WET EN MENS - van Dick Wortel

dickwortel.nl

WET EN MENS - van Dick Wortel

WET EN MENS


versie 2005

WET EN MENS

De vakbeweging en de sociale werkvoorziening

rond Theo de Wilde

door Dick Wortel

Leiden: 2005


Voorwoord

Dit boek is een eerbetoon aan mensen die in marge van de Leidse sociale werkvoorziening

hun werk deden. Men kon hen regelmatig vinden, niet in de directiekkamers en niet in de

werkplaatsen, maar in de vergaderzalen. Ze spraken over beleid, over wetgeving, over

uitvoeringsbesluiten, over nota’s en stukken, die vanuit Den Haag of vanuit de gemeenteraden

op hen afkwamen. Ze spraken over politiek, maar tegelijkertijd spraken zij over de WSWwerknemers,

die zij vanuit hun vergaderzaal af en toe eens voorbij zagen komen. Als zij na

enkele uren, wel voorzien van koffie, weer huns weegs gingen, lieten zij notulen en verslagen

achter. Enkele weken, soms enkele maanden later, kwamen zij terug en bogen zich weer over

de wetten, de regels, de uitvoering, over dikke nota’s en verslagen.

Toch waren zij zeer belangrijk en hadden zij invloed op de dagelijkse gang van zaken

binnen de werkplaatsen. Dat waren de leden van de Commissie, de Commissie met de

hoofdletter, de Commissie Wet Sociale Werkvoorziening.

In 1998 nam Theo de Wilde afscheid van deze WSW-Commissie, waarin hij sedert 1962

zitting had, eerst als vertegenwoordiger van de K.A.B. en N.K.V., na 1976 als vertegenwoordiger

van de F.N.V. Zijn afscheid is de aanleiding voor dit boek.

De schrijvers probeerden met dit boek na te gaan wat de rol van de vakbeweging precies is

binnen het geheel van de sociale werkvoorziening. Het is dan ook een verhaal geworden van

de sociale werkvoorziening vanaf 1945 tot 1999, het jaar waarin de sociale werkvoorziening

door een nieuwe wet (nWSW) volledig werd gereorganiseerd, waardoor de vakcentrales

volkomen werden buitengezet: de nieuwe WSW gaf ze geen rol meer. Het verhaal moet dan

op dat tijdstip eindigen. Een goed moment om de rol en de inzet van de vakcentrales te

evalueren.

Ter gelegenheid van het afscheid van Theo de Wilde, maar ook ter gelegenheid van de

opheffing van deze deftige commissie als direct gevolg van de nieuwe Wet Sociale

Werkvoorziening en van de invoering van de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW),

hebben De Zijl Bedrijven gemeend dit boek te moeten laten maken, als herinnering aan de

verdiensten en aan de inzet van al die leden van die Belangrijke Commissie.

Aan Theo de Wilde wordt dit boek als dank voor zijn inzet in die Commissie opgedragen.

Hij is een van de vele persoonlijkheden die als vakbewegingsvertegenwoordiger deze

humanitaire taak met verve op zich nam. Tijdens zijn werkzame periode voor de

Gemeentelijke Dienst Sociale Werkvoorziening is veel gebeurd. In dit boek hoeven wij niet

diep in te gaan op de geschiedenis van de GSW: die geschiedenis is reeeds beschreven in het

boek Van Bedelstaf tot Marktwapen door Jaap Moes (1997). Wel zullen wij aandacht

besteden aan de veranderingen in de wet- en regelgeving rond de SW. Vooral in het laatste

decennium is veel veranderd. Wij zijn getuige van de veelbetekende verandering van de

Dienst Gemeentelijke Sociale Wervoorziening naar De Zijl Bedrijven, niet alleen maar een

naamsverandering, maar nog meer een verandering in het zelfbewustzijn en het gevoel van

emancipatie van de WSW-werknemer. Dat veranderingsproces hebben wij nog willen

verduidelijken door de contemporaine terminologieën de handhaven: de omwenteling van

“tewerkgestelden” naar “arbeidsgehandicapten” blijkt dan meer te zijn dan ander

woordgebruik.

Wij herdenken op deze plaats ook de heer Johannes Gabriel Lamers, die voor dit boek

belangrijke informatie leverde en ons gastvrij in zijn huis te Leiderdorp ontving. Geduldig

beantwoordde hij onze vragen. Als gemeenteraadslid en als bestuurder bij het Leidse C.N.V.

1


was hij nauw betrokken bij de sociale werkvooziening. Hij overleed op 15 februari 1999.

Inleiding

De wetgever vond het bij de instelling van de SW in het begin van de jaren vijftig van belang

dat de vakbeweging betrokken werd bij de bestuurlijke kant van de SW en bij de invulling

van haar doelstelling, zoals de wet die voorschreef. De vakcentrales F.N.V. -- voor de fusie in

1976 N.V.V. en N.K.V. -- en C.N.V. werden door de wetgever aangewezen om zitting te

nemen in de gemeentelijke commissies, die zich met de uitvoering van de Wet Sociale Werkvoorziening

bezig hielden. De SW is trouwens altijd een zaak geweest, die door vakcentrales,

door de Raad van Vakcentrales (bij het C.N.V. steeds ‘vakcentralen’) gezamenlijk werd

behartigd.

Waarom eigenlijk? En waarom gingen de besturen van de vakcentrales op die uitnodiging

van de wetgever in. De vakbeweging is immers traditioneel een maatschappelijke organisatie

die zich principieel bezig houdt met de belangenbehartiging van mensen die actief deel uitmaken

van het arbeidsproces. Wat moest de vakbeweging nu met personen die juist, om allerlei,

dikwijls persoonlijke redenen, buiten het arbeidsproces stonden.

De vakbeweging stond dus eigenlijk altijd enigszins ambivalent tegenover de SW. Over

die ambivalentie gaat dit boek. Het verhaal is niet altijd even mooi. In het begin stelden de

centrales zich de taak om er op toe te zien dat de WSW-ers niet de banen in de reguliere

arbeidsmarkt inpikten. In de jaren zeventig verandert die houding en komt er een

belangenbehartiging op specifiek voor deze ‘zwakkeren in de samenleving’.

Er komt dan ook meer aandacht voor deze groep van de vakbeweging en er ontstaat beleid.

Doch de nadruk op de belangenbehartiging van de ‘normale’ werknemers bleef de primaire

taak van de vakbeweging. De spanning bleef voortbestaan en bestaat eigenlijk nog steeds.

Het ontbreken van een landelijk beleid van de vakcentrales dan wel de vaagheid daarvan gaf

daarom juist extra ruimte aan een persoonlijke invulling van de opvatting van de taak van de

vertegenwoordiger van de vakcentrales in de commissies. Een verzet tegen de hardheid van

het bedrijfsleven en tegen het ‘lozen’ van waardevolle mensen naar een sociale voorziening

wanneer zij niet meer konden voldoen aan de eisen van lichamelijke of geestelijke

gezondheid, -- of aan die van het moordende arbeidstempo in het vrije bedrijf -- en de

daardoor ontstane noodzaak om onvoorwaardelijk op te komen voor mensen die zich in de

zwakste positie bevonden en zich moeilijk konden verdedigen, gaf aan een

vakbondsvertegenwoordiger ruimschoots gelegenheid om de belangen van deze

maatschappelijk groep te behartigen.

De SW is ingebed in een ingewikkeld wettelijk stelsel rond de gesubsidieerde arbeid,

arbeid die geheel of gedeelte door de rijksoverheid wordt gesusidieerd of op ‘de markt’ moet

worden verdiend.

2


Hoofdstuk 1

De vakbeweging en de sociale werkvoorziening

De vertegenwoordiger van de vakbeweging in de WSW-commissie

Hoe werd iemand lid van de WSW-commissie als vertegenwoordiger van een vakcentrale?

De drie zetels van de vakcentrales in de WSW-commissie kon in principe worden ingevuld

door kaderleden van iedere vakbond. Bij het zoeken naar de juiste mensen daarvoor werd er

in eerste instantie gelet op de kwaliteiten van de personen die door de vakbeweging werden

aangezocht of zich voor de commissie beschikbaar stelden.

Wanneer er een zetel vrij kwam, raadpleegde de distrctbestuurder de plaatstelijke afdeling

en/of het plaatselijk bestuur van de aangesloten ambtenaren bond AbvaKabo of C.F.O over de

vraag of zij een geschikte kandidaat wisten. Hij mocht geen ambtenaar zijn in een sociaal

werkverband. De meest gechikte kandidaat werd dan door het districtsbestuur voorgedragen

ter benoeming door het gemeentebestuur. De F.N.V. had in iedere commissie twee vertegenwoordigers,

het C.N.V. één vertegenwoordiger.

Het commissielid was gebonden aan een aantal regels vanuit de organisatie. Hij moest het

beleidsprogramma van zijn vakcentrale als uitgangspunt voor zijn handelen in de commissie

nemen. Om de vier jaar stelde hij zijn zetel ter beschikking. Hij was uiteraard herbenoembaar.

Hij trad af wanneer hij 65 jaar wordt, tenzij met argumenten kon worden aangetoond dat

voortzetting voor zijn werk voor de commissie gewenst was. Hij verplichtte zich om regelmatig

contact te onderhouden met het regionaal en plaatstelijke bestuur. En de vakcentrale

verwachtte van hem, dat hij zoveel mogelijk deel zou gaan nemen aan cursussen die door zijn

vakcentrale werden georganiseerd voor WSW-commissieleden.

De vertegenwoordigers van de vakcentrales in de WSW-commissie bemoeiden zich niet

met het arbeidsvoorwaardenbeleid van de WSW-ers. Dat was een zaak voor de vakbonden die

de belangen van de WSW-werknemer behartigden: de AbvaKabo en het C.F.O.

In de nieuwe Wet Sociale Werkvoorziening is de WSW-commissie opgeheven. De Zijl

Bedrijven wilden echter dat er een soort WSW-commissie blijft voortbestaan. DZB vindt het

belangrijk om te beschikken over een platform uit de maatschappij om daarmee regelmatig en

gestructureerd van gedachten te kunnen wisselen over het reilen en zeilen van het bedrijf. Dit

orgaan heet de Regionale Commissie voor Gesubsidieerde Arbeid, de ‘Rega-commissie’.

Hieraan nemen diverse sociaal-maatschappelijke en sociaal-pedagogische organisaties en

instellingen deel, ook de twee vakcentrales F.N.V. en C.N.V. Het is een echte ‘netwerkcommissie.

De formele positie van deze Rega-commissie is echter onduidelijk: een wettelijke

basis, zoals de WSW-commissie die had, ontbreekt immers. Formeel hebben de vakcentrales,

omdat de wet hen geen bevoegdheden toekent, geen bemoeienis meer met de sociale werkvoorziening.

De vakcentrales slaan met lede ogen de nieuwe ontwikkelingen binnen de SW

gade, -- vanaf de zijlijn.

De rol van de WSW-commissie

3


De wet op de Sociale Werkvoorziening (WSW), die in 1969 in werking werd gesteld, zat net

als iedere andere wet ingewikkeld in elkaar. De wet zelf was eigenlijk eenvoudig, maar

allerlei uitvoeringsbesluiten, die de kracht van wet hadden, maakten het ingewikkeld.

In de periode waarin De Wilde lid was van de WSW-commissie was de juridische positie

van de WSW-commissie in de wet omschreven. In de late jaren negentig zijn de

bevoegdheden van de commissie behoorlijk gewijzigd.

In de jaren zeventig en tachtig en een deel van de jaren negentig was het gemeentebestuur

door de wet verplicht zich te laten adviseren door een WSW-commissie.

In de commissie had een aantal mensen een vaste plaats. Dit was de vertegenwoordiger

van het gemeentebestuur, de rijksconsulent of een medewerker van hem, die namens de

minister de commissie in gaten hield, de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau of een

van zijn medewerkers en drie vertegenwoordigers van de vakcentrales. Daarnaast was er de

mogelijkheid de commissie met ten hoogste zes personen uit te breiden. De minister beval

zelfs met klem aan om iemand namens de georganiseerde werkgevers op te nemen in de

commissie. Ook medewerkers van sociale verzekeringsorganen, nazorginstellingen e.d.

konden in de commissie worden opgenomen.

De commissie had adviesrecht over een groot aantal zaken dat de uitvoering van de WSW

betreft, zoals over organisatorische zaken, de toelating tot de WSW, ontslagzaken, sommige

arbeidsvoorwaarden en over een allerlei procedures.

In een beperkt aantal zaken moet het gemeentebestuur overeenstemming zien te krijgen

met de WSW-commissie. Daar was dus instemmingsrecht. Dat waren dan punten als het

instellen van een subcommissie, bijvoorbeeld een toelatingscommissie, het oprichten en

instandhouden van de Organen van Overleg (OvO’s), hoe die konden worden georganiseerd,

wanneer voor een bepaald werkverband kon worden afgeweken van de verplichting een

Orgaan van Overleg op te richten. Tot het instemmingsrecht hoorden ook de voorlichtings- en

vormingsactiviteiten om de arbeidsgeschiktheid van de werknemers of hun aanpassing aan de

arbeidssituatie te bevorderen en tenslotte het stimuleren van deelname van jongere

werknemers aan vakonderwijs en vormingswerk.

De commissie had naast advies- en instemmingsrecht ook initiatiefrecht. Zij kon uit eigen

beweging advies geven over onderwerpen die verband hielden met de uitvoering van de

WSW. De WSW-commissie hoefde dus niet af te wachten waarmee het gemeentebestuur te

voorschijn zou komen, maar kon ook zelf zaken op de agenda zetten.

Daarnaast had de commissie heeft informatierecht. Het gemeentebestuur moest aan de

commissie en aan haar subcommissie(s) de inlichtingen geven die zij voor de vervulling van

hun taak nodig hadden: het jaarverslag, de begroting, de jaarrekening en de belangrijke

nota’s, rapporten enzovoort.

Tenslotte hadden de WSW-commissieleden het toegangsrecht tot de werkobjecten, uiteraard

voor zover dat voor de uitoefening van hun taak nodig was.

Kortom, het was een belangrijke commissie, waarin de leden zich daadwerkelijk konden

inzetten voor de belangen van de werknemers, die van de sociale werkvoorziening afhankelijk

waren.

Positie van de vertegenwoordiger van de vakbeweging

De vertegenwoordiger van de vakbeweging had het niet eenvoudig. Een aantal leden van de

commissie maakte immers beroepshalve deel uit van de commissie. De vertegenwoordiger

van het gemeentebestuur, het ministerie en het G.A.B. bleken dikwijls, alleen door hun

4


welbespraaktheid, een onevenredig grote invloed op het verloop van de vergadering te

hebben. De vertegenwoordiger van de vakbeweging moest zich ervan bewust zijn dat zijn

stem evenveel rechten had als die van de anderen. Er was geen vetorecht en wanneer de

stemmen staakten had niemand, ook de voorzitter niet, een grotere invloed op het

uiteindelijke advies. Er was geen verplichting om te komen tot een unaniem advies. Als één

of twee leden van de commissie zich niet konden verenigen met het advies dat de

meerderheid wilde uitbrengen dan moest er in het verslag daar uitdrukkelijk aantekening van

worden gemaakt. De vertegenwoordigers moesten er dus op letten dat zij niet door de

beroepsvertegenwoordigers in de commissie zouden worden platgewalst door hun

(vermeende) overwicht aan kennis.

De vertegenwoordigers van de vakbeweging waren ook geen volstrekt neutrale, onpartijdige

figuren in de commissie. Zij waren gehouden om regelmatig ruggespraak te hebben met

hun vakcentrale en met de vakbond die binnen de SW actief was: de AbvaKabo en het C.F.O.

Ze moesten terdege rekening houden met de belangen van de WSW-werknemers. De

rechtspositie en de doelgroep waren daarvan de belangrijke onderdelen. Net als alle andere

standpunten die door of namens de vakbeweging worden ingenomen, moesten ook de

activiteiten van de vakbewegingsvertegenwoordiger controleerbaar en beïnvloedbaar zijn.

Voortdurend hadden de vertegenwoordigers ervoor te waken dat de kwalitatieve en

kwantitatieve werkgelegenheid voor gehandicapte werknemers behouden werd.

Een belangrijk punt was het aanstellingsbeleid, waar het commissielid zich mee moest

bemoeien. De aanstellingen in de A- of de B-categorie waren voor hem punten van aandacht.

Voor de A-categorie gold een proeftijd van twee maanden, die met tweemaal twee maanden

kon worden verlengd, dus maximaal zes maanden. Gezien de rechtsonzekerheid van werknemers

in de proeftijd was het nodig dat de vertegenwoordigers goed in de gaten hielden dat

daar geen misbruik van werd gemaakt. Het Burgerlijk Wetboek (artikel 1639n) was immers

van toepassing. Voor de B-categorie gold een test- en trainingsperiode van een jaar. Tijdens

die periode kreeg men geen loon, maar behield men de uitkering. Steeds vaker bleek het voor

te komen dat werknemers een test- en trainingsperiode kregen voorgeschreven terwijl zij

eigenlijk tot de A-categorie behoorden. De vertegenwoordiger diende daar stelling tegen

nemen.

Een ander groot probleem waarmee de vertegenwoordiger werd geconfronteerd waren de

gigantische wachtlijsten. Het was voor de toelatingscommissie van groot belang ervoor te

zorgen dat zij alle aanvragen onder ogen kreeg. De belangen van het management en die van

de groep waarvoor de WSW is bedoeld, liepen door het regeringsbeleid ver uiteen. Het management

werd gedwongen steeds efficiënter te werken en had dus alle belang bij werknemers

die een goede arbeidsprestatie konden leveren. De tendens op de arbeidsmarkt om voor gelijkwaardige

functies beter gekwalificeerde arbeidskrachten aan te trekken vond men versterkt

terug in de werkverbanden. Dat zou kunnen leiden tot “Moord op de Sociale werkvoorziening”,

zoals de kop van een artikel uit het FNV-magazine (30 oktober 1987) luidde. Bij de

aanstelling dreigde de voorkeur uit te gaan naar lichtgehandicapten of zelfs naar mensen

zonder handicap (langdurig werklozen).

In een poging om kostendekkend te gaan draaien werden er door sommige SW-instellingen

allerlei constructies bedacht, die het mogelijk moesten maken dat niet-gehandicapten werknemers

in de sociale werkvoorziening aan de slag gingen. De vakcentrales waarschuwden

daartegen. Deze niet-gehandicapten namen daar de leukste en interessantste functies in.

Bovendien werd daardoor het tempo opgejaagd. Zo werkte dat nu eenmaal wanneer een paar

mensen die alles konden ook in de productie aangesteld zouden worden. Het gevolg was een

toename van het ziekteverzuim, sfeerverslechtering en het wegvallen van

5


promotiemogelijkheden. Wat voor de WSW-er overblijft zou dan snel het domme en routine

werk zijn. Dergelijke ontwikkelingen moesten worden tegengegaan, meenden de

vakcentrales. Zolang de Wet Arbeid Gehandicapte Werknemers (WAGW) niet op grote

schaal in bedrijven werd toegepast, was de Sociale Werkvoorziening de enige

arbeidsvoorziening voor gehandicapten.

Voorgenomen wijzigingen in de arbeidsorganisatie behoorde tot het adviesrecht van de

WSW-commissie. Alle nodige informatie over zulke wijzigingen dienden direct en tijdig aan

de commissie te worden voorgelegd. De vertegenwoordigers van de vakbeweging moesten

goed kijken naar de gevolgen van een dergelijke reorganisatie met betrekking tot de kwaliteit

van het werk. Zij mochten zich niet laten overdonderen door verhalen over een efficiënter

bedrijfsvoering en veelbelovende mogelijkheden van nieuwe constructies.

HOOFDSTUK 2

1939-1962 : DE VAKBEWEGING BEMOEIT ZICH MET ‘ONVOLWAARDIGE ARBEIDERS’

Een stukje voorgeschiedenis: hoe de wettelijk geregelde SW begon

Voor dit boek laten wij de geschiedenis beginnen in 1929 toen er een Staatscommissie inzake

Onvolwaardige Arbeidskrachten door de toenmalige minister van Arbeid, Handel en

Nijverheid J.R. Slotemaker de Bruïne werd ingesteld (Moes 48, 49), die een uitvloeisel was

van een Congres van de A.V.O., “Actio Vincit Omnia”, de Vereeniging voor Onvolwaardige

Arbeidskrachten. Deze commissie bracht in 1938 haar rapport uit. Daarin wees zij met nadruk

op het belang van een naar de mogelijkheden der gehandicapten aangepaste werkvoorziening.

Zij waarschuwde daarbij o.m. voor het gevaar, dat werkplaatsen met behulp van

overheidssubsidies hun producten tegen een te lage prijs op de markt brengen. Tegelijkertijd

pleitte zij voor een zodanige exploitatie, dat bij de verkoop geen beroep op de

liefdadigheidszin van het publiek behoefde te worden gedaan. De leiders moesten bekwame

vaklieden zijn en er moest regelmatig medisch toezicht worden uitgeoefend (Wet SW, toel.

3). Dit was het eigenlijke begin van de moderne sociale werkvoorziening in Nederland. Op

dat moment werd de aangepaste werkvoorziening voor personen met beperkte

arbeidscapaciteiten ten volle en over de hele linie geheven uit de sfeer van de sociale

verzorging en opgenomen in het landelijke beleid ter bevordering van voldoende en

geëigende werkgelegenheid voor alle daar voor in aanmerking komende groepen uit de

bevolking. Eerst toen ook kon er sprake zijn van een landelijk geregeld loonsysteem, van een

consequente toepassing van de sociale verzekeringswetten en van een ontwikeling van

arbeidsvoorwaarden in de richting van een normale werknemersstatus. En pas na dit tijdstip

konden een fundamentele vernieuwing en een ingrijpende uitbreiding van werkplaatsen op

gang komen. Deze ontwikkelingen gingen gepaard met een geleidelijke integratie met haar

vele schakeringen en facetten, terwijl ook een geleidelijke spreiding van deze

werkvoorziening in het hele land eerst toen realiteit kon worden.

Hoe het begon in Leiden

6


De vroegste bemoeienis van de plaatselijke vakbeweging wordt vermeld in het jaarverslag

van de Leidsche bestuurdersbond (L.B.B.) over het jaar 1937 (p. 13). H.W. Wittenaar maakte

toen deel uit van het A.V.O.-bestuur (Moes, Bedelstaf 46, 68,191; 48 78, 82, 84).

Wittenaar was lid van de Typografenbond en sinds november 1937 voorzitter van de

L.B.B. Helaas zijn de verslagen over zijn doen en laten in het A.V.O.-bestuur door hem

gemaakt, zo summier dat daarmee geen inzicht kan worden verkregen over de precieze

activiteiten van de vakbeweging in dat A.V.O.-bestuur. In 1939 subsidieerde de L.B.B. de

A.V.O. met een bedrag van f. 5.-.

De A.V.O. organiseerde reeds in 1928 een congres in Amsterdam, waar de positie van de

‘onvolwaardige arbeidskrachten’ in het bedrijfsleven werd besproken. Op dit belangrijke

congres waren de overheid -- zowel de gemeenten als de rijksoverheid -- vertegenwoordigd,

maar daarnaast ook de arbeidsbureaus, de werkgevers- en de werknemersorganisaties (Moes,

Bedelstaf 46). De werkgevers waren geen voorstanders van het aannemen van onvolwaardige

arbeidskrachten in het vrije bedrijf. Er zou meer toezicht nodig zijn, meer ziekteverzuim en

allerlei andere maatregelen zouden moeten worden genomen, zoals allerlei veiligheidsmaatregelen.

De werknemers waren wel genegen om onvolwaardigen aan werk te helpen. Maar de

voorwaarde daarbij was, dat zij de positie van andere werknemers niet zouden benadelen. De

arbeidsvoorwaarden en de loonbepalingen moesten gelijk zijn, om een loondrukkend effect te

voorkomen (Moes, a.w. 48). Naar aanleiding van dit congres stelde de regering in 1929 een

staatscommissie in die de problematiek van de onvolwaardige arbeidskrachten zou gaan

bestuderen (ald.).

De periode na de Tweede Wereldoorlog

Na de oorlog werden door de rijksoverheid verschillende initiatieven genomen, die tijdens de

bezettingstijd door de regering in Londen waren uitgedacht door de z.g. Londense commissie-

Van Rhijn, die in 1945 haar rapport “Sociale Zekerheid” uitbracht. In het hoofdstuk “De

rehabilitatie van gebrekkigen” bespreekt zij een aantal “Conclusies en Voorstellen” voor de

na-oorlogse ontwikkeling. Hierin stelde zij voor om een financiering van de “bijzondere

arbeidsbemiddeling voor invaliden” geheel tot staatszorg te maken. Dit advies werd

opgevolgd door subsidiëring van het Arbeidszorgbureau van de Nederlandse Verenigng

A.V.O. Uit de suggestie van de commissie om wettelijke mogelijkheden te scheppen om

werkgevers te verplichten een bepaald aantal invaliden in dienst te nemen, vloeide in 1947 de

Wet Plaatsing Mindervalide Arbeidskrachten voort. Deze schreef een quorum van 2 %

mindervalide werknemers voor aan alle werkgevers met twintig of meer personeelsleden.

Direct na de oorlog werd de Leidse Bestuurdersbond ( L.B.B.) vertegenwoordigd in de

A.V.O. door N. Spierenburg, de tweede secretaris van de heropgerichte naoorlogse vakbeweging.

Hij was afkomstig van de Textielarbeidersbond (Jaarverslag 1946, 3). Klaarblijkelijk

nam hij het werk over van Wittenaar, die door ziekte uit het L.B.B.-bestuur moest stappen.

Namens het N.V.V. volgde al in 1947 G.A. van Tol, die afkomstig was van de

Textielarbeidersbond “De Eendracht”, daarvan zelfs de secretaris was, Spierenburg op het

bestuur van de A.V.O. (Jaarverslag 1947, 8). De A.V.O. was een van de vele

maatschappelijke organisaties en instellingen die in Leiden actief waren, waarin de

vakbeweging was vertegenwoordigd. Men kon haar tegenkomen in organisaties als Raad van

Arbeid, Gewestelijk Arbeidsbureau, waarin een vertegenwoordiging noodzakelijk was, omdat

zij zich bezighield met zaken waarbij de arbeid een belangrijke rol speelde. Maar daarnaast

ook in instellingen als de commissie voor het consumentencrediet, een commissie voor de

7


uitvoering van de Noodwet Ouderdomsvoorzieningen en, als vooroorlogse voortzetting in het

t.b.c.-fonds. Deze ziekte greep om zich heen in de verzwakte naoorlogse arbeiderswijken.

Ook kwam men de vakbeweging tegen in het bestuur van het Leids Psychologisch Instituut,

in de adviescommissie van het Huisvestingsbureau. De Leidse vakbeweging was dus ook

actief buiten de beperkte sfeer van directe werknemesrbelangenbehartiging. Zij sloot met haar

maatschappelijke activiteiten aan bij de landelijke vakbeweging, die eveneens activiteiten

ontplooide buiten de directe sfeer van belangbehartiging van werknemers binnen het

arbeidsproces, maar ook de belangen daarbuiten, dus standpunten innam met betrekking tot

terreinen als huisvesting, onderwijs en gezondheid.

Helaas maakte Van Tol niet ieder jaar een verslag. In 1949 was de Leidse Bestuurderbond

in de A.V.O. vertegenwoordigd door H. van Mastrigt, die ook in de plaatselijke Revisie

Commissie plaatsnam, een commissie die zich bezighield met overbruggings- en sociale bijstandsregelingen.

Van Mastrigt was sinds 1949 bestuurder van de plaatselijke afdeling van de

Transportarbeidersbond. In al deze commissies wordt, zo staat er in het jaarverslag (1950,10),

belangrijk werk verricht. “Dit werk spreekt weliswaar niet zo duidelijk tot onze leden, maar is

er zeker niet minder belangrijk om”, schrijft dat jaarverslag.

In 1949 ontvingen de gemeenten een brief van de minister van Sociale Zaken, met de

mededeling dat er een onbevredigende toestand binnen de sociale werkvoorziening was

ontstaan, omdat een aantal arbeiders, dat op grond van hun persoonlijke eigenschappen niet of

minder geschikt was voor de D.U.W. lange tijd onafgebroken in de Sociale Bijstandsregeling

bleef opgenomen. De D.U.W., na de oorlog een orgaan van de Rijksdienst voor de Uitvoering

van Werken, was een soort werkverschaffing voor langdurig werklozen, maar in tegenstelling

tot die van de jaren dertig met een betere betaling -- gelijk aan soortgelijke arbeid in het vrije

bedrijf, met de daarbij behorende arbeidsvoorwaarden en met een rechtspositie (De Vakbeweging

1953, 300). “Naarmate deze toestand voortduurt”, schreef de minister, “en het besef

doordringt, dat de kansen om in het normale arbeidsproces te worden opgenomen geleidelijk

afnemen -- in perioden van bijzondere gunstige hoogconjunctuur daargelaten -- treedt veelal

een begrijpelijke onverschilligheid en moedeloosheid aan den dag, met alle demoraliserende

gevolgen van dien. Om afglijden te voorkomen is tewerkstelling van deze mensen op, in

verband met hun geestelijke en lichamelijke toestand, speciaal daarvoor uitgezochte objecten,

uit een oogpunt van arbeidstherapie zeer aanbevelenswaardig en wellicht noodzakelijk” (De

Vakbeweging 1952, 234). Deze overwegingen leidden er toe, dat voor de gemeentebesturen

de mogelijkheid werd geschapen met rijkssubsdie speciale objecten voor bedoelde werklozen

te openen. Deze regeling werd aangeduid als ‘Gemeentelijke Sociale

Werkvoorzieningsregeling voor Handarbeiders’.

De instelling van de WSW-commissie

In 1950 werd de Gemeentelijke Sociale Werkvoozieningsregeling voor handarbeiders van

kracht (Moes, Bedelstaf 92). De uitvoering van deze regeling was toebedeeld aan de gemeentebesturen,

die de daadwerkelijke uitvoering van deze regeling aan een in te stellen commissie

moest overlaten. Deze commissie hield zich bezig met de toelating, de werktijden en andere

arbeidsomstandigheden en het loonstelsel. De gemeenten ontvingen subsidie van het rijk voor

de aan de werknemers te betalen lonen, vervoerskosten en de lonen van de werkleiding.

Namens de minister oefenden rijksconsulenten die aanwezig waren op de vergaderingen,

toezicht uit op de juiste uitvoering van de regeling.

De regeling schreef een commissie voor, die moest zijn samengesteld uit tenminste drie

8


ambtelijke vertegenwoordigers, te weten van de gemeente, de rijksconsulent en het arbeidsbureau,

en drie vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties, te weten het N.V.V., het

C.N.V. en de K.A.B., de voorloper van het N.K.V. Vanaf dit moment was er een formele

betrokkenheid van de vakbeweging in het geheel van de sociale werkvoorziening. In grote

lijnen meende het landelijke overlegorgaan van de drie vakcentrales N.V.V., K.A..B. en

C.N.V., de Raad van Vakcentrales, bij monde van J. Roukema (De Vakbeweging 1952, 235),

dat de nieuwe regeling “doortrokken is van de sociale opvattingen, die het ministerie van

Sociale Zaken zo sterk hebben gekenmerkt”. Natuurlijk bleef er nog wel wat te wensen over.

Zo zou de vakbeweging graag zien dat deze arbeiders onder de werkingssfeer van de sociale

verzekering zouden worden gebracht. Er waren geen redenen meer waarom de gemeenten

bezwaar zouden kunnen hebben tegen het uitvoeren van de regeling. Het subsidiepercentage

was verhoogd tot 95% voor werken bestemd voor arbeiders in groep I, de tijdelijk werkloos

zijnde personen, en tot 90% voor werken, die uitgevoerd konden worden door arbeiders uit

groep II, de langdurig werkloos zijnde personen.

“Het zaad ligt klaar om gezaaid te worden”, schreef Roukema, “Dat onze mensen ervan

weten te profiteren”.

Van Mastrigt schreef in het jaarverslag over 1951 (p. 22) dat op 29 juni 1952 [sic!] de

installatie plaats vond van de Commissie voor de Gemeentelijke Sociale Werkvoorzieningsregeling

voor handarbeiders. Deze Commissie had ten doel om mindervalide arbeiders aan werk

te helpen.

In 1951 kwam de Commissie vijf maal bijeen “om verschillende werkobjecten te

bespreken” en om de mensen daarvoor aan te wijzen. Het loon voor deze mensen was 30%

boven hun sociale Bijslagsregeling en kon in sommige gevallen zelfs hoger zijn.

Van Mastrigt nam zitting in deze Commissie Sociale Werkvoorziening voor

Handarbeiders. Daarnaast zat hij ook in de Plaatselijke Revisie Commissie, Commissie

Werkverruiming Hoofdarbeiders en in de Raad voor Bescherming Bevolking (Jaarverslag

1952, 9). In het jaarverslag over 1952 verzorgde hij voor het eerst een verslag van deze

Commissie voor Sociale Werkvoorzing voor Handarbeiders.

In dat zelfde jaar werd nog een andere belangrijke ontwikkeling gestart. In juni vond er een

congres plaats van de Nederlandse Vereniging Sociale Zorg voor Mindervaliden, de A.V.O.

Daar werd gesproken over de tewerkstelling van mindervaliden in industrie en bedrijf, in

beschutte werkplaatsen en door middel van huisarbeid. Het ging verder over loonvaststelling,

de invaliditeitsrente, die kon worden ingetrokken als de mindervalide in de beschutte werkplaats

of thuis meer dan een derde verdiende van het loon dat hij placht te verdienen, toen hij

nog niet invalide was. Daar werd ook gesproken over de sociale wetgeving, die in het ene

geval wel op mindervaliden van toepassing waren en in andere gevallen niet. Er heerste chaos

op dat gebied en het congres meende dat er moest worden gestudeerd op maatregelen die

enige orde konde scheppen. De minister van Sociale Zaken, Joekes, luisterde aandachtig toe

en beloofde de problematiek te zullen bestuderen. In november 1951 liet de minister een

schrijven uitgaan naar de Sociaal-Economische Raad (S.E.R.), waarin hij meedeelde dat er bij

de regering herhaaldelijk op werd aangedrongen om de blinden, die hetzij in een

werkinrichting voor blinden, hetzij thuis werkten, zo veel mogelijk onder de bepalingen van

de sociale wetgeving te laten vallen. Hij vroeg de S.E.R om advies over de vraag “of het

inderdaad wenselijk moet worden geacht de blinden en andere, met name te noemen groepen

mindervaliden, onder de werking van de sociale verzekeringswetten te brengen, en zo ja, op

welke wijze dit zou kunnen worden verwezenlijkt” (De Vakbeweging 1952, 292). De S.E.R

stelde een commissie in met drie werkgeversvertegenwoordigers, drie

werknemersvertegenwoordigers, een voorzitter van een Raad van Arbeid en een directeur van

9


de Bedrijfsvereniging “Centraal Beheer”. De voorzitter van deze commissie werd J.A.A.

Berger, secretaris van het N.V.V.

In de loop van 1952 kwam de commissie met haar rapport. Hierin was zij eenstemmig van

mening dat de mindervaliden, die in werkplaatsen te werk zijn gesteld onder de sociale verzekeringswetten

konden worden gebracht; dat daartoe arbeidsovereenkomsten dienden te

worden afgesloten, die bekrachtigd door het College van Rijksbemiddelaars de bezwaren

wegnamen, die tot nu toe bestonden tegen opname van mindervaliden onder de bepalingen

van de sociale wetten; dat het loon, dat in deze arbeidsovereenkomsten werden genoemd, zou

worden gevormd door “prestatieloon” en “behoefteloon”; dat de verzekering zou dienen te

worden gebaseerd op het aldus gevormde totaalloon; dat het wenselijk zou zijn, dat de regering

de werkplaatsen subsidieerde om het prestatieloon aan te vullen tot het bedrag aan

behoefteloon, opdat dit loon aan de mindervaliden als het aan hun toekomede loon, kon

worden uitbetaald.

De oud-secretaris van het N.V.V, Coen van der Lende, die al zijn krachten wijdde aan de

behartiging van de belangen van de mindervalide arbeiders, was zeer tevreden over dit

resultaat van de commissie-Berger, omdat dit resultaat “er toe zal bijdragen, de mindervaliden

op te heffen uit de zeer moeilijke positie, waarin zij buiten hun schuld verkeren” (De

Vakbeweging 1952, 293).

De eerste jaren van de Commissie

Van Mastrigt deelde mee dat in 1952 een aantal objecten waren goedgekeurd voor uitvoering,

zoals het verven van plantsoen-afscheidingen, het schoffelen en wieden van wegen, het

vergroten van de vijver in het Kooipark, het verbeteren van het plantsoen in de Vondellaan,

het verlagen van de berm langs de Hoge Morsweg, het schoonmaken van de walmuren en het

straatmeten voor het bestratingsregister. Aan deze objecten werkten ongeveer vijftig

mindervalide arbeiders. Het aantal “mandagen” dat was gewerkt sinds de invoering bedroeg

9275 en het totale loonbedrag was f 81.516,02. Op het einde van 1952 bestonden er nog twee

objecten waarbij 22 personen werkzaam waren. Van Mastrigt benadrukte dat de Commissie er

nauwlettend op toe zag dat geen werk kon worden uitgevoerd dat aan het vrije bedrijf werd

onttrokken.

Daarnaast vertegenwoordigde Van Mastrigt de vakbeweging in de Commissie Werkverruiming

Hoofdarbeiders. Op 4 juni 1952 werd deze commissie geïnstalleerd door de wethouder

van Sociale Zaken. Hier werden objecten uitgevoerd als het inrichten van het depot van de

medische afdeling van het Museum van de Geschiedenis der Natuurwetenschappen, het rangschikken

van biografische gegevens van Nederlandse artsen en het maken van afschriften van

oude vergunningen, reglementen e.d. van de polders in het Zuid-Hollandse deel van Rijnland.

In de vergadering van 12 november besprak de Commissie het plan ‘Sociologisch Onderzoek’

van een gedeelte van de stad. Ook hier zag de Commissie er op toe dat al die werkzaamheden

niet zonder deze regeling zouden zijn uitgevoerd (Jaarverslag 1952, 15).

De vakbeweging uitte bij monde van de Raad van Vakcentrales reeds in 1952 ernstige

kritiek op de regeling voor werkloze hoofdarbeiders. Zij betichtte de gemeenten, die de regeling

uitvoerden, ervan deze oneigenlijk te gebruiken. Zij stelde vast dat in veel gemeenten

was begonnen met het aanleggen van schaduwarchieven van de burgerlijke stand. Voor deze

extra administratieve arbeid werd echter niet personeel van de gemeente ingezet, die dat werk

zouden moeten verrichten tegen een salaris dat voor soortgelijk werk werd betaald. Men

gebruikte de ‘Regeling Tewerkstelling Hoofdarbeiders’. “Het is toch veel voordeliger om dit

10


soort werkzaamheden via vorengenoemde regeling te laten uitvoeren”, stelde de vakbeweging

vast. In dit geval kwam het rijk de gemeente tegemoet met 75% in de kosten, die aan de

uitvoering van dit en soortgelijk werk verbonden zijn. “Van een andermans leer is het goed

riemen snijden”, smaalde de vakbeweging. De gemeentes profiteerden van deze regeling. Zij

lieten objecten via de Gemeentelijke Sociale Werkvoorziening uitvoeren, niet om

werkgelegenheid te scheppen, maar in werkelijkheid om iets op een koopje klaar te krijgen.

De vakbeweging meende dat voor gelijke werkzaamheden ook het daarvoor staande loon zou

moeten worden uitbetaald. De lonen in de regeling waren volgens haar toch al zo

uitzonderlijk laag. De Raad van Vakcentrales wendde zich tot de minister van Sociale Zaken

om verhoging van de loonnormen te bewerkstelligen.

In het jaarverslag over 1953 (p. 3) stelde het N.V.V-bestuur vast dat het aantal ingeschreven

werklozen afnam, maar dat een groot probleem bleef dat niettegenstaande de grote vraag

naar arbeidskrachten een grote groep mindervaliden niet aan de slag komt: “Voor de verantwoordelijke

instanties blijft deze groep zorgen baren”, schreef secretaris C.J. Piena.

Van Mastrigt legde (p. 18) uit dat de Sociale Werkvoorzieningsregeling voor hoofdarbeiders

ten doel had om werkloze ‘hoofdarbeiders’ aan wie passende arbeid in normaal

dienstverband niet kan worden aageboden, en voor wie de wenselijkheid en mogelijkheid van

scholing, herscholing of omscholing niet aanwezig is, te plaatsen op daar toe geëigende

werkobjecten, teneinde daardoor hun maatschappelijke zelfstandigheid en

arbeidsgeschiktheid te vergroten, in stand te houden of te herstellen. De commissie moest

adviseren inzake het creëren van werkobejecten, de plaatsing, indeling enz.

De commissie bestond uit S. Rozemond, directeur Dienst voor Sociale zaken, voorzitter,

E.A.M. Pley, adjunct-directeur van Sociale zaken, plaatsvervanger, J.A. van Mierlo, de

contactambtenaar van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid en C.R.L.

Oostveen, de adjunct-directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau (G.A.B.). Voorts hadden

alleen de vakcentrales zitting. Naast Van Mastrigt zaten P. Oostdam voor de K.A.B. en H. van

Cittert voor het C.N.V. in deze commissie. Ambtelijk secretaris was H.J.F. Vermond, een

ambtenaar bij de Dienst voor Sociale Zaken.

Van Mastrigt maakte gewag van een wijziging in de regelgeving, die 30 juni 1952 in werking

trad. In de op 2 mei 1947 ingevoerde ‘Regeling Tewerkstelling Hoofdarbeiders’ werden

de hoofdarbeiders ingedeeld naar hun opleiding. Dat betekende dat de academisch gevormden

behoorden tot groep I; de overigen, voor zover zij een administratieve opleiding hadden

gekregen, behoorden tot groep II. De Raad van Vakcentrales was vanaf de inwerkingtreding

niet tevreden over deze regeling. De aard van de verrichte arbeid had geen invloed op de

indeling in deze twee groepen. Een andere reden voor het herzien van deze regeling was dat

de lonen voor groep I van f 27,15 voor de vijfde gemeenteklasse tot f 48,55 voor de eerste

gemeenteklasse per week en van f 24,55 tot f 44,10 voor de tweede groep in geen enkel

opzicht meer enig verband hielden met de voor soortgelijke verrichte werkzaamheden

geldende lonen. De Raad van Vakcentrales kreeg de minister van Sociale Zaken mee en er

ontstond, na lange tijd een geheel nieuwe loonregeling voor de tewerkgestelde, werkloze

hoofdarbeiders.

In de nieuwe regeling werden de werkzaamheden onderverdeeld in vier groepen, waarmee

de loongroepen overeenstemden. Groep I bevatte de werkzaamheden, die onder voortdurende

leiding en controle moesten worden uitgevoerd en waarbij vrijwel geen zelfstandigheid werd

vereist. In groep II bevond zich het werk dat enige mate van zelfstandigheid vereist. Voor dat

werk moest een grondige vooropleiding en/of praktijkervaring onmisbaar zijn. In groep III

had men die werkzaamheden ondergebracht waarbij zelfstandigheid belangrijk was, bij het

uitoefenen van gezag of bij de uitvoering van werkzaamheden binnen het gebied van de eigen

11


specialisatie. In groep IV tenslotte vond men de taken die met grote mate van zelfstandigheid

moesten worden uitgevoerd en waaraan bovendien eisen aan kennis en ervaring werden

gesteld. Echt tevreden was de vakbeweging nog niet. In 1953 werd er nog daarover

onderhandeld met de minister. Zo wenste de vakbeweging nog een nadere rubicering van de

werkzaamheden om te voorkomen dat in de ene gemeente een werkzaamheid tot de tweede en

in een andere gemeente tot de derde groep zou worden gerekend. Ook vonden de centrales de

loonopbouw te traag. Over dat punt wilde men nog verder overleg voeren. Men signaleerde

nog een probleem: wat zijn precies ‘hoofdarbeiders’? De regeling definieerde deze groep als

“personen die voor hun maatschappelijke zelfstandigheid in hoofdzaak op hoofdarbeid zijn

aangewezen”. Een rekbaar begrip, vond de vakbeweging, “want er zijn heel veel mensen die

hoofdarbeid verrichten, zonder dat zij een administratieve opleiding hebben ontvangen. De

moeilijkheden die op dit punt kan ontstaan, bijvoorbeeld als men het niet eens is met de

indeling van de te verrichten arbeid in een bepaalde groep, dan zou de plaatselijke Commissie

Sociale Werkvoorziening Hoofdarbeiders” dat moeten bepalen.

De uitvoering van de werkzaamheden berustte in het algemeen bij de gemeente. De hoofdarbeider

was dus in tijdelijke dienst van de gemeente. Voor hem golden alle sociale verzekeringswetten,

dus ook de werkloosheidswet. Kritiek had de vakbeweging ook op artikel 14 van

de regeling. Daar werd gezegd dat er in een door de minister goed te keuren tarief kon worden

gewerkt, maar er was nergens bepaald hoeveel de in tarief werkende hoofdarbeider aan akkoordoverschrijding

zou mogen verdienen. Als hij goed zijn best deed, kon hem volgens

artikel 15 wel 5% of ten hoogste 10% toeslag op het loon worden gegeven, maar dat was niet

aan te merken als akkoordverdienste. De regeling zou hier gewijzigd moeten worden. Al met

al waren de centrales toch tevreden over de regeling: het was immers een aanmerkelijke

verbetering, maar niet alleen voor de hoofdarbeiders. Ook de gemeentes pikten er een graantje

van mee. De subsidie bedroeg immers 75%, volgens de nieuwe regeling was dit percentage

gestegen tot 90%: “Zo zien we, dat na veel voorbereidingen thans een regeling tot stand is

gekomen, die hier en daar nog wel wat wijziging behoeft, maar die in grote lijnen gesteld ons

wel in hoge mate kan bevredigen”, aldus J. Roukema (De Vakbeweging 1953, 82 e.v.).

Het verrichte werk werd bepalend voor het salaris. De opleiding van de hoofdarbeiders

was niet meer het criterium, maar het niveau van de werkzaamheden. Er kwam een

groepsindeling, I t/m IV met een daarop aansluitend beloningsschema. Voor de groepen II t/m

IV was goedkeuring van het ministerie nodig. Ook was de automatische “roulering van iedere

geplaatste hoofdarbeider” na twee jaar was vervallen. Daarnaast moest de commissie kijken

naar de mogelijkheden voor een vast dienstverband, plaatsing in een normaal dienstverband

en de mogelijkheden voor herscholing, omscholing of ontslag. Voor “bijzondere toewijding

en prestatie” kon zonder toestemming van het ministerie een toeslag van 5% worden gegeven.

In Leiden waren er geplaatsten tewerkgesteld o.a. bij de afdeling Bevolking van de

gemeenten Leiden en Nieuwveen, de bibliotheek Reuvens, het Hoogheemraadschap Rijnland,

de Rijksuniversiteit, het Rijksmuseum voor de Geschiedenis der natuurwetenschappen, de

universiteitsbibliotheek, later in het jaar ook nog bij het gemeentearchief, die eind 1953 aan

22 personen werk gaven. In 1953 bedroeg het subsidiepercentage 90%.

De Commissie Sociale Werkvoorzieningsregeling voor Handarbeiders werd nagenoeg

door dezelfde personen bemand als de bovengenoemde commissie, slechts uitgebreid met D.

Boogerd, directeur Gemeentewerken. Deze commissie had tot taak het adviseren inzake het

creëren van werkobjecten, plaatsing, indeling en dergelijke. De 56 geplaatsten waren

tewerkgesteld bij onder meer het rioolgemaal, bij het uitgraven van de vijver in het Kooipark,

bij het puinkloppen en bij de gemeentereiniging (de administratie van de “uniforme

vuilinisemmers”). In de loop van 1953 kwamen er nog andere objecten bij. Het

12


Legermuseum, de Leidse Hout, de gemeentewerkplaats, de Koninklijke Nederlandse

Grofsmederij, de tuin van Sociale Zaken en de universiteitsbibliotheek.

Verdere groei van de sociale werkvoorziening

De Rooms-Katholieke Kerk veroorzaakte in 1954 nogal wat commotie met de uitgave van het

Mandement, waarmee het de Katholieken in Nederland ten sterkste werd afgeraden, zo niet

werd verboden, om lid te zijn van sociaal-democratische en socialistische organisaties zoals

de Partij van de Arbeid en de Vara. Ook het N.V.V. werd met name genoemd. Het N.V.V.

reageerde furieus. Op grond van de instemmende reacties van het K.A.B. en vooral die van

het C.N.V. verbrak het N.V.V. alle contacten met de beide andere vakcentrales. Ook in

Leiden werd het Overlegorgaan N.V.V., K.A.B. en C.N.V. op een laag pitje gezet. Helemaal

stopzetten was niet mogelijk, dat erkenden de drie centrales. Bij sociaal-economische

vraagstukken, die door de regering aan de vakbeweging werden voorgelegd voor een

standpunt, moest de samenwerking voortgaan. Voor de samenwerking op Leids niveau bleven

de contacten overeind, zeker waar het ging om de samenwerking voor het werk in de WSWcommissie.

In 1954, zo deelde Van Mastrigt mee, werden er 202 personen geplaatst in het kader van

regeling voor handarbeiders, waaronder 39 bij de gemeentelijke werkplaats. Interessant is zijn

vermelding dat er 76 personen werden afgevoerd. Plaatsing in het vrije bedrijf en “werken

voor eigen rekening” waren voor 40 personen de reden tot vertrek en twaalf personen waren

te ziek of niet capabel, weggebleven of weggelopen van het object acht personen. Andere

negatieve redenen zoals onenigheid met de leiding, malversaties op het object of vertrek naar

de gevangenis leidden tot vertrek van zeven personen. Dat er vraag was naar arbeidskrachten

bleek ook uit het feit, dat 25 personen die werden opgeroepen, direct naar het vrije bedrijf of

voor eigen rekening gingen werken.

__________________

Interessant is ook in Van Mastrigts overigens summiere verslag is een opgave van de

objecten waar de hoofdarbeiders in 1954 waren geplaatst en wat voor werk zij daar uitvoerden:

Tewerkgesteld bij het Strafrechtelijk Criminologisch Instituut (Moddermanstichting).

-- Het samenstellen van een systematische catalogus van de bibliotheek van het Strafrechtelijk

en Criminologisch Instituut.

-- Onderzoek naar Criminaliteit in de Gemeente Katwijk.

Tewerkgesteld bij de Bibliotheek der Rijksuniversiteit.

-- Verplaatsen van collecties boeken, tijdschriften en overdrukken. Deze collecties moeten

tevens op eenvoudige wijze worden gecatalogiseerd.

-- Catalogiseren van boeken en tijdschriften, aanwezig in bepaalde zich in Leiden bevindende

instellingen (worden opgenomen in de centrale catalogus R.U.).

-- Bijwerken van tijdschriftencatalogus, t.w. tijdschriften, die in of na de oorlog zijn

opgeheven en niet meer verschijnen.

-- Het verrichten van werkzaamheden bij de centrale medische bibliotheek in het Academisch

Ziekenhuis.

13


-- Het controleren op aanwezigheid en juiste plaatsing van de boeken en tijdschriften die zich

blijkens de catalogus in de boekenmagazijnen moeten bevinden.

-- Het controleren van handschriften.

-- Het bijwerken van een catalogus van overdrukken van artikelen.

Tewerkgesteld bij de universiteit.

-- Onderzoek en administratie van de in de loop der eeuwen aan de Leidse Universiteit vermaakte

fondsen. Betrokkene is tijdelijk ontslagen per 6-12-’54 (heeft 1 jaar ziekengeld ontvangen

en is nog niet hersteld).

Tewerkgesteld bij het Museum voor de Geschiedenis der Natuurwetenschappen.

-- Het samenstellen van een klapper op naam en onderwerp van alle in de bibliotheek

aanwezige artikelen tijdschriften.

-- Het samenstellen van een klapper op naam en onderwerp van de museumverzamelingen

(historische instrumenten) van het Museum.

-- Is sinds 23-3-’53 belast met het controleren en aanvullen van het einde sinds jaren niet

bijgehouden oorspronkelijke kaartsysteem van de prentenverzameling, in bruikleen afgestaan

aan het Instituut voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuurwetenschappen.

Tewerkgesteld bij de Openbare Leeszaal en Bibliotheek Reuvens.

-- De herziening van de titelcatalogus.

Tewerkgesteld bij de Dienst van Sociale Zaken te Leiden.

-- Ordenen van het oude archief.

-- Controle op het werk en toezicht op en administratie van de Gem. Werkvoorzieningsregeling

voor Handarbeiders.

Tewerkgesteld bij de Gemeente Werkplaats.

-- Magazijn en lichte administratie werkzaamheden.

Tewerkgesteld bij het Districts Consultatiebureau voor T.B.C.

-- Onderzoek betreffende tuberculine reactie in het District Leiden.

-- Reorganisatie van het bevolkingsonderzoek, zodat dit voldoet aan de eisen door het

Centraal College voor bevolkingsonderzoek gesteld.

-- Reorganisatie van de administratie van het Consultatiebureau.

Tewerkgesteld bij “De Lakenhal”, te Leiden.

-- Het vervaardigen van opschriften op plastic op geëxposeerde voorwerpen.

Tewerkgesteld bij Gemeente-Archief.

-- Het maken van een klapper op de collectie Rijkshuizen, een 14-delig boekwerk over Nederlandse

geslachten.

-- Het ordenen van een collectie glansnegatieven uit de jaren 1870-1900 afkomstig van de

fotograaf Goedeljee.

-- Het herstel van de opschriften op de rugbanden van oude boeken.

Tewerkgesteld aan “Het Volkshuis” te Leiden.

-- Het verrichten van eenvoudige administratieve en statistische werkzaamheden tevens het

14


verzamelen van gegevens inzake beroep der ouders, woonwijk, enz. van de deelnemers aan

het clubwerk.

Tewerkgesteld bij de Kerkeraad Doopsgezinde Gemeente.

-- Ordenen van het archief, ledenregister en andere dergelijke werkzaamheden.

Tewerkgesteld bij het Sociografisch Bureau, Stadhuis.

-- Het verwerken van enquête-gegevens van enkele Leidse volksbuurten, in verband met

Sociologisch Geografisch onderzoek.

(bron: Jaarverslag 1954, 21-23).

____________________

In 1955 waren 182 personen tewerkgesteld in het kader van de regeling voor Handarbeiders.

Een nieuw object was parkwacht bij Endegeest. 176 plaatsingen werden gerealiseerd terwijl

er 145 personen werden afgevoerd, waaronder 95 naar het vrije bedrijf.

Bij de hoofdarbeiders waren er 25 personen tewerkgesteld en werden er dertien geplaatst.

Acht werden afgevoerd, waaronder twee in het vrije bedrijf. Nieuw waren objhecten als de

verkeerstelling en bij de universiteit, de universiteitsbibliotheek, Moddermnansstichting,

Museum voor de Geschiedenis van de Natuurwetenschappen en bij de bibliotheek Reuvens

werden nieuwe objecten gecreëerd.

Per 1 september 1956 veranderde de loonregeling voor de GDSW. De vakcentrales waren

van mening dat verbeteringen ten aanzien van de vakantieduur en -toeslag tot stand waren

gekomen, een nabetaling van 3% over 1955 en een loonsverhoging van maximaal 6%. De SW

paste zich hierbij aan aan de ontwikkelingen in het bedrijfsleven. De GSW-regelingen konden

pas worden verbeterd, wanneer de verhogingen en verbeteringen zich eerst in het vrije bedrijf

hadden geconcretiseerd en daar waren doorgevoerd. De vakcentrales stelden vast dat deze

gang van zaken het nadelige gevolg was van de “door anderen, niet door ons zo hoog geroemde

en aangeprezen loonpolitiek. Van vergeten groepen gesproken” (De Vakbeweging 1956,

214). De werknemers die vielen onder de zogenaamde complementaire voorzieningen,

waaronder de GSW-regelingen, moesten dus steeds enig geduld hebben. Maar op 1 september

werden de verbeteringen dan toch ingevoerd.

De nieuwe regeling werd gebaseerd op een indeling van drie groepen, waarin de ervaring

verkregen met werkclassificatie was verwerkt en werd als volgt omschreven:

Groep I: zeer eenvoudige werkzaamheden welke zonder scholing na korte aanwijzing zouden

kunnen worden uitgevoerd en niet bijzonder onaangenaam of bijzonder zwaar en inspannend

zijn.

Groep II: a) Eenvoudige werkzaamheden, waarvoor een korte systematische oefening nodig is

na meer uitgebreide aanwijzingen; b) Werkzaamheden als bij de loongroep I, doch welke

bovendien onaangenaam of bijzonder zwaar en inspannend zijn.

Groep III: a) Werkzaamheden, welke eerst na enig (speciaal) onderricht en praktijkervaring

kunnen worden verricht; b) Eenvoudige werkzaamheden, als bedoeld onder a) bij loongroep

II, doch welke bovendien bijzonder onaangenaam of bijzonder zwaar en inspannend zijn.

Van deze groepen zouden lijsten en voorbeelden worden opgesteld, als hulpmiddel voor de

toepassing, terwijl de indeling van de werknemers in de groepen gebeurde na ingewonnen

advies van de plaatselijke GSW-commissie.

Voor ieder van deze bovengenoemde groep van werknemers gold een loonschaal, waarbinnen

het voor een werknemer op grond van zijn individuele prestatie mogelijk was zijn loon te

15


verbeteren. De loonschalen overlapten elkaar gedeeltelijk, zodat bijvoorbeeld een goede

arbeider in groep I meer kon verdienen dan een slechte in groep II. Men zou dit een waarderingstoeslag

kunnen noemen. Afwijking zowel naar boven als naar beneden van de loonschaal

was slechts in bijzondere gevallen en met waarborgen omkleed mogelijk. De GSWcommissie

en de minister werden daarbij betrokken.

De vakcentrales zagen in deze nieuwe regeling enkel voordelen. Er werd veel meer van de

werkleiding en de GSW-commissie gevraagd dan tot dan toe het geval was. “Wij houden ons

ervan overtuigd”, meende de centrales, “dat beide dit ten aanzien van hun beschutte beschermelingen

weten op te brengen” (De Vakbeweging 1056, 215). Andere voordelen van de

nieuwe loonregeling waren een grotere gradatiemogelijkheid dan tot dan toe. Er was ook een

betere basis door de indeling in drie groepen. Er was ook veel waardering voor de mogelijkheid

om zichzelf te kunnen opwerken.

Niet tevreden waren de centrales over de looncijfers, die hadden iets hoger gekund. Maar

daar wilde vakbeweging na de toen nog lopende kabinetsformatie nog op terug komen. [Illustratie!].

De kabinetsformatie verliep uiterst moeizaam en enkele door de vakcentrales

voorgestane verbeteringen dreigden ernstig vertraagd te worden. De centrales meenden dat de

vakantierechten per 1 september zouden kunnen ingaan en vroegen minister Suurhof daarvoor

zorg te dragen, “opdat de betrokkenen geen schade van een late beslissing zouden

ondervinden”. De regering had al veel eerder kunnen en moeten beslissen, meenden de

centrales. In het vrije bedrijfsleven waren de 15 dagen vakantieverlof en 4% toeslag reeds

verwezenlijkt. Alleen de landarbeiders waren daar nog van verstoken. “En daaraan zal

minister Suurhof toch niet de in de een of andere vorm gehandicapten willen ophangen?”

vroegen de centrales zich af “te meer nier, omdat het hier een categorie van mensen betreft,

die niet in staat zijn door machtsontplooiing iets af te dwingen” (De Vakbeweging 1956, 326

met illustratie).

In de vergadering van het N.V.V.-bestuur van 18 april 1956 trad Van Mastrigt uit het

bestuur. In de commissies werd hij opgevolgd door J.H. Schüller, die van de A.B.V.A. afkomstig

was en ook nog voorzitter van de N.V.V.-afdeling was. Daarnaast vertegenwoordigde hij

de afdeling nog in talloze andere commissies, zoals Commissie van Advies

Huisvestingbureau, Huurcommissie en was hij bestuurslid van Ons Centrum, de Sociëteit

voor bejaarden en van de 1-mei-commissie.

Ook de commssies veranderden. De tot dusver afzonderlijke commissie voor

hoofdarbeiders en handarbeiders werden samengevoegd tot de Commissie Gemeentelijke

Sociale Werkvoorzieningsregeling voor Hoofd- en Handarbeiders.

De commissie was als volgt samengesteld: S. Krist, directeur van de Dienst voor Sociale

Zaken, voorzitter; J.H.F. Vermond, ambtenaar bij dezelfde dienst, secretaris; C.J. Vogel,

eveneens ambtenaar bij deze dienst als adjunct-secretaris; H.C. Koekebakker, departement

van Sociale Zaken en C.R.L. Oostveen, ambtenaar van het Gewestelijk Arbeidsbureau. Voor

de vakcentrales waren, naast J.H. Schüller, P.B.H. Oostdam (K.A.B.) en H. van Cittert

(C.N.V.) de leden. Soms waren ook de directeuren van Gemeentewerken en van de

Gemeentelijke werkplaats uitgenodigd om hun voorstellen staande de vergadering toe te

lichten. Voorts werd er uit de commissie een subcommissie benoemd, die tot taak kreeg om te

beoordelen wie er in aanmerking zouden kunnen komen voor plaatsing op een van de

werkobjecten. Deze commissie bestond uit een vertegenwoordiger van de vakcentrales, een

vertegenwoordiger van het G.A.B. en een vertegenwoordiger van de Dienst voor Sociale

Zaken. Een vertegenwoordiger van een vakcentrale functioneerde als voorzitter. Het

voorzitterschap rouleerde om de drie maanden. De commissie kwam vrijwel iedere week

bijeen.

16


In 1956 werden bij de handarbeiders 166 personen aangewezen voor tewerkstelling, maar

er werden er 114 geplaatst, de rest kon alsnog terecht bij het vrije bedrijf, de overigen konden

om andere redenen van verdere uitkering worden afgevoerd.

Schüller stelde vast dat in 1956 minder personen van de handarbeidersregeling konden

worden afgevoerd: 86 in 1956 tegen 145 in 1955. Het “gehalte” van de tewerkgestelden liep

steeds terug, zo stelde hij vast “zodat de plaatsingen in het vrije bedrijf steeds moeizamer tot

stand komen” (Jaarverslag 1956, 28).

Bij de handarbeiders werden in 1956 enkele nieuwe objecten goedgekeurd: werken aan het

plantsoen van Endegeest, bij het Academisch Ziekenhuis en het Leidse Volkshuis werden

handarbeiders geplaatst.

In 1956 werden er twaalf personen geplaatst bij de hoofdarbeiders, maar tevens twaalf

afgevoerd, waarvan zeven naar het vrije bedrijf. Nieuwe objecten vond de commissie bij de

Dienst Gemeentewerken, Endegeest en de Maatschappij voor Toonkunst. Dat was een object,

waarbij gedurende enkele jaren drie personen werkzaam zullen kunnen zijn. Ook het archief

van de Koninklijke Landmacht bood werk. Aan de tentoonstelling “Beeldhouwwerken” werd

door twee personen gedurende drie maanden gewerkt.

Schüller merkte verder op dat de grote commissie onder leiding van de heer Krist vruchtdragend

werk werd verrichtte voor de mindervalide arbeiders.

In 1957 kwam er een wijziging van de samenstelling van de Commissie Gemeentelijke

Sociale Werkvoorzieningsregeling voor Hand- en Hoofdarbeiders. Zij werd uitgebreid met

J.M. Cannoo van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst, S. Wiegersma, Vereniging Zwakzinnigenzorg,

D.Y. Lem, directeur van de Gemeentewerken, H. Hazelhoff, directeur van het

Gewestelijk Arbeidsburaeu. Voor de K.A.B. nam K.F. de Bree zitting. Voor het overige bleef

de commissie met H. van Cittert (C.N.V.) en J.H. Schüller (N.V.V.) ongewijzigd. De commissie

vergaderde iedere laatste vrijdag van de maand “om de diverse voorstellen betreffende de

werkobjecten te bespreken en dienoverkomstig te besluiten”. De heer Krist was door ziekte

verhinderd om de vergaderingen voor te zitten en werd vervangen door E.A.M. Pleij.

De plaatsingscommissie bestond uit J.A. van Mierlo, contact-ambtenaar van het Ministerie

van Sociale Zaken en Volksgezondheid, C. Schipper, ambtenaar Bijzondere Bemiddeling van

het G.A.B. in Leiden, J. Jonk, ambtenaar bij de Dienst voor Sociale Zaken belast met uitvoering

van de G.S.W.-regeling. Voor de vakbeweging zaten daar Van Cittert en Schüller in.

Kennelijk had K.F. de Bree geen zitting in deze commissie. Deze commissie vergaderde in de

regel om de veertien dagen. Voorzitter was een van de vertegenwoordigers van de

vakcentrale. Taak van de plaatsings-commissie was de voorstellen betreffende de tewerk te

stellen te beoordelen. Wanneer de commissie dat nodig oordeelde, werd er met de

voorgestelde persoon gesproken over hun tewerkstelling en over de aard van het werk dat zij

zullen gaan verrichten.

De werkobjecten werden vrijwel altijd door de directeur van de Gemeentelijke Werkplaats

en door Jonk aangetrokken. Ook de heren Koekebakker, de adjunctconsulent van het Ministerie

en Mierlo beijverden zich om nieuwe objecten te vinden. Nieuwe objecten voor de

hoofdarbeiders werden gevonden bij het Prentenkabinet, de Moddermanstichting, de

Universiteitsbibliotheek, het consultatiebureau voor de bestrijding van t.b.c., Endegeest,

Organisch Chemisch Laboratorium, de afdeling Volkshuisvesting en bij de Dr. Van

Voorthuysenstichting.

In 1957 werden zes personen geplaatst en dertien afgevoerd, waaronder twee naar het vrije

bedrijf en vier die door in rijksdienst werden overgenomen en vier bereikten de 65-jarige

leeftijd.

Ten aanzien van de hoofdarbeiders werden er 232 personen voor plaatsing bij de verschil-

17


lende objecten aangewezen. 138 werden er daadwerkelijk geplaatst. De overigen bleken in het

vrije bedrijf een betrekking te hebben gevonden (38 personen) of om andere redenen te

moeten worden afgevoerd. De vakcentrales merkten bij deze cijfers op, dat de doorstroming

naar het vrije bedrijf door de toename van de arbeidsreserve uiteraard werd geremd, maar

desondanks was men tevreden over de mate van de doorstroming.

Op landelijk vlak werd in 1958 het geregeld overleg tussen de vakcentrales N.V.V.,

K.A.B. en C.N.V. weer hervat. Deze samenwerking was verbroken naar aanleiding van het

bisschoppelijk Mandement van 1954. Naar de mening van het N.V.V. deed het C.N.V. een

aantal uitspraken dat voor het N.V.V. “grievend en onjuist” was. Het N.V.V. besloot om maar

een punt te zetten achter de zich voortdurend voortslepende discussies “omdat een vruchtbaar

resultaat uitgesloten moet worden geacht” (De Vakbeweging 1958, 35). Deze hervatting kon

alleen wanneer de drie vakcentrales elkaars principiële grondslag en zelfstandigheid

eerbiedigden. De verschillen van principiële grondslagen bleven de centrales verdeeld

houden. Maar in feite was de samenwerking nooit verbroken. Meerdere malen waren de

vakcentrales met een gelijkluidend standpunt naar buiten gekomen: “Dat is voor wie de

situatie in Nederland kent, niet zo verwonderlijk” (De Vakbeweging 1958, 35), de wijze

waarop de sociale en de economische politiek werd gevormd en gevoerd bracht nu eenmaal

mee dat steeds een keuze moest worden gemaakt tussen wenselijkheden en mogelijkheden,

waarbij de prioriteit die men aan enig belang wenste te geven werd bepaald door de plaats

waarop men stond. Dan is het ook duidelijk, dat bij die keuze de vakcentrales a.h.w. vanuit

hun primaire taak (dat is te zorgen voor zo goed mogelijke arbeidsvoorwaarden en

levensvoorwaarden en levensomstandigheden voor hen die zij vertegenwoordigen) elkaar op

hetzelfde vlak vinden (De Vakbeweging 1958, 35). Die hernieuwde samenwerking bleek

direct in het zelfde jaar 1958, toen de drie vakcentrales met een gezamenlijke verklaring te

voorschijn kwamen over de werkgelegenheid in het algemeen, waarin onder andere stond te

lezen: “Daarnaast dient ter handhaving van een redelijke werkgelegenheid voor werkloze

minder geschikte arbeidskrachten zorg te worden gedragen voor voldoende opdrachten aan

GSW-werkplaatsen” (De Vakbeweging 1958, 42).

In januari 1958 waren 104.043 mannen werkloos, waarvan er 10.026 waren opgenomen in

de sociale werkvoorzieningsregelingen voor hand- en hoofdarbeiders (De Vakbeweging 1958,

54).

In 1958 was de voorzitter, de heer Krist weer zover hersteld, dat hij zijn werkzaamheden

weer kon hetvatten, “zodat de commissie weer van zijn deskundige voorlichting en adviezen

een dankbaar gebruik” kon maken (Jaarverslag 1958, 24). Het aantal geplaatsten groeide ook

in 1958, zo stelde de vakbeweging vast. Zij zag het als een bewijs, dat de categorie van personen,

die lichamelijk en geestelijk gehandicapt zijn, groter was geworden.

In de commissie kwam een circulaire van het Ministerie uit 1957 aan de orde, die gericht

was aan de gemeentebesturen, waarin werd gewezen op het feit dat 70% van de GSW- arbeiders

behoorden tot de categorie van geestelijk of lichamelijk gehandicapten, naast al diegenen

die in de regeling waren opgenomen zonder dat zij bepaalde kwalen en gebreken hebben,

maar op grond van hun gevorderde leeftijd zijn geplaatst. Zij vergden een bijzondere zorg van

overheid voor hun gezondheid. Er diende bijzondere aandacht te worden gegeven aan de

lichamelijke en geestelijke hygiëne op de objecten, zowel binnen als in de open lucht, en in de

sociale werkplaatsen. Wat betreft de geestelijke hygiëne werd de nadruk gelegd op het belang

van een leidinggevende staf die met de geplaatste werknemers meeleefde, begrip had voor

velerlei sociale, psychologische en ethische facetten aan de tewerkstelling in GSW-verband.

De vakbeweging vond dit een belangrijk vraagstuk. Niet iedereen, hoe vakbekwaam hij ook

mocht zijn, is geschikt om leiding of medeleiding te geven aan de tewerkgestelden (S

18


chüller in Jaarverslag 1958, 24).

In 1958 werden in Leiden bij de hoofdarbeiders achttien personen geplaatst, maar ook

twaalf afgevoerd, waaronder één door plaatsing in het vrije bedrijf, één door plaatsing in

rijksdienst en twee door plaatsing in de dienst van de gemeente. Bij de handarbeiders werden

er 131 personen geplaatst. 90 personen werden afgevoerd, waarvan negentien door plaatsing

in het vrije bedrijf en 40 die voor eigen rekening aan de slag gingen. Plaatsing in het vrije

bedrijf bleef een moeizame zaak. De arbeidsreserve nam toe en een tweede belangrijke

oorzaak was dat de plaatsing van zoveel mogelijk mindervalide arbeidskrachten, als gevolg

van een ministriële circulaire (11 april 1958, nr. 2466), was ook een belemmering voor

doorstroming naar het vrije bedrijf, meenden de vertegenwoordigers van de vakcentrales in de

commissie (Schüller in Jaarverslag 1958, 27).

De staatssecretaris van Sociale Zaken meende er goed aan te doen om de aandacht van de

gemeentebesturen er op te vestigen dat het karakter en de doelstelling van de gemeentelijke

sociale werkvoorziening dusdanig moet zijn dat deze voorziening uitsluitend bedoeld is voor

tewerkstelling van lichamelijk of geestelijk gehandicapten, die uit dien hoofde niet of moeilijk

een arbeidsplaats in het vrije bedrijfsleven kunnen krijgen. Anders gezegd: in de GSW horen

alleen moeilijk plaatsbaren thuis. Verwijzing naar de GSW, wat volgens de minister soms wel

eens gebeurde, van lichamelijk en geestelijk volkomen normale arbeiders is dus onjuist. Voor

dergelijke arbeiders diende, als er van een tekort aan opnamemogelijkheden in het vrije

bedrijf kon worden gesproken, en dat was met name in de gebieden met grote structurele

werkloosheid veelal het geval, zo nodig en mogelijk aanvullende werkgelegenheid te worden

gecreëerd. Hun plaatsing in de GSW is uit den boze (De Vakbeweging 1958, 134).

Medio 1958 werkten landelijk 19.594 personen in GSW-verband, tegen 15.069 in 1957.

Van die 19.594 werkten er 10.475 in een sociale werkplaats en 9.119 op een object in de open

lucht, bijvoorbeeld verbetering van fietspaden of aanleg van speelvelden. Het aantal in uitvoering

zijnde werkobjecten in de open lucht nam toe van ongeveer 900 tot 1100. In 1956, 1957

en 1958 werd de GSW-regeling uitgevoerd in resp. 139, 162 en 176 sociale werkplaatsen.

Onder de 19.594 personen waren er 651 herstelde t.b.c.-patienten, 453 slechtzienden en

blinden en 13.841 personen die een of andere zware lichamelijke of geestelijke handicap

hadden. Voor hen betekende de opname in de GSW veelal een mogelijkheid tot revalidatie

(De Vakbeweging 1959, 59).

De vakcentrales namen weer eens contact op met de minister van Sociale Zaken om het

basisloon in de GSW te verbeteren. Naar hun mening was dat loon veel te laag. Een poging,

die een paar jaar daarvoor werd gedaan om de lonen op te krikken liep vanwege de

bestedingsbeperking op niets uit. Men berustte daar maar in, maar liet wel blijken hierop te

zijner tijd terug te willen komen. In 1959 was het zover. Het ‘adres’ aan de minister werd

gemotiveerd met het door de verschillende procentuele loonronden nominaal steeds verder

achter raken van de lonen in de GSW, de in economisch opzicht verbeterde omstandigheden

vergeleken met 1957 en de sterke toename van het aantal in de GSW geplaatste werknemers.

In dezelfde brief aan de minister werd ook nog gepleit voor herziening van het bepaalde in

artikel 39 lid 2 van de Sociale Voorzieningsregeling, dat bepaalde dat op de uitkering van de

werknemer, indien hij kostwinner was, een deel van de inkomsten die door zijn echtgenote en

gezinsleden uit arbeid werd verkregen in mindering werd gebracht. Hoewel dit in mindering

te brengen deel onlangs voor de 21-25-jarige gezinsleden tot nul was teruggebracht, door het

feit dat zij recht hadden op uitkering ingevolge de SV-regeling bij onvrijwillige werkloosheid,

waren de drie vakcentrales van oordeel dat de vigerende aftrekregeling in haar huidige mogelijkheden

“uit de tijd” is en verbetering behoefde. (De Vakbeweging 1959, 78). Het adres van

de vakcentrales werd door de minister gehonoreerd. De basisuurlonen in de GSW werden met

19


vier cent verhoogd, en de maximaal toegestane uurverdiensten stegen met vijf cent. Een en

ander betekende dat dat het weekloon van de GSW-arbeiders zowel in de sociale

werkplaatsen als op de openluchtprojecten, gemiddeld met ruim 2 gulden omhoog gingen.

Met deze verhoging werd bereikt dat de afstand tussen het basisloon van de GSW-regeling en

het richtlijnloon dat door het College van Rijksbemiddelaars voor ongeschoolde arbeiders

werd aangehouden, werd verkleind. De verhoging vond mede haar grond in de feitelijke

loonontwikkeling in het bedrijfsleven gedurende de afgelopen jaren (De Vakbeweging 1959,

176).

J.H. Schüller nam in 1960 afscheid van het N.V.V.-bestuur, maar bleef nog wel zijn commissiewerk

doen.

Eind 1959 vond er een eerste studieconferentie te Den Haag in Europees verband plaats.

Het was de “European Seminar on Sheltered Employment”. Deze conferentie was uitgeschreven

door de Nederlandse Centrale Vereniging voor Gebrekkigenzorg, in samenwerking met

de Vereniging Arbeid Voor Onvolwaardigen, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het

Interfederatief Overleg van Werkplaatsen en de drie vakcentrales. De conferentie werd geleid

door A.H. Heering, die het volgens de verslaggever van De Vakbeweging (1960, 28) uitstekend

deed. Omdat het een werkconferentie was, was het aantal deelnemers tot 60 beperkt. Zij

kwamen uit geheel Europa. Vooral de Engelse en de Scandinavische afgevaardigden waren

zeer deskundig op het terrein en brachten de discussies op een hoog peil. Ook waren er waarnemers

aanwezig onder meer van de Internationale Arbeidsorganisatie en van de Raad van

Revalidatie in Nederland.

Als uitgangspunt koos de conferentie: de erkenning dat beschutte arbeid een specifiek

onderdeel is van de werkgelegenheid in het algemeen en dus een aspect van de werkgelegenheidspolitiek.

Tijdens de discussies kwamen twee opvattingen naar voren over het begrip

‘beschutte arbeid’. De Nederlandse opvatting was: arbeid tegen beloning voor mindervaliden

die (nog) niet in het vrije bedrijf geplaatst kunnen worden. Hier wees men op het bekende feit

dat er toen ruim 180 werkplaatsen bestonden, verspreid over het hele land. Ook konden daar

lichamelijk en geestelijk gehandicapten, die daarvoor in aanmerking kwamen op zgn. buitenobjecten

worden geplaatst. De Duitsers en de Oostenrijkers kenden het systeem van de beschutte

werkplaats niet. De mindervaliden stonden daar ingeschreven bij de arbeidsbureaus en

werden geplaatst in de gewone bedrijven, die wettelijk verplicht waren een bepaald

percentage (van 4 tot 8%) mindervaliden te werk te stellen. Andere landen kenden weer

andere systemen, zoals in Zweden, waar de arbeid in speciale afdelingen binnen een gewoon

bedrijf, in zogeheten ‘gedeeltelijk beschutte werkplaatsen’ door de mindervaliden werd

verricht. Tussen Nederland en Engeland bestond ook een opmerkelijk verschil. In Nederland

werd tewerkstelling in een beschutte werkplaats niet beschouwd als definitief. De leiding van

de werkplaatsen kon met trots meedelen dat vele tewerkgestelden ‘doorstromen’ naar het vrije

bedrijf. Daartoe trachtte men het arbeidstempo in beschutte bedrijven aan te passen aan dat in

de gewone bedrijven. Voor de betrokkenen ontstond daardoor de mogelijkheid om als

volwaardiger arbeiders een plaats in de samenleving in te gaan nemen. In Engeland

daarentegen werd de beschutte werkplaats niet beschouwd als een plaats waar de

tewerkgestelde een ‘oefening’ of ‘test’ doormaakt. Daar heeft men werkplaatsen, z.g. de

IRU’s (Industrial Rehabilitation Units), waar de mindervalide gedurende zes weken

gelegenheid krijgen te zamen met de werkleiding na te gaan voor welke tak van arbeid zij het

meest geschikt zijn (De Vakbeweging 1960, 28-29).

Het bleek, zo vermeldde verslaggever J. Landman trots, dat Nederland op dit gebied

vooraan stond. “In verschillende landen is men nog niet zover als bij ons”, schreef hij.

Er werden verschillende instellingen bezocht door de deelnemers van de conferentie, o.a.

20


de Van der Woudestichting te Delft, de werkplaats van de AVO in Amsterdam en de

gemeentelijke werkplaats te Dordrecht. De deelnemers begrepen daardoor beter het

uitgangspunt van de Nederlandse delegatie en er ontstonden geanimeerde discussies.

Sommige deelnemers toonden grote bewondering voor hetgeen er in Nederland op dit gebied

is bereikt. De belangrijkste uitspraak van deze conferentie was:

“Iedere gehandicapte dient hetzelfde recht op arbeid overeenkomstig zijn bekwaamheden te

hebben als ieder ander lid van de samenleving. Het verschaffen van werk is het voornaamste

doel van de arbeidsrevalidatie. Indien geen geschikte arbeid onder normale voorwaarden op

de vrije arbeidsmarkt kan worden gevonden, dient daarvoor te worden gezorgd door middel

van sociale werkvoorziening”.

Uit de conferentie bleek dat in Nederland in ruime kring belangstelling was voor beschutte

arbeid. Men was de mening toegedaan dat het zinvol kon zijn om in 1960 het vraagstuk van

de beschutte arbeid in Nederlandse kring nog eens te bespreken. De vakcentrales waren

verheugd dat ook zij werden uitgenodigd bij het nemen van initiatieven: “De vakbeweging

heeft op dit gebied zoveel aanrakingspunten met de werkgelegenheidspolitiek dat zij daardoor

niet buiten deze ontwikkeling gesteld kan worden”.

Op 30 en 31 mei en op 1 juni 1961 vond er inderdaad een vervolgconferentie plaats te

Arnhem, nu met uitsluitend Nederlandse deelnemers, die hierboven reeds zijn genoemd.

Wederom stond de conferentie onder leiding van A.H. Heering van het Ministerie van Sociale

Zaken en Volksgezondheid. In totaal formuleerde de conferentie 22 conclusies.

Allereerst was er vastgesteld dat de organisatie van beschutte arbeid of sociale werkvoorziening

een onderdeel is van de werkgelegenheidspolitiek en daardoor het bedrijfsleven

medeverantwoordelijk is. Naast de werknemersorganisaties dienen ook de

werkgeversorganisaties te worden betrokken bij de uitvoering van de sociale

werkvoorziening. De vakcentrales waren het daarmee eens. Hierdoor werd, volgens hun,

tevens bereikt dat er bij werkgevers meer begrip voor de functie en de waarde van de sociale

werkvoorziening ontstaat. Een tweede conclusie was dat het aanbeveling verdiende bij de

keuze van bestuursleden van een sociale werkplaats ook te denken aan geschikte personen uit

de kring van werkgevers en werknemers met het oog op hun deskundigheid in

arbeidsaangelegenhedenen economische vraagstukken.

Wat de werkgevers betrof was hierbij voorts de mogelijkheid van het leggen van contacten

ten behoeve van productie-opdrachten en ten behoeve van de doorstroming van werknemers

naar het vrije bedrijf van belang. Een volgende conclusie, die ook door de vakcentrales werd

onderschreven, was, dat het niet gewenst was de beloning van gehandicapten, die naar verwachting

niet meer naar het normale arbeidsproces zullen doorstromen en dus blijvend op hun

verdiensten in de GSW zijn aangewezen, op die grond hoger te stellen dan voor andere werknemers,

omdat daardoor onrechtvaardigheden zouden worden geschapen, die tot spanningen

tussen de werknemers zouden kunnen leiden. Verbetering van de materiële positie zal slechts

gevonden kunnen worden in een algemene verhoging van het basis-uurloon of een algemene

vergroting van de premie-marge. Andere belangrijke conclusies waren dat er gepoogd moest

worden om tot een vorm van arbeidsovereenkomst voor de werknemers te komen en dat een

bedriijfsarts, zo mogelijk met kennis van de sociale revalidatie bij beschutte arbeid,

noodzakelijk was. Deze arts zou dan een volle dagtaak als bedrijfsarts dienen te hebben.

Belangrijk was ook de conclusie dat verkoop langs de deur van producten van de beschutte

arbeid onvermijdelijk zou leiden tot misbruiken. Die vinden hun oorsprong in het beroep dat

op het medelijden van het publiek wordt gedaan. Dit wordt in strijd geacht met de

waardigheid van de arbeidende mens. Daarom is deze wijze van verkoop verwerpelijk en uit

de tijd. De vakbeweging was van mening dat de conclusies die deze conferentie heeft

21


getrokken een krachtige prikkel zullen zijn tot verder ontplooiing van de beschutte arbeid (L.

Opheikens in De Vakbeweging 1961, 202).

In 1960 werden de lonen in de GSW voorlopig verhoogd met vier cent per uur , voor

hoofdarbeiders beliep de loonsverhoging f 1,92 per week., omdat de regering er nog niet uit

was hoe de huurcompensatie in het loon moest worden verrekend. In oktober viel de definitieve

beslissing. De huurcompensatie was in het loon verwerkt en de verhoging werd 6 cent per

uur. De vakbeweging was tevreden, omdat procentueel gezien de verhogingen boven die

welke gemiddeld in het vrije bedrijf lagen, maar wel veel later tot stand kwamen (De

Vakbeweging 1960, 352).

In 1961 trad de oud-directeur van het G.A.B., H. Hazelhoff, af en trad de nieuwe directeur

J. Sjoerds aan. Het N.V.V.-jaarverslag over het jaar1961 vermeldt helaas niet de overige

leden van de G.S.W.-commissie.. J.H. Schüller was nog steeds de N.V.V.-vertegenwoordiger

in beide commissies.

In het begin van 1961 was het aantal geplaatste handarbeiders 418, waarvan 215 in de

gemeentelijke Werkplaats en 121 in de nazorgwerkplaatsen, eind 1961 was het aantal iets

teruggelopen: het aantal geplaatsten bedroeg 398, waarvan 201 in de gemeentelijke

Werkplaats en 120 in de Nazorgwerkplaats. 82 personen werden in 1961 geplaatst, maar 102

afgevoerd, waarvan 39 naar het vrije bedrijf en zeven wegens wangedrag. Bij de

hoofdarbeiders waren er begin 1961 38 geplaatst, dat aantal bleef gedurende dat jaar gelijk. Er

werden vijftien personen geplaatst maar ook vijftien afgevoerd, waarvan zes naar het vrije

bedrijf. Nog steeds kwamen er nieuwe objecten bij: de afdeling neurologie van het

Academisch Ziekenhuis, het Physiologisch Laboratorium van de rijksuniversiteit en de

stedebouwkundige afdeling van de dienst gemeentewerken.

In dat zelfde jaar besloot de staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid om

een eerste stap te doen tot arbeidstijdverkorting voor werknemers in de GSW-regeling. Hij

bepaalde bij wijze van voorlopige maatregel, dat eenmaal per maand een zaterdag vrijaf met

behoud van loon zou worden gegeven aan de werknemers. Indien dat niet mogelijk was

omdat plaatselijke omstandigheden dat moeilijk maakten, kon er een gemotiveerd voorstel tot

afwijking in overweging worden genomen. Een dergelijk voorstel moest wel vergezeld gaan

van het advies van de GSW-commissie en tussenkomst van de rijksconsulent was vereist. De

vakcentrales namen aan dat deze mogelijkheid was bedoeld om als de plaatselijke of

regionale omstandigheden dat toelaten meer vrije zaterdagen konden worden verleend. Uit

een en ander mocht worden afgeleid, dat zich een soepele verwezenlijking van een verdere

arbeidstijdverkorting, zowel ‘in tijd’ als incidenteel en plaatselijk zou gaan voltrekken. Aan

het slot van zijn desbetreffend rondschrijven aan de gemeentebesturen vroeg de

staatssecretaris nog eens extra aandacht voor het bevorderen van maatregelen ter opvanging

van het productieverlies dat als gevolg van deze arbeidstijdverkorting zou kunnen ontstaan.

Ook hier dus: de verkorting moet zich zelf verdienen. “Wij juichen de onderhavige beslissing

van de staatssecretaris van harte toe”, schreef J. Lageveen (De Vakbeweging 1961, 32), “te

meer omdat zij bewijst, dat het ‘volgen’ van de GSW op niet al te late termijn geschiedt”.

Op 16 juni 1961 verzond staatssecretaris Roolvink van Sociale Zaken en Volksgezondheid

aan de gemeentebesturen een circulaire over de vrije zaterdag voor werknemers in de GSW.

Hij bepaalde dat de werktijd voor de werknemers in de GSW-werkplaatsen en op de buitenobjecten

46 uur zal bedragen met ingang van 3 juli. Tot die tijd was de werktijd 46 ½ uur per

week. De verdeling van die werktijd werd overgelaten aan de gemeentebesturen, in overleg en

in overeenstemming met het advies van de GSW-commissies, waardoor met plaatselijke

situaties rekening zou kunnen worden gehouden. Deze vrijheid van handelen schiep derhalve

de mogelijkheid om meer vrije zaterdagen te verstrekken dan voorheen. Het was zelfs niet

22


uitgesloten om alle zaterdagen te sluiten. Echter dan moest de arbeidstijd van 9 uur en 12

minuten per dag worden opgevoerd. Dit leek de vakbeweging voor werknemers in de GSWregeling

te lang. Men zou dan ook plaatselijk zorgvuldig moeten overwegen of de werktijd zó

lang moet duren, temeer omdat men er vooral ook nog rekening mee moet houden, dat de

werknemers naar en van de werkplaatsen en de objecten vervoerd moeten worden. De lonen

van de GSW ondergingen dus geen wijziging als gevolg van de arbeidstijdverkorting.

Ongeacht hoe men de werktijd wilde spreiden, zullen 48 uurlonen per week worden betaald.

Overigens lag het in het voornemen van de staatssecretaris om met ingang van 1 januari 1962

de arbeidsduur terug te brengen tot 45 uur per week. Echter was er ook de bepaling dat in zeer

bijzondere gevallen een directe invoering van de 45-urige werkweek in overweging kon

worden genomen. Dit kon echter alleen maar gebeuren op grond van de plaatselijke situatie

en door tussenkomst van de betrokken rijksconsulent en vergezeld van een advies van de

GSW-commissie (De Vakbeweging 1961, 218).

Kritiek uitte de vakbeweging op die circulaire van de staatssecretaris in verband met de

invoering van de vijfdaagse werkweek. In deze circulaire drong hij aan op het treffen van

maatregelen, die er op moesten zijn gericht om productieverlies dat het gevolg kon zijn van

de arbeidstijdverkorting zo veel mogelijk tegen te gaan. Die maatregelen moesten volgens

hem vooral worden gezocht in de sfeer van een doelmatige organisatie van de uitvoering van

de diverse werkzaamheden, opvoering van de efficiëncy door o.a. geleidelijke verbetering van

productie- en werkmethoden en een goede selectie van werkobjecten. Hij achtte dit van

belang voor de sociale werkplaatsen en in het bijzonder voor een juiste revalidatie van de

werknemers. De vakcentrales benadrukten het grote belang van de leidinggevende staf, die

begrip moet hebben voor de velerlei psychologische en ethische facetten die aan de

tewerkstelling in GSW-verband zijn verbonden. “De leidinggevende leeft immers met de

geplaatste werknemers mee. Dat kan men altijd zeggen van de topleiding”, aldus de centrales,

“men dient toch niet uit het oog te verliezen, dat men het niet met gezonde werknemers te

doen heeft, maar met gehandicapten in al hun schakeringen, die mogelijk ook thuis met

moeilijkheden te kampen hebben en waarover men op het werk piekert” (Jaarverslag 1961,

36).

Per 1 januari 1962 werden de lonen voor de GWS-werknemers met 5% verhoogd. Tevens

werd de werktijd verkort van 46 tot 45 uur. In die nieuwe lonen en uitkeringsbepalingen

waren bepalingen opgenomen die op een week omgerekende invaliditeitsrente, inclusief de

toeslagen, niet hoger mocht zijn dan een bedrag gelijk aan het vastgestelde loon, inclusief de

huurcompensatie, vermeerderd met f 10,- per week. Aangezien de rente met toeslagen in takt

bleef en rechtstreeks aan de betrokkene werd uitbetaald, moest op het loon een aftrek worden

toegepast ter grootte van het eventuele surplus. Die maatregel van staatssecretaris Roolvink

had niet de instemming van de vakcentrales. Mensen die in de GSW-regeling waren opgenomen,

waren alleen gehandicapt en “het zou heus niet zo verschrikkelijk zijn wanneer zij op

grond van deze tekortkoming daarvoor een zekere compensatie zouden krijgen. Men zou

zulks kunnen zien als een soort smartegeld”, aldus secretaris Langezaal van de N.V.V.afdeling

(Jaarverslag 1961, 4). Dat de belangstelling voor deze mensen naar het vrije bedrijf

zou worden afgeremd, leek de vakbeweging onjuist: “Deze gehandicapten zullen over het

algemeen nimmer in het vrije bedrijf kunnen en mogen terugkeren”.

HOOFDSTUK 3

THEO DE WILDE IN DE WSW-COMMISSIE

23


Eind 1962 waren er 407 geplaatsten. In de gemeentelijke werkplaats waren 191 personen

tewerkgesteld en bij de Stichting Nazorgwerkplaatsen 158. Opvallend is ook het hoge aantal

geplaatsten bij de gemeentelijke plantsoenendienst: in 1962 waren dat er 26. Er werden 104

personen geplaatst en maar 95 vertrokken weer, waaronder 30 naar het vrije bedrijf. Er waren

36 hoofdarbeiders in de regeling aan het eind van dat jaar. Twaalf werden er geplaatst, maar

veertien afgevoerd, waarvan er één in gemeentedienst en vier in rijksdienst overgingen, eveneens

gingen vier personen verder in het vrije bedrijf. Nieuwe objecten werden uitsluitend bij

de overheid gevonden: de afdeling Interne Geneeskunde van het Academisch Ziekenhuis, het

Sociografisch Instituut en het Instituut voor Preventieve Geneeskunde, dat overigens in

hetzelfde jaar weer werd beëindigd.

De gemeente ontving op 19 december 1962 wederom een circulaire van de staatssecretaris

Roolvink met het verzoek om bijzondere aandacht te besteden aan de bepalingen, die een

uitbreiding inhouden van de werkgelegenheidssfeer van de GSW-regeling. Naast de Aregeling

werd er een mogelijkheid geschapen om onder bepaalde voorwaarden ook personen

tot de GSW-regeling toe te laten die, hoewel zij tot arbeid in staat zijn, tot dan toe wegens hun

te geringe arbeidsprestatie, hiervoor niet in aanmerking kwamen.

In de praktijk bleek dat veel gehandicapten weliswaar in staat moesten worden geacht om

aan de in de praktijk getoetste voorwaarde van een derde van de redelijke minimumprestatie

in het vrije bedrijf te voldoen, maar niet voldoende gelegenheid kregen om hun

arbeidsgeschiktheid zodanig te ontwikkelen dat deze drempel kon worden overschreden. De

staatssecretaris stelde dat niet zelden ten onrechte wordt aangenomen, dat zij de capaciteit

daartoe ook niet bezitten. Wanneer men hun echter de kans geeft om onder gunstige

omstandigheden te werken en men daarbij een doelbewuste en systematische arbeidsoefening

toepast, dan blijken zij in veel gevallen wel degelijk dat prestatieniveau te kunnen bereiken.

De staatsecretaris stelde dat die verwachting moet steunen op beoordeling van drie factoren.

In de eerste plaats de arbeidsomstandigheden in de leiding, waaronder de betrokken

personen na hun opneming zullen komen te werken. In de tweede plaats de gegevens welke

omtrent hen vóór de opneming in de regeling bekend zijn; en in de derde plaats de

methodische aanpak van het ontwikkelen van hun arbeidsongeschiktheid.

De vakcentrales merkten daarbij op, dat deze personen ook 45 uur per week, of negen uur

per dag moeten werken. Dat is voor sommigen die onder de A-regeling werken al erg zwaar,

voor degenen die in de B-regeling zouden gaan vallen zou het nog zwaarder worden. De

werktijd was voor velen van de tewerkgestelden al te lang, want men moest ook nog rekening

houden met de tijd van komen en gaan naar hun werk, en dan wordt nog buiten beschouwing

gelaten dat een aantal van hun gezien hun ziekten, nog tijd nodig hebben tussen hun opstaan

en hun vertrek naar hun werk en thuiskomst. “Wij overdrijven niet”, aldus de centrales, “als

men het voor deze tewerkgestelden op 11 uur stelt” (Jaarverslag 1962, 36). De artsen die het

medisch toezicht hadden op de GSW, hadden een rapport opgemaakt, waarin zij te kennen

gaven, dat een werkdag van 7 uur voor deze personen lang genoeg was. Aan de wethouder

van Sociale Zaken werd verzocht aan deze punten regelmatig aandacht te schenken.

Overigens hadden het hoofdbestuur van het N.V.V. en het hoofdbestuur van de betrokken

vakorganisatie besloten dat de behartiging van de belangen van de GSW-werknemers

voortaan door de A.B.V.A., de ambtenarenvakbond, zou gebeuren.

In 1963 nam Schüller afscheid van de commissies waarin hij nog een zetel had en dus ook

van de GSW-commissie. Zijn opvolger was C.A. Visser, als zijn plaatsvervanger werd J.

Bloem aangewezen. Met het vertrek van Schüller ging er een bezield vakbondsman uit de

24


commissie. Wanneer men zijn verslagen leest, kan men niet anders dan concluderen, dat hij

zeer goed op de hoogte was van het reilen en zeilen van de sociale werkvoorziening en dat

daarin zijn hart lag. In zijn verslagen bracht hij dikwijls het kritische standpunt van de vakbeweging

onder woorden.

De verslagen van zijn opvolger Visser zijn zakelijk en vol met cijfers. Zo meldde hij dat

eind 1963 er 381 handarbeiders geplaatst waren, waarvan 160 bij de gemeentelijke werkplaats

en 168 bij de Stichting Nazorgwerkplaatsen. De plantsoenendienst had 28 WSW-ers in dienst.

Er werden 77 personen geplaatst en 103 afgevoerd: twaalf gingen er naar het vrije bedrijf.

Een ander opvallend getal in het verslag van Visser was dat van 54 personen die wegens

lichamelijke of geestelijke gesteldheid werd afgevoerd. Er waren 36 hoofdarbeiders geplaatst

bij 24 verschillende objecten. Twaalf personen werden nieuw geplaatst, en twaalf personen

weer afgevoerd: het Consultatiebureau nam de daar geplaatste WSW-er over en ook het rijk

nam een persoon over. Nieuwe objecten waren de Dr. Van Voorthuijsen Stichting, het

Botanisch Laboratorium en het Legermuseum. Het archief van het Academisch Ziekenhuis en

de Theologische faculteit van de rijksuniversiteit hadden reeds een aanvraag voor een WSWer

ingediend.

Begin 1964 hield het N.K.V., samen met N.V.V. en C.N.V., bij de minister van Sociale

zaken en Volksgezondheid een vurig pleidooi voor toekenning van het minimuminkomen aan

de werknemers in de A-regeling van de gemeentelijke Sociale Werkvoorziening. “Tot onze

spijt heeft de minister evenwel ons verlangen niet ingewilligd”, schreef De Vakbeweging

(1964, 368). Dat was voor de vakcentrales en voor de duizenden GSW-werkers “een ernstige

en moeilijk te verteren teleurstelling”. De centrales bleven echter volhouden en zetten hun

actie voort. Eind 1964 erkende de minister huin verlangens “als juist en rechtvaardig”. Met

ingang van januari 1965 stelde hij een minimuminkomen vast van f 96,90 per week met

daarbij de garantieverklaring dat, indien de bruto-weekverdiensten van een tot categorie-A

behorende mannelijke werknemer van 23 jaar of ouder bij een redelijke prestatie gedurende

een arbeidsduur van 45 uur per week minder had bedragen dan 95 procent van het voor het

bedrijfsleven geldende minimuminkomen, zou deze weekverdienste tot genoemd percentage

aangevuld worden.

Eind oktober 1964 werd in Den Haag de Werkgroep Sociale Werkplaatsen geïnstalleerd.

Deze werkgroep had tot taak na te gaan op welke wijze en met welke middelen de efficiency

in de sociale werkplaatsen zou kunnen worden verbeterd. Voorzitter van de werkgroep was

F.G. van der Gun, secretaris van het N.K.V. Naast hem had ook nog zitting de N.V.V.penningmeester

R. Wijkstra. Bij de bestudering van het vraagstuk zou bijzondere aandacht

worden besteed aan de bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van het beheer van

de werkplaatsen, zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan het specifieke, primair sociale

doel van deze werkgemeenschappen, t.w. de arbeidsgeschiktheid van werknemers die

lichamelijk of geestelijk gehandicapt zijn, te vergroten. Daarbij ging men er vanuit, dat

efficiency-bevordering in de werkplaatsen ook de ontwikkeling van de persoonlijkheid

gunstig zou beïnvloeden. In de Werkgroep Sociale Werkplaatsen hadden zitting

vertegenwoordigers van de overheid, werkgevers- en werknemersorganisaties, functionarissen

van sociale werkplaatsen en andere sociale instellingen en deskundigen op medisch en

bedrijfsorganisatorisch terrein. In 1964 waren er in het land 200 sociale werkplaatsen in

bedrijf waarin ongeveer 18000 gehandicapten werkzaam waren.

In juni 1964 ging de landelijke voorzitter van het N.K.V. J.A. Middelhuis met pensioen.

Hij leidde de K.A.B., later het N.K.V., vanaf 1952. Op dat moment van afscheid werden de

hartelijke relaties duidelijk tussen het N.K.V. en het N.V.V. De landelijke voorzitter van het

N.V.V., D. Roemers, hield een toespraak waarin hij te kennen gaf, dat Middelhuis in zijn

25


eleid zich liet leiden door de overtuiging dat de drie vakcentrales niet buiten elkaar kunnen

(De Vakbeweging 1964, 180).

Dit jaar was ook voor het N.K.V. een belangrijk jaar. De naam K.A.B. werd toen

gewijzigd in N.K.V., Nederlands Katholiek Vakverbond.

Eind 1964 waren er in Leiden 406 handarbeiders werkzaam, waarvan 172 bij de gemeentelijke

werkplaats en 175 bij de Stichting Nazorgwerkplaatsen 175 personen, waaronder 68

vrouwen. Bij de plantsoenendienst werkten 31 personen. Er werden 102 personen geplaatst en

77 werden er afgevoerd, waaronder twaalf in het vrije bedrijf en dertig als gevolg van hun

geestelijke en lichamelijke gesteldheid. Bij de hoofdarbeiders waren er 39 geplaatsten, twaalf

werden er geplaatst en negen afgevoerd, waarvan één werd overgenomen door de

gemeentelijke accountsdienst en twee in het vrije bedrijf. Een nieuw project vond men bij bij

het Criminologisch Instituut.

In augustus 1965 stelde de gemeente als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet

Werkloosheidsvoorziening (W.W.V.), enkele adviescommissies in, de zogeheten WWV- en

RWW-commissies. In deze commissies hadden naast het G.A.B. ook de vakcentrales een

vertegenwoordiging. Voor het N.V.V. was dat C.A. Visser, voor het C.N.V. had J.A. Heij een

zetel en voor het N.K.V. Th. de Wilde. De W.W.V.-uitkering was bedoeld voor degenen die

niet in aanmerking kwamen voor een W.W.-uitkering. De laatstgenoemde uitkering bedroeg

80% van het vastgestelde dagloon, de W.W.V.-uitkering kon maximaal 75% zijn van het

vastgestelde dagloon. Deze uitkering ontving men wanneer men bijvoorbeeld op staande voet

ontslagen was door eigen schuld, zelf ontslag nam zonder een nieuwe werkkring of wel een

nieuwe werkkring had, maar zich daarin niet waar kon maken en na een korte tijd weer

ontslagen werd. Ooik wanneer men een nieuwe passende werkkring weigerde, na een

verwijzing van het Gesestelijk Arbeidsbureau. Deze commissie kwam dikwijls in aanraking

met moeilijk plaatsbare werknemers Zeer kritisch stond men tegenover jongeren, die een

W.W.V.-uitkering aanvroegen

Op donderdag 21 april 1966 werd in de Jacobazaal van de Burcht Theo de Wilde verkozen

tot voorzitter van de N.K.V.-afdeling en door de vice-voorzitter, J.J. de Groot, geïnstalleerd.

Met deze daad sloot J.J. de Groot zijn taak als bestuurslid. De Wilde volgde K.F. de Bree op,

van wie het N.K.V. afscheid nam op 28 september in restaurant Van der Heijden aan de

Breestraat. De afscheidsreceptie was druk bezocht. Veel vertegenwoordigers van “Sociaal

leiden, van overheidsdiensten, Gemeentelijke commissies, etc.” waren aanwezig en “spraken

woorden van waardering voor het grote, mooie maar ook moeilijke werk dat de heer De Bree

in al die jaren niet alleen voor de leden van onze organisatie, maar voor heel Leiden verricht

had” (Jaarverslag N.K.V. 1966, 5).

Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1966 werd De Wilde samen met De Bree verkozen

tot lid van de Leidse gemeenteraad voor de K.V.P.

De Wilde hield in januari 1967 zijn eerste nieuwjaarsrede als voorzitter. Opvallend is dat

hij in die rede een hartstochtelijk pleidooi hield voor “hartelijike samenwerking met C.N.V.

en N.V.V.” (Jaarverslag N.K.V. 1966, voorw.). In 1967 schreef De Wilde in het jaarverslag

van het N.K.V.-Leiden (1967,4): “(...) Wij hebben tevens kunnen constateren welke waarheid

er zit in het ‘Samen zijn .... samen sterk’. Ook dit laatste is van toepassing wat betreft de

samenwerking met onze beide zusterorganisaties, n.l. het N.V.V. en het C.N.V., een prima

samenwerking, waardoor, en ook door de prettige sfeer die er steeds is, wij in staat zijn om

gezamnelijk daar, waar mogelijk is, onze invloed op het maatschappelijk terrein te vergroten

of waar te maken”.

Visser trok zich in 1965 terug uit de commissie en werd opgevolgd door J. Bloem.

Aan het einde van dat jaar waren 428 handarbeiders in dienst van de GSW-regeling, waar-

26


van 165 bij de gemeentelijke werkplaats en 182 bij de Leidse werkplaats. Er waren 43

hoofdarbeiders in dienst bij 22 verschillende objecten.

Eind 1966 waren er 445 WSW-ers in dienst, waarvan 152 bij de gemeentelijke werkplaats

en 189 bij de Leidse werkplaats. Er werden er 112 geplaatst en 95 weer afgevoerd, waaronder

zeven naar het vrije bedrijf. Opvallend is ook het hoge aantal, 23, die door “langdurige ongeschiktheid

door ziekte” werden afgevoerd en niet minder dan dertien personen die “wegbleven”.

380 personen, waarvan 77 vrouw, bevonden zich in de A-categorie, 65 personen,

waaronder 27 vrouwen, in de B-catagorie. Bij de hoofdarbeiders waren er aan het einde van

1966 49 in dienst, werden er zeventien geplaatst, maar elf weer afgevoerd, waaronder vijf

naar het vrije bedrijf. Eind 1966 waren er 28 objecten voor de hoofdarbeiders beschikbaar,

waarvan het Academisch Ziekenhuis op de verschillende afdelingen twaalf WSW-ers in

dienst heeft en de gemeente op diverse plaatsen tien mensen.

In 1966 nam de vertegenwoordiger van het C.N.V. H. van Cittert afscheid van de Leidse

Christelijke Besturenbond, waarvan hij sedert 1927 deel uitmaakte (Jaarverslag C.N.V. 1966,

5), en dus nam hij ook afscheid van de GSW-commissie. Hij werd opgevolgd door S. Barkema.

Bij de Leidse sociale werkvoorziening ging alles z’n gangetje. Er werden in 1967 494

handarbeiders in dienst, 119 nieuwe plaatsingen, maar 70 weer afgevoerd, waarvan negen in

het vrije bedrijf. Bij de Leidse werkplaats waren 203 personen in dienst, bij de gemeentelijke

werkplaats 147. In de A-categorie vielen 411 personen, waarvan 75 vrouw, in de B-categorie

bevonden zich 83 personen, waarvan 36 vrouw. 55 hoofdarbeiders verspreid over 52 objecten

vielen onder de GSW-regeling, met zeventien nieuwe plaatsingen en elf afvoeringen. Het

vrije bedrijf nam één WSW’-er over (tegen 5 in 1966).

Eind 1968 waren 487 handarbeiders in dienst, waarvan 204 bij de Leidse werkplaatsen en

135 bij de gemeentelijke werkplaatsen. De gemeentelijke plantsoendienst had zestien

personen in dienst, vier minder dan in 1967. 87 werden er nieuw geplaatst, maar 94 werden

weer afgevoerd. Dertien personen werden door het vrije bedrijf overgenoemen, terwijl 25

wegens langdurige arbeidsongeschiktheid door ziekte of ongeval moesten worden ontslagen.

401 personen vormden de A-categorie, waaronder 83 vrouwen en 86 de B-categorie,

waaronder 36 vrouwen. Bij de hoofdarbeiders waren 62 in dienst, tegen 55 in 1967. 29

werden nieuw geplaatst en 22 afgevoerd, waaronder vier een plek in het vrije bedrijf vonden.

In het jaarverslag van de C.N.V.-afdeling, waar er geen onderscheid werd gemaakt tussen de

hoofd- en handarbeiders, werd opgemerkt, dat het vinden van voldoende lonende

werkopdrachten een moeilijk probleem voor de werkplaatsleiding was.

In zijn inleiding in het jaarverslag van de N.K.V.-afdeling over 1968 schreef voorzitter De

Wilde dat “de diepste betekenis is van ons bestaan op aarde: ‘mens’. En als wij het woord

‘mens’ uitspreken of neerschrijven, dan blijkt al gauw dat wij de ‘andere mens’ niet kunnen

passeren, dat wij niet alléén kunnen staan”. En even verder vervolgde hij met enkele woorden

over de taak van de vakbeweging: “Wij kunnen niet alleen staan, zonder onze mede-mens.

Blijven wij op het het terrein van de vakbeweging, dan is zonder meer duidelijk dat het program

al jaren ‘klaar ligt’. Samen de wereld bewoonbaar maken, proberen de mens(en)

gelukkig te maken”. Deze uitgangspunten hanteerde De Wilde ook bij zijn werk voor de

allerzwaksten van de samenleving: zij die zijn aangewezen op de WSW-regelingen.

Bij het C.N.V. werd E. D’Haan benoemd tot secretaris van de afdeling als opvolger van de

vlak daarvoor overleden J. Pison.

Op 23 juni 1969 vierde J.H. Schüller zijn 80ste verjaardag. Van het N.V.V.-bestuur

ontving hij een enveloppe met inhoud.

27


HOOFDSTUK 4

1969-1988 VAN EEN RUSTIGE COMMISSIE NAAR ROERIGER TIJDEN

De wet Sociale Werkvoorziening wordt gewijzigd

Op 1 januari 1969 trad de Wet Sociale werkvoorziening (WSW) in werking. De wet strekte

tot vervanging van twee ministriële regelingen, n.l. de Gemeentelijke Sociale

Werkvoorzieningsregeling voor handarbeiders d.d. 29 november 1963 en de Sociale

Werkvoorzieningsregeling voor hoofdarbeiers (SWH), d.d. 2 februari 1952 door een

wettelijke regeling.

De rijksoverheid had talloze redenen om de sociale werkvoorziening in een wet te regelen.

Het begrip ‘sociale werkvoorziening’ was in een relatief korte periode sterk geëvolueerd.

Deze verandering komt neer op een ontwikkeling van enigszins gemoderniseerde

werkverschaffing voor langdurig werklozen tegen een minimaal loon. Naar het creëren van

diverse vormen van productieve, volgens moderne methode verrichte, behoorlijk beloonde

arbeid ten behoeve van, en aangepast aan, diverse categorieën van gehandicapten. De term

‘sheltered employment’, die aanvankelijk weinig meer betekende dan het verschaffen van min

of meer nuttige bezigheid aan lichamelijk gebrekkigen of imbecielen, tegen vergoeding van

zakgeld, evolueerde geleidelijk in dezelfde richting als de term ‘sociale werkvoorziening’.

Hiertoe droeg niet weinig de omstandigheid bij, dat op internationale studie- en

overlegbijeenkomsten over ‘sheltered employment’ de Nederlandse deelnemers hun bijdragen

leveren op basis van hun kennis en ervaring van de Nederlandse sociale werkvoorziening,

waarin de oude vormen van ‘beschutte arbeid’ zich geleidelijk oplosten.

De wetgever meende dat er dan ook geen verschil meer bestond tussen de begrippen

‘Sociale werkvoorziening’ en ‘sheltered employment’ of ‘beschutte arbeid’, resp. ‘aangepaste

arbeid’. De voorkeur ging echter naar de eerstgenoemde term, eensdeels vanweg vanwege het

feit dat ‘sociale werkvoorziening’ beter tot uitdrukking bracht, dat het primair om het

scheppen van werkgelegenheid ging, anderdeels omdat vooral het woord ‘beschut’ en

associatie opriep met de gedachte van overdreven koestering. Dat was uit de tijd, meende de

wetgever. De gedachte dat in de sociale werkvoorziening zoveel mogelijk op de normale, zo

modern mogelijke, zij het aangepaste, wijze gewerkt werd, drong steeds meer door in de

moderne opvattingen daarover.

Het kenmerkend element in alle vormen van sociale werkvoorziening datgene wat ze tot

sociale werkvoorziening stempelde, werd gevormd door de bijzondere omstandigheden

waaronder gewerkt werd. Daartoe konden gerekend worden:

a. Het streven om werk te zoeken, dat bij de (gehandicapte) werknemer past, in

plaats van een werknemer te zoeken die bij het te verrichten werk past, zoals in de normale

arbeidsverhouding;

b. De meer dan gewone zorg voor de werknemers gezamenlijk en elke werknemer

afzonderlijk; deze zorg zal in de regel onder meer tot uiting komen in de inrichting van het

werkmilieu, de aanpassing van de machines en gereedschap, de bedrijfsgeneeskundige zorg

en de aan de werkleiding te stellen eisen;

c. Een speciaal loonstelsel.

Een andere reden om de sociale werkvoorziening wettelijk te regelen was de vaststelling

dat het aantal personen dat in aanmerking kwam voor de sociale werkvoorziening gestaag

toenam. De toenemende mogelijkheden van de geneeskunde waren daar een belangrijke

28


oorzaak van. Die hadden immers als gevolg dat steeds meer personen, wier levenskansen bij

de geboorte gering zijn of wier gezondheid op latere leeftijd sterk achteruit gegaan is, in het

leven gehouden konden worden. Velen van hen bleven evenwel lichamelijk of geestelijk

belemmerd bij het vinden van werk. De ontwikkeling van geneeskundige voorzieningen, met

name in de zin van medische revalidatie, had ook de mogelijkheden om na ziekte of ongeval

weer arbeid te verrichten sterk vergroot. Hetzelfde gold voor de belangrijke verbeteringen in

de laatste decennia ten aanzien van de revalidatie door middel van het buitengewoon

onderwijs en het maatschappelijk werk voor gehandicapten. Maar velen konden na hun

revalidatie (nog) geen arbeid onder normale omstandigheden verrichten.

Het aantal personen dat (voorshands) slechts onder aangepaste omstandigheden

productieve arbeid kon verrichten en dus naar de sociale werkvoorziening moest worden

geleid, was veel groter gebleken dan aanvankelijk was vermoed. Enerzijds had de

ontwikkeling van de sociale werkvoorzoening geleid tot het ontdekken van steeds meer tot

deze categorie te rekenen gehandicapten, anderzijds hadden de ontwikkeling van de techniek

en de vindingrijkheid van de werkleiders ten aanzien van de aanpassing van het werk aan de

persoon van de gehandicapte de mogelijkheid van tewerkstelling sterk vergroot.

De wet diende ook te worden gezien als te zijn gebaseerd op het recht op

levensontplooiing en gelijkheid van kansen. Dit sociaal recht moest gezien worden tegen de

achtergrond van enerzijds het recht op arbeid en anderzijds het recht op gezondheid. De

minister zag dit in de Volksgezondheidsnota 1966 niet als een strikt persoonlijke afdwingbare

rechten, maar als plicht van de overheid om voorwaarden te scheppen voor werkgelegenheid

voor iedereen en voor zo adequaat mogelijke gezondheidsvoorzieningen voor iedereen.

Lichamelijke en geestelijke gezondheidsvoorzieningen waren ontoereikend wanneeer zij niet

gepaard zouden gaan met adequate opleidingen en arbeidsvoorzieningen, meende de

overheid. Pas dan zou kunnen worden bewerkstelligd dat lichamelijk en geestelijk

gehandicapten een zo normaal mogelijke plaats in de maatschappij krijgen. Met betrekking tot

het recht op arbeid kon in het algemeen worden volstaan met algemene voorzieningen op het

gebied van beroepskeuzevoorlichting, scholing, arbeidsbemiddeling en aanvullende

werkgelegenheid. Echter er moest ook worden vastgesteld dat de gehandicapte in onze

samenleving ten aanzien van zijn behoefte aan werkgelegenheid meer rechtsbescherming

behoefde dan zijn niet-gehandicapte medeburger. De laatste toch had op de normale

arbeidsmarkt kansen die de eerste niet of nauwelijks bezat.

Naast werkgelegenheid bood de sociale werkvoorziening tevens mogelijkheden voor de

betrokkenen om hun arbeidsgeschiktheid te behouden, te herstellen of te bevorderen. Door

arbeid werd het proces van arbeidsontwenning gestuit en was het in vele gevallen mogelijk de

geschiktheid te vergroten, ook door de ontwikkeling van latent gebleven of tijdelijk achteruitgegane

vaardigheden. Tegelijkertijd vond veelal een psychisch aanpassingsproces plaats, dat

de capaciteiten, nodig voor regelmatige arbeid in groepsverband, vergrootte. Als het goed is

werden al deze ontwikkelingen in de sociale werkvoroziening bevorderd.

In deze wet kreeg het gemeentebestuur de taak opgelegd om te bevorderen “dat ten behoeve

van personen die tot arbeid in staat zijn, doch voor wie, in belangrijke mate ten gevolge

van bij hen gelegen factoren, gelegenheid om onder normale omstandigheden arbeid te

verrichten niet of voorshands niet aanwezig is, gelegenheid bestaat tot het verrichten van

arbeid onder aangepaste omstandigheden, welke zoveel mogelijk is gericht op het behoud, het

herstel of de bevordering van hun arbeidsgeschiktheid” (art. 7 Wet SW).

Het gemeentebestuur diende de werkobjecten aan te wijzen die door het werkverband

werden uitgevoerd. De werkobjecten omvatten werkzaamheden, waarvoor het werkverband

een geldelijke opbrengst ontving. Daarnaast kon het gemeentebestuur, na een advies van de

29


WSW-commissie, objecten aanwijzen die geen geldelijke opbrengst opleverden, indien er

geen andere mogelijkheden voor de betrokken werknemers aanwezig zouden zijn. Deze

werkobjecten omvatten werkzaamheden ten behoeve van een publiekrechtelijk rechtspersoon

of van een privaatrechtelijk rechtspersoon zonder winstoogmerk. Mits die werkzaamheden

zonder die aanwijzing niet tot uitvoering zouden komen en mits die niet behoorden tot de

taken die de genoemde rechtspersonen in elk geval behoorden te verrichten (art. 13 sub 1, 2,

3).

Een persoon kon slechts in dienst bij de SW worden genomen, indien hij bij het arbeidsbureau

als werkzoekende stond ingeschreven, tenzij het gemeentebestuur hem in overleg met dat

bureau hiervan had vrijgesteld en het arbeidsbureau niet aan het gemeentebestuur had laten

weten dat die persoon op korte termijn in passende arbeid kon worden geplaatst of kon gaan

deelnemen aan een passende scholing. Voor indienstneming hoorde het gemeentebestuur de

commissie (art. 16, 17).

De werknemer was verplicht de hem opgedragen werkzaamheden onder leiding van een

daartoe aangewezen persoon naar beste vermogen te verrichten. Hij moest meewerken tijdens

zijn werktijd aan het behouden, herstellen of bevorderen van zijn arbeidsgeschiktheid, zo

nodig moest hij meewerken aan een onderzoek naar zijn arbeidsgeschiktheid en hij moest

meewerken aan het verkrijgen van passende arbeid onder normale omstandigheden (art.21).

Beëindiging van de dienstbetrekking kon alleen als de werknemer gedurende twaalf maanden

wegens arbeidsongeschiktheid zijn werk had verzuimd; het arbeidsbureau aan het

gemeentebestuur had laten weten dat de werknemer op korte termijn in passende arbeid onder

normale omstandigheden zou kunnen worden geplaats of kon deelnemen aan een passende

scholing; of de werknemer te kennen had gegeven de dienstbetrekking niet langer te willen

laten voortbestaan. Ook kon het gemeentebestuur de dienstbetrekking beëindigen wanneer de

werknemer zich bij de vervulling van zijn dienstbetrekking misdroeg; de werknemer in

ernstige mate de hem opgelegde verplichtingen verwaarloosde; arbeid in de zin van deze wet

niet langer beschikbaar was, noch op korte termijn beschikbaar zou komen (art. 28, sub 1, 2).

Het gemeentebestuur hoorde in al deze gevallen de commissie en stelde de werknemer in de

gelegenheid zijn gevoelens kenbaar te maken, voordat hij de dienstbetrekking beëindigde

(art.28, sub 3).

Het gemeentebestuur bevorderde, in overeenstemming met de commissie, de uitvoering

van voorlichtings- en vormingsactiviteiten, alsmede de deelneming van de werknemers aan

zulke activiteiten (art. 25) en hij bevorderde ook de deelneming van jongere werknemers aan

vakonderwijs en vormingsonderwijs voor leerplichtvrije jeugd (art. 27).

Door deze wet werden twee ministriële regelingen vervangen, met name de Gemeentelijke

Sociale Werkvoorzieningsregeling voor handarbeiders en de Sociale

Werkvoorzieningsregeling voor hoofdarbeiders. Het gevolg was dat de beide voor deze

regelingen ingestelde commissies werden opgeheven en vervangen door één commissie,

genaamd: Sociale Werkvoorzieningscommissie. Artikel 4 van de wet schreef het

gemeentebestuur voor dat hij een commissie instelt, de sociale werkvoorzieningscommissie,

die tot taak had dat bestuur desgevraagd of uit eigen beweging van advies te dienen omtrent

de uitvoering van de wet. Het gemeentebestuur diende tot leden van deze commissie te

benoemen:

a. Een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur, die als voorzitter optreedt;

b. Drie personen op voordracht van de door de minister aan te wijzen erkende centrale

werknemersorganisaties;

c. Een persoon op voordracht van een door de minister aan te wijzen algemeen

erkende centrale werkgeversorganisatie;

30


d. De rijksconsulent, in wiens ambtsgebied de gemeente is gelegen, dan wel op diens

verzoek een persoon, door hem aangewezen uit de hem toegevoegde ambtenaren;

e. De directeur van het arbeidsbureau, in welks gebied de gemeente is gelegen, dan

wel op diens verzoek een door hem aangewezen ambtenaar van dit bureau.

De inschakeling van de vakorganisaties vormde, onder meer met het oog op hun

deskundigheid op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, een

belangrijke bijdrage tot het scheppen en in stand houden van een arbeidsmilieu, dat het

normale arbeidsproces zo veel mogelijk benadert. Voor de werknemer zelf was het bovendien

van belang, dat hij weet, dat deze organisaties zo nodig ook voor de behartiging van zijn

belangen op konden komen.

De nieuwe Leidse commissie werd als als volgt samengesteld:

S. Menken, voorzitter, de wethouder van Sociale zaken, vertegenwoordiger van het gemeentebestuur;

A.L. van Leeuwen, secretaris, anbtenaar bij de Gemeentelijke Sociale Dienst; J.W.

ten Napel, lid, plaatsvervangend voorzitter, directeur Gemeentelijke Sociale Dienst; J.

Polman, lid, vertegenwoordiger van de Rijksconsulent van het Ministerie van Sociale Zaken;

M.G. van Rijswijk, lid, directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau; H. Bassie, lid, directeur

van de Gemeentelijke Werkplaats; W.F. Tierolf, lid, directeur van de Dienst Leidse

Werkplaatsen; M. Elkerbout, lid, vertegenwoordiger van de Dienst Gemeentewerken; J.

Bloot, lid, arts, vertegenwoordiger van de directeur van de Gemeentelijke geneeskundige en

Gezondheidsdienst. Van de vakcentrales waren de leden S. Barkema (C.N.V.), J. Bloem

(N.V.V.) en Th. H. de Wilde (N.K.V.).

De heer Elkerbout moest in oktober 1969 de commissie reeds verlaten vanwege een benoeming

tot chef personeelszaken in Veendam. Zijn zetel werd nog niet opnieuw bezet. Voorts

besteedde de commissie veel tijd aan oriëntatie en voorlichting over de nieuwe wet. De inleidingen

werden verzorgd door de heren Polman en Ten Napel.

Een minder prettig gevolg van de wet was, dat de dienstbetrekkingen van een aantal werknemers

die waren ingedeeld in de B-categorie niet voortgezet konden worden. Een oplossing

werd gevonden in de plaatsing in een dagverblijf.

Per 1 juli 1969 werd er een wijziging ingevoerd in de beheersvorm van de Stichting Leidse

Werkplaatsen. Deze stichting was ontstaan uit de vroegere en opgeheven Vereniging

Zwakzinnigenzorg. In de zin van de oude GSW-regeling was zij aangewezen als werkobject.

De gemeente nam het beheer over. Daardoor kreeg de gemeente er een nieuwe tak van dienst

bij die de naam kreeg van Dienst Leidse Werkplaatsen met W.F. Tierolf als directeur. Het

personeel kwam in dienst van de gemeente en werd ambtenaar in de zin van de Algemeen

Burgerlijke Pensioenwet.

Voor de WSW-werknemers kwamen nog twee verbeteringen tot stand. Bij KB van 2

september 1969 werden de verlofaanspraken uitgebreid: bij 30 jaar 1 dag, bij 40 jaar: 2 dagen

en bij 50 jaar 3 dagen. Tevens maakte een K.B. van 8 december 1969 melding van het

instellen van een aanvullende oudedagsvoorziening voor WSW-werknekmers die 25 jaar of

ouder waren en behoorden tot de A-categorie en die minstens 6 maanden per kalenderjaar een

dienstbetrekking hadden gehad.

De vakbeweging in de nieuwe commissie was zeer tevreden over deze besluiten (Jaarverslag

1969, 41-42).

De commissie gaat met de nieuwe wet aan de slag

In het verslag over 1970 wordt er nog een onderscheid gemaakt tussen de hoofd- en

31


handarbeiders. Eind 1970 waren er 450 handarbeiders geplaatst. 74 werden nieuw geplaatst

en 75 werden afgevoerd. 172 waren in de Leidse werkplaatsen opgenemen, 124 in de

gemeentelijke werkplaats en 88 in het werkverband bij het Psychiatrisch Ziekenhuis

Endegeest. Voorts nam de gemeentelijke plantsoenendienst 27 personen op. Het

Legermuseum telde dertien WSW-werknemers. Vijftien personen vonden een plek in het

particuliere bedrijfsleven. Interessant is ook de opgave van waar 74 nieuw geplaatsten

vandaan kwamen: negentien uit de Wet Werkloosheidsvoorziening, zes uit de Wet

Arbeidsongeschiktheidsverzekering, uit de rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers zes en

uit de Tijdelijke Rijksgroepsregeling Mindervaliden ook zes personen; de 47 overigen waren

niet gespecificeerd. Van de 450 personen waren er 351 in categorie A en 99 in catagorie B

ingedeeld. 65 hoofdarbeiders verdeeld over 45 objecten. 28 waren nieuw geplaatst en 26

afgevoerd, waarvan dertien bij het vrije bedrijfsleven.

In 1971 stond de commissie onder voorzitterschap van de wethouder van Sociale zaken,

mevr. N.A. den Haan-Groen. Plaatsvervangend voorzitter was J.W. ten Napel, directeur van

de Gmeentelijke Sociale Dienst en secretaris A.L. van Leeuwen, ambtenaar bij deze dienst.

Leden waren J. Polman, vertegenwoordiger van de rijksconsulent van het ministerie, M.G.

van Rijswijk, directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Leiden, J. Bloot, arts van de

Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst, H. Bassie, directeur van de

Gemeentelijke werkplaats, W.F. Tierolf, directeur van de Dienst Leidse werkplaatsen, en

J.W.A. Alferink, vertegenwoordiger van de Dienst Gemeentewerken. Voor de vakcentrales

waren nog altijd S. Barkema (C.N.V.), J. Bloem (N.V.V.) en Th. de Wilde (N.K.V.) lid.

Vijfmaal kwam de commissie bijeen. Ondermeer werd er van gedachten gewisseld over de

invoering van een nieuw loonsysteem. Door de invoering hiervan werd het loon van een

aaantal werknemers verbeterd. Bij een herindeling konden aan aantal werknemers in een

hogere loongroep worde geplaatst. Er waren praktisch geen werknemers meer in loongroep 1

opgenomen.

Voorts kwam de toekomstige opbouw van de sociale werkvoorziening verschillende keren

aan de orde. Er werd een werkgroep ingesteld die zich daarmee ging bezighouden. De

vakcentrales drongen er sterk op aan, dat met de belangen van het personeel rekening zou

worden gehouden.

In de laatste vergadering van de commissie op 20 december nam de directeur van de

gemeentelijke werkplaats H. Bassie afscheid in verband met zijn pensioen. De wethouder

dankte Bassie voor zijn aandeel in het werk van de commissie, waarvan hij sinds 1954 deel

uit maakte. In zijn dankwoord belichtte Bassie de sociale en economische kant van dfe WSW.

Nadrukkelijk zei hij dat de sociale kant hem altijd het meest had aangetrokken.

Eind 1971 waren er 75 hoofdarbeiders in dienst. 28 werden er nieuw geplaatst, maar 28

afgevoerd. Bij de handarbeiders waren er 445 geplaatst, vijf minder dan in 1970. 110 werden

nieuw geplaatst en 115 weer afgevoerd. 163 personen bevonden zich in de Leidse werkplaatsen

en 118 in de Gemeentelijke Werkplaats. In Endegeest bevonden zich 85 personen. De

plantsoenendienst had 35 personen in dienst. Het Legermuseum met dertien personen was een

goede tweede.

In 1972 vergaderde de commissie zeven maal. Onderwerpen van bespreking waren naast

de instelling van nieuwe objecten, de plannen om de vijf werkverbanden te bundelen.. Deze

werkverbanden zouden worden samengebracht tot één Dienst Sociale Werkvoorziening. Deze

dienst zouden dan worden aangewezen als een tak van dienst van de gemeente Leiden, zoals

aangegeven in artikel 25 van de gemeentewet. Directeur DSW J.J.B.M. Smits nam zitting in

de commissie en zij werd voorts versterkt door J. Jonk, ambtenaar van de Sociale Dienst.

Eind 1972 waren er 447 handarbeiders geplaatst. 76 personen werden nieuw geplaatst en

32


74 vertrokken. 169 personen waren geplaatst bij de Leidse Werkplaatsen, elf bij de

Gemeentelijke werkplaats en bij Endegeest 81. De hoofdarbeiders namen in aantal toe: van 75

aan het begin van 1972 naar 103 aan het eind, verdeeld over 53 objecten. 42 werden nieuw

geplaatst, slechts veertien vertrokken.

In juni 1972 trad de heer J.J.M.B. Smits in dienst van de gemeente als directeur van de

gemeentelijjke dienst sociale werkvoorziening. De verdere op- en uitbouw van deze dienst

werd aan hem toebedeeld.

Op zoek naar nieuwe huisvesting

Er werd uitgezien naar een bdrijfsruimte waarin de verspreid liggende werkplaatsen konden

worden ondergebracht en waar ook de gehele financiële administratie kon worden gehuisvest.

Er kwam een pand in aanmerking aan de Kennedylaan. Maar de onderhandelingen verliepen

stroef en moeizaam. Bedrijfsruimten op het industrieterrein gaven betere vooruitzichten. Aan

het einde van 1973 liet het zich aanzien dat het betrekken van dit gebouw, behoudens goedkeuring

van de gemeentelijke en rijksinstanties in het eerste hafjaar van 1973 gerealiseerd zou

worden.

Het jaar1973 was een jaar met veel veranderingen en veel verbeteringen. Regelmatig werd

er gesproken over de reorganisatie en de concentratie van een drietal verspreid in Leiden

liggende werkplaatsen. Begin 1973 kon worden overgegaan tot huur van een bedrijfspand op

het industrieterrein De Waard. In dit pand was voldoende ruimte tot het inrichten van twee

afdelingen, een voor de lichamelijk gehandicapte en een afdeling voor geestelijk gehandicapte

werknemers. De noodzakelijke interne verbouwing was in juni zover gevorderd, dat de werkplaatsen

in gebruik konden worden genomen. De werkplaatsen aan de Groenesteeg, Vestestraat

en de Gabriël Metzustraat werden overgeplaatst naar de nieuwe behuizing in de Willem

Barentsstraat (no 12-14) onder de naam: Toeleveringsbedrijven De Waard.

In tegenwoordigheid van veel genodigden werd op 7 januari 1974 de nieuwe werkplaats

door burgermeester Vis van Leiden officieel geopend. Na de openingsrede werd het woord

gevoerd door staatssecretaris J. Mertens en door de directeur van de Dienst Sociale Werkvoorziening

J. Smits. Wethouder E. den Haan-Groen, voorzitter van de commissie, sprak een

slotwoord en bracht dank uit aan degenen die betrokken waren bij het tot standkomen van het

toeleveringsbedrijf “De Waard”.

De commissie kwam in 1974 zeven maal bijeen. Er werd gesproken over de personeelsformatie.

Door onderbezetting op verschillende niveaus kwam een juiste uitvoering van de wet

in het gedrang. Het in 1972 opgestelde personeelsplan, kwam naar de mening van de

commissie te traag tot ontwikkeling. De oorzaak van de vertraging lag in de te volgen

procedure. Advies werd gevraagd aan het Centraal Bureau voor Organisatie, Documentatie,

Registratuur en Personeelsbeheer (O.D.R.P.) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten

(V.N.G.). Het rapport van O.D.R.P. werd ter behandeling voorgelegd aan de B.O.O.

(Begeleidingscommissie Organisatie Ontwikkeling). Het advies werd voor het nemen van

besluiten voorgelegd aan het College van B&W. Langdurige tussentijdse besprekingen van

details waren eveneens redenen van vertraging.

Besprekingen met een aantal omliggende gemeenten om een ‘interschap’ te vormen en

overleg over samenwerking met Katwijk en Sassenheim leidden nog niet een gewenst

resultaat. Daarna werd overleg gestart met het bestuur van het werkvoozieningschap ’t Heem

waarin Katwijk, Wassenaar, Oegstgeest, Rijnsburg en Valkenburg samenwerkten.

Een subcommissie vande WSW-commissie werd ingesteld voor een onderzoek naar het

33


functioneren van enkele buitenobjecten, o.a. Endegeest. Er waren ook plannen om de stadskwekerij

en de wasserij van Endegeest over te nemen. Deze plannen kwamen in een

vergevorderd stadium. Tevens werd voorgenomen om te komen tot het instellen van een

Administratief Centrum. Uit de gegevens van het G.A.B. bleek dat er een ruim voldoende

bezetting van zo’n centrum voorhanden was. Ook werd onderzocht hoe er plaatsingen konden

worden gerealiseerd in WSW-verband bij particuliere ondernemingen. De bedoeling daarvan

was dat de betrokkene na een korte aanloopperiode waarin hij scholing zou krijgen, door de

onderneming in dienst kon worden genoemn. De vakcentrales waren op dit punt

terughoudend.

Ook de orderportefeuille gaf soms redenen tot bezorgdheid. De economische regressie

ging immers gepaard met sluitende of reorganiserende bedrijven. Verlies van werkopdrachten

was daar dikwijls het directe gevolg van. Aan het einde van 1974 konden er echter weer

voldoende werkopdrachten worden verkregen.

De samenstelling van de commissie veranderde. J.W. ten Napel nam in de vergadering van

23 januari 1974 afscheid vanwege een benoeming bij het ministerie van CRM. M.W. Kramer,

plaastvervangend directeur van de G.S.D., nam zijn plaats in. Mevr. N.A. den Haan-Groen

nam op 29 augustus afscheid. De nieuwe wethouder van CRM, B.D. Oosterman, volgde haar

op. M.G. van Rijswijk bereikte de pensioengerechtigde leeftijd. De nieuwe directeur van het

G.A.B., M.H. van de Wege, nam zijn zetel over. Ook A.L. van Leeuwen, die 12 jaar lang de

secretaris van de commissie was, trad af en in zijn plaats werd J. Jonk benoemd, die per 1 mei

1974 zijn werkplek bij de G.S.D. verwisselde voor een andere bij de DSW. Ook J.W.A.

Alferink nam afscheid op 11 december in verband met een benoeming in Purmerend. Mej.

C.M. van Noort trad to de commissie tot als vertegenwoordiger van de Federatie van Ouderverenigingen

van Leiden e.o. In december vertrok zij weer vanwege een benoeming elders.

De commissie bestond eind 1974 dus uit B.D. Oosterman, voorzitter, wethouder van CRM,

M.W.J. Kramer, waarnemend directeur G.S.D, J. Polman, adjunctconsulent, J. Jonk,

secretaris, ambtenaar GDSW, J.J.N.B. Smits, directeur DSW, M.H. van de Wege, directeur

G.A.B. De vakcentrales waren nog altijd vertegenwoordigd door S. Barkema (C.N.V.), J.

Bloem (N.V.V.) en Th.H. de Wilde (N.K.V.).

In 1975 werd vooral aandacht besteed aan de ontwikkeling van de SW. De gemeentelijke

kwekerij werd in de loop van het jaar overgenomen. Bij besluit van de gemeenteraad van 7

juli was de overdracht en feit. Van een overname van de wasserij van Endegeest moest

worden afgezien. De noodzakelijke vervanging van de zeer verouderde machines leverde

financieel onoverkomelijke bezwaren op.

Het object De Bloemerd in Leiderdorp kon worden gestart en geleidelijk worden

uitgebreid. De afwikkeling van de plannen voor een Administratief Centrum (A.C.) verliep

moeizaam. Het centrum zou worden gevestigd in het gebouw aan de Willem Barentsstraat.

Die verbouwing verkreeg de goedkeuring van het ministerie; het was in 1974 nog in

behandeling bij het College van B & W. De moeilijke bereikbaarheid van De Waard was nog

steeds niet opgelost. In de smalle toeleidende straten liepen de grote trailers, die de goederen

aan- of afvoerden voortdurend vast. Binnen de werkplaats bleef de werkgelegenheid

gehandhaafd, dankzij werkopdrachten van enkele buitenlandse ondernemingen. Op sommige

plaatsen was er zelfs een toename. Aan het einde van 1975 waren er ruim 800 werknemers in

dienst.

De commissie werd enigszins gewijzigd. De heer J. van Ek nam zitting als

vertegenwoordiger van de Ouderverenigingen, H.J. Bouterse trad toe namens het L.V.I. en C.

Schipper als vertegenwoordiger van het G.A.B.

In 1976 ontwikkelde de orderportefeuille zich gunstig. Van verscheidene binnen- en

34


uitenlandse ondernemingen konden doorlopende orders worden verkregen. Het machinepark

kon worden uitgebreid met een draaibank en een puntlasmachine. De noodzakelijke

personeelsuitbreiding vroeg veel aandacht van de commissie en kwam moeizaam op gang. De

vervulling van enkele urgente vacatures bij de afdeling personeelszaken, de acquisitie en de

administratie waren zere problematisch. De bedrijfsarts, J. Bloot, vroeg in verband met zijn

benoeming in Arnhem, ontslag aan per 1 april. Ondanks herhaalde oproepen in dagbladen en

medische vakbladen kon in 1976 niet in zijn vacature worden voorzien. Daarnaast waren er

nog open plaatsen vor de personeelsfunctionaris, maatschappelijk werkster, plaatsvervangend

administrateur, een medewerker van de loonadministratie en voor een werkleider.

In september werd een aanvang gemaakt met de verbouwing voor het Adminstratief Centrum.

Een aantal instellingen had reeds te kennen gegeven van de diensten van het

Administratief Centrum gebruik te zullen gaan maken.

De commissie bleef nagenoeg gelijk. Door het overlijden van M.H. van de Wege trad J.G.

Schumacher, de nieuw benoemde directeur van het G.A.B. tot de commissie toe. C. Schipper

liet zijn zetel over aan J. Boot, directeur G.S.D.

S. Barkema, die voor het C.N.V. in de commissie zitting had, bedankte “om persoonlijke

redenen” voor de commissie en werd opgevolgd door J.G. Lamers, voorzitter van de Christelijke

Besturenbond in Leiden. C.A. Visser moest enige tijd Bloem vervangen, omdat deze als

gevolg van een verkeersongeval in het ziekenhuis verbleef. De commissie bestond voorts uit

B.D. Oosterman, voorzitter, wethouder van CRM te Leiden, C.M. Boot, directeur G.S.D., H.J.

Bouterse, vertegenwoordiger L.V.I., B.J. Caspers, vertegenwoordiger van Gemeentewerken,

G.B. van Daal, consulent, J. van Ek, vertegenwoordiger van de Federatie van Ouderverenigingen,

en J.J.B.M. Smits, de directeur van de GDSW.

In de acht vergaderingen van de commissie werd veel aandacht bested aan het Administratief

Centrum, dat op de eerste verdieping van het gebouw aan de Willem Barentsstraat werd

gehuisvest. De bouw van een lift, nodig voor de gehandicapten, kwam ondanks enige vertraging

op tijd gereed. Ook kon er een chef voor het A.C. worden aangetrokken. In augustus

werd het centrum in gebruik genomen. Andere verbouwingen vonden tegelijktijd plaats,

onder meer voor een spuiterij. Verschillende klapdeuren werden vervangen door

schuifdeuren, waardoor dse rolstoelgebruikers zich gemakkelijker konden verplaatsen. Het

geluidsniveau werd verbeterd door het aanbrengen van plafonds en geluidsabsorberende

vloeren. De instelling van een revalidatieafdeling werd uitgesteld tot er een bedrijfsarts was

aangesteld. Het bleef zeer moeilijk een nieuwe dokter aan te trekken: ook in 1977 werd de

vacature niet vervuld.

De commissie bleef actief. Er werd gedacht aan het bouwen van Waard II, waardoor

verschillende bezigheden van de dienst in één gebouw zouden kunnen wordne ondergebracht.

Ook het vormingswerk, dat toen elders plaatsvond, zou daar gehuisvest kunnen worden. Zelfs

werd er aan gedacht om een geheel nieuw gebouw op te laten trekken.

Op 18 mei werd er een open dag gehouden. De belangstelling daarvoor was zeer groot.

Ook werd er aandacht besteed aan het instellen van organen van overleg voor de werknemers.

In de jaren 1978 en 1979 stelde de commissie vast dat de huisvesting aan de Willem Barentsstraat

veel te klein was en om allerlei andere redenen niet meer voldeed. Omdat in 1983

de huur van dat pand zou aflopen, was het nodig om zo snel mogelijk met afgeronde plannen

te voorschijn te komen. Verschillende mogelijkheden, zoals aanbouw aan de bestaande

behuizing, huur van een groter pand of nieuwbouw moesten worden onderzocht. Door het

College van B&W werd er een projectgroep ingesteld. Na een zorgvuldig onderzoek van de

mogelijkhden adviseerde de projectgroep tot nieuwbouw. Het Bureau Grondzaken kreeg

daarop de opdracht naar een geschikt bouwterrein om te zien.

35


De directeur van de GDSW, de heer J.J.N.B. Smits, werd na een langdurige ziekteperiode

gepensioneerd. Op een druk bezochte receptie, waar vele sprekers het woord voerden, werd

medio 1979 afscheid van hem genomen. Na het zomerseizoen werd een procedure gestart tot

het aantrekken van een nieuwe directeur. Er werd een selectiecommissie ingesteld, waar ook

de Organen van Overleg betrokken bij werden.

Een uitnodiging aan de GDSW om een stand in te richten op de banenmarkt in de Stadsgehoorzaal

op 27 september werd graag aanvaard. Het is weliswaar niet zo dat de GDSW een

baan aan kon bieden, maar de opzet was het imago van de sociale werkvoorziening, dat nog

toen veel te wensen overliet, te verbeteren, De bemiddeling naar de sociale werkvoorziening

geschiedde immers uitsluitend door het G.A.B.

Een voorstel om bij een 25-jarig jubileum van een WSW-werknemers een enveloppe met

inhoud ter beschikking te stellen werd door de commissie met instemming beantwoord.

Eind 1979 bestond de commissie uit Ph. Schoute, voorzitter, wethouder gemeente Leiden,

H.B. Plugge, waarnemend directeur GDSW, H.J. Bouterse, vertegenwoordiger Raad van

Bestuur in Arbeidszaken, D.J. Caspers, adjunct-directeur Gemeentewerken, G.B. van Daal,

Vetegenwoordiger consulentschap CSV, J van Ek, vertegenwoordiger Federatie van Ouderverenigingen,

mevr. M.K.E.J. Kampman, secretaris, ambtenaar GDSW, J.G. Schumacher,

directeur G.A.B., O. Scheepbouwer, directeur G.S.D. en voor de vakbeweging J. Bloem

(N.V.V.), J.G. Lamers (C.N.V.) en Th. De Wilde (N.K.V.).

De al enige jaren bestaande vacature van een bedrijfsarts werd waargenomen door een

bedrijfsarts van de GG en GD. Per 1 oktober 1979 werd eindelijk in de vacature voorzien

door aanstelling van de bedrijfsarts mevr. M. Kloosterhuis-Duinker.

Regelmatig terugkerend punt op de agenda van WSW-commissie in 1980 was de nieuwbouw

voor huisvesting van de GDSW. Het bleek dat er binnen de gemeente Leiden geen

geschikt bouwterrein voorhanden was. Aangezien het totstandkomen van nieuwbouw voor het

functioneren van de sociale werkvoorziening absoluut noodzakelijk was, werd naar een

mogelijke locatie omgezien bij de aangrenzende gemeenten. Een terrein aan de Touwbaan in

Leiderdorp bleek aan de gestelde eisen te voldoen. Na veelvuldig overleg met alle betrokken

instanties liet het zich eind 1980 aanzien dat met een voorzichtige schatting in de tweede helft

van 1981 met de bouw kon worden begonnen.

In november en december 1979 waren er regelmatig kleine brandjes in het gebouw. Een

rapport van het Gerechtelijk Laboratorium wees uit dat deze brandjes veroorzaakt werden

door zelfontbranding van een bepaald soort verdunner. Er weren maatregelen getroffen om

herhaling te voorkomen.

In het gebouw werden ook maatregelen getroffen om de geluidshinder tot een

aanvaardbaar niveau terug te brengen.

In de vacature van directeur van de GDSW die door de pensionering van Smits was ontstaan

kon nog niet worden voorzien.. Er werd opnieuw een sollicitatie-procedure opgestart.

Om stagnatie in de sociale werkvoorziening te voorkomen werd door het college van B&W

besloten om O. Scheepbouwer, directeur van de G.S.D. te benoemen tot tijdelijke directeur

van de GDSW tot uiterlijk 1 april 1981. De combinatie van beide functies werd in tijd verdeeld:

3 dagen G.S.D. en 2 dagen GDSW.

De vrees dat de teruglopende werkgelegenheid, zoals deze wordt beschreven in hoofdstuk

5, in het ook een daling van het orderaanbod tot gevolg zou hebben, bleek vooralsnog ongegrond.

De orderportefeuille was nog altijd goed gevuld.

De plaatsingscommissie droeg 184 personen voor voor plaatsing, 121 personen konden

worden afgevoerd, waarvan tien door het vrije bedrijf werden overgenomen en acht personen

in overheidsdienst.

36


In 1980 bestond de commssie uit P.H. Schoute, voorzitter, wethouder gemeente Leiden,

Mw. M.K.E.J. Kampman, secretaris, G.B. van Daal, contactambtenaar rijksconsulentschap

CSC, J.G. Schumacher, directeur G.A.B, die regelmatig werd vervangen door C. Schipper,

H.H. Vos, directeur Dienst Gemeentewerken, die regelmatig werd vervangen door D.J.

Caspers, H.J. Bouterse, vertegenwoordiger Raad van Bestuur Arbeidszaken, J. van Ek,

vertegenwoordiger Federatie Ouderverenigingen, O. Scheepbouwer directeur G.S.D. en

tijdelijk directeur GDSW. Voor de vakcentrales waren J. Bloem (F.N.V./N.V.V.), J.G.

Lamers (C.N.V.) en Th. de Wilde (F.N.V./N.K.V.) de vertegenwoordigers.

In 1981 was de teruglopende werkgelegenheid in Leiden en de gevolgen daarvan voor de

Leidse sociale werkvoorziening een regelmatig terugkerend agendapunt. Bij de aanvang van

het jaar was de orderportefeuille nog goed gevuld en de vooruitzichten waren dienovereenkomstig

goed. Toch was er een merkbare invloed door het wegvallen van enkele langlopende

orders, o.a. van Adler. Acquisitie voor het verwerven van nieuwe orders werd regelmatig

gepleegd, er werden enkele kortlopende orders verkregen. Er werd voor de zekerheid een

programma opgesteld om leegloop te voorkomen en eventueel op te vangen.

De werving van een nieuwe directeur kreeg in de loop van 1981 zijn beslag.. De tweede

sollicitatieronde was op niets uitgelopen, omdat de in aanmerking komende kandidaat zich op

het allerlaatste moment terugtrok. Bij een nieuwe procedure kon uit 90 sollicitanten een keuze

worden gemaakt van vier personen. Eind september werd een voordracht opgesteld en per 1

november trad J. Kalisvaart, socioloog, in dienst.

De procedure voor de bouw van een nieuwe werkplaats aan de Touwbaan in Leiderdorp

maakte vorderingen. In het eerste halfjaar werden vier aannemers aangeschreven om een

aanbieding te maken, die uiterlijk september ingediend moesten zijn. Al spoedig daarna

besloot het College van B&W de bouw van de werkplaaats te gunnen aan het

architectenbureau Ir. A. Ganev te Cappelle a/d IJssel in samenwerking met de aaannemer

Noorlander BV te Leiderdorp. De opleveringsdatum werd vastgesteld op 15 april 1983. Op 15

decmber 1981 werd de eerste paal geslagen door een werknemer van het industrieel

werkverband.

De commissie zelf bleef vrijwel ingewijzigd.

De plaatsingscommissie droeg 83 personen voor voor nieuwe plaatsing, maar beéindigde

het dienstverband van 99 personen, waarvan er veertien naar het vrije bedrijf afvloeiden. Het

totale aantal WSW-werknemers daalde dus met zestien personen van 929 naar 913 personen.,

waarvan 864 in de A-categorie en 49 in de B-categorie.

In Leiden eiste de economische crisis zijn tol. In 1982 liep het aantal werkzoekenden in het

gebied van het Gewestelijk Arbeidsbureau op van 6788 (4981 mannen en 1807 vrouwen) naar

8674 personen (6171 mannen, 2503 vrouwen). De gemeente Leiden huisvestte 5626 werkzoekenden

(3995 mannen en 1631 vrouwen). Een kwart van deze werkzoekenden (2594) was

jonger dan 22 jaar. Er was dus ook een hoge jeugdwerkloosheid. De werkloosheid lag in

Leiden ongeveer 3% hoger dan in de rest van het land, dat toen op 11% van de beroepsbevolking

lag. Een zeer groot aantal van de werkzoekenden was laag geschoold of ongeschoold. Er

bevonden zich meer dan 2000 bouwvakkers en bijna 700 metaalarbeiders in het bestand van

het G.A.B.

In de vergaderingen van de WSW-commissie kwam de de steeds teruglopende werkgelegenheid

in Leiden meermaals aan de orde. Voortdurend werd er aandacht besteeed aan de

orderportefeuille.Het verwerven van orders liep dat jaar stroef en moiezaam, maar

desondanks bleef de portefeuille goed op peil.

Ook een wijziging in de Wet eiste aandacht op. De kosten moesten beter beheerst worden.

Het plaatsingsbeleid moest worden afgeremd, waar het ging op niet-baten-opleverende objec-

37


ten en er diende gestreefd te worden naar zoveel mogelijk baten-opleverende objecten. Ook

de instroom naar de WSW moest worden ingedamd door alleen die kandidaat-werknemers toe

te laten die zeer duidelijk tot de personenkring van de WSW behoorden.

Het tijdschema voor de nieuwbouw kon goed worden aangehouden. Er werd al een draaiboek

opgesteld voor de verhuizing, die gepland was voor april-mei 1983. Er werd gekozen

voor een gespreide verhuizing.

Op 21 april werd afscheid genomen van J.G. Schumacher, directeur van het G.A.B., in

verband met zijn pensionering. Hij werd opgevolgd door G.A.J. Tibbe. Ook O. Scheepbouwer

nam afscheid na twintig maanden als tijdelijk directeur van de GDSW te hebben gediend.

Op 4 maart was de bouw van de nieuwe werkplaats zover gevorderd, dat de eerste oplevering

plaats kon vinden. Op 28 maart werd met de verhuizing begonnen die geheel volgens een

opgesteld schema zonder veel moeilijkheden verliep. “Iedere belanghebbende was bijzonder

ingenomen met de nieuwe werkplaats”, zo vermeldt J. Bloem het in zijn jaarverslag (1983,

25). Het nieuwbouwcomplex werd op 12 september officieel geopende door M. Vrolijk,

commissaris der koningin in Zuid-Holland. Op 23 september werd er een open huis

gehouden, waarvan druk gebruik werd gemaakt. Ook de kwekerij aan de Nachtegaallaan

kwam na een langdurige periode van verbouwingen een goed geoutilleerde werk- en

kantoorruimte gereed. Op 21 september werd tijdens een open huis dit complex in gebruik

genomen.

Met de orderportefeuille ging het minder goed. De verpakkingsafdeling skin-blister en

krimpwerk stortte vrijwel geheel in. Oorzaak was de concurrentie uit het verre Oosten. In de

loop van het jaar vulde de portefeuille zich weer voldoende met nieuwe orders.

De commissie kreeg ook te maken met een bezuinigende overheid. De SW kon niet ontkomen

aan haar maatregelen. Naar de mogelijkheid van deeltijdarbeid werd door het ministerie

gekeken. Bij de werknemers was daarvoor echter weinig belangstelling. Oorzaak daarvan was

uiteraard het inkomenseffect.

De bedrijfsarts gaf te kennen om per 1 januari 1984 gebruik te willen maken van de VUTregeling.

In april werd de werving voor een nieuwe bedrijfsarts gestart en in december kon

mw D. de Jong als bedrijfsarts in dienst komen.

In 1983 werden er 78 personen geplaatst, maar 100 werd afgevoerd. Er is geen opgave van

hoeveel personen overgingen naar het vrije bedrijf of in overheidsdienst.

De rijksoverheid bezuinigde harder. De SW mocht niet meer groeien.Er moest zelfs ingekrompen

worden met 6% in drie jaar. Dat betekende een vacaturestop. De commissie zag

grote problemen ontstaan. Door natuurlijke afvloeiingen zou op sommige afdelingen nijpende

personeelstekorten gaan ontstaan die de productie in gevaar zouden kunnen brengen en

daarmee de inkomsten. En juist die moesten omhoog gaan in het kader van de bezuinigingen.

De commissie poogde om externe objecten die te weinig opleverden, door allerlei

maatregelen meer geld te doen opbrengen. Ook objecten die te weinig opleverden zouden

moeten worden afgebouwd en worden vervangen door objecten die meer zouden moeten

opleveren.

De commissie maakte zich zorgen over de effecten van het budgetfinancieringssysteem

(B.F.S.). Aan het begin van ieder jaar kreeg ieder S.W-bedrijf een bedrag, waarmee het rond

moet komen. Zij had het idee, dat deze vorm van financiering de autonomie van de SW zou

bevorderen. Maar het bleek bedoeld als kostenbeheersingsinstrument op macro-niveau. Opmerkelijke

conclusie was, dat het B.F.S. de werkplaatsen waar een goed toelatingsbeleid werd

gevoerd dit zal leiden tot een verdere verzwaring van de onrechtvaardige situatie ten opzichte

van de werkplaatsen in het zuiden en oosten, die jarenlang onder druk van de werkgelegenheidssituatie

“oneigenlijke” werknemers hebben binnen gelaten. Zij die echt op de WSW zijn

38


aagewezen, komen wellicht onvoldoende aan bod. Zodra een koppeling met een minimum

uuropbrengst voor diverse categorieën werkzaamheden tot stand zou komen, dreigde er een

gevaarlijke situatie voor Leiden te ontstaan. Positief was wel dat door middel van het B.F.S.

de lokale overheid meer beleidsruimte kreeg (Notulen WSW-verg.28 november 1984). Uit de

notulen van de volgende vergaderingen blijkt, dat het budgetfinancieringssysteem nog

onduidelijk bleef. Het B.F.S. zou -- ruim een jaar later -- geagendeerd worden ter bespreking

op de vergadering van 5 februari 1986, maar werd ter discussie verschoven naar een later

tijdstip “zodra nadere informatie uit het ministerie bekend is (Notulen WSW-verg. 5 februari

1986). Er zat dus niet veel schot in.

Er werden in 1984 96 personen nieuw geplaatst en 114 personen afgevoerd.

Op de agenda van de WSW-commissie die in 1985 driemaal bijeenkwam, stond onder

meer het plan van staatssecretaris L. De Graaf. Hij wilde mensen, die in de B-categorie waren

ingedeeld, geen loon meer te geven, maar te laten werken voor een uitkering. Dit plan werd

nog niet gerealiseerd, waarschijnlijk ook vanwege de pittige kritiek die op dat plan werd

uitgeoefend. Maar hij zou toch moeten bezuinigen, de commissie wachtte met spanning af

waarmee hij te voorschijn zal gaan komen.

Er werd een plan ontworpen om schoolverlaters beter op te vangen. Schoolverlaters, die

afkomstig zijn uit het onderwijs voor moeilijk lerende kinderen, die naar het zich laat aanzien,

zuullen zijn aangewezen op de sociale werkvoorziening, zouden met een speciaal object

geholpen worden. Afhankelijk van de honorering van een subsidieaanvraag zou het project

gestart kunnen worden.

De orderportefeuille was in 1985 goed voorzien. Er waren nog enkele projecten, die te

weinig opbrachten, maar andere objecten gaven en lichte stijging te zien.

Er werden 56 personen nieuw geplaatst, maar weer 50 afgevoerd.

In januari 1986 kwam de landelijke sociale werkvoorziening in aktie. De aanleiding

daarvan was, dat het overleg over de arbeidsvoorwaarden 1986 voor de SW een te mager

resultaat opleverde. Een onderzoek naar de loonachterstand in de SW bleek 2 à 2,5 % te zijn.

De AbvaKabo en het C.F.O. vroegen aan de staatssecretaris 2%, maar daar had hij geen oren

naar. De bonden riepen de SW-werknemers op om op 22 januari in actie te komen. Hieraan

werd in het gehele land in ruime mate voldaan. Protesttelegrammen, protestbrieven en -

kaarten werden naar Den Haag verstuurd. Verder waren er werkonderbrekingen, gesloten

poorten en protestbijeenkomsten in de verschillende steden. Kort daarop werd bekend, dat een

werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de bonden en van het ministerie zou

trachten om voor 1 april met een voorstel te komen. Het beginselakkoord hield o.m. in 0,6%

loonsverhoging en één dag verlof. Eerder was al afgesproken om het ziekengeld voor 100%

door te betalen. En Leiden? Het OvO in Leiden zag niets in de aktiepunten van de bonden en

adviseerde de werknemers om niet me te doen. “De actiedag van de bonden heeft in Leiden

totaal niet gespeeld”, stond er in de notulen van de WSW-commissie van 5 februari 1986.

De stop op de groei van de B-categorie werd opgeheven. In plaats daarvan zou het volumebeleid

gaan gelden voor de A-categorie en de B-categorie. Het volumebeleid werd daarbij

verhoogd van 5% naar 5,6%.

De P.O.P., praktijk observatieperiode, werd opgeheven. In plaats daarvan kwam de mogelijheid

om gedurende een jaar scholing en training te geven met als doel een opleiding voor

een plaats in de B-categorie. De betrokkene kreeg hierbij geen loon, maar behield zijn

uitkering.

Het project voor de schoolverlaters van het buitengewoon onderwijs werd gestart. In een

school in Leiden-noord werd ruimte gevonden, waar zij getraind konden worden voor het

verrichten van eenvoudige werkzaamheden. Er namen 20 personen aan deel, waarbij

39


verwacht werd dat het snel zou gaan groeien naar 30 personen.

Het Orgaan van Overleg had in dat jaar jaar meedere malen het verzoek gedaan om met

enkele leden aanwezig te mogen zijn bij de vergaderingen van de SW-commissie. Uit de

hieruit voortvloeiende gesprekken, die op 12 maart plaats vonden, bleek dat de OvO eigenlijk

helemaal niet wist wat de WSW-commissie zoal deed. Zij vroegen zich af of de

vertegenwoordigers van de vakcentrales wel voor hun belangen opkwamen. Het bleek ook dat

zij niet het verschil wisten tussen een vakcentrale en een vakbond. De heer Wortel gaf in een

bijeenkomst een uituitzetting: de vakbonden, t.w. de AbvaKabo en het C.F.O. waren voor de

directe arbeidsvoorwaarden en de directe belangenbehariging van de werknemers, de

vakcentrales moesten toezien op een correcte uitvoering van de Wet. Afgesproken werd dat

de onderlinge contacten tussen de vertegenwoordigers van de vakcentrales en het O.v.O.

zouden worden verbeterd.

In 1986 werden 54 personen geplaatst en 57 afgevoerd.

Op de agenda van de vier vergaderingen in 1986 stonden, naast de organisatie, aanschaf

van machines, beleidsplan en de begroting, een wijziging in de wet, die staatssecretaris De

Graaf zich had voorgenomen.

In 1986 werd bij de Gemeentelijke Dienst Sociale Werkvoorziening, een organisatieproject

in gang gezet. Er werden actieplannen opgezet op het realiseren van een wij-cultuur en van

het bedrijfsmatig handelen.

Uitgangspunt was dat een sterke bedrijfscultuur, waarin bedrijfsmatig werd gedacht en

gehandeld, geen doel op zichzelf is. Het werd noodzakelijk geacht voor het realiseren van de

doelstelling van de sociale werkvoorziening. Dat hield in dat de ontwikkeling van de bedrijfscultuur

zich zou moeten richten op het versterken van het besef van het eigen kunnen, het

versterken van het sociale klimaat in het bedrijf en het versterken van het bewustzijn dat door

bedrijfsmatig en commercieel handelen meer aangepaste arbeidsplaatsen zouden kunnen

worden gemaakt. De Dienst nam daarom als belangrijkste doelstelling aan het scheppen van

aangepaste werkgelegenheid. Dat betekent dat het het niet om gaat “gehandicapten” bezig te

houden. Het gaat om een volwaardig werkaanbod, waarbij de mogelijkheden van de werknemers

goed benut en zo mogelijk vergroot worden. In die zin werd op de GDSW de houding

uitgedragen: “wij vormen met elkaar een goed bedrijf en leveren prima producten”. De

aanpassing komt tot uitdrukking in bijvoorbeeld het ontrafelen van productieprocessen in

verschillende handelingen, van eenvoudig tot ingewikkeld. Ze komt tot uitdrukking in

aanpassingen op de werkplek en aangepaste werktijden, maar niet in het nut en de kwaliteit

van de te leveren producten en diensten. Wat dat betreft geldt dat de sociale werkvoorziening

misschien wat langzamer is dan een doorsnee bedrijf, maar kwalitatief zeker even goed.

De invoering van de budgetfinanciering leidde in het land geleid tot uitvoerige discussies

over de vraag of daarmee de sociale doelstelling niet in het gedrang zou komen. Het zou ten

koste kunnen gaan van de zwakste werknemers. SW-werknemers verschillen onderling,

evenals andere werknemers, in hun capaciteiten. Sommigen kunnen zeer eenvoudige werkzaamheden

verrichten, anderen hebben een hogere opleiding en kunnen gecompliceerd werk

verrichten. Wel betekent het bovenstaande dat de GDSW zich zou moeten gaan richten op

personen die, weliswaar in aangepaste omstandigheden, tot regelmatige arbeid in staat zijn.

Zij die niet aan dat criterium voldoen, zijn aangewezen op de dagverblijven.

Om voldoende werkgelegenheid te kunnen bieden moeten er voldoende orders zijn. Orders

die goed werk opleveren voor de werknemers bij de GDSW en die een redelijke opbrengst

geven. In het verleden werd er van uit de visie dat het er vooral om ging om mensen bezig te

houden, weinig aandacht besteed aan de kwaliteit van de orders. Daardoor zijn er veel kleine

orders. Het gevolg daarvan is dat er veel tijd en energie verloren gaat met het steeds weer

40


opnieuw instellen van machines, het bijbehorende administratieve werk e.d. Tevens bieden

deze orders geen zekerheid op termijn. Het beleid is daarom er op gericht om meer

langlopende orders te verkrijgen. Dit past tevens in de visie van DZB dat het werk van WSWmedewerkers

geen bezigheid, maar serieuze arbeid is. Dat wil ook zeggen dat men zich niet

wilde neerleggen bij slecht renderende orders. Het streven is dergelijke orders af te stoten.

Natuurlijk is dat alleen mogelijk wanneer daarvoor andere orders kunnen worden

binnengehaald. Het beleid dat DZB voorstaat is dus voor een belangrijk deel afhankelijk van

de mate waarin er in werd geslaagd betere orders te verwerven. Marketing en verkoop moeten

daarom versterkt worden, op basis van gegevens over wat gunstige markt- en productiesectoren

zijn voor de sociale werkvooziening. Toch moeten er verschillende soorten

werkzaamheden zijn. Een probleem daarbij was dat orders die eenvoudig werk bieden om een

aantal redenen dreigen te verdwijnen. Als dergelijke orders al behouden blijven, waren zij

dikwijls niet renderend. Om toch eenvoudig werk te blijven bieden, probeert men

productielijnen te ontwikkelen waarin het werk is uiteengerafeld in verschillende

handelingen, van zeer eenvoudig tot gecompliceerd. Om dit mogelijk te maken is het tevens

noodzakelijk dat er mensen zijn die de gecompliceerde handelingen kunnen verrichten.

Daarom wordt er voor dergelijke sleutelposities, wanneer geen mensen zijn bij de GDSW,

actief geworven. Dit gebeurt onder meer door versterking van het contact met het G.A.B. en

door het plaatsen van advertenties.

In de vergadering van de commissie op 18 september 1986 kwamen al deze

ontwikkelingen uitgebreid aan de orde. M. van der Fluit (plaatsvervangend lid voor de

F.N.V.) wees op het gevaar dat door de druk van opbrengstverhoging en stijgende

opbrengsten de “zwakkeren buiten de werkplaatsen blijven”. Directeur Kalisvaart antwoordde

daarop “dat verbeteringen met name in de organsatie tot opbrengstverhoging zal moeten

leiden” (Notulen WSW-verg. 18 september 1986). Later in dezelfde vergadering, tijdens de

bespreking van het “Noodopvangproject Schoolverlaters”, beaamde de heer Van Ek

(Federatie van Oudervernigingen), dat de efficiency in de s.w.-bedrijven moet worden bezien,

maar hij vroeg zich bezorgd af waar de grens lag. Wethouder De la Mar, voorzitter, stelde in

zijn reactie daarop, dat het reëel was om grenzen te accepteren “aan wat er uit een

gahandicapte werknemer aan opbrengsten kan worden gehaald” (Idem).

De F.N.V. zond aan haar vertegenwoordigers in de WSW-commissies een circulaire (d.d.

20 februari 1987), naar aanleiding van enkele wijzigingen in de regelgeving met betrekking

tot de sociale werkvoorziening. “Zoals we inmiddels gewend zijn geworden”, schreef de

F.N.V., “munten de besluiten m.b.t. de Sociale Werkvoorzieing uit door voetangels, dubbele

bodems en meervoudige interpretatie”. De centrale vroeg zich af welke beleidsdoelstelling

voor het werkverband de prioriteit heeft: het “economisch functioneren” (voortgnag in de

productie) of het “sociaal functioneren” (een voorziening voor degenen die daarop

aangewezen zijn). In de tegenstelling economisch of sociaal functioneren lag verscholen de

vraag: “wil je ruimte maken voor de WSW-ers om in het werk te groeien of richt je je op de

(potentiële) WSW-ers, die dusdanig gekwalificeerd zijn, dat zij met minimale aanpassingen in

de productie kunnen inspringen”. Onbespreekbaar was volgens haar dat de sociale

werkvoorvoorzieing bestemd zou moeten blijven voor mensen die vanwege bij de “persoon

gelegenfactoren” daarop zijn aangewezen. Maatschappelijke en economische factoren, zoals

het risico van langdurige werkloosheid behoorden hier niet toe. Voor het probleem van de

hardnekkige langdurige werkloosheid zouden andere beleidsinstrumenten en voorzieningen

opgezet moeten worden, aldus de centrale. De circulaire eindigde met het advies: “probeer tot

een bewust gekozen toelatingsbeleid te komen en laat u niet door de wijzigingen en

interpretaties van anderen overrompelen”.

41


Maar ook binnen de WSW-commissie kwamen kritische geluiden voor over de nieuwe

structuur van DZB. Zo vroeg mevrouw C. Huygen-Van Boven zich in de vergadering van 15

november 1989 zich af, naar aanleiding van een signaal vanuit sw dagverblijven, of er bij de

SW geen kandidaten in de B-categorie geplaatst kunnen worden, omdat er bedrifsmatiger

gewerkt moest worden. De heer Ter haar probeerde haar gerust te stellen. Hij ontkende dat de

B-categorie binnen de SW in de verdrukking kwam. Hij wees op de instelling van het

Noodopvangproject, dat door het pas opgerichte Centrum voor Training en Scholing (C.T.S.)

een continue karakter zou gaan krijgen, dat zou gaan starten op 1 februari 1990. Daar waren

twintig kandidaten opgenomen, waravan er zes overgingen naar de A-categorie en veertien

het voordeel van de twijfel genoten (Notulen WSW-verg. 15 november 1989). In een

volgende vergadering van de plaatsingscommissie kon de heer Strelzyn meedelen, dat de

voorbereiding voor het C.T.S. met succes konden worden afgerond. De gezinsvervangende

tehuizen gaven aan rspect te hebben voor de zorgvuldigheid waarmee het opzetten van het

C.T.S. gepaard is gegaan. (Notulen plaatsingscommissie. 28 maart 1990). Na een positief

advies van de plaatsingscommissie zou het project definitief kunnen starten.

De Gemeentelijke Dienst Sociale Werkvoorziening wordt De Zijl Bedrijven

In de loop van 1988 kreeg de ‘werkplaats’ in Leiderdorp een nieuwe naam. Voorzitter De la

Mar kon dat in de vergadering van de WSW-commissie van 27 januari meedelen. Het heette

voortaan “De Zijl Bedrijven”, afgekort: DZB. Binnen het bedrijf was een prijsvraag voor een

nieuwe bedrijfsnaam uitgeschreven en de keuze viel op deze naam. Dit was het eerste

duidelijke uitvloeisel van de veranderende bedrijfscultuur.

Per 1 juli 1988 verliet J. Bloem als vertegenwoordiger van de F.N.V. de WSW-commissie.

Hij werd opgevolgd door T.P.F. Wortel; de vakcentrales werden voorts vertegenwoordigd

door Th. de Wilde (F.N.V.) en J.G. Lamers (C.N.V.). De WSW-commissie bestond in november

1988 verder uit de heren J. van Ek (Federatie van Ouderverenigingen), C.W. Zuijderduin

(Rijksconsulentschap), P.C.G. Schulpen (L.V.I.), G.A.F. van Remoortere, C.A.J. Tibbe

(directeur G.A.B.) en O. Scheepbouwer, van de gemeente Leiderdorp mw. H.S. Graniewski-

Wijnands, mw. C.A. Huygen-Van Boven en van de gemeente Zoeterwoude E.C. Michels; van

DZB J.F.M. ter Haar (directeur), W. Hack (administrateur), J.N.M. Janssen (hoofd Algemene

Zaken) en van het Orgaan van Overleg H. Binnerts en H.P.B. Nieuwenhoven. Voorzitter was

J.N. de la Mar, wethouder Sociale Zaken van de gemeente Leiden.

Er vond ook een directiewisseling plaats. J. Kalisvaart nam afscheid en werd opgevolgd

door J.F.M. ter Haar.

De bedrijfsmatige aanpak staat ten dienste van de primaire doelstelling uit artikel 7 van de

wet Sociale Werkvoorziening. Dat is het fundamentele verschil met het ‘normale’

bedrijfsleven: wat daar doel is, n.l. het bedrijfseconomische resultaat, vormt bij de sociale

werkvoorziening het middel. Een ander verschil is dat het ‘normale’ bedrijf zal proberen zijn

beste medewerkers te behouden, maar een SW-bedrijf moet er juist naar streven dat zijn

medewerkers doorstromen naar andere werkgevers. “Dat maakt de sociale werkvoorziening

uitdagend’, schreef DZB in zijn beleidsplan 1988-1992 (p. 6).

Ondanks de bezuinigingen van het rijk werd er winst gemaakt. “De kwaliteit van het werk

en de inspanningen van het totale personeel hebben daaraan bijgedragen”, schreef De Wilde

in het F.N.V.-jaarverslag (1988, 9).

In 1988 werden 130 personen nieuw geplaatst, en 67 weer afgevoerd.In dat zelfde jaar had

de minister de minimale uurvergoeding van f 7,50 geëist, zodat het management van DZB

42


verwachtte dat het aantal detacheringen zou teruglopen. Dat was niet het geval: “Ook in 1989

werd er winst geboekt, onder andere door een hogere opbrengst van de uurvergoeding bij

derden, zoals de universiteit, Academisch Ziekenhuis, musea en dergelijke. Bovendien

leverden de medewerkers en medewerksters goed werk”, schreef De Wilde. De buitendienst

van De Zijl Bedrijven was dagelijks op pad om de medewerkers te begeleiden en eventuele

meningsverschillen met de opdrachtgevers uit te praten. “De wachtlijst voor plaatsing de de

bedrijven is te kort”, schreef De Wilde, “De afdeling personeelszaken voert activiteiten uit tot

werving van kandidaten middels contacten met het gewestelijk arbeidsbureau, omliggende

gemeenten, gemeenschappelijke medische dienst en door advertenties”. De bezetting van de

bedrijven is belangrijk voor de voortgang van de werkzaamheden, maar ook voor de

financiële bijdragen van het rijk. De Wilde had bewondering voor de nieuwe directeur Ter

Haar, die zich deed kennen als iemand, “die weet welke weg te bewandelen”.

Per 1 oktober 1990 werd de heer Ter Haar benoemd tot adviseur. Als directeur van De Zijl

Bedrijven werd G.A.M. Bovens benoemd. De vakbeweging keeek instemmend naar deze

benoeming. Bovens diende als ambtenaar van Sociale Zaken de WWV- en de RWW-commissies

en was voorzitter van het bestuur van de Stichting Werkgelegenheid vanaf de oprichting

daarvan in 1983. Tijdens de vergadering van de WSW-commissie van 24 oktober 1990 werd

hij door voorzitter De la mar geïntroduceerd. De vergadering verwelkomde hem.

HOOFDSTUK 5

1967-1989: HET GEMEENTELIJK BELEID TEGEN DE WERKLOOSHEID

Wij verlaten nu de geschiedenis van de Leidse sociale werkvoorziening voor een

beschouwing van het werkloosheidsprobleem in Leiden. De werkgelegenheid ging na pakweg

1967 zeer hard achteruit, net als in de rest van het land. De oorzaken van deze ongunstige

economische ontwikkeling zullen wij in dit hoofdstuk nagaan. De werkloosheidsbestrijding

en het daaraan gekoppelde werkgelegenheidsbeleid leidden tot een aantal akties van de

gemeente. Zij probeerde de werkloosheid met alle kracht te bestrijden door het ontwikkelen

van diverse instrumenten, waarbij ook de sociale werkvoorziening, soms zijdelings, soms

rechtstreeks bij betrokken was. Wij beperken ons tot het beleid, dat werd gezet op

werkgelegenheidsbevordering voor langdurig werklozen en op het sinds 1984 ingezette

‘doelgroepenbeleid’, specifieke beleid voor (herintredende) vrouwen, leden van etnische

minderheden en werkloze jongeren. Die groepen dus, waarmee DZB een ruime ervaring had

opgebouwd. Het behoeft dus geen verwondering te wekken dat dat beleid uiteindelijk zou

leiden tot de sleutelpositie die DZB thans heeft: het belangrijkste instrument voor de

gemeente om werkgelegenheid te creëren voor alle doelgroepen “met een afstand tot de

arbeidsmarkt”.

Sterk toenemende werkloosheid in Leiden

In het jaarverslag van de Leidse afdeling van het N.V.V. over 1966 merkte secretaris Langezaal

nog op: “Voor wat de werkgelegenheid in Leiden betreft, kan worden opgemerkt dat

deze niet zo verontrustend is als in het noorden en zuiden van ons land”. De geregistreerde

arbeidsreserve bedroeg eind 1966 slechts 682 mannen (1,4% van de beroepsbevolking) tegen

403 aan het einde van 1965 (0,7% van de beroepsbevolking). “Een gunstig beeld”, meende I.

43


Coster, die namens de vakcentrale in de G.A.B.-commissie zat.

Maar het jaarverslag over 1967 begon al met de onheidspellende woorden “donkere

wolken pakten zich samen en wierpen hun schaduwen ver vooruit. Zo zouden wij het

voorbijgegane jaar 1967 willen karakteriseren”. 985 mannen (2% van de beroepsbevolking)

en 136 vrouwen waren eind 1967 werkloos. Eind 1968 was de werkloosheid in Leiden weer

wat teruggelopen naar 29 mannen (1,4% van de beroepsbevolking), een gevolg van een

verbetering van de conjunctuur, vooral in de bouwnijverheid. Wel stelde de vakbeweging

vast, dat het percentage ouderen en ook de inschrijvingsduur toenam. “Van de bij een

bedrijfssluiting of inkrimping afvloeiende werknemers zijn het de ouderen en daarnaast de

onvoldoende geschoolden waarom de plaatsingskansen gering zijn”, concludeerde I. Coster,

die zich binnen de Leidse F.N.V.-afdeling met de werkloosheidsproblematiek bezig hield,

“hetgeen een langzame veroudering en verlenging van de gemiddelde inschrijvingsduur met

zich mede brengt”. (Jaarverslag 1968, 19). De conjunctuur bleef in 1969 ook nog relatief

gunstig, zodat het aantal mannelijke werklozen stabiel bleef (830; 1,6% van de

beroepsbevolking). Wel stelde het N.V.V. vast, dat het aantal te Leiden werkzame personen in

industriële bedrijven met een personeelsbezetting van tien personen of meer een voortdurende

daling vertoont.

In 1971 gaf het aantal werklozen in Leiden een stijging te zien van 822, waarvan 263

vrouw, in het begin van dat jaar naar 1607, waarvan 403 vrouw, aan het einde daarvan, “een

aantal dat het dubbele bedroeg van eind 1970", merkte Langezaal de cijfers beschouwend,

terecht op. Coster wees bij deze alarmerende cijfers op de ongunstige conjuncturele ontwikkeling,

waardoor de werkloosheid in alle bedrijfsklassen toenam, vooral in de bouwnijverheid,

de metaalnijverheid, onder het kantoorpersoneel en bij losse arbeiders.

Voor de opvallende teruggang in de industriële sector kon met name worden genoemd: de

textielindustrie: in 1963 nog 1900 werknemers, in 1970 teruggevallen tot 700; de voedings-

en genotmiddelenindustrie, van 1700 in 1963 naar 1200 in 1970 en de metaalindustrie zakte

van 4800 in 1963 naar 3900 in 1970. Deze weggevallen industriële werkgelegenheid werd ten

dele kwantitatief goedgemaakt door uitbreiding in de dienstensector. De werkloosheidscijfers

lagen in 1973 hoger dan in 1972. Deze toename kwam vooral voor in de bouwnijverheid, de

handels- en kantoorsector, en in de groep ‘mindergeschikten’, 499 in 1972 en 546 in 1973. De

toeneming van van de werkloosheid, met name tengevolge van de slinkende industriële

werkgelegenheid, kwam vooral terecht bij de lager- en ongeschoolde categorieën. De

langdurige werkloosheid van oudere of anderszins, namelijk slecht opgeleide of moeilijk nog

opleidbare en slecht aangepaste werknemers en de in hun mogelijkheden beperkte

werknemers begon zich omstreeks 1970 af te tekenen. Het zeer kleine werklozenbestand

bestond voor een groot deel uit zeer moeilijk plaatsbaren. De oorzaak van dat op het eerste

gezicht verrassende verschijnsel, dat bijvoorbeeld ook de herplaatsing van gedeeltelijk

invalide geworden werknemers belemmerde, lag in de toenemende graad van perfectie, zowel

uit het oogpunt van efficiency, als uit dat van de technologische ontwikkeling, die gevergd

werd van ondernemingen, die onder een zeer scherpe concurrentie zich moesten handhaven.

Het een en ander leidde ertoe, dat van de in zulke ondernemingen werkende mensen een hoog

niveau van wendbaarheid, van aanpasbaarheid en van bestand zijn tegen mentale druk

verlangd werd. Dat klimaat van elkaar tot steeds hogere prestaties opjagende ondernemingen

in felle concurrentie had weliswaar een onmiskenbare stoot gegeven aan een economische

groei, maar zou op den duur slechts toegankelijk blijven voor goed getrainde werknemers

(Van Sprundel 19).

De relatief hoge werkloosheid in Leiden met een werkloosheidspercentage van 4,5% onder

de mannen aan het eind van 1972 (landelijk gemiddelde 3,6%) kreeg een speciale aanpak. Een

44


stuurgroep zou de strijd tegen de goeddeels structurele werkloosheid aanbinden en zich

allereerst richten op de categorie van de mindergeschikten. Het zou een voor het land unieke

actie worden met een samenwerking van het districtsbureau voor de arbeidsvoorziening met

het maatschappelijk opbouwwerk, het bedrijfsleven, de sociale dienst van de gemeente

Leiden, en de Regionale Raad voor de Arbeidsmarkt. In de eerste aanleg werd de hoge

werkloosheid in Leiden in de groep mindergeschikten aangepakt. Een van de facetten van de

actie was ook kennelijk de geringe scholingsbereidheid onder de werklozen in Leiden. Het

centrum voor de vakopleiding van volwassenen was maar ten dele bezet: 60 à 70 van de 100

plaatsen. De beslissing om juist in Leiden een speciale aanpak toe te passen berustte op een

uitgebrachte analyse door de Regionale Raad voor de Arbeidsmarkt. Daarbij kwam vast te

staan dat Leiden een zeer ongunstige positie innam en de werkloosheid naar verhouding

sterker voorkwam bij de bouwvakkers en mindergeschikten dan elders in de provincie. Voor

kantoorpersoneel en metaalbewerkers was de Leidse situatie wat gunstiger. Coster merkte in

het jaarverslag over 1972 (p. 28) daarbij op dat de werkloosheid aanzienlijk toenam in de

beroepsgroepen bouw, metaal, kantoor, losse arbeiders en de groep mindergeschikten.

In de loop van 1973 was 6% van de Leidse beroepsbevolking werkloos, 2233 mannen en

vrouwen waren bij het G.A.B. als werkzoekende ingeschreven., ietsje minder dan in januari

(2627 personen). 649 persone waren toen jonger dan 24 jaar en 354 personen waren langer

dan twaalf maanden ingeschreven.

De Stuurgroep Arbeidsmarkt

Als gevolg van de zeer ongunstige werkgelegenheidssituatie in Leiden werden vanuit de Raad

voor de Arbeidsmarkt een z.g. Stuurgroep Arbeidsmarkt gevormd, die in drie groepen werd

onderverdeeld. In de Stuurgroep III had onder anderen zitting J. Bloem. Die stuurgroep hield

zich onder meer bezig met het inventariseren en ontwikkelen van maatregelen en het in

uitvoering brengen van die maatregelen. Zij werd geïnstalleerd in maart 1973 door H.B.

Engelsman, plaatsvervangend voorzitter van de Regionale Raad voor de Arbeidsmarkt in

Zuid-Holland. Burgermeester Vis nam het voorzitterschap op zich en secretaris werd J.L.

Westhoff, hoofdinspecteur-directeur voor de Arbeidsvoorziening in Zuid-Holland. De leden

waren E. Abma van het Sociologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Leiden, W.

Borgemeester, vertegenwoordiger van de Leidsche Vereeniging voor Industrieëlen (R.V.I.),

B.J. Bijleveld en H. van den Haak, beiden van de Regionale Raad van de Arbeidsmarkt in

Zuid-Holland, J.G.M. Daeter, inspecteur van het Districtsbureau Arbeidsvoorziening, J.H.

Kamphuis, directeur Welzijnsraad Leiden, M.G. van Rijswijk, directeur van het G.A.B. te

Leiden. Van de werknemersorganisatie had P.C. de Kruis, toen voorzitter van de N.V.V.afdeling,

en na diens overlijden in oktober J. Bloem in zijn plaats. H. van den Haak was actief

in de Industriebond van het N.V.V. Het was dus een zware commissie, die zich ten doel stelde

de werkloosheidsproblematiek aan te pakken. Doelstelling van de stuurgroep was het in

Leiden bevorderen van activiteiten die zouden kunnen strekken tot vermindering van de

werkloosheid. Onder die activiteiten werden verstaan: groeps- en persoonsbeïnvloeding

teneinde medewerking te verkrijgen voor het onderzoek naar, de uitvoering en de toepassing

van maatregelen, voorts onderzoek naar milieu, leefpatroon en beweegredenen en onderzoek

naar leeftijd en potentiële ontwikkelingsmogelijkheden, als kennis, kunde, intelligentie,

fysieke toestand en dergelijke aspecten. Op de installatievergadering kwam de verkenning

van die problematiek aan de orde. Uit het cijfermateriaal bleek, dat met name onder de

bouwvakarbeiders in Leiden een hoog werkloosheidspercentage kon worden gesignaleerd.

45


Daarnaast stonden bij het G.A.B. velen ingeschreven, die op grond van persoonsgebonden

factoren tot de categorie mindergeschikten moesten worden gerekend. De aandacht viel ook

op de geringe scholings- en omscholingsbereidheid bij veel werklozen. In die vergadering

werd besloten om enkele werkgroepen te formeren die de aspecten van het

werkloosheidsprobleem nader zouden gaan bestuderen en tevens zouden zoeken naar wegen

om een oplossing in zicht te brengen. Werkgroep I had als taak onderzoek naar voortdurende

groeps- en persoonsbeïnvloeding en onderzoek naar milieu, leefpatroon en beweegredenen.

Werkgroep II hield zich bezig met het onderzoek naar potentiële ontwikkelingsmogelijkheden

van werkloze werknemers. Werkgroep III tenslotte zou mogelijke maatregelen moeten

inventariseren en ontwikkelen van mogelijke maatregelen en het in uitvoering brengen van

maatregelen ter bestrijding van werkloosheid. In deze werkgroep had P.C. de Kruis, en na zijn

overlijden J. Bloem van het N.V.V. zitting, met C.A. Visser -- beiden hadden ook zitting in de

GDSW-commissie. Andere leden waren J. Jonk van de Gemeentelijke Sociale Dienst, J.

Polman, complementaire Sociale voorzieningen, J.H. van Gelder van de Stichting

Welzijnsraad Leiden, M.G. van Rijswijk, directeur van het G.A.B., J.G.M. Daeter van het

districtsbureau Arbeidsvoorziening, die ook secretaris van de werkgroep was. In december

1973 werd een gecombineerde vergadering gehouden van de stuurgroep en de werkgroepen.

Op die vergadering kwam onder meer aan de orde een toetsing van de stuur- en werkgroepen.

Besloten werd de werkgroep III op te heffen en te integreren in de werkgroepen I en II.

Op 5 juli van dat jaar ontving de gemeente Leiden uit het potje van de regering ter bestrijding

van de werkloosheid een bedrag van tien miljoen. De helft daarvan kon worden aangewend

voor het versneld uitvoeren van arbeidsintensieve werken, waarvoor de gemeente

reeds plannen had. Deze ‘werkgelegenheidsinjectie’ leidde ertoe dat, dat eind 1973 al enkele

tientallen werkzoekenden konden worden ingeschakeld bij administratieve objecten en bij de

technische voorbereiding van andere objecten. Deze objecten bestonden uit werkzaamheden

aan sportvelden in Noord en in het Morskwartier, kleedgebouwen aan de Boshuizerkade en

Montgomerystraat, walmuren en rioleringen aan de Oude Vest en de Toussaintstraat,

herbestratings- en schilderwerken en een verbouwing van de Schouwburg, waarvoor de

gemeente een subsidie ontving van 3,9 miljoen gulden. Men verwachtte in totaal 200

personen bij die aanvullende werken te kunnen betrekken.

In het Leidsch Dagblad van 3 november 1973 was in een artikel over de toekomst van

Leiden te lezen: “Er is een groep in Leiden die weinig zijde zal spinnen bij de ontwikkelingen

die gaande zijn. En dat zijn de huidige werklozen. Onder hen bevindty zich immers maar

weinig kantoorpersoneel (...). Het (gaat) daarbij voor een niet gering deel om structurele

werkloosheid, moeilijk plaatsbaren enz. Hoe triest het klinkt, het betreft hier meer een sociaal

dan een economisch probleem”.

In 1975 herdacht de Leidse afdeling van het N.V.V. haar 75-jarig bestaan, zo begon secretaris

N. Langezaal zijn jaarlijkse beschouwing in zijn jaarverslag over 1974. “Hoewel het

bepaald niet in de bedoeling ligt, gezien de huidige economische omstandigheden om

uitbundig feest te vieren”, schreef hij, meende hij toch even daarbij te moeten stilstaan. Hij

herdacht hoe de eerste bestuurdersbonden onder de moeilijkste omstandigheden een

historische taak hadden vervuld met het “volvoeren van een zware taak (...) plaatselijk de

arbeiders vanuit wanhoop en doffe berusting tot organisatie te brengen”. En hij besloot met:

“Zo staat onze vakbeweging dus na 75 jaren te midden van het maatschappelijk leven. In een

maatschappij, geslagen door een sterke economische inzinking.” De werkgelegenheid in

Leiden baarde grote zorgen, schreef hij voorts. De toename van het aantal werkzoekenden

kwam voornamelijk voor rekening van de bouwnijverheid en metaal. Ook het aantal

vrouwelijke werklozen nam toe. De stijging betrof in die groep winkelbedienden,

46


kantoorpersoneel en huishoudelijk personeel.

De twee werkgroepen ontwikkelden en stimuleerden inderdaad enkele activiteiten. Op

initiatief van de Schooladviesdienst werd aan een basisschool in Leiden-noord een

opfriscursus geven voor ouders van leerlingen uit de hoogste klas. Zo werden deze ouders

gemotiveerd tot een actievere participatie aan het arbeidsproces. In samenwerking met de

werknemersvertegenwoordigers in de stuurgroep werd voor een project van het G.A.B. een

tiental werkloze mannen geselecteerd. Getracht werd werd bij deze personen door middel van

een intensieve sociale begeleiding de bereidheidheid tot scholing te wekken, dan wel, als dat

niet mogelijk bleek, te bevorderen dat ze een blijvende functie in een bedrijf zouden gaan

vervullen. Daartoe werd aan dat project een maatschappelijk werker toegevoegd, de heer

W.A.M. Vis. Het bedrijfsleven verklaarde zich bereid om medewerking te verlenen bij de

opvang.

Door een team van vertegenwoordigers van de Gemeentelijke Sociale Dienst en het G.A.B.

werden wekelijks vijf à zes langdurig werklozen opgeroepen. In 1974 passeerden ruim 200

personen de revue. Voor 91 van hen kon een plek in het bedrijfsleven worden gevonden.

Waaruit blijkt, zo concludeerde J. Bloem dat “de persoonlijke benadering en begeleiding”

vruchten af kan werpen. Daarnaast kwam wekelijks een team bijeen waarin vertegenwoordigers

van de Gemeentelijke Sociale Werkvoorziening, de Gemeentelijke Sociale Dienst en het

G.A.B. zitting hadden. Met de mensen die door dit team werden opgeroepen, werd gesproken

over werk in het kader van de sociale werkvoorziening. “Elke week worden langs deze weg

circa drie personen geplaatst”, meldde Bloem. Tenslotte werd met het bedrijfsleven overleg

gevoerd over de opvang van werklozen die wel bereid waren tot werken, maar die, door

welke oorzaken ook, niet volledig beantwoordden aan de eisen die door de werkgevers

werden gesteld. Een aantal bedrijven in Leiden verklaarde zich ook hier bereid tot

medewerking.

In werkgroep I had G. Bovens namens de Gemeentelijke Sociale Dienst zitting; voor het

N.V.V. was C.A. Visser de vertegenwoordiger, terwijl J. Bloem voor dezelfde vakcentrale in

werkgroep II een zetel bezette. Hij bevond zich ook in de Stuurgroep Arbeidsmarkt, die nog

altijd onder voorzitterschap van burgemeester Vis stond. De sociale werkvoorziening was niet

in de stuurgroep of in een werkgroep vertegenwoordigd.

In 1975 was 5,11% van de beroepsbevolking in Leiden werkloos, dat betekende dat er

2775 personen als werkzoekende waren ingeschreven. De stijging was het grootst in de

bouwnijverheid, in de metaalnijverheid en onder de ongeschoolde arbeiders. 137 jongeren

onder de 19 jaar waren ingeschreven. De voorzitter van de Leidse Kamer van Koophandel

sprak in zijn nieuwjaarsrede zijn ernstige zorg uit over de de sombere staat van het Rijnlandse

bedrijfsleven. Aan de andere kant ontwikkelde de gemeente een krachtig beleid om nieuwe

bedrijven aan te trekken voor de inmiddels aangelegde industrieterreinen. Nieuwe vestigingen

kwamen langzamerhand naar Leiden. Zij wees potentiële bedrijven voortdurend op de

gunstige ligging van de stad als centrum van de driehoek Amsterdam-Utrecht en Rotterdam.

Dichtbij Den Haag gelegen hoopte zij te profiteren van een Haagse overloop van

kantoorruimten, waar in het Haagse een tekort dreigde te ontstaan. In Leiden zelf gingen

allerlei bouwprojecten gestaag door, zoals renovatieprojecten van woningen en van de wallen

langs de grachten.

In maart 1975 werd er een gecombineerde vergadering belegd van de Stuurgroep Arbeidsmarkt

Leiden. De sinds de installatie in maart 1973 geïnitieerde activiteiten werden geëvalueerd.

Men stelde vast dat de teams G.A.B./G.S.D. en G.A.B./D.S.W./G.S.D. goede resultaten

hadden geboekt. Ook het op gang brengen van het overleg met het bedrijfsleven vond men

een goed resultaat. Toch meende men dat deze processen niet meer de begeleiding en de steun

47


van de stuurgroep nodig hadden. Wel wilde men zekerheden scheppen om de voortgang van

de processen te waarborgen. Daarna zag men echter de taak en de functie van de stuurgroep

als beëindigd. Men stelde een nieuwe Commissie van Overleg in, waarin diverse instanties

zitting hadden die ook in de werkgroepen waren vertegenwoordigd, om de voortgang te

bewaken. Een kleine werkgroep die de nieuwe commissie zou gaan voorbereiden werd door

de stuurgroep ingesteld. De werkgroep bestond uit S.A.C. Begeer, J.H. Kamphuis, M.H. van

de Wege en J. Bloem.

H. van den Haak, bestuurder van de Industriebond N.V.V. en lid van de stuurgroep, plaatste

nogal wat vraagtekens bij het werk van de stuurgroep. Hij was van mening, dat men de

fout maakte alle werkloosheid over één kam te scheren. De stuurgroep kon geen kentering te

weeg brengen. Zij bereikte immers maar een deel van de arbeidsmarkt, zij probeerde slechts

onregelmatigheden weg te strijken, weer te motiveren. Alles was echter gericht op de

vraagkant van de arbeidsmarkt. De harde kern van de strukturele werkloosheid zou volgens

hem juist moeten worden bestreden door maatregelen te treffen aan beide zijden van de

arbeidsmarkt. Die zijn nodig voor de kwalitatieve en kwantitatieve verbetering van de vraag

tegenover het aanbod of andersom. Een dergelijk beleid kon alleen maar worden gevoerd

wanneer het bedrijfsleven tijdig en voortdurend informatie zou verstrekken over de invloed

van de ondernemersbeslissingen op korte en langere termijn op de vraagzijde van de

arbeidsmarkt. Van de ondernemingen zou tevens gevraagd moeten worden om meer te letten

op het regionale en kwalitatieve gebeuren op de arbeidsmarkt aan de aanbodzijde.

De Commissie Arbeidsmarktoverleg Leiden

De opvolgster van de stuurgroep was de Commissie Arbeidsmarktoverleg Leiden. Op 8

februari 1976 werd zij geïnstalleerd door prof.dr. W. Albeda, voorzitter van de Regionale

Raad voor de Arbeidsmarkt. Taak van de commissie was het tot stand brengen van een

samenhangend beleid dat een vermindering van de werkloosheid en de nadelen daarvan

beoogt, vooral met betrekking tot diegenen, voor wie de arbeidsinpassing bijzondere

problemen met zich meebracht. Het doel zou onder meer kunnen worden bereikt door het op

elkaar afstemmen van initiatieven en activiteiten, die eveneens die doelstelling voor ogen

hadden. Daarnaast was het bevorderen van onderzoek naar omstandigheden, die op de

inpassingsproblematiek betrekking konden hebben en het doen van aanbevelingen met

betrekking tot maatregelen die zouden moeten worden gericht op opheffing of vermindering

van de negatieve aspecten van langdurige werkloosheid.

De commissie hield zich onder meer bezig met het analyseren van het bij het Gewestelijk

Arbeidsbureau ingeschreven werkzoekendenbestand. De geregistreerde vraag naar arbeidskrachten

bleek niet of nauwelijks aan te sluiten bij het aanbod van het G.A.B. De commissie

wilde op die wijze een beter inzicht krijgen in de mogelijkheden van de ingeschreven

werkzoekenden. Vaak ontbrak het aan inzicht in de specifieke vaardigheden van de

betrokkene of in de mogelijkheden tot ontwikkeling daarvan. De commissie verwachtte, dat

aan bedrijven, die zich in de toekomst in Leiden zouden willen vestigen een nauwkeuriger

inzicht zou kunnen worden verstrekt in de mogelijkheden om te voorzien in hun behoefte aan

personeel.

Voorts hield de commissie zich bezig met de toepassing van de Wet Sociale Werkvoorziening,

de jeugdwerkloosheid, die in Leiden zeer groot was: 40% van de ingeschrevenen waren

jonger dan 22 jaar.

De commissie bestond in 1976 uit M. van Aken, wethouder van Economische Zaken,

48


S.A.C. Begeer, werkgeversvertegenwoordiger (L.V.I.), J. Bloem,

werknemersvertegenwoordiger namens het Overlegorgaan Vakcentrales Leiden, G.A.M.

Bovens, Gemeentelijke Sociale Dienst, J.H. kamphuis, directeur Stichting Welzijnsraad

leiden, J.L.A. Kessen, secretaris, medewerker van de secretarie afdeling Maatschappelijke

Aangelegenheden en Volksgezondheid, B.J.M. Moritz, Rijksuniversiteit Leiden, J. Polman,

Complemantaire Sociale voorzieningen, J.J.B.N. Smits, directeur Dienst Sociale

Werkvoorziening en M.H. van de Wege, directeur Gewestelijk Arbeidsbureau. Na de tweede

vergadering overleed de heer Van de Wege. “Het overlijden van dit aktielid heeft een

duidelijke terugslag op het werk van de Commissie gehad”, schreef Bloem in het jaarverslag

(1976, 36).

In de jaarverslagen van de Leidse F.N.V. wordt verder geen gewag meer gemaakt van deze

commissie. Wellicht een zachte dood gestorven. Dat was niet verwonderlijk. De relatie tussen

de Stuurgroep Arbeidsmarkt en dus ook met haar opvolgster met de gemeenteraad was

gespannen. De raadscommissie voor Economische Zaken was, met uitzondering van wethouder

van Economische Zaken J. Lijten, van oordeel, dat aan het College van B & W kenbaar

diende te worden gemaakt, dat het de raadscommissie bevreemdde, dat over het bekleden van

het voorzitterschap van de stuurgroep geen overleg was gepleegd met de betrokken raadscommissies,

waaronder die van Economische Zaken. En dat van de burgemeester werd verwacht

dat hij zou komen uitleggen hoe de activiteiten van de stuurgroep zich verhielden tot de

verantwoordelijkheid van de raadscommissie van economische zaken met betrekking tot het

werkgelegenheidsbeleid voor Leiden.

In wezen had gemeente zelf deze troebele situatie veroorzaakt. Het ontbrak het gemeentebestuur

aan een totaalvisie op het werkgelegenheidproblematiek. Dat betekende dat

beslissingen die genomen werden niet met een beleidsvisie in verband konden worden

gebracht. Er werden op het punt van de werkgelegenheid allerlei tegenstrijdige besluiten

genomen. Het waren steeds ad-hocbeslissingen. Er was geen fundamentele discussie over de

vraag, wat de gemeente kon doen aan het onderwijs, bijvoorbeeld in het belang van de

ontwikkeling van de dienstensector. Er was geen selectie op grond van vooraf bepaalde

prioriteiten in het stimuleren of afstoten van industriële bedrijvigheid en dienstverlening. In

een VNG-onderzoek werd gesteld dat er in Leiden van een geïntegreerd en consistent beleid

voor werkgelegenheid weinig sprake was. Ook de Kamer van Koophandel merkte bij monde

van H. Branderhorst, dat de werkgelegenheid bij de gemeente Leiden niet meer een

incidentele, maar een structurele aandacht zou moeten krijgen. Bij de aantrekken van nieuwe

bedrijven naar Leiden ontbrak een coördinatie tussen het grondbedrijf van de gemeente,

ondergebracht bij de afdeling Stadsontwikkeling en de de afdeling Economische Zaken van

dezelfde gemeente. Wethouder Lijten van Economische Zaken gaf zelf ook verschillende

malen in de raadscommissie van E.Z. aan dat er onduidelijkheid was tussen het beheer van de

industrieterreinen en de acquisitie van nieuwe bedrijven. Belangrijkste oorzaak was het

ontbreken van een duidelijke afbakening van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden

voor de verschillende onderdelen van de werkgelegenheid. Voortdurend waren

tegenstrijdigheden en onduidelijkheden in verdeling van de competenties van de verschillende

portefeuillehouders een bron van misverstanden en irritaties.

Pijnlijk kwam de onduidelijkheid naar voren bij de Stuurgroep Arbeidsmarkt. De

problematiek van de ‘mindergeschikten’ was een beleidszaak van de wethouder van C.R.M.,

ondergebracht bij de afdeling Maatschappelijke Aangelegenheden en Volksgezondheid. Het

kwam in maart 1973 bij de stuurgroep. Daar had de gemeente geen greep op. De sociale

problematiek rond de werkloosheid, voor wat betreft de categorie mindergeschikten, werd

voor bestudering weggehaald van het gemeentelijk beleidsniveau. De enige van de gemeente

49


Leiden die er nog indirect bij was betrokken, was burgemeester Vis, die immers de voorzitter

was van de stuurgroep. Maar hij gaf niet veel informatie. De gemeenteraadsleden klaagden

herhaaldelijk over het gebrek aan informatie over hetgeen de stuurgroep bekokstoofde voor

Leiden. “Over Leiden, maar zonder Leiden”, was de gangbare uitlating van de raadsleden. De

stuurgroep werkte zelfstandig en er was geen coördinatie met de raadscommissie E.Z.

De gemeente Leiden richtte zich in haar beleid om de werkgelegenheid te bevorderen

vooral op het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid. Door gebrek aan coördinatie tussen de

verschillende gemeentelijke instanties kwam daar weinig van terecht. Uit een van de

onderzoeken die door de Stuurgroep Arbeidsmarkt waren verricht bleek dat het arbeidsaanbod

niet of slecht aansloot op de vraag naar arbeidskrachten. Hoewel de conjunctuur in die

periode zelfs enigszins aantrok, bleef in de kaartenbakken van het G.A.B. een groot aantal

moeilijk plaatsbaren, vooral ouderen, ongeschoolde arbeiders en jongeren met een lage

opleiding achter. Toch hoopten de beleidsmakers dat het aantrekken van nieuwe bedrijven

enige soelaas zou bieden met betrekking tot het Leidse arbeidsaanbod.

De Nota Opzet praktisch economisch beleid

In 1975 bracht de wethouder van Economische Zaken een beleidsnota met de voorzichtige

titel Opzet practisch economisch beleid naar voren, waarin hij een somber beeld van de

economische situatie van zijn gemeente schetste. Sinds 1970 was het bergafwaarts gegaan

met de stad. Er waren toen 36.200 arbeidsplaatsen beschikbaar, waarvan 15.600 (42%) in de

industriële en productiesector. Vijf jaar later waren er ruim 2000 arbeidsplaatsen minder,

voornamelijk door het vertrek of de opheffing van enkele grote bedrijven, zoals Sijfhoff

Uitgevers Mij BV, Rotogravure, Conservenfabriek “De Sleutels”, Coöp. Rijnland, Philips

Leiden, Tokheim NV, Grofsmederij en Menken-Landbouw BV. Ook bij de aanwezige

bedrijven nam het aantal arbeidsplaatsen af met 800, maar dat verlies werd min of meer

goedgemaakt door neen toename van het aantal arbeidsplaatsen in de dienstverlenende sector

met 700. De gemeente merkte hier bij op, dat de aangegeven ontwikkeling niet samenhaing

met specifieke binnen haar invloedssfeer gelegen Leidse omstandigheden, maar veeleer was

terug te voeren tot structurele en conjuncturele oorzaken, maar dat een en ander door de aard

van de in Leiden gevestigde bedrijven had geleid tot een groot verlies aan arbeidsplaatsen, die

waren gelegen in de industriële en productiesector. “Zeer hoog, in de afgelopen jaren sterk

opgelopen, is het aantal minder geschikten”, stelde de gemeente vast en terecht vervolgde ze

haar betoog met de conclusie: “De omvang van de werkloosheid moet gezien worden tegen de

achtergrond van de eerder beschreven bedrijfsopheffingen etc.”. De gemeente nam zich voor

om een nog krachtiger beleid te gaan voeren om nieuwe bedrijvigheid naar Leiden toe te

halen, onder meer door daarvoor geschikte terreinen beschikbaar te stellen, die gunstig

gelegen zijn, waar bedrijven zich kunnen vestigen. Zij wenste daarbij rekening te houden met

de aard van het arbeidsaanbod in Leiden en opteerde voor een “toelatingsbeleid met een wat

groter accent op kwantitatieve werkgelegenheidsaspecten dan kwalitatieve”. Daarnaast

wenste zij meer aandacht bij aanpassing van de werkgelegenheid voor

herscholingsmogelijkheden van arbeidskrachten.

In sociaal-democratische kringen was er echter kritiek op een dergelijk beleid. In een stad

met een groot arbeidsaanbod is het grootste deel van de zich aanbiedende arbeidskrachten

immers gaan bestaan uit diegenen, die bij selectie door de reeds aanwezige bedrijven zijn

uitgevallen.: voornamelijk de ouderen en de mindergeschikten. Als voornaamste bron voor

een nieuwe vestiging zouden zij niet in aanmerking kunnen komen. Een nieuwe vestiging zou

50


zijn personeel moeten betrekken uit de reeds gevestigde ondernemingen of uit het aanbod van

jonge werknemers. Het overgrote deel van de arbeidsreserve zou op zijn best pas zeer geleidelijk

weer in het arbeidsproces kunnen worden opgenomen, in functies die zo goed mogelijk

aan hen zijn aangepast. Als er na een langdurige slapte het selectieproces zich heeft

doorgezet, is er een vrijwel onomkeerbare toestand ontstaan. Het beleid zou daarom in de

eerste plaats niet moeten worden gericht op verlaging van de aanwezige werkloosheid, maar

zou zich moeten strekken om het proces van voortijdig terzijde schuiven van zwakkere

werknemers te onderbreken. Dat kon dus niet of nauwelijks plaatsvinden door vestiging van

arbeidsintensieve bedrijven die meestal eveneens op een lage loonvoet waren aangewezen. De

nieuwe ondernemingen zouden echter wel relatief hoge lonen moeten opbrengen. Zij moesten

dus ofwel kapitaalintensief zijn, ofwel bijzonder goed geschoolde vaklieden te werk moeten

stellen. In beide gevallen zou dit er toe leiden, dat zij van de plaatstelijke markt slechts

geringe aantallen, maar dan wel van de best gekwalificeerde mensen zullen afromen on

overigens werkkracht moeten importeren (Socialisme & Demokratie januari 1973).

Het ontstaan van een werkgelegenheidsbeleid in Leiden (1975)

Op 11 mei 1977 werd de F.N.V. in Leiden een feit. De N.V.V.-afdeling en de N.K.V.-afdeling

fuseerden. J. Bloem werd benoemd tot voorzitter, Th. de Wilde, tot vice-voorzitter, T.P.F.

Wortel tot secretaris en P.W. de la Rivière tot tweede secretaris. Het voorzitterschap wisselde

elke kwartaal. De Wilde schreef in het jaarverslag van de nieuwbakken F.N.V. van het jaar

1977 dat het samengaan van beide vakcentrales “een logisch gevolg (was) van de veranderde

inzichten om, wat samen gedaan kan worden, ook samen te doen” (curs. van De Wilde).

In augustus 1977 kreeg Bloem een ernstig auto-ongeluk, waardoor hij tot maart 1978 niet

actief kon zijn binnen de vakbeweging.

In 1976 liep de regionale werkloosheid terug van 3548 naar 3361, waarvan 2748 van de

Leidse beroepsbevolking aan het einde van het jaar. De jeugdwerkloosheid bleef hoog, ruim

40%: 748 werkzoekenden onder de 22 jaar hadden zich ingeschreven bij het G.A.B. De

Leidse F.N.V. klaagde over het slechte contact met de gemeente. Blijkbaar was er weinig

onderling contact. De F.N.V. bezag de cijfers en stelde met zorg vast dat er van de 2748

ingeschrevenen er 379 bouwvakkers, 465 industrie- en productiearbeiders stonden geboekt.

Daarnaast telde het werkzoekendenbestand niet minder dan 1220 mindergechikten. Een

gevolg nog steeds van het vertrek uit Leiden van enkele grote bedrijven, zoals Sijthoff’s

Uitgeversmaatschappij, Rotogravure, Conservenfabriek “De Sleutels”, Philips, Tokheim, en

last but not least, de Grofsmederij. Er waren toen zo’n 2000 arbeidsplaatsen verloren gegaan.

De vakcentrale benadrukte dat nieuw aan te trekken bedrijven moeten aansluiten bij de

samenstelling van het Leidse arbeidsaanbod. De vestiging van nieuwe bedrijven dient

probleemoplossend te zijn. De arbeidsplaatsen die de bedrijven nodig hebben of meenemen,

moeten werk geven aan Leidse werklozen, ook aan ouderen en buitenlanders.

Kwaliteitsverbetering van de arbeid kan in een later stadium volgen door middel van bij- en

omscholing. Deze activiteiten kunnen ook een belangrijke rol spelen bij de oplossing van het

probleem dat de arbeidsvraag niet aansluit bij het arbeidsaanbod. De F.N.V. riep op tot een

actief gemeentelijk beleid. In de jaren 1978 en 1979 herhaalde de Leidse F.N.V. haar wensen,

toen zij vaststelde dat in 1978 circa 3200 personen bij het G.A.B. waren ingeschreven,

waarvan 300 jonger dan 19 jaar.. Bij het aantreden van het nieuwe college in 1978 sloot de

F.N.V. zich aan bij het beleid om meer bedrijven aan te trekken. Het collegeprogramma sprak

over “het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen, die dienen aan te sluiten op het Leidse

51


arbeidsaanbod”. Dat was ook de wens van de afdeling. Het College wilde 1000 nieuwe

arbeidsplaatsen scheppen op ongeveer 30.000 m 2 nieuw te bouwen kantooruimte. Kritisch

reageerde de afdeling op dit beleid, want zij vroeg zich af: “wordt er geen werkgelegenheid

geschapen voor anderen dan Leidenaars”. In 1979 echter moest de F.N.V. echter vaststellen,

met de Kamer van Koophandel, dat een duidelijk economisch beleid ontbrak. Zij zag het

nieuwe College weinig initiatieven nemen. “Wij kunnen ons”, schreef de secretaris in het

jaarverslag, “geen beeld vormen van het door de huidige V.V.D.-wethoudster (dat was

mevrouw J. Fase-Dubbelboer) concreet gevoerde en gevolgde beleid. Niets hebben wij van

haar gezien, geen nota, geen beleidsplan, waar wij iets mee konden doen”. Met het aantrekken

van nieuwe bedrijven lukte het niet goed, meende hij voorts: “de beschikbare terreinen blijven

leeg. De bedrijven blijven weg”. Hij suggereerde dat de stad Leiden beter ‘gepromoot’ zou

moeten worden. Meer reclame voor een stad, die zo geografisch zo gunstig was gelegen

tussen de vier grote steden en dichtbij de luchthaven Schiphol: de spoorlijn Leiden-Schiphol

was toen in aanleg.

Want de ernstige depressie in de economie was in 1980 in Leiden zeer duidelijk merkbaar.

Eind 1980 bedroeg het aantal werkzoekenden in de regio 4363 personen. In 1981 zette de

stijging zich flink door, waardoor er in december van dat jaar 6868 werkzoekenden waren

ingeschreven, 4981 mannen en 1887 vrouwen, waarvan resp. Alleen in Leiden 3255 mannen

en 1249 vrouwen, totaal dus 4504. Leiden nam dus het leeuwendeel van het bestand bij het

G.A.B. voor zijn rekening. Het snelst steeg de werkloosheid bij de jongeren, met 51% en in

de bouw, waar de ouderen het grootste aandeel in hadden. “Vooralsnog is het beeld niet

bemoedigend”, merkte G.A.B.-directeur Schumacher op.

1982: Gemeentelijk Economisch Overleg (G.E.O.)

In 1980 vetrokken veel bedrijven uit Leiden. Backer en Co vertrok na 132 jaar uit Leiden naar

het Brabantse Made. Het bouwbedrijf Vandervliet-Wernink werd failliet verklaard, waardoor

120 personen hun baan verloren. 42 mensen verloren hun baan toen het stucadoorsbedrijf

Arnoldus zijn deuren sloot. Het laatste restje textiel verliet Leiden toen de Leidsche Wolspinnerij

NV naar Veenendaal verhuisde. Deze gebeurtenissen droegen bij tot een enorme stijging

van de werkloosheid: van 3217 aan het begin van 1980 tot 4364 aan het einde daarvan. Hiervan

waren er 387 jonger dan 19 jaar. De totale werkloosheid in Leiden steeg 37%, 9% van de

beroepsbevolking was werkloos. De werkloosheid manifesteerde zich vooral in de oudere

woonwijken, waar het werkloosheidspercentage de 10% overschreed.

De F.N.V. verklaarde dat “onze stad voor grote problemen” stond. De gemeente was in

1980 te voorschijn gekomen met een nieuwe nota over het werkloosheidsprobleem, het

Ontwerp economisch beleidsplan. “Een lijvig rapport”, oordeelde de F.N.V. Zij reageerde

heel koeltjes op dit rapport “waarbij kwistig van allerlei ambtelijke terminologieën en

vaktermen gebruik werd gemaakt”. Op dit rapport kan op deze plaats niet diep worden

ingegaan. De gemeente lanceerde haar ambitieuze kantoorplannen. Met de bouw van nieuwe

kantoren op het Schuttersveld, langs de Schipholweg en langs de Plesmanlaan hoopte zij zo’n

4000 nieuwe arbeidsplaatsen te creëren. De vakbeweging riep hier bij de vraag op hoeveel

van die plaatsen bezet zouden gaan worden door Leidenaren. Wel verwachtte zij een

toenemende pendel, veroorzaakt door werknemers van buiten Leiden. Zij wees de gemeente

met nadruk op de werkloosheidsproblemen in de oudere woonwijken. Er waren enkele

sociologische onderzoeken geweest die uitwezen dat daar de motivatie om na het verstrijken

van de leerplichtige leeftijd verder onderwijs te genieten erg laag is. “Het is daar vanouds de

52


gewoonte om zo spoedig mogelijk zelfstandig te worden en het eigen loon te verdienen”. Zij

pleitte daarom ook voor dat “de hoogste prioriteit in de gemeentelijke

werkloosheidsbestrijding (zal) moeten gegeven aan vergroting van de werkgelegenheid in de

industriële sector en in de bouw”. Zij ondersteunde de gemeente hartstochtelijk in haar beleid

om nieuwe bedrijven en industrieën aan te trekken. Zij realiseerde zich ook dat dat echter een

moeilijke zaak in in een tijd van economische regressie.

Een van de vele in dit beleidsplan aan de orde gestelde voornemens ten aanzien van de

verbetering van de werkgelegenheid in Leiden was het beleid ter bestrijding van de stedelijke

langdurige werkloosheid. De gemeente dacht hierbij onder meer aan de verdere uitbouw van

de samenwerking met het Gewestelijk Arbeidsbureau, de vakbeweging, werkgeversorganisaties,

gemeentelijke instellingen op maatschappelijk gebied, onder andere via de Commissie

Arbeidsmarkt Overleg. Ook dacht zij aan het toepassen van regelingen, waarbij jeugdige

werklozen met behoud van uitkering aan werk geholpen kunnen worden, waarbij zij

nadrukkelijk aantekent, dat deze vorm niet concurrerend mag zijn met “gewone”

werkgelegenheid. Voorts dacht zij aan het ontwikkelen “van specifieke instrumenten”.

Uitgebreid werd in deze beleidsnota twee bijzondere groepen langdurig werklozen genoemd:

de “voortijdige schoolverlaters” en onder de noemer “grote-stadswerkloosheid” de

groep “moeilijk plaatsbaren”. Ten aanzien van de eerste groep werd de verwachting geopperd,

dat het aantal ongediplomeerden onder de jeugdige werklozen en de geconstateerde werkloosheid

onder de ongediplomeerde schoolverlaters zal gaan toenemen. Met betrekking tot de

tweede groep werd gesteld, dat als belangrijke component van de werkloosheid die van de

moeilijk plaatsbaren of de mindergeschikten bestond. Deze groep maakte circa de helft uit

van de totale werkloosheid. Gezien de gemiddelde duur van de werkloosheid was er sprake

van een “harde kern”, waarvoor het scheppen van arbeid niet een directe oplossing leek, maar

meer enige voorwaarden in de maatschappelijke sfeer van belang schenen te zijn. Als factoren

die nauw verband hielden met het probleem van de moeilijk plaatsbaren waren de

werkgelegenheidsstructuur, die met name in het verleden van invloed was geweest, op het

opleidings- en scholingsniveau van grote groepen van de beroepsbevolking en de zwakke

bevolkingsstructuur in de oude stadsdelen. Er was het probleem van de oudere

leeftijdsgroepen, die werk zochten. Met name de omschakeling naar ander werk was vaak

moeilijk, omdat door de aard van de werkzaamheden, die men lange tijd had verricht, een

zekere specialisatie was bereikt. Ook daardoor was deze categorie moeilijk plaatsbaar

geworden, zeker in een periode waarin er sprake was van een gering vraag naar arbeid ten

opzichte van het aanbod. De relatie tussen woonomstandigheden, opvoeding, scholing,

werken, ontslagen worden, nieuw werk moeten zoeken, afgewezen worden, moedeloosheid,

verzet, fatalisme en verdwijnende arbeidsmotivatie speelde een belangrijke rol en het

verschijnsel van de “tweede generatie” werklozen -- de jongeren, die in een milieu zonder

arbeid opgroeiden. 25 à 30% van de kinderen op scholen in de binnenstad van Leiden was

afkomstig uit gezinnen met werkloosheid, zo stelde de gemeente vast. De stad Leiden

herbergde een specifieke categorie personen die als kansarm kon worden getypeerd. Deze

categorie bevond zich in een klemsituatie: in de stad verdween immers de industriële

werkgelegenheid. Niet voor niets wees het beleidsplan op het probleem van de

schoolverlaters, vooral ook als direct gevolg van de stagnerende economische ontwikkeling

en werkgelegenheid. Een belangrijke subgroep uit die categorie werd gevormd door de

“vroegtijdige schoolverlaters”; daardoor was er sprake van een bijzonder moeilijke

inpasbaarheid in de arbeidsmarkt.

De kritiek van de Leidse F.N.V. op het Ontwerp economisch beleidsplan was niet mals. De

wethouder van E.Z., mevouw J. Fase-Dubbelboer, nodigde de vakcentrale uit voor een ge-

53


sprek. Op 2 september vond er een gesprek plaats, waarin de wethouder allerlei informatie gaf

over het gemeentelijk economisch beleid. De meeste vragen werden welwillend beantwoord.

Het was het begin van een hernieuwd contact tussen de gemeente en de plaatselijke

vakcentrales. En dat met een V.V.D.-wethoudster: “Zoals de gesprekken ... verlopen zijn, zijn

wij hoopvol gestemd over de toekomstige gesprekken”, schreef de F.N.V.-afdelingssecretaris

in het jaarverslag over 1980.

In 1981 werd een stuurgroep Werkgelegenheid ingesteld door de gemeente met als doel

om binnen de gemeentelijke organisatie een zo doelmatig mogelijk gebruik te maken van de

beschikbare middelen en daar mee een planmatig en slagvaardig beleid te voeren. Deze stuurgroep

kon worden gezien als een uitbreiding van de vroegere Commissie Arbeidsmarkt Overleg.

Ze stond onder voorzitterschap van de wethouder van Economische Aangelegenheden en

Personeelszaken en bestond voorts uit de wethouder van Maatschappelijke Aangelegenheden

en Volksgezondheid, de coördinerend directeur Welzijn, de hoofden van de gemeentelijke

directies Maatschappelijke Zorg, Sociaal Cultureel Werk, Personeelszaken, Sociale

Werkvoorziening, Economische Zaken en Energie, de directeur van het Gewestelijk

Arbeidsbureau, vertegenwoordigers van de Leidse Vereniging voor Industrie, het Christelijk

Nationaal Vakverbond afdeling Leiden, de Federatie Nederlandse Vakbeweging afdeling

Leiden was vertegenwoordigd door M.J. van der Fluit, en als adviserend lid

vertegenwoordigers van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De stuurgroep

werd bijgestaan door een ambtelijke werkgroep, waarvan het voorzitterschap en het

secretariaat waren ondergebracht bij de Directie Economische zaken en Energie (E.Z.E.) .

De ambtelijke werkgroep stelde onder auspiciën van de stuurgroep, de nota Zicht op werk

samen, waarin als als nadere specifieke uitwerking van het economisch beleidsplan een scala

van beleidslijnen was uitgewerkt voor een planmatige aanpak van de werkloosheidsproblematiek.

Hoofdpunten waren begeleiding van startende ondernemers, niet-commerciële projecten

in de sociaal-culturele sfeer en semi-commerciële werkprojecten die zo mogelijk zouden

moeten uitmonden in loonvormend werk, de afstemming onderwijs-arbeidsmarkt en de rol

van de gemeente als werkgeefster. Daarnaast werden nota’s inzake werken met behoud van

uitkering en vrijwilligerswerk uitgewerkt.

Het Ontwerp economisch beleidsplan en de nota Zicht op werk werden door de gemeenteraad

goedgekeurd in november 1982.

1982: Stichting Werkgelegenheid

Een concreet resultaat van de werkzaamheden van de stuurgroep Werkgelegenheid Leiden

was de oprichting van een Stichting Werkgelegenheid. De achterliggende filosofie was dat

vanuit werklozenprojecten geleidelijk zinvolle bedrijvigheid kan ontstaan, die mogelijk

loonvormend zou worden en dat voor dat proces van gemeentewege de faciliteiten moesten

worden geboden. Het uitgangspunt daarbij was, dat werkprojecten met behoud van uitkering

geen negatief exploitatiesaldo mochten hebben, ofwel semi-commercieel waren. De nietcommerciële

projecten, dat wil zeggen projecten met een blijvend exploitatietekort, vielen

niet onder het werkveld van de Stichting Werkgelegenheid. Deze stichting kreeg tot taak om

faciliteiten te bieden ten behoeve van initiatieven in de commerciële en semi-commerciële

sfeer met het oogmerk de verbetering van de Leidse werkgelegeneidssituatie.

Uitkeringsgerechtigden kregen door de Stichting financiële, maar ook praktische steun om

een eigen bedrijf te starten. Voor de vestiging van deze nieuwe bedrijfjes stelde de gemeente

het Olga-complex aan de Evertsenstraat beschikbaar. Het bestuur van de Stichting stond

54


onder het inspirerende voorzitterschap van G. Bovens en H. Amptmeijer, die het secretariaat

op zich nam. Zij hadden namens de Stuurgroep Werkgelegenheid zitting in het bestuur;

namens de vakcentrale F.N.V. had H. Bey een zetel en voor het C.N.V. was A. van Duijn de

vertegenwoordiger.

De Stichting was een schot in roos en zou in haar bestaan vele langdurig werklozen uit hun

uitzichtloze uitkeringssituatie, waarin zij door sluiting van het bedrijf waaraan zij zich

jarenlang hadden gegeven en hun vakmanschap hadden opgebouwd, redden door hen de

gelegenheid te geven met hun vakkennis door middel van een eigen bedrijf in hun eigen

levensonderhoud te kunnen voorzien, door deskundigen begeleid in de beginfase van hun

onderneming.

1984: Zicht op werk

In het jaar 1982 liep het aantal werkzoekenden in de regio op tot 8674 personen, waarvan in

Leiden 5626 personen, waaronder 3995 mannen en 1631 vrouwen. Van het totaal aantal

ingeschreven waren er 2594 jonger dan 22 jaar, 1428 mannen en 1166 vrouwen. “De jeugdwerkloosheid

is zeer hoog”, schreef F.N.V.-afdelingssecretaris Wortel, “Onze stad kampt met

een enorm werkloosheidsprobleen”. De werkloosheid lag in Leiden ongeveer 3% hoger dan

het toch al hoge landelijk gemiddelde van 11 % van de beroepsbevolking.

Het informele overleg tussen de gemeente en de vakbeweging ging gedurende dat jaar

gestaag voort. Bij dat overleg waren van gemeentezijde de wethouder van Economisch Zaken,

mevr. J. Fase-Dubbelboer aanwezig en haar naaste medewerker E. Keijser, voor de F.N.V.

Van de Fluit en Wortel en voor het C.N.V. D’Haan en Lamers. Er heerste een goed en

prettige sfeer, waarin de wethouder de vakcentrales van actuele informatie voorzag, waarover

van gedachte werd gewisseld, zoals over het starten van een klussenbank en over het

opvoeren van het aantal bewaakte parkeerplaatsen met daarbij de benodigde arbeidsplaatsen,

waarbij de uitkering kon worden behouden.

Aan het eind van het jaar 1983 overschreed het aantal werkzoekenden, die waren

ingeschreven bij het Gewestelijk Arbeidsbureau de grens van de 10.000. Het aantal beliep

11.204 personen, 7729 mannen en 3475 vrouwen. Van de Leidse beroepsbevolking was 13%

werkloos: 4942 mannen en 2223 vrouwen. 40% van de werkloze mannen was afkomstig van

de bouw, 12% uit de sector van het handels- en kantoorpersoneel. Van de vrouwen was 40%

afkomstig uit de sector van handels- en kantoorpersoneel en 26% uit het onderwijs en de

verzorgende beroepen.

Het jaar 1984 was een jaar van grote veranderingen binnen het plaatselijke F.N.V.-bestuur.

J. Bloem gaf de voorzittershamer door aan J. van Iersel en zette zijn werkzaamheden voor het

bestuur als tweede voorzitter voort. D. Wortel verliet het bestuur en droeg het secretariaat van

de afdeling over aan J. Bakker. Th. de Wilde verliet eveneens het bestuur. Ook het jaarverslag

veranderde sterk van karakter. Het nieuwe bestuur maakte een einde aan een ruim

tachtigjarige traditie van de jaarlijkse beschouwingen van de economisch-sociale situatie van

Leiden door de afdelingssecretaris. De verslagen van de commissies waarin de F.N.V.afdeling

was vertegenwoordigd, werden zeer summier en cijfermateriaal ontbrak daarbij

geheel. Hoe de afdeling dacht over de sociaal-economische ontwikkelingen, het politiek

beleid inzake de werkgelegenheidsbevordering en werkloosheidsbestrijding wordt van dan af

niet meer duidelijk. Het jaarverslag werd meer een soort gids, vol met adressen van

bestuursleden.

In 1985 trad Bloem uit het bestuur.

55


Het door de gemeenteraad goedgekeurde Economisch beleidsplan en de nota Zicht op werk

werd in 1984 en 1985 geëvalueerd. In augustus van het laatstgenoemde jaar werd de nota

Zicht op werk II in de gemeenteraad aan de orde gesteld om vastgesteld te worden. De nota is

ten opzichte van het economisch beleidsplan uit 1980 geactualiseerd, vooral waar het

cijfermateriaal betreft, maar bevat verder geen echte nieuwe ideeën.

Ook in deze nota kwam het probleem van de langdurige werkloosheid aan de orde. De

werkloosheid was in Leiden het sterkst geconcentreerd in de oudere arbeiderswijken. Blijkens

cijfers, van welk jaar is niet duidelijk (maar de contekst suggereert 1982), kwam de hoogste

werkloosheid voor in de binnenstad, de stationsbuurt en De Kooi. Hoewel daar ongeveer een

derde van de bevolking woonde, bevond zich in die wijken meer dan de helft van de werklozen.

Ook werd vastgesteld dat het werkloosheidspercentage bij vrouwen niet hoger was dan

bij de mannen, maar dat zij wel relatief langer werkloos waren en dat het aantal werkloze

vrouwen sneller steegg dan bij de mannen. Jongeren waren vaker werkloos, maar in het

algemeen minder langdurig. Hun arbeidsmarktvooruitzichten waren wel sterk afhankelijk van

de scholing. Wat betreft de buitenlanders: ongeveer 7% van hen was werkloos, van hun was

43% van Marokkaanse afkomst en 30% van Turkse. Hun werkloosheid werd in belangrijke

mate bepaald door hun geringe opleidingsniveau. Ook het ‘buitenlander’ zijn was een extra

handicap. Uit een onderzoek van het ministerie van Sociale Zaken naar de grootstedelijke

werkloosheid bleek, dat de meeste arbeidsmarktinstrumenten niet effectief waren. Ze kwamen

te weinig of helemaal niet bij de doelgroepen terecht en waren bij het aannemen van

personeel voor de bedrijven niet doorslaggevend. Bovendien waren ze niet efficiënt. Het

rendement was te laag: het leverde te weinig duurzaam werk op. De toepassing van de

W.V.M., de werkverruimende maatregelen, die door het Gewestelijk Arbeidsbureau werd

uitgevoerd, was geheel gericht op jongeren benden de 23 jaar. In 1984 had Leiden een budget

voor 120 W.V.M.-plaatsen.

De arbeidsbemiddeling van het G.A.B. werd onder landelijke invloed meer en meer gericht

op de kansrijkere groepen werklozen. Het werd gezien als de enige mogelijkheid om door

werkgevers als serieuze bemiddelingsinstantie te worden beschouwd. De F.N.V.-afdeling was

in haar reactie op de nota “verbijsterd” over dat beleid van het G.A.B., dat weinig geeft om de

minder kansrijke groepen en deze “aldus nog minder kansrijk maakt”.

De F.N.V.-afdeling reageerde voorts niet afwijzend op de gemeentelijke nota. Zij begreep,

dat de speelruimte van de gemeente beperkt was en dat het landelijke beleid met betrekking

tot de werkloosheidsbestrijding de uitvoering van een plaatselijk beleid in de weg stond. De

afdeling was “ingenomen” met het startersbeleid van de Stichting Werkgelegenheid. Toch

meende de afdeling dat de economische structuur ongezond was, omdat er te weinig bedrijven

waren. Bovendien had de Leidse bevolking “gemiddeld te weinig opleiding om mee te

kunnen gaan in een economie waarin juist hooggeschoolde arbeid belangrijk is”. Scholing die

vroeger was opgedaan, moest aangevuld worden. Voor werklozen was dat extra urgent, omdat

hun kans op (her)plaatsing daarvan afhankelijk was, meende de F.N.V. Zij vond het

“onverstandig” dat Leiden zich tot “diensteneconomie” ontwikkelde. Voorstander was zij

voor “aanvulling van de diensteneconomie met herindustrialisatie”. De uitwerking daarvan op

toeleverings- en servicebedrijven zou nog eens extra werkgelegenheid opleveren.

In 1987 trad de voorzitter van de F.N.V.-afdeling Van Iersel af en werd opgevolgd door B.

Nievaart. D. Cossée had in 1986 het secretariaat van J. Bakker al overgenomen en in 1988

droeg hij het op zijn beurt over op P. Batelaan.

De komst van de niewe welkoosheidswet (NWW) in 1989 betekende het einde van enkele

gemeentelijke commissies. De WWV- en de RWW-commissie, waarin de vakbeweging sinds

hun instelling door wethouder Menken op 6 augustus 1965 werd vertegenwoordigd door Th.

56


de Wilde, dreigden hierdoor te verdwijnen. De Wilde was zeer ontstemd over het vertrek van

de vakbeweging uit de sfeer van de sociale voorzieningen. “Alweer kruist de heer L. De Graaf

ons pad, steeds maar doende om de vakbeweging te pakken”, schreef hij in het F.N.V.jaarverslag

(1989, 8), “FNV let op uw saek”. In de RWW-commissie was de invloed van de

vakbeweging groot, maar ook hier wilde staatssecretaris “de gehele uitvoering der wet in

handen geven van de ambetenaren van Sociale zaken. Geen kwaad woord over de ambtenaren

van Leiden .... maar de vakbeweging kan er maar beter blijven zitten”, schreef De Wilde

voorts. Tevens werd per 1 april 1989 de Raad van Arbeid opgeheven door nieuwe wet. Deze

werd samengevoegd met de Sociale Verzekeringsbank en ging verder onder de naam Sociale

Verzekeringsbank district Leiden. Sinds 1987 was De Wilde plaatsvervangend voorzitter van

het bestuur van de Raad. Bij zijn afscheid was hij weemoedig: “Zoveel jaren meegeholpen om

de sociale wetten goed te doen uitvoeren en nu door de beslissing van de ‘wet’ op zij-spoor

gezet”. De boosheid van De Wilde was mede ingegeven door het feit dat wethouder H. de la

Mar “(van Groen Links n.b.) de commissie wilde opheffen”.

Per 1 april 1990 werden de RWW- en WWV-commissies opgeheven.

1988: Het doelgroepenbeleid

In het collegeprogram 1982-1986 werd geopperd om speciale aandacht te schenken aan

“minder kansrijke groepen op de arbeidsmarkt zoals jongeren, vrouwen, etnische

minderheden en gedeeltelijk arbeidsongeschikten”. Onder deze categorieën vielen ongeveer

4000 van de rond 6800 ingeschreven werklozen.

Met zorg stelde de gemeente vast dat het aantal langdurig werklozen onder jongeren tot 24

jaar zeer snel toenam. Bij de mannen was het aantal verviervoudigd, bij de vrouwen bijna

vervijfvoudigd tussen 1982 en 1984. Beroepsgroep en opleiding waren sterk bepalend voor de

arbeidsmarktkansen. Bij allerlei “plaatsingsbevorderende maatregelen” was een groot aantal

instanties en organisaties betrokken, zoals het onderwijs, bedrijfsleven, arbeidsbureau e.d. Al

deze maatregelen waren erop gericht om de arbeidsmarktpositie van jongeren te versterken.

Ook bij de buitenlanders waren de kansen op werk voor de laagstopgeleiden het slechtst. Ook

wees de gemeente op de intensieve taalcursussen voor jongere en oudere buitenlanders. Voor

slecht Nederlands sprekende buitenlanders was de cursus een noodzakelijke voorwaarde om

tot verdere beroeps(bij)scholing toegelaten te worden. De groei van de werkloosheid onder

vrouwen was voor de gemeente zorgwekkend. Het bleek, dat vrouwen meer dan evenredig in

de ‘lagere’ en niet-technische beroepen werkzaam waren en slechtere carrièrekansen hadden.

Extra scholingsfaciliteiten en positive discriminatie, zowel voor de werklozen in deze groep

als voor degenen die een baan hadden, zouden een bijdrage kunnen leveren om deze toestand

recht te trekken. Ook sollicitatiecursussen zouden een rol kunnen spelen bij het wegnemen

van een onnodige handicap bij het solliciteren.

De gemeente had het voornemen om bij het uitvoeren van haar werkgelegenheidsbeleid

nadere accenten te leggen binnen de doelgroep van ongeschoolde jongeren op vrouwen en

culturele minderheden.

Het gemeentebestuur stelde in zijn collegeprogram 1986-1990 vast dat de aantrekkende

economie weliswaar de werkgelegenheid in de gemeente verbeterde, maar alleen voor de

goedgeschoolde en sterke werknemers. Zij werkte haar doelgroepenbeleid verder uit. Enkele

groepen in de samenleving dreigden de aansluiting te missen. De afdeling Economische

Aangelegenheden stelde vast dat “er spanningen op de arbeidsmarkt” aan het ontstaan waren.

Men formuleerde enkele groepen “met een achterstand op de arbeidsmarkt”. Deze groepen

57


waren de vrouwen, leden van etnische minderheden en langdurig werklozen. Op deze groepen

wilde de gemeente beleid zetten, dat gericht was op verbetering van de arbeidsmarktpositie.

Uit de cijfers van het Gewestelijk Arbeidsbureau bleek dat bij de ingeschreven vrouwen

ongeveer 60% basisonderwijs, dan wel onvoltooid vervolgonderwijs had, dus voor het

merendeel duidelijk laaggeschoold was. De 588 ingeschreven migranten uit de

“wervingslanden” was 88% ongediplomeerd en had 10% een mavo of lbo-opleiding. De

meeste werkloze mannen, die langer dan een jaar stonden ingeschreven, zochten werk bij

“algemene dienst” en overige beroepsgroepen (totaal 40%), bij vrouwen waren dat

“huishoudelijke dienst”, “algemene dienst” en “overige beroepsgroepen”, totaal 25% van de

langdurig ingeschreven. Men zou kunnen concluderen dat de doelgroepen het meest direct

gebaat waren met werkgelegenheid voor laaggeschoolden. Maar dat werk was in het

algemeen slecht betaald, had weinig toekomstmogelijkheden en was vaak onaangenaam van

aard. Een betere mogelijkheid was om de voor deze groep te creëren werkgelegenheid op een

iets hoger (opleidings)niveau te brengen, hetgeen eisen stelde aan de op deze doelgroepen te

richten cursussen.

Er waren drie hoofddoelstellingen: het verbeteren van de werkgelegenheidssituatie, dat

men wilde bereiken door actieve werving en behoud, instandhouding en groei van het

bestaande bedrijfsleven, onder andere door voorwaardenscheppend beleid. Uitdrukkelijk werd

hierbij het ondersteunen van startende bedrijven genoemd als een toen reeds succesvolle

activiteit. Ook het bevorderen van het toerisme, recreatief bezoek en winkelbezoek zou extra

arbeidsplaatsen opleveren. Als tweede beleidsdoelstelling werd genoemd “eerlijke kansen op

werk”. De achterstand op het gebied van scholing en werkervaring diende te worden

opgeheven. Dat wilde men bereiken door het creëren van scholingsfaciliteiten,

werkervaringsplaatsen of een combinatie van beide. Als derde doelstelling, tenslotte, streefde

men naar een evenredige verdeling van werk. Deze doelstelling zou binnen het gemeentelijk

personeelsbeleid al geëffectueerd kunnen worden door het werk zodanig te verdelen dat

uiteindelijk een afspiegeling van de bevolkingssamenstelling zou worden bereikt in de

organisatie. In het bedrijfsleven zou hetzelfde kunnen worden bereikt door een goed en

frequent contact, waardoor een positieve houding ten opzichte van de doelgroepen kon

worden gestimuleerd.

Van algemeen naar specifiek beleid

In 1989 verscheen Sleutelen aan de toekomst, het eindrapport van een onderzoek naar de

sociaal-economisch ontwikkeling in Leiden en de regio vanaf het jaar 1970. De opdrachtgeefster

was de Leidse F.N.V.-afdeling en het onderzoek was uitgevoerd door het Onderzoekcentrum

Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting van de Faculteit der Sociale

Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Leiden. De F.N.V.-afdeling hoopte haar inzicht in de

recente ontwikkelingen te verdiepen en daardoor extra aangrijpingspunten te vinden om het

economisch beleid op regionaal en lokaal niveau te beïnvloeden. In dit eindrapport werd,

onder een groot aantal andere werkgelegenheidsaspecten, de positie van de doelgroepen

gememoreerd. In 1986 tekende zich een toename af van het aandeel van ongeschoolde

werknemers in het werkzoekendenbestand van het G.A.B. Zij profiteerden kennelijk minder

van de aantrekkende economie. Ook het aantal personen dat meer dan twee jaar een

bijstandsuitkering (RWW) genoten nam tussen 1985 en 1987 toe. Een groep werklozen was

aan het ontstaan die weinig perspectief om ooit (weer) aan het arbeidsproces deel te nemen.

Hoewel de economische vernieuwingen konden leiden tot duidelijke verbeteringen in de

58


positie, arbeidstaak en beloning voor een deel van de werknemers, bleek een ander deel juist

aan perspectief te verliezen. Zij waren aangewezen op tijdelijke arbeid of op grond van hun

ervaring en qualificaties veroordeeld tot langdurige werkloosheid. Het rapport beaamt dat de

middelen die de gemeente en de vakbeweging tot hun beschikking hadden, zeer beperkt

waren en weinig ontwikkeld. Voor een belangrijk deel bewogen zij op op het terrein van

scholing en het aanbieden van werkervaring. Daarmee kon getracht worden om het risico te

beperken dat bepaalde groepen werknemers de aansluiting met het verrichten van betaalde

arbeid definitief zouden verliezen. In het bijzonder gold dit voor vrouwen, leden van etnische

minderheden en langdurig werklozen. De vakbeweging onderstreepte hiermee het

doelgroepenbeleid van de gemeente. Een aantal aspecten was hier van belang. Het

scholingsaanbod diende breed te zijn en niet slechts gericht op recent ontstane, meer

spectaculaire groepen. Het scholingsaanbod diende “op maat te zijn”. Dat impliceerde dat

nauw aangesloten moest worden op de ervaringen, mogelijkheden en wensen van de

individuele werknemers. “Over het algemeen staan de betrokkenen aan het eind van een alnge

reeks van teleurstellingen”, stelde het rapport (p. 154). Het negeren daarvan of het met dwang

opleggen zou de faalkans voor de individuele werknemer en de maatregel als geheel slechts

vergroten. Dat betekende geen vrijblijvendheid. Integendeel, de basis was juist gelegen in de

eigen motivatie, het (hernieuwd) vertrouwen in het eigen kunnen en het dragen van

verantwoordelijkheid voor de aangegane verplichtingen. Tenslotte, zo stelde het rapport, zou

de scholing ook een werkelijk perspectief moeten geven. Dat wil zeggen: uitzicht op een

betaalde baan.

Het verval van de Leidse industrie betekende een grote toevloed van ongeschoolde en

laaggeschoolde arbeiders. Omdat het verval zich binnen een tiental jaren voltrok was die

toevloed zeer groot. De overheidsinstanties, die de grote aantallen werklozen moesten

opvangen, zagen al heel snel, dat er zich grote problemen zouden gaan voordoen. De meeste

werklozen konden niet onmiddellijk, of zelfs niet na langer termijn, aan nieuw passend werk

worden geholpen. Werk in de productiesector was niet of onvoldoende voorhanden. Nieuwe

bedrijven stelden hogere en andere opleidingseisen en vaardigheden. Ook de leeftijd van de

werklozen was te hoog om nieuwe kansen op de arbeidsmarkt te vinden, en jongeren hadden

dikwijls geen opleiding of hadden deze nooit afgemaakt. Er was een groot aantal

‘mindergeschikten’ en ‘moeilijk plaatsbaren’.

Toen de problematiek na verschillende onderzoeken in beeld was gebracht, begreep de

gemeentelijke overheid, dat de werkloosheidsbestrijding een specifieke aanpak behoefte. Het

werkgelegenheidsbeleid moest nauw aansluiten aan de gesignaleerde problematiek. Het startersbeleid,

het doelgroepenbeleid en een aantal projecten werden opgestart, om de werkgelegenheid

te bevorderen.

Daarnaast waren er echter velen, die door allerlei persoonlijke omstandigheden niet

konden worden geholpen bij het vinden van een nieuwe plaats op de arbeidsmarkt. Vaak

waren dat omstandigheden, zoals lichamelijke en geestelijke gesteldheid die dat moeilijk, dan

wel onmogelijk maakten. In de oude industrieën konden zij nog wel eens werk vinden dat zij

nog net aankonden: eenvoudig productiewerk of administratie, maar in de nieuwe bedrijven

was structureel geen plaats meer voor hen. Zij dreigden voor de rest van hun leven buiten het

arbeidsproces te recht te komen.

Maar zij konden dan nog wel terecht bij de sociale werkvoorziening, die nog wel in staat

was om hen op te vangen. Het verschil tussen de doelgroepen van de sociale werkvoorziening

en die van verschillende instanties die zich richten op het scheppen van werkgelegenheid voor

langdurig werklozen, werkloze jongeren, buitenlandse werknemers werd steeds geringer.

In de volgende hoofdstukken zullen het langzame, maar zekere samengaan van de verschil-

59


lende instanties beschouwen, als logisch gevolg van deze ontwikkelingen.

HOOFDSTUK 6

1991-1998: STICHTING WEERWERK EN DZB: TWEE PARTNERS MET HETZELFDE IDEAAL

Sociale Vernieuwing

Een nieuwe ontwikkeling werd door de rijksoverheid gestart. In 1990 verscheen de nota

Sociale vernieuwing: opdracht en handreiking. Een belangrijk gevolg van deze nota was het

samenbrengen van een groot aantal subsidie-regelingen in het Fonds Sociale Vernieuwing.

De regering had vastgesteld dat hardnekkige achterstanden moeizaam te bestrijden waren.

Terwijl een gestage groei van de werkgelegenheid velen weer de kans bood op betaalde

arbeid, dreigden anderen blijvend de aansluiting te missen. Ondanks grote inspanningen van

maatschappelijke organisaties en overheden en ondanks veel persoonlijke inzet dreigden toch

grote groepen burgers in de zijlijn te raken, aldus de nota. De regering wenste een

geconcentreerde actie, “omdat de inspanning van alle betrokkenen zich moet bundelen”, en zij

gaat verder: “juist in de regio, in de wijken, op het grondvlak van de samenleving. Aktie,

omdat vooral de mensen om wie het hier gaat niet gediend zijn met vage gedachten, maar met

concrete handreikingen”.

De Sociale Vernieuwing richtte zich op een groot aantal terreinen, die in enkele clusters

werd onderverdeeld. De eerste cluster was die van ‘Arbeid, scholing en inkomen’. Mensen

moesten worden geholpen door scholing op maat en perspectief krijgen op werk. Dat vereiste

een nauwe samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven, arbeidsvoorziening en de lokale

overheid. De tweede cluster was ‘Kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving’. De kwaliteit van

de dagelijkse leefomgeving zou kunnen worden verbeterd als stadsvernieuwingsbeleid zou

worden aangevuld met maatregelen die de kwaliteit van de woonomgeving verbeterden. Per

wijk en per buurt moesten samenwerkingsovereenkomsten worden opgezet. Men dacht

daarbij aan projecten waarin overheidsinstanties en buurtbewoners samen zouden gaan

werken op het gebied van onderwijs, welzijn, jeugdwerk en criminaliteitsbestrijding. De

derde cluster was de ‘Verbetering van de doelmatigheid en de kwaliteit van de voorzieningen

op het gebied van de sociale dienstverlening’. Het hulpaanbod was te gedifferentieerd en te

verbrokkeld. Het ‘lokettisme’ diende te worden doorbroken. Er moest dienstverlening op

maat geleverd worden.

Door de overheid werden enkele steden aangewezen, waaronder Leiden, die als proefgemeente

Sociale Vernieuwing zouden gaan functioneren. Dat waren steden waar de achterstandsproblematiek

een extra inspanning rechtvaardigde. Daartoe werd een convenant

afgesloten waarin de raamafspraken met het rijk werden vastgelegd. De gemeente verplichtte

zich om inspanningen te doen voor de totstandkoming van een samenhangende aanpak van de

sociale vernieuwing op lokaal niveau.

Uitvloeisels van de Sociale Vernieuwing waren onder meer de instelling van banenpools

en het Jeugdwerkgarantieplan.

Stichting Weerwerk

In 1990 werd in het kader van de Sociale Vernieuwing de z.g. banenpool geïntroduceerd, na

een experimenteerperiode van ongeveer vijf jaar in Rotterdam, Dordrecht en Nijmegen. Deze

60


anenpool was bestemd voor iedereen die minimaal drie jaar werkzoekend was en voor wie

geen ander arbeidsmarktinstrument, zoals scholing of een werkervaringsproject, met als doel

om bemiddeling naar een reguliere baan mogelijk te maken.

De regelgeving schreef voor dat gemeenten verantwoordelijk waren voor het opzetten van

een stichting, waarin de banenpool werd ondergebracht. In het bestuur daarvan hadden veelal

ook maatschappelijke groeperingen en/of werknemers- en werkgeversorganisaties zitting.

Op 26 juli 1991 werden de statuten van de Stichting Weerwerk gepasseerd voor notaris

Stöger te Den Haag ten overstaan van de burgemeesters van Leiden, C.H. Goekoop, van

Voorschoten, P. Cannegieter en van Leiderdorp, A.J.A.L. Bruggeman. Doel van de stichting

was betaald werk te bieden aan moeilijk bemiddelbare werkloze jongeren en het bevorderen

van werkervaring, vorming en scholing van de werknemers ter versterking van hun positie op

de arbeidsmarkt en doorstroming naar ander werk. Zij trachtte haar doelstelling te bereiken

door het aanbieden van een dienstverband voor onbepaalde tijd, het detacheren van werknemers,

het bevorderen van “boventallige” arbeidsplaatsen, het scheppen van voorwaarden voor

het ontwikkelen van scholingsmogelijkheden en samenwerking met al die organisaties die

kunnen bijdragen aan het doel van de stichting. Het bestuur werd voorgezeten door de wethouder

van de gemeente Leiden die de werkloosheidsbestrijding in zijn portefeuille had.

Voorts bestond het bestuur uit twee leden te benoemen door de burgemeesters en wethouders

van de gemeenten Alkemade, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude,

één lid, voor te dragen door een representatieve werkgerversorganisatie en één lid, voor te

dragen door een representatieve werknemersorganisatie.

De banenpool

De banenpool was een redelijk succes. In Rotterdam waren in 1995 3100 personen in dienst,

dat betekende dat er gemiddeld 100 banen per maand gecreëerd werden; landelijk werden er

in de periode 1990-1994 21.400 banen gerealiseerd. Een banenpoolmederwerker had een contract

voor onbepaalde tijd met de banenpoolstichting, die zijn werkgever was. Kwam iemand

zonder werk te zitten, dan was de stichting verplicht om naar een nieuwe banenpoolbaan op

zoek te gaan. Het dienstverband bleef gedurende die periode in stand. De banenpoler

verdiende blijvend het minimumloon en bouwde geen pensioen op. De minster redeneerde dat

de doorstroming naar hetr vrije bedrijf belemmerd zou worden, wanneer de banenpooler meer

zou gaan verdienen.

De banen dienden ‘additioneel’ te zijn, dat wil zeggen toevoegd, niet bestaand. De medezeggenschapscommissie

of de OR moet voor een baan zijn instemming verlenen. Daarna

werd de baan nog getoetst door een toetsingscommissie. Voorts waren de eisen dat het werk

op functieschaal 1 stond, omdat het minimumloon betaald moest worden. Hoger

gekwalificeerd werk werd afgewezen, omdat men anders onderbetaald zou zijn. Om dezelfde

reden mocht de banenpooler nooit eindverantwoordelijkheid dragen en werden er ook geen

opleidings- en ervaringseisen gesteld. De betrokken instelling diende het personeelsverloop

van de laatste drie jaar op te geven. Nam bijvoorbeeld het aantal reguliere plaatsen in een

bedrijf af en het aantal additionele toe, dan zou dat kunnen duiden op verdringing en werd de

baan “afgetoetst”. De baan mocht dan ook niet regulier in de organisatie voorkomen of

onlangs wegbezuinigd zijn. Ook daarbij was drie jaar de norm. Een congiërgebaan op een

school, die tien jaar daarvoor was wegbezuinigd, kon dus door middel van de banenpool weer

terugkeren. Tenslotte mochten de banen niet concurrerend zijn naar de markt, zo was men

terughoudend met betrekking tot schoonmaakfuncties in de schoonmaak, omdat men anders

61


schade zou kunnen toebrengen aan schoonmaakbedrijven met reguliere werknemers.

Van de doorstroming die de minister beoogde, kwam bij de banenpool echter weinig

terecht. Slechts 2 à 3% stroomde door naar een opleiding of vaste baan. Het risico van het

streven naar een grotere doorstroming was het wekken van verkeerde verwachtingen bij de

betrokkenen. Teleurstelling en het gevoel alweer afgewezen te worden kon diepe wonden

slaan bij de werknemers. Een ander risico was dat er gekozen zou kunnen worden voor een

kansrijkere doelgroep, waardoor de langdurig werklozen niet langer meer de doelgroep van de

banenpool zou gaan worden. De uitval van mensen die wel de banenpool verlieten, maar niet

in een reguliere baan terechtkwamen, bedroeg landelijk bijna 10%. De werknemers, zo bleek

uit een onderzoek in 1995, bleken in het begin zeer positief te zijn, vooral waar het ging om

immateriële zaken als “meer sociale contacten”, “status en waardering”, “meer structuur in de

dagordening” en dergelijke. Een keerpunt vond vaak plaats op het moment waarop de

materiële rechtspositie aan de orde kwam: het blijvend minimumloon werd zowel financieel

als psychologisch als een toenemende bron van ergernis ervaren: “iedereen gaat er jaarlijks op

vooruit, behalve jij”. Bij een deel van de werknemers bestond ook het gevoel dat men zich

geen volwaardige werknemer voelde. Dat had te maken met het etiket dat op de banenpool

werd geplakt als “de pool voor de kanslozen”, wat sommigen regelmatig uitten in zinnen als

“ik ben maar een banenpooler”.

Waar banen maatschappelijk zinvol gevonden werden en vaak ook nog belangrijke

inverdieneffecten hadden, zoals bijvoorbeeld de wagenbegeleiders op de trams er voor

zorgden, dat het zwartrijden afnam en de trams minder schoongemaakt behoefden te worden,

drong zich regelmatig de vraag op of die banen niet in reguliere banen zouden moeten worden

omgezet.

In de vergadering van 13 februari 1998 werd besloten de Stichting Weerwerk te ontbinden

per 1 april. Vanaf 1 januari 1998 waren de banenpool en het jeugdwerkgarantieplan opgegaan

in de nieuwe Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW). De uitvoering van deze nieuwe wet

was in handen gegevn van de De Zijl Bedrijven. De samenwerking liep al enige tijd en werd

met ingang van 1 april officieel via een convenant bij DZB ondergebracht. Dat betekende dat

de WIW en de WSW geïntergreerd zouden worden uitgevoerd. Men verwachtte daarbij dat de

slagvaardigheid en de doeltreffendheid bij de uitvoering zouden worden vergroot en dat er

geen concurrentie meer zou zijn tussen de beide regelingen bij het benaderen van bedrijven en

organisaties. Een naadloze overgang van jongeren naar WIW of WSW kon worden bereikt.

Men kon gebruik maken van de grote diversiteit aan banen bij DZB, die daardoor ook maatwerk

kon leveren bij de bemiddeling naar een nieuwe baan. Bovendien kon de bedrijvigheid

van DZB zich verder ontwikkelen met de komst van WIW-werknemers. De WSW werd

immers, zoals elders hier reeds gesteld, door de nieuwe wetgeving begrensd.

Jeugdwerkgarantieplan

Het jeugdwerkgarantieplan (JWG) had tot doel om alle jongeren tot 27 jaar die niet op eigen

kracht aan een baan konden komen aan een garantiebaan te helpen waarbij doorstroming naar

een vakopleiding of naar een reguliere baan voorop stond.

Een jongere die van school afkwam, kreeg een half jaar de kans om op eigen kracht een

baan of een vervolgopleiding te vinden. Mocht dit niet lukken, dan volgde er een gesprek met

het arbeidsbureau. Daaruit kon komen dat de jongere nog een half jaar de tijd kon krijgen om

een baan te zoeken of dat hij werd doorverwezen naar het JWG. Had de jongere na dat half

jaar nog geen baan gevonden dan werd hij in ieder geval naar het JWG doorverwezen.

62


Vervolgens vond er een gesprek plaats met de lokale of regionale JWG-organisatie plaats, in

Leiden dus met de consulentes van de Stichting Weerwerk, die in het gebouw van de Sociale

Dienst waren gehuisvest. De consulente bood de jongere een werkervaringsplaats aan voor

een periode van een half jaar. Daarna werd er de balans opgemaakt om te bezien of

doorstroming naar een vaste baan of naar een opleiding mogelijk zou kunnen zijn. Was dat

niet het geval, dan kon de jongere nog een half jaar op de werkervaringsplaats blijven.

Wanneer hij na twaalf maanden nog niet doorgestroomd was, dan diende men hem een andere

werkervaringsplaats aan te bieden. In principe kon een jongere tot zijn 27ste in de JWG

werkzaam blijven.

De gemeente was verantwoordelijk voor de uitvoering van de JWG. Het arbeidsbureau was

verantwoordelijk voor de toeleiding en voor de uitstroom, de bemiddeling naar werk. De

inspanning van het arbeidsbureau diende er dus op gericht te zijn om jongeren uit de JWG te

houden, dan wel ze weer zo snel mogelijk uit de JWG te krijgen.

Om praktische redenen viel de JWG bestuurlijk meestal onder dezelfde stichting als de

banenpool. De gemeentelijke stichting leende de jongere uit, de inlener betaalde niets. Wel

werd er van hem begeleiding verwacht, daarbij speelde ook de doorstroming een rol. Het

ministerie liet sinds december 1994 ook toe, dat er werkervaringsplaatsen in de marktsector

konden worden gecreëerd. Argumenten daarvoor waren een tekort aan werkervaringsplaatsen

in de collectieve sector en het gegeven dat veel jongeren uit de doelgroep belang hadden bij

het verrichten van productieve arbeid en dat soort werkplekken kon de overheid niet altijd

bieden. De vakbonden stonden hier uiterst kritisch tegenover, omdat men vreesde dat de gratis

arbeidskrachten de reguliere werknemers van hun plaatsen zouden verdringen en er

oneigenlijke concurrentieverhoudingen zouden kunnen ontstaan.

Jongeren die aan de criteria voldeden hadden recht op een arbeidscontract. Ze werkten op

basis van een 32-urige werkweek en verdienden het minimum(jeugd)loon. Onderzoeken

wezen uit dat de meeste van deze jongeren in het begin een goede wil hadden om iets van hun

werk te maken, al viel de beloning wat tegen en de begeleiding dikwijls ook. Na verloop van

tijd nam de onvrede echter toe, met name over de lage beloning. Bovendien nam met het

ouder worden de behoefte om zelfstandig een bestaan op te bouwen alleen maar toe. Met het

minimumloon waren daartoe weinig kansen.

De wetgever beoogde een sluitende aanpak, namelijk dat alle jongeren tot 27 jaar zouden

kunnen worden bereikt. Dat was een moeilijk punt. Veel jongeren waren onzichtbaar voor de

sociale dienst en het arbeidsbureau, omdat ze zich vaak niet eens lieten inschrijven. Het ging

dan vooral om de Marokkaanse jongeren, agrarische jongeren, woonwagen- en schipperskinderen,

de dak- en thuislozen en de zwerfjongeren.

Doorstroming stond bij het JWG voorop, in tegenstelling tot de banenpool. Daarom was

scholing zeer belangrijk. Meestal ging het daarbij om lager gekwalificeerde scholingen. Wanneer

een jongere het niveau had om tot een vakopleiding te kunnen worden toegelaten, kon hij

in principe dus uitstromen.

Ontwikkelingen binnen de Zijl Bedrijven 1989-1998

In 1990 begonnen ook nieuwe ontwikkelingen, die de toekomst van De Zijl Bedrijven zouden

gaan bepalen.

De Sociale Vernieuwing deed zijn intrede bij DZB. Ter bestrijding van de langdurige

werkloosheid werd DZB uitgenodigd om een rol te gaan spelen vanwege zijn in de loop der

tijden verzamelde deskundigheid. De Stichting Weerwerk, die de banenpool in Leiden en in

63


verschillende omnliggende gemeentes regelde, deed een beroep op DZB om gezamenlijk de

opleiding, de training en stage op te zetten.

Al snel na de invoering van de Sociale Vernieuwing gaf directeur Bovens al aan dat de

deskundigheid van DZB benut zal gaan worden bij de opleidng, de training en de stages. Er

werden direct met het G.A.B. en de Sociale Dienst orieënterende besprekingen gevoerd.

Zorgvuldig zal er gewerkt moeten worden om belangenverstrengeling tussen de SW en de

banenpools te voorkomen, zei Bovens in de commissievergadering. Objectieve criteria zullen

daarom moeten worden aangelegd om een grens te kunnen leggen tussen tussen arbeidsplaatsen

die behoren tot de banenpool en die behorden tot de personenkring van de sociale werkvoorziening

(Notulen WSW-verg. 13 juni 1990). .

In 1994 entameerde de gemeente een onderzoek om na te gaan hoe de samenwerking

tussen de verschillende instanties het beste tot stand zou kunnen worden gebracht. In het

collegeprogram 1994-1998 werd aangegeven dat op het terrein van trajectbegeleiding en

scholing meer en beter moest worden samengewerkt: “Naast externe samenwerking is interne

samenwerking van belang. Met als doel een grotere doeltreffendheid en doelmatigheid van

het werkgelegenheidsbeleid zal het College samenwerking, mogelijkerwijs ten dele intergratie

van verschillende organisatie-onderdelen van de gemeente die op dit terrein actief zijn (DZB,

sector Sociale zaken, Stichting Weerwerk en de Stichting Werkgelegenheid) versterken”. Al

in 1994 richtte de gemeente de werkgroep “Verkenning samenwerkingsmogelijkheden tussen

de diensten ESZ en DZB” op, die in de zomer een eindrapportage uitbracht met een indicatie

van de terreinen waarop de bedoelde diensten zouden kunnen gaan samenwerken. Het

gemeentelijke organisatie-adviesbureau Leiden Advies onderzocht bij de drie betrokken

afdelingen hoe die samenwerking er globaal uit zou kunnen gaan zien en er werden

besprekingen gestart tussen de partijen om in de praktijk een start te kunnen maken met de

samenwerking. Voor die samenwerking bestonden drie belangrijke redenen. Men wilde

voorkomen dat er concurrentie zou gaan ontstaan, men streefde naar een effectievere

plaatsing en uitstroombevordering en men wenste een efficiëntere organisatie.

In Leiden waren drie instanties bezig met langdurig werklozen, additionele arbeid en

gesubsidieerde arbeid. In de eerste plaats was er de afdeling Werkgelegenheidsprojecten,

sector Economische Zaken en Werk. Deze afdeling was verantwoordelijk voor de individuele

trajectbegeleiding voor langdurig werklozen, voornamelijk allochtonen die langer dan één

jaar en autochtonen die langer dan twee jaar werkloos waren. De afdeling Werk van dezelfde

sector hield zich bezig met de uitvoering van de banenpool en de jeugdwerkgarantiewet.

Tenslotte was er DZB, de uitvoeringsorganisatie van de WSW.

Tussen de betrokken partijen bestonden veel verschillen en overeenkomsten. De gemeentelijke

instanties verschilden met DZB in de wijze waarop zij hun activiteiten uitvoerden. DZB

hanteerde een marktgerichte, bedrijfsmatige aanpak, terwijl bij de instanties de begeleiding

van het individu centraal stond.

In de gemeentelijke organisatie was geen formatie beschikbaar voor het ontwikkelen van

werkgelegenheidsbeleid op strategisch niveau. Er werd gebruik gemaakt van vrije capaciteit

bij het bureau Sociale Vernieuwing. Bij DZB was op concernniveau wel een beperkte

formatie aanwezig voor het ontwikkelen van strategisch beleid. De taken die voor het

detacheren van WSW’ers en plaatsen van banenpoolers moesten worden verricht waren

vergelijkbaar. Daarbij kwam ook nog dat de doelgroep voor een gedeelte uitwisselbaar was.

Verdergaande samenwerking tussen, of zelfs integratie van de consulenten banenpool en van

Detacheringen van DZB zou de effectiviteit en efficiëntie ten goede kunnen komen.

De organisatie van de Zijl Bedrijven werd gekenmerkt door een ver doorgevoerde

oriëntatie op staf- en lijnfuncties. DZB was een bedrijf met meer dan 1000 werknemers,

64


waardoor het mogelijk was om zaken als personeelsadministratie, personeelszaken,

bedrijfsmaatschappelijk werk af te splitsen en in aparte onderdelen onder te brengen.

Dergelijke faciliteiten waren voor de banenpool, JWG en de afdeling

Werkgelegenheidsprojecten niet beschikbaar. In een verdergaande samenwerking zouden al

deze faciliteiten van DZB ook kunnen worden benut voor de banenpool, JWG, Melkert-banen

en dergelijke.

Juist op het moment dat binnen de gemeente Leiden de samenwerking tussen de bovengenoemde

instanties werd bestudeerd, vonden er op landelijk niveau nog allerlei

ontwikkelingen plaats, waar hieronder op zal worden ingegaan. Allereerst was er de

Commissie-Houben, die zich had gebogen over de Wet Sociale Werkvoorziening en

vervolgens een oordeel gaf over de noodzakelijke samenwerking en integratie van de

verschillende regelingen. Het ministerie werkte aan de Kaderwet voor de additionele

werkvoorziening.

De rust binnen de sociale werkvoorziening was voorbij.

De budgetfinanciering en de meetinstrumenten

Per 1 januari 1989 voerde het rijk enkele veranderingen in de wet door. Een daarvan was de

z.g. budgetfinanciering in het kader van de beleidsoperatie B.D.D. ‘Budgetfinanciering,

decentralisatie en deregulering’. Doel van deze operatie was het beheersen van de uitgaven

van de sociale werkvoorziening, in het bijzonder de uitgaven van het rijk. Het decentraliseren

van de taken en de bevoegdheden van de rijksoverheid naar de bestuurlijke eenheden die

verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de WSW. Het verminderen van het aantal regels,

voorschriften en bepalingen, waaraan die bestuurlijke eenheden moesten voldoen. Het

ontwikkelen van meetinstrumenten, teneinde o.a. de rijksoverheid beter in staat te stellen om

toezicht uit te oefenen op het realiseren van de doelstellingen van de wet en het zorgdragen

voor de afstemming met het overige beleid op het gebied van de sociale zekerheid. Deze

beleidsoperatie bestond uit een aantal belangrijke componenten, die als volgt waren samen te

vatten:

-- De budgetfinanciering, aanvankelijk in de vorm van een verdeelmodel op historische

grondslagen, later op basis van een meer objectief verdeelmodel;

-- Decentralisatie en deregulering, onder meer tot uitdrukking komend in een wijziging

van zowel wet als besluiten;

-- Meetinstrument doeltreffendheid (MID), waarmee zowel de centrale als de lokale

overheid de mate van doeltreffendheid van de uitvoering kan vaststellen;

-- Meetinstrument rechtmatigheid (MIR), waarmee de centrale overheid kan vaststellen

of de WSW door de lokale overheid op rechtmatige wijze is uitgevoerd;

-- Beleids- en beheersinformatiesysteem, waarmee de rijksoverheid op adequate

wijze kan voorzien in haar behoefte aan beleids- en beheersinformatie.

De jaren 1989 en 1990 golden als experimenteerjaren, waarin het toegekende budget was

gebaseerd op de resultaten van 1985. Aan Leiden werd een bedrag van f 35.659.683,- toegekend.

De invoering van de budgetfinanciering had tot gevolg dat de financiële risico’s voor

rekening van de gemeente Leiden kwamen. De inspanningen van DZB ter verbetering van de

bedrijfscultuur en versterking van het commercieel beleid, wettigden de verwachting dat de

resultaatverbeteringen zouden gaan doorzetten. Het bedrijfsmatig handelen betekende echter

dat commerciële risico’s niet waren uitgesloten. Er bestond ook nog onduidelijkheid over de

situatie na 1990, wanneer het rijk met een objectief verdeelmodel zou gaan werken. Het was

65


toen nog onbekend hoe dat verdeelmodel er precies uit zou zien. Het kon echter leiden tot een

korting van twee maal 5% ten opzichte van het budget van 1988. Het beleid was erop gericht

om die financiële risico’s op te vangen zonder dat dit leidde tot minder arbeidsplaatsen voor

het WSW-personeel. Men wilde dat doen met het vormen tijdens de experimenteerperiode

van een egalisatiereserve binnen DZB, waardoor eventuele overschotten gebruikt konden

worden om financiële tegenvallers op te vangen.

In 1993 besloot het ministerie af te zien van een fundamentele evaluatie van de beleidsoperatie

en legde in de zomer een concept-wetsvoorstel voor. In september van dat zelfde jaar

werd de commissie-Houben ingesteld, waar verderop dieper wordt ingegaan.

De WSW-commissie in de nieuwe wet

Voor de WSW-commissie had de wetswijziging een belangrijk gevolg. Het was niet langer

noodzakelijk om een commissie te hebben die beleidsadviserend werkte. De wet schreef voor

dat de SW-commissie zich uitsluitend zou moeten bemoeien met de indienstneming, ontslag,

opleiding en bezwaarschriften.

In de vergadering van 6 april 1989 stond de samenstelling en de bevoegdheden van de

WSW-commissie geagendeerd. In deze vergadering deelde voorzitter De la Mar mee, dat het

College van B&W facultatief had gekozen voor handhaving van de oude WSW-commissie

zonder wijziging van de samenstelling en met behoud van dezelfde taken en bevoegdheden.

Hij zette vervolgens uiteen, dat de taken van de plaatsingscommissie geen wijziging zouden

gaan ondervinden, alleen de beroepszaken zullen in een adviescommissie worden

ondergebracht, omdat het juist was dat de commissie die adviseert aan B&W ook de

beroepszaken op dat advies zou gaan behandelen. De heer Ter Haar vulde daarbij aan, dat een

van de doelen van de op dat moment aan de gang zijnde beleidsoperatie was, dat de

bevoegdheden van het rijk zouden worden overgedragen aan de gemeente. Dat hield onder

meer in, dat doeltreffendheid en rechtmatigheid door rijk en gemeente zullen worden getoetst

en dat het toezicht op doelmatigheid uitsluitend door de gemeente wordt uitgeoefend. Mw.

Huygen (gemeente Leiderdorp) drong aan op formalisatie van de WSW-commissie, omdat er

niet meer op de wet kon worden teruggevallen. Zij meende, dat de bevoegdheid om af te

wijken, door middel van een gemeentebepaling geregeld moest worden en dat ook de

regiogemeenten bij dat besluit zouden moeten worden betrokken. Ter Haar zette uiteen dat de

commissie altijd een adviserende rol had gespeeld en dat zij in de toekomst op dezelfde wijze

haar taak zal gaan uitoefenen. De wethouder zegde toe dat zo snel mogelijk een besluit zal

worden genomen, waarbij mw. Huygen erop aan dringt dit voor 1 juli 1989 te nemen (Notulen

WSW-verg. 12 april 1989).

Het managementeam zag geen enkele reden om geen gebruik meer te maken van de SWcommissie

als beleidsadviserend orgaan, te meer omdat vertegenwoordigers van de besturen

van Leiderdorp en Zoeterwoude, die van De Zijl Bedrijven gebruik maakten bij de uitvoering

van hun taak in het kader van de sociale werkvoorziening, deel uit maakten van de

commissie. “Zeker gezien de onzekerheden in verband met de budgetfinanciering”, meende

DZB, “lijkt het ons niet raadzaam om de bestuursstructuur van De Zijl bedrijven te wijzigen.

Dat betekent tevens dat wij ondanks de wetswijziging de SW-commissie als

beleidsadviserend orgaan willen handhaven” (Beleidsplan 1988-1992, 6).

In een vergadering van 8 juni 1989 stelde het managementteam aan de commissie en aan

de gemeenteraden van Leiden, Leiderdorp en Zoeterwoude voor om de WSW-commissie te

handhaven. Deze commissie werd als volgt samengesteld: een vertegenwoordiger van het

66


gemeentebestuur die als voorzitter optreedt; een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur

van Leiderdorp; een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur van Zoeterwoude; drie

personen op voordracht van werknemersorganisaties; een persoon op voordracht van een

centrale werkgeversorganisatie; de directeur van het G.A.B. of diens vertegenwoordiger; een

vertegenwoordiger van de Federatie van Ouderverenigingen; de plv. Gemeentesecretaris van

leiden, die als plv. voorzitter optreedt; twee personen op voordracht van het gemeentebestuur

van Leiden.

Ook wensten zij dat de plaatsingscommissie zou blijven adviseren op het terrein van de personele

aspecten. Maar omdat de plaatsingscommissie op een veel ruimer terrein zou gaan

adviseren, stelde het managmentteam voor de naam van deze commissie te wijzigen in

“commissie voor personele aangelegenheden”. Deze commissie werd als volgt samengesteld:

de directeur van De Zijl bedrijven, voorzitter; het hoofd Personeelszaken van DZB; de

bedrijfsarts van DZB; de manager DGO van DZB; de manager IC van DZB; drie

vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties; een vertegenwoordiger van het G.A.B.;

een vertegenwoordiger van de G.S.D.; een vertegenwoordiger van de G.M.D.

In december 1989 was er een voorstel aan de Leidse gemeenteraad voorgelegd, maar deze

wachtte met de besluitvorming toen nog op de bevindingen van de beide andere gemeenteraden.

In juni 1990 kwam Ter Haar met de mededeling, dat de gemeente Zoeterwoude had

ingestemd met het voorstel aan de Leidse gemeenteraad met betrekking tot de bevoegdheden

van e WSW-commissie. Leiderdorp twijfelde nog. Mevrouw Huigen zei, dat de haar

gemeente meer inzicht wilde ontvangen over de financiële situatie van DZB in het kader van

de Sociale Vernieuwing om beter te kunnen inschatten wat de consequenties voor de

gemeente zullen zijn ten aanzien van het nadelig saldovan DZB. Ter Haar legde haar uit, dat

zij twee verschillende zaken door elkaar haalde. Het ging hier om een wijziging van de taak

en samenstelling van de WSW-commissie. Daarnaast en onafhankelijk van dat punt speelde

de gemaakte en nog te maken afspraken tussen de gemeenten Leiden, Leiderdorp en

Zoeterwoude met betrekking tot een verrekenin over de jaren 1989, 1990 en 1991. In de

vergadering van 12 juni 1991 kon voorzitter De la Mar desgevraagd door de heer Van Ek

meedelen dat de gemeente Leiderdorp met de nieuwe samenstelling van de WSW-commissie

akkoord was gegaan. In dezelfde vergadering pleitte directeur voor deelname aan de

commissie van het Regionaal Overleg Zwakzinnigenzorg (R.O.Z.), “een belangrijk platform

voor de zorgsector en de werkgelegenheid”, aldus Bovens. Deelname van de R.O.Z. zou,

naast de inbreng van de S.P.D. en de Federatie van Ouderverenigingen, de platformfunctie

van de commissie versterken. Deze gaat met zijn voorstel akkoord (Notulen WSW-verg.12

juni 1991).

In september 1991 bestond de WSW-commissie uit: mw. N. Bouman-Hulshoff (Organen

van Overleg DZB); de heer J. Van Ek (Federatie van Ouderverenigingen Leiden e.o.); de heer

W.A. Deelen (gemeente Leiden, Hoofd Directie Interne Zaken); de heer G. Gerding (Stichting

Voorzieningen Gehandicapten Zuid-Holland Noord); de heer G.M. van Harten (Sociaal

Pedagogische Dienst); mw. C.A. Huigen-Van Boven (gemeente Leiderdorp, wethouder

Welzijnszaken); de heer C. Klaasen (Organen van Overleg DZB); de heer J.G. Lamers

(C.N.V.); de heer J.N. de la Mar (gemeente Leiden, wethouder Sociale Zaken en Milieu),

voorzitter; de heer A.B. Ringersma (wethouder gemeente Zoeterwoude); de heer M.J. Stuit

(Raad van de Centrale Ondernemersorganisaties R.C.O.); de heer Th.H. de Wilde (F.N.V.), de

heer J. van de Windt (C.N.V.) en de heer Th.P.F. Wortel (F.N.V.). Ook de directeur van het

Arbeidsbureau Leiden had een zetel. De heer Lamers was voor het laatst aanwezig op de

vergadering van deze commissie op 18 september 1991. Aan het einde van deze vergadering

werd Lamers door voorzitter De la mar bedankt voor zijn larenlange inbreng en ondersteuning

67


ij de SW. Hij memoreerde zijn inzet en sociale betrokkenheid bij een zich snel

ontwikkelende en sociale werkvoorziening. “Dit geeft een gevoel van respecten grote

waardering”, sprak de voorzitter. Lamers wenste de commissie “een behouden vaart”

(Notulen WSW-verg. 18 september 1991).

De plaatsingscommissie bestond op dat tijdstip uit de heer G. Bovens, voorzitter, de heer

H. Boers (G.M.D.), mw. A. de Jong (bedrijfsarts DZB), de heer J. Lamers (C.N.V.), de heer

A. Groenendijk, secretaris, de heer J. Van der Meijden (DZB, manager D.D.G.O.), de heer D.

de Mooy (Gemeentelijke Sociale Dienst), mw. G. van Stijn (G.A.B.; zij verving de heer E.

Wassenaar), mw. C. Verhoog (DZB, consulent werving en selectie), de heer Th.H. de Wilde

(F.N.V.), de heer Th.P.F. Wortel (F.N.V.). In de vergadering van 25 september nam de heer

lamers na 14 jaar afscheid van de commissie. Hij werd opgevolgd door de heer J. van der

Windt. Aan het einde van de vergadering werd de heer Lamers hartelijk bedankt voor zijn

inbreng en ondersteuning door de voorzitter. De heer Lamers bedankte op zijn beurt de

commissie voor de prettiige en goede sfeer (Notulen Plaatsingscommissie 25 september

1991). De gemeente Voorschoten gaf te kennen om zich aan te willen sluiten bij de

bestuurlijke eenheid Leiden. Zij was tot dan toe aangesloten bij die van Rijswijk. Het was een

pragmatisch besluit, omdat bij DZB een groot aantal Voorschotenaren werkten. Per 1 januari

1993 werd de gemeente Voorschoten in de WSW-commissie vertegenwoordigd (Notulen

WSW-verg. 5 februari 1991). De Voorschotense wethouder van Welzijn M.J. Breunesse nam,

vooruitlopend op het besluit van de gemeenteraad van haar gemeente haar zetel op de

vergadering van 1 juli 1992 reeds in. Door voorzitter Bovens werd zij van harte verwelkomd.

De cultuuromslag

Rond 1985, het jaar waarin de rijksoverheid begon te mopperen over de steeds meer geld

verslindende sociale werkvoorziening, en de budgetfinanciering wilde gaan invoeren, begon

ook DZB, toen nog GDSW, over zijn toekomst na te denken. Men wilde af van het imago van

een instelling waar mensen slechts werden ‘beziggehouden’. De directie zag de noodzaak in

om het bedrijf te veranderen in een moderne en volwaardige onderneming, met volwaardig

werk. De invoering van de budgetfinanciering was de aanleiding voor DZB om meer

marktgericht te gaan denken. Mits de doelgroep gehandhaafd bleef: volwaardig werk dus voor

mensen met een handicap.

De klus om de verandering in bedrijfsvoering te klaren werd in handen gegeven van J. ter

Haar. Toen hij in 1986 aan deze reorgansatie begon, trof hij nog een ouderwetse sociale

werkvoorziening aan, die dank zij de open-eind financiering, de rijksoverheid, die nog zonder

morren de grote tekorten aanvulde, en de gemeente, die ook nog de resterende twintig procent

van de tekorten uit eigen gemeentekas moest bijbetalen. In 1986 bedroeg het tekort vier

miljoen gulden.

“Er was ontzettend veel wantrouwen’, vertelde Ter Haar aan Peter Sluis, die deze woorden

optekende (Handicap als marktwapen 4 e.v.), “De leiding nam de besluiten en de mensen op

de werkvloer hadden niets in te brengen”.

Zijn antwoord op de problematiek was doeltreffend. DZB opereerde toen, zoals de meeste

SW-bedrijven in, zoals Ter Haar dat uitdrukte, “de onderkant van de jobbermarkt”. In deze

markt ging het steeds om kleine orders, waaraan niet al te hoge eisen werden gesteld en die in

een korte tijdspanne moesten worden afgeleverd. Het nadeel daarvan was, dat dat werk

nauwelijks te plannen viel. Het moest vaak heel snel afgeleverd worden en dan was er plotseling

niets meer te doen. Het aangaan van langdurige samenwerkingsverbanden met bedrijven

68


uit de vrije markt zou volgens Ter Haar grote voordelen bieden. Het belangrijkste voordeel

zou zijn dat het bedrijf voor langere tijd verzekerd is van werk. Bovendien bevorderde het de

kwaliteit van de productie, omdat de werknemers niet voortdurend geïnstrueerd hoeven te

worden. Ook was de enorme besparing op overheadkosten als werkvoorbereiding, acquisitie,

planning en begeleiding een groot voordeel.

De op een sterk bureaucratische en dirigistische leest geschoeide organisatie moest, om

zijn ideeën te realiseren, worden omgebouwd naar, wat Ter Haar noemde, een

‘lijnstaforganisatie’, waarin de stafafdelingen, zoals personeel en organisatie, financien en

administratie, veel meer adviserend en ondersteunend zouden gaan functioneren. Daar paste

ook in dat de initiatieven en verantwoordelijkheden zouden gaan verschuiven naar de

werkvloer.

“In plaats van bureaucratisch en hiërarchisch te denken en handelen moesten de mensen

veel meer eigen verantwoordelijkheden krijgen”, aldus Ter Haar.

Belangrijk vond Ter Haar ook de ontwikkeling van het z.g. ‘Wij-gevoel’: “Vergelijk het

maar”, zei hij, “met een College van Burgemeester en Wethouders bij een gemeente. Problemen

en initiatieven moet tot het eind toe uitonderhandeld worden in het managementteam.

Bovendien moet er een constante informatiestroom zijn. Niet alleen van boven naar beneden,

maar ook van beneden naar boven”.

Niet iedereen was ingenomen met de komst van Ter Haar. De cultuuromslag viel niet voor

iedereen mee. Velen hadden vrees om te worden ontslagen. Ter Haar wees op het

uitgangspunt “dat er geen bloed zou vloeien”. Hij onderscheidde drie groepen mensen met

wie de cultuuromslag gemaakt moest worden: “Een grote groep die graag wilde en daar de

kwaliteiten voor in huis had. Een grote groep die het wel wilde, maar om een of andere reden

niet kon of nog niet kon. Voor die groep was het belangrijk om door middel van opleidingen

en cursussen aan hen de instrumenten te geven, waardoor ze wel in de nieuwe organisatie uit

de voeten konden”. En er was een kleine groep die de omslag niet wilde wilde maken: “Tegen

die mensen heb ik gezegd dat er uiteindelijk geen plaats voor hen in de organisatie zou zijn”.

Omdat er geen gedwongen ontslagen zouden vallen, moest de VUT en pensioen uitkomst

bieden. Een enkele keer werden er medewerkers die niet goed functioneerden, overgeplaatst”.

Wethouder De la Mar onderstreepte in een vergadering van de WSW-commissie de noodzaak

van de cultuuromslag in de organisatie van DZB door iedereen werd gedragen. Daarom

werden de verantwoordelijkheden zo laag mogelijk in de organisatie gelegd. Directeur

Bovens beaamde dat. Het beleid was erop gericht de capaciteiten van de medewerkers zo

volledig mogelijk te benutten. Hij realiseerde zich dat er al enkele reorganisaties achter de rug

waren en dat nieuwe reorganisaties heel wat van de medewerkers eisen. Daarom was er

gekozen voor een stap voor stap benadering. “Wij zijn op weg naar een bedrijf waarin mensen

met verantwoordelijkheid werken”, zei hij (Notulen WSW-verg. 12 juni 1991).

Binnen DZB werd in het begin van de jaren negentig het z.g. ‘concern-divisie model’

ingevoerd. Aan het hoofd van het bedrijf stond het managementteam, dat zich vooral ging

bezighouden met het maken van beleid en het uitzetten van strategische lijnen. De divisies

moesten dan deze doelen vertalen naar de dagelijkse praktijk en zorgen voor de uitvoering.

DZB ging bestaan uit twee divisies.

De divisie Industrie (DI) telde drie metaalafdelingen, een montage-afdeling, een confectieafdeling,

het grafisch centrum, en de PMC, waar transportbanden werden geassembleerd. Het

belangrijkste onderdeel van deze divisie was de verpakkingsgroep, in de bedrijfsruimte op

Roomburg, waar chocola voor De Baronie werd ingepakt.

Daarnaast was er de divisie Detacheringen, Groen en Onderhoud (DGO). Het merendeel

was via een uitzendformule gedetacheerd bij allerlei instellingen en bedrijven. De

69


werknemers van de afdeling Groen kweekten in een eigen kwekerij pot- en kamerplanten,

hadden een eigen hoveniersbedrijf en onderhielden de parken De Bloemerd en Cronesteyn.

Ook vonden de schoonmakers, bouwvakkers en stratenmakers in deze divisie een onderdak.

Op deze wijze werd de oude hiërarchische structuur van DZB plaats voor een platte

organisatie met integraalmanagement. Veel meer verantwoordelijkheden kwamen terecht bij

de divisies zelf. De twee divisies opereerden tamelijk zelfstandig naast elkaar. De divisie

Industrie kon zich nu toeleggen op haar sterke punten. Enkele zwakke onderdelen werden

langzamerhand afgebouwd en met de sterke onderdelen werd een ‘partnership’ aangegaan

met het vrije bedrijfsleven. Ook de divisie DGO ontplooide verschillende activiteiten. Zo

kwam er het bekende “DZB-pontje” over de Zijl, en werd de externe catering uitgebreid. Ook

dropte de gemeente veel initiatieven, zoals diverse bewaakte fietsenstallingen in het

winkelcentrum van de stad en de graffiti-verwijdering. Tenslotte nog een eigen buslijn, die

volgens een dienstregeling een verbinding verzorgde van het station Leiden-centraal naar de

woonwijken in Meerburg en het bedrijventerrein Roomburg. De detachering -- meer dan 600

werknemers waren gedetacheerd -- werd bedrijfsmatiger opgezet. Een vaste uurvergoeding

werd door de klanten, bedrijven, maar voornamelijk door de gemeentelijke instellingen,

betaald.

Rond 1995 werd de divisie Detacheringen, Groen en Onderhoud opgesplitst in de divisie

Groen en Onderhoud en in de divisie (Zorg- en) Dienstverlening. Hierin werden de projecten

van Detacheringen ondergebracht en zouden de nieuwe, nog te creëren Melkertbanen een plek

kunnen vinden.

De decentralisatie die het gevolg was van het concern-divisie model, leidde tot een grotere

flexibiliteit en een hogere kwaliteit van de productie.

De bedrijfsmatige aanpak had nog een interessant gevolg. Werden de werknemers

daarvoor voornamelijk gerecruteerd uit lichamelijk en verstandelijk gehandicapten, daarna

kwam er een grote diversiteit van mensen die behoorden tot de personenkring. Er kwamen

meer werknemers vanuit de WAO in het bedrijf.

Een echt bedrijf: de DZB-Holding B.V.

De sociale werkvoorziening verkeerde door de opgelegde bezuinigingstaakstellingen en de

eisen van hogere doelmatigheid en betere kostenbeheersing in een eigenaardige, paradoxale

situatie. De noodzaak om hogere inkomsten uit productie en diensten te halen, maakten haar

positie er niet eenvoudiger op. Aan de ene kant werd de roep om werk voor mensen met een

handicap steeds groter, aan de andere kant werd werken voor menigeen hoe langer hoe meer

een elitezaak. Hogere arbeidsproductiviteit en flexibiliteit bepaalden de vraag op de arbeidsmarkt.

Steeds meer mensen konden die vraag niet meer bijbenen. Maar werkend “op maat”

kunnen zij nog een belangrijke bijdrage leveren aan de samenleving. Voor DZB was dat een

uitdaging: werk op maat voor zoveel mogelijk mensen met een handicap tegen zo laag

mogelijke kosten en met een zo hoog mogelijk individueel en collectief rendement.

DZB was daarom voortdurend op zoek naar nieuwe product-marktcombinaties, waarmee

op langere termijn èn een goed rendement behaald kon worden èn aangesloten kon worden op

de kennis en kunde van mensen. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is het partnerschap met

chocoloadegfabrikant Baronie.

Vanuit het bedrijfsleven werd DZB in toenemende mate uitgenodigd om samen te werken

ten einde nieuwe aktiviteiten te gaan ontwikkelen op basis van gezamenlijke kansen en

risico’s. Soms wilde men zelfs meer dan een samenwerkingscontract. Het alleen leveren van

70


personeel, machines en verdere outillage zonder invloed op het commerciële en

productiebeleid van de partner kon echter risico’s met zich meebrengen. Dat paste ook in de

formule van de sociale werkvoorziening, waarbij een wijze van werken en een creatieve

aanpak past, die vroeg om steeds nauwere banden met het bedrijfsleven en met nonprofitorganisaties.

Het was voor DZB duidelijk, dat wil hij tot partnerschappen met interessante opdrachtgevers

kunnen komen, het delen van verantwoordelijkheid, risico’s en inkomsten aanvaardbaar

zouden moeten zijn. DZB stelde vast dat met de bestaande organisatorische en personele

instrumenten die uitdaging onvoldoende effectief kon worden aangepakt. De oplossing werd

gevonden door de rechtsvorm van een B.V. aan te nemen. Een gewoon bedrijf , waarin

mensen met en mensen zonder handicap in dezelfde rechtspositie, al dan niet behulp van

loonsubsidies, samen zouden gaan werken. Daarbij zou ook een WSW-detacheringsformule

mogelijk zijn.

Kern van het verhaal was, dat samenwerken met commerciële realties in B.V.-vorm niet

alleen de mogelijkheid bood om flexibeler op de markt in te spelen, maar tevens de deur kon

openen voor doorstroming van mensen vanuit een SW-dienstverband naar een baan op de

reguliere arbeidsmarkt. Op die manier zou DZB ten aanzien van de SW-werknemers kunnen

bijdragen aan het ontwikkelen van een “eigen” doorstroomorganisatie. Samenwerking in een

B.V. kon bovendien verstoringen voorkomen van de concurrentieverhoudingen. DZB stelde

zich immers niet op als concurrent van bestaande initiatieven op, maar koos voor een

integrale samenwerking, waarbij het bedrijfsleven kennis van markt en productie en kapitaal

zou brengen en DZB mensen en kapitaal zou gaan leveren.

Gerard Bovens was zeer enthousiast over deze ontwikkeling naar de holding, waaronder

publiek-private werkmaatschappijen opereren (Bovens in ‘Banen maken’, in: Management

Team 10 februari 1997, 46). Daardoor zal de sociale werkvoorziening in haar huidige vorm

uiteindelijk worden opgeheven. In plaats daarvan komen “affirmative enterprises”, naar

Amerikaans voorbeeld. In zo’n onderneming werken, naast mensen die gewoon CAO-loon

verdienen, ook mensen met een handicap.

DZB gaat een co-partnership aan met Baronie-De Heer B.V.

Een ander begin van een belangrijke ontwikkeling was dat met de chocoladefabriek “De

Baronie” voorzichtig werd gesproken om samen te werken. Er zou dan een nieuwe hal

moeten worden gebouwd in de Roomburgerpolder om een verpakkingsafdeling te gaan

vestigen. In 1988 zocht De Baronie contact met DZB, juist in de periode dat Ter Haar zijn

gedachten uitte over de ongewisse ‘jobbermarkt’ en de voordelen van een langdurig

‘partnership’ te berde had gebracht. De Baronie kon dus niet op een beter tijdstip ten tonele

verschijnen. Het tekenen van het samenwerkingscontract tussen De Baronie en DZB liet niet

lang op zich wachten: op 12 september 1990 vond de ondertekening plaats.

In het persbericht van 6 december 1990 werd de betekenis van dit co-partner-ship voor

DZB nog eens benadrukt. Het was een meerjarig contract in de inpaksector tegen alleszins

acceptabele opbrengsten. Het betekende werkgelegenheid voor tenminste 120 personen die

aangewezen waren op niet te gecompliceerde werkzaamheden en een uitbreiding met

tenminste 60 arbeidsplaatsen. Ook was het nodig om een speciale productie-eenheid van 3000

m 2 te bouwen op het nieuwe bedrijventerrein Roomburgh. Voor DZB betekende het copartnership

een stijging van het totale aantal arbeidsplaatsen van 850 tot ruim 950 per

september 1991. Op 9 januari 1991 kwam de WSW-commissie voor een extra vergadering

71


ijelkaar. Daar was slechts één agendapunt: het co-partnership. Op deze vergadering gaf

wethouder De la Mar toelichting op het co-partnership.

“De S.W. commissie”, schreef de notuliste E. Prins op aan het eind van de vergadering,

“acht vervolgens het Baronie-project een prima project voor DZB en geeft er haar

goedkeuring aan”.

Gerard Bovens beloofde de commissie dat zij zal worden uitgenodigd bij het slaan van de

eerste paal. Deze eerste paal ging inderdaad op woensdag 27 februari 1991 om twee uur de

grond van het bedrijvenpark Roomburgh in. Aansluitend was er een receptie met enkele

sprekers.

Op 20 november 1991 organiseerde DZB ter gelegenheid van de opening Productgroep

Verpakkingen/Baronie te Leiden-Roomburg een thema-ochtend onder het motto “op zoek

naar Toegevoegde Waarden”. Deze thema-ochtend was bedoeld om vanuit een viertal

invalshoeken ideeën voor nieuwe mogelijkheden aan te geven. Er waren vier sprekers

uitgenodigd die hun visie gaven op de “toegevoegde waarde” van de moderne sociale

werkvoorziening. De bedrijfsmatige ontwikkeling binnen DZB was definitief met de

samenwerking met Baronie-De Heer-Chocolade begonnen. Ook de “toegevoegde waarde”

van de verpakkingen-sector was aan het stijgen. De orderportefeuille was goed gevuld. Het

sleutelwoord voor DZB was: netwerken. Steeds opnieuw relaties leggen, uitbouwen, aan

elkaar knopen en meerwaarde geven. Economische vernieuwing in de vorm van nieuwe

producten en diensten gaat hand in hand met sociale vernieuwing: meer mensen aan het werk,

minder mensen in sociale uitkeringen. Langzamerhand zou dan de negatieve beeldvorming

rond de sociale werkvoorziening verdwijnen:

“De SW als bezemwagen verdwijnt”, aldus DZB, “steeds meer mag de SW bij de ploegleider

zitten” (Toegevoegde Waarden 2).

Nelleke Bouman, de secretaris van het OvO sprak over de “waarden van mensen”.

“Wie legt de norm”, zei zij, “wie durft ons kansarmen of kanslozen te noemen, of sterker

nog mensen zonder Toegevoegde Waarde?”.

J.F.M. ter Haar ging in op de in gang gezette bedrijfsmatige ontwikkeling.

“Deze ontwikkeling”, aldus Ter Haar, “heeft geleid tot een situatie waarin een grote

categorie SW-medewerkers de kwaliteiten heeft om de stap te maken naar het reguliere

bedrijfsleven” (p. 17).

Het reguliere bedrijfsleven ontdekt namelijk de meerwaarde van de sociale werkvoorziening.

De SW beschikt immers over een groot potentieel aan medewerkers. Er is daar een

duidelijk inzicht in kennis en kunde, persoons- en gedragskenmerken en de ontwikkelingsmogelijkheden

van medewerkers. Voorts wees hij op de vervangingsmogelijkheden bij ziekte,

vakantie e.d. van gedetacheerde medewerkers.

De toenmalige wethouder H. de la Mar stond in zijn bijdrage uiterst kritisch tegenover de

nieuwe regelgeving van de rijksoverheid, en vooral tegenover het systeem van de

budgetfinanciering.

“De primaire doelstelling van de Sociale Werkvoorziening”, zei hij, “is het werven en

selecteren van mensen die vanwege in zichzelf gelegen factoren, waaronder een handicap,

niet of nog niet in staat zijn werk te vinden op de gewone arbeidsmarkt” (p. 19).

De sociale werkvoorziening zorgt voor werk op maat tegen een passend salaris en wordt

geacht, daar waar mogelijk, door training en scholing medewerkers klaar te stomen om door

te stromen naar de gewone arbeidsmarkt, zo vervolgde de wethouder. De in-, door- en uitstroomfunctie

staat centraal in het takenpakket van de SW. Vanuit een emancipatoire invalshoek,

d.w.z. een eerlijke kans op werk, op basis van gelijkwaardigheid van mensen, moeten

deze drie functies onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn.

72


“De praktijk van de sociale werkvoorziening wijkt daarvan af”, aldus de wethouder. De

werving van nieuwe medewerkers was in het verleden vaak een problematische zaak. De

contacten met verwijzers waren veelal incidenteel, de wachtlijst was beperkt en de uitstroom

van medewerkers vanwege de WAO, VUT of AOW bleek menigmaal groter dan de instroom,

en de mensen op de wachtlijst stonden daar vaak al jaren op. Omdat zij niet te realiseren

wensen hadden, of eigenlijk niet geïnteresseerd waren in een plek, of al jaren verhuisd waren.

Tegelijkertijd deed het feit zich voor dat het ministerie een beperking op de instroom van de

B-categorie had afgekondigd. Die twee zaken werden soms, en in elk geval in Leiden, ten onrechte

aan elkaar geknoopt. Er waren wachtlijsten vol met de allerzwaksten, luidde de conclusie.

DZB op weg om ook een werkgelegenheidsgenerator te worden

In 1986 zette men in Leiden een twee-sporen beleid in. Voor de allerzwaksten, die niet

konden of mochten worden geplaatst vanwege hun capaciteiten, werd een zogenaamde noodopvang

ingericht. Dat wat startte “op een ietwat zompige verdieping” van een verlaten school

was inmiddels uitgegroeid tot de trots van dit bedrijf. Het tweede spoor was het terugdringen

van de wachtlijst. Mensen die er ten onrechte opstonden, werden van de lijst verwijderd. En

voor de overigen werd met verhoogde inspanning een werkplek gezocht. De ideale

doelstelling was: een wachtlijst van praktisch nul.

“Dat beleid zou zeker geslaagd zijn”, vervolgde de wethouder, “als de nieuwe financiering,

de budgetfinanciering, er niet gekomen was”.

Hierdoor trad er een snelle verandering in. De basis voor het budget werd immers gevormd

door het formatievolume. Daar moest dan de uitstroom van afgetrokken worden en er mocht

een percentage van de wachtlijst bij worden opgeteld.

“Geen wachtlijst betekende dus: minder budget, dus: minder medewerkers”, zei de

wethouder, “weg, doelstelling. Nu mikken we op verminderen van de uitstroom en vergroten

van de instroom, in eerste instantie de instroom van de wachtlijst” (p. 19).

De grootte van de wachtlijst en het formatievolume waren immers in belangrijke mate

bepalend voor het budget, dus veel SW-bedrijven gingen netwerken opbouwen ter

bevordering van de instroom. Zo ook DZB. In nog geen jaar tijd steeg het aantal

aanmeldingen voor een sollicitatiegesprek van ruim 200 naar 400 personen. Dat is ruim 40%

van de werknemerspopulatie. De wachtlijst verdubbelde tevens: van zo’n 95 in oktober 1990

naar 190 personen per oktober 1991 (ofwel 20% van de totale formatiegrootte). Het gevolg

was dat de formatie meegroeide. In oktober 1990 had DZB 834 volledige formatieplaatsen.

Een jaar later waren dat er ruim 900.

“De vaart zit erin”, zei de wethouder cynisch.

Maar toch kwamen in een hoog tempo de problemen op DZB af. Als de WSW-bedrijven in

in het land eenzelfde groeistrategie zouden gaan volgen, en waarom zouden zij niet, dan werd

de landelijke SW-spoeling heel snel dunner. Het rijk vond de sociale werkvoorziening met 3,2

miljard gulden al relatief duur en zou zeker niet geneigd zijn de uitbreiding van de formatie

aanvullend te financieren.

“Stel”, zo zei de wethouder, “dat alle bedrijven 10% op termijn groeien en dat is een reële

verwachting, dan zakt het budget per arbeidsplaats met pakweg 9%”.

Dat negatieve effect kon nog eens worden vergroot door aangekondigde bezuinigingen en

bijvoorbeeld lagere vergoedingen in geval van medische arbeidstijdverkorting. Daar kwamen

nog eens hogere investeringskosten bij vanwege leidinggevende en scholingscapaciteit,

73


investeringen in machines en gebouwen.

“Het zal u duidelijk zijn”, sprak de wethouder, “Tussen nu en 1995 dreigt de hele sociale

werkvoorziening door de budgettaire vloer te zakken”.

Het is niet de verwachten dat de arbeidsproductiviteit per arbeidsplaats zodanig zal stijgen

dat de terugloop in rijksbudget afdoende kan worden gecompenseerd.

“Zo’n productiviteitsstijging haalt zelfs Japan niet”, zei hij verder, en bovendien zal dan

ook werving van sterkere en geschoolde collega’s niet baten. SW-organisaties die dat doen,

zullen terecht tegen de lamp lopen die ‘Meetinstrument Doeltreffendheid’ heet.

“Dat is de rijksthermometer die de legitimatie van SW-bedrijven meet”, legde hij uit.

Verlaging van de SW-lonen, zoals bepleit in de inmiddels beruchte NOSW-nota Werk met

perspectief zou kunnen werken. Maar het -- onterechte -- imago van zielenpoten zou hierdoor

flink versterkt kunnen worden, zodat er minder behoefte zou gaan ontstaan aan het

inschakelen van SW-bedrijven en medewerkers.

“De SW vervalt weer in haar rol van blindenwerkplaats -- wellicht terecht, gezien de

blinde roergangers --: een marginale voorziening voor de enkeling die ‘den maatschappij niet

meer ten nutte kan zijn’”, zei de wethouder, “Wellicht is het dan beter om niet de ogen, maar

de tent te sluiten”.

Maar daar was hij geen voorstander van.

DZB wil het vrije bedrijf opzoeken

De Zijl Bedrijven ontwikkelden als reactie op de nieuwe wet- en regelgeving een nieuw

beleid. Men koos voor een continuering van activiteiten die leidden tot een vergrootte

instroom. Dat uitgangspunt was uiterst wezenlijk omdat de mate van belangstelling voor werk

bij DZB en de feitelijke instroom aangeven welke totale markt aanwezig was. Bovendien

maakte een grote instroom een grote doorstroom mogelijk. De wervingsactiviteiten bleven

gericht op alle SW-doelgroepcategorieën. Ook hier moest de DZB-populatie een goede

afspiegeling vormen van de doelgroeppopulatie. Bijzondere aandacht zou er blijven voor de

verstandelijk gehandicapten. In het kader van de doeltreffendheid van het DZB-beleid

behoorde deze werknemerscategorie een afspiegeling te zijn van de maatschappelijke

behoefte. DZB wilde daar geen millimeter op inleveren. DZB moest budgettair gezien zijn

eigen broek ophouden. Verwacht werd dat landelijk de budgettaire spoeling dunner zou gaan

worden. De bakens zouden moeten worden verzet naar een vergroot aantal detacheringen in

combinatie met doorstroom naar de gewone arbeidsmarkt en naar het ontwikkelen van

werkgelegenheid op maat voor mensen die blijvend op de sociale werkvoorziening waren

aangewezen. Het ging daarbij om marktsectoren die qua kosten en opbrengsten naar SWbegrippen

lonend waren. DZB op zoek naar de optimale budgettaire mix. DZB wilde de

relatie met de gewone arbeidsmarkt verder versterken met het doel detacheringen en

doorstroom op maat te bevorderen. De netwerkstructuur die ten aanzien van de instroom op

gang was gebracht moest ook ontwikkeld worden ten aanzien van de doorstroom en de

scholings- en trainingvoorzieningen.

Om deze uitgangspunten in praktijk te kunnen brengen moest er een nieuw beleid worden

gemaakt. Van alle DZB-medewerkers zou stap-voor-stap een persoonlijk arbeidsprofiel

worden gemaakt. In overleg met de betreffende collega zou individueel worden nagegaan wat

de persoonlijke mogelijkheden zijn, welke scholings- en trainingswensen er mogelijk waren

en welk loopbaantraject haalbaar was. Soms zal iemand blijvend zijjn aangewezen op werk

binnen een van de DZB-projecten. Maar menig maal moest het ook dan mogelijk zijn om

74


stukje bij beetje via begeleiding en werk op maat het traject naar de gewone

werkgelegenheidssector af te maken. Vanaf de eerste stap binnen de DZB-organisatie diende

daaraan gewerkt te worden. Bijzondere aandacht vroegen daarbij de verstandelijk

gehandicapten. In het vrije bedrijf waren zij nauwelijks te vinden. In de sociale

werkvoorziening waren zij historisch aangewezen op inpakwerk of eenvoudig montagewerk.

Maar het tij keerde. Veel SW-bedrijven ontwikkelden werk op maat. Bijvoorbeeld in de

schoonmaak-, groen- en onderhoudssector. Bovendien werden er voortdurend

onderwijsmethodieken ontwikkeld die de ontwikkelingskansen van verstandelijk

gehandicapten bevorderden. In overleg met de zorgsector wilde DZB de mogelijkheden

terzake eens goed bestuderen. De Federatie van Ouderverenigingen was een groot

voorstander van ‘Job-coaching’ vanuit de sociale werkvoorziening bij plaatsing van

verstandelijk gehandiapten in de gewone werkgelegenheidssector. De sociale

werkvoorziening had op tal van niveaus contact gelegd met het bedrijfsleven en

opdrachtgevers in de non-profitsector. Zij waren partners, co-makers, klanten,

toeleveranciers, collega’s, medelid van bedrijfsorganisaties en, natuurlijk concurrenten.

Zoveel verbindingen leverden uiteraard relaties op en mogelijkheden om bij tijd en wijle over

andere zaken als “handel” te spreken. De sociale werkvoorziening kon dan ook een perfecte

brug vormen tussen het instroomnetwerk, het productienetwerk en het doorstroomnetwerk. Er

waren nauwelijks werkgelegenheidsinstrumenten te bedenken die vanuit zoveel invalshoeken

tegelijkertijd zoveel netwerken aan elkaar konden verbinden.

Een perfect hulpmiddel bij het stimuleren van de uitstroom waren de detacheringen. Vanouds

her detacheerden SW-bedrijven tal van medewerkers bij tal van voornamelijk non-profitobjecten.

In de Leidse regio werkten 380 DZB-medewerkers bij objecten als de

regiogemeenten, het Academisch Ziekenhuis, de Rijksuniversiteit en de sociale instellingen.

Dat was maar liefst 42% van de totale DZB-formatie. Het voordeel van detacheringen was dat

de organisatiekosten uiterst laag waren en de opbrengst via onderhandelingen beïnvloedbaar.

In principe moesten zowel het werk als de financiële opbrengsten op maat zijn. Dat laatste

was voor de non-profitsector vaak terecht een probleem. In financiële zin hadden zij weinig te

makken. Dat was een feit en daarmee was te leven, zeker wanneer de opbrengsten gemiddeld

redelijk waren en het werk goed.

“Maar wat let ons om ook het bedrijfsleven via detacheringen te benaderen?”, vroeg

wethouder De la Mar zich af (p.24). Het voordeel daarvan was dat er direct aansluiting zou

kunnen worden gevonden bij het commerciële bedrijfsleven door middel van inschakeling

van DZB-medewerkers op gewone, zij het aangepaste werkplekken. Die aanpassing kon een

technische ARBO-aanpassing zijn of een stukje extra begeleiding en coaching, al dan niet in

samenwerking met DZB. De opbrengsten van detacheringen zouden hoger kunnen zijn dan in

de non-profitsector. De onderneming diende op maat te betalen voor de geleverde

arbeidsprestatie en zou service via DZB-ondersteuning en eventueel vervanging van de

werknemer in geval van langdurige afwezigheid vanwege bijvoorbeeld ziekte kunnen krijgen.

De werknemers kon bovendien, wanneer de plaatsing niet lukte, altijd terugvallen op DZB.

De extra detacheringsopbrengst kon een compensatie zijn, zij het ten dele, voor de lagere

rijksbudgetvergoedingen. Zij maakten het DZB mogelijk in eigen beheer bedrijfsmatige

activiteiten te blijven ontwikkelen voor mensen, die gezien hun persoonlijke

loopbaanperspectief, niet hoefden te rekenen op doorstromen. Het bedrijfsleven zou minder

huiverig zijn bij het plaatsen van gehandicapten. Als de plaatsing mislukt, en dat zou kunnen,

gerandeerde DZB een andere kandidaat. Verder stond DZB garant voor een optimale en soms

specifiek deskundige begeleiding van de kandidaten.

De Zijl Bedrijven waren van zins om veel energie te stoppen in het benaderen van

75


edrijven om samen na te gaan of er, onder bepaalde voorwaarden, passend werk was voor

DZB-medewerkers. Daartoe legde DZB relaties met uitzendorganisaties om te bezien of er op

dat punt commerciële samenwerking wellicht mogelijk was.

Om doorstroming mogelijk te maken was een intensief contact met scholingsorganisaties

zoals het CVV, CBB, Suze Baartschool, leerlingstelsels e.d. zeer nodig. Bovendien wilde

DZB een eigen bedrijfsschool waarin een administratief centrum, waarvoor het initiatief al

was genomen. DZB werd steeds meer een trainings- en scholingsinstituut.

Zo wilde DZB het doorstroompercentage opschroeven van 1 % naar minstens 5% per jaar.

De uitstroom bleef echter een groot probleem. In 1996 moest bij de evaluatie van dit

“actiepunt” de conclusie getrokken worden dat het streven naar een grotere uitstroom een

illusie was gebleken (Fritz 1997, 2). Het streefgetal werd alleen door Detacheringen gehaald.

Uitstroom vanuit de divisies vereist een bemiddelingsapparaat. Een goede relatie met

Arbeidsvoorziening is noodzakelijk en die was nog niet zo goed uitgebouwd. Uitstroom

vanuit Detacheringen was gemakkelijker. Er waren daar veel contracten met een beperkte

duur, te weten van twee jaar. Die waren afgesloten met het doel om doorstroom te

bevorderen. Het aantal contracten voor twee jaar was te beperkt. Dat hing samen met de

toelating tot de personenkring. Mensen, van wie nog enige potentie werd verwacht op de

arbeidsmarkt, werden door de commissie nog onder de aandacht van het G.A.K. of het

Arbeidsbureau gebracht. De criteria waren immers in de voorgaande vijf jaar behoorlijk

aangescherpt. Mensen die nog werden toegelaten, hadden dus al minder mogelijkheden voor

doorstroming naar het vrije bedrijf. Er waren dus al minder personen, van wie kon worden

verwacht dat zij de mogelijkheid hadden om door te groeien naar een reguliere functie. Toch

bleek ook dat in de praktijk niet altijd goed te werken. Fritz wees enkele belemmerende

factoren aan. Vaak bleken dezelfde (psychische) mechanismen weer een rol te gaan spelen,

die ook aanwezig waren toen de werknemer bij de reguliere arbeidsmarkt afhaakte. Met de

vewachting van een reguliere functie werd dan meer druk ervaren, die het functioneren van de

werknemer negatief beïnvloedde. Bij overname door de inlener werden de eisen die aan de

werknemer gesteld werden, hoger. De -- vaak al wat oudere -- WSW’er kon dikwijls niet aan

deze eisen voldoen (Fritz 1997).

De problematiek van de doorstroming was een regelmatig terugkerend item op de vergaderingen

van de commissie. Ze merkte de heer Van Ek op de vergadering van 13 mei 1992 op,

dat de doorstroming naar zijn mening “nooit iets heeft voorgesteld”. Mevrouw Bouman zei

daarop, dat het voor WSW-medewerkers heel moeilijk is om door te stromen naar de

reguliere arbeidsmarkt: “In het bedrijfsleven”, zo stelde zij, “bestaat grote angst om WSWmedewerkers

in dienst te nemen”. De directeur gaf te kennen, dat “veel aandacht besteed

wordt aan de voorlichting en public relations, mede ten behoeve van DZB”. Voorzitter De la

Mar wees vervolgens op de noodzaak tot doorstroming in verband met de grote wachtlijst. Hij

zei dat hij verwachtte dat het ministerie de SW’s in de toekomst boets zal gaan opleggen bij

een te grote wachtlijst. De heer Stuit, die de verkgevers vertegenwoordigde, opperde dat DZB

aan de detacheringen eisen zou kunnen verbinden met betrekking tot de doorstroming, waarop

de voorzitter antwoordde dat “er aan het werken in WSW-verband twee kanten verbonden

zijn: er zijn mensen die zich in de WSW veilig voelwn, anderen ervaren het als vervelend”

(Notulen WSW-verg. 13 mei 1992). In de volgende vergadering kwam de heer Stuit nog terug

op de doorstroming. Hij wees op het ontbreken van een juiste afstemming en samenwerking

tussen de bemiddelende instanties en ook op het gebrek aan motivatie bij veel WAO’ers. Hij

adviseert DZB om door middel van een gerichte publicatie of door een mailing het

bedrijfslevente informeren over de functies en eventuele kandidaten die DZB beschikbaar

heeft en voor welke functies er medewerkers zijn die willen doorstromen. Hij meende dat het

76


Arbeidsbureau een bemiddelende rol zou kunnen spelen. De heer Bovens antwoordde hgem,

dat de consulenten van de afdeling Detachering zeer alert zijn op eventuele vacatures bij het

bedrijfsleven. Ook hoopte DZB dat samenwerking met de uitzendorganisaties de plaatsing en

doorstroming van WSW-medewerkers zou kunnen bevorderen (Notulen WSW-verg. 1 juli

1992).

HOOFDSTUK 7

DZB AU FIN DU SIÈCLE

De Commissie Houben

In november 1993 besloot staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Wallage

voorlopig geen vervolg te geven aan de behandeling van het concept wetvoorstel. Hij stelde

vervolgens een commissie in, bestaande uit mr. F.J.M. Houben (CDA), Prof. Dr. W. Derksen

(PvdA) en mw. A. van den Berg. In de ambtelijke ondersteuning van de commissie werd

voorzien door aanwijzing van Bureau Berenschot.

De commissie kreeg de volgende taak:

-- Het uitbrengen van een advies over de vraag of de ervaringen die in de experimentele

periode met budgetfinanciering zijn opgedaan in voldoende mate zijn vertaald in het

concept-wetsvoorstel WSW en of het concept-wetsvoorstel voldoende waarborgen biedt dat

tot dusver gesignaleerde knelpunten decentraal-bestuurlijk tot een oplossing kunnen worden

gebracht.

-- Het uitbrengen van een advies over de vraag hoe het concept-wetsvoorstel zich

voor de uitvoerende gemeenten verhoudt tot de uitvoering van taken met betrekking tot

andere vormen van gesubsidieerde arbeid.

Op 10 maart 1994 bracht de commissie een eerste interim-advies uit. In dit advies werden

drie kernproblemen genoemd:

-- Geen duidelijke toedeling van taken en verantwoordelijkheden aan gemeenten.

-- Onvoldoende afstemming met andere voorzieningen op de arbeidsmarkt.

-- De financiering.

De commissie stelde vast dat de doelgroep onvoldoende helder was gedefinieerd. Er waren

geen uniforme toelatingscriteria. Er was onvoldoende afbakening met andere voorzieningen

en instrumenten die gericht waren op mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, met name

gold dat voor de banenpool. Voorts ontbrak een integrale indicatiestelling voor toelating tot

de verschillende regelingen. De regisseursrol voor de inzet van middelen en regelingen was

onvoldoende ingevuld. Voorzieningen als WSW en banenpool verdrongen de reguliere

arbeid. WSW en banenpool beconcurreerden elkaar op basis van de kostenverschillen. Het

aantal mensen dat tot de doelgroep behoorde was belangrijk groter dan het aanbod van

arbeidsplaatsen. Werknemers in de WSW waren “beter af” dan anderen met afstand tot de

arbeidsmarkt. Vanwege de hogere beloning en de “stevige rechtspositie” stroomden de

werknemers onvoldoende door. De binding aan gemeentegrenzen of van de bestuurlijke

schaal bood onvoldoende mogelijkheden voor een flexibele bedrijfsvoering. Het management

had onvoldoende de slag gemaakt (of kunnen maken) naar een meer bedrijfsmatig

functioneren. De verdeling van het rijksbudget over het land was onevenwichtig. Een systeem

van budgetfinanciering zou zekerheid moeten verschaffen over de omvang van het budget,

wanneer voldaan zou worden aan de afspraken. Het ontbrak aan meerjarenafspraken over

77


kwaliteit en financiering. Gemeenten moesten ondermeer als gevolg van de Beleidsoperatie

Budgetfinanciering een groot aantal verschillende rollen vervullen: toeleider en toetser van de

instroom, klant, bestuurlijk verantwoordelijk voor de resultaten van de uitvoering,

(mede)financierder en “open-einde”-verantwoordelijke. Vanwege de omstandigheid dat het

merendeel van de gemeenten de uitvoering realiseerde via een gemeenschappelijke regeling

was het voor plaatselijke gemeentebesturen slechts beperkt mogelijk om de uitvoering van de

WSW over de volle breedte te beschouwen.

De commisie nam in haar interimadvies op vijf punten stelling:

1. Middelen en instrumenten voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt

moeten “in serie geschakeld” zijn.

2. De WSW heeft een aanzuigende en bestendigende werking tengevolge van een

hogere beloning in de WSW.

3. De doorstroming van werknemers in de WSW is gering en dat is mede het gevolg

van de “stevige rechtspositie”.

4. Er moet een verdeelmodel komen voor het budget dat gebaseerd is op sociaaldemografische

indicatoren, respectievelijk de omvang van de doelgroep in kwestie.

5. De partijen die tot dusverre de discussie hebben gevoerd zijn voor een deel “op

elkaar versleten’, zodat het ministerie de meest aangewezene is voor het ontwikkelen van

nieuwe concepten.

De conclusie van de commissie-Houben was dat het concept-wetsvoorstel onvoldoende

toekomstbestendig was en beval voorts een strategische herbezinning aan, waarbij veel

partijen betrokken moeten zijn. De belangrijkste punten daarbij waren een toedeling van taken

en verantwoordelijkheden die zouden moeten passen bij een gedecentraliseerde

wetsuitvoering en bij een krachtige bedrijfsvoering in het belang van het kunnen verschaffen

van zoveel mogelijk arbeidsplaatsen voor de doelgroep. Daarnaast een afstemming met

andere instrumenten die enerzijds leidt tot het kunnen blijven bedienen van de doelgroep als

onderdeel van de totale groep van personen met grote afstand tot de arbeidsmarkt, en

anderzijds tot zoveel mogelijk uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt of naar andere

instrumenten, mede op grond van een duidelijke afweging omtrent de primaire functie. De

SW-voorziening werd daarmee onderdeel van een breder voorzieningenpakket dat in zijn

totaliteit zou trachten een antwoord te geven op zowel de vraag naar het verkleinen van de

afstand tot de reguliere arbeidsmarkt voor grote groepen personen, als op het punt van het

zinvol en maatschappelijk nuttig bezig zijn van personen die een uitkering ontvangen.

Aan de commissie werd een vervolgopdracht verleend door de staatssecretaris om te

komen tot een advies over de contouren van een nieuwe wet Sociale Werkvoorziening. Dit

advies zou met name moeten ingaan op de afstemming met andere voorzieningen op de

arbeidsmarkt en op de toedeling van taken en verantwoordelijkheden bij de uitvoering van de

wet.

In een toespraak op 11 april te Sittard zei de minister dat “niet aangenomen mag worden

dat de WSW een ongestoorde ontwikkeling, in dezelfde trant als de afgelopen 25 jaar, zal

doormaken. De situatie op de arbeidsmarkt is daarvoor te sterk in beweging. De positie van de

sociale werkvoorziening komt daardoor onvermijdelijk in discussie”. Het aantal werklozen

was sinds 1969 meer dan verelfvoudigd, het aantal WSW-werknemers is bijna verdubbeld,

stelde hij verder. De werkloosheid zal zich na herstel van de conjunctuur stabiliseren op een

niveau van 500.000 werklozen. In zo’n situatie, waarin grote groepen op afstand geraken van

de gewone arbeidsmarkt, en niet alleen gehandicapten, is toetsing van de grondslagen van de

bestaande werkgelegenheidsmaatregelen onvermijdelijk. Dat geldt zeker ook voor de sociale

werkvoorziening. Een zeer doordacht antwoord vroeg ook de door de commissie-Houben

78


opgeworpen vraag waarom in de huidige arbeidsmarktsituatie voor de specifieke doelgroep

van gehandicapten een afzonderlijke en kwalitatief betere voorziening in stand zou moeten

worden gehouden dan voor andere groepen die evenzeer grote afstand tot de arbeidsmarkt

hebben, zei minister, nog altijd in Sittard. Daarmee stond de positie van de sociale

werkvoorziening met haar infrastructuur en haar goede arbeidsvoorwaarden fundamenteel ter

discussie. Hij hoopte dat de vervolgrapportage de handvatten aan zou reiken om in de

volgende kabinetsperiode snel tot een herinrichting van het systeem te kunnen komen.

De consequenties voor de sociale werkvoorziening zullen dan niet gering zijn.

Wanneer de eerste analyses van de commissie-Houben kloppen, dan zal in die komende

periode een omslag in de betrokkenheid van de gemeenten optreden, zei hij voorts, de taken

die de gemeenten op dit moment vervullen zijn te talrijk en de verschillende

verantwoordelijkheden te tegenstrijdig. Bij de start van het nieuwe kabinet zullen belangrijke

beslissingen moeten worden genomen over de sociale werkvoorziening over vragen als: hoe

komen meer mensen in verschillende mate van beschutting aan de slag en hoe kunnen alle

vormen van gesubsidieerde arbeid zó -- en in onderlinge samenhang -- georganiseerd worden

dat een maximale doorstroming naar ongesubsidieerde arbeid wordt bevorderd?

De reactie van de AbvaKabo

De AbvaKabo reageerde zeer kritisch op dit interim-advies. Het viel hem op, dat de

commissie de WSW duidde als één van de voorzieningen voor mensen met een grote afstand

tot de arbeidsmarkt. Kennelijk heeft de commissie niet nagegaan of en in hoeverre er een

rechtvaardiging was voor een apart instrument ten behoeve van mensen met een lichamelijke,

verstandelijke of psychische handicap. Uitsluitend de afstand tot de arbeidsmarkt was

bepalend, niet de vraag tengevolge van wie en/of wat die afstand ontstaat. De commissie

sloeg hiermee een fundamenteel andere koers in dan bij de opzet en instandhouding van de

WSW beoogd was. Het specifieke karakter van de WSW was immers, dat het instrument

bedoeld is om aan hen, die, tengevolge van een handicap niet worden toegelaten tot, dan wel

uitgestoten uit reguliere arbeid, arbeid onder aangepaste omstandigheden te bieden. De WSW

is in feite de maatschappelijke compensatie voor gehandicapten om arbeid te verwerven,

omdat zij die door hun handicap niet op andere wijze kunnen verwerven. Dat is,

beklemtoonde de AbvaKabo, een belangrijk onderscheid ten opzichte van mensen die

normaal wel kunnen werken, maar waarvoor tijdelijk geen werk beschikbaar is. Dit maakt dan

ook dat de WSW er altijd zal zijn, terwijl dat voor andere instrumenten betwijfeld moet

worden, omdat zij in hun doelstellling van tijdelijke aard zijn. De door de commissie

gepleegde vergelijking op dit punt vond de vakbond daarom ontdaan van de nodige nuance.

De AbvaKabo was het wel met de commissie eens dat de doelgroep onvoldoende helder is

gedefinieerd. De vakbond ondersteunde de richting van de commissie om te streven naar

integrale indicatiestelling voor de toelating tot de instrumenten. Ook volgde zij de suggestie

van de commissie om zoveel mogelijk te streven naar uniformering van de toelatingscriteria,

maar betwijfelde of ongedifferentieerd eenduidige landelijke toelatingscriteria in het belang

van de wet zijn. Impliciet ging de commissie van de veronderstelling uit, dat het aandeel van

de reguliere arbeidsmarkt in procenten van de beroepsbevolking over het land evenwichtig

was verdeeld, danwel dat de arbeidsmarkt werkt op basis van het “fair-share”-beginsel,

waarbij “relatief ongeschikteren” in een ruime markt in dezelfde mate worden opgenomen als

in een krappe markt. Die veronderstelling, meende de AbvaKabo, moet genuanceerd worden:

een ruime markt selecteert navenant strenger, zodat ook de kans dat mensen, door in de

79


persoon gelegen factoren, aangewezen raken op arbeid onder aangepaste omstandigheden,

evenredig groeit.

De commissie-Houben toonde ook een gebrek aan inzicht in het maatschappelijk motief

voor de WSW, meende de AbvaKabo, en in de aard van de werkzaamheden van de WSW.

Bovendien taxeert de commissie de mate van acceptatie van de beloning in jonge regelingen

als de banenpool, zodat de commissie tot de conclusie kwam, dat de WSW-werknemers beter

af zouden zijn dan anderen met afstand tot de arbeidsmarkt. Ten onrechte paste de commissie

de WSW in in het rijtje van voorzieningen voor additionele arbeid. “En constateert

vervolgens dat er een hogere beloning is en dat de rechtspositie zeer stevig is”, merkte de

AbvaKabo op. Hij wees erop, dat de WSW geen voorziening was voor additionele arbeid,

maar dat daar gekwalificeerde arbeid werd verricht onder aangepaste omstandigheden. De

grond voor het aanbieden van die arbeid lag in de omstandigheid dat er anders voor de

doelgroep geen arbeid is. Teneinde zoveel mogelijk aan te sluiten bij het reguliere

arbeidsaanbod had de WSW een infrastructuur, waarmee een gedifferentieerd aanbod aan

werksoorten geleverd kon worden. Het was ook daarom dat de SW-bedrijven bijvoorbeeld

merendeels producten maakten en diensten leverden die ook in het bedrijfsleven

geproduceerd worden. Arbeid in de WSW had dus economische waarde, waaruit volgde dat

de prijzen van SW-bedrijven overeenkwamen met de in het overig economische verkeer

gangbare prijzen. Uit het motief voor de SW en de inrichting en aard van het werk vloeide

voort, dat arbeid in de SW loonvormend was en zoveel mogelijk afgestemd zou moeten zijn

op het functieloon, dat elders in het bedrijfsleven werd betaald. In 1992 en 1993 was onder

verantwoordelijkheid van de staatssecretaris een onderzoek uitgevoerd naar de beloning in de

WSW ten opzichte van het bedrijfsleven, waaruit een afstand van gemiddeld 12% bleek. “Wie

dan dus beweert”, stelde de AbvaKabo, “dat de WSW een hogere beloning heeft, beweert

onzin”. (Samenspel 18).

Hetzelfde gold voor de opmerkingen met betrekking tot de rechtspositie van de WSWwerknemer.

De aard van de rechtspositie en het niveau van de arbeidsvoorwaarden hadden

ten opzichte van CAO’s in de markt een uiterst mager karakter, vervolgde de AbvaKabo. Als

er al sprake zou zijn van “stevigheid”, werd die gemotiveerd door de doelstellingen in de wet:

het streven naar bevordering en behoud van de arbeidsgeschiktheid. De commissie nam op

basis van haar ongefundeerde en ongelijke vergelijking aan dat beloning en rechtspositie ten

grondslag liggen aan het lage niveau van doorstroming naar het reguliere bedrijfsleven. Met

die stelling werden werknemers individueel verantwoordelijk gehouden voor doorstroming,

waar de commissie stelde: “Er zouden best mogelijkheden zijn voor en kansen op een baan in

het regulier bedrijfsleven, als de beloning in de SW maar laag genoeg zou zijn en de

rechtspositie nog meer uitgekleed”. De bond had fundamentele bezwaren tegen die

redenering, omdat die volstrekt niet op realiteitszin was gestoeld. Sinds 1990 had het beleid

zich gericht op doorstroming op initiatief van het ministerie hernieuwd aandacht gekregen.

Het ministerie had door middel van experimenten gepoogd om bij de bestuurlijke eenheden

draagvlak te ontwikkelen om doorstroming van nieuwe impulsen te voorzien. Dit beleid stond

echter op gespannen voet met de optimale bedrijfsvoering, een van de grondslagen van

budgetfinanciering. Van strategische beleidsvorming en gedragen beleid was daarom

onvoldoende sprake, afwegingen verband houdend met de groei(samenstelling) van de

werkgelegenheid, het verband met de regionale ontwikkeling van de arbeidsmarkt, de

arbeidsmarktpositie van gehandicapten, het niveau van qualificerende opleiding, de

gemiddelde leeftijd en de aard van de handicaps werden dus (tot op heden) niet gemaakt. De

vakbond meende dat al deze factoren en het gebrek aan doordacht beleid bepalend zijn voor

het niveau van de doorstroming naar reguliere banen en niet de beloning noch de

80


echtspositie.

Tenslotte wees de AbvaKabo op het gebrek aan oriëntatie op het karakter van de WSW

van de commissie met haar stelling, dat arbeid in WSW-verband reguliere arbeid zou

verdringen. Gegeven het feit, dat WSW-arbeid in prijsstelling en aard zich verhield tot

reguliere arbeid, kon er dus geen sprake zijn van verdringing. Wel was waarneembaar, stelde

de bond, dat banenpools arbeid, waaronder WSW, verdrongen, danwel dat reguliere arbeid

niet konontstaan, omdat de banenpool werd gecreëerd.

De conclusies van de AbvaKabo waren duidelijk. De commissie-Houben gaf de aanzet tot

het afbreken van de WSW, omdat zij meende dat het slechts van belang was of iemand

afstand tot de arbeidsmarkt had en niet dat het van belang was hoe die afstand moest worden

verklaard. De maatschappelijke en politieke erkenning van het recht op volwaardige arbeid

onder aangepaste omstandigheden van gehandicapten werd hiermee teniet gedaan.

De reactie van het Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening (NOSW)

Op 15 juni 1994 belegde het Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorzieing (NOSW) een

congres, waar voorzitter L. de Graaf een eerste reactie gaf op de wetsvoorstellen van de

Commissie Houben.

Hij benadrukte vooraf dat het bij de SW enerzijds ging om bedrijven met eigen inkomsten

en bijdragen van het rijk en de gemeente. Anderzijds was er een functie ten behoeve van

personen die op een voorziening of beter gezegd op een regeling waren aangewezen. Onder

financiële druk dreigde de aandacht naar de optimalisatie van het budget en arbeidsplaatsen te

verschuiven.

“En daarin schuitlt een gevaar”, aldus de NOSW-voorzitter, “Wil de SW als voorziening

een goede toekomst krijgen, dan moet over de functie van de voorziening geen

onduidelijkheid bestaan. Een functie als aangepaste, additionele werkvoorziening of als

reïntegratiebeleid mag, binnen zekere kaders, geld kosten als de resultaten voldoende helder

zijn. Resultaen zullen maatschappelijk gelegitimeerd moeten zijn”.

De financiële druk was, zo merkte De Graaf verder op, door bezuinigingen en groei van

het aantal werknemers toegnomen. Het landelijk Directeuren Contact had al aangegeven dat

de grens bereikt was. De bezuinigingen konden niet alnger meer worden opgevangen zonder

het volume aan te passen. Dat kwam door de techniek van het toen toegepaste financiële

verdeelmodel, dat de bestuurlijke eenheden in de weg stond. Daling in het volume werd direct

gestraft, terwijl groei na twee jaar werd gehonoreerd.

“Hierdoor ontstaat verwurging”, zei De Graaf, “Immers, de groei heeft geen effect op het

macrobudget. Maar door de na-ijlende doorwerking van de groei ontstaat een soort vliegwieleffect,

zodat wij nog even moeten doorgroeien in de taakstelling van het departement. Het

uiteindelijke effect is een lagere vergoeding per arbeidsplaats”.

Met betrekking tot de bevindingen van de Commissie-Houben meende De Graaf dat er

“heel wat nieuwe gedachten” werden aangedragen. De contouren voor een nieuw model

riepen bij hem heel wat nieuwe vragen op. Daarnaast stelde hij vast dat het uitbreiden van de

doelgroep en het onderbrengen van WSW, JWG en de banenpool in één gemeenschappelijke

werkvoorziening zeer ingrijpend was en veel verder ging dan tot dan toe door de NOSW werd

bepleit.

Op 1 februari 1995 organiseerde DZB een studiedag over de Commissie-Houben. Vele

betrokkenen, waaronder de WSW-commssie, het managementteam en de Ovo waren aanwezig.

Wethouder Laurier hield een openingsspeech, waarin hij de aanwezigen uitdrukkelijk

81


aanmoedigde zich in de Haagse discussie te mengen. Wat vonden de discussianten van de

doelgroepverbreding, de onafhankelijke indicatiestelling, de “knip tussen strategie en uitvoering

en de daarmee gepaard gaande verzelfstandiging van de SW tot bedrijfstak”, de onzekerheid

rond het functieloon en van het marktdenken dat hier ten aanzien van de vraag naar werk

en het aanbod werd gecreëerd: “Wat betekent dit voor de zwaksten op de arbeidsmarkt?”.

Aan het eind van de dag bleek dat de deelnemers van mening waren dat de functie van de

SW om “mensen met een handicap de mogelijkheid om in een aangepaste werkomgeving

zinvol werk te verrichten” te bieden onaangetast moest blijven. Men vond het zeer belangrijk

dat er binnen de SW zinvol, maatschappelijk relevant en met name regulier werk kon blijven

worden verricht tegen functieloon. De door de wethouder aangestipte vraag naar het al of niet

verbreden van de doelgroepen werd in die zin beantwoord dat de taakstelling van de SW ten

behoeve van de specifieke doelgroep, lichamelijk, geestelijk en psychisch gehandicapten

moest bijven doorgaan. Als “instituut” was het wellicht wel zinvol om de deuren open te

zetten voor andere doelgroepen zoals de langdurig werklozen. De z.g. één-regie-functie was

immers van belang omdat verdringing van de doelgroepen bij de acquisitie van arbeid

voorkomen zou kunnen worden. Voordeel was ook dat de financiële regelingen beter op

elkaar afgestemd zouden kunnen worden.

Wethouder Laurier knorde tevreden. Hij was het ermee eens, dat de SW-functie onverkort

overeind moest blijven. De één-regie-functie: “het aanbieden van de expertise van de SW op

het gebied van het creëren van banen en het begeleiden van mensen op de werkplek”. Na deze

conclusie zei de wethouder: “De optie die in Leiden ruime politieke steun geniet”.

DZB kon verder op de reeds ingeslagen weg.

Paars wil stroomlijning

In 1996 ving Paars II haar werkzaamheden aan. In het regeerakkoord was neergeschreven,

dat het kabinet de instrumenten voor de gesubsidieerde arbeid wilde stroomlijnen en de regelvrijheid

voor de gemeenten wilde vergroten. In oktober 1995 verscheen de nota

“Stroomlijning gesubsidieerde arbeid”. Voor werkgevers, werklozen en het brede publiek

vormde de veelheid van regelingen, met elk hun eigen bepalingen een ondoordringbaar woud.

Zelfs voor goed-ingevoerden was het veld van gesubsidieerde arbeid onvoldoende helder en

inzichtelijk. Verder had de regering de indruk dat de verschillende regelingen wel eens met

elkaar concurreerden, waar het ging om acquisitie van banen en het plaatsen van werklozen

op die banen. Bovendien was het wenselijk de doorstroom vanuit de gesubsidieerde arbeid

naar de reguliere arbeidsmarkt, waar mogelijk, te bevorderen.

De stroomlijning beoogde het veld van gesubsidieerde arbeid helder en overzichtelijk te

maken en oneigenlijke concurrentie tussen de regelingen weg te nemen. Met het oog daarop

werd de herziening van de WSW afgestemd op de WIW. Samenwerking en regie zouden op

verschillende wijzen vormgegeven kunnen worden.

Samenwerkingsafspraken tussen uitvoeringsorganisaties onder bestuurlijke regie van de

gemeente. Hierbij zou dan zoveel mogelijk kunnen worden aangesloten bij de veelal

bestaande praktijk en wordt over acquisitie van banen en afstemming tussen doelgroepen via

bestuurlijke afspraken tot een stroomlijning gekomen. De tweede mogelijkheid was integratie

van uitvoeringsorganisaties tot één organisatie. Hierbij kwam de samenwerking ook tot uiting

in het onderbrengen in één organisatie en vindt de afstemming plaats tussen de verschillende

onderdelen van die organisatie. Een derde mogelijkheid was intergratie van de

detacheringsfunctie van de WSW en WIW met behoud van de afzonderlijke werkplaatsfunctie

82


van de WSW. Hierbij zou dan kunnen worden aangesloten bij de verschillende functies en de

daarbij behorende verschillen in cultuur tussen de op productie onder aangepaste

omstandigheden gerichte werkplaatsen en de op de externe arbeidsmarkt gerichte

detacheringsfunctie.

In de notitie “Werkbedrijf: een ondernemende reactie op de stroomlijnfunctie” wijst de

koepelorganisatie NOSW op de uitdaging om, meer dan tot dan toe, gebruik te maken van de

kennis, kunde, ervaring en infrastructuur van de sociale werkvoorziening. Landelijk verdienen

ruim 90.000 mensen dagelijks hun brood in deze ‘bedrijfstak’. Er is dus een enorme knowhow

op het terrein van het beoordelen van de mogelijkheden van mensen in het arbeidsproces,

al dan niet aangepast. Die kennis kan ook worden gebruikt voor andere mensen met een grote

afstand tot de arbeidsmarkt. De sociale werkvoorziening, aldus de NOSW, heeft zonder meer

de potentie, om als breed werkgelegenheidsinstrument, als werkbedrijf een belangrijke

bijdrage te leveren aan de bestrijding van de langdurige werkloosheid. De NOSW pleit

daarbij voor de één-loket-functie, waar de burger terecht kan voor werk en inkomen. In de

dienstverlening wordt dan de scheiding tussen inkomensvoorziening en arbeidsvoorziening

losgelaten. Via dit ene loket wordt de klant efficiënter en effectiever bediend dan via de

talloze loketten die er toen waren. Om te komen tot de één-loket-functie werden de bestaande

expertise en ervaringen van het Arbeidsbureau, Sociale Dienst, GAK en Sociale

Werkvoorziening samengebracht.

Deze één-loket-functie zou ook kunnen worden doorgetrokken bij de uitvoering. De

NOSW meende dat het mogelijk moest zijn om te komen tot integrale uitvoering van gesubsidieerde

arbeid. De integrale uitvoering ziet het NOSW in de praktijk gebracht door het z.g.

Werkbedrijf. Dit bedrijf participeert als een volwaardig bedrijf in de vrije markt. Hij bevindt

zich op het raakvlak van vraag en aanbod. Het Werkbedrijf is dan een belangrijke partner

zowel voor de overheid als voor het bedrijfsleven. Voor het merendeel gaat het om reguliere

werkzaamheden in een kwalitatief hoogwaardige arbeidsomgeving. Er moeten producten

worden geleverd waar reële afzetmogelijkheden voor zijn. Op verschillende wijzen kunnen

die worden vormgegeven: binnen de beschutte muren van het eigen bedrijf, individueel gedetacheerd

in een regulier bedrijf, groepsgedetacheerd door middel van het inrichten van

productie-afdelingen met begeleiding bij een regulier bedrijf, ‘supported employment’ in een

regulier bedrijf, door middel van ‘facility management’ of door experimentele projecten of

door middel van het oppakken van nieuwe werksoorten. Dat bevordert de doorstroming naar

de reguliere banen. Er worden hierbij nieuwe banen gecreëerd en de doorstroomfunctie wordt

dan ingevuld. “Het werkbedrijf als werkgenerator”, aldus het NOSW.

DZB: de uitvoeringsorgansatie voor gesubsidieerde arbeid

In november 1995 nam het Leidse College van B & W het besluit om de intake- en

toeleidingsactiviteiten ten aanzien van gesubsidieerde arbeid te scheiden va de

uitvoeringsactiviteiten. De Dienst Economische en Sociale Zaken werd verantwoordelijk voor

de intake en de toeleiding. De uitvoeringsorganisatie voor alle vormen van aan de gemeente

opgedragen vormen van gesubsidieerd werk werd gegeven in handen van DZB, die daardoor

dé Leidse uitvoeringsorganisatie voor gesubsidieerd werk werd.

Bij DZB toog men onmiddellijk aan het werk. Eind april 1996 richtte het management van

DZB het z.g. leer/werkbedrijf op. Dit leer/werkbedrijf zou een intermediair moeten worden

tussen het aanbod van de arbeidsmarkt, de door Economische en Sociale Zaken geïndiceerde

personen met een afstand tot de arbeidsmarkt, en de vraagzijde van de arbeidsmarkt, de

83


divisie Werk, met het doel de afstand tussen vraag en aanbod via scholing, training en/of

werkervaring te overbruggen. Het leer/werkbedrijf zou zich flexibel moeten opstellen,

inspelend op de eisen van de beide fluctuerende markten. Het bedrijf zou organisatorisch een

plaats krijgen in het DZB-concern, naast de divisie Werk.

Binnen het leer/werkbedrijf worden vier fasen onderscheiden, te weten: 1. de aanmelding,

2. intake- en selectiefase, 3. scholings- en trainingsfase, en 4. de bemiddelingsfase, de z.g.

Individuele Traject begeleiding (I.T.B.).

Aanmeldingen voor het leer/werkbedrijf vinden plaats vanuit het gezamenlijke “intakeloket”

van de dienst Sociale Zaken (SZ). Bij dit loket wordt de afstand tot de arbeidsmarkt

bepaald. Op basis van de bevindingen wordt de diagnose gesteld of iemand regulier, additioneel

of gesubsidieerd arbeid kan verrichten. Bij de diagnose additioneel of gesubsidieerd werd

stelt de intake-afdeling samen met de uitkeringsgerechtigde een zorg- of activeringsplan op.

De uitkeringsgerechtigde wordt vervolgens aangemeld bij de uitvoeringsorganisatie, in dit

geval het leer/werkbedrijf. Indien het leer/werkbedrijf de aangemelde persoon op een traject

kan olaatsen wordt hij of zij door ESZ overgedragen aan de uitvoeringsorganisatie.

De doelgroep van het leer/werkbedrijf bestaat uit personen die zijn aangemeld door het

loket van de afdeling Werkgelegenheidsprojecten van SZ. Dit zijn personen met een afstand

tot de arbeidsmarkt die niet direct bemiddeld kunnen worden naar gesubsidieerd werk of

waarvan nog niet duidelijk is of zij bemiddeld kunnen worden naae gesubsidieerd werd. Dan

de personen die al werkzaam zijn bij DZB. Dit zijn personen die werkzaam zijn op een

gesubsidieerde arbeidsplaats en waarvan verwacht wordt dat zij met enige scholing of training

op een andere, reguliere, arbeidsplaats zouden kunnen werken, personen werkzaam bij het

werkbedrijf van DZB met betrekking tot interne loopbaanplanning en eventueel ook derden

die gebruik willen maken van de faciliteiten van het leer/werkbedrijf.

In de intake- of selectiefase zal als eerste een gesprek plaatsvinden waarin de uit de

aanmelding verkregen gegevens worden nagegaan en aan de eengemelde deelnemer wordt

verteld wat het leer/werkbedrijf is en wat het voor deze persoon in het bijzonder kan

betekenen. Daarna wordt het op betrokken persoon gerichte

scholing/trainings/werkervaringsprogramma nader ingevuld, in samenspraak met en

aansluitend op het trajectplan van de aanmeldende organisatie. Eventuele onduidelijkheden

over capaciteiten, opleidings-, trainings- of werkervaringsbehoeften kunnen worden

weggenomen. Hierbij kunnen verschillende methodieken worden gehanteerd, zoals

gesprekken en psychologische en/of arbeidskundige testen. De uitvoering van deze testen kan

op verschillende manieren plaats vinden. De voorkeur kan uitgaan naar een vorm, waarbij

zoveel mogelijk intern, dus binnen het leer/werkbedrijf wordt uitgevoerd. De voordelen zijn

dan dat de instroom inzichtelijk blijft, dat voor de aangemelde persoon de gehele intake- en

selectiefase op één lokatie kan plaats vinden., de vergelijkbaarheid van de testresultaten wordt

vergroot, de uitvoering kan worden gedaan door personen in WSW-verband en dat er kosten

bespaard worden. De nadelen zijn echter dat er concurrentie kan ontstaan met andere

uitvoerende instanties en dat er bij fluctuatie van de instroom, een personeelsprobleem kan

ontstaan, zoals over- of onderbezetting. Een andere mogelijkheid is om zoveel mogelijk

facilitair in te kopen. De voordelen zijn dan dat er gebruik wordt gemaakt van reeds

aanwezige kennis en kunde bij andere organisaties. Er ontstaat een groter netwerk, er kan

beter op fluctuaties van de instroom worden ingesprongen en het kan kostenbesparend zijn.

De nadelen zijn dat de coödinatiefunctie zwaarder wordt, er minder inzicht op de instroom is,

de aangemelde personen meerdere lokaties zullen moeten bezoeken en dat de vergelijkbaarheid

van de testresultaten afnemen. Er zal dus afgewogen moeten worden. Op basis van de

informatie, die in deze fase wordt verkregen, zal er advies worden gegeven of iemand binnen

84


het leer/werkbedrijf een programma kan doorlopen of wordt terugverwezen naar het ESZloket.

Bij terugverwijzing naar dat ESZ-loket zal het gaan om personen, waarbij tijdens deze

fase duidelijk is geworden dat zij niet in staat zijn tot het verrichten van regelmatige arbeid

(ondergrens), of die in staat worden geacht te werken op een reguliere arbeidsplaats (bovengrens).

Het ESZ-loket kan wanneer er sprake is van de ondergrens, een voortraject organiseren

of een alternatief zoeken voor werk. Bij de bovengrens kan er worden doorverwezen naar het

arbeidsbureau.

De duur van het scholings-, trainings- en werkervaringsprogramma is, afhankelijk van de

uitgangssituatie van de deelnemer en het gestelde einddoel, maximaal een jaar. Aan de hand

van het persoonlijke programma vindt er scholing op maat plaats. Het kan daarbij gaan om

basale vaardigheden, practisch en theoretische vaardigheden en werkervaring. Het scholen en

trainen van basale vaardigheden en arbeidsgewenning zal binnen het leer.werkbedrijf gaan

plaatsvinden. Hierbij wordt gedacht aan een afdeling met een brede trainingsdoelstelling. De

scholing van practische, beroepsgerichte vaardigheden zal zoveel mogelijk worden uitbesteed

aan externe scholingsinstituten. Het opdoen van werkervaring zal binnen de divisie Werk

plaatsvinden. Voor begeleiding zal worden gebruik gemaakt van begeleiders vanuit het leerwerkbedrijf.

De begeleiding zal bestaan uit het ondersteunen van de deelnemers op alle aspecten

die in relatie staan tot de werkzaamheden die verricht dienen te worden. De taak van de

werkleiding binnen de divisie Werk is om de deelnemer vooral technische vaardigheden aan

te leren. Tijdens het programma zal steeds een terugkoppeling plaatsvinden om na te gaan of

de gestelde doelen zijn behaald. Er wordt gekeken naar de voortgang, naar eventuele

problemen en als daar aanleiding voor is naar een bijstelling van het programma. Vervolgens

wordt aan het eind van de fase bekeken of de hiaten in kennis, vaardigheden of werkervaring

zijn gevuld. Als de deelnemer voldoet aan de voorwaarden die de additionele en

gesubsidieerde arbeidsmarkt stelt, kan hij doorstromen naar de bemiddelingsfase.

Binnen de bemiddelingsfase vindt de overdracht van de deelnemer naar de divisie Werk

plaats. Binnen de divisie Werk wordt, in overleg met het leer/werkbedrijf, de bemiddeling en

plaatsing realiseerd. De deelnemers kunnen vanuit de divisie Werk geplaatst worden op detacheringsplaatsen,

op plaatsen binnen het sociale werkvoorzieningsbedrijf en op reguliere

plaatsen met begeleiding van een jobcoach. Voor plaatsing op de reguliere arbeidsmarkt zal

de deelnemer via het ESZ-loket overgedragen worden aan het arbeidsbureau. Belangrijk is

dus een goede samenwerking met reguliere bemiddelingsorganisaties voor zowel de

uitwisseling van kennis als voor eventuele doorstromingen naar de reguliere arbeidsmarkt.

Het leer/werkbedrijf

In het begin 1997 is het leer/werkproject als deel van DZB georganiseerd. De regiecoördinatie-functionaris

zorgt voor een goede afstemming tussen verschillendeonderdelen en

activiteiten, onderhoudt het netwerk en ondersteunt de trajectbegeleiders. De intakefunctionaris

verzamelt de relevante informatie over de persoon met betrekking tot arbeid,

inventariseert knelpunten, vertaalt informatietekorten in concrete vragen voor de

arbeidskundig en psychologisch onderzoeker. Tevens verwijst hij gericht door bij ondergrens,

wanneer iemand niet in staat is om een traject te volgen, of wanneer iemand in aanmerking

komt voor reguliere arbeid (bovengrens). Een trajectbegeleider houdt zich intensief bezig met

de kandidaat. Hij onderhoudt contact met de verschillende voorzieningen die bij de uitvoering

van een traject zijn betrokken. Hij zorgt ook voor een goede informatie-uitwisseling en is

verantwoordelijk voor de uitvoering van een traject. Daarnaast is er een prycholoog, die bij

85


onduidelijkheid omtrent de capaciteiten van de deelnemer optreedt. Een arbeidsdeskundige

kan een meting doen van de beroepsgerichte praktische vaardigheden van de kandidaat en een

praktijkgerichte beoordeling van voor de arbeid relevante overige vaardigheden onderzoeken.

Een scholingscoördinator is verantwoordelijk voor de inventarisatie van de

opleidingsbehoefte en voor het inkoopbeleid van scholing. Hij moet allert zijn op de

scholingsbehoeften vanuit zowel de aanbod- als van de vraagzijde. Hij heeft een adviserende

rol bij het opzetten van trajecten. Uiteraard is er een administratie, die zich richt op het beheer

van de wachtlijst, vacatures, aanmeldingen en de dossiers. Voor advies op de hoofdlijnen

beschikt het leer/werkbedrijf over een adviesteam, waarin interne en externe deskundigen

zitting hebben.

DZB was met het opzetten van het leer/werkbedrijf klaar voor de toekomst.

De invoering van de nWSW en de WIW

In juni 1996 werd de nieuwe Wet Sociale Werkvoorziening door het kabinet vastgesteld en

aan de Raad van State toegestuurd voor advies. Daarna zou nog de bespreking in de Tweede

kamer plaatsvinden en vervolgens in de Eerste Kamer aan de orde moeten worden gesteld.

Het tijdschema moest gewijzigd worden, daar de streefdatum van de invoering van de wet,

gesteld op 1 januari 1997 niet gehaald kon worden. De Tijdelijke Wet Stimulering Sociale

Vernieuwing werd nog met een jaar verlengd tot 1 januari 1998. Op die datum zou dan de

nieuwe WIW ingevoerd moeten worden. De gemeenten en de SW-bedrijven kregen dus nog

één jaar extra de tijd om hun uitvoeringsbeleid uit te stippelen en te organiseren.

Het kabinet koos voor indiening van een nieuwe Wet Sociale Werkvoorziening in plaats

van een herziening van de bestaande WSW in verband met het ingrijpende karakter van de

noodzakelijke wijzigingen. Deze omvatten onder andere een nieuwe, strakkere omschrijving

van de doelgroep en de nieuwe wijze van indicering van de kandidaat-werknemers en verdere

normalisering van de arbeidsverhouding en de medezeggenschap van werknemers die een

dienstbetrekking in het kader van de wet hebben, een neiuwe invulling van de bekostiging van

gemeenten en een herschikking van de bestuurlijke verantwoordelijkheden tussen het rijk en

de gemeenten.

De Commissie-Houben had er al op gewezen dat het niet voor de hand lag om de verantwoordelijkheid

voor de vaststelling wie tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening

hoort bij de gemeente te laten. De gemeente moet immers voortdurend de afweging maken

tussen de randvoorwaarden uit een oogpunt van bedrijfsvoering en overwegingen van

rechtvaardigheid ten aanzien van de doelgroep. De commissie adviseerde de regering dan ook

om als mogelijke oplossing van een verwarring van verantwoordelijkheden onafhankelijke

indicatiecommissies in te stellen, die beslissen op grond van rijksnormen. De wetgever nam

dat advies over en werkte het uit in de nieuwe wet.

De onafhankelijke indicatie omvat een toelatingsonderzoek door onafhankelijke deskundigen,

benoemd op grond van hun professionaliteit en zonder binding met de gemeente of

andere aanmeldende of uitvoerende instanties. De gemeenten dragen voor de in te stellen

adviescommissies kandidaten voor aan de minister. De taakstelling van de commissies

worden in de wet omschreven en er worden eisen gesteld aan de samenstelling van de

commissies. Deze betreffen eisen op het gebied van deskundigheid, zoals arbeids- en

arbeidsmarktdeskundigheid, en medische en psychologische deskundigheid en eisen met

betrekking tot de onafhankelijkheid van de leden: ze mogen niet betrokken zijn bij de

bedrijfsvoering van de sociale werkvcoorziening. De beslissingsbevoegdheid omtrent de

86


indicatie berust dus niet meer bij de gemeente.

Bovendien koos de regering voor een landelijke aanpak. De indicatiestelling werd op het

niveau van de centrale overheid geplaatst. Om praktische redenen achtte het kabinet het

gewenst om een zelfstandige dienst met de afdoening te belasten. Er werd een nieuwe dienst

gecreëerd die hiërarchisch direct onder de minister zou gaan vallen. Deze organisatorisch

afgescheiden eenheid zou expliciet met het nemen van indicatiebeschikkingen worden belast.

En kreeg daarvoor beheersmatige en tevens beleidsmatige bevoegdheden toebedeeld. De

gemeentelijke adviescommissies dienen de nieuwe dienst van advies inzake de indicering. De

minster werd volledig verantwoordelijk voor het functioneren van de dienst en kan ook

aanwijzigingen geven. De directeur van de dienst kan de aan hem toegekende bevoegdheden

dus niet volstrekt naar eigen inzichten hanteren. Hij is immers ambtenaar binnen het ressort

van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en gehouden zich naar diens

instructies te gedragen, ook waar het de uitvoering van de in de wet aan hem toegekende

bevoegdheden betreft. De directeur van de dienst geeft een indicatiebeschikking af. Tevens

bewaakt de dienst de landelijke normstelling, waarmee niet alleen bij het nemen van de

beschikking, maar ook reeds bij de advisering door de gemeentelijke commissies rekening

moet worden gehouden. De landelijke dienst toetst of de adviescommissies redelijkerwijs tot

hun in de advisering neergelegd oordeel hebben kunnen komen en of het onderzoek door die

commissies op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het voordeel zou dan zijn dat de

indicering in het hele land op uniforme wijze tot stand komt. Dat is nodig omdat in de

toekomstige situatie de indicering gepaard gaat met de indeling in drie categorieën van

arbeidshandicaps die overeenkomen met drie vergoedingenniveaus. Versnippering van de

besluitvorming zou tot differentiatie in de beoordelingswijze kunnen leiden en het kabinet

vond dat zeer ongewenst.

De toelatingscriteria volgens de nieuwe wet

De commissie-Houben beoogde een scherpere omschrijving van de doelgroep van de WSW.

Dit was van belang omdat er in de hier vooraf gaande jaren ook voor andere werklozen op

ruime schaal voorzieningen voor gesubsidieerde arbeid in het leven was geroepen. Ook was

er meer aandacht ontstaan voor aanpassing van werk aan de werknemer in het reguliere

arbeidsproces toegenomen, door uitbreiding van de Arbo-zorg en verruiming van de AAWverzekeringen.

Arbeid onder specifiek aangepaste omstandigheden zou dan ook alleen

bestemd moeten zijn voor personen die tot regelmatige arbeid in staat zijn, maar die door een

lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking alleen onder deze aangepaste

omstandigheden kunnen werken. Hierbij kan het gaan om een zeer breed scala van

aanpassingen: fysieke aanpassingen van de werkplek en werkomgeving die niet in een

gewoon bedrijf kunnen worden gerealiseerd, specifieke uitsplitsing van taken, aanpassingen

in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. Met de nieuwe definitie wilde

men tegengaan dat personen tot arbeid onder aangepaste omstandigheden zou worden

toegelaten die niet nagenoeg geheel ten gevolge van lichamelijke, verstandelijke of

psychische beperkingen werkloos zijn. Dat uitgangspunt had met name consequenties voor de

toelating van personen bij wie weliswaar persoonlijke beperkingen een rol spelen bij hun

werkloosheid, maar bij wie deze beperkingen niet van medisch vaststelbare aard zijn of van

doorslaggevende betekenis. In het verleden werden dergelijke personen ingedeeld als

behorende tot de categorie “overige handicaps”.

Samengevat komt het erop neer, dat de gemeentelijke adviescommissie een oordeel moet

87


formuleren over drie elementen die in de omschrijving van de doelgroep worden genoemd.

Beoordeel moet worden of de aangemelde persoon

-- tot regelmatige arbeid in staat is;

-- lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen heeft;

-- waardoor alleen onder specifiek aangepaste omstandigheden gewerkt kan worden.

Aanmeldingen van kandidaat-werknemers vinden plaats bij de door de gemeente

ingestelde adviescommissie. In de eerste plaats legt de commissie voor een ieder die zich

aanmeldt voor de sociale werkvoorziening in een advies vast of de betrokkene behoort tot de

doelgroep van de sociale werkvoorziening. Dit doet de commissie op grond van de

beschikbare dossier-informatie, aagevuld met de bevindingen uit eigen onderzoek of

onderzoek door derden. Het oordeel van de commissie wordt steeds vastgelegd in een advies

voor de landelijke dienst. De adviescommissie brengt dus een advies uit waarin is aangegeven

of de aangemelde persoon in staat is tot regelmatige arbeid zonder verstoring van de

werksfeer. Tevens gaat de commissie na of betrokkene lichamlijke, verstandelijke of

psychische beperkingen heeft waardoor hij is aangewezen op arbeid onder aangepaste

omstandigheden.

In het verlengde van het oordeel dat een voor de sociale werkvoorzieing aangemeld

persoon tot de doelgroep behoort, gaat de commissie na of de betrokkene in aanmerking wil

komen voor begeleid werken. Als er geen factoren zijn die een functioneren onder normale

omstandigheden in de weg staan, dan kan het advies luiden dat de betrokkene naar het orrdeel

van de commissie dient te worden doorgeleid naar de gemeente als verantwoordelijke voor

andere vormen van gesubsidieerde arbeid of zou moeten worden terugverwezen naar de

arbeidsvoorziening of de bedrijfsvereniging voor de reguliere arbeidsbemiddeling

(bovengrens). Als geoordeeld worden dat de aangemelde persoon niet in staat is tot

regelmatige arbeid, dan zal dat veelal een advies inzake indicering voor een dagvoorziening

in de zorgsector inhouden.

Als de adviescommissie van oordeel is dat de onderzochte tot de doelgroep behoort, dan

wordt door de commissie tevens een advies inzake de mate van beperking vastgesteld, en ook

deindeling van de betrokkene in een van de volgende drie categorieën:

-- licht arbeidsgehandicapten, die, hoewel aangewezen op arbeid onder aangepaste

omstandigheden, zonder ver strekkende maatregelen in staat geacht worden een redelijke

prestatie te kunnen leveren;

-- matig gehandicapten die, aangewezen op arbeid onder aangepaste

omstandigheden, met ver strekkende maatregelen in staat geacht woren een redelijke prestatie

te kunnen leveren, of bij wie dergelijke maatregelen niet noodzakelijk zijn, maar die niettemin

slechts tot een matige prestatie in staat zijn;

-- ernstig arbeidsgehandicapten die, aangewezen op arbeid onder aangepaste omstandigheden,

ook met ver strekkende maatregelen slechts in staat geacht worden een matige

prestatie te kunnen leveren.

Deze indeling is meebepalend voor de hoogte van het aan de gemeente toe te kennen

subsideibedrag. Voorts geeft de commissie in haar advies een globale indicatie welke voorzieningen

aanwezig moeten zijn of getroffen moeten worden om in een aangepaste werksituatie

te voorzien. Een precies oordeel over deze noodzakelijke compenserende voorzieningen is

eerst mogelijk bij de feitelijke plaatsing, waarbij dan door de daarbij betrokken deskundigen

vastgesteld moet worden van welke invloed de beperkingen zijn, gezien in het licht van de

feitelijke plaatsing.

Een nieuw onderdeel van de indicering heeft betrekking op personen die reeds als werknemer

in het kader van de sociale voorziening of ‘begeleid werken’ werkzaam zijn. Alle

88


werknemers dienen periodiek, bijvoorbeeld iedere drie tot vijf jaar, opnieuw volgens de

reguliere procedure met betrekking tot de indicering te worden bezien, zowel met het oog op

de vraag of zij nog altijd tot de doelgroep behoren als ten behoeve van een eventuele

herindeling naar mate van de arbeidshandicap. Een dergelijke herindicatie hoeft niet altijd te

leiden tot een fysiek heronderzoek.

Een nieuw element in de wet: begeleid werken.

Begeleid werken is een relatief nieuwe vorm van arbeidsinpassing voor met name personen

met een verstandelijke handicap, waarbij integratie in de arbeid wordt nagestreefd buiten de

beschutte omgeving van de dagverblijven en buiten het traditionele sociale

werkvoorzieningsbedrijf. In de jaren negentig ontstond in dit kader een aantal

arbeidsintegratieprojecten voor gehandicapten, over het algemeen bekostigd uit zeer

uiteenlopende en vaak tijdelijke bronnen. Een impuls voor deze ontwikkeling werd ontleend

aan ervaringen uit het buitenland, waarbij mensen die in Nederland een DVO-indicatie

zouden hebben gekregen in staat bleken om met de juiste begeleiding op een gewone

arbeidsplaats te werken. Termen als “job-coaching” en “supported employment”, die ook

voor deze projecten worden gehanteerd, wijzen op deze buitenlandse invloed.

Het kabinet hechtte een groot belang aan de verdere ontwikkeling van deze nieuwe vorm

van arbeidsinpassing van gehandicapte werknemers. In de loop van 1994 werd binnen de

arbeidsongeschiktheidsregelingen een basis gecreëerd voor de financiële ondersteuning van

projecten voor begeleid werken. Hierdoor konden personen die tot de doelgroep van de

sociale werkvoorziening hoorden worden geholpen met loondispensatie en intensieve extra

begeleiding op de werkplek en op die manier een werkplek bij een reguliere werkgever

vinden. Naar het oordeel van het kabinet is ‘begeleid werken’ in deze vorm gezien de

intensiteit van de begeleiding op de werkplek in combinatie met de hoogte van de

ondersteuning in de sfeer van de beloning te beschouwen als een vorm van werken onder

specifiek aangepaste omstandigheden, zij het dat in deze situatie wordt gewerkt in een

geïntegreerde arbeidsomgeving bij een reguliere werkgever die daaraan zijn medewerking

verleent.

Gezien de nauwe samenhang die bestaat met de doelgroep van de sociale werkvoorziening

ligt een geïntegreerde indicatie voor de SW en begeleid werken voor de hand. Op die manier

kan een optimale afweging worden gemaakt tussen de verschilledn mogelijkheden. De

gemeente kan dus voor een persoon die begeleid werkt een subsidie van het rijk aanvragen,

die is gerelateerd aan de zwaarte van de arbeidshandicap. De gemeente heeft vervolgens de

mogelijkheid om aan een reguliere werkgever een subsidie te verstrekken voor de

indienstname van een gehandicapte werknemer. Deze subsidie kan zowel een vergoeding

voor de werkgever omvatten voor de noodzakelijke begeleiding van de werknemer als een

vergoeding voor de verminderde prestatie.

De opheffing van de WSW-commissie: het laatste jaar 1997 en toch nog even 1998

In het begin van 1997 bestond de WSW-commissie uit J. Dool (gemeente Voorschoten), J.

Van Ek (Federatie van Ouderverenigingen), mw. B. De Groot (OVO/MC-secretariaat), L.Q.

van der Ham (gemeente Zoeterwoude), J. Van der Meyden (DZB), mw. D.M.C.M. van

Ravensteyn (GGZ Dag Activiteiten/arbeid Zuid-Holland-Noord), H.P. Smits (gemeente

89


Voorschoten), M.J. Stuit (werkgeversvertegenwoordiger; Stichting Het Kaasmerk), F. Van

Ulden (DZB controller), mw. J. Vink (DZB), R. Van Aken (S.P.D.), W.A. Deelen (gemeente

Leiden), mw. C. Van Eynatten (DZB, directie-secreataris), G. Gerding (Regionaal Overleg

Zwakzinnigenzorg), mw. S. De Graaf (directie Gewestelijk Arbeidsbureau), A.J.M. Houdijk

(gemeente Zoeterwoude), mw. C.A. Huigen-Van Boven (gemeente Leiderdorp) en L. V.d.

Zeeuw (O.V.O.-DZB). Van de vakcentrales waren E. D’Haan en J. van de Windt (C.N.V.),

Th. Wortel en Th.H. de Wilde (F.N.V.). Voorzitter was J. Laurier, wethouder van Sociale

Zaken van de gemeente Leiden, terzijde gestaan door G. Bovens, directeur van DZB.

Uiteraard stonden de hierboven gememoreerde ontwikkelingen voortdurend ter bespreking

op de agenda van de W.S.W.-commissie. Er werd geanimeerd van gedachten gewisseld over

de ontwikkelingen met betrekking tot de nieuwe WSW en de WIW. Vooral de rol die DZB in

de uitvoering van de nieuwe wetten zou gaan spelen waren in iedere vergadering

onderwerpen van bespreking. Maar er waren ook andere punten, die regelmatig geagendeerd

waren. DZB was in november 1996 nog bezig met de verkoop van de gebouwen aan de

Touwbaan en een architect was al aan het werk met een schetsontwerp en een

ruimtetoedelingsplan. In de vergadering van 19 februari 1997 deelde de voorzitter mee, dat er

een gegadigde was gevonden voor het gebouw aan de Touwbaan. Het scholingsinstituut van

de Arbeidsvoorziening had er belangstelling voor. Dat het gebouw eens cholingspand zou

gaan worden, had de instemming van de commissie. Het nieuwbouwplan liep enigszins achter

op het schema, maar men verwachtte het eind 1998 in gebruik te kunnen nemen, waardoor

een einde zou gaan komen aan de onhandigheid van het verspreid zijn over drie gebouwen.

Wethouder Laurier deelde in de vergadering van de WSW-commissie van 7 juli 1997 mee,

dat de nieuwe wet WSW per i januari 1998 van kracht zal gaan worden. De WIW zal in snel

tempo door de Tweede Kamer geloodst worden om op dezelfde datum in te kunnen gaan.

Laurier was nog niet te vreden:

“Er is geen goede aansluiting tussen nWSW en WIW wat betreft de arbeidsvoorwaarden”,

zei hij in deze vergadering, “Moet er niet gestreefd worden naar uitbetaling van functieloon,

gerelateerd aan de CAO’s die gelden voor vergelijkbare beroepen”. Een belangrijke

ontwikkeling in het kader van de wet vond hij dat de gemeente rechtstreeks de wet sociale

werkvoorzieing kan uitvoeren door zelf relaties te leggen met bedrijven, via de formule

begeleid werken. Op een vraag van Wortel wat de nWSW betekent voor de WSW-commissie

en de plaatsingscommissie, antwoordde de wethouder dat dat nog onduidelijk was.

In dezelfde vergadering wordt ook meegedeeld dat de nieuwbouw gestaag voort gaat. De

Arbeidsvoorziening ging akkoord met de verkoopvoorwaarden en wilde het gebouw na de

zomervakantie 1999 betrekken. Haast dus met de realisatie van de nieuwbouw. De directeur

verwachtte dat de maquettes van de nieuwe gebouwen op het Roomburgterrein speodig

getoond kunnen worden. In de vergadering van 17 september zei voorzitter Laurier dat de

verkoop van de Touwbaan de Leidse raad was gepasseerd en vervolgde: “De bedoeling is dat

medio 1999 DZB (grotendeels) overgegaan is naar Roomburgh”. Na de vergadering bracht de

commissie een bezoek aan het zojuist opgestarte “rolstoelproject”. Dit project onderhoudt en

repareetr rolstoelen. Het is een leer/werkproject, waar SW-ers, POG-ers en JWG-ers aan deel

nemen.

Op 5 november organiseerde DZB een thema-ochtend over de nieuwe gang van zaken rond

de indicatiestelling in het kader van de nieuwe WSW. Het was nog helemaal duidelijk hoe een

en ander georganiseerd zou gaan worden, deelde de heer Bovens de commissie Personle

Aangelegenheden mee. Het streven was om op 1 januari 1998 een commissie te hebben, dei

voldoet aan de voorwaarden van de nWSW en die dan aan de slag kan. “Mocht die commissie

er dan nog niet zijn, dan worden er grote problemen voorzien in de toelating en vooral de

90


plaatsing van mensen”, zei hij.

Op 10 november vond de aanbesteding voor de nieuwbouw plaats en dat betekende dat

begin 1998 met de bouw zou kunnen worden begonnen, deelde Bovens de commissie

Personele Aangelegenheden mee aan het begin van de vergadering van 5 november 1998.

In november kon Gerard Bovens al een bouwplaat laten zien aan de commissie. De plaat

was nog ongekleurd, maar dat het “DZB reflex blue” een belangrijke kleurstelling zou gaan

worden, kon hij wel toezeggen. Er was een parkeerdak gepland, omdat er op straat niet of

nauwlijks geparkeerd kon worden. Er was ook een mogelijkheid om in de toekomst uit te

breiden. In april 1999 zou het gebouw opgeleverd kunnen worden.

Inmiddels kwam er meer duidelijkheid over de invoering van de nieuwe wet. Het doek zou

gaan vallen voor de vakbeweging. In het nieuwe model wordt haar rol overgenomen door de

arbeidsvoorziening, arbeidsdeskundigen, psychologen, een jurist en een medicus die niet

direct aan het bedrijf verbonden zijn. De commissie Personele Aangelegenheden, de opvolger

van de Plaatsingscommissie, hielden op te bestaan.

Op woensdag 11 februari 1998 viel het doek daadwerkelijk voor de Commissie Personele

Aangelegenheden. Om half zeven kwam de commissie voor het laatst bijeen in restaurant La

Cloche in de Kloksteeg. Daar werden de notulen van de laatste vergadering van 17 december

vastgesteld.

De WSW-commissie kwam op 18 februari 1998 nog bijeen. Toen was nog onduidelijk hoe

de indicatiecommissie, die formeel toetst, samengesteld moest worden. Leiden opteerde voor

een vertegenwoordiger uit de arbeidsvoorziening, de arbeidsintegratie (uvi/G.A.K.) en een

onafhankelijk psycholoog. Deze vertegenwoordigers staan, als adviescommissie,

onafhankelijk van de gemeente.

Op 19 februari werd er een intentie-overeenkomst voor het uitvoeren van de WIW

getekend door DZB en door de gemeentes in de regio Leiden. De overeenkomst zou twee jaar

geldig zijn.

Op 1 juli 1998 kwam de WSW-commissie weer bijelkaar, maar nu onder een andere naam:

de Regionale Commissie voor gesubsidieerde Arbeid, afgekort: de REGA. Zij was de oude

WSW-commissie, maar omdat de commissie niet alleen meer ging over de sociale

wqerkvoorziening, maar ook over de WIW, was zij uitgebreid met vertegenwoordigers van de

gemeenten Oegstgeest en Alkemade. De commissie bestond uit vertegenwoordigers van de

zorgsector: mw. R. van Aken (SPD Zuid-Holland-Noord), J. van Ek (Federatie van

Ouderverenigingen), mw. D. van Ravesteyn (GGZ DAC Zuid-Holland Noord), G. Scheurs

(De Zuidwester/SVG). Van de regiogemeentes waren J. Dool en J. den Hartog (Voorschoten),

L.Q. van der Ham en J. Stuijt (Zoeterwoude), mw. P. Kolman-Backbier en mw. R. Van

Oosterhoudt (Leiderdorp), F. Lempers (Alkemade) en mw. G. Kempen-Van Dommelen

(Oegstgeest) de vertegenwoordigers. Van de zijde van DZB hadden zitting G. Bovens

(directeur DZB), mw. B. de Groot en mw. J. Oosterling (O.R.-DZB), F. van Ulden, J. van der

Meijden, mw. C. van Eijnatten, mw. N. Bouman-Hulshoff en mw. J. Lesterhuis lid. C. v.d

Swet vertegenwoordigde het Arbeidsbureau, M. Stuit de werkgeversorganisatie RCO en van

de vakbeweging waren Th. de Wilde en Th. Wortel (F.N.V.), J. van der Windt en E. D’Haan

(C.N.V.) de leden. De commissie werd voorgezeten door J. Laurier, wethouder van de

gemeente Leiden en mw. J. Vink zorgde voor het verslag.

Gerard Bovens gaf uitleg over de nieuwe naam van de commissie.

“Al jaren bestond er in de regio Leiden”, zei hij, “een adviescommissie Sociale Werkvoorziening

die over tal van beleidsmatige zaken adviseerde. Omdat DZB vanaf 1 januari 1998, op

basis van contracten met de betreffende gemeenten, ook voor de uitvoering van de WIW zorg

draagt, is besloten het werkterrein van de oude commissie te verbreden” (Notulen 1 juli 1998).

91


De vergadering werd door voorzitter Laurier besloten met zijn vaststelling dat de SWcommissie

naadloos was overgegaan in een waardige opvolger: de Rega, die hij daarmee

officieel installeerde.

“Er is een geheel nieuwe periode aangebroken met zeer uitdagende opties”, sprak hij.

92


Geraadpleegde literatuur

1. Boeken, scripties, onderzoeksrapporten

Brand, W., J. Dispa e.a., Etnische minderheden in Leiden. Een leeronderzoek naar het verloop

van contacten tussen leden van minderheidsgroepen en diverse Leidse instanties.Leiden:

Rijksuniversiteit Leiden, subfaculteit Psychologie/Centrum voor Onderzoek van

Maatschappelijke Tegenstellingen, 1979.

Breure, J.A., Wet inschakeling werkzoekenden. Editie 1998. Lelystad: Koninklijke Vermande,

1997 (Vermandes teksten en toelichting).

Laurier, Jan en Nora Kornalijnslijper, “Sleutelen aan de toekomst”. Een verkenning naar de

sociaal-economische ontwikkelingen in de regio Leiden. Leiden: Rijksuniversiteit, Faculteit

der Sociale Wetenschappen, Onderzoekcentrum Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting,

december 1988.

Moes, Jaap, Van bedelstaf tot marktwapen. Sociale Werkvoorziening in Leiden na 1795.

Leiden: Dirk van Eck-Stichting. 1997.

Nieuwland, A.H., Garantiebanen voor jongeren in de regio Leiden. Onderzoek naar de

effecten van jeugdgarantiebanen op arbeidsinpassing, scholing en gedrag. Leiden: Leids

Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek, 1998.

Sluis, Peter, Handicap als marktwapen. Bewerking van de afstudeeropdracht van Gerard de

Koe. Leiden: DZB, 1995.

Sprundel, Ed van, Werkgelegenheid in Leiden. Werkgelegenheid in het beleid van de gemeente

Leiden van 1970-1974. Doktoraal-skriptie politieke wetenschap Rijksuniversiteit Leiden.

Oktober 1974.

Verhoog, Christine, Doorstroom van WSW-werknemers naar het bedrijfsleven. Een onderzoek

bij het bedrijfsleven naar plaatsingsmogelijkheen voor WSW-personeel. Scriptie in het kader

van de avondopleiding HEAO-EJ aan de Haagse Hogeschool. Januari 1993.

Walle, Kees, en Ankie Warmerdam, Over stdasvernieuwing en socialistiese beroepspraktijk.

Skriptie eindeindexamen Katholieke Sociale Akademie ’s-Gravenhage, 1976.

Wortel, Dick, en Mark Kranenburg, 80 jaar vakbeweging in Leiden. De geschiedenis van de

Leidsche Bestuurdersbond en het NVV in Leiden. Leiden: F.N.V., 1980.

2. Tijdschriften

De Vakbeweging. Geraadpleegde jaargangen 1952-1966.

‘Ondernemersmentaliteit en regionaal arbeidsmarktbeleid. Gedachten over een progressief

arbeidsmarktbeleid’. In: Socialisme en Democratie. Januari 1973.

3. Brochures, beleidsnota’s e.d.

Achtergrondinformatie ten behoeve van raadscommissie WSW d.d. 20 mei 1997. Gemeente

Leiden: Sociale Zaken (Dienst Economische en Sociale Zaken).

Actuele ontwikkelingen. Reader. Gemeente Leiden: DZB, najaar 1998.

Alles over de banenpool. FNV (L. Peeters), 1994.

Beleidsplan 1988-1992. Leiden: DZB, 1988.

Een brug naar werk. Voorbereiding en uitvoering Wiw en nWsw in Leiden en de Leidse regio.

Gemeente Leiden, Dienst Economische en Sociale Zaken, januari 1998.

DZB et le fin du siècle: DZB op weg naar de 21ste eeuw. Reader voor de thema-ochtend dd.

15 november 1996 [Leiden: DZB].

DZB et le fin du siècle, Deel II. Reader met achtergrondinformatie voor werkconferentie d.d.

11 april 1997 [Leiden: DZB].

93


ESZ en DZB samen op weg naar nWSW en WIW. Reader met achtergrondinformatie voor

werkconferentie d.d. 20 maart 1997 [Gemeente Leiden: Sociale Zaken. Dienst Economische

en Sociale zaken].

De F.N.V.-vertegenwoordiger in de WSW. Epe: Scholingsinstituut F.N.V., 1988.

Gelijkheid vergt beschaving. Commentaar op het wetsvoorstel nWSW. AbvaKabo, 14

augustus 1996.

Graaf, L. de, Opening door de heer - , voorzitter NOSW. NOSW besturen Congres 15 juni

1995. (In: Tweede rapportage van de Commissie Houben over de toekomst van de SW).

Houben op een rij. Reader ten behoeve van de thema-ochtend “Houben op een rij” op

woensdag 1 februari 1995 [Leiden: DZB].

Leiden nog steeds in last. Commentaar op het Economisch beleidsplan en Zicht op werk.

F.N.V., afdeling Leiden, 1985.

Leids werk in diskussie. Kiezen voor kansen 1986-1990. F.N.V., afdeling Leiden, 1985.

Meetintrument Doeltreffendheid Sociale Werkvoorziening. Verslag van een onderzoek,

voorzien van enkele beleidsmatige beschouwingen door de projectgroep Budgetfinanciering,

decentralisatie en deregulering sociale werkvoorziening. Ten behoeve van de door rijksconsulenten

Sociale Zekerheid georganiseerde bijeenkomsten. [’s-Gravenhage:] Ministerie van

Sociale Zaken en Werkgelegenheid, April 1989.

Naar een geïntegreerde werkvoorziening. Samenspel in het doelgebied. De F.N.V.-visie op de

toekomstige ontwikkeling van de sociale werkvoorziening. 28 januari 1992 [Amsterdam:

F.N.V.].

Nieuwe Wet Sociale Werkvoorziening. Advies Raad van State. Rapport van minister Melkert

aan de Koningin. Juli 1996 [Leiden: DZB].

De nieuwe wet Sociale Werkvoorziening (nWsw), de wet Inschakeling Werkzoekenden (Wiw)

en De Zijl Bedrijven. Actuele ontwikkelingen waar DZB mee te maken krijgt. Reader n.a.v.

voorlichtingsbijeenkomsten nWSW/WIW. Oktober 1997 [Leiden: DZB].

Ontwerp economisch beleidsplan. Deel 1; Bouwstenen voor een economisch beleidsplan. Deel

2. Leiden: Gemeente Leiden, Afdeling Economische Aangelegenheden en Bedrijven (EAB),

november 1980. 3. Economisch beleidsplan. Reacties en commentaren. November 1981.

Op zoek naar nieuwe Toegevoegde Waarden. Thema-ochtend 20 november 1991 [Leiden:

DZB].

Opzet practisch economisch beleid. Gemeente Leiden: Afdeling Economische Zaken, Sociografie

en Statistiek, z.d. [1975].

Projectplan leer/werkbedrijf DZB. Projectplan als advies aan het managementteam van DZB.

Leiden: DZB, januari 1997.

Regeling indicatie sociale werkvoorziening. Supplement bij de Nederlandse Staatscourant van

11 november 1997, nr. 217.

De Renaissance van een marktwapen. Inleiding van jan Laurier, wethouder van Leiden ter

gelegenheid van de boekpresentatie: “Van bedelstaf tot marktwapen” in de Stadsgehoorzaal te

leiden op 19 september 1997.

Samenspel of knokpartij. Kies maar. AbvaKabo antwoordt op “Alemaal even slecht is ook

gelijk”. Zoetermeer: AbvaKabo, 20 april 1994.

Samenwerking bij het toeleiden en creëren van werk in Leiden. Gecombineerde uitvoering van

WSW, Banenpool, JWG, Melkert-experimenten enz. Onderzoek door Coopers & Lybrand,

Utrecht, juni 1995.

Sociale Vernieuwing en de FNV Zuid-Holland. Een handleiding. F.N.V.-district Zuid-

Holland, maart 1991.

De toekomst van de sociale werkvoorzieing (op korte en lange termijn). Visie van de SW-

94


edrijven.’s-Gravenhage: NOSW, mei 1995.

Tweede rapportage van de Commissie Houben over de toekomst van de SW + commentaren

Leiden: DZB, juni 1994.

Van Houben naar Melkert: de toekomst van de gesubsidieerde arbeid in de Leidse regio.

Programma DZB themamiddag d.d. 29 november 1995 [Leiden: DZB].

Weijer, P.J. de, Bedrijven in de Leidse binnenstad. Amsterdam: Resaerch Instituut Gebouwde

Omgeving, november 1983.

Werving, bedrijfscomtacten en doelgroepenbeleid. Gemeente Leiden: EZE, juni 1988.

Zicht op werk. Een planmatige aanpak van de Leidse werkloosheidsproblematiek. Economisch

beleidsplan. Evaluatie en bijstelling. Leiden: EZE, november 1984 / oktober 1985.

4. Archieven

Persoonlijk archief D. Wortel:

Jaarverslagen van de Leidsche Bestuurdersbond en de N.V.V./ F.N.V.-afdeling Leiden

1937-1998.

Jaarverslagen N.K.V., afdeling Leiden

Jaarverslagen Christelijke Besturenbond Leiden

Notulen van de F.N.V.-afdeling Leiden 1976-1984

Notulen van het Overlegorgaan F.N.V./C.N.V. Leiden, 19..

Notulen WSW-commssievergaderingen, Plaatsingscommissie en Commissie Personele Aangelegenheden

1985-1999

Notulen Stichting Weerwerk 1995 -1998

Overige archieven:

Op band opgenomen gesprekken met Th. de Wilde en J.G. Lamers (+).

95

Similar magazines