De jongste Jaarvergadering.

webstore.iisg.nl

De jongste Jaarvergadering.

No. 545

Adres voor Redactie:

Flatgebouw Westzeedijk 128 b

Rotterdam (Telefoon 50538) H.

INHOUD: De Jongste Jaarvergadering. — Officiëele Mededeelingen.

— Bestuursvergaderingen. — Algemeene Vergadering

2 April. — R.J.V. •— Binnenland. — Journalistieke vraagstukken. —

Congres voor Dagbladwetenschap te Leuven. — Puzzlerubriek.

De jongste Jaarvergadering.

Voor ditmaal eens een stemmingstukje!

Men mag onze jongste Jaarvergadering een bewogen

bijeenkomst noemen. Met wat optimisme: aangenaam

bewogen.

Onze Amsterdamsche collega's van de A.P. hebben

van het voorrecht, dat aan hun stad de beurt van de

Jaarvergadering toekwam, ijverig geprofiteerd en enkelen

van hun voormannen met wei-geprepareerde toespraken

op de verschillende punten van de agenda afgestuurd,

om wat leven in de brouwerij te brengen!

Als men, met den voorzitterhamer gewapend, ofschoon

in de techniek van het leiden eener vergadering nog niet

ten volle ervaren, den plicht heeft aan beraadslagingen

als deze leiding te geven kan men oprechtelijk zeggen

dat men voor zijn plezier uit is!

De agenda — behalve dan het later ingevoegd voorstel

betreffende de F.I.J. — werd te voren onder vele collega's

onvoldoend belangrijk gevonden, maar zij vergaten

daarbij o.i. dat de jaarverslagen, die het heele jaar Kringleven

en vaderlandsche journalistiek beschouwen, vanzelf

tot breede discussies aanleiding kunnen geven en

daarbij de gelegenheid om over allerlei opvattingen en

indrukken zijn hart uit te storten. Het zou verkeerd

wezen als het bestuur de agenda van een Jaarvergadering

aanvulde met een zéér gewichtig punt van behandeling.

Tenzij vooraf was overeengekomen dat aan den

Zaterdagmiddag de Zaterdagavond werd verbonden en

de avond kon worden besteed aan een belangrijke aanvulling,

waarvoor het Bestuur thans ook bijna had

kunnen zorgen.

Doch vrijwel unaniem voelde men nu niets voor

een avondvergadering; uitdrukkelijk werd er van de

bestuurstafel op gewezen dat de quaestie van de F.I.J.

en de rondvraag een verlenging wenschelijk deden

schijnen, de communis opinio was: afwerken!

En er is heel wat afgewerkt.

Het hier volgend uitvoerig verslag, door collega De

Int. Instituut

Soc. Geschiedenis

Amsterdam

Redacteur:

DEKKING.

1 Mei 1938

Adres voor Administratie:

Vaillantlaan 523

Den Haag

Rot samengesteld, zal bewijzen dat we drie volle uren

welbesteed hebben en dat er o.m. volop gelegenheid was

tot critiek op het bestuur en zijn daden en tot het geven

van opdrachten.

We begonnen met de geldbelegging van het Weerstandsfonds,

de verzekeringen, de kosten van De Journalist

en de werkloozenverzekering.

Dan werd, buiten de agenda, de materieele toestand

van de journalisten besproken en het bestuur kreeg de

taak toebedeeld daarover een „doeltreffend" onderzoek

in te stellen en bij de Directeurenvereeniging c.q. stappen

tot verbetering te doen. Reeds in zijn vergadering van

23 April heeft het deze opdracht besproken.

Daarna volgde de verhouding van Hof en Pers en

het bestuur zal nu moeten overwegen om die verhouding

te verbeteren. Ook in dezen heeft het een richtlijn vastgesteld.

Over zijn ijver zal men niet kunnen klagen!

Toen, na de formeele beslissingen, de quaestie in de

F.I.J. die een allersympathiekste eensgezindheid onder

de collega's in het vraagstuk van de persvrijheid bondig

bewees.

We hebben over de beslissing op 2 April genomen...

een goede pers!

„Eenheid der Democratie" schreef b.v.b.:

„Onzerzijds een woord van warme hulde aan de

Nederlandsche journalisten, die niet van transigeeren

en schipperen willen weten, maar die de zedelijke normen

van hun beroep en dit beginsel van den democratic

schen staat, hoog willen houden.

Dit is inderdaad naar het hart van alle Nederlanders

onder ons."

Men zal elders in dit nummer kunnen lezen dat

Belgen, Engelschen en Franschen geheel als wij denken.

En tenslotte, bij de rondvraag, werd het bestuur

ernstig onderhouden over zijn uitspraak inzake de foto's

van Prinses Beatrix, bijna met een motie van afkeuring

erbij.

Men zal in het verslag een overzicht van de discussies

vinden en 't er over eens zijn, dunkt ons, óók dank de

stevige vlijt onzer Amsterdamsche collega's, dat er niet

van een onbelangrijke vergadering kan worden gesproken.

En zoo druk bezocht als zij was, hebben wij er niet

vee] meegemaakt.


58 DE JOURNALIST

Tijdens den genoegelijken maaltijd na afloop, waaraan

88 Kringleden deelnamen, was er van „strijdlust" geen

sprake meer, de collega's waren als goede vrienden

bijeen.

Er is dus alle reden om over deze vergadering tevreden

te zijn. Zij bewees een levendige deelneming in Kringzaken

en in het vaderlandsche journalistieke leven. Het

bestuur heeft „critiek" op zijn daden honderdmaal liever

dan een zwijgende welwillendheid en een applaus je,

dat onverschilligheid camoufleert! Zelfs al is de toon

wel eens wat onwelwillend, waarbij dan wordt vergeten

dat de leden van het bestuur met volle toewijding

en ernst zoo eerlijk mogelijk dikwerf niet zoo eenvoudige

beslisingen moesten nemen.

Dankbaar mogen we zijn voor veler medewerking uit

de leden. De drie commissies: die voor de Statutenwijziging,

het Verschooningsrecht en de Persbureaux hebben

lofwaardigen arbeid verricht in den loop van 1937.

De wensch blijft aldoor levendig dat de jeugd in onzen

ledenkring, die in de commissies, in De Journalist, en óók

op onze algemeene vergadering, zoo hartelijk belangstelling

en bekwaamheid van oordeel en arbeidslust toonde,

de haar toekomende plaats in het bestuur zal verkrijgen.

Plaatselijke en Gewestelijke vereenigingen en leden

moeten naar de vervulling van dezen wensch streven,

het kan niet vaak genoeg worden herhaald! Het geldt

hier de toekomst van den Kring.

We behooren zelf tot de „oude heeren" in de leiding,

en we gevoelen oprecht, dat we onzen tijd hebben gehad;

met gretige ooren luisteren we naar „de jeugd die

aan de deur klopt!"

De ouderen schuiven haar dus op de deur toe!

De Arbeidsovereenkomst.

Op onze jongste algemeene vergadering is aan het

bestuur opgedragen onverwijld een doeltreffend onderzoek

in te stellen naar de toepassing der salarisregeling

en het volontairschap. Het bestuur heeft die opdracht

aanvaard.

De bestuursvergadering van 23 April heeft ampel

overwogen op welke wijze een overzicht kan worden

verkregen over bedoelde omstandigheden.

Een enquête, waarbij aan alle leden vragen worden

gesteld, achtte men algemeen daartoe niet het juiste

middel. Immers, de ondervindingen met vroeger gehouden

enquêtes zijn zeer teleurstellend geweest en bovendien

liggen er nog de resultaten van de rondvraag, vóór

enkele jaren in den Kring gehouden.

Bepaaldelijk geformuleerde klachten hebben het bestuur

niet bereikt.

Daarom is ondergeteekende opgedragen tot alle leden

het verzoek te richten hem, onder belofte van

de striktste vertrouwelijkheid zijnerzijds,

te willen inlichten over afwijkingen bij de toepassing

der arbeidsovereenkomst tusschen Directeuren en

Kring: loonschaal en volontairschap betreffende. Wenschen

omtrent bemiddeling bij de eigen directie of bij

de directeurenvereeniging „De Nederlandsche Dagbladpers"

gelieve men daarbij tevens te vermelden.

Tot plaatselijke en gewestelijke vereenigingen richt

ondergeteekende hetzelfde verzoek.

Op deze wijze meent het bestuur een overzicht te

verkrijgen van de feiten, waarop de klachten in de

jongste algemeene vergadering berustten en aldus, wel

voorbereid, de noodig geachte stappen te kunnen doen.

Mogen zéér vele leden aan deze opwekking gevolg

geven.

DEKKING.

De bestaande salaris-regeling luidt als volgt:

1. Bij iedere courant moet tenminste aan een zeker

getal journalisten een zekere minimum-jaarwedde worden

betaald, aan tenminste een zeker getal een lagere

minimum-jaarwedde, en aan nog een zeker getal een

nog lager minimum. Hiervoor wordt een klasse-indeeling

gemaakt. De indeeling geschiedt door den directeur.

Zelfstandige bureaux in andere plaatsen dan die, waarin

het blad gevestigd is, kunnen als afzonderlijke redacties

worden beschouwd.

2. De hoofdredacteuren vallen buiten de getalsverhouding

en genieten een salaris, dat ten minste 20 %

hooger is dan dat van klasse A der betrokken gemeenteklasse.

Aan bladen, waar geen hoofdredacteur is aangesteld,

geniet de journalist, die belast is met de

regeling en indeeling van den redactioneelen inhoud

van het blad, een salaris dat tenminste /'500 hooger is

dan dat van klasse A. Hij telt wel mee in de getalsverhouding.

3. Buitenlandsche correspondenten vallen buiten

deze regeling.

4. De getalsverhouding in punt 1 bedoeld is als

volgt:

Aantal

Journalisten

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

enzoovoort.

jaarwedde

Klasse A

0

0

1

1

1

2

2

3

3

3

4

4

4

5

5

5

6

6

Jaarwedde

klasse B

1

1

1

2

2

2

3

3

3

4

4

4

5

5

5

6

6

6

Jaarwedde

Klasse C

5. Van de getalsverhouding mag alleen in een voor

de journalisten gunstigen zin worden afgeweken. Is

bij de invoering de verhouding bij een blad gunstiger,

dan moet die, ten aanzien van de dan in functie zijnde

personen, worden gehandhaafd.

6. Behalve de drie bovenbedoelde klasse is er een

vierde klasse van leerlingen of volontairs. Zij vallen

buiten de getalsverhouding. Aan een blad met 5 of

minder journalisten mag (de rubrieken Financiën, Handel

en Scheepvaart niet medegerekend) niet meer dan

1 volontair verbonden zijn, aan de overige bladen niet

meer dan 2. Leerlingen en volontairs mogen alleen

zijn zij, die nog geen 3 jaar in de journalistiek werkzaam

zijn. Deze periode mag echter eventueel verlengd

worden, totdat de betrokkene den leeftijd van 20 jaar

heeft bereikt.

7. Voor de bepaling der minimum-salarissen worden

de gemeenten waar dagbladen verschijnen in klassen

verdeeld, en wel als volgt:

Klasse Ia: Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam,

Heerlen.

Klasse lb: Arnhem, Groningen, Haarlem, Leeuwarden,

Utrecht.

0

1

1

1

2

2

2

2

3

3

3

4

4

4

5

5

5

6


Journalisten

Klasse A

Klasse B

Klasse C

Leerlingen

Klasse II: Amersfoort, Apeldoorn, Delft, Deventer,

Dordrecht, Goes, Gouda, 's-Hertogenbosch,

Leiden, Maastricht, Middelburg,

Nijmegen, Schiedam, Zutphen, Zwolle.

Klasse III: Alkmaar, Assen, Bergen op Zoom, Breda,

Eindhoven, Enschedé, Den Helder, Roosendaal,

Sneek, Tilburg, Vlissingen.

8. De salaris-schaal luidt als volgt:

Jaren

van

opkimming

5

4

3

3

Gemeenteklasse

IA

3480 4800

2880-3840

2280-2880

960-1800

Gemeenteklasse

IA

3600-4440

2700-3600

2160-2700

905-1680

DE J OURNALIST 59

Gemeenteklasse

II

3660-4080

2520-3360

2040-2520

840-1560

Gemeente­

klasse III

3000-3720

2160-3000

1680-2160

720-1200

9. De opklimming in salaris geschiedt zóó, dat elk

jaar een evenredige verhooging wordt uitgekeerd.

Wanneer echter de verhooging der salarissen krachtens

punt 8 op 1 Januari 1921 meer zou bedragen dan

25 %, kan dat meerdere worden toegekend op

1 Januari 1922.

10. Indien aan een blad salarissen hooger zijn dan

in de schaal aangegeven, blijven zij gehandhaafd.

Ofl&ciëele Mededeelingen.

LEDENLIJST.

Aangenomen als gewoon lid:

J. W. Stremming, Opr. Haarl. Ct., Nw. Groenmarkt

24a, Haarlem.

C. W. van den Berg, Opr. Haarl. Ct., Engelszstr. 21.

Haarlem.

J. A. Steen, Opr. Haarl. Ct. en Tel, Zeestraat 52,

Zandvoort.

Mej. W. R. Hora Adema, Alg. H.blad, de Lairessestraat

3, Amsterdam.

A. Wiesehaan Jr., Dagbl. v. R'dam, Avenue Concordia

42b, Rotterdam.

Voorgedragen als gewoon lid:

Mej. S. Hoekstra, Leeuw. Ct., Harlingerstraatweg 73c,

Leeuwarden.

J. Breedvelt, N. Rott. Ct., Rochussenstr. 253a, Rotterdam

C.

S. Vestdijk, N. Rott. Ct., Leuvensche straat 12,

Scheveningen.

Bedankt als gewoon lid:

W. Belonje te Bussum.

I. Aletrino, Kr. Mijdrechtstraat, Amsterdam.

Adresverandering t

J. Schraver naar Flatgebouw Kralingsche Plaslaan

184, Rotterdam O.

J. J. Liber naar Stadhoudersweg 96b, Rotterdam C.

J. T. Brinkerhof naar Stroomarkt 9b, Deventer.

E. van Eeden naar Frankenstr. 96, Den Haag.

H. Veersema naar Boolweg 20, Medan (Ned. Indië).

A. J. G. Strengholt naar Leidschegracht 11, Amsterdam

C.

J. G. A. van Zijst naar Villa „La Chênaie", Route de

St. Jeannet, Vence (prés Nice).

O. J. Burgemeister naar Ten Katestraat 7 II, Amsterdam

W.

A. E. M. Kortebein naar Weertjesstr. 126, Arnhem.

H. de Jongh naar Singelweg 12, Vlissingen (15 Mei).

H. Clewits naar Kloosterstr. 16, Assen.

A. H. E. C. Balink naar Citadellaan 53, den Bosch

(p.a. A. Weehuizen).

Elsa Kaiser naar Scheldeplein 9, den Haag.

^ Mej. L. C. A. van Eeghen naar 9 Avenue Soret,

Genève.

Ch. Boon naar Lange Vijverberg 4, Den Haag.

Drs. E. Reeser naar Esschenlaan 86, Rotterdam.

Dr. E. Diemer naar Thorbeckelaan 61, Den Haag.

C. de Rot naar van Boetzelaerlaan 312, Den Haag.

G. Nypels naar Achter de Molens 12, Maastricht.

Geroyeerd.

Het bestuur besloot de volgende leden wegens wanbetaling

te royeeren;

J. Moerman Jzn.,

K. S. J. Vos,

S. S. D, Wehrens,

A, P, van Leeuwen,

G. Kramer.

ADRESSEN.

Onze leden gelieven correspondentie betreffende

arbeidsbemiddeling en redactioneele bijdragen voor „De

Journalist" te richten tot collega HENRI DEKKING,

Flatgebouw Westzeedijk 128b, Rotterdam (tel. 50538);

correspondentie voor het Kringbestuur, benevens

adreswijzigingen, verandering van hoofdfunctie, aanmelding

voor het lidmaatschap en de aanvragen van

kaart van de F.I.J. naar collega G. POLAK DANIELS,

Schiefbaanstraat 15, den Haag (telef. 117029);

correspondentie betreffende contributiebetaling en

pensioenverzekering naar collega J. SCHRAVER, Flatgebouw

Kralingsche Piaslaan 184 (telef. 14844), qiro

254336.

Korting op spoorwegbiljetten in het buitenland.

Naar ons uit een bezwaarschrift van een onzer leden

blijkt, was men teleurgesteld, als men aan een grenskantoor

in het buitenland zijn internationale kaart toonde

en daarop niet aanstonds reductie op spoorwegbiljetten

zich zag toegestaan.

Het is daarom, óók voor andere gegadigden, goed hier

mede te deelen dat men er met het toonen van een perskaart

aan een loket niet komt.

Men moet zich wenden tot het secretariaat van de

landelijke organisatie van journalisten, zooals buitenlanders,

die naar Nederland willen, dat moeten doen tot

den Ned. Journalisten Kring, waarna de betreffende

legitimatie aan de secretarissen van de journalistenorganisatie

wordt toegezonden.

Voor België, waarover de klacht ging, is het adres:

Service touristique, Rue du Marquis 4, Bruxelles.

Doch men zal daar verwijzen naar het secretariaat

van den Kring.

Wie naar het buitenland wil om beroepsplichten en

profiteeren van korting op spoorwegbiljetten wende zich

vooraf tijdig tot ons secretariaat.

Zweedsch vakorgaan.

Mag ik nogmaals tot collega's, die Zweedsch verstaan,

het vriendelijk verzoek richten voor mij het Svenska

Journalist[óreningens Fackorgan te willen doorlezen en,

als er iets belangrijks voor ons blad instaat, mij daarvan

een vertaling te zenden?

Ik stuur dan regelmatig het Zweedsche blad „Journalisten"

toe. Dank bij voorbaat!

Onderscheiding.

De heer A. W. Sijthoff, directeur-hoofdredacteur van

de Haagsche Courant is benoemd tot ridder in het

Legioen van Eer.


60 DE I OURNALIST

BESTUURSVERGADERINGEN

Het Bestuur vergaderde op Zaterdag 2 April jl. te

Amsterdam. Afwezig de heer Cnossen.

Candidatuur. — Eenige nieuwe leden worden toegelaten

(zie elders in dit nummer).

Kring en F.I.J. — Mededeeling wordt gedaan van

ingekomen brieven van onzen gedelegeerde bij de F.I.J.

mr. Voorbeijtel te Parijs en van ons eerelid collega Elout

naar aanleiding van het bestuursvoorstel inzake schrapping

van de persvrijheid uit de statuten der F.I.J. Na

hernieuwde overweging van het voor en tegen wordt

met algemeene stemmen besloten het bestuursvoorstel

ongewijzigd te handhaven.

Kinderen in rechtbankverslagen. — Ingekomen is een

verzoek van het Hoofdbestuur van het Nederl. Onderwijzersgenootschap

naar aanleiding van publicatie van

een strafzaak tegen een onderwijzer, waarbij een klasse

kinderen als getuigen tegen hun onderwijzer optraden.

Het Bestuur was van meening, dat hier voor de gevraagde

bemiddeling van den N.J.K. geen aanleiding

bestaat, daar het oproepen van getuigen een zaak van

de justitie is, terwijl de wijze, waarop van dergelijke

zaken verslag wordt gemaakt, ter beoordeeling van de

redacties staat. Besloten wordt ter kennis van onze leden

te brengen, dat het naar de meening van het Hoofdbestuur

van het N.O.G. „niet in het belang van de tucht

onder onze vaderlandsche jeugd kan zijn, dat dergelijke

rechtszaalopvoeringen ten voeten uit door de Nederlandsche

pers gaan".

Persvereeniging te Amersfoort. — Ingekomen was een

mededeeling van een niet-Kringlid te Amersfoort over

de oprichting aldaar van een plaatselijke persvereeniging

en over eventueele samenwerking tusschen deze vereeniging

en onzen Kring. Besloten wordt te antwoorden,

dat de Kring slechts samenwerkt met plaatselijke vereenigingen,

die als gewone leden uitsluitend Kringleden

toelaten, zooals dit in ons reglement geregeld is.

Het Bestuur vergaderde vervolgens op Zaterdag 23

April in Den Haag.

Afwezig met kennisgeving de bestuursleden Cohen

en van Overbeek; van de gedelegeerden jhr. Witsen

Elias met- en Hoyer zonder kennisgeving.

De Voorzitter heet het nieuwe bestuurslid den heer

Wildenberg welkom.

Notulen. — De notulen van de vorige Bestuursvergadering

worden goedgekeurd.

Ledenlijst. — Een nieuw lid wordt toegelaten, enkele

leden worden wegens wanbetaling geroyeerd (zie elders

in dit nummer).

Tentoonstelling te New York. — Medegedeeld wordt,

dat wegens gebrek aan belangstelling is afgezien van

het plan om de Pers een plaats te geven in het Nederlandsche

paviljoen op de wereldtentoonstelling te New

York in 1939.

Persgeheim in België. — De Voorzitter deelt mee een

uitnoodiging te hebben ontvangen voor het congres, door

den Algemeenen Belgischen Persbond tegen 4, 5 en

6 Juni te Diekirch (Luxemburg) belegd, waar het persgeheim

van den journalist door Belgische en Luxemburgsche

journalisten behandeld zal worden. De Kring

zal op dit congres vertegenwoordigd zijn.

Salarisregeling. — Een breedvoerige beraadslaging

is gehouden naar aanleiding van de discussie in de jongste

algemeene vergadering over de toepassing van de

salarisregeling.

Nadat de quaestie van alle zijden belicht was, werd

besloten in De Journalist aan de leden te vragen het

Kringbestuur te willen opgeven of aan hun blad (persbureau)

de overeenkomst al dan niet wordt nageleefd.

De inkomende gegevens zullen als vertrouwelijk behandeld

worden. Eerst nadat deze gegevens overwogen

zullen zijn, zal het Bestuur beslissen of er termen bestaan

om met het Bestuur van de Directeurenvereeniging in

overleg te treden.

Pensioenregeling. — Besproken wordt of een voordeeliger

regeling dan de bestaande mogelijk is. De Penningmeester

deelt mee, dat bij de Nationale hiervan geen

sprake kan zijn. Er wordt op gewezen, dat de tarieven

over 't algemeen als gevolg van den lagen rentevoet

omhoog gaan. Daartegenover staat, dat onze overeenkomst

met de Nationale verhooging der tarieven voor

de leden, die reeds stortingen hebben gedaan, uitsluit,

mits de Kring de overkomst met de Nationale niet opzegt

en niet met een andere maatschappij een verzekering

van zijn leden afsluit.

Besloten wordt, dat er na het gepleegde overleg met

de Nationale geen reden voor andere stappen bestaat.

Statutenherziening. — Het rapport van de reorganisatiecommissie

is bij het Bestuur ingekomen. In de volgende

Bestuursvergadering komt het aan de orde.

Persbureau. — Het rapport van de commissie voor

de persbureaux wordt tot een volgende Bestuursvergadering

aangehouden.

Hof en Pers. — Van verschillende zijden was aangedrongen

op een nauwer contact tusschen Hof en Pers.

Zoowel bij de blijde gebeurtenis op Soestdijk als bij de

jongste reis van Prins Bernhard heeft dit contact te

wenschen overgelaten. Aan het Dagelijksch Bestuur

wordt opgedragen een poging te doen om in dit contact

verbetering te brengen.

De volgende Bestuursvergadering wordt bepaald op

Zaterdagmiddag 11 Juni, zoo noodig 's avonds voort

te zetten.

Algemeene Vergadering

2 APRIL 1938 in

Krasnapolsky te Amsterdam.

De algemeene vergadering, op Zaterdag 2 April in Krasnapolsky

te Amsterdam was buitengewoon druk bezocht: de presentielijst

bevat niet minder dan 113 handteekeningen van gewone en buitenqewone

leden. Direct en indirect leesbaar zijn de volgende handteekeningen:

Dekking, G. Polak Daniels, Schraver, Adema, Schotting, Cohen,

Hoyer, Van Overbeek, Voskuil, Van Vooren, Holsboer, Van Bunge,

Cnossen, Biemond, De Rot, Leeninga, Van der Veen, Rebel, B. Hansen,

J. Werkman, Klomp, Alkema, Dell, Wansink, Wildenberg, Stavenga,

De Groot, Wittebocn, Lamers, Donker, Rempt, Rogge,

Mej. van der Heide, De Vries, Kouwenaar, Van Looi, Nunes Vaz,

E. Werkman, De Voogt, Elias, Minkenhof, Van Dam, Leerink,

Van Heuven Goedhart, Reckman, Assmann, C. Meyer, Kroes,

Hovius, Van der Schaaf, Holdert, Mevr. Holdert-Suikerberg, Van

Bolhuis, Westerbaan, Ricardo, Mechanicus, Mej. E. Belinfante,

Hoek, Mej. H. van Meekren, Welf, Raken, Lammers, Zylstra,

De Ridder, Mej. Menke, Burger, De Wit, Lunshof, Dinger,

Rooy, Nitzowitsch, Ankersmit, Santcroos, Kraus, De Jonge, Belinfante

jr., Mevr. Van Bylert-Van Rysbergen, De Gooyer, Nieuwenhuis,

Van Wijk, Kiek, De Zeeuw, Lissauer, Rodrigues, Van Broekhuyzen,

Zeylstra, Stork, Wienbelt, Posch, Van de Weg, Scheps,

Staal, Pam, Sluyser, Van Staveren, Versluys, Leenders, Primo,

Beeremans, Nauta, Mevr. Van Oven, Buurman, Van Manen, Brusse.

Van Vriesland, Kuyper, Lievegoed, Lambocy.

Opening.

De Voorzitter, de heer Henri Dekking, opende te

kwart voor vier de vergadering met de volgende rede:

Als ik me tot u richt met een „Openingswoord", dat uiteraard

niet breed van opzet behoeft te zijn, zou ik allereerst uw aandacht

willen vragen voor het Kringleven zelf.

Ik weet dat zoo aanstonds het Jaarverslag van den Secretaris

aan uw beoordeeling wordt onderworpen en dat daarin vrijwel het

geheele Kringjaar de revue passeert.


Doch wel mag ik er hier in het algemeen op wijzen dat 1937

voor den N.J.K. in vele opzichten een belangrijk jaar is geweest.

Voor den Kring en voor de Journalistiek.

Ik mag u, anticipeerend op collega Polak's verslag, herinneren

aan het noenmaal met den Prins; aan onze poging om weer een

goed functionneerend Bemiddelingsbureau te stichten, waarvan de

resultaten nog niet zóó zijn als we hadden verwacht, maar dat we,

met medewerking van de Ned. Dagbladpers tot een instituut van

waarde voor onze leden hopen te maken; het totstandkomen van

een overeenkomst met de Nederl. Spoorwegen waarbij aan buitenlandsche

collega's 50% korting wordt verleend op reisbiljetten

voor ons land.

En dan, dat een drietal opdrachten, door het bestuur aan commissies

uit de leden toevertrouwd, geheel of bijna geheel zijn uit'

gevoerd. Ik noem u allereerst de zaak van het verschooningsrecht.

Ik wil ook van deze plaats een woord van oprechte hulde en

waardeering spreken, gelijk ik het deed in de Journalist en in de

installatievergadering van de betreffende commissie, aan collega

Hansen, gegijzeld van 7 tot 29 December, voor de dappere en ons

allen tot een voorbeeld strekkende wijze waarop hij onzen „zwijgplicht"

hoog hield.

De gijzeling van collega Hansen heeft het Bestuur van den

Kring aanleiding gegeven een commissie in te stellen onder voorzitterschap

van jhr. mr. G. W. van Vierssen Trip, aan welke

commissie is verzocht te rapporteeren over de vraag „of het wenschelijk

is, dat een wettelijk geregeld verschooningsrecht voor den

journalist tot stand komt, en, zoo ja, hoe een dergelijk wettelijke

bepaling zou moeten luiden. Als Kringvoorzitter heb ik deze commissie

op 8 Januari ƒ.1. geïnstalleerd. De commissie is toen terstond

met haar werkzaamheden begonnen. Zooals u bekend is, heeft zij

alle kringleden daarin min of meer betrokken, door het houden

van een enquête. Daar zij het wenschelijk oordeelde, zooveel mogelijk

alle journalisten in Nederland te bereiken, is de bemiddeling

van het Bestuur van de R.K. Journalistenvereeniging ingeroepen

voor de verspreiding van de enquêteformulieren, ook onder de leden

van deze organisatie. De commissie heeft van deze zijde de meest

welwillende medewerking ondervonden. Gaarne breng ik het Bestuur

van deze plaats dank voor zijn collegialen steun. Doordat de

commissie haar feitelijk onderzoek op zoo ruim mogelijk terrein kan

uitstrekken kan haar rapport slechts aan waarde winnen.

Nog van andere zijde werd welwillende medewerking ondervonden

voor dit onderzoek. De commissie had n.1. tezelfdertijd besloten

een enquête in te stellen onder de rechters, die het rechtercommissariaat

in strafzaken waarnemen of die deze functie kort

geleden vervulden. Ik heb vernomen, dat de rechter-commissarissen

zich niet onbetuigd gelaten hebben en in ruime mate van hun

opinie aan de commissie hebben doen blijken. Ik acht het in hooge

mate verheugend, dat de „andere partij" — als ik het zoo eens

zeggen mag —, die met het verschooningsrecht van den journalist

in aanraking kan komen, onze commissie bij haar onderzoek zoozeer

ter wille is geweest.

Over het verschooningsrecht van den journalist zouden uitvoerige

beschouwingen zijn te leveren. Na de meeningsuitingen van verscheidene

collega's in De Journalist zal ik dit echter thans ..niet

doen, alsmede omdat ik op het rapport van de commissie > niet

wensch vooruit te loopen. Naar ik verneem, is zij thans bezig met

de formuleering van haar zienswijze, zoodat het Bestuur de verwachting

mag uitspreken haar rapport binnen niet al te langen

tijd te ontvangen.

Ik mag van dit onderwerp niet afstappen zonder met waardeering

gewag te hebben gemaakt van het pleidooi, dat collega Wiardi

Beekman als senator heeft geleverd voor een verschooningsrecht

van den journalist, bij de behandeling van de begrooting van

justitie. Minister Goseling heeft in antwoord daarop medegedeeld

een afwachtende houding aan te nemen. Mede in verband hiermede

mogen we het rapport van de commissie met belangstelling tegemoet

zien.

In de tweede plaats de commissie voor de herziening van de

Statuten en het Huishoudelijk Reglement. Ik kan mededeelen dat

zij haar arbeid heeft voltooid, haar rapport doqr collega Berding

werd opgesteld en één dezer dagen het bestuur zal bereiken. Wellicht

kunnen we nog dit jaar deze aangelegenheid behandelen.

En in de derde plaats de commissie die de opdracht had na te

gaan de positie van de persbureaux ten opzichte van de Nederlandsche

pers en te onderzoeken hoeverre de invloed van de persbureaux

op de Nederlandsche pers is na te gaan, welke die invloed

zij en in hoeverre deze, zoo noodig, correctie behoeft. De commissie

is op 28 November 1936 ingesteld en haar rapporteur,

collega J. D. Rempt, heeft een lijvig en belangwekkend stuk aan

het bestuur toegezonden.

Ik moge deze mededeelingen hier doen, óók om te zien dat er

veelzijdig en naar ik vertrouw goed werk, ook buiten het bestuur,

in den Kring is verricht.

Maar dan, collega's, van hoe betrekkelijk belang zijn al deze

dingen voor ons in den somberen tijd waarin wij leven en waarin

ook voor de journalistiek donkere buien aan alle kanten opzetten.

Ik bedoel nu alleen geestelijke waarden, want, al is er wellicht

geen gulle aanleiding tot juichen over onze materieele omstandigheden,

ernstige en aanwijsbare bezwaren kwamen niet ter kennisse,

van het Kringbestuur, oneindig veel ernstiger is de stijging der

levenslasten uit idiëel oogpunt in de internationale journalistiek.

In ons land is — de secretaris herinnert er in zijn jaarverslag

D E J OURNALIST 61

aan — art. 7 van de Grondwet niet beschadigd, zeker óók door

de bezwaren die den Kring tegen de Regeeringsvoornemens inbracht.

Maar de lagen, in een aantal landen gelegd aan de Persvrijheid,

dat hoogste, heiligste goed van den journalist, de vernietiging

ervan in een aantal landen stemt tot droefenis.

Ik heb in De Journalist een aantal bijzonderheden omtrent de

aantasting der Persvrijheid medegedeeld, óók, helaas, klachten over

zulk een aantasting ervan aan deze zijde: klachten van buitenlandsche

correspondenten over de ontvangst hunner brieven bij

hun eigen bladen.

Mij is gisteren uit Berlijn een knipsel toegezonden uit een

Duitsch blad „Pressefreiheit und Geschaftsinteresse" staat er boven

en ik lees daarin — de bron is misschien niet heel en al onverdacht,

maar het hier vermelde stemt overeen met wat mijzelf door

een absoluut betrouwbaar buitenlandsch collega te Berlijn werd

medegedeeld — ik lees daarin: dat in een zooeven verschenen

uitgave van het weekblad Liberty president Roosevelt de persoonlijke

aanvallen van de correspondenten te Washington der Amerikaansche

bladen op de New Deal politiek heeft nagegaan

en woordelijk schrijft: „Ik weet dat een aantal dagbladcorrespondenten,

die onvriendelijke artikelen vervaardigen, persoonlijk geen

tegenstanders der dingen zijn, waarover zij zoo afkeurend schrijven.

Deze anomalie kan goeddeels verklaard worden uit het feit, dat

vele vijandelijk jegens mij gestemde dagbladuitgevers van hun

Washingtonsche correspondenten een critischen of onvriendelijken

stijl van hun berichtgeving eischen."

Men begrijpt de Schadenfreude, waarmee het Duitsche blad dit

bewijs van de „Richtigkeit der von der Nationalsozialistischen

Staatsführung im Kampf gegen Presselügen" publiceert.

Ik maak er alleen melding van om er u op te wijzen hoe noodig

het is dat wij er naar streven, zooveel wij kunnen, alles te .vermijden

wat de openbare meening tegen óns gebruik van de persvrijheid

kan opzetten, door sensatie, onnauwkeurigheid, zelfs den

schijn van bijoogmerken. Persvrijheid is een groot maar een gevaarlijk

goed!

We zullen zoo straks het geval van de F.I.J. behandelen en

de persvrijheid komt daarbij ongetwijfeld in onzen Kring ook ditmaal

in behandeling. „Van de achttien staten bij de F.I.J. aangesloten

hebben er slechts zeven een volledige persvrijheid", schrijv.en

de rapporteurs.Onder de niet volledige vrije was óók Oostenrijk,

dat nu is „gelijk geschakeld". Die gelijkschakeling, collega's, heeft

meegebracht dat in één nacht vele tientallen journalisten, onder wie

allervoortreffelijkste collega's, mannen van hooge en voorname

geestelijke standing uit hun krant, uit hun werk zijn geworpen.

Aan deze journalisten, die hun roeping met eere hebben vervuld,

tot een nieuw regiem hun bestaan vernietigde, velen hunner wellicht

nog met de vrees in gevangenis of concentratiekamp te worden

opgesloten, breng ik hier — en ik ben zeker naar het hart van alle

Nederlandsche collega's — eerbiedig en ontroerd een kameraadschappelijk-huldigenden

groet.

Op deze rede volgde levendig applaus.

De Voorzitter heette het eerelid, den heer M. J. Brusse,

en de heeren Lievegoed en Lambooy, chef en adjunct-chef

van den regeeringspersdienst, hartelijk welkom. Verder deelde spr.

mede dat een telegram was ontvangen van het eere-lid, den oudvoorzitter

D. Hans, van den volgenden inhoud: „Tot spijt verhinderd

te komen, zend ik onder blijvende herinnering aan zoo vele goede

jaren aan de vergadering een hartelijken groet."

De vergadering gaf door applaus haar waardeering te kennen.

De Secretaris voegde aan de mededeeling van den voorzitter

toe, dat bericht van verhindering was binnengekomen van de leden

Derjeu, Witsen Elias, N. D. Kuiper en Strengholt.

Notulen.

De notulen van de algemeene vergadering van 23 October 1937

werden onveranderd goedgekeurd.

Jaarverslagen van den Penningmeester over 1937.

De heer Kouwenaar (A.P.) vroeg aandacht voor de nieuwe

richting, welke werd ingeslagen voor de belegging van een deel

der gelden van de weerstandskas, n.1. in den vorm van een

hypotheek. De A.P. heeft daartegen geen bezwaar, doch meent

dat het aanbeveling verdient de middelen van den Kring, speciaal

de gelden van de weerstandskas, zoo liquide mogelijk te beleggen.

Waar het aantal deelnemers in de pensioenverzekering is teruggeloopen,

zou de kwestie van de verzekering eens bezien kunnen

worden en nagegaan, of zij nog wel op de hoogte van dezen tijd

is. Spr. wees op de collectieve verzekeringen welke De Arbeiderspers

en De Standaard sloten buiten de Kringregeling om, en die,

naar wordt beweerd, voordeeliger zijn. Mogelijk kan men de pensioenverzekering

eens op de helling zetten en een overeenkomst

bereiken, waardoor de animo wat grooter wordt. Kan een commissie

deze zaak niet eens bekijken?

De druk- en verzendkosten van De Journalist bedragen ƒ 150.—

per nummer. Dat is een vrij hoog bedrag. Is het niet mogelijk een

concurreerende aanbieding te krijgen? Men zou eerst eens kunnen

praten met collega Westerbaan om na te gaan, of die de kosten

zou kunnen verlagen.

Spr. vroeg vervolgens hoeveel journalisten werden geholpen met

de uitgekeerde ƒ480.— aan werkloozensteun en wilde het euvel

der achterstallige contributies bestrijden door de bemiddeling van

plaatselijke en gewestelijke vereenigingsbesturen in te roepen.


62 D E JOURNALIST

De Penningmeester, de heer Schraver, antwoordde dat

het Bestuur niet zonder ampel beraad is overgegaan tot het sluiten

van een hypotheek. Men is ertoe overgegaan uit vrees dat de weerstandskas

te veel op haar effectenbezit zou verliezen indien de

rentevoet mocht gaan stijgen.

Slechts een klein deel werd belegd in een hypotheek.

Het is jammer dat niet meer van de pensioenverzekering wordt

gebruik gemaakt, doch spr. gelooft niet dat onder de huidige omstandigheden

een goedkooper regeling te treffen zou zijn; eerder

duurder. De tijd wordt rijp voor meer deelneming, wanneer het in

ons vak wat beter gaat. Dat de collectieve verzekeringen van

Arbeiderspers en Standaard goedkooper zijn kan spr. niet zonder

meer aannemen. Het Bestuur zal nagaan, of het aanbeveling verdient

voor dit doei een commissie te benoemen.

Van de ƒ 480 zijn twee collega's gesteund, die elk ƒ 240 ontvingen

of 60 dagen a ƒ 4.—.

Wat de achterstallige contributies betreft, dit is een euvel dat

zich elk jaar voordoet. Vele leden betalen niet op tijd en het zijn

meestal dezelfde leden, die pas na vele verzoeken tot betaling overgaan.

In drie gevallen moest royement worden toegepast. Enkele

dagbladdirecties vergemakkelijken het werk door de administraties

de contributies voor de Kring te doen inzamelen. Dat noemde spr.

een ideale oplossing, welke veel meer moest worden toegepast!

Hulp van de plaatselijke vereenigingen wordt al min of meer

geboden doordat vertegenwoordigers van die vereenigingen en leden

daarvan de taak van deurwaarder op zich nemen. Spr. gelooft niet

dat de penningmeesters van deze vereenigingen in dit opzicht méér

kunnen doen.

De Voorzitter voegde daaraan toe dat omtrent de kosten

van De Journalist overleg gepleegd zal worden.

De heer Kouwenaar wees erop, dat eenheden zich afscheiden

en gezamenlijk bij andere maatschappijen een verzekering sluiten.

Dat moet zooveel mogelijk worden voorkomen, want de pensioenverzekering

is één van de attracties van het lidmaatschap van

den Kring. Er zijn meer solide maatschappijen. Misschien zou het

aanbeveling verdienen eens na te gaan, waar men de beste en

goedkoopste verzekering kan sluiten.

De heer Klomp waarschuwde dat de drang naar het drukken

van de kosten van De Journalist er niet toe mag leiden dat de

Kring de verzorging opdraagt aan een drukkertje, dat werkt met

ongeorganiseerd personeel. Spr. vindt den post niet te hoog.

De Voorzitter stelde den heer Klomp gerust: aan een „ongeorganiseerd

drukkertje'' zou het bestuur geen oogenblik denken.

De heer Beeremans, sprekend namens de commissie voor

het nazien der rekening en verantwoording, zei dat deze eenige uren

steekproeven had genomen en berekeningen gemaakt; zij kan evenwel

geen aanmerking maken. Zij overtuigde zich er ook van, dat

het geld, dat er behoorde te zijn, inderdaad in de safe aanwezig is.

Wat het steunfonds betreft, sprak de commissie den wensch uit,

dat ook anderen dan de leden bereid zouden worden gevonden iets

te storten in de kas: misschien de directeuren?

Spr. stelde tenslotte voor den Penningmeester décharge te verleenen.

De Voorzitter nam dit voorstel gaarne over en dankte den

Penningmeester voor de voortreffelijke wijze, waarop deze het

beheer over de gelden heeft gevoerd, (applaus).

Weerstandskas en Steunfonds.

Besloten werd over 1938 20% uit de Kringkas te storten in de

Weerstandskas en ƒ100.— in het Steunfonds. De Voorzitter

vroeg aandacht voor het laatste en wees erop dat de R.J.V. daarin

wederom ƒ 25.— stortte. Ter navolging!

Controle-commissie.

Als leden van de commissie voor het nazien der rekening en

verantwoording over 1938 werden op voorstel van den voorzitter

benoemd de heeren Rogge (Amsterdam), Zuurbier (Rotterdam)

en Wildenberg (Den Haag).

Salarisovereenkomst.

De heer Werkman (A.P.) bepleitte het instellen van een onderzoek

naar dé salarieering van de journalisten. De saiarisovereenkomst

wordt niet meer nageleefd, althans niet voor de jongere

journalisten. Het aanbod van deze journalisten op de arbeidsmarkt

is zeer groot, bij aanstelling wordt meer gelet op de goedkoopte

dan op bekwaamheid.

Door het feit, dat deze jonge krachten zeer slecht worden betaald

ontstaan nieuwe normen, welke de bestaande bedreigen, waardoor

gemiddelden ontstaan, welke aanzienlijk lager liggen dan de tegenwoordige.

Dit moet een funesten invloed hebben op het gehalte

der journalisten.

Immers vele jonge journalisten hebben een zeer onvoldoende

algemeene ontwikkeling.

De A.P. meent, dat de eerste schrede op den verkeerden weg is

gezet in Augustus 1936 toen het bestuur van den Kring zich er

niet tegen heeft verzet dat de bepalingen omtrent het aantal volon­

tairs eenigszins ruim werden geïnterpreteerd. Nu zou een beslissing

uitgelokt kunnen worden omtrent de salarisnormen en de beperking

van het aantal leerlingen, doch vermoedelijk zou men daarmee

weinig opschieten. Wij moeten er echter naar streven, dat onze

salarissen worden vastgesteld en gehandhaafd, ongeacht het dividend,

dat de krant uitkeert, evenals dit het geval is met het loon

der typografen.

Aan verkregen rechten mag niet worden getornd.

Spr. diende namens de A.P. een motie in waarin de vergadering

als haar meening uitspreekt dat de regeling over het algemeen slecht

wordt toegepast, en het Bestuur van den Kring wordt uitgenoodigd

onverwijld een doeltreffend onderzoek te doen instellen naar den

omvang van het euvel en bij de Directeurenvereeniging de noodige

stappen te doen tot verbetering.

De heer Beeremans wilde dit voorstel thans niet behandelen.

Het komt niet op de agenda voor en de plaatselijke vereenigingen

hebben het dus niet kunnen behandelen. Daarom moet spr.

bezwaar maken.

De Voorzitter onderstreepte dit betoog. Het voorstel kan

door het Bestuur worden besproken en van prae-advies worden

voorzien.

De heel Klomp zag geen enkel bezwaar het thans te bespreken.

De toestand is veel erger dan in de uitspraak van de A.P. naar

voren komt. Is het de vergadering bekend, dat een directeur van

een krant, voorzitter nog wel van den Bond van groote gezinnen,

een verslaggever niet wilde toestaan een huwelijk te sluiten? (hilariteit)

.

Spr. wees op het groote belang van een goede salarieering. Ook

de vereeniging van R.K. journalisten zal elke poging tot verbetering

ondersteunen. De journalisten zijn hier in vergadering bijeen,

zoodat zij een uitspraak kunnen doen. Niets verzet zich daartegen,

wij hebben toch geen bond met afdeelingen?

De Voorzitter meende dat het voorstel veel te ver gaat

met allerlei suggesties en niet dadelijk te bewijzen omschrijvingen,

om het hier onvoorbereid te behandelen. De R.K. actie heeft een

succesloos einde gehad. De betrokken journalisten wilden zelfs

niet, op één uitzondering na, dat stappen door hun bestuur werden

gedaan. Ten slotte is een circulaire uitgegaan naar de R.K. Directeuren.

Het Bestuur zal natuurlijk gaarne hetzelfde doen, maar tot dusver

is geen enkele klacht binnengekomen. In sommigo individueele

gevallen heeft het Bestuur verbetering kunnen verkrijgen van lage

salarissen. Maar niet te ontkennen is, dat er te veel sollicitanten

zijn. Het Bestuur wil overwegen wat het kan doen, maar ontraadt

de aanneming van een voorstel in een soort hoerastemming.

De heer Van Overbeek begreep volkomen de moeilijke

positie van het Bestuur, doch aan den anderen kant heeft hij den

zeer stelligen indruk, dat door directies op lichtvaardige wijze de

hand gelicht wordt met de regeling. De positie van de journalisten

is aan het afbrokkelen.

De Voorzitter vroeg waarom de vorige spreker, indien hem

dergelijke gevallen bekend waren, in gebreke is gebleven die gevallen

ter kennis van het Bestuur te brengen. Hij is gedelegeerde in

het bestuur.

De heer Van Overbeek zei, dat hem dit allerminst mag

worden verweten. Deze zaak is in het Bestuur nooit besproken,

doch de klachten zijn gemeengoed van deze geheele vergadering.

Beter dan deze motie weg te sluiten leek het spr. een accoord

met de A.P. te zoeken. De laatste kome met een motie zonder concrete

voorstellen of uitspraken, opdat de Directies weten, hoe de

stemming in deze vergadering is.

De heer Leenders vond de salarisrepeling minder belangrijk dan

de positie van den journalist in haar geheel, inclusief vacantieregeling

werktijdregeling, enz. Aan provinciale bladen laat vooral de laatste

te wenschen over. Spr. wilde daarom het onderzoek uitbreiden tot

een enquête naar de positie van de journalisten bij de verschillende

bladen in Nederland.

De h eer Klomp meende dat van de vergadering aandrang moest

uitgaan tot overleg met de Katholieke journalisten en de Directeurenvereeniging.

Tal van directeuren achten zich gedupeerd dat zij wel

de regeling naleven en directies van concurreerende bladen niet. Zij

kunnen de nalatigen dwingen desnoods door dezen uit te sluiten van

papierleverantie.

De heer Beeremans bleef de behandeling van de motie afkeuren,

zelfs al zou men haar wijzigen. Laat het Bestuur deze zaak

eens rustig bekijken, adviseerde spr.

De leden moeten volledig vertrouwen hebben in het Bestuur.

De Voorzitter wees er nog op dat de voorzitter van de

Directeuren-vereeniging herhaaldelijk zijn bereidheid heeft te kennen

gegeven klachten omtrent een niet-naleven van de overeenkomst

te onderzoeken.

Namens de A.P. diende de heer Werkman de volgende gewijzigde

motie in


De Nederlandsche Journalistenkring, gehoord de besprekingen,

noodigt het Bestuur uit onverwijld een doeltreffend onderzoek in

te stellen naar de toepassing der salarisregeling en het volontairschap,

en zoo noodig bij de Directeurenvereeniging de noodige

stappen te doen tot een verbetering.

De heer H o 1 s b o e r wilde ook de pensioenregeling erbij opnemen.

De heer Van Bolhuis (Den Haag) zei dat de H.J.V., hoezeer

zij ook voor de motie voelt, zal moeten tegenstemmen. Spr.

heeft allerlei misverstanden gehoord en geloofde niet dat het verstandig

is thans met deze motie te komen. Wanneer het Bestuur

toezegt dat het de zaak zal onderzoeken en zoo noodig overleg

plegen, dan kan men daarmee genoegen nemen. Een werktijdregeling

komt spr. hoogst ongewenscht voor, zij zou onze positie

verzwakken en een geheel verkeerden indruk maken.

De heer Nunes Vaz gelooft dat men met de formaliteit te

ver gaat. De regeling wordt niet meer toegepast, nergens, behalve

bij enkele bladen. Laat men het onderzoek instellen, en zich niet

tevreden stellen met het verzenden van formulieren. De ervaring

van de R. K. journalisten bewijst zulks. Een onderzoek via de

bestuurders van gewestelijke en plaatselijke vereenigingen komt spr.

het meest gewenscht voor.

De Directeuren beroepen er zich op, dat de overeenkomst niet

bindend is. Waarom kunnen wij niet tot zulk een bindende overeenkomst

komen?, vroeg spr. De motie verzacht de werkelijkheid

zeer. Een uitspraak van deze vergadering zal indruk maken.

De heer Cnossen wees op de onvoldoende resultaten van de

in 1936 gehouden enquête. Een vergelijking tusschen typografen

en journalisten gaat niet op.

De heer v. Overbeek voerde daartegen aan, dat de salarispcst

van de typografen veel zwaarder drukt op het budget van een

krant dan die van de journalisten.

De heer Cnossen stelde in het licht, dat de typografen bij

conflicten één lijn trekken — maar wat doen de journalisten? Spr.

had geen bezwaar de motie op regelmatige wijze te behandelen.

Men moet vertrouwen stellen in zijn Bestuur, dat het de gegevens

van de leden op zakelijke wijze behandelt. Heeft men dat vertrouwen

niet, dan kan men het Bestuur beter naar huis zenden.

Bij de meeste bladen zijn enkele topsalarissen, wat middensalarissen

en voor het gros der jongeren slechte salarissen. Het

is niet gemakkelijk daaraan een eind te maken. Met het op de

helling brengen van de regeling moet men zeer voorzichtig zijn.

De heer Bakker ontkende dat de vergadering door de motie

wordt overvallen. De A.P. heeft in De Journalist haar voornemen

ten deze aangekondigd. Spr. beval de motie aan.

De heer Elias protesteerde ertegen dat de heer Nunes Vaz

den journalist een gemiddelden hoofdarbeider heeft genoemd. Men

moet zich hoeden voor generaliseeren.

De heer Holsboer ondersteunde het betoog van den heer

Nunes Vaz en wees op misstanden bij de provinciale pers, waar

de overeenkomst met voeten wordt getreden, op enkele uitzonderingen

na. Door slechte salarissen kweekt men slechte krachten.

Spr. zag in de motie geen kwaad.

De Voorzitter drong, onder toezegging dat de kwestie in

de e.v. Bestuursvergadering zal worden besproken, op intrekking

van de motie aan.

De heer Werkman zei, na overleg met de aanwezige leden

van de A.P., dat de meerderheid daarvan zich voor handhaving

uitsprak. (Applaus).

De heer Ankersmit — die door den Voorzitter welkom werd

geheeten — zette als zijn meening uiteen dat elke overeenkomst

bindend is. Men wende zich, wanneer een kras geval bekend wordt,

tot den rechter en lokke een vonnis uit. Dat zal meer helpen dan

welke actie ook.

De heer De Wit noemde het debat onvoldoende voorbereid

en meende een lichtelijk wantrouwen in het beleid van het Bestuur

te kunnen constateeren. Stemming over de motie zou een onzuiver

beeld geven van de meening der vergadering.

De heer Van Looi zag weinig verschil tusschen de motie

en de toezegging van het Bestuur. Laat het Bestuur de motie overnemen.

(Applaus).

De Voorzitter verklaarde, na eenig beraad met zijn medebestuurders,

dat het Bestuur de motie overnam. (Hartelijk applaus).

Jaarverslag van den Secretaris.

De heer K o u w e n a a r zei te meenen dat hetgeen in het verslag

vermeld wordt onder personalia omtrent de heeren Hirsch en Rogge

niet heelemaal juist is.

Vervolgens vroeg spr. opheldering inzake de volgende passaae

uit hét verslag:

a

DE JOURNALIST 63

-•En evenmin gelooven wij, dat de houding van een deel der

bladen in de weken vóór de blijde gebeurtenis op Soestdijk het

prestige van den journalistenstand heeft vergroot. Ook al neemt

men hierbij in aanmerking, dat wat aanleiding gaf tot critiek vaak

een gevolg was van een opdracht, welke met tegenzin werd uitgevoerd,

voor de standing van ons vak maakt dit geen onderscheid.

Het verantwoordelijkheidsgevoel van de Redacties en haar verslaggevers

moge hier den goeden weg aanwijzen."

Zijn er ernstige klachten over de wijze waarop de Pers haar

taak heeft uitgevoerd? Wij zijn heel lang vastgehouden, zei spr.

doch dat was niet onze schuld. Daaruit vloeide vanzelf voort dat

over kleine dingen werd geschreven, doch moest dit nu gebrandmerkt

worden? Spr. wees op een tegenhanger, een beschouwing

uit de Arbeiderspers welke in De Journalist werd overgenomen en

waarin de Pers van ons land ten troon geheven werd.

De passages in het jaarverslag beschouwt spr. als een beoordeeling

door ons zelf van ons zelf. Zij had beter achterwege kunnen

blijven.

Spr. had gaarne gezien dat er in Hofkringen meer begrip zou

zijn gebleken van de taak van de Pers. De heeren waren beleefd

en vriendelijk doch zeiden nooit iets. Het Bestuur overwege of er

iets kan worden gedaan opdat er in de verhouding Hof-Pers een

verbetering kome.

De Secretaris, de heer G. Polak Daniels geloofde zich

inzake de heeren Hirsch en Rogge niet vergist te hebben.

Wat de gecritiseerde passage betreft, zij had inderdaad kunnen

vervallen, maar men wil in het jaarverslag toch wat anders dan

klerkenwerk. Dat er geen enkele aanleiding was voor een zachtzinnige

critiek kan spr. niet onderschrijven. Maar buitendien heeft

de heer Kouwenaar gedeeltelijk geciteerd, en dat is nooit aardig.

i>pr. heeft geschreven:

„Dat het publiek in de dagbladen een dringend beroep moest

lezen van H.M. de Koningin op onze dagbladen, om het Prinselijk

paar in zijn vacantieoord in Polen te bevrijden van verslaggevers

en fotografen, werd terecht in ons Kring-orgaan beschamend uoor

de Pers genoemd.

Daarop volgt hetgeen de heer Kouwenaar voorlas.

Hier ligt tusschen de regels critiek op de opdrachtgevers. Spr.

hield vol, dat tal van lezers wat er uit het Badhotel werd qeschreven

weinig apprecieerden.

Er kan recidive komen; daarvoor geldt deze zachte wenk.

Tenslotte heeft spr. in zijn verslag geschreven:

.Anderzijds kan een beter besef bij sommige autoriteiten van de

roeping der Pers er slechts toe leiden, dat deze haar taak, d.i. haar

plicht tot publiciteit, naar behooren kan vervullen zonder in excessen

te vervallen."

De Pers had haar taak beter kunnen verrichten, indien er betere

inlichtingen waren gegeven. De kwestie Hof-Pers zal in de volgende

Bestuursvergadering besproken worden. Baron Van Geen

ging in dit opzicht zoo ver als hij mocht gaan. Mogelijk zal men

een volgende maal meer medewerking ondervinden.

Voor het stukje, overgenomen uit de Arbeiderspers, is spr. niet

verantwoordelijk.

De heer Kouwenaar zei dat de A.P. de passage in het jaarverslag

inzake directie en hoofdredactie, die twee verschillende

machten vormen welke naast elkaar arbeiden, waardoor grcote

belangen worden gediend, volkomen kan onderschrijven.

Toeneming van het ledental acht Amsterdam wel zeer verheugend

doch men sture niet op een recordcijfer aan en make de toelating

met te gemakkelijk. Het lidmaatschap moet alleen aan bonafide

journalisten worden verleend.

Wat dit laatste betreft zei de S e c r e t a r i s, dat het Bestuur zóó

moeilijk is dat het daarbij de beperking in de statuten overtreedt

door naast de aanbeveling door twee leden goedkeuring van de

plaatselijke of gewestelijke vereeniging te verlangen. Doch als alle

instanties toestemmen kan het Bestuur tenslotte niet weigeren Het

aantal leden breidt zich uit, maar ook het aantal journalisten, al

gelooft spr. dat het beter zou zijn indien men het meer in de diepte

dan in de breedte zocht.

Op voorstel van den Voorzitter werd het jaarverslag vastgesteld.

Spr. dankte den heer Polak Daniels, die bereid werd gevonden

het omvangrijke werk van het secretariaat weer op zich

te nemen (applaus).

Bestuursverkiezing.

Daarop volgde de verkiezing van drie bestuursleden wegens periodieke

aftreding van de heeren J. J. F. van den Bergh en G. Polak

Uaniels, en wegens de ontslagaanvrage van den heer T. Cnossen.

{De heer van den Bergh stelde zich niet herkiesbaar).

De Voorzitter las den brief van den heer Cnossen voor

waarin deze ontslag neemt.

De heer Hoek (R.J.V.) ontwikkelde ernstig bezwaar tegen

het met tijdig stellen van de vacature-Cnossen, en dring erop aan

deze van de agenda terug te nemen.

„ £ e JT. ? e , e r e !? a n s s] o°t zich daarbij aan, het niet juist

achtend dat de heer Cnossen zich terwille van Den Haag terugtrekt.

• r P W ^ Yf * bolhuis < H -J- V -) zette uiteen dat volgens

art. 65 van het reglement de vergadering volkomen competent is.

Den Haag heeft buitengewone waardeering voor den heer Cnossen,


64 DE JOURNALIST

die zich een uitstekend bestuurslid getoond heeft. De H.J.V. meent

evenwel dat men de zaak van den Kring geen goed zou doen als

men Den Haag maar één plaats in het Bestuur gaf, terwijl het er

vroeger drie had. Dit is allerminst locaal-patriotisme, doch een

kwestie van practisch belang. Nu de heer Cnossen zichzelf terugtrekt

is er geen enkele reden deze candidatuur niet te behandelen.

Bij zitten en opstaan werd besloten de candidatuur-Cnossen

eveneens aan de orde te stellen.

De heer De Vries stelde voor om, waar er geen tegencandidaten

zijn, de drie candidaten bij acclamatie te benoemen. Daartoe

werd besloten.

De heeren verklaarden zich bereid hun benoeming te aanvaarden.

De Voorzitter gewaagde van de aangename en prettige

wijze waarop het Bestuur met den heer v. d. Bergh heeft mogen

samenwerken, daarbij de hoop uitsprekend dat men hem nog eens

in het Bestuur in andere qualiteit terug zou zien. Ook den heer

Cnossen heeft men leeren kennen als een bestuurslid met bijzondere

kwaliteiten, dien men gaarne in het Bestuur zal zien wederkeeren.

Spr. wenschte daarop de gekozenen met hun benoeming geluk

en wijdde enkele vriendelijke woorden speciaal aan het adres van

den Secretaris. Het Bestuur is zeer verheugd dat het den heer

Polak Daniels heeft mogen behouden.

Commissie van Advies,

De twee aftredende leden van de Commissie van Advies, mej.

E. J. Belinfante en de heer P. Derjeu werden bij acclamatie herkozen.

Redactie van De Journalist.

Verkiezing van een redacteur van „De Journalist" en van diens

plaatsvervanger, inplaats van de heeren H. Dekking en G. Polak

Daniels, die herkiesbaar waren. Bespreking van het beleid der

redactie.

De heer Van Bolhuis gaf uiting aan zijn groote waardeering

voor de wijze waarop de leiding van De Journalist wordt uitgevoerd:

op een geheel andere wijze dan de heer Hans dit deed,

hetgeen eveneens voortreffelijk was, doch voor het werk van den

tegenwoordigen redacteur heeft spr. groote lof, om de buitengewone

degelijkheid en den leesbaren vorm waarin de stof wordt verwerkt.

Spr. bracht den redacteur daarvoor dank en hoopte dat deze zijn

taak ook in de toekomst zal blijven vervullen.

De heer Bakker had naast waardeering toch ook critiek. In

de eerste plaats op het uiterlijk van het orgaan, waarvan hij den

kop weinig gelukkig achtte, hoewel deze door de A.P. cadeau is

gedaan. Spr. staat evenwel aan deze kleine misdaad niet schuldig.

Spr. zou het uiterlijk wat willen opknappen en had voorts bedenking

tegen de wat al te gemakkelijke wijze van opmaken. Het

maandblad wordt gelijk een worst volgestopt. Vrij belangrijke

artikelen beginnen onderaan of middenin een pagina. Tusschen de

Paris Soir en De Journalist moet toch nog wel een een middenweg

te vinden zijn.

Is het niet mogelijk een bescheiden honoreering toe te passen

voor de bijdragen? vroeg spr.

De Redacteur, de heer Dekking, dankte voor de waardeerende

woorden. Spr. vindt den kop niet zoo afzichtelijk als de

heer Bakker en tegen den modernen opmaak heeft hij eenig bezwaar.

Met de gemaakte opmerkingen wil spr. evenwel gaarne

rekening houden.

De redacteur en plv. redacteur werden bij acclamatie herkozen.

De F.I.J.

Aan de orde kwam daarna de aan de Federation Internationale

des Journalistes door den voorzitter en den vice-voorzitter ervan,

de heeren Eskelund (Denemarken) en Kenyon (Engeland) aangeboden

suggestie, om — mede naar aanleiding van den wensch van

de Zwitsersche persvereeniging — de mogelijkheid te overwegen

van een zoodanige wijziging in de statuten der F.I.J., dat na

schrapping van de daarin opgenomen dwingende bepaling omtrent

de persvrijheid, er geen bezwaar zou zijn foor journalisten in de

„totalitaire" landen om tot een alleen technische beroepszaken bc

handelende internationale organisatie toe te treden.

De Voorzitter verwees naar de publicatie in het jongste

maandblad en deelde mede dat de Belgische Bond ongeveer in

gelijke bewoordingen hetzelfde standpunt inneemt als de Kring thans

aan zijn leden voorstelt.

Spr. las daarop een schrijven voor van den heer Voorbeytel,

vice-president van de F.I.J. en gedelegeerde van den Kring bij de

F.I.J., waarin deze zijn standpunt tegenover dat van het Bestuur

van den Kring uiteenzet.

Vervolgens deed spr. mededeeling van een schrijven van het

eerelid den heer Elout, die de bestuursmotie niet aannemelijk acht

en over het bezwaar wil heenstappen, teneinde de tegenstellingen

niet toe te spitsen.

Het Bestuur houdt evenwel met algemeene stemmen aan zijn

motie vast.

De heer Holsboer, die als tweede gedelegeerde indertijd de

vergadering van het comité exécutif te Parijs heeft bijgewoond,

herinnerde aan hetgeen daar besproken werd en waarvan mededeeling

is gedaan in De Journalist. Spr. onderschreef volkomen het

standpunt van het Bestuur, hetgeen na hem ook de heer Bakker

deed.

De heer Van Overbeek wraakte de oppervlakkigheid waarmee

de heeren Eskelund en Kenyon een zeer moeilijk vraagstuk

aan de orde hebben gesteld, waarbij zij den misleidenden indruk wekken

alsof het met de geestelijke vrijheid in de wereld zoowat afloopt.

Daarvan is echter geen sprake. Als men de internationale journalistieke

gesteldheid wil beoordeelen zijn andere gegevens noodig.

De strijd loopt over de vraag, welken inhoud men aan het begrip

persvrijheid wil geven. Spr. zette het nat. soc. standpunt daaromtrent

uiteen om te betoogen, dat er geen enkele aanleiding voor

de Duitschers was om op grond van art. 2 uit de F.I.J. te blijven.

De persvrijheid is een kostelijk goed en spr. stond dan ook volkomen

achter het 'bestuursvoorstel.

De heer Lunshof verklaarde op het standpunt van de Zwitsers

te staan, het begrip persvrijheid is volgens hem een politiek beginsel,

en men kan politiek en journalistiek niet identificeeren.

De heer Leeninga deelde mede dat Groningen unaniem zich

achter het bestuursvoorstel schaart, de heeren Hoek en Van der

Schaaf legden eenzelfde verklaring af namens de Rotterdamsche

en Friesche journalisten.

De heer Van Bolhuis zei dat Den Haag zich niet kan voorstellen

dat iemand daartegen zijn stem verheffen.

De Voorzitter meende de discussie wel te kunnen sluiten,

waarop de heer Lunshof zei het moment voor deze haastige

afdoening van een zeer belangrijke zaak niet gelukkig gekozen

te achten.

De heer Hoek meende daartegen te moeten opmerken dat de

schijn niet mag worden gewekt, alsof men zich van deze zaak

afmaakt. Zij is echter in de plaatselijke en gewestelijke vereenigingen

uitvoerig besproken en kan daarom hier vlot worden afgedaan.

Met op drie na algemeene stemmen werd het Bestuursvoorstel

aangenomen.

Op voorstel van den heer De Vries werd besloten deze beslissing

nog dienzelfden avond voor publicatie door te geven.

Rondvraag.

De heer De Vries herinnerde aan de publicatie van de foto's

van Prinses Beatrix, waaromtrent het Bestuur een uitspraak heeft

gedaan, welke volgens spr. niet in overeenstemming is met art. 3 A

van de statuten.

Spr. zette de feiten uiteen. Zaterdagmorgen verschenen in de

Daily Express de foto's, het exemplaar zou in grooten getale in

Nederland worden verspreid. Dit zou een klap in het gezicht van

de Ned. Dagbladpers geweest zijn, journalistiek gesproken. Het

aanzien van de Ned. pers zou erdoor in het gedrang zijn gekomen.

Voor ons, aldus spr. was slechts één houding mogelijk: Onmiddellijk

te komen met een publicatie in de Nederlandsche bladen.

Twee Amsterdamsche kranten reproduceerden de foto's; dit was

een geval van force majeur. Spr. heeft slechts lof voor het standpunt

van deze bladen (protesten).

Althans één van deze bladen heeft aan het Hof meegedeeld, aan

het verzoek de foto's eerst Dinsdag te plaatsen niet meer te kunnen

voldoen.

Spr. is het dus niet eens met het Kringbestuur en heeft er waardeering

voor dat de Ned. pers dezen slag heeft willen pareeren.

Van een afkeuring van de zijde van de directeuren is wel gesproken,

doch er is niets van gebleken. Iets laakbaars is niet geschied, de

uitspraak van het Bestuur acht spr. dan ook overijld. Een deel der

pers is daardoor aan de schandpaal genageld. Dit kan niet geredresseerd

worden.

Spr. heeft in een motie afkeuring willen uitspreken over de

publicatie van het Bestuur, doch ziet daarvan af, om lange discussies

te vermijden. Doch spr. is door de publicatie van het Bestuur wel

onaangenaam getroffen.

Het Bestuur spreke zich uit tegen alle afspraken onder verslaggevers.

Spr. zal zich voortaan verzetten tegen uitstel van publicatie

van nieuws. Hij gewaagde in dit verband van een conferentie bij

den dir.-generaal van de P.T.T.

De heer Rooy meende dat men de publicatie van de foto's en

de wenschelijkheid van afspraken scherp uit elkaar moet houden.

Spr. ondersteunde wat het eerste betreft het standpunt van het

Bestuur. Snel nieuws is inderdaad gewenscht, doch men toetse

deze wenschelijkheid aan het fatsoen. Inzake de foto's was er een

verzoek van den Prins (tegenspraak). Als een dergelijk verzoek

wordt gedaan hebben de Nederlandsche bladen zulks in dit geval

als een bevel te aanvaarden. Als een Engelsch blad zich aan een

onbeschaamdheid schuldig maakt, dan maakt men zich mede schuldig

door het verbreken van een afspraak. Spr. achtte het zeer juist dat

het Bestuur de normen nog eens heeft onderstreept.

Het maken van afspraken onder verslaggevers is een soort ziekte

geworden, daaromtrent was spr. het met den vorigen spr. eens.

Er moeten minder afspraken worden gemaakt, tenzij de gastheer

een bepaald verzoek doet. Houdt iemand zich daaraan niet, dan

is hier eveneens een schending van de fatsoensnormen.

De suggestie deze laatste kwestie te bezien onderschreef spr.


. De £J he f Belinfante zette uiteen dat er maar één kwestie

is: or de foto s waren verstrekt onder beding dat zij op een bepaalden

datum gepubliceerd zou worden.

In het algemeen vond ook deze spr. dat er teveel afspraken

worden gemaakt omtrent publicaties.

De Voorzitter wees er nog eens op dat er van de zijde

van het Hof een verzoek is uitgegaan de foto's niet over te nemen

1 oen dit desondanks toch gebeurde heeft het Bestuur, mede daartoe

aangespoord in ettelijke dagbladen, gemeend in een motie een

uitspraak te moeten doen. De R.K. journalisten hebben een heel

wat scherpere motie aangenomen. Overigens betreurde spr. dat

de Directeuren niet tot een uitspraak zijn gekomen.

Spr kon niet inzien dat de handelwijze van het Bestuur eenig

journalist onaangenaam is geweest. De Kring moet de persbelanqen

m het algemeen behartigen.

Het Bestuur zal de kwestie van de afspraken bezien. De uitspraak

inzake het publiceeren van de foto's kan niet worden verzwakt.

De heer L u n s h o f verklaarde verbaasd te zijn over de uitspraak

van het Bestuur. Er was geen verzoek van het Hof, doch van de

JJirecteurenvereeniging.

De heer Cohen verduidelijkte, dat er omtrent de publicatie een

afspraak was tusschen het Hof en de Directeuren. Nadat de foto's

m de Daily Express gepubliceerd waren, kwam er een verzoek van

den Prins om de foto's niet over te nemen.

De heer Lunshof vond dat door dergelijke afspraken het

journalistiek belang wordt geschaad. Het verzoek van den Prins,

de foto's niet over te nemen kwam te laat. De betrokken bladen

verdienen volgens spr. eerder lof dan blaam. Men moet deze zaak

vooral niet en bagatelle opvatten.

De heer D e W i t meende dat de Kring zich erbuiten had moeten

houden.

De heer Hoek zei te gelooven dat verreweg het grootste deel

van den Kring de houding van het Bestuur billijkt,, en dat het

ook het Nederlandsche publiek aan zijn zijde heeft. Dit staat niet

aan den kant van de bladen die zich hebben misdragen.

De heer Lunshof vroeg intrekking van dit woord, anders zou

nij de vergadering moeten verlaten.

De heer Polak Daniels vroeg aandacht voor het feit dat

het Bestuur met zijn uitspraak de journalisten heeft gesauveerd. Wij

zijn toch niet verantwoordelijk voor de houding van de Directies'

Als ,emand zegt dat een blad zich heeft misdragen, moet een journalist

met wegloopen.

Op een uitspraak is door velen aangedrongen. Het Handelsblad

heeft 54 leden in den Kring en de Telegraaf 21 — het Bestuur

was er zich van bewust eenig risico te loopen — maar achteraf zal

men moeten erkennen dat het nuttig is, dat er een orgaan bestaat

dat zich boven de concurrentie tusschen de bladen stelt.

De Voorzitter herinnerde er aan dat de heer Lunshof zoo

even tot een collega heeft gezegd: dit is een leugen, waarom hij

hem tot de orde riep; nu met wegloopen te dreigen als een andere

collega zoo m t algemeen spreekt van het zich misdragen van een

Wad is m den heer Lunshof wat zonderling!

De heer VanManen zegt dat als de heer Lunshof het woord

„leugen met intrekt hij straks niet met hem wil eten. (hilariteit).

De heer Ho e k verklaarde niet den heer Lunshof onaangenaam

te hebben willen treffen. Hij bedoelde inderdaad het blad, niet de

journalisten die daaraan verbonden waren. Ook de heer Lunshof

betuigt dat hij niet onvriendelijk wilde wezen.

Nadat de heer V e r s 1 u y s nog gezegd had dat het wenschelijk

geweest zou zijn een onderzoek in te stellen hoe de foto's in het

üngelsche blad zijn gekomen, werd dit punt als afgehandeld beschouwd,

en de vergadering door den Voorzitter gesloten

Een groot deel van de aanwezigen verzamelde zich daarop aan

een kameraadschappelijken maaltijd.

PLAATSELIJKE- EN

GEWESTELIJKE VEREENIGINGEN.

Rotterdamsche Journalistenvereeniging.

De jaarvergadering, van de R.J.V., op 29 Maart gehouden,

was door een flink aantal leden bezocht, hoewel

we voor de toekomst nog meer belangstelling vragen.

Het jaarverslag van den penningmeester, den heer W.

A. Zuurbier, toonde aan, dat de kas er gunstig voor

stond.

Besloten werd van den betrekkelijken overvloed ƒ 25

af te staan aan het weduwen- en weezenfonds van den

Kring.

DE J OURNALIST

65

Een commissie onderzocht de bescheiden waarna de

penningmeester met een goede aanteekening werd gedechargeerd.

Het jaarverslag van den secretaris (hieronder

afgedrukt) werd eveneens goedgekeurd.

De aftredende bestuursleden, de heeren Mr. P. C.

Swart en W. A. Zuurbier, werden bij acclamatie herkozen.

Uitvoerig werd gesproken over de candidaturen voor

het Kringbestuur, waar bij de wensch naar voren kwam

den heer Cnossen als bestuurslid te behouden en in het

algemeen bij de candidaatstelling voor het Kringbestuur,

ongeacht de herkomst der candidaten, op hun kwaliteiten

te letten.

Zeer uitvoerig werd gesproken over de kwestie van

de statuten der F.I.J.

Met op twee na algemeene stemmen werd besloten

dat de afgevaardigden van de R.J.V. ter Kringvergadermg

het standpunt van het Kringbestuur zouden

onderschrijven. Tot afgevaardigden werden aangewezen

de heeren Stavenga, Mr. Rooy en Hoek.

Bij de rondvraag deed Mr. Rooy nog enkele mededeelingen

omtrent de werkzaamheden van de commissie

ter bestudeering van het verschooningsrecht van den

journalist. Voorts kwam nog ter sprake het toelaten van

buitenlanders tot Kringlid en het weren van Rotterdamsche

journalisten bij Schiedamsche branden.

Na afloop der vergadering zijn zij, die daar gelegenheid

toe hadden, aan een gemeenschappelijken maaltijd

aangezeten.

Koninklijk bezoek

Op Vrijdag 8 April heeft H. M. de Koningin een

bezoek gebracht aan Rotterdam, waarbij de bloemententoonstelling,

de Nieuw Amsterdam en het bedrijf der

Bataafsche Import Mij. aan den Vondelingenplaat werden

bezichtigd.

Hoewel de beschikbare tijd gering was heeft de R.J.V.

in samenwerking met de betrokken autoriteiten een bevredigende

regeling getroffen, waardoor de bladen,

ieder naar eigen opvatting, een volledige berichtgeving

over dit Koninklijk bezoek konden verzorgen.

Te betreuren was, dat de getroffen regeling werd

doorkruist door een actie van het A.N.P., welke bij de

autoriteiten een allerzonderlingsten indruk heeft gemaakt.

Het is wel gewenscht, dat dit voor de toekomst

wordt voorkomen.

Nieuwe leden

Als nieuw lid van de R.J.V hebben zich aangemeld

de heeren D. J. Wessel, N. R. C; Mr. A. J. Hankes

Drielsma, N. R. C; J. P. Prins, Rotterd.; Mr A J P

Tammes, N. R. C; S. Vestdijk, N. R. C. en A. Wiesehaan,

Dagbl. v. Rotterd.

Eventueele bezwaren binnen veertien dagen.

Jaarverslag 1936 - '38

G. H. HOEK, Secretaris.

Het schijnt, dat ook het uitbrengen van de jaarverslagen onzer

vereeniging door een zekere conjunctuurgolving wordt beheerschf

TQK

ver ? aderin 9 van 12 Mei '34, 14 September '35 en 9 Mei

lyjo werden jaarverslagen uitgebracht en thans heeft het weer tot

Maart iy_5S moeten duren, aleer opnieuw een overzicht kan worden

uitgebracht van het wel en wee van de R.J.V.

De oorzaak daarvan is, dat wij lang hebben gewacht op het

tot stand komen van een nieuwen organisatievorm van den Kring

of.... van een besluit tot bestendiging van den bestaanden toestand

iNu de commissie welke de Kringstatuten en daarin de Krinqorgamsatie

had te bestudeeren nog steeds geen rook uit den

schoorsteen van het Persmuseum heeft doen opstijgen, lijkt het qewenscht

niet langer te wachten. De R.J.V. vergadert te schaars om

nog weer tot een volgende vergadering uit te stellen

Het laatste jaarverslag werd uitgebracht door collega Dekking,

thans onze Knngvoorzitter en wij herinneren ons allen noq den

uitvoengen terugblik die hij aan de Rotterdamsche journalistiek

gedurende zijn bijna 40-jarige ambtsperiode heeft gewijd

Als zijn baardelooze opvolger kan ik dat uiteraard niet doen

en daarom wil ik mij in hoofdzaak beperken tot een summiere opsomming

van de feiten.

Het ledental van de R.J.V. bleef vrijwel stationair; het bedraagt

Öians 56. Twee goede collega's zijn ons ontvallen in Ruempol en

Dr. van Overbeek. Wegens het aanvaarden van een benoeminq


66 DE JOURNALIST

aan de Amsterdamse he Groene gaat coll. Van Vriesland ons verlaten.

Een trouw lid, dien we zullen missen.

In het bestuur kwam geen wijziging.

De R.J.V. heeft gedurende de afgeloopen periode drie maal vergaderd.

Het is niet veel, maar er was geen reden toe cm méér te

vergaderen en gezien den aard der werkzaamheden onzer leden

gebeurt het dan ook niet meer dan noodig is. Men denke hierbij

maar aan het bekende „geen bericht — goed bericht".

Er zijn in Rotterdam weinig oneenigheden te beslechten en op

schokkende „kwesties" die een veelvoud van vergaderingen zouden

uitlokken, zijn we niet gebrand.

Constructief werk lokt ons meer aan en dat is, in bescheiden mate

ook wel verricht. Ik denk hier niet aan het vertimmeren van de

Perstribune in de Raadszaal, waardoor deze voor de gebruikers meer

„handzaam" is geworden, maar b.v. aan het tot standkomen van

de regeling met het Rotterdamsch Leeskabinet, waardoor onze leden

zich voor een zeer lage contributie kunnen laven aan de bronnen

der daar verzamelde wetenschap.

n Enkele maal trad de R.J.V. vertegenwoordigend op, b.v. bij

het eerste bezoek van Z.K.H. Prins Bernhard aan Rotterdam, toen

een boottocht werd georganiseerd, die de daarmee belaste collega's

in staat stelde den triomfantelijken tocht door de havens te velgen en

levendig te beschrijven.

Toen ons bericht werd, dat een groep Belgische collega's onze

stad zou bezoeken, hebben we ons gehaast maatregelen te treffen

hen prettig te ontvangen. Helaas, hun boot moet ergens nabij Zijpe

zijn gestrand en daarmee werd ons een schoone gelegenheid ontnomen

om te toonen, dat de rivaliteit tusschen Rotterdam en

Antwerpen zich niet tot de journalistiek, alhans niet tot de journalisten

uitstrekt.

Eenmaal mochten wij er toe medewerken, dat een Duitsch collega

uit het Huis van Bewaring werd verlost en naar Straatsburg kon

vertrekken.

Hopen we, dat een nieuwe Duitsche inlijving zijn bestaan weer

niet opnieuw onzeker maakt.

Het advies, dat de R.J.V. al vele jaren geeft ten aanzien van het

beschikbaar stellen van de persboutons, werd ook in de afgeloopen

periode regelmatig uitgebracht. Het werd er niet makkelijker op

nu bleek, dat de politie deze boutons slechts wil uitreiken aan hen,

die deze voor hun beroepsbezigheden strikt noodig hebben.

In 1936 uitte de nieuwe hoofdcommissaris van politie den wensch,

dat de R.J.V. een soort tuchtrecht zou uitoefenen voor geval zich

collega's kwamen te misgaan. We hebben daaromtrent een voorzichtig

accoord getroffen om te voorkomen, dat bij conflicten collega's

onverhoord en zonder dat overleg onzerzijds mogelijk zou

zijn, door eenigen politiemaatregel zouden worden getroffen.

Ter geruststelling diene, dat het bestuur geen enkele maal den

vierschaar heeft behoeven te spannen.

Indien er al reden zou zijn om eenige meerdere tucht te bepleiten,

dan zou dit zijn ten aanzien van de zelftucht, die de redacties zich

in hun concurrentiestrijd hebben op te leggen.

Er zijn verschijnselen, die er op wijzen, dat die concurrentiestrijd

op den duur de goede verhoudingen kan bederven. Indien het

niet meer mogelijk is een afspraak te treffen over het publiceeren

van een bericht of het afdrukken van een foto, dan is dit slechts

een gevolg van de concurrentiezucht der directies die, na zichzelf

via de telex hebben gelijkgeschakeld, ridicule pogingen doen om

met middelen, die hun geen geld, doch alleen maar moraal kosten,

toch nog iets bijzonders te brengen.

Laten we ons daartegen zooveel mogelijk verweren.

Gaf ik hierboven een verdediging van het nogal rustig bestaan

van de R.J.V., toch zou ik aan het slot een lans willen breken

voor meer representatief optreden in de toekomst.

Het Rotterdamsch gemeentebestuur ziet blijkbaar niet in de groote

beteekenis van journalistieke representatie. Is er in den lande iets

te doen, een Jamboree, een internationaal congres, dan zijn Amsterdam

en Den Haag er als de kippen bij de dan in ons land

vertoevende journalisten uit te noodigen en onze zusterorganisaties

verleenen dan gaarne hulp. Het komt mij voor, dat het tot nieuwen

luister komend Rotterdam zich meer zal moeten laten gelden ook

op dit gebied en dat de R.J.V. dan een schoone taak heeft. Mogelijk

is er aanleiding deze zaak eens met het college van B. en W. te

bespreken.

BINNENLAND.

B. Person.

Op 1 April was het 25 jaar geleden dat de heer B.

Person, tegenwoordig naast den eigenaar van het blad

(den S. F. van Oss), hoofdredacteur van De Haagsche

Post", zijn loopbaan in de journalistiek aanving.

Op 1 April 1913 werd de heer Person, 18 jaar oud,

benoemd tot redacteur van de Dordtsche Courant. Twee

jaar later ging hij over naar de Telegraaf, waar hij achtereenvolgens

redacteur-buitenland, chef-verslaggever,

chef-binnenland en Londensch crorespondent was. In

1925 werd hij aangesteld tot reiscorrespondent van de

International News Servise (van Hearst) en hij zou kort

daarna optreden als correspondent van dezen dienst te

Moskou, doch dit werd hem onmogelijk gemaakt, door­

dat de Sowjet-gezant te Berlijn (Krestinsky) hem als

Nederlander een visum weigerde. Dus bleef de heer

Person voor de News Service in West-Europa reizen.

In 1927 echter keerde hij in de Nederlandsche journalistiek

terug, door zijn benoeming tot dir.-hoofdredacteur

van de Provinciale Groninger Courant, om, eindelijk

in 1929 te worden aangesteld, gelijk gezegd naast den

heer van Oss, tot hoofdredacteur van de Haagsche

Post.

De Kring heeft den jubilaris, wiens feest in den eigen

kring van de Haagsche Post werd gevierd met een

maaltijd, op 1 April gelukgewenscht.

De zaak Hansen

voor de Haagsche Rechtbank.

Collega Hansen heeft zich voor de Haagsche Rechtbank

te verantwoorden gehad.

Hem is letterlijk ten laste gelegd:

„Dat hij te 's-Gravenhage bij dagvaarding wettelijk als getuige

opgeroepen en op 6 December 1937 als zoodanig verschenen voor

den heer rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken

bij de arrondissementsrechtbank aldaar, om als getuige gehoord

te worden in de zaak van den officier van justitie aldaar,

tegen N.N., verdacht van overtreding van art. 272 Wetboek' van

Strafrecht, in welke zaak een gerechtelijk vooronderzoek loopende

was, bij dat verhoor, na verklaard te hebben de geheele waarheid

en niets dan de waarheid te zullen zeggen, opzettelijk niet heeft

voldaan aan de wettelijke verplichting, welke hij als getuige te

vervullen had, om te antwoorden en wel in het bijzonder zonder

wettigen grond geweigerd heeft te antwoorden op de hem door dien

rechter-commissaris gestelde vraag, wie de persoon was van wie(n)

hij, verdachte, inlichtingen had ontvangen, welke hij verwerkt had

in een passage van een door hem in het dagblad Het Vaderland

(ochtendblad 21 September 1937) geschreven overzicht van het

behandelde in een geheime vergadering van den gemeenteraad

van 's-Gravenhage en deze weigering bij het vervolg van zijn

voormeld verhoor als getuige op 7 December heeft herhaald en

toen eveneens opzettelijk in strijd met de wettelijke verplichting en

zonder wettigen grond geweigerd heeft mede te deelen, wat die

inlichtingen behelsden".

Van de zijde van het O. M. waren geen getuigen gedagvaard.

De verdediging had twee getuigen meegebracht, n.1. de heeren

C. K. Elout, eere-lid van den Ned,> journalistenkring en kunstrecensent

van het Algemeen Handelsblad en mr. J. J. van Bolhuis, voorzitter

van de Haagsche journalisten-vereeniging en parlementair

redacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

De president, mr. Kuhn, las allereerst het proces-verbaal van

den rechter-commissaris voor, waaruit o.m. bleek, dat de heer

Hansen zich op art. 218 Wetboek van strafrecht (het beroepsgeheim)

heeft beroepen om niet op hem gestelde vragen in zake

de inlichtingen ever de geheime raadszitting behoeven te antwoorden.

De beide getuigen a décharge werden tevens als deskundigen

beëedigd.

Collega Elout deelde op een desbetreffende vraag van

den verdediger mede, dat het een vaststaande meening

onder de journalisten was om, wanneer iemand iets hoort,

den zegsman niet te noemen, tenzij deze uitdrukkelijk

zijn toestemming daartoe heeft gegeven.

President: Natuurlijk, wanneer het een indiscretie betreft, maar

ook als men voor den rechtercommissaris in strafzaken geveerd

wordt?

Collega Elout: Het zou een verraad jegens ons beroep zijn, als

men zijn zegsman, tegen wien ook, zou noemen.

Collega Van Bolhuis deelde als zijn meening mede,

dat een journalist alleen zijn zegsman mocht noemen,

wanneer hij het slachtoffer was geworden van een geraffineerden

leugenaar. In de kwestie-Hansen was dit

niet het geval.

De autoriteiten stellen het zeer op prijs, dat de journalisten geen

namen noemen. Zoo vangen de berichten van het Algemeen

Nederlandsch Persbureau dikwijls aan met den aanhef: „Wij vernemen

van bevoegde zijde" en dergelijke uitdrukkingen. Men kan de

consequentie niet aanvaarden, dat een journalist zijn zegsman moet

noemen, ook niet in bepaalde gevallen, want het is zooals minister

De Geer eens heeft gezegd: Een beetje deraillement bestaat niet.

De president vroeg aan mr. Van Bolhuis of dit ook gold voor

den rechter-commissaris, waarop de heer Van Bolhuis antwoordde,

dat in kwesties als deze het opportuniteitsbeginsel behoorde te

gelden. Men moet den journalist, die een geheim niet prijs wil

geven, niet vervolgen wanneer hij daarmee het algemeen belang

heeft gediend.

De Officier mr. P. R. Blok heeft ons verschooningsrecht

principieel behandeld.


Het is z.i. een algemeene opinie in de rechtspraak, dat het verschooningsrecht

van art. 218 zoo beperkt mogelijk moet worden

opgevat en alleen geldt voor hem, die door wet of wettelijke voorschriften

tot beroep sgeheim zijn verplicht, en zelfs voor diegenen

bestaat geen absoluut beroepsgeheim. Een contractueele verplichting,

b.v. cm iemands naam niet te noemen, kan niet als verontschuldiging

dienen.

De rechterlijke macht in ons land is geheel onpartijdig en onafhankelijk

en dat is een kostbaar bezit. Maar daarom moeten haar

ook alle feiten en alle omstandigheden worden ter kennis gesteld,

zoodat slechts in het uiterste geval iemand zich op het verschooningsrecht

kan beroepen. Wat de verklaringen van de getuigen

a décharge betreft, meende spr., dat deze getuigen in deze zaak

niet deskundig zijn. Wel kunnen zij de kwestie als journalist beoordeelen,

doch over de juridische kwestie moet alleen de rechter

zijn oordeel vellen. Wat het geval-Hansen betreft, de heer Hansen

wist, dat zijn zegsman zich aan een strafbaar feit heeft schuldig

gemaakt. Wanneer hij dien naam aan den rechter-commissaris had

medegedeeld, had hij daarmee niets onbehoorlijks gedaan. Het

standpunt van den heer Hansen: misschien had ik volgens de wet

niet, maar moreel wel een verschooningsrecht, kon spr. niet deelen.

Wanneer men een verschooningsrecht wenscht, dan moet men dat

langs den weg van den wetgever probeeren. Dat is al eens zonder

succes beproefd. Daaruit blijkt, dat het de overtuiging van het

heele Nederlandsche volk is, dat zulk een verschooningsrecht niet

in de wet thuis hoort, al zou een bepaalde groep het wel wenschen.

Waar zou trouwens, vroeg spr. zich af, het geheim van vergaderingen

blijven, als één van de leden zich straffeloos tot een

journalist kon wenden, die alles zou kunnen publiceeren en daarna

mocht blijven zwijgen?

En wanneer een moord is gepleegd en een journalist komt er

achter, wie de dader is geweest, mag hij dan blijven zwijgen? Spr.

bestreed ook de meening, dat de beroepseer van den journalist aangetast

zou worden, wanneer hij aan zijn verplichting tot spreken

voor den rechter-commissaris zou voldoen. Rechtsorde en rechtszekerheid

in ons land eischen, dat die plicht tot spreken gehandhaafd

blijft.

Ten slotte kon spr. dit geval niet als een principieele zaak bezien

en rekening houdende met den in gijzeling doorgebrachten tijd

— al stond die gijzeling geheel buiten de onderhavige strafzaak —

vorderde spr. een boete van ƒ300, subs. 100 dagen hechtenis.

De verdediger mr. G. A. Boon heeft eveneens het

verschooningsrecht — en van een tegenovergesteld

standpunt — behandeld.

Bestaat het verschooningsrecht in het algemeen? vroeg pleiter

zich af, en hij moest constateeren, dat ook de advocaat, medicus,

enz. geen absoluut verschooningsrecht hebben, al is de rechtspraak

tegenover hen zeer mild. Anders is het ten aanzien van de journalisten,

voor wie het verschooningsrecht nog een vrome wensch is.

Toch wordt dit door velen als een noodzakelijkheid gevoeld.

Iemand, die iets aan de pers geeft, moet weten, dat'het heilig is.

Men stelt zeer veel prijs op de persvrijheid, getuige de resolutie

van den Journalistenkring j.1. Zaterdag, maar de persvrijheid zonder

beroepsgeheim, is haast niet mogelijk. Als norm, zou men het

algemeen belang moeten stellen. Op dezelfde raadsvergadering is

ook iets behandeld, dat aan journalisten bekend is geworden, doch

dat zij, juist om redenen van algemeen belang, niet hebben gepubliceerd.

Wat de heer Hansen in zijn raadsoverzicht heeft geschreven,

kon hij even goed uit eigen wetenschap hebben opgesteld, zonder

dat daarbij mededeelingen uit een geheime raadszitting ncodig

waren.

In de openingsrede van mr. Van Vierssen Trip, als voorzitter

van de commissie tot studie van een wettelijke regeling van het

verschooningsrecht, heeft deze een duidelijk geval genoemd van

het verschooningsrecht. Wanneer b.v. de wet op een bepaalde

wijze vele malen wordt ontdoken en de journalist daarover in het

algemeen belang een artikel schrijft, zou de justitie hem kunnen

dwingen zijn zegslieden, die dan dus de overtreders van de wet zijn,

te noemen. Ook een Engelsche rechter, die vroeger journalist is

geweest, heeft eens verklaard, dat hij zich zelf vele malen had

kunnen gijzelen.

De algemeene opinie is, dat de journalist niet mag spreken, zelfs

niet tegen den rechter-commissaris. Hoe dikwijls de journalisten

elkaar op allerlei gebied bestrijden, hierover zijn zij het eens. Pleiter

wilde dan ook alleen een verschooningsrecht, geen verschooningsplicht.

Het laatste beslaat een veel ruimer terrein. Vooral in verband

met het feit dat ook het verschooningsrecht van medicus, advocaat,

enz. niet absoluut is, zou pleiter hierin geen gevaar zien, daar men

dan elk geval op zichzelf moe beschouwen. In verband met de

generale preventie achtte pleiter in dit geval een straf niet noodig,

want met de strengste straffen zullen de journalisten hun overtuiging

niet prijs geven. Wanneer Hansen zijn zegsman had genoemd, zou

hij in het oog van zijn collega's in achting zijn gedaald. Wanneer

niet een verschooningsrecht voor journalisten wordt aangenomen,

dan zal haast nooit iemand hun meer iets toevertrouwen. De verschillende

rechtsbelangen moeten tegen elkaar worden afgewogen en

op grond hiervan concludeerde pleiter in dit geval tot vrijspraak.

De uitspraak viel op 19 April: 100 gulden boete.

Uit het vonnis blijkt, welke menschen naar de meening

van de rechtbank een geheimhoudingsplicht, welke een

beroep op het verschooningsrecht wettigt, hebben.

DE JOURNALIST 67

In het vonnis worden n.1. twee groepen van personen,

die een dergelijk recht kunnen doen gelden, genoemd:

Ie. de groep van personen, die een beroep of ambt

uitoefenen, waarin zij krachtens eenig bijzonder wettelijk

voorschrift tot geheimhouding van bepaalde zaken zijn

gehouden;

2e. de groep van personen, wier functie in zekeren

stand of wier beroep en ambt het noodzakelijk maken,

dat hun geheimen worden toevertrouwd, terwijl het openbaar

belang vordert, dat niemand wordt weerhouden van

hun diensten gebruik te maken uit vrees, dat zij hun in

hun hoedanigheid noodzakelijkerwijs toevertrouwde geheimen

te eeniger tijd zullen moeten openbaren.

De rechtbank heeft overwogen dat een journalist als

zoodanig niet behoort tot één van deze groepen van

personen, zoodat het in artikel 218 Wetboek van Strafvordering

neergelegde verschooningsrecht hem niet toekomt.

Het A.N.P. in een eigen gebouw in Amsterdam.

Het Algemeen Nederlandsch Persbureau heeft het

voormalig woonhuis van wijlen den heer C. E. ter

Meulen, staande op de Heerengracht 576, aangekocht,

teneinde daarin het hoofdkantoor van het A.N.P. te

Amsterdam te vestigen.

Het aangekochte pand is vier verdiepingen hoog en

vijf ramen breed aan de grachtzijde zoowel als aan den

achterkant.

Het zal na de huisvesting van het hoofdkantoor van

het A.N.P. daarin, nog voldoende reserveruimte bevatten

voor uitbreiding.

De bedoeling van de directie is het eigen gebouw in

het najaar te betrekken.

Journalistische vraagstukken.

„GEEDVERDIENEN MET HET SCHRIJVEN

VAN PERS-ARTIKELEN".

Opleiding in beunhazerij 1

De journalist, die geregeld buitenlandsche bladen

leest, heeft een streepje voor bij anderen. Daar ziet hij

telkens stukjes in, die eenigszins omgewerkt, ook interessant

voor onze pers zijn. Zorg er dan echter voor,

dat U zoo'n buitenlandsch artikel niet in zijn geheel en

in dezelfde woorden overneemt. Wie dat doet, moet

natuurlijk vertalingsrechten betalen, daar het geestelijk

product van anderen meestal door de wet beschermd

wordt Als U het t-oor de Nederlandsche pers wilt

bewerken, leest U het twee-, of driemaal goed over.

Maak dan bij voorkeur een paar aanteekeningen over de

hoofdpunten. Dan vouwt U de courant dicht en gaat met

uw eigen woorden de punten uitwerken. Het beste is

dan om tegelijk de volgorde der punten iets te wijzigen,

er enkele U bekende punten bij te voegen en er een

paar uit het gelezen artikel weg te laten."

Het bovenstaande is een citaat uit een boekje, dat een

ieder zich voor de luttele som van nog geen 15 centen

kan aanschaffen. Het draagt den titel „Geld verdienen

met het schrijven van pers-artikelen" en het wordt uitgegeven

door de N.V. Maandblad „Succes" te Den

Haag. We lezen het twee of drie maal goed over, maken

een paar aanteekeningen over de hoofdpunten, sluiten

het boekje en gaan het citaat met onze eigen woorden

een beetje veranderen. Ziehier het resultaat:

,,De man, die geregeld groote warenhuizen bezoekt,

heeft een streepje voor bij de anderen. Daar ziet hij

telkens iets, dat hij wel zou kunnen gebruiken. Zorg er

dan echter voor, dat U niets zoo openlijk wegneemt, dat

iedereen het kan zien. Wie dat doet, gaat natuurlijk de

gevangenis in, daar het eigendom van anderen door de

wet beschermd wordt Als U handig bent, pakt U


68 DE JOURNALIST

het stiekum weg als er toevallig niemand in de buurt

is "

Wanneer dit tweede citaat, dat zoo merkwaardig veel

lijkt op het eerste, in deze bewoordingen zou voorkomen

in een boekje, dat voor ieder verkrijgbaar was, dan zou

de schrijver spoedig met de Justitie kennis maken, die

hem aan het verstand zou brengen, dat lectuur over het

onderwerp „Hoe word ik een volleerde dief?" in Nederland

niet verspreid mag worden.

Nu het slechts krantenartikelen betreft, denkt niemand

er aan, den schrijver ter verantwoording te roepen teneinde

hem te wijzen op de weinig fatsoenlijke methode

van voorlichting, welke hij hier volgt. De man deinst

er zelfs niet voor terug, toe te geven, dat dit systeem

van „gap-maar-raak-wat-er-te-gappen-valt" eigenlijk

niet in den haak is en dat men het daarom een beetje

geraffineerd moet toepassen!

Dit is echter slechts één citaat uit het boekje. Het telt

bijna 60 pagina's en we zouden desnoods even zooveel

citaten kunnen vinden om de aan naïviteit grenzende ondeskundigheid

der „schrijvers" (zoo zullen we het dan

maar betitelen) aan te toon en.

Een kleine bloemlezing moge echter nog volgen:

Blz. 7: „Het doel van de meeste couranten en tijdschriften

is het vertellen van nieuws en bijzondere dingen."

Punt. Uit. (Dr. P. H. Ritter zou er tenminste

langer over doen).

Blz. 10: „Menig journalist weet primeurs te behalen,

doordat hij zich bevriendt met hotelportiers, juweliers,

bloemisten en dergelijke personen, die vooraf weten van

intieme gebeurtenissen." (Ik ben al bezig met een lijst

aan te leggen van alle portiers, enz., die Haarlem telt;

vooral juweliers-relaties lijken mij onbetaalbaar).

Blz. 16: (Voorbeeld om een moord te verslaan)

„Ga in uw verbeeldingskracht het motief voor de daad

opsporen. De aanvaller kan aan de politie misschien een

geheel andere reden dan de ware opgeven, omdat hij

hoopt er een kleinere straf door te krijgen". (Een onontbeerlijke

aanwijzing ontbreekt: zet uw hoed ver achter

op het hoofd, rook zware sigaren, draag een zonneklep,

loop in hemdsmouwen en zeg tegen iedereen: ,,Oh

Yeah?")

Blz. 29: „Gebruik dus zooveel mogelijk machines. Met

een schrijfmachine zult U spoedig sneller schrijven dan

met de pen. Als uw productie wat grooter wordt en uw

tijd meer waarde krijgt, is het goed een steno-typiste aan

te schaffen Velen vinden zelfs een typiste te langzaam

en zeggen alles in een dicteergramofoon" (Ik heb

mij terstond zoo'n gemakkelijke machine aangeschaft). .

Zoo zouden we kunnen doorgaan, maar het zou vervelend

worden. De schrijvers — het zijn „de leiders van

den cursus Journalistiek"! — houden er trouwens zelf

eigenaardige opvattingen op na over het onderwerp, dat

zij in dit boekje behandelen. Het gaat over het schrijven

van „pers-artikelen", maar na enkele bladzijden merkt

men plotseling, dat een straatongelukje, een brand, een

scheepsramp, een moordaanslag voor de schrijvers ook

al „artikelen" zijn. En die onderwerpen zijn voor den

amateur, waarvoor dit boekje is geschreven, ook al geschikt.

Ziehier, hoe hij te werk gaat, als er een ongeluk

gebeurt, waarvoor hij zelf de politie heeft gewaarschuwd:

„Als de politie met een motor komt en de ambulance

arriveert, dan zegt U: Ik ben reporter Jansen, die U

opbelde. Nog beter is het, als U tegelijk den naam van

de courant noemt, waaraan U het nieuwsbericht denkt

op te zenden. U zegt dus: Ik ben reporter Jansen van het

Amsterdamsche Dagblad." (Blz. 11).

De onbeschaamdheid, waarvan „reporter" Jansen zich

bedient, zal hem zelf waarschijnlijk niet opvallen; dat is

trouwens ook niet noodig, leert het boekje, want enkele

regels verder wordt onderwezen, dat men het Duitsche

spreekwoord „Bescheidenheid is een deugd, maar zonder

deze deugd komt U verder" vooral goed in zich moet

opnemen.

De laatste bladzijden zijn gewijd aan het onderwerp

„Journalistiek als beroep". „Hebt U er wel eens over

nagedacht" — aldus de schrijvers — „om journalistiek

als uw beroep te kiezen? Het is niet alleen een mooi vak,

maar bovendien is het hoogst interessant. Denk daarbij

niet aan den man, die ongelukken verslaat en kleine

nieuwtjes najaagt. De journalist, die zijn vak verstaat,

schrijft artikelen voor couranten en tijdschriften "

En dan komt de opwekking, deel te nemen aan den

schriftelijken Succes-cursus „Journalistiek", die U in 42

lessen met de geheimen van het vak inwijdt. De kosten

zijn slechts ƒ72.90 of bij contante betaling ƒ65.—!

Wie bovendien na afloop van den cursus slaagt voor het

Succes-Practijk-Examen in de Journalistiek krijgt gratis

het Succes-Diploma (de hoofdletters zijn zeker niet overbodig).

Zoo geeft „Succes" onderricht in de journalistiek en

— wanneer men de fraai gebonden prospectus mag gelooven

— honderden vinden er jaarlijks baat bij. De

artikelen der cursisten worden door vele kranten gekocht,

een lijstje met de beste „afnemers" begint met...

het Handelsblad, onmiddellijk gevolgd door de Nieuwe

Rotterdamsche Courant en De Telegraaf, om De Maasbode,

Het Volk en de Haagsche Post niet te vergeten!

Dat ziet er toch zeker niet slecht uit

En wie de citaten uit „brieven van dankbare cursisten"

leest, moet wel tot de overtuiging komen, dat geen enkele

Nederlandsche courant een artikel meer plaatst, tenzij

het van de hand van een „Succes"-cursist is.

Terzake echter:

„Asso" te Arnhem heeft thans zijn journalistieke

lessen gestaakt, naar aanleiding van de actie die in De

Journalist tegen dit instituut is gevoerd. Maar wordt het

nu ook niet tijd, het instituut „Succes" van de dwalingen

zijns weegs terug te brengen? Het maakt thans op dezelfde

grootscheepsche wijze reclame en velen schijnen

daardoor overdonderd te worden, storten hun penningen

en studeeren vlijtig 42 weken „journalistiek" en zien,

met hun Journalistendiploma(!) in den zak, den gouden

toekomst reeds lichten.

Dat „Succes" er na een enkel protest onzerzijds het

bijltje bij zal neerleggen, is niet aan te nemen. Indertijd

is dit instituut reeds in De Journalist gesignaleerd, later

heeft De Telegraaf er enkele artikelen aan gewijd, die,

gezien den blakenden welstand, waarin de cursus zich,

blijkens de prospectus, mag verheugen, hun doel niet

hebben bereikt.

Maar andere middelen, om „Succes" te dwingen dezen

cursus te staken, staan ons niet ten dienste, omdat het

journalistenberoep nog steeds even onbeschermd is als

voorheen. Binnenkort zal men zich niet meer als winkelier,

slager, loodgieter, bakker enz., kunnen vestigen,

zonder dat men kan aantoonen voor dat vak de noodige

ge geschiktheid en bekwaamheid te boezitten. Maar

journalist kan iedereen worden, mèt diploma zelfs!

Wanneer zal de tijd aanbreken, dat ook in ons vak aan

de „beunhazerij" voor goed een einde wordt gemaakt?

Haarlem, April 1938. E. WERKMAN.

De Journalisten-vereenigingen en de nota

van de heeren Eskelund en Kenyon.

In het Bulletin Mensuel de la Federation Internationale

des Journalistes vinden we de reacties van de

„Union de la Presse Beige" van de „Association de la

Republique de Pologne" en de „Association de la presse

Suise" op de nota van de heeren Eskelund en Kenyon.

De Belgische collega's schrijven dat zij „niet kunnen

blijven deelnemen aan de F.IJ. indien deze schrapt

artikel 2 van haar statuten betreffende de handhaving

der persvrijheid, waarvan zij meer dan ooit zich ten

diepste verbonden gevoelt.

De Polen wijzen er op dat zij uit politiek en geografisch

oogpunt •— tusschen Sowjet Rusland en totalitair

Duitschland — in een specialen toestand verkeeren. Hun


organisatie kan niet „in het luchtledige" werken, zij

moeten verbindtenissen onderhouden óok met journalisten

in de totalitaire landen. Zij is ten stelligste voorstandster

van het principe der persvrijheid, die de basis

is van de organisatie der F.I.J. in haar huidigen vorm,

maar dat belet niet, naar hare meening, het nastreven

van het doel in Juni 1937 bij resolutie te Parijs genomen

en die een zoo breed mogelijke internationale organisatie

als beslist noodig aanwees. Zij wenscht vooral bij

deze gelegenheid nog te onderstreepen dat zij de F.I.J.

niet wil zien in een toestand die den indruk zou wekken

dat zij alleen de ideologische bedoelingen van een zekere

groepeering van staten of zekere beginselen dient, want

een dergelijke internationale organisatie, vooral in de

journalistiek, kan geenszins de zaak van den wereldvrede

dienen.

Dankbaar dus voor de nota der heeren Eskelund en

Kenyon, biedt zij aldus haar meening aan den secretarisgeneraal

van de F.I.J. aan.

De Zwitsers laten omtrent hun opvatting niet den

minsten twijfel. Zij zijn trouwens de directe aanleiding

geweest tot het rondschrijven van de heeren Eskelund

en Kenyon en met algemeene stemmen heeft hun Bond

besloten aan de F.I.J. voor te stellen:

Wijziging van de F.I.J. in een permanente internationale

commissie met een uitsluitend professioneel karakter

aan welke wordt opgedragen een nauw contact te zoeken

met de internationale vereeniging van dagbladuitgevers

en waarin alle landen, zonder eenig voorbehoud van

politiek regime, zullen zijn vertegenwoordigd door één

of twee leden.

Een afwijzend antwoord op dit voorstel zal de Zwitsersche

Bond verplichten de F.I.J. te verlaten.

Naar collega Voorbeytel ons schreef hebben de Engelschen

te Brighton een met de onze overeenkomende

motie aangenomen: Nederlanders, Belgen, Engelschen

en Franschen denken dus gelijk. „De Zwitsers zullen

wel uittreden en we moeten trachten de overigen bijeen

te houden", aldus Voorbeytel.

Ons zwijg-recht.

Moet den journalist het recht worden toegekend in

de rechtszaal te zwijgen over de bron van inlichtingen,

waaraan hij in strijd met hun geheim karakter, ruchtbaarheid

heeft gegeven? Pater Mr. Beuns S.J. meent van

niet, Hij schrijft aan het slot van een uitvoerige beschouwing

in de „Studiën":

„Bij zulke teere aangelegenheden als strafzaken zijn,

mag men vertrouwen op het onderscheidingsvermogen

der rechters. Wordt gemerkt, dat een politieman dingen

weet, die het beter is bedekt te houden, dan wordt dooiden

rechter en door den officier van justitie de penibele

vraag natuurlijk niet gesteld. Mocht de verdachte of zijn

raadsman zoo'n vraag stellen, dan belet de rechtbank

ambtshalve, dat aan die vraag gevolg wordt gegeven.

Zou het toch noodig zijn, dat de sluier wordt opgelicht,

dan kunnen volgens art. 20 van de wet op de Rechterlijke

Organisatie de deuren worden gesloten, zoodat aan

de mededeeling niet meer dan de noodzakelijke rechtbaarheid

wordt gegeven.

De journalist, die als getuige is gedagvaard vanwege

een publicatie, die kennelijk gedaan werd in het algemeen

belang, mag op de prudentie van de rechterlijke

macht vertrouwen. Hij mag er op rekenen, dat zijn kostelooze

„recherche-diensten" met denzelfden maatstaf

zullen worden gemeten als die der publiekrechtelijke

speurders.

Voor een verschooningsrecht van journalisten is in

ons rechtssysteem geen plaats.

Allerwaarschijnlijkst zal de jarenlange strijd tusschen

hen en de justitie periodiek weer opvlammen. De journalist

heeft het voordeel, dat hij gesteund zal worden

door de publieke opinie, omdat hij een gemakkelijk middel

bezit zijn meening op aanlokkelijke wijze op te dringen,

maar de rechterlijke macht heeft het voordeel, dat

DE JOURNALIST 69

zij zich kan beroepen op het sociale nut van een goede

rechtspleging en vooral dit beroep zal op den wetgever

indruk maken.

De anonimiteit is een groot kwaad, omdat het èn den

schrijver èn de bronnen aan hun grondwettelijke verantwoordelijkheid

onttrekt. Zijn er misstanden, dan kan men

deze bij de bevoegde machten aanbrengen, desnoods met

verzwijging van eigen naam. Dat is denuntiatie! Anonieme

denuntiatie pleegt men te brandmerken, maar verliest

anonieme denuntiatie wanneer zij door de pers

wordt bedreven, haar karakter van minderwaardigheid?

Hoe meer de pers er voor ijvert, dat achter ieder

woord een man sta, hoe krachtiger zij het ongezond

jagen naar nieuws intoomt, hoe meer zij de sensatiezucht

van het publiek onvoldaan laat, des te zeldzamer

zal de journalist vóór den rechterstoel moeten verschijnen

en des te minder behoefte zal zij hebben om zich te

verschoonen van het geven van getuigenis.

De conjunctuurlijn, die den moreelen stand van de

pers aangeeft, loopt in tegengestelde richting met de lijn,

die het op- en neergaan van haar vermeende behoefte

om in de rechtszaal te zwijgen, registreert."

„Zoo ontving ons volk Prinses Beatrix.''

De uitgeversmaatschappij De Tijdstroom zond ons

een boekje waarin 2500 antwoorden op de Oranje-rondvraag

van het weekblad De Groene Amsterdammer als

een document van den 31 sten Januari 1938 geestig

werden samengevat en gerubriceerd.

De bedoeling van dit recensie-exemplaar" zal wel zijn,

dat we van de beweringen van landgenooten betreffende

de pers vriendelijk kennis nemen en die aan de collega's

over vertellen.

Heel welwillend is men meestal niet.

Vooral „de studenten" gaan tegen ons te keer: „zeer

onbelangrijk"; „onkiesch geschrijf"; „hoop in het vervolg

van deze soort journalistiek verschoond te blijven"; „lees

ik niet, walg van die gekunstelde stukjes met brallende

en verheven toon".

Nog al onduidelijk is de student die schreef:

„Oranjeliefde tot ongezonde proporties uitgegroeid,

95 % matiging noodig"; „ik verheug mij over het geluk

van ons vorstenhuis, maar vind de opschroeverij in pers

en radio en de uitingen van „denkende" menschen een

zielig bewijs van de suggestieve kracht van propaganda

en opvoeding"(?)

Journalisten zelf zijn al even sceptisch:

„Wie bezit het woord en de pen van de massa op

ruimer weg te leiden, die voert via nadenken tot verstaan?

vraagt er een met blijkbaar Bollandsche neigingen.

Welk perscommentaar heeft u het meest getroffen?

was één der vragen en de antwoorden waren: „Géén.

Heb slechts de koppen gelezen" of: „Heb' slechts één

krant gelezen."

Een grappenmaker wees op een provinciale krant,

die schreef: „dat Prins Bernhard nog steeds bedlegerig

is".

En: „Getroffen hebben ze mij allen en mij bewezen,

dat ook in vrij Nederland geen onafhankelijke pers bestaat".

Onder de vrije antwoorden was er dit: „laat de journalisten

een volgenden keer niet dag en nacht 't heiligste

van de moeder uitbuiten terwille van de actualiteit".

Van een jurist: „Au fond zijn ze alle gelijk met dezelfde

foto-cliché's en taal-cliché's en niets van de werkelijke

gevoelens weerspiegelenden woordenstroom".

Een gepensioeneerd Indisch ambtenaar, 62 jaar:

„Ergerlijk en walgelijk van lik en kwijl".

Vrouwelijk kantoorbediende: „Journalisten kunnen

voor de meest onkiesche taal zorgen wat het moederschap

betreft".

Ambtenaar Amsterdam: „Misselijke en wëeige oudedames

verhaaltjes".

Stuurman Amsterdam: „Akelig en onverkwikkelijk

vind ik de indiscrete wijze, waarop sommige kranten

voor de gebeurtenis aasden op praatjes en nieuwtjes uit


70 DE JO U R N A L IS T

Soestdijk en de manier waarop dit cru beschreven werd

en als sensatie en attractie werd gelanceerd.

Kantoorbediende: „Clichéwerk. Zetsel kan bewaard

worden voor kind van B. W. A."

Leeraar te Amsterdam: „De kranten waren allemaal

even naar, behalve Het Volk dat zuur was".

Gasfitter te Amsterdam: „Het meest trof mij Het

Volk, waarvan ik lezer ben. Dat is omgedraaid als een

blad van een boom, van sociaal naar liberaal".

Op het prentje in de slotpagina is een slappe man

over een stoel gehangen, de loome handen neergeworpen

naar een hoopje copypapier op den grond en het bijschrift:

„Gelukkig dat het voorbij is. Het was zenuwsloopend.

(Journalist)."

Weer een geromantiseerde hoofdredacteur.

In den jongsten roman van Alie van Wijhe-Smeding

„Bruggenbouwers" is de hoofdpersoon een journalist,

Taco Solwerda, hoofdredacteur van De drie meren, een

driemaal per week verschijnende krant.

Vrijwel altoos komt ons vak er in de literatuur, in

romans en tooneelspelen, bekaaid af — er is al meer over

geklaagd — en ook in „Bruggenbouwers" laat de auteur

een hoofdredacteur optreden, dien zij zeker niet door

eigen aanschouwing heeft leeren kennen. Eer is het of

de tante van een zetterij-jog haar verteld heeft hoe zoo'n

hoofdredacteur er uit ziet.

Dat Solwerda een erge don-juan is, zelfs met medewerksters

die hem copy brengen aan 't vrijen gaat, is nog

bijzaak, maar deze hoofdredacteur knipt zijn copy met

een groote schaar, plakt ze met gluton op — er is in

zijn bedrijf blijkbaar geen telex ofschoon volgens de

„berichtjes" die hij knipt de roman in dezen tijd speelt.

Een enkele maal wordt over „het pakje van Vas Diaz"

gepraat. Voorts neemt hij per telefoon annonces op,

belooft een berichtje erbij onder plaatselijk nieuws!, ontvangt

candidaten voor een jaarcontract advertenties,

poeiert een andere af die zoo'n contract wil verbreken,

snauwt onderwijl correspondenten af, ontvangt telkens

den gedelegeerd-commissaris Krakkeel voor „giftige

gesprekken": „Als directeur en hoofdredacteur van de

„Drie Meren" heb ik toch ook wel het recht een en

ander vast te stellen, mijnheer Krakkeel?, of niet? Wilt

u van die Solwerda heelemaal een stroopop maken?"

Alles in tegenwoordigheid van zijn tikster Jozefien

Velting.

Voorts is in dit werk van enkel korte nerveuze zinnetjes

de hoofdredacteur zoo'n verwarde, verwezen zelfbeklager

— hij denkt onophoudelijk aan andere dingen

dan zijn krant en wandelt meer rond dan hij op zijn

bureau zit — dat men moeilijk kan begrijpen hoe zoon

man nog een behoorlijk artikel kan schrijven of eenige

leiding geven.

In het stadje Ryckevorsel waar het verhaal zich afspeelt

ontstaat dan een Oxfordbeweging en Solwerda's

commissaris, Solwerda's zetterijchef, Solwerda's tikmeisje,

Solwerda's vrouw en haast alle Solwerda's vrienden

treden toe en de heele gemeente raakt er van overstuur.

Er blijft niets van Oxford heel: „Je mag je wel in

acht nemen, Solwerda, voor die verderfelijke groep. Ze

storten je met een glimlach in het ongeluk. Ze leveren

je met die intieme gesprekken over hun zonden, met

huid en haar over aan de ongenadige publieke opinie.

En dan zeggen ze: ik deed het voor je bestwil. Het is

een stichtelijke chronique scandaleuse, dat heele Oxford!*'

— zoo waarschuwt een ontgoochelde Solwerda.

Doch op het eind is iedereen in Ryckevorsel lid van

Oxford, de chef van de zetterij en de boekhouder komen

Solwerda namens het personeel vragen om 's morgens

met „z'n allen stille tijd te houden, een minuut of twintig

vóór het werk aanvangt", doch dan is Solwerda 80 %

patroon en 20% Oxfordman, dus hij weigert.

Evenwel schijnt dan de roman een pleidooi vóór Oxford

te zijn geworden en ook de hoofdredacteur, verzoend

met zijn vrouw, beklimt in een vergadering het

toon eel, belijdt zijn schuld en zal in de toekomst ten volle

meedoen. Hopen we voor hem dat hij een waarschijnlijker

Oxfordman dan journalist zal wezen.

Wat, tenslotte, de bedoeling van mevrouw Van Wijhe

betreft, of zij Oxford wil loven of laken, aanbevelen of

afwijzen, dat is zeer onduidelijk, 't Is allebei mogelijk.

Maar van „journalistiek" begrijpt zij niet veel.

N. J. K. EN F. I. J.

De Nederlandsche Journalistenkring verklaart geen

prijs te stellen op het lidmaatschap van een internationale

journalistenorganisatie, die het beginsel der persvrijheid,

eenmaal in haar statuten opgenomen, daaruit wil

schrappen."

Deze motie, opgesteld door het bestuur, is door de

algemeene vergadering met overweldigende meerderheid

aanvaard. Zij bleek het algemeene gevoelen op treffende

wijze te vertolken.

Men kan slechts waardeering koesteren voor de beweegredenen

van ideëlen aard, die bestuur en vergadering

tot deze uitspraak hebben geleid. Het beginsel der

persvrijheid, terecht essentieel geacht in de democratie,

was hier in het geding gebracht. Liever dan dit beginsel

te verloochenen besloot men, zij het met onmiskenbaar

leedwezen, desnoods het internationaal contact der vakgenooten

op te offeren, evenals de Belgische collega's

reeds gedaan hebben.

Tot de drie tegenstemmers behoorde ondergeteekende.

Niet om verantwoording af te leggen kom ik terug op

deze aangelegenheid, die overigens volkomen is afgedaan.

Maar wel, omdat ik het noodzakelijk acht de

kwestie van enkele andere zijden te beschouwen. Zij

is daarvoor van voldoende belang. Om misverstand uit

te sluiten stel ik er prijs op te verklaren, dat ik een

beslist tegenstander ben van den autoritairen staatsvorm,

zij het nu dat deze nationaal-socialisme, fascisme

dan wel bolsjewisme of nog anders heet.

Op de vergadering werd terloops reeds gewezen op

het Duitsche standpunt nopens de persvrijheid. Men

huldigt daar de opvatting, dat slechts die journalist in

waarheid persvrijheid geniet, die op grond van zijn persoonlijke

nationaal-socialistische overtuiging de bevoegdheid

heeft verkregen het publiek te leiden en voor te

lichten, soms zelfs de autoriteiten te critiseeren. Volgens

Duitsche meening is van waarlijke persvrijheid geen

sprake in de democratische landen, waar de journalist

tengevolge van economische afhankelijkheid nooit of

bijna nooit zijn eigen meening kan uitspreken. Want het

zou al heel toevallig zijn als de innerlijke overtuiging

van den journalist steeds samenviel met de economische

belangen van zijn directie.

In hoeverre klopt nu deze Duitsche zienswijze met

de feiten?

Enkele interessante artikelen in ons orgaan hebben

gegevens van beteekenis meegedeeld over de buitenlandsche

correspondenties in het algemeen. De objectiviteit

daarvan schijnt niet geheel onaanvechtbaar te zijn, hoewel

er in de meeste gevallen toch geen rechtstreeksche

economische belangen mede verbonden zijn. En naar wij

allen weten is het uitgesloten, dat een artikel, waarin

de belangen van een „groot-adverteerder" op ernstige

wijze worden aangetast, met goedvinden van de directie

in de krant zou komen, ook al bedoelde de schrijver

het algemeen belang te dienen. Geen Nederlandsch journalist

zal m.i. willen ontkennen, dat de persvrijheid hier

te lande onderhevig is aan beperkingen, die in economische

Overwegingen hun oorsprong vinden.

Wij weten niet hoe het in Duitschland realiter is gesteld

met de vrijheid der journalisten. Immers het komt

er niet op aan, welken indruk het Duitsche stelsel zou

maken op ons, Nederlandsche persmenschen. De Duitsche

pers is „gezuiverd", d.w.z. dat daarin thans uitsluitend

overtuigde nationaal-socialisten werkzaam zijn.

Het is zeer wel denkbaar en zelfs waarschijnlijk, dat hun

*


instemming met de regeeringspolitiek dermate volkomen

is, dat zij volstrekt eerlijk datgene kunnen schrijven,

wat van hen verwacht wordt. Hoe ver hun bevoegdheid

gaat om in afzonderlijke gevallen critiek te oefenen is

mij onbekend. Tot op zekere hoogte is dat ook meer een

kwestie van practische, dan van principieele beteekenis.

*

Laat mij thans ter verduidelijking van mijn bedoeling

een vergelijking mogen trekken tusschen den nationaalsocialistischen

Duitschen *) journalist en een Nederlandschen,

die aan een of ander politiek blad verbonden

is. Dezer dagen genoot ik het voorrecht met een collega,

die een vooraanstaande plaats bij een leidend politiek

orgaan inneemt, over dit onderwerp van gedachten te

wisselen. Hij deelde mij mede, dat het hem geoorloofd

was geheel zijn eigen meening neer te schrijven over

de politieke aangelegenheden van den dag. Op voorwaarde

slechts dat hij bij een meeningsverschil met partijgenooten

ook de opvatting van zijn tegenstander volledig

en onverminkt vermeldt. Geen fatsoenlijk criticus

denkt eraan tegenover welke tegenpartij dan ook een

andere handelswijze te volgen, zoodat hier van geen

beperking sprake is. Maar bedoelde collega komt, naar

hij mij verzekerde, zelden te staan voor de noodzaak

zijn politieke medestanders te bestrijden. Hij is immers

eerst op zijn verantwoordelijken post geplaatst, toen zijn

beginselen in politieke mentaliteit gebleken waren in

overeenstemming met die der partij te zijn.

Men vindt hier een treffend voorbeeld van groote

vrijheid als gevolg van vrijwillige gebondenheid. Het

lijdt immers geen twijfel, dat de politieke pers door haar

positie van opvoedster tegenover den lezerskring minder

afhankelijk staat dan de neutrale.

Gaarne geef ik toe, dat de vergelijking tusschen de

Duitsche pers en de Nederlandsche politieke bladen niet

geheel opgaat, maar het zijn stellig geen onvergelijkbare

grootheden. Men heeft wel gezegd, dat De Girardin

ruim honderd jaar geleden aan de persvrijheid den doodsteek

heeft toegebracht, toen hij de betaalde advertentie

uitvond. Men vergeet dan, dat ook vóórdien de journalist

verplicht was rekening te houden met zijn

abonné's.

Sommigen gaan een stap verder en meenen, dat de

oorzaak van alle journalistieke moeilijkheden gelegen is

in de tweeslachtigheid van de krant. Zij is eenerzijds

een cultureele instelling, anderzijds een commercieele

onderneming.

Wie zoo redeneeren, vergeten dat zelfs een blad, dat

gefinancierd zou worden door een onmetelijk rijke

stichting, wier beheerders de redacteuren waren, zoodat

advertenties niet opgenomen behoefden te worden en

abonnementsgelden quantité négligeable waren, dat zelfs

een dergelijk blad rekening zou moeten houden met de

openbare meening op straffe van steriliteit. Want indien

een krant de opvattingen van zijn lezerskring totaal

negeerde, zou zij daardoor tevens alle contact met hen

verliezen en dientengevolge ongelezen blijven, al zou

zij ook gratis rondgebracht worden. Zoo schiet men zijn

doel voorbij. Ook het onafhankelijkst blad, op de voortreffelijkste

wijze geredigeerd en met de onbaatzuchtaigste

bedoelingen bezield, slechts bedacht op het algemeen

belang, blijft steriel als niemand het leest.

De kern van het probleem: leiding geven aan de publieke

opinie of haar volgen? komt hiermee in het geding.

En dit probleem is allerminst uitsluitend journalistiek.

Wie nooit volgt, heeft geen contact en kan dus

niet leiden, wie steeds volgt mist alle leidershoedanigheden.

*

1 ) Wat hier opgemerkt wordt oyer den toestand in Duitschland,

geldt mutatis mutandis natuurlijk ook van andere dictatoriaal ge'

regeerde landen.T'erwille van den eenvoud heb ik mij tot Duitschland

bepaald.

DE JOURNALIST 71

Met het bovenstaande is tevens de betrekkelijkheid

der persvrijheid in het licht gesteld. Wij zijn steeds gewend

geweest daarmee slechts de politieke zijde van

de persvrijheid aan te duiden en hebben ons tot dusver

weinig bekommerd om de andere aspecten. Geen kenner

der toestanden zal reppen van persvrijheid in de Vereenigde

Staten, hoewel daar formeel van geen politieke

beperking sprake is. Het zou mij te ver voeren hier te

onderzoeken, in hoeverre men zelfs in ons land van volstrekte

politieke persvrijheid kan spreken. Maar buiten

kijf staat, naar ik vertrouw te hebben aangetoond, dat

algeheele persvrijheid zelfs theoretisch een volslagen

onmogelijkheid is. Daaraan zou ik willen toevoegen, dat

het geenszins eenvoudig indien al uitvoerbaar is de mate

van werJcelijke pers (on) vrijheid uit te drukken; derhalve

kan men zich niet wagen aan eenigszins nauwkeurige

vergelijkingen.

Wanneer men inziet, dat men in het verleden zich

heeft vergist, doet men goed te trachten deze vergissing

ongedaan te maken. Het komt mij voor, dat het een

vergissing was in de statuten der F.I.J. het beginsel der

persvrijheid op te nemen, althans in dezen onvoldoend

omschreven vorm. Thans die vergissing te herstellen

zou van verbeterd inzicht getuigen en tevens een bewijs

van zedelijken moed zijn, daar men zich aan de verdenking

blootstelt een knieval voor de dictaturen te doen.

Indien de aangesloten vereenigingen uit democratische

landen alle deze meening waren toegedaan, zou de

F.I.J. in stand kunnen blijven. Op zichzelf bestaat er

geen reden om op grond van personvrijheid (dat wil dus

zeggen andersoortige pers-onvrijheid dan de ons bekende)

een federatief verband met bepaalde groepen collegae

te weigeren. Collegiaal contact en vruchtbare gedachtenwisseling

is mogelijk ook, of liever juist met, die

vakgenooten, die hun arbeid verrichten onder geheel

andere omstandigheden.

* *

*

Een slotopmerking zij mij veroorloofd. Iedere overtuigde

aanhanger van eenigerlei levensbeschouwing heeft

de begrijpelijke neiging zijn opvatting tot de beste en

eenig juiste te proclameeren. Kenmerkend voor het

wezen der democratie is evenwel haar verdraagzaamheid,

juister haar eerbied voor anderer overtuiging. Maar ook

de democraat is overtuigd en hij is mensch. Tengevolge

van zijn menschelijke zwakheid loopt in strijd met zijn

democratische overtuiging de democratie te proclameeren

tot den eenig juisten, althans hoogsten staatsvorm.

Dit is ondemocratisch. Vooral wanneer deze appreciatie

wordt toegepast op vreemde landen, die men immers

nooit geheel kent en kan beoordeelen. De democraat

behoort het zelfbeschikkingsrecht van andere volken onbeperkt

te eerbiedigen, ook indien die volken in sommige

opzichten van dit recht een gebruik maken, dat hij

als misbruik moet qualificeeren. i)

Ook krachtens onze Nederlandsche democratische gezindheid

betreur ik het derhalve, dat de Kring gemeend

heeft de bestuursmotie te moeten aanvaarden, waaruit

langs een omweg blijkt de onwil om vereenigd te zijn

met collegae uit dictatoriaal geregeerde landen.

Dr. N. J. D. VERSLUYS.

1 ) Grootendeels los hiervan staat het belangwekkende probleem,

dat eenige jaren geleden werd aangeroerd door den Amsterdamschen

hoogleeraar prof. mr. dr. G. van den Bergh. Hij stelde ten

tijde van de opkomst der N.S.B, de toenmaals actueele vraag, of

de democratie zoo consequent trouw aan haar beginsel moest blijven,

dat ze ook aan een politieke richting, die het openlijk op het leven

der democratie gemunt had, volle gelegenheid tot ontplooiing moest

laten. Immers, indien deze politieke richting een meerderheid zou

verwerven en dan de democratie zou opheffen, zou het naderhand

na een omslag in de openbare meening onmogelijk zijn haar te laten

verdwijnen langs denzelfden (democratischen) weg, als waarlangs

zij gekomen was. Daar men evenwel op buitenlandsche staatsvormen

geen invloed heeft of behoort te hebben, is deze kwestie van geen

belang voor het onderwerp,, dat ons thans bezighoudt.


72 DE JOURNALIST

Het IVe Congres

voor Dag blad wetenschap te Leuven.

Een Vlaamsen Cultureel Persverbond

in oprichting.

De Vereeniging voor Wetenschap in Vlaanderen

organiseert elke twee jaar, om beurten te Gent en te

Leuven, de Vlaamsche Wetenschappelijke Congressen.

Het waren er ditmaal 9, die van 22—24 April in een

aantal Universiteitsgebouwen te Leuven zijn gehouden.

In dit kader kwam voor de vierde maal het Congres

voor Dagbladwetenschap in 3 zittingen bijeen. Het telde

ongeveer 30 deelnemers, onder wie enkele geestelijken

en studenten, maar de meerderheid bestond uit' Vlaamsche

journalisten. Het meerendeel der referaten was dan

ook op de practijk en op de Vlaamsche toestanden afgestemd.

In een der college-zalen van het Spoelberch-instituut,

voor dit Congres gereserveerd, verwelkomde de voorzitter,

dr. P. E. Valvekens op Zaterdagmorgen 23 April

even na 10 uur de aanwezigen met weinige, maar hartelijke

woorden.

De heer G. van Nuf f el—Baccaert (Aalst) opende de

rij van spreekbeurten. Van alle factoren, die in de wereldgeschiedenis

een rol hebben gespeeld en zullen

spelen, is de cultuur de voornaamste, ook al zijn er

perioden, waarin dat anders lijkt te zijn. De taal is de

draagster der cultuur en voor de ontwikkeling van de

cultuur binnen een bepaald taalgebied draagt de pers

een groote verantwoordelijkheid. Een voornaam deel

harer taak is het nauwer aanhalen van den cultureelen

band tusschen de verschillende naties binnen bepaalde

taalgrenzen. Vooral het Dietsche volk moet van zijn

cultuurgemeenschap meer bewust worden gemaakt door

zijn pers en het lezen van Noord-Nederlandsche bladen

in Vlaanderen en omgekeerd dient sterk te worden bevorderd.

Na een kort debat las dr. Valvekens de statuten voor,

die twee Vlaamsche journalisten hadden ontworpen voor

een op te richten Vlaamschen Cultureelen Persbond, dat

den volgenden dag nader zou worden besproken.

In zijn referaat over het dagblad en de geschiedschrijving

zeide de voorzitter ,dat de courant alleen

waarde voor den historicus heeft, indien de journalist

de feiten zelf heeft geobserveerd, ze goed weet weer te

geven en vlug neer te schrijven. Aan de copy van persbureaux

kleven veel gebreken en de dagbladredactie

en later de historicus hebben weinig controle op de juistheid.

Toch blijft het dagblad een belangrijk historisch

document indien de historicus het zeer critisch leest.

Bij het debat kwamen van meer kanten bezwaren naar

voren tegen de „confectie-copy".

Vermelding verdient, dat de secretaris van het congres

in den loop van het debat zeide de leiding van den

Nederlandschen regeeringspersdienst beter dan die van

de Belgische te achten.

In de bijeenkomst 's middags sprak de heer G. de

Bruyn, drs. econ. (Rotterdam) over het dagblad in de

theorie en de dagbladwetenschap in de practijk. •

In de literatuur vindt men een aantal kenmerken van

een dagblad opgesomd o.a. de universaliteit van den

inhoud en aan die kenmerken kan men een blad toetsen,

als voor een practisch doel moet worden uitgemaakt of

het een dagblad is. Een geval van zoo'n toetsing leerde,

dat de jonge theorie nog niet volmaakt is toen daarbij

de vraag rees: Welke mate van universaliteit moet de

inhoud van een courant ten minste vertoonen? Spr. kwam

tot de conclusie, dat een krant pas een dagblad is, indien

het voorziet in de behoefte aan het dagelijksch,

actueel geestelijk voedsel van een groep lezers buiten

hun persoonlijken omgang met anderen. Dat geldt ook

voor het geval, dat hun belangstelling en daarom de stof

van een courant naar den omvang of naar het aantal

levensgebieden, die zij bestrijkt, slechts beperkt is. In

het tweede deel van zijn referaat schetste spr. de ontwikkeling

van de dagbladwetenschap. Een krant vervult

verschillende publiciteitsfuncties zooals informatie, instructie,

commentaar, propaganda, reclame e.d. Men

heeft de studie daarvan, ook hoe zij vóór het ontstaan

van het dagblad en hoe zij in den modernen tijd in

andere organen dan het dagblad worden vervuld, bij de

dagbladwetenschap willen betrekken, maar toen werd

specialisatie noodzakelijk. De studie van de functies, de

verschillen en de overeenkomsten tusschen de organen

zooals de pers, radio, film, enz. kan aan een wetenschap

der publiciteit worden toevertrouwd, waarbinnen o.a. de

dagbladwetenschap een autonoom gebied van intensieve

en speciale studie kan vormen. Voor zoover de publiciteitsfuncties

op de openbare zaak betrekking hebben,

kunnen zij tot de publicistiek, een onderdeel der publiciteit

dus, worden gerekend.

De heer H. G. Cannegieter (Haarlem) wilde de courant

thans niet als nieuwsblad, maar als apparaat van

massa-suggestie zien, dat dagelijks op de lezers zoo'n

deprimeerende en demoraliseerende invloed oefent met

een sensationeele en onkiesche reportage. Het resultaat

is, dat vele menschen afgestompt raken en sommigen

zelfs in de krant de bron van alle kwaad zien. Zij is

echter slechts een spiegelbeeld, al kon zij veel objectiever

de gebeurtenissen weerspiegelen. Weliswaar legt de pers

zichzelf een zekere censuur op, b.v. in zedenzaken, maar

zij zoekt in vele andere zaken nog te veel de sensatie

ter wille van den winst. Het lijkt moeilijk daaraan te ontkomen,

maar de pers moet zelf er naar streven alleen

suggestie ten goede te oefenen, b.v. de naleving der verkeersregels

door tekst en illustraties suggereeren. Spr.

besloot met den wensch dat de couranten een scherpe

selectie zullen toepassen tusschen het zinrijke en het

zinlooze en alleen het eerste zullen opnemen in het

belang van de geestelijke volksgezondheid.

De anonymiteit in de pers was het onderwerp van de

spreekbeurt van den heer M. van den Broucke (Zellik).

Het kenmerken van de artikelen van een journalist met

een hoefijzer, een ster e.d. doet den lezer wel zien, dat hij

steeds de beschouwingen van een bepaalden redacteur

leest en al zijn er lezers, die zijn naam kennen ,in het

algemeen heffen die kenteekenen de anonymiteit niet op.

Verder gaf deze spreker in het kort de argumenten

weer, die men voor en tegen de anonymiteit te berde

heeft gebracht op het congres van den Nederlandschen

Journalisten-Kring te Rotterdam in 1920 en die de schrijvers

als D. Hans, v. d. Meulen ,dr. Otto Groth en mr.

Plemp van Duiveland hebben uiteengezet.

De heer J. Sassen-Clingh (Schaarbeek) sprak tenslotte

over de pers als de (formeel staatsrechtelijk) onverantwoordelijke

vierde macht in den staat. Hij schetste

haar vrijheid in een aantal landen, haar macht en haar

moreele (verantwoordelijkheid. Een goede organisatie

van dagbladschrijvers kan en moet deze vrijheid binnen

de juiste perken houden. Bij het debat kwamen de moeilijkheden

van een nauwkeurige vaststelling van het begrip

journalist en van een wettelijke regeling voor dit

beroep zonder te veel vrijheidsbeperking naar voren.

Op Zondagmorgen was het aantal belangstellenden

nog grooter dan den vorigen dag. Enkele referaten werden

door ongeveer 60 personen aangehoord. Het eerste

was van den heer heer G. Crommen (Gent), die over

de pers en de politiek sprak. De acta diurna onder Cesar

uitgegeven stonden reeds onder den invloed van den

staat.

Théophraste Renandot mocht in Frankrijk in later

eeuwen zijn periodiek alleen uitgeven, als hij de politiek

van Richelieu wilde steunen. Met de Fransche revolutie

wordt de pers vrij, totdat Napoleon weer ingreep. In

Duitschland komen steeds perioden van vrijheid en verdrukking

voor. Spr. concludeerde, dat de pers van haar

ontstaan af de heerschers heeft moeten dienen, dat met

de pers tegelijk de censuur is ontstaan en dat de politiek

de pers steeds beheerscht ook als zij van de staatsleiding

vrij staat. Die band met de politiek is thans nauwer dan

ooit. Een symptoom in België is het aantal persprocessen;

waarin een merkwaardige evolutie heeft plaats ge-


had. Vijftig jaar geleden waren de straffen insluiting in

de gevangenis, later was het meer om de moreele veroordeeling

te doen en vroeg de beleedigde partij soms

slechts één franc schadevergoeding, maar nu stijgen de

eischen tot honderdduizenden francs, sneller dan het

indexcijfer. Wapenfabrikanten hebben invloed op de

pers .waarin zich verder groote trusts vormen. In de

autoritaire staten ligt de pers geheel aan banden. Er

wordt in de pers politiek gemaakt met ,,gruwelberichten"

in woord en beeld (trucfoto's). Spr. achtte het een

groote stap vooruit, indien de bladen de herkomst van

allen financieelen steun bekend zouden moeten maken.

De heer G. Herreman (Brussel), journalist en dichter,

bepleitte een pers, die zou streven naar grootere

beschaving van eiken individueelen lezer. Dat zou de

wereld beschaafder en gelukkiger maken.

Helaas is er weinig van dat streven in de pers te

bespeuren. Zij wijdt duizend regels aan Landru en 3

aan een winnaar van den Nobelprijs. Vooral de Vlaamsche

pers behoorde zich tot een veel hooger peil te

verheffen en meer de Vlaamsche cultuur te dienen. De

wel wat erg practische en nuchtere toon van debat

contrasteerde sterk met dit idealistische betoog.

De pers en de sociale psychologie was het onderwerp,

dat de heer O. Deswaef (Anderlecht) besprak.

Als een reactie op het individualisme van de vorige

eeuw is deze tijd rijk aan verschillende vormen van

massa-mystiek, die soms zelfs de meest critische menschen

meesleepen. De leiders weten in de massa bewegingen

wakker te roepen, die tot een doel leiden,

waarvoor de menschen individueel weinig of niets voelen.

Bij de middelen als optochten, vuurwerken, massale

feesten enz. behoort ook de propaganda in de pers, de

radio en de film. De journalisten worden opgeleid in

de sociale psychologie, die slagwoorden, het aankweeken

van vereering voor den leider gebruikt voor den

greep op de massa. De westersche beschaving moet een

pers hebben, die individueel op den lezer inwerkt; de

Vlaamsche pers moet bovendien de Vlaamsche cultureele

beweging steunen en gelegenheid geven tot debat

in vriendschappelijken toon.

De directeur van het Vlaamsche gesproken dagblad

van de Belgische radio, de heer G. de Muynck (Antwerpen),

behandelde het thema pers en radio. De

overeenkomsten zijn, dat beide zich tot de massa wenden;

België telt ongeveer 1 millioen ontvangtoestellen

en de oplaag van de pers is ongeveer 2 millioen exemplaren;

beide dienen een cultureel belang en practische

doeleinden en worden zoo economisch mogelijk beheerd.

De verschillen zijn, dat de pers in vele landen aan het

particulier initiatief kan worden overgelaten, maar de

radio is overal onder het toezicht van den staat, omdat

een ophitsing door een radiozender gevaarlijker zou

zijn dan in een krant; de courantenlezers kunnen uit

vele bladen hun lectuur kiezen en in de courant overslaan

wat hun niet interesseert, de luisteraar heeft een

beperkte keuze. Spr. zou willen, dat er meer zenders

waren met verschillende programma's op elk tijdstip; hij

zou ook meer debat voor de radio willen laten houden.

De pers en radio zijn slechts in onbeteekenende mate

concurrenten van elkaar, ook al zou de radio meer ooggetuigenverslagen

geven. Haar nieuws moet bondig

en objectief zijn en zelfs dan nog voelen sommige

luisteraars zich gekwetst, als hun onwelgevallig nieuws

wordt uitgezonden. Zij zullen aan een meer volledige

gelijkgezinde krant de voorkeur geven. Pers en radio

moesten meer samenwerken, de eerste moest meer beschouwingen

over uitzendingen publiceeren, hetgeen de

lezers zouden waardeeren. Ook op het gebied van het

nieuws kan de radio slechts een prikkel zijn tot de courantenlectuur,

des te meer naarmate hun samenwerking

grooter is.

Tenslotte sprak de secretaris van het congres, de

heer M. J. Liesenborghs (Brussel), over de plaats van

de pers in de Vlaamsche volksbeweging. Het in 1844

opgerichte eerste Vlaamsche dagblad, waaraan onder

meer H. Conscience medewerkte, stelde zich tot doel

DE JOURNALIST 73

het Vlaamsche volk in zijn strijd om zijn rechten te

steunen. Het bestond slechts kort, maar alle later opgerichte

Vlaamsche couranten streefden hetzelfde na.

Van de 2.400.000 Vlaamsche gezinnen lezen slechts een

deel Vlaamsche couranten, die een oplage van 800.000

exemplaren hebben. Van de gezinsbudgetten wordt

0.3 % aan courantenlectuur besteed, maar veel meer

aan alcohol uitgegeven. De Vlaamsche pers staat ook

nog niet op het gewenschte peil en strijdt nog te veel

in verspreide slagorde voor de Vlaamsche volksbeweging.

Het wordt tijd, dat er een Vlaamsch Cultureel

Persverbond wordt opgericht, dat alle Vlaamsche journalisten,

zonder op het gebied van de bestaande beroepsorganisaties

te komen, in één cultureelen bond

vereenigt.

Het Congres besloot in beginsel tot de oprichting

van zoo'n verbond over te gaan. Binnenkort zal dit

definitief worden tot stand gebracht. Een commissie,

bestaande uit de heeren M. J. Liesenborghs, G. de

Muynck, G. Roose en A. Mareel, zal het verder voorbereiden.

Na een kort, maar hartelijk slotwoord van den voorzitter,

dr. P. E. Valvekens, ging het welgeslaagde Congres

uiteen.

G. DE BRUYN, drs. econ.

Bestaat er werkelijk persvrijheid ?

(Spelling Marchant).

„Zij, die beweren, dat de pers vrij is om alle onderwerpen

welke voor een democratische staat van belang

zijn, te bespreken, begaan een ernstige fout. Bijna alle

kranten brengen ons er toe te constateren, dat zij hoofdzakelijk

om deze twee doeleinden bestaan:

1. het publiceren van nieuws (het geven van betrouwbare

verslagen van belangrijke gebeurtenissen en

handelingen);

2. het voorzien in een middel tot uitdrukking van de

welonderrichte en verstandelijke opinie over de tijd.

Geen van deze beide doeleinden staat bij de grote

kranten op het eerste plan."

Het bovenstaande is de conclusie van den heer W. J.

Scott, uit Nieuw Zeeland, die over de pers en de persvrijheid

een rede heeft gehouden voor de microfoon van

het omroepstation 2 YA en waarvan een uittreksel verschenen

is in het Nieuwzeelandse blad The Standard.

Hoewel men het niet in alle delen met de mening van

den heer Cott eens behoeft te zijn, bevat zijn rede gedeelten,

die belangwekkend genoeg zijn om in een vakblad

voor journalisten te worden herhaald. Veel van

wat de heer Scott naar voren bracht, betekent geenszins

een nieuw inzicht in de zo uitermate gecompliceerde

verhouding tussen pers, koopmanschap en ideële roeping,

doch anderszins heeft het de verdienste de vinger

te hebben gelegd op waarheden, welke wij te dikwijls

nog in ons haastige leven voorbij zien in onze verdediging

van de persvrijheid. Het zijn waarheden, die evenzovele

tekortkomingen betekenen in de perswereld.

Een open oog voor fouten in de bestaande toestand,

zal ons er echter toe brengen de strijd tegen de persknevelarij

met nog groter hardnekkigheid te voeren dan

de verdediging van de democratische vrijheden alleen.

Wat de belangrijkste factor in het krantenwezen uitmaakt,

zo zegt de heer Scott in zijn rede (en hij doelt

daarbij niet op de uitgesproken partijbladen), is het maken

van winst voor de eigenaars der kranten. Een krant

is een zaak, en als zij als zodanig wil blijven bestaan,

zal zij ook als een zaak moeten slagen. De enige manier

om dat te bereiken, is het tot zich trekken van een groot

aantal advertenties van fabrikanten en verkopers van

massa-artikelen, opdat de krant de grote schare van

de toekomstige kopers dier artikelen tot zich zal trekken.

In deze dagen van scherpe concurrentie tussen de


74 DE JOURNALIST

kranteneigenaars legt de winst veel meer gewicht voor

hen in de schaal dan in de 19e eeuw het geval is geweest.

Hamilton Fyfe heeft een belangwekkend boek geschreven,

dat kortelings is verschenen. Het heet „Press

Parade" en daarin beschrijft hij de veranderingen, die

er in de laatste vijftig jaar in de pers hebben plaats gevonden.

Van een orgaan voor het geven van inlichtingen

is zij in de handen van den „revolutionnairen"

Northcliffe geworden tot een orgaan voor 't brengen van

afleiding en vermaak. In de handen van zijn broer, Lord

Rothermore, en andere kranteneigenaars van heden ten

dage is zij geworden tot een orgaan voor het maken

van winst voor henzelf.

Deze verandering ging vergezeld van een grote toeneming

in omvang en kosten van advertenties, alsmede

in het uiterlijk daarvan voor wat de manier en de opmaak

der advertenties betreft, zodat op het ogenblik

de advertenties het voornaamste en voor het bestaan der

kranten belangrijkste deel van een nieuwsblad uitma'

ken.

De advertenties oefenen een bepaalde en onmiskenbare

invloed uit op de aard van het redactionele deel

der krant. Hoe groter de oplaag en hoe zwaarder het

gewicht der advertenties zijn, des te groter is ook de

noodzaak de adverteerders en het complex belangen,

dat met hen is verbonden, te behagen door middel van

de algemene politiek en houding ten aanzien van het

nieuws, dat de krant publiceert. De heer Scott, dien wij

tot hier citeerden, noemt de adverteerders de machtigste

beschermheren der kranten!

Onder zulke omstandigheden, aldus luidt de conclusie

van den heer Scott, is de algemene positie van een

nieuwsblad wel duidelijk bepaald. Zo'n krant kan ten

eerste geen enkele critiek publiceren op de bewoordingen

of de waarheid van de advertenties, welke in die

krant zijn opgenomen, evenmin op de maatschappelijke

waarde van de artikelen, die er in worden geadverteerd.

Op zichzelf betekent zulks een ontneming van een belangrijk

stuk noodzakelijke vrijheid.

Daarenboven zal zo'n krant tégen elke uitgebreide

sociale verandering moeten zijn en dus in politiek opzicht

onvermijdelijk een conservatieve politiek voeren.

Zij kan dus niet (en doet het ook niet) toestaan, dat in

haar kolommen diepgaande, redelijke critiek wordt uitgeoefend

op de bestaande toestand, welke immers voor

de adverteerders de gewenste zekerheid betekent, dat

hun zaken floreren. Verder zal zij een geest van optimisme,

oprecht of niet, tot uiting moeten brengen, teneinde

bij de verbruikers van de geadverteerde artikelen

het vertrouwen te doen voortduren, dat hen de artikelen

van de adverteerders zal doen blijven kopen (en daar

de krant een zaak is en haar eigen advertentie vormt,

ook de krant!) Dit is nu juist niet de atmosfeer, waarin

de waarheid naar voren kan worden gebracht!

Als voorbeeld hoe de kranten het vertrouwen van het

publiek in de bestaande toestand helpen verstevigen,

noemt de heer Scott de tijd vóór en na het verlaten van

de gouden standaard door Engeland. Vóór de devaluatie

van het Engelsche pond betoogden de kranten, dat

er heus niet zulke drastische maatreglen nodig waren

en bepleitten het vasthouden aan de gouden standaard.

De dag na het verlaten van de gouden standaard sloofden

de grote kranten zich echter uit om de handeling

van de regering te betitelen als de wijste maatregel, die

ooit was genomen. Deze omzwaai in de houding der

kranten werd veroorzaakt door de dringende noodzaak

(volgens de kranten en de belangen, die zij vertegenwoordigen)

het publieke vertrouwen te handhaven.

Niet hun opinie was veranderd, aldus de heer Scott,

maar de waarheid moest worden opgeofferd aan wat zij,

de kranten, beschouwden als een veel grotere noodzaak

dan om de waarheid te schrijven. De kranten kunnen de

waarheid niet schrijven zonder de gevolgen in ogenschouw

te nemen.

Een krant moet winst maken, schrijft Hamilton Fyfe

in zijn boek „Press Parade". Zij moet niet dwars in­

gaan tegen de wens van de adverteerders de lezers in

een stemming te brengen hun geld uit te geven. Zij kan

het gevaar niet trotseren kopers van zich te vervreemden

door onaangename waarheden te vertellen.

Daarom werden belangrijke, onaangename waarheden,

niet door de kranten vermeld.

In het vervolg zijner rede bespreekt de heer Scott het

onthouden van nieuws aan het publiek, indien dergelijke

berichten de regering onaangenaam zouden kunnen

zijn. Hoewel een en ander op specifiek Engelse en

Nieuw Zeelandse toestanden slaan, loont het de moeite

er kennis van te nemen. In een volgend artikel zullen

wij er nader op ingaan.

JAN D. REMPT.

(In onzen Kring zal men wel een en ander in deze

beschouwing vinden dat voor Nederlandsche journalistieke

verhoudingen gelukkig absoluut niet geldt. Belangrijke

onaangename waarheden worden hier zeker

niet achtergehouden terwille van lezers en adverteerders.

En ónze kranten bestaan niet om de twee „doeleinden"

die de heer Scott vermeldt voor Nieuw-Zeeland. Red.)

LITERATUURLIJST.

Collega W. A. Zeylstra schrijft ons:

In de literatuurlijst Journalistiek, welke in De journalist wordt

gepubliceerd, ontbreekt, meen ik, nog een werkje. Het is: Le ]our~

nalisme en vingt legons van De Jouvenel, een alleraardigst boekje,

waarin de verschillende typen, die aan een groot Fransch blad

plegen te werken, op geestige wijze worden beschreven.

PUZZLE-RUBRIEK.

Spookpuzzle (Alleen voor tooneelcritici) uit het

Dagblad voor Katwijk:

Resten ons nog de heeren Jac. Gorter, P. Lieshout

en J. Meesters; leden van de bende van den Spooktrein.

De eerste gaf goed weer den geslepen voorkomenden

jongeman, die het doet schijnen alsof hij

vol angst is voor zijn zuster. Hij, evenals zijn bezorgd

doende metgezel, John Sterling, die blijken,

leden van de bende te zijn en die zijn sluwe rol

goed voor het voetlicht wist te brengen.

Opgave: Als Van Dalsum brengt een sluwe rol

voor het voetlicht, tracht dan te geven weer even goed

den geslepen voorkomenden jongeman, die is het onderwerp

van dezen schrijver.

Doolhofpuzzle uit Haarlem's Dagblad:

Van alle markten thuis.

De man, die met een ander had afgesproken dat

deze een fiets zou stelen van iemand, met wien hij

uit toeren zou gaan en van welk geval wij reeds

melding maakten, was dezelfde, die een persoon

had vergezeld, toen deze in de Santpoorterstraat

een huis wilde opensluiten.

Opgave: Antwoordt direct, wanneer een lezer,

die deze regels, welke een verslaggever, die het heel

duidelijk zegt, leest vraagt, wat de man, die de persoon,

die bij den man, die de fiets van een ander stal, was,

vergezelde, deed. (Bedenktijd hoogstens 5.45 seconde!)

ADVERTENTIES.

Goed onderlegd, ervaren jong redacteur, die

thans zelfstandig nieuwsblad redigeert

zoekt een gelijksoortige functie,

liefst aan dagblad. Prima getuigenissen staan

ten dienste Brieven onder letter x van dit blad.

More magazines by this user
Similar magazines