VeldnamenProef_deel2 (pdf) - Belvedere

belvedere.nu

VeldnamenProef_deel2 (pdf) - Belvedere

De landeigenaar: Harm van Rhee

‘Achter ’t huus’, dat is voor ons eigenlijk voldoende

Gasteren, een fraai brinkdorp in het hart van

het Nationaal beek­ en esdorpenlandschap

Drentsche Aa. Toeristisch gezien een interessante plek, met

de Gasterse duinen, het Balloerveld, het Gastersche Holt en

het Gastersche Diep onder handbereik. Driekwart van het

dorpsgebied heeft tegenwoordig een natuurfunctie. Harm

van Rhee zorgt met zijn akkerbouwbedrijf bijna in zijn eentje

voor het agrarische tegenwicht. Hij is niet helemaal de laatste

‘mohikaan’, want er is in het dorp ook nog één veehouder te

vinden. Op ruim 430 inwoners telt Gasteren dus nog slechts

twee boeren. Samen vormen ze het levende bewijs voor de

afkalving van de werkgelegenheid in de agrarische sector.

Hoe anders was dat vroeger. Nog eens niet zo lang geleden

telde het dorp maar liefst 52 melkleveranciers. De plaatselijke

landbouwvereniging had 70 leden, van wie een zeer klein

aantal geen boer was, maar wel op de ledenlijst voorkwam.

Harm van Rhee heeft die situatie niet meegemaakt. Hij kwam

twintig jaar geleden van Eeserveen, waar zijn vader een

akkerbouwbedrijf had. Harm ging naar de Mavo en naar de

Middel bare Landbouwschool in Emmen. Na zijn militaire

dienstplicht te hebben vervuld, verruilde hij de dalgrond

voor het zand. Boer vond vrouw in Gasteren, ver voordat

het populaire datingprogramma records deed sneuvelen

met sensationele kijkdichtheidcijfers. ‘Ik had hier verkering

gekregen en in verband met de gezondheid van mijn schoon­

vader ben ik al snel op deze boerderij terechtgekomen. Ik was

amper 20 jaar en was helemaal niet van plan meteen boer

te worden. Ik had me voorgenomen tot mijn 30e hele andere

dingen te doen, wel in de landbouw, maar niet meteen die

hele verantwoordelijkheid. Ik ben er door omstandigheden

ingerold.’

Van Rhee was eerst een jaar in loondienst bij het bedrijf

van zijn schoonvader, vormde nadien een maatschap met

hem, die inmiddels is omgezet in een maatschap met zijn

echtgenote. Je kunt moeilijk stellen dat hij in die twintig

jaar in Gasteren heeft stilgezeten. De boerderij, die in

1926 met de rug naar de Zuidesch aan het Oosteinde was

opgetrokken, had zestig jaar later – onder het bewind van

zijn schoonvader – de beschikking over zo’n 50 hectare

land. Nu is het areaal uitgebreid tot 100 hectare. ‘Dat moet je

tegenwoordig wel hebben, vind ik. Mijn vader had een bedrijf

met 40 hectare. Als je ouder bent is dat voldoende om ‘uit

te vieren’. Hij heeft de grond inmiddels verkocht en is er zelf

blijven wonen. Maar ik ben nu 40 jaar en zie duidelijk nog een

toekomst voor het bedrijf.’

De boerderij aan het Oosteinde was oorspronkelijk een

gemengd bedrijf, zoals alle andere in het dorp. In 1972 koos

schoonvader Van Rein voor de akkerbouw. Specialisatie was

noodzakelijk, omdat het in financieel opzicht niet verstandig

was om zowel nieuwe apparatuur voor het akkerbouwbedrijf

als voor de veeteeltpoot aan te schaffen. Op de akkers

verbouwt de schoonzoon nu aardappelen, suikerbieten, gerst,

rogge en een beetje tarwe. Achter de boerderij, op de es van

het dorp, ligt zo’n 40 à 45 hectare, de rest ligt verder van huis.

Deels in bezit, deels gepacht of gehuurd. ‘Een beetje gespreid,

maar toch ook steeds meer geconcentreerd,’ zegt Van

Rhee. ’Honderd hectare krijg je natuurlijk in zo’n dorp nooit

aaneengesloten. Vrijwillige kavelruil en de ruilverkaveling

van de jaren 80 hebben voor veranderingen gezorgd en die

betekenden voor ons bedrijf ook verbeteringen.’ Collega­

boeren van het Oosteinde zetten hun bedrijf elders voort

of stopten ermee. De grond van de directe buurman ging

gedeeltelijk naar Staatsbosbeheer en deels naar Van Rhee.

Zo kon zijn complex op de es weer worden vergroot. Elders

leverde hij bij kavelruil de Loefvledders in, een terrein met

hoge zandkoppen naast weer lagere gedeelten. Dat verlies,

daar is hij dus niet rouwig om. Hij kreeg iets minder grond

terug, maar wel betere. Bedrijfszekerder grond, noemt hij dat.

De nieuwe landgebruikers 5

138 139


Gedicht

HofAkkErS WALAkkErS BrEE PoL PoLLEGIES LIJNSTukkEN

kruuSAkkErS ASkAkkErS GrEVING körTWoErDTIE

STEENAkkErS PADAkkErS BrAok STIErLAND kAAmPAkkErS

ASkAAmPEN ENGELAkkErS HEIDEN HoLLErS VELDkAAmPIES

TIPkAAmP uTErLAoGEN BIELEGIE LANGTocHT HoLTAkkErS

TIP HILLENBArG BokSPIEPIE WENNING GEErTIES roEGEN

BrooDAkkErTIE HAoSBArG NEBBENAkkErS DELAkkErS

VIooLTIESAkkEr JIPPENBoS kAmErAkkErS TIJWANDEN

WENNING körTBrEE WINkELAkkErS ooSTErkAAmPEN

HEuGTE kNoBBELINGS HofAkkErS WALAkkErS BrEE

PoL PoLLEGIES LIJNSTukkEN kruuSAkkErS ASkAkkErS

GrEVING körTWoErDTIE STEENAkkErS PADAkkErS

BrAok STIErLAND kAAmPAkkErS ASkAAmPEN

ENGELAkkErS HEIDEN HoLLErS VELDkAAmPIES TIPkAAmP

uTErLAoGEN BIELEGIE LANGTocHT HoLTAkkErS TIP

HILLENBArG BokSPIEPIE WENNING GEErTIES roEGEN

BrooDAkkErTIE HAoSBArG NEBBENAkkErS DELAkkErS

VIooLTIESAkkEr JIPPENBoS kAmErAkkErS TIJWANDEN

WENNING körTBrEE WINkELAkkErS ooSTErkAAmPEN

HEuGTE kNoBBELINGS HofAkkErS WALAkkErS BrEE

PoL PoLLEGIES LIJNSTukkEN kruuSAkkErS ASkAkkErS

GrEVING körTWoErDTIE STEENAkkErS PADAkkErS BrAok

STIErLAND kAAmPAkkErS ASkAAmPEN ENGELAkkErS

HEIDEN HoLLErS VELDkAAmPIES TIPkAAmP uTErLAoGEN

BIELEGIE LANGTocHT HoLTAkkErS TIP HILLENBArG

BokSPIEPIE WENNING GEErTIES roEGEN BrooDAkkErTIE

HAoSBArG NEBBENAkkErS DELAkkErS VIooLTIESAkkEr

JIPPENBoS kAmErAkkErS TIJWANDEN WENNING körTBrEE

WINkELAkkErS ooSTErkAAmPEN HEuGTE kNoBBELINGS

HofAkkErS WALAkkErS BrEE PoL PoLLEGIES LIJNSTukkEN

kruuSAkkErS ASkAkkErS GrEVING

Vraag hem overigens niet hoe de namen van al die percelen

luiden. Hij kijkt uit het raam en zegt dat hij er zelf iets op

bedacht heeft. ‘Dit kleine stuk hier noem ik ‘naast ’t huus,’ en

direct achter de boerderij heet het ‘achter het huus’. Dat is

voor ons eigenlijk voldoende. Maar officieel zijn er natuurlijk

andere namen’.

Hij pakt er een kaart bij. De Veldnamenkaart Anloo­ Gasteren,

jaren geleden door vrijwilligers samengesteld en door nieuwe

eigendomsverhoudingen inmiddels behoorlijk gedateerd.

Maar de namen zijn er niet minder fraai om en geven houvast

voor de naamgeving van vandaag en morgen. Greving,

Asakkers, Kruusakkers, Kampakkers, Polbree, Lijnstukken,

Pollegies. ‘Al die akkers bestonden vroeger weer uit kleinere

percelen,’ verduidelijkt Van Rhee. ‘Verschillende boeren

hadden een deel van de Kampakkers. Wij hebben na een

kavel ruil de beschikking over een stuk land gekregen waar

de Engelakkers vroeger middenin lagen. Die oude naam

hebben we nu in ere hersteld. Waarom? Gewoon handig, dan

weet je waar je ’t over hebt. En je hoeft het zelf niet meer te

bedenken.’

De vinger gaat langs tal van namen. ‘Tot aan de nieuwe

verkavelingsweg is het bij ons in bezit. Een deel van de

Kamp akkers, Stierlanden hadden we al, Askaampen, Hollers,

Bielegie, Uterlaogen, Veldkaampies, Tipkaampie. Eigenlijk

voer ik voor het hele complex van ruim 40 ha twee namen,

Engelakkers en Holtakkers. Aan de andere kant van de Zuides

liggen nog de Delakkers en de Tijwanden. Op de Noordes

liggen de Bosakkers. Die zijn door kavelruil vergroot, daar is

een deel van Peerbomen bijgekomen. Maar ik noem het hele

stuk gewoon Bosakkers’.

Liggen die namen ook ergens vast?

Van Rhee: ‘Voor het Kadaster hoeft het niet. Daar werken ze

met sectienummers. Maar in de gewasregistratie gebruik ik de

namen wel. Dat is gewoon praktisch. Je moet natuurlijk niet

denken dat iedereen die veldnamen van vroeger hier op het

dorp nog kent. Ik kom toevallig uit Eeserveen en de veeboer

uit het dorp komt uit Loon. Voor ons beiden zijn die namen

nieuw. Daarnaast heb je de groep van geïnteresseerden die

zich met vroeger bezighouden. Voor hen zijn de veldnamen

een soort studieobject. Die mensen weten waarschijnlijk ook

de betekenis ervan. Die ken ik als gebruiker meestal niet eens.

Maar daarom zijn ze natuurlijk nog wel de moeite waard om te

behouden.’

Hoe zou je de veldnamen meer onder de aandacht kunnen

brengen?

‘Eerlijk gezegd hou ik me daar niet mee bezig. Ik zou er niet

aan moeten denken dat er bordjes met namen op het land

zouden verschijnen. Boeren hebben geen belang bij bordjes

en grensstenen. Dat bemoeilijkt het werk op de akkers alleen

maar. Het is hier toch al zo kleinschalig, krom en scheef. Je

moet om de zoveel meter al weer wenden en keren. Maar ik

kan me wel voorstellen dat je in het dorp of aan de rand van

de es een informatiebord neerzet met de oude namen. Dan

kun je er bij vermelden dat er vroeger meer dan 200 akkertjes

waren en nu nog een stuk of 5 grote. Dan gaat het alleen om

mijn grond. Er is ook nog zo’n 20 ha van verschillende andere

eigenaren.’

Met zijn honderd hectare is de maximale omvang van het

bedrijf voor Harm van Rhee nog niet bereikt. Hij houdt de

markt en de prijzen nauwlettend in de gaten. Het gaat

hem aan het hart dat er steeds meer landbouwgrond

verdwijnt. Oftewel plaatsmaakt voor natuur. Hij is zeker niet

tegen natuurontwikkeling, maar hij vraagt zich wel af of er

langzamerhand niet een grens bereikt is. ‘Open veld is er

bijna niet meer, ’t groeit allemaal zo dicht. Aan de andere

kant van Gasteren heb je De Heest, nu van Staatsbosbeheer.

Het gebied vernat, er is veel bosopslag. Dan heb je hier in

de buurt ook nog het Stroomdal. Eerder zag je daar nog wel

koeien en weidevogels, maar nu vind ik het dood madeland.

Voor de plantengroei is het beheer wel goed, maar ik vind

het allemaal wat eenzijdig worden. Het rijk, de provincie,

Staatsbosbeheer en het Drentse Landschap willen het nu

eenmaal zo. Voor de boer wordt het steeds moeilijker. Er

liggen meer gevaren op de loer. Over een paar jaar komt de

inkomstentoeslag voor boeren in Brussel weer ter discussie.

Die krijgen we nu per hectare uitgekeerd, als een soort

inkomenssteun. Als ze eenmaal gaan sleutelen, dan weet je

het wel. Dan wordt dat extraatje ook weggepoetst. ’

Er zijn boeren die naar het buitenland vertrekken…

‘Ja, en er zijn ook boeren die terugkomen.’

Denk je zelf wel eens aan Denemarken of Polen?

‘Jawel, vooral om er niet naartoe te gaan. Het is niet allemaal

even mooi als ze soms zeggen. In Polen heb je bedrijven met

meer dan 1000 ha. Dan ben je geen boer meer, maar manager.

Als je wat groter wilt, kun je ook dichter bij huis terecht. Aan

de andere kant van de Hunze, eigenlijk al aan de andere kant

van Annen, daar heb je echte landbouw. Rechte stukken, daar

kun je tenminste omzet draaien. Maar ik ga hier niet weg,

hoor.’

De nieuwe landgebruikers 5

140 141

HofAkkErS WALAkkErS BrEE PoL PoLLEGIES LIJNSTukkEN

kruuSAkkErS ASkAkkErS GrEVING körTWoErDTIE

STEENAkkErS PADAkkErS BrAok STIErLAND kAAmPAkkErS

ASkAAmPEN ENGELAkkErS HEIDEN HoLLErS VELDkAAmPIES

TIPkAAmP uTErLAoGEN BIELEGIE LANGTocHT HoLTAkkErS

TIP HILLENBArG BokSPIEPIE WENNING GEErTIES roEGEN

BrooDAkkErTIE HAoSBArG NEBBENAkkErS DELAkkErS

VIooLTIESAkkEr JIPPENBoS kAmErAkkErS TIJWANDEN

WENNING körTBrEE WINkELAkkErS ooSTErkAAmPEN

HEuGTE kNoBBELINGS HofAkkErS WALAkkErS BrEE

PoL PoLLEGIES LIJNSTukkEN kruuSAkkErS ASkAkkErS

GrEVING körTWoErDTIE STEENAkkErS PADAkkErS BrAok

STIErLAND kAAmPAkkErS ASkAAmPEN ENGELAkkErS

HEIDEN HoLLErS VELDkAAmPIES TIPkAAmP uTErLAoGEN

BIELEGIE LANGTocHT HoLTAkkErS TIP HILLENBArG

BokSPIEPIE WENNING GEErTIES roEGEN BrooDAkkErTIE

HAoSBArG NEBBENAkkErS DELAkkErS VIooLTIESAkkEr

JIPPENBoS kAmErAkkErS TIJWANDEN WENNING körTBrEE

WINkELAkkErS ooSTErkAAmPEN HEuGTE kNoBBELINGS

HofAkkErS WALAkkErS BrEE PoL PoLLEGIES LIJNSTukkEN

kruuSAkkErS ASkAkkErS GrEVING körTWoErDTIE

STEENAkkErS PADAkkErS BrAok STIErLAND kAAmPAkkErS

ASkAAmPEN ENGELAkkErS HEIDEN HoLLErS VELDkAAmPIES

TIPkAAmP uTErLAoGEN BIELEGIE LANGTocHT HoLTAkkErS

TIP HILLENBArG BokSPIEPIE WENNING GEErTIES roEGEN

BrooDAkkErTIE HAoSBArG NEBBENAkkErS DELAkkErS

VIooLTIESAkkEr JIPPENBoS kAmErAkkErS TIJWANDEN

WENNING körTBrEE WINkELAkkErS ooSTErkAAmPEN

HEuGTE kNoBBELINGS HofAkkErS WALAkkErS BrEE PoL

PoLLEGIES LIJNSTukkEN kruuSAkkErS ASkAkkErS GrEVING

körTWoErDTIE STEENAkkErS PADAkkErS BrAok STIErLAND

kAAmPAkkErS ASkAAmPEN ENGELAkkErS HEIDEN HoLLErS

VELDkAAmPIES TIPkAAmP uTErLAoGEN BIELEGIE LANGTocHT

HoLTAkkErS TIP HILLENBArG BokSPIEPIE WENNING GEErTIES

roEGEN BrooDAkkErTIE HAoSBArG NEBBENAkkErS


‘De vaste, geformaliseerde handelingspatronen

die bij wijze van ritueel verbonden zijn aan bepaalde

plaatsen en tijdstippen, alsmede de verhalen waarin

betekenissen van plekken worden geduid, vormen

sleutels tot de zogeheten culturele biografie van een

gebied. Ze vormen – al dan niet materiële – sporen

die verwijzen naar ‘wat er met de mens is gebeurd’.

De levenslopen van individuen, mensen van vlees

en bloed, verdichten zich tot opeengestapelde,

geaccumuleerde familie-, generatie-, buurt-, dorps- en

regiogeschiedenissen. Hierbij staat telkens de relatie

van de mens tot zijn omringende leefwereld centraal. De

sporen die mensen hebben nagelaten in het landschap

in de vorm van nederzettingen, ontginningen, wegen,

en andere (infra)structuren vormen aanknopingspunten

om de naar tijd, plaats en sociaal-culturele groep

verschillende levensstijlen te achterhalen.’

Gerard Rooijakkers

Mythisch landschap: verhalen en rituelen als culturele biografie van een regio.

In: Landschap in meervoud. Utrecht 1999

De museumdirecteur

over educatie en representatie

Veldnamen vormen voor een goede historische landschapsbeschrijving een onmisbaar databestand. In

een wat bredere zin kunnen ze ook worden opgevat als een beknopte inhoudsopgave voor een biografie

van het landschap. In een biografie kan het landschap op verschillende manieren worden benaderd. Zo

is er het perspectief van bewoners, waarin het landschap wordt ervaren als leefomgeving. Daarnaast

is er het wetenschappelijk perspectief van geograaf, antropoloog of archeoloog. Deze verschillende

benaderingen kunnen in een landschapsbiografie op elkaar worden betrokken en vormen min of meer

een afspiegeling van de samengesteldheid van het verschijnsel landschap. In die complexiteit kunnen

wetenschappers en kunstenaars een uitdaging en inspiratiebron vinden. Tegelijkertijd maakt diezelfde

complexiteit een landschap ongrijpbaar voor het beleid. Ze kan leiden tot eindeloze debatten over de

duiding en representatie als cultureel erfgoed.

Veldnamen bieden de mogelijkheid een landschap mentaal en fysiek ontwarren en toegankelijker

maken. De verschillende percepties roepen verhalen en betekenissen op die de synopsis kunnen vormen

voor een rijke biografie. Zij leveren zo een verfrissende bijdrage aan het erfgoeddebat en zetten het

landschap weer op de kaart als leefomgeving.

142 143


Biografie van het Sepeltien

Hans Elerie

De museumdirecteur 6

Sinds de jaren zestig vormt het Anloërdiepje met zijn dichte houtwallencasco een icoon van het

Stroomdallandschap Drentse Aa. De bejaarde houtwallen met hoogopgaande eiken en grillige

groeivormen spreken tot de verbeelding. Het aan weerszijden goed ontsloten beekdal met zijn

afwisselende groene kamers en diep ingesneden loopje oogt niet alleen idyllisch, maar heeft

door de opeenvolgende veldnamen ook een poëtische zeggingskracht. Aan de hand van die

veldnamen is de biografie te herleiden van het Anloërdiepje, dat in de 17e eeuw nog het Sepeltien

werd genoemd. Veldnamen geven ons namelijk een prachtig inkijkje in de wijze waarop mensen

vroeger naar hun omgeving keken en hoe ze het landschap inrichtten en gebruikten.

Weerbarstig land

In de archieven treffen we een bezwaarschrift uit 1648 aan waarin een weerbarstig probleem

wordt gesignaleerd. 1 De kwestie ging om de taxatie van het waardeel op 800 guldens. Volgens

de markegenoten van Anloo zou het waardeel ver boven de werkelijke waarde zijn vastgesteld.

Vergeleken met de naburige dorpen voelden de Anlooërs zich dan ook benadeeld. Hun marke

bevatte immers weinig heideveld en veen. Groenland was er nauwelijks voorhanden en

bovendien was er geen ‘voet’ hooiland in de marke te vinden. Het was volgens de reclamanten

genoegzaam bekend dat Anloo tot één van de ‘schraelste marcke in dese Lantschap’ behoorde.

De talrijke ‘meyerluie’ in het dorp dreigden te verarmen vanwege extra lasten, omdat zij hooi en

turf van verre moesten halen en hun paarden door de ‘misweydinge’ verzwakten. 2

Even afgezien van de gebruikelijke retoriek die bij dit soort klaagschriften hoort, handelt het

hier om een serieus probleem waar ook volgende generaties mee bleven worstelen. Het is

duidelijk dat men geen hoge dunk had van de groenlanden langs het diepje, die slechts een

beperkte gebruikswaarde hadden.

In 1487 wordt het beekdal voor het eerst in een bron genoemd als Westenland, dat nog een

onderdeel vormde van de ongescheiden marke. In latere vermeldingen wordt het aangeduid

onder de verzamelnaam Marsch ende Brouck en pas in 1625 vernemen we voor het eerst van

een poging tot scheiding en ontginning van het z.g. Elsbrouck. Volgens diezelfde bron bleven

de nieuwe eigenaren in gebreke om het broek ‘aff te graven en uith roeden’. Bijna tien jaar later

wordt het Sepeltien (diepje) van het inmiddels omwalde Elsbroek uitgediept en opgeschoond,

maar het bleef onder de desbetreffende eigenaren mandelig in gebruik.

De geringe belangstelling om het beekdal in cultuur te brengen en onder de gerechtigden

te verdelen, zien we terug in de grondschatting van 1654 waar 15 ha groenland in de eigen

marke staat geregistreerd. Dit is nog slechts 15% van het potentieel aanwezige groenland in

de Minuutplan van 1832. We mogen dus aannemen dat de algemene aanduiding Marsch ende

Brouck verwijst naar de zo goed als onontgonnen staat van het beekdal.

144 145


De museumdirecteur 6

De toponymische betekenis van ‘mars’ en ‘broek’ liggen dicht bij elkaar.3 Op basis van een

aantal willekeuren en latere veldnamen kunnen we drie opeenvolgende beekdallandschappen

onderscheiden. De ‘broeken’ lagen in het dieper ingesneden deel van het beekdal, terwijl de

‘marsen’ samenvielen met de vlakke stroomlanden in de benedenloop. (zie pagina 184) Van

de oorspronkelijke staat van het beekdal kunnen we ons een voorstelling maken als we het

ruime houtwallencasco uit de 19e eeuw even wegdenken. Morfologisch en bodemkundig is

het feitelijke dal veel smaller. Dat is nog goed te zien op de Franse topkaart van 1811 waar het

beekdalletje met zijn afwijkende vegetatie en reliëf zich als een kronkelende slang in de heide

aftekent. In de oorspronkelijke staat van het bovenloopje kunnen we drie opeenvolgende

ecotopen onderscheiden. (zie kaart ..) Het bovenloopse brongebied bestond uit een streng of

stroet, een smalle strook van natte heidevegetatie met een struikvegetatie van Gagel en Kruipwilg.

De dichtgewaaide slenken van een voormalige smeltwaterdal kenden geen duidelijke

afwatering, maar een systeem van geulen die in natte tijden overliepen. De stroomafwaartse

‘broeken’ onderscheidden zich door een beekbegeleidend broekbos van Elzen in stagnerend

water dat stroomafwaarts overging in de half open ‘marsen’ met moerassige zeggenvegetatie

met verspreide broekbosjes.

Domesticatie en naamgeving

Hoe zagen Anlooërs in de 17e eeuw deze wildernis van Marsch ende Brouck ? Uit de beschikbare

bronnen komt naar voren dat zij hun beekdal altijd hebben ingeschat op de gebruikswaarde,

waarbij hun blik werd bepaald door het rendement van een agrarische ecologie. Zelfs in

onontgonnen staat waren de Westerlanden nog ‘oogstbaar’ omdat ze hakhout leverden en met

gevogelte en vis een interessante eiwitbron vormden. 4 Enkele oude toponiemen verwijzen nog

naar deze vroege exploitatievormen. Bij het dorp lagen bijvoorbeeld twee gegraven poelen met

het toponiem Weyert (verwijst naar een visvijver). De poelen lagen in de Koepstukken, waar

volgens een oude koopakte de ‘kuipen’ stonden. 5

Bij dit extensieve gebruik hoorde ook de dagelijkse beweiding van de deels beboste groene

stroken langs het diepje, terwijl de met eiken begroeide randen in de herfst werden geakerd met

varkens. 6 In de loop van de 17 e eeuw werden maatregelen getroffen om het diepje te reguleren.

Het Sepeltien (diepje) werd uitgediept en er kwamen waterschutten voor wilde bevloeiing in de

winter, waarmee de vegetatie kon worden beïnvloed. 7 De veldnaam Ziel verwijst naar zo’n schut,

die soms gecombineerd werd met een aalstal (palingfuik).

Pas in 1741 ondernam men opnieuw het initiatief om het beekdal op te delen.De inrichtring

vond plaats op basis van een plan van de landmeter Atlas. Bij deze tweede poging werd ook

een aantal nieuwe veldnamen geïntroduceerd. Ze voegden zich naar de nieuwe kavelindeling

van het mandelig gebruikte Elsbrouck ten zuidwesten van het dorp. In het ‘gerode’ broek

verwijzen de Paasche Brink, de Beek8 , de Ziel en de Kruimte dan niet meer naar de begroeiing,

maar naar vorm en ligging ven het perceel. Ook de streng in het bovenloopse deel heeft zo een

nieuwe identiteit gekregen door het toponiem Breebrink. In het noordelijke beekdal zijn Marsch

en Broek als toponiemen nu ook gelokaliseerd, met de kanttekening dat de Jonkerscamp in de

Noorderslag van het Marsch apart werd onderscheiden. Domesticatie van het beekdal door

opdeling en inrichting liep in dit geval dus gelijk op met de toekenning van nieuwe veldnamen.

De ‘in­gemeenschaphouding’

Ondanks alle gemaakte kosten voor het opmeten en karteren draaide ook deze tweede poging

uit op een mislukking. De oorzaak hiervan was de afwachtende houding van de bevolking, die

zijn oorzaak vond in de sociale opbouw van het dorp. Hoewel klein van omvang, had Anloo

de status van een kerspeldorp. Vanouds had zich hier een kleine elite gevestigd, die zich in

welstand en leefstijl van de boerenstand onderscheidde. De voortvarende initiatieven van

deze soms uitwonende grondeigenaren kregen niet altijd een enthousiast onthaal. Dat gold

146 147


De museumdirecteur 6

ook voor de ideeën van ritmeester Hans Heinrich Beck, die zich in 1790 als laatste bewoner

op de havezate Vennebroek vestigde. Met zijn twee volle waardelen in de marke had hij een

stevige vinger in de pap. Toen onder de nieuwe Franse wetgeving de voorwaarden voor

opdeling van de gemeenschappelijke markegronden werden versoepeld, zag de door geldzorgen

geplaagde ritmeester zijn kans schoon om zijn bezittingen productiever te maken. Al

sinds jaar en dag had hij zich geërgerd aan de in-gemeenschapshouding van de boermarke

en het in zijn ogen chaotische beheer van de gemeenschappelijke gronden, dat zeer nadelig

uitpakte voor de beter gewaarden. 9 Maar in zijn standpunt over de scheiding van de marke

stond Beck alleen. In een ‘gemotiveerde memorie’ dienden de markegenoten hem van repliek.

De memorie leest als een lesje in agrarische ecologie waarin de noodzaak van een mandelige

exploitatie overtuigend wordt verwoord. Het is wellicht de meest authentieke verdediging van

het ‘heidepotstalsysteem’, van binnenuit geschetst. Ook het sociale aspect was niet uit het

oog verloren. Centraal in de verdediging stond de lokale agrarische werkgemeenschap met z’n

vele afhankelijkheidrelaties, die haaks stonden op het particularisme van de fysiocraat Beck.

In de visie van de boermarke hadden zelfs de keuters bepaalde rechten in de exploitatie van

de markegronden, al was het alleen maar om verzekerd te blijven van hun arbeidskracht en te

voorkomen dat hun dreigende armlastigheid voor rekening van de gemeenschap zou komen.

Uiteraard memoreerden de markegenoten ook de mislukte scheiding van 1741 waarvan de

meeste toegedeelde landen weer in het ‘gemeen’ lagen. Als belangrijkste argument tegen de

marke scheiding voerden zij aan dat voor de afgrenzing met sloten en wallen tenminste 8 voeten

land (2,35m) zou moeten worden afgegraven, waardoor er onnodig veel groenland verloren

zou gaan voor de talrijke dwarswallen. De markescheiding zou er uiteindelijk komen, maar

Beck heeft deze niet meer meegemaakt. Ten tijde van het conflict was de gewezen ritmeester

al zo goed als failliet en verkeerde zijn havezate in een vervallen staat. Wellicht zag hij de

verdeling als een laatste mogelijkheid om een waardevermeerdering van zijn bezittingen te

bewerkstelligen en zo aan een faillissement te ontkomen.

Een andere blik

Op de Franse topkaart van 1811 is alleen het voormalige Elsbroeck, met de Beek, het Ziel en de

Kruumt als nieuwe ‘kamers’, met houtwallen bekleed. Juist in dit deel van het beekdal was de

lokale elite in ruime mate gerechtigd. Broek en Mars evenals de Breebrink zijn dan nog niet afgescheiden.

Pas na de markeverdeling van 1849 wordt serieus werk gemaakt van de inrichting

van deze delen. Bij de markeverdelingskaart heeft de notaris het oorspronkelijke verdelingsplan

van Atlas weer van stal gehaald, waaraan nu ook de Grote en Kleine Spelden als potentiële

groen landen zijn toegevoegd. Het eensgezinde en voortvarende optreden wijst erop dat men nu

met een totaal andere blik naar het beekdal keek.

Aan de basis van deze veranderde perceptie lag de opkomst van het ‘veredelingsbedrijf’. In deze

laatste variant van het esdorpensysteem verschoof het accent naar de veehouderij en de opfok

van slachtvarkens. De traditionele kringloop die eindigde op de essen, werd nu doorgetrokken

naar het eigen bedrijf. Het graan ging niet meer rechtstreeks naar de markt, maar werd

vervoederd aan de groeiende veestapel. 10 Deze heroriëntatie in de bedrijfsstijl kreeg een impuls

door een groeiende vraag naar vlees en zuivelproducten in de omringende industrielanden. Men

ging daarom naarstig op zoek naar mogelijkheden om de bedrijfsvoering te intensiveren. In die

overgangsfase speelden nabijgelegen weidekampen een cruciale rol.

Naast de aanleg van vele kilometerslange houtwallen voorzag het nieuwe verdelingsplan

ook in de aanleg van beekdalbegeleidende ontsluitingswegen, pompen (duikers) en batten

(bruggetjes). De markeverdeling werd dus aangegrepen om het beekdal op te tuigen met een

nieuwe infrastructuur, waardoor men de groenlanden van het bovenloopje intensiever kon

benutten. In opeenvolgende topkaarten is dat proces goed te volgen. Het ruime casco van de

beekdalbegeleidende houtwallen is een van de eerste dingen die daarbij opvalt. Door deze

148 149


Schetskaarten

verschuiving

Tineke

ruime opzet werden ook delen van de afhellende heide bij het beekdal getrokken. Aanvankelijk

werden deze heischrale flanken tot haverlandjes ontgonnen, waarmee ze zich onderscheidden

van de natte hooilandjes in de lage strengen. Het resultaat van deze eerste ontginningsfase zien

we op de topkaart van 1898. Omdat men toen nog niet over kunstmest kon beschikken, vormde

de niet veredelde zandhaver of evene als ontginningsgewas een goed alternatief. Dit gewas

vereiste weinig bemesting en het stelde geen hoge eisen aan de groeiomstandigheden. 11 In

wissel bouw vormde zandhaver een vorm van graslandverbetering waarbij enkele jaren verbouw

werden gevolgd door een periode van beweiding. 12

Op de herziene topkaart van 1921 heeft het beekdal zijn huidige vorm gekregen en zijn de

laatste met heide begroeide stukken ontgonnen. Inmiddels waren guano en later ook kaïniet

als hulpmeststoffen beschikbaar, waardoor de grasproductie onafhankelijk van de eigen mestproductie

kon worden opgevoerd. De kunstmest maakte definitief een eind aan de kringloop

van het plaggensysteem en aan het collectieve karakter van de bedrijfsstijl. De coöperatieve

gedachte van het gebundelde eigenbelang kwam in de plaats van de knellende en afdwingende

‘in-gemeenschapshouding’.

Na de oorlog zijn de bouwkampjes geleidelijk verdwenen en kwamen ook de hoge delen in

gras te liggen. Maar door het dichte houtwallencasco bleef het beekdal zich landschappelijk

onderscheiden van de inmiddels ontgonnen veldgronden.

Omkering van het perspectief

De markeverdeling van 1849 vormde dus een belangrijke wending in de biografie van het

Anloërdiepje. Door een meer op de markt gerichte, individuele bedrijfsvorm werd de basis

gelegd voor de ladderstructuur van de perceelsgewijze opdeling en de lommerrijke groene

kamers.

Een tweede fundamentele omslag voltrok zich in 1967 toen het ‘gedachtenplan’ voor de instelling

van het Stroomdallandschap Drentse Aa werd vastgesteld. In het daarop aansluitende

‘facetstreekplan’ kreeg het beekdal van het Anloerdiepje de status van Stroomdalgrond II. Als

Relatienota gebied werd het beekdal voortaan onderdeel van het Stroomdallandschap Drentse

Aa. De nieuwe status betekende enerzijds een officiële erkenning van de landschappelijke

waarden, maar anderzijds het einde van de agrarische geschiedenis.

Natuurbeheer kent zijn eigen dynamiek. Aanvankelijk werd het beheer van de aangekochte

percelen gericht op het herstel van de verwaarloosde houtwallen. Na de vaststelling van het

Natuurbeleidsplan in 1990 verschoof het accent naar de botanische ‘veredeling’ van de beekdalen,

met de Gevlekte Orchis als nieuw icoon. 13 Behalve in de benedenloopse Burgvallen

onder Schipborg speelde het diepje in het nieuwe beleidsveld van de natuurontwikkeling

nauwelijks een rol. Door inkapseling van het smalle bovenloopje temidden van grootschalige

veldontginningen en zijn navenant gegroeide functie in de waterafvoer, stond het beek dal

ondanks zijn bijzondere bodemkundige variatie niet op de prioriteitenlijst van Staatsbos-

beheer. 14

De museumdirecteur 6

Eredivisie van Nederlands mooiste landschappen

Sinds kort staat het Anloërdiepje weer in de belangstelling. Die eer heeft het te danken aan

de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap, die het beekdalletje als houtwallenlandschap

een plaats heeft toegekend in de eredivisie van Nederlands mooiste landschappen. In het

informatie centrum van de vereniging in Beek-Ubbergen (bij Nijmegen) is een prominente plats

ingeruimd voor een bonsai-versie van het Anloërdiepje.

Afgezien van deze musealisering, heeft de actie Staatsbosbeheer wel weer met de neus op de

feiten gedrukt. En ook de Landschapsvisie van het inmiddels vijfjarige Nationaal beek- en esdorpenlandschap

Drentse Aa heeft meer op zijn lijstje dan de ambitie van botanische droomdalen.

De vraag is hoe de uitgegroeide houtwallen met hun bijzondere esthetische waarden

Veldnamenontwikkeling

Oud naar nieuw

150 151


weer op een gepaste wijze onderhouden moeten worden. Het heeft weinig zin om daarbij terug

te grijpen op oude beheersmethoden. De landschapsecologische situatie is immers ingrijpend

gewijzigd en bovendien hoeven de houtwallen geen vee meer te keren. Het is nu de kunst om

voor de komende decennia een beheersplan uit te werken dat recht doet aan de traagheid van

het landschap en dat de verscheidenheid van de bijzondere groeivormen in tact laat.

Hoe heeft de relatie van de Anlooërs met hun diepje zich ontwikkeld, nu de agrariërs zich

hebben teruggetrokken? Die is uiteraard minder vanzelfsprekend maar even goed nog vitaal.

Zo is er vanuit het hobbyboeren een bloeiende praktijk ontstaan in het pachten van de weidekampjes

die net groot genoeg zijn voor wat jongvee, schapen of een koppel paarden. De groene

kamers vormen zo een afspiegeling van de verschillende leefstijlen in het moderne woondorp.

Daarnaast worden kaprijpe houtwallen tegen betaling aan bewoners uitgegeven voor brandhout

in de openhaard. In dergelijke praktijken blijven de oude veldnamen voortleven, niet uit

nostalgie maar vanuit een alledaags pragmatisme.

En tenslotte is het Anloërdiepje, zowel voor bewoners als recreanten, bij uitstek een recreatieruimte

geworden met een uitnodigende toegankelijkheid. Ook in die praktijk kunnen de

veld namen zich door ontwikkelen, als herinnerd verleden en als bron voor steeds weer nieuwe

inspiraties.

(Endnotes)

1 De bronnen die voor dit onderzoek zijn gebruikt werden eerder besproken in hoofdstuk 1

2 OSA 845 DA

3 J.C. ter Laak De taal van het landschap; ROB Rapport AM 123, 2005 Amersfoort

4 Veldnamen als Weyer, de Koepstukken (kuipen) en Ziel (stuw) verwijzen dergelijke activiteiten.

5 Nog opzoeken !!

6 Goorspraken 1565 16 juli. Willekeur 1610; Heringa 1981.

7 Willekeur 1726; Heringa 1981.

8 Waarschijnlijk is de Beek een vroege verbastering van de mandelige Weyder Beuge die genoemd wordt in

1687; Huisarchief Mensinge 1340.

9 K. Timmer De marke van Anloo z.j. blz. 70 e.v.

10 J. Bieleman Boeren op het Drentse zand. Utrecht 1987; blz. 672

11 Veenman’s Agrarische Winkler Prins 1954; blz. 324.

12 J.N.H. Elerie Weerbarstig land. Groningen 1998; blz. 341

13 Het natuurbeheer heeft ook al een nieuwe veldnaam opgeleverd: het Orchideeënveldje in de Burgvallen

langs het fietspad naar Gasteren.

14 P.C. Schipper en J.G. Streefkerk Van stroomdal naar droomdal. SBB; 1993

De museumdirecteur 6

152 II

Coördinaten


Toponiem

Rodoveentie

VII De museumdirecteur 6

VIII 153

De educatieve waarde

van veldnamen

Jan van Ginkel

Riezebosch, Lattenma, Rustveld, Holsdiek: veldnamen, ik kan er in mijn beroep en liefhebberijen

niet om heen. In de zesentwintig jaren, die ik tot nu toe doorbracht in dienst van de Stichting

Veldwerk Nederland (Veldstudiecentrum Orvelte), zijn veldnamen geweldig van pas gekomen.

Zij vormen onderdeel van het educatief proces waarin honderden scholieren en studenten zich

hebben beziggehouden met de natuur en cultuurhistorie van het Drents landschap.

Of het nu gaat om een werkweekprogramma voor groep acht, het maken van een profielwerkstuk

door een vwo­groep of om de opleiding tot leerkracht, veldnamen duiken namelijk altijd op, net

als namen van mensen, flora en fauna. Zowel de onderwijzer(es) als de docent aardrijkskunde,

geschiedenis of biologie dienen mijns inziens dam ook op de hoogte te zijn van de educatieve

mogelijkheden die veldnamen bieden.

Beleving

Naarmate de jaren vorderden is voor mij het belang toegenomen van de beleving van het landschap,

ook omgeving of gewoonweg ‘het veld’ genoemd. Niet in expliciete zin van ‘Gaat heen

en beleef’, want dat werkt niet. Wel in de betekenis van het minder hanteren van inleidingen,

opdrachten, werkbladen etc. die een obstakel kunnen vormen in het contact tussen leer-ling en

leef-wereld.

De abstracte begrippen veld en omgeving (zowel in sociaal als fysiek opzicht) worden in ons

veldwerk door eigen onderzoek van de cursisten concreet gemaakt. In de directe ontmoeting

tussen mens en materie- en de sfeer van die materie!- leren zij het beste, beleven zij het meest

en onthouden daardoor des te meer en des te beter. Emotionele en kennisdoelen gaan bij

veld werk uitstekend samen. Naamgeving vormt, in combinatie met topografische kaarten, een

boeiende methode en tevens een rijke bron van leerzaam vermaak.

Naamgeving

Het geven van namen is zo oud als de mensheid. Vrijwel aan het begin van de Bijbelse

geschiede nis wordt de geografie beschreven van de Hof van Eden, waarbij Eden wellust en

vermaak betekent. Deze hof, waarin het heerlijk toeven is, was gelegen in het oosten. Dat wil

zeggen oostelijk van waar de schrijver zijn verhaal heeft opgesteld. De vier rivieren die in de hof

ontspringen, worden met namen genoemd. De vermeende plaats is daardoor met enige zekerheid

te lokaliseren. Helaas hebben de archeologen er nog geen bevestiging van gevonden.

Adam, de eerste mens, geeft in opdracht van zijn schepper alle levende zielen een naam. God,

zo staat geschreven, bracht hen tot Adam om te zien hoe hij ze noemen zou.

Benoemen is verwoorden. Van eigenschappen, zoals de boer doet met de ‘Mulakkers’. Of van

eigendom, getuige het Reijntjesveld bij Orvelte. Naamgeving is duiding van de geschiedenis; de


Gedicht

De museumdirecteur 6

Kwekenbosweg is genoemd naar de markesteen met de naam Kwekkebuir, dit is lijsterbes(bos).

Of van de situering van het object in zijn omgeving. Het Oosterveld is gelegen tussen Orvelte en

Westerbork, ten oosten van Westerbork. Dus, zo weten wij dan, heeft het nooit deel uitgemaakt

van het grondgebied van de buurschap Orvelte.

Namen vormen de kortste samenvatting van een verhaal en fungeren dikwijls als geheugensteuntje.

Met het vertellen van verhalen en de kracht van ons geheugen is het vandaag de dag

droevig gesteld. Beide hangen nauw samen. Onthouden wordt maar weinig, alles kan worden

opgezocht. Wie wil kunnen vertellen, heeft een goed geheugen nodig. Dat moet dagelijks

worden geoefend. Voor een goede verteller is verwoorden en verbeelden één pot nat, fantasie is

daarbij onmisbaar.

In deze denkwijze houdt de educatieve omgang met veldnamen veel meer in dan alleen de

interpretatie van het landschap, in de zin van zijn geschiedenis en gebruik.

Voorbeelden in het veld

Het bos naast het Veldstudiecentrum in Orvelte is dankzij de paden makkelijk in te delen in

verschillende vakken. Verdeel de klas basisschoolleerlingen in groepjes. Geef elk groepje

een eigen vak en vraag hen om het bos te bezoeken en te beschrijven. Elk groepje verzint een

passende naam voor het eigen bosvak. Een naam die tijdens de rondleiding voor de klasgenoten

herken baar en controleerbaar moet zijn. Liefst één die niet kan gelden voor een ander vak. Al

snel komen de eerste leerlingen met vragen over de namen van bomen en struiken en ontstaan

namen als Larikshoek en Frambozenbosje. De stap naar de namen op de topgrafische kaart is

dan nog maar klein.

Zo kunnen ook de boerderijen in het dorp weer een eigennaam krijgen: die van de vroegere of

huidige eigenaar of vanwege een opvallende vorm of ligging. Maak er een spel van: hoeveel

betekenissen kun je geven aan het saaie ‘Brinkzicht’ of aan ‘De Schepershof’?

In dit verband wil ik graag een vrij recente ontdekking aanhalen. Op verzoek van Plaatselijk

Belang ‘De Vooruitgang’ heb ik twee dorpsommetjes voor Nieuw-Balinge gemaakt. Het

grootste deel van de wandelingen gaat over voormalige veldgronden en de restanten van het

Mantinger veld. Afgaande op oude en recente topografische kaarten bepaald geen rijk gebied aan

veldnamen. In het dorpsgeheugen zijn die er des te meer. Menig veentje en kleine kavel droeg de

naam van de bewoner of eigenaar. Typerende, nog steeds gehanteerde namen zijn dan ‘Trui zien

plekke’, ‘Heeres zien stee’ en de ‘Plas van Boertien’, geen van alle ooit op kaart verschenen. Wel

stonden op de kaart van 1900 veel namen van wijken geschreven, onder meer de Johannes- en

de Corneliawijk . Tja, wie belangrijk wil zijn ziet zich graag op kaart vernoemd.

Het is kostelijk om een aantal pubers te vragen aan enkele planten een zelf verzonnen naam te

geven. Geef de jongens de zaadpluim van een lisdodde in de hand en geheid dat er één komt

met ‘zwartemannenpik’, het veentje wordt dan Zwartemannenpikveen. Humor is een niet te

overschatten factor in het leerproces!

Zelf namen geven stimuleert waarneming en creativiteit, de bases voor verwondering en

nieuws gierigheid. Zelf namen laten geven betekent aansluiting bij de belevingswereld van de

naam gevers.

Omgekeerd worden oude en actuele namen door spannende zelfbedachte of gevonden

verklaringen memorabel. Vanuit de fantasie naar de feiten, dat werkt productief in het educatief

proces. Mijn vader plukte vroeger de bloeiaar van ‘kauwmoes’ om op te kauwen. De bubble gum

had voor WO2 zijn intrede nog niet gedaan. Tussen de namen kauw- en het officiële kalmoes

ligt maar een miniem verschil. Nog steeds wordt de plant gewaardeerd om zijn zoete kruidige

154

155


Tineke

De museumdirecteur 6

aroma, onder meer toegepast bij een bekend merk berenburg. Met deze verhalen wordt het

onderzoek naar oeverplanten aan het Oranjekanaal een belevenis.

Multicultureel

Als onderdeel van de cursussen met de titel ‘Het groen in de regenboog’ ben ik diverse malen

met groepen asielzoekers het veld in geweest. De zeer uiteenlopende beleving van bos en

heide door Armeniërs, Afghanen, Somaliërs, Kongolezen, Witrussen en anderen bleek een

onuitputtelijke bron voor beleving en vermaak, en dus voor contact. Communicatie over het

bos als voedselbron, als geheimzinnig oord van goede geesten of een beangstigende wereld van

demonen, betekent je eigen bezieling overdragen en open staan voor die van de ander. Ga dan

eens in gebrekkig Nederland een naam geven aan dat bos.

Veelzeggend is de naam die Bizouta aan de bossen bij Hooghalen heeft gegeven: ‘La forêt de la

controle’, het ‘Controlebos’. Zijn verklaring komt op het volgende neer. Met behulp van de vele

paden in een strak patronen, de paaltjes en panelen en de talloze bordjes en bankjes heeft de

boswachter de geesten van het bos bezworen. De man uit Congo- Brazzaville voelt zich daardoor

op zijn gemak, in schrille tegenstelling tot zijn beleving van het bos in het land van herkomst.

Wat doe ik dan met mijn ratio over de intrinsieke waarde van planten en dieren en de vorming

van een ecologische hoofdstructuur?

Namen zijn tijd- en plaats gebonden. Zij zeggen veel over het benoemde maar ook over de naamgever

en zijn cultuur; een diversiteit om te zoenen.

Wat de kaart vertelt

Stoeien met veldnamen betekent stoeien met topografische en historische kaarten. Dat zijn

geweldige hulpmiddelen als de cursisten tijd krijgen om te leren kaartlezen en interpreteren. De

tijd van de blinde kaart en opdreunen van rijtjes als Utrecht, De Bilt, Zeist, Driebergen, Doorn,

Leersum, Amerongen, Veenendaal, Rhéééénen, ligt achter ons. Bij veldwerk zijn de (veld)namen

onmisbaar voor de oriëntatie op de kaart en analyse van het landschap. Bij het vergelijken van

kaarten uit diverse perioden en het projecteren van de diverse kaartbeelden op het hedendaagse

landschap spelen veldnamen een belangrijke ondersteunende rol.

Het register van de Grote Provinciale Atlas Drenthe 1:25.000 (uitg. 1988) omvat meer dan 6.000

namen in veertig categorieën als pl = plaats of bewoond oord, wg = weg en dk = dijk.

In de opvolger (ANWB Topografische Atlas Drenthe, verschenen in 2004) beperkt de uitgever het

register tot circa 400 plaatsnamen. Tja, wie leest er nog kaart, wie kan op grond van namen het

landschap duiden?

Ik vind zo’n uitgekleed register een geweldige verarming. Ook al leert een globale inventarisatie

van de op de kaarten van Orvelte e.o. aanwezige namen, dat er in de laatst genoemde atlas 45

stuks staan vermeld en in die van 1988 maar 40.

Oriëntatie is net als naamgeving een basisvaardigheid in de omgang met de omgeving. Jammer

dat voor het grootste deel van de mensheid de techniek deze vaardigheden overbodig maakt in

plaats van ondersteunt.

Oefeningen rond Orvelte

Veldnamen zeggen iets over het landschap en hoe dat landschap ontstaan is, het gebruik van

de bodem, de cultuurhistorie, dieren en planten, oude verbindingswegen, het ontstaan van het

landschap en over de geschiedenis van je eigen omgeving.

Een paar voorbeelden: Veldnamen eindigend op – zand of –duinen geven zandverstuivingen

aan. Vledders, Marsen, de Hullen, de Stroeten vertellen iets over de bodemgesteldheid in de

madelanden in de beekdalen. Woerties, Goorns en Stokakkers hangen samen met het gebruik en

ontstaan van de esgronden.

LES 9 TINEkE

156

157


Tineke

De museumdirecteur 6

Woorden als –wold, -holt, -strubben, -loo hebben alle vier met bos te doen en toch is er een

wereld van verschil tussen deze verschillende bossen. Voor een biologieles met veldwerk,

interessante gebieden.

In het onderwijs kan in ieder geval gestart worden met een inventarisatie van bijzondere straatnamen

of namen van gebouwen. Namen rubriceren en de betekenis proberen te achterhalen.

Aan de hand van deze oude veldnamen kunnen kinderen hun eigen leefomgeving veel beter

leren kennen en wordt hun omgeving veel boeiender.

Het veldstudiecentrum kent veel programma’s waarin veldnamen en kaarten intensief worden

gebruikt. Samenvattend komt de praktijk neer op het volgende.

Als eerste stap ordenen de cursisten de namen op de topografische kaart van 2004 naar aanleiding

van het achtervoegsel als es, ma etc.

Met behulp van de namen op de kaart wordt het hedendaagse landschap, bijvoorbeeld rond Elp

of Orvelte, teruggebracht tot de essentie van de historische grondgebruikeenheden: dorp, es,

made (ma, stukken, weiden), veld, bos (holt, strubben). In feite reduceert men het landschap

tot het kaartbeeld van 1811. Op deze kaart staan alleen maar de namen van de hoofddorpen. Een

zalige leegte om in te vullen.

De cursisten kleuren vervolgens een grijsdruk (bij voorkeur op de schaal 1:10.000) in op grond

van deze eenheden. In het terrein beschrijven zij deze eenheden.

Lijnvormige elementen als sloten, vaarten, wallen, singels en wegen worden eveneens ingekleurd.

Zij bepalen het patroon dat in veel gevallen herkenbaar is gebleven al is de invulling

van het grondgebruik veranderd.

Al doende ontdekken de veldwerkers wat er in bijna tweehonderd jaar is veranderd, maar ook

wat er gelijk is gebleven.

Een andere methode, meer voor de gevorderden, is de studenten met de kaart van 1900 op pad

te sturen en op een zwart-wit kopie de veranderingen te laten intekenen. Het patroon van het

landschap rond Orvelte – en gelukkig van nog veel meer delen van het esdorpenlandschap – is

nog zo gaaf dat na enige instructie de oriëntatie in het veld geen probleem is.

Permanente educatie, taalgrenzen geslecht

Al dan niet zelfverzonnen veldnamen en namen van planten en dieren vervullen een functie in

de emancipatie van de verschillende culturele achtergronden van de scholieren en studenten.

Tijdens de naamgeving slaat onze verbeelding een brug tussen allochtonen, import en Drenten.

Menige veldnaam is in de streektaal op de kaart gekomen.

Telling of telg is Nedersaksisch voor jonge (eiken)bomen. Bij Orvelte liggen de Tellingenhorst

en (op de kadasterkaart) de Telgenkamp. Hulsveld en Holsveld zijn streekuitdrukking voor aan

het hout (bos) grenzende veld of voor met relatief veel bomen begroeid veld. De naastgelegen

Hemert dank zijn naam aan de veelvoorkomende framboos, hemerties genoemd. Zou het aan

de orde zijn dan noemt de cartograaf deze hoek het Frambozenbos, net als de kinderen. Des

meer is het jammer dat de Drentse veldnamen nauwelijks meer worden gekend. Historische

verenigingen doen hun best zo veel mogelijk veldnamen te inventariseren. Deze bestanden

leven echter onvoldoende bij een groot publiek. Aan de betekenis ontlenen de veldnamen hun

waarde. Die is echter alleen nog maar bekend bij enkele liefhebbers of een handjevol oude

localo’s.

Mijn buurman noemt de Noordes nooit zo. Hij heeft het over de Heegakkers of, als het om het

westelijke deel gaat, over de Uutkamp. Waar nu de Orvelter rondweg met de naam De Wiet

loopt, lagen voorheen de Hoppenkamp (hop om bier te kunnen brouwen), het Lienstuk (lien is

vlas…linnen) en inderdaad ook De Wiet. (tarweakker).

Nijdrenten die willen inburgeren, ik zou liever zeggen ‘innaoberen’, moeten deze veldtaal leren

spreken. Anders begrijpen zij niet waar zij wonen en zullen zij zich nooit echt thuis voelen.

158

159


Tineke

Vandaar dat veldnamen onderdeel zijn van de cursussen over Drenthe en het Drents, gegeven

door het Huus van de Taol. Als je in de nieuwbouwwijk Welvelde, in de straat Boerhoorn woont

en je fietst langs het zorgcentrum De Etgaarde en vervolgens langs sporthal De Goorn om je kind

af te leveren op basisschool De Woert, ben je toch wel erg onverschillig voor je omgeving als je

niet uit gaat zoeken wat de achtergrond is van dit landelijk jargon.

Met dank aan Harm Jan Lesschen, Oosterhesselen

LES 9 / Tineke

De museumdirecteur 6

160

161


De museumdirecteur: Jaap Dirkmaat

Wees toch zuiniger op je landschap

en aap de randstad niet zo na!

Hij zou moeiteloos een avond op het toneel

kunnen vullen. Onderhoudend, dat is hij

zeker. Zijn onderwerpen lijken onuitputtelijk. Aan zijn

gemotiveerdheid ligt het ook al niet, zijn verontwaardiging is

oprecht. Wat is er aan de hand dat Jaap Dirkmaat zich als een

Theo Maassen­zonder­publiek kan manifesteren? Hij beschikt

zeker over cabareteske neigingen, maar tegelijkertijd is het

hem bittere ernst als hij uitvaart over de verloedering van

ons vaderlandse cultuurlandschap. Zijn betoog wordt een

donderpreek, compleet met lichtflitsen en hagelbuien. En

dan breekt toch plotseling de zon door, als hij zijn licht laat

schijnen over het stroomdal van de Drentsche Aa.

Jaap Dirkmaat (49) is directeur van de Vereniging Nederlands

Cultuurlandschap, een organisatie die zich niet alleen stevig

verzet tegen de aanhoudende aantasting van het landschap,

maar ook alternatieven en oplossingen aandraagt. Zoals

onlangs het Deltaplan voor het landschap, een pleidooi

voor een krachtige financiële en kwaliteitsimpuls voor ons

uitgeklede en verrommelde landschap. Minister Verburg van

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit presenteerde het

rapport ‘Investeren in het Nederlandse landschap. Opbrengst:

geluk en euro’s’. Ze moest erkennen dat het beslist niet goed

gaat met het landschap en stelde dat het kabinet er alles aan

gelegen is hier iets aan te doen. ‘Nederland verrommelt en

steeds meer steden en bedrijventerreinen bezetten de ruimte.

(…) De streekeigenheid verdwijnt. We mogen onze identiteit

niet te grabbel gooien’, aldus de bewindsvrouw.

Mogen we überhaupt nog van identiteit en streekeigenheid

spreken? Hoe is het daar inmiddels mee gesteld?

Bedroevend slecht, zegt Dirkmaat, die een stapje terug doet

in de geschiedenis om te schetsen hoe snel we achteruit zijn

geboerd met ons landschap. ‘We begonnen hier 7.000 jaar

geleden met landbouw. Sindsdien veranderde Nederland

in een cultuurlandschap: hei, hooiland, akkers met heggen,

houtwallen en sloten. De afgelopen eeuw – feitelijk in minder

dan 90 jaar tijd – zijn we er in geslaagd 95 procent daarvan te

vernietigen. Het platteland wordt de boeren steeds verder uit

handen genomen, allerlei organisaties staan te dringen om de

boel over te nemen. Een vreselijk slechte ontwikkeling.’

Rond 1900 was het platteland nog opgedeeld in percelen van

ongeveer een hectare, afgescheiden door maar liefst 450.000

kilometer (!) sloten, hagen en houtwallen. De moderne tijd

diende zich aan, met het massale gebruik van kunstmest

en prikkeldraad. Mechanisatie en schaalvergroting gingen

hand in hand over het land en ruilverkavelingen lieten een

spoor van vernieling achter. De percelen werden groter, de

verscheidenheid nam zienderogen af. Het is een onderwerp

dat Dirkmaat tot een nog hoger woordentempo dan

gebruikelijk aanzet.

‘Ruilverkavelingen, de arrogantie van het idee alleen al.

Eeuwenlang hebben boeren zich met bloed, zweet en

tranen een van een bestaan op hun eigen plekje weten

te verzekeren. Het klopte allemaal. Neem de esdorpen

in Drenthe. Es, hooilanden, veld en stroom, het was een

organisch geheel. Het deugde. Je hoort mijn niet zeggen dat

alle ontwikkelingen tegengehouden hadden moeten worden,

maar welke dramatische gevolgen hebben we met elkaar

van die ontwikkelingen geaccepteerd? De vormgeving van

het landschap heeft zich van de keukentafel op de boerderij

naar de tekentafel van de ingenieurs verplaatst. Nergens

in Europa heeft een dergelijke arrogantie om de kaart van

een land naar je hand te zetten zo’n kans gehad, nergens,

behalve in het Oostblok en bij ons. Natuurlijk zijn er mensen

die de zaak achteraf willen goedpraten. De boeren zouden

met die ruilverkavelingen hebben ingestemd. De eerste, in

Staphorst en Rouveen, werd echter afgestemd. Staat er niet

geschreven dat Gij niet zult begeren wat van uw naaste is?

Dat verlangde de ruilverkaveling nu juist wel van die boeren.

De afstemming was een streep door de rekening en daarom

werden de spelregels veranderd. Het ging voortaan niet meer

om het aantal stemmen, maar om de hoeveelheid grond

die gewicht in de schaal legde. Zo konden vervolgens alle

ruilverkavelingen gewoon doorgaan. Met alle kaalslag van

dien, zowel voor de boeren als voor het landschap.’

‘Kijk, een Engelse boer of een Franse boer moest ook wel

eens een houtwalletje rooien, maar daar rekende men

zich eerst suf. Het moest wel zelf worden opgebracht, de

kosten moesten opwegen tegen de baten. De rekening van

de ruilverkavelingen, waarbij terloops natuurlijk ook de

mooiste veldnamen verloren gingen, kwam hier uiteindelijk

ook bij de boer terecht. Die moest jarenlang kromliggen om

de hem achteraf gepresenteerde rekening terug te betalen.

Het werd hem niet gegeven, ben je belazerd. Als een boer

een perceel in bezit had met een onhandige vorm of rijk van

bulten voorzien, dan begon hij de boel zelf al een beetje te

slechten. Hij was als de dood dat hij bij een kavelruil precies

zo’n beroerd perceel terug zou krijgen. Hij kon natuurlijk al

van oudsher goed rekenen, dus de boel moest wel zo hoog

mogelijk worden getaxeerd. Zo hebben veel boeren als

het ware een voorschot op de toekomstige ruilverkaveling

genomen. Daarna kwam de overheid die samen met de

ingenieurs ging bepalen hoe kaarsrecht de sloten wel niet

moesten worden. Die kronkels in de beken, die er al een

eeuwigheid lagen, waren ineens het bewijs dat God het toch

162 163


niet zo goed begrepen had. Communisten snapten dat

natuurlijk wel en ook als ze het niet snapten ging de boel

toch op de schop. Maar hier hebben we ons dat allemaal

zonder slag of stoot laten aanleunen! Wereldarrogant noem

ik het. Wegen, die genormaliseerd werden. Die mooie

kronkelwegen die de illusie wekten dat dorpen veel verder

van elkaar verwijderd lagen dan in werkelijkheid het geval

was. De boeren keken hun ogen uit, toen de houtwallen en

de bosjes verdwenen waren. Lag dat buurdorp hemelsbreed

altijd al zo dichtbij?’

Dirkmaat is er van overtuigd dat het allemaal doelbewust

is gebeurd, volgens een strategisch plan. ‘De eerste

ruilverkaveling werd door ene ingenieur Gorter van de

Landinrichtingsdienst op touw gezet. Hij schreef tussen

beide wereldoorlogen al dat men de nieuwe landinrichters

later van cultuurbarbarij zou gaan betichten. Ze hadden

duvels goed door wat ze veroorzaakten. ‘Maar ik heb toch

de hoop dat hier ooit een nieuw mooi landschap uit zal

voortkomen’, schreef Gorter. Amen.’

Waar hebben de ruilverkavelingen het hardst toegeslagen?

‘In het oosten van het land. Het westen was al eeuwen een

overwegend kaal landschap. Daar lag een nuttig patroon

van sloten en ringvaarten dat je niet straffeloos kon dempen.

Wonderlijk genoeg is in het kavelpatroon van het groene

hart en van het gebied ten noorden van Amsterdam de

structuur van de 12 e , 13 e eeuw nog zichtbaar. De hogere

zandgronden in het oosten, noorden en zuiden van het land

zouden niet onder water lopen als de boel op de schop ging,

dus vond hier de kaalslag plaats.’

Tot er in Drenthe in de jaren 60 een man opstond…

‘Ja, dat was heel bijzonder. Een man die zich niet uit woede

terugtrok uit de boze wereld, maar in zijn vakgebied is

blijven vechten om te redden wat er te redden viel. Harry

de Vroome, iedereen noemt en roemt zijn naam, nu nog.

Maar helaas was hij een uitzondering. Het idee van het

Stroomdallandschap van de Drentsche Aa was dat van

één man, niet van een organisatie of van de overheid.

Een gevecht van één tegen allen, werkelijk uitzonderlijk.

Het is een wonder hoeveel er in Drenthe gespaard is,

maar verbijsterend om te zien hoe daar door de nieuwe

eigenaren – zonder enig respect voor het verleden – mee

wordt omgegaan.’

Zoals….

‘Zoals door de nieuwe eigenaren, zoals Staatsbosbeheer,

Natuurmonumenten en Het Drentse Landschap. Onze

Landschapswacht, die het behoud van waardevolle

cultuurlandschappen stimuleert, heeft onlangs in Drenthe

een onderzoek ingesteld naar de manier waarop hier het

cultuurhistorisch erfgoed in tact wordt gehouden. We hebben

minimale voorwaarden gesteld waaraan instellingen zouden

moeten voldoen om dit erfgoed aan het nageslacht door

te kunnen geven. Daaraan wordt niet eens voldaan. Als je

houtwallen hebt, moet je ze regelmatig opwallen, anders

zakken ze uit. Dat is gewoon een wetmatigheid. Maar

niemand van die ‘nieuwe’ eigenaren doet dat. Boeren deden

dat wel, het woord opwallen is niet zomaar uit de lucht

komen vallen. Houtwallen waren bedoeld als veekering en

een veekering van een halve meter hoog houdt geen vee

tegen. Dat moet een meter zijn. Op sommige plekken in het

Anloerdiep staan nog eikvarens in de houtwallen, er staan

nog bosbessen op. Die houtwallen zijn steil, soms zie je vier

soorten varens, vanaf de kruin van de wal steil naar beneden.

Hoge wallen zijn dus het soortrijkst en ook pareltjes in het

landschap. Dat uitzakken daarentegen is enorm in Drenthe,

je ziet steeds meer bomen op houtwallen die met de wortels

bloot staan. Die gaan er aan. Als je niets doet, tenminste. De

organisaties die ik noemde hebben het landschap hoog in het

vaandel, hebben de terreinen gekocht met overheidsgeld en

moeten nota bene door derden op hun verantwoordelijkheid

worden aangesproken. Dat is toch te gek voor woorden. Wees

in Drenthe toch alsjeblieft zuinig op je spullen, zou ik willen

zeggen. Je hebt er oude houtwallen waar de laatste primula’s

van ons land in het wild groeien. Die wallen zijn zo oud dat

die primula’s denken dat ze nog in het bos staan.’

Op een heuvelflank, ten oosten van Nijmegen, in Beek­

Ubbergen, staat het Informatiecentrum Nederlands

Cultuurlandschap. Er zijn elf kenmerkende Nederlandse

landschappen in miniatuur uitgebeeld, waaronder dat van de

Drentsche Aa, compleet met het kerktorentje van Anloo. Jaap

Dirkmaat, die er de scepter zwaait, is lyrisch over dit deel van

Drenthe.

‘Je kunt hier werkelijk nog de illusie hebben dat je teruggaat

in de tijd. Ik kom er vaak en graag. Neem Anloo, met zijn

kerk, met zijn fresco’s en zijn herberg. Het houtwallenpatroon

van het Anloerdiepje is fabuleus, met zijn houtwallen en

dwarswallen. Ieder doorkijkje in het dal is er weer anders,

heerlijk. Maar ik zie ook verkeerde dingen. Men noemt het

nu nationaal park of nationaal landschap of welk etiket dan

ook, maar als ik er binnenkom zie ik een goudkustwijk. Dat is

dus helemaal verkeerd. Je komt naar dit gebied voor de illusie,

dus je wilt bij het betreden van zo’n nationale uitzondering

geen goudkust zien. Zo’n schimmelende goudkust kun je in

het westen van het land overal zien, dus daar zit je niet op te

wachten als je een reis van een paar uur maakt naar een uniek

stukje Nederland met de fraaiste esdorpen. Zet die borden

dus daar neer waar het exclusief wordt. We kunnen veel leren

van Engeland. Daar is een nationaal park of landschap van

het hele volk, dus daar hebben de lokale bewoners er niet

het laatste woord. De nationaal parkautoriteit staat boven

de gemeenten, boven de provincies. Dat gebeurt vanuit de

filosofie dat het beheer van cultureel erfgoed tijdloos moet

zijn en dus niet afhankelijk van de politieke wil of onwil

van de eerste de beste burgemeester, die over een paar

jaar toch zijn hielen licht. Daar schuilt dus een groot gevaar

in, in onze polderaanpak van nationaal erfgoed. Dat is de

bestuurlijke kant. Een even groot gevaar is de mogelijke

grootheidswaanzin van de stad Groningen. Men heeft in

Noord­Nederland nog steeds niet door dat men van nature

zo bijzonder is. Men wil altijd maar weer het westen na­apen,

met hoge torens en snelle treinen. Op de Wadden zie je nu de

hoge toren van Leeuwarden staan. Daar worden de Wadden

kleiner van, nietig. En de illusie die je er zou kunnen hebben,

wordt weggenomen. Op de Veluwe zie je de kantoortorens van

Arnhem, Apeldoorn en Zwolle. De Veluwe is in één klap een

stuk kleiner geworden. In de hoofden van de mensen wordt

het gebied daardoor ook kleiner. Dat betekent: de Veluwe

gaat er aan.’

Veldnamen, ook in het geweld ten onder gegaan…

‘Ja, als je als boer dank zij de ruilverkaveling op een andere

plek bent gezet dan waar je ouders en grootouders hebben

gewoond, hoe zul je dan binding hebben met je gebied?

Die nieuwe boerderij, met die golfplaten, in die nieuwe kale

ruimte, dat is niet doorleefd. Het is in de landbouw überhaupt

kommer en kwel. Als je in de wei kijkt zie je allemaal kalfjes

die maar één vader hebben. En niet alleen hier, ook in het

buitenland. Bah! Die stier heeft misschien nog nooit een koe

gezien, die moet op een of andere huid klimmen. Dat wil je

toch niet meemaken? Het is een groot gekkenhuis geworden.

Ik was in Frankrijk bij een boer, die rooide houtwallen en

bomen. Met subsidie uit Brussel en uit Parijs. Een heuvel

verder was men struiken en heggen aan het planten, met

subsidie uit Brussel en Parijs, vanwege erosiegevaar… In

ons land zijn hoogstamboomgaarden gesubsidieerd naar de

kloten geholpen, duizenden hectares. En nu worden ze weer

met subsidie aangeplant. Hoezo consistentie? Hoezo visie op

de toekomst?’

Veldnamen….

‘Precies hetzelfde verhaal. Er is geen binding meer, het veld

is trouwens ook weg. Wat je wel terug kunt krijgen en daar

streven wij als vereniging ook naar, is dat mensen weer

gevoel krijgen voor hun eigen land, voor hun eigen streek.

En wat we vooral moeten doen is het landschap weer zijn

gezicht teruggeven. Daarin heeft de boer die nog over is

een belangrijke rol. Waarbij hij marktconform moet worden

betaald voor zijn landschapstaken. Hij moet weer leren

spelen met het landschap, met houtwallen, met coulissen.

In het onderzoeksrapport ‘Investeren in het Nederlandse

landschap’ wordt de Hondsrug als voorbeeldgebied genoemd.

De bedoeling is er niet minder dan 2500 kilometer groene

landschapselementen te plaatsen, houtwallen, elzen­ en

beukenhagen. Als dat gebeurt, keert een deel van de

kleinschaligheid terug en is er ook weer ruimte voor recreatie

en plattelandseconomie. En natuurlijk ook voor veldnamen.

Niet als hobby, maar als natuurlijk gegeven in een natuurlijk

proces.’

De museumdirecteur 6

164 165


De Etstoel-organisatoren Jan Mulder en Paul Brood

De bezieling van de plek slaat over op de deelnemers

Zoals een mens een ziel heeft, zo is dat ook het geval

met steden en dorpen. Op bepaalde plaatsen hangt

(voor de één meer dan voor de ander) een bepaalde, ‘geladen’

atmosfeer, vervuld van gebeurtenissen uit het verleden. Een

plaats van herinnering aan heil en onheil. Niet willekeurig

gekozen, maar volgens mensen die zich met leylijnen

bezighouden, bewust op een centrum van energie geplaatst.

Neem Anloo. De karakteristieke kerk, met zijn trapgeveltoren

in de wijde omtrek herkenbaar, is al vele eeuwen het

bezielende element temidden van boerderijen en landerijen.

Het godshuis, gewijd aan St. Magnus en waarschijnlijk de

oudste kerk van Drenthe, is gebouwd op een plek waar

verschillende houten voorgangers moeten hebben gestaan. In

Anloo’s kerk werd niet alleen gedoopt en gepredikt, maar ook

eenmaal per jaar rechtgesproken.

De boerderij van Jan Mulder (72) grenst aan de heilige grond

van kerk en kerkhof en stamt uit 1733. Tot de 19 e eeuw was het

Schultehuis van Anloo er gevestigd. De schulte, die tot 1811

in kerspeldorpen de rol van rechter vervulde, was altijd een

Drent van geboorte. Dat is Jan Mulder ook. Sterker nog, hij

werd in het huis geboren dat hij met zijn vrouw bewoont. In

zijn vele functies bij de Boermarke, de historische vereniging

en de Etstoel, spreekt hij weliswaar geen recht, maar wel met

recht en rede. Over de Etstoel, ooit het hoogste rechtscollege

in Drenthe, praten we met hem als bestuurslid van de gelijk­

namige stichting en met de voorzitter, dr. Paul Brood. De

voorzitter heeft zijn sporen op het Drentse erf verdiend. Hij

was rijksarchivaris in Assen en is thuis in vele archieven. Die

specialistische kennis komt Anloo goed van pas nu daar sinds

1987 jaarlijks een opvoering wordt gegeven van de Etstoel

met rechtszaken die ooit in de provincie speelden. Brood

duikt daarvoor in de overgeleverde stukken en tovert de

conflicten uit voorbije eeuwen om in historisch verantwoorde,

maar niet te min sappige dialogen. Beledigingen, ruzies over

nalatenschappen, het is alsof de kwesties gisteren speelden.

Bij de opvoering in 2007 betwistten de eigenaren van twee

akkers bij Ruinen, de Rode Akkers en de Kruisakkers, elkaar

het recht van overpad. Net als in de Middeleeuwen deden

de Drost en zijn gezworenen (etten) uitspraak in dit hoog

oplopende conflict, uiteraard na hoor en wederhoor van alle

betrokkenen.

Waarom vonden die rechtszittingen, de zogeheten Lottingen,

plaats in een kerk?

Paul Brood: ‘Heel praktisch. Drenthe kende in de 13 e en 14 e

eeuw maar een paar stenen gebouwen waarin men met een

redelijk groot gezelschap bijeen kon komen. Er was geen

traditie van een grafelijk hof zoals in andere delen van het

land. In 1395 is vastgelegd dat er jaarlijks drie rechtszittingen

gehouden werden, één in de kerk van Rolde, één in de

Balloërkuil en één in de kerk van Anloo. De plek hier kende

al een traditie want het schip van de kerk dateert uit de 11 e

eeuw. Bij opgravingen in 1942 zijn zelfs sporen gevonden van

houten gebouwen uit de 9 e en 10 e eeuw. Mogelijk heeft er in

de tijd vóór de kerstening van Drenthe een heidens heiligdom

gestaan’.

Hoe lang kende de kerk de traditie van gerechtsgebouw?

Brood: ‘Op basis van de archieven is aantoonbaar dat er

minstens twee eeuwen recht is gesproken. Na 1600 nam het

Landschap Drenthe de gebouwen van het voormalige klooster

in Assen in gebruik en daarmee was er een centrale plek in

de provincie ontstaan voor het bestuur en voor de rechterlijke

macht.’

Wat is er uit de 15 e en 16 e eeuw aan officiële stukken te

vinden?

‘De vonnisregisters van de Etstoel zijn vanaf 1399 bewaard

gebleven. Het gaat niet om uitgebreide vonnissen, meer om

166 167


aantekeningen. Je kunt in ieder geval nagaan wie er voor

het ‘hekje’ stond en waarom. Pas na 1600 is er sprake van

archiefvorming. Dan staan de verklaringen van de verdachten

en van de getuigen op papier en kom je veel dichter bij

wat er zich werkelijk heeft afgespeeld. Ik leg er altijd het

Drentse recht uit die tijd, het Landrecht van Drenthe, naast

om te kunnen begrijpen waarom rechters bepaalde keuzes

maakten.’

Tijdens de Etstoeldag – traditiegetrouw op de derde zaterdag

van de maand augustus, herinnerend aan de feestdag van

de patroonheilige St. Magnus op 19 augustus – herleeft

de 17 e eeuw in en buiten de kerk van Anloo. ‘Dichter bij

het verleden komt u nergens,’ afficheert de organisatie het

evenement heel eigentijds op een website. De kerkbanken

zijn tot de laatste plaats gevuld als de getuigen hun lezing

van de gebeurtenissen in geuren en kleuren schilderen, als de

verdachte zich in alle mogelijke bochten wringt om zijn of haar

straf te ontlopen en als de Drost en zijn etten uitspraak doen.

Buiten wemelt het van de mensen die – ook in historische

kledij gestoken – van nabij willen meemaken of Barbertje

moet hangen en van kooplieden en artiesten die een graantje

van deze volksoploop willen meepikken. Want waar mensen

in groten getale bijeenkomen, daar is al eeuwenlang handel.

Jan Mulder, hij is niet voor niets penningmeester, wil graag

even stilstaan bij de aanleiding voor het evenement. ‘Voor het

onderhoud van het kerkgebouw is veel geld nodig. Daarom

heeft de Stichting Vrienden van de kerk – nu al weer meer

dan twintig jaar geleden – naar mogelijkheden gezocht om

daarin te voorzien. Onze eerste voorzitter, Rein van der Sleen,

kwam op de gedachte om iets op poten te zetten waarbij de

historie van de plek opnieuw beleefd zou kunnen worden. De

geschiedenis van de Etstoel blijkt zich daar geweldig voor te

lenen. Hij richtte de Etstoel op, als dochter van de Stichting

Vrienden. Door het evenement jaarlijks te organiseren,

hebben we als Stichting Etstoel inmiddels al vele tonnen aan

nood zakelijk onderhoud kunnen besteden.’

De bezieling van de plek is klaarblijkelijk overgeslagen op

de deelnemers. Inwoners van Anloo en van omliggende

dorpen zijn er zonder problemen voor te porren het kerkdorp

een jaarlijkse metamorfose te laten ondergaan. Leden van

toneelverenigingen vervullen de rol van verdachte, getuige

of rechter met verve. Handelaren, artiesten, goochelaars,

acrobaten en muzikanten nemen het buitendecor voor hun

rekening. Alles in stijl, want concessies, daar houdt men niet

van.

Jan Mulder: ‘Vanaf het begin hebben we er voor gewaakt

een soort folkloristisch festival te worden. We willen de

werkelijkheid juist zo dicht mogelijk benaderen. Dat betekent

dat je op St. Magnus niemand op klompen zult zien lopen. In

de 17 e eeuw droegen de mensen schoenen of laarsjes. Er is

ook geen patat of een frikadel te koop. De bezoekers krijgen

wafelkoeken aangeboden, warmoessoep, boekweitpap, wijn

en bier’.

Hoe is het mogelijk dat een plaatselijk initiatief zo breed

gedragen wordt?

‘De mensen hebben er plezier in. Ik zelf ook. Ze hebben mij er

destijds bij gehaald en ik heb meteen gezegd dat ik nergens

verstand van heb. Maar goed, je doet links en rechts wat, je

groeit er eigenlijk vanzelf erin. Nu ben ik penningmeester en

als ik het goed doe, mag ik steeds een jaartje blijven. En wat

die andere mensen betreft: het is een kwestie van waarderen.

Je hebt als organisatie iedereen nodig, iemand die technisch

gezien begaafd is, net zo goed als iemand die maar weinig

met z’n handen kan. Je moet iemand met twee linkerhanden

niet wegsturen, maar naar zijn vermogen waarderen, net zo

als die aanpakker. Als je denkt: dat is een dokter, die moet

ik maar een beetje anders behandelen, dan ben je verkeerd

bezig. Het uitgangspunt is dat iedereen gelijk is. Natuurlijk

zijn er ook mensen die niet meedoen en dat recht hebben ze.

Het is immers geen verplichting.’

Is het een soort volksfeest?

‘Ja, dat zou je kunnen zeggen. En niet alleen voor de mensen

van Anloo, maar ook voor die uit Annen, Eext, Eexterveen,

Gasteren, Schipborg. Je moet ervan uitgaan dat we op de

bewuste dag 400 man in het kostuum hebben lopen. De

kleren lenen we van de operettevereniging ADO in Eelde.’

Maar hoe kan het dat het elk jaar weer leuk is?

‘Je moet het zo zien. Heel veel dorpen hebben zomerfeesten

die in alles op elkaar lijken. Het is allemaal glitter en worst

en van alles en nog wat. Wat wij hebben is absoluut exclusief.

We zijn met onze huisregels ook heel streng. Bartho Fidder,

vroeger bestuurslid, lette daar heel goed op. We hebben geen

plastic glazen, geen ijs, geen hamburger in de buurt. Zelfs

brillen zijn eigenlijk verboden, want die moderne monturen,

die had je toen ook niet. Sportschoenen onder een lange

rok? Uit den boze. Geverfde lippen, idem dito. Maar goed,

sommige mensen kunnen niet zonder bril, dat moet je dan

door de vingers zien.’

Paul Brood: ‘Ik denk dat het succes in een combinatie van

factoren zit. De eerste is de ligging van de kerk, daar op een

verhoging, rond de huizen van de Kerkbrink, als een natuurlijk

boomrijk decor. Een tweede reden is dat de bevolking zo

enthousiast blijft. We hebben ons als bestuur wel eens

afgevraagd wat er zou gebeuren als we er mee zouden

ophouden. We denken dat alles gewoon zou doorgaan. Verder

speelt mee dat de sfeer zo goed is. Dat horen we elk jaar weer.

Er gebeurt natuurlijk heel veel, je kunt lekker eten en drinken,

en toch straalt er rust af van het evenement. Zo lang we erin

slagen die sfeer zo te houden, dan zitten we goed.’

Is wel eens overwogen het buitengebied bij het evenement te

betrekken?

Jan Mulder: ‘De bezoekers kunnen met een paard en wagen

een tochtje over een zandweg maken. We hebben wel meer

geprobeerd het buitengebied een rol te geven, onder andere

met een stille kniep in het veld, in de Koepstukken. Maar de

ervaring leert dat de mensen geen behoefte hebben aan

spreiding. Ze willen kennelijk niets missen van wat er rond de

kerk gebeurt.’

Paul Brood: ‘De geschiedenis van het dorp biedt misschien

wel meer aanknopingspunten voor herleving van historische

situaties. In de omgeving van de kerk hebben vroeger twee

havezates gestaan. Het zou een aardige gedachte zijn om de

oprijlaan en de omtrekken van zo’n gebouw met bomen aan

te geven. Zo zouden de veldnamen ook weer een rol kunnen

gaan spelen. Bij Dwingeloo heeft vroeger de havezate Batinge

gestaan. De contouren van het grote gebouw zijn daar ook

door bomen aangegeven.’

Jan Mulder: ‘We weten natuurlijk de namen van de akkers

waar die havezates van Anloo gestaan hebben. Het gaat dan

om de Singelkamp, het Sterrenbos en de Komkamp, met

daarin Lepel en Kom. Maar ik betwijfel eerlijk gezegd of zoiets

je op bestaande akkers zou lukken. Je hebt er de toestemming

van de eigenaren voor nodig. En die zitten in principe niet te

wachten op volk over hun land.’

Afgezien daarvan, wat is voor jullie de reden om je zo voor de

Etstoel in te zetten?

Paul Brood: ‘Mijn drijfveer is dat ik het geweldig vind om op

deze manier een stukje Drentse geschiedenis tot leven te

wekken. Het is elke keer weer de kunst om de werkelijkheid

zo dicht mogelijk te benaderen. ‘Living history’, zoals

dat tegenwoordig heet, op een verantwoorde manier

gepresenteerd.’

Jan Mulder: ‘We hebben met elkaar een sterke formule

ontwikkeld en de regels streng bewaakt. Sommige mensen

houden er met hun vakantie rekening mee, zo sterk is men er

aan gehecht. Anloo staat met de Etstoel echt op de kaart. En

de kerk profiteert.’

Had u vóór 1987 wel eens van de Etstoel gehoord?

Jan Mulder: ‘Nee, dat leefde toen niet. Misschien dat ’t wel

eens in het dorp genoemd is, maar ik verdiepte me er niet

in. Je moest vroeger zes dagen werken en op zondag had

je een paar uurtjes vrij. Als kind ging wel eens naar Balloo

op visite bij tante Henderkien, toen ik tien jaar was of zo. Je

ging dan kijken bij de Balloërkuil, dat was spannend, want er

werd verteld dat daar mensen die kwaad hadden gedaan de

kop was afgehakt. Dat was mijn eerste kennismaking met de

Drentse geschiedenis.’

De museumdirecteur 6

168 169


‘Ook in een ander opzicht verandert

deze honger naar belevenissen onze

leefomgeving. In opmerkelijk contrast met

de esthetische nostalgie van het oude stads-

en cultuurlandschap vindt namelijk in het

zogeheten buitengebied door watermanagers,

planbiologen en natuurontwikkelaars een

grootschalige opschoning van het landschap

plaats. In deze ecologische hoofdstructuur

wordt het karakteristieke landschap van

polders, uiterwaarden en landschapsparken

machinaal afgeschraapt tot een prehistorisch

landschap – een nieuwe natuur van Wetlands,

woeste zandverstuivingen en natuurbos

met kunstmatig gefokte ‘oergrazers’. In

deze onbewoonde wereld is geen plaats

meer voor pittoreske knotwilgen, bontvee

en boerenhoeven uit de wereld van Ot en

Sien die elders juist centraal staan in de

erfgoedbeleving. Hier wordt de boer onterfd

van zijn land en wordt de natuur meedogenloos

boven de cultuur gesteld.’

Rob van der Laarse

Erfgoed en de constructie van vroeger.

In: Bezeten van vroeger. Amsterdam 2005

De beleidsambtenaar

over het beleidslandschap

In de vorige eeuw heeft het platteland zich ontwikkeld tot recreatieruimte. Zo vormde het Drentse Aagebied

met z’n zandverstuivingen, heidevelden en pas aangelegde Staatsbossen al voor de Tweede

Wereldoorlog een geliefd reisdoel voor de verpozing zoekende stadjers. Talrijk zijn de locale VVVgidsjes,

waarin de middenstand de Groningers naar ‘Drents Arcadië’ lokte. Het dorpscafé, de ijscoboer

en de plaatselijke kruidenier voeren er wel bij.

De tijd van het locale initiatief en de vrijwilliger lijkt voorgoed voorbij. De toeristische en recreatieve

sector is geprofessionaliseerd en ook de overheid beweegt zich als aanstuurder en geldschieter actief

op de markt van ‘regional branding’, zoals dat tegenwoordig heet. Nationale Parken en sinds kort ook

Nationale Landschappen, die landelijk Nederland moeten positioneren als een A­merk, vormen het

beleidsinstrumentarium van waaruit een gezamenlijke visie en strategie wordt uitgewerkt. Bij het

‘brandmerken’ van een gebied gaat het in de eerste plaats om de kernwaarden die door inwoners en

bezoekers worden beleefd. De bedoeling van Regional Branding is om het beleidsgebied te ontsluiten

voor het grote publiek en in te spelen op de groeiende behoefte aan recreatiemogelijkheden.

De dominante marktwerking van Regional branding kan een bedreiging vormen voor het landschap als

leefomgeving en cultureel erfgoed. Deze koerst aan op een musealisering van het landschap. De vraag

is of de door Brussel uitgedragen beleidsstrategie in een dichtbevolkt land als Nederland, waar de

aangewezen gebieden toch al sterk onder druk staan, wel strookt met een goed rentmeesterschap.

Gelukkig vinden we de Drentse Aa als sellingpoint niet terug in het gebiedsprogramma van het

Nationaal Beek­ en Esdorpenlandschap Drentse Aa (NBEL) Toch zien we in dit ‘vanzelfsprekende’

boerenlandschap de eerste verschijnselen van musealisering. Daarbij doelen we op de overdadige

bebording van het Nationaal Park. Passanten worden er op elk landweggetje aan herinnerd dat men de

grenzen van het Park passeert.

170 171


Namen en hun culturele dynamiek

Rik Herngreen

De beleidsambtenaar 7

De naam van een plek is een stolsel van levende cultuur, van culturele dynamiek. Iemand

(eigenaar, gebruiker, omwonende, gezagsdrager) bedenkt voor een plek een naam. Dé

naam is dat dan nog niet, daarvoor is gemeenschappelijk gebruik nodig. Tussen individueel

bedenken en sociaal aanvaarden zit culturele dynamiek. Dat proces kan kort of lang duren,

het kan weinig voorstellen of heel intensief zijn. Kort duurt het wanneer iedereen het meteen

wel een goed idee vindt, of wel best zo, of wanneer iemand (overheid, grootgrondbezitter,

schoolmeester) veel naamgevend gezag heeft, of gewoon veel doorzettingsmacht. Het duurt

lang wanneer dat niet het geval is en anderen de plek andere functies, betekenissen en dus

ook een andere naam toedichten dan degene die erover begonnen is. Hoe langer het duurt, hoe

meer verhaal.

Een naam zegt iets over een plek, maar ook over de cultuur die erin gestold is. Ging het in

het leven van de naamgevers en -overnemers vooral over overleven, over louter noodzaak

en nut, dan zijn de namen navenant prozaïsch (Steenakkers). Werd de omgeving als bezield

er varen, dan moet dat ook in de namen terugkomen (Hilgenbarg). Stond bevestiging van een

machts positie voorop, dan zie je dat nu nog (’s Heerenland). Was er ook ruimte voor een leven

voorbij nut en noodzaak (voor reflectie, relativering, recreatie, zingeving, liefde), dan spelen in

namen ook andere noties en connotaties een rol (Ezelakker, Fluisterlaantje). Werd de culturele

dynamiek op enig moment beheerst door één grote, duidelijke gelokaliseerde gebeurtenis,

dan herinneren namen daaraan: Omaha Beach, Ground Zero.

Is de band tussen naam en plek eenmaal gesmeed en verankerd in het spraakgebruik, dan

kan de band tussen naam en oorspronkelijke naamsbetekenis losser worden of zelfs geheel

verdwijnen. De plek houdt zijn oude naam zolang er aanleiding is om hem te onderscheiden

van andere. Bijvoorbeeld vanwege functionele of visueel opvallende eigenschappen of om de

herinnering aan iets wat juist daar gebeurd is. Dat hoeft niets te maken te hebben met waar

de naam oorspronkelijk naar verwees. Een berkenbosje kan heel goed Elzenkamp heten, een

idyllisch weitje Galgenveld, een concentratiekamp Birkenau.

Een veldnaam kan, behalve stolsel van vroegere culturele dynamiek, ook aanleiding zijn

voor nieuwe. Zolang nog in wording hoort de naam tot de content van de culturele dynamiek,

eenmaal vastgelegd wordt ze deel van de context, het complex van factoren dat de speelruimte

voor culturele dynamiek bepaalt en daarmee beperkt, maar er ook aanleidingen voor biedt.

De naam is zelf niet meer in beweging, maar daar staat tegenover dat een gestolde naam op

zijn beurt wel weer aanleiding kan zijn voor verbeelding en betekenistoekenning rond een

plek, vooral als de oorspronkelijke reden voor de naamgeving niet meer helemaal duidelijk is.

Dat kan zo ver gaan dat een plek die zich fysiek niet (meer) onderscheidt van andere plekken

172 173


erom

AAnnette

De beleidsambtenaar 7

heen, een plek die eigenlijk geen naam (meer) zou hoeven te hebben maar er vanouds

nu eenmaal één heeft, juist daardoor aanleiding geeft om er iets bijzonders in te zoeken of er

zelf iets bijzonders in leggen. Mensen die het zich materieel en mentaal kunnen veroorloven

om zo af en toe de poort van de wereld van noodzaak en nut naar die van de verbeelding door

te gaan, gaan dan op zoek naar verhalen rond plek en naam. Misschien vinden ze inderdaad

in het veld, in archieven, in hun eigen hoofd of in gesprek met anderen, onderscheidende

fysieke eigenschappen, bijzondere geschiedenissen of nieuwe betekenissen die zich met de

oude naam kunnen verbinden. Misschien delen ze het gevondene met anderen, worden naam

en plek met gedeelde nieuwe betekenissen bijgeladen, misschien zelfs met programma’s en

ontwerpen. En misschien ontstolt de naam dan weer een beetje, wordt ze aangepast aan de

nieuwe betekenis (taalpuristen spreken dan misprijzend van “verbastering”, net als puristen

van het fysieke erfgoed een gebouw of landschap waaraan een rijke, tot op de dag van

vandaag voortdurende culturele geschiedenis af te lezen valt, graag wegzetten als “niet meer

gaaf”). Misschien vinden ze ook helemaal niets en ligt de betekenis van de oude naam voor

hen voortaan in herinneringen aan vergeefs zoeken. Ook niet niks, trouwens.

Mondelinge overlevering

Zolang namen niet schriftelijk zijn vastgelegd zullen ze nooit volledig stollen, altijd voor

een deel ook onderhevig blijven aan de culturele dynamiek, ook al zullen hun gebruikers

zelf denken dat ze al eeuwenlang hetzelfde zijn. Veelzeggend zijn de lotgevallen van

het Germaanse recht. Tot ongeveer 800 na Christus werd dat van generatie op generatie

mondeling over geleverd, eeuwenlang en naar men meende onveranderd. In verband met de

Karolingische rijks vorming werd het rond 800 op schrift gesteld. Even werkte het prima, maar

al na een paar decennia bleek het op tal van punten hopeloos verouderd. Logisch, want het

was een periode van grote economische, sociale en culturele veranderingen. Maar ook in de

voorafgaande eeuwen waren er heel wat van zulke bewogen perioden geweest. Natuurlijk

heeft het recht ook toen voortdurend meebewogen. Alleen was het zonder schriftelijk

vergelijkingsmateriaal veel eenvoudiger om, met voorbijgaan aan die dynamiek, het geldende

recht (en daarmee de bestaande maatschappelijke verhoudingen) te presenteren als een

oeroud, onveranderlijk, fundamenteel en heilig gegeven.

Zelfs als een veldnaam zijn beslag krijgt op kaarten en in documenten blijft er toch nog enige

plasticiteit over. Spellingsvoorkeuren veranderen, opschrijvers gebruiken niet altijd dezelfde

geschreven en mondelinge bronnen. Deze (door de werking van het schrift al wel vertraagde)

veranderlijkheid van namen laat zich prachtig aflezen aan historische kaartenreeksen.

De rek gaat er pas helemaal uit als de overheid een naam formaliseert. In het verleden

gebeurde dat meestal pas als de naam buiten de overheidssfeer al een heel niet-institutioneel

leven achter zich had, en dan nog alleen als er een goede reden was om de naam te

institutionaliseren. Was dat niet het geval, dan bleef de naam veranderlijk en in principe ook

sterfelijk.

Rol van de overheid

Waar staan we nu? In de loop van de negentiende en twintigste eeuw zijn namen steeds

minder een rol gaan spelen als deel van de dynamische content van de cultuur. Nu zijn ze

bijna alleen nog bestanddeel van de statische context. De overheid heeft daaraan op drie

manieren bijgedragen.

In de eerste plaats heeft de overheid zich het proces van naamgeving zelf toegeëigend,

vermoedelijk overwegend uit haast en standaardiseringsdrift, maar ook vanuit het even

populaire als schadelijke misverstand dat de productie van cultuur een overheidstaak zou

zijn. Daarmee heeft ze de naamgeving onttrokken aan de levende cultuur, aan de autonome

dynamiek tussen eigenwijze burgers. Dat staat haaks op de meest wezenlijke taak van de

174 175


De beleidsambtenaar 7

overheid: waarborgen dat burgers kunnen beschikken over de fysieke en immateriële ruimte,

aanleidingen en toerusting die nodig is om deel te kunnen nemen aan de levende cultuur.

In de tweede plaats heeft de overheid krachtig bijgedragen aan de verzwakking van de relatie

tussen mens (bewoner, bezoeker) en omgeving, waardoor mensen niet eens meer op het

idee komen om hun omgeving met namen (aan) te duiden. Een groot deel van de omgeving

is onwaarneembaar geworden (en daarmee feitelijk geen leefomgeving meer) doordat in de

loop van de twintigste eeuw vele tienduizenden kilometers aan toegankelijkheidsstructuren

zijn weggebuldozerd omdat ze verkeerstechnisch niet meer nodig waren en ze de landbouw

maar in de weg lagen. De omgevingen die nog wel waarneembaar zijn, nodigen meestal ook

niet uit tot mentale toe-eigening, betekenistoekenning, hechting en uiteindelijk naamgeving.

Steeds meer zijn het eenduidige representaties van welomschreven sectoraal-functionele en

esthetische programma’s, meestal met weinig ruimte voor wat (bestaand of nieuw) daar niet

rechtstreeks verband mee houdt. Die weinige ruimte wordt dan graag meteen kant-en-klaar

geduid en dienovereenkomstig ingevuld. Aan onze eigen verbeelding wordt niets overgelaten,

nu “het” verhaal van de plek door de sectorale instanties van dienst of door goedbedoelende

ontwerpers die vinden dat de burgers ook wel recht hebben op een stukje cultuur, kant en

klaar, eenduidig en dwingend bijgeleverd.

In de derde plaats speelt de overheid een actieve rol in het proces van verdringing van realiteit

door hyperrealiteit. Heel wat deskundigen, ontwerpers, erfgoedindustriëlen, ontwikkelaars

en overheidspersonen hebben de neiging om van fysieke en immateriële relicten alleen

te behouden wat hen belangrijk voorkomt, wat hun verhaal van het verleden bevestigt (of

het verhaal dat zij om ideologische of commerciële redenen graag willen ensceneren). Wat

ze behouden wordt ontdaan van wat ze niet uitkomt, het resterende wordt zo keurig opgepoetst

dat de werkelijkheid wordt gereduceerd tot niet meer dan een gelikte illustratie, een

decorstuk bij een eenduidig en dus vals en plat verhaal. Deze vervanging van de werkelijkheid

door het simulacrum voltrekt zich bijvoorbeeld bij door overheden krachtig gesteunde

processen van citybranding, identiteitsbepaling en reconstructie van historische beelden

en structuren, maar is ook aan de orde bij allerlei meedogenloze afrekeningen in het intersectorale

milieu. Bij natuurontwikkeling zijn bijvoorbeeld heel wat fysieke en immateriële

sporen van een cultuurlijk verleden geliquideerd om het verhaal van de natuurlijkheid te

versterken. Als wildernisfabrikant of goudplevierenfokker kan je alleen maar last hebben van

verkavelingspatronen, veldnamen en andere verhalen die eraan herinneren dat mensen ooit

spade voor spade een stuk onland geschikt gemaakt hebben voor wat aardappelen en gerst.

Verkleutering van het publieke domein

Het eenduidige simulacrum verdringt dus de veelduidige werkelijkheid die er ooit aan ten

grond slag lag niet alleen in de perceptie, maar ook in die werkelijkheid zelf, en bedreigt

daar mee de levende cultuur. Het gesprek over elkaar aanvullende en tegensprekende

inter pretaties is daar immers een wezenlijk onderdeel van. Dat gesprek is alleen mogelijk

zolang het onderwerp van de interpretatie niet ook zelf onder de tucht van een bepaalde

interpretatie wordt gesteld, en daaraan aangepast. Functionarissen die “het”, onveranderlijk

louter positieve, verhaal van hun stad uitventen (met alleen de namen die daarin passen of

passend gemaakt zijn, en met een dienovereenkomstig uitgedunde en opgeleukte fysieke

omgeving) leveren geen bijdrage aan een volwassen samenleving, maar dragen actief bij aan

de verkleutering die het publieke domein steeds meer lijkt te teisteren.

De levende cultuur is niet verdwenen, verre van dat, maar ze handhaaft zich niet dankzij,

maar eerder ondanks de overheid. En ze zou zich ongetwijfeld intenser en met meer en

verscheidener bloemenpracht tooien wanneer de overheid zich meer zou toeleggen op het

scheppen van ruimte en aanleidingen voor levende cultuur, en minder op het vullen van de

weinige ruimte die nog over is, samen met bedrijven en instellingen die daar naar hun aard

176 177


De beleidsambtenaar 7

op uit zijn.

Sinds enige tijd lijkt er een nieuwe toekomst te gloren voor een overheid die zich dienstbaar

weet aan levende cultuur. Economische overwegingen spelen daarbij een belangrijker rol dan

de ideële lading, maar dat is niet zo erg omdat beide in dit geval in dezelfde richting wijzen.

In de economie van de toekomst zijn ‘creative industries’ van vitaal belang, en de eisen van

de mensen die die dragen zijn nogal divers en hoog. Naast een goede aansluiting op snelle

fysieke en elektronische transportsystemen blijkt onder meer ook het trage systeem van groot

belang – de toegankelijkheid en diversiteit van de woon- en leefomgeving, mogelijkheden

voor geplande en toevallige ontmoeting met anderen, en mogelijkheden voor mentale toeeigening

en hechting, allemaal zaken waarvoor complexiteit, gelaagdheid en veelduidigheid

nodig is en de drie zo-even geschetste processen contraproductief zijn.

Hoe moet een overheid die zich hierop instelt, omgaan met bestaande namen, met stolsels van

voorbije culturele dynamiek? En hoe met autonome culturele naamgevingsprocessen, met de

culturele dynamiek zelf?

De koestering preciseren

In een betoog dat uitgaat van de dienstbaarheid van de overheid aan de levende, voortdurend

veranderende cultuur van de burgers, mag een pleidooi voor koestering van wat zich in de

loop der eeuwen heeft opgetast als steeds complexere en meer gelaagde fysieke en talige

context en aanleidingenverzameling van die cultuur, niet ontbreken. Maar we moeten wel

preciseren over wat voor koestering we het dan hebben. De zo-even al beschreven koestering

die het gekoesterde zelf bijsnijdt tot het samenvalt met het verhaal van de koesteraar over

het gekoesterde, kunnen we maar beter mijden als de pest. De bestaande namen, verhalen

en dingen moeten worden verzameld, gedocumenteerd en (steeds opnieuw) geduid en

gerelateerd aan andere gegevens, maar dan wel zo compleet mogelijk, onopgesmukt, zonder

retouches in alle rafeligheid en veelduidigheid.

Ook indirect, via de inrichting van de omgeving, kunnen oude namen van belang zijn. Ze

kunnen namelijk de weg wijzen naar fysieke relicten en omstandigheden (al dan niet antropogeen)

die bij de planvorming anders misschien aan de aandacht ontsnapt zouden zijn, en naar

contextueel relevante feiten en omstandigheden. Ook kunnen namen getuigen van vroegere

inventiviteit en inspireren tot nieuwe semantische en andere culturele avonturen. En ze

kunnen, als het levende namen zijn, een indicatie geven het belang en de betekenis van de

plek voor omwonenden en bezoekers.

Al met al is het dus van publiek belang om namen en hun ontstaan te onderzoeken, en de

onder zoeksresultaten systematisch, maar (ook) onbewerkt te documenteren en weer in de

cultuur te brengen. Of de plekken waar het over gaat fysiek tot het private of het publieke

domein horen doet er niet toe, namen van plekken horen per definitie tot het publieke domein.

Net als postzegels

Om de verbinding te kunnen leggen tussen het onderzoek en de levende cultuur die inspanningen

van overheidswege kan rechtvaardigen, moet wel iets worden overwonnen. Juist de

wetenschappelijke en ambtelijke aandacht voor culturele fenomenen (veldnamen, bijzondere

talen en gebruiken, behoud en ontwikkeling van natuur en landschap, fysiek erfgoed enzovoorts

enzoverder) kan ze voor de levende cultuur onbereikbaar maken, ze reduceren tot op

zichzelf staande, zichzelf rechtvaardigende (verzamel-) objectcategorieën. Ze worden dan

geclassificeerd, beschreven, gewaardeerd en beheerd aan de hand van kwaliteitscriteria

die de betrokken specialisten (in epistemologische verdwazing) voor objectief en objectief

belangrijk houden . “Gaaf” en “zeldzaam” scoren dan vaak bijzonder hoog, net als bij

postzegels. Liep er op Mauritius nog maar een ongestempelde blauwe Dodo rond, dat zou

werkelijk het (zoniet dé) Allerhoogste zijn. Het laagst scoren veelal relicten met veel sporen

178 179


Waardenkaart

+ boxtekstje

De beleidsambtenaar 7

van gebruik en transformatie, die dus tijdens hun reis door de tijd een grote complexiteit en

uniciteit verworven hebben, met alle inspirerende connotaties en culturele toekomstwaarde

van dien. Deze “sterk aangetaste” of “niet meer oorspronkelijke” relicten worden gewoonlijk

het eerst uit de collecties verwijderd, of er niet eens in opgenomen. Het hoogst scoren de

hoogbejaarde maagden, de relicten die, in schijn of wezen, gedurende hun hele bestaan

buiten de geschiedenis hebben weten te blijven. Die plegen te worden bijgezet in het Grote

Mausoleum der Cultuur (archieven, musea, bevroren monumenten) of in ondode staat te

worden gehouden (braderieën), zodat ze nog lang het sneue, nuffige, suffige, mummomane

imago van het meer behoudende deel van de erfgoedsector in stand kunnen houden. Dat

is overigens nog steeds te verkiezen boven de jolige historische hyperrealiteit waarop een

deel van de eigentijdse erfgoedindustrie zich heeft toegelegd (zie hierboven). Maar er is een

derde weg. De Identiteitsfabriek Zuidoost-Brabant en het project naar aanleiding waarvan

dit boek gemaakt is, getuigen daarvan. In beide gevallen gaat het om een niet-bewerkende

documentatie en presentatie van verhalen, namen, dingen en samenhangen, in al hun

veelduidigheid en rafeligheid, en om interpretaties die nadrukkelijk voorlopig zijn en daarmee

ook zelf onderdeel uitmaken van het voortgaande dispuut, in plaats van het eens en voor al te

willen beslechten.

Wat moet de overheid dan wel en niet doen? In het belang van de levende cultuur moet

zij het onderzoek naar veldnamen, hun fysieke en culturele context, hun ontstaan, hun

betekenissen, hun gang door de tijd en hun gebruiksmogelijkheden faciliteren en stimuleren.

Maar dan wel onder voorwaarden die voorkomen dat onderzoek, interpretatie, verslaglegging

en toepassing dienstbaar worden gemaakt aan de productie van hyperrealiteiten of aan

de opbouw van stoffige collecties zonder enige relevantie voor de levende cultuur. Verder

moet de overheid zich er inhoudelijk niet mee bemoeien. We hebben te vaak meegemaakt

dat de beleidsambtenaar of bestuurder van dienst zo gecharmeerd was van één school, één

methode, één format (of, bij gebrek aan eigen kennis, van iemand die zijn benadering als de

benadering wist te verkopen), dat complexe, veelduidige, aan discussie onderhevige en nooit

helemaal zekere (en daardoor cultureel rijke en tot groei van culturele rijkdom aanleiding

gevende) kennisbestanden, repertoires en praktijken op dat procrustesbed gereduceerd

werden tot eenduidige, canonieke overheidswaarheden. Dat is bijvoorbeeld her en der

gebeurd de classificatie en bescherming van fysiek erfgoed en bij het natuurbeleid (behoud en

ontwikkeling). Laat dat lot de veldnamen bespaard blijven.

Onderdeel en voeding van nieuwe dynamiek

Minstens zo interessant als het opschudden van de omgang met stolsels en met de aanknopingspunten

die zij bieden voor nieuwe culturele dynamiek, is de vraag of en hoe ook

naamgevingsprocessen weer onderdeel en voeding van culturele dynamiek kunnen worden.

Komen zulke processen op gang, dan wijst dat op twee dingen: de fysieke omgeving zit qua

toegankelijkheid en uitdagendheid zo goed in elkaar dat mentale toe-eigening weer mogelijk

is geworden; en de samenleving zit (mede dankzij goede ruimtelijke arrangementen) zo goed

in elkaar dat mensen het er met elkaar over hebben, er belang aan hechten.

Misschien zou de overheid moeten ophouden om zelf plekken namen te geven. Dat zou hij

moeten overlaten aan de dynamiek van de levende cultuur. Van overheidswege kunnen

nieuwe straten en percelen voorlopig worden aangeduid met postcode plus huisnummer

c.q. kadastrale sectie plus perceelsnummer. Verder is het een kwestie van zorgen voor

toegankelijkheid, voor een fysieke omgeving waar die toegankelijkheid ook de moeite waard

is, voor mogelijkheden tot betrokkenheid en invloed, en voor een gemakkelijke toegang tot

alle informatie die rond gebied en plek verzameld is. Die combinatie faciliteert de mentale

toe-eigening die dan op den duur weer kan leiden tot echte, gedragen namen, tot namen die

bij hun vastlegging al een geschiedenis hebben, een verhaal, een culturele lading. Is het

180 181


Gedicht

De beleidsambtenaar 7

uiteindelijk zover, dan kan de overheid zo’n naam alsnog formaliseren. Zo’n proces levert

niet alleen betere namen op, het stimuleert ook de culturele interactie tussen burgers. Komt

het nooit zover, dan is er voor die plek kennelijk ook onvoldoende behoefte aan meer dan een

numerieke aanduiding.

Maar pas op: is dit principe eenmaal aanvaard, dan is de kans groot dat het ambtelijk en

bestuurlijk systeem meteen op zoek gaat naar mogelijkheden om het proces te versnellen,

te stroom lijnen, te stimuleren, zonodig te forceren. Bijvoorbeeld met z’n allen veldnamen

kleien in een inspiratiesessie op de plek zelf, liefst onder leiding van een gediplomeerd

Creatief Iemand (wel gewapend met een rugzakje vol namen voor het geval niemand wat

invalt – waaronder natuurlijk ook oude in onbruik geraakte namen ergens uit de buurt die het

als straat- of wijk naam nog best zouden kunnen doen, zeker als je ze opleukt met wat extra

ck’s, ae’s en th’s). De prijs van dat soort geregisseerde bespoediging is een schrijnend gebrek

aan culturele inhoud, zowel van de naam als van de connotaties die ermee verbonden zijn.

Een rijke inhoud kan niet ontstaan zonder de traagheid en het soms misschien ongemakkelijk

schurende en weifelende van het proces van mentale toe-eigening en gezamenlijke naam- en

betekenisgeving, en dus ook niet zonder het geduld van een overheid die even wacht tot de

mensen zelf iets tegenover de numerieke kilte stellen.

182 183


De beleidsambtenaar: Kees Folkertsma

Kleinschalige ontwikkelingen en

kwaliteit met elkaar verbinden

Het beekdallandschap van de Drentsche Aa

spreekt tot ieders verbeelding. Schilders,

schrijvers en dichters laten zich al decennia lang

inspireren door het kronkelende beekdal, door de akkers

op de glooiende essen en door de parels van dorpen. De

zeggingskracht van het gebied komt ook in ambtelijke

stukken naar voren. Wie in een rapport van Staatsbosbeheer

van een halve eeuw geleden snuffelt, struikelt al over de

superlatieven. ‘Uit natuurwetenschappelijk oogpunt bezien

zijn de thans nog resterende, min of meer natuurlijke

beekdalen van het allergrootste belang, terwijl de waarde

welke dalen in landschappelijk opzicht vertegenwoordigen

niet hoog genoeg kan worden aangeslagen,’ schreef H. J. W.

Schimmel in 1955. Formele bewoordingen, dat wel, maar toch

is er ook ruimte voor ambtelijke bewondering.

Als Staatsbosbeheer tien jaar later in de pen klimt, zijn de

auteurs niet minder lyrisch. Het beekdalenstelsel van de

Drentsche Aa wordt dan in zijn verscheidenheid niet alleen

uniek voor Drenthe genoemd, maar voor geheel Nederland.

Ruim veertig jaar later schaamt niemand zich er voor om zelfs

van een Europese betekenis te spreken.

Intussen is er het nodige gebeurd om het beekdal en zijn

omgeving veilig te stellen en een toekomstperspectief

te ontwikkelen. Het gebied is aangewezen als Nationaal

park met een verbrede doelstelling, want – en dat is

het verschil met andere natuurparken – er wordt in het

gebied volop gewoond en gewerkt. Juist in de variatie en

de verscheidenheid worden de belangrijkste kenmerken

gevangen. Het is deze diversiteit die de overheden hebben

doen besluiten een bijzondere oplossing te kiezen. De drie­

hoek tussen Assen, Gieten en Glimmen is aangewezen als

Nationaal beek­ en esdorpenlandschap Drentsche Aa.

In het gebied van de Drentsche Aa werken gemeenten,

waterschap, waterbedrijf, bewoners, landbouw, recreatie,

natuurbeheerders zoals Staatsbosbeheer en de provincie

Drenthe nauw samen. Ze zijn allen vertegenwoordigd in

het Overlegorgaan Nationaal beek­ en esdorpenlandschap

Drentsche Aa, ondersteund door de projectgroep waarvan

Kees Folkertsma en Herman Thije gezamenlijk het secretariaat

voeren.

Folkertsma: ‘Het is een cultuurlandschap, dat door onze

voorouders, de boeren, als het ware aan ons is overgedragen.

Enerzijds is er het natuurlijke karakter van het beekdal

met zijn oude meanders en anderzijds de diverse vormen

van gebruik, door de boeren van nu, door de recreatie en

natuurlijk ook de bewoners. Dat samenspel heeft natuurlijk

wel spanningen tussen de diverse gebruikers opgeleverd,

maar met de aanwijzing als bijzonder Nationaal park is een

modus gevonden om het gebied in alle opzichten recht te

doen. Niet alleen om het gebied te behouden, maar om er

ook een boterham in te kunnen verdienen. Zo is het gebied

ook ontstaan. De kunst is nu om wonen, werken en recreëren

mogelijk te maken zonder de natuurlijke waarden van het

gebied in gevaar te brengen en daar waar nodig te herstellen.

Als we dat laatste niet goed zouden doen, zouden we immers

de kip met de gouden eieren slachten.’

Hoe is men er in geslaagd dit landschap veilig te stellen,

terwijl het toch in een omgeving ligt van steden als Assen en

Groningen met zeer grootschalige ontwikkelingen?

‘Dan moeten we terug in de tijd. Het Drentsche Aa­gebied

staat namelijk al op de lijst ‘van het voornaamste natuur­

schoon in Nederland’ uit 1939, opgesteld door Jac. P. Thijsse.

Hij deed dit als lid van de Nationale Contactcommissie

voor Natuur en Landschapsbescherming. In 1954 stelde het

bestuur van Drenthe een lijst van natuurgebieden vast en voor

het beekdal van de Drentsche Aa werd toen voor het eerst

een verband gelegd met de winning van oppervlaktewater

uit de beek voor de openbare drinkwatervoorziening bij De

Punt. Vanaf dat moment kende het beekdal van de Drentsche

Aa een eerste planologische bescherming en gingen

natuur, landschap en de drinkwatervoorziening van de stad

Groningen hand in hand. Het al aangehaalde rapport van Hein

Schimmel beschreef vervolgens het Drentsche Aa­gebied en

liet met ingeplakte foto’s de beken in hun oorspronkelijke

staat zien. In deze tijd speelde ook de discussie over

normali satie en kanalisatie van Drentsche Aa. Dit zette de

kunstschilder Evert Musch uit Anloo (in 2007 overleden) er

toe om vanaf de Kymmelsberg het beekdal te schilderden om

zo voor toekomstige generaties het landschapsbeeld vast te

leggen. Ook politiek kreeg het gebied volop de aandacht, ,

zodanig zelfs dat de toenmalige Commissaris van de Koningin

naar den Haag toog om de argumenten voor een andere

ruil verkaveling (Rolde­Anloo) kracht bij te zetten. Het heeft er

toe geleid dat het beekdal gespaard werd en dat spoedig de

eerste landbouwgronden konden worden aangekocht om te

worden overgedragen aan Staatsbosbeheer. Het stroomdal

kreeg daarmee zijn uitzonderingspositie. En vanaf begin jaren

60 speelt vervolgens de discussie over de mogelijkheid om

het Drentsche Aa­gebied als Nationaal Park aan te wijzen.

In hoeverre staan de belangen hier haaks op elkaar? Enerzijds

de unieke waarden van landschap en natuur, anderzijds de

behoefte van dorpen om uit te breiden en de toenemende

druk van de recreatie….

‘Dat is het eeuwige dilemma van dit gebied. Als Overleg­

orgaan willen we het niet op slot zetten, maar je kunt

ook geen grootschalige ontwikkelingen toestaan. Ik

184 II

Coördinaten


Toponiem

Rodoveentie

VII De beleidsambtenaar 7

VIII 185

denk dat we er meer en meer in slagen om kleinschalige

ontwikkelingen en kwaliteit met elkaar te verbinden. Het

nieuwe bestemmingsplan van het dorp Elp is daar een goed

voor beeld van. Elp ligt in het grotere gebied van het Nationaal

Landschap Drentsche Aa. In goede samenspraak met de

bewoners is in dit dorp sprake van enkele nieuwbouwlocaties

waar iedereen zich in kan vinden. Maar er zijn natuurlijk ook

bedreigingen. De N33 is een weg die door een kwetsbaar

deel van de provincie loopt. Er worden op dit moment

studies verricht hoe de verdubbeling het beste kan worden

gerealiseerd, inclusief de aansluiting op de A28 en de

verdere ontwikkeling van Assen­zuid. Als Overlegorgaan van

zowel het Nationaal Landschap als van het Nationaal beek­

en esdorpenlandschap zijn we daar nauw bij betrokken.

De verdubbeling van de n33 biedt namelijk kansen om de

barrièrewerking voor natuur en mensen te verminderen en de

landschappelijke inpassing te versterken.’

Hoe is de bevolking van het gebied bij de ontwikkelingen

betrokken?

‘Dat is begonnen vanaf 1992 met de introductie van het

‘gebiedsgericht werken’. In deze periode zijn vele tientallen

miljoenen besteed, breed ingezet voor vele belangen, maar

vooral ook om de stofbelasting van de beek te verminderen.

In 2002 hebben een aantal mensen uit het gebied een

rol gespeeld bij het inventariseren van de thema’s en

aan dachtspunten die in het Beheer­, inrichtings­ en

ontwikkelings plan Nationaal beek­ en esdorpenlandschap

Drentsche Aa (BIO­plan) zijn opgenomen. Daarnaast worden

de bewoners van het gehele Nationale Landschap twee

keer per jaar via de nieuwsbrief ‘Doorstroom’ op de hoogte

gehouden van ontwikkelingen. Ook is er onze eigen website

www.drentscheaa.nl waarop al onze documenten te vinden

zijn en de actuele ontwikkelingen worden vermeld. Op het

ogenblik tellen we gemiddeld per dag 250 mensen die ons

via de website bezoeken en dat is best veel! Het gaat niet

alleen om toeristen, maar ook veel om mensen uit het eigen

gebied die op de hoogte willen blijven van de ontwikkelingen.

Twee keer per jaar organiseren wij als Nationaal Park (IVN

en secretariaat) bewonersdagen, waarop mensen met ons

en collega’s van Staatsbosbeheer het gebied intrekken. De

dorpen weten ons overigens heel goed te vinden. Oudemolen

is daar een goed voorbeeld van. Het kruispunt daar stond

–vooral tijdens de weekends – vol met blik. Samen met de

gemeente Tynaarlo, die in dit geval de voortrekkersrol had,

Staatsbosbeheer en ons Overlegorgaan is er een nieuwe

parkeerplaats ontwikkeld. Het kruispunt van de wegen naar

Zeegse en Taarlo is nu gelukkig blikvrij, in dubbel opzicht.’

Folkertsma wijst er op dat door de inwoners van de dorpen

Anderen, Gasteren en Anloo onder begeleiding van de Brede

Overleggroep Kleine Dorpen (BOKD) dorpsomgevingsplannen

zijn gemaakt. De opstelling er van is mede mogelijk gemaakt

door de provincie, de gemeente Aa en Hunze en het Nationaal

Park. Het komt er nu op aan om ideeën ook daadwerkelijk

om te zetten in concrete plannen. Gezamenlijk zijn inmiddels

diverse projecten uitgevoerd.

Hoe groot is de betrokkenheid van de bewoners bij hun

unieke omgeving?

‘De mensen zijn erg betrokken bij het Drentsche Aa­gebied.

Ik heb het gevoel dat ze ons ook nauwlettend volgen.

Zodra er iets is, weten ze ons meteen te vinden. Je ziet de

betrokken heid ook bij de informatieavonden, zoals die over De

Strubben-Kniphorstbosch. Daar heeft Staatsbosbeheer een

nieuw inrichting­ en beheersplan opgesteld en dan zitten er

meer dan vijftig mensen in de zaal.

Als Nationaal Park beschikken we over twee beroepskrachten

van het IVN, André Brasse en Maroesja Veken en samen met

hen steken we veel energie in voorlichting en educatie over

het Nationaal beek­ en esdorpenlandschap Drentsche Aa. We

zijn al op menige jaarvergaderingen van dorpsbelangen en

boermarken geweest voor een presentatie’.

Is er ook sprake van een emotionele band met het landschap?

‘Volgens mij wel. Maar sterk verschillend. Er is immers

sprake van heel verschillende gebruikers. De landbouw is

van oorsprong de vormgever van het landschap. Men heeft

uiteraard waardering voor de natuur, maar voelt ook de

confrontatie met dezelfde natuur. Natuurliefhebbers stellen

het recreatief medegebruik ter discussie. Mensen die er

van oudsher wonen, vinden het landschap vaak heel aan­

trekkelijk, maar er zit ook iets vanzelfsprekends is. Zo van: we

weten niet beter dan dat het er is. Ze staan overigens open

voor de mogelijkheden om ook anderen (nieuwkomers en

recreanten) van het gebied te laten genieten. En het leuke is

dat wij tijdens excursies en bewonersdagen de inwoners vaak

ook voor hen nieuwe zaken kunnen laten zien’.

In de informatie van het Nationaal Park staat te lezen dat er

in de eerste vijf jaar van het bestaan maar liefst 23 miljoen

euro in het gebied is geïnvesteerd. Dan gaat het om ruim

90 grotere en kleinschalige projecten op fysiek gebied. De

Drentsche Aa heeft echter ook een grote cultuurhistorische

waarde. Wat voor ideeën bestaan er om daar iets mee te

doen?

‘Als Nationaal Park hebben we in het gebied zo’n dertig

Drentsche Aa­gidsen opgeleid, die optimaal zijn geïnformeerd

over de ontstaansgeschiedenis, natuurwaarden en juist ook

over de cultuurhistorische waarden. Immers, het Drentsche

Aa­gebied wordt al vanaf de vroege prehistorie bewoond en

die bewoning heeft zeer veel sporen achtergelaten. Het is een

oeroud gebied, waar vele geschiedenislagen over elkaar heen

liggen.

De gidsen verzorgen zo’n 50 excursie op jaarbasis en geven

de informatie door. Jans Speulman uit Anderen, voormalig

landbouwer, is zo’n gids die meeslepende verhalen (in het

Drents) weet te vertellen over het (verleden van) het gebied.

Maar we hebben ook gidsen met archeologie als specialisatie.

Verder kennen we in het gebied inmiddels ruim 30 gastheren

en gastvrouwen, ondernemers in de horeca en in de recreatie,

die ook een cursus hebben gehad. Iets minder uitgebreid dan

de gidsen, maar ze kennen het verhaal van de Drentsche Aa

en vertellen het door aan hun gasten.’

Veldnamen zijn onderdeel van ons culturele erfgoed en

(hopelijk) onlosmakelijk verbonden met de akkers en essen in

het gebied. Hoe kunnen die een rol blijven spelen?

‘Op dit moment wordt er door verschillende disciplines

gewerkt aan een Biografie van de Drentsche Aa. We hebben

ook middelen beschikbaar gesteld voor het onderzoek en

gaan dat ook doen om de resultaten ervan wereldkundig te

maken. Er komt ongetwijfeld een stroom van informatie uit

het onderzoek naar voren waar onze gidsen, gastvrouwen­ en

heren, maar ook andere geïnteresseerden dankbaar gebruik

van kunnen maken. Hiervoor zal de informatie ook via www.

drentscheaa.nl worden ontsloten’.

Veldnamen ook onderdeel van Cultuurhistorische

waardenkaart

Sinds enkele jaren beschikt de provincie Drenthe over een

cultuurhistorische waardenkaart (CHW). De onderdelen

daarvan zijn – tot nu toe – archeologie, bebouwde

omgeving en historische geografie.

De eerste versie van de CHW bestaat uit kaarten met

daarop cultuurhistorische gegevens die bij de provincie

digitaal beschikbaar zijn. De kaarten zijn nog niet volledig.

Er is nog steeds onderzoek gaande. Onder andere gebeurt

dit naar de veldnamen van Drenthe. Er bestaat op dit

specifieke terrein sinds jaar en dag de zogeheten collectie

Wieringa, samengesteld door de gelijknamige medewerker

van de RU Groningen. Deze collectie wordt door

medewerkers van het Drents Archief ontsloten en digitaal

toegankelijk gemaakt.

Wendy Schutte van de provincie Drenthe: ‘Bij de

totstandkoming van de cultuurhistorische waardenkaart

is in het begin geen aandacht geschonken aan de

veld namen. De eerste aan dacht is uitgegaan naar

archeologisch waardevol bezit en naar gebouwen. In de

loop van de jaren komen er steeds meer toevoegingen.

Het is de bedoeling alle aspecten van ons cultuurbezit

op te nemen, zoals stads- en dorpsgezichten,

landschaps elementen (markegrenzen) en oude zand- en

klinkerwegen. Veldnamen horen er zeker ook bij. Ze

vertellen immers over de geschiedenis van ons gebied,

vormen een onderdeel van onze taalgeschiedenis en van

ons grondgebruik’.

De CHW zal dus niet alleen uit materiele onderdelen bestaan?

‘Nee, ook de immateriële waardevolle elementen vormen

een bron van inspiratie en informatie. De CHW zal in zijn

uiteindelijke vorm een bouwsteen vormen voor een nieuw

provinciaal omgevingsplan. De rijksoverheid vraagt van

de provincies bij toekomstige plannen makerij om vooraf

aan te geven wat men belangrijk vindt op ruimtelijk

gebied. Daarom is het voor ons zaak dat we een heldere

provinciale visie op onze cultuurhistorie vastleggen.’


Glazen bol

‘Ontwerpers zijn vertellers van verhalen. Ontwerpen

is een manier van verbeelden, het vertellen van nieuwe

verhalen en het weer ophalen van oude verhalen.

Het is een proces waarbij visies op landschappen

ontstaan, die alternatieve mogelijkheden bieden

om te kiezen en die mogelijke toekomstbeelden

beschrijven. De ontwerpproducten – tuinen, huizen,

wegen en waterlopen, woonwijken en steden – zijn

woonomgevingen die betekenissen hebben en

die uitdrukking geven aan de waarden van een

samenleving. Het is nu de tijd om nieuwe verhalen

te vertellen en om oude dilemma’s op te halen: hoe

kunnen we in een wereld wonen én die beschermen

en bewaren? Hoe kunnen we tradities hooghouden én

inventief bezig zijn? Hoe kunnen we vrijheid bevorderen

én beheersing nasterven? Hoe kunnen we identiteit

creëren én verschil waarderen? Paradox – de vereniging

van schijnbare tegenstellingen – is nimmer zo’n

cruciaal begrip geweest. Het bestaan van conflicten

moet niet gezien worden als een onoplosbaar dilemma

maar als een deel van een groter geheel, versmolten in

onverhulde spanning zonder verlies aan verschillen.’

Anne Whiston Spirn

Hoogleraar landschapsarchitectuur Pennsylvania

Doorenboslezing 27 mei 1998. In: Blauwe Kamer 3/1998

De illusionist

over (on)mogelijke toekomsten.

Het Drentse Aa­gebied wordt vaak verondersteld als een organisch gegroeid landschap dat zonder

planvorming tot stand kwam. Die gedachte berust op een halve waarheid. In het oude ‘Lantrecht van

Drenthe’ stonden voorschriften over de inrichting en het gebruik van essen en beekdalen. Zij dienden als

richtlijn bij de uitwerking van de plaatselijke willekeuren. Ook werden al vroeg landmeters ingeschakeld

bij de verdeling en inrichting van beekdalen en veldgronden. Het houtwallencasco van het Anloërdiepje

en de Heesten, de ‘wildernisse’ tussen Gasteren en Taarlo, zijn daar mooie voorbeelden van. Bij de

aanleg van landgoederen zoals het Vennebroek in Anloo werd eveneens een landmeter ingeschakeld

voor het ontwerp. Tenslotte kunnen de markeverdelingsplannen uit de 19 e eeuw worden opgevat als

voorlopers van de latere ruilverkavelingen.

Het programma van het moderne Drentse Aa­gebied is er voor huidige ontwerpers niet eenvoudiger

op geworden. De landbouw is al lang geen alleenheerser meer; recreatie, wonen en natuur en

landschapsbeheer zijn geduchte medespelers geworden. Ook al oogt het Drentse Aa­gebied landelijk

en hier en daar arcadisch, toch ligt het gebied als een groene long centraal in het grootste stedelijke

‘veld’ van Noord­Nederland. Het gebied loopt over van de paradoxen, om het plastisch uit te drukken.

We hoeven alleen maar te denken aan het spanningsveld tussen de overdadige dooradering van de

Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de naar ruimte zoekende landbouw, de veeleisende natuurontwikkeling

in relatie tot de landschappelijke waarden en aan het onontkoombare feit dat dit alles zich

afspeelt in de directe leefomgeving van mensen.

In het deels onzichtbare beleidsveld kunnen veldnamen ontwerpers metaforen en betekenissen

aanleveren die nodig zijn voor de ontsluiting van het landschap als sociale ruimte, waar mensen hun

herinneringen en verhalen aan ontlenen en waar ook volgende generaties zich aan kunnen hechten.

186 187


Vochtige weide musch

Steeds opnieuw

schuren de schilders een plank,

brengen ze er een basislaag op aan

en laag voor laag:

achtergronden,

gewaad,

handen,

gelaat.

Steeds lichter wordt de ikoon,

steeds dichter bij de geest van de persoon,

opnieuw

verbonden met wat die ikoon betekent

hier en nu,

het goud lichtgevend.

Ikonen van Aa en Anderen

Voortbouwen aan een levend landschap, een zaak van lange adem

Henk van Blerck

De illusionist 8

Twintig jaar nadat H.W. de Vroome als landschapsarchitect bij Staatsbosbeheer met pensioen

ging is zijn werk nog steeds bepalend voor de inrichting van het Drentse esdorpenlandschap. De

meeste mensen gaan er achteloos aan voorbij. Het lijkt zo vanzelfsprekend dat het landschap er

hier zo gestructureerd en verzorgd uitziet. Dat heeft echter heel wat bloed, zweet en tranen van

De Vroome en zijn bondgenoten gekost.

Heel Drenthe is in tijd van de ruilverkavelingen op de schop geweest en opnieuw vormgegeven,

voortbouwend op het oude landschap, dat wel. De Vroome’s concept voor de vormgeving van dit

landschap is verinnerlijkt in het provinciaal beleid, in dat van de gemeenten en in het werk van

zijn opvolgers.

‘Het landschap is een zaak van lange adem’, zei hij. Hoe zou De Vroome in deze tijd met zijn eigen

erfenis omgaan? Hoe kunnen wij verder gaan in zijn lange adem? Niet door te kopiëren, of star

regels toe te passen, of alleen te behouden. Nee, we zullen creatief voort moeten bouwen, blijven

onderzoeken, aansluiting moeten zoeken bij de mensen in het landschap van deze tijd.

Vijftig jaar geleden kreeg Harry de Vroome tijdens de voorbereiding van een ruilverkaveling

te horen: ‘Meneer de voorzitter, ik stel een ander landschapsplan voor: laten we alle bomen

kappen op één na. Als de ruilverkaveling klaar is dan hangen we die meneer van het landschaps

plan daar aan op.’

Gelukkig is dat nooit gebeurd, want dan had ik twintig jaar geleden nooit met De Vroome

kunnen wandelen naar het Anloërdiepje. Ik was bezig met het afronden van een onderzoek naar

zijn werk en naar zijn opvattingen als landschapsarchitect van het eerste uur. We gingen nog

een keer het veld in. Het was herfst, een strakblauwe lucht, de zon scheen op de gele bladeren

van de eiken.

Daar liepen we. Ik nam alles op met mijn cassetterecorder. Hij sprak over meneer Benthem,

zijn mentor bij Staatsbosbeheer. Over zandpaden die deel uitmaken van wandelroutes voor

dorpelingen die ’s avonds even een ommetje willen maken, over prachtige gelukkig ‘te ver

doorgegroeide houtwallen’, over excursies met biologen die op hun knieën vielen voor een

plantje en het beekdal niet zagen, over iedere bocht in het pad, over elk hobbeltje in al die

percelen in het hele stroomdallandschap. Hij was mijn leermeester en ik luisterde.

Meesterwerk

Weer bijna vijftien jaar later schreef ik bij het overlijden van De Vroome – op oudejaarsdag

2001 – dat hij in de jaren na de tweede wereldoorlog één van de pioniers van de landschapsverzorging

bij Staatsbosbeheer was. Dat hij in de decennia daarna gestaag werkte aan zijn

meesterwerk: de stilering van het Drentse esdorpenlandschap tot een modern landschap met

188 189


De illusionist 8

een rijke eigen identiteit en een duurzame ecologische basis. Bij zijn afscheid van het SBB in

1983 was een samenhangend netwerk van reservaten, houtwallen, bossen, brinken, zandwegen,

fietspaden en wegbeplantingen gerealiseerd dat duurzaam in eigendom, beheer en onderhoud

was van de overheid of natuurbeherende instanties. Let wel, in 1983 waren de begrippen cascoplanning

en ecologische infrastructuur amper uitgevonden!

Waarschijnlijk is De Vroome de enige landschapsarchitect waarvan gezegd kan worden dat

hij een hele provincie heeft vormgegeven. Met enorme toewijding en kennis van de historie,

de natuur en het huidige grondgebruik werkte hij zijn architectonisch concept voor Drenthe

uit tot op het niveau van de straatsteen. Door zijn creatieve en tegelijkertijd voortbouwende

benadering zijn oud en nieuw in het Drentse landschap niet meer van elkaar te onderscheiden.

Via zijn betrokkenheid bij landschapsplannen voor tientallen ruilverkavelingen en door de inzet

van hem en zijn ‘bondgenoten’ in tal van projecten heeft hij er voor gezorgd dat het huidige

Drenthe – weliswaar grotendeels op de schop geweest – als één samenhangend oud landschap

wordt ervaren, dat klaar is voor de eenentwintigste eeuw.

Stroomdallandschap als landschapsreservaat

Een speciale plaats in zijn werk neemt het Stroomdallandschap van de Drenthe Aa in. Het

was in de zestiger jaren het laatste nog vrijwel geheel vrij meanderende beekstelsel van

Neder land, maar dreigde in het kader van ruilverkavelingen genormaliseerd te worden. De

Vroome mobiliseerde mensen van aanzien. Hij stelde in 1965 samen met zijn collega’s van het

Consulentschap voor Groningen en Drenthe van Staatsbosbeheer, F. Modderkolk en E. Stapelfeld

het legendarische ‘Gedachtenplan’ op en kreeg het voor elkaar dat Staatsbosbeheer (op

advies van de provincie) dit reservaat aankocht om het te behouden en ontwikkelen voor de

gemeenschap. Dit ‘landschapsreservaat’ dooradert het cultuurlandschap van Noord-Drenthe en

is daarmee, anders dan veel hedendaagse natuurontwikkelingsprojecten, integraal deel van de

leefomgeving van mensen. Ook van de inwoners in Anloo, Gasteren en Anderen.

Ontworpen landschap

De meeste mensen hebben het gevoel dat Drenthe een oud landschap is. Drenthe werd echter

in de twintigste eeuw ingrijpend heringericht ten behoeve van de moderne landbouw. Door

uitgekiende en genuanceerde landschapsplannen kreeg het vernieuwde landbouwlandschap

het uiterlijk van een gestileerd esdorpenlandschap waarin oud en nieuw samengaan. Dit

vernieuwde cultuurlandschap blijkt nu ideaal voor de huidige bewoners van Drenthe die in

grote meerderheid het land niet zelf bewerken, maar er van genieten als inspirerende werkomgeving

of als prettig woonmilieu.

In de landschapsplannen bij de ruilverkavelingen in Drenthe kregen de beekdalen een

vernieuwde beplanting van houtwallen dwars op de beek en langs de randen van het beekdal.

De oude akkers van de dorpen, de essen, kregen een omranding met bos en in de dorpen werd

met bomen, hagen en gras het karakter van de oude brinkdorpen vastgehouden. De ontgonnen

heidevelden hielden hun weidse karakter in dit ontworpen landschap.

Het zal rond 1965 zijn geweest dat De Vroome rondliep in het landschap, zijn plannen

intekenend met potlood op de topografische kaart. Want zo maakte hij zijn plannen: in het

veld. Kijkend, vergelijkend, terugblikkend, projecterend. Thuis vergeleek hij de plannen met

oude topografische kaarten van 1930, 1850 en liefst nog ouder. Door vergelijking van de plannen

uit het veld met die oude kaarten zijn de vier soorten landschapseenheden te herkennen: de

dorpen, de essen, de beekdalen en de meestal ontgonnen woeste gronden.

Het planconcept voor dit landschap

Als je de landschapsplannen van de ruilverkavelingen uit die tijd bekijkt, maken ze op het eerste

gezicht een rommelige indruk. De vele smalle stroken nieuw aan te brengen singelbeplanting

190 191


Acactus Annette

De illusionist 8

vallen op. Daarnaast springen de vele kleine percelen met ‘te sparen ongecultiveerde gronden’

en ‘te handhaven terreinen van natuurwetenschappelijke waarde’ in het oog. In ruilverkaveling

Anloo ligt een groot deel daarvan reeds in het toen net ingestelde landschapsreservaat voor het

stroomdallandschap van de Drentse Aa.

Bij nadere bestudering blijkt dat elk element van het landschapsplan past in een duidelijke

ordening. Het zijn vrijwel altijd elementen op de randen van de vier soorten landschaps eenheden

die in hun onderlinge samenhang steeds weer voorkomen. Steeds in een iets andere

aanpassing aan de natuurlijke situatie en een iets andere occupatiegeschiedenis, maar de

ruimtelijke hoofdlijnen zijn telkens hetzelfde.

Dit leidt tot een duidelijke ruimtelijke hoofdstructuur. Deze is gekoppeld aan de belangrijkste

ecologische gradiënten van het landschap. In de visie van De Vroome kregen belangrijke

natuurlijke relaties, ondanks de grote veranderingen in het landschap, op die manier toch nog

kansen op voortbestaan.

Dorpen, essen, beekdalen en velden

Het verhaal dat De Vroome in het landschap wilde vertellen is globaal als volgt samen te

vatten. Mensen wonen in dorpen en vinden er geborgenheid en sociale contacten. De dorpen

bestaan uit kleinschalige met bomen ingeplante brinken en dreven, met daaraan huizen op

door hagen omgeven erven. Vroeger hadden de bomen op de brinken verschillende functies,

zoals de levering van bouwhout. Tegenwoordig is hun belangrijkste functie de woonomgeving

van mensen een ‘huiselijk’ karakter te geven. Onder de bomen groeit gras. Over het gras, onder

de bomen door kunnen mensen bij hun buren komen. Door de openbare ruimtes in de dorpen

lopen wegen met bomen erlangs naar het omliggende landschap. Bij het laatste huis dat nog bij

het dorp hoort stopt de eikenbeplanting.

De wegen leiden mensen vanuit hun besloten woonplaats naar de grote ruimte eromheen. Die

ruimte is verdeeld in verschillende landschapseenheden. Bij het dorp zien we de es, geheel

omrand door bossen. De beekdalen in de bovenlopen kenmerken zich door beek begeleidende

bosjes. In de middenlopen groeit een beplanting van houtwallen of singels langs de rand van

het dal en dwarswallen vanaf die rand in de richting van de beek. In de benedenlopen gaan de

beeklopen over in open beekdalvlaktes met bossen op de hogere gronden erlangs. De overblijvende

ruimte is ontginningsruimte -voormalige heidevelden – met losse bosjes of resten

woeste grond.

Toch één landschap

Mensen recreëren in dit landschap. Ze wandelen en fietsen door de bossen en langs de

houtwallen en singels van de beekdalen. De vier landschapseenheden zijn steeds herken baar

doordat de oude ruimtelijke karakteristiek van die eenheden gereconstrueerd, gestileerd, of

door verwijzing vorm heeft gekregen. De combinatie van bestaande en nieuwe landschapselementen

is typerend.

‘Als alles op alles gaat lijken, dat is lelijk’, is één van de gezegden van De Vroome. De manier

waarop de landschapseenheden worden aangepakt, wordt nooit een sjabloon. Ieder dorp,

ieder beekdal, iedere es en iedere ontginningsruimte heeft zijn eigen uitwerking in het concept

gekregen. Om in de vergelijking met een verhaal te blijven: het verhaal kent terugkerende

motieven maar herhaalt zich niet. De Vroome wilde een verhaal vertellen aan mensen die zich

door het landschap bewogen. Vandaar de aandacht voor wandelpaden en fietspaden.

Esdorpen in de eenentwintigste eeuw

Essentieel in de benadering van De Vroome was de relatie tussen mensen en het landschap. Hij

dacht na over het landschap tot aan de voordeur. Daarvoor zocht hij vernieuwende oplossingen,

maar gebruikte steeds het idioom van de oude esdorpen: bomen en gras. Via brinken en dreven

192 193

More magazines by this user
Similar magazines