Wopper - Claudia Creates

claudiacreates.nl

Wopper - Claudia Creates

Wopper

Toen de bel door het huis schalde schrok Beau op. Hij was helemaal verdiept geweest in zijn favoriete

strip, maar nu herinnerde hij zich meteen weer wat voor dag het vandaag was.

Zo langzaam mogelijk stond hij op, maar bukte zich nog even om zijn veters vast te maken.

‘Beau, jij zou toch open doen om hem te verwelkomen,’ mopperde zijn moeder toen ze langsliep op weg

naar de deur. ‘Wel een beetje vriendelijk doen zo, dat kost je niets.’

Hij haalde zijn schouders op, had helemaal geen zin in al dat gedoe, in die nieuwe pleegjongen. In de

afgelopen twee jaar waren er al tien geweest die voor enkele weken of soms zelfs maanden bij hen

hadden gelogeerd. Zo gezellig was het niet. In het begin leek het hem nog leuk, als enig kind droomde

hij vaak van een broertje of zusje. Maar nu wist hij beter. De meeste pleegkinderen waren suf, saai, stug

of stomvervelend.

Speciaal voor vandaag had zijn moeder roomboterkoekjes gebakken. Ze stonden al klaar op tafel. Het

hele huis rook ernaar en zijn maag begon ervan te knorren. Vlug nam hij er een en at deze direct op, net

voor ze de kamer binnenkwamen.

‘Hallo Beau, kijk eens wie ik heb meegenomen, dit is Chiel,’ zei de begeleidster die vaker bij hen was

geweest. In enkele seconden nam hij het beeld van de sprietige jongen tegenover hem op. Ongeveer net

zo oud als hij, een jaar of twaalf, knaloranje haar dat alle kanten opstond en ontelbaar veel sproeten op

een bleek gezicht. Best een aardig gezicht, maar de strakgespannen mond en de dwarse blik deden alle

hoop vervliegen dat het dit keer wel zou meevallen. Ja hoor, weer zo een, dacht hij en hoopte met heel

zijn hart dat het joch gauw zou ophoepelen en de laatste was in de rij met logéés. Tegelijkertijd voelde

hij zich een beetje schuldig over die gedachte. Natuurlijk was het rot als je moeder plotseling werd

opgenomen in het ziekenhuis en er geen familie was om bij te logeren. Dan moest je naar mensen die je

niet kende. En dat was óók rot. Iets aardiger doen kon misschien geen kwaad. ‘Koekje?’ vroeg hij

vriendelijk.

Maar de jongen schudde zijn hoofd en staarde naar zijn schoenen.

‘Zin om een spelletje te doen?’

De jongen beet zijn lippen stijf op elkaar.

Dan niet. Waarom zou hij nog moeite doen? Het had geen zin, precies zoals hij al had gedacht. Beau liep

de kamer uit, naar Woppertje, zijn konijn. Daarna ging hij naar zijn kamer om een spelletje op zijn

computer te doen. In zijn eentje, zoals altijd.

Na een paar dagen was het nog niet anders geworden. Chiel zei geen boe of bah en dus zei Beau ook

niets. Maar het werkte zo langzamerhand wel op zijn zenuwen.

Toen hij thuis kwam van school stond de tuindeur open en hoorde hij zacht gefluister dat bij het

konijnenhok vandaan kwam. Stilletjes luisterde hij aan de deur. ‘Wat zit jij hier toch altijd alleen in een

hoekje,’ klonk het. ‘Dat is toch ook maar niks hè? Ik zou best zo’n mooi konijn willen als jij, maar dat


mag niet van mijn moeder. Ze is allergisch voor huisdieren, voor alle huisdieren, zelfs voor vissen. Ja, ik

weet het, dat is heel stom. Wil je een blaadje sla? Kom maar…’

Beau besloot er bij te gaan staan. ‘Hoi,’ zei hij. ‘Leuk is hij hè? Kijk, als je tegen hem praat dan trilt zijn

neus.’

Chiel schrok en haalde zijn vingers uit het gaas. Snel liep hij weg zonder nog om te kijken, alsof hij

helemaal niks had gezegd. Dus zo leuk vond hij Woppertje niet, bedacht Beau zich. Raar joch. Hij aaide

het dier over zijn zachte zwarte oortjes en haalde het voorzichtig uit zijn hok. Toen hij Wopper weer

terug wilde zetten zag hij dat de hendel los zat, waardoor het deurtje niet helemaal sloot. Toch maar

eens vragen of zijn vader dat snel kon maken.

Tijdens het avondeten probeerden zijn ouders zo gewoon mogelijk te doen en een gesprek aan te knopen

met Chiel. De jongen zat erbij alsof hij ieder moment hard wilde wegrennen. Net zoals gisteren en

eergisteren gaf hij alleen maar ja of nee als antwoord. Beau werd langzaam rood van ergernis. De hele

sfeer in huis werd toch verdorie verpest en hij had het allemaal maar te pikken. ‘Ik ga op mijn kamer

eten,’ zei hij en stond op.

‘Op je kamer eten,’ herhaalde zijn vader verbaasd. ‘Wat is dat nou? Natuurlijk niet. Zitten.’ Hij wees met

zijn vork naar de stoel die Beau al naar achteren had geschoven.

‘Ik heb er geen zin meer in. Stom gedoe.’

‘Beau!’ zei zijn moeder.

‘Het is toch zo,’ mokte hij met een boze blik op de jongen tegenover hem. Die bleef naar zijn bord

kijken, met rode wangen die vurig afstaken bij zijn haar. ‘Als jij het hier niet leuk vindt, dan kun je ook

een ander huis zoeken. Want ik vind jou helemaal niks aan.’

‘Beau!’ riepen zijn vader en moeder nu allebei tegelijk.

‘Ga nu maar naar je kamer, ben jij mal!’ zei zijn vader. ‘Zonder eten!’

Zie je wel, en nu kozen ze nog voor dat rotjoch ook! Met een onderdrukte kreet van woede rende hij

naar buiten, naar Woppertje. Dat was er tenminste een die normaal deed.


In het hok was het doodstil. Hij hoorde geen gescharrel en toen hij dichterbij kwam zag hij alleen een

beetje hooi, een bakje water en wat keuteltjes. Het deurtje stond wijd open.

Hij keek naast het hok en op het gras, maar niks. ‘Wopper!’ schreeuwde hij. ‘Woppertje!’

Nog geen halve minuut later kwam zijn vader naar buiten gerend. ‘Wat is er aan de hand, wat ga je

tekeer?’Achter hem dook zijn moeder op en de pleegjongen kwam ook ineens tevoorschijn.

Toen Beau hem zag werd hij blind van woede. ‘Wopper is weg, dat is jouw schuld!’ riep hij tegen Chiel.

‘Jij hebt hier vanmiddag tegen mijn konijn staan praten, ik heb je wel gehoord. Het is jouw schuld dat

dat deurtje open stond!’

‘Niet,’ zei Chiel. ‘Ik heb niks gedaan, ik bedoel, ik heb…’

‘Je hebt het wél gedaan, je doet maar alsof. Rotzak!’ Beau stormde op de jongen af om hem een flinke

knal te verkopen, maar zijn vader was hem voor en hield hem tegen. ‘Beau doe eens even rustig zeg?

Dit lost niks op.’

‘Ik weet zeker dat hij het heeft gedaan, pa. Laat me los. Laat me lós!’

Chiel liep weg van hem, naar de struiken. Dat maakte Beau nog bozer. Hij worstelde hevig om los te

komen van zijn vaders greep.

‘Als je nu niet ophoudt dan geef ik je huisarrest. Ben jij gek geworden om zo tekeer te gaan,’ maande

zijn moeder hem tot kalmte. ‘Bedaar, dan gaan we samen dat konijn van je zoeken. Wopper kan nooit

ver weg zijn. Tjonge jonge, wat een drama.’

Beau probeerde zijn tranen weg te slikken, maar dat lukte niet goed. ‘Het is gewoon niet eerlijk,’ zei hij

met een piepstem. ‘Hij heeft mijn konijn weggemaakt.’

Wopper is hier,’ hoorde hij ineens.

Toen hij zijn tranen wegveegde zag Beau zijn konijn in de armen liggen van Chiel die het zacht streelde.

‘Hij trilt een beetje,’ zei de jongen met een bezorgde blik. ‘Niet alleen zijn neus, maar helemaal. Hij is

bang. Ik heb echt niks gedaan hoor dat hij weg kon lopen, hoor. Echt niet.’ Hij overhandigde Wopper

behoedzaam aan Beau.

‘Het is mijn schuld,’ zei zijn vader. ‘Ik wilde dat deurtje maken en was daar net mee bezig toen je

moeder mij riep voor het eten. Ik was in gedachten, dus het deurtje heb ik waarschijnlijk niet goed dicht

gedaan.’

‘Oh,‘ zei Beau zachtjes en hij legde zijn wang tegen het fluwelen vel van Woppertje die meteen minder

begon te trillen.

‘Kom,’ zei zijn vader. ‘Dan ga ik het hok maken en mogen jullie mij helpen. Dan kan een van jullie het

konijn vasthouden en de ander mijn gereedschap.’

Beau knikte. Hij keek even opzij naar Chiel die tegelijkertijd een beetje verlegen zijn richting opkeek.

‘Zullen we daarna samen Woppertje eten geven?’

De jongen stak een vinger uit om het dier te aaien. ‘Ja hoor,’ zei hij en glimlachte voor het eerst naar

Beau.


© Claudia van der Sluis, Dossier Pleegkinderenmode, Uitgeverij Kwintessens.

Tekeningen Els van Egeraat

2006

More magazines by this user
Similar magazines