat het fenomeen ‘schaamgroen’<br />

centraal.<br />

Het is niet voor iedereen direct duidelijk wat wordt bedoeld met schaamgroen; het is weer typisch zo’n<br />

rare vakterm. De een denkt bij schaamgroen aan afschermende beplanting rond een bedrijventerrein,<br />

de ander denkt aan laaggemaaide rozenbottelstruiken of aan de bekende hondenpoepveldjes die bij<br />

iedereen om de hoek liggen. Hoe het ook zij, schaamgroen is groen zonder een andere functie dan het<br />

verhullen van iets. Geen kind kan er spelen, ecologisch heeft het vrijwel geen betekenis, maar onderhoudsvriendelijk<br />

is het wel. Het wordt gebruikt om landschappelijk ongewenste ontwikkelingen te<br />

verhullen of om aan voldoende oppervlak ‘groene ruimte’ in de stad te komen; het liefst zo goedkoop<br />

mogelijk.<br />

Zoals bij veel keuzes moet er bij de aanleg van groen een afweging gemaakt worden tussen de kwali-<br />

teit en kwantiteit van het groen en het geld dat er voor beschikbaar is; het is de eeuwenoude tweespalt<br />

tussen budget en kwaliteit. Moeten we, zodra de kwaliteit van het groen te laag is, maar gewoon<br />

géén groen aanleggen in plaats van schaamgroen? Of is er gewoon genoeg geld bij de ontwikkelaars<br />

en kunnen die makkelijk de wijk of het bedrijventerrein mooi en functioneel aanleggen? Valt er trouwens<br />

niet meer geld te verdienen als het project ook voor de langere termijn aantrekkelijk is?<br />

De redactie van TOPOS is benieuwd naar de meningen rond dit onderwerp; met name meer ideologische<br />

overwegingen hebben, naast het doorgaans dominante fi nanciële verhaal, onze interesse.<br />

Kan schaamgroen überhaupt een zinvolle functie vervullen of is het een zinloze tussencategorie?<br />

Paul Roncken<br />

Docent Landschapsarchitectuur, Wageningen<br />

Universiteit<br />

SCHAAM<br />

Schildpad en Haas maken een tocht over de snelweg<br />

door de lage landen. Haas neuriet en rijdt. Schildpad<br />

maakt een kruiswoordpuzzel. Het is overdag, net<br />

voorbij lunchtijd.<br />

Schildpad:<br />

Tjeeeetje! [maakt grommende geluiden]<br />

Nou ja zeg! [sissende geluiden]<br />

Haas:<br />

Kom je er niet <strong>uit</strong>, Paddo? Lees eens voor.<br />

Schildpad:<br />

11 letters; ‘Lelijk en verborgen’...<br />

Haas:<br />

[reageert meteen] Monsterlijk!<br />

Schildpad:<br />

Goh, dat zou goed kunnen. Even kijken... Nee. Er<br />

moeten minstens één ‘a’ in voorkomen. Maar voor de<br />

rest... petje af Haas.<br />

Haas:<br />

Eens even denken... [speurt de weg voor zich af alsof<br />

hij op zoek is naar aanwijzingen] Wat is nu eigenlijk<br />

28 TOPOS / 04 / 2006<br />

Foto Gertjan Jobse<br />

zo lelijk dat het verborgen moet worden?<br />

Schildpad:<br />

[antwoord droog] Mijn grote teen.<br />

Haas:<br />

Ja, inderdaad. Die zit goddank de hele dag goed<br />

opgeborgen in je schoeisel. Aan zo’n lelijke knoepert<br />

heeft niemand wat.<br />

Schildpad:<br />

Hoewel, mijn moeder zei me altijd dat ik pas een<br />

geschikte vrouw zou vinden als iemand die teen zou<br />

waarderen, als een schat, als een unicum. Als iets<br />

typisch van mij en daarom om-van-te-houden.<br />

Haas:<br />

Maar je hebt mij toch? Ik hou van vanalles aan je,<br />

maar niet van die grote teen.<br />

Schildpad:<br />

[beteuterd] Weet ik. Ik schaam me er ook voor.<br />

[...] Dankzij jou schaam ik me er eigenlijk voor. Terwijl<br />

het juist de sleutel zou moeten zijn voor mijn liefdesgeluk.<br />

Volgens mijn moeder dan.<br />

Haas:<br />

Hoor eens Patatje van me, we hebben allemaal wel<br />

iets waar we ons voor schamen. Neem nou bijvoorbeeld<br />

dit viaduct hier. Zo aartslelijk. Alleen maar<br />

techniek zonder enig aardig jasje aan. Het is maar<br />

goed dat er wat mooie bomen omheen staan. Dat


compenseert een beetje.<br />

Schildpad:<br />

En jij dan? Waar schaam jij je voor?<br />

Haas:<br />

Voor mijn haar.<br />

Schildpad:<br />

Je hebt niet eens haar. Op een paar snorharen na. Je<br />

hebt een vacht!<br />

Haas:<br />

[barst in gierend lachen <strong>uit</strong>] Ik schaam me voor mijn<br />

haar! Snap je um niet?<br />

Schildpad:<br />

Niet grappig Haas. We hebben het over gevoelige<br />

materie. Dat weet je best.<br />

Haas:<br />

Ach Poetepad. Nog lange tenen ook. [stilte] Nachtmerrie!<br />

Schrijf dat maar op. Is ook 11 letters én heeft<br />

een ‘a’. Toch blijf ik ‘monsterlijk’ een veel mooier<br />

woord vind. Klopt die ‘a’ wel?<br />

Schildpad:<br />

Tsss! [maakt een zuchtend geluid] Dat past!<br />

En die ‘a’ is van SCHAAM. Met als omschrijving: 6<br />

letters ‘verlegen <strong>uit</strong>drukking zonder rood’.<br />

Michiel Uitdehaag<br />

Planoloog Amer Adviseurs<br />

De term is misleidend. Hij suggereert namelijk dat de<br />

bedoelde groenstroken in geen geval als volwaardig<br />

gezien mogen en moeten worden. Dat is te kort door<br />

de bocht.<br />

In de eerste plaats maken deze groenstroken vaak<br />

deel <strong>uit</strong> van een ontwerp, bijvoorbeeld om bedrijventerreinen<br />

in te passen in landschappen. Deze<br />

inpassing kan inderdaad op verschillende manieren<br />

gebeuren, met verschillende kostenplaatjes. Eén van<br />

de denkbare opties is het werken met groen om een<br />

inpassing en/of overgang naar landschappen te creeren.<br />

Volgens mij is daar niets mis mee, zolang het<br />

groen maar niet achteraf als ‘afscherming’ is neergezet<br />

maar in het ontwerp wordt betrokken. Het groen<br />

moet dan deel <strong>uit</strong>maken van de groenstructuur van<br />

zowel het ontwerp als het landschap. Overigens hoeft<br />

een goed groen raamwerk niet per se duur te zijn.<br />

Daarnaast krijgt het groen steeds vaker wel degelijk<br />

andere functies dan louter de afschermende. Hele<br />

parken worden aangelegd aan randen van bedrijvenparken,<br />

ter ontwikkelingen van ecologische verbindingszones<br />

en/of wandelroutes voor tijdens de pauzes.<br />

Niet zelden maken deze groenstructuren weer<br />

deel <strong>uit</strong> van een grotere structuur.<br />

Waar het vooral op vastloopt, is de onduidelijkheid<br />

over wie het groen onderhoudt of het gebrek aan<br />

middelen daarvoor. Als dat niet is geregeld, verwordt<br />

ieder stukje groen tot iets vreselijks, hoe mooi bedacht<br />

ook. Waar ik voor zou pleiten is te komen tot<br />

heldere afspraken over wie het groen op welke wijze<br />

onderhoudt...dan pas zal de schaamte over het groen<br />

verdwijnen. De meerwaarde van aantrekkelijk groen<br />

zal dan vanzelf steeds vaker worden ingezien.<br />

Gertjan Jobse<br />

Landschapsarchitect Bosch Slabbers<br />

Schaamgroen is zinloos. Het ontstaat als visie ontbreekt<br />

en standaardisering prevaleert boven maatwerk.<br />

Schaamgroen is ook niet nodig, want even<br />

nadenken opent vaak nieuwe mogelijkheden.<br />

Het tegenovergestelde van schaamgroen is een rode<br />

Ferrari; een oplossing die iets toevoegt en waar iedereen<br />

trots op is. Dit vereist extra inspanning, maar<br />

het betaalt zich <strong>uit</strong>eindelijk altijd terug.<br />

Hoe doe je dat? Ik concentreer mij even op landschappelijke<br />

inpassing in ruimtelijk beleid. Soms is<br />

het landschap zelf de basis voor een plan; dit biedt<br />

de kans om op een goede plek, een gewenste functie<br />

op een mooie, betekenisvolle manier te realiseren!<br />

Klinkt logisch, maar wat als dit niet kan? De praktijk<br />

leert immers dat de vraag om inpassing vaak speelt<br />

als juridische procedures in beeld komen. Het bestemmingsplan<br />

is bijvoorbeeld aangevochten en gemeenten<br />

moeten aan de bezwaren tegemoet komen.<br />

Paniek! Er komt dan vaak verhullend schaamgroen,<br />

want het is al te laat om het hele plan overhoop te<br />

gooien.<br />

Je zou zelfs kunnen zeggen dat de kans op schaamgroen<br />

groter is, nu het ruimtelijk beleid een juridische<br />

basis krijgt met de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening.<br />

Gelukkig biedt deze wet ook mogelijkheden.<br />

Met de `soft power` van een overtuigend plan kun je<br />

veel bereiken!<br />

Een brede blik is dus gewenst. Redenerend van<strong>uit</strong> de<br />

karakteristiek van het landschap is inpassing meer<br />

dan een incident. Het is zaak voort te bouwen op de<br />

bestaande structuren en hier iets eigentijds aan toe te<br />

voegen.<br />

Inpassing heeft ook de plicht iets nieuws toe te voegen.<br />

Dat hoeft overigens niet altijd groen te zijn, liever<br />

niet: een grondsculptuur als identiteitsdrager, ruimtelijk<br />

kader en magnifiek <strong>uit</strong>zicht ineen... Laat het in<br />

ieder geval meer zijn dan een randje beplanting, want<br />

daar kijk je de helft van het jaar dwars door heen!<br />

29<br />

TOPOS / 04 / 2006 29


Grenzenloze planningkennis in <strong>Europa</strong>:<br />

Internationale kennis<strong>uit</strong>wisseling aangaande ‘land development’ in FARLAND<br />

Lange tijd zijn nationale<br />

planningsystemen en -<br />

culturen strikt van elkaar<br />

gescheiden gebleven. Het<br />

is nog steeds niet makkelijk<br />

om toegang tot b<strong>uit</strong>enland-<br />

se informatie te krijgen, laat<br />

staan werkelijk te begrijpen<br />

hoe men over de grens<br />

planning bedrijft. Toch doet<br />

de Europese Unie dappere<br />

pogingen om praktijk-<br />

mensen en onderzoekers<br />

die actief zijn op vergelijk-<br />

bare terreinen met elkaar in<br />

gesprek te brengen. Zoals<br />

in het FARLAND-project,<br />

waarin kennis over landin-<br />

richting wordt <strong>uit</strong>gewisseld.<br />

Wat is realistisch om te ver-<br />

wachten van zo’n project?<br />

En wat zijn de valkuilen?<br />

Terry van Dijk<br />

PostDoc onderzoeker Leerstoelgroep<br />

Landgebruiksplanning, Wageningen<br />

Universiteit<br />

terry.vandijk@wur.nl<br />

30 TOPOS / 04 / 2006<br />

Het FARLAND project<br />

In 2004 ging een (deels) door de EU<br />

gefinancierd project van start onder de<br />

vlag FARLAND, hetgeen staat voor<br />

Future Approaches in Land Development.<br />

In dit project wisselen tien organisaties<br />

<strong>uit</strong> zeven EU landen hun kennis<br />

over landinrichting <strong>uit</strong>. Het doel is om<br />

met de kennis van de één de innovatiebehoefte<br />

van de ander te vullen.<br />

Daartoe worden zogenaamde Study<br />

Tours georganiseerd, waarin alle partners<br />

bij één land op excursie gaat om alles<br />

over diens landinrichting te leren, en<br />

vooral de recente innovaties daarin.<br />

Daarnaast zijn er zogenaamde Technical<br />

Exchange Visits , waarin een bepaald<br />

thema wordt besproken en waaraan alleen<br />

die partners deelnemen die daarin<br />

interesse tonen.<br />

De tien partners zijn <strong>uit</strong>voeringsorganisaties<br />

(zoals DLG) en onderzoeksinstellingen<br />

<strong>uit</strong> Galicië (Spanje), Portugal, Nord-<br />

RheinWestfalen (D<strong>uit</strong>sland), Hongarije,<br />

Litouwen, Vlaanderen en Nederland. In<br />

totaal zal er meer dan een miljoen Euro<br />

aan Europees geld in dit project besteed<br />

worden, aangevuld met zeker zoveel<br />

nationaal geld. Reis- en verblijfskosten<br />

vormen een belangrijke kostenpost, die<br />

helaas onmisbaar is in een internationaal<br />

project waarin je elkaar veelvuldig<br />

FARLAND groep laat zich informeren over een grote<br />

haven<strong>uit</strong>breiding bij Antwerpen (foto: Terry van Dijk)<br />

wilt ontmoeten.<br />

Ikzelf ben aangetrokken door Alterra om<br />

de component ‘Review and Exchange’<br />

invulling te geven. Dat houdt in dat wij<br />

het proces van kennis<strong>uit</strong>wisseling faciliteren<br />

en begeleiden. Van<strong>uit</strong> die rol is het<br />

boeiend eens wat gedachten met u te delen<br />

over de realiteit van het <strong>uit</strong>wisselen<br />

van kennis.<br />

‘Future Approaches’, de andere component,<br />

is erop gericht om de leringen in<br />

het project actief en op een hapklare manier<br />

aan beleidsmakers door te geven.<br />

Zo moet voorkomen worden dat de<br />

resulterende kennis een dode letter wordt.<br />

Vraag en aanbod<br />

Stel je wilt dat de kennis van de een de<br />

lacunes in andermans kennis vult. Dan<br />

praat je dus over het bijeenbrengen van<br />

vraag en aanbod. Bij partij A bestaat een<br />

vraag naar kennis en partij B kan die kennis<br />

bieden. De overzichtelijkheid van<br />

dit model gaat op twee belangrijke punten<br />

mank, waardoor de <strong>uit</strong>wisseling van<br />

kennis niet zo systematisch kan verlopen<br />

als het lijkt.<br />

Ten eerste weet partner A niet altijd wat<br />

zijn innovatiebehoefte is. Want als je<br />

een vraag kunt formuleren weet je al<br />

wat je nodig hebt. Als je iemand vraagt<br />

hoe laat het is, spreek je daarmee de


EU-project Waterfront Breskens (Gemeente Sluis, 2006) Project mede mogelijk gemaakt door de EU (Gemeente Sluis, 2006)<br />

veronderstelling <strong>uit</strong> dat die persoon dat<br />

waarschijnlijk weet, maar je weet ook<br />

welk type informatie je gaat krijgen. Je<br />

weet wat je zoekt: een tijdstip. Het is<br />

daarentegen juist het onbewuste van<br />

innovatiebehoefte dat kennis<strong>uit</strong>wisseling<br />

zo boeiend maakt. Je ontmoet een<br />

aanpak die zo totaal nieuw is dat je het<br />

zelf niet had kunnen verzinnen. En je<br />

ziet opeens een kans om een tekortkoming<br />

van jouw systeem, waar je je eigenlijk<br />

al bij neer had gelegd, te verhelpen.<br />

Ten tweede is ‘de’ Nederlandse landinrichting<br />

onmogelijk te beschrijven. Het<br />

heeft te veel aspecten en het is permanent<br />

in ontwikkeling. Het zou best kunnen<br />

vóórkomen dat een (hetzij bewuste,<br />

hetzij onbewuste) innovatiebehoefte<br />

van A baat heeft bij een element <strong>uit</strong> de<br />

landinrichtingspraktijk van B vijftien<br />

jaar geleden. Omdat dat element inmiddels<br />

overboord is gezet, wordt dat op<br />

de Study Tour helaas niet vermeld. Het<br />

is natuurlijk ondoenlijk om alle aspecten<br />

door de decennia heen aan elkaar te<br />

presenteren.<br />

Toch blijft het jammer dat vraag en<br />

aanbod onmogelijk sl<strong>uit</strong>end bijeen te<br />

brengen zijn. De vraag is deels latent en<br />

het aanbod te veelomvattend om over<br />

te brengen. Maar door bij het aanbod<br />

vooral innovatieve praktijken te<br />

benadrukken, zoals in FARLAND het<br />

geval is, worden waarschijnlijk kansen<br />

gemist.<br />

Babylonische spraakverwarring<br />

De grootste <strong>uit</strong>daging van een project<br />

als deze is om elkaar echt te begrijpen.<br />

Niet dat discussies en informatieoverdracht<br />

problematisch verloopt. De vaardigheid<br />

in de Engelse taal van de meeste<br />

deelnemers is prima. Maar wat gaat<br />

er werkelijk schuil achter die woorden<br />

die men in de mond neemt? Verstaan<br />

ze elkaar echt? Elk woord is een mini-<br />

theorie, beladen met cultuurafhankelijke<br />

connotaties en instrumentele <strong>uit</strong>werkingen.<br />

Zo is het in Nederland al bijna onmogelijk<br />

om over ‘herverkaveling’ te<br />

praten als zijnde een neutraal mechanisch<br />

concept (het <strong>uit</strong>ruilen van eigendom)<br />

aangezien het meteen als één van<br />

de vier vormen van landinrichting begrepen<br />

wordt, met alle procedurele details<br />

van dien.<br />

We hebben dan ook hard gewerkt om<br />

een zo breed mogelijk gedragen lijst van<br />

definities te maken, waarop we altijd<br />

kunnen terugvallen in geval van bewuste<br />

verwarring en waar ieder zich zoveel<br />

mogelijk aan moet proberen te houden<br />

in zijn of haar bewoordingen.<br />

Maar gebleken is dat sommige termen<br />

zich gewoon niet laten vastleggen.<br />

Vooral geografische begrippen. Want wat<br />

is bijvoorbeeld een ruraal gebied? Wij<br />

vinden het Groene Hart of de Betuwe<br />

ruraal, maar de Spaanse deelnemers kijken<br />

dan of ze water zien branden. Zij<br />

vinden heel Nederland peri-urbaan. En<br />

inderdaad, eenmaal ver in de Galicische<br />

bergen te zijn geweest en daar de leegheid<br />

en de geïsoleerdheid van de boerderijen<br />

daar te hebben gezien is de vergelijking<br />

met de Betuwe ver te zoeken.<br />

Zelfs de betekenis van een woord als<br />

‘bos’ is voor iedereen anders. Op een<br />

Study Tour in Galicië bleek dat ze voor<br />

wat extra landbouwgrond voor het dorp<br />

gewoon een stuk bos opzij schoven.<br />

Van de D<strong>uit</strong>sers en Nederlanders vielen<br />

de monden open. Welke instantie<br />

keurde zoiets goed? Het nuchtere antwoord<br />

was dat in een regio met 70%<br />

bos daar niemand toestemming voor<br />

hoeft te geven.<br />

Kennis, zeker planningskennis, blijkt<br />

niet zo eenduidig verpakt te kunnen<br />

worden als we zouden willen. De taalbarrières<br />

blijven van toepassing.<br />

Technologische veronderstellingen<br />

En zelfs al konden we vraag en aanbod<br />

naadloos bij elkaar brengen en perfect<br />

informatie overdragen, wat is dan <strong>uit</strong>eindelijk<br />

het effect? Een betere landinrichting<br />

bij alle partners? De veronderstelling<br />

om te kunnen groeien naar een<br />

steeds betere planning lijkt in veel onderzoeks-<br />

en <strong>uit</strong>wisselingstrajecten een impliciete<br />

veronderstelling. Met het vullen<br />

van andermans innovatiebehoefte wordt<br />

het allemaal beter.<br />

Maar wat is ‘goede’ landinrichting. Is dat<br />

efficiënt, of met minimaal gemor, of<br />

met minimaal tijdsbeslag, of met maximaal<br />

resultaat? Misschien is het geen<br />

van allen. Misschien is het criterium dat<br />

een instrument past bij de heersende<br />

cultuur op dat moment. En wat voor<br />

het ene land goed werkt, kan in het andere<br />

land op veel irritatie rekenen.<br />

Zeker in landinrichting, waar de relaties<br />

tussen mensen en hun grond worden<br />

verschoven.<br />

Relaties tussen mensen en grond zijn<br />

juridisch en emotioneel b<strong>uit</strong>engewoon<br />

<strong>uit</strong>eenlopend. Het instrument kan daar<br />

onmogelijk aan voorbij gaan. Een instrument<br />

is geen neutraal construct,<br />

maar reflecteert de mening van waarop<br />

zij van toepassing is wat betreft wenselijke<br />

ingrepen in individuele rechten en<br />

belangen.<br />

Helemaal zelfvoldaan is de vaak gehoorde<br />

stelling dat de nieuwe lidstaten niet<br />

de ‘fouten’ moeten maken die onze landinrichting<br />

in de na-oorlogse decennia<br />

beging. Nee, laat ze meteen de nieuwste<br />

(lees: beste) inzichten toepassen: flexibel,<br />

multifunctioneel. Hebben wij in de<br />

jaren ’50 en ’60 het verkeerd gedaan?!<br />

Allerminst! Op dat moment was dat een<br />

algemeen gedragen doelstelling, waarin<br />

de landinrichting zeer succesvol geweest<br />

is. Onze denkbeelden en belangen voor<br />

het landelijk gebied zijn inmiddels ver-<br />

TOPOS / 04 / 2006 31


Kijken bij een landbouwgebied dat binnenkort van functie zal veranderen<br />

(foto: Terry van Dijk)<br />

anderd, maar niet beter geworden, is mijn<br />

overtuiging.<br />

Gelukkig is in het FARLAND-project<br />

deze stelling nog niet geponeerd, ook<br />

niet impliciet. Maar de vraag doet zich<br />

natuurlijk wel voor: waartoe dient deze<br />

kennis<strong>uit</strong>wisseling?<br />

Aanwijsbare <strong>uit</strong>komsten<br />

Zoals betoogd kan van overzichtelijke<br />

en lineaire kennis<strong>uit</strong>wisseling maar<br />

deels sprake zijn. En natuurlijk zullen<br />

er best voorbeelden zijn, ook binnen<br />

FARLAND, waar het zo gaat. De grote<br />

toegevoegde waarde van een project als<br />

dit is, mijns inziens, de creatieve en onvoorspelbare<br />

processen parallel aan het<br />

‘officiële’ traject.<br />

Zo heeft zich tijdens het project een<br />

aantal clusters van like minded people gevormd,<br />

verbonden door een visie, een<br />

concept of een fascinatie. Deze clusters<br />

zijn de totale groep nu gaan zien als een<br />

unieke bron van informatie waar ze zonder<br />

veel moeite <strong>uit</strong> kunnen putten.<br />

Door immers tijdens bijeenkomsten of<br />

via de e-mail vragen(lijstjes) <strong>uit</strong> te zetten<br />

kun je relatief eenvoudig die informatie<br />

verwerven die je voor het opbouwen<br />

van jouw mini-onderzoekje nodig hebt.<br />

Natuurcompensatie in aanleg (foto: Terry van Dijk)<br />

32 TOPOS / 04 / 2006<br />

Het Belgische dorpje Doel wordt binnenkort van de kaart geveegd door zware<br />

industrie (foto: Terry van Dijk)<br />

De clusters hebben nu elk een wetenschappelijk<br />

artikel in de steigers staan<br />

en dat begint al boeiende vormen aan<br />

te nemen. Zo wordt een vergelijkende<br />

en verklarende analyse gedaan naar de<br />

<strong>uit</strong>eenlopende procedurele vormen die<br />

in <strong>Europa</strong> voorkomen. Ook wordt bekeken<br />

of een instrument nu een technisch-rationele<br />

constructie is of eerder<br />

een spiegel van de regionale cultuur.<br />

Boeiende vragen waarvoor FARLAND<br />

een prima voedingsbodem is.<br />

Persoonlijke ‘kliks’<br />

Wat in dit alles het belangrijkste is, is dat<br />

de groep mensen in het project goed<br />

met elkaar overweg kunnen. En als er<br />

één project is dat is <strong>uit</strong>gegroeid tot een<br />

soort familiegebeuren, dan is het FAR-<br />

LAND wel. We stappen allemaal bijna<br />

maandelijks in het vliegtuig om elkaar<br />

te ontmoeten en elke keer is het net alsof<br />

je thuiskomt. Dat komt omdat de mensen<br />

elkaar goed liggen, maar ook omdat<br />

we samen bijzondere dingen meemaken.<br />

We liggen elkaar goed, ondanks culturele<br />

verschillen. Vooral de verschillen in<br />

hiërarchie zijn heel treffend. Zo spreken<br />

de drie D<strong>uit</strong>sers (van rond de 30<br />

jaar) de dame in hun midden consequent<br />

met ‘u’ en ‘mevrouw’ aan. Er<br />

wordt zelfs over ‘mevrouw’ gesproken<br />

als ze er zelf niet bij is. De dame blijkt<br />

een rang hoger in de organisatie te zitten<br />

en dan spreekt men dus in de beleefdheidsvorm.<br />

Maar behalve dat we elkaar goed liggen<br />

is elke reis een bijzondere geweest.<br />

Tijdens een week in Santiago de Compostela<br />

werden we op het adembenemende<br />

stadhuis (werelderfgoed)<br />

tegenover de kathedraal ontvangen. In<br />

Paderborn werden we in een lange boerenkar<br />

door de bossen gereden en op<br />

een open plek was er een grote barbecue<br />

georganiseerd. In Leuven reden we met<br />

de bus over een straatkat (nu gekscherend<br />

het FAR-lijk genoemd). In Belgisch<br />

Limburg werden er tandems geregeld<br />

om de geplande fietstocht ook<br />

voor de niet-fietsers doorgang te laten<br />

vinden. In Münster gingen we na de<br />

vergaderingen gezellig de kerstmarkt<br />

over. En wat gaan we in Litouwen en<br />

Portugal nog meemaken?<br />

Als je een gemeenschappelijke geschiedenis<br />

hebt kunnen er mooie dingen<br />

ontstaan. Vriendschappen voor het<br />

leven. Misschien is dát wel wat tot het<br />

verwijderen van grenzen in kennis leidt:<br />

dat we elkaars culturen en regionale<br />

eigenaardigheden leren kennen, waardoor<br />

de <strong>uit</strong>ersten van xenofobie en<br />

neo-kolonialisme vermeden worden.<br />

Meer weten? Farland (2006) http://<br />

www.farland-project.org<br />

Literatuur<br />

- Van Dijk, T. (2006) Transplanting<br />

instruments that work: four practical<br />

lessons on eliminating erronous<br />

assumptions. Planning Theory and Practice<br />

Jrg. 7, No. 4.<br />

- Van Dijk, T. (2002) Export of<br />

planning knowledge need comparative<br />

analysis: the case of applying Western<br />

land consolidation knowledge in<br />

Central Europe. European Planning<br />

Studies, Jrg. 10, No. 7.<br />

Summary<br />

Planning practices differ throughout<br />

Western Europe. The EU co-finances<br />

exchange of planning knowledge, for<br />

instance in the FARLAND project,<br />

being a seven nationality project with<br />

an intensive calendar of meetings and<br />

excursions. Innovations are the key<br />

word, for which supply and demand<br />

are to be linked. This essay explores<br />

the potential of knowledge exchange<br />

in this project; what can one expect<br />

from partners informing and being<br />

informed on land development?


Dat vind ik nou mooi!<br />

Landschap in beweging…<br />

Waar je ook bent, hoe je je ook<br />

voortbeweegt: het landschap om je heen<br />

is nooit hetzelfde. Wat wil je nog meer,<br />

het landschap dat elk moment van de dag<br />

een nieuw schilderij te voorschijn tovert!<br />

Kijk maar naar boven. De lucht die<br />

alsmaar voortbeweegt, de kleuren die<br />

daarbij veranderen, het landschap soms<br />

schilderachtig maken, maar soms ook<br />

triest.<br />

Ook het stadslandschap is continu in<br />

beweging. Als je je ogen een klein beetje<br />

toeknijpt, zie je alleen maar de felle<br />

kleuren van het voorbijrazende verkeer.<br />

Water en wind zijn zeer dynamische<br />

elementen die zorgen voor heel wat<br />

beweging in het landschap. Ga op een<br />

stormachtige dag naar zee en dan merk je<br />

in alle opzichten dat het landschap om je<br />

heen alles behalve stilstaat.<br />

Veel mensen stappen in hun auto en<br />

vergeten vaak dat ze tijdens hun tocht<br />

enorm veel van het voorbijtrekkende<br />

landschap kunnen genieten. Ze sl<strong>uit</strong>en<br />

zich op in hun comfortabele auto met<br />

allerlei soorten van digitaal vermaak en<br />

vergeten dat het landschap b<strong>uit</strong>en de auto<br />

zoveel meer kan bieden dan alleen een<br />

snelle route van A naar B. Neem eens de<br />

rust om tijdens het rijden, tijdens het<br />

stilstaan in de file, goed om je heen te<br />

kijken. Het zit hem soms in de kleine<br />

dingen in het landschap: een groep vogels<br />

in V-vorm voorbijtrekkend, de zon die net<br />

tussen twee bomen doorschijnt of een<br />

grote boot die zich in het avondrode water<br />

voortbeweegt.<br />

Het landschap is als een film, soms met<br />

veel actie, een andere keer meer rust.<br />

Soms prachtige beelden, soms angstig,<br />

maar nooit hetzelfde, altijd in beweging...<br />

Rianne Knoot<br />

TOPOS / 04 / 2006 33


Plannen op de helling<br />

On-Nederlandse stedebouwkundige projecten Buro Lubbers<br />

In de Nederlandse ontwerp-<br />

praktijk voor stedebouw en<br />

landschapsarchitectuur<br />

duiken voortdurend de<br />

beelden op van een aantal<br />

(Noord-) Europese projec-<br />

ten. Projecten die bijna<br />

unaniem door vakgenoten<br />

worden gewaardeerd om<br />

hun schoonheid. Menig<br />

ontwerpbureau voorziet<br />

haar plannen van referentie-<br />

beelden van deze projecten<br />

en ook in gemeentelijke<br />

beeldkwaliteitsplannen of<br />

nota’s van randvoorwaar-<br />

den wordt rijkelijk gebruik<br />

gemaakt van deze beelden.<br />

Maar wat maakt deze Euro-<br />

pese voorbeelden nu zo<br />

bijzonder en hoe staan ze<br />

in verhouding tot de<br />

Nederlandse praktijk?<br />

Eric Jongen<br />

Stedebouwkundige<br />

Marian de Vries<br />

Architect<br />

info@burolubbers.nl<br />

34 TOPOS / 04 / 2006<br />

1:<strong>Europa</strong><br />

Bij het maken van analyses en bij het<br />

ontwikkelen van ruimtelijke concepten<br />

wordt veelvuldig gebruik gemaakt van<br />

referentieprojecten en referentiebeelden<br />

<strong>uit</strong> Noord <strong>Europa</strong>. De projecten dienen<br />

als inspiratie en om los te komen van<br />

standaard oplossingen en tweedimensionale<br />

verkavelingsplannen. Op de schaal<br />

van <strong>Europa</strong> is een lijstje van interessante<br />

voorbeelden van woningbouw in een<br />

landschappelijke setting snel gemaakt.<br />

Menig landschapsarchitect of stedebouwkundige<br />

heeft via boeken, vakbladen of<br />

tijdens één van de excursies langs de<br />

Europese voorbeelden kennis gemaakt<br />

met de Siedlung Halen van Atelier 5 in<br />

Zwitserland, Fredensborghusene van<br />

Jørn Utzon in Denemarken, Dianas Have<br />

en Hestra Parkstad van het Deense architecten<br />

bureau Vandkunsten, het wooncomplex<br />

Hödlwald van de architectengroep<br />

Splitterwerk en het wooncomplex<br />

van Baumschlager & Eberle in Nüziders,<br />

beide in Oostenrijk.<br />

De gemeenschappelijke noemer in de<br />

hierboven opgesomde projecten is de<br />

relatie tussen bebouwing en landschap.<br />

Eerst is de landschappelijke onderlegger<br />

geanalyseerd en gedefinieerd en daarna<br />

worden bebouwde structuren met dit<br />

landschap geconfronteerd. De meerwaarde<br />

voor zowel architectuur als<br />

openbare ruimte zit in het feit dat de<br />

bebouwing daarbij interactie aan gaat<br />

met het landschap waardoor situaties<br />

en plekken ontstaan die nooit standaard<br />

kunnen worden opgelost en die alleen<br />

kunnen op deze bepaalde plek. Dit resulteert<br />

in unieke projecten met een juiste<br />

concentratie van bebouwing in het landschap,<br />

collectieve openbare ruimten,<br />

zorgvuldige overgangen privé-openbaar,<br />

relaties binnen-b<strong>uit</strong>en, (dubbele) oriëntatie<br />

van de woningen, meervoudig<br />

grondgebruik, collectieve voorzieningen,<br />

etc. Alle aspecten en facetten die de<br />

hedendaagse stedebouw de benodigde<br />

sprankeling kunnen geven. Natuurlijk is<br />

de situatie in het b<strong>uit</strong>enland vaak grilliger<br />

en robuuster dan wij in Nederland<br />

kennen en er is daar geen andere keus<br />

dan te reageren op het landschap. In landen<br />

als Oostenrijk, Zwitserland, Zweden<br />

of Denemarken is men gewend aan het<br />

omgaan met hoogteverschillen en het<br />

bouwen in ruigere of bosrijke landschappen.<br />

1:NL<br />

Toch zijn er ook in de Nederlandse praktijk<br />

voldoende kansen en mogelijkheden<br />

om projecten te realiseren die <strong>uit</strong>blinken<br />

op hierboven genoemde aspecten.<br />

Hierbij moet verder worden gegaan dan<br />

het (op)waarderen van een aantal landschappelijke<br />

elementen als dragerstructuur<br />

voor het stedebouwkundig plan.<br />

Landschap en bebouwing moeten op<br />

elkaar reageren en met elkaar worden<br />

verweven. De crux zit hierbij in de benadering<br />

van<strong>uit</strong> het landschap. Door<br />

eerst het bestaande landschap te analyseren<br />

en te definiëren, of door eerst een<br />

nieuw landschap te ontwerpen en pas<br />

daarna de gebouwen hierin te situeren.<br />

Hierbij moeten gebouwen zich relateren<br />

aan het landschap en worden confrontaties<br />

met hoogteverschillen, landschappelijke<br />

elementen (zoals bomen) in de<br />

architectuur opgelost. Op het raakvlak<br />

van architectuur en landschap zitten<br />

daarbij de kansen voor het vormgeven<br />

van bijzondere: semi-openbare ruimtes,<br />

overgangen van privé naar openbaar,<br />

(architectonische) privé b<strong>uit</strong>enruimtes,<br />

parkeeroplossingen, e.d.<br />

1:BL<br />

Met behulp van een tweetal projecten<br />

van Buro Lubbers zal kort worden beschreven<br />

hoe deze benadering kan worden<br />

toegepast en wat dit aan bijzondere<br />

situaties en plekken op kan leveren. De<br />

twee projecten zijn: de ontwikkeling van<br />

woningbouw op het terrein van een voormalig<br />

retraitehuis Manresa in Venlo en<br />

het ontwerp voor woningbouw in en<br />

rond het voormalige kazernecomplex<br />

Saksen Weimar in Arnhem.<br />

Manresa<br />

Het gebied Manresa is gelegen aan de<br />

oostkant van Venlo op een bosrijke stijl-


and van de Maas. Zeer oude bomen en<br />

sterke hoogteverschillen karakteriseren<br />

het gebied.<br />

In opdracht van Johan Matser Stedelijke<br />

herstructurering werkt Buro Lubbers<br />

sinds 2003 aan de inrichting van Manresa.<br />

In het gebied worden maximaal 60 koopwoningen<br />

gerealiseerd in het hogere<br />

prijssegment.<br />

De werkzaamheden omvatten achtereenvolgens<br />

een structuurvisie, beeldkwaliteitsplan,<br />

supervisie over de architectuur<br />

en de <strong>uit</strong>werking van de openbare<br />

ruimte. Door deze continue betrokkenheid<br />

is een plan ontstaan met maximale<br />

samenhang tussen landschap en architectuur.<br />

Op het plateau zijn drie open plekken<br />

aanwezig. De open plekken geven licht<br />

en ruimte in het bos en bieden bovendien<br />

een prachtig zicht op de bosrand<br />

met verschillende soorten bomen. Het<br />

bebouwingsconcept gaat daarom <strong>uit</strong> van<br />

bebouwing op de rand van de open plekken,<br />

in plaats van de open plekken te<br />

benutten.<br />

Er zijn drie bouwvlekken aangewezen,<br />

elk met een eigen karakter. Uitgangspunt<br />

voor de bebouwing is het behoud van<br />

zoveel mogelijk bomen. Daartoe zijn alle<br />

bomen, ongeveer 1200 stuks, ingemeten<br />

door boomspecialist Pius Floris. Met die<br />

informatie is een werkmaquette gemaakt.<br />

In het westen, op de grens van de stijlrand<br />

en grote open plek, is een appartementenblok<br />

gesitueerd dat qua grootte<br />

vergelijkbaar is met het voormalige retraîtehuis.<br />

Het appartementencomplex<br />

bestaat <strong>uit</strong> twee volumes met een dubbele<br />

oriëntatie naar zowel de open plek<br />

als de Maas en het centrum van Venlo.<br />

Op de zuidelijke helling komen woningen<br />

die gebruik maken van het hoogteverschil<br />

van ongeveer zes meter.<br />

Entrees op diverse niveaus, dakterrassen<br />

en loopbruggen bepalen het beeld. De<br />

woningen zijn lang en smal, waardoor<br />

ze zich precies tussen de boomstammen<br />

bewegen. De bomen staan soms op<br />

slechts 30 cm van de gevel. Dankzij het<br />

hoogteverschil is optimale privacy mogelijk<br />

en een keur aan woningtypen met<br />

Manresa: Plankaart<br />

Manresa: Maquette plan met ingemeten bomen naar soort<br />

even zovele b<strong>uit</strong>enruimtes.<br />

In het oosten is een woningcluster van<br />

patiowoningen ontworpen. De woningen<br />

voegen zich als een olievlek tussen en<br />

rond de bomen en blijven alle onder de<br />

boomkronen. Op sommige plaatsen<br />

zijn bestaande bomen opgenomen in<br />

patio’s.<br />

Normaalgesproken kan er niet onder<br />

bomen gebouwd worden, vanwege het<br />

wortelgestel dat zich precies onder de<br />

kroonspiegel bevindt. Door toepassing<br />

een speciale fundering is dit wel mogelijk.<br />

De inrichting van de openbare ruimte<br />

reageert eveneens op de gegevenheden<br />

van de plek.<br />

Het gebied wordt op een natuurlijke manier<br />

in tweeën gedeeld: een b<strong>uit</strong>enschil<br />

en een binnengebied. De verschillen zijn<br />

het gevolg van natuurlijke tegenstellingen<br />

zoals helling versus plateau, bosgebied<br />

versus beschutte open plek, natuurlijk<br />

versus ingericht. De natuurlijke verdeling<br />

in b<strong>uit</strong>enschil en middengebied<br />

wordt in het plan versterkt, waardoor er<br />

een logische overgang van semi-openbaarheid<br />

naar privé ontstaat.<br />

Voor de wegen geldt hetzelfde als de<br />

bebouwing. Er wordt zoveel mogelijk<br />

gebruik gemaakt van bestaande wegen,<br />

TOPOS / 04 / 2006 35


om de bomen te sparen. Op sommige<br />

plaatsen wordt de weg als brugconstructie<br />

<strong>uit</strong>gevoerd, zodat de boomwortels<br />

ontzien worden en voldoende lucht en<br />

water krijgen en niet afsterven door de<br />

druk van grond en verkeer. De paden<br />

worden allemaal zwevend <strong>uit</strong>gevoerd.<br />

Ter plaatse van bomen wordt een ruimte<br />

in het pad <strong>uit</strong>gespaard. Momenteel is<br />

een team van ontwerpers en adviseurs<br />

bezig met de <strong>uit</strong>werking van het plan.<br />

Buro Lubbers voert in dit traject de regie<br />

en is verantwoordelijk voor het ontwerp<br />

van de openbare ruimte. Voor de woningen<br />

zijn Diederendirrix architecten,<br />

Korteknie Stuhlmacher Architecten en<br />

ir. Bart Duvekot Architect actief.<br />

Saksen Weimar<br />

In januari van dit jaar schreef de gemeente<br />

Arnhem een prijsvraag <strong>uit</strong> voor de<br />

ontwikkeling van het gebied rond het<br />

voormalige kazernecomplex Saksen Weimar.<br />

Buro Lubbers heeft in opdracht<br />

van en in samenwerking met Westerbeek<br />

Vastgoed, Giesbersgroep, Vivare,<br />

Grontmij en Braaksma & Roos Architecten<br />

hiervoor de inzending Groene<br />

Treden gemaakt. Op 27 juni jl. selecteerde<br />

de jury Groene Treden als winnend<br />

ontwerp.<br />

De landschappelijke ligging van de locatie<br />

Saksen Weimar aan de heuvelrijke<br />

bosachtige noordrand van Arnhem is<br />

zeer bepalend voor het landschappelijk<br />

en stedenbouwkundig ontwerp. De ligging<br />

op de overgang van de stad naar<br />

de Veluwe, op een noordhelling met<br />

zicht op het dal van Valkenhuizen, geeft<br />

de locatie karakteristieken die in Nederland<br />

maar weinig voorkomen. De grote<br />

niveauverschillen in het gebied en het<br />

feit dat de locatie wordt omringd door<br />

landschappelijk waardevolle eenheden<br />

zijn de belangrijkste <strong>uit</strong>gangspunten<br />

Saksen Weimar: Profiel noord-zuid<br />

36 TOPOS / 04 / 2006<br />

voor het ontwerp van Groene Treden.<br />

Groene Treden bestaat <strong>uit</strong> geaccidenteerd<br />

bosachtig landschap karakteristiek voor<br />

deze omgeving, met daarin opgenomen<br />

verschillende woonmodules en het<br />

kazernecomplex Saksen Weimar. Het<br />

kazernecomplex is het nieuwe icoon<br />

van de locatie. Het exercitieterrein blijft<br />

gehandhaafd en wordt, omarmd met<br />

nieuwe en bestaande bebouwing, een<br />

aantrekkelijk pleinruimte. Hier wordt<br />

met een mix van wonen, kunst, cultuur,<br />

startende ondernemers en kleinschalige<br />

horeca een betekenisvolle plek voor<br />

Arnhem gecreëerd.<br />

De belangrijkste ingrepen in de landschappelijke<br />

onderlegger zijn het plooien<br />

van het terrein en het aansl<strong>uit</strong>en op<br />

landschappelijke eenheden en routes in<br />

de omgeving. De opbouw van het gebied<br />

bestaat in de huidige situatie <strong>uit</strong> ca. zeven<br />

terrassen die aflopen naar het noorden.<br />

De terrassen worden aan de noordzijde<br />

opgehoogd en aan de zuidzijde afgegraven<br />

waardoor een opeenvolging van zuidhellingen<br />

ontstaat. De “steile” zuidhellingen<br />

bieden unieke mogelijkheden<br />

voor de realisatie van bijzondere woningtypologieën<br />

en zorgen tevens voor veel<br />

variatie in het boslandschap doordat het<br />

hemelwater in de laagtes langer wordt<br />

vastgehouden. Hier worden met behulp<br />

van een kunstmatige leemlaag kleine<br />

poelen gemaakt.<br />

Voor het woongebied zijn flexibele<br />

woonmodules ontworpen die reageren<br />

op het nieuw gecreëerde reliëf. De woonmodules<br />

zijn geïnspireerd op de Halen<br />

siedlung (van Atelier 5 in Zwitserland)<br />

en Fredensborghusene (van Jørn Utzon<br />

in Denemarken) en profiteren optimaal<br />

van de niveauverschillen. Op de steile hellingen<br />

komen on-Nederlandse woningtypologieën<br />

die wat betreft Zuid oriëntatie,<br />

overgang privé-openbaar en par-<br />

keeroplossingen optimaal profiteren van<br />

de niveauverschillen. De modules zijn<br />

opgebouwd <strong>uit</strong> grondgebonden woningen<br />

met een achtertuin of een architectonische<br />

b<strong>uit</strong>enruimte op het zuiden.<br />

Ze worden aan de binnenzijde ontsloten<br />

door een woonerf en liggen aan de b<strong>uit</strong>enzijde<br />

vrij in het beboste landschap.<br />

De opbouw van de woonmodules kent<br />

veel overeenkomsten met de siedlung<br />

Halen in Bern <strong>uit</strong> 1961. In dit beroemde<br />

project van Atelier 5 is voor het vormgeven<br />

van openbaar-semi-openbaarprivé<br />

en het oplossen van het parkeerprobleem<br />

optimaal gebruik gemaakt van<br />

de ligging op een steile helling. Daarbij<br />

zijn de scheiding van voetgangersgebied<br />

(beboste zones tussen de woonmodules)<br />

en straten voor autoverkeer (woonerven<br />

binnenzijde woonmodules) thema’s<br />

die ook aan het einde van de jaren ’60<br />

erg actueel waren. Op de schaal van de<br />

hele wijk en de manier waarop de woonmodules<br />

zich voegen in het geplooide<br />

landschap is het plan Groene Treden schatplichtig<br />

aan het plan van Jørn Utzon in<br />

Denemarken. De grote winst hierbij is<br />

dat iedereen ongeacht het marktsegment<br />

van zijn of haar woning, op een helling<br />

in het bosachtige landschap kan wonen.<br />

1:1<br />

Een integrale ontwerpbenadering waarbij<br />

zowel de rol van de landschapsarchitect<br />

als die van de architect op elkaar<br />

moeten worden afgestemd is erg belangrijk.<br />

Landschappelijke stedebouw impliceert<br />

dat met het ontwerp van de landschappelijke<br />

onderlegger randvoorwaarden<br />

worden gegeven en condities worden<br />

geschapen waarop de architectuur moet<br />

reageren. Tijdens het hierop volgende<br />

ontwerpproces vindt een kruisbestuiving<br />

tussen architect en landschapsarchitect<br />

plaats, waardoor plannen onver-


wachte en specifieke kwaliteiten krijgen<br />

en zich daarmee onderscheiden van doorsnee<br />

projecten. In deze fase treedt de<br />

landschapsarchitect op als supervisor.<br />

1:1 leidt tot architectuur die respectvol<br />

is naar de omgeving en tot een omgeving<br />

die meerwaarde levert aan de architectuur.<br />

Met ontwerpen als voor Manresa en<br />

Groene Treden wordt gepoogd om projecten<br />

“on-Nederlandse” karakteristieken<br />

en kwaliteiten te geven. Door eerst het<br />

landschap te definiëren en te ontwerpen<br />

en daarna bebouwing en architectuur<br />

hierop te laten reageren, kunnen bijzondere<br />

projecten worden gerealiseerd die<br />

uniek zijn voor een bepaalde plek. Het<br />

bijzondere karakter van de genoemde<br />

Noord Europese voorbeelden kan hierdoor<br />

ook in Nederlandse projecten<br />

worden teruggevonden.<br />

Noot<br />

Buro Lubbers ontwerpt stedenbouwkundige<br />

plannen van<strong>uit</strong> het landschap en<br />

van<strong>uit</strong> de openbare ruimte. Bij de aanpak<br />

van dergelijke opgaven wordt <strong>uit</strong>gegaan van<br />

het landschap en de daarin gegroeide<br />

structuren. Het idee hierbij is om<br />

historische structuren en de ontwikkeling<br />

van deze structuren in het onderliggende<br />

landschap te begrij-pen en te gebruiken als<br />

aanleiding voor de ontwikkeling van nieuwe<br />

bouwste-nen. Doel daarbij is om woon-,<br />

werk- en verblijfsmilieus te ontwikkelen die<br />

specifiek aansl<strong>uit</strong>en op de karakteris-tieken<br />

en kwaliteiten van de plek.<br />

Saksen Weimar: Profiel ingreep afgraven zuidhellingen<br />

Saksen Weimar: Principeprofiel woonmodules<br />

Summary<br />

In the Netherlands there are different<br />

kinds of landscapes which have possibilities<br />

and opportunities to relate to<br />

landscape approached designs in<br />

other countries of Europe. Projects of<br />

other countries can be used as<br />

references. By analysing these<br />

projects the advantages which they<br />

have become clear and after<br />

translating can be used in projects in<br />

the Netherlands. Manresa (near<br />

Venlo) and Saksen Weimar (Arnhem)<br />

are examples where the landscape<br />

architecture com-pany Buro Lubbers<br />

made use of refe-rences of projects<br />

abroad. They made use of Halen<br />

siedlung (of Atelier 5 in Switzerland)<br />

and Fredensborghusene (van Jørn<br />

Utzon in Denmark). These projects<br />

incorporated landscape features which<br />

are also situated in the Dutch<br />

landscape near Arnhem. Utilizing the<br />

unique landscape qualities and<br />

incorpo-rating interesting program and<br />

architec-ture will distinguish these<br />

projects from average projects. To get<br />

these results it is important to take the<br />

existing land-scape into account and<br />

to make the design a multidisciplinary<br />

endeavour. This means in general that<br />

it is impor-tant to define the landscape<br />

first. The second step is the reaction<br />

of the archi-tecture to this landscape.<br />

TOPOS / 04 / 2006 37


Wat willen planners met <strong>Europa</strong>?<br />

Planning en besl<strong>uit</strong>vorming<br />

op allerlei bestuurlijke ni-<br />

veaus ondervindt steeds<br />

meer invloed van<strong>uit</strong> Euro-<br />

pa. Het is dan ook verba-<br />

zingwekkend dat er relatief<br />

weinig inzicht is in de wijze<br />

waarop Europees beleid en<br />

regelgeving doorwerkt en<br />

wat de rol van verschil-<br />

lende actoren daarbij is. Dit<br />

inzicht is noodzakelijk om<br />

discussies over de rol van<br />

<strong>Europa</strong>, bijvoorbeeld ten<br />

aanzien van ruimtelijke<br />

ordening, op een zinnige<br />

manier te voeren. Een gat<br />

in de markt dus voor on-<br />

derzoekers op het gebied<br />

van planning en besl<strong>uit</strong>-<br />

vorming.<br />

Raoul Beunen<br />

Onderzoeker Leerstoelgroep<br />

Landgebruiksplanning Wageningen<br />

Universiteit<br />

raoul.beunen@wur.nl<br />

38 TOPOS / 04 / 2006<br />

Europees beleid en regelgeving spelen<br />

in toenemende mate een rol in de ruimtelijke<br />

ordening. Europees beleid en<br />

regelgeving worden bijvoorbeeld vaak<br />

genoemd als reden waarom plannen en<br />

projecten niet mogen worden toegestaan.<br />

Maar is het wel zo dat <strong>Europa</strong><br />

bepaalt wat wij in ons land wel en niet<br />

mogen doen? Uiteraard heeft <strong>Europa</strong><br />

invloed, maar de <strong>uit</strong>eindelijke beslissingen<br />

maken we toch zeker zelf?!<br />

Voordat we een antwoord kunnen geven<br />

op deze vraag is het nodig om inzicht<br />

te hebben in de invloed van <strong>Europa</strong> op<br />

de besl<strong>uit</strong>vorming in ons land. En dat<br />

ontbreekt helaas nog al eens. Ondanks<br />

het toenemende besef van de Europese<br />

invloed is er nog maar weinig inzicht in<br />

de wijze waarop Europees beleid en regelgeving<br />

doorwerken naar het nationale,<br />

regionale en lokale bestuursniveau.<br />

Het boek Making European Space<br />

(Jensen & Richardson, 2004) is een van<br />

de weinige studies naar de relatie tussen<br />

Europees beleid en de inrichting van de<br />

ruimte. Het is een aanrader voor alle<br />

planners die geïnteresseerd zijn in <strong>Europa</strong><br />

maar ook voor diegene die meer<br />

willen weten over de wijze waarop gedachten<br />

en ideeën de inrichting van de<br />

ruimte bepalen. De onderzoekers laten<br />

in dit boek zien hoe via Europees beleid<br />

een eenzijdig beeld over de inrichting<br />

van <strong>Europa</strong> is ontstaan. Dit beeld is de<br />

discussies over de inrichting van de<br />

ruimte gaan domineren. In dit beeld<br />

staan economische groei en de daarvoor<br />

noodzakelijke mobiliteit centraal<br />

en worden andere belangen, ideeën en<br />

alternatieven b<strong>uit</strong>engesloten. Ze spreken<br />

dan ook van een monotopia. De schrijvers<br />

plaatsen de nodige vraagtekens bij<br />

de democratische legitimiteit hiervan<br />

en roepen op tot een kritische analyse.<br />

“They (actors within transnational policy processes)<br />

need to understand how a monotopia<br />

can be reproduced across policy spaces, and<br />

how minds and actions are subtly shaped so<br />

that once highly controversial ideas become<br />

natural, and alternatives become unthinkable.<br />

This means understanding the relations between<br />

discourse and the ways they are institutional-<br />

ised: how policy ideas get formed and reproduced”<br />

(Jensen & Richardson, 2004).<br />

Implementatie onderzoek<br />

Inzicht in de invloed van Europees beleid<br />

en regelgeving op de besl<strong>uit</strong>vorming<br />

in Nederland kan worden verkregen<br />

door het implementatie proces te<br />

onderzoeken. De suggestie wordt nogal<br />

eens gewekt dat implementatie simpelweg<br />

het <strong>uit</strong>voeren van beleid is. <strong>Europa</strong><br />

stelt beleid en regelgeving op en de lidstaten<br />

voeren het <strong>uit</strong>. Dit beeld is echter<br />

veel te simplistisch. Implementatie wordt<br />

in de literatuur dan ook beschreven als<br />

een complex en langdurig politiek proces<br />

waarin een groot aantal partijen gezamenlijk<br />

een beleids<strong>uit</strong>komst moeten<br />

bepalen (Pressman & Wildavsky, 1973;<br />

Barrett, 2004; Schofield, 2001;<br />

Mazmanian & Sabatier, 1983). Dat betekent<br />

dat bij elke keuzesituatie waarin<br />

het betreffende beleid een rol speelt,<br />

telkens opnieuw de betekenis van dit<br />

beleid “bevochten” wordt.<br />

Implementatie literatuur benadrukt ook<br />

de interpretatieruimte van beleid en regelgeving.<br />

Het boek “ruimte rond regels”<br />

beschrijft <strong>uit</strong>voerig dat regelgeving per<br />

definitie niet uniform kan worden toegepast<br />

(Bakker & Van Waarden, 1999).<br />

Er is altijd sprake van zogenaamde discretionaire<br />

ruimte: ruimte om beleid en<br />

regelgeving op eigen wijze te interpreteren<br />

en ruimte om deze op eigen wijze<br />

toe te passen. Aan de ene kant biedt deze<br />

ruimte de mogelijkheid om regelgeving<br />

flexibel toe te passen in specifieke<br />

situaties. Aan de andere kant ontstaan<br />

hierdoor verschillen in toepassing. De<br />

hoeveelheid ruimte die een bepaalde<br />

wet of beleid toelaat, wisselt <strong>uit</strong>eraard<br />

en bovendien wordt dit beïnvloed door<br />

institutionele kaders.<br />

Ook Europese regelgeving kent een<br />

“ruimte rond regels”. Dat betekent dat<br />

lidstaten altijd een zekere mate van<br />

vrijheid hebben om deze regelgeving<br />

naar eigen inzichten toe te passen. Het<br />

besef van discretionaire ruimte rondom<br />

Europese regelgeving wordt nog versterkt<br />

als we eens kritischer kijken naar


de wijze waarop Europese regelgeving<br />

is geformuleerd. Europese regelgeving<br />

is vaak het resultaat van een langdurig<br />

overleg- en onderhandelingsproces.<br />

Deelnemers aan dit proces, de verschillende<br />

lidstaten, hebben vaak heel andere<br />

belangen en ideeën over regelgeving.<br />

Het <strong>uit</strong>eindelijk voorstel is er één waar<br />

ze allen mee moeten instemmen. Deze<br />

complexe besl<strong>uit</strong>vormingssituatie leidt<br />

er vaak toe dat Europese regelgeving<br />

vaag wordt geformuleerd (Fairbrass,<br />

2000; Dimitrakopoulos & Richardson,<br />

2001). Deze vaagheid geeft betrokken<br />

immers veel meer mogelijkheden om er<br />

hun eigen invulling aan te geven.<br />

Scharpf (1988) noemt deze besl<strong>uit</strong>vormingssituatie<br />

de “joint decision trap”<br />

waarmee hij wil aangeven dat beleid en<br />

regelgeving dat op een dergelijke manier<br />

tot stand komt altijd gebreken zal vertonen.<br />

Meer dan andere regelgeving<br />

laat Europese regelgeving dus ruimte<br />

voor interpretatie en ruimte voor zeer<br />

gedifferentieerde toepassing.<br />

Implementatie van Europees beleid is<br />

dus geen kwestie van simpelweg regels<br />

overnemen. Het is dan ook van belang<br />

om inzicht te krijgen in de keuzes die<br />

gemaakt worden door verschillende betrokkenen<br />

en de wijze waarop regels<br />

worden geïnterpreteerd en toegepast.<br />

Dit bepaalt immers voor een groot deel<br />

de gevolgen die Europees beleid en<br />

regelgeving hebben op planning en<br />

besl<strong>uit</strong>vorming in de lidstaten.<br />

Een voorbeeld: implementatie van<br />

de vogel- en habitatrichtlijn<br />

Het feit dat Europese regelgeving vaag<br />

of breed is geformuleerd, zorgt voor<br />

vele onduidelijkheden bij de <strong>uit</strong>voerders<br />

ervan. Zij moeten immers aan deze<br />

regelgeving voldoen maar weten vaak<br />

niet op welke wijze. Een goed voorbeeld<br />

hiervan zijn de vele onduidelijkheden,<br />

problemen en conflictsituaties die zijn<br />

ontstaan rondom de vogel- en habitatrichtlijn.<br />

Een analyse van de problematiek<br />

rondom deze Europese richtlijnen laat<br />

zien dat de onduidelijkheden rondom<br />

de regels oorzaak is geweest voor vele<br />

Uit de kranten (foto Raoul Beunen)<br />

conflicten (Beunen, 2006). Zo was er<br />

bijvoorbeeld geen duidelijkheid over<br />

welke regels toegepast moesten worden,<br />

wat deze regels precies inhielden en was<br />

er geen of onvoldoende informatie<br />

over het voorkomen van beschermde<br />

soorten. In veel gevallen wisten besl<strong>uit</strong>vormers<br />

dus niet of niet goed hoe ze<br />

met de Europese regelgeving moesten<br />

omgaan. Het is dan ook niet verwonderlijk<br />

dat veel besl<strong>uit</strong>en niet aan de eisen<br />

van de Habitatrichtlijn voldeden en via<br />

rechtzaken zijn gefrustreerd.<br />

Deze situatie heeft laten zien dat de rijksoverheid<br />

een grote verantwoordelijkheid<br />

heeft bij de implementatie van Europese<br />

regelgeving. Ten eerste is de rijksoverheid<br />

verantwoordelijk voor het informeren<br />

van alle relevante betrokkenen. Vooral<br />

provincies en gemeenten die in hun<br />

besl<strong>uit</strong>vorming rekening moeten<br />

houden met deze nieuwe Europese<br />

eisen, moeten op de hoogte zijn van<br />

deze regelgeving om ook daadwerkelijk<br />

te kunnen voldoen aan de gestelde<br />

eisen. In het geval van de vogel- en<br />

habitatrichtlijn is daarnaast informatie<br />

over beschermde gebieden en het<br />

voorkomen van beschermde soorten<br />

essentieel.<br />

Maar informeren alleen is niet voldoende.<br />

We hebben immers laten zien dat<br />

regelgeving (en zeker Europese regelgeving)<br />

altijd ruimte geeft om op verschillende<br />

wijze te worden geïnterpreteerd<br />

en toegepast. Deze ruimte betekent dat<br />

er ook duidelijkheid moet worden gegeven<br />

over de invulling ervan. De rijks-<br />

overheid is in die zin verantwoordelijk<br />

voor een vertaalslag van het Europese<br />

niveau naar het Nederlandse niveau.<br />

Dit betekent dat er keuzes gemaakt<br />

moeten worden en dat lagere overheden<br />

en andere betrokken actoren moeten<br />

worden ingelicht over deze keuzes.<br />

Gebeurt dat niet dan worden deze gedwongen<br />

om zelf op zoek te gaan naar<br />

een geschikte werkwijze. Dit zal vaak<br />

een trial-and-error proces zijn, vooral<br />

ook omdat deze actoren onvoldoende<br />

op de hoogte zijn van de Europese<br />

regelgeving en vaak de inhoudelijke<br />

kennis ontberen om de regelgeving op<br />

geschikte wijze in te vullen. Door alle<br />

onduidelijkheden en tegenstrijdige visies<br />

en belangen is besl<strong>uit</strong>vorming vaker via<br />

rechtzaken verlopen. Ten aanzien van<br />

de vogel- en habitatrichtlijn is te zien<br />

dat daardoor de nadruk op procedurele<br />

eisen van de richtlijnen is komen te<br />

liggen. Dit zijn namelijk aspecten waar<br />

rechters op toetsen. De inhoud en het<br />

oorspronkelijk doel van de richtlijn<br />

verdwijnt daarmee naar de achtergrond<br />

(Beunen, 2006).<br />

Na een periode waarin vele plannen en<br />

projecten tot rechtzaken hebben geleid,<br />

ontstond het idee dat deze Europese<br />

regelgeving ervoor zou zorgen dat geen<br />

enkel plan of project meer zou kunnen<br />

doorgaan. Het interdepartementaal beleidsonderzoek<br />

naar de Europese en<br />

Nederlandse natuurbeschermingsregelg<br />

eving met als titel “Nederland op slot?”<br />

en krantentitels als “verlamd door het<br />

beest”, “gemeenten in de tang van Eu-<br />

TOPOS / 04 / 2006 39


opese regels” of “bedreigde dieren<br />

schrik van bestuurders” zijn hiervan een<br />

illustratie. Inmiddels lijkt het allemaal<br />

wel mee te vallen met de starheid van<br />

de regelgeving. De meeste projecten<br />

zijn, zij het met vertraging, alsnog doorgegaan.<br />

Actoren hebben geleerd van de<br />

problemen en hebben dan ook meer<br />

aandacht voor de (procedurele) eisen<br />

die de vogel- en habitatrichtlijn stelt. In<br />

praktijk betekent dit dat de vereiste onderzoeksrapporten<br />

braaf worden opgesteld.<br />

Deze dienen echter alleen om<br />

genomen besl<strong>uit</strong>en te legitimeren en<br />

niet als basis voor het te nemen besl<strong>uit</strong>.<br />

Het is belangrijker dat er een rapport<br />

ligt, dan dat dit inhoudelijk een rol<br />

speelt. De vraag is echter of dit is wat<br />

ooit met de richtlijnen is beoogd. Het<br />

doel van de richtlijnen is immers niet dat<br />

er meer onderzoeksrapporten worden<br />

opgesteld maar dat Europees bedreigde<br />

soorten en gebieden meer bescherming<br />

genieten.<br />

In het geval van de vogel- en habitatrichtlijn<br />

heeft de Nederlandse rijksoverheid<br />

een afwachtende houding aangenomen.<br />

Ze zijn zelfs een aantal maal door het<br />

Europese hof van Justitie op de vingers<br />

getikt. Zo heeft bijvoorbeeld het<br />

aanwijzen van beschermde gebieden erg<br />

lang geduurd. Ook het aanpassen van<br />

de nationale natuurbeschermingsregelgeving<br />

is pas recentelijk afgerond. Maar<br />

ook de informatievoorziening is erg<br />

moeizaam verlopen. Vaak werd de<br />

noodzakelijke informatie pas verspreid<br />

nadat de nodige problemen waren opgetreden.<br />

Het is duidelijk dat regelgeving zichzelf<br />

niet implementeert; dit doen de betrokken<br />

<strong>uit</strong>voerders. Juist in het geval van<br />

Europese regelgeving is het van belang<br />

dat de nationale overheid haar verantwoordelijkheid<br />

neemt en zorgt voor een<br />

inhoudelijke vertaling. Ze moet actief<br />

duidelijkheid geven over de regelgeving<br />

en de gewenste omgang ermee. Alleen<br />

dan kan voorkomen worden dat Europese<br />

regelgeving alleen maar leidt tot<br />

meer regeldruk, hogere proceskosten<br />

en frustraties.<br />

40 TOPOS / 04 / 2006<br />

Wat willen planners met <strong>Europa</strong>?<br />

Met de bovenstaande inzichten willen we<br />

pleiten voor meer aandacht voor onderzoek<br />

naar de implementatie van Europees<br />

beleid en voor meer besef van de<br />

rol die nationale actoren hebben bij de<br />

<strong>uit</strong>voering van Europees beleid. Er is<br />

meer inzicht nodig in de wijze waarop<br />

Europese regels doorwerken en hoe er<br />

invulling aan wordt gegeven. Dit kan<br />

vervolgens gebruikt worden voor het<br />

evalueren van dit Europees beleid.<br />

Leidt het Europees beleid <strong>uit</strong>eindelijk<br />

tot gewenste resultaten? Welke rol speelt<br />

Europese beleid in de strijd om de<br />

ruimte? Hoe gebruiken actoren het Europees<br />

beleid om hun eigen belangen te<br />

behartigen? In hoeverre botst Europees<br />

beleid met nationale ideeën en belangen?<br />

En tot op welke hoogte is het wenselijk<br />

dat <strong>Europa</strong> zich met de ruimtelijke<br />

ordening van de lidstaten bemoeit? Een<br />

discussie over de rol van <strong>Europa</strong> is voor<br />

planners <strong>uit</strong>ermate relevant omdat er<br />

allerlei Europese initiatieven lopen op<br />

het gebied van de ruimtelijke ordening.<br />

Voorbeelden daarvan zijn het European<br />

Spatial Development Perspective (ESD<br />

P), het concept “territoriale cohesie” en<br />

Guiding Principles for Sustainable Spatial<br />

Development of the European<br />

Continent (GPSSDEC-CEMAT) (zie<br />

bijvoorbeeld Faludi, 2000 of Faludi en<br />

Waterhout, 2002).<br />

Vogelrichtlijn (foto Raoul Beunen)<br />

De vraag is of er überhaupt wel behoefte<br />

is aan een samenhangende Europese<br />

visie op de ruimtelijke ordening. Wie<br />

moet deze visie opstellen en op basis<br />

waarvan? En wiens belangen worden<br />

daarmee behartigd? Jensen & Richardson<br />

(2004) plaatsen in hun boek grote vraagtekens<br />

bij de legitimiteit van dit soort<br />

initiatieven en laten zien dat het allerlei<br />

ongewenste effecten kan hebben voor<br />

plannings- en besl<strong>uit</strong>vormingpraktijken<br />

in de lidstaten. Juist daarom is onderzoek<br />

naar de relatie tussen <strong>Europa</strong> en de<br />

ruimtelijke ordening van groot belang.<br />

Hiermee komen we ook weer terug bij<br />

de vraag “wat willen planners met <strong>Europa</strong>”.<br />

Voor diegene die “iets” willen met<br />

<strong>Europa</strong> zijn er in ieder geval voldoende<br />

mogelijkheden. Zij kunnen namelijk het<br />

gewenste onderzoek <strong>uit</strong>voeren.<br />

Hiermee kunnen planners een waardevolle<br />

bijdrage leveren aan de discussies<br />

over de rol die <strong>Europa</strong> speelt en kan<br />

spelen bij de inrichting van de ruimte.<br />

Want <strong>uit</strong>eindelijk is <strong>Europa</strong> toch best<br />

belangrijk.<br />

Literatuur<br />

- Bakker, W. & F. van Waarden (ed.) (1999) Ruimte<br />

rond regels. Stijlen van regulering en beleids<strong>uit</strong>voering<br />

vergeleken. Amsterdam: Uitgeverij Boom.


- Bardach, E. & E. Kagan (1982) Going by the<br />

book. The problem of regulatory unreasonableness.<br />

Philidelphia: Temple University Press.<br />

- Barrett, S.M. (2004) Implementation studies:<br />

time for a revival? Personal reflections on 20<br />

years of implementation studies. Public<br />

Administration. Jrg. 82, No. 2.<br />

- Beunen, R. (2006) European Nature<br />

conservation legislation & spatial planning: for<br />

better or for worse? Journal of Environmental<br />

Planning and Management. Jrg. 49, No. 4.<br />

- Dimitrakopoulos, D. & J. Richardson (2001)<br />

Implementing EU public policy. In: Richardson,<br />

J. (2001) European Union: Power and Policy-Making.<br />

London: Routlegde.<br />

- Fairbrass, J. (2000) EU and British biodiversity<br />

policy: ambig<strong>uit</strong>y and errors of judgement. CSERGE<br />

Working Paper, GEC 2000-04.<br />

- Faludi, A. (2000) The European Spatial<br />

Development Perspective – What Next?’,<br />

European Planning Studies Jrg. 8, No 2.<br />

- Faludi, A. & B. Waterhout (2002) The Making of<br />

the European Spatial Development Perspective, No<br />

Masterplan. London: Routledge.<br />

- Jensen, O.B., & T. Richardson (2004) Making<br />

European Space. Mobility, power and territorial identity.<br />

New York: Routledge.<br />

- Mazmanian, D.A. & P.A. Sabatier (1983)<br />

Implementation and Public Policy. Glenview, IL:<br />

Scortt, Foresman and Co.<br />

- Pressman J. & A. Wildavsky (1973)<br />

Implementation. How Great Expectations in Washington<br />

are dashed in Oakland. Berkeley: University of<br />

California Press.<br />

- Scharpf, F.W. (1988) The joint decision trap:<br />

lessons from German federalism and European<br />

integration’, Public Administration. Jrg. 66, No. 3.<br />

- Schofield, J. (2001) Time for a revival? Public<br />

policy implementation: a review of the literature<br />

and an agenda for future research. International<br />

Journal of Management Reviews Jrg. 3, No. 3.<br />

Summary<br />

The influence of European policies on<br />

spatial planning in the member states<br />

is growing. It is surprising, however,<br />

that little is know about the relationships<br />

between European policies and planning<br />

and decision making practices. In<br />

which way do the activities of the EU<br />

affect physical spaces? More insight is<br />

required before we can discuss the<br />

desirability and possibilities of a<br />

European spatial planning system.<br />

Studying the implementation of European<br />

policies is one of the possibilities<br />

to get more insights. It emphasises the<br />

roles of actors and their interpretation<br />

and application of policies. A study of<br />

the implementation of the Birds and<br />

Habitats directives in the Netherlands<br />

is given as an example. Lotte Bontje<br />

Onderwijscolumn<br />

De Masterfase: over verwetenschappelijking<br />

en initiatieven<br />

In de vorige Onderwijscolumn (<strong>Topos</strong> 2) dreef ik een beetje spot<br />

met het fijne en beschermde wereldje van de Hucht. Natuurlijk is<br />

een column niet een plek om woorden terug te nemen of te nuanceren.<br />

Toch wil ik nog even terug komen op dat onderwerp.<br />

Het is, <strong>uit</strong>eraard, niet helemaal waar dat je bij ons constant aan het<br />

handje wordt meegenomen. In de Bachelor is dat wel zo, en dan<br />

is het vaak nuttig, zoals de ‘papa’ van het eerste jaar, Gerrit Kleinrensink.<br />

In de Masterfase gaan er toch momenten komen dat je zelf<br />

met initiatieven moet komen. Taak van de docenten dan om niet<br />

alleen de lieve papa <strong>uit</strong> te hangen. Begeleiders van je afstudeervakken<br />

moeten je kunnen prikkelen en daar horen ook ongezouten kritieken<br />

bij. Niet echt papa-achtig te noemen. Hoewel, het is wellicht<br />

te vergelijken met een kritische papa die hun ouder wordende zoon<br />

of dochter wil <strong>uit</strong>dagen om het beste in hem of haar naar boven te<br />

halen. Zucht, zo’n vader lijkt me trouwens erg vermoeiend.<br />

Maar een logisch vervolg en aanvulling op de Bachelor is dat in de<br />

Master wetenschappelijke diepgang wordt toegevoegd. Althans, dat<br />

wordt geprobeerd. Hiervoor is een stukje specialisatie nodig. Dit is<br />

voor velen niet makkelijk, want onze studie wordt vaak vanwege<br />

brede vakgebied gekozen. Helaas, helaas, enige focus is nodig om<br />

diepgang te krijgen. Of tenminste 10 jaren extra studiebeurs, maar<br />

dat zit er voorlopig niet in. Naast het maken van keuzen wordt je<br />

in de Master-fase gedwongen om zelfstandig en met initiatief te<br />

werken. Dit wordt natuurlijk in de Bachelor ook erg gewaardeerd,<br />

maar is nu noodzakelijk. Zonder initiatief geen afstudeervak en<br />

stage, twee essentiële onderdelen van dit studiedeel. Daarnaast<br />

zijn er nog een handjevol vakken waarin je wordt voorbereid op de<br />

gewenste ‘verwetenschappelijking’. Zelf ben ik geen wetenschapper,<br />

ontdekte ik. Ik denk veel te snel; wat heeft wetenschap nu voor<br />

zin? Conflicten en problemen in ruimtegebruik moeten we toch<br />

gewoon met elkaar oplossen? Wat kan een stoffige wetenschapper<br />

daar nu aan toe voegen? Want voor echte wetenschap moet je<br />

toch bij andere vakgebieden zijn? Ho, ik was van plan vandaag niet<br />

te gaan zeuren. Misschien moet ik die wetenschap niet zo serieus<br />

nemen. Want wat is er nu leuker om al filosoferend oplossingen te<br />

bedenken? En dan ook nog eens eindelijk diepgang, discussie en<br />

koppeling met praktijk! Eerlijk is eerlijk; de Master is tot nu toe zeer<br />

leerzaam. Mits je die zelfstandigheid en initiatieven hebt, natuurlijk.<br />

Hierbij hoop ik dat ik mijn toch enigszins cynische slotstuk van de<br />

vorige onderwijscolumn, waarin ik me afvroeg of we na onze opleiding<br />

wel klaar zouden zijn voor de grote-mensen-wereld, iets heb<br />

kunnen nuanceren. Als ik zie hoe vaak pas afgestudeerde ‘vrienden<br />

van het Zusterhuis’ snel hun plekje kunnen vinden, dan is het<br />

rechtvaardig om te zeggen dat afgestudeerde Landschapplanners<br />

en –ontwerpers zeker wel klaar zijn voor een passende baan in het<br />

werkveld. En bij deze zou ik alle net-afgestudeerden hierbij veel<br />

succes en plezier willen toe wensen!<br />

Goh, wel een veel te lief einde hè?! Tsja, grote kans dat ik mijn medestudiegenoten<br />

in het vakgebied nog een keer tegen kom. En als<br />

planner wil ik natuurlijk iedereen te vriend houden!<br />

TOPOS / / 04 01 / / 2006 2004 41


Waddenland<br />

Een nieuw concept in het denken over de bescherming van de<br />

internationale waddenzee<br />

Aan het begin van onze jaar-<br />

telling keek een Romeinse<br />

legerofficier verbijsterd<br />

naar de mensen die leefden<br />

in een gebied waarvan hij<br />

niet wist of het bij de zee of<br />

bij het land hoorde. Twintig<br />

eeuwen later genieten er<br />

elk jaar ruim tien miljoen<br />

bezoekers van de prachtige<br />

natuur en de bijzondere<br />

cultuurhistorie.<br />

Internationale verdragen,<br />

Europese richtlijnen en<br />

nationale wetgeving pogen<br />

het landschap en de natuur-<br />

lijke waarden van dit unieke<br />

en <strong>uit</strong>gestrekte kustgebied<br />

te beschermen.<br />

Hans Revier<br />

Hoofdredacteur van het Wadden-Magazine,<br />

oud-directeur Waddenvereniging<br />

revier@waddenvereniging.nl<br />

42 TOPOS / 04 / 2006<br />

Maar de huidige bewoners, die generaties<br />

lang vorm gaven aan het gebied dat<br />

anno 2006 in vele toonaarden in talloze<br />

publicaties bejubeld wordt, zetten zich<br />

meer en meer af tegen deze in hun ogen<br />

betuttelende regelgeving. Toch moet de<br />

toekomst van zowel de natuurlijke als<br />

de sociaal-economische ontwikkeling<br />

van dit waddenland gezocht worden in<br />

de bescherming en het behoud van de<br />

rust, ruimte en rijkdom van het gebied,<br />

zo betoogt Hans Revier, oud-directeur<br />

van de Waddenvereniging, onlangs benoemd<br />

tot lector Mariene Wetlands<br />

Studies aan de CHN te Leeuwarden en<br />

de Hanzehogeschool in Groningen.<br />

Dat recentelijk de verschillende stakeholders<br />

elkaar daarin zowel nationaal<br />

als internationaal gevonden hebben is<br />

een eerste, noodzakelijke stap op weg<br />

naar een duurzame toekomst van het<br />

Waddenland.<br />

De scène had niet misstaan in één van<br />

de vele TV-series over de geschiedenis<br />

van het Romeinse rijk. Een vertegenwoordiger<br />

van het Romeinse establishment<br />

kijkt aan de noordelijke rand van<br />

zijn rijk verbijsterd toe hoe een volk<br />

zich handhaaft in een gebied waar twee<br />

keer per dag de zee zich met donderend<br />

geweld instort. Een dergelijke scène is<br />

niet ontsproten aan de fantasie van een<br />

televisiemaker, maar is terug te lezen in<br />

de boeken van legerofficier Plinius de<br />

oudere. Rond het jaar 79 bezocht hij een<br />

gebied dat waarschijnlijk in de buurt van<br />

het huidige Delfzijl gelegen was. “Daar<br />

bewoont dit miserabele ras opgehoogde stukken<br />

grond of platforms, die ze met de hand hebben<br />

aangelegd boven het niveau van het hoogst bekende<br />

getij. Levend in hutten gebouwd op de<br />

gekozen plekken, lijken zij op zeelieden in<br />

schepen als het water het omringende land bedekt,<br />

maar op schipbreukelingen als het getij<br />

zich heeft teruggetrokken.” Zo beschrijft<br />

hij in Naturalis Historia het volk der<br />

Gaucen. Het waddengebied bestond in<br />

die tijd <strong>uit</strong> <strong>uit</strong>gestrekte veenmoerassen,<br />

gelegen achter een aaneengesloten strandwal.<br />

Waar rivieren <strong>uit</strong>mondden, zoals<br />

ter hoogte van de monding van de huidige<br />

Eems, kon de zee kilometers ver<br />

landinwaarts stromen. Door grote dynamiek<br />

tussen land en water, zoet en zout<br />

in dit gebied was er sprake van een grote<br />

natuurlijke productie. De overvloed aan<br />

vissen en schelpdieren maakte het geschikt<br />

voor menselijke bewoning. En<br />

het duurde dan ook niet lang voordat<br />

de bewoners de natuurlijke omstandigheden<br />

naar hun hand probeerden te<br />

zetten.<br />

Strijd tegen het water<br />

De strijd tegen het water heeft altijd centraal<br />

gestaan bij de verdere ontwikkeling<br />

van het waddengebied. Terpen en wierden<br />

werden opgeworpen en al voor de<br />

Middeleeuwen startte men met het aanleggen<br />

van lage dijken. Zo af en toe wist<br />

de natuur het te winnen van de mens.<br />

Stormvloeden sloegen delen van de<br />

strandwal weg en de binnendonderende<br />

zee vaagde grote delen van het veenmoeras<br />

weg. Zo kreeg de Waddenzee<br />

haar <strong>uit</strong>eindelijke vorm. In de waddeneilanden<br />

herkennen we nog de restanten<br />

van de oude strandwal. Nog steeds<br />

spoelen brokken oud veen aan, souvenirs<br />

van het <strong>uit</strong>gestrekte veenmoeras. De<br />

bewoners van de kuststreek probeerden<br />

vanaf de vroege Middeleeuwen het door<br />

kleiafzet vruchtbare land met dijken<br />

tegen de invloed van de zee te beschermen.<br />

Aan het eind van deze tijd was er<br />

al sprake van een ondoorbroken dijklijn<br />

langs de gehele internationale Waddenzeekust.<br />

Tot in de zestiger jaren van de<br />

vorige eeuw wist men de bedijkte kleigebieden<br />

steeds verder <strong>uit</strong> te breiden<br />

door een ingenieus systeem van landaanwinning.<br />

Met behulp van rijshouten<br />

dammetjes werd de aanslibbing aan de<br />

kustlijn gestimuleerd. Na voldoende<br />

opslibbing van de kwelders werd het<br />

nieuwe land ingedijkt en bij de bestaande<br />

landbouwgrond gevoegd. Maar soms<br />

ging het toch weer mis. Door ontwatering<br />

ten behoeve van de landbouw klonk<br />

het ingedijkte gebied in en kwam onder<br />

de zeespiegel te liggen. Een dijkdoorbraak<br />

bij een stormvloed had tot gevolg<br />

dat de zee weer terrein terugwon. Zo<br />

ontstonden de Zuiderzee, de Lauwers


zee en de Dollard. In de 20 ste eeuw werden<br />

die weer afgedamd, gedeeltelijk<br />

ingedijkt en ingepolderd. De huidige<br />

deltadijken markeren de scherpe grens<br />

tussen de <strong>uit</strong>gestrekte natuur van de<br />

Waddenzee en het door de strijd tegen<br />

het water gekenmerkte cultuurgebied<br />

achter de dijk. Niet alleen in het landschap,<br />

met zijn terpen en waterlopen,<br />

weerspiegelt zich de haat-liefde-verhouding<br />

met de zee. Ook de sociaal-economische<br />

en cultuurgeografische geschiedenis<br />

van het gebied wordt hierdoor<br />

sterk bepaald. Door de ligging aan zee<br />

heeft de bevolking al vroeg een levendige<br />

<strong>uit</strong>wisseling met heel <strong>Europa</strong>. Maar tegelijkertijd<br />

voltrekt de ontwikkeling van<br />

het waddengebied zich ver weg van de<br />

politieke en culturele centra van <strong>Europa</strong>.<br />

Ondanks de relatieve rijkdom die de<br />

zeevaart en de landbouw op vruchtbare<br />

grond met zich meebrengt, blijven de<br />

waddenbewoners in de ogen van de<br />

politieke en culturele elite ‘provincialen’.<br />

In de lange kuststrook van Nederland,<br />

D<strong>uit</strong>sland en Denemarken, aan de periferie<br />

van noordwest <strong>Europa</strong>, is sprake<br />

van een overeenkomstige ontwikkeling<br />

van de politieke en culturele structuur.<br />

De wijze van dijkenbouw en afwatering,<br />

de sociale organisatiestructuur en een<br />

levendige taaltraditie (het Fries) zijn<br />

daar exponenten van. Maar de waddenregio<br />

ontwikkelt zich niet tot een politieke<br />

eenheid. Verschillende overheersers,<br />

overheden en landen zwaaien er de<br />

scepter. Maar toch ontstaat door de<br />

gemeenschappelijke vijand, het water,<br />

een unieke sociale organisatie. Een van<br />

bovenregionale instanties onafhankelijk<br />

bestuur waakt over de dijkenbouw en<br />

de afwatering. Deze vormen van zelfstandige<br />

samenwerking, die al in de vroege<br />

elfde eeuw ontstonden, kennen we nu<br />

nog als de waterschappen in Nederland<br />

of het Deich- und Sielverband in D<strong>uit</strong>sland.<br />

Natuurbescherming<br />

Van bescherming van de waddennatuur<br />

is pas in de twintigste eeuw sprake. In<br />

de jaren twintig worden de eerste natuur-<br />

reservaten ingesteld. Het vogeleilandje<br />

Griend in Nederland, en de D<strong>uit</strong>se eilandjes<br />

Jordsand, Norderoog, Memmert<br />

en Mellum zijn daar voorbeelden van.<br />

Toch duurt het tot het begin van de<br />

jaren tachtig voor er sprake is van een<br />

integraal beschermingsregime voor de<br />

internationale Waddenzee. Twintig jaar<br />

eerder onderkent men de unieke natuurwaarden<br />

van de Waddenzee en groeit<br />

het besef dat deze door de plannen voor<br />

indijking en inpoldering, de waterverontreiniging<br />

en de toenemende recreatiedruk,<br />

ernstig gevaar lopen. Nederland<br />

kiest voor een integrale aanpak middels<br />

het instellen van de Planologische Kernbeslissing<br />

Waddenzee (PKB).<br />

Gekoppeld aan de provinciale en gemeentelijke<br />

indeling van de Waddenzee<br />

vormt de PKB de grondslag voor het<br />

beleid en het beheer van de Waddenzee<br />

ten behoeve van het rijk, de provinciale<br />

en de gemeentelijke overheid.<br />

Hoofddoelstelling van de PKB is de bescherming<br />

en duurzame ontwikkeling<br />

van de Waddenzee als natuurgebied.<br />

Menselijke activiteiten en economische<br />

belangen worden via het in de PKB omschreven<br />

afwegingskader getoetst aan<br />

deze hoofddoelstelling. De PKB wordt<br />

vastgesteld door het Nederlandse<br />

parlement – op dit moment is de derde<br />

PKB in procedure -, maar kent op zich<br />

niet de kracht van wet. Daarom is aan<br />

de PKB-Waddenzee de Natuurbeschermingswet<br />

gekoppeld. Begin tachtiger<br />

jaren is een groot deel van de Nederlandse<br />

Waddenzee aangemerkt als natuurreservaat.<br />

Na aanvullende besl<strong>uit</strong>en is<br />

95% van het gebied beschermd natuurgebied.<br />

De hoofdvaargeulen, naar bijvoorbeeld<br />

Delfzijl, Harlingen en Den<br />

Helder zijn hiervan <strong>uit</strong>gezonderd.<br />

Evenals de strook Waddenzee onder de<br />

eilanden. Dit gebeurt op <strong>uit</strong>drukkelijk<br />

verzoek van de eilander bevolking. Men<br />

vreest namelijk dat een dergelijke aanwijzing<br />

het cultuurhistorisch bepaalde<br />

medegebruik van de Waddenzee door<br />

de eilanders sterk beperkt. De delen<br />

Waddenzee onder de eilanden tot aan<br />

de eerste geul worden nu middels ge-<br />

meentelijke verordeningen beschermd.<br />

De natuurbeschermingswet stelt dat het<br />

verboden is zonder toestemming activiteiten<br />

te ondernemen die het beschermde<br />

gebied verstoren, schade toebrengen<br />

of ten gronde richten, met inbegrip van<br />

de flora en fauna en het belang van het<br />

gebied voor de wetenschap. Voor de<br />

verschillende vormen van menselijke<br />

activiteiten in de Nederlandse Waddenzee<br />

moet derhalve een vergunning<br />

worden afgegeven. Waar Nederland<br />

<strong>uit</strong>gaat van een complex beleidsinstrumentarium<br />

dat activiteiten zoneert, stelt<br />

D<strong>uit</strong>sland nationale parken in. De deelstaten<br />

Sleeswijk-Holstein, Nedersaksen<br />

en Hamburg reguleren middels de Wetten<br />

op de Nationale Parken de toegankelijkheid<br />

van delen van de Waddenzee. De<br />

kernzones (zero use zones of zones 1)<br />

zijn niet voor het publiek toegankelijk en<br />

slechts bij <strong>uit</strong>zondering zijn commerciële<br />

activiteiten toegestaan. Dit gebied<br />

beslaat ruwweg 50% van de D<strong>uit</strong>se<br />

Waddenzee. De Deense Waddenzee is<br />

bij wet aangemerkt als Fauna en Natuurreservaat.<br />

Een kleine kernzone (10%) is<br />

voor publiek gesloten. Pleziervaart<br />

wordt toegestaan in 60% van het Fauna<br />

en Natuurreservaat. De resterende 30%,<br />

waarin de voornaamste vaargeulen<br />

vallen, kent nauwelijks beperkingen.<br />

Deze verschillen in benadering van de<br />

bescherming van de Waddenzee hebben<br />

geruime tijd het debat over de meest<br />

wenselijke internationale bescherming<br />

van de Waddenzee overheerst. De<br />

implementatie van de EU Vogelrichtlijn<br />

en de EU Habitatrichtlijn gaf echter<br />

een nieuwe impuls aan het denken over<br />

de internationale Waddenzeebescherming.<br />

Op grond van de EU Vogelrichtlijn en<br />

de Habitatrichtlijn is de internationale<br />

Waddenzee aangewezen als speciale<br />

beschermingszone. Deze aanwijzingen<br />

geschieden op grond van nationale<br />

wetgeving. Zo wordt in Nederland de<br />

vogel- en habitatrichtlijn via de natuurbeschermingswet<br />

geïmplementeerd.<br />

Trilateraal beleid<br />

In 1978 besl<strong>uit</strong>en Nederland, D<strong>uit</strong>sland<br />

TOPOS / 04 / 2006 43


Deltadijken markeren de scheiding tussen cultuur- en natuurlandschap,<br />

© Waddenvereniging/Roy Vrouwenvelder<br />

In de Middeleeuwen ontwikkelde men het systeem van afwatering<br />

© Waddenvereniging/Roy Vrouwenvelder<br />

44 TOPOS / 04 / 2006<br />

Achter<strong>uit</strong>gang van de bevolking en voorzieningen<br />

© Waddenvereniging/Roy Vrouwenvelder<br />

en Denemarken samen te werken rond<br />

de bescherming van de Waddenzee. In de<br />

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende<br />

de bescherming van de Waddenzee<br />

(Kopenhagen 1982) spreken de drie<br />

landen de intentie <strong>uit</strong> om overleg met<br />

elkaar te plegen en maatregelen te coördineren<br />

teneinde een aantal internationale<br />

overeenkomsten <strong>uit</strong> te voeren. Dit<br />

betreft met name de Conventie van<br />

Ramsar (Overeenkomst inzake de bescherming<br />

van waterrijke gebieden, in<br />

het bijzonder als verblijfplaats voor<br />

watervogels, Ramsar 1971), de Conventie<br />

van Bonn (Verdrag inzake de Bescherming<br />

van Trekkende Wilde Diersoorten),<br />

de Conventie van Bern (Verdrag inzake<br />

het behoud van wilde dieren en planten<br />

en hun leefmilieu in <strong>Europa</strong>) en de EU<br />

Vogelrichtlijn en –Habitatrichtlijn.<br />

Afgesproken wordt om regelmatig ministeriele<br />

conferenties te organiseren.<br />

Van belang is dat de drie landen bepalen<br />

dat de Gemeenschappelijke Verklaring<br />

en andere afspraken in het raamwerk<br />

van deze samenwerking niet bindend<br />

zijn naar internationaal recht. Alleen de<br />

in 1990 gesloten Overeenkomst over de<br />

bescherming van zeehonden in de<br />

Waddenzee is bindend, aangezien deze<br />

valt onder de Conventie van Bonn. Dit<br />

levert af en toe merkwaardige ontwikkelingen<br />

op. In 1993 spreken de drie landen<br />

af de schelpdiervisserij (de visserij op<br />

mosselen en kokkels) in te perken, vanwege<br />

de effecten op de natuurwaarden.<br />

Nederland implementeert deze afspraak<br />

door delen van de Waddenzee voor de<br />

visserij te sl<strong>uit</strong>en. Onder andere twee<br />

platen in de monding van de Eems, de<br />

Hond en de Paap. Deze wadplaten liggen<br />

in betwist gebied. Hier is de grens met<br />

onze oosterburen nog niet vastgesteld.<br />

Volgens D<strong>uit</strong>se opvattingen behoren<br />

“der Hund und das Paapsand” tot het<br />

grondgebied van Nedersaksen. Vandaar<br />

dat men in 2000 aan een D<strong>uit</strong>se mosselvisser<br />

vergunning geeft voor het vissen<br />

op mosselzaad op deze platen.<br />

Protesten van Nederlandse zijde halen<br />

weinig <strong>uit</strong>. De D<strong>uit</strong>se overheid wijst op<br />

haar eigen beleid, dat een beperkte visserij


op mosselzaad toestaat, en op haar eigen<br />

interpretatie van de grens tussen het Nederlandse<br />

en het D<strong>uit</strong>se wad. De met<br />

een onvervalst Zeeuws accent sprekende<br />

D<strong>uit</strong>se mosselvisser is daarbij de lachende<br />

derde.<br />

Waddenland<br />

Na eeuwenlang vechten tegen het water<br />

en het opbouwen van een bestaan als<br />

zelfstandige visser, schipper of boer is<br />

de laatste decennia de bevolking in de<br />

waddenregio geconfronteerd met dramatische<br />

veranderingen. Herstructurering<br />

van de landbouw, de drastische achter<strong>uit</strong>gang<br />

van de visserij en de kleine regionale<br />

scheepvaart hadden economische<br />

stilstand en soms achter<strong>uit</strong>gang tot<br />

gevolg. De bevolking verminderde en<br />

daarmee ook de openbare en particuliere<br />

dienstverlening. Tegelijkertijd nam het<br />

toerisme in de waddenregio een grote<br />

vlucht. Op jaarbasis bezoeken nu ruim<br />

tien miljoen vakantiegangers en dagjesmensen<br />

het internationale waddengebied.<br />

Veelal ziet men het vreemde vakantie-<br />

publiek als indringers, die het authentieke<br />

culturele erfgoed van de waddenregio<br />

als openluchtmuseum beschouwen.<br />

Daarenboven wordt de zee niet langer<br />

als vijand en de Waddenzee niet meer<br />

als waterstaatkundig probleem gezien.<br />

Het vrees aanjagende wad noemt men<br />

nu liefkozend ‘laatste wildernis’ en publicaties<br />

van de eilander VVV’s bezingen<br />

de overweldigende natuur. Europese<br />

regels en Haagse wetten bepalen tot in<br />

detail wat wel en niet mag op het wad.<br />

Bewoners die veertig jaar geleden nog<br />

zij aan zij met de jonge Waddenvereniging<br />

streden tegen de inpoldering van<br />

de Waddenzee, keren de natuurbescherming<br />

nu de rug toe. Ondanks de vele<br />

consultatierondes in het gebied bestaat<br />

grote scepsis ten opzichte van de<br />

ministersconferenties over de Waddenzee.<br />

De aanmelding van de internationale<br />

Waddenzee als werelderfgoed kan slechts<br />

mondjesmaat op steun rekenen, ondanks<br />

schriftelijke beloftes van de rijksoverheid<br />

dat deze aanmelding geen extra beperkende<br />

regels met zich mee zal brengen.<br />

Er dreigt dus een patstelling. Enerzijds<br />

de drie waddenoverheden die, gedreven<br />

door nationale belangen, er niet in<br />

slagen gezamenlijke bindende afspraken<br />

te maken, anderzijds de lokale bevolking<br />

die, geconfronteerd met de al in gang<br />

gezette fundamentele veranderingen in<br />

de leefomgeving, geen behoefte heeft aan<br />

nieuw beleid en nieuwe regels. De<br />

Waddenvereniging maakt zich zorgen<br />

over deze ontwikkelingen. Het beleid, dat<br />

zowel de belangen van natuur en<br />

milieu als de noodzakelijke sociaaleconomische<br />

ontwikkeling integreert,<br />

staat onder druk. De economische<br />

achter<strong>uit</strong>gang in de kustregio wil men<br />

keren door industrialisatie, vergroting<br />

van de waddenhavens en het opheffen<br />

van beperkingen voor schadelijke,<br />

toeristische activiteiten. Bescherming<br />

van natuur, milieu en landschap van de<br />

waddenregio wordt als blok aan het been<br />

ervaren. Vandaar dat de Waddenvereniging<br />

op de 10 e trilaterale ministerconferentie<br />

over de Waddenzee<br />

(Schiermonnikoog 2005) het concept<br />

‘Waddenland’ presenteert. In Waddenland<br />

werken mensen samen aan een duurzame<br />

toekomst van de waddenregio.<br />

Van<strong>uit</strong> het besef dat de waddenregio<br />

ontstaan is van<strong>uit</strong> een uniek samenspel<br />

tussen natuurlijke processen en menselijke<br />

activiteiten, weten de verschillende<br />

belangengroeperingen elkaar te vinden.<br />

Landbouw, visserij en havengebonden<br />

activiteiten zijn gebaseerd op de natuurlijke<br />

mogelijkheden van de Waddenzee.<br />

Het toerisme laat mensen kennis maken<br />

met de unieke natuur en cultuurhistorie<br />

en vormt een afzetmarkt voor de duurzaam<br />

geproduceerde waddenproducten.<br />

Dat deze ambitie werkelijkheid kan<br />

worden blijkt <strong>uit</strong> de ontwikkelingen van<br />

het afgelopen jaar. Geconfronteerd met<br />

de ambtelijke en vaak bureaucratische<br />

discussies over de verdeling van het<br />

Waddenfonds 1 lukte het de vereniging<br />

zeer <strong>uit</strong>eenlopende belangengroeperingen<br />

om de tafel te krijgen en gezamenlijk<br />

een plan voor noodzakelijke<br />

investeringen in de waddenregio te<br />

maken. Wellicht zal binnenkort een<br />

Italiaanse toerist zich verbazen hoe aan<br />

de rand van <strong>Europa</strong> in harmonie met<br />

de natuur gewerkt wordt aan een duurzame<br />

toekomst.<br />

Noten en Literatuur<br />

1 Het kabinet Balkenende 2 besloot een<br />

Waddenfonds in het leven te roepen om te<br />

investeren in natuurherstel en de duurzame<br />

sociaal economische ontwikkeling van het<br />

Nederlandse waddengebied. De instelling<br />

van dit fonds is gekoppeld aan het besl<strong>uit</strong><br />

om over te gaan tot gaswinning onder de<br />

Waddenzee.<br />

− Abrahamse, J., W. Joenje & N. van Leeuwen-<br />

Stelt, 1976. Waddenzee, natuurgebied van Nederland,<br />

D<strong>uit</strong>sland en Denemarken. 368 pp.<br />

Waddenvereniging en Natuurmonumenten.<br />

− Abrahamse, J., M. Bemelman & M.<br />

Hillenga, 2005. Wadden, verhalend<br />

landschap. 350 pp. Tirion Natuur en<br />

Common Wadden Sea Secretariat<br />

− Fey, T., 2002. Wadden, gids voor liefhebbers.<br />

192 pp. Uitgeverij Uniepers en Waddenvereniging<br />

− Lambers, K. et all., 2003. Trilateral or<br />

European Protection of the Wadden Sea?<br />

283 pp. SDU en Waddenvereniging<br />

− D. Mulder, 2005. Wie wint het word of<br />

het wad, 10e trilaterale Waddenzeeconferentie.<br />

WADDENmagazine 2005-5, 24-25<br />

− Revier, H. 2006. Derde Nota Waddenzee,<br />

3 X = Scheepsrecht? WADDENmagazine,<br />

2006-1, 11-14.<br />

Summary<br />

The Wadden Region with her sea and<br />

coasts is a valuable and unique nature<br />

area with a rich social history. Dynamics<br />

of nature have formed the area where<br />

a lot of people enjoy the peace, space<br />

and riches. Since the 20 th century there<br />

is a wide range of nature protection<br />

guidelines and laws. The inhabitants,<br />

for a great deal also responsible for forming<br />

this unique landscape, do not<br />

always agree with all these regulations.<br />

However, it is important to protect this<br />

European nature and culture area, argues<br />

Hans Revier, lector Mariene Wetlands<br />

in Leeuwarden and Groningen.<br />

The former director of the Wadden Sea<br />

Society pleads for an international concept<br />

‘Waddenland’ where all involved<br />

parties work together on a collective<br />

program to protect and develop the<br />

Waddensea region.<br />

TOPOS / 04 / 2006<br />

45


Space for species: towards a cohesive Natura<br />

2000 network<br />

Biodiversity is considered<br />

as one of the most impor-<br />

tant natural resources,<br />

providing foods, medicines<br />

and fibers to people, as<br />

well as spiritual values and<br />

enjoyment. Biodiversity<br />

also controls and prevents<br />

outbreaks of pests in crops<br />

and timber plantations. By<br />

that, biodiversity repre-<br />

sents an important, but<br />

difficult to quantify eco-<br />

nomic value. Last but not<br />

least, biodiversity is an<br />

important component of<br />

ecological resilience, the<br />

potential of ecological<br />

systems to recover from<br />

disturbance. Biodiversity is<br />

the machinery of ecosys-<br />

tem functioning.<br />

Prof. dr. Paul Opdam<br />

Extraordinary professor Landscape Ecology<br />

paul.opdam@wur.nl<br />

46 TOPOS / 04 / 2006<br />

In this light, the world wide concern about<br />

the decline of biodiversity is understandable.<br />

This decrease is mainly caused<br />

by the loss, fragmentation and deterioration<br />

of natural and semi-natural habitats<br />

due to human activities all around the<br />

world. The urgency of this process was<br />

recognized at the United Nations world<br />

conference in Rio de Janeiro in 1992,<br />

and implemented in the Convention of<br />

Biodiversity (CBD). The EU Head of<br />

States committed themselves to stop the<br />

decline of biodiversity by 2010. The<br />

main current EU-policy is the Natura<br />

2000 network of protected areas, as<br />

part of the Habitat and Bird directives.<br />

Member states are currently involved in<br />

the designation of protected areas, based<br />

on the current distribution and occurrence<br />

of target species and habitat types.<br />

This portfolio of protected areas is an<br />

important first step towards a Europewide<br />

conservation network.<br />

It is scientifically recognized that ecological<br />

networks can be an effective spatial<br />

strategy for conservation of biodiversity,<br />

in particular in a world which is predominantly<br />

used by humans, either for<br />

food or timber production, or for<br />

housing, drinking water production,<br />

infrastructure and industries. The network<br />

concept is supported by the meta-<br />

Bittern (roerdomp)<br />

population theory, which is a spin off of<br />

the island biogeography theory of Mac-<br />

Arthur and Wilson. It is very appropriate<br />

to describe what happens in fragmented<br />

populations, which are restricted to and<br />

dependent on the small patches of<br />

(semi)-natural ecosystems, embedded in<br />

human used land. The theory predicts<br />

that the small local populations which<br />

are not viable by themselves can persist<br />

in a network of small populations. In<br />

such a network, called a metapopulation,<br />

the local populations support each other<br />

by exchange of individuals or seeds. As<br />

a result, local loss of populations can be<br />

replenished by immigrants who colonize<br />

deserted patches and settle new populations.<br />

If the rates of these two processes,<br />

local extinction and recolonization, are<br />

in balance, the species can be sustainable<br />

at the regional scale. The other condition<br />

for sustainability is that the network is<br />

large enough to prevent stochastic extinction<br />

of all local populations in one<br />

year. Hence, in ecological networks, the<br />

local risk of extinction is spread over<br />

the regional level: while the individual<br />

ecosystem patches can’t offer sustainable<br />

conditions, the whole network<br />

might.<br />

So far the theory, but what about the<br />

real world? In the Netherlands and in


The Natura 2000 protected sites showing no or little coherency Nature Policy Plan 2000 shows an ecological network which consist of<br />

the large ecological patches connected by robust ecological corridors<br />

other regions where human land use is<br />

a dominant driver of spatial development,<br />

many populations of species can<br />

be found which show the characteristics<br />

of metapopulations. For example, the<br />

bittern, a large marsh heron, uses the<br />

fresh water marshes across the whole<br />

River Rhine delta as one single network.<br />

This means that all marshes in the<br />

Netherlands are interdependent as far<br />

as the future of this species is concerned.<br />

The heron occurs in pretty large<br />

local populations in the Oostvaardersplassen<br />

and in the large marshland complexes<br />

in the northwest of the Province<br />

of Overijssel and adjacent parts of<br />

Friesland. Such major cornerstones of<br />

the Dutch Delta landscape are always<br />

inhabited by bitterns. On the contrary,<br />

smaller and more remote marsh areas,<br />

for example in Brabant and Gelderland,<br />

are often unoccupied for a couple of<br />

years, and then might show new establishing<br />

local populations. For the much<br />

smaller sedge warbler, a song bird species<br />

of the same marsh habitat, similar processes<br />

were observed on a regional scale.<br />

The densities of the populations of this<br />

species vary a lot due to dry periods in<br />

the African wintering areas. During<br />

such dry weather spells, the number of<br />

breeding pairs of this species in the<br />

Dutch delta decreases considerably, even<br />

more so in regions with a high degree<br />

of habitat fragmentation. This shows<br />

that fragmentation causes populations to<br />

be more vulnerable to large scale variations<br />

in weather conditions, which is the<br />

case under the climate change weather<br />

regime. Similar patterns were observed<br />

all over the world at a variety of spatial<br />

scales for example for mammals, reptiles,<br />

amphibians, butterflies, locusts, and<br />

plants. These obser-vations, which are<br />

supported by experimental studies with<br />

simulated models of metapopulation<br />

systems, learn that biodiversity conservation<br />

on the long term requires a careful<br />

consideration of the spatial distribution<br />

of ecosystems across regions. The<br />

effectiveness of conservation networks<br />

therefore depends on the amount and<br />

spatial configuration of habitats. This<br />

brings ecology into the domains of<br />

spatial planning and design.<br />

The European conservation strategy will<br />

only be effective if the portfolio of<br />

Natura 2000 protected sites will be an<br />

ecologically cohesive network. It will<br />

only be ecologically sustainable if the<br />

exchange of individuals between sites<br />

takes place at a high enough rate, compared<br />

to the rate of local extinctions.<br />

There are two arguments for this statement.<br />

First, many Natura 2000 areas<br />

are too small to ensure sustainability<br />

for all target species on their own.<br />

Secondly, even for species which find<br />

large enough areas in many Natura 2000<br />

sites, a cohesive network is still of value.<br />

Climate change is predicted to shift<br />

s<strong>uit</strong>able climate zones across geographic<br />

scales, and species will have to respond<br />

by expanding northward, while vanishing<br />

in the southern parts of their range.<br />

This can only happen if individuals are<br />

able to “jump” from site to site, and<br />

establish new populations in sites that<br />

became s<strong>uit</strong>able due to warmer winters<br />

or hotter summers. Hence, appropriate<br />

connectivity is an essential feature of<br />

landscapes to allow populations to adapt<br />

to shifting climate zones. What is appropriate<br />

depends on the density of networks<br />

units, their size and quality, and it<br />

also depends on the rate of climate<br />

change. The faster the rise of temperature,<br />

the faster the response of species<br />

must be, and the better the cohesion of<br />

the network ecosystems.<br />

Is this awareness commonly found<br />

among European policy makers? Not at<br />

all. The implementation of the Natura<br />

2000 network so far is only focused at<br />

the designation of protected areas.<br />

There is no analysis, and hence no insight,<br />

as to whether the network will be<br />

able to function as a cohesive ecosystem<br />

network. Many countries still are unaware<br />

of this principle, and are even reluctant<br />

to take further steps into the implementation<br />

of the European nature network.<br />

Article 10 of the Habitat directive urges<br />

TOPOS / 04 / 2006<br />

47


countries to ensure sufficient cohesion<br />

by developing the landscape between<br />

the protected sites and making it sufficient<br />

permeable, by removing barriers,<br />

stimulating corridors zones and green<br />

veining of the agricultural landscape.<br />

This article is only recently brought into<br />

discussion at the EU-level.<br />

How could the Natura 2000 portfolio<br />

become an ecologically coherent network?<br />

On the way to ecological sustainability,<br />

three crucial steps have to be<br />

taken:<br />

- Define the problem: find out where in<br />

the European landscape the spatial cohesion<br />

needs to be improved, and explain<br />

why (defining the location of bottlenecks<br />

and their causes).<br />

- Define the set of possible solutions.<br />

Solutions must be implemented in the<br />

regional context, which may be widely<br />

different among regions across Europe.<br />

There are many ways to improve the<br />

Sedge warbler (rietzanger)<br />

48 TOPOS / 04 / 2006<br />

cohesion of the landscape (other than<br />

legal protection). So it is important to<br />

link the ecological effectiveness of potential<br />

solutions to the type of bottleneck.<br />

This leads to a set of potential strategies<br />

to develop spatial cohesion in the European<br />

Ecological Network.<br />

- Implement spatial cohesion strategies<br />

into the spatial planning policy at the<br />

regional and local level. Design solutions<br />

that fit into the regional socio-economic<br />

context. Planning and design rules for<br />

ecological networks should be available<br />

for regional planning authorities and<br />

stakeholder groups.<br />

Planning ecological networks is a learning<br />

process with many actors at different<br />

levels of spatial scale. Fifteen years<br />

of scientific research in The Netherlands,<br />

with applications elsewhere in<br />

Europe, provided a broad expertise<br />

which can be of use to other countries<br />

(see literature list). For example, there is<br />

software to evaluate the sustainability<br />

of ecological networks for target species,<br />

which has been applied to screen the<br />

Dutch part of the Natura 2000 network.<br />

The input of these models varies for<br />

different parts of Europe, but the assessment<br />

software is applicable everywhere.<br />

Dutch design handbooks for ecological<br />

corridors and ecological networks can<br />

be adapted for application elsewhere in<br />

Europe. However, scientific knowledge<br />

developed in one country is not always<br />

simply transferable to other geographic<br />

regions: adaptations for different ecological<br />

conditions are necessary. Also, the<br />

application methods need to be improved<br />

in dialogue with the ever varying<br />

regional political and spatial context.<br />

Making the Natura 2000 network ecologically<br />

cohesive requires the mobilization<br />

of all available knowledge on<br />

landscape ecology, spatial planning and<br />

organizing public support. It also requires<br />

that at the EU level the regional planning<br />

and design activities are coordinated.<br />

And it is urgent. The first impacts of<br />

climate change are already measurable<br />

in a changing distribution of species.<br />

Prof. dr. Paul Opdam is working for the<br />

departments of Nature Conservation<br />

and Plant ecology and is extraordinary<br />

professor Landscape Ecology within<br />

the chair group Land Use Planning.<br />

Furthermore he’s a researcher at the research<br />

institute Alterra. Within his field<br />

of work he has special attention for the<br />

spatial approach within landscape ecology<br />

and bridging ecology and spatial<br />

planning and design. Within this context<br />

Paul Opdam has written an essay<br />

about the European ecological network.<br />

Literature<br />

- Briers, R.A., 2002. Incorporating connectivity<br />

into reserve selection procedures. Biological<br />

Conservation 103, 77-83.<br />

- Groot Bruinderink, G., Sluis, Th. V.d., Lammertsma,<br />

D., and Opdam. P. 2003. Designing a coherent ecological<br />

network for large mammals in Northwestern<br />

Europe. Conservation Biology 17: 549-557.<br />

- Jongman,R.H.G., Külvik M., Kristiansen, I., 2004.<br />

European ecological networks and greenways.<br />

Landscape and Urban Planning 68, 305–319<br />

- Margules, C.R., Pressey, R.L., 2000. Systematic<br />

conservation planning. Nature 405, 243-253.<br />

Opdam, P., Verboom, J., Pouwels R., 2003.<br />

Landscape cohesion: an index for the<br />

conservation potential of landscapes for<br />

biodiversity. Landscape ecology 18: 113-126.<br />

- Opdam, P. and Wascher, D. 2004. Climate change<br />

meets habitat fragmentation: linking landscape and<br />

biogeographical scale level in research and conservation.<br />

Biological Conservation 117: 285-297.<br />

- Opdam, P., Steingrover, E., Van Rooij, S., 2006.<br />

Ecological networks: a spatial concept for multiactor<br />

planning of sustainable landscapes.<br />

Landscape and Urban Planning 75_ 322-332.<br />

- Scott, J. M., Davis, F. W., McGhie, R. G., Wright,<br />

R. G., Groves, C., Estes, J., 2001. Nature reserves:<br />

Do they capture the full range of America’s biological<br />

diversity? Ecological Applications 11, 999-1007.<br />

- Van Rooij, S.A.M., Steingrover, E.G., Opdam,<br />

P.F.M. 2003. Corridors for life. Scenario<br />

development of an ecological network in<br />

Cheshire County. Alterra report 699, Wageningen.<br />

- Verboom, J., R. Foppen, P. Chardon, P. Opdam,<br />

& P. Luttikhuizen. 2001. Introducing the key<br />

patch approach for habitat networks with<br />

persistent populations: an example for marshland<br />

bird. Biological Conservation 100: 89-101.<br />

- Vos, C., Opdam, P., Steingrover, E., Reijnen, R.,<br />

2006. Transferring ecological knowledge into a<br />

multi-actor planning process: planning and<br />

designing ecological corridors. In: WU, J. and<br />

Hobbs, R. (eds). Key topics and perspectives in<br />

landscape ecology. Landscape ecology series,<br />

Cambridge University Press, New York (in press).


Europeaniseren vraagt om een actieve ruimtelijke ordening<br />

De provinciale ruimtelijke ordening in Europese context<br />

In het ‘<strong>Europa</strong> van de re-<br />

gio’s’ spelen regionale<br />

overheden volgens som-<br />

migen een grotere rol<br />

dan nationale overheden.<br />

De effecten van Europees<br />

beleid, dat in de regel<br />

tamelijk abstract gefor-<br />

muleerd is, worden vaak<br />

pas zichtbaar en voelbaar<br />

op het regionale niveau.<br />

Ook in de ruimtelijke<br />

ontwikkelingen. Daarom<br />

worden subnationale<br />

overheden geacht hun<br />

ruimtelijk beleid te ‘euro-<br />

peaniseren’. Maar wat is<br />

eigenlijk europeaniseren?<br />

Hoe doe je dat? En hoe<br />

succesvol zijn de Neder-<br />

landse provincies daarin?<br />

Deze vragen worden in<br />

dit artikel beantwoord<br />

aan de hand van de bevin-<br />

dingen <strong>uit</strong> een onderzoek<br />

naar de invloed van de<br />

Europese Unie op de<br />

provinciale ruimtelijke<br />

ordening.<br />

Arjen de Wit<br />

Junior wetenschappelijk medewerker,<br />

leerstoelgroep Landgebruiksplanning,<br />

Wageningen Universiteit<br />

arjen.dewit@wur.nl<br />

Voorop gesteld: de Europese Unie doet<br />

niet aan ruimtelijke ordening. Eén van<br />

de belangrijkste principes van de EU is<br />

subsidiariteit, wat betekent dat de EU<br />

zich alleen dán met een onderwerp<br />

bezighoudt, als haar optreden doeltreffender<br />

is dan een optreden op een lager<br />

schaalniveau. Gelet op dat <strong>uit</strong>gangspunt<br />

zijn de lidstaten het erover eens dat de<br />

Europese Unie geen bevoegdheid voor<br />

ruimtelijke ordening hoeft te hebben.<br />

Daar komt nog bij, dat een gemeenschappelijk<br />

ruimtelijk beleid gevoelig kan<br />

liggen. Ruimtelijke ordening heeft tenslotte<br />

betrekking op ‘het territorium’,<br />

en sommige landen zien het als een<br />

aantasting van hun soevereiniteit, als de<br />

EU zich daarmee gaat bemoeien.<br />

Toch wringt er iets. Want heel veel Europees<br />

beleid heeft wel degelijk invloed<br />

op de ruimtelijke ontwikkelingen in de<br />

lidstaten. Denk bijvoorbeeld aan de<br />

Kaderrichtlijn Water, de Habitatrichtlijn<br />

en het <strong>uit</strong>gebreide stelsel van landbouwsubsidies.<br />

Bovendien: als er iets grensoverschrijdend<br />

is, dan is het wel ‘de<br />

ruimte’. De gedachte om enige samenhang<br />

in de ruimtelijke ontwikkelingen<br />

binnen <strong>Europa</strong> te brengen, ligt dus<br />

voor de hand. Uit die gedachte ontstond<br />

in 1999 het Europees Ruimtelijk<br />

Ontwikkelingsperspectief (EROP), een<br />

niet-bindend document, waar de (toen<br />

nog) vijftien Europese ministers voor<br />

ruimtelijke ordening tijdens een ‘informele’<br />

bijeenkomst voor tekenden.<br />

Daarmee spraken zij af, te streven naar<br />

een evenwichtige en duurzame ontwikkeling<br />

van het grondgebied van de<br />

Europese Unie. Omdat de ministers<br />

zich bewust waren van de noodzaak<br />

om subnationale overheden hierbij te<br />

betrekken, stelden zij in het EROP “dat<br />

lokale en regionale bestuurlijke en administratieve<br />

instanties bij hun planning<br />

met betrekking tot de ruimte de geïsoleerde<br />

kijk op hun grondgebied zouden<br />

moeten laten varen en van meet af aan<br />

rekening zouden moeten houden met<br />

Europese verbanden en vervlechtingen.”<br />

(Europese Commissie, 1999). Met<br />

andere woorden: regionale overheden<br />

moeten europeaniseren.<br />

Europeanisering<br />

De Europese Unie heeft zich ontwikkeld<br />

tot een institutie van grote betekenis,<br />

waar lagere overheden niet meer omheen<br />

kunnen. Om binnen de EU goed<br />

te kunnen functioneren, wordt van ze<br />

verwacht dat ze zich aanpassen aan de<br />

regels, gebruiken, procedures en het<br />

beleid van de EU. Dat aanpassingsproces<br />

heet europeanisering. Börzel en<br />

Risse (2000) onderscheiden drie<br />

dimensies van europeanisering: policy,<br />

politics en polity.<br />

Policy<br />

De Policy-dimensie heeft betrekking op<br />

de concrete beleidsinvloed van de<br />

Europese Unie. Naar schatting wordt<br />

TOPOS / 04 / 2006 49


75% van de Europese wet- en regelgeving<br />

<strong>uit</strong>gevoerd door decentrale overheden.<br />

Dat betekent dat het beleid en de beleidsinstrumenten<br />

van die overheden sterk<br />

wordt beïnvloed door <strong>Europa</strong>. Voor<br />

sectoren als water en milieu, die rechtstreeks<br />

met Europees beleid te maken<br />

hebben, is die invloed makkelijker te<br />

bepalen dan voor ruimtelijke ordening.<br />

Immers: er is geen Europees ruimtelijk<br />

beleid, en de invloed zal dus bestaan<br />

<strong>uit</strong> indirecte effecten van<strong>uit</strong> verschillende<br />

sectoren. Het Ruimtelijk Planbureau<br />

onderzocht de invloed van zes ruimtelijk<br />

relevante Europese beleidsvelden op<br />

ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland<br />

en noemde die studie niet voor niets<br />

“Unseen Europe” (Van Ravesteyn en<br />

Evers, 2004). De schrijvers geven daarmee<br />

aan dat het zeer moeilijk is om een<br />

volledig beeld te krijgen en dat de<br />

effecten vaak niet worden gezien of<br />

onderschat. De vraag is dan ook, in<br />

hoeverre provinci-ale afdelingen ruimtelijke<br />

ordening zich bewust zijn van de<br />

invloed die de Europese Unie heeft op<br />

hun beleid.<br />

Bij het onderzoek, dat werd <strong>uit</strong>gevoerd<br />

in zes provincies, werd door de afdelingen<br />

ruimtelijke ordening in de eerste<br />

plaats gewezen op de problemen die de<br />

afgelopen jaren zijn opgetreden met<br />

luchtkwaliteitsnormen, de Habitatrichtlijn<br />

en de Kaderrichtlijn Water. Een<br />

enkeling gaf aan dat bepaalde instrumenten<br />

van het provinciale grondbeleid<br />

en de ontwikkeling van bedrijvigheid<br />

opgevat kunnen worden als staatssteun,<br />

en daarom aan beperkingen gebonden<br />

zijn.<br />

De afdelingen ruimtelijke ordening<br />

leggen dus de nadruk op de sticks, het<br />

beleid dat regulerend of restrictief werkt.<br />

Van de carrots, stimulerend beleid door<br />

middel van subsidies, zijn ze zich veel<br />

minder bewust. De betrokkenheid van<br />

ruimtelijke ordening bij het Europees<br />

regionaal beleid blijkt relatief klein te<br />

zijn. Provincies geven aan veel baat te<br />

hebben bij structuurfondsgelden, waarmee<br />

men bijvoorbeeld bedrijventerreinen<br />

bouwt en infrastructuur verbetert. Maar<br />

50 TOPOS / 04 / 2006<br />

ondanks het duidelijk ruimtelijke karakter<br />

van dit soort projecten is ruimtelijke<br />

ordening slechts zijdelings betrokken<br />

bij de planontwikkeling. De regie ligt<br />

meestal bij de afdeling economische<br />

zaken of verkeer en vervoer. Opvallend<br />

is verder dat het Europese landbouwbeleid<br />

bij geen enkele afdeling ruimtelijke<br />

ordening ter sprake komt, terwijl <strong>uit</strong><br />

“Unseen Europe” blijkt, dat dit beleid<br />

wel degelijk invloed heeft op ruimtelijke<br />

ontwikkelingen. Zo wordt de concentratie<br />

van melkveehouderij in Noord<br />

Nederland versterkt en stimuleert het<br />

EU-beleid multifunctionele landbouw.<br />

Politics<br />

De Politics-dimensie heeft betrekking op<br />

de mate waarin lagere overheden deelnemen<br />

aan Europese besl<strong>uit</strong>vorming.<br />

De relatie tussen verschillende bestuursniveaus<br />

wordt steeds meer gekenmerkt<br />

door onderlinge afhankelijkheid en<br />

steeds minder door hiërarchie. Doordat<br />

nationale overheden enerzijds bevoegdheden<br />

afstaan aan supranationale organisaties<br />

als de Verenigde Naties en de<br />

Europese Unie, en anderzijds aan decentrale<br />

overheden, is een situatie ontstaan<br />

waarin verschillende overheidsniveaus<br />

van elkaar afhankelijk zijn om hun eigen<br />

doelen te bereiken. Bijvoorbeeld: een<br />

provincie heeft Europees structuurfondsgeld<br />

nodig om een weg aan te<br />

leggen; de Europese Commissie heeft<br />

de expertise en organisatiecapaciteit van<br />

provincies nodig om in Nederland haar<br />

regionaal beleid te realiseren. Er ontstaat<br />

een systeem van ‘multi-level governance’:<br />

overheden vormen een beleidsnetwerk,<br />

onderhan-delen met elkaar en proberen<br />

elkaar te beïnvloeden. De politicsdimensie<br />

roept dus de vraag op: in hoeverre is<br />

de provincie onderdeel van dit beleidsnetwerk?<br />

Praat men mee in <strong>Europa</strong>?<br />

Het blijkt dat de interesse binnen provincies<br />

voor deelname aan Europese<br />

beleidsvorming toeneemt. Provincies<br />

beginnen zich te realiseren, dat <strong>Europa</strong><br />

weliswaar ver weg lijkt, maar dat de<br />

Brusselse beslissingen vroeg of laat bij<br />

hén terechtkomen. Daarom kan het<br />

lonen om in een vroeg stadium betrokken<br />

te raken bij Europese beleidsvormingsp<br />

rocessen. Andersom staan de Europese<br />

Commissie en het Europees Parlement<br />

steeds meer open voor regionale betrokkenheid,<br />

omdat ze zich realiseren dat<br />

regio’s in de <strong>uit</strong>voeringsfase onmisbaar<br />

zijn.<br />

Toch blijkt het voor provincies een lastige<br />

opgave om hun stem in <strong>Europa</strong> te<br />

laten horen. Provincies kunnen drie wegen<br />

naar Brussel bewandelen, elk met<br />

hun eigen obstakels. De eerste weg voert<br />

langs het Comité van de Regio’s, een<br />

raadgevend orgaan bestaande <strong>uit</strong> regionale<br />

en lokale bestuurders. De provincies<br />

twijfelen aan de effectiviteit van het<br />

Comité omdat dit orgaan te laat bij<br />

beleidsvormingsprocessen zou worden<br />

betrokken. De kernbeslissingen zijn dan<br />

al genomen. Daar komt nog bij, dat de<br />

adviezen door verdeeldheid binnen het<br />

Comité vaak niet concreet genoeg zijn.<br />

De tweede weg loopt via de Haagse<br />

ministeries. Zij zijn in de Raad van de<br />

Europese Unie vertegenwoordigd en<br />

kunnen deskundigen afvaardigen naar<br />

expertgroepen die de Commissie ondersteunen<br />

bij de beleidsvoorbereiding.<br />

Volgens provincies hechten de ministeries<br />

<strong>uit</strong> angst voor machtsverlies echter<br />

nog sterk aan hiër-archische verhoudingen<br />

en betrekken zij subnationale<br />

overheden te weinig bij hun Europees<br />

handelen, enkele gunstige <strong>uit</strong>zonderingen<br />

daargelaten.<br />

De obstakels op de eerste twee wegen<br />

zetten provincies ertoe aan om de<br />

derde weg te kiezen, die van de directe<br />

lobby. De provincies hebben vertegenwoordigers<br />

in Brussel, die coalities<br />

proberen te vormen met andere regio’s<br />

in <strong>Europa</strong>. Via deze weg komen provincies<br />

langzamerhand steeds meer rechtstreeks<br />

in contact met de Europese<br />

Unie. Maar door het informele karakter<br />

en de grote concurrentie van andere<br />

lobbyende regio’s, belangenorganisaties<br />

en private partijen vormt ook deze weg<br />

geen stabiele basis om mee te praten in<br />

<strong>Europa</strong>.<br />

Door het ontbreken van een Europese


evoegdheid voor ruimtelijk beleid is<br />

het extra lastig om ruimtelijke ordening<br />

een plaats te geven in de lobby. Er is<br />

geen direct aanspreekpunt in Brussel.<br />

De interesse voor deelname aan Europese<br />

beleidsvorming is bij afdelingen<br />

ruimtelijke ordening dan ook duidelijk<br />

kleiner dan bij bijvoorbeeld milieu,<br />

natuur of landbouw.<br />

Polity<br />

De polity-dimensie tot slot beschrijft<br />

veranderingen in de ‘mentaliteit’ van een<br />

overheid, de bestuurscultuur en de<br />

manier van werken. Dit hangt nauw<br />

samen met de structuur van een overheid:<br />

een culturele verandering kan aanleiding<br />

zijn voor een organisatorische verandering.<br />

Bijvoorbeeld door het oprichten<br />

of opheffen van afdelingen en het<br />

verschuiven van verantwoordelijkheden.<br />

Het polity-aspect van Europeanisering<br />

gaat in dit geval dus over cultuurveranderingen<br />

bij de provincies en over de<br />

organisatorische ontwikkelingen die<br />

daarmee samenhangen.<br />

Deze institutionele verandering wordt<br />

in veel provincies aangeduid als het<br />

‘<strong>Europa</strong>proof ’ maken van de organisatie.<br />

Provincies beschikken daarvoor<br />

over een afdeling Europese Zaken, die<br />

de taak heeft de bewustwording van<br />

<strong>Europa</strong> bij de medewerkers te vergroten.<br />

‘<strong>Europa</strong>’ moet een vanzelfsprekend<br />

onderdeel van hun denken en handelen<br />

worden. Dat betekent dat medewerkers<br />

zelf de voor hun werk relevante ontwikkelingen<br />

gaan volgen en kunnen<br />

beredeneren hoe ze die zouden kunnen<br />

benutten, of hoe ze er rekening mee<br />

kunnen houden. Dit lukt steeds beter.<br />

Vooral afdelingen als milieu en water,<br />

die de afgelopen jaren tamelijk onverwacht<br />

getroffen werden door grote<br />

problemen met bijvoorbeeld luchtkwaliteitsnormen<br />

en de Kaderrichtlijn<br />

Water worden door schade en schande<br />

wijs en tonen zich steeds pro-actiever.<br />

Bij afdelingen ruimtelijke ordening is<br />

het bewustzijn nog niet zo ver ontwikkeld.<br />

De implementatie van het EUbeleid<br />

wordt in eerste instantie gezien<br />

als een sectorale aangelegenheid.<br />

Daardoor blijkt vaak pas achteraf welke<br />

invloed een bepaalde beleidsaanpassing<br />

heeft op ruimtelijke ontwikkelingen.<br />

Ruimtelijke ordening loopt op die manier<br />

telkens achter de feiten aan.<br />

Ruimtelijke blik<br />

Europees beleid wordt door provinciale<br />

afdelingen ruimtelijke ordening dus<br />

vooral ervaren als een obstakel, dat<br />

nauwelijks te beïnvloeden of te ontwijken<br />

is. Het interessante is, dat de oorzaak<br />

van dat negatieve beeld waarschijnlijk<br />

juist gezocht moet worden in een gebrek<br />

aan een ruimtelijke blik op het Europese<br />

beleid. De problemen die de afgelopen<br />

jaren zo in het nieuws geweest zijn,<br />

hadden niet zozeer betrekking op het<br />

beleid zelf, als wel op de <strong>uit</strong>werking die<br />

het had op allerlei vormen van<br />

ruimtegebruik. Niet de luchtkwaliteitsnorm<br />

is het probleem, maar het feit dat<br />

daar bij de aanleg van een woonwijk<br />

onvoldoende rekening mee wordt<br />

gehouden. Dit besef dringt langzaam<br />

door. Bij één van de provincies gaf een<br />

medewerker aan, dat de implementatie<br />

van de Vogel- en Habitatrichtlijnen<br />

inmiddels vooral als ruimtelijk vraagstuk<br />

wordt beschouwd. Daardoor is men<br />

beter in staat om compenserende maatregelen<br />

te treffen.<br />

Bovendien komen er in de ervaring van<br />

provincies regelmatig tegenstrijdigheden<br />

voor tussen verschillende Europese<br />

beleidslijnen. Een concreet voorbeeld<br />

in één van de provincies is de tracékeuze<br />

van een rondweg, die vanwege<br />

luchtkwaliteitsnormen verder b<strong>uit</strong>en de<br />

stad moest worden gelegd, terwijl toetsing<br />

aan de Habitatrichtlijn de weg juist<br />

richting de stad duwde.<br />

Juist vanwege het sectorale karakter van<br />

Europees beleid is het belangrijk dat de<br />

provinciale ruimtelijke ordening vroeg<br />

bij beleidsvorming en -<strong>uit</strong>voering<br />

betrokken wordt en bijdraagt aan een<br />

goede afstemming met ander beleid en<br />

provin-ciale doelstellingen.<br />

Als provincies daarin slagen, betekent<br />

europeaniseren voor de ruimtelijke or-<br />

dening misschien wel helemaal niet zo’n<br />

grote aanpassing als voor veel sectorafdelingen.<br />

Immers, in het ruimtelijk afstemmen<br />

van verschillende beleidsvelden<br />

aan de hand van een integrale visie<br />

heeft de provinciale ruimtelijke ordening<br />

al jaren ervaring.<br />

Noot en Literatuur<br />

Dit artikel is gebaseerd op de afstudeerscriptie<br />

Europees denken en handelen, de invloed van de<br />

Europese Unie op de provinciale ruimtelijke<br />

ordening, die Arjen de Wit in 2005 schreef in het<br />

kader van zijn MSc-opleiding Ruimtelijke<br />

planning aan Wageningen Universiteit. Het<br />

onderzoek bestond <strong>uit</strong> een literatuurstudie en<br />

interviews met medewerkers van zes provincies,<br />

het Interprovinciaal Overleg en het ministerie van<br />

VROM.<br />

- Börzel, T.A. en T. Risse (2000) When Europe<br />

Hits Home: Europeanization and Domestic<br />

Change. European Integration online Papers.<br />

Volume 4, No. 15. http://eiop.or.at/eiop/<br />

texte/2000-015a.htm<br />

- Europese Commissie, Comité voor Ruimtelijke<br />

Ontwikkeling (1999) EROP, Europees Ruimtelijk<br />

Ontwikkelingsperspectief. Op weg naar een<br />

evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het<br />

grondgebied van de EU, Luxemburg: Bureau<br />

voor officiële publicaties der Europese<br />

Gemeenschappen.<br />

Europese Commissie (2006), http://ec.europa.<br />

eu/avservices/photo/photo_thematic_en.cfm?id<br />

=&mark=PRO,SYMB.<br />

- Ravesteyn, N. van en D. Evers / Ruimtelijk<br />

Planbureau (2004) Unseen Europe, A survey of<br />

EU Politics and its impact on spatial development<br />

in the Netherlands, Rotterdam: NAi.<br />

Summary<br />

Many European policy fields influence<br />

spatial developments in Europe. Subnational<br />

governments like the Dutch<br />

provinces are therefore supposed to<br />

‘europeanise’ their spatial planning.<br />

This means they adapt their way of<br />

working and their policy to EU rules<br />

and regulations. In general, spatial<br />

consequences of EU policy are often<br />

underestimated. The provincial spatial<br />

planning departments are more aware<br />

of the negative effects of EU policy<br />

than of the possibilities it offers.<br />

Though provinces are increasingly active<br />

in European policy making, spatial<br />

planning is hardly involved.<br />

Provinces are dealing with EU policy<br />

too much along the sectoral track.<br />

More involvement of the spatial planning<br />

departments could help implementing<br />

EU policies more efficiently.<br />

TOPOS / 04 / 2006 51


Het leven zoals het is: de herstructurering<br />

Hoe beleven de bewoners van Malburgen de herstructurering van<br />

hun wijk?<br />

Op dit ogenblik worden veel<br />

naoorlogse wijken in Neder-<br />

land geherstructureerd met<br />

als belangrijkste doel het<br />

doorbreken van de eenzij-<br />

dige bevolkingsopbouw in<br />

deze wijken. De herstructu-<br />

reringswerkzaamheden zijn<br />

gericht op vernieuwing van<br />

de woningvoorraad: oude<br />

woningen worden gesloopt,<br />

nieuwe huizen worden bijge-<br />

bouwd en veel woningen<br />

worden opgeknapt. Dit<br />

brengt een sterke verhuis-<br />

dynamiek met zich mee.<br />

Sommige mensen zullen <strong>uit</strong><br />

de wijk weg moeten en<br />

mensen van elders komen<br />

in de wijk wonen. Iedere<br />

bewoner moet wennen aan<br />

de nieuwe plek en aan de<br />

veranderingen in de buurt.<br />

In dit afstudeervak is<br />

onderzocht hoe bewoners<br />

deze periode beleven.<br />

Nadja Mertens<br />

Student Sociaal-ruimtelijke analyse<br />

nadja.mertens@wur.nl<br />

Karlijn Soesman<br />

Student Sociaal-ruimtelijke analyse<br />

karlijn.soesman@wur.nl<br />

52 TOPOS / 04 / 2006<br />

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn<br />

veel huizen in Nederland beschadigd of<br />

vernield. Hierdoor, en wegens de geboortegolf<br />

net na de oorlog, ontstond een<br />

grote behoefte aan woningen. De woningnood<br />

moest zo snel mogelijk worden<br />

opgelost. Het tempo van de bouwproductie<br />

werd opgevoerd en snel werden<br />

in groten getale <strong>uit</strong>breidingswijken<br />

gebouwd. Massale hoge flats en repeterende<br />

rijtjeshuizen bepaalden vanaf dat<br />

ogenblik het beeld. Ook in Malburgen,<br />

de eerste <strong>uit</strong>breidingswijk van Arnhem<br />

aan de zuidkant van de Rijn, zijn in een<br />

hoog tempo 7 000 woningen <strong>uit</strong> de grond<br />

gestampt. Deze wijken voldoen echter<br />

niet meer aan de huidige woningbehoeften.<br />

Hogere inkomens hebben deze<br />

wijken de rug toegekeerd, waardoor er<br />

een concentratie van voornamelijk lage<br />

inkomens en etnische minderheden is<br />

ontstaan. In veel van deze wijken gaat<br />

de leefbaarheid hard achter<strong>uit</strong>; zo ook<br />

in Malburgen. De bewoners van Malburgen<br />

klagen bijvoorbeeld over rommel<br />

op straat, criminaliteit, en drugsoverlast.<br />

Als oplossing heeft de gemeente, in overeenstemming<br />

met het landelijke beleid,<br />

gekozen om een meer gedifferentieerde<br />

bevolkingssamenstelling binnen deze<br />

wijken te creëren. In Malburgen zullen<br />

in een periode van tien jaar verschillende<br />

woningen gesloopt of opgeknapt worden.<br />

Daarnaast worden een groot aantal<br />

nieuwe, vooral duurdere, woningen<br />

gebouwd. Deze werkzaamheden leggen<br />

een grote druk op de wijk. Het is een<br />

langdurig proces waarin de fysieke omgeving<br />

rommelig is. De sloop en nieuwbouw<br />

van huizen maakt van de woonomgeving<br />

een bouwput. Om zo een<br />

groot plan te laten slagen, is draagvlak<br />

bij de bewoners van groot belang.<br />

Beleving van de herstructurering<br />

Uit diepte-interviews en enquêtes bleek<br />

dat de bewoners van Malburgen tijdens<br />

de herstructurering overlast hebben van<br />

rommel op straat, stof, bouwverkeer,<br />

trillingen van de sloop en geluidsoverlast.<br />

Niet alleen de fysieke veranderingen<br />

hebben gevolgen voor de bewoners,<br />

maar ook de sociale veranderingen.<br />

Sommige huishoudens worden ergens<br />

anders gehuisvest en er komen nieuwe<br />

mensen in de wijk wonen. Dit brengt<br />

een sterke verhuisdynamiek op gang.<br />

De verhuisbewegingen hebben consequenties<br />

voor het functioneren van de<br />

wijk. Er ontstaat een ingewikkelde bevolkingsdynamiek<br />

(Kleinhans, 2005).<br />

De komst van hogere inkomens kan zelfs<br />

leiden tot conflicten. Sommige oorspronkelijke<br />

bewoners moeten wijken voor<br />

de nieuwkomers, waardoor bestaande<br />

sociale verbanden worden aangetast<br />

(Kleinhans volgens Beckhoven en Van<br />

Kempen, 2002). De verhuizingen die in<br />

Malburgen plaatsvinden hebben niet<br />

alleen invloed op de mensen die daadwerkelijk<br />

verhuizen, maar ook op de<br />

‘blijvers’. Veel mensen merken het verloop<br />

in hun wijk en voor hun gevoel komen<br />

er veel nieuwe mensen in Malburgen<br />

wonen.<br />

Over het algemeen hebben mensen een<br />

voorkeur om bij mensen te wonen waar<br />

zij zich mee kunnen identificeren en waar<br />

zij zich op hun plek voelen . De keuze<br />

voor een huis wordt niet alleen geleid<br />

door de financiële mogelijkheden, maar<br />

ook door de keuze voor een gemeenschap<br />

waar het huishouden zich mee wil<br />

en kan identificeren. Een logisch gevolg<br />

is dat dezelfde ‘soort’ mensen geneigd<br />

zijn bij elkaar te gaan wonen. Hierdoor<br />

ontstaat segregatie. Segregatie is eigenlijk<br />

een neutrale term, maar voor veel mensen<br />

heeft het een negatieve bijklank;<br />

segregatie wordt pas als een probleem<br />

ervaren als de bevolkingsgroep op cultureel,<br />

etnisch of sociaaleconomisch<br />

vlak sterk verschilt met de Nederlandse<br />

samenleving (Drewe e.a., 1972).<br />

Wanneer een wijk geherstructureerd<br />

wordt, bestaat de kans dat het er zo<br />

verandert dat bewoners de wijk niet<br />

langer als ‘hun’ wijk ervaren. Een aantal<br />

specialisten, zoals Musterd en Ostendorf,<br />

vrezen dan ook dat er door herstructurering<br />

nieuwe, onverwachte sociale<br />

processen gaan ontstaan, die negatief<br />

kunnen worden ervaren door verschillende<br />

bewonersgroepen.


Enerzijds ervaren de bewoners van Malburgen<br />

hun wijk niet als gesegregeerd.<br />

Ze benadrukken dat de aanwezigheid<br />

van veel verschillende nationaliteiten de<br />

wijk juist heel gevarieerd maakt. Soms<br />

ervaren mensen dit als een verrijking en<br />

soms als een cultuurverschil. Veel mensen<br />

vinden het leuk om met de verschillende<br />

culturen in aanraking te komen en<br />

hier van te leren. Echter zodra mensen<br />

het gevoel krijgen dat ze b<strong>uit</strong>en een groep<br />

staan, voelen zij zich eerder bedreigd en<br />

ontstaat er een ‘wij-zij-gevoel’.<br />

Anderzijds zijn de bewoners zich ervan<br />

bewust dat hun wijk wel gesegregeerd<br />

is, omdat het vooral bestaat <strong>uit</strong> goedkopere<br />

huizen. Ze voelen de achterstand<br />

en worden geconfronteerd met rommel,<br />

verval, criminaliteit en werkeloosheid.<br />

De meeste mensen in Malburgen geloven<br />

dat het creëren van menging door<br />

herstructurering een goede strategie is.<br />

Anderen daarentegen zetten hun vraagtekens<br />

bij de aanpak van de gemeente.<br />

Ze vragen zich af of het niet een verplaatsing<br />

van het probleem is. Er is ook<br />

een groep die zich afvraagt of er daadwerkelijk<br />

menging ontstaat en of Malburgen<br />

niet slechts een ‘gouden randje’<br />

van duurdere woningen krijgt.<br />

In het segregatieproces zijn drie opeenvolgende<br />

fasen te onderscheiden, die<br />

zich voortdurend herhalen: infiltratie,<br />

invasie en successie. Infiltratie is een<br />

periode van langzame penetratie, waarin<br />

slechts een aantal mensen zich vestigen<br />

tussen de oorspronkelijke bevolking.<br />

Daarna volgt er een periode van invasie.<br />

De nieuwe bevolkingsgroepering vestigt<br />

zich tussen de originele bewoners. Deze<br />

fase kan doorgaan totdat de nieuwe<br />

bevolkingsgroepering de enige is die<br />

overblijft in het gebied en de oorspronkelijke<br />

bevolkingsgroep vertrokken is:<br />

successie (Mik, 1987).<br />

Door wijken te herstructureren veroorzaakt<br />

de overheid infiltratie. De overheid<br />

wil door het bouwen van duurdere<br />

woningen meer kansrijke mensen naar<br />

de wijk trekken. Langzaamaan komt<br />

steeds meer een ‘ander soort’ mensen<br />

in de wijk wonen. De huidige bewoners<br />

Bouwstenen studie Malburgen 2015<br />

kunnen de komst van de nieuwkomers<br />

als bedreigend ervaren. Een nieuwe,<br />

onbekende groep komt in hun ‘territorium’.<br />

Als deze groep te groot is, kunnen<br />

bewoners het gevoel krijgen dat hun<br />

wijk wordt overgenomen. Dit is natuurlijk<br />

niet de bedoeling van herstructurering.<br />

Het doel is juist een gevarieerde woonwijk<br />

te creëren en niet om het hele<br />

proces tot successie, zoals Mik beschrijft,<br />

te doorlopen. Dan zou immers opnieuw<br />

segregatie ontstaan, maar dan van de<br />

nieuwkomers.<br />

Op dit moment ervaren de bewoners<br />

van Malburgen de komst van de nieuwkomers<br />

niet als infiltratie. Uit de interviews<br />

blijkt dat mensen de komst van<br />

de allochtonen een aantal jaren geleden<br />

wel als infiltratie ervaarden. Een verklaring<br />

hiervoor is dat de bewoners nu<br />

heel goed weten dat nieuwkomers nodig<br />

zijn voor de wijk. Daardoor is het<br />

moge-lijk dat ze positiever tegenover de<br />

komst van deze nieuwe mensen staan.<br />

Het gevoel van infiltratie kan echter<br />

nog wel komen.<br />

Het proces van vernieuwing in de wijk<br />

heeft veel weg van gentrificatie.<br />

Gentrificatie is het proces van stedelijke<br />

vernieuwing waarbij vervallen huizen<br />

worden opgeknapt door bemiddelde<br />

mensen die naar het gebied verhuizen<br />

(Giddens, 2001). Echter tijdens een<br />

herstructurering is meer sprake van een<br />

artificiële vorm van gentrificatie, omdat<br />

de overheid hier met zijn beleid op aanstuurt.<br />

Min of meer dezelfde gevolgen<br />

zijn zichtbaar, zoals een verandering<br />

van de bevolkingssamenstelling, meer<br />

draagvlak voor voorzieningen en een<br />

algemene verbetering van de wijk. Een<br />

negatief gevolg is dat de prijzen in de<br />

wijk stijgen. Niet alleen de huizen worden<br />

duurder, maar ook het alledaagse leven.<br />

De sporen van gentrificatie in Malburgen<br />

zijn zichtbaar in meerdere aspecten.<br />

Ten eerste verandert de verhouding<br />

tussen huur- en koopwoningen. In het<br />

oorspronkelijke plan zou de verhouding<br />

80 % huur- en 20 % koopwoningen<br />

zijn. Door het verkoopsucces van de<br />

eerste woningen is er meer vertrouwen<br />

en durven nu nog meer mensen de stap<br />

te zetten. Dit kan vergeleken worden<br />

met de tweede fase van het gentrificatieproces<br />

(Senécal e.a., 1990). De pioniers<br />

hebben zich gevestigd en hebben het<br />

pad geëffend voor de volgende nieuwkomers.<br />

De projectontwikkelaar speelt<br />

hier op in door een verhouding van<br />

50% huur- en 50% koopwoningen na<br />

te streven. Bewoners merken dat de<br />

huurprijzen hierdoor omhoog gaan en<br />

dat er minder sociale huurwoningen<br />

worden gebouwd. Met als gevolg dat<br />

minder nieuwe, arme mensen in de wijk<br />

kunnen komen wonen. In de dagelijkse<br />

<strong>uit</strong>gaven merken mensen echter nog<br />

geen prijsstijging.<br />

Conclusie<br />

De bewoners van Malburgen zijn over<br />

het algemeen positief over de herstructurering.<br />

Hoewel er <strong>uit</strong> de interviews<br />

een aantal negatieve punten naar boven<br />

zijn gekomen, hebben mensen toch een<br />

groot vertrouwen in de verbetering van<br />

de wijk. Door het rotsvaste geloof in<br />

TOPOS / 04 / 2006 53


Sloopoverlast Interview met groep Turkse vrouwen <strong>uit</strong> Malburgen<br />

de herstructurering en in de positieve<br />

toekomst van de wijk worden de negatieve<br />

aspecten voor de bewoners aanvaardbaar.<br />

Een belangrijke oorzaak voor het sterke<br />

geloof is dat een groep bewoners zelf<br />

op maatregelen hebben aangedrongen<br />

en meegeholpen hebben aan het<br />

ontwikkelen van het herstructureringsplan.<br />

Ze willen zo graag dat hun wijk<br />

weer aangenaam en leefbaar wordt, dat<br />

ze er bijna alles aan willen doen om dit<br />

te bereiken. Juist om deze reden zijn ze<br />

ook geneigd eerder de positieve dan de<br />

negatieve kanten te zien. Dit heeft te<br />

maken met de cognitieve dissonantietheorie<br />

(Van Woerkum en Van<br />

Meegeren, 2003). Wanneer mensen eenmaal<br />

een keuze hebben gemaakt, willen<br />

zij voortdurend deze keuze bevestigd<br />

zien. De bewoners van Malburgen staan<br />

achter de herstructurering en geloven<br />

dat dit de juiste strategie is om de leefbaarheid<br />

van de wijk te verbeteren. Dit<br />

zou bijvoorbeeld kunnen verklaren dat<br />

de blijvers de komst van de nieuwkomers<br />

niet als infiltratie ervaren. Een ander<br />

voorbeeld is de fysieke overlast. Mensen<br />

ervaren wel overlast maar een hoop<br />

mensen begrijpen dat deze overlast<br />

noodzakelijk is om een betere wijk te<br />

krijgen.<br />

Een tweede oorzaak voor het sterke<br />

geloof in de plannen zijn de mogelijkheden<br />

voor bewoners tot planparticipatie.<br />

De Malburgers krijgen veel inspraakmogelijkheden<br />

en informatie over de<br />

herstructureringsplannen. Dit geeft mensen<br />

het gevoel dat ze serieus genomen<br />

worden en hun mening mogen geven.<br />

Op deze manier wordt er volgens<br />

54 TOPOS / 04 / 2006<br />

Kleinhans en Kruijthoff (2002) een<br />

groter draagvlak gecreëerd. In Malburgen<br />

is een goed werkbare vorm ontwikkeld<br />

om bewoners in het planproces te<br />

betrekken. Ze worden inmiddels als een<br />

volwaardige derde partij beschouwd.<br />

Hierdoor is een groep bewoners ontstaan<br />

die heel intensief bij de herstructurering<br />

betrokken is. Deze sterk betrokken<br />

mensen zijn niet alleen belangrijk omdat<br />

ze zich heel erg inzetten voor de herstructurering,<br />

maar ook omdat ze hun<br />

enthousiasme overbrengen op andere<br />

bewoners die minder betrokken zijn.<br />

Ook het enthousiasme en de betrokkenheid<br />

van de instanties zorgen ervoor<br />

dat de overige mensen overtuigd raken<br />

dat de herstructurering de wijk zal<br />

verbeteren.<br />

De derde reden voor het geloof in de<br />

plannen is de grote aandacht voor de<br />

sociale aspecten van herstructurering.<br />

Er worden projecten opgezet om<br />

mensen met elkaar in contact te brengen.<br />

Om het doel van herstructurering te<br />

kunnen bereiken is het niet alleen belangrijk<br />

dat mensen gemengd wonen, maar<br />

dat zij ook gemengd contact hebben.<br />

Deze positieve beleving van de bewoners<br />

van Malburgen zorgt voor een opwaartse<br />

spiraal. Een positieve beleving zorgt<br />

voor een groot draagvlak en een groot<br />

draagvlak versterkt weer de positieve<br />

beleving. De bewoners van Malburgen<br />

beleven de herstructurering positief en<br />

hebben een groot vertrouwen in de<br />

toekomst van de wijk.<br />

Literatuur<br />

- Beckhoven, E. en Van Kempen, R. (2002) Het<br />

belang van de buurt, De invloed van herstructurering op<br />

activiteiten van blijvers en nieuwkomers in een Amsterdamse<br />

en Utrechtse buurt, DGW /NETHUR partnership<br />

nr 20, Utrecht.<br />

- Giddens, A. (2001) Sociology 4th edition, Polity<br />

Press & Blackwell Publishing Ltd, Cambridge and<br />

Oxford.<br />

- Kleinhans, R. (2005) Sociale implicaties van herstructurering<br />

en herhuisvesting, Delft University Press en<br />

OTB technische universiteit Delft, Delft.<br />

- Kleinhans, R. en kruythoff, H. (2002)<br />

Herstructurering: in het spoor van vertrekkers, Een<br />

exploratief-onderzoek naar de ervaringen van herstructure<br />

ringsurgenten <strong>uit</strong> Hoograven (Utrecht) en Morgenstond<br />

(Den Haag), DGVH/NETHUR partnership nr<br />

18, Utrecht.<br />

- Mik, G. (1987) Segregatie in het grootstedelijk milieu,<br />

Theorie en Rotterdamse werkelijkheid, Economischegeorgrafisch<br />

instituut, Erasmus universiteit<br />

Rotterdam, Rotterdam.<br />

- Senécal, P., Tremblay,C. en Teufel, D. (1990)<br />

Gentrification or urban sprawl ?, Central Montréal and<br />

surrounding area, La socieété d’habitation de<br />

Québec, Montréal.<br />

- Van Woerkum, C. en Van Meegeren, P. (2003 )<br />

Basisboek communicatie en verandering, Uitgeverij<br />

Boom, Amsterdam.<br />

Summary<br />

At this moment a lot of post-war<br />

housing areas in the Netherlands are<br />

being renovated and restructured. A<br />

main goal of these large scale projects<br />

is to transform the limited population,<br />

of mainly unprivileged people, into a<br />

more mixed population. That is why<br />

the main activities are focussed on<br />

renewing the housing stock: old<br />

residents are torn down, new houses<br />

are built and a lot of homes are<br />

renovated. These activities cause a<br />

large moving momentum in the area.<br />

Some people have to move out and a<br />

lot of new people move into the area.<br />

Every resident has to get acclimatized<br />

to their new (and changed) place and<br />

neighbourhood. An important question<br />

is how people experience en feel<br />

about this period in their lives.


Kolonisten banen nieuw spoor<br />

Een studie naar regionale arrangementen in de Drentse<br />

Veenkoloniën<br />

Binnen de plattelandsver-<br />

nieuwing zijn verschillende<br />

bestaande beleidssporen<br />

onvoldoende op elkaar<br />

afgestemd. De incidentele<br />

experimentele en weinig<br />

integrale aanpak bij plat-<br />

telandsvernieuwing wordt<br />

steeds vaker ervaren als<br />

een probleem, waardoor<br />

gezocht wordt naar een<br />

meer structurele aanpak.<br />

Het bestaande beleid biedt<br />

ruimte voor experimenten,<br />

waar dan ook volop ge-<br />

bruik van wordt gemaakt.<br />

Er valt echter weinig<br />

samenhang én richting te<br />

onderscheiden. Vaak<br />

omdat een overkoepelen-<br />

de visie ‘waar men naar<br />

toe wil’ ontbreekt. Een tijdje<br />

is gedacht dat wanneer<br />

genoeg experimenten<br />

plaatsvinden, opstuwing<br />

vanzelf gaat. Eerst werd er<br />

top-down gedacht, vervol-<br />

gens bottom-up óf zelfs<br />

stimulatie van<strong>uit</strong> de markt.<br />

Egbert Jaap Mooiweer<br />

Student Landgebruiksplanning<br />

ejmooiweer@nederlandscultuurlandschap.nl<br />

‘Plattelandsvernieuwing’ speelt zich af<br />

binnen bestaande beleidskaders, wat<br />

zijn reflectie heeft op de <strong>uit</strong>voering van<br />

experimenten. Wat ontbreekt, is de<br />

koppeling tussen een ‘inhoudelijke<br />

systeemanalyse’ en de procesopzet in<br />

een gebied. Dit geldt voor zowel de<br />

mensen die daarbij betrokken zijn, als<br />

de experimenten die daar<strong>uit</strong> voortvloeien.<br />

Gewenst is een zorgvuldige<br />

afweging van projecten die kansrijk zijn<br />

en dus daadwerkelijk bijdragen aan de<br />

inhoudelijke problematiek ter plekke.<br />

Op deze manier is meer samenhang in<br />

de verscheidenheid aan projecten aan te<br />

brengen. Hiervoor wordt het begrip<br />

‘arrangementen’ geïntroduceerd. Deze<br />

vormen een onderdeel van het interactieve<br />

beleidsproces van plattelandsvernieuwing.<br />

Het omvat afspraken over<br />

inhoud, participatie en spelregels in de<br />

context van een bepaald project<br />

(Edelenbos en Klein, 2005). ‘Regionale<br />

arrangementen’ kunnen -mijns inziens-<br />

dienen als concept om een structurele<br />

aanpak voor ‘plattelandsvernieuwing’ te<br />

bewerkstelligen.<br />

Doelstelling<br />

Het onderzoek geeft inzicht in mogelijke<br />

bouwstenen voor regionale arrangementen.<br />

Dit inzicht wordt verkregen door<br />

kennis te verzamelen over innovatieve<br />

plattelandsontwikkelingsprojecten en<br />

het analyseren van deze bouwstenen op<br />

samenhang d.m.v. empirisch onderzoek.<br />

Theoretisch kader<br />

De theoretische verkenning wijst op<br />

een verscheidenheid aan arrangementen,<br />

waarbij de rol van de overheid meer of<br />

minder sterk is. Bij een terugtredende<br />

overheid blijkt een bepaald idee over de<br />

kwaliteit van de leefomgeving onderhandelbaar.<br />

Er kan onderscheid gemaakt<br />

worden in ‘etatistische’ en ‘pluralistische’<br />

arrangementen. Bij etatistische arrangementen<br />

bepaalt het Rijk in belangrijke<br />

mate de regels van het spel, bij<br />

pluralistische arrangementen is sprake<br />

van onderhandeling van de overheid<br />

met private partijen over spelregels en<br />

de inzet van machtmiddelen.<br />

Interessant is de al dan niet betrokkenheid<br />

van overheden en het feit dat<br />

omgevingskwaliteit een constante<br />

variabele wordt bij regionale arrangementen;<br />

kennelijk is een bepaald idee<br />

over de kwaliteit van de leefomgeving<br />

onderhandelbaar. Partijen, waaronder<br />

de overheid, maken samen afspraken<br />

over de definitie van ruimtelijke<br />

kwaliteit in een gebied, hoe daar aan<br />

bijgedragen kan worden en wat voor<br />

speelruimte het kent. Dit biedt kansen<br />

voor in het bijzonder die regio’s waar<br />

de overheid zich, op het gebied van<br />

omgevingskwaliteit, minder verantwoordelijk<br />

ziet. De rol van overheden<br />

hierin is variabel: toetser, ondersteuner,<br />

partner, proces-manager, ondernemer.<br />

Gezocht wordt wanneer welke rol<br />

gewenst is.<br />

Regionale arrangementen vormen een<br />

strategisch concept om het proces van<br />

idee tot implementatie te faciliteren.<br />

Lange termijn denken, duurzaam beheer<br />

van projecten en het leggen van relaties<br />

tussen afzonderlijke nieuwe ideeën en<br />

integrale gebiedsontwikkeling staan<br />

centraal, in plaats van gelegitimeerde<br />

politiek-bestuurlijke en beleidsmatige<br />

verankering van projecten. Bij regionale<br />

arrangementen draait het om de ‘geest<br />

achter de letter’ in plaats van de letter<br />

zelf. Criterium is dat er ‘iets mee gedaan’<br />

wordt en het ‘iets’ <strong>uit</strong>mond in concrete<br />

beleidsmaatregelen. Men stuurt aan op<br />

een ‘verandering van koers’. Driessen<br />

biedt theoretische bouwstenen om het<br />

begrip regionale arrangementen in te<br />

vullen: integrale benadering, verbreding<br />

beleidsverantwoordelijkheid, verruiming<br />

perspectief, verbreding instrumentarium<br />

en differentiatie van beleid. Deze<br />

abstracte begrippen hebben concreet<br />

inhoud gekregen door overlappende<br />

ervaringen met innovatieve gebiedsontwikkeling<br />

te clusteren en zijn vervolgens<br />

geoperationaliseerd in een vijftiental<br />

empirische bouwstenen.<br />

Drentse Veenkoloniën<br />

De stap van theorie naar empirie heeft<br />

TOPOS / 04 / 2006 55


plaatsgevonden in de Drentse Veenkoloniën.<br />

De onderzochte case studies<br />

werken niet van<strong>uit</strong> een arrangementen<br />

benadering, maar hebben wel geholpen<br />

bij het operationaliseren van de theoretische<br />

bouwstenen voor regionale<br />

arrangementen. Sociale achterstand,<br />

teruglopende werkgelegenheid en een<br />

agrarische sector die aan de vooravond<br />

van grote veranderingen staat, zorgen<br />

voor een vernieuwingsopgave voor het<br />

héle gebied. Er is niet één centrale<br />

actor die stuurt, maar er zijn meer<br />

sturende partijen die de koers bepalen.<br />

Getracht wordt beleid te maken dat<br />

minder sectoraal is en beter is toegesneden<br />

op de praktijk. De inrichting en<br />

kwaliteit van de Veenkoloniën is in<br />

toenemende mate een lokale en regionale<br />

aangelegenheid geworden.<br />

Vanaf 2002 vormen de maatregelen <strong>uit</strong><br />

de Agenda voor de Veenkoloniën de<br />

gemeenschappelijke basis, waar<strong>uit</strong> projecten<br />

worden ontwikkeld en <strong>uit</strong>gevoerd.<br />

Deze suggereert de instandhouding van<br />

de huidige landschappelijke invulling als<br />

een harde randvoorwaarde. Dit gaat ten<br />

koste van pogingen om de eenzijdigheid<br />

te doorbreken en het vestigingsklimaat<br />

te versterken. Er bestaan echter nog<br />

andere beleidsvisies en <strong>uit</strong>voeringsprogramma’s<br />

welke zijn afgestemd op<br />

de Agenda. De ideeën van Bureau Riek<br />

Bakker zijn meer vernieuwend; openheid<br />

wordt, zij het beperkt, opgeofferd<br />

voor het creëren van nieuwe locaties<br />

voor agrarische bedrijven en nieuwe<br />

woonmilieus.<br />

Basiskwaliteiten van het gebied, een<br />

integrale benadering en burgerparticipatie<br />

zijn belangrijke ingrediënten voor<br />

56 TOPOS / 04 / 2006<br />

gebiedsontwikkeling in de Drentse Veenkoloniën.<br />

Al met al is sprake van een<br />

helder beeld- en inrichtingsplan voor<br />

het gebied, welke duidelijk de gebiedsopgave<br />

en de verschillende ontwikkelingsrichtingen<br />

aangeven. Er is veel draagvlak<br />

voor de plannen onder de bevolking.<br />

Dit blijkt onder andere <strong>uit</strong> de hoeveelheid<br />

gerealiseerde deelprojecten in het<br />

kader van het zogenaamde Hunzeproject.<br />

Een bepalende factor is de rol van milieuwetgeving<br />

en ruimtelijke ordening. In<br />

de perceptie van veelal private partijen<br />

is zelfs sprake van een ondermijnende<br />

factor. Daarnaast bestaat er onrust bij<br />

akkerbouwers, vanwege de dalende<br />

prijzen en de afnemende financiële steun<br />

<strong>uit</strong> Brussel voor in het bijzonder suiker<br />

en zetmeelaardappelen. Het ontbreekt<br />

aan <strong>uit</strong>gewerkte alternatieven en daardoor<br />

aan duidelijkheid over de mogelijke<br />

rol van deze betrokkenen in de<br />

opgave om het gebied <strong>uit</strong> het slop te<br />

trekken.<br />

Kolonisten banen nieuw spoor<br />

Aan de hand van een drietal case studies<br />

worden de geformuleerde bouwstenen<br />

voor regionale arrangementen getoetst<br />

op herkenbaarheid en samenhang. De<br />

projecten geven verschillende ontwikkelingssporen<br />

aan: 1)versterking van de<br />

concurrentiekracht van de landbouw,<br />

2)inspelen op natuur- en milieumaatregelen<br />

en 3)economische diversificatie.<br />

‘Precisielandbouw Oost-Drenthe’ draait<br />

om het ontwikkelen en <strong>uit</strong>voeren van<br />

praktische precisielandbouw toepassingen<br />

die gericht zijn op het verbeteren van<br />

de teelt van aardappelen en suiker-<br />

bieten. ‘Boeren met <strong>uit</strong>zicht’ werkt aan<br />

natuurontwikkeling in het grootschalige<br />

landbouwgebied én het onder de aandacht<br />

brengen van bijzondere landschapswaarden<br />

bij een groter publiek. Project<br />

Nieuw-Buinen streeft naar het<br />

verplaatsen van agrarische bedrijven <strong>uit</strong><br />

het dorpslint in combinatie met de<br />

exploitatie van duurzame energie. Niet<br />

alle bouwstenen spelen een belangrijke<br />

rol in de projecten en de samenhang<br />

tussen de bouwstenen is vaak niet<br />

duidelijk. Er valt wel iets te zeggen over<br />

de mate van herkenbaarheid van een<br />

bouwsteen in een project, ongeacht de<br />

<strong>uit</strong>voering. In dit onderzoek worden de<br />

belangrijkste empirische bouwstenen<br />

gevormd door ‘gebiedsgebonden aanpak’,<br />

‘inventieve aanpak’ en ‘kennisbenutting’.<br />

Verder spelen een ‘aanpak<br />

van onderop’, ‘ambities vormen en<br />

koesteren’, ‘losmaken van mensen en<br />

middelen’ en een ‘partnerschapsaanpak’<br />

een beduidende rol. Bouwstenen als<br />

een ‘multi-sectorale aanpak’, het ‘nemen<br />

van risico’s bij toekennen van middelen’,<br />

‘communiceren over voortgang’ zijn<br />

aanwezig, maar vallen te verbeteren.<br />

Een ‘regionale aanpak’, ‘kennisontwikkeling’,<br />

‘verbreding van instrumentarium’<br />

en het ‘opstellen van randvoorwaarden’<br />

spelen nauwelijks een rol. De case<br />

studies leveren <strong>uit</strong>eindelijk een schema<br />

op waarin de kenmerken van de <strong>uit</strong>gewerkte<br />

bouwstenen worden beschreven.<br />

Conceptueel ontwerp:<br />

piramidemodel<br />

Bij plattelandsvernieuwing is het belangrijk<br />

onderscheid te maken in verschillende<br />

fasen. Niets gebeurt lineair. Er is


sprake van een dynamisch (gebieds-)<br />

proces dat deels te sturen is en waarbij<br />

continue afweging van verschillende<br />

belangen plaatsvindt. Een conceptueel<br />

ontwerp voor regionale arrangementen<br />

kan hierbij als brugfunctie fungeren.<br />

Het omvat “afspraken over inhoud,<br />

participatie en spelregels die tijdens het<br />

interactieve beleidsproces gelden”<br />

(Edelenbos en Klein; 2005). Er wordt<br />

een modelmatige aanpak geschetst om<br />

te komen tot een regionaal arrangement:<br />

het piramidemodel. Deze benadrukt<br />

participatie en het belang van een lokale<br />

context.<br />

Reflectie<br />

Interessant is de al dan niet betrokkenheid<br />

van overheden en het feit dat omgevingskwaliteit<br />

een constante variabele<br />

wordt bij regionale arrangementen;<br />

kennelijk is een bepaald idee over de<br />

kwaliteit van de leefomgeving onderhandelbaar.<br />

De projecten laten dit op<br />

verschillende manieren zien. De afhankelijkheid<br />

van het gebied van de<br />

productie van aardappelen en suiker<br />

moet doorbroken worden, maar wordt<br />

tegelijkertijd versterkt doordat het<br />

grootschalige agrarische karakter en de<br />

daarmee gepaard gaande open ruimte<br />

wordt gekoesterd; wat leidt tot het ondersteunen<br />

van het project ‘Precisielandbouw’.<br />

Bij ‘Project Nieuw-Buinen’<br />

stimuleert de overheid beleid om<br />

agrarische bedrijven vanwege overlast<br />

(stank, verkeer en geluid) te verplaatsen<br />

<strong>uit</strong> de linten. Dit, terwijl tegelijkertijd<br />

bouwvergunningen worden afgegeven<br />

om bestaande bedrijven verder te<br />

ontwikkelen en melkveebedrijven van<br />

b<strong>uit</strong>enaf in de linten geplaatst worden<br />

op voormalige akkerbouwbedrijven.<br />

Verder is hier het conserveren van het<br />

ontginningslandschap en het karakter<br />

van de linten heilig en kan er geen besl<strong>uit</strong><br />

worden genomen over het al dan niet<br />

ontwikkelen van tweede linten, terwijl<br />

<strong>uit</strong>breiding van een woningbouwlocatie<br />

met <strong>uit</strong>zicht op het te ontwikkelen lint<br />

niet op noemenswaardige problemen<br />

st<strong>uit</strong>. Tot slot het project “Boeren met<br />

<strong>uit</strong>zicht”. In beleidsstukken wordt het<br />

realiseren van natuurlijke waarden in<br />

het grootschalige landbouwgebied niet<br />

genoemd, toch wordt het initiatief van<br />

de akkerbouwers beloond met een<br />

stimuleringsprijs van de provincie en<br />

haalt het project de landelijke televisie<br />

met een sympathieke documentaire<br />

over de Veenkoloniën. Dit kan <strong>uit</strong>gelegd<br />

worden als willekeur.<br />

Tot slot<br />

Mijn standpunt is dat Nederland als<br />

vruchtbare delta de morele plicht heeft<br />

een aanzienlijk deel van haar voedselproductie<br />

op eigen grondgebied te<br />

produceren en haar ecologische footprint<br />

te beperken. Helemaal in een<br />

gebied als de Drentse Veenkoloniën.<br />

De grote <strong>uit</strong>vaart der boeren laten wij<br />

zelf gebeuren door een gebrek aan<br />

marktconforme betaling, duurzame<br />

betaling en continue verandering van<br />

Brusselse en Haagse regelgeving.<br />

Ruimtelijke ordening speelt hier ook<br />

een belangrijk rol waar het gaat om ont<br />

wikkelingsmogelijkheden in het b<strong>uit</strong>engebied.<br />

Het is tekenend dat in een agrarisch<br />

productielandschap als de Drentse<br />

Veenkoloniën het grondgebruik onder<br />

druk staat terwijl er volop initiatieven<br />

zijn om agrarische productie te vervlechten<br />

met andere functies zoals cultuurhistorie,<br />

landschapsschoon, recreatie en<br />

biodiversiteit.<br />

Bovenstaande heb ik mee kunnen nemen<br />

als strategisch beleidsmedewerker bij de<br />

Vereniging Nederlands Cultuurlandschap.<br />

Met haar ‘Deltaplan voor het landschap’<br />

staat een authentieke visie op het<br />

landschap als geheel. Deze landschapsvisie<br />

is ambitieus doordat het gericht is<br />

op alle kavelgrenzen in de gangbare<br />

landbouw in heel Nederland, b<strong>uit</strong>en de<br />

natuurgebieden en b<strong>uit</strong>en het stedelijk<br />

gebied. Dit betreft 69% van het landoppervlak.<br />

De Vereniging beoogt een grootscheeps<br />

herstel van de traditionele kavelgrenzen<br />

en de aanleg en het ontwerp van geheel<br />

nieuwe elementen in heel Nederland<br />

b<strong>uit</strong>en de aangekochte natuurgebieden<br />

en steden. Dit netwerk van landschapselementen<br />

zoals akkerranden, bloemrijke<br />

bermen en slootkanten, heggen en<br />

houtwallen, graften en lanen, wordt in<br />

het plan gekoppeld aan fiets-, r<strong>uit</strong>er- en<br />

voetpaden en kanoroutes. Het gaat<br />

hierbij om 200.000 km kavelgrenzen en<br />

50.000 kilometer recreatieve routes.<br />

Het ontwerp richt zich op (nieuwe)<br />

cultuurhistorie, biodiversiteit, genietbaarheid,<br />

streekeigenheid, schoonheid<br />

en inpasbaarheid. Het plan vraagt om<br />

een financiering <strong>uit</strong> een vermogensfonds<br />

in particuliere hand, dat <strong>uit</strong> rente<br />

een marktconforme duurzame financiering<br />

<strong>uit</strong>keert aan grondeigenaren die<br />

het landschap beheren. Lokale commissies<br />

maken in eigen streek de ontwerpen.<br />

In deze commissies hebben vertegenwoordigers<br />

zitting van de boeren, burgers<br />

en lokale bestuurders, heemkunde,<br />

cultuurhistorie, natuurbescherming en<br />

ecologie, toerisme en landschaparchitectuur.<br />

[summary]<br />

The aim of this study is to gain more<br />

insight in the possibilities of the use of<br />

regional agreements concerning rural<br />

innovation. In order to understand this<br />

concept theoretical building blocks<br />

have been developed, which have<br />

been brought about empirically. These<br />

have been analysed in coherence by<br />

empirical research in the area of the<br />

‘Drentse Veenkoloniën’. A spatial<br />

component from the sociological angle<br />

of incidence have been chosen:<br />

enhancing quality of living space. This<br />

angle points out the importance of<br />

participation and local context in a<br />

complex social environment.<br />

The reflection aims to improve the<br />

quality of unique Dutch culture<br />

landscapes and offers a perspective<br />

for (agricultural) entrepreneurs in the<br />

rural area. A creative policy is likeable,<br />

in which leading policy have to support<br />

the executing innovation track much<br />

more.<br />

TOPOS / 04 / 2006 57


Een zee van ruimte<br />

Het watersysteem voor deelplan II Meerstad Groningen<br />

De stad Groningen wordt<br />

<strong>uit</strong>gebreid in oostelijke<br />

richting. Het masterplan voor<br />

deze <strong>uit</strong>breiding, Meerstad<br />

Groningen, is inmiddels<br />

gereed en momenteel wordt<br />

gewerkt aan de <strong>uit</strong>werking<br />

van fase 1.<br />

De gemeente Groningen<br />

bood mij de gelegenheid om<br />

binnen het kader van het<br />

masterplan de tweede fase,<br />

deelplan II, te ontwerpen.<br />

Het ontwerp dat verder<br />

wordt besproken was tevens<br />

mijn afstudeerproject voor<br />

de leerstoelgroep Land-<br />

schapsarchitectuur in<br />

Wageningen. Het eindresul-<br />

taat is een integraal ontwerp<br />

voor wonen, water en natuur.<br />

In dit artikel beperk ik me<br />

tot een toelichting op het<br />

ontwerp van het<br />

watersysteem.<br />

Dirk oomen<br />

Student Landschapsarchitectuur<br />

dirk.oomen@wur.nl<br />

58 TOPOS / 04 / 2006<br />

Meerstad wordt gecreëerd in een gebied<br />

op de overgang van de pleistocene zandgronden<br />

naar de holocene kleiafzettingen,<br />

waar een dik pakket veen is gevormd.<br />

Het merendeel van het veengebied is<br />

vanaf de 12e Historie plan Meerstad Groningen<br />

eeuw in gebruik voor<br />

landbouw. Door winning en inklinking<br />

van veen, en sinds kort ook door de<br />

winning van gas in de diepe ondergrond,<br />

is het gebied het laagst gelegen gebied<br />

van Groningen geworden. Het ligt<br />

inmiddels 2 meter onder N.A.P en zal<br />

de komende 50 jaar nog ongeveer 35<br />

tot 45cm zakken. Door de lage ligging<br />

trekt het grondwater naar het gebied en<br />

er moet sterk bemaald worden om te<br />

kunnen blijven gebruiken voor grootschalige<br />

akkerbouw. De ongunstige<br />

economische omstandigheden voor de<br />

landbouw leidden tot vele onsamenhangende<br />

ontwikkelingen in het gebied<br />

zoals zandwinning, aanleg van productiebos<br />

en recreatieterreinen, bouw van<br />

windmolens en natuurontwikkeling.<br />

Tegelijkertijd is er in Nederland een<br />

grote vraag ontstaan naar landelijk c.q.<br />

ruim wonen. Als gevolg daarvan zijn<br />

dorpen in de omgeving van de stad<br />

Groningen sterk gaan groeien.<br />

Hierdoor wordt het landelijke karakter<br />

van de ommelanden aangetast. Provinciale<br />

en gemeentelijke overheden wilden<br />

deze ongewenste ontwikkelingen op een<br />

samenhangende manier aanpakken. Er<br />

werd een strategie bedacht om het<br />

gebied nieuwe economische impulsen<br />

te geven gegeven en tegelijkertijd de<br />

ontstane water- en woonproblematiek<br />

in de regio op te lossen. Met de bouw<br />

van Meerstad Groningen wordt het<br />

gebied opnieuw op de kaart gezet.<br />

Masterplan Meerstad Groningen<br />

Het masterplan geeft de grote lijnen<br />

aan waarlangs het overwegend agrarische<br />

landschap omgevormd gaat worden tot<br />

een multifunctioneel woon-, werk-,<br />

recreatie- en natuurgebied. De totale<br />

ontwikkeling is voorzien voor de<br />

periode 2006-2026. Er gaan 10000<br />

woningen gebouwd worden in dicht-<br />

heden van respectievelijk 6, 9, 15 en 27<br />

woningen per hectare. Er wordt een<br />

groot meer (600 ha) aangelegd om 3<br />

miljoen kubieke meter water te kunnen<br />

bergen tijdens natte perioden. Het meer<br />

moet ook een recreatieve trekker worden<br />

en rond het meer wordt de ecologische<br />

hoofdstructuur van de stad en de regio<br />

versterkt. De masterplankaart legt de<br />

ontwikkelingen voor Meerstad in hoofdlijnen<br />

vast, maar bij de nadere invulling<br />

en <strong>uit</strong>werking kon ik hiervan afwijken,<br />

wanneer ik daar reden toe zag. Deelplan<br />

II omvat de aanleg van het meer, de<br />

aanleg van een groen- en waterstructuur<br />

en de bouw van 1350 woningen in een<br />

lage dichtheid. Verder wordt het meer<br />

opgenomen in de ecologische hoofdstructuur.<br />

Een schoon meer voor Meerstad<br />

Groningen<br />

Het is belangrijk dat het water in het<br />

meer helder en voedselarm is. Alleen<br />

dan is het meer aantrekkelijk voor<br />

recreanten en toekomstige bewoners en<br />

alleen dan kan zich in en om het water<br />

een rijk geschakeerde natuur ontwikkelen.<br />

Het water is momenteel eutroof en niet<br />

echt helder omdat door het lage peil<br />

(3.00 tot –3.70 -NAP) voedselrijk water<br />

<strong>uit</strong> de omgeving via de ondergrond naar<br />

het gebied stroomt. Het meer moet<br />

daarom een hoger peil krijgen dan de<br />

directe omgeving om het zo waterhuishoudkundig<br />

te isoleren en de instroom<br />

van nutriënten te minimaliseren. Verder<br />

moet de door landbouw verrijkte<br />

bovengrond (0.4m dik) verwijderd<br />

worden. Klei- en veenbodems worden<br />

zelfs dieper <strong>uit</strong>gegraven en vervangen<br />

door zand. Zo wordt voorkomen dat<br />

vissen en windgolven het water troebel<br />

maken door klei en veen op te woelen.<br />

De groei van helofyten en daarmee de<br />

natuurlijke zuivering van het water wordt<br />

gestimuleerd door het water langs de<br />

randen ondiep te houden. Verder in<br />

het meer zullen de diepten die ontstaan<br />

bij de winning van zand, een buffer<br />

vormen tegen de opwarming van het<br />

water in de zomer. Deze diepten gaan


Dwarsprofiel Waddenzee<br />

tevens functioneren als bezinkingsbassins<br />

voor het met fosfaat verrijkte slib, dat<br />

nog ontstaat. Het waterpeil van het meer<br />

is inmiddels vastgesteld op –2.30 NAP.<br />

Bij dit peil en de voorgenomen waterdieptes<br />

moet het meer vergraven worden<br />

waarbij 22 miljoen m 3 grondverzet gaat<br />

worden. Het meer wordt een half verzonken<br />

badkuip in het laagste deel van<br />

provincie Groningen.<br />

Twee open werelden met twee<br />

vormtalen<br />

Het huidige landschap is, afgezien van<br />

de verstoringen, vooral open en weids.<br />

Het geeft een gevoel van vrijheid en<br />

ongebondenheid. Ik wilde deze openheid<br />

en ruimte beleefbaar houden voor de<br />

toekomstige bewoners. Bij de analyse<br />

van het plangebied kwamen verder twee<br />

belangrijke en ruimtelijk gescheiden<br />

kenmerken naar voren. In het westelijk<br />

deel is een 12 e eeuwse radiale verkavelingstructuur<br />

nog steeds zichtbaar en in<br />

het oostelijk deel ligt een natuurlijk<br />

gevormde dekzandrug. Dit contrast<br />

vormde het vertrekpunt voor mijn<br />

verdere ontwerp. In het westelijke deel<br />

wordt die radiale structuur het ordeningsprincipe<br />

voor de water-, wegen-<br />

en groenstructuur. Hier ligt de nadruk<br />

op wonen in lage dichtheid, 9 tot 18<br />

woningen per hectare. Via ruime assen<br />

die naar het meer lopen, blijft de ruimte<br />

beleefbaar voor de toekomstige bewoners.<br />

De lineaire structuur voorkomt dat<br />

de wijken naar binnen gekeerde doolhoven<br />

worden. Het plangebied wordt zo<br />

bovendien verankerd in de omgeving<br />

en het sl<strong>uit</strong> zo aan op deelplan I waar<br />

de radiale structuur eveneens zichtbaar<br />

gebleven is. In het oostelijk deel gaan<br />

het natuurlijke reliëf en het waterpeil<br />

de vorm van het gebied bepalen. De<br />

oever krijgt een natuurlijk en gebogen<br />

tracé en de patronen in de vegetatie<br />

zullen voor een belangrijk deel het gevolg<br />

zijn van de plaatselijke grondwaterstand<br />

en hoogteligging. In dit oostelijk deel<br />

komt de nadruk te liggen op natuurontwikkeling<br />

en de verbinding met de ecologische<br />

hoofdstructuur in de provincie.<br />

Door deze tweedeling ontstaan er twee<br />

werelden, elk met een eigen vormtaal<br />

(lineair naast organisch) en een overwegende<br />

functie.<br />

Waterkwaliteit<br />

In waterrijke woonwijken ontstaan<br />

gemakkelijk problemen door algenbloei,<br />

ophoping van drijfvuil, overtollige kroosvorming,<br />

insectenoverlast en geurvorming.<br />

Dit kan voorkomen worden door<br />

het water in de wijken voldoende in<br />

beweging te houden en te verversen. In<br />

een meer beweegt water nauwelijks,<br />

alleen afkoeling, wind en pleziervaart<br />

brengen water in beweging. De waterstructuur<br />

is zo een vorm gegeven dat<br />

deze ertoe bijdraagt dat het water in<br />

beweging komt. De woonwijken worden<br />

via watergangen verbonden met het<br />

meer. Deze vormen een aaneengesloten<br />

netwerk zonder doodlopende watergangen<br />

en de hoofdwatergangen monden<br />

<strong>uit</strong> in het meer. De hoofdwatergangen<br />

Masterplan Meerstad Groningen<br />

komen voort <strong>uit</strong> de 12 e eeuwse radiale<br />

structuur en hebben een tapse vorm.<br />

De beschoeide gebogen contourvorm<br />

van de monding functioneert als golvenvanger.<br />

De vernauwende vorm in de<br />

hoofdwatergangen zorgt ervoor dat de<br />

golven geknepen worden, waardoor het<br />

waterpeil stijgt. Hierdoor komt er een<br />

stroom op gang richting de achtergelegen<br />

woongebieden. Door de ruime maten<br />

van de hoofdwatergangen (minimaal 30<br />

meter breed) zal het water gemakkelijker<br />

doorstromen. Er worden waterdiepten<br />

tot 2 meter aangehouden. De grote volumina<br />

voorkomen een snelle eutrofiëring<br />

en een te verregaande opwarming van<br />

het water. In periodes van afkoeling zal<br />

er een grotere verticale stroming op gang<br />

komen. Dit alles heeft een positieve invloed<br />

op de ontwikkeling van waterflora<br />

en fauna. Bij een hoog vissenbestand<br />

worden insectenpopulaties op een natuurlijke<br />

wijze in toom gehouden.<br />

Helofyten langs de oevers helpen het<br />

water te zuiveren. Verder wordt het<br />

schone regenwater van de woningen<br />

direct afgevoerd op het oppervlaktewater.<br />

De toestroom van dit water bevor-<br />

TOPOS / 04 / 2006 59


dert ook de doorstroming. In het oostelijk<br />

deel komt vooral groot open water<br />

voor en ondiep water met een zuiverende<br />

oeverbeplanting met riet, zegge en<br />

moerasbos; hier worden geen problemen<br />

verwacht met de waterkwaliteit.<br />

Beleving van het water<br />

Water staat voor weids, wind en openheid.<br />

In het huidige masterplan wordt<br />

afbreuk gedaan aan de openheid van<br />

het meer door centraal in het meer een<br />

Ontwerp deelplan II<br />

Vogelvlucht ontwerp deelplan II<br />

60 TOPOS / 04 / 2006<br />

cirkelvormig eiland en weg te situeren.<br />

In mijn ontwerp verdwijnen deze, waardoor<br />

de openheid van het meer sterk<br />

toeneemt. Mensen wonen graag aan het<br />

water en dat werd mogelijk door vele<br />

eilanden te maken, zodat 45 % van de<br />

woningen direct aan het water grenst.<br />

De breedte van de watergangen maakt<br />

dat de bewoners zich niet gaan afschermen<br />

tegen de blik van buren en passanten.<br />

In het westelijk deel zijn zichtlijnen<br />

tussen de eilanden van<strong>uit</strong> achtergelegen<br />

woonbuurten naar het meer gecreëerd.<br />

Door de tapse vorm van de watergangen<br />

ontstaat een perspectivische verkorting<br />

waardoor het meer dichterbij lijkt te liggen.<br />

De zichtlijnen liggen in het verlengde<br />

van bomenlanen die de ontsl<strong>uit</strong>ing<br />

vormen van de zuidelijk gelegen woonbuurt<br />

in het westelijk deel. Deze zichtlijnen<br />

helpen bewoner en bezoeker zich<br />

te oriënteren. Door te kiezen voor overwegend<br />

groene en zachte randen langs<br />

het meer ontstaat er een aantrekkelijk<br />

beeld voor de waterrecreant. In contrast<br />

hiermee wordt een nieuw dorp op de<br />

kop van de dekzandrug gebouwd. Dit<br />

vormt een stedelijk accent binnen de<br />

zachte groene randen. Een haven en<br />

een strand maken het tot een aantrekkelijke<br />

plek voor recreanten. Op de b<strong>uit</strong>enste<br />

eilanden van het westelijk deel<br />

staan de woningen in aarden wallen<br />

waardoor ze grotendeels <strong>uit</strong> het zicht<br />

blijven van de waterrecreant. Hierdoor<br />

leggen de woningen geen claim op het<br />

water. De gebogen wallen met woningen<br />

maken de rand van het meer herkenbaar<br />

en zorgen tegelijk voor een bijzonder<br />

einde van de radiale structuur. De<br />

huizen zelf hebben een mooie<br />

besloten tuin op het zuiden en bieden<br />

een prachtig <strong>uit</strong>zicht over het meer<br />

vanaf de bovenste verdieping en een<br />

terras. Langs het meer loopt een<br />

recreatieve fiets- en wandelroute die de<br />

verschillende openbare plekken aan het<br />

water met elkaar verbindt.<br />

Tot slot<br />

In mijn ontwerp bepaalt het watersysteem<br />

in grote mate de vorm en de<br />

identiteit van deelplan II. Het aanwezige<br />

reliëf en de historische verkavelingstructuur<br />

zijn terug te vinden en de<br />

gekozen vorm van het watersysteem<br />

bevordert zowel de zuivering als de<br />

beleving van de ruimte van het water.<br />

Er is ervoor gekozen de ruimte te delen<br />

en die niet te laten claimen. Mensen<br />

kunnen er wonen in de beslotenheid<br />

van hun huis en tegelijk in de open<br />

ruimte van Groningen.


Summary<br />

The extension of the city of Groningen<br />

(Meerstad) will be combined with the construction<br />

of a large artificial lake to store<br />

excessive rain water and with the development<br />

of a natural area. The integration of<br />

these functions is discussed in this paper,<br />

with an emphasis on the design of the<br />

water system.<br />

The water in the lake and connected waterways<br />

should be clear and clean. Therefore,<br />

the current fertile topsoil will be removed,<br />

the inflow of water rich in nutrients will be<br />

avoided by transforming the lake area from<br />

a sink into a source and natural purification<br />

will be supported by the design of waterways<br />

and vegetation along banks and shore.<br />

The openness of the Groningen landscape<br />

can be experienced in the residential quarters<br />

and two local characteristic and contrasting<br />

patterns (a radial artificial water<br />

structure from 12 th age in the western part<br />

and a natural organic structure made by<br />

wind in the eastern part) are still visible.<br />

Foto: Dirk Oomen<br />

TOPOS / 04 / 2006 61


BOEKEN<br />

Fieldwork<br />

Landschapsarchitectuur in <strong>Europa</strong><br />

Lisa Diedrich, Robert Holden en Eric<br />

L<strong>uit</strong>en<br />

Uitgeverij THOTH, Bussum (www.<br />

thoth.nl), Stichting LAE, 2006<br />

ISBN 90-6868-423-x<br />

Prijs: € 55,00<br />

(24 x 30 cm / 253 pagina’s met 500 ill.<br />

Waarvan 300 in kleur)<br />

Dit boek is de eerste van een driejaarlijkse<br />

publicatie. In het boek Fielwork<br />

wordt allereerst in zeven essays een<br />

aantal onderwerpen besproken. In het<br />

eerste essay wordt verduidelijkt hoe<br />

het boek is ontstaan en met welke<br />

problemen de jury te kampen had.<br />

Daarna worden andere onderwerpen<br />

<strong>uit</strong>gediept, zoals het agrarisch landschap<br />

(waarin al kort wordt verwezen<br />

naar de projecten), parken, tuinen en<br />

verschillende trends. Ook wordt de<br />

toekomst van de landschapsarchitectuur<br />

in Midden <strong>Europa</strong> vergeleken met<br />

de landschapsarchitectuur in de rest<br />

van <strong>Europa</strong>, met wellicht iets te vergaande<br />

informatie. In de verschillende<br />

essays komt de rol van de landschapsarchitect<br />

naar voren op een herkenbare<br />

manier.<br />

Kort gezegd komen er in de essays<br />

verschillende landschappelijke (architectuur)<br />

ontwikkelingen van binnen<br />

<strong>Europa</strong> aan bod. Alhoewel het zeer<br />

interessant is wordt er helaas niet veel<br />

nieuws <strong>uit</strong>gelicht.<br />

Vervolgens worden er 43 ontwerpen<br />

62 TOPOS / 04 / 2006<br />

gepresenteerd die verzameld zijn door<br />

landschapsarchitecten <strong>uit</strong> verschillende<br />

Europese landen. Zowel stedelijke<br />

als landelijke gebieden worden belicht.<br />

De projecten dateren <strong>uit</strong> de periode<br />

2001 tot 2004. Ieder project wordt<br />

verduidelijkt door tekst, plattegronden<br />

en verschillende illustraties en<br />

foto’s in kleur. Bij de projecten wordt<br />

de nodige informatie gegeven, zoals<br />

het programma, de opdrachtgever en<br />

oppervlakte. Naast deze gegevens<br />

wordt door middel van tekst het ontwerp<br />

<strong>uit</strong>gelegd. Een duidelijke opbouw<br />

van het boek maakt het zeer leesbaar<br />

en aantrekkelijk. Alhoewel ik me bij<br />

sommige projecten afvroeg of het nu<br />

over landschapsarchitectuur ging, of<br />

over kunst.<br />

Monique Sperling<br />

Indelen en afbakenen<br />

Ruimtelijke typologieën in het<br />

beleid<br />

A. de Vries, H. van Amsterdam en H.<br />

Thorborg<br />

NAi Uitgevers (Rotterdam) en Ruimtelijk<br />

Planbureau (Den Haag) 2006<br />

ISBN: 90-5662-547-0<br />

Prijs: 22,50 euro<br />

Pagina’s: 120<br />

Het Ruimtelijk Planbureau verstaat onder<br />

een ruimtelijke typologie een “indeling<br />

van de ruimte die is gemaakt aan de<br />

hand van vooraf opgestelde criteria”. Een<br />

typologie geeft <strong>uit</strong>drukking aan heersende<br />

beleidsopvattingen over ruimte.<br />

Net als een concept kan een typologie<br />

een analyserende of sturende functie<br />

hebben. Analytische typologieën zijn<br />

geschikt voor het herkennen van ruimtelijke<br />

patronen. Sturende typologieën<br />

echter zijn het gevolg van een beleidsbeslissing.<br />

Een typologie kan ingezet<br />

worden in verschillende fasen van de<br />

beleidscyclus en op diverse schaalniveaus.<br />

Het verschil met een concept is<br />

dat een typologie instrumenteel en concreet<br />

is, terwijl een concept vaak een<br />

visie of referentiebeeld is. Typologieën<br />

zijn geschikt als communicatiemiddel.<br />

Of beleid er ook succesvol van wordt,<br />

kan niet direct worden gesteld.<br />

Door decentralisatie wordt het sturen<br />

met nationale typologieën moeilijker.<br />

Nationale typologieën krijgen het karakter<br />

van een referentiebeeld, worden<br />

minder concreet en gaan meer lijken<br />

op een ruimtelijk concept. Deze nationale<br />

typologieën zullen concurrentie<br />

krijgen met typologieën die wel aansl<strong>uit</strong>en<br />

bij de lokale planningpraktijk.<br />

Er ontstaat een dilemma: hoe houdt het<br />

Rijk zicht en invloed op lokale ontwikkelingen<br />

zonder lokale overheden een<br />

typologie op te dringen? Helaas geeft<br />

het RPB geen oplossing voor deze<br />

kwestie. Een ander gevaar wat schuilt<br />

in het gebruik van typologieën is dat<br />

overheden zich vastbijten in een bepaalde<br />

typologie en daardoor verstarren.<br />

De typologieën ‘woonmilieu’, ‘bebouwd<br />

gebied’, ‘detailhandellocatie’ en ‘achterstandswijk’<br />

zijn nader bekeken. De<br />

term ‘bebouwd gebied’ is bijvoorbeeld<br />

een goede benadering voor het aangeven<br />

van de beleefde grens tussen<br />

stad en land. De term is minder geschikt<br />

om de toename van verspreide<br />

bebouwing te onderzoeken.<br />

Deze interessante publicatie maakt de<br />

lezer bewust van de gevolgen van ‘labels<br />

plakken’ en zou daarom voor elke<br />

‘label plakker’ tot de verplichte literatuur<br />

moeten behoren. Door het gebruik van<br />

vier stedelijke voorbeeldtypologieën is<br />

de groene kant helaas blijven liggen.<br />

Jolanda in ’t Veld


De architectuur van het geluk<br />

Alain de Botton (2006)<br />

Uitgeverij Atlas, Amsterdam<br />

ISBN 90-450-1276-6<br />

Prijs: Euro 19,90<br />

De vormgeving, compositie en kleurgebruik<br />

toegepast op bouwwerken, in<br />

kamers, op meubels en in schilderijen<br />

kunnen de mens een gevoel van geluk<br />

geven. Tenminste, als deze drie op<br />

een juiste manier worden toegepast.<br />

Die ‘juiste’ manier is grotendeels<br />

afhankelijk van de aanschouwer want<br />

jawel, smaken verschillen. In ‘De architectuur<br />

van het geluk’ legt Alain de<br />

Botton <strong>uit</strong> waarom sommige mensen<br />

een positieve ervaring hebben bij een<br />

ontwerp terwijl anderen het verafschuwen.<br />

En hoe algemeen gewaardeerde<br />

stijlen in de samenleving veranderen<br />

met de tijd, zoals de overgang van de<br />

renaissance tuinen naar de Engelse<br />

landschapsstijl.<br />

Eén van de theorieën van AdB is dat<br />

wanneer gebouwen als mooi bestempel<br />

worden deze de persoonlijkheid<br />

van de aanschouwer aanvullen. Zo<br />

zou een chaotisch persoon houden<br />

van heldere, overzichtelijke architectuur.<br />

Een mens zoekt compensatie<br />

van zichzelf in de eigen omgeving;<br />

in de architectuur van hun huis, in<br />

de vormgeving van de meubels en in<br />

kunst bijvoorbeeld.<br />

Dit geldt niet enkel voor individuen<br />

maar ook op maatschappelijk niveau.<br />

Kunststijlen zullen altijd opkomsten<br />

en ondergangen kennen in een samenleving<br />

doordat de behoeften in<br />

deze maatschappij ook veranderen.<br />

Bijvoorbeeld door een veranderend<br />

politiek beleid of door technologische<br />

ontwikkelingen. Kunst zal daarin altijd<br />

de compensatie vormen. Die stijl die<br />

belichaamt wat op dat moment mist<br />

in de samenleving zal de boventoon<br />

voeren, aldus de Botton.<br />

Voor vormgevers in ontwikkeling, zij<br />

die hun mening nog moeten vormen<br />

over hen persoonlijke ‘mooi en lelijk’<br />

is dit boek een goed hulpmiddel. Met<br />

allerlei voorbeelden en foto’s <strong>uit</strong> de<br />

kunstgeschiedenis worden de theorieën<br />

van de Botton toegelicht zodat<br />

terloops ook deze kennis wordt vergroot.<br />

Aan de hand van dit boek heb ik<br />

begrepen waarom ik bepaalde esthetische<br />

voorkeuren heb. Mocht jij je<br />

voorkeuren al duidelijk hebben, dan<br />

is de theorie ook omgedraaid toepasbaar:<br />

het is een manier jezelf beter te<br />

leren kennen. Allebei een belangrijke<br />

les.<br />

Adam Hofland<br />

Atelier IJmeer 2030+<br />

Teun Koolhaas, Ellen Marcusse<br />

Uitgeverij 010, Rotterdam, 2006<br />

ISBN 90-6450-604-3<br />

Prijs: € 39,50 (283 bladzijden)<br />

De verbinding Almere met de Randstad,<br />

specifieker met Amsterdam, was<br />

in oktober nog in het nieuws door het<br />

kamerbesl<strong>uit</strong> over het doortrekken van<br />

de A6 naar de A9, middels ondertunneling<br />

van het Naardermeer, die niet<br />

doorgaat. Dit besl<strong>uit</strong> spaart de unieke<br />

natuur rondom het Naardermeer, maar<br />

stelt een verbetering van de bereikbaarheid<br />

van Almere <strong>uit</strong> tot er andere<br />

oplossingen gevonden zijn. Kamerlid<br />

Hofstra kwam prompt met het plan<br />

een brug aan te leggen, over het<br />

IJmeer, tussen Almere en Amsterdam<br />

IJburg.<br />

Nieuw was dat idee echter niet, laat<br />

staan van hemzelf. Twee stedenbouwkundigen,<br />

Teun Koolhaas en<br />

Ellen Marcusse, zijn in 2003 van<br />

start gegaan met het Atelier IJmeer,<br />

in opdracht van de wethouder ruimtelijke<br />

ordening van Almere. In het<br />

atelier kregen de twee de vrijheid<br />

om aan een visie te werken voor het<br />

ontwikkelen van Almere Pampus, het<br />

nieuwste stadsdeel waar de komende<br />

tijd 60.000 woningen gerealiseerd<br />

moeten worden. Dit moet in hun<br />

visie een stads<strong>uit</strong>breiding worden die<br />

landschappelijk en civiel verankerd<br />

is binnen de gehele noordelijke randstad.<br />

Woonmilieus in Almere moeten<br />

gedifferentieerder worden en zich niet<br />

alleen richten op woonvormen in het<br />

bos, die alom tegenwoordig zijn, maar<br />

daarnaast het water in westelijke richting<br />

opzoeken. Almere Pampus wordt<br />

voorgesteld als een stadsdeel dat<br />

deels b<strong>uit</strong>endijks en deels in de luwte<br />

binnendijks aangelegd wordt. Op zeer<br />

diverse manieren worden stedelijke<br />

maritieme woonmilieus vormgegeven,<br />

waar bebouwing met het natuurlijke<br />

milieu wordt verweven. De <strong>uit</strong>breiding<br />

verwijst meerdere malen naar succesvolle<br />

Amsterdamse projecten aan<br />

het water. In het stedenbouwkundige<br />

plan wordt, waar mogelijk, de visuele<br />

nabijheid van de hoofdstad benadrukt.<br />

Om Almere in de toekomst goed te<br />

ontsl<strong>uit</strong>en is een brug bedacht vanaf<br />

Almere naar Amsterdam, die aanlandt<br />

in IJburg.<br />

Het boek Atelier IJmeer 2030+ verslaat<br />

het werk van de afgelopen 3 jaar.<br />

De regionale visie die tot stand is gekomen,<br />

is bedoeld als een frame om<br />

richting te geven aan woningbouw en<br />

ontwikkeling van infrastructuur, gedurende<br />

de komende 25 jaar. Het frame<br />

moet verschuivingen in prioriteiten en<br />

nieuwe inzichten kunnen opvangen.<br />

Het boek illustreert de werkwijze van<br />

het project en de tot stand gekomen<br />

visie <strong>uit</strong>bundig met veel gekleurd<br />

kaart- en referentiemateriaal, waardoor<br />

het zeer toegankelijk en goed<br />

leesbaar is.<br />

Renée de Waal<br />

TOPOS / 04 / 2006 63


Planning als Gesprek<br />

Grondslagen voor ruimtelijke planning<br />

en beleid in de eenentwintigste<br />

eeuw<br />

Wim de Haas<br />

Uitgeverij de Graaff, Utrecht, 2006<br />

ISBN 90-77024-19-0<br />

Prijs: € 24,50 (231 bladzijden)<br />

Wim de Haas benadert in ‘Planning<br />

als Gesprek’ de ruimtelijke planning<br />

als een vorm van taalhandelen, met<br />

een eigen woordenschat, zinsbouw<br />

en grammatica. De Haas herkent<br />

verschillende communicatiegenres:<br />

ontwerpen, onderzoeken, beslissen<br />

en ingrijpen. In het vinden van goede<br />

overgangen tussen de genres, ziet<br />

hij het wezen van de ruimtelijke planning.<br />

In deze passages is ruimte voor<br />

reflectie die planologie een wetenschappelijk<br />

karakter geeft. De noodzaak<br />

voor een dergelijke benadering<br />

komt voort <strong>uit</strong> een heersend onbehagen<br />

binnen de planning. De idee<br />

van publieke, strategische ruimtelijke<br />

planning en de ontwikkelingen in de<br />

post-moderne tijd, die zich meer en<br />

meer richten op ad hoc en gebiedsgericht<br />

ingrijpen zonder integrale achterliggende<br />

visie, zijn bepaald niet vloeiend<br />

in elkaar overgegaan. Kritische<br />

reflectie op dit soort vraagstukken<br />

ontbreekt, een gemis dat ‘Planning als<br />

Gesprek’ probeert in te vullen, waarbij<br />

veelvuldig wordt teruggegrepen op<br />

filosofen als Kant en Lyotard.<br />

De benadering van planning als taalhandelen,<br />

die <strong>uit</strong>voerig wordt <strong>uit</strong>gelegd,<br />

is wel tamelijk abstract. In latere<br />

hoofdstukken wordt De Haas echter<br />

concreter wat betreft de toepassing<br />

van deze planningsbenadering en<br />

64 TOPOS / 04 / 2006<br />

slaat hij een brug tussen zijn theoretische<br />

benadering en de planningspraktijk.<br />

Het boek is in mijn ogen vooral een<br />

hedendaagse manier van definiëren<br />

wat planning is en hoe we er mee<br />

om kunnen gaan in dit post-moderne<br />

tijdperk. Als student landschapsarchitectuur<br />

kreeg ik een beeld van wat het<br />

ontwerpen in het proces van ruimtelijke<br />

ordening kan zijn. Voor studenten<br />

die op zoek zijn naar theoretische<br />

verdieping is het boek een aanrader.<br />

Renée de Waal<br />

Een plan dat werkt. Ontwerp en politiek<br />

in de regionale planvorming.<br />

Maarten Hajer, Dirk Sijmons, Fred<br />

Feddes e.a.<br />

NAi <strong>uit</strong>gevers, Rotterdam, 2006<br />

ISBN: 90-5662-472-5<br />

“Een plan dat werkt” is het verslag<br />

van een onderzoek dat medewerkers<br />

van de Universiteit van Amsterdam in<br />

samenwerking met landschapsarchitecten<br />

van H+N+S <strong>uit</strong>voerden naar de<br />

kansen van ontwerpend onderzoek op<br />

het regionale schaalniveau. Dit naar<br />

aanleiding van tegenvallende ontwerpkwaliteit<br />

en democratische legitimiteit<br />

op dat schaalniveau.<br />

Na de inleiding gaan de schrijvers in<br />

op de ruimtelijke vraagstukken op de<br />

regionale schaal, en vooral de kansen<br />

die regionaal ontwerp biedt. Regionaal<br />

ontwerp zou in de ogen van de schrijvers<br />

niet allesomvattend, maar selectief<br />

moeten zijn. Als belangrijkste taak<br />

wordt “het bezielen van domme planologische<br />

processen” gezien. Daar-<br />

naast kan het ontwerpend onderzoek<br />

ook een institutionele functie krijgen.<br />

Het daarop volgende hoofdstuk behandelt<br />

de legitimiteit van het regionaal<br />

ontwerp. Planprocessen vinden<br />

volgens het boek tegenwoordig plaats<br />

in netwerken. De legitimeit zoals die in<br />

de representatieve democratie geldt,<br />

komt daarmee in gevaar. Volgens de<br />

schrijvers moet het begrip van legitimiteit<br />

daarom worden aangevuld met<br />

discursieve en performatieve legitimiteit.<br />

Discursiviteit wil zeggen dat politieke<br />

besl<strong>uit</strong>en het resultaat zijn van<br />

een inhoudelijk argumentatieproces<br />

door actoren. Performatieve legitimiteit<br />

betekent dat het proces voor actoren<br />

acceptabel en overtuigend is.<br />

In het hart van het boek doen de<br />

onderzoekers verslag van drie ontwerpprocessen:<br />

de Stelling van Amsterdam,<br />

het Groene Hart en de RZG<br />

driehoek (Rotterdam, Zoetermeer,<br />

Gouda). In alle drie casussen werd<br />

een poging gedaan om via ontwerpend<br />

onderzoek tot oplossingen voor<br />

ruimtelijke problemen op het regionale<br />

niveau te komen. Het proces en<br />

de context verschilden, evenals de<br />

<strong>uit</strong>gangssituatie en het resultaat. In<br />

intermezzo’s tussen de casussen worden<br />

de resultaten van twee workshops<br />

over de politiek-bestuurlijke rol van de<br />

ontwerper en de bestuurlijk-juridische<br />

landing van plannen besproken.<br />

De schrijvers besl<strong>uit</strong>en het boek met<br />

een betoog waarin zij ‘deltaplanologie’<br />

aandragen als oplossing voor de problemen<br />

in de regio. Met deltaplanologie<br />

willen de auteurs weer een leidend<br />

verhaal in de Nederlandse planning<br />

brengen en tevens de planning effectiever<br />

maken door het probleem<br />

centraal te stellen, duidelijkheid te<br />

scheppen en bestuurders voldoende<br />

armslag te geven.<br />

“Een plan dat werkt” is een inhoudelijk<br />

rijk boek met een intrigerende boodschap.<br />

Het boek kan een stimulans<br />

zijn voor diegenen die planning en<br />

ontwerp met elkaar proberen te verbinden.<br />

De hoofdstukken missen veelal<br />

een goede opbouw en een bondige<br />

formulering; het lijkt vooral een geschreven<br />

ontwerpend onderzoek. Het boek<br />

is de worsteling echter meer dan waard.<br />

Stijn Heukels


TOPOS Perodiek van het Laboratorium voor Ruimtelijke Planvorming<br />

Abonnement<br />

Ja, ik wil een abonnement op TOPOS. Dit abonnement heeft een looptijd van een jaar. Na het<br />

voldoen van de abonnementsgeld ontvang ik ook de eerdere nummers die TOPOS dat jaar <strong>uit</strong><br />

heeft gebracht. Het abonnementsgeld van 15 euro maak ik onder vermelding van mijn naam<br />

en adres over op rekeningnummer 397090846 t.n.v. Genius Loci, inzage TOPOS te Wageningen.<br />

Naam (Bureau)<br />

Straat<br />

Postcode<br />

Telefoonnummer<br />

Woonplaats<br />

E-mail<br />

Plaats Datum Handtekening<br />

Abonnement<br />

Ja, ik wil een abonnement op TOPOS. Dit abonnement heeft een looptijd van een jaar. Na het<br />

voldoen van de abonnementsgeld ontvang ik ook de eerdere nummers die TOPOS dat jaar <strong>uit</strong><br />

heeft gebracht. Het abonnementsgeld van 15 euro maak ik onder vermelding van mijn naam<br />

en adres over op rekeningnummer 397090846 t.n.v. Genius Loci, inzage TOPOS te Wageningen.<br />

Naam (Bureau)<br />

Straat<br />

Postcode<br />

Telefoonnummer<br />

Woonplaats<br />

E-mail<br />

Plaats Datum Handtekening<br />

Abonnement<br />

Ja, ik wil een abonnement op TOPOS. Dit abonnement heeft een looptijd van een jaar. Na het<br />

voldoen van de abonnementsgeld ontvang ik ook de eerdere nummers die TOPOS dat jaar <strong>uit</strong><br />

heeft gebracht. Het abonnementsgeld van 15 euro maak ik onder vermelding van mijn naam<br />

en adres over op rekeningnummer 397090846 t.n.v. Genius Loci, inzage TOPOS te Wageningen.<br />

Naam (Bureau)<br />

Straat<br />

Postcode<br />

Telefoonnummer<br />

Woonplaats<br />

E-mail<br />

Plaats Datum Handtekening


Stuur de ingevulde kaart in een voldoende gefrankeerde envelop naar:<br />

TOPOS<br />

Generaal Foulkesweg 13<br />

6703 BJ Wageningen<br />

Stuur de ingevulde kaart in een voldoende gefrankeerde envelop naar:<br />

TOPOS<br />

Generaal Foulkesweg 13<br />

6703 BJ Wageningen<br />

Stuur de ingevulde kaart in een voldoende gefrankeerde envelop naar:<br />

TOPOS<br />

Generaal Foulkesweg 13<br />

6703 BJ Wageningen


Samantha Verheij<br />

Vormgeving<br />

Adam Hofl and<br />

Eindredactie<br />

Jos van Mierlo<br />

Redactie<br />

Tom Kraak<br />

Redactie<br />

Renée de Waal<br />

Redactie<br />

Eric Bovekerk<br />

Redactie<br />

Monique Sperling<br />

Redactie<br />

COLOFON<br />

TOPOS is de periodiek van de studierichting<br />

Landschapsarchitectuur en<br />

ruimtelijke planning en het Laboratorium<br />

voor Ruimtelijke Planvorming van Wageningen<br />

Universiteit. Het blad wordt<br />

gemaakt door studenten en verschijnt<br />

driemaal per jaar.<br />

Abonnementen<br />

Een abonnement op het tijdschrift TOPOS<br />

kost 15 Euro per jaar. Bij overmaking<br />

van dit bedrag op rek.nr. 397090846 ten<br />

name van TOPOS in Wageningen, krijgt<br />

u de reeds verschenen nummers van<br />

het betreffende jaar en de nieuwe nummers<br />

toegestuurd. Een abonnement op<br />

TOPOS loopt van januari tot december.<br />

Opzeggingen dienen voor 1 december<br />

te geschieden. Leden van de studievereniging<br />

Genius Loci en medewerkers<br />

van het Laboratorium voor Ruimtelijke<br />

Planvorming ontvangen TOPOS gratis.<br />

Voor inlichtingen kunt u mailen naar:<br />

st.topos@wur.nl<br />

Redactie<br />

Eric Bovekerk, Tom Kraak, Jos van Mierlo,<br />

Monique Sperling, Renée de Waal<br />

Eindredactie<br />

Adam Hofl and<br />

Vormgeving<br />

Samantha Verheij<br />

Met medewerking van<br />

Kristof van Assche, Lotte Bontje, Joren<br />

Jacobs, Henk-Jan Kooij, Rianne Knoot.<br />

Jolanda in ‘t Veld<br />

Bestuur<br />

Renée de Waal (voorzitter), Monique<br />

Sperling (secretaris), Stijn Heukels (penningmeester)<br />

Redactieadres<br />

Redactiekamer TOPOS<br />

Generaal Foulkesweg 13<br />

6703 BJ Wageningen<br />

tel. 0317-484245<br />

st.topos@wur.nl<br />

www.topos-magazine.tk<br />

Druk<br />

Ponsen & Looijen, Wageningen<br />

Oplage<br />

550 exemplaren<br />

Registratie<br />

ISSN 1572-302X<br />

TOPOS / 02 / 2003


TOP<br />

L A N D S C H A P<br />

In de serie Toplandschap belicht TOPOS bijzondere plekken in de stedelijke b<strong>uit</strong>enruimte en het rurale<br />

landschap. Heeft u ook een suggestie voor Toplandschap, mail: st.topos@wur.nl

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!