Openen van PDF-file, klik hier. - SFAN

sfan.be

Openen van PDF-file, klik hier. - SFAN

INFO-SFAN NUMMER 17 JULI 1972

Maandblad voor science-fiction en fantastiek.

Informatief orgaan van S F A N, vereniging voor science-fiction en

fantastiek.

Lidgeld-abonnement : 250 Fr Steunabonnement : 500 Fr

Gezinsabonnement : 350 Fr Losse nummers : 35 Fr

I N H O U D S T A F E L

Editoriaal Simon Joukes i

Juryverslag xx 1

Tijdstorm Eddy C. Bertin 6

Kwota Rood Vier Paul van Herck 21

Een geval van hysterobotica Rudolf Scheffter 30

Het Universum van Het Julien C. Raasveld 37

Omslagontwerp : Herman Ceulemans

Binnentekeningen : Thys van Ebbenhorst Tengbergen

Redactieadres & verantwoordelijke uitgever : Paul Torfs, Melkmarkt 33

2000 ANTWERPEN

Eindredactie Simon Joukes

Een kruisje in nevenstaand vakje betekent dat :

1. Uw lidgeld is uitgeput ! Gelieve 250 Fr te

storten op PCR 0.10 van het Gemeentekrediet van

België, Pachecolaan 44, 1000 Brussel t.g.v.

Oranjerekening 1751864/8/60 t.n.v. Paul Torfs.

2. U bent geen lid maar u kan het nog steeds

worden door punt 1 uit te voeren. Dank u !


EDITORIAAL Simon JOUKES

Onderhavig nummer bevat de korte science fiction-verhalen welke in

1970 werden bekroond voor de Eerste Westrijd van het korte Nederlandse

Science-Fiction-verhaal, die door SFAN werd ingericht.

Waarom deze bundel pas in de zomer van 1972, zegge twee jaar na de

bekroning, wordt gepubliceerd ? Wel, de geschiedenis van deze bundel

is een lijdensweg op zichzelf.

De eerste verhalen ervan werden op stencil gezet in de zomer van

1970 ten tijde van de epische twisten tussen DDL en J.C. Raasveld

die haast de verdwijning van de Vereniging met zich mee brachten.

Het ter beschikking staande reproduceerapparaat was een inkspetterend

toestel dat vooral mooie zwarte strepen op het papier kon maken.

Daniël De Raeve, Georges Gorremans, Willy Magiels en (hoe kon het

anders) Paul Torfs, waren de (vaak, niet al te stille) getuigen

van de klodderboel die aldus werd geschapen. Er moest dus naar een

andere stencilmachine uitgekeken worden.

In oktober 1970 kwam uw dienaar op de onzalige gedachte de bestaande

stencils eerst nog eens na te lezen op taal- en spelfouten, terwijl

ondertussen Paul Torfs zijn geheim wapen (een zeer officiële, en in

uitstekende staat verkerende) stencilmachine aan het wetten was.

Voor de leken, ziehier uitleg van het werkwoord 'wetten' : ene Heer

P.T... sluipt 's middags tijdens de schaft in een donker lokaal waar

hij geacht wordt geen voet binnen te zetten en brengt daar een auto-

matische machine op gang, met geleende inkt, geleend papier, enz.

's Avonds keert die geheimzinnige Heer P.T..., met een zwaarbeladen

documententas naar huis terug ... Deze operatie wordt dagelijks

herhaald tot op een bepaald ogenblik, waarop de leden van Sfan een

buitengewoon dik nummer van Info-Sfan op hun ontbijtbordje krijgen.

Ja, dat mag ook wel eens gezegd worden !

Welk drama speelde zich echter tijdens de middagpauze ergens in

Hoboken af, op de roemruchte dertiende november 1970 ? De meege-

brachte stencils met de verhalen bleken niet op de beschikbare machine

te passen. Consternatie en verbijstering ! Na druk overleg wordt van

alles besloten, onder meer dat de genaamd P.T... elke stencil zal

aanpassen aan de machine, dat de stencils nog moeten gecorrigeerd

worden, dat de stencils moeten worden overgetikt, enz... Tevreden

keert iedereen huiswaarts : de zaak is immers opgelost. Vele

maanden later blijken de stencils nog steeds thuis bij uw dienaar

te liggen. In allerijl worden ze getransporteerd naar P.T... voor

de'technische uitvoering' van de correcties. Inmiddels is Sfancon 2

met al zijn problemen achter de rug en op een mooie zomerdag van

1971 komen de stencils weer te voorschijn, aan de vooravond van de

vakantie. Geen nood : in september zal het varkentje onmiddellijk

worden gewassen. Iedereen slaapt weer vredig in. De grote catastro-

fe komt eind september 197l : de stencilmachine, onze enige steun en

toeverlaat, is niet meer beschikbaar. Er moet dus naar een andere

oplossing worden gezocht. Ondertussen verschijnen geen nummers meer

van Info-Sfan en dus zeker ook niet de verhalenbundel. Wel wordt

geïnformeerd naar prijzen bij privé-firma's, maar dat blijkt astro-

nomische bedragen te zullen kosten, zodat ook hiervan wordt afgezien.

Uiteindelijk wordt in december 1971 een nieuwe stencilmogelijkheid

ontdekt, maar nog steeds passen de bestaande stencils met de verha-

len niet op de nieuwe machine ! Eerst dus de achtergebleven nummers

de deur uitboksen en dan als de bliksem die verhalenbundel

Weer vergadert het bestuur over dit prangende probleem en er wordt

besloten niet alle ingezonden verhalen te bundelen, maar slechts de

bekroonde (toch nog altijd een respectabel aantal bladzijden) en van

de bundel een gewoon nummer van Info-Sfan te maken omdat de kost-

prijs van een SFAN SPECIAAL te hoog zou zijn voor de meeste leden,

zodat ons doel, namelijk goede verhalen te brengen voor de leden,

niet zou worden bereikt.


Het resultaat van al die moelijkheden hebt u nu in uw handen. Mijn

kommentaar zal zeer kort zijn : de verhalen hebben beslist niet aan

waarde ingeboet. De auteurs zijn vandaag de dag nog steeds het

beste wat je in de Nederlanden aan kunt bieden. We hopen dan ook dat

u aan deze bundel met retard-effect meer plezier moogt beleven dan

het bestuur van Sfan heeft beleefd aan de verwezenlijking ervan.

Beste lezer,

ii

--==ooOoo==--

Gelieve te willen noteren dat bladzijde 41 (die niet genummerd werd)

gevolgd wordt door bladzijde 43 terwijl bladzijde 44 op de keerzijde

van bladzijde 42 pronkt. Het is even wennen maar het lukt je wel !

--==ooOoo==--


VERSLAG VAN DE EERSTE WEDSTRIJD VOOR SCIENCE-FICTION VERHALEN

UITGESCHREVEN DOOR SFAN. 1970

Jury : Daniel DE RAEVE

Dany DE LAET

Paul TORFS

Dit is een pretentieloos verslag. Hier werd wel pionierswerk

verricht. Hier werd een Terra incognita verkend. Een tiental

inzendingen werden ontvangen. Er was geen enkel "slecht" ver-

haal bij. De jury heeft in onderstaand verslag haar mening te

kennen gegeven. De jury weet dat ze niet heilig is.

Ook werd een oordeel geveld :

l. Het verhaal volgens het thema i.v.m. de SF (originaliteit,

wetenschappelijke fundering, enz.)

2. Het verhaal naar stijl en taal.

Het is natuurlijk een hele eer dat deze verhalen in SF, een

Sfanuitgave, verschijnen, maar we hopen ze eens een ruimere ver-

spreiding te geven.

De uitslag zag er uit als volgt :

lste prijs (? = l 000 F) TIJDSTORM Eddy C. Bertin

2de prijs Ex-aequo Kwota Rood Vier Paul Van Herck

Een geval van

Hysterobotica Rudolf Scheffer(NL)

Het universum

van Het Julien C. Raasveld

De indrukken hierna weergegeven zijn het produkt van de drie

beoordelingen van de leden van de jury. De jury wist toen nog

niet wie zich achter de kode verborg. Dat maakt dat er soms

tegenstrijdigheden in voorkomen.

°°°°°°°°°°°°


Verhaal : Van de Boeman

Kode : William Shakespeare

Auteur : Paul VAN HERCK

De definitie die wij in ons reglement stelden is o.i. te ruim op-

gevat. Het beantwoordt niet aan ten minste twee punten van het

reglement: het is korter dan l0 blz. en erger, het is geen SF-story.

Het behoort meer tot de fantastiek. Een fantastisch verhaal dus,

dat kwaliteit bezit wat betreft sfeerschepping. Spiritueel, fijn

geschreven verhaal met vlotte pen en verzorgde stijl.

Verhaal : Kwota rood Vier

Kode : William Shakespeare

Auteur : Paul VAN HERCK

Het samenvoegen van SF en humor wordt hier op een uitstekende

manier beoefend. Een uitstekend verhaal ! Eenvoudig en sober.

Alhoewel dergelijke toekomstvisies niet volledig origineel zijn

wist de auteur er iets bijzonder persoonlijks van te maken door

gebruik van een rijke woordenschat. Stijl is merkwaardig goed

aangepast en knap opgelucht door private-jokes die de lezer veel

"binnenpretjes" verschaft.

Verhaal : Apocalyps

Kode : Yo El Rey

Auteur : Wllly Van der Haegen

2

Merkwaardige inzending die in feite buiten het kader van deze

wedstrijd valt. Schrijver is blijkbaar een debutant; hij bezit een

bepaalde vlotheid die getuigt van een talent dat nog moet ontluiken.

Een en ander moet hoognodig bijgeschaafd worden. Indien de auteur

zich iets minder zal laten beïnvloeden kan hij allicht een persoon-

lijke stijl bekomen. Momenteel is zijn rauw realisme nog maar de


uiting van invloedssferen en gebrek aan doorzicht. Het thema is

niet bepaald nieuw en alleen het einde, dat wel een beetje vreemd

aandoet, is wel te vermelden. SF die sterk sociaal gebonden is

Het verhaal draagt zelfs een boodschap in zich: een afkeer voor

personenverheerlijking. De auteur weet nog niet wat hij met een

taal kan doen. De schrijver laat ook weinig verbeelding over voor

de lezer. Ergens doet het ons aan een SF-sprookje denken. Op

zichzelf geen waardeloos verhaaltje maar staat sterk in de scha-

duw van de andere inzendingen.

Verhaal : Het universum van het

Kode : Mimsy were the borogroves

Auteur : Julien C. Raasveld

Een inzending van iemand die wel vertrouwd is met het Sf-verschijn-

sel, te veel zelfs. Onder invloed van Van Vogt en de klassieke SF

kan het verhaal niet origineel genoemd worden. De idee is allicht

verschillend maar de aanpak en de uitwerking doen te veel aan Space

Beagle denken. Schrijver is wel iemand die weet waarover hij schrijft

en hoe hij het op een aangename manier aan de man moet brengen.

Verhaal met een bevredigende taal en stijl. Onafgewerkte ideeën

komen het verhaal niet ten goede. Origineel en vlot geschreven.

Verhaal : De gedachteneter

Kode : Through a dream softly, the winds of my nightmare

are haunting me.

Auteur : Eddy C. Bertin

Auteur schrijft vlot en met voldoende vakmanschap maar kan toch

geen taal- en spelfouten vermijden. Het verhaal is een afgewogen

mengsel van SF en fantastiek. Sommige zinnen komen me verwrongen

3


voor en geven het leesritme een stokkend karakter. Idee is bijzon-

der goed uitgewerkt met een interessante evolutie van zuivere SF

naar thriller met shock-effect maar deze uitwerking die van be-

paalde invloeden niet is ontbloot is op het ogenblik totaal

oneffektief. Bovendien werkt de uiteindelijke ontknoping ergerend

doordat er achter het hoofdmotief geen werkelijke drijfveer zit.

Verhaal : De stad

Kode : There is no past, there is no future

Auteur : Eddy C. Bertin

Vlot geschreven met een zekere neiging tot het bekomen van stijl-

effekten, alhoewel er toch weer duizendjarige cliché's bovendrijven.

Boeiend verhaal waarbij de atmosfeer op je afstormt. Waarom is

braaksel altijd zuur ? Taalfouten, te erg om over het hoofd te

zien, verminken min of meer het verhaal. Nochtans is dit verhaal,

naar stijl en inhoud beoordeeld, één der beste dat werd ingezonden.

Ik ben geen liefhebber van tijdreizen-verhalen, dit verhaal kan

mij echter wel boeien. De idee is bijzonder goed uitgewerkt en

zou kunnen plaatsnemen in de rij der SF-verhalen handelend over

elektronische breinen. Nogmaals, erg spijtig van die taalfouten.

Verhaal : Tijdstorm

Kode : I am falling into a helix of time

Auteur : Eddy C. Bertin

Een vermenging van verschillende SF-elementen die het verhaal

een zekere frisheid meegeven. Ook hier weer tijdreizen maar de

auteur heeft daarbij het verhaal een andere wending gegeven.

Een verhaal dat ons ertoe zal aanzetten dit eksperiment te her-

nieuwen waarbij wij hopen meer publiciteit te ontvangen van de

pers en interessantere (geld-)prijzen te kunnen toekennen. Moge

alle inzendingen dan worden als dit verhaal.

4


Verhaal : Een geval van hysterobotica

Kode : IE-BE-EM

Auteur : Rudolf Scheffer (NL)

Een inzending uit Nederland die daarvoor alleen al een vermelding

verdient. Wie zei daar iets van kulturele integratie. En wij

krijgen nog geen subsidie van het Ministerie. Een verhaal dat won-

derwel aansluit bij De Stad van Eddy C. Bertin (zie hoger).

Kompakt verhaal met een weloverdacht slot. Een technisch verhaal.

Ik verdenk er de schrijver van dat hij veel voor een ponsmachine

zit of een computer te zijner beschikking heeft. Misschien is

auteur wel een computer ? Een verhaal met een tamelijk pessimis-

tische inslag al is het niet ontbloot van cynisme. Een schets uit

een robotmaatschappij.

Verhaal : Voorzitters Nachtegaal

Kode : ----

Auteur : Robert Smets

Een eigenaardig verhaal waar je niet zo vlug vat op hebt. Auteur

bezit eigenaardige kronkels in zijn hersenen en een zeer persoon-

lijke stijl. Een puik verhaal dat eenvoudig van opzet is maar

daarom niet minder genietbaar.

Verhaal : Sport en Cultuur

Kode : Engrie Old Man

Auteur : A. S. DIKKER (NL)

De oudste deelnemer die zijn verhaal buiten mededinging inzond.

Iemand die niet tevreden is met de huidige maatschappij en het alle-

maal als een toeschouwer meemaakt. Schrijft zonder te overdrijven à

la Willem Elsschot.

5


TIJDSTORM

================== Eddy C. Bertin

6

De tijdstorm ontstond in een galaxis, te ver verwijderd van de

aarde om zelfs met de sterkste teleskopen gezien te kunnen worden,

tijdens de botsing van twee zonnestelsels die recht op elkaar in-

raasden. Op het moment van de kollisie overschreed één der twee

botsende zonnen de nova-grens en eksplodeerde. Gedurende één miljoen-

ste van een sekonde ontstond er een scheur in de gekende struktuur

van ruimte en tijd. Het was voldoende, een werveling van materie

en energie ontstond, een breuk in alle natuurwetten, wier vangarmen

zich uitslingerden over verleden en toekomst. Alles wat in de on-

middellijke nabijheid was van de tijdstorm, werd opgeslorpt in een

cycloon van anti-tijd en anti-energie. De scheur breidde zich niet

uit, maar nam toe in volume, en begon zich te verplaatsen. Ruimte en

afstand betekenden niets voor een fenomeen dat boven alle natuurwet-

ten stond, dat er zelf regelrecht tegen indruiste. De tijdstorm ijlde

doorheen de hyperruimte, slechts nu en dan even in aanraking komend

met het vier-dimensionele universum. Deze korte opduikingen van de

tijdstorm deden twee zonnen nova gaan in Orion, deden verscheidene

satelieten van een zonnestelsel in Messier 3l hun koers wijzigen.

De inwerking van de normale wetten van het heelal op de anti-struktuur

van de tijdstorm, deden kleine fragmenten van de tijdcycloon afwijken,

en zo verdwenen in nooit-geziene sterrenhopen. Eén van deze frag-

menten raakte gedurende enkele sekonden de aarde, op l0 april 2ll3,

vooraleer opgenomen te worden in de laaiende energiepoel van de zon

in het Andromedastelsel. Harvey Lonestall wist nooit dat hij héél

even deel geweest was van de tijdstorm.

Harvey Lonestall ontwaakte met het heel rare gevoel dat hij nu

pas begon te leven. Zijn hoofd voelde ergens heel ijl aan van binnenin,


7

en nog onaangepast, alsof men er zojuist iets ingestoken had dat pas nu

begon te denken. Het was een absoluut onaangenaam gevoel. "Zo moe-

ten de eerste noten zich voelen van een pas opgelegde grammofoonplaat,"

dacht hij. Toen hij zich oprichtte in zijn bed, verdween de vreemde

indruk echter, en de realiteit van een nieuwe dag drong zich op. Harvey

wreef zich in de ogen, en tuurde naar het raam. Een zwakke schijn van

zonnelicht drong doorheen de gordijnen. Wel, de zon scheen tenminste

al, dat beloofde een aangenaam warme dag in het verschiet. Moeizaam

strekte hij zijn rechterhand uit en legde de wekker af, die maar bleef

verder pruttelen. Tien uur. Een goed uur om op te staan op vrijdag-

morgen, de eerste dag van het week-end. Vrijdag, zaterdag, zondag en

maandag. Dan dinsdag woensdag en donderdagnamiddag weer werken. Maar

daar moest hij nu niet aan denken. Hij zwierde zijn benen van het anti-

gravbed. De vibrator had zich reeds in werking gesteld, zodra hij be-

wogen had op het zweefbed, en de grond was aangenaam warm onder zijn

naakte voeten. Hij stond rechtop.

De zon verdween. Ze doofde niet geleidelijk, maar knipte plots uit.

Met de zon verdween ook de kamer, het bed, de ganse wereld.

Toen hij tot zichzelf kwam, lag hij met zijn gezicht op de grond, en

de kleurige vlekken dansten in regenboogschakeringen voor zijn ogen.

Hij richtte zich op en schudde het hoofd. Hij voelde zich vreemd dui-

zelig. Wat was er gebeurd ? Hij herinnerde zich uit zijn bed gestapt

te zijn en dan... niets meer. Was hij bewusteloos gevallen ? Dan

moest hij dringend zijn dokter bezoeken, vandaag nog.

Maar waar was hij ? Hij keek rond. Niets, enkel ondoordringbare

duisternis. Een ploste aanval van duizeligheid deed hem bijna opnieuw

vallen. Het was een gevoel, als hing hij boven de rand van een onmete-

lijk diepe afgrond, en een bijna dierlijke paniek belette hem om zich

te bewegen. Hij had een vage herinnering van een val in een duistere

put, nauwelijks breder dan hijzelf, maar die zich toch in het onmetelijke

scheen uit te strekken. Hij betastte zijn lichaam. Zijn armen deden

wat pijn, maar hij scheen niets gebroken te hebben. Misschien was hij

uitgegleden toen hij uit zijn anti-gravbed stapte, en was hij met zijn

hoofd op de grond gevallen ? Maar de grond was schuimrubber. Waar was

hij dan ?

Hij drukte op de BA-knop van zijn uurwerk, en een vaag groen licht

breidde zich uit in zijn omgeving. De kelder ! Hij was in zijn kelder.

Hoe was hij in godsnaam hier terecht gekomen ? Hoe kwam het trouwens

dat alles hier donker was ? Hij herinnerde zich dat hij even na tien

uur opgestaan was, dan moesten de werkrobots al lang in de kelder bezig

zijn, alles moest helder verlicht geweest zijn en een toonbeeld van be-

drijvigheid. Waar waren die luiaards ? Hij had ze verdorie duur be-

taald ! Maar dat kon niet. Robots konden niet luieren, ze waren zo


8

stipt als een uurwerk. Hij keek op zijn horloge, en een nieuwe

verrassing wachtte hem. Half vijf? Dat kon niet. Zijn uurwerk

moest beschadigd zijn door de val. Dan zag hij de datum. Negen

april, half vijf. Maar vandaag was het toch TIEN APRIL ? Iets

klopte absoluut niet meer. Was hij wel wakker ? Hij voelde pijn

in zijn armen, en duizeligheid in zijn hoofd, maar dat had hij in

dromen ook al gevoeld. Wat indien hij zijn ganse ontwaken om tien

uur gedroomd had ? Dan moest hij in werkelijkheid nog op zijn

slaapkamer zijn.

Harvey deed enkele wankele stappen naar voren. En viel. En

bleef vallen. Zijn handen en voeten maaiden als waanzinnig in het

niets, en misselijke golven joegen door zijn buik en ingewanden.

Hij wou gillen, maar scheen geen lichaam meer te bezitten, en indien

hij het nog had, gehoorzaamde het niet meer aan de panikerende beve-

len van zijn brein. Wentelend als een blad in een stormwind, viel

hij doorheen het niets. Het was alsof ook zijn hersenen plots

blootgesteld waren aan de naakte ruimte, een verpletterend gevoel

van onbelangrijkheid maakte zich van hem meester. Hij scheen plots

te glijden langs een zilveren draad, die zich ergens ver weg verloor

in een kolossaal schitterend web van energiedraden, grafieken van

vlekken en gekleurde stippen doken op en verdwenen weer, zijn geest

en lichaam werden ontbonden in atomen en terug samengesteld, tot

de nietsbegrijpende waanzinnige angst alles overweldigde en oploste

in weldadige duisternis. Bewusteloos viel Harvey Lonestall verder

doorheen de tijdstorm.

Het gekste wat hij opmerkte bij zijn tweede herontwaken, was

het stilstaan van zijn uurwerk. De wijzers stonden vastgeprent op

half vijf, alhoewel het ding anders volledig in orde scheen te zijn.

Hij hield zijn ogen op de wijzers gericht, maar bleef verder roer-

loos liggen. Hij voelde weer vaste materie onder zijn lichaam, en

onder zijn vingertoppen, maar het gevoel van wegglijden in het on-

bekende was nog steeds in zijn brein geprent. Toen de duizeling wat

verdween, keek hij op. Hij sloot onmiddellijk weer zijn ogen, en

telde héél langzaam tot honderd. Dan opende hij ze opnieuw.

Niets was veranderd. De ronde kamer waarin hij lag, was er nog

steeds, de onbeschrijflijke machines die plafond en muren vulden waren

er ook nog steeds. Dit was geen droom meer, daartoe miste hij de nodige

fantasie. De metalen vloer was koud, en de stilte drong door zijn

lichte tuniek en broek tot op zijn lichaam. Hij richtte zich op.

Alle gevoel van misselijkheid en duizeligheid was verdwenen nu, maar

nog steeds had hij een vreemd gevoel van lichtheid over zich, alsof

de zwaartekracht hier geringer was. Hij liet zijn vingertoppen over

de vloer glijden. Metaal, koud metaal, en geen vibrators hier die

de vloer verwarmden. Dan keek hij naar de machine, die de cirkelvormige


9

kamer vulden. Allerlei hefbomen en drukknoppen en wijzerplaten en kontro-

lelichten, niets dat hem bekend voorkwam of hem de bedoeling ervan kon

doen veronderstellen. En roerloos; niets bewoog aan de machines. Men

zou een soort aktie verwachten in een kamer, vol met mechanische toestel-

len, maar hier : niets. Geen licht dat knipoogde, geen naald die ver-

schoof. Enkel een vaag gezoem dat van overal en nergens scheen te

komen, zodat het een bijna onopgemerkte achtergrond vormde.

Harvey keek omhoog. Een ronde opening in het plafond, en een metalen

ladder die bijna tot op de grond raakte. Hij ging erheen en testte de

ladder, ze scheen stevig genoeg te zijn. Hij greep ze met beide handen

en klom omhoog. De kamer erboven was net eender, een ronde plaats, met

een gat in het plafond en een andere ladder. Muren en plafond gevuld

met versteende machines, de eentonige zoemtoon, licht dat vanuit de muren

zelf scheen te komen. Toch iets anders : er was een soort patrijspoort

tussen twee machines, een ronde opening met glas ervoor. Harvey ging erheen

en keek naar buiten. Een schok van puur vertigo slingerde hem psychisch

achteruit. Zijn ingewanden krampten samen, en zijn adem bonkte in zijn

hersenen als een dolgeworden stoomhamer.

Want achter dat venster was.... NIETS. HET ABSOLUTE NIETS.

Een bodemloze oneindige leegte, geen uitzicht, geen sterren, niets

anders dan leegte, zodat zelfs de uitgestrektheid niet kon geschat worden

bij gebrek aan oriëntatiepunten, een diepte in meer dan drie dimensies,

die zich vasthaakte in zijn maag, en die zijn ganse brein scheen te vullen

met haar leegte. Hij sloot de ogen, en leunde tegen een der koude machines

wachtend tot het waanzinnige kloppen van zijn hart wat vertraagde. Dan,

er zorg voor dragend dat hij niet onwillekeurig nog eens naar buiten -

waar dat ook was - blikte, klom hij de ladder op naar de volgende kamer.

Op een vreemdsoortig apparaat in het centrum van de kamer, en een

gesloten zijdeur na, was deze leeg. Het scheen een soort terminus te

zijn in de hoogte, géén ladder, en géén luik meer in het plafond. Dus

dit was het hoogste punt van de vreemde toren in de ergensnergensdimensie

waarin hij geslingerd was door god weet welk ongekend fenomeen. Hij

bekeek het ding in de kamer. Het scheen een soort kontroletafel te zijn,

twéé tafels eigenlijk, overdekt met schakelaars en wijzerplaten, die een

soort stoel insloten. Wel, het was van schuimrubber (of iets dat er op

leek) vervaardigd, en scheen bedoeld om in te zitten. Vanuit deze zit-

plaats, kon men de twee schakelborden op de zijtafels bereiken. Tussen

de twee zijtafels, en op gezichtshoogte boven de zitplaats, bevond zich

een ander mechanisme, dat van de zoldering naar beneden reikte, bijna

als een tandboorarm. Twee grijparmen, onderling verbonden door een verward

web van draden en kontakten, hielden een glasachtige cilinder vast aan de

uiteinden, een voorwerp van ongeveer twintig centimeter lengte en vijf

centimeter diameter aan de grond- en bovenvlakken. Op een verlengstuk

van één der schakelborden lagen nog drie gelijkaardige cilinders. Hij

nam er één in zijn handen, die woog bijna niets. Het was geen glas, maar


10

een doorzichtbaar materiaal dat een metalen klank had wanneer hij er met

zijn vingernagels tegen tikte. Kon er een metaal bestaan dat zó sterk was,

dat men er zo dunne lagen van kon vervaardigen dat ze doorzichtbaar waren?

In zijn wereld was dat nog niet mogelijk geweest, maar niets van alles

wat tot nog toe gebeurd was, was mogelijk. De uiteinden van de cilinder

vertoonden een onregelmatige inkeping, waarschijnlijk waarmede ze be-

vestigd konden worden aan de twee grijparmen van de apparatuur voor hem.

Binnenin scheen er een gouden draad te lopen. Ja, toen hij beter toekeek

zag hij een schijnbaar oneindige reeks dunne spiralen, die allen parallel

liepen, om zichzelf wentelend. Hij probeerde ze te volgen, doch kwam

steeds op dezelfde plek terug, tot hij ontdekte dat ze een helix vormden.

De spiralen kronkelden naar het einde van de cilinder, en keerden dan

terug binnen zichzelf, herbegonnen dan weer hun loop. Moebiös trip,

een reis zonder einde, een slang die zichzelf opvreet, te beginnen met

haar staart.

Hij zette zich in de verende zetel. Naast hem bevond zich slechts

één enkele schakelaar, vlak bij zijn hand. De glazen metalen cilinder

was vlak voor zijn ogen nu. Wat hij dan deed, was praktisch gezien

een roekeloze waanzinsdaad, maar ongelooflijke gebeurtenissen hopen zich

op, tot ze een zekere grens overschrijden, waarin de logika het opgeeft.

Harvey drukte de schakelaar in van de machine.

Langzaam, geleidelijk, verdween het licht uit de kamer, als doofden

alle muren zachtjes uit. Het achtergrond gezoem nam toe in volume, en

een vreemd schril piepend geluid kwam uit het apparaat. Enkele kontrole-

lampjes lichtten op, en een naald begon een wedren over een strook papier.

Onmiddellijk zette hij de schakelaar terug in de oorspronkelijke positie.

Het piepen hield op, en de muren lichtten weer op. Gevaar scheen er niet

precies aan verbonden te zijn, dacht hij. En met de moed der wanhoop

schakelde hij de machine opnieuw in.

Als in een onwerkelijke droom verdween het licht, werd vervangen door

een wazige schijn die van de cilinder uitging. Het licht omfloerste hem

en de machine, vormde een vage witte nevel rondom hem, een mist van melk-

achtig licht die in een deinende beweging was. Een gouden helix vormde zich,

kwam uit de cilinder die om zijn as begon te draaien in het apparaat,

een helix van ontelbare fijne gouden spiralen, die zich om hem en de

machine weefden, een vreemde asymmetrische figuur vormend, waarvan hijzelf

het centrum was. Vreemde kleuren, vormen, dan geluiden en geuren begon-

nen zich aan hem op te dringen, verjoegen de kamer en de zetel en zijn

eigen persoonlijkheid. Hij vloeide weg, werd opgeslorpt door de bewe-

gende helix.


11

Daglicht spoelde binnen door het smalle raam, waarachter hij ge-

bukt zat. De kamer was volledig ledig, op enkele planken na die in

een hoek lagen. Het scheen een zolderkamer te zijn. Hij keek naar bui-

ten. Het lichaam waarin Harvey Lonestall zich bevond, keek naar buiten.

Het lawaai van de enorme menigte, die aan weerszijden van de brede

straat verzameld was, steeg op boven de straat als rauwe geluidsdampen.

Warmte zinderde in de lucht, en hij rook de geur van zweet dat onder

zijn armen prikkelde. De wagen kwamen aangereden. Harvey probeerde

zijn situatie te analyseren. Hij bevond zich in iemand anders lichaam,

doch deze was zich onbewust van zijn aanwezigheid. Harvey opende

zijn hand en sloot ze weer. Dus had hij kontrole over het lichaam

van de andere, doch eveneens zonder dat deze het opmerkte. Waarschijn-

lijk dacht hij zelf besloten had zijn verkrampte vingers te openen en

te sluiten. Waar was hij ? Harvey keek naar buiten. Iets om hem te

situeren. Dààr, tussen de aanplakborden met reklame voor pepsi-cola

en een sigarettenmerk, grote uithangborden van een winkel, "Dallas

Caber Library". Dallas, een stad ergens in Texas, in de VSA. Maar

wat deed hij hier ? Had de helix hem hierheen getransporteerd ? Dan

merkte hij de cijfers op. Voor zijn ogen liepen ze, dwars doorheen wat

hij zag van de stad en de menigte, een rij cijfers die als in de lucht

geprent stonden, sekonden, minuten, uren, dagen, maanden, jaren. Als

een kronometer liepen de cijfers verder. Oktober 1963, kon hij ont-

waren, vooraleer het gejuig van de menigte zijn aandacht trok. Het

lichaam waarin Harvey zich bevond, stond op uit zijn half-zittende hou-

ding, en nam iets wat opzij lag. Het lichaam, met Harvey als verbouwe-

reerd toeschouwer, plaatste de long-rifle tegen zijn schouder. In het

vizier verscheen het hoofd van een man, die Harvey kende uit zijn boeken

van wereldgeschiedenis. De man glimlachte en groette naar de menigte.

Dan weerklonken de schoten. Het geweer maakte enkele schokkende bewe-

gingen. De man in de wagen viel terzijde, met het hoofd in de schoot van

zijn echtgenote. De aanslag op John Fitzgerald Kennedy was gebeurd.

Een wit floers trok over de straat, vervaagde de zolderkamer, en

verdichtte tot een dikke nevel, waarin gouden spiralen wentelden en

wentelden, tot ook zij verdwenen.

Harvey Lonestall zat terug in de zetel, en de helix voor hem had

opgehouden te draaien. Automatisch hadden zijn vingers de schakelaar

weer overgehaald. Hij bekeek de helix nauwkeurig, en merkte nu op dat

een ganse reeks minuscule symbolen er op aangebracht waren in kode.

Coördinaten in ruimte en tijd ? Wat had hij hier meegemaakt ? Een

perfekte vorm van bibliotheek ? Maar alles had zo echt geschenen, de

warmte, de geuren, de geluiden, zelfs de lichte weerstoot van de long-

rifle. Een vorm van tijdreis, ter bestudering van het verleden ? Dan

herinnerde Harvey zich dat hij beschikking gehad had over het lichaam van

de moordenaar. Hij had het schot kunnen verhinderen. Hij had op anderen

kunnen schieten ook. Welk bizar toestel was dit ? Of was het enkel een


12

kwestie van hallucinaties, veroorzaakt door de hypnotische invloed van

de bewegende helix ? Er was één middel om het te testen. Voorzichtig

nam hij de cilinder uit de grijparmen. Hij loste gemakkelijk. Harvey

nam één der drie anderen, en plaatste hem tussen de grijpers. Dan nam

hij weer plaats in de zetel, en schakelde de machine in. Hetzelfde

herhaalde zich, de witte mist, de dovende lichten. Dan was hij in een

vliegtuig, een oud toestel voor zover hij de konstruktie kon zien, in

zijn tijd zou het een museumstuk geweest zijn. Er waren nog anderen

bij hem, mannen met strakke bleke gezichten. Hij moest co-piloot zijn

of zoiets, maar het lichaam deed alles automatisch. Plots wendde de

man naast hem zich tot hem. "Now ?" zei hij. Het lichaam waarin Har-

vey was, knikte. "We have to," zei het, "God forgive us." Hij keek

naar buiten, ze schenen boven een lange strook aarde te vliegen, aan

de ene zijde kon hij een oceaan zien. Dan plots kwam de aarde op hen

toe, in een kolkende witte wolk met een hart van vuur. Het werd on-

draaglijk warm in het toestel. "Farewell, Hirosjima," zei hij. Door-

heen de bloem van vuur en rook, waarnaar hij keek, kon hij de de zwar-

te voortlopende cijfers zien, 9:8:1945. Dan kwam de bloem omhoog in

een wit-getentakeld doek, dat hem omvatte, en hem terug achter liet in

de zetel, voor de roerloze cilinder.

Een ander historisch feit, de eerste atoombom op... hij had de naam

vergeten, het was lang geleden dat hij een historisch boek gelezen had.

Het was op een of ander eiland geweest. Weer was het net alsof hij er

zelf geweest was, hij voelde nog steeds de koude apparaten onder zijn

vingers, de druk van de vliegeniersmuts met de koptelefeens tegen zijn

slapen.

De volgende cylinder bracht hem in de duisternis. Hij wandelde

doorheen een woud van enorme varenbomen, en zijn voeten ploeterden

regelmatig door modder en slijkpoelen. Slechts het sterrenlicht gaf

enige klaarte. Hij droeg een zwaar tuig in zijn handen, een soort ge-

weer, veronderstelde hij. Er was enkel geen geluid, juist maar het

spatten en plodderen van zijn eigen half-wadende voeten. Dan plots

was er licht, een giftig groen licht dat opflakkerde aan zijn rechter-

zijde. In een refleksbeweging slingerde hij zich terzijde en bracht

het wapen omhoog. Een fijne groen straal boorde doorheen het duister

met een zoemend geluid. Krakend vatten enkele der varenbomen vlam,

en doorheen het groene licht, waadde plots een enorme gedaante uit het

duister op hem toe. Groene vuurstralen spuwden uit de drie ogen vande

sinistere kolos.

Onmiddellijk was Harvey terug in de zetel, nat van het zweet. Zijn

vingers hadden instinktief gehandeld, en hem terug gebracht, maar hij

had de aanvallende gedaante herkend. Een dirval, een kamprobot, zoals

de vijand ze gebruikt had bij de uitroeiing van de Venuskolonies, een


13

wandelende toren van metaal en straalgeweren. Hij had ze genoeg gezien op

foto's en in de nieuwsuitzendingen, een vijftal jaren geleden, voor de

vrede van Blackdon, toen beide kampen Venus evenredig verdeelden in sekto-

ren.

Dit waren niet zomaar geschiedkundige spoelen. De angst was te echt

geweest, en de vochtige lucht, en de geur van brandende planten en de

warmte van de straalgeweren. Wat ook het toestel was, het was veel meer

dan enkel maar een kijker op het verleden.

Hij herinnerde zich ook het feit dat, alhoewel hij het lichaam dat

hij 'bezield' had zijn gang had laten gaan, hij toch bij machte geweest

was het zijn eigen wil op te dringen. Dan... dan was hij ook bij machte

geweest om datgene wat gebeurd was te verhinderen. Hij had de vinger

kunnen tegenhouden, die de trekker van de long-rifle overhaalde. Hij had

het vallen van de bom kunnen verhinderen. Het duizelde voor zijn ogen,

toen de konsekwenties volledig tot hem doordrongen. Deze machine gaf

kontrole op hetgeen gebeurd was. Hij bevond zich in een soort kontrole-

toren, waarin TIJD geschapen werd... of geschapen was ? De cilinders

bestonden allen. Iemand moest ze dus gemaakt hebben, iemand moest de

machine gebouwd hebben. Tot welk doel ?

Hij weigerde er momenteel verder aan te denken, hij had het vreemde

gevoel op de drempel te staan van een ontdekking die hem met afgrijzen

zou vervullen, alsof zijn onderbewustzijn reeds de kontakten gelegd had

tussen de verschillende elementen, alsof hij diep in zichzelf reeds de

delen van de legpuzzle samengebracht had, en zijn bewuste 'ik' het

resultaat niet durfde aanvaarden, en daarom kortweg besloot te negeren

voor het moment.

Hij herinnerde zich de cijfers, die als in de lucht geschreven ston-

den, en ontdekte ze terug op de rand van de cilinders. Preciese coördi-

naten in de tijd, geplaatst in eeuwen, jaren, maanden, dagen, uren,

minuten en onderdelen van sekonden. De cilinders varieerden van enkele

minuten tot vele jaren.

Plots besefte hij dat hij de ganse gebeurtenis opnieuw kon herbeleven,

opnieuw kon ZIJN, ettelijke malen, zovele malen als hij de cilinder in

de machine zou voegen, zovele malen als hij zou opgeslorpt worden door de

gouden tijdshelix.

De cilinders waren leven, echt of kunstmatig geschapen leven, geketend

in de cilinders, een denkend en handelend schepsel, dat kan gekontroleerd

worden als een robot, zonder zich er zelf van bewust te zijn. Een mens,

waarvan misschien zijn ganse bestaan, met alles wat hij er in verwezenlijkt

had (verwezenlijken zou ? verwezenlijkte op dit precies moment ?) gepro-

grammeerd was volgens een vaststaand schema, dat elke sekonde naar willekeur

kon gewijzigd worden.

Hij waagde het niet de konklusies verder door te trekken, het was te

ontzagwekkend. Als dat alles juist was, dan stond hij voor de zetel van


14

een schepsel, dat hij enkel... God zou kunnen noemen. Maar een God

met handen en voeten en een humanoid lichaam. Want de afmetingen van de

machine waren gemaakt op het menselijk lichaam. KON de machine gebouwd

zijn door... mensen ?

Hij besloot deze vragen te laten wachten, en richtte zijn aandacht

nu op de deur, zijdelings van de machine. Voor zover hij wist, behoorde

deze deur uit te geven op het absolute niets, waarin hij een blik ge-

worpen had door de patrijspoort beneden. Maar een deur in het niets

kon weinig zin hebben. Hij raakte de deur aan, niets gebeurde. Geen

foto-elektrische kontakten, die reageerden op het doorbreken van zijn

vingers van hun straal, ook geen warmtecellen die automatisch de deur

openden, zoals hij gewoon was. Dan merkte hij een kleine cirkelvormige

opening op, ter hoogte van zijn middel. Hij stak er een vinger in,

maar niets gebeurde. Hij keek in de opening, en zag een metalen plaat

met vreemde symbo len, te klein om te ontcijferen. Geërgerd duwde hij tegen

de deur, en geruisloos schoof ze weg in de muur. Een enorm lange gang

strekte zich voor hem, aan weerzijden bezet met duizenden grijparmen.

Elk paar metalen armen, die als uit de muur schenen te rijzen, hield een

cilinder omklemd.

Op verschillende plaatsen waren coördinaten in grote cijfers op de

muur geschilderd. Een bibliotheek, flitste het door Harvey's hoofd,

het is net een enorme bibliotheek van levenscilinders. Ieder is een

boek, dat naar willekeur kan gelezen worden, en dan terug opgeborgen.

Maar toch scheen er iets onlogisch daaraan, als was het een schijnoplossing,

die zijn bewuste 'ik' probeerde te scheppen, om de waarheid te verbergen.

De waarheid lag in hem, borrelde soms stilletjes naar boven uit zijn onder-

bewustzijn; maar hij durfde ze niet in het gezicht zien. Hij begon de

gang af te wandelen, ondertussen een blik werpend op de verzamelde cilinders.

Allen waren gesitueerd in periodes van enkele sekonden tot een tachtigtal

jaren, en allen begonnen in 1997. Dan, tussen de cylinders, doken

deuren op, alle twintig meter een nieuwe deur, die opende op een nieuwe

zijgang met cylinders, met nieuwe zijdeuren, die openden op nieuwe

zijgangen, met nieuwe zijdeuren met niemre gangen met...

Doorheen hoeveel dimensies liep de toren, met zijn labyrinth van

zijgangen ? Ze behoorden elkaar te kruisen, maar deden het nooit,

alhoewel ze allen in rechte hoeken op elkaar stonden. En steeds maar

cylinders, miljoenen, biljoenen, een oneindig aantal, alle mooi geklas-

seerd volgens de tijdscoördinaten. Alle leven dat ooit op aarde rondge-

wandeld had, en misschien ook alle leven dat er ooit zou zijn, want verleden

en toekomst moesten één zijn, dat kon niet anders na wat hij gezien had.

Verleden, heden en toekomst waren gelijktijdig continuüm, en dwarrelden

rondom het centrum van ruimte en tijd, deze toren, of dit chaotisch gebouw,

in het hart van het absolute nergens.


15

Was leven een kunstmatig geschapen iets ? Of waren deze cylinders een

copie van het echte leven ? Wat was eerst, de cylinder of het leven ?

Wat kwam eerst, de kip of het ei waaruit de kip kwam, en dat de kip eerst

moest gelegd hebben ? Of was de eenheid volledig, en begon en eindigde

alles op het moment dat het wàs ? Vragen die nooit een antwoord zouden

krijgen.

Een enkele vraag kwam nog niet bij Harvey Lonestall op : hoe hij

hierin paste. Want tenslotte moest ook hij op een cylinder staan, en die

cylinder zou zelfs zijn val door de tijd moeten bevatten, de cylinder

zou ook de tijdstorm moeten voorzien hebben. Maar Harvey had zelfs nooit

van de tijdstorm geweten, zou er nooit van weten ook.

Hij wandelde een eeuwigheid doorheen de elkaar nooit kruisende gangen,

doorliep eeuwen geschiedenis en toekomst, en op regelmatige plekken,

vond hij een der projektiemachines, met de daaronderliggende verdiepingen

met cirkelvormige kamers en kontrolemachines. Er moesten vele torens zijn,

dacht hij, wachtposten in het niets, onderling verbonden door enorme stapel-

gangen met cylinders.

Dan, toen hij een der deuren naderde, waarachter hij een der projektie-

machines wist, hoorde hij stemmen, maar van menselijke wezens. Voorzich-

tig ging hij naar de deur en luisterde, er zorg voor dragend ze niet aan

te raken. Dan zag hij, dat de deur gedeeltelijk opengeschoven stond, en

hij loerde naar binnen. De kontrolekamer was groter dan al de anderen, en

er stonden minstens een tiental projektors, voor zover hij de kamer kon

overschouwen. Drie daarvan waren in werking, menselijke gedaanten lagen

achterover in de zetels, de cylinders wentelden, en een goudmistig waas om-

hulde hun. Andere mensen stonden te praten, of bedienden de apparaten aan

de muren, terwijl nog anderen aan grote tafels bezig waren met onverklaar-

bare taken. Toen hij ze nader bekeek, zag hij dat ze anders waren dan

hijzelf. Het was niet alleen hun kleding, een glanzend metaalachtig iets

dat hun lichaam volledig bekleedde, maar ze waren groter, elk minstens twee

meter, en enorm slank gebouwd. Hun handen en vingers schenen spinnen, zo

dun waren ze. Ook de hoofden waren meer elipsvormig, maar achteraan de

schedel vormden ze een verdikking, die langs de hals overging tot op de

schouders. Hun oren waren puntige, rechtopstaande schelpen, en de schepsels

waren volledig haarloos. Ook de smalle ogen hadden geen wenkbrauwen, maar

anders hadden ze normaal menselijke trekken, twee ogen, neus, mond, twee

armen en twee benen.

Tot zijn verbazing, kon hij hun gesprekken verstaan, als spraken ze zijn

eigen taal.

"Molvan kontrol eert momenteel 1925," zei een van hen, "hij waakt nu

over Adolf Hitler, die leider wordt van de nationaal socialistische partij.

We proberen de aanslag uit te schakelen, die Vvorn gepland hebben tijdens de

meeting. Balcaers bespoedigt de bouw van de V1 en de V2 raketten te Peenemunde.


16

Het sabotageprojekt van de Vvorn hebben we al kunnen uitschakelen daar,

maar Balcaers verkiest de volledige operatie te kontrolleren."

"Genoteerd op kontro-23:12:1997 Q2é", antwoorde een der zittende

figuren." Hoe ver is Loidan met Hopkins ?"

"Fogor, hoe ver is Loidan met de Hopkins coördinaten ? Kontrolleer

even als je wilt."

"Matthew Hopkins heeft zijn gezel ontmoet. Momenteel ondervragen ze

vermoede heksen in Bathsvil, twee daarvan zullen de watertest ondergaan

en daarin omkomen. De derde zal het begeven tijdens de ondervraging.

Er is een geringe reaktie van sommige dorpelingen, maar haat en afschuw

tegenover de vermeende heksen overheersen."

"Kontakteer Loidan via de ou-coördinator, en geef Hopkins wat meer

inspiratie in zijn foltermethoden. Voer het gebruik der naalden in,

je weet wel, de oude methode door priemen rechtstreeks in de zenuwen in

te voeren."

"Gedaan. Loidan zal ze door Hopkins doen toepassen bij de eerst-

volgende ondervraging der heksen. Genoteerd op kontro-23:12:1006 RR7"

"Goed, geen interventie van de Vvorn op dat punt. Haigghan is aan

het werken met Nero. Niemand zal de vreedzame keizer herkennen, Haigghan

maakt er een sadistische persoonlijkheid van die de geschiedenis ingegaan

is om zijn wreedheid. Momenteel is hij aan coördinaat 16:3:0063:7:35:20:670"

"Maighar ! Bucor heeft de interventie van de Vvorn ondekt bij de

opbouw tot de Waterlo-crisis in Europa. Het zal een enorme massa

kontrole-opzoekingen vereisen om ze tot de eenheden te kunnen terugleiden

en uit te schakelen. Is Waterlo het waard ? "

"Nee , ik denk van niet. Probeer het in elk geval. Hoe ver ben je

met de ontwikkeling van de zneg-revolver ?"

"Hij is voltooid, Maighar. Hier, bezie hem, een mooi dingetje, niet ?

Niet veel groter dan de palm van mijn hand, en hij start een intercellaire

afbraak-aktie. Desintegratie in de loop van enkele sekonden, en enorm

pijnlijk. "

"Mooi, net wat we nodig hebben. Maar in welke coördinaat voeren we

hem in ? Laat in de 1940's ? Neen, dat is te vroeg. De Venusiaanse

oorlog ?"

"Nee , daar ben ik tegen. De werking zal niet voldoende bekendheid

krijgen, de resultaten zullen begraven blijven in de moerassen. Laten

we hem invoeren in de Russisch-Chinese konflikten romdom Indië, laten we

zeggen in coördinaat 1985 ?"

"We zullen nog zien. Misschien kan Loidan, als hij de Hopkins-zaak

afgewerkt heeft, enkele coördinaten testen, en zien wanneer de invoering

het best geschikt lijkt. Breng de zneg-revolver intussen naar het

arsenaal in de toren VYR-3, dat spul is te gevaarlijk om hier

te laten rondslingeren."


17

Harvey rende door de gang, en dook weg in een zijgang. Zijn hoofd

bonsde , als stond het op springen. Wat hij gehoord had, had de waarheid

in hem doen opgulpen als spuwsel in zijn mond, en hij moest 't nu voor

ogen zien, datgene wat hij vaag verondersteld had, maar niet had durven

aanvaarden.

Hij had het vermoed toen het hem opviel dat al de cylinders geweld-

dadige akties bevatten, belangrijke gewelddadige akties, en wat hij gehoord

had was een bevestiging. Oorlog, haat, vernieling, moordzucht... ze

werden geschapen in de tijdstoren, en uitgezonden over de eeuwen, het zaad

van het kwaad, de kiem van oorlog en geweld. Als kinderen schenen ze ,

deze vreemde, mensaardige wezens, kinderen die zich vermaakten met een

spelletje oorlog, op intertijdsschaal. Ze schiepen de situaties die tot

oorlog aanleiding gaven, ze fabrikeerden zelfs de wapens en voerden ze in

op het gepaste moment. Waarschijnlijk werden ze in gepaste tijdscoör-

dinaat vervaardigd door een of ander wapenspecialist, die zich verwonderde

over zijn eigen vindingrijkheid. En de mensen waren niet meer dan pionnen

in een enorm schaakspel, mechanismen waarvan men zich bediende.

Maar deze schepsels zelf ? Welk nut haalden zij er uit ? Of was

het enkel maar een amusement ? Een tijdsverdrijf, waaraan ze zich met volle

ernst wijdden ?

Een der schepsels ging voorbij de gang, waarin Harvey verborgen

stond. Het lange, magere wezen bewoog zich licht voort, bijna met spin-

achtige bewegingen van zijn slanke benen. De zneg-revolver hield hij achte-

loosin zijn ene hand. Harvey dacht niet meer, hij scheen als automatisch

te handelen. Geruisloos schoof hij achter het wezen, naderde het, en

legde dan de laatste stappen af met enkele sprongen. Toen het schepsel

zich vliegensvlug omdraaide was het al te laat, en de cylinder die Harvey

in de hand klemde, daalde neer op het elipsvormige hoofd van het humanoide

wezen. Iets kraakte lichtjes, en het schepsel maakte een fijn piepend

geluid. Het viel neer, en maakte enkele krampachtige bewegingen met armen

en benen, dan lag het stil. Een viesgroene massa begon plots uit de oren

en de gapende tande loze mond te lopen, en verspreidde zich over de vloer.

De verdikking aan de schedel zakte langzaam in, als een buidel water die

leegloopt. Harvey aarzelde niet, hij grabbelde de revolver op en keerde

op zijn stappen terug. Het wapen paste als gegoten in zijn hand. Alhoe-wel

hij het nog nooit gezien had, scheen hij de werking ervan volledig te be-

grijpen. Het was een zeer eenvoudig bedieningsmechanisme trouwens, enkel

een fijne loop en een trekker. Enkel een kwestie van mikken en de trekker

overhalen, hetzelfde eenvoudige principe van de oude revolvers die hij

vroeger eens gezien had in het wapenmuseum.

"Ik begrijp het toch niet goed," zei het schepsel dat aangesproken

geweest was als Maighar, "de Vvorn bouwden dit labyrinth. Het duurde jaren

vooraleer wij de coördinaatgids ontdekten, en zo onze weg leerden vinden in


18

de tijdskapsules. De Vvorn moeten dit toch ook voorzien hebben, en

hun tegenmaatregelen getroffen hebben ? Tenslotte gaan wij nu ..."

Op dit moment stapte Harvey binnen in de kontrolekamer, en de

schepsels draaiden zich naar hem om. Geen enkele emotie weerspiegelde

zich op hun lange geziçhten, maar de verbijstering toonde zich in hun

verstarde houdingen.

"Zo," zei Harvey, "dus jullie bouwden dit niet ? Maar jullie houden

er wel van jullie ervan te bedienen, er vermaak mee te scheppen, niet ?"

"Een... een levend wezen," murmelde een der dingen, " en het spreekt

onze taal !"

"Een mens," zei het schepsel Maighar," een mens, zoals wij, maar

uit een veel vroeger tijdstip. Zéér vroeg in 2000, zou ik zo zeggen

op het eerste zicht. En hij spreekt onze taal zomin als wij de zijne

spreken. Tijd is één hier, onze breinen vertalen automatisch zijn

woorden, zoals hij automatisch onze taal verstaat. Hoe kom je hier,mens?"

"Dat weet ik niet, maar ik weet zéér goed wat ik hier ga doen, met

gans dit duivelsgebouw. Ik weet niet wat jullie krankzinnig doel is met

jullie spel, maar ik ga het stopzetten. Mijn God, alle pijn en leed

der eeuwen, door jullie verwekt. Het is te afschuwelijk om waar te zijn,

maar het is zo. Maar niet meer voor lang."

Het schepsel glimlachte, een afschuwelijk optrekken van de hoeken

van zijn lippen. "Je weet niets, mens," zei het met zijn hoge, bijna

vrouwelijk klinkende stem, "hoe kun je oordelen over iets wat je onbekend is ?

Je veroordeelt zonder de redenen te kennen. We zijn hier gekomen uit

een toekomst, die te ver is om nog verstaanbaar te zijn voor jouw begrip-

pen. We zijn vluchtelingen uit die toekomst. Onze ontsnapping heeft

ons vierentwintig doden gekost, we ontkwamen slechts met achttien naar

de tijdstoren. Je kan ons alleen niet tegenhouden, mens, en als je

alles weet zal je zelfs niet meer willen. We kwamen hier uit een

Sterrenrijk beheerst door de Vvorn om ..."

Het was alsof het woord 'Vvorn' alle haat, alle woede in Harvey

deed losbranden. Een rood waas trok als een bloedige schemer voor zijn

ogen, en het was alsof zijn brein weggleed in een slijmerige afgrond,

waarin een hese stem fluisterde "Schiet. Schiet. Schiet."

Hij haalde de trekker over. Een starre uitdrukking kwam in de ogen

van Maighar. Dan plots opende zijn mond zich in een geluidloze krijs,

hij viel voorover, de handen op zijn buik geklemd. Groen druppelde

uit zijn mondhoeken. Dan scheen zijn schokkend lichaam weg te smelten,

als werd het vloeibaar, ontbond het zich tot een pulpachtige gelei van

binnenuit. De anderen sprongen op Harvey toe. Hij hield de trekker

ingeduwen, en liet de zneg-revolver rondzwaaien doorheen de kamer. Het

was zo eenvoudig, de schepsels zegen neer als marionetten, waarvan hij


19

de draadjes doorknipte. Enkele piepende geluiden waren het enige en laatste

wat ze voortbrachten. Toen hij ophield, vormden zij een slijkerige massa

op de grond, die zich langzaam verder ontbond in het niets. Dan ging

Harvey naar de drie projektors die in werking waren, en doodde de schep-

sels die er in zaten, hun geest gevangen in een verre tijd. Achttien, had

Maighar gezegd. Harvey had er één gedood in de gang, drie in de projek-

torzetels, en acht hier in de kamer zelf. Als vanzelf vond hij de

coördinatorgids, en schemas van de vier dimensionele tijdstorens. Hij

vond de overige zes mensaardige wezens zonder moeite, aan het werk in

andere projektorzetels, en doodde hen zonder genade.

Er waren geen menselijke gevoelens meer in hem, behalve de afschuwelijk

brandende haat tegenover deze schepsels die zichzelf 'mensen' genoemd

hadden, en die verantwoordelijk waren voor eeuwen van pijn, foltering

vervolging en oorlog. Hij slachtte hen af als dieren, zonder zich af te

vragen hoe hij de coördinator-gids zo gemakkelijk vond, als wist hij

ergens, diep in zijn onderbewustzijn waar hij hem kon vinden.

Dan begon Harvey Lonestall de wereld en de tijd te veranderen.

Hij vond de nodige cylinders zonder veel moeite, en na enkele ekspe-

rimenten met onbelangrijke personen, begon hij de wereld op te bouwen

die hij wenste voor zijn mensheid, en die ze verdiende.

Op het slagveld sneuvelde in 19l6 een doodgewoon soldaat, geboren in

Oostenrijk in l889, en die dan de naam gekregen had van Adolf Hitler.

Das Dritte Reich kwam nooit tot stand. Rogof Szivosky werd het slacht-

offer van een bomaanslag op de dag van zijn machtsgreep, die de aan-

leiding gaf tot de 3de Wereldoorlog, en Igor Valinska nam zijn plaats

in en kon deze krankzinnige oorlog verhinderen. Daardoor vermeed hij

eveneens de opstand van de Venuskolonies tien jaar later, die daaruit

voortgevloeid was.

Op zondagmorgen, l0u, op 28 juni 19l4, wierp een man uit de menigte

zich voor de voeten van de revolutionair die anders de Oostenrijkse troon-

opvolger Frans Ferdinand en zijn echtgenote zou neergeschoten hebben.

Het incident gaf niettemin aanleiding tot een kortstondige oorlog, die

echter eindigde in 19l6. De nacht van vijf augustus l888 zakte in

Whitechappel een in een lange mantel gehulde man plots neer, getroffen

door een hartaderbreuk. Het lancetmes dat hij in de hand geklemd hield,

zou nooit gebruikt worden om de keel van prostituee Emma Smith open te

snijden, en de man zou in zijn met bloed geschreven brieven nooit onder-

tekenen: "Yours Truly, Jack the Ripper". Honderd jaar vroeger werd een

veelbelovend leerling, geboren te Corsica in l769, in een schandaaltje

gewikkeld en weggezonden uit de militaire school te Parijs. Napoleon

Bonaparte zou nooit opklimmen tot "L'Empereur". Een zwangere vrouw deed

een ongelukkige val in mei l740, en had een miskraam. Het kind dat later


20

de roemruchte naam Marquis De Sade zou gedragen hebben, werd nooit

geboren. De man die de Bijbel zou herschreven hebben, groeide nooit

op, toen Luther stierf bij zijn geboorte te Duitsland in l483.

En verder, en verder, ging Harvey Lonestall terug in de tijd,

het verleden vormend, knedend als een beeldhouwer aan zijn meester-

werk, nieuwe pionnen plaatsend op het schaakbord, oorlog ver-

vangend door vrede, haat door liefde, afgunst door beminnelijk-

heid, tot hij zijn meesterwerk beëindigde door de eerste holbewoner

die vlees proefde een indigestie te bezorgen, zodat de man nooit meer

vlees wou aanraken en vegetariër bleef, samen met al zijn nakomelingen

en de nakomelingen van dezen.

Harvey Lonestall overschouwde zijn schepping, en meende de tijd

overwonnen te hebben. Hij besefte niet dat zelfs dit voorbestemd

geweest was door de tijd, dat enorme onindeelbare uurwerk, waar ver-

leden en heden en toekomst één zijn en gelijktijdig. Er is altijd

maar één overwinnaar, de tijd zelf. Harvey zou dit misschien beseft

hebben, wanneer hij verder gezocht zou hebben, en misschien uit-

eindelijk de cylinder ontdekt hebben, waarin hij zichzelf zou

geweest zijn, toen hij ontwaakte en door de tijd viel. Maar hij

zocht niet verder. In de coördinator-gids vond hij de juiste coör-

dinaten van de tijdstorm, die hem uit l0 april 2113 gerukt had, en

hij slingerde zichzelf terug naar die dag, na het voorbijgaan van

de tijdstorm.

Hij ontwaakte in een wereld, die hem zo vreemd was als de toren

toen hij daar tot zichzelf kwam, een wereld waarin de enige gebouwen

houten hutten waren. Maar hij had niet lang nodig om zich aan te

passen aan de vriendelijke, plantenetende mensen die de nieuwe

wereld bevolkten. Hij leefde gedurende vier jaren gelukkig in een

wereld waar slechts vrede heerste, en waar alle konflikten uitge-

praat werden tot ieders voldoening, een wereld waar geweld en wapens

iets ondenkbaars waren.

En natuurlijk was deze aarde volledig onvoorbereid en onbekwaam

tot enige weerstand, toen de eerste zwarte ruimteschepen van de Vvorn

opdoken uit de diepten van een oneindig groot en oneindig vijandig

heelal...

= = = = = = = =


21

Kwota rood vier

======================= Paul VAN HERCK

Patterson gooide zijn benen over elkaar op zijn bureau en zuchtte.

Het was een zware dag geweest. Driehonderd zeventien zelfmoorden

in zijn district alleen al... Och, zo enorm speciaal was dat nu

ook weer niet, maar het begint op je zenuwen te werken als dat jaren-

lang aanhoudt. Het was nu net vier jaar, peinsde Patterson, zijn

pijnlijk hoofd betastend, dat dagelijks het gemiddelde aan zelf-

moorden boven de 250 lag.

Hij vond er zelfs allang niets gruwelijks meer aan. Alleen de sleur

vervloekte hij, en het gebrek aan fantasie van de zelfmoordenaars:

ze sprongen van hoge dingen ( vaak ), sneden zich links of rechts

wat door ( minder vaak ), draaiden de gaskraan open of hingen zich

op ( erg zeldzaam geworden door het gebrek aan privacy ), schoten

zich door de kop ( heel frekwent, al gaat het minder snel en zeker

dan de meesten denken ) en daarmee was praktisch de kous af.

Geen fantasie, zo nooit eens iets waarbij je bij het lijk kan staan

mijmeren : knap werk, kerel, d'r zat wat in je, dat zie je zo.

"Geef me de minister !" spuwde Patterson in de interfoon. Tien

minuten later stond de minister er, hoed in de hand, een tikje be-

dremmeld. Patterson wuifde naar een stoel. "Ga zitten en doe zo

nerveus niet, minister. En doe de deur achter je dicht."

De minister, Cooley heette hij, ontdooide lichtjes en stak een

sigaar op. "Waarmee kan ik u van dienst zijn, meneer Patterson ?"

"Ik heb er genoeg van, Cooley, dat is het. Driehonderd en een slof

zelfmoorden vandaag en de dag is nog niet eens om, maar nu is het

rustig. Ze eten." Hij lachte schamper.

"Dat is toch niets bijzonders, meneer Patterson ?"

"O nee. Helemaal niet. Maar heb je al eens gehoord van de druppel

die de emmer deed overlopen ?"

"U bedoelt ?"

"Dat mijn emmer vandaag is overgelopen."


22

"Dat spijt me zeer, meneer Patterson. Als u nu eens enkele weken vakantie

nam ?"

Patterson schudde energiek het hoofd. "Nee man. Dat zou niets helpen.

Ik ben het zat. Vooral op moreel oogpunt ben ik het zat. Niet de ge-

slaagde zelfmoorden, hoor, dat leer je te nemen. Je vindt ze, wets-

dokter er bij en zo, dodenhuisje en drie dagen later de converter.

Geen problemen."

"Waar beklaagt u zich dan over ?"

Patterson zuchtte over zoveel onbegrip.

"Kan je dat dan werkelijk niet raden, minister ?"

"Welnee, eh..."

"De mislukte zelfmoordenaar. Nog een grotere klungel dan de suksesvolle.

Op het allerlaatste ogenblik heeft het hem aan lef ontbroken en hij

heeft zijn val willen breken, of heeft er wat naast gemikt of zo. En

dan krijgen we de hele rompslomp om hem weer bij te brengen en we stop-

pen hem de nor in als hij er terug bovenop is. Waarom ? Omdat zelfmoord

een strafbaar feit is en blijft... hoe onlogisch dat ook moge klinken."

"Daar raakt u een kwetsbaar punt aan, meneer Patterson."

"Weet ik wel, man, weet ik wel. Wens je wat te drinken ?"

"Een klein druppeltje misschien, meneer Patterson."

Het kleine druppeltje maakte de minister spraakzamer. "Als u 't mij

vraagt," begon hij, maar Patterson was nog niet uitgesproken.

"En dan veroordelen we ze tot drie jaar, goed wetend dat ze, eens dat ze

vrijkomen, opnieuw zullen beginnen ... "

"Een waarheid als een koe," zuchtte de minister.

Ik snap niet waar de logica in dit alles zit, Cooley. "Deze mensen doen

de enige nuttige daad van hun leven, mislukkelingen zijnde, ze maken

zichzelf van kant. Als zelfmoord legaal wordt, dan zou men zo niet meer

moeten knoeien. Dezelde toestand bestond immers vroeger, in de 20ste eeuw,

als ik me niet vergis, toen de abortus nog niet wettelijk toegelaten

was."

"De grijze oude tijd, meneer Patterson."

"Ja. Maar nu... Gezien de kritische toestand waarin de bevolkings-

explosie van de laatste eeuwen ons gestort heeft..."

De minister knikte overtuigd. "Bevolkingsexplosie mag je wel zeggen,"

Patterson negeerde grootmoedig de je-vorm en schreef hem toe aan het

druppeltje. "Nu weet je, Patterson, dat ministers het niet breed hebben,

maar verleden week nog werd mijn woning, en ze was al niet groot,

drie vierkante meter, te ruim voor me geoordeeld en nu moet ik ze delen

met de minister van justitie. Een onhoudbare toestand, meneer Patterson,

onhoudbaar."

"En toch wordt een mislukte zelfmoord bestraft. Dat moet nu maar eens

uit zijn. Luister, minister."

De minister ging rechtop zitten, een en al respectvolle aandacht. "Je

gaat nu eindelijk een wetsontwerp ter zake neerleggen. Zo gauw mogelijk,


23

zegge volgende week. En geen prietpraat."

De telefoon ging. "Dat is alles Cooley," zei Patterson.

"Ik reken op je."

Die avond, even na middernacht, ging Patterson met een tevreden

gevoel naar huis, na de driehonderd achtenzeventigste zelfmoord

te hebben geregistreerd. Hij had het wel wat breder dan de

minister, politie-inspecteur zijnde. Na zich gedurende een

uur met veel elleboogwerk, gevloek en gezwaai met zijn

politiebadge een weg gebaand te hebben door de twee straten

die hem van zijn woonst scheidden, bereikte hij zijn acht

vierkante meter privé woonruimte. Hij kuste vluchtig zijn

vrouw want een andere zitplaats was er niet.

"Drukke dag gehad ?" vroeg ze slaperig.

"Zoals steeds. En jij ?" Ze werkte op een kraaminrichting.

Goed betaald overigens.

"Veel werk, zoals steeds."

"Ik heb de minister ontboden," zei Patterson langs zijn neus

weg. "Ik heb hem er eindelijk toe gebracht een wetsontwerp

in de dienen om de zelfmoord te legaliseren."

"Hoog tijd," beaamde ze, want ze kende zijn stokpaardje. "De

enige vrijheid waarover we nog niet beschikten. Alleen...

zie ik twee schaduwzijden aan de hele historie. Eerst en vooral

wat zal de houding van de kerk zijn ?"

"Een zwaar probleem," gaf Patterson toe. "Heb j'er wat op tegen

dat ik een sigaret opsteek ?" Hij keek veelbetekenend rond in

de enge ruimte waar ergens tegen de zoldering een klein klap-

raampje openstond. Door het kleine klapraampje drong zoals steeds

het geluid van ruziënde buren naar binnen. Hij bonkte lusteloos

op de muur, zonder enig resultaat overigens, stak zijn sigaret op

en schonk zich voorwaar nog een borrel in. "Jij eentje ?"

"Nee, dank je."

"Wat die kerk betreft," zei Patterson, "ze zal bijdraaien, zoals

ze al altijd gedaan heeft, maar een hele tijd later."

"En dan ten tweede, waar blijf je met theorie van de verboden

vrucht ?"

"Hoezo ?"

"Je weet toch nog, toen we net getrouwd waren, dat men de prenup-

tiale betrekkingen officieel toeliet ?"

"Tja, dat weet ik nog. En ik weet ook nog dat we beiden barstten

van nijd dat dat niet enkele jaartjes vroeger gebeurd was. En dan?"

"Wel, op slag daalde het aantal verplichte huwelijken met dertig

procent. Daalde. De verboden vrucht... Wel, hetzelfde zal zich

zeker voordoen met de zelfmoorden."


"Je hebt daar een punt," gaf Patterson toe. "En daar wil ik je

een ander zwaar punt tegenover zetten. Als ik zelfmoord zou ple-

gen..."

"Wat ik jou nooit zou vergeven."

"Neenee, natuurlijk niet. Ik zei àls. Wel, ik zou in een hoekje

moeten wegkruipen en me stil en geniepig van kant maken, zodat de

mensen niets anders vinden dan het vieze lijk en de narigheid. Wel,

de zaken zouden helemaal anders liggen als ik een hele massa kon

getuige maken van mijn allerlaatste heldendaad. Zo van: kijk 's,

zo sterft Patterson. " Hij zweeg een tijdje, dronk zijn borrel

leeg en zei zwaartillend: "Sterven heeft zijn charme, als je ver-

domme maar niet alleen bent."

24

Cooley hield zijn woord en het parlement stemde de wet op zelfmoord.

Verder nog: zelfmoord were plechtig tot een van de Rechten van de

Mens verklaard, wat eigenlijk nog niet eens zo gek is.

de reacties liepen ver uiteen.

De serieuze economisten riepen heil.

De economisten met kruideniersmentaliteit riepen schande.

De katholieken zwegen en wachtten op de Paus. Die pleegde dezelfde

dag nog zelfmoord.

De protestanten protesteerden.

De studenten demonstreerden en gooiden met vuil.

De communisten zetten een kort artikel in de Pravda.

De gewone mensen zagen de zaken zoals ze waren en brachten amende-

menten naar voren. Het Recht op Zelfmoord (kort R.O.Z) werd opge-

schoven naar eenentwintig jaar. Het werd niet toegezegd aan militairen,

staatshoofden en gezinshoofden, of aan trambestuurders tijdens de dienst

en enkele andere categorieën meer. Het werd streng verboden van het

R.O.Z gebruik te maken als het voor anderen gevaar inhield. Eigen-

aardig genoeg werd deze laatste overtreding met de doodstraf bestraft.

Verder, en hier werden vele, heel vele wenkbrauwen opgetrokken, zou

begonnen worden aan de bouw van een reusachtige computer, ten

dienste van iedereen. Die computer zou feilloos beslissen of het

individu dat zich in die zin liet onderzoeken was: a.onmisbaar voor de

maatschappij

b.nuttig

c. onverschillig

d.schadelijk

e.gevaarlijk

Deze computer zou beschikken over steekkaarten met het hele verleden

en de geschatte toekomst van elke staatsburger.

Patterson rookte meer dan vroeger en werkte harder.

Twee weken later vaardigde de nieuwe Paus, Johannes XXXII, een encycliek


25

uit, "Morituri te salutant," waarin R.O.Z. door de kerk erkend werd,

de zelfmoord gedegradeerd van doodzonde tot gewone pekelzonde. Daarna

pleegde ook deze Paus zelfmoord. Veertien engeltjes droegen hem

recht naar de hemel.

"Waarom laat jij je niet eens door de R.O.Z-computer onderzoeken,

Cooley ?" Cooley, tot voor kort ministertje van niemendal, was

helemaal niet meer te vereenzelvigen met zijn vroegere schriel zelf.

Hij was behoorlijk vetter geworden, in zijn kop walmde een dure

sigaar en hij was gekleed in een knalgele toga, de grote mode van

't ogenblik. Cooley was zo'n beetje helemaal onverwacht komen

binnenstappen.

"Waarom ?" vroeg hij.

"Omdat..." Patterson wou zeggen: omdat een minister nog nooit wat

deftigs had uitgespookt, maar hij zweeg wijselijk, want Cooley had

dat wel gedaan, was het dan maar één keertje.

"Ik weet wat je bedoelt," zei Cooley. "Een minister, wat ?"

Patterson knikte.

"'Wel, man, dan heb je 't glad verkeerd. Ik ben minister af."

Nu keek Patterson toch wel even geïnteresseerd. "Was je dan ner-

gens anders goed voor ?"

Cooley negeerde de belediging. "Ik heb een goede inval gehad,

Patterson, ouwe dief." Kijk... de minister àf had zijn slaafse

ministertoon zelfs laten vallen. "Misschien de enige goede inval

in mijn hele leven. Ken je de R.O.Z-Club ?"

Patterson had er al van gehoord. Gloednieuw, ergens in 't midden

van de stad. Zijn collega's op het bureau hadden er al over

gesproken, maar welke show er op de vloer gebracht werd wist hij niet.

Het spul was dan ook erg exclusief en peperduur.

"Van mij," zei Cooley met onverholen trots. "Van mij. Weet je nog,

Patterson, dat, je eens zei dat sterven leuk zou kunnen zijn, als je

maar niet alleen bent ?"

"Uhuh."

"Ik dacht over je woorden na, Patterson, ouwe bulldog, en ik zag in

hoe grenzeloos gelijk je had. In oude films zag ik wel eens hoe

zelfmoordenaars zo'n uurtje of twee boven op de Eiffeltoren stonden

te treuzelen, met heel de trammelant: politie, brandweer, de pastoor,

de hele familie, persfotografen, de teevee, en een paar duizend

geïnteresseerde toeschouwers. En waarom, denk je ? Omdat ze de

fatale stap niet durfden zetten ? Welnee, man, welnee. Schenk me

een borrel, ouwe vrek." Hij trok diep en blies dollars met de

dure rook.

"Je bedoelt... de publiciteit ?"


26

"Precies. Wat een prachtige manier om er een einde aan te maken, zeg.

In het brandpunt van de belangstelling."

Patterson knikte. Hij voelde waar de oudminister naartoe wilde.

"Je hebt een soort zelfmoordclub gesticht ?"

"Ja. Ik heb een paar van de meest verfijnde manieren opgezocht en

er een patent op genomen. Concurrentie, snap je. Oosterse dingen,

man, van een finesse ! Enne... zo goed als pijnloos. Alle vrienden

en kenissen worden uitgenodigd, de boel wordt verfilmd. Toeschou-

wers dat je hebt! Ongelooflijk, al ligeen mijn prijzen erg hoog. De

zaken gaan, man, ze gaan."

"Ik hoop zelfs," ging Cooley likkebaardend verder, " de oeroude

gevechten tot de dood van de oude Romeinen te doen herleven.

Weet je wel ?"

"Gladiatorengevechten bedoel je ?" Patterson was nogal belezen

in geschiedenis.

"Juist. Ik zocht het woord. Gladiatorengevechten. Dan pas zou de

grote poen binnenrollen, zeg. Ik heb dat procédé ook laten patenteren...

Gelukkig dat er in de tijd van de Romeinen nog geen patentrecht

bestond."

"Je bent een gehaaide wolf," zei Patterson hatelijk, maar toch met

bewondering in zijn stem.

"Om op je vraag van daarstraks terug te komen, Patterson, ik liet

me door de computer onderzoeken. Ik kreeg een witte kwota, een vijf,

om precies te zijn. En daarna, toen ik mijn doos geopend had, liet

ik een duplicaat van de R.O.Z.-computer bouwen, zodat mijn klanten

zich niet te ver moeten verplaatsen. Snugger, al zeg ik het zelf.

Ook daardoor liet ik mij onderzoeken. En ik geef je te raden welke

kwota ik kreeg."

Patterson dacht hard na. Hij had al wel een paar gevallen gehoord

waarbij een acht werd behaald door enkele zeer nuttige mensen,

uitvinders, gerechtslui en zo... "Zeven," waagde hij.

"Negen," meneer, " zei Cooley simpelweg. "Negen. Groener kan het

niet. Of zei je wat ?".

Patterson zei helemaal niets.

"Kom m'n keet eens bezoeken, als 't je wat zegt." Cooley stond

recht, stak Patterson een vlezige hand met dikke ringen toe.

"'t Ga je goed, ouwe sufferd."

Het was slechts een uur later, na pijnlijk en gespannen te hebben

nagedacht, dat Patterson de volle draagwijdte besefte van wat Cooley

hem zojuist had verteld. Computers hebben altijd gelijk. De tijd

dat ze wel eens een stommiteit uithaalden is al lang achter de rug.

En als computers gelijk hebben... Dan was het enige wat als werkelijk

nuttig beschouwd werd het systematisch naar de andere wereld helpen


27

van zoveel mogelijk mensen... Met lichtjes kriebelende nekharen vroeg

Patterson zich af welke kwota een Hitler in de R.O.Z.-computer zou

gekregen hebben... Of was de toestand toen anders ?

Die avond ging hij bepaald gedeprimeerd naar huis. In zijn kop

dwarrelden de gedachten door elkaar, en één kreeg al meer en meer vorm:

ook hij moest zich door de computer laten onderzoeken. Wat deed hij

tenslotte voor nuttigs, nu ? Zelfmoorden met de duizenden formeel

registreren en de familie een belastingsformulier opsturen... Van

tijd tot tijd, als het wel eens mee wilde, een echte krimineel arres-

teren... Maar waar blijf je met je geweten als de potentiële doder

die je erachter draait misschien een hoge groene kwota zou halen...

Zijn kwota was rood vier.

Hij durfde het zijn vrouw niet zeggen. Ze waren een braaf en geluk-

kig getrouwd koppel; uit morele overtuiging hadden ze nooit kinderen

gewild, en op een rustige, soliede manier hadden ze steeds van elkaar

gehouden. Maar het moest eruit. "Mijn kwota is rood vier," zei hij,

toen hij eindelijk de nodige moed had vergaard om het haar te zeggen.

Ze draaide zich naar hem om. "Is het waar dat computers nooit liegen?"

"Helaas wel, ja."

"Ik ben ook geweest," zei ze, en ze begon te snikken. "Ik kreeg een

nul. Een nul ! Maar dat kan toch niet ?"

"Maar nee," zei hij troostend. "Er zal wel ergens een fout zitten.

Voor mij alvast ben jij heel erg nodig. Wat zou ik aanvangen zonder

jou ?" Maar het klonk niet overtuigend. Hij stond op, bonkte zich

het hoofd tegen de zoldering, stak een sigaret op en vervloekte zowat

alles en iedereen. Waar je helemaal niet verder mee komt.

Reeds 's anderendaags stond Patterson, een tikje onzeker, voor de tent

van Cooley, als je hier ten minste van tent kon spreken, want het was

een geweldig flashy gebouw. Noch chroom, noch neon waren hier gespaard.

Hij ging in de rij staan voor de privé R.O.Z-computer, gaf de nodige

formulieren af die onmiddellijk in ponskaarten werden omgezet. En

terwijl hij stond te wachten nam hij de mensen eens op die Cooley's

zelfmoordpaleis kwamen bezoeken, en hij vond er niets speciaals in,

integendeel, het waren doodgewone gezichten, dik en dun, rijk en arm,

blank en zwart.

Een halfuurtje later zat hij op het bankje en wachtte op het besluit

van de computer. Het beest boerde, klikte, en dacht toen lang na.

Daarna begon een rood lichtje te pinken en eronder schimmerde een grote

vier. Nog even later tuimelde een kaartje uit een gleuf recht op zijn

schoot, een rood kaartje, met een vier erop, en zijn naam, stamnummer,

geboortedatum en andere personalia.

Hij wandelde naar buiten in het zonlicht, bedacht zich en vroeg aan

de receptioniste om Cooley te spreken. Het meisje was zeer beleefd maar

kordaat. Meneer de uitbater had het veel te druk, zei ze, om gelijk

wie te ontvangen.


28

Gelukkig kwam meneer de uitbater precies op dat ogenblik naar

buiten gewandeld, en hij deed helemaal niet druk.

"Patterson," zei hij hartelijk. "Ik wist dat je zou komen. Kom

erin, man, kom erin." Hij ging hem voor door galmende, met stand-

beeldenvolgepropte gangen, en tenslotte zaten ze in een groot

vertrek tegenover mekaar in dikke zetels.

"Leg het me niet uit," zei Cooley. "Je hebt de R.O.Z.-computer

geraadpleegd. Rood. Is het dat niet ?"

Patterson knikte somber. "Tweemaal. De officiële en de jouwe.

"Hmm. Wees even logisch, Patterson. Een computer vergist zich

nooit, en deze kreeg tot opdracht te beslissen wat goed is voor

de wereld. Hij heeft zich in zijn kop gehaald dat er teveel

mensen zijn. Daarom heb ik groen, want ik help ze naar de andere

wereld, en dokters en verpleegsters en politielui en heel de

bende.. die doen net het omgekeerde en zijn schadelijk. Je vrouw

werkt in een kraaminrichting... Wedden dat ze nul kreeg ?"

"Je slaat de spijker op de kop"

"Vrouwen krijgen doorgaans een erg lage kwota. Ten eerste zijn ze

veel rechtstreekser bij de voortplanting betrokken, en de computer

heeft iets tegen voortplanting. Je zit met haar in ?"

"Natuurlijk zit ik met haar in. Veronderstel even dat ze 't in

haar kop haalt om..."

"Ja. Natuurlijk. Kijk, Patterson, het is allemaal zeer eenvoudig.

Ik kreeg het hoogste groen dat in het land werd bereikt. Je weet

wat dat betekent."

"Ik weet wat het betekent."

"Mooi. Je komt bij me werken. Ik heb iemand als jou dringend

nodig, je hebt je hele leven tussen zelfmoorden doorgebracht. Ik

zal je vet betalen. Patterson overdacht het voorstel even.

"Het lijkt me niet kwaad," zei hij. "Krijg ik enkele dagen

bedenktijd ?"

Hij zou niet lang nadenken. Hij vond zijn vrouw op het bed, met

een flinke dosis cyaankali erin. De nul...

Drie weken later aanvaardde hij Cooley's voorstel. Zijn kwota

wipte terstond naar groen zeven. Want Patterson was een aanwinst

voor de R.O.Z.-Club. Hij verzorgde de juridische kant van de

klandizie. En de zaken floreerden, floreerden.

Na een jaar of twintig begon het zakencijfer terug te lopen.

Andere, kleinere R.O.Z-clubs sloten een na een hun deuren bij

gebrek aan klandizie. Patterson zal zo een jaar of vijftig geweest

zijn toen ook de deur van Cooley's club zich achter de laatste klant

sloot.


29

"Dat is dan weer dat" zei Cooley met een zucht. "Het was mooi zolang

het duurde." Een tikje weemoedig draaide hij de neonbuizen uit die

tot dan toe hadden gepinkt op de stroom van hun eigen generatoren.

Elektriciteit werd immers sinds lang niet meer geleverd.

Samen slenterden ze door de stad, wel oppassend voor van tijd tot

tijd met een doffe dreun instortende gebouwen. Overal stonden, netjes

in de rij, autowrakken bumper aan bumper te roesten. Tussen de

straatstenen tierde het gras, zelfs bloemen als je goed toekeek.

"Ik hoop één ding," zei Patterson, " en dat is dat die verrekte

computers gelijk hebben gehad." Hij schrok op, toen een hert, een

beetje schichtig nog, de straat overstak.

"Computers hebben altijd gelijk," morde Cooley. "Zal ik 't je bewijzen ?"

"Graag."

Ze zetten de stroom weer aan en lieten zich onderzoeken door de roestige

R.O.Z.-computer.

Ze behaalden allebei rood, met een mooie nul. Maar dat hadden ze

wel enigzins verwacht, diep in hun binnenste. Opdracht uitgevoerd...

Ze vertikten het een van de geraffineerde methodes te kiezen die zo lang

furore hadden gemaakt. Ze schudden mekaar zelfs niet de hand.

Een ton TNT is gauw aangesleept, en nog gauwer getoneerd. Het zou

geen jaren duren voor jonge bomen tussen de brokken naar boven zouden

reiken. Bomen waarin vogels zouden zingen.

====================


30

EEN GEVAL VAN HYSTEROBOTICA

================================= Rudolf Scheffer

Langzaam holde het witte bed de brede gang van het ziekenhuis in,

nagestaard door tientallen elektronische ogen.

Voor iemand, levend in het tijdperk vóór dat van de Totale Automatise-

ring zou een geluidloos voortbewegend bed, zonder verpleegster of

dokter erachter een absurd gezicht zijn geweest; voor de man op het

bed, die vanaf zijn geboorte voortbewogen was door ponskaarten en com-

puters was het een normale belevenis.

Het ziekenhuis waarin hij zich bevond was één groot, op topsnelheid

denkend, complex brein, een labyrinth van glazen hersencellen, waar

operaties plaatsvonden, mensen heen en weer gereden werden op bedden,

robots met ogen als microscopen huidweefsels bekeken, computers ledema-

ten amputeerden, emotieloze apparaten mensenlevens redden. Miljarden

gegevens vlogen er heen en weer langs verschillende kanalen en kilometers

verderop diende een robotverpleegster een pijnstillende injectie toe,

sneed een glanzende lancet de huid van een verkeersslachtoffer open.

De man op het bed had sinds enkele maanden het hart en de longen van een

ander mens in zijn lichaam, nadat hij door een kortsluiting in het brein

van de staalfabriek waar hij werkte, aangevallen was door één van zijn

ondergeschikten, een pas geboren robot. Iedere week werden de getrans-

planteerde organen gecontroleerd door twee computers aan weerskanten

van zijn bed, die hem met hun rode röntgenogen bekeken, hun stalen

koude vingers om zijn pols legden en stilzwijgend zijn ademhaline be-

luisterden. Hij kon zijn eigen binnenste zien, vergroot geprojecteerd

op de witte zoldering boven het bed.

Bij de ingang van het ziekenhuis was hij op één van de bedden gaan lig-

gen en had hij de gele ponskaart in de daarvoor bestemde gleuf naast het

witte hoofdkussen gestopt: de kaart die de computer opdracht moest geven

hem naar de twee kilometer verder gelegen controleafdeling te brengen.

Links en rechts, boven en beneden zich zag hij andere bedden voorbij glij-

den achter glas, sommige snel -bij spoedgevallen- sommige langzaam,


31

op weg naar de crematieafdeling, in het zwart geklede familieleden in kleine

vierwielige wagentjes erachter aan, een bosje plastic bloemen in hun

schoot.

Toen zijn moeder overleden was, had hij ook in zo'n wagentje gezeten en

achter het bed aangereden met het lichaam erop, liggend onder een wit

laken. Uit een luidspreker klonk dan zachte elektronische muziek.

Aan het eind van een lange zwarte gang stond een robot die de bloemen

in ontvangst nam, een korte toespraak hield (bij iedere overledene dezelf-

de) en dan verdween het lichaam in de crematieoven. De as die overbleef

kwam met de as van de andere gecremeerden in grote plastic zakken terecht:

voedingsstof voor de bodems van de grote landbouwbedrijven op het

zuidelijk halfrond, waarvandaan de mensen op het noordelijk deel van

de aarde hun voedsel kregen. Iedere keer als hij diepvriesgroente at,

moest hij aan zijn moeder denken.

Hij keek naar zijn inééngestrengelde handen op het witte laken en dacht

aan de vakantie die hem te wachten stond. Daardoor merkte hij niet dat

er een bed naast het zijne voortbewoog met gelijke snelheid. Pas toen

iemand zijn schouder greep draaide hij zijn hoofd om en staarde hij in

twee grijze robotachtige ogen van een man die zich half had opgericht

in zijn bed en trillend zijn mond opende om iets tegen hem te zeggen.

Zijn huid was kleurloosen zijn haar hing in slierten vastgeplakt op zijn

bezwete glimmende voorhoofd. De woorden kwamen moeizaam :

"U...u moet naar mij luisteren. Over tien minuten rijd ik het graf in,

verdwijn ik uit deze waanzinnige wereld. Ik moet met iemand praten.

Vijf minuten. In Godsnaam".

De aangesprokenene hield zijn schouders op. "Ik heb geen tijd. Ik moet

naar de controleafdeling. Wat wilt u tegen me zeggen ?" Hij zag nu dat

er tranen liepen over de wangen van de man. Hij schrok ervan, keek hulpe-

loos om zich heen en kreeg de neiging om de eerste zijgang in te slaan

en de man rechtdoor te laten rijden. Het laten stoppen van de bedden,

met de bedoeline elkaar te kunnen spreken, was verboden, maar er waren

op sommige plaatsen doodlopende donkere stukken gang waar dat wel kon en waar

de computerogen je niet meer konden observeren. Hij kende het ziekenhuis

goed en wist precies waar die plekken waren. De man in het bed naast hem

staarde nog steeds naar hem, geluidloos schokkend, huilend, zijn handen

geklemd om de stalen rand van het bed.

"Vijf minuten" zei hij toen, kortaf "meer tijd heb ik niet. Tweehonderd

meter verder is een gangetje waar we elkaar kunnen praten. We zijn dan 5

minuten buiten kontakt met het ziekenhuisbrein. Ik hoop dat we niet door

een robot gezien worden."

Met zijn linkerhand drukte hij op één van de knoppen en gaf hij het

besturingsmechanisme opdracht, het bed in de nauwe ruimte te rijden. Met een

zachte schok stonden zo stil.

"Wel" zei hij afwachtend. De man naast hem vertrok zijn gezicht in een

vreemde grimas, streek het haar van zijn voorhoofd weg en begon plotseling te

praten, snel, zonder onderbrekingen.


32

"Ik ben op weg naar de experimentele afdeling. Ik werd uit de

duizenden inwoners van de stad gekozen voor een experiment. Ze

moesten iemand hebben die op sterven lag, maar toch geen ernstig licha-

melijk letsel had. Toen ze niemand in het ziekenhuis zelf konden vinden,

besloten ze iemand te nemen die toch een einde aan zijn leven wilde

maken. Dat was ik. In stond vanmorgen op het punt zelfmoord te plegen.

Ik had het raam geopend van mijn kamer op de bovenste verdieping van de

woontoren in blok A, met de bedoeling mijn leven enkele sekenden later

te laten eindigen als een verwrongen massa vlees en versplinterde

botten, op het wegdek beneden me. Op dat moment kreeg de computer in het

centrale archief van de stad mijn kaart in zijn mechanische vingers.

In een onderdeel van een sekonde analyseerde zijn brein mijn ongeluk-

kige levensloop en zocht het contact met mijn huiscomputer, die mij op

de vensterbank zag staan en mij terugriep. Ik luisterde naar het be-

richt, dacht na en rende toen toch naar het raam. Op datzelfde moment

kreeg mijn huiscomputer de opdracht om het raam en de deur van mijn flat

hermetisch af te sluiten totdat de robots van het ziekenhuis mij zouden

komen halen. Ik protesteerde nauwelijks. Waarom zou ik ook ? Ze

vervoerden me in een grote witte wagen. Twee smerige robots met van

die stalen koude handenen dode ogen van glas hielden me vast. Toen

we in het ziekenhuisaankwamen, probeerden ze me op een bed vast te

binden. Ineens werd ik bang, ik begon te gillen. Die krankzinnige

omgeving, die witte bedden, twee mechanische wezens die geen menselijke

gevoelens begrijpen. Als een dier wordt je op een slachtbank vastgebon-

den, naar het abattoir gereden, waar apparaten klaar staan om je aan te

vallen en uit elkaar te halen met scherpe hete naalden. Zonder enig

medelijden ontleden ze je, bekijken ze je opengesneden lichaam, ampute-

ren ze je ledematen, beslissen ze over leven en dood, terwijl ze niets

van werkelijk leven weten. Televisiecamera's richten lenzen op je en

de mensen in hun kamers in de stad zien hoe je voor hun ogen...". De

man klauwde met zijn dunne, roofvogelachtige handen in het laken, trok

eraan. De aderen in zijn hals waren opgezwollen en lagen als dikke

blauwe wormen onder zijn witte huid.

"Ik werd bang, krankzinnig en bang tegelijk. Ik trapte een van die

robots tegen zijn buik. Hij liet me onmiddellijk los, greep naar zijn

getroffen lichaamsdeel waar de onderdelen uitkwamen vallen. Koperdraad,

spoelen, lampen, de hele rotzooi. Hij begon schroefjes te kotsen en viel

toen reutelend op de glazen vloer. Ik rukte zijn arm uit het lichaam en

begon toen op de tweede robot in te slaan. Toen het licht in zijn afschu-

welijke ogen begon uit te doven hield ik er mee op. Ik trok de ponskaart

uit zijn vingers, ging op een van de bedden liggen, stopte de kaart in de

gleuf en reed zo snel mogelijk weg, de lichamen van de vernielde robots

achter me latend".

Hij lachte nu, kreeg een hoestbui en likte met zijn tong langs zijn

witte, dunne lippen. "Ik moet ergens kortsluiting veroorzaakt hebben,

want plotseling doofden er een heleboel lampen en reed ik een donkere

gang in. Robots stonden stil en uit sommige operatiezalen klonk gekrijs.


Dat mijn bed bleef rijden was een enorm geluk. Zo raakten ze me kwijt

in dit waanzinnig doolhof. Ze proberen nu uit te zoeken wat er gebeurd

is. Iedereen denkt dat deze mechanische wereld onfeilbaar en onkwets-

baar is, maar iemand die zich toevallig niet gedraagt zoals de meeste

mensen, niet vriendelijk knikt tegen een computer die je aankijkt,

niet opkijkt tegen een gewone machine, als tegen een godheid, maar het

ding in elkaar trapt... Verdomme, als je de stekker uit het stopcon-

tact rukt, houdt hij op met denken, is hij dood". Hij keek om zich

heen, trok aan zijn bezwete pyama en pratte weer door, iets langzamer

nu : "Denkt u soms wel dat deze machines om ons heen allemaal onfeil-

baar zijn. Mijn hele leven is kapot gegaan door fouten en kortsluitingen

in computerhersenen. De computer die voor mijn geboorte zorgde vergat

een nietig circuitje in te schakelen, zodat ik blind geboren werd, en

de helft van mijn leven in het duister heb rondgelopen. Als ik door

een mens ter wereld was gebracht, had zoiets niet kunnen gebeuren.

Vindt u het abnormaal van me, dat ik die mooie, glanzende apparaten

met hun metalige stemmen haat als de pest. Overal hebben ze me achter-

volgd. Ik heb er in mijn leven al heel war "vermoord", zoals dat offi-

cieel heet. Dat waren de gelukkigste momenten van mijn leven, als ik

een robot rochelend uit elkaar zag spatten, zijn stalen vingers knar-

send rondwoelend in zijn kapotte binnenste. Lampen die met een blauwe

flits uitdoofden, het geluid van scheurend staal. Ik viel dan op mijn

knieën en begroef mijn hoofd in zijn synthetische ingewanden. U zult

me wel gek vinden omdat ik machines niet zie als "de grootste vriend

van de mens" of als "een zegen voor de mensheid" of iets dergelijks,

omdat ik niet sta te applaudiseren als ik een computer zie die kan

lachen, schaken, koken, liefhebben of een formule van een kilometer lang

kan uitbraken. Ik kan niet houden van een dood stuk staal, ik kots op

mensen die verliefd praten over "mijn brave AS 103 computertje". Ik

heb vier keer in de gevangenis gezeten voor sabotage of moord, je kunt

het noemen zoals je wilt. Zelfs daar wordt je eten gebracht door een

robot en word je bekeken door computer die geprogrammeerd is voor psy-

chiatrische analyses. Hoe kan een apparaat in vredesnaam iets begrij-

pen van wat er in mijn hersens gebeurt ? Toen ik voor de laatste keer

uit de gevangenis kwam en de keurige ponskaartenmaatschappij weer

instapte besloot ik te trouwen om nog enige inhoud aan mijn leven te

geven. De computer maakte nu geen fout en zocht een geweldige vrouw

voor me uit. Ze raakte in verwachting. Ik wilde niet dat mijn kind in

een fabriek gemaakt zou worden en ook blind of doofstom ter wereld zou

komen, net als ik - maar weer faalde de techniek. Bij de bevalling

werden mijn vrouw en het kind, dat met zijn hoofdje nog maar net het

kunstlicht had aanschouwd, geëlektrokuteerd door de vroedrobot, die hielp

bij de geboorte. Er stond weer een schakelaartje verkeerd in deze wereld

en toevallig wéér op mijn levensweg. Ik was gewoon wanhopig toen ik in

de wachtkamer van het bericht op de hoogte werd gesteld en ik dacht vol-

slagen krankzinnig te zullen worden. Het volgende moment rende ik naar

33


34

het raam om mezelf eruit te werpen. Een robot hield me tegen. Twee

dagen later zat ik in een psychiatrische inrichting, waar men mij als

een ernstig geval beschouwde en mij liet behandelen door een ... MENS.

Toen ik de man zag, toen ik voelde dat hij warmte uitstralen kon en

dat zijn ogen niet van glas waren, ben ik in huilen uitgebarsten. Hij

heeft me er bovenop gehaald, langzamerhand raakte ik mijn haat en angst

voor alles wat mechanisch was kwijt. Dagenlang heeft hij met me gepraat,

mijn hand vastgehouden. Ik wilde niet meer naar huis toe, zo gehecht

was ik aan hem. Hij is de enige vriend die ik ooit gehad heb. Natuur-

lijk moest ik toch naar huis, maar we spraken af, dat ik langs zou komen

als het me allemaal weer te veel werd. Toen hij overgeplaatst werd naar

een andere stad, zonk ik weer langzaam terug in de diepte. Ik kreeg

weer nachtmerries waarin ik gewurgd werd door robots of gehypnotiseerd

door computerogen. Soms liep ik nachtenlang door de stad. Ik probeer-

de visum te krijgen om de stad te verlaten en ergens buiten te gaan

wonen. Vanmorgen bereikte ik een absoluut dieptepunt en opende ik het

raam. Enige tellen stond ik neer te kijken op het netwerk van straten,

nat, glimmend van de regen, beneden me. Toen riep de computer me terug.

De rest van het verhaal ken je... Mijn God .. ze gaan me straks uit

elkaar halen met hun scherpe vingers. Ze gaan me pijn doen, ze zoeken

me al. Hoor je dat niet. Ze zoeken me. Ik heb twee robots gedood. Ik

ben bang. Vertel me wat ik moet doen."

De man in het andere bed keek hem aan met een lede blik in zijn ogen.

Hij voelde dat hij iets moest gaan zeggen. Aarzelend vormde hij de

woorden, die geruststellend hadden moeten klinken: "Ik ...je moet...

de wereld is nu eenmaal zoals hij is. De machine is de vriend van de

mens. Ik bedoel, we moeten er mee leren leven, de mooie kant van alles

zien. De computer is toch een zegen voor de mensheid. Vroeger toen we

nog geen computers hadden, waren we barbaren. Begrijp je ... ?"

Hij brak de zin af toen hij de ogen van de man naast hem zag. Er lag

een waanzinnige uitdrukking in. Hij had zijn lippen op elkaar geklemd

en zijn neusvleugels trilden. Zijn hart bonsde heet binnen in hem.

"Nee !" gilde hij toen ineens. "Ik begrijp het niet. Jij... jij bent

net als die anderen, afgestompt door machines. Je denkt niet meer na,

met je vastgeroeste hersens. Er wordt voor je gedacht. Begrijp je

dan niet dat ze me kapotgemaakt hebben".

"Jawel. Dat begrijp ik wel. Ik ben zelf ook aangevallen door een

robot op de staalfabriek, die mijn bovenlichaam uit elkaar heeft gerukt.

Dat zijn de risico's van het werken met machines." De man tegenover

hem klauwde zich plotseling vast in zijn pyama en trok hem naar zich toe:

"Voel je niet dat al die ogen op je gericht zijn, dat je nergens meer kunt

lopen zonder dat zij je zien. Merk je die koude adem van al die appara-

ten niet. Begrijp je niet dat je alleen nog maar bestaat in de vorm van

een ponskaart, een gele kaart met gaatjes erin. Als ik die verscheur of

verbrand besta je niet meer. Zonder ponskaart ben je dood, en word je

begraven door een robot, die bloemen op je graf legt. Zie je niet dat


we in een absurde maatschappij leven, dat iedereen langzaam kapot gaat."

De andere rukte zich los. "Ik moet weg" hijgde hij "naar de controleaf-

deling. U voelt zich niet goed. Ik zal een dokter voor u halen. Daar

loopt een robot, ik roep hem even. Rustig in Godsnaam."

"Een ROBOT ?" De gil van de man kaatste heen en weer tussen de wanden

van de nauwe gang. "Wilde je een robot voor me halen. Ik vermoord je.

Ik vermoord je. Ik vermoord je. Robot. Laten ze het maar zien, ik

vermoord je onder de ogen van alle computers van de wereld."

Hij sloeg de andere man in het gezicht, keihard, tot het bloed op de

glazen vloer spatte. Toen hij zag dat de gezichtshuid van de man blauw

begon aan te lopen en dat er speeksel uit zijn mond kwam hield bij op

met slaan. De man hing zwaar, bewusteloos in zijn armen. Rustig nu trok

hij de man overeind en hees hem op het bed, waar hijzelf eerst op gelegen

had, op weg naar de experimenteer afdeling. Hij tastte naar een van de

knoppen, gaf het bed een duw in de richting van de lange glazen gang. Het

bed zette zich langzaam in beweging, kwam weer in kontakt met het zieken-

huisbrein, dat onmiddellijk reageerde op de signalen van de bed-computer,

gevoed door de ponskaart van de man die achterbleef in de donkere gang...

"Ik heb wéér een robot gedood" zei de man tegen zichzelf, terwijl hij

kalm in de richting van de uitgang van het ziekenhuis begon te lopen.

"Als ze hem straks uit elkaar halen voor hun experiment komen er draden

en lampen uit hem. Ze zullen me nu wel zoeken. Als ze mijn ponskaart

aftasten, merken ze dat die niet bij hem hoort." Hij keek achterom, het

leek of de ogen van de computers hem aanstaarden, door hem heen zagen.

"Ik begin langzaam gek te worden" zei hij hardop en begon te hollen.

Een robot die hem tegemoet kwam bleef staan en strekte zijn stalen

hand naar hem uit. Hij sprong opzij, ontweek de hand en rende verder.

Toen gebeurde het : De metalige stem van de Centrale Computer boorde

zich in zijn hersenpan en scheurde zijn hoofd open: "De eigenaar van kaart

40126 is verdwenen. VERDACHT VAN MOORD OP EEN ANDERE KAARTEIGENAAR".

Het bericht werd herhaald, steeds harder en sneller, twintig keer, honderd

keer. De man zag nu dat zijn portret geprojecteerd werd op de glazen vloer

vóór hem, een vertekend waanzinnig gezicht, heen en weer schokkend. De

wanden kwamen op hem af, de vloer golfde van hem weg. Ze zouden hem nu

vinden, verscheuren, hypnotiseren. Hij drukte zich tegen de wand aan,

van alle kanten vielen glanzende apparaten hem aan. Hij voelde hun me-

chanische ademhaling tegen zijn gezicht. Hij rende een gang in, een robot

kwam achter hem aan, zijn stalen voetzolen maakten een geluid, als van een

stampende machine. De robot miste zijn linkerarm en zijn oren waren donker.

Aan het eind van de gang spatte hij uit elkaar in een lichtflits, die het

doolhof in een witte gloed zette. De man wist nu niet meer waar hij naar

toe ging, waar de uitgang was van dit bewegende, levende ziekenhuis, waarvan

de wanden en de vloeren op en neer gingen met zijn hartslag. Zijn bloed

klopte in zijn hoofd. Op zijn netvliezen dansten cirkels en strepen rond.

35


36

Een robot boog zich over hem heen. Hij vloog weer verder, trappen

op en af, gangen in. Aan alle kanten waren nu robots om hem heen. Hun

stalen gezichten leken bijna menselijk in het halfdonker. Bedden

reden met een krankzinnige snelheid op hem in, verdwenen door de muur.

Mensen vielen er van af, lakens meesleurend, kermend wegkruipend

onder de vloer. Schijnwerpers richtten zich op de ledige bedden en

daarna op hem. Operatiezalen gingen plotseling open, bedden met mensen

die opengesneden waren reden naar buiten, stelden zich in een lange rij

op en reden langzaam aan hem voorbij. Hij glimlachte. Het waren

robots die op de bedden lagen. Hij kon duidelijk het koperdraad en

het raderwerk zien in hun gespleten borstkassen. Ze hielden allemaal

hun ponskaarten omhoog en een stem uit een luidspreker riep hun namen

af. Familieleden gooiden plastic bloemen op de bedden. Het vuur uit

de crematieoven sloeg hem tegemoet. Hij draaide zich om. De wanden

spuwden ponskaarten uit. Licht barstte overal los. Robots renden heen

en weer, botsten tegen elkaar, vielen elkaar aan. Hij lachte nu hardop.

Zijn gelach kaatste heen en weer, werd versterkt. Plotseling stond

de psychiater er ook aan het einde van een zijgang. "Ik ben ook een

robot" riep deze. "Dat wist ik al" antwoordde de man. "We zijn

allemaal robots."

Hij bereikte de uitgang van het ziekenhuis. De portier, een robot,

lachte naar hem en zei: "Gefeliciteerd met de geboorte van uw kind."

Hij knikte en stapte naar buiten het zonlicht in. Een rij van

robots wachtte hem op. Aan het eind van de rij stond een glimlachende

robot, die hem zijn ponskaart overhandigde.....

======================


37

HET UNIVERSUM VAN HET

============================ Julien C. Raasveld

Het had geen naam, geen vorm, geen lichaam. Met andere woorden,

Het was niet te beschrijven. Waar Het vandaan kwam, hoe Het ge-

boren was, hoelang Het reeds leefde, wie zal het zeggen ? Het

wist het zelf niet, want Het kende geen herinnering, geen werkelijk

bewuste gedachten. Het deed alleen maar wat Het altijd gedaan had:

energie opnemen waar Het ze ook maar vond. Het zweefde reeds on-

eindig lang van ster tot ster, verslond energie en liet dode ster

na dode ster achter. Nu was er in het universum van Het geen enkele

ster meer over en Het moest genoegen nemen met de kleine vonkjes

energie die nog in het binnenste der planeten leefden. Het kende

een gevoel dat men best met honger kan omschrijven, hoewel de ge-

voelens van Het waarschijnlijk niet te omschrijven waren. Het had

honger, maar Het leefde in een universum waar nog slechts zeer weinig

energie te vinden was, want Het had zijn universum gedood...

Gelukkig leefde Het niet in het universum van de mens. De planeet

Terra en de duizenden andere planeten die de terranen in hun Galaxis

bevolkt hadden, bestonden niet in de dimensie van Het. Het universum

van Het bestond naast dat van de mens, zoals er oneindig veel universa

naast elkaar bestaan...

De tweeduizend vrijwilligers kenden hun opdracht niet toen ze zich

aanboden. Het universum van de mens was uitGestrekt, maar de mens

had de verste uithoeken verkend, de grootste gevaren overwonnen, de

diepste geheimen ontsluierd en de barste planeten bevolkt. Andere

schepselen waren ofwel bondgenoten, ofwel overwonnenen geworden. In

het universum van de mens bestond alleen nog maar veiligheid, zekerheid...

De meesten vroegen niet meer, maar anderen hadden de zucht naar avontuur,

die de mens boven de andere schepselen had uitgebracht, niet verloren.


De oproep voor vrijwilligers van de Intergalactische Regering werd

dan ook door miljoenen enthoesiast begroet. Het vooruitzicht van

levensgevaar kon weinigen afschrikken; de mens had de dood sinds

lang overwonnen en aan zijn leven kon slechts een einde gemaakt worden

door een ongeluk. Men was zelfs zover dat men aan een intakt brein

opnieuw een lichaam kon geven. Sterven was haast onmogelijk geworden,

maar een eeuwig leven zonder opwinding, vol verveling, deed velen ver-

langen naar een kans als deze die geboden werd.

Miljoenen boden zich aan, slechts tweeduizend werden weerhouden, nog

steeds zonder dat het doel van hun opdracht gekend was.

38

Tregor Vanham liet zich gemakkelijk achterover zakken en deed zijn

blik rond de zaal dwalen. Duizend mannen en duizend vrouwen wachtten

in spanning op Intergalaktisch President Manro die vandaag de vrijwil-

ligers zou toespreken en hun opdracht zou uiteenzetten. Dit alles

terwijl het schip waarop zij zich bevonden naar een onbekende bestemming

op weg was.

Tregor kende niemand van de andere vrijwilligers, zij waren tijdens hun

selektie strikt afzonderlijk gehouden. Nochtans aarzelde hij niet om

het meisje dat naast hem plaatsgenomen had aan te spreken. Hij had een

zwak punt en dat was een voorliefde voor de andere sexe, d.w.z. de

mooie exemplaren van de andere sexe, en het exemplaar dat nu naast hem

zat had àlles om hem zéér zwak te maken.

"Ik ben Tregor Vanham," stelde hij zich voor, "vermits we toch samen

het gevaar tegemoet trekken, vind ik dat we elkaar maar ineens moesten

leren kennen."

Het meisje keek hem koel aan en wendde toen weer de blik naar het podium.

Lichtelijk geïrriteerd probeerde hij opnieuw:

"Ik..."

Juist toen verscheen de langverwachte spreker, die iedereen herkende

als Intergalaktisch President Manro. Het lichte rumoer dat in de zaal

heerste verstomde eensklaps. De spanning was voelbaar.

Manro was een president zoals hij vroeger ondenkbaar geweest zou zijn :

een mens, en geen geesteszieke zoals de politiekers uit de primitieve

terraanse tijden. Zij hadden hun machtspositie te danken aan hun mis-

vormd brein, dat hen ertoe bracht kost wat kost aan de macht te komen;

Manro was geselekteerd door een elektronisch brein, en niet alleen hij,

ook iedereen die een belangrijke post innam. Zij waren geen heersers,

zelfs geen leiders in de oude betekenis van het woord, eerder vaderlijke

figuren die onbaatzuchtig zorgden voor het welzijn van de biljarden

terranen van de Galaxis. De eerste kwaliteit waarvoor het brein hen had

uitgekozen was hun menselijkheid, de tweede hun bekwaamheid om vooruit

te zien en het ras voor alle mogelijke gevaren te beschermen. Dit laatste

was de reden waarom tweeduizend vrijwilligers nu zaten te wachten op de

woorden van Intergalaktisch President Manro.


39

Manro keek naar de zee van gezichten voor hem en voelde zich

vreemd trots bij de gedachte dat dit niet meer of minder dan de

elite van het menselijk ras was : de dromers, de durvers, de zoe-

kers naar het onbekende. Hij begon te spreken :

"Niemand van jullie weet waarom hij is uitgekozen voor een opdracht

die hij niet kent. Het is mijn taak jullie het te vertellen. Maar

eerst moet ik iets tonen."

Hij drukte een knop in en op de wand achter hem verscheen een beeld

van de ruimte rondom het schip. Met verbazing zagen de meesten

dat zij de Galaxis verlaten hadden. De glinsterende, flonkerende

spiraal van de sterren lag links op het scherm, terwijl in de grote

duisternis daarrond slechts de schaarse lichtpuntjes van de andere,

voor de mens nog steeds onbereikbare stelsels lagen. Het beeld ver-

schoof verder naar rechts en een gemompel van verbazing klonk in de

zaal. Een ander schip was verschenen, op zichzelf niet verrassend,

zelfs niet op de rand van de Galaxis, maar wel door zijn grootte en vorm.

Bol- in plaats van schotelvormig zoals de andere terraanse schepen,

konden zij zijn afmetingen schatten door de normale schepen die zich

aan zijn wand hadden vastgehecht of er rondom zweefden. Elk schip

kon, evenals dat waarop zij zich bevonden, tienduizend passagiers

bevatten. En toch waren zij dwergen in vergelijking met het andere.

"Ik merk dat jullie je verbazen over de grootte en de vorm van dit

vreemde schip, dat de mythologische naam Argos draagt. Vergis je

niet, het kan slechts tweeduizend passagiers vervoeren. Het grootste

deel bestaat uit een nieuwsoortig Brein en machines voor het opwekken

van absolute energie, voor de voeding daarvan."

Hij pauzeerde dramatisch.

"Dit brein kan gedachtenkoncentraties opwekken die miljarden malen

sterker zijn dan deze van alle levende schepsels samen. En toch

heeft het slechts één enkele taak ; niet zoals velen van jullie

denken om naar nieuwe melkwegstelsels te reizen, maar wel om onze

ruimte-tijddimensie te doorbreken."

Hij pauzeerde opnieuw, ditmaal om iedereen tijd te geven de volle

kracht van zijn verklaring te bevatten.

"Dit brein zal, zuiver door de kracht van zijn gedachte alleen, in

staat zijn ons universum te verlaten en het oneindig aantal mogelijke

universa, waarvan het bestaan theoretisch bewezen is door de wetten

van Frondel, te bezoeken.

"De reden ? Omdat de mensheid opnieuw een barrière ontmoet heeft

en deze opgeheven dient te worden. Sinds wij de onsterfelijkheid

bereikt hebben wordt ons, nochtans klein, geboortepercent ons fataal.

Er is een bevolkingsexplosie aan de gang die dreigt onze beschaving

tot stilstand te brengen, en erger nog, te vernietigen. Wij kunnen

deze explosie alleen opvangen door het vinden van een nieuwe levens-

ruimte. Vermits wij geen ander melkwegstelsel kunnen bereiken is onze


40

hoop gesteld op een andere dimensie. Jullie taak is het om zoveel

mogelijk universa te ontdekken die voor menselijk leven geschikt

zijn, als deze tenminste bestaan. Worden jullie om een of andere

reden belet om terug te komen, dan dienen jullie te trachten een

beschaving op te bouwen, zodat wij later misschien terug kontakt

kunnen opnemen. Of anders zijn jullie in het ergste geval voor eeuwig

op jezelf aangewezen, maar zal de mensheid bij jullie toch een nieuwe

kans krijgen. Dat is alles. Verdere instrukties zullen uitgedeeld

worden."

Voor Tamara Tran was het uur dat op deze toespraak volgde één

aaneenschakeling van verwarde indrukken. Na de schok die de onthul-

lingen van Manro teweeggebracht hadden, volgde een nieuwe : de

gedrukte instrukties vermeldden Tamara Tran als bevelhebber van de

Argos (in de hiërachische nomenklatuurwerd al sinds lang geen onder-

scheid meer gemaakt tussen mannelijk en vrouwelijk).

Direkt onder haar stonden twintig Tweeden die elk over een afdeling

met honderd man beschikten. Elke groep van honderd was zorgvuldig

geselekteerd voor een bepaald vak, bv. galaktografie, biologie,

extraterraanse kontaktopname, scheepstechniek, enz. Zij diende voor

de algemene koördinatie te zorgen. Wanneer de bemanning een verandering

van Bevelhebber of Tweede wenste, moest dit gebeuren door vrije

verkiezingen onder waarheidskontrole van een elektronisch brein, d.w.z.

dat de stemmer geen stem kon uitbrengen die tegen zijn gevoelens inging.

Zo kreeg de zin "in eer en geweten" zijn volle betekenis.

De inscheping op de Argos gebeurde in dat voor Bevelhebber Tran zo

verwarrende uur. Onmiddellijk namen de scheepstechnici de machinekamer

in bezit en werd de Argos gereedgemaakt voor zijn eerste sprong door

de dimensies. Onnodig ceremonieel werd steeds zoveel mogelijk vermeden.

Tamara Tran en de twintig Tweeden bevonden zich in de Koördinatiekamer,

vanwaar zij alles in en buiten het schip konden volgen. Het Argosbrein

maakte zich klaar om de sprong naar Universum 1 te wagen. Tregor Vanham

die Tweede was van de afdeling Extraterraanse kontakten, zag tot zijn

verrassing dat de Bevelhebber niemand anders was dan het meisje dat

naast hem in de zaal gezeten had.

Het kwijnde langzaam weg in zijn universum, wanhopig zoekend naar

de laatste vonkjes energie die hier en daar nog in een planeet flakkerden.

Indien Het gevoelens bezeten had, zou Het zeker radeloos geweest zijn.

Het dwaalde door zijn dode universum, zoekend zonder hoop.

In de Argos werd de spanning ondraaglijk. Door alle luidsprekers klonk

de monotone stem van Het Brein, dat de sekonden aftelde:

"--vierenvijftig--drieënvijftig--tweeënvijftig--"

Misschien waren dit de laatste sekonden van hun bestaan, want niemand kon

met zekerheid zeggen wat er ging gebeuren. De wetten van Frondel waren het


41

resultaat van een geniaal, vizionair denken, maar er bestond geen enkel

bewijs dat ze op vaste grond rustten. De droom van Frondel over een

oneindig aantal dimensies met een oneindig aantal mogelijke universa,

kon een heel mooie droom zijn, maar dromen waren broze dingen om op

te bouwen. Zeker als je op het punt stond om door de onvoorstelbare

denkenergie van Het Brein weggesleurd te worden naar... ja, Ergens of

Nergens, wat zou het zijn ?

"--zeventien--zestien--vijftien--"

Tregor Vanham trachtte zijn angst te vergeten door te kijken naar het

lijkbleke gelaat van Bevelhebber Tamara Tran, dat hierdoor een

etherische schoonheid verkreeg die hem sterk ontroerde.

"--veertien--dertien--twaalf--"

Tamara Tran staarde naar het scherm waarop de vertrouwde spiraal

van de Galaxis flonkerde. Schepen waren er niet meer te zien, deze

waren sinds lang op volle kracht weggevlucht, om niet meegesleurd te

worden door de enorme energieontlading die Het Brein zou teweegbrengen.

"--elf--tien--negen--"

Tweeduizend mensen wachtten in angstige spanning, tot de Argos zich

zou losrukken uit hun ruimte-tijduniversum en zich zou verplaatsen

naar een onvoorstelbare bestemming.

"--acht--zeven--zes--vijf--vier--drie--twee--een--NUL--"

Een ondeelbaar ogenblik gebeurde er niets, toen bevond Tregor Vanham

zich in iets dat hij niet kon beschrijven. Het was een duisternis,

zoals hij er nog nooit een gekend had. Hij wist dat alles rondom

hem verdwenen was; de Argos, de tweeduizend bemannigesleden, elke

denkbare vorm van materie. Slechts zijn eigen denken bleef,

zelfs zijn lichaam scheen opgelost in het grote Niets. Toen was de Ko-

ordinatiekamer er weer, met Bevelhebber Tamara Tran en de negentien

andere Tweeden. Alle blikken werden gericht op het scherm. Het was

volkomen duister.

Plotseling werd Het opgeschrikt door een energieontlading zoals

Het er nog nooit een gekend had. Gretig proefde Het de energie en

snelde naar de plaats vanwaar zij op Het kwam toegevloeid. Voor het

eerst in zijn bestaan kende Het iets dat men vreugde zou kunnen noemden.

Energie ! Energie in zulke hoeveelheden, dat zij groter was dan alle

energie samen die ooit in het universum van Het aanwezig was geweest.

Het moest kost wat kost deze energie hebben en indien mogelijk moest Het

ervoor zorgen dat Het ze voor eeuwig kon behouden.

Op de Argos werd koortsachtig gewerkt. Universum 1, zoals het aan-

geduid werd, werd door alle instrumenten afgetast. De bevindingen

waren ontegensprekelijk : dit was een dood universum.

Slechts dode sterren werden waargenomen. Hier was alle leven onmogelijk.

De Argos zou een nieuwe sprong moeten maken, hoewel de sterrenkundigen


43

onmogelijk id, dan is ook het bestaan van materie uitgesolten, ver-

mits materie slecht seen vorm van energie is."

"Laten we zeggen: niet-materische energie."

"Ook dat moet ik aanvechten. Wij hebben hier te maken met een

d o o d universum, dus is er eens energie geweest om dit universum

te doen ontstaan en leven. Verder hebben wij toch wel duidelijk

gekonstateerd dat de sterren eens energie hebben uitgestraald. Uw

hypothese is volgens mij verkeerd."

" Het kan een later opgetreden verschijnsel zijn."

Bevelhebber Tamara Tran wendde zich tot Tregor Vanham.

" Hebt u misschien een betere verklaring, Tweede Vanham ?"

" Mijn taak der wetenschap is deze der extraterraanse levensvormen.

Misschien sta ik daardoor meer open voor vergezochte verklaringen dan

de anderen. Mag ik een kleine opsomming maken :

1) De door Het Brein voortgebrachte energie heeft niet de gewenste

uitwerking.

2) In dit universum zijn alle energiebronnen uitgeput.

3) De energie i n het schip voor verlichting, verwarming, e.d. blijft

normaal voortwerken.

Daaruit trek ik het volgende besluit : wij hebben hier te maken met

een levensvorm die energie opslorpt ! "

"Uw bewijzen daarvoor ? "

"De energie van het Brein heeft niet de gewenste uitwerking. Dus

wordt zij voor iets anders aangewend, m.a.w. opgeslorpt ! Opgeslorpt

zoals de energie van de sterren in dit universum opgeslorpt is. Als

bewijs daarvoor wijs ik u er nogmaals op dat de kleinere energiebron-

nen van het schip vrij van interferentie blijven. Volgens mij hebben

wij hier te maken met een para sitaire levensvorm die grote hoeveel-

heden energie nodig heeft om in leven te blijven."

"Aangenomen dat uw hypothese juist is, ziet u een manier waarop we

aan deze levensvorm kunnen ontsnappen ?"

"Deze levensvorm is voor onze zintuigen en instrumenten onwaarneembaar,

anders hadden wij zijn bestaan reeds lang opgemerkt. Daaruit volgt

dat wij hem met onze wapens niet zullen kunnen bestrijden, temeer daar

deze gebaseerd zijn op het principe van energieontlading, zoals de

laserkan onnen e.d; Er is maar één manier : Het Brein uitschakelen

tot het wezen dat zijn energie aftapt, verdwijnt of sterft."

Bevelhebber Tamara Tran staarde nadenkend voor zich heen en knikte dan :

"Goed, we kunnen het altijd proberen, hoewel het mij persoonlijk nogal

onwaarschijnlijk voorkomt. Tweede Jondar, geef bevel Het Brein te

stoppen."

Het zweefde rond de Argos en slorpte energie in zich op. Dergelijke

bron van voedsel had Het nooit bezeten en Het was vastbesloten ervoor te

strijden. Plotseling gebeurde wat Het gevreesd had: de energie verdween.

Niet alle energie verdween, een zeer klein beetje bleef, de moeite van


protesteerden en verlangden te ontdekken hoe een gans universum

tot een hoop sterren zonder het minste greintje energie was terug-

gebracht. Hun protesten waren tevergeefs. De taak van de Argos

bestond erin universa te ontdekken waarin de mens kon leven, niet het

onderzoek van onbegrijpelijke fenomenen. Het Brein van de Argos was

aan zijn aftelling begonnen.

42

Het slurpte gretig aan de energie die vanuit het vreemde ding kwam,

dat in het universum van Het verschenen was. Het was vastbesloten

deze bron van energie niet verloren te laten gaan. Voor het eerst in

het bestaan van Het, begon Het te redeneren en plannen te maken. Het

instinkt voor zelfbehoud had in Het onvermoede veranderingen teweeg-

gebracht, iets dat men wellicht een vorm van intelligentie kon noemen.

"--NUL--"

Er gebeurde niets? Het nu bekende fenomeen van niets-zijn was er niet.

Tamara Tran kwam met een schok tot zichzelf en stelde zich in verbinding

met de mechaniekers die Het Brein moesten kontroleren.

"Hier bevelhebber Tamara Tran. Wat gebeurt er ? Werkt Het Brein niet ?"

Een van de hoofdmechaniekers verscheen op het beeldscherm. Zijn gelaat

drukte ongeloof uit.

"Wij begrijpen er niets van, Bevelhebber. Het Brein werkt uitstekend.

Zijn denkenergievoortbrengst is dezelfde als de vorige keer. Het is

onbegrijpelijk."

Tamara Tran schakelde de verbinding uit en richtte zich tot de Twintig

Tweeden.

"Het is duidelijk dat er een storing opgetreden is die de Argos belet

dit universum te verlaten. Heeft iemand een idee ? Tweede Mechanieker

Jondar ?"

Het hoofd van de afdeling Mechaniek maakte een hopeloos gebaar met zijn

handen.

" U heeft gehoord wat mijn mensen zegden. Alle instrumenten hier be-

vestigen hun woorden. Als er iets misloopt dan kan ik me niet voor-

stellen dat dit aan een fout van Het Brein zou liggen."

"Heeft iemand anders een verklaring ?"

Tweede sterrekundige Xtala nam het woord :

"Volgens mij moet de oorzaak gezocht worden in het onbegrijpelijk

verschijnsel van dit volkomen dode universum. Misschien hebben wij

hiermee, zonder het te willen, de verklaring gevonden, namelijk dat dit

universum anti-energetisch is."

"Wat betekent ?"

"Door een of andere inherente eigenschap is het bestaan van energie hier

onmogelijk. Als dat zo is, en alles wijst erop, betekent dit dat wij

hier voorgoed vastzitten."

Tregor Vanham mengde zich in het gesprek:

"Hoewel ik in uw tak der wetenschap vrij ontwetend ben, meen ik toch een

zwak punt in uw redenering te vinden. Als het bestaan van energie hier


44

het opnemen niet waard. Even was Het radeloos, maar dan begon Het voor

het eerst in zijn bestaan iets anders te doen dan alleen maar vegeteren.

Het begonde Argos te onderzoeken naar een mogelijkheid om de toevoer van

energie terug te brengen. Het begon in het binnenste van de Argos te

speuren en Het dacht een oplossing gevonden te hebben.

Mechanieker Philnam was de eerste die het verschijnsel opmerkte. Machines

die verondersteld werden uitgeschakeld te zijn, begonnen te werken. Hef-

bomen verplaatsten zich schijnbaar uit eigen beweging. Het Brein trad

terug in werking !

In de Koördinatiekamer werd koortsachtig overlegd. Iedereen trad nu de

mening van Tregor Vanham bij, dat men hier te maken had met een onbekende

levensvorm. Allen wendden zich tot hem om een oplossing te vinden.

Tregor dacht diep na.

"De aktie van het wezen wijst erop dat het een vorm van intelligentie bezit

en dat het vastbesloten is de voedselbron, die Het Brein vormt, te behou-

den. Het wijst er ook op, en dit is hoopgevend, dat het dringend energie

nodig heeft omdat het niet passief kan blijven. Kunnen wij de aanvoer van

Absolute energie naar Het Brein afsnijden, zodat het niet terug in werking

kan treden ?"

De Tweede Mecanieker bevestigde dit en gaf onmiddellijk de nodige orders door.

Onmiddellijk daarop volgde een nieuw alarm : de verbroken verbindingen

herstelden zich automatisch !

De Tweede Mecanieker staarde hopeloos naar Tregor Vanham.

"Wij zijn verloren. Het ding kan al onze akties tenietdoen."

Hij schudde verbijsterd het hoofd. Een doodse stilte viel over de groep

mensen in de Koördinatiekamer.

Tregor Vanham sprong plotseling recht onder impuls van een ingeving.

"Laten wij het wezen op zijn eigen manier bestrijden !"

Iedereen staarde hem onbegrijpend aan.

"Zien jullie niet dat wij HET wapen bezitten om een dergelijk ding

te bestrijden ? "

"Verklaar u nader, Tweede Vanham." zei bevelhebber Tamara Tran.

"Maar Het Brein natuurlijk ! Het wezen parasiteert op de energie van

Het Brein, laten wij Het Brein niet instellen op het opwekken van denk-

energie, maar op het opslorpen ervan. Enige kleine wijzigingen in de pro-

grammeringskoördinaten moeten dit mogelijk maken. Laten wij het wezen

Het Brein terug in werking stellen, het wordt zijn ondergang !"

Enthoesiast gaf de Tweede Mekanieker dit bevel door.

Het voelde iets als voldoening toen Het besefte dat zijn pogingen om

zijn voedselbron terug in werking te stellen niet meer werden tegenge-

werkt. In hongerige verwachting spande Het zich in. Ongekende hori-

zonten openden zich voor Het toen het besefte dat het iets kon bereiken

door aktief in plaats van passief te zijn. Na intelligentie begon Het

ambitie te voelen, de ambitie om zijn universum terug levend te maken en


45

te houden, een voedselbron voor alle eeuwigheid. Indien Het had kunnen

jubelen dan zou Het dat gedaan kunnen hebben toen Het besefte dat zijn

voedselbron terug in werking trad. Maar de verwachte golf van energie

kwam niet, integendeel, Het voelde een bliksemsnelle afname van zijn

krachten, iets dat een ander wezen als pijn zou aangevoeld hebben trok

door Het heen, en toen was er niets meer... het grote Niets van

niet-zijn...

Het Brein stopte, de mekaniekers veranderden de programmatie en alles

verliep naar wens. Het Brein werkte normaal, en bij "--Nul"" trad de

nu bekende duisternis in. Even later bevond de Argos zich in een

nieuw universum, op de rand van een bolvormice Galaxis.

Tamara Tran bekeek Tregor Vanham met een nieuwe interesse, waarvan

hij zich niet onbewust was. Als redder in de nood had hij een groot

prestige verworven bij de bemanning van de Argos. Misschien dat hij

nu bij de lieftallige bevelhebber betere kansen op benadering had.

Hij was vastbesloten de proef op de som te nemen, maar voorlopig

had iedereen het te druk. Verkenningsschepen moesten worden gelanceerd

naar de nieuwe galaxis, rapporten moesten worden opgemaakt over Universum

één en zijn vreemde bewoner, en dan was het wachten op de terugkeer

van de verkenningsschepen. Deze wachtperiode zou hij wel ten goede

weten te maken, beloofde hij zichzelf. En daarna, ja, daarna, dan waren

er nog 999 andere vrouwen aan boord en, als de gebeurtsnissen in

Universum 1 geen uitzondering waren, stond hem opwinding bij de vleet

te wachten. Tregor Vanham voelde zich een gelukkig man.

=======================

More magazines by this user
Similar magazines